-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

EOMEINSCHE

Vak 150

ANTIQUITEITEN,

TEN GEBRUIKE BIJ HET GYMNASIAAL ONDERWIJS,

DOOR

Df-. j. g. schlimmek.

Bt\'

mv.

rlt;

O

t\\i O

. F. t

m .J C H

VIJFDE, GEHEEL VERANDERDE DRfK.

Conventus r\'densis

TE GRONINGEN BIJ J. B. AVOLTERS, 1SS6.

-ocr page 6-

Stoomdrukkerij van J. B. Wolters.

-ocr page 7-

Sedert de verschijning van den vierden druk in 1878 hebben -er omstandigheden plaats gehad, waarmede bij eene nieuwe uitgaaf rekening moest gehouden worden, n.l. aan den eenen kant de uitbreiding der literatuur over roraeinsche staatsinstellingen , aan den anderen kant de officiëele regeling van ons gymnasiaal onderwijs, waarbij ook aan de romeinsche antiquiteiten als leervak eene bepaalde plaats is aangewezen. Naar aanleiding hiervan en van verschillende wenken, mij van bevoegde zijde welwillend gegeven, kwam mij eene omwerking noodzakelijk voor, doch zóó, dat zij niet tot uitbreiding van het geheel leidde. Al wat naar topografie zweemde, is weggelaten, en het zoogenaamde pars domestica is aanmerkelijk ingekrompen en tot enkele bijzonderheden beperkt. Daarentegen meende ik het keizerrijk niet geheel huiten beschouwing te moeten laten.

Moge ook deze vijfde druk een gunstig onthaal vinden.

Ti el, Aug. 1836. G. S.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

INHOUD.

Biz.

I. HET ROMEINSCHE VOLK................1

1. De oude tribus............ . . i

2. Curiae. Gentea. Patres............3

3. Patronen en cliënten.............5

4. Plebs..................6

5. Nomen, praenomen , cognomen, agnomen. Plebejische gentes ....................................8

6. De ridders, equites .... ........9

7. Curiae. Comitia curiata............11

8. Classes. Centuriae .... .........12

9. De nieuwe tribus van Servius Tullius.......14

10. Conubium.................15

11. Patria potestas...............19

12. Tutela..................21

13. Commercium. lus testamentifaotionis et hereditatis . . 21

14. Libertas.................22

15. lus suftragii, ius honorum...........26

16. Civitas. Caput...............27

II. SENAAT ES VOLKSVERGADERING..........30

1. Invloed van den senaat............30

2. Patres conscripti..............31

3. Patrum auctoritas..............32

4. Auspicia...................

5. De strijd tusschcn de patriciërs en de plebs .... 34

6. De strijd tusschen de optimaten en hgLjolk. Ordo senatorius. Ordo equeater 1.(5.....38

i to Vi -■ ■

1 bOilvUlllu.J !

I 5

-ocr page 10-

INHOUD.

Biz.

7. Lectio senatus...............41

8. Senaatszittingen..............42

9. Bevoegdheid van den senaat. Insignia.......46

10. Concilia, contiones, coraitia..........49

11. Comitia curiata...............49

12. Comitia centuriata.............50

13. Hervorming der comitia centuriata.......53

14. Coraitia tributa..............54

15. Bevoegdheid der centuriaat- en tribuutcomitiën ... 56

16. Nadere bijzonderheden............59

III. HET KONINGSCHAP..............63

IV. DE MAGISTRATEN DEll REPUBLIEK.........65

1. Consules.................65

2. Schorsing van het consulaat. Decemviri legibus acri-bundis. Tribuni railitum consular! potestate .... 69

3. Praefectus urbi. Interrex...........71

4. Censores.................72

5. Praetores................76

6. Aediles.................78

7. Quaestores................80

8. De dictator en de magister equitum.......82

9. Tribuni plebis...............85

10. Overzicht der bovenstaande magistraten......88

11. Magistratus minores, niet in de schaal der honores opgenomen................93

12. De dienaars der magistraten..........94

V. DE EQUITES.................96

VI. DB KERKDIENST................98

1. De goden................98

2. Vereering................103

3. De hooge priesterambten...........106

4. De lagere priesterambten...........110

-ocr page 11-

INHOUD.

5. Priesterkeuze..........

6. Verval van den nationalen godsdienst ....

7. Heilig-e gebouwen en plaatsen........

VII. OVERGANG TOT DE MONARCHIE AIII. STAATSREGELING ONDER DE KEIZERS

1. De princeps of imperator.......

2. De comitiën.......

3. De senaat........

4. De ridderstand.......

5. De oude overheden.....

6. De nieuwe ambtenaren.....

7. De keizervergoding. Overgang tot het Christendom.

IX. ITALIA EN DE PROVINCIES

1. Municipia, praefecturae........

2. toloniae civium Romanorum.....

3. Civitates foederatae. Socii. Xomen Latinum .

4. Verleening van het burgerrecht aan Italia. .

5. Peregrin). Dediticii.........

0. De provinciën.......

7. De stadhouders en hun gevolg

8. Verdrukking der provinciën.......

9. Itaüë en de provinciën onder de keizers

10. De indeeling van het rijk onder Constantijn den Groote

X. RECHT EN RECHTSPRAAK.......

1. lus........

2. De deelen van het ius privatum

3. ludicia privata.....

4. ludicia publica......

5. Sadere opmerkingen. Straffen......

f). ludices.....

XI. DE GELDMIDDELEN ....

1. Inkomsten van den staat .

vu

-ocr page 12-

inhoud.

Biz

2. Uitgaven.................175

3. Muntwezen................178

4. De rentevoet...............180

XII. het krijgswezen..............182

1. De romeinsche voortijd............182

2. Het leger onder de republiek, en meer in het bijzonder vóór Marius..............183

3. De marsch en de veldslag. Tucht. Straffen en belooningen ................189

4. Socii. Auxilia...............193

5. De legerplaats...............194

6. De hervormingen van Marius.........196

7. De tijd van Caesar.............197

8. Belegering................201

9. De keizerstijd...............204

XIII. esicele bijzonderheden uit het huiselijk en maatschappelijk leven.............\'-06

1. De woning................206

2. Kleeding.................210

3. Spijs en drank...............215

4. De opvoeding...............219

5. Begrafenis................220

6. Het reizen................222

7. Boeken. Brieven..............224

8. Openbare spelen..............227

9. De slaven................231

10. Cliënten.................232

11. Tijdrekening...............233

12. Meest gebruikte verkortingen.........235

13. Breukenrekening..............236

register................. ■ 239

viii

-ocr page 13-

I. HET ROMEINSCHE VOLK.

I. DE OUDE TRIBUS.

De geschiedenis en instellingen van Rome vóór de samnitische oorlogen zijn met een sluier bedekt, welken het wel nimmer gelukken zal geheel op te heffen. In de eerste plaats toch waren de oudste geschiedkundige bescheiden slechts kronieken, hetzij van staatswege door de pontifices bijgehouden, hetzij in verschillende familiearchieven bewaard. Veel hiervan is voorzeker bij den gallischen brand vernield, maar ook voor het overige schijnt of weinig zorg te zijn gedragen, óf wel de familiekronieken, ter verheerlijking van de voorzaten opgesmukt, maakten het moeielijk, waarheid van verdichting te schiften. Ten tweede hadden de romeinsche geschiedschrijvers eene andere opvatting dan wij van het schrijven der geschiedenis; het was hun niet zoozeer om de reine waarheid te doen, als wel om een werk te leveren van praktische strekking, waaruit redenaar en staatsman nuttige lessen konden trekken, en vóór de punische oorlogen is ons zelfs geen romeinsch geschiedschrijver bekend. De schrijvers, uit wier geschriften wij, voor zoover zij nog overig zijn, moeten putten, kenden zei ven van den oudsten tijd slechts de overlevering, en hadden de gewoonte, alle instellingen en gebruiken, waarvan de oorsprong zich in den tijd der hooge oudheid verloor, tot Romulus of Numa Pompilius terug te brengen.

In het jaar 753 v. Ch.1), volgens de nationale sage, en wel

1

1

Volgens de aera van Varro. Volgens Cato 752. Schlimmer, Rom, Ant., 5e druk.

-ocr page 14-

2

op den 21 April, legde een troep Latijnen onder aanvoering van zekeren Romulus op den linker Tiberoever in het noordwesten van Latium de grondslagen eener stad. Men noemde haar Roma, een naam welks afleiding en beteekenis in het duister ligt, terwijl sommigen hem als \'Pcóp-vj, anderen als Ruma (oud-lat. — mamma, de zogende borst) hebben willen verklaren, en nog anderen, zoo als het gros der Romeinen zeiven, hem eenvoudig van den naam des stichters afleidden. De stichting zelve geschiedde volgens oud-etruscisch gebruik. In het middelpunt der toekomstige stad werd een langwerpige kuil gegraven, waarin veldvruchten en eenige handen vol aarde uit de nabijliggende plaatsen geworpen werden, waarop de kuil weder gedempt, op die plaats een altaar opgericht en het offervuur ontstoken werd. Hierop trok de stichter de heilige vore met een ploeg, waarvoor een stier en eene koe gespannen waren, de eerste rechts aan de buiten-, de tweede links aan de binnenzijde. Bij het ploegen werd nauwkeurig opgelet, dat de opgeploegde aarde naar den binnenkant viel, en de naar buiten overgevallen kluiten werden met de hand naar binnen geworpen. Waar eene poort moest zijn, werd de ploeg opgenomen en eenige schreden ver gedragen.

Eenige dezer gebruiken schildert ons Ovidius in de volgende

verzen: .

Apta dies legitur, quae moema signet aratro.

Sacra Palis suberant: inde movetur opus.

Fossa fit ad solidum: fruges iaciuntur in ima.

Et de vicino terra petita solo.

Fossa repletur humo, plenaeque imponitur ara.

Et novus accenso fungitur igne focus.

Inde premens stivam designat moenia sulco:

Alba iugum niveo cum bove vacca tulit1).

Tot zoover de nationale overlevering. De stad, door Romulus gesticht, bepaalde zich tot den Palatijnschen berg, en hare bewoners komen onder den naam Ramnes of Ramnenses voor. Wij mogen aannemen, dat met dezen naam ook de naam der stad samenhangt. Naast de Ramnes komen echter nog

1

Ovid. Fast. IV. 819—826.

-ocr page 15-

3

twee andere stammen of tribus (tpu/ai) voor: de T i t i e s of Titienses, waarschijnlijk van sabijnschen oorsprong, op den Quirinaalschen heuvel en misschien ook op den Capitolijnschen berg, de Luceres (zelden Lucerenses) op den Caelischen berg. De volgorde, waarin de romeinsche schrijvers deze drie tribus vermelden, is gewoonlijk deze: Tities, Ramnes, Luceres. Over den oorsprong der Luceres is men in het onzekere. Sommigen hebben hen als van etruscischen, anderen als van albaanschen oorsprong beschouwd; wellicht waren zij ontstaan uit eene vermenging van verschillende bestanddeelen. Gelijk de Romeinen den naam Ramnes met Romulus in verband brachten, leidden zij Tities of Titienses (ook wel Tatienses) af van den naam van een sabijnschen koning Tatius, die in het verhaal van den maagdenroof voorkomt. De naam Luceres wordt door Cicero, Varro e. a. afgeleid van zekeren Caelius Vibenna, een etruscisch vorst of L u c u m o, die op den naar hem genoemden mons Caelius eene volkplanting zou gesticht hebben, terwijl daarentegen Livius de bevolking van het verwoeste Alba Longa daarheen laat verhuizen In elk geval schijnen de Luceres de jongste der drie tribus te zijn geweest.

2. CURIAE. GENTES. PATRES.

Elk der drie stammen of tribus, waaruit het romeinsche volk ontstond, had eene verdeeling in tien c u r i ë n , terwijl elke curie een aantal geslachten of g e n t e s omvatte. Deze verdeeling in g e n t e s speelt bij de Romeinen eene gewichtige rol. Door eene verkeerde opvatting is de meening ontstaan, dat elke curie tien g e n t e s zou geteld hebben. Daar wij echter moeielijk kunnen onderstellen, dat juist elke stam uit honderd geslachten zou bestaan hebben, zou het woord g e n s dan eene andere beteekenis moeten hebben. Men zou dan moeten aan-

l) De hoogleeraar Kappeyne van de Coppello (Beschomvingen over de comitia) houdt, op het voetspoor van Niebnhr, dezen Lncumo voor identisch met Tarquinius Priscus en neemt aan, dat deze de Tities en Kamnes tot onderwerping heeft gedwongen.

1*

-ocr page 16-

4

nemen, wat trouwens in de oudheid geen vreemd verschijnsel is, dat de landerijen van eiken stam in honderd ongeveer gelijke deelen gesplitst waren, en de indeeling in gentes oorspronkelijk wel zooveel mogelijk op gemeenschappelijke afkomst, maar toch voornamelijk op gemeenschappelijk grondbezit berustte. Doch, hoewel het zeer mogelijk en zelfs waarschijnlijk is, dat elke gens een zeker gemeenschappelijk grondbezit had, zoo wisten toch de Romeinen zeiven niets van een bepaald getal gentes, en vatten het woord op als eene familie, in de beteekenis van geslacht, uit een gemeenschappelijken stamvader gesproten. Wij zullen straks zien, dat Rome nog andere bewoners telde, die niet tot de gentes behoorden; doch oorspronkelijk maakten toch alleen de leden der gentes het romeinsche volk uit; zij vormden den erfadel en hadden alleen aandeel aan het bestuur. Romulus nu had zich uit de gentes der Ramnes een senaat van honderd leden toegevoegd, patres genoemd, en de adellijke geslachten, die in den beginne alleen leden voor den senaat konden leveren, kregen hiernaar den naam van patriciërs. De naam patres heeft verwarring gesticht, omdat dit woord nu eens alleen de senaatsleden, dan weder al de patriciërs omvat. Hoe nu het getal senatoren van 100 op 300 gekomen is, hieromtrent zijn de berichten zeer tegenstrijdig en verward. Eene der waarschijnlijkste meeningen is deze, dat bij de vereeniging van Ramnes en Tities het getal senatoren op 200, en bij de opname der Luceres onder de burgers op 300 is gebracht; welk laatste dan onder de regeering van Tarquinius Priscus zou gebeurd zijn. Van dezen koning staat vermeld, dat hij een aantal nieuwe geslachten onder de patres opnam, en dat deze nieuwe leden patres minorum gentium genoemd werden. Of nu echter onder patres hier senaatsleden of patriciërs moeten verstaan worden, is eene onbesliste zaak, waarover de gevoelens zeer uiteenloopen, zoodat het niet uitgemaakt is, of men onder de gentes minores de Luceres moet verstaan of een nieuwen adel uit de plebejers.

De verschillende gentes hadden elk hare bijzondere godsdienstige plechtigheden en feesten, sacra gentilicia, welke door de gentiles, de leden der gens, moesten bekostigd

-ocr page 17-

5

worden, en aan welker instandhouding groote waarde werd gehecht.

3. PATRONEN EN CLIËNTEN.

In de eerste eeuwen van Romes bestaan treft men naast de patriciërs, die alleen in het bezit van het burgerrecht waren, nog eene klasse van halfvrije, hun onderdanige bewoners aan, waarschijnlijk afstammelingen van oud-italische stammen, door machtiger landverhuizers van hun landbezit beroofd, die in een toestand van afhankelijkheid waren gekomen en zich met hunne heeren naar de nieuwe stad verplaatsten. Deze onderworpen bevolking heette cl i antes (van clueo, -/Jutu), hoorigen, terwijl de vrije burgers tegenover hen p a t r o n i, vaderlijke beschermers, genoemd werden. De cliënten waren geene lijfeigenen, geen slaven, niet het eigendom van bepaalde personen. De patronus moest den client het recht uitleggen, zich voor diens vermogen en belangen in de bres stellen, wanneer hem onrecht gedaan was, zijne zaak voor den rechter vervolgen, en wanneer hij voor het gerecht geroepen werd, hem vertegenwoordigen. De cliënten waren dus inwoners zonder rechtspersoonlijkheid en stonden dus in dit opzicht gelijk met vreemden, (p e r e g r i n i). Naar streng romeinsch recht kon een peregrinus op romeinschen bodem geen aanspraak maken op de bescherming der wetten; doch een romeinsch burger kon voor hem optreden als beschermer of patronus. Zóó was het ook met de cliënten gesteld, die, in ruil voor deze bescherming, zonder welke het hun onmogelijk was te Rome te leven, van hunnen kant ook tot zekere bepaalde verplichtingen gehouden waren. Zoo moest b.v. de cliënt bijdragen tot den bruidschat van de dochter zijns patroons, en tot het losgeld, wanneer deze zelf of een zijner zonen uit de krijgsgevangenschap moest losgekocht worden, of tot de boeten, waarin hij door het gerecht veroordeeld was; hij moest de kosten der groote offers en godsdienstige feesten van de gens mede dragen, met zijn patronus als vasal ten strijde trekken, enz. De patroon, die zich aan de rechten van zijn cliënt vergreep, of dezen niet behoorlijk naar zijn vermogen beschermde, was ver-

-ocr page 18-

vloekt of sa eer \'). De betrekking was erfelijk, en het vaderlijke er van werd ook reeds daardoor aangetoond, dat de cliënt den gentielnaam van zijn patroon voerde. Zij laat zich ook hierdoor «enigszins met de betrekking van een clansman in de schotsche hooglanden tot het clanshoofd, gelijk die voorheen bestond, vergelijken. In den loop der eeuwen en door de verandering in de staatsinrichtingen verdween langzamerhand de oorspronkelijke clientela en patronatus geheel. Wanneer in later dagen, zelfs nog in den keizerstijd van cliënten gesproken wordt, dan moeten hieronder burgers van lageren stand en vrijgelaten slaven verstaan worden, die tegen geldelijke of andere belooning diensten aan aanzienlijken en rijken bewezen en bij dezen soms de rol van hovelingen vervulden.

4. PLEBS.

Behalve van patronen en cliënten spreekt de geschiedenis reeds vroegtijdig van eene bevolking, die scherp van den geboorteadel, de patriciërs, gescheiden is, en den naam van plebes of plebs draagt. De naam -) drukt reeds uit, dat de stand der plebejers de massa der bevolking uitmaakte. Zij waren oorspronkelijk de geregeerde klasse, terwijl de patriciërs de regeerende vormden. Doch nu boven reeds van cliënten gesproken is, doen zich van zelf twee vragen op: wat is de oorsprong der romeinsche plebs? en in welke verhouding staan plebejers en cliënten tot elkander?

De plebejers hebben in den beginne wel geen aandeel aan het staatsbestuur, maar zij hebben toch rechtspersoonlijkheid; zij hebben het v/s commercii, d. i. het recht om eigendom te verwerven en te bezitten volgens romeinsch recht; zij hebben geen patronus noodig.

1) Sa eer, welk woord in het vervolg meermalen zal voorkomen, beteekent in ongunstigen zin: als offer aan de goden der onderwereld gewijd. Wie sacer was, kon derhalve straffeloos gedood worden. In de wetten der twaalf tafelen stond een artikel: )iatronus si client) Jraudem fecerit, sacer es/u.

2) De wortel ple, waarmede plebs samenhangt, ligt in -plere, -\'//T/y;//!, TtXnSoi, Plebs ea dicitur, in qua qenies civium patriciae non insunt.

-ocr page 19-

De oude schrijvers stellen meest de zaak aldus voor, als zouden er van Romes stichting af patriciërs en plebejers bestaan hebben. Wanneer o. a. Cicero van Romulus zegt: habuii plebem in clientelas principum discriptam, dan maakt de schrijver geen verschil tusschen de cliënten en de plebs, of, beter gezegd, tusschen de cliënten en de groote niet-adellijke massa. Daartegenover staan andere berichten, waarin de cliënten met hunne adellijke patroni ééne lijn trekken tegen de plebs1). Volgens eene meening, het eerst door Niebuhr geuit en later door anderen gevolgd en uitgewerkt, was de c 1 i e n t e 1 a eene oud-italische instelling, ouder dan de stichting van Rome, de plebs daarentegen van jonger dagteekening dan de stichting der stad. Ancus Marcius namelijk, de vierde der zeven koningen van Rome, veroverde en verwoestte eenige steden van Latium en lijfde het gebied daarvan bij Rome in. Nu was het bij de Romeinen (en ook bij andere volken) de gewoonte, een gedeelte van het veroverde gebied verbeurd te verklaren en tot ager publicus of staatsdomein te maken. Een gedeelte der bevolking bleef in hare woonsteden, een ander gedeelte werd naar Rome overgebracht. Doch hetzij zij bleven, hetzij zij verhuisden, door de inlijving van hun gebied bij Rome werden zij Romeinen, doch niet op gelijken voet met hunne overwinnaars. Volgens deze lezing zouden dan de plebejers ontstaan zijn uit onderworpen Latijnen. Rome was zelf een stad van Latium, de Latijnen werden als stamverwanten beschouwd, wat niet kon gezegd worden van de onderworpen oud-italische stammen, wier nakomelingen h o o r i g e n waren. De onderworpen Latijnen werden geene hoorigen, zij werden burgers met minder rechten dan de patriciërs. Het begrip van stamverwantschap heeft ook later zich doen gelden: de Romeinen hebben Latium anders behandeld dan het overige Italia, en Italia anders dan de provinciën.

De beroemde hoogleeraar Mommsen is eene andere meening toegedaan. Hij leidt het ontstaan der plebs uit de clientela af. Het toenemen der bevolking door verhuizing naar het gebied van Rome had eene groote uitbreiding der clientela ten gevolge —

1

Cic. de rep. II. 9. Liv. II. 35 en 36. Dion. Hal. VI. 63. X. 41.

-ocr page 20-

8

want bij gemis van rechtspersoonlijkheid moesten de nieuwe inwoners zich onder de hoede van patroni stellen — doch tevens werd hierdoor de band tusschen patronen en cliënten losser, te meer, daar velen zich in de clientela des konings begaven. Vrijverklaring of uittreding uit de clientela is niet alleen denkbaar, maar moet zelfs plaats gevonden hebben, daar ten laatste de cliënten zich geheel in de plebs oplossen.

Tusschen de beide standen was vóór het jaar 445 geen wettig huwelijk mogelijk; er bestond tusschen patriciërs en plebejers geen c o n u b i u m. Ten einde echter den ouden adel voor uitsterven te bewaren, was het somtijds noodig, dezen uit aanzienlijke plebejers aan te vullen.

5. NOMEN, PRAENOMEN, COGNOMEN, AGNOMEN.

PLEBEJISCHE GENTES.

leder Romein, die tot eene g e n s behoorde, voerde een gen-tielnaam, nomen gentile of ook wel alleen nomen geheeten. Al deze gentilia hebben den uitgang -i u s en zijn oorspronkelijk adjectiva, waarschijnlijk van plaatsnamen gevormd. Zoo droegen allen, die tot de gens Cornelia behoorden, het nomen Cornelius. Dan had ieder mannelijk Romein een voornaam, p r a e-nomen, dien hij verkort vóór zijn naam schreef, b.v. P. Cornelius. De gentes waren, evenals onze geslachten, in takken of familien, famiiiae, gesplitst, die achter het nomen nog een bijzonderen familienaam of toenaam, cognomen, voerden. Zoo waren er b.v. in de gens Cornelia een groot aantal familien: de Cornelii Scipiones, de Cornelii Lentuli, de Comelii Sullae enz. Dit cognomen wordt dikwerf weggelaten; zoo vindt men b.v. meermalen enkel M. Tullius voor het volledige M. Tullius Cicero. Enkele malen vindt men ter onderscheiding nog een vierden naam, agnomen, ja, nog wel eens een vijfden, b.v. P. Cornelius Lentulus Sura, P. Cornelius Scipio Aemilianus Africanus minor.

Oorspronkelijk waren de gentes alleen patricisch en stonden de plebejers geheel daarbuiten. Wanneer wij de g e n s als eene uitbreiding der familie beschouwen en in aanmerking nemen,

-ocr page 21-

9

dat de plebejers in het eerst geene erkende sacra hadden, dan zal men lichtelijk inzien, dat er geen band was, die de plebejische familiën bijeenhield, zoodat de herinnering aan die maagschap mettertijd verloren ging, althans bij de min aanzienlijken. Wij hebben hier een dergelijk verschijnsel als bij ons, waar bij adellijke en enkele andere aanzienlijke familien de herinnering aan afkomst en voorzaten sterker bewaard blijft dan bij den zooge-naamden burgerstand. Naarmate echter de plebejers zich meer en meer gelijkstelling met de patriciërs verwerven, is het denkbaar, dat aanzienlijke plebejische familien hun familienaam tot nomen verheffen en voor hunne verschillende takken cognomina aannemen. Hierdoor komen er ook plebejische gentes voor, en zelfs vindt men patricische en plebejische familien in dezelfde gens, zooals de plebejische Marcelli in de gens Claudia, en de Atratini als den eenigen patricischen tak der gens Sempronia. Tot verklaring van dit laatste kunnen wij slechts eene gissing opperen, namelijk dat gewezen cliënten na hun uittreden uit de clientela en hun overgang totdeplebs de sacra gentilicia, waaraan zij deel hadden, voor zich hebben aangehouden en in verband hiermede ook het nomen der gens aannamen, evenals vrijgelaten slaven met het nomen van hun vroegeren meester deden. Zoolang er geene plebejische gentes zijn, kan er bij de plebs geen spraak zijn van een nomen gentile, zoodat een plebejer oudtijds slechts twee namen voerde, en zelfs in later tijd schijnen vele plebejers het voeren van drie namen versmaad te hebben.

6. DE RIDDERS, EQUITES.

Van Romulus wordt verhaald, dat hij, bij het organiseeren der romeinsche krijgsmacht, aan het leger eene ruiterbende toevoegde van 300 man, onder den naam van c e 1 e r e s (van KéXflTEs), en wel tien uit elke curie. De onjuistheid dezer opgaaf valt terstond in het oog, wanneer men bedenkt, dat de derde stam, die der Luceres, volgens hetzelfde geschiedverhaal, in Romulus\' tijd nog geen deel van den romeinschen staat uitmaakte. Dan, hoe het zij, na de vereeniging der drie stammen schijnen

-ocr page 22-

10

er 300 ruiters te zijn geweest, in tien eskadrons, t u r m a e, verdeeld, en wel zóó, dat zich in elke turma eene decurie Rananes, eene decurie Tities en eene decurie Luceres bevonden. Volgens het verhaal van Livius 1) zou Tullus Hostilius het aantal ridders op 600 gebracht hebben, zoodat elke der drie oude centuriën in plaats van 100 man 200 manschappen telde, met behoud echter van den naam centuria. Tarquinius Priscus wilde eerst bij de drie bestaande centuriën drie nieuwe voegen, doch zijn plan leed schipbreuk op den tegenstand der priesterschap, en zoo vergenoegde hij zich dan met eene verdubbeling der ridderschap, met behoud der oude namen. Er waren derhalve thans zes centuriën, van welke de drie nieuwe onderscheiden werden als Ramnes, Tities en Luceres posteriores of secundi, en de drie reeds vroeger bestaande priores of primi genoemd werden. Hoe dit dan ook zich hebbe toegedragen, Servius Tullius vond waarschijnlijk bij zijne troonsbestijging 1200 ridders in 6 centuriën ingedeeld, en heeft er nog 12 centuriën bijgevoegd; men krijgt dan een getal van 3600 ridders 2). Anderen keeren de zaak om, en laten vóór Servius Tullius 1200 ruiters in 12 centuriën bestaan en door hem met 6 centuriën vermeerderen. In elk geval echter verkrijgt men 6 en 12 centuriën, waarvan het zestal bekend is onder den naam van sex suffragia3), en waarvan de oudste zuiver patricisch, de jongere, door Servius Tullius ingestelde, waarschijnlijk uit patriciërs en plebejers gemengd of uitsluitend plebejisch waren.

1

Liv. I. 30.

2

Livius I. 36, Cicero de rep. II. 20, jFestus p. 334 spreken elkander alle drie tegen, terwijl de tekst bij geen hunner boven alle bedenking verheven is.

3

Daar de vorming der drie nieuwe riddercenturiën op de bezwaren der augurs was afgestuit, en Tarquinius voor den vorm in plaats van zes centuriën drie dubbelcenturiën gevormd had, elke van 2 X 200 man, werden zij niet sex centuriae, maar sex suffragia geuoemd, daar zij zes stemmen uitbrachten.

-ocr page 23-

11

7. CURIAE. COMITIA CURIATA.

Op bladzijde 3 is melding gemaakt van de verdeeling der drie oude tribus (Tities, Ramnes, Luceres), elk in tien curiae. Evenals elke familie, elke gens hare bijzondere sacra had, zoo was dit ook het geval met de curien. Voor de behoorlijke naleving der godsdienstige verplichtingen had elke curie een priester, c u r i o genaamd. Een der dertig curiones droeg den titel van curio maximus. Uit de door hun leeftijd stemgerechtigde leden der curien bestond de oudste volksvergadering. Zij werd bijeengeroepen op een gedeelte van het oude marktplein of forum1), welk gedeelte c o m i t i u m geheeten werd, terwijl het plurale c o m i t i a de volksvergadering zelve beteekent.

De stemming geschiedde curiesgewijze, zóódanig, dat elke curie ééne stem uitbracht. De volstrekte meerderheid bedroeg derhalve 16 stemmen. Eéne curie, door het lot aangewezen, stemde voorat (curia praerogativa, of liever principium). Dan stemden de 29 overige curiën tegelijk. De Romeinen hechtten veel aan voorteekenen; de ééne vooraf uitgebrachte stem werd als een omen beschouwd en in den regel gevolgd. Recht van amendement ot van initiatief hebben de romeinsche volksvergaderingen nimmer gekend.

Vroeger- was het gevoelen algemeen verbreid, en ook nu nog zijn velen het toegedaan, dat in de curiaatcomitiën uitsluitend de patriciërs het stemrecht zouden hebben uitgeoefend. Evenwel, na al wat door Mommsen en Madvig daaromtrent in het midden is gebracht, schijnt de mogelijkheid niet te loochenen, dat ook de plebs deel van de curiën en curiaatcomitiën heeft uitgemaakt. Het is hier de plaats niet, deze vraag nader te onderzoeken; wij moeten volstaan met de vermelding.

1

Toen met de uitbreiding en verfraaiing der stad ook het aantal pleinen en markten toenam, bleef toch het bovengenoemde forum Bomannm bij uitnemendheid den naam van forum dragen.

-ocr page 24-

12

S. CLASSES. CENTURIAE.

Hoewel wij meenen te mogen aannemen, dat ook vóór de regeering van Servius Tullius de plebs in den krijgsdienst en de belastingen deelde, vinden wij toch eerst onder bovengenoemden koning bepaalde aanwijzingen hieromtrent. Het geschiedverhaal meldt, dat hij het plan had opgevat, de geldaristocratie de plaats te doen innemen van den adel, en dat hij begon met het hervormen der volksvergadering. Hiertoe verdeelde hij, zonder op afkomst te letten, de romeinsche burgers naar gelang van hun vermogen in 5 klassen, classes, en 193 onderafdeelingen ol centuriae, in dezer voege:

Equites •), 18 centuriae, waaronder de sex suffragia.

I classis. Census, 100000 as.

40 centuriae seniorum.

40 centuriae iuniorum.

II classis. Census, 75000 as.

10 centuriae seniorum.

10 centuriae iuniorum.

III classis. Census, 50000 as.

10 centuriae seniorum.

10 centuriae iuniorum.

IV classis. Census, 25000 as.

10 centuriae seniorum.

10 centuriae iuniorum.

V classis. Census, waarschijnlijk 12500 as.

15 centuriae seniorum.

15 centuriae iuniorum.

Buiten deze 188 centuriên der klassen, die dus op het vermogen der burgers gegrond waren, waren er nog 5 centuriên, die buiten de vermogensklassen aan deze waren toegevoegd. Zij waren: 2 centuriae fabrum, bij de iste of 2de klasse (dit is niet zeker), 2 centuriae cornicinum et tubicinum, bij de 4de

1) De naam celeres geraakte reeds onder de koningen in onbruik. Sommigen hebben gemeend, dat de celeres nog van de equites onder-scheiden waren.

-ocr page 25-

13

ot 5de klasse gevoegd; terwijl allen, die een lageren census dan dien der vijfde bezaten, niet naar hun vermogen, maar alleen naar hun aantal geschat (capite censi), in éénecenturia waren beschreven; waardoor dus het getal van 193 werd bereikt. In de volksvergadering had iedere centurie ééne stem; dus maakten de 18 riddercenturien, centuriae praerogativae, met de 80 centuriên der eerste klasse de meerderheid uit. —• De centuriae iuniorum bevatten de burgers van 17—45 jaar, en deze waren tot den dienst te velde verplicht; die der seniores de burgers van 45—60, die alleen tot verdediging der stad werden opgeroepen. Na het 60ste jaar was niemand dienstplichtig. Welke plannen Servius nog meer gehad heeft, is niet bekend. Eene omwenteling, door de verbitterde patriciërs ondernomen, maakte een einde aan zijn leven. De volksvergadering der cen-turiaatcomitien trad eerst na de verdrijving der koningen in werking.

De verschillende klassen waren ook verschillend gewapend, hetgeen in den aard der zaak lag, daar de wapening niet van staatswege werd verstrekt. Wat de getalsterkte der centuriên betreft , hieromtrent kan men slechts gissingen maken. Dat niet alle centuriên even sterk bezet konden zijn, blijkt uit twee omstandigheden : vooreerst, dat het aantal seniores nooit gelijk kon zijn aan dat der iuniores, en ten tweede, dat de drie middelste klassen dan wel zeer toevallig gelijke sterkte zouden moeten gehad hebben.

Welke de vereischten waren, om in de riddercenturien te worden opgenomen, is ons niet volledig bekend. Wij weten echter, dat de senatoren in deze 18 centuriên stemden, en verder werd het getal tot 3600 zeker uit de hoogstaangeslagenen aangevuld. In later tijd moest men, om onder de ridders te worden opgenomen, het vierdubbel van den census der eerste klasse hebben. Daar echter de ruiterdienst in het leger allengs in minachting geraakte, hielden de ridders ook op, als ruiterkorpsen dienst te doen en werd het ridderschap eene onderscheiding voor de rijkste burgers. De burgers der eerste klasse werden ook bij uitnemendheid classici geheeten, en deze klasse zelve classis, terwijl dan de overigen infra classem waren. Deleden

-ocr page 26-

14

der vijf klassen heetten samen locupletes, of ook assidui, gezeten burgers (van a s s i d e r e; volgens sommiger gevoelen echter van asses dare). Dat er twee centurien werklieden bij de klassen gevoegd waren, n.1. eene centurie timmerlieden en eene centurie smeden, hangt hiermede samen, dat de centuriaat-verdeeling destijds tevens de militaire indeeling van het leger was, en eene afdeeling smids en timmerlieden bij een krijgstocht onmisbaar was. Hetzelfde geldt van de twee centurien muzikanten.

Omtrent de 193ste centurie heerscht onzekerheid. Ten eerste is het de vraag, of zij, die niet vermogend genoeg waren, om tot de 192 overige centurien te behooren, reeds terstond of eerst later het stemrecht hebben verkregen. Ten tweede onderscheidt Livius capite censi en proletarii, iets, wat echter voor het bestek van dit werkje van zeer ondergeschikt belang is. Het is niet uit te maken, in hoeverre bovenstaande regeling, welke in 509 v. Chr., na de verdrijving der koningen, naar het heette e commentariis Serviii Tulli werd ingevoerd, zuiver van dezen afkomstig is.

In de volksvergadering en ook wel bij andere plechtige gelegenheden vindt men de romeinsche burgers meermalen aangesproken als Quirites (populus Romanus Quiritium, populus Romanus Quirites, ook Quiritesque). De afleiding is zeer onzeker. Sommigen leiden den naam af van een sabijnsch woord quiris of curis = lans, speer, — anderen van de sabijnsche stad Cures, in welk geval men aan eene verovering van het romeinsche gebied door de Sabijnen moet denken. Het woord duidt den burger aan in de volle uitoefening zijner staatkundige rechten. R o m a n i is de historische volksnaam.

9. DE NIEUWE TRIBUS VAN SERVIUS TULLIUS.

Aan Servius Tullius wordt ook eene nieuwe plaatselijke indeeling toegeschreven, uit een administratief oogpunt. De stad zelve werd in vier tribus verdeeld, die met de oude stamtribus hoegenaamd niets te maken hebben, maar zuiver plaatselijk zijn. Deze vier stadsdistrikten, Palatina, Suburana, Collina

-ocr page 27-

15

en Esquilina, waren weder in vici verdeeld. Het omliggende gebied was verdeeld in regiones, en deze wederom in pagi. Wij laten de vraag daar, of de regiones oorspronkelijk al ot niet als onderdeden der vier tribus moeten beschouwd worden; later worden zij even goed als de stadsdistrikten tribus genoemd en onderscheidt men tribus urbanae en tribus rusticae. Ook de vraag naar haar aantal laten wij hier onaangeroerd. Dit weet men, dat er na den afstand van een gedeelte gronds aan Porsenna nog 16 landelijke distrikten overbleven, dus met de 4 stedelijke twintig in het geheel. Naarmate nu het romeinsche gebied zich weder uitbreidde en nieuwe bevolkingen bij de burgerij werden ingelijfd, nam het getal tribus of distrikten weder toe, tot het sedert 241 v. Chr. op 35 bleef staan. Toen geheel Italia later het burgerrecht erlangde, werd het bij de bestaande 35 tribus ingedeeld. Hetzelfde had plaats met de romeinsche c o 1 o n i a e in de provinciën.

Hoewel deze nieuwe tribus in den beginne zuiver plaatselijk waren, ging dit karakter mettertijd geheel verloren, dewijl verandering van woonplaats geene verandering van tribus tengevolge had. Uit deze tribusindeeling ontstond in het republikeinsche tijdperk eene nieuwe volksvergadering, waarin het volk tributim werd opgeroepen en stemde, zoodat men dan drie soorten van c o m i t i a verkrijgt: curiata, centuriata en tributa. Over den verschillenden werkkring zal later gesproken worden. Alleen zij nog opgemerkt, dat de tribus urbanae sterker en dus minder in aanzien waren dan de tribus rusticae, omdat in deze laatste bij minder ledental elke stem meer gold en de grondbezitters meest in deze ingeschreven waren.

10, CONUBIUM.

Wij komen thans tot de verschillende rechten, welke een romeinsch burger toekwamen. Zij worden onderscheiden in iura privata, welke op het bijzonder leven betrekking hadden, en iura publica, welke het staatsburgerschap betroffen.

In de eerste plaats noemen wij hier onder de iura privata het co nu bi um, d.i. de bevoegdheid om een wettig huwelijk.

-ocr page 28-

16

matrimonium iustum of legitimum, aan te gaan. Zulk een wettig huwelijk kon slechts plaats vinden, wanneer beide partijen c i v e s waren. In dit geval volgden de kinderen den stand des vaders, volgens het i u s civile, hetwelk de Romeinen in hunne betrekkingen onderling toepasten. Een voorbeeld moge dit ophelderen. Vóór het jaar 445 v. Chr. hadden de plebejers geen conubium met de patriciërs; kinderen uit een gemengd huwelijk 1) waren dus niet wettig; toen echter de lex Canuleia dezen scheidsmuur ophief, volgden de kinderen uit gemengde huwelijken den stand huns vaders; was deze een patriciër, dan behoorden zij ook tot dezen stand; was hij een plebejer, zij waren het ook.

Bij gemengde huwelijken zonder conubium volgden de kinderen den staat der moeder, volgens hetgeen de Romeinen ius gentium noemden, een recht, hetwelk zij in hunne betrekkingen met niet-burgers in praktijk brachten. Trad een romeinsch burger dus met eene vreemde vrouw in den echt, was de moeder dus geene burgeres, dan waren de kinderen ook geene burgers; was daarentegen de moeder wel eene romeinsche burgeres, de vader echter geen burger , dan behoorden de kinderen burgers te zijn, gelijk de moeder; onder de keizers werden hierop beperkingen toegepast. In het gunstigste geval waren zij burgers, maar sine patre, kinderen zonder vader, d. i. zonder wettigen romeinschen vader. Hun vader kon zijne rechten als zoodanig niet laten gelden.

Er waren drie vormen, waaronder een huwelijk gesloten werd. De eerste was de confarreatio, eene godsdienstige, door priesters ingezegende vereeniging, waarbij de vrouw als de volledig gelijke van den man, wat uiterlijken rang betreft, overigens als oudste dochter des huizes, filiae lamilias ^ loco, in het bezit (ma nu s) van den man kwam. De naam was hieraan ontleend, dat een speltkoek, farreus panis, libum farreum, plechtig tusschen de jonggehuwden gedeeld en door hen gegeten werd.

Zulk een huwelijk werd gesloten in tegenwoordigheid van den

1

Eigenlijk zijn de woorden huwelijk, echt, hier onjuist gebezigd , daar eene verbintenis zonder conubium rechtens geen huwelijk is.

-ocr page 29-

17

priester van Jupiter of flamen dialis, den pontifex maximus en tien getuigen en kon alleen onder ons niet bekende godsdienstige vormen ontbonden worden (diffarreatio). Bij sommige priesterambten, waarbij ook den vrouwen eene priesterlijke werkzaamheid was opgedragen en dus de gehuwde staat een vereischte was, b.v. bij het ambt van flamen dialis, moest het huwelijk door confarreatio gesloten zijn. — De tweede vorm was de c o ë rn p t i o, berustende op het recht des vaders, om zijne kinderen te ver-koopen. Ten overstaan van vijf getuigen en een libripens \') stond de vader zijne dochter aan den bruidegom af, die met een geldstuk tegen de weegschaal sloeg, als zinnebeeldige voorstelling van het betalen van den koopprijs. — De derde vorm heette u s u s. Hij berustte hierop, dat men door het ongestoord en onbewist bezit van roerende goederen gedurende een vol jaar (mits geen gestolen of toevertrouwd goed zijnde) zich het eigendomsrecht kon verwerven. Daar vrouwen niet sui iuris 2), maar alieni iuris waren, kwam men, door de zucht om zich van vormen los te maken, er toe, om ook voor het huwelijk usus te laten gelden. Tot dit huwelijk werden geene andere formaliteiten vereischt, dan de gewone bruiloft, en terwijl een door coemptio gesloten huwelijk ontbonden werd door eene plechtige teruggave der vrouw aan haren vader of voogd, onder den vorm van een schijnverkoop, evenals het door een schijnkoop gesloten was, kon het huwelijk, eenvoudig door usus gesloten, ook zonder omslag ontbonden worden. Door confarreatio en coemptio kwam de vrouw in manum mariti; door usus alleen, wanneer er verjaring van haar bezit had plaats gevonden; de conventio in manum kon verhinderd worden, wanneer de vrouw telkens vóór den afloop van den verjaringstermijn drie achtereenvolgende nachten (t r i n o c t i u m) buitenshuis doorbracht3), en zoolang

\\j In don tijd, toen er geen gemunt geld was, werden de sommen bij het gewicht verrekend. De man, die de schaal hield, werd libripens genoemd.

2) Zie hierover no. 11; patria potestas.

3) Het huwelijk door confarreatio was de oude patricische vorm. In bewoordingen van den nieuweren tijd zouden wij het een kerkelijk huwelijk kunnen noemen en de coemptio een burgerlijk huwelijk, terwijl de usus eene echtverbintenis bij onderhandsch contract zou kunnen genoemd worden.

Schlimmer, Hom. Ant., 5e druk. 2

-ocr page 30-

18

de vrouw niet in manu mariti was, miste de echtgenoot de beschikking over de bezittingen zijner vrouw. Bij de verloving, sponsalia, welke met een feestmaal gepaard ging, werden trouwringen en geschenken gewisseld. Eene verplichting tot voltrekking van het huwelijk volgde uit de verloving niet.

Was de dag van het huwelijk aangebroken, dan werd de bruid, sponsa, sperata, des avonds bij fakkellicht door een schaar vrienden en verwanten uit het ouderlijk huis afgehaald en naar hare aanstaande woning gebracht (uxorem ducere — dedu-cere), waar de bruidegom haar opwachtte. Zij omwond nu de deurstijlen met een wollen band, als getuigenis van hare kuischheid, bestreek ze met varkensvet, als behoedmiddel tegen betoovering, en werd vervolgens over den drempel getild, ominis causa, opdat zij niet haren voet zou stooten. Op de vraag des bruidegoms, wie zij was, antwoordde zij: „ubi tu Gaius, ibi ego Gaia,quot; hetgeen zooveel beteekende als: waar gij meester zijt, ben ik meesteres. Hierop volgde, zoo noodig, de confarreatio of de coemptio, gevolgd door het bruiloftsmaal (coena nuptialis). Tot het huwelijk was de toestemming van beide partijen noodig, en voor zoover men niet sui iuris was, ook die van den vader of den voogd. Het fatsoen vorderde, dat de vrouw een aan haren stand geevenredigden bruidschat medebracht, waarover de man slechts eene beperkte beschikking had, zoodat hij hem b.v. niet mocht vervreemden. In geval van scheiding of overlijden namelijk kon het gebeuren, dat de bruidschat geheel of ten deele aan de familie der vrouw moest terugkeeren, al naar gelang van de redenen tot scheiding en het al of niet aanwezig zijn van kinderen.

Eene wettige echtgenoote heette uxor; leefde de man met eene vrouw, met wie hij geen wettig huwelijk kon sluiten, b.v. omdat zij geen c i v i s was, dan was zij eene concubina; pel lex was de bijzit, die nevens de wettige vrouw er op na gehouden werd. Bij slaven is natuurlijk geen matrimonium denkbaar: zij leven met elkander in contubernio.

-ocr page 31-

19

II. P ATRIA POTEST AS.

Bij de Romeinen heerschte niet, gelijk bij ons, het gebruik, dat de kinderen op een zekeren leeftijd meerderjarig en hun eigen meester, sui iuris, werden. Integendeel, de zoons bleven onder het vaderlijk gezag tot aan den dood huns vaders of totdat deze zelf met de vereischte formaliteiten zijne macht ophief (e m a n-c i p a t i o). Het deed er niets toe af, of zij zeiven gehuwd waren en kinderen hadden; zoolang zij niet sui iuris waren, konden zij over hun kroost geene vaderlijke macht uitoefenen, maar stonden met hun geheele gezin onder huns vaders macht. Vrouwen werden slechts in één geval sui iuris, n.1. wanneer zij priesteressen van Vesta waren; anders stonden zij onder de po-testas van haren vader of schoonvader, of onder het gezag, man us1), van haren echtgenoot, of onder voogdij. Het familiehoofd werd pater familias geheeten, zijne vrouw mater f a m i 1 i a s. Wettig aangenomen kinderen stonden volkomen gelijk met eigen kinderen.

De macht des vaders over zijne kinderen ging zeer ver; hij oefende een volledig eigendomsrecht over hen uit; hij kon met onbeperkte macht over hen gebieden, hen als slaven verkoopen of tijdelijk afstaan om met de opbrengst van hun arbeid zijne schulden te delgen, hen verstooten. ja zelfs dooden. Alleen werd dit i u s v i t a e et n e c i s hierdoor beperkt, dat de vader in ernstige gevallen, waarin hij als rechter over zijne kinderen zat, een familieraad moest bijeenroepen. Deze patria potes-t a s kon echter alleen uit een iustum matrimonium voortspruiten ; waar eene verbintenis zonder conubium gesloten was, waren de kinderen of geene burgers óf liberi sine patre. Van patria potestas kon daar geene spraak zijn.

Een pater familias kon zijn zoon verkoopen, evenwel niet meer dan driemaal, en hieraan ontleende men den vorm voor de emancipatio. Wilde hij nu een zoon van zijne vaderlijke macht vrijmaken, dan verkocht hij hem door een schijn-verkoop (evenals bij de coëmptio plaats vond) aan een vertrouwd

1

Manus is de macht van de» man over zijne wettige echtgenoote.

2*

-ocr page 32-

20

tusschenpersoon, pater fiduciarius, die hem dan weder vrijliet. Door deze vrijlating keerde de zoon van zelf onder de vaderlijke macht terug. Dezelfde handeling werd nu nog tweemaal herhaald; door den derden verkoop was de vaderlijke macht verbroken en bij de derde vrijlating was de zoon s u i i u r i s.

Wie nog onder de patria potestas stond, miste rechtspersoonlijkheid en kon natuurlijk geen eigendomsrecht laten gelden. Echter kon de vader hem het bezit of het vruchtgebruik van eenig goed toekennen, hetwelk dan peculium genoemd werd. Wanneer een zoon in den krijgsdienst was of eenig openbaar ambt bekleedde, was de vaderlijke macht zoolang geschorst. Wat hij in dien tijd verwierf, b.v. aandeel in den behaalden buit, heette peculium castrense. Onder de eerste keizers, waarschijnlijk sedert Augustus, werd bepaald, dat de filius fami-lias, ook na de terugkeer onder de vaderlijke macht, toch over het peculium castrense het vrij beheer zou behouden. Door emancipatie hield de zoon op, filius familias te zijn, maar werd zelf pater famiüas.

Met uitzondering van de Vestaalsche maagden, die, als in staatsdienst zijnde, niet alieni iuris konden zijn, hadden de vrouwen geene rechtspersoonlijkheid, en konden dus niet sui iuris wezen. Zij konden dus ook niet geëmancipeerd worden door haar pater familias. Hiermede hangt samen, dat zij oorspronkelijk ook geen eigen naam hadden, maar het adjectivum harer gens voerden. Zoo heetten alle dochters uit de Cornelische gens kortweg Cornelia, d. i. de Cornelische. Waren er in een huishouden twee dochters, dan werden zij onderscheiden als Maior en Minor; waren er meer, dan werden zij Prima, Secunda, Tertia enz. genoemd. De familienaam werd door de vrouwen niet als eigen cognomen gevoerd, maar als dat van haar vader of haar echtgenoot. Zoo was Cicero\'s vrouw Terentia Ciceronis, zijne dochter Tullia Ciceronis, de zoon daarentegen M. Tullfus Cicero. Onder de keizers begonnen de meisjes afzonderlijke voornamen te dragen en kregen vrouwen het recht, in enkele gevallen sui iuris te zijn.

-ocr page 33-

21

12. TUTELA.

Was de pater fatnilias overleden, dan werden de filii familias, voor zoover zij den leeftijd van 15 jaar bereikt hadden, sui iuris; de jongeren kwamen onder voogdij (t u t e 1 a i m p u-berutn), evenals de weduwe en de filiae familias (t u t e 1 a m u 1 i e b r i s). Het spreekt echter van zelf, dat beide voogdijen niet gelijk staan. De tutela muliebris, b.v. van een zoon over zijne moeder, sluit alleen de verplichting in, bijstand te ver-leenen en als rechtspersoon voor haar op te treden bij rechtsgeldige handelingen, zooals verkoop van sommige goederen, het sluiten van een huwelijk, het maken van een testament enz., daar de vrouw geene rechtspersoonlijkheid bezat. De voogdij was een recht, dat op den naasten mannelijken erfgenaam overging, tenzij de overledene bij testament anders had beschikt.

De lex lulia et Papia Poppaea, door keizer Augustus, ondanks hevigen tegenstand van alle zijden, doorgedreven tot aanmoediging van het huwelijk, bevatte o. a. deze bepaling, dat eene vrijgeboren vrouw, i n g e n u a , vrij van voogdij zou wezen, indien zij drie kinderen had (ius trium liberorum), en eene vrijgelaten slavin, liberta, als zij er vier had. In 390 na C. schonk Valentinianus II aan de moeder het recht, zelve voogdes over hare kinderen te zijn.

13. COMMERCIUM. IUS TESTAMENTIFACTIONIS ET HEREDITAT1S.

Commercium ofiusdominii was het recht, om volgens romeinsche wetten eigendom te kunnen bezitten, aanvaarden en vervreemden. Het maakte een belangrijk deel uit van het romeinsche burgerrecht en werd somtijds, bij wijze van belooning, aan steden en personen toegestaan, die overigens het romeinsche burgerrecht niet bezaten.

lus testamentifactionis, iushereditatis. Natuurlijk was het bezit van het commercium een vereischte, om van een Romein te kunnen erven of hem bij testament tot erfgenaam te benoemen. Een vreemdeling, die het commercium niet

-ocr page 34-

22

had, kon een testament maken volgens de wetten zijner eigene stad, maar niet volgens het romeinsche recht, het ius civile. Wanneer een romeinsch burger stierf zonder testamentaire beschikkingen te hebben genomen, dan verviel zijne nalatenschap aan zijne natuurlijke erfgenamen, heredes sui. Als zoodanig kwamen in aanmerking: r0 zijne vrouw en kinderen en evenzeer zijne wettig aangenomen kinderen, dus allen, die in zijne manus of potestas stonden, terwijl daarentegen zij, die uit het gezin waren getreden door emancipatie of huwelijk of aanneming in eene andere familie, hun natuurlijk erfrecht verloren; — 2° bij ontstentenis van de vorigen, de a g n a t i, dat zijn zij, die met den overledene onder dezelfde patria potestas hadden gestaan; — 3° bij ontstentenis van agnaten 1), de gentiles, of zij, die tot dezelfde gens behoorden. Tot de erfenis werd ook het voogdijrecht gerekend, alsmede de sacra der familie. Elk gezin namelijk, zoowel als iedere gens, had hare bijzondere offerplechtigheden, welke niet mochten uitsterven. Liep eene familie gevaar van uitsterving, zoo konden de sacra bij testament gelegateerd worden , of men kon iemand tot zoon aannemen, adoptare of arro-g a r e 2). De bevoegdheid, bij gebrek aan nadere erfgenamen , als gentilis in voogdij- en erfrechten te treden, heette ius g e n-tilicium of ius gentilitatis.

14. LIBERTAS.

Onder de iura publica bekleedt het ius libertatis eene voorname plaats. Wel waren allen vrij, die geene slaven waren (liber est qui servitutemnonservit); maar slechts de romeinsche burger had de meest stellige waarborgen tegen inbreuk op zijne vrijheid. Deze waarborgen waren de verschil-

1

Cognati daarentegen zijn degenen, die uit denzelfden bloede gesproten zijn.

2

Adoptio vond plaats, vanneer de aangenomene (door een schijnkoop) van de eene patria potestas in de andere overging: arrogatio, wanneer hij vóór de aanneming sui iuris was. Onder de keizers werd het erfrecht meer en meer op de tegenwoordige leest geschoeid.

-ocr page 35-

23

lende leges de provocatione1), welke hem toestonden, zich van de overheden op de volksvergadering te beroepen, en aan deze alleen het recht toekenden, hem tot geeseling en doodstraf te veroordeelen. Nog was het hem geoorloofd, wanneer hij eene veroordeeling vreesde, zich door eene zoogenaamde vrijwillige ballingschap aan de uitvoering van het vonnis te onttrekken. De straf toch bestond meest in eene geldboete of de doodstraf. Het doodvonnis had den vorm van een ban, die over den schuldige werd uitgesproken, en heet aqua et igni in terdictio. Deze ban gaat op hetzelfde oogenblik in, waarop het vonnis wordt uitgesproken; vóór dien tijd moest de schuldige dus Rome verlaten hebben; want binnen Rome was hij vogelvrij; niemand mocht hem hulp, huisvesting of voedsel verschaffen; ieder kon hem straffeloos dooden en de overheden waren verplicht hem te laten grijpen en het vonnis te voltrekken, zoo hij binnen Rome werd aangetroffen. Aanzienlijke en rijke Romeinen vonden licht een toevluchtsoord in eene of andere vrije stad 2), welke hen gaarne onder hare burgers opnam. Zij gaven dan wel hun romeinsch burgerrecht prijs, dewijl niemand in twee staten tegelijk burger kon zijn, doch zij redden hun vrijheid en hun leven. Arme burgers, die niet in eene vreemde stad een gastvrij toevluchtsoord konden vinden, leidden een rampzalig leven.

Tegenover de vrijen staan de slaven, s e r v i, volgens het romeinsche recht wel als menschen beschouwd, doch niet als personen. Zij waren bezittingen (res) van hun meester en hadden geenerlei rechten. In het algemeen is servus degene, qui iustam servituten! servit. Volgens het oud-romeinsche recht kon de

1

Lex Valeria, 509 v. Chr., lie quis civem Komanum ad versus pro-vocationero necaret neve verberaret.

Lex Horatia Valeria, 449, ne quis magistratus sine provocatione crea-retur.

Lex Valeria, 3U0, ter bevestiging der eerste Valerische wet.

Leges Porciae, 197 en??, evenzoo, met zware strafbepaling.

Lex Sempronia, 123, ne quis ininssu popnli iudicaretur.

2

Ook in de provinciën vond men vrije steden, die door Kome als zoodanig ertend waren, en een eigen bestnur en eigen wetten hadden. Dit was o. a. het geval met Massilia, Athenae, Khodus enz.

-ocr page 36-

24

heer met zijn slaaf handelen naar verkiezing, hem kwellen, pijnigen, verkoopen, dooden. Eerst onder de keizers Hadrianus en Antonius Pius nam de wet de slaven ten minste eenigszins tegen mishandeling in bescherming.

Men werd als slaaf geboren of wel men werd het door verlies zijner vrijheid. Het eerste was het geval, wanneer men eene slavin tot moeder had; in huns meesters huis geboren slaven heetten vernae. Het laatste had plaats volgens het volkenrecht *) door krijgsgevangenschap, of volgens het romeinsch burgerlijk recht door een vonnis. Was een romeinsch burger door krijgsgevangenschap in buitenlandsche slavernij geraakt en keerde hij dan later naar zijn vaderland terug, dan trad hij, hoewel slaaf geweest zijnde, terstond in het hersteld bezit zijner burgerrechten, even alsof hij nimmer er van beroofd was geweest. Dit noemde men het ius postliminii.

De slaaf had geen eigendom; al het zijne behoorde met hem aan zijn meester, die hem echter somtijds toestond, iets te bezitten , hetgeen dan p e c u 1 i u m werd genoemd.

Slaven in dienst van den staat of van eene gemeente waren servi publici. Voor zoover zij als ondergeschikte beambten, zooals schrijvers, boden, tempeldienaars, werden gebezigd, stonden zij aan minder willekeur bloot, dan de servi privati, en konden zich in den regel eenig peculium verwerven; maar daarentegen hadden zij ook minder uitzicht op vrijlating.

Alle vrijen waren of vrijgeborenen, ingenui, èf vrijgelatenen, libertini. Want daar de slavernij eene menschelijke instelling is en niet uit het ius naturae voortvloeit, kon de slaaf zijne vrij-

1) Inst. I. 2: Omnes populi, qui legibus et moribiis reguntur, partim siio proprio, partim commtmi omnium hominum iure utuntur: nam quod quisque popnlus ipse sibi ins constituit, id ipsius proprium civitatis est. vocaturque ius civile, quasi ius proprium ipsius civitatis; quod vero naturalis ratio inter omnes homines constituit, id apud omnes pcpulos peraeque custoditur, vocaturque ius gentium, quasi quo iure omnes gentes utuntur. Dat krijgsgevangenen als slaven verkocht werden, was in de oudheid een algemeen gebruik en dus in overeenstemming met het ius gentium: het behoorde echter niet tot het ius civile, en derhalve werden Komeinen, die in burgeroorlogen gevangen waren genomen, niet als slaven verkocht.

-ocr page 37-

25

heid verkrijgen (m a n u m i s s i o). Hiertoe bestonden oudtijds drie wettige wijzen, per vindictam, per censum, pertestamentum. Bij de eerste begaf de heer zich met den slaaf tot den praetor ; een lictor legde een stokje (festuca ot vindicta) op het hoofd van den slaaf, en zeide: hunc hominem liberum esse aio. Hierop nam de heer den slaaf bij de hand en zeide: hunc hominem liberum esse volo, waarop de praetor hem voor vrij verklaarde. Door den census werd de slaaf vrij, wanneer zijn heer hem vergunde zich bij de censoren onder de burgers op te geven; door testament, wanneer hem de vrijheid bij uitersten wil van zijn heer geschonken werd. Er waren nog andere minder plechtige vormen, welke wel een staat van vrijheid, maar geen burgerrecht schonken, zooals de manumissio inter amicos, binnenshuis, in tegenwoordigheid van eenige vrienden als getuigen; — per epis-tolam , bij onderhandsche schriftelijke verklaring; — per mensam , hierin bestaande, dat de meester den slaaf aan zijne tafel noodigde en hem dus feitelijk als vrij erkende. Onder keizer Tiberius werd door de lex lunia Norbana bepaald, dat de slaven, die op minder plechtige wijze (m o d i s minus iustis) waren vrijgelaten, een rechtstoestand zouden hebben, veel gelijkende op dien der vroegere latijnsche koloniën \'). Naar deze wet worden sedert zulke vrijgelatenen Latini luniani genoemd. Deze latiniteit sloot wel het commercium in zich; doch zonder erfrecht.

Soms gaf de staat aan slaven, die zich verdienstelijk gemaakt hadden, vrijheid en burgerrecht.

De vrijgelatene heette 1 i b e r t i n u s, maar in betrekking tot zijn vroegeren heer, in wiens patronaat hij bleef en wiens prae-nomen en nomen gentile hij aannam, libertus. Als cognomen behield hij óf zijn vroegeren naam, dien hij als slaaf had gedragen, b.v. M. Tullius Tiro, óf een, die zijne afkomst ^ te kennen gaf, b.v. P. Terentius Afer. Servi publici van den staat namen in geval van vrijlating de namen Servius Romanus aan. Vrijgelatenen van steden vormden hunnen naam naar dien der stad, b.v. Pisaurius Achilles.

1) Over deze koloniën later meer. De vermelding hier was noodig tot verklaring van den naam Latini luniani.

-ocr page 38-

26

Vrijlating bij testament kon óf rechtstreeks plaats vinden, óf wel de erflater droeg de vrijlating aan een der erfgenamen op; in het eerste geval werden de vrijgelatenen o r c i n i genoemd, dewijl hun patroon in den Orcus was. De liberti hadden tegenover hunne gewezen meesters nog eenige plichtente vervullen, en konden, wanneer zij in gebreke bleven, weder tot slavernij veroordeeld worden.

15. IUS SUFFRAGII, IUS HONORÜM.

Het ius suffragii was het recht, in de volksvergaderingen zijne stem uit te brengen, waartoe de leeftijd van 17 jaar gevorderd werd en waarbij het niets afdeed, of men nog in patria potestate was. Er waren ook burgers zonder stemrecht, cives sine suffragio, inwoners van gemeenten, die alle romeinsch-bur-gerlijke privaatrechten bezaten, maar van alle deelneming aan het staatsbestuur waren uitgesloten. Deze half burgers werden Caeriten genoemd, naar de etruscische stad Caere, welker inwoners het eerst tot dit onvolledig burgerrecht waren beperkt. De lijsten, waarop de cives sine suffragio waren ingeschreven, werden tabulae Caeritum geheeten.

Ook werd, na de instelling van het censorschap in 445 v. C., door de censoren meermalen het stemrecht aan burgers ontnomen ter bestraffing van laakbare handelingen. Dit noemde men gewoonlijk aliquem in aerarios referre. Tusschen tabulae Caeritum en tabulae aerariorum is geen verschil. Om zijne stem te kunnen uitbrengen, moest men in eene tribus\') ingeschreven zijn; de lijsten daarvan werden in dubbel opgemaakt. Eén exemplaar berustte bij het hoofd van elke tribus, het andere exemplaar in het staatsarchief, aerarium. Van de niet stemgerechtigde burgers, die in geene tribus ingeschreven waren, was de lijst alleen in het aerarium te vinden, vandaar de naam aerarii. Eene andere verklaring is de volgende. De burgers, die in de tribus waren ingeschreven, betaalden als t r i b u t u m eene zekere

1) Hier en in het vervolg worden alleen de nieuwe of Servische tribus bedoeld.

-ocr page 39-

27

. ^

belasting naar gelang van hun vermogen, doch alleen, wanneer de schatkist er behoefte aan had. Daarentegen schijnt de aerarius jaarlijks een zeker bedrag als hoofdgeld te hebben moeten opbrengen (pro capite suo aera dare). Vandaar zou dan de naam zijn oorsprong hebben. Het ius suffragii kon alleen te Rome worden uitgeoefend; om te stemmen moest men dus naar Rome komen, ook toen aan geheel Italia het volle burgerrecht verleend was\').

Het ius honor um was de bevoegdheid tot het bekleeden van burgerlijke en priesterlijke staatsambten, welke eerambten, honores, genoemd werden, omdat zij geene bezoldiging, maar daarentegen groot aanzien verleenden. Met het gemis van het ius suffragii ging ook dat van het ius honorum gepaard; niet echter ook omgekeerd: zoo hadden de plebejers langen tijd wel stemrecht, maar geen ius honorum.

16. CIVITAS. CAPUT.

Het volle genot der rechten van den romeinschen burger als rechtspersoon is zijn caput. Hierbij worden drie status onderscheiden : status libertatis, status civitatis, status f a m i 1 i a e.

De status libertatis is de noodzakelijke grondslag der beide andere rechtstoestanden; doch omvat geen ander recht dan dat der vrijheid. Ook de peregrinus te Rome is vrij; doch commercium en conubium heeft hij niet, tenzij hem dit uitdrukkelijk bij verdrag was toegestaan.

Onvrij zijn slaven en krijgsgevangenen; voor Romeinen, die uit krijgsgevangenschap terugkeeren, geldt het ius postliminii (blz. 24).

De status civitatis is de rechtstoestand van den burger. Men kan c i v i s zijn cum iure suffragii et honorum en ook zonder dit recht.

1) Het hier besproken stemreeht heeft natuurlijk slechts betrekking op den romeinschen staat; het plaatselijk stemrecht van inwoners over gemeentezaken ligt buiten onze beschouwing.

-ocr page 40-

28

Met de civitas is conubium verbonden.

Men is civis door geboorte (c i v i s n a t u s) of door verlee-ning van het burgerrecht (civis f a c t u s).

De verleening van het burgerrecht heeft plaats:

1° wanneer een romeinsch burger een slaaf iusto modo (d. i. vindicta, censu of testament o) vrij verklaart. Onder Constantijn den Groote kwam ook de vrijverklaring in ecclesia, in de kerk, hierbij. Om het groote aantal vrijverklaringen bij testament tegen te gaan, werd dit recht onder Augustus door de lex Furia Caninia binnen zekere grenzen beperkt en door de lex Aelia Sentia de civitas ontzegd aan vrijgelatenen, die als slaven onteerende straffen hadden ondergaan.

2° wanneer door eene lex p o p u 1 i het burgerrecht aan enkele personen of aan geheele gemeenten of staten wordt verleend.

3° wanneer namens het volk door hiertoe gevolmachtigde veld-heeren of overheden het burgerrecht wordt toegekend.

4U onder het keizerrijk door eene schenking van den keizer.

De status familiae komt alleen den civis toe, die sui iuris is. Hij is pater familias, ook al heeft hij geen gezin. Deze rechtstoestand sluit in zich:

a) conubium,

b) commercium, waaruit weder testaraentrecht, erfrecht en

voogdijrecht voortvloeiden,

c) actio, d. i. het ius lege agendi, de bevoegdheid tot

het voeren van rechtsgedingen.

Eene vermindering van het caput is capitis deminutio.

De capitis deminutio minima heeft plaats, wanneer een burger, die sui iuris is, alieni iuris wordt, b. v. door zich als filius familias te laten aannemen, waardoor hij den status familiae verliest.

Het verlies van het ius suffragii en het ius honorum is geene deminutio capitis, maar eene minutio dignitatis of exis-t i m a t i o n i s.

De capitis deminutio media is het verlies der civitas. Zij had plaats:

iquot; door reiectio civitatis, d. i. door vrij willigen afstand.

20 door interdictio aqua et igni, welke ook dikwerf

-ocr page 41-

29

werd uitgesproken over hen , die door (vrijwillige) ballingschap zich aan het verwachte vonnis onttrokken. Het exsilium op zich zelf hief de civitas niet op, maar schorste ze.

De capitis deminutio maxima is het verlies van den status libertatis. Zij werd in de volgende gevallen toegepast:

i0 wanneer een veroordeeld burger gegrepen en ter dood gebracht werd.

2U wanneer een burger, door zich niet bij de censoren aan te geven, zich zocht te onttrekken aan krijgsdienst en belasting. Zulke i n c e n s i werden als slaven verkocht en hunne bezittingen verbeurd verklaard.

3° vóór het jaar 326 v. C. wanneer een schuldenaar door zijne schuldeischers verkocht werd. In ouden tijd n.1. was men met zijn lijf voor schulden aansprakelijk.

4U op hen, die wegens schennis van het gezantenrecht of wegens het sluiten van een verdrag, dat door senaat of volk verworpen werd, aan de vijanden werden uitgeleverd, zooalsb.v, in 321 na de nederlaag bij Caudium met de consuls T. Veturius Calvinus en Sp. Postumius Albinus het geval was. Namen de vijanden het offer niet aan, dan keerden de uitgeleverden door het ius postliminii tot hun vroeger burgerrecht terug.

50 volgens de wetten der 12 tafelen op den op heeterdaad betrapten dief, fur m a n i f e s t u s , die als slaaf aan den bestolene werd toegewezen, tenzij hij zich vrijkocht.

6° wanneer een vrije zich met bedriegelijke oogmerken als slaaf liet verkoopen.

De aqua et igni interdictio kon soms verscherpt worden door den ban over een zekeren kring buiten Rome of over geheel Italia uit te strekken.

Onder de keizers kwamen nog twee nieuwe vormen van verbanning in zwang, n.1. relegatio, verbanning naar een bepaald aangewezen oord, zooals van den dichter P. Ovidius Naso naar Tomi, en deportatio, meest naar eene strafkolonie op eenig onherbergzaam eiland. Bij de relegatio behield men zijne burgerrechten , schoon men ze grootendeels niet kon uitoefenen. Met de deportatio echter ging het verlies der vrijheid gepaard.

-ocr page 42-

TL SENAAT EN VOLKSVERGADERING.

I. INVLOED VAN DEN SENAAT.

Alvorens over te gaan tot eene behandeling van de romeinsche staatsregeling in bijzonderheden, achten wij het noodig, in korte trekken de worsteling der standen na te gaan, het tijdperk van strijd, waarin en waardoor deze staatsregeling zich ontwikkelde. Onder de regeering der koningen was er een senaat en eene volksvergadering, die der curien, doch beide lichamen hadden niet meer invloed op den gang van zaken, dan de koning hun verkoos te geven. De senaat is onder het koningschap niet meer dan een staatsraad, een consilium, welks meening de koning naar believen kon inwinnen, zonder dat hij echter gehouden was, deze meening te volgen. De curiaatcomitien bewegen zich niet op wetgevend terrein. Wel gold van oudsher het begrip, dat de volkswil souverein was, maar deze souvereiniteit openbaarde zich hoofdzakelijk slechts in de opdracht der koninklijke waardigheid aan den koning. Toen Romulus door den senaat om het leven was gebracht of volgens de legende als Quirinus ten hemel was gevaren, koos de senaat een zijner leden tot interrex voor den tijd van vijf dagen. Deze benoemde zelf zijn opvolger, ook weder voor vijf dagen, en zóó ging het ongeveer een jaar lang voort, tot het volk ontevreden werd en de senaat naar een koning omzag en zijne keus liet vallen op den Sabijn Numa Pompilius. Deze keus werd nu aan het volk onderworpen; doch van eene verkiezing kan nauwelijks sprake zijn; want er was geen andere candidaat voor den troon. Nu echter kwamen de

-ocr page 43-

31

curiaatcomitien ten tweeden male bijeen, om den gekozene het imperium te verleenen (lex curiata de imperio). Zonder dit imperium kon geen overheidspersoon een leger aanvoeren noch over een beschuldigde recht spreken. Het imperium legt aan alle ondergeschikten gehoorzaamheid op en verleent het recht, in te grijpen in de rechten van het individu. Maar niet alle koningen verkregen hunne macht langs dezen wettigen weg.

Toen echter Tarquinius Superbus verdreven en de koninklijke macht afgeschaft was, nam de invloed van den senaat sterk toe. Verschillende oorzaken werkten hiertoe mede. De eene was de jaarlijksche afwisseling der overheden, waardoor de senaat zich tegenover hen meer kon doen gelden, dan tegenover een heerscher voor het leven. De tweede was de verdeeling van het opperbestuur onder meer dan één persoon. De derde was de omstandigheid, dat men niet, zooals in de nieuwere staten, departementen van bestuur had met deskundigen aan het hoofd. Alleen de senaat was een blijvend lichaam, en al had deze rechtens ook geene potestas, zijn invloed, auctoritas, was er des te grooter om. De hooge overheden, uit den boezem van den senaat gekozen, en na voleindiging van hun ambt er weder in terugkeerende, waren niet veel meer dan de uitvoerders der senaatsbesluiten en hun belang bracht mede, liever de macht van het staatslichaam te vergrooten, dan die van hun kortstondig ambt te verhoogen. Zóó werd eene eenheid en samenwerking tusschen overheden en senaat geboren, als nimmer elders aanschouwd is

2. PATRES CONSCRIPTI.

De senaat werd door de overheden in den regel aangesproken met den titel patres conscripti, welke woorden reeds vrij wat hoofdbreken hebben gekost en over welker beteekenis men het ook nu nog niet eens is. Het meest algemeene gevoelen is, dat de naam eene verkorting is voor patres et conscripti, en dat dan onder patres het patricische gedeelte van den senaat moet verstaan worden, terwijl de conscripti de plebejische leden zijn. Want dat reeds kort na de verdrijving der koningen ook plebejers in den senaat zitting erlangd hebben, staat vast;

-ocr page 44-

32

of zij gelijke rechten als hunne adellijke medeleden hadden, mag betwijfeld worden, althans zoolang de beide standen nog scherp gescheiden waren. Niet aan alle senaatsleden werd door den voorzittenden overheidspersoon hun gevoelen gevraagd; daar waren er, die alleen stemden, en daar dit stemmen meestal plaats had door verdeeling in twee groepen, werden zulke leden, die niet het woord werden, sed pedibus in alicuius sententiam ibant, in de wandeling pedarii genoemd. Of nu de plebejische leden pedarii waren en niet behoorden tot degenen, quibus sententiam dice re licebat, is eene vraag, waarvan de bespreking buiten de grenzen van een schoolboek ligt. Doch hoe het zij, in de eerste tijden der republiek was de senaat een bolwerk van den adel.

3. PATRUM AUCTORITAS.

Toen de samenwerking van patriciërs en plebejers het koningschap vernietigd had, werden de comitia der centurien in het bezit gesteld van het hun door Servius Tullius toegekende, maar niet tot uitvoering gekomen recht. Zij werden nu de eigenlijke volksvergadering, die over de voorgedragen wetten stemde, de overheden koos en door de verschillende leges de provo-catione (blz. 23, noot) opperste rechter was in lijfstraffelijke zaken. De curiaatcomitien treden nu op den achtergrond, doch aan deze blijft het verleenen van het imperium voorbehouden. Toch was de wetgevende macht der centuriaatcomitiën in den beginne aan knellende banden gelegd. Vooreerst kon geene wet aan de volksstemming onderworpen worden zonder voorafgaand senaatsbesluit; maar bovendien had elke wet, in de centuriaatcomitiën aangenomen, nog eene nadere bekrachtiging door de patres noodig. Dit is de patrum auctoritas. Wie worden hier met patres bedoeld? Sommigen hebben gemeend, dat de senaat bedoeld werd; anderen, dat de bekrachtiging der curiaatcomitien vereischt werd; doch wanneer in deze laatste ook plebejers stemden (blz. 11), dan vervalt deze opvatting. Wij kunnen echter het woord patres hier niet anders dan woordelijk opvatten: de patriciërs. De adel, als gesloten cor-

-ocr page 45-

33

poratie tegenover de plebs staande, had zich de bekrachtiging voorbehouden, hetzij dan, dat deze adel hierbij vertegenwoordigd werd door het patricische gedeelte van den senaat, hetzij de geheele adel opkwam en curiatim of op eene andere wijze stemde. In het jaar 339 werd de genoemde auctoritas door eene lex P u b 1 i 1 i a van den dictator Q. Publilius Philo, ut 1 e g u m quae comitiis centuriatis ferrentur, ante ini-tum suffragium patres auctores fierent, tot een blooten vorm gemaakt. Eene lex Maenia (omsrreeks 287) maakte waarschijnlijk de bekrachtiging ook bij verkiezingen overbodig.

4. AUSPICIA.

Een machtig wapen in de hand van den adel en later van de aristocratie was de godsdienst. De godsdienst der patriciërs was tevens die van den staat; die van de plebs stond er geheel buiten: zij mocht feitelijk bestaan, erkend was zij niet. Sprekend komt dit uit onmiddelijk na de verdrijving der Tarquiniussen. Men wilde ter eere van Lucretia een tempel wijden aan de Pudicitia, doch de adel gedoogde niet, dat de plebejers met hen de handen ineensloegen, en zoo verrezen er twee tempels, een staatstempel voor de Pudicitia patricia en een bijzondere plebejische tempel voor de Pudicitia plebeia. De Romeinen hechtten veel gewicht aan voorteekenen en bij gewichtige handelingen van staatswege was de overheid verplicht, vooraf naar den wil der goden te vernemen. Onmisbaar was zulks in drie gevallen:

bij de benoeming van overheden,

bij het houden van comitia,

bij het ten oorlog uittrekken van een veldheer. De voorteekenen zijn tweeërlei: auguria impetrativa, voorteekenen, welke te voren zijn afgebeden om het antwoord te erlangen op eene bepaalde vraag, en auguria oblativa, toevallige, ongezochte teekenen.

Wilde nu b.v. de consul eene volksvergadering bijeenroepen, dan ging hij te middernacht naar een lid van het priestercollegie der augures of wichelaars, met wien hij zich in diepe stilte Sciilimmee, Rom. Ant., 5c druk. 3

-ocr page 46-

34

naar het waarnemingspunt op het Capitool begaf. Dan nam de augur de vlucht der vogels op, welke hij zag vliegen, en besloot hieruit, of de auspicia gunstig waren of niet. In het eerste geval zeide hij; aves addicunt, in het andere: alio die. Dit uitvorschen van den wil der goden uit de vlucht der vogelen, uit de soort van vogels, uit de wijze, waarop, en de richting, waarin zij vlogen, was het eigenlijke auspicia capere. Het recht, om voor den staat auspiciën te gaan nemen, de spectio, komt den magistraat toe, doch de verklaring der teekenen, de nuntiatio, staat aan den augur. Bij ongezochte teekenen echter is de augur vrij, ze op te merken en te laten gelden, en wanneer hij staande de vergadering een ongunstig teeken wil zien en aan den voorzittenden magistraat berichten (obnuntiatio), moet deze de vergadering verdagen. Behalve de signa ex avibus waren er ook nog andere van minderen rang. Onvermijdelijk storend voor de comitien waren een bliksemstraal en een geval van vallende ziekte, welke laatste hierom ook wel morbus comitialis werd genoemd. Den hemel waarnemen om een teeken te zien te krijgen, is de coelo servare= observare. Bij de augurs komen wij nader op dit onderwerp terug.

5. DE STRIJD TUSSCHEN DE PATRICIËRS EN DE PLEBS.

Na de afschaffing der koninklijke waardigheid werden des konings burgerlijke werkzaamheden opgedragen aan twee consuls, die voortaan slechts voor den tijd van één jaar zouden gekozen worden, terwijl voor zijne priesterlijke bedieningen, n.1. het verrichten der offers, welke hij als hoofd van den staat aan de goden moest brengen, een nieuw priesterambt in het leven werd geroepen, dat van den rex sacrorum of rex sacrificulus, een ambt, dat wel hooge eer verleende, maar hem, die er mede bekleed was, ten eenenmale van alle staatkundige macht uitsloot. Tevens werd de doodstraf gesteld op elke poging om zich tegen den wil des volks van het bewind meester te maken. Spoedig barstte de strijd tusschen de patriciërs en de plebs uit. De eerste aanleiding was het schuldrecht, ius nexus. Dit was bij de

-ocr page 47-

35

oude Romeinen zeer streng. De schuldeischer mocht zijn onver-mogenden of onwilligen schuldenaar in boeien laten slaan en in zijn huis als slaaf, servi loco1), laten arbeiden. Zoo binnen 60 dagen de schuld niet door arbeid vereffend was, moest hij hem óf vrijlaten, óf dooden, èf wel hem als slaaf verkoopen, mits over den Tiber5). Waren er meer dan één schuldeischer, zoo konden zij het lichaam des schuldenaars in stukken snijden en verdeden, corpus secare. Van de oorlogen nu trokken de patriciërs al de voordeden; zij eigenden zich zeiven het vruchtgebruik toe van den ager publicus, d.i. van den grond, welken de overwonnen steden als staatsdomein moesten afstaan; terwijl de plebejers slechts in de lasten van den oorlog deelden, en, terwijl zij zonder soldij\') te velde trokken, dikwerf hunne landerijen onbebouwd moesten laten liggen. Hoewel men zich niet moet voorstellen, dat de plebs van den beginne af slechts eene arme bevolking uitmaakte, zoo spreekt het toch van zelf, dat de plebejers onder den druk van het voortdurend krijgvoeren achteruitgingen. Zoodoende geraakten zij bij de patriciërs in schulden en zuchtten vaak onder harden heerendienst. In een oorlog tegen de Latijnen weigerden zij eindelijk te velde te trekken en lieten zich slechts overhalen door beloften en door de benoeming van een dictator, een buitengewoon overheidspersoon met bijna onbeperkte macht, die in tijd van nood, doch voor niet langer dan zes maanden, benoemd werd. De gedane beloften werden echter niet gehouden, totdat de plebs in 494 v. Chr. Rome verliet , om een eigene stad te bouwen, en niet terugkeerde, alvorens zij eigene onschendbare overheden had gekregen, die onder den naam van volkstribunen, tribuni plebis, haar tegen aanrandingen van de zijde der patriciërs moesten beschermen en door hun veto alle senaatsbesluiten krachteloos konden maken. Van

3*

1

Servi loco, omdat hij geen servus was, maar bij afdoening der schuld zijne vrijheid herkreeg.

-ocr page 48-

36

nu af werd de plebs de aanvallende partij, onder wier slagen het patricische staatsgebouw eindelijk ineenstortte.

Den patriciërs werd het eene voorrecht na het andere ontwrongen. In 471 v. Chr. gelukte het den volkstribuun Publilius Volero eene wet door te drijven, volgens welke de volkstribunen en hunne ondergeschikten, de plebejische aedilen, niet langer in de centuriaatcomitiën zouden gekozen worden, waarin de patriciërs en hunne cliënten medestemden, maar door de plebs alleen en wel onder voorzitterschap der volkstribunen. Dewijl deze laatsten geene auspiciën hadden, d. w. z. geen recht, om zich door een augur te doen berichten, of de goden aan de te houden volksvergadering hunne goedkeuring hechtten, en er geene vergadering van de centuriën kon gehouden worden zonder voorafgaande auspiciën, zoo moesten zij wel naar eene andere wijze zoeken om de plebs bijeen te roepen en te doen stemmen, — natuurlijk alleen de plebs, daar zij, als zuiver plebejische overheden, geene bevoegdheid bezaten, ook de patriciërs op te roepen. Zij hadden er nu dit op gevonden: de plebs tribusgewijze te laten stemmen, zoodat elke tribus eéne stem uitbracht. Wegens den minderen omslag, daaraan verbonden, volgden ook wel andere overheden dit voorbeeld en riepen het volk (patriciërs en plebejers) tributim op, en zoo ontstonden comitiatributa. De door volkstribunen opgeroepen vergaderingen waren echter slechts plebs-vergad erin gen, concilia plebis, en de daar genomen besluiten , plebiscita, waren eigenlijk slechts voor de plebs van kracht, totdat zij door een drietal wetten, in 449, 339 en 287 v. Chr., voor het geheele volk verbindend werden verklaard. De meeste wetten, waardoor de vroegere voorrechten van den adel uit den weg geruimd werden, waren plebiscita. In 462 stelde de volkstribuun Terentillus Arsa de invoering van geschreven wetten voor, welk voorstel na bijna tienjarigen strijd tot wet verheven werd. C. Canulejus trad in 445 op met twee wetten, de eene tot openstelling van het consulaat ook voor de plebs, de andere strekkendë om het conubium tusschen de beide standen toe te staan. Na allerlei onderhandelingen kwam men overeen, dat het conubium zou worden aangenomen, en dat men in de kwestie van het consulaat voorloopig een middenweg zou inslaan. Tijdelijk

-ocr page 49-

37

zouden er in plaats van consuls krijgstribunen *) met consulaire macht, tribuni militares consulari potestate, worden gekozen, en wel promiscue e patribus et plebe. Voor het houden der volkstelling en schatting werd evenwel een afzonderlijk patricisch ambt in het leven geroepen, de censura 1). Naar gelang nu de macht der patriciërs meer overwegend of de houding der plebs meer dreigend was, werden in de volgende jaren, volgens de beslissing van den senaat, nu eens consuls, dan weder con-sulairtribunen gekozen. In 366 echter moest de adel toegeven. Na tienjarigen strijd, waarbij de volkstribunen zelfs vijf jaren lang de verkiezing van consuls of consulairtribunen verhinderden, werden de wetsvoorstellen van C. Licinius Stolo en L. Sextius Lateranus aangenomen (leges Liciniae Sextiae). Zij waren vier in getal:

i0 dat voortaan steeds consuls zouden gekozen worden en een van beiden een plebejer moest zijn;

2° dat alle burgers in het genot van den ager publicus zouden deelen en niemand meer dan 500 iugera2) er van in erfpacht zou mogen bezitten;

30 dat de plebejers ook voor de helft zitting zouden hebben in het priestercollegie der decemviri sacrorum, hetwelk belast was met de zorg voor en het raadplegen van de heilige orakelboeken, libri Sibyllini;

4° dat er eene vermindering der schulden zou plaats hebben 3).

1

Het houden van den census werd besloten door een plechtig reinigingsotter, en de adel was er op uit, zoolang mogelijk de plebs buiten alles te houden, wat op den eeredienst betrekking had. Later zal dit nader worden opgehelderd.

2

Een iugerum was 240 voet lang en 120 voet breed, ongeveer \'/u hectare.

3

Een dergelijken maatregel tot schuldvermindering bij de wet vindt men in Solons wetgeving. Licinius en Sextius echter bewerkten niet eene verandering van den muntstandaard, zoo als Solon, maar stelden voor, de reeds betaalde woekerrente van het kapitaal af te trekken, en wat er dan nog overbleef, in drie jaarlijksche termijnen te laten afbetalen.

-ocr page 50-

38

Van de zijde der plebs gaf men toe, dat er twee nieuwe patricische ambten zouden worden ingesteld: de praetura en de aedilitas curulis. De eene stap echter volgde op den anderen. In 356 werd voor de eerste maal de dictatuur door een plebejer bekleed, in 339 de censuur, in 337 de praetuur. In 326 werd het oude schuldrecht door de lex Poetelia Papiria in dier voege gewijzigd, ut pecuniae creditae bona debitoris, non corpus obnoxium esset. De lex Ogulnia, 300 v. Chr., opende den plebejers den toegang tot de priestercollegien der augurs en pontifices.

6. DE STRIJD TUSSCHEN DE OPTIMATEN EN HET VOLK.

ORDO SENATOR1US. ORDO EQUESTER.

Thans hadden de namen van patriciërs en plebejers hunne staatkundige beteekenis grootendeels verloren, en ontwikkelden zich door het op den voorgrond treden van geld- en grondbezit op nieuw twee partijen: de optimates, aanzienlijken, aristocratie, en de populares, de volkspartij, ook populusin engeren zin en ook wel in de geschiedenis van dit tijdperk plebs genoemd. In plaats van den vroegeren geboorteadel kwam een ambtsadel op. Zij, wier voorouders curulische ambten hadden bekleed \'), hadden het ius imaginum of het recht, de wassen borstbeelden dezer voorzaten in het atrium, eene binnenzaal hunner woningen, te plaatsen. Zulke familien werden nobiles genoemd. Daar nu de aanzienlijken langs allerlei wegen bij de verkiezingen van ambtenaren een overwegenden invloed wisten uit te oefenen, bleven de curulische ambten bijna geheel in denzelfden kring van familien rondloopen en vormde zich dus feitelijk eene soort van senatorenstand, ordo senatorius 5), waarin het voor ignobiles hoogst moeielijk was te worden opgenomen. Werd

1) Tot de distinctieve teekenen van sommige ambten behoorde de sella cnrulis, eene bijzondere soort -van zetel, waarnaar zij den naam droegen van curulische ambten.

2) Wettig werd het bestaan van een senatorenstand eerst onder Augustus erkend, door het vaststellen van een senatorischen census.

-ocr page 51-

39

iemand uit eene niet-senatorische familie tot een curulisch ambt verheven, zooals met Cicero het geval was, dan werd hij een homo novus, een parvenu, genoemd. De stadhouderschappen der veroverde provinciën lieten schatten gelds in de kassen van een tal familien van nobiles vloeien, en daar de rechters uit den senaat gekozen werden \'), was er voor de bewoners der veroverde gewesten tegen afpersingen zelden recht te verkrijgen. De ondergang van Carthago, de verovering van Macedonië en de oorlog tegen Syrië maakten de Romeinen tot beheerschers van de belangrijkste landen der oude wereld; maar de kennismaking met het Oosten en met oostersche weelde werkte verderfelijk op hen. De schatten, welke uit de veroverde gewesten naar Rome vloeiden , deden de hebzucht ontwaken, en gaarne had men er sommen gelds voor over, om het consulaat of het praetorschap te verkrijgen; het daarop volgend stadhouderschap toch zou ruime schadeloosstelling geven. Doch juist hierom zocht de nobiliteit eiken vreemden indringer te weren en was ieder harer leden licht geneigd in zake van afpersingen eene toegeeflijkheid te be-toonen, welke hij of een der zijnen misschien eerlang zelf zou moeten inroepen. Inmiddels verdween in Italië de nijvere middelstand, dewijl de Licinische wet op de gelijkmatige verdeeling van den ager publicus eene doode letter was gebleven, en omdat de aanzienlijken alles door hunne slaven lieten verrichten.

Ten einde de strekking van zulke akkerwetten eenigszins beter in het licht te stellen, is het noodig, kort na te gaan, wat er met den ager publicus plaats greep. De romeinsche staat had een gedeelte van dezen grond noodig voor de militaire koloniën, welke hij als wachtposten in onderworpen gebied uitzond; ook werden sommige stukken aangewezen, om uit de opbrengsten tempels en openbare gebouwen te laten onderhouden, enz. Maar behalve hetgeen de staat aan zijne kolonisten toewees of ten eigen bate gebruikte, bleven er nog groote stukken gronds over, die tegen een zeker deel der opbrengst totwederopzeggens

1) Des praetors taak was het, het proces te instrueeren en te leiden; de rechters of indices vervullen in de romeinsche rechtspleging de rol van gezworenen.

-ocr page 52-

40

toe aan liefhebbers werden afgestaan, en wel niet in kleine pei-ceelen, maar in groote blokken, zoodat zij voor den minderen man, wegens gebrek aan bedrijfkapitaal en arbeidskrachten, onbereikbaar waren. Zulke gronden heetten agri occupati, occupatorii of arcifinales en het bezit er van was possessio. Daar dit nooit werd opgezegd, begon men dit bezit als eene soort van eigendom te beschouwen en de genoemde gronden gingen door erfenis en verkoop evenals andere landerijen van de eene hand in de andere over. Hoewel zij nu slechts tijdelijk in bezit waren gegeven, lag er toch, wanneer de staat nooit van zijn recht gebruik had gemaakt, en wanneer de achtereenvolgende bezitters den grond hadden ontgonnen, verbeterd, met huizen bebouwd, enz., iets hards in, dien plotseling terug te eischen. Vandaar de groote tegenstand, dien de leges a g r a r i a e steeds bij de Romeinen vonden. De groote grondbezitters waren er bovendien op uit, de kleinere aangrenzende hoeven aan te koopen, en ontzagen zich meermalen niet, zich door list of geweld er van meester te maken. Zóó ontstonden uitgestrekte landgoederen, latifundia geheeten.

In dezen staat van zaken zochten de gebroeders Ti. en C. Sempronius Gracchus, 133 en 123 v. Chr., de arme klassen op te beuren, o. a. door met eenige verzachting de Licinische akkerwet ten uitvoer te doen leggen. Vruchteloos; — na hunnen gewelddadigen dood bleef alles bij het oude. Intusschen had C. Gracchus toch onder meer deze wet voorgesteld en doen aannemen , dat de rechters voortaan uit diegenen zouden gekozen worden, die den riddercensus hadden, dus uit de rijksten. Zoo ontstond een wettig erkende stand van kapitalisten, de orde equester, eene geldaristocratie, welke nu als bepaalde partij tusschen het volk en de ambtsaristocratie optrad. De senatoren en hunne zonen mochten geen handel drijven van eenige betee-kenis; de equites vonden eene aanzienlijke bron van winst in de societates publicanorum. De belastingen in de provinciën namelijk werden van wege den staat tegen contante betaling aan de meestbiedenden verkocht, en daar groote kapitalen hiertoe vereischt werden, vormden de ridders zulke vennootschappen van belastingpachters of publican i.

-ocr page 53-

41

Zoo begonnen te Rome allengs geld- en eerzucht de hoofdrol te spelen. Aan den eenen kant grond- en geldbezit; aan den anderen kant het volk, geëxploiteerd door degenen, die zich door de volksgunst tot eer en macht wilden verheffen. Vaderlandsliefde werd door eigenbaat verdrongen. De burgeroorlogen brachten beide partijen beurtelings op het kussen, totdat eindelijk op de puinhoopen der vermolmde republiek het keizerrijk verrees.

7. LECTIO SENATUS.

De keuze tot senator was in den beginne een recht der koningen geweest en ging vervolgens op de consuls over als erfgenamen hunner macht en werkzaamheden. Later ging de senaatskeuze door eene lex Ovinia op de censoren over en werd zij dus in den regel om de vijf jaren herhaald. Een der censoren, hiertoe door het lot aangewezen, las de door beiden opgemaakte lijst der oude en nieuwe senaatsleden voor, waarbij dan onwaardigen uit den senaat konden gestooten worden (censores movent ot eiiciunt senatu), doch steeds met opgave van redenen. Deze uitzetting gold slechts voor het loopende tijdperk en kon door volgende censoren weder worden opgeheven.

De genoemde lex Ovinia, tusschen 367 en 312 voorgesteld, had ook bepaald, dat de curulische overheden na afloop van hun ambtsjaar in den senaat zitting zouden houden tot aan de eerstvolgende senaatskeuze. Gedurende hunne magistratuur namelijk hadden zij krachtens hun ambt zitting, een recht, hetwelk later ook aan de volkstribunen, de plebejische aedilen en de quaestoren werd toegekend. Tenzij nu zulke oud-magistraten eene censorische bestraffing hadden verdiend, wilde het gebruik, dat zij rechtens op de lijst der senatoren werden geplaatst. Een ple-biscitum Atinium, door Madvig in het jaar 130 geplaatst, nam ook de tribunen en oud-tribunen rechtens onder de senatoren op. Het spreekt van zelf, dat het getal van 300 op deze wijze niet zuiver kon behouden blijven. Het was een groot eerbewijs, bovenaan op de lijst geplaatst te worden, princeps senatus, zooals het heette, te zijn; gewoonlijk was dit de oudste oudcensor. De regel, waarnaar de censoren de lectio senatus be-

-ocr page 54-

42

hoorden te houden, was door de lex Ovinia aldus uitgedrukt: ut optimum quemque ex omni ordine iurati legerent. Omtrent vele bijzonderheden ontbreken ons juiste berichten. Zoo is nergens bepaald opgegeven, hoe groot het wettig aantal senatoren in de latere dagen der republiek was; alleen weten wij, dat het in die van Cicero meer dan 400 bedroeg. Evenmin is het zeker, of de senatoren onder de republiek een bepaalden, hoogeren census moesten bezitten, dan of de census equester voldoende werd geacht. In allen gevalle kon deze census slechts toepasselijk zijn op hen, die tot aanvulling, als a d 1 e c t i, in den senaat werden gekozen; voor hen, die als magistratu functi in den senaat kwamen, bestond geen census. Sommige onderzoekers maken nu een onderscheid tusschen curulische senatoren (oudconsuls, oud-praetors, oud-curul. aedilen) en de overigen (oudtribunen, oud-pleb. aedilen, oudquaestoren en de adlecti), die zij allen pedarii (blz. 32) noemen. Onder Augustus komt het eerst eene bepaalde vermelding van een census senatorius voor. Vermogend moest een senator zeker zijn , daar hem alle quaestus of middelen om zijn vermogen door handel of aandeel aan de societies publicanorum te vermeerderen, en zelfs het bezitten van een schip van meer dan 300 amphorae inhouds verboden was. De vereischte leeftijd was in de latere dagen der republiek voor de adlecti 30 jaar. Sulla liet, toen de senaat door de burgeroorlogen zeer onvoltallig was geworden, 300 senaatsleden door de tribuut-comitien kiezen. Daar hij het censorschap afschafte en hiermede ook de lectio senatus verviel, stelde hij de jaarlijksche verkiezing van 20 quaestoren vast, die in den senaat zitting zouden hebben en houden. Caesar bracht dit getal zelfs op 40. Bij het bespreken van de ontbinding der republiek en den overgang tot de monarchie komen wij hierop terug.

8. SENAATSZITTINGEN.

Den senaat bijeen te roepen was het recht der overheden, eigenlijk van de consuls, als in de oude rechten des konings getreden zijnde, en van hen, die de consuls voor korter ol langer tijd vervingen, den dictator, de decemviri legibus scribundis,

-ocr page 55-

43

de tribuni militares consular! potestate, den interrex, en, bij afwezigheid der beide consuls, den praefectus urbi en later den praetor urbanus. Geen mindere magistraat kon den senaat bijeenroepen , wanneer een hoogere in de stad was, met uitzondering der tribuni plebis, die zich reeds vroeg dit recht hadden aangematigd. De plaats der samenkomst was steeds een templum, eene door auspiciën gewijde plaats. De oudste en tot in de laatste tijden der republiek meest gewone vergaderplaats was de curia Hostilia; na Caesars dood trad hiervoor de curia lulia in de plaats. Ook bestond er in oude tijden nog een ander staatsgebouw bij de porta Capena, waar na den slag bij Cannae de senaat een jaar lang zijne vergaderingen hield. Buitendien vergaderde hij dikwijls in tempels, vooral aan het forum of op het kapitool, b.v. in dien van Quirinus, Jupiter, Stator, Tellus. Wanneer er redenen waren om de zitting buiten het pomoerium te houden, b.v. wanneer aan vreemde gezanten, die men niet in de stad wilde ontvangen, gehoor moest verleend worden, of wanneer een uit de provincie teruggekeerd imperator, of iemand anders met imperium proconsulare bij de stad was en deze niet binnen mocht treden om dit imperium niet te verliezen \'), terwijl men toch zijne tegenwoordigheid in den senaat verlangde, dan werd de vergadering in den tempel van Apollo of Bellona op den Campus Martius gehouden. Als eene bijzonderheid moet vermeld worden, dat, wanneer het prodigium gemeld werd, bovem locutam esse, hetgeen niet zelden voorviel, de senaat onder den blooten hemel vergaderde.

De inwendige inrichting der vergaderplaats en de rangorde bij

1) De consuls en praetoren, die na het verstrijken van hun ambtsjaar als stadhouders naar eene provincie werden gezonden, waren geene eigenlijke magistraten, maar privaatpersonen. met consulaire of praetorische macht bekleed. Hun imperium begon eerst buiten het pomerium en ging verloren, zoodra zij buiten toestemming van den senaat binnen Rome kwamen. De zegevierende veldheer, die een plechtigen zegetocht binnen Rome verlangde, was aan dezelfde bepaling gebonden en moest dus buiten de stad vertoeven, tot op den dag van zijn triumftocht, voor welken dag hem dan hij uitzondering het imperium binnen de stad werd toegestaan.

-ocr page 56-

44

het zitten kennen wij niet; misschien zaten de senatoren volgens de censuslijst. De zittingen konden alleen worden bijgewoond door de senatoren en magistraten en door degenen, die als boden en klerken iets in de raadzaal te verrichten hadden; er is echter een verhaal, dat de senaatsleden in oude tijden hunne zonen medenamen, ten einde hen vroegtijdig in staatszaken op te leiden. Eigenlijk geheim was de zitting niet, daar de deuren geopend moesten blijven. Was nu en dan eene geheime zitting noodig, dan werden allen verwijderd, die niet het ius sententiae dicendae hadden. Aan bepaalde dagen schijnen senaatszittingen niet gebonden te zijn geweest. Wat den tijd van den dag betreft, het was regel, dat de senaatszitting tusschen zonsop- en ondergang moest gehouden worden, waartusschen alleen een geldig raadsbesluit kon genomen worden; ook mocht na de tiende ure geen nieuw voorstel (relatio) gedaan worden. Niettemin komen er, bij zeer dringende omstandigheden, zelfs midden in den nacht senaatsvergaderingen voor. Oudtijds hadden de senatoren op het forum Romanum eene convocatieplaats, senaculum. Hij, die den senaat samenriep, liet, na de auspiciën waargenomen te hebben, de senatoren uit dit senaculum door een praeco ter vergadering oproepen. Later werd gewoonlijk door een edict de vergadering tegen een bepaalden dag belegd, ofschoon in dringende gevallen ook toen nog de bijeenroeping door praecones plaats vond. De gang der beraadslagingen was ongeveer deze. Hij, die de vergadering bijeengeroepen had, begon met in haar bijzijn een offer te doen. Hierop mocht hij zijn voorstel ter tafel brengen (referre ad senatum); hij leidde dit in met het formulier: „quod bonum felix faustum fortunatumque sit populo Romano Quiritium. Referimus ad vos, patres conscriptiquot;, enz. Wanneer hij geëindigd had, vroeg hij: de ea re quid fieri placet? Nu werden in bepaalde volgorde de senatoren naar hun gevoelen gevraagd met de woorden: die (b.v. M. Tulli), quid censes? Het stond den gevraagde vrij met een enkel woord „jaquot; of,)neenquot; te antwoorden, en dan bleef hij zitten; maar wanneer hij voor ot tegen het voorstel wilde spreken, stond hij op (stans dicebat sententiam), en mocht dan aan het woord blijven zoolang hij wilde, en niet slechts over het ter tafel gebrachte onderwerp spreken, maar over

-ocr page 57-

45

alle andere punten, welke hij verkoos aan te roeren1). Dit noemde men egredi relationem. Van dit middel werd meermalen gebruik gemaakt om de zitting zóó lang te rekken, dat de tijd tot het nemen van een besluit verstreken was (diem dicendo eximere, consumere). Na afloop dezer discussie resumeerde de voorzitter de punten en meeningen, waarover gestemd moest worden (pronuntiabat sententias). Het stemmen geschiedde bij discessio en volgens de oproeping van den consul: qui hoc consetis illuc transite, qui alia omnia in hanc partem, of iets dergelijks. De woorden qui alia omnia werden ominis causa gebruikt voor qui hoc non censetis. Verscheidene uitdrukkingen, eerst letterlijk, later figuurlijk, zijn hieraan ontleend, als: ire in alia omnia, voor dissentire; pedibus ire in alicuius senten-tiam, voor assentiri. Viel de meerderheid terstond in het oog, dan luidde de formule: haec pars maior videtur; bestond er twijfel, dan ging men tot eene telling over. Hoeveel senatoren tot het opmaken van een wettig besluit vereischt werden, is onzeker en wellicht ook niet voor elk besluit hetzelfde; er worden nu eens 100, dan 150 of 200 vermeld. Dat er eene bepaling moet geweest zijn is zeker, daar, wanneer men vermoedde, dat de senaat infrequens, niet behoorlijk voltallig, was, op verzoek van een senator (numera senatum) tot de telling der aanwezige senatoren werd overgegaan; van den uitslag dezer telling hing het dan af, of er een besluit genomen kon worden. Wanneer echter niemand die bedenking maakte, schijnt ook een door een niet voltalligen senaat (per infrequentiam) genomen besluit van kracht geweest te zijn. Verlangde een der leden splitsing van een voorstel en afzonderlijke stemming over de onderdeden, dan riep hij den voorzitter toe: divide. Ten einde verder te voorkomen, dat door willekeurig wegblijven uit de vergadering het nemen van besluiten onmogelijk gemaakt werd, kon een senator, zelfs door boete en pandneming (per pignoris capionem), gedwongen worden te verschijnen: zelden echter en alleen in buitengewone omstandigheden werd hiervan gebruik gemaakt.

1

Zoo sloot M. Porcius Cato telkens zijne redevoeringen met de woorden: praeterea eenseo Carthaginein esse delendam.

-ocr page 58-

46

Nadat na rondvraag en stemming de senaat zijn wil geopenbaard had, en er dus eene senatusauctoritas bestond, werd deze, zoo de tribunen er niet tegen opkwamen (intercedeerden), schriftelijk als senatusconsultum opgesteld; dit was nu een volledig besluit, geschikt om aan de comitien te worden voorgedragen. Wanneer het een maatregel van bestuur gold, heette het besluit decretum. Maar ook wanneer door intercessie het senatusconsultum verhinderd werd, was het de gewoonte, deze senatusauctoritas op te teekenen en in de archieven te bewaren. Een geheim senaatsbesluit heette senatusconsultum taciturn. Het verdient opmerking, dat alle senaatsbesluiten bijzonder beleefd en zacht in hunne uitdrukkingen waren. Zoo luidde het: senatus censet of aequum censet, — auctor est, — e republica esse iudicat, of: non placere senatui; en in bevelen aan de magistraten is de formule altijd: si iis videbitur. Wat de bovenvermelde volgorde betreft, deze was niet ten allen tijde dezelfde. In den vroegsten tijd werd eerst de princeps senatus tot het uiten zijner meening uitgenoodigd, vervolgens de oudconsuls , de oud-praetoren, de praetoren, enz. Van deze volgorde week men echter allengs af, en werd het gewoonte, nog vóór den princeps senatus de consules designati \') op te roepen, wanneer deze ter vergadering aanwezig waren; in Pompejus\' tijd werd nu deze, dan gene, wien de voorzitter eene eer wilde bewijzen, het eerst gevraagd, mits het een oud-consul ware. Caesar vroeg, toen Pompejus zijn schoonzoon geworden was, dezen het eerst. Augustus vroeg door elkander, ten einde de senatoren tot oplettendheid te noodzaken.

9, BEVOEGDHEID VAN DEN SENAAT. INSIGNIA.

De werkkring van den senaat was in den bloeitijd der republiek buitengewoon uitgebreid. Op wetgevend gebied stond hij onder de comitien; maar volgens het romeinsche staatsrecht kwam den senaat het recht van initatief toe, daar de wetsvoorstellen

1) Magistratus designati zijn overheidspersonen, die wel gekozen zijn maar hun ambt nog niet aanvaard hebben.

-ocr page 59-

47

slechts krachtens een voorafgaand senaatsbesluit aan de comitien behoorden te worden voorgelegd. Dit recht werd echter door de volkstribunen zeer beperkt en besnoeid, daar deze dikwerf hunne wetsvoorstellen zonder voorafgaand senatusconsultum aan het volk ter goedkeuring onderwierpen. Daarentegen zijn er ook voorbeelden dat plebiscita door den senaat ongeldig werden verklaard, wegens het in den wind slaan der obnuntiatio of andere verzuimen, vooral wanneer zij in tijden van troebelen ontstaan waren. Toch is de formule non videri populum iis teneri een willekeurig ingrijpen in de wetgeving. Evenzoo verleende de senaat somtijds vrijstelling van wettelijke verplichtingen (a 1 i q u e m legibus solvere) en schonk in onrustige tijden aan de consuls meermalen dictatoriale bevoegdheid door het senaatsbesluit; videant consules, ne quid res publica detrimenti capiat. In de rechtspraak (voor zoover het namelijk geene lijfstraffelijke zaak gold, welke bij de comitien te huis behoorde) was, vóór het in werking treden der lex Sempronia iudiciaria van C. Gracchus, de invloed van den senaat overwegend, dewijl de rechters tot op dien tijd toe uit zijn midden werden genomen. Bovenal echter was het bestuur het eigenlijke veld zijner werkzaamheid. Als opperste regeeringscollegie had de senaat, onder raadpleging der priestercollegiön, het toezicht over de geheele godsdienstinrichting, benevens de vrije beschikking over de inkomsten van den staat; zonder zijne beslissing mocht geen quaestor betalingen uit de schatkist doen, tenzij aan de consuls, wanneer deze te Rome waren. Verder had hij het bestuur over de provinciën , als ook over Italia \'), en regelde de betrekkingen en verplichtingen der municipiën, der sccii en peregrini.

Zijne grootste macht echter lag in de zelfstandigheid, waarmede hij de buitenlandsche aangelegenheden bestuurde. Wanneer het senatusconsultum tot oorlogsverklaring door de comitien aangenomen was, regelde de senaat de lichting, delectus, bepaalde het contingent der bondgenooten, benoemde de veld-heeren, gaf aan deze hunne instructien, riep ze terug of verlengde hun bewind (prorogabat imperium) en stond hun de eerbewijzen

1) Hieronder versta men Italia buiten Rome.

-ocr page 60-

48

van supplicatio, ovatio of triumphus toe. De vredesvoorwaarden moesten door den senaat, later echter ook door de comitia tributa goedgekeurd worden. De gezantschappen van vreemde volken en vorsten werden tot den senaat gezonden. Deze onderhandelde in naam van het romeinsche volk met hen, trad tus-schen hen als scheidsrechter op, begroette vreemde vorsten, verklaarde hen tot vrienden van het romeinsche volk, ja wat vreemder mag heeten, hij schonk hun soms den titel van koning 1).

Het is niet te verwonderen, dat, waar het geheele collegie zulk eene macht had, de bijzondere leden mede in het hoogste aanzien stonden. Uitwendige teekenen hiervan waren de gouden zegelring, dien echter ook de ridders droegen, de tunica lati-clavia of het onderkleed met breede purperstreep van den hals tot aan den benedenzoom en de calcei senatorii, voor de patres met een ivoren halfmaantje op den voet. In 194 v. Chr. verkregen zij door Scipio\'s toedoen in den schouwburg afzonderlijke zitplaatsen in de orchestra\'), later ook in den circus. De senaat zorgde er ook voor, dat de senatoren in het buitenland hunne waardigheid konden ophouden, door hun, ook wanneer zij voor hunne eigene belangen op reis gingen, het recht van gezant, legatie libera, te geven, waarop hun door de overheden in de provinciën zelfs lictoren werden toegevoegd. Daar zulk eene libera legatio, wegens het misbruik, dat er van gemaakt werd, voor de provinciën ten hoogste drukkend was, zocht Cicero dezen last op te heffen, doch de tegenstand van een der volkstribunen noodzaakte hem, zijn wetsvoorstel zoodanig te wijzigen, dat de termijn voortaan op niet langer dan één jaar werd vastgesteld.

1

Zoo b.v. aan Massinissa, Liv. XXX. 17. — Perseus zond gezanten naar Rome, ad petendum ut rex a senatu appellaretur. Liv. XL. 58.

-ocr page 61-

49

De senaat bereikte het toppunt van zijn aanzien in den tweeden punischen oorlog. In de laatste anderhalve eeuw vóór Chr. daalde dit aanzien langzamerhand, vooral door de toenemende verbastering der zeden, waarvan de invloed zich in den senaat sterk deed gevoelen. De pogingen, door Sulla en Cicero aangewend, om dit verval te keer te gaan, bleven zonder uitwerking.

IC. CONCILIA, CONTIONES, COMITIA.

Deze drie woorden wijzen drie verschillende soorten van volksvergaderingen aan.

Concilia zijn vergaderingen van een deel des volks, hetzij b.v. alleen van de patriciërs of alleen van de plebs. Vooral van de door de volkstribunen bijeengeroepen vergaderingen der plebs wordt dit woord gebezigd.

C o n t i o (saamgetrokken uit conventio) wordt gebezigd van eene volksvergadering, door een overheidspersoon bijeengeroepen, om aan het volk iets mede te deelen of eenig onderwerp in debat te brengen. Eene beslissende stemming kan in eene contio niet plaats hebben. Het volk is in eene contio niet geordend naar curiën, centuriën of tribus. Elk overheidspersoon kan eene contio bijeenroepen.

C o m i t ï a zijn vergaderingen van het geheele volk, waarin dit volk, in zijn afdeelingen geschaard, zijne stemmen uitbrengt. Comitia kunnen niet door alle overheden worden bijeengeroepen.

Comitia calata zijn volksvergaderingen, door een daartoe gerechtigd priestercollegie opgeroepen voor sacrale handelingen. Zij kunnen zoowel curiata als centuriata zijn. Er heeft in de comitia calata niet altijd stemming plaats: het volk vervult er dikwijls slechts de rol van getuigen, ten overstaan van wie de plechtige handeling geschiedt.

11. COMITIA CURIATA.

Na hetgeen reeds over deze gezegd is (blz. 11, 30 en 31), kunnen wij hier kort zijn. In het republikeinsche tijdperk komen zij alleen voor om het imperium te verkenen, en verder als comitia calata: Sciilimmer, Hom. Ant., 5e druk. 4

-ocr page 62-

50

i0 bij arrogatio, wanneer iemand, die sui iuris was, in de patria potestas van een ander overging. Vereischte was de verklaring van het priestercollegie der pontifices, dat er geene godsdienstige bezwaren tegen het verzoek (rogatio) waren. Zulk eene verklaring was noodzakelijk, omdat er eene familia door verdween en daarmede sacra konden gemoeid zijn.

2° bij cooptatio, wanneer plebejische familien onder den adel werden opgenomen.

3° bij overgang van een patriciër tot de plebs.

4° bij het testamentum comitiis calatis factum, waarin de erflater ten overstaan van het volk zijn uitersten wil verklaarde. Deze vorm werd vereischt, wanneer er sacra tot de erfenis behoorden , godsdienstige verplichtingen, op welker behoud men gesteld was.

Daar de aanwezigheid van het volk bij dit alles, ook bij de lex curiata de imperio, meer en meer eene schijn vertooning werd, kwamen de burgers ten slotte niet meer op, doch lieten zich vertegenwoordigen door de 30 lictoren of boden der curiën.

De wijze van aankondiging, het offer en het gebed hadden de curiaatcomitiën waarschijnlijk met de centuriaatcomitiën gemeen.

12. COMITIA CENÏURIATA.

Op zeventienjarigen leeftijd, wanneer de burger dienstplichtig werd, kreeg hij tevens het stemrecht in de centuriën, tenzij hij om eene of andere reden van het stemrecht was uitgesloten.

In de oudste tijden werden de centuriaatcomitiën bij edikt 30 dagen, in later tijd drie nundinae1), d.i. 17 dagen, te voren aangekondigd, een gebruik, dat bij de tribuutcomitiën gold en in 98 v. Chr. tot wet verheven werd. Zóó lang vooruit moesten dus de aanvragen der kandidaten tot een ambt en de wetsvoorstellen bekend zijn; de laatste konden echter tusschentijds gewijzigd of ingetrokken worden.

1

Lex Caccilia Didia. Een tiinundinum is de tijd van een marktdag tot den tweeden daaropvolgenden; elke marktdag viel acht dagen, of volgens romeinsche telling negen dagen na deu vorigen in.

-ocr page 63-

51

Voordat de centurtón samenkwamen, moest het echter uitgemaakt zijn, of de auspiciën gunstig waren of niet. Zooals reeds vroeger vermeld is, hadden alleen de overheden, in het eerst zelfs geene andere dan de patricische, de spectio. Wanneer de voorteekenen gunstig en alle formaliteiten vervuld waren, werd nog vóór zonsopgang, daar de vergadering prima luce behoorde te beginnen, op bevel van den magistraat, die bij de comitiën zou voorzitten, op den burg en de muren op den hoorn (buccina) geblazen, om de comitiën der centuriën samen te roepen. Op een tweede sein begaven zich de stemgerechtigde burgers naar den Campus Martius, waar de leidende magistraat na het verrichten van een offer en een plechtig gebed, sollemne precationi carmen, daartoe bijgestaan door pontifices, augurs en twee offerpriesters , de vergadering opende. Hierna bracht hij het onderwerp in behandeling en gaf, wanneer het geene verkiezing gold, gelegenheid tot debat. Hij was daarbij volkomen meester, het woord te verleenen of te weigeren en de contio te sluiten. Dan sprak hij de woorden; impero qua convenit ad comitia cen-turiata, en op dit teeken rangschikte zich het volk in zijne centuriën en trok met opgestoken veldteekens (sub signis, exercitu imperato), maar waarschijnlijk toch ongewapend, door zijne cen-turionen aangevoerd, naar de stemplaats, de saepta of het ovile, eene door staketsels afgezette ruimte. Ondertusschen was reeds te voren de Janiculus over de Tiberbrug door eene krijgs-wacht bezet en aldaar eene roode vaan, vexillum russeum, opgestoken. Dit gebruik, uit den tijd herkomstig, toen men vreezen kon, dat de stad, terwijl de geheele burgermacht op den Campus Martius verzameld was, door vijanden uit Etrurië overvallen mocht worden, hield tot in den laatsten tijd der republiek stand 1). De voorzitter in deze comitia was de consul, de praetor, en in buitengewone gevallen de dictator of de interrex, in allen gevalle iemand, die het imperium had, dewijl het oproepen der centuriën exercitum imperare was. Vóór het begin der stemming sprak de

4*

1

Bij het proces van C. Rabirius, in C3 v. Chr. gevoerd, nam de praetor Q. Metellus Celer de vaan op den Janiculus weg om de comitiën uiteen te doen gaan. Dio Cass. XXXVIII. 28.

-ocr page 64-

52

magistraat de woorden: quod bonum faustum felix fortunatumque sit, liet door een heraut nog eenmaal zijn voorstel of wetsvoor-dracht voorlezen, en sloot dan met de woorden: haecita, utidixi, vos Quirites rogo. Vanhier de naam rogatio voor wetsvoorstel, hoewel dikwerf reeds bij anticipatie gezegd wordt; legem ferre ad populum. De stemming geschiedde oudtijds mondeling en openlijk; eerst in de laatste helft der 2de eeuw v. Chr. werd, ten einde den optimaten hunnen invloed bij de keuzen te ontnemen, de geheime stemming ingevoerd \'). Misschien had elke centurie haar bijzonder saeptum, waar ieder burger bij het binnentreden zijne stembordjes, tesserae of tabellae, ontving, houten plankjes, met was bestreken. Bij de wetgevende vergaderingen kreeg ieder twee tabellae, waarvan de eene met V. R. (uti rogas), tot aanneming, de andere met A. (antiquo), tot verwerping van het voorstel, gemerkt was. Bij de rechtsprekende vergaderingen was het A. (absolvo) en C. (condemno). Bij kies-vergaderingen eindelijk werd slechts één wastafeltje uitgereikt, waarop de kiezer zoovele namen schreef als er kandidaten te kiezen waren. Aan den uitgang van het saeptum was eene smalle brug, waar men over moest, en waarnaast de uit teenen gevlochten stembus, c i s t a, stond. Anderen nemen aan, dat wel elke centurie hare brug had, waarnaast de stembus stond, doch dat men over deze bruggen één groot ovile binnenging, waar men dan bleef, tot de stemming was afgeloopen, opdat niemand tweemaal zou stemmen. De genoemde bruggen hadden tot doel, het gedrang bij de stembus te voorkomen en de controle gemakkelijker te maken. Nadat de stemmen geteld waren, werd de uitslag der stemming van iedere centurie openlijk bekend gemaakt, en eindelijk werd door den voorzitter de einduitslag plechtig afgekondigd (populo renuntiabatur). Nu werden de centurien ontslagen met het formulier: „si vobis videtur, discedite Quirites,quot; waarna de vergadering uiteen ging.

1) De lex Gabinia, 139 v. Chr., stelde de geheime stemming tooi- kies-comitiën vast; de lex Cassia, 137, voor rechterlijke comitiën, behalve in zaken van perduellio; de lex Papiria, 131, voor wetgevende comitiën; de lex Caelia, 107, ook bij perduellio. Deze vier wetten worden leges tabel-lariae genoemd.

-ocr page 65-

53

Eerst stemden de 18 riddercenturiën, om deze reden cen-turiae praerogativae genoemd, vervolgens de centurien der eerste klasse, primo vocatae; was de meerderheid alsdan nog niet verkregen, dan werd de tweede klasse opgeroepen, enz. Zelden kwam de vierde klasse aan de beurt, meermalen niet eens de tweede. Caesar liet op den Campus Martius marmeren saepta bouwen.

13. HERVORMING DER COMITIA CENTURIATA.

Gedurende den loop van vier of vijf eeuwen hadden de inrichting van het romeinsche leger, de betrekkingen in stand en vermogen tusschen de burgers, in één woord, het geheele leven zulke veranderingen ondergaan, dat eene geheele hervorming van de inrichting der centuriën in alle opzichten tot eene noodzakelijkheid geworden was. Hoe en wanneer deze hervorming tot stand gebracht is, behoort tot de duistere punten der romeinsche oudheid, omdat wij daarover noch berichten van gelijktijdige schrijvers hebben, noch van anderen, die, ofschoon later levende, toch een juist inzicht in den voormaligen toestand der staatsinstellingen hadden, terwijl dat gedeelte der geschiedenis van Livius, dat hierover moet gehandeld hebben, verloren is gegaan. Zooveel is zeker, dat er eene vereeniging der centuriën met de tribus heeft plaats gehad, waardoor het overwicht der aristocratie in de cen-turiaatcomitiën gefnuikt werd. Daar de tweede decade van Livius van 292 tot 218 loopt, moet de wijziging, hetzij in eens, hetzij trapsgewijze tot stand gebracht, in dit tijdperk vallen, misschien wel tusschen 241 en 218. De omstandigheid, dat het aantal tribus na 241 niet vermeerderd is, staat wellicht met deze wijziging in verband.

Uit de verschillende gissingen nu omtrent de samensmelting der klassen en centuriën met de tribus acht men meestal deze de waarschijnlijkste \'), dat alle klassen een gelijk getal centuriën kregen, en wel 35 centuriën seniorum en 35 iuniorum, overeenkomstig het getal der tribus. Aan de riddercenturiën werd

1) Zij is afkomstig van Octavius Pantagathus, uit de 16de eeuw.

-ocr page 66-

54

het recht van vóórstemming ontnomen, hetwelk zij tot nog toe gehad hadden, en de centuria praerogativa door het lot (misschien alleen uit de eerste klasse) bepaald. Volgens deze hervormde inrichting was dan de indeeling der centurien waarschijnlijk als volgt:

Classis I.

35

centuriae

seniorum, 1

uit elke tribus.

35

centuriae

iuniorum.

18

centuriae

equitum.

— 88

centuriae.

Classis II.

35

centuriae

seniorum.

35

centuriae

iuniorum.

— 70

centuriae.

Classis III.

35

centuriae

seniorum.

35

centuriae

iuniorum.

— 7°

centuriae.

Classis IV.

35

centuriae

seniorum.

35

centuriae

iuniorum.

— 70

centuriae.

Classis V.

35

centuriae

seniorum.

35

centuriae

iuniorum.

— 70

centuriae.

Bovendien:

2

centuriae

fabrum.

2

centuriae

muzikanten.

— 4

centuriae.

en

1

centuria proletariorum.

— 1

centuria.

Te zamen — 373 centuriae.

De meerderheid was dus nu 187 stemmen, zoodat, ook wanneer het voorbeeld der praerogativa, als een goed voorteeken, door alle later stemmende centurien gevolgd werd, toch de derde klasse nog ter stemming moest worden opgeroepen, om tot de wettige meerderheid te geraken.

14. COMITIA TRIBUTA.

Over het ontstaan der comitia tributa en der concilia pie bis is reeds gesproken. Toen de plebiscita voor het geheele volk verbindend werden, werden ook de concilia plebis dikwijls comitia tributa genoemd. In de tribuutcomitien oefenden de patriciërs door hunne stemmen weinig of geen invloed uit, daar het hier niet op geboorte of geld, maar alleen op getalsterkte

-ocr page 67-

55

aankwam. Het eerst kregen de concilia plebis eene wettige inwerking op staatkundig gebied, toen in 471 de Publilische wet bepaalde, dat de keus der plebejische overheden niet langer in de centuriaatcomitien door het geheele volk, maar tribusgewijze door de plebs zou plaats vinden, waardoor o. a. de verkiezing der volkstribunen onttrokken werd aan den invloed, welken de patriciërs, die door hunne bezittingen meest in de eerste klasse waren, er op konden uitoefenen.

De formaliteiten der bijeenroeping waren zeer eenvoudig. Wel moesten de wetsvoorstellen, evenals bij de andere comitien, drie nundinae vooraf bekend gemaakt worden (promulgari), maar de eerste afkondiging kon mondeling in eene contio geschieden.

De concilia plebis werden zonder voorafgaande auspicia gehouden; wat de werkelijke comitia tributa betreft, sedert deze onder voorzitterschap van andere overheden een wettigen werkkring verkregen, zooals de verkiezing van aedilen, quaestoren enz., moeten zij ook auspiciën hebben gehad. Uit het bovenstaande volgt echter nog niet, dat de concilia plebis veilig waren tegen obnuntiatio van de zijde der augurs. Onheilspellende teekenen konden zich altijd voordoen.

Op den aangekondigden dag, gewoonlijk een marktdag, liet de tribuun, wanneer van den kant der augurs geen bezwaar in het midden werd gebracht, het volk door zijne boden, viatores, bijeenroepen.

De loop der handelingen was eenvoudiger dan in de comitien der centurien, maar anders daaraan gelijkvormig. Even als dair ging eene contio, waarin beraadslaagd werd en welke met een gebed begon, vooraf. Daarna ging het volk, op het bevel van den magistraat: ite in suffragium, of discedite, de voor iedere tribus door gespannen koorden afgeperkte ruimte binnen. De plaats der vergaderingen was niet bepaald. Door het lot werd de voorstemmende tribus, principium, aangewezen. Daarop volgde de stemming van deze en vervolgens van de overige tribus, van welke, toen er 35 waren, 18 de meerderheid uitmaakten. Volgens Madvig en Mommsen evenwel stemden alle tribus tegelijk en is de tribus principium niet eene voorstemmende tribus, maar die tribus, waarvan de uitslag der stemming het

-ocr page 68-

56

eerst werd medegedeeld. In elk geval werd de uitslag der stemming van de verschillende tribus in eene door het lot bepaalde volgorde medegedeeld. Dit lot kon van grooten invloed op de stemming zijn. Men stelle zich b.v. tribuutcomitiën ter verkiezing van acht quaestoren voor. Elke tribus brengt dan 8 stemmen uit, dat zijn 280 stemmen in het geheel. Nu valt het terstond in het oog, dat meer dan acht personen de volstrekte meerderheid van 18 stemmen konden erlangen. Van het lot hing het dan af, welke namen het eerst werden afgelezen, en zoodra acht candidaten elk 18 punten achter hun naam hadden, werd de verdere mededeeling gestaakt.

15. BEVOEGDHEID DER CENTURIAAT- EN TRIBUUTCOMITIËN.

Ten tijde, dat de comitia centuriata, op het toppunt hunner macht, de souvereiniteit van het romeinsche volk vertegenwoordigden, behoorden tot hunnen werkkring de volgende zaken: de keuze van de voornaamste gewone magistraten, — de wetgeving, — de beslissing over vrede en oorlog, — een gedeelte der rechtspleging, namelijk voor zoover het lijfstraffelijke zaken gold. In de wetgeving bleef het initiatief steeds aan den senaat, zoodat geene wetsvoordrachten aan het volk konden worden gedaan zonder voorafgaand senaatsbesluit. De bekrachtiging der genomen besluiten door de patres werd door de Publilische wet, 339 v. Chr., en de Maenische wet, omstreeks 287, tot een blooten vorm gemaakt1).

De macht der comitia tributa ontwikkelde zich met groote snelheid. Zoolang zij zuiver concilia plebis waren en hunne besluiten niet op een wettigen grondslag rustten, waren deze natuurlijk voor de patriciërs niet verbindend. Dan, drie wetten brachten hierin verandering: de lex Horatia Valeria (449), de lex Publilia (339) en de lex Hortensia (287). Wij tasten hier in het duister rond; want niet de tekst, maar slechts de inhoud dezer drie wetten wordt ons zeer kort en ongeveer gelijkluidend

1

Omtrent de lex Maenia weten wij zeer weinig. Zie Cic. Brut. 14.

-ocr page 69-

57

opgegeven, ut, quod tributim plebs iussisset, populum teneret, — ut plebiscita omnes Quirites tenerent, — ut eo iure, quod plebs statuisset, omnes Quirites tenerentur. Toch bestaat er voldoende grond om aan te nemen, dat deze wetten niet bloote herhalingen zijn, maar dat elke wet de bevoegdheid der concilia plebis uitbreidde, of, beter gezegd,, de banden losser maakte, waarin de plebiscita in het eerst bekneld waren. Volgens sommigen maakte de lex Valeria Horatia een plebisciet geldig door de patrum auctoritas, deed de lex Publilia deze auctoritas voorafgaan, en schafte de lex Hortensia ze af. Wij wagen de gissing, dat de eerste dezer wetten terugwerkende kracht had; de eerste schrede toch op den weg der gelijkstelling moest zijn wettelijk te bekrachtigen, wat reeds door de plebs als wet was vastgesteld. Eene rechterlijke bevoegdheid hadden deze comitien zich reeds aangematigd door de Icilische wet (492), waarbij bepaald werd, dat alwie een volkstribuun beleedigde of in zijn ambt belemmerde, door de concilia plebis kon veroordeeld worden; doch deze wet was een plebi-scitum en voor de patriciërs vóór 449 strikt genomen niet verbindend \'). De Aternisch-Tarpejische wet droeg in 454 aan de tribuutcomitiën de rechtspraak op in boetezaken boven een zeker bedrag, uitgedrukt niet in geld, maar in vee, welke boete in 430 werd veranderd in eene evenredige geldboete. Eene aanklacht bij de comitia had den vorm van een wetsvoorstel ter veroordeeling van den beklaagde, die zich natuurlijk in de contio kon verdedigen of laten verdedigen. Sedert 471 werden de tribunen en plebejische aedilen door de tribus gekozen, en toen haar later de keuze van alle mindere overheden was opgedragen, vergaderden zij mede onder voorzitting van den consul of praetor. Rusteloos streefde de democratie, door deze comitia met zulk

1) De volkstribunen varen onschendbaar, doch er tvaren bij de instelling van hun ambt gcene voldoende waarborgen voor deze onschendbaarheid gegeven. Hiertoe moest de Icilische wet dienen en het verhaal der ver-oordeeling van Coriolanus, hoe fabelachtig ook, mag beschouwd worden als de voorstelling eener eerste schrede, om ze ook door de patriciëis te doen eerbiedigen en de erkenning er van af te dwingen. Andere rechtsgedingen volgden, 0. a. dat tegen K. QuinctinsCincinnatus (Liv. III. 11—13).

-ocr page 70-

58

eene buitengewone macht toegerust, voorwaarts en verbrak het evenwicht tusschen den geest van vooruitgang en het behoudend beginsel der aristocratie. Sulla wilde, toen hij na de eerste burgeroorlogen alle macht in handen had, den stroom in zijne vaart stuiten; hij beroofde het volkstribunaat van nagenoeg alle gezag, ontnam alle wetgevende macht aan de comitia tributa en liet hun slechts de keuze der mindere magistraten. Maar het was te laat; de tijd was voorbij, dat zulke terugwerking blijvende gevolgen kon hebben. Na zijn dood herstelden anderen, vooral Pompejus, de tribunen en de comitien der tribus in hunne vroegere rechten; van nu af werden beiden werktuigen in de hand van enkele personen, totdat zij gezamenlijk onder de puinhoopen der republiek begraven werden.

In welke betrekking de comitia tributa, vooral op wetgevend gebied, tot die der centuriën stonden, was nooit of nergens uitdrukkelijk uitgemaakt, en het is dus niet altijd even juist te bepalen, waar de rechten van gene ophielden, en die van deze begonnen. Na het verdrijven der koningen berustte de souvereiniteit ontegenzeggelijk bij de comitia centuriata. Langzamerhand ging zij bij gedeelten op de comitia tributa over, en de lex Hortensia van 287 voltooide dien overgang. Beschouwt men na dien tijd de zaak in hare bijzonderheden, dan blijkt, dat aan de comitia tributa de keuze toekwam der tribuni en aediles plebis, der magistratus minores en der buitengewone commissien, als quin-queviri of decemviri coloniae deducendae en dergelijken, en sedert de lex Domitia, 104 v. Chr., de keuze der priestercollegiën, waarbij de bijzonderheid voorkwam, dat niet aan alle tribus, maar aan de kleinste helft, 17, bij het lot de keuze wead toegewezen \'). In de tweede plaats matigden zich de comitia tributa, vooral in de laatste halve eeuw der republiek, maatregelen van

l) De priestercollegiën der pontifices en augurs vulden vroeger zich zei ven aan door cooptatio. Daar de tribuutcomitiën geen sacraal karakter hadden en de rechtstreeksche verkiezingen duor deze comitiën religionis causa bezwaar opleverden, bepaalde het plebisciet van den volkstribuun Cn. Domitius: ut minor pars populi vocaretur, ab ea parte qui essetfactus, is a collegio cooptarctur.

-ocr page 71-

59

bestuur aan, welke tot den werkkring des senaats hadden behoord, zooals toewijzing van provinciën, verlenging van den gewonen duur der stadhouderschappen, en werd hun ook van wage den senaat de bekrachtiging der vredesverdragen voorgesteld, welk recht voor het eerst na den eersten punischen oorlog door hen werd uitgeoefend. Langzamerhand ging de geheele wetgevende macht op hen over, gedeeltelijk door de vijandige houding der tribuscomitiën tegenover de nobilitas, gedeeltelijk ook omdat zij aan minder formaliteiten onderworpen waren en de zaken dus spoediger haar beslag kregen. Als rechtsprekende vergaderingen namen zij kennis van de aanklachten der tribunen over peculatus, repetundae, incestus, woeker en tocverij, en konden zij geldboeten opleggen. In ouden tijd hebben de concilia plebis ook doodvonnissen uitgesproken, totdat de wetten der twaalf tafelen bepaalden, ut de capite civium non nisi in comitiatu maximo ageretur. De plebejische doodstraf bestond in het afwerpen van de Tarpejische rots.

Dit alles samenvattende, zien wij, dat in de latere dagen der republiek aan de comitia centuriata alleen datgene was gebleven, wat hun door oude gewoonte of uitdrukkelijke wetsbepaling gelaten was, bepaaldelijk de keuze der hooge magistraten.

l6. NADERE BIJZONDERHEDEN.

Wij mogen van de comitiën niet afstappen, zonder nog van eenige bijzonderheden melding te maken. Hoezeer de comitiën bij eene oppervlakkige beschouwing ook den schijn mogen hebben van eene vrije volksstemming, waren zij toch niets minder dan vrij. In de contio toch, welke de stemming voorafging, stond het den voorzittenden magistraat vrij, het woord te verkenen, contionem dare, of te weigeren. Het hing ook geheel van hem af, de debatten te sluiten, contionem summovere. Bij de verkiezingen was de keuze beperkt tot de kandidaten, die op de officiëele lijst waren voorgesteld. Wanneer de tijd der verkiezingen naderde, gaven zij, die naar eenig ambt stonden, zich eenigen tijd te voren bij den voorzittenden magistraatspersoon aan (nomen profiteri), zonder wiens toestemming zij niet

-ocr page 72-

60

op de lijst der kandidaten konden geplaatst worden. Hierdoor had de nobiliteit een machtig middel in de hand, om de hooge waardigheden in een zekeren kring van familien te bewaren en vreemde indringers te weren. Licht toch was er eene of andere reden te vinden, om den kandidaat niet aan te nemen, onder voorwendsel, dat hij zijn diensttijd niet volbracht of andere verplichtingen niet vervuld had, of wel, men kon hem in een rechtsgeding wikkelen, vóór welks afloop de verkiezingstermijn verstreken was en gedurende hetwelk hij zich niet verkiesbaar kon stellen. Had de magistraat den kandidaat echter aangenomen (rationem alicuius habere), dan kleedde deze zich in eene helder witte, in krijtwater gewasschen toga (toga Candida; vanhier de naam candidatus), en bezocht dagelijks het forum, vergezeld van vrienden en verwanten, sprak al rondgaande de burgers aan (a m b i r e), en vatte hen bij de hand (p r e n s a r e), ten einde hunne stemmen te verwerven. Hiertoe bediende hij zich van een nornenclator, een slaaf, wiens taak het was, de burgers zooveel mogelijk te kennen en zijn heer de namen in te fluisteren dergenen, die hij ontmoette, daar de beleefdheid vorderde, dat hij ze bij hun naam aansprak. Was de voorzitter der comitien den candidaat genegen, dan gaf hij hem in eene contio gelegenheid, eene toespraak tot het volk te houden, ten einde zich aan te bevelen. Stemmen koopen was verboden; doch met het toenemend zedenbederf namen ook de ongeoorloofde middelen tot stemmen werving hand over hand toe, en had men zoowel geheime makelaars in stemmen, divisores, interpretes, als politieke clubs, s o d a 1 i c i a, welke de stemgerechtigden op allerlei wijzen bewerkten. Zoodanige strafbare mededinging heette ambitus, en de scherpste wetten \') waren niet in staat, dit misbruik te keeren.

Van niet minder belang is de kennis der middelen, welke den overheden ten dienste stonden, om comitien te verhinderen of

1) De lex Cornelia Baebia, 181 v. Chr., stelde eene boete en tienjarige uitsluiting van alle ambten vast, — de lex Acilia Calpurnia, 67, levenslange uitsluiting, — de lex Tullia, 63, tienjarige ballingschap, — de lex Pompeia, 52, levenslange verbanning.

-ocr page 73-

61

in hunnen voortgang te stuiten. Behalve dat de comitien door obnuntiatio van de zijde der augurs konden verhinderd worden, werden zij ook gestoord, wanneer een bliksemstraal gezien werd, alsmede wanneer iemand in de vergadering werd aangetast door vallende ziekte, welke hiernaar morbus comitialis werd genoemd. Zoolang de contio duurde, konden hoogere magistraten het volk van de lagere wegroepen, avocare, of hun gelasten, de volksvergadering uiteen te doen gaan. De volkstribunen hadden dit recht tegenover alle magistraten, maar niemand had het tegenover hen, uithoofde hunner onschendbaarheid. De leges Aelia et Fufia (na 156 v. Chr.) kenden dit recht, hetwelk intercessio genoemd wordt, ook aan ambtgenooten onder elkander toe \'), zoodat nu ook de volkstribunen elkanders comitien konden storen, een middel, dat door de aristocratie dikwijls werd aangegrepen, ten einde door den eenen tribuun den overmoed des anderen te beteugelen. Eene andere wijze van verhindering was deze, dat, wanneer een magistraat auspicia wilde houden, een ander kon verklaren, dit evenzeer te willen doen, en daar dit natuurlijk met vijandige bedoelingen geschiedde en het niet moeielijk viel, een ongunstig teeken waar te nemen of voor te wenden, gold deze verklaring op zich zelve reeds voor een beletsel. Dit is het beruchte de caelo servare observare), en om dit gevaar te keeren, verboden de* hoogere overheden, als zij auspiciën wilden nemen, dit aan de mindere (ne quis magistratus minor de caelo servasse vellet). Op de comitiaaldagen was waarschijnlijk dit servare vóór de zoo even genoemde wetten niet geoorloofd; * nu echter verviel deze uitzondering en konden de comitiën in geen geval doorgaan, zoodra een hooger magistraat of een ambtgenoot verklaarde, dat hij de caelo servare wilde. Van deze

1) Hierbij deed zich een eigenaardig geval voor. De praetoren werden onder dezelfde auspiciën gekozen als de consuls en waren dus hunne collegae, maar collegae minores, als zijnde minder in rang. Volgens de Aelisch-Fufische wetten konden nu de praetoren als collegae de comitien storen, welke door consuls werden gehouden. Misschien stelde de lex Fufia de storing door obnuntiatio bij kies comitiën strafbaar; doch grootendeels moeten wij naar den inhoud der Aelische en Kufisclie wetten raden.

-ocr page 74-

62

middelen tot storing kon nogtans geen gebruik meer gemaakt worden, zoodra de contio gesloten en de stemming begonnen was. De woelzieke volkstribuun P. Clodius, Cicero\'s vijand, hief in 58 v. Chr. door eene lex Clodia de Aelisch-Fufische wetten op; dan, de Clodische wet werd door velen als onwettig beschouwd, waardoor eene schromelijke verwarring ontstond.

Eene gedane keuze kon vernietigd worden, wanneer de augurs aanwezen, dat bij de auspiciën een v i t i u m, d. i. eene fout of een verzuim, begaan, doch te laat bemerkt was. Waren dus de auspiciën vitiata, dan waren de gekozenen vitio creati en moesten hun ambt neerleggen. Ook was zulks het geval, wanneer eene wettige obnuntiatio in den wind geslagen was.

Het conservatieve element der bevolking van Rome deed al wat in zijn vermogen was, om den toevloed van plattelandsbewoners bij gelegenheid der volksvergaderingen te weren. Zoo werden allengs juist die dagen uitgesloten, waarop de landlieden in grooten getale naar Rome kwamen, zoo als feestdagen, feriae, — marktdagen, nundinae, — de Kalendae, Idus en Nonae \') — de dagen der openbare spelen , ludi publici, — later ook de onmiddelijk volgende dagen. Ook op de rechtsdagen, dies fasti, waren de comitiën verboden. Op gedenkdagen van zware rampen, dies atri, ondernam geen enkel Romein iets gewichtigs en hadden dus ook geene comitiën plaats.

Diribitores (van diribere = dishibere) waren de personen, die de stemtafeltjes uitdeelden en de stemmen opnamen en telden.

1) De Kalendae waren de eerste Tan elke maand; de Nonae vielen in Maart, Mei, J uli en October op den zevenden, in de andere maanden op den vijfden dag; de Idus op den vijftienden of dertienden.

-ocr page 75-

III. HET KONINGSCHAP.

Op blz. 30 is in het kort aangegeven, op welke wijze het geschiedverhaal Numa Pompilius tot den troon laat komen. Ook na Numa\'s dood wordt eene tusschenregeering, interregnum, van senatoren vermeld en evenzoo na den dood van Tullus Hostilius. Hieruit mogen wij opmaken, dat, wanneer alles naar den regel geschiedde, na den dood des konings het bestuur tot den senaat behoorde terug te keeren, die dan gedurende het interregnum naar een nieuwen heerscher kon omzien. Dan volgde de creatio regis door de volksvergadering, bekrachtigd door de patrum auctoritas en ten slotte de lex c u r i-a t a de i m p e r i o. Bij de troonsbeklimming van Numa vermeldt Livius nog de inauguratie, eigenlijk eene herhaling der auspiciën, welke reeds de koningskeuze voorafgingen. Een augur toch gaat met den tot koning gekozen Numa naar de arx op den Capitolijnschen berg en bidt om een gunstig teeken als bewijs dat de goden de gedane keuze welgevallig aannemen. Terwijl sommige onderzoekers deze inauguratie als noodzakelijk aannemen, daar de koning als huisvader van den geheelen staat ook priesterlijke werkzaamheden te verrichten had, zijn er ook (o. a. Mommsen), die deze plechtigheid beschouwen als iets, wat uit de latere priesterwijding in het verhaal van Livius is ingeslopen.

De macht des konings was zeer groot. Hij had de uitvoerende macht, het bevel over het leger, de hoogste rechtsmacht en het opzicht over den godsdienst. Natuurlijk moeten wij ons den romeinschen staat nog niet als in alle deelen georganiseerd voorstellen; reeds het ontbreken van een geschreven wetboek bewijst

-ocr page 76-

64\'

zulks. Evenwel had de koning rekening te houden met het gewoonterecht; de mos maiorum woog zwaar bij de Romeinen. De uiterlijke teekenen zijner waardigheid, insignia, waren roedenbundels van olmen- of berkentakken, fasces, met bijlen, secures, er in, welke door twaalf boden, lictores (van licere = ontbieden), voor hem uit gedragen werden, — de sella curulis, een uit ivoor vervaardigde of met ivoor ingelegde vouwstoel met over elkander gekruiste pooten \') — een purperen toga, in den strijd een purperen krijgsmantel, — een gouden eikenkrans op het hoofd en waarschijnlijk ook een ivoren scepter. Een gedeelte der staatslanderijen was voor zijn onderhoud aangewezen.

Onder den koning vinden wij nog eenige ambtenaren of staatsdienaars vermeld, waarvan de tribunus celerum of bevelhebber der ruiterij de voornaamste is. Wanneer de koning te velde trok, kan het zijn voorgekomen, dat hij het noodigvond, een plaatsbekleeder of stadhouder te Rome achter te laten, een praefectus urbi, met zulke instructien als hij goedvond dezen te geven. Duoviri of duumviri perduellionis komen onder Tullus Hostilius voor in het proces van Horatius, die zijne zuster doorstak. Dat de koning in zaken van perduellio niet altijd zelf rechter wilde wezen en daarvoor dan rechters aanwees, en soms den beschuldigde een beroep op het volk toestond, — dit alles is zeer wel mogelijk; dcch het is gewaagd, hieruit te besluiten tot een recht van provocatio ad populum tegen den koning. De quaestores parricidii — indien deze reeds in den koningstijd bestaan hebben — waren vaste ambtenaren, belast met de opsporing en instructie van halszaken.

1; Dus een soort van tabouret, zonder rug of leuning. De naam sella curulis wordt door sommigen verklaard als sella in curru, dus een zetel boven op een vagen, vanwaar de koning tot het volk kon spreken; door anderen wordt hij opgevat in verband met zu^iot = heer, dus als heer-scherszecel.

-ocr page 77-

IV. DE MAGISTRATEN DER REPUBLIEK.

I. CONSULES.

In plaats der monarchie werd na de verdrijving van Tarquinius Superbus een bestuur ingesteld van twee mannen, die voor één jaar met het imperium bekleed waren en na afloop van hun ambtsjaar ter verantwoording konden geroepen worden. Zij werden gekozen in de comitia centuriata, welke creatio in den beginne door de patres moest bekrachtigd worden, waarna door eene lex curiata h\'et imperium werd verleend. Deze overheden waren de erfgenamen der koninklijke macht; doch zij bezaten deze macht verdeeld en tijdelijk. Hun gewone naam is con sul es; in den beginne echter schijnen zij ook praetores genaamd te zijn. Vroeger leidde men den titel consules af van consulere (qui consulunt reipublicae); Mommsen, Madvig en anderen verklaren den naam als saamgesteld uit con en sul (vgl. de woorden ex-sul , prae-sul), zoodat hij dan beteekenen zou de samendansenden, d. i. de samengaanden, als het ware de ambtgenooten, als aanwijzing, dat het bestuur niet meer éénhoofdig was. Bij den dood of het bedanken van een consul moest zijn ambtgenoot ten spoedigste de comitiën der centurien tot eene nieuwe keuze oproepen \'). Zulk een tusschentijds gekozen consul werd suffectus

1) Dat Pompejus in 52 v. Chr. door den senaat de bevoegdheid erlangde , consul sine collega te zijn, en hem dus onder een anderen naam de dictatoriale macht werd opgedragen, was een op zich zelf staand geheel buitengewoon geval. Men houde in het oog, dat na de burgeroorlogen allerlei onregelmatigheden mogelijk werden.

Schlimmer, Hom. Ant., 5e druk. 5

-ocr page 78-

P6

genoemd. Hoogst plechtig was de aanvaarding van hun ambt. Nadat zij de auspiciën geraadpleegd hadden, trokken zij in hunne woning de toga praetexta aan en ontvingen daarop de geluk-wenschen der senatoren en die hunner verwanten, vrienden en cliënten. Door zijne lictoren en eene talrijke menigte begeleid, ging de consul vervolgens naar het kapitool, orn in den tempel van Jupiter een witten stier te offeren. Hierop had er eene senaatsvergadering plaats, waarin de nieuwe consuls eerst de rebus divinis en dan de re publica verslag deden, en waarin tevens de dag der feriae Latinae werd vastgesteld. Dan werden zij plechtig door eene talrijke schaar van senaatsleden en anderen naar huis begeleid. Dat Cn. Papirius Carbo in 84 na den dood van zijn ambtgenoot alleen aan het bewind bleef, was geheel onwettig. In 68 stierf zoowel de eene consul, als zijn suffectus; toen liet men, ominis causa, hunne plaats onvervuld. De dag, waarop de consuls hun ambt aanvaardden, was in vroeger tijd zeer verschillend, en hing af van den tijd waarop de comitiën tot hunne verkiezing gehouden werden; doch sedert 152 v. Chr. werd de eerste Januari de vaste dag Verder was het een oud gebruik, dat de consul op de Idus van September den jaarspijker op het kapitool insloeg. Even plechtig was de neder legging van het ambt, waarbij zij onder eede moesten verklaren, dat zij volgens de wetten geregeerd hadden. Oorspronkelijk was de macht der consuls aan die der koningen gelijk, doch zij werd achter eenvolgens door het volkstribunaat, de censuur en de praetuur verminderd. Er bleef echter nog genoeg over om het consulaat buiten eenigen twijfel als de hoogste macht te blijven beschouwen. Waren de consuls te Rome, dan riepen zij den senaat bijeen, zaten daarin voor en voerden de genomen besluiten uit. Zij brachten de buitenlandsche aangelegenheden ter tafel, leidden de vreemde gezanten binnen, enz. Evenzoo riepen zij de comitiën te zamen, zaten ook daarin voor, bestuurden de verkiezingen, lieten over wetten stemmen, volvoerden de besluiten van het volk, enz. Waren zij in het leger, dan was hunne macht bijna onbeperkt. Aan hen werd de krijgseed gedaan (milites iu ra bant in verba consu lis), aan hen stond het begeven van onder-bevelhebbersposten, zij hadden zelfs het recht over leven en dood ,

-ocr page 79-

67

want onder de vanen, buiten het pomerium, hield alle pro-vocatio op. De gedachte echter aan de rekenschap, die na het eindigen van hel ambtsjaar van hen kon gevorderd worden, kan menigeen van onrechtvaardigheid en hardheid teruggehouden hebben. Bij Livius komen verscheidene voorbeelden voor van consuls, die door het volk, na hun ambtsjaar, veroordeeld werden1). Soms gaf in buitengewone orastandigheden de senaat door het besluit: videant of dent operam consules, ne quid res publica detriment! capiat, hun de volledige oppermacht. Salustius geeft daarvan de navolgende omschrijving2); itaque quod plerumque in atroci negotio solet, senatus decrevit, darent operam coss. ne quid respublica detrimenti caperet. Ea potestas per senatum more romano magistratui maxuma permittitur: exercitum parare, bellum gerere, coërcere omnibus modis socios atque c i v e s , domi militaeque imperium atque indicium summum habere; aliter sine populi iussu nulli earum rerum consuli ius est.

In den ouden tijd trok gewoonlijk slechts de eene consul tegen den vijand te velde, terwijl de andere te Rome bleef; bij groot gevaar echter vereenigden zij zich en voerden dan om den anderen dag het opperbevels). Bij dit uitrukken behoorden eenige formaliteiten in acht te worden genomen. Vooraf moest de consul auspiciën nemen en op het kapitool geloften doen pro imperio s u o communique re publica. Ook behoorden zij, wanneer zij reeds bij hunne ambtsaanvaarding het opperbevel over het leger op zich moesten nemen, toch nog vóór hun vertrek de f e r i a e L a t i n a e te houden, welke jaarlijks met groote plechtigheid op den Albaanschen berg gevierd werden. Toen de romeinsche heerschappij zich meer en meer had uitgebreid, verdeelde de senaat de provinciën in belangrijke, consulares, en minder belangrijke, praetoriae. Eerst lootten de consuls over hunne provinciae, daarop de praetoren. In de latere tijden der republiek werd het gebruikelijk, dat de consuls gedurende hun

1

Liv. II. 52. 54. Gl. III. 31. XXII. 40. 49. XXVI. 2.3. XXVII. 34.

2

Sal. Cat. 29.

-ocr page 80-

68

ambtsjaar te Rome bleven en na afloop daarvan pro consule naar eene provincie gingen. In het jaar 52 v. Chr. bepaalde eindelijk eene lex Pompeia, dat men eerst vijf jaar na zijn consulaat of zijne praetuur zijne provincie zou aanvaarden.

Wat de verhouding der consuls tegenover den senaat betreft, was naar den vorm de senaat van hen afhankelijk, daar alle gewone overheden, uitgenomen de volkstribunen, hun ondergeschikt waren, en de senaat geen bepaald besluit kon formuleeren, dan op voordracht van een magistraat. Nogtans waren de consuls ook wederom van den senaat afhankelijk, dewijl het toekennen hunner provinciën van dit staatslichaam afhing. Ten einde hierin eene wijziging te brengen, bepaalde C. Gracchus in 123 bij zijne lex Sempronia, dat de senaat nog vóór de verkiezing der consuls zoude vaststellen, welke provinciën zij en welke de praetoren te deelen zouden hebben. Doch ook afgescheiden hiervan, had de senaat middelen, om onwillige consuls te dwingen, zooals b.v. in 431 geschiedde, toen de consuls met den senaat van gevoelen verschilden en weigerden een dictator te benoemen, waarop de senaat de hulp inriep der volkstribunen, die nu de consuls in hechtenis dreigden te nemen. In den regel echter trokken consuls en senaat ééne lijn.

Het consulaat was natuurlijk in den beginne alleen voor de patriciërs toegankelijk, maar de volgehouden pogingen der plebejers brachten het eindelijk in 367 v. Chr. zoo ver, dat ook zij naar het consulaat konden dingen, en in 366 werd L. Sextius de eerste plebejische consul. In 172 waren voor de eerste maal twee plebejers consuls. Als kenteekenen hunner waardigheid, insignia, hadden de consuls, buiten de aan alle hoogere magistraten gemeenschappelijke toga praetexta en sella curulis, 12 lictoren met de fasces et secures, roedenbundels van berken- of olmen-takken, waarin eene bijl gestoken was, als teekenen van hun imperium. Bij de maand echter wisselde dit gewoonlijk af, in dier voege, dat hij, die het voorzitterschap bekleedde, de lictoren één voor één met de fasces voor zich uit liet gaan, terwijl de ander slechts door een accensus of dienaar werd voorafgegaan en, volgens de waarschijnlijkste opvatting, in vroeger tijd geene lictoren had en in later eeuwen door zijne lictoren gevolgd werd.

-ocr page 81-

09

Hij, die dan de lictoren vóór zich liet uitgaan, was de consul, penes quern fasces erant. Binnen het pomerium werden de bijlen echter nooit in de bundels gestoken, als eene voortdurende herinnering aan het ius provocationis, het recht van beroep op het boven de consuls staande volk.

2. SCHORSING VAN HET CONSULAAT. DECEMVIRI LEGIBUS SCRI-BENDIS. TRIBUNI MILITUM CONSULARI POTESTATE.

Tweemaal werd het consulaat geschorst en tijdelijk door een ander ambt vervangen. De eerste maal had zulks plaats, toen, ten gevolge der wet van den volkstribuun C. Terentilius Arsa, geschreven wetten zouden worden ingevoerd, 451 v. Chr. De consuls (andere hooge magistraten waren er nog niet) legden hun ambt neder en er werd een collegie benoemd van 10 mannen, waaronder twee plebejers waren, onder den titel van decemviri legibus scribundis, met het volledig imperium sine provocatione en met bepaalden last een geschreven samenstel van wetten te ontwerpen. Dit deden zij in den beginne in een zeer zachtzinnigen en verzoenenden geest tot aller tevredenheid, en hun werk van het eerste jaar werd op 10 metalen platen gegraveerd, nadat het door het volk met vreugde goedgekeurd was. Men besloot voor het volgend jaar nogmaals decemviri te kiezen, om het nog ontbrekende in de wetten aan te vullen, en koos grootendeels dezelfde personen, ditmaal 7 patriciërs en 3 plebejers. Nu evenwel veranderde plotseling hun gedrag en openbaarde zich een plan om een tyrannisch . eigenmachtig bestuur in handen te houden. Zij verschenen met 120 lictoren met de bijlen in de bundels op het forum, voegden twee wettafels in een met de vorige geheel strijdigen geest aan deze toe, en verlengden eigenmachtig hun bewind voor het derde jaar. De tragische dood der door haar eigen vader doorstoken Virginia bracht eene uitwijking der plebs, en deze weder eene omwenteling te weeg; de tienmannen werden verdreven en het consulaat hersteld. De nieuwe consuls, L. Valerius Poplicola en M. Horatius Barbatus, voegden nu aan de tien eerste twee andere tafelen toe, en zoo verkreeg deze wettenverzameling, door Cicero terecht fons

-ocr page 82-

70

omnis publici privatique iuris geheeten, den naam van leges XII tabula rum. Toen werd bepaald, dat nimmer weder een ambt zonder provocatio zou worden ingesteld \'), op straffe des doods, zoo iemand zulks beproefde.

Van langeren duur was de tweede schorsing, toen, ten gevolge der rogatio van den volkstribuun Canulejus en zijne ambtgenooten, ut alterum ex plebe consulem liceret fieri, 445 v. Chr., de patriciërs liever liet geheele consulaat wilden opheffen, dan hieraan hunne goedkeuring schenken. Er werden dus t r i b u n i m i 1 i t u m c o n s u 1 a r i potestate gekozen , zonder onderscheid van stand1). Het getal was niet altijd gelijk, zij komen voor ten getale van 3, 4, 6, ja zelfs van 8. De reden van dit verschil is niet met zekerheid op te geven. Hunne macht was echter, doordien nu de census aan twee bijzonder daartoe gekozen censoren opgedragen werd, minder dan die der consuls. De senaat behield zich voor, elk jaar te bepalen, of er consuls of consulairtribunen zouden gekozen worden. De eerste consulairtribunen, ten getale van drie, voor het jaar 444 gekozen, moesten als vitio creati hun ambt neerleggen, en eerst in 438 kwamen weder consulairtribunen. Bijna 80 jaar hield deze instelling stand, terwijl van 391 tot 377 geen enkele consul werd gekozen. Van 375 lot 371 wordt er eene solitudo magistratuum vernield, daar de volkstribunen telkens de verkiezingen stoorden quot;■). Eindelijk moest de senaat toegeven, en de aanneming der leges Liciniae, door C. Licinius Stolo en L. Sextius als volkstribunen na een tienjarigen strijd doorgedreven (376—367 v. Chr.), schafte de tribuni militum consulari potestate weder af, herstelde het consulaat, maar opende tevens den toegang ook voor de plebejers. Het verdient opmerking, dat vóór het jaar 400 geen enkele ple-

1

Liv. VI. 1 noemt ze ook kortheidshalve tribuni consulares.

-ocr page 83-

71

bejer onder de consulairtribunen wordt aangetroffen. Over hunne insignia bestaat verschil van gevoelen.

3. PRAEFECTUS URBI. INTERREX.

Behalve deze schorsingen van het consulaat, waarvan staatkun-dige woelingen de oorzaak waren, konden zich ook bij den gewonen loop van zaken gevallen voordoen, dat de consuls tijdelijk moesten vervangen worden.

Wij hebben gezien, dat reeds in den koningstijd de vorst, in geval van afwezigheid, een stadhouder, praefectus urbi, kon aanstellen. Ook in de eerste eeuwen der republiek werd er, wanneer beide consuls tegelijk te velde waren getrokken, een praefectus urbi aangesteld, ten einde hun ambt in de stad waar te nemen. Dit heeft echter slechts zoo lang geduurd als de consuls de eenige hoogere magistraten waren, en er dus geene andere waren, die hen tijdelijk konden vervangen. Na de instelling der praetuur werd nog slechts een praefectus urbi gekozen ten tijde der jamp;arlijksche feriae latinae, wanneer alle overheden, zelfs de tribunen, de stad verlieten en er dus ook geene zaken werden behandeld. Van beteekenis is deze post nooit geweest, hij werd ook niet door de comitiën, maar, evenals vroeger door den koning, door de consuls zeiven aan een persoon hunner keuze opgedragen. De praefectus urbi feriaruni Latinarum causa was in den regel een jongeling uit een aanzienlijk geslacht.

De comitiën tot verkiezing van consuls konden niet gehouden worden door een magistraat van minderen rang. Wanneer dus de staat, hetzij door overlijden of aftreding of door verhindering der comitiën, zonder consuls was en er ook geen dictator was benoemd (iets, wat uitsluitend en alleen door een der consuls moest geschieden ), werd er, om de comitiën te leiden, uit den boezem des senaats een interrex benoemd, voor den tijd van vijf dagen. Elke interrex wees zelf zijn opvolger aan (zieblz. 30), waarbij valt op te merken, dat de geijkte uitdrukking is: inter-regem prodere. Evenals in den tijd der koningen, was het ongebruikelijk, dat de eerste comitiën hield; dikwerf deden zulks

-ocr page 84-

72

niet eens de tweede of derde. Als eene bijzonderheid moet men opmerken, dat tot in de laatste tijden toe alleen patricische senaatsleden tot interreges benoemd werden.

4. CENSORES.

Tot op de verkiezing der tribuni militum consulari potestate was het houden van den census aan de consuls opgedragen ge-\'weest. Toen evenwel met de uitbreiding van den slaat ook de consulaire werkzaamheden toenamen en bovendien de menigvuldige oorlogen hunne aanwezigheid in het leger vereischten, bleek het, dat het houden van den census meer en meer onvereenigbaar werd met het consulaat. Zoo was o. a. de volkstelling, in 459 begonnen, in 445 bij de instelling van het consulairtribunaat nog niet afgeloopen. Om nu toch dit zoo belangrijk recht voor den adel te bewaren, werd in 445 de censuur als afzonderlijk ambt ingesteld en werden twee patricische censoren in de comi-tien der centuriën gekozen. Bijna eene eeuw later (351 v. Chr.) komt voor de eerste maal een censor uit de plebejers voor. Eene lex Publilia van 339 bepaalde, dat één der beide censoren een plebejer moest zijn, ut alter utique e plebe censor crea-retur. In 131 werden voor de eerste maal twee plebejische censoren gekozen.

Oorspronkelijk was de tijd, waarvoor de censoren gekozen werden, een lustrum, d. i. vijf jaren. Spoedig echter meende men, dat deze post, die zoo diep in het huiselijk leven der burgers ingreep, een ondragelijke last was en door zijn langen duur voor de vrijheid en onafhankelijkheid der burgers gevaarlijk kon worden. Men beperkte den duur dus op i\'/a jaar \'). Tot dit ambt, dat men als eene iepa zpyri bestempeld heeft, waaraan de diepste eerbied moest betoond worden, was het gewoonte, slechts oud-consuls te kiezen, derhalve slechts mannen van ge-

1) Lex Aemilia, van den dictator Mam. Aemilius Mamercinus. Uit gevoeligheid hierover brachten de eerstvolgende censoren hem op de lijst der aerarii. Het schijnt, dat de genoemde wet op een ons onbekend tijdstip weder is opgeheven, althans in Cicero\'s tijd niet meer bestond.

-ocr page 85-

73

vorderden leeftijd, die reeds het hoogste overheidsambt in de republiek bekleed hadden. Eene enkele maal vinden wij eene afwijking van dezen regel \'); een bepaald voorschrift wordt niet gevonden.

Den werkkring der censoren heeft Cicero ons vrij uitvoerig medegedeeld1): censores populi aevitates, suboles, familias pecu-niasque censento: urbis templa, vias, aquas, aerarium , vectigalia tuento: populi partes in tribus distribuunto: exin pecunias, aevitates, ordines partiunto: equitum peditumque prolem describunto: caelibes esse prohibento: mores populi regunto: probrum in senatu ne relinquunto.

Tot de werkzaamheden der censoren behoort dus in de eerste plaats het houden van den census. Bij het begin van het lustrum riepen zij het volk, krachtens hunne potestas censoria, bij de daarvoor gebouwde villa publica op den Campus Martius te zamen. Iedere tribus kwam op hare beurt voor hen. Ieder pater familias trad voor den zetel der censors en gaf op zijn woord, ex animi sententia, zijn naam en ouderdom, zijne vrouw en kinderen en zijn vermogen op Volgens deze opgaven werd, na beraadslaging der censors, de nieuwe burgerlijst opgemaakt en werden de onwaardigen uit de rij der volburgers uitgestooten en onder de aerarii gebracht (aliquem aerarium facere), waarbij zij hun stemrecht in de comitien verloren en tevens niet op den gewonen belastingomslag, tributum, werden aangeslagen, maar op een hoofdgeld, dat somtijds, wanneer een rijke tot straf uit de lijsten der tribus werd geschrapt, zeer hoog werd opgevoerd. Als geringere straf werd ook het verplaatsen naar eene lagere tribus toegepast, b.v. uit eene tribus rustica naar eene der tribus urbanae. Met den census ging de lectio senatus gepaard, benevens de herziening der ridderlijsten, recognitio equitum, waarover nader bij de equites zal gesproken worden. De census werd besloten met het eigenlijk gezegde lustrum, een reinigingsoffer, bestaande uit een zwijn, een schaap en een stief\'/s uovetauril ra,,.hetwelk voor het gansche, hiertoe op den Campus Martius verschenen - quot;

1) Liv. XXVII. 0,11.

1

Cic. de legg. III. 3.

-ocr page 86-

volk gebracht werd. Bij deze plechtigheid bad de voorzittende censor: ut dii iramortales res populi Roraani meliores amplio-resque facerent, welk formulier na Carthago\'s ondergang door P. Cornelias Scipio Aemilianus den jongere aldus gewijzigd werd: ut dii immortales res populi Romani perpetuo incolumes servarent. De vrees, dat het verrichten dezer plechtigheid (lustrum conderen door het lot aan een plebejer mocht ten deel vallen, was een hoofdvoorwendsel, waarom men in 444 de censuur van het consulairtribunaat afscheidde en er een afzonderlijk ambt van maakte. Het regimen morum was het recht, waarom de censoren het meest gevreesd werden. In den loop der tijden nam namelijk de censuur steeds meer het karakter aan van een ambt, dat voor de instandhouding der goede, oude, voorvaderlijke zeden zorg moest dragen. Daarom kwamen de censoren bovenal in hune edicta censoria tegen de weelde in tafel, kleeding, opschik, tegen vreemde zalven en dergelijke zaken op. Zoo werd eens iemand, die dictator en tweemaal consul geweest was, uit den senaat gestooten, omdat zijn zilverwerk 10 pond woog. Onder de censuur van Ti. Sempronius Gracchus deden de burgers des avonds hun licht uit, wanneer de censor naderde, om niet in verdenking te geraken van nachtpartijen te houden. Verder bestraften de censors de ongehuwden, die eene vrouw konden onderhouden, doorbrengers van hun vermogen en slechte huishouders, hen, die hunne sacra privata en de verschuldigde eer-bewijzingen aan de manes verwaarloosden, hunne slaven slecht behandelden enz., waardoor zij eene menigte niet onder het bereik der wet vallende daden voor hun gericht brachten. De gevolgen van de nota, notatio of animadversio censoria waren dan ook andere dan die van een rechterlijk vonnis en bestonden in de schande, i g n o m i n i a, der openlijk uitgesproken berisping en het verlies van eer of voorrechten. Maar daarom bleef de hierdoor getroffene ook slechts gedurende den loop van het lustrum daarmede bezwaard, en de volgende censoren konder. hem in zijne eer herstellen (restituere in integrum). Eindelijk hadden de censors ook nog de regeling der inkomsten van den staat. Zij verpachtten de tollen en in het algemeen alle indirecte staatsinkomsten (publica vectigalia fru-

-ocr page 87-

75

en da locare of vender e), b.v. de opbrengsten der staats-lauderijen, meren, bergwerken , zoutgroeven enz. ^; zij besteedden de openbare werken aan (opera locare), en na afloop van den census regelden zij de door iederen burger te betalen belasting, tributum. De ontvangst der staatsgelden behoorde echter niet tot hun ambt, en bij de uitgaven voor het beheer der openbare werken werd hun door den senaat de daarvoor benoodigde som toegestaan, welke zij niet mochten overschrijden, tenzij op eigen kosten. Gedurende de vierdehalf jaar, dat er geene censoren waren , was het toezicht over openbare werken en gebouwen opgedragen aan de aedilen.

Tot aan de burgeroorlogen bleef de macht der censors onverminderd bestaan. Sulla hief den post op. Weer in het leven geroepen, werd het een ambt, dat meer dan andere aan partijhaat en bijzondere afgunst was blootgesteld, verloor in de opvolgende wielingen zijne beteekenis, en verzonk als in een doodslaap. Een gevoeligen slag kreeg het in 58 v. Chr. door de wet van den volkstribuun P. Clodius, dat de censoren niemand uit den senaat zouden stooten, die niet formeel bij hen was aangeklaagd en door beide arabtgenooten schuldig bevonden. Te vergeefs liet Augustus nog éénmaal twee censoren kiezen; eene zóó door en door repu-blikeinsche instelling kon met de monarchie niet samengaan.

Er is slechts één voorbeeld, dat de censuur twee malen door denzelfden persoon is bekleed, n.1. in 294 en 265 door C. Mar-cius Rutilus, die terstond door eene wet belette, dat iets derge lijks andermaal zou geschieden. Evenals bij de overige magistraten , kon in den beginne bij overlijden van een der censoren een censor suffectus gekozen worden, doch dit is slechts éénmaal geschied, in 393 v. Chr. In den loop van dit lustrum werd Rome door de Galliërs ingenomen, en dit deed tegen de sufifectio van een censor een godsdienstig bezwaar ontstaan. Toen dan in 380

1) Deze verpachting begon altijci met die tier oesterbanken in het Lucrinischc meer, ominis can sa, omdat de naam van dit meer aan lucrum deed denken. De instandhouding en herstellingen van openbare -.verken wordt genoemd; sart a tceta tucri of ex i ge re. Wat sar turn is, is onzeker.

-ocr page 88-

76

weder een der censoren overleed, legde de andere zijn ambt neder, en daar toevalligerwijze de nieuw benoemden vitio creati waren, liet men uit godsdienstige bezwaren de zaak rusten ea staakte den reeds aangevangen census. Ook is men niet altijd getrouw gebleven aan het beginsel om elke vijf jaar een census te houden; verschillende oorzaken brachten somtijds uitstel te weeg. De censors hadden natuurlijk geene lictoren, maar accensi. Het verdient opmerking, dat de censorsverkiezing in één dag moest afloopen, om geldig te zijn. In de comitiën hiertoe zat een der consuls voor.

5 PRAETORES.

Toen de Licinisch-Sextische wet het consulaat ook voor de plebejers opengesteld had, wisten de patriciërs, in het belang van wier stand het bovenal was de rechtspraak in handen te houden, voor dit gedeelte van den werkkring der consuls een nieuwen magistraat te doen benoemen, die onder den naam van praetor, als collega consulum, onder dezelfde auspiciën, in de comitia centuriata uit de patriciërs gekozen werd. De plebejers zijn dan ook uit deze magistratuur het langst geweerd, en er eerst in 337 v. Chr. toe geraakt. Het ambt van den praetor omvatte zoowel de rechtspraak, als de taak om bij afwezigheid van de consuls hunne plaats in den senaat en de volksvergaderingen te bekleeden. Zijn rechterlijken werkkring moet men zich niet zóó voorstellen, dat hij in de rechtsgedingen uitspraak deed. In civiele zaken instrueerde hij in den regel het rechtsgeding, riep de getuigen op, en benoemde een rechter, wien hij eene bepaalde instructie gaf, zoowel voor het geval, dat de eene, ais dat de andere partij gelijk mocht hebben. Het vonnis, dat de rechter in beide gevallen vellen moest en waarvan geen hooger beroep mogelijk was, was in de instructie aangewezen, doch welke van beide partijen gelijk had, was iets, waarmede de praetor zich niet inliet. Slechts bij uitzondering deed hij zelf uitspraak. In strafzaken had men zijne hulp niet noodig; geringe boeten toch kon elke overheid opleggen, en zoo het boeten van hooger bedrag gold, moest de zaak voor de tribuutcomitiën gebracht

-ocr page 89-

77

worden, terwijl lijfstraffelijke rechtsgedingen bij de centuriaat-comitien te huis behoorden. Eene aanklacht bij de comitien kon door eiken magistraat gedaan worden, die het ius agendi cum populo had. De werkkring van den nieuwen praetor omvatte dus slechts civiele rechtzaken. In 242 v. Chr. werd, wegens het groote aantal zaken, een tweede praetor er bij gekozen, en beider werkkring zóó verdeeld, dat de een de rechtspraak bestuurde in geschillen tusschen Romeinen onderling, en de ander in gedingen tusschen burgers en peregrini. De eerste werd nu praetor urban u s genoemd, de laatste daarentegen praetor qui inter peregrinos ius dicit. Gewoonlijk spreekt men kortheidshalve van praetor peregrinus, welke uitdrukking niet klassiek is en eerst uit de tweede eeuw na Chr. dagteekent \'). Toen Sicilia en Sardinia tot provinciën gemaakt waren, werden er nog twee praetoren bij verkozen, om daar het bestuur als stadhouders te voeren, en na de onderwerping van Hispania werd het getal op zes gebracht.

In 149 v. Chr. had er eene ingrijpende verandering plaats, ten gevolge van de invoering der eerste quaestio perpetua, welke alras door meerdere gevolgd werd. Hierdoor werden eenige meermalen voorkomende belangrijke rechtszaken aan de comitien onttrokken en onder bijzondere wetten gebracht. De eerste quaestio perpetua was de quaestio repetundarum, wegens afpersingen, door de stadhouders in de provinciën gepleegd. Voortaan werd nu zulk eene zaak voor een gerechtshof gebracht, welks leden de rol van gezworenen vervulden en voor elk rechtsgeding op nieuw gekozen of door het lot aangewezen werden. Dit gerechtshof had alleen te oordeelen over schuld of onschuld; de wet bepaalde zoowel, hoe en uit hoeveel rechters het gerechtshof moest worden samengesteld, als welke straf den schuldige treffen moest. Met de leiding van zulk eene quaestio perpetua werd een afzonderlijk praetor belast, die de instructie der zaak leidde en bij de behandeling voor het gerechtshof het voorzitterschap bekleedde. Daar er dus meer praetoren te Rome noodig waren en ook door de uitbreiding van het romeinsche rijk meer stadhouders in de

1) Beter: praetor inter peregrinos.

-ocr page 90-

78

provinciën vereischt werden, bleven nu de zes praetoren gedurende hun ambtsjaar te Rome, en gingen eerst in het volgende naar de provinciën. Sulla vermeerderde de quaestiones perpetuae en dus ook het aantal praetoren met noga. Onder Caesar werden zij tot to, daarop tot 14 en eindelijk tot 16 vermeerderd. De insignia hunner waardigheid waren de sella curulis, de toga praetexta en zes lictoren met de fasces. Door eene lex Plaetoria, uit de eerste helft der 2^° eeuw v. Chr., werd echter bepaald, dat de praetoren in de stad slechts twee lictoren zouden hebben; in de provincie behielden zij er zes. Wanneer de praetor op het forum zijn ambt uitoefende, stond zijne sella curulis op eene verhevenheid, tribunal geheeten. Onder zijne ambtgenooten bleef de praetor urbanus, die inet de uitoefening van het ius civile belast was, de voornaamste, en, zoo noodig, de plaatsvervanger der consuls. De verdeeling der verschillende werkzaamheden onder de praetoren geschiedde bij het lot.

6. AEDILES.

Bij dezelfde gelegenheid als het volkstribunaat, dus ten gevolge der uitwijking van het volk naar den mons sacer, ontstond het ambt der twee aediles plebeii (493 v. Chr.), aan wie de besturing der plebejische godsdienstige feesten, het toezicht over het plebejische archief en sedert 449 de bewaring der senatus-consulta was opgedragen 1). Waarschijnlijk hebben zij toen reeds een toezicht over het marktverkeer uitgeoefend. Toen in 366 v. Chr. de aedilen zich bezwaard verklaarden de ludi maximi, door den senaat met een dag verlengd, wegens de hierdoor vermeerderde kosten ten einde toe te vieren, boden zich patriciërs aan, om in dit ambt en de kosten te deelen. Dit gaf aanleiding tot de keuze van 2 patricische of curulische aedilen, die de toga praetexta en sella curulis als insignia verkregen, doch niet, zooals de plebejische, onschendbaar, sacrosancti, waren. Reeds

1

Misschien hebben zij hun naam van den plebejischen Ceres-tempel, aedes Cereris, waar het plebejisch archief ten dienste der volkstribunen bewaard \\vcrd.

-ocr page 91-

79

het eerste jaar echter werd bepaald, dat dit ambt beurtelings floor 2 patriciërs en 2 plebejers zou bekleed worden; later koos men zelfs zonder onderscheid. Ofkchoon nu, èn daardoor, èn doordien zij te zamen slechts ééne magistratuur vormden, eene gelijkstelling der aediles noodwendig zou schijnen, stonden de curulische echter reeds door den luister der spelen, welke zij meest op eigen kosten gaven, in veel hoogere achting, en traden de plebejische meer en meer op den achtergrond. Gezamenlijk vormden zij de eigenlijke politie te Rome. Als zoodanig hadden zij de cura urbis, het toezicht op de openbare werken, op tempels, wegen, waterleidingen, riolen enz., op de veiligheid en zindelijkheid der straten in de stad, alsmede het toezicht op het marktwezen, bijzonder ten opzichte van de deugdelijkheid en genoegzaamheid der koopwaren , alsmede van de juistheid der maten en gevvichten. Verder was de gewone dagelijksche en gezondheidspolilie aan hen toevertrouwd, benevens de bezorging der openbare spelen en de cura annonae of zorg voor den geregelden aanvoer van koren. Hunne ambtsverrichtingen vallen in sommige punten met die der censoren samen; waarbij men echter in het oog moet houden, dat de censoren slechts 1 !/2 jaar van het vijfjarige lustrum hun ambt bekleedden, en er dus moest gezorgd worden, dat het politiewezen van de 5 jaar geen 3l/.2 jaar buiten werking was. Over de boeten, welke de aedilen konden opleggen, hadden zij de vrije beschikking ten algemeenen nutte; talrijke dienaren stonden hun in de uitoefening hunner betrekking ten dienste. Allengs werd dit ambt zeer kostbaar door de cura ludorum, daar de som, welke de senaat den aedilen voor de openbare spelen toestond, op verre na niet toereikend was, om op den duur het volk te believen, hetwelk op pracht en luister zóó verzot werd, dat het in den laatsten tijd zijne gunst dikwerf afhankelijk maakte van de praal, waarmede de feesten gevierd werden, zoodat voor minvermogenden de toegang tot de hoogste waardigheden bijna geheel werd afgesloten.

Caesar liet twee nieuwe aedilen kiezen, de aediles cereales, die met de cura annonae en de bezorging der cerealische spelen werden belast.

De plebejische aedilen waren onschendbaar, evenals de volks-

-ocr page 92-

80

tribunen, als wier helpers en ondergeschikten zij dikwerf voorkomen , hoewel zij van den beginne af ook een zelfstandigen werkkring moeten gehad hebben \'). Hoe de plebejische aedilen vóór 471 gekozen werden, is niet met zekerheid te zeggen; sedert de lex Publilia van dat jaar, werden zij, zooals het gewoonlijk heet, comitiis tributis verkozen, doch juister gezegd, door de concilia plebis, terwijl de andere aedilen door de werkelijke comitia tri-buta gekozen werden. Door de samensmelting der beide aedili-teiten werden de plebejische aedilen, hoewel door de plebs gekozen, toch feitelijk magistratus populi Romani.

7. QUAESTORES.

De titel van quaestor (van quaerere, voor het gerecht vervolgen) was reeds onder de koningen bekend en beteekende rechter van instructie en aanklager in zaken van moord (quaestor parri-cidii). Dezen werkkring, en niet slechts in gevallen van moord, maar in het algemeen in halszaken, hebben zij ook nog onder de consuls gehad; in de wetten der twaalf tafelen worden zij nog genoemd. Hoelang zulks geduurd heeft, en hoelang de quaestores urbani het beheer der schatkist met hun gerechtelijke werkzaamheden vereenigd hebben, is een betwist punt, dat wij hier ter zijde moeten laten. Dit is zeker, dat de quaestoren in later tijd alleen als administrateurs der geldmiddelen van den staat voorkomen , hetzij sedert 449, het jaar der lex Valeria Horatia, hetzij sedert 289, toen door de lex Papiria het collegie der triumviri capitales werd ingesteld, dat ook met gerechtelijke onderzoekingen en de voltrekking van uitgesproken vonnissen werd belast, en wellicht de quaestoren geheel van hunnen gerechtelijken werkkring onthief. Of nu de quaestoren reeds van 509 af door de comitien zijn gekozen, of in de eerste 60 jaren der republiek door de consuls, wier helpers zij eigenlijk waren. hierover loopen de gevoelens zeer uiteen. Van omstreeks 449 af zijn zij echter hoogstwaarschijnlijk in de comitia tributa gekozen. Terwijl nu vroeger

1) Dit punt is zeer duister, en verschillende onderzoekers opperen zeer uiteenloopende meeningen. Opmerkelijk is, wat Livius III. 6 en IV. 30 mededeelt, waar aan de aedilen eene bepaalde opdracht wordt gegeven.

-ocr page 93-

81

de quaestuur aan oudere, eerwaardige mannen, ja zelfs aan oud-consuls werd opgedragen, schijnt later, naarmate dit ambt zijne rechterlijke bevoegdheid verloor, slechts door jongeren naar het quaestorschap te zijn gedongen, zoodat de Villische wet het tot den primus gradus honorum maakte. In den beginne waren er slechts 2 quaestoren; toen men echter den consuls in den oorlog quaestoren wilde toevoegen (quaestores qui consulibus ad ministeria belli praesto essent), kwamen er 4; doch tevens eischte ook de plebs toegang tot dit ambt (421 v. Chr.). Na hevigen twist werd er besloten, dat de quaestoren promiscue e patribus et plebe zouden gekozen worden, doch het duurde tot 409, alvorens voor de eerste maal plebejers gekozen werden. Na de onderwerping van Italië werd het getal quaestoren op 8 gebracht; dit bleef zoo, totdat Sulla hun getal op 20, Julius Caesar op 40 bracht, ten einde hierdoor den senaat voltallig te houden (blz. 42). De twee, die te Rome met de zorg voor het aerarium in den tempel van Saturnus en voor de archieven in den daarachter gelegen tempel van Ops belast waren, heetten quaestores urbani. Deze twee bekleedden dus de betrekking van betaalmeesters en bestuurders der schatkist en tevens van rijksarchi-varii. In de eerste betrekking stonden zij in doorloopende rekening met de ambtenaren in de provinciën, daar alle opbrengsten van buit en belasting aan hen overgemaakt en verantwoord moesten worden; tevens ontvingen zij te Rome de tributa, verkochten de goederen van veroordeelden, en betaalden op last van den senaat de tot den staatsdienst noodige sommen uit. Hiertoe hadden zij een aantal klerken, s c r i b a e, die onder hunne verantwoording werkzaam waren en aan wier hoofd de zoogenaamde sexprimi stonden. In handen der quaestoren legden ook de nieuw gekozen overheidspersonen den eed af, terwijl hun tevens de zorg voor het onthaal en de herberging van vreemde vorsten en gezanten was opgedragen. Wat de vier quaestoren te verrichten hadden, die in 267 aan het reeds bestaande viertal werden toegevoegd, is niet duidelijk. Één van hen hield zijn verblijf te Ostia, één te Cales in Campanië en een in Gallia Cisalpina. Zeker was hun werkkring van financiëelen aard. Waar de vierde bleef, is geheel onbekend; Mommsen vermoedt, te Lilybaeum op Sicilië.

Schlimmer, Hom. Anl., 5c druk. 6

-ocr page 94-

82

8. DE DICTATOR EN DE MAGISTER EQUITUM.

De oorspronkelijke naam van den dictator was magister populi, in overeenstemming met dien van zijn onderbevelhebber en plaatsvervanger, magister equitum. Zijn ambt was een buitengewoon ambt. In tijden van grooten nood, hetzij door inwendige twisten en verdeeldheden, werd hij uit de oud-consuls, doch voor niet langer dan zes maanden benoemd. Er is slechts één voorbeeld bekend, dat een dictator voor een oorlog buiten Italia benoemd is1), en nooit heeft een dictator het bewind langer dan zes maanden gevoerd tenzij na de burgeroorlogen, in het tijdperk van verwarring, toen allerlei afwijkingen van den regel mogelijk waren. Wanneer een dictator zou benoemd worden, moest eerst door een senaatsbesluit de noodzakelijkheid daartoe uitgesproken worden. Alsdan benoemde een der consuls, na omstreeks middernacht de auspiciën geraadpleegd te hebben, nog in den nacht, nocte silenti, den dictator, soms na zich eerst met den senaat over de keuze verstaan te hebben, soms naar eigen goeddunken, ja, enkele malen zelfs tegen den zin van den senaat. Nogtans moest de benoeming in agro Romano plaats hebben, niet in eene der provinciën, en in 210 belette de senaat den consul M. Valerius Laevinus, naar Sicilia te gaan om vandaar een dictator te halen. De instelling der dictatuur was in haar ontstaan een tijdelijk herstel van het koningschap, en de macht van den dictator was eene volkomen koninklijke, daar hij het imperium, anders tusschen de twee consuls verdeeld, alleen bezat, van den senaat minder afhankelijk en niet verantwoordelijk was, en er tegen hem geene provocatio gold; als teeken zijner oppermacht, van zijn imperium sine provocatione, gingen 24 lictoren met de bijlen in de fasces voor hem uitJ). De bestaande overheden legden hun ambt niet neder, zoo als men wel eens

1

Liv. Epit. Lib. XIX. Atilius Calatinus primus dictator extra Italiam exercitnm duxit. Dit had plaats in 249.

-ocr page 95-

83

beweerd heeft; het administratieve raderwerk toch van den staat kon niet blijven stilstaan; maar zij bleven slechts aan het hoofd hunner takken van bestuur als ondergeschikten van den dictator of werden belast met hetgeen de dictator goedvond hun op te dragen; de consuls hadden dan ook geene lictoren. Hoewel de volkstribunen tegenover den dictator persoonlijk onschendbaar bleven, vermochten zij toch niets tegen hem.

De voornaamste en de oorspronkelijke aanleiding tot het benoemen eens dictators was voorzeker oorlog en burgertwist. De reden werd aangegeven in het senaatsbesluit, dat de benoeming voorafging. Behalve de zoo even vermelde dictatores rei ge-rundae causa of seditionis causa, werden echter ook wel tot andere doeleinden dictators benoemd, zooals: tot het inslaan van den gouden jaarspijker, clavi figendi causa1), of tot het houden der feriae Latinae, wanneer de consuls verhinderd waren zulks te doen, — tot het houden van comitiën of van eene lichting, wanneer de tribunen deze belemmerden, tot het aanvullen van den senaat, senatus legendi causa, tot het leiden van buitengewone rechtsgedingen, quaestionis exer» cendae causa. In het algemeen werd de dictatuur dikwerf als middel gebezigd, om bij verhindering der consuls handelingen te doen verrichten, waarvoor het imperium van den praetor niet toereikend scheen. Het was de gewoonte, dat de dictator na het verrichten der hem opgedragen taak zijn ambt neerlegde; wel trachtte soms een enkele hiervan af te wijken , doch zij ontmoetten eene zoo krachtige afkeuring van hun gedrag, dat zij zich genoopt zagen, toe te geven en hun ambt neer te leggen. De naam dictator komt van die tare, waarschijnlijk in de beteekenis van bevelen of e die ere. Eene lex curiata de imperio komt bij den dictator niet voor, daarentegen wel eene lex, ut dictator! equum escendere liceret. Nadere bijzonderheden daaromtrent ontbreken. In theorie was de potestas des dictators altijd

6*

1

Het inslaan van den jaarspijker in den muur van het aan Minerva gewijde gedeelte des Capitolijnsehen tempels moest geschieden door een praetor maximus, waaronder alleen een consul of een dictator ton verstaan worden.

-ocr page 96-

84

dezelfde; in de praktijk schijnt zij echter gefivenredigd te zijn geweest aan de hem opgedragen taak. Éénmaal vinden wij iemand pro dictatore gekozen, in 217 v. Chr., toen de eeneconsul, C. Flaminius, gesneuveld was, en de andere, Cn. Servilius, met zijn leger in Gallia stond. Een dictator te benoemen, dicta-torem die ere, was dus niet mogelijk; doch op voorstel van den senaat liet men toen Q. Fabius Maximus Verrucossus door het volk met dictatoriale macht bekleeden. Wie de eerste dictator is geweest (501 of 498?), is niet met zekerheid uit te maken; de eerste uit de plebs was C. Marcius Rutilus, in 356. De laatste dictatuur rei gerundae causa werd door M. Junius Pera bekleed in 216, na den slag bij Cannae. Sedert 202 was er geen dictator meer geweest, en was dit ambt dus bijna vergeten, toen Sulla \') het zich voor zijn leven (dictator perpetuus) liet opdragen. Hij behield het echter slechts 2 jaar. Evenzoo liet zich Caesar bij herhaling de dictatuur opdragen. Na zijn dood werd zij door eene wet voor altijd afgeschaft.

De magister equitum werd bijna altijd door den dictator uit de oud-consuls benoemd, en was, anders aan hem ondergeschikt, in zijne afwezigheid zijn plaatsvervanger. Zooals zijn naam aanwijst, komt hij overeen met den tribunus celerum onder de koningen en was hij oorspronkelijk bevelhebber der ruiterij, welke betrekking allengs overging in die van onderveldheer. Hij had echter eene eigene potestas en handelde dus in de uitvoering van den hem opgedragen last krachtens eigen macht. Evenals de praetoren collegae minores van de consuls waren, zoo was hij een collega minor van den dictator. Zijn rang komt met dien van een praetor overeen; hij had zes lictoren.

Dit ambt werd zóó nauw met de dictatuur verbonden geacht, dat ook de dictators, die geen leger hadden aan te voeren, een magister equitum kozen en, in geval door overlijden dit ambt openviel, een suffectus werd benoemd. Toch is er éénmaal, en wel nevens den genoemden M. Junius Pera, in 216, een tweede dictator zonder magister equitum benoemd senatus legendi causa,

1) Dat Sulla zich door een interrex. Caesar zich door een praetor tot dictator liet benoemen, was geheel onwettig.

-ocr page 97-

85

te weten M. Fabius Buteo 1). Dit is het eenige geval, waarin wij twee dictators te gelijk vermeld vinden. Nog is het eenmaal gebeurd, dat de magister equitum met dictatoriale macht bekleed werd, namelijk in 217, toen de bovengenoemde Q. Fabius Maximus Verrucossus door het ontwijken van een veldslag tegen Hannibal veler misnoegen op zich geladen had. Een der volkstribunen, M. Metilius, stelde toen eene wet voor de aequando magistri equitum et dictatoris iure.

9. TRIBUNI PLEBIS.

Na de uitwijking der plebejers naar den heiligen berg werd hun toegestaan, dat er twee overheden uit hun midden gekozen werden, om hunne rechten tegenover de patricische magistraten te verdedigen: ut plebi sui magistratus essent sacrosancti, quibus auxilii latio adversus consules esset neve cui patrum capere eum magistratum liceret. De beide eersten werden door de plebejers nog vóór hun terugkeer naar de stad gekozen. Door cooptatio maakten deze twee zich tot een collegium van vijf, op welk getal het tribunaat tot 457 v. Chr. bleef, toen het op 10 leden werd gebracht. Daar zij volgens de bij hunne instelling gemaakte lex sacrata onschendbaar, sacrosancti, waren, zoo werden zij in den beginne waarschijnlijk door de comitia centuriata onder voorzitting van den pontifex maximus gekozen. Doch Publilius Volero wist in 471 door te drijven, dat zij voortaan in de comitia tri-buta zouden gekozen worden. Verkiesbaar waren alleen plebejers, en een patriciër moest, om tot het tribunaat gekozen te kunnen worden, zich in eene plebejische familie doen adopteeren. Toch werd op dezen regel wel eens inbreuk gemaakt. Wanneer de verkiezing van al de tribunen niet op één dag afliep, vulden de gekozenen de nog openstaande plaatsen door coöptatie aan, en

1

Er is nog één geval, dat echter niet in rekening kan gebracht worden, n.1. in 249 , toen de consul M. Claudius Pulcher, om den senaat te beleedigen, een zijner klerken koos, die echter terstond zijn ambt moest nederleggen. De bepaling, dat men een oud-consul benoemen moest, is niet altijd gehandhaafd; althans men vindt in den beginne dictators, wier namen men te vergeefs onder de vroegere consuls zoekt.

-ocr page 98-

86

enkele malen gelukte het den patriciërs, de keuze op een uit hun midden te doen vallen. Daarom werd dan ook in 448 v. Chr. de coöptatie der tribunen door het Trebonische plebisciet afgeschaft. Ook plebejers, wier vader een curulisch ambt bekleed had en nog in leven was, waren niet tot tribunen verkiesbaar. De herkiezing van dezelfde tribunen vond vroeger meermalen plaats, gelijk b.v. Publilius Volero, Terentilius Arsa, Licinius Stolo en L. Sextius bij herhaling herkozen werden. Na 342 v. Chr. en het plebiscitum, ne quis eundem magistratum intra decern annos caperet, werd dit moeielijker, hoewel het geval zich nog enkele malen voordeed.

Bij het beschouwen van de tribunicia potestas moet men zorgvuldig de oorspronkelijke instelling van datgene onderscheiden , wat zij later geworden is. De kracht van het tribunaat en de tribunen lag in hunne onschendbaarheid. De lex sacrata toch, reeds door de eerste tribunen bij hunne instelling gemaakt, luidde: hij, die de tribunen in de uitoefening van hunne macht verhinderen of zich aan hun persoon vergrijpen zal, zij vervloekt! Wie zulk eenen doodt, zal straffeloos zijn, terwijl zijn vermogen aan den tempel van Ceres vervallen zal. — De oorspronkelijke bedoeling van het tribunaat was, den plebejer tegen onrecht en geweld van den kant der patricische magistraten te beschermen, en wel binnen het pomerium der stad. Hierom mocht een tribuun geen vol etmaal buiten de stad verblijven, en moest zijn huis dag en nacht open staan; daarom had hij het ius prensionis, volgens hetwelk hij zelfs de hoogste overheden kon gevangen nemen, en werkelijk soms gevangen nam. Uit dit ius auxilii ontwikkelde zich spoedig het ius intercedendi, en zóó werd weldra de tribuun als een overheid, een magis-t rat us plebeius beschouwd. Niet tevreden onrecht af te weren, wanneer zij daartoe geroepen werden (appellari), traden zij weldra ongevraagd tusschenbeiden. Tegenover de dictatuur waren zij machteloos, maar tegen de voordrachten en vonnissen der andere magistraten, en ook tegen de rogationes hunner eigene ambtgenooten verzetten zij zich door intercessio \'), en spraken

l) Wellicht rijst bij sommigen de vraag op, hoe de volkstribunen zonder

-ocr page 99-

87

hun veto ook tegen senaatsbesluiten uil. Oorspronkelijk van de senaatsvergaderingen uitgesloten, lieten zij hunne subsellia voor de open deur der curia plaatsen, tot zij het recht verkregen, de zittingen bij te wonen en hunne stemmen uit te brengen, zonder eigenlijk senatoren te zijn. Eindelijk kregen zij ook den rang van senatoren en zelfs het recht, den senaat bijeen te roepen en daarin de voorzitting te hebben. De geldigheid van een senaatsbesluit hing ten laatste geheel van hen af. Verder hadden de tribunen het recht, concilia plebis samen te roepen, daarin de keuze der plebejische magistraten te leiden en plebiscita te doen vaststellen. Voor deze zelfde concilia daagden zij ook hen, die de rechten der plebs te kort wilden doen. Hunne machtsontwikkeling houdt gelijken tred met die der concilia plebis. Oorspronkelijk ingesteld tot bescherming van de plebs tegen de patricische magistraten, heeft het volkstribunaat ontegenzeggelijk groote diensten bewezen in de ontwikkeling van den staat en het vormen van patriciërs en plebejers tot één volk. Vooral hierin moet de verdienste der instelling gezocht worden, dat dit ambt eene wettige macht, een wettig orgaan der plebs tegenover de patricische aristocratie was, en men mag gerust aannemen , dat de romeinsche republiek misschien eeuwen vroeger te niet gegaan zou zijn, indien de plebs den strijd tegen de aristocratie met het zwaard in de hand, en niet de tribunen dien met het wapen van het woord gevoerd hadden. Met de doorvoering der Licinische wetten, of althans na het jaar 300 v. Chr., toen door de lex Ogulnia ook de priestercollegies, als de laatste op de patriciërs veroverde wijkplaats der aristocratie, voor de plebejers opengesteld werden, had het tribunaat zijne eigenlijke beteekenis verloren. Wel be-

schending hunner onschenclbaarlieid tegen elkander konden inteicedeeren. Zij spraken dan ook geen veto legen hunne ambtgenooten uit, maar namen den magistraat, tegen wien de intereessio plaats greep, onder hunne bescherming. Toen b.v. in 294 voor Chr. de consul L. Postumius Mcgellus, na de Samnioten en Etrnscers te hebben verslagen, tegen den zin des senaats zijn triumftocht binnen Rome wilde houden en zeven volkstribunen hem zulks verboden, namen do drie overigen hem onder hunne bescherming, zoodat hij ongestraft kon doen, wat hij verkoos.

Over de Aelisch-Fufische wetten is reeds gesproken op blz. 61.

-ocr page 100-

88

waarde het nog een tijd lang het evenwicht tusschen de optimaten en de volkspartij, doch op den duur kon het niet anders, of het moest, door de lex sacrata beschermd, tegenover de conservatieve richting van magistraten en senaat tot eene ultra-democra-tische, revolutionnaire macht worden, die in handen van baatzuchtige volksleiders de republiek te gronde hielp richten \').

Daar de tribunen oorspronkelijk geene magistraten geweest waren, hadden zij noch ambtskleeding, noch insignia, noch lictoren. Hunne dienaren waren gewoonlijk viatores. Zij waren door de lex sacrata tegen openlijke aanranding genoegzaam beschermd; deze kon hen echter niet tegen heimelijken moord of doodslag in burgeroproeren vrijwaren, zooals het voorbeeld der beide Gracchi leert. Sulla ontnam den tribunen door zijne lex Cornelia alle rechten, behalve de auxilii latio. Door Pompejus\' toedoen kregen zij ze alle terug. Hunne macht en onschendbaarheid ging op Augustus en diens opvolgers over.

IO. OVERZICHT DER BOVENSTAANDE MAGISTRATEN.

Dê magistraten der republiek kunnen op verschillende wijzen ingedeeld worden.

i0. Magistratus patricii en m. plebeii. Onder patricische ambten verstaat men die, welke oorspronkelijk alleen door patriciërs bekleed konden worden. Plebejische magistraten zijn de volkstribunen en plebejische aedilen.

2°. Magistratus cum imperio en sine imperio. Het imperium sluit in zich:

a. het recht om een leger te werven en aan te voeren.

b. de bevoegdheid om recht te spreken binnen de grenzen der provocatio.

c. de bevoegdheid, burgers voor zich te roepen (v o c a t i o populi viritim) en des noods te laten grijpen (prensio)^

1). Het ius auspiciorum publico rum kunnen wij den tribunen moeie-lijk toekennen. Hebben zij auspicia gehad, dan kunnen dit o. i. slechts auspicia privata of eene soort van plebejische auspiciën zijn geweest, welke voor den staat geene beteekenis hadden. Anders oordeelt Lange er over.

-ocr page 101-

89

mits op den openbaren weg, niet binnenshuis. Wel konden zij, indien een onwillige niet uit zijne woning wilde komen, iets van hem in beslag laten nemen, als pand, hetwelk hij door zijn verschijnen moest inlossen of anders verbeurde (pignoris c a p i o).

d. het ius cum populo agendi, d. i. het recht om co-mitia te houden (zie blz. 49).

e. het ius senatum consulendi.

/. het recht, lictores cum fascibus te hebben.

De overheden, die het imperium hebben, zijn: de consuls, de praetoren, de dictator en zijn magister equitum, de interrex; verder: de decemviri legibus scribendis en de tribuni militum consulari potestate. De overige waren zonder imperium.

De censoren hadden ook het ius vocationis, krachtens eene bijzondere lex de censoria potestate, welke bij hen de lex de imperio verving en hun het recht gaf, de burgers tot aangifte voor den census op te roepen.

De volkstribunen oefenden het ius prensionis en pignoris ca-pionis uit krachtens hunne onschendbaarheid. In lateren tijd riepen zij ook den senaat bijeen. Zij hadden het ius cum plebe agendi.

De overheden zonder imperium hebben viator es, boden.

30. Magistratus maiores en minores. Magistratus maiores waren die ambten, welke aan de koninklijke waardigheid ontleend waren, welker werkkring dus vroeger tot dien des ko-nings had behoord. Tot de hoogere overheden behoorden derhalve de consuls, de praetoren, de censors, de dictator, de interrex, de decemviri legibus scribendis, de tribuni militum consulari potestate. Met uitzondering van den dictator en den interrex, die niet door het volk gekozen werden, had hunne verkiezing in de centuriaatcomitiën plaats. Met uitzondering der volkstribunen, die noch maiores, noch minores zijn, worden de andere overheden tot de minores gerekend. Oorspronkelijk waren de minores geene zelfstandige ambtenaren, doch slechts helpers: de quaestoren van den koning en de consuls, de aedilen van de volkstribunen, de magister equitum van den dictator (gelijk de tribunus celerum van den koning). Met uitzondering van den magister equitum

-ocr page 102-

90

werden zij door de tribus verkozen, de plebejische aedilen door de plebs.

4°. Magistratuscurules ennoncurules. De ma-gistratus maiores en de curulische aedilen hadden de sella curulis (blz. 64) en de toga praetexta, d. i. eene witte toga met breeden purperen zoom.

50. Magistratus ordinarii en extraordinarii, welke namen geene verklaring behoeven.

Alle overheden hadden het ius edicendi,d. i. het recht om, binnen den kring van hun ambt, verordeningen te maken en schriftelijk ter kennis van het volk te brengen.

De bevoegdheid, boeten op te leggen beneden een zeker maximum (ius multae dictionis) kwam krachtens het imperium aan de magistraten cum imperio toe, doch werd door de lex Aternia Tarpeia (454 v. Chr.) uitgebreid tot de overige magistraten.

In 180 schijnt eene lex Villia annalis bepaalde leeftijden voor eenige ambten te hebben vastgesteld. Wat wij er van weten, berust op enkele gegevens, welke wij bezitten omtrent den leeftijd, waarop enkelen, met name Cicero, verschillende ambten hebben bekleed. Dit komt op het volgende neder.

Met zijn i7ae jaar werd de burger dienstplichtig en hij bleef zulks tien jaar lang, alvorens hij naar een der hooge ambten kon dingen. Deze tien jaar behoefden echter niet in onafgebroken volgorde te worden uitgediend. Diende men ze echter achtereenvolgens uit, zooals b.v. de Gracchen deden, dan kon men met het 27ste jaar naar de quaestuur dingen. Daar enkelen reeds vóór hun i;30 jaar hun eersten veldtocht maakten, kon men soms reeds op zijn 2yste jaar quaestor zijn. Voorts schijnt het, dat de schaal der honores, welke men moest doorloopen om tot het consulaat te komen, deze was: quaestuur, praetuur \'), consulaat, dat voor aedilis de ouderdom van minstens 37, voor praetor van

1) De aediliteit kan moeiclijk als verplicht ambt in deze schaal zijn opgenomen, daar jaarlijks slechts vier aedilen gekozen werden cn men dus niet al de praetorsplaatsen met oud-aedilen bezetten kon. Het gebruik wilde echter, naar het schijnt, dat men tusschen de quaestuur en de praetuur of het ambt van aediel óf dat van volkstribuun bekleedde.

-ocr page 103-

91

40, voor consul van 43 jaren vereischt werd; alsmede dat tus-schen het achtereenvolgens bekleeden der laatste twee ambten zooveel jaren moesten voorbijgaan, als de opgegeven ouderdoms-getallen verschillen, zoodat, als men b.v. op zijn 42ste jaar praetor werd, men ook eerst op zijn 4S8te consul kon worden. Volgens een plebisciet van 342 v. Chr. mocht niemand hetzelfde ambt tweemaal binnen tien jaar, evenmin als twee ambten tegelijk bekleeden. Tusschen de keuze en de aanvaarding van het ambt heette de verkozene designatus. Deze designatio was onherroepelijk, zoo er niet op de eene of andere wijze tegen den vorm gezondigd was; evenmin weet de romeinsche staatsinrichting van afzetting uit eenig ambt \'). Vóór de aanvaarding van zijn ambt, moest de designatus een ambtseed afleggen (iurare in leges) en bij het nederleggen daarvan een eed van zuivering doen. Voor zóó groot een last en zóó groote verantwoordelijkheid , welke de romeinsche magistraat zonder bezoldiging op zich laadde, werd hij door de hem algemeen bewezen eer schadeloos gesteld. De gewoonte had ingevoerd, dat bij het binnec-treden van een hoogeren magistraat allen opstonden, dat men op straat eerbiedig voor hem uit den weg ging, als men te paard zat, afsteeg, enz.; bewijzen van eerbied, van meer waarde geacht dan bij de wet voorgeschreven eerbetooningen.

Enkele malen gebeurde het, dat personen van de naleving der lex Villia en van het plebisciet van 342 werden vrijgesteld, zooals P. Cornelius Scipio, de jongere Africanus, die den gevorderden leeftijd nog niet had bereikt (147 v. Chr.), — Pompejus, die consul werd zonder nog eenig ambt bekleed te hebben {52), — Marius, die jaren achtereen het consulaat bekleedde, enz.

Ten slotte teekenen wij hier eenige belangrijke jaartallen op.

509. Instelling van het consulaat.

1) De voorbeelden van het tegendeel, zoo als van den consul Minn-cius, die door den dictator L. Quinctius Cincinnatus in 467 gedwongen werd zijn ambt neder te leggen (Liv. III. 29), of van den tribunus plebis Octavius, op voorstel van Ti. Gracchus door de tribus afgezet, bewijzen niets, daar het eerste een geheel op zich zelf staand geval, en het tweede ontegenzeggelijk een onrechtmatige en revolutionnaire maatregel was.

-ocr page 104-

92

5oi of 498? Instelling der dictatuur.

494. Instelling van het volkstribunaat.

471. De lex Publilia Voleronis draagt de verkiezing der volkstribunen en plebejische aedilen aan de concilia plebis op.

457. Het getal der volkstribunen op tién gebracht.

451—449. Decemviri legibus scribendis.

447. Voor de eerste maal twee quaestoren door het volk gekozen, en wel in de comitia tributa.

444. Tribuni militum consular! potestate.

443. Instelling van het censorschap.

421. Verkiezing van vier quaestoren. De quaestuur ook voor plebejers toegankelijk gesteld, doch vooralsnog zonder gevolg.

409. Eerste plebejische quaestoren.

367. Licinisch-Sextische wet, dat één der consuls uit de plebs moet gekozen worden. Instelling der praetuur en der curulische aediliteit.

356. De eerste dictator uit de plebs.

351. Eerste censor uit de plebs.

339. Lex Publilia Philonis, dat één der censoren een plebejer moet wezen.

337. De eerste plebejische praetor.

300. Door de Ogulnische wet krijgen de plebejers toegang tot de priestercollegiën.

267. Acht quaestoren.

252. De eerste plebejische pontifex maximus.

242. Twee praetoren, praetor urbanus en praetor inter pere-grinos.

227. Vier praetoren.

197. Zes praetoren.

172. Voor de eerste maal beide consuls uit de plebs gekozen.

81. Het volkstribunaat door de lex Cornelia Sullae tot het oorspronkelijke auxilium teruggebracht. Acht praetoren en twintig quaestoren.

70. De lex Pompeia geeft aan de volkstribunen hunne vroegere macht terug.

47 of later. Twee aediies cereales.

-ocr page 105-

93

II. MAGISTRATUS MINORES, NIET IN DE SCHAAL DER HONORES OPGENOMEN.

Onder den gemeenschappelijken naam vigintisexviri verstaat men eenige ambtenaren van minderen rang dan de quaestoren. Zij golden als magistraten, omdat zij in de comitia gekozen werden, en wel in de tribuutcomitiën.

Triumviri of tresviri capitales, vroeger n o c t u rn i. De triumviri nocturni, van wier ambt men, wat den tijd der instelling betreft, alleen weet, dat het vóór 304 bestond, waren de hoofden der nachtwacht en der brandpolitie en als zoodanig aan de aedilen ondergeschikt. In 289 v. Chr. echter werd door de Papirische wet het ambt der triumviri capitales in het leven geroepen, die in de tribuutcomitiën zouden gekozen worden en in wier werkkring die der triumviri nocturni zich oploste. Zij hadden ook het toezicht over de gevangenissen en over de voltrekking der vonnissen, moesten naar gepleegde misdaden onderzoek doen (maleficia conquirere), konden verdachte personen in hechtenis nemen en aan slaven en vreemden politiestraffen opleggen.

Na de invoering der quaestiones perpetuae veranderde hun werkkring eenigszins, daar het onderzoek in verschillende strafzaken aan eigen praetoren werd opgedragen. O. a. werd het hunne taak, geschillen te beslissen, wanneer tegen iemands bevoegdheid om als iudex of gezworene zitting te nemen, verzet werd aange-teekend. Ook in andere opzichten komen zij voor als helpers van den praetor urbanus.

Triumviri of tresviri A. A. A. F. F. (aeri argento auro flando feriundo) s. monetales waren de muntmeesters. Zij hadden hunne munt in den tempel van Juno Moneta op het Capitool.

Quattuorviri viis in urbe, duoviri viis extra urbem purgandis. Hun werkkring blijkt genoegzaam uit hunnen naam. Zij moesten voor de reinheid en tevens tegen het onrechtmatig bezetten der straten en het belemmeren van het verkeer waken: de eersten binnen het pomerium, de laatsten

-ocr page 106-

94

van ddar af ad pritnum lapidem, of 1000 passus buiten het pomerium.

Decemviri stlitibus iudicandis een rechterlijkcolle-gie, waarvan de instelling reeds aan Servius Tullius werd toegeschreven. Zij werden ook iudices decemviri genoemd. Men weet slechts weinig van hen. In de oude wetten op de onschendbaarheid der plebejische magistraten komen ook deze decemviri voor; zij schijnen dus oorspronkelijk in betrekking tot de volkstribunen te hebben gestaan. Zij vormden een gerechtshof in vrijheidsprocessen.

Quattuorviri in Campaniam, ook quattuorviri iuri dicundo en praefecti Capuam Cumas geheeten, waren ambtenaren, die naar de tien campaansche steden Capua, Cumae, Casilinum, Volturnum, Liternum, Puteoli, Acerrae, Suessula, Atella en Calatia gezonden werden, om recht te spreken. De inrichting van dit rechtsdistrikt hangt samen met de onderwerping van Capua en omtrek in den tweeden punischen oorlog.

Nadat Augustus de IVviri iuri dicundo en de Ilviri viis purgandis had afgeschaft, heetten de overigen gezamenlijk vigin-tiviri. Het bekleeden van een dezer posten werd toen verplichtend gesteld voor hen, die naar de quaestuur wilden dingen.

Magistratus minores extraordinarii. Deze werden volgens voorafgaand senatusconsultum in de comitia tributa gekozen, om bepaalde staatsopdrachten te volvoeren. Het meest komen voor: triumviri coloniae deducendae, triumviri, quinqueviri, decemviri agris dandis, assignandis, duumviri navales, duumviri aedibus reficiendis.

12. DE DIENAARS DER MAGISTRATEN.

De algemeene naam voor de dienaars der magistraten is apparitores (van apparere = parere sc. magistratibus). Zij ontvingen eene jaarlijksche bezoldiging. Men verdeelde deze onder-

1) Stlitibus = litibus.

-ocr page 107-

95

geschikten in vijf klassen; scribae, klerken; accensi, ordonnansen; lictores, gerechtsboden, die één voor één, en dus in eene lange rij met hunne bundels of fasces vóór de magistraten uit gingen (de lictor proximus, die het naast vóór den overheidspersoon ging, was de meest bevoorrechte); praecones, herauten; viatores, boden, vooral der tribunen. Buitendien hadden de magistraten staatsslaven tot hunne beschikking, zooals den scherprechter, carnufex, enz.

-ocr page 108-

V. DE EQUITES.

Wij hebben gezien, dat bij de Servische centuriaat-indeeling 18 centurien equites behoorden. Elk dezer ridders ontving uit de staatskas eene zekere som tot aankoop van zijn strijdros, a e s equestre, en eene toelage voor het onderhoud er van, a es hordearium !). Uit verschillende plaatsen blijkt, dat niettegenstaande deze tegemoetkoming de ridderdienst en het onderhoud van een staatspaard vrij drukkend was en de vrijstelling daarvan als een gunst beschouwd werd. Tot in het jaar 403 bleef de ridderschap uit deze achttien centurien bestaan; toen echter boden, ten gevolge eener geleden nederlaag bij het beleg van Veji, diegenen onder de Romeinen, die den riddercensus hadden zonder in de riddercenturien te zijn opgenomen, zich aan, om zonder aes equestre te paard dienst te doen. Zoo onderscheidde men nu equites equo publico en equites equo privato. Hierdoor ontstond eene afscheiding tusschen de rijken en de volksklasse. Een op zich zelf staande stand werden de equites, zoo als reeds vermeld is, door de lex iudiciaria van C. Gracchus. De ridderstand omvatte sedert alle burgers uit vrijgeboren ouders gesproten, die den riddercensus hadden, voor zoover zij niet om hun levenswandel uitgestooten werden door de censoren. De ver-eischte census was waarschijnlijk 400.000 as. Het senatorschap was sedert de Gracchen of reeds vroeger onvereenigbaar met den dienst in de riddercenturien. Zóó vormde zich de voorstelling.

Ij Dit aes hordearium werd geqeven van de weduwen en weezen, die overigens vrij van belasting waren.

-ocr page 109-

97

dat de ridderschap als geldaristocratie tegenover den senaat stond. Toch bleven er banden genoeg tusschen de nobiliteit en den ridderstand; senatorszonen behoorden allicht tot de riddercentu-riên en bovendien waren er talrijke banden van bloedverwantschap. Wanneer de naam ordo equester algemeen in gebruik is gekomen, is niet te zeggen; in Cicero\'s tijd was hij in zwang. Door Sulla werden de ridders van de rechtspraak uitgesloten, 81 v. Chr., doch elf jaar later werden zij weder onder de rechters opgenomen. Bij de behandeling der romeinsche rechtspleging komen wij nader hierop terug.

De 18 riddercenturien waren bij den census aan eene soort van inspectie onderworpen, recognitio equitum geheeten. Één voor één, hun paard bij den teugel leidende, traden zij voor de zetels der censoren, waar zij de uitspraak vernamen: traduc equum, een teeken, dat zij in de riddercenturien ingeschreven bleven, — of wel: vende equum, een bewijs, dat zij van de lijsten waren geschrapt. Dit laatste nu kon zoowel een gevolg zijn van volbrachten diensttijd (en in dit geval behoefden zij misschien het aes equestre niet aan den staat terug te betalen), als van verarming, waardoor zij den riddercensus niet meer hadden , of ook wel eene nota censoria, wegens verwaarloozing van hun paard of een onzedelijk of weelderig leven. Den 13 Juni hielden de equites een plechtigen optocht, transvectio equitum geheeten. Zij droegen dan de trabea, een mantel met purperen strepen.

De insignia der equites waren een gouden ring, evenals de senatoren hadden \'), en eene tunica met smalle purperstreep, tunica angusticlavia. In het jaar 67 v. Chr. werd hun door de lex Roscia theatralis eene bijzondere plaats in het theater toegestaan , n.1. de eerste 14 rijen zitbanken achter de orchestra, waar de senatoren zaten. Vanhier komt de uitdrukking in XIV sedere = equitem esse. De ridders worden bij Cicero o. a. dikwijls vermeld als homines honestissimi, daar hun stand zeer geëerd en geacht was; als mannen van vermogen kwam hun ook de titel ornatissimi toe.

1) De overige burgers mochten slechts een ijzeren zegelring aan den vinger dragen.

Schlimmer, Rom, Ant., 5e druk.

-ocr page 110-

VI. DE EEREDIENST.

I. DE GODEN.

De godsdienst der Latijnen was nauw verwant met dien der Sabellen en Umbriërs, maar stond lijnrecht tegen dien der over den Tiber wonende Etruscers over. Uit dezen laatsten spreekt een geheel verschillende geest: duister mysticismus, spelen met getallen en voorspellingen uit voorteekenen. Bij de Etruscers treden juist de booze, onheilaanbrengende, denmenschvijandige goden het meest op den voorgrond. Bovenal hield de Etruscer zich er mede bezig, uit de ingewanden der offerdieren en uit de richting en het inslaan van den bliksem de toekomst tot in de kleinste bijzonderheden te leeren kennen.

Eene romeinsche mythologie bestaat niet; daartoe was het gemoed der Romeinen niet dichterlijk, hunne verbeelding niet rijk genoeg. Hunne goden bleven abstracte wezens, die zegen en overwinning schonken naarmate de burger en de staat hunne godsdienstige verplichtingen met meer nauwgezetheid vervulden. Deze verplichtingen bestonden in het brengen van offers en geschenken en het houden van optochten en feesten. Vandaar dat dan ook de godenvereering onder toezicht van den staat stond, omdat diens voorspoed volgens romeinsche opvatting daarmede zoo nauw verbonden was.

De oudste god der Ramnes was Janus, de zonnegod, wiens eeredienst hooger stond dan die van Jupiter en wiens onmiddel-

-ocr page 111-

99

lijke priester de koning zelf was. Als vrouwelijk beginsel stond Jana nevens hem. Vervolgens komen Jovis of Jupiter met Jovino of Juno, Mars, Saturnus met zijne gemalin Ops, Vesta, Vedius. Met de vereeniging der Ramnes en Tities werden eenige nieuwe goden in den godenkring opgenomen; want behalve de godheden, die aan beide stammen gemeen waren, zooals Jupiter, Juno, Mars, Vesta, Saturnus, Ops, Diana (Diyiana of Jana), Vedius of Vejovis, brachten de Tities nog eenige meer bijzonder sabijn-sche godheden met zich, als: Semo Sancus, Quirinus, Sol, Luna, Minerva, de Laren, en misschien nog andere1). Van nu af aan treden Mars en Quirinus meer op den voorgrond als beschermgoden der beide hoofdstammen, terwijl Jupiter als beschermgod van het geheele volk optreedt en Janus meer en meer op den achtergrond geraakt. Als beschermgodin bij uitnemendheid komt Vesta voor. Aan Jovis was de burg gewijd, aan Mars de Campus Martius, aan Quirinus de Collis Quirinalis; Vesta had haren zetel onmiddellijk naast de woning des konings. Voor ieder der drie goden was een flamen of offerpriester; Vesta werd gediend door zes maagden.

Jupiter of Jovis gold als de eigenlijke beschermer en bestuurder van den romeinschen staat. Van hem ging alles uit, tot hem werd alles teruggebracht, hem offerde de consul bij de aanvaarding van zijn ambt op het Kapitool, tot hem ging de zegevierende veldheer om hem het plechtig dankoffer te brengen. Talrijk zijn de bijnamen, welke hem gegeven werden, zooals o.a. Victor, Invictus, Opitulus, Stator, Feretrius. Als lupiter Capi-tolinus beschermde hij de stad en haren omtrek, als Latiaris Latium en het latijnsche verbond, als bliksemslingeraar heette hij Elicius. Gewoonlijk werd hij als Optimus Maximus aangeroepen. Zijn priester, de flamen dialis, was de eerste in rang onder de flamines en had de toga praetexta, de sella curulis, benevens stem en zitting in den senaat. Aan dit priesterschap waren een aantal godsdienstige verplichtingen verbonden.

1

Het spreekt van zelf, dat in het beknopt bestek van dit hoofdstuk niet alle godheden eene plaats kunnen vinden. De beschrijving van hunnen werkkring en hunne attributen behoort tot de mythologie.

-ocr page 112-

100

Zoo mocht de flamen dialis niet te paard rijden, geen eed afleggen , geen gewapend leger aanschouwen, aan zijn gewaad geen knoop, aan de hand geen ongebroken ring dragen, geen nacht buiten Rome, geen trinoctium buitenshuis doorbrengen. Hij was met zijn geheele huis aan den god gewijd; daarom mocht hij geen staatsambt bekleeden; elke dag was voor hem een feestdag, weshalve hij nooit uitging dan in ambtsgewaad, met priestermuts en offermes. Zoo hem bij het bukken de priestermuts van het hoofd viel, moest hij zijn ambt neerleggen. Hij mocht geen arbeid aanschouwen; daarom gingen zoogenaamde praeclamitatores of praeciae voor hem uit, die den menschen toeriepen, hun arbeid te staken, tot de priester voorbij was. Nog een aantal andere dingen waren hem ontzegd. Zijne vrouw was priesteresse van Juno, flaminica dialis; stierf zij, dan moest hij zijn ambt nederleggen. De keuze der flamines stond aan het collegie der pontifices. De naam flamen werd volgens de ouden ontleend aan den wollen band, filum, welken zij om het hoofd wonden, daar zij nimmer geheel blootshoofds mochten zijn. Tegenwoordig leidt men dien liever af van flare, aanblazen, n.1. van het offervuur, of van flag rare, volgens welke laatste afleiding flamen dan voor flagmen zou staan, en offerverbrander zou beteekenen. In vervolg van tijd kregen ook andere godheden flamines, waardoor hun getal tot 15 steeg. De drie bovengenoemden behielden evenwel als flamines maiores steeds den voorrang. De priestermuts, albogalerus of apex, welke zij, benevens de pontifices en saliers, droegen, was eene ruige wit vilten muts, welke spits opliep en in eene soort van pompoen eindigde.

Mars ofMavors, de vader van Romulus en Remus, wiens heilige wolvin de kinderen gezoogd, wiens heilige specht hun later voedsel gebracht had, was oorspronkelijk geen oorlogsgod, maar vereenigde in zich de attributen van god des doods, des wasdoms en der voorspelling. Wij moeten hem dus als een aardgod beschouwen, daar de aarde het doode in zich opneemt, het levende voortbrengt, en ook de voorspellingen uit haren schoot voortkomen. Eerst later werd Mars de god van den krijg en werd hij onder het zinnebeeld eener lans geëerd, welker

-ocr page 113-

101

trillingen oorlog verkondigden. Zijne bijnamen zijn o. a.: Gradivus, als oorlogsgod, Silvanus, Quirinus, Ultor. De priester van Mars was de flamen martialis.

Quirinus was een nevens Mars geëerde krijgsgod. Zijn naam beteekent waarschijnlijk speerwerper, doch zijne oorspronkelijke voorstelling is duister geworden, daar de latere overlevering in hem den vergoden Romulus zag. Zijn priester was de flamen quirinalis en had, zoowel als de vorige, de sella curulis.

V e s t a was de godin van den huiselijken haard, van het familie- en het staatsleven. De vuurhaard in haren tempel was de heilige haard der geheele stad. Een beeld der godin bevond zich in den tempel niet; het op den haard brandende vuur was het zinnebeeld, waaronder men haar vereerde. In haren tempel werden ook de Penaten van Rome bewaard. Numa wees tot haren dienst vier, Servius zes jonge dochters aan. De pontifex maximus koos het tot vestaalsche maagd bestemde kind (capiebat virginem vestalem), dat niet onder de zes of boven de tien jaar oud mocht zijn, uit een deftig geslacht; de gekozene moest rein en zonder lichaamsgebreken wezen. In de eerste tien jaren moest zij den dienst leeren, in de tweede was zij als dienstdoende priesteres werkzaam, en in de derde onderwees zij de nieuwelingen. Na deze dertig jaar was zij vrij en kon een huwelijk aangaan, wat echter zelden geschiedde en voor een slecht voorteeken (mali ominis) gehouden werd. De voornaamste bezigheden der vestaalsche maagden waren het bewaken en onderhouden van het heilige vuur gedurende dag en nacht, het bewaken der in den tempel van Vesta aanwezige heilige zaken, vooral van Romes Penaten, het offeren op het altaar van Vesta en het bereiden van offermeel en andere benoodigdheden voor de sacra publica. Ter vergoeding der opofferingen genoten zij eene buitengewone eer. Een lictor ging op straat voor haar uit; consuls en praetors lieten, wanneer zij eene vestaalsche maagd ontmoetten, de fasces zinken; zij mochten in de stad in een wagen rijden, hadden bij de openlijke spelen eene eereplaats, enz. Maar wanneer zij daarentegen haren plicht verzuimden, en het heilige vuur uitging, dan werden zij door den pontifex maximus streng met roeden ge-

-ocr page 114-

100

Zoo mocht de flamen dialis niet te paard rijden, geen eed afleggen , geen gewapend leger aanschouwen, aan zijn gewaad geen knoop, aan de hand geen ongebroken ring dragen, geen nacht buiten Rome, geen trinoctium buitenshuis doorbrengen. Hij was met zijn geheele huis aan den god gewijd; daarom mocht hij geen staatsambt bekleeden; elke dag was voor hem een feestdag, weshalve hij nooit uitging dan in ambtsgewaad, met priestermuts en offermes. Zoo hem bij het bukken de priestermuts van het hoofd viel, moest hij zijn ambt neerleggen. Hij mocht geen arbeid aanschouwen; daarom gingen zoogenaamde praeclamitatores of praeciae voor hem uit, die den menschen toeriepen, hun arbeid te staken, tot de priester voorbij was. Nog een aantal andere dingen waren hem ontzegd. Zijne vrouw was priesteresse van Juno, flaminica dialis; stierf zij, dan moest hij zijn ambt nederleggen. De keuze der flamines stond aan het collegie der pontifices. De naam flamen werd volgens de ouden ontleend aan den wollen band, filum, welken zij om het hoofd wonden, daar zij nimmer geheel blootshoofds mochten zijn. Tegenwoordig leidt men dien liever af van flare, aanblazen, n.1. van het offervuur, of van flag ra re, volgens welke laatste afleiding flamen dan voor flagmen zou staan, en offerverbrander zou beteekenen. In vervolg van tijd kregen ook andere godheden flamines, waardoor hun getal tot 15 steeg. De drie bovengenoemden behielden evenwel als flamines maiores steeds den voorrang. De priestermuts, albogalerus of apex, welke zij, benevens de pontifices en saliers, droegen, was eene ruige wit vilten muts, welke spits opliep en in eene soort van pompoen eindigde.

Mars ofMavors, de vader van Romulus en Remus, wiens heilige wolvin de kinderen gezoogd, wiens heilige specht hun later voedsel gebracht had, was oorspronkelijk geen oorlogsgod, maar vereenigde in zich de attributen van god des doods, des wasdoms en der voorspelling. Wij moeten hem dus als een aardgod beschouwen, daar de aarde het doode in zich opneemt, het levende voortbrengt, en ook de voorspellingen uit haren schoot voortkomen. Eerst later werd Mars de god van den krijg en werd hij onder het zinnebeeld eener lans geëerd. welker

-ocr page 115-

101

trillingen oorlog verkondigden. Zijne bijnamen zijn o. a.: Gradivus, als oorlogsgod, Silvanus, Quirinus, Ultor. De priester van Mars was de flamen martialis.

Quirinus was een nevens Mars geëerde krijgsgod. Zijn naam beteekent waarschijnlijk speerwerper, doch zijne oorspronkelijke voorstelling is duister geworden, daar de latere overlevering in hem den vergoden Romulus zag. Zijn priester was de flamen quirinalis en had, zoowel als de vorige, de sella curulis.

V e s t a was de godin van den huiselijken haard, van het familie- en het staatsleven. De vuurhaard in haren tempel was de heilige haard der geheele stad. Een beeld der godin bevond zich in den tempel niet; het op den haard brandende vuur was het zinnebeeld, waaronder men haar vereerde. In haren tempel werden ook de Penaten van Rome bewaard. Numa wees tot haren dienst vier, Servius zes jonge dochters aan. De pontifex maximus koos het tot vestaalsche maagd bestemde kind (capiebat virginem vestalem), dat niet onder de zes of boven de tien jaar oud mocht zijn, uit een deftig geslacht; de gekozene moest rein en zonder lichaamsgebreken wezen. In de eerste tien jaren moest zij den dienst leeren, in de tweede was zij als dienstdoende priesteres werkzaam, en in de derde onderwees zij de nieuwelingen. Na deze dertig jaar was zij vrij en kon een huwelijk aangaan, wat echter zelden geschiedde en voor een slecht voorteeken (mali ominis) gehouden werd. De voornaamste bezigheden der vestaalsche maagden waren het bewaken en onderhouden van het heilige vuur gedurende dag en nacht, het bewaken der in den tempel van Vesta aanwezige heilige zaken, vooral van Romes Penaten, het offeren op het altaar van Vesta en het bereiden van offermeel en andere benoodigdheden voor de sacra publica. Ter vergoeding der opofferingen genoten zij eene buitengewone eer. Een lictor ging op straat voor haar uit; consuls en praetors lieten, wanneer zij eene vestaalsche maagd ontmoetten, de fasces zinken; zij mochten in de stad in een wagen rijden, hadden bij de openlijke spelen eene eereplaats, enz. Maar wanneer zij daarentegen haren plicht verzuimden, en het heilige vuur uitging, dan werden zij door den pontifex maximus streng met roeden ge-

-ocr page 116-

102

kastijd; en schonden zij hare gelofte van kuischheid, dan werden zij op den campus sceleratus levend begraven. Gelijk de geheele Vestadienst, stonden ook zij onder het bijzonder toezicht van den pontifex maximus. Aan haar hoofd stond de virgo maxima. Zoo als reeds vroeger vermeld is, waren de vestaalsche maagden sui iuris.

Niet zonder invloed op de vorming van den romeinschen godenkring was de vereering van land- en herdersgoden door de bewoners van het oude Latium en Sabinum. Hoewel hun dienst allengs door dien van nieuwere goden overvleugeld werd, be-hooren hier nog vermeld te worden: Ceres, de dochter van Saturnus en Ops, — Pales, de beschermgodheid der herders, — Liber, de god van den wijnoogst, niet te verwarren met den uitheemschen Bacchus, — Faunus, de god van velden en wouden , — Vertumnus, die der wisselende jaargetijden, — Flora, de godin van het bloeiende, — Pomona, die der vruchten, — Terminus, onder wiens hoede de grenssteenen stonden, enz. De stam der Luceres schijnt geenen invloed van eenige beteekenis op den nationalen eeredienst te hebben uitgeoefend.

Onder de omstandigheden, welke medewerkten, om den romeinschen godenkring uit te breiden, komt vooreerst in aanmerking de neiging, om elke nieuwe openbaring der goddelijke macht tot het punt van een nieuwen cultus te maken. Toen b. v. in 390 v. Chr. eene stem te midden der nachtelijke stilte de nadering der Galliërs verkondigd had, werd een tempel gesticht voor Aius Locutius, en na hunnen aftocht voor den Deus Rediculus. Toen men gemunt geld begon te bezigen, ontstond er een Deus Aesculanus en bij de invoering van het zilvergeld, kort vóór den eersten punischen oorlog, een Deus Argentinus. Sedert ging men evenwel niet op dezen weg voort. In de tweede plaats had elke familie te Rome hare sacra privata, en kwamen alzoo bij het toenemen van Romes bevolking ook goden van elders. Voor zoover dit nu plaats greep uit de omliggende gewesten, werd het nationaal karakter van den godsdienst er nog niet door aangetast. Ten derde was het, ten minste in den oudsten tijd, eene gewoonte der Romeinen, bij het beleg eener stad hare beschermgodheid van daar te lokken, b.v. door

-ocr page 117-

103

de gelofte, haar een tempel te wijden, hetzij dewijl men meende, anders de stad niet te kunnen innemen, hetzij men het heiligschennis achtte, krijgsgevangene goden te hebben. In de overgave toch waren ook de sacra begrepen. Evenzoo werden de goden van veroverde landen in den romeinschen godenkring opgenomen en dan meestal vereenzelvigd met romeinsche godheden, die in hunne attributen eenige gelijkenis met de vreemde goden aanboden. Zoo bracht het romeinsche stelsel eene aanhoudende uitbreiding van den godenkring met zich, hetgeen natuurlijk tot verbastering en verval moest leiden, naarmate de Romeinen meer met volken buiten Italië in aanraking kwamen.

Echt romeinsch is de vereering der Laren en Penaten. Het onderscheid tusschen beiden is hierin gelegen, dat de Laren zielen waren van vrome afgestorvenen , die over hunne vroegere woningen bleven waken. Zij bleven dan ook aan het huis gehecht, onverschillig wie het bewoonden, doch strekten tevens hunne bescherming over de bewoners uit, wanneer zij afwezig waren. In elk huis vond men eene Laren-kapel, lararium, en elk huis had zijn Lar, aan wien een gedeelte van den maaltijd placht geofferd te worden. De Penaten waren van hoogeren oorsprong en vergezelden als beschermgoden de familie, ook bij verandering van woonplaats. Zelfs Jupiter wordt somtijds onder de Penaten aangetroffen.

2. VEREERING.

Elk huisvader offerde en verrichtte de sacra voor zijn gezin, gelijk dan ook de vereering der goden bij de Romeinen de tusschenkomst van priesters niet noodig had. Het ambt van den aangestelden priester was, al die noodzakelijke en regelmatig terugkeerende plechtigheden waar te nemen, welke van wege den staat voor de goden verricht moesten worden (sacra pub lie a). De priesters waren dus staatsambtenaren en vormden geene afzonderlijke kaste, daar zij eenvoudig uit de burgers werden gekozen. Ook eene beeltenis der godheid was niet volstrekt noodig, zelfs was de beeldendienst niet oorspronkelijk romeinsch, maar uit Griekenland overgebracht. Bij het offeren was het de gewoonte, het offerdier met linten en bloemkransen te tooien. Het werd met

-ocr page 118-

104

bronwater gewijd, met wijn besprenkeld en met offermeel (mola salsa) en wierook bestrooid. Een heraut noodigde de aanwezigen tot diepe stilte uit (ut linguis faverent), opdat geen onheilspellend woord zou gehoord worden. Om zoo min mogelijk eenig ongunstig geluid te vernemen, omsluierde de offeraar zich het hoofd, terwijl een fluitspeler zich daarbij liet hooren.

Tot de sacra privata behooren ook de sacra gentilicia, welke elke gens door een uit haar midden gekozen priester of flamen liet verrichten. Het toezicht op de instandhouding daarvan was een punt van staatszorg. Bij de sacra publica onderscheidt men twee soorten: die, waaraan het volk zelf deelnam, volksfeesten, met offers, optochten , liederen en maaltijden, — en die, welke voor het volk gebracht worden, sacra pro populo, doch waaraan het zelf geen deel neemt, hoogstens de rol van toeschouwer vervult, als p r o f a n u m vulgus. De tempel toch, de woning van den god, mocht in den regel slechts betreden worden door de priesters; het volk moest vóór den tempel blijven staan, vandaar het woord profanus. Onder sommige omstandigheden evenwel waren de tempels ook voor privaatpersonen toegankelijk, b.v. tot het afleggen van geloften of het brengen van een offer.

Verder namen bij de godsvereering de spelen eene bijzondere plaats in en maakten er een werkelijk deel van uit. Zij bestonden in ludicircenses, d. i. wedrennen met wagens, ludi gymnici, als; vuistgevecht, worstelen, wedloop,wapen-dans, speer- en schijfwerpen, ludi gladiatorii, ludi scenic i, waarbij later de venationes of dierengevechten en de voorstellingen van zee- of veldslagen kwamen. De gladiatoren-spelen werden oorspronkelijk bij lijkfeesten gegeven en vloeiden uit de aloude voorstelling voort, dat de schimmen der afgestorvenen (manes) door bloed bevredigd werden; daarom moesten hiertoe in den wapenhandel geoefende slaven als zwaardvechters op leven en dood met elkander strijden. Deze spelen, hoe gruwelijk zij ook waren en hoezeer het gevoel der menigte in Rome daardoor geheel verstompt werd, werden later bij allerlei gelegenheden en feesten gegeven. Ook de tooneelvertooningen, ludi scenici, waren te Rome op godsdienstigen bodem ontsproten,

-ocr page 119-

105

daar zij ter verzoening der goden werden ingevoerd, ten einde Rome van eene aldaar heerschende pest te bevrijden.

Onder de voornaamste feesten kan men de volgende rangschikken:

Ludi Romani of maxi mi, welke in September ter eere van Jupiter, Juno en Minerva gevierd werden. In Cicero\'s tijd duurden zij vijftien dagen; na Caesars dood kwam er te zijner eere nog een zestiende dag bij.

Saturnalia, een feest in het laatst der maand December, ter gedachtenis aan de gouden eeuw. Gedurende dit feest stond de arbeid stil; de slaven werden als vrijen behandeld, droegen toga en pileus en aten aan de tafel hunner meesters. Er werden geschenken gewisseld; den geheelen dag hoorde men het geroep io saturnalia, io bona saturnalia, en er heerschte eene uitgelaten vroolijkheid.

De feriae Latinae werden op den albaanschen berg gevierd ter eere van Jupiter Latiaris. Alle romeinsche overheden woonden deze feesten bij.

Voorts had men de Megalesia ter eere van Cybele, de Flo-ralia, de Cerealia, de ludi Apollinares, de ludi Capitolini, tot gedachtenis aan den aftocht der Galliërs ingesteld, de Quin-quatrus ter eere van Minerva, de ludi Victoriae, door Sulla ingesteld na zijne overwinning op de Samnieten, enz. Allerplech-tigst waren de ludi saecularesof eeuwfeesten, welke drie dagen en drie nachten duurden. Allerlei soorten van spelen, optochten, offers, zang en dans wisselden elkander af, terwijl de feesten besloten werden met een carmen saeculare, dat in den Apollotempel door 27 jongens en 27 meisjes werd aangeheven.

In de romeinsche geschiedenis wordt meermalen melding gemaakt van supplicationes en lectisternia. Onder supplicatio verstonden de Romeinen een algemeenen dank-, bede- of boetedag. In het eerst werd hiervoor slechts één dag genomen; later zijn er voorbeelden van supplicationes, welke 15 en 20 dagen duren. Somtijds hadden hierbij processien plaats. Lectisternia waren gastmalen, welke den goden werden aangeboden, waartoe hunne standbeelden op rustbanken met kostbare kussens en spreien werden gelegd, pulvinaria ge-heeten. Een godenmaal, aan godinnen aangeboden, was een

-ocr page 120-

106

sellisternium, omdat de godinnenbeelden op stoelen, sellae, geplaatst werden, volgens de gewoonte der romeinsche vrouwen. De zorg voor deze godenmalen behoorde oudtijds tot den werkkring der pontifices, tot dat in 196 eene lex Licinia hiervoor triumviri epulones instelde. Later werd dit getal op zeven gebracht, en door Caesar op tien, met behoud echter van den naam septemviri.

3. DE HOOGE PRIESTERAMBTEN.

Het uitvorschen van den wil der goden was volgens de oud-italische begrippen eene ingewikkelde zaak, daar zij hunne eigenaardige wijze van spreken hadden, die slechts voor den deskundige verstaanbaar was. Daarom nam de vereerder der goden gaarne zaakkundigen te hulp en luisterde naar hunnen raad. Evenzoo kwam het er zeer op aan, dat men, niet slechts bij offers en feesten, maar bij alle handelingen. welke ook slechts eenigszins onder de bescherming der goden gesteld werden, alle vormen (ritus) met de meeste nauwgezetheid en zonder eenig verzuim in acht nam. Ook hiervoor had men alzoo deskundigen noodig. Zoo ontstonden de godsdienstige priestercollegiën, die de voorouderlijke leer (d i s c i p 1 i n a) omtrent die godsdienstige plechtigheden bewaarden, welker volbrenging eene zekere kennis vooronderstelde, en aan welker ongeschonden overlevering aan het nageslacht den staat ten hoogste gelegen lag.

Tot deze behoorden de volgende collegia.

De pontifices, eerst vijf, naderhand negen in getal. Door sommigen wordt hun naam afgeleid van pontem facere, omdat zij voor den bouw en het onderhoud der houten paalbrug (pons sublicius) over den Tiber te zorgen hadden, door anderen van sacra in ponte facere, omdat zij op gemelde brug offers verrichtten. Een pontifex maximus, Q. Mucius Scaevola (consul in 95 v. C.), verklaarde den naam als potifices = qui potes-tatem habent faciendi (sacrificandi). Weer anderen brengen den naam in verband met het aeolische néu.-s (= névze) en het hiervan afgeleide Treunocamp;ïZaL (tellen, rekenen), dewijl de pontifices den kalender moesten opmaken en de feestdagen vaststellen. Naar aanleiding hiervan werd hun ook toevertrouwd te zorgen,

-ocr page 121-

107

dat iedere godsdienstige handeling op den daarvoor bestemden dag verricht werd. Aan welke goden, waar, wanneer, hoe er geofferd moest worden, de pontifices wisten het.

Alle godsdienstige handelingen en offers waren aan hun oppertoezicht onderworpen. Zij wijdden den flamen dialis, raartialis en quirinalis, alsmede de vestaalsche maagden. Zeiven stonden zij onder het bijzonder toezicht van hun opperhoofd, den pontifex maximus, die als zoodanig aan het hoofd van den geheelen eeredienst stond en een persoon van grooten invloed was. Hij was lid van den senaat en woonde in de R e g i a, het oude koninklijk paleis, waar de Lares publici bewaard werden, terwijl de Penates publici zich in den aangrenzenden Vesta-tempel bevonden. Als deskundigen werden de pontifices geraadpleegd bij vraagpunten van het ius divinumof gewijde recht, dat in hunne libri pontificii stond opgeteekend.

Vóór de lex Domitia (104) kozen de pontifices, evenals de augurs en de decemviri sacrorum, bij vacatures zeiven hunne nieuwe collega\'s (cooptatio), maar de pontifex maximus werd door de comitien, echter niet door het geheele volk, maar door zeventien door het lot aangewezen tribus, gekozen, waarbij echter de keus altijd op een lid van het collegie moest vallen. Evenals de flamines hadden de pontifices tot insignia den apex en den wollen haarband.

De tresviri, later septemviri ep ulones zijn hier-voren reeds vermeld (zie blz. 105).

De augures, vroeger auspices genoemd, de wichelaars, eerst misschien 3, daarop 4, later 9, door Sulla tot 15, door Caesar op 16 gebracht, waren oorspronkelijk ingesteld om volgens een wetenschappelijk systeem den wil der godheid uit de vogelvlucht op te maken. Zij hadden vijf manieren om dien wil uit te vorschen (signa): ex coelo, door bliksem, weerlicht, verschieten van sterren; ex avibus, door het vliegen en schreeuwen der vogels 1); extripudiis, door het vreten der heilige

1

Dc vogels, uit welker vlucht men voorspellingen trok, werden praepetes of alites genoemd : o s c i n e s waren die, uit welker geschreeuw de voorspelling werd opgemaakt.

-ocr page 122-

108

hoenders; ex quadrupedibus, door het zien van een hond, vos en derg.; e d i r i s, voorteekenen van slechte beteekenis , als het stooten met den voet tegen den drempel, het breken van den schoenriem, niezen en derg. — De vogelvlucht werd des middernachts, bij helderen hemel en stille lucht, waargenomen. Het minste gedruisch, b. v. het kraken van eenig voorwerp, het knabbelen eener muis, stoorde de auspiciën. Zoo zij gunstig waren , zeide de augur tot den magistraat, die ze waarnam: a v e s a d-d i c u n t; zoo niet, of zoo er een vitium in was, zeide hij: alio die. Ten tijde van Cicero waren alleen de voorteekenen ex coelo en ex tripudiis nog in gebruik, de laatste alleen in den oorlog. Wanneer de heilige hoenders zóo gulzig vraten, dat zij stukken van het hun voorgeworpen voeder, stukken van meelkoeken, offa pultis, weer uit hun bek lieten vallen, dan gold dit voor een gelukkig, maar wanneer zij niet aten of hunne kooi niet wilden verlaten, voor een ongelukkig teeken. Bij het nemen van auspicia ex avibus bakende de augur met zijn lituus, een kromstaf zonder knoesten, aan den hemel een zekere ruimte, tem plum (tuemplum van tueri) af, waarbinnen hij zijne waarnemingen deed. Hij stond daarbij met het gelaat naar het zuiden gekeerd. Wat van de oostzijde, dus van links kwam, was gunstig; voorteekenen van rechts waren ongunstig.

De duumviri, later decemviri, sedert Sulla q u i n-decimviri sacris faciundis, waren de bewaarders van de orakels der Sibylle (libri sibyllini), welke zij in gewichtige buitengewone omstandigheden, doch alleen op bevel van den senaat en in tegenwoordigheid van magistraatspersonen openden, om den wil der goden te vernemen. De instelling der Hviri sacris faciundis wordt aan Tarquinius Priscus toegeschreven, na den bekenden aankoop der drie overgebleven orakelboeken. Dooreen plebisciet van 367 v. C. werd het getal uitgebreid- tot tien leden, voor de helft plebejers. Bij den brand van het kapitool in 83 v. C. gingen ook de sibyllijnsche boeken verloren, waarop de senaat eene nieuwe verzameling orakelboeken uit Erythrae en elders liet komen. Ook onder de bevolking waren zulke boeken in omloop, welker uitspraken wel eens aan politieke doeleinden werden dienstbaar gemaakt. Van tijd tot tijd werd dan ook van overheidswege

-ocr page 123-

109

een onderzoek naar zulke boeken ingesteld (conquisitio). Bij zulk eene inbeslagneming in 213 v. C. kwamen twee voorspellings-boeken van zeker broederpaar Marcius te voorschijn, car mi na Marciorum. Deze werden niet vernietigd, doch bleven gespaard , en naar den inhoud van een dezer boeken werden toen de ludi Apollinares ingesteld. Augustus liet ook eenmaal eene conquisitio librorum fatidicorum houden en meer dan 2000 er van verbranden. Het raadplegen der heilige boeken had alleen plaats in hachelijke tijdsomstandigheden. Uit Liv. XXII c. 1 en 9 kan men zien, dat de voorschriften , welke zij gaven , van zeer kostbaren aard waren. Daar zij in grieksche verzen geschreven waren, waren aan het collegie twee grieksche interpretes of tolken toegevoegd.

Ofschoon de haruspices hier eigenlijk niet behooren, dewijl zij geen officieel collegium vormden, zoo willen wij hen echter hier vermelden, omdat zij in bijzonder gewichtige omstandigheden door den senaat uit Etrurie ontboden werden, ten einde den wil der goden uit de ingewanden der dieren op te maken. Ook hunne leer vormde een samenhangend stelsel, waarnaar zij uit de voorkomende afwijkingen in den vorm of de ligging van borst, ingewanden, lever, long en hart de mindere of meerdere welwillendheid der goden bepaalden.

Behalve bovengenoemde priestercollegien en de vestaalsche maagden, welke laatste geen collegium vormden, behoorden nog tot de hooge priesterambten die der drie reeds genoemde flamines van Jupiter, Mars en Quirinus en dat van den rex sacrorum of sacrificus, ook sacrificuius. Deze vier stonden in nauw verband met de pontifices, met wie zij eeniger-mate een bijzonderen kring vormden. Na de verdrijving der koningen was de rex sacrorum in hunne plaats getreden, ten einde de offers te verrichten, welke vroeger uitsluitend door den koning werden gebracht. De rex, wiens echtgenoote den titel van regina sacrorum droeg, en die, evenals de pontifex maximus, de flamen dialis en de vestalinnen, eene woning van staatswege had, werd uit de patriciërs in de comitia centuriata voor zijn leven gekozen en stond wegens zijne waardigheid in groot aanzien; maar zijn naam rex sloot hem van de bekleeding van elk staatsambt, magistratus, uit, en stelde hem onder het gezag

-ocr page 124-

110

van den pontifex maximus. In macht stond de pontifex maximus bovenaan; doch in rang was hij de vijfde en volgde op den rex sacrorum en de drie flamines maiores. Het opperbestuur over al wat den eeredienst aanging, en de hoogste beslissing, ook wat de invoering van nieuwe diensten betrof, berustte bij den senaat; dat daarbij het advies der betrokken collegien gehoord werd, lijdt geen twijfel.

4. DE LAGERE PRIESTERAMBTEN.

Terwijl bij de hoogere priesterambten in den regel van collegia gesproken wordt, dragen de lagere priestercollegiën, welke zonder staatkundige beteekenis zijn, meer den naam van sodalitates. Een der voornaamste is de broederschap der Salii, wier dienst de vereering van Mars ten doel had. Het voornaamste feest ter eere van dezen god viel in Maart, welke maand aan hem geheiligd was. Dan trokken de Saliers (dansers), jongelingen uit de aanzienlijkste geslachten, gewapend door de straten in eene soort van wapendans, waarbij zij tegen hunne twaalf schilden sloegen met metalen staafjes. Volgens de sage was onder de regeering van Numa een schild, ancile, uit den hemel gevallen en had het noodlot aan dit schild het voortbestaan van Rome vastgeknoopt, weshalve de vrome koning er elf volkomen gelijke schilden bij liet maken, welk werk zóó kunstig werd uitgevoerd, dat het echte schild van de overige niet te onderscheiden was. De optochten in Maart duurden verscheiden dagen en eindigden dan telkens op zoogenaamde mansiones, vaste plaatsen, waar de schilden des nachts geborgen werden en waar de optocht besloten werd met een maaltijd, zóó rijk, dat de uitdrukking dapes Saliares tot een spreekwoord werd. De Saliërs vormden twee collegia, elk van twaalf leden: het oudste was dat der Saüi Palatini, het andere dat der Salii Agonales of Collini, aldus genoemd naar den collis Quirinalis. Aan het hoofd stond een magister Saliorum; verder telden zij een praesul of voordanser en een vates of voorzanger. Hun heilig lied, carmen Saliare, was in zóó oude taal vervat, dat het in lateren tijd bijna niet te begrijpen was.

-ocr page 125-

Ill

De Luperci, eveneens in twee groepen gesplitst, Luperci Fabiani en Luperci Quinctiliani, vormden eene broederschap ter viering der Lupercalia, een oud herdersfeest in Februari ter eere van Lupercus, den wolvenafweerder, waarschijnlijk een bijnaam van den god Faunus. Er werden dan geiten of bokken en een hond geofferd. Halfnaakt, slechts met een lederen voorschoot gekleed, liepen de Luperci op en om den Palatinus rond en sloegen met riemen, uit de huiden der offerdieren gesneden, diegenen die zij op weg ontmoetten, vooral vrouwen. Om Lupercus te zijn, moest men van aanzienlijke familie wezen. Hun heiligdom heette het Lupercal. Het feest zelf werd gevierd tot in 494 na Chr.

Van de Sodales Titii weten wij niet veel meer dan dat zij ingesteld waren tot instandhouding der sacra Sabinorum.

De Fratres arvales, eene broederschap van twaalf leden, vierden jaarlijks in Mei het feest der Dea Dia, eene godin van den landbouw, wier naam anders nergens voorkomt. Het feest bestond in een offer, optochten onder het zingen van een overoud lied, en het onmisbare feestmaal.

Ook de curiones, aan wier hoofd de curio maximus stond, vormden eene vereeniging, welke op sommige tijdstippen voor bepaalde plechtigheden te zorgen had.

Andere priesters van bijzondere goden, zooals de Gal li of priesters van Cybele en de 12 flamines minores, die den dienst van godheden van minderen rang waarnamen, kunnen wij hier stilzwijgend voorbijgaan. Er is echter nog een priestercollegie te vermelden, dat in later tijd, toen de staat zich ontwikkeld had, op den achtergrond geraakte, doch in de eerste tijden zeer gewichtig was. Het zijn de fetiales (verbondspriesters), twintig in getal, wier ambt het was, bij rechtschennis van den kant van vreemde volken voldoening te eischen en bij weigering hiervan den oorlog te verklaren, bij het sluiten van verbonden en verdragen behulpzaam te zijn, het aandenken aan de gesloten verdragen, voordat er nog archieven waren, te bewaren, en eindelijk de veldheeren uit te leveren, die verdragen gesloten hadden, welke door den senaat niet bekrachtigd werden. De formaliteiten bij het vragen van voldoening waren bij uitstek plechtig. Gewoonlijk werden er vier fetiales gezonden, welke een uit hun midden tot spreker kozen.

-ocr page 126-

112

den pater patratus, die, in een bijzonder, wit gewaad gedost, in de hand het heilige kruid, sagmina of verbena, droeg. Wanneer zij aan de grenzen van het vreemde land gekomen waren, hielden zij stil, en de spreker riep Jupiter en de overige goden tot getuigen, dat hij voldoening verlangde. Dan somde hij zijne eischen op en deed een eed, dat hij zijn vaderland niet weder hoopte te zien, zoo hij iets onrechtvaardigs had geëischt. Ditzelfde herhaalde hij tegen den eersten inwoner van het land, dien hij ontmoette, daarop nog eens aan de poort der stad en eindelijk voor hare overheid op de markt. Dit was de c 1 a r i-g a t i o. Werd hieraan geen gehoor gegeven, zoo kwamen de fetialen na 30 of 33 dagen andermaal, ten einde te protesteeren en met den oorlog te dreigen. Gaf men nu aan hunne eischen nog niet toe, dan begaven zij zich weder naar huis en deden te Rome aan den senaat verslag van hun wedervaren. Verklaarde de senaat hierop den oorlog, dan kondigde de pater patratus dezen plechtig aan, terwijl hij in tegenwoordigheid van ten minste drie getuigen eene bloedige lans over de grenzen wierp. Zoo de fetiales tot het sluiten van een vrede of een verbond uitgetrokken waren, doodde de pater patratus het ofterdier met een heiligen keisteen onder het uitspreken van dit eedformulier: si prior defexit publico consilio, dolo malo, tu lupiter populum romanum sic ferito, ut ego hunc porcum hic feriam, tantoque magis ferito, quanto magis potes pollesque Toen de Romeinen hunne veroveringen ook buiten Italia uitstrekten, werd de bloedige speer geworpen in een met aarde gevulden korf, welke het vijandelijke land voorstelde en vóór den tempel van Bellona werd geplaatst.

5. PRIESTERKEUZE.

In de meeste collegien en broederschappen geschiedde de keuze van nieuwe leden door cooptatio, totdat het plebisciet van Cn. Domitius 11 hierin voor de pontifices, de augures en de XVviri

1

Sulla schafte de Domilische wet af, maar zij werd door her plebisciet van Labienus in 63 hersteld.

-ocr page 127-

113

sacris faciundis eene wijziging bracht. Deze drie priesterwaardigheden golden met de Vllviri epulones voor de quattuor amplissima sacerdotia, en waren ook uit een staatkundig oogpunt zeer gewichtig. De lex Domitia stelde vast, dat door het lot minor parspopuli, dus 17 van de 35 tribus, zouden worden aangewezen, en dat degene, die door deze 17 gekozen was, door het priestercollegie zou gecoöpteerd worden. Het schijnt echter, dat het collegie, waarin eene plaats vervuld moest worden, eene voordracht van candidaten deed, waaruit de 17 tribus eene keus te doen hadden. Van de vestaalsche maagden en de priesters, die op zich zelf stonden en geen collegium vormden (den rex sacorum en de flamines) wordt bericht, dat zij door den pontifex maximus werden gekozen, en wel evenzeer uit eene voordracht, wellicht door het collegium pontificum opgemaakt. Zulk eene voordracht werd n o m i n a t i o geheeten. Voor sommige priesterambten, waarbij de vrouw ook werkzaamheden te vervullen had, moest men per confarreationem gehuwd zijn, zoodat het dikwijls bezwaarlijk, ja onmogelijk was, zulk een priesterambt te bezetten. Doch in elk geval moest een priester iemand zijn van aanzienlijke geboorte, van goeden naam en faam, van vermogen, en in den. beginne van rijpen leeftijd, 50 jaar oud. Hij moest mede vrij zijn van lichaamsgebreken. De plechtige wijding (inauguratie) geschiedde door de pontifices en augures. In lateren tijd waren de welkomstmaaltijden der nieuwgekozenen dikwerf onvergelijkelijk prachtig en tot een spreekwoord geworden \'). Hunne betrekking was voor hun leven en kon hun niet ontnomen worden; echter zijn er gevallen bekend, waarbij priesters wegens een gepleegd verzuim gedwongen werden hun ambt neder te leggen, waartoe ook de flamen Dialis verplicht was, ingeval zijne vrouw kwam te overlijden. Priesters waren aan geene overheid verantwoordelijk. Wanneer de werkzaamheden elkander niet in den weg stonden, kon men lid van onderscheidene genootschappen tegelijk zijn. Vrij van belasting en krijgsdienst, trokken zij inkomsten uit daarvoor aangewezen landgoederen,

1) Horat. Carm. II. 37 sqq. I. 14. 29 sqq. Schlimmer, Rom. Ant., 5e druk.

8

-ocr page 128-

114

kregen zij gedeelten, van elk offer en hadden sommigen eene eigene ambtswoning.

In later tijden verhinderde het priesterschap de bekleeding van andere staatsambten niet, zelfs niet het oorlogvoeren als consul of praetor. Caesar was pontifex maximus; Cicero, Antonius en anderen waren augures.

6. VERVAL VAN DEN NATIONALEN GODSDIENST.

Nadat de Romeinen met de Grieken, eerst in zuidelijk Italië (Magna Graecia) en later in eigenlijk Griekenland, bekend waren geworden, had de eigenaardige gewoonte, den goden der onderworpen natiën eene plaats voor hunnen dienst in Rome toe te staan, ten gevolge, dat zij zich deze vreemde goden zeiven toeeigenden en dat het veelgodendom op grieksche wijze zich bij hen ontwikkelde. Het grieksche beginsel rcdv\'oc Tilrip\'n Stwv drong in den romeinschen geest door. Van de Grieken leerden de Romeinen, over hun godsdienststelsel te philosophee-ren en het wezen hunner goden, hetzij langs mythisch-historischen, hetzij langs physischen weg te verklaren. Reeds Ennius (t 169) begon hiermede, op het voetspoor van den Griek Euhemeros, die op het einde der vierde eeuw vóór Chr. aan het macedo-nische hof had geleefd en in zijn werk iepy. dvaypayh de !eer ontwikkeld had, dat goden en heroën niets anders waren dan menschen, die op aarde geleefd hadden en na hun dood vergood waren. Zóó werd Janus tot een koning van Latium gemaakt en liet men Saturnus te scheep naar Italië komen. Bij het beschaafde en meer ontwikkelde en denkende gedeelte der bevolking vond deze leer alras ingang; het geloof aan de waarheid der voorvaderlijke godenleer en aan het gewicht der voorgeschreven plechtigheden werd ondermijnd; sacra werden verwaarloosd; hooge priesterambten bleven onbezet, zooals ten tijde van Caesar dat van flamen Dialis; men was onwillig, zich de opofferingen te getroosten voor eene waardigheid, die men slechts als poppenspel beschouwde; tempels geraakten in verval, terwijl het onkruid op het voorplein wies, en sommige vroeger machtige en geëerde goden, als Veiovis, Summanus, enz. kwamen in vergetelheid.

-ocr page 129-

115

De gewoonte, den werkkring der goden te splitsen, ]eidde er toe, dat er eenmaal meer dan 300 Jupiters waren; grieksche godheden waren met hare mythen naar Rome overgekomen en met de romeinsche godheden vereenzelvigd, en deze laatsten, vroeger met kinderlijken eenvoud geëerd, daalden in de schatting des volks door de grieksche mythen. Het opnemen van allerlei vreemde goden breidde den kring uit tot in het belachelijke. Hoofdgoden, zoogenaamde d i i s e 1 e c t i, waren de volgende, twintig in getal: Jupiter, Neptunus, Vulcanus, Apollo, Mercu-rius. Mars, Juno, Minerva, Ceres, Venus, Vesta, Diana, — Janus, Saturnus, Orcus of Pluto , Liber, Sol, Genius, Luna, Tellus of Rhea. De eerste twaalf worden ook dii consentes genoemd (vereenigde goden, naar de analogie van absens en praesens). Behalve de landgoden, wier getal evenzeer toenam (b.v. Epona, de godin der paarden, Robigus of Robigo, die den honigdauw van de planten afweerde), vereerde men een aantal godheden van menschelijke betrekkingen, deugden en eigenschappen, als b.v. Fascinus, wiens beeld als amulet tegen betoo-vering werd gedragen, Vacuna, de godin der rust, Abeona, die der uitreis, Adeona, die der aankomst, de Bona dea, Fortuna, Pudicitia patricia, Pudicitia plebeia, Bellona, Pax, Victoria, Salus, Libertas, Spes, Pietas, Fides, Honos, Virtus, Pallor, Pavor, Febris enz. — Opmerking verdient verder de vereering van Genius, die al wat leeft, voortbrengt en daarmede tot aan den dood vereenigd blijft, die der Man es, zelfs als spoken, Lemures of Larvae, wanneer zij geene rust kunnen vinden.

Hierbij komt nog de eigenaardigheid van het zoogenaamde indigitare, d. i. het aanroepen der goden volgens een bepaald ritueel, met bijvoeging der hoedanigheid, waarin zij werden aangeroepen. Tot deze klasse kan men de bovengenoemde Abeona, Adeona, Vacuna en dgl. brengen. Zoo waren Edulia, Edusa, Potina, Cuba de godheden, die over het eten, drinken en slapen der kinderen waakten , Ossipaga versterkte hunne beenderen , enz. Bij de bijenteelt riep men Mellonia, bij de bemesting Sterqui-linus of Stercutius aan, ja zelfs had men eene godin van den diefstal, Laverna. Op deze wijze maakte men van en voor alles eene godheid, de pontifices leerden: singulis actibus deos

s*

-ocr page 130-

116

praeesse; maar zoodra ook; het geloof begon te haperen, was de val van het veelgodendom er des te zekerder door.

Dit veelgodendom echter was zóó innig met den staat verbonden, de dienst der goden was zóó doorgedrongen in alle huiselijke en openbare aangelegenheden, dat eene omkeering in het oude volksgeloof noodzakelijk tot een ander uiterste, het ongeloof, moest voeren. Sedert Sulla vooral nam dit ongeloof sterk toe; toen men, juist in fel bewogen tijden, het vertrouwen op de godheid verloren had en niet wist, waaraan men zich zou houden , wies het ongeloof welig op. De nieuwere grieksche philosophie, die vooral in de laatste eeuw vóór Chr., o. a. door Cicero, bij de Romeinen werd ingeleid, voltooide de verwarring. Men leerde verschillende stelsels kennen, zooals dat der Epicuristen, dat de goden eene volmaakte xzxpx^ia genoten en zich om de men-schelijke of wereldsche zaken niet bekommerden, — dat der Stoïcijnen, mundum esse deum, — het gevoelen der Pyrrho-nisten en Neo-academici, dat men niets objectief kon weten, enz. Daartegenover stond eene conservatieve partij, die den ouden eeredienst en de oude vormen wenschte te handhaven, niet omdat zij zelve er aan geloofde, maar als band voor het volk. De opperpontifex Q. Mucius Scaevola (consul in 95 v. Chr.) onderscheidde eene drievoudige godenleer, die der dichtersj die der wijsgeeren en die van den staat; hij wilde zich aan de laatste. houden, zelfs al was zij onjuist, en keurde het af, dat het volk de beide andere richtingen leerde kennen.

Doch het ongeloof kon de menigte niet bevredigen. Temidden van al de burgertwisten, oorlogen en vervolgingen zocht het beangstigd gemoed steun en troost, en had het godsdienstig gevoel behoefte, althans iets te hebben, wat het gelooven kon. De oos-tersche godsdiensten met hunne mystieke en symbolische vormen lokten het volk aan. De eeredienst der eleusinische Ceres met zijne mysteriën, de aziatische Adonisdienst en andere kwamen naar Rome over en vonden tal van aanhangers in Italië. De pogingen van den senaat, om de mysteriediensten te keer te gaan, waren vruchteloos. Zeer verbreid was ook de woeste, zin-bedwelmende en opwindende Cybelp-dienst, welke uit Phrygië was overgebracht. De geloovigen echter voelden zich het meest

-ocr page 131-

117

aangetrokken door den zwaarmoedigen Isisdienst, welke door onthouding van zingenot, door reiniging en vasten den weg tot een hooger en heiliger leven scheen te banen. De godin, die van zich zelve zeide, dat zij het hoogste wezen was, dat onder velerlei namen en vormen op den aardbol vereerd werd, dat zij Juno, Diana, Ceres, Venus, Proserpina, Hecate , Minerva, enz. was,— die godin moest wel vele aanhangers krijgen, die meenden, thans de waarheid deelachtig te zullen worden. Hoe dikwijls dan ook de senaat de Isistempels liet omverhalen, toch breidde haar dienst zich over het rijk zegevierend uit.

Al dit mystieke evenwel gaf tevens ruimschoots voedsel aan het bijgeloof, en het gebruik van amuletten, talismans en toover-middelen nam vooral onder de keizers sterk toe. Horoscooptrekkers en sterrewichelaars werden geraadpleegd. Bij hunne voorspellingen letten zij vooral op den stand der sterren en op het gesternte, waaronder men geboren was, en bedienden zich daarbij van rekentabellen, numeri Babylonii, Chaldaicae rationes genaamd, omdat de meesten dezer waarzeggers uit Chaldaea kwamen. Ook joodsche gebruiken kwamen in zwang, o.a. het vieren van den sabbat.

7. HEILIGE GEBOUWEN EN PLAATSEN.

Het verwondert ons niet, dat Cineas, de grieksche redenaar en wijsgeer, de gezant van Pyrrhus, zich van de uitdrukking bediende, dat Rome hem als één tempel toescheen, wanneer wij in lateren tijd 423 aedes opgeteld vinden, en wanneer wij ons dan de reeks der hiertoe behoorende begrippen denken: aedes, templa en de lange rij der loca religiosa, zoo als arae, delubra, fana, sacella, foei, luci. De begrippen van templum en aedes (oudl. aedis) werden aldus onderscheiden, dat templum eene door de augurs gewijde, van den overigen ongewijden grond afgeperkte ruimte beteekende, onverschillig of deze bebouwd was of niet, aedes1) daarentegen het godshuis zelf, onverschillig of

1

Men dente er aan, dat aedes in liet meervoud huis, in het enkelvoud tempel beteekent.

-ocr page 132-

118

dit al of niet door de augurs gewijd1 was. Een f a n u m is eigenlijk eene aedes of, meer algemeen, eene den goden gewijde ruimte, welke ook tot templum is gewijd; delubrum is de plaats, waar men zich reinigt van zonden en zich voor het aangezicht der goden verootmoedigt. Een s a c e 11 u m is eene kleine ommuurde ruimte zonder dak, van een altaar voorzien. In elk huis was de haardstede, focus, als zijnde aan de huisgoden gewijd, mede eene heilige plaats. Luci waren heilige bosschen.

De meest algemeene vorm voor tempels was een eenigszins langwerpig vierkant. Langs steenen trappen steeg men op naar den zuilengang, die vóór den tempel, soms ook ter weerszijden of rondom was aangebracht. Het hoofdgebouw had geene vensters en ontving zijn licht door de zeer groote deur, v a 1 v a e. Het binnenste des tempels heette de c e 11 a en week, althans in ouden tijd, weinig of niet van den kwadraat vorm af. Achter in den tempel stond het beeld der godheid, terwijl in sommige tempels het achterste gedeelte der cella nog door een voorhangsel werd afgescheiden en den naam droeg van adytum of penetra 1 e \'). Was er een tempelschat aanwezig, dan werd dit adytum in den regel van een stevig traliewerk voorzien. Ronde tempels zonder cella, veel gelijkende op open koepels, heetten mor. o-pteri; ronde met gesloten cella hadden meest een zuilengang om de cella heen en werden peripteri genoemd. De tempels waren nooit gelijk met den beganen grond, doch rustten altijd op een onderbouw of voetstuk.

Onder de ondergeschikte personen, die bij den tempeldienst en het offeren behulpzaam waren, onderscheidde men a e d i t u i of tempelbewaarders, popae, victimarii ofcultrarii, offerknechten, alsmede camilli en camillae, knapen en meisjes uit een huwelijk par confarreationem, wier beide ouders nog in leven moesten zijn.

Ten slotte laten wij hier nog eene opgaaf van eenige belangrijke jaartallen volgen.

367. Lex Licinia Sextia (plebisciet), waarbij het getd der

1

Adytum vim « piiv, en ö\'Jamp;j; penetrale van penitus.

-ocr page 133-

119

Ilviri sacris faciundis op tien gebracht wordt, voor de helft plebejers.

300. Lex Ogulnia (pl.), dat het aantal pontifices met vier, en dat der augures met vijf leden zou vermeerderd worden, alle uit de plebs.

252. Ti. Coruncanius, eerste pontifex maximus uit de plebs.

196. Lex Licinia (pl.) tot instelling der Illviri epulones.

104. Lex Domitia (pl.) betreffende de verkiezing van leden der hoogste priestercollegiën, ut minor pars populi vocaretur; ab ea parte qui esset factus, is a collegio cooptaretur.

81. Leges Corneliae van Sulla, waarbij het getal pontifices, augures en Xviri sacris faciundis op vijftien wordt gebracht, met opheffing der lex Domitia.

63. De lex Domitia door den volkstribuun Labienus hersteld.

46. C. Julius Caesar regelt, in hoedanigheid van pontifex maximus, den kalender, met behulp van den sterrekundige Sosigenes.

-ocr page 134-

VII. OVERGANG TOT DE MONARCHIE.

De laatste zeventig jaren der romeinsche republiek kenmerken zich door eene trapsgewijze ontbinding der staatsregeling, waarbij langzamerhand alle macht in handen van enkele bijzondere personen overging. Na de burgeroorlogen tusschen Sulla en de partij van Marius en Cinna had de eerste getracht den ouden aristo-cratischen staatsvorm te herstellen. Om hiertoe te geraken, liet hij zich, daar de beide consuls waren omgekomen, in 82 door den interrex L. Valerius Flaccus tot dictator benoemen en door eene lex Valeria zich deze dictatuur voor zijn leven opdragen.

Een ander * voorbeeld van verkrachting der bestaande vormen leveren de proscriptie of vogelvrijverklaring zijner tegenstanders en de verbeurdverklaring hunner goederen, iets, wat in de romeinsche rechtspleging onbekend was. Den volkstribunen werden alle rechten ontnomen, welke zij zich in verloop van tijd hadden aangematigd; zij werden tot hun oorspronkelijk auxilium teruggebracht, terwijl de tribuutcomitien hunne wetgevende macht verloren. Verder bepaalden de Cornelische wetten van Sulla, dat hij, die volkstribuun geweest was, nimmer een curulisch ambt zou kunnen bekleeden, dat de equites uit het rechtersalbum zouden geschrapt worden en dat bij de collegien der pontifices, augures en decemviri sacris faciundis, die allen op 15 leden gebracht werden, de cooptatio weder zou worden ingevoerd. Ten einde den senaat voor het oogenblik aan te vullen, liet Sulla 300 nieuwe leden door de tribuutcomitien verkiezen, aan wie de senaatskeuze ieitelijk ook voortaan bleef, daar Sulla, met

-ocr page 135-

121

opheffing der censuur, de verkiezing van 20 quaestoren jaarlijks vaststelde, die als magistratus minores door de comitia tributa gekozen werden en na het verstrijken van hun ambtsjaar als senatoren zitting hielden. Dit waren de hoofdtrekken van Sulla\'s omwenteling, welke echter niet lang na zijn dood stand hield. De lex Aurelia tribunicia van C. Aurelius Cotta en de lex tn-bunicia van Cn. Pompejus schonken in 74 en 70 vóór Chr. aan de volkstribunen en de tribuutcomitiën hunne volle rechten terug. Eene andere Aurelische wet van L. Aurelius Cotta nam weder de ridders en ook de tribuni aerarii onder de rechters op.

In het jaar 60 sloten C. Julius Caesar, Cn. Pompejus en M. Licinius Crassus een verbond tot wederkeerigen bijstand en ondersteuning. Met hun drieën waren zij alvermogend. Ten behoeve van Pompejus was reeds vroeger meer dan eens van de voorvaderlijke gewoonten afgeweken. Na Sulla\'s dood had de consul M. Aemilius Lepidus de vaan des opstands opgestoken en de senaat had gaarne het aanbod van Pompejus aangenomen, om het oproer te onderdrukken; doch vervolgens had hij zich genoodzaakt gezien, aan Pompejus\' verlangen te voldoen, daar deze weigerde zijn leger af te danken, en hem met proconsulair bewind naar Spanje te zenden, hoewel hij nog geen enkel ambt had bekleed. Na in Spanje naast Q. Caecilius Metellus tegen Sertorius te hebben gestreden, oogstte Pompejus de eer van een zegetocht en verwierf voor het volgend jaar (70 v. Chr.) het consulaat, zonder de schaal der honores te hebben doorloopen. In dit jaar bracht hij zijne wet tot herstel van het tribunaat ter tafel, dewijl hij de volkstribunen noodig had tot bereiking zijner oogmerken. In 67 werd hem dan ook, met de uitgebreidste volmacht, welke immer gegeven was, de uitroeiing der zeeroovers in de Middellandsche zee opgedragen, niet bij senaatsbesluit, maar door een plebisciet van den volkstribuun A. Gabinius. Op gelijke wijze werd hij op voorstel van den volkstribuun Manilius door de tribuutcomitiën tot opvolger van L. Lucullus in den laatsten Mithradatischen oorlog benoemd (66 v. Chr.).

Nadat nu door Caesar, Pompejus en Crassus het bovengemeld verbond gesloten was, trad op hunne aansporing de volkstribuun P. Vatinius met een wetsvoorstel op, om aan Caesar voor den

-ocr page 136-

122

tijd van vijf jaren het stadhouderschap van Illyricum en Gallia Cisalpina op te dragen, 59 v. Chr. Men zal zich herinneren, dat de toewijzing der provinciën tot den werkkring des senaats en niet der tribuutcomitiën behoorde. Niettemin ging de wet door en de senaat haastte zich, ook nog Transalpijnsch Gallië bij Caesars gewesten te voegen, uit vrees dat het volk het anders toch zou doen. In 55 werd op gelijke wijze door de lex Trebonia Syria voor vijf jaren aan Crassus, Hispania aan Pompejus toegewezen en door eene tweede wet van denzelfden volkstribuun Caesars stadhouderschap voor vijf jaren verlengd. Cato van Utica, die tegen deze wetten het woord voerde, werd door Trebonius in de gevangenis geworpen. Pompejus bleef als stadhouder van Hispania te Rome, en liet zijn gewest door legaten besturen, wat tot nog toe ongehoord was. De reden hiervan was, dat hij de repu blikeinsche partij wantrouwde en in het oog wilde houden. Voor het jaar 52 liet Pompejus zich tot consul zonder ambtgenoot benoemen, zooals hij voorgaf, om de woelingen der verschillende mededingers tegen te gaan, en eerst vier maanden nadat hij het consulaat aanvaard had, liet hij zich een ambtgenoot toevoegen. Het is bekend, hoe weldra de plannen van Caesar en Pompejus met elkander in botsing kwamen en een burgeroorlog veroorzaakten, welke met den ondergang van Pompejus eindigde, 49 en 48 v. Chr. Crassus was reeds in 52 in een slag tegen de Parthen gesneuveld.

Van nu af ziet men de meest onwettige dingen plaats grijpen. In 48 was Caesar dictator voor een jaar, reipublicae constituendae causa; in 46 was hij dictator en consul te gelijk, terwijl hij bij zijn triumftocht 72 lictoren had. In 45 was hij dictator voor zijn leven, consul voor tien jaar, en praefectus morum (zooveel als censor); de titel van imperator, de bijnaam van pater patriae en tal van andere eerbewijzen werden hem toegekend; hij kreeg het recht, voortaan de overige magistraten te benoemen en zijne beeltenis op de munten te laten slaan. Wel liet hij aan het volk de keuze der consuls en van de helft der overige magistraten; doch daar hij het recht van aanbeveling gekregen had en nu als voorzitter der comitiën slechts zooveel namen op de candi-datenlijst toeliet als er plaatsen te vervullen waren, was deze

-ocr page 137-

123

keus door het volk slechts schijnbaar. In zijne hoedanigheid van praefectus morum censoria potestate vulde Caesar den in de burgeroorlogen sterk gedunden senaat met zijne aanhangers aan; zonder zich veel om stand of vermogen te bekommeren, nam hij er zelfs zonen van vrijgelatenen, ja, zijn barbier in op, zoodat het aanzien van dit staatslichaam geheel ondermijnd werd, terwijl hij tevens, door het getal senatoren op 900 te brengen, zorg droeg, dat het zich door zijne grootte belemmerde. Met deze vermeerdering ging eene vermeerdering van het aantal quaestoren tot 40 gepaard. Het getal praetoren werd eerst op 14 en later op 16 gebracht.

Nog verdient opmerking, dat in het begin van het jaar 45, toen Caesar als dictator en consul sine collega naar Hispania vertrokken was, ten einde den aanhangers van Pompejus den laatsten slag toe te brengen, de staat zonder andere magistratus maiores was, daar Caesar in zijne afwezigheid geene comitiën wilde laten houden. Alleen de volkstribunen en plebejische aedilen werden gekozen. Voor de overige takken van bestuur benoemde Caesar tijdelijk zes of acht praefecti urbi.

Na Caesars dood bracht M. Antonius, die zich van Caesars papieren had meester gemaakt, den senaat op 1000 leden, onder voorgeven, dat Caesar zulks bij testament aldus had bepaald. De nieuwe senatoren, van wie meer dan één zijne waardigheid van Antonius had gekocht, werden door het volk spottenderwijze orcini genoemd (zieblz. 26). Ook voerde Antonius nevens de senatoren en ridders eene derde afdeeling (decuria) rechters in, zonder census, hoofdzakelijk uit hoplieden en soldaten bestaande. Deze lex Antonia iudiciaria bleef echter geen jaar in stand.

Caesars aangenomen zoon, C. Julius Caesar Octavianus, maakte met M. Antonius van de uit Caesars dood voortgesproten verwarring gebruik, om de geringe overblijfselen der republikeinsche partij geheel en al uit te roeien. Met M. Aemilius Lepidus verbonden deze twee zich tot een driemanschap (43 v. Chr.) en lieten zich, om aan hun verbond een wettigen vorm te geven, tevens de waardigheid opdragen van triumviri reipublicae constituendae voor een tijdperk van vijfjaren. De proscriptie werd op nieuw op groote schaal toegepast, de senatorische waar-

-ocr page 138-

124

digheid meer en meer ondermijnd en in minachting gebracht door de opname van onwaardigen en vrijgelatenen. In 36 moest Lepidus als ambteloos burger gaan leven, waarop Octavianus en Antonius het bestuur der provinciën deelden, zoodat de laatste het Oosten kreeg en de eerste, die te Rome bleef, het Westen. In 32 barstte de burgerkrijg uit, die aan Antonius het leven kostte en Octavianus tot alleenheerscher verhief.

-ocr page 139-

VIII. STAATSREGELING ONDER DE KEIZERS.

I. DE PRINCEPS OF IMPERATOR.

Het keizerrijk kon volgens zijn beginsel de erfenis der republiek niet aanvaarden, dan onder voorbehoud van deze te begraven. Het formeele recht hiertoe werd bij de langzaam voortgaande slooping van de overblijfselen der vrijheid voor schennis bewaard, omdat het volk al zijne rechten aan den senaat en deze weder ze aan den imperator overdroeg. De eerste keizer, Augustus, liet dan ook vooreerst de vormen der republikeinsche instellingen onaangerand; maar, doordien hij zich de republikeinsche overheidsambten één voor één liet opdragen, bracht hij alle macht in zijne handen, terwijl hij zich, wat den titel aanging, schijnbaar vergenoegde met dien van „Augustus,quot; die de verhevene en der godheid nabijkomende natuur van den heerscher aanduidde.

Onder den eenvoudigen naam evenwel van p r i n c e p s (eig. princeps senatus) vereenigde hij de volgende rechten in zich: a. De geheele oppermacht over het leger, onder den titel van imperator (29 v. Chr.) Dit was niet de oude imperatorstitel, welken zegevierende veldheeren achter hunnen naam plaatsten, maar een nieuwe titel, vóór den naam gevoerd, en waaruit de principes o. a. het recht afleidden, over vrede en oorlog te beslissen, alsmede het recht over leven en dood der burgers, daar zij ook binnen de stad imperatores waren.

-ocr page 140-

126

12. Het imperium proconsulate, het oppergezag over alle provinciën, hetwelk hij ook binnen het pomerium behield. Hieruit vloeide ook het recht voort, zich met eene cohors prae-toria of lijfwacht te omgeven.

y. De tribunicia potestas, die den keizer onschendbaar maakte en niet binnen eene grenslijn beperkt was, maar voor het geheele rijk geldig werd verklaard.

ij. De potestas censoria en de censura morum, welke hem het recht gaven, toezicht op senaat en burgerij te houden en den census te regelen.

s. Het consulaat voor zijn leven.

Z. De waardigheid van pontifex maximus, met het recht van oppertoezicht over alle met den godsdienst in betrekking staande zaken.

Ti. Een gedeelte der wetgevende macht, door het toekennen van wetskracht aan zijne rescripten.

Natuurlijk werd elk dezer rechten door de vereeniging met zoovele andere op zich zelf nog krachtiger. De princeps was dus de hoogste magistraat; de machtigste ambten der republiek ver-eenigde hij in zijn persoon. Als aangenomen zoon van Caesar voerde Augustus ook dezen naam, die in lateren tijd eveneens een titel werd. De titel van Augustus werd ook door zijne opvolgers gevoerd, eerst volgens senaatsbesluit, later ook zonder dit als een naam, die hun van zelf toekwam.

Reeds onder de principes uit het Julische huis ontaardde de monarchie in despotisme. In weerwil echter, dat geen hunner een eigen zoon naliet, maar de familie der Caesares alleen door adoptie bleef voortleven, en zelfs de vierde keizer het nomen Julius voor dat van Claudius liet varen, stond niemand op om de erfopvolging te betwisten.

Tegen het einde der tweede eeuw na Chr. werd de romeinsche troon de speelbal der soldaten, die eenmaal zelfs het rijk aan den meestbiedende verkochten. Van 192 tot 284 na Chr. telde men niet minder dan 59 mededingers naar de kroon, waarvan natuurlijk eene aaneenschakeling van binnenlandsche oorlogen het gevolg was. De troon werd herhaaldelijk door vreemdelingen, door mannen van geringe afkomst bestegen. Met de regeering

-ocr page 141-

127

van Diocletianus, een Illyrier en slavenkind, (284 na Chr.) begon het tijdperk der medekeizers. Hij verdeelde het geheele rijk in vier groote praefecturen, waarover vier imperatoren het bewind zouden voeren, twee met den titel van Augustus, twee met dien van Caesar. Alle sporen van den republikeinschen staatsvorm waren toen reeds lang verdwenen. De keizers waren onbeperkte heerschers geworden, boven de wetten verheven. Na Diocletianus\' dood (305 na Chr.) brak een nieuw tijdperk van verwarring en krijg aan; twee jaren lang telde men zes keizers, tot eindelijk in 323 Constantijn de Groote het geheele rijk nog éénmaal onder éénen scepter vereenigde.

In 395 werd het romeinsche rijk door Theodosius den Groote onder zijne beide zoons Arcadius en Honorius verdeeld. De eerste kreeg het Oosten, de laatste het Westen. Een en tachtig jaar later bezweek het west-romeinsche rijk. De laatste imperator was Romulus Augustus, de zoon van Orestes, den secretaris en gezant van Attila.

2. DE COMITIÊN.

Reeds aan Caesar hadden de comitien het recht van beslissing over oorlog en vrede overgedragen. Onder Augustus verloren zij ook de rechtspraak. Als kiesvergadering hebben zij daarentegen nog langer dan twee eeuwen een kwijnend bestaan voortgesleept, natuurlijk meer en meer als bloote vormen. Reeds Caesar was begonnen zijne gunstelingen bijzonder aan het volk aan te bevelen , en dit recht was ook aan Augustus toegekend. Wij hebben reeds gezien, dat Caesar slechts zooveel candidaten voorstelde, als er plaatsen te vervullen waren. Tiberius liet de verkiezing der consuls aan het volk, waarbij nogtans door zijn recht van voordracht alle vrije mededinging uitgesloten bleef; voor de overige overheidsposten liet hij den senaat over de door hem aanbevolen candidaten stemmen en ze vervolgens door dezen aan het volk voordragen. Dit laatste had de gedane keuze slechts te bekrachtigen, waarbij aan tegenstemmen niet te denken viel. De wetgeving werd langzamerhand geheel aan de comitien onttrokken, omdat de imperator het door hem met redenen omkleede sena-

-ocr page 142-

128

tusconsultum, dat de stemming vooraf moest gaan, reeds voor voldoende hield. Onder de regeering van Alexander Severus worden nog comitien vermeld; in de vierde eeuw na Chr. bestonden zij niet meer.

3. DE SENAAT.

Door Caesar en Antonius was de senaat met eene menigte menschen, zelfs van de laagste afkomst, vrijgelatenen, enz. opgevuld; het getal leden klom daardoor tot 1000 en nog hooger. Het was daarom de eerste zorg van Augustus, krachtens zijne censoria potestas de lectio senatus te houden en den senaat te zuiveren , nadat hij eerst aan die senatoren, welke zeiven begrepen daar niet op hunne plaats te zijn, gelegenheid gelaten had, uit eigen beweging hun post neer te leggen. Het getal werd nu op 600 leden gebracht, waartoe door hem natuurlijk alleen personen, op wie hij staat kon maken, evenzeer uit Italia en de provinciën, als uit Rome, gekozen werden. Hij stelde hiervoor een ouderdom vast van 25 jaar en een census ten minste van een millioen sestertiën. Hierdoor schiep hij een afzonderlijken senatorenstand, ordo senatorius. Terwijl de zonen der senatoren onder de republiek tot den ridderstand behoorden, kregen zij nu bij het aannemen der toga virilis den latus clavus, woonden, evenals van de oudste tijden wordt verhaald, de senaatsvergaderingen bij en erfden den stand van hun vader. Aldus omvatte de ordo senatorius thans de vrouwen, kinderen en nakomelingen der senatoren in de mannelijke lijn. De uitoefening der souvereiniteit, welke aan de comitien ontnomen was, werd aan den senaat overgedragen, die nu, buiten het bestuur der binnen- en buitenlandsche zaken, de keuze der overheden, de wetgeving en een deel der rechtsmacht in handen had \'). Het zou dus den schijn kunnen hebben, alsof de omvang der rechten van den senaat aanmerkelijk grooter

1) Tot de rechtspraak, welke aan den senaat werd opgedragen, behoorden o. a. misdrijven van senatoren en hunne iamilien, misdrijven tegen den staat of den persoon des keizers, klachten tegen de stadhouders en andere belangrijke crimineele processen.

-ocr page 143-

129

was dan in de da^en der republiek. Dit zou ook werkelijk het geval geweest zijn, indien Augustus hem niet door een dubbelen teugel geheel in bedwang had gehouden, vooreerst door de lectio senatus, en ten tweede door zich in alle zaken van belang het initiatief voor te behouden. Uit het midden van den senaat koos Augustus zich een kabinetsraad, consilium prin-cipis, waarin gewichtige aangelegenheden behandeld werden, alvorens in den senaat ter tafel te worden gebracht. Onder de volgende keizers werd de senaat meer en meer een slaafsch werktuig; vele belangrijke zaken werden alleen in het consilium afgedaan; in rechtszaken ontwikkelde zich het begrip, dat men zich van den senaat op den keizer kon beroepen, en zoo ging onder Hadrianus (117—138) de geheele wetgevende en rechterlijke werkzaamheid van den senaat op het consilium over, hetwelk in dien tijd ook niet meer uitsluitend uit senatoren bestond.

4. DE RIDDERSTAND.

Na den tweeden punischen oorlog waren de Romeinen gewoon, hunne ruiterij uit de bondgenooten te vormen, zoodat de equites equo publico als legerafdeelingen ophielden te bestaan. Zij waren echter als bestanddeel der comitiën in stand gebleven. Augustus nu zocht den ridderstand te reorganiseeren. De riddercensus van 400000 sestertiën, vroeger zeer aanzienlijk, gaf nu slechts een zeer matig vermogen aan, wegens de vermindering der waarde van het geld. Vandaar, dat een groot aantal burgers tot den ridderstand behoorden. Augustus nu liet de achttien cen-turiën equites equo publico bestaan onder denzelfden naam, hoewel er geen aes squestre meer gegeven werd. Zij werden echter verdeeld in zes t u r m a e, elke onder een s e v i r. Het werd vervolgens gebruik, dat de vermoedelijke troonsopvolger met den titel van princeps iuventutis aan het hoofd dezer equites stond. Onder deze equites equo publico schiep Augustus weder eene afzonderlijke klasse uit hen, die den sena-torischen census hadden en tot in den derden graad ingenui waren, en gaf hun den titel van equites illustres met het ius lati clavi. Uit de equites equo publico werden de stafofficieren,

Schlimmer, Rom. Atit., 5e druk. 9

-ocr page 144-

130

legaten, bevelhebbers der cohorten en legioenen gekozen; de keizers droegen hun verschillende lastgevingen en ambten op f en later hadden zij uitzicht op eene senatorsplaats. Door deze verheffing daalde de overige ridderschap des te meer in aanzien en verloor alle beteekenis; twee eeuwen na Christus droeg ieder vrijgeboren man den gouden ring. Alleen de libertini hadden hiertoe bijzondere vergunning noodig. Toen de zetel der regeering naar Byzantium verlegd werd, werden de turmae equitum eene eenvoudige stedelijke corporatie.

5. DE OUDE OVERHEDEN.

De censoren verdwenen te gelijk met den ondergang der republiek. Het consulaat bleef in naam bestaan, doch verloor langzamerhand zijne geheele beteekenis, en werd niets meer dan een eeretitel, die verleend werd om een persoon te onderscheiden en een geslacht als het ware te adelen. De keizer was regelmatig een der consuls. In 364 n. Chr. was Jovianus het tegelijk met zijn jeugdig zoontje. Deze opdracht van het consulaat aan den keizer dagteekent reeds van Caesar, die het consulaat voor 10 jaar aannam. Zijne opvolgers hielden zich aan deze gewoonte. Terwijl echter de duur van het ambt bij den keizer verlengd werd, werd hij bij andere personen ingekort, zoodat de suffectio ten laatste alle twee maanden plaats moest hebben. In het jaar 69 n. Chr. waren er 15 consuls, onder Commodus eens 25 con-sules designati. Ten einde de slaafsche eerzucht van nog meer personen te kunnen bevredigen, benoemden de keizers somtijds ook oudconsuls-titulair, consulares honorarii genoemd in tegenstelling der consulares consulatu functi. Wat het langst van het ambt bewaard bleef, was de voorzitting in den senaat. De praetoren, aedilen, quaestoren en tribuni plebis bleven als schaduwbeelden der vroegere waardigheid eveneens nog lang bestaan: de praetor urbanus tot aan den ondergang van het wes-tersche rijk, het tribunaat, natuurlijk zonder recht van verzet tegen den keizer, nog na den tijd van Constantijn den Groote.

Naarmate echter de honores in beteekenis afnamen, werden zij kostbaarder door de spelen en gelduitdeelingen, welke men

-ocr page 145-

131

verplicht was, aan het ontzenuwde en diep gezonken volk ten offer te brengen.

6. DE NIEUWE AMBTENAREN.

In den beginne hadden de keizers geen hofstoet. Het oorspronkelijke begrip, dat de keizer slechts een burger uit het midden der burgers was, aan wien men verschillende ambten had opgedragen, maakte dat hij, evenals andere burgers, voor zijne dagelijksche huiselijke bezigheden en huiselijke bediening slechts over de hulp van slaven en vrijgelatenen, niet van vrijgeborenen kon beschikken. Het gevolg was, dat het beheer van het groote keizerlijk vermogen en ook die bezigheden, welke — om een nieuweren term te bezigen — tot het keizerlijk kabinet behoorden, in handen van vrijgelatenen, liberti Caesaris, kwamen. Onder zwakke keizers speelden deze vrijgelatenen dikwerf eene groote rol, en al was het hun ook ontzegd, lid van den senaat of van den ridderstand te worden, hun invloed maakte hen soms tot het voorwerp der meest kruipende vleierij \'). Eerst Vitellius begon er mede, hofambten, ministeria prin-c i p i s, aan mannen uit den ridderstand op te dragen, welke regeling onder Hadrianus een duurzamen en volledigen vorm verkreeg. Toch bleef de invloed der vrijgelatenen bij de keizers groot, dewijl zij in de keizerlijke cubicula als cubicularii de omgeving bleven uitmaken. Hooge waardigheden bekleedden vrijgelatenen niet; bij uitzondering wordt vermeld, dat Claudius een vrijgelatene, Felix, tot procurator der provincie Judaea aan-

1) Wiilgelijk is het, wat men bij Tacitus (arm. XII. 53) leest omtrent de eerbewijzen, aan Claudius\'\' vrijgelatene Pallas toegokend. Nadat hem de insignia praetoria waren toegekend en een geschenk van 15 milliuen sestertiën, stelde een afstammeling van het oude geslacht der Scipio\'s voor, „grates publice agendas, quod, regibus Arcadiae ortus, veterrimam nobi-„litatem usui publico postponeret seque inter ministros principis haberi „sineret.quot; Claudius antwoordde, dat zijn vrijgelatene tevreden was met de eer_. doch wat het geld betrof, in zijne armoede wenschte te blijven (intra priorem paupertatem subsistere). De arme man bezat slechts een vermogen van 30 mm. sestertiën, destijds omstreeks ƒ 3 000 000.

9*

-ocr page 146-

132

stelde. Onder de nieuwe hooge ambten, door Augustus in het leven geroepen, staan die van den praefectus urbi en den prae-fectus praetorio bovenaan.

De praefectus urbi was bevelhebber over vijf cohorten politiesoldaten, cohortes urbanae, maar had bovendien eene groote macht in het bestuur der stad en in de rechtspraak. Zijne politiemacht strekte zich ook 100 mijlen buiten Rome uit en omvatte dus Tuscië, Campanie, Picenum en Umbrk.\'. Onder hem stonden de praefectus vigilum, die zeven cohortes vigilum onder zich had en opperhoofd van het brandwezen en de veiligheidspolitie was, en de praefectus annonae, die het oppertoezicht had over den korenaanvoer en het marktwezen.

De praefectus praetorio was oorspronkelijk de bevelhebber over de lijfwacht van negen cohortes praetoriae. Onder Augustus waren er twee, reeds onder Tiberius slechts één praefectus. Ofschoon door hunne eigenlijke betrekking van het bestuur verwijderd, verschafte toch hun dagelijksch, persoonlijk verkeer met den keizer hun weldra een grooten invloed daarop, en stelden zij de macht van den praefectus urbi geheel in de schaduw. Reeds onder Tiberius beschouwde men den praefectus praetorio als den eersten persoon na, sedert Commodus als een persoon naast den keizer.

Het bestuur over de schatkist of het aerarium had Augustus opgedragen aan twee praefecti aerario, onder toezicht van den senaat. Bovendien stelde hij nog een aerarium militare in, waarin sommige daartoe aangewezen belastingen vloeiden, en welke ook door praefecti werd beheerd. In de derde eeuw na Chr. smolt het geheele aerarium met den fiscus of keizerlijke schatkist te zamen, welke laatste niet onder toezicht van den senaat stond.

Naarmate de zaken van bestuur meer en meer zich in het keizerlijk kabinet ophoopten, werden er voor de kennisneming der ingekomen stukken en de uitvaardiging der besluiten meer personen vereischt en ontstond er langzamerhand eene geheele keizerlijke kanselarij, in verschillende bureaux of afdeelingen, scrinia, verdeeld. Zij, die hierbij werkzaam waren, ontleenden hun titel aan den aard hunner werkzaamheid, b. v. a libellis,

-ocr page 147-

133

ab epistulis, a rationibus. De chefs dezer afdeelingen, eerst vrijgelatenen der keizers, later ridders, heetten magistri scriniorum. De afdeeling a libellis natn kennis van verzoekschriften en aanvragen; die ab epistulis zorgde voor de uitgaande stukken en bevelen; onder Hadrianus werd zij in tweeën gesplitst, ab epistulis Latinis en ab epistulis Graeci s. De ambtenaren a rationibus voerden de boekhouding der keizerlijke inkomsten en uitgaven. Ook vindt men een scrinium memoriae vermeld, waaronder men het archief moet verstaan, en onder sommige keizers npg andere benamingen.

Vooral in het tijdperk, dat met de regeering van Diocletianus aanvangt, ontstond er eene reeks van hofambten, d i g n i t a t e s palatinae, die door Constantijn den Groote nog met eenige werden vermeerderd. Onder dezen keizer waren de hoogste grootwaardigheidsbekleeders, met den titel van i 11 u s t r e s, die als het ware het keizerlijk ministerie uitmaakten, de vier volgende : de quaestor sacri palatii, tot wiens bijzonderen werkkring wetgeving en justitie behoorden, de magister officiorum of hofmaarschalk, onder wien de mindere hofambtenaren stonden, en die later, onder Arcadius, belast werd met het beheer van de keizerlijke posterijen en van het oorlogs-materieel, de comes sacrarum largitionum of keizerlijk schatmeester, de comes rerum privatarum of administrateur van \'s keizers bijzonder vermogen. Hierop volgden, ook met den titel van illustres, de praepositus sacri cubi-c u 1 i of opperkamerheer en de beide bevelhebbers der keizerlijke lijfwacht, comités domesticorum, equitum en peditum. Dit waren de zeven hooge hofambten. Ook de praelecti der vier praefecturen, waarin Constantijn het geheele rijk verdeelde, waren illustres. Op de illustres volgden de spectabiles, waartoe o. a. de magistri en de op hen volgende proximi scriniorum behoorden. Na hen kwamen de clarissimi, waartoe o. a. de gouverneurs der meeste provinciën gerekend werden.

Sedert Diocletianus had het consilium principis zijn naam legen dien van consistorium principis verwisseld. Het bestond sedert niet meer uit senatoren, maar uit hooge ambtenaren. De zeven bovengenoemde hadden er ook zitting in.

-ocr page 148-

134

De laagste trap der hooge ambten bleef de quaestuur. De quaestoren werden aan de stadhouders of andere hooge personen toegevoegd als secretarissen of chefs van het kabinet. Zoo vindt men ook quaestores principis, keizerlijke secretarissen, die ook zijne brieven en redevoeringen in den senaat moesten voorlezen. Zij worden ook candidati principis genoemd.

Al deze nieuwe ambtenaren waren geene overheden meer in de oude beteekenis van het woord; zij hingen alleen van den keizer af, waren hem verantwoording schuldig en konden elk oogenblik door hem afgezet en vervangen worden. Een ander kenmerkend punt van verschil is, dat de nieuwe keizerlijke beambten eene vaste bezoldiging ontvingen.

7. DE KEIZER VERGODING. OVERGANG TOT HET CHRISTENDOM.

Eene belangrijke nieuwigheid in het keizerstijdperk is de keizer vergoding. Reeds bij zijn leven wilde men aan Caesar goddelijke eer bewijzen, na zijn dood werd hij bij senaatsbesluit tot d i v u s 1111 i u s verklaard. Schoon Augustus met groote gematigdheid en schier weerstrevend de goddelijke vereering aar-nam , zoo ligt toch reeds in den naam Augustus zelf de aanduiding van boven het overige menschdom niet slechts uit een staatkundig, maar ook uit een godsdienstig oogpunt verheven te zijn. Deze keizers vereering knoopt zich vast aan de vereering van den genius populi Romani; maar tevens ziet men hierin weder duidelijk oosterschen invloed, daar reeds vroeger syrische en aegyptische vorsten het voorbeeld hadden gegeven, om zich nog bij hun- leven als goddelijke wezens te laten eeren. Zóó kregen de keizers tempels, altaren, flamines en zelfs godennamen als bijnamen.

Overigens naderde het romeinsche veelgodendom zijne eenig mogelijke oplossing, n.1. de samensmelting van verschillende godheden tot ééne hoogste godheid. Nog éénmaal treedt Jupiter Optimus Maximus op den voorgrond, met de schoonklinkende namen van Summus, Exsuperantissimus, Excellentissimus en dgl. versierd. De hoofdgoden van verschillende volken worden met

-ocr page 149-

las

Jupiter vereenzelvigd, zoodat men zelfs een Jupiter Pennimis op den St. Bernard aantreft. Zoo werd ook de zonnegod van Heliopolis een Jupiter Heliopolitanus.

Ten slotte zijn er in de vierde eeuw na Chr. vier eerediensten, welke de andere op den achtergrond gedrongen hadden, die van Mithras, Cybele, Isis en de carthaagsche Virgo Caelestis. Van elk dezer godheden, en dit was ook met nog andere godheden het geval, werd beweerd, dat zij de eenige, veelnamige was, die op verschillende plaatsen onder verschillende vormen werd aangeroepen. Vooral kwam de dienst van Mithras of Mithra in eere, een perzischen lichtgod (niet te verwarren met Ormuzd, die den Romeinen onbekend schijnt te zijn gebleven). Sedert Antoninus Pius werd Mithras te Rome het meest gediend, en zelfs Constantijn de Groote hield hem in eere, ook na zijn overgang tot het Christendom. Door de neiging tot monotheïsme vond de leer van het Evangelie een bereiden bodem, en de hevigste vervolgingen onder verschillende keizers konden dan ook de uitbreiding der christelijke leer niet verhinderen. Dat het Christendom met alle macht bestreden werd, kan geene verwondering baren. De nieuwe leer toch ging niet uit van de aanzienlijken , maar van eene verachte volksklasse. De gelijkheid, welke zij predikte, was een doorn in het oog der regeering en der aristocratie; zij was eene revolutie. Dat Constantijn de Groote de christelijke leer tot godsdienst van den staat verhief, was eene daad van staatkunde. Een staatsgodsdienst werd noodig geacht, en het was natuurlijk, dat bij eene vergelijking tusschen het afgeleefde polytheïsme en het frissche, jeugdige Christendom de keuze ten voordeele van het laatste uitviel.

-ocr page 150-

IX. ITALIA EN DE PROVINCIËN.

I. MUNICIPIA, PRAEFECTURAE.

Tot aan den grooten marsischen of bondgenootenoorlog bestaat de roraeinsche republiek uit drie scherp gescheiden deelen: de romeinsche burgers, de italiaansche bondgenooten en de bewoners der overige gewesten, ra. a. w. uit Rome, Italia \') en de provinciën. Oorspronkelijk bestond de romeinsche staat slechts uit de stad Rome met het omliggende bij de stad behoorende land (urbs et ager Romanus); de staat en de gemeente waren één, en dit is zóó gebleven: Roma heeft nooit een afzonderlijke stedelijke administratie gehad; de huishouding en de kas der stad waren die van den staat; de stad vormde geen afgesloten geheel in den staat. De italiaansche gemeenten of civitates daarentegen vormden wel elke voor zich zulk een geheel, ook al waren zij door toekenning van het romeinsche burgerrecht onder de cives Romani ingelijfd. Zulke ingelijfde italiaansche steden heetten municipia, welke naam gewoonlijk wordt afgeleid van m u n i a, zekere verplichtingen, n.1. om als soldaat in de romeinsche gelederen dienst te doen en belasting te betalen. Heeft nu een municipium de civitas cum suffragio, dan zijn de burgers in eene tribus ingeschreven, en betalen volgens

1) Met Italia bedoelen wij niet Italië, maar het romeinsche Italia, tot aan den Rubico en de Macra.

-ocr page 151-

137

den census; doch is het een municipium sine suffragio, dan behooren de burgers daarvan tot de aerarii en betalen een hoofdgeld. Toen in 90 en 89 de lex lulia en de lex Plautia Papiria aan alle italische bondgenooten het burgerrecht cum suffragio toekenden, kreeg het woord municipium de beteekenis van eene romeinsche landstad met de volledige civitas.

Een municipium vormde in zijne inwendige aangelegenheden een kleinen vrijstaat: de inwoners worden onderscheiden in municipes, burgers van het municipium , en inco 1 ae , ingezetenen zonder municipaalburgerrecht. De municipia konden zeker het stadsburgerrecht niet verleenen aan vreemden, die het romeinsch burgerrecht niet bezaten , maar zij behoefden ook niet elk romeinsch burger uit andere steden, die zich bij hen kwam vestigen, tot stadsburger te maken. De municipes vormen den populus van het municipium; zij maken hunne wetten en kiezen de overheden. Wanneer nu municipes naar Rome verhuisden, konden zij des-verkiezende toch stadsburgers van hun municipium blijven en de daaraan verbonden plaatselijke rechten uitoefenen.

Elk municipium had zijne plaatselijke overheden, meest d u o v i ri of quattuorviri iuri dicundo geheeten. In sommige had men ook aedilen en quaestoren, ook censoren met den titel van viri quinquennales. Hier en daar vindt men enkele afwijkingen ; zoo stond b.v. te Aricia een dictator aan het hoofd. Ook vindt men in de municipia een gemeenteraad, senatus muni-cipalis, meestal echter ordo decurionum, ook wel kortweg ordo, later curia genoemd. Tegenover de decuriones staat de groote hoop als plebs; evenwel wordt soms nog een derde lid als tusschenstand vermeld, de Augustales; zoo vindt men b.v. de uitdrukking: ordo decurionum et Augustalium et plebs universa en derg. Zoover men kan nagaan, waren deze Augustales oorspronkelijk leden van vereenigingen tot viering en instandhouding van een Augustusdienst, een eeredicnst ter vereering van keizer Augustus en vervolgens ook van latere keizers. Tot de Augustales, wier hoofdlieden den naam van s e v i r dragen , behoorden ook vrijgelatenen.

In sommige municipia spraken, zooals uit den ambtstitel blijkt, de hoogste overheden recht. Naar andere evenwel werden

-ocr page 152-

138

van Rome uit praefecti gezonden om recht te spreken1), hetzij omdat de bevolking bij de inlijving uit bestanddeelen bestond aan wie het romeinsche recht vreemd was, hetzij omdat een plaatsje te klein was om er voortdurend geschikte personen te kunnen vinden, zoodat men het beter achtte, uit verschillende kleinere plaatsen één arrondissement te vormen, hetzij tot straf voor afval in den oorlog. Deels werden deze praefecti door het volk te Rome gekozen, n.1. de IVviri Capuam Cumas (blz. 94), deels werden zij door den praetor urbanus als diens gemachtigden uitgezonden. De plaatsen, waarheen zij gingen, heetten praefec-turae. Het spreekt van zelf, dat zulk een uit Rome gezonden praefectus hooger stond dan de plaatselijke overheid.

Conciliabula zijn plattelandsgemeenten zonder munici-paalrechten. Na den bondgenootenoorlog worden zij deels tot municipia verheven, deels bij de aangrenzende municipia ingelijfd.

2. COLONIAE CIVIUM ROMANORUM.

Wanneer de Romeinen een gewest ten onder hadden gebracht, volgden zij het italische gebruik, sommige steden aan romeinsche burgers toe te wijzen, ten einde zich daar met der woon te vestigen. Deze burgers werden dan met hunne gezinnen overgebracht, kregen woningen en land, en moesten als blijvende militaire bezetting dienst doen. Zulke coloniae, gelijk de Romeinen ze noemden, waren dus militaire posten, propugnacula imperii, welke Rome als het ware vooruitschoof, en die ontzaggelijk veel hebben bijgedragen om romeinsche heerschappij, taal en zeden te verbreiden. De coloniae civium Romanorum lagen bijna alle aan zee. Daar in den tijd, waarin de vestiging dezer koloniën valt, het leger uit de bezittende burgers der vijt klassen bestond (eerst Marius nam de proletariërs er in op), zoo spreekt het van zelf, dat de coloni niet tot de on vermogenden behoorden. Zij bleven cives cum suffragio et iure honorum, ofschoon de afstand van Rome hen in de uitoefening van hun stemrecht zeer belemmerde; de oude inwoners, inquilini,

1

Wel te verstaan in civiele zaken.

-ocr page 153-

139

werden eerst als dediticii., overwonnelingen, beschouwd, en kunnen dus geen burgerrecht gehad hebben. Evenwel werd nu en dan ook aan deze toegestaan, zich als coloni te laten inschrijven, en ten slotte kregen ook zij de civitas. Toen geheel Italia het burgerrecht bezat, hadden de coloniae geene militaire betee-kenis meer.

Sedert den tijd der Gracchen vestigde men ook coloniae, meest buiten Italia, ten einde arme burgers aan land te helpen en op deze wijze het proletariaat te Rome te verminderen. Onder de oudste dezer akkerkolonien behoorden Mutina en Parma in Gallia Cisalpina. — In de burgeroorlogen werd het gewoonte, ontslagen soldaten met landbezit te beloonen. Op deze wijze verdeelde Sulla niet alleen vele landerijen, die geen eigenaars meer hadden, onder zijne veteranen, maar ook den grond van verschillende steden, welke de partij van Marius waren toegedaan geweest. Zoo werd ook de dichter Virgilius tweemaal uit huis en hot verdreven, toen Octavianus in 41 en 40 v. Chr. acht steden in transpadaansch Gallia, tot straf voor hunne toewijding aan de zaak van Brutus en Cassius, aan zijne legioenen toewees. Dit zijn de coloniae veteranorum.

De oorspronkelijke aard der coloniae als militaire posten bracht mede, dat de geheele wijze van inrichting op militairen grondslag rustte. De kolonisten werden door speciale commissarissen, meest drie in getal, Illviri coloniae deducendae, sub signis naar de plaats hunner bestemming gevoerd, namen daar bezit van de hun toegewezen landerijen en woningen en richtten vervolgens hun gemeentebestuur in.

3. CIVITATES FOEDERATAE. SOCII. NOMEN LATINUM.

De ouden erkenden geen recht tusschen volken en volken, ius gentium, in den nieuweren zin, zonder een gesloten verdrag. Berustte dit op volkomen gelijkstelling der contracteerende partijen , zoodat er wederkeerig verkeer en gelijkheid van privaatrecht tusschen de burgers van beide staten bepaald was, dan heette dit een foedus aequum. Zulk een foedus hadden de Romeinen in 493 v. Chr. met de Latijnen gesloten, waariu de Hernikcn

-ocr page 154-

140

in 486 als derde lid werden opgenomen, doch dat later weder verbroken was. Na de samnitische oorlogen en de geheele onderwerping der Latijnen in 337, komt de naam van foedus aequum nog meermalen voor, doch de betrekking van volkomen gelijkheid (iaomliTiia) bestond niet meer, en de civitates foederatae waren in een meer of min van Rome afhankelijken toestand gebracht, doch altijd onder den naam van s o c ii. Hun toestand was echter niet altijd ongelukkig, hetgeen onder anderen daaruit kan blijken, dat Neapolis en Heraclea, na den bondgenootenoorlog, niet dan ongaarne de civitas aannamen \').

Toen, na het einde der samnitische oorlogen, geheel Italia het romeinsche juk moest dragen, werden alle volken en steden, welke niet als municipien bij Rome werden ingelijfd, onder de bondgenooten opgenomen, doch niet allen op gelijken voet. De toestand der Latijnen bleef een bevoorrechte toestand, ius Latii geheeten, welke in vervolg van tijd ook aan enkele andere steden van het overige Italia werd toegestaan, tot belooning voor hechte trouw of bewezen diensten. Alle italische civitates foederatae moesten in den oorlog de Romeinen met geld en troepen ondersteunen , de bevelen van den senaat ten uitvoer leggen en de majesteit des romeinschen volks erkennen. Terwijl het ius Latii een vaste toestand was, waren de verdragen tusschen de overige italische bondgenooten en Rome zeer verschillend.

Coloniae Latinae. De gewoonte, koloniën uit te zenden als militaire bezetting, was in Italië algemeen. Het latijnsche stedenverbond , waarin Rome reeds in het tijdperk der koningen de hoofdrol speelde, zond dus ook nu en dan koloniën uit. Dit Is de eerste periode der latijnsche koloniën. De tweede periode omvat de jaren 493—-340, d. i. van de vestiging van het romeinsch-latijnsch-hernicisch verbond tot aan den laatsten en beslissenden strijd met Latium. In dit tijdperk zonden de verbonden volken te samen bondskolonien uit. Het derde tijdperk begint met 338. De Romeinen stichtten van toen af meermalen koloniën, welke

1) Cic. pro Balbo, 8. 21. magna contentio Heracleensium et Neapoli-tanorum tuit, cum magna pars in iis civitatibus foederis sui libertatem eivitati anteferret.

-ocr page 155-

141

zij met Latijnen bevolkten en waaraan zij het latijnsche recht toekenden. In onderscheiding der vorige latijnsche koloniën worden deze laatste coloniae latinae populi Romani genoemd. De romeinsche burgers zeiven betoonden in den regel weinig lust, als kolonisten uit te trekken. Het aantal latijnsche koloniën bedroeg 39, waaronder Ariminum, Brundisium, Cremona, Placentia. Ook Romeinen konden zich in zulke koloniën laten inschrijven, doch verwisselden dan tevens hun romeinsch burgerrecht met het ius Latinum of ius Latii.

De bondgenooten, wien het ius Latii was toegekend, hadden boven de overige dit voorrecht, dat zij het romeinsche conu-bium en commercium bezaten en onder zekere voorwaarden de romeinsche civitas konden verwerven, n.1. wanneer een Latinus zich te Rome vestigde met achterlating van een zoon, opdat de stam niet zou uitsterven en de latijnsche steden niet ontvolkt zouden worden. Ook wanneer een Latijn in zijne stad een magistraatsambt bekleed had — in sommige plaatsen zelfs wanneer hij tot de ordo decurionum behoorde — kon hij op het romeinsche burgerrecht aanspraak maken.

Omtrent het verleenen van commercium en conubium valt nog het volgende op te merken. Wanneer Rome deze rechten aan s o c i i schonk, dan volgt hieruit nog niet, dat deze bondgenooten ook onderling deze rechten mochten uitoefenen. Rome sloot met elke stad een afzonderlijk verdrag en kon aan verschillende steden het commercium en conubium met Romeinen toestaan, maar tusschen de eene en de andere stad verbieden, ten einde aldus den ouderlingen band te verbreken. Dit is het dividere et imperare. Het gemis van commercium moet niet zóó opgevat worden, da\', men niet te Rome kon handelen, koopen en verkoopen. Het zwaartepunt ligt in het testament- en erfrecht. Wie geen commercium bezat, kon niet van een Romein erven. Misschien werd soms wel commercium verleend met uitsluiting van erfrecht.

In de romeinsche legers dienden de Latijnen afgescheiden van de andere socii, onder den naam van nomen Latinum.

-ocr page 156-

142

T .

4. VERLEENING VAN HET BURGERRECHT AAN ITALIA.

Nadat het tribunaat van Tiberius Gracchus en de hierdoor verwekte onlusten de eigenlijke zwakheid der romeinsche republiek,

vooral door het gebrek aan een gezeten middelstand, duidelijk in het oog hadden doen vallen, deed de consul M. Fulvius 1

Flaccus, 125 v. Chr., te vergeefs den voorslag, aan alle bond-genooten binnen Italia het burgerrecht te verleenen. Even vruchteloos liep de poging, daartoe door C. Gracchus aangewend, af. De toestand van Italia was in dien tijd allerellendigst 1); het was geheel aan de willekeur van romeinsche naagistraten, ja zelfs van privaatpersonen prijs gegeven. In 91 v. Chr. herhaalde de volkstribuun M. Livius Drusus het voorstel. Deze werd op straat vermoord , en nu verhief zich de massa der bondgenooten, en de marsische of bondgenootenoorlog ontstond, nadat hunne eischen door senaat en volk waren afgewezen. Zij stichtten eene foede-ratieve republiek, onder den naam Italica, met Corfinium, dat mede Itaiica gedoopt werd, tot hoofdstad, en kozen twee consuls, 12 praetoren en 500 senatoren uit alle verbonden volken. Nu werd in haast, in 90 v. Chr., door de lex lulia van den consul L. Julius Caesar, het burgerrecht aan de getrouw gebleven steden verleend en in het volgend jaar werden door de lex Plautia Papiria alle burgers van verbonden staten, si qui foederatis civi-tatibus adscripti essent, wanneer zij zich daartoe aanmeldden, in den romeinschen staat als burgers opgenomen. Zoo omvatte dan het romeinsche burgerrecht, nadat de opgestane volken hadden moeten zwichten, alle volken van Italia, van de zuidelijke spits af tot aan den Rubico en de Macra. In hetzelfde jaar nog (89)

werd het door de lex Pompeia ook aan de cispadaansche Galliërs geschonken, terwijl het in Italia verdwenen ius Latii aan de

i

1

Aulus Gellius haalt X. 3 eene plaats uit de lederoering van C.

Gracclms aan, waaruit blijkt, hoe een romeinsch consul, omdat aan een dollen inval zijner vrouw niet spoedig genoeg naar haar zin voldaan was, een aanzienlijk persoon (waarschijnlijk den eersten magistraat) te Teannm Sidicinum op de markt met roeden liet geeselen. . j

-ocr page 157-

143

Galliërs over den Po werd gegeven. In 49 eindelijk werden ook de transpadaansche Galliërs door Caesar in de civitas opgenomen. Toch bleef Gallia Cisalpina nog provincie tot in 43 v. C. en bood dus het vreemde verschijnsel aan eener provincie, met romeinsche burgers bevolkt. De lex Rubria eerst gaf er in 43 aan de municipale overheden eene, nog vrij beperkte, civiele jurisdictie. Het ius Latii komt nu nog alleen in de provinciën voor, waar het aan sommige plaatsen en volken wordt gegeven als een middentoestand tusschen cives en dediticii.

5. PEREGRINI. DEDITICII.

In den oudsten tijd werden alle buitenlanders te Rome hostes genoemd, later peregrini. Daar de vreemdelingen volgens het oude rechtsbegrip geene aanspraak op wetsbescherming hadden, tenzij een romeinsch burger als patronus voor hen optrad, begaven somtijds geheele volken zich in de clientela eener romeinsche familie, welke dan hunne belangen te Rome behartigde, zooals b.v. de Metelli de patroni der Sicilianen waren. Toen de romeinsche staat zich uitbreidde en het verkeer met buitenlandsche staten levendig toenam , werden met deze herhaaldelijk foedera gesloten, waarbij dan ook de rechtstoestand der peregrini geregeld werd, zoodat er ongeveer derdehalve eeuw vóór Chr. een afzonderlijk overheidspersoon werd benoemd voor de geschillen tusschen Romeinen en peregrini. Persoonlijk waren de peregrini vrij; zij hadden echter noch commercium noch conubium te Rome; zij konden derhalve geen streng romeinsch eigendom bezitten, en alleen koopen en verkoopen, zoover het ius gentium zulks toeliet.

Dediticii waren de bewoners van overwonnen gewesten, die zich op genade of ongenade hadden moeten overgeven en wier lot door eene speciale wet geregeld werd. Tot deze klasse behoorde verreweg het grootste gedeelte der provinciën.

6. DE PROVINCIËN.

In de provinciën onderscheidde men vrije steden of gemeenten (civitates), steden met romeinsche inrichting en provinciesteden.

-ocr page 158-

144

De vrije gemeenten waren óf civitates liberae et foederatae, welke in der tijd vrijwillig tot een bondgenootschap met Rome waren toegetreden, zooals Massilia, Athenae, Rhodus, en op Sicilië de steden Messana, Netum en Tauroraenium, en wier vrijheid dus op een van weerszijden bezworen foedus berustte, — of civitates liberae, wien de vrijheid door eene wet of een senaatsbesluit geschonken was, hetzij als maatregel van staatkunde, hetzij als belooning voor bewezen trouw of vrijwillige onderwerping. Terwijl de civitates foederatae vrij van romeinsche belasting waren , rustten op de gewone civitates liberae geldelijke lasten en verplichtingen, tenzij zij uitdrukkelijk hiervan vrijgesteld en dus civitates liberae et immunes waren, alleen tot buitengewone diensten verplicht. De civitates liberae, hetzij foederatae of niet, hadden haar eigen rechtspraak, naar eigen wetten, waaraan ook de inwonende Romeinen onderworpen waren; de stadhouder der provincie had geen recht, zich in de iurisdictio dezer steden te mengen, weshalve hij er ook zonder lictoren verscheen. Verder hadden zij den vollen eigendom van hunnen grond en betaalden alzoo geene grondbelasting aan Rome. Met het eindigen der republiek werd het woord civitas libera een ij dele naam. — De steden met romeinsche inrichtingen, d. i. koloniën, municipia en steden met het ius Latii, waren van de steden in Italia in den beginne alleen daardoor onderscheiden , dat zij grondbelasting aan Rome betalen moesten. — De provinciesteden en kleinere gemeenten, rechtstreeks aan het imperium eens landvoogds onderworpen, konden wel hare volksvergadering, haren senaat en hare eigene overheden hebben, maar waren ook in de minst beteekenende zaken geheel van de willekeur des stadhouders afhankelijk.

Eene der belangrijkste werkzaamheden van den stadhouder was de rechtspraak. Hij oefende de civiele rechtspraak uit in geschillen tusschen romeinsche burgers in de provincie, natuurlijk volgens romeinsch recht en op dezelfde wijze als de praetor urbanus zulks te Rome deed, — vervolgens trad hij in geschillen tusschen Romeinen en peregrinen op gelijke wijze op als de praetor inter peregrinos te Rome. Ook berechtte hij geschillen tusschen de provincialen onderling, voor zoover die niet door inlandsche

-ocr page 159-

145

rechtbanken werden beslecht (elke provincie had hare eigene constitutie, door den rotneinschen senaat of eene commissie uit zijn midden vastgesteld). In crimineele zaken was de rechtsmacht van den praetor over c i v e s beperkt door de provocatio. over de provinciales echter niet. De provincie was verdeeld in districten, conventus, en in de hoofdplaatsen daarvan hield de stadhouder op bepaalde tijden rechtsdag (conventum agere, forum agere. Conventus beteekent ook de saamgekomen menigte. Onder conventus civium Romano r u m verstaat men eene corporatie, uit de c i v e s van het distrikt bestaande, de romeinsche gemeente.

Wanneer een onderworpen land tot provincie gemaakt werd, werd het in den regel in een aantal distrikten verdeeld, welke dan zooveel mogelijk eene of andere belangrijke stad tot middelpunt en hoofdplaats hadden; doch tevens werd het er op toegelegd. de oude betrekkingen op te heffen, welke tusschen de verschillende deelen bestonden, zoodat elk deel als eene afzonderlijke gemeente of civitas tegenover Rome stond. Zoo vond men op Sicilia tusschen 60 en 70 civitates, onderling zonder commercium; slechts de burgers van Centuripae hadden het recht, in alle sicilische gemeenten grondbezit te hebben. Zoo werd, in 168 v. Chr., Macedonia als overgangsmaatregel in vier republieken gesplitst, zonder commercium of conubium met elkander. In Tarraconensis telde men 472 plaatsen, in 179 civitates verdeeld. De romeinsche burger had echter het commercium door het geheele rijk heen, en zoo gingen groote stukken gronds ook in de provinciën gemakkelijk in romeinsche handen over, zóó zelfs, dat onder keizer Nero de helft der provincie Africa (het oude carthaagsche gebied) in handen van een zestal romeinsche grondbezitters was. Sommige civitates omvatten een betrekkelijk groot gebied; zoo waren o. a. aan Athenae Lemnos, Paros, Delos, Imbros, Scyros en enkele kleinere eilanden toegewezen.

7. DE STADHOUDERS EN HUN GEVOLG.

Oorspronkelijk werd naar een land, waar oorlog gevoerd werd, óf een der consuls óf een buitengewoon opperbevelhebber met

Schlimmer, Rora. Anf., 5e druk. 10

-ocr page 160-

146

den titel „pro consulequot; gezonden. Sedert den tweeden mithrada-tischen oorlog verlieten de consuls gedurende hun ambtsjaar de stad niet meer, maar werden zij alleen na afloop daarvan naar eene provincie gezonden. Het steeds aangroeiend getal provinciën vereischte echter voortdurend meer magistraten. In 227 waren tot bestuur van Sicilia eu Sardinia twee praetoren gekozen. Na de onderwerping van Hispania in 197 kwamen er voor de beide nieuwe provinciën weder twee bij. Doch na de instelling der quaestiones perpetuae bleven de zes praetoren gedurende hun ambtsjaar te Rome, en gingen eerst in het daarop volgende „pro praetorequot; naar eene provincie. Of eene provincie door een proconsul of een propraetor zou bestuurd worden, hing af van het belang voor het oogenblik, van het gevaarlijke van een gevoerden of te voeren\' oorlog of van de talrijkheid van het benoodigde leger, en de beslissing hierover stond natuurlijk aan den senaat. De proconsul werd door 12, de propraetor door 6 lictoren met de fasces et secures voorafgegaan. In den regel duurde hun ambt slechts een jaar; het werd echter dikwijls als buitengewone maatregel verlengd. Gedurende den tijd der republiek was het den stadhouder niet vergund zijne vrouw naar de provincie mede te nemen.

Hoewel in den regel het proconsulaat en de propraetuur door verlenging van het imperium ontstonden, hadden er toch enkele afwijkingen plaats, zooals het geval was met P. Cornelius Scipio in 211 en Cn. Pompejus Magnus in 77, die beiden naar His-panie gezonden werden, zonder nog eenig ambt bekleed te hebben. De titels pro consule, pro praetore, enz. beteekenen iemand, die wel geen magistratus populi Romani is, maar met consulair ol praetorisch gezag is bekleed voor een hem aangewezen gewest.

De senaat benoemde, meest op voordracht van den stadhouder, één of meer legati van senatorischen rang, om hem ter zijde te staan. Een der quaestoren1), door het lot daartoe aangewezen, en eene cohors praetoria, jongelieden van goeden huize, die hun fortuin wilden maken en als secretarissen, adjudanten enz. dienst deden, vergezelden hem. Buitendien had de stadhouder

1

Sicilië had twee (juaestoren, een te Lilybaeum en een te Syracusae.

-ocr page 161-

147

nog lictores, praecones, scribae, interpretes, accensi, haruspices, apparitores, medici, cubicularii enz. bij zich. De quaestor ontving de gelden, welke zijne ambtgenooten te Rome hem overmaakten, inde de belastingen, en deed op bevel des stadhouders de noodige uitbetalingen. Somtijds werd hij ook wel aan het hoofd eener legerafdeeiing uitgezonden. De band tusschen den stadhouder en zijn quaestor was min of meer heilig, als het ware als tusschen vader en zoon. Bij overlijden of ontstentenis van den stadhouder nam de quaestor ambtshalve diens ambt waar. De legaten, welke betrekking zelfs oud-consuls gaarne aannamen, werden gebruikt als luitenant-gouverneurs en brigadegeneraals. Deze legaten moeten wel onderscheiden worden van de tien legati, die de senaat als commissie uit zijn midden benoemde, om, wanneer een gewest tot provincie was gemaakt, gezamenlijk met den veldheer het bestuur aldaar te organiseeren en onder goedkeuring van den senaat de zoogenaamde lex provinciae vast te stellen.

8. VERDRUKKING DER PROVINCIËN.

De geheele inrichting van het romeinsche provinciewezen was niet berekend op het belang der wingewesten. Bijna elk jaar bracht een nieuwen landvoogd aan; of hij geschiktheid bezat, werd niet gevraagd; de landvoogdij was een noodzakelijk gevolg van het ambt, te Rome door hem bekleed. Hij kwam in de provincie als vreemdeling, onbekend met hare eigenaardigheden en behoeften, dikwerf hare taal niet machtig; hij kwam er dikwijls om zich te verrijken of zijn geschokt fortuin te herstellen, met een talrijk gevolg, hetwelk ook een aandeel aan den buit begeerde. En ook al was hij eerlijk, hoe kon hij hart hebben voor een land, waar hij toch slechts één of twee jaren zou verblijven? Bovendien ontbrak hem de tijd, om iets goeds, althans iets duurzaams tot stand te brengen. Er was echter nog eene oorzaak, welke den bestgezinden en ijverigsten stadhouder in zijne pogingen belemmerde: hij moest rekening houden met de machtige vennootschappen der publicani, voor wie de provinciën slechts eene geldzaak waren en die, waar hunne belangen be-

10*

-ocr page 162-

148

dreigd werden, altijd ééne lijn trokken. Zoo werd in 93 v. Chr. zekere P. Rutilius Rufus, legaat van den stadhouder Q. Mucins Scaevola, van afpersingen aangeklaagd en veroordeeld, hoewel Livius en Cicero zijne onschuld betuigen, en deze aanklacht geschiedde uit wraak, omdat hij in Asia met zijn stadhouder de afpersingen der publicani krachtig was te keer gegaan. Zoo wist de ridderstand te Rome te bewerken, dat L. Licinius Lucullus, die hun woeker te keer ging, uit Asia teruggeroepen en door Pompejus vervangen werd.

Om een staaltje te geven van den woeker, dien de publicani dreven, diene het volgende. De provincie Asia had, omdat zij in den eersten mithradatischen oorlog de partij des konings had gekozen, eene boete van 20000 talenten moeten opbrengen. Zij had dit geld moeten opnemen tegen zulk eene rente, dat na 14 jaren tijds het kapitaal met den interest eene som van 120000 talenten bedroeg. De geldschieters — wederom de publicani — gingen met zulk eene hardheid en wreedheid te werk, dat de inwoners niet slechts hunne tempelsieraden en beelden, maar zelfs hunne kinderen moesten verkoopen, om aan de door hunne schuldeischers uitgedachte martelingen te ontkomen. — De stad Salamis, op het eiland Cyprus, had van twee geldschieters ge;d geleend tegen 4 pet. \'s maands, en toen de schuld vier jaren oud was, eischten de geldleeners niet alleen 48 pet. voor elk jaar, maar zelfs rente op rente, en wisten, daar de Salaminiörs niet bij machte waren, dit bedrag te voldoen, van den romein-schen stadhouder ruiters te verkrijgen, ten einde de gemeente tot betaling te dwingen. De senaat van Salamis werd gevangen genomen en zóólang zonder voedsel opgesloten, dat enkelen van honger omkwamen.

9. ITALIË EN DE PROVINCIËN ONDER DE KEIZERS.

Door het overgaan der souvereiniteit van het volk op de principes, werd het verschil tusschen burgers en nietburgers voortdurend geringer, daar beiden tot den keizer in de verhouding van onderdanen tegenover den vorst kwamen. Reeds Augustus deed een eersten stap tot gelijkstelling van Italië met de pro-

-ocr page 163-

149

vinciëa, door een census te houden, welke het geheele rijk omvatte en waarbij niet meer op iederen burger de verplichting rustte, zich te Rome te doen censeeren, maar het vasteland van Italië, met uitzondering van Rome zelf, in elf regiones werd verdeeld. Constantijn de Groote voegde later aan Italia nog Rhaetia en de eilanden Sicilia, Sardinia en Corsica toe. In het jaar 27 v. Chr. bracht Augustus eene verdeeling der provinciën in keizerlijke en senatorische tot stand. Die, welke de voortdurende aanwezigheid eener legermacht vereischten, werden p r o-vinciae principis; hij zond er in zijn naam stadhouders heen, legati Augusti of legati Caesaris. De legati Caesaris, die slechts één legioen onder hun bevel hadden, droegen den titel legati praetorii; zij, die meer legioenen hadden, werden legati consulares geheeten, terwijl de algemeene titel van beide klassen legati pro praetore was. Deze stadhouders hadden zooveel legati legionis onder zich, als zij legioenen hadden. In plaats van quaestoren hadden zij zoogenaamde procuratores Caesaris, sedert Diocle-tianus rationales genoemd. Eene andere soort van keizerlijke provinciën vormden die, welke om eene of andere reden niet of nog niet geschikt werden geacht, om er de provinciale inrichting of het romeinsche recht op toe te passen. Zij werden als keizerlijke domeingoederen behandeld en bestuurd door procuratores, wel te onderscheiden van de bovengenoemde procuratoren, die de vroegere quaestoren vervingen. Tot onderscheiding werdën de procuratoren, die aan het hoofd eener provincie stonden, procuratores cum iure gladii of procuratores pro legato genoemd. De stadhouder van Aegypte droeg den titel van p r a e f e c t u s Augustalis. In dit gewest , dat èn als korenschuur van Rome èn om zijne strategische ligging van groot belang was, was het geheele bestuur gebleven, zooals het onder de Ptolemaeën was geweest. De legati pro praetore Augusti hadden zes lictoren; depraefectus A e g y p t i had wel een imperium ad similitudinem proconsulis, doch geene lictoren, daar de Ptolemaeen ook geene gebezigd hadden. Deze stadhouder werd uit de equites gekozen. Om te voorkomen, dat Aegypte een broeinest van ontevreden Romeinen

-ocr page 164-

150

zou worden, mocht geen Romein zonder verlof den aegyptischen bodem betreden, en senatoren en equites illustres in het geheel niet.

Van de senatorische provinciën, provinciaesenatus, waren Asia en Africa consulair, weshalve de stadhouders er twaalf lictoren hadden. De overige provinciën werden door prae-toren geregeerd, wel met den titel pro consule, doch met slechts zes lictoren. De stadhouders der senatorische gewesten trokken nu ook niet meer, zooals vroeger, Rome uit, in den veldheersmantel gehuld (p a 1 u d a t i), maar togati, als bewijs, dat zij geen militair kommando meer hadden; zij hadden slechts eene kleine troepenafdeeling onder zich, zooveel als noodig scheen ter handhaving der rust.

Onder de keizers komt het meermalen voor, dat aan steden en provinciën het zoogenaamde ius italicum werd verleend. Dit ius italicum stelde den grond der stad gelijk met itali-aanschen grond, welke laatste in quiritischen eigendom kon bezeten worden en vrij was van grondlasten. De stad kreeg dan tevens het romeinsch burgerrecht, wanneer zij dit nog niet bezat. Men houde in het oog, dat het ius italicum een recht was, niet aan personen, maar bepaald aan den grond toegekend, dus eene immunitas van den bodem, zoodat uit het bezit van het romeinsche burgerrecht door de inwoners eener niet-italiaansche stad nog volstrekt niet voortvloeit, dat deze stad ook het ius italicum moet hebben.

De bezoldiging der keizerlijke stadhouders en het scherp toezicht, waaronder zij stonden, was voor de provinciën eene ware verlichting. Bovendien deden sommige keizers reizen door hun gebied, ten einde zich in persoon van de naleving hunner bevelen te overtuigen.

Caracalla gaf aan alle provinciën het romeinsche burgerrecht, zoodat het onderscheid tusschen Italianen en provincialen ophield te bestaan en eigenlijk het geheele rijk provincie werd (212 na Chr.). De reden van dezen maatregel was hoofdzakelijk, dat hij de vicesima hereditatum, een successierecht van 5 pet. op romeinsche erfenissen, over het geheele rijk wenschte te innen.

Onder Diocletianus verloor Italië zijn vrijdom van grondlasten.

-ocr page 165-

151

Het geheele rijk werd toen gekadastreerd en in capita ot stukken van 400 000 as waarde verdeeld, die derhalve kleiner of grooter waren, naarmate de bodem meer of minder waarde had. Dit kadaster werd om de vijftien jaar herzien.

IO. DE INDEELING VAN HET RIJK ONDER CONSTANTIJN DEX GROOTE.

Onder Diocletianus (284—306 na Chr.) werd het rijk in vier groote praefecturen verdeeld (blz. 127), welke verdeeling onder Constantijn den Groote volledig werd georganiseerd. Ten gevolge van de verheffing van Constantinopel als de nieuwe hoofdstad van het rijk, kreeg elke der beide hoofdsteden nu haren senaat en haren praefectus urbi met den rang van illustris. De macht der praefecti praetorio, die zoo dikwijls voor den keizer zeiven gevaarlijk geweest waren, dikwijls keizers aangesteld en afgezet hadden, werd door splitsing gebroken, daar de keizer er vier met den rang van i 11 u s tres, doch zonder eenig militair bewind benoemde en ze aan het hoofd der vier praefecturae — Orientis, Illyrici, Galliarum en Italiae — plaatste. De cohortes praetoriae werden ontbonden. De vier praefecturae werden in 13 diocesen en 116 provinciën verdeeld1). Aan het hoofd van eene dioecese stond een v i c a r i u s met den rang van s p e c-t a b i 1 i s, en aan jiet hoofd der provinciën rectores (soms ook met een anderen titel), die tot de clarissimi behoorden. Al deze hoogere en lagere gouverneurs hadden alleen rechterlijke en administratieve macht, doch het militair kommando bleef streng gescheiden van het burgerlijk bestuur.

1

Het stedelijk gebied van Rome en van Constantinopel bleef hiervan uitgezonderd.

-ocr page 166-

X. RECHT EN RECHTSPRAAK.

i. ius.

De Romeinen onderscheidden ius publicum en ius privatum \'); doch het eerstgenoemde, het romeinsche staatsrecht, is door de romeinsche juristen niet als afzonderlijk geheel bewerkt, doch slechts hier en daar, als het ware in het voorbijgaan, aan de behandeling van het privaatrecht toegevoegd Het ius privatum wordt weder onderscheiden in ius civile en i u s gentium 1). Het ius civile Romanorum omvat de rechten, welke de romeinsche wetgeving aan de Romeinen onderling toekende. Het ius gentium evenwel moet niet verward worden met hetgeen wij gewoon zijn volkenrecht te noemen; het was slechts het romeinsche peregrinenrecht. Wij hebben er reeds vroeger (blz. 5 , 139) op gewezen, dat strikt genomen een peregrinus te Rome geen rechten kon doen gelden, tenzij er tusschen zijn staat en Rome een verdrag bestond. Doch deze toestand was bij het toenemend handelsverkeer onhoudbaar, en men moest er

1

Ibid. I. 2. 1: quod quisque populus ipse sibi ius constituit, id ipsius proprium civitatis est vocaturque ius civile, quasi ius proprium ipsius civitatis; quod vero naturalis ratio inter omnes homines constituit, id apud omnes populos peraeque custoditur, vocaturque ius gentium, quasi quo iure omnes gentes utuntur. Vgl. Gai. I.\'fl.

-ocr page 167-

153

dus wel toe komen, voor het verkeer tusschen Romeinen en peregrini rechtsbepalingen in het leven te roepen, niet op het ius civile, maar op de billijkheid, aequitas, steunende, en zich aan het bij vreemde volken algemeen heerschende recht aansluitende. Daar nu echter het oudste ius civile veel meer dan billijk was aan de strenge inachtneming van bepaald voorgeschreven vormen gebonden was en de geringste fout daartegen het onherroepelijk verlies van een proces na zich kon slepen, zoo zouden de ro-meinsche burgers in eene ongunstiger positie dan de peregrini gekomen zijn, zoo niet veel uit het ius gentium in het ius civile ware overgenomen.

Als geldige bronnen van recht noemt de jurist Gajus, die in het tijdperk der Antonijnen leefde en wiens Institutionum iuris civilis commentarii IV door Niebuhr zijn teruggevonden : wetten, plebiscieten, senaatsbesluiten, verordeningen der keizers, edicten van bevoegde overheidspersonen en adviezen van rechtsgeleerden. Bij enkele dezer bronnen moeten wij een oogenblik stilstaan.

Vóór de invoering van de wetten der twaalf tafelen was er te Rome geen geschreven recht, en de genoemde wetten zeiven vormden geen volledig uitgewerkt wetboek, doch waren niets meer dan de grondwet van het recht. Latere wetten en senaatsbesluiten raakten slechts bij zeer zeldzame uitzondering het ius civile. De taak, om dit laatste naar gelang der behoefte en der opgedane ondervinding uit te breiden, aan te vullen en met de eischen van den tijd in overeenstemming te brengen, rustte op den praetor urbanus.

Even als elke magistraat het ius edicendi had, d. i. het recht, bij edict verordeningen af te kondigen binnen den hem toegewezen werkkring, zoo had ook de praetor de bevoegdheid, bepalingen te maken omtrent de wijze, waarop hij de rechtspraak wilde behandelen. Natuurlijk moest hij zich houden aan het geschreven recht, aan de wetten der twaalf tafelen, de overige wetten, senaatsbesluiten; maar hij kon hieraan uitbreiding geven. Zoo hadden, om een voorbeeld te noemen, de wetten der twaalf tafelen bepaald, dat de fur manifestus den bestolene als slaaf zou worden toegewezen, tenzij hij zich vrijkocht. De praetoren nu

-ocr page 168-

154

stelden deze afkoopsom vast op het vierdubbel der waarde van het gestolene. De praetor urbanus had vóór zijn huis een wit houten bord, album, waarop hij bij het aanvaarden van zijn ambt zijn edict neerschreef, na het in een consilium van vrienden en rechtskundigen overwogen te hebben. Zóó ontstond het lus praetorium1) of honorarium; want daar deze edicten gegrondvest waren op de ervaring, welke men opdeed van de behoefte aan uitbreiding of verbetering der bestaande rechtsbepalingen, namen de praetoren in den regel de edicten hunner voorgangers over. De praetor kon evenwel niet willekeurig vaststellen, wat hij wilde; voerde hij in zijn edict nieuwigheden in, dan moesten deze in overeenstemming zijn met het sterk ontwikkelde rechtsbewustzijn des romeinschen volks. Hij maakte in zijn edict niet bekend, wat voortaan recht zou wezen, dewijl hij natuurlijk geen recht kon scheppen; doch hij ediceerde, hoe hij het bestaande recht zou toepassen en wat hij als uitvloeisels daarvan beschouwde. Het praetorische recht miste dus den vasten grondslag van het ius civile; maar wanneer eene bepaling bleek goed te zijn en door de volgende praetoren werd overgenomen, werd zij als het ware door de gewocate geijkt, en, behalve het geschreven recht, had ook het gewoonterecht, zoowel als de billijkheid, een groot gezag. Op gelijke wijze ontwikkelde zich ook het edictum praetoris inter peregrinos, doch natuurlijk alleen ten opzichte der betrekkingen tusschen cives en peregrini.

Het ius civile week, zooals reeds is aangemerkt, in vele opzichten af van het ius gentium en menige bepaling van het ius civile moest door praetorische edicten meer met het ius gentium in overeenstemming worden gebracht. Wanneer b.v. een Romein iets verkocht en aan den kooper overhandigd had, maar niet juist onder den vorm, dien het ius civile voorschreef (hetgeen b.v. het geval kon zijn, wanneer de kooper geen commercium had), dan kon de verkooper volgens het ius civile het verkochte terug vorderen als zijn wettig eigendom. In zoodanige gevallen

1

Dig. I. 7 § 1: lus praetorium est quod praetores introduxerunt adiuvandi vel supplendi vel corrigendi iuris civilis gratia.

-ocr page 169-

155

voorzag het praetorische edict en gaf den kboper gelegenheid, zijn goed recht te laten gelden. Moest men nu echter tusschen Romeinen onderling strenger te werk gaan? Wanneer de ver-kooper eenig voorwerp verkocht en geleverd had, doch niet juist onder den vorm, waaronder het eigendomsrecht ex iure Quiritium werd overgedragen, dan bleef hij volgens het strikte civielrecht nog eigenaar en had eene actie tot teruggaaf kunnen instellen; maar de praetor gaf den kooper eene exceptie en stond hem toe, zijn eigendomsrecht te doen gelden, ook al was hij geen eigenaar ex iure Quiritium. Wij willen nog een voorbeeld aanvoeren. Volgens het strikte ius civile ging door emancipatie het natuurlijk erfrecht verloren. Dit was volkomen logisch; was het daarom ook altijd billijk? Een vader sterft, voordat hij een testament heeft gemaakt. Hij laat een geSmancipeerden zoon na en een broeder. Volgens het ius civile is de broeder erfgenaam: doch het ius praetorium wijst de erfenis aan den zoon toe.

In de laatste eeuw der republiek werd het ius edicendi door de praetoren meermalen misbruikt. In hunne edicten namelijk kwamen vooreerst artikelen voor, die zij gedurende hun geheele ambtsjaar lieten gelden, en die bekend zijn onder den naam van edictum perpetuum. Dat gedeelte, wat geregeld door den eenen praetor van den anderen werd overgenomen, heette edictum tralaticium. Somtijds echter achtte de praetor het in den loop van zijn magistraatsjaar noodig, aan zijn doorloopend edict één of meer artikels toe te voegen, ook wel met het oog op eenig bijzonder geval, dat zich voordeed (edictum repentinum). Hiervan werd wel eens misbruik gemaakt, daar somtijds ten gunste van enkele personen artikelen aan het edict werden toegevoegd, totdat in het jaar 67 v. Chr. door het Comelische plebisciet werd vastgesteld, dat de praetoren zich aan hunne edicta perpetua moesten houden. Sommigen nemen evenwel edictum perpetuum op in gelijke beteekenis als edictum tralaticium. Keizer Hadrianus liet door den jurisconsultus Salvius Julianus het praetorische edictum tralaticium herzien en definitief als onveranderlijk edictum perpetuum vaststellen.

Ook aan de adviezen en uitspraken van ervaren rechtsgeleerden, responsa iuris prudentium of consultomm of peritorum. werd

-ocr page 170-

156

groot gewicht gehecht. Oorspronkelijk was de scientia iuris in handen der priesters, met name der pontifices, en werden de formulieren en termen, waarvan men zich bedienen moest en de symbolische vormen, welke men in acht moest nemen, voor de plebejers zorgvuldig geheim gehouden 1), totdat een scriba, Cn. Flavius, omstreeks 300 v. Chr. een boek uitgaf, waarin men dit alles vinden kon, eene verzameling der legis actiones en der dies fasti. Dit werk werd later ius Flavian urn genoemd. Sedert dezen tijd traden te Rome vele mannen op, die van de rechtswetenschap eene bijzondere studie maakten en, wanneer zij om raad gevraagd werden, hun advies gaven. Als zoodanig worden o.a. vermeld Ti. Coruncanius, de eerste plebejische pontifex maximus, consul in 280, Sex. AeliusCatus, consul in 198, M. Porcius Cato, gest. 149, een aantal Mucii Scaevolae, enz. Op de adviezen van zulke mannen beriep men zich dikwijls voor den rechter; vooral onder de keizers werd zulks gebruikelijk, en Hadrianus beval uitdrukkelijk, dat het éénstemmig gevoelen der rechtsgeleerden voor den rechter verbindend zou wezen. Sedert Augustus ontstonden in de rechtswetenschap twee richtingen, twee tegenover elkander staande scholen. De eene, gesticht door C. Ateius Capito , hield zich streng aan de letter, de andere, door M. Antistius Labeo vertegenwoordigd, wilde overal op den geest der wet, op de ratio legis gelet hebben. Naar de meest beroemde geleerden dezer scholen, Masurius Sabinus en Sempronius Proculus, wordt de eerste gewoonlijk die der Sabi-niani, de tweede die der Proculiani genoemd.

Na Hadrianus werden vijf juristen boven alle overige gesteld: Gaius, Papinianus, Ulpianus, Paulus en Modestinus. Keizer Valentinianus III kende aan hunne uitspraken kracht van wet toe.

Keizer Justinianus liet in de zesde eeuw na Chr. eene verzameling van rechtsboeken aanleggen, corpus iuris civilis geheeten. Deze verzameling bevat:

i0 de Institutiones, een stelselmatig overzicht van het recht;

1

Als een jvermakelijk Istaaltje van noodeloozen umslag leze men Cic. p. Mur. c. 11 in fine en c. 12.

-ocr page 171-

2° de Pandectae of Digesta. eene bloemlezing uit de werken van 39 iurisconsulti van vroeger tijd :

30 den Codex lustinianeus, eene verzameling van keizerlijke besluiten en verordeningen;

4° de N o v e 11 a e, nieuwe verordeningen van Justinianus.

2. DE DEELEN VAN HET IUS PRIVATUM.

Het ius privatum omvat de volgende onderdeelen:

1° ius de person is,

20 ius de rebus,

30 iusdeactionibus.

Over het recht over personen kunnen wij hier kort zijn. Er wordt niet onder begrepen het recht over slaven; want een slaaf, ofschoon mensch, is geen persona; hij is slechts eene res. Het ius de personis omvat de rechten, welke voor den pater familias voortvloeien uit een iustum matrimonium en uit zijne patria potestas, alsmede het voogdijrecht. Daarover is reeds vroeger gehandeld (zie blz. 15—21). Alleen zij nog opgemerkt, dat de a d o p t i o (d.i. de aanneming als kind van iemand, die alieni iuris is) tot het ius privatum behoort; maar de arrogatio (d.i. de aanneming van iemand, die sui iuris est) tot het ius publicum, daar het overgaan van een kind den pater familias, maar het verloren gaan eener familia den staat raakte. Tevens zij nog er op gewezen, dat in den ouden tijd het agnatenrecht bij de Romeinen eene overwegende rol speelt. Agnaten (blz. 22) zijn zij, die onder de postestas van denzelfden pater familias staan of gestaan hebben, en in ruimeren zin opgevat, zelfs zij, die onder denzelfden voor- of stamvader zouden staan, in geval hij nog in leven ware.

Wat het recht over zaken betreft, moet men in het oog houden het onderscheid tusschen eigendom, dominium, d.i. het onbeperkte recht op eene zaak, en bezit, possessio, d.i. de feitelijke heerschappij over eene zaak. Tot verwerving van het bezit worden vereischt de inbezitneming, apprehensio, en de wil om de zaak als de zijne te beschouwen en dienovereenkomstig te handelen, derhalve de animus possidendi.

-ocr page 172-

158

Het oude romeinsche recht onderscheidt twee soorten van zaken : res mancipi en res nee mancipi. De res mancipi waren zulke zaken, die voor een landbouwend volk wezenlijke voorwerpen van eigendom waren, m. a. w. die gerekend werden tot het kapitaal te behooren der familie en waarover dus de pater familias uit een zedelijk oogpunt niet de vrije beschikking tot vervreemding heeft\'), weshalve het overgaan van de eene hand in de andere aan bepaalde formaliteiten gebonden was. Res mancipi zijn:

i0 grondeigendommen, praedia, in Italico solo (dus oorspronkelijk alleen in Italia, maar later ook daarbuiten in streken, welke het ius italicum hadden), en wel tam rustica, qualis est fundus, quam urbana, qualis domus 1);

2° iura praediorum rusticorum, d. w. z. servituten, velut via, iter, actus, aquaeductus, het recht om te gaan, te rijden, vee te drijven, water te leiden over eens anders land; 3° slaven;

4° trek- en lastdieren, quadrupedes quae dorso colloque do-mantur, velut boves, muli, equi, asini.

Res nee mancipi zijn zaken, welke volgens haren aard tot verbruik bestemd zijn, b.v. de oogst, pluimgedierte, schapen, geiten, varkens, gereedschappen. De res nee mancipi worden ook bona geheeten.

Overgang van eigendom volgens romeinsch recht kon op zes wijzen plaats hebben:

i0 door mancipatio, d. i. door plechtigen verkoop en koop ten overstaan van vijf getuigen en een libripens (blz. 17), onder het uitspreken van bepaalde formulieren. Dit was de oudste vorm voor de overdracht van res mancipi.

20 door eenvoudige overgave, traditio, den oudsten vorm voor overdracht van res nee mancipi;

1

Ulp. XIX. I. Bij no. 4 worden kameelen en olifanten met name uitgezonderd, als behoorende tot de b e s t i a e.

-ocr page 173-

159

3° door verjaring, usucapio (zie hierbij blz. 17), en wel voor roerende goederen door een ongestoord bezit van één, en voor onroerende van twee jaar;

4° door eene voor den praetor gedane overdracht, in iu r e c e s s i o;

50 door erfenis, hereditas;

6° door gerechtelijke toewijzing, adiudicatio, verkoop van staatswege, venditio publica, of door eene wet.

De laatste vier wijzen waren van toepassing zoowel op res mancipi als nee mancipi. Justinianus hief deze verdeeling van zaken op.

Met verwijzing naar hetgeen op blz. 155 gezegd is, moeten wij hier nog opmerkzaam maken op een verschil, dat zich langzamerhand ontwikkelde tusschen zoogenaamd quiritarischen en bonitarischen eigendom. Wanneer b. v. res mancipi door traditio in andere handen waren overgegaan, dan gaf zulks geen dominium ex iure Quiritium en volgens het ius civile was die overdracht niet geldig; doch de praetor kon ze toch bevestigen, ze als geldig erkennen, en dan noemde men het bezit er van in bonis habere.

Ook over het erfrecht is reeds gesproken (blz. 22); wij moeten hier nog aanstippen, dat onder de keizers het agnatenrecht plaats moest maken voor het recht van bloedverwantschap en het erfrecht op de tegenwoordige leest geschoeid werd. Thans nog iets over de verschillende vormen van testament. Volgens streng romeinsch recht waren er drie:

i0 het testamentum comitiis calatis factum (blz. 49), waartoe tweemaal \'s jaars gelegenheid was en waarbij de erflater ten overstaan van het volk zijn uitersten wil verklaarde;

20 het t e s t a m e n t u m in procinctu, het testament, dat de soldaten vóór den slag ten overstaan van den veldheer konden maken;

30 het testamentum per aes et libram, waarbij de erflater zijne nalatenschap aan den erfgenaam verkocht of wel aan een tusschenpersoon, emptor fiduciarius, die dan na den dood des erflaters volgens diens wil de erfenis verdeelde. Deze emptor was dus, wat wij executeur testamentair noemen.

-ocr page 174-

160

Natuurlijkerwijze behoorden hierbij getuigen en de libripens. Uit den aard der zaak werd de laatste wil dan meestal op schrift gebracht, en in den loop des tijds verleende het ius praetorium geldigheid aan zulke geschreven uiterste willen, ook al was de vorm der mancipatio per aes et libram daarbij verzuimd, als zij slechts voorzien waren van de zegels des testateurs en van zeven getuigen. Zóó ontstond een vierde vorm, het testamentum praetorium.

Vrouwen konden geen testament maken zonder mannelijken bijstand (zieblz. 21). Alleen de vestaalsche maagden, die suiiuris waren, konden zulks wel. Daar zij echter uit de familia waren getreden, konden zij niet ab int.estato erven, en wanneer zij als maagd stierven, hadden zij ook geene heredes sui en verviel hare nalatenschap aan den staat. De lex Voconia verbood (169 v. C.), dat iemand, die voor zijn vermogen in de eerste of hoogste klasse was aangeslagen, meer dan de helft van zijn vermogen aan eene vrouw zou vermaken.

Van het ius de actionibus, het recht om eene actie in te stellen tot handhaving van verkregen rechten is het obli-gatierecht het voornaamste punt. Eene obligatio is eene betrekking tusschen twee personen, van wie de een, de creditor, eene vordering heeft tegen den ander, den debitor.

Obligationes ex contractu ontstaan tengevolge eener op wettigen grondslag gesloten overeenkomst, obligationes ex delicto door wederrechtelijke schending van eens anders rechten , waarvoor deze voldoening of vergoeding kan vorderen \'). De obligationes, welke tot geene dezer beide rubrieken behooren, maar zich daarbij aansluiten, heeten obligationes ex variis causarum figuris.

3. IUDICIA PRIVATA.

De Romeinen onderscheidden iudicia privata en publica, welke benamingen zich aansluiten aan die van ius publicum

1) B. v. door diefstal. F u r t u m was bij de Komeinen geeu strafzaak, maar gaf slechts stof tot eene civiele procedure.

-ocr page 175-

161

en privatum. Bij de eerstgenoemde, welke wij, wat den aard der zaken betreft, eenigermate bij onze burgerlijke rechtsvordering kunnen vergelijken, kon ieder burger als eischer optreden; bij de laatste moest de aanklacht door een der overheden geschieden, behalve bij de quaestiones perpetuae. De oudste vorm van proces bij indicia privata waren de zoogenaamde legis actiones, waarbij zoowel eischer als gedaagde zich aan bepaald voorgeschreven formulieren en handelingen moesten houden. Er waren vijf zulke legis actiones. De eerste was de actio sacramento, waarbij de twistende partijen elk eene bij de wet vastgestelde som moesten deponeeren, welke door den verliezer ten voordeele der schatkist werd verbeurd en ten behoeve der res divinae werd aangewend, weshalve zij dan ook sacramentum heet. De tweede actio heette per iudicis arbitrive postulationem; elke partij wees een scheidsman aan, waarbij de praetor een derden voegde. Behalve in de gevallen, waarin de wetten der twaalf tafelen dezen vorm voorschreven, konden zich ook zaken voordoen, waarbij het niet mogelijk was, alles streng en nauwkeurig te omschrijven en op goede trouw en billijkheid gelet moest worden. De legis actio per condictionem draagt haren naam van de afspraak, condictio, der partijen, om na 30 dagen op nieuw voor den praetor te verschijnen, ten einde door dezen een rechter in hunne zaak te hooren benoemen. De actio per manus iniectionem werd toegepast op personen, die in verzuim bleven aan het vonnis te voldoen, op fures manifesti, en in enkele andere gevallen. De klager sloeg onder zekere formaliteiten de hand aan den beklaagde, en bracht hem voor den praetor. De laatste actio legis is die per pignoris capionem. In sommige gevallen namelijk mocht de eischer eenig voorwerp van den gedaagde tot pand nemen en, zoo het niet door betaling van het verschuldigde werd ingelost, verkoopen, b. v. wanneer de tribunus aerarius in gebreke bleef, een soldaat zijne soldij uit te betalen. Bij al deze vormen kwam het er op aan, dat partijen zich stipt aan de voorgeschreven woorden en handelingen hielden. Wie zulks verzuimde, verloor het proces. Daar deze vorm van rechtspleging met der tijd lastig en knellend werd, werd bij de lex Aebutia (onzeker, van welk jaar) een nieuwe Schlimmek, Rum. Ant., 5e druk. 11

-ocr page 176-

162

vorm ingevoerd, door middel der zoogenaamde formulae. Deze procesvorm bestond hierin, dat het proces niet geopend werd met het uitspreken en verrichten der oude woorden en handelingen, maar dat de praetor, na de partijen gehoord en zich op de hoogte der zaak gesteld te hebben, een kort geschrift opstelde, formula geheeten, waarin hij den rechter aanwees, aan wiens beslissing de zaak werd opgedragen, den inhoud der klacht in korte bewoordingen samenvatte en ten slotte den rechter zijne instructie gaf, hoe te handelen De procesvorm door legis actiones werd nogtans niet geheel afgeschatt.

Zoo nu iemand in een geschil den weg van rechten besloot in te slaan, dan kon hij zijne tegenpartij, wanneer hij deze op de straat ontmoette, uitnoodigen om zich met hem tot den praetor te begeven. Hij deed zulks met de woorden: in ius veni, in ius ambula, sequere ad tribunal of eene soortgelijke uitdrukking. Was de ander hiertoe niet genegen, dan kon de eischer hem met geweld voor des praetors tribunal brengen, na te voren de voorbijgangers tot getuigen der weigering te hebben genomen. Dit laatste heette a n t e s t a t i o 1), het grijpen van den weerspannige manus iniectio. Hield de tegenpartij zich schuil, dan kon men hem openlijk laten dagvaarden, en, wanneer ook dit niet hielp, den praetor een vonnis tot inbeslagneming van goederen vragen. De manus iniectio ging niet door, wanneer de gedaagde iemand vond, die in zijne plaats naar den praetor wilde gaan, een v i n d e x , zooals de Romeinen hem noemden.

Waren nu de beide partijen voor den praetor verschenen,

1

Wij laten hier een voorbeeld van zulk eene formula volgen.

T. T. iudex esto:

si paret, Aulum Agerium apud Numerium Negidium mensam argenteam deposuisse eamque dolo malo Numerii Negidii Aulo Agerio redditam non esse, quanti ea res erit, tantam pecuniam Numerium Negidium Aulo Agerio condemnato;

si non paret, absolvito.

-ocr page 177-

163

dan stelde de eischer. p e t i t o r, zijne vordering in en vroeg eene legis actio of eene formula. Als de praetor deze toewees, werd de dag voor het rechtsgeding bepaald. De gedaagde (is, unde petitur) moest, zoo de eischer het verlangde, borgtocht stellen. Het verschijnen op den bepaalden dag werd dan vadimonium obire, sistere genoemd, het wegblijven, dat eene veroordeeling bij verstek ten gevolge had, was vadimonium deserere. Met het resuraeeren der zaak, contes-tatio litis, voor zoover noodig onder getuigen, opdat over de vervulling der formaliteiten en de juiste vaststelling van het geschilpunt geen twijfel zou kunnen bestaan, werd de behandeling der zaak in iure besloten. Op den bepaalden dag, tenzij deze om geldige redenen werd verdaagd, had de behandeling i n i u d i c i o plaats, voor den index, dien de praetor, zooals boven is medegedeeld, met eene bepaalde instructie benoemde. Na eene korte uiteenzetting der zaak, causae coniectio, hadden de pleidooien plaats met re- en dupliek, waarna ten slotte de rechter het eindvonnis uitsprak, dat niet in hooger beroep kon worden aangetast. Bleef de veroordeelde in gebreke aan het gewezen vonnis te voldoen, zoo kon de praetor last geven tot gerechtelijke executie, inbeslagneming en verkoop, in bona missio, bono r u m v e n d i t i o, of tot uitvoering bij lijfsdwang, m a n u s iniectio, addictio, adiudicatio. Verstek werd c o n-t u m a c i a genoemd (van contemnere, dus zooveel als ongehoorzaamheid aan het rechterlijk opontbod).

In zaken tusschen Romeinen en peregrini werden de rechters in den ouden tijd dikwerf recuperatores genoemd. Dit was n.1. het geval, wanneer bij verdrag met eenigen staat was bepaald, dat geschillen tusschen zijne ingezetenen en Romeinen door scheidsrechters zouden worden uitgewezen. Meestal bestond zulk een hof van recuperatoren uit drie leden, door den praetor gekozen. In lateren tijd komen de recuperatoren ook voor in enkele processen tusschen Romeinen onderling, b. v. bij actiones iniu-riarum, waarbij de bepaling van het bedrag der boete of schadevergoeding aan de rechters was overgelaten, enz.

11*

-ocr page 178-

164

4- IUDICIA PUBLICA.

Vergrijpen tegen den staat en de veiligheid der burgers, waarop door de wetten straf gesteld was, werden in de eerste eeuwen der republiek door de volksvergadering berecht, en wel waar het lijfstraf gold, door de centuriaat-, waar het eene zaak van geldboete was, door de tribuutcomitien. Het ligt voor de hand, dat bij dit volksgerecht niemand als klager kon optreden, dan de overheden, die het ius agendi cum populo hadden. Alle aanklachten geschiedden dus vanwege den staat. De beschuldigde werd tegen een bepaalden dag gedagvaard (d i e i d i c t i o). Tevens werden de aanklacht en de eisch van den klager (an-q u i s i t i o) openlijk afgekondigd. Op verlangen van den beschuldiger was de beklaagde verplicht een borgtocht te stellen of zich in verzekerde bewaring te begeven. Zulk eene custodia behoefde niet in den kerker plaats te vinden; men kon zich in arrest begeven bij den beschuldiger of bij een vriend, wanneer deze de verantwoordelijkheid der bewaking op zich wilde nemen. Dit werd dan custodia libera geheeten. Op den dag van het geding verscheen de beschuldigde met zijne bloedverwanten er. vrienden, in treurgewaad (vestes sordidae), voor de comitiën. De klager droeg zijne aanklacht en zijn voorstel tot veroordeeling voor; daar dit laatste den vorm van een wetsvoorstel had, werd de aanklacht r o g a t i o geheeten. Vervolgens kwamen de verdediging des beklaagden, het getuigenverhoor en de voorlezing der bewijsstukken, en ten slotte de stemming, zoo ten minste geen volkstribuun of ander magistraat zijne intercessio deed gelden. Intrekking der klacht staande het rechtsgeding werd tergiversatio genoemd.

Daar de volksvergadering echter zich te dikwijls door indrukken van medelijden met de beschuldigden liet beheerschen, vooral wanneer het niet rechtstreeks hare eigene belangen, maar slechts die der veroverde gewesten gold, bracht de volkstribuun L. Cal-purnius Piso in 149 de instelling van een vast gerechtshof voor quaestiones repetundarum of aanklachten wegens afpersingen tot stand. Dit was de eerste der zoogenaamde quaestiones

-ocr page 179-

165

perpetuae, welker getal in Cicero\'s tijd tot acht was aangegroeid, te weten; repetundarura (knevelarij), maiestatis (hoogverraad), peculatus (verduistering van staats- of tempel-eigendom), ambitus (ongeoorloofde kuiperij bij verkiezingen), inter sicarios (over moord), veneficii, de vi, falsi (vervalsching).

Uit hoeveel rechters elk gerechtshof zou bestaan, hoevelen van deze door den beschuldiger en den beschuldigde konden gewraakt worden en welke de straf was in geval van veroordeeling, was bij de wet bepaald. Elke quaestio had haren vasten praetor, of, wanneer soms niet voor alle quaestiones praetoren beschikbaar waren, een iudex quaestionis, die dan bij de handelingen in iudicio voorzat. In iure moest echter een der praetoren de zaak behandelen, daar de iudex quaestionis geen magistraat was. Daar hier nu geen agere cum populo meer te pas kwam, kon elk burger als aanklager optreden, mits sui iuris en vrij van iniamia zijnde. Voor elk proces echter werden de leden van het gerechtshol op nieuw aangewezen, meestal door het lot. De namen van alle tot het rechtersambt bevoegde personen werden dan in eene bus geworpen en hieruit werd het vereischte getal namen getrokken.

De loop van het rechtsgeding was als volgt. De klager vroeg den praetor vergunning tot het doen eener aanklacht, postulabat ut sibi liceret nomen alicuius deferre. Vandaar de uitdrukkingen postulatio en no minis delatio. Oordeelde de praetor, dat er grond voor eene aanklacht bestond, dan werd het procesverbaal opgemaakt en door den aanklager geteekend (i n s c r i p-tio). Waren er meer dan één beschuldiger, dan teekenden de overigen hunnen naam onder dien des hoofdaanklagers (s u fa-scrip tio). De praetor bracht nu de zaak op de rol (nominis receptio), en bepaalde den dag voor het iudicium. Voor het gerechtshof spraken eerst de aanklagers, vervolgens de beschuldigde en zijne verdedigers. Daarbij kwam het getuigenverhoor, het voorlezen der bewijsstukken en de zoogenaamde altercatio, eene soort van verhoor tusschen den klager en den beklaagde, waarbij den laatste verschillende vragen konden voorgelegd worden. Hiermede was de eerste termijn verstreken, en werd de verdere

-ocr page 180-

166

behandeling der zaak verdaagd (c o m p e r e n d i n a t i o). Minstens twee dagen later, tertio die, had dan de tweede actie plaats. waarbij op nieuw gepleit werd en waarna de stemming volgde, welker uitslag ten slotte door den voorzitter werd medegedeeld. Vóór de invoering der comperendinatio, d. i. vóór de splitsing der zaak in twee termijnen, had men de ampliatio gehad, n.1. eene herhaling van het geding, wanneer meer dan een derde der rechters verklaarde nog niet genoegzaam te zijn ingelicht, s i b i non 1 i q u e r e. Hoewel de tijd van spreken beperkt was, kon toch bij omvangrijke zaken het verhoor der getuigen, het voorlezen der bewijsstukken zooveel tijd vorderen, dat de eerste actio meer dan één dag innam.

De stemming geschiedde met stemtafeltjes, evenals bij de comitien. De letter A beteekende absolvo, C condemno, N L non liquet.

Bij dit alles zat de praetor op zijne sella curulis op het tribunal (blz. 78); om hem heen op den vlakken grond zaten de rechters op banken, subsellia, evenals de partijen met hunne advokaten en vrienden. De beklaagde was in treurgewaad (toga pulla), en had baard en hoofdhaar laten groeien.

Somtijds, wanneer van verschillende zijden tegen een zelfden persoon dezelfde aanklacht werd ingediend, was er een voorafgaand proces noodig, ten einde uit te maken, wie het meeste recht had, als hoofdaanklager op te treden. Zulk een onderzoek heette divinatio. Het behoorde tot de handelingen in iure. en de uitspraak berustte dus bij den praetor. De rechters zaten dan slechts ais adviseerend consilium en waren dan niet beeedigd. Bloedverwanten in de eerste graden konden niet tegen elkander getuigen, evenmin de stadhouder en zijn quaestor, daar tusschen hen een vinculum pietatis bestond.

Sloot het vonnis ook schadevergoeding in, dan was er een nieuw geding voor den praetor (in iure) noodig, om de vergoeding vast te stellen (litis aestimatio).

5. NADERE OPMERKINGEN. STRAFFEN.

Een iudicium extra ordinem, onder de republiek

-ocr page 181-

167

zeldzaam, onder het keizerrijk de heerschende vorm, was een rechtsgeding, waarbij dezelfde magistraat de zaak in iure instrueerde en in iudicio besliste. Er konden gevallen voorkomen, welke naar het strenge recht niet vervolgbaar waren (b.v. wanneer de klager geene rechtspersoonlijkheid had, zooals wanneer een pupil zich te beklagen had over zijn voogd), en waarin toch de billijkheid eene tusschenkomst van hoogerhand vorderde. In een iudicium extra ordinem deed de praetor dan zelf uitspraak, doch dit was geene sententia iudicis, maar een decretum, waartoe hij door zijn imperium gerechtigd was. Terwijl nu eene sententia geen hooger beroep en geene herroeping toeliet, kon het decretum herroepen worden door hem, die het had uitgevaardigd, en was het niet verbindend voor zijn opvolger.

Wanneer goederen gerechtelijk verkocht werden of krijgsgevangenen als slaven werden geveild, stond naast den praetor eene speer in den grond gestoken. Van hier komt de uitdrukking sub hasta venire, openlijk verkocht worden.

Wanneer in civiele zaken een rechter door den praetor met een iudicium werd belast, nam hij eenige zijner vrienden met zich, om als consilium het geding bij te wonen en hem, zoo noodig, met hunnen raad ter zijde te staan. Dit gebruik was zoozeer bij de Romeinen ingeworteld, dat geen rechter het gewaagd zou hebben, te Rome hiertegen te zondigen.

De werkkring van den praetor urbanus wordt uitgedrukt in de volgende drie woorden; do, dico, addico. — Dare ziet op het aanwijzen van een rechter, iudicem dare; dicere op het ius, addicere op de toewijzing van het betwiste voorwerp. De dagen, waarop de praetor de genoemde drie woorden mocht spreken, waren dies fasti (van f a r i).

De straffen voor cives waren geldboete (m u 11 a) of doodstraf (poena capital is, supplicium) door onthoofding, voorafgegaan door geeseling (virgis caedi securique f e r i r i). Oudtijds had men ook de plebejische doodstraf, deiectio de rupe Tarpeia (zie blz. 59). Van doodstraf door worging, op Romeinen toegepast, is slechts één voorbeeld bekend, dat van Catilina\'s eedgenooten. Parricidae werden in een lederen zak genaaid en zóó in het water geworpen.

-ocr page 182-

168

Veroordeeling tot gevangenisstraf komt onder de republiek niet voor, ook niet tot ballingschap. Reeds vroeger (zie blz. 23) is aangewezen, dat de romeinsche burger zich door vr ij willige ballingschap aan het vonnis kon onttrekken, dat hem bedreigde, mits hij zich dan ook zorgvuldig ex agro Romano verwijderd hield, waar hij aqua et igni interdictus was. Terugroeping uit de ballingschap en herstel in de vroegere rechten, restitutio in integrum, kon slechts bij eene speciale wet plaats vinden. Verbeurdverklaring van bezittingen werd, behalve bij incensi (blz. 29), het eerst door Sulla in toepassing gebracht. Onder de republiek was er geene rechtbank van hooger beroep en het vonnis werd onmiddellijk ten uitvoer gelegd.

Onder de keizers kwamen ook andere straffen in gebruik, zooals relegatio en deportatie (blz. 29), dwangarbeid in mijnen, steengroeven en dgl. of wel het werpen voor de wilde beesten (ad metalla, ad bestias damnari).

A d v o c a t i waren rechtskundigen, die, zonder daarom te pleiten, op verzoek van of uit belangstelling jegens een der partijen de gerechtszitting bijwoonden. De verdedigers, bij ons advocaten genoemd, heetten bij de Romeinen c a u s a r u m p a t r o n i.

6. IUDICES.

Als oudste gerechtshof vinden wij de decemviri stlitibus iudicandis vermeld. In den oudsten tijd der republiek berustte de rechtskennis voornamelijk bij het collegie der pontifices, wien de rechtspraak in zaken van sacralen aard was opgedragen. Het ius sacrum beheerschte in den beginne alle plechtige handelingen der Romeinen, en zoolang het privaatrecht zich nog niet uit het sacrale recht ontwikkeld en daarvan los gemaakt had, waren de pontifices de eigenlijke rechtsgeleerden. Toen echter in den staat eene talrijke bevolking werd opgenomen, welke, als niet-patricisch, geen aandeel had aan de alleen van staatswege erkende sacra en sacrale vormen der patriciërs, moest het sacrale recht allengs voor een meer omvattend en minder vormelijk recht plaats maken, het ius civile. Nu wordt aan Servius Tullius de instelling

-ocr page 183-

169

toegeschreven van rechters voor causae privatae, en bestaat er aanleiding, te vermoeden, dat dit de indices decemviri of decemviri stlitibus iudicandis zijn (zie blz. 94), en dat deze als rechters voor civiele zaken onder de plebs de rechtspraak overgenomen hebben van de pontifices. Zij waren, evenals de volkstribunen , onschendbaar. Voor civiele zaken vinden wij nog een ander gerechtshof vermeld, dat der centumviri, waarvan wij den juisten werkkring evenmin kennen. Eene bijzonderheid van dit collegie was, dat het in vier consilia verdeeld was, waarvan soms één, somtijds twee tegelijk zitting hielden, terwijl ook wel melding gemaakt wordt van eene vereenigde zitting der vier consilia (duplex, quadruplex indicium). Van de samenstelling weten wij alleen, dat, toen er 35 tribus waren, uit elke tribus door het volk drie leden werden gekozen, zoodat het gerechtshof toen uit 105 leden bestond. Tegen het einde der republiek oordeelden de Xviri in processen over libertas en civitas, de Cviri over eigendoms- en testamentkwesties.

Vóór 123 bevatte de jaarlijks op te maken lijst der tot het rechtersambt bevoegde personen (album iudicum) alleen senatoren. De lex Sempronia van C. Gracchus strekte de verkiesbaarheid uit tot degenen*, die den riddercensus bezaten, terwijl de senatoren van het album werden uitgesloten, daar deze in hunne vonnissen niet onpartijdig genoeg te werk gingen. De lex Servilia van Q. Servilius Caepio, 104 v. Chr., nam ook de senatoren weder onder de rechters op. Nog velschillende andere wetten volgden, waaronder de lex Plautia (89), welke het aantal rechters op het album, welk getal te voren 300, 600, 450 was geweest, op 525 bracht, namelijk 15 door elke tribus uit haar midden te kiezen. Sulla droeg in 81 de rechtspraak weder geheel aan den senaat op, die er tien jaren misbruik van maakte, vooral bij de processen over repetundae1), waarbij de meest

1

In dit tienjarig tijdvak valt het beruchte geding van Terentius VaiTO. Zijn bloedverwant en verdediger Q. Hoitensius Hortalus, een beroemd redenaar, had de rechters omgekocht. Ten einde echter niet door hen bedrogen te worden, had hij de stembordjes met was van verschillende klem-laten merken, en op deze wijze werd Varro vrijgesproken.

-ocr page 184-

170

schaamtelooze omkooping plaats greep. De Aurelische wet van L. Aurelius Cotta, 70 v. Chr., verdeelde het rechtersambt tus-schen de senatoren, de equites en hen, die den census van tribuni aerarii hadden \'). Door de lex lulia van Caesar werden deze laatsten weder uitgestooten. Na Caesars dood nam Antonius zelfs soldaten en hoplieden onder de rechters op, zonder op eenigen census acht te geven.

De rechterlijke bevoegdheid der comitiën ging reeds onder Augustus over op den senaat als hooggerechtshof. De praetoren kregen te doen, wat de princeps goedvond, hun op te dragen, maar hun werkkring was tot civiele zaken beperkt. Zoo was er onder Tiberius een praetor voor woeker- en handelszaken, onder Marcus Aurelius een voor voogdijzaken enz. De indicia extra

0 r d i n e m werden de heerschende procesvorm onder de keizers. Daar alle overheden aan hen ondergeschikt waren, hadden de d e c r e t a der keizers of dergenen, aan wie zij de rechtspraak opdroegen, verbindende kracht voor den geheelen staat. Vooreerst ontstond onder de principes het rescriptumproces, waarbij de eischer zijne zaak in den vorm van een verzoekschrift rechtstreeks; voor den princeps bracht (libellus principi datus, supplicatio, preces). Deze kon zelf de zaak onderzoeken of het onderzoek aan een zijner ambtenaren opdragen en vervolgens bij decreet de zaak beslissen. Hij kon echter ook een anderen weg inslaan, en deze werd dan ook in de meeste gevallen gevolgd, door namelijk een zoogenaamd rescriptum te geven, waarin hij de rechtsgronden opgaf, waarnaar de zaak beoordeeld moest worden, en alzoo den rechter het te vellen vonnis aanwees, altijd in geval de feiten, door den eischer in zijn libellus aangevoerd, overeenkomstig de waarheid bleken te zijn (si preces veritate nitantur). De princeps kon vervolgens de zaak ter onderzoek en beslissing naar een zijner ambtenaren verwijzen, of wel naar de gewone rechterlijke overheid , die dan wederom de zaak óf zelf behandelde, óf aan een

1 u d e x opdroeg. Wij kunnen hier niet al de wijzigingen in

1) Tribuni aerarii vormden den stand, welke naar den eensus op dien der equites volgde. Zie blz. 177.

-ocr page 185-

171

den procesvorm nagaan en moeten ons bepalen, er op te wijzen, dat meer en meer de handelingen in iure en in iudicio in ééne hand overgingen, naarmate de rechtspleging meer in handen der keizerlijke ambtenaren kwam. Toen Constantijn de Groote het burgerlijk en militair bestuur gescheiden had, en de civiele ambtenaren de rechtspleging in haar vollen omvang uitoefenden, was het natuurlijk, dat hetzelfde gerechtshof de zaken zoowel in iure als in iudicio behandelde. De inleiding van het proces, het aanbrengen der zaak, het dagvaarden der tegenpartij, werd denuntiatio geheeten. In het Justiniaansche recht is zij vervangen door een libellus conventionis, eene schriftelijke indiening van den eisch en de gronden, waarop deze steunt, met de onderteekening van den eischer. De instructie der zaak en de pleidooien heetten cognitiones. Deze rechtsgedingen duurden dikwijls zeer lang. Tevens ontstond er eene reeks van hoogere instantien, iets, wat tijdens de republiek onbekend was. Het hoogste gerechtshof was het consistorium principis, terwijl dan nog het beroep op den keizer overbleef, die ook natuurlijk het recht van gratie, indulgentia, had. Met het organi-seeren eener vaste politie kwamen ook de aanklachten ambtshalve in zwang.

-ocr page 186-

XI. DE GELDMIDDELEN.

I. INKOMSTEN VAN DEN STAAT.

De inkomsten van het aerarium waren van verschillenden aard, en onder verschillende benamingen bekend.

Het t r i b u t u m was de directe belasting, welke alle burgers moesten opbrengen, naar gelang van het vermogen, waarop zij in den census waren aangeslagen. Het werd geregeld naar de behoeften en strekte meest tot bestrijding der oorlogskosten. Daar de overwonnen volken echter de krijgskosten moesten vergoeden, kostten de oorlogen den Romeinen niet veel. Na den tweeden macedonischen krijg werd er zooveel buit naar Rome gevoerd (168), dat de heffing van het tributum voortaan onnoodig werd. Het tributum simplex was i as van de 1000, eene heffing van 2 per 1000 heette tributum duplex. Aan den census was slechts datgene onderworpen, wat ex iure Quiritium eigendom was; de ager publicus, als zijnde slechts i n possessione en niet in quiritischen eigendom, werd niet door de bezitters bij den census aangegeven. Oorspronkelijk werd men voor het tributum aangeslagen naar de uitgebreidheid van den grondeigendom; na den eersten punischen oorlog werden ook de inventaris (instrumentum) der landerijen, de slaven, het gemunte en ongemunte geld in den census afzonderlijk aangeslagen, en voorwerpen van weelde werden sedert somtijds zeer hoog belast. Zoo liet M. Porcius Cato, onder den naam van Cato maior bekend, een aantal weeldeartikelen op de tiendubbele waarde schatten en van dit tiendubbel 3 per duizend heffen, dus 3 pet.

-ocr page 187-

173

van de waarde. Het tributum is minder als eene belasting, dan als eene gedwongen leening te beschouwen, daar het, wanneer de omstandigheden het toelieten, geheel of gedeeltelijk aan de burgers werd terugbetaald. Directe belastingen toch werden in de oudheid beschouwd als iets, wat den vrijen burger onwaardig was. Zij, die niet in de tribus waren opgenomen, maar aerarii waren, betaalden een hoofdgeld, dat soms willekeurig zeer hoog werd opgevoerd. Zoo werd de meergenoemde Mam. Aemilius Mamercinus, toen hij onder de aerarii gebracht was (blz. 72), op een hoofdgeld aangeslagen, dat het achtdubbel bedroeg van hetgeen hij anders had moeten betalen. Een enkele maal vindt men, in tijden van grooten nood, een tributum temerarium vermeld, waarbij ieder inbracht, wat hij te missen had, zooals na den intocht der Galliërs te Rome, en in den tweeden punischen oorlog in het jaar 210.

De buitengewone belastingen, welke na Caesars dood door het driemanschap werden uitgeschreven (43), zijn geheel willekeurige verordeningen en konden geen census ten grondslag hebben, daar deze sedert 70 niet gehouden was. Er moest oogenblikkelijk geld wezen , om Brutus en Cassius te bestrijden \').

Eene belangrijke bron van inkomsten waren de opbrengsten der provinciën. Zij bestonden in directe belastingen, stipendium geheeten, omdat zij oorspronkelijk dienden tot betaling van soldij en andere oorlogskosten, deels in v e c t i g a 1 i a. Twee provinciën, Sicilia en Asia, waren vrij van stipendium en betaalden tienden van tarwe, gerst, wijn, olie en groenten, vooral erwten en boonen. Ook in de overige provinciën kunnen tiendplichtige gronden voorkomen. Dat gedeelte van den tot staatsdomein verklaarden grond, dat tot weiland bestemd was (pascua publica, ager pascuus), werd, even als de tiendheffing, te Rome verpacht. Het weidegeld, dat voor elk stuk vee aan de pachters moest betaald worden, werd scriptura genoemd, omdat het vee in een register werd ingeschreven. Van de bergwerken in de provinciën werden sommige door den staat zeil

1) Het is der moeite waard, het verhaal van Appianus (b. c.IV. 32—35; V. 67) hieromtrent na te lezen.

-ocr page 188-

174

geëxploiteerd, andere aan bijzondere personen overgelaten tegen eene niet onaanzienlijke jaarlijksche retributie. Onder m e t a 11 a verstaat men niet slechts goud-, zilver-, koper-, ijzermijnen, maar ook steengroeven (lautumiae) en zoutpannen (salinae) en krijt-groeven (cretifodinae). Al deze belastingen, welke op enkele zaken drukten, heetten vectigalia. Hiertoe behoorden o.a. ook de p o r-t o r i a, rechten op in- en uitvoer, tollen, haven- en bruggelden, ook in Italia, waar zij echter in 60 vóór Chr. werden afgeschaft, totdat Caesar weder eene invoerbelasting op buitenlandsche koopwaren stelde. Ook behoorde tot de vectigalia in Italia de vice-sima man u miss ionurn, zijnde een recht van 5 pet. op de vrijlatingen, ingevoerd 357 vóór Chr. door de lex Manlia van den consul Cn. Manlius Capitolinus.

Onder de buitengewone inkomsten kan men den oorlogsbuit rekenen en de opbrengst van den verkoop der krijgsgevangenen, De behaalde buit, welke naar Rome gevoerd werd, beliep soms eene fabelachtige hoogte. Zoo bracht b.v. L. Aemilius Paullus (168) 120 millioen sestertiën uit Macedonia mede, Verder be-hooren daartoe de boeten (multae), opbrengsten van onbeheerde goederen (bona vacantia), enz.

De vicesima manumissionum kwam niet in het gewone aerarium, maar in het zoogenaamde aerarium sanctius, dat voor tijd van nood bewaard bleef en onder de administratie der consuls stond, maar onder toezicht van den senaat.

De keizers voerden nog verschillende belastingen in, b.v. de vicesima hereditatum, 5 0/0 van erfenissen en legaten, de centesima rerum venalium, 1 0/0 van alle artikelen, welke te Rome of in Italië openlijk werden verkocht, welke beide belastingen door Augustus in het leven werden geroepen, — Caligula\'s accijns op eetwaren, — de quinquagesima manci-piorum venalium of belasting op den verkoop van slaven, door Augustus op 2, onder Claudius op 4 0/0 vastgesteld, — de door Alexander Severus ingevoerde belasting op de nijverheid of patentbelasting , — een entréegeld voor het gebruik der openbare latrinae, bekend onder den naam van vectigal foricarum et u r i n a e, door Vespasianus uitgedacht, enz. Dat Caracalla in 212 aan het geheele rijk het burgerrecht gaf, geschiedde hoofd-

-ocr page 189-

175

zakelijk, om de vicesima hereditatum ook in de provinciën te innen.

De f i s c u s of keizerlijke schatkist werd door Augustus ingesteld voor het beheer der kroondomeinen in de keizerlijke provinciën; ten slotte werd het aerarium daarin opgelost, althans als staatskas, daar het, van zijne meeste inkomsten beroofd, toen de opbrengsten van Italië en de provinciën aan den fiscus kwamen, slechts als stedelijke kas van Rome bleef voortbestaan. De fiscus werd nu de schatkist van het rijk; het bijzonder vermogen van den keizer wordt onder den naam patrimonium principis onderscheiden. Onder Diocletianus verloor Italia zijn vrijdom van grondlasten, zoodat het onderscheid tusschen italischen en provincialen bodem verviel.

2. UITGAVEN.

Wat de geregelde uitgaven van den staat betreft, deze komen in hoofdzaak op het volgende neder. Vooreerst komen in aanmerking de kosten van opbouw, onderhoud en herstel van openbare gebouwen en tempels, alsmede van offers en godsdienstige plechtigheden, welke op last van den staat plaats vonden; verder de kosten van publieke werken, als bestrating, waterleidingen , riolen , bruggen, wegen en dgl., dan de bijdragen uit de staatskas voor de openbare spelen, de buitengewone uitgaven voor de ontvangst van vreemde gezanten en vorsten te Rome, de uitrusting der stadhouders en andere zaken, welke geene nadere opheldering behoeven. Twee posten echter verdienen eene nadere bespreking: de uitgaven voor den aankoop van graan en die voor het leger.

Van oudsher was het te Rome eene zaak van staatszorg geweest, zooveel mogelijk duurte en schaarschte van het graan te voorkomen. Deels zocht men dit doel te bereiken door strenge bepalingen tegen woekerhandel in granen, deels door van staatswege koren in te voeren en tegen verminderde prijzen verkrijgbaar te stellen. Zoo werd de staat graanhandelaar; het uit Sicilië ingevoerde koren werd te Ostia aan den quaestor Ostiensis afgeleverd, naar Rome gebracht en daar door de aedilen verkocht, zoodat de handelaars hunne prijzen daarnaar moesten regelen.

-ocr page 190-

176

In het jaar 123 vóór Chr. echter trad de cura annonae een nieuw tijdperk in. C. Sempronius Gracchus riep de eerste 1 e x frumentaria in het leven, welke bepaalde, dat de modius tarwe door den staat zou verkocht worden senis cum triente, d. i. tegen 6| as, terwijl wij omtrent de graanprijzen dit weten, dat de staat in Cicero\'s tijd in Sicilië koren kocht tegen 3 sestertiën, d.i. tegen 12 as den modius. Tot den prijs van 6^ as kon elk huisvader te Rome 5 modii per maand koopen1), waardoor de staat geregeld groote verliezen leed. Nog verder ging (100 vóór Chr.) de volkstribuun L. Appulejus Saturninus, die den prijs op as stelde (semisse et triente — ] 4- |)- Deze lex Appuleia werd echter opgeheven, daar de quaestor Q. Caepio aan den senaat verklaarde, dat zij de krachten der schatkist te boven ging. Hetzelfde lot onderging de lex Livia van M. Livius Drusus (91), terwijl eene latere lex Octavia den prijs weder verhoogde. Sulla hief deze korenuitdeelingen geheel op, doch in 73 werd de Serapronische wet hernieuwd door de lex Terentia et Cassia, welke ook den prijs op as stelde. In 62 was de uitgaaf aan koren reeds tot 1250 talenten gestegen, waarbij het talent op 24 000 sestertiën moet gerekend worden. De beruchte tribuun P. Clodius voerde de uitdeeling van koren om niet in. Pompejus beperkte in 57 het aantal bedeelden, dat tijdens den burgeroorlog weder aangroeide en door Caesar van 300 000 of 320000 op 150000 werd teruggebracht, welk getal nu het normale werd, zoodat nieuwe aspiranten slechts op de lijst konden worden opgenomen, voor zoover er plaatsen open waren. Het is nutteloos, hier de uitdeelingen van graan onder de keizers nog na te gaan. Daar de uitdeeling in zoover tribusgewijze geschiedde, dat elke tribus haar magazijn had, werd het recht om bedeeld te worden ten slotte het eenige voorrecht, dat nog aan het deelgenootschap eener tribus verbonden was. De gerechtigden ontvingen eene tessera, en zoo werden tessera en tribus ten laatste woorden van gelijke beteekenis, zoodat zoowel de uitdrukking tribum emere als tesseram frumentariam emere voorkomt. Op het einde der derde eeuw waren de

1

De modius is nngenoeg yV van een hectoliter.

-ocr page 191-

177

tesserae zelfs erfelijk geworden. Geen wonder dan ook, dat de praefectura annonae, door Augustus ingesteld, eene gewichtige betrekking was en de praefectus een talrijk beambten-personeel onder zich had.

Wat de uitgaven voor het leger betreft, is hier in het bijzonder te vermelden de soldij (stipendium), welke voor het eerst in 406 vóór Chr., tijdens den oorlog met Veji, werd uitbetaald, terwijl de soldaat vóór dien tijd privato sumptu diende, niet dat hij in het veld zelf voor zijn onderhoud moest zorgen, maar doordien de verplegingskosten door de tribus moesten bestreden worden en dus niet ten laste van het aerarium kwamen. Toen nu de soldij werd ingevoerd, was deze niet, zooals bij de Grieken, een atTJi;, waarvan de soldaat in zijn onderhoud voorzag, maar eene schadeloosstelling, welke hem, hetzij na den veldtocht, hetzij bij termijnen werd uitbetaald, maar waarvan werd afgetrokken wat de staat voor hem aan kleeding, wapenen en levensmiddelen had uitgegeven. De socii, die geen stipendium uit de staatskas ontvingen , werden kosteloos van het noodige voedsel voorzien. Wat de ridders betreft, die equo publico dienden, ook zij ontvingen hun aes hordearium niet uit de staatskas, maar door eene belasting op de weduwen , en wel zóó, dat hun werd aangewezen, van wie zij de uitbetaling hadden te vorderen, en hun, in geval van verzuim , de pignoris capio vrijstond. Tot waardeering hiervan moet men in het oog houden , dat de weduwen en onmondige weezen geen tributum betaalden, daar zij zich niet bij de censoren konden aangeven \').

Onder de principes werden de uitgaven nog vermeerderd met

1) Wij moeten hier nog eenmaal terugkomen op de tribuni aerarii. Zij komen voor in het begin en op het einde der republiek, en wel onder geheel verschillende omstandigheden. Het stipendium wordt ook aes militare genoemd, en zij, die met de uitbetaling hiervan belast waren door de tribus, werden, naar dit aes, tribuni aerarii geheeten. De uitbetaling der soldij ging later op de ijuaestoren over, maar de tribuni aerarii bleven als o r d o bestaan. Wij moeten de aeraartribunen wel beschouwen als oen stand, die naar den census op de eijuites volgde, te meer, daar de Aurelische wet uit hen eene derde afdeeling rechters vormde.

Scrummer, Rom. Ant., 5e druk. 12

-ocr page 192-

178

de bezoldiging der ambtenaren, de kosten der keizerlijke hofhouding, der keizerlijke post1), en sedert Vespasianus ook van het onderwijs, daar deze keizer de eerste was, die onderwijzers uit de schatkist bezoldigde.

3. MUNTWEZEN.

De invoering van gemunt kopergeld wordt aan Servius Tullius toegeschreven. De éénheid was de as (etc), een stuk koper ter nominale zwaarte van een romeinsch pond (iets minder dan ^ kilo). Het pond (libra, pondo) was verdeeld in 12 unciae. Inden eersten punischen krijg zag men zich uit geldgebrek genoodzaakt, de innerlijke waarde van den as te verminderen en hem te slaan op een gewicht van 4 oneen, dus op van de waarde, a s trien talis. Het oude kopergeld heette, in tegenstelling van het nieuwe, aes grave of asses librales. Wij moeten hier opmerken , dat het ware gewicht van den as eenigszins beneden het nominale bleef, misschien om versmelting te voorkomen, misschien ook om hieruit de kosten van aanmunting te bestrijden, alsmede, dat de muntstukken nog niet gejusteerd werden en hierdoor niet volkomen gelijk in gewicht waren. Een kwart eeuw vóór den eersten punischen oorlog begon men ook zilvergeld te slaan. De meest algemeene romeinsche zilvermunt was de sestertius (van semistertius — derdehalf), ter waarde van 2as, die echter in 218 v. Chr. aan 4 as werd gelijk gesteld. Tevens werd de as op 1 en later op [ uncia teruggebracht *). Deze veranderingen van den muntstandaard waren financieele operatien, om in schaarschte van geld te voorzien. Ruim eene halve eeuw na de zilveren, kwamen ook gouden munten in omloop, welke echter de innerlijke waarde niet hadden, welke er op stond uitgedrukt. De muntstukjes, welke kleiner waren dan de as, waren de volgende :

1

Zij was alleen bestemd voor ambtenaren en regeeringspersonen» Particulieren hadden eene speciale vergunning noodig, om er eene reis mede te doen.

-ocr page 193-

179

Semissis = 6 unciae.

Triens = 4 unciae.

Quadrans = 3 unciae (ook teruncius genaamd, van tres unciae).

Sextans — 2 unciae.

Uncia.

De sestertius werd oorspronkelijk aangeduid door de letters L L S (libra libra semisi, later door I E S, waarvan men ook wel H S maakte. De zilveren munten waren:

Denarius — 10, later 16 as = 4 sestertiën, met hetteekenX,

Quinarius -z= 5, „ 8 „ =r 2 „ „ „ „ V,

Sestertius — 2}, „ 4 „

Libella = 1 „

Sembella = „

Teruncius-J „

Nu en dan waren ook dupondii, stukken van 2 as, in omloop.

Sedert Caesar nam de hoeveelheid gouden muntstukken sterk toe; zij heetten toen nummi aurei of solidien hadden eene waarde van 25 denariën. In de derde eeuw na Chr. nam de vervalsching sterk toe en werden er, in plaats van zilveren, meest ijzeren of koperen munten geslagen en met eene laag zilver overtrokken, of wel het zilver werd met eene zeer aanzienlijke hoeveelheid koper vermengd. In de laatste halve eeuw vóór Chr. werden er ook koperen sestertiën geslagen, namelijk door den drieman M. Antonius buiten Rome en vervolgens door Augustus ook te Rome. De aureus (= 100 sestertiën) had onder Augustus eene waarde van omstreeks /12.75, zoodat volgens dezen maatstaf de sestertie op 12 J cent kan gerekend worden.

Geldsommen werden berekend met sestertiën. Men onderscheidt hierbij sestertius, sestertium (meervoud sestertia) en sestertium (onverbogen) met een adverbium numerale op es. Het eerste sestertium beteekent mille sestertium (~ sestertorium). Dit sestertium geraakte als een nieuw substantivum in gebruik en kreeg het meervoud sestertia. Het tweede sestertium beteekent centum millia sestertium. Daar men bij eenigszins aanzienlijke geldsommen aanstonds met duizenden te doen had, werden de woorden mille, millia, centum millia weggelaten. Zoo is dus b.v.

-ocr page 194-

180

IIS ducenti = 200 sestertiën.

„ ducenta = 200 sestertia 200 x ioco sestertii. „ ducenties — ducenties centena millia sestertium = 200 X 100 000 sestertii.

Soms staat boven het getal een streepje; in dit geval leze men millia, b.v. II S CCLV = 255 X 1000 sestertiën. Is het getal door drie streepjes ingesloten, op de wijze van een van onder open rechthoek, dan denke men er centena millia bij: jXVÏj — 16 X 100 000.

Het woord asses wordt bij groote geldsommen meermalen vervangen door aeris. Bij een adv. num. op es is ook hier centum millia uitgelaten; b.v. quinquaginta millia aeris = 50 000 as, quinquagies aeris — 50 X 100000 as.

4. de rentevoet.

Ten slotte nog een enkel woord over den rentevoet. Bij de onzekerheid, waarin men verkeerde omtrent het terug ontvangen van uitgeleend geld, was de rente hoog. De wetten der twaalf tafelen of, volgens Livius, de lex Duillia et Maenia (357) stelden voor het eerst een maximum vast en wel het fenus unc: a-rium, d. i. fV of 85 pet. \'s jaars, of wellicht, voor het oude jaar van tien maanden berekend en op dat van twaalf toegepast, 10 pet. In 347 vóór Chr. werd de rentevoet door eene wet op een fenus semiunciarium gebracht.

In Cicero\'s tijd was er eene andere wijze van renteberekening, namelijk met centesimae of percenten. Usurae centesimae zijn eene rente van 1 pet. \'s maands, binae centesimae van 2 pet., enz. Wat minder dan 1 pet. \'s maands was, werd benoemd naar de onderdeelen van den as, b.v.

t\\ pet. \'s maands, usurae uneiae,

h , j )? » tj sextantes,

f » ,, , » quadrantes,

i „ „ „ trientes,

j „ „ , „ semisses, enz.

Wetten op het punt van geldleenen waren onhoudbaar. Wij hebben reeds vroeger gezien, met welke woekerwinst in de pro-

-ocr page 195-

181

vinciën geld geschoten werd; Verres zette op Sicilië zijne kapitalen uit tegen 24, Brutus op Salamis tegen 48 pet. \'s jaars. Onder de keizers werd de berekening van rente op rente, anatocismus, verboden, en onder Justinianus was de wettige rentevoet 6, bij bodemerij (pecunia traiectitia) 12 pet.

Tusschenbeiden steeg de schuldenlast zoo hoog, dat de staat zich genoodzaakt zag zich er mede te bemoeien, of dat er eene wet vverd aangenomen tot vermindering der schuld. Het eerste bekende voorbeeld is de lex Licinia Sextia (367 vóór Chr.), welke de zaak aldus regelde, dat de betaalde rente van het kapitaal werd afgetrokken en het overschot in drie jaarlijksche termijnen zou worden afbetaald. In 352 kwam de staat tusschenbeiden door tijdelijk eene staatsbank op te richten onder het beheer van quinqueviri mensarii, welke op voldoend onderpand of tegen voldoende borgstelling voorschotten verstrekte. Dezen maatregel had men te danken aan de consuls P. Valerius Poplicola en C. Marcius Rutilus. Een dergelijk geval had in 216 plaats, toen er door de lex Minucia van den volkstribuun Minucius triumviri mensarii gekozen werden. In het jaar 32 na Chr. gaf keizer Tiberius eene som van 100 millioen sestertiën gedurende drie jaar renteloos. Somtijds werd, in tijden van beroering, een geweldige maatregel doorgedreven, door bij eene wet de schulden te verminderen, zooals in 86 vóór Chr. door de wet van L. Valerius Flaccus plaats greep, waardoor alle schulden tot op J verminderd werden. Dit is het, wat de Romeinen onder tabulae novae of nieuwe schuldboeken verstaan. Tabulae namelijk zijn de boeken der bankiers en geldhandelaars (argentarii, nummularii), die hunne banken en kantoren in den omtrek van het forum hadden, en wel hoofdzakelijk in de overdekte doorgangen, welke onder den naam van lanus bekend zijn.

-ocr page 196-

XII. HET KRIJGSWEZEN.

I. DE ROMEINSCHE VOORTIJD.

Van de samenstelling en inrichting des legers onder de eerste koningen weten wij slechts weinig. Het schijnt echter, dat in den romeinschen voortijd de ruiterij, later zeer op den achtergrond geschoven, de kern van het leger uitmaakte. Driehonderd ruiters (celeres), van welke door elke der drie tribus, Ramnes. Tities en Luceres, 100 geleverd werden, waren volgens de 30 curiën in even zooveel decurien ingedeeld. Over elke decurie was een decurio gesteld; een tribunns celerum stond aan het hoofd der geheele ruiterij. Bij deze uit de patriciërs gekozen 300 ruiters waren uit iedere tribus 1000 voetknechten, gevoegd. Men denke bij dit niet onbelangrijk getal aan de cliënten der patriciërs. Naar gelang Romes macht en grondgebied zich uitbreidden, moest ook de legermacht versterkt worden, en wij lezen dan ook reeds onder de regeering van Tarquinius Priscus van eene uitbreiding der ruiterij (blz. 10), wellicht gepaard met eene vermeerdering ook van het voetvolk. Door de hervorming van Servius Tullius werd, met de veranderde staatsinstelling en verdeeling der burgerij in klassen, eene geheele verandering in het krijgswezen gebracht. De legioenen (van legere), uit voetvolk bestaande, werden langzamerhand de kern en de hoofdmacht des legers. De legioensoldaat moest zich volgens de klasse, waarbij hij ingedeeld was, zijne wapenen aanschaffen.

De eerste klasse had eene volledige uitrusting: helm, harnas, rond metalen schild, clipeus, en scheenplaten.

-ocr page 197-

183

De tweede klasse was zonder harnas, met langwerpig houten schild, scutum, helm en scheenplaten.

De derde klasse als de tweede, doch zonder scheenplaten.

De vierde klasse als de derde, doch zonder helm.

Deze verschillende bewapening doet ons vermoeden, dat de oudromeinsche slagorde den vorm had van een langwerpig vierkant, waarin de zwaargewapenden voorop stonden. Hoe minder bedekking de soldaat aan zijn lichaam had, des te meer naar achteren stond hij dan in de slagorde. Tot aanvallend wapen hadden allen speer (hasta) en zwaard (gladius). De soldaten der vijfde klasse komen onder verschillende benamingen voor, waarvan de beteekenis nog niet voldoende is opgehelderd: adscrip-ticii, ferentarii, rorarii, accensi, velati.

De ruiterij, ofschoon nu uit 18 centuriën bestaande, daalde van hoofd wapen tot een ondergeschikten rang, en stond op de beide vleugels van de phalanx.

Het houten schild, scutum, was cylindervormig gebogen, met leder bekleed, en sedert Camillus onder en boven met ijzer Ijslagen ; in het midden had het een ijzeren knop, umbo.

2. HET LEGER ONDER DE REPUBLIEK, EN MEER IN HET BIJZONDER VÓÓR MARIUS.

Tusschen den tijd van Camillus en den derden punischen oorlog ligt eene tijdsruimte van ongeveer derdehalve eeuw, waarin de Romeinen, door ervaring geleerd, in hunne legerorganisatie een aantal wijzigingen aanbrachten, waarvan de juiste tijd niet met zekerheid is op te geven. Sedert het tienjarig beleg van Veji ontvingen de troepen soldij. Hierdoor alleen was het mogelijk geweest, hen ook gedurende den winter onder de wapenen te doen blijven. Wat wij van het krijgswezen tijdens den derden oorlog met Carthago weten, hebben wij te danken aan den griekschen geschiedschrijver Polybms, die ongeveer anderhalve eeuw vóór Chr. leefde.

De normale sterkte van een legioen bedroeg vóór Marius\' tijd 4200 man voetvolk, benevens 300 ruiters, in stand van de legioensoldaten niet onderscheiden, daar de romeinsche ridders

-ocr page 198-

184

niet meer als ruiterij dienst deden. Het legioen omvatte vier soorten van voetvolk, voornamelijk naar hunnen ouderdom onderscheiden in:

1200 hastati, de iongsten.

1200 principes, de middelsten.

600 triarii, de oudsten.

1200 v e 1 i t es uit de laagste klassen, nu bij de troepen ingedeeld, in plaats der oude, niet tot de gelederen behoorende rorarii.

Elke consul had in oorlogstijd twee legioenen onder zijne bevelen. Was er een groot leger noodig, dan bestond eene consulaire krijgsmacht toch uit niet meer dan twee legioenen, maar het voetvolk werd dan vermeerderd. In den tweeden punischen krijg b.v. komen legioenen voor van 6200 man voetvolk en 300 man ruiterij.

Bij elk legioen waren zes hoofdofficieren met den titel van krijgstribunen, tribuni militum. Van deze zes schijnen telkens twee het bevel gedurende twee maanden te hebben gevoerd en dan elkander bij het etmaal te hebben afgewisseld. In den beginne werden zij door den veldheer benoemd, doch sedert 362 v. Chr. koos het volk in de tribuutcomitiën zes, en sedert 311, ten gevolge van het Atilisch-Marcische plebisciet, zestien van de vier en twintig krijgstribunen. De door den veldheer benoemde krijgstribunen werden r u f u li genoemd, de andere comitiales. Van deze vier en twintig tribunen moesten er tien reeds een tiental veldtochten hebben medegemaakt, de overigen vijf. De eersten werden seniores, de laatsten i u n i o r e s genoemd. In de laatste dagen der republiek en onder de keizers waren bijna alle tribunen uit den senatoren- of den ridderstand. Elk legioen bevatte 60 centurien, waarvan twee telkens een m a n i p u 1 u s vormden. Elke centurie stond onder een c e n t u r i o en bij eiken manipel was de hopman der tweede centurie, centurio posterior, ondergeschikt aan dien der eerste, centurio prior. De verdeeling in manipels werd door Marius afgeschaft. De 60 centurio\'s stonden, vooral in lateren tijd, in stand en beschaving ver beneden de tribunen. Als teekenen hunner waardigheid en om zeiven lichamelijke tuchtigingen te kunnen uitdeelen, voerden zij een stok.

-ocr page 199-

185

van een wijngaardrank gesneden \'). De 20 centurios der triarii hadden den hoogsten rang, dan volgden de 20 der principes en daarna weder de 20 der hastati. De oudste centurio der triarii, de eerste in rang van allen, heette primus pilus of pri-mipilus. Toen de slagorde later bij cohorten en niet meer bij mampuli geregeld werd, veranderde ook deze rangorde.

Als muzikanten worden de tubicines, cornicines en buccina-tores genoemd. Een vierde instrument was de litiuis, bij de ruiterij in gebruik.

Alleen romeinsche burgers werden voor den dienst in legioenen gelicht. Nadat de burgers, die tot hun 4Sste jaar dienstplichtig te velde waren, op den dag, door den consul bij edict voor de lichting bepaald, waren opgekomen — het niet verschijnen kon tot zware straffen, zelfs tot verlies van burgerrecht en vrijheid aanleiding geven — werden eerst uit ieder der 35 tribus 480 man uitgekozen, in 4 legioenen verdeeld en aan de 24 krijgs-tribunen toegewezen, daarop de equites gelicht, eindelijk door de tribunen, nadat deze en de legaten eerst zeiven den krijgseed gedaan hadden, den legioenen de eed afgenomen, dien man voor man voortredend zweren moestDe verdeeling der soldaten had op de volgende wijze plaats. Nadat door het lot bepaald was, met welke tribus men een begin zou maken, werden uit deze de welluidendste namen (ominis causa) het eerst opgeroepen, zooals Salvius, Valerius en dgl. De dienstplichtigen werden vier aan vier opgeroepen. Uit het eerste viertal kozen eerst de tribunen van het eerste legioen hun man, daarna die van het tweede, dan die van het derde, terwijl de overblijvende voor het vierde legioen was. Uit het tweede viertal hadden de tribunen van het tweede legioen de eerste keus, uit het derde die van het derde legioen,

1) Dat zij dien stok niet slechts tot vertooning droegen , muur hem duchtig gebruikten, blijkt uit Tac. Ann. 1. 23, •waar van een centurio Lucilius gesproken wordt, wien de soldaten den spotnaam ?,cedo alteramquot;quot; gegeven hadden, „quia fracta vite in tergo militis alteram elara voce ac rursus aliam poscebat.quot;

2) De eerste soldaat sprak den geheelen eed uit: de overigen gebruikten de woorden: idem in me. Een gedeelte van het eedslbrmulier vindt men bij Gellius XVI. 4.

-ocr page 200-

186

enz. Dit was de gewone wijze van lichting voor de beide consulaire legers. Buitendien kon er in geval van nood eene buitengewone lichting (coniuratio) plaats grijpen, wanneer er ten spoedigste een leger bijeengebracht moest worden, en werden soms oudgedienden door eene e v o c a t i o bij name opgeroepen, om vrijwillig onder een beminden veldheer dienst te nemen \'). Redenen tot vrijstelling waren: twintig dienstjaren te yoet of tien te paard, sommige lichaamsgebreken, ziekte, een openbaar ambt of eene priesterlijke bediening.

De hastati, principes en triarii hadden een spaansch tweesnijdend zwaard, zoowel tot steken als tot houwen geschikt, door de soldaten aan de rechterzijde gedragen, door de officieren links. Verder voerden de beide eerste rangen het pilum, de triarii daarentegen nog de oude hasta. Het pilum, het hoofdwapen der romeinsche legioenen, had eene, nu eens ronde, dan vierkante schacht, omstreeks im,25 lang. In dit hout was aan den eenen kant tot op de helft zijner lengte eene inkeeping gemaakt, waarin het ijzer bevestigd werd. Volgens anderen was het ijzer ingekeept en het hout in de keep gestoken. Het ijzer was even lang als de schacht en stak er dus ora,62 5 met zijne driekantig gescherpte-helft uit. Ten tijde van Polybius was het van een weerhaak voorzien , later, in Caesars tijd, alleen aan de punt gestaald, en verder van week ijzer, zoodat, wanneer het zich in een hard voorwerp, b.v. het schild, vasthechtte, het ijzer door den last der zware schacht boog en er niet dan moeielijk uit te rukken was. Boven aan de schacht was eene ijzeren punt, om het pilum in den grond te kunnen steken. De geheele lengte van dit vreeselijk wapen bedroeg alzoo omstreeks iln,875, zijne zwaarte ten minste S of 6 kilogram. Het schijnt, dat de legioenen soms wel een lichter pilum gevoerd hebben, maar in Caesars tijd niet meer. De triarii behielden de lange hasta, de velites eindelijk voerden het spaansche zwaard, onderscheidene lichte werpspietsen, soms tot 7 toe, een rond schild, en een galea of stormhoed van gelooid

1) Cues. B. C. I. 30. „Parem ex Gallia numerum, quem ipse paia\\erat, nominatim ex omnibus civitatibus nobilissimo et fortissimo quocjue evouato.quot;

-ocr page 201-

187

of ongelooid leder of eene vilten muts. Ook in deze bewapening bracht Marius verandering.

De hastati, principes en triarii droegen verder een metalen helm, bij de officieren met hooge roode of zwarte vederen versierd, op het hoofd; borst, rug en schouders waren door een uit lederen riemen bestaand pantser, lorica, beschermd; aanzienlijken droegen ook wel een maliënkolder van ringen of schubben; het rechterbeen was door eene metalen, van binnen gevoerde ocrea beschut. Het hoofdwapen ter dekking van het lichaam bleef echter het scutum.

Het legioen bestond vóór Marius uit 30 manipels \') voetvolk. Elk dezer manipels had zijn eigen veldteeken, hetzij een vexil-1 u m, een staak met een dwarshout bovenaan, waaraan eene roode of witte vaan bevestigd was, of een signum, een staak met de eene of andere figuur er boven op. Ook hadden de drie afdeelingen voetvolk en de ruiterij nog afzonderlijke standaarden, met de beelden van een wolf, een minotaurus, een everzwijn en een paard er boven op, terwijl een adelaar met uitgespreide vlerken het algemeene veldteeken voor het geheele legioen was.

Behalve de genoemde korpsen, had de veldheer in den strijd eene uitgelezen bende om zich heen, ter bescherming van zijn persoon. Sedert P. Cornelius Scipio Africanus minor, die, toen hij het muitende leger vóór Numantia moest beteugelen, zich met eene lijfwacht ook in de legerplaats omringde, maakte de delecta manus met het gevolg en den staf des veldheers de cohors praetoria in ruimeren zin uit. Hierin dienden de jongelieden van aanzienlijken huize.

Bij de hastati en principes bevatte de centuria 60 man benevens 20 velites; deze 80 man stonden 10 man in het front en dus 8 diep; de triarii stonden bij gelijke frontbreedte slechts 5 man diep, omdat de centuria daar 30 man en 20 velites bevatte.

1) Volgens de sago zou het signum vim den manipel oorspronkelijk bestaan hebben uit eene handvol stroo aan een staak gebonden en zou de naam manipulus hiervan afkomstig zijn. Waarschijnlijker betcekende het woord in het eerst eene kleine afdeeling (handvol) soldaten.

-ocr page 202-

188

Centurie der hastati en pri7icipes Centurie der triarii van 80 man. van 50 man.

---------------------f- H- -f- -f- -f- -f- -f- -4- - - relit,

----------------- -lt;- 4-

\' eeliles H- quot;l- quot;H -f-

Zij marcheerden in gesloten gelederen, die zich openden, wanneer pilum, gladius en scutum gebruikt moesten worden, daar hiertoe meerdere ruimte noodig was. In zeer wijde gelederen werd die slagorde geplaatst, welke s e r r a, de zaag, genaamd werd; hierbij trok het eerste gelid, na zijne pila te hebben geworpen, zich in de open ruimte tusschen de rotten terug; daarop trad het tweede gelid voor; wanneer dit geworpen had, het derde, en zoo verder, totdat het eerste, dat ondertusschen van een ander pilum voorzien kon worden, weder in de frontlijn inrukte.

De ruiterij van het legioen bestond nu niet meer uit de oude achttien afgesloten riddercenturiën, maar uit dezelfde klassen als het legioen, en was over het algemeen minder in aanzien. Hare wapens bestonden in een rond schild, p a r m a, eene lans, boven en onder met ijzer beslagen, en een lang zwaard tot houwen geschikt; ruiter en paard waren meestal beiden geharnast. Eerst laat kwamen stijgbeugels en zadels in gebruik; men zat soms ook op dekken. De 300 tot een legioen behoorende ruiters waren in 10 turmae gedeeld; iedere turmahad drie decuriones en haar vexillum. In den oorlog tegen Jugurtha (112—106 v. Chr.) komt de romeinsche ruiterij het laatst voor.

Als bovenkleed werd in den oorlog het s a g u m gedragen, het kleed des oorlogs, in tegenstelling van de toga, het kleed des vredes. Het sagum was een grove, wollen mantel, die tot over de knie reikte en in het gevecht afgelegd werd. Onder het harnas droeg de krijgsman eene wollen tunica zonder mouwen. In later tijd droeg hij ook b r a c c a e, eene soort van broek,

-ocr page 203-

189

en c a li g a e, laarzen, beiden van leder. De veldheer droeg een purperen mantel, paludarnentum.

Het legioen stond in drie linien in quincuncem achter elkander geschaard, zoodat de tweede linie zich schaarde op de

tusschenruimten der eerste, de derde op die der tweede.

* * *

»■ *

üf Tifr *

Een geheel legioen bij manipels geschaard had dus deze stelling:

hastati.

□ □□□□□□□□□

principes.

□ □□□□□□□□□

triarii.

□ □□□□□□□□□

Tusschen de verschillende manipels bleef eene ruimte, gelijk aan de breedte van een manipel. Was het noodig, de frontlijn geheel te vullen, dan kon de tweede centurie van eiken manipel zich naast de eerste plaatsen of de velites konden de tusschenruimten tusschen de verschillende manipels aanvullen.

3. DE MARSCH EN DE VELDSLAG. TUCHT.

STRAFFEN EN BELOONINGEN.

Buiten zijne wapens droeg de legioensoldaat in oude tijden één of meer palissaden, brood in den regel voor 17 dagen, spade, bijl en andere gereedschappen, die met elkander een gewicht van meer dan 30 kilogram bedroegen. Het leger marcheerde in den regel in open kolonne. Wanneer het op marsch aangevallen werd, dan vormde het naar de plaatsgesteldheid óf een agmen quadratum, d. i. een carré, met ledige binnenruimte, óf een orbis, een vol, gesloten vierkant. Werd het leger op zijn marsch door eene door vijanden bezette hoogte, die volstrekt beklommen moest worden, opgehouden, dan sloot somtijds het eerste gelid

-ocr page 204-

190

de schilden vast aaneen, de overige vormden, door ze aaneengesloten boven hun hoofd te houden, een soort van dak, testudo, en zóó rukte men den heuvel op. Bij het doen van een aanval, werd de bagage, welke de soldaten droegen, sarcinae, afgelegd en onder bewaking van eene afdeeling krijgsvolk gesteld, evenals de legertros, impedimenta, welke onder toezicht van trosknechten, c a 1 o n e s, en rijknechten , agasones, op lastdieren en wagens werd vervoerd. Troepen, die zonder sarcinae voorttrokken, ten einde tegen een onverhoedschen aanval toegerust te zijn, werden copiae expeditae genoemd.

Wanneer de slag geleverd zou worden, woei van het hoofdkwartier, praetorium, eene roode vlag, vexillum rubrum of flam-meum, de muzikanten speelden den aanvalmarsch (classicum canebant), het leger rukte uit de legerplaats en schaarde zich, met de ruiterij op de vleugels, in slagorde. Daarop begonnen de velites, als tirailleurslinie verspeid, den strijd. Teruggedrongen wordende, namen zij hunne vroegere standplaats als achterste gelederen van den manipel weder in. Nu kwamen de hastati in het gevecht. Waren deze uitgeput, dan trokken zij zich door de tusschenruimten der principes terug, en schaarden zich achter deze laatsten, die nu op hunne beurt den strijd opnamen. De triarii zaten ondertusschen achter hunne standaarden op den grond, terwijl zij hunne hastae schuins vooruit in den grond gestoken hadden en de derde slaglinie alzoo met een gordel van lansen omgeven was. Werden ook de principes teruggeslagen, dan trokken zij langzaam met de hastati op de triarii terug. Op het kommando: surgite! sprongen deze nu op, lieten de beide eersten in hunne tusschenruimten inrukken, en drongen nu met hen als gesloten phalanx op den vijand aan. Nu was de laatste reserve opgerukt en het beslissende oogenblik was gekomen; vaa hier de spreekwijze: res ad triarios rediit, wanneer de laatste krachten worden ingespannen en de zaak hachelijk staat\').

Wanneer er eene luisterrijke overwinning was bevochten, waarbij de lijken van ten minste 5000 vijanden het slagveld bedekten, dan hadden de soldaten het recht, den veldheer met den titel van

O Liv. VIII. 8.

-ocr page 205-

191

imperator te begroeten. Zijne lictoren om wonden dan hunne bijlbundels met lauwertakken (fasces laureati) en hij zelf zond in litterae laureatae aan den senaat bericht. Meestal besloot dan de senaat tot het houden van een dankdag, sup-plicatio, die dan dikwijls na des veldheers terugkomst door de eer van een zegetocht binnen Rome werd gevolgd. De titel van imperator werd behouden tot zoolang de veldheer binnen Rome kwam, of, zoo hem een triumftocht werd toegestaan, tot aan het einde van dezen feestdag. Overschreed hij echter vooraf het pomerium, dan vervielen al zijne aanspraken en zijn titel.

Zeer menigvuldig en verschillend waren de oefeningen der soldaten; wachtdienst, oefeningen in marcheeren, springen, zwemmen, schermen, werpen met lans en pilum, rijden, veldwerken enz. Gewoonlijk waren de wapenen tot oefening nog wel zoo zwaar als die voor den strijd. De straffen bestonden in het inhouden van een gedeelte der soldij, rantsoen van gerstebrood, degradatie, strafarbeid, tepronkstelling vóór de tent van den veldheer, lichamelijke tuchtiging door den wijngaardstok van den centurio, en doodstraf, hetzij door onthoofding of door het doodslaan met stokken (fustuarium). üe strengheid der romeinsche krijgswetten is van oudsher bekend. Wanneer geheele korpsen aan oproer of verzet schuldig waren, werd ieder tiende man gedood (decimare), waarvan reeds een voorbeeld in 469 v. Chr. voorkomt \'). Ook lafheid in den strijd werd zwaar, dikwijls met den dood gestraft. Van des veldheers uitspraak was geene provocatie mogelijk; eerst Augustus ontnam aan de veldheeren de bevoegdheid, over hoofdofficieren een doodvonnis te vellen.

Zoo streng evenwel de straffen waren, zoo veelvuldig waren de belooningen, eerst eenvoudig, later bijzonder uitlokkend. Zoo worden er halssieraden van goud- of zilverdraad (torques), armbanden (armillae), borstsieraden om over het harnas te dragen (phalerae), en eene lansschacht zonder punt (hasta pura) vermeld. Van meer beteekenis echter waren de c o r o n a e. De corona obsidionalis werd den veldheer toegekend, die een door den vijand ingesloten leger had ontzet; zij was doorvlochten met

1) Liv. II. 59 extr.

-ocr page 206-

192

gras, op de plaats zelve geplukt. De corona navalis, voor den-gene, die het eerst een vijandelijk schip had geënterd en beklommen , was van goud en met scheepssnebjes versierd. Mede van goud waren de corona vallaris of castrensis, voor hem, die het eerst den wal eener vijandelijke legerplaats, en de corona muralis, voor dengene, die het eerst den muur eener belegerde stad beklommen had. De corona civica, uit eikenloof gevlochten, sierde hem, die een romeinsch burger uit de handen der vijanden had gered. Zij droeg het opschrift: ob civem servatum.

Dat de Romeinen zeiven in vroeger dagen vrij mild met deze onderscheidingsteekenen waren, blijkt uit het voorbeeld van L. Sicinius Dentatus, den romeinschen Achilles, met 45 litteekens in de borst, die in 120 gevechten 18 hastae purae;, 25 phalerae, 83 torques, 160 armillae, 26 coronae ^waarvan 14 civicae, 8 aureae, 3 murales en 1 obsidionalis) dus te zamen 312 onderscheidingsteekenen verworven had \'). De veldheer, die een zege-pralenden intocht binnen Rome hield, droeg, bij eene kleine zegepraal, o v a t i o, een krans uit myrtentakken, bij eer.e grootere, triumph us, een uit lauwerbladeren gevlochten. Bij de ovatio trok de veldheer te voet of te paard, bij den triumphus op een met vier paarden bespannen zegewagen aan het hoofd van het leger naar het Kapitool, en offerde daar in het eerste geval een schaap (ovis, vanwaar ovatio), in het tweede een stier aan lupiter Capitolinus ■). Vóór hem uit gingen bij den tocht: eerst eene afdeeling hoornblazers, vervolgens wagens met den behaalden buit, zooveel mogelijk tot vertoon gerangschikt; daar-tusschen werden groote borden gedragen, waarop de namen der veroverde steden en overwonnen volken, de veldslagen, het aantal gesneuvelde en krijgsgevangen vijanden en andere bijzonderheden en wapenfeiten vermeld stonden Dan volgden de gevangenen, geboeid, vooral de gevangen vorsten en veldoversten, met al de teekenen hunner vroegere waardigheid bekleed en met gouden

1) A. Geil. N. A. II. 11.

2) Een en ander omtrent een der luisterrijkste triumphi kan men bij Livins XLV. 39 sqq. vinden, waar die van Aemilius Paullus over Ferseus ten deele beschreven wordt.

-ocr page 207-

193

ketenen geboeid. Nu kwamen de lictoren des veldheers, met omlauwerde bijlbundels en onmiddellijk daarachter de veldheer zelf. Op zijn zegewagen stond soms een beeld der overwinning, dat een lauwerkrans boven zijn hoofd hield, terwijl een slaaf, die achter hem stond, hem bij herhaling toesprak: Bedenk, dat gij een mensch zijt. Achter hem kwamen de offerdieren en vervolgens zijn leger.

4. SOCII. AUXILIA.

Naast de legers, die uit romeinsche burgers geworven waren, moesten ook de italiaansche en latijnsche bondgenooten hun contingent leveren, hetwelk ongeveer op romeinsche wijze was gewapend en ingedeeld, maar eene talrijker ruiterij had. Dit contingent werd nooit alleen te velde gezonden, maar als aanhangsel der eigenlijke romeinsche troepen, zoodat het ook geen afzonderlijk leger van hulptroepen uitmaakte. Het werd, om Romes oppergezag ook in de uiterlijke vormen in stand te houden, nooit anders dan als een gedeelte van het romeinsche leger beschouwd en op de beide vleugels geplaatst. Nadat de bondgenooten in Italië het burgerrecht gekregen hadden, waren er eigenlijk geene socii meer, maar slechts auxilia, uit de provincialen en de onderdanen van bevriende koningen bestaande, derhalve in inrichting zoowel als -wapening geheel afgescheiden van de romeinsche legermacht.

De socii nominis Latini en socii Italici moesten zeiven voor de kleeding, wapening en soldij hunner contingenten zorgen; alleen de voeding werd door Rome betaald. Hunne legioenen stonden elk onder zes praefecti, door den veldheer benoemd, wier dienst op dezelfde wijze als die der tribunen afwisselde. Bij een consulair leger van twee legioenen romeinsche troepen werden twee legioenen socii ingedeeld. Een gedeelte dezer bondgenootschappelijke troepen werd, onder den naam van extraordinarii, tot bijzondere gevallen, zooals veldont-dekkingen en dgl., bestemd. Zij waren de keurbende uit de bondgenooten.

Schlimmee, Rom. Ant., 5e druk. 13

-ocr page 208-

Zijde, naar dei srijaad

Porti

waardoor het legeèu

51 v.

Praetoi laar b

Extraord. pedites.

Extraord. equites.

a

O

o ^

23 a ei amp; O O

Evocati et selectl equites.

Quaestorium, met de tent van den quaestor.

Praefecti.

Tribuni.

Praliin

Via principalis, waaraan al deseerste

M. VI

M. VII 03

tes rum

di

cio

qui cio

M. IX S g

E so

M. X

500 voet.

Manipulus I

j—i

tes rum

ai S

S P ■*quot;* li

di cio

qui ] Cio

1

M. IV 2 ®

M O

rH CC

M. V

Via quintana, aldus genoemd naar de das

Standplaats der mar

3 oJ ^ ^ lt; £ % *

SQjioet ■

Ö « cc

^ I

O fl

£

Breedte van den walweg 200 voet, opdat de vijand gee-ne brandende stoffen op de tenten zou kunnen werpen.

50 50 100 v. v. v.

Porta waardoor het

100

200 50 100 voet. v. v.

50

Decui leger

ketenl

-ocr page 209-

laar dei 7Öand gekeerd.

Portt Praetoria, iet legeifiaar buiten rukte.

Extraord. pedites.

P N ï® S O *

2.

■5\'

g. o cc ?

W

Tri

qui

ïo

O quot;

C:

1 |

Extraord. equites.

Forum, met de tenten der legati.

Evocati et selecti equites.

Kvocati et selecti peditcs.

ïribuni. j Fraefecti.

in al dt ieerste manipels gelegerd waren.

Manipulus I

ó

O

agt;

M. II

« O

6

O °

Ch

M. III

s

B

O

rum

n

zc

M. IV

M

V

nd naar de daaraan gelegerde vijfde manipels.

M. VI

o K

i £ M. VII

qui cio

§• a m. vin

tes rum

X

tes rum

M. X

) 100 v. Porta loor het

-50

Decuman a,

leger binnentrok.

ketenters en kramers.

der mar

-ocr page 210-

196

De legerplaats kunnen wij niet beter beschrijven dan door de voorgaande afbeelding. Zij stelt eene legerplaats voor uit den tijd van Polybius voor twee legioenen en de daarbij behoorende socii en auxilia.

Als regel gold bij de Romeinen, dat een leger in den oorlog des nachts altijd door een wal en eene gracht beschut moest zijn. Had nu de veldheer besloten, halt te houden, dan zond hij eenige lichte troepen vooruit, om eene geschikte plaats uit te zoeken. Eerst werd nu het snijpunt van de via principalis en de via praetoria bepaald en van hier uit de geheele legerplaats uitgebakend. De metator stond met zijn gezicht naar de plaats der porta decumana gekeerd. Elke troepenafdeeling had hare vaste plaats en kon dus terstond aan de vaantjes en speren, welke tot bakens dienden, zien, waar zij hare tenten moest opslaan. De velites waren bij dag in den walweg gelegerd; bij nacht bivouakkeerden zij meest buiten de poorten, ten minste wanneer de vijand in de nabijheid was. Dikwijls waren vóór de poorten ook nog ruiterafdeelingen gestationneerd. Legerplaatsen, voor een meer langdurig verblijf bestemd, werden gewoonlijk beter versterkt en op de hoeken met bolwerken voorzien. In de winterkwartieren werden in plaats van tenten houten barakken opgeslagen.

6. DE HERVORMINGEN VAN MARIUS, I02 V. CHR.

Barbaren uit het verre Noorden, de Cimbren en Teutonen, hadden vijf romeinsche legers achtereenvolgens vernietigd. Rome dacht aan de dagen van Brennus, en op den rand des verderfs gebracht, droeg het vijfmaal achtereen het consulaat aan C. Marius, uit Arpinum, op, 104—100. In twee schrikkelijke veldslagen (Aquae Sextiae, 102, Campi Raudii bij Vercellae, 101) vernietigde deze de woeste horden. Maar deze geweldige strijd ging van hervormingen in het krijgswezen vergezeld, welke diep in het wezen van Romes staatsinstellingen ingrepen. Vooreerst werden de legioenen niet meer door delectus volgens den census gelicht, maar mede uit de capite censi samengesteld, die nu in den krijgsdienst door soldij en buit hun onderhoud vonden. Het leger, nu niet meer uit de bezittende klassen der burgerij bestaande, nam het

-ocr page 211-

197

karakter aan van een huurleger, van soudeniers, hoewel het nog steeds uit romeinsche burgers bestond. De ruiterij der legioenen, de 300, werd geheel afgeschaft; de vier onderscheidene wapens van hastati, principes, triarii en velites hielden op te bestaan; alle legioensoldaten droegen helm, scutum en pilum. In plaats\' der verdeeling bij manipels, werd het legioen in tien cohorten ingedeeld. De wolf, de minotaurus, het everzwijn en het paard, werden als veldteekenen afgeschaft, en nevens de standaarden der cohorten bleef als gemeenschappelijk veldteeken alleen de zilveren adelaar. De normale sterkte van het legioen werd nu 6000 man, dus 600 per cohorte. De reden dezer groote hervorming ligt ten deele hierin, dat de romeinsche slaglinie, waarbij de beste troepen achteraf stonden, berekend was op het volhouden van een langdurigen strijd, terwijl de woeste aanvallen der Cimbren en Teutonen het noodzakelijk maakten, ook de meer geoefende soldaten in het front te plaatsen.

Vooral in de bijzonderheden van de wapening en den dienst toonde de plebejische veldheer zijne kennis van het krijgswezen en bezorgdheid voor zijne soldaten. Zoo werd op zijn bevel de voorste spijker in het pilum vervangen door een houten pen, die, wanneer de punt zich ergens in vastgehecht had, door de zwaarte van de schacht moest breken, zoodat de vijand er zich niet meer van kon bedienen, om het terug te werpen. Zoo gaf hij zijnen soldaten, tot beter en gemakkelijker dragen hunner bagage, een gaffelvormigen staak, tusschen welks tanden eene plank bevestigd was. Dezen toestel noemden zijne soldaten spottenderwijze den „muilezel van Marius,quot; mulus marianus.

7. DE TIJD VAN CAESAR.

De inrichtingen van Marius hadden zich verder ontwikkeld. Nadat de bondgenootenoorlog, 91—88 v. Chr., het burgerrecht aan de volken van Italia gegeven had, ontbrak het niet meer aan vrijwilligers, voor wie de krijgsdienst eene kostwinning werd, terwijl het ontbrekende getal troepen door delectus uit de laagste klassen werd aangevuld. Op deze wijze werd zulk een

-ocr page 212-

198

leger meer en meer geschikt, een werktuig in de handen van eerzuchtige aanvoerders te worden, te meer, sedert Sulla het voorbeeld had gegeven, zijne soldaten met landbezit te beloonen, en Octavianus zulks later navolgde.

De normale sterkte schijnt wel 6000 man te zijn gebleven, doch de legioenen waren niet altijd voltallig. In Caesars leger schijnt men ze gemiddeld op 5000 man te moeten rekenen. Deze waren dan in 10 cohorten, elk van omstreeks 500 man, ingedeeld. De cohorte bevatte drie manipuli, iedere manipulus twee ordines of centuriae. De eerste manipulus der cohorte vormden de pilani, die vroeger triariers heetten, de tweede de principes , de derde de hastati. Hoewel wij hier gemakshalve nog van manipels spreken, hadden deze toch geen afzonderlijke veldtee-kenen meer; officieel had elke cohorte slechts zes centurien, drie priores en drie posteriores.

De bevelhebbers van het legioen waren dezelfde als vroeger, alleen was de rangorde der centurio\'s door de indeeling bij cohorten veranderd. Thans vormden de centurio\'s der eerste cohorte de eerste klasse, die der tweede de tweede, enz. De eerste centurio der pilani van de eerste cohors heette primus pilus, de eerste van de pilani der volgende cohorten was de pilus prior. De volgorde was nu in elke cohorte, van beneden af gerekend, als volgt:

hastatus posterior,

„ prior,

princeps posterior,

„ prior,

pilanus posterior,

„ prior.

Wanneer men in de tiende cohorte deze rangen doorloopen had, doorliep men ze in dezelfde volgorde in de negende, dan in de achtste, enz. Wie dus van centurio posterior hastatorum decimae cohortis tot primus pilus wilde opklimmen, moest in den regel de 59 boven hem staanden zien sneuvelen of den dienst zien verlaten. De zes centurio\'s der eerste cohorte waren in vele opzichten boven de overigen gesteld; zoo waren zij b.v.bijzitters in den krijgsraad.

-ocr page 213-

199

Eene voortreffelijke gelegenheid om zich tot een bekwaam centurio te vormen was het korps der antesignani, eene lichte infanterie, bij ieder legioen ongeveer ter sterkte van eene cohorte. Hiertoe werden de knapste en vlugste manschappen van het legioen uitgekozen, die zonder bagage, tot den strijd gereed (e x p e d i t i) en tot het afweren van een aanval, tot het doen van een coup de main en tot het plotseling overvallen van den vijand bijzonder geschikt waren. Somtijds werden ook andere troepen als copiae expeditae gebezigd, door ze te ontlasten van de gewone bagage; de antesignani echter vormden een vast korps.

De wapenen der drie afdeelingen waren nu dezelfde, zoodat het onderscheid tnsschen hastati, principes en pilani alleen bestond in verschil van leeftijd en dienstjaren. Toch schijnt in Caesars leger ook nog dit verschil te zijn weggevallen; althans, wij lezen bij hem van legiones veteranorum, legiones proxime conscriptae, legiones tironum. Vandaar, dat soms cohorten van verschillende legioenen bijeengevoegd werden. Het pilum bleef het voornaamste wapen en was in Caesars tijd alleen aan de punt gestaald om te gemakkelijker te kunnen buigen. De bagage, behoorlijk in een pak gebonden en aan de furca gemakkelijker te dragen, woog ongeveer 20 kilogram. Het legioen had als veldteeken de aquila, elke cohorte haar bijzonder signum. De zware bagage, zooals de lederen tenten, ieder voor tien man, werd op wagens of op paarden of muilezels, médegevoerd.

De hulptroepen te voet, cohortes auxiliariae ofalariae, werden deels aangeworven, zooals b.v. de balearische slingeraars, de cretensische boogschutters, het lichte numidische en germaan-sche voetvolk, deels uit de barbarenvolken in de provinciën gelicht , deels volgens verdragen met vrije barbaren als contingent geleverd. Over het algemeen werden zij niet veel geteld, ofschoon zij in Spanje aan Afranius en Petrejus goede diensten bewezen hebben

1) Caes. B. C. I. 33. „Auxilia toti Lusitaniae a Petreio, Celtiberis. Cantabris barbarisque omnibus qui ad oceanum pertinent, ab Afranio imperantur.quot;

-ocr page 214-

200

De ruiterij bestond eveneens uit door lichting of bij verdrag verkregen barbaren, uit aangeworven gallische, germaansche en spaansche ruiters, sedert de uit romeinsche burgers gevormde ruiterij in onbruik was geraakt. Zij was in alae van 300—400 paarden, en deze weder in turmae ingedeeld en stond onder bevel van praefecti alarum. De romeinsche ridders deden nu in het leger alleen dienst in de cohors praetoria, als praefecti cohor-tium en als tribuni. Overigens telden de romeinsche legers eene veel sterker ruiterij dan vroeger.

Onder de stafofficieren stonden het naast aan den veldheer de legati, mannen van senatorenrang, die nu eens één, dan weder meer legioenen aanvoerden. Op de legati volgde in rang de quaestor, de intendant-generaal, die alleen in geval van nood een militair kommando had, maar wiens ambt het was voor de voeding, soldij, kleeding, wapening, uitrusting enz. der soldaten te zorgen. Verder sloten zich ook in deze dagen zonen uit aanzienlijke geslachten aan den veldheer aan en deden dienst als adjudanten en ordonnans-officieren, zoowel om zich te oefenen, als om naam en eer te verwerven. Zij vormden de keurbende der cohors praetoria, welke verder uit scribae, lictores, apparitores, speculatores bestond. Eindelijk had de veldheer nog eene lijfwacht of garde van ruiters en evocati. Deze laatsten volgden in groot aantal in den burgeroorlog de oproeping van hunnen ouden veldheer, en legden door rijpe ervaring, persoonlijke dapperheid, en niet weinig door hunnen zedelijken invloed op de overige soldaten, wier moed zij in moeielijke omstandigheden schraagden, een beslissend gewicht in Caesars schaal. De gallische oorlogen hadden doen zien, dat zij op hunnen veldheer en deze op hen vertrouwen kon.

De cohorte was nu op deze wijze geschaard:

triarii, thans

hastati

principeS pilani

genoemd

Het legioen was gewoonlijk in twee of drie linien opgesteld. In het laatste geval was de meest gewone stelling deze:

-ocr page 215-

201

front

dl CZ! CD d)

cn □ cn

Odd)

Hiernaar spreekt men acies duplex, triplex; enkele malen, doch zelden, vindt men ook, om bijzondere redenen, van eene acies quadruplex gewag gemaakt, zooals in den slag bij Pharsalus \').

De gewone snelheid van den marsch bedroeg zes uur afstands in zeven uur tijds. Op marsch verdeelde het leger zich in primum agmen, de voorhoede, exercitus, het gros van het leger, agmen novissimum, de achterhoede. Het gros marcheerde of in enkele kolonne met verdeelde bagage óf in slagorde. Hiertoe werd vooral het agmen quadratum gebruikt, wanneer men van alle kanten aan den aanval bloot stond. Men vormde daartoe èf één enkel vierkant uit alle legioenen, met de bagage in het midden, óf ieder legioen vormde op zich zelf, met zijne eigene bagage in het midden, een vierkant. Vreesde men voor een al te hevigen aanval, dan vormde men, door samentrekking der gelederen, na halt gemaakt te hebben, den orbis of het gesloten vierkant.

8. BELEGERING.

De aanval op eene stad kon op drieërlei wijze plaats hebben: i0 door oppugnatio repentina, wanneer de muren met stormladders, zonder verdere voorbereiding, beklommen worden; 2° door oppugnatio, geregeld beleg, wanneer door werken en geschut getracht wordt in de muren bres te schieten, of hetzij daarover heen, door het opwerpen van een dam of agger, of er onderdoor, door mijnen, cuniculi, met geweld de stad binnen te dringen; 30 door obsidio, insluiting door één of meer grachten en wallen, zoowel tot afsnijding van allen toevoer, als tot verhindering van ontzet of heimelijk ontsnappen \').

1) Caes. B. C. III. 38. Caesar \'vormde in dien slag eene vierde linie, wegens dc overmacht van Pompejus\' ruiterij, waardoor hij vreesde geslagen te zullen worden.

2) Van deze insluiting, circumvallatio, is een merkwaardig en uitvoerig geschilderd voorbeeld die van Alesia door Caesar. Zie B. G. VII. 69.

-ocr page 216-

202

Tot het belegeringsmateriëel behoort om bres te maken vooreerst de aries, de stormram, een zware balk, met een ijzeren ramskop van voren. Hij werd onder een uit zware balken gebouwd schutdak of testudo opgehangen, aan touwen naar achteren getrokken en dan op eens losgelaten, zoodat hij met geweld tegen den muur aan stiet. Ook bediende men zich van de falx muralis, muursikkel, bestemd om de bovenrollaag van den muur af te halen , en de t e r e b r a of muurboor.

Bij de belegering van sterke steden, werd .veeltijds de agger toegepast, een dam , welken men zóó opwierp, dat hij met den stadsmuur een rechten hoek vormde. Hoewel aarde een hoofdbestanddeel van zulk een dam was, zou, bij eene eenigszins aanzienlijke hoogte, het opwerpen van den agger uit enkel grond te veel tijd en inspanning gekost hebben; daarom werd er ook veel houtwerk aan gebruikt, b.v. door in plaats van glooingen houten zijwanden van stevige balken te maken en deze zijwanden door zware dwarsbalken aan elkander te ankeren, ten einde het uitwijken te voorkomen, waarna men dan de tusschenruimte met aarde, zoden, steenen en dergelijke zaken kon aanvullen. Hoe minder tijd men had , des te meer moest men zijne toevlucht nemen tot hout- en steigerwerk of takkebossen tot aanvulling bezigen, zoodat dikwijls tot zulk een agger veel brandbaar materiaal weid gebezigd en er dan ook meer dan één voorbeeld vermeld wordt, dat het den belegerden gelukte, den dam in brand te steken. Van de plaatselijke omstandigheden nu hing het af, of de dam eenvoudig glooiend opliep, zoodat men er schutgevaarten op kon brengen, of wel verdiepingsgewijze met terrassen en trappen werd aangelegd. De dam werd zoo dicht mogelijk bij, doch niet onmiddelijk tegen den muur aangelegd, daar de belegerden dan te veel gelegenheid zouden gehad hebben, den arbeid te storen. Was het werk nu tot op de vereischte hoogte gevorderd, dan moest de ruimte, welke den agger nog van den muur scheidde, nog gedicht worden. Dit kon men doen door midden in den dam op verschillende hoogten gangen uit te sparen, verdiepingsgewijze boven elkander gelegen en waarvan de wanden en de zoldering door houtwerk tegen invallen werden beschermd. Door die gangen konden dan de arbeiders het noodige aanvoeren om

-ocr page 217-

203

de nog bestaande ruimte te dempen. Het doel was, den agger op te trekken ter hoogte van den muur en zóó de stad binnen te dringen, na eerst door schiet- en werptuigen de verdedigers zooveel mogelijk van den muur verdreven te hebben.

Onder de verdere belegeringswerktuigen worden nog vermeld:

i0 de pluteus, een schildvormig frontscherm, van licht hout-of gevlochten teenwerk, met huiden bekleed en op rollen beweegbaar;

2° vineae, lichte, uit hout gebouwde stellages met een stevig uit planken of teenwerk vervaardigd dak, dat mede met huiden bekleed was. Zij waren vervoerbaar, en naar omstandigheden aan de eene of andere zijde met teenwerk gesloten. Daar zij bestemd waren om deels de arbeiders bij den aanvoer der materialen, deels de troepen, die de wacht bij de belegeringswerken hadden, bij het op- en afmarcheeren te dekken, werden zij in lange rijen aan elkander geplaatst en vormden zóó een bedekten gang;

3° testudines of schutdaken, bestemd tot bescherming der rammers en mijngravers, en sterk uit balken gebouwd, daar zij tot dicht onder de muren moesten geschoven worden. Zij werden ook gebezigd om grachten dicht te werpen en waren van voren van een laag afloopend afdak voorzien. Zijn zij lang en smal, dan worden zij ook m u s c u 1 i genoemd. Onder t e s t u d o verstaat men ook nog iets anders. Een afdeeling soldaten hielden hunne schilden zóó vast aaneengesloten boven hun hoofden, dat deze tot vloer konden dienen voor eene andere afdeeling, ten einde zóó den muur te beklimmen. Enkele malen vormden men zelfs twee zulke schilddaken boven elkander.

4° belegeringstorens. Wanneer de agger voltooid was, bouwde men daarop of daarnaast torens, t u r r e s, gewoonlijk beweegbare, op rollen voortgeschoven gevaarten, turres am-bulatoriae, met het doel, daarop het zware geschut, tor-menta, te plaatsen en door hunne hoogte de hoogste punten der muren te bestrijken. Zij werden echter ook soms zóó nabij de muren gebracht, dat in de onderste verdieping een stormram aangebracht, en van de bovenste verdieping valbruggen op den muur nedergelaten konden worden. Ook werden er boogschutters 0P geplaatst om de verdedigers van de muren te schieten.

-ocr page 218-

204

5° tormenta. Buiten de genoemde aries en falx muralis, bestemd om de muren te beuken en omver te halen, hadden de Romeinen van de Grieken ook belegeringsgeschut, tormenta, leeren kennen en overgenomen, geschikt om zware balken, steenen enz. in de vijandelijke steden en tegen hare verdedigers te slingeren. De eerste werktuigen van dien aard waren naar het model van groote voetbogen gevormd. Maar bij het zware geschut lag later niet de buigingsveerkracht van den boog, maar de draaiingsveerkracht ten grondslag. Sterke, veerkrachtige koorden van vrouwenhaar, springpezen van herten, nekpezen van stieren, waardoor geweldig groote boogarmen of groote lepels gestoken waren, werden even als bij onze spanzagen, sterk aangedraaid. Losgelaten zijnde, vlogen zij met groot geweld uiteen, en dreven of slingerden hun last met geweld in de stad.

Het geschut wordt onderscheiden in catapultae, welke in horizontale richting zware pijlen en steenen schoten, en ballistae, die in boogvormige richting steenen en balken wierpen.

Tegenover al deze werken zaten natuurlijk de belegerden ook niet stil. Door allerlei middelen trachtten zij de torens en den agger in brand te steken, hetzij door \'snachts manschappen van den muur te laten afzakken, of door middel van vuurpijlen (malleoli) of van werpschichten, waaraan brandbare stoffen gehecht waren (f a 1 a r i c a e). Hierom bedekten de Romeinen het houtwerk zoo vlijtig met gelooide of ongelooide huiden, die zij met water of azijn nat hielden.

9. DE KEIZERSTIJD.

De monarchie was op een staand leger gegrond. Dit bestond uit gehuurde soldaten, niet door lichting, maar door werving en verbintenis onder de vanen gebracht. De diensttijd der praetoriaaen duurde zestien, die der legioensoldaten twintig jaar. Dan werden zij van hunnen eed ontslagen, doch, ofschoon veterani, konden zij als exauctorati toch nog weder tot den dienst opgeroepen worden. De praetoriani vormden de keurbende des legers. Sedert Augustus maakten de praetoriae cohortes, elk van 1000 man, de bezetting van Rome en Italië en de garde des keizers

-ocr page 219-

205

uit; drie cohortes lagen te Rome, bij de burgers ingekwartierd, zes in het overige Italië. Sejanus, de beruchte gunsteling van Tiberius, liet, ten einde hen meer buiten aanraking met de burgers te houden, eene groote legerplaats of versterkte kazerne voor hen bouwen. Vitellius ontbond de praetoriaansche garde, dewijl zij voor Otho gestreden had, en organiseerde zestien nieuwe cohortes praetoriae en vier cohortes urbanae, welke later tot één geheel samensmolten en in de geschiedenis van Rome eene groote rol speelden, keizers aanstelden en keizers vermoordden, totdat Constantinus hen ontbond en hunne kazerne deed afbreken.

De legioenen, het eigenlijke leger, waren door Augustus over een groot gedeelte der monarchie verdeeld; in de keizerlijke provinciën stonden zij onder de stadhouders. Volgens Tacitus stonden kort daarna in Germania 8, in Hispania 3, in Africa 2, in Aegypte 2, in Syrië 4, in Pannoniö 2, in Moesie 2, in Dalmatië 2 legioenen; dus had het leger, buiten de drie in het Teutoburger woud vernielde, in het geheel 25 legioenen. Meest alle hadden bijnamen, zooals: alauda (het 5de), victrix (het 6de), fulminata (het 12de), rapax (het 21ste) enz. Sedert meer en meer baardelooze jongelingen tribunen werden, was steeds een legaat aan het hoofd van een legioen gesteld, en kregen de keizerlijke stadhouders dus zoovele legaten mede, als er legioenen in hunne provincie stonden. Onder Trajanus bedroeg het aantal legioenen dertig. Dit getal werd later nog vermeerderd; daarentegen nam de sterkte af. Sedert Augustus was de eerste cohorte, waaraan de hoede van den adelaar was toevertrouwd, dubbel zoo talrijk, als de andere.

Het verval van het romeinsche rijk is gedeeltelijk door het verlammen van den krijgshaftigen geest, door weelderigheid en gemakzucht veroorzaakt. Eindelijk kwam het zoover, dat de lichaamskrachten niet meer toereikende waren om de wapenen van vroeger dagen te dragen; eerst werden deze al lichter en lichter, later konden de legioenen den helm, het vierkante schild en het harnas zelfs niet meer torschen.

-ocr page 220-

XIII. ENKELE BIJZONDERHEDEN UIT HET HUISELIJK EN MAATSCHAPPELIJK LEVEN.

I. DE WONING.

In de oudste lijden woonde de echte Romein bij voorkeur op het land; slechts wanneer bezigheden, voornamelijk staatszaken, hem naar de stad riepen, begaf hij zich derwaarts, en toen la.ter de aanzienlijken door de meer en meer toenemende bezigheden in den senaat en op het forum voortdurend aan de stad gebonden waren, zochten zij toch, zoodra de gelegenheid zich hiertoe aanbood, op hunne buitenverblijven (villae) verpoozing en rust. Men onderscheidt villa rustica, de boerderij, en villa urbana, het heerenhuis, het buitenverblijf van den grondbezitter.

De villa rustica bestond uit een eenvoudig boerenhuis voor den bouwknecht (villicus) en de arbeiders, met stallen en voorraadkamers. Deze gebouwen stonden rondom een open plein of hof, in het midden waarvan zich waterputten bevonden, vooral in Italië eene zeer belangrijke zaak. Hier woonde de villicus, meest een vertrouwde slaaf of vrijgelatene, met zijn gezin; hier bevonden zich de cellae der slaven en de stallen voor het vee, de kelders, waarin de olie geperst en bewaard werd, benevens de wijnkelders en korenzolders, hooischuren enz. De hoenderhof bevatte fazanten, pauwen en allerlei soorten van hoenders. Op de villa rustica bevond zich ook het ergastulum, eene slavengevangenis , gedeeltelijk onder den grond gelegen, en door nauwe t hoog boven den vloer aangebrachte vensters verlicht.

-ocr page 221-

207

De villae urbanae der rijken waren, tijdens Romes tijdperk van macht en bloei, trotsche gebouwen, soms ware kasteelen, voorzien van alles, wat weelde en gemak aan de hand kunnen geven, en versierd door al wat natuur en kunst in het scheppen van schoone landschappen vereenigd vermogen. Salustius klaagt er over, dat de villae het aanzien van steden hebben \'), en de beschrijving, ons door Plinius van zijne twee buitenplaatsen gegeven, schijnt deze uitdrukking bijna van overdrevenheid vrij te pleiten\'). Men vond er een heerenhuis, dat behalve alles, wat tot een aanzienlijk huis in de stad behoorde, dikwerf ook een toren of belvédère tot het genieten van een wijd uitzicht bevatte, zalen voor balspel en allerlei lichaamsoefeningen (sphaeristeria), en eene koele gaanderij tegen de groote zomerhitte (cryptoporticus). Rondom dit huis en daarmede een harmonisch geheel vormende, lagen tuinen, weiden, wijnbergen , boomgaarden, boschjes, parken , diergaarden, waranden (le por ar ia). Men vond er soms vijvers, niet alleen van zoet, maar ook van zout water, voor de kostbaarste rivier- en zee-visschen, groote volières, om duiven, lijsters en andere lekkere vogels, ja, zelfs hokken om slakken en veldmuizen te mesten.

Het huis te Rome. In de oudste tijden woonden de Romeinen, volgens de sage, in hutten (casae, tuguria). Ter gedachtenis hiervan werd op den Palatinus de stroohut in wezen gehouden, waarin Romulus zou gewoond hebben (casa Romuli). Door den gallischen brand, 390 v. Chr., werd de stad gedeeltelijk in de asch gelegd, en, in haast ordeloos herbouwd, was zij nog onregelmatiger en leelijker herrezen. De straten waren nauw en krom, open pleinen waren bijna niet aanwezig. De huizen bleven klein en onaanzienlijk, omdat voor den Romein de staat alles, de bijzondere persoon van geringe beteekenis was. De bekrompenheid en onregelmatigheid der stad gaf echter tot herhaalde branden aanleiding, waardoor sommige gedeelten der

1) Cat. 12. Operae pretium est, quum domos et villas cognoveris in urbium modum exaedificatas, eett.

2) Men vindt de uitvoerige besclirijving van het Laurentinum en de tnscische buitenplaats van Plinius in zijne brieven, II. 17 en V. 6.

-ocr page 222-

208

stad verruimd, verfraaid en met open pleinen voorzien werden. Tegen het laatst der republiek begon men hoe langer hoe prachtiger te bouwen. Het huis van Cicero, die volstrekt niet onder de rijksten geteld kon worden, kostte hem bij de f 200 000. Clodius gat voor het zijne bijna anderhalf millioen.

Wij zullen hier geene beschrijving geven van een deftig heerenhuis in de stad, domus urbana, maar slechts enkele deelen er van vermelden. Het vestibulum was eene ruimte tusschen den middengevel en de vooruitspringende zijvleugels, aan de straat open, eene soort van voorplein, waaraan de rijk versierde deurposten pracht en deftigheid gaven. Ostium was de ingang met de hoofd- of voordeur, waaraan een klopper (malleus) bevestigd was; soms ook hing er eene bel (tintinnabulum). Boven den ingang, of vóór de deur op den grond, las men in mozaïek meestal het woord salve. Naast het ostium waren de vertrekken, waarin de ostiarius of ianitor huisde, die soms, ten einde hem op zijn post te doen blijven, met eene keten aan den muur was vastgesloten. Meermalen vond men in den gang de woorden geschilderd of ingelegd: cave canem.

Atrium heette het voorhuis, de voorzaal, waarin men door eene binnendeur uit het ostium kwam. Hier was o u d t ij d s het middelpunt van het huiselijk leven; hier vereenigde zich de familie, hier at men oudtijds, hier hield zich de huisvrouw met hare slavinnen bezig, hier maakte de client zijne opwachting bij zijn patroon. — Dit atrium was eene vierkante of langwerpige zaal, welke haar licht ontving door eene vierkante opening in het midden der zoldering. Toen deze zaal bij het toenemen van pracht en weelde ook in ruimte toenam, werd het dak rondom genoemde opening somtijds door zuilen gesteund. Onder de opening, welke door middel van schermen kon gesloten worden, was een waterbekken aangebracht, waarin de regen werd opgevangen. Ter zijde van het atrium had men gewoonlijk een paar kabinetjes, alae, op de wijze onzer alkoven, met gordijnen gesloten. Ook vond men er het 1 a r a r i u m, eene soort van huiskapel, waar het altaar der Laren stond en de Penaten bewaard werden. In het atrium stonden ook het bruidsbed, lectus genialis of adversus (scil. ianuae, omdat het tegenover den ingang stond),

-ocr page 223-

209

den huiselijken haard, focus, de geldkist en bij hen, die het ius imaginum bezaten, de beelden der voorouders (imagines maiorum), meestal uit was geboetseerd (cerea, expressi cera vultus), in kasten (armaria), die op groote staats- of familiefeestdagen geopend werden.

Het cavum aedium of cavaedium, de binnenhof of plaats, was even als het atrium in het midden ongedekt, doch met grootere opening (compluvium), waaronder zich weder een waterbekken (i m p 1 u v i u m) bevond, met bloemperken omgeven. Oorspronkelijk was het cavaedium niets anders dan eene gewone binnenplaats geweest, soms met eene overdekte gaanderij langs de zijden. Om het cavaedium, evenals om het atrium heen, lagen kleinere vertrekken, cubicula, welke hun licht uit de groote zaal of de binnenplaats kregen. Het tablinum, achter het atrium gelegen, was de bewaarplaats van het familiearchief, ook het kantoor of de werkkamer van den heer des huizes.

In aanzienlijke huizen waren de wanden in de oudste tijden waarschijnlijk slechts met kalk gepleisterd en gewit, in lateren tijd met fijn pleister bedekt, dat met lijmverven of al fresco meer-of minder prachtig beschilderd was, of ook wel met marmer bekleed. Het plafond, eertijds eenvoudig uit planken over de balken bestaande, werd mettertijd prachtig versierd; hetzij dat de balken zeiven, ruitsgewijze gelegd, een netwerk (zoogenaamde caissons) vormden, dat met kleuren en goud werd afgezet (la-quear of lacunar), hetzij de zoldering beschoten en in overeenstemming met de wanden beschilderd werd. Bevloer, oudtijds eene in elkander gestampte leemmassa met steentjes vermengd (pavimentum), bestond later uit het kostbaarste mozaïekwerk (opus musivum of vermiculatum), waaraan de grootste kunst besteed werd, en waarvan nog zeer schoone overblijfselen bestaan.

Onder het meubilair bekleedden tafels eene groote plaats, hoewel het gebruik er van niet zoo veelvuldig was als bij ons. Zij waren laag; in ouden tijd schatte men die uit eschdoornhout, in de laatste eeuw der republiek uit eene afrikaansche houtsoort, lignum citreum (geen citroenhout), zeer hoog, vooral wanneer het blad uit één stuk bestond. Oudtijds waren de tafels langwerpig vierkant, op vier pooten; later kwamen de ronde tafels op één

Schlimmer, Rom. Ant., 5e druk. 14

-ocr page 224-

210

poot in gebruik, or bes genaamd. De prijs, dien men voor zulk eene tafel betaalde, welker waarde van de verschillende vlammen in het hout, nu eens gestreept als eene tijgerhuid, dan gevlekt als een pantervel, dan waaiervormig als een pauwenstaart, afhing, gaat alle begrip te boven \'). De pooten waren dikwijls van zilver. Buiten de groote tafels vond men, vooral in de eetzalen, onder den naam van abaci, kleine pronktafels als étagères, waarop vooral prachtige vazen, schenkkannen enz. te pronk gezet werden. Om de prachtige tafels niet te bederven — tafellakens kwamen eerst laat onder de keizers in gebruik — werden de spijzen in een tafelbak (repositorium) binnengebracht en daarmede op tafel gezet. Vanhier de uitdrukking: mensam ponere, mensam inferre.

Men zat op s e 11 a e, tabourets van hout of brons, of lag op een lectus of lectulus, eene soort van sofa of rustbed, de gewone plaats wanneer men las of schreef, lectus lucubra-torius. Aan tafel lag men op een triclinium of lectus tricliniaris. — In de slaapvertrekken stond een lectus cubicularis, een ledekant op hooge pooten, zoodat men er met een bankje in moest klimmen (lectum ascendere). Solium was een hooge armstoel met hoogen rechtopstaanden rug, waarin de pater familias zat, als hij zijne cliënten om zich had, en de rechtsgeleerde, wanneer hij consult gaf!). Cathedrae waren gemakkelijker zetels met meer schuine rugleuning, op de wijze van onze stoelen.

Tot verlichting bediende men zich van lampen, lucernae, uit gebakken aarde of brons, of ook van kaarsen, candelae, op een candelabrum geplaatst, dat niet op de tafel, maar op den grond stond, en van i tot 2 meters hoog was.

2. KLEEDING.

De gewone kleeding van een Romein bestond uit drie stukken: tunica (het onderkleed), toga (het bovenkleed) en calcei (het schoeisel).

1) Men vindt tafels vermeld van 1000000, en 1400000 sertertién. — Seneca had vijfhonderd tafels en tafeltjes.

2) Ook de troonzetels der goden heetten solia.

-ocr page 225-

211

De tunica was een uit witte wol vervaardigd hemd, dat op het bloote lijf gedragen werd, in de oudste tijden zonder mouwen was, en tot even beneden de knie afhing; in huis was dit langen tijd het eenige kleed, dat een Romein droeg. — De senatoren en ridders droegen eene tunica, een weinig langer dan de gewone en afgezet met eene purperen, van den hals tot den benedenzoom loopende streep (clavus), die bij de senatoren breed (latus, vandaar tunica laticlavia}, bij de ridders smal (angustus, vandaar tunica angusticlavia) was. De gewone tunica (pura) werd met een gordel boven de heupen gegord, die der senatoren en ridders niet. — De zegepralende veldheer droeg eene met palmtakken geborduurde tunica (palmata). — Toen het ijzeren geslacht wee-kelijker begon te worden, droeg men onder de nu los hangende tunica eene tweede nauwere, gegord en met mouwen voorzien (manicata). De tunica lang tot op de voeten te laten afhangen (tunica talaris) werd voor een bewijs van verwijfdheid aangezien.

De toga, het nationale overkleed, dat niemand dragen mocht dan de romeinsche burger, en dat als zoodanig aan slaven en vreemdelingen was ontzegd, was een mantel, oorspronkelijk uit een stuk wollen stof in den vorm van een halven cirkel bestaande, hetwelk zóó gedragen werd, dat er geene plooien op de borst vielen. Allengs echter werd de toga ruimer gedragen en moest dus grooteren omvang hebben en te gelijk langer worden. Ten laatste vormde zij, wanneer zij plat uitgespreid werd, ongeveer een geheelen cirkel. Niet alleen in wijdte en snit, ook in de dracht zelve van dit kleedingstuk is bij beelden uit verschillende tijdperken de invloed der mode waar te nemen, en het was een punt van beschaving en goeden smaak, de toga sierlijk om te werpen, niet te stijf en niet te los, zoodat de plooien smaakvol en naar de mode vielen. In Augustus\' tijd werd de toga zóó over den linkerschouder geworpen, dat hij den linkerarm bedekte, vervolgens onder den rechterarm doorgetrokken; het overblijvende gedeelte werd dubbel gevouwen en ten slotte weder over den eersten schouder heengeworpen, zoodat het met eene punt op den rug afhing. Op de borst vormden zich twee ruime plooien, welke een zoogenaamden sinus of zak vormden. Aan de afhan-

14*

-ocr page 226-

212

gende punten werden kwasten of knoopen gezet, gedeeltelijk tot sieraad, gedeeltelijk om door hun gewicht het kleed naar beneden te doen hangen en in de plooien te houden.

Dit kleed droeg de Romein te Rome, zoodra hij zich in het openbaar vertoonde, en in het buitenland, wanneer hij zijne waardigheid als romeinsch burger wilde doen gelden. Aan de toga hechtte zich voor de latere Romeinen het denkbeeld der heerschappij over de beschaafde wereld 1). Tevens was zij het beeld des vredes, en stond tegenover het sagum, den soldatenmantel. Het was natuurlijk, dat bij handwerken en veldarbeid de toga afgelegd moest worden en zij ook in huis niet gedragen werd. Zoo vonden de afgevaardigden uit den senaat, die aan Quinctius Cincinnatus zijne benoeming tot dictator brachten, dezen ploegende in zijne tunica, doch voordat zij hem de opdracht van den senaat overbrachten, verzochten zij hem eerst zijne toga aan te trekken \'). Aldus luidt het verhaal

De toga was uit ongeverfde wol geweven en dus grauwachtig wit, al ba. Wanneer men naar een ambt dong, liet men haar in krijtwater wasschen, waardoor zij schitterend wit werd en meer in het oog viel (t. Candida). Als rouwkleed was zij pulla, waarschijnlijk uit grauwe of zwarte wol geweven. Toga prae-texta was het ambtsgewaad der hoogste magistraten, met een purperen rand omzoomd; ook de vrijgeboren kinderen droegen, totdat zij in het openbare leven op het forum ingeleid werden, de toga praetexta, welke zij dan met de toga virilis verwisselden. De zegepralende veldheer droeg eene met goud geborduurde purperen toga, picta, en onder de principes was de toga purpurea het keizerlijk gewaad.

Aan de voeten droeg de Romein so lea e, een licht schoeisel, sandalen, in huis, en c a 1 c e i, lage schoenen, op straat en bij de toga. Men trok deze dan ook meestal weder uit, als men te huis kwam. Ging men naar het bad of uit eten, dan liet men zich de soleae nadragen, en zelfs deze trok men bij het aan

1

Verg. Aen. I. 182. „Romanos, rerum dominos, gentemque togatam.quot;

-ocr page 227-

213

tafel gaan uit. De senatoren droegen aan hunne calcei zwarte kruisriemen, die tot halfweg het been liepen; bovendien was hun schoen met een zilveren of ivoren halfmaantje, lunula, versierd.

De halve laarzen der soldaten heetten c a 1 i g a e. Eene griek-sche, later opgekomen dracht waren de crepidae (xpnmdet;), half schoen, half sandaal, die ook alleen in vereeniging met den griekschen mantel gedragen werden.

In de stad ging men blootshoofds. Bij enkele godsdienstige handelingen droeg men den pile us, eene wollen muts. Om zich op reis tegen regen en zonneschijn te beschermen, droeg men een p e t a s u s (van Treravvufxt) , met bijzonder breeden rand. De galerus was zonder randen. De apex, den priesters alleen eigen, was eene hooge, uit vilt van lammervellen vervaardigde muts. Eigenlijk was apex alleen de pompoen, welke boven op de muts zat en uit een olijftakje bestond, hetwelk met een wollen draad (apiculum) omwonden was. Meestal echter werd het geheele hoofddeksel aldus genoemd.

Behalve deze gewone kleedingstukken droegen de Romeinen in bijzondere gevallen ook nog andere, als de p a e n u 1 a, een zvvaren wollen regen- en wintermantel, uit één lap bestaande, met een gat in het midden om er het hoofd door te steken, en de lacerna, een op den schouder door eene gesp (fibula) vast-gemaakten regenmantel. De paenula en de lacerna beiden hadden een kap, cucullus, dien men over het hoofd kon slaan. Synthesis was de naam van een kort, gemakkelijk gewaad, dat men aan tafel droeg, waar de toga te lastig was en de bloote tunica voor onfatsoenlijk werd gehouden. Onder de keizers maakte de toga in het dagelijksch leven meer en meer plaats voor het pallium, een grieksch overkleed, eenigszins in den trant der toga, maar gemakkelijker.

Tot in de vijfde eeuw van Romes bestaan droegen alle Romeinen lange baarden. Toen (269 v. Chr.) kwamen de eerste barbiers uit Sicilië naar Rome, en begon de gewoonte op te komen, zich door deze het haar te doen opmaken, den baard te doen scheren en de nagels te doen knippen. Bij het dragen van rouw liet men het hoofdhaar en den baard groeien, anders werd later het dragen van een baard voor gezocht en minder passend ge-

-ocr page 228-

214

houden 1). Hadrianus en verscheidene andere keizers na hem lieten hunnen baard weder groeien, maar de dracht werd niet algemeen.

Evenals bij de mannen bestond de kleeding der vrouwen uit een onder- en een bovenkleed, waarvan de vorm wel aan mode onderworpen was, maar in hoofdzaak toch dezelfde bleef. Op het bloote lijf werd een hemd van wollen stof, later ook van aegyptisch linnen of katoen of zijde gedragen, indusium, intusium ofinterula genoemd. Hierover droeg de deftige burgeres, matrona, de stola, een lang afhangend kleed, met korte mouwen, aan den hals door eene gesp, fibula, boven de heup door den gordel, cingulum, vastgehouden. Van onderen was een breede zoom of aangezette rand of sleep, instita. De stola was bij deftige vrouwen steeds wit, evenals zelfs de schoenen, calcei, soleae, crepidae, schitterend wit waren en alleen met gouden stikwerk geborduurd mochten zijn. Op het hoofd droegen de vrouwen een haarnet, reticulum, of wel een eenvoudige, wit wollen haarband, v i 11 a, hield het haar bijeen. Op straat droegen zij een palla, eene soort van shawl, die als de toga met breede plooien tot op de voeten neerhing. Vrouwen van vrijgelatenen, slavinben en die van eerloos gedrag waren, mochten geene stola dragen, maar droegen eene toga. Onder de keizers werd de weelde in alle dingen, ook in de kleeding der vrouwen, tot de buitensporigste hoogte opgevoerd, en werd de stola in allerlei kleuren geweven, gedrukt of geborduurd gedragen.

Bij het toenemen van macht en rijkdom in den staat wies natuurlijk ook de zucht tot opschik bij de rijke romeinsche dames. Vooral het kapsel was reeds vroeg een punt van veel belang en zorg. Soms werd het haar hoog op het hoofd opgetrokken en samengebonden (tutulus), soms droeg men afhangende krullen, en, nadat men de germaansche vrouwen en hare dracht had leeren kennen, vlechten als deze. Bij prachtigen tooi droegen de dames een d i a d e m a of gouden hoofdband, waarover het haar zoo gekamd werd, dat alleen de uitstekende punten of .knoppen van den band te voorschijn kwamen. Ook bediende

1

Hor. Epist. II. 3. 297.

-ocr page 229-

215

men zich van allerlei pommades, bij voorkeur van die, welke aan het haar de goudblonde kleur der germaansche vrouwen verleenden; ook kende men chignons en pruiken, capillamenta, galera, waartoe mede bij voorkeur het blonde haar van sicam-brische of bataafsche vrouwen werd gebezigd. Valsche tanden waren reeds vroeg te Rome bekend \'). — Oorbellen van paarlen, hals- en armbanden, monilia en armillae, kettingen, torques, catenae, catellae, en ringen, a n n u 1 i, behoorden tot het staatsietoilet eener rijke dame. — Ook zorgde zij voor het bewaren van hare blankheid door sluiers, waaiers, zonneschermen, kunstmiddelen en schoonheidswatertjes. Blanketsel (f u c u s) en het verven der wenkbrauwen was in later tijden ook niet vreemd.

3. SPIJS EN DRANK.

Wij moeten hier voorloopig opmerken, dat wij omtrent de gewone, dagelijksche spijzen minder goed ingelicht zijn, dan omtrent de prachtige gastmalen van den weelderigen en uitspat-tenden keizerstijd. De oudste Romeinen aten in plaats van brood eene pap of brij, puls, uit spelt, ador, far, soms uit groenten, olera, of uit peulvruchten, legumina, bereid. Vleesch-spijzen werden weinig gebruikt. Eerst na de verovering van Azie kwamen bakkers, pis to res, pastei- en banketbakkers, cupe-dinarii, en koks, co qui, naar Rome, en begon men keuriger te eten. Nu werden ook meer vleeschspijzen, vooral varkensvleesch, en allerlei soorten van fijn gevogelte, vooral vele kleine, zeer vette italiaansche en vreemde vogels, visch, en in het bijzonder schelpdieren, als oesters, mosselen, zeeslakken, gegeten. De lekkerbekken lieten deze, soms met buitensporige kosten, uit alle streken van het romeinsche rijk aanvoeren.

De gewone drank van een niet al te armen Romein was gewone land wijn. De voornamen dronken vooral campaansche wijnen;

1) In de wet der XII tafelen was reeds bepaald, dat men een doode, quoi (cui) auro dentes vincti escunt (erunt;, daarmede mocht begraven, Cic. Legg. II. 24.

-ocr page 230-

216

onder de voortreffelijkste stonden de caecubische, de falernische en de massische bovenaan. — Ook vreemde wijnen uit Griekenland en Klein-Azie, van Chios vooral, uit Hispanie en Gallie, van Massillia, werden door de voornamen en rijken veel gedronken. — Behalve wijn werden oók mengsels van wijn en honig (mulsum), van wijn en warm water (caldum = calidum), van water en honig (hydromeli), alsmede vruchtenwijnen gebruikt.

Als de wijn in groote aarden vaten dol ia, had uitgegist, werd hij in aarden kruiken, amphorae, offlesschen, lagenae, overgeschonken, en deze gekurkt en verder met hars of gips dichtgemaakt. Buitenop werd, om het jaar aan te wijzen, de naam van den consul geschreven. Er bleef door deze behandeling echter nog veel moer in den wijn. Wanneer men hem dus drinken wilde, werd hij, voordat hij in het mengvat gedaan werd (men dronk hem in den regel met water gemengd), eerst doorgezift. Uit het mengvat, crater, werd hij dan met een schepnap, cyathus, in den beker geschept.

