-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-

222 F 4

-

-ocr page 4-
-ocr page 5-

—--!-f

. \'vk -■ • gt;• , . • •quot; . • - • :-••■- ^ : • • , - . i

. - ;: ^ ■ - ■ • ■ •■ ■■; / ^ quot; - quot; - ; ^ J :

v. ■; . quot;• • ■• j quot;:- ■ •. . ,• •■\'-■ — ..•,■• v .quot;\'quot;.v, \'

:gt; • amp;v.. -■ : . • ., . - ■ \' ; .-k; . ■

: ■ \' \' V S\' V\' i\',quot;- V

t? \' : tó.r

P^; H\'h

_ . -V. ■

■■■

; quot;quot; \' - \' \'v

4:: ■ ■ ;

«V.,-Ï jS,.

gt;\'Aquot;

•WV:\'.

gfMMaMr? .

5 v

\\

:• V

V\'•• \'\'i-

gt;; !\'* :K.l

v \' - - quot; quot;ï \'

m

^\'54 ■

■ ■ quot; \' . • .r ■ ■ ■■ \' ., ■ V ■■ ■ f; ^ ■•v-

C- \' LI\'.Ï... t . - s :■ : ■

r\'\' iF\'. | • v • \' • i ^\',0 •

v 4;. J ■ ■ - \'■ - ■ rquot; : ^ ■ -i\'. \'

;- ■/ K.; -■ •• - :

s. •p-v\'.-; ■ \' ■ - ■; ■;. t • ty* -f*

illlll ï-sf ! . ■» . \'■ mm

\' ■; • ■ ^.v -

■\'

m ^ :■

%; -L

V\'1 ■\'. •

h -quot;\'

r.-ï\'v^

fquot;

m ?■gt;;

• \'\'r.\'-.if*•}

-.r. -V\' quot; - V: ■■•■■r:

■. . v-\'^ r.r s-.. ■

- \' . ■ . ■ -\' .,

vquot; ■

. ■ - . ■ gt;■ v ■ , ■ -t ,v ■

v :., l

■ v\': - vt:..

■ ^.T-T a:5|

\' . \';V \'-ln ■

i\'i\' gt;r\'

, -rMI»

Vvv

..■PUPIII. „

MR- amp;*.:■

fS ■\'- ir -;• Cl-

■ ■. t \'yë^.4\'

, -v

^.r\'. 1 ■ ■ •-

. /\' ■ • . Sï?:-. ;,-. \'

vr\',\'\'gt;x-,V \' \'■

m _

lri:

0m; ■•-■ ■

v

r

■■ .... .

-Si;quot;-

; : ^-vr\'s;\'

• •

•gt;

• / V . \' - STH iMi 1 _-___i

-ocr page 6-
-ocr page 7-
-ocr page 8-

OVERZICHT

DER GEIIEELE

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS

DOOR

J. M. J. VAN ROOY,

11. K. Pbiesteb en Leeraaii aan het Seminarie Haoeveld.

217

A. M. D. G.

A M STERDAM, F. H. J. BEK K E R. 1898.

-ocr page 9-

Amstelodami, die 11 Februarii 1898.

H. F. J. RIKMENSPOEL,

Rector.

IMPRIMATUR.


-ocr page 10-

L S.

Dit Overzicht is bestemd, om van dienst te zijn aan degenen, die de bijbelsclie geschiedenis leeren, en ook aan hen, die haar vroeger geleerd hebben.

De eersten kunnen het gebruiken, om de bijbelsche feiten enz., die zij door hun leeraar hooren verhalen, of waarvan zij, bijv. in Morê\'s Handboek, de beschrijving lezen, beter te onderscheiden, juister te begrijpen, ordelijker en daardoor veiliger in het geheugen te verzamelen.

Voor de laatsten kan het een nuttig middel zijn, om hunne kennis der bijbelsche geschiedenis van tijd tot tijd een weinig op te frisschen, een middel, om zich de opeenvolging der gebeurtenissen, de namen der personen, en al die omstandigheden en bijzonderheden, welke zoo gemakkelijk geleerd, maar nog gemakkelijker vergeten worden, weder in het geheugen terug te roepen; een middel, dat hen in staat zal stellen zich met minder tijdverlies voor te bereiden voor examens, voor godsdienstige onderrichtingen, preeken, lijdensmeditaties enz.

Moge dit tweevoudig doel door dit Overzicht bereikt worden !

Ter voorlichting van den gebruiker diene het volgende :

Wij achtten ons niet gerechtigd, vooral niet in een werkje als dit, eene keus te doen tusschen de verschillende meeningen der exegeten betreffende de volgorde van sommige feiten en de bijbelsche tijdrekenkunde; daarom hebben wij in deze ons bijna geheel gehouden aan de meening van Pastoor Muré z.g., wiens beide werken, onder de Nederlandsche Katholieke werken van bijbelsche geschiedenis, ontegenzeggelijk de meest verspreide zijn.

Bij de spelling der eigennamen volgden wij het voorbeeld van de nieuwe Nederlandsche vertaling van de Heilige Boeken des Ouden T erhonds, welke, het oude gebruik bij de katholieken in eere houdend, aan de schrijfwijze der Latijnsche Vulgata de voorkeur gaf.

-ocr page 11-

Amstelodami, die 11 Pebruarii 1898.

H. F. J. RIKMENSPOEL,

Rector.

I M P E I M A T ü R.


-ocr page 12-

L S.

Dit Overzicht is bestemd, om van dienst te zijn aan degenen, die de bijbelsche geschiedenis leeren, en ook aan hen, die haar vroeger geleerd hebben.

De eersten kunnen het gebruiken, cm de bijbelsche feiten enz., die zij door hun leernar hooren verhalen, of waarvan zij, bijv. in Muiié\'s Handboek, de beschrijving lezen, beter te onderscheiden, juister te begrijpen, ordelijker en daardoor veiliger in het geheugen te verzamelen.

Voor de laatsten kan het een nuttig middel zijn, om hunne kennis der bijbelsche geschiedenis van tijd tot tijd een weinig op te frisschen, een middel, om zich de opeenvolging der gebeurtenissen, de namen der personen, en al die omstandigheden en bijzonderheden, welke zoo gemakkelijk geleerd, maar nog gemakkelijker vergeten worden, weder in het geheugen terug te roepen; een middel, dat hen in staat zal stellen zich met minder tijdverlies voor te bereiden voor examens, voor godsdienstige onderrichtingen, preeken, lijdensmeditaties enz.

Moge dit tweevoudig doel door dit Overzicht bereikt worden !

Ter voorlichting van den gebruiker diene het volgende :

quot;Wij achtten ons niet gerechtigd, vooral niet in een werkje als dit, eene keus te doen tusschen de verschillende meeningen der exegeten betreffende de volgorde van sommige feiten en de bijbelsche tijdrekenkunde; daarom hebben wij in deze ons bijna geheel gehouden aan de meening van Pastoor Muré z.g., wiens beide werken, onder de Nederlandsche Katholieke werken van bijbelsche geschiedenis, ontegenzeggelijk de meest verspreide zijn.

Bij de spelling der eigennamen volgden wij het voorbeeld van de nieuwe Nederlandsche vertaling van de Heilige Boeken des Ouden Verhonds, welke, het oude gebruik bij de katholieken in eere houdend, aan de schrijfwijze der Lalijnsche Vulgata de voorkeur gaf.

-ocr page 13-

VIII

Daarbij hebben wij ons best gedaan, om de meest gebruikelijke of aannemelijke uitspraak dier eigennamen èn in den loop van het werk, èn in de registers aan het slot duidelijk aan te geven.

Verwijzingen naar de H. Schrift hebben plaats bij het begin der hoofd-afdeelingen, bij iedere letterlijke aanhaling, bij de parabels en redevoeringen in het Nieuwe Testament, en, in het volledig overzicht van \'s Heeren lijdensgeschiedenis, bij elk der opgesomde feiten.

Op de beide schetskaartjes van Palestina staan alléén die plaatsnamen vermeld, welke in dit Overzicht voorkomen ; in het plaatsenregister wordt op gemakkelijke wijze daarheen verwezen.

J. v. R.

-ocr page 14-

INLEIDING.

Geschiedenis is verhaal van hetgeen gebeurd is.

De Geschiedenis der Openbaring is de geschiedenis van hetgeen God gedaan heeft om Zichzelven aan de menschen te openbaren, Zijn Rijk onder hen te vestigen en hen tot hunne bovennatuurlijke bestemming te geleiden.

De Bijbelsche Geschiedenis is de geschiedenis der Openbaring, in zooverre deze ontleend wordt aan den Bijbel.

De Bijbel of de H. Schrift is de verzameling van boeken, 72 in getal, welke door godvruchtige en heilige mannen op ingeving en onder bijzondere leiding des H. Geestes geschreven en door de H. Kerk, in de algemeene kerkvergadering van Trente, plechtig als heilige boeken afgekondigd zijn.

De \'kanon is de lijst dier heilige boeken, welke zijn:

I. Oud Testament:

1. Génesis of het boek der Schepping........... Gen.

2. Exodus of het boek van den Uittocht..........Exod.

3. Leviticus of het boek der Levieten........... Lev.

4. Aiimeri of het boek der Getallen............Num.

5. Deuteronómium of de tweede Wet............Deut.

het boek Jósu\'ê (schrijver: Josue)................. Jos.

het boek der Rechters (schrgver: Samuel)............. Jud.

het boek Ruth.........................Ruth.

de 4 boeken der Koningen...........I, II, III, IV Kon.—Reg.

de 2 boeken der Paraiipómenon (d. i. van het overgeslagene) . I, II Paralip.

de 2 boeken Esdras (schrijvers: Esdras en Nehemias)......I, II Esdr.

het boek Tobias......................... Tob.

het boek Judith.........................Judith.

het boek Esther.........................Esth.

het boek Joh......................... Job.

het boek der Psalmen (schrijver: David)............. Ps.

Proverbia of het boek der Spreuken (schrijver: Salomon) .... Spr.—Prov.

Ecclesidstes of de Prediker (schrijver: Salomon)........... Eccl.

Cdnticum Canticórum of het Hooglied (schrijver: Salomon)......Cant.

Sapiéntia of het boek der Wijsheid................ Sap.

Ecclesidsticus d. i. het kerkelijk boek (schrijver: Jesus, Sirach\'s zoon) . Eccli.

-ocr page 15-

2

Isatas......................................................Is.

JereMias....................................................Jer.

(Baruch)....................................................Bar.

Ezéchiël....................................................Ez.

Daniël......................................................Dan.

Osee..........................................................Os.

Joel..........................................................Joël.

Amoti........................................................Am.

Abdias........................................................Abd.

Jonas........................................................Jon.

Michai\'as...........................Mich.

Nahum........................................................Nah.

Hdbacuc......................................................Hab.

Sophonias..........................Soph.

Aggaéus......................................................Agg.

Zacharias..........................Zacli.

Malachias..........■..............................Mal.

de 2 boeken der Machabeèn................. 1, II Mach.

II. Nieuw Testament:

Evangelie volgens den H. Matthaeils..............Mt.—Matt.

, , * H. Marcus...............Mc.— Mare.

, ,,11. Lucas................. Luc.

„ , , H. Joannes...............Jo.—Joan.

Actus Apostolorum of de Handelingen der Apostelen (schr. H. Lucas) Act.—Hand.

brief van den H. Paulus aan de Romeinen...........Rom.

2 brieven , , „ „ , , Corinthiërs........1, II Cor.

brief , , „ , „ „ Galatiërs........... Gal.

. , , , T , « Ephesiërs........... Eph.

, , , , , , , Philippensen.......... Phil.

T » , , , , , Colossensen.......... Col.

2 brieven , „ r , , „ Thessalonicensen..... I, II Thess.

2 , , , „ , , Timótheils...........Igt; II Tim.

brief , , , , , Titus............... Tit.

, » « * • r Philemon............Philem.

, , , „ , , de Hebreen............Hebr.

, , , H. Jacobus................... Jac.

2 brieven , , H. Petrus..............• ... I, II Petr.

3 , , , H. Joannes...............I, II, IILJoan.

brief , , H. Judas....................Judas.

Apocalypsis of het boek der Openharing (schr.: H. Joannes). . Üpenb.—Apoc.

Verdeeling der bijbelsehe geschiedenis:

Onze Heer Jesus Christus is het middelpunt der geheele Openbaring, en daarom wordt de bijbelsehe geschiedenis in tweeën verdeeld :

1. de geschiedenis der openbaring als voorbereiding tot de komst

van Christus : het Oude Testament,

2. de geschiedenis der openbaring in den goddelijken Persoon van

Christus zeiven: het Nieuwe Testament.

60 O P.

-ocr page 16-

HET OUDE TESTAMENT.

VEKDEELING.

v. Chr.

Iquot; Tijdvak. Vroegste geschiedenis . ....... 4004—2210

(van Adam tot Abraham.)

IF Tijdvak. Geschiedenis van het volk Gods .... 2210—975 (van Abraham tot Salomon.)

Ie Afdeeling. Wording............ 2210—1849

(van Abraham tot Josephs dood.)

lle Afdeeling. Vorming............. 1849—1055

(van Josephs dood tot Saüls dood.)

Ill0 Afdeeling. Bloei.............. 1055—975

(onder David en Salomon.)

Ill\'quot; Tijdvak. Geschiedenis van het verval des joodschen

volks.............. 975—Chr.

(van Salomon tot Christus.)

Iquot; Afdeeling. Geschiedenis der rijken van Juda en

Israël............. 975—588

(van Róboam tot Sedeei\'as.)

IF Afdeeling. Gevangenschap en terugkeer der

Joden............. 588—430

(van Sedecias tot Nehemi\'as.)

IIP Afdeeling. Geschiedenis der Joden onder de

Machabéën...........180—135

(van Om\'as III tot Joannes Hyrcanus.)

-ocr page 17-

EERSTE TIJDVAK. Vroegste Geschiedenis.

(Van Adam tot Abraham.) 4004—2210 v. C.

Bron : het boek der Schepping, geschreven omstreeks 1500 j. v. C.

(Gen. I—XI).

Weinig geslachten noodig ter mondelinge overlevering: Adam — Mathüsala — Sem — Isaiic — Levi — Amram, vader van Moses.

§ I. De Schepping.

er) De eigenlijke schepping.

In den beginne schiep God den hemel en de aarde (1) :

hemel = alles, wat er buiten onze aarde in de geheele wereld is, dus ook de engelen in 9 koren: engelen, aartsengelen en vorsten, machten, krachten en heerschappijen, tronen, cherubijnen en serafijnen ; (slechts 3 hemelgeesten zijn met name bekend, nl. de aartsengelen Michaël (2), Gabriël (3), en Raphaël (4))

aarde — alle grondstoffen van onzen aardbol, zonder orde, zonder beweging, zonder leven.

h) De vorming van het geschapene.

In de grondstoffen der wereld stort de Geest Gods orde, beweging en leven, en wel in 6 dagen:

le dag : het licht;

2quot; dag; het uitspansel (= dampkring) ;

3e dag: de scheiding van land en water (= de vorming van de aarde en de zee);

het gras, de kruiden en vruchtboomen;

4° dag : de zon, maan en sterren (ter verdeeling van dag en nacht);

5e dag: de visschen en vogels;

6quot; dag: de landdieren en de mensch.

Op den 7quot;quot; dag rust God; Hij heiligt dien tot den wekelijkschen rustdag, den Sabbat.

(\') Gen. I, 1.

(2) d. i. Wie gelijk God? — Verschillende schrijvers raeenen, dat Michaël daarom de aartsengel wordt genoemd, omdat hij de hoogste aller hemelgeesten zou zijn. (8) d. i. kracht Gods.

(4j d. i. geneeskracht Gods.

-ocr page 18-

5

c) De mensch.

Adam P): zijn lichaam is door God van aarde, zijne ziel van niets gemaakt.

Eva (2): haar lichaam is uit eene ribbe van Adam, hare ziel van niets gemaakt.

Toestand der ziel: in staat van genade ; een buitengewoon helder

verstand; een sterke en ten goede geneigde wil.

Toestand des lichaams : levend in het Paradijs; geen lijden; geen dood. Het Paradijs — een lusthof, gelegen op een nu onbekende plaats ; besproeid docr een vloed met vier hoofdtakken : Fhison, Gehon, Tiger en Euphraat; met den boom des levens, die bewaart voor den dood, en den boom der kennis van goed en kwaad, ter beproeving van Adam.

Heerschappij over de dieren: Adam geeft aan elk dier zijn passenden naam.

§ II. De Zondeval.

a) De Zonde.

De duivel, in de gedaante van een slang, verleidt Eva; Eva verleidt Adam, om te eten van den verboden boom, den boom der kennis van goed en kwaad.

b) De ondervraging.

God neemt Adam in verhoor, die de schuld op Eva, daarna Eva, die de schuld op de slang werpt.

c) Het vonnis

der slang: „gij zijt gevloekt onder alle dieren;* (3)

van Satan: „Ik zal vijandschap stellen tusschen u en de vrouw, en tus-schen uw zaad en haar zaad; zij, zal u den kop verpletteren(4) van Eva: „In smart zult gij kinderen haren, en onder de macht van

den man zult gij zijn, en hij zal over u heerschen;\' (5) van Adam: „De aarde zij gevloekt in uw werk!.... Doornen en distelen zal zij u voortbrengen.... In het zweet utcs aanschijns zult gij het brood eten, totdat gij wederkeert tof de aarde, icaaruit gij genomen zijt; want stof zijt gij en tot stof zult gij weder keer en.\' (6)

d) De gevolgen

van Adams zonde voor hem en (erfzonde) voor al zijne nakomelingen : 1°. voor de ziel:

de heiligmakende genade verloren ;

het recht op den hemel verspild;

(1) d. i. mensch of zoon der aarde. (3) Gen. III, 14.

(B) Gen. III, 16.

(9) d. i. moeder der levenden.

(4) Gen. Ill, 15. Eerste belofte van den Verlosser.

(«) Gen. III, 17—19.


-ocr page 19-

6

het verstand verduisterd;

de wil verzwakt;

de kwade begeerlijkheid opgewekt;

2°. voor het lichaam :

aan lijden

en dood onderworpen ;

3°. daarenboven

uit het paradijs verjaagd ;

de heerschappij over de dieren verloren. {\')

§ III. Adams nakomelingschap.

a) Caïn en Abel.

Caïn, landbouwer, offert van de vruchten des velds ; Abel, schaapherder, van de eerstelingen der kudde.

Abels offer is aangenaam aan God, Caïns offer niet.

Caïn wordt jaloersch, toornig, vervuld van een doodelijken haat,

eindelijk een broedermoorder (2).

God roept hem ter verantwoording, verwijt hem zijne schuld, vervloekt hem, en teekent den wanhopige, opdat niemand hem doode.

b) De aartsvaders.

Tien patriarchen vóór den zondvloed ;

1. Adam, die 930 jaar oud wordt,

2. Seth (3), die de derde zoon is van Adam,

3. Enos, die de gezamenlijke, openbare godsvereering invoert,

4. Cdïnan,

5. Maldleël,

6. Jared,

7. Henoch, die niet sterft, maar door God wordt opgenomen,

om met Eh\'as terug te keeren vóór het laatste oordeel,

8. Mathüsala, de oudste van alle menschen : 969 jaar,

9. Lamech,

10. Noë, die 950 jaar oud wordt.

Christus,

heilaanbrengende stamvader van een nieuw

geslacht;

draagt de straffen aller zonden.

ste van het kruisoffer.

Christus,

de Rechtvaardige,

de goede Herder,

door de Joden, Zijne broeders naar het

vleesch, uit nijd gedood;

Christus\' offer Gode oneindig welbehagelijk; Zijn Bloed roept om ontferming.

O) Eerste voorafbeelding van Christus. Adam,

verderfberokkenende stamvader van de

mensehen;

draagt den vloek der zonde.

(a) Tweede voorafbeelding van Christus, eer Abel,

rechtvaardig,

de eerste herder,

door zijn broeder uit nijd vermoord;

Abels offer welgevallig aan God;

zijn bloed roept om wraak. (s) d. i. vergoeding.

-ocr page 20-

c) Algemeene toestand.

Seths nakomelingen, kinderen Gods, zijn deugdzaam, die van Caïn,

kinderen der menschen, slecht.

Door vermenging dier twee geslachten ontstaat het geslacht der reuzen, en wordt het zedenbederf algemeen.

IV. De Zondvloed

(2348 v. C., 1656 na de schepping.)

n) Vóór den zondvloed.

God zal de zondige wereld straffen met den ondergang door een ontzaglijken watervloed.

Noë, 600 jaar oud, moet een ark bouwen, om daarin te redden zichzelven, zijne vrouw, zijne zonen, Sem, Cham en Japheth, en hunne vrouwen, verder van alle dieren één paar, van de reine O zeven paren.

De ark wordt groot 300 X X 30 el (2), en heeft slechts ééne deur.

h) De zondvloed.

God zelf sluit de deur.

Na 7 dagen begint de watervloed, die 40 dagen duurt, zoodat het water 15 el boven den hoogsten berg stijgt, en al wat buiten de ark leeft, verdrinkt (3) (4).

Na 150 dagen begint \'t water te vallen.

De ark komt te rusten op een berg van Armenië (den Ararat).

Noë laat een raaf uit, die niet terugkeert; daarna eene duif, die terstond terugkomt; na 7 dagen weer eene duif, die nu een olijftakje aanbrengt; nog eens na 7 dagen eene duif, die wegblijft.

c) Na den zondvloed.

Noë verlaat op Gods bevel de ark.

Hij bouwt een altaar en draagt zijn dankoffer op.

God sluit een verbond met Noë, dat Hij nimmermeer de aarde door een zondvloed zal verwoesten, en stelt ten teeken daarvan Zijn regenboog in de wolken.

God geeft twee bijzondere wetten :

1°. \'t verbod om vleesch met bloed te eten;

2°. de doodstraf voor al wie menschenbloed vergiet.

O) een twintigtal soorten, de eenige, die tot offerande aan God en tot voedsel voor de menschen mochten dienen. v

(2) Vgl. Aanhangsel bl. 116.

(3) Eerste voorafbeelding der H. Kerk.

Ark:

H. Kerk .

alléén in haar is redding;

allerlei dieren; ééne deur;

rijst met het stijgen der wateren.

(4) Derde voorafbeelding van Christus.

Noë:

bouwmeester der ark; alléén bij hem redding.

alléén in haar is zaligheid;

allerlei volkeren; één H. Doopsel;

wordt verheerlijkt door de vervolgingen.

Christus: Bouwmeester der H. Kerk; alléén in Hem heil.


-ocr page 21-

8

§ Y. Noë\'s nakomelingschap

Noë, onschuldig dronken geworden, wordt door Cham onzedig bespot, en vervloekt daarom diens zoon Chanaan.

Chams kleinzoon Nernrod sticht Babylon, Assur, de zoon van Sein,

Ninive.

In het land van Sennaar (1) wil het volk een hetnelhoogen toren bouwen, vooral uit trotschheid, en tevens om een middelpunt van vereeniging te hebben ; — God belet den voortbouw door de spraakverwarring. (Toren van Babel of Babyion d. i. verwarring.)

Volksverspreiding: de nakomelingen van Sem blijven meerendeels in Azië, die van Cham gaan vooral naar Afrika, die van Japheth naar Europa.

TWEEDE TlJDArAK. Geschiedenis van het volk Gods,

(Van Abkaham tot Salomon.) 2210—975 v. C.

Om het geloof in den waren God en de hoop op den beloofden Verlosser ongeschonden te doen bewaren, koos God een volk uit tot Zijn volk, en wel het Israëlietische volk. (2)

Ie AFDEELINCx.

Wording van het Israëlietische volk.

(Van Abraham tot Josephs dood.)

2210—1849.

Bron : het boeit der Schepping (Gen. XD—L).

(1) d. i. de vlakte aan beide zijden van den Euphraat.

(2) Om die uitverkiezing wordt dat volk het volk Gods genoemd. Zij noemden zichzelf Israël of zonen van Israël naar hun stamvader Jacob (zie blz. 12.). Uitsluitend bij de vreemden heetten zij Hehreën, d. w. z. „die van de overzijde komenquot;, nl. van over den Euphraat (zie blz. 9). Toen later slechts de nakomelingen van Juda overbleven, kwam de naam van Joden in zwang, die in het vervolg het meest gebruikelijk bleef.

-ocr page 22-

9

I

Stamboom:

Sera

Thare I

Abraham

I

Aran

Naohor

-[Agar]

Sara^

Ismaël /|\\

Arabieren.

üathuel

I

Rebeeca-

-Isaac

-X-I

Lot /|\\

Moabieten en

Ammonieten.

Jeseha Melcha.

Laban

, I

Lsan

. /N

Kdomieten.

2. Simeon.

3. Levi.

4. Juda — 9. Issaehar.

10. Zabulon. Din a.

12. Benjamin. 8. Aser.

-Thamar

r

I

Manasses.

Zara.

Ephra\'im. Phares.

§ I. Abraham.

(2210—2035)

a) Abrams roeping.

Abram, geboren in Ur der Chaldeën (1).

Thare verhuist met Abram, Sara\'i en Lot naar Har an (-).

Daar sterft Thare. — Opnieuw gebiedt God aan Abram te vertrekken ; „Ik zal u maken tot een groot volk . . . En in u zullen gezegend ivorden alle geslachten der aarde7\' (3).

Abram, 75 jaar oud, gaat met Saraï en Lot naar Chanaan (4). Na een kort verblijf in Egypte, vestigen zij zich in Bethel.

Twist, der herders van Abram en Lot; verdeeling der streek ; Lot kiest het dal Siddim, Abram gaat naar Hebron in het dal Mamhre.

-ocr page 23-

10

Vreemde koningen (o. a. Choclorldhomor) veroveren quot;t land van Lot en nemen ook hera gevangen mede. Abram snelt te hulp en wint, waarna Melchlsedech, koning van Salem en priester van den allerlioogsten God, hem tegemoet komt, een dankoffer opdraagt van brood en wijn, en Abram zegent (2).

L) Abrahams verlangen naar een zoon.

Abram bedroefd, dat Sara\'i kinderloos blijft, wordt door God getroost met de belofte van een talrijk nageslacht.

Ismaël (3) geboren, zoon van Abram en Agar, Saraï\'s Egyptische dienstmaagd.

God verandert Abrams naam in Abraham (4), en dien van Saraï in Sara (5), sluit een verbond met Abraham en diens geslacht en stelt ten teeken daarvan de besnijdenis in, als verplichtend voor elk kind van het mannelyk geslacht (fi).

Bezoek der drie engelen bij Abraham (99 jaar oud): de voornaamste der drie (de Heer) voorspelt hem een zoon van Sara. Daarop naar Sudoma gaande, deelt hij Abraham mede den aanstaanden ondergang van die stad en van Gomórrha, om al de gruwelen, daar gepleegd. (Abrahams gebed.)

Twee engelen bezoeken Lof en doen hem vluchten met zijne vrouw en twee dochters. Het dal Siddim met zijne 5 steden door zwavel en vuur verdelgd. {De Uoode Zee.) Lots nieuwsgierige vrouw in een zoutzuil veranderd.

Isaac (7) geboren, zoon van Abraham (100 jaar oud) en Sara. c) Abrahams zorg voor zijn zoon.

Abraham zendt, op verzoek van Sara, onder Gods goedkeuring, Ismaël, die Isaac bespot heeft, met Agar weg in de woestijn. (Wonderbare waterput.)

Abraham, 114 jaar oud, moet Isaac slachtofferen op den berg Jlfón\'a ; hij gehoorzaamt, maar wordt tijdig weerhouden door een engel. God beloont hem : „Ik zal u zegenen en Ik zal uw zaad (d. i. uw nakomelingschap) vermenigvuldigen als de sterren des hemels en als

het zand, dat aan den oever der zee is____ En gezegend zullen worden

in uiv nakomeling (d. i. Jesus Christus) alle volken der aarde.quot; (8) (quot;)

waarsch. andere naam voor Jerusalem.

(8) Vierde voorafbeeldifig van Christus, eerste van \'t Allerh. Sacrament,

Christus,

koning en priester, offert brood en wijn.

(3) d. i. God hoort. (4) d. i. vader eener menigte. (6) Eerste voorafbeelding van het h. Doopsel, Besnijdenis, i

kenteeken der Israëlieten.

Melchisedech.

Koning en Priester,

stelt het H. Misoffer in onder de gedaanten

van brood en wijn.

d. i. vorstin.

H. Doopsel,

merkteeken der Christenen.

Isaac,

eenige zoon van Abraham,

draagt zelf het hout een berg op,

en laat zich daar gewillig binden.

Christus

eenige Zoon des Vaders,

draagt Zelf het krais den Calvarieberg op,

en laat zich gewillig kruisigen.

(7) d. i. die lachen doet.

(8) Gen. XXII, 17, 18. Derd* belofte van den Verlosser,

(9) » ij/de voorafbeelding van Christus, tweede van het kruisoffer.


-ocr page 24-

11

Sara sterft en wordt door Abraham (137 jaar oud) begraven te Hebron.

Abraham, 140 jaar oud, zendt zijn oudsten dienaar Eliézer naar Haran, om eene godsdienstige vrouw voor Isaac te zoeken ; hij vindt daar bij eenen waterput Bebecca, die hij met toestemming van Bdtkuel en Lahan meebrengt.

Abraham sterft, 175 jaar oud, en wordt begraven te Hebron.

§ II. Isaac,

(2110-1930)

geboren te Hebron ; — 40 jaar oud, gehuwd met Rebecca.

Na 20 jaren wordt hem een tweeling geboren, Esau en Jacob O).

Esau wordt jager, Jacob herder.

Esau verkoopt voor een bord linzenmoes, onder eede, zyn eerstgeboorterecht (2) aan Jacob (3).

Belofte van God aan Isaac; „Gezegend zullen worden in utcen nakomeling alle volkeren der aardequot; (4).

Esau bedroeft zijne ouders door te huwen met twee Chanailnietische vrouwen.

Isaac, 187 jaar oud, en blind geworden, wil zijn eerstgeborene Esau zegenen : Rebecca en Jacob bedriegen hem, zoodat deze laatste den zegen ontvangt; Esau\'s haat ontgloeit; Jacob neemt, op raad van Rebecca, de vlucht naar Haran.

Isaac ziet, na 30 jaar, zijn zoon nog terugkeeren te Hebron.

Isailc sterft, 180 jaar oud, en wordt door zyn beide zonen te Hebron bijgezet.

§ III. Jacob,

(2050—1903)

geb. in de nabijheid van Bérsabee.

a) Jacob in Haran.

Jacob, 77 jaar oud, verwerft, op bedriegelijke wijze, den aartsvaderlijken zegen en vlucht naar Haran. — Droom van de ladder; belofte van God: „Gezegend zullen tvorden in v en in uwen nakomeling alle geslachten der aardequot; (5). Jacob noemt die plaats Bethel (c).

Te Haran treedt Jacob in dienst van zijn oom Laban en vraagt als loon voor zevenjarig dienstwerk diens dochter Bachel tot echtgenoote.

Na 7 jaren krijgt Jacob door bedrog haar oudere zuster Lia tot

(\') d. i. hielhouder of onderkruiper.

(8) Het eerstgeboorterecht: a. een dubbel deel in de vaderlijke erfenis;

b. het hoofd der familie;

en in den tijd der aartsvaders:

c. de priester der familie;

d. de drager der goddelijke beloften.

(3) \'t Linzenmoes was een rood kooksel; „roodquot; beteek ent Edoni; vandaar dat Esau ook zoo genoemd wordt, en zijne nakomelingen Edomieten.

(4) Gen. XXVI, 4. Vierde belofte van den Verlosser.

(8) Gen. XXVIII, 14. Vijfde belofte van den Verlosser.

(6) d. i. huis Gods.

-ocr page 25-

12

vrouw, en slechts door te beloven nog zeven jaar te blijven dienen, ook Rachel.

Geboorte der elf\' zonen en ééne dochter (^.

Na die 14 jaren blijft Jacob op verzoek van zijn gierigen schoonvader nog eenigen tijd bij hem, tot beider groot voordeel, doch neemt na 6 jaar met zijn huisgezin en zijne bezittingen de vlucht.

Labans achtervolging wordt door God gekeerd.

b) Jacob in Chanaan.

Jacob zendt boden en geschenken vooruit om Esau vreedzaam te stemmen.

Worsteling met den engel bij de beek Jaboc: Jacob ontvangt den naam van Israël (2).

Hartelijke ontmoeting met Esau.

Jacob gaat wonen bij Sichem : daar wordt Dina mishandeld, waarover Simeon en Levi bloedige wraak nemen.

Jacob trekt naar Bethel en Hebron, waar Isaac nog leeft.

Te Béthlehem wordt hem op lOTjarigen leeftijd Bénjamin (3) geboren, maar sterft diens moeder Kachel.

Joseph wordt door zijne broeders verkocht : Jacob in groote droefheid.

c) Jacob in Egypte.

Jacob, Josephs verheffing vernemend, vertrekt, 130 jaar oud, naar Egypte, waar hij tot woonplaats krijgt ^oor zich en de zijnen het land Gessen of Goschen (4).

Op zijn ziekbed verheft hij Joseph tot eerstgeborene, in zoover hij Manasses en Ephraïm als eigen zonen aanneemt, (Ephraïm, den jongsten, boven zijn ouderen broeder stellend), Juda echter ook, in zoover hij, al zijne zonen onder voorspellingen zegenende, hem verheft tot hoofd van Israëls geslacht; ,De schepter zal niet worden tveggenomen van Judo, noch de vorst uit zijne lendenen (d. i. uit zijn geslacht), totdat Hij Icomt, die gezonden zal worden, en Hij zal de verwachting der volkeren zijn (5).

Jacob sterft, 147 jaar oud, en wordt plechtig begraven in Hebron.

§ IV. Joseph,

(1959-1849)

geb. in liar an.

a) Joseph in Chanaan.

Door zijn deugd uitstekend boven al zijn oudere broeders, ontvangt hij van Jacob een veelkleurigen rok : nijd der broeders.

(\') Vgl. bl. 9.

(2) d. i. strijder tegen God.

(3) d. i. zoon mijner rechterhand.

(4) het noordoostelijk deel van Egypte.

(5) Gen. XLÏX, 10. Zesde belofte van den Verlosser.

-ocr page 26-

13

Twee droomen heeft bij :

10. de korenschooven der anderen buigen zicb voor de zijne; 2°. zon, maan en elf sterren buigen zich voor hem ;

berisping van Jacob ; haat der broeders.

Joseph, 17 jaar oud, gaat op last van Jacob zijne broeders zoeken bij Sichem, hij vindt hen bij Dóthaïn: moordplan der broeders. Op verzoek van Ruben wordt hij niet gedood, maar in een drogen put geworpen ; op verzoek van Juda, buiten medeweten van Ruber;, aan Madianietische kooplieden voor 20 zilverlingen verkocht. Zijn kleed wordt aan Jacob gezonden, verscheurd en met bloed bevlekt.

L) Joseph, slaaf en gevangene in Egypte.

Joseph wordt de slaaf, later de opperste dienaar van Pütiphar, den overste der koninklijke lijfwacht.

Diens vrouw wil hem tot onkuischheid verleiden ; hij weigert, maar wordt nu door haar van dezelfde misdaad beschuldigd, en, 27 jaar oud, tot straf in de gevangenis geworpen.

Daar worden ook binnengebracht de opperste der schenkers en de opperste der bakkers van koning Pharao^).

Joseph verklaart hun beider droomen :

1°. wijnstok met drie ranken, uit welks druiven wijn geperst wordt voor Pharao,

2°. drie korven met brood op het hoofd, die leeggeroofd worden

door de vogelen:

nog drie dagen, en dé eerste, de schenker, zal bevrijd, de tweede, de bakker, schuldig bevonden en onthoofd worden.

Twee jaar later wordt Joseph, op aanbeveling des schenkers, aan het hof ontboden en verklaart Pharao\'s twee droomen :

1°. zeven vette koeien uit den stroom opstijgend, door 7 magere

koeien gevolgd en verslonden ;

2°. zeven volle aren op éénen halm uitschietend, door 7 dunne

aren gevolgd en verslonden ;

zeven jaren van overvloed zullen gevolgd worden door 7 jaren van onvruchtbaarheid; daarom moeten voorzorgen genomen worden.

Pharao maakt Joseph, 30 jaar oud, tot onderkoning van Egypte.

c) Joseph, onderkoning van Egypte.

Pharao geeft hem tot vrouw Asëneth, dochter van Putiphdre, priester van Heliópólis.

Joseph wordt door zijn voorraadschuren de redder van Egypte en alle landen.

Zijne tien broeders komen bij hem koren halen ; na drie dagen gevangenisstraf krijgen zij het gevraagde, maar Simeon moet blijven, totdat Benjamin komt; op de terugreis vinden zij in hunne korenzakken het betaalde geld terug.

(1) Het Egyptische woord Pharao, (volgens eenigen Par-u = de Koning, waarschijnlyker Per\'o — het Hof,) was de gemeenschappelijke titel der Egyptische vorsten.

-ocr page 27-

14

Tweede reis der negen broeders, nu met Benjamin en dubbel geld; maaltijd bij Joseph; afreis met koren; het geld wederom in de zakken, in dien van Benjamin ook Josephs beker ; achtervolging en ontdekking ; gezamenlijke terugkeer naar het paleis ; Joseph maakt zich bekend.

Derde reis, nu met Jacoh en de geheele familie: ze krijgen Gessen tot woonplaats.

Jacob sterft na 17 jaar.

Joseph sterft in den leeftijd van 110 jaar (\'j. Zijn lijk wordt gebalsemd ; later, overeenkomstig zijn laatste verzoek, medegevoerd naar \'t beloofde land, en daar begraven te Sichem.

TUSSCHENVERHAAL.

Geschiedenis van Job.

Bron: het boek Job.

In het land Hus (2) leefde, waarschijnlijk ten tjjde van Moses, een rijk en godvruchtig herdervorst Job met zeven zonen en drie dochters.

Om de waarde zijner deugd te bewijzen, laat God toe, dat de duivel hem beproeft: zijne ossen en ezelinnen worden geroofd,

zijne schapen door den bliksem gedood,

zijne kameeleu weggevoerd,

al zijne kinderen verpletterd, doordat een orkaan het huis

van den oudsten zoon doet instorten ;

hijzelf wordt door eene afschuwelijke ziekte geslagen, die hem met zweren overdekt.

Zijne vrouw bespot hem, maar hij mort niet tegen God.

Drie vrienden Elïphaz, Baldad en Sophar komen hem beklagen, maar kunnen niet dan zwijgen zeven dagen lang. Dan begint hun redetwist met Job over de vraag, of de mensch ook door onverdiend lijden kan getroffen worden.

Ook een jongeling Ellu mengt zich in het gesprek.

God verschijnt en berispt de onrechtvaardig oordeelende vrienden.

Jobs beproeving is geëindigd, hij ontvangt de gezondheid terug, een dubbelen rijkdom en weer zeven zonen en drie dochters (3).

Christus,

door de Joden gehaat,

verkocht voor 30 zilverlingen,

na veel lijden uit het graf door God ver-heven,

is de Heiland der wereld,

P) Zesde voorafbeelding van Christus.

Joseph,

door zijne broeders gehaat.

verkocht voor 20 zilverlingen,

na veel lijden uit den kerker gevoerd en

door den koning verheven,

wordt de behouder der wereld,

geeft koren aan allen; stelt het H. Sacrament dés Altaars in;

allen buigen voor hem de knie. allen knielen voor Hem neder.

(2) ten Z.O. van Chanaan, in het noorden van Woest-Arabië.

(s) Zevende voorafbeelding van Christus.

Job, Christus,

rechtvaardig, de Rechtvaardige,

vol van lijden, de Man van smarten,

gehoond en valsch beschuldigd, | bespot en valsch beschuldigd,

biddend voor zijne beschuldigers, ! biddend voor Zijne beulen,

verrijzend tot een nieuw en gelukkig leven. ! verrijzend tot het glorievol leven.

-ocr page 28-

TP AFDEELING.

Vorming van het Israëlietisclie volk.

(Van Josephs dood tot Saüls dood.)

1849—1055.

Broiinen : de boeken Exodus, Leviticus, Nümeri, Deuteronómium, Jósuë, Rechters en het le hoek der Koningen.

§ I. Het Israëlietische volk in Eg-ypte.

Jacobs familie komt in Gessen in 1.920, in 1849 sterft Joseph.

I. Verdrukking der Joden.

Hun sterk toegenomen aantal wekt den nijd en de vrees der Egyp-tenaren, een Phdrao, die Joseph niet gekend heeft, besluit door eene vervolging het volk ten onder te brengen.

Zij moeten zwaren dwangarbeid verrichten, zooals het vervaardigen van tichelsteenen onder bespotting en mishandeling der opzichters. Al hunne pasgeboren knaapjes worden verdronken.

II. Geschiedenis van Moses tot zijne roeping (1570—1490). Stamboom :

Levi

Gerson. Caath Merari.

Amram X Jóchabed Jethro (= Raguël)

I

Maria.

Aaron X Elisabeth Moses X Sephora

Nadab.

Abïu. Eleazar Ithamar. Gersam. Eliëzer.

i

Phinees.

Moses, drie maanden oud, in een rieten korfje te vondeling gelegd in den Nijl, wordt gevonden door de dochter des konings en, door bemiddeling van Maria ter opvoeding toevertrouwd aan Jóchabed.

Groot geworden wordt hij teruggebracht aan de prinses, die hem als zoon aanneemt en Moses (1) noemt.

Als koninklijk prins behandeld en onderwezen, blijft hij den God van Israël dienen.

Op 40rjarigen leeftijd doodt hij een opzichter, die een Israëliet moed-

(\') d. i. uit het water opgenomen.

-ocr page 29-

16

willig mishandelt; den volgenden dag hoort hij, dat hij verraden is en vlucht over de grenzen naar de Madianieten (^.

Bij eene bron verdedigt hij de zeven dochters van Jethro tegen lastige herders en helpt haar.

Hij wordt Jethro\'s schaapherder en huwt diens dochter Séphora.

III. Roeping van Moses.

Moses, 80 jaar oud, op den berg JToreb (= Stnaï) de kudde weidende, hoort uit een braamstruik, die brandt, maar niet verteert, de stem van God, die hem beveelt tot Fharao (2) te gaan, om het volk van Israël uit Egypte te voeren naar een land, dat van melk en honig overvloeit.

Opdat hij zijne zending zou kunnen bewijzen, openbaart God hem Zijn Naam : „Ik ben, die hen\'\' (3), en geeft Hij hem o. a. de macht om zijn staf in eene slang te veranderen en dan weer staf te doen worden.

Opdat hij zijne zending zou kunnen volvoeren, belooft God, Pharao te zullen dwingen door vele plagen, en geeft Hij hem den welsprekender; Aaron tot ondergeschikten medehelper.

Moses verlaat zijn schoonvader, zijne vrouw en kinderen en gaat naar Egypte.

Aaron sluit zich bij hem aan.

De Israëlieten gelooven in hun beider zending.

IV. Bevrijding der Joden door Moses.

Moses en Aaron eischen van Fharao den vrijen uittocht der Joden ; het wordt hun geweigerd ; het volk wordt nog meer onderdrukt, en begint tegen Moses en Aaron te morren.

Zij gaan ten tweeden male naar Pharao ; Ailron verandert den staf in eene slang; de toovenaars doen het na, maar Aarons slang verslindt de andere. Pharao blijft weigeren.

Tien plagen, telkens door Moses en Aaron aangekondigd, verwekt en beëindigd :

1°. in hlocd wordt het water der rivier veranderd; V//

2°. vorschen overdekken het land; ?/•quot;gt; Vu, i- ir 3°. muggen, bij menigte, kwellen menschen en dieren; SyK) quot; ■i0. vliegen pijnigen met vurige beten; yj,

5°. de veepest woedt door geheel Egypte ; -

6°. met zweren wordt mensch en dier bedekt; / l.

7°. hagel en vuur vallen verpletterend neder; gt;/ k . \'.?■ -8°. sprinkhanen trekken, alles vernielend, rond; y i 9°. dikke duisternis verspreidt zich over Egypte; . v - J 10°. de dood slaat al de eerstgeborenen van menschen en dieren.

De Israëlieten blijven hiervan gespaard: zij hebben volgens Gods voorschrift op den I4Bquot; Nisan (4) een lam geslacht in elk gezin,

(\') in Noord-Arabië.

(■^) Dit is dos de 3e Pharao, uit deze eerste geschiedenis der Joden bekend; vgl. bl. 13 en 15.

(3) Ex. III, 14. Eigennaam van God; Jahveh oï Jehóvah = de Zijnde.

(4) Nisan, de 7e maand van het jaar, van half Maart tot half April, van nu af de le maand van het kerkelijk jaar.

-ocr page 30-

17

met het bloed daarvan de posten hunner deuren besprenkeld; en terwijl zij nu dat lam volgens dat voorschrift gebruiken f1), doodt de Heer door Zijn verderfengel de eerstgeborenen, maar trekt de geteekende huizen voorbg (2) (3).

Pharao gebiedt den Israëlieten te vertrekken; de Egyptenaren dringen hen haast te maken, en alle schatten, die de Joden volgens Gods bevel ter vergoeding vorderen, geven zij hun gaarne mede.

Te Socoth verzamelt zich het Israëlietische volk ; 2 millioen zielen, waarvan 600.000 mannen.

Moses geeft hun een nieuw gebod van God: alle eerstgeborenen van het mannelyk geslacht, dieren en menschen, moeten aan God gewijd, gene geofferd, deze vrijgekocht worden.

Te Etharn geeft God hun een nieuw bewijs Zijner bescherming: een wolkzuil, overdag duister, des nachts lichtend, wordt hun gids.

Pharao, spijtig over het vertrek, achtervolgt de Joden, en vindt hen bij de Roode Zee.

Het volk mort tegen Moses.

\'s Nachts plaatst zich de wolkzuil tusschen de twee legers, stikdonker voor de Egyptenaren, helschijnend voor de Joden.

Moses deelt de wateren, de Israëlieten trekken voort door de diepte.

In den ochtend achtervolgen hen Pharao en de zijnen ; Moses strekt weer de hand uit, en de wateren verzwelgen het Egyptische leger.

Moses\' triumflied, door de kinderen Israels gezongen (4).

§ II. Het Israëlietische volk in de woestijn. (1490-1450)

I. Tocht naar Sinaï.

1. Dook de woestijn Sue tot Elim.

Gebrek aan water ; gemor ; eene bron ontdekt; bitter water; Moses

d. w. z. de beenderen niet gebroken; gebraden aan het vuur; geheel opgegeten; niets er bij dan ongedeesemd brood en bittere kruiden; alles gebruikt met haast en geheel reisvaardig.

(2) Een „sparende voorbijgangquot; beteekent Pesach, vandaar Faschen enz.

(3j Achtste voorafbeelding van Christus, derde van het kruisoffer, tweede van het Allerh. Sacrament.

Het Paaschlam,

een lam;

de beenderen niet gebroken;

het bloed, gesprenkeld op de deurposten,

bewaart tegen den dood;

met \'t slachten van het paaschlam begint

de redding der Joden;

de Israëlieten moeten eten van het lam.

Christus,

het „Lam Godsquot;;

aan het kruis de beenderen niet gebroken; Zijn Bloed, de zielen besproeiend, redt haar

van den eeuwigen dood;

met den dood van het geestelijk Lam begint

de verlossing der menschen; den Christenen geeft het Lam Gods Zijn eigen Yleesch als spijs, en tevens den plicht daarvan te eten.

(4) Tweede, voorafbeelding van het H. Doopsel.

Doortocht door de Roode Zee:

eenig middel om aan Pharao\'s slavernij te ontkomen;

de wateren der zee, de dood van Pharao;

daarna de tocht door de woestijn naar het

beloofde land;

geleid door een wolkzuil.

H. Doopsel:

eenig middel om aan Satans macht te ontkomen ;

de wateren des Doopsels, de nederlaag des duivels;

daarna het leven, de weg naar den hemel; geleid door het geloof.

-ocr page 31-

18

werpt er een hout in, en het water is goed ; hij geeft aan die plaats den naam van Mara f1).

Te Elim wordt de legerplaats opgeslagen.

2. Van Elim door de woestijn Sin naar den Sinaï.

Gebrek aan spijs ; gemor ; \'s avonds wachtels, den volgenden ochtend manna (2) (3).

Gebrek aan water; gemor ; op Gods bevel slaat Moses de steenrots en ontstroomt daaraan het water (vgl. bl. 26).

Strijd tegen de Amalehieten: Josuë voert de Israëlieten aan, Moses doet hen door zijn gebed de zegepraal behalen.

Bezoek van Jethro, die dankoffers opdraagt en op wiens raad Moses rechters aanstelt over het volk (4).

II. Verblijf bij Sinaï (5).

1. Wetgeving.

God zelf kondigt plechtig van den top des Sinaï\'s, op den 50en dag na den uittocht, aan \'t geheele volk de tien geboden af.

Aan Moses leert God verschillende andere wetten, en voorspelt Hij den Verlosser: „Eenen profeet, die op u gelijkt, zal Ik hun opwekken uit het midden hunner broedersquot; (6).

2. Verbond.

Moses verkondigt aan het volk de wetten Gods en de belofte Zijner hulp ; \'t volk belooft gehoorzaamheid.

Plechtige bezegeling van het verbond tusschen God en Zijn volk : aan den voet des bergs worden offerdieren geslacht, het boek des Verbonds voorgelezen, gehoorzaamheid beloofd, en \'t volk met het offerbloed besprengd;

op den berg toont zich, om ook van Zijn kant het verbond te bekrachtigen, God aan Moses, Aaron, Nadab, Abïu en 70 ouderlingen ;

groot offermaal na den afloop.

3. Afgoderij.

Moses bestijgt met Josuë den berg.

Na 7 dagen wordt Moses op den bergtop ontboden, waar hij 40 dagen blijft in strenge vasten en van God vele nieuwe wetten ontvangt, ook twee steenen tafelen, waarop de 10 (3 7) geboden gegrift staan.

Manna,

een spijs uit den hemel;

gegeten alléén in de woestijn:

rein en wit;

zoet en heerlijk van smaak;

het lichaam bewarend voor den hongerdood.

1

1) d. i. bitterheid.

2

(2) Manna: van nu af tot na den doortocht door den Jordaan zullen deze witte korrels iederen ochtend, uitgenomen op den Sabbat, neerdalen: allen moeten vóór zonsopgang hunne maat voor den dag verzamelen, op den (5en dag eene dubbele.

3

(3) Derde voorafheeld-ng van het H, Sacrament des Altaars.

H. Sacrament des Altaars,

eene hemelspijs;

alléén voor de aarde geschonken;

rein en wit in de broodsgedaante;

doet smaken, hoe zoet de Heer is:

behoudt de ziel in het leven, ja geeft haar te leven in eeuwigheid.

4

(*) Niet te verwisselen met de 70-helpers van bl. 20, noch met de Rechters van bl. 30 en vlg.

5

(5) gedurende bijna een jaar.

6

(6) Deut. XVIII, 18. Zevende helofte van den Verlosser. •

-ocr page 32-

19

Het volk, twijfelend aan Moses\' terugkeer, wordt oproerig en eischt van Aclron goden.

Aaron vraagt daarvoor hun goud op, en maakt het gouden kalf, dat daarop door het volk als God vereerd wordt.

God wil het volk verdelgen (1quot; maal); Moses vraagt en verwerft erbarming.

Moses stijgt af met Josuë, en verbrijzelt in toorn de wettafelen.

Op Moses\' woord trekt de stam van Levi op, en doodt duizenden afgodendienaars: tot loon zal die stam worden uitverkozen tot den dienst des heiligdoms.

4. Boete.

Het volk toont berouw en wordt door God op Moses\' gebed weer als Zijn volk aangenomen.

Moses ontvangt in een kloof op den berg, na 40 dagen vasten, andermaal op 2 nieuwe tafelen, die hij dezen keer moest meebrengen, de door God geschreven wet.

Moses\' aanschijn straalt van Gods heerlijkheid en schiet lichthoornen uit: daarom bedekt hij het voortaan, als hij tot het volk spreken gaat, met een sluier.

5. Uitvoering dek Wet.

Bouw van den tabernakel, volgens Gods plannen en voorschriften ; de kosten gedekt door vrijwillige bijdragen en door eene heilige schatting (1); arbeiders zijn allen, die kunnen arbeiden; de door God zeiven aangewezen bouwmeesters Beséleël en Oöliab.

Inrichting van den tabernakel; (zie bl. 20).

Inwijding van den tabernakel.

Uitverkiezing van Aaron tot hoogepriester, van diens nakomelingen tot priesters, van den stam Levi tot dienaren des heiligdoms, levieten (zie bl. 22).

Wijding van Aaron, priesters en levieten.

Eerste offer van Ailron, door het neerschietend vuur uit de wolk verteerd.(2)

Viering van het Paaschfeest (zie bl. 23).

Nadab en Abïu vallen dood neder, wijl zij met ongewijd vuur den tabernakel willen binnengaan.

6. Ordening van het leger.

Volkstelling; 603.550 strijdbare mannen boven de 20 jaar.

Orde in het kamp :

IV.

Aser — Dan — Néphthali.

levieten (Merari).

Benjamin. ,, • .

„ / .. (levieten

III. Ephraïm. Gerson)_ Manasse.

Moses. Issachar. Aaron. Juda. I. priesters. Zabulon.

levieten (Caath). Gad — Buhen — Simeon. II.

{l) Het hoofdgeld bedroeg een halven sikkel (vgl. Aanh. bl. 115) voor ieder Israëliet, die den leeftijd van 20 jaren had bereikt. (8) Vgl. bl. 21, noot 1.

-ocr page 33-

OQ

gt;- WQ

ü Ui Ifllll

| a- P § 5 t — quot;S ja.r

^ cc 3 pj £u

quot;t

\'H. p i

: ~ £

Tr1

3 S rST

I § §:a

® s o

ff s ®

3-

P- 2: S :*

3 3- S. p ~. ® p ., es ^Tquot; quot;« ps i;

s; cu 3 2

V. rgt; C O

3 *0 5;

•i-\' .-5

amp;. oo B 2

2 v 0 S

- /\\ oo

^ © w

O -«X

§ ^x

O

■t os —• quot;

o- £ ?r

3 o -i • gt;3 O

O „ lO -«3

Xg- .

pquot; O lt;

3 % I

ê-O 5

? ® 5

I ^

5^ lt;

2-O O

O 3 ®

3 * quot;r

cr;

oo

IX

s êt % g

cc gt;5

S 00

s ^

O 2.

W

c*

C-l O O

CD O tJ4 O

O

M*

3 O

B

■si

CÜ\' § ® 2-

«£

05 ^ ® O TT O

2.®3

s ?

O

B

s^-SHKO3\'

II II II II II

tPiM:-;

plt; ®

2 i-3 C- a

S- lt; oo ?»• o o o

0 0 w

ss

O ®

CD c»-lt;ü: P

i o us » , 3 C amp; -

i I

g ff

0

2 r*- O 3

c ff\' 2 ^ \'H,

quot;ff cü\'cn; ^

01 5\' 3 ff-

® 05 ^

quot;S § £•« « o t:- o-

® -3. ® S5 C5 ® o

2 §quot;=•=.

35»*-

s:X

p to JgsMH

oX

_ ^ 2ff-

O

o

® O : ^ -

quot; •i _ C O ff\' c

c lil

® c c* £

cL J3 I

- O p 3^:

5 Ö o e - quot;% O c

rg g.3

3 P ® :

^ | ai

® © n :

„ © 3 ff !

•-•-•quot;

• -

t3-

J Cff.H

-ocr page 34-

21

Marschorde : I. Juda,

Gerson en Merari, (met den tabernakel); II. Ruben,

Caath (met ark en andere heiligdommen) en priesters;

III. Ephraïm;

IV. Dan.

Sein tot den optocht: God doet de wolk boven de heilige tent

opstijgen; de priesters blazen op zilveren bazuinen.

Sein tot rusten : de wolk daalt weer neder.

III. Wetgeving vau Sinaï.

De Mosaïsche toet bestond uit twee deelen:

een onveranderlijk deel, voor alle menschen gegeven, door Christus

later niet ontbonden, maar vervolmaakt: de zedenwet;

en een veranderlijk deel, den Joden alléén gegeven, door Christus later opgeheven: de ceremonieehvet en de burgerlijke wet.

1. Zedenwet.

De zedenwet is de natuurwet, op bovennatuurlijke wijze geopenbaard in de tien geboden, en door verdere verklaring en toepassing verduidelijkt en ontwikkeld.

2. Ceremonieelwet.

De ceremonieelwet is de verzameling van al de voorschriften Gods, welke den eeredienst der Joden raakten.

A. Offers.

Verdeeling :

naar den aard van het geofferde:

a) bloedige offers (slachtoffers), waarbij offerdieren geslacht werden;

b) onbloedige offers {spijs- en drankoffers), waarbij brood en wijn, alsook olie, wierook en zout geofferd werden;

naar het doel en de wijze der offering;

a) brandoffers:

doel: aanbidding van God;

wijze: het geslachte dier werd geheel verbrand, en er was altijd een onbloedig offer mede verbonden (\');

b) zoenoffers: *

aa) zondeoffers:

doel: verzoening van overtredingen der wet, door onwetendheid d i,

door menschelijke onbedachtzaamheid of zwakheid begaan;

wijze: alléén de offerstukken (2) werden op het altaar verbrand, het overige werd, als het een offer was van den hoogepriester of van heel het volk, buiten de legerplaats verbrand, in andere gevallen door de priesters in het voorhof gegeten; — geen vergezellend onbloedig offer; — die het bracht, legde de handen op het hoofd des offerdiers; — de priester bad en de zonde werd vergeven.

(\') Zulk een was het altoos brandeml offer, dat iederen ochtend en lederen avond word opgedragen, maar waarvan het vuur, ontstoken bij Aiirons eerste offerande (vgl. bl. 19), altoos door de priesters moest onderhonden worden.

(2) „Offerstukkenquot; heetten bepaalde gedeelten van het vet en de ingewanden.

-ocr page 35-

22

hb) schuldoffers:

doel: verzoening van die wetsovertredingen, die het karakter eener rechtsverkrachting hadden (zooals: nalatigheid in het brengen dei-tienden, eerstelingen en andere verordende offergaven, of misdrijven tegen eens anders eigendom, die door den burgerlijken rechter niet meer bewezen of gestraft konden worden);

wijze: ongeveer als bij de zondeoffers: alleen moest er dikwijls schadevergoeding bij geschieden aan het heiligdom of aan den naaste.

c) vredeoffers, in staat van vrede met God opgedragen:

na) dankoffers:

doel: God te danken;

bb) gelofteoffers:

doel: eene gedane belofte te beëindigeft;

cc) vrijwillige offers:

doel: vrijwillig God te eeren;

wijze: alléén de offerstukken werden verbrand; — van het overige aten in het voorhof deels de priesters, deels de offeraar met zijn huisgezin; — altijd een vergezellend spijsoffer.

Uitwerking:

het offeren werkte uit zichzelf opheffing der wettelijke schuld en onreinheid, en kwijtschelding der tijdelijke straffen, doch geene vergiffenis der zonden; maar bracht de Israëliet zijn offer met een oprecht berouw,

biddende mei den priester, daartoe aangesteld, en in het geloovig vertrouwen op den beloofden Verlosser,

dan verkreeg hij vergiffenis door de kracht van het heilig Kruisoffer. (\')

B. Priesters en levieten.

Geen eeredienst zonder offers, geene offers zonder priesters.

Vroeger was de huisvader de priester des huisgezins; thans stelt God een afzonderlijken priesterstand in; waartoe hij uitkiest Aiiron en diens nakomelingen.

Eén hunner (Aiiron, Eleazar, Phineës enz.) is de hoogepriester.

Levi\'s nakomelingen worden dienaren des heiligdoms: levieten.

Kleeding:

a. Levieten: waarschijnlijk in een wit linnen kleed;

b. Priesters (in dienst): lendenkleed, lijfrok, gordel en hoofdhulsel:

alles zeer eenvoudig;

c. Hoogepriester: 1°. het witte gewaad, gelijk aan dat der priesters, en

gedragen op den grooten verzoendag;,

2°. het gouden, bestaande uit:

overrok, hemelsblauw met schelletjes en granaatappelen;

ephod, rijk en zwaar geborduurd schouderkleed;

borstschild met 4X3 edelsteenen;

hoofdhulsel met gouden diadeem, waarop: Heilig den Heer!

Dienstwerk:

a. Levieten: de priesters bijstaan, het heiligdom bewaken en vervoeren, godsdienstonderwijs geven ;

C1) Vierde voorafbeelding van Christus\' Offer der Joden,

bloedig en onbloedig;

\'t onbloedig offer van brood en wijn; brandoffer : aanbidding;

zoenoffer: verzoening;

vredeoffer: maaltijd.

kruisoffer, vierde van \'t Al/erh. Sacrament.

Offer van Christus,

bloedig op \'t krnis, onbloedig in deH.Mis: brood en wijn geconsacreerd in de H. Mis; hoogste aanbidding in Christus\' offer: Christus geofferd voor de zonden der wereld; Heilige Communie voor de reinen van harte.


-ocr page 36-

28

b. Priesters: den offerdienst verrichten in het voorhof en het heilige, godsdienstonderwijs geven;

c. Hoogepriester: op den grooten Verzoendag in het Heilige der Heiligen het groote zoenoffer opdragen voor zich en het geheele volk; ook bij andere bijzondere gelegenheden zulke zoenoffers brengen; God raar de waarheid ondervragen door de TJrim en Tkunnnim; het opperste toezicht houden over den eeredienst; voorzitten in het hoogste gerechtshof.

Onderhoud:

zij behoeven daarvoor niet te zorgen.

zij krijgen geen erfdeel in het land Chanaiin, maar

a. Levieten: de tienden, door de Joden geofferd, en later in Chanaan 35 steden;

b. Priesters: de tienden van de tienden der levieten, en later in Chanaan 13 steden.

C. Feesten.

a. Paaschfeest (= feest der ongedeesemde brooden);

wanneer? den I4en Nisan en volg. (in de lente);

hoelang? 7 dagen;

geslacht het paaschlam enz.;

geofferd de eerste schoof der gerst;

herdenking van den „voorbijgang des Heerenquot; in Egypte.

b. Pinksterfeest (= feest der weken, oogsffeest, eerstelingendag):

wanneer? 50 dagen na Paschen;

hoelang? 1 dag;

geofferd de eerstelingen der tarwe;

herdenking van de wetgeving op Sinaï.

c. Loofhuttenfeest (= feest der inzameling):

wanneer? den 15en Tischri en volg. (in den herfst);

hoelang? 8 dagen;

verplichting te wonen in hutten van boomtakken;

dankzegging voor de ingezamelde vruchten ;

herdenking van de weldaden door God hun in de tenten der woestijn bewezen.

d. Nieuue-waandoff :

maandelijks op den dag der nieuwe maan.

e. Nieuwjaarsdag:

begin van het burgerlijk jaar: le dag der maand Tischri, (het kerkelijk jaar begon met Nisan).

f. Groote rerzoendag:

wanneer? 10 dagen na nieuwjaar;

rust en strenge vasten;

geslacht een stier en een bok; de hoogepriester in het heilige der heiligen eerst met een rookvat, dan met bloed van den stier, dan met bloed van den bok; een tweede bok, met de zonden des volks beladen, in de woestijn gejaagd (\').

g. Sabbatjaar:

wanneer? elk zevende jaar;

men moest den arbeid staken, althans op \'t veld:

(God zou het 6e jaar een drievoudigen oogst schenken);

H. Kruisoffer: Christus gaat den hemel binnen, met zijn eigen Bloed,

en bewerkt eeuwige verlossing; Christus buiten .Ternsalem gedood.


-ocr page 37-

24

men mocht zijn armen broeder niet dwingen tot terugbetaling van

geleend geld Uaagt;\' raH vrijlating) ■,

men moest den Joodschen slaaf weer vrij laten.

h. Jubeljaar:

wanneer? elk vijftigste jaar;

alles gelijk een gewoon Sabbatjaar; daarenboven

de verkochte landerijen en huizen keerden terug tot hun vorigen eigenaar. D. Meer bijzondere godsdienst.

a. Spijswetten;

voor het gebruik was o. a. verboden:

het vleesch van onreine dieren

(van de viervoetige dieren^waren rein, die herkauwen en gespleten hoeven hebben),

het vleesch van gestorven dieren,

bloedig vleesch,

bloed,

heidensch offervleesch.

b. Rein igingswetten :

onrein kon men o. a. worden

door het onmiddellijk of middellijk aanraken van iets onreins, vooral van lijken,

ten gevolge eener ziekte (bijv. melaatschlieid),

door moeder te worden van een zoon (40 dagen), van eene dochter (80 dagen);

gereinigd werd men

door baden en wasschingen, vaak vergezeld van een zuiveringsoft\'er.

c. Nazareaat =

eene gelofte, waardoor men zichzelven of zijn kind afzonderde voor God; verplichtingen van den Nazareër:

zich onthouden van wijn en sterke dranken,

zijne haren laten wassen,

geene lijken aanraken;

duur: meestal kort; soms levenslang (bijv. Samson en Samuël).

d. Ban of banvloek (chérem) =

eene gelofte, waardoor men iemand of iets tot onherroepelijk eigendom

Gods wijdde, gewoonlijk ter vernietiging;

voorbeelden: Jericho, Chanaanieten en de Israëlieten, die aan deeroden olferden.

3. Buköeelijke wetten.

a. Persoonlijke vrijheid:

De Joden mochten niet Joden, wel heidenen als eigenlijke slaven hebben.

b. Familiebetrekkingen:

Veelwijverij was geoorloofd;

echtscheiding, om wettelijke redenen eveneens.

Stierf een gehuwd man zonder kinderen na te laten,, dan was zijn broeder (later de naaste bloedverwant) verplicht de weduwe tot vrouw te nemen [leviraatshuwelijk — plichihutvelijk): de eerstgeboren zoon kwam dan te staan op den naam des overleden vaders. Het ouderlijk gezag werd door de wet beschermd.

c. Eigendomsrechten:

God was de landheer, de Israëlieten de pachters van het land. De verdeeling van het land moest onveranderd blijven.

Voor de armen moest gezorgd door eene belasting en door de milddadigheid.

d. Openbare macht:

Gewoon bestuur bij de stamhoofden en oudsten, later bij den koning.

-ocr page 38-

25

Buitengewoon opperbestuur bij de mannen, die God van tijd tot tijd op bijzondere wijze opwekte.

Rechterlijke macht by den Hoogen Raad. en hij plaatselijke rechtbanken.

Doodstraf: steeniging of misschien vuurdood;

Lijfstraf: stokslagen (veertigmin-één);

Straf voor verwondingen: wedervergelding;

Straf voor diefstal: dubbele vergoeding.

Krijgsdienst: voor twintigjarigen algemeen verplichtend, uitgezonderd voor de levieten.

Bloedwraak = de niet verboden toepassing van het recht, dat, wanneer iemand opzettelijk vermoord was, den naasten bloedverwant toekwam, om zich ter wille der familie-eer op den moordenaar te wreken.

Vrijsteden = 6 levietensteden, in Chanaan aan te wijzen, waar de moordenaar beveiligd zou zijn tegen den bloedwreker, maar zijne zaak door de rechtbank beoordeeld zou worden. Ze waren: Bosor, Uamoth-Galaad, Gaul on, Kedes, Sichem en Hebron.

e. Verhouding tot andere ra/ken:

De Chanaiinieten moesten volgens Gods bevel verdelgd worden, zij waren dus de vijanden;

met de andere volken mochten vriendschapsbetrekkingen worden aangeknoopt.

Heidenen, die geheel tot het Jodendom overgingen heetten proselieten (= toetredenden) der gerechtigheid; die zich verplichtten alléén tot de zeven z.g. geboden van NoëC), heetten proselieten der poort.

IV. Tocht naar Chanaan.

1. Doge de woestijn Phakan.

Gebrek aan vleescli; gemor ; klacht van Moses door God verhoord ; M. moet zeventic/ helpers uitkiezen; God geeft hun deel aan den geest van M., en zij profeteeren {-). — Wachtels een maand lang : gulzigheid van het volk ; \\e\\en siamp;vvev, graven der begeerlijkheid.

Te Hdseroth: verzet van Aaron en Maria tegen Moses om wille diens echtgenoote ;

hunne aanranding van Moses\' gezag ;

God richt de schuldigen : Maria met melaatschheid gestraft, doch

op Moses\' gebed weer genezen.

2. Verblijf te cadesbarne (aan de zuidelijke grens van Chanaan).

Uitzending van twaalf verkenners, onder wie Jósuë en Caleb;

hun terugkeer na 40 dagen, met een druiventros als bewijs van \'s lands vruchtbaarheid, maar vol vrees voor de kracht dei-bevolking ; alléén Josuë en Caleb zijn vol moed.

Kleinmoedigheid en opstand des volks ; uit de wolk klinkt Gods doodvonnis over het volk (2\' maal); M. bidt; God vergeeft, maar de straf wordt slechts uitgesteld : ieder man, die twintig jaar is, zal sterven in de woestijn (uitgezonderd Josuë en Caleb) ; hunne kinderen zullen daar 40 jaar rondzwerven. Mislukte poging van eenigen om Chanaan toch binnen te trekken.

P) Volgens de Joods oh e overlevering heeft God aan Noë\'s eerste nakomelingen zeven geboden gegeven, nl. zich van afgoderij, godslastering, moord, bloedschande, diefstal en roof, en van het eten van bloed en gestikte dieren te onthouden, en te gehoorzamen aan de overheid.

(2) d. i. zij verkondigden den lof van God op zulk eene wijze, dat de werking van Gods geest voor allen duidelijk was. Vgl. bl. 33.

-ocr page 39-

26

V. Omzwerving in de woestijn,

gedurende 38 jaar ;

in de dalvlakte tusschen de woestijn Pharan en het bergland Seïr. Verzet van Core (een Leviet) met Dathun, Ah iron en Hon (Rube-nieten) en 250 aanzienlijken tegen Moses en tegen Aarons priesterschap ;

gebed en vermaning van Moses ;

godsoordeel; Core met de 250 staan voor den tabernakel, ook Aiiron ;

Gods stem weerklinkt: de grond scheurt open en verzwelgt de tenten van Core, Dathan en Abiron ; vuur uit de wolk doodt de 250.

Samenscholing, den volgenden dag, van het oproerig volk ; eene vernielende plaag doodt duizenden, maar wordt ten laatste bezworen door Aiiron, die zwaaiend met zijn wierookvat, zich in hun midden begeeft.

Nieuw wonder ter bevestiging van Aarons uitverkiezing; bloeiende staf.

VI. Tweede tocht naar Chanaan(1).

1. Ix de woestijn SlN (1).

Te Cades sterft Maria, ongeveer 130 jaar oud.

Gebrek aan water ; gemor ; Moses moet, op bevel van God, tegen de steenrots spreken (vgl. bl. 18); hg slaat er tweemaal tegen, en water ontspringt.

Zonde van Moses en Aaron :

zij werden driftig en toornig tegen het volk ;

zij twijfelden, of God voor zulk een volk een wonder doen zou ; Moses sloeg, in plaats van te spreken.

Straf: zij zullen het volk niet binnenvoeren in het beloofde land.

Koperen slang:

de Joden, in de woestijn gebeten door

vurige slangen ;

een koperen slang wordt opgericht; wie haar aanziet, is gered.

{*) 39 jaar na den uittocht uit Egypte.

(2) Sin of Tsin, niet te verwarren met de woestijn Sin, ten N.W. van Sinaï. Zie bl. 18. (8) Moses. die noch van de Edomieten, noch van de Moabieten verlof kon krijgen, om dóór hun land te trekken, wilde tegen die stamverwante volken (zie bl. 9) geen geweid gebruiken, hetgeen ook, wat de laatsten betreft, hem door God was verboden.

(4) Vooraf he elding ran het II. Kruis.

H. Kruis: dit leven j

de mensch

helsche slang:

Chiistus, aan het Kruis verheven; de zondaar, die bij den gekruisten Christus zijne redding zoekt, vindt haar.

:ebeten door de


1

Tocht naak het Zuiden, om het land van Edom en Moab heen (2).

2

Op den berg Hor sterft Aiiron, 123 jaar oud.

-ocr page 40-

27

3. Tocht naar het Noorden, op Chanaan aan.

Sehon, koning der Amorrhieten verslagen ; zijn land veroverd.

Og, koning van Basan, verslagen, zijn land veroverd.

4. Velden van Moab (\'j.

Balac, koning der Moabieten, ontbiedt Balaam, een waarzegger aan den Euphraat, om de Joden te vervloeken; deze weigert op Gods ingeving.

Balaam, andermaal ontboden, mag medegaan, mits hij Gods bevelen naïeve.

Onderweg krijgt hij booze plannen ; een engel houdt zijne ezelin tegen, en berispt hem; de profeet toont berouw, wil terug-keeren, moet voortgaan.

Balaam, bij Balac gekomen, vervloekt het volk Israël niet, maar zegent het in profetische woorden, o. a. „Eene Ster zal opgaan uit Jacob, en een staf zal oprijzen uit Israël (2).

Balaam, later bij de Madianieten vertoevende, geeft hun een god-deloozen raad : vele Joden vallen in wellust en afgoderij (feest van Beëlphëgor); Moses straft ze met de galg, God met eene vernielende plaag; Zanibri en de Madianietische vrouw Cozbi, samen zondigende, door Phineës doorboord ; 24.000 Joden gedood.

Phineës verdelgt de Madianieten ; ook Balailm wordt gedood; geen zoon van Israël sneuvelt.

Nieuwe volkstelling: evenveel Israëlieten als vóór 3^ jaar; alléén Josuë en Caleb nog over.

Jósuë, zoon van Nun, uit den stam van Ephraim, op Gods bevel door Moses gemaakt tot aanvoerder des volks.

Moses verdeelt het land ten 0. van den Jordaan tusschen Ruben, Gad en half-Manasse, die echter het land ten Westen moeten helpen veroveren.

M. houdt afscheidsredevoeringen ; geeft bevelen voor de toekomst; dicht een lied, dat allen moeten leeren.

M. beklimt den Nebo, ziet het beloofde land, en sterft, 120 jaar oud, in Gods armen. Zijn graf is nooit gevonden (3).

(!) Ylakte van Settim, aan den Jordaan, te^

(2) Num. XXIV, 17. Achtste belofte van den

(3) Negende voorafbeelding van Christus.

Moses.

M. als kind door Pharao ter dood gezocht; M. verlost zijn volk nit de slavernij;

M. de Middelaar van het O. Testament; M. de profeet des Allerhoogsten en Gods

woordvoerder bij het volk;

M. 40 dagen vastend vóór de wetgeving;

M. verheerlijkt op den berg;

M. leeraar, priester, koning.

snover Jericho.

Verlosser,

Christus.

Chr. door Herodes ter dood gezocht; Chr. verlost het menschdom nit de slavernij

des duivels;

Chr. de éénige Middelaar van het N. T.; Chr. de volmaakte Profeet, het Woord des

Vaders (vgl. bl. 18);

Chr. vóór Zijn openbaar optreden 40 dagen vastend;

Chr. verheerlijkt op den Thabor;

Chr. de Leeraar enz. by uitnemendheid.


-ocr page 41-

28

§ III. De verovering van Chanaan.

(1450 — 1433)

Bron : het boek Josuë.

Chanaan : grenzen : Libanon ten N., woestijn van Syrië en VVoest-Arabië ten O., woestijn van Arabië ten Z., Middellandsche Zee ten W.

grootte : gelijk Nederland.

bewoners: nakomelingen van Chanaan, zoon van Cham,

en andere Chamieten, o. a. de Philistijnen.

bestuur : bijna iedere stad had haar eigen koning, godsdienst: gruwelyke afgoderij en ontucht.

goden ; Baiil, Astaroth (= Astarthe), Moloch (kindermoord).

God had besloten de Chanaanieten tot straf te verdelgen, en gebruikte daarvoor het Israëlietische volk.

I. Vóór den oorlog.

Verkenning van Jéricho, door twee mannen, die huisvesting ontvangen bij Rahab en door haar gered worden.

Optocht van het leger.

Doortocht van den Jordaan: het water wijkt voor de priesters met de ark ; twaalf steenen opgericht in het midden der bedding, twaalf medegenomen en ten aandenken opgericht in Galgala.

Legerkamp te Galgala; besnijdenis van allen, die in de woestijn geboren zijn ; viering van het Paaschfeest; einde van den mannaregen.

Verschijning van den vorst van \'s Heeren leger, een engel, aan Josuë : bevel om den oorlog te beginnen.

II. De oorlog.

Jéricho: in optocht trekt het geheele volk, zes dagen achtereen iederen dag eens, den zevenden dag zevenmaal om de stad: dan vallen de muren, en wordt de met den banvloek getroffen stad vernield, al de inwoners gedood, uitgezonderd Rahab, die zich bekeert, en hare familie.

Hat: het eerste beleg mislukt door de schuld van een heiligschenner ; door het heilig lot wordt Achan als de banschuldige aangewezen ; hij wordt gesteenigd, en daarna Haï ingenomen en verdelgd.

Verbond der Chanaünietische vorsten tegen de Israëlieten.

De Gabaonieten zenden, uit vrees voor de verdelging, een gezantschap tot Josuë, dat zich voordoet als komende uit een ver (dus niet Chanaanietisch, dus niet vijandig) land; Josuë sluit een verbond met hen, en houdt het, ook als het bedrog uitkomt: alléén moeten zij voortaan het hout hakken en het water dragen voor den offerdienst.

Veldslag van Bethhóron: vijf koningen uit Z.-Chanaan belegeren Gahaon; Josuë verdrijft ze naar Bethhoron, waar hij door zijn

-ocr page 42-

29

bevel: „Zon, verroer u niet bij Gdbaon, noch gij, maan, bij het dal van Ajalon !quot; l1) zijne overwinning kan voltooien.

Zuid-Chanaan wordt veroverd.

Veldslag van Merom: Ja bin, koning van Asor, verzamelt de N.-Chanailnieten bij Merom ; Josuë trekt haastig op en verslaat hen geheel.

Noord-Chanaan wordt veroverd.

Nog 5 jaren duurt de oorlog.

III. Na den oorlog.

Overbrenging van den tabernakel vau Galgala naar Silo.

Plechtige bezwering van het verbond (2):

in het dal van Sichem staan de priesters met eenige levieten, die

luide de zegeningen en vervloekingen voorlezen,

op den berg Garizirn de 6 stammen, die na de zegeningen, op den berg Hebal, de 6, die na de vervloekingen „Amen !quot; antwoorden.

Verdeeling van het land ten W. van den Jordaan. (Zie Schetskaart van \'t O. T.)

Levieten ; 35 steden ; priesters 13 steden.

Caleb: Hebron met omstreken, het land der reusachtige Enakskinderen ; Otkoniël verovert daar Dabir, en wordt daardoor Calebs schoonzoon.

Josuë: de stad Tharnnath-Sare.

Afscheid en vertrek der over-Jordaansche hulptroepen (3).

Regeering van Josuë gedurende 10 jaar.

Afscheidsrede van Josuë op de volksvergadering van Sichem.

Dood van Josuë. 110 jaar oud (4).

Dood van Eledzar. Phineës wordt hoogepriester.

§ IV. Het tijdvak der Rechters.

(1433—1095)

Bron: het boek der Rechters en de eerste hoofdstukken van I Kon. I. Tafereelen uit den tijd der regeeringloosheid.

De stammen Juda en Simeon bestrijden en overwinnen Adonibezec, koning van Bezec; wat hij aan 70 vorsten heeft gedaan, doen zij hem nu : zij hakken hem de duimen zijner handen en voeten af.

Juda en Simeon nemen Jerusalem in, niet den burcht Sion.

Ephraïm en Manasse veroveren Bethel.

Josuë:

dezelfde naam: Josue, hebreeuwsch; J. voerde zijn volk het beloofde land binnen;

J. verloste zijn volk van de vijanden.

Christus:

Jesus grieksch:

J. voert de menschen den beloofden hemel binnen;

J. breekt de machten der vijanden onzer ziel-

(gt;) Jos. X, 12. (2) Vgl. bl. 18. (3) Vgl. bl. 27. (*) Tiende voorafbeelding van Christus.


-ocr page 43-

30

Langzamerhand knoopen alle stammen betrekkingen aan met de Chanaanieten en vervallen tot afgoderij.

Dan durft zijn te klein gebied niet ten koste der Philistijnen ver-grooten; een deel zoekt elders een woonplaats. Na verkenners gezonden te hebben, trekken 600 Danieten naar het Noorden, ontstelen onderweg aan Michas in Ephraïm diens zilveren afgodsbeeld, nemen zijn afgodspriester. Jonathan, den leviet, als den hunnen mee, en nemen met geweld de stad La\'is in bezit C1).

Benjamin: de vrouw van een leviet uit Ephraïm wordt te Gabaü in Benjamin ten doode toe mishandeld. Alle stammen kiezen partij tegen. Benjamin voor Gabaa. Burgeroorlog. Geheel de stam Benjamin, op 600 man na, verdelgd.

II. De Rechters.

Het volk vervalt tot afgoderij; God straft het door het aan de vijanden over te leveren; het volk doet boete; God redt het, door rechters op te wekken.

Rechters waren mannen, door God onder de Joden opgewekt en met Zijn kracht bezield, om hunne rechten tegen de verdrukkers te handhaven en onder hen de gerechtigheid te doen herleven (soms ook om recht te spreken over de Joden).

1. Othoniël (schoonzoon van Caleb, uit den stam van Ephraïm)

verslaat Chusan-Basathmm, koning van Mesopotamia, die sinds

8 jaren N.-Chanaan plunderde.

2. Aod (uit den stam van Benjamin)

doorsteekt met de linkerhand Eglon, koning der Mo ah i eten, den plunderaar van het over-Jordaansche, en verslaat daarna het geheele vijandelijke leger.

3. Samgab (een landbouwer)

doodt met een ossenstok 600 Philistijnen.

4. Débboea (eene profetes bij Bethel, omstr. 1285 v. C.).

In N.-Chanaan heerscht als dwingeland Jabin, koning van Asor, die Sisara zendt om de Joden te verdelgen.

Débbora ontbiedt Barac uit Nephthali, die daarop Sisara bij den Thahor verslaat.

Sisara, zich verbergend in de tent van Jahel, de vrouw van Haber (een herdersvorst, afstammend van Jethro, Moses\' schoonvader), wordt door haar met een pin in de slapen gedood.

Barac verslaat Jabin.

Loflied van Debbora.

5. Gédeon (jongste zoon van Joas, te Ephra, in W.-Manasse, omstr.

1245) wordt tegen de Madia nieten, die geheel Chanaün afstroopen, door een engel aangesteld tot rechter.

Hij vernielt \'s nachts altaar en bosch van Baiil (2).

P) Deze stad kreeg ook den naam van Dan. Daar zij geheel in \'t Noorden van Palestina, en Bersabee geheel in \'t Zuiden lag, beteekent de uitdrukking ^ran Dan tot Bersabeequot; hetzelfde als „door het geheele landquot;.

(a) Vandaar zijn naam Jéróbaal = Baiils bestrijder.

-ocr page 44-

31

,c

Hij verzamelt een leger van 32.000 man: \'t wonder van de wollen vacht.

De vreesachtigen mogen heengaan: 10.000 blijven; alléén die met de hand van het bronwater drinken, mogen medestrijden: 300 man.

Met dezen, elk met een bazuin en een brandenden fakkel in een kruik, overvalt hij den vijand, en verslaat hem.

Hij weigert den koningstitel (M.

Abimelech, Gedeons zoon, vermoordt na zyns vaders dood al zijne 70 broeders, uitgenomen Jóatham, den jongsten.

De inwoners van Sichem, Baiilvereerders, maken hem tot hunnen koning.

Joatham voorspelt hun, dat zij en Abimelech elkaar ten verderve zullen zijn.

Na 3 jaar, opstand in Sichem en Thebes: Abimelech vermoordt alle Sichemieten, maar wordt onder Thebes\' toren door eene vrouw met een neergeworpen molensteen gedood.

6. Thola (uit den stam van Zabulon).

7. Jaïb (uit het over-Jordaansche).

8. Jephte (uit het over-Jordaansche; omstr. 1187).

Een leger, te Maspha verzameld tegen de Ammonieten, die het over-Jordaansche geeselden, zoekt een aanvoerder en ontbiedt den verbannen Jephte, den Arabischen rooverhoofdman, die komt en vorst van Galaad wordt.

Belofte van Jephte, om dengene, die na zijne overwinning hem het eerst zal tegemoet treden, aan den Heer te offeren.

Hij behaalt de overwinning: zijne dochter gaat hem het eerst tegemoet, en wordt, na twee maanden op de bergen getreurd te hebben, door hem geofferd.

Jephte, aangevallen door de jaloersche Ephraimieten, verslaat hen volkomen (sjibbóleth = korenaar).

9. AuesAN (uit Bethlehem).

10. Ahialon (uit den stam van Zabulon).

11. Abdon (uit den stam van Ephraim).

12. Samson, (zoon van Manuë, te Sdraü in Dan ; 1155—1117),

levenslang Nazareër (2), krachtens gelofte zijner ouders.

Hij wil huwen met eene Philistijnsche uit Tharnndtha; op wegnaar het verlovingsfeest doodt hij een leeuw; op weg naar de bruiloft vindt hij in den leeuwenkop honigraten.

Raadselweddingschap : „uit den vraat kwam spijs en zoetheid uit den geweldigequot; (3), door de schuld zijner vrouw verloren, betaald door 30 Philistijnen te Ascitlon te dooden.

(\') Elfde voorafbeelding van Christus. Gedeon

redt en heiligt zijn volk;

weigert den koningstitel.

(2) Vgl. bl. 24. (3) Jud. XIV, 14.

Christus

verlost en heiligt het menschdom; wil geen koning der Joden worden.


-ocr page 45-

32

Zijne vrouw huwt een anderen man ; uit wraak jaagt Samson 300 jakhalzen met brandende fakkels in de korenvelden der Philistijnen, en doodt hij de moordenaars zijns schoonvaders.

In het land van Juda schuil, wordt hij door de bewoners uitgeleverd aan de Philistijnen; hun nieuwe touwen verbreekt hij, duizend hunner doodt hij met een ezelskakebeen, en lescht daarna zijn dorst aan een wonderbron.

In de ontucht bezwijkt zijn kracht.

Te Gaza zich daaraan overgevend, wordt hij bijna door de Philistijnen gevangen genomen, maar ontsnapt, door de poorten dei-stad uit te rukken en weg te dragen.

Aan DaUla, eene slechte vrouw, ontsluiert hij \'t geheim zijner reuzenkracht (zijne toewijding aan God door het Nazareaat, waarvan zijne lange haren het teeken waren) ; in den slaap worden zijne haren afgesneden ; hij wordt gevangen genomen, en met uitgestoken oogen in den kerker van Gaza aan den handmolen gezet.

In zijn ongeluk bekeert hij zich : en, op het dankfeest van Dagon in den tempel ter verguizing tentoongesteld, rukt hij de twee hoofdkolommen om en sterft met duizenden Philistijnen. (\')

18, Heli, (hoogepriester, 1155—1115, de eerste uit het geslacht van Ithamar).

Persoonlijk goed, maar onvergeeflijk zwak tegenover zijne zonen, de priesters Ophni en Phineës, die, van de offers des volks nemend, wat zij verkiezen, en ontucht bedrijvend in het heiligdom, het volk vervreemden van den godsdienst.

Oorlog met de Philistijnen; de ark des verbonds, in den strijd meegenomen, valt in \'s vijands handen ; Ophni en Phineës sneuvelen ; de blinde Heli valt op het bericht dood neder. (2)

14. SiiMUEL, (1154—1057, de zoon van den leviet Elcdnci en Anna, te Bdmatha), levenslang Nazareër (3), krachtens de gelofte zijner moeder.

In het heiligdom wonend, wordt hij \'s nachts door God (hij meent eerst door Heli) geroepen, om aan Heli Gods straffen mede te deelen.

Christus,

als de Verlosser der wereld, door Gabriël aan Maria voorspeld,

is de Sterke, die alles draagt door het woord

Zijner macht;

brengt door Zijn vrij willigen dood den genadeslag toe aan Satans wereldmacht.

Twaalfde voorafbeelding van Christus.

Samson,

vóór zijne geboorte, als verlosser van zijn volk, door een engel aan zijn moeder voorspeld,

is boitengewoon sterk;

brengt door zijn dood aan zijne vijanden den zwaarsten slag toe.

(2) De ark des Verbonds was das, sinds den intocht in Chanaün, geweest in den tabernakel te Galgala en te Silo; nu werd zij gebracht in Dagon\'s tempel te Azot; daarna in verscheidene andere plaatsen der Philistijnen; toen, om het vele onheil daar gesticht, op een door twee koeien getrokken wagen teroggebracht naar het land der Israëlieten, naar Béthsames, waar .quot;gt;0.000 hunne oneerbiedige nieuwsgierigheid met den dood boetten; en ten slotte gevoerd naar Caridthiarini (= Gabaci) in het huis van Ahinadab.

[*) Vgl. bl. 24.

-ocr page 46-

33

Samuel wordt bekend als de verkondiger van Gods woord en \'s Heeren profeet.

Hij bekeert de Israëlieten, doet niet het te Maspha verzamelde volk openlijk boete; God geeft hun de overwinning over de Philistijnen.

Hij trekt het land door en herstelt de orde.

Hij sticht profetenscholen, waar jongelingen bijeen leven, om Moses\' wet stipt op te volgen en de godsdienstige wetenschap te beoefenen, en zich aldus voor te bereiden tot eene mogelijke beroeping voor het eigenlijk profetenambt C1).

Na 20 jaar stelt hij zijne zonen Joël en AMa als mederechters aan; zij echter verdraaien uit geldzucht het recht: aanleiding (2) voor \'t volk, om, door een gezantschap, aan Samuel de aanstelling van een koning te verzoeken.

Met toestemming van God doet Samuel zulks en zalft Saül tot koning, (ezelinnen!)

Te Maspha laat hij het heilig lot werpen, dat ook Saül als koning aanwijst.

Samuel schrijft het koningsrecht en kondigt het af.

Op een volksvergadering te Galgala doet hij afstand van quot;t gezag.

Later, als Saül zich in den Philistijnenkrijg de priesterlijke waardigheid aanmatigt, dreigt Samuel hem met de verwerping; in den Amalekietenoorlog kondigt hij den aan God ongehoorza-men koning die verwerping aan.

Samuel zalft dan David tot koning.

Te Ramatha ontvangt hij den vluchtenden David; ook Saül met diens soldaten. [Is ook Saül onder de profeten (3))

Samuel sterft, waarsch. 97 jaar oud.

§ V. De negeening van koning Saül. (1095—1055)

Bron: het 1ste boek der Koningen.

I. Saül vóór zijne verwerping. (1095—ongev. 1064.)

1. Saüls verheffing.

Saül, zoon van Cis, te Gdbali, in Benjamin.

Met een knecht aan het zoeken naar vermiste ezelinnen, wendt hij zich om inlichtingen tot Samuel in Ramatha, die hem tot koning zalft.

Op de volksvergadering te Maspha doet Samuel het heilig lot werpen, dat ook Saül als koning aanwijst, en verkondigt hij het door hem opgeschreven koningsrecht.

Na afloop gaat Saül weer naar huis.

(\') Hun spreken en zingen over godsdienstige onderwerpen wordt in de H. Schrift profeteeren genoemd.

(s) De oorzaak was de trotschheid van het volk en hun gebrek aan vertrouwen op God.

(3) I Keg. XIX, 24.

3

-ocr page 47-

34

2. Saüls optreden tegen de vijanden van Gods volk.

Oorlog tegen de Ammonieten:

Jabes, in het over-Jordaansche, belegerd door Nads, koning der Ammonieten, roept Saül ter hulp ; deze verzamelt een leger (ossen in stukken gehakt!) te Bezech, en verslaat den vijand.

Volksvergadering te Galgala : Samuel draagt zijn gezag op Saül over ; bet volk bekent schuld en belooft trouw aan God.

Oorlog tegen de Philistijnen :

Saül en Jónathas, zijn zoon, hebben slechts een klein leger te Galgala ; Saül draagt zelf het offer op (aanmatiging der priesterlijke waardigheid!); Samuel komt en voorspelt hem de verwerping.

Saül trekt zich terug naar Gaban; Jónathas overvalt met zijn wapenknecht \'s nachts den vijand ; het geheele leger wordt op de vlucht gejaagd ; Saüls banvloek treft Jónathas, wiens terechtstelling echter door de soldaten wordt belet.

Vele oorlogen, vooral onder aanvoering van Abner {l) gevoerd en gewonnen.

Oorlog tegen de Amalekieten,

door Samuel bevolen, waarbij alles verdelgd moest worden; Saül wint, maar veel buit wordt bewaard en koning Agag niet gedood (ongehoorzaamheid!); Saül houdt triomftochten (trotschheid!), draagt offers op (heiligschennis!), liegt tegen Samuel (leugen !); — Samuel verkondigt hem, dat God hem verworpen heeft.

II. Saül na zijne verwerping (1064—1055).

1. Davids verheffing.

Samuel zalft te Bethlehem in Juda, den jongsten der 8 zonen van Isaï, David, te midden zijner broeders.

David, aan het hof ontboden, om voor Saül, die door een kwaden geest gekweld wordt, op de harp te spelen, keert als vorstelijk wapendrager terug.

David, zijne drie broeders in het leger bezoekende, neemt den tweestrijd met Goliath aan en doodt hem ; hij blijft nu aan het hof, gevierd bij allen, boezemvriend van Jónathas.

2. Saüls optreden tegen David.

Saüls haat kwam voort uit achterdocht: D. kon wel zijn opvolger

zijn ;

uit jaloerschheid; D. werd meer door het volk gevierd.

Saüls eerste aanvallen op Davids leven: ■

hij werpt met een lans naar den harp spelenden David, maar mist; hij eischt van D. 100 Philistijnen, dan zou hij Michol, zijne dochter, tot vrouw krijgen: maar D. verslaat er 200, huwt

-ocr page 48-

35

Michol, en wordt koninklijk prins\',

hij beveelt zijnen dienaren D. te vermoorden, maar Jonathas waarschuwt zijn vriend;

hij werpt weder zijne lans, maar mist weder; D. vlucht, dooide hulp van Michol, naar Ramatha tot Samuel;

hij zendt driemaal soldaten, gaat eindelijk zelf naar Ramatha, maar allen gaan in de profetenschool aan het profeteeren (1).

Jonathas\' pogingen voor de verzoening:

J. en D. komen bijeen te Gabaii: J. zou Saüls gezindheid

onderzoeken en dan bericht brengen.

Feest van de nieuwe maan: D. niet aan het hofmaal.

J. bericht aan D. {„de pijl ligt nog verderquot;) Saüls vijandige gezindheid.

Davids vlucht

naar JVbèe, waar de tabernakel was en hij van den hooge-priester Achimelech door een leugen weet te krijgen de toon-brooden en het zwaard van Goliath;

Doëg, de opperherder van Saiil, bericht dit den koning, die door hem Achimelech en 85 priesters laat dooden, en geheel Nobe laat uitmoorden;

naar Geth, tot den Philistijnschen koning Achis, waar hij aan de vervolging des volks ontsnapt, door zich krankzinnig te houden;

naar de spelonk Odóllam, waar hij 400 man verzamelt;

naar de Moabieten, waar hij zijne ouders achterlaat;

naar het land van Juda, waar Abiathar, de zoon van Achimelech, aan den moord van Nobe ontkomen, zich bij hem aansluit en hoogepriester wordt.

1° veldtocht van Saül tegen David:

D. slaat de Philistijnen bij Ceil a;

S. achtervolgt hem te vergeefs; Jonathas vindt hem ;

D. naar het land van Ziph: de Ziphieten geleiden Saül daarheen;

een inval der Philistijnen doet Saül terugtrekken;

D. naar Engdddi; S. trekt hem na; D. snijdt in een spelonk

Saül een slip van den mantel.

Verzoening: D. zweert Saüls geslacht niet te zullen uitroeien. D. naar de woestijn Pharan.

David—Nabal—Abigail:

D. in het land van Juda, bij de stad Gar mei, beschermt de kudden van Nabal (afstammeling van Caleb); hij vraagt daarvoor eenige belooning, maar Nabal weigert;

D. zweert Nabals bezittingen te vernielen, maar Abigail, Nabals echtgenoote, spoedt hem tegemoet met geschenken en keert zijn schrikkelijk besluit; Nabal, van Abigail hoorend, welk gevaar hem gedreigd heeft, schrikt en sterft.

D. huwt Abigail.

,(\') Vgl. bl. 33, noot 1.

-ocr page 49-

36

2quot; veldtocht van Saül tegen David:

D. in de woestijn van Ziph.

De Ziphieten geleiden weder daarheen S. en Abner en 3000 man;

D. klimt \'s nachts met Abisaï de rotsen over en neemt uit Saüls tent diens lans en beker mede.

Verzoening.

3. Saüls laatste oorlog en dood.

Voor de veiligheid gaat D. weer naar de Philistijnen tot Ach is, den koning van Geth, die hem Slceleg tot verblijf aanwijst.

D. beoorloogt van daaruit de Amalekieten.

Oorlog van de Philistijnen tegen Israël:

Achis laat ook David medeoptrekken, maar de andere vorsten doen uit wantrouwen hem terugkeeren naar Siceleg; dit vindt hij door de Amalekieten leeggeplunderd en verbrand; hij echter zet hen achterna, doodt hen bijna allen, redt de ontvoerden en bemachtigt een grooten buit.

De Philistijnen in de vlakte van Jézrahel liggen tegenover de Joden op de bergen van Gélhoë.

S., in wanhoop, roept de duivelskunst te hulp door middel van de tooveres van Endor; de geest van Samuël voorspelt hem zijn naderend einde en de nederlaag van Israël.

Veldslag op de bergen: Jonathas met zijne twee broeders sneuvelt ; Saül, doodelijk gewond, doorsteekt zichzelven; alge-meene vlucht (1055).

De 4 lijken aan de muren van Bethsan opgehangen, maar door de inwoners van Jabes, uit dankbaarheid (1), weggenomen en begraven.

Een Amalekiet brengt aan David het bericht met kroon en armband, maar liegt door zich als Saüls moordenaar voor te stellen: waarvoor hij de doodstraf ondergaat.

D. weent en vast, en dicht een treurzang: het lied van den boor/.

TÜSSCHENVEEHAAL.

Geschiedenis van Ruth.

Bron: het boek Ruth.

EUmelech en Noëmi waren, misschien ten tijde van Gedeon, om reden van hongersnood, uit Bethlehem naar de Moabieten verhuisd. Daar huwden hunne twee zonen met Orpha en RutJi; doch de drie mannen stierven, en Noëmi keerde terug naar Bethlehem, van Ruth vergezeld.

(\') Vgl. bl. 34

-ocr page 50-

37

Ruth gaat, tot onderhoud harer schoonmoeder, aren lezen op het veld van Booz, die na verloop van eenigen tijd, als bloedverwant van Elitnelech, Ruth tot echtgenoote neemt.

Jacob — Juda X Thamar — Phares .... Rahab .... Booz X Ruth — Obed — Isaï — David.

IIP AFDEELING.

Bloei van het Israëlieiische volk.

(David en Salomon).

1055-975.

Bronnen : het 2quot; en 3e boek der Koningen en het 1quot; en 2quot; boek der Paralipomenon.

§ L De regeering van koning David. (1055—1014)

Stamboom;

Isaï (= Jesse).

I i

1 Elïab.......................8 David.

Sarvia.

Abigail

i-r-1

Abisaï. Joab. Asaël. Araasa.

Abigail-Maacha-

Aggith-Bethsabee-

-X-

-X-

Amnon.

-X-

-X-

Absalom.

Thamar.

-X-

I

Adonias.

-X-

Salomon.

Nathan.

David, koning van Juda alléén (1055—1048).

David, 30 jaar oud, door de hoofden van Juda tot koning gekozen en gezalfd, zetelt te Hebron.

Isböseth, Saüls zoon, door Abner, Saüls neef en veldheer, tot koning uitgeroepen, en door de andere stammen aangenomen, zetelt te Mahdnatm in het over-Jordaansche.

Davids leger onder Joab slaat na een spiegelgevecht dat van

Abner: Asaël door Abner gedood.

Abner onderwerpt zich eindelijk aan David, maar wordt tot diens

Michol-Achinoam-

-ocr page 51-

38

spijt door den jaloersclien Joab vermoord, evenals Isboseth door twee sluipmoordenaars.

II. David, koning van geheel Israël. (1048—1014).

David, door alle stammen erkend, voor de 3P maal gezalfd.

Joab vermeestert den burcht Sion in Jerusalem en David vestigt daar zijn koningszetel.

1. Davids zorg voor ark en tempel.

Hij bouwt op den berg Sion een tent voor de ark des Verbonds.

Uit het huis van Ahinadah in Caridtkiarim (— Gdbaa) (1) wordt op een ossenwagen, door Oza en Ahio geleid, de ark plechtig overgevoerd, doch, na Oza\'s doodstraf\', geborgen in het huis van Obédedom ; eindelijk, door levieten gedragen en door David lofzingend en huppelend voorafgegaan, gebracht naar Sion ; (bespotting van Michol, die tot straf kinderloos blijft).

Abiathar, hoogepriester te Jerusalem bij de ark ; Sadoc te Gdbaön bij den tabernakel. (8)

D. wil een tempel bouwen : God bericht hem door den profeet Nathan, dat niet hij, de oorlogsman, dat doen zal, maar zijn zoon, de vreedzame : „ Hij zal Mij een huis bouwen, en Ik zal zijn troon bestendigen tot in eeuwigheid. . .. En Ik zal hein bevestigen in mijn huis en in mijn koninkrijk tot in eeuwigheid; en zijn troon zal zeer vast staan voor cdtoos.quot; (3)

2. Davids oorlogen.

Veldheeren ; Joab, Abtsaï en Bandias, de bevelhebber der lijfwacht.

Heldenorde : van 37 dapperen in 3 klassen verdeeld : in de eerste Jésbadm, Eledzar en Seinrna (die den koning, tijdens het beleg van Bethlehem, dat in handen der Philistijnen was, een dronk water gehaald hadden uit een bron bij die stad).

De Philistijnen en Moabieten worden cijnsplichtig gemaakt;

Adarézer, koning van Soba, verslagen ;

de Syriërs van Damascus ten onder gebracht;

de Edomieten dienstbaar gemaakt;

de Ammonieten, wier koning de gezanten van David had beleedigd, met de Syriërs van Adarézer bij Babba op de vlucht gedreven ;

Adarezer\'s leger, aangevoerd door Sobach, verslagen ;

de hoofdstad der Ammonieten Babba door Joab vermeesterd, door David ingenomen.

Het rijk werd aldus uitgebreid van de Roode Zee tot den Euphraat.

3. Davids val.

D. verleidt te Jerusalem, tijdens het beleg van Rabba, Unas\' echtgenoote Béthsabee tot overspel, en doet met behulp van Joab Urias in den krijg sneuvelen.

(\'! Vgl. bl. 32, noot 2.

(2) De tabernakel was sinds den intocht in Chanaan geweest te Galgala, Silo, Nobe en Odbaon.

(8) I. Par. XVII, 12, 14. Negende belofte van den Verlosser.

-ocr page 52-

39

Bethsabee wordt Davids eclitgenoote, en moeder van een zoon.

De profeet Nathan brengt David zijne misdrijven onder het oog (gelijkenis van den rijke, die het schaapje der armen steelt: „Gij zijt die man\'quot;,) en kondigt hem Gods straffen aan.

David erkent zijn schuld, toont oprecht berouw en krijgt vergiffenis, maar de tijdelijke straffen blijven ; rampen over het koninklijk huis.

Het kind van Bethsabee sterft, maar ten bewijze der vergiffenis schenkt God haar een anderen zoon: Salomon,i1) ook Jedidejah geheeten (2).

4. David en AbsSlom.

Amnon onteert Thamar. Absalom\'s zuster.

Absalom doodt Amnon op een feestmaal, en vlucht daarom voor David.

Joab verwerft hem eerst, met behulp van de vrouw uit Thécua, verlof om terug te keeren, later volkomen verzoening en vrijheid.

Absalom wil heerschen, wint de gunst des volks, en laat zich eindelijk, vooral geholpen door Achitophel, weleer Davids raadsman, te JZeirow tot koning uitroepen : opstand door het gansche land.

David vlucht uit Jerusalem, de Cedron en den Olijfberg over, naar het over-Jordaansche. — Hem vergezelt ook Ethaïmet 600 soldaten uit Geth ; hem willen ook vergezellen Sadoc en Abiathar met de ark ; doch D. doet hen terugkeeren, evenals Chüsut, zijn raadsheer, om Achitophel\'s plannen te verijdelen.— Onderweg ontmoeten hem Siba, de knecht van Miphihoseth (den kreupelen zoon van Jonathas, aan Davids hof opgenomen), die zijn meester van verraad beschuldigt, en Sémeï, een bloedverwant van Saül, die David vervloekt en met steenen werpt.

Absalom volgt niet Achitophel\'s raad, maar dien van Chusaï; van spijt hangt de eerste zich op (= Judas).

Jónathas en AcMmaas, de zonen der hoogepriesters brengen aan David Ghusaï\'s berichten.

Oorlog: Davids leger onder Joab, Abisaï en Ethaï verslaat Absalom\'s leger onder Amdsa: Absalom tegen Davids verbod door Joab gedood.

Terugkeer van David : hem komen tegemoet Semeï, die vergiffenis vraagt en krijgt, en Miphihoseth, die zich vrijpleit van Siba\'s val-sche beschuldiging. — Te Galgala twist tusschen Juda (voortaan één met Benjamin) en de tien andere stammen over de vraag, wien het toekomt David terug te voeren naar Jerusalem; Seba gebruikt dien twist, om een opstand der 10 stammen te verwekken.

5. Opstand van Seba.

Amasa wordt eerst met de onderdrukking belast, daarna Abisaï en Joab.

(\') d. i. de vreedzame. (2) d. i. lieveling des Heeren.

-ocr page 53-

40

By de ontmoeting vermoordt Joab uit afgunst Amasa.

Bij \'t beleg van Abéla wordt met Seba\'s onthoofding de rust hersteld.

6. VoLKSTEI.LING.

D. geeft, uit hoogmoed en om den krijgsdienst te verzwaren, aan

Joab bevel het volk te tellen.

De profeet Gad laat namens God hem eene straf kiezen: hongersnood van 3 jaren, of oorlog van 3 maanden, of pest van o dagen. Hij kiest het laatste.

Tot uitboeting moet D. koopen den dorschvloer van Oman (op

den Mórid) en daar offeren.

Uitslag: ruim l\'/a millioen strijdbare mannen.

7. David en de regeling van den eeeedienst.

De priesters verdeeld in 24 familiën, die elkander wekelijks aflossen. De 38000 levieten verdeeld: 24000 in 25 klassen voor den heiligen dienst, 6000 rechters en ambtenaren, 4000 poortwachters, 4000 leden van het heilige muziekkoor.

Van David zijn de meeste der 150 Psalmen, die naar hun inhoud verdeeld worden als volgt:

a) historische leerdichten,

b) zedelijke onderwijzingen,

c) lofgezangen,

d) treurzangen (o. a. de 7 boetpsalmen, Ps. 6, 31, 37, 50,

101, 129, 142),

e) Messiaansche psalmen (Ps. 2, 21, 44, 71, 109).

Voor den tempelbouw verzamelt hij schatten, teekeningen, werklieden, kunstenaars, en geeft hij lessen aan Salonion.

8. Verheffing van Salomon.

Adonias maakt met Joab en Abiathar voorbereidselen, om zich

de opvolging als koning te verzekeren.

De profeet Nathan en Bethsabee verijdelen hun plannen: op Davids bevel wordt Salomon bij den vijver Gihon gezalfd en daarop door het volk als koning gehuldigd.

Adonias onderwerpt zich.

D. geeft wijze lessen aan Salomon en aan de rijksgrooten, en

waarschuwt Salomon voor Joab en Semeï.

Groot kroningsfeest van Salomon.

David sterft, 70 jaar oud, en wordt begraven op Sion (1014) (\').

(l) Dertiende voorafbeelding van Christus.

David:

koning en profeet;

verwinnaar van Goliath;

verraden door Achitophel;

vervolgd door zijn zoon Absalom;

vlnchtende over de beek Cedron en den

Olijfberg;

bespot en gehoond;

onderworpen aan Gods wil;

in eer hersteld.

Christus:

Koning en Profeet;

Verwinnaar van Satan;

verraden door Judas ;

vervolgd door het Joodsche volk; uittrekkend over Cedron naar den Olijf berg;

bespot en gehoond:

onderworpen aan den wil des Vaders:

in heerlijkheid verrezen.


-ocr page 54-

41

§ II. De negeering van koning Salomon.

(1014—975)

1. Salomons wijsheid (1°).

Te Gdbaon bi} den tabernakel viert S. een groot feest, om zich en zijn volk aan God toe te wijden : daar, in een droomgezicht, vraagt hij aan God de wijsheid, en wordt hem deze door God beloofd, alsook rijkdom en glorie, en, zoo hij trouw blijft, een lang leven.

Hij ontdekt een nieuwe samenzwering van Adonicis, Joab en Abiathar, en straft de twee eersten met den dood, den hooge-priester met afzetting.

Ook Seme\'i, die buiten Jerusalem durfde gaan, wordt gedood.

Hij beslecht den twist der twee vrouwen.

2. De tempel.

Hiram, koning van Phenicië, zendt hem cederhout, ook den bouwmeester Hiram. De berg Mória wordt vergroot. Zeven jaar duurt den bouw ; geen slag wordt daar gehoord. Zie verder blz. 42 en 43.

Inwijding ; plechtige optocht; nederdaling van de duistere wolk ; gebed van Salomon ; offervuur uit den hemel ontstoken; groote feesten.

Verschijning van God aan Salomon; belofte, bedreiging.

3. Stoffelijke welvaart.

Bouw der paleizen, van een stadsmuur, van den Davidsburcht, van vele steden.

Algemeene vrede en welvaart; bloei van koophandel en scheepvaart.

Ontzaglijk groote en rijke hofhouding.

4. Salomons wijsheid (2°).

Uitgebreide kennis o. a. van de natuurlijke historie.

Talrijke schriften; in den bijbel: het hoek der Spreuken, de Prediker en het Hooglied.

Bezoekquot; van de koningin van Saba.

5. Salomons val.

Rijkdom, weelde, wellust, tallooze heidensche vrouwen, afgoderij toegelaten, afgoderij gepleegd.

God kondigt hem zijne straf aan : de verscheuring van \'t rijk.

6. Begin van de stkaf.

Opstand van Adad; en van Eason; ook van Jeroboam, die, naar Egypte vluchtende, van den profeet Alüas zijn toekomstig koningschap over de tien stammen verneemt.

S. sterft, 58 jaar oud.

-ocr page 55-

42

c

aJ

O

•gt;

CL

O

E

z

O

O h-

cc

_co

CS

O

Hquot; H-lt;C

E

-J

CO

O.

co

co

c

O)

cn

O

, r

gt;

O

c

E

O $

CC

O

3

O

-Q

O)

-ocr page 56-
-ocr page 57-

44

DEEDE TIJDVAK.

Geschiedenis van het verval des Jpodschen volks.

(Van 975 tot Christus1 komst op aarde)

Het Israëlietische volk daalt van zijne grootheid neder, wordt in ballingschap weggevoerd, keert weder, herneemt nog eens zijne onafhankelijkheid, om daarna onherstelbaar te vallen. Dan is de tijd nabij, waarop de Messias komen moet.

P AFDEELING.

Geschiedenis der rijken van Juda en Israël.

975—588.

Bronnen: het 3quot; en 4quot; Boek der Koningen en het 2° Boek der

Par alip o m enon.

Rijk van Juda.

Róboam (zoon van Salomon), gehuldigd door Juda (en Benjamin),

op de vergadering te Sichem, tengevolge zijner onbezonnen bedreigingen door de 10 andere stammen verworpen.

Afgoderij van Mdcicha, Roboam\'s echtgenoote, in bosschen, op heuvelen daartoe aangelegd.

Straf; Sesac, koning van Egypte, belegert Jerusalem; het volk, aangespoord door den profeet Seméïa, doetboete; Sesac trekt af met ontzaglijken buit.

975

li ijk van Israël. 1. Jekóboam.

te Sichem door de 10 stammen gekozen, vestigt zijn zetel te Thersa.

Hij stelt den eeredienst in dei-twee gouden kalveren te Bethel en te / \'an, waardoor de levieten en vele brave Israëlieten uitwijken naar Juda.

Ondanks het drievoudig wonder van den profeet uit Juda bij het altaar te Bethel,

en

ondanks de voorspelling van Al das betreffende den dood van \'s konings kind,

blijft J. in zijne boosheid volharden.


-ocr page 58-

45

Rijk van Juda.

Abia, (zoon van Roboam).

Oorlog tegen Israël gewennen.

Asa (zoon van Abia),

godvruchtig.

Uitroeiing der afgoderij.

Oorlog tegen Zara, koning van Ethiopië, gewonnen.

Oorlog tegen Israël, door omkoo-ping van Bénadad /, koning van Syrië, gunstig beëindigd ; dientengevolge berisping van den profeet Handni.

930

929 929

918 914

A. sterft aan eene voetziekte. Jósaphat (zoon van Asa),

braaf en ijverig,

doet veel voor het godsdienstig onderwijs en voor de rechtspleging.

958

955 954

953

Rijk van Israël.

Straf: oorlog tegen Juda verloren.

Nadab (zoon van Jeroboam),

vermoord door II. Baasa,

die het geslacht van Jeroboam uitroeit.

Vruchtelooze aanval op Juda.

Ela,

vermoord door

III. Zambri.

IV. Amri.

Burgeroorlog tegen Thehni. Hij bouwt eene nieuwe hoofdstad, Samaria.

Achab (zoon van Amri)

voert met zijne vrouw Jézabel den afgodendienst van Baal in. Elias kondigt, als straf van God, eene langdurige droogte aan, Jezabel doet de profetenscholen

uitmoorden.

Elias bij den Jordaan door raven

gespijsd.

E., bij de weduwe van Sarépta, maakt haar voorraad meel en olie onuitputtelijk, en wekt haar zoon uit de dooden op. E., op den berg Car mei, bewijst door vuur uit den hemel Baals nietigheid. Jehova\'s almacht; de afgodspriesters worden gedood ; er valt weer regen. E. in de woestijn vluchtend voor Jezabel, gaat door een engel gespijsd (\') naar Hor eb, waar


Brood van Elias,

gebracht uit den hemel,

voor de reis door de woestijn,

om den berg Gods te kunnen bereiken.

H. Sacrament,

Brood nit den hemel,

voor onze reis door dit leven, om den hemel te knnnen bereiken.

C1) Vijfde voorafbeelding van het H. Sacrament des altaars


-ocr page 59-

46

Eijk van Judo.

Josaphat doet zijn zoon Joram trouwen met Athdlia, dochter van Achab.

J. strijdt, niettegenstaande de waarschuwing van Michaéas, met Achab tegen Syrië ; berisping van den prof. Jehu.

J. overwint met Gods hulp de Moabieten, Ammonieten en Edomieten.

897

Bijk van Israël.

God hem beveelt, Hdzaël te zalven tot koning van Syrië, Jehu tot koning van Israël, Eliséus tot profeet.

Achab, vertrouwende op den waren God, wint tweemaal een oorlog tegen Bénadad II van Syrië.

Achab en Jezabel doen Naboth te Jézrahel ter dood brengen, om diens wijngaard te rooven; Elias voorspelt hun beider gruwelijken dood.

Oorlog tegen Syrië: Achab door eenen pijl gedood; de honden lekken zijn bloed.

Ochozias (zoon van Achab) wil Elias doen gevangennemen, maar deze doet tweemaal een hopman met 50 soldaten door vuur uit den hemel verteren, gaat met den derden mede en voorspelt \'s konings dood.


TUSSCHENVERHAAL.

Geschiedenis van Elias en Eliseüs.

Elias. Vgl. Gesch. van Achab, Ochozias van Israël en van Joram v. Juda. E. neemt Eliseüs tot leerling aan, bezoekt met hem de profetenscholen, verdeelt de wateren van den Jordaan, stijgt op een vurigen wagen ten hemel (\'), aan Eliseüs zijn mantel en, volgens diens verzoek (2), zijn wonderkracht achterlatende.

Eliséüs. Vgl. Gesch. van Josaphat v. Juda, Joram en Joas v. Israël. Hij verdeelt de wateren van den Jordaan; — maakt water gezond; —

(\') om vóór het Jaatste oordeel met Henoch (zie bl. 0) onder de mensohen op aarde terug te keeren.

(a) Eliseüs had aan Elias gevraagd, dat zijn geest dubbel in hem zou zijn, d. w. z, dat hij een dubbel erfdeel, \'t deel van een eerstgeborene, dus een groot aandeel mocht ontvangen van diens profetische macht.

-ocr page 60-

47

doet de spottende knapen door beren verscheuren; — vermeerdert de olie eener weduwe; • - belooft aan zijne gastvrouw te Sunam een zoon. en wekt dezen later weder ten leven op; — maakt het vergiftigde moes der profetenleerlingen onschadelijk: — vermeerdert de 20 gerstebrooden ; — doet het ijzer eener bijl bovendrijven ; — geneest Naaman, den Syrischen opperbevelhebber, van de melaatschheid door eene zevenvoudige wassching in den Jordaan; — straft zijn knecht Giëzi, den hebzuchtigen bedrieger, met de melaatschheid.

Een doode, uit vrees voor Moabietische roovers in Eliseüs\' graf geworpen, wordt weder levend.

Rijk van Juda.

Josaphat wint, met Joram van Israël, op wonderbare wijze den oorlog tegen de Moabie-ten : Eliseüs deed hun grachten graven in de woestijn.

Bijk van Israël.

898;Joram (zoon van Achab).

Voortdurende mislukking van

den oogst.

Oorlog met Juda tegen Moab.


Joram (zoon van Josaphat)

vereert met zijne vrouw Athalia

openlijk de afgoden. Een brief van Elias voorspelt

hem de zwaai-ste rampen: Phi lis tij nen en Arabieren plunderen het land, vermoorden al zijne vrouwen en kinderen, behalve Athalia en haar jong-sten zoon.

Zelf sterft hij aan eene afschuwelijke ziekte.

OcH0ziAs(zoon v. Joram en Athalia). Oorlog met Israël tegen Syrië.

889

885

Vijandelijke invallen van Syriërs, telkens door Eliseüs\' voorspellingen mislukt.

Eliseüs, in Dofhan door Syrische soldaten omsingeld, voert hen als verblinden tot in Samaria, en zendt hen dan heen.

van Samaria door de Syriërs : hongersnood; voorspelling van Eliseüs; in den nacht schrik en vlucht der Syriërs ; in den ochtend vinden vier melaatschen de legerplaats verlaten; overvloed en goedkoopheid dei-levensmiddelen.

Aan Hctzaël, gezant van den Syrischen koning Bénadadll, voorspelt Eliseüs diens aanstaanden opstand en troonsopvolging.

Oorlog met Juda tegen Hazaël van Syrië.

Jehu, Joram\'s krijgsoverste, door een leerling van Eliseüs

Beleg


-ocr page 61-

48

Rijk va n Ju da.

Gedood door Jehu.

Athcilia (moeder van Ochozias) wil uit haat tegen God Davids geslacht geheel uitroeien en doet daarom al de kinderen van Ochozias vermoorden; één slechts, Joas, wordt gered door Jósaba, de echtgenoote van den hoogepriester Jdiada. Openlijke vereering van Baal. Joas, 7 jaar oud, door Joïada in den tempel tot koning uitgeroepen ; Athalia gedood; Baals tempel verwoest.

Joas (zoon van Ochozias).

Joïada neemt in het begin de regeering waar, en herstelt ofléi\'dienst en tempel. Na diens dood vervalt Joas tot kwaad, doet den hoogepriester Zacharias steenigen tus-schen tempel en altaar, wordt schandelijk overwonnen door Hazaël van Syrië, en door hovelingen vermoord.

Amasias (zoon van Joas)

begint ook goed: zonder hulpleger, op God vertrouwend, overwint hij de Edomieten; valt ook af: hij vereert de afgoden van die Edomieten.

884

878

857

839

Straf: oorlog tegen Israël schandelijk verloren, Jenlt;sa?em ingenomen en beroofd.

825

810

A. door samenzweerders vermoord. Regeeringloosheid en grootste wanorde.

It ijk van Israël.

tot koning van Israël gezalfd, trekt naar Jézrahel, doodt daar Joram van Israël, Ochozias van Juda, en ook Jéza-hel, wier lijk door de honden verscheurd wordt.

V. Jehu

roeit wel den afgodendienst van Baal, niet den kalverendienst te Bethel en Dan uit, verdelgt geheel Achab\'s geslacht,

doodt ook, buiten het bevel van God om, vele anderen.

Hazaël met zijne Syriërs verovert het over-Jordaansche.

Jóachaz (zoon van Jehu).

Ongelukkige oorlogen tegen Hazaël

en

tegen Bénadad III van Syrië.

Joas (zoon van Joachaz),

een der beste koningen v. Israël. De stervende Eliseüs voorspelt hem (door pijlen) drie overwinningen op de Syriërs. Oorlog tegen Bénadad III gewonnen.

Oorlog tegen Juda gewonnen, \'t Rijk komt tot een toppunt van bloei.

Jeroboam II (zoon van Joas) Hoogste trap van welvaart. Gelukkige oorlogen, uitbreiding van het rijk; weelde; ondeugd.


-ocr page 62-

49

TUSSCHENVERHAAL.

Geschiedenis van Jonas.

God beveelt aan den profeet Jonas boetvaardigheid te gaan prediken, in Ninive, de hoofdstad van Assyrië.

Jonas wil niet, uit vrees dat de Ninivieten zich zouden bekeereu (en dan Israël verdelgen).

Hij scheept zich te Joppe in naar Tharsis (= Spanje ?).

Een hevige storm breekt los. Jonas wordt door het lot als de schuldige aangewezen, erkent zijne schuld en laat zich in zee werpen.

Een zeemonster slokt hem op en spuwt hem den 3en dag ongedeerd op het strand uit(1).

Jonas predikt te Ninive, koning en volk doen boete. Ninive vergaat niet op den 40en dag.

J., daarover bedroefd, wordt door God berispt, die daartoe boven hem een wonderboom doet groeien en vergaan.

Jiijk van Juda.

Ozias of Azaeias (zoon van Ama-sias)

een der beste koningen van Juda. Gelukkige oorlogen ; bloei van het rgk; versterking der hoofdstad.

O. wil met een rookvat het heilige van den tempel binnengaan, wordt door Azarias, den hoogepriester tegengehouden en door God met melaatsch-

f1) Veertiende voorafbeelding van Christus.

Jonas,

gedurende drie dagen en drie nachten in

het ingewand van \'t zeedier,

daarna weer levend uitgespuwd.

Rijk van Israël.

Optreden van den profeet Vreeselijke rampen brengen het volk niet tot inkeer.

Regeeringloosheid en grenzenlooze verwarring. Optreden van den profeet Osee. Zachaeias (zoon van Jeroboam

II),

vermoord door

VI. Sellum,

die weer vermoord wordt door

VII. MANaHEM.

Eerste vijandelijk optreden der Assyriërs onder Phwl. Phacéïa (zoon van Manahem), vermoord door

VIII. Phacee,

bekwaam vorst, maar slecht mensch.

Christus,

even lang (d. i. 2 daggedeelten en 1 geheelen

dag) in het graf,

daarna weder levend daaruit verrezen.

798

784

773

773 772

761

759


4

-ocr page 63-

50

Rijk van Juda.

heid gestraft. Zijn zoon Joathara regeert tijdelijk in zijn plaats.

Jóatham (zoon van Ozias),

een der braafste koningen van Juda.

Voorspoedige regeering. J. bouwt eene nieuwe tempelpoort, „de Allerhoogstequot;, \'t Zedenbederf des volks neemt toe.

Optreden van den profeet Isaïas.

Achaz (zoon van Joatham), de goddelooste der koningen, aanbidt Baal, vereert Moloch

met kinderoffers.

Straf: Juda geteisterd door Rasin van Syrië en Phacee van Israël, door Edomieten en Phi-listijnen. Jerusalem belegerd. Isaïas voorspelt den koning, dat Davids geslacht niet zal worden uitgeroeid: „ De Heer zelf „zal ulieden een teeken geven: „Zie, de Maagd zal ontvangen „en eenen Zoon haren, en zijn „naam zal genoemd ivorden „EmmanueV (d. i. God met ons) (\').

Achaz vertrouwt daar niet op, maar vraagt hulp aan Assyrië, en wordt bevrijd.

A. plundert de schatten des tempels, sluit hem en schaft den eeredienst van Jehova af. Overal afgoderij.

Ezechias (zoon van Achaz),

een schitterend voorbeeld van deugd.

Rijk van Israël.

758

742

Phacee voert met Basin van Syrië een gelukkigen oorlog tegen Juda;

maar wordt aangevallen door Th eglathph aid sar, k. v. Assyrië, die geheel Syrië, en van Israël Néphthali en \'t over-Jordaansche overweldigt en de bevolking in ballingschap meevoert. (1quot; wegvoering van Israël, 739).

Ph. vermoord door Osee.

739 Regeeringloosheid.

730 IX. Osee.

De ondeugd neemt toe.

727

erlosser.


-ocr page 64-

51

Rijk van Jucla.

Hij doet den tempel openen,

zuiveren en herstellen. Grootsch paaschfeest.

\'t Land van afgoderij gezuiverd; ook de koperen slang van Moses vernield.

Rijk van Israël.

Salmamsar, k. v. Assyriê maakt

Israël schatplichtig.

O. zoekt hulp bij Egypte. Salmanasar doet heel Israël en Samaria verdelgen en voert de bevolking weg naar Medië. Einde van het rijk Israël.^)

721

Rijk van Juda.

Sennacherib, k. v. Assyrië, valt in Juda: \'t beleg van Jerusalem

wordt door Ezechias afgekocht.

Ziekte van Ezechias: Isaias geneest hem, belooft hem nog 15jaren levens, doet de zon terugloopen op den zonnewijzer, en verkondigt de redding uit de handen van Assyrië.

Rdbsaces, veldheer van Sennacherib, belegert toch Jerusalem en hoont Jehova. Een gerucht meldt de nadering van Thardca, k. d. Ethio-piërs. De engel der verdelging doodt 185.000 man in Sennacüe-rib\'s legerplaats. Jerusalem is gered.

Uit ijdelheid toont S. aan gezanten van den Babylonischen vorst Beródach-Bdladan zijne schatkamers ; straf: de aankondiging door Isaias van de Babylonische gevangenschap.

Man^sses (zoon van Ezechias), 698

monster van boosheid ; allerwegen afgoderij: Bacil, Moloch en in den tempel Astarthe.

De profeten en vele anderen gedood {Isaias middendoor gezaagd?). Straf: M. gevangengenomen door een Assyrischen koning en naar

Babylon gevoerd.

Daar bekeert hij zich in den kerker, en herkrijgt de vrijheid. Afschaffing aller gruwelen; herstel van den waren godsdienst: voorspoed.

Amon (zoon van Manasses), 643

slecht, onboetvaardig, vermoord.

Josias (zoon van Amon), 641

de deugdzaamste aller koningen van Juda.

Uitroeiing der afgoderij, ook in Israël; wegruiming der offerhoogten ;

verbranding van \'t altaar enz. te Bethel.

Herstel des tempels.

(gt;) Asarhdddon, koning v. Assyrië, voert later naar quot;t land van Israël nieuwe bewoners, afgodendienaars, die langzamerhand ook Jehova gaan vereeren, en ten laatste aanbidders gullen worden van den waren God; de Samaritanen ten tijde van Zorobdbel.

-ocr page 65-

52

Rijk van Juda.

De lioogepriester Heidas vindt liet Wetboek van Moses terug.

De profetes Holda voorspelt de vervulling van Moses\' bedreigingen, maar niet onder Josias.

