-ocr page 1-
-ocr page 2-

180,

-ocr page 3-
-ocr page 4-

i ••

i

I

p

I

I

X

l I

-ocr page 5-

HAND LEID I N G

TOT DF, IIKOTNSKLK.N DKR

D I E R K UNI) E.

-ocr page 6-
-ocr page 7-

» w ^ ^\\J / /

HANDLEIDING

TOT IJ li HHdlNSELKN DKH

DIERKUNDE

TKN (tF.nni IKK nu

HET GYMNASIAAL EN HET MIDDELBAAR ONDERWIJS

DOOK

Dr. I). LUB ACH.

i c i\' lt;1 o , It o i-i o ïi o 1gt; i* ti 1c.

gt;[ct lilquot; Hontsnccflgm\'cii.

li. O T \'1\' E RD A M I\'tTGEVKI\'S.MAATSCHAPPIJ „ELSEVIERquot; 1887.

-ocr page 8-

(■ckrnkt lgt;i,i van Afjicren van der V\'clilc i*c Comp., Il.\'iarlem.

-ocr page 9-

V GO li 15 E II 1 C 11 T.

De, coi\'sto druk van doze Itnndteidinu lot lt;(i\'bcyliiscleii dui\' Dierkunde, in 18G4 versclioncu, iniiaktc! het dierkundig gcdoolto iiit vim oono lulcidiny lot df. kennis dei\' natuur, uitgoguvoii door liot Noderlandscli Oiidcrwijzors-Cnniootscliap, wa.u viui de bewerking door dat gouootschap werd opgedragen aan Dr. W. van den Brook, Dr. D. J. Costor en mij. Het doel der uitgave was om aan aankomende onderwijzers een leerboek te verseliaffen, dat lam tot gids kon dienen bij hunne studio der natuurwotensebappen; liet was dan ook dit doel, dat mij bij de bewerking van liet zoölo-giseh gedeelte steeds voor oogen stond. Toen eebter eene nieuwe uitgave van mijn boek noodig werd, ben ik met den uitgever te rade gegaan deze zóó in te riclitcn, dat zij ook bij bet gyninasiiial en middelbaar onderwijs kon worden gebezigd en in liet algemeen gesehikt werd ten gobruike voor ieder, die zich wat meer dan oppervlakkige notiën van Dierkunde mocht wenselien eigen te maken.

De tweede druk verselieen in 1875 en werd 1H80 door oen derden gevolgd.

Van hetgeen ik in het voorbericht van den tweedon druk meende te moeten berichten berbaal ik hier alleen het volgende.

lüj bet indeden van het dierenrijk in klassen en orden heb ik mij steeds zoo na mogelijk gehouden aan liarting\'s Lccrtjoch: ran dc. yrondbcyinseleu (h\'r dicrkumle. Zoo na mogelijk ; want ik heb gemeend bij onderscheiden gelegenheden daarvan te moeten afwijken met hot oog op do bestemming van dit boek. In enkele gevallen heb ik dan ook nu en dan ceno eenvoudiger onderver-deeling aangenomen, —■ elders getracht hot overzicht gemakkelijker to maken door samonsmolting van klassen en orden, — of door klassen of orden, die slechts weinige min bekende dieren tellen, weg te laten. Voorbeelden daarvan vindt men bij de ver-

-ocr page 10-

vnonnKiucirr.

dcoling der Spinnen en der Wonnen en bij die der Weekdieren. In vele dier gevallen heb ik het echter zóó ingericht, dat uit de door mij gekozen indeoling die van Hurting gemakkelijk to ontwikkolen is; als voorbeeld voer ik aan de orde der Zuignapwor-wormen (Coti/lidea), overeenkomende met do Ilirudinida en de /\'rcmaloda. Hnkele diervormen, dio tot do door mij niet opgeno-meno klassen of orden behoorden, maar die ik toch niet met stilzwijgen mocht voorbijgaan, zooals I gt;c.ntnliam, do Gfrcgarinen, de Xoetilucuriën enz., zijn door mij vermeld ))ij wijze van bijvoegsel op de orden, waaraan zij hot naast verwant zijn.

Hesehrijviiigen van geslachten en soorten konden niet worden opgeiioinon zonder het boek te uitgebreid en daardoor to duur te maken. Om diezelfde; reden moest ik ook met hot opgeven en kenmerken van farnilien zeer spaarzaam te werk gaan. Hem, die beschrijvingen van geslachten en soorten verlangt, verwijs ik, om mij tot oorspronkelijke noderlandscho werken te bepalen, naar 11. Sehlogcl\'s !laiidlviilhuj lot. (h broofeiu\'nrj der dierkunde, - doelen mot atlas (ISrcda IS:quot;)? en 1.S.quot;gt;.S), en, voor do Gewervelde, dieren alleen, naar \\\\ . \\ i\'nlik, Ih\'! Ir.ni\'n nt m(i(tLniU dry d\'tc.i\'en. ,\'ï dee-len (Ainstei\'dam 18.quot;).\'!).

Wil men zieli hoofdzakelijk tot de konnis dor Inlaudscho dieren bepalen . dan beveel ik aan de dierkundige gedeelten van do Indertijd h\' Haarlem uitgegeven Xutiuir/iJI.-i- llisluvie can Xcder-lninl, bewerkt door II. Scddegel (Zoogdieren, Vogelen, Kruipende dieren, Visschen), S, (\'. Snellen van Vollenhoven (Gelode dieren) en .1. A. Herklots (Weekdieren en Lagere dieren), alsmede J. E. Kombonts, Ih: d^ ren nxu XnlrrUnid. I\'lrnc haiullