-ocr page 1-
-ocr page 2-

Kast 175 PI. F N0.2T

-ocr page 3-
-ocr page 4-

RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

\\

c

v

0316 2850

-ocr page 5-

UA, //.jfó/## // // ^ ■ ,

NEDERLANDSCHE

SPRAAKKUNST

DOOR

T. TERWEY,

IN LEV RN LRRRAAR AAN DR KWRRKSCHOOL VOOR ONDRRWMZRRS RN ONDERWIJZERESSEN TE AMSTRRDAM.

TE GRONINGKN BIJ J. B. WOLTERS, 1897.

ELFDE DRUK, NAGEZIEN DOOR M. MIERAS.

-ocr page 6-

STOOMDRUKKERIJ VAN J. B. WOLTERS.

-ocr page 7-

VOORBERICHT VOOR DEN ZEVENDEN DRUK.

Dat de verschijning van mijn werkje „Beginselen der Nederlimdschc Spraakkunst\'\' ongeveer terzelfder tijd, dat de zesde druk dezer Spraakkunst was uitverkocht, niet zonder invloed gebleven is op den inhoud van dezen nieuwen druk valt licht te begrijpen. Was het bij \'t schrijven dier „Heginselenquot; mijn streven, de stof zoodanig te beperken, dat deze niet te omvangrijk mocht heeten voor\' jotrgeiiedeir, die \'t examen van onderwijzer of onderwijzeres nog in quot;t verschiet hebben, nu had ik gelegenheid, in deze „Nederlandschc Spraakkunstquot;, die voor meergevorderden bestemd is, zotrder het karakter van het boek te wijzigen, hier en daar wat aan te vullen err uit te breiden. Den lezer\', die dezen druk met den vorigen vergelijkt, zal dit op verschillende plaatsen van zelf in \'t oog vallen Bovendien heb ik vrij wat wijzigingen aangebracht, die gedeeltelijk het gevolg zijn van veranderde inzichten en gedeeltelijk, naar ik hoop, zullen strekken tot verduidelijking van het behandelde.

De verkorting van den titel zal, in verband met de bestemming van het boven-genoemde kleinere werkje, wel geene verklaring behoeven. Ik heb ook de voorrede voor den eersten druk weggelaten, daar deze voornamelijk bestemd was om de redenen te ontvouwen, waarom ik de grammatische verschijnselen meende te moeten behandelen in die orde, waarin ze ook nu nog voorkomen en ik deze redenen thans zeker als genoegzaam bekend mag veronderstellen.

Moge deze zevende druk even welwillend ontvangen worden als de vorige!

Amsterdam, 8 Mei 1888. T.

VOORBERICHT VOOR DEN ACHTSTEN DRUK.

Deze druk is behoudens enkele kleine verbeteringen geheel gelijk aan den vorigen.

Amsterdam, November 1889. T.

VOORBERICHT VOOR DEN NEGENDEN DRUK.

Met een gevoel van diepen weemoed schrijf ik dit korte voorbericht: het was mijn onvergetelijken vriend Terwev niet vergund zelf de laatste hand aan zijn werk te leggen. Wel heeft hij nog op zijn ziekbed, dat zoo spoedig zijn sterfbed zou worden, de proeven van een der laatste vellen nagezien; toen hij do pen neerlegde, was ook het einde daar van zijn kort, maar welbesteed leven.

Eene der uitmuntendste vruchten van zijn arbeid is ongetwijfeld dit boek, dat in

-ocr page 8-

ons taalonderwijs eene hervorming bewerkte en dat buitengewone belangstelling opwekte en liooge waardeerhig verwierf ook buiten den kring van hen, voor wie het bestemd was.

Deze nieuwe druk getuigt op nieuw van Terwey\'s wetenschappelijke nauwgezetheid en voorzichtigheid, van zijne ongewone helderheid en degelijkheid, die terecht bij zijn overlijden door een zijner vroegere collega\'s geroemd werden. In het voorjaar, nog voordat de slepende ziekte, die reeds lang zijn leven bedreigde, zich ten hevigsten en laatsten aanval verhief, had hij den negenden druk geheel voor de pers gereed gemaakt. Deze uitgave is dus uitsluitend zijn werk, alle veranderingen zijn van zijne hand. Ik heb alleen de drukproeven der laatste vellen behoeven na te zien.

Rij vergelijking van dezen druk met deu vorigen blijkt, hoe Terwey voortdurend trachtte zijn boek to volmaken. Er is haast geene enkele bladzijde, waarin niet grooter of kleiner wijzigingen zijn aangebracht. Zijne paedagogische ervaring had hem steeds scherper doen letten op afscheiding van hoofd- en bijzaken. Vandaar dat in dezen druk de laatste als ophelderende aanmerkingen met kleiner letter gedrukt zijn. Ook door verplaatsing van enkele hoofdstukken en paragrafen heeft mijn vriend gestreefd naar eene helderder behandeling der stof. Op die wijze is er b.v. in het Eerste Boek in de leer van den volzin, met name van het onderschikkend zinsverband, veel quot;gewijzigd.

Terwey was geen aanhanger van het: „Wat ik geschreven heb, blijft geschreven.quot; Waar voortgezette studie of het betoog van anderen zijne inzichten wijzigde, schroomde hij niet eene vroegere opvatting prijs te geven en daarmede in zijne boeken rekening te houden. Zoo werd in dezen druk menige alleiding, die reeds schijnbaar vaststond, maar die later werd betwijfeld, door hem geschrapt, evenals trouwens in het hoofdstuk over woordvorming veel veranderd werd. Soms bestaan de wijzigingen in schijnbare kleinigheden, zooals b.v. de bepalingen van enkele woordsoorten, de verdeeling der werkwoorden, maar kleinigheden, die \'t gevolg zijn van nauwgezette, diepe studie.

Ik twijfel dan ook niet, of deze Spraakkunst zal, zooals zij nu voor ons ligt, op nieuw velen eene welkome handleiding zijn. En zoo getuige, ook nog na zijn dood, dit voortreU\'elijke boek van de uitnemende gaven van mijn diepbetreurden vriend

Wageningkn , 18 October 1893. C. HON1GH.

VOORBERICHT VOOR DEN ELFDEN DRUK.

In dezen druk zijn enkele veranderingen aangebracht in het hoofdstuk over de woordsoorten.

Ook is hier en daar iets geschrapt , waaromtrent de wetenschap twijfel laat bestaan. Asisterdam, 3 Augustus 1897. M. MIERAS.

-ocr page 9-

INHOUD.

IJfl.EllOTG. Black.

ïaal en Spraak. — Spraakkunst................1

EERSTE BOEK.

DE VOLZIN EN ZIJNE DEELEN.

I. DE VOLZIN IN HET ALGEMEEN.............3

11. DE ENKELVOUDIGE VOLZIN..............4

III. NADERE BESCHOUWING VAN HET GEZEGDE.........10

IV. DE ELLIPS IN DEN ENKELVOÜDIGEN ZIN..........13

V. DE SAMENGESTELDE VOLZIN..............14

VI. DE NEVENSCHIKKENDE ZINSVERBINDING..........14

Vil. HET ONDERSCHIKKEND ZINSVERBAND...........20

a. Onderwerps-, Gezegde- en Voorwerpszinnen. . . 20

b. Bij voeglijke zinnen.............23

c. Bijwoordelijke zinnen............24

1. plaatsbepalende zinnen............24

2. tijdbepalende zinnen.............25

3. omstandigheidszinnen............26

4. voorwaardelijke zinnen............26

5. toegevende zinnen.............28

6. beperkende zinnen.............29

7. redengevende zinnen.............30

8. doelaanwijzende zinnen............31

9. gevolgaanduidende zinnen...........32

10. vergelijkende zinnen.............33

11. verhoudingszinnen.............35

Vlll. NEVENGESCHIKTE ZINNEN, DIE GELIJKGESTELD KUNNEN WORDEN

MET BIJZINNEN.................36

IX. ZINDEELEN, DIE GELIJKGESTELD KUNNEN WORDEN MET BIJZINNEN . 37 X. BIJZINNEN EN BEKNOPTE BIJZINNEN, DIE NADERE BESCHOUWING

VEREISCHEN..................40

XI. DE ELLIPS IN DEN SAMENGESTELDEN ZIN.........42

-ocr page 10-

INHOUD.

TWEEDE HOEK.

de avookd soorten in den volzin.

Bladz.

I. zelfstandige naainvoouden.............43

II. bijvoeglijke naamwoorden.............45

III. voornaamwoorden................47

1. persoonlijke voornaamwoorden...........47

2. bezittelijke voornaamwoorden...........49

3. aanwijzende voornaamwoorden...........50

4. bepalingaankondigende voornaamwoorclen.......50

5. vragende voornaamwoorden............51

6. betrekkelijke voornaamwoorden..........51

7. onbepaalde voornaamwoorden...........53

IV. telwoorden.........\'........54

V. lidwoorden..................56

VI. werkwoorden..................58

VII. bijwoorden....................G4

VIII. voorzetsels..................(57

IX. voegwoorden..................G8

X. tüsschenwerpsels . \'..............08

DERDE BOEK.

de beteekenis en het gebruik der buigingsvormen.

i. geslacht...................70

II. getal....................77

III. naamval...................79

IV. trappen van hoedanigheid of vergelijking.......85

V. wijzen....................87

VI. tijden....................9;-5

VU en VlII. persoon en getal.............97

IX. de deelwoorden en de infinitief...........98

X. overeenstemming in buigingsvormen..........103

VIERDE BOEK.

de verbuiging der woorden.

i. het zelfstandig naamwoord.............108

Het enkelvoud.................108

Het meervoud.................109

u. het bijvoeglijk naamwoord.............113

VI

-ocr page 11-

rNHnro.

Bladz.

TTT. het vooenaaitwoord...............118

a. het persoonlijk voornaamwoord..........118

h. liet bezittelijk voornaamwoord...........120

c. het aanwijzend voornaamwoord..........121

d. het vragend voornaamwoord...........122

e. liet bepaling-aaiikondigeud voornaamwoord.......123

f. hot betrekkelijk voornaamwoord..........124

g. het onbepaalde voornaamwoord..........124

IV. het telwoord..................124

V. het lidwoord..................126

VI. het werkwoord.................127

VIJFDE BOEK.

de vorming der woorden.

I. over woordvorming in \'ï algemeen..........141

11. de vorming der werkwoorden............144

IH. de vorming der zelfstandige naamwoorden.......150

IV. de vorming der bijvoeglijke naamwoorden.......156

V. de vorming der voornaamwoorden..........158

VI. de vorming der telwoorden.............159

VII. de vorming der bijwoorden.............160

VIÏÏ. de vorming der voorzetsels.............162

IX. de vorming der voegwoorden............163

ZESDE BOEK.

de letters en haar gebruik.

i. de letters in \'t algemeen.............165

n. de klinkers..................166

III. de medeklinkers.................167

IV. bijvoeging en weglating van klinkers en medeklinkers. -

klankverspringing...............168

V. de spelling..................171

a. de klinkers.................172

b. de tweeklanken................176

c. de medeklinkers...............177

d. de spelliug der vreemde woorden.........179

e. de hoofdletters................180

f. het koppel- en samentrekkingsteeken ........ 181

AaShangsel. Het gebruik der leesteekene ........ 181

vu

-ocr page 12-

VERKORTINGEN.

B. = Hildebrand = Beets. Bg. = Bogaers.

B. T. = Mevrouw Bosboom-Toussaint. B. v. d. B. = Bakhuizen van den Brink.

G. = Geel.

De G. = De Génestet.

H. = Hasebrook.

L. = Lindo = de Oude Heer Smits.

V. L. = Jacob van Lennep.

P. = Potgieter.

V. d. P. = Van der Palm.

Sch. = Schimmel.

St. = Staring.

Stb. = de Statenbijbel.

A. T. = Alberdingk Thijm.

T. = Tollens.

-ocr page 13-

INLEIDING.

TAAL ESquot; SPRAAK. - SPRAAKKUNST.

\'§ 1. Door het woord taal verstaat men gewoonlijk spreek- of schrijftaal.

§ 2. De taal in het algemeen is het middel, dat den mensch in •staat stelt, te denken en zijne gedachten uit te drukken. Eene taal is het middel, waardoor een bepaald volk dat doel tracht te bereiken.

De spraak is öf het vermogen om te spreken, of het spreken zelf. \'Enkele malen gebruikt men spraak in denzelfden zin als taal.

Opmerking. Afgescheiden van het vraagstuk, of ook de dieren denken en of deze dan ook hunne taal hebben staat het vast, dat de mensch nimmer denkt dan in en door middel der taal. Denken zou men stil spreken, spreken hardop denken kunnen noemen.

§ 3. Er zijn levende en doode talen. De laatste worden alleen ■aangeleerd nit de geschriften, die er in die talen bestaan en kunnen dus geene veranderingen meer ondergaan. De eerste worden nog tegenwoordig door een geheel volk gesproken en zijn aan voortdurende verandering onderworpen.

De talen der onbeschaafde volken, die alleen gesproken worden, •ondergaan soms in korten tijd groote veranderingen.

De talen der beschaafde volken, die ook geschreven worden, wijzigen zicli slechts zeer langzaam. De schrijftaal houdt toch de herinnering levendig aan tal van woorden, woordvormen enz., die anders spoediger •vergeten zouden worden. Toch moet op den duur de schrijftaal zich schikken naar de wijzigingen, die de spreektaal heeft ondergaan.

t. terwey, Ned. Spraak];. 11e druk. 1

-ocr page 14-

§ 4. De taal, die door de beschaafde Nederlanders wordt gesproken en geschreven, draagt den naam van Neclerlandsche taal. Ook in een deel van \'t Koninkrijk België wordt deze taal gebruikt; daar wordt zij veelal Ylaamsoh genoemd.

De talen, die, naast de algemeene taal, alleen in bepaalde streken van ons land gesproken, maar zelden geschreven worden, heeten tongvallen (dialecten). Het aantal tongvallen zal grooter of kleiner zijn, naarmate men meer op het verschil of de overeenkomst tusschen de dialecten let. Drie hoofdtongvallen zijn echter duidelijk te onderscheiden: het Frankisch, het Saksisch en het Friesch. Uit den eerstgenoemden is, onder invloed van de beide andere, in den loop der tijden de algemeene Nederlandsche spreek- en schrijftaal ontstaan.

§ 5. Do Nederlandsche taal behoort met het Hoogdnitsch, het Engelscli en de Skandinavische talen (Deensch, Zweedsch, IJslandsch) tot de Germaansche spreek- en schrijftalen. Deze talen hebben een gemeenschappe-lijken oorsprong en komen daardoor in vele opzichten met elkander overeen.

§ 6. De Spraakkunst ontleent hare regelen aan de beschaafde spreek- en schrijftaal. Zij brengt alleen onder woorden, wat in beide in eene bepaalde periode bestaat en heeft niet tot taak, willekeurige voorschriften te geven. Alleen tracht zij, voorzoover dit voor de lezers wen-schelijk en mogelijk is, de taalverschijnselen te verklaren.

§ 7. De hierachter volgende Spraakkunst omvat a. de bepaling en verklaring van verschillende taalbegrippen, aan alle of vele talen gemeen 7 b. eene geordende samenvatting der regelen, waarnaar de Nederlandsche taal in de 19e eeuw is en wordt gesproken en geschreven.

Zij houdt zich daarom bezig met de beschouwing van den volzin en zijne deelen, van de woordsoorten, van de beteekenis en het gebruik der buigingsvormen, met de buigingsvormen zelf, met de vorming der woorden, met de klankleer en de spelling.

-ocr page 15-

EERSTE BOEK.

DE VOLZIN EN ZIJNE DEEL EN.

I. DE VOLZIN IX HET ALGEMEEN.

§ 1. Door een zin of volzin verstaat men een woord of eene reeks van woorden, waardoor eene gedachte wordt uitgedrukt: LuisterI Ik. (ja. De zon schijnt. Is hij te kuis? Er xijn vier jaargetijden. Een mooi paar! Rechts honden.\' Versehe haring!

§ 2. Eene gedachte ontstaat door de verbinding van ten minste twee voorstellingen: a. de voorstelling eener zelfstandigheid, waarover men denkt, h. de voorstelling van datgene, wat men aangaande deze zelfstandigheid denkt.

§ 3. Wanneer nu eene gedachte in een zin wordt uitgedrukt, kan men daarin dus ook twee bestanddeelen verwachten: a. één of meer woorden, die bij den hoorder de voorstelling moeten verwekken der zelfstandigheid, waarover de spreker heeft gedacht: het onderwerp, h. één of meer woorden, die de voorstelling moeten verwekken van datgene, wat hij aangaande deze zelfstandigheid heeft gedacht: het gezegde.

Bovendien kan men daarin eene of andere aanduiding verwachten, dat die beide voorstellingen in den geest van den spreker zijn verbonden. Dit laatste geschiedt in onze taal door raiddel van den buigingsvorm van het werkwoord, dat in het gezegde voorkomt. De haan kraait De Koning leve.\' Hij is ziek. God zij ons genadig, welke zinnen men vergelijke met de losse woorden: De haan kraaien. Dc Koning leven. Hij ziek zijn, enz.

Opmerking. Dat echter in een volzin niet noodzakelijk de bovengenoemde bestanddeelen behoeven voor te kornen, blijkt uit het eerste en de drie laatste voorbeelden van S 1- In geen van alle komt een onderwerp voor, terwijl in de drie laatste ook nog elke aanduiding der verbinding ontbreekt en toch worden in al deze voorbeelden wel degelijk gedachten uitgedrukt.

\\*

-ocr page 16-

4

§ 4. Wanneer men eene gedachte in een volzin uitdrukt, heeft men daarmede ten doel, iets mede te deelen, iets te vragen of iets te gebieden. Een volzin bevat dus eene mededeeling, eene vraag of een gebod: Gisteren was hij ziek. Is hij nu weer heter ? Vraag het hem zelf.

§ 5. De naam van den aangesproken persoon, hetzij deze werkelijk een persoon is of als zoodanig wordt voorgesteld, staat buiten de grenzen van den volzin en maakt dus geen zindeel uit: Jongens, laten wij aan het werk gaan! Blink in de zonne, hcukentopSteekt, popels, groene spitsen op. Besneenw u, hagedoren! Riek geurig, dunne herkentak. En linde! sprei uw looverdak. (B.)

§ G. De volzinnen worden onderscheiden in enkelvoudige en samengestelde. Een enkelvoudige volzin drukt slechts ééne gedachte uit, een samengestelde bevat twee of meer gedachten, die met elkaar een geheel vormen: De vogel vliegt. Toen de zon opkwam, verdween de morgenster.

II. DE ENKELVOUDIGE VOLZIN.

§ 7. In zijn eenvoudigsten vorm bestaat het onderwerp van den enkelvoudigen volzin uit een woord, dat eene zelfstandigheid vertegenwoordigt of iets, dat als eene zelfstandigheid wordt gedacht: Vader vertrekt. Vier is een getal. Werken is gezond.

In zijn eenvoudigsten vorm bestaat het gezegde van den enkelvoudigen zin uit:

a. een woord, dat eene werking noemt, die van het. onderwerp uitgaat, die het onderwerp ondergaat of door welke het onderwerp wordt voortgebracht: De leerlingen luisteren. De vertelling werd herhaald. Het plan irerd ontworpen.

lgt;. een woord, dat eene hoedanigheid, toestand of betrekking aan het onderwerp toekent, benevens het woord, dat deze hoedanigheid, enz. uitdrukt: Jan Uijft vlijtig. Hij is ziek. Zij blijft onderwijzeres. Het eerste woord heet dan het werkwoordelijk, het laatste het naamwoordelijk deel van het gezegde.

§ 8. Het onderwerp en het gezegde van den enkelvoudigen volzin kunnen ook, één van beide of beide, bepalingen inhouden, die soms op hare beurt weer van bepalingen zijn voorzien: De nachtegaal zingt een heerlijk, lied. Het kind van onzen burgemeester is heel ziek.

Bepalingen zijn zindeelen, die de voorstelling, door een ander zindeel verwekt, nauwkeuriger begrenzen, door eene of andere bijzonderheid betreffende die voorstelling uit te drukken. Vergelijk: Er ligt een hoek op de tafel en Er ligt een dik hoek op de tafel. Hij schrijft en Hij schrijft een brief. Het huis is afgebrand en Het huis is gisteren afgebrand of Het huis is door onvoorzichtigheid afgebrand.

§ !). Ofschoon alle bepalingen van onderwerp of gezegde mede tot dat onderwerp of gezegde behooren, geeft men ook wel, beknoptheids-halve, den naam van onderwerp en gezegde aan die deelen van den

-ocr page 17-

5

zin, welke er overblijven, wanneer men het eigenlijke onderwerp of gezegde van alle bepalingen heeft ontdaan.

§ 10. De bepalingen kunnen onderscheiden worden in voorwerpen, bijwoordelijke en bijvoeglijke bepalingen.

§ 11. Voorwerpen noemt men zulke bepalingen, welke de zelfstandigheden beteekenen, die noodzakelijk bij de werking of de hoedanigheid, in \'t gezegde uitgedrukt, zijn betrokken, d. i. die daarop invloed, uitoefenen of den invloed daarvan ondervinden: Hij verbrandde dit papier. Mij overkwam dit ongeval. Ik dacht aan mijn broeder. Hier beteekenen dit papier, mij, mijn broeder de zelfstandigheden, die noodzakelijk zijn betrokken bij de werkingen verbranden, overkomen^ denken. Die man is mij vreemd. Hij is bedroefd over dat verlies. Hier beteekenen mij en dat verlies do zelfstandigheden, die noodzakelijk betrokken zijn bij de hoedanigheden vreemd en bedroefd.

Opmerking. Al zijn de voorwerpen noodzakelijke aanvullingen der beteekenis van het gezegde, toeli worden zij niet altijd uitgedrukt; er bestaat dan eene of andere omstandigheid, die het onnoodig of ongewenscht maakt, de voorwerpen te noemen: Wat doet \'jij daar\'? Jk lees. Wat hebt gij yeyeven? Ik heh maar een gulden gegeven. Hoe hield hij zich? Hij schaamde zich zeer.

De betrekkingen, waarin de voorwerpen tot de werking of hoedanigheid staan, zijn van drieërlei aard:

1°. kan een voorwerp de zelfstandigheid beteekenen, die de werking van ;t onderwerp ondergaat of daardoor wordt voortgebracht. In beide gevallen draagt het den naam van lijdend voorwerp: Ik heb dien man meermalen gezien. De hakker bakt brood.

2°. kan een voorwerp de zelfstandigheid beteekenen, die als belanghebbende bij de werking of hoedanigheid, in \'t gezegde uitgedrukt, is betrokken. Het draagt dan den naam van belanghebbend voorwerp: Hij gaf den bedelaar een aalmoes. De wind ontrukte den boom een tak. Hij kocht een prentenboek voor %ijn zusje. Dat bericht teas mij zeer aangenaam. Voor hem was het zeer treurig.

3°. kan een voorwerp de zelfstandigheid beteekenen, die de aanleiding is tot de werking of hoedanigheid, in \'t gezegde uitgedrukt. Het maakt dus de werking of hoedanigheid mogelijk. Daarom noemt men het oorzakelijk voorwerp: Gedenk onzer ellende. Hij was mijner woorden indachtig. Wij ivaren het spoor bijster. Zij zijn hun lot getroost. Hebt gij aan mijn verzoek gedacht ? Vertrouw op God. Ik bekommer mij niet over zijne bedreigingen. Hoed u \'voor den schijn des kwaads. Haak niet naar wereldsche eer. Die jongen stoorde zich niet aan de bevelen zijns vaders. Hij beriep zich op hel getuigenis zijner vrienden. Gelooft gij nog aan zijne dwaze beweringen ? Ik ben benieuwd naar den afloop der zaak. Hij teas onbewust van H nakend onheil. Ik ben niet op zijne bezoeken gesteld.

Opmerking. Zooals men ziet, bestaan de oorzakelijke voorwerpen uit een naamwoord in den 2en naamval, een naamwoord in den 4en naamval of een naamwoord, door een voorzetsel voorafgegaan.

Bestaan ze uit een naamwoord met voorzetsel, dan komen ze in uiterlijk

-ocr page 18-

6

overeen met vele van de hierachter behandelde bijwoordelijke bepalingen. Men kan ze echter van deze altijd onderscheiden, doordat ze, als voorwerpen, noodzakelijke aanvullingen zijn van \'t gezegde en steeds antwoorden op de vraag: met betrekking lot of ten opzichte van wie» of wat?

Zulke oorzakelijke voorwerpen beginnen ook steeds met een bepaald voorzetsel, bijv.; luisteren naar (iets), vreezen voor, hopen op, denken aan, rekenen op, twijfelen aan, zich hekommeren om of over, zich bemoeien met, bereid tol, afhankelijk van, nieuwsgierig naar, verwonderd over, ingenomen met, enz. Men vergelijke hiermee; loopen in, door, over, op, uit, lusschen, enz., terugkomen voor, na, in, op, over, enz.

§ 12. Ofschoon de voorwerpen meestal eene bepaling van \'t gezegde uitmaken, kunnen zij ook bij andere zindeelen behooren. Uit is namelijk het geval, wanneer deze het begrip eener werking of hoedanigheid inhouden, wanneer zij dus infinitieven, deelwoorden of bijvoeglijke naamwoorden zijn: God vrcexen is een goed begin. Den armen wel fe doen is onxe plicht. Voor spoken te vreezen zou eene dwaasheid zjn. De hem vijandige par lij. De van hem afhankelijke menschen.

§ 13. Bijwoordelijke bepalingen zijn zulke, die, zonder voorwerpen te zijn, behooren bij eenig zindeel, dat geene zelfstandigheid betee-kent. Zij komen dus behalve bij \'t gezegde ook bij andere zindeelen.

Men verdeelt de bijwoordelijke bepalingen in;

ln. bepalingen van plaats: Wij zijn in de stad. Wij gaan naar huiten. Ik kom ran Amsterdam. Wij blijven hier. Zij gingen daarheen. Het daar liggende pakket.

2°. bepalingen van tijd: Verleden week heb ik hem gesproken. Gisteren zijn wij thuis gekomen. De toen aangebrachte waren.

3°. bepalingen van hoedanigheid: Hij heeft met ijver gewerkt. De soldaten hebben dapper gestreden. Zij togen haastig opt weg. Hoe hebt gij dit aangelegd?

4°. bepalingen van hoeveelheid en graad; Hij heeft veel gewandeld. De plnnk was drie duim dik. Het huis is drie verdiepingen hoog. De kist woog vijftig pond. Dit boek kost drie gulden. Hij woont drie uur ver.

Wij hebben ons kostelijk vermaakt. Hij heeft zich erg bezeerd. Het kind was heel ziek. Ik heb zeer hard geloopen.

5°. bepalingen van omstandigheid. Zij vermelden eene bijzonderheid, die de werking of hoedanigheid vergezelt, maar niet van invloed is op de werking of den toestand: Hij is met zijne vrouw op reis gegaan. Onder eene hevige regenbui bereikten wij de stad. Vergeefs hebben wij op zijne terugkomst gewacht. De meid mocht slechts een uurtje uit. Hij bleef onder al die drukte even bedaard. Hij liet mij zonder antwoord staan.

Opmerking. Ten einde deze bepalingen wel van andere te onderscheiden, merke men op, dat zij steeds gelijk staan met een bijzin, die met terwijl begint. Zoo zou men voor de bovenstaande bepalingen kunnen zeggen; terwijl zijne vrouw bij hem ivax, het hard regende, hij niet terugkwam, zij langer had willen uitblijven, het erg druk was, hij mij nilt antwoordde.

G0. bepalingen van voorwaarde; Ingeval van overstrooming hebben

-ocr page 19-

7

wij niets tc vreezen. Op voorwaarde van ondencerpinu zal u het leven gespaard teerden. Bij meer hulp zal ik ivel Maar loi/ien. In moeilijke tijden hint gij op mij relienen.

7°. bepalingen van toegeving; Ondanks den hevigen wind besloot men tot den overtocht. 11: zal de zaak doorzetten in weerwil van zijne tegenwerking. Niettegenstaande de felle koude icerkten zij hard door.

8°. bepalingen van beperking: Voor zijn leeftijd is hij nog heel kras. Ten opzichte van dit punt hen ik het niet met u eens. In dit opzicht heeft hij gelijk. Buiten, behalve mijne moeder wist niemand er van.

Opmerking. Ten einde de drie laatste soorten van bepalingen we! te onderscheiden, vergelijke men ze met voorwaardelijke, toegevende en beperkende bijzinnen: wanneer er overslrooming komt, ofschoon het hard woei, voorzoo-verre men naar zijn leeftijd oordeelt, ivat dit punt betreft, behalve dat mijne moeder het wist.

9quot;. bepalingen van oorzaak, middel, reden en grond: Door eigen schuld kwam hij in de gevangenis. Door den storm werd het schip tegen de rotsen verbrijzeld. Hij stierf van schrik , van honger.

Moeder snijdt boterhammen met het groote broodmes. Zij hebben mij niet fraaie beloften gepaaid. Door middel van groote kranen hijscht men de zwaarste lasten ziit de schepen.

Uit medelijden nam hij die kinderen op. Om zijne ondeugendheid werd hij gestraft. Uit aanmerking van hare trouwe diensten besteedde de familie haar op een hofje. Uit hoofde van sterfgeval wordt dit pereeel te koop ■aangeboden. Tengevolge van zware verliezen trokken de onzen terug.

Met zijn ijzersterk gestel kan hij teel honderd jaar worden. Door deze ■daad moet hij velen van zich vervreemd hebben. Wegens die lang met malsche bejegening zal hij voortaan wel wegblijven.

Opmerking. Ten einde het verschil tusschen deze soorten van bepalingen wel in te zien, merke men op;

ff. dat eene oorzaak eene omstandigheid is. die noodzakelijk een zeker gevolg met zich brengt, indien ten minste eene andere oorzaak dit niet belet.

b. dat een middel eene soort van oorzaak is, maar dat opzettelijk aan-gewend wordt, om zeker gevolg te voorschijn te roepen.

c. dat eene reden eene omstandigheid is, die den wil beweegt, zeker gevolg te voorschijn te roepen. Er kan dus zeer goed ergens eene reden voor \'bestaan, terwijl toch het gevolg achterwege blijft.

d. dat een-grond eene waarheid bevat, waaruit het oordeel eene andere waarheid, eene gevolgtrekking alleidt. Zoo leidt men in de bovenstaande zinnen uit de waarheid, dat hij een ijzersterk gestel heeft, dat hij deze daad heeft rjejileegd, dat hij die bejegenimj heeft ondervonden, af, dat hij reet honderd jaar kan u-orden , enz.

10°. bepalingen van doel: Mijn neef is tot herstel zijner gezondheid maar Dwksdliland gegaan. Hij schrijft om den Irroode. Wij leeren voor .het leven.

11°. bepalingen van gevolg: Tot mijn leedwezen moet ik n dit melden. Tot vreugde zijner ouders groeide het kind voorspoedig op.

-ocr page 20-

8

Opmerking. 1. Het verschil tusschen de bepalingen van doel en gevolg\' bestaat hierin, dat de eerste een wel gewild, maar nog onzeker gevolg uitdrukken.

Opmerking. 2. De bepalingen, onder 0, 10, 11, vermeld, lijken soms heet veel op oorzakelijke voorwerpen, die bestaan uit een voorzetsel meteen naamwoord. Zij kunnen daarvan echter altijd onderscheiden worden, doordat zij antwoorden op de vragen; door welke oorzaak, door welk middel, om welkereden, op welken grond, met welk doel, mei tvelk gevolg, terwijl dit bij de oorzakelijke voorwerpen nooit het geval is.

§ 14. Bij voeglijke bepalingen dienen ter bepaling eener zelfstandigheid; het htm mijns vaders, het uur van het vertrek, het bericht zijner komst, de twijfel aan zijne oprechtheid, de heivustheid zijner schuld, een oud huis, zijn vader, vele menschen, de buren beneden, de huizen huiten de stad, enz.

§ 15. Onder de bijvoeglijke bepalingen dragen een afzonderlijken naam: de bijstellingen en de bepalingen van gesteldheid.

Bijstellingen noemt men die bepalingen, die eene vooraf genoemde-zelfstandigheid door een omschrijvend zelfstandig naamwoord aanduiden. Keesje, het diakenhuismannetje, vertelt zijne historie. Ik heb het mijn oom.. den notaris, dikwijls hoor en zeggen, \'k Vertel van Sinterklaas en van een braven ambachtsman, den armen Huibertbaas. (St.) Dit is Amsterdam, de hoofdstad van Nederland.

Bijstellingen zijn ook de eigennamen of daarmee gelijkstaande woorden, die zich onmiddellijk aansluiten bij een voorafgaanden soortnaam; De heer Grave is hier geweest. Oom Jan houdt veel van kinderen. De provincie G elder land bezit veel natuurschoon. De brik ■Johanna is gestrand. Het stadje Limburg ligt niet in dc provincie Limburg. Wij spreken niet over den mensch, maar over den dichter Bilderdijk. Onderscheid het zelfstandig naamwoord recht van het bijroeg-/ijk naamwoord recht.

Opmerking. Al deze bepalingen geven antwoord op de vraag; welke heer r welke man, enz. Wel schijnt het, dat men in de drie laatste voorbeelden omgekeerd moet vragen; ivelk Limburg, welke Bilderdijk, welk recht, doch dit is \'t gevolg hiervan, dat de gelijknamige zelfstandigheden eene tegenstelling vormen. Beschouwt men elke zelfstandigheid op zich zelf, dan zal ook hier de vraag luiden: welk stadje, welke dichter, welk zelfstandig naamwoord.

§ 16. De bepalingen van gesteldheid drukken de gesteldheid, d. i. de hoedanigheid, den toestand of de betrekking uit, die eene zelfstandigheid bezit;

a. onder de werking of de hoedanigheid, in \'t gezegde uitgedrukt:;

Volkomen gezond keerde hij naar huis terug. Gewond werd hij uit den strijd gedragen. Ik vond hem druk bezig met teekenen. Ik heb de kleeren nat opgehangen. De geesel van Euroop lei, balling, \'t leven af. (B.)

vader is hij verplicht voor zijne kinderen te zorgen. Ik heb met hem al» den voogd der kinderen geraadpleegd.

b. ten gevolge der werking, in \'t gezegde uitgedrukt: Zijn patroon

-ocr page 21-

9

■maakte hem boekhouder. De konincj benoemde hem tot burgemeester. Ik dronk het (/las ledig. Men verfde de deur groen. Ik staarde mijne oogen blind op die schitterende kleuren.

c. volgens de werking, in \'t gezegde uitgedrukt: Men schold hem/ een verrader. Ik mag hem mijn vriend noemen. Ik houd hem voor een eerlijk man. Ik erken hem als mijn weldoener. Ik acht mij gelukkig. Ik houd hem voor rijk.

Opmerking. De bepalingen van gesteldheid verschillen hierin van de bijstellingen, dat de eerste eene hoedanigheid; toestand of betrekking vertegenwoordigen , de laatste eene zelfstandigheid. Ook staan de eerste steeds in eenige-betrekking tot het gezegde, de laatste nooit.

§ 17. Soms komen er bij het gezegde van een\' volzin woorden voor T die geene eigenlijke bepaling daarvan uitmaken, maar verschillende betrekkingen te kennen geven, waarin de inhoud van den zin staat tot de werkelijkheid. Zulke -woorden zijn: niet, geenszins; wel, stellig; misschien, waarschijnlijk; toch, immers, enz. Ik kom niet. Hij is geenszin* strafbaar. Hij heejt het wel gedaan. Ik kom stellig. Misschien is hij ziek. Waarschijnlijk heeft hij het niet geweten. Ga toch aan het werk! Gij hebt immers niets gezegd ? Deze woorden maken den zin tot de uitdrukking van iets, dat ontkend of verzekerd wordt, dat onzeker is, dat gewenseht of gevraagd wordt.

Opmerking. Het woord, dat de ontkenning uitdrukt, sluit zich soms zoo. nauw bij eenig ander zindeel dan het gezegde aan, dat het niet meer den inhoud van den geheelen zin, maar alleen het begrip van dit zindeel ontkent: Niet ik heb tiet gedaan. Niet daar ben ik geweest. Zelfs kan een ontkenningswoord met eenig zindeel zijn samengesmolten: niemand, niets, nooit, nergens, enz.

§ 18. Een vragende volzin begint met een vragend zindeel: JVie is hier geweest? Wat hebt gij gedaan? Waar is hij gebleven? Wanneer zijl gij hier gekomen? of hij begint met het gezegde, onmiddellijk gevolgd door het onderwerp (vragende woordschikking): Komt hij met den trein van drieën? Is hij ziek? In beide gevallen verheft zich de stem tegen het slot van den volzin. Soms is alleen die vragende toon voldoende, om een zin tot eene vraag te maken: Je komt van avond ook? Je wist er dus niets van? Om echter beter liet vragend karakter van den zin te doen uitkomen, gebruikt men in dit geval gewoonlijk ook: immers, toch, nietwaar ?

§ 19. Een gebiedende zin onderscheidt zich in den regel van den gewonen zinsvonfi daarin, dat het onderwerp niet door een woord is uitgedrukt: Werk! Kom hier! De vorm van het werkwoord, de gebiedende wijs, geeft dan duidelijk genoeg te kennen, dat de werking behoort uit te gaan van den aangesprokene. Soms echter maakt eene tegenstelling de vermelding van het onderwerp noodzakelijk: Kom jij eens even hier! (Anderen behoeven dan niet te komen.)

Ook een infinitief of een verleden deelwoord, met of zonder bepalingen, kan een gebiedenden zin vormen: Werken, jongens! Zoet naar bed gaan, kinderen! Volgehouden! Den moed niet opgegeven! Eerst

-ocr page 22-

10

den dag gevierd! God den Tlcer geloofd.\' Zulke infinitieven of deelwoorden doen dan volkomen denzelfden dienst als de gebiedende wijs. 3Ien -vvachte zich dus den zin: Den moed niet opgegeven, te beschouwen als: De moed (worde) niet opgegeven!

§ 20. Een volzin blijft enkelvoudig, wanneer het onderwerp twee of meer verschillende zelfstandigheden, liet gezegde twee of meer werkingen of hoedanigheden vermeldt, of wanneer onderwerp of gezegde vergezeld gaan van twee of meer gelijksoortige bepalingen of voorwerpen. Zulk een onderwerp, gezegde, bepaling of voorwerp heet dan veelvoudig: Keiden en Alcen zijn niet op één dag gebouwd. De hoeren ploegen, zaaien en oogsten. Wij hczichtigden het Paleis, de Beurs en de Nieuwe Kerk. Zij hebben in Holland en Gelderland gewoond.

III. NADERE BESC\'HOrWING VAN HET GEZEGDE.

§ 21. Het gezegde kan eene werking beteekenen, waarbij geene zelfstandigheid buiten het onderwerp noodzakelijk is betrokken: De bloem verwelkt. Het kind sliep gerust. Wij hebben den heel en morgen gewandeld. Deze gezegden kunnen dus geen voorwerpen bij zich hebben.

§ 22. Het gezegde kan eene werking beteekenen, waarbij, buiten het onderwerp, nog andere zelfstandigheden noodzakelijk zijn betrokken: Gedenk mijner, lieer! Ik rekende oj) zijne hidp. Dit verhaal bevalt mij ■uitstekend. Zij hebben hem verraden. Deze gezegden kunnen dus wel voorwerpen bij zich hebben.

Wanneer het gezegde eene werking beteekent, die door eene zelfstandigheid wordt ondergaan, of waardoor eene zelfstandigheid wordt voortgebracht, is de zin óf bedrijvend óf lijdend. Bedrijvend heet hij, wanneer het onderwerp de werkende zelfstandigheid, lijdend, wanneer het onderwerp de lijdende of de voortgebrachte zelfstandigheid beteekent: De vader strafte het kind. Het kind werd door den vader gestraft. Hij teekende eene landkaart. Eene landkaart werd door hem get eekend.

De werkende omstandigheid wordt in den lijdenden zin uitgedrukt door eene bepaling van oorzaak. Komt deze daarin niet voor, dan staat hij gelijk met een bedrijvenden, waarvan men het onderwerp is: De hoornen waren omgehouwen. Men had de boomen omgehouwen.

§ 23. In zinnen als: Er werd gemusiceerd, gedanst en gespeeld. Over deze brug mag alleen stapvoets gereden worden. Er moet niet gepraat; er moet gehandeld worden heeft men met onechte lijdende zinnen te doen. Zij geven te kennen, dat de in het gezegde vermelde werking verricht wordt, maar laten den persoon, die de werking verricht, onuitgedrukt.

Deze zinnen zijn ontstaan door navolging van de echte lijdende zinnen, waarin het onderwerp niet is vermeld. Daartoe vergelijke men: Nu schreef men een brief aan zijn rader (bedr. zin) en Nu werd er een

-ocr page 23-

11

brief aan zijn vader geschreven (lijd. zin). Laat men uit deze zinnen een brief weg, dan bekomt men; Nu schreef men aan zijn vader (bedr. zin) en Xn werd er aetn zijn vader geschreven (lijd. zin). Evenzoo stelde men naast: Nu klopte men aan de deur den onechten lijdenden zin: Nu werd er eian de deur geklopt, waarin natmirlijk van geen weggelaten lijdend onderwerp sprake kan zijn.

Opmerking, i. Uit liet bovenstaande volgt, dat deze onechte lijdende zinnen alleen gebruikt worden, wanneer ei\' sprake is van eene handeling, door een\' persoon verricht, dus niet: Er wordt gestorven. Er wordt gevallen. Er wordt (/eiegen.

Opmerking. 2. Het woord er, dat in dergelijke zinnen voorkomt, is oorspronkelijk _eenebepaJing_van_jiJ_iui_ts (t?aai\'). Tegenwoordig dient het, aan het hoofd van den zin staande, om te voorkomen, dat de volzin als vraag wordt opgevat. Vgl.; Werd nan zijn vader geschreven? met Er werd aan zijn vader geschreven. Werd aan de deur gel;lopt9 met Er werd aan de deur geklopt. In den volzin staande, doet het niet den minsten dienst meer.

§ 24. Wanneer liet onderwerp en het lijdend voorwerp van den bedrijvenden zin dezelfde zelfstandigheid beteekenen, kan men niet altijd zeggen, dat het lijdend voorwerp nu inderdaad de zelfstandigheid vertegenwoordigt, die de werking ondergaat. Wel is dit het geval bij: Hij kleedt zich. Hij verontschiddigi zich. Hij verdedigt zich. Hij beschuldigt zich zeiven. Maar niet bij: Hij schaamt zich over zijne armoede. Gij he-kommert u over vele dingen. Ik verwonder mij over die mededeeling. Hij vergist zich telkens. Men noemt in znlke zinnen mij, u, zich bij analogie het lijdend voorwerp, ofschoon eigenlijk het gezegde met dit voorwerp te zamen eene werking beteekent, waarbij van geen lijdende zelfstandigheid sprake kan zijn: beschaamd zijn, belommerd zijn, verwonderd zijn, verkeerd gissen, enz.

§ 25. Er zijn zinnen, waarin eigenlijk alleen medegedeeld wordt, dat •eene werking, eene hoedanigheid of een toestand plaats heeft of bestaat, maar waarin die werking wordt voorgesteld, als uitgaande van eene zelfstandigheid, of die hoedanigheid en die toestand, als aan eene zelfstandigheid toegekend. Om die zelfstandigheid te vertegenwoordigen, dient gewoonlijk liet woord het, dat dan eene geheel onbepaalde beteekenis heeft. Soms ook komt dit woord in zulk een zin niet voor, maar wordt dezelfde dienst verricht door den buigingsvorm van het werkwoord, namelijk dien van den 3en persoon enkelvoud.

Zulke zinnen zijn: Het sneeuwt, regent, enz. Het rookt. Het is koud, warm, enz. Het is morgen, middag, tijd, enz. Het is vrede, oorlog, kennis, hmiloft, enz. Het had een heftige strijd kunnen worden. (Sch.) Het duizelde hem. (Sch.) Het schemerde hem voor de oogen. Hoe gaat het hem ? Het scheelt hein in het hoofd. Toen werd het haar lichter en ruimer om het hart. Het ontbreekt hem aan geld. Ifet mangelt hem aan moed. Het faalt hem aan ■de noodige geestkracht. Mij dorst. U hongert naar geen weeldrig land (St.) Mij huiverde op ded gezicht.

-ocr page 24-

12

Opmerking. Men vergelijke met deze zinnen die, welke behandeld zijn m § \'23. Ook deze geven te kennen, dat eene werking plaats heeft, maar tevens, dat zij uitgaat van personen.

§ 26. quot;Wanneer het gezegde van een volzin uit een werkwoordelijk en een naamwoordelijk deel bestaat, treedt als het eerste daarvan op een der werkwoorden: xijn, worden, blijven, schijnen., lijken, blijken, dunken7 hcelen en voorkomen en als het laatste een woord, dat eene hoedanigheidr toestand of betrekking noemt of aanduidt (bijv. naaraw., zelfst. naamw. of voornaamw.): Hij is arm. Zijn vader was burgemeester. Hij bleek klein Davidjen. (St.) Die maatregel dunkt mij uitstekend. De zaak kwam hem hoe langer hoe belachelijker voor. Een schoone droom is altijd iets. Gewis.r Maar is \'t ontwaken niets ? (B.) /\'ijl gij de dader ? Ik ben het.

§ 27. Ook andere woorden dan de bovenstaande komen enkele malen als werkwoordelijk deel van \'t gezegde voor; zij hebben dan ongeveer de beteekenis van zijn of worden. Dit is \'t geval met staan, zitten,. vallen, gaan, raken, loopen, enz.: Hij staat schuldig aan een misdrijf. Hij staat bekend als een zeer weldadig man. Zij zat verlegen om eene meid. Ik vcd wat driftig. (St.) Dit zal mij niet moeilijk vallen. De deur ging open. Alle moeite ging verloren. De vijanden raakten handgemeen. Het touw raakte los. De kerk loopt leeg.

Opmerking. Men verwarre met de bovenstaande gevallen niet zulke als-Die japon stond nel. De kleecleren zaten me wat nauw. Die plooi valt (joed. Die werkman viel dood, waarin de werkwoorden alleen het gezegde vormen.

§ 28. Behalve de bovengenoemde soorten van woorden komen als naamwoordelijk deel van \'t gezegde ook voor; telwoorden, bijwoorden en uitdrukkingen, die met een voorzetsel beginnen: De arbeiders zijn weinige. Wij waren met ons zessen „een zestal.quot; De school is uit. De jas is aan. Is vader cd op? De schuit is pas iveg. Dat is zoo. Hel\' is anders. Hoe is het? Bij de hand „behendigquot;, op til „aanstaandequot;, van goud „goudenquot;, van gevoelen, meening „meenendequot;, van, plan „beslotenquot;, zonder grenzen „grenzenloosquot;, te prijzen „prijzenswaardquot;, te lezen „leesbaarquot;, te hooren „hoorbaarquot;, enz.

Opmerking. De woorden «if, aan, op, enz. zijn oorspronkelijk wel bijwoordeni van plaats of richting, maar naderen tegenwoordig, doordat zij een toestand te kennen geven, waarin het onderwerp verkeert, de bijvoeglijke naamwoorden. Men vergelijke slechts: de deur is toe met: xvij kwamen voor eene toe deur: evenzoo: een toe huis „geen winkel.quot; Wanneer men ze bijwoorden blijft noemen, dan doet men dit, omdat zij onverbuigbaar zijn. Toch hoort men al:: eene uite karJiel.

De bijwoorden zoo, anders, hoe dienen allereerst, om hoedanigheden van werkingen aan te duiden: in de bovenstaande zinnen doen zij het hoedanigheden van zelfstandigheden: het hier boven gezegde is dus ook op deze woorden, van toepassing, doch met dit verschil, dat zij geene hoedanigheden noemen,, maar alleen a a n d ui d e n.

Hoe ook de laatste groep van uitdrukkingen de bijvoegl. naamw. nadert,, blijkt daaruit, dat men hoort: een bijdehand, ventje, een bijdehante jongen.

-ocr page 25-

13

§ 29. Men lette op de tweeërlei beteekenis van zinnen als: Ik hen het, Dat zijn wij, enz. Die beteekenis hangt af van de vraag, ■waarop zij \'t antwoord geven. Zegt men: Wie klopt daar ? en wordt er geantwoord: Ik hen het, dan is het onderwerp en hen ik (voor: is ik) het gezegde. Immers de vraag betreft den persoon, die klopt, en van dezen wordt gezegd, dat het de spreker dns ik is. Evenzoo is in: Wie zou daar roepen ? Het zal de meid zijn het woord het onderwerp, zal de meid zijn gezegde. Vraagt men; Wie zijn de schuldigen? en is het antwoord: Da\' zijn ivij dan is evenzoo dat, nl. de schuldigen het onderwerp en zijn vrij, nl. zijn de sprekers het gezegde. Daarentegen is in; Zijt gij de dader ? Ik (onderwerp) hen het, nl. de dader (gezegde). Zijt gij ziek.\' Neen, ik hen het, nl. ziek (gezegde) nu niet meer.

§ 30. Meermalen komen er in het gezegde twee, enkele malen zelfs drie werkwoorden voor, waarvan dan het laatste of do beide laatste den vorm van den infinitief met of zonder te hebben. In dat geval noemt men ze gewoonlijk samen het gezegde. Men lette er echter op, dat, wanneer in dergelijke zinnen een voorwerp voorkomt, dit nu eens bij het eene, dan weder bij het andere werkwoord behoort. Ook kan het zijn, dat ieder werkwoord een eigen voorwerp heeft. Komt er in zulke zinnen een naamwoordelijk deel van het gezegde voor, dan behoort dit steeds bij het laatste werkwoord: Hij liet mij zonder antivoord vertrekken. Ik kon dat heest niet zien lijden. Wij zagen hem den vijand aanvallen. Gij moogt in den tuin gaan wandelen. Het gaat stellig regenen. Gij moei gehoorzaam zijn. Hij ivenscht soldaat te worden.

Opmerkingen. De betrekking, waarin dergelijke infinitieven tot de overige /.indeelen staan, is niet altijd dezelfde. Soms komen zij vrij wel overeen niet een lijdend voorwerp bij het eerste werkwoord: Ik hoorde zingen. Hij beloofde, te helpen: som= met een oorzakelijk voorwerp: Ik tracht te leeren. Ik kagt;i komen; soms met een bep. van gesteldheid bij \'t voorwerp; Ik hoorde haar zingen. Ik liet hem gaan; soms met eene bep. van gesteldheid bij \'t onderwerp; Ik sta te jiraten. Hij liep te droomen. Men vergelijke: Ik hoorde gezang. Hij beloofde hulp. Ik tracht naar leeren. Ik ben in staat tot komen. Ik hoorde haar zingende. Ik liet hein gaande. Ik sta pratende. Hij ligt droomende. Men vergete intnsschen niet, dat de vergeleken zinnen of zoo niet gebruikt worden, óf eene eenigszins andere beteekenis hebben. Het beste is daarom, de werkwoorden te zarnen als gezegde te beschouwen.

iv. be ellips in dex enkelv0u11igen zin.

§ 31. Wanneer in den enkelvoudigen zin deelen, welke in den gewonen zinsvonn geregeld voorkomen, gemist worden, spreekt men van een elliptischen zin. Deze deelen zijn het gezegde of een deel daarvan, of gezegde en onderwerp beide: Een oogenblik geduld! Op marsch.\' Wat nu te doen? Gewoel, rerwarring, wijd en zijd.\' Terug, vermetelen! De deur uit! Op, makkers, op.\' Wat een schelm! De dief weg — wij hem na.\' Recht door zee! Goeden dag! Den heer A. te B. De koning af.

-ocr page 26-

14

\'s Lands wijs, \'s lands eer. Een verfjeten burger, ecu gerust leven. Veel koeien., veel moeien. Gelijke monniken, gelijke kappen.

Opmerking. Dergelijke ongewone zinsvoimen zijn of meestal uitingen vaneen opgewekt gevoel öf het zijn eigenaardige gezegden, meest spreekwoordenT die steeds in denzelfden vorm voorkomen.

Dat zinnen, waarvan het gezegde in de gebiedende wijs staat of waarin een infinitief of deelwoord in dezelfde beteekenis voorkomt, niet tot de elliptische-behooren, is duidelijk: hier is juist de gewone zinsvorm die, waarin het onderwerp niet door een woord wordt uitgedrukt.

V. DE SAMENGESTELDE VOLZIX.

§ 32. Door een samengestelden zin verstaat men de vereeniging van twee of meer zinnen, die tot elkander in eene bepaalde betrekking staan.

§ 33. Wanneer twee volzinnen tot een samengestelden zin zijn verbonden, kunnen zij ten opzichte van elkander gelijke of ongelijke waarde bezitten. In \'t eerste geval heeten zij nevengeschikt, in \'t laatste is de eene zin ondergeschikt aan den anderen. Vandaar tweeërlei zinsverband: het nevenschikkend en het onderschikkend zinsverband: Ik zal het maar doen, irant anders wordt hij hoos. Wij zijn te huis-gebleven , omdat het regende.

§ 34. Bij de onderschikkende zinsverbinding maakt de eene zin een deel uit van den anderen: de laatste draagt dan den naam van hoofdzin, de eerste dien van b ij z i n. Zoo is in den laatstgenoemden volzin; Wij xijn te huis gebleven de hoofdzin en omdat het regende de bijzin, die den dienst doet van eene bepaling van reden; immers omdat het regende staat gelijk met om den regen.

§ 35. Opmerking verdient de woordschikking van den bijzin. Is een volzin geen bijzin, dan is de opeenvolging der zindeelen, \'wanneer het onderwerp vooraan slaat, deze: Onderwerp, Gezegde, Voorwerp of Bepaling. Dit noemt men de gewone woordschikking. In den bijzin daarentegen is de woordschikking steeds: Onderwerp, Voorwerp of Bepaling, Gezegde. Dit heet de afhankelijke woordschikking. Vergelijk hiertoe de volgende zinnen: Ik blijf te huis, want ik verwacht mijn broeder van middag hier. Ik blijf te huis, omdat ik mijn broeder van middag hier verwacht.

§ 36. Twee of meer bijzinnen kunnen ten opzichte van elkander nevengeschikt zijn. Ook kan een bijzin een deel uitmaken van een anderen bijzin, welke laatste dan met betrekking tot den eersten hoofdzin is: Ik ben thuis gebleven, omdat ik het druk had en het weer mij niet best aanstond. Wij hebben gehoord, dat hij naar Indi\'d xal gaan, ivanneer zijn oom daarheen terugkeert.

VI. DE NEVENSCHIKKENDE ZINSVERBINDING.

§ 37. Bij het nevenschikkend zinsverband gebeurt het meermalen, dat de bij elkander behoorende zinnen één of meer deelen gemeen hebben.

-ocr page 27-

15

In dat geval worden -leze gemeenschappelijke deelen soms slechts éénmaal! uitgedrukt. Men zegt clan, dat die nevengeschikte zinnen zijn samengetrokken: L)e goede man xette dc pet af en den hoed op, liet regenscherm en linnenpakje in een hoek der gelagkamer liggen en ging het vertrek uit. (P.) Och, kind re ii, gij zijt iceexen en ik een arme iveeuiv. (B.) Bij had den heelen morgen gezocht, maar niets gevonden.

§ 38. Men onderscheide de samengetrokken zinnen van de elliptische. Bij de eerste zijn er opzettelijk deelen weggelaten, om ze niet tweemaal te noemen, bij de laatste heeft dit geen plaats gehad.

g 39. Nog onderscheide men de samengetrokken zinnen van de-enkelvoudige, met een veelvoudig bestanddeel. De eerste bevatten twee of meer gedachten, de laatste slechts ééne gedachte. Zoo zijn: In Januari is mijne moeder jarig en in Maart mijn vader samengetrokken zinnen, terwijl: Zijn oom en zijne tante zijn op denzelfden dag jarig een enkelvoudige zin is.

In den enkelvoudigen zin met een veelvoudig zindeel zijn de gelijknamige deelen slechts door een voegwoord gescheiden; in de samengetrokken zinnen niet. Vergelijk daartoe: De trein was stampvol en de stoomboot {was) ledig. In Waterland vind men veengrond en in Kcnnemer-land {vindt men) zand. Hij had in Afrika gereisd en (hij had) in Skandinavië (gereisd). Zijn broer heeft er onderzoek naar gedaan en zijn neef {heeft er onderzoek naar gedaan), met: Ilij had in Afrika en in Skandinavië gereisd. Zijn broer en zijn neef hehbc7i er onderzoek naar gedaan.

Opmerking. Uit een zin nis; Zijn broer heeft er onderzoek naar gedaan en zijn neef, tegenover: Zijn broer en zijn neef heb hen er onderzoek naar (jedaan. blijkt duidelijk, dat men gelijknamige ziudeelen, die door andere dan voegwoorden zijn gescheiden, niet als eene eenheid beschouwt, maar als tot verschillende zinnen behoorende.

§ 40. Het nevenschikkend zinsverband is van drieërlei aard: aaneenschakelend, tegenstellend en redengevend. Het verband tusschen de deelen van een veelvoudig onderwerp, enz. is van tweeërlei aard: aaneenschakelend en tegenstellend. (Vgl. § § 42 en 43).

Onder de voorbeelden, beneden gegeven, vindt men daarom zoowel enkelvoudige zinnen als samengestelde.

g 41. Het nevenschikkend zinsverband wordt niet altijd door woorden uitgedrukt:

aaneenschakelend: Dit is Haarlem, zijn kerk en zijn toren; dit dat plein; dit die straat; dit die gracht. (B.) Die dokter teas niet enkel arts; hij was echtgenoot; hij was vader. (P.)

tegenstellend: Getroffen te worden kan eene aanleiding lot genieten zijn; op zich zelve is het meer een schrik dan een genot.

redengevend: Geen stralen luisterden de schemering der zijkamer op; men had de luiken gesloten. (P.)

Het nevenschikkend zinsverband kan ook bij herhaling worden uitgedrukt: Hij moet of naar Amerika óf naar de Oost zijn gegaan. Zijn vader

-ocr page 28-

IC

was kruidenier geweest eu voor een jaar of drie gestorven en een oom had den boel overgenomen en was bankroet gegaan en zijne moeder had niets gekregen van Hgecn haar toekwam. En zijne zuster was heel kuaj) ■en die bezorgde alles voor de huishouding en betaalde zijn schoolgeld op \'den koop toe. (L.)

Wanneer het nevenschikkend zinsverband door woorden wordt uitgedrukt, geschiedt dit door voegwoorden of bijwoorden. Over het verschil daartusschen zie men Boek II, Hoofdstuk IX en XL

§ 42. Het aaneenschakelend zinsverband kan zijn:

1°. zuiver aaneenschakelend en versterkend. Het zinsverband wordt in \'teerste geval uitgedrukt door de voegwoorden; cn, noch, ■door de voegwoordelijke uitdrukkingen: zoo(wel) als, niet •alleen {slechts, enkel) — maar ook en door de b ij w o o r d e n ook, bovendien, buitendien, daarbij en daarenboven,; in het laatste door het voegwoord ja en het bijwoord zelfs.

Heigeen ik gevonden heb, behoort noch aan u, noch aan mij. (V. L.)

Zoowel zijn vader als zijne moeder waren er tegen, dat hij naai ~ee ■(jing. Het boek bevatte fraaie koperen platen met zoo Fransche als Neder-■duitsche opschriften, (li.) De professor had 7iiet alleen eene viouw, maai Jtij had ook eene kleine familie van elf dochters. (L.)

Ik zette mij mistroostig neder; ook de overigen waren niet tot vroolijk-heid gestemd. (Y. L.) Den wijn kan ik niet missen; dien heb ik tot de sausen ie veel no o dig en bovendien is hij te drabbig en ie zuur, om onvermengd gedronken te worden (V. L.)

Zijne voorouders waren rijke en vermogende lieden geweest, ja, zij ihadden den geheelen omtrek onder hun beheer gehad. (V. L.)

Het lot was Udo gunstig gebleven, die langzamerhand den Jonker niet slechts al het geld, dat hij bij zich droeg, maar ook zijn gouden halsketting, ja eindelijk zélfs zijne paarden had afgewonnen. (V. L.)

2°. rangschikkend. Het zinsverband wordt uitgedrukt door de voegwoorden-: ten eerste, ten tweede, enz. eerst, vooreerst, voorts, dan, vervolgens, wijders, eindelijk, ten slotte.

De vaderlandsche geschiedenis v-ordt verdeeld in de volgende tijdvakken: ten eerste de Gennaansche tijd, ten tweede de Grafelijke tijd, enz. Vooreerst was het huis te klein, vervolgens teas het te vochtig, dan was de stand niet best en ten slotte was de huurprijs nogal hoog.

3°. verdeel end. Dit zinsverband wordt uitgedrukt door de voegwoorden: deels — deels, eensdeels — anderdeels, gedeeltelijk — gedeeltelijk.

Deels uit wrok, deels uit geldzucht heeft hij dien moord bedreven. Daar zagen wij die gedeeltelijk vervallen, gedeeltelijk herrijzende praalgebouwen ran het beroemde huis der Boroméi. (G.) Eensdeels omdat hij niet meer rvist, wat te beginnen, anderdeels ten gevolge van de vermaningen van een vromen monnik, had hij het prijzenswaardig besluit gevoimd, boete

:te doen. (V. L.)

§ 43. Het tegenstellend zinsverband kan zijn:

-ocr page 29-

17

1°. zuiver tegenstellend. Dan is de inhoud van beide zinnen waar, maar de gezegden vormen eene tegenstelling. Het zinsverband wordt uitgedrukt door het voegwoord maar en het bijwoord daarentegen.

Hij is een vlijtige jongen, maar zijn broer is een luiaard. De Bisschopskerk had een deel van den ritus der Moederkerk behouden; het Preshyteri-anisine daarentegen had ten volle met het verledene gebroken. (Sch.) Zij reed langzaam, zonder op te zien, vooruit, maar Feiko daarentegen liet ■gestadig den blik nu her- dan derwaarts weiden. (V. L.)

2°. beperkend tegenstellend. Dan is de inhoud van beide zinnen {of zindeelen) waar, maar de tweede voorkomt eene verkeerde gevolgtrekking, die men allicht uit den eersten zou afleiden. Het zinsverband wordt uitgedrukt door de voegwoorden; maar, doch (edoch), dan en dooide bijwoorden: echter, intusschen, evenwel, nochtans, toch, niettemin, desniettemin, desniettegenstaande.

De schel ging deugdelijk over, maar de heer Bruis merkte geen enkel ■geluid binnen de ironing van zijn vriend, dat zijn gelui beantwoordde. (B.) Hef huis, dat hij nu bewoont, is klein, maar zeer geriefelijk. Men heeft zich menigmaal tot hem gewend, doch het heeft niet mogen haten. (V. L.) Beecls met zonsopgang stond de Graaf op den torentrans, om de bewegingen der vijanden gade te slaan; dan alles bleef rustig in het leger. (V. L.) Zij schoof mij een stoel toe; ik nam echter geene plaats, maar bleef met de eene hand op de leuning rusten. (V. L.) Hij was altijd met zijne betuigingen van genegenheid zeer gul geweest; intusschen liet hij mij in dezen nood aan mijn lot over. (V. L.) De wind sliep in; men ziet hetgeen daar groent nochtans met vreemd geritsel beven. (St.) Ik heb reden te vreezen; toch vrees ik niet, klonk het trotsche antwoord. (Sch.) Reeds is de laatste vonk van \'t zonnevinir gesmoord en de arbeid niettemin gaat voort. (St.) Arlequin, zijn lieve meester, slaat er geweldig op; uit aardigheid, \'t is waar\'. Desniettemin de sukkel voelt het maar. (B.) De vorst ■wist, dat deze maatregel groote ontevredenheid moest verwekken; desniettegenstaande vaardigde hij het hevel tot gevangenneming der afgevaardigden uit.

3°. uitsluitend tegenstellend. Dan is de inhoud van een dei-beide zinnen (of zindeelen) waar, doch men laat in \'t midden van welken. De inhoud van den eenen zin sluit dien van den anderen uit. Het zinsverband wordt uitgedrukt door de voegwoorden: of, Hxij—tzij, Hzij—of.

Gij of uw broeder hebt het gedaan. De Schot was zich óf zijner onschuld •bewust, of te traag van begrip, om den omvang der kastijding, die hem wachtte, te begrijpen. (Sch.) HZij mijn beroep schuldig ware of niet, ik was ■er in vele opzichten aan gehecht. (V. L.) Ik had zeker ook al een geruim en tijd doorgestapt, eer ik Hxij op het fraaie weder, Hzij op den slechten weg ■begon te letten. (V. L.)

\'t Voegwoord dan vervangt of, wanneer dit laatste zou moeten dienen, •om twee bijzinnen te verbinden, die reeds door het onderschikkend voegwoord ■of met den hoofdzin zijn verbonden. Het staat ook wel in plaats van het

t. terwey, Ned. Spraakk. lie druk. 2

-ocr page 30-

18

nevenschikkende of tussehen twee deelen van een bijzin, die met het onderschikkende of begint. Ook in den enkelvondigen zin komt het voor. Vergun mij te vragen., of wij nog eene wijle het boschpad zullen houden, dan of gij langs een anderen -weg naar uw landhuis terug wilt. (B. T.) Ik wilde echter weten, of onwil dan wel ongeschiktheid tot spreken hare tong boeide. (V. L.) Gaat gij al dan niet mede ?

4°. plaatsvervangend tegenstellend. Dan wordt de inhoud van den eersten zin ontkend; die van den tweeden moet er voor in de plaats gesteld worden. Het zinsverband wordt uitgedrukt door het voegwoord maar en het bijwoord integendeel. Soms versterkt het bijwoord neen de ontkenning in den eersten zin.

De armoede schokt niet, maar knaagt; zij is gecne wonde, maar een kanker. (H.) Ik wilde u volstrekt niet uit het veld slaan; integendeel ik wilde u helpen. (L.) Gij moet niet toegeven; neen, gij moet volhouden tot het uiterste. (V. L.)

§ 44. Redengevend zinsverband bestaat tussehen twee nevengeschikte zinnen, wier inhoud tot elkander staat als oorzaak, reden of grond tot gevolg of gevolgtrekking. (quot;Vgl. § 13, 9 \'., Opm.) De;c groote fabriek is wegens gebrek aan werk gesloten (oorzaak); daardoor zijn honderden menschen broodeloos geivorden (gevolg). Hij heeft mij onheusch bejegend (reden); daarom vermijd ik hem (gevolg). Hij is reeds voor vijf jaar overleden (grond), derhalve kan hij verleden jaar dat stuk niet getee-kend hebben (gevolgtrekking).

§ 45. Bevat de tweede zin de oorzaak, reden of grond van het gevolg of de gevolgtrekking, in den eersten zin uitgedrukt, dan wordt het zinsverband uitgedrukt door de voegwoorden want, namelijk, immers, toch en of. Het gevolg kan men dan een feit of eene handeling noemen, de gevolgtrekking eene bewering. Want en namelijk gelden voor alle drie gevallen, immers en toch alleen voor het laatste.

Ik glimlachte en ziceeg, want ik achtte het onnoodig, de ware reden mijner handelwijze bloot te leggen. (V. L.) Onverwachts werden onze troepen in den rug aangevallen; de vijand ivas namelijk hoogerop de rivier overgetrokken en ons langs een omweg genaderd. Onze wegen scheiden, maar ons hart blijft één; immers is ons heiden ééne hoop gemeen. (B.) Gij zijt dadelijk gereed, ik zeg dadelijk, maar dit ivü ik niet hopen; het zal u toch een inwendigen strijd gekost hebben. (L.) De onderwijzer heeft een schoone taak. Of is het niet schoon, het versland der jeugd te ontwikkelen ?

Bevat de eerste zin de oorzaak, reden of grond van het gevolg of de gevolgtrekking, in den tweeden zin uitgedrukt, dan wordt het zinsverband uitgedrukt door de bijwoorden: hierdoor, daardoor, dientengevolge, vanhier, vandaar, — hierom, daarom, dientengevolge, deswege, dan ook {dies, des), — dus, alzoo, derhalve, bijgevolg, diensvolgens.

Hij heeft voor \'t open raam gezeten; daardoor heeft hij kou gevat. De man had zijn haard geheel afgeschoren; dientengevolge werd hij eerst niet

-ocr page 31-

19

herkend. Sandrart had zich te laat herinnerd, dat hij den Drost op vandaag bepaald had; vandaar de onvoorziene en ongewenschte ontmoeting. (A. Th.)

Ze is een weinig van haar stuk en daarom is ze eens in de lucht gegaan. (B.) Hij heeft zich vergrepen aan het goed zijns naasten; hierom (dientin-gevolge) is hij gestraft. Ik verbeeldde mij, dat er eene of andere verkooping op handen ware, waarhij (de makelaar) in aanmerking wenschte te komen en deswege mijne voorspraak verlangde. (V. L.) De Steward was gewoon, nooit naar het waarom te vragen en vroeg het dan ook nu niet, hoewel hij Mgladies bedoeling niet begreep. (Sch.) Gij hebt mijn tonen lief, alsof zij de uwe waren; dies zij mijn kunstloos lied u toegewijd. (B.) Ik predik met gebogen knie; des hoort mij zonder spijt. (St.)

In de straten, die tegen het zuiden liepen en dus geen schaduw hadden, bracht de zon de voorbijgangers letterlijk tot wanhoop. (B.) (lij hebt moed en zult alzoo niet terugbeven voor het verlaten van den ouden weg.. (Sch.) Dal hij Mylady om hare voorspraak hij den Koning had verzocht, kon niet ernstig gemeend zijn, daar hij overvloedig blijken had ontvangen van haren afkeer en kwaden wil. Voor deze daad had hij derhalve eene andere reden moeten hebben. (Sch.) Zoo ik nu sprak, zou ik een woordbreker en hijgevolg een schurk zijn en dat toch wilt gij van uw ;,oon niet maken ? (V. L.) De oudere Stastok was een man van de klok en stond diensvolgens om zes uur op, ten einde om half acht aan het ontbijt ie zijn. (B.)

§ 46. Wanneer een of meer zindeelen dienen ter verklaring van een ander, worden zij met dit laatste verbonden door de verklarende voegwoorden of, als, zooals, namelijk, te weten.

De Zebra of Kaapsche ezel heeft eene fraaie gestreepte huid. Tot de edele kunst van vergulden zijn vier dingen noodig, als: de koek, die verguld moet worden, het verguldsel zelf, een nat penseel en dat gedeelte van eene hazen- of konijnevacht, hetwelk jagers de pluim en gewone rnenschen den staart noemen. (B.)

§ 47. Bij de samengetrokken zinnen kan het gebeuren, dat een geheele zin is weggelaten, terwijl de daarbij behoorende bijzin is uitgedrukt: De koning had hem de hand gedrukt, zelfs (had de koning hem de hand gedrukt), voordat de dienaar nog de knie kon buigen. (Sch.) Het pleegt een vroolijk uur te zijn, maar (het pleegt een uur te zijn), dat een ernstig doel heeft. (P.)

Steeds dient men echter te zorgen, dat de zinssamentrekking geene hardheid of onduidelijkheid veroorzaakt. Zoo is de volgende zin af te keuren: Sommigen noemden het dwaling, anderen vrees; die zich ongunstiger uitlieten, eigenbelang, heerschzucht, haat; die het allerongunstigste, strafbare vermetelheid. (V. d. P.)

§ 48. De zinssamentrekking is alleen geoorloofd, wanneer de gemeenschappelijke deelen dezelfde beteekenis hebben en denzelfden dienst doen.

Tegen de eerste voorwaarde zondigenbijv.de zinnen: Heeft men drukke zaken en den ganschen dag hard gewerkt, dan mag men \'s avonds met

1*

-ocr page 32-

20

voüe recht rust nemen. De bliksem sloeg in ecne boerderij en twee mensehen dood. Ik beu om twee uur vertrokken en nu reeds te Parijs.

Tegen de tweede voorwaarde de volgende: De xaak, waarvoor ik pleit, zou misschien eene langere rede vorderen (voorw. wijs), maar uwe inborst (aant. wijs) voorzeker eene kortere. (V. d. P.) Tot Frieslands eer tras (de kaars) verbrand en de offeraar (voorw. wijs) thans opgebroken, had niet de Min een plan gesmeed, waartegen H reisplan schipbreuk leed. (St.) Terwijl een voordak \'t moede ros (4e nv.) beschut en (3e nv.) leger biedt. (St.)

Daarentegen zijn samentrekkingen, waarbij verschil van persoon of getal bestaat, door het gebruik gewettigd; Och, kinderen, gij zijt iveeien en ik een arme u-eeuw. (B.) Hij ging rechts en wij links.

VII. HET OXDE liSCHIKKEA\'D ZIXSVEKIIAXD.

§ 49. De bijzinnen worden onderscheiden naar de zindeelen, waarvan zij den dienst doen. Deze zindeelen zijn; a. onderwerp, (naamw. deel van het) gezegde, (lijdend, belanghebbend en oorzakelijk) voorwerp, b. bijvoeglijke bepaling, c. bijwoordelijke bepaling. Yandaar de verdeeling der bijzinnen in; a. onderwerps-, gezegde-en voorwerpszinnen, b. bijvoeglijke zinnen, c. bijwoordelijke zinnen.

Dat hij gekomen was (ond.), bleef om onbekend. Hij is niet wat hij schijnt (gez.). Dat hij mij verraden zou (lijd. vw.), kon ik niet vermoeden. De winter geeft vermaak, wie H kan betalen (bel. vw.). Ik was overtuigd, dat ik gelijk had (oorz. vw.). De mensch, die zijn plicht doet (bijv.), heeft een gerust geweten. Wanneer de herfst gekomen is (bijw.), verlaten ons de trekvogels.

a. Onderwerps-, Gezegde- en Voorwerpszinnen.

§ 50. De bijzinnen, die den dienst doen van onderwerp, gezegde of voorwerp, komen in verschillenden vorm voor;

1°. hebben zij de gewone woordschikking en staan los naast den hoofdzin.

2°. hebben zij de afhankelijke woordschikking en zijn met den hoofdzin verbonden door de voegwoorden dat en of.

3°. hebben zij de afhankelijke woordschikking en vangen aan met u-ie, wat, die, hetgeen in de beteekenis van degene, die en datgene, wat.

4°. hebben zij de afhankelijke woordschikking en vangen aan met een der vraagwoorden wie, wat, welk, hoedanig, waar, wanneer, hoe, waarmede, enz.

De bijzinnen van de laatste soort heeten ook wel afhankelijke vragen.

§ 51. Het voegwoord of wordt gebruikt, wanneer men den inhoud van den bijzin als twijfelachtig wil voorstellen. Is dit niet het geval, dan bedient men zich van het voegwoord dat. Yergelijk; Ik wist niet, of

-ocr page 33-

21

hij (jckomen teas. Ik v/ist niet., dat hij yekomen was. Of hij slagen zal, icorclt door velen betwijfeld. Dat hij slagen zal, wordt door velen letwijfeld.

§ 52. In de zinnen, die aanvangen met ine en wat, heeft het eerste woord steeds, het laatste dikwijls eene onbepaalde beteeker.is. In zinnen, die beginnen met die en hetgeen heeft het eerste dikwijls, het laatste altijd eene bepaalde beteekenis. Vergelijk: Wie eens steelt, i-t altijd een dief. Wat onrecht is, haat ik. Wat gij daar zegt, geloof ik niet. Die daar vertrekt, is de burgemeester. Die niet werkt, zal ook niet eten. Hetgeen ik daar gezien heb, zal ik nooit vergeten.

§ 33. De woorden, waarmede afhankelijke vragen aanvangen, blijven hun karakter van vraagwoorden behouden. Wie, wat, welk, hoedanig zijn dan ook vragende voornaamwoorden. Vergelijk: Ik begrijp niet, wie het gedaan heeft, met: Ik begrijp niet: ivie heeft het gedaan? Wat gij bedoeld hebt, wordt u gevraagd, met: Wat hebt gij bedoeld? icordt u gevraagd.

a. Onderwerpszinnen.

§ 34. Zij doen den dienst van onderwerp.

Het is tegenwoordig hier volkomen veilig, werd door den schout verzekerd. (V. L.) Het was te icachten, dat Cesar niet straffeloos zulk eene beleediging zou dulden. (V. L.) Of de wedstrijd zal doorgaan, is nog onzeker. Wie vaart, leert hidden. (P.) Wat schoon is, moet eenvoudig zijn. (B.) Die dit gezegd heeft, moet er meer van weten. Wat hij eigenlijk wilde, tras duister. Hoe hij het had aangelegd, bleef ons een raadsel. En dan moest niet vergeten worden, hoe breed of hoe nauw het pad ivas en van welke soort en hoe groot tie steenklompen waren, die aan den weg lagen. (Gr.)

Soms wordt het onderwerp eerst door een voornaamwoord aangeduid.

Het verbaze u niet, dat hare hand onder de kap eensklaps langs hare oogleden gleed. (P.) Is H waar of niet, dat vaak het stareti in het bruin verschiet der breede lanen nog uw lust is ? (B.)

h. Gezegd ezinne n.

§ 53. Zij doen den dienst van het naamwoordelijk doel van \'t gezegde.

Zijn eenige wensch was, dat hij op zijn ouden dag voor gebrek mocht bewaard blijven. Minerva greep hare oorlogsspeer: ten strijde! was haar leus. (St.) \'s Vijands kreet was: „Vliedt!quot; (St.) Ik ben voor u niet geweest, wat ik zijn moest, zeide Anna\'s geweten. (P.) Hij was geheel niet wat men een kamergeleerde noemt. (V. L.) Wees, die gij mij scheent te voren. (B.) De groote vraag was, hoe wij den rechten iceg zouden vinden.

-ocr page 34-

22

c. Voor w erpszinne n.

§ 56. Dezen naam dragen de bijzinnen, die den dienst doen van lijdend voorwerp.

Ik verzeker n: haasten zullen wij ons niet. (Scli.) Zalig is hij, die zijn jok in zijne jeugd draagt, zegt de Schrift. (P.) Ik vroeg haar, of zij van reizen hield. (B.) Wat de heer en wijzen, moeten ele gekken prijzen. Hij weet ook volstrekt niet, waartoe zoo iets dient. (L.) Geesje wist immers, welken gang alles gaan moest. (P.) Beschrijf mij eens, tvaarom gij het onmogelijk rekent. (G.)

Soms wordt het voorwerp eerst door een voornaamwoord aangeduid.

Beter, dat ik het nu zegge, dan later: je blijft niet rijk achter. (P.) Henrg, ik heb het opgemerkt, is u lief, even lief als mij. (Sch.)

Enkele malen wordt hoe als verbindingswoord gebruikt in plaats van dat: De geschiedenis vermeldt, hoe Willem II Amsterdam invoer, een paar uren vóór men hem er te gernoet zag. (P.)

d. B elan gheb bende-voorwerpszinnen.

§ 57. Zij doen den dienst van belanghebbend voorwerp. De verbinding door dat en of komt hier niet voor.

IIj schonk, ivie hem beviel, spoedig zijn vertrouwen. Zeg aan wie mij te spreken vragen, dat ik niet thuis hen. De stijging van den koers is aangenaam voor wie deze effecten bezitten.

c. Oorzakelij ke-voorwerpszinnen.

§ 58. Zij doen den dienst van ooi-zakelijk voorwerp.

Ik schaam mij, dat ik zijn vader ben. (P.) Wij houden gehuurde lijkbidders en beklagen ons, dat zij huichelaars blijken. (P.) Hij is overtuigd, dat gij u met hem verheugt. (L.) Ik twijfelde, of hij mij wel begrepen had. Zij verheugde zich , dat nu hare kinderen waren zooals zij geweest was. (B.)

Het oorzakelijk voorwerp wordt veelal in den hoofdzin eerst door een voornaamwoordelijk bijwoord aangeduid. Soms is die aanduiding noodzakelijk; soms kan zij ook worden weggelaten.

Ik sta er borg voor, dat het zidk eene vaart niet loopen zal. (Gr.) Onze burgers zoeken de fatsoenlijkheid daarin, dat zij onze aristocraten naapen. (L.) Hij zorgt ook daarvoor, dat verslag gedaan wordt van alles, wat hij onderneemt. (L.) Zij zijn er nog al trot sch op, dat zij hij hem aan huis komen. (L.) Ik sta er ook niet voor in, dal die steen altijd daar gelegen heeft. (Gr.) Zij twijfelde er geen oogenblik aan, dat er verraad in \'t spel was. (Sch.) Hij dacht aan wat het verleden hem had ontnomen. Wat brui ik er me om, wat ze van me zeggen! (P.) Wij worden er te weinig aan herinnerd, werwaarts we gaan. (P.)

-ocr page 35-

b. Bijvoeglijke Zinnen.

§ 59. Bijvoeglijke bijzinnen dienen meestal als bijvoeglijke bepaling bij een woord, dat eene zelfstandigheid beteekent. Gewoonlijk zijn zij met dat woord, het antecedent, verbonden door de betrekkelijke voornaamwoorden: die, dat, ivat, ivclk, of door de voornaamwoordelijke bijwoorden: ivaarop, waaronder, daar . . . op, daar . . . onder, enz.

Hij, wien de natuur zulk een voorkomen geschonken heeft, kan gemakkelijk allen uiterlijken tooi ontberen. (V. L.) Onder deze omstandigheden was de eerste schilderij, ivelke l/ij naar de grootc tentoonstelling zou zenden, klaar gekomen. (L.) De grendels, waarmede de deur was gesloten geweest, werden met behoedzaamheid opengeschoven. (V. L.) Elk zoekt geluk, ■maar talloos zijn de paden, waarlangs wij zoekend graficaarts gaan. (St.) De glorie, daar ons hart naar haakt, ontstak der Vaadren ziel. (St.)

§ 60. Bijvoeglijke bijzinnen dienen ook als bepaling van eene werking, eene hoedanigheid of den inhoud van een geheelen zin. Deze worden ■dan als eene zelfstandigheid opgevat en kunnen dan ook door een naamwoord worden weergegeven.

Zij had drie kinderen op te voeden, welke taak haar te zwaar viel. Onze meid is eerlijk en trouw, welke hoedanigheden men lang niet hij alle ■aantreft. Zijn broeder veinsde hem niet te begrijpen, hetgeen (welk veinzen) hem zeer verdroot.

§ 61. Ook voegwoorden kunnen een bijvoeglijken bijzin met een naamwoord verbinden. Het zijn: dat, als, nu, toen, voordat, nadat, waar, wanneer, hoe, vanwaar, werwaarts, enz.

De ure was gekomen, dat de avond zijn grijzen sluier gelijkelijk over alles dalen liet. (B.) De dag, als het nieuwspapier zulk een bericht inhoudt, is voor mij een feestdag. (H.) In de streek, waar zij kwamen, was gebrek aan drinkwater. Ik verbeeld mij, dat ik mij op het standpunt plaatsen kan , vanwaar gij mee vraag hebt gedaan. (G.) Wacht wat, mijnheer! hadden de lui uit het naburig dorp gezegd, werwaarts zij gereden waren. (P.) De tijd, wanneer wij zullen vertrekken, hangt nog van allerlei omstandigheden af. De wijze, hoe men de zaak aanvat, zal voor den uitslag beslissend zijn.

Opmerking. Soms staan bijvoeglijke bijzinnen tot den hoofdzin in eene betrekking, die bijna gelijk staat met die van twee aaneengeschakelde zinnen: Dit zeggende opende hij de deur vayi eene soort van keuken, ahvaar ik eene oude vrouw zag nedergehurkt. (V. L.) Het was met een waar genoegen, dat iedereen het theegoed zag wegnemen, waarna wij gezamenlijk eene wandeling in het dorp gingen doen. (V. L.) De heer Dos verzocht mij, daar hij toch één weg met mij op moest, hem mijn gezelschap te schenken, waarop wij hel huis verlieten. (V. L.) De verbindingswoorden (al)waar, waarna, ivaarop staan hier vrij wel gelijk met en (al)daar, en daarna, en daarop. Zij doen dus den dienst van voegwoord en bijwoord.

§ 62. Sommige bijvoeglijke bijzinnen hebben tot antecedent een zelf-

-ocr page 36-

24

standig naamwoord, dat samenhangt met een werkwoord of bijvoeglijk naamwoord. Zij zijn gemaakt in navolging van onderwerps- en voorwerpszinnen en staan dan ook evenals deze èf los naast het antecedent of zijn daarmee verbonden door de voegwoorden dat en of.

Het bericht, dat hij ging vertrekken, verraste mij. De twijfel, of hij ivel komen zou, verontrustte ons. Dit doet niets af tot de vraag, wie gelijk heeft. Gij moet ook denken aan de mogelijkheid, dat hij deze tijding te laat ontvangt. Het meest kwelde ons de onzekerheid, wrik i)ad wij moesten inslaan. Men vergelijke met deze zinnen zulke als: Hij berichtte, dat. Hij twijfelde, of, Hij vroeg, wie, liet is mogelijk, dat. Het was onzeker, welk, enz.

Mede los naast het antecedent staan de bijvoeglijke bijzinnen, die denzelfden dienst doen als een eigennaam, die als bijstelling staat bij een soortnaam: Ontleed den volzin: Morgen is het kerstmis. Maak een opstel over het spreekwoord: Nieuwe bezems vegen schoon.

c. Bijwoordelijke Zinnen.

§ G3. Bijwoordelijke bijzinnen doen den dienst van bij woordelij ke bepalingen. Zij ontleenen hun naam aan de soort van bepaling, waarmede zij in dienst overeenkomen. Vergelijkt men nu de verschillende bijwoordelijke bepalingen, in § 13 opgegeven, dan zou men dus verwachten: 1. bijzinnen van plaats, 2. van tijd, 3. van hoedanigheid, 4. van hoeveelheid of graad, 5. van omstandigheid, 6. van voorwaarde,

7. van toegeving, 8. van beperking, 9. van oorzaak, middel, reden of grond, 10. van doel, 11. van gevolg. Het is echter wen-schelijk, van deze verdeeling eenigszins af te wijken.

De bijzinnen van hoedanigheid, hoeveelheid of graad drukken namelijk dikwijls een gevolg uit van hetgeen in den hoofdzin staat; wij rekenen ze dan tot de bijzinnen van gevolg (§ 82). Soms ook wordt de hoedanigheid, hoeveelheid of graad uitgedrukt door middel .eener vergelijking; wij rekenen ze dan tot de vergelijkende bijzinnen. (§ 86).

Zoodoende verdeelen wij do bijwoordelijke bijzinnen in; 1. plaatsbepalende, 2. tijdbepalende, 3. omstandigheidszinnen, 4. voorwaardelijke, 5. toegevende, 6. beperkende, 7. redengevende,

8. doelaanwijzende, 9. gevolgaanduidende, 10. vergelijkende. Bij deze laatste sluiten zich dan nog aan 11. de ver hou dings zinnen, die mede den dienst doen van bepaling van graad.

1. Plaatsbepalende zinnen.

§ 64. Zij komen in dienst overeen met do bepalingen van plaats en worden met den hoofdzin verbonden door middel van de voegwoorden

waar, vanwaar, totwaar, icaarheen, werwaarts.

Zij zal nu niet meer iconen, u-aar haar \'l licht geschonken werd. (B.)

-ocr page 37-

Kijk, waar nu die schepen varen, heeft mijn vader mij verteld, dat veel landerijen waren. (B.) Daarom dan in vredesnaam, blijft nu, waar (jij xijt. (B.) Waar men H wel heeft, daar heeft men zijn vaderland. Hij wandelde, waarheen hij wilde. (V. L.) Alles vliedt, totwaar de poort een weerbare engte biedt aan de ingeslonlcen schaar. (St.) Eene vaste hand had hem geleid en gebracht, werwaarts hij niet had gewild. (Sch.)

Opmerking. Men ver war re de plaatsbepalende niet met de onderwerps- of voorwerpszinnen, die met dezelfde woorden beginnen. De laatste geven steeds, antwoord op de vraag wat? de eerste nooit. Vergelijk; Ik weet niet, waar hij woont, (voorw.) Het is mij niet bekend, waarheen hij vertrokken is. (ond.gt; Verg. ook § Cl.

2. Tijdbepalende zinnen.

§ (gt;5. Zij komen in dienst overeen met de bepalingen van tijd en worden met den lioofdzin verbonden door de voegwoorden als, wanneerr toen, sedert (dat), sinds (dat), nu, terwijl, tot (dat), eer (dat) r alvorens, zoolang (als), zoodra (als), zooras (als), zoovaak (als).

Als en wanneer — bij dichters ook wen — wijzen op herhaalde handelingen of toestanden; toen wijst op een enkel feit in het verleden. Nadat, sedert en sinds wijzen op hetgeen voorafgaat; nu en terwijl\' op gelijktijdige handelingen of toestanden; tot, voor, eer, alvorens: wijzen op hetgeen volgt. Zoolang, zoodra, zooras, zoovaak behoorden oorspronkelijk in een hoofdzin tehuis, die door een vergelijkenden bijzin werd gevolgd. Vandaar dat men nog meermalen het vergelijkend voegwoord als er achter aantreft.

Als ik haar aanzie, dan herinner ik mij altijd mijn Klaartje. (V. L.), Als de Damiaatjes luien, gaan de kindertjes naar bed. (B.) De bloempjes kusten haar den voet, wanneer zij trad door H veld. (B.) Toen ik den hoek omsloeg, zag ik hem plotseling voor mij staan.

De heer Huyck zal de vriendelijkheid hebben, u naar Amsterdam te brengen, Am al ia I zeide mijn gastheer, nadat wij eenige oogenbltkken in stilte gezeten hadden. (V. L.) Sedert haar man overleden is, woont haar zoon, een afgedankte varensgezel, bij haar in. (V. L.) Dc tijd ontdroeg ons H vijfde vijftal jaren, Charlotte, sinds gij naast mij stondt. (St.)

Nu H nachtegaaltje wederom een lied zingt in den hagedoorn, nu blijf ik ook niet langer stom. (B.) Terwijl ik de brieven afmaak, kunt gij alvast de adressen schrijven.

Diodes bleef den afdalende onbeweeglijk naoogen, totdat deze by een schuinschen keer van het pad verdween. (Gr.) Gij moogt niet voorspellen, voordat gij ondervraagd wordt. (Gr.) Ik laat u niet los, eer gij mij nog een paar inlichtingen gegeven hebt. (G.) Hij besloot daar een oogenblik uit te rusten, alvorens hij terugkeerde.

Ik geloof, dat de onderwijzeres het eene oog, zoolang zij uit dc kamer is, in het paneel van de deur geplaatst heeft. (L.) Hij heeft zijne nicht dadelijk den arm geboden, zoodra zij de deur uit was. (L.) Hij besloot

-ocr page 38-

2G

den. Batavier daarover te onderhonden, zooras de gelegenheid zich opdeed. (V. L.) Van alle zijden staken mij de puntjes stroohalmen (van hef ■bed) in de leden, zoovaak ik mij omwendde. (V. L.)

§ 06. Een enkele maal vindt men toen ook gebruikt bij een tegen-quot;woordigen tijd, nl. wanneer deze in plaats van den verleden tijd staat: Eerst toen ivij het kasteel geheel uit het gezicht hebben verloren, gunt hij zijn pnarden wat zachter draf. (B. T.) Gewoonlijk gebruikt men in dit geval als.

Als en wanneer in den zin van toen zijn verouderd: Ik zocht naar •een nieuw onderwerp van gesprek en was juist van jücm de jwrtretten te hulp te roepen, als mijnheer Kegge zelf te huis kwum. (B.) Wolf lag en sliep een maand geleên, wanneer de martelaar hem in den droom verscheen (St.)

Bij dichters komt ook wijl voor in den zin van terwijl: De brave •zivoer \'t en rent van daar, wijl \'t nuchter veld nog dauwt. (St.)

3. Omstandigheidszinnen.

§ 67. Bijzinnon, door terwijl met den hoofdzin verbonden, geven soms eene omstandigheid te kennen, die hetgeen in don hoofdzin vermeld wordt, vergezelt: De jonkman fronste weder de wenkbrauwen, terwijl een trek van gemelijkheid op zijn gelaat zichtbaar werd. (Sch.) Het huisje was lief gelegen; vóór kwam het uit op den breeden straatweg, terwijl het van ■achteren uitzag op vruchtbare korenvelden en fraai geboomte. Soms komt ook daar voor in den zin van terwijl: En op een schoonen morgen sprak hij zijn huisvrouw aan, daar vader in den armstoel zat, zoodat hij \'t kon verstaan. B.)

Wanneer men wil te kennen geven, dat eene omstandigheid niet aanwezig is, terwijl men het tegendeel zou verwachten, begint de bijzin met zonder dat en in plaats dat, die ongeveer de beteekenis hebben van terwijl niet: Hij liep mij voorhij, zonder dat hij groette. Hij werkte den heelen avond door, zonder dat hij een oogenblik op- of omzag. In placds dal hij mij hielp, werkte hij mij nog tegen.

4. Voorwaardelijke zinnen.

§ 68. Onder voorwaardelijke zinnen verstaan wij niet alleen de bij-y.innen, die eene voorwaarde bevatten, maar ook die, welke eene ■onderstelling inhouden. Wanneer eene voorwaarde vervuld wordt, gebeurt ook, wat in den hoofdzin staat; wanneer eene onderstelling als waarheid aangenomen wordt, zal ook, wat in den hoofdzin staat, waarheid zijn. In het eerste geval kan men altijd zeggen: Wanneer dat gebeurt, zal het gevolg zijn of kunnen zijn, dat, enz. In het laatste geval: Wanneer dat waar is, kan daaruit het besluit getrokken worden, dat enz.

Zoo bevat in de zinnen: Wanneer gij hard loopt, kunt gij den trein

-ocr page 39-

27

nocj wd halen. Als gij onrijpe vruchten eet, wordt gij ziek, de bijzin eene voorwaarde; in de zinnen: Als de hoeken van dien driehoek gelijk zijn, dan zijn ook dc zijden gelijk. Zoo hij opgespoord is naar Brussel, kan hij van avond niet thuis komen, bevat de bijzin eene onderstelling.

De voorwaardelijke voegwoorden zijn: als, wanneer, zoo, indien, bijaldien, mits, ingeval, tenzij en tenware. De eerste vier worden door elkander gebruikt zoowel bij voorwaarden als bij onderstellingen; als en wanneer komen \'t msest in de spreektaal voor; zoo en indien in de schrijftaal. Bijaldien is ouderwetsch; overigens komt het met de vorige overeen. Mits wijst op eene nadrukkelijke voorwaarde. Ingeval stelt den inhoud van den bijzin als zeer onzeker voor. Tenzij en tenware beteekeneu wanneer niet. Bij tenzij is de inhoud van den bijzin mogelijk, bij tenware onwaarschijnlijk. Eene enkele maal vindt men ook nog of in den zin van indien.

Als het regent, worden de straten vuil en glibberig. Indien het u eens gelukt, de handen der justitie te ontsnappen, sta mij dan toe, door mede-deeling van \'t gebeurde mijn vader eene gunstige gedachte jegens u te doen opvatten. (V. L.) Wanneer wij zoo terstond bijten aan het eerste aas, dat hij ons toewerpt, dan hebben wij kans, dat hij ons niet loslaat. (V. L.) Reede hield vol drift zijn paard staande en zou d^n teugel op den vreemdeling gewend hebben, bijaldien Falckestein hem niet weerhouden had en genoodzaakt mede voort te, rijden. (V. L.) Ik wil gaarne mededeelen u-at ik van Bolandseck weet, mits Diodes mij niet telkens in de rede valle. (G.) Uw titel als Meester in de Rechten zal nog eenigen invloed bij hem hebben, ingeval hij eens koppig ware en geen ongelijk wilde bekennen. (V. L.) Maar Mevrouw durft de moeder van Ko niet onder de oogen komen, tenzij %e het stukje van Ko gezien heeft. (B.) Wat ziet zij ? Raad eens even voor de aardigheid, tenware u, wat zij zag, door anderen was gezeid. (St.)

Als gij denkt, dat ik zal toegeven, vergist gij u. Zoo ik wel onderricht ben, heeft de heer Blaeck een aanzienlijk vermogen in de Oost-Indien verworven. (V. L.) Wanneer hij dit gedaan had, zou hij een schurk zijn.

Ik ben hare moeder, (ik zeg je dit) of je \'t niet wist. (P.) Of ge potlood en papier ter hand hadt, ik schetste u, hoe Jan uit vrijen ging. (P.)

Opmerking. De deelwoorden genomen, aangenomen, gesteld, ondersteld, gevolgd door dat doen mede den dienst van voegwoorden; Gesteld dat hij den trein gemist heeft, dan kan hij van avond niet meer thuis komen.

§ 69. Een vragende zin, los naast een anderen geplaatst, kan den aard van een voorwaardelijken bijzin aannemen: Wordt u de aarde droef en duister, zie omhoog naar hemels luister. (B.) Is dit het geval geweest, dan heb ik mij aan eene persiflage schuldig gemaakt. (L.) Ook kan een gebiedende zin, aaneenschakelend met een anderen verbonden, de beteekenis van een voorwaardelijken bijzin hebben: Doorkerf één draad, uiv parelsnoer strooit al zijn rijkdom langs den vloer; ontstem één snaar, uw harp moet zwijgen. (B.) Geef hem een vinger, en hij neemt weldra de heele hand.

-ocr page 40-

Opmerking. Vragende en gebiedende zinnen komen namelijk hierin met voorwaardelijke overeen, dat zij eene gedachte inhouden, die misschien werkelijkheid is of zal worden.

§ 70. Soms zijn voorwaardelijke bijzinnen onvolledig: de ontbrekende deelen kimnen dan uit het verband met den hoofdzin gemakkelijk opgemaakt worden: Zoo noodig, zullen wij moei Peyyy uit hare rust opschellen. (Sch.) Zoo iets, het komische moet uit het leven zijn gegrepen. (P.) Daarvan mag ik zeggen wat ik wil, mits niets goeds. (V. L.) De mannen in dit land uit de hoogere klassen onderscheiden zich weinig, tenzij hij officiëele gelegenheden, van de mindere burgers in hun uiterlijk. (L.)

5. Toegevende zinnen.

g 71. Toegevende bijzinnen zijn die, welke wel met den hoofdzin in strijd zijn, doch aan den inhoud daarvan niets te kort doen. Zij heeten zoo, omdat de spreker de werkelijkheid of mogelijkheid der daarin uitgedrukte gedachte toegeeft of erkent.

De hoofdzin, waarbij een toegevende bijzin behoort, vormt daarmede eene beperkende tegenstelling; hij spreekt eene gedachte tegen, welke men uit den bijzin zou kunnen afleiden. Vandaar dat de bijwoorden toch, echter, evenwel, nochtans, enz. ook in zulk een hoofdzin kunnen voorkomen. Vergelijk: Ik doe mijn best en toch merk ik niet, dat ik verder kom, met: Ofschoon ik mijn best doe, merk ik toch niet, enz.

De toegevende voegwoorden zijn: al, ofschoon, schoon, of, hoewel, alhoewel, hoezeer, niettegenstaande (dat), in weerwil (dat).

Al ben ik er niet bij tegenwoordig geweest, toch ben ik volkomen op de hoogte. Schoon hij mij hier al met vrede liet, hij zou mij op den weg kunnen vervolgen. (Sch.) Of Mylord hun ook op hoogen toon beval te blijven en hen waarschuwde; of hij er cd van gewaagde, dal de hoogste ongotade zijner Majesteit hen treffen zou, hel baatte niets. (Sch.) Hoewel ik mij niet met hem in een geregeld verkeer begaf, zoo bezocht ik hem toch eene enkele maal. (B.) Hoezeer de geest ook is gesterkt geworden gedurende deze hcee dagen, zijn zij toch vermoeiend geweest voor het lichaam. (G.) Hij had met de vrijmoedigheid van een kooper den mantel betast, dien opengeslagen en daaronder bespeurd en geloerd, niettegenstaande de eigenaar ontkennend met het hoofd schudde. (Sch.)

Gelijk men ziet, komen in den toegevenden bijzin soms ook de woorden al en ook voor, die dan dienen ter versterking van de beteekenis van het voegwoord.

Opmerking. Het voegwoord al onderscheidt zich daardoor van alle andere-onderschikkende voegwoorden, dat het steeds gevolgd wordt door de vragende woordschikking. Dit komt daarvandaan, dat dit woord oorspronkelijk een bevestigend bijwoord was, evenals al nog eenigszins is, wanneer het in den toegevenden zin voorkomt. A;gl. Al of niet. Al is hij oprjeruimd rnet Wel is hij opgeruimd.

g 72. Ook vragende en gebiedende zinnen kunnen, los naast een anderen zin geplaatst, de beteekenis hebben van toegevende bijzinnen:

-ocr page 41-

29

Stond Lueij ook in druk gesprek met den Koning, zij hield echter cm wakend no;/ op haar broeder geslagen. (Sch.) Buig u. wend u, krom n zooveel (jij wilt, de derde schilderij valt niet te genieten. (P.) Zoo ook zinnen, waarin op eene of andere wijze uitkomt, dat men met een mogelijk geval te doen heeft: Be koevoet knars\\ dc hamer bonz\\ nog luider giert de wind. (St) Moeite mocht het haar kosten, eer zij slaagde, het was niet die, welke haar afschrikte. (P.) Die mededeeling deed haar het besluit opvatten den man, het kostte wal het wilde, te verwijderen. (Sch.)

§ 73. Er zijn ook toegevende bijzinnen, die wel de afhankelijke woordschikking hebben, maar niet door een voegwoord met den hoofdzin zijn verbonden. Zij beginnen met een vragend voornaamwoord of bijwoord, dat dan. echter eene onbepaalde beteekenis krijgt, doordat men de opvatting daarvan geheel aan den hoorder overlaat.

Wie smalend tot uw hutje kwam, niet ik, gij kind van Abraham! (St.) Wie ge ook zijt, wees die ge zijl. (B.) Ik zal er het mijne van hebben, wat het ook kosten moge. (V. L.) Zoo ge reist om te reizen, beloof ik u evenmin een schat van wetenschap, in ivelk vak ge ook werkzaam zijt. (Gr.) Hoe ernstig ook de omstandigheden waren, toch begreep Mglady die niet. (Sch.)

Opmerkimg. Ook in deze bijzinnen wordt de inhoud van den bijzin als mogelijk voorgesteld; het werkwoord staat dan ook veelal in de aanvoegende wijs. Voor de onbepaaldheid der beteekenis van de voornaamwoorden en bijwoorden vergelijke men: Wie er ooi; komt en Iedereen moge komen. Wat ik ook doe en Alles moge ik doen. Hoe ik \'t ook aanleg en Op allerlei wijzen moge ik \'t aanleggen, enz.

Deze zinnen zijn toegevend; immers, indien men iets op allerlei wijzen heeft aangelegd, zou men verwachten, dat men slaagt; enz.

6. Beperkende zinnen.

§ 74. Wanneer de bijzin dient, om de gedachte in den hoofdzin te beperken, \'tzij door te kennen te geven, inhoeverre deze werkelijkheid is, \'tzij door eene uitzondering daarop te noemen, dan draagt hij den naam van beperkenden bijzin. Dat zulke bijzinnen inderdaad dienen, om den inhoud van den hoofdzin te beperken, blijkt duidelijk, wanneer men den bijzin weglaat; het overblijvende bevat dan eene bewering, die te ver gaat en de bijzin dient dus, om er wat af te nemen.

De voegwoorden zijn voor \'t eerste geval voorzooverre, inzooverre, voorzooveel, voor het laatste behalve (dat), uitgezonderd (dat) en dan.

Het boekje zag er nog al goed uit, voorzooverre het hem reeds bekend tras. (L.) Hij had haar bittere en bange oogenblikken doen doorbrengen en daarvoor had zij zich voorgenomen vergoeding te schenken, voorzooveel dat in hare macht stond. (Sch.)

Hier zweeg Scaevola, behalve dat hij betuigde de schrijver niet ie zijn. (G).

I/

-ocr page 42-

28

Opmerking. Vragende en gebiedende zinnen komen namelijk hierin met voorwaardelijke overeen, dat zij eene gedachte inhouden, die misschien werkelijkheid is of zal worden.

§ 70. Soms zijn voorwaardelijke bijzinnen onvolledig; de ontbrekende deelen kunnen dan uit het verband met den hoofdzin gemakkelijk opgemaakt worden: Zoo naodig, zullen ivij moei Peggy uit hare rust opschellen. (Sch.) Zoo iets, het komische moet uit het leven zijn gegrepen. (P.) Daarvan mag ik zeggen icat ik wil, mits niets goeds. (V. L.) De mannen in dit land uit de hoogere klassen onderscheiden zich weinig, tenzij hij officiëele gelegenheden, van de mindere burgers in hun uiterlijk. (L.)

ó. Toegevende zinnen.

§ 71. Toegevende bijzinnen zijn die, welke wel met den hoofdzin in strijd zijn, doch aan den inhoud daarvan niets te kort doen. Zij heeten zoo, omdat de spreker de werkelijkheid of mogelijkheid der daarin uitgedrukte gedachte toegeeft of erkent.

De hoofdzin, waarbij een toegevende bijzin behoort, vormt daarmede eene beperkende tegenstelling; hij spreekt eene gedachte tegenf welke men uit den bijzin zou kunnen afleiden. Vandaar dat de bijwoorden toch, echter, evenwel, nochtans, enz. ook in zulk een hoofdzin kunnen voorkomen. Vergelijk: Ik doe mijn best en toch merk ik niet, dat ik verder kom, met: Ofschoon ik mijn best doe, merk ik toch niet, enz.

De toegevende voegwoorden zijn: al, ofschoon, schoon, of, hoewel, alhoewel, hoezeer, niettegenstaande (dat), in weerwil (dat).

Al hen ik er niet bij tegenwoordig geweest, toch ben ik volkomen op de hoogte. Schoon hij mij hier al met vrede liet, hij zou mij op den iceg kunnen vervolgen. (Sch.) Of Mglord hun ook op hoogen toon beval te blijven en hen waarschuwde; of hij er cd van gewaagde, dal de hoogste ongenade zijner Majesteit hen treffen zou, het baatte niets. (Sch.) Hoewel ik mij niet met hem in een geregeld verkeer begaf, zoo bezocht ik hem toch eene enkele maal. (B.) Hoezeer de geest ook is gesterkt geworden gedurende deze twee dagen, zijn zij toch vermoeiend geweest voor het lichaam. (Gr.) Hij had met de vrijmoedigheid van een kooper den mantel betast, dien opengeslagen en daaronder bespeurd en geloerd, niettegenstaande de eigenaar ontkennend met het hoofd schudde. (Sch.)

Gelijk men ziet, komen in den toegevenden bijzin soms ook de woorden al en ook voor, die dan dienen ter versterking van de beteekenis van het voegwoord.

Opmerking. Het voegwoord al onderscheidt zich daardoor van alle andere onderschikkende voegwoorden, dat het steeds gevolgd wordt door de vragende woordschikking. Dit komt daarvandaan, dat dit woord oorspronkelijk een bevestigend bijwoord was, evenals al nog eenigszins is, wanneer het in den toegevenden zin voorkomt. Vgl. Al of niet. Al is hij opgeruimd met Wel !.? hij opgeruimd.

g 72. Ook vragende en gebiedende zinnen kunnen, los naast een anderen zin geplaatst, de beteekenis hebben van toegevende bijzinnen:

-ocr page 43-

29

Stond Lnci/ ook in druk gesprek met den Koning, zij hield echter een wakend oog op haar broeder geslagen. (Sch.) Buig u, icend u, krom u zooveel gij wilt, de derde schilderij valt niet te genieten. (P.) Zoo ook zinnen, waarin op eene of andere wijze uitkomt, dat men met een mogelijk geval te doen heeft: De koevoet knars\'1, de hamer honz\\ nog luider giert de wind. (St) Moeite mocht het haar kosten, eer zij slaagde, het was niet die, welke haar afschrikte. (P.) Die mededeeling deed haar het besluit opvatten den man, het kostte wat het wilde, te verwijderen. (Sell.)

§ 73. Er zijn ook toegevende bijzinnen, die wel de afhankelijke woordschikking hebben, maar niet door een voegwoord met den hoofdzin zijn verbonden. Zij beginnen met een vragend voornaamwoord of bijwoord, dat dan echter eene onbepaalde beteekenis krijgt, doordat men de opvatting daarvan geheel aan den hoorder overlaat.

Wie smalend tot ine hutje kwam, niet ik, gij kind van Abraham! (St.) Wie ge ook %jt, wees die ge zijt. (B.) Ik zal er het mijne van hebben, wat het ook kosten moge. (V. L.) Zoo ge reist om te reizen, beloof ik it evenmin een schat van wetenschap, in icelk vak ge ook werkzaam zijt. (Gr.) Hoe ernstig ook de omstandigheden waren, toch begreep Mglndg die niet. (Sch.)

Opmerkimg. Ook in deze bijzinnen wordt do inhoud van den bijzin als mogelijk voorgesteld; liet werkwoord staat dan ook veelal in de aanvoegende wijs. Voor de onbepaaldheid der beteekenis van de voornaamwoorden en bijwoorden vergelijke men; Wie er ook komt en ledereen morje komen. Wat ih ook doe en Alles moge ik doen. Hoe ik \'t ook aanleg en Op allerlei wijze» motje ik \'t aanleggen, enz.

Deze zinnen zijn toegevend: immers, indien men iets op allerlei wijzen heeft aangelegd, zon men verwachten, dat men slaagt: enz.

6. Beperkende zinnen.

§ 74. Wanneer de bijzin dient, om do gedachte in den hoofdzin te beperken, \'tzij door te kennen te geven, inhoeverre deze werkelijkheid is, \'tzij door eene uitzondering daarop te noemen, dan draagt hij den naam van beperkenden bijzin. Dat zulke bijzinnen inderdaad dienen, om den inhoud van den hoofdzin te beperken, blijkt duidelijk, wanneer men den bijzin weglaat: het overblijvende bevat dan eene bewering, die te ver gaat en de bijzin dient dus, om er wat af te nemen.

De voegwoorden zijn voor \'teerste geval voorzooverre, inzooverre, voorzooveel, voor het laatste behalve (dat), uitgezonderd (dat) en dan.

liet boekje zag er nog al goed uit, voorzooverre het hem reeds bekend was. (L.) Hij had haar hittere en bange oogenblikken doen doorbrengen en daarvoor had zij zich voorgenomen vergoeding te schenken, voorzooveel dat in hare macht stond. (Sch.)

Hier zweeg Scaevola, behalve dat hij betuigde de schrijver niet te zijn. (G).

-ocr page 44-

30

DU feestvertrek voldoet nog aan de vereischten, uitgezonderd dat de hootje schouw en de brandstapel, van turf muren en beukeblokken ojigehouwd, verdwenen zijn. (P.) Het hoofd der Northurnberlands heeft niemand onder de zon ie gehoorzamen dan zijn koning en zijn geweten = behalve dal hij zijn koning en zijn geweten heeft te gehoorzamen. (Sch.) Ik lees geen nieuw boek dan tot mijne verpoozing — behalve dat ik een nieuw boek tot mijne verpoozing lees. (B.) Vooral moet er niet geschoten worden dan op de Spanjaarden. (V. L.)

Opmerking. Bijzinnen als de drie laatste behooren oorspronkelijk tot de vergelijkende. Dit blijkt uit het gebruik van het voegwoord dan en hieruit, dat men achter de ontkennende woorden in den hoofdzin ander of andera kan zetten. Daar echter het begrip van vergelijking geheel op den achtergrond is getreden en voor dat van uitzondering heeft plaats gemaakt, behooren zij ni» tot de beperkende bijzinnen.

§75. Er zijn ook beperkende bijzinnen, die los naast den hoofdzin staan: Wat mij aangaat, belangt, aanbelangt, ik geef gaarne daartoe mijne toestemming. Wat de trap betreft, zij veinzen niet zelden er volkomen bekend mee te wezen. (B.) Voor mij, hoe onzekerder hoe liever, wanneer het phanlasie en gevoel geldt. (G.) Immers deze zinnen beteekenen alle: voorzooverre de zaak (wat) mij, de trap, enz., betreft.

7. Redengevende zinnen.

§ 76. Deze bijzinnen drukken öf de oorzaak, öf de reden, of den grond uit van hetgeen in den bijzin wordt vermeld. De voegwoorden, die dit zinsverband uitdrukken: zijn: doordat, doordien, omdat, dewijl, wijl, vermits, overmits, uithoofde, daar, aangezien, naardien, nademaa I en nu. De meeste dezer voegwoorden worden niet scherp onderscheiden, maar doordat en doordien wijzen uitsluitend op eene oorzaak, omdat, dewijl, wijl op eene reden, daar meestal en aangezien uitsluitend op een grond. De overige komen ook weinig voor; overmits en nademaal klinken het meest ouderwets.

Doordat hij tegen mijn arm stootte, vloog mij het kopje uit de hand. Het verguldsel had een knauw gekregen, doordien het nog nat was, toen hij zijn tafereel inpakte. (B.)

Ik had hij mijn vertrek van de Ridderhof slede niets gebruikt, omdat het mij nog te vroeg was. (V. L.) Dewijl de zaak van dringenden aard was, besloot ik onmiddellijk te vertrekken. Zij sprak met vreugd van wat haar nooit bekoorde, alleen wijl haar gebiedster \'t gaarne hoorde. (B.) Wij aten dien dag zeer vroeg en zeer overhaast, vermits het oogmerk van Tante was, met ons naar eene boerderij te rijden, welke zij in den omtrek van Oud-Kaarden had gekocht. (V. L.) Gij zult onderstuurman bij mij worden, overmits ik den mijnen in het laatste gevecht heb verloren. (V. L.) Ik kan niet naar Deventer terugkeeren, uithoofde mijne familie van huis is, zoodat ik mij alleen bevinde. (V. L.)

-ocr page 45-

31

Daar ik toch genoodzaakt ben, mij te Naanlen een ooyeublik op te honden, zullen wij even goed daar eenig ontbijt kunnen nuttigen. (V. L.) Aangezien wij in een vrij land leven, zoo zie ik niet, dat gij het recht hebt mij te beletten te gaan, waarheen ik wil (Y. L.) Naardien hem dit door zyn meester zelf bevolen was, kon deze onmogelijk zijne handelwijze afkeuren,* Dit voorstel kwam mij te aanlokkelijker voor, nademaal ik begreep, dat ik op die wijze mijne twee vurigste wenschen zon kunnen bereiken. (V. L.} Nu het heilig woord der trouwe gegeven is, moet hel ook dierbaar gehouden worden. (B. T.)

Opmerking. Men herinnere zich liier liet onderscheid tiiischen eenc bepaling van oorzaak, reden, grond en een oorzakelijk voorwerp. Al de boven opgegeven redengevende bijzinnen kunnen vervangen worden dooi\' bepalingen van. oorzaak, reden, grond, geen enkele door een oorzakelijk voorwerp. Wanneer men omgekeerd een oorzakelijken voorwerpszin neemt, en het voegwoord dat r wat slechts bij enkele mogelijk is, door omdat vervangt, krijgt de volzin, onmiddellijk ook eene andere beteekenis. Vergelijk: Ik schaam mij, dat ik zijn vader hen met Ik schaam mij, omdat ik zijn vader ben. In het eerste gevali geeft de bijzin de zaak te kennen met betrekking tot welke men zich. schaamt; in het laatste geeft hij te kennen, waarom men zich schaamt. Zoo-ook: Ik ben blij, dat gij komt en [k ben blij, omdat (jij komt, enz.

§ 77. Er zijn ook redengevende bijzinnen, die door liet voegwoord dat niet den hoofdzin zijn verbonden. Zij drukten den grond uit van de-vraag of de bewering, in den hoofdzin voorkomende. Wel moet hij blijken van goede trouw gegeven hebben, dat hij in dezen kring is opgenomen. (Sch.)i Kendet gij den prediker, dat gij op hem bleeft wachten? (Sch.) Gij zijt dan ritmeester of kolonel, dat gij over manschappen en geld hebt te beschikken?\' (B. T.) Immers deze zinnen beteekenen: Dat hij in dezen kring is opgenomen, brengt mij tot hel besluit: Wel moet hij blijken van goede trouw gegeven hebben. Dat gij op den prediker bleeft wachten, brengt mij tot de waag: Kendet gij hem ?

§ 78. Den dienst van redengevende bijzinnen doen ook hoodanigheids-woorden (bijv. of zelfst. naamw.) gevolgd door als, gelijk ik ben, die, daar je bent, enz. Hooft had Petrarca en Guarini beurtelings het oor geleend, meesters als hij die achten mocht. (P.) Vroom en vroed als hij was, onderscheidde hij in het ruwe maar ronde volk nl de kiemen van een krachtigen staat. (B) \'t Moet wel aaklig met je loopen, arme drommel daar je bent. (B)v Immers deze uitdrukkingen beteekenen ongeveer: daar hij die meesters achten mocht, daar hij vroom en vroed was, daar je een arme drommel bent..

8. Doelaanwijzende zinnen.

§ 79. Zij geven het doel te kennen van hetgeen in den hoofdzin staat uitgedrukt. De voegwoorden, die dit zinsverband uitdrukken, xijn: opdat,, teneinde en dat.

Men had u alleen verzocht, omdat gij om zoo ie zeggen de kaarsen

-ocr page 46-

■zoudl smalen. (L.) Sla mij toe den onderscheiden indruk (door de oudere ■cn de nieuwe kunst gewekt) door vluchtige trekken in schets te brengen, irn einde de poging mij vrijware van de hlaam der partijdigheid. (P.) Het liofvertrek hield het licht nog buiten, dat geen middaggloed de zeekaart trof, die aan den efjen wand veelvervig pronkte. (St.) Hij konir schielijk, ■dat dit afgedaan zij. (B. T.)

Opmerking. Men lieiinnere zich liier het onderscheid tnsschen eene bepiiling van doel en een oorzakelijk voorwerp. Men zal dan liet verschil begrijpen tnsschen: Ik zal mijn best doen, dal ik op den bepaalden üjd klaar ben en Ik zal mijn best doen, opdat ik op den bepaalden tijd klaar ben. De eerste hijzin geeft de zaak te kennen, niet betrekking tot welke men zijn best zal doen, de laatste noernt het doel, waarmede de handeling plaats heeft. Tevens zal men dan inzien, dat ook de beide laatste zinnen van § 79, ondanks het voegwoord dat een doelaanwijzenden bijzin bevatten.

\'9. Gevolgaanduidende zinnen.

§ 80. Onder dezen naam vatten wij die bijzinnen samen, welke öf ■een gevolg öf eene gevolgtrekking inhouden van hetgeen in den hoofdzin wordt vermeld.

Letten wij op de bepalingen, waarmede zij overeenkomen, dan zien wij, dat zij den dienst doen öf van bepaling van gevolg öf van bepaling Tan hoedanigheid öf van bepaling van graad. (§ 13).

§ 81. De gevolgaanduidende bijzinnen, die den dienst doen van bepaling van gevolg, houden een gevolg in öf van eene oorzaak öf van eene reden of eene gevolgtrekking van een grond. In het ■eerste geval gebruikt men de voegwoorden zoodat, waardoor, van-daardat, in het tweede vooral waarom en weshalve, in het derde zoodat en weshalve.

Kik kozijn ems weer in twee deelen gesplitst, zoodat hrt raam slechts zeer klein was. (Sch.) Hier begon hij zeer zacht te spreken, waardoor ik geen woord meer van \'t gesprek kon opvangen. Ik ben lang ongesteld ■geweest, vandaardat ik met mijn werk heel wat ten achteren ben geraakt.

Hij heeft mij schandelijk bedrogen, waarom ik hem nu ook deze zaak niet toevertrouw. De heer van Braiunont heeft iets met u te verhandelen, (weshalve wij u zullen verlaten. (V. L.)

Ik heb hem gisteravond nog gezien, zoodat hij onmogelijk nu reeds te Berlijn kan wezen. Het achterraam werd open gevonden, weshalve de dieven zeker daardoor ontsnapt waren.

§ 82. De gevolgaanduidende bijzinnen, die den dienst doen van bepaling van hoedanigheid of graad, worden met den hoofdzin verbonden ■door het voegwoord dat. De hoedanigheid of graad wordt dan in den hoofdzin gewoonlijk aangeduid door het bijwoord . roo of eenig ander •woord, dat het begrip van zoo inhoudt, als zidk. .roodanio, zooveel, tin) zoo verre, dermate, in die mate. Enkele malen komt die aanduiding lin den hoofdzin niet voor.

-ocr page 47-

33

Hij heeft de Last zoo (xoodaniy) gemaakt, dat alle deeien uit elhaiider hunnen \'jenomen worden. Het teas zoo stil, dat men een blad kon hooren heweijen. (V. L.) De kleinste zaken veroorzaken hij hem vlagen van zulke hevige vaderlandsliefde, dat hij in dergelijke oogenhlikken een verheven schomcspel oplevert voor degenen , ivelke gelegenheid hebben hem te zien. (L.) Het heeft wij zoodanig verschrikt, dat ik aan \'/ peinzen ben gegaan, in \'t bijzonder, hoever die oordeelvelling op waarheid gegrond kan wezen, [d.) Het rerltaal ran eene ramp schokte hem dermate, dat de blos van de wang week. (Seh.) Op het gevoelig gelaat van Will stond zooveel ingehouden smart te le-.en, dat het Mijladg trof (Sch.) Hij had ten laatste in die mate zijne bedaardheid herkregen, dat hij woorden kon vinden om te uiten, ivat er daar bmiien broedde en ; iedde. (Sch.) Hij is in zooverre hersteld, dat hij eens mag gaan wandel en. (G.) Hij gaf den twist zoekenden gast een stoot in de borst, dat de ie achterover tuimelde (V. L.) Hier is de hel; als je wat noodig hebt, dan rammel je maar, dat het huis draait. (B.) Het vriest, dat het kraakt. Het regent, dat het giet.

§ .S3. Tot de gevolgaanduidende bijzinnen, die dienen als bepaling van graad, rekenen wij ook zulke, die met den hoofdzin zijn verbonden door dan dat. In den hoofdzin komt dan de bepaling van graad te voor. quot;Wanneer men deze vervangt door zoo en dan dat door dat, terwijl men in den bijzin de ontkenning brengt, krijgt men een volzin van ongeveer dezelfde beteekenis.

Mijn tijd is te kostbaar, dan dat ik dien besteden zou, om sprookjes aan te hooren of leugens te weerleggen. (Sch.) De gehate man stond te hoog en was zelf te groot, dan dat zijn val niet eene pijnlijke spanning zon veroorzaken. (Sch.)

Opmerking. Eigenlijk is dan in zulke /.innen een vergelijkend voegwoord: le (tuur bijv. is duurder dan het zou moeten wezen, e. dgl. Zoo ligt ook aan den eersten zin ten grondslag deze gedachte; Mijn tijd is kostbaarder dan hij Z\'in moeten wezen voor t geval, dat ik dien besteden zou, enz.

10. Vergelijkende zinnen.

84. Deze bijzinnen houden eene vergelijking in, die dient ter bepaling van den inhoud van den hoofdzin of van een deel daarvan.

Het doel, waarmede de vergelijkende bijzinnen worden gebezigd, is drieërlei: zij dienen óf als eenvoudige vergelijking of als bepaling van hoedanigheid óf als bepaling van graad.

De verhouding tusschen de vergeleken gedachten of begrippen is mede verschillend: zij komen werkelijk of schijnbaar overeen of zij zijn ongelijk. In het eerste geval wordt het zinsverband uitgedrukt door de voegwoorden gelijk, zooals, evenals, als en als de beide zinnen eene ontkennende beteekenis hebben door evenmin als. Evenmin is eigenlijk ■een bijwoord en komt dan ook nog dikwijls in den hoofdzin voor. In het ■tweede geval gebruikt men alsof, als en of; in het derde geval dan.

T. terwky, Ned. gpraahk. \'He druk. 3

-ocr page 48-

34

§ 85. quot;Wanneer de bijzin dient als eenvoudige vergelijking, vermeldt hij eenvoudig een geval, dat gelijk of schijnbaar gelijk staat met hetgeen in den hoofdzin is uitgedrukt. Dan behoort de bijzin dus eigenlijk bij den geheelen hoofdzin.

Gelijk hij alle ijdelc menschen, hiwjen ook in de-.e huishoiidkaiiier aait den u-and dc lercnsgroote en ; eer behaagzieke portretten can aiijnheer en mevrouw. (B.) Evenals Champignon is Jansen met mets begonnen. (L.) Uw feesthui staal hij ons geplant als eens in V Patestijnsche land. (St.)

„Voort!quot; riep hij den roeiers toe, of :j de spanen te traag inliet water sloegen. (P.) Alsof zij begreep, thans te hehhen uitgediend, dribbelde xij het vertrek uit en den dorschiioer op. (Sch.) Allrs was er donker en stil, alsof er geen lerend wezen ademde. (Sch.)

§ H(i. Wanneer de bijzin dient als bepaling van hoedanigheid of graad, behoort hij bij eenig begrip, in den hoofdzin uitgedrukt. Hij bevat dan eene gedachte of een begrip, dat gelijk, schijnbaar gelijk of ongelijk is aan hetgeen in den hoofdzin wordt vermeld.

Doe u voor gelijk gij zijl. (B.) Ik heb gehandeld, zooeits mij bevolen was. Ook kijken die heeren (de Italianen) sedert vij meesters in Lombard/je gt;:ijii, alsof zij de beheer.sehers der wereld waren. (Cr.) De kranke zag beiden beurtelings aan, of hij in hare zielen lezen wilde. (V.) Den onden was het, als hadden zij een kind uit den dood weder gekregen. (V. d. P.) Hij heeft dat anders gedaan, dan hem gezegd was.

Zoo mager werd hij als een hout en zag den dood nabij. (B.) /Jjn vader is echter niettegenstaande zijn pochen evenmin op zijn gemak als de orerige leden zijner familie. (L.) Het regende zoo hard, alsof het water met emmers van den hemel werd gegoten. De starretjes flikkerden ;.oo helder, als waren zij blijde met de menschen. Geen vader was gelukkiger of rijker dan Jan Jansz. (G.) Zij geleek op hare moeder, maar krek wat pittiger uit de oogen dan deze. (B.)

Opmerking. Wannneer ats in de plaats van alsof komt, heeft de bijzin de vragende woordseliikking. Dit komt, doordien de vergelijkende zinnen met uhof een voorwaardelijken bijzin bevatten: Hij deed, als (liij zon doen), 0/ (indien) hij \'l niet ivisl. Laat men nu \'t voegwoord oj (indien) weg, dan krijgt ds voorwaardelijke bijzin de vragende woordschikking: dns: wist hij f niet. (Vgl. g S 08 en (iO).

§ 87. In de bijzinnen der vorige paragraaf dienden (lie der eerste groep als bepaling der hoedanigheid van eene werking. Er zijn echter ook vergelijkende bijzinnen, die dienen om eene hoedanigheid van eene zelfstandigheid te bepalen. Dan komen in den hoofdzin dikwijls woorden voor als: zulk, zoodanig, dezelfde, dergelijk, ander = (niet zulk).

Dc wereld is zooals zij is; men moet wat nemen en wat geven. (B.) Dal toont een moed, zooals die anderen daarginds ook moesten toonen. (Sch.) Het was eene ontsteltenis, alsof de wereld zou vergaan. Ztilk eene (zoodanige) inrichting als deze, geloof ik niet, dat ergens elders gevonden wordt. Wij woonden in dezelfde buurt als hij. Dat is andere kost dan gij

-ocr page 49-

in den kelder hebt. (L.) Wat is jeucjd zonder liefde dan een lentelandschap ■.onder zon? (B.)

Opmerking. Deze bijzinnen iloen dus eigenlijk den dienst van deel van t gezegde of van eene bijvoeglijke bepaling. Wij hebben ze alleen liier behandeld omdat zij door navolging van de bijwoordelijke vergelijkende zinnen ontstaan zijn en dan ook met dezelfde voegwoorden beginnen.

S 88. Zooals men heeft kunnen opmerken, zijn de vergelijkende bijzinnen dikwijls onvolledig. Soms kunnen de ontbrekende deelen gemakkelijk uit den hoofdzin worden aangevuld: Evenals Champignon nnet niets begonnen is), is Jansen met niets begonnen. Mijn broer is \'.es jaar ander dan ik (oud ben). Dit is namelijk het geval, wanneer de vergelijking-liet gezegde van den hoofdzin betreft. Men mag dan ook aannemen, dat in zulke zinnen eene dergelijke weglating voorkomt als wij bij de zinssamentrekking hebben leeren kennen.

Maar meermalen ook is zulk eene aanvulling onmogelijk. Vooral is dit het geval, wanneer de vergelijking dient als bepaling bij eenig ander zindeel dan het gezegde: Een staatsman als Oldenbarnevelt en een veldheer als Manrits waren een zegen voor de Republiek. lij keek mij aan mei een gezicht als een oorworm. Gij hebt geen betere vrienden dan ons. Hij woont in een veel grooter huis dan dit. Xn a-achtte ons een even moeilijk als gevaarlijk werk. Dergelijke vergelijkingen kunnen dan ook niet uit volledige bijzinnen ontstaan zijn; zij zijn te beschouwen als zindeelen. Wij zullen ze daarom vergelijkende bepalingen noemen.

g 81). Soms geeft men door middel van een vergelijkenden bijzin te kennen, op welken grond men datgene beweert, wat in den hoofdzin staat. De voegwoorden drukken dan geen gelijkheid maar overeenstemming uit; zij zijn: gelijk, zooals, als, naar: Gij zijl verkeerd ingelicht, gelijk ik u bewijzen zed. Die put die is daar altijd niet geweest, zooats gij hooren ndt. (B.) Zij kon omstreeks zestig jaar oud zijn, als eenige te voorschijn komende grijze haren deden vermoeden. (Sch.) Een touw verving, naar het scheen, de leuning der trap (B.) Naar men vermoedt, zal de Tweede Kamer ontbonden worden. Naur bij onderzoek gebleken is, zijn deze waren vervalscht.

11. Verhoudingszinnen.

§ 00. Bij de vergelijkende zinnen sluiten zich de verhoudingszinnen aan. Zij dienen als bepaling van graad eener werking of hoedanigheid, in den hoofdzin vermeld, door eene andere werking of hoedanigheid op te geven, die in dezelfde mate als de eerste toe- of afneemt. De voegwoorden zijn hoe — hoe, hoe — des te, naarmate (dat), (al)naar (dat) en naargelang (dat).

Hoe meer men heeft, hoe meer men vraagt. (Gr.) Hoe meer de lever ■.welt, .eiden de Ouden, deste brooddronken er wordt men; hoe meer -.ij slinkt, deste meer overwicht krijgen het ge.ond verstand en de ondergeschikt-

-ocr page 50-

80

held aan orde. en wet. (Gr.) De liefdadigheid groeit aan, naarmate men :jne giften begeerd -.iet. (Gr). De stem des winds en die ran \'t meer schijnen xangrig om den prijs te dingen en naar -.ij luid of •.achter ■.ingen, rerrijst de boeg of daalt hij weer. (Bg.) Naargelang mijne icerk-■.aamheden in omrang toenamen, riel het mij .waarder ook nog de\'.e taai-te rerndlcn.

VIII. XEVEITÖESCUIKTE ZIXNEIf, DIE GELIJKGESTELD KUXXEX WORDEN MET ÜIJZIJfNEN.

g 01. Er zijn samengestelde zinnen, die bestaan uit twee zinnen, waarvan tie eerste ontkennend is of althans een ontkennend zindeel bevat, terwijl de tweede met den eersten verbonden is door het voegwoord of. Geen van beide zinnen heeft de afhankelijke woordschikking; naar hun uiterlijk zijn zij dus nevengeschikte zinnen. Wij onderscheiden daarbij de volgende groepen:

1. Ik twijfel er niet aan, of hij .al wel terugkomen. Er is geen twijfel aan, of het schip is rerongeliikt. Het scheelde niet reel, of hij was verdronken. Er ontbrak niet ceel aan, of wij hadden bij die rerkie-.ing de meerderheid.

2. Er iras niemand, of hij schreide. De algemeenheid van het stokpaard is onbetwist. Er is geen man, hoe arm of hoe rijk hij ook zij, of hij houdt er ten minste een up stal. (L.)

3. Niet lang duurde het, of er kwamen nieuwe bedienden. (V. L.) Pas iras l\'Ed. uit het oog, of daar begon het lieve leven. (V. L.) Nauwelijks waren wij echter onderweg, of ik begon te begrijpen, dat ik ecu mal figuur maakte. (L.) Nauw was het (mengen der verven) gedaan, of xjn arm zonk machteloos aan zijne zijde neder. (B. v. d. B.) Het leed geen honderd tellens, of Pietro had zijne mars bijna leeg verkocht. (V. L.) Zoodra gt;.it ik niet in eene diligence, of ik ben een ander mensch. (Gr.) Niet zoo haast had zij haar de verplichte wellevcndheidsrroorden toegesproken, of zij had de Va neg den afgesproken wenk gegeven. (B. ï.)

-t. Hij komt nergens, of zijne dochter vergezelt hem. Zij ging nooit uit, of zij waarschuwde eerst hare huisgenooten.

5. De weg over de Furca zal zoo niet wezen, of wij zullen er wel overheen komen. (G.) Hij was ook niet zoo schuchter, of hij durfde toonen, dat zij hem eerbied en dankbaarheid inboezemde. (Sch.)

ü. Ik kan niet anders zeggen , of zijne wapenrusting staat hem goed. (V. L.) Hij wist niet beter, of hel behoorde zoo.

Gaat men het verband tusschen de deelen dezer volzinnen na, dan ziet men, dat of hier nergens volkomen de beteekenis heeft van het uitsluitend tegenstellend voegwoord. Alleen bij de groepen 2, 4 en 5 is dit, oppervlakkig beschouwd, het geval: Er was niemand, of (als er iemand was) hij schreide. Hij komt nergens, of (als hij ergens komt) zijne dochter vergezelt hem. De weg over de Furca zal zoo niet wezen, of (al is hij zoo) irij zidten er wel over heen komen.

-ocr page 51-

37

Beziet men die zinnen echter wat meer van nabij, dan merkt men, dat hier niet, zooals anders bij het voegwoord of, in het midden gelaten wordt, welke van beide zinnen waarheid bevat: de eerste zin is op zich zelf genomen bepaald onwaar.

Bij de overige groepen geeft de gewone beteckonis van of in \'t geheel geen goeden zin.

Deze zinnen stonden voorheen los naast elkander, terwijl ook de tweede ontkennend was. Later verdween deze ontkenning en werd het nevenschikkende of tnsschen do beide deelen geplaatst. Wil men thans de betrekking tnsschen beide zoo goed mogelijk weergeven, dan moet men behalve bij die van groep 1 en G den tweeden zin weder ontkennend maken en verschillende onderschikkende verbindingswoorden gebruiken.

Bij die van groep 3 dient men bovendien de woorden jta*, nauwelijks, nauw, ternauwernood, niet xoo haast, niet xoodra te vervangen door niet lang.

Men krijgt dan:

1. Jk twijfel er niet aan. dat hij wel -.al terugkomen. Er schreide niet veel aan, dat hij cerdronkrti icas (oorzakelijke voorwerpszin).

\'2. Er was niemand, die niet schreide (bijvoeglijke zin).

3. Niet lang duurde het, terwijl er geen uien we bedienden kwamen (tijdbepalende zin).

4. Hij komt nergens, terwijl zijne dochter hem niet rerge.elt (omstandigheidszin).

ö. l)c weg over de Furca :,al .oo niet we:en, dat wij er niet-orerheen : uilen komen (gevolgaanduidende zin).

G. Ik kan met anders quot;eggen, dan dat -.Ijne wapenrusting hem goed staat (vergelijkende zin).

IX. ZINDEELF.N, DIE GELIJKGESTELD KUNNEN WORDEN MET BIJZINNEN.

■ § J)2. Onder de zindeelen komen er voor, die dezelfde waarde hebben als bijzinnen en dan ook door deze kunnen vervangen worden. Het zijn zulke, die hoofdzakelijk bestaan: a. uit een infinitief met te, h. uit een bijvoeglijk naamwoord of deelwoord. Deze zindeelen gaan namelijk dikwijls vergezeld van vcorwerpen en bijwoordelijke bepalingen en doen daardoor denken aan gezegden, welke ook zulke voorwerpen en bepalingen bij zich hebben. Maar een onderwerp kan daarbij niet voorkomen, daar dit een werkwoord in een der drie personen bij zich eischt.

Zulke zindeelen dragen den naam van beknopte bijzinnen.

Vervangt men een beknopten door een werkelijken bijzin, dan is liet onderwerp van dezen laatsten in den regel hetzelfde als het onderwerp van den hoofdzin.

§ 93. De beknopte bijzinnen, die in hoofdzaak bestaan uit een infinitief met te, hebben soms vóór dit voorzetsel nog een ander, namelijk alvorens, na, zonder, in plaats ran, door, met, om.

-ocr page 52-

Zij doen den dienst van:

1. onderwerps-, gezegde- en voorwerpszinnen:

Het was mijn plan. rad hrm naar het poneert te (/aan. (L.) Vader ie rerlie;en, ica* harder slay (P.) Wat nu te her/innen, werd er gerraagd. Tot tcien ons te wenden , teas ons niet ge .egd.

Zijn ideaal is te wonen op eene eigen boerenplaats en geene andere meiden of knechts na te honden dan ■ijne eigen kinderen. (B.) De moeilijkheid ira*, waar hem Ie ; oeken.

Geen der dienstboden herinnerde ;ich, het meisje ooit ge\'.ien te hehhen. (P.) De tvind rerhinderde ons niet, op de\\e plek te rertoeren. (G.) Hoe dit niet elkander te rijmen , ireet ik niet.

\'s Zomers rroeg op te staan geef ik de roorkeur boven leing slapten.

Menschenliefde \'mu n rerleiden, in stilte weldaden te bewij\'.en. (L.) Anne ouders . ijn rerlegen, hoe hunne kinderen in de algemeene rreugde te doen deelen. (L.)

2. bijvoeglijke zinnen:

Ilij was geen man, om -.ijne meening te beirinipelen of de spitsheid er ran te rer\'.achten. (Scli.) De vraag, wat nu te drjen, bleef onbeantwoord.

3. tijdbepalende zinnen:

Alvorens daarover te beslissen, :al ik een ondenoek instellen. Sa afscheid genomen te hebben, hielp ik Su.anne in het rijtuig. (V. L.)

4. omstandigheids zinnen.

Zij -.ank plotseling aan ■.ijne voeten neer, ■.onder iets meev te -.eggen. (Sell.) In plants van den knaap met .aehiheid te behandelen. verbitterde men hem nog meer door cd ie strenge tucht.

5. voorwaardelijke zinnen:

Naar itire uitdrukkingen te oordeelen, schijnt hij niet bij n in de gunst te staan. Uw leven is toch .oo treurig niet, ie oordeelen naar hetgeen gij •.elf er van vertelt. (B. T.)

G. redengevende zinnen:

Zij gaven hunne goedkeuring Ie kennen, door naar \'s lands ivij\\e met de speer ie schudden of die tegen de schilden ie doen weerklinken. (V. L.) Met hejn een weinig Ie gemoei te konten, macdcle ik, dal Piet er binnenkort al vrij wel slag met mij hield. (B.)

7. doelaanwijzende zinnen:

Gij -. ijl gekomen, óf om onderweven, öf om onderhouden of om betvogen ie worden. (G.) Ik mug het paar, dat viel een opgeruimd gelaat de komst van httttne kittderen en kleinkinderen verbeidt, ien einde te .amen uilgang en ingang te vieren. (P.) Ik heb den kinderett wni knikkers gegeven, om er mede ie spelen.

8. gevolgaanduidende zinnen:

tras ie verstandig, bij dc:e gelegettheid ■.ijn neef schap te leden gelden. (B.) Hij, de nieuweling iti de staatkunde, hij tras behendig genoeg om Wolseg te verschalken, hij iras verstandig genoeg, om de hand niet aan Lnlher ie slaatt. (P.) Hij iras :oo vriendelijk, mij de noodige aan-

-ocr page 53-

:J9

wij\'.iny (c geren. Hare Majesteit was niet in cene stemming, om :ich te laten rerhooren. (Sch.) Is het niet om ra.end te worden? Zij :.ette een ge\'.icht. om er hang ran te \'worden.

9. vergelijkende zinnen.

Uj .al eerder allrs opofferen, dan .ulk eene laagheid te begaan. Dai rolk \'.on lierer ran Inniger sterren, dan het -.yn priesters aan iets te laten ontbreken.

Oi\'MERKixo. Gelijk men /iet. komt er in de volgende gevallen een voorzetsel vóór Ie: 1. bij de beknopte tijdbepalende: alvorens en na, \'2. bij de beknopte ornstandigheidszinnen: zonder en in plaats van, 3. bij de beknopte redengevende \'loor en met, i. bij de beknopte bijvoeglijke, doelaanwijzende en gevolgaanduidende: om. Die, welke met door en mei beginnen, doen den dienst van bepaling van middel, (vgl. § 13, 9°. Oi\'M. b.)

§ 94. De beknopte bijzinnen, die in hoofdzaak bestaan uit een deelwoord of bijvoeglijk naamwoord, doen den dienst van;

1. bijvoeglijke zinnen:

Een kerk, \'.eer oud, staat daar gebouwd. (B.) De oude best, ran steun beroofd, rersuft rn \\at ran dagen, \'.at met haar roorsehoot or er \'t hoofd haar nood aan God te klagen. (B.) liet reiden, dartiend in de wei, rer-hengt :ich u te ontmoeten. (B.)

2. tijdbepalende en omstandigheidszinnen.

Dit .eggende, drukte hij een harteljken kus o/j het roorhoofd ry\'ner dochter. (V. L.) Mij eene goede nachtrust toegeirenscht hehbencle, rerliet hij het vertrek. (V. L.)

3. voorwaardelijke zinnen.

Eenmaal in het ruime sop gekomen, .on ik den. weg naar het meer van Maracaibo wel weergevonden hebben. (V. L.) Op een genoeg\'.amen afstand ge; ien, wordt hef roorwerp den kunstenaar eene aanleiding tot algemeene begrippen, die de eene gedachte na de andere opwekken. (G.) Oprecht, gesproken, gij hadt hem wel wat .acht■.inniger kunnen behandelen.

4. toegevende zinnen:

Opgeroed in den dampkring ran het keizerlijk hof, geroeide (prins Wille)!) Ij toch iiienschel jk genoeg, om deernis ie hebben niet verdrukten. (P.) Met -.ware straf bedreigd, wanneer ;ij aan hunne orertuiging rasthielden, hogen .ij echter niet. De winter heeft, hoe grijs ran kin, een kleur als melk en bloed. (St.)

5. redengevende zinnen.

Voorzichtig ran aard .ijnde, droeg -.ij -.elfs bij \'t helderste weder \'s ■. nndags altijd eene : ijden paraplu. (L.) Vol geloof aan den adel der menschelijke natuur, erkende hij haar onrervreemdbaar recht op vrijheid ran geweten. (P.) Eenig kind ran rijke ouders, had .ij in hare jeugd, iedere barer Iniinen gerierd ge.ien. (P.)

Ol\'MEHKiNG. 1. Dat de beknopte bijzinnen, ot\'sclioon zindeelen, voor het tegenwoordig taalgevoel de waaide hebben van zinnen, blijkt duidelijk hieruit, dat men ze enkele malen ook door middel van een voegwoord met den. hoofdzin verbindt. Dit geschiedt bij de beknopte voorwaardelijke en de

-ocr page 54-

toegevende: Gij kunt, mils ijverig werkende, nog wel op den bepaalden tijd klaar komen. Ofschoon nog niet geheel hersteld, ging hij weer rol vnnr aan het werk. Hoewel in zijne verwachtingen teleurgesteld, verviel hij niet lot wanhoop.

Opmerking. \'2. Wanneei- men de boven gegeven voorbeelden van beknopte bijzinnen nagaat, zal men opmerken, dat, bij vervanging door een bijzin, deze laatste wel eens een ander onderwerp heeft dan de hoofdzin. Dit is o. a. liet geval bij: Het was mijn plan, met hem naar het concert te gaan. Wat te beginnen, werd er gevraagd. Naar uwe uitdrukkingen te oordcelen, schijnt hij niet bij u in de gunst te slaan. II; heb den kinderen wat knikkers gegeven, om er mede te spelen. /Ij zette een gezicht, om er bang van Ie worden. In al deze zinnen is liet volstrekt niet twijfelachtig, welk onderwerp er bedoeld wordt. Ligt het niet in eenig deel van den hoofdzin opgesloten, dan dient daartoe liet onbepaalde men.

Tevens zal men opmerken, dat deze afwijking van den regel bij de beknopte bijzinnen, die in hoofdzaak uit een deelwoord bestaan, zelden voorkomt. Zoigt; bij Potgieter: Des avonds kermende ingenomen . viel\'s ochtends nieuw gevaar te schromen = Nadat hij \'s avonds kermende teas ingenomen, enz. Kn in de bovenstaande voorbeelden: Oprecht gesproken, gij hadt hem wel wat zachtzinniger kannen behandelen — Wanneer men oprecht spreekt, enz.

x. eijzix,\\ex ex bekxopte bijzisfxex, die xadeke ces( houwixg ve üeisi \'li ex.

§ 05. Onder de bijvoeglijke bijzinnen zijn er, die een betrekkelijk voornaamwoord bevatten, dat alleen of niet liet daarbij behoorende substantief eigenlijk het onderwerp of voorwerp uitmaakt van een daarop volgendon voorwerpszin of beknopten voorwerpszin.

Wie had ooit yedncht, dat een jonker een heler rcrbaml .011 leijgcn dan freule Mad.y, die ik niet dacht, dat haars gelijke had. (V. L.) (= ik dacht niet, dal die ha ars gelijke had). De jonkrrouw verbond de kwetsuur, welke ik mij dei, dat weldra gene.en val. (V. L.) Dc\'.e opmerking wekt misschien eene reeks ran weemoedige gedachten bij u op, die ik echter ■xeker ben, dat gij weder eensklaps met eene luimige wending weet af te breken. (B.) Zien en hooren verging haar run de menigte overrijwagens T die x,ij altijd meende, dat het op hare temen gemunt hadden. (B.) Ik .nu haar in elk geval raden eenige druppels vitriool te gebruiken , ojjgelo.it in dun bier, welk middel ik last :.al geren, dat men vóórhaar bereide. (V. L.) (= ik :.al last geren, dat men dat middel voor haar bereide). Op het-, elfde uogenblik kregen de aanvallers een bondgenoot, dien .ij verre waren van te verwachten. (V. L.) (= \\ij waren verre ran dien te venvaehtrn).

§ 9C. Nog komen er beknopte bijzinnen voor, die afhangen van een daarop volgenden bijzin, terwijl zij een betrekkelijk voornaamwoord bevatten, waardoor al het volgende met een voorafgaanden hoofdzin verbonden is.

-ocr page 55-

41

Gij hebt (jelexcn de levensschets van een onbegrijpelijk (jroot man, dien na te volgen u pedant en, wanhopig toeschijnt. (B.) (— het schijnt n pedant en wanhopig toe, dien na te volgen). De bloemenliefhebber kreeg eene kleur als een Cadns speciosa, om welke te verbergen hij in verwarring naar zijn zakdoek greep. (B.) (= hij greep in verwarring naar zijn zakdoek, om deze te verbergen).

Ol\'MERKlNfi. De zinnen, in do vorige en In ileze paragiaaf behandeld. zijn waarschijnlijk in navolging van \'t Latijn ontstaan. Zij komen althans in de spreektaal weinig of niet voor. Alleen die van de eerste soort hoort men enkele malen: Dal is nu de man, die ze zei/r/en dal den brand geslicht heeft.

§ 97. Onder de bijzinnen verdienen nog opgemerkt te worden, die, ■welke aanvangen met de woorden wie, die, wat, hetgeen. AVij zagen reeds (§ 50), dat zij den dienst konden doen van onderwerp, gezegde en voorwerp. Soms nu worden zulke bijzinnen nog voorafgegaan door een voorzetsel en dan doen zij met dat voorzetsel den dienst van eenen bijvoeglijken of bijwoordelijken bijzin. De beteekenis van liet voorzetsel bepaalt do groep, waartoe zij behooren.

De verslagenheid van die daar aan zijn sterfbed stonden, werd dooreen geheel volk gedeeld. Iteinout greep naar den loom van hetgeen hij voor zijn paard hield. (V. L.) Hij bleef de aarid houden bij hetgeen er gestrand was. Na wat er van morgen gebeurd is, kan er geen sprake meer zijn van verzoening. De oogen van dezen geheinizinnigen personage schenen nimmer te kunnen worden afgetrokken door hetgeen hem omringde. {X. L.) Ik hen nog altijd hoos op hem om wat hij me toen heeft toegeroegd. In \'weerwil van hetgeen mij mag dreigen, zal ik er heengaan.

Oi\'MKRKiNG. Daar het voorzetsel den geheelen volgenden zin beheerscht, denke men er aan, dat de naamval van die, enz. niet bepaald wordt door dit voorzetsel, maar door den dienst in den bijzin.

§ 98. Gelijk wij boven (§ \'J2) opmerkten, komt in een beknopten bijzin geen onderwerp voor. Beknopte bijzinnen als de volgende behooren dan ook, als met het taalgebruik in strijd, niet nagevolgd te worden; Deze ambtgenoot of medehelper was in een veelkleurig gewaad gedost, prijkende hij met een half rood half geel huis en met roode ho\'.en. (V. L.) De stoel intusschen geheel te paard gestegen rijnde, keerde men langs den koristen weg terug. (V. L.) Hare eenige koe gestorven zijnde , leed hel arme vrouwtje gebrek.

Soms zijn echter uit dergelijke beknopte bijzinnen bepalingen ontstaan, waarin het deelwoord den aard van een voorzetsel heeft gekregen: Siet-tegenslaande mijne waarschuwing is hij er toch heengegaan. Gedurende den oorlog waren zijne ZMken hard achteruitgeraakt. Behoudens eene kleine opmerking keurde hij mijn voorstel goed. Di\' bepalingen toch, waarmede deze volzinnen aanvangen, beteekenen eigenlijk: Mijne waarschuwing niet tegenstaande (geen tegenstand biedende), de oorlog gedurende (durende), eene kleine opmerking behouden (zijnde), enz.

-ocr page 56-

DE EI.I.U\'S IX HEX SAMENGESTELDE^ JCIX.

§ 5)9. Dezelfde oorzaken, die den enkelvoudigen elliptischen zin doen ontstaan, maken ook, dat soms de samengestelde zin elliptisch is.

Bij de nevenschikkende zinsverbinding kan een der deelen of knnnen zij alle elliptisch zijn; Uw enlde iril cn \'f helsrhe dier icas als eni lam rjeslacht! (St.) Aan V werk of de deur uit!

Bij de onderschikkende zinsverbinding is of do hoofdzin elliptisch of de bijzin óf vel beide. Ook kan de geheele hoofdzin ontbreken.

Rampxahg hij, t/ie ti weerstaat! (B.) O, welk een troost, door u cjetroost te irorden! (B.) Geen ra-aard, of \'t stuit ran schelpen, in \'s afyromU pod (jrhard! (St.) Vergeefs, dat 11 \'ie hards ridderkliwj de ra art des bliksems tart! (St.) „Hier!\'\'\' schatert Hertog Karei uit. (St.) Dat ras de loods voor Hullaads wal den boeg, die huiswaarts keert, bejegen! (St.) Maar — wat de Burgemeester deed? Hij ging naar Sinterklaas. (St.) I Vie om een hoekje can nabij hun rreugde had gezien! (St.) lladde ik het maar vroeger genrten!

Eind goed al goed. Zoo gexegd zoo gedaan. Heter laat dan nooit. Hoe grooter geest hoe grooter heest! Zoo heer xoo knecht.

XI.

-ocr page 57-

TWEEDE BOEK.

D K W O O R D S 0 O li T K N I N D E N V O L Z I N.

§ 100. De woorden, die in den volzin voorkomen, worden deels naar hunne beteekenis, deels naar den dienst, dien zij verrichten, in tien soorten verdeeld. Deze zijn: zelfstandige naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden\', voornaamwoorden, telwoorden, lidwoorden, werkwoorden, bijwoorden, voorzetsels, voegwoorden en tusschenwerpsels.

I. ZELFSTANDIGE KAAMWOOKDE^.

g 101. Zelfstandige naamwoorden (substantieven) zijn de namen van werkelijke zelfstandigheden of van datgene, wat als eene zelfstandigheid wordt voorgesteld.

Men onderscheidt ze daarom in:

a. namen van werkelijke zelfstandigheden (concrete substantieven) d. i. de namen van alles wat een eigen bestaan heeft, onafhankelijk van iets anders, als: .Jun, rader, huis, woud, ij.er.

Als concrete substantieven worden ook beschouwd: lu. de namen dei-windstreken: oosten, ireslen, 2\'. de namen der deelen van den tijd: eeuw. jaar, dar/, lente, oofjeidilik, 3°. de namen van hoeveelheden, als de namen van maten en gewichten en die verzamelnamen, welke eene nadere bepaling behoeven: el, kop, kan, jioitd, ons, do-.ijn, gros, menigte koppel, rlucht, enz.

Ij. begripsnamen (abstracte substantieven) d. i. de namen van hoedanigheden, toestanden of werkingen, die als zelfstandigheden worden voorgesteld.

S 102. De concrete substantie ver. worden onderscheiden in:

1. voorwerpsnamen, d. i. de namen van die zelfstandigheden, welke men zich niet ander^ voorstelt dan als binnen bepaalde grenzen besloten. Deze zijn weer: 1

-ocr page 58-

44

a. eigennamen, die men aan ééne zelfstandigheid geeft, ten einde die van alle andere derzelfde soort te onderscheiden: De Rui/Ier, Anister-(lam , de fi/jii, dc Brhurc.

h. soortnamen, welke alle zelfstandigheden eener zelfde soort met elkander gemeen hebben: huis, stoel, rader, koe.

Opmerking. Do namen van volken, gebergten en eilanüengroe|ion, als l\'ransrhen, Enr/elscheii, Alpen, Pi/reneeën, Cycladen, enz. zijn mode soortnainoii. Immers FranscUcn. enz. zijn moervoiulen van een I\'ranschman, ter wijl de namen van gebergten on eilandengroepen moeten beschouwd worden :ils het meervond van een niet bestaand enkelvoud, evenals dit met f/ebroec/ecs, gezusters, enz. liet geval is.

2. stofnamen, die stoffen beteekenen, d. i. zelfstandigheden, die zonder bepaalde grenzen worden gedacht; klei, \'joud, fluweel, ton!.

Opmerking. 1. Soms dienen de stofnamen, om ééne ol\' meer soorten eener stofte noemen. Zij zouden dan stofsoortnamen kunnen lieeten. Vergelijk: Zij dronken wijn en /ij dronken een kosletjken wijn. Hij eet geen vteesch en Kr werden verschillende vlee:en rondgediend. Zoo ook; eene idlsUdling van lakens, linnens, verschillende zuren, zouten, enz. Intussclion vergete men niet, dat zij ook in zulke gevallen stofnamen blijven en geen soortnamen worden in don zin van voorwerpsnamen.

Opmerking. \'2. Men spreekt ook van verzamelnamen (collectieven), die eene verzameling van gelijksoortige zelfstandigheden noornon, als: woud, volk, leger, schoof, kudde, enz.

he verzamelnamen beteekenen of verzamelingen, die men zich steeds binnen bepaalde grenzen besloten denkt on komen dus in dit opzicht overeen met de voorwerpsnamen: een bosch, eene kudde, eene schaar, een volk. volken, enz. ól\' zij beteekenen verzamelingen, waarbij men niet aan bepaalde grenzen denkt, zoodat zij In dit opzicht overeenkomen met de stofnamen: Er was volk iu den winkel. Hij handelt in graan, in vee. Het loof der hoornen, ons voorgeslacht, mijn kroost, enz.

§ 10;}. De abstracte substantieven worden onderscheiden in:

1. namen van hoedanigheden: jeugd, ouderdom, schoonhrid. vlijt.

2. namen van toestanden: gexotidheid, ziekte, vrrmj\'Ie, leed.

namen van werkingen: loop, slag, klank, gedraaf, gejuich, hnnd-

havlng, tcerkiug.

Opmerking. De grens tnsschen de beide eerste groepen is soms moeielijk te trekken. Men lette er echter op, dat eene zelfstandigheid eeno hoedanigheid bezit en in een toestand verkeert. Hoedanigheden zijn dus moer van blij-venden aard. terwijl toestanden meer afwisselen.

§ 104. Daar een zelfde substantief soms in meer dan ééne opvatting voorkomt, zal het ook beurtelings tot meer dan ééne soort kunnen behooren.

Zoo komen eigennamen als soortnamen voor, a. wanneer men daarmede één of meer van de personen bedoelt, die denzelfden geslachtsnaam voeren: reu Bourbon, de Stuarts, de Huydeeopers; h. wanneer men daarmede een persoon bedoelt, die met den genoemde een kenmerkenden trok gemeen heeft: \'en Cu-ero, ren Cresus, een Xantippe, een Joh. soms ook zonder dat de oorsprong van zoodanig gebruik bekend is: een Juu,

-ocr page 59-

45

mi Pint, nni Bram, enz. c. wanneer men daarmede zaken noemt, van een bepaald persoon afkomstig of naar hem genoemd: een Vondel ..de ■werken, van V.quot;, een Rembrandt „een schilderstuk van R.quot;, een Voltaire, een (\'olberf, een paar Molières, enz.

Zoo wordt een stofnaam tot voorwerpsnaam, wanneer men daarmede een voorwerp bedoelt, uit die stof bestaande: een glas, een steen, een jxer, een Uil:. Omgekeerd kan een voorwerpsnaam als stofnaam worden gebruikt: Wij eten vnndany risch. Ilij zond ons een vaatje rersche haring.

Zoo treedt een verzamelnaam, die gewoonlijk als voorwerpsnaam gebruikt wordt, als stofnaam op in: met bosdi (kont) begroeide bergen. Vaak worden ook abstracte substantieven tot concrete: de gang nm een huis, de loop van een geiceer, eene opening, xijiic kteeding. eene schoonheid, de Godheid, vriendscluqi „vriendquot;, ■.i/ne Majesteit, \\ijne Genade, enz.

II. BIJVOEGLIJKE IvAA.MWOOUDEX.

§ 105. Bijvoeglijke naamwoorden (adjectieven) drukken meestal hoedanigheden der zelfstandigheden uit: Het hlad is groen. Iht groene hlad.

Tot de bijvoeglijke naamwoorden rekent men ook wegens het gebruik, dat men er in den zin van maakt:

1°. de stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden, die de stof noemen, waarvan de zelfstandigheden zijn gemaakt: een gouden horloge, een aarden pot, eene itnfj\'elsche jas.

\'2.°. de woorden, die eene betrekking van tijd en plaats inhouden, waarin de zelfstandigheden verkeeren: huidig. toeinncdig, hedendaagsch, ilctgelji\'sch, bovenst, binnenst, bnitenst, enz.

3°. de woorden, die de plaats noemen, waar een zelfstandigheid thuis behoort of den persoon, van wien eene zelfstandigheid afkomstig is: Xederlandsch, Anisterdeiinmer, Zntfenseh, de Moxa\'isehe icetgecing. de Juliaansche tijdrekening, enz.

4quot;. de woorden, die bij een werkingsnaam de richting of de wijze der werking aangeven: eene achterwaartsche beweging, een zijdelingsehe sprong, eene mondelinge mededeeling, eene trapsgewijze opkliinmimj. enz.

§ KM!. Wanneer in den zin een bijvoeglijk naamwoord als bepaling (attribuut) voor of achter een substantief wordt gevoegd, heet het attributief gebruikt: de goede man, Willem de goede.

§ 107. Wanneer de zin dient, om eene hoedanigheid aan eene zelfstandigheid toe te kennen of te ontzeggen, maakt het bijvoeglijk naamwoord een deel uit van \'t gezegde (praedicaat). Men zegt daarom, dat het dan praedicatief is gebruikt: Ik hen gelukkig, hij was niet rijk.

108. Men noemt een bijvóeglijk naamwoord ook praedicatief gebruikt, wanneer het eene bepaling van gesteldheid van het onderwerp of

-ocr page 60-

46

voorwerp uitmaakt. (Vgl. § ](i.) Dan toch dient do zin mede, om eene hoedanigheid aan dat onderwerp of voorwerp toe te kennen; Jij kwam ademloos aanloopen. Hij kwam ziek il/uis. Ik acht, schat, rrken, noem, prijs hem gelukkig. Ik vind dat vervelend. Hij maakt :.ich xelvcn ongelukkig. Hij werkt zich nog dood. Ik maakte het touw vast. Hij kladt het papier vol. Ik stelde hem tevreden. Ik gevoelde mij ongerust. Hij \\ag zich van. elk verlaten. Hij heeft xjn leven veil voor \'t vaderland. Zoo eigenlijk ook: Hij heeft zijn ouders lief (oorspronkelijk): Hij houdt .ijne ouderx (voor) dierhaeir.

Opmerkimi. Zegt men, een brave jonr/en, de mooie bloem, dan wordt de hoeïJaniglieiil voorgesteld :ils reeds in de zelfstandigheid aanwezig. Zegt men: die jong en is braaf, die bloem is mooi. dan dient de zin, om tegenover den lioorder de hoedanigheid aan de zelfstandigheid toe te kennen.

Dit laatste is ook het geval, wanneer het adjectief als bepaling van gesteldheid voorkomt. Zegt men: hij kwam ziel; thuis, ik ((chl hem gehtkkiy. hij kladt het papier vol. dan dienen deze zinnen evenzoo, om te kennen te geven, dat hij bij het thuis komen ziek a-as. dat hij volgens mijne meening rjelitkkiy in, dat door zijn kladden het papier rol u\'ordl.

§ 100. Sommige bijvoeglijke naamwoorden kunnen alleen jiraedica-tief voorkomen: b.v.: hedacht, beducht, behept, benieuwd, bereid, besloten, bestand, bijster, deelachtig, gedachtig, gereed, getroost. gewaar, gewend, gewoon, indachtig, kwijt, machtig, meester, moede, prat, luk, wars, handgemeen, leed, onpasselijk en pluis.

JFees daarop bedacht. Ik beu beducht roor den afloop \'Ier \'.aak. Met die kwaal was ook ■.ijn vadev behept. Ik ben benieuwd, hoe dat zal gaan. Hij is bereid, u te helpen. Wij zijn besloten te vertrekken. Ik dijk was niet bestand tegen den aandrang van het water. Zij waven het spoor bijster. \'/.00 .uit gij \'.ijne gunst niet deelachtig worden. IVees on.e woorden gedachtig. Ik ben gereed te rerlrekken. Zij was haar lot getroost. 117/ werden hem ran verre gewaar. Ik ben die drukte niet gewend, niet gewoon. Zult gij mijne vevmaning indachtig zijn \' Hij was al -.ijn geld kwijt. Zijt gij die taal machtig ? De vijand was da stad meester. De ongelukkige was het leven moede. Hij was prat op den roem zijner voorvaderen. Hij bleef tuk op nieuwe vevoveringen. Wij naren wars ran alle haavklooverijen.

De vijanden werden handgemeen. Is uw werk al klaar\'? Het is my leed. a dit te moeten melden. Zij werd een weinig onpasselijk.

Opmerking. 1. Zooals men ziet, gaan deze adjectieven, met uitzondering dei-vier laatste, vergezeld van een oorzakelijk voorwerp. Dit zal dan ook wel dc reden wezen, dat de bedoelde adjectieven niet attributief gebruikt worden. Immers het taalgebruik vermijdt liefst uitdrukkingen als: de voor den afloop der zaak beduchte man: een met de kwaal zijns vaders behept kind, enz.

Opmerking. 2. Knkele dezer adjectieven komen wel eens attributief voor, doch hebben in dat geval ook eene andere beteekenis, bijv. leed {met leede oogen aanzien), gereed {geld, penningen), moede (de moede wandelaar), gewoon (de gewone verontschuldiging), bedacht, beveid, getroost, wanneer /.ij als doelwoorden voorkomen: de bedachte vaadsels. eene bereide tafel, de getrooste bedroefden.

-ocr page 61-

47

§ 110. Sommige adjectieven komen steeds als bepaling- van gesteldheid voor en worden dus ook alleen praedicatief gebruikt, als-hraali, pal, schrap-, gestand, kond, diets, en afhandig.

Dc akker ligt braak. Hij stond pal voor zjne rechten. Ik xette mij sehmj\' trgen x jn aanval. Een eerlijk man doet xjn woord gestemd. De regeering deed de burgerij kond, dat alle samenscholingen .ouden gestraft worden. Zoudt gij ons dit diets willen maken? Men heeft mij dit j/aklcet afhandig gemaakt.

§ 111. Er zijn ook bijvoeglijke naamwoorden, die alleen attributief voorkomen, üit is namelijk het geval met do meeste bijvoeglijke naamwoorden, die geene eigenlijke hoedanigheden uitdrukken, (zie § 105). Men zegt echter: Dew zinswending is echt Potgieteriaansch. Dat is echt Haagsch. Het examen was mondeling, niet srhrifteljk.

III. VOORNAAUWOOIiDEjr.

§ 112. De voornaamwoorden hebben tweeërlei zeei verschillende diensten te verrichten. Zij duiden zelfstandigheden aan — in tegenoverstelling van de zelfstandige naamwoorden, die zelfstandigheden noemen, — of zij bepalen de zelfstandigheden, door daarvan kenmerken op te geven, die telkens kunnen afwisselen, zonder dat er iets-aan den aard der zelfstandigheden verandert — in tegenoverstelling van de bijvoeglijke naamwoorden, welke kenmerken noemen, die in den aard der zelfstandigheden zijn gelegen. In \'t eerste geval dragen zij den naam van zelfstandige, in \'t laatste dien van bijvoeglijke voornaamwoorden. Dat men ze tot dezelfde soort van woorden rekent, komt hiervandaan, dat de meeste voornaamwoorden beurtelings bijvoeglijk en zelfstandig kunnen voorkomen.

Opmerking. Mijn boel: kan uw boel; of zijn boel: worden, zonder dat liet boek als zoodanig eenige verandering ondergaat. Kvenzoo is quot;t met lt;1 i I boel; en en dat boel;. Maar tnuoi en dit; in ceu mooi, een dit! boe/; kenmerken den. aard van het boek.

De voornaamwoorden worden onderscheiden in:

1. Persoonlijke Voornaamwoorden.

§ 113. Zij duiden zelfstandigheden aan met onderscheiding van den spraakkunstigen persoon.

Door persoon verstaat men in de spraakkunst de drieërlei betrekkingv waarin eene aangeduide zelfstandigheid tot den spreker staat.

Is die aangeduide zelfstandigheid de spreker zelf, dan gebruikt men het voornaamwoord van den eersten persoon ik. Komt de aangeduide zelfstandigheid als de aangesprokene voor, dan bedient men zich van \'t voornaamwoord van den tweeden persoon gij, ge, jij, je. Is eindelijk do aangeduide zelfstandigheid noch de spreker noch de aangesprokene, dan gebruikt men het voornaamwoord van den derden persoon hij, zij, heL

-ocr page 62-

48

Wil men moer dan ééne zelfstandigheid aanduiden en behoort daaronder de spreker, dan bezigt men wij, we; zijn de zelfstandigheden de aangesprokenen, dan bedient men zich van gij, ge, gijlieden, jelui, jullie; zijn onder de aangeduide zelfstandigheden noch spreker noch aangesprokenen, dan wordt het voornaamwoord ry, ze gebruikt.

§ 114. De voornaamwoorden van den derden persoon hij, zij, het worden zoowel van zaken als van personen gebezigd; het voornaamwoord hel kan ook hoedanigheden, werkingen en den inhoud van een volzin aanduiden; \'/.• Ben oud, maar xal \'/ niet lang meer zijn: \'I; heb ran (Ir bron der jen gil gedronken. (St.) Mglord Strafford, die :\\oorcel heheersrht. schijnt het die rivier ook wet te doen. (Sell.) Floor stond midden ia den i ring, eer hij het irilde of wist. (P.)

§ 115. In plaats van hot voornaamwoord tk gebruikt men in do schrijftaal wel eens wij, wanneer men zich zeiven minder op den voorgrond wil plaatsen: 11\'ij hebben dit boek met aandacht gelezen en hunnen het bijzonder aanberelcn. Ook wordt wij in den zin van il: gebezigd in formules als: Wij, Willem UI, Koning der Nederlanden, enz.

§ 110. Do woorden gij en ge komen alleen in de schrijftaal voor. In de spreektaal gebruikt men, wanneer men met den aangesprokene gemeenzaam bekend is of tot een mindere spreekt: jij, je, en wanneer men meer dan één aanspreekt: jelui, jullie. Wil men iemand beleefd aanspreken , dan bedient men zich van u, eene verkorting van uwe edelheid of ook van den naam van den aangesprokene: Wil vader mij eens helpen ? Mag ik dominee nog een kopje presenteeren? Spreekt men beleefd tot meer personen, dan gebruikt men: de heeren, de. dames, de gasten, de vrienden of ook het woord u.

§ 117. Het voornaamwoord van den derden persoon duidt in \'t alge-ineen liet onderwerp van den vorigen zin aan, doch kan dit ook eene bepaling of \'t voorwerp doen, wanneer men niet voor onduidelijkheid heeft te vreezen: Daar trad den Schot een man op zijde, die hem vroeg, of hij hem ooi: van dienst kun zijn. (Sch.) Vreest men voor duisterheid of zou de zin door quot;t bezigen van hij, zij eene geheele andere beteekenis krijgen, dan gebruike men deze, die: Toen hij de kamer, waarin ■zich de vreemdeling bevond, binnentrad, keel; de;.c verbaasd op. De Schot hield een paar schreden tang den gewonen gang en verhaastte dien toen. (Sch.) Van zaken sprekende, gebruikt men in \'t meervoud als voorwerp liever zc dan hen of haar: Grillige arabesken werden oveval aangetvoffen, waar dc bouwmeester se had kunnen aanbrengen. (Sell.) In gomeenzamen stijl doet men dit ook van personen: Waar zijn uwe zusters toch? Ik heb \\c in geene eeuw gezien.

§ HS. Wanneer het onderwerp van een volzin, zoo dit dc derde persoon is, tevens als voorwerp of bepaling voorkomt, gebruikt men quot;t woord zich, dat wederkeerend voornaamwoord heet: Hij heeft zich hexeerd. Hij vertrouwt te veel op zich zalven.

Bij de beoordeeling, of men Ach moot gebruiken, zorgc men altijd de

-ocr page 63-

49

beknopte zinnen door werkelijke bijzinnen te vervangen, ten einde te zien, of het onderwerp van den bijzin dan in dezen laatsten nog in eene andere betrekking voorkomt: Karei Mond (jp en beval Vane, den Schotsnhen zendeling voor hem te brengen. (Sch.) Hier zon \'t voornaamw. zich verkeerd zijn; immers de beknopte bijzin beteekent: dat dexe (Vane) den Schotschen zendeling voor hem (Karei) bracht.

Nu en dan vindt men, om den stijl in overeenstemming te brengen met de dagelijksche spreektaal, hem en haar voor zich gebruikt: Floor za/j opgeruimde gezichten om hem henen. (P.) Hij had het boekje voor hem. (H.)

§ 119. Wanneer er eene werking in den zin wordt uitgedrukt, die wederkeerig plaats vindt, bedient men zich van de wederkeerige voornaamwoorden elkander, malkander: Zij hebben elkander geholpen. Zij hebhen veel met malkander (mekaar) op.

Verkeerd is het gebruik van \'t voornaamwoord zich in den zin van elkander, als in deze volzinnen: Elk ontwaart, dat beide magen zich u-el verslaan. (St.) Toen ik aan uw hof geplaatst werd, zagen wij ons weer. (B.)

2. Bezittelijke Voornaamwoorden.

§ 120. Deze worden zelfstandig of bijvoeglijk gebruikt. Zij duiden zelfstandigheden aan of bepalen ze, terwijl ze tevens te kennen geven, of de bezitter dier zelfstandigheden de eerste, de tweede of de derde persoon is. Soms geven zij te kennen, of de zelfstandigheid, welke van de aangeduide of bepaalde zelfstandigheid de oorsprong of afkomst, het kenmerk, het onderwerp of liet voorwerp is, de eerste, tweede of derde persoon is. Zijn gedichten. On re tijd is nog niet gekomen. Zijn regeering. Zijn redding. Bijvoeglijk gebruikt luiden ze: mijn, zijn, haar, onze, uw, hun; zelfstandig: de of het mijne, uwe, enz. In de spreektaal hoort men ook: jou, je, hdlie(\'s), jelui(\'s) in dezelfde gevallen, waarin men jij, je, enz. gebruikt.

g 121. De bezittelijke voornaamwoorden zijn, haar, hun, wijzen in \'t algemeen op het onderwerp van denzelfden of den vorigen zin. Maar zij kunnen ook wijzen op een voorwerp of eene bepaling. Moeht de zin in dit laatste geval onduidelijk worden of iets anders zeggen, dan men bedoelt, dan gebruikt men diens en dier. Vgl.: Hij vertelde zijn haarman, dat zijn hond gevangen teas en dat diens hond gevangen was.

De lange man scheen den aanval van lieede bedaard af te wachten en had hij diens eerste beweging onder zijn mantel een lang pistool voor den dag gehaald. Toen hij de ruiters hun weg \'■ ag vervolgen, Het hij de hand weer ■. akken, bracht het vuurtuig op zijne plaats en stapte bedaard verder. (V. L.) Zij trachtte nu door Emma te verkrijgen, wat dier echtgenoot haar had geweigerd. (B. ï.) Woedend wierp Joan zich tusschen moeder en zoon en zocht dezen laatste uit hare handen te scheuren.

g 122. Wanneer liet voornaamwoord men als onderwerp voorkomt, bedient men zich van \'t bezittelijk voornaamwoord zijn, om de onbepaalde zelfstandigheid aan te duiden: De leeraar heeft gezegd, dat men geen bedrog mag plegen, noch een glimp aan zijne daden geven. (V. L.).

T. ïkhwev, Ned. Spmatil;. l ie druk. 4

-ocr page 64-

50

3. Aanwijzende Voornaamwoorden.

§ 123. Zij worden mede zelfstandig of bijvoeglijk gebruikt en duiden zelfstandigheden aan of bepalen ze, terwijl ze tevens de plaats aangeven, welke de zelfstandigheden ten opzichte van den spreker, of die, welke de substantieven in den zin innemen. Ze zijn; dexe of dit, die of dat en gene.

Deze en dit betreffen zelfstandigheden, die zich dichter bij den spreker bevinden: die of dat zulke, welke verder van dezen verwijderd zijn: Wilt gij deze pen of die, dit hoek of dat ? Gene betreft zelfstandigheden, welke zich aan de overzijde van den spreker bevinden: Aan gene zijde der rivier staan meer huizen, dan aan deze.

Met deze en gene worden de later en vroeger in den zin genoemde zelfstandigheden aangeduid: Alles duidde teederheid en kracht aan. gene getemperd door de\'.e, de.e geheiligd door gene. (Sch.) In plaats van deze en gene kan men zich in dit geval ook bedienen van de eerste en de laatste: Voor V overige droeg lleede handschoenen en buis van geel leder, de eerste met franje en het laatste met knoopjes versierd. (V. L.) Met dezelfde bedoeling, doch minder bepaald, bezigt men de eene en dc andere: Onze krankenbezoeker en onxe tooneelspeler zitten in de gelagkamer. Waar bleef de verslagenheid van dm een, waar bleef de verstrooidheid van den ander ? (P.)

§ 124. De aanwijzende voornaamwoorden dit en dat kunnen, evenals het pers. voornaamwoord het, behalve zelfstandigheden ook hoedanigheden, werkingen en den inhoud van een volzin aanduiden: Hel voorhoofd was laag en scheen dat nog meer door den hoed, die bijkans tot op de ooren was neergedrukt. (Sch.) Hij werkt nu ieder en dag weer, maar kan dit nog niet lang volhouden. Hare Majesteit is op u verbitterd en toont dat op hare wijze. (Sch.) In denzelfden zin gebruikt men ook zulks: Ik ben een eenvoudig burgerman en hoop zulks ook te blijven. (L.)

4. Bepalingaankondigende Voornaamwoorden.

§ 125. Zij worden gedeeltelijk alleen zelfstandig, gedeeltelijk ook bijvoeglijk gebruikt en duiden zelfstandigheden aan of bepalen ze, terwijl zij tevens te kennen geven, dat de hoorder een bepalenden zin ;of eene bepaling) kan verwachten of dezen in de gedachte moet invullen: Degene, die dit gezegd heeft, zal er wel meer van welen. Hij woont in dezelfde straat als mijn broeder. Drie weken geleden zag ik hem voor \'t laatst; denzelfden dag is hij gestorven. Ik bedoel niet het huis in de straat, maar dat aan de gracht. De bepalingaankondigende voornaamwoorden zijn: degene, diegene, dezelfde, diergelijke, dergelijke, \\idk, zoodanig , dusdanig.

§ 126. In denzelfden zin als degene gebruikt men ook \'t persoonlijk

-ocr page 65-

51

voornaamwoord van den derden persoon: Hij, die zoo handeli, verdient niet rjeacht te worden. Soms ook die, dat: De po\'é-.ie, Augustijn, is oreral, maar die, die men opmerkt in de werkelijkheid, is heter dan de aangeworvene of aangewaaide. (B.) Dat, wat men -.elf gemaakt herft, waardeert men het best.

Opmerking. Ook het woord ander behoort tot ile bepalingaankondigende voornaamwoorden, wanneer het voorkomt in zinnen als; dut is andere wijn, dan dien gij in den kelder heht. Pat is een ander geval. Immers ander loet hier denzelfden dienst als niet-zulk.

5. Vragende Voornaamwoorden.

g 127. Zij duiden zelfstandigheden aan of bepalen ze, terwijl ze tevens te kennen geven, dat men den naam of eenig kenmerk der zelfstandigheden begeert te weten. Zij zijn: wie, waf, welk, hoedanig, wat voor een. Wie wordt altijd, wat meestal zelfstandig gebruikt; welk, hoedanig en v:at voor een komen altijd bijvoeglijk voor. Wie vraagt naar personen; wat meestal naar zaken; welk, hoedanig en wat voor een naar beide.

Wanneer wat bijvoeglijk gebruikt wordt, heeft het de beteekenis van welke: Wat maagden ziju \'t, die weenend haar sluiers ten hemel zwaaien ? (St.) \'A; Zou haast vragen, wat wind hem zulk een veer had toegewaaid? (B.)

§ 128. Wie, welk en wat kunnen ook, \'t laatste mede, bijvoeglijk gebruikt, meer als uitroep, dan als vraag worden gebezigd: Wie ; ou ; oo iets van hem verwacht hebben! Welk een afschuwelijk samenweefsel ran verraad en huichelarij.\' (V. L.) Wat onvoorzichtigheid\'.ei Joan tot \\ich zeiven. (V. L.)

§ 129. Wat voor en wat voor een kunnen geseheiden worden: 11\'«/ is dat voor een man? Wat speelt men hier voor kluchten? (St.)

6. Betrekkelijke Voornaamwoorden.

§ 130. Betrekkelijke voornaamwoorden duiden zelfstandigheden aan of bepalen ze, terwijl zij tevens een bijvoeglijken zin met een naamwoord verbinden: \'t Voorrecht, dat gij geniet, mag wel onwaardeerbaar heeten. Den man, welken gij op H oog heht, ken ik niet. Edelmoedig man, die mij het leven hebt gered, hoe kan ik u mijne dankbaarheid toonen? Onze meid is eerlijk en trouw, welke hoedanigheden men niet bij allr aantreft.

Er zijn geene voornaamwoorden, welke van nature betrekkelijk zijn: verschillende vormen der aanwijzende voornaamwoorden die en dat en der vragende wie, wat, welk en hoedanig worden betrekkelijke voornaamwoorden, zoodra zij dienen tot verbinding van een bijvoeglijken zin met oen naamwoord.

\'t Zelfstandig naamwoord of voornaamwoord, dat de zelfstandigheid beteekent, die door \'t betrekkelijk voornaamwoord wordt aangeduid, heet

-ocr page 66-

het antecedent. Zoo zijn in de bovenstaande volzinnen H voorrecht, den man enz. ;t antecedent der betrekkelijke voornaamwoorden.

§ 131. Het betrekkelijk voornaamwoord welk wordt soms bijvoeglijk gebruikt; dit geschiedt voornamelijk, wanneer een bijvoeglijke zin dient als bepaling bij twee of meer substantieven, wier begrip in één woord wordt samengevat: Wij gebruikten koffie en brood, welke artikelen de eer hadden, de volkomen i/oedkeuring van mijn neef\' ire.y te dragen. (13.) Ook wanneer de bijvoeglijke zin dient als bepaling eener werking of hoedanigheid, welke in den bijzin als eene zelfstandigheid wordt voorgesteld; Ik had bemerkt, dat mijne gastvrouw nu en dan run haar hoek opzag, welke beireging ik niet kon nalaten toe te schrijven aan haar verlangen naar mijn vertrek. (V. L.) Enkele malen wordt het antecedent eenvoudig herhaald, omdat het wat ver van :t betrekkelijk voornaaraw. af staat: Toen Al u-art :ijnc rede geëindigd had, ontstond er een levendig gemompel van goedkeuring hij de meesten der aamrezigen, welke goedkeuring zij nog luider te kennen gaven, door naar \'s lands wijze met de speer te schudden. (V. L.) Ook hoedanig, dat zelden meer voorkomt, wordt bijvoeglijk gebruikt: Het was in de hel verlichte en warm gestoofde .aal een aanlokkend tafereel, hoedanig een wij gaarne van de meesterhand des beeldenden kunstenaarquot; op het doek vereeuwigd zouden .ien. (Scli.)

§ 132. Wanneer het antecedent mannelijk of onzijdig enkelvoud is en eene zaak beteekent, gebruikt men gewoonlijk welks: toch vindt men ook wiens: De graveerstift van een Yankee schelste ons Henri Hudson en z jne tochUjenooten op den vloed, aan iciens oever l^ieuw-Amsterdam ver-rij .en -.ou. (P.) L\'oh stapte ■.onder om te \'.ien naar den heuvel, aan wiens roet het stedeken lag. (Sch.)

§ 133. Wanneer een bijvoeglijke zin dient ter bepaling van den inhoud van oen geheelen volzin, gebruikt men als betrekkelijk voornaamwoord hetgeen of tcat, soms ook hetwelk of dat: Wij ondervonden niets dan tegenwerking, hetgeen, ons natuurlijk slecht beviel. Zij geeft :ich moeite oni altijd interessant te ; ijn, hetgeen ; ij het best meent te kunnen doen, door ■.lekeijkheid voor te wenden. (L.) Whitehall jubelde en me! Whitehall geheel Engeland en Schotland, wat sedert de Stuarts den schepte)-voerden, nog slechts \\elden had plaats gehad. (Sch.)

§ 134. Soms ziet men ook hetgeen, met een zelfstandig naamwoord tot antecedent, als betrekkelijk voornaamwoord gebruikt: Leve een gezelschap, dat niet onder het getal der gratiën blijft, hetgeen niet hoven dat der mu.en qaat. (P.) Wij namen een ■.andpad door de eikestruiken, hetgeen op een driesprong uitkwam, waar onze geleider stilhield. (V. L.) Zoo dat smerige pakje, \'tgeen ge nu aan hebt, uw eenig gewaad is, mogen wij wel terstond naar den kleermaker gaan. (V. L.) Dit gebruik van hetgeen is tegenwoordig zeldzaam.

§ 135. Ook het voornaamwoord ivat vindt men als betrekkelijk gebruikt: Heeft hij iets gedaan, u-at niet goed u-as? (Sch.) Dit is het beste menus.

-ocr page 67-

wat wij verwachten kunnen. (Sch.) Dit gebruik van wat is algemeen na de antecedenten dat, datgene en uttcx: Dat, datgene, alles, wat ik nu hoorde, overtrof mijne stoutste verwachting.

§ 136. Opmerking verdient het gebruik der voornaamwoorden wie, wat, die, hetgeen, wanneer zij den dubbelen dienst doen van bepalingaankondigend en betrekkelijk voornaamwoord: Wie (= degene, die) eens steelt, is altijd een dief. Wat (= datgene, wat) waar is, moet eenvoudig xijn.

Wil men met deze woorden onbepaalde zelfstandigheden aanduiden, dan gebruikt men wie en wat: Wie xoo handelt, verbeurt ons vertrouwen. Wat men niet kent, waardeert men niet.

Wil men bepaalde zelfstandigheden aanduiden, dan gebruikt men die en hetgeen: Die des schenkers plaat* vervult, ren onbekende, in zwart gehuld, treedt toe. (St.) Gehuld in Sint Fram-iscus1 dos, zat, die eens wandlen moest, parmantig op een ros. (St.) Hetgeen gij daar zegt, kan ik moeilijk gelooven.

Maar dikwijls vindt men ook die voor onbepaalde personen; zelden omgekeerd wie voor bepaalde. Wat daarentegen komt voor bepaalde zaken zeer dikwijls voor; Doch met Aprilmaands lesten dag moest blind xijn, die de brug niet zag. (St.) Die niet uit alles leeren wil, wil in \'t geheel niet leeren. (B.) Wie zich thans in de schaduw van \'t lustprieel verschool, scheen geen oog te hebben voor den kostbaren aanleg. (Sch.) 11*«/ ik met den mantel der liefde heb pogen te bedekken, kan door dezen of genen vermoed zijn. (Sch.)

7. Onbepaalde Voornaamwoorden.

§ 137. Zij worden zelfstandig of bijvoeglijk gebruikt. In het eerste geval duiden zij zelfstandigheden aan, wier naam men niet kan of wil noemen. In het laatste geven zij te kennen, dat men omtrent de zelfstandigheid, wier naam op het voornaamwoord volgt, niets naders kan of wil zeggen. Alleen zelfstandig worden gebruikt: men, iemand, niemand, iets, niets, wat, alles, een, het. Alleen bijvoeglijk: zeker en eenig.

Opmerkixg. 0|i niemand en niets is de bovenstaande dolinitie, strikt genomen, niet toepasselijk. Maai\' /.ij beteekenen niel-ieinand en niet-iets en bevatten dus als hoofdbegrip iemand en iets. Alles duidt hoeveelheden of verzamelingen van zelfstandigheden aan, wier bijzondere namen men niet kan of wil noemen: Hij heefl nlle* opgegeten. Alles zat iiuhliel: worden verliocht.

§ 138. Tl o/ is een onbepaald voornaamwoord, wanneer het de betee-kenis heeft van iets: Hier heb ik wat moois voor u.

Een is een onbepaald voornaamwoord, wanneer het iemand beteekent: Zij had hem, haren ouden vriend, teruggewezen om eenen, dien hij \'t recht had, ver beneden zich te achten. (Sch.) Dezelfde beteekenis heeft een ook in de woorden iedereen, elkeen en menigeen.

Ook wanneer men eene onbepaalde zaak van andere derzelfde soort wil

-ocr page 68-

54

afscheiden, moet een als een onbepaald voornaamwoord aangemerkt worden: Een der hoeken was op den grond gevallen. Op een der mooiste dagen van Juni zijn wij er heen geweest. Hier duidt immers een ook eene zelfstandigheid aan, wier bij zonderen naam men niet kan of althans niet noodig acht te noemen.

Het is een onbepaald voornaamwoord, wanneer het voorkomt als onderwerp bij onpersoonlijke werkwoorden en uitdrukkingen: Hel regent. Hel is mistig. Zoo ook, wanneer het als voorwerp voorkomt in zinnen als: Hij heeft het druk. Zij schaterden het uit van pret. Hoe maakt gij het ? Wat zijne zaken betreft, daarin geeft Jan hef u en mij nog te doen. (P.)

Opmerking. Wanneer een gebruikt wordt als in dezen zin: Hij heeft één zijner huizen verkocht: nu heeft hij er nor/ twee over, is het natuurlijk geen voornaamwoord, maar een telwoord.

Duidt het een volgenden onderwerpszin of voorwerpszin aan, dan is liet een persoonlijk voornaamwoord: Het is wenschelijk, dat hij komt. Ik tieh tiet hem meermalen gezeycl, dat il; hem onmogelijk kon helpen.

§ 139. Zeker is een onbepaald voornaamwoord in: Zeker vader had twee zonen. Eenig, wanneer het de beteekenis heeft van een of ander: Is u eenig ongeval overkomen? Men zal er ter eeniger tijd wel meer van hooren.

§ 140. De volgende uitdrukkingen, als één geheel beschouwd, doen mede den dienst van onbepaalde voornaamwoorden: deze en gene, dexe of gene, de een of ander, het een of ander, een of ander: Ik heb er dezen en genen naar gevraagd, maar niemand ivist mij er iets naders van te vertellen. Wat ik met den mantel der liefde heb pogen te bedekken, kan door dezen of genen vermoed zijn. (Seh). De een of ander zal hem het geheim hebben verklapt. Hebt gij ook het een of ander voor mij te doen\'. Ik zal maar een of ander werkje ter hand nemen.

§ 141. Nog worden tot onbepaalde voornaamwoorden de vragende wie, wat, welke, wanneer zij aan het hoofd staan van toegevende zinnen. De spreker laat dan toch aan den hoorder de vrijheid, daarbij aan alle mogelijke zelfstandigheden en kenmerken te denken: Wie er ook komt, zeg maar, dat ik niet thuis ben. Wat men ook ran hem moge zeggen, onbekwaam is hij niet. Welke moeite gij ook doet, het zat n niet baten. (Vgl. § 73).

IV. TELWOORDEN.

§ 142. De telwoorden drukken de hoeveelheid der zelfstandigheden uit of geven door middel van een getalbegrip de plaats te kennen, welke deze onder andere innemen. In \'t eerste geval dragen zij den naam van hoofdtelwoorden, in :t laatste dien van rangtelwoorden: Het jaar telt twaalf maanden. De twaalfde maand heet December.

De rangtelwoorden behooren naar hun dienst tot de bijvoeglijke voor-

-ocr page 69-

oo

naamwoorden; wegens hunne afkomst rekent men ze gewoonlijk tot de telwoorden.

Zoowel de hoofd- als de rangtelwoorden kunnen eene bepaalde of eene van de omstandigheden afhankelijke beteekenis hebben; vandaar de onderscheiding in bepaalde en onbepaalde hoofd- en rangtelwoorden.

§ 143. De bepaalde hoofdtelwoorden zijn: één, twee, drie. enz. Ook behooren daartoe de woorden geen en heide. Het eerste beteekent eigenlijk niet-één en is dus allereerst ontkennend telwoord, bijv. in: Kunt (jij mij ook zeggen, wie die vienschen zijn? Neen, ik ken er geen ran. Beide vat een tweetal als bijeenbehoorende op: Beide broeders waren er heengegaan.

Opmerking. In den zin; Dat i* yeene stad, hel is een dorp, staat geen in beteekenis gelijk met niet-een; liet is dan dus ontkennend lidwoord. Wanneer zonder de ontkenning het lidwoord zou wegblijven, doet geen den zelfden dienst als liet ontkennend bijwoord niet: Hij drinkt geen wijn en rookt geene sigaren.

§ 144. De onbepaalde hoofdtelwoorden geven te kennen, dat er aan eene hoeveelheid niets ontbreekt: al: of zij drukken een grootere of kleinere hoeveelheid uit: veel, verscheiden, weinig, luttel, sommig, eenig, enkel, ettelijk, menig, getioeg; of zij geven te kennen, dat er van ■de bedoelde zelfstandigheden geene uitzondering is: ieder, elk, een iegelijk.

OPMERKlXd. Het woord ander behoort ook tot de onbepaalde hoofdtelwoorden, wanneer het staat tegenover sommige, vele, enz. Sommige menschen zijn vurige lofredenaars van den onden tijd, andere prijzen even vurig den nieutven. Immers het beteekent dan eenige, sommige, die niet gelijk zijn aan de vorige. liet hoofdbegrip is dus dat van een onbepaald hoofdtelwoord.

De woorden gansch, geheel, heel, gezamenlijk, die te kennen geven, dat er flan de daarachter genoemde zelfstandigheden niets ontbreekt, rekene men tot de bijvoeglijke naamwoorden. Evenzoo het woord half, \'t welk zegt, dat er een gelijk deel ontbreekt. Men kan deze woorden kwalijk tot de telwoorden rekenen, daar zij geen van alle antwoorden op de vraag: hoeveelquot;? Zij worden ook in den zin geheel gebruikt als de bijvoeglijke naamwoorden: de gansche stad, de fraaie stad, de gezamenlijke leerlingen, de vttreenigde leerlingen.

§ 145. De bepaalde rangtelwoorden zijn: eerste, tweede, derde, enz.

Opmerking. Ook ander behoort tot deze telwoorden, wanneer het de beteekenis heeft van tweede als in anderhalf »(de eerste geheel) de tweede half\' (vgl derd\'half, vierdehalf, enz.) of in: Ik ben twee dagen bij hem geweest; den eersten dag zijn wij \'t huis gebleven, den anderen hebben wij eenige vrienden bezocht.

§ 14G. De onbepaalde rangtelwoorden zijn: middelste, laatste, Itoe-reelstc, ooveelste.

§ 147. Vele telwoorden kunnen evenals de voornaamwoorden zoowel zelfstandig als bijvoeglijk worden gebruikt.

Bepaalde hoofdtelwoorden: Iets in tweeën snijden,, in vieren rouwen. Hij komt met den trein van \'.essen. Wij hennen met ren achten. (B.) Honderden waren daarbij tegenwoordig. De tafel en de stoel moesten beide gerepareerd worden. Duizenden vaten icijn teerden jaarlijks door hem verkocht.

-ocr page 70-

56

Zooals men ziet, kunnen deze telwoorden slechts enkele zelfstandigheden aanduiden, nl. deelen, uren en personen. In de beide laatste voorbeelden beteekenen heide, duizend: een tweetal, duizendtal en moeten dus de namen der zelfstandigheden afzonderlijk genoemd worden.

Opmerking. Worden de bepaalde hoofdtelwoorden opgevat als de namen der cijfers, dan zijn ze zelfstandige naamwoorden: eene mooie, riroole acht; drie nchten.

Onbepaalde hoofdtelwoorden Sommigen wilden, dat wij -.owlen heem/aan, anderen, dat wij hieven. Velen ; jn geroepen, weinigen uitverkoren. De hoornen waren alle omgehouwen. Vee! goeds; weinig arheids; hdtel dunks; moeds genoeg.

Opmkrkinc. Laat men de s van den genitief weg: veel goed, weinig arbeid, luttel dank, dan zegt men gewoonlijk, dat veel, weinij, lultel bijvoeglijk gebruikt zijn. Maar bij moed genoeg, ijver genoeg toont de plaats van genoeg neg duidelijk, dat dit woord zelfstandig gebruikt is: bijvoeglijke voornaamwoorden en telwoorden staan vóór \'t bepaalde deel: moeds genoeg staat gelijk met vaders zorg , enz.

Bepaalde rangtelwoorden: Twee derde min cat derde is één derde. In dit geval duiden zij dus de deelen van een geheel aan.

Opmerking. Reteekenen de eerste, de tweede, de derde de personen otquot; zaken, die in de eerste, tweede, enz. plaats genoemd zijn, dan doen zij den dienst van aanwijzende voornaamwoorden: Ik heb nog alleen den hargeineester en den dokter gesproken: de eerste lijkt me een vriendelijk man, de tweede niet. (Vgl. S 123).

Onbepaalde rangtelwoorden: Vele eersten ■.uilen de htaMen :.jn.

v. LIDWOORDEN.

g 148. Er zijn twee woorden, die den naam dragen van lidwoord: de of \'t, het en een. Het eerste duidt aan, dat het volgende substantief de naam is eener bepaalde zelfstandigheid en heet daarom lidwoord van bepaaldheid. Zegt men bijv.: Haal eens even \'t hoek, dal op de tafel in de voorJcamer ligt, dan zijn al de genoemde voorwerpen bepaald: \'t eerste door quot;tgeen men er van gaat zeggen, het tweede en derde door \'t feit, dat er in huis slechts ééne voorkamer en daarin weer ééne tafel is. Dat bepaald-zijn wordt aangewezen door het lidwoord.

Het lidwoord een heet lidwoord van onbepaaldheid, daar het te kennen geeft, dat men met het volgende substantief eene willekeurige zelfstandigheid uit eene reeks van gelijksoortige zelfstandigheden bedoelt.

Hieruit volgt tevens, dat ieder zelfstandig naamwoord, waarvoor het lidwoord een staat, het karakter heeft van een soortnaam. (Vgl. § lu6.) Over het lidwoord geen zie men § 143 Oi-ii.

§ 149. Hoofdzakelijk uit de beteekenis der lidwoorden vloeien deze regels voor :t gebruik dier woorden voort:

-ocr page 71-

0lt;

a. Eigennamen hebben geen lidwoord voor zich. Wanneer zij als soortnamen worden gebruikt, kunnen zij daarentegen beide lidwoorden voor zich hebben: ccn Maecenas, dc Bourbons. Soms heeft een tot eigennaam geworden soortnaam het lidwoord van bepaaldheid bewaard: de Betuwe., het Gooi, Den Haag. Wordt de eigennaam door een adjectief voorafgegaan, dan wordt het lidwoord van bepaaldheid gewoonlijk gebruikt: immers de beteekenis van \'t substantief is dan door \'t bijvoeglijk naamwoord bepaald: de yoede Willem, de dappere Caesar. Wordt in dit geval \'t lidwoord weggelaten, dan komt dit, doordat het adjectief eigenlijk een deel van den eigennaam uitmaakt: Blinde Elxe -. ingt en spint haar vlas. (B.)

b. Soortnamen kunnen beide lidwoorden voor zich hebben. Zij. missen ze echter:

1. wanneer zij als de naam van don aangesproken persoon voorkomen. In dat geval toch duidt het aanspreken alleen reeds voldoende-aan, dat men een bepaalden persoon op \'t oog heeft: Lieve Moeder.\' Beste Vriend!

2. wanneer zij verwantschapsnamen zijn, die als eigennamen gebezigd worden, quot;tzij met of zonder eigennaam: Grootvader vertelt. Moeder heeft het gezegd. Xcef de Groot. Nicht Kegge.

3. wanneer zij titels zijn, waarmede men iemand kan aanspreken en die gevolgd worden door een eigennaam. In dat geval maken zij een deel van den eigennaam uit: quot; Graaf Jan, Prins Willem, Professor B. r Dominee A. Vergelijk daarmede: de hoogleeraar B., de predikant A.

Bij titels als: de prins van Oranje, de hertog van Wellington is \'t lidwoord natuurlijk noodzakelijk, daar deze aan verschillende personen worden gegeven.

e. Stofnamen en als zoodanig gebruikte verzamelnamen hebben geen lidwoord voor zich: Hij handelt in koffie en thee, xjn broeder in vee en graan. Doch wordt de stof of verzameling als een geheel opgevat, dan bedient inen zich van \'t lidwoord de: Igt;e I: off ie is ditjaar zeer duur r het ve daarentegen is goedkoop. Vergelijk: de boter van deze koe met: boter van de.\'.e koe; het vee van dien boer met: vee van dien boer. Wordt de stofnaam als soortnaam gebezigd, of de verzamelnaam als soortnaam opgevat, dan kunnen zij door beide lidwoorden worden voorafgegaan: een glas, een steen, een bosdi, hel glas, enz.

d. De begripsnamen volgen denzelfden regel als de stofnamen. Wordt de inhoud zonder bepaalde grenzen gedacht, dan missen zij \'t lidwoord: Deugd verheugt. Honger is de beste saus. Denkt men zich den inhoud der begripsnamen als een geheel, dan krijgen zij :t lidwoord de: De deugd alleea maakt gelukkig. De blijdschap van dat kind teas treffend. Krijgen de begripsnamen \'t karakter van soortnamen, dan kunnen zij beide lidwoorden voor zich hebben: Verdraagzaamheid is eene groote deugd, doch niet de grootste.

e. In plaatsbepalingen, die eene veel bezochte plaats beteekenenr wordt veelal \'t lidwoord weggelaten: in, ran, naar huis, naar bed. te-

-ocr page 72-

58

iand, naar zee, naar stad (in den mond van dorpsbewoners). Daarentegen : ter zee, naar de kerk, naar de kermis.

f. Xog wordt het lidwoord weggelaten voor sommige substantieven, ■die paarsgewijze verbonden zijn: land en volk, huis en hof, kerk en staat, hed en bulster, huis en tuin, ireer of wind, veld en akker.

g. Eindelijk mist een zelfstandig naamwoord het lidwoord, wanneer •een ander zelfstandig naamwoord ter bepaling voorafgaat; \'s Mensehen \'bestemming. Moeders schoot.

vi. weekwooüdex.

§ 150. Werkwoorden zijn woorden, welke eene werking te \'kennen geven, die als werking wordt voorgesteld.

Eer.e werking wordt als werking voorgesteld, wanneer het werkwoord het gezegde of een deel daarvan uitmaakt: Wij komen. Hij wordt weer \'irooljk. Wilt gij heengaan ?

Opmerking, i. Kr zijn eenige werkwoorden, Jie niet lieteekenen wat men gewoon is eene »wer kingquot; te noemen, als zijn, ruslen, ligyen, rnoyen, hebben, zulten en dergelijke. Zij zijn echter zoo weinig talrijk in vergelijking met liet overgroot aantal werkwoorden, die wel eene werking uitdrukken, dat men in \'t algemeen de werkwoorden liet best kenmerkt als woorden, die werkingen beteekenen. De overige behooren dan daartoe, omdat zij denzelfden dienstdoen.

Opmerking. 2. Eene werking kan ook als eene zelfstandigheid worden voorgesteld. Dit doen zelfstandige naamwoorden als; \'janrj, vlucht , fjedrang of ■werkwoordelijke vormen, die den naam dragen van infinitieven en die nu eens geheel als substantief optreden en dan weer geheel den aard van het werkwoord behouden: Dat lanyzame wandelen verveelde hem. Luid spreken ■was verboden. Hij l:on niet bij mij komen.

Eene werking kan ook als eene hoedanigheid worden voorgesteld. Dit doen werkwoordelijke vormen, die den naam dragen van deelwoorden en lie nu eens geheel als adjectief optreden en dan weer geheel den aard van werkwoord behouden: een schreeuwend kind, een gebroken arm. Spelende viel het kind in de gracht. In onmin levende zagen zij elkander nooit.

g 151. De gewone verdeeling der werkwoorden in soorten gaat niet -dit van een enkel beginsel. Aan iedere groep, waarbij men een bijzonder kenmerk waarnam, heeft men eenvoudig een bij zonderen naam gegeven. Dat kenmerk is nn eens ontleend aan den dienst, dan aan de betee-Icenis, soms aan beide tegelijk.

Wil men een geregeld overzicht der soorten van werkwoorden bekomen, •dan kan men alle werkwoorden verdeelen in:

a. werkw., die alleen het gezegde vormen.

1». „ , die het gezegde helpen vormen.

Die onder a. kan men naar den aard van het onderwerp weer verdeelen in a. persoonlijke, h. onpersoonlijke, waarvan dan de eerste soort naar de beteekenis van het gezegde weder verdeeld kan worden in a. overgankelijke, b. onovergankelijke, c. uxderkeerende.

-ocr page 73-

Die ouder b. kan men verdeelen in a. zulke, die met eer; naamwoord het gezegde vormen: koppelwerkwoorden, b. zulke, die met een werkwoord het gezegde uitmaken: hu lp werkwoorden. De laatste zijn dan weder: a. hulpwerkwoorden ran tijd, b. van den lijdenden vorm, c. van wijxe.

Zoodoende bekomt men xes soorten van werkwoorden; 1. overgankelijke, 2. onovergankelijke, 3. wederkeerende, 4. onpersoonlijke, 5. koppelwerkwoorden , 6. hulpwerkwoorden.

§ 152. O verganke 1 ij ke (transitieve) werkwoorden beteekenen eene werking, die door eene zelfstandigheid wordt ondergaan of waardoor eene zelfstandigheid wordt voorgebracht: hakken, cjeven, hooren, -.ien, bakken, teekenen. Deze werkwoorden kunnen dus een lijdend voorwerp of een lijdend onderwerp bij zich hebben.

De overgankelijke werkwoorden kunnen in tweeërlei vorm voorkomen:

a. in den bedrij venden vorm, wanneer het onderwerp van den zin de werking verricht: De moeder verstelt de kleeren.

h. in den lijdenden vorm, wanneer het onderwerp van den zin de werking ondergaat: De kleeren worden door de moeder versteld.

§ 153. Onovergankelijke (intransitieve) werkwoorden beteekenen eene werking, die niet door eene zelfstandigheid wordt ondergaan: zijn, bestaan, insluimeren, behagen, afhangen, twijfelen.

Zij worden weder onderscheiden in:

a. subjectief-onovergankelijke, wanneer er geene zelfstandigheid buiten het onderwerp (subject) bij de werking is betrokken; Kr is een God. Het kind sliep genist. Er is veel hagel gevallen. De wind stak hevig op uit xee.

h. objectief-onovergankelijke, wanneer er buiten het onderwerp nog een andere zelfstandigheid (object) bij de werking is betrokken. Deze werkwoorden kunnen dus vergezeld gaan van een oorzakelijk of belanghebbend voorwerp: Gedenk onzer. Hij ontvluchtte de plek des onheïls. Wij denken nog dikwijls aan die genoeglijke dagen. Dat bericht beviel ons slecht.

Alleen van overgankelijke werkwoorden bestaat een echte lijdende vorm. Toch komt er ook een onechte lijdende vorm van onovergankelijke werkwoorden voor: Er wordt in die straat druk geloopen. Over die brug mag alleen stapvoets gereden worden. Er werd geschreid, gelachen, geschreeuwd, gevloekt.

Dat men hier met een onechten lijdenden vorm te doen heeft, is duidelijk, daar er geene zelfstandigheid is, die de werking ondergaat. (Vgl. § 23).

§ 154. Wederkeerende (reflexieve) werkwoorden zijn zulke, die in den derden persoon met zich gebruikt worden.

Zij worden onderscheiden in:

a. noodzakelijk wederkeerende, die altijd als zoodanig voorkomen: zich schamen, zich verspreken, zich vergissen, zich ontfermen, zich hegeven, zich aanmatigen, zich inbeelden.

-ocr page 74-

GO

OPMERKiNii. De noodzakelijk wederkeerende werkwoorden zijn, wat hunne bfteekenis aangaat, onovergankelijk. Zoo is: zich schamen = beschaamd zijn. zich verspreken = verkeerd spreken, zich vergissen — dwalen, zich begeven = gaan, en/.. Men zon hier dan ook moeilijk kunnen zeggen, dat de zelfstandigheid, door zich aangeduid, de werking ondergaat. Vandaar dan ook , dat sommige werkwoorden zonder verschil van beteekenis beurtelings onovergankelijk en wederkeerend voorkomen; zich spoeden en spoeden, zich bewegen i\'ii bewegen, zich bukken en bukken, enz.

h. toevallig wederkeerende werkwoorden. Dit zijn eenvoudig overgankelijke werkwoorden, wier onderwerp toevallig- tevens het belanghebbend of lijdend voorwerp is: zich wasschen, zich Ideeden, zich hedwimjeu, ich (moeite) geven, zich {iets) verschaffen. Zij verschillen in beteekenis volstrekt niet van dezelfde werkwoorden, wanneer deze niet wederkeerend gebruikt zijn en behoorden dus eigenlijk geene afzonderlijke soort uit te maken.

Opmerking. Toch zijn er ook overgankelijke werkwoorden, die, zoodra zij wederkeerend worden gebruikt, eene onovergankelijke beteekenis krijgen en daarom mede tot de noodzakelijk wederkeerende moeten gerekend worden. Zulke werkwoorden zijn: verheugen, verwonderen, verhazen, bekommeren, die overgankelijk zijn in: Dal verheugt, verwondert, verbaast, bekommert mij, maar eene onovergankelijke beteekenis krijgen in: zich verheugen = verheugd zijn, zich verwonderen = verwonderd zijn, zich verbazen = verbaasd zijn, enz.

§ 155. Onpersoonlijke werkwoorden beteckenen eene working, waarvan alleen het plaatshebben wordt vermeld, doch stellen deze voor, als uitgaande van eene onbepaalde zelfstandigheid. Die zelfstandigheid wordt aangeduid door het voornaamwoord het, soms ook door den buigingsvorm des werkwoords: Het regent, sneeuwt, icaail. enz. Plet ontbreekt hem aan geld. Het scheelt hem in het hoofd. Het hapert, mangelt hem aan middelen. In de lever schortte het hem. (G.) Het kookte en bruiste in zijn gemoed, het schemerde hem voor de oogen. Het wemelde er ran ménschen Als het op dooi aankomt, is hij niet thuis. Het zal nog lang aanloopen, eer hij dat alles grondig Lxnt. Mij hongert. Mij dorst. My huiverde op dat gezicht.

Met de onpersoonlijke werkwoorden verwarre men niet zulke, als voorkomen in de volgende zinnen: liet spijt mij, dat ik u niet kan helpen. Hot gebeurt zelden, dat men hem te zien krijgt. Het schijnt, dat zijn. broeder boon op ons is. Het grieft hem, dat hij zoo behandeld wordt. Deze zijn onovergankelijk of overgankelijk; het onderwerp volgt in den vorm van een bijzin op \'t gezegde, terwijl het dien bijzin aankondigt. (Vgl. § 54).

§ 156. Koppelwerkwoorden dienen, om te kennen te geven, dat de spreker eene hoedanigheid, toestand of betrekking aan het onderwerp toekent. Zij zijn: ; ijn, worden, blijven, schijnen, heelen „genoemd wordenquot;, lijken, blijken, dunken en voorkomen. (Vgl. § 2G).

§ (57. De hulpwerkwoorden zijn die van tijd, van den lijden-d e u v o r m, van w ij z e:

-ocr page 75-

«. De werkwoorden hebben, zijn en zullen dienen dikwijls, om de betrekking te kennen te geven, waarin de werking, door een vorm de? werkwoords uitgedrukt, staat tot den tijd: zij heeteu dan hulpwerkwoorden van tijd: ik heb geslapen, ik was verdwaald, ik xal konten.

b. De werkwoorden worden en xijn worden gebruikt, om den lijdenden vorm der overgankelijke werkwoorden, alsmede den onechten lijdenden vorm van sommige onovergarikelijke werkwoorden te maken. Zij heeten dan hulpwerkwoorden van den lijdenden vorm: De hond ironU geslarjen. De knaap is gestraft. Er werd hartelijk om die grap gelachen. Er was aan de deur geklopt.

Opmerk inc. Gewoonlijk noemt men alleen worden hulpwerkw. van den lijdenden vorm. Men «loet dit, omdat men bv. de knaap is gestraft beschouwt als eene soort van verkorting van de knaap is gestraft geworden, lloch dit is onjuist. /ft\' knaap is gestraft is een oudere vorm dan: de knaap is gestraft geworden en kan dus onmogelijk uit den laatsten zijn ontstaan. In den zin de knaap is gestraft is is dus hulpwerkw. van den lijdenden vorm: in de knaap is gestraft geworden is het hulpwerkwoord van tijd.

lt;■: De werkwoorden mogen, kunnen, laten, zullen en moeten dienen soms, om verschillende betrekkingen te kennen te geven, waarin de inhoud van den zin staat tot de werkelijkheid: mogen, kunnen en laten stellen dien dan voor als mogelijk of wenschelijk; zullen en moeten als in meerdere of mindere mate stellig In dit geval heeten ze hulpwerkwoorden van wijze (modale hulpwerkw.) Hij mag zoo geleerd zijn als hij wil, een verstandig man is hij niet. Een landhuis stond aan de Am\', het macj er nog wel staan. (St.) Waarom zou hij niet komen \'? Hij kan wel plotseling verhindering gekregen hebben. Laten wij elkander helpen.\' Gij zult toch wel een enkelen vriend hebben. (Sch.) Hij zal u niet verstaan hebben. Dat werk moet heel veel moeite hebben gekost. Hij moet in Amerika schatrijk zijn geworden.

Deze werkwoorden heeten hulpwerkwoorden van wijze, omdat zij denzelfden dienst doen als de wijzen der werkwoorden of als de-bijwoorden van wijze. Zoo kan men voor de bovenstaande zinnen lezen: Hij zij zoo geleerd, enz. Het staal er misschien nog wel. Hij heeft misschien plotseling verhindering gekregen. Helpen (aanv. wijs) wij elkander. Gij hebt toch .stellig wel een enkelen vriend. Hij heeft u zeker niet verstaan. Dat werk heeft stellig veel moeite gekost. De laatste zin beteekent: Hij is volgen^ de verzekering van anderen in Amerika schatrijk gen-orden. Hier stelt dus de spreker den inhoud van den zin als stellig voor op gezag van anderen.

Opmerking. Betoekent mogen «verlof hebbenquot;, kunnen »in staat zijnquot;, zntten ol\' moeten «verplicht of genoodzaakt zijnquot;, laten «doen of toelatenquot;, dan zijn de vier eerste woorden onovergankelijke, het laatste een overgankelijk werkwoord: Hij mag, kan, moet dit doen. Gij zult niet stelen. De vorst tiet hen gevangen nemen. Laat hem gaan.

Deze werkwoorden verschillen dan van andere onoverg. en overg. alleen daarin, dat zij gevolgd worden door een ander werkwoord in den infinitief.

-ocr page 76-

62

Dit is echter geene reden om ze tot de hulpwerkwoorden te rekenen, evenmin als bijv. gaan, hooren. enz. in zinnen als: Hij r/ant wandelen. H: hoorde hem roepen, enz.

§ 15S. Ten opzichte van de verdeeling der werkwoorden houde men in quot;t oog:

a. dat sommige werkwoorden beurtelings als onovergankelijk en overgankelijk voorkomen: shian, steken, verbranden, koken, schieten, hangen, raken, genezen, kraken, enz.

h. dat sommige werkwoorden, die vroeger onovergankelijk waren, tegenwoordig tot de klasse der overgankelijke moeten gerekend worden. Dit is dan het geval, wanneer van zulke werkwoorden de lijdende vorm gebruikelijk is. De voornaamste zijn: vergeten, beginnen, die voorheen een 2™ naamval regeerden, volgen, navolgen, opvolgen, naloopen, nazitten, toejuichen, toespreken, ontmoeten, naderen, voorbijgaan, die een 3™ naamval regeerden, oversteken, dat een 4en naamval als bepaling van plaats bij zich had. Van al deze werkwoorden is de lijdende vorm in gebruik: Dergelijke bijzonderheden worden weer spoedig vergeten. Die boodschappen waren vergeten. De arbeid werd begonnen. Die dief werd door den politiedienaar gevolgd, nagevolgd, nagezeten. Willem II werd door Willem lil opgevolgd. Mijne bevelen worden nauwkeurig opgevolgd. De prins werd door ecne bezending uil de vroedschap ontmoet „verwelkomdquot;. De stad werd van de zuidzijde genaderd (om haar te belegeren). Hij werd bij de algemeene bevordering schandelijk voorbijgegaan „niet bevorderdquot;. Hij werd luide toegejuicht. De jubilaris werd door den voorzitter ran het feestcomité toegesproken. De rivier werd in den nacht overgestoken.

Wanneer beginnen met aan of met verbonden is, kan het natuurlijk niet in den lijdenden vorm gebracht worden. Evenmin is dit het geval met ontmoeten, naderen en voorbijgaan, wanneer zij beteekenen ..tegenkomenquot;, „dichter bij komenquot; en „voorbijloopenquot;: Ik ontmoette hem vroeger dagelijks. Ootmoedig naderde de dienaar zijn heer. Wij kwamen dikwijls .ijn huis \'voorbij. Zij behooren dus in die gevallen tot de onovergankelijke werkwoorden.

Op dezelfde wijze wordt ook de 3e naamval als onderwerp van den lijdenden zin gebruikt in de uitdrukkingen: Ik wil niet op de vingers gezien worden. Wordt gij te kort gedaan ? En toch bot ik in Zwitserland bitter in den nek ge; ie n. (Gr.) En zoo zegt men ook: Ik ver .oei.- u iets en Men wordt verzocht niet te ronken.

Eene eigenaardige plaats nemen baten, schaden en gehoorzamen onder deze werkwoorden in. De lijdende vorm daarvan is algemeen in gebruik. En toch rekent men ze tot de onovergankelijke werkwoorden, omdat de beteekenis dezer werkwoorden onwillekeurig de gedachte aan een belanghebbend voorwerp opwekt; vandaar dat men ook nog wel schrijft: Dat baat, schaadt hun niet. Hij gehoorzaamt hun niet tegenover: Wordt gij er niet door gebaat, gij icordt er niet door geschaad. Ik wil gehoorzaamd worden.

-ocr page 77-

G3

Opmerking. de oorzaak van dezen overgang van ile eene klasse tot tie-andere is, dat de 2e en 3e naamval na liet afslijten der kenmeikeude buigingsuitgangen voor lijdende voorwerpen werden aangezien en zoo tot onilenvei\'ic van den lijdenden zin gemaakt. Vooral kon dit geschieden, wanneer er naast zulke onovergankelijke werkw. overgankelijke stonden met ongeveer dezelfde beteekenis. Men denke voor vergelen aan verzuimen , voor beginnen aan •(««-vangen, voor navolgen en nazitten aan vervolgen, voor opvolgen aan quot;it-voeren of vervangen, enz.

c. dat sommige werkwoorden, die anders altijd onovergankelijk zijn-,, soms op eene eigenaardige wijze als overgankelijk worden gebruikt. Hierbij doen zich twee gevallen voor:

1. het werkwoord wordt inderdaad overgankelijk en krijgt dan ook eene andere beteekenis. Van dien aard zijn: xich cm bochel lachen, zich hoofdpijn rijden, een gat in den ilarj slapen, tranen van berouw schreien,, wraak ademen, zijne schoenen scheef loopen, den drempel zwart loopenT zich blind staren, turen (op iets), enz. Het werkwoord beteekent dan: door middel der werking eene zelfstandigheid voortbrengen of eene zelfstandigheid in zekeren toestand brengen.

2. het werkwoord wordt alleen wat de wijze van voorstelling-betreft overgankelijk: een diepen slaap slapen, een heerlijken droom droomen, zijn yancj gaan, den heldendood sterren, den goeden strijd\' strijden, enz. In dit geval wordt de werking zelve voorgesteld als eenezelfstandigheid, door de werking voortgebracht.

d. dat ook sommige onpersoonlijke werkwoorden wel eens overgankelijk worden gebruikt: Het sneeuwt groote vlokken. Bij dezen Dominee regent het altijd bloempjes. (P.) Het hagelde Iceisteenen tegen de ruiten. In dit geval worden vlokken, bloempjes, keisteenen mode voorgesteld als de-voortbrengselen der werking.

e. dat ook de koppelwerkwoorden soms als onpersoonlijke-worden gebruikt. Dit is \'t geval, wanneer zij met een naamwoord te-kennen geven, dat eene hoedanigheid of toestand bestaat: Het is guur, mistig, kil, enz. Het is Zondag, Pasc.hen, enz. Het is de 15e Januari,. Het is kermis, vrede. enz. Zij vormen dan met het naamwoord eeneonpersoonlijk e uitdrukking.

f. dat de koppelwerkwoorden allereerst onovergankelijke werkwoorden waren en dan ook nog dikwijls als zoodanig worden gebruikt Er is een God. Hij is te huis. God sprak en alles werd. Hij blijft te huis.. Hij lijkt sprekend op zijn rader. Het komt mij voor, dat hij gelijk heeft.. Mij dunkt, dat er veel waars in is. Het is gebleken, dal hij de dief icas~

Het koppelwerkwoord heeten „genoemd wordenquot; kan beschouwd worden als de lijdende vorm van het overgankelijke heeten „noemenquot;\': Ik heet. hem mijn vriend.

g. dat nog wel eens sommige andere onovergankelijke werkwoorden ongeveer de beteekenis van koppe 1 wer k woorden krijgen. Zulke werkw. zijn: staan, zitten, vallen, gaan, raken, loopen, enz.; Hij staat bekend\' als een eerlijk man. Hij zit verlegen om een knecht. Dat valt mij moeilijk..

-ocr page 78-

G4

11 ij del wat driftig. De tijd gaal verloren. De kerk liep leeg. De kust stroomt vol. Al deze werkwoorden hebben ongeveer de beteekenis van zijn of rrorden.

VII. liIJWOOEDEX.

§ 159. Bijwoorden dienen ter bepaling van liet begrip, door een •werkwoord, bijvoeglijk naamwoord, telwoord of een ander bijwoord uitgedrukt: Dr jongen loopt hnnl. Hij bekluagde ; ich over de hoogst onbeleefde behandeling. Er waren heel veel menschen op de heen. IVj gaan daar zeer dikwijls heen.

Sommige bijwoorden dienen niet ter bepaling van eenig begrip, inden -/in uitgedrukt, maar geven verschillende betrekkingen te kennen, waarin ■de inhoud van den zin staat tot de werkelijkheid: misschien, zeker, wel, niet, enz. Zij heeten bijwoorden van wijze (modale bijwoorden).

g 1lt;gt;0. De bijwoorden, die tot bepaling dienen, worden naar hunne beteekenis verdeeld in:

1. bijwoorden van plaats: aan, op, uit, in, onder, over, binnen, huiten, boven, beneden, toe, af, enz. Deze komen ook als voorzetsel voor, uitgezonderd de beide laatste, waarvoor men als voorzetsel gebruikt tot •en van. Verder; overal, ergens, nergens, hier, daar, waarzoo, heinde en ver, wijd en zijd, weg, voort, heen, hierheen, daarheen, waarheen, herwaarts, derwaarts, huiswaarts, naar boren, naar beneden, naar omlaag, van hier, van daar, van waar, hiervandaan, daarvandaan, enz.

2. bepalingen van tijd: ooit, nooit, immer, nimmer, waaneer, ■eens, toen, dan, nu, daarna, than*, gisteren, reeds, alreede, \'s nachts, \'s morgens, steeds, altijd, voortaan, onderwijl, terwijl, intusschen, zelden, raak, dikwijls, telkens, somtijds, doorgaeins, tweemaal, menigwerf, er eis = ■eene reis. enz.

3. bijwoorden van hoedanigheid. Deze zijn veelal bijvoeglijke naamwoorden, als bijwoorden gebruikt: Hij heeft mooi geschreven. Uitsluitend bijwoorden zijn: heuschelijk, strengel ijk, seherpeljk, voorzichtelijk, zachtkens, stillekens, moetjes, ruggelings, enz. Hoedanigheden worden aangeduid, niet genoemd, door: zoo, dus, alxoo, evenzoo, eveneens, aldus, andevs, hoe.

■i. bijwoorden van hoeveelheid en graad: veel, weinig, genoeg; ■.eer, heel, zoo [zoo fraai) bijna, schier, nauwelijks, te (te groot), hij-.on-■der, buitengewoon, buitengemeen, ongemeen, uitstekend, uitnemend, ont-■.ettend, kostelijk, uiterst, hoogst, hoe (hoe hoog; hoe hij zijn best deed!)

Hiertoe behooren ook de zoogenaamde lierhalingsge tallen, voor zooverre zij geen bijwoorden van tijd zijn. Het zijn woorden, gevormd uit telwoorden en de zelfstandige naamwoorden keer, maal, reis, werf. bijv. -.esmaaJ grooter, driewerf gelukkig, enz.

bijwoorden van omstandigheid: vergeefs, edleen, gezamenlijk, achtereenvolgens, mede, slechts, zelfs, weder, enz. Naast mede staat het voorzetsel met.

-ocr page 79-

65

G. bijwoorden van voorwaarde: desnoods, desgerraagd. desyevordenl, desvereischt.

7. bijwoorden van toegeving: desondanks, niettemin, echter.

8. bijwoorden van beperking: desbetreffende, dienaangaande.

9. bijwoorden van oorzaak, middel, reden en grond: daardoor, daarmede, daarom, derhalve.

10. bijwoorden van doel: daartoe, zekerheidshalve, icaartoe, te dien einde.

§ 161. Tot de bijwoorden rekent men ook de zoogenaamde voornaamwoordelijke bijwoorden. Dit zijn woorden, die den dienst doen van een voorzetsel en een v o o r n a a m w o o rd. ilen heeft ze bijwoorden genoemd, omdat ze zeer dikwijls den dienst doen van eene bijwoordelijke bepaling, bijv.: Hij nam een stok en sloeg daarmede (= met dien) in het rond. Dit is intussclien niet altijd het geval: zij kunnen ook wel voorkomen als oorzakelijk of belanghebbend voorwerp en als bijvoeglijke bepaling. Het werk is slecht gemaakt; ik hen er niet over tevreden. Het gebouw ligt veel te laag; dat ontneemt daaraan veel van xijne schoonheid. Die stoelen zullen niet veel opbrengen; de zittingen et-van zijn vrij kaal.

Zij bestaan uit de bijwoorden hier, daar, er, iraar, ergens, nergens, overal, gevolgd door woorden, die nu eens den dienst doen van bijwoord ■en dan weer van voorzetsel, als: op, in, uit, over, enz. Hiertoe, daarmede, er af, enz. hebben tot tweede lid een woord, dat alleen als bijwoord gebruikt wordt; hiervan, daarnaar, enz. hebben er een, dat uitsluitend als voorzetsel voorkomt.

De voornaamw. bijwoorden, wier eerste deel hier, daar en er is, komen voor als aanwijzende en persoonlijke voornaamwoorden; die met waar aanvangen als vragende en betrekkelijke: die beginnen met ergens, nergens en overal als onbepaalde voornw. met voorzetsels.

Ten opzichte van \'t gebruik dezer woorden houde men in \'t oog:

a. wanneer men van zaken spreekt, gebruikt men liever er van, er over, enz. dan een persoonlijk voornw. met voorzetsel: Die som is niet gemakkelijk; ik heb er trel een uur over nagedacht en ben nog even ver. Als de toekomst voor Karei V nog iets in den schoot droeg, u-at ■anders kon het zijn dan de wereldheerschappij? Des nachts droomde hij et-van; daags streefde hij er naar. (P.) Zij kunnen ook den inhoud van een volzin aanduiden: Ik heb er lang over nagedacht, wat dit kan beteekenen.

h. wanneer men van zaken spreekt, gebruikt men liever daarvan, hiervan dan een aanwijzend voornw. met voorzetsel: Zelfs had de ■cipier den sleutel van het hok niiU,eens bij zich, toen hem daarom gevraagd werd. (Sch.) In gemeenzamen stijl gebruikt men deze voornw. bijw. ook van personen: En Stoutenburg? — Daar heb ik een taai gesprek mee geheid. (V. L.) Zij kunnen ook den inhoud van een volzin aan-

t. tkrwf.y, Ned. Spraakk. lie druk. 5

-ocr page 80-

6G

duiden: Ik teil, dat hel onbekend blijve en ook hiervoor heb ik goede redenen. {V. L.)

c. -wanneer men van zaken spreekt, gebruikt men voor het vragend voornaamw. met voorzetsel uitsluitend ivaarover, enz.: Waarover (nooit over wat) heeft hij gesproken? Waaraan denkt gij? Waar heeft hij dit mee geschreven ?

d. wanneer men van zaken spreekt, gebruikt men meestal, van personen somtijds het voornw. bijw. waarvan, enz. in plaats van \'t betrekkelijk voornw. met voorzetsel: Dit gaf hem dien ernst, ivaar-van Jane een afkeer had, waarvoor zij vrees koesterde. (Sch.) Leven de oude dienstboden nog, waaraan wij van kindsbeen gewend waren ? (V. L.) Dexe is de juffer, waarover ik gesproken heb. (V. L.)

Yoor \'t betrekkelijk voornaamw. met voorz. gebruikt men ook daarover , enz.: Dat is een ding, daar de meesten luchtig overheen loopen. (B.) Liefelijke zomerregen, — zegen de aarde, daar ze op daalt. (B.) O weerzien, daar zijn hart naar brandt. (St.) Schenk, schenk ons hart den zoon terug, den zeeman, daar ons hart voor saagde. (St.)

Deze voornw. bijw. kunnen ook den inhoud van den volzin aanduiden; Falckenstein boog en ziceeg, waarmede dit gesprek ten einde lie]). (V. L.)

e. wanneer men van zaken spreekt, gebruikt men voor de onbepaalde voornw. met voorzetsels meermalen: ergens, nergens, overal, van, enz. Hij sprak nergens over. Hij let nergens op. Hij grijpt overal naar.

§ 162. Nog behooren tot de bijwoorden de voegwoordelijke bijwoorden. Zij doen den dienst van bijwoordelijke bepalingen, terwijl zij-tevens het zinsverband te kennen geven. In den zin: de meid was er ff onhandig en buitendien was zij lui, beteekent buitendien: buiten hare onhandigheid. In den zin: ik bood haar beleefd een stoel; toch bleef zij staan, beteekent toch: in weerwil van het beleefde aanbod. In den zin: de jongen ivas ongehooi\'zaam geweest; daarom werd hij gestraft, beteekent daarom: om die ongehoorzaamheid. De woorden buitendien, toch, daarom doen dus den dienst van bijwoordelijke bepaling: daarom zijn ze bijwoorden. Maar zij geven tevens te kennen, dat de zinnen, waartusschen ze staan, aaneenschakelend, tegenstellend en redengevend zijn verbonden: daarom zijn ze voegwoordelijke bijwoorden.

§ 163. De voegwoordelijke bijwoorden komen bijna uitsluitend bij het nevenschikkend zinsverband voor. Zij zijn:

a. aaneenschakelend: buitendien, bovendien, daarbij, daarenboven r ook, zelfs.

b. tegenstellend: daarentegen, integendeel, toch, echter, evenwel, nochtans, intusschen, niettemin, desniettemin, desniettegenstaande, desondanks.

c. redengevend: hierdoor, daardoor, dientengevolge, vanhier, vandaar,-hierom, daarom, deswege, dan ook; dus, derhalve, bijgevolg, diensvolgensy alxoo. Enkele van de tweede groep, als toch, echter, enz. komen, ook voor in hoofdzinnen, die van een toegevenden bijzin vergezeld gaan. (Vgl. § 71).

-ocr page 81-

67

Opmerking. In overeenstemming met het bijwoordelijk karakter dezer woorden is de plaats, die zij in den zin innemen en hun invloed op de woordschikking. Staan ze namelijk niet aan het hoofd van den zin, dan nemen ze dezelfde plaats in als andere bijwoorden, en staan ze wel aan \'t begin van den zin, dan volgt ook, evenals na andere bijwoorden, de vragende woordschikking-Zoo zegt men; Hij is toen iveggebleven en Hij is echter weggebleven. Teen is hij weggebleven en Echter is hij weggebleven.

Deze kenmerken kunnen echter niet dienen , om de voegwoordelijke bijwoorden van de voegwoorden te onderscheiden. Verschillende voegwoorden toch zijn oorspronkelijk ook bijwoorden geweest en hebben van hun vroeger karakter deze eigenaardigheden mede behouden. Het eenige middel, om onder de verbindingswoorden de voegw. bijwoorden te herkennen, bestaat hierin, dat men beproeft er eene bijwoordelijke bepaling voor in de plaats te zetten. Is dit niet mogelijk, dan is het geen bijwoord.

VIII. VOOKZETSELS.

§ 164. V ooi\'zetsels zijn woorden, die dienen om een naamwoord (zelfst. naaimv. of zelfst. voornaamw.) tot eene bepaling te maken. Onder de bepalingen rekent men dan ook de oorzakelijke en belanghebbende voorwerpen. De peer hangt aan den tak. Ik kom binnen een uur terug. De vrouw van mijn vriend lag liek. Hij klaagde over den duren tijd. Zij ontsnapte aan het gevaar. Hij is begeerig naar roem. Ik zit te schrijven.

Opmerking. In de bovenstaande definitie is de algemeene dienst der voorzetsels uitgedrukt. Let men meer op de beteekenis, dan kan men zeggen: Voorzetsels drukken allerlei betrekkingen tusschen twee zelfstandigheden uit. Zoo drukt aan eene betrekking uit tusschen de peer en de tak, binnsn tusschen ik en een xtir, van tusschen de vrouw en mijn vriend, over tusschen hij en de dure tijd, naar tusschen hij en roem. Gelijk men ziet, zijn deze betrekkingen óf van plaatselijken of van tij del ij ken of van on zinnel ij ken aard.

§ 165. De meeste voorzetsels komen ook als bijwoorden van plaats voor. Doch ook andere woorden worden als zoodanig gebruikt: spijl, krachtens, namens, ondanks, trots, wegens, niettegenstaande, gedurende, staande, hangende, enz. Evenzoo uitdrukkingen als: ten spijt van, in weerwil van, uit kracht van, in naam van, ten gevolge van, ten behoeve van, enz.

§ 166. Opmerking verdient het woordje te, wanneer het vóór een infinitief staat. Het doet dan soms den dienst van voorzetsel, soms echter ook niet. Zegt men: Ik zit te werken. Ik begin te werken, dan is te een voorzetsel, zooals blijkt uit de vergelijking met: Ik zit aan het werk. Ik begin aan het werk, enz. Komt daarentegen een infinitief met te voor als onderwerp of lijdend voorwerp of wordt het door een ander voorzetsel voorafgegaan, dan is te eigenlijk overtollig en wordt het alleen door ons taaleigen gevorderd, bijv.: Het is ounoodig, mij daarvan meer te vertellen. Ik acht het verkeerd, zoo onvoorzichtig te \'uandelen. Door hem niet te waarschuwen hebt gij eene fout begaan.

-ocr page 82-

68

§ 1G7. Soms komen er twee voorzetsels voor één substantief, bijv.: Zij drongen tot in het kreupelhout door. Men haalde hem dood van onder zijn paard te voorschijn. De brand breidde zich wit tot over de gracht. Men kan dan tusschen de beide voorzetsels zich steeds een substantief denken, als cene plek, eene plaats, de huizen, enz. Verkeerd is het echter te zeggen: Hij haalde een vies van uit zijn zak, enz. waarin van overtollig is. Even verkeerd is het, van af vóór een substantief te plaatsen: immers af is een bijwoord. (Verg. § 150.) Wel kan men zeggen; Hij had van den vroegen morgen af gewerkt, waarin af dient ter versterking der bijwoordelijke bepaling van den vroegen morgen.

IX. VOEGWOORDEX.

§ 108. Voegwoorden zijn woorden, die dienen, om zinnen of zin-deelen te verbinden en tevens den aard hunner onderlinge betrekking te kennen geven.

Zij worden verdeeld in nevenschikkende en onderschikkende, naar gelang ze \'t nevenschikkend of onderschikkend zinsverband bewerken. De nevenschikkende worden naar den aard van \'t zinsverband weer verdeeld in: aaneenschakelende, tegenstellende en redengevende; de onderschikkende krijgen dezelfde namen als de bijzinnen, welke zij met den hoofdzin verbinden. De woorden dat en of. welke dienen, om vele onderwerps-, gezegde- en voorwerpszinnen, alsmede sommige bijvoeglijke zinnen met den hoofdzin te verbinden, heeten grammatisch verbindende voegwoorden.

Opmerking. Men heiinnere zich hier, wat vroeger gezegd is van c\'e voegwoordelijke bijwoorden. Dan zal men inzien, dat bij het aaneenschakelend zinsverband het rangschikkend en verdeele nd verband wordt bewerkt door voegwoorden en niet door bijwoorden. En evenzoo, dat bij het redengevend verband de woorden immers, namelijk en toch tot dezelfde soort moeten gerekend worden.

Opmerking. \'2. Wanneer liet woord al aan liet hoofd van een toegevenden zin staat, is het voegwoord: staat het in zulk een zin, dan is het een bijwoord. Al ivaarschuwt men hem nog zoo vaak, het haat niet. Kon ik zijn gedrag al verontschuldigen, het goedkexren ging niet aan. In het eerste geval doet al niets dan het toegevend zinsverband uitdrukken; in het laatste dient het eigenlijk ter bevestiging van den inhoud des bijzins en doet dus nog eenigszins den dienst van bijwoord.

X. TTTSSCHENWERPSELS.

§ 169. Tusschenwerpsels zijn gevoelsklanken en nabootsingen van geluiden. Zij kunnen slechts in oneigenlijken zin woorden worden genoemd.

Van die der eerste soort geven te kennen:

smart; wee.\' o wee.\' ach.\' och.\' oef! au! ai! helaas!

-ocr page 83-

(J9

vreugde: ha! hoexeel hoera!

verwondering: hé! hé! ha! ah!

verlangen: och!

afkeer: foei! ba! hr!

om te roepen dienen: hei! hé! pst!, om stilzwijgen te gebieden: st! Nabootsingen van geluiden zijn: hom! krak! plof! rrt! romhom! enz. Nog behooren tot de tussehenwerpsels verscheidene heel of half verbasterde uitdrukkingen, welke dienen, om een uitroep kracht bij te zetten.

-ocr page 84-

DERDE BOEK.

DIC BETF.EKEN\'IS EX HET GEBRUIK DER BUIGINGSVORMEN.

§ 170. Zes der woordsoorten zijn onderworpen aan verandering, buiging (flexie) geheeten. Bij de naamwoorden lieet het gelieel der vormverandering ook verbuiging (declinatie), bij de werkwoorden vervoeging (conjugatie). De oorzaken dier verandering liggen deels in de beteekenis der woorden, deels in de verschillende betrekkingen, waarin zij voorkomen.

De verbuiging der zelfstandige naamwoorden en zelfstandige voornaamwoorden , alsmede van de woorden, welke daarbij behooren, wordt gedeeltelijk bepaald door eene onderscheiding dier naamwoorden in drie klassen, die den naam dragen van geslachten. Voor een ander deel dragen de vormen dier woorden den naam van getal en naamval. De vormen, welke de werkwoorden aannemen, heeten wijze, tijd, persoon en getal, infinitief en deelwoord. Die, welke sommige bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden aannemen, heeten trappen van vergelijking.

1. GESLACHT.

§ 171. De namen der mannelijke wezens hebben sinds overonden tijd eene andere verbuiging gehad dan die der vrouwelijke. De zaaknamen werden in de verbuiging behandeld als die der mannelijke of vrouwelijke personen of dieren, of wel ze werden nog op eene derde wijze verbogen. Zoo zijn dus alle zelfstandige naamwoorden in drie klassen verdeeld, aan welke men, om den oorsprong der onderscheiding, den naam geeft van geslachten en wel van: mannelijk, vrouwelijk en onzijdig geslacht.

De oorzaak van het verschijnsel, dat de zaaknamen op drieërlei wijs verbogen worden, is moeilijk uit te maken. Waarschijnlijk is de oorspronkelijke vorm dier woorden daarop van grooten invloed geweest. Ook zullen vele woorden, die dezelfde klasse van voorwerpen beteekenden als andere, zich allicht naar eene of meer van deze hebben geschikt. Zoo

-ocr page 85-

verklaart het zieh, dat het geslacht van vrij wat substantieven zich laat bepalen óf door den vorm, of door de beteekenis.

Bij namen van levende wezens kan het hier bedoelde woordgeslacht varschillen van het natuurlijk geslacht. Dit heeft dan plaats, wanneer een vrouwelijk zelfstnw. gebezigd wordt, om een mannelijben persoon aan te duiden, bijv.: Zijne Majesteit, Zijne Genade, Zijne Eminentie, enz. of wanneer een onzijdig zelfstnw. dient, om een man nel ij ken of vrouwelijken persoon te noemen, bijv.: het wijf, vromvmcnsch, vrouivs-persoon, meisje, jongetje, mannetje, kereltje, enz.

§ 172. Wegens hunne beteekenis zijn mannelijk:

1°. de namen van mannen, als: Hendrik, grootvader, burgemeester en van mannelijke dieren. waarnaast eene afzonderlijke benaming voor het wijfje bestaat, als: stier, hengst, kater naast koe, merrie, kat. Ontbreekt een afzonderlijke naam voor \'t wijfje, dan zijn in \'t algemeen namen van groote en sterke dieren mannelijk, als; haai, kameel, olifant, arend, die van kleinere, zwakkere dieren vrouwelijk, als: muis, rat, zwaluw.

2°. de namen van boomen. als: beuk, eik, iep, berk. Uitgezonderd zijn: linde en tamarinde (V.) Ook vrouwelijke namen van vruchten worden mannelijk, wanneer zij als boomnamen worden gebruikt: een abrikoos, een perzik.

3°. de namen van steenen. als voorwerpen beschouwd, een diamant, een steen. Als stofnamen zijn zij onzijdig: het diamant, het kwarts, het hardsteen.

4°. de namen van maanden en jaargetijden: April, zomer, herfst. Uitgezonderd zijn: lente en de samenstellingen met maand en jaar: Meimaand (V.), voorjaar (O.).

5°. de namen van bergen, als: Mont-Blanc, Vesuvius, He Ida.

6°. de namen van munten, als: gulden, stuiver, cent. Uitgezonderd zijn: pistool en guinje (V.).

§ 173. AVegens hun vorm, veelal ook met inachtneming der beteekenis, zijn mannelijk:

l0- de zaaknamen op aard, erd, als: beiaard ..klokquot;, mutsaard ,,takkenbosquot;, standaard, blafferd „registerquot;, mosterd.

2°. de zaaknamen op aar: lessenaar, lezenaar, kandelaar, boezelaar.

3°. de woorden op el en er. wanneer zij, van een werkwoord afgeleid, een werktuig beteekenen; als: beitel, hevel, sleutel, teugel, vleugel; stoffer, snuiter, gieter, trekker. Uitzonderingen zijn: griffel, schoffel (V.).

4°. de woorden op em. lm, nn: adem, bezem, alsem; helm, halm; storm, vorm.

Uitzonderingen zijn: scherm, (O.),palm „vlakke hand, lengtemaat, kruidquot;, (V.) doch pcüm „palmboom, takquot; is M., uniform Y., helm „grassoortquot; V.

5°. de woorden op ing en ling, wanneer zij geene persoonsnamen zijn: (jieteling, haring, paling, kruiling, pippeling, penning, zilverling, schelling, krakeling, teerling.

-ocr page 86-

72

Zijn zulke woorden stofnamen, dan behooren zij tot het vrouwelijk geslacht: Men heeft de haring gekaakt en dc paling ingelegd. Doch honing (honig) is M.

Gquot;. de eenlettergrepige begripsnamen, die werkingen beteekenen: loop, slag, val, schop, stoot, houw, stand, lach, zucht, schreeuw, enz.

Zulke woorden zijn V., wanneer zij een voorwerp beteekenen, dat tot de werking in eenige betrekking staat, bijv.; val „muizenvalquot;, gang (van een huis), trap „wenteltrapquot;, schop (om te scheppen), greep „handvat, handvol, mestvork.quot;

7°. de woorden op dom, wanneer zij een toestand beteekenen: ouderdom, adeldom, wasdom, rijkdom. Doch deze woorden zijn O., wanneer zij eene verzameling beteekenen; menschdom, engelmdorn, godendom. Christendom, Jodendom, of een gebied te kennen geven: hertogdom, vorstendom. Adeldom en rijkdom zijn ook als verzamelnamen M. ilen onderscheidt; eigendom „recht van bezitquot; M. van eigendom „bezittingquot; O.

§ 174. quot;Wegens hunne beteekenis zijn vrouwelijk;

1°. de namen van vrouwen: Johanna, zuster, grootmoeder en van vrouwelijke dieren, waarnaast eene afzonderlijke benaming voor het mannetje bestaat, als; duif, geit, ooi, naast; doffer, hok, ram. Bestaat er geen bijzondere naam voor het mannetje, dan kan de diernaam mannelijk of vrouwelijk zijn.

2°. de stofnamen, die niet onzijdig zijn; klei, boter, kaas, melk. Mannelijke stofnamen zijn er weinig; de voornaamste zijn; honing, room, wijn; inkt, mosterd en azijn. Het woord turf en sommige namen van visschen, als; visch, haring, paling, kabeljamo, schelvisch, zalm, zijn, M., wanneer zij als voorwerpsnamen, V., wanneer zij als stofnamen voorkomen. Zoo zijn ze II. in; een driehoekige turf, een dikke paling7 twee zalmen, drie visschen, V. in; Een schip met lange turf. Hij voerde versche paling, zalm, visch aan.

Squot;. de namen van bloemen en vruchten: lelie, tulp, abrikoos, peer, pruim.

Doch woorden, die eigenlijk eene andere beteekenis hebben en als namen van bloemen worden gebruikt, behouden hun geslacht; goudenregen pl.), leeuwenhek (M.), aronskelk (M). Maar eereprijs is V.

Xamen van vruchten op oen en ling zijn mannelijk; citroen, meloen, pippeling, kruiling. Ook de Nederlandsche namen op el en er: appel, eikel, aker; vreemde woorden daarentegen zijn gewoonlijk vrouwelijk: amandel, komkommer.

4°. de namen van vaartuigen, als hark, brik, boot, sloep. Zoo ook eigennamen van schepen; Hij is met dc Jan de Witt vertrokken. Doch die, welke op er eindigen, zijn M.; driemaster, hoeier, schoener, kotter. Onzijdig zijn; fregat, galjoen, jacht. (

óquot;. de namen der letters en cijfers, muzieknoten en intervallen: eene a, eene zeven, eene as, eene groote terts. Uitgezonderd; het octaaf.

-ocr page 87-

73

0°. de namen der muziekinstrumenten: trommel, viool, vedel, fluit, klarinet, gitaar, harp, lier. Doch doedelzak, horen, triangel zijn M.; enkele O.

§ 175. Wegens hun vorm, soms ook met inachtneming der bet eekenis, zijn vrouwelijk:

1°. de woorden, die nog altijd op eene toonlooze e eindigen of deze tegenwoordig meestal missen: genade, koude, zonde; reize, hope, ruste, leere, trouwe. Uitgezonderd zijn: vrede M., einde O.

2°. de woorden, op te, van bijvoeglijke naamwoorden gevormd: duurte, verte, lengte, hoogte.

3°. de woorden op heid en nis: waarheid, goedheid, bekentenis, droefenis. Vullis is O. doch vuilnis is V. Vonnis is ook O. Getuigenis is O. als het getuigde, V. als het getuigen, in deftigen stijl ook voor het getuigde.

4°. de woorden op ing en st, van werkwoorden gevormd: icandeling, herdenking, verfraaiing, kunst, gunst, winst.

Mannelijk zijn: dienst, last (uit lad-st lade)i).

5°. de woorden op schap, wanneer zij een toestand of eene verzameling beteekenen: vriendschap, vijandschap, gramschap, vroedschap, de burgerschap, de priesterschap. Doch beteekenen zij eene waardigheid of een gebied, dan zijn ze O.: het vaderschap, burgemeesterschap, graafschap. Zoo ook: het landschap. De Graafschap (Zutfen) is V. Gezantschap, genootschap, gereedschap, gezelschap zijn O.

6°. de woorden met de vreemde achtervoegsels age, ij, ei, ie, iekr teit; ook die met de Xederl. achtervoegsels ie en uw, als: stellage, plantage, batterij, schilderij, karwei, pastei, harmonie, melodie, be vie, fabriek, muziek, majesteit, societeit, schaduw, zenuw.

Bosschage en personage zijn O. Schilderij is O. in gemeenzamen stijl. Concilie en evangelie zijn O., genie „geniaal mensch, talentquot; is O., genie „wapenquot; V.

§ 176. Wegens hunne beteeken is zijn onzijdig:

1°. de namen van dieren, die de geheele soort aanduiden, wanneer er voor \'t mannetje en \'t wijfje afzonderlijke benamingen bestaan: rund, hoen, schaap, paard, zwijn naast stier en koe, haan en hen, ram en ooi, hengst en merrie, beer en zeug. Uitgezonderd is hond M., naast reu en teef.

2°. de namen van jongen van dieren: lam, kalf, veulen, kuiken, uitgezonderd is higge, V.

3°. de stofnamen, die niet vrouwelijk of mannelijk zijn: het diamant, het steen, bijv. hardsteen, lei, goud, zilver. Opmerking verdienen: hand, bever, doek, draad, hermelijn, sabel, die als voorwerpsnamen II., balein, kurk, koraal, pleister, poeder, schildpad, die als zoodanig V. zijn.

4°. de namen van landen, gewesten, steden en dorpen: het Nederland der 17e eeuw, het machtig Amsterdam. Doch de namen van landstreken, welke steeds \'t lidwoord de bij zich hebben, zijn Y.: de Veluwe,

-ocr page 88-

74

lt;le Betuwe, de Krim, de Vuursche, rfc Lemmer. Daarentegen blijven plaatsnamen, waarvan \'t lidwoord een deel uitmaakt, O.: Het bloeiende Den Haag.

Squot;. de meeste verzamelnamen: hosch, woud, heer, leger] vooral die, welke een bepaald aantal voorwerpen beteekenen: pcmr, dozijn, gros, snees (10), schok (60), het honderd, enz. Trits is Y.

6quot;. de verkleinwoorden: huisje, haaltje, riempje, kannetje, hoekske, kindeken, ezelk jn, hloemelijn.

Doch de verkleinwoorden op el, wier oorspronkelijke beteekenis niet meer wordt gevoeld, zijn M. of V., naarmate de grondwoorden M. of Y. zijn. Zoo zijn heukel, droppel, knokkel, M. en kruimel, maxél, pukkel, frommel, Y. evenals hunne grondwoorden.

7°. sommige woorden, die met geringschatting of medelijden gebezigd worden: heer, mensch, manspersoon, vrouwspersoon, vrouwmensch. Vergelijk nog: de soort (V) en het soort, de ure en het uur, de oogenhlik lt;M.) en het oogenhlik, de school (Y.) en het school, de schilderij en het schilderij, de figuur (Y.) en het figuur, bijv. in; een zot figuur maken.

§ 17quot;. Wegens hun vorm, gedeeltelijk ook met onderscheiding der heteekenis, zijn onzijdig:

1°. de woorden op dom. wanneer zij een gebied of eene verzameling beteekenen. (Zie § 173, 7°.)

2°. de woorden op schap, wanneer zij eene landstreek of eene waardigheid aanduiden. Ook enkele woorden, die eene verzameling beteekenen (Zie § 175, 5°.)

3quot;. de woorden op sel: haksel, blauwsel, schepsel, deksel, beletsel. Uitgezonderd is stijfsel, Y.

4°. de verzamelnamen met het voorvoegsel ge en het achtervoegsel te; f/eboointe, gebladerte, gevogelte. Ook die, welke \'t achtervoegsel missen; gebroed, gepeupel, gevolg.

5°. de stammen van werkwoorden, die afgeleid zijn door middel van lt;le voorvoegsels be, ge, ont en ver of onscheidbaar zijn samengesteld met een bijwoord: begrip, geloof, ontzag, verwijt, onderhoud, overleg, misbruik. Uitgezonderd zijn: ontvang, verkoop, M. (Verg. § 173, G0.)

6°. de staramen van werkwoorden, voorzien van \'t voorvoegsel ge; geloop, gedraaf, gejuich.

7quot;. alle woorden, die, geene zelfstandige naamwoorden zijnde, als zoodanig worden gebruikt, bijv.: het leven, het eten, het goede en kwade, het hoe of waarom ?

Uitgezonderd zijn natuurlijk de bijvoeglijke naamw., die als persoonsnamen worden gebruikt , deze zijn M. of Y.

§ 178. Opmerking verdienen de volgende woorden, die een verschillend geslacht hebben met verschil van beteekenis;

heet, van; bijten, M.; beetwortel, V.

buis, pijp en haringbuis, V.; kleedingstuk, O.

dam, waterkeering. M.; in het damspel, Y.

-ocr page 89-

75

das, dior, M.; kleedingstuk, V.

els, boom, M.; priem, V.

fortuin, geluksgodin, geluk, V.; vermogen, O.

hof. tuin, M.; van een vorst, rechtbank, O.

hoop, stapel, M.; verwachting, V.

kant, rand, M.; stofnaam, V.

katoen, O., doch als ruwe katoen, V.

keel, lichaamsdeel, V.; in de wapenkunde, O.

koppel, band, M.; paar, O.

krop, lichaamsdeel, M.; salade, V.

maal, keer, reiszak, V.; maaltijd, soms ook: keer, O., {ditmaal, ten tweeden male).

maat, makker, M.; van: meten, V.

muil, bek, M.; schoeisel, V.

palet, bij \'t kaatsen, V.; van den schilder, O.

pas, schrede, bergpas, paspoort, 11.; oogenblik, O.

patroon, persoonsnaam, M.; van :t geweer, V.; model, O.

pekel, zoutoplossing, Y.; figuurl. voor zee, O.

jnnk, van de hand, M.; vaartuig, V.; jong rund, M. of V.

2gt;istool, geweer, Y. of O.; munt, Y.

pit, van een lamp of kern, Y.; merg, O.

post. persoonsnaam, ambt, standplaats, stijl van een deur, deel eener rekening, M.; postkantoor, posterijen, Y.

pnnt, spits, leesteeken, Y.; andere bett., O.

rijm, rijp, M.; in verzen, O.

sabel, diernaam, II.; zwaard, Y.; bont en in de wapenkunde, 0. schrift, het geschrevene, 0.; H. Schrift, Y.

sneeuw, letterlijk; Y.; figuurlijk voor blankheid, O.

spits, punt, Y.; in: het spits afbijten, het spits bieden, O.

stof, waarvan iets gemaakt wordt, Y.; andere bett., O.

teen, van den voet, M.; takje, Y.

traan, in de oogen, M.: vetstof, Y.

vlek, vlak, smet, Y.; vlakte en dorp, O.

vorst, persoonsnaam, M.; koude en bovenrand van \'t dak, Y.

want, handschoen, Y.; touwwerk, O.

wacht, persoonsnaam, M., andere bett., Y.

xegen, heil, M.; vischnet, Y.

zwam, plantnaam, Y.; stofnaam, O.

Tl\'est en Oost, windstreek, O.; West- en Oost-Indië. Y.

Bovendien zijn de woorden: fjanrj, grauw, greep, hak, kamp, knip, kluif, rol (aan den ivl zijn), schop, slag, streek „listquot;, trap, val, wip, zucht als begripsnamen (namen van werkingen) mannelijk, doch:

gang, van een huis, Y.

grauw, gemeen, O.

greep, handvatsel, handvol, mestvork, Y.

-ocr page 90-

70

hak, hiel, V.

kamp, legerplaats, O.; als veld, M.

knip, vogelknip, Y.

kluif, klauw, V,

rol, eene vol papier, eene »\'0/ spelen, V.

schop, spade, schommel, V.

«/«(/, soort, knip, O.

streek, strijking, landstreek, V.

trap, voorwerpsnaam, V.; (lt;/•«/) „graadquot; is M.)

val, muizenval, enz., V.

wip, werptuig, V.

zucht, ziekte, Y.: geelzucht, waterzucht; ook; verlangen: eerzucht, geldzucht.

§ 179. Zonder verschil van beteekenis hebben een verschillend geslacht: fruit, gordijn, hars, mud, die V. en 0. worden gebruikt.

Bovendien zijn; gaard, stond, tred, schred, M.; gaarde, stonde, trede, schrede, V.

Xog lette men op: keten (V.), ketting (51.), haak (V.), haken (0.), spaander (M.), spaan (V.), zadel, (51. of O.), zaal (O.).

§ 180. Van verschillende woorden is het geslacht in den loop dei-tijden gewijzigd. Soms is het oudere geslacht in enkele uitdrukkingen nog bewaard gebleven. Dit is \'t geval bij: heest, V. in „de beest spelenquot;, dood, V. in „ter dood brengenquot;, enz. nood, V. in „ternauwernoodquot;, nacht, V. in „te middernachtquot;, tijd, V. „ter rechter tijdquot;, enz. Andere., die vroeger op eene e eindigden, heeft men daardoor wel eens verkeerdelijk voor V. aangezien; dit is het geval bij harte, en oore, oorspr. O., doch V. in „ter harte nemenquot; en „ter oore komenquot;, alsmede bij naam en wil, oorspr. M., doch V. in „ter goeder naam en faamquot; en „ter wille van.quot; Maal is oorspr. O., vandaar nog: „ten tweeden malequot;, „ditmaal.quot; Prooi is altijd V. geweest; toch leest men meermalen, waarschijnlijk in navolging van „ten buitquot;: „ten prooiquot;; zoo ook was loop M. en toch zegt men „terloops.quot; Wereld, oorspr. V., werd wel eens voor M. gehouden, vandaar nog: „\'s werelds loonquot;, enz.

§ 181. Gemeenslachtige zelfstandige naamwoorden zijn die namen van personen of dieren, welke mannelijk of vrouwelijk zijn, naarmate zij mannelijke of vrouwelijke wezens beteekenen: erfgenaam, gade, gasc, getuige, gids, maag, lidmaat, peet, persoon, verwant, wees; de samenstellingen met genoot: echtgenoot; de woorden op ling: lieveling, leerliivj, benevens de diernamen ltokkeling „eenjarig kalfquot;, pink, tortel. Jongeling, ouderling en gieteling „meerlequot; daarentegen zijn mannelijk, schoon de beide eerste voorheen ook gemeenslachtig waren. Bode is meestal mannelijk, dienstbode is gemeenslachtig; voor vrouwelijke bode gebruikt men ook: hodin en bodes.

Soms voegt men achter gemeenslachtige persoonsnamen eene toonlooze e, wanneer zij vrouwelijk zijn: echtgenoote, weeze, vreemdelinge, erfgename.

-ocr page 91-

§ 182. Zelfslachtige zelfstandige naamwoorden heeten die diernamen, welke steeds of mannelijk, öf vrouwelijk worden gebezigd, zonder dat men \'t natuurlijk geslacht in aanmerking neemt. Hiertoe behoort ook mensnh, M.

Zoo zijn altijd mannelijk; arend, das, eland, haai, kabeljaitw, olifant, valk, vos en zwaan; altijd vrouwelijk: eend, kraai, mug, muis, vlieg, wesp, zrvaluw. Gelijk men ziet, zijn de eerste voorbeelden namen van sterke dieren, de laatste die van kleinere, zwakkere. Doch vrouwelijk zijn ook: gans, raaf, slang, en mannelijk: baars, nachtegaal, spreeuw, vink, kikvorsch en \'mol.

§ 183. Aangaande de samengestelde zelfstandige naamwoorden geldt de regel, dat zij \'t geslacht van \'t laatste deel der samenstelling bekomen, mits liet samengestelde woord eene soort aanduidt van \'tgeen in dat laatste deel wordt genoemd: tuindeur, geboortegrond, hondenhok.

Wordt aan deze voorwaarde niet voldaan, dan kan dus het geslacht van de samenstelling even goed een ander zijn als dat van \'t laatste deel.

Hieruit volgt, dat geene uitzondering op den regel maken:

a. de zelfstandige naamw., die den persoon aanduiden, welke datgene bezit, wat de samenstelling beteekent, benevens de samenstellingen, waaraan geheele zinnen ten grondslag liggen, als: platvoet, roodhuid, zotskap, lachebek, melkmuil, hrekespel, weetniet, durfniet, stokebrand, winnebrood. Deze woorden zijn M., wanneer zij alleen mannen, M. of Y. wanneer zij ook vrouwen kunnen beteekenen.

b. de woorden: vierkant, zeskant (O.), die geene soort van L-ant beteekenen : roodvonk (O.), die geene soort van vonk is, oogenblik (O.), dat de tijdruimte beteekent, welke noodig is voor een blik der oogen; hutspot , dat V. is als stofnaam; voorschoot (O.), dat geene soort van schoot beteekent; wolfsklauw, slangewortel, eereprijs, die Y. zijn als plant- of stofnamen. Zoo is maankop alleen mannelijk, wanneer het de zaaddoos van de papaver beteekent; als plantnaam is het Y.; als naam van een slaapwekkend middel O. Booswicht is als mansnaam M.

Daarentegen zijn werkelijke uitzonderingen: kerkhof (O.), oorspronkelijk hof ,.tuin. besloten ruimtequot; om de kerk en tijdstip (O.) naast stip (Y.).

II. GETAL.

§ 184. Door getal verstaat men bij de zelfstandige naamwoorden en zelfstandige voornaamwoorden den vorm, welke aanduidt, of er met het naamwoord ééne of meer zelfstandigheden worden bedoeld. Er zijn twee getallen: het enkelvoud en het meervoud, man, mannen, ik, wij.

De bijvoeglijke naamwoorden en bijvoeglijke voornaamwoorden, lidwoorden en sommige telwoorden nemen verschillende vormen aan, naarmate zij bij een enkel- of meervoudig zelfstandig naamwoord behooren; aan deze vormen geeft men den naam van getallen.

-ocr page 92-

78

Bij de werkwoorden heeten getallen de vormen, die deze woorden aannemen, naargelang zij bij een enkel- of meervoudig onderwerp behooren.

Hieruit volgt dus, dat de getalvormen een uitvloeisel zijn der beteekenis van de zelfstandige naamwoorden en zelfstandige voornaamwoorden.

§ 185. Alleen in \'t enkelvoud komen voor:

1. De eigennamen, omdat zij slechts ééne zelfstandigheid vertegenwoordigen: Willem, Karei de Groote, de Rijn, Amsterdam. De namen van volleen, gebergten en eilandengroepen zijn soortnamen: vandaar dat zii in \'t meervoud kunnen staan: de Fransehen, de Alpen, Ciicladen. (Verg. § 106.)

Worden de eigennamen echter als soortnamen gebruikt, dan kunnen zij in het meervoud voorkomen: de Otto\'s van Duitschland, de beide Egmonden, de Trompen en de Rugters leven nog.\'

2. woorden, welke niet tot de eigennamen behooren, doch zelfstandigheden beteekenen, waarvan er geene tweede bestaat: hei heelal, de onderwereld, de hel, het zuiden, enz. Dat deze woorden niet tot de eigennamen kunnen gerekend worden, is duidelijk, wanneer men opmerkt, dat geene zelfstandigheid een eigennaam heeft, tenzij daarnaast een soortnaam bestaat.

3. de stofnamen, wanneer zij als zoodanig worden gebruikt: goud, boter, klei, water.

quot;Worden zij als voorwerpsnamen gebruikt, of moeten zij verschillende soorten der stof aanduiden, dan laten zij natuurlijk het meervoud toe: ijzers, glazen, houten, waters, zouten, zuren, wijnen, vleezen.

4. de verzamelnamen, wanneer zij den aard van stofnamen hebben: Er was veel vee aan de markt. Er is volk in den winkel. Zoo ook: kroost, loof, huisraad, enz.

Doch hebben zij den aard van soortnamen, d. i. duiden zij eene begrensde verzameling aan, waarnaast eene dergelijke kan bestaan, dan komen zij in \'t meervoud voor: kudden, volken, legers, benden.

5. de begripsnamen: a. wanneer zij een begrip inhouden, dat als een geheel wordt opgevat, d. i. waarnaast men zich in of bij dezelfde zelfstandigheid niet eene of meer gelijknamige hoedanigheden, toestanden of werkingen kan voorstellen, als braafheid, godsvrucht, luiheid, onschuld, gezondheid, voorspoed, heil, armoede, rijkdom, arbeid, begin, haat, loop, spot, twijfel, enz. b. wanneer zij eene collectieve beteekenis hebben, als: gejuich, geschreeuw, kunde, kennis, weder, enz.

Beteekenen ze daarentegen eene hoedanigheid, toestand of werking, waarnaast men zich wel eene gelijknamige hoedanigheid, enz. kan denken, dan kunnen ze ook in \'t meervoud voorkomen: deugden, ondeugden, schoonheden, gebreken, ziekten, ongelukken, rechten, toestanden, slagen, houwen, ziekten, handelingen, enz.

Sommige begripsnamen hebben naast zich andere, welke dezelfde werkingen of toestanden beteekenen en die toch wel in \'t meervoud kunnen voorkomen. Zij verhouden zich dan tot de laatste als een geheel of

-ocr page 93-

79

verzameling tot de doelen: (jenot—genietingen; spot—spotternijen; twijfel—twijfelingen ; kunde—kundigheden ; zegen — xegeningen ; gedrag— gedragingen. Vergelijk ook gebrek „armoedequot; en gebreken, rijkdom en rijkdommen.

Worden begripsnamen tot namen van werkelijke zelfstandigheden, dan richten zij zich in dezen naar de soort, waartoe zij gaan behooren; hoogten, verhevenheden, gangen, wandelingen, gezichten, lasten, enz.

§ 186. Alleen inliet meervond worden gebruikt: voorouders, lieden, erven, gebroeders, gezusters, gelieven, bescheiden „geschriftenquot;, inkomsten „ontvangstenquot;, mazelen, metten, hersenen, kosten, onkosten, onlusten, verzenen, Alpen, Pgreneën, enz.

Zeden komt meestal in \'t meerv. voor; zede wordt nochtans gebruikt in de bet. van gewoonte, gebruik: Ik hield mij in dit geval om him te helieven aan de oude zede. Van pokken is mede \'t enkelvond in gebruik, \'t Enkelv. kost komt voor in; ten koste van. Ook van ouders is \'t enkelv. gebruikelijk in de uitdrukkingen: van ouder tot ouder, van ouder tot kind. Men vindt het ook buiten deze uitdrukkingen: Het is hard voor een ouder, wanneer zijne goede bedoelingen miskend worden. Zoo lig dan r boei, mtj aangesmeed van een bedrogen ouder. (St.) Het enkelvoud van aanstalten komt zeer weinig, dat van toebereidselen en tegenheden bijna: nooit voor. Metten „morgendienst bij de Katholiekenquot;, schoon eigenlijk enkelvoud, werd al vroeg als meervoud aangemerkt; het komt voor in: Korte metten maken met iets „weinig omslag met iets makenquot;, iemand de metten lezen „scherp doorhalen.quot; Verzenen leest men in den Statenbijbel: Het is u hard, de verzenen tegen de prikkels te slaan. Ook \'t enkelv. verzen wordt er gevonden.

III. NAAMVAL.

§ 187. ■ De zelfstandige naamwoorden en zelfstandige voornaamwoorden: kunnen in verschillende betrekkingen in den volzin voorkomen. Zoo komt huis in: Het huis is hoog, de heer des huizes. Heil zij dezen huize! Ik heb mijn huis verkocht, telkens in eene andere betrekking voor. Ter aanduiding dezer betrekkingen dienen verschillende vormen der genoemde woorden: die vormen heeten naamvallen.

Niet elke betrekking wordt door een eigen vorm aangeduid. Dit is gedeeltelijk het gevolg van de groote overeenkomst tusschen verschillende betrekkingen, die maakte, dat men daarvoor denzelfden vorm gebruikte, gedeeltelijk van het afslijten der buigingsuitgangen.

De bijvoeglijke naamwoorden, bijvoeglijke voornaamwoorden, lidwoorden en sommige telwoorden nemen mede verschillende vormen aan, naargelang-het zelfstandig naamwoord, waarbij zij behooren, in den een of anderen naamval staat. Deze vormen worden ook naamvallen geheeten.

§ 188. 3Ien neemt voor \'t Nederlandsch nog steeds vier naamvallen

-ocr page 94-

80

aan; deze dragen den naam van nominatief, genitief, datief en accusatief of len, 2en, 3en en 4en naamval.

Behalve deze vier naamvallen onderscheidt men ook den vocatief als •den vorm van \'t naamwoord, dat als de naam van den aangesproken persoon voorkomt. Daar dit naamwoord echter steeds buiten den volzin staat (Verg..§ 4), kan men slechts in oneigenlijken zin zeggen, dat het ■een naamval heeft. De vocatief is steeds gelijk aan den nominatief: Beste vriend! Goede God!

Opmerking. De vraag, hoeveel naamvallen er in onze taal zijn, kan ver-schillend beantwoord worden. Houdt men zich streng aan het begrip »vormquot; dan komt men tot het besluit, dat de vrouwelijke substantieven eigenlijk geen naamval hebben; immers de vorm is in \'t enkelvoud steeds moeder, meerv. ■moeders. ])e mannel. en onz. hebben in \'t enkelvoud in deftigen stijl twee naamvallen; vader, vaders, gevaar, gevaars, in \'t meerv. ontbreekt alle verschil van \\orm: vaders, gevaren.

Let men echter op de verbuiging der overige woordsoorten, vooral van de idwoorden en de voornaamwoorden, dan ziet men dat deze woorden soms drie of vier verschillende vormen hebben; de, des, den; mijne, mijner, mijnen; zij, ttnnner, hun, hen. En voegt men daar nog bij. dat enkele substantieven met het lidwoord, wanneer men ook ouderwetsche maar toch nog in zwang zijnde vormen daarbij insluit, nog vier verschillende vormen kunnen vertoonen: de dag, des daags, ten dage (in ten dage), den dag, dan wordt het begrijpelijk, dat men tot nog toe voor het Nederlandsch vier naamvallen aanneemt. \'§ 189. Een naamwoord staat in den len naamval:

1°. wanneer het voorkomt als onderwerp: Dit huis wordt al mooi oud. 2°. wanneer \'t het naamwoordelijk deel van\'t gezegde uitmaakt: Willem is een brave jongen. Hij hlijft maar steeds de oude knecht.

3U. wanneer het als bijstelling of bepaling van gesteldheid bij een naamwoord in den len naamval behoort: God, de Vader aller menschni, xal ook voor ii zorgen. Dit is Amsterdam, de hoofdstad van Nederland. Als de naaste bloedverwant van dien bankier erfde hij diens kolossaal vermogen.

Onder de bepalingen van gesteldheid bij een eersten naamval lette men •op \'t zelfstandig naamwoord, dat bij den lijdenden vorm behoort der overgankelijke werkwoorden, die in den bedrijvenden vorm naast het lijdend voorwerp nog eene bepaling van gesteldheid hebben: Willem I wordt door ons de Vader des Vaderlands genoemd, door Koning Filips echter werd hij een oproermaker gescholden. Immers deze naamwoorden geven dan de gesteldheid des onderwerps te kennen.

quot;Wordt zulk eene bepaling van gesteldheid door een voorzetsel voorafgegaan, dan staat zij natuurlijk in den accusatief: Hij werd voor den dader gehouden. Hij was tot eersten opzichter over dat icerk aangesteld. g 190. Een naamwoord staat in den 2en naamval:

1°. wanneer het den oorsprong of de afkomst beteekent eener andere zelfstandigheid (genitief van oorsprong): Jacobs nageslacht, ■de stamvader der Israëlieten, Vondels hekeldichten, de schrijver dezer u-erken, de ontwerper dezer plannen, de plannen dier ingenieurs.

-ocr page 95-

81

2°. wanneer liet den bezitter of de bezitting beteekent eener andere zelfstandigheid (genitief van bezit); De tuin mijns ooms, de eigenaar dezer villa, de heer des huizes, Moeders verjaardag, hei huis des Heer en. Hierbij sluit zicli nauw aan het geval, dat de genitief een kenmerk van de bepaalde zelfstandigheid uitdrukt, als in: de dag zijns fertreks, de eeuw der spoorwegen, de plek des onheüs, de plaats zijner geboorte, enz.

3°. wanneer het eene stof of als zoodanig voorgestelde verzameling, hoedanigheid of werking beteekent, waarvan eene zekere hoeveelheid wordt opgegeven (verdeelingsgenitief): eene hete broods, eene teug wijns, eene menigte volks, eene som gelds, icat moois, iemand vreemds, niemand anders, een uur loopens, eenige oogenblikken peinzens. reel werkens, meer arbeids, weinig goeds, gelds genoeg.

Opmerking. Wanneer de s aan \'t einde dezer woorden niet meer wordt gebruikt, als in: eene teuy water, een stuk brood, een hoop volk, of wanneer het substantief meervoudig is: een hoop mennetten, een mud appelen, dan staat hot natuurlijk niet in den \'2en naamval. Men is dan gewoon te rekenen, dat het in denzelfden naamval staat als het voorgaande substantief, voornaamwoord of telwoord. Zoo schrijft men: Een glas goede wijn is gezond en Hij dronk een glas rooden wijn.

4°. wanneer liet dient als bepaling bij den naam eener werking, waarvan het of het onderwerp, öf het voorwerp uitmaakt (onderwerps-en voorwerpsgenitief): De regeering dezer vorsten, het geloei der koeien, de loop der rivier, de afpersingen der vijandelijke legers, de straf des Hemels; — het gezicht dezer weilanden, het gebruik der vuurwapenen, het snijden der boterhammen, de straf dier boosdoeners.

5°. wanneer het als oorzakelijk voorwerp voorkomt bij een werkwoord of bijvoeglijk naamwoord (genitief van oorzaak). Men zegt dan, dat die werkwoorden en bijvoeglijke naamwoorden den 2en naamval regeeren. Die werkwoorden en bijvoeglijke naamwoorden zijn: gedenken, zich ontfermen, zich erbarmen, zich aantrekken, zich schamen; bewust, deelachtig, gedachtig, indachtig, moede, kundig, rol, waard, iv aar dig, onwaardig.

Aangaande dezen genitief valt op te merken, dat hij in de meeste gevallen verouderd is en dan ook alleen in deftigen stijl voorkomt. In meer gemeenzamen stijl wordt hij vervangen door den 4en naamval of door eene bepaling met een voorzetsel. De grenslijn tusschen bijvoeglijke naamwoorden, die een genitief en die, welke een accusatief regeeren, is dan ook niet scherp te trekken (Vgl. § 192, ó0): Het briefje was met een potlood geschreven en hield de verzekering in, dat men zijns gedacht. (Sch.) Na den dood zijns vaders was er geen festijn meer in het steenen huis gerierd; dat gedacht hij te dezer ure. (Sch.) Erbarm (ontferm) u onzer ellende {over onze ellende). Niemand trok zich der (dc) verlaten kinderen aan. Ik heb mij mijner armoede nooit geschaamd. (P.) Hij at droog brood en schaamde H zich. (St.) De Schot was zich zijner onschuld bewust. (Sch.) Zij tras het zich bewust geworden. (Sch.) Hij was onbewust van H nakend

t. terwev, \\ed. Spraakk. He druk. 6

-ocr page 96-

gevaar. Opdat gij der (de) Goddelijke natuur deelachtig xoudt worden. (Stb.) En Petrus wierd indachtig des woords (het woord) des Heeren. (Stb.) De Heer is onzer gedachtig geweest. (Stb.) Opdat gij H gcdachtig zijt en u schaamt. (Scli.) Hij teas icachtcns moede (Sch.) (Vergelijk hiermede: Hij was \'t u-achten moede — Het wachten verveelde hem). Hij was der zake kundig {een deskundige). Het is der moeite {de moeite) niet waard. De arbeider is zijns loans waardig. (Stb.) De arbeider is zijn loon waardig. Zij waren vol nweds. In weinig oogenhlikken was de markt vol volk. Het weiland stond vol van (met) boterbloempjes.

Opmerking. Schuldig komt met den genitief voor in de uitdrukking des doods schuldig. Dit is geen oorzakelijke genitief: des doods staat hier voordes-levens en dit laatste drukte uit, wat men moest betalen, evenals in hij is mij He»* gulden schuldig. Vgl. iets mei den dood bekoopen voor met tiet leven bekoopen.

0°. ia vele bijwoordelijke bepalingen, (bijwoordelijke genitief):

des daags, des nachts, des zomers, onverrichter zake, geleider lage, langzamerhand, goedsmoeds, heelhuids, barrevoets.

Opmerking. In een paar uitdrukkingen komt nog een naamwoord in den separatieven genitief (2en naamval van scheiding) voor; hij duidt de zelfstandigheid aan, waarvan eene andere is verwijderd: Hij is dezer wereld overleden , afgestorven. Huig de Groot zwierf balling \'s lands in den vreemde om. (P.)-

§ 191. Een naamwoord staat in den 3en naamval:

1°. wanneer het als belanghebbend voorwerp voorkomt bij een overgankelijk of onovergankelijk werkwoord of bij een bijvoeglijk naamwoord. Het duidt dan de zelfstandigheid aan, tot wier voor- of nadeel de werking plaats heeft of de hoedanigheid bestaat (datief van voor-of nadeel): Geef mij die sleutels eens aan. De wind ontrukte den hoorn een tak. H Is ons recht aangenaam, u te zien. \'t Is ons leed, u niet te kunnen helpen.

Onovergankelijke werkwoorden, die een derden naamval regeeren, zijn: gelijken, slachten, gelukken, bevallen, behagen, ontvallen, ontduchtcn, overkomen, enz. — Bijvoeglijke naamwoorden, die een derden naamval regeeren, zijn: aangenaam, onaangenaam, lief, leed, voordeelig, nadeelig, vreemd, bekend, duidelijk, duister, trouw, ontrouw, gelijk, ongelijk, enz.

Ten opzichte dezer werkwoorden en bijvoeglijke naamwoorden moet worden opgemerkt, dat haten, schaden en gehoorzamen, schoon zij den, datief regeeren, evenals overgankelijke ww. in den lijdenden vorm kunnen worden gebruikt; dat verschillende werkwoorden, die voorheen den datief regeerden, tegenwoordig, nu de derde en vierde naamval in de meeste gevallen aan elkander gelijk zijn geworden, soms of steeds als overgankelijke worden behandeld, bijv.: volgen, navolgen, naloopen, nazitten, naderen, ontmoeten, toejuichen, toespreken, voorbijgaan, enz.; dat waard alleen in den zin van dierbaar een datief bekomt. (Verg. § 158 b).

2°. wanneer het de zelfstandigheid aanduidt, die de bezitter is van eene andere in den zin genoemde zelfstandigheid (datief van bezit):

-ocr page 97-

83

De tranen rolden het kind over de icanyen. Breek u het hoofd toch niet met die dingen.

Deze datief kan vervangen worden door don genitief van \'t zelfstandig naamwoord of door een bezittelijk voornaamwoord. Dat die genitief of dat bez. vnw. intusschen niet geheel dezelfde beteekenis heeft als de datief, blijkt uit de vergelijking van: Hij drukte mij de hand en Hij drukte mijne hand. Hij kijkt mij telkens oj/ de vingers en Hij kijkt telkens op mijne vingers. Het naamwoord in den datief wijst hier ook wel degelijk den belanghebbenden persoon aan.

3°. wanneer her eene zelfstandigheid aanduidt, die als belangstellende bij zekere werking of zekeren toestand optreedt: Dat is me eene drukte! Eu daar vangt je \'t leven aan.\' (De G.)

4°. wanneer het eene bijstelling of bepaling van gesteldheid is bij een naamwoord in den derden naamval: U\'/j danken zijn vader, dien edelmoedigen man, onxe redding. Ik zal dit uw oom, als uw voogd, viededeelen.

g 192. Een naamwoord staat in den 4en naamval:

1°. wanneer het als lijdend voorwerp voorkomt: Ik heb hem dikwijls gezien. Verschillende werkwoorden, die voorheen onovergankelijk waren, worden tegenwoordig als overgankelijke gebruikt. (Verg. § 158). Vandaar ook, dat sommige werkwoorden beurtelings met een lijdend of een oorzakelijk voorwerp voorkomen, bijv.: iets beginnen en aan iets beginnen, iets vreezen en voor iets vree ten. iets hopen en op iets hopen, iets vragen en naar iets vragen, iets gelooven en aan iets gelooven, enz.

2°. wanneer het door een voorzetsel wordt voorafgegaan: Wij jagen niet naar geld of goed. Is hij reeds bij u geiveest ?

Daar vele voorzetsels voorheen den 3en naamval regeerden, vinden wij in verscheidene uitdrukkingen, uit vroegeren tijd overgebleven, nog den datief na voorzetsels: te goeder ure, met dien verstande, in gemoedc, uil dien hoofde, van goeden liniie, onder eede, bij monde, enz. In enkele uitdrukkingen als: binnenslands, binnenskamers, buitensdijks, tussehen-deks, voorshands, ondershands komt een schijnbare genitief voor; deze vormen zijn ontstaan door de aanhechting dor zoogenaamde bijwoordelijke s. (Verg. de Vorming der Bijwoorden).

Opmerking. Men onderscheMe dezen Sen nv. wel van den 4en, bijv. in: Hij tikte mij (3) op den schouder. Hij trapte mij (3) op de teenen. /ij beet Item (3) in de wang tegenover; Hij vatte haar (4) bij de hand. Hij c/reep hem (4) bij den roksknoop.

3°. wanneer het voorkomt als bijwoordelijke bepaling van tijd, plaats, hoeveelheid (maat, gewicht en prijs) en omstandigheid: Den ganschen morgen bleef hij iveg. Dezelfde krankheid doodde den eigen dag zijn gade met den zoon. (St.) Hij liep het bosch door, reisde het land rond, reed dc brug over. Hij kwam de deur in, klom de trap op en trad het vertrek binnen. Mijn vennoot joeg hem in de eerste week hel magazijn uit, het kantoor af, de straat op. (P.) Hij is dertig jaar oud. Deze plank is

0*

-ocr page 98-

84

drie duim dik. Twee dagen lang zagen wij hem. Het pal; ivoog tien pond y was tien pond zwaar. Dit hoek kost drie gulden, is drie gulden ivaard. Een pond hater gold acht stuivers. Maximiliaan van Eg mond stierf, zooals het een ridder past, het zwaard aan de heup, den mantel om de schouders, het gulden vlies op de horst. (P.)

De bepalingen van tijd geven öf eene tijdruimte, öf een tijdpunt te kennen; de bepalingen van plaats drukken uf den doorloopen afstand uit, öf de zelfstandigheid, die de grens der beweging uitmaakt.

Men merke tevens op, dat de bepalingen van plaats voorkomen bij werkwoorden, die eene beweging te kennen geven en scheid baai-samengesteld zijn met een bijwoord.

4°. wanneer het als bijstelling of bepaling van gesteldheid voorkomt bij een naamwoord in den 4equot; naamval: 7c Vertel van Sinterklaas en van een braven ambachtsman, den armen Huibertbaas. (St.) Ik beschouw hem als den bewerker van dit onheil.

Ten opzichte der bepalingen van gesteldheid merke men op, dat bij verschillende werkwoorden het lijdend voorwerp steeds door zulk eene bepaling, die dan natuurlijk ook in den 4en naamval staat, wordt gevolgd. Zulke werkwoorden zijn: noemen, heet en, achten, rekenen, schatten, doopen, vinden, maken, prijzen, schelden, bijv.: Ik acht, reken het mijn plicht, u te waarschuwen. Ik noem, heet het eene misdaad, zoo te handelen. Zij schelden ons wild woelwater, schoon zij stouten schalk meenen. (P.) Men prees hem den redder des vaderlands. Men doopte hem Willem. Ik vind dien Jan een naren jongen. Graaf hebben ze hem gemaakt. (Sch.)

Wanneer zulke werkwoorden liet lijdend voorwerp en de bepaling van gesteldheid verbinden door \'t voegwoord als, staat die bepaling natuurlijk ook in den 4™ naamval: Men stelde hem aan als eersten opzichter. Men prees hem nis den redder des vaderlands. Soms wordt de bepaling van gesteldheid door een voorzetsel voorafgegaan: Men hield hem voor den dief. Men stelde hem aan tol eersten opzichter over dat werk.

Een enkele maal gebeurt het, dat een 2e naamval eene bijstelling bij zich heeft; deze wordt dm in den 4equot; naamval gezet: Dit zijn de psalmen Davids, den koning van Israël. Toch hoort men nog in kanselstijl: de liefde Gods, des Vaders, waarin de bijstelling in den tweeden naamval staat.

5°. Behalve de bijvoeglijke naamwoorden, die voorheen den 2en, doch thans meestal den 4en naamval regeeren, zijn er ook enkele, die in de tegenwoordige taal steeds eene bepaling in den vierden naamval bij zich hebben. Zij zijn: bijster, getroost, gewoon, gewend, gewaar, kwijt, machtig, meester, veilig, schuldig, verschuldigd, zat en zeker: Wij waren het spoor bijster. IIij was zijn lot getroost. Ik ben die drukte niet gewoon (gewend). Wij werden u van verre reeds gewaar. Nu ben ik al mijn geld kwijt. Zijt (jij die taal machtig? Spoedig waren zij nu de stad meester. Men is hier z,ijn leven niet veilig. Hij is mij 7iog eene groote som gelds schuldig. Ik was die hartelijke ontvangst verschuldigd aan zijne u-arme aanbeveling. Hij was het leren zat. W/j waren daar ons leven niet zeker.

-ocr page 99-

lien houde intusscheu in \'t oog, dat ook deze accusatieven oorspronkelijk genitieven waren; vandaar dat zij dezelfde bet eekenis hebben als de vroeger besproken genitieven van oorzaak en dus ook het oorzakelijk voorwerp uitmaken.

IV. TRAPPEU VAN HOEDANIGHEID OF VERGELIJiCING.

§ 193. Door trappen van hoedanigheid of vergelijking verstaat men de verschillende vormen der bijvoeglijke naamwoorden, die aanduiden, in welken graad eene zelfstandigheid eone hoedanigheid bezit. Er zijn drie trappen van hoedanigheid: de stellende, de vergrootende en de overtreffende trap.

§ 194. De stellende trap is de vorm van hot adjectief, die aanduidt, dat eene zelfstandigheid zonder eenige vergelijking eene hoedanigheid bezit: Een hevige storm. De storm is hevig.

quot;Wel wordt deze vorm ook gebruikt, wanneer men zelfstandigheden ten opzichte eener hoedanigheid met elkander vergelijkt, doch de uitkomst der vergelijking wordt dan door bijwoorden uitgedrukt: Hij is even groot als uw vader. Hij is minder rijk dan zijn neef.

§ 195. De vergrootende trap is de vorm van het adjectief, die aanduidt, dat eene zelfstandigheid eene hoedanigheid in eene grootere mate bezit dan eene of meer andere.

De vergrootende trap wordt gebruikt:

a. praedicatief, wanneer de hoofdzin gevolgd wordt door een vergelijkenden bijzin. Zoo deze laatste ontbreekt, wordt hij er toch bij ondersteld: Jan is ouder dan Willem. Hij is ook onder dan zijne neven. In Januari kan men reeds zien, dat de dagen langer worden. De lucht werd telkens donkerder.

b. attributief, wanneer het zelfstandig naamwoord zonder lidwoord voorkomt of door een of geen wordt voorafgegaan: Grooter opgewondenheid heh ik nooit gezien. Een oudere broeder van hem is bij de posteryen geplaatst. Er is geen beter mensch dan hij.

c. attributief, wanneer twee zelfstandigheden, door tegengestelde hoedanigheden gekenmerkt, tegenover elkander worden geplaatst; alleen in dit geval kan de vergrootende trap door \'t lidwoord de of een bijvoeglijk voornaamwoord worden voorafgegaan: het hooger en lager onderwijs; mijne grootere of kleinere uitgaven. In zijne vroegere heirekking teas hij gelukkiger dan in de tegenwoordige.

Opmerking. Dü vergelijkende bijzin, die op een vergrootenden trap volgt, wordt tegenwoordig in de schrijftaal verbonden door \'t voegwoord dan. Dit is ook liet geval, wanneer in den hoofdzin het woord ander ol\' de woorden geen, niemand, niets in, den zin van r/een ander, niemand anders, niels anders voorkomen. Ander is oorspronkelijk ook een vergrootende trap en geeft dan ook altijd te kennen, dat de vergeleken zelfstandigheden, enz. ongelijk zijn: Ik heb iets, niets anders geschreven, dan (jij mij hebt gelast. Ik heb niemand (anders) gesproken dan zijn broeder. Hij bezat niets (anders) dan een klein lansje. Ik heb geen (anderen) tijd beschikbaar dan dezen.

-ocr page 100-

86

§ 196. De overtreffende trap is de vorm van het adjectief, die aanduidt, dat eene zelfstandigheid, vergeleken met ééne of meer andere, eene hoedanigheid in de grootste mate bezit: Zijn oudste broer is naaide Oost gegaan. Hij was de oudste van hunne heide zonen. De jongste zoon uit eene adellijke familie trad vroeger gewoonlijk in den krijgsdienst.

Opmerking. Zooals men ziet, wordt de overtreffende trap van liet adjectief nooit praedicatief gebruikt. Staat hij alleen, dan is het zelfstandig naamwoord daarachter verzwegen. Bovendien wordt hij altijd voorafgegaan door het lidwoord de of een bijvoeglijk voornaamwoord.

§ 19quot;. Soms gebruikt men ook den bijwoordelijken overtretienden trap (§ 202), otn te kennen te geven, dat eene zelfstandigheid eene hoedanigheid in de grootste mate bezit. Dan wordt dus het bijwoord als praedicatief bijvnw. gebezigd. Zoo zegt men: die toren is het hoogst; die jongen is hel vlijtigst, uwe teekening is het mooist; ik acht dien maatregel het geschiktst, zonder dat men iets anders bedoelt dan: die toren is de hoogste; die jongen is de vlijtigste, enz.

Deze bijwoordelijke overtreffende trap wordt altijd gebezigd, wanneer men eene hoedanigheid of toestand van eene zelfstandigheid vergelijkt met eene gelijksoortige hoedanigheid of toestand onder andere omstandigheden: Hij is hei gelukkigst, wanneer hij rustig kan werken. Als ik bij hen logeerde, roeide ik mij altijd het gezondst.

§ 198. De overtreffende trap des adjectiefs wordt ook eene enkele maal zonder \'t lidwoord de gebruikt, wanneer men wil te kennen geven, dat de zelfstandigheid de hoedanigheid in zeer groote mate bezit. Men kan hem dan volstrekt overtreffenden trap noemen, tegenover den betrekkelijk overtreffenden trap, in § 196 behandeld. Dit is \'t geval, wanneer men zegt: Beste vriend! Liefste Zus! Dat is beste, opperbeste thee. Ik vind dat een alleraardigst kind.

§ 199. Wanneer men twee verschillende hoedanigheden van ééne zelfstandigheid met elkander vergelijkt, en de eene in grootere mate aanwezig oordeelt dan de andere, moet de vergrootende trap door \'t bijwoord meer worden omschreven: Hij is meer geleerd dan verstandig. Die handelwijze is meer slim dan eerlijk.

§ 200. Sommige adjectieven missen de trappen van hoedanigheid. Dit is \'t geval, wanneer zij eene volstrekte beteekenis hebben, d. i. wanneer zij eene hoedanigheid uitdrukken, die niet in verschillende graden kan gedacht worden, of wanneer het adjectief go ene eigenlijke hoedanigheid uitdrukt.

Eene volstrekte beteekenis hebben;

a. samenstellingen, waaraan eene vergelijking ten grondslag ligt, als: sneeuwwit, hemelhoog, gitzwart, hemelsblauw, suikerzoet, enz.

b. adjectieven als: vierkant, stom, blind, volmaakt, eenig, eeuwig, eindeloos, waarachtig, kinderloos, koninklijk, bijv. in: de koninklijke kroon. Bij sommige van deze adjectieven komen trappen van hoedanigheid voor, wanneer de eigenlijke beteekenis een weinig wordt verzwakt of \'t woord

-ocr page 101-

87

■eene andere beteekenis verkrijgt. Bijv.: Bij dien predikant ■wordt de kerk telkens leerjer, bij zijn collega is zij voller dan vol. Hier heer sekt de volmaaktste orde en stilte. Zoo zegt ook Staring: Thans is zijn eenigst wit, dat hij door boete doen den Heilig weer verzoen\'! en maakt hij zelfs schertsend een vergrootenden trap van een overtreffenden: Hier kon het punctum staan.\' Maar ginds verneem ik ooren, die na het laatste woord graag nog een laatster hoor en. Eene andere beteekenis krijgt bijv. stom in: de stomste jongen voor: de domste.

Greene eigenlijke hoedanigheden drukken uit de uitsluitend attributief gebruikte adjectieven. (Zie § 111).

Opmerking. Ook de bijvoeglijke naamwoorden, die uitsluitend praedicatief worden gebruikt, missen de trappen van hoedanigheid. (Yergl. § *109). Gedeeltelijk is dit een gevolg van dezelfde oorzaken, die boven zijn genoemd; bij enkele laat het taalgebruik geen vergrootenden of overtreffenden trap toe.

§ 201. De deelwoorden zijn dan alleen vatbaar voor de trappen van hoedanigheid, wanneer zij tot werkelijke adjectieven zijn geworden, d. i. wanneer niet meer de werking, maar de hoedanigheid op den voorgrond staat. Dit is\'t geval bij: treffend, innemend, voorkómend, uitstékend, bekrompen, ervaren, gezocht, nitgeléze7i, afgezaagd, enz.

Daarentegen dulden geene trappen van hoedanigheid: een lezend kind, een bepalend woord, eene uitstekende bergspits, een gebroken kopje, een uitgelezen boek, een geploegde akker, enz.

§ 202. Niet alleen adjectieven, maar ook sommige bij woorden, voornamelijk die van hoedanigheid, hebben trappen van hoedanigheid: Hij heeft fraai, fraaier, het fraaist geschreven. Zooals men ziet, wordt in dit geval de overtreffende trap schijnbaar voorafgegaan door den onzijdigen vorm des lidwoords. Naar alle waarschijnlijkheid is dit het een oud voorzetsel at, dat in zijn verkorten vorm \'t later voor het lidwoord gehouden werd. Zij kunnen ook worden voorafgegaan door de voorzetsels op of te. Men lette echter op \'t verschil tusschen: Hij heeft hel fraaist en op het fraaist, op zijn fraaist geschreven. Zoo is ook: Hij zal ten spoedigste overkomen zeer verschillend van: Hij zal het spoedigst overkomen. Bij dichters ziet men meermalen het woord het weggelaten: Waar \'t veldgebloevite vroegst ontluikt en langst aan winters macht ontduikt. (St.)

Enkele bijwoorden kunnen ook in den volstrekt overtreffenden trap staan. Zij missen dan ook het woord het: Gij hebt dat best gemaakt. Hij stond uiterst verbaasd. Ik ben hoogst ontevreden. Het kind heeft zich allerliefst gedragen.

v. wijzen.

§ 203. De werkwoorden hebben verschillende vormen, om de betrekkingen aan te duiden, waarin de inhoud van een volzin, naar de voorstelling van den spreker, staat tot de werkelijkheid. De vormen dragen den naam van wijzen.

-ocr page 102-

88

§ 204. Is de inhoud van den zin, naar de voorstelling\' van den spreker op een tijdstip werkelijkheid, dan staat het werkwoord in de aantoonende wijs (indicatief): Ik work, heb gewerkt, zal werken.

§ 205. Is de inhoud van den zin, naar de voorstelling van den spreker op eenig tijdstip mogelijk, dan staat het werkwoord in de aanvoegende wijs (conjunctief): Ik trees, dat hij wegblijcc. Ik vreesde, dat hij wegbleve.

§ 206. Moet of behoort de inhoud van den zin, naar de voorstellingvan den spreker, op een tijdstip werkelijkheid te worden, dan staat het werkwoord in de gebiedende wijs (imperatief): Ga dadelijk heen. Kom morgen terug. Doe toch uw plicht, jongen!

§ 207. In de inhoud van den zin, naar de voorstelling van den spreker, stellig met de werkelijkheid in strijd, of zal hij er waarschijnlijk mee in strijd blijven, dan staat het werkwoord in de voorwaardelijke wijs (conditionalis): Wist ik hel, dan zou ik het zeggen. Al kwam hij mij zelf verlof vragen, ik zou hel tuch weigeren.

Opmerking 1. In het eerste voorbeeld is de inhoud van bijzin en hoofdzin stellig met de werkelijkheid in strijd. Kr ligt immers in opgesloten dat ik het niet weet en het dus ook niet zal zeggen. In het tweede voorbeeld zal de inhoud van den bijzin waarschijnlijk in strijd blijven met de werkelijkheid; immers in dezen zin ligt opgesloten, dat hij waarschijnlijk niet zelf verlof zal komen vragen. Maar als dit waarschijnlijk niet zal gebeuren, dan is hef. weigeren evenmin waarschijnlijk; derhalve staat het werkwoord in don hoofdzin mede in de voorwaardelijke wijs.

Zinnen, waarvan het werkwoord in de voorwaardelijke wijs staat, zijn steeds bestemd, bij den hoorder eene tweede gedachte op te wekken, die wel de uitdrukking der werkelijkheid is. Zoo geven de bovenstaande zinnen aanleiding tot deze gedachten: \'t Spijt mij, dat ik het niet kan zeggen, tk weiger het hem in elk geval.

Opmerking 2. Een werkwoord heeft eigenlijk slechts drie stellen vormen; die der aantoonende, der aanvoegende en der gebiedende wijs. Houdt rnen zich dus streng aan de bepaling, in § \'203 van de wijzen gegeven, dan zou rnen slechts van drie wijzen kunnen spreken. En daar de vormen, die wij voorwaardelijke wijs noemen, oorspronkelijk, en ook tegenwoordig nog wel, die der aanvoegende wijs waren, zou de voorwaardelijke wijs beschouwd moeten worden als een bijzonder geval van de aanvoegende wijs. Het verschil in beteekenis tusschen een zin. waarin het werkwoord in de aanv. en eenr waarvan het werkwoord in de voorvv. wijs staat, is echter zoo groot, dat wij ondanks het bezwaar der definitie eene vierde wijs onderscheiden. Daarbij letten wij dan natuurlijk alleen op de beteekenis van den zin en niet op den. vorm van het werkwoord.

§ 208. De vormen eens werkwoords, welken men den naam geeft van aanvoegende wijs, zijn in den loop der tijden ten gevolge van het geringe verschil in vorm in zeer veel gevallen door de aantoonende wijs vervangen. Daarom is \'t noodig te weten, wanneer men zich thans neg: van die wijs bedient. Dit geschiedt:

1°. in enkelvoudige of hoofdzinnen en wel:

a. wanneer men een wensch uitdrukt, welks vervulling mogelijk wordt geacht: Leve de Koning! God zij ons genadig! Vinde ik mijne

-ocr page 103-

89

verontschuldiging in het doel., waarmede ik (dit) wagen durfde.\' (P.)

b. wanneer men wil te kennen geven, dat men zicli niet verzetten zal tegen de verwezenlijking der uitgedrukte gedachte: Een heraut laat deze boodschap hoor en: Vrouw Emma met haar spruit verlate \'t slot in vree en draga een lcorfvol van haar kostbaarst veilig mee! (St.) Zeven kinders dulden H niet, dat de vreugde van ons vliedt; Alles roove \'t ongeval, blijft ons slechts dat zevental. (St.)

c. wanneer men den hoorder wil vermanen, dat deze de geda hte tot werkelijkheid doe worden: Daarom keere ieder naar de zijnen en neme dit woord met zich en verspreide het door huis en hof. (Sch.)

2°. in onderwerpszinnen, wanneer men wil te kennen geven, dat deze iets mogelijks of wenschelijks uitdrukken: Het is ook beter, dat men den schijn vermjde. (Sch.) Of het des redenaars plicht is, dat hij met een emmer water en een blaasbalg een on weder op zee voorslelle ? (G.) Bovendien is het geene zaak, dat men onnoodig tijd verlieze. (Gr.)

3n. in voorwerpszinnen, wanneer de hoofdzin een gezegde bevat, dat in beteekenis overeenkomt met: wenschen, vreezen, twijfelen, toestaan, bevelen: Eene oude moeder „door wat jicht, zoo \'t heet gekweldquot;, heeft onverziens haar Julia bevolen, dat ,;e uit het vroolijk stadsgedruisch terng-keere en bij haar zich opsluite in een kluis. (St.) Ik zou liever van dit onderwerp afstappen, maar ik wenseh toch ook niet, dat men mij verkeerd versta. (Gr.) Onderstel, dat dit eene overtreding zij van eene wel Gods. (Sch.) Ik wil niet hopen, dat er onraad op het slot zij! (V. L.) Handel naar goedvinden, maar zorg, dat hij niet geloove, dat ik hem vrees. (Sch.) Sta toe, dat hij eene andere gevangenis krijge, dat hij vervoerd worde. (Sch.)

•4°. in bijvoeglijke bijzinnen, waarin iets mogelijks of wenschelijks wordt uitgedrukt: Waar schuilt zij, die onwraakbarepenne, dieniemands nagedachtenis schenne, die niemands nagedachtnis vlei ? (P.)

5\'\'. in tijdbepalende bijzinnen, verbonden door ee;\'(dat), TOor(dat)r totdat), daar deze voegwoorden op iets toekomstigs wijzen: Hij moet gevat worden, eer hij in staat zij, of zelf, of door anderen papieren te lichten, die zich hier te Amsterdam moeten bevinden. (V. L.) Verzwijg: haar het plan, tot de uilvoering besloten zij. (Sch.)

Ga. in doelaanwijzende bijzinnen, daar men van de bereiking van zijn doel geene zekerheid bezit: De beleefdheid vordert van den spreker, dat hij bijtijds en duidelijk zegge, waarover hij het woord zal voeren, opdat men voor het einde wete, wat hij behandeld heeft. (G.) Sta mij toe, den onderscheiden indruk (der oudere en nieuwe kunst) door vluchtige trekken in schets te brengen, ten einde de poging mij vrij ware van de blaam van partijdigheid. (P.)

7°. in voorwaardelijke bijzinnen, bepaaldelijk, wanneer ze met den hoofdzin zijn verbonden door mits of tenzij. Eigenlijk behoorde iedere voorw. bijzin, die niet in de voorwaardelijke wijs staat, in de aanvoegende wijs te staan, daar eene voorwaarde of onderstelling niet de uitdrukking der werkelijkheid is, doch meestal is hier de aant. wijs de plaatsver-

-ocr page 104-

90

vangster der aanvoegende; Ik wil gaarne mcdedeelen, wat ik van llolandsrck uret, mits Diodes mij niet in de rede talie. (Gr.) Tenxij ieder bewoner van Frankrijk verkeeren kunne in een gewapend soldaat, bezweer ik üive Majesteit geen enkelen Franschman te ontbieden. (Sch.)

8°. in toegevende bijzinnen. In deze zinnen drukt de aanvoegende wijs uit, dat de spreker de mogelijkheid der uitgedrukte gedachte •erkent. In toegevende zinnen, waarin de werkelijkheid eener gedachte wordt erkend, gebruikt men tegenwoordig de aantoonende wijs; Ofschoon zijn grootvader reeds tachtig jaar is, kan hij toch zonder bril lezen.

Ik zal er het mijne van hebben, wat het ook kosten moge. (V. L.) Hoe ■eenvoudig deze vraag ware, zij scheen den vreemdeling van zijn stuk te brengen. (V. L.) Hoeveel het ons koste, wij moeten het belijden. (G.) Ik spot met hem, in welke gedaante hij zich ook vertoone. (L.) Het doel, zij het ook het verhexenste, zij het ook hoven de aarde, eischt toch een aardsch middel. (Sch.) Ter zijde van eene kist moge het leven niet aanlachen, moge het ernstig zien — voor het oogenblik wordt de band, die dit aan het volgende bindt, aanschouwelijk. (P.)

Zooals uit de bovenstaande voorbeelden blijkt, komt de aanvoegende wijs bepaaldelijk in die toegevende bijzinnen voor, welke met een vragend voornaamwoord of bijwoord beginnen, of die de gewone woordschikking hebben. Ook na \'t voegwoord of kan zij gebruikt worden: Of men ook zegge, dat ik verkeerd doe, ik zal volhouden.

Opmerking. Aangaande de aanvoegende wijs, voorzoover zij voorkomr, in bijzinnen, dient opgemerkt te worden, dat zij tegenwoordig in den regel, in de spreektaal althans, wordt vervangen door de aantoonende wijs. Doch waar zij voorkomt in hoofd- of enkelvoudige zinnen, is deze vervanging onmogelijk. De reden van een en ander is niet moeilijk in te zien. In bijzinnen immers geeft óf het gezegde van den hoofdzin, óf het voegwoord, waarmede de bijzin aanvangt, reeds voldoende tc kennen, dal de inhoud van den laatsten geene werkelijkheid is. Maar zulk een middel bestaat er niet, wanneer de aanv. wijs in hoofd- of enkelvoudige zinnen voorkomt.

§ 200. Zooals wij boven reeds opmerkten, let men bij de voorw. wijs alleen op de beteekenis van den zin en niet op den werkwoordelijken vorm. In de voorbeelden zullen dus zoowel vormen van de aant. als van -de aanv. wijs voorkomen.

De voorwaardelijke wijs komt voor:

1°. in hoofdzinnen en de daarbij behoorende voorwaardelijke bijzinnen, wanneer zij gedachten uitdrukken, die met de werkelijkheid in strijd zijn: Zoo ik geen bouwman was, ik tvou wel de eerste (vorst, nl.) wezen, kreeg ik verstand meteen. (St.) Als gij hem gelooven wildet, zou hij u overtuigen, dat men alles ter wereld in de gevangenis kan laten maken. (L.) Bijna u-are hij verpletterd geweest, indien niet een vrouwenartn hem had opgevangen. (B. v. d. B.) Geen Bilderdjk had ooit hij ons bestaan, was hem geen Griek in \'t dichten voorgegaan. (B.) Het ware te veel van ■den schilder gevergd geweest, als we dit alles op hun gelaat wilden lezen. (P.)

Meermalen gebeurt het, dat de voorwaardelijke bijzin in een zin-

-ocr page 105-

91

deel ligt opgesloten: Zonder zijne grootnioediye tusschenkomst had het er slecht met mij uitgezien. (V. L.) Ik reist niet, dat er zich iemand in den koepel bevond, waarin ik kwam schuilen, anders ware ik noo onbescheiden niet geweest. (V. L.) Gij hebt gelijk, goê vriend, en kondt in Ots geval zoo spreken. (St.)

Soms staat alleen de bijzin in de voorwaardelijke vijs: Uw titel als Meester in de rechten zal nog eenigen invloed bij hem hebben, ingeval hij eens koppig ware. (V. L.) Mocht iemand mijner lezers het hoek nog niet kennen, hij leze het ten spoedigste. (B. v. d. B.)

2°. in hoofdzinnen, waarvan de voorwaardelijke bijzin is weggelaten: Ik maal zijn dank niet af; dit ware eenijdel pogen. (St.) Ik heb het hem niet gevraagd; het zou vergeefsche moeite zijn geweest. Ook in deze voorbeelden zijn de uitgedrukte gedachten met de werkelijkheid in strijd.

Soms echter is de inhoud van den zin niet met de werkelijkheid in strijd, doch stelt de spreker dien slechts uit bescheidenheid als zoodanig voor; Ik wenschte irel, dat gij meegingt. Ik had liever, zei Charinus, dat onze vriend nu noch het een noch het ander beproefde. (Gr.) De onuitgedrukte bijzin kan dan zijn: Indien mijn wenseh niet te onbescheiden teas, of iets dergelijks.

3°. in voorwaardelijke bijzinnen, waarvan de hoofdzin is weggelaten. Dan krijgt die bijzin het uiterlijk van een wenschenden zin. Van den eigenlijk wenschenden zin in de aanvoegende wijs is hij echter daarin onderscheiden, dat de vervulling van den wensch onmogelijk of onwaarschijnlijk wordt geacht: Hadde hij maar beter zijn plicht vervuld.\' Gave God, dat hij weer gezond werd.\' Hoorden wij slechts iets van hem!

4°. in hoofdzinnen en de daarbij behoorende toegevende bijzinnen, wanneer in de laatste eene gedachte wordt uitgedrukt, die stellig of waarschijnlijk met de werkelijkheid in strijd is of zal blijven: Al waart gij langer gebleven, gij hadt toch niets meer te zien gekregen. Al bood men mij alle schatten der wereld, ik zou zulk een ontrouw niet plegen. Dwaalt mijns gelijk, ik zie \'t lankmoedig aan; maar zwiert een kloek vernuft moedwillig van de baan, ik trok het graag terug, al was \'t ook bij de haren. (St.)

Soms staat alleen de bijzin in de voorwaardelijke wijs; „Vivat Prince Ilenrickklinkt het in zijn hart, „al moesten we morgen weer in

vuur.quot; (P.)

5°. in vergelijkende bijzinnen, die door alsof met den hoofdzin zijn verbonden. Deze zinnen toch bevatten een voorwaardelijken bijzin; immers alsof beteekent eigenlijk: als indien. Wordt nu in zulk een bijzin eene gedachte uitgedrukt, die met de werkelijkheid in strijd is, dan staat het werkwoord in de voorwaardelijke wijs; Wat roemen we ons hesehaven, ons verfijnen, alsof bij ons \'t geluk ten zetel klom? (P.) Gij hebt mijn tonen lief, alsof zij de uwe waren. (B.) Maximiliaan van Buren bracht zijne laatste oogenblikken door, of sterven slechts reizen ware naar een schitterend tournooi. (P.)

-ocr page 106-

92

G0. in vragende hoofd- of enkelvoudige zinnen, die gedachten uitdrukken, welke stellig of waarschijnlijk met de werkelijkheid in strijd zijn. De voorwaardelijke wijs dient dan, of om de tegengestelde gedachte op te wekken, of om te kennen te geven, dat de vrager een ontkennend antwoord waarschijnlijk acht: Zou ik u verlaten, nu gij in nood verkeerty h, die mij steeds ten steun zijl geweest? Zoudt gij hem hiertoe wel in staat hebbrn geacht ? Zou hij nog komen, nu het reeds xoo laat is!

§ 210. Gewoonlijk wordt het onderwerp bij een werkwoord in de gebiedende wijs niet uitgedrukt. Toch maakt eene tegenstelling soms de uitdrukking des onderwerps wenschelijk: Ik kom en meld u wat daarboven gebeurt, meld gij mij de dingen van Held\'s rijk. (St.)

§ 211. Soms heeft een infinitief, dikwijls een verleden deelwoord, de beteekenis van de gebiedende wijs: Naar bed gaan, kinders! De hoeken opzoeken, jongens.\' Opgestaan, of ik doe je naar beneden tuimelen! Op, de kannen klaar gemaakt en \'water gehaald! Het brood is gesneden en rondgebracht! Maar eerlijk verdeeld, hoor je! (Sch.)

§ 212. De gebiedende wijs is zeer nauw verwant met de aanvoegende. Vandaar dat een zin in de gebiedende wijs soms de beteekenis heeft van een voorwaardelijken bijzin, waarin de aantoonende wijs de aanvoegende vervangt: Maak u tot een lam en gij wordt ter slachtbank geleid. (Sch.) Geef hem een vinger en hij neemt spoedig de geheele hand. Vandaar ook dat soms een wensch, dat zelfs eene bede in de gebiedende wijs staat: Och toe-ik smeek het u, laat mij heengaan! Geef ons heden ons dagelijksch brood!

Omgekeerd kan de aanvoegende wijs de beteekenis hebben van de gebiedende. Dit is \'t geval, wanneer men zich zeiven en anderen ergens toe wil aansporen: Staken wij dit gesprek en geven wij ons niet als kinderen aan onze droefheid over! (Sch.)

§ 213. Wanneer men zich zeiven en anderen tot iets wil opwekken, bedient men zich veelal van de gebiedende wijs van \'t werkwoord laten y gevolgd door het voornaamwoord wij in den 4en naamval: Laat ons aan \'t teerk gaan! Laat ons eendrachtig opstaan tegen den meester! (Sch.)

Eigenlijk zijn deze volzinnen eene aansporing tot een aangesproken persoon om het plaatshebben der werking niet te verhinderen, doch zij worden gebruikt in dezelfde beteekenis, als: Leden wij aan \'t werk gaan, enz., waarin laten dient ter omschrijving van de aanvoegende wijs van \'t volgende werkwoord, waarom het dan ook zelf in de aanvoegende wijs staat. Duidelijk ziet men dit in een volzin als deze: Laten zij hem in den Theems smijten, ik zal waarlijk mijne handen niet nat maken, om hem tc redden (Sch.) waarin \'t werkwoord laten \'tzelfde uitdrukt als de aanvoegende wijs.

Zinnen als: Laat ik aan \'t werk gaan! Laat hij aan werk gaan! hebben steeds de beteekenis van volzinnen, waarin de aanvoegende wijs voorkomt. Daarentegen beteekenen: Laat mij aan H werk gaan! Laat hem aan \'t werk gaan! gewoonlijk: Veroorzaak of verhinder niet, dat, enz.

-ocr page 107-

93

vi. tijden.

§ 214. Door tijden verstaat men de vormen der werkwoorden, die •de betrekking aangeven, waarin de werking, naar de voorstelling des sprekers, staat tot den tijd.

Het aantal tijden der verschillende wijzen is verschillend. De aantoo-nende wijs heeft 8 tijden, de aanvoegende wijs 4, de gebiedende wijs 1 en de voorwaardelijke wijs 2 tijden.

§ 215. De tijden der aantoonende wijs drukken in hoofdzaak uit:

a. dat de werking door den spreker beschouwd wordt in verband met het tegenwoordige of het verledene;

b. dat de werking plaats heeft of had gelijktijdig met of toekomstig was ten opzichte van dat tegenwoordige of verledene.

c. dat de werking wordt voorgesteld als onvoltooid of als voltooid.

Zij zijn de volgende:

1. de onvoltooid tegenwoordige tijd, die de werking voorstelt als onvoltooid in het tegenwoordige: Ik schrijf een brief.

2. de voltooid tegenwoordige tijd, die de werking voorstelt als voltooid in het tegenwoordige: I/c heb mijne brieven geschreven en kan lt;h(s gaan tcandelen.

3. de onvoltooid verleden tijd, die de werking voorstelt als onvoltooid in het verledene: Ik schreef een brief, toen hij binnenkwam.

4. de voltooid verleden tijd, die de werking voorstelt als voltooid in het verledene: 11; had al mijne brieven geschreven, toen hij mij een bezoek kwam brengen.

5. de onvoltooid toekomende tijd, die de werking voorstelt als onvoltooid in een tijdstip, dat toekomstig is ten opzichte van het tegenwoordige : Ik zal van avond mijne brieven schrijven.

6. de voltooid toekomende tijd, die de werking voorstelt als voltooid in een tijdstip, dat toekomstig is ten opzichte van het tegen-woordige: Van avond om acht uur zal ik bij n aangekomen zijn.

7. de onvoltooid verleden toekomende tijd, die de werking voorstelt als onvoltooid in een tijdstip, dat toekomstig was ten opzichte van het verledene: Hij berichtte ons gisteren, dat hij van avond bij ons zou komen.

8. de voltooid verleden toekomende tijd, die de werking voorstelt als voltooid in een tijdstip, dat toekomstig was ten opzichte van \'t verledene: Hij berichtte mij gisteren, dat hij vóór van avond het werk zou afgemaakt hebben.

Opmerking 1. Er kunnen nog wel meer betrekkingen door de tijden der aantoonende wijs uitgedrukt worden. Zoo kan men bijv. ook eene werkins beschouwen in verband met de toekomst, bijv. Als de hui over is, zullen wij verder gaan; zoo kan de voltooid tegenwoordige tijd eene werking uitdrukken, die wel voltooid is, maar niet in betrekking tot het tegenwoordige wordt beschouwd, bijv. In 7\'gt;4 v. Chr. is Rome gesticht, enz.

-ocr page 108-

94

Wij hebben ons echter bepaald tot liet opgeven van die betrekkingen, waaraan de tijden hunne namen ontleenen.

Opmerking 2. Ten opzichte van de vier eerste benamingen, merke men op, dat wat gelijktijdig mot het tegenwoordige of verledene plaats heeft of had, eenvoudig tegenwoordig en verleden kan genoemd worden. Ten opzichte van de beide volgende, dat wat toekomstig is ten opzichte van het heden eenvoudig toekomend kan genoemd worden. Ten opzichte van de beide laatste, dat wat toekomstig was in het verledene thans niet juist toekomstig behoeft te wezen, vandaar dat men bij deze tijden beide begrippen verleden en toekomend behoort uit te drukken.

§ 216. Ten opzichte der tijden van de aantoonende wijs valt nog op te merken, dat in de plaats van den onvoltooid toekomenden tijd de onvoltooid tegenwoordige tijd kan gebruikt worden: Ik \'ja morgen op reis. Hij komt weldra over; dat in de plaats van den voltooid toekomenden tijd de voltooid tegenwoordige tijd kan worden gebezigd: Als hij morgen komt, ben ik reeds vertrokken. Als ik mijn werk afgemaakt heb, zal ik komen; dat in de plaats van den onvoltooid verleden toekomenden tijd de onvoltooid verleden tijd kan gezet worden: Hij zcidc, dat hij heenging, xoodra men dat beslwit nam; dat de voltooid verleden tijd in de plaats kan komen van den voltooid verleden toekomenden tijd: Hij zeide, dat hij zou komen, als hij zijn werk afgemaakt had.

Wanneer het intusschen uit de bijgaande zinnen of bepalingen niet duidelijk blijkt, dat men met toekomende tijden te doen heeft, kan deze vervanging aanleiding geven tot dubbelzinnigheid. Vergelijk; Als ik mijn werk afgemaakt heb, ga ik een uurtje wandelen. Hij zeide, dat hij kwam, als hij zijn werk afgemaakt had. Bedoelt men hier, dat het wandelen, het komen gewoonlijk gebeurt, dan heeft men met een voltooid tegenwoor-digen of verleden tijd te doen, heeft men \'t oog op een enkel feit, dan zijn het toekomende tijden.

§ 217. De aanvoegende wijs mist de vier toekomende tijden. De oorzaak daarvan is eenvoudig deze, dat elke tijd dezer wijs uit den aard der zaak iets toekomstigs te kennen geeft. Immers zoodra men eene gedachte voorstelt als mogelijk, geeft men van zelf te kennen, dat zij nog geene werkelijkheid is of geweest is.

De tijden der aanvoegende wijs zijn derhalve:

1. de onvoltooid tegenwoordige tijd, die de werking voorstelt als onvoltooid in het tegenwoordige: Ik hoop, dat hij kome.

2. de voltooid tegenwoordige tijd, die de werking voorstelt als voltooid in \'t tegenwoordige: Ik hoop, dat hij zijne dwaling ingezien hebbr.

3. de onvoltooid verleden t ij d, die de werking voorstelt als onvoltooid met betrekking tot het verledene: Ik hoopte, dat hij kwame.

4. de voltooid verleden tijd, die de werking voorstelt als voltooid met betrekking tot \'t verledene: Ik hoopte, dat hij zijne dwaling ingezien hadde.

§ 218. Uit hetgeen wij omtrent de beteekenis der tijden van de aanvoegende wijs hebben gezegd en hetgeen is opgemerkt aangaande de

-ocr page 109-

95

vervanging van de aanvoegende door de aantoonende wijs, volgt, dat de onvoltooid tegenwoordige tijd kan vervangen worden door den onvoltooid tegenwoordigen tijd of den onvoltooid toekomenden tijd der aantoonende wijs: Ik hoop, dat hij komt, of dat hij zal komen; dat de onvoltooid verleden tijd kan worden vervangen door den onvoltooid verleden tijd of den onvoltooid verleden toekomenden tijd der aantoonende wijs: Ik hoopte, dat hij kwam, of dat hij zou komen; dat de voltooid tegenwoordige en verleden tijden kunnen vervangen worden door de overeenkomstige tijden der aantoonende wijs of door den voltooid toekomenden of voltooid verleden toekomenden tijd dierzelfde wijs: Ik hoop, dat hij zijne dwaling heeft ingezien, of zal ingezien hebben. Ik hoopte, dat hij zijne dwaling had ingezien, of zou ingezien hebben.

§ 219. Daar de voorwaardelijke wijs gebruikt wordt, wanneer de gedachten stellig of waarschijnlijk met de werkelijkheid in strijd zijn, bezigde men daarin oorspronkelijk alleen die tijdvormen, welke in de aanvoegende wijs verleden tijden heeten. Het verledene toch is geene werkelijkheid meer en zal ook geene werkelijkheid worden. Men merke echter wel op, dat men bij deze vormen volstrekt niet aan het verledene denkt; zij dienen alleen, om de werking voor te stellen als onvoltooid of voltooid. De voorwaardelijke wijs heeft dus slechts twee zoogenaamde tijden, den onvoltooiden en den voltooiden tijd, bijv.: hij ware, hij ware geweest: Ware hij tevreden, hij ware niet zoo ongelukkig. U\'are hij tevreden geweest, hij ware niet zoo ongelukkig geweest.

De bovenstaande vormen worden, evenals wij dit bij de aanvoegende wijs hebben gezien, dikwijls vervangen door die der aantoonende wijs: Kwam hij hier, ik gaf het hem. Was hij hier gekomen, ik had het hem gegeven.

Bovendien kan men, evenals bij de aanvoegende wijs, den zoogenaamden onvoltooiden tijd den vorm geven van den onvoltooid verleden toekomenden tijd en den voltooiden tijd dien van den voltooid verleden toekomenden tijd: Kwam hij hier, ik zou het hem geven. Was hij hier gekomen, ik zou het hem gegeven hebben. Hier verdient opmerking: a. dat deze vervanging alleen kan plaats hebben in hoofdzinnen en niet in de daarbij behoorende bijzinnen; b. dat in de enkelvoudige zinnen met de voorwaardelijke wijs steeds de door het hulpwerkwoord zullen omschreven vorm voorkomt, ten einde deze wijs te onderscheiden van de verleden tijden der aantoonende wijs. (Verg. § 209.)

§ 220. Wanneer men gebiedt of verzoekt, dat eene werking plaats hebbe, is zij natuurlijk onvoltooid, terwijl ze wordt voorgesteld als in \'t tegenwoordige gebeurende. De gebiedende wijs heeft dus één tijdvorm, den onvoltooid tegenwoordigen tijd: Werk! Werkt.\'

§ 221. De tijden, welke door een buigingsvorm der werkwoorden worden uitgedrukt, heeten enkelvoudige; die, welke met behulp van andere werkwoorden worden gevormd, samengestelde. Om de voltooide tijden uit te drukken, bedient men zich van de hulpwerkwoorden hebben of zijn; tot vorming der toekomende tijden dient zullen.

-ocr page 110-

90

§ 222. De overgankelijke werkwoorden in den bedrijvenden vorm worden steeds met hebben vervoegd.

Enkele werkwoorden, die vroeger overgankelijk waren, doch tegenwoordig soms of altijd als overgankelijke moeten worden beschouwd, worden ook nog wel met zijn vervoegd. Zij zijn: vergeten, beginnen, volgen, navolgen, opvolgen, ontmoeten, naderen. Hierbij merke men op:

dat vergeten hebben beteekent „niet meer denken aanquot;, „verzuimd hebben te doen of mede te brengenquot;; vergeten zijn: „uit het geheugen verloren hebbenquot;: Hij heeft zijn plicht, zijn boek vergeten. Houd mij ten goede, dat ik in de drukte des gespreks vergeten heb, u iets Te presenteeren. (F.) Ik hen cd die namen weer vergeten. In ongeveer denzelfden zin als vergeten zijn gebruikt men ook verleerd zijrr, afgeleerd zijn: Daar er in de laatste jaren bijna geen ijs is geweest, ben ik het schaatsenrijden geheel verleerd, afgeleerd. Men vergelijke hiermede: Ik heb die leelijke gewoonte afgeleerd. Men heeft mij die gewoonte afgeleerd.

dat beginnen, met zijn vervoegd, zoowel overgankelijk als onovergankelijk kan zijn: Hij had geantwoord, dat hij dien morgen te vijf uur de wandeling begonnen was. (Sch.) Hij is aan zijn werk begonnen. Hij is begonnen (beginnen) te werken. Met hebben vervoegd, is het steeds ■overgankelijk: Ik heb dat werk begonnen.

dat volgen en navolgen alleen in figuurlijken zin, d. i. als „nadoenquot; met hebben worden vervoegd: Wij hebben zijn voorbeeld gevolgd, nagevolgd. Wij zijn hem tot aan de poort gevolgd, nagevolgd.

dat opvolgen in den figuurlijken zin van „nakomenquot; met hebben, in dien van „volgen op iemand in zekere waardigheidquot; zoowel met hebben als met zijn wordt vervoegd: Hebt gij dat bevel opgevolgd? Koning Willem III is (heeft) in 184!) zijn vader opgevolgd.

dat ontmoeten nog eene enkele maal met zijn, doch meestal met hebben wordt vervoegd: En ben je geen krijgsvolk ontmoet? (Sch.) Ik heb hem daar dikwijls ontmoet.

dat naderen altijd met zijn wordt vervoegd: De vijand was ons leger langs een omweg genaderd.

§ 223. De overgankelijke werkwoorden in den lijdenden vorm worden vervoegd met de hulpwerkwoorden worden en zijn: Ik word, werd geslagen; zal, zou geslagen worden. Ik ben, was bedrogen-, ik zal, zou bedrogen zijn. Gelijk men ziet, wordt worden bepaaldelijk in de ■onvoltooide tijden, zijn in de voltooide tijden gebruikt. Toch leest men ook: Ik ben, was bedrogen geworden, maar nooit meer: Ik zal bedrogen geworden zijn. (Vgl. § 157.)

Opmerking. Wanneer de lijdende vorm gemaakt wordt door middel van het hulpwerkwoord zijn, is deze geheel gelijk aan dien der onovergankelijke werkwoorden, welke rnet zijn worden vervoegd. Men dient dus deze twee soorten van werkwoorden altijd behoorlijk van elkander te onderscheiden. Vgl.: hij is vertrokken en hij is gezonden; hij was gevallen en hij rvas heleedigd.

-ocr page 111-

97

§ 224. Do onovergankelijke werkwoorden worden gedeeltelijk met liebben, gedeeltelijk met zijn vervoegd. In \'t algemeen wordt dit laatste \'hulpwerkwoord gebruikt,Avanneer ten gevolge der werking het onderwerp in een anderen toestand is geraakt. In alle andere gevallen bedient men zich van hebben.

Hieruit volgt, dat het hulpwerkwoord hebben wordt gebezigd bij alle •onovergankelijke werkwoorden, die öf een doen, of het verkeeren in zekeren toestand beteekenen, als; schreien, lachen, droomen, juichen, schreeuwen, oorlogen, grazen, visschen, hengelen, handelen, razen, liggtn, -zitten, staan, slapen, rusten, sukkelen, hangen, koken.

Met zijn worden dus vervoegd alle onovergankelijke werkwoorden, die een overgang van den eenen toestand in den anderen beteekenen, als: vallen, wegloopen, verdwijnen, ontvluchten, worden, groeien, wassen, inslapen, insluimeren, stenen, sneuvelen, ontwaken, ontdooien, ■ontbranden.

Met zijn of met hebben worden verschillende werkwoorden vervoegd, •die een gaan aanduiden; en wel met hebben, wanneer de werking vermeld wordt om de werking; met zijn, wanneer de werking vermeld wordt om den toestand, waarin het onderwerp door de werking is gekomen: Wij hebben den ganschen morgen geloopen, gewandeld, gevaren, gereden, enz. IVij zijn naar Haarlem geloopen, gewandeld, gevaren, gereden, enz. Wij hebben deels gereden, deels geloopen.

Opmerking verdient, dat de werkwoorden gaan en komen steeds met zijn worden vervoegd en dat de werkwoorden zijn en blijven, die een verkeeren in een toestand uitdrukken, toch ook steeds met zijn worden vervoegd.

Opmerking. In volzinnen als: Hij was in een leunstoel gezeten. Haarlem is ten Westen van Amsterdam r/elegen. Ik ben besloten, dit te doen. Wij zijn afgesproken, er heen te gaan, wordt het hulpwerkwoord zijn gebezigd, omdat de werkwoorden daarin oorspronkelijk beteekenden: gaan zitten, gaan liggen, tot een besluit komen, tot eene afspraak komen en dus opgevat werden als het komen in een zekeren toestand. Vat men de beide eerste op als een verkeeren in zekeren toestand, de beide laatste als eendoen, dan worden ze met hebben vervoegd; Ik heb gelegen, gezeten, besloten, afgesproken.

§ 225. De wederkeerende en onpersoonlijke werkwoorden worden steeds met hebben vervoegd; de koppelwerkwoorden met •dezelfde hulpwerkwoorden, welke zij als onovergankelijke of overgankelijke werkwoorden bij zich krijgen.

VII EX VIII. PERSOON EN GETAL.

§ 226. Door personen verstaat men de vormen des werkwoords, welke de verhouding uitdrukken tusschen den spreker en het onderwerp ■der werking. Deze verhouding is drieërlei; de drie overeenkomstige vormen

t. terwey, Ned. Spraakk. Me druk. 7

-ocr page 112-

98

des quot;werkwoords heeten; eerste, tweede en derde persoon; bijv.: heh, heht, heeft.

De werking gaat of van ééne, öf van meer zelfstandigheden uit; het onderwerp is dus enkel- of meervoudig. Dit verschil in getal bij het onderwerp der werking wordt mede door de buigingsvormen des werkwoords uitgedrukt en deze vormen dragen dan ook den naam van getallen. Men heeft dus te onderscheiden: den eersten, tweeden en derden persoon des enkelvouds en des meervouds.

§ 227. Een werkwoord staat in den eersten persoon enkelvoud,, wanneer de spreker het onderwerp der werking is: Ik loop.

in den tweeden persoon enkelvoud, wanneer de aangesprokene-het onderwerp is: Gij loopt.

in den derden persoon enkelvoud, wanneer noch de spreker, noch de aangesprokene, maar eene derde zelfstandigheid het onderwerp, is: De man loopt.

in den eersten persoon meervoud, wanneer behalve de sprekerr nog ééne of meer zelfstandigheden het onderwerp uitmaken: Wij loopen.

in den tweeden persoon meervoud, wanneer meer dan één aangesprokene het onderwerp is: Gij loopt.

in den derden persoon meervoud, wanneer eenige zelfstandigheden , Avaaronder noch de spreker, noch de aangesprokene, het onderwerp, uitmaken: De kinderen hopen.

§ 228. Alle wijzen, met uitzondering van de gebiedende, hebben de drie personen enkelvoud en meervoud. De gebiedende wijs heeft uit den aard der zaak slechts den 2en persoon enkel- en meervoud.

IX. DE DEELWOORDEN EX DE INFINITIEF.

§ 229. Er zijn twee vormen der werkwoorden, welke men nu eensals werkwoord, dan weer als bijvoeglijk naamwoord ziet optreden-Zij dragen den naam van deelwoorden. Komen zij als bijvoeglijk naamwoord voor, dan stellen zij de werking voor als eene hoedanigheid: Dc kans schoon ziende, besloten zij te ontvluchten. De bloem ivas reeds half verwelkt en had eenige bladeren verloren. Spelende kinderen , verwelkte bloemen, verstelde kleeren.

De deelwoorden kunnen uitdrukken, dat de werking onvoltooid of voltooid is. In het eerste geval spreekt men van het tegenwoordig,, in het laatste van liet verleden deelwoord.

§ 230. AVorden de tegenwoordige deelwoorden van overgankelijke werkwoorden als bijvoeglijke naamwoorden gebruikt, dan hebben, zij eene bedrijvende beteekenis; de verleden deelwoorden hebben in dat geval eene lijdende beteekenis: ploeyende ossen, geploegde akkers.. quot;Wanneer een onovergankelijk werkwoord een doen of een verkeer en in een toestand beteek ent, dus, wanneer het met hebben wordt vervoegd, kan alleen het tegenwoordig deelwoord als bijvoeglijk.

-ocr page 113-

99

naamwoord voorkomen: blaffende honden, hengelende jongens, slapende kinderen; de verleden deelwoorden van zulke werkwoorden kxmnen alleen eene voltooide werking uitdrukken: De honden hebben geblaft, enz.

Geeft een onovergankelijk werkwoord daarentegen een overgaan van den eenen toestand in den anderen te kennen, dan kunnen beide deelwoorden als bijvoeglijk naamwoord voorkomen: een vallend blaadje, een gevallen blaadje.

§ 231. Van de deelwoorden, als bijvoeglijke naamwoorden gebruikt, onderscheide men de deelwoordelijke bijvoegl. naamw. (participiale adjectieven). Dit zijn adjectieven, die oorspronkelijk tegenwoordige of verleden deelwoorden zijn geweest, doch thans dienen om een blijvend kenmerk eener zelfstandigheid uit te drukken.

Die participiale adjectieven, welke oorspronkelijk tegenwoordige deelwoorden zijn geweest, geven te kennen a. dat men de werking altijd of dikwijls bij eene zelfstandigheid kan waarnemen: treffend, roerend „aandoenlijkquot;, oplettend, opvliegend, innemend, uitstekend, voorkomend, brekend in „brekende waarquot;, roerend in „roerende goederenquot;, d. i. goederen, die gemakkelijk roeren — zich bewegen; b. dat men de werking altijd of dikwijls waarneemt bij een persoon, die bij eene andere werking of een toestand is betrokken: loopend werk, een zittend leven, de vallende ziekte, eene ijlende koorts.

Die deelwoordelij ke adjectieven, welke oorspronkelijk verleden deelwoorden zijn geweest, geven te kennen a. dat eene zelfstandigheid de werking in overdrachtelijken zin heeft ondergaan: gezocht in „eene gezochte aardigheidquot;, uitgezocht, uitgelezen, afgemeten, afgezaagd, opgeruimd; b. dat eene zelfstandigheid de werking verricht heeft of dikwijls verricht: een bediende, een belezen man, een bevaren matroos, de bereden politie, bescheiden, eig. „steeds wel onderscheiden hebbendequot;, vandaar vroeger „verstandigquot; en thans „zich niet op den voorgrond stellendequot;, een gestudeerd man, een oudgediende; dronken, het oudere verl. deelwoord van drinken.

Bij de adjectieven der laatste soort sluiten zich aan verleden deelwoorden van werkwoorden, die voorheen wederkeerend waren of dit nog zijn. Zij beteekenen eene hoedanigheid of toestand, die \'t gevolg is van \'t verrichten der werking: (on)beraden, (on)bezonnen, bedacht, beducht, gebelgd, getroost, verblijd, versaagd, vervaard, verwaand, eigenl. „zich beraden, bezonnen, enz. hebbende.quot;

Opmerking. Ter veiklaring van het bovenstaande diene, dat de deelwoorden oorspronkelijk alleen uitdrukten, of de werking onvoltooid of voltooid was. Een verleden deelwoord kon dus even goed bedrijvend als lijdend opgevat worden.

§ 232. Die vorm der werkwoorden, welke de werking voorstelt als eene zelfstandigheid, draagt den naam van infinitief. Hij wordt ook wel, schoon ten onrechte, onbepaalde wijs geheeten. Immers hij geeft geenerlei betrekking te kennen, waarin eene uitgedrukte gedachte staat tot de werkelijkheid: Werken is een zegen. Dal noem ik eerst zingen. Ik hoop te komen.

-ocr page 114-

100

§ 233. Ofschoon de infinitief, volgens het bovenstaande, zich in karakter zeer nauwkeurig aansluit bij het zelfstandig naamwoord, blijft hij toch in zijne betrekking tot andere woorden steeds den aard des werkwoords behouden. Vandaar dat hij vergezeld kan gaan van voorwerpen of bijwoordelijke bepalingen: Vader te verliezen was harder slag. (P.) Al te hard loopen is niet goed. Wij hoorden hem meermalen dit

fraaie lied zingen.

Wordt daarentegen de infinitief tot een werkelijk substantief, dan kunnen er geene bepalingen bijkomen, dan die ook zelfstandige naamwoorden vergezellen: Vaders sterven. Dat snelle loopen. Het zingen dier fraaie liederen.

De infinitief van overgankelijke werkwoorden kan zoowel in lijdenden, als in bedrij venden zin worden opgevat. Zoo beteekent: Ik laat hem roepen nu eens: Ik laai hem roepende zijn en dan weder: Ik laat hem geroepen worden. Zoo wordt dood en als lijdend opgevat in: TI ij zagen hem dooden en als bedrijvend in: Wij zagen hem onzen ergsten vijand dooden.

§ 234. De onderscheiding der personen en getallen vervalt natuurlijk bij den infinitief, daar zij alleen te pas kan komen, wanneer de werking wordt voorgesteld in hare betrekking tot het onderwerp. Wel spreekt men bij den infinitief van tijden: zij dragen den naam van onvoltooid tegenwoordigen, voltooid tegenwoordigen, onvoltooid toekomenden en voltooid toekomenden tijd: Wandelen, gewandeld hebben, (te) zullen wandelen, (te) zullen gewandeld hébhen. Iets te ontvangen is aangenamer, dan iets ontvangen te hebben en dikwijls ook beier, dan iets te zullen ontvangen. Hij belooft, het werk vóór Zaterdag te zullen afgemaakt hebben.

§ 235. Zeer dikwijls wordt in de tegenwoordige taal de infinitief voorafgegaan door het voorzetsel te, bijv.: Ik zit te werken. (Verg. § 166).

Dit voorzetsel kan bovendien nog door eenige andere voorzetsels worden voorafgegaan, namelijk door: om, door, zonder, alvorens, va, in plaats van, met: Wij eten om te leven, doch leven niet om te eten. Door zoo te handelen hebt gij mijn vertrouwen verbeurd. Hij deed wel, zonder om te zien. Hij handelt gewoonlijk, alvorens rijpelijk te hebben nagedacht. Na dit te hebben gezegd, stond hij op. In plaats van mij te helpen, heeft hij mij tegengewerkt. Hij ivas begonnen, met haar in de rede te vallen.

Men merke wel op, dat in deze gevallen de infinitief met te te zamen als een eenvoudige infinitief moet beschouwd worden. Het voorzetsel te wordt door ons taaleigen gevorderd, doch doet geenerlei dienst.

§ 236. Wanneer een infinitief door een ander voorzetsel dan een dei-bovengenoemde zou moeten worden voorafgegaan, gebruikt men in plaats daarvan te gewoonlijk door om versterkt: Het verlangen, om (naar) door haar spel te schitteren. (P.) Help mij om [in) mijne zuster naar hare kamer te brengen. (P.) In Frankrijk geweest te zijn, was eene reden om (tot) met kennelijke onderscheiding te worden behandeld. (B.) De meermin

-ocr page 115-

101

streeft te vergeefs, om (naar) den leelijken staart te verbergen. (L.) Er is waarlijk geenc mogelijkheid, om (lot) een afzonderlijk gesprek te voeren. (Gr.) Je hebt weinig kans, om (op) het Schotsche roovernclt;t terug te zien. (Sell.)

§ 237. Zooals uit bovenstaande voorbeelden blijkt, bezigt men meermalen de voorzetsels om te, waar tc reeds voldoende zou wezen. Men ziet dit zelfs daar, waar te eigenlijk reeds overtollig moest zijn, namelijk, wanneer de infinitief voorkomt als onderwerp of lijdend voorwerp: Ik geloof, dat hef haar moeite genoeg kostte, om dat gedeelte van hare rol naar eisch te vervullen. (Sch.) Hierin is het slechts weinig mannen gegeven, om uit te munten. (L.) Ik noem het onverantwoordelijk, om xoo met het goed van anderen om te springen.

Daarentegen is men gewoon, om te gebruiken:

a. in beknopte doelaanwijzende bijzinnen: Ik heb dat gedaan, om u genoegen te geven.

b. in beknopte gevolgaanduidende zinnen, wanneer in den hoofdzin het bijwoord van graad te of genoeg voorkomt: Hij is te traag, om eene hand uit te steken. Hij had te weinig misdreven, om daarvoor zoo streng gestraft te worden. Gij hebt genoeg gewerkt, om u thans eenige rust te gunnen.

c. na adjectieven en substantieven, wier beteekenis medebrengt, dat de volgende infinitief eene werking uitdrukt, waartoe iemand of iets bestemd is, als: bestemd, geschikt, gereed, voldoende, enz., doel, plan, middel, toebereidsel, enz., bijv.: bestemd, om de vroolijkheid gaande te maken; gereed, om te vertrekken; voldoende, om iemand eene week werk te geven; met het doel, om te behagen; het plan, om uit te gaan; een middel, om vlekken uit te wisschen; toebereidselen, om tc vertrekken, enz.

(/. na adjectieven, die eene gunstige of ongunstige eigenschap beteekenen, wanneer de volgende infinitief eene werking uitdrukt, onder welke zich die eigenschap openbaart, als: aangenaam en onaangenaam, prettig en vervelend, lekker en walgelijk, goed en slecht, enz., bijv.: aangenaam, om te hooren; prettig, om tc doen; lekker, om te eten; goed, om tc snijden, enz.

e. na substantieven, die het begrip „begeertequot; inhouden, wanneer de volgende infinitief de strekking dier begeerte te kennen geeft, als: begeerte, lust, verlangen, wil, zucht, enz., bijv.: de begeerte, om te helpen; het verlangen, om heen te gaan; de wil, om vol te houden; de zucht, om te behagen, enz.

§ 238. Een infinitief kan zonder het voorzetsel tc worden gebruikt, wanneer hij als onderwerp vóór \'t gezegde is geplaatst: Werken is geenc straf. Leven schijnt reizen en conversatie reisgesprek. (B.) Meermalen vindt men echter ook in dit geval te gebruikt: Te vertrekken en hulp te vragen was gewaagd en onzeker. Hen aan te tasten ware dwaasheid geweest. (V. L.) Als \'t onderwerp op ;t gezegde volgt, is te noodzakelijk: Het is een groot genot voor kinderen in een schuitje te varen.

§ 239. Een infinitief wordt zonder :t voorzetsel te gebruikt, wanneer hij met een ander werkwoord is verbonden, indien het laatste werkwoord is:

-ocr page 116-

102

a. een der werkwoorden zullen, gaan, komen en blijven, die betrekkingen tusschen de werking en den tijd uitdrukken;

b. een der werkwoorden kunnen, mogen, moeten, zullen (= moeten), willen, durven, laten, die verschillende toestanden van het onderwerp ten opzichte van de werking uitdrukken;

c. een der werkwoorden doen, laten, leeren en helpen, die te kennen geven, dat het onderwerp invloed uitoefent op het plaatshebben der werking;

d. een der werkwoorden zien, hoor en, voelen en vinden, die aanduiden, dat het onderwerp het plaatshebben der werking waarneemt.

Hierbij merke men het volgende op; a. Komen wordt zoowel door een verleden deelwoord als door een infinitief gevolgd; Hij kwam aangesneld — Hij kwam aansnellen. Daar kwam een hoertje getogen van Heemstee naar de Glip (B.) Het wordt gevolgd door te in; Hij kwam te weten. Ik kom zooeven te hoor en. Loopen in den zin van „gaanquot; heeft steeds den infinitief zonder te na zich: Dat loop ik gauw aan vader vertellen. (V. L.) Per slot van rekening zijn zij allen loopen spelen. (V. L.) Wezen of zijn, onmiddellijk door een infinitief gevolgd, beteekent „zich bezighouden metquot;: Zij is wandelen. Zij wantrouwde alle mannen van den pleitzak, haren notaris uitgezonderd, wien zij raad was wezen wagen. (P.) Zijn te beteekent „verkeeren in een toestandquot;: Wij zijn vrienden te wachten.

b. Hebben wordt onmiddellijk gevolgd door pralen in de zegswijze; Gij hebt mooi praten = Gij kunt mooi praten. Hebben te beteekent moeten: Ik heb nog wat te doen.

c. Laten heeft zoowel de beteekenis van „doenquot; als „toelatenquot;; Hij laat een fraai huis zetten. Ik laat hem zijn gang gaan. Leeren in den zin van „onderwezen wordenquot; heeft mede den infinitief zonder te: Ik leer schaakspelen. In; iemand iets heeten liegen geeft heeten te kennen, dat het onderwerp aan het voorwerp den naam geeft, van de werking te verrichten.

d. De infinitief heeft na de werkwoorden zien, hooien, roeien en vinden de beteekenis van een tegenwoordig deelwoord. Vandaar dat men zoowel zegt; Ik vond hem schreiende, als: Ik vond hem op den grond liggen. Ook hebben en weten worden met een infinitief verbonden, die de beteekenis heeft van een tegenwoordig deelwoord: Hij had eene veer op den hoed zitten. Ik vond al gauw eene plaats om onder dak te komen bij een ouden landsman, dien ik er wonen wist. (V. L.)

§ 240. Wanneer een werkwoord, dat onmiddellijk door een infinitief wordt gevolgd, in een der voltooide tijden staat, gebruikt men in plaats van het verleden deelwoord van dit werkwoord den infinitief: Ik heb dit niet kunnen doen. Wij waren gaan werken. Ik heb hem zien vertrekken.

Sommige werkwoorden, die meestal in beteekenis overeenkomen met verschillende der in § 239 onder a—d genoemde, en in vroegeren tijd door den infinitief zonder te, doch thans door een infinitief met te worden gevolgd, worden 5f altijd, óf soms op dezelfde wijs behandeld.

-ocr page 117-

103

Zoo wordt stee cis de infinitief in plaats van het verleden deelwoord gebruikt bij de werkwoorden: vermoyen, iceten, beliooien en gelieven, die in beteekenis overeenkomen met: hunnen, moeten of willen alsmede bij plegen „gewoonlijk doenquot;: Ik heb hem met vermogen, iceten te overtuigen. Gij hadt uw plicht hehooren te vervullen. Hij heeft ons niet gelieven te •ontvangen. Ik heb daar dikwijls plegen te komen.

Zoo kan de infinitief in plaats van het verleden deelwoord worden gebruikt bij de werkwoorden: trachten, pogen, zoeken, begeeren, verlangen, verkiezen, vreezen, rncenen en denken, die in beteekenis overeenkomen met willen of niet willen en bij beginnen, dat overeenkomt met gaan: Ik heb hem trachten, pogen, zoeken te overreden — Ik heb getracht, gepoogd, gezocht hem te overreden. Hij heeft hem begeeren, verlangen te spreken = Hij heeft begeerd, verlangd hem te spreken. Hij heeft dit niet verkiezen te doen = Hij heeft niet verkozen dit te doen. Ik heb hem rreezen te beleedigen = Ik heb gevreesd hem te beleedigen. Ik had hem meenen, denken te helpen — Ik had gemeend, gedacht hem te helpen. Hij ■is beginnen, begonnen te rcerken.

Nog hebben de werkwoorden: staan, zitten, liggen en loopen in de ■onvoltooide tijden een infinitief met te, in de voltooide tijden een infinitief zonder te bij zich: vandaar dat in plaats van hun verleden deelwoord mede de infinitief gebruikt wordt: Hij staat, zit, ligt, loopt te droomen. Hij heeft staan, zitten, liggen, loopen droomen.

X. OVEREENSTEMMING IN BUIGINGSVORMEN.

§ 241. De betrekkingen, waarin de woorden in den volzin tot elkander staan, veroorzaken zekere overeenstemming in de buigingsvormen. Die betrekkingen zijn van drieërlei aard: a. die tusschen onderwerp en gezegde; b. die tusschen een naamwoord en de bepalingen, welke daarbij behooren; c. die tusschen de voornaamwoorden en de namen der zelfstandigheden, welke zij aanduiden.

§ 242. Het onderwerp en het werkwoord, dat het gezegde of een deel daarvan uitmaakt, stemmen met elkander overeen in persoon en getal: Wij loopen. De menschen loopen. Het was hem bekend, dat er een volk bestond, welks vlijt en ijver den wereldhandel hadden veroverd. (P.)

Ten opzichte van den persoon heeft ergeene overeenstemming plaats:

a. wanneer het antecedent van een betrekkelijk voornaamwoord een persoonlijk voornaamwoord is van den eersten of tweeden persoon, of ■wanneer het de naam is van den aangesproken persoon. In dit geval bestaat de overeenstemming tusschen het antecedent en het gezegde: Zij .zon zelfs mij, die haar meen te kennen, op den dwaalweg hebben gevoerd. (Scli.) Dit alles is goed voor u, die een engel zijt en een heilige. (B. T.) Gelukkige, die nooit de speelbal uwer phantasie zijt geweest. (P.)

b. wanneer het onderwerp een zelfstandig naamwoord of een der voornaamwoorden het, dit, dat is, terwijl het naamwoordelijk deel van

-ocr page 118-

104

\'t gezegde een voornaamwoord is van den eersten of tweeden persoon.

In dit geval stemt het werkwoord in persoon overeen met het naamwoordelijk deel van \'t gezegde: Wie klopl daar? Ik hen hei — Het is ik. Uw beschermer, dat hen ik. Al mijn egoisme xijt gij. (B. T.)

c. wanneer het onderwerp TJEd. of U is. Oorspronkelijk stond dan het werkwoord in den derden persoon. Tegenwoordig, nu de oorspronkelijke beteekenis van U vergeten is, vindt men echter zoowel den tweeden gt; als den derden gebruikt: Wat zal u gehruiken, een glas Maderawijn? (P.)

U hebt geene kinderen, meen ik. (B.) Ik had gehoopt, dat UEd. wat later zou hebhen gereciteerd. (B.) Dewijl UEd. echter getuige zijt geweest van de uitvoering van den mij gegeven last. (V. L.) Indien UEd. echter onderricht begeert, kan UEd. immers met den heer Baron spreken. (V. L.)

d. wanneer de deelen van een veelvoudig onderwerp van verschillenden persoon zijn, staat het werkwoord in den eersten persoon, zoo deze aanwezig is, of, bij gebreke daarvan, in den tweeden: Ik en mijn knecht zijn er geweest. Zijt gij en uwe vrienden reeds bij hen geweest ? Doek wanneer de aandacht op ieder deel des onderwerps in \'t bijzonder wordt gevestigd, heeft de overeenstemming plaats tusschen het werkwoord en het laatstgenoemde deel. Het werkwoord blijft dan ook in \'t enkelvoud:

Noch ik, noch mijn vriend heeft dit ooit vermoed. Of ik, of gij zijt de schuldige.

Ten opzichte van het getal heeft er geene overeenstemming plaats:

a. wanneer het onderwerp een zelfstandig naamwoord of een der voornaamwoorden het, dit, dat is en \'t gezegde een koppelwerkwoord bevat.

Dan heeft de overeenstemming plaats tusschen \'t naamwoordelijk deel van \'t gezegde en dit werkwoord: Dat zijn mijne ouders. Het schenen mijne vrienden. Al hei antwoord, dat zij kreeg, ivaren tranen van spijt. (P.)

b. wanneer het onderwerp een verzamelnaam is, gevolgd door eene-meervoudige bepaling. Dan staat het werkwoord in \'t enkel- of meervoud T naargelang men op de verzameling als geheel de aandacht vestigt, of de onderscheidene deelen daarvan op den voorgrond stelt: Een vendel hellebaardiers ging vooraan. (Sch.) Verbeeld u, dat gij er op aankomt, waar een getal personen zich vermaakt met springen. (Gr.) Vlug en bevallig gleden een aantal roeihooten in allerlei richting over het meer. (B.) Bovendien was men niet zonder hondgenooten, daar een tweetal knechten tot de broeders behoorden. (Sch.)

c. wanneer het onderwerp veelvoudig is, doch de deelen des onderwerps als eene eenheid worden opgevat of zinverwante woorden zijn-of ook, wanneer op ieder deel de aandacht wordt gevestigd. In die gevallen staat het werkwoord in \'t enkelvoud: Huis en hof teas verlaten.

Bed en bulster moest verkocht worden. Er werd een strijd en gisting geboren, die eene voorstelling geeft eener onbevredigde begeerte. (Gr.) Aan verdediging, dat begreep hij, viel niet te denken; slechts koelbloedigheid en stoutheid kon hem redden. (Sch.) Beter is \'t daarom: Kruit en lood is er genoeg dan: Kruit en lood zijn er genoeg. (Sch.)

-ocr page 119-

105

In H vellen van zijn oordeel belemmerde hem noch aanzien des persoons y noch de keuze eener geschikte yelegenhcid, noch inachtneming der vormen van den beschaafden omgang. (Gr.) Weigering noch uitvlucht baatte. (Sch.) Mijn broeder of ik zal komen. Zijn vader, zoowel als zijne moeder, was er tegen.

Daarentegen vindt men ook: Zijne onmetelijke ijsvelden zfjn hem dierbaar geworden, omdat er dwang noch willekeur zetelen. (P.) Noch de pejid\'ile, noch de gw\'ridon, noch de inktkoker, noch het mansportret konden den heer Mr. Hendrik Johannes Bruis de deur openen. (B.) Zoomin de bruin-oogige maagd als de vroolijke weduwe schenen hem belang in te boezemen. (PA Zoowel zij [zijne moeder) als Anna baden hem op de aandoenljkste wijze zijn gemoed tot bedaren te brengen. (P.)

g 243. Het onderwerp en \'t naamwoordelijk deel van \'t gezegde stemmen alleen dan in geslacht en getal overeen, wanneer de aard van \'t zelfstandig naamwoord, dat een deel van \'t gezegde uitmaaktr dit toelaat: Hij was mijn vriend. Zij was mijne vriendin. Die menschen zijn mijne vrienden niet. De ondervinding is de beste leermeesteres. Daarentegen: Wie is dat? Het is de heer N. Dit is zijn vader, zijne moeder. Dat zijn zijne ouders. Luiheid is des duivels oorkussen. De deugd behoort de grondslag te zijn van \'t geluk. Al het antwoord, dat zij kreeg, waren tranen van spijt. (P.)

Dat zoowel \'t naamwoordelijk deel van quot;t gezegde als het onderwerp in den eersten naamval staat, hebben wij reeds gezien. Hier behoort de opmerking, dat het eerste ook in den vierden naamval kan staan: Als ik u was, deed ik het niet. „Wees u zelfquot;, zei ik tot iemand. (De Gr.) Was zij daarbij (jeheel zich zelve? (Sch.) Zij zijn mijn en ik ben hen. (Sch.)

§ 244. De bijvoeglijke bepalingen stemmen met het substantiefr waarbij zij behooren, overeen in geslacht, getal en naamval, wanneer deze bepalingen bestaan uit een bijvoeglijk naamwoord of een bijvoeglijk voornaamwoord of telwoord. Denzelfden regel volgen de lidwoorden.

Eene uitzondering maken de bijvoeglijke naamwoorden, welke achter het zelfstandig naamwoord worden geplaatst; zij blijven onverbogen: God almachtig. Vaderlief. Staten-Generaal. Maerlants Spiegel HistoriaeL

Wordt daarentegen een bijvoeglijk naamwoord, van een lidwoord voorafgegaan, als bijnaam achter het zelfstandig naamwoord geplaatst, dan volgt men den regel: De tochten van Karei den Grooten; de roem van Willem den Goeden.

Wanneer de bijvoeglijke bepaling een bezittelijk voornaamwoord is, dat bij een zelfstandig naamwoord behoort, hetwelk in den tweeden naamval \'t bepaalde deel voorafgaat, dan wordt het onverbogen gelaten, zoo het bepalende zelfstandig naamwoord vrouwelijk is; Ik bezit niets, dat ik mijn eigen kan noemen, dan mijn moeders erfdeel. (V. L.) Zij wachtte op luiar gebiedsters u-oorden. (B.) Een kleed van dat gevlamd satijn kon wel uw dochters bruidstooi zijn. (T.) Zoo schrijft ook Starixg : Dat won zijn

-ocr page 120-

106

Ibrave bruidjes hart. Daarentegen: Ik moet mes vaders oordeel hierover •eens weten. (V. L.) Doch ook; Amelie zuchtte over haar broeders ongevoelig hart. (B.)

§ 245. Is de bijvoeglijke bepaling eene bijstelling of eene bepaling van gesteldheid, dan stemt zij met het naamwoord overeen in naamval, doch niet noodwendig in geslacht en getal: Haar eenig .kind, haar grootste schat, werd haar van het hart gescheurd. De rivier ■de Rijn was met ijs bedekt. De gebroeders Bicker. De heeren Zonheuvel. De provincie Gelderland. Dat meisje heeft als eenige dochter van rijke ■ouders een onbezorgd leven. De paus wordt door de Katholieken als het ■hoofd der Christenheid beschouwd. (Verg. verder Boek III, Hoofdstuk III.)

Wanneer de bijstelling bij een soortnaam een onmiddellijk zich •daarbij aansluitende eigennaam is en deze laatste in den tweeden naamval voor een ander substantief staat, blijft de soortnaam onver-quot;bogen: Koning Willems verjaardag. Gravin Margareta\'s oorlogen. Professor vTs lessen. Eene uitzondering maakt het woord heer: De uitbreiding van ■des Heeren Fan Hoels vermogen (B.) Staat daarentegen de tweede naamval achter een substantief, dan verbuigt men den soortnaam en niet den •eigennaam: De vruchtbaarheid der provincie Friesland.

§ 246. De voornaamwoorden stemmen in geslacht en getal •overeen met de namen der zelfstandigheden, die zij aanduiden.

Indien er echter verschil is tusschen het natuurlijk geslacht en het woordgeslacht, stemmen de persoonlijke, bezittelijke en aanwijzende voornaamwoorden overeen met het eerste, het betrekkelijk voornaamwoord daarentegen met het laatste: Jonge meisjes zien wij er niet: de gewoonte van den tijd hield haar verborgen in de kloosters, waar zij hare opvoeding kregen tot aan haar huwelijk. (B. T.) Ik beleef heel wat pleixier aan dat meisje. Ze is altijd met een of ander hoek in de iceer: ik verzeker u, dat zij haar Fransch nog beter verstaat dan ik. (B.) Wat zegt dat schepseltje ? — Zij zegt iets dat haar zeker hoog op \'t hart lirit. (B.) Daar heb je dat lieve jongetje, dat driemaal in de week den bink steekt. (B.) Het was een klein meisje van vijf jaar, dat zich aan mama\'s japon schreiende vastklemde. (B.) Daarentegen: Wij rijden samen met mijn dochtertje, die ik medenenn naar Tiel, om geen argwaan te wekken. (V. L.)

Wanneer een verkleinwoord, van een vrouwelijken eigennaam gevormd, het antecedent is, stemt het betrekkelijk voornaamwoord met het natuurlijk geslacht overeen: Weetje, wat primus is. Klaar? — Neen, tante, zei Klaartje, die het zeer wel wist. (B.) Om alles geregeld in zijn werk te doen gaan, zat aan het eene eind van de tafel het lieve Saartje, die de Sinterklaaskoeken uitdeelde. (B.) Alleen wanneer men van kinderen spreekt, bezigt men in dit geval \'t onzijdig geslacht: Het lieve Mietje, dat zoo vlijtig zit te breien, is pas zes jaar.

Wanneer het voornaamwoord een mannelijken persoon aanduidt, die door een vrouwelijk zelfstandig naamwoord genoemd is, richt het zich tegenwoordig gewoonlijk naar \'t natuurlijk geslacht: Zijne Majesteit heeft

-ocr page 121-

107

xijn vertrek nog eenige dagen uitgesteld. Toch leest men ook: f \'we Majesteit kan zich voor God verantwoord achten. Zij is bevrijd en ontheven van alle breidels en vrij om te doen, wat in hare macht staat. (Sch.) Mag ik uwe Hoogwaardigheid vragen, hoe zij het kuddeken gevonden heeft, dat aan hare zorgen is toevertrouwd? (V. L.)

Wanneer het antecedent van een betrekkelijk voornaamwoord het persoonlijk voornaamwoord het is en \'t gezegde bevat een zelfstandig naam-■vvoord, dan stemt het betrekkelijk voornaamwoord met dit zelfstandig naamwoord in geslacht en getal overeen en niet met het antecedent: Hei waren deze lieve kinderen, die Amelia in staat stelden, al de liefderijkheid van haar zacht gestemd gemoed te toonen. (B.) Het zijn sterke hemen, die de weelde hunnen dragen. Daarentegen: \'t Is geen kind, die Roeltjen in den donker vindt (P.), wijl men hier bij die niet denkt aan een kind, maar juist aan iemand, die geen kind is.

-ocr page 122-

VIERDE BOEK.

DE VERBUIGING DER WOORDEN.

§ 247. Bij de verbuiging der woorden heeft men te letten op den stam en den uitgang. Door een stam van een woord verstaat men \'t geen er overblijft, wanneer men \'t woord van zijne buigingsuitgangen heeft ontdaan.

I. HET ZELFSTANDIG NAAMWOORD.

Het enkelvoud.

§ 248. De zelfstandige naamwoorden hebben tweeërlei verbuiging: de sterke en de zwakke. Het kenmerk van de sterke verbuiging is eene s in den genitief enkelvoud of het ontbreken van een buigingsuitgang in dezen naamval; dat van de zwakke eene n of en in den zelfden naamval. Oorspronkelijk eindigde de stam der zwakke zelfstandige naamwoorden op eene n en kwam deze dus in alle naamvallen voor; daarachter voegde men dan de buigingsuitgangen. Al zeer vroeg begonnen echter de uitgangen af te slijten en kwam de n aan \'t einde der woorden te staan. Doch ook die n verdween in alle naamvallen des enkelvouds, behalve in den tweeden.

De verbuiging der zelfstandige naamwoorden is dus thans in \'t enkelvoud:

Sterke verbuiging. Mannelijk. Vrouwelijk. Onzijdig.

1. zoon dochter kind

2. zoons dochter kinds

3. zoon dochter kind

4. zoon dochter kind

Zwakke verbuiging.

Mannelijk. Vrouwelijk. Onzijdig.

mensch — hart(e)

menschen — harten

mensch — hart(e)

mensch — hart(e).


Van enkele vrouwelijke woorden komt een tweede naamval op s voor, wanneer deze voor een ander zelfstandig naamwoord staat; Moeders schoot y mijn zusters vriendin, weeldes zwijmeltochten (B.), vriendschapsdienst, regeeringshesluit. Deze vormen zijn intusschen eenvoudig door navolging van mannelijke en onzijdige genitieven op s ontstaan.

-ocr page 123-

109

§ 249. Tot de zwakke verbuiging behooren thans nog slechts enkele mannelijke en één onzijdig substantief. De mannelijke, die voorheen op eene e eindigden en nog soms met eene e aan \'t slot worden aangetroffen, zijn: mmsch, heer, graaf, prinx, profeet, hertog, vorst en soms knaap. Ook paus wordt tegenwoordig zwak verbogen. De mannelijke persoonsnamen op e, als: getuige, bode, bediende, dus ook de bijvoeglijke naamwoorden, die als mannelijke persoonsnamen worden gebruikt, als: rijke, arme, enz. behooren mede tot deze verbuiging. — Het eenige zwakke onzijdig substantief is hart(e).

Voorheen behoorden ook vele vrouwelijke substantieven tot de zwakke verbuiging. Sporen daarvan vinden mij nog in: St.-Geerten-minne, Geer-truidenberg, Oaxe-Lievc-Vrouwenkerk, Vrouwendag, goedertieren.

§ 250. De uitgang van den sterken tweeden naamval mannelijk en onzijdig enkelvoud was vroeger es; vandaar de gerekte klinker in de genitieven des daags (voor: dages), slaags (voor: slages) en zijns weegs (voor: wfges). Eindigde een mannelijk of onzijdig woord op een sisklank, dan liet men \'t voorheen gewoonlijk in den genitief onverbogen. Aan des huizes, des kruises, des vleesches en des geestes werd later de uitgang es gehecht. De overige substantieven, die op een sisklank eindigden, omschrijven den genitief: van den trans, van den pols. Zoo ook: van het gebergte, van het gebladerte.

§ 215. De sterke mannelijke en onzijdige datieven enkelvoud gingen voorheen uit op e. Vandaar nog: Gade welgevallig, onder eede, bij monde van, diensten den lande bewezen, vandaag (voor: dage), in gemoede, te velde, ten getale, ten behoeve, van goeden huize, van vorsteljken bloede, scheep gaan (voor: te schepe gaan), enz.

De zwakke vrouwelijke datief eindigde op n: vandaar nog tevreden, eig. tevrede-n, daar vrede dikwijls als een zwak V. substantief werd gebruikt, ofschoon het oorspronkelijk sterk M. was.

§ 252. De genitief der eigennamen van personen wordt gevormd door s, \'s of \'. Bij voornamen of zeer bekende geslachtsnamen bezigt men s: Willems boek. De Ruyters heldendaden; bij namen, die op een klinker eindigen of familienamen \'s: Maria\'s broeder, Mulder\'s dochter. Eindigt het zelfstandig naamwoord op een sisklank, dan bezigt men \': Apelles\'\' schilderstukken. Aardrijkskundige namen krijgen s, daar zij als bekende mogen aangemerkt worden, tenzij ze op een klinker eindigen; Neerlands onafhankelijkheid, Java\'s wondertuin. Eindigen ze op een sisklank, dan wordt de genitief omschreven: het Concilie van Constanz.

Het meervoud.

§ 253. 3Ien vormt het meervoud door aanhechting van eene n bij alle zelfstandige naamwoorden, die op eene toonlooze e eindigen: bode, boden; u-ijxe, wijzen. Doch vreemde namen krijgen ook s: tantes, modes; ook

-ocr page 124-

no

het Nederlandsche lentes. In de spreektaal lioort men ook vaak: groentes, lengtes, breedtes, enz.

§ 254. Men vormt het meervoud door aanhechting van s bij alle substantieven, die eindigen op:

a. el, em, en, er, aar, ier, aard, erd, je, ke, ken, kijn, lijn, age: cirkels, bezems, wagens, lexers, dienaars, kruideniers grijsaards, lomperds, boekjes, boekskes, kinderlcens, gaardekijns, maagdelijns, stellages.

b. een volkomen klinker: raas, vlaas, eegaas, duenna\'\'s, canape\'\'s, kadi\'s, duo\'s, paraplu\'s. Doch Nederlandsche of als zoodanig aangemerkte woorden op ee hebben en: zeeën, theeën, reeën. De woorden op ie krijgen s of n, wanneer de klemtoon niet op de ie valt: beziën, tralies, of traliën, provincies of provinciën; doch valt de klemtoon wel op de ie, dan krjgen zij steeds en: genieën, reliquieën, melodieën.

Men lette op het verschil in meervoudsvorming tusschen de Nederlandsche woorden raas, vlaas, eegaas en de vreemde: massa\'s, pacha\'s, enz.

c. or, ier en enr: bij de beide laatste alleen, als zij vreemde woorden en wel persoonsnamen zijn; zijn ze zaaknamen, dan eindigen ze op en; de woorden op or hebben mede en, bijv.: professors en professoren, curators en curatoren, portiers en viziers (persoonsnamen), portieren en vizieren (zaaknamen), essatjeurs, verificateurs doch humeuren.

Tocli vindt men ook de meervouden: officieren, directeuren, administrateuren.

d. Vreemde militaire titels hebben mede s: koiporaals, sergeants, adjudants; doch ook: adjudanten.

c. Nog hebben s sommige Nederlandsche woorden: maats (makkers), koks, ooms, zoons, smids, bruigoms, gemaals, vaandrigs, bunzings. Doch ook: zonen, smeden, gemalen.

§ 255. Yele woorden, die hun meervoud vormen door s, hebben daarnaast een meervoud op en. In \'t algemeen is de uitgang en deftiger dan s.

Vandaar: Aanziet de leliën des velds. (Stb.) Zijne woorden waren als gouden appelen in zilveren traliekorven. Het onschuldig slachtoffer van hunnen haat werd in ketenen geklonken. Het huis werd met bezemen gekeerd. (Stb.) Aanziet de vogelen des hemels. (Stb.) De dienaren der H. Inquisitie. De leeraren der Kerk. De opzieneren der Gemeente. De teekenen der tijden.

Soms is er onderscheid in beteekenis tusschen dezelfde woorden, naarmate zij s of en krijgen:

broeders en zusters (kinderen van broederen en zusteren (leden van de-

dezelfde ouders) zelfde gemeente)

hemels (van ledikanten) hemelen (uitspansel)

heidens (Zigeuners) heidenen (reelgodendienaars)

knechts (bedienden) knechten (bedienden, soldaten, slaven)

letters (klanken of teekens) letteren (brief, letterkunde)

mans (tegenover vrouwen) mannen (volwassen mannel. personen)

-ocr page 125-

Ill

middels (middellijven) middelen (\'t geen dient om een doell

te bereiken)

redens (verhoudingen) redenen (oorzaken, gronden)

studies (schetsen van een schilder) studiën (oefeningen in de wetenschappen)

stuks (exemplaren) stukken (deelen)

tafels (huisraad, lijsten) tafelen (waarop men wetten grift)

vaders (de echtgenooten der moeders) vaderen (voorvaderen)

wapens (blazoenen of weermiddelen) wapenen (weermiddelen)

icalers (soorten van water: ooyivniers, wateren (watermassa\'s: de Zeeuwsche reukwaters, doch ook: vaarwaters) wateren doch ook: minerale wateren)\' wortels (van planten) wortelen (penen of deelen van planten),

xoons en dochters (van dezelfde zonen en doehteren (van hetzelfde ouders) - land).

Dekens en dekenen behooren hier niet, daar \'teerste een Nederlandseh, woord, \'t laatste aan eene vreemde taal ontleend is.

§ 266. Voorheen vormden eenige onzijdige woorden hun meervoud door-er. Aan die woorden heeft men later nog den meervoudsuitgang s of en gehecht; vandaar thans meervouden op ers en eren. Zij komen voor bij, de woorden: been, blad, et, gemoed, gelid., goed, hoen, kalf, kind, kleed,, lam, lied, rad, rund, volk. Daarvan hebben: been, blad, ei, hoen, kalf, kind, lam, rund zoowel ers als eren. kalf en volk zoowel en als eren,, zonder onderscheid van beteekenis. Doch men maakt verschil tusschen: raden (wielen) en raderen (wielen of deelen van een werktuig), beeneiu (onderste ledematen) en beenderen (deelen van \'t geraamte), kleeden (vloer-kleeden) en kleederen (kleedingstukken), bladen (van boeken of planten), de bladeren (van planten). Toch zegt men ook: De honden kluiven de beenen. Ik heb liever \'i vleesch dan de beenen. Hoen en been lasschen vóórden meervoudsuitgang eene d in. Loover en spaander zijn oude meervouden, die als enkelvouden worden gebruikt en waarnaast weer: loovers en spaanders. Van loof is geen meervoud; van spaan komt zoowel spanew (roeispanen) als spaanders: Waar gehakt wordt, vallen spaanders.

De meervouden op er komen nog voor in samenstellingen: bladerkroon,. eiersaus, hoenderhok, enz.

§ 257. Wanneer van een zelfstandig naamwoord, dat in \'t meervoud er krijgt, een verkleinwoord wordt gevormd en dit in \'t meervoud staat, kan het achtervoegsel je, tje of ken ook achter het oude meervoud op-er komen: bladertjes naast blaadjes, eiertjes naast eitjes, lammertjes naast lammetjes, hoendertjes naast hoentjes, kindertjes naast kindjes, radertjes naast raadjes. Doch er is onderscheid tusschen kleedjes (dekkleedjes of japonnetjes) en kleertjes (kleedingstukken).

§ 258. Alle zelfstandige naamwoorden, die niet bovenbehandeld zijnr vormen hun meervoud door en. Lende en rede (redevoering) hebben lendenen, (lijk-, \\eev-)redenen van een vroeger enkelvoud: lenden en reden.. Vlooien en koeien lasschen eene i in. De meervoudsvormen kleinoodiëiu

-ocr page 126-

112

■en sieradiën naast de regelmatige meervouden kleinooden, sieraden, zijn van anderen oorsprong. Het eerste is eigenlijk het meervoud van een verlatijnscht clenodium, evenals gymnasiën van gymnasium; het laatste van een enkelvoud sierage, dat ook wel geschreven werd sieraadje, sieradië.

g 259. Samenstellingen met man, die een beroep heteekenen, hebben in \'t meervoud lieden of lui: voerlieden, kooplieden, \'werklui. Staatslieden is \'t meervoud van staatsman. Oranjeman, Noorman, blindeman en leenman hebben natuurlijk Koormannen, enz. Muzeluian is geene samenstelling met man; meervoud: Muzelmannen.

§ 200. Vreemde woorden op us en uni krijgen in plaats van dezen uitgang in \'t meervoud en; gymnasiën, geniën, meervoud van: gymnasium, genius. Soms ziet men ze op Latijnsehe wijze met i en a: critici, gymnasia, musea.

§ 261. De meeste sterke substantieven kregen voorheen in het meervoud «ene e; enkele onzijdige waren in \'t meervoud aan \'t enkelvoud gelijk. Zoo was \'t meerv. van voet: voete, van slag: slage, van been: been, van jaar: jaar. Ook man luidde in \'t meerv. man. Vandaar dat nog tegenwoordig de meerv. voel en slaag, — waarvan dus ook nog de e is afgesleten — voorkomen in de uitdrukkingen: onder de voet raken, slaag krijgen; vandaar ook de meerv. heen in: op de been brengen, jaar in: acht, twintig jaar, man in: honderd man, alle man. Het meervoud van \'t vrouwelijke ure, uur, dat oorspronkelijk uren luidde, wordt ook wel •afgekort tot uur: zes uur naast zes uren. Men schrijve dus nooit te zes ure.

§ 262. Verzamelnamen, die eene bepaalde hoeveelheid aanduiden, en namen van maten, gewichten en munten worden, in plaats van in \'t meervoud in \'t enkelvoud gebezigd, wanneer zij worden voorafgegaan door bepaalde hoofdtelwoorden en men de genoemde hoeveelheid ■als één geheel beschouwt: twee paar menschen, vier do \\ijn lepels, vijf gros pennen; achthonderd, zes duizend, millioen inwoners; vier riem, hoek, vel papier; zeven pond, ons, lood, vat, kan, last, mud, schepel, kop : acht el, palm, duim, streep; vijf gidden. Doch steeds: wichtjes, maatjes, rijksdaalders, stuivers, kwartjes en cents. Let men op de afzonderlijke deelen der hoeveelheid of worden bovengenoemde woorden van onbepaalde telwoorden voorafgegaan, dan is \'t meervoud noodzakelijk. In dat geval is \'t meervoud van cent: centen.

Men merke wel op, dat de hier behandelde woorden werkelijke enkel-vouden zijn, terwijl die van de vorige paragraaf in \'t meervoud staan.

§ 263. Samenkoppelingen van woorden, als titels gebruikt, hechten •den meervoudsuitgang öf aan \'t laatste deel, óf aan \'t eerste, of aan beide deelen: luitenant-generaals, sergeant-majoors, schout-bij-nachts of schouten-bij-nacht, gouverneurs-generaal, kapiteins-kwartiermeesters.

§ 264. De meervoudige zelfstandige naamwoorden vertoonen soms ook veranderingen in of aan den stam. De a des stams verandert in e in: stad, steden (eigenlijk het meervoud van stede, dat dezelfde beteekenis Jieeft als stad)-, de i verandert in e bij: schip, smid, lid, gelid, ooglid,

-ocr page 127-

113

waarin lid „deksel.quot; beteekent, rif, spit (bijv. braadspit). Rif behoudt in 1t meervoud de i in den zin van klip en geraamte., doch bekomt e in dien van plooi in \'t zeil: reven. Het enkelvoud van dit laatste woord is ook wel reef. Lidmaat (van een kerkgenootschap) heeft gewoonlijk: lidmaten; ledematen geldt ook voor \'t meervoud van lid. Spit heeft ook «pitten: In drie spitten had hij een gat gemaakt.

De woorden op -heid hebben -heden, in plaats van -heeden.

§ 2()5. De onvolkomen klinker wordt soms volkomen; dag, dagen. Blijft hij onvolkomen en wordt de slotmedeklinker onmiddellijk door eer ■onvolkomen klinker voorafgegaan, dan wordt de medeklinker verdubbeld: put, putten. Soms komt hierbij onderscheid in beteekenis in \'tspel: trek, meervoud trekken en treken (bij dichters in den zin van „valsche trekquot;, „listquot;), spel, meervoud spelen en spellen.

§ 26G. De slotmedeklinker des stams kan mede verandering ondergaan. Is hij namelijk eene f of s, die eene v of z vervangt (onechte f of s), •dan wordt hij in \'t meervoud weer v of z. Dit geschiedt;

a. wanneer hij wordt voorafgegaan door een volkomen klinker, door •een tweeklank, of door een onvolkomen klinker, die in \'t meervoud volkomen wordt; haas, bazen, huis, huizen, naaf, naven, duif, duiven, hof, hoven. Uitgezonderd zijn de vreemde woorden; pausen, sausen, kousen, kruisen, struisen, philosofen, telegrafen en de Nederlandsche; .spiesen en poesen. Vleeseh iieeft in \'t meervoud vleezen.

b. wanneer hij wordt voorafgegaan door eene 1, m, n of r (vloeiende medeklinkers); golven, halzen; korven, gorzen; ganzen, gemzen. Daarentegen behouden de volgende meest vreemde woorden f of s: triomfen, nimfen; polsen, walsen; kaarsen, kersen, persen; koersen, floersen, schorsen; marsen, balansen, dansen, glansen, kansen, kransen, lansen, schansen, transen, prinsen, slonsen en sponsen.

§ 2(57. Eigennamen vormen hun meervoud door \'s, s of en. Zij krijgen \'s, wanneer zij op een klinker eindigen; de Cicero\'s, Otto\'s, Thorhecke\'s; si, onder dezelfde omstandigheden, waaronder soortnamen s bekomen; de Vondels, De Ruyters, Van Rossums, Evertsens, Dekkers, Molenaars, enz. In alle andere gevallen krijgen ze en: de Trompen, De Witten, Egmonden, enz.

u. het bijvoeglijk naamwoohi).

§ 268. De bijvoeglijke naamwoorden worden op tweeërlei wijze verbogen, sterk of zwak, in diervoege dat hetzelfde adjectief beurtelings op de eene of andere wijze kan worden verbogen. Hierin verschillen dus de adjectieven van de substantieven, welke laatste of tot de eene of tot ■de andere verbuiging behooren.

Of een zelfstandig naamwoord tot de sterke of zwakke verbuiging behoort, hangt af van den vroegeren toestand des woordstams. Of een zelfde bijvoeglijk naamwoord sterk of zwak zal worden verbogen, hangt af van de woorden welke al of niet het adjectief voorafgaan.

t. terwey , Ned. Spraakk. tie druk. 8

-ocr page 128-

114

De deelwoorden, als bijvoeglijke naamw. gebruikt, worden geheel als de adjectieven verbogen.

§ 269. De sterke verbuiging der adjectieven was oorspronkelijk gelijk aan die der bijvoeglijke voornaamwoorden, doch wijkt er thans in een paar vormen van af. Men vergelijke slechts de verbuiging van mijn, § 284.

Enkelvoud.

Mannelijk. Vrouwelijk. Onzijdig. Meervoud.

1. goed goede goed goede

2. goeds goeder goeds goeder

3. goeden goeder goeden goeden

4. goed goede goed goede

§ 270. De bijvoeglijke naamwoorden worden in \'t algemeen sterk verbogen, wanneer zij door geen ander bepalend woord worden voorafgegaan, of wanneer er een woord met eene onbepaalde beteekenis voor staat, als: een, geen, eenig, menig, ieder, elk, zeker, ivelk, zulk, alle, veel, weinig, genoeg.

Deze verbuiging komt tegenwoordig echter nog slechts in weinige gevallen voor, namelijk:

De le en 4e nv. mannelijk enkelvoud wordt gebruikt bij persoonsnamen, voorafgegaan door \'t lidwoord een of de woorden geen, eenig7 menig, ieder, elk, zeker, welk, wanneer de hoedanigheid den persoon kenmerkt in zijne waardigheid, zijn beroep of zijne betrekking. Bezit de persoon de hoedanigheid als persoon, dan bedient men zich van den zwakken vorm: Hij was een goed vorst. Ik heb een oud vriend. Dit is een bekwaam timmerman, een vlug schrijver. Daarentegen: een goede vorst, een groote man, enz.

De 2e nv. mannelijk enkelvoud in de uitdrukkingen: blootsvoets, goedsmoeds, anderszins, geenszins, veelszins.

De 3e nv. mannelijk enkelvoud: in arren (toornigen) moede, met voorbedachten rade.

De 2e nv. vrouwelijk enkelvoud: ouder gewoonte, gewapenderhand., langzamerhand, geleider lage, onverrichter zake, goedertieren (van goeder, aard), middelerwijl, ouderwetsch, nieuwerwetsch (wet = zede), zaliger gedachtenis.

De 3e nv. vrouwelijk enkelvoud: te kwader ure, te goeder trouw, van goeder hand, van ganscher harte, met luider stemme, op heeter daad, te gezetter tijd, te bekwamer tijd.

De le en 4e nv. onzijdig enkelvoud worden nog steeds gebruikt, wanneer \'t zelfstandig naamwoord geen ander bepalend woord voor zich heeft, of wanneer er een woord met eene onbepaalde beteekenis vóór \'t adjectief staat: oud hout, een lief kind, ieder nieuw huis, enz.

Soms bezigt men zelfs deze sterke verbuiging in plaats van de zwakke.

-ocr page 129-

115

namelijk, wanneer het adjectief wordt voorafgegaan door het lidwoord het of een bezittelijk of aanwijzend voornaamwoord en men de hoedanigheid noemt om de hoedanigheid. Men gebruikt de zwakke vormen, wanneer men de hoedanigheid noemt als een middel tot onderscheiding eener zelfstandigheid van anuere, welke die hoedanigheid niet bezitten. Zoo zegt men; mijn oud huis van een huis, dat werkelijk oud is, mijn oude huis van \'thuis, dat men vroeger bewoonde, dus ter onderscheiding van het tegenwoordige. Zoo valt in den zin: Helt gij uw ziek paard verkocht? de nadruk op ziek, terwijl in: Hebt gij uw zieke paard verkocht? de onderstelling voor de hand ligt, dat de eigenaar ook gezonde paarden heeft. Zoo zal men van Bilderdijk zeggen: Het is een genot, zijn sierlijk schrift te lezen, terwijl men aan iemand, die meer nichtjes heeft, zal vragen: Leeft uw blinde nichtje nog? Vergelijk nog: het, dit, dat voortreffelijk boek, met: Aan dit lijvige boek heb ik tweemaal zooveel tijd besteed, als aan de beide andere.

Opmerking. Meu merke echter op, dat niet altijd, in het bovenbedoelde geval, de sterke vormen in gebruik zijn. Ken bezittelijk voornaamwoord laat het gebruik der sterke vormen eerder toe, dan een aanwijzend voornaamwoord of het lidwoord van bepaaldheid; een meerlettergrepig adjectief, waarvan de laatste lettergreep niet den sterken klemtoon heeft, eerder dan een eenlettergrepig. Zoo zal men bijv. niet zeggen: dat fier paard, dit rijk huisraad, maar wel zijn rijk huisraad of dit prachtig huisraad, enz.

De 2e nv. onzijdig enkelvoud komt voor in: blootshoofds.

De 3® nv. onzijdig enkelvoud komt voorin: van koninklijken bloede, in koelen bloede, van voornamen huize, in goeden doen.

Van \'t meervoud komt alleen de tweede naamval voor in: allerwegen. Halverwegen is misschien de 2e nv. enkelv. van een vroeger halve wcge, V.

§ 271. De bijvoeglijke naamwoorden worden in \'t algemeen zwak verbogen, wanneer zij worden voorafgegaan door een bezittelijk of aanwijzend voornaamwoord (lidwoord van bepaaldheid), behoudens de uitzonderingen, in de vorige paragraaf vermeld.

De zwakke verbuiging luidt als volgt:

Enkelvou d.

Mannelijk. Vrouwelijk. Onzijdig. Meervoud.

1. goede goede goede goede

2. goeden goede goeden goede

3. goeden goede goede(n) goeden ■4. goeden goede goede goede

De 3e nv. onzijdig enkelvoud is in de tegenwoordige taal goede: Hebt gij het goede dier haver gegeven? Vroeger was hij goeden; vandaar: ten vorigen jare, ten tweeden male.

8*

-ocr page 130-

116

Opmerking. Uit hetgeen wij in liet algemeen zeiden aangaande de gevallen, waarin een adjectief sterk of zwak verhogen wordt, zou volgen, dat de sterke vormen der adjectieven na ter (= te der) eene onregelmatigheid vormden: ter (joeder trouw, ter kwader ure, ter bekwamer tijd, ter linker tijde, enz. Inderdaad zijn deze vormen een gevolg van een oude verwarring in de verbuiging der adjectieven; sinds lang zijn ze intusschen door het taalgebruik gewettigd.

§ 272. Onverbogen blijven de bijvoeglijke naamwoorden;

a. -wanneer zij een deel van \'t gezegde uitmaken of achter \'t zelfstandig naamwoord staan; Het gras is groen. Vaderlief, God Almachtig, de Staten-Generaal. Zoo ook, wanneer zij door \'t lidwoord van \'t zelfstandig naamwoord zijn gescheiden: Zoo groot eene opoffering.

b. de van plaatsnamen afgeleide op er: de Haarlemmer beurtman, Haarlemmer halletjes. Dit waren oorspronkelijk zelfstandige naamwoorden.

c. de stoffelijke adjectieven, wanneer zij op en eindigen: de gouden hril. Dit geschiedt welluidendheidshalve.

d. redder en linker, die oorspronkelijk 3e nv. vr. enkelv. waren, afhangende van te in ter rechter, linker hand, zijde.

§ 273. Gewoonlijk laat men onverbogen;

a. de bijvoeglijke naamwoorden, die op en eindigen, vooral sterke verleden deelwoorden: zijne eigen woorden, gebroken armen en beenen.

b. de vergrootende trappen, vooral die van twee- en meerlettergrepige adjectieven: dapperder mannen, uitvoeriger berichten, grooter tuinen.

§ 274. De bijvoeglijke naamwoorden, die als zelfstandige naamwoorden worden gebruikt en mannelijke en vrouwelijke personen beteekenen, worden als zwakke substantieven verbogen; de wijze, de schoone. Zijn zij onzijdige begripsnamen, dan wordt de tweede naamval omschreven en ondergaat het woord geene verandering; het goede, van het goede.

Intusschen merke men op, dat sommige bijvoeglijke naamwoorden, die zonder e als substantieven voorkomen, de verbuiging des sterken substantief s hebben. Zoo de mannelijke; zot, dwaas, gek, vrek en de onzijdige; het ruim, diep, dik, droog, nat, vocht, zout, zuur, bruin, zwart, goed, kwaad, enz. De mannelijke vormen hun meervond door en; de onzijdige mede, zoo zij in \'t meervoud voorkomen, wat met de meeste niet het geval is.

Ook de bijvoeglijke naamwoorden, die na onbepaalde voornaamwoorden en telwoorden als zelfstandige naamwoorden voorkomen, krijgen s: iels, wat goeds, fraais; iemand vreemds, anders; veel moois, eenig kwaads, weinig bijzonders. Een paar dezer genitieven worden zelfs weder als onverbogen substantieven gebruikt, namelijk lekkers en nieuws: Het lekkers is op. Wat voor nieuws is er?

Nog zorge men, de als substantieven gebruikte adjectieven niet te verwarren met werkelijke adjectieven, waarachter \'t zelfstandig naamwoord is weggelaten; deze laatste worden natuurlijk geheel als bijvoeglijke naamwoorden behandeld; Rijke lieden, zoowel als arme, moeten

-ocr page 131-

117

derven. De oude huizen zijn veel sterker dan dc nieuice. De mouwtjes van den bruinen rok, dien hij droeg, waren nog korter dan die van zijn groenen. B.

TRAPPEN VAN HOEDANIGHEID.

§ 275. De vergrootende trap wordt gevormd, door den uitgang er achter den stellenden te plaatsen: grooter, kleiner. De bijvoeglijke naamwoorden, die op r eindigen, lassclien eenedin: duurder, zwaarder.

De overtreffende trap wordt gevormd, door st achter den stellenden te plaatsen: grootst, kleinst. Gaat het adjectief op een sisklank uit, dan laat men, ook in de verbogen vormen, de s weg: wijst, de wijste koning, frischt, het frischte gras. Eindigt de stamvorm op e, dan verdwijnt deze in den vergrootenden en overtreffenden trap: blijde, blijder, hlijdsl. Doch van hloode, iiiocdc en spade maakt men geen vergrootenden of overtreffenden trap. Jlocht de overtreffende trap een wanklank veroorzaken, dan omschrijft men dien: meest gerust, meest juist, meest gepast, enz.

§ 27G. Soms worden de trappen van hoedanigheid van verschillende stammen gemaakt:

goed, beter, best (eigenlijk betst) van bat „goedquot;, nog over in: bate „voordeel, goedquot;, baten „voordeelig, goed zijn.quot; liet in: betweter, betovergrootvader is een oude bijwoordelijke vergrootende trap, met de betee-kenis van beter of meer.

Slecht of kwaad, erger, ergst van den stam erg of arg „slechtquot;, nog over in: ergdenkend, argwaan, argeloos, zich ergeren, iets zonder erg „kwade bedoelingquot; doen: Hoe gaat het hem? Slecht, en ik vrees, dat het nog erger zal worden. Men moet niet dadelijk liet ergste vreezen. Doch ook erg is de stellende trap van erger, ergst: \'t Is nu reeds vrij erg, doch het ergste moet nog komen. Kwaad is de stellende trap van erger in: Van kwaad tot erger vervallen. In kwaad, kwader, kwaadst beteekent kwaad: toornig of ondeugend, slecht: Hoe meer men hem plaagde, des te kwader werd hij. Kwader jongen heb ik van mijn leven niet gezien.

Schoon zij eigenlijk tot de tel- en bijwoorden behooren, noemen wij hier ook:

veel, meer, meest, van een stam mee „groot, veel.quot; Van meer maakt men ook don vergrootenden trap meerder: Bij meerder zorg ware \'t beter gegaan.

Weinig, minder, minst van den stam min „klein, weinigquot;, nog over in: evenmin; Dit is een min kereltje, en met de beteekenis van minder in: min of meer, niettemin. Zes min drie is drie. Dat was min beleefd dan oprecht.

Gaarne, liever, {het) liefst van den stam lief.

Dikwijls, meermalen, (het) meest of vaker en {hei) vaakst.

-ocr page 132-

118

III. HET VOORNAAMWOORD.

a. Het persoonlijk voornaamwoord.

§ 277. De persoonlijke voornaamwoorden van den lsten en 2den persoon kennen geene geslachtsonderscheiding. Deze zou overbodig zijn, daar zoowel de le als de 2e persoon, de spreker en de aangesprokene, bij liet spreken tegenwoordig zijn. De derde persoon daarentegen wordt steeds als afwezig aangemerkt; vandaar de onderscheiding van mannelijk, vrouwelijk en onzijdig.

§ 278. Het voornaamwoord van den eersten persoon wordt verbogen als volgt:

Enkelvoud. Meervoud.

1. ik wij (we)

2. mijns, mijner ons, onzer

3. mij (me) ons

4. mij (me) ons

§ 279. Het voornaamwoord van den tweeden persoon enkelvoud is in onbruik geraakt en vervangen door \'t meervoud. De verbuiging was en is:

Enkelvoud. Meervoud.

1. du gij

2. dijns, dijner uws, uwer

3. dij (di) u

4. dij (di) u

Het in de spreektaal gebruikelijke jij of je is in den 3en en 4ea naamval: jou a je; \'t meervoud is in den lequot;, 3en en 4en naamval: jelui, jullie; jelui, jullie; jelui, jullie.

§ 280. Het voornaamwoord van den derden persoon wordt verbogen:

Mannelijk.

Enkelvoud. Meervoud.

1. hij (i) zij (ze)

2. zijns, zijner huns, hunner

3. hem (em) hun (ze)

4. hem (em) hen (ze)

Vrouwelijk.

Enkelvoud. Meervoud.

1. zij (ze) zij (ze)

2. haars, harer haars, harer

3. haar (er) haar (ze)

4. haar (er) haar (ze)

-ocr page 133-

119

Onzijdig.

Enkelvoud.

M e e r v o u d.

zij (ze)

huns, hunner

1. het (\'t)

2. zijns, zijner

hun (ze) hen (ze).

3. het (\'t)

4. het (\'t)

De vormen i, em, er, \'l, die geene h vertoonen, worden alleen in de spreektaal en de gemeenzame schrijftaal gebruikt. De onderscheiding van hun en hrn in den 3en en 4en naamval mannelijk en onzijdig meervoud is willekeurig: hun en hen zijn oorspronkelijk beide een 4e naamval mannelijk enkelvoud. De 3e naamval mannelijk enkelvoud heeft den 4en naamval verdrongen. Oorspronkelijk was \'t meervoud voor alle geslachten gelijk; dit is nog zoo in de spreektaal, waar men in den 3en en 4er, naamval de tusschen haakjes geplaatste vormen gebruikt en de 2e naamval niet voorkomt. Die 2e naamval luidde vroeger haars, har er; de vormen huns en hunner zijn aan den 3en naamval hun ontleend.

Nog verdient opmerking het voornaamwoord er, eigenlijk een tweede naamval meervoud van denzelfden stam als em. Het moet wel worden onderscheiden van \'t gelijkluidend bijwoord er (daar); Hoeveel appelen hebt gij? Ik heb er (der appelen) twee. Kr (daar) xijn er (voornaamwoord) niet velen, die hem dat zullen nadoen. Soms is het woord, waarvan er afhangt, Aveggelaten: Daar xijn er, die beweren, enz.

Vóór de woorden aller en heider gebruikt men tegenwoordig de vormen ons, uw, hun, haar, die eigenlijk de afkorting zijn der tweede naamvallen onxer, meer, hunner, haver; ons aller wensch, uw aller hoop, hun heider bestemming.

De tweede naamval op s wordt gebezigd in de uitdrukkingen: om mijns zelfs wil, mijns gelijke, enz. Dit is zijns onwaardig. In mijnsgelijke enz. is mijns een persoonlijk voornaamwoord, want, was het een bezittelijk, dan zou gelijke verbogen moeten zijn. Soms vindt men dien ook bij werkw. of bijv. naamw. die een tweeden naamval regeeren, doch meestal wordt in dat geval de vorm op er gebruikt. (Verg. § 190).

§ 281. Het wederkeerend voornaamwoord zich, dat de geslachtsonderscheiding mist, komt alleen in den 3en en 4ea naamval voor. De wederkeerige voornaamwoorden elkander, malkander hebben in den 2en naamval: elkanders, malkander* en blijven in den 3eri en 4erl naamval onverbogen.

§ 282. Het bijvoeglijk voornaamwoord zelf wordt verbogen als een zwak bijvoeglijk naamwoord of het blijft onverbogen, \'t Heeft echter ook een sterken tweeden naamval zelfs in de uitdrukkingen: om mijns ■zelfs wil, om tiws zelfs wil, enz., de zwakke tweede naamval mann. en onz. enk. wordt niet gebruikt.

De verbuiging is dus:

-ocr page 134-

120

E n k e 1 v o u cl.

Mannelijk.

Vrouwelijk.

Onzijdig.

M e e r v o u d.

1.

zelve

zelve

zelve

zelve

2.

zelve

zelve

3.

zeiven

zelve

zelve

zeiven

4.

zeiven

zelve

zelve

zelve.

b. Het bezittelijk voornaamwoord.

§ 283. De bezittelijke voornaamwoorden zijn van denzelfden stam als de 2e naamval der persoonlijke. Zij hebben tweeërlei geslacht en getal: een subjectief en objectief geslacht en getal. Het eerste is dat van den bezitter en bepaalt den stam, dien men moet gebruiken; het laatste is dat van de bezitting en bepaalt den buigingsuitgang. Zegt men: Die vader heeft zijne kinderen lief, dan is \'t subjectief geslacht en getal mannelijk enkelvoud: vandaar zijn; \'t objectief geslacht en getal daarentegen is onzijdig meervoud: vandaar in verband met den naamval: zijne.

§ 284. De bezittelijke voornaamwoorden worden verschillend verbogen, naarmate zij bijvoeglijk of zelfstandig worden gebezigd. De bijvoeglijke: mijn, onze, uw, zijn, haar, hun worden verbogen:

Enkelvoud.

Mannelijk.

1. mijn

2. mijns

3. mijnen

4. mijnen

Vrouwelijk.

mijne mijner mijne(r) mijne

Onzijdig.

mijn mijns mijne(n) mijn

M e e r v o u d.

mijne mijner mijnen mijne


Voor \'t subjectief mannelijk en onzijdig enkelvoud bezigt men zijn, voor \'t meervoud hun; voor \'t subjectief vrouwelijk enkel- en meervoud haar. Haar (\'er) gold voorheen ook en geldt in de spreektaal nog voor \'t meervoud van alle geslachten: het was toch evenals de overige bezittelijke voornaamwoorden van denzelfden stam als de 2e naamval van \'t persoonlijk voornaamw.: Trouw nooit, kind, want de mannen laten er haar vrouwen altijd inloopen. (B.) Hebben die kinderen \'er werk al af? Later is hun in gebruik gekomen in overeenstemming met den nieuwen 2en naamval mannel. en onz. meerv. van het pers. vnw. (Vgl. § 280). In den deftigen stijl gebruikt men naast haar ook hear.

De buigingsuitgangen e of en worden dikwijls weggelaten. Het eenige bezittelijk voornaamwoord, dat in den len naamval mannelijk enkelvoud op eene e eindigt, is onze; dit komt, omdat het vroeger luidde onzer (Vgl. hd. unser). Uw heeft ook nog deze e afgeworpen; het verkeerde oorspronkelijk in \'tzelfde geval als onzer (Vgl. hd. euerj.

De oude 3e naamval vrouwelijk enkelvoud op er komt nog voor in:

-ocr page 135-

121

te uwer verjaring; te zijner verontschuldiging; de 3e naamval onzijdig: enkelvoud op en in: te mijnen, uwen behoeve en met eene achteraange-hechte t in te mijnen(t), ie uwen(t), n.1. huize.

\'t Bezittelijk voornaamwoord van den tweeden persoon, enkelvoud is in onbruik geraakt; het luidde dijn en komt nog alleen voor in de uitdrukking: \'t mijn en dijn.

§ 285. De zelfstandige bezittelijke voornaamwoorden worden steeds-van \'t lidwoord de voorafgegaan en verbogen als zwakke bijvoeglijke-n a a m w oorden. Derhalve:

Mannelijk.

1. de mijne

2. des mijnen

3. den mijnen

4. den mijnen

E n k e 1 v o u d.

Vrouwelijk.

de mijne der mijne de(r) mijne de mijne

Onzijdig. \'t mijne

\'t mijne \'t mijne

Meervoud.

de mijne der mijne den mijnen de mijne


Deze verbuiging geldt zoowel voor personen als voor zaken: ilj ouders en de zijne. Uwe hoeken en de mijne.

Doch wanneer het zelfstandig bezittelijk voornaamwoord in het meervond personen aanduidt, die niet vooraf zijn genoemd, zoodat men de beteekenis van \'t voornaamwoord uit den zin moet opmaken, dan geeft men aan alle naamvallen eene n: De heer II. is met de zijnen opreis gegaan. Napoleon en de zijnen leden eene geduchte nederlaag. God verlaat de Zijnen niet.

c. Het aanwijzend voornaamwoord.

§ 286. De verbuiging der aanwijzende voornaamwoorden is als volgt i E n k e 1 v o n d.

Mannelijk.

deze dezes dezen dezen

die diens dien dien

gene

genen genen

1. 2.

3.

4.

1. 2.

3.

4.

1.

2.

3.

4.

Vrouwelijk.

deze dezer deze(r) deze

die dier die(r) die

gene

gene gene

Onzijdig. dit

dezes

dezen (dit) dit

dat diens dien (dat) dat

Meervond.

deze dezer dezen deze

die dier dien die

gene

genen gene


-ocr page 136-

122

Zelfstandig gebruikt en voor personen gebezigd, worden deze en ■gene gewoonlijk in den len en 4en naamval meerv. verbogen: dezen, ■genen, doch nooit dien. (Verg. § 295).

De 3e naamval vrouwelijk enkelvoud: dezer, dier wordt nog alleen in deftigen stijl in enkele uitdrukkingen gebezigd, bijv.: te dezer, dier ■gelegenheid, te dezer, dier plaatse. De 3e naamval onz. enkelvoud: dezen, ■dien evenzoo, bijv.: na dezen, hij dezen, indien, bijaldien, met dien verstande, uit dien hoofde.

Een oude 2e naamval mannelijk enkelvoud des komt voorin: destijds .,.in dien tijdquot; en deswege{n)s „om die reden.quot;

Een oude 2e naamval vrouwelijk enkelvoud van die, n.1. der komt •nog voor in: derwijze, dermate en derhalve „om die reden.quot;

Een oude 2e naamval onzijdig enkelvoud van dat, n.1. dies, des bleef \'bewaard in de bijwoorden dies, des „daaromquot;: De Heer heeft groote ■dingen aan ons gedaan; dies zijn wij verblijd. (Stb.) Ik predik met gebogen knie; des hoort mij zonder spijt. (St.) Verder in deskundige, deshewust, ■desbevoegd, desgevraagd, waarin de 2e naamval geregeerd wordt door het bijvoeglijk naamwoord of deelwoord: desnoods, voor: des nood (zijnde) .„daarvan nood (zijnde)quot;; desgelijks voor desgelijke, eigenlijk „(op eene wijze, die de) gelijke (is) van dat\'1; desniettemin, waarin des beteekent ■door dat.

Een 2en naamval meervoud vindt men in: dergelijke en der in: Daar woaren der velen, enz.

d. Het vragend voornaamwoord.

.§ 287. De vragende voornaamwoorden wie en welke worden verbogen:

Enkelvoud.

Mannelijk.

Vrouwelijk.

Onzijdig.

Meervoud.

1. wie

wie

wat

wie

2. wiens

wier

wier

3. wien

wie

wat

wien

4. wien

wie

wat

wie

1. welk, welke welke

■O

welk

welke

3. welken

welke

welk

welken

4. welken

welke

welk

welke

Een ouden tweeden naamval onz. enkelvoud wes vindt men in: weshalve.

De sterke eerste naamval mannelijk enkelv. welk wordt gebruikt, wanneer men naar een persoon vraagt in zijne waardigheid of betrekking, de zwakke welke, wanneer men naar den naam des persoons quot;vraagt: Welk vorst heeft geslapen den nacht voor zijne kroning? (B. T.) Welke vorst heeft dat verbond met Frankrijk gesloten?

-ocr page 137-

123

In welk een, wei een (uitroepend), icat voor een blijven welk en wat onverbogen. In \'t laatste regeert het voorzetsel voor natuurlijk geen vierden naamval: Wat voor een man is dat?

e. Het bepalingaankondigend voornaamwoord.

§ 28S. Het bepalingaankondigend voornaamwoord degene wordt, wat het laatste deel betreft, verbogen als een zwak zelfstandig naamwoord.

Enkelvoud.

Mannelijk.

degene (diegene) desgenen dengene densrene

1.

9

*-5

3.

4.

Vrouwelijk.

degene (diegene) dergene degene degene

On;

datgene (\'tgeen)

datgene datgene

M e e r v o u d.

degenen dergenen dengenen degenen


§ 289. Het voornaamwoord dezelfde wordt, bijvoeglijk gebruikt, wat het laatste deel aangaat, verbogen als een zwak b ij v o e g 1 ij k naamwoord; zelfstandig gebruikt, wordt het verbogen als een zwak zelfstandig naamwoord. In \'t laatste geval duidt het in \'t meervoud steeds personen aan.

Bijvoeglijk:

1. dezelfde

2. deszelfden

3. denzelfden

4. den zelfden

Zelfstandig:

1. dezelfde

2. deszelfden

3. denzelfde

4. denzelfde \'tzelfde (hetzelfde) deszelfden \'tzelfde \'tzelfde

dezelfde derzelfde dezelfde dezelfde

dezelfde derzelfde dezelfde dezelfde

\'tzelfde (hetzelfde)

\'tzelfde \'tzelfde dezelfde derzelfde denzelfden dezelfde

dezelfden derzelfden denzelfden dezelfden


§ 290. Wanneer de voornaamwoorden zulk, zoodanig en dusdanig gevolgd worden door een of een onzijdig zelfstandig naamwoord in \'t enkelvoud, blijven ze onverbogen: zulk een man, zulk eene vrouw, zulk een kind, zulk hier, zulk volk, zulk werken. Staan ze onmiddellijk voor een mannelijk of vrouwelijk enkelv. substantief, dan zijn de vormen voor \'t mannelijk: 1. zulke, 3. zulken, 4. zulken; voor \'t vrouwelijk: 1. zulke, 3. zulke, 4. zulke. Voor een meervoudig substantief worden ze verbogen: 1. zulke, 3. zulken, 4. zulke. Zoo verbuigt men ook dergelijke.

Dezulke en de zoodanige worden alleen zelfstandig gebruikt en dan verbogen als een zwak bijvoeglijk naamwoord, wanneer zij zaken, als een zwak zelfstandig naamwoord, wanneer zij personen betee-

-ocr page 138-

124

kenen: Een Oostinjevaarder op de kimt is een belangrijk nieuws, icant aan honderd derzidke hancjl het lot van duizenden. (P.) Er zijn menschen, die iemand reeds bij eene eerste ontmoeting allerlei geheimen mededeelen ; de zoodanigen zijn uf ounoozel öf niet te vertrouwen.

f. Hei betrekkelijk voornaamwoord.

§ 291. Als betrekkelijke voornaamwoorden gebruikt men vormen van die en ivie, benevens welk. De verbuiging is als volgt:

Enkelvoud.

Mannelijk. Vrouwelijk. Onzijdig. Meervoud.

1. die die dat die

2. wiens wier — wier

3. wien wie dat men

4. dien, wien die, wie dat die, wie

Na voorzetsels bezigt men de 4e naamvallen wien, wie, wie; na dat-gene, dat en alles gebruikt men wat in plaats van dat.

Als het voornaamwoord voor bepalingaankondigend en betrekkelijk beide geldt, zijn de vormen M. E. 1. ivie, 2. wiens, 3. wien, 4. wien, O. E. 1. wat, 4. icat, Meerv. 1. wie, 2. wier, 3. wien, 4. wie.

De verbuiging van

welke is:

1. welke

welke

\'twelk (hetwelk)

welke

2. welks

welker

welks

welker

3. welken

welke

\'twelk

welken

4. welken

welke

\'twelk

welke

g. Het onbepaalde voornaamwoord.

§ 292. Iemand en niemand worden in den 2ei1 naamval iemands en niemands. Men komt alleen in den leu naamval voor; iets, niets, en alles in den len, 3en en 4en naamval. De overige als onbepaalde voornaamwoorden gebruikte woorden volgen hunne gewone verbuiging.

IV. HET LIDWOORD.

§ 293. Verbogen wordt van de bepaalde hoofdtelwoorden: één, nl.

Enkelvoud.

Mannelijk.

Vrouwelijk.

Onzijdig.

1.

een

eene

een

2,

eens

eener

eens

3.

eenen

eene(r)

een(en)

4.

eenen

eene

een

-ocr page 139-

125

Do uitgangen e en en -worden dikwijls weggelaten, \'t Woord geen, dat nu eens als telwoord, dan weer als lidwoord voorkomt, wordt in \'t enkelv. verbogen als één; in \'t meerv.: geenc, —, geenen, geeite. Een oude sterke tweede naamval van twee, drie enz. komt voor in: tweeërlei, drieërhande, achterlei, enz.

§ 294. Alle bepaalde hoofdtelwoorden kunnen, wanneer zij zelfstandig worden gebruikt, in \'t meervoud voorkomen; drieën, achten, honderden, duixenden. Dit geschiedt in de uitdrukkingen: met ons vieren, na twaalven, iets in vieren, achten vouwen, snijden, waarin zij alleea naar den vorm meervouden zijn, of wanneer zij hoeveelheden beteekenen, als een geheel beschouwd: drie tienen, verscheidene honderden, duixenden menschen. Beteekenen zij cijfers, dan zijn liet werkelijke zelfstandige naamwoorden: Schrijf drie zessen.

Bij de woorden honderd, duixend millioen zij herinnerd, dat zij, van bepaalde hoofdtelwoorden voorafgegaan, in \'t enkelvoud blijven, wanneer men de hoeveelheid als ééne massa voorstelt.

§ 295. De onbepaalde hoofdtelwoorden: alle, eenige, vele, weinige, sommige, ettelijke, alsmede heide en andere worden in \'t meervoud verbogen: alle, aller, allen, alle, dus als sterke adjectieven. Alleen, wanneer zij zelfstandig voorkomen en op personen wijzen, geeft men ze veelal ook in den lsten en 4den naamval eene n, dus: allen, aller, aller, allen: Velen zijn geroepen, weinigen uitverkoren. De menigte stond dicht opeengepakt de komst des Konings af te wachten; op eens hoorde men allen juichen: Leve de Koning! Wie heeft het gedaan, uw broeder of uw neef? Geen van heiden, geloof ik. Daarentegen; Alle werklieden waren ontevreden; vele staakten het werk; sommige hoorde men oproerige kreten aanheffen. Op den derden dag na de opening der tentoonstelling waren er reeds vele bloemen verwelkt; weinige zagen er nog frisch tiit; ettelijke hadden reeds hare bladeren verloren. Arbeiden en rusten: beide geven op hunnen tijd genot.

Intusschen zij opgemerkt, dat er voor \'t bovenvermeld vrij algemeen gebruik der n in :t meervoud geen enkele redelijke grond te vinden is. Men verbuigt dan toch den len en 4en naamval als een zwak substantief en den 2en en 3en naamv. als een sterk adjectief. De 2e naamv. is immers altijd aller, enz.: Aller oogen wachten op U, o Heer!

De telwoorden elk en ieder worden alleen in \'t enkelvoud gebezigd. Zelfstandig gebruikt, hebben zij in den 20n naamval: ieders, elks; bijvoeglijk gebruikt, worden zij verbogen als de bijvoeglijke bezittelijke voornaamwoorden, doch de tweede naamval wordt omschreven: van eiken man, elke vrouw, elk kind. Menig wordt mede alleen in Jt enkelvoud en bijvoeglijk gebruikt en volgt do verbuiging van ieder.

Veel, weinig, luttel en genoeg blijven onverbogen, wanneer zij in \'t enkelvoud gevolgd of voorafgegaan worden door een 2equot; naamval: veel moeds, weinig tijds, ijvers genoeg. Gewoonlijk laat men in de tegenwoordige taal de s van den genitief weg, zoodat de telwoorden bijvoeglijk

-ocr page 140-

126

gebruikt schijnen. Genoeg blijft ook onverbogen, wanneer het voorafgegaan wordt door een meervoudig substantief: vrienden genoeg; enkele malen wordt het door een zelfst. naamw. gevolgd: genoeg menschen.

Alle kan ook bij een enkelvoudig zelfstandig naamwoord in den lsten naamval in den vorm alle voorkomen: Alle vleesch is als gras. Alle berg en alle heuvel zal vernederd worden. (Sch.) Zegt men daarentegen: Spoedig met alle man aan de pompen! dan staat man eigenlijk in \'t meervoud. Wanneer al gevolgd wordt door \'t lidwoord de of een dergelijk woord, blijft het gewoonlijk onverbogen.

§ 29(5. De bepaalde en onbepaalde rangtelwoorden: eerste., ticeede, zooveelste, hoeveelste, laatste ■worden verbogen als zwakke bijvoeglijke naamwoorden: De bladeren van eik en beuk zijn gemakkelijk te onderscheiden: die van den eersten zijn geheel anders gevormd, dan die van den laatstcn. Alleen wanneer zij zelfstandig worden gebruikt en op personen wijzen, worden zij verbogen als zwakke zelfstandige naamwoorden: Vondel is ontegenzeggelijk een veel grooter dichter dan Cats en toe \'i zijn de werken des eersten veel minder gelezen, dan die van den laatste. Vele eersten zullen de laatslen zijn. Worden de rangtelwoorden als benamingen van deelen gebruikt, dan krijgen zij in \'t meervoud eene n of zij blijven aan \'t enkelvoud gelijk, naargelang men aan de afzonderlijke deelen of aan ééne massa denkt: Er zijn nu twee derden dier hoeveelheid verdwenen en dus blijft er nog één over. Twee derde van twaalf is acht.

V. HET LIDWOORD.

§ 297. Uit het aanwijzend voornaamwoord die ontstond \'t lidwoord de, uit dat \'t lidwoord H, dat ook wel, tengevolge van verwarring met het persoonlijk voornaamwoord, geschreven wordt: het. Dit lidwoord van bepaaldheid wordt verbogen:

Enkelvoud.

Mannelijk. Vrouwelijk. Onzijdig. 51 e e r v o u d.

de de \'t (het) de

des der des der

den de(r) den (\'t, het) den

den de \'t (het) de

De 3e naamval vrouwelijk en onzijdig enkelvoud der, den wordt nog alleen in deftigen stijl of in enkele uitdrukkingen aangetroffen: Hij bood der jonkvrouwe zijne bescherming aan. In den beginne, in den gebede, enz.

Het lidwoord van bepaaldheid is met liet voorzetsel te samengesmolten tot ten en ter: ten dienste\', ten verderve, ter oore, leraarde, enz. Daar men tegenwoordig in deze woordjes echter de kracht van \'t lidwoord niet meer gevoelt, komen zij meermalen ook daar voor, waar het lidwoord van

-ocr page 141-

127

bepaaldheid alleen onmogelijk gebruikt zou kunnen worden, bepaaldelijk voor bijvoeglijke bezittelijke en aanwijzende voornaamwoorden; ten mijnen behoeve, ter dezer uri, ten allen tijde., ter uwer verjaring, ten uwen ft), enz.

§ 298. Het telwoord één, toonloos uitgesproken, werd het lidwoord van onbepaaldheid. Het wordt verbogen als dat telwoord. De uitgangen e en en worden ook hier dikwijls weggelaten. Over de verbuiging van geen zie men § 293.

VI. HET WERKWOORD.

§ 299. De vervoeging der werkwoorden is tweeërlei: sterk en zwak.. Een sterk werkwoord verandert in sommige vormen zijn stamklinker en vormt het verleden deelwoord door aanhechting van den uitgang en aan den stam. Een zwak werkwoord behoudt in alle vormen zijn stamklinker en vormt zijn verleden deelwoord door aanhechting van d of t aan den stam..

§ 300. Bij de vervoeging der werkwoorden lette men allereerst op den stam. Deze wordt verkregen, door van den infinitief en weg te laten,, en bovendien eene v of z in f en s te veranderen, een slotmedeklinker weg te laten, zoo deze verdubbeld was, of den klinker te verdubbelen: keren—leer, meex.cn—vrees, kluiven—kluif, bidden—bid, halen—haal, duren—duur, lezen—lees, loven—loof.

Daar de sterke werkwoorden hun stamklinker veranderen, worden zij, wel eens meerstammige werkwoorden geheeten. Noemt men de verschillende vormen van den stam zelf stammen, dan heeft een sterk werkwoord ten hoogste vier stammen. Zij zijn die van den onvoltooid tegenwoordigen tijd: spreek, die van den onvoltooid verleden tijd enkelvoud: sprak, die van den onvoltooid verleden tijd meervoud: spraak, die van \'t verleden deelwoord: sprook.

§ 301. Naar de wijze, waarop de klankwisseling der sterke werkwoorden plaats heeft, worden zij in 11 klassen verdeeld. Een paar voorbeelden van elke klasse worden hier genoemd met de verschillende stammen, die zij vroeger of tegenwoordig vertoonen:

Infinitief. Onv. verl. t. enk. Onv. verl. t. m. Verl. deelw„

I.

drink-en

dronk (voorheen drank)

dronk-en

ge-dronk-en

geld-en

gold (voorheen gald)

gold-en

ge-gold-en

II.

stel-en

stal

stal-en

ge-stol-en

stek-en

stak

stak-en

ge-stok-en

III.

lez-en

las

la i-en

ge-lea-en

gev-en

gaf

gav-en

ge-gev-en

IV.

hijt-en

beet (voorheen bcit)

bet-en

ge-bet-en

ljd-en

leed (voorheen leid)

led-en

ge-led-en

V.

giet-cn

goot (voorheen gout)

got-en

ege-got-en

buig-en

hoog (voorheen boug)

hog-cn

1

-O i

VI.

va-ren

voer

voer-en

ge-v ar-en

-ocr page 142-

128

drag-en droeg droeg-en ge-drag-en

quot;VIL hang-en hing hing-en ge-hang-en

vall-en viel riel-en ge-vall-en

ATIII. lat-en Het liet-en ge-rad-en

rad-en ried ried-en ge-rad-en

IX. loop-en liep liep-en ge-loop-en

((voorheen lonpen) (voorheen geloupcn)

houw-en hieuw hienw-en ge-honw-en

X. heet-en{ voorheen hiel) (voorheen hiei-en) ge-heet-en

({voorheen heiten) (voorheen geheiten)

scheid-en (voorh. schied) (voorheen schied-en) ge-scheid-en XL roep-en riep riep-en ge-roep-en

§ 302. Ten einde gemakkelijk een overzicht dezer klassen te verkrijgen diene \'t volgende;

a. De zes eerste klassen moeten onderscheiden worden van de vijf laatste.

b. De drie eerste klassen vertoonden oorspronkelijk alle in den -onvoltooid verleden tijd enkelvoud eene a, die bij de eerste in o is overgegaan en dus gelijk geworden aan den klinker des meervouds. De twee eerste klassen hebben eene o in \'t verleden deelwoord, de derde eene e. De klinker des infinitiefs is bij de eerste somtijds, bij de tweede en derde steeds eene e.

c. Een werkwoord der eerste klasse heeft steeds twee medeklinkers ■achter den klinker, waarvan de eerste altijd 1, in, n, r is; de tweede \'kan aan den eersten gelijk of daarvan verschillend zijn: binden, glimmen.

Een werkwoord der tweede klasse heeft één medeklinker na den •stamklinker en deze is: 1, in, n, r of wel k.

Een werkwoord der derde klasse heeft één medeklinker na den stamklinker, doch steeds een anderen dan de bovengenoemde.

d. Een werkwoord der vierde klasse heeft tot stamklinkers ij (voortheen ii), ee (voorheen ei), e (voorheen 1), e (voorheen i).

Een werkwoord der vijfde klasse heeft tot de stamklinkers: ie of ui ■(voorheen iu of u, spreekt uit: «\'oe, oe) oo (voorheen ou), o (voorheen n, spreek uit: oe), o voorheen u; spreek uit: oe).

e. Een werkwoord der zesde klasse heeft in den infinitief en \'t verleden deelwoord eene a, in den onvoltooid verleden tijd eene oe.

f. De vijf laatste klassen komen in twee opzichten met elkander •overeen: zij hebben alle in den onvoltooid verleden tijd eene ie of i en in \'t verleden deelwoord denzelfden klinker als de infinitief. Van deze \'klassen verschillen de zevende en achtste alleen daarin, dat de eerste in den infinitief eene onvolkomen a (rallen), de laatste in denzelfden vorm eene volkomen a {raden) heeft. De negende klasse heeft eene on of daaruit ontstane oo, de tiende eene ei of daaruit ontstane ee, de •elfde eene oe. De eenige werkwoorden der negende klasse zijn: hopen, ■stooien en houwen, der tiende: scheiden en heeten, die in den onvol-

-ocr page 143-

129

tooid verleden, tijd zwak zijn geworden: de elfde bestaat alleen uit het werkwoord roepen.

§ 303. Ten opzichte van de werkwoorden der verschillende klassen valt voorts nog op te merken-,

I.

Als de eerste der beide slotmedeklinkers van den stam 1 of r is, is ■de stamklinker e: hergen, delven, kerven, gelden. Zivemmen sXtxnX \\ooi zwimrnen; vergelijk; glimmen, klimmen. De a of o van den onvoltooid verleden tijd ging in ie over bij de werkwoorden: helpen, {he]derven, ■sterven, werpen, werven, zwerven. Derven was oorspronkelijk zwak; de onvolt. verl. tijd is thans meestal dierf; het verleden deelwoord ontbreekt. Het werkwoord worden werd voorheen vervoegt!: werden, ward, worden, geworden, en behoorde dus tot deze klasse. Thans luidt het in den ■onvoltooid verleden tijd: werd, tverden of wierd, wierden.

Belgen ging tot de zwakke vervoeging over; heigen, helgde, gebelgd. Tan de sterke vervoeging is nog over \'t verleden deelwoord {ver)holgen, •dat alleen als bijvoegl. naamw. wordt gebruikt en in beteekenis verschilt van gehelgd. Gerinnen „samenvloeienquot; leeft nog alleen in \'t verleden deelwoord: geronnen (Moed); het verleden deelwoord van rinnen „vloeien, gaanquot; in: Zoo gewonnen, zoo geronnen. Van het sterke werkwoord rinnen is het zwakke rennen afgeleid.

Omgekeerd werden voorheen zwak vervoegd: dingen, schenken, ■schenden, zenden.

Verkeerdelijk is men als werkwoorden der eerste klasse gaan vervoegen: bersten, treffen, trekken, vechten, vlechten en schrikken (onovergankelijk). Bersten heeft thans horst of berstte; \'t verleden deelwoord: geborsten. ■Schrikken en verschrikken worden ook wel zwak vervoegd, als zij onovergankelijk zijn; \'t o v e r g a n k e 1 ij k e verschrikken wordt steeds zwak vervoegd.

II.

Tot deze klasse behoort komen, waarvoor men kwevten zou verwachten: vergelijk: kwam, kwamen. Scheren en zwerm (van eene wonde) hebben voor schar, zwar, scharen, zwaren gekregen: schoor, zwoor, schoren, zworen. Scheren „vliegenquot; en in: zich wegscheren is zwak. Beschoren dn den zin van toebedeeld is een sterk verleden deelw., dat oorspronkelijk zwak was. Gekscheren, wordt mede zwak vervoegd; \'t laatste gedeelte daarvan is een geheel ander woord dan \'t bovenstaande scheren en beteekende spotten.

Gedeeltelijk of geheel zwak werden: helen, heelde, (ver)heeld, waarnaast nog \'t sterke verleden deelwoord (verfhalen, dat alleen als bijvoegl. naamw. wordt gebruikt en wreken, wreekte, gewroken. Beren „dragen, voortbrengenquot; is geheel in onbruik geraakt; alleen \'t verleden deelwoord geboren komt nog voor.

T. terwey, iverf. Sprnakk. 11e druk. 0

-ocr page 144-

130

III.

Eten heeft in \'t verleden deelwoord gegeten in plaats van ge-eten. Bidden, liggen en zitten hebben i in plaats van e, doordat er voorheen op de e eene j volgde. Zien staat voor zehen; de i ontstond uit e na het wegvallen der h, oorspronkelijk ch; vandaar nog de g in zag. Het verl. deelw. is gezien. Wegen en bewegen (onovergankelijk) hebben de vervoeging van scheren aangenomen. Het overgankelijke (be)wegen behoorde eigenlijk zwak vervoegd te worden, daar \'t van het onovergankelijke (h()wegen is afgeleid. Van weven is de onvoltooid verleden tijd zwak geworden; \'t verleden deelwoord is nog steeds geweven. Wezen heeft een zwak verleden deelwoord; \'t sterke van voorheen wordt nog als bijvoeglijk naamwoord gebruikt, bijv. in: een gewezen burgemeester.

Opmerking verdient het werkwoord plegen „gewoonlijk doen\'!, dat aan den stam van den on volt. verl. tijd eene t heeft gehecht: joegen, placht (voor plag) en dat het verl. deelwoord mist (Verg. § 229). In den zin van „doenquot; wordt het regelmatig zwak vervoegd, evenals verplegen.

IV.

Sterk werden voorheen vervoegd: grijnen, hijgen, krijschcn, tijgen „beschuldigenquot; (in: aantijgen), vrijen, (be)zwymen. Pijpen „fluitenquot;, vroeger sterk, komt tegenwoordig nog slechts voor in pijper, naar iemands pijpen dansen en met de oudere uitspraak der ij in piepen, bijv.: Zooals de ouden zongen, piepen de jongen. Pijpen „eene pijp rookenquot; is zwak. Zoo zijn ook: krijgen „ontvangenquot;, stijven „stijf makenquot;, van linnen bijv., prijzen „lovenquot; tegenwoordig sterk; krijgen van krijg „oorlogquot;, stijven „sterkenquot; (de schatkist, iemand in H kwaad), prijzen „van prijzen voorzienquot; zwak, ofschoon stijven en prijzen voorheen altijd zwak waren. Wijzen „toonenquot; en wijzen „oordeelenquot; {ter dood, tot de galg verwijzen = veroordeelen) werden vroeger zwak vervoegd: \'t laatste heeft nog een zwak verleden deelwoord: een rechterlijk gewijsde „vonnis.quot;

V.

Zoowel zwak als sterk worden vervoegd: schuilen, schuilde, school, geschuild, gescholen, vroeger zwak; kruien, kruide, krooi, gekruid, gekrooien, vroeger sterk; zieden „kokenquot; zood, ziedde (Hij ziedde vc.n toorn) gezoden. Klieven is geheel zwak geworden; kluiven daarentegen is sterk geworden. Pluizen „pluizen uittrekkenquot; is sterk geworden, pluizen „pluizen afgevenquot; is zwak gebleven. Spuwen oorspronkelijk een werkwoord van de 4e klasse, is zwak geworden; spugen wordt nog vervoegd: spoog, gespogen. Tijgen „gaan, trekkenquot; behoort tot deze klasse, blijkens toog, togen en getogen. Door verwarring met tijgen „beschuldigenquot; van de vorige klasse is men de ie, die dit werkwoord vroeger had, als ij gaan uitspreken.

De werkwoorden kiezen, verliezen en vriezen hadden oorspronkelijk in \'t enkelv. van den onv. verl. tijd eene s, in \'t meerv. en \'t verl. deelw.

-ocr page 145-

131

eene r; tegenwoord\'g luidt de onv. veii. tijd enkelv. en meerv.; koos of koor, verloor, vroor of vroos, en \'t verl. deelw. gekozen of gekoren, verloren, gevroren of gevroxen.

VI.

Slaan staat voor slahen; de h was oorspronkelijk e/i, randaar nog de y in: doeg, geslagen. Naast slaan bestond voorheen \'t werkwoord standoi, vanwaar de onvoltooid verleden tijd slond (voor: stoend). Bakken, heffen (voor: hafjen) laxkn, malen, scheppen (voor: schapjen), gewagen, wasschen en wassen hadden vroeger in den onvoltooid verleden tijd: boek, hoef, loed, moei, schoep, gewoeg, woesch en woes, doch zijn tot de zevende klasse overgegaan of zwak geworden: bakte, vroeger ook biek, hief, laadde, maalde, schiep, gewaagde, wiesch of waschte, wies; de verleden deelwoorden zijn sterk; gebakken, geheven (voor gehaven), geladen, gemalen, geschapen, gewasschen, gewassen, doch gewagen heeft gewaagd. Malen „schilderenquot; en malen „zich bekommeren, zeurenquot; worden zwak vervoegd. Scheppen „puttenquot; is zwak geworden, dus ook: vermaak scheppen, adem scheppen; toch leest men ook naar de oude vervoeging: Hij schiep daarin behagen. Lachen heeft alleen bij dichters nog loech, meervoud loegen; \'t verleden deelwoord is gelachen. Zweren „een eed afleggenquot;, voor zwarjen, behoort tot deze klasse en heeft dus zwoer; \'t verleden deelwoord is gezworen (voor gexwaren). Jagen en wagen, oorspronkelijk zwak, hebben ook wel een sterken onvoltooid verleden tijd: joeg, vroeg of jaagde, vraagde; \'t verleden deelwoord is zwak. Jagen „op de jacht zijnquot; heeft steeds jaagde. Het werkwoord waaien, oorspronkelijk sterk, is reeds vroeg zwak geworden: waaide, gewaaid. Men vindt echter ook vaak een sterken verleden tijd: woei.

VII.

Naast gaan bestond voorheen het werkwoord gangen, vanwaar nog de onvoltooid verleden tijd ging. Honden luidde vroeger halden; vandaar de onvoltooid verleden tijd hield. Bannen, spannen, spouwen, vouwen, zouten hebben een zwakken onvoltooid verleden tijd, doch een sterk verleden deelwoord. Spouwen, vouwen en zouten staan voor spa ld en, valden en xalten; zij behooren dus mede tot deze klasse. In figuurlijken zin is \'t verleden deelwoord van ontvouwen ook zwak: Ik heb hem de redenen mijner handelwijze ontvouwd.

VIII.

Braden en raden hebben, !t eerste steeds, \'t laatste soms, een zwakken onvoltooid verleden lijd. Verwaten „overmoedigquot; is \'t verleden deelwoord van een werkwoord dezer klasse, dat in onbruik is geraakt.

IX.

Brouwen is uit de vijfde in de negende klasse overgegaan; de onvoltooid verleden tijd is zwak; \'t verleden deelwoord sterk: gebrouwen.

§ 304. Oorspronkelijk vormde men den onvoltooid verleden tijd der

9*

-ocr page 146-

132

zwakke werkwoorden, door achter den stam een uitgang te plaatsen, die misscliien een verleden tijd was van het werkwoord doen; die uitgang verliep langzamerhand tot dc. Bovendien stond vroeger achter den tegen-woordigen stamvorm nog eene toonlooze e. Zoo was de onvoltooid verleden tijd van Jiooren: hoorede, van blaffen: hlaffcde, van zalven: zalvede, van maken: makede. Allengs verdween de klinker voor den uitgang de, en wanneer nu de stam eindigde op f, k, p, s, ch, of t, ging de over in te; wanneer de stam op een anderen medeklinker of een klinker eindigde, bleef de bestaan; blafte, hoorde, biocide.

Vandaar deze regel: De onvoltooid verleden tijd der zwakke werkwoorden wordt gevormd door te achter den stam te plaatsen, wanneer deze eindigt op: f, k, p, s, ch, t. In alle andere gevallen wordt de uitgang de achter den stam geplaatst.

Indien echter eene f of s aan \'t slot des stams in de plaats staat van v of z (onechte f of s), wordt de onvoltooid verleden tijd mede gevormd door de: streefde, zalfde, huisde, vreesde.

§ 305. De verleden deelwoorden der zwakke werkwoorden eindigden oorspronkelijk op een medeklinker, die overgegaan is in d. Wanneer echter de stam eindigde op eene f, k, p, s, ch, of t, werd deze medeklinker door \'t wegvallen eener e, die tusschen den stam en den uitgang stond, tot eene t: ge-hoor-ed, ge-hoor-d, ye-mak-ed, ge-maak-t.

quot;Vandaar dat de slotmedeklinker des verleden deelwoords steeds overeenkomt met de beginletter van den uitgang inden onvoltooid verleden tijd, vandaar ook, dat dezelfde schijnbare uitzondering plaats heeft bij de stammen der werkwoorden op eene onechte f of s.

De werkwoorden leggen en zeggen hebben, \'t eerste soms, het laatste in Noord-Nederland steeds, tot onvoltooid verleden tijd: leide en xcide {lei, zei), waarin de g van legde en zegde in i is overgegaan, \'t Verleden deelwoord is mede soms geleid en gezeid, doch ook gelegd en gezegd.

§ 306. Vóór den stam der sterke, zoowel als der zwakke werkwoorden, wordt in \'t verleden deelwoord gewoonlijk ge geplaatst: gedronken, gedanst. Doch de verleden deelwoorden missen ge:

a. wanneer de werkwoorden voorzien zijn van een der voorvoegsels: be. ge, er, her, ont of ver: begraven, geloofd, erkend, herinnerd, ontroofd, veranderd;

b. wanneer zij onscheidbaar zijn samengesteld met een bijwoord: overlegd, onderhouden, omringd. Daarentegen: overgelegd, ondergegaan, omgeworpen van: óverleggen, óndergaan, ómwerpen.

§ 307. Bij werkwoorden, die scheidbaar samengesteld zijn met een substantief of adjectief, wordt ge tusschen beide deelen geplaatst: ademgehaald, vrijgesproken, hooggeacht, gadegeslagen.

Bij werkwoorden, die onscheidbaar samengesteld zijn met een dergelijk woord, wordt ge vóór den stam geplaatst: gevrijwaard, gegekscheerd.

Bij werkwoorden, die gevormd zijn van zelfstandige of bijvoeglijke

-ocr page 147-

133

naamwoorden, welke reeds samengesteld waren, wordt ge vóór den stam geplaatst: geherbergd (van: herberg), geglimlacht (van: glimlach), gerechtvaardigd (van: rechtvaardig), geradbraakt (van: radbraak), gehandhaafd (van: hand have), gedoodverfd (van: doodverf), geblinddoekt (van: blinddoek).

Hiertoe behooren eigenlijk ook: gewanhoopt (van: wanhoop) en geican-trouwd (van: wantrouw); doch niet wanschapen (van: wan schep pen).

Zoo zijn ook de werkwoorden: beeldhouwen, pluimstrijken, duars-drijven niet samengesteld uit een werkwoord en een naamwoord, maar gemaakt van de zelfstandige naamwoorden: beeldhouit:(er), dwarsdrjv(ev), pluimstrzjk{ev)■, daarom: gebeeldhouwd, gepluimstrijkt, gedwarsdrjfd.

Incassecren, inviteeren, inclineer en en dergelijke vreemde woorden hebben natuurlijk ook: geïncasseerd, gèinviteerd, enz.

§ 308. De werkwoorden, die samengesteld zijn uit een sterk werkwoord en een ander woord, of die bestaan uit een sterk werkwoord en een der bovengenoemde voorvoegsels: be. ge, enz., worden sterk vervoegd: weg-loopen en ontloopen als loepen. Doch alle werkwoorden, die, zooals de bovengenoemde, eigenlijk van een zelfstandig of bijvoeglijk naamwoord zijn gevormd, worden zwak vervoegd: herbergde, glimlachte, dwarsdrijfde, enz,

§ 309. De infinitieven van sterke en zwakke werkwoorden worden gevormd, door en of e achter den stam te plaatsen: hoor-en, zie-n; de tegenwoordige deelwoorden door ende of nde: hoor-ende, xie-nde.

§ 310. Ten einde nu de enkelvoudige tijden van een sterk of zwak werkwoord te kunnen vervoegen, wete men, dat de uitgangen, die achter den stam worden geplaatst, zijn:

Sterk of zwak werkwoord.

Aantoonende wijs. Aanvoegende wijs.

Onvoltooid tegenwoordige tijd.

Enkelv. 1. stam - - e Enkelv. 1. stam 4- e

2. 2.

3. „ —f- t 3. „ -|- e

Meerv. 1. „ en Meerv. 1. „ en

2. „ -t- t 2. „ et

en

3.

en

Sterk w e r k w o o r d.

Aantoonende icijs. Aanvoegende wijs.

Onvoltooid verleden tijd

Enkelv.

1.

stam

Enkelv.

1.

stam e

2_

2.

3.

n

3.

55 e

Meerv.

1.

n

-f- en

Meerv.

1.

55 en

2.

55

t

O

55 et

3.

55

-1- en

3.

51 en

-ocr page 148-

134

Zwak w e r k w o o r cl.

Aantoonmde wijs._ Aanvoegende wijs.

Onvoltooid verleden tijd.

Enkelv.

1.

stam

4- de of te

Enkelv. 1.

stam

-4- de of te

2.

2.

3.

■ ■ de of te

3.

de of te

Meerv.

1.

n

-t- den of ten

Meerv. 1.

- - den of ten

2.

ÏJ

det of tet

2.

11

■ - det of tet

3.

den of ten

3.

ï?

den of ten

Sterk of zwak

w e r k w o o r d.

Gebiedende wijs.

Enkelv. stam Meerv. „ t

Hierbij merke men op:

a. dat de e van den eersten persoon enkelvoud in den onvoltooid tegenwoordigen tijd der aantoonende wijs nog alleen in deftigen stijl of in eene enkele uitdrukking voorkomt: Voorwaar, ik zegge w, enz. Ik verhlijve hiermede. Zegge f 25.

b. dat de tweede persoon enkelvoud in de aantoonende en aanvoegende wijs vroeger eindigde op es of s: hooves, hoorn, doch geheel verlorenis gegaan; alleen de tweede persoon enkelvoud van de gebiedende wijs is bewaard gebleven.

c. dat de klinker van den onvoltooid verleden tijd der aanvoegende wijs bij de sterke werkwoorden steeds gelijk is aan dien des meervouds der aantoonende wijs: Wij spraken. Ik sprake. Wij lazen. Ik laze.

d. dat de gebiedende wijs enkelvoud van vele werkwoorden voorheen uitging op e; vandaar nog: Oeliave te melden, enz.

e. dat de vormen der voorwaardelijke wijs oorspronkelijk gelijk waren aan die der aanvoegende, doch thans veelal aan die der aantoonende wijs: Hij sprake, hadde gesproken—sprak, had gesproken, zou spreken.

§ 311. Er zijn eenige werkwoorden, die men gewoonlijk met den naam van onregelmatige bestempelt. Het zijn sterke of zwakke werkwoorden, welke in alle Germaansche talen gelijksoortige afwijkingen van de regels der vervoeging vertoonen. Zij waren dus reeds onregelmatig vóór de vorming onzer moedertaal. Natuurlijk zou men alle boven behandelde werkwoorden, die in een of ander opzicht zich niet aan de regels der vervoeging houden, ook onregelmatig kunnen noemen.

Deze werkwoorden zijn:

Onregelmatig sterke werkwoorden.

a. Kunnen, zullen, mogen, weten, moeten. Deze vijf dragen den naam van werkwoorden met een opgeschoven verleden tijd. Zij heeten

-ocr page 149-

135

zoo, omdat de vormen, die thans als tegenwoordige tijd worden gebruikt, voorheen den verleden tijd uitmaakten van werkwoorden, die in onbruik zijn geraakt. Dat zij inderdaad verleden tijden zijn geweest, blijkt a. uit het ontbreken der t in den 3en persoon enkelvoud (dat weten en moeten in den 3en persoon enkelvoud eene t hebben, komt daarvandaan, dat de stam dezer werkwoorden op eene t eindigt; deze t is dus geen persoonsuitgang; verg. hoogd. weiss en muss); b. bij de drie eerste en in \'t hoogd. ook bij weten (verg. hoogd. weiss en wissen) uit het verschil in klinker tusschen \'t enkel- en meervoud. Beide deze kenmerken vinden wij alleen bij den onvoltooid verleden tijd der sterke werkwoorden.

Ten einde in een voorbeeld aan te toonen, hoe het mogelijk was, dat een onvoltooid verleden tijd de beteekenis kreeg van een tegenwoordigen, kiezen wij het werkwoord weten. Ik weet, enz. is de onvolt. verl. tijd van een werkwoord, dat, naar de tegenwoordige uitspraak, den vorm wijten zou hebben. Dit werkwoord beteekende zien en dus ik weet, enz. ik heb gezien, dus: ik heb kennis gekregen, dus: ik bezit kennis. Toen men nu niet langer dacht aan de oorzaak van het kennis verkrijgen, maar alleen aan \'t gevolg van zien, d. i. het bezitten van kennis, was de verleden tijd tot een tegenwoordigen geworden en geraakte wijten met de beteekenis van zien in onbruik.

Was nu zoo een tegenwoordige tijd ontstaan, dan gevoelde men natuurlijk behoefte daarnaast weer een verleden tijd te vormen. Hierbij volgde men den regel, dat de nieuwe onvoltooid verleden tijd gevormd werd, door den uitgang der zwakke werkwoorden te plaatsen achter den stam des meervouds van den onvoltooid tegenwoordigen tijd. Van denzelfden stam werd ook de onvoltooid tegenwoordige tijd der aanvoegende wijs, alsmede de infinitief gevormd.

1. Kunnen.

Aantoonende wijs.

On volt. teg. tijd. ik kan hij kan

wij kunnen (konnen) gij kunt (kont) zij kunnen (konnen)

Onvolt. verl. tijd. ik konde hij konde, kon wij konden gij kondt (kondet) zij konden


Aanvoegende wijs.

Onvolt. teg. tijd. ik kunne (konne) hij kunne ( „ )

Onvolt. verl. tijd.

ik konde hij konde


wij kunnen (konnen) gij kunnet (konnet) zij kunnen (konnen)

wij konden

gij kondet zij konden

-ocr page 150-

136

De gebiedende wijs ontbreekt. De infinitief is hunnen (voorheen: konnen)..

Het verleden deelwoord is zwak: gekund.

2. Zullm.

Aantoonende wijs.

Ofivolt. teg-, tijd. Onvolt. verl. tijd.

ik zal ik zonde (zolde), zou

hij zal hij zoude (zolde), zou

wij zullen (zollen) wij zouden (zelden)

gij zult (zolt) gij zoudt (zold en)

zij zullen (zollen) zij zouden (zolden)

Aanvoegende wijs.

ik zoude (zolde), enz. hij zoude

ontbreekt wij zouden

gij zoudet zij zouden.

De gebiedende wijs ontbreekt. De infinitief is zullen (voorheen: zollen).

Het verleden deelwoord wordt niet gebruikt.

3. Mogen.

Aantoonende wijs.

Aanvoegende wijs.

ik mag ik mocht (moch-te) ik moge ik mochte

hij mag hij mocht „ hij moge hij mochte

wij mogen wij mochten wij mogen wij mochten

gij moogt gij mocht (moch-tet) gij moget gij mochtet

zij mogen zij mochten zij mogen zij mochten.

De gebiedende wijs ontbreekt. De infinitief is mogen, \'t Verleden deelwoord is gemoogd. Vermogen heeft tot verleden deelwoord wel eens-vermocht. Ik mocht, enz. staat voor: moch-ie en dit voor: moog-ele. De t is dus hier tijdsuitgang.

4. Weten.

Aantoonende wijs. ik weet ik wist

Aanvoegende wijs. ik wete ik wiste


hij weet wij weten gij weet zij weten hij wist wij wisten gij wist zij wisten hij wete wij weten gij wetet zij weten.

hij wiste wij wisten gij wistet zij wisten.


De gebiedende wijs is weet: enkel- en meervoud. De infinitief is wete/i. !t Verleden deelwoord is geweten. Ik weet en hij weet hebben eene ee uit ei ontstaan, \'t meervoud eene e uit i. (Verg. Hd. ich weiss en wir wissen). De onvoltooid verleden tijd wist staat voor wis-te en dit voor: wit-ie en bewaart dus nog de oorspronkelijke i.

-ocr page 151-

137

5. Moeten.

Aanvoegende wijn.

Aantoonenue wijs.

ik moet ik moest (moes-te)

hij moet hij moest „

wij moeten wij moesten

gij moet gij moest (moes-tet)

zij moeten zij moesten ik moete ik moeste

hij moete hij moeste

wij moeten. wij moesten

gij moetet gij moestet

zij moeten zij moesten


De gebiedende wijs ontbreekt. De infinitief is moeten, \'t Verleden deelwoord is sterk: (jemoeten. De onvoltooid verleden tijd: moest staat voor moes-te en dit voor: moet-te.

Ten opzichte dezer beide laatste werkwoorden geldt nog de opmerking, dat volgens een vasten regel in zeer ouden tijd de t van den stam voor de t van den uitgang in s overging.

Opmerking. Wanneer men de tegenw. tijden enkelv. van deze werkwoorden, vergelijkt met de in § 801 opgegeven kenmerken van de sterke werkwoorden,, komt men tot liet besluit, dat liet verleden tijden zijn van de werkw. der Ie klasse {kan voor kann evenals zwam, tegenw. zwom, voor zwamm), der 2e klasse (zal evenals stal), der 3e klasse (mag evenals las), der 4e klasse-(weet evenals beet), der 6e klasse (moet evenals droer/)^

Maar de verleden tijd meervoud vertoont afwijkingen bij zullen (zullen naast stalen) en mogen (mogen naast lazen). De oorzaak van deze onregelmatigheden, is nog niet opgehelderd.

b. Van een oud werkwoord met opgeschoven verleden tijd: dorren (voor dorsen) heeft men nog den onvoltooid verleden tijd: dors-te thans-dorst, dat tegenwoordig dient als onvoltooid verleden tijd van durven, \'t welk oorspronkelijk mede een dergelijk werkwoord was, doch nu regelmatig zwak vervoegd wordt: ik durf, hij durft, wij durven, durfde, gedurfd. Daarom zegt men wel, dat durven een dubbelen onvoltooid, verleden tijd heeft.

c. Het werkwoord willen mist evenals de onder a en b genoemde werkwoorden in den onvoltooid tegenwoordigen tijd der aantoonende wijs-de t. De oorzaak hiervan is, dat deze tijd der aantoonende wijs eigenlijk dezelfde tijd der aanvoegende wijs is. Het wordt aldus vervoegd:.

O n v o 11. t e g. t ij d.

ik wilde (wou.) hij wilde (wou) wij wilden gij wildet (wondt), zij wilden

Aantoonende wijs.

Onvolt. verl. tijd.

ik wil (voor wille) hij wil (voor; wille) wij willen

gij wilt (voor: wrillet) zij willen

-ocr page 152-

138

Aanvoegende wijs.

Onvolt. verl. tijd.

On volt. teg. tijd.

ik wille hij wille wij willen gij willet zij willen

ik wilde hij wilde wij wilden gij wildet zij wilden

De gebiedende wijs is wil, wilt. De infinitief is willen, \'t verleden •deelwoord gewild. De wisselvormen van den onvoltooid verleden tijd: wou, enz. staan voor wonde en dit voor wolde, een bijvorm, door invloed •der voorafgaande w uit wilde ontstaan. Woudt staat voor woudet.

d. Het werkwoord zijn ontleent zijne vormen aan de stammen: he, is, zijn en wees, waarvan is en zij weer van denzelfden oorsprong zijn. Wees is de stam van een sterk werkwoord, waarvan men alleen den onvoltooid verleden tijd, de gebiedende wijs en \'t verleden deelwoord gebruikt; \'t laatste is zwak geworden: geweest (voor geweesd). De onvoltooid verleden tijd der aantoonende wijs heeft in \'t meervoud z in r veranderd: wij waren, enz. De stam is heeft de t van den onvoltooid tegenwoordigen tijd 3erl persoon enkelvoud afgeworpen; hij is (voor ■ist) en wordt alleen in dezen persoon gebruikt. Den stam he vindt men ■alleen in den len persoon enkelvoud van den onvoltooid tegenwoordigen tijd der aantoonende wijs; een zeer oude persoonsuitgang, rn, later n, fcleef alleen in dezen vorm bewaard: he-n. De vervoeging is:

Aantoonende wijs.

Onvolt. verl. tijd.

O n v o 11. t e g. t ij d.

ik be-n hij is(t) wij zij-n

gij zij-t

zij zij-n

ik was hij was

wij waren gij waart zij waren

Aanvoegende wijs.

Onvolt. verl. tijd.

Onvolt. teg. tijd.

ik zij hij zij wij zijn

gij zijt

zij zijn

ik ware hij ware wij waren gij waret zij waren

-ocr page 153-

139

Onregelmatige zwakke werkwoorden.

a. De werkwoorden: brengen, denken, dunken, zoeken en koopen komen hierin overeen, dat de uitgang te reeds in zeer oudei; tijd onmiddellijk achter den stam werd geplaatst en volgens een regel, die toen heerschte, den slotmedeklinker des stams: g en k deed overgaan in ch, terwijl later te afsleet tot t. Verder verdient opmerking, dat in brengen en denken oorspronkelijk de a de stamklinker was; dat de u v«n ■dunken ontstaan is uit o en dat de oo van koopen en de oe van zoeken. door den invloed der beide volgende medeklinkers, in de onvolkomen o zijn overgegaan. Al heeft dus in deze werkwoorden de onvoltooid verleden tijd een anderen klinker dan de onvoltooid tegenwoordige tijd, toch zijn al deze werkwoorden zwak. Bij brengen, denken en dunken is bovendien de n in den onvoltooid verleden tijd en het verleden deelwoord uitgeworpen. De vervoeging dezer werkwoorden is derhalve:

Infinitief. Onvolt. verl. tijd. Verleden deelwoord.

brengen bracht (voor: brach-te) gebracht

denken dacht (voor: dach-te) gedacht

dunken docht (voor: doch-te) gedocht

zoeken zocht (voor: zoch-te) gezocht

koopen kocht (voor: k och-te) gekocht

Omtrent het werkwoord koopen zij nog opgemerkt, dat de p van den stam eerst overging in f en deze weder in ch.

Nog heeft het werkwoord werken naast de regelmatige vormen werkte en gewerkt ook de vormen wrocht en gewrocht, die alleen in deftigen stijl en overgankelijk worden gebruikt. Naast werken stond namelijk vroeger worken; dit vormde, evenals de bovenstaande werkwoorden: worch-te {worcht) en ge-worch-t en hieruit door verplaatsing der r: wroch-te ^wrocht) en ge-wroch-t.

b. Het werkwoord hebben had oorspronkelijk den vorm habjen, benevens een bijvorm: haven. Van dezen laatsten is de 3e persoon enkelvoud van den onvoltooid tegenwoordigen tijd der aantoonende wijs gevormd. De onvoltooid verleden tijd heeft den slotmedeklinker des stams: «gelijk gemaakt aan den beginmedeklinker des uitgangs: rf, dus: havde, tot hadde en dit tot had. Zoo staat ook \'t verleden deelwoord gehad voor: ge-hav-d. Het werkwoord wordt dus vervoegd als volgt:

Aanvoegende wijs.

O n v o 11. t e g. t ij d. O n v o 11. verl. t ij d.

ik heb ik had (voor: hadde)

hij heeft (voor: ha vet) hij had

wij hebben wij hadden

gij hebt gij hadt

zij hebben zij hadden

-ocr page 154-

14U

Aanvoegende wijs.

On volt. teg. tijd. Onvolt. verl. tijd.

ik hebbe ik hadde

hij hebbo hij hadde

wij hebben wij hadden

gij hebbet gij haddet

zij hebben zij hadden

Doen.

Het werkwoord doen, dat zich noch bij de tegenwoordige sterke, noch bij de zwakke vervoeging aansluit, heeft in den onvoltooid verleden tijd, in overouden tijd, \'t oorspronkelijke bestanddeel f/a verdubbeld; da-dce en daaruit dede, waaruit weer deed. \'t Verleden deelwoord heeft de a bewaard: ge-daa-n. Het wordt vervoegd:

Aantoonende wijs.

On volt. teg. tijd. Onvolt. verl. tijd.

ik doe ik deed

hij doet hij deed

wij doen wij deden

gij doet gij deedt

zij doen zij deden

Aanvoegende wijs.

Onvo 11. teg. tij d. Onvo 11. verl. tij d.

ik doe ik dede

hij doe hij dede

wij doen wij deden

gij doet gij dedet

zij doen zij deden

-ocr page 155-

VIJFDE BOEK.

D E V 0 R M ING DER W 0 0 K ü E N.

OVER ■WOORDVORMING- IX \'T ALGEMEEN.

§ 312. De woordvorming of woordafleiding (etymologie) leert de wijze kennen, waarop de woorden zijn en worden gevormd.

§ 313. Bij het nasporen van den oorsprong van een woord trachten de etymologen zoo ver door te dringen, dat zij een zeer eenvoudig bestanddeel hebben gevonden, dat om zoo te zeggen de oorspronkelijke kern daarvan uitmaakt. Dit deel zonderen zij van de overige bestanddeelen af en geven daaraan een bepaalden vorm en eene bepaalde beteekenis. Zulk een bestanddeel draagt den naam van wortel. Wortels hebben dus als zoodanig nooit bestaan, maar zijn slechts hulpmiddelen, die men bij het bepalen van den oorsprong der woorden gebruikt.

De wortels der woorden kunnen slechts vastgesteld worden na vergelijking met de woorden der oudere en nieuwere verwante talen en dialecten. Wij zullen daarom in dit boek de wijze, waarop de woorden uit wortels zijn ontstaan, geheel ter zijde laten.

§ 314. In hoofdzaak behandelen wij hier de vorming der woorden, voorzoover deze kan nagegaan worden binnen de grenzen onzer taal. Wanneer wij van dezen regel afwijken, zal dit hoofdzakelijk geschieden, om den oorsprong van enkele, vaak voorkomende woorden mee te deelen.

§ 315. De gemakkelijkst herkenbare wijze van woordvorming is de samenstelling. Deze bestaat hierin, dat twee woorden tot een geheel worden vereenigd, als: huissleutel, veevoeder, eerbiedwaardig, wegloopen, enz. Het geheel heet dan een samengesteld woord.

Soms bestaat zulk een samengesteld woord schijnbaar uit drie of meer deelen, maar dan vormt een der beide deelen, of beide, reeds eene samenstelling; zilversmidswerkplaats, scheepstimmerwerf, enz.

§ 31(5. Eene andere wijze van woordvorming is de afleiding. Deze bestaat hierin, dat aan de woorden letters of lettergrepen worden gehecht, die, zonder zelf woorden te zijn, dienen, om nieuwe woorden te vormen. Die aanhechtsels heeten, naar de plaats, waar zij aangeveegd worden, voor- en achtervoegsels: waarheid, liefde, werkzaam, wankel, begrijpen, ontvangen. Het geheel heet dan een afgeleid woord.

-ocr page 156-

142

Het woord, waarvan een ander door middel van een voor- of achtervoegsel is afgeleid, heet daarvan het grondwoord. Zoo zijn waar, lief, enz. de grondwoorden van waarheid, liefde, enz.

Opmerking. In den grond is de afleiding niet van de samenstelling te ■ onderscheiden. Van vele voor- en achtervoegsels kan men nog nagaan, dat zij voorheen woorden zijn geweest. Omgekeerd ziet men nog tegenwoordig, dat sommige woorden min of meer het karakter van voor- of achtervoegsel bekomen, bijv. tuig in jacht-, visch-, schrijf-, werptuig, enz.; vol in liefde-, smart-, eer-, roemvol, enz.; slok in stokstijf, stokoud, stokdoof, enz.

§ 317. Eene derde wijze van woordvorming vindt men in de samenstelling door middel van afleiding Deze bestaat hierin, dat twee of meer losse woorden door een achtervoegsel tot eene samenstelling worden verbonden. Zoo bestaan iverkstaker, inachtneming, krombeenig, kleinsteedsch uit twee of drie losse woorden, die\' eerst door de achtervoegsels er, ing, ig, sch tot samengestelde woorden zijn geworden.

§ 318. Wanneer men de bovenbedoelde samengestelde en afgeleide woorden afzondert, dan blijven er nog twee groepen van woorden over, die wij öf in \'t geheel niet, óf waarvan wij er slechts enkele behandelen.

De eerste groep bestaat uit woorden, die het voorkomen hebben van afgeleide, maar waarnaast in de tegenwoordige taal geene grondwoorden voorkomen, bijv. hern-el, vreug-de, ge-zond, ver-witiigen, enz.

De tweede zeer talrijke groep bestaat uit woorden, die in \'t geheel geen voor- of achtervoegsels vertoonen, bijv. deur, huis, groot, klein, grijpen, sluiten, enz.

De oorsprong van al deze woorden is niet na te gaan zonder vergelijking met verwante talen of dialecten.