Algemeene voorlezing der Wet, plechtig Paascbfeest.

Optreden van den profeet Jeremias tegen het zondige volk.

Josias sneuvelt in een strijd tegen Néchao, k. v. Egypte.

3 zonen : EUacim, Jóachaz, Mathanias.

Jóachaz (zoon van Josias). 610

Néchao neemt Jerusalem in, voert Jóachaz mee, maakt EUacim vorst.

Joakim (= Eliacim, zoon van Josias), 610

een slecht vorst.

Jeremias, die dreigende voorspellingen doet, wordt door \'t volk vervolgd, door de rechtbank der vorsten van Juda vrijgesproken.

Nabuchodónosor, k. d. Chaldeën, overwint de Egyptenaren, verovert Jerusalem, legt Joakim schatting op en voert als gijzelaars naar Babylon mede: Daniël, Ananias, Misaël en Azarias en andere jongelingen (606 : begin der 70 jaren der Babylonische gevangenschap).

Jeremias stelt de Eechahieten (herders, afstammende van Hohah, zoon van Jetbro, genoemd naar Bechab, een hunner vroegere opperhoofden) om hunne plichtsbetrachting den Joden ten voorbeeld.

Hij doet door Baruch zijne bedreigingen opschrijven en voorlezen; aan \'s konings toorn ontsnappen de beide profeten door de vlucht.

Drie jaar na de oplegging, weigert Joakim de schatting te betalen; tot straf wordt Juda geplunderd.

Joakim sterft.

Jechoni\'as of Joachin (zoon van Joakim). 599

Nabuchodónosor belegert Jerusalem; Jechonias smeekt om lijfsbehoud : N. neemt Jer., plundert den tempel, voert koning en 3000 rijken (o. a. Ezéchiël) naar Babylon, en maakt Mathanias vorst.

Sedecias (= Mathanias, zoon van Josias). 598

Samenzwering met meerdere vorsten tegen Babyion.

Opstand ; — beleg van Jerusalem ; — Jeremias\' voorspellingen bespot, hij zelf veroordeeld, door de voornamen in een modderput geworpen, door een zwarten kamerling des konings gered; — hongersnood ; — inneming ; — \'s konings kinderen gedood ; hemzelven de oogen uitgestoken.

Jerusalem geplunderd, en door den veldheer Nabuzdrdan verbrand en vernield.

Ark des verbonds door Jeremias verborgen, het heilig vuur door eenige priesters in een put.

Koning en volk naar Babyion gevoerd.

Einde van het Kijk van Juda. 588

-ocr page 66-

53

Geschiedenis van Juda tot den terugkeer (588—536).

Godolias, uit het geslacht van Juda, landvoogd,

gevestigd te Maspha.

Jeremias mag in Juda blijven.

Bevolking neemt zeer toe.

Samenzwering van Ismahel: Godolias en vele anderen vermoord. Uit vrees voor wraak vluchten velen onder Jólianan naar Egypte,

Jeremias en Baruch met zich medevoerend.

Juda bijna geheel ontvolkt.

TUSSCHENVERHAAL.

Geschiedenis van Tobias.

(ongev. 730— 630)

Bron; het boek Tobias.

Tobias, wonende (te Tisbe) in Néphthali, dient den waren God volgens Moses\' wet.

Met zijne vrouw Anna en zijn zoon Tob/as wordt ook hij door Salmanrisar weggevoerd naar Assyrië (721), en wel naar Ntnive.

Onder Sahnandsar hoog in aanzien gekomen, wordt hij onder Sennacherib vervolgd en om zijne liefdewerken, o. a. het begraven van arme dooden, ter dood veroordeeld, maar vlucht.

(Onder Asarhdddon) teruggekeerd, blijft hij in stilte de dooden begraven ; wordt blind en arm, mort niet tegen God, verdraagt de verwijten van zyne vrienden en van Anna, en bidt.

Hij zendt zijn zoon naar Gabélus, zijn bloedverwant te Rages in Medië, om vroeger geleende 10 talenten terug te halen; als reisgezel wordt gevonden „ A zarias, zoon van den grooten Ananias* (= Raphael).

Reis: T. vangt in den Tiger een visch; — hij huwt te Rages (=: Ecbdtana) zijne nicht Sara, dochter van Rdguël en Anna ; de duivel Asmodaeus, die Sara kwelde en haar reeds zeven bruidegoms doodde, wordt onder \'t branden van de lever en \'t hart van den visch door Raphaël uitgedreven naar Opper-Egypte ; — bruiloft; — Raphael haalt het geld bij Gabélus; — afscheid; terugkeer.

Aankomst te Ninive; genezing van den GOjarigen blinde door de gal van den visch; bruiloft; Raphaël maakt zich bekend.

Voorspelling van den ouden Tobias over de toekomstige glorie van het nieuwe Jerusalem (= de kerk van Christus).

De oude Tobias sterft, 102 jaar oud.

Na den dood van Anna, trekt de jonge Tobias weer naar Ecbatana, en sterft daar, 99 jaar oud.

-ocr page 67-

54

TUSSCHEN VERHAAL.

Geschiedenis van Judith.

(waarsch. in 636)

Bron : het boek Judith.

Arphaxad (= Phraörtes), k. v. Medië, wordt verslagen door Nabucho-

donosor (?), k. v. Assyrië.

Nabuchodonosor zendt zijn veldheer Hol of ernes, om de wereld te veroveren ; vele volken onderwerpen zich ; de Joden, aangespoord door den hoogepriester EUachim (waarsch. = Helaas: koning Jostas nog te jong) besluiten wederstand te bieden, om Jerusalem en den tempel te redden.

Holofernes, gelegerd dicht bi] Bethnlia (in Issachar) doet Achïor, k. d. Ammonieten, die hem waarschuwt tegen de macht der Joden in de dagen, dat zij hun God trouw zijn, uitleveren.

Beleg van Bethulia, waar Oz/as bevelhebber is : gebrek aan water. Judith, eene rijke weduwe, berispt Ozias, doet boete en bidt; en gaat dan met eene dienstmaagd naar de Assyriërs, tot Holofernes. Zij wint zijne vriendschap, krijgt Vdgao tot verzorger, gebruikt hare eigen spijzen, gaat zich eiken nacht wasschen buiten de legerplaats. Den 4en nacht, na een feestmaal, onthooft zij den slapenden Holofernes in zijn tent, en keert met het hoofd naar Bethulia terug. Groote vreugde ; bekeering van Achior; aanval op \'t ontsteld Assy-

rische leger, en vervolging tot de grenzen.

Judith gelukgewenscht door EUachim. Offers te Jerusalem.

IF AFDEELING.

Gevangenschap en terugkeer der Joden.

(Van Sedecias tot Nehemi\'as.)

588—430.

Bronnen : de boeken Daniël, I en II Esdras en Esther.

VOORBERICHT.

Overzicht der oostensche rijken en koningen.

759—330.

I. Tweede Assyrische rijk (met hoofdstad Ninire). 759—608.

Phut, (vgl. Manahem v. Israel)

Theglafphalasar, (vgl. Achaz v. Juda en Fhacee van Israël)

Salmanasar, (vgl. Osee v. Israël en Tobias)

Sargon,

-ocr page 68-

55

Sennacherib, (vgl. Ezechias v. Juda en Tobias)

Asarhaddon. (vgl. Manasses v. Juda en Tobias)

Algemeene verwarring, strijd tegen de zich vrij makende Babyloniërs en Mediërs. Ninive ingenomen door Babyloniërs onder Nabojwlassar en Mediërs onder Cyaxa-res I.

II. Chaldeesch-Babylonische rjjk (met hoofdstad Babijloti). 608—537.

Begin van den opstand tegen Assyrië sinds de nederlaag van Sennacherib

voor Jerusalem. Verschillende geweldenaars o. a.

Beródach-Bdladan (vgl. Ezechias v. Juda) en Nabuvhodónosor (vgl. Judith).

Stichting van het rijk door Nahopoldssar.

Nahuchodónosor. (vgl. Joakim, Jechonias en Sedectas v. Juda; ook Daniël) Evilmeródach. (vgl. Daniël)

Baltdssar. (vgl. Daniël)

Babyion ingenomen door Cyrus van Perzië (537).

III. Medisch-Perzische rjjk (M. met hoofdstad Echutana, P. met Persépolis en Susan). 536—330.

Tijdens de regeering van Sennacherib scheidde zich Medic van Assyrië af onder Déjoces.

Phraortes. (== Arphaxad) (vgl. Judith)

Cydxares I,

Astyages,

Cydxares II.

Medië, evenals Babyion, aan Perzië onderworpen en daarmede vereenigd tot

het Medisch-Perzische rijk (536), door Cyrus, zoon van Cambyses, (afhankelijk vorst van Perzië,) en kleinzoon van

Astyages, (vgl. Daniël en § II, I)

Cambyses (= Assuérus), (vgl. § II, 1)

Pseudo-Smerdis (= Artaxerxes), (vgl. § II, I)

Darius Hystdspis, (vgl. § II, I)

Xerxes 1 (= Assuérus), (vgl. Esther)

Artaxerxes Langhand, (vgl. Estlras en Nehetnlas)

Darius Codomdnus, verslagen door Alexander den Groeten, k. v. Macedonië: einde van \'t Perzische Rijk (330).

§ I. Geschiedenis der Babylonische gevangenschap.

(588—536).

I. Algemeene toestand der ballingen.

Van de Joden van Israël, door Theglathphalasar in 739 en door Salmanasar in 721 weggevoerd naar Medië, een deel van Assyrië, weet men bijna niets. (Vgl. alléén Tobias).

De Joden van Juda, door Nabuchodonosor in 606, 599 en 588 meegevoerd, woonden deels in en bij Babylon, deels by de rivier Chohar.

Stoffelijke toestand dezer ballingen was gunstig : eigen bestuur en eigen rechters (vgl. Susanna); Jechonias door Evilmeródach zelfs tot vorst verheven.

Godsdienstige toestand ook tamelijk goed, dank zij de werkzaamheid van Banich (weleer geheimschrijver van Jeremfas) en Daniël in Babylon, en van Ezéchiël bij de rivier Chobar.

-ocr page 69-

56

11. Geschiedenis van Daniël (606—533).

1. Onder Nabuchodónosoe.

Daniël, Ananias, Mlmël en Azarias, Joodsclie gijzelaars (606 ; vgl. Joakim, k. v. Juda), nu Baltdssar, Sidrach, Misach en Abdénago genoemd, worden tot \'s konings edelknapen opgeleid door Asphënez en op hun verzoek door Mdlasar slechts met veldvruchten en water gevoed.

Susanna, echtgenoote van Joakim te Babyion, door twee Joodsche rechters aangevallen, daarna valschelijk van echtbreuk beschuldigd en door het volk veroordeeld, wordt door Daniël gered (mastikboom-steeneik); de booswichten in haar plaats gesteenigd.

Droom van Nabuchodonosor, door Daniël geopenbaard : een standbeeld van goud, zilver, koper, ijzer, ijzer en leem, door een steen van den berg verbrijzeld; — en uitgelegd : 4 elkander opvolgende (heidensche) wereldrijken, ten laatste verpletterd door een eeuwig rijk (de kerk van Christus).

Daniël wordt opperhoofd van alle wijzen en blijft aan \'t hof; Sidrach, Misach en Abdenago worden bestuurders der provincie Babyion.

Oprichting van \'t gouden beeld (waarsch. Bel); bevel tot aanbidding ; weigering van Sidrach, Misach en Abdenago, die in den vuuroven geworpen, door een engel bewaard blijven {„Benedi-citequot;). Nabuchodonosor kondigt Jehova als den waren God af.

Nabuchodonosor\'s droom van den boom, door Daniël uitgelegd, als slaande op den koning zeiven.

Vervulling dier voorspelling: hoogmoedswaanzin des vorsten, zijne vernedering en zijn herstel. Eer aan God!

2. Onder Evilmeródach.

Daniël bewijst den koning, hoe niet de afgod Bel, maar deszelfs priesters de geofferde spijzen eten.

Een draak, te Babyion vereerd, krijgt van Daniël klompen pek, vet en haar tot voedsel, en berst.

Oproer van het volk : Daniël 7 dagen in den leeuwenkuil; de profeet Hdbacuc, uit Judea door een engel opgenomen, brengt een schotel met moes; D. bevrijd, de oproerlingen verscheurd.

3. Onder Baltjissar.

Daniël, reeds hoogbejaard, in \'t verborgen levende.

Zijn visioen van de 4 monsters enz.

Zijn visioen van den ram en den bok enz.

Babglon, belegerd door Cyrus met zijn Perzen. Toch geeft Baltassar een schitterend feest en gebruikt daarbij schalen en bekers uit Jerusalem\'s tempel. Eene hand schrijft op den muur: mane, thecel, phares. Daniël, ontboden, geeft als uitlegging: geteld heeft God uw rijk en een einde daaraan gemaakt, gewogen zijt gij op de waag en te licht bevonden; verdeeld is uw koninkrijk en gegeven aan de Mediërs en Perzen (^. In

(\') Dan. V, 26-28.

-ocr page 70-

57

denzelfden nacht wordt Babyion ingenomen, Baltassar gedood.

4. Onder Daküis den Mediër (= Cyrus\' stadhouder van Babyion).

Daniël, de eerste der 3 rijksvorsten van Darius.

Uit afgunst lokken de rijksgrooten eene onherroepelijke wet uit (uitsluitende aanbidding des konings gedurende 30 dagen), en klagen Daniël aan.

Daniël in den leeuwenkuil, één nacht, ongedeerd ; de aanklagers verscheurd; eer aan God!

Verschijning van Gabriël, die aan Daniël de voorspelling doet, dat na 70 jaarweken de Christus komen zal (\').

5. Onder Cyeus.

Verschijning en voorspelling van Gabriël; visioen van Daniël betreffende Antiochus Epiphanes en het einde der wereld.

§ II. Geschiedenis den Joden, na de Babylonische Gevangenschap.

(536—430)

I. Geschiedenis van den eersten terugkeer, enz. (536—486).

Cyrus (536—-529) geeft bevelschrift, dat de Joden mogen terug-keeren naar Judéa, en dat zij, die niet meetrekken, de anderen moeten bijstaan. Ook geeft hij hun de tempelvaten terug.

Onder aanvoering van Zorobabel (— Sassabdsar), den kleinzoon van Jechomas, als Perzisch stadhouder van Judéa, en van den hoogepriester Josuë, keeren 50.000 Israëlieten, meest uit Juda en Benjamin, met vele levieten, naar \'t vaderland terug.

Een altaar gebouwd op den tempelberg: 1quot; offer; loofhuttenfeest.

Tempelbouw: klachten der grijsaards. Aanbod der Samaritanen, om mede te bouwen, afgeslagen; begin van hun eeuwenlangen haat; hun kwellingen en tegenwerking.

Assdérus (= Camhi/ses): schriftelijke aanklacht der Samaritanen.

Artaxerxes (= Pseudo-Smerdis): nieuwe aanklacht der Samaritanen ; antwoord des konings ; staking van den tempelbouw.

Daeios Hystaspis (521—486) verklaart alle besluiten zijns voorgangers ongeldig.

IJver der Joden verkoeld; optreden van de profeten Aggaeus en Zacharias: tempelbouw hervat.

Bezoek van Thathdnai, den opperlandvoogd; zijn brief aan Darius; Darius\' goedkeurend antwoord.

Tempel volbouwd; plechtige inwijding; Paaschfeest. (516).

II. Geschiedenis van Esther.

Assüérus of Artaxerxes (= Xerxes I van Perzië) (486—465).

Mardochaeiis, uit den stam van Benjamin, wonende te Susan, oom en pleegvader van Edissa of Esther, dochter van Ahthaïl.

Profetische droom van Mardochaeiis : strijd van twee draken.

Dan. IX, 24—27. Elfde belofte van den Verlosser.

-ocr page 71-

58

Assuerus geeft een feestmaal van 180 dagen aan de rijksgrooten, van 7 dagen aan het volk; Vasthi, de koningin, aan de vrouwen.

Vasthi, door Assuerus ontboden, weigert te komen, en wordt op raad der wijzen openlijk verstooten.

Na 4 jaren O kiest Assuerus uit vele maagden, ter vervanging van Vasthi, Esther tot koningin.

Mardochaeiis, in dienst des konings, ontdekt eene samenzwering van twee poortwachters.

Aman, hoogste vorst, eischt van allen aanbidding; Mardochaeiis weigert; Aman krijgt van den koning verlof alle Joden te vermoorden : het lot bepaalt als moorddag den 13en Adar.

Droefheid der Joden. Esther beraadslaagt met Mardochaeiis door middel van Athach ; haar besluit; algemeen gebed en vasten.

Esther bezoekt ongenoodigd den koning, en vraagt hem en Aman ten maaltyd.

Na het maal besluit Aman Mardochaeiis te doen ophangen.

Op last des konings moet hy den volgenden ochtend Mardochaeiis, ter belooning van bovengenoemde ontdekking, met koninklijke eer rondleiden.

Aan een tweeden maaltijd klaagt Esther Aman aan ; op last des konings wordt hy opgehangen.

Mardochaeiis, in Aman\'s plaats verheven, geeft den Joden bevel zich tot tegenweer voor te bereiden.

De Joden dooden op den 13en en 14e^ Adar meer dan 75.000 vijanden. Na afloop feest, dat jaarlijks herhaald moet worden; Purimfeest (1), op den 14en en i5en Adar.

III. Geschiedenis van den tweeden terugkeer enz. (459—430).

Aktaxeexes Langhand. (465—425).

Esdras, een priester en schriftgeleerde, krijgt van Artaxerxes verlof om met Israëlieten terug te keeren naar Judea, en wordt aangesteld tot bestuurder.

Met 1500 man doet hij de terugreis. (459).

In Judea grove misbruiken o. a. huwelijken met heidensche vrouwen, met hulp der stamvorsten uitgeroeid.

Godsdienstige hervorming van het volk ; voorlezing der wet; groot Loofhuttenfeest; boetedag ; vernieuwing van het verbond met God.

Nehetnlas, schenker des konings te Susan, treurt over den vervallen toestand van Jerusalem, en krijgt voor een tijd verlof, om, als landvoogd van Judea, de stad weer te gaan opbouwen. (446).

Opbouw der muren, telkens gestoord door de Samaritanen onder Sanaballat, toch voltooid na 52 dagen. Inwijding der stadsmuren. Drabbig water uit den put, waarin vroeger \'t heilig vuur verborgen was (2), op de offers uitgestort, wordt ontstoken door de zon (3).

Bevolking van de stad vergroot.

1

(2) Dit feest ontving waarsch. zijn naam van phur = lot, omdat Aman door het lot den

2

moorddag had doen bepalen.

3

(3) Zie bl. 52. (*) Zie bl. 41.

-ocr page 72-

59

Woekerwinsten afgeschaft; schulden kwijtgescholden.

Na Nehemias\' vertrek naar Perzië (434) herleven de misbruiken onder den hoogepriester EUasib. Optreden van den profeet MalacMas.

Nehemias, andermaal bestuurder van Judea geworden, roeit de misbruiken weer uit.

AANHANGSEL A.

Geschiedenis den Joden tot het tijdvak der Machabeën.

(430—180)

Onder de Perzische heerschappij (tot 330) heerschte er rust in Palestina. Het bestuur komt hoe langer hoe meer in handen van den hoogepriester. De Samaritanen bouwen een tempel op den berg Garlzim.

Alexander de Groote, koning van Macedonië (330—323). die, in 330 Perzië veroverend, te vergeefs hulp van de Joden eischte, wordt door den hoogepriester Jaddus met priesters en volk plechtig buiten de stad ontvangen; daardoor goedgunstig gestemd, verleent hij groote voorrechten.

Aanhoudende strijd tusschen Alexanders veldheeren (323—301).

Egypte met zijne Ptolemeüssen behoudt (301—199) Palestina, dat in macht en aanzien stijgt. Vele Joden trekken naar Egypte. Te Alexandria worden de bijbelboeken in het Grieksch vertaald {Septuaginta).

Antiochus III de Groote, koning van Syrië, verovert Palestina. (Syrische over-heersching: 199—142). Hem volgt op zijn zoon Seleucus IV Philópator.

AANHANGSEL B.

Lijst der profeten in de jaren 1095—430.

Samuel.....

onder Saül ..............

1154—1057

David......

1055—1014

Nathan.....

onder David.............

1048—1014

Gad.......

onder David.............

1048—1014

Ahias......

Salomon—Jeroboam..........

1000—954

Semeïa.....

onder Róboam............

975—958

Hanani.....

onder Asa..............

955—914

Elias......

Achab—Ochozi\'as......... .

918—896

Michaéas ....

onder Jósaphat............

914-889

Jehu......

onder Jósaphat............

914-889

Eliséüs.....

Joram—Joas v. Isr...........

896—830

Jonas ......

vóór Jeróboam II...........

vóór 825

Joël.......

onder Azarias (Ozi\'as).........

811—759

Amos......

in \'t begin van Azarias........

798—784

Osee......

Jeróboam 11 v. Isr—Ezechias v. J. . . .

784—727

Michaéas ....

J óatham — Ezechias..........

759—699

Isaïas ......

Jóatham—Manasses..........

759—690

Nahum.....

einde v. Ezechias...........

omstr. 700

Sophom\'as ....

onder Josias............

641—625

Holda......

onder Josias.............

641—610

Jerennas.....

Josias—na de verwoesting v. Jer.....

629-580

Daniël......

tijdens de ballingschap........

606—533

Habacuc.....

vóór de verwoesting v. Jer.......

na 606

Ezéchiël.....

tijdens de ballingschap........

595—572

Baruch.....

tijdens de ballingschap........

omstr. 583

Abdi\'as.....

tijdens de ballingschap........

na 583

Aggaéus.....

na den terugkeer uit Babyion.....

na 520

Zachan\'as ....

na den terugkeer uit Babyion.....

na 520

Malachias ....

onder Nehemias............

omstr. 430

-ocr page 73-

HO

TIF AFDEELING.

Geschiedenis der Joden onder de Machabeën.

(van Onias III tot Joannes Hyrcanus.)

180 — 135.

Bronnen : de twee boeken der Machabeën.

§ I. Geschiedenis den Joden vóór de Machabeën.

(180—165)

1) Onder Seleucüs IV Philópator (187—176).

Onias III, de edele hoogepriester (195—171).

Simon, een Benjamiet, verraadt de tempelschatten aan den koning : Heliodórus, gezonden om ze te rooven, wordt in \'t tempelgebouw door een hemelschen ruiter en twee hemelsche jongelingen gegeeseld.

Bondgenootschap met de Spartanen.

2. Onder Antiochüs IV Epi\'phaxes (broeder van SeleucusIV). (175—162).

Deze maakt voor geld Jason, den heidenschgezinden broeder van Onias, tot hoogepriester en stadhouder (175—172), en later voor nog meer geld Menelüüs, broeder van Simon. Beiden voeren \'t, heidendom te Jerusalem in.

Onias III vermoord.

Dreigende luchtverschijnselen.

Antiochüs te Jerusalem plunderend en moordend.

Jerusalem andermaal, nu door Apollonius, landvoogd van Syrië en Saman\'a, uitgemoord en grootendeels verwoest.

Antiochüs schrijft onder de strengste straffen de Grieksche afgoderij voor ; Jupiter in den tempel enz. — De Samaritanen verkrijgen van den koning verlof hun tempel op den berg Garizim (\') ook aan Jupiter te mogen toewijden. — Wreede vervolging der deugdzame Israëlieten, o. a. marteldood van den 90 jarigen Eledzar en te Antiochië van eene moeder met hare 7 zonen (de zg. Machabeesche broeders).

Mathathias, een priester te Modin (in W.-Judea), weigert den afgoden te olferen, verzamelt het God getrouwe volle in \'t gebergte (1000 hunner op een Sabbat in eene spelonk gedood) en begint den heiligen krijg tegen het heidendom. Bij zijn dood laat hij 5 zonen na : Joannes, Simon, Judas, Eledzar en Jónathas.

§ 11. Judas de Machabeën.

(165—160)

Judas, de 8quot; zoon, bijgenaamd Machabéüs (Makkabi — hameraar) wordt tot opvolger gekozen.

(\') Vgl. bl. 59, Aanh. A en bl. G3.

-ocr page 74-

61

J. slaat de Samaritanea onder Apollónius.

J. slaat Seron, opperbevelhebber van Coele-Syrië bij Bethhóron.

J. slaat Ptolemaeüs, Nicdnor en Górgias bij Emmaüs.

J. slaat Lysias. (Verschijning van een hemelschen ruiter.)

J., nu meester van het land, beveelt de tempelreiniging en inwijding (jaarlijksch feest).

Versterking van den tempelberg tegenover de Syrische bezetting op den burcht Sion.

J. slaat de Edomieten, Ammonieten enz. (verschijning van vijf hemelsche krijgers), Simon, zijn broeder, de heidenen in Galiléa.

J. doet te Jerusalem offers opdragen voor de overledenen.

Joseph en Azarlas, Judas\' onderbevelhebbers, door de Philistijnen geslagen.

Antiochus, uit Perzic naar Judea trekkend, sterft aan eene schrik-kelijke ziekte.

3. Onder Antiochus Y Eüpator (zoon van Antiochus Epiphanes),

(162 —160), die met Lysias, den eigenlijken bestuurder, naar Judea optrekt, en Menéluüs in een aschtoren doet dooden.

J. wint twee gevechten, maar verliest bij Bethzdchara {Eleazar\'s, heldendood onder een olifant).

Beleg van Jerusalem, afgebroken door een opstand in Syrië van Fhilippus, den door Lysias verdrongen regent en voogd van den minderjarigen koning.

Vrede: Judas wordt landvoogd van Judea, Alcïmus hoogepriester.

Begin van de regeering der Machabeesche vorsten (162).

4. Onder Demétkius I Soteu (zoon van Seleucus IV). (160—152), die

Antiochus en Lysias doodt.

Demetrius zendt op aanstoken van Alcimus, die door de Joden niet erkend wordt, eerst Bacchides, die velen vermoordt, en dan Nicdnor.

J. slaat Nicanor bij Capharsdlama, later bij Bethhóron. (Verschijning van Omas III en Jeremias.)

Verbond van Judas met de Romeinen.

J. wordt door Bacchides geslagen bij Beréa-Laïsa en sneuvelt.

Hij wordt door Jonathas en Simon te Modin begraven.

§ III. Jónathas de Machabeër.

(160—142)

Algemeene rampspoed en vervolging.

Jónathas, de jongste zoon van Mathathias, door de soldaten in de woestijn tot opvolger van Judas gekozen.

Joannes, de oudste zoon, door de Madabieten vermoord, maar door Jonathas, die hen. op een bruiloft overvalt, bloedig gewroken.

Bacchides doet Jonathas vluchten en herstelt de Syrische macht in Judea.

Alcimus doet den tempelmuur slechten, maar sterft.

Bacchides keert terug naar Syrië; 2 jaren vrede in Judea.

-ocr page 75-

62

Nieuwe oorlog met Bacchides; slag bij Bethbéssen.

Vrede; Jonathas bestuurder des volks ; 5 jaren rust.

5. Onder Alexander Balas (zich noemende zoon van Antiochus Epiph.)

(152—145).

Jonathas, die in den strijd tusschen Demetrius en Alexander partij kiest voor den laatste, wordt door dezen aangesteld als hooge-priester en onderkoning. Demetrius sneuvelt.

J. slaat in dien oorlog Apollonius, landvoogd van Coele-Syrië, bij Azot.

Alexander, door verraad van zijn schoonvader Pfolemeüs Philométor van Egypte verslagen en gedood.

6. Onder Demetrius II NicaTOR (zoon van Demetrius I) (145).

J. ook door Demetrius geëerd.

Opstand van Tnjphon, die een zoon van Alexander koning maakt.

7. Onder Antiochus VI Theos (zoon van Alexander Balas) (144—141).

J. bevestigd in zijn macht; Simon veldheer.

Hernieuwing van het bondgenootschap met de Romeinen en de Spartanen.

J. door Tnjphon belaagd en in Ptolemaïs gevangen genomen.

§ IV. Simon de Machabeër.

(142—135)

Simon, de 2quot; zoon van Mathathias, tot aanvoerder uitgeroepen.

Tryphon kan hem niet misleiden en doodt Jonathas.

Hij doodt ook Antiochus en maakt zich koning.

Grafmonument voor de Machabeën gebouwd te Modin.

De Joden kiezen partij tegen Tryphon voor Demetrius H, die hen vrij en onafhankelijk verklaart. (142, begin der Joodsche jaartelling.)

Simon, hoogepriester, opperbevelhebber en vorst der Joden.

Hij neemt den burcht Sion in.

\'t Hoogepriesterschap in zijne familie erfelijk verklaard.

Algemeene welvaart en voorspoed.

Verbond hernieuwd met Romeinen en Spartanen.

In Syrië oorlog tusschen Tryphon en Antiochus Sidétes (broeder van Demetrius H,) die ook de Joden aanvalt; maar wiens veldheer Cendebaéus verslagen wordt door Simon\'s zonen Joannes en Judas.

Simon wordt met zijne zonen Judas en Mathathias te Jéricho vermoord door zijn schoonzoon Ptolemaéüs.

Joannes, bijgenaamd HYRcamis, volgt op als vorst en hoogepriester.

-ocr page 76-

63

AANHANGSEL.

Geschiedenis dep Joden tot Christus. (135-7 v. C.)

I. De Machabeesche koningen (135—63).

Joannes Hyrcdnus (zcon van Simon) (135—106),

de laatste edele Machabeër,

breidt zijn rijk ver uit, verwoest den tempel op Garizim, onderwerpt de Edo-

mieten, die zich bekeeren;

hernieuwt het verbond met de Romeinen, die hem den titel van koning geven. Aristóbulus (zoon van Joannes Hyrcanus) (106—105),

een wreedaard.

Alexander Jannéüs (zoon van Joannes Hjroanus, gehuwd met Aristóbulus\' weduwe, Alexandra) (105—78),

een liederlyke dwingeland,

als Sadduceër gehaat bij de Phariseën en het volk.

Phariseën (= afgescheidenen), oorspronkelijk ijverend voor den godsdienst, later de uiterlijke naleving der wet boven alles stellend, partij der priesters en van het volk.

Sadduceën (= rechtvaardigen), voorgevende de ware deugd te bezitten, zich verheffende boven de wet, en eindelijk de geestelijkheid en onsterfelijkheid der ziel, alsmede het bestaan der engelen loochenende: partij dei-voornamen.

Woedende burgeroorlogen.

Alexandra (weduwe der beide vorige koningen) (78—69),

Als hoogepriester volgt haar zoon Hyrcdnus op.

Aristóbulus II (2e zoon van Alexander en Alexandra)

volgt op als koning en hoogepriester.

Hyrcanus, opgeruid door den Idumeër Antipater, betwist hem den troon. Pompéjus, de Romeinsche veldheer, door beide partijen uit Syrië te hulp geroepen, neemt Jerusalem in, maakt Judea schatplichtig en stelt Hyrcanus aan als hoogepriester en afhankelijk vorst (63).

11. He Joden onder de Romeinsche heerschappij (van 63 af).

Hyrcdnus II (zoon van Alexander Janneüs) (63—41),

hoogepriester en vorst, in wiens naam eigenlijk Antipater regeert.

Herhaalde opstanden van Aristóbulus en zijne zonen Alexander en Antlgonus, telkens onderdrukt door de proconsuls van Syrië: o. a. door Gabinius, die het bestuur geeft aan 5 raden van aanzienlijken, en door Grassus, die den tempel plundert.

Julius Caesar herstelt na 48 (slag van Pharsdlus) Hyrcanus II in waardigheid,

maar geeft het bestuur aan Antipater.

Antonius maakt na 42 (slag van Philippi) de twee zonen van Antipater, Heródes en Phdsaël, tot tetrarchen of viervorsten.

Antlgonus (zoon van Aristóbulus 11) (41—36),

de laatste Machabeër, neemt met de Parthen Jerusalem in, en verjaagt Hyrcanus II.

Herodes, bijgen. de Groote, (zoon van Antipater) (40—3 v. C.)

wordt in Rome tot koning der Joden aangesteld, neemt Jerusalem in en doet Antigonus onthoofden.

-ocr page 77-

64

Afschuwelijk monster van -wreedheid; hij doet o. a. Hyrcanus II en al de leden van den Hoogen Raad, met uitzondering van twee, vermoorden, alsmede zijn eigen vrouw en kinderen.

Herbouw des tempels.

Nu is rde schept er van Juda tveggenomen, en het oppergezag uit zijn geslacht\'quot; (vgl. bl. 12), een Idumeër is koning, nu moet komen Hij, „die gezonden zal worden (= de Messias), die de verwachting der volkeren zal zijn\'quot; C).

Geboorte van den goddelijken Zaligmaker. (25 Dec. 8 v. C.)

(\') Gen. XLIX, 10.

De stam van Juda was, volgens Jacobs voorspelling, door alle tijden van het Israë-lietische volksbestaan de eerste der stammen gebleven met scheptereer en vorstenmacht :

1°. in de woestijn heeft hij de eereplaats in het kamp (naar het Oosten en dicht bij Moses) en in den optocht (aan de spits);

•2°. na den dood van Josnö moet hij het eerste optrekken tegen de Chanaanieten ;

3°. David en al zijne opvolgers tot de Babylonische ballingschap zijn uit zijn stam;

4°. tijdens die ballingschap behouden Juda\'s stamhoofden hun oppergezag, bijv. over leven en dood (zie de gesch. van Susanna); — terwijl in Palestina Godolias uit Juda landvoogd is;

5°. na de ballingschap keeren vooral Israëlieten uit Juda naar Palestina terug; wat van de overige stammen is overgebleven, wordt bij Juda ingelijfd; — de naam van Joden wordt algemeen; — bij alle lotsverwisseling behoudt Juda het recht om onder eigen overheid naar eigen wetten te leven ;

6°. onder de Machabeën, die van Levi\'s stam waren, blijft de Hooge Baad of het Sanhedrin, dat vooral uit nakomelingen van Juda bestond, het hoogste bewTind voeren;

7°. eerst onder de Bomeinen, die aan de Joodsche overheid haar vorstenrecht van leven en dood ontnamen, en vooral onder Herodes, die geen Jood, maar een Idumeër was, en geheel het Sanhedrin liet uitmoorden, verliest Juda zijn oppergezag.

-ocr page 78-

HET NIEUWE TESTAMENT.

VERDEELING.

r Tijdvak. Geschiedenis van Christus\'\' leven op aarde . 8 v. C.—33 n. C. (van Joannes\' geboorte tot Christus\' hemelvaart.) (1)

r Af deeling. Geschiedenis van Christus\' geboorte

en verborgen leven......8 v. C.—29 n. C.

IP Afdeeling. Geschiedenis van Christus\' openbaar

leven............ 29—33

IIP Afdeeling. Geschiedenis van Christus\' lijden,

dood, verrijzenis en hemelvaart . 33

IP Tijdvak. Vroegste geschiedenis van Christus Kerk . 33—100 (van Christus\' hemelvaart tot het einde van het apostolisch tijdvak.)

P Afdeeling. De Kerk van Christus in Palestina . 33—42 (van Christus\' hemelvaart tot het begin van Petrus\' Pausschap in Rome.)

IP Afdeeling. De Kerk van Christus onder de

heidenen.......... 42—63

(van Petrus\' komst te Rome tot het einde van Paulus\' eerste gevangenschap in Rome.)

IIP Afdeeling. Einde van het apostolisch tijdvak . 63—100 (tot den dood van den apostel Joannes.)

(\') De jaartallen, waarin Christus zou geboren en gestorven zijn, worden door de schrijvers zeer verschillend opgegeven. Wij volgen hier de opgave van Pastoor Mnré z. g. (Eijb. Geseh. III, bl. 42 en bl. G09).

Naast het jaar 8 als geboortejaar, worden ook aangenomen de jaren 5 en 1 v. Chr.; naast het sterfjaar 33 ook het jaar 29.

Als geboortedag stelt men algemeen den 23en December, als sterfdag dikwijls den 25en Maart, volgens bovengenoemden schrijver echter den 3en April.

De meening, dat het openbaar leven des Heeren ongeveer 3\'/a jaar zou geduurd hebben, kan tegenwoordig de meest verspreide genoemd worden.

-ocr page 79-

66

EERSTE TIJDVAK.

Geschiedenis van Christus\' leven op aarde.

(Van Joannes\' geboorte tot Christus\' hemelvaart.) 8 v. C.—33 n. C.

INLEIDING.

Bronnen: de 4 Evangeliën (\'):

1°. het Evangelie volgens den H. Matthaeiis, den Apostel,

dat het oudste is (waarschijnlijk geschreven omstreeks het jaar 51), en opgesteld voor de Christenen in Palestina; 2°. het Evangelie volgens den H. Marcus, leerling van den H. Petrus, .

dat het kortste is,

en opgesteld voor de Christenen in Rome;

3°. het Evangelie volgens den II. Lucas, leerling van den H. Paulus,

dat het langste is,

en opgesteld voor een zekeren Theóphilus;

4°. het Evangelie volgens den H. Joannes, den Apostel,

dat het laatst geschreven is (waarschijnlijk tegen \'t einde der 1ste eeuw),

en opgesteld tegen de dwaalleeraars, die Christus\' godheid loochenden (a).

Het Evangelie van den H. Matthaeiis werd eerst geschreven in het Aramaeisch-Palestijnsch, en daarna, misschien door hemzelven, vertaald in het Grieksch; de drie andere Evangeliën werden oorspronkelijk in het Grieksch geschreven.

De drie eerste Evangeliën, de synoptische, verhalen vooral Christus\' werkzaamheid in Galilea, dat van den H. Joannes vooral Zijn optreden in Judea en Samaria, — de drie eerste Evangelisten schreven voor Christenen, die reeds geloofden in Jesus\' godheid: zij verhalen daarom meer het aardsche leven des Hoeren, echter zóó, dat Diens godheid daarin voortdurend verondersteld wordt, en zich telkens duidelijk openbaart; Joannes echter, die zijn Evangelie schreef tegen de dwaalleeraars, welke Jesus\' godheid loochenden, toont daarin duidelijk tot hoofddoel te hebben genomen die godheid te bewijzen.

In het O. T. was de Verlosser meermalen beloofd; o. a. aan Adam en Eva (bl. 5), aan Abraham (hl. 9 en 10), aan Isaac (bl. 11), aan Jacob (bl. 11), aan Juda (bl. 12), aan Moses (bl. 18), door Balaam (bl. 27), aan David (bl. 38), aan Achaz (bl. 50), aan Daniël (bl. 57).

Ook vindt men in het O. T. vele voorafbeeldingen van den Messias; o. a. Adam (bl. 6), Abel (bl. 6), Noë (bl. 7), Melchisedech (bl. 10), Isaac (bl. 10), Joseph (bl. 14), Job (bl. 14), het Paaschlam (bl. 17), Moses (bl. 27), Josuë (bl. 29), Gedeon (bl. 31), Samson (bl. 32), David (bl. 40), Jonas (bl. 48).

(\') Evangelie, van het Grieksch, beteekent eigenlijk : blijde boodschap, d. i. van de komst des Verlossers, en de leer des Heeren. Hier is die naam gegeven aan de vier geschiedverhalen van Christus\' leven op aarde.

{-) Bekend is de zinnebeeldige wijze, waarop de 4 Evangelisten dikwijls worden afgebeeld; de H. Matthaeüs met een inensch, omdat hij zijn Evangelie begint met de menschelijke

afstamming van Christas;

de H. Marcus met een leeuw, omdat hij begint met de stem des roependen in de woestijn;

de H. Lucas met een rund (als offerdier), omdat hij aanvangt met het offer van Zacharias;

de H. Joannes met oen adelaar, omdat, als in een arendsvlucht, zijne eerste woorden „ht den beginne tvas het woordquot; opsteigeren en ons opvoeren naar Gods Troon.

-ocr page 80-

67

F AFDEELINGr.

Geschiedenis van Christus\' geboorte en verborgen leven.

§ I.

Geslachtsboom des Heeren :

Vóór \'s Heeren geboorte.

Jacob — Juda — Phares —____Booz

Obed — Jesse —

David

-1-f

Nathan

Abraham — Isaac

I

Salomon

Mathan _I_

I

Sobe X een priester

Anna X Heli (= Joachim)

Jacob I_

Zacharias X Elisabeth

Joseph X Maria

, . -i I

Joannes de Dooper. Jacobus min. Joseph. Simon. Judas. Jesus.

Onder de regeering van koning Heródes den Groot en leefden in eene stad van Juda de priester Zacharias en diens huisvrouw Elisabeth.

Aan Zacharias wordt in den tempel van Jerusalem door den engel Gabriel een zoon voorspeld, Joannes, maar hij zelf wordt om zijn twijfelen met stomheid (en doofheid) geslagen.

Te Nazareth in Galiléa (in het vroegere Zabulon) brengt Gabriel aan Maria, de verloofde van Joseph i1) de blijde boodschap (2). Menschwording van Gods Zoon. Maria Moeder Gods.

Bezoek van Maria bij Elisabeth : Joannes, gereinigd van de erfzonde ; begroeting van Elisabeth; Magnificat van Maria (3).

Geboorte van Elisabeths zoon, die op den 8en dag Joannes genoemd wordt (4). Genezing van Zacharias ; zijn lofzang Benedictus.

Huwelijk van Joseph met Maria, waartoe hem een engel had aangespoord.

§ II. Bethlehem (5)-

Om wille van de volkstelling, op last van den Romeinschen keizer Augustus ook in Palestina gehouden, en wel onder den landvoogd van Syrië Cyrinus (6), gingen Joseph en Maria op reis naar de

(\') Het feest van Maria\'s verloving met den H. Joseph viert do H. Kerk op den 23en Januari.

(2) 25 Maart, 8 v. C.

(3) Het feest van Maria\'s bezoek bij de H. Elisabeth viert de H. Kerk op den 2en Juli.

(4) 23 Juui. (6) = huis des broods.

(«) Het is zeker, dat Cyrinus of P. Salpicius Quirinius geen landvoogd van Syrië was vóór don dood van Herodes.

Het is waarschijnlijk, dat de bedoelde volkstelling begonnen was onder den landvoogd C. Sentius Saturninas en eindigde onder een eerste legaatsehap van Quirinius (3—1 v. C.) Tgl. bl. 112.

Cleophas X Maria

-ocr page 81-

68

plaats, waar hunne stamregisters, die van Davids nakomelingen, bewaard werden, naar Béthlehem in Juda.

Daar geen plaats vindende in het karavaanshuis, gaan zij overnachten in een grot, een veestal, buiten de stad.

Geboorte van het goddelijk Kind Jesus. Aanbidding der herders (1).

Besnijdenis van het Kind, waaraan de naam Jesus (= Verlosser) gegeven wordt (2).

Op den veertigsten dag opdracht van het Kind, als eerstgeborene, in den tempel te Jerusalem, en zuivering van Maria, die, als arme, slechts twee duifjes offert. Lofzang van den priester Simeon („Nunc dimittisquot;), lofzang van de weduwe Anna (3).

Tocht der wijzen uit het Oosten naar Jerusalem, en vandaar naar Bethlehem ; aanbidding en offering van goud, wierook en mirre. Op aansporing van God keeren ze niet over Jerusalem naar huis weder (-).

Joseph, gehoorzaam aan het waarschuwend bevel eens engels, vlucht met de Zijnen naar Egypte. Intusschen doet Herodes in en om Bethlehem alle mannelijke kinderen onder de twee jaren vermoorden (5) (6).

§ 111. Egypte.

De heilige familie blijft (waarschijnlijk twee jaar) in Egypte tot den dood van Herodes.

Geslachtsboom van de Herodessen (vgl. bl. 63).

Herodes de Groote

X Mariamne X Mariamne X Malthace X Cleópatra

(kleindochter v. (d. v. Simon)

Hyreanus II)

Aristóbulus Alexander. Philippus Afcheldüs Herodes Antipas Philippus

X Heródias (ethii. v. Jude* (tetr. van Galilea (tetr.v.Trachonitis j enz.) enz.) enz.)

Salome.

Herodes Agrippa I (koning v. Judea)

Her odes Agrippa II Berenice. Drusilla

(koning v. Chalcis.) X Felix (landv. v. Judea.)

C1) 25 Dec., 8 v. C. (2) 1 Jan. 7 v. C.

(3) 2 Febr., 7 v. C. — Vgl. bl. 17 en bl. 24, D, h.

(4) 6 Jan., 6 v. C. — Deze aanbidding der wijzen wordt door de H. Kerk herdacht op het Driekoningenfeest of feest der verschijning (Epiphania) des Heeren aan de heidenen, den Gen Januari.

(5) Den marteldood dier onschnldigen viert de H. Kerk op het feest van Onnoozele Kinderen, den 28en December.

(G) De opvolging der hier vermelde gebeurtenissen wordt ook wel anders genomen, bijv. geooorte — besnijdenis — aanbidding der wijzen — opdracht in den tempel — vlucht naar Egypte.

-ocr page 82-

69

Toen Herodes stierf, werd hij opgevolgd door Archeldüs als ethnarcli of volksvorst van Judéa, Samaria en Iduméa, Herodes Antipas als tetrarch of viervorst van Galiléa en Peréa, en Ph Hippus als viervorst van Trachom\'tis, Gaulomtis en Batanéa.

Op bevel van een engel keert nu Joseph met de zijnen terug, maar uit vrees voor Archelaüs niet naar Bethlehem, maar naar Nazareth.

§ IV. Nazareth.

Twaalf jaren oud, gaat Jesus met Maria en Joseph te Jerusalem het Paaschfeest vieren. Na afloop blijft Hij ongemerkt achter, en eerst na drie dagen vinden Maria en Joseph Hem terug in den tempel, de schriftgeleerden onderwijzende.

Jesus is verder aan Maria en Joseph onderdanig, en neemt toe in wijsheid en jaren. (!)

Dood van den H. Joseph.

m AFDEELING.

Geschiedenis van Christus\' openbaar leven.

Overzicht :

§ I. 1® reis: van Nazareth naar den Jordaan;

§ II. 2® , : van den Jordaan naar Galilea;

§ III. 3e , : van Galilea naar Jerusalem en dan door Judea.

§ IV. 4® , : van Judea door Samaria naar Galilea.

§ V. 5® „ : door Galilea (Ist® Evangeliereis),

§ VI. Verblijf in en nabij Capharnaüm.

§ VII. 6® reis: van Galilea naar Jerusalem en terug.

§ VIII. Verblijf in en nabij Capharnaüm.

§ IX. 7® reis: door Galilea (2® Evangeliereis.)

§ X. 8® , : door Galilea en omliggende landstreken (3® Evangeliereis.)

§ XI. Verblijf te Capharnaüm.

§ XII. 9® reis: van Galilea door het over-Jordaansche naar Jerusalem.

§ XIII. Verblijf te Jerusalem.

§ XIV. 10® reis: door Perea (4® Evangeliereis.)

§ XV. 11® „ : van Perea door Judea naar Jerusalem.

§ XVI. Verblijf in en nabij Jerusalem.

§ I. Eenste reis des Heeren : van Nazareth naar den Jordaan.

a) Joannes de Dooper,

zich voorbereid hebbende in de woestijn,

wordt door God aangesteld tot boeteprediker en wegbereider van Christus, en

treedt op; „Doet boetvaardigheid, want het Rijk der hemelen is nabijquot; (Matt. Ill, 2),

(\') Maria en Joseph hebben de maagdelijke zuiverheid ongeschonden bewaard. Als er in de H. Schrift sprake is van „broeders en zusters des Heerenquot;, dan worden daarmede volgens het Hebreeuwsche taaleigen bedoeld neven en nichten van Jesus.

-ocr page 83-

70

in de streek bij den Jordaan, meestal in de woestijn bij Jéricho, soms ook te Bethdnia (= Bethabara) in Perea, en te Aénnon bij Salim.

Velen komen uit Judea tot hem, gelooven, belijden hunne zonden

en laten zich doopen (door indompeling) in den Jordaan; de Phariseën en Sadduceën worden streng berispt.

6) Doop van Jesus.

Joannes verklaart, dat niet hij de Messias is: „Deze zal u doopen

met den Heiligen Geest en met vuur.quot; (Matt. Ill, ll)

Jesus, uit Nazareth naar den Jordaan gereisd, wordt door Joannes herkend en op Zijn uitdrukkelijk verzoek door dezen gedoopt : de hemel opent zich, de H. Geest daalt neder onder de gedaante eener duif, en eene stem klinkt: , Gij zijt Mijn welbeminde Zoon ; in U heb Ik Mijn uelbehagen.quot; (Matt. Ill, 17 ; Mc. 1,11; Luc. Ill, 22) C1).

c) Christus in de woestijn.

Door den H. Geest gedreven, gaat Christus naar de woestijn (de

streek bij den berg Quarantdnia, ten W. van Jericho),

waar Hij 40 dagen en nachten vast en bidt,

en daarna door den duivel bekoord wordt (Matt. IV, 1—11; Luc. IV, 1—13): 1°. „Zeg tot dezen steen, dat hij brood worde

antw. v. Chr. : „De mensch leeft niet van brood alleen,\'quot; enz. ; 2°. Op de tinne van Jerusalems tempel: „ Werp u naar beneden, want\' enz.;

antw. v. Chr. : , Gij zult den Heer uwen God niet op de proef stellen;quot;

3°. Op een hoogen berg : „Dit alles zal ik u geven, indien gijquot; wt,.; antw. v. Chr. : „Ga weg, Satan, want\' enz.

d) Getuigenissen van Joannes over Jesus.

Te Bethania door een gezantschap van priesters en levieten ondervraagd, antwoordt Joannes: „Ik ben de Christus niet,\' maar „de stem eens roependen in de woestijn.\' (jo. I, 20, 23)

Een dag later, als ook Jesus bij Joannes is, legt deze getuigenis af, dat Jesus is èn God èn mensch èn Verlosser der wereld : „Ziet, het Lam Gods\' enz. „Deze is de Zoon Gods. (Jo, I, 29, 34)

e) Eerste roeping der eerste leerlingen.

Daags daarna komen twee van Joannes\' leerlingen tot Jesus: Andréas (geboortig van Bethsaïda en zoon van Jona) en Joannes (zoon van Zebedaéüs en Salóme).

Kort daarop voert Andreas zijn broeder Simon tot Jesus, Die hem zegt: „Gij zult genoemd worden Cephas, dat is Petrus.\' (jo. I, 42) Joannes brengt waarsch. nu ook zijn broeder Jacobus tot den Heer.

(\') Vgl. bl. 79, h. — Bij deze gelegenheid openbaarde zich de H. Drievuldigheid: de Vader sprak, de Zoon werd gedoopt, de H. Geest verscheen. — Het feest van \'sHeeren Doopsel wordt in de H. Kerk op den 6en Januari gevierd.

-ocr page 84-

71

Nog roept Jesus Philippus, en deze brengt weder Nathanaël (= Bartholomaeiis) tot Hem.

Met deze 5 of 6 leerlingen gaat Jesus terug naar Galilea.

§ II. Tweede reis des Heeren :

van den Jondaan naar Galilea.

a) Bruiloft te Cana,

waarschijnlijk gevierd door bloedverwanten des Heeren, Die met Zijne Moeder en Zijne leerlingen ook aanwezig is;

\'s Heeren eerste wonder : op verzoek Zijner Moeder verandert Hij het water van 6 kruiken in wijn (1).

b) Verblijf te Capharnaüm,

voor slechts korten tijd.

§ III. Derde reis des Heeren :

van Galilea naar Jerusalem en dan door Judea.

o) Tempelreiniging op het Paasehfeest (2).

Christus, met Zijne leerlingen te Jerusalem aangekomen, ora ook het Paasehfeest te vieren, jaagt met een geesel de kooplieden uit den tempel (3).

Daarover aangevallen door de priesters, antwoordt Hij : „Breekt dezen tempel af enz. (Jo. II. 19).

b) Onderhoud met Nicodémus,

een Phariseër en Overste der Joden, waarin Christus hem o. a. leert 1°. de noodzakelijkheid der geestelijke wedergeboorte, 2°. „ „ van het H. Doopsel,

3°. Zijne eigene goddelijke afkomst en natuur,

4°. Zijnen toekomstigen kruisdood.

c) Rondreis door Judea,

waar Jesus aan de geloovigen door Zijne leerlingen het doopsel (waarschijnlijk het H. Sacrament des Doopsels) laat toedienen.

Joannes de Dooper legt te Aénnon voor zijne afgunstige leerlingen getuigenis af ter verheerlijking van Christus : „ Hij moet (/rooter iv or den, maar ik kleinerquot;. (Jo. III, 30)

(1) Ook dit -wonder op de bruiloft te Cana wordt door de H. Kerk op den 6en Januari herdacht.

(2) Eerste Paasehfeest tijdens \'s Heeren openbaar leven.

(3) Vgl. bl. 85, 6.

-ocr page 85-

72

TUSSCHENVEEHAAL.

Gevangenneming van Joannes den Dooper.

Herodes Antipas, in overspel levende met zijne schoonzuster Heródias, doet Joannes, die hem daarover berispte, in de over-Jordaansche vesting Machérus gevangen zetten.

§ IV. Vierde reis des Heeren:

van Judea door Samaria naar Galilea.

a) Gesprek met eeue Samaritaansche vrouw,

hij Jacobs put, huiten Sichar (= Sichem) in Samaria; Christus leert haar :

1°. dat Hij zal geven een levend water (= het geloof), dat lescht

ten eeuwigen leven,

2°. dat God in geest en waarheid moet aanbeden worden, 3°. dat Hijzelf de Messias is.

Tweedaagsch verblijf des Heeren te Sichar ; bekeering van velen.

h) Tweede wonder te Cana:

een hoveling (van Herodes Antipas) vraagt genezing voor zijn zoon; „ga, uw zoon leeft* (jo. IV, 50); het geheele huisgezin gelooft in Jesus (\').

c) Aan het meer Genésareth

vindt Jesus Zijne leerlingen terug, bezig met de vischvangst, en onderwijst uit Petrus\' scheepje.

Wonderdanige vischvangst (2).

Tweede roeping der leerlingen, eerst van Simon : , Van nu af zult gij memchen vangen11 (Matt. IV, 19; Mc. I, 17; Luc. V, 10), dan van Andreas, Jacobus en Joannes, die allen nu voor goed met Jesus medegaan (3).

d) Te Capharnaüm

onderwijst Hij in de synagoge, als machthebbende, en geneest Hij een bezetene ;

in Simons huis geneest Hij diens moeder van de koorts ;

vóór dat huis vele zieken en bezetenen.

§ V. Vijfde reis des Heeren:

door Galilea. (Ie Evangeliereis).

Weldoende gaat Hij rond, predikend in de synagogen, duivelen uitdrijvend en zieken genezend, o. a. een melaatsche : „Ik wil, word gereinigd\'quot; (Matt. VIII, 3; Mc. I, 41; Luc. V, 13).

(\') Vgl. bl. 75, d. (2) Vgl. bl. 97. quot;) Vgl. bl. 70, e.

-ocr page 86-

73

a) Uitspraken des Heeren :

afwijzing van een schriftgeleerde, die Hem volgen wil: „De vossen

hebben holen,\' enz. (Matt. VIII, 20).

afwijzing van een ander : „Niemand, die de hand aan den ploeg

slaaf enz. (Luc. IX, 62).

roeping van een leerling (Philippus of Nathanaël): „Laat de doodenquot; enz. (Matt. VIII, 22; Luc. IX, 60).

b) Op het meer Genesareth

bedaart de Heer den storm.

c) In het land der Qerasénen (= Gadarénen)

drijft Jesus van twee bezetenen de duivelen uit [„Legioen is mijn naam\'quot;), die dan in eene kudde zwijnen gaan en deze het meer injagen.

Op verzoek der inwoners vaart Hij weer weg.

§ VL Verblijf des Heenen in en nabij Caphapnaüm.

a) Genezing van een lamme,

die, door eene opening van het dak neergelaten, eerst vergiifenis zijner zonden, dan genezing zijner ziekte ontvangt.

b) Roeping van Matthaeüs (= Levi),

een tolbeambte van Capharnaüm, tot het apostolaat.

Maaltijd, door Matthaeüs voor zijn nieuwen Meester aangerecht, waar Deze de aanvallen van Phariseën en vroegere leerlingen van Joannes weerlegt: „Niet de gezonden\'quot; enz. (Matt. IX, 12; Mc. II, 17 ; Luc. V, 3l).

„Kunnen de bruiloftsgasten vastenquot; enz. (Matt. IX, 15; Mc. II, 19; Luc. V, 34)

en 3 gelijkenissen (1) geeft, om te betoogen dat de leerlingen nu nog te zwak zijn, om de leer des Evangelies in volle gestrengheid te beoefenen :

„Niemand zet een lap nieuw laken* enz., (Matt. IX, 16; Mc. II, 21; Luc. V, 36).

„Niemand giet nieuwen wijnquot; enz. (Matt. IX, 17; Mc. II, 2a; Luc. V, 37). „Niemand die ouden wijn drinkt* enz. (Luc. V, 39).

c) Opwekking van Jaïrus\' dochter.

Jaïrus, overste der synagoge te Capharnaüm roept Jesus\' hulp in voor zijne stervende dochter.

Eene gelijkenis of eenpardhel (van een grieksch werkwoord, dat „vergelijkenquot; beteekent) is eene spreekwijze des Heeren, om door middel van zinnebeelden, ontleend aan het gebied der natuur of aan het dagelij ksch leven der menschen, eene godsdienstige waarheid den hoorders in te prenten. Soms zijn zulke spreekwijzen kort, zooals hier, en dan kunnen zij ook spreuken genoemd worden; soms hebben zij den vorm van een verhaal eener werkelijke of verdichte gebeurtenis, en dan zijn het gelijkenissen in den eigenlijken zin.

-ocr page 87-

74

Eene vrouw van eene twaalfjarige bloedvloeiing genezen, door op den weg Jesus\' kleed aan te raken: , TJw geloof heeft u gezond gemaakt.\' (Matt. IX, 29; Mc. V, 34; Luc. VIII, 48)

Jaïrus\' dochter, nu reeds gestorven, door Jesus, in het bijzijn barer ouders en van Petrus, Jacobus en Joannes, ten leven opgewekt.

(I) Andere genezingen,

o. a. van twee blinden,

van eenen bezetene en stomme.

Jesus, door de Phariseën van duivelskunst beschuldigd.

§ VII. Zesde reis des Heenen ;

van Galilea naar Jerusalem en terug.

De Heer gaat (met Zijne leerlingen ?) naar Jerusalem voor den feestdag (

a) In het schaapsbad (= Bethsaïda of Bethesda),

een ziekenhuis te Jerusalem, waar op onbepaalde tijden een engel door beroering van het water eene genezing bewerkte, heelt Jesus op een Sabbat een man, die sinds 38 jaren lam was.

h) Redevoering des Heer en (jo. V),

waarin Hij tegenover de aanklacht van Sabbatschennis en van godslastering

1°. verklaart God te zijn, evenals de Vader,

2°. bewijst, in Zijne verklaringen geloofwaardig te zijn, gelijk getuigd wordt door Joannes den Dooper, door Zijne eigen wonderwerken en door de vervuld wordende profetieën des 0. V., en 3°. de ongeloovige Joodsche overheden bestraft.

§ VIII. Verblijf des Heeren in en nabij Capharnaüm.

a) Uitspraken des Heeren.

tegen de aanklacht van Sabbatschennis,

toen Zijne leerlingen op Sabbat korenaren plukten : TDe Zoon des menschen is ook Beer van den Sabbatquot; (Matt. XII, 8; Me. II, 28; Luc. VI, 5) ;

en toen Hij in de synagoge den man met de verdorde hand genas : ,/s het geoorloofd op den Sabbat goed te doen ?quot; enz. (Matt. XII, 10; Mc. III, 4 ; Luc. VI, 9)

b) Uitverkiezing der twaalf apostelen.

Na een nacht van gebed roept de Heer twaalf mannen op den berg

(\') Pasehen (?) —Zoo ja, dan is dit het tweede Paaschfeest tijdens :s Heeren openbaar leven.

-ocr page 88-

75

(heyg der zaligheden, ten N. van den Thabor) en maakt hen tot

Zijne apostelen ; het zijn :

Simon (Petrus), \\ i r -t \\

Andrea* j zonen van •Joria (— Joannes),

Jacobus (de Meerdere), 1 v , j .. o , /n

T \' J zonen van Zebedaeus en balotnei1).

Joannes, ) v \'

Philippus,

Bartholomaeils (= Nathanaël), vriend van Philippus,

Matthaeüs (= Levi), de oud-tollenaar van Capharnaüni, Thomas (of Didymus = tweeling),

Jacohus, (de Mindere), | zonen van Cléophas (= Alphaeüs) en Judas (of Thaddaeüs), j Maria (2),

Simon (Zelótes = ijveraar) en

Judas Iscdriot (= man uit Cariot), schatbewaarder van het gezelschap.

c) Bergrede (Matt. V, VI, VII, Luc vi).

Met Zijne apostelen afgedaald zijnde van den berg, geneest de Heer zieken en bezetenen en houdt dan van eene hoogte Zijne rede, die als het wetboek is van Zijn Rijk:

Inleiding: Korte opsomming van de vereischten voor \'t burgerschap in dat Rijk (de 8 zaligheden) en van de plichten der overheden (v. 3—16). Ontwikkeling : 1°. uiteenzetting van Christus\' zedenwet, die de vervolmaking is der oude (V. 17—48); 2°. de wijze, om die wet goed na te leven,

o. a. door het Onze Vader (VI. 1—18); 3°. de hinderpalen, die dat beletten, en de middelen die daartoe helpen (VI. 19—VII. 23); Besluit; opwekking tot beoefening (vil. 24—27).

d) Genezing van den dienstknecht eens hoofdmans.

Te Capharnaüm komen namens den heidenschen hoofdman van Herodes\' soldaten eenige ouderlingen de genezing van zijn dienstknecht aan Jesus vragen; —- „Heer, ik ben niet waardigquot; enz.; — „Velen zullen komen van het Oostenquot; enz. (Matt. VIII, 8, 11; Luc. VII, 6). — Jesus geneest den knecht (8).

§ IX. Zevende reis des Heenen:

door Galilea. (2e Evangeliereis).

Vergezeld van Zijne leerlingen en van eenige heilige vrouwen, (waartoe nu of later behooren Joanna, de echtgen. van Chusa, Maria Magdalena, Susanna, Salóme, de echtgen. van Zebedaéüs, en Maria, de echtgen. van Alphaéüs) die zorg dragen voor het onderhoud des Heeren, trekt Deze eerst naar

(■) Vgl. bl. 80, c. en bl. 84, b. (2) Vgl. bl. 67.

(3) De schijnbaar tegenstrijdige verhalen der beide Evangelisten worden door Muré zoo samengevat, dat eerst een gezantschap tweemalen tot den Heer kwam, en ten slotte de hoofdman zelf.

-ocr page 89-

76

a) Nairn,

waar Hij voor de poort der stad den eenigen zoon eener weduwe uit den dood opwekt; en dan naar

b) Magdala,

waar Hij voor twee twijfelzieke leerlingen van Joannes den Dooper Zich ten bewijze van Zijn messiasschap beroept op Zijne wonderen : rBlinden zienquot; enz. (Matt. XI, 4—6 ; Luc. VII, 22—23) erf eene lofrede houdt op Joannes: „ TFa/ zijt gij gaan zienquot; enz. (Matt. XI, 7-19; Luc. VII, 24-28).

Maaltijd bij Simon, den Phariseër, waar eene zondares (waarsch. Maria Mag dale na) tot Jesus komt, door tranen en balsem haar berouw bewijst en vergiffenis erlangt; — berisping van Simon door middel van de gelijkenis der twee schuldenaars (Luc. VII, 41-43).

TUSSCHEN VERHAAL.

Dood van Joannes den Dooper.

Te Machérus laat Herodes Antipas den Boetgezant onthoofden, als hem dit bij gelegenheid van zijn geboortefeest door Salóme, op aansporen van haar moeder Heródias, wordt verzocht (*).

c) Te Capharnaüm

geneest de Heer eenen bezetene ;

houdt Hij strafredenen tegen de Phariseën :

dat Hij niet door Beëlzebub de duivelen uitdrijft;

dat zij lasteren tegen den H. Geest, („eene onvergeeflijke zondequot;) ; dat zij geen teeken zullen zien, dan rdat van Jonas, den profeetquot; (Matt. XII. 39);

dat het op den oordeelsdag verdragelijker zal zijn voor Ninive, voor Tyrus en Sidon en voor Sodoma, dan voor Corózaïn en Bethsaïda en voor Capharnaüm, die zoo de genade misbruiken ; dat hun laatste erger zal zijn, dan hun eerste.

Christus noemt, al wie den wil doet van Zijn hemelschen Vader,

Zijn broeder en zuster en moeder.

Lofprijzing eener vrouw : „Zalig de schootquot; enz. (Luc. XI, 27).

d) Aan het meer Genesareth

bespreekt Christus voor het volk uit een scheepje het Rijk der hemelen in 8 gelijkenissen (Matt. XIII, Mc. IV, Luc. VIIl) (2) : 1quot;. van den zaaier (de vestiging van het Rijk);

2°. van het zaad dat van zelf groeit (Mc. 26 v.),

3°. van het mosterdzaad (Matt.31 v.,Mc.

31 v.),

4°. van het zuurdeeg (Matt. 33).

(\') Den marteldood van den H. Joannes den Dooper herdenkt de H. Kerk op den 2Öen Augustus.

(s) Ygl. bl. 73, noot.

(de uitbreiding van het Rijk) ;

-ocr page 90-

77

5°. van het onkruid tusschen de tarwe (Matt. 24 v., 37 v.) (de aanvallen op het Rijk en de uitwerping aan het einde der wereld);

legt op den terugweg naar Capharnaüm aan Zijne apostelen twee dier gelijkenissen uit en voegt er nog drie bij:

6°. van het vischnet (Matt. 47 v.) (het eindvonnis); 7°. van den verborgen schat

(Matt. 44),

8°. van de kostbare parel (Matt. 45 v.),

e) Te Nazareth,

in de synagoge, past Christus eene voorspelling van Isaïas {rDe geest des Heeren is op mijquot; enz. is. LXI, 1 en 2) op Zichzelven toe, en verwijt Hij den inwoners hun ongeloof: „Geen profeet is ivelyevalUyquot; enz. (Luc. IV, 24);

Hij wordt buiten de stad gesleurd naar den rand van een berg, maar gaat midden door hen heen en vertrekt. (*)

ƒ) Te Capharnaüra

teruggekeerd, deelt Christus aan Zijne Apostelen mede de macht om wonderen te doen,

en na hen vermaand te hebben, nu alleen tot de Israëlieten te gaan, niet baatzuchtig te zijn, maar zachtmoedig als schapen, behoedzaam als slangen, oprecht als duiven,

na hun vervolgingen voorspeld en de hulp des H. Geestes beloofd te hebben,

na hen te hebben bemoedigd: „Al wie Mij zal heieden hebben\'\' enz. (Matt. X. 32, 33 ; Luc. XII, 8, 9),

zendt Hij hen uit om te prediken : , Wie u ontvangt, ontvangt Mijquot; enz. (Matt. X, 40).

Twee aan twee gaan de apostelen rond, predikend, wonderen doende en de zieken met olie zalvende (waarsch. het H. Sacrament des Oliesels).

lt;/) In de woestijn van Bethsaïda.

Daarheen gaat Jesus met Zijne apostelen in afzondering.

1° wonderbare spijsvermenigvuldiging: 5000 man met 5 gerstebrooden en 2 visschen, zóó dat nog 12 korven met brokken overblijven (2).

De apostelen varen terug, Jesus beklimt den berg.

h) Op het meer Genesareth en langs de kust.

Jesus loopt over de onstuimige zee naar het scheepje. Petrus gaat hem tegemoet.

Aan de kust geneest Hij vele kranken.

i) Te Capharnaüm,

in de synagoge, rede des Heeren, met hoofdstelling:

(\') Dit verblijf te Nazareth wordt door andere schrijvers veel vroeger gesteld b.v. in

§ II of in § IV.

P) Vgl. bl. 78, c.

(de hooge waarde van het lidmaatschap der Kerk).

-ocr page 91-

78

„ Het ware hrood Gods is dat, hetwelk van den hemel is nedergedaald en het leven geeft aan de menschenquot;. „Dat Brood des Levens hen Ik*. (Jo. VI, 33, 35, 48)

Dit is Hij

1°. in figuurlijken zin (35—47): het geloof in Hem is als een spijs ten eeuwigen leven ; nu reeds moeten de Joden daarvan gebruik maken ;

2°. in eigenlijken zin (48—59) : Zijn eigen vleesch is waarlijk spijs, Zijn bloed waarlijk drank (56) ; beide zal Hij eenmaal den menschen geven (52), die daardoor zullen leven in eeuwigheid.

Velen kunnen dat niet gelooven en verlaten den Heer.

Namens alle apostelen betuigt Simon Petrus te gelooven: „ Gij hebt de woorden des eeuwigen levens.\'\' „Gij zijt Christus, de Zoon Gods.quot; (Jo. VI, 69, 70).

Christus spreekt van een duivel onder de apostelen (Judas Iscariot).

§ X. Achtste Reis des Heeren:

door Galilea en omliggende landstreken (3e Evangeliereis).

Christus gaat \'t Paaschfeest (*) niet te Jerusalem vieren.

a) Uitspraken des Heeren

betreffende de inzettingen der Phariseën (d. w. z. voorschriften, door oude Joodsche meesters eigenmachtig opgemaakt en toegevoegd aan de wet van Moses): o. a. over den eerbied, den ouders verschuldigd (Corhan = aan den tempel gewijd); en over de innerlijke verontreiniging: „Niet wat den mond ingaatquot; enz. (Matt. XV, 11 ; Mc. Vil, 18)

h) In Syro-Phoeniclë,

(gebied der steden Tyrus en Sidon,)

verkrijgt eene Chananeesche vrouw door haar volhardend gebed, dat de duivel van hare dochter uitgaat.

c) In Graulamtis

geneest Christus een doofstomme: „ EpJiphéta, d. i. word geopend.quot;

(Mc. VII, 34)

Genezing van velen.

2e wonderbare spijs vermenigvuldiging, nu van 7 brooden en eenige vischjes voor 4000 man (grootendeels heidenen), zóó dat nog 7 korven met brokken overblijven. (2)

d) In Dalmanütha,

(in de streek van Magédan of Mdgdala,)

werpt Christus den Phariseën en Sadduceën, die teekenen vragen, tegen, dat zij de teekenen niet erkennen willen, dat daarom , hun

C1) Derde Paaschfeest tijdens \'s Heeren openbaar leven. («) Vgl. bl. 77, g.

-ocr page 92-

79

qeen teeken zal qeqeven worden dan dat van Jonas den profeet.quot; (Matt. XVI, 4)

Terugvarend waarschuwt Hij zijne apostelen tegen het zuurdeeg van Phariseën, Sadduceën en Herodianen.

e) Te Bethsaïda Jülias

geneest Hij door speeksel eenen blinde.

f) Bij Caesaréa-Philippi

belijdt Simon Petrus zijn geloof; „Gij zijt de Christusquot; enz. (Matt.

XVI, 16 ; Mc. VIII, 29 ; Luc. IX, 20) ;

prijst Christus hem zalig: „want niet vleesch en bloedquot; enz. (Matt.

XVI\' 17); ..

en verheft Hij hem tot steenrots der Kerk, tot Zijnen plaatsbekleeder op aarde: „Gij zijt Petrus, en op deze steenrotsquot; enz. „En al wat gij gebonden zult hebbenquot; enz. (Matt. XVI, 18, 19). (Primaat en onfeilbaarheid des Pausen) (\').

g) In Galilea.

Christus voorzegt den apostelen Zijn lijden, dood en verrijzenis; tot Petrus spreekt Hij: „Ga weg, achter Mij, Satanquot; (= tegenstrever) enz. (Matt. XVI, 23; Mc. VIII, 33)

Rede des Heeren tot het volk ;

„Zoo iemand Mij wil navolgenquot; enz. (Matt. XVI, 24; Mc. VIII, 34; Luc. IX, 23)

„Wie zijn leven wil behoudenquot; enz. (Matt. XVI, 25; Mc. VIII, 35; Luc. IX, 24) (2)

„ Wat baat het den menschquot; enz. (Matt. XVI, 26; Mc. VIII, 36, 37; Luc. IX, 25)

„De zoon des menschen zal komenquot; enz. (Matt. XVI, 27; Mc. VIII, 38; Luc. IX, 26)

„Eenigen, die hier staan, zullenquot; enz. (Matt. XVI, 28; Mc. VIII, 89; Luc. IX, 27)

h) Op den berg Thabor

met Petrus, Jacobus (den Meerderen) en Joannes gestegen, verandert Christus van gedaante ; — Moses en Elias vertoonen zich aan Zijne zijde ; — Petrus wil drie tenten bouwen; — een wolk van licht overschaduwt de verheerlijkten ; — eene stem klinkt daaruit: „Deze is Mijn welbeminde Zoonquot; enz. (Matt. XVII, 5; Mc. IX, 6; Luc. IX, 35) (3); — de apostelen moeten dit alles voorloopig verzwijgen. (4)

Aan den voet des bergs geneest de Heer den bezeten en maanzieken jongeling.

Rede des Heeren tot de apostelen over de macht des geloofs:

„Indien gij tot dezen berg zult zeggenquot; enz. (Matt. XVII, 19). Op weg naar Capharnaüm, spreekt Christus weer over dood en verrijzenis.

(») Vgl. bl. 80, b, 5°. {quot;-) Vgl. bl. 85, a. (3) Vgl. bl. 70, b.

(4) De H. Kerk herdenkt deze gedaanteverandering des Heeren op den 6en Augustus.

-ocr page 93-

80

§ XL Laatste verblijf des Heeren te Capharnaüm.

a) De jaarlijksche tempelschatting

wordt door Jesus, voor Zich en voor Petrus betaald met een stoter (\'j, uit den mond van een visch gehaald.

/gt;) Redevoeringen des Heeren (Matt. XVIII; Mc. IX, 88—47): 1quot;. over den voorrang in het nieuwe Rijk :

„Indien gij u niet bekeert en niet wordt als kinderenquot; enz. 2°. over het uitdrijven van duivelen door anderen :

„ Wie niet tegen u isquot; enz.

3°. over de ergernis ;

„Wee der wereldquot; enz.; „Wee den menschquot; enz.; „Indien uw hand u ergertquot; enz.

4°. over de broederlijke berisping : eerst onder vier oogen, dan onder getuigen, dan mededeeling aan de Kerk, dan verbanning uit de Kerk ;

5°. over de rechtsmacht der apostelen :

„Al ivat gijlieden gebonden zult hebbenquot; enz. (2)

6quot;. over het vergeven der beleedigingen „tot zeventigmaal zevenmaalquot; ;

„ Waar twee of drie in Mijn Naamquot; enz.;

Gelijkenis van den onmeedoogenden knecht.

§ XII. Negende reis des Heeren van Galilea door het over-Jordaansche naar Jerusalem.

a) 72 leerlingen,

waaronder waarschijnlijk Joseph Bdrsabas en Math!as, ook Cleo-

phas en de andere Emmaüsganger (3),

door den Heer uitgekozen, onderricht, en twee aan twee ter prediking uitgezonden.

Terugkeerend roemen zij op hunne duivelsuitdrijvingen.

b) De bloedverwanten des Heeren,

den Heer aansporend, mede op te gaan naar Judea voor het Loofhuttenfeest, ontvangen ten antwoord: „Mijn tijd is nog niet gekomenquot; (d. i. om nu terstond en zoo openbaar te gaan). (Jo. VII, 6)

c) Op de grens van Samaria

wordt Hem het verblijf aldaar ontzegd: toorn en wraakzucht van Jacobus en Joannes {„Boanergesquot; — zonen des donders; Mc. III, 17); berisping des Heeren.

P) Vgl. bl. 19, noot 1 en bl. 115. (*) Vgl. bl. 79, f. (*) Vg). bl. 98, § I en bl. 96.

-ocr page 94-

81

Aan tien melaatschen beveelt de Heer zich te gaar; vertoonen aan de priesters, en zij worden genezen; slechts één, een Samaritaan, keert terug om te bedanken.

Afscheidswoord aan Galilea (Matt. XI, 25—30). waarin o. a.

„Komt tot Mij, alien,1\' enz. ;

„ Neemt Mijn pik op Uquot; enz.;

„Leert van Mij, dat Ik zachtmoedig\'1 enz.;

„Mijn juk is zoetquot; enz.

§ XIII. Verblijf des Heenen te Jerusalem.

Christus trekt den Jordaan over, dan door Perea en komt gedurende het Loofhuttenfeest te Jerusalem aan.

a) Christus\' redevoeringen tijdens het Loofhuttenfeest (jo. VII, 11—53).

Niettegenstaande de Joodsche toehoorders en de dienaren van den Hoogen Raad Hem telkens willen gevangen nemen, houdt Christus ongestoord in den tempel Zijne redevoeringen, waarin o. a. 1quot;. Zijne leer is eene goddelijke;

2°. de genezing van den lamme in het schaapsbad (1) is geen

Sabbatschennis;

3°. Hij heeft eene goddelijke en eene menschelijke afkomst; 4°. Hij zal nog slechts een korten tijd blijven;

5°. allen, die dorst hebben (naar de waarheid) moeten tot Hem komen, dan zullen zij later de volheid des H. Geestes ontvangen. Nicodémus laakt de handelwijze der Phariseën.

b) Christus\' redevoeringen na het Loofhuttenfeest (jo. VIII, 12—59),

1°. in het vrouwenvoorhof van den tempel, bij de offerkist:

over het licht der wereld, en

over het getuigenis afleggen van Hem en van den Vader; 2quot;. in den tempel, waar ten laatste Zijn vijanden Hem zelfs willen steenigen:

over hun ongeloof, en dat zij daarom in zonden zouden sterven ; over de geestelijke vrijheid;

over het kindschap Abrahams, het kindschap Gods, het kindschap des duivels; en dat Hijzelf de Zoon is van God en de Messias: „Eer Abraham werd, hen Ikquot;.

c) Gelijkenissen des Heeren (2);

1quot;. van den goeden herder en van de deur der schaapskooi (Jo. x),

door Hem op zichzelven toegepast;

2°. van den ontijdig vragenden vriend (Luc. Xl),

(\') Vgl. bl. 74; § VII, a. (2) Tgl. bl. 73, noot.

6

-ocr page 95-

82

3°. van den onrechtvaardigen rechter (Luc. XVIIl),

beide als vermaning tot volharding in het gebed; 4°. van den onvruchtbaren v ij ge boom (Luc. Xlll), als

bewijs voor Grods lankmoedigheid en gestrengheid; 5°. van den barmhartigen Samaritaan (Luc. X),

ter uitlegging van het gebod der naastenliefde;

6°. van den dwazen rijke (Luc. XIl),

ter waarschuwing tegen de overdreven bezorgdheid voor het aardsche ;

7°. van het verloren schaap (Luc. XV),

8°. van de verloren drachme (Luc. XV),

9°. van den verloren zoon (Luc. XV),

alle drie, ter verklaring zijner liefde jegens de zondaren ; 10°. van den onrechtvaardigen rentmeester (Luc. XVl),

om te leeren, hoe men zijn tijdelijk goed gebruiken moet; 11quot;. van Lazarus en den ryken man (Luc. XVl),

ten bewijze, dat, wat hoog is onder de menschen, niet zelden een gruwel is voor God;

12°. van den Phariseër en den tollenaar (Luc. XVIIl), ten bewijze, dat God den trotschen wederstaat, maar den nede-rigen Zijne genade schenkt.

d) Daden des Heeren.

Eene overspelige vrouw wordt daags na het Loofhuttenfeest in den tempel door Christus gered van de straf der steeniging; hare aanklagers beschaamt Hij door Zijn woord: „ Wie uwer zonder zonde is, werpe het eerst den steen op haar1\' (Jo. VIII, 7). Eenen blindgeborene geneest Christus op een Sabbat door middel van Zijn speeksel en van eene wassching in den vijver ran Siloë; de Phariseën ondervragen hem en zijne ouders, stooten hem uit de synagoge ; de Heer brengt hem tot het ware geloof. Ook op een Sabbat heelt Christus door handoplegging eene vrouw, die sinds 18 jaar bezeten en verlamd is, en verdedigt zich tegen de aanklacht van Sabbatschennis.

Te Bethdnia brengt Christus een bezoek bij Martha en Maria en prijst het gedrag van deze laatste.

e) Christus\' redevoering op het feest der Tempelwijding

(Jo. X, 22—29),

waarin Hij een beroep doet op Zijne werken, en

verklaart één met den Vader en dus God te zijn.

Weer wil men Hem grijpen en steenigen, maar te vergeefs.

§ XIV. Tiende peis des Heeren:

doop Pepéa (4e Evangeliereis).

a) Te Bethanië of Bethabara over den Jordaan

predikt Christus en geneest Hij, zoodat vele oud-leerlingen van Joannes in Hem gelooven.

-ocr page 96-

83

Hij spreekt over de onverbreekbaarheid van den huwelijksband en

over de voortreffelijkheid van den maagdelijken staat.

Hij laat de kinderen tot Zich komen en zegent hen.

Aan den rijken jongeling houdt Hij de naleving der geboden als plicht voor, maar als raad: „ Verkoop, al wat gij hebt.... en volg Mij.\' (Matt. XIX, 21; Mc. X, 21; Luc. XVIII, 22) \'

Hij noemt het moeielijk voor rijken om zalig te worden (kameel). Hij belooft den Apostelen en allen, die om Hem allea verlaten, de

hemelsche glorie (12 tronen).

Hij verklaart, dat de ijver, niet de duur van den dienst des Heeren de belooning bepaalt, door de gelijkenis van de arbeiders in den wijngaard (Matt. XX, 1—16).

b) Op weg naar Jerusalem.

Hij beschrijft, hoe de zondaars te vergeefs zullen kloppen aan de hemelpoort.

Gewaarschuwd door de Phariseën tegen Herodes Antipas, viervorst ook van Perea, antwoordt Hij, dat Zijn tijd bepaald is, en dat Hij in Jerusalem zal sterven.

c) Aan den maaltijd bij den Phariseër

heelt Hij, al is het Sabbat, een waterzuchtige ;

spreekt Hij over het plaats nemen aan den bruiloftsdisch;

beveelt Hij voor behoeftigen maaltijden aan te rechten ; en stelt Hij de gelijkenis voor van de genoodigden tot het avondmaal (Luc. XIV, 16—24).

d) Op weg

houdt Hij de groote Hem omringende gemeente voor, wat vereischt

wordt om Zijn leerling te worden,

en waarschuwt Hij door 2 parabels (toren bouwen — oorlog

voeren) (Luc. XIV, 28—32) tegen de onberadenheid.

Boodschap van Martha en Maria, dat hun broeder Lazarus ziek is: na twee dagen gaat Hij op naar Bethanië.

§ XV. Elfde reis des Heeren :

van Perea door Judea naar Jerusalem.

a) Christus te Bethanië (bij Jerusalem),

waar Hij eerst vier dagen na de begrafenis van Lazarus aankomt. Ontmoeting met Martha, dan met Maria; Jesus weent met hen. Christus wekt Lazarus uit den dood op.

Velen gelooven, anderen blijven halsstarrig, het Sanhedrin veroordeelt op voorstel van den hoogepriester Cdïphas Jesus ter dood : vHel is nuttig, dat één mensch sterve voor het volk* (Jo. XI, 50).

b) Christus te Bphrem enz.

Hij voorspelt aan Zijne apostelen allerduidelijkst Zijn aanstaand lijden. Zijn dood en begrafenis.

-ocr page 97-

84

Op weg naar Jericho vraagt Salóme voor hare zonen Jacobus en Joannes de eereplaatsen in het Rijk Gods; hun verzoek wordt bestraffend afgewezen.

c) Christus nabij en in Jericho.

Vóór de stad geneest Hij een blinden bedelaar.

In de stad neemt Hij Zijn intrek bij Zachaéiis, den Romeinschen tolmeester.

Na het verlaten der stad geneest Hij weer een blinden bedelaar,

Bartimaéüs.

d) Op weg naar Jerusalem

stelt Christus, om den apostelen te leeren, dat zij hun loon door arbeid en lijden moeten verdienen, hun voor de gelijkenis der 10 ponden. (Luc. XIX, 12—27) C1)

e) Te Bethanië,

op het avondmaal bij Simon den melaatsche, stort Maria, Lazarus\' zuster, een flesch nardusbalsem over !s Heeren hoofd en voeten uit, eene daad, in stilte afgekeurd door eenige leerlingen, openlijk door den geldzuchtigen Judas Iscariot, hoog echter geprezen door den Heer zeiven.

f) Verraad van Judas (2).

Besluit van den Hoogen Raad, om Jesus tot na het Paaschfeest ongemoeid te laten,

gewijzigd door de komst van Judas, die aanneemt Zijnen Heer over te leveren voor 30 zilveren geldstukken (3).

§ XVI. Verblijf des Heeren in en nabij Jerusalem.

a) Zondag van de lijdensweek.

Op een veulen, \'t jong eener ezelin, beide door twee apostelen uit Béthphage gehaald, rijdt Christus van Bethanië naar Jerusalem; — wordt begroet door juichende Galileërs: , Hosanna! Gezegend Hij, Die komtquot; enz. (Matt. XXI, 9; Mc. XI, 10; Luc. XIX, 38; Jo. XII, 13); — weent over Jerusalem: Mocht gij erkennen71 enz. (Luc.XIX,42); — voorspelt haren ondergang; — trekt de stad binnen naar den tempel.

Redevoering des Heeren (jo. XII, 20—36), naar aanleiding van het verzoek door eenige heidenen (wellicht bekeerlingen uit de heidenen) aan Philippus (en Andreas) gedaan, om den Heer te zien (4); waarin o. a.

„Indien de tarwekorrel niet.... gestorven isquot; enz;

-ocr page 98-

85

, Die zijn leven liefheeft* enz., f1)

„Nu is mijne ziel ontroerdquot; .... „Vader, verheerlijk Üwen Naam.quot;

(Stem uit den hemel: ,Ik heb verheerlijkt en Ik zal wederom verheerlijkenquot; enz.)

,ƒamp;, wanneer Ik van de aarde zal omhoog geheven zijn,quot; enz., „ Wandelt, terwijl gij het licht hebt,quot; enz.

Terugkeer naar Bethanië.

b) Maandag.

Opgaande met Zijne leerlingen naar Jerusalem, vervloekt de Heer den vijgeboom, die geen vruchten draagt.

2e reiniging des tempels (2).

Hij leert en geneest; \'t Hosanna der kinderen.

Terugkeer naar Bethanië.

c) Dinsdag.

De Apostelen, verbaasd over den verdorden vijgeboom, worden door den Heer tot sterk geloof aangespoord.

Antwoord des Heeren aan de Hem in den tempel omringende belagers, waarin o. a.

voor de schijnheilige Sanhedristen (3)de gelijkenis van den vader, die z^n® twee zonen naar den wijn-gaard zendt; (Matt. XXI, 28—31)

voor het ondankbare Joodsche volk de gelijkenis der oproerige landbouwers; (Matt. XXI, 33—41; Mc. XII, 1—9; Luc. XX, 9—16).

voor het onwillige Israël de gelijkenissen van het koninklijk bruiloftsmaal en van het bruiloftskleed; (Matt. XXII, 1—14)

voor de geslepen Phariseërleerlingen en Herodianen Zijne beslissing : „ Geef den keizer, wat des keizers is, enz. (Matt. XXII, 21; Mc. XII, 17; Luc. XX, 25) ;

voor de ongeloovige Sadduceën Zijne verklaring, dat er in het

andere leven geen huwelijk meer bestaan zal;

voor den Phariseër, den leeraar der wet. Zijne uitspraak, dat het eerste aller geboden is het dubbele gebod der liefde.

Vraag des Heeren ter beschaming Zijner vijanden, hoe de Messias tegelijk èn zoon èn Beer van David kan wezen.

d) Woensdag. (4)

In de galerij van het vrouwenvoorhof bij de offerkist prijst Jesus het offertje der arme weduwe, en houdt Hij

eene strafrede tegen de schijnheilige Phariseën (Matt. XXIIl), waarin o. a.

(\') Vgl. bi. 79, g. (2) Vgl. bl. 71, § III, a.

(3) De Sanhedristen zgn de leden van het Sanhedrin of den Hoogen Raad der Joden, welke leden gekozen werden uit de opperpriesters (= hoofden der priester-afdeelingen), nit de icet\' of schriftgeleerden, en uit de ouderlingen (= stamhoofden der familiën). De meeste priesters en schriftgeleerden behoorden tot de partij der Phariseër..

(4) Al wat hier verhaald wordt, als zijnde op Woensdag geschied en gesproken, wordt door velen gesteld op Dinsdag, zoodat dan voor Woensdag niets overblijft, dan een stil verblijf te Bethania en hetgeen vermeld staat bl. 84, noot 2.

-ocr page 99-

86

tot het volk : ,Doet alles, wat zij u zeggen, maar doet niet naar

hunne icerkenquot; ;

tot de apostelen : „ Wilt geen Rabbi genoemd worden,quot; enz.; tot de Phariseën en schriftgeleerden zelve een achtvoudig „ Wee u !quot; tot Jerusalem : „Hoe dikwijls heb Ik ...maar gij hebt het niet gewild. *

Heengaande uit den tempel voorspelt Christus, dat daarvan „geen steen op den anderen gelaten zal worden.7\' (Matt. XXIV, 2 ; Mc. XIII, 2; Luc. XXI, 6).

Op den Olijfberg rede des Heeren tot de apostelen (Matt. XXIV, XXV; Mc. XIII; Luc. XXl), waarin voorspellingen betreffende de verwoesting van Jerusalem en het einde der wereld : voorteekenen van beide :

1°. valsche Christussen;

2\'). gevechten, oproeren, oorlogen;

3°. aardbevingen en schrikwekkende luchtverschijnselen;

4U. pestziekten en hongersnood;

5°. vervolgingen tegen het Christendom;

6°. uitbreiding van \'t Christendom over heel de aarde (vgl. Rom. I, 8);

beschrijving van Jerusalems verwoesting ;

voorteekenen van het einde der wereld;

lu. valsche Christussen, die groote wonderen zullen doeu; 2°. stoornis aan den hemel en in de natuurelementen ; 3quot;. schrik der volkeren; en dan

4°. „zal het teeken van den Zoon des menschen in den hemel verschijnenquot; enz. ;

bevestiging van de zekerheid dezer profetiën door de g e 1 ij k e-

nis van den vijgeboom (Mc. 28, 29 ; Luc. 29—31) ; vermaningen tot waakzaamheid :

lu. onverwachts zal Hij komen, als een dief in den nacht, als een strik, die dichtgetrokken wordt, als een heer, die zijn dienstknecht thuis komt verrassen ;

2°. gelijkenis der 5 wijze en der 5 dwaze maagden (Matt. XXV, 1—13);

3U. gelijkenis der talenten (Matt. 14—80) (\'); beschrijving van het laatste oordeel.

Terugkeer naar Bethanië.

Voorspelling van Zijn kruisdood: „Gij weet, dat het na twee dagenquot; enz. (Matt. XXVI, 2).

(■) Vgl. bl. 84, d.

-ocr page 100-

87

IIP AFDEELING.

Geschiedenis van Christns\' dood, verrijzenis en hemelvaart.

Tijdrekening.

Volgens Mure stierf Christus op den 14equot; dag van de maand Nisan, of, volgens onze spreekwijze, op Vrijdag, den 3™ April van het jaar 33 onzer jaartelling, en dus in den ouderdom van ruim 40 jaar (^.

Waarschijnlijke urenverdeeling van den laatst en dag:

Om half 7 : begin van het laatste avondmaal;

Om 9 uur: instelling van het H. Sacrament des Altaars; , 11 , : afinkomst in den hof van olijven;

„ 12 , : gevangenneming en wegvoering van Jesus ; „ 1 , ; terdoodveroordeeling van Jesus door den Hoogen Raad;

• 90 *

n v d \' * v v v v 71 v

, 6 , : overlevering van Jesus aan Pilatus;

„ 8 „ : bespotting van Jesus door Hei-odes;

, 9 , : terugkeer van Jesus bij Pilatus;

, 10 , : terdoodveroordeeling van Jesus door Pilatus ;

, 11 , : wegvoering van Jesus naar Calvarië;

Vóór 12 , : kruisiging des Heeren;

Om 3 „ : dood des Heeren;

„ 4 , : afneming van \'s Heeren lichaam;

„ 6 , ; einde der begrafenis.

§ I. Het laatste avondmaal.

a) Voorbereiding.

Volgens het bevel van Jesus, gaan Petrus en Joannes naar Jerusalem, volgen een man, die een kruis draagt, vragen in het huis, waar deze binnengaat, de eetzaal voor hunnen Meester, en bereiden daar het paaschmaal (paaschlam, ongedeesemde brooden, bittere kruiden, wijn). (Mt. XXVI, 17—19; Mc. XIV, 12—16; Luc. XXII, 7—13). h) Paaschmaal.

\'s Avonds komt Jesus met de anderen. (Mc. 17)

Twist over den voorrang (waarsch. aan tafel); berisping des Heeren;

belofte der eeuwige belooning. (Luc. 24—30)

Jesus zet zich neder met de twaalf (Joannes aan Zijne rechterhand,

Petrus» en Judas in Zijne nabijheid). (Mt. 10, Luc. 14) Zij gebruiken het Paaschmaal: „ Met verlangen heb Ik verlangdquot; enz.; — „Voortaan zal Ik het niet* enz.; — TLk zal van dezevrucht des wijnstoiks niet drinken, totdatquot; enz.(Mt. 29, Mc. 25, Luc. 15—18).

c) Voetwassching.

Jesus, Zijne godheid bewust, staat op en wascht den apostelen de voeten (ook van Judas: „Gij zijt rein, maar niet allen\')\', verzet van Petrus. (Jo. XIII, 1—12)

Toespraak des Heeren, o. a. „Een voorbeeld heb Ik u gegeven\' enz. (Jo. 13—20)

d) Aanwijzing van den verrader: (2)

Jesus: Voorwaar, voorwaar. Ik zeg u, één van u zal Mij verradenquot;.

(ï) Vgl. bl. 65. Meer algemeen is de meening, die aan den stervenden Jesns eenen leeftijd toekent van 33 jaar.

(2) Hier wordt volgens Moré de orde der evangelisten Matthaeüs en Marcus gevolgd. Velen echter, de voorkeur gevend aan de rangschikking van den H. Lucas, plaatsen de aanduiding en het vertrek des verraders na de instelling van het H. Sacrament des altaars.

-ocr page 101-

88

De apostelen (angstig); Ben ik het, Heer ?quot;

Jesus: „Eén van de twaalf, die met Mij de hand in ^««[zelfden]

schotel C1) doopt*.

Joannes (op Petrus\' wenk): , Heer, ivie is het ?quot;

Jesus (tot Joannes): , Hij, aan ivien ik het ingedoopte brood zal toereikenquot;. Judas (aan wien de Heer het brood geeft): ,Heer, hen ik het?quot; Jesus (tot Judas): „Gij hebt het gezegdquot;-, en als hij nu heengaat: „Wat gij doet, doe het haastelijk.quot; (Mt. XXVI, 21—25; Mc. XIV, 18—21; Luc. XXTI, 21—23; Jo. XIII,\'21—30)

é) Instelling van het H. Sacrament des altaars,

alsmede van het H. Misoffer en van het Priesterschap des Nieuwen Testaments:

Paulus, I Cor. XI, 23- 25. ,Ik heh van den Heer ontvangen, .. .

dat de Heer Jesus brood nam.

Mt. 26—29.

Mc. 22—24.

Luc. 19-20.

„ Terwijl zij nu aten,nam Jesus brood,

en zegende.

en brak

en gaf het

aan Zijne leerlingen,

en zeide:

Neemt

en eet!

dit is Mijn Lichaam.

zeggende:

Drinkt allen hieruit! want dit is Mijn Bloed des Nieuwen Testaments,

dat voor velen zal

vergoten worden tot vergiffenis der zonden.\'quot;

dankte Hij en gaf hun dien,

En den kelk nemende.

„ En terwijl zij aten,nam Jesus brood,

en zegenend

brak Hij het en gaf het hun,

en zeide;

Neemt!

dit is Mijn Lichaam.

gaf Hij hun dien,

dankend,

(en zij dronken allen

daaruit,)

en Hij zeide hun:

Dit is Mijn Bloed des Nieuwen Testaments,

dat voor velen zal vergoten worden.quot;

En den kelk genomen hebbende,

Dit is Mijn Lichaam, dat voor u gegeven wordt,

doet dit tot Mijne

gedachtenis. Insgelijks ook den kelk, nadat Hij het avondmaal gehouden had.

„En brood genomen hebbende,

dankte Hij en braken gaf het hun,

zeggende:

zeggende :

Deze is de kelk, het Nieuwe Testament in Mijn Bloed, dat voor u zal vergoten worden.quot;

en zeide:

Neemt en eet!

dit is Mijn Lichaam, dat voor u zal worden overgeleverd ;

doet dit tot Mijne gedachtenis. Insgelijks ook den kelk, nadat Hlt;j het avondmaal gehouden had,

zeggende:

Deze kelk is het Nieuwe Testament in Mijn Bloed.

Doet dit, zoo dikwijls gij dien drinken zult, tot Mijne gedachtenis.quot;

en dankend het brak.

(\') Op de tafel stonden schoteltjes, welke eene toespijs bevatten, charónet geheeten: dit was een soort brij, door naam en roode kleur herinnerend aan de tichelsteenen van Egypte.

-ocr page 102-

89

Na de H. Communie werd een lofzang gezongen, nl. «ie 4 laatste psalmen van het groote Hallel. (1) (Mt. XXVI, 30; Mc. XIV, 26)

f) Voorspellingen en andere uitspraken des Heeren:

tot allen, hoe nu (door Zijn dood en verrijzenis) èn de Vader èn

de Zoon verheerlijkt zullen worden ; (jo. XIII, 31—33)

ook: „Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander lief hebtquot; enz. (Jo. 34-35) ;

tot Petrus: 1°. zijn toekomstige dood en verheerlijking: hij zou den Heer navolgen ;

2quot;. zijn toekomstige onfeilbaarheid en het doel van zijn ambt: „Simon, zie de Satan\'1 enz., „maar Ik heb voor u gebedenquot; enz. ;

3°. zijn toekomstige verloochening: „De haan zal heden niet kraaien, eer gij driemaal enz. (Luc. XXII, 31—34, Jo. 36—38) ;

tot allen, dat zware tijden nabij zijn : „die een buidel heeft, neme dienquot; enz., „die geen zwaard heeft, koope er eenquot; enz. (Luc. 35—38).

g) Afscheidsrede des Heeren.

waarin Hij

1°. de apostelen tracht te bemoedigen tegen de nabijzijnde beproevingen :

zij moeten vertrouwen op den Vader en op Hem (.lo. XIV, 1—ll), zij kunnen verzekerd zijn van Zijne hulp en voorspraak (Jo. 12—15),

zij zullen Zijnen Geest ontvangen en Hemzelven nog weerzien (Jo. 16—26),

zij zullen Zijnen vrede ontvangen (jo. 27—31) ; (2) 2°. hen vermaant tot de eenheid :

zij moeten één zijn met Hem door de genade (Jo. XV, 1—ll), zij moeten één zijn onder elkander (Jo. 12—17),

zij moeten één blijven in alle vervolgingen (Jo. 18—27); 3°. hen troost en onderricht:

zij zullen in de vervolgingen den H. Geest ontvangen (jo. XVI,

zij zullen Hemzelven spoedig wederzien (Jo. 16—22),

zij kunnen in Zijn Naam alles van Zijn Vader verkrijgen (Jo. 22—33).

-ocr page 103-

90

h) Hoogepriesterlijk gebed.

Jesus bidt,

1°. als mensch, voor Zijne eigene verheerlijking (Jo. XVII, 1—5),

2°. voor de apostelen (Jo. 6—19),

3°. voor alle Christenen (Jo. 20—26).

§ II. De hof van olijven.

a) De tocht daarheen.

De Heer verlaat de opperzaal en Jerusalem en gaat met de elf apostelen door de vallei en over de beek Cedron, ten O. der stad, naar den Olijfberg. (Mt. XXVI, 30; Mc. XIV, 26; Luc. XXII, 39; Jo. XVIII, l)

Onderweg voorzegt de Heer

hoe zij allen dien nacht aan Hem geërgerd zullen worden ; hoe Hij na Zijne verrijzenis hen zal voorgaan naar Galilea; en hoe Petrus dien nacht, vóór het tweede hanengekraai, Hem driemaal zal verloochenen (\'). (Mt. 31—35; Mc. 27—3l)

Zij komen bij eene hoeve, Gethsémani (== oliepers) geheeten, en gaan daar binnen (Mt. 36, Mc. 82, Jo. l).

b) \'s Heeren doodsangst.

Jesus laat 8 apostelen aan den ingang achter, en met Petrus, Jacobus en Joannes (2) verder gegaan zijnde, spreekt Hij:

„Mijne ziel is bedroefdquot; enz..... *Blijft hier en icaakt met

Mij.\' (Mt. 36—38 ; Mc. 32—34 ; Luc. 40)

Alléén gaat Hij een steenworp verder, geraakt in doodsstrijd, wordt met bloedig zweet bedekt, en bidt: , Vader.... neem dezen kelk-van Mij weg, doch\'1 enz.

De apostelen, driemaal ingeslapen, worden driemaal door den Heer gewekt.

Een engel komt den Heer bij Zijn 3quot; gebed versterken.

Dan voegt Hij Zich weder bij de apostelen. (Mt. 39—46, Mc. 35—42, Luc. 41—46)

c) \'s Heeren gevangenneming.

Judas komt met eene bende, bestaande uit dienaren van het Sanhedrin en Romeinsche soldaten (3), verder uit opperpriesters, tempel-hoofden en ouderlingen, en kust den Heer. (Mt. 47—49; Mc. 43— 45; Luc. 47, 52; Jo. 2—3)

Jesus antwoordt: „Vriend, waartoe zijt gij gekomen?quot; enz.;

doet door Zijn „Ik ben hetquot; de aanvallers op den grond vallen; beschermt Zijne apostelen ; „laat dezen gaanquot; ;

berispt Petrus, die Malchus, een dienaar des hoogepriesters het rechteroor heeft afgehouwen ; „Allen, die het zwaard grijpenquot; enz .... Of meent gij, dat Ik Mijn Vaderquot; enz.;

(\') Vgl. bi. 89./. (s) Vgl. bl. 74, c; bl. 79. h.

(3) De Joodsche overheden hadden op hunne hoogfeesten beschikking over eene kleine afdeeling Romeinsche soldaten.

-ocr page 104-

91

geneest dat oor;

verwijt den priesters enz.: „Als tegen een moordenaar,\' enz.; en laat 2\'ich binden. (Mt. XXVI, 50—55; Mc. XIV, 46—43; Luc. XXII, 48—53; Jo. XVIII, 4-12).

De apostelen gaan op de vlucht. (Mt. 56, Mc. 5ö)

§ III. Christus voor den Hoogen Raad.

a) Overbrenging van den gevangen Jesus.

Petrus en een andere leerling (Joannes ?) volgen van verre.

(Mt. 58, Mc. 54. Luc. 54, Jo. 15)

Een jongeling in nachtgewaad, door de manschappen gegrepen,

ontsnapt. (Mc. 51, 52)

Vertooning des Heeren aan Annas, den oud-hoogepriester en schoonvader van Caïphas. (Jo. 13)

Overbrenging van Jesus naar het huis van Caïphas, den hooge-priester van dat jaar C1). (Mt. 57, Mc. 58, Luc. 54, Jo. 24)

h) De nachtelijke zitting

van het Sanhedrin : Caïphas, de opperpriesters, schriftgeleerden en

ouderlingen. (Mt. 57, Mc. 53)

Op Caïphas\' vraag naar Zijne leer en Zijne leerlingen, antwoordt

Jesus: vlk heb openlijk gesproken\'\' enz. (Jo. 19—21)

Kaakslag van een der dienaren. (Jo. 22, 23)

Getuigenverhoor o. a. betreffende het afbreken van den tempel, mislukt en door Jesus met stilzwygen beantwoord. (Mt. 59—62; Mc. 55—60)

Caïphas\' bezwering : „Zijt Gij de Christus\'\' enz.; — Christus\' antwoord : vlk ben hetquot; enz. (Mt. 63, 64; Mc. 61, 62)

Aller uitspraak; Hij is des doods schuldigquot;. (Mt. 65, 66; Mc. 63, 64)

o) De nachtelijke bespotting.

Jesus wordt door de gerechtsdienaars mishandeld : bespuwd, geslagen, geblinddoekt bespot, maar Hij zwijgt. (Mt. 67, 68; Mc. 65; Luc. 63—65)

d) Verloocheningen van Petrus.

Op aanbeveling van den anderen leerling (zie a) laat de poortwachtster Petrus binnen in het voorhof des hoogepriesters, waar hij zich warmt. (Mt. 58, Mc. 54, Luc. 55, Jo. 15—18) 1° verloochening: tengevolge van een vraag en eene beschuldiging

der poortwachtster. (Mt. 69, 70; Mc. 66—68 ; Luc. 56, 57 ; Jo. 17) Eerste hanengekraai.

2e verloochening (met een eed): tengevolge van de beschuldiging eener tweede dienstmaagd en eene vraag der gerechtsdienaars. (Mt. 71, 72; Mc. 69, 70; Luc. 58; Jo. 25)

(!) Het hoogepriesterschap was een ambt voor het leven, dat gewoonlijk op den eerstgeborene overging. De Syrische vorsten verkochten het aan den meestbiedende; vgl. bl.

60. Sinds Herodes en de Romeinsche overheersching werd het door de wereldlijke macht

naar willekeur gegeven en ontnomen.

-ocr page 105-

92

Bespotting des Heeren: (zie c); na een uur :

3quot; verloochening (met eeden, vloeken en zelfverwenschingen): tengevolge van een vraag, door een bloedverwant van Malchus, en van de beschuldiging, door de gerechtsdienaars tot hem gericht. (Mt. XXVI. 73, 74; Mc. XIV, 70, 71; Luc. XXII, 59, 60; Jo. XVIII, 26)

Tweede hanengekraai.

Blik des Heeren, die voorbijgevoerd wordt.

Petrus erkent zijn schuld, gaat heen en weent bitter. (Mt. 75. Mc. 72, Luc. 61—62, Jo. 27)

e) De ochtendzitting,

waarsch. in de vergaderzaal van het Sanhedrin.

Doel: het doodvonnis uit te spreken, hetgeen \'s nachts niet geoorloofd was.

Christus verklaart nogmaals de Zoon Gods te zijn, en wordt dan veroordeeld (gt;). (Mt. XXVII, 1; Mc. XV, 1; Luc. 66—70)

TUSSCHENVERHAAL.

Einde van Judas.

Judas werpt in den tempel het ontvangen bloedgeld aan eenige opperpriesters voor, gaat heen in wanhoop en verhangt zich. (Mt. 3—5. Hand. I, 18)

De priesters koopen voor dat geld een akker buiten Jerusalem voor begraafplaats der vreemdelingen (bloedakker = Hacéldamd). (Mt. 6—10, Hand. I, 18, 19)

§ IV. Christus voop Pilatus.

De Sanhedristen voeren Jesus naar Póntius Pilatus, den Romeinschen landvoogd van Judea. (Mt. 2; Mc. 1; Luc. XXIII, 1: Jo. 28)

Waarom? 1°. omdat zij sinds de Romeinsche overheersching slechts met toestemming van den landvoogd, en dan slechts door steeniging, hunne doodvonnissen mogen uitvoeren; maar vooral

2°. omdat zij voor de zekerheid en voor eigen veiligheid willen bewerken, dat Jesus, als schuldig tegen de Romeinsche wet, veroordeeld en terdood-gebracht wordt.

Waar? In het rechthuis (praetorium), waarsch. een deel van den burcht Antonia; daarvóór, op een verheven met steenen geplaveide plaats, Lithostrótos of Gahbatha, stond de rechterstoel. (Jo. 28. Vgl. Jo. XIX, 13 )

a) Eerste verhoor en vrijspraak.

Jesus met de gerechtsdienaars in het praetorium, de Sanhedristen, om wille van bet Paaschfeest, buiten die woning eens heidens. (Jo. 28)

Vóór het praetorium verneemt Pilatus van de Joden het doel van hun komst (jo. 29—32) en hunne drie beschuldigingen:

(\') Dit is de derde maal, dat de Heer door het Sanhedrin wordt ter dood veroordeeld;

vgl. bl. 83, § XV, a en bl. 91, h.

-ocr page 106-

93

1°. Hij verleidt ons volk;

2quot;. Hij verbiedt schatting te betalen aan den keizer;

3°. Hij zegt Christus, de koning, te zijn. (Luc. XXIII, 2)

In het praetorium ondervraagt Pilatus Christus: „Zijt Gij de Koning der Joden?quot; wat Deze bevestigt, maar: „Mijn Rijk is niet van deze wereld.quot; (Mt. XXV11, 11; Mc. XV, 2; Luc. 3; Jo. XVIII, 33—38) Vóór het praetorium met Jesus gekomen, verklaart Pilatus: „Ik vind geen schuld in dezen menschquot; verneemt opnieuw de beschuldigingen, en verbaast zich over \'s Heeren stilzwijgen. (Mt. 12—14, Mc. 3—5, Luc. 4—5)

h) Christus voor Herodes.

Pilatus zendt den aangeklaagden Galileër naar den viervorst van

Galilea, Herodes Antipas, te Jerusalem aanwezig.

Jesus, ondervraagd, zwijgt, wordt verguisd en, met een wit kleed omhangen, teruggezonden. (Luc. 6— 12)

c) Reddingspogingen van Pilatus en veroordeeling.

Pilatus betuigt den Joden voor de 2quot; maal Jesus\' onschuld, maar

wil wel Hem laten geeselen. (Luc. 13—16)

P. laat het volk kiezen: de vrijlating van Bardbbas, een struik-roover en moordenaar, of van Jesus. (Mt. 15—18; Mc. 6—10: Luc. 17, 19 ; Jo. 39, 40)

Het volk, opgeruid door de Sanhedristen, roept: „ Weg met Dezen en laat ons JBarabbas vrij!quot; en „Kruisig, kruisig Hem!quot; (Mt. 20—23; Mc. 11—14; Luc. 18, 20—23; Jo. 40)

Vruchtelooze waarschuwing van Pilatus\' echtgenoote. (Mt. 19) Pilatus bezwijkt, veroordeelt den „Rechtvaardigequot;, en wascht zich

in onschuld de handen (!) (Mt. 24, Luc. 22—25)

\'t Volk schreeuwt: „ Zijn Bloed zij op ons en onze kinder en!quot; (Mt. 25)

d) Geeseling en doornenkroning.

Jesus wordt door Romeinsche soldaten gegeeseld (begin van de

uitvoering der kruisstraf\'); (Jo. XIX, l)

dan door de geheele bende in een voorhof van \'t praetorium bespot: ontkleed, met een roeden mantel omhangen, met doornen gekroond, met een rietstok geslagen, bespuwd. (Mt. 27—30; Mc. 16—19; Jo. 2—3)

e) Pilatus\' hernieuwde reddingspogingen mislukt.

Hij voert den mishandelden Jesus naar buiten: „Ziet, de mensch !quot; — hij verklaart voor de 4e en 5e maal in Hem geen schuld te vinden; — hij wordt toornig; — maar de Joden roepen: „Kruisig Hem,quot; en: „Hij moet sterven, omdat Hij Zich tot Zoon Gods gemaakt heeft.quot; (jo. 4—7)

Pilatus, bang geworden voor de goden, ondervraagt in het rechthuis Jesus naar Zijne afkomst, en treedt naar buiten om Hem vrij te spreken.

De Joden dreigen met den keizer, en op zyn spotten met hunne aanklacht antwoorden zij: „ Wij hebben geen koning dan den Keizer.quot; Nu laat Pilatus Jesus wegvoeren ten kruisdood. (Jo. 8—16)

-ocr page 107-

94

§ V. Christus\' kruisweg, kruisiging en dood.

a) De kruisweg.

De soldaten doen Jesus weder Zijne kleederen aan. beladen Hem met het kruis en voeren Hem, en ook twee moordenaars (waarsch. gezellen van Barabbas) naar de strafplaats, Golgotha of Calvarië (= hoofdschedel), een lagen heuvel, ten N.W. van Jerusalem, even buiten de muren der stad. (Mt. XXVII, 31, 33; Mc. XV. 20, 22; Luc. XXIII, 32: Jo. XIX, 17, 20).

Onderweg dwingen zij om wille van Jesus\' zwakte Simon, van Cyréne (in N. Afrika) geboortig en vader van Alexander en Rufus, 7s Heeren kruis te dragen. (Mt. 32, Mc 21, Luc. 26)

Eene groote menigte volgt den stoet, ook eenige weenende Jeru-salemsche vrouwen, tot wie Jesus een woord van medelijden en vermaning richt. (Luc. 27—31)

h) De kruisiging.

Op Golgotha biedt men Jesus gemirden wijn (waarsch. een pijn-verdoovend middel) aan, dien Hij echter weigert. (Mt. 34, Mc. 23) Jesus wordt ontkleed, en met handen en voeten door 4 soldaten aan het kruis genageld, terwijl Hij bidt (le kruiswoord): „ Vader, vergeef het hun, want zij weten niet, wat zij doen.\' (Luc.34)

Zijn kruis wordt opgericht en gesteld tusschen die der 2 moordenaars. (Mt. 85, Mc. 27, 28, Luc. 83, Jo. 18)

Een bord wordt boven aan \'s Heeren kruis bevestigd, waarop, ondanks het verzoek der Sanhedristen, geschreven staat in \'t Latijn, \'t Grieksch en \'t Hebreeuwsch: , Jesus, de Nazarener, de Koning der Joden.\' (Mt. 87, Mc. 26, Luc. 88, Jo. 19-22)

De kleederen der gekruisten worden onder de 4 soldaten verdeeld, om \'s Heeren lijfrok zonder naad het lot geworpen. (Mt. 35, Mo. 24, Luc. 34, Jo. 23, 24)

De soldaten blijven wacht houden bij de kruisen. (Mt. 36)

c) Jesus aan het kruis,

waaronder zich vereenigen Maria, Zijne Moeder, Joannes de Apostel, Maria, de echtgenoote van Cleophas, en Maria Magdalena en na den dood ook Salome. (Mc. 40, Jo. 25, 26)

Jesus wordt bespot door het volk, door de Sanhedristen en door

de soldaten (Mt 39—48, Mc. 29—82, Luc. 85—37);

ook door een der twee moordenaars ; de ander berispt dezen, erkent zijn eigen schuld, Jesus\' onschuld, gelooft, en krijgt ten antwoord (2° kruiswoord): „ Voorwaar, Ik zeg u, heden zult gij met Mij in het paradijs (1) zijn.quot; (Mt. 44, Mc. 32, Luc. 89—43)

Op het zesde uur ontstaat groote duisternis, die duurt tot het negende (— van 12 tot 3 uur) (Mt. 45, Mc. 33, Luc. 44—45)

(\') d. w. z. voorloopig in het voorgebergte van de heiligen des Ouden Terbonds.

-ocr page 108-

95

Tot Maria spreekt Jesus (3quot; kruiswoord): „Vrouic, zie, uw zoon!quot; —

tot Joannes: „Zie, uwe Moeder!7\' (Jo. XIX, 26—27)

Op het 9quot; uur roept Jesus luide (4quot; kruiswoord): „EU, Eli, enz. i. i.: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten!\' — spot van omstanders.

Jesus klaagt (5quot; kruiswoord); ^lk heb dorst!quot; — een soldaat; laat Hem uit een spons azijn drinken. (Mt. XXVII, 47—49; Mc. XV, 35, 36; Jo.28,29) Jesus zegt (6quot; kruiswoord): „Het is volbracht,quot; (d. w. z. het verlossingswerk), roept dan luide (7\' kruiswoord): „ Vader, in Uwe handen beveel Ik Mijnen geest!quot; en, het hoofd buigend, sterft Hij. (Mt. 50, Mc, 37, Luc. XXIII, 46, Jo. 30) 0)

d) Na den dood.

Wonderen : het voorhangsel in den tempel scheurt,

de aarde beeft,

steenrotsen scheuren vaneen,

graven worden geopend,

ontslapen heiligen verrijzen. (Mt. 51—53, Mc. 38, Luc. 45) Geloofsbetuiging van den Romeinschen hoofdman; „Waarlijk, deze mensch was een rechtvaardüjequot;, en met zijn soldaten : ,,ƒ/?- waarheid, deze was de Zoon Godsquot;. (Mt. 54, Mc. 39, Luc. 47)

Angst der toeschouwers, die naar de stad keeren. (Luc. 48) De gekruisigden worden gedood door verbrijzeling der beenen, Jesus echter niet, maar Hem doorsteekt een soldaat de borst met een lans, zoodat er bloed en water ontvloeit, (jo. 31—37)

Joseph van Arimathéa vraagt aan Pilatus het lichaam van Jesus; — Pilatus ontbiedt den hoofdman der wacht, vraagt dezen of Jesus gestorven is, en geeft dan aan Joseph het lijk. (Mt. 57, 58; Mc. 46, 47 ; Luc. 50—52; Jo. 38)

Jesus\' lichaam wordt van \'t kruis genomen, door Joseph en Nico-demus gereinigd, met specerijen in grafdoeken gewikkeld, en in een nieuwe grafspelonk van Joseph begraven. (Mt. 59—61; Mc. 46, 47; Luc. 53—56; Jo. 39—42)

Een wacht wordt op verzoek van Sanhedristen bij het graf geplaatst. (Mt. 62—66)

§ VI. De verrezen Jesus.

a) De Paaschdag.

Zaterdagavond (na den Sabbat) koopen de heilige vrouwen {Maria Magdalena, Maria, echtgen. van Alphaeüs, Salome, en Joanna, echtgen. van Chusa) specerijen, om Zondagochtend het lichaam des Heeren te gaan zalven. (Mc. XVI, l)

(\') Christus zelf had Zijn dood voorspeld:

1°. aan Nicodemus (vgl. bl. 71);

2°. aan de apostelen, na Petrus\' geloofsbelijdenis (vgl. bl. 79, ff);

3°. aan de apostelen, na de gedaanteverandering van Thabor (vgl. bl. 79. /lt;);

4°. in de gelijkenis van den goeden herder (vgl. bl. 81; zie vooral Muré III, bl. 343,344);

5°. aan de apostelen, gedurende de laatste reis naar Jerusalem (vgl. bl. 83);

6°. op den laatsten Zondag (vgl. bl. 85, «);

7°. vóór twee dagen (vgl. bl. 86, laatste alinea).

-ocr page 109-

96

In den nacht vereenigt zich Jesus\' ziel weer met het lichaam en

verrijst Hij uit het gesloten graf(1).

\'s Ochtends vroeg aardbeving; — een engel wentelt den grafsteen

af; — schrik en vlucht der wachters. (Mt. XXVIII, 2—4)

Vóór zonsopgang gaan de vrouwen op weg. (Mt. 1; Mc. XVI, 2—3; Luc. XXIV, 1)

Maria Magdalena, \'t eerst bij \'t graf gekomen, ziet den steen afgewenteld, keert terug en bericht het Petrus en Joannes, (jo. XX, 1-2)

Na zonsopgang komen de vrouwen bij het graf aan, vinden het ledig, hooren de verklaring van een der twee engelen, en keeren terug om het den leerlingen en Petrus te melden. (Mt. 5—8, Mo. 4 — 8, Luc. 2—8)

Petrus en Joannes gaan naar het graf, vinden de doeken ordelijk

opgerold, en keeren naar huis. (Luc. 12, Jo. 3—9)

le verschijning des Heeren ; aan Maria Magdalena, die weer bij \'t graf komt, zich bij de twee engelen beklaagt, dan den hovenier meent te zien en in hem haren Meester erkent. (Mc 9, Jo. 10—17) 2quot; verschijning: aan de andere vrouwen op haar tocht naar (of door) Jerusalem ; zij boodschappen dit met Maria Magdalena aan de leerlingen, die het echter niet gelooven. (Mt. 9, 10; Mc. 10, II; Luc. 9—11; Jo. 18)

De gevluchte wachters, omgekocht door de Joodsche vorsten, verspreiden, dat \'s Heeren lijk door de apostelen is gestolen. (Mt. 11—15) 3quot; verschijning; aan Petrus. (Luc. 84, I Cor. XV, ö)

4e verschijning : aan Cleophas en een anderen leerling, op den weg naar Emmaüs, waar zij in eene landhoeve hun reisgezel aan het breken des broods herkennen als den Heer. (Me. 12,13; Luc. 13—35) 5e verschijning : aan de apostelen (behalve Thomas) en vele leerlingen (ook die van Emmaüs) in de opperzaal te Jerusalem, waaide Heer door de gesloten deuren heen binnenkomt, de apostelen berispt om hunne ongeloovigheid, hun de litteekenen Zijner wonden toont, voor hunne oogen eet, en het H. Sacrament der Biecht instelt: „Ontvangt den H. Geest; wier zonden gij zult vergeven\'\' enz. (2). (Mc. 14, Luc. 36—43, Jo. 19—23quot;)

b) De volgende verschijningen.

öquot; verschijning: aan al de apostelen, den volgenden Zondagavond, in dezelfde zaal; de ongeloovige Thomas moet \'s Heeren wonden aanraken, en gelooft, (jo. 24—29)

Christus zelf had Zijne verrijzenis voorspeld:

1°. aan de Joodsche priesters na de lste tempelreiniging (vgl. bi. 71); 2°. aan de Phariseën (teeken van Jonas) (vgl. bl. 76, c);

3°. aan de Phariseën en Sadduceën (teeken van Jonas) (vgl. bl. 78, d); 4°. aan de apostelen na Petrus\' geloofsbelijdenis (vgl. bi. 71), lt;/);

5°. aan de apostelen na de gedaanteverandering op Thabor (vgl. bl. 79, h); 6°. in de gelijkenis van den goeden herder (vgl. bl. 81);

7°. aan de apostelen gedurende de laatste reis naar Jerusalem (vgl. bl. 83). (2) Vgl. bl. 80, b, 5°.

-ocr page 110-

97

De apostelen vertrekken, volgens de lastgeving der engelen en het

bevel van Jesus, naar Galilea f1). (Mt. 16)

7quot; verschijning: aan Petrus, Jacobus, Joannes, Thomas, Nathanaël en 2 anderen, bij \'t meer Tibérias : 2\' wonderbare vischvangst (153 gioote visschen) (2); — wonderbare maaltijd door Jesus hun op den oever bereid; — drievoudige beproeving van Petrus1 liefde; — zijne aanstelling tot opperherder der Kerk : , Weid Mijne lammeren1\' enz.; — voorspelling van zijn kruisdood; — zijn onderzoek naar Joannes\' lot. (jo. XXr, 1—24)

8e verschijning : aan de apostelen en aan meer dan 500 broeders, op een berg in Galilea : Christus zendt de apostelen, als geloofsverkondigers, als uitdeelers van het H. Doopsel, en als gezag-hebbenden tot alle volken, alle landen, alle tijden: „Gaat en ondericijst alle volken7\' enz. ; — Hij geeft hun de wondermacht: „In Mijnen Naam zullen zij duivelen uitwerpenquot; enz. ; — Hij belooft, hen niet te zullen verlaten: „Zie, Ik ben met u tof enz. (Mt. XXVIII, 16—20 ; Mc. XVI, 15—18 ; I Cor. XV, 6)

9e verschijning : aan Jacobus (den Minderen). (l Cor. XV, 7) De apostelen trekken, op bevel des Heeren, terug naar Jerusalem, om daar te wachten op de „kracht uit den hoogequot;. (Luc. XXIV, 49)

c) De Hemelvaartsdag.

10® verschijning; aan de apostelen te Jerusalem, op den 40en dag na Zijne verrijzenis : Hij toont hun aan, hoe al Zijne voorspellingen en die der profeten in Hem vervuld zijn, en dat er boetvaardigheid moet gepredikt worden aan alle volkeren ; — Hij beveelt hun, te Jerusalem te blijven, totdat de H. Geest hen vervuld hebbe ; —

Hij berispt hen om hunne aardschgezinde verwachtingen; — Hij stelt hen aan als Zijne getuigen tot de grenzen der aarde. (Lüc. 44-49; Hand. I, 3—8 ; I Cor. XV, 7)

Dan voert Hij hen den weg van Bethanië op, naar den Olijfberg, waar Hij hen zegent, en daarna ten hemel klimt (Mc. 19, Luc. 50—51, Hand. 9)

Twee engelen voorspellen den apostelen \'s Heeren 2quot; komst. (Hand. 10-11)

Terugkeer naar Jerusalem. (Luc. 52, Hand. 12)

(\'J Vgl. bl. 90, a. n Vgl. bl. 72, c.

7

-ocr page 111-

98

TWEEDE TIJDVAK.

Vroegste geschiedenis van Christus\' Kerk.

(Van Christus\' hemelvaart tot het einde van het apostolisch tijdvak.)

33—100.

F AFDEELINCI.

De Kerk van Christus in Palestina.

(Van Christus\' hemelvaart tot het begin van Petrus\' Pausschap in Rome.)

33—42.

Bron: vooral de „Handelingen der Apostelenquot;, door den H. Lucas geschreven aan Theóphilus, hoofdst. I—XII.

§ I. Van de hemelvaant tot Pinksteren.

Te Jerusalem wachten de elf apostelen de komst des H. Geestes af; gewoonlijk zijn zij in de opperzaal met Maria, de heilige vrouwen en de broeders des Heeren (\') in \'t gebed vereenigd, dikwijls gaan zij naar den tempel.

In eene vergadering van 120 broeders stelt Petrus voor, uit Christus\' vroegere leerlingen een opvolger van Judas te kiezen : na een gebed beslist ten laatste het lot tusschen Joseph Bdrsabas, bijgenaamd Justus, en Math las, en wordt deze apostel.

Op Pinksteren, den 50en dag sedert \'s Heeren verrijzenis (Zondagochtend te 9 uur), daalt, bij een gedruisch als van een hevigen wind en het nederdalen van vurige tongen, de H. Geest neder over de verzamelde apostelen en leerlingen.

Zij spreken in verschillende talen, tot groote verbazing van de op het gedruisch samengestroomde Joden, tot spot van anderen.

§ II. Het eerste optreden der apostelen.

a) Hun eerste prediking.

Rede van Petrus (Hand. II, 14—36) tot de verzamelde menigte, waarin hij, voor zijn gezag zich beroepend op het taalwonder, de godheid van Jesus bewijst uit Diens wonderen, vooral uit de verrijzenis.

(\') d. tv. z. de neven en bloedverwanten des Heeren.

-ocr page 112-

99

Gevolg; 3000 Joden worden gedoopt.

Gedrag der eerste Christenen: zij luisteren naar de Apostelen, vieren de H. Mis, vereenigen zich in \'t gebed, ook in den tempel, deelen onverplicht hunne eigendommen onder elkander, en houden liefdemaaltijden (\'), tot stichting van allen.

\'t Getal neemt dagelijks toe door de preeken en wonderen der apostelen.

b) Gevangenneming van Petrus en Joannes.

Petrus, met Joannes den tempel ingaande, geneest bij „do Schoone Poortquot; een kreupelgeborene.

Tweede rede van Petrus in de galerij van Salomon (Hand. III, 12—26), waarin hij de Joden, als eerst-uitverkorenen, opwekt tot boetvaardigheid en geloof in Jesus.

\'s Avonds worden Petrus en Joannes door de opperpriesters, tempeloversten en Sadduceën overvallen en gevangen gezet.

\'s Morgens houdt Petrus in de vergadering der Joodsche oversten, onder welke ook Annas en Caïphas, zjjne 3e rede (IV, 8—12), waarin hij verklaart het wonder gewrocht te hebben in Jesus\' naam, dien hij verheerlijkt.

Geheime vergadering der Joodsche oversten.

Vrijlating der apostelen met het verbod om nog in den naam van Jesus te prediken, hetgeen Petrus met een ,ArOM possumusquot; (= „wij kunnen niet zwijgenquot;) beantwoordt.

Blijdschap en lofgebed der geloovigen, die opnieuw door den H. Geest vervuld worden.

c) Ananias en Saphira.

Eensgezindheid, liefdadigheid en offervaardigheid der eerste Christenen, o. a. van Joseph Barnabas (2).

Het echtpaar Ananias en Saphira, die, den schijn aannemend, alsof ook zij alles aan de gemeente geven. Petrus beliegen, worden door dezen met berisping, door God met een plotselingen dood gestraft.

d) Hernieuwde vervolging.

Voortdurende aanwas der bekeeringen, vooral ten gevolge van de vele wonderbare genezingen, o. a. door Petrus\' schaduw, gewrocht.

Daardoor vertoornd, zetten de Joodsche oversten de apostelen gevangen; maar een engel redt hen.

Opnieuw voor den Hoogen Raad gebracht, verklaren zij, bij monde van Petrus (V, 29—32), aan God meer dan aan den mensch te moeten gehoorzamen; slechts de raad van den ervaren-

sten der schriftgeleerden, houdt het doodvonnis tegen; na gegee-seld te zijn, worden zij vrijgelaten.

C1) Deze liefdemaaltijden, ook Agapen genoemd, waren broederlijke maaltijden, waaraan de eerste Christenen, van lederen rang of stand, deelnamen, en welke met de viering der H. Mis en het ontvangen van het H. Sacrament des altaars verbonden waren.

(3) Vgl. bl. 101, c.

-ocr page 113-

100

III, De diakenen.

а) Het Heilig Diakonaat.

Ten gevolge van een klacht der Griekscli sprekende Joodsche bekeerlingen, dat in de bedeelingen hunne weduwen worden achtergesteld bij die der Hebreeuwsch sprekende, wijden de Apostelen 7 door de gemeente uitgekozen mannen tot diakenen, om te zorgen voor de armen, voor de regeling der liefdemaaltijden, en ook om hen bij hun arbeid, vooral bij de Evangelieprediking, bij te staan, \'t Zijn:

Stéphanus, Philippus, Fróchorus, Nicdnor, Timon, Pdnnenas en Nicoldiis.

Bekeering van velen, ook van priesters.

б) Stéphanus,

predikt o. a. in de synagoge der Vrijgelatenen (\'j;

wordt door zijne tegenstanders uit wraakzucht aangeklaagd, op last der Sanhedristen gevangen genomen, en met behulp van valsche getuigen beschuldigd van lastering tegen Moses en tegen God.

Rede van Stéphanus (Hand. VII, 2—53), waarin hij uit de geschiedenis der Joden de wonderbare leiding van God en hun ondankbaarheid aantoont, en dan hun den moord der profeten en dien des Rechtvaardigen verwijt.

Doodvonnis en steeniging : de jeugdige Saidus bewaart de opperkleederen der beulen. (2)

Algemeene vervolging der Christenen te Jerusalem, waaraan vooral Saulus deelneemt.

c) Philippus.

Verspreiding der Christenen tengevolge van de vervolging.

Te Samaria maakt Philippus door zijne prediking en zijne vele wonderen vele bekeeringen; ook Simon, de magiër of toovenaar, laat zich doopen.

Petrus en Joannes komen daar het H. Vormsel toedienen; Simon wil van hen die macht koopen. (3)

Op den weg naar Gaza legt Philippus, door God gezonden, aan den kamerdienaar van Canddce, de koningin van Ethiopië, een tekst van Isaïas (is. LUI, 7, 8) uit, predikt hem den Zoon Gods,, bekeert en doopt hem.

Philippus, daarop door den H. Geest weggevoerd naar Azot, reist predikend naar Caesaréa, zijne woonplaats.

-ocr page 114-

101

§ IV. Saul us.

a) Saulus vóór zijne bekeering.

Saulus, geboren te Tarsus, hoofdstad van Cilicië, eene Romeinsche provincie in Klein-Azië ; — Romeinsch burger; — Israëliet uit den stam Benjamin ; — Phariseör uit de school van Gamaliel in Jerusalem ; — bekwaam in het tenten maken.

Hij bewaarde de kleederen bij de steeniging van Stephanus.

Hii woedt tegen de Christenen, en gaat, met volmacht des hooge-priesters naar Damascus, om de daarheen gevluchte Christenen gevangen te nemen.

b) Saulus\' bekeering.

Op den weg naar Damascus verschijnt hem in een schitterend licht de Heer: „Ik hen Jesus, dien gij vervólgtquot; ; — Saulus valt van schrik ter aarde en bekeert zich ; „Heer, ivat wilt Gij, dai ik doen zal ?\'\' — hij ontvangt het bevel naar de stad te gaan, tn tevens de aanstelling tot apostel der heidenen, p)

Blind geworden, laat hij zich naar Damascus leiden, in het huis van Judas.

c) Saulus na zijne bekeering.

In Damascus wordt hij door Ananias, op bevel van God, bezocht, genezen, gedoopt.

Daarna predikt hij in de synagogen het Messiasschap van Jesus.

In Arabië leert hij door onmiddellijke openbaringen de waarheden des Christendoms.

In Damascus teruggekeerd, wordt hij door de Joden, met behulp van den stadhouder des Arabischen konings Arétas vervolgd, maar ontsnapt in een uit een venster neergelaten mand.

In Jerusalem wordt hij door Barnabas (2) bij de apostelen Petrus en Jacobus (3) gebracht; houdt twistgedingen met Joden en heidenen, en wijkt op bevel van God uit, naar Tarsus.

§ V. Uitbreiding der Kerk.

a) le Bvangeliereis van Petrus.

Vrede in de Kerk; Petrus bezoekt al de nieuwe Christengemeenten (4); o. a.

Lydda,

waar hij den sinds 8 jaar verlamden Aenéas geneest;

(\') Feest van Panlos\' bekeering: 25 Januari. (9) Vgl. bl, 99, c.

(3) Jacobus, de Mindere, eerste bisschop van Jerusalem.

(4) Op deze reis zal Petras ook Antiochië bezocht hebben: volgens de overlevering heeft hij de Kerk van Antiochië gesticht, en is hij daar, waarsch. 7 jaren, bisschop geweest. Op goede gronden wordt aangenomen, dat deze 7 jaren vielen vóór Petrus\' eerste reis naar Home (42), dus nu. — De vestiging van den bisschopszetel te Antiochië herdenkt de H. Kerk op den 22Pn Februari.

-ocr page 115-

102

Joppe,

waar hij de liefdadige Tahitha (of Dorcas), die gestorven is, doet herleven, en dan zijn intrek neemt bij Simon, een lederbereider. Daar ziet hij driemaal in een geestesverrnkking van den hemel dalen een laken, gevuld met allerlei, ook onrein, gedierte, en ontvangt aldus van God het bevel, ook de heidenen te gaan bekeeren.

Caesaréa:

Daarheen uitgenoodigd door Cornelius, den Romeinschen honderdman, gaat Petrus; verneemt, hoe aan dien heiden een engel is verschenen; bekeert hem met al de aanwezigen en gebiedt zijnen volgelingen hen te doopen.

Jerusalem :

Petrus rechtvaardigt tegenover de Jodenchristenen zijne handelwijze betreffende de heidenen : allen prijzen God.

b) Het Christendom te Antioehië.

Bekeeringen onder de Joden van Phenicië, Cyprus, Cyréne en

Antioehië, en in deze stad ook onder de heidenen.

De apostelen zenden daarheen Barnabas, die tot zijne hulp Saulus

uit Tarsus haalt.

Voor \'t eerst worden daar de geloovigen Christenen genoemd. Agabus, een profeet (1) uit Jerusalem, voorspelt een hongersnood, vooral voor Judea; de geloovigen van Antioehië verzamelen geld, dat Saulus en Barnabas naar Jerusalem brengen.

c) Nieuwe vervolging in Jerusalem.

Herodes Agrippa I, koning van Judea enz., vervolgt de Christenen

ter wille der Joden.

Jacobus de Meerdere {2) wordt door het zwaard gedood.

Petrus, gevangen genomen, en onder strenge bewaking gesteld, wordt, op het gebed der Christenen, \'s nachts door een engel bevrijd; — bezoekt de geloovigen in het huis van Maria, de moeder van Joannes Marcus, wier dienstmaagd lïhode heet; — en vertrekt dan haastig naar elders (3)

Herodes straft de wachters met den dood.

Na twee jaar slaat hem te Caesarea plotseling de engel des Heeren:

door de wormen verteerd, sterft hij.

Saxdus en Barnabas keeren met Joannes Marcus terug naar Antioehië. (4)

(1) d. i. een leeraar der Kerk, die toegernst met buitengewone genadegaven des H. Geestes, en onder Zijne ingeving het woord Gods verkondigt.

(9) Den sterfdag van dezen Jacobus viert de H. Kerk op den 25*quot; Jali.

(8) d. i. naar Rome, waar hij den Pauselijken zetel sticht in \'t jaar 42. Dit feest herdenkt de H. Kerk op den 18en Januari.

(♦) Waarschijnlijk ontving Paulus vóór zijn vertrek uit Jerusalem eenige der openbaringen Gods, waarvan hij later gewaagt, o. a. die, waarbij hy tot in den derden hemel werd opgevoerd.

-ocr page 116-

103

ITe AFDEELING.

De Kerk Tan Christus onder de heidenen.

(Van Petrus\' komst te Rome tot het einde van Paulus\' eerste

gevangenschap in rome.)

42—63.

Bronnen: de Handelingen dei- Apostelen, hoofdst. XIII—XXVIII en Paulus\' bneven.

§ I. Paulus eerste evangeliereis.

(42-51)

Saulus en Barnabas worden te Antiochië, op bevel van God, door

handoplegging tot bisschoppen gewijd.

Daarna gaan zij heen, met Joannes Marcus, om ook den heidenen het Evangelie te brengen.

Seleucia.

Cyprus:

Saulus (= Paulus) slaat, te Paphus, den Joodschen toovenaar Barjésu of Elymas met blindheid, en bekeert den proconsul Sergius Paulus. Perqe (in Pamphylië):

Joannes Marcus keert terug naar Jerusalem.

Antiochië (in Pisidië):

Paulus predikt in de synagoge; vele bekeeringen onder Joden en heidenen; de Joodsche oversten stoken door middel van eenige vrouwen het stadsbestuur op, zoodat de apostelen verjaagd worden. Icónium:

Langen tijd werken daar de apostelen onder heidenen en Joden, en met veel vrucht; eindelijk willen de ongeloovige Joden in een oproer hen steenigen; maar de apostelen vluchten.

Lystra (in Lycaonië), en omgeving:

Paulus geneest een kreupelgeborene; — de bevolking wil de apostelen als goden, Barnabas als Jupiter, Paulus als Mercurius, door een offer vereeren, hetgeen door den laatste, als afgoderij, wordt veroordeeld en voorkomen.

Joden uit Antiochië en Iconium hitsen het volk op; — Paulus wordt ten doode toe gesteenigd, maar wonderdadig genezen.

Derbe.

Lystra :

Iconium : de apostelen bevestigen de leerlingen in \'t geloof, en geven Antiochië: hun priesters.

Perge :

Attdlia.

Antiochië in Syrië.

-ocr page 117-

104

§ II. Kerkvergadering te Jerusalem.

(51)

Aanleiding: de bewering der Jodenchristenen, dat de naleving van Moses\' wet, bijz. der besnijdenis, noodzakelijk is ter zaligheid.

Vergadering, te Jerusalem, van Petrus, Jacobus den Minderen, Joannes, Paulus, Barnabas, Titus (een door Paulus bekeerden heiden) enz. Gezamenlijk onderzoek.

Petrus verklaart de besnijdenis onnoodig ter zaligheid.(Geloofswaarheid.) Paulus en Barnabas brengen verslag uit van hunne werkzaamheid

onder de heidenen.

Jacobus, bisschop van Jerusalem, stelt voor, en de vergadering neemt aan, (om wille van de Joden) ook den heidenchristenen aan te schrijven, dat zij zich onthouden van het vleesch der aan de afgoden geofferde dieren, van ontucht, van het eten van gestikte dieren, en van bloed. (Tuchtmaatregel.)

Keuze der gezanten naar Antiochië : Paulus, Barnabas, Judas Barsabas

en Silas (= Sylvdnus).

Besluiten der vergadering, in een brief hun medegegeven: , Want het heeft goedgedacht den Heiligen Geest en onsquot;, enz. (Hand, XV, 28)

Gevolgen : vreugde in Antiochië.

Cephas (= Petrus), Antiochië bezoekend, en met de heidenchristenen verkeerend, stoort zich niet aan de Joodsche spijswetten; — later echter met Jodenchristenen uit Jerusalem omgaande, wel, evenals ook Barnabas, welke onvoorzichtigheid door Paulus scherp wordt veroordeeld. (Gal. II, 11—14)

§ III. Paulus\' tweede evangeliereis.

(51—54)

Na een twist over den reisgezel trekt Barnabas met Joannes Marcus naar Cyprus; Paulus met Silas door Syrië en Cilicië, overal de besluiten der kerkvergadering bekend makend.

Derbe.

Lystra;

Paulus neemt Timótheus tot leerling aan, en laat hem, om wille van de Joden, besnijden.

Door Phrygië, Galatië, Mysië, Bithynië en Mysië naar

Troas:

In een droom verschijnt aan Paulus een Macedoniër, die hem naar

Europa roept.

Lucas wordt medewerker des apostels.

Per schip naar

Nedpolis.

-ocr page 118-

105

Philippi:

Paulus predikt met zijne gezellen in de Joodsche bedeplaats buiten de stad ; hij bekeert eene koopvrouw in purperen stoffen, Lijdia, doopt haar met haar gezin, en neemt bij haar zijn intrek.

Hij dryft den duivel uit eene waarzegster; — hare meesters, — want zij was eene slavin, — daardoor schade lijdend, voeren hem met Silas voor de rechters, die hem doen geeselen en strenge kerkerstraf doen ondergaan.

\'s Nachts springen, bij eene aardbeving, de poorten open, de boeien stuk ; de gevangenbewaarder erkent de gezanten der Godheid, en bekeert zich met al de zijnen.

\'s Ochtends erkennen de rechters het ongelijk, den twee Romeinschen burgers aangedaan, en dezen verlaten de stad.

Amphipolis.

Apoïlónia.

Thessalonica:

Paulus neemt zijn intrek bij Jason, en predikt in de synagoge met gelukkig gevolg.

Joden hitsen het volk op ; — Jason en eenige broederen worden voor de overheden gesleurd, maar weer vrijgelaten.

Op aandrang der geloovigen verlaten Paulus en Silas de stad.

Beroea :

Paulus predikt in de synagoge, en bekeert velen, vooral aanzienlijken.

Joden uit Thessalonica verwekken beroering.

Paulus gaat heen.

Athene :

Paulus redetwist met de Joden in de synagoge, met Epicuristen en Stoïcijnen op het marktplein; op den Areopagus houdt hij eene rede tot de nieuwsgierige Atheners over den hun onbekenden God, in Wien „wij ons bewegen, leven en zijn\'\'. (Hand. XVII, 22—31)

Eenigen bekeeren zich, o. a. Dionysius de Areópagiet, en eene vrouw Dd maris.

Cor int he:

Paulus neemt zijn intrek bij den tentenmaker Aquïla en diens vrouw Priscilla (= Prised), Jodenchristenen uit Rome afkomstig, en blijft anderhalf jaar bij hen.

In de synagoge predikt hij met Silas en Timotheüs, maar te vergeefs ; in het huis van den heiden Titus Justus, met veel vrucht: o. a. bekeert zich Crispus, de overste der synagoge.

Paulus schrijft zijn eersten brief aan de Thessalonicensen in 52, en in 53 zijn tweeden.

Hij ontvangt van den Heer in eene verschijning veel bemoediging en aansporing.

Hij weigert alle geldelijke ondersteuning van den kant der geldzuchtige Corinthiërs.

Joden brengen Paulus voor den Romeinschen proconsul Gallio, die hen afwijst; — hun aanvoerder Sósthenes wordt gegeeseld.

Cénchrea.

-ocr page 119-

106

Ephësus.

Caesaréa.

Jerusalem.

Antiochi\'è in Syrië.

§ IV. Paulus\' derde evangeliereis.

(54—58)

Door Galatië en Phrygië trekt Paulus naar

Ephësus:

Daar vindt hij 12 leerlingen van Apollo P), doopt en vormt hen.

Drie maanden predikt hij in de synagoge, daarna in de school van Tyrannus; hij doet vele wonderbare genezingen en bezweringen.

Joodsche duivelbezweerders, de 7 zonen van Sceva, beproeven ook in Jesus\' naam den duivel uit te drijven, maar worden door den bezetene mishandeld ; — algemeene verbazing ; — zondenbelijdenis der geloovigen ; verbranding der tooverboeken.

Paulus schrijft zijn brief aan de Galatiërs in 56, en in 57 zijn eersten brief aan de Corinthiërs.

Demetrius, een vervaardiger van zilveren Diana-tempeltjes, hitst zijn volk op tegen Paulus, wiens leerlingen Gajus en Aristarchus meegesleurd worden naar het stadsplein, waar eindelijk de stads-schrijver er in slaagt het oproer te bedaren (2).

Troas :

In Macedonië, sluiten zich Timótheüs en Titus, die zendingen des Apostels vervuld hebben, weer bij hem aan ; vandaar schrijft hij in 53 zijn tweeden brief aan de Corinthiërs.

Na een reis door Macedonië en Illyrië, komt Paulus te

Corinthe,

waar hij zijn intrek neemt bij Gajus.

Paulus zendt een brief aan de Bomeinen (58), door middel van Phoebe, eene diakones (3) van Cenchrea.

Om de lagen der Joden te ontgaan, reist de Apostel niet over zee

terug, maar over Macedonië, en wel vergezeld van Timótheüs,

Aristarchus, Gajus {1), Secundus, Sópater, Tróphimus en Tyrkicus.

Philippi:

Lucas gaat weer met den apostel mede.

Verder gaat \'t gezelschap per schip naar

Troas:

Daar viert Paulus met de geloovigen de heilige geheimen ; — hij

1

Apollo was een Egyptische Jood, door Joannes den Dooper onderricht en gedoopt; in Ephesus predikte hy den hem bijna onbekenden Messias, maar door Aquila en Prisca Christen gemaakt, werd hij door hen met aanbevelingsbrieven gezonden naar Achaïa.

(2) Gedurende zijn tweejarig verblijf te Ephesns ondernam Paulus kleinere reizen, o. a. ook eene naar Corinthe.

(8) Diakonessen, ook weduwen genoemd, waren weduwen van heiligen levenswandel, die slechts éénmaal gehuwd geweest waren en een leeftijd van minstens (50 jaar hadden: hun taak was de verpleging van arme of zieke vrouwen.

(4) Deze Gajus uit Derbe, niet te verwisselen met den bovengenoemden Gajus uit Macedonië.

-ocr page 120-

107

prediki; tot diep in den nacht; — Eütyches, een jongeling, die, door den slaap overmand, uit een raam te pletteren valt, wordt door Paulus weder ten leven gewekt.

Asson.

Mityléne.

Samos.

Milét us;

Paulus ontbiedt de bisschoppen en priesters uit Ephesus en de omgeving, en houdt tot hen eene afscheidsrede (Hand. XX, 18—35), waarin hij hun zijne gevangenschap voorspelt, hen vermaant tegen de komende dwaalleeraars, en zijne eigene onbaatzuchtigheid hun voorhoudt.

Cos.

Rhodus.

Patara.

Vandaar ten zuiden van Cyprus om naar Tyrus.

waar de geloovigen den apostel aansporen niet naar Jerusalem te gaan. Ptolemdïs.

Vandaar over land naar Caesaréa,

waar Paulus zijn intrek neemt bij Fhilippus, den diaken, wiens vier

dochters de gave der profetie hadden.

Agabus voorspelt hem zijn gevangenschap in Jerusalem, en zijne uitlevering aan de heidenen.

Jerusalem:

Paulus neemt zijn intrek bij Mnaso.

§ V. Paulus\' eerste gevangenschap.

(58 -63)

«) Paulus te Jerusalem. (58)

Op raad van Jacobus, den bisschop, en van de andere kerkoversten neemt Paulus, ten believe der Jodenchristenen, evenals vier anderen, de Nazareaatverplichtingen (\') op zich.

Joden uit Klein-Azië herkennen hem in den tempel, ruien het geheele

volk op, en trachten hem op straat te vermoorden.

Lysias, de Romeinsche bevelhebber der burchtwacht, redt hem en

voert hem gevangen mee.

Paulus maakt zich bekend, en houdt van de trappen van den burcht Antonia eene verdedigingsrede tot de Joden (Hand. XXII, 1—2l), waarin hij zijne eigene geschiedenis verhaalt.

Door zich Romeinsch burger te verklaren, redt de apostel zich van

eene geeseling en wordt zachter behandeld.

Den volgenden dag voor den Hoogen Raad gebracht, vaart hij uit

(\') Tgl. bl. 24.

-ocr page 121-

108

tegen den voorzitter Ananias, en wekt verdeeldheid tusschen de leden, door zich Phariseër en niet Sadduceër (\') te noemen ; — Lysias doet hem terugvoeren naar den burcht.

\'s Nachts verschijnt hem de Heer, die hem zijn getuigenis te Rome voorspelt.

Samenzwering van meer dan 40 man tegen Paulus\' leven, door diens neef uitgebracht bij Paulus ; ook bij Lysias, die den apostel \'s nachts nog met een sterk geleide en een verklarend schrijven doet overvoeren naar den landvoogd van Judea, Felix, te Caesaréa.

è) Paulus te Caesarea. (58—60)

Ananias en eenige oudsten leggen bij monde van Tertullus aan Felix hunne aanklacht bloot; — Paulus houdt een verdedigingsrede (Hand. XXIV, 10—21); — Felix zendt de aanklagers heen.

Felix en zijne gemalin Drusilla (2) ontbieden uit nieuwsgierigheid Paulus voor zich: zijn onderricht blijft vruchteloos.

Twee jaren houdt Felix Paulus gevangen, in de hoop een losgeld voor hem te ontvangen.

Porcius Festus volgt Felix op.

Nieuwe aanklachten der Joden; — Festus biedt Paulus aan, hem te Jerusalem voor den Hoogen Raad der Joden in verhoor te nemen ; — Paulus beroept zich op den Romeinschen keizer.

Agrippa II, met zijne zuster Berenice (3) Festus bezoekende, laat Paulus voor zich komen; — wederom verhaalt de apostel ter zelfverdediging zijne levensgeschiedenis (Hand. XXVI, 2—29); Festus houdt hem voor krankzinnig, Agrippa voor onschuldig.

Inscheping van Paulus, dien Lucas en Aristarchus vrijwillig vergezellen, en van eenige andere gevangenen, begeleid door troepen onder bevel van Julius.

c) Paulus op reis naar Rome. (60—61)

Sidon ;

Paulus raag de Christenen bezoeken.

Lystra (waarsch. Myra) in Lycië :

overscheping in een groot Egyptisch vaartuig van 276 kop.

Boniportus (op de zuidkust van Creta):

tegen Paulus\' raad, om te Thalassa te overwinteren, wordt koers gezet naar Fhoentce.

Hevige N.O. storm; — Paulus bidt; — een engel openbaart hem de toekomst, hijzelf aan de bemanning : allen zullen gered worden op een eiland, het schip zal vergaan. — \'t Plan der matrozen, om te ontvluchten, door Paulus\' bekendmaking verijdeld. — Stranding van het schip; — Julius geeft den gevangenen de vrijheid ; — het schip slaat uit elkaar; — allen bereiken het land.

Malta (= MeUta):

Hulp der inwoners ; — een houtstapel wordt aangestoken tot

(») vgl. bl. G8.

(») vgl. bl. 03.

(a) vgl. bl. G8.

-ocr page 122-

109

droging der kleederen ; — Paulus, door een adder gebeten, blijft ongedeerd.

Hij vindt, met zijn gezellen, een verblijf bij Püblius, den bevelhebber van het eiland; diens vader en tallooze anderen worden doorhem genezen.

Na drie maanden, vertrekken allen met de „Castor en Polluxquot;.

Syracuse.

Bhégium.

Pntéoli:

Paulus verblijft 7 dagen bij de Christenen.

Verder gaat hij over land naar Rome.

d) Paulus te Rome. (61—63)

Hij mag daar een eigen woning huren, en heeft volkomen vrijheid van handelen, behalve dat hij bewaakt wordt door een soldaat en boeien dragen moet.

Twee samenkomsten heeft hij met de Joodsche oversten: in de

tweede berispt hij hunne verstoktheid.

Allengs bekeert hij velen, zelfs van Nero\'s hovelingen.

Hij schrijft een brief aan de Ephesiërs, een aan de Ph ilippensen, een aan de Colossensen, een aan Philemon (1) en een aan de Hebreen. Na twee jaar wordt hij in vrijheid hersteld.

IIP AFDEELINGr.

Einde van het apostolisch tijdvak.

(Tot den dood van den apostel Joannes.)

63—100.

Bronnen : de brieven der apostelen Paulus, Jacobus, Petrus, Joannes en Judas, het Boek der Openbaring van Joannes, en de getuigenissen der christelijke oudheid.

§ I. Vepdere geschiedenis van Petrus.

(42-67)

In 42 komt Petrus te Bome en sticht daar den pauselijken zetel (vgl. bl. 102).

In 51, kerkvergadering te Jerusalem (vgl. bl. 104).

Te Antiochié\' wordt Petrus door Paulus berispt (vgl. bl. 104).

In 52 verbant keizer Claudius de Joden en Christenen uit Rome.

Evangeliereis, o. a. in Pontus, Galatië, Cappadocië, Azië en Bithynié\'.

C1) Philénwn was een aanzienlijk Christenburger te Colosse, voor wiens slaaf Onésimns Panlns barmhartigheid verzoekt.

-ocr page 123-

110

Te Rome voert hij strijd tegen Simon den Toovenaar; — hij zendt Marcus als bisschop van Alexandrte, naar Egypte; — hij schrijft zijn eersten (63) en zijn hveeden brief (66) aan de Christenen van Pontus enz.

Tijdens Nero\'s kerkvervolging wordt hij gevangen gezet in de Mamer-tijnsche gevangenis, en sterft hij, den 29en Juni 67, den marteldood, gekruisigd met het hoofd omlaag.

§ II. Verdere geschiedenis van Paulus.

(63-67)

Nieuwe evangeliereizen, waarsch. in deze volgorde ;

Spanje.

Judea.

Ephësus:

Hij doet de dwaalleeraars Hymenaéus en Alexander in den ban. Hij wijdt Timotheüs tot bisschop van Ephesus.

Macedonië:

Hij schrijft zijn eersten brief aan Timotheüs.

Creta:

Hij maakt Titus tot bisschop van dit eiland.

Ephesus.

Miletus.

Cor in the.

Nicópolis (in Epirus) :

Hij schrijft zijn brief aan Titus.

Hij ontbiedt Titus en zendt hem tijdelijk naar Dalmatië.

Hü wordt gevangen genomen (66).

Bome:

Hij schrijft zijn tweeden brief aan Timotheüs.

Hij houdt Lucas bij zich, en zendt Tychicus naar Ephesus, om

Timotheüs en Joannes Marcus te ontbieden.

Hij wordt onthoofd op den weg naar Ostia, den 29en Juni 67.

§ III. Geschiedenis den overige apostelen, (tot 100)

1. Andreas:

predikt in Scythië, Thracië, Epirus, Achaïa ; ^

wordt te Patras gekruisigd aan een schuin kruis. (95).

2. Jacobus de Meerdere:

wordt op last van Herodes Agrippa I onthoofd (41) (vgl. bl. 102).

3. Joannes:

blijft met Maria, \'s Heeren Moeder, te Jerusalem tot haren dood ; werkt daarna in Klein-Azië, vooral als hoofdbisschop van Ephesus ; wordt te Rome (onder Nero of Domitianus) in eèn ketel met kokende olie geworpen, maar blijft ongedeerd;

-ocr page 124-

Ill

wordt verbannen naar Patmos, waar hij het hoek der Openbaring schrijft, bijz. aan de 7 gemeenten van Klein-Azië: Ephesus, Smyrna, Pérgamus, Thyatira, Sardes, Philadelphia en Laodicea; keert terug naar Ephesus, en schrijft daar zijn Evangelie en zijn eersten brief voor de Grieksche Christenen, zijn tweeden brief üamp;n eene Christelyke weduwe, zijn derden brief aan Gajus (96—98); sterft daar een natuurlijken dood, b^na 100 jaar oud.

4. Philippus :

predikt in Phrygië ;

sterft in Hierapolis, aan het kruis. (?)

5. Bartholomaeüs:

predikt in Indië, Phrygië, Lycaonië, Armenië ;

sterft den marteldood te Albanópolis, doordat hem de huid afgetrokken en het hoofd afgeslagen wordt. (?)

• 6. Matthaéüs:

predikt in Palestina;

schrijft, in \'t Hebreeuwsch (1), aan de Jodenchristenen van dat land zijn Evangelie (waarsch. in 41), hetwelk later in \'t Grieksch vertaald wordt ;

predikt in Ethiopië en Perzië;

sterft waarsch. den marteldood.

7. Thomas :

predikt in Parthië, ook waarsch. in Indië ;

sterft daar den marteldood in Calamma (?).

8. Jacobus de Mindere:

eerste bisschop van Jerusalem (vgl. bl. 101 en 104) ;

schrijft een brief aan de Jodenchristenen buiten Palestina (60) ; wordt na Festus\' dood, op last van den hoogepriester Amïnus gesteenigd en ten laatste door een voller gedood (62).

9. Judas Thaddaéüs:

predikt in Palestina, Iduméa, Arabië, Syrië, Mesopotamië en Perzië ; schrijft een brief aan de Christenen van Palestina (65);

sterft den marteldood in Berytus (?).

10. Simon:

predikt in Egypte en Perzie ;

en sterft in dit laatste land den marteldood.

11. Mathias :

predikt in Judea en Cappadócië ;

sterft den marteldood in Sebastopol. (?) (2)

juister: in het Aramaeisch-Palestijnsch, de taal ten tijde van Christus in Palestina gesproken.

(2) Den glorievollen dood harer Apostelen herdenkt de H. Kerk, althans in het Westen, op de volgende dagen ; HH. Petrus en Paulus: 29 Juni; — H. Paulus: 30 Juni; — H. Andreas: 30 November; — H. Jacobus de Meerdere: 25 Juli;—H. Joannes: 27 December;

— HH. Philippus en Jacobus de Mindere. 1 Mei; — H. Bartholomaeüs: 24(25) Augustus ;

— H. Matthaéüs: 21 September: — H. Thomas: 21 December: — HH. Judas en Simon : 28 October; — H. Mathias : 24(25) Februari.

-ocr page 125-

AANHANGSEL I. Staatkundige toestand van Palestina,

Anno

Opperheerschappij van Rome sinds 63 v. C.

Provincie Syrië. Legaten of Proconsuls : o. a.

Judea, Samaria en Idumea.

1

40 V. C.

M. Antonius (drieman)

Hevodus de Groote (koning)

31

Octavius (alleenli.) ....

29

Augustus (keizer) ....

22

8

C. Sentius Saturninus . .

6

........• .

4

Archelaüs (etbnarch) .

• •

3-1 v 0

(F. Sulpicius Quirinius) (\')

..........

4 n. C.

L. Volusius Saturninus. .

6

Coponius......

Marcus Ambivius . .

i

Annius Rufus ....

14

Tiberius (keizer).....

Valerius Gratus . . .

O

27

Pontius Pilatus . . .

amp;

(29of33)

p e -

33

CD

35

Marcellus......

37

Caligula (keizer).....

Marullus......

39

41

Claudius (keizer). . . .

Herodus Agrippa I (koning)

42

Marsus.........

44

Jul. Cuspius Fadus .

46

Tiberius Alexander. .

48

Cassius Longinus ....

Ventidius Cumanus .

50

51

ümmidius Quadratus. . .

52

Claudius Felix. . . .

O

53

P

r -

o

54

Nero (keizer)......

-i

CD

B

59

Porcius Festus . . .

60

Domitius Corbulo ....

62

Cestius Gallus......

63

Albinus......

63

Gessius Florus . . .

66

Vespasianus (veldheer)

, ,

68

Galba (keizer)......

68

Otho (keizer)......

68

Vitellius (keizer).....

69

Vespasianus (keizer) . . .

Titus (veldheer) . . .

70

-ocr page 126-

in 40 v. C. tot 70 n. C. (vgl. bl. 63, 64 en 68).

no

Galilea en Perea.

Trachonitis, (Gauloni-tis) Batanea, Aura-nitis. (Abilene).

Chalcis.

% c. 1

Herodes de Groote (koning)

9 2

fo)

Herodes de Groote (koning)

(Geboorte van J. C.)

I

•,n c

)

Herodes Antipas (tetrarch)

J Philippus (tetrarch) | Lysanias (tetr.v.Abil.)

(*) = Cyrinus. Vgl. bl. 67.

(1) = Cyrinus.

i 7

33) 3

(ingelijfd bij prov Syrië)

(Dood van 0. H. J. C.)

7

3

(1) Her odes Agrippa I (tetrarch)

(ingelijfd bij pro v. Syrië)

Herodes Agrippa I (koning)

(ingelijfd bij prov, Syrië)

Herodes (vorst) (\').

Herodes Agrippa II (vorst) (\')

(^ Herodes Antipas in 39 verbannen n. Gallië. (\') broed.v.Agrippa I.

(*) zoon v. Agrippa I.

Herodes Agrippa II (kon. v. een deel)(1)

Herodes Agrippa II (koning) (*)

(^ id. sterft in 100.

O id-

Jerusalem ingenomen en verwoest: einde van het Jood-sche rijk.

8

-ocr page 127-

114

AANHANGSEL II.

Over bijbelsche gewichten, munten en maten.

I. GEWICHTEN.

In de oudste tijden woog men met steenen, later ook met looden of

tinnen gewichten.

De gewichtseenheid was de sikkel.

Opdat de waarde daarvan niet zou veranderd worden, werd een sikkel als normaalgewicht in het heiligdom bewaard ; dit was de heilige sikkel. In het Nieuwe Testament wordt nog gesproken van het pond.

Naam.

W aarde.

Gewicht.

sikkel

halve sikkel kwartsikkel gera

mina (mna) talent

pond (libra)

sikkel \'1, sikkel \'/au sikkel 60 sikkels 3600 sikkels

16,37 gram 8,185

4,0925 „ 0,8185 , 982,2

56,532 KG. 327,45 gram

II. GELD.

Reeds onder de aartsvaders deden de edele metalen, en wel het eerst \'t zilver, dienst als ruilmiddel.

Munten waren er niet vóór de Babylonische gevangenschap ; het metaal werd gebruikt in den vorm van gestempelde staven, die, met uitzondering waarschijnlijk van de kleinere stukken, niet werden afgeteld, maar afgewogen.

Zoodanige staven of geldstukken noemt de H. Schrift pecuniae; bijzondere namen zyn aryenteus (zilverling) en a gnus (een baar, waarop een lam was afgestempeld).

Als munteenheid werd gebruikt de gewichtseenheid, de sikkel {= 16,37 gram), die, naar gelang hij van zilver of van goud was, eene geheel verschillende waarde had.

De mina bedroeg bij het geld slechts 50 sikkels, het talent weer 60 mina\'s.

Na de Babylonische gevangenschap werd het gewicht der zilveren sikkels verminderd op 14,55 gram.

-ocr page 128-

115

Toen kwamen, onder de Perzische heerschappij, ook Perzische munten in zwang ; gedurende de Macedonische overheersching ook Macedonische en Grieksche ; gedurende het Romeinsche tijdvak ook Ronieinsche.

Vandaar dat in Christus\' tijd allerlei munten in gebruik waren : de tempelbelasting (1 didrachme per hoofd) en de tempeloffers geschiedden in Grieksche munt, de belastingen aan de Romeinen en alle betalingen in den handel enz. in Romeinsch geld, de betalingen uit den tempelschat met sikkels.

Simon Machabeiis ontving het eerst \'t muntrecht, nl. van Antiochus Sidetes; hij liet de eerste specieel Joodsche sikkels maken.

Die sikkels vertoonen aan de eene zijde een kelk met omschrift, aan de andere eene lelietak met 3 bloemen en een ander omschrift.

Waarde enz. der in Palestina na de Babyl. gevangenschap gebruikte munten.

.

Namen.

Metaal.

Waarde.

Gewicht.

Waarde in Ned. geld.

Ö

0)

O O

r— \'Ji rg jig5

.s

cc

m

zilveren sikkel , mina „ talent gouden sikkel „ mina , talent

zilver

V

goud

V

50 zilveren sikkels 3000 „

50 gouden sikkels 3000 ,

14,55 gram 727,5 , 43,65 K.G. 16,37 gram 818,5

49,11 K.G.

f 1.50 i

75.-, 4500.— , 27.-„ 1350.— , 81000.—

Sinds den Perz. tijd

darike

goud

f 13.20

Sinds den Macedonischen tijd.

alexandreos

drachme

didrachme

stater

minutum

(= penning)

goud zilver

V

V

koper

20 sikkels (\')

2 drachmen 4 drachmen

4.366 gram 8,782 „ 17,464 ,

f 13.20 r 0.455 , 0.91

, 1.82 ?

Sinds den Romeinschen tijd.

as

quadrans dipondius denarius Rom. talent

koper zilver

1 i as 2 as

oorspr. 10. toen 16 as 6000 denaren

■3,9 gram 23,4 K.G.

f 0.025 O.OO5 , 0 05 0.42 , 2520-—

(\'I van een andere waarde dan die des gewonen sikkels.

-ocr page 129-

116

III. MATEN.

a) Lengtematen.

Namen.

W aarde.

in Meters.

Namen.

Waarde.

in Meters.

oude of heilige el

0,525 M.

gewone el

el-, heilige el

0.45 M.

, „ , spanne

Va el

0,2625 M.

r spanne

Va gew. el

0.225 M.

hand

„ hand

breedte

Ve el

0,0875 M.

breedte

V« , ,

0.075 M.

„ , , vinger

, vinger

breedte

Va lt; el

0,0219 M.

breedte

Va« - *

0,019 M.

, „ , roede

6 el

3,15 M.

„ roede

6 , ,

2.70 M.

stadium

sabbatsreis (\') | Rom. mijl

bijna j 6 stad. j

2000 el J bijna ( 8 stad. (

185 M. 1050 M.

1475 M.

b) Inhoudsmaten.

Voor droge waren:

Voor natte waren:

Namen.

Waarde.

In liters.

Namen.

Waarde.

In liters.

chomer (= cor)

letech

ephi

seah

gomor

kab

Va chomer VlO r 80 „

\'/too „

1;

/180 „

393,6666 L. 196,8333 L. 39,36666 L. 13,12222 L. 3,93666 L. 2,18703 L.

cor bath hin log

\'/io cor Vso „ V720 n

393,6666 L. 39,36666 L. 6,5611 L. 0,5468 L.

AANHANGSEL 111.

Over de Joodsche tijdverdeeling.

De tijd werd bij de Joden verdeeld in jaren, maanden, weken, dagen en uren.

a) Het jaar.

Het jaar der Joden, dat ook uit 12 maanden bestond, was niet, als bij ons, een zonnejaar, maar een maanjaar, waarvan de duur berekend werd naar den duur der maand, d. i. naar den tijd,

(\') Den Israelieten was verboden op den Sabbat te reizen, d. w. z. zij mochten op dien dag niet verder dan 2000 el buiten hun woonplaats gaan.

-ocr page 130-

117

die verloopt tussclien twee zelfde schijngestalten der maan : liet telde daarom 12X291/2 = 354 dagen.

Elk 1\' jaar heette Sabbatjaar, elk 50quot; jubeljaar. Vgl. bl. 23 en 24.

Het burgerlijk jaar begon met de maand Tizri, het kerkelijk jaar, dat sinds den uittocht uit Egypte mede in gebruik genomen was, met de maand Nisan.

b) De maand.

De duur der maanden werd, overeenkomstig het boven gezegde, beurtelings berekend op 29 en op 30 dagen.

De maand begon met de nieuwe maan, zoodat bv. de lste Nisan niet de eerste Maart, maar de eerste nieuwe-maandag van Maart was.

De namen enz. der maanden waren als volgt:

Kerk.

Burg.

Hebreeuwsolie

Ongev.overeen-

Aantal

jaar.

jaar.

maandnamen. ! komende met

dagen.

1quot;

7\'

Nisan

Maart

30

12\'—21\': Paschen (vgl. bl. 23).

2\'

8\'

Jiar

April

29

8\'

9\'

Si van

Mei

30

6\': Pinksteren (vgl. bl. 23).

4\'

lO-

Th am mar

Juni

29

5quot;

ll\'

Ah

Juli

30

6-

12quot;

Ehd

Augustus

29

T

1\'

Tizri

September

30

10\'; Groote Verzoendag (vgl.

bl. 23).

15\'—22\': Loofhuttenfeest (vgl.

bl. 23).

23\': Vreugdedag der wet;

8\'

2*

Marchesuan

October

29

9\'

3quot;

Casleu

November

30

25\': ïempelwijdingsfeest (vgl. bl. 61).

10\'

4\'

Thehet

December

29

li\'

ö\'

Sheveth

Januari

30

12\'

6\'

Adar

Februari

29

15\': Groot Purimfeest (vgl. bl. 58).

Omdat deze twaalf maanden te zamen slechts 354 dagen telden en daardoor het jaar ruim 11 dagen korter duurde, dan het zonnejaar, werd ongeveer om de 3 jaren (1) na de maand Adar eene 13quot; maand van 30 dagen toegevoegd, welke heette Veaclar.

c) De week.

De 7 dagen werden genoemd de 1quot;, de 2quot; enz.; de 6quot; heette ook parascéve (voorbereiding); de 7e was de Sabbat, de aan God gewijde rustdag.

Die naam van Sabbat werd ook wel eens gegeven aan de geheele week, vandaar „op den eersten van Sabbatquot; = op den eersten dag der week.

P) nauwkeuriger: in het 3e, 6% 8% 11®, 14% IT8 en i9e jaar van elke reeks van 19 jaren.

-ocr page 131-

118

Onder week werd soms ook verstaan een tijdperk van 7 jaren. (Vgl. de voorspelling van Daniël).

rf) De dag.

Door dag verstonden de Joden öf wel den tijd van 24 uren, en dan begon hij met zonsondergang, öf wel den tijd, die verloopt tusschen zonsopgang en zonsondergang, en dan begon hij natuurlijk in den ochtend.

e) Het uur.

De laatst bedoelde dag werd verdeeld in 12 uren, welke \'s winters korter waren dan \'s zomers, omdat ook die dag dan korter duurde. Het G1quot; uur eindigde dus, en het 1quot; begon met den middag.

Eene andere verdeeling van dien dag was in 4 onderling gelijke deelen, de 4 heilige uren, n.1. het le, het 3e, het 6quot; en het 9\' uur; volgens deze telling eindigde op den middag het 3e en begon dan het 6quot; uur.

. Evenals de dag werd ook de nacht in 4 gelijke deelen verdeeld, de l\', de 2quot;, de 3e en de 4e nachtwaak, of ook avondstond (sero), middernacht {media nox), hanengekraai (gallicinium) en dageraad {rnane) genoemd.

-ocr page 132-
-ocr page 133-
-ocr page 134-
-ocr page 135-
-ocr page 136-

ALPHABETISCHE LIJST

DER IN DIT WERK VOORKOMENDE

PERSONENNAMEN.

A.

BIz.

Aaron.....15, 16, 18—■22, 25, 26

Abdenago............56

Abdias............2, 59

Abdon..............31

Abel.............6, 66

Abesan............ 31

Abia (z. v. Samuel)........33

Abia, of Abiam (koning).....45

Abiathar......... 35, 38—41

Abigail (vr. v. David)......35, 37

Abigail (zuster v. David).....37

Abihaïl.............57

Abimelech............31

Abinadab...........32, 38

Abiron.............26

Abisaï............36—39

Abiu...........15, 18, 19

Abner........... 34, 36, 37

Abraham .... 3, 8—11, 66, 67, 81

A bram............9, 10

Absalom......... 37, 39, 40

Achab.......... 45—48, 59

Achan..............28

Achaz........... 50, 54, 66

Achimaas............39

Achimelech...........35

Achinoam............37

Achior.............54

Achis............35, 36

Achitophel.........39. 40

Adad..............41

Adam...........3 —6, 66

Adarezer............38

Adonias.......... 37, 40, 41

Adonibezec...........29

Aeneas.............101

Blz.

Agabus..........102, 107

A gag..............34

Agar.............9, 10

Aggaeus.........2, 57, 59

Aggith.............37

Agrippa (zie Herodes).

Ahialon.............31

Ahias...........41, 44, 59

Ahio..............38

Albinus . ...........112

Alcimus............61

Alexander de Groote.....55, 59

Alexander Balas.........62

Alexander Janneus........63

Alexander (z. v. Aristobulus II) . . 63 Alexander (z. v. Herodes d. G.) . . 68 Alexander (z. v. Simon v. Cyr.) . . 94

Alexander (dwaalleeraar).....110

Alexandra............63

Alphaeüs (zie Gleophas) ... 75, 95

A man..............58

Amasa.......... 37, 39, 40

Amasias...........48. 49

Ambivius, (M.)..........112

Amnon ..........37, 39

Amon..............51

Amos...........2, 49, 59

Amram............4, 15

Amri..............45

Ananias (gezel v. Daniël). . . 52, 56

Ananias (v. v. Azarias)......53

Ananias (m. v. Saphira)......99

Ananias (in Damascus)......101

Ananias (hoogepriester)......108

Ananus.............111

Andreas. . . 70, 72, 75, 84, 110, 111

Anna (moeder v. Samuël).....32

Anna (vr. v. Tobias).......53


-ocr page 137-

120

Biz.

Anna (vr. v. Raguël).......53

Anna (weduwe).........68

Anna (moeder v. Maria).....67

Annas............91, 99

Antigonus............63

Antiochus III de Groote.....59

Antiochus IV Epiphanes . 57, 60, 61, 62

Antiochus V Eupator......61

Antiochus VI Theos.......62

Antiochus Sidetes......62, 115

Antipater............63

Antonius (M.)........63, 112

Aod...............30

Apollo.............106

Apollonius (landv. v. Syrië). . 60, 61 Apollonius (landv. v. Coelesyrië). . 62

Aquila..........105, 106

Aran.............. 9

Archelaiis........ 68, 69, 112

Aretas.............101

Aristarchus........106, 108

Aristobulus I..........63

Aristobulus II..........63

Aristobulus (z. v. Herodes d. G.) 68

Arphaxad..........54, 55

Artaxerxes (= Pseudo-Smerdis) 55, 57

Artaxerxes Langhand.....55, 58

Artaxerxes (= Xerxes I).....57

Asa.............45, 59

Asaël..............37

Asarhaddon........51, 53, 55

Aseneth............9, 13

Aser.............. 9

Asmodaeiis...........53

Asphenez ............56

Assuerus (= Cambyses) .... 55, 57 Assuerus (= Xerxes I) . . . 55, 57, 58

Assur.............. 8

Astaroth............28

Astarthe...........28, 51

Astyages............55

Athach.............58

Athalia......... 46, 47, 48

Augustus....... . . 67, 112

Azarias (koning).......49, 59

Azarias (hoogepriester)......49

Azarias (gezel v. Daniël) . . . 52, 56

Azarias (= Raphael).......53

Azarias (onderbev. v. Jud. M.). . . 61

B.

Baal .... 28, 30, 31, 45, 48, 50, 51

Baasa..............45

Baochides..........61, 62

Bala............................9

Balaam...........27, 66

Balac............. . 27

BU.

Baldad.............14

Baltassar (koning)..... 55, 56, 57

Baltassar (= Daniël).......56

Banaias.............38

Barabbas..........93. 94

Barac..............30

Barjesu.............103

Barnabas.......99, 101—104

Barsabas (zie Joseph).

Barsabas (zie Judas).

Bartholomaeiis......71, 75, 111

Bartimaeüs...........84

Baruch....... 2, 52, 53. 55, 59

Bathuël............9, 11

Beëlphegor...........27

Bel...............56

Benadad 1............45

Benadad 11.........46, 47

Benadad III...........48

Benjamin.......9, 12, 13, 14

Berenice...........68, 108

Berodach-Baladan......51, 55

Beseleël.............19

Bethsabee......... 38, 39, 40

Booz............37, 67

c.

Caath..............15

Caesar (Julius)..........63

Cain.............6, 7

Cainan..........♦. . . 6

Ca\'iphas..........83, 91, 99

Cajus..............106

Caleb....... 25, 27, 29, 30, 35

Caligula.............112

Cambyses (v. v. Cyrus)......55

Cambyses (= Assuerus) .... 55, 57

Candace.............100

Cendebaeiis...........62

Cephas (= Petrus)......70, 104

Cham............7, 8, 28

Chanaan...........8, 9, 28

Chodorlahomor..........10

Chusa............75, 95

Chusai.............39

Chusan-Rasathaïm........30

Cis.............33, 34

Claudius (keizer)......109, 112

Claudius Felix..........112

Cleopatra............68

Cleophas (= Alphaeüs) . . . 67, 75, 94

Cleophas fleerling)......80. 96

Coponius............112

Corbulo (Domitius)........112

Core..............26

Coi-nelius............102

Cozbi..............27


-ocr page 138-

121

Biz.

Crassus.............63

Crispus.............105

Cumanus (Ventidias).......112

Cuspius Faclus (Julius)......112

Cyaxares I...........55

Cyaxares II...........55

Cyrinus...........67, 113

Cyrus.......... 55, 56, 57

D.

Dagon..............32

Da lila.............32

Damaris.............105

Dan............... 9

Daniël. . 2, 52, 55, 56, 57, 59, 66, 118

Darius Codomanus........55

Darius Hystaspis.......55—57

Darius de Mediër........57

Dathan.............26

David 1, 3, 33—40, 50, 59,64,66,67,68.85

Debbora.............30

Dejoces.............55

Demetrius I Soter......61, 62

Demetrius II Nicator.......62

Demetrius (zilversmid)......106

Didymus (= Thomas).......75

Dina............9, 12

Dionysius de Areopagiet.....105

Doëg .............35

Domitianus...........110

Dorcas.............102

Drusilla......• . . . . 68, 108

E.

Edissa..............57

Edom..............11

Egl on..............30

Ela...............45

Elcana.............32

Eleazar (hoogepriester) . 15, 22, 26, 29

Eleazar (held)..........38

Eleazar (martelaar). . .....60

Eleazar de Machabeër .... 60, 61

Eliab..............37

Eliachim............54

Eliacim.............52

Elias...... 6, 45, 46, 47, 59, 79

Eliasib.............59

Eliëzer (knecht v. Abraham) ... 11

Eliëzer (z. v. Moses).......15

Elimelech..........36, 37

Eiiphaz.............14

Elisabeth (vr. v. Aaron)......15

Elisabeth (moeder v. Joannes B.) . 67

Eliseüs........ 46, 47, 48, 59

Biz.

Eliu..............14

Elymas.............103

Enos.............. 6

Ephraïm............9, 12

Esau.......... 9, 11, 12

Esdras...........1, 55, 58

Esther........... 55, 57, 58

Etha\'i..............39

Eutychus............107

Eva..............5, 66

Evilmerodach.......55, 56

Ezechias........ 50, 51, 55, 59

Ezechiël........ 2, 52, 55, 59

P.

Felix (Claudius).......68, ICS

Festus (Porcius) .... 108, 111, 112

Gr.

Gabelus.............53

Gabinius.............63

Gabriel........ 4, 32, 57, 67

Gad (z. v. Jacob)......... 9

Gad (profeet)........40, 59

Gajus (uit Macedonië)......106

Gajus (uit Derbe)........106

Gajus (leerl. v. Joannes Ap.) . . .111

Galba..............112

Gallio..............105

Gallus (Cestius)....... .112

Gamaliel.........99, 101

Gedeon........ 30, 31, 36, 66

Gersam.............15

Gerson.............15

Gessius Florus......... 112

Giëzi............. 47

Godolias...........53, 64

Goliath.......... 34, 35, 40

Gorgias.............61

H.

Habacuc..........2, 56, 59

Haber..............30

Hanani...........45, 59

llazaël.......... 46, 47, 48

Helcias...........52, 54

Heli (hoogepriester).......32

Heli (= Joachim)........67

Heliodorus............60

Henoch............6, 46

Herodes de Groote 27, 63, 64, 67, 68, 69, 91, 112, 113 Herodes Antipas 68, 69, 72, 75, 76, 83,

87, 93, 113


-ocr page 139-

122

Biz.

Herodes Agrippa I 68,102,110, 112,113 H erodes (broeder v. Agrippa I) . ,113 Herodes Agrippa II . . . 68, 108, 113

Herodias......... 68, 72, 76

Hiram (koning).........41

Hiram (bouwmeester).......41

Hobab..............52

Holda............52, 59

Holofernes............54

Hon...............26

Hymenaefis...........110

Hyrcanus I (zie Joannes Hyrcanus). Hyrcanus II........ 63, 64, 68

I.

Isaac.....4, 9, 10, 11, 12, 66, 67

Isaï (zie ook Jesse)......34, 37

Isaias..... 2, 50, 51, 59, 77, 100

Isboseth...........37, 38

Ismaël.............9, 10

Ismahel............ 53

Israël (zie ook Jacob) . . . 8, 12, 27

Issachar............. 9

Ithamar...........15, 32

Jabin I.............29

Jabin II.............30

Jacob (= Israël) 8, 9, 11—14, 27, 37, 64,

66, 67, 72

Jacob (nat. vader v. H. Joseph) . . 67 Jacobus de Meerdere 70, 72, 74, 75, 79, 80, 84, 90, 97, 102, 110, 111 Jacobus de Mindere 2. 67, 75, 97, 101, 104, 107, 109, 111

Jaddus.............59

Jah el..............30

J a ir...............31

Jaïrus............73, 74

Japheth............7, 8

Jared.............. 6

Jason (O. T.)...........60

Jason (N. T.)...........105

Jcchonias......... 52, 55. 57

Jedidejah............39

Jehu (koning)....... 46, 47, 48

Jehu (profeet)........46, 59

Jephte..............31

•Teremias..... 2, 52, 53, 55, 59, 61

Jerobaal.............30

Jeroboam I...... 41, 44, 45, 59

Jeroboam II ... . ... 48, 49, 59

Jesbaam.............36

Tescha.............. 9

Jesse............37, 67

Biz.

Jesus (Sirach\'s zoon)......1

Jethro.......15, 16, 18, 30, 5\'^

Jezabel.......... 45, 46. 48

Joab............87-41

Joachaz (k. v. Israël).......48

Joachaz (k. v. Juda).......52

Joachim.............67

Joachin (= Jechonias)......52

Joakim (koning)...... 52, 55, 56

Joakim (m. v. Susanna)......56

Joanna...........75, 95

Joannes de Mach.......60, 61

Joannes Hyrcanus ... 3, 60, 62, 63 Joannes de Dooper 65, 66, 67, 69—74,

76, 82, 106

Joannes de Apost.-Ev. 2, 65, 66, 70, 72,

74, 75, 79, 80, 84, 87, 88, 90, 91.

94—97, 99, 100, 104, 109, 110, 111 Joannes Marcus (zie Marcus).

Joas (v. v. Gedeon)........30

Joas (k. v. Israël)..... 46, 48, 59

Joas ik. v. Juda).........48

Joatham (z. v. Gedeon)......31

Joatham (koning)......50, 59

Job............14, 66

Jochabed............15

Joël (z. v. Samuel)........33

Joël (profeet).........2, 59

Johanan.............53

Joïada..............48

Jona............70, 75

Jonas...... 2, 49, 59, 66, 76, 96

Jonathan............30

Jonathas (z. v. Saül) . . 34, 35, 36, 39

Jonathas (z. v. Abiathar).....39

Jonathas de Mach......60, 61, 62

Joram (k. v. Israël) . . 46, 47, 48, 59

Joram (k. v. Juda)......46, 47

Josaba.............48

Josaphat....... 45, 46, 47, 59

Joseph (z. v. Jacob) 3, 8, 9, 12—15, 66 Joseph (onderbev. v. Jud. M.) ... 61 Joseph (voedstervader) . . .67, 68, 69

Joseph (z. v. Cleophas)......67

Joseph van Arimathea......95

Joseph Barnabas (zie Barnabas).

Joseph Barsabas.......80, 98

Josias......... 51, 52, 54, 59

Josuë (z. v. Nun) 1, 18, 19, 25, 27, 28,

29, 64, 66

Josuë (hoogepriester)...... 57

Juda . ... 8, 9, 12, 13, 37, 66, 67

Judas de Mach........60, 61

Judas (z. v. Simon Mach.).....62

Judas Iscariot 39, 40, 75, 78, 84, 87, 88 90 92 98 Judas (= Thaddaeüs) . 2,67, 75, 109, 111

Judas Barsabas.........104

Judas (gasth. v. Paulus).....101


-ocr page 140-

123

Biz.

Judith............54, 55

Julius..............108

Jupiter...........60, 103

L.

Laban...........9, 11, 12

Lameeh............. 6

Lazarus (vriend v. Chr.).....83

Lazarus (de arme)........82

Levi (z. v. Jacob) . 4, 9. 12, 15, 64

Levi (= Matthaeiis).....73, 75

Lia..............9, 11

Longinus (Cassius)........112

Lot..............9, 10

Lucas 2, 66, 87, 98, 104, 106. 108, 110

Lydia.............105

Lysanias.............113

Lysias (Syriër)..........61

Lysias (Romein)......107, 108

M.

Maiicha (vr. v. David)......37

Maiieha (vr. v. Roboam).....44

Magdalena (zie Maria).

Malachias...........2, 59

Malaleël............. 6

Malasar.............56

Malchus...........90, 92

Malthace............68

Manahem..........49, 54

Manassas (z. v. Joseph).....9, 12

Manasses (koning).....51, 55, 59

Manuë.............31

Mareellus............112

Marcus. . 2, 66, 87, 102, 103, 104, 110

Mardochaeüs........57, 58

Maria (zuster v. Moses). . .15, 25. 26 Maria (moeder v. J. C.) 32, 67, 68, 69, 94, 95, 98, 110 Maria (vr. v. Cleophas) . 67, 75, 94, 95 Maria (zuster v. Martha) . . 82, 83, 84 Maria Magdalena . . 75, 76, 94, 95, 96

Maria (moeder v. Marcus).....102

Mariamne (kl.d. v. Hyrc. II) . . . 63

Mariamne (d. v. Simon)......68

Marsus.............112

Martha...........82, 83

Marullus............112

Mathan............. 61

Mathanias............52

Mathathias (v. d. Mach.) . . 60, 61, 62 Mathathias (z. v. Sim. Mach.) ... 62

Mathias......... 80, 98, 111

Mathusala...........4, 6

Matthaeiis. . . 2, 66, 73, 75, 87, 111

■ r

/ik

Biz.

Melcha............. 9

Melchisedech.........10, 66

Menelaiis..........60, 61

Merari.............15

Mercurius............103

Micliaeas (profeet)......46, 59

Michaeas (prof.-schrijver) .... 2, 59

Michaël............. 4

Michas.............30

Michol........ 34, 35. 37, 38

Miphiboseth..........39

Misach.............56

j Misaël............£2, 56

Mnaso..............107

Moloch.......... 28, 50, 51

Moses 1, 4, 14—20, 25, 26, 27, 30, 33, 51, 52, 53, 64, 66, 78, 79, 100, 104

N.

Naaman.............47

Nails..............34

j Nabal..............35

Nabopolassar..........55

I Naboth.............46

Nabuchodonosor(k. v. Babylon) 52, 55, 56 Nabuchodonosor (vorst v. Assyrië) 54, 55

Nabuzardan...........52

Nachor............. 9

Nadab (z. v. Ailron) . . . . 15, 18, 19

Nadab (koning).........45

Nahum............2, 59

Nathan (z. v. David).....37, 67

Nathan (profeet) .... 38, 39, 40, 59

Nathanaël....... 71, 73, 75, 97

Nechao.............52

Nehemias .... 1, 3, 54, 55, 58, 59

Nemrod............. 8

Nephthali............ 9

Ner...............34

Nero..........109, 110, 112

Nicanor (veldheer)........61

Nicanor (diaken).........100

Nicodemus.........71, 81, 95

Nicolaiis.............100

Noë...........6—9, 25, 66

Noëmi.............36

Nun...............27

O.

Obed ....

. . 37, 67

übededom. .

.... 38

Ochozias (k. v.

Israël) . .

. . 46, 59

Ochozias (k. v.

. . 47, 48

Octavius. . .

.... 112

Og.....

.... 27

Onesimus . .

.... 109


I

-ocr page 141-

124

Biz.

Onias III.........3, 60, 61

Oöliab.............19

Ophni..............32

Oman..............40

Orpha..............36

Osee (profeet).......2, 49, 59

Osee (koning).......50, 51. 54

Otho..............112

Othoniël...........29. 30

Oza...............38

Ozias (koning)....... 49, 50, 59

Ozlas (bev. v. Bethulia)......54

P.

Parmenas............100

Paulus..... 2, 65, 66, 103 - 111

Petronius (P.)..........112

Petrus 2, 65, 66, 70, 72, 74, 77—80, 87—92, 95—104. 109. Ill

Phacee.......... 49, 50, 54

Phaceïa.............49

Pharao I............13

Pharao II...........15

Pharao III........16, 17, 27

Phares..........9, 37, 67

Phasael.............68

Philemon..........2, 109

Philippus (v. Syrië)........61

Philippus (m. v. Herodias) .... 68 Philippus (tetrarch) ... 68, 69, 113 Philippus (apostel) . 71, 73, 75, 84, 111

Philippus (diaken).....100, 107

Phineës (hoogepriester) . 15, 22, 27, 29

Phineës (z. v. Heli)........32

Phoebe............ 106

PhraOrtes..........54, 55

Phul..............54

Pilatus (Pontius). . 87, 92, 93, 95, 112

Pompejus..........63, 100

Prisca (zie Priscilla).

Priseilla..........105, 106

Prochorus............100

Pseudo-Smerdis........55—57

Ptolemaeüs (v. Syrië).......61

Ptolemaeüs Philometor......62

Ptolemaeüs (sch.z. v. Sim. M.) . . 62

Publius.............109

Putiphar............13

Putiphare............13

Q.

Quadratus (Ummidius)......112

Qnirinius (P. Sulpicius). . . . 67, 112

R.

Biz.

Rabsaces............51

Rachel .........9, 11, 12

Raguël (= Jethro)........15

Raguël (v. v. Saral........53

Rahab............28, 37

Raphael............4, 53

Rasin..............50

Rason..............41

Rebecca............9, 11

Rechab.............52

Rhode..............102

Roboam........ 3, 44, 45, 59

Ruben.............9, 13

Rufus (Annius)..........112

Ruf\'us (z. v. Sim. v. C.)......94

Ruth............36, 37

s.

Sadoc......... . . 38, 39

Salmanasar...... 51, 53, 54, 55

Salome (vr. v. Zebedaeiis) 70,75,84,94,95 Salome ,d. v. Herodias). ... 68, 76 Salomon 1, 3, 8, 37, 39, 40, 41, 42, 44,

59, 67, 99

Samgar.............30

Samson........24, 31, 32, 66

Samuel....... 1, 24, 32—36, 59

Sanaballat............58

Saphira.............99

Sara (= Sara\'i).......9, 10, 11

Sara (vr. v. Tobias)........53

Sara\'i (vr. v. Abram)......9, 10

Sargon.............54

Sarvia..............37

Sassabasar............57

Saturninus (C. Sentius) . . . . 67, 112

Saiil...... 3, 15, 33—37, 39, 59

Saulus...........100—103

Sceva..............106

Seba...........39, 40

Secundus............106

Sedecias........ 3, 52, 54, 55

Sehon..............27

Seleucus IV Philopator . . 59, 60, 61

Sellum.............49

Sem............4, 7, 8, 9

Semeï........... 39, 40, 41

Semeïa...........44, 59

Semma.............38

Sennacherib........51, 53, 55

Sephora...........15, 16

Sergius Paulus..........103

Seron..............61

Sesac..............44

Seth.............6, 7


-ocr page 142-

125

Biz.

Siba...............39

Sidrach.............56

Silas...........104. 105

Simeon (z. v. Jacob) . . . . 9, 12, 13

Simeon (in den tempel)......68

Simon (Benjamiet)........60

Simon de Mach...... 60—63, 115

Simon (br. v. Jacobus min.). ... 67

Simon (v. v. Mariamne)......68

Simon (zie Petrus) . 70, 72, 75, 78. 79. 89 Simon Zelotes (apostel). . . . 75, 111

Simon (de Pharis.)........76

Simon (de melaatsche)......84

Simon v. Cyrene.........94

Simon (de Toovenaar) . . . 100, 110

Simon (lederboreider).......102

Sisara...............30

So bach.............38

Sobe..............67

Sopater.............106

Sophar.............14

Sophonias...........2, 59

Sosthenes............105

Stephanus.........100, 101

Susanna (de kuische) .... 55, 56, 64 Susanna (in Christus\' gevolg) ... 75 Sylvanus............104

T.

Tabitha.............102

Tertullus............108

Tliaddaeüs (zie Judas)......75

Thamar (moeder v. Phares) . . . 9. 37

Thamar (d. v. David).....37, 39

Th-.iraca.............51

Thare.............. 9

Thathanaï............57

Thebni.............45

Theglathphalasar...... 50, 54, 55

Theophilus.........60. 98

Thola..............31

Thomas •...... 75, 96, 97, 111

Tiberius.............112

Tiberius Alexander.......112

Timon..............100

Timotheüs. . . .2, 104, 105, 106, 110

Biz.

Titus (veldheer).........112

Titus (leerling). ... 2, 104, 106, 110

Titus Justus...........105

Tobias (vader)....... 53, 54, 55

Tobias (zoon)..........53

Trophimus............106

Tryphon.............62

Tychicus.........106, 110

Tyrannus............106

u.

Urias..............38

V.

Vagao..............54

Valerius Gratus.........112

Varus (P. Quinctilius).......112

Vasthi..............58

Vespasianus...........112

Vitellius (A.) (keizer).......112

Vitellius (L.) (proconsul).....112

Volusius Saturninus (L.).....112

X.

Xerxes 1.......... 55, 57, 58-

z.

Zabulon..........................9

Zachaeiis............84

Zacharias (profeet).....2, 57, 59

Zacharias (hoogepriester).....48

Zacharias (koning) •.......49

Zacharias (v. v. Joan d. D.). ... 67

Zambri (de ontuchtige)......27

Zambri (koning) .........45

Zara (z. v. Juda)..................9

Zara (koning)..........45

Zebedaeüs..........70, 75

Zelpha..........................9

Zorobabel..........51, 57


-ocr page 143-

ALPHABETISCHE LIJST

DER IN DIT WERK VOORKOMENDE

AARDRIJKSKUNDIGE EIGENNAMEN.

N.B. De letters, achter verschillende plaatsnamen staande, verwijzen naar één der twee bijgaande schetskaartjes van Palestina.

A.

Blz.

Abela (Ea)...........40

Achaïa..........106. 110

Aennon (Fe).........70, 71

Afrika............. 8

Afrika (Noord-).........94

Ajalon (Cg)...........29

Albanopolis...........111

Alexandrië..........59, 110

Amphipolis...........105

Antiochië (in Pisidië).......103

Antiocbië (in Syrië) 60,101—104,106,109

AntOnia (burcht).......92, 107

Apollonia............105

Arabië..........101, 111

Arabië (Noord-).........16

Arabië (Woest-).......14, 28

Arad (Di)............26

Ararat............. 7

Areopagus............105

Arimathea (Cg) . . . ......95

Armenië....... ... . 7, 111

Ascalon (Bh)..........31

Asor (Eb)..........29, 30

Asson..............107

Assyrië .... 49, 50, 51, 53, 54, 55

Athene.............105

Attalia.............103

Anranitis............113

Azië (werelddeel)........ 8

Azië (A. proeonsularis)......109

Azot of Azotus (Bh) ... 32, 62, 100

51, 52, 55, 56, 57, 59

B.

Babel . . Babyion.

Blz.

Basan..............27

Batanea...........69, 113

Benjamin..........30, 33

Berea-Laïsa (?)..........61

Berg der zaligheden.......75

Bersabee (Ci)........11, 30

Beroea.............105

Berytus (= Beiroet).......111

Bethabara (Fg).......70, 82

Bethania (= Bethabara) (Fg) . 70, 82

Bethania (Dg)..... 82—85, 86, 97

Bethbessen (?)..........62

Bethel (Dg) . 9,11,12,29,30,44,48,51

Bethesda (schaapsbad)......74

Bethhoron (Dg).......28, 61

Bethlehem (Dh) 12, 31, 34, 36, 38, 67,

68, 69

Bethphage (Dg).........84

Bethsaïda (Fc)........70, 76

Betlisaïda (Woestijn van) (Fc). . . 77

Bethsaïda (schaapsbad)......74

Bethsaïda Julias (Fc).......79

Bethsames (Ch).........32

Bethsan (Bd)...........36

Bethulia (Ed)..........54

Bethzachara (?)..........61

Bezec (in Juda) (?)........29

Bezech (bij den Jordaan) (Ee) ... 34

Bithynië.........104, 109

Boniportus............108

Bosor (Gh)............25

c.

Cades..............26

Cades barne..........25

Caesarea (Cd) . 100, 102, 106, 107, 108


-ocr page 144-

127

Biz.

Caesarea-Philippi (Fa)......79

Calamina............111

Calvarië..........10, 87, 94

Cana (Ec)..........71, 72

Capharnaüm (rc). . 69, 71—77, 79, 80

Capharsalama (?).........61

Cappadocië........109, 111

Cariathiarim (Dg) 32, 38

Cariot (Di)...........75

Carmel (stad) (Di)........30

Cannel (berg) (Cc)........45

Cedron (Eh)........ 39, 40, 90

Ceïla (Cli)............35

Cenclirea.........105, 106

Chalcis...........68, 113

Chaldeesch-Bab. rijk.......55

Chanaan .9, 12, 14, 23, 25—30, 32, 38

Chobar.............55

Cilicië........... 101. 104

Coelesyrië..........61, 62

Colosse.............109

Corinthe........ 105, 106, 110

Corozaïn (Fc)..........76

Cos...............107

Creta........... 108, 110

Cyprus...... 102, 103, 104, 107

Cyrene (in N. Afrika) .... 94, 102

D.

Dabir (Di)............29

Dalmanutha (Ec).........78

Dalmatië............110

Damascus..........38, 101

Dan (gewest)..........31

Dan (stad) (Fa)...... 30, 44, 48

Derbe......... 103, 104, 106

Doode Zee............10

Dothaïn of Dothan (De) ... 13, 47

B.

Ecbatana..........53, 55

Edom (Land van).........26

Egypte 9, 12, 13, 15, 16, 23, 26. 41. 44.

51, 52, 53, 59, 62. 68, 88, 110, 111,117

Egypte (Opper-).........53

Elim............17, 18

Bmmaüs (Cg)........61, 96

Endor (Ed)...........36

Engaddi (Ei)...........35

Bphesus...... 106, 107, 110, 111

Ephra (De)...........30

Epbraïm.............30

Ephrera (Eg)...........83

Epirus..............110

Etlram..............17

\\

Blz.

Ethiopië......... 45, 100, 111

Euphraat........5, 8, 27. 38

Europa...........8, 104

Gr.

Gabail (in Benjamin) (Dg) 30,33,34,35,38 Gabail (= Cariathiarim) (Dg) . . . 32

Gabaon (Dg)...... 28, 29, 38, 41

Gabbatha............92

Gadara (Fc)...........73

Galaüd.............31

Galatië........ 104. 106. 109

Galgala (Eg) 28, 29, 32, 33, 34, 88. 39 Galilea 61, 66—69, 71, 72, 74, 75, 78— 81, 90, 97, 113

Gallië..............113

Garizim (Df)...... 29, 59, 60. 63

Gaulon (Fb)........ ... 25

Gaulonitis........ 69, 78, 113

Gaza (Ai)..........32, 100

Gehon.............. 5

Gelboë (Geb. v.) (Ed).......36

| Genesareth...... 72, 73, 76, 77

i Gerasa (Fc)...........73

| Gessen..........12, 14, 15

\' Geth (Ch)......... 35, 36, 39

j Gethsemani...........90

; Gihon..............40

Golgotha............94

j Gomorrha (Ek)..........10

1 Goschen.............12

Griekenland...........58

H.

\' Haceklama...........92

I Haï (Dg)............28

! Haran.............9, 11

Haseroth............25

Hebal (Df)............29

Hebron (Dh). 9, 11. 12, 25, 29, 37, 39

Heliopolis............13

Hierapolis............111

Hor...............26

Horeb............16, 45

Hus...............14

Iconium.............103

Idumea.........69, 111. 112

Tllyrië..............106

Indië..............111

Israël (Rijk van) ... .38, 44—51, 54 Issachar.............54


-ocr page 145-

128

J.

Biz.

Jabes (Fe)..........34, 36

Jaboc (Ff)............12

Jericho (Eg). . 24, 27, 28, 62, 70, 84 Jerusalem (Dg) 10, 23, 29, 38, 39, 41, 44, 48, 50—56, 58, 60, 61, 63,67— 71, 74, 78, 80, 81. 83—87, 90,92— 98, 100—104, 106—111, 113

Jezrahel (Ed)....... 36, 46. 48

Joppe (Bf)..........49, 102

Jordaan 27, 28, 29, 45, 46, 47, 69, 70,

71, 81, 82

Ju Ja .... 32, 34. 35, 37, 44—55« 68 Judea 56—61, 63, 66, 68—72, 80, 83, 92. 102, 108, 110, 111, 112

K.

Kedes (Eb)...........25

Klein-Azie.....101, 107, 110, 111

L.

Lais (Fa)............30

Laodioea............Ill

Libanon (Ea)...........28

Lithostrotos...........92

Lycaonië........103, 111

Lydda (Cg) ...........101

Lystra (in Lycaonië) .... 103, 104 Lystra (= Myra, in Lycia) .... 108

M.

Macedonië...... 55, 59, 106, 110

Macherus (Fh)........72, 76

Magdala (Ec)........76, 78

Magedan (= Magdala) (Ec) ... 78

Mahanaïm (Fe).........37

Malta..............108

Mambre (Dh).......... 9

Manasse (West-J.........30

Mara...... ........18

Maspha (in Benjamin) (Dg) . . 33, 53

Maspha (in Gad) (Fe).......31

Medië......... 51, 53, 54, 55

Medisch-Perzische Rijk......55

Melita..............108

Merom (Fb)...........29

Mesopotamië........9, 30, 111

Middellandsche Zee........28

Miletus..........107, 110

Mitylene............107

Moab (Land van).........26

Biz.

Moab (Velden van) (Fg).....27

Modin (Bg)........60, 61, 62

Moria...........10, 40, 41

Myra (zg. Lystra)........108

Mysië..............104

N.

Naïm (Ed)............76

Nazareth (Ed)..... 67, 69, 70, 77

Neapolis.............104

Nebo (Fg)............27

Nephthali......... 30, 50, 53

Nicopolis............110

Nijl...............15

Ninive ..... 8, 49, 53, 54, 55, 76 Nobe (Dg)..........35, 38

o.

Odollam.............35

Olijfberg..... 39, 40, 86, 90, 97

Olijven (Hof van).......87, 90

Ostia...............110

Over-Jordaansche 27, 30, 31, 34, 37,39,

48, 50, 69, 80

P.

Palestina 9, 30. 59, 64—6 ,98, 111, 112, 113, 115.

Pamphylië............103

Paphus.............103

Parthië.............HI

Patara.............107

Patmos.............Ill

Patras..............110

Perea..... 69, 70, 81, 82, 83, 113

Pergamus............Ill

Perge..............103

Persopolis............55

Perzië....... 55, 57, 59, 61, 111

Pharan.......... 25, 26, 35

Pharsalus............63

Phenicië.............102

Philadelphia...........Ill

Philippi......... 63, 105, 106

Phison............. 5

Phoenice............108

Phrygië........ 104, 106, 111

Pisidië.............103

Pontus..........109, 110

Ptolemaïs (Dc)........62, 107

Puteoli.............109


-ocr page 146-

129

Q.

Biz.

Quarantania (Eg) . . .

.....70

R.

Rabba (Gg) . .

.....38

Rages (w.pl. v.

Raguel).

.....53

Rages (w.pl. v.

Gabelus)

.....53

Ramoth-Galaad (Ff) . .

.....25

Ramatha (Cg?)

. . 32, 33, 35

Rhegium . . .

.....109

Rhodus . . . .

.....107

Rome 63, 65,

98, 101,

102, 103, 105,

108—111

Roode Zee. ,

... 17, 38

s.

Saba.....

.....41

Salem.....

.....10

Salim (Fe). . .

.....70

Samaria (gewest) 60, 66,

69, 72, 80, 112

Samaria (stad) (De) .

45, 47, 51, 100

Samoa...

Saraa (Cg). . .

.....31

Sardes.....

.....Ill

Scytbië . . . .

.....110

Sebastopol. . .

.....Ill

Sei\'r......

Seleucia. . . .

.....103

Sennaar . . . .

..... 8

Settim (Fg) . .

.....27

Siceleg (Bi) . .

. .

.....36

Siehar (Df) . .

• • . •

.....72

Sichem (Df) 12, 13, 14,25,29,31,44,72

Siehem (Dal van) (Df) .

.....29

Siddim (Ek) . .

.... 9, 10

Sidon .....

. 76, 78, 108

Silo (Df) . . .

. . 29, 32. 38

Siloë.....

.....82

Sin......

Sin (— Tsin) . .

.....26

Sinai .....

16, 17, 18, 21, 23, 26

Ur (der Chaldeën)

Biz.

Sion........ 29, 38, 40, 61, 62

Smyrna.............Ill

Soba (in Mesopotamië)......38

Socoth..............17

Sodoma (Ek).........10, 76

Spanje...........49, 110

Sunam (Ed)...........47

Sur...............17

Susan........... 55, 57, 58

Syracuse............109

Syrië 28, 45-48, 50, 60—63, 67, 103, 104, 106, 112, 113 Syro-Phoenicië..........78

T.

Tarsus...........101, 102

Thabor (Ed) . . 27, 30, 75, 79, 95, 96

Thalassa.............108

Thamnatha (Ch).........31

Thamnath-Sare (Df).......29

Tharsis.............49

Thebes (Ee)...........31

Thecua (Dh)...........39

Thersa (Ee)...........44

Thessaloniea...........105

Trachonitis....... 68, 69, 113

Thracië.............110

Thyatira.............Ill

Tiberias (Fc)..........97

Tiger.............5, 53

Tisbe..............53

Troas...........104, 106

Tsin...............26

Tyrus (Da)........ 76, 78, 107

u.

Zabulon.............67

Ziph (Di)..........35, 36

9

-ocr page 147-
-ocr page 148-

I jST H O ü D.

Blz.

Inleiding......................................................1

Het oude testament.

Verdeeling....................................................3

Eerste tijdvak. Vroegste Geschiedenis (van Adam—Abraham).

§ I. De schepping..........................................4

§ II. De zondeval..........................................5

§ III. Adams nakomelingschap................................6

§ IV. De zondvloed..........................................7

§ V. Noë\'s nakomelingschap..................................8

Tweede tijdvak. Geschiedenis van het volk Gods (.van Abraham-Salomon).

I® Afdeeling. Wording van het Israelielische volk.

§ I. Abraham..............................................9

§ II. Isaac........................11

§ III. Jacob........................11

§ IV. Joseph........................12

Tasschenverhaal. Geschiedenis van Job .............14

IIe Afdeeling. Vorming van het Ismëlietische volk.

§ I. Het Israëlietische volk in Egypte..........15—17

I. Verdrukking der Joden..............15

II. Geschiedenis van Moses tot zijne roeping......15

III. Roeping van Moses................16

IV. Bevrijding der Joden door Moses..........16

§ II. Het Israëlietische volk in de woestijn........17—27

I. Tocht naar Sinaï.................17

II. Verblijf bij Sinaï.................18

III. Wetgeving van Sinaï...............21

IV Tocht naar Chanaiin...............25

V. Omzwerving door de woestijn...........26

VI. Tweede tocht naar Chanaan............26

-ocr page 149-

132

Biz.

§ III. De verovering van Chanaan............28—29

I. Vóór den oorlog.................28

II. De oorlog....................28

III. Na den oorlog..................29

§ IV. Het tijdvak der rechters..............29—33

I. Tafereelen uit den tijd der regeeringloosheid.....29

II. De rechters...................30

§ V. De regeering van koning Saiil...........33—36

I. Saül vóór zijne verwerping............33

II. Saül na zijne verwerping.............34

Tusschenverhaal. Geschiedenis van Ruth............36

IIIe Afdeeling. Bloei van het Israëlietische volk.

§ I. De regeering van koning David...........37—40

I. David, koning van Juda alléén...........37

II. David, koning van geheel Israël..........38

§ II. De regeering van koning Salomon..........41—43

Derde tijdvak. Geschiedenis van het verval des Joodschen volks.

Ie Afdeeling. Geschiedenis der rijken van Juda en Israël.....44—53

Tusschenverhaal. Geschiedenis van Elias en Eliseüs........46

Tusschenverhaal. Geschiedenis van Jonas............49

Tusschenverhaal. Geschiedenis van Tobias............53

Tusschenverhaal. Geschiedenis van Judith............54

IIe Afdeeling. Gevangenschap en terugkeer der Joden.

Voorbericht. Overzicht der oostersche rijken en koningen van 759—330. 54

g I. Geschiedenis der Babylonische gevangenschap.....55—57

I. Algemeene toestand der ballingen.........55

II. Geschiedenis van Daniël..............56

§ II. Geschiedenis der Joden na de Babylonische gevangenschap. 57—59

I. Geschiedenis van den eersten terugkeer, enz.....57

II. Geschiedenis van Esther..............57

III. Geschiedenis van den tweeden terugkeer, enz.....58

Aanhangsel A. Geschiedenis der Joden tot het tijdvak der Machabeën. 59 , B. Lijst der profeten in de jaren 1095—430 ..... 59

III8 Afdeeling. Geschiedenis der Joden onder de Machabeën.

§ I. Geschiedenis der Joden vóór de Machabeën........60

§ II. Judas de Machabeër..................60

§ III. Jonathas de Machabeër................61

§ IV. Simon de Machabeër..................62

Aanhangsel. Geschiedenis der Joden tot Christus.......63—64

I. De Machabeesche koningen.............63

II. De Joden onder de Komeinsche heerschappij.....63

-ocr page 150-

133

Het nieuwe testament.

Blz.

Verdeeling..........................65

Eerste tijdvak. Geschiedenis van Christus\' leven op aarde

Inleiding...........................66

Ie Akdeeling. Geschiedenis van Christus1 geboorte en verborgen leven.

§ I. Vóór \'s Heeren geboorte................67

§ II. Bethlehem......................67

§ III. Egypte.......................68

§ IV. Nazareth.......................69

IIe Afdeeling. Geschiedenis van Christus\'\' openhaar leven.

§ I. Eerste reis : van Nazareth naar den Jordaan......69

§ II. Tweede reis; van den Jordaan naar Galilea.......71

§ III. Derde reis: van Galilea naar Jerusalem en dan door Judea. 71

Tusschenverhaal: Gevangenneming van Joannes den Dooper. ... 72

§ IV. Vierde reis : van Judea door Samaria naar Galilea. ... 72

§ V. Vijfde reis : door Galilea (lste evangeliereis).......72

§ VI. Verblijf des Heeren in en nabij Capharnaüm.......73

§ VII. Zesde reis : van Galilea naar Jerusalem en terug .... 74

§ VIII. Verblijf des Heeren in en nabij Capharnaüm.......74

§ IX. Zevende reis: door Galilea (2e evangeliereis) . . . . 75—78

Tusschenverhaal: Dood van Joannes den Dooper.........76

§ X. Achtste reis : door Galilea en omliggende landen (3e evangeliereis) .....................78

§ XI. Laatste verblijf des Heeren te Capharnaüm......80

§ XII. Negende reis : van Galilea door het over-Jordaansche naar

Jerusalem.....................80

§ XIII. Verblijf des Heeren te Jerusalem...........81

§ XIV. Tiende reis ; door Perea (4e evangeliereis).......82

§ XV. Elfde reis : van Perea door Judea naar Jerusalem .... 83

§ XVI. Verblijf des Heeren in en nabij Jerusalem........84

IIIe Afdeeling. Geschiedenis van Christus\' lijden, dood, verrijzenis en hemelvaart.

§ I. Het laatste avondmaal................87

§ H. De hof van olijven..................90

§ III. Christus voor den Hoogen Raad............91

Tusschenverhaal. Einde van Judas...............92

§ IV. Christus voor Pilatus.................92

§ V. Christus\' kruisweg, kruisiging en dood..........94

§ VI. De verrezen Jesus...................95

Tweede tijdvak. Vroegste geschiedenis van Christus\' kerk.

1® Afdeeling. De kerk van Christus in Palestina.

§ I. Van de hemelvaart tot Pinksteren............98

§ II. Het eerste optreden der apostelen............98

§ III. De diakenen.....................100

§ IV. Saulus........................101

§ V. Uitbreiding der Kerk.................101

-ocr page 151-
-ocr page 152-
-ocr page 153-
-ocr page 154-
-ocr page 155-