Een eigenlijken maaltijd, coena, hield de Romein van den ouden tijd, en later zij, die zich aan de eerwaardige levenswijze der ouden hielden, slechts éénmaal in de 24 uren. De coena begon, wanneer de bezigheden van den dag, in de stad de zaken op het forum, afgeloopen waren, tegen de achtste of negende ure naar de romeinsche wijze van rekenen, naar onze rekening tusschen 2 en 4 uren. Wie nu zóó lang niet wachten wilde of het den geheelen voormiddag niet met eene ledige maag kon uithouden, at tegen den middag (hora sexta of septima) eenige lichte spijs, waarbij men mulsum of caldum dronk. Dit heette prandium. De coena bestond uit drie afdeelingen: 1. g u s t u s, gustatio, promulsis, het voorgerecht, 2. caput coenae, fercula, het eigenlijke maal, en 3. mensae secundae, het dessert.

De gustus diende om de maag tot het eigenlijke maal voor te bereiden. Schaaldieren van allerlei soort, prikkelende sausen, radijs, prei, olijven, vooral het algemeen beminde gar urn, uit het ingewand van visschen bereid, eene soort van marinadesaus, benevens eieren werden daarbij gegeten, en jnulsum er bij gedronken. Bij het caput coenae werd gewoonlijk in de huizen der

-ocr page 231-

217

rijken driemaal opgedragen, waarbij zware wijn gedronken werd. De mensae secundae bestonden, evenals bij ons, uit versche en gedroogde vruchten en gebak, waarbij men zoete wijnen dronk.

Buitengewone maalt ij den waren: i. ientaculum, een ontbijt uit brood, eieren, kaas, melk of mulsum, wanneer men vroeg op reis moest of plan had andere vermoeiende bezigheden te verrichten; 2. merenda, ook antecoenium genaamd, volgens sommigen voor kinderen en zwakken, tusschen het pran-dium en de coena; doch waarschijnlijk was dit slechts een andere naam voor prandium.

Eer men aan tafel ging, zocht men door wandelen of balspel zijn eetlust op te wekken, en nam men een bad. Oudtijds at men in het atrium en zat men aan tafel; later had men afzonderlijke eetzalen, triclinia, en nam men de eigenlijk aziatische gewoonte aan van aan tafel te liggen. Vrouwen en kinderen bleven echter, zoolang men nog eenigszins aan de welvoegelijkheid bleef hechten, aan tafel zitten. Op de volgende bladzijde vindt men eene schets eener tafel.

Langs drie zijden van de tafel stonden drie vrij lage aanlig-sofa\'s,\' welke aan dat gedeelte, hetwelk naar de tafel gekeerd was, iets hooger waren dan aan de achterzijde. Iedere sofa werd door hen, die aan tafel gingen aanliggen (accumbere), van achteren beklommen, daar de ruimte tusschen tafel en bank te nauw was om tot doorgang voor een persoon te dienen.

Op ieder der lecti was plaats voor drie personen; waar op de teekening dubbele lijnen zijn aangebracht, lagen kussens, waarop men met den linkerarm rustte, terwijl men de rechterhand vrij hield om de spijzen naar den mond te brengen. Waar aan het eene einde der lecti eene zware streep op de teekening gezien wordt, was eene lage leuning, om het afvallen der kussens aan die zijde te verhinderen.

Zooals verder op de teekening te zien is, dragen de aanligsofa\'s de namen van sum mus, medius, imus, even als de drie plaatsen op eiken lectus. De cijfers op de teekening geven de rangorde der plaatsen te kennen: 1 is de eereplaats aan tafel, 9 is de laagste plaats. Men ziet hieruit, dat de lectus medius den voorrang had boven de andere lecti, dat op den medius lectus

-ocr page 232-

218

1

imus 1. sive consularis.

2

medius locus

3

summus locus

7

sutnmus (gastheer)

Medius lectus

6

Ol

imus

8

medius

Imus lectus

Mensa.

c 3 3

a

y)

nquot;

n

a

5

medius

9

C/3

4

imus

summus

de volgorde der plaatsen juist het omgekeerde was van die der beide andere, dat de gastheer op de bovenste plaats van den lectus imus aanlag, en dat de eereplaats ook den naam van locus consularis droeg. Deze plaats was aldus gekozen, opdat de voornaamste gast in de onmiddellijke nabijheid des gastheers zou aanliggen, en opdat, wanneer er een consul aan tafel was, deze gemakkelijk de dienstberichten zou kunnen ontvangen en aanhooren, welke hem onder den maaltijd gebracht werden. Van hier de naam locus consularis.

Volgens deze schets moeten de dischgenooten bij den door Horatius (Sat. II. 8. 20 vlgg.) beschreven maaltijd, dier. Nasi-dienus Rufus ter eere van Maecenas gaf, op de volgende wijze aangelegen hebben:

-ocr page 233-

219

Nomentanus

Varius

Viscus

Nasidienus

Fundanius

Bij deze rangschikking moet men in het oog houden, dat de gastheer zijne plaats aan Nomentanus had afgestaan.

Toen in later tijd ronde tafels in plaats van vierkante in zwang kwamen, werden ook de drie rechthoekig aan elkander geplaatste banken tot ééne halfcirkelvormige bank vereenigd, die om hare gelijkenis met de grieksche C den naam van sigma kreeg.

4. DE OPVOEDING.

Negen dagen na de geboorte van een zoon, acht na die eener dochter, werd het kind plechtig aan de huisgoden opgedragen en ontving het zijn naam, waarbij een reinigingsoffer, lustratio, plaats had. Bij die gelegenheid werden soms kleine gouden sieraden, crepundia, den kinderen om den hals gehangen. Kinderen van aanzienlijke ouders droegen aan eene keten om den hals een medaillon van goud (bulla aurea), die van minderen stand een van leder (bulla scortica). Deze bulla bevatte een amulet tegen betoovering.

De eerste opvoeding behoorde aan de moeder, en waarschijnlijk werd ook het eerste onderwijs oudtijds in huis gegeven. Reeds vroeg echter ontstonden er scholen, zoowel voor jongens als voor meisjes, waarheen de jongens onder geleide van een ouden slaaf (paedagogus, custos), de meisjes onder dat harer voedster (nutrix)

Porcius

-ocr page 234-

220

gingen, zelfs wel totdat zij volwassen waren Het onderwijs omvatte oudtijds alleen lezen, schrijven, rekenen en de kennis van de wetten der XII tafelen. Later werd ook Grieksch geleerd en vooral Homerus gelezen. Op ongeveer zestienjarigen leeftijd, op het feest der Liberalia, nam de jongeling de mannentoga aan en werd door eene schaar vrienden en verwanten naar het forum begeleid. Deze plechtigheid, tirocinium fori geheeten, werd besloten met eene offerande op het kapitool en was de intrede in het openbare leven. Het bezoeken der gewone scholen hield tVians op. Zij echter, die naar eene hoogere ontwikkeling streefden, bezochten nog de lessen der rhetoren, meesters in welsprekendheid , en der wijsgeeren. Na de onderwerping van Griekenland kwam de gewoonte op, jongelieden tot voltooiing hunner studiën en tot hoogere ontwikkeling naar Athene te zenden. Zoo hebben Cicero, Messala, Horatius, Ovidius en de meeste beroemde mannen uit den laatsten tijd der republiek ddar eenigen tijd de wetenschappen beoefend.

5. BEGRAFENIS.

Het algemeen geloof, dat de schimmen van onbegravenen aan de oevers van den Styx moesten ronddwalen, deed ook bij de Romeinen de begrafenis en uitvaart als eene gewichtige, met den godsdienst in verband staande zaak beschouwen. Wanneer iemand gestorven was, werden hem door een der naaste verwanten de oogen toegedrukt, en daarop werd door alle aanwezenden zijn naam uitgeroepen (conclamatio). Het lijk werd dan gewasschen en de lijkstaatsie bij een libit in ar ius besteld.

Deze libitinarii hadden in den tempel van Libitina (de lijkgodin) alles, wat tot eene begrafenis noodig was, bijeen. Zij trokken nu den afgestorvene een met zijn stand overeenkomend kleed aan en legden hem op een praalbed, lectus funebris. Naast het lijk stond een rookend wierookvat, en vóór het huis werd

1) Zie omtrent dit laatste de geschiedenis van Virginia, Liv. III. 44. „Virginiae venienti in forum (ibi namque in] tabernis literarum ludi erant) ad elamorem nutricis.... fit concursus.quot;

-ocr page 235-

221

een cypres geplant. Het vuur op den haard werd uitgedoofd, en eerst na de begrafenis weder aangestoken.

Nadat het lijk eenige dagen te pronk had gelegen, werd het volk door een praeco ter uitvaart opgeroepen. De lijkstaatsie, pompa, funus, elatio, exsequiae, werd dooreen zooge-naamden designator geordend. Vooraf gingen praeficae (klaagvrouwen), die bij de fluit klaagliederen zongen, en trompetters. Daarop kwamen mimen, van welke een, de archimimus, den persoon des overledenen voorstelde, ernstige gedichten voordragende, soms echter door grappen afgewisseld. Hierop volgden de imagines maiorum, gedragen door personen, die in het kostuum der origineelen gedost waren 1) en deze moesten voorstellen. Nu kwam het lijk, op eene lectica of lectus funebris gedragen, van zijne eerekransen, veroverde wapenrustingen enz. voorafgegaan, en gevolgd door den stoet zijner verwanten, vrienden en vrijgelatenen. Op het forum hield men voor de rostra stil, welke door een der naaste verwanten beklommen werden, die daar eene laudatio op den gestorvene hield. Vervolgens ging de stoet verder naar de plaats buiten de stad, waar het lijk verbrand of begraven zou worden, hetgeen in de stad niet geschieden mocht 2). Het begraven was de oudste wijze van bestelling der lijken, en enkele geslachten, zooals dat der Cornelii, hebben deze tot in de laatste tijden behouden. Op den brandstapel, rogus, pyra, (wanneer hij uitgebrand is, bustum), meest uit cypressenhout opgericht, werd de doode neergelegd, en werden reukwerken, kransen en haarlokken op het lijk geworpen. Vervolgens stak een der naaste verwanten met afgewend gelaat den brandstapel aan. Soms hadden gedurende het branden gladiatorenspelen plaats. Was de brandstapel uitgebrand, dan bluschte men de gloeiende asch, riep de manes aan, wiesch zich de handen en verzamelde de beenderen (o s s a legere). Deze werden hierop met wijn en melk besprenkeld, mei linnen doeken gedroogd, met reukwerk vermengd en in de

1

Deze imagines waren hol en van achteren open, zoodat zij als maskers konden «orden gedragen.

2

„Hominem mortiuim in urbe ne sepelito neve nrito.quot; Lex Xll Tabb. Cic. Legg. II. 23.

-ocr page 236-

222

met kransen versierde lijkbus (urna) gedaan en bijgezet. Thans riep men den doode het laatst vaarwel (ultimum vale) toe, met de formule: „have anima Candida, sit tibi terra levis, molliter cubent ossa,quot; enz. De aanwezigen werden hierop met aqua lustralis besprenkeld en aldus gereinigd, en na deze lustratio sloot het woord ilicet {— ire licet) de plechtigheid.

De graven der aanzienlijken waren óf op hunne landgoederen óf langs de groote wegen. Ook had men grafgebouwen, met een aantal nissen naast en boven elkander, en vandaar columbaria geheeten, waar men, bij gebrek aan een familiegrafgebouw, eene plaats voor eene urn kon koopen. Voor arme burgers was er eene algemeene begraafplaats op den Esquilinus, waarheen zij in eene doodkist (sandapila) door vespillones of lijkdragers werden gedragen. De graven der aanzienlijken waren dikwijls met prachtige monumenten versierd, waarop opschriften de namen en titels der gestorvenen vermeldden. Door grootte en schoonheid staken de mausolea der keizers, vooral dat van Augustus op den Campus Martius en dat van Hadrianus uit. Daar de graven tot de res religiosae behoorden, was het op strenge straffen verboden ze te beschadigen of te schenden, ja zelfs een lijk daaruit te vervoeren zonder bepaalde vergunning van den pontifex maximus.

6. HET REIZEN.

Over het algemeen reisde men niet dan uit noodzakelijkheid, daar de wegen, met uitzondering der heerbanen, slecht, de rijen voertuigen ongemakkelijk, en de herbergen, zelfs aan de groote wegen, van de gewone gemakken des levens meestal geheel verstoken waren.

Wegens de ongemakkelijkheid der rijtuigen, bedienden velen zich op reis van een met hemel en gordijnen voorziene draag-sofa (1 e c t i c a), uit Azie naar Rome overgebracht en eerst in de stad, vooral door vrouwen, gebruikt. De rijtuigen waren op twee of vier wielen. Tot de eerste behooren: het cisium, eene lichte, onoverdekte, door twee paarden of muilezels getrokken chais, het e s s e d u m, oorspronkelijk een gallische of britan-nische strijdwagen, en het carpentum, reeds in de oudste

-ocr page 237-

223

romeinsche geschiedenis vermeld \'), een overdekt tweewielig rijtuig. De vierwielige waren: de r h e d a, een reiswagen voor eene ge-heele familie, de carruca, een dergelijke, maar lichtere wagen, het petorritum, zonder kap, mede uit Gallie afkomstig, gewoonlijk voor de bedienden bestemd, het p i 1 e n t u m, eene soort van tentwagen, vooral als staatsierijtuig voor dames in gebruik. De paarden en muilezels trokken niet aan strengen, maar aan een over den nek gelegd juk (iugum). Eén enkel paard liep in een limoen, twee paarden aan een dissel; waren er echter drie of vier, dan trokken de buitenste alleen aan strengen en heetten van daar f u n a 1 e s.

Men reisde niet alleen in zijn eigen wagen, maar ook met huurrijtuigen, welke men overal op vaste plaatsen, evenals tegenwoordig in Italië de vetturini, aantrof.

Onder de keizers bestond er wel eene keizerlijke post, doch deze was alleen ten dienste van den keizer, van ambtenaren en koeriers, die regeeringsdépêches overbrachten.

Herbergen of hotels, waar de romeinsche groote de gemakken van zijn huis kon terugvinden, vond men nergens; doch de gastvrijheid, in de oudheid op ruime schaal uitgeoefend, maakte ze ook minder noodig. Overal echter kon zelfs deze niet voldoen, de voornaamsten en rijksten konden bij een ongeluk of bij stormweder behoefte aan eene herberg hebben. Voor de minder aanzienlijken waren zulke cauponae oftabernae deversoriae de gewone rustplaatsen op reis. Dikwijls hielden groote grondeigenaars zulke herbergen, om hunnen wijn en hunne vruchten beter aan den man te brengen. De naam van eene zoodanige pleisterplaats aan de Via Appia, nabij de pontijnsche moerassen, Tres Tabernae, is ons bewaard gebleven.

De aanzienlijken hadden meestal in de plaatsen, waar zij zich meermalen ophielden, eene familie, bij wie zij hunnen intrek namen, en die in omgekeerde gevallen hetzelfde deed. Zulke overeenkomsten tot het verkenen van wederzijdsche gastvriendschap kwamen veelvuldig voor en erfden op de kinderen over. Zij werden hospitia genoemd. Als bewijs diende de tessera

i) Liv. I. 34. V. 25.

-ocr page 238-

224

hospitalis, een schrijf bordje of stokje, waarop de namen der beide familien geschreven stonden en dat vervolgens midden door gebroken werd, zoodat elke familie de helft er van bewaren kon.

7. BOEKEN. BRIEVEN.

De eerste bijzondere bibliotheek te Rome was die van Aemilius Paullus, den overwinnaar van Perseus, 168 v. Chr., de eerste openbare die van Asinius Pollio, onder Augustus. Het was in dien tusschentijd mode geworden, dat een man van aanzien en vermogen eene prachtige bibliotheek bezat, ofschoon men hieruit op verre na niet altijd tot den wetenschappelijken zin of den leeslust des bezitters moet besluiten.

\'

De boeken waren meestal op papier uit den fijnen bast (liber) der aegyptische papierplant geschreven (papyrus, charta aegyptiaca of niliaca). Deze bast werd in zeer dunne, ongeveer anderhalven decimeter breede strooken (paginae, philurae, s c h e d a e) gespleten en de randen met Nijlwater op elkander geplakt en geperst. Elk vel papier bestond dus uit aaneengeplakte strooken. Ten tijde van Augustus was te Rome de vervaardiging van papier tot groote volkomenheid gebracht, en werd het in 8 soorten, van grof pakpapier af tot fijn schrijfpapier toe, vervaardigd. Voor geschriften, aan welker bewaring bijzonder veel gelegen was, b.v. acten en documenten, bediende men zich van het veel duurdere perkament (m e m b r a n a). De kunst om inkt door eene chemische bereiding te vervaardigen, kenden de ouden niet. Hij werd uit roet en gomwater bereid, waardoor hij gemakkelijk kon uitgewischt worden. Vandaar dat men dikwijls, wanneer men weinig waarde aan een geschrift hechtte, het uit-wischte of uitkrabde en het papier of perkament op nieuw beschreef; zulk een geschrift heette palimpsestus (iraXiv ipco, schaven)\'). Ook schreef men met het sap van den inktvisch

L

1) In de middeleeuwen geschiedde dit in de kloosters op groote schaal. Toen n.I. de Arabieren Aegypte veroverd hadden, hield de uitvoer van papyrus op; de kunst om papier uit lompen te vervaardigen, ivas nog niet

-ocr page 239-

225

(sepia). Tot schrijven gebruikte men schrijfpennen van riet, calamus, waarvan de meest geschikte soort uit Aegypte en Cnidus kwam.

Meermalen werden de boeken in twee kolommen geschreven en daartusschen lijnen met roode verf (minium) getrokken. De titel stond zoowel aan het begin als aan het einde van het boek. Gewoonlijk werd het papier slechts aan de ééne zijde beschreven en de achterkant met saffraan of met cederhout geverfd, zoowel tot sieraad als om het boek tegen mot en boekwormen te beveiligen.

De gewone vorm der boeken was eene rol, d. i. de aan den kant aaneengehechte vellen werden aan een hollen stok bevestigd en er om opgerold. De buitenzijden (frontes) werden met puimsteen glad gewreven en op snede zwart gekleurd; wanneer nu het boek opgerold was, stak de holle cylinder niet buiten de rol uit, maar door den cylinder werd een stokje gestoken, welks uiteinden, met ivoren, gouden of geschilderde knoppen (cornua, umbilici) versierd, er uitstaken. Om nu zulk eene rol tegen stof en vuil te bewaren, werd zij in een perkamenten omslag, membrana, gestoken , welke purperrood of geel gekleurd werd.

De titel (t i t u 1 u s. index) werd er van buiten op eene smalle strook papier of perkament aan vastgehecht.

uitgevonden, en perkament was duur. Uit dien hoofde namen de monniken uit de kloosterbibliotheken de perkamenten handschriften, krabden deze af of maakten ze met eene soort van smeersel onleesbaar, en beschreven ze op nieuw. Door onkunde en blinde ingenomenheid tegen al wat heidensch was, gingen op deze wijze vele kostbare handschriften verloren. Langs scheikundigen weg kan men thans de moet van het eerste handschrift weder doen opkomen, en zoo is onder deze codices rescript! menig stuk van groote letterkundige waarde gevonden. Hierbij is het thans van groot nut, dat de oude rietpennen dieper in het papier insneden, dan onze meer veerkrachtige pennen; doch tevens doet zich eene groote zwarigheid voor; bij het onleesbaar maken van het eerste handschrift werden de vellen van elkander afgenomen en raakten dus bijna altijd door elkander, firoote verdiensten voor de opsporing van palimpsesten heeft de kardinaal Angelo Mai, t 1854.

Sc HLIMMEH, Hom. Ant., 5e druk. 15

-ocr page 240-

226

Boekhandel. Reeds bij Cicero komt een boekhandel (ta-berna libraria) op het forum voor. Horatius noemt de gebroeders Sosii als zijne uitgevers. Dezeboekverkoopers (librarii, biblio-polae) lieten de boeken door kundige slaven afschrijven, waarbij dan aan velen tegelijk het boek door één gedicteerd werd. De vermenigvuldiging der afschriften werd hierdoor zeer bevorderd, waardoor dan ook de prijzen, zelfs in vergelijking met onzen tijd, niet zeer hoog waren; maar de zuiverheid der teksten leed daarentegen zeer onder deze fabriekmatige afschrijverij. Reeds Cicero klaagt, dat men bijna geen goed, zonder fouten geschreven boek kon bekomen *). De titels der boeken werden aan de deuren of aan kleine kolommetjes in den winkel ter aankondiging aangeplakt. Reeds vroeg kregen de schrijvers honorarium voor hunne werken. Zoo verkochten de dramatische schrijvers hunne stukken aan de aedilen en later werden soms groote sommen aan de schrijvers betaald.

Brieven werden gewoonlijk niet op papier, maar op wastafeltjes (tabellae, pugillares, codicilli) geschreven. Een dun plankje, met een opstaanden rand, dat dichtgeslagen kon worden, werd bestreken met eene laag was, zóó toebereid, dat zij zelfs bij de grootste zomerhitte niet smolt, en daarin werden de letters met eene stift (stilus, graphium) gekrast (exarare literas). Deze stift was aan het eene uiteinde plat, om het geschrevene te kunnen uitwisschen (litura) en het was weder glad te strijken. Was de brief geschreven, dan werden de tabellae dichtgeslagen, met een dunnen draad samengebonden, en waar deze aaneengeknoopt was, met was verzegeld. Men sneed den draad stuk, wanneer men den brief opende, om het bewijs te bewaren, dat de brief ongeschonden was overgekomen. Eene brievenposterij bestond er niet, men moest dus zijne brieven per expresse, door eigen slaven (t a b e 11 a r i i), verzenden of gebruik zien te maken van de vrij geregelde bodendiensten, die de pu-blicani tusschen Rome en de provinciën onderhielden.

1) .,De latinis (libiis) quo me vertam nescio, ita mendose et scribuntur et veneunt.quot; Cic. Ep. ad Q. F. III. 5. (6).

-ocr page 241-

227

8, OPENBARE SPELEN.

Eigenlijk behooren deze tot de godsdienstige instellingen, en als zoodanig zijn zij ook reeds boven vermeld. Afgescheiden evenwel van hunnen godsdienstigen oorsprong behoorden zij zoozeer tot de geliefkoosde uitspanningen van het romeinsche volk, dat de mededeeling van eenige nadere bijzonderheden hier niet misplaatst kan geacht worden. De spelen werden gegeven in den circus, het amphitheater of den schouwburg. Onder de 1 u d i circenses was voortdurend bij de Romeinen geen meer bemind dan de cursus of het wagenrennen, en eerst laat werd de liefde hiervoor door die voor de praalvertooning van den ludus Troiae, eene soort van carousselrijden en spiegelgevecht van aanzienlijke jongelieden te paard, of de gladiatorengevechten verdrongen. Ook de dierengevechten, venationes, waren een voortbrengsel der latere tijden, en ofschoon eerst in den circus gehouden, behoorden zij naar hunnen aard meer tot de gladiatorische in het amphitheater, waar zij later ook gehouden werden. Hunnen oorsprong ontleenden zij daaraan, dat de veroveraars van vreemde landen zeldzame of vreeselijke dieren uit die overwonnen streken naar Rome brachten en deze, hetzij aan het volk alleen tot schouwspel deden strekken, hetzij met elkander lieten vechten. Zoo liet men olifanten met neushoornen, leeuwen met tijgers vechten, of ook menschen, slaven en ter dood veroordeelden met deze beesten kampen (bestiarii, ad bestias damnati), eene straf, later meermalen aan de Christenen opgelegd. Soms verhuurden zich ook menschen voor geld hiertoe. Pompejus liet eens 500 leeuwen in het strijdperk komen; Augustus liet, volgens* zijne eigen berichten, 3500 wilde dieren aldus omkomen en Caligula eens 400 beren met een gelijk getal afrikaansche dieren vechten.

Ten behoeve der wedrennen was in den circus de zoogenaamde spina aangebracht. Dicht bij de uiteinden van den circus stonden de m e t a e of eindpalen, waarom de wagens moesten heenzwenken. Van den eenen eindpaal tot den anderen liep eene terrasvormige verhevenheid, ongeveer vier voet hoog en twaalf

15*

-ocr page 242-

228

voet breed. Dit was de spina. Elke meta, bestond uit drie kegelvormige zuilen op een voetstuk. Op de spina verhieven zich dikwerf altaren, beelden, zuilen, maar vooral twee verhevenheden nabij de beide uiteinden. Op de eene verhevenheid stonden zeven eivormige stukken marmer, op de andere zeven dolfijnen. Elke wedren namelijk vond plaats tusschen vier wagens, die zevenmaal de renbaan moesten rondrijden. De menners (a u r i g a e) waren in vier korpsen (f a c t i o n e s) verdeeld: het witte (a 1 b a), het blauwe (veneta), het groene (prasina) enhetroode (russata)1). De tunica der menners en het tuig der paarden droegen de kleur van het korps, waartoe zij behoorden. Van elke kleur reed bij eiken wedren één wagen mede. Zoodra nu de wagens om de meta heenzwenkten, werd een ei of een dolfijn weggenomen, zoodat men altijd zien kon, hoeveel toeren er volbracht waren. Eene dikke krijtstreep (calx) aan de spina wees het einde der baan aan. Wie, na zevenmalen rond te zijn geweest, het eerst de calx bereikte, was overwinnaar en ontving een palmtak, geld en kleederen. De wagens waren tweewielig, van achteren open en met twee of vier paarden naast elkander bespannen. Het moeielijkst was het omzwenken der eindpalen.

Gladiatorenspelen vindt men te Rome het eerst vermeld in 265 v. Chr., bij de lijkfeesten, welke M. en D. Brutus ter eeie van de schim huns vaders gaven. Toen streden de zwaardvechters rondom den brandstapel. Op groote schaal werden deze moorddadige spelen in het amphitheater vertoond. De gladiatoren , oorspronkelijk krijgsgevangenen, later ook voor geld gehuurde strijders, werden in oefenscholen (ludi gladiatorii) onder een schermmeester of lanista gedrild, en aan hen, die zulk een schouwspel (munus) aan het volk wilden geven (dare), verhuurd. Zij vochten bij paren op leven en dood; de overwonnene hing van de genade des volks af, dat op zijn smeeken óf de hand met uitgestrekten duim uitstak en dan omkeerde (vertebat p o 11 i c e m), ten teeken dat hij gedood moest worden, óf de vuist met ingesloten duim uitstak (pollicem premebat), als teeken van genade. De gladiatoren waren in familiae verdeeld,

1

Domitianus voegde er nog eene factio aurata en eene faetio purpurea bij.

-ocr page 243-

229

en droegen naar hunne onderscheidene wapenen verschillende namen. De r et ia r ii of netwerpers hadden een net, hetwelk zij hunne tegenpartij over het hoofd trachtten te werpen, ten einde hem daarin te verwarren, en een drietand, om hem vervolgens neer te stooten. De secutores waren met schild en zwaard gewapend. Meestal streed een secutor met een retiarius. De mirmillones ontleenden hunnen naam aan den visch, welken zij als sieraad op den helm droegen. Voorts vindt men Thraces en Samnites vermeld, aldus geheeten naar hunne wapenrusting, essedarii, die op strijdwagens (esseda) streden, andabatae, wier helm zoodanig over de oogen heenging, dat zij niet konden zien en dus in den blinde op elkander lossloegen, en nog anderen. Somtijds werden, in de laatste eeuw der republiek en onder het keizerrijk, veldslagen in het amphitheater vertoond, alsmede zeegevechten (naumachiae), waartoe men door onderaardsche buizen het water liet instroomen. Zulke gevechten waren dikwerf zeer moorddadig. Bij de venationes werd het strijdperk dikwijls door rotsblokken en overgebrachte boomen en struiken in een heuvelachtig bosch herschapen.

Deludi scenici waren in het jaar 364 v. Chr., bij gelegenheid eener pest, uit Etrurie te Rome ingevoerd. Zij werden door de aediles, soms door den praetor urbanus gegeven, zonder dat de staat tot de kosten bijdroeg. De magistraten kochten de tooneelstukken (fabulae) van de auteurs, en sloten een contract met een tooneeldirecteur (magister gregis) over de opvoering. Het publiek betaalde geene entrée, maar moest toch van een toegangsbewijs (tessera) voorzien zijn \'). De schouwburgen waren langen tijd houten gebouwen, die na het gebruik weder afgebroken werden. Het eerste steenen theatrum werd door Pom-pejus gebouwd.

De eerste ludi scenici bestonden in dansen, onder fluitspel uitgevoerd; de oudste tooneelpoezie waren de fabulae Atel-

1) Te Pompeji is zulk eene tessera gevonden, waar de plaats en de naam van het te geven stuk op vermeld staan: cav. 11. cuk. 111. grad. vin casina plavti. — Omtrent de zitplaatsen der senatoren en ridders zie men blz. 48 en 97.

-ocr page 244-

230

lanae, aldus genoemd naar de stad Atella, in Campanie. Deze Atellanae waren beurtzangen, afgewisseld door geestigheden en kwinkslagen, welke er voor de vuist werden bijgevoegd en betrekking hadden op voorvallen van den dag. Het romeinsche treurspel, tragoedia, ontstond eerst kort na den eersten punischen oorlog, door den dichter Livius Andronicus. Het wordt onderscheiden in tragoedia praetextata, wanneer de handelende personen Romeinen, en crepidata, wanneer zij Grieken waren. Evenzoo was de comoedia in het eerste geval t o g a t a, in het laatste p a 11 i a t a. Bij het treurspel droegen de romeinsche tooneelspelers (h i s t r i o n e s) laarzen met zeer dikke kurken zolen, cothurni genaamd, ten einde grooter te schijnen en den indruk van hun spel te verhoogen. Ook droegen de acteurs altijd op het tooneel een masker, persona. Voor de onderscheidene typen had men verschillende vaste maskers, naar gelang der rol beschilderd en van pruiken voorzien. Voor het treurspel en het blijspel had men ook afzonderlijke decoratien. De mimi waren kleine satyrieke nastukjes, bestemd om op de lachspieren der toeschouwers te werken. De acteurs waren meest vrijgelatenen of slaven, en stonden dus in niet het minste aanzien. De directeur van den troep was dikwijls tevens hoofdacteur, actor primarum partium. Alleen de Atellanae werden door vrijgeboren jongelingen opgevoerd. Het theatrum was, even als de circus en het amphitheater, ongedekt; tegen regen of zonnehitte konden er zeilen over gespannen worden. Het gordijn werd bij het begin van het stuk niet opgetrokken, maar zakte naar beneden weg. Het publiek gaf zijne goed- of afkeuring door handgeklap (plausus) of uitfluiten (sibilus) te kennen. Het tooneel was nooit echt nationaal bij de Romeinen; vandaar dat soms de toeschouwers uit den minderen stand de tooneelspelers van het tooneel joegen, om een koorddanserstroep of vuist- of zwaardvechters te zien, waarbij het dan dikwijls niet aan vechtpartijen en vuistslagen ontbrak \').

1) Ter Prol. Hccyr., vs. 4. Prol. alt. 23 sn- Verg. Uorat. Ep. II. 1. 182—196.

-ocr page 245-

231

9- DE SLAVEN.

De toestand der slaven, van wie er zich millioenen in Italië bevonden, was over het algemeen zeer ellendig. In de oudste tijden, toen zij nog weinig in getal waren en de Romein een eenvoudig landman was, werd de slaaf, een krijgsgevangene van verwanten italiaanschen stam, meer als een helper bij den akkerbouw beschouwd. Met de toenemende oorlogen wies hun getal geweldig aan, en dit toenemend aantal slaven uit allerlei natiën verergerde hunnen toestand meer en meer. Zij, die in slavernij geboren waren, vernae, werden, als van jongs af aan iederen dienst gewoon, natuurlijk boven hen gesteld, die als krijgsgevangenen door slavenhandelaars (mangones) opgekocht en weder verkocht werden. Terwijl vroeger één slaaf tot velerlei arbeid gebruikt werd, hield men nu bijzondere slaven voor iedere bezigheid. Een romeinsch huis bevatte dus eene talrijke slavenmacht\'), familia, welke in familia rustica en urbana verdeeld was. De eersten, waartoe de sterksten en ruwsten uitgezocht werden, bezorgden den landbouw en waren vinitores, aratores, bubulci enz., aan wier hoofd de villicus (de bouwmeester of meesterknecht), de actor (rentmeester, boekhouder) en operum magistii, allen echter slaven of vrijgelatenen, stonden. Onder de familia urbana waren de voornaamsten de actor, de procuratores (hofmeesters), cellarii (keldermeesters), en verder waren er voor iedere huiselijke bezigheid verscheidenen, die, in decurien verdeeld, als ostiarii (deurwachters), cubicularii (kamerdienaars), pedisequi (lakeien), lecticarii (draagstoeldragers), scoparii (aanvegers), coqui (koks), pistores (broodbakkers), placentarii (koekbakkers), tricli-niarii (tafeldienaars), pocillatores (schenkers), scissores (voorsnijders), textores (wevers), vestifici (kleermakers), servi a veste (opzichters der garderobe), custodes auri enz. dienst deden. —

1) Zekere C. Caecilius Claudius liet bij zijn overlijden (10 v. Chr.) nog 4116 slaven na, hoewel hij in den laatsten burgeroorlog een groot gedeelte van zijn vermogen had verloren. Bovendien bestond zijne nalatenschap nog uit 60 millioen sestertiën in geld, 3600 span ossen en 257 000 stuks schapen.

-ocr page 246-

232

Soms waren echter menschen van beschaving en geleerdheid door het lot des oorlogs in slavernij geraakt; vandaar dat men onder hen geneesheeren en letterkundigen vond, die als servi literati tot de opvoeding en het onderwijs der kinderen (paedagogi)-, het afschrijven van boeken en toezicht houden op de bibliotheek (librarii), als secretarissen (servi ab epistolis, ad manum), of als voorlezers (anagnostae) dienden. Ook schilders, bouwmeesters, tooneelkunstenaars, koorddansers enz. waren veelal slaven, meest van grieksche afkomst. — Het lot der slaven hing natuurlijk geheel van hunnen heer af. Behalve dat hij hun de vrijheid kon schenken 1), kon hij hun ook toestaan voor zich zeiven iets te verdienen en een spaarpotje (peculium) te maken, om zich daarvoor later vrij te koopen. Bij wangedrag waren er vele straffen voor hen bepaald. Zoo werd daarvoor een slaaf uit de familia urbana in de f. rustica verplaatst, of naar den rosmolen (pistrinum) verwezen. Verder werden zij gegeeseld of veroordeeld om een juk in den vorm van eene ^ of te dragen (furca); bij diefstal of ontvluchting met de letter F = fur of fugitivus, gebrandmerkt; in het ergastulum, de bijna onderaardsche gevangenis op de villa rustica, soms aan handen en voeten geboeid (quadrupedes constricti), opgesloten, of zelfs door kruisiging (crux) ter dood gebracht. — De slavinnen werden evenzeer naar hare werkzaamheden bij het toilet als kameniers, of als geleidsters der meesteres (pedisequae), enz. onderscheiden. In den regel was ook de voedster der kinderen eene slavin, en bleef deze (nutrix) de kindermeid en later de vertrouwde kamenier van het meisje.

10. CLIËNTEN.

In de laatste eeuwen der republiek had dit woord eene geheel andere beteekenis dan in vroeger eeuwen. De aanzienlijke Romeinen namelijk omgaven zich gaarne met zooveel luister als mogelijk

1

Zie blz. 25. Uithoofde van het groot aantal, vooral testamentaire, vrijlatingen, waardoor het getal der libertini in geene verhouding meer stond tot dat der vrijgeborenen, zag Augustus zich genoodzaakt, het recht van manumissio door de lex Aelia Sentia (4 na (Jhr.) en de lex Puria Caninia (8 na Chr.) te laten beperken.

-ocr page 247-

233

was. Nu was het de gewoonte, dat de auDzienlijken des morgens vroeg bezoeken ontvingen (salutatio matutina), en daar het voornaam stond, vele bezoeken te ontvangen, namen zij als het ware personen in dienst, om het aantal bezoekers te vermeerderen en, wanneer zij uitgingen, als anteambulones voor hen uit te gaan , om ruim baan te maken. Zulke anteambulones te hebben, stond voornaam. Leegloopers waren er genoeg te vinden, die voor geld of een goed middagmaal bereid waren, zich hiertoe te leenen. Dezen nu gaf men den naam van cliënten. Hunne belooning bestond somtijds in een korfje (s p o r t u 1 a) met eetwaren, zijnde hun aandeel in den disch, soms ook in geld. De patroon, die tegenover zijne cliënten somtijds zeer lastig was, wordt vooral in de epigrammen dikwijls met den naam van r e x bestempeld.

ii. TIJDREKENING.

Volgens het verhaal zou het jaar ten tijde van Romulus uit io maanden bestaan hebben. Numa Pompilius voegde er twee maanden. Januari en Februari, bij, welke in den beginne aan het eind van het jaar kwamen. Dit nu was een maanjaar van 354 dagen, en er moest dus om de twee jaar eene maand van 22 dagen, Mercedonius genaamd, worden ingeschoven (intercalatio), hetgeen door den pontifex maximus werd geregeld. Door onwetendheid of ook door opzettelijk verkeerde inlassching uithoofde van staatkundige kuiperijen, was ten tijde van Caesar de burgerlijke tijdrekening zóó in de war, dat zij met het ware zonnejaar bijna drie maanden verschilde, en Caesar, om haar weder in overeenstemming met den waren tijd te brengen, in het jaar 46 v. Chr. 80 dagen inschoof (annus confusionis). Hij regelde het jaar nu met behulp van den sterrekundige Sosigenes naar den loop der zon op 365 dagen, met intercalatio van één dag om de vier jaar, door verdubbeling van den 24 Februari of ante diem VI kalendas Martias. Deze dag werd nu tweemaal (bis) geteld en het schrikkeljaar kreeg daarvan den naam van annus bissextilis.

De namen der romeinsche maanden waren dezelfde als zij nu nog zijn, behalve Juli en Augustus, die vroeger Quinctilis en

-ocr page 248-

234

Sextilis heetten, maar door Augustus naar Caesar en zichzelven verdoopt zijn.

ROMEINSCHE KALENDER.

r

Maart, Mei, Juli en October met 31 dagen.

Dagen onzer maand.

Januari, Augustus en December met 31 dagen.

April, Juni, Sep temberen X ovem ber met 30 dagen

Februari met 28, in een schrikkeljaar 29 dagen.


1

2

3

4

5

6

7

8 9

10 U 12

13

14 13 16

17

18

19

20 21 22

23

24

25

26

27

28

29

30

31

(ante) Idus

(ante) Idus

(ante) Idus

\\

(ante) Kalendas

(ante) Kalendas

(ante) Kalendas

(ante) Kalendas

Kalendis VI i

V I (ante) IV j Nonas

III \'

Pridic Nonas Nonis

VIII

VII

VI

V

IV

III

Pridie Idus Idibus XVII XVI XV XIV XIII XII XI X

IX

VIII

VII VI

V

IV III

Pridic Kalendas Apr. Inn. Aug. Nov.

Kalendis

IV j (ante)

III i Nonas Pridic Nonas Nonis

VIII

VII

VI

V

IV

III

Pridie Idu Idibus XIX XVIII XVII XVI XV XIV XIII XII XI X

IX

VIII

VII

VI

V

IV III \'

Pridie Kalendas Febr. Sept. Ian.

Kalendis

VI I (ante)

III I Nonas Pridie Nonas Nonis

VIII

VII

VI f (ante)

V 1 Idus

IV

III

Pridie Idus Idibus XVIII XVII XVI XV

xiv XIII XII XI X

IX

VIII

VII

VI

V

IV III

Pridie Kalendas Mai. lul. Oct. Dec.

Kalendis

IV j (ante)

III I Nonas Pridie Nonas Nonis

VIII i

VII j

VI

V

IV I 111

Pridie Idus Idibus XVI XV XIV XIII XII XI X

IX

VIII

VII

VI

V IV III

Pridie Kalendas Martias.

SCHRIKKELJAAR.

24 Febr. VI Kal. Mart. I 27 Fcbr. IV Kal. Mart.

2 5 „ VI „ „ 1 28 „ III „ „

26 „ V .. „ 29 ,, Pridie Kal. Mart.

-ocr page 249-

235

De maand was in drie deelen van ongelijke lengte gedeeld. De i5dB dag van Maart, Mei, Juli en October en de 13d6 der overige maanden heette Idus (van iduo = divido). Deze dag deelde de maand genoegzaam in twee helften. De achtste of volgens romeinsche manier van telling de negende dag vóór de Idus heette Nonae, terwijl de eerste dag Kalendae genoemd werd (van calare, roepen), omdat de nieuwe maan oudtijds door de pontifices afgekondigd werd. Bij het tellen der dagen rekenden de Romeinen steeds van den eerstvolgenden benoemden dag terug, b.v. die tertio ante Idus. of ante diem tertium Idus. Zoo was de laatste April pridie Kalendas Maias, de 30 October ante diem tertium Kalendas Novembres (a. d. III. Kal. Nov.). De 24 en 25 Februari van een schrikkeljaar werden onderscheiden in bissextus Kal. Mart. prior en posterior. Den dag verdeelde men, even als den nacht, steeds in 12 uren, zoodat dus alleen bij de nachteveningen deze uren gelijk, doch anders in den zomer de dag- en in den winter de nachturen langer dan de onze waren. Om de acht dagen, nundinae \'), werd er marktdag gehouden.

12. MEEST GEBRUIKTE VERKORTINGEN.

Mam. Mamercus. Num. of N. Numerius.

A. Aulus.

C. Gaius of Caius.

Voornamen.

P. Publius. Q. Quintus.

Cn. Cnaeus. D. Decimus. K. Kaeso. L. Lucius.

S. of Sex. Sextus.

Ser. Servius. Sp. Spurius.

T. Titus. Ti. Tiberius.

M. Marcus. M\'. Manlus.

1) Namelijk om de acht dagen in letterlijken zin, of volgens de Romeinen om de negen dagen. De Romeinen telden zoowel den dag mede, waarvan men begon te tellen, als dien, tot welken men telde.

-ocr page 250-

236

Waardigheden. Aed. Aedilis.

Aed. Cur. Aedilis Curulis. Cen. Censor.

Cos. Consul. Coss. Consules. Cos. Des. Consul designatus. Cos. II. Consul iterum. — Cos.

III. Consul tertium, enz. D. Divus.

Diet. Dictator.

Eq. Rom. Eques Romanus. Fl. D. Flarnen Dialis. Fl. M. Flamen Martialis. Fl. Q. Flamen Quirinalis. Imp. Imperator. M. Eq. Magister equitum. Pr. Praetor.

Praef. Praefectus.

Proc. Proconsul.

P. M. Pontifex maximus. Q. Quaestor.

R. Sacr. Rex Sacrorum.

Tr. pi. Tribunus plebis.

In brieven en formulieren.

D. D. A. Do, dico, addico. P. C. Patres conscripti. P. R. Populus Romanus.

P. S. Plebiscitum.

Q. B. F. F. S. Quod bonum felix faustumque sit.

S. Senatus.

S. C. Senatusconsultum.

S. P. Q. R. Senatus populusque Romanus.

S. Salutem.

S. D. Salutem dicit.

S. P. D. Salutem plurimam dicit.

S. V. B. E. E. V. Si vales, bene est; ego valeo.

S. T. E. Q. V. B. E. E. V. Si tu exercitusque valetis, bene est; ego valeo.

In opschriften.

I. O. M. lovi optimo maximo.

C. P. Curavit ponendum.

C. R. Curavit reficiendum.

C. F. M. Curavit fieri monu-mentum.

F. Fecit.

F. F. Fecerunt of fieri fecit.

F. C. Faciendum curavit.

P. Posuit.

P. P. Posuerunt of publice posuit.


13. BRÈUKENREKENING.

In het Latijn worden de breuken op de volgende wijze uitgedrukt :

i0. (Breuken, waarvan de teller 1 is.) ^ heet dimidia pars of dimidium, \'j3 tertia pars, 1/4 quarta pars, enz.

-ocr page 251-

237

2°. (Breuken, waarvan de teller i minder is dan de noemer.) J/, duae partes, 3/4 tres partes, 4/s quatuor partes, enz.

3U. (Andere breuken.) 3/7 tres septimae, 2/5 duae quin-tae, 5/8 quinque octavae.

4°. (Splitsing eener breuk in twee kleinere met den teller i.) sU=1k-i-,U dimidia et quarta, 8/15 = Vs Vs tertia et quinta, enz.

5°. Eene bijzondere wijze ter berekening van breuken, waarvan de noemers 2, 3, 4, 6 of 12 waren, berustte op de verdeeling van den as. Zij werd slechts gebezigd, wanneer men het geheel als éénheid beschouwde; b.v. her es ex triente, erfgenaam voor \'/ 3. Her es ex asse beteekent universeel erfgenaam , omdat de as de éénheid was \').

De onderscheidene deelen van den as droegen de volgende namen:

uncia,

TJf = ^ sextans,

TV = 5 quadrans,

A = h triens,

Tsj quincunx,

tt==t semis.

Verder: uncia = J as, sescunx, i „ = A „, semuncia.

f7T septunx,

8 - 2 Vjpc

ïï- T ueb gt;

T9f = I dodrans,

— I dextans, decunx,

tt

deunx.

1

Zoo zegt Suet. Oct. 101 : Augustus heredes ins tituit primos: Tiberium ex parte dimidia et sextante (\'/i Ve = S/a) gt; Liviam ex parte tertia (\'/,); secundos; Drusum, Tiberii filium, ex triente (\'/J, et ex partibus reliquis (V,) Germanicum liberosque eins sexus virilis.

-ocr page 252-
-ocr page 253-

REGISTER.

(de cijfers wijzen de bladz. aan). I.

Actiones 160.

Ambitus 60.

„ (legis) 161.

Ampliatio 166.

Addictio, adiudicatio 159, 163.

Anatocismus 181.

Adlecti 42.

Annus 233.

Adoptio 22, 157.

Anquisitio 164.

Advocati 168.

Anteambulones 233.

Adytum 118.

Antesignani 199,

Aedes 117.

Antestatio 162.

Aediles, aedilitas, 36, 38, 78.

Apex 101, 213.

Aeditui 118.

Apparitores 94.

Aerarii 26.

Appellare 86.

Aerarium 26, 132, 175.

Aquila 187, 197.

„ militare 132.

Arcifinales (agri) 40.

„ sanctius 174.

Aries 202.

Aes equestre, hordearium 96.

Arrogatio 22, 49, 157.

„ grave 178.

As 178, 237.

Ager publicus 7, 35, 37, 39, 172.

Assidui 14.

Agger 201, 202.

Atellanae 229.

Agmen 189, 201.

Atrium 208.

Agnati 22.

Auctoritas patrum 32,

Agnomen 8.

Augures 33, 107.

Ala 200, 208.

Augustales 137.

Albogalerus 100.

Auspicia 33, 62.

Album iudicum 169.

Auxilia 193, 199.

, praetoris 154.

Auxillum 86.

Alio die 34.

Babylonii (numeri) 117.

Altercatio 165.

Ballistae 204.

-ocr page 254-

240

Boekhandel 226.

Bona 159.

Bulla 219.

Calcei 212.

Camilli, camillae 118.

Candidati 60.

„ principis 134.

Capilli, capillamenta 213, 214. Capite censi 13, 196.

Caput 27.

Castra 194.

Catapultae 204.

Cavaedium 209.

Celeres 9.

Cella 118.

Censores, censura 37, 72.

Census 73.

Centesima rerura yenalium 174. Centumviri 169.

Centuria 10, 12, 13, 53, 184,

188, 198.

Centurio 184, 198.

Charta 224.

Cista 52.

Cives 27, 145.

Civitates foederatae, liberae 140,144.

Clarigatio 112.

Clarissimi 133, 151.

Classes, classici 12, 13.

Clavus angustus, latus 48, 97, 211.

Clientes 5, 232.

Clipeus 182.

Codex rescriptus 225.

Coëmptio 17.

Coena 216.

Cognati 22.

Cognitiones 171.

Cognomen 8.

Cohors 197, 198, 200.

Cohors praetoria 146, 187, 200.

Cohortes praetoriae 204.

Coloniae 138, 140. Columbarium 222.

Comités 133.

Comitia 11, 49, 127. v calata 49. „ oenturiata 50, 53. „ curiata 11, 49. v tributa 36, 54. Comitium 11.

Commercium 21, 141. Comperendinatio 166. Compluvium 209.

Conciliabula 138.

Concilia plebis 36, 49. Concubina 18.

Condictio 161.

Confarreatio 16.

Coniectio causae 163. Conscripti 31.

Consilium 167.

„ principis 129. Consistorium principis 133. Consules, consulatus 65, 130 Contestatie lites 163.

Contio 49, 59.

Contubernium 18.

Contumacia 163.

Conubium 8, 15, 141. Conventio in manum 17. Conventionis (libellus) 171. Conventus 145.

Coronae 191.

Corpus iuris 156.

„ secare 35.

Cubicula 209.

Cuniculi 201.

Cura annonae 79, 176. „ ludorum 79.

„ urbis 79.

Curiae 3,11, 137. 1 Curiones 11, 111.


-ocr page 255-

241

Curulis (sella) 64, 96.

Custodia 164.

Dare, dicere, addicere 167. Decemviri legibus scribundis 69. n sacris faciundis 37, 108. „ stlitibus iudicandis 94, 169.

Decimatio 191.

Decretum 46.

Decuria 187, 231.

Decuriones equitum 187.

„ municipales 137. Dediticii 143.

Delecta manus 187.

Delectus 185.

Denuntiatio 171.

Deportatie 29.

Dictator 82.

Diem dicendo consumere 45

„ dicere 164.

Difïarreatio 17.

Dignitates palatinae 133.

Dii et deae 98, 115.

Diribitores 62.

Disciplina militaris 191.

Divinatio 166.

Divisores 60.

Dominium 157.

Domus 207.

Duoviri iuri dicundo 137. , perduellionis 64. „ sacris fac. 37, 108. „ viis purgandis 93. Edictum praetorls 154, 155. Egredi relationem 45.

Emancipatio 19.

Equites 9, 96, 129, 188, 200.

„ illustres 129.

Ergastulum 206.

Evocati 186.

Expeditae (copiae) 190, 199. Schli.mmer, Rom. Ant., 5e druk.

Exsequiae 221.

Exsilium 23, 168.

Extraordinarii 193.

Familia 8, 231.

Fasces 64, 68.

„ laureati 191.

Fenus 180.

Feriae Latinae 66, 67, 105. Fetiales 111.

Fiscus 132, 175.

Flamines, flaminicae 99, 100. 101 Formula 162.

Forum agere 145.

Fratres arvales 111.

Funus 221.

Fustuarium 191.

Galea 186.

Gentes, 3, 8.

Gladiatores 228.

Gladius 186.

Haruspices 109.

Hasta 183, 186 „ pura 191.

„ venire (sub) 167.

Hastati 184, 187, 190, 197, 198 Hereditas 22.

Histriones 230.

Hoofddeksels 213.

Huisraad 209.

Idem in me 185.

Illustres 133, 151.

Impedimenta 190.

Imperator 125, 191.

Imperium 31.

Impluvium 209.

Inauguratie 63, 113.

In bona missio 163.

Incensi 29 Indigitare 115.

Indulgentia 171.

Infra classem 13.


16

-ocr page 256-

In iure cessio 159.

In ius vocatio 162.

Inacriptio 165.

Instita 214.

Intercessio 61, 86.

Interdictie (aqua et igni) 23, 168.

Interrex 30, 63, 71.

Interula, indusium 214.

ludex quaestionis 165.

ludices 168.

ludicia extra ordinom 166, 170 „ privata 160.

„ publica 164.

ludicis arbitrive postulatio 161. luniores 12, 13, 184.

lurare in verba 66,

lurisconsulti 155, 156.

Ius

152.

V

agendi cum plebe 89.

V

„ „ populo 89.

V

annuli 48, 97, 130.

V

civile 152.

V

edicendi 90, 153.

V

Flavianum 156.

V

gentilicium 22.

V

gentium 152.

n

honorarium 154.

V

honorum 27.

V

imaginum 38, 209.

V

italicum 150.

V

Latii 141.

V

liberorum 21.

71

nexus 34.

71

postliminii 24.

V

praetorium 154.

V

prensionis 88.

77

privatum 157.

77

sutt\'ragii 26.

77

vitae et necis 19, 145, 191.

Kalender (Juliaansche) 234. Laquear, lacunar, 209.

Lararium 103, 208.

Lares 103.

Latini 140.

luniani 25.

Lectio senatus 41.

Lectisterniura 105.

Lectus 210, 218.

„ adversus 208.

Legati 146, 149, 200, 205. Legatio (libera) 48.

Legibus solvi 47.

Legio 182, 184, 189, 197, 19S,

205.

Liberalia 220.

Libertas 22.

Liberti, libertini 25 Libitinarii 220.

Libripens 17.

Librl sibyllini 108.

Lictores 64.

Linguis favere 104.

Litis aestimatio 166.

n contestatio 163.

Litterae 226.

„ laureatae 191.

Locupletes 14.

Lorica 182, 187.

Luceres 3.

Ludi 104, 227.

Luperci 111.

Lustrum 73.

Maaltijden 216.

Magister equitura 84.

„ offlciorum 133.

Magistri scriniorura 133. Mancipatio 158.

: Maneipi (res) 158.

j Manipulus 184.

I Mansiones 110.

1 Mantels 213.

Manus 16, 19.


-ocr page 257-

243

Planus iniectio 161, 162, 163. Matrimonium 16.

Mensae 209, 216, 218.

Metae 227.

Metalla 174.

ilonopterus 118.

Morbus comitialis 34.

Mulus Marianus 197. Municipium 136.

Munten 178.

Musculus 203.

Nobiles 38.

Jfomen 8.

Nomenclator 60.

Nominatie 113.

Xominis delatio 165. „ professie 59. , receptio 165.

Nota censoria 74.

Nuntiatio 34.

Obligationes 160.

Obnuntiatio 34.

Obsidio 201.

Ocrea 183, 187.

Oppugnatio 201.

Optimates 38.

Orbis 189, 201, 210.

Oroini 26, 123.

Ordo decurionum 137. v equester 40, 97. v senatorius 38, 128. Ostium, ostiarius 208.

Ovatio 192.

Palla 214.

Pallium 213.

Palimpsestus 224. Paludamentum 189.

• Parma 188.

Pascua 173.

Pater families 19.

„ patratus 112.

Patres 5.

„ conscripti 31. „ minorum gentium 4. Patria potestas 19.

Patricii 4.

Patrimonium principis 175. Patroni 5.

„ causarum 168. Peeulium 20, 24, 232.

Pedarii 32.

Pellex 18.

Penates 101 , 103.

Penetrate 118.

Peregrini 5, 143.

Peripterus 118.

Petitor 162.

Phalerae 191.

Pignoris capio 89, 161.

Pilani 198.

Pileus 213.

Pilum 186, 197, 199.

Pilus prior, primus 198. Plebiscitum 36.

Plebs 6.

Pluteus 203.

Poena capitalis 167.

Pollicem premere, vertere 228 Pontes 52.

Pontifices 106, 107.

Portoria 174.

i Possessio 157.

Postulatio 165.

Praeciae, praeclamitatores 100 Praefecti aerario 132.

„ Capuam Cumas 94. „ sooiorum 193. Praefecturae 127, 138, 151. Praefectus Aegypti 149. Praefectus annonae 132, 177. n morum 122. „ praetorio 132, 151.


-ocr page 258-

244

Praefectus urbi 64, 71, 123, 132.

„ vigilum 132.

Praemia miütaria 191.

Praenomen 8.

Praepositus sacri cubiculi 133. Praerogativae 53.

Praetor urbanug 77, 153. Praetura, praetores 38, 76. Precationis carmen 51.

Primipilus 185, 198.

Primo vocatae 53.

Princeps 125.

„ senatua 41.

Principes 184, 187, 190,197,198. Pnneipium 11, 55.

Proconsules 146.

Procuratores 149.

Proletarii 14.

Propraetores 146.

Provinciae 143, 150.

Provocatio 23, 145, 191.

Publicani 40, 147.

Pulvinav 105.

Quaestiones perpetuae 77, 165. Quaestor sacri palatii 133. Quaestores 80, 146, 200. „ parricidii 64. „ principis 134. Quattuorviri iuri dicundo 94, 137.

r viis purgandis 93.

Quindecimviri sacris fac. 37, 108. Quinquagesima mancipiorum vena-

lium 174.

Quinquennales (viri) 137. Quinqueviri mensarii 181.

Quirites 14.

Ramnes 2.

Kationales 149.

Recognitio equitum 97.

Rectores 151.

Recuperatores 163.

Referre ad seuatum 44.

Regimen morura 74.

Regiones 15.

Relegatio 29.

Rescriptura principis 170.

Rex 63.

„ in later tijd 233.

„ sacrorum , reginasacr. 34,109. Rijtuigen 222.

Rogatio 52, 164.

Rufuli 184.

Sacellum 11S.

Sacra 103.

Sacramentum 161.

Saeptum 51.

8agum 188.

Salii 110.

Salutatio matutina 233.

Sarcinae 190.

Sarta tecta exigere 75.

Saturnalia 105.

Schoeisel 212, 214.

Scrinia 133.

Scriptura 173.

Scutum 183.

Secures 64, 69, 167.

Sellisternium 106.

Senaculum 44.

Senatu movere 46.

Senatus auctoritas, senatus consul-

tum 46.

Seniores 12, 13, 184.

Sententia iudicis 167.

Sententias rogare, pronuntiare 44, 45.

Septemviri epulones 106, 107. Serra 188.

Servare de caelo 34, 61.

Servi 23, 231.

Sestertius 178, 179.

Sexprimi 81.


-ocr page 259-

245

Sex sufïragia 10.

Sieraden 215.

Signa ex avibus, e eaelo etc. 107.

Signum 187.

Socii 140, 193.

Sodales ïitii 111.

Sodalitia 60.

Solium 210.

Spectabiles 133, 151.

Spectio 34, 51.

Spina 227.

Sponsa, sponsalia 18.

Sportula 233.

Stipendium 173, 177.

Stola 214.

Subscriptio 165.

Suffragium 26.

Suovetaurilia 73.

Supplicatio 105, 191.

Synthesis 213.

Tabellae, tesserae 52, 176. Tabellarii 226.

Tablinum 209.

Tabulae Caeritum 26.

„ novae 181.

Tabernae 223.

Templum 108, 117.

Tergiversatio 164.

Tessera 52, 176, 229.

„ hospitalis 223. Testamentuni 21, 50, 159. Testudo 190, 202, 203.

Tirocinium fori 220.

Tities 3.

Toga 211, 214. Tooneelvoorstellingen 229. Tormenta 204.

Traditio 158.

Transvectio equitum 97.

Tresviri capitales 93.

_ coloniae deducendae 139.

Tresviri epulones 106. „ mensarii 181. „ monetales 93. „ nocturni 93. „ reipublicae constituendae 123.

Triarii 184, 186, 187, 190, 197. Tribunal 7 8.

Tribuni aerarii 170, 177. „ militum 184. „ „ consulari potestate

37, 76. „ plebis 35, 85.

Tribunus celerum 64.

Tribus 3, 15, 176.

Tributum 26, 172.

Triclinium 217.

Trlumphus 192.

Triumviri, zie tresviri.

Tunica 211.

Turmae 188, 200.

Turres 203.

Tutela 21.

Tutulus 214.

Usucapio 159.

Usurae 180.

Usus 17.

Vadimonium 163.

Vectigalia 173, 174.

Velites 184, 186, 187, 190, 197.

Venationes 227.

Vernae 24, 231.

Vestibulum 208.

Vexillum 187.

Viatores 89.

Vicarii 151.

Vicesima hereditatum 175.

n manumission um 174. Videant consules etc. 47.

Vigiles 132.

Viarintisexviri 93.


-ocr page 260-

246

Villa 206, 207. quot;Villicus 206. Vindex 162. Vindicta 25.

Vineae 203. Vinum 216. Yitio creati 62. Wedrennen 228.

II.

Lex Aebutia de formulis, 161.

Leges Aelia et Futia de auspiciis (geven aan ambtgenooten tegen elkander het recht van obnuntiatio, alsmede aan de volkstribunen tegenover andere overheden), 61.

Lex Aelia Sentia de manumissionibus (beperking der man. bij testament),232.

„ Aemilia de censura (beperking tot l\'/o jaar), 72.

Leges agrariae, 39, 40.

Lex Antonia indiciaria (hoplieden en soldaten onder de indices opgenomen), 170.

„ Appuleia frumentaria (de modius tegen 5/6 as), 176.

„ Aternia Tarpeia de multis (beperkt het recht der overheden, om

boete op te leggen), 57.

„ Atilia llarcia de tribunis militum (16 van de 24 door het volk

gekozen), 184.

„ Atinia (volkstribunen worden senatoren), 41.

„ Aurelia iudiciaria (senatoren, ridders en aeraartribunen), 121,170. , „ tribunicia (de uitsluiting der trib. pl. van verdere ambten

opgeheven), 121.

„ Caecilia Didia de trinundinis, 50.

„ C\'aelia tabellaria (bij perduellio), 52.

„ Calpurnia de repetundis (eerste quaestio perpetua), 164. , Canuleia de conubio (tusschen patriciërs en plebejers), 36. Lex Cassia tabellaria (bij rechterl. comitiën, behalve voor perduellio), 52. „ centuriata de censoria potestate, 89.

„ Clodia de auspiciis (opheffing der leges Aelia et Fufia), 62. „ „de censoria potestate, 75.

„ , frumentaria (uitdeeling om niet), 176.

„ Cornelia bullae de censura (opheffing er van), 121. „ „ „de quaestura (20 quaestoren), 121.

, „ „ frumentaria (opheffing der korenuitdeelingen), 176.

„ „ „ iudiciaria (de iudicia aan den senaat terugge

geven), 169.

„ „ „de sacerdotiis (de cooptatio hersteld), 112, 120.

-ocr page 261-

247

Lex Cornelia Sullae tribunicia (het tribunaat tot het vroegere auxilium beperkt), 88, 120.

„ , (ut praetores ex edictis suis perpetuis ius dicerent), 155.

„ curiata de imperio, 31, 63. 1

„ Domitia de sacerdotiis (de cooptatio opgeheven), 58, 113, 119.

„ Duillia Marcia de unciario fenore, 180.

Leges XII tabularura, 69.

Lex Furia Caninia (beperking der manuraissio), 232.

„ Gabinia de uno imperatore (Pompejus tegen de zeeroovers), 121.

„ „ tabellaria (voor kiescomitiën), 52.

„ Horatio Valeria de plebiscitis (gelijkstelling met leges), 56.

„ „ „de provocatione, 23.

„ Hortensia de plebiscitis (gelijkstelling met leges), 56.

„ Icilia sacrata (tegen krenking der volkstribunen), 86.

v lulia de civitate (toekenning er van aan de trouw gebleven socii), 142.

„ „ „ „ Galliae Transpadanae danda, 143.

„ „ iudiciaria (de decurie der aeraartribunen opgeheven), 170.

„ „et Papia Poppaea de maritandis ordinibus (ter aanmoediging

van het huwelijk), 21.

„ „ Papiria de multis (de boete, in de Aternisch-Tarpejische wet

in vee vastgesteld, wordt in geld uitgedrukt), 57.

„ lunia Iforbana de manumissionibus (Latini luniani), 25.

„ Labiena de sacerdotiis (de cooptatio weder opgeheven), 112, 119.

„ Licinia de III viris epulonibus, 106, 119.

„ Licinia Sextia de consulatu (één consul moet plebejer zijn), 37, 92.

„ „ ■ „ „ aere alieno (vermindering er van), 37, 181.

„ „ v v aSro publico (maximum van 500 iugera), 37.

„ „ n r X viris sacrorum (voor de helft plebejers), 37, 119.

„ Maenia de patrum auctoritate, 33, 56.

„ Manilia de imperio Cn. Pompei (tegen Mithradates), 121.

„ Manlia de manumissionibus (belasting van 50/o)i 174.

„ Marcia de censura (niemand ten tweeden male censor), 75.

„ Metilia de aequando magistri equitum et dictatoris iure (in 217), 85.

„ Minucia de triumviris mensariis (staatsvoorschotbank), 181.

„ Ogulnia de sacerdotiis (5 nieuwe pontiflces en 5 nieuwe augures

uit de plebejers), 119.

„ Ovinia de legendo senatu (door de censoren), 41.

„ Papiria de III viris capitalibus, 80.

„ „ tabellaria (voor wetgevende comitiën), 52.

„ Plaetoria de praetura (binnen Korae 2 lictoren), 78.

„ Plautia iudiciaria (15 rechters uit elke tribus), 169.

-ocr page 262-

248

Lex Plautia Papiria de civitate (aan geheel Italia), 142.

„ Poetelia Papiria de pecunia credita (afschaffing van lijfsdwang

voor schuld), 38.

„ Pompeia de civitate Gralliae Cispadanae danda, 142. „ „de provinciis (eerst na 5 jaar te aanvaarden), 68. „ „ tribunicia (herstel der tribunicia potestas), 88, 121. Leges Porciae de tergo civium (tegen geeseling), 23.

Lex provinciae, 147.

„ Puhlilia Philonis de censura (één censor moet plebejer zijn), 72. v „ „de patrum auctoritate, 33.

„ „ „de plebiscitis (gelijkstelling met leges), 56.

„ „ Voleronis de magistratibus plebeiis (verkiezing door de

plebs), 36, 85.

„ Roscia theatralis (zitplaatsen voor de ridders), 97.

„ Rubria de Gallia Oisalplna (regeling der iurisdictio), 143.

Leges Semproniae Gracchorum agrariae, 40.

Lex Öempronia de provinciis consularibus (aanwijzing der provinciën vóór de verkiezingen), 68. „ „ de provocatione, 23.

„i „ frumentaria (de modius tegen 6I/3 as), 176. „ „ indiciaria (de indicia aan de ridders), 169.

„ Servilia iudiciaria (neemt de senatoren weder onder de indices op), 169. Leges tabellariae (geheime stemming bij de comitiën), 52. Lex Terentia et Cassia frumentaria (de modius tegen 673 as), 176. „ Terentilia de legibus scribendis, 36, 69.

„ Trebonia de cooptatione (afschaffing daarvan bij de comitia tribunicia), 86.

„ „de imperio C. Caesaria prorogando (in Gallia), 122. „ „de provinciis consularibus (Hispania aan Pompejus, Syria

aan Crassus), 122.

„ Tullia de liberis legationibus (beperking tot één jaar), 48.

Leges Valeriae de provocatione, 23.

Lex Valeria Marcio de aere alieno (staatsbank), 181. „ „de aere alieno (schuldvermindering), 181. „ „de Sulla dictatore, 120.

„ Villia annalis (volgorde der honores, vereischte leeftjjd), 90. „ Voconia de testamentis (beperking van het erfrecht van vrouwen), 160.

-ocr page 263-
-ocr page 264-
-ocr page 265-
-ocr page 266-

Dr. Senr.imm 1:1: . Ihmiilinck (lov Romeiiisclio

Antii|iiiti\'ifoii .... \'I\'icrfilr ilritl f 11,90 Di\'. O. ^. i;i.i.m gt;iki: . liomolnscho Autiquitoiien .

t. geltr. bij li. ^vninasiiial onderwijs, l \'ijfilf iJnil: - 1,75 Dr. ■!. Cl. Sfiii.iMUKi!, Oude Aardrjjkskunde . . - 2,90 Or. .1. ( i. Seni.i.m.mki: , [.ePiTioek der Oude Aard-

i\'ijkskuude..... .......- 1,25

Dr. .1. G. S\' hi.i.mmki: , Over hef gebruik van den

(Jnninnoiivns in liet Latijn........- 0,50