§ 319. Toch zijn er onder deze groepen sommige woorden, die wij niet met stilzwijgen mogen voorbijgaan. Het zijn zelfst. en bijv. naamwoorden, die gevormd zijn op eene wijze, welke sedert eeuwen niet meer voorkomt.

Vergelijkt men namelijk sommige substantieven en adjectieven met sterke werkwoorden, of ook onderling, dan zal men èn in vorm èn in beteekenis groote overeenkomst aantreffen, maar tevens het eigenaardig verschijnsel waarnemen, dat de substantieven en adjectieven beurtelings alie stamklinkers vertoonen, die wij bij de sterke werkwoorden der zes eerste klassen aantreffen. Soms zijn die zelfst. en bijvnw. geheel in vorm gelijk aan een der stammen van een sterk werkwoord, soms zijn ze voorzien van voor- of achtervoegsels.

Men wachte zich voor de meening, alsof zulke woorden van de verschillende stammen van sterke werkwoorden waren afgeleid, zij hebben eenvoudig met die werkwoorden of ook onderling een gemeenschappelijken oorsprong; zij zijn met elkander verwant.

Ter opheldering van \'t bovenstaande geven wij thans eenige groepen van woorden, die met elkander verwant zijn. Wij rangschikken ze in dezelfde orde als de zes eerste klassen der sterke werkwoorden. Eene

-ocr page 157-

143

klankwisseling als de vijf laatste klassen vertoonen, komt bij de woordvorming niet voor.

I.

e, iao.

hinden, band, bend-e (e uit aj, hint (t voor d), hund-el (u uit o); hlinken, hlank; drinken, drank, dronk; dringen, drang; dwingen, dwang; klinken, klank; krimpen, kramp; schimp, schamper; slinger, elang; slinken, slank; springen, sprong; vinden, vond, vond-st; wringen, wrang, wrong, wrong-el; bergen, (hooijberg, borg, burg, burcht (u uit o) ; smelten, smout (uit smalt), heigen (zwellen van toorn), balg (in blaasbalg).

n.

e, aa (volkomen)—o.

beren (alleen nog in \'t verl. deelw. geboren), baar (draagbaar), -baar -nemen, ge-naam in aangenaam; stelen, stal (in diefstal); scheren, schaar,. schaard; xweren, (pijn doen) zwaar; breken, braak (adj.) brok, breuk (eiv uit o); spreken, sprak-e, sprok-e, spreuk {en uit o); wreken, wrak-er wrok; steken, stek-el; helen, hel-m, hal-Ie, hol, hul „dekselquot;, hullen, huls.

III.

e, iaa (volkomen).

liggen, leg-er, lag-e, laag (adj.), ge-lag; zitten, xet-el, zaat (in landzaat); geven, gift, gav-e, gaaf „geschikt om te gevenquot;; meten, mat-e ; weven, webbe (e uit a), waf-el (naar de ruitjes); heivegeit, iveg, waagr wag-en, (subst. en werkw.) gewicht.

IV.

ij (uit ?) — ee (uit ei) — e (uit i).

bijten, bijt, heit-el, bet-e, ge-bit, bitl-er; blijken „licht, helder, duidelijk zijnquot;, bleek, blik (ra. en o.) bliksem; dijgen, deesem; drijven, drif-t, dreef, drev-el; grijpen, greep; knijpen, kneep; krijten, kreet; lijden, leed;■ nijpen, neep; rijden, rit; rijten, reet; schrijden, schred, schrede; slijten, slet „vodquot;; snijden, snede, snit; splijten, spleet, split; stijgen, steig-err steeg, steg; strijken, streek, strek-e (in landstreek); tijgen (in aantijgen),, tich-t (in betichten); wijken, week.

V.

ie, uioo (uit ou) — o (uit ?lt;).

bieden, bod-e, bod, beul (uit beud-el, eig. „aanzegger); (be)driegen T (be)dTog, (ge)drocht (eig. „bedrieglijk wezen, booze geestquot;); gieten, goot;:

-ocr page 158-

144

Idezcn, keuz-e, en keur; klieven, klov-e; liegen, looch-en.en, log-en

\'{leugen); (ver)liezen, foos (adj. en achterv.), loozen, loor (in te loor gaait), ■leur (in te leur stellen), los; (ge)nieten, {ge)noot, (ge)not, nut; ruiken, rieken, rook, reuk (eu uit o); schieten (bewegen en doen bewegen) schuit, schot, scheut, (ge)schut; tijgen „trekken, gaanquot;, (her)tog, tocli-t, tuch-t, teug, teug-el {eu uit o); vliegen, vlug, vluch-t, vleug-el, gt;{eu uit o); vlieten, vliet, vlot (subst. en adj.), vloot; vriezen, vors-t; zieden, zod-e „kookselquot;; huigen, hoog, hoeh-t- druipen, drop, drup,

■ dropp-el, drupp-el; kruipen, kreupel {eu uit o); luiken, luik, h-lok (voor he-lok: „raiddel tot in- of opsluitingquot;); schuiven, schoof; sluiten, sloot,

■ slot, sleutel {eu uit o); spruiten, spruit, spriet; stuiven, stof (onz.); zuigen, zog.

YI.

a — oe.

hat-e, het-er (c uit a), boet-e; graven, graf, grach-t {ch voor f), g roe-re ;

■ varen, vaar-t, veer (e uit a), roer (hout enz.) scheppen, -schap.

II. DE VORMING- DER WERKWOORDEN.

§ 320. Wij behandelen de samengestelde werkwoorden en die ■afgeleide, welke van duidelijk herkenbare grondwoorden zijn gevormd.

§ 321. Werkwoorden zijn scheidbaar of onscheidbaar samengesteld, naarmate de deelen, waaruit zij bestaan, in de vervoeging wel of niet kunnen gescheiden worden.

§ 322. Onscheidbaar samengestelde werkwoorden worden gevormd;

a. van twee werkwoorden, waarvan \'t eerste de n des infinitiefs mist; spelevaren „voor zijn genoegen varenquot;, spelemeien „op \'t veld spelenquot; uit spelen en meien „zich buiten vermakenquot;, nnlehuiten „ruilenquot; van ruilen en buiten „ruilenquot;, koekeloeren „uitkijkenquot; van koeken „kijkenquot;

■(Hd. gucken) en loeren.

b. van een werkwoord met een naamwoord: liefkoozen, eigenlijk lief koozen „pratenquot;, vrijwaren, eigenlijk waren „zorgenquot;, dat iemand vrij blijft, voltooien, eigenlijk vol maken, logenstraffen, eigenlijk als

.leugenachtig ten toon stellen, gekscheren van gek en scheren „spottenquot;, raadplegen, eigenlijk raad maken, waarschuwen, eigenlijk waar „zorgquot; schouwen „toonen.quot;

c. van een werkwoord met een der bijwoorden; door, mis, om, onder, over, voor. De klemtoon valt dan op \'t werkwoord en dit komt dikwijls voor in overdrachtelijke beteekenis: misdoen, doorsnijden, omringen, onderscheiden, ondersteunen, over stroomen, overleggen, voorzeggen,

^voorkomen.

-ocr page 159-

145

§ 323. Scheidbaar samengestelde werkwoorden worden gevormd;

a. van een werkwoord met een naamwoord: aderlaten, gadeslaan, eigenlijk de opmerkxaamheid richten op, kwijtschelden, eigenlijk vrij verklaren, enz.

Ten einde steeds te weten, of zulke werkwoorden inderdaad samengesteld zijn, beproeve men bij een substantief, of men er een bijvoeglijk naamwoord of \'t woord geen voor kan plaatsen; bij een adjectief, oi het in den vergrootenden of overtrefïenden trap geplaatst kan worden, of door een bijwoord van graad kan worden voorafgegaan. Is dit niet het geval, dan heeft men met een samengesteld werkwoord te doen. Zoo zijn aderlaten, ademhalen, plaatsgrijpen samengesteld: immers men kan niet zeggen: geene ader laten, ruimen adem halen, geene plaats grijpen.

Daarentegen zijn; acht slaan, acht geven, prijs stellen, plaats vinden, niet samengesteld, omdat men kan zeggen: geene acht slaan, geene acht geven, hoogcn prijs stellen, geene plaats vinden. Zoo zijn ook vrijspreken „vrij verklarenquot;, hoogachten „hoogachting toedragenquot;, goedvinden „raadzaam achtenquot;, goedmaken „herstellenquot;, goedkeuren „voor goed verklarenquot;, vrijlaten, loslaten „maken dat iemand of iets vrij, los wordtquot;, samengestelde werkwoorden, terwijl vrij spreken „ongehinderd sprekenquot;, hoog achten „hoog rekenenquot;, b.v.: ik acht die belasting te hoog, goed vinden „vinden, dat iets goed isquot;, b.v.: ik vind dien maatregel goed, goedmaken „zoo maken, dat iets goed isquot;, b.v.: die jongen maakt het mij goed, goed keuren „op de behoorlijke wijze keurenquot; (goed is bijw.), vrij, los laten „iemand of iets in den vrijen toestand latenquot;, b.v.: ik laat hem zoo vrij als hij was; gij hebt dat touw ie los gelaten: trek het wat aan en dergelijke geene samengestelde werkwoorden zijn.

b. van een werkwoord met een bijwoord: uitgaan, wegvluchten, aaneenrijgen, samenloopefi. Men lette op de werkwoorden, die met door, mis, om, onder, over en voor scheidbaar zijn samengesteld. Zij komen steeds in hunne eigenlijke beteekenis voor; de klemtoon valt op \'t bijwoord: misraden = verkeerd raden, doorloopen - voort en van H eene eind naar \'t ander loopen, omwerpen = omverwerpen, omslaan = om een punt heen gaan of doen gaan, omdwalen = ronc/dwalen, ombrengen = maken, dat iemand \'t leven kwijt raakt, ondergaan, overkomen, voordoen.

Voorts vergelijke men: doorloopen en doorloopen, dóór snijden en doorsnijden, doorzoeken en doorzoeken, óndergaan en ondergaan, onderhouden en onderhóuden, óverkomen en overkómen, óverwegen en overwegen, óverleggen en overléggen, voorkomen en voorkómen, vóórspellen en voor-spéllen, enz.

Het bijwoord weder beteekent in de scheidbare samenstelling: op nieuw of terug: wederkomen, wedervinden; in de onscheidbare, tegen: weerstaan, weerstreven, weerspreken, enz.

§ 324. Samenstelling door middel van afleiding heeft plaats, wanneer de stam eens werkwoords met een zelfstandig naamwoord wordt verbonden. Zulke werkwoorden zijn: stampvoeten „mot de voeten stampenquot;,

T. TEKWEV, Ned. Spraakk. iie druk. 10

-ocr page 160-

UG

reikhalzen (voor relchalxen) „don lials rokkenquot;, schoorvoeten „do voeten schoren, schrap zettenquot;, knnrselanden „met de tanden knarsenquot;, knikkebollen „met den bol knikkenquot;, kwispelstaarten „met den staart kwispelenquot;, kortwieken „de wieken korten.quot;

Opmerking. Ten einde in te zien, dat liier ook werkelijk samenstelling dooi\' alleiding plaats heelt, Ijulioort men op te meiken, dat de uitgang en van den infinitief en de overige buigingsuitgangen van het werkwoord in den grond niet onderscheiden zijn van de overige achtervoegsels bij deze wijze van woordvorming in gebruik. Zij toch maken ook de beide losse woorden tot een samengesteld werkwoord evenals de andere tot samengestelde substantieven en adjectieven.

§ 325. Een ander geval van samenstelling door afleiding treft men aan in de woorden beeldhouwen, dwarsdrijven, pluimstrijken. Van de losse woorden beeld en houwen, dwars en drijven, pluim en strijken, vormde men door middel van \'t achtervoegsel er de substantieven; beeldhouwer , dwarsdrijver, plnimstrijker. Daar nu substantieven, als: schrijver, lezer, enz. van de werkwoorden schrijven, lezen, enz. waren gevormd, besloot men uit het bestaan der zelfstandige naamwoorden beeldhouwer, enz. tot het bestaan der samengestelde werkwoorden beeldhouwen, enz. en zeide dus; hij beeldhouwt, enz. Enkele op dezelfde wijze gevormde werkwoorden komen alleen in den infinitief voor, als: koorddansen, kroegloopen, scharenslijpen, buikspreken, enz. Buiten den infinitief verdwijnt de samenstelling: hij danst op hel koord, slijpt scharen, enz.

Men vergete niet, dat werkwoorden, als; herbergen, glimlachen, xege-pralen, rechtvaardigen, verwelkomen, enz. niet samengesteld, maar afgeleid zijn van samengestelde substantieven en adjectieven.

§ 32G. Werkwoorden worden van andere woorden afgeleid zonder of met behulp van voorvoegsels. Die van de eerste groep zijn afgeleid;

a. van substantieven. Zij zijn gevormd door achter het grondwoord de buigingsuitgangen van het werkwoord te plaatsen, die dan den dienst doen van achtervoegsels. (Zie § 324 Oku.) Zij drukken eene werking uit, die in eene of andere betrekking staat tot hetgeen het grondwoord betee-kent; grazen, klceden, stroomen, villen, schillen, visschen, weiden.

b. van adjectieven op dezelfde wijze. Zij beteekenen, zoo zij onovergankelijk zijn; worden tot hetgeen \'t grondwoord beteekent; zoo zij overgankelijk zijn; maken tot hetgeen \'t grondwoord beduidt; groenen, rijpen, grijzen, korten, witten, sterken, weeken, heeien, bleeken.

De van substantieven en adjectieven afgeleide werkwoorden heeten denominatieven, omdat hunne grondwoorden nomina (naamwoorden) zijn. Oudtijds hadden zij veelal voor de werkwoordelijke uitgangen eene i of j, die den overgang bewerkte van a in e en van e in i, bijv. in; dekken, stellen, schenden van dak, stal, schand; krenken, netten, lüetten, temmen, vesten van krank, nat, plat, tam, vast; villen, schillen, richten, van vel, schel, recht.

Sommige denominatieven hebben achter het grondwoord liet achter-

-ocr page 161-

UT

voegsel igen. Dit achtervoegsel is ontstaan door navolging van werkwoorden, afgeleid van adjectieven, die reeds op ig eindigden. Zoo zijn reehtvaardigen, stevigen, heiligen, (be)veiligen klaarblijkelijk gevormd van de adjectieven rechtvaardig, stevig, heilig, veilig. Naar liet voorbeeld van dergelijke woorden vormde men mi werkwoorden als eindigen, vereenigm, verkondigen, stecnigen, enz. van de grondwoorden eind, een, kond, steen, enz. Bij sommige van deze woorden bestaat intusschen ook een vorm zonder ig, als in einden, vereenen, verkonden, verzaden, vesten, doch steenigen wordt nooit steenen en men onderscheidt kruisen „een kruis maken of aan :t kruis slaanquot; van kruisigen „aan \'t kruis slaan.quot;

Nog andere denominatieven hebben achter het grondwoord het achtervoegsel eeren. Dit hadden oorspronkelijk alleen de aan \'t Fransch ontleende werkwoorden, als: zich amuseeren, zich geneeren, enz. Doch men heeft het in navolging daarvan ook achter Nederlandsche woorden geplaatst: halveeren, trotseeren, waardeeren, kleineeren, stoffeeren, voeteeren, enz.

c. van bijwoorden: innen, uiten, naderen, vorderen, opperen, bejegenen, vernederen.

§ 327. Er zijn een aantal werkwoorden, die, ofschoon ze niet gezegd kunnen worden, van werkwoorden afgeleid te zijn, toch daarmede in vorm en beteekenis duidelijke verwantschap vertoonen. Die werkwoorden zijn:

a. de causatieven. Zij beteekenen het veroorzaken der werking in een verwant sterk werkwoord uitgedrukt. De meeste daarvan hadden oudtijds denzelfden stamklinker als de onvolt. verl. tijd enkelv. van het sterke werkwoord. Men herinnere zich hierbij, dat de onvolt. verl. tijd enkelv. der le klasse voorheen eene a had en die der 4® klasse eene ei. Vóór de buigingsvormen kwam eene i of J voor, die ook hier eene a in e deed overgaan.

De voornaamste causatieven zijn de volgende:

I. drenken van drank (drinken).

wenden „ wand (winden).

zenden „ zand (zinden).

II. kwellen „ kwal (kwelen).

III. leggen „ lag (liggen).

zettegt;i „ zat (zitten).

IV. leiden „ leid (leiden).

neigen „ neig (neigen)

\\T. klooien „ kloof (klieven).

zoogen „ zoog (zuigen).

VI. voeren „ voer (varen).

Aangaande deze werkwoorden wete men: dat winden voorheen ook onovergankelijk was: „aan \'t draaien, keeren zijnquot;; dat de oorspronkelijke a van zenden nog voorkomt in het oude zwakke verleden deelwoord gezand (gezant) en dat het werkw. zinden „gaanquot; alleen in enkele oudere Germaansche talen voorkwam; dat het werkw. kwelen „pijn lijdenquot; in onze oudere taal vaak voorkomt; dat het werkw. lijden „gaanquot; of „passeerenquot;

-10*

-ocr page 162-

148

nog voorkomt in overlijden, verleden week., H is drie drnjen geleden, hel leed geen tien tellen, enz.; dat het sterke werkw. nijgen alleen als „buigen uit beleefdheidquot; voorkomt: in alle andere gevallen, ook onovergankelijk, gebruikt men tegenwoordig het zwakke neigen; dat klieven „splijtenquot; sterk vervoegd werd (kloof, kloven, gekloven) en ook onovergankelijk was.

Een paar andere causatieven, niet verwant met sterke werkw. der zes eerste klassen, zijn:

vellen van val (vallen).

wekken „ wak (waken).

b. de intensieven, die zich onderscheiden van de met hen verwante werkwoorden door verscherping en verdubbeling van den slotmedeklinker van den stam. Men heeft ze zoo genoemd, omdat men bij sommige eene verscherping der beteekenis van het verwante werkwoord opmerkt. Ze zijn: hukken naast huigen, nikken naast nijgen, hikken naast hijgen, stikken naast steken, knippen naast knijpen, wikken naast wegen, zwikken naast zwijken, en met de achtervoegsels elen en eren: stribbelen, drihhelen, kibbelen, bibberen naast streven, draven, kijven, beven.

Men merke hierbij op, dat de g werd uitgesproken als de hd. g in Oott; dat eene b meermalen uit eene v is ontstaan; dat de ui vroeger u was en de ij = i; dat meermalen eene 1 uit e is ontstaan.

c. de frequentatieven (werkwoorden van herhaling), die gevormd zij a door de achtervoegsels elen en eren. Zij heeten zoo, omdat sommige eene herhaalde werking beteekenen: stotteren, klapperen, flikkeren, blikkeren, kibbelen, stribbelen, pruttelen.

Sommige dezer werkwoorden zijn van nog bestaande of verouderde substantieven en adjectieven op el en er gevormd en dus niet anders dan denominatieven, als brokkelen van brokkel „brokjequot;, brijzelen van brijzel „kruimelquot;, hobbelen van hobbel „knubbel, verhevenheidquot;, wankelen van wankel; bulderen van bulder „geraasquot;, dobberen van dobber, plunderen van plunder „huisraadquot;, wakkeren van wakker, enz. Andere zullen wel naar \'t voorbeeld van dergelijke woorden rechtstreeks van werkwoorden zijn gevormd. De oorsprong van vele ligt in \'t duister.

§ 328. Werkwoorden zijn van andere afgeleid door de voorvoegsels: be, eigenlijk bij; vandaar dat dit voorvoegsel beteekent:

1. bij: beroepen (een predikant), behooren, bevallen, (verg. bijval), bekomen (van den schrik, bijkomen), bestaan (wat hij iemand staat, bestaat voor hem), believen, (lief hij — voor iemand zijn).

2. het verkrijgen door middel der werking: beërven, behalen, hekomen, bereiken, hekoopen.

3. het brengen eener werking bij een voorwerp. Het maakt zoo onovergankelijke werkwoorden overgankelijk: begaan, beloopen, berijden, bestrijden.

4. het plaats hebben der werking op alle punten des voorwerps: beplanten, bebouwen, bekleeden, begrijpen, heslaan, besnoeien.

5. het voorzien van \'tgeen het grondwoord beteekent: bedijken.

-ocr page 163-

149

bemannen, bepalen, besteden, beschermen; bevrijden, benauwen, beveiligen.

S© = samen. Deze beteekenis is duidelijk in: gevallen „behagenquot;, gelieven, geleiden, geraken. Versterkt wordt het grondbegrip in: gevoelen, gedenken. Zonder veel verschil worden gebruikt: verzeilen, lijken, raken, lukken en vergezellen, enz. In verbinding met kunnen of laten komen voor: gebeteren, gelusten, geworden, gezeggen.

er = uit (\'tzelfde als oor bij substantieven). Deze beteekenis is duidelijk in: erkennen „voor het kennen ««\'/komenquot;, eraehten, in: mijns erachtens „het achten, rekenen toonenquot;, erbarmen „toonen, dat men barmt, medelijden heeftquot; van barmen „medelijden hebbenquot; en dit van armen „klagen.\'\' Het beteekent \'t verkrijgen door middel der werking in: erlangen van langen „reikenquot; en ervaren van varen „gaan, komen.quot;

her = op nieuw. Het beteekent eene herhaling der werking: lier-stellen, herdenken, herkennen. In herinneren vindt men het voorgaande er: het beteekent eigenlijk: door te binnen brengen doen verkrijgen.

ont (\'tzelfde als ant bij substantieven) = tegen. Het beteekent:

1. tegen: ontmoeten, ontvangen, ontzien, (iets) onthouden, enz.

2. weg, in tegengestelde richting: onthopen, ontsnappen, ontvlieden, ontgaan.

3. het geraken of brengen uit een vroegeren toestand: ontbinden, ontsluiten, ontluiken, ontvouwen, ontwikkelen. Het grondwoord drukt dan den vroegeren toestand uit.

4. het komen of brengen in een nieuwen toestand: ontvlammen , ontbranden, ontbijten, ontwaken, ontslapen. Het grondwoord drukt dan den nieuwen toestand uit.

5. het wegnemen van datgene, wat het grondwoord uitdrukt: onthoofden, ontbladeren, onthalzen; ontheiligen, ontreinigen.

ver, van verschillende bijwoorden afkomstig, wier beteekenissen zich laten terugbrengen tot: 1. weg, 2. voor = niet achter, 3. voor = ten voordeele van, 4. voor = in de plaats van.

1. ver -= weg: verbannen, verdrijven, verjagen. Uit deze beteekenis vloeit voort: a. het onderwerp of voorwerp verdwijnt tengevolge dei-werking: verhongeren, verbranden, verbruiken, verspelen, verspillen; b. het voorvoegsel beteekent verkeerd: (zich) vergrijpen, (zich) vergissen; verdenken , verachten.

2. ver = voor: verbinden, verschansen, versperren, verstaan, verglazen, vergulden, verbloemen.

3. ver = voor: verzorgen, verplegen, verschaffen, verweren, verdedigen (uit verdadigen = verdadingen = verdagedingen van dageding: rechtsgeding, dus: voor iemand in een geding optreden).

4. ver = voor. Is \'t grondwoord een werkwoord, dan beteekent het: anders doen; is \'t grondwoord een naamwoord, dan beteekent het: zoo worden of maken: verkleeden, verdoopen, vermaken; versteel ten, vereelten, verarmen; vergrooten, verlossen, verblijden.

Enkele malen beteekent het voorvoegsel ver: over, als in: vernachten.

-ocr page 164-

150

verwinteren, vermeesteren, verschalken, verrassen, verbluffen. Soms ook brengt het weinig verandering in de beteekenis van \'t grondwoord; verblijven, vermeenen, verkrijgen, vertoeven, verontschuldigen.

§ 329. Werkwoorden, door \'t voorvoegsel wan afgeleid, zijn er niet meer: wanhopen en wantrouwen zijn gevormd van de afgeleide substantieven wanhoop en wantrouw, zooals blijkt uit hunne verleden deelwoorden. Alleen wanschapen komt van wanscheppen, dat door \'t voorvoegsel wan van scheppen is afgeleid.

II. DE VORMING I)EU ZELFSTANDIGE NA AM WOORDEN.

§ 330. Wij behandelen de substantieven, die samengesteld of die van andere woorden zijn afgeleid.

De samengestelde substantieven bestaan uit:

a. twee substantieven: heereboer, brandweer, nachtlicht, voetmat, straatweg, varkenshok, leeuwenmuil, kurketrekker, hoenderhok.

b. een substantief en den stam van een werkwoord: schaafbank, hanglamp, naaimachine, eetlepel, vaartuig.

e. een substantief en een adjectief: hoogepriester, laagland, grool-radrr, hoogmoed, zuurkool, zoethout.

d. een substantief en een telwoord: drieman, tienman, viervorst.

e. een substantief en een bijwoord: bovenhuis, achterdeur, bijblad.

§ 331. Gelijk men zal opmerken, staan er tusschen de beide leden

van een samengesteld substantief, wanneer het eerste lid een substantief of adjectief is, soms eene of meer letters. Zij zijn bij substantieven: s, e, en en er. bij adjectieven e. Oorspronkelijk behoorden zij tot het eerste lid als in zonneschijn of zij dienden om zekere betrekkingen uit te drukken, als s, en en er die van den genitief of van het meervoud. De e achter adjectieven was de gewone buigingsuitgang voor een substantief.

Tegenwoordig echter wordt de beteekenis dezer uitgangen niet meer gevoeld en moeten zij als bloote verbindingsletters beschouwd worden. Voorbeelden zijn:

s: vaderlandsliefde, watersnood, scheepsbeschuit, leidsman, scheidsmuur, kortswijl, landsman, kruidenierswaren, slagerswinkel, koksjongen.

e: brilleman, lampekap, flesschebakje, enz. (Vgl. § 372).

en: leeuwenmuil, vrouwenkleed, boerenwoning, enz. (Vgl. § 372).

er: eierdopje, kleedermaker, beendermeel, hoenderhok. (Vgl. § 256).

§ 332. Samenstelling door afleiding heeft plaats, wanneer twee of moer losse woorden door een der achtervoegsels er, ing of je tot een samengesteld woord zijn verbonden: een achtenveertiger „een man van 48 jaarquot;, achtenzestiger „wijn van \'08quot;, boekhouder (van boek en houden), waterdrager (van water en dragen), broodwinning (van brood en winnen), tentoonstelling (van ten toon stellen), tivaalfuurtje, onderonsje.

§ 333. Van een substantief, gevolgd door den stam van een werkwoord, die niet als substantief voorkomt, wordt een samengesteld zeifst.

-ocr page 165-

151

naaimv. gevormd, dat in lieteekonis overeenkomt met een substantief op er of ing: oliekoop (van olie en koopen), schoen flik (van schoen en /likken), eerbieden (van eer en bieden)., tijdverdrijf (van tijd en verdrijven).

Eene andere wijze van samenstelling der zelfst. naarnw. bestaat daarin, dat men door middel van een substantief, door een adjectief, telwoord of don stam van een -werkwoord voorafgegaan, de zelfstandigheid noemt, die datgene bezit, wat door de leden der samenstelling wordt uitgedrukt: roodhuid, platvoet, kwikstaartje, drietand, vierhoek, wipneus. Nog andere samenstellingen noemen het onderwerp der werking in \'t eerste doei der samenstelling uitgedrukt: stokebrand, dwingeland, brekespel, bemoeial, weetniet, enz.

§ 334. De afgeleide substantieven worden gevormd door middel van voor- en achtervoegsels. Die voorvoegsels zijn:

aarts, van vreemden oorsprong, komt voor in de naar vreemde titels gevormde woorden: aartsbisschop, aartsvader, aartsdeken, aartsengel en beteekent dan: voornaamste. In Nederlandsche woorden, steeds mot ongunstige beteekenis, beduidt het: in hooge mate zijnde: aartsschelm, aartsleugenaar.

ant = tegen komt alleen voor in: antwoord.

af, eigenlijk hetzelfde bijwoord, dat voorkomt in afdak, afval, enz., heeft ontkennende kracht in: afgrond „grondelooze dieptequot;, afgod „ongodquot; en afgunst.

et = op nieuw vindt men slechts in etgroen ,,\'t groen, dat na \'t hooien weer ontspruitquot; en etmaal „telkens terugkeerende tijdkring.quot;

ge = samen. Het vormt van substantieven verzamelnamen: gebroeders, gezusters, gelieven. Ook in: geboomte, gebladerte, enz. is het dit voorvoegsel, dat deze woorden tot collectieven maakt. Van sommige woorden met ge is \'t grondwoord niet meer in gebruik: gezel „iemand, die met een ander samenwoontquot;, genoot „iemand, die met een ander (gejnietquot;; gezin voor gezinde „die met een ander gaanquot;, van zinden (vgl. § 327); vandaar dat het voorvoegsel soms weggelaten wordt: gebuur buur „die met een ander samenwoontquot;, maat voor gemaal „die met een ander samenspijst.

Het vormt van stammen van werkwoorden substantieven, welke eene herhaling der werking aanduiden: geloop, gejubel, geschreeuw, of \'t voortbrengsel der werking: gebak, gebraad, gebouw, geschrijf. De beteekenis samen heeft ge duidelijk in: gesprek, gedrang, geschil. on = niet of slecht: ongeloof, ondank, ongeluk; onmensch, ondier, onweer. wan, oorspronkelijk ledig heeft dezelfde beteekenissen als on: wanhoop, wangunst; wanbegrip, wanklank, wandaad.

oor = uit: oorsprong „\'t springen uit ietsquot;, oorzaak „de zaak, waaruit eene andere voorkomtquot;, oordeel „\'tgeen men uitdeeltquot;, oorkonde „stuk, waaruit men kennis krijgt.quot; De oorsprong van oorlog is onzeker.

§ 335. De voornaamste achtervoegsels der zelfstandige naamwoorden zijn de volgende:

-ocr page 166-

152

1. Mannelijke persoons- en diernamen vormen:

aar, dat meestal van stammen van werkwoorden de namen vormt van mannelijke personen, die eene werking verrichten: bedelaar, huichelaar, teekenaar. Dit achtervoegsel wordt gebruikt, wanneer de werkwoordelijke stam op eene toonlooze lettergreep eindigt. Bij leeraar, dienaar, minnaar, overwinnanr bleef aar behouden, om te vermijden, dat de r of n van den stam te dicht bij de r van \'t achtervoegsel zou komen. Toovenaar staat voor tooveraar, moordenaar voor moorderaar (van moorder — moord). Ook na substantieven komt dit achtervoegsel, dat dan meermalen den vorm naar krijgt: xondaar, harpenaar, schuldenaar, redenaar, geweldenaar, Het achtervoegel naar kwam eerst schijnbaar achter zelfstandige naamwoorden, die op eene n uitgingen, als; reden-aar, lollen-aar, leugen-aar.

Later plaatste men het ook achter sterke zelfstandige naamwoorden: schuldenaar, geweldenaar, bultenaar, kluizenaar.

Het achtervoegsel aar is meestal geslonken tot:

er: lezer, schrijver, helper; kater, doffer.

Nog dienen aar en er tot vorming der namen van personen, welke in zeker land of zekere plaats thuis behooren: Antwerpenaar, Utrechtenaar, Hollander, Amsterdammer. Wanneer de landsnaam van den volksnaam is gevormd, geschiedt dit natuurlijk niet: Deen, Zweed, Pool, Saks (niet: Sakser), Beier, Fries; toch wel met Duitscher. De uitgang en wordt soms weggelaten: Har linger, Bohemer. Zwitser is \'t verhollandschte Schwyzer van Schwijx.

ier is van Pranschen oorsprong en wordt achter substantieven geplaatst, om personen te beteekenen, die gewoonlijk zeker werk verrichten: tuinier, herbergier, winkelier. Ook hier heeft schijnbare werkelijke inlassching eener n plaats bij: aalmoezen-ier, valken-ier, (vroeger zwak), kruidenier, hovenier, warmoexenier. Het vrouwelijke kamenier staat voor camerier(a).

aard, eigenlijk \'t adjectief hard = sterk, vormt meestal van adjectieven namen van personen, die in sterke mate zekere eigenschap bezitten. Zij hebben gewoonlijk eene ongunstige beteekenis: grijsaard, wreedaard, luiaard, gierigaard, dronkaard. Van werkwoordelijke stammen zijn gevormd: grijnzaard en veinzaard. Van Spanje komt Spanjaard.

Men lette op \'t verschil in \'t afbreken en \'t daarmee samenhangend verschil in spelling tusschen: grijs-aard, wreed-aard en grjn-zaard, vein-xaard. Dit achtervoegsel is toonloos geworden in:

erd: slimmerd, hlufferd, lafferd. Ironisch worden gebruikt: lieverd, stouterd. Immers \'t achtervoegsel erd vormt eigenlijk woorden met ongunstige beteekenis.

rik, eigenlijk rijk — sterk met dezelfde beteekenis als \'t voorgaande achtervoegsel: stommerik, dommerik, botterik.

and in heiland en vijand is geen achtervoegsel, maar de oude uitgang van het tegenwoordig deelwoord der werkwoorden heiljen (thans: heelen) en vijen — haten. Deze uitgang is tot end geworden in tri-end van \'t werkwoord vri-en (thans: vrijen) = liefhebben.

-ocr page 167-

153

2. Vrouwelijke persoons- en diernamen vormen:

ster, dat achter werkwoordelijke stammen eene vrouw aanwijst, welke de werking gewoonlijk verricht; schrijfster, stijfster, werkster, helpster. Als tot vorming van een mannelijken persoonsnaam niet er, maar aar dient, komt ster achter dit laatste; babbelaarster, leugenaarster.

in, dat van mannelijke persoons- of diernamen de namen vormt dei-vrouwen van die personen of der wijfjes van die dieren; koningin, hertogin, bakker in, leeuwin, berin. Soms worden er eenvoudig vrouwelijke personen door aangeduid, die in aard of betrekking met de mannelijke overeenkomen; heldin, godin, herderin, waardin.

es, van vreemden oorsprong, dat van mannelijke substantieven de namen vormt van vrouwen, die in zekere waardigheid of betrekking voorkomen; zangeres (onderscheiden van zangster = liedjeszangster of Muze), priesteres, zondares, dienares, enz.

egge, dat nog alleen voorkomt in dievegge, en tot ei is overgegaan in: klappei, labbei, „babbelachtig wijf.quot;

3. Gemeenslachtige persoons- en diernamen vormt;

ing, gewoonlijk 1-ing door den invloed van grondwoorden op 1, niet te verwarren met hot gelijkluidende achtervoegsel, dat begripsnamen vormt. Het duidt allereerst afkomst aan: edeling, Karoling, Vlaming: West faling. Achter namen van plaatsen beteekent het do personen, die ergens thuis behooren: dorpeling, stedeling, schepeling; achter substantieven en adjectieven de personen, welke zekere eigenschap bezitten; kleurling, vreemdeling, nieuweling, jongeling; achter stammen van werkwoorden de personen, welke eene werking verrichten of ondergaan: leerling, zuigeling, smeekeling; banneling {balling), vondeling.

Diernamen zijn; hokkeling, gvondeling, gieteling.

Men lette er op, dat het achtervoegsel eigenlijk ing is en men daarom schrijft; edel-ing, hemel-ing. (Verg. ijl-ings bij de bijwoorden).

4. Zaaknamen worden hoofdzakelijk gevormd door:

aar, veelal 1-aar door den invloed van grondwoorden op 1. Het vormt namen van boo men en werktuigen: hazel-aar, roze-laar, tuimelaar. er, dat namen van werktuigen vormt: stoffer, trekker, snuiter, blaker. el, dat mede namen van werktuigen vormt: beugel, sleutel, vleugel, teugel, hevel, lepel, beitel.

eel, dat denzelfden dienst doet, doch van Franschen oorsprong is; truweel {troffel). Het komt achter Kederlandsche stammen in: houweel, tooneel. Men vindt het ook in; struweel „struik.quot;

sel, dat nu eens \'t middel aangeeft, om zekere werking te verrichten: deksel, stijfsel, blauwsel, behangsel, verguldsel, dan weer substantieven vormt, welke \'t voortbrengsel eener werking beteekenen: baksel, brouwsel, zaagsel, opveeg sel.

en in namen van landen, als: Polen, Saksen, Beieren, Zweden is geen achtervoegsel, maar de uitgang van den 3\'-\'11 naamv., die oudtijds

-ocr page 168-

154

geregeerd werd door voorzetsels als van, naar en dgl., welke men voor den meervoudsvorm van den volksnaam plaatste, wanneer men van het land sprak. Later werd deze 3e nv. meerv. voor den stam van den landsnaam gehouden.

5. Verkleinwoorden worden gevormd door: je, (e)tje, (e)kijn, (e)ken, (e)ke, ske, el, ijn, elijn.

Door verkleinwoorden verstaat men die substantieven, welke zelfstandigheden voorstellen als klein in hare soort: huisje, tuintje, tafeltje. Soms geven zij iets aanvalligs te kennen: wijfje, hartje, poesje, zonnetje, maantje, soms ook geringschatting: kleermakertjc, aannemertje. Nog dienen zij als verzachtende uitdrukkingen: Och kom, leen mij dat sommetje maar! Mag ik nog een uurtje opblijven? Toe, wandel dat eindje nog met mij mee. Nog een maandje, dan krijgen we vacantie! Ten slotte beteekenen zij eenvoudig kleine voorwerpen: Utreehtsche theerandjes, Haarlemmer halletjes, dubbeltjes, enz.

je en tje worden het meest gebruikt. Zij komen ook achter adjectieven, die dan substantieven worden: nieuwtje, liefje, bittertje, grauwtje, oudje, grijsje, geeltje.

(e)kijn, (e)ken, (e)ke, ske komen weinig voor; de beide eerste alleen in hoogeren stijl. Zij geven iets liefelijks te kennen: kindelcijn, gaardekijn, kindeken, manneke, jongslee, bockske. Het achtervoegsel ik in vuilik is eigenlijk \'t eerste deel van ek-ijn; dit woord beteekent dus oorspronkelijk vuiltje.

el vormt substantieven, die vroeger den aard van verkleinwoorden hadden. De voornaamste zijn: droppel, sprankel, mazel, bundel, pukkel, knokkel, knekel (voor kneukel en dit voor knolcel), troniihel, kruimel, stippel van drop, sprank, maas „vlekquot;, hond, pok, knook, trom, kruim, stip.

ijn en el-ijn, waarvan \'t eerste deel het vorige el is, komen slechts in oen paar woorden voor: vogelijn, maagdelijn, oogelijn „lieveling.quot;

Het achtervoegsel ing, ling, dat boven besproken is, vormt ook meermalen benamingen van kleine voorwerpen, die als verkleinwoorden moeten worden beschouwd: kruiling, pippeling, krakeling, penning, schelling, zilverling, teerling; de grondwoorden zijn hier veelal duister.

6. Begripsnamen worden gevormd door de volgende achtervoegsels: e, de en te vormen namen van hoedanigheden van adjectieven:

koucl-e, ivoed-e, liefde, diepte, laagte, lengte. Groente is een stofnaam geworden, terwijl hoogte en laagte soms voorwerpsnamen zijn.

heid, oorspronkelijk een substantief, dat aard, toestand beteekande, vormt namen van hoedanigheden, meest van adjectieven: waarheid, goedheid. Van substantieven komen: menschheid, godheid, kindsheid. Deze woorden krijgen soms eene concrete beteekenis: menschheid. Godheid, rene schoonheid. Zijne Hoogheid.

Opmerking verdient het verschil in beteekenis tusschen de substantieven, die beurtelings te en hcid hebben; de eerste drukken dan meestal eeno zinnelijke, de laatste gewoonlijk eene zedelijke eigenschap uit:

-ocr page 169-

155

hoogte — hoogheid, laagte — laagheid, flauwte — flauwheid, koelte — koelheid. Men lette ook op \'t verschil tusschen menschheid en menschdom. ing vormt namen van werkingen van werkwoordelijke stammen: werking, verandering. Deze woorden gaan soms tot de concrete substantieven over: woning, kleeding, wandeling, vergadering, opening, teekening.

st vormt namen van werkingen van werkwoordelijke stammen: dienst, gunst, kunst, winst, last (voor ladst).

ij, van vreemden oorsprong, soms nij, erij, ernij, vormt namen van werkingen van persoonsnamen: voogdij, heuxelarij, huichelarij, zotternij; namen van plaatsen, waar zeker bedrijf wordt uitgeoefend: bakkerij, slagerij, brouwerij; verzamelnamen: burgerij, schutterij, boekerij, kleedij. Eenc concrete beteekenis hebben ook: artsenij, schilderij, drogerijen, woestenij, snuisterij van snuister „schil, dop, kleinigheid.quot;

nis vormt namen van werkingen van werkwoorden; getuigenis, begrafenis, vergiffenis. Van adjectieven vormt het namen van toestanden: droefenis, duisternis, ontsteltenis (voor: ontsteld-nis). Eeno concrete beteekenis hebben gekregen: wildernis, gevangenis, vuilnis, vonfdjnis, hindernis.

age, van vreemden oorsprong, vormt namen van werkingen van werkwoorden: strijkage, vrijage, slijtage; ook verzamelnamen: pluimage, plantage. Eene concrete beteekenis hebben ook: stellage „het gesteldequot;, plakkage „het geplakte.quot;

dom voorheen doem (doe de stam van doen met het achtervoegsel m) was een mannelijk substantief met de beteekenis van werking, vandaar: wasdom „het groeien.quot; Het beteekent a., als gevolg der werking, een toestand of eene hoedanigheid, voorheen ook eene waardigheid: rijkdom, ouderdom, vrijdom, de eigendom; b. het gebied van den persoon, die zekere waardigheid bekleedt: hertogdom, bisdom, prinsdom , vorstendom.; e. eene verzameling van zelfstandigheden, die in zekeren toestand verkeeren of zekere waardigheid bekleeden: adeldom, rijkdom, menschdom, engelendom. Christendom en heidendom beteekenen tegenwoordig: de godsdienstige begrippen der Christenen en heidenen. Het eigendom heeft eene concrete beteekenis; heiligdom beteekent thans gewoonlijk: heilige plaats.

schap, oorspronkelijk een substantief van denzelfden wortel als scheppen = vormen, maken, beteekent a. als gevolg van \'t maken, een toestand, eenc hoedanigheid of eene waardigheid: blijdschap, vriendschap , vijandschap, gramschap, het vaderschap, priesterschap, koningschap ; b. het gebied van den persoon, die zekere waardigheid bekleedt: graafschap, heemraadschap; e. eene verzameling van zelfstandigheden, die in zekeren toestand verkeeren of zekere waardigheid bekleeden: gezelschap , genootschap, gereedschap, de vroedschap, ridderschap. Rekenschap, weddenschap, wetenschap zijn namen van werkingen; het laatste is ook dikwijls een verzamelnaam. Verg. De wetenschap, dat hij wel eens zich aan eene logen had schuldig gemaakt, deed mij eenigen argwaan

-ocr page 170-

156

koesteren, met; de wetenschap beoefenen. Landschap schijnt gevormd naar graafschap en dergelijke.

Opmerking verdienen de woorden: maatschappij, heerschappij en voog-d ij schap, waarin de achtervoegsels schap en ij beide voorkomen, terwijl één van beide reeds voldoende zou zijn. Men vatte namelijk maatschap op als den naam van een toestand en maakte daarvan nu een verzamelnaam; heerschap werd opgevat als persoonsnaam en hiervan maakte men den naam eener werking; voogdij schijnt opgevat te zijn als de naam eener werking, waarvan men door schap weer een toestandsnaam maakte.

III. DE VORMING DEE BIJVOEGLIJKE NAAMWOORDEN.

§ 330. Wij behandelen hier de samengestelde bijvoeglijke naamwoorden en de afgeleide, die van andere woorden zijn gevormd.

§ 337. De samengestelde bijvoeglijke naamwoorden bestaan uit:

a. twee adjectieven : doofstom, kersversch {kers uit kras).

b. een substantief en een adjectief, waartusschen eene betrekking van vergelijking bestaat: vogelvlug, gitzwart, loodrecht, suikerzoet, enz.

c. een substantief en een adjectief, waartusschen do betrekking van den 2equot; of 3en naamval bestaat: krachtvol, eerwaardig, deskundig, vergevensgezind, schaduwrijk, Godgevallig.

d. een stam van een werkwoord en een adjectief: spilziek, praatziek, enz.

e. een bijwoord en een adjectief: aloud, welzalig, ongelukkig, overdruk, waarin \'t eerste deel den graad der hoedanigheid aangeeft. Dit doen ook woorden als stok-, steke-, splinter-, fonkel-, nagel-, enz. in stokdoof, stekehlind, splinternieuw, fonkelnieuw, nagclnieuw, enz.

Opmerking. In de woorden hemelsblauw, doodsbleek, en doodsbenauwd is eene S ingelascht.

§ 338. Samenstelling door afleiding heeft plaatsin: hardnekkig, stijfhoofdig, krankzinnig, driekleurig, inheemsch, hovenaardsch, groot-schecpsch, hedendaagsch, waarbij de achtervoegsels ig en sch de samenstelling bewerken.

§ 339. De afgeleide adjectieven zijn gevormd door middel vin de achtervoegsels:

el: scham-el, wank-el, vermet-el, verget-eliheid).

er: hitt-er, wakk-er.

aclitig (zonder hoofdtoon), misschien hetzelfde als het volgende achtervoegsel. Het beteekent: gelijkende op, overeenkomende met, geneigdtot: steenachtig, regenachtig, kinderachtig, meesterachtig, zwartachtig, oudachtig; schrikachtig, spotachtig, snapachtig.

achtig (met den hoofdtoon), hetzelfde als haf tig = hebbende: deelachtig, waarachtig, woonachtig.

haftig bestaat uit twee achtervoegsels: haft, behoorende tot haven, bijvorm van hebben, en ig. Het beteekent: de eigenschap bezittende

-ocr page 171-

157

van \'tgeen het grondwoord noemt: manhaftig, heldhaftig. In krijgshaftig beteekent haftig: gaarne hebbende, in ernsthaf tig: bezittende.

baar, oorspronkelijk een adjectief van denzelfden wortel als het werkwoord heren, dat de beteekenis had van dragen, voortbrengen. Hot beteekent dan ook nog: dragende, voortbrengende in: vruchtbaar, dankbaar, kostbaar, schijnbaar, eerbaar. Reisbaar eu strijdbaar beteekenen: geschikt tot eene reis, een strijd. In dierbaar, middelbaar en openbaar beteekent het achtervoegsel eenvoudig: gekenmerkt door \'tgeen iiet grondwoord beteekent Achter werkwoordelijke stammen geplaatst, heeft het gewoonlijk de beteekenis van: geschikt tot het ondergaan der werking: draagbaar, eetbaar, leesbaar, hoorbaar, enz. Het komt dan ook achter stammen van overgankelijke werkwoorden. Uitgezonderd is vloeibaar „geschikt tot vloeien.quot;

Oorbaar is samengesteld nit oor „uitquot; en een stam van het werkwoord beren „brengenquot; en beteekende dus eerst: voortbrengende, nuttig, later: gepast, voegzaam.

en vormt stoffelijke adjectieven van stofnamen: gouden, zilveren, aarden; purperen en azuren behooren mode oorspronkelijk hiertoe. Linnen is afgeleid van lijn, nog over in lijnzaad, lijnwaad, enz.; garen staat voor garenen.

ig beteekent: a. hebbende, bezittende: machtig, ijverig, driftig; hoofdig, handig; b. overeenkomende met; kattig, bokkig; goedig, nuttig; c. gewoonlijk de werking verrichtende: bevallig, bedrijvig, begeerig, nalatig. Nog dient het tot vorming van adjectieven uit bijwoorden: huidig, voormalig, nietig, nederig.

Meermalen vindt men adjectieven op erig met eene ongunstige beteekenis : slaperig, beverig, stooterig, zanderig, ■winderig, weelderig. Deze woorden zijn meerendeels gevormd naar het voorbeeld van woorden op ig, waarvan \'t grondwoord op er eindigt, als: huiverig, sufferig, enz.

sch, vroeger en soms nog isch (wettisch, afgodisch), vormt van lands-volks- of plaatsnamen adjectieven met de beteekenis: thuis behoorende in of afkomstig van: hemelsch, helsch, aardsch, stcedsch; Amsterdamsch, Hollandsch, Fransch. Is \'t grondwoord een persoons-, dier- of zaaknaam, dan beteekent het overeenkomende met of geneigd tot: slaaf sch, kindsch, hondsch, boersch, kerksch. Is \'t grondwoord een stofnaam, dan beteekent het bestaande uit: lakensch, duffelsch, neteldoeksch. Is \'t grondwoord een werkwoord, dan beteekent het geneigd tot: speelsch. Is \'t grondwoord een bijwoord, dan vormt het een adjectief met dezelfde beteekenis: rechtsch, linksch, fiksch, voorwaartsch, enz.

lijk, eigenlijk \'t znw. lijk, dat oorspronkelijk lichaam, en vandaar gedaante, uiterlijk beteekende. Eerst kwam het achter adjectieven en substantieven, als: liefelijk, vrouwelijk, vorstelijk, welke dus de beteekenis hadden van een lief uiterlijk hebbende, het uiterlijk van eene vrouw, een vorst hebbende. Zoodoende bekwam lijk den zin van overeenkomende, met en behoorende tot; koninklijk, burgerlijk, menschelijk, moederlijk,

-ocr page 172-

]ö8

adellijk, lichnmelijk; armelijk, ziekelijk. Eindelijk werd liet ook achter stammen van werkwoorden geplaatst met de beteekenis: geschikt om de werking te doen of te ondergaan, soms zoowel \'t een als \'t ander: mogelijk, lijdelijk, behaaylijk, bekoorlijk, voorlreffeljk, verrukkelijk;geloofelijk, onuitsprekelijk, onverbiddelijk; aannemelijk (kind, voorwaarde) begrijpelijk, verachtelijk (gebaar, daad), aandoenlijk (gestel, voorval).

Men lette op \'t verschil tusschen de achtervoegsels achtig en lijk in: meesterachtig en meesterlijk, kinderachtig en kinderlijk en. tusschen de achtervoegsels baar en lijk in: draagbaar en draaglijk, onuitspreekbaar en onuitsprekelijk, onmeetbaar en onmetelijk, kostbaar en kostelijk, rekbaar en rekkelijk, onzichtbaar en onzienlijk, kenbaar en kennelijk.

loos, oorspronkelijk een adjectief van denzelfden wortel als (ver)liezen. Vandaar dat het beteekent beroofd van of niet bezittende; eer-loos, ouderloos, moedeloos; reddeloos, stoor loos, duldeloos.

zaaiu = één zijnde met, overeenkomende met (verg. xamen en zamelen): deugdzaam, eerzaam, heilzaam, gemeenzaam. Achter stammen van werkwoorden beteekent het: geneigd tot: buigzaam, werkzaam, opmerkzaam, lijdzaam. Langzaam is mede van dit achtervoegsel voorzien; zeldzaam was vroeger zeldzaan; de oorsprong van dit achtervoegsel is duister.

§ 340. Bijvoeglijke naamwoorden worden afgeleid door de voorvoegsels: aarts: aartsdom, on: onvriendelijk, ge: dat het begrip des grond-woords versterkt in: gestreng, gereed, getrouw, gewillig. Het begrip samen heeft ge nog duidelijk in geheim (adj.) „tot het huis behoorende, niet openbaarquot; en in gelijk van lijk „lichaam, uiterlijkquot; dus: „hetzelfde uiterlijk hebbende.quot;

Opmerking verdienen de adjectieven, die den vorm hebben van verleden deelwoorden van werkwoorden, voorzien van \'t voorvoegsel be. Zij zijn naar het voorbeeld van werkelijke deelwoorden: als: bemand, bedijkt, enz. van substantieven gevormd en beteekenen voorzien zijnde van \'tgeen het grondwoord uitdrukt: behuisd, bedaagd, bejaard, befaamd, beroemd, berucht van een vroeger nicht „roep.quot;

Zoo vindt men ook een aantal adjectieven, die de verleden deelwoorden schijnen van werkwoorden, door ge afgeleid, doch inderdaad naar het voorbeeld van werkelijke deelwoorden als: gekleed, gekroond, enz. van zelfstandige naamwoorden zijn gevormd en mede voorzien zijnde van beteekenen; gegoed, gevind, gevingerd, gerand, gestaart, gespoord, gelaarsd, gerokt, enz. Soms worden zij weder met een adjectief samengesteld: hooggetopt, breedgeschouderd, grof gespierd.

Over de participiale adjectieven zie men § 231.

IV. DE VORMING DER VOORNAAJIWOORDEN.

§ 341. Aangaande enkele voornaamwoorden valt het volgende op te nierken:

Welk is samengesteld uit wie-lijk = hoe gevormd, evenals zulk uit

-ocr page 173-

151)

zoo-Ijk — zoo gevormd. Hoedanig is gemaakt van de losse woorden hoe daan (verleden deelwoord van doen = malcen) door raiddel van \'t achtervoegsel ig, en beteekent dus; hoe gemaald, evenals zoodanig van ■xoo-daan-ig.

Degene of diegene en dezelfde zijn samengesteld uit de, die en gene, zelfde; \'t laatste is een overtreffende trap van zelf.

Elkander en malkander zijn samengesteld uit elk, malk en ander. Elk bestaat uit ie-lijk, waarin ie = eenig en lijk oorspronkelijk yedaantc hebbende. Iegelijk bestaat uit \'t zelfde ie en gelijk, dat dezelfde beteekenis had als Ijk. Ieder is ontstaan uit ie- weder; het laatste lid beteekendt oorspronkelijk wie van heiden en vervolgens wie dan ook. Malk is ontstaan uit man-lijk, waarin man = der menschen en Ijk hetzelfde achtervoegsel is als in elk en iegelijk, doch hier in de beteekenis van ieder. Verg. jaarljk{s) = der jaren ieder, enz. Iemand is gevormd uit ie = eenig en man = mensch; de d is later aangehecht. Niemand bevat bovendien \'t bijwoord ne — niet. Iets is samengesteld uit ie = eenig en wicht = zaak; de s is waarschijnlijk de uitgang van den 2en naamval. (Ook alles. de genitief van al, wordt als lste, 3de en 4de naamval gebruikt). Niels bevat bovendien \'t bijwoord ne = niet. In denzelfden zin als iets en niets gebruikte men voorheen iet en niet; \'t eerste komt nog voor in do samenstelling ietwat en in \'t rijmpje; Als niet komt tot iet, enz. Niet -niets treft men aan in: weetniet, hij geeft er niet om, te niet gaan, is \'t anders niet ? in het niet, eene niet. \'t Ontkennend bijwoord niet is \'t zelfde woord als \'t voornaamwoord niet.

V. DE VORMING DER TELWOORDEN.

§ 342. De bepaalde hoofdtelwoorden. Elf en twaalf bestaan uit een, twee, (twa) en Hf, dat öf tien beteekent, of verwant is met b-ljven. In \'t laatste geval zouden elf en twaalf beteekenen; een, twee boven (tien). Twintig, dertig, enz. bestaan uit twee, drie, enz. en tig, een substantief, dat tiental beteekent. Tachtig heeft de t vóór tig uitgeworpen; de t aan \'t begin is overgebleven van een voorvoegsel, dat ook voor zeventig en negentig stond, doch daar is verdwenen; het heeft echter do verscherpte uitspraak der z van zeventig veroorzaakt. Ook zestig gaf men voorheen bij vergissing wel eens eene t, vandaar de uitspraak sestig; zelfs zegt men; feertig en fjftig.

Honderd, door een bepaald hoofdtelwoord voorafgegaan, vormt daarmede eene samenstelling; tweehonderd, daarentegen; drie duizend, niet; drieduizend; evenzoo; vier en zestig, enz.

Geen is ontstaan uit negeen voor nech-een = noch, niet een.

§ 343. Van de onbepaalde hoofdtelwoorden zijn eenig, sommig en weinig afgeleid door middel van ig van de grondwoorden; een, som „eenigquot;, wein (waarvan ook \'t werkwoord weetien); het laatste woord beteekent eigenlijk ellendig, vandaar: klein, niet veel. Luttel is een adjectief,

-ocr page 174-

160

dat klein beteekent. Ettelijk bestaat uit et — een of ander en lijk = gedaante hebbende en beteekende eerst verschillend, evenals verscheiden.

§ 344. De rangtelwoorden worden van de hoofdtelwoorden gevormd door de of ste, eigenlijk uitgangen tot vorming van den over-treffenden trap: zevende, achtste, enz. \'t Rangtelwoord van één is de overtreffende trap van \'t bijwoord eer = vroeg.

§ 345. Hier maken wij ook melding van eenige woorden, die met telwoorden zijn samengesteld. Het zijn:

a. herhalingsgetallen, samenstellingen van een telwoord en een der substantieven: maal, keer, werf en reis, waarvan \'t eerste tijd, het derde wending, het laatste gang beteekent: vijfmaal, xeskeer, driewerf, eenre Is (ereis), enz. Maal en keer vormen geene samenstelling, wanneer zij in \'t meervoud voorkomen: drie malen, zes keeren, verscheiden malen.-— Zij doen den dienst van bijwoorden van tijd of graad.

b. verdubbelgetallen, samenstellingen van een telwoord en \'t substantief voud: drievoud, zesvoud, veelvoud, \'t Woord voud is een oudere vorm van den stam van vouwen (vouden). Van deze woorden, die den dienst doen van substantieven, worden adjectieven gevormd door \'t achtervoegsel ig: drievoudig, negenvoudig. Voudig komt ook in den vorm mddig voor: drievuldig, veelvuldig, menigvuldig. Voor tweevoudig gebruikt men \'t naar het Fransch gevormde dubbel (double).

c. soortgetallen, samenstellingen van een telwoord en de substantieven lei en hande. Het laatste woord is \'t meervoud van hand, dat soms aard, wijze (bijv. in langzamerhand) en vandaar soort beteekent: lei heeft dezelfde beteekenis, doch is van vreemden oorsprong. Het telwoord komt in deze samenstellingen in den genitief voor: eenerlei, tweeërlei, drieërlei, vierderlei, allerhande, enz. Tweeërlei, tweeërhande, (menschen) beteekent dus: (menschen) van twee soorten. — Zij worden tot de adjectieven gerekend.

VI. DE VOKMING DER BIJWOORDEN.

§ 34G. Wij behandelen hier de samengestelde bijwoorden en die afgeleide, welke van woorden zijn gevormd.

§ 347. Onder de uitdrukkingen uit twee woorden bestaande, die te zamen den dienst doen van een bijwoord zijn er, wier deelen zoo weinig samenhangen, dat men meermalen in twijfel staat, of zulk eene uitdrukking eene samenstelling is of niet. Daarom heeft men eenige regels gesteld voor het al- of niet aaneenschrijven van zulke uitdrukkingen.

Als samenstellingen worden beschouwd:

1. de bijwoorden, uit twee bijwoorden bestaande, wanneer een daarvan zijne beteekenis heeft gewijzigd: weleer, voor wijlen-eer, letterlijk

indertjd-vroeger, evenzeer, kortom, ronduit, bovenop, voorin, waarop, hierover, daarvan, enz. Men onderscheidt dus: veel eer en veeleer, hoe verre en hoeverre, hoe veel en hoeveel, zoo lang en zoolang, enz.

-ocr page 175-

161

Van de voornaamwoordelijke bijwoorden worden ais samenstellingen beschouwd die, welke aanvangen met hier, daar en waar, doch die, welker eerste deel ergens, nergens, overal en er is, worden los naast elkander geplaatst: ergens mede, nergens over, overal aan, er tusscken, enz.

2. de bijwoorden, die bestaan uit een voorzetsel, door een ander woord gevolgd, wanneer of het eerste èf het tweede deel zijne beteekenis heeft gewijzigd: achterwege, onderweg, overeind, overhoop, bijgeval, integendeel, inzonderheid, terstond, terug, inderdaad, overlang, overluid, opnieuw, vooral, aaneen, omhoog, omlaag, omver, enz.

Men onderscheidt daarom: vanhier, vandaar, vanwaar „om deze, die, welke redenquot; en van hier, daar, waar „van deze, die, welke plaatsquot;, voorzeker „stelligquot; en voor zeker, voor goed en voorgoed en schrijft steeds: met luider stemme, in aller ijl, te gelijker tijd.

;5. de bijwoorden, bestaande uit een voorzetsel en een substantief schijnbaar in den sterken mannelijken of onzijdigen genitief: buitenshuis, binnenskamers, ondershands, voorshands, of waarin een ander voorzetsel dan te met het lidwoord is samengesmolten: metterdaad, mettertijd, uitermate.

4. de bijwoorden, die bestaan uit een adjectief en een substantief in den genitief: goedsmoeds, allerwegen, langzamerhand, toevalligerwijze = toevallig. Doch wanneer \'t substantief vrouwelijk is en in eigenlijken zin voorkomt, blijven de deelen gescheiden: onverrichter zake, ouder gewoonte, zaliger gedachtenis.

5. de bijwoorden, waarvan \'t eerste deel een verouderde genitief van een voornaamwoord is: dermate, destijds, derhalve.

§ 348. Onder de samengestelde bijwoorden zijn er eenige, wier deelen tegenwoordig niet meer zijn te herkennen. De voornaamste daarvan zijn: achterbaks = achter den rug, immer = ie-meer = (op) eenigen (tijd) in de toekomst, nimmer = n-ie-meer. wanneer = wan-eer = (op) welken (tijd) in \'t verleden, thans = te hand = bij de hand, heden {huiden) = hie dage = op dezen dag, tegen = te-jegen, tevens = t-even-s = te gelijker (tijd), nevens — in-even-s — op gelijke (plaats), niettemin = niet-de-min = niet daardoor minder, nochtans — nog dan = nog in dat (geval), misschien, = (\'t) mag schien = \'t kan geschieden.

§ 349. De achtervoegsels, die dienen tot vorming der bijwoorden, zijn: e, dat tegenwoordig niet veel meer voorkomt; dichte bij, gaarne, aireede, verre, lange: nog in lange niet (B.)

en, dat eene beweging van eene plaats aangeeft: noordenwind, zuidenwind, enz. Het komt ook voor in: hoven, heneden, binnen, buiten, doch heeft daar zijne oorspronkelijke beteekenis verloren.

er, dat eene beweging naar eene plaats beteekent: Zuiderzee, Wes-terkerk. Oosterblokker. In opper-, uiter-, immer-, neder heeft het deze beteekenis niet meer.

lijk, dat bijwoorden van hoedanigheid vormt van adjectieven: strengelijk, heuschelijk, scherpelijk, heldhaftiglijk. \'t quot;Wordt tegenwoordig niet veelmeer T. TERWEV, Ned. Spraakk. He druk. li

-ocr page 176-

162

gebruikt; adjectieven -worden meestal zonder achtervoegsel als bijwoorden gebezigd.

lijks, hetwelk bestaat uit lijk, dat ieder beteekent en de s van den tweeden naamval: jaarlijks, maandelijks. (Verg. § 350).

lings, bestaande uit ling, \'t zelfde achtervoegsel, dat ook substantieven vormt, en de bijwoordelijke s: ruggelings, zijdelings, tappelings, ijlings. (Verg. § 351.)

waarts, bestaande uit waart = gekeerd naar en de vorige s: hemelwaarts , huiswaarts.

gewijze = op de wijxe van: trapsgewijze, steelsgewijze, boogsgewijze.

jes, tjes, kens, die bijwoorden van hoedanigheid vormen van adjectieven: zoetjes, stilletjes, warmpjes, zachikens. Dit zijn eigenlijk substantieven, van adjectieven afgeleid, in den 2en naamval. (Zie § 350).

§ 350. Zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden, voornaamwoorden en telwoorden worden dikwijls in den 2en, 3equot; en 4en naamval als bijwoorden gebruikt.

De tweede naamval komt voor in de substantieven: daags, deels, steeds, altoos voor altoges (van toocj — gang; vgl. tijgen voor tie{h)en — gaan), des daags, des zomers, zijns weegs, rechtstreeks, grootendeels, eensklaps, veelszins, blootshoofds, barrevoets, enz.; in de adjectieven: reeds, slechts „eenvoudigquot;, allengs, zelfs, doorgaanfdjs, vervolgen{d)s, willen{d)s en wetenidjs, onvoorziens, onverhoeds, voorts in: eens, zulks, dies, des.

De derde naamval komt voor in: midden, gisteren, mijnen{t)wege, wijlen, trouwen(s), willen(s), vaak (voor vaken van vak „tijdruimte\'\'), zelden.

De vierde naamval komt voor in: altijd, weg, veel, weinig, genoeg, den heden dag, de gansche week, enz.

§ 351. Het groot aantal woorden, dat in den bijwoordelijken 2,!n naamval op eene s uitgaat, heeft veroorzaakt, dat men achter verschillende bijwoorden, die niet in dezen naamval stonden, ook eene s heeft geplaatst. Deze s behoort derhalve in die woorden eigenlijk niet thuis, zij wordt bijwoordelijke s genoemd. Men treft haar aan in alle bijwoorden op s, wier eerste deel een voorzetsel is, als: n-even-s, benevens, t-even-s, terloop-s, than(d)-s, bijkan(t)-s, intijd-s, in-s-gelijks, vanoud-s, vannieuw-s, vanzin-s, opeen-s, binnen-s-land-s, builen-s-land-s, tusschin-dek-s, voor-s-hand-s-, ook in: desnood-s, dikwijl-s {wijl is V.), in de uitdrukkingen: tot weerzien-s, tot bloeden-s toe, enz.

vu. DE VORMING DEK VOOKZETSELS.

§ 352. Afgeleide voorzetsels zijn: b-uit-en, b-inn-en, b-ov-en, c-ver, ach-ter, (af-ter), be-ned-en, vergelijk neder. Samengestelde Toorzetsels zijn: van uit af-an, tot uit to-te, omtrent „om-rond, rondomquot;.

§ 358. Niet zelden worden substantieven en adjectieven als voorzetsels gebruikt: krachtens, luidens, namens, omstreeks, ondanks, spijt, tijdens,

-ocr page 177-

163

trots, wegens, langs, tiisschen, 3e nv. meerv. van twisch, een afleidsel van twee.

Deze zelfstandige naamwoorden doen een dergelijken dienst als de bijwoordelijke uitdrukkingen, uit een substantief met een voorzetsel bestaande, die mede als voorzetsels worden gebruikt, als; 07)i den mile, van icege, lm spijt, in weerwil, uit naam, uit kracht, naar luid, uil hoofde (van), enz. en werden oorspronkelijk, evenals deze, gevolgd door een 2en naamv., welke later door een 4en zonder voorzetsel is vervangen. Zoo staat krachtens de wet voor krachtens der wet „uit kracht der wet.quot;

Ook tegenwoordige on verleden deelwoorden zijn meermalen tot voorzetsels geworden. Sommige daarvan als: gedurende, hangende, niettegenstaande, staande, behoudens (voor behouden) vormden voorheen met een voorafgaand of volgend substantief eene bijwoordelijke uitdrukking in den 2en of 3en naamval (vgl. § 350), die gelijk stond met een beknopten bijwoordelijken bijzin, waarvan het substantief het onderwerp was. Zoo beteekenen: gedurende den oorlog, hangende het geschil, niettegenstaande den regen, staande de vergadering, behoudens eene opmerking hetzelfde als: „terwijl de oorlog (ge)durende, het geschil hangende, de regen niet tegenstaande, de vergadering staande, eene opmerking behouden is.quot; Later verving men den 2en of 3en naamv. van het naamw. door den 4en en plaatste men steeds het deelwoord vooraan.

Andere, zooals: aangaande, betreffende, nopens (voor nopende „rakendequot;), rakende werden voorafgegaan of gevolgd door een naamwoord in den naamval, dien deze werkwoorden regeerden. Zoo beteekenden: Hij deed eenige mededeelingen aangaande, betreffende, nopens, rakende deze zaak, eigenlijk: „die deze zaak (-t6 nv.) aangaande, betreffende, nopende, rakende waren.quot; Volgens (voor volgende) regeerde een 3en nv., derhalve: volgens mijne meening „mijne meening (3e nv.) volgendequot;, „wanneer men mijne meening volgt.quot;

VIII. DE VORMING DER VOEGWOORDEN.

§ 354. De voegwoorden behooren evenals de voorzetsels meestal oorspronkelijk tot andere woordsoorten; zij worden voegwoorden, wanneer zij dienen tot verbinding van zinnen of zindeelen. Alleen als voegwoorden komen voor: en, noch, want, maar, doch, of, zoodra, omdat, dewijl, wijl, vermits, nademaal, naardien, doordat, doordien, aangèzien, weshalve, zoódat, opdat, ofschoon, hoexeer, hoewel, indien, mits. tenzij, tenware, als, alsof.

Het voegwoord dat is één met het aanw. vnw.; het wees oorspronkelijk op den inhoud van den volgenden zin: Ik heb gehoord, dat hij gaat vertrekken eig.: Ik heb dat gehoord: hij gaat vertrekken. Vandaar dat het ook door voorzetsels kan worden voorafgegaan: voordat, eerdat {eer was voorheen ook voorzetsel), totdat, -nadat, doordat, omdat, opdat, enz. In den 3en naamval komt dat voor in: doordien, naardien, bijaldien.

11*

-ocr page 178-

164

Mits hangt samen met niet; als is oorspronkelijk alzoo; maar is ontstaan uit: (het) ne (== en) ware = (zoo) het niet ware (dat). Weshalve is samengesteld uit wes — van wat en halve = reden; dewijl is eigenlijk een bijwoord van tijd: (in) den tijd (dat), evenals terwijl en nadeviaal = na dien tijd. Tenzij en tenware zijn ontstaan uit de volzinnen: het en zij — het zij niet (dat) en het en ware. Voorts moet het nevenschikkende of, voorheen ofte, wel onderscheiden worden van \'t onderschikkende of, dat indien beteekent en ook voorkomt in ofschoon = indien al, en alsof = als indien.

Bijzondere opmerking verdienen de voegwoorden, die oorspronkelijk deelwoorden waren. Zij vormden eigenlijk beknopte bijzinnen, waarvan het onderwerp volgde in den vorm van een zin en waaruit het deelwoord zijnde of wordende was weggelaten. Zoo beteekenden: aangezien (dat), aangenomen (dat), gesteld (dat), ondersteld (dat), toegegeven (dat), uitgenomen, uitgezonderd eigenlijk „dit of dat aangezien, aangenomen, gesteld, enz. zijndequot;, bijv.: Aangezien het weer heter wordt, zullen we spoedig verder kunnen gaan = Aangezien (zijnde), (dat) het weer heter wordt, enz. — Niettegenstaande (dat) volgde het voorbeeld van andere voorzetsels, als totdat, voordat, enz. en werd zoodoende tot een voegwoord.

Behalve, uit he en halve ,,zijdequot;, dus eigenlijk „ter zijdequot; (gesteld zijnde), uitgenomen en uitgezonderd zijn tegenwoordig, ook wanneer zij alleen door een naamwoord worden gevolgd, in den regel te beschouwen als voegwoorden: zij regeeren geen naamval meer. Zoo zegt men: Allen waren tevreden behalve, uitgenomen, uitgezonderd hij, waarin men dus behalve hij, opvat als: behalve dat hij niet tevreden was. Alleen wanneer behalve voorafgaat, hoort men ook: Behalve ons waren er nog verscheidene gasten genoodigd, waarin behalve dus nog een 4en naamval regeert.

-ocr page 179-

ZESDE BOEK.

DE LETTERS EN HAAR GEBRUIK.

I. DE LETTERS IN \'l ALGEMEEN.

§ 355. De enkelvoudige bestanddeelen der woorden zijn de letters. Men verstaat daaronder zoowel de bestanddeelen van het gesproken woord: letterklanken, als die van \'t geschreven woord; letter-teekens.

§ 356. De letterklanken worden voortgebracht door middel van de spraakwerktuigen. Deze zijn: het strottenhoofd met de stembanden, en de mondbuis, waarbij wij onderscheiden: keel. tong, lippen en nensholte.

De letterklanken worden verdeeld in klinkers {vocalen), en medeklinkers {co?isona7iteii).

Wanneer bij het uitbrengen van den adem de stembanden in trilling worden gebracht bij zoodanigen mondstand, dat er geen geruisch gehoord wordt, dan ontstaat er een klinker: «, i, o, enz.

Wanneer de stembanden in trilling worden gebracht bij zoodanigen mondstand, dat er wel een geruisch gehoord wordt, dan ontstaat er een klankhebbende medeklinker: b, y, cl, m, enz.

Wanneer de stembanden niet in trilling worden gebracht, doch de mondstand zoodanig is, dat er wel een geruisch gehoord wordt, dan ontstaat er een klanklooze medeklinker: p, t, k, enz.

§ 357. De klinkers en medeklinkers vormen lettergrepen. Een of meer lettergrepen vormen een woord.

Eene lettergreep bestaat uit een klinker, al of niet van medeklinkers vergezeld, die met ééne klemlegging wordt uitgesproken: a-vond-Ued, va-dcr-land.

§ 358. Door den klem of klemtoon verstaat men den meerderen of minderen nadruk, waarmede een zin, zindeel, woord of lettergreep wordt uitgesproken.

Bij de lettergrepen onderscheiden wij drieërlei klem: den sterken, den middelmatigen en den zwakken. Zoo hebben in avondlied de eerste lettergreep den sterken, de beide volgende den middelmatigen klemtoon. In vaderland heeft de eerste den sterken, de derde den middelmatigen, de tweede den zwakken klemtoon.

-ocr page 180-

160

§ 359. Eene lettergreep heet open, wanneer zij op een klinker, zij heet gesloten, wanneer zij op een medeklinker eindigt: e-xel-wa-gen.

§ 360. Al onze letterteekens zijn van vreemden oorsprong, zij zijn aan \'t Latijnsche alphabet ontleend. Men noemt echter in \'t bijzonder de c, q, x en y (ypsilon) vreemde letters, daar zij, met uitzondering van de c in het letterteeken ch, alleen in vreemde woorden voorkomen.

11. DE KLINKERS.

§ 361. De klinkers worden verdeeld in enkelvoudige klinkers en tweeklanken. Bij het nitspreken der eerste hooren wij een on de el-baren klank, de tweeklanken bestaan uit twee wel ineen vloeiende, maar nog duidelijk te onderscheiden letterklanken.

De enkelvoudige klinkers, die in \'t beschaafde Nederlandsch voorkomen, zijn: a, aa; e, ee; i, ie; o, oo; n, uu: eu, oe; de tweeklanken ai, ei, ij, ui; au, ou; aai, ooi, oei; aau, eeu, ieu.

§ 362. De enkelvoudige klinkers, met uitzondering van eu en oe., worden op tweeërlei wijze uitgesproken: volkomen en onvolkomen: jaar. kat, zee, hert, zien, lid, zoo, pot, huur, hut.

Wanneer een volkomen klinker in eene gesloten lettergreep voorkomt, wordt hij een weinig langer aangehouden; men noemt hem in zulk een geval dan ook wel gerekt.

De onvolkomen klinkers komen bijna zonder uitzondering in gesloten lettergrepen voor. De uitzonderingen vindt men voor de ch: lachen, bochel, echo, enz.

§ 363. De klinkers, die in lettergrepen met den zwakken klemtoon voorkomen, worden ongeveer op dezelfde wijze uitgesproken, maar verschillend geschreven: vrede, hemel, bloedig, woning, leeuwerik, Gorkum, waarlijk, jaarlijksch, mijn, zijn, een, enz. Men noemt deze klinkers ook wel toonloos.

§ 364. De tweeklanken bestaan uit een onvolkomen of volkomen klinker, gevolgd door eene i of u, ongeveer uitgesproken als j en w: ai, au; aai, aau. De laatste heeten ook wel gerekte tweeklanken.

De tweeklanken ai en aau komen alleen als tusschenwerpsel, de laatste ook in miaauw voor.

§ 365. De klinkers, welke wij tegenwoordig in de woorden aantreffen, hebben soms verandering ondergaan; vandaar dat wij nu en dan in dezelfde woorden verschillende klinkers aantreffen. Zoo is de

a soms ontstaan uit e, bv. in star naast ster, hart naast hert.

e dikwijls uit a of i, bv. in steden naast stad, schepen naast schip.

ee dikwijls uit ei, bv. in gereed naast bereiden, kleen naast klein, heel en naast heil.

i soms uit e, bv. in richten naast recht, villen naast vel, bidden naast bede.

ie dikwijls uit den tweeklank iu (spr. ioe), die ook in u en ui is ever-

-ocr page 181-

167

gegaan, vandaar bv. vier, dier, stieren naast vuur, duur, sturen; kieken, rieken, dietsch, jul-lie naast kuiken, ruiken, duitsch, je-lui. Yandaarook, dat de werkwoorden der óe klasse, die vroeger iu hadden, zoowel ie als ui vertoonen.

o dikwijls uit u (spr. oe) bv. in goot, slot, schot naast Hoogd. Guss, Schluss. Schuss.

00 dikwijls uit au, bv. in hopen, boom, zoom naast Hoogd. laufen, Baum, Swum.

u soms uit o, bv. in bundel, plunderen, burger, gulden, dunken naast bondel, pionderen, borger, golden, doeht.

eu dikwijls uit o, bv. in heugel, teugel, sleutel, leugen, speuren, keukeu naast bogen, togen, sloten, logen, sporen, koken.

ei soms uit ag(e) of eg(e), doordat de g in eene j of i overging, bv. in: meid nit maged, maagd, geleid en gexeid uit geleged, gexeged, thans gelegd en gezegd.

ei soms uit a of e vóór n of 1, bv. einde naast ende, heinde „bij de hand. dichtbijquot; naast hand, feilen naast falen.

ij meestal uit i (spr. lange i), vandaar; ij del, afgrijzen, grijnen, pijpen, ijp, vlijm „lancetquot; naast iedel, griezelen, grienen, piepen, iep, vliem. Vandaar ook, dat in sommige provinciën de woorden, die in de alge-meene taal ij hebben, nog steeds met i worden uitgesproken.

ou soms uit ol, bv. in gouden naast gulden, voorheen golden, zoude voor zolde {zullen), uou(de) voor ivolde {willen), houd voor hold {hield).

001 soms uit eene letterverbinding, die ook au of ou heeft opgeleverd, bijv. in kooi naast kouw. Gooi, eig. „landstreekquot; naast gouw, dooi naast dauw, hooi naast houwen „hakken, snijden.quot;

UI. DE MEDEKLINKERS.

§ 3(Ui. De medeklinkers worden naar de spraakwerktuigen, die het geruisch (zie § 356) veroorzaken, verdeeld in:

lipletters: b, p, v, f, w, in.

tong- of tandletters: d, t, z, s, 1, r, n.

keelletters: k, g, ch, j, ng.

Van deze medeklinkers worden de p, f, t, s, ch met meer kracht uitgesproken dan de b, v, d, z, g. Daarom heeten de eerste benevens de k ook scherpe medeklinkers, de laatste zachte. Alle scherpe medeklinkers komen voor in: \'t kofschip.

Gelijk men ziet, ontbreekt in de opgave de zachte k (de Fransche g voor a, o, u). Deze medeklinker wordt namelijk in het schrift steeds door k voorgesteld; hij komt echter overal voor, waar de k onmiddellijk gevolgd wordt door b of d: boekbinder, rekbaar, zakdoek, ik doe, enz.

Opmerking. Wanneer men de zachte medeklinkers uitspreekt, zal men bemerken, dat zij alle behooren, althans in den regel, tot de k lankhebbende medeklinkers; de scherpe daarentegen zijn klanklooze.

Kvenzoo behooren gewoonlijk tot de klankhebbende: W, I, r, j, ng.

-ocr page 182-

108

§ 367. De medeklinkers worden naar de wijze, waarop de lucht uit de mondbuis ontsnapt, verdeeld in; ontploffingsgeluiden, schurings-geluiden, neusgeluiden en een ratelingsgeluid. Wanneer de mondbuis bij het uitspreken van een klinker geheel geopend en gesloten wordt of omgekeerd, heeft men een ontploffingsgeluid; paal, lap, tuin, ruit, enz. Wordt de mondbuis niet geheel gesloten, zoodat de lucht tusschen de elkander naderende spraakwerktuigen ontsnappen kan, clan heeft men een schuringsgeluid; feest, vijf, huis, ;.oon, enz. De ontploffingsgeluiden zijn; p, b, t, d, en k. De schuringsgeluiden zijn; f, v. w, s, z, ch, g en j. De 1 verschilt hierin van de laatste, dat zij de lucht aan weerszijden van de tong laat ontsnapppen.

De letters ni, n, ng zijn neusletters. Zij verschillen hierin van de overige medeklinkers, dat bij deze de uitgeademde lucht tusschen de lippen ontsnapt, terwijl dit bij de neusletters door den neus geschiedt. Spreekt men dus eene neusletter uit, dan sluit men de mondbuis af, zoodat de eenige weg voor de lucht de neusholte is. De ng is thans alleen keel-neusletter; in vroegeren tijd werden daarin duidelijk eene n en eene zachte k gehoord. Het ratelingsgeluid is r.

§ 368. De h behoort tot geen der bovenstaande groepen. Zij wordt in het strottenhoofd gevormd door eene sterke uitstooting van den adem en zou dus het schuringsgeluid van het strottenhoofd kunnen heeten.

De h en ch worden in enkele woorden geschreven, zonder te worden uitgesproken; zij heeten dan stomme medeklinkers; thuis, thee, thans, althans, visch, wasschen, enz.

§ 369. Soms zijn ook medeklinkers in andere overgegaan. Zoo is de r somtijds ontstaan uit z, b.v. in; vroor, verkoor, verloor, waren naast vriezen, verkiezen, verliexen, wezen;

ch soms uit k, b.v. in; zocht naast zoeken, wrocht naast werken, zncht „ziekte en verlangenquot; naast ziek, dacht en docht naast denken en dunken, wacht naast waken, enz.

ch soms uit f, b.v. in; (jracht naast graf, zacht, zucht „ademhaling\'quot; en lucht naast Hoogd. san ft, Seufzer en Lu ft;

ch soms uit p, die eerst f was geworden; verknocht naast knooper., kocht naast koopen; f soms uit p, b.v. in; bruiloft naast hopen;

k soms uit g (uitgespr. als in \'t Hoogd.), b.v. in; nikken, hikken naast nijgen, hijgen, jonkheid voor jongheid;

b soms uit v, b.v. in; stribbelen naast streven, kibbelen naast hij een, webbe naast weven, hebben naast haven.

IV. BIJVOEGLNGr EX WEGLATING VAN KLINKERS EN MEDEKLINKERS.

KLANKVERSPRINGING.

§ 370. Behalve door de bovenstaande veranderingen der klinkers en medeklinkers zijn de woorden in den loop der tijden veranderd door

-ocr page 183-

169

bijvoeging of weglating van de letters vooraan, in \'t midden of aan \'t einde der woorden. Soms is deze bijvoeging of weglating willekeurig.

§ 371. Voorzetting (prothesis) heeft plaats in: slinker naast linker, slinksch naast linksch.

§ 372. Inlassching (epenthesis) heeft plaats in de volgende gevallen;

1. De woorden op lijk, ling, loos lasschen eene e in, behalve wanneer er eene toonlooze lettergreep of eene 1, n, r, voorafgaa*;: sterfelijk, mondeling, moedeloos. Dus niet in bodemloos, onmiddellijk heilloos, toonloos, heerlijk, teerling.

Wanneer het woord voor lijk, ling en loos eindigt op eene f, s, nk, die in de plaats komt van v, z, ng, of op eene n, voorafgegaan door een onvolkomen klinker, is de inlassching willekeurig; liefelijk, lieflijk, vreeselijk, vreeslijk, oorspronkelijk, oorspronklijk, mannelijk, manlijk. Doch steeds schrijft men banneling. Zoo ook: moeilijk of moei el jk, verfoeilijk of verfoeielijk. Doch men lassche geene e in na g als ch uitgesproken: heuglijk, draaglijk, beweeglijk, ontzaglijk, wel: degelijk, mogelijk, dagelijks. Voorts onderscheide men zinloos „zinledigquot; van zinneloos „krankzinnigquot; naamloos „zonder naamquot; van nameloos „onnoemelijk grootquot; en werkloos „in \'t geheel geen werk hebbendequot; van werkeloos „niet werkende.quot;

Nog lette men op de willekeurige inlassching eener e in de woorden: doren, horen, koren, lantaren, merel en parel naast doorn, hoorn, koorn, lantaarn, meerl(e) en paarl. Maar verschillende woorden zijn: toorn „gramschapquot; en toren.

De schrijftaal lascht in samengestelde substantieven eene n of en in, wanneer het eerste deel vroeger eindigde of nog tegenwoordig eindigt op eene toonlooze e en het tweede deel met een klinker begint, of wanneer het tweede deel met eene h aanvangt: eende-n-ci, duive-n-ei, brugge-n-hoofd, hgnd-m-hok, eikenhout, brillenlmisje.

Niet ingelascht is natuurlijk n en en, wanneer deze letters de uitgang van den 2en naamval of van het meervoud zijn. Het eerste is \'t geval in woorden als: V Gravenhage, \'s-Ilertogenlosch, \'s-Heerenberg. Het laatste heeft plaats bij die woorden, waarvan \'t eerste deel noodzakelijk aan een meervoud doet denken, als: boekenkast, woordenboek, fles-schenrek, naaldenkoker, speldenkussen, takkenbos, scharenslijper, sterrenkunde, zedenkunde, enz.

Wanneer het eerste deel aan een meervoud kan doen denken, schrijft men bovendien met en:

a. de woorden, wier eerste deel een persoonsnaam is, die het meervoud uitsluitend met en vormt: boerenwoning, heerenhuis, gravinnen-kroon, slavendienst, studentenleven, vrouwenkleed. Zoo ook mannenmoed tegenover manskleed. (Verg. § 255.)

b. de woorden, wier eerste deel een mannelijke diernaam is, die geene samenstellingen met s vormt: berenjong, leeuwenmuil, vinkenslag, vossenjacht, zwanenhals, enz. Daarentegen: hokkevel naast boksvel, mollepoot naast molshoop, kattekop en paardestaart, omdat het eerste deel V. of O. is.

-ocr page 184-

170

Wanneer liet eerste deel een zaaknaam is, waarbij men mede aan een enkelvoud kan denken en het geheel tot het dagelijksch leven behoort, schrijft men steeds e; pijpedop, pennemes, hoededoos, lampekap, speldeknop, enz. — Eene e krijgen ook de namen van boom en, als eikehoom, lindeboom, enz.-

2. Ook wordt eene n ingelascht in woorden, gevormd van eenlettergrepige werkwoorden: ziener, hoosdoener, verstaanbaar, doenlijk. Nog in: sinds naast sedert. Dinsdag voor Diesdag en dit voor Tie-s-dag (van Tie, Tin-s, een krijgsgod der Germanen), diens en wiens voor dies en wies.

3. Eene m wordt ingelascht in: pampier voor papier en misschien in drempel voor derpel (uit deurpaal).

4. Eene d wordt ingelascht:

a. in de woorden: bevrijden van vrij, nader voor na-er, vlieden voor vUe(ii)en, wijden voor wijen (van wij „heiligquot;, nog voorkomende in: wjwater, wierook); kastijden naast Fr. chdtier, {castier), enz.

b. na de 1, r, n. in substantieven: daalder, boender, spaander, Oost-Indiï-vaarder; na de r en n in bijvoeglijke naamwoorden: zwaarder, duurder, guurder-, in zindelijk voor zinlijk, en het bijwoord minder, in de woorden op lei en hande, behalve: eener-, tweeër-, drieër-, achter-, twintigerlei, enz.

5. Eene s wordt ingelascht in de woorden: leidsman, scheidsmuur, kindsheid, „jeugdquot;, onderscheiden van kindschheid, alsmede in doodsbleek, doodsbenauwd, hemelsblauw.

6. Eene t wordt ingelascht in: mijnenlhalve, mijnentwege, enz., m ordentelijk voor ordenlijk, doch niet in: eigenlijk, openlijk, wezenlijk, gezamenlijk, namelijk.

7. Eene p wordt ingelascht vóór je, wanneer \'t voorafgaand woord op ui eindigt: boompje.

§ 373. Achteraanvoeging (paragoge) heeft plaats in: iemand, niemand uit ie-man, nie-man; arend naast {adel)aar - edele aar {aar = roofvogel), te mijnent, enz. voor: te mijnen huize, borst „jongelingquot; voor bors eig. „beursquot;, daarna „gemeenschappelijke kasquot;, „vereeniging van studentenquot;, eindelijk „ieder jongmenschquot;, schoen voor schoe, rijst voorheen rijs (Fr. riz).

§ 374. Weglating aan \'t begin {aphaeresis) heeft plaats in: nijver voor in-ijver, naarstig voor in-ernst-ig, dat eerst neernstig, toen neerstig werd, nevens voor in-even-s, geen voor negeen uit nech-een = niet-een, weg (bijw.) uit an-weg, = op-weg, dat eerst eweg werd, van uit evan, avan voor af-an = af-aan, maar uit nernaar voor newaar (het ne (= en) = niet ware), zeventig, negentig, vroeger: tseventig, tnegentig, evenals nog tachtig; nog in: \'s voor des, H voor dat, er (bijw.) voor daar.

§ 375. Weglating in \'t midden {syncope) heeft plaats in de volgende gevallen:

1. Van klinkers: blijven uit belijven, blusschen uit belusschen = belesschen {lesschen beteekende voorheen \'t zelfde als blusschen), kraal voor koraal, krant voor courant, elf en twaalf voor eenlif en tweelif.

-ocr page 185-

171

strafte voor straffede, hoorde voor hoor ede; eedle voor edele., uappren voor wapperen; bamj voor be-ang, binnen voor be-inn-en, buiten voor be-uit-en, telkens voor te-eJken-s, tevens voor te-even-s.

5. Van medeklinkers, meest van d, als in; vaar, moer, broer, blaün, gestaag; in leelijk. goelijk, kwalijk voor leed lijk, enz.; in: roer voor roeder (van: roeden, roeien), elkaar voor elka{n)der, graag voor gradig, een geheel ander woord dan gretig. — Vooral vóór de s: thans, nopens, volgens, willens en wetens, doorgaans voor thands, nopens enz.; ook van andere medeklinkers vóór s: bijkans voor hijkants, peixen en deizen voor peinzen, deinzen, best en lest voor betst en letst.

Ook in woorden, uit twee andere gevormd, heeft deze weglating plaats: scheikunde, rijtuig, leihand, leidraad van: scheiden, rijden, leiden; in: bruiloft voor bruid-lof-i „loop, tocht naar de bruidquot;, boomgaard naast boom, kennis van kerkmis „plechtige mis op den jaardag van de wijding der kerkquot; (doch; kerstmis), kerspel voor kerkspcl „ring, kring, gebied van de kerkquot;, koomenij (verg. bakkerij, slagerij) van koopman. In hoovaardij heeft geene syncope plaats gehad; hot is afgeleid van hoovaarde, dat zelf samengesteld is uit hoo, eon ouden bijvorm van hoog en vaarde van varen „gaan.quot;

§ 376. Weglating aan \'t slot {apocope) heeft plaats bij; kon, wou, zou, lei, zei voor konde enz.; ik zeg voor zegge en zoo meestal in den len persoon aantoonende wijs onvoltooid tegenwoordigen tijd; bracht, kocht, zocht, wrocht, dacht voor brachte, enz.; bij de zwakke zelfstandige naamwoorden: heer, mensch, hart voor heere, mensche, harte, enz. oor voor oore (in ter oore komen) en vele vrouwelijke substantieven, als; vrouw, val {muizenval), hoop, leer voor vrouwe, enz.

§ 377. Klankverspringing {metathesis) heeft plaats bij de 1 en r: naald voor nadel, hamen naast branden (vgl. barnsteen = brandsteen), dertien voor drietien, gort naast grut, nooddruft naast durven (voorheen; behoeven), vorst voor vrost, naast vriezen, wrocht{e) voor werkte {werkte).

V. DE SPELLING.

§ 378. De spelling leert de regels kennen, volgens welke de gesproken woorden door letterteekens worden voorgesteld. De grondslagen of algemeene regels, waarop onze spelling berust, zijn de volgende, naar hunne waarde gerangschikt;

1. de beschaafde uitspraak. Elk woord wordt zooveel mogelijk door die letters voorgesteld, welke in de beschaafde uitspraak worden gehoord. Dit voorschrift zou echter ten gevolge hebben, dat men dezelfde woorden verschillend schreef, \'t geen niet bevorderlijk zou zijn aan de vlugge opvatting van !t geschrevene. Daarom neemt men als tweeden grondslag aan:

2. de gelijkvormigheid. Elk woord wordt zooveel mogelijk steeds door dezelfde letterteekens voorgesteld. Daarom schrijft men daad, schub,

-ocr page 186-

172

hij droeg, gij mooijl, weggaan naast daden, schubben, dragen, wij mogen, weggegaan en niet; daal, schup, droech, mooeht, wech-chaan, zooals de uitspraak zou eischen.

3. de afleiding. Men raadpleegt bij de spelling van sommige woorden ook de oudere, thans verdwenen uitspraak. Zoo schrijft men beren naast beeren, kolen naast kooien, verweren naast venveeren, poten naast pooien, ivasschen naast wassen, bosch naast bos, enz.

Ten slotte zijn er enkele gevallen, waarin geen der genoemde voorschriften de spelling zou kunnen bepalen. Men zorgt dan, in .overeenkomstige gevallen op dezelfde wijze te handelen en volgt dus den regel

4. der overeenkomst. Zoo schrijft men raadszitting naast raadsbesluit, dorpsschool naast dorpskerk, enz.

Uit deze algemeene regels volgen de bijzondere voor;

a. De klinkers.

§ 379. De gerekte klinkers worden steeds door een dnbbeï letterteeken voorgesteld: jaar, eer, enz.

Eene uitzondering maakt de u voor w: ruw, zwaluw.

§ 380. Van de volkomen klinkers worden de a en n steeds enkel geschreven. Uitgezonderd is de a voor tje, die steeds dubbel wordt geschreven: raatje, papaatje, laatje, Naatje.

§ 381. Van de volkomen klinkers worden de e en o in sommige woorden enkel, in andere dubbel geschreven. Dit hangt meestal af van de oudere uitspraak der woorden. Wanneer namelijk de e voorheen e, i of a, dus een enkelvoudige klinker was, schrijft men de volkomen e enkel; wanneer zij daarentegen uit ei, dus uit een tweeklank is-ontstaan, schrijft men haar dubbel.

Zoo wordt ook de o, die voorheen o of u (spreek uit: oe) was, enkel; die, welke voorheen au, ou was, dubbel geschreven.

De e\'s en o\'s, die uit enkelvoudige klinkers zijn ontstaan, heeteri zacht; die, welke uit tweeklanken zijn ontstaan, scherp.

Men merke intusschen op, dat de bovenstaande algemeene regel niet geldt voor de achtervoegsels. In \'t algemeen worden deze met een dubbel letterteeken geschreven, wanneer zij den hoofdtoon krijgen, met een enkel letterteeken, wanneer zij den hoofdtoon missen.

§ 382. Men schrijft dus met de zachte e:

a. de woorden, die in het tegenwoordig of vroeger Nederlandsch vormen met a of i naast zich hebben;

beter — haten, dwepen — dwapen, veer — varen, vegen — vagen, beweren eigenlijk naast waar maar met bijgedachte aan weren; bede — bidden, deze — dit, gelederen — gelid, plegen — plicht, zeven — ziften.

b. de woorden, waarin de volkomen e met de onvolkomen afwisselt:

-ocr page 187-

173

bezie—hes, deken—dekken, even—effen, kegel—kegge, leken—lekken, treken—trekken, veen—ven, lepel—leppen.

c. de woorden, die in den Hollandschen tongval eu hebben. Die uitspraak is ook wel in de algemeene taal overgegaan:

lenen—leunen, peluw—peuluw, sneven—sneuvelen, stenen—steunen.

d. de sterke werkwoorden. Uitgezonderd is heeten, {genoemd worden), benevens \'t enkelvoud van den onvoltooid verleden tijd der werkwoorden van de 4e klasse, als: bijten, heet (vroeger heit); doch (wij) beten, (gij) heet, (zij) heten en geheten hebben eene zachte e. Oudtijds waren sterk: helen—hal, kneden—knad, sneren—snaf, teren—tar, stenen—stan.

Uit dezen regel volgt, dat ook de woorden, met sterke werkwoorden verwant, eene zachte e hebben: leger naast liggen, trede naast treden, stekel naast steken, hevig naast heffen. Doch de woorden, met werkwoorden der 4e klasse verwant, hebben nu eens eene zachte, dan weer eene scherpe e, daar zij zoowel den klinker van \'t enkelvoud des verleden tijds als dien van \'t meervoud kunnen hebben: schrede naast schrijden, kreten naast krijten, snede naast snijden, doch: hleelie naast blijken, weeke naast wijken, deesem (voor deegsem) naast dijgen. (Verg. § 290).

e. het achtervoegsel heden, ofschoon de e, uit ei {heid) ontstaan, eigenlijk scherp is.

§ 383. Bovendien worden met eene zachte e geschreven alle woorden, welke in \'t Hoogduitsch of Engelsch e, a of i hebben: beken—Bach, generen—Nahrung, menig—manch, gele—ge tb, delen— Diete., grepen— Griff, reten—Riss, schemeren—schimmern ; ezel — ciss, kever—chafer, teren „met teer bestrijkenquot;—tar. Uitgezonderd zijn: herren—Herr, scheeve— schief, be geer en—begehren, leeren—léhren of lemen.

Nog schrijft men met de zachte e de vreemde woorden, die in de taal, waaraan zij ontleend zijn, eene e of i vertoonen: cedel—cédule, ledekant -lit-de-camp, leveren—Uwer, neger—nègre.

§ 384. Men schrijft met de scherpe e:

a. alle woorden, waarin de e in de algemeene taal met ei afwisselt; breed—verbreiden, eek—eik, heelen—heit, kleen—klein, gereed, alreede— bereiden, steen—stein in Uselslein.

b. alle woorden, waarin de e door samentrekking van twee lettergrepen is ontstaan:

leege—ledige, leeren—lederen, mee (bijwoord, honig drank, meekrap) — mede, preeken—prediken, ree—reede, snee—snede, veer en—vederen, ver-weeren in verband gebracht met weder.

c. alle open eenlettergrepige woorden: thee, zee, kwee, ree, ee(gade), uit ee „huwelijkquot; en gade, deemoed uit dee „dienaarquot; en moed „gemoed.quot; Uitgezonderd is he!

d. de achtervoegsels eelen, eeren, eezen, eesche: houweelen, regee-ren, Japanneezen, Europeesche.

§ 385. Bovendien worden met eene scherpe e geschreven alle woor-

-ocr page 188-

174

den, welke in \'t Hoogduitsch ai of ei, in \'t Engelsch o of oa hebben: (kelen—Teil, eeden—Eid, weenen—iceinen, weezen—Waise: teenen— toe, bezeer en—sore, zeep—soap.

§ 386. Opmerking verdienen de volgende woorden, welke alleen in de schrijfwijze der klinkers van elkander verschillen:

beren {verscheurende dieren, schulden) — beeren {varkens, muurstutten, heiblokken en waterkeeringen), delen (planken) — deelen {gedeelten), deegen {zuurdeegen) — degen (verleden tijd van dijgen en znw.), gene (voormv.) — geene (niet-een) generen {onderhouden, zich behelpen) — geneeren (Fr. gêner), helen {verbergen) — heel en {heel maken), lenen (leunen) ■— leenen (ter leen krijgen of geven), leken (naast lekken) — leeken (niet-geestelijken), rede {verstand, redevoering) —reede (ligplaats voor schepen), stenen {ww.) — steenen {znw.), slepen (onoverg. ww.) — sleepen (overg. ww.) veren (van varen) — veeren {vederen), vegen (ww.) — veege (stervende), weken (ww. en znw.) — weeke (zachte), verweren {verdedigen) — verweeren (door het volksbewustzijn in verband gebracht met weder), wezen {ww.) — weezen {znw.)

Men lette nog op de schrijfwijze van kelen (in alle beteekenissen), schede, zweepen, meeren, deken (in de Kath. kerk).

§ 387. Men schrijft met de zachte o:

a. de woorden, waarin de volkomen o met de onvolkomen afwisselt:

beloven — belofte, broze—bros, grove—grof, loven—lof. Uitgezonderd zijn: knoopen—knop, koopen—kocht, stooten-—stotteren, loopen—bruiloft, doove—dof, loover—lof, looxe—los, betoogen en toonen—tocht.

b. de woorden, waarin zij in den Hollandschen tongval met eu afwisselt:

goten—geuten, joken—jeuken, logen—leugen, zomer—zeunier. Uitgezonderd is bloode naast bleu.

c. de sterke werkwoorden met uitzondering van loopen en stooten en het enkelvoud van den onvoltooid verleden tijd der werkwoorden van de 5e klasse: gieten, goot (vroeger egout), buigen, boog (vroeger boug); doch (wij) goten, bogen, (gij) goot, (zij) goten, enz., gegoten, gebogen hebben eene zachte o.

Uit dezen regel volgt, dat ook de woorden, met sterke werkwoorden verwant, eene zachte o hebben; sproken naast spreken. Doch de woorden, met werkwoorden der 5e klasse verwant, hebben eene zachte of scherpe o, daar zij zoowel den klinker van \'t enkelvoud des verleden tijds als dien van \'t meervoud kunnen hebben: betoogen, ver-toonen, toonen naast tie{h)en (thans: tijgen) „trekken, naar voren, aan \'t licht trekkenquot;, klooven (ww.) naast klieven (vroeger een sterk ww.), zoogen naast zuigen, loochenen naast liegen; doch bode naast bieden, logen naast liegen, kloven (znw.) naast klieven, vloten naast vlieten, hogen naast buigen, zode „kookselquot; naast zieden. (Verg. § 302).

§ 388. Bovendien schrijft men met de zachte o de woorden, die in

-ocr page 189-

175

\'t Hoogduitsch u of ü, in \'t Engelsch o hebben: boter—Butter, klove— Kluft, vore—Furche, molen—Miihle; bodem—bottom,pook—poker, schoren— to shore, stoof—stove.

Nog schrijft men met de zachte o de vreemde woorden, waarin de o niet uit au is ontstaan:

abrikoos—abricot, komfoor—chauffoir, kantoor—comptoir, ivoor—ivoire, troon—tróne, kroon—couronne, toon—ton.

§ 389. Men schrijft met de scherpe o:

a. alle woorden, waarin de o door samentrekking van twee lettergrepen is ontstaan: bloo — bloode, boomen — bodemen, door en (van eieren) — doderen, oolijk — oodeljk, zoo — zode (in beide betee-kenissen), noo — noode.

b. alle open eenlettergrepige woorden: stroo, vloo, vroo(lijk), too.

c. het achtervoegsel loos en de woorden op genoot: werkelooze, lotgenooten.

§ 390. Bovendien schrijft men met eene scherpe o de woorden, welke in \'t Hoogduitsch au, au of eu. in \'t Engelsch ea hebben: boom— Baurn, doetpen — tanfen, hoop — Haufen, xoogen — süugen, loochenen — leugnen; brood — bread, groot — great, schoof — sheaf, zoom — seam.

Nog schrijft men met eene scherpe o de vreemde woorden, waarin de o uit au is ontstaan: Moor — Maure, poos — pauze, poorer — pauvre.

§ 391. Opmerking verdienen de volgende woorden, die alleen in de schrijfwijze der klinkers verschillen: hopen (icw.) — hoopen (zniv.) horen {znu\\) — hooren {wiv.), kloven (znw. of onv. verl. tijd van kluiven) — klooven (ww.), kolen {brandstof) — kooien {groente), kozen (van kiezen) — koozen {liefkoozen), poten {planten) — pooten {roeien), roven (van wonden) — rooven {ww.), schoten {mv. van schot) — schooten (mv. van schoot), schoven (van schuiven) — schooven {mv. van schoof), sloten {mv. van slot) — slooten {mv. van sloot), sloven {sukkels) — slooven {voorschoten), tonen {klanken) — toonen {teenen ol\' ivw), tronen {znw). — troonen (icm.), zogen {vert. tijd van zuigen) — zoogen {doen zuigen).

Nog lette men op de spelling van: drogen, drogist, hoonen, kleinooden, loozen, schromen, sloopen {znw. en ww)).

§ 392. De ie wordt geschreven:

a. wanneer zij in open eenlettergrepige of aan \'t slot van meerlettergrepige woorden wordt gehoord: knie, drie, tralie, olie, lelie. Doch de Latijnsche maandnamen hebben i: Januari, Februari, Juni, Juli.

b. in \'t meervoud van woorden op ie, wanneer de lettergreep, waarin deze klinker voorkomt, den klemtoon heeft: knieën, genieën, melodieën, harmonieën. Daarentegen: traliën, oliën, leliën, geniën {mv. van genius).

c. in de woorden op ief, lek, iet: massief, republiek, fabriek, Jezuiet. Verliezen deze uitgangen den klemtoon, dan schrijft men 1: Jeznitismc, fabrikant, republikeinsch. Zoo schrijft men ook zefirs en zefieren, doelt steeds kievit, kieviten.

-ocr page 190-

176

§ 393. De i wordt geschreven in \'t achtervoegsel isch: afgodisch, wettisch, grammatisch.

§ 394. De y wordt, behalve in vreemde woorden, ook geschreven in oude eigennamen, als: De Rnyter, Van Speyk, Van Zw/len, nooit De Ruijter, Van Speijlc, enz.

b. De tweeklanken.

g 395. Daar de ei en ij tegenwoordig in de beschaafde uitspraak denzelfden tweeklank vertegenwoordigen, is \'t noodig, de regels te kennen voor \'t gebruik dezer letterteekens.

Met ei schrijft men;

a. de woorden, waarin deze tweeklank in \'t Nederlandsch met de scherpe e afwisselt, bijv.: verbreiden — breed, bereiden — gereed, Uselstein — steen, klein — kleen, heil — heel, weinig (somtijds: ellendig) — weenen.

De ei is meestal in ee overgegaan, doch in sommige woorden bleef deze tweeklank, gewoonlijk ten gevolge eener oudtijds volgende i, bewaard. Engelsche woorden hebben, in plaats van onze ei; oa of o; heimelijk — home, beide — both, eik — oak, geit — gaat.

b. de woorden, waarin de ei uit age of ege is ontstaan: meid — inaged, ijiaagd, leide, zeide, geleid, gexeid, — legede, zegedc, geleged, gexeged, tegenw. legde, zegde, gelegd, gezegd, heining (voor hagening) — haag, dweil voor dwagel (van dwaen, dwoeg, oudt. wasschen), peil voor pegel, teil „bordquot; voor tegel, zeil, Hoogd. Segel, labbei en klappei voor labbegge, klappegge (van labben, klappen = babbelen).

Engelsche woorden hebben in \'tzelfde geval ai of ay; zeide — said, geleid — laid.

c. de woorden, waarin eene a of e vóór n of 1, door invloed eener voorheen volgende i, tot ei, is overgegaan; peinzen xcmpenzen (Fr. jgt;c«scr), deinzen voor denzen, einde voor ende, veinzen voor venzen, heinde voor hende, feilen naast falen.

De vreemde woorden, die in \'t Fransch ai, ei, oi, eau, é, ée hebben; bei — baie, feit — fait, kapitein — capitaine, balein — baleine, lamprei — lamproie, prei „aasquot; — proie; schalmei — chalu-meau, karwei „werkquot; — corvee, vallei — vallée, p{l)aveien — paver, pleisteren — pattre. Hiertoe behoort ook \'t achtervoegsel teit — té: societeit, majesteit.

Schijnbare uitzonderingen op dezen regel zijn: dozijn — douzaine, wijle „sluierquot; — voile, krijt — craie, daar deze woorden niet aan \'t Fransch, maar aan \'t Latijn zijn ontleend.

Met ij schrijft men;

a. de sterke werkwoorden en de woorden, daarvan gevormd; hijten, hjschen, nijgen, enz. Uitgezonderd is \'t werkwoord scheiden, benevens sommige woorden, verwant met werkwoorden der 4e klasse.

-ocr page 191-

177

■daar deze voorheen ook ei hadden: heitel naast bijten (oorspronkelijk: ■splijten), leiden naast lijden, neigen naast nijgen, steiger, steigeren naast ■stijgen, reis naast rijzen, enz. (Verg. § 302).

b. de woorden, -welke in \'t Engelsch of Friesch ii of i hebben; dyk— ■dike, lijf ■— life, rijk — rich, wijd — wide; blijde — hlide, vlijtig — vlitig, tijd — tüd, zijl „sluisquot; — ziil.

c. De vreemde woorden, welke in \'t Fransch i hebben: bijbel — bible, sijfelen — siffler, rozijn — raisin, venijn — venin, vijg — figue, enz Tot dezen regel behoort ook \'t achtervoegsel ij, dat van vreemden oorsprong is en met het Fr. i of ie overeenstemt: galerij — galei-ie, malvezij „Grieksehe wijnquot; — malvoisie,partij —porti,purtie, schilderij, bakkerij, enz.

§ 396. Opmerking verdienen de volgende woorden, die alleen of hoofdzakelijk in de schrijfwijze van den tweeklank verschillen: kar wij {zaad) uit het Fransche carvi — karwei (werk) uit het Fransche corvee, stijl (Fr. stijle) — steil (sterk oploopend), mijn — mein(eed), wijd, verwijden — weiden, uitweiden (van weide), ontwijden — ontweiden [ran de ingewanden ontdoen), zij 1 (sluis) — zeil {doek), sijsje — •zeis, rij, vr. (reeks) — rei (dans, zang, koor), vijlen (van vijl, •werktuig) — feil (fout), feilen (fouten maken), veil (te koop) en veilen (cerkoopen), bij (insect) — bei (hes), fijt (zweer) — feit (Fr. fait), vlijen (zacht neerleggen of voegen) — vleien, ijken (van gewichten enz.) — eiken, mijt (hoop) — meid, pijl — peil, lijden — leiden, rijzen — reizen, nijgen (buigen uit beleefdheid) — nijgen (in alle andere gevallen).

§ 397. De tweeklanken au en ou verschillen slechts weinig in uit-•spraak: daarom lette men op \'t verschil in schrijfwijze van de volgende woorden: blouwen „slaanquot; en blauwen (van blauw), kauw „vogelquot; en komv „kooiquot;, ramv en rouw „ruwquot;, gauw „snelquot; en gouw „landstreekquot;, ■autaar en outaar.

c. De medeklinkers.

§ 398. De medeklinkers, die als tusschenletters voorkomen, worden verdubbeld, wanneer zij onmiddellijk worden voorafgegaan door een •onvolkomen klinker. Gaat er dus een volkomen klinker, een tweeklank of een toonlooze klinker vooraf, dan is de verdubbeling •ongeoorloofd.

Men schrijft dus: pakken, lessen, missen, hokken, putten, doch met •eene enkele tusschenletter: raden, hoven, huiden; vreeselijk, huiselijk, Usel, ijselijk, Pruisen, pauselijk; hemelen, bezigen, monniken, leeuweriken, haviken, Gorkunier, Dokkumer, enz.

Eene uitzondering maken de woorden op is: vonnissen, notarissen.

§ 399. Het letterteeken ch wordt nooit verdubbeld en van de sch verdubbelt men alleen de s: kachel, echo, bochel, richel, Mechelen; ncasschen, lesschen, blusschen.

T. te rave Y, Xixl. Spraakk. tie druk. 12

-ocr page 192-

178

§ 400. Onverbuigbare woorden worden met een scherpen slotmedeklinker geschreven; met, voort, ach, enz. Uitgezonderd is nog (bijwoord) ter onderscheiding van noch (voegwoord); toch schrijft men \'t eerstgenoemde nog met ch in nochtans.

Verbuigbare woorden worden met een zachten slotmedeklinker geschreven, wanneer in de verbuiging of afleiding zulk een medeklinker te voorschijn komt: schub — schubben, pad — paden, vlag — vlaggen T waard — waardig, alsmede de woorden op aard en erd: Spanjaard, Spanjaarden, dus ook: grijsaard, lomperd, enz. Ook iemand en niemand volgen dezen regel, daar zij voorheen in den 3en en 4ei1 naamval iemanden en nie,manden luidden.

Bij zelfstandige naamwoorden gaat de verbuiging boven de afleiding;, daarom: hint, gezant, rit, snit, verwant, vaart, wegens de meervouden^ binten, gezanten, enz. en ondanks de verwantschap met: hinden, zenden,, rijden, snijden, wenden, vaardig. Doch geene verscherping treft men aan in litteeken voorheen: likteeken. Nog wordt kruit „buskruitquot; met t geschreven, ofschoon \'t hetzelfde woord is als kruid „plant.quot;

§ 401. De beginletter wordt verscherpt in \'t woord fonkelen,. in figuurlijken zin, tegenover vonkelen in letterlijke beteekenis. In \'t woord samen is de s uit tz van te xavien ontstaan. Men schrijft het daarom met s, wanneer het alleen staat: Zij gingen samen tcandelenr en wanneer het als eerste deel van een samengesteld werkwoord voorkomt: samenkomen, samenstellen. Daarentegen: te zamen, verzamelenr gezamenlijk.

§ 402. Yan de tusschenletters verscherpt men:

1. de d en v vóór \'t achtervoegsel nis: beeltenis, verbintenis, droefenis, lafenis, begrafenis.

2. de v, z en ng vóór lijk: liefelijk, vreeselijk, huiselijk, aanvankelijk,, koninklijk.

De g wordt vóór lijk wel in de uitspraak, doch niet in de spelling verscherpt: heuglijk, ontzaglijk. Men lette ook op: hachelijk, degelijk, mogelijk.

3. de ng vóór je en in enkele samengestelde of afgeleide woorden:. rottinkje, koninkje, kettinkje, jonkheid, jonkheer, jonkvrouw, lankmoedig, koninkrijk, sprinkhaan. Is de klinker vóór ng niet toonloos, dan gebruikt men bij verkleinwoorden etje: wandelingetje, dingetje.

§ 403. De d wordt vóór s steeds als t uitgesproken, doch als d geschreven in: gids (Fr. guide), loods (óf naast Fr. loge óf naast E.. loodsman), ginds (naast ginder), reeds (naast aireede), sinds [sedert),, onverhoeds (verhoeden), enz.

Doch met t schrijft men: knots {knotten), gutsen, spits (spitten), mits (met), rots (Fr. roche), flits (Fr. jlamp;chej.

§ 404. De g wordt vóór de t steeds als ch uitgesproken, doch alleen als g geschreven:

1. in de regelmatige vormen der werkwoorden, wier stam op eene-g eindigt: gij, hij ligt, legt, zaagt, inoogt, enz. Derhalve schrijft men:.

-ocr page 193-

179

bracht, dacht, docht, mocht, zocht, kocht, wrocht, placht, daar dit onregelmatige vormen zijn.

2. in zelfstandige naamwoorden op te, gevormd van woorden met g: gebergte, hoogte, laagte.

3. Aagt van Agatha.

§ 405. De h is stom in thans_. altham en thuis uit: te hand en te huis, benevens in enkele vreemde woorden, als: thee, theater. Maar nochtans heeft geene h, daar liet ontstaan is uit nog-dan.

§ 406. De ch is stom in sell, wanneer dit letterteeken in \'t midden of aan \'t einde der woorden voorkomt. Daarom zijn de volgende opmerkingen noodzakelijk.

1. Als tusschenletter schrijft men de sell in de werkwoorden: briesdien, druischen, ruischen; eischen, hijschea, krijschen; dorschen, vorsfhen; lesschen, blusschen; lasschen, wasschen; wenschcn en wisschen en in de woorden tusschen en Paschen.

Docli met s: bruisen, torsen, wassen „groeien\'\' en met eenez: vleexig en vleezen naast vleesch, glanzig en glanzen (ww.) naast glansen (znw.).

Als slotletter schrijft men de sch in de zelfstandige naamwoorden: disch, esch , flesch, mensch, visch, vleesch en vorsch. Toorts onderscheide men: a sch van as (van een wiel), li sch (riet) van lis {lus), mar sch {loop) van mars (kramer, zeil), musch (vogel) van mos {plant), rusch {bies) van Rus, stroowisch van wis (zeker), tasch (iceitasch) van tas {hoop), enz.

2. Als slotletter schrijft men de sch aan \'t einde der bijvoeglijke naamwoorden, welke van bijwoorden op s zijn gevormd: fiksch, flukseh, linksch, slinksch, rechtsch, onverhoedsch, ouderwetsch, onderhandsch, rechtstreeksch, schaar sch, schot sch, schuinsch, slaaf sch, vergeef sch naast de gelijkluidende bijwoorden op s. Zoo ook de adjectieven op: lijksch, ling sch, waartsch van de bijwoorden op: hjks, Hugs, waarts.

Doch met s worden geschreven: bits, spits, flets, dras; dwars, wars, paars, kras; los, ros, wis en gewis.

Nog lette men op ras (bijw.), rasch (bijvnw.) en verrassen (werkw.), op \'t telwoord gansch en op trots (zelfstnw., bijw. en voorz.) naast trotsch (bijvnw.)

d. De spelling der vreemde woorden.

§ 407. In den loop der tijden zijn er een groot aantal vreemde woorden in onze taal overgenomen. Die woorden zijn voornamelijk afkomstig uit het Latijn, het Grieksch en het Franseh. Men kan ze in drie klassen verdeelen:

a. woorden, die sedert eeuwen bij ons in gebruik zijn en geheel als Xederlandsche worden behandeld. Zulke woorden zijn: altaar, aalmoes, beest, brief, feest, inkt, kous, kaars, lamp, pogen, paard, kandelaar, tafel, keuken, peer, poos, straal, schrijven, vlam, vork, zolder, kluister,

42*

-ocr page 194-

180

enz. Zij richten zich in de schrijfwijze geheel naar de spelregels voor Nederlandsche woorden.

b. woorden, die nog geheel het karakter van vreemde woorden hebben behouden: incognito, contra, quadrille, chapeau, eau-dc-Cologne, vaudeville , savoir-vivre, prestige, shawl of chdle, tramway, pince-nez, enz. Zij worden geheel geschreven, als in de taal, waarin zij thuis behooren.

c. woorden, wier uitspraak in een of ander opzicht afwijkt van die, welke zij in de vreemde taal hebben, doch die nog duidelijk hunne vreemde afkomst verraden. De veranderingen, die zij hebben ondergaan, betreffen gewoonlijk de eindlettergrepen. Zulke woorden zijn: citroen, meloen, titel, artikel, republiek, systeem, sigaar, grenadier, officier, genie, diaken, enz. Men noemt ze in \'t bijzonder bastaardwoorden, \'t Valt dikwijls moeilijk, eene grens te trekken tusschen woorden van deze en de vorige klasse.

Ten opzichte van de spelling dezer bastaardwoorden geldt als regel: Behoort zulk een woord alleen te huis in de taal der wetenschap of van eene enkele klasse van personen, voornamelijk der meer ontwikkelden, dan wordt het, zooveel de uitspraak toelaat, met de oorspronkelijke letters geschreven; behoort het daarentegen tot de volkstaal, dan schrijft men het zooveel mogelijk als een Nederlandsch woord. Daarom schrijft men logica naast logisch, physica naast physisch, hypoihenusa, geographic, categorie; executie, cursief, dejetmerren, lorgnet, receptie, sympathie, enz. Daarentegen: \'penseel, stukadoor, kapitaal, kastelein, kwartier, biljet, biljart; doch ook: horloge, diligence, machine, chocolade.

Voorts lette men op de uitgangen aaf en oof in: biograaf, philosoof, qeograaf, tegenover: biographic, philosophie, biographisch, philosophisch, en schrijve men; telegraaf, telegrafist, doch telegraphic en telegraphist^.

Nog verdient opgemerkt te worden, dat enkele bastaardwoorden, die vooral door dichtèrs worden gebruikt, als Nederlandsche woorden worden gespeld: poëzie of poëzij, nimf, saffier, zefr of zefier, enz. en dat sommige woorden, in twee beteekenissen voorkomende, verschillend worden geschreven: dokter ,.geneesheerquot; en doctor „titelquot;, komedie, „schouwburgquot; en comedie „blijspelquot; kommies „ambtenaar bij de belastingenquot; en commies „ambtenaar aan een ministerie of bij de posterijenquot;, lokaal „vertrekquot; cn locaal „plaatselijkquot;, kritiek „hachelijkquot; en critiek „beoordeelingv\', krediet „vertrouwenquot; en credit (in hot Italiaansch boekhouden).

e. De hoofdletters.

§ 408. Hoofdletters worden hoofdzakelijk gebezigd, om den lezer bijzonder opmerkzaam te maken op de woorden, die daarmee beginnen. Men schrijft met eene hoofdletter:

1. het eerste woord van eiken volzin en versregel.

-ocr page 195-

181

2. alle eigennamen en bijnamen. Bestaan namen van personen of plaatsen uit twee of drie deelen, dan wordt ook het eerste van eeno hoofdletter voorzien; Van Dijk, Van der Werff, Den Haag, De Witt. Daarentegen: Jan de Witt, Anthony van Dijck.

3. de namen van maanden, week- en feestdagen: Januari, Zondag, Paschen.

4. soortnamen en begripsnamen, als eigennamen gebezigd: De Graaf had zijne maatregelen genomen. De Nieuwe Kerk staat naast het Paleis. Ja, oude Landplaag, H is genoeg aan Hollands tuin geknabbeld! (B.)

5. de hoofdwoorden der titels: Weledelgeboren Heer, Aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

6. de adjectieven, van eigennamen afgeleid: Nederlandsch, Indisch, enz.

7. alle woorden, welke een schrijver bijzonder wil doen uitkomen, bepaaldelijk, wanneer een voornaamwoord de Godheid aanduidt; God verlaat de Zijnen niet.

f. Het koppel- en het samentrekkingstee ken.

§ 409. Men bedient zich van liet koppelteeken:

1. in woorden, waarin eigennamen of van eigennamen gevormde adjectieven voorkomen: Manilla-sigaren, Jara-tahak, Turksch-rood, Indo-Europeeseh, enz.

2. in titels, die^ uit de samenkoppeling van twee woorden zijn ontstaan, wanneer beide of een van beide bastaardwoorden zijn: grootmeester-nationaal, vice-voorzitter, sergeant-majoor, luitenant-adjudant, enz.

3. in aardrijkskundige namen, bestaande uit een eigennaam en een adjectief of bijwoord: Noord-Holland, Klein-Rusland, Middel-Duitschland, enz.

Adjectieven, van dergelijke woorden gevormd, behoeven geen koppelteeken: Noordhollandsch, Westfriesch, enz.

4. in samenstellingen, waarvan het eerste lid alleen betrekking heeft op het eerste gedeelte van het tweede lid en niet op het geheel: oude-mannenhuis, kleine-jongenspret, St.-Nicolaasfeest, \'s- Graven-ha ge , ,s-Hertogenhoseh.

§ 410. Het samentrekkingsteeken wordt alleen dan gebezigd, wanneer men lettergrepen samentrekt, waarmede dit gewoonlijk niet gebeurt: daan, geschiên, geletn, enz., doch niet slee, mee, weer, enz.

AANHANGSEL.

HET GEBRUIK DER LK EST KERENS.

§ 411. Men gebruikt verschillende teekens met liet doel, om de vlugge en juiste opvatting van den inhoud der volzinnen te bevorderen. Deze

-ocr page 196-

182

teekens heeten leesteekens. Zij zijn; de punt, de komma, de puntkomma, de dubbele punt, het vr aagteeken, het uitroepteeken, het aandachtteeken, het beletselteeken, de aanhalingsteekens, de haakjes.

§ 412. Men plaatst eene punt;

1. aan het slot van eiken enkelvoudiger! of samengestelden zin, die geene vraag of geen uitroep inhoudt; Hij is van middag vertrokken. Eer ik er aan dacht, was hij me ontsnapt.

Men vindt ook wel eens eene punt vóór het einde van den volzin, wanneer op de volgende zindeelen bijzonder de aandacht wordt gevestigd; Drie historische herinneringen van zeer onderscheiden aard en heteekenis hechten zich aan dit gedenkstuk der oudheid. Eéne uit de middeleeuwen, ééne uit den tijd der hervorming, ééne uit deze onze, toen nog springlevende , 19e eeuw. (B.)

2. achter enkele woorden, die tot opschrift of titel dienen; Vierde Boek. Het Magnetisme.

3. achter verkortingen; bijv., naamic., de heer A.

§ 413. Men plaatst eene komma;

1. in den enkelvoudigen zin tusschen de deelen van een veelvoudig onderwerp, enz., wanneer deze niet verhonden zijn door en en of: Eene nieuwe, groote, sierlijke, gemakkelijke schrijftafel werd te koop gepresenteerd. Niet alleen op de straat, maar ook vow de ramen stond de menigte dicht opeengepakt. Daarentegen; In Mei of November gaat men verhuizen. De Koning en de Koningin zijn in de stad.

2. in den enkelvoudigen zin vóór en na eene bijstelling of den naam van den aangesproken persoon; Kar eitje, het lieve jongetje, was niet te vinden. (B.) Huib, mijn jongen, wat schort er aan? Vader, ik wou, dat ik rijk ivas. (P.)

3. tusschen twee nevengeschikte zinnen, wanneer de deelen door een voegwoord zijn verbonden. Eene uitzondering maken de voegwoorden en en of: Ik kon niet heengaan, want ik had druk werk. Hij wou dat huis wel koopen, doch had geen geld genoeg. Zijn de deelen van den samengestelden zin door een voegwoordelijk bijwoord verbonden, of is het zinsverband niet uitgedrukt, dan bedient men zich meestal van eene kommapunt; bij \'t redengevend zinsverband ook van eene dubbele punt.

4. bij de onderschikkende zinsverbinding, vóór den bijzin, wanneer deze achter den hoofdzin staal; achter den bijzin, wanneer deze vooraan is geplaatst; vóór en na den bijzin, wanneer hij als tusschenzin voorkomt. Staat de hoofdzin tusschen de deelen des bijzins, dan plaatst men ook dezen tusschen twee komma\'s; Als het kalf verdronken is, dempt men de put. Men vertelde hem, dat er soldaten in aantocht waren. Eenen maatregel, die noodlottiger werkte, had men moeilijk kunnen uitdenlcen. Bisteren zijn zij, hoor ik, vertrokken. Bij de beknopte zinnen volgt men denzelfden regel; Ik geloof, hem reeds meer gezien te hebben. In Keulen te zijn en den Dom niet te zien, dat gaat niet aan. Zijn beknopte

-ocr page 197-

183

zinnen van beperkten omvang, clan laat men de komma ook weg: Een huichelaar te ontmaskeren is zou gemakkelijk niet.

5. vóór en na elk zindeel, dat men bijzonder wil doen uitkomen; Hij had, in weerwil van allerlei bezwaren, het hoofd omhoog gehouden. Mag ik u, met alle bescheidenheid, dit verzoek doen ?

§ 414. Men plaatst eene puntkomma:

1. tusschen twee nevengeschikte zinnen, die door een voegwoordelijk bijwoord zijn verbonden of waartusschen \'t zinsverband niet is uitgedrukt: Men deed alles, om haar op te beuren; toch liet zij het hoofd hangen. Wij vonden er een oud vriend van ons; ook maakten wij er kennis met diens neef en zijne dochters. Hij wordt voortdurend door kiespijn gekweld; daarom is hij zoo knorrig. Gij kleedt u in koortsachtige spanning; gij begeeft u naar het terrein; gij vindt er eene bonte menigte, waarvan de een er al gekker en nuchterder uitziet, dan de ■ander; gij maakt met u honderden als een eenig man front naar het vosten. (B).

2. tusschen twee nevengeschikte bijzinnen, wanneer deze niet door een voegwoord verbonden zijn, bepaaldelijk, wanneer zij eenigen omvang hebben; anders gebruikt men de komma: Hoeveel liever zou ik van de meisjes getuigd hebben , dal zij op het land in vollen zin de natuur genoten; dat zij wandelden, bloemen plukten, kruiden lazen en, door ■afwisseling van geneugten, den kring barer kennis uitbreidden. (P.)

3. in het algemeen tusschen zinnen en zindeelen, die men bijzonder wil doen uitkomen, of die wat langer zijn; de puntkomma vervangt dan de komma: Aan mijne andere zijde {zat) eene lange Sehotsche dame; eene •ongehuwde tante van een goede vijftig jaar; nog al hoog blond; het teint ■sterk door de zon aangedaan; juist niet mooi. (B.)

4. tusschen nevengeschikte vragende of uitroepende zinnen, in plaats van H vraag- of uitroepteeken, dat men alleen achter den laat-sten zin plaatst; Waarom daalde zijn blik ter aarde; waarom hing zijn hoofd neer, toen hij in de schaduw van een boschje het gevogelte zingen hoorde; waarom werd hij weemoedig bij dien wildzang van het woud? i(P.) Gegroet, gegroet, gij vroolijke en gezonde, lustige en stevige knapen; gegroet, gegroet, gij speelsche en blozende hoop des vaderlands! (B.)

Intusschen vindt men ook wel H vraagteeken gebezigd; Indien er geen natuurschoon in Nederland was, indien het er niet overvloedig ivas, vanwaar het aantal van onze uitnemende landschapschilders ? vanwaar de voortreffelijkheid van hunne meesterstukken ? (B.)

§ 415. ilen plaatst eene dubbele punt, wanneer hetgeen volgt ter ■opheldering of verklaring van \'t voorgaande dient. Zoo gebruikt men haar •tusschen nevengeschikte zinnen, die redengevend zijn verbonden, zonder •dat dit verband is uitgedrukt; Vergeefsch dat het landschap, bij ieder en keer des icegs, wisselde van veelkleurige pracht: hij stond er niet om ■stil; hij zag er niet naar rond. (F.) Eene aardige groep: voor de deur eener boerenwoning rookt een grijsaard zijn pijpje, met een jongen van

-ocr page 198-

184

een jaar vijf, zes op de linkerknie. (P.) Zoo, wanneer men de woorden van iemand aanhaalt, docli alleen, wanneer de hoofdzin voorafgaat: Toch kostte het Huib moeite, zich in te honden en niet te roepen: „Machteld, die komt om je geld en yoed.\'quot; (P.) Zoo bi] optellingen: In deez\' broek voert hij met zich — dl wat de tijd opgeeft; —- dat wisselt af: knikkers, stuiters, ballen, een1 spijker, enz. (B.)

§ 416. Men gebruikt een vraagteeken na een vragenden hoofdzin of een vragenden bijzin, die in den vorm van een hoofdzin voorkomt: Wil je roeien! — Ik vroeg hem: „Wil je mij eens helpen?quot; Doch niet, wanneer de bijzin als bijzin optreedt: Ik vroeg hem, of hij ■wist, waar die man woonde.

§ 417. Jlen gebruikt een nitroepteeken na tusschenwerpsels,, uitroepen, wenschen, bevelen, enz.. Helaas! Ach! hoe ongelukkig! Drommels! Bloodaard! Kom toch! Vergeef ons onze schulden! Marsch!\' Vuur! Ook wel na den naam van den aangesproken persoon; Je wordt geroepen, kind! ,lansje! daar wordt geklopt. Omgekeerd gebruikt men na tusschenwerpsels wel eens eene komma: Och, hoe lief!

§ 418. Het beletselteeken bezigt men, wanneer iemand door eene of andere oorzaak verhinderd wordt, een volzin te eindigen: En re ie zijt gij mijnheer! om mij op mijne eigene kamer de les te komen lezen ? Ik houd u voor . . . .quot; — „Geene beleedigingenquot;, zei Hildebrand. (B.)

§ 419. De aandachtstreep dient om den hoorder opmerkzaam te maken op iets, dat hij niet kon verwachten: „Aan \'t spoorstation te Heidelberg daar staat een kind — van dertig jaar.quot; (B.) „Je kunt mooi genoeg praten — mijnheer!quot; xeide F ie ter met de tanden op elkaar en bevende van haat. (B.) Men gebruikt deze streep ook wel, wanneer de schrijver een deel van zijn onderwerp geheel afgedaan heeft.

§ 420. De aanhalingsteekens dienen, om zinnen of woorden als die van anderen te doen uitkomen: Hij zeide: „Wie gaat er mee?quot; Hij scheen een man van gewicht, ivien de gerechten pasten, maar die „in dit mooie Zwitserlandquot; geen1 vrede kon hebben met den wijn. (B.)

§ 421. De haakjes dienen, om een op zich zelf staanden zin, tusschen de deelen van een anderen geplaatst, daarvan te scheiden: Een donker sparren- en dennenwoud, geworteld tusschen, en in, en op, (ik weet zelf niet hoe) eene woest dooreengeworpen massa van de kolossaalste-rotsklompen. (B.) Men kan zulk een zin ook tusschen twee streepjes plaatsen.

-ocr page 199-

REGISTER.

NB. De cijfers wijzen de paginn\'o aar.

Aaneenschakeleml zinsveibaml .

. .

15

gevolgaanduidende ......

38

Aangesproken persoon {verhoudin;/

38

tot den zin).......

4

omstandigheidszinnen . . .

38

, 39

Aanvoegende wijs {gebruik) . .

88

ondenverpszinnen.....

38;

Aanwijzend voornaamw. (aard).

50

redengevende ... . .

38

, 39

„ {verbuiging)

121

tijdbepalende......

38

39

-aar, -laar........

153

toegevende.......

38

, 30

-aar, -naar (bij persoonsnamen)

152

vergelijkende.......

39

-aard..........

152

voorwaarde! ijke......

38

39

aarts (bij bijvoeglijke naamw.) .

voorwerpszinnen.....

38-

aarts (bij zelfsl. naamw.). . .

151

Belanghebbende-voorwerpszinnen

22.

Accusatief

Bepaling van gesteldheid . . .

8-

als lijdend voorwerp — met

een

Bepalingen van \'t gezegde . .

5

voorzetsel — als bijwoordel. bepa

Bepalingaankondigend voornaamw.

50

ling — als bijstelling of bepaling

vervanging door een ander vnw

51

van gesteldheid — als oorzakelijk

verbuiging.......

123

voorwerp bij een bijv. naamw.

83

Beperkend tegenstellend zinsverb.

17

Accusatieven als bijwoord . . .

162

Beperkende zinnen.....

29

Achtoraanvoeging {paragoge)

170

„ „ met dan .

30

Achtervoegsels.......140,

141

Betrekkelijk voornaamwoord . .

51

-achtig {zonder en met hoofdtoon)

150

bijvoegt, gebruikt.....

52

af (bij zelfst. naamw.) ....

bij een geheelen zin ....

52,

Afleiding.........

141

verbuiging.......

124

Afleidingen (schijnbare) . . .

142

Bezittelijk voornaamwoord . .

49

-age..........

vervanging door aanw. vnw. .

49

-and..........

159,

bij men........

49

ant...........

151

verbuiging.......

120

Antecedent........

52

Bijstolling........

8

Attributief bijvoeglijk naamw. 45

40

, 47

bijstelling en bijv. zin . . .

24

au, OU {wanneer geschreven)

177

Bijvoeglijk naamwoord .... alleen attributief\'.....

45

46

-baar ..........

47

Bastaardwoorden {spelling) . .

180

die een genitief regeeren . .

81

be (bij werkw.)......

148

„ „ accusatief „ . .

84

be (bij bijv. naamw.) ....

90,

158

die geene trappen van hoedanig

Bedrijvende zin......

10

heid hebben .......

86

Beginletters {wanneer verscherpt)

178

verbuiging {sterke en zwakke) 1

13-

-116

Begripsnamen.......

43

wanneer onverbogen .... 105,

116

Beknopte bijzinnen.....

37

, 40

wanneer gewoonlijk onverbogen

116-

bijvoeglijke.......

. 38, 39

verbuiging der bijvoegt, naamw.,

als

88

zelfstandige naamw. gebruikt

116.

-ocr page 200-

186

vei-bui ging der bijv. nanniw.. waarachter 7 zelf fit. naamw. is vjeij-

■gelaten...........il(i

deelwoordel. bijv. naamw.....99

deelwoorden als bijv. naamw. gebruikt 99

affjeleicle..........156

schijnbaar afgeleide......142

samengest..........15( i

samengest. door afl.......\'150

Tiijvoeglijke zinnen......\'23, 39

,, „ door dal en nf

verbonden ... 24 ,, ,, door een voeg w.

verbonden ... 23

,, ,, bij een volzin . 23

Uijwoorden {aard en soorten) . . . 04

in den vergr. en overir. trap . . 87

afgeleide..........160

samengestelde........■160

Bijwoordelijke bepalingen.....6

Bijwoordelijke zinnen......24

Hijzin............14

„ van een bijzin......14

Causatieven..........147

ch vóór t...........178

Ch (stom)...........179

d vóór s...........178

de.............154

dan (uitsluitend voegw.).....17

Datief

van voor- en nadeel — bezit — den belangstellende — bijstelling en bepaling van gesteldheid ... 82

als bijivoord.........162

Deelwoord {aard en verdeeling) . . 98 geene trappen v. hoedanigh. ... 82

vorming..........\'132

Deelwoordelijke bijv. naamwoorden . 99

Denominatieven........146

lt;leze en gene, deze of gene als onb.

voornaamw..........54

dit en dat (beteekenis)......50

Doel aanwijzende zinnen.....31

-dom.............155 e en 0 (zachte en scherpe — aard) 172 e (regels voor de zachte en scherpe) 172

-e (bij zelfst. naamw.)......154

-eel.............153

een als onbep. voornaamw.....53

eene {de) en de andere als aanw. vnw. 50 een {de) of ander als onbep. vnw. . 54

eenig als onbep. voornw......54

-eeren (bij werkwoorden).....147

-egge of ei..........153

ei (regels voor \'t gebruik) . . . .176

Eigennamen..........44

-el (namen v. werktuigen) .... 153

-el (verkleinwoorden)......154

-el (bijv. naamw.)........156

Elliptische zin........13, 42

-en (stoll\'elijke adjectieven) .... 157

-en (bijwoorden^........161

Enkelvoudig zelfst. naamw. met meervoudige beteekenis......112

Enkelvoudige zin........4

eerste (de) en de laatste, als aanw.

vnw.............50

-er (bijv. naamw.)......156

-er (persoonsnamen)......152

-er (namen van werktuigen) . . . 153 er (als voornw. en als bijwoord) . . 11

-erd............152

-es (vronwel, zelfst. nw.).....153

et.............151

Etymologie..........141

Frequentatieven (werkwoorden van herhaling).........148

ge (werkwoorden)........149

ge (zelfst. naamw.).......151

ge (bijv. naamiv.)........158

Gebiedende wijs (gebruik) .... 88 „ in den vorm van infinitief

en verl. deelw.........92

Gebiedende zinnen.......9

Gemeenslachtige zelfst, naamw. . . 76 Genitief

van oorsprong — bezit — verdeeling — onder- en voorwerps — oorzaak — bijwoordelijke — scheiding 80


-ocr page 201-

187

als bijwoord.........161

Oerrnaansche talen.......2

Geslacht (aard en regels).....70

„ der samengest. woorden . . 77

■Getal (aard).........77

zelfst, naamw., alleen enkelvoud . 78 alleen meervoud . 79

Getal des werkwoords......98

Gevolgaanduidende zinnen . . . 32, 38 door dan dat verbonden .... 33

-gewijze...........162

Gezegde..........3, 10

Gezegdezinnen........20, 21

Grond tegenover gevolgtrekking . . 7 Grondwoord..........142

h (stom)...........179

-haftijj............156

hebben en zijn als hulpwerkw. ... 96

-heid............154

lier.............149

hetgeen als betr. vnw.......52

hij, zij, het (beteekenis) ......48

Hoofdletters..........180

Hoofdtelwoorden (bep. en onbep.) . . 55 „ zelfstandig gebruikt 55

„ (verbuiging) . 124, 125

Hoofdzin...........14

Hulpwerkwoorden

van tijd ... .....60, 96

van wijze..........60

van den lijdenden vorm .... 60

ie en i (regels voor \'t. gebruik). . . 175

-Ier, -nier..........152

-ig, -erig...........157

ij (regels voor \'t gebruik).....176

-ij, -nij, -erij, -ernij......155

Ik ben het, enz. (ontleding) .... 13

-ik.............154

-in.............153

Infinitief (onbepaalde wijs) . . . 92, 99 verschil tusschen den — en \'t

zelfst. naamw.........100

voorafgegaan door voorzetsels . . 100

zonder te .... \'.....101

als verleden deelwoord.....102

-ing, -ling (gemeenslachtige zelfst.

naamw. en verkleinw.) . . . 153, 154 -ing (vrouwel. begripsnamen) . . . 155

Inlassching (epenthesis).....169

Intensieven..........148

je, -tje...........154

-jes, -tjes, -kens........162

Klankverspringing (metathesis) . . .171

Klemtoon.....,.....165

-kijn, -ken, -ke, -ske......154

Klinkers...........165

Klinkers (uitspraak: volkomen — gerekt — onvolkomen — toonloos) 166

Koppelteeken.........181

Koppelwerkwoord.......60, 63

laten, gevolgd door len of 4en naamv. 92

Leesteekens..........181

I.ettergrepen.........165

Letterteekens.........165

Letterklanken.........165

Lidwoord

van bepaaldheid.......56

„ onbepaaldheid......56

gebruik of wegtcting.....57

verbuiging.........126

Lijdende (onechte) vorm van onovergankelijke werkw.......10, 59

Lijdende zin

echte...........10

onechte..........10

-lijk (adjectieven)........157

-lijk, -lijks (bijwoorden).....162

-lings............162

-loos............158

Medeklinkers.........167

verdeeling..........167

stomme..........168

verdubbeling........177

Meerstammige werkw.......127

Meervoudsvorming der zelfst. naamw. 109

door S...........110

beurtelings S of en......110

S en en met verschil van beteekenis 110


-ocr page 202-

188

door ers, eren.........Ui

Meervoudsvorming (schijnbaar) door

nen, iën..........111

Meer voud van woorden op man . . HS Meervoud van woorden op US en um 112 Meervoud, gelijk aan \'t enkelvoud . 112 „ met klinkerverandering . 112 „ verandering van slot

medeklinker. . . . 113

Meervoud van titels.......112

„ „ eigennamen .... 113

Namen van hoedanigheden, toestanden , werkingen.......44

Namen van werkelijke zelfstandigh. . 43

Naamvallen (aard).......79

Naamval van de bijstelling bij den

genitief..........84

Naamwoordelijk deel van \'t gezegde 4, 12

Nederlandsche taal.......2

Nevenschikkend zinsverband ... 14 Nevengeschikte zinnen door of verbonden (schijnbaar)......36

-nis.............155

Nominatief

als onderwerp — deel van \'lt; f/e-zegde — bijstelling en bepaling van gesteldheid.........80

0 en e (zachte en scherpe — aard) 172 o (regels voor de zachte en

scherpe)..........174

Omstandigheidszinneu.....20, 38

oor.............151

Oorzaak tegenover gevolg.....18

Oorzakelijke voorwerpszinnen . . . 22

On (zelfst. naamw.).......151

on {adjectieven)........158

Onbepaalde voornaamw. (aard) ... 53

verbuiging.........124

Onderschikkend zinsverband .... 20

Onderwerp.........3,4

Onderwerpszinnen......20, 30

Onechte lijdende zinnen.....10

Onovergankelijke werkwoorden, subjectief en objectief......50

Onpersoonlijke werkwoorden

werkelijk en schijnbaar.....00

ont.............149

Ontkennende zin........9

Ontkennend bijwoord......55

Ontkennend lidwoord......55

Onvolledige zinnen......28, 35

Overeenstemming in buigingsvorm n. tusschen onderwerp en gezegde

1. in persoon........103

2. in getal.........104

b. tusschen onderwerp en naamw.

deel van \'t gezegde......105

c. tusschen naamwoord en bijv. bepalingen ..........105

d. tusschen naamwoord en zelfst. bepalingen ..........105

e. tusschen voornaamw. en zelfst. naamw...........100

Overgankelijke werkwoorden

bedrijvende en lijdende vorm . . 59 Overtreffende trap (aard en gebruik) 86 „ „ (volstrekt en betrekkelijk) ..........86

Personen des werkwoords.....07

Persoonlijke voornaamw. (aard) . . 47

verbuiging.........118

Plaatsbepalende zinnen......24

Plaatsvervangend tegenst. zinsverband 18 Praedicatief bijvoegl. naamw. . .45, 46

Rangschikkend zinsverband .... 16

Rangtelwoorden (bep. en onbep.) . . 55

,. (zelfst. gebruikt) . . 55

„ (verbuiging) . . . 124

Reden tegenover gevolg.....18

Redengevend zinsverband .... 18

Redengevende zinnen......30

niet te verwarren met oorzakelijke

voorwerpszinnen.......31

met dat..........31

-rik.............152

S of SCh aan \'t slot van bijv. naamw. 179

-S (bijwoordelijke).......162

Samengestelde zin......4, 14


-ocr page 203-

189

Samengetrokken zin......15, 19

Samenstelling.........141

scheidbare en onscheidbare . . . 144 door middel van afleiding . . . 142

Samentrekkingsteeken......181

-80h, -isch (bijv. naamw.) . . . .157

-schap............155

-sel.............153

Slotmedeklinkers (wanneer zarht en

wanneer scherp).......\'177

Soortnamen..........44

Spelling...........171

grondslagen.........171

van gerekte klinkers......172

van volkomen a en U.....172

Spraak............1

Spraakkunst..........2

Stam............108

Stellende trap (aard en gebruik) . . 85

-ster............153

Stofnamen..........44

Taal............^

-te (zeifat. naamw.).......\'154

Tegenstellend zinsverband.....1(gt;

Telwoorden (aard).......54

verbuiging.........121

vorming..........150

Tijdbepalende zinnen......25

door of verbonden.......37

Tijden der werkwoorden

aard en benaming......03

enkelv. en samengest......05

der aantoonende wijs . . . .03, 04

der aanvoegende wijs.....04

der voorwaar del. wijs.....05

der gebiedende wijs......05

van den infinitief.......100

Toegevende zinnen.......28

in den vorm van hoofd- en gebiedenden zin.........28

met al en ook........28

met een vragend voornaamw. of

bijwoord..........20

Tongvallen..........2

Trappen van hoedanigheid (aard) . . 85 vorming . ........\'H7

Tusschenletters (verscherping) . . . 178

Tussehenwerpsels . .......08

Tweeklanken.........170

U als voornaamw. van den tweeden

persoon........48 en 104

Uitsluit, tegenstellend zinsverband. . 17

Veelvoudige zindeelen......10

ver (werkwoorden).......140

Verandering van klinkers.....166

„ „ medeklinkers . . . 168

Verbuiging (aard).......70

Verdeelend zinsverband.....16

Vergelijkende bepaling......35

Vergelijkende zinnen.....30, 33

Vergrootende trap (aard en gebruik) 85 omschrijving noodzakelijk .... 80

Verhoudingszinnen.......35

Verklarend zinsverband......10

Verkleinwoorden (aard).....154

Versterkend zinsverband.....16

Vervoeging (aard).......70

Verzamelnamen........44

Voegwoorden (aard en verdeeling) . 08

vorming..........103

Voegw. bijwoorden.......00

Volzin............3

Voornaamw. (zeifat. en bijv.). ... 47

vanning..........158

Voornaamw. bijwoorden.....64

Voorvoegsels..........141

Voorwaardel. wijs (gebruik) . . . 88, 00

Voorwaardelijke zinnen......20

in den vorm van vragende en gebiedende zinnen : .... 27

met of verbonden.......27

Voorwerpen [lijdend — belanghebbend — oorzakelijk)......5

Voorwerpsnamen........45

Voorwerpszinnen........22

Voorzetsels (aard).......67

„ die een .\'ten naamval regeer en .......83

„ die een schijnbaren c2en

naamval regeeren ... 83 vorming..........162


-ocr page 204-

190

Vragende voornaamwoorden . . . . 5t

in uitroependen zin......51

als onbepaalde vnw.......54

verbuiging.........122

Vragende zin........9, 27

Vreemde woorden........179

-waarts............162

wan (werkivoorden).......150

wan {zelfst. naamtv.)......151

wat, als betr. voornw.: wanneer geoorloofd ......... 52, 53

wat, bijvoegl. vragend voornaamw. . 51 wat, onbepaald voornaamwoord. . . 53 Wederkeerend voornaamw. . . 48, 119 Wederkeerende werkwoorden

noodzakelijk of toevallig .... 59 Wederkeerig voornaamw. . . . 40, 119 Weglating aan \'t begin (aphaerexis) . 170 ,, in \'t midden {syncope). . 170 ;, aan \'t slot (apocope) . . 171

ivelks v. zaken in \'t enkelv.....52

Werkwoorden (aard)......58

beurtelings over- en onovergankelijk 02 oorspronkelijk onoverg., thans overg. 62 onoverg., als overgankel. gebruikt 63 onpersoonlijke, als overg. gebruikt 63 koppelww., oorspr. onoverg. of overg. 63 Werkwoorden, die twee accusatieven

regeeren..........84

Werkwoorden (vervoeging , sterke en

zwakke)..........127

sterke of meerstammige, verdeeling in M klassen........127 sterke, wier vervoeging opmerking verdient, naar de klassen gerangscliikt 129

zwakke (vervoeging)......132

onregelmatig sterke......134

onregelmatig zwakke......139

persoons- en tijdsuitgangen . . . 133 Werkwoorden (vorming)

afgeleide..........146

samengestelde........144

Werkwoordel. deel van \'t gezegde. 4, 12 ivie en wat = degene, die en datgene, dat..........53

xvij in de plaats van ik.....48

Wijzen der werkwoorden (aard) . . 87

Woord............165

Woordschikking (in hoofd-en bijzin) 14, 29

Woordvorming.........141

Wortels...........141

158 54 119 77

43 4a

44 108

151 150 150 16 17

-zaam.........

zeker als onbep. voornaamw..

zelf (gebruik en verbuiging) . Zelfslachtige zelfst. naarnw. . Zelfstandige naamw. (aard) . verdeeling in soorten . . tot versch illende soorten behoorende verbuiging (sterke en zwakke) . . vorming:

afgeleid..........

samengesteld........

samengesteld door afleiding . . . Zuiver aaneenschakelend zinsverband Zuiver tegenstellend zinsverband . .


-ocr page 205-

UITGAVEN VAN J. B. WOLTERS TE GRONINGEN.

Bibliotheek van Nederlandsche Letterkunde. Dichten prozawerken der voornaamste schrijvers van de 17de tot de 19de eeuw, uitgegeven en van eene inleiding en aanteekeningen voorzien door wijlen T. Terwey.

I. Vondels Jeptha........2de druk f 0,60

II. Vondels Gysbrecht van Aemstel . . ide druk • 0,60

III. Hooft, Haarlem en Alkmaar. Episoden uit de

Nederlandsche historiën.........- 0,60.

IV. Ifjiygens\'* Zeestraet, Uit de Zedeprinten, De Ste-

destemmen en De Dorpen........- 0,60

V—VI. Bredero1 s Spaansche Brabander.....- 1,20

VII. De Genestefs Leekedichtjens, door Dr. H. U.

Meijboom.........2de druk - 0,60

T. Terwey, Nederlandsche Spraakkunst . i \\de druk - 1,25 T. Terwey, Beginselen der Nederl. Spraakk. Gde druk - 1,00 T. Terwey, Korte Nederlandsche Spraakk. 10de druk - 0,60. T. Terwey, Oefen, bij de korte Ned. Spraakk. yde druk - 0,6a

-ocr page 206-
-ocr page 207-
-ocr page 208-
-ocr page 209-
-ocr page 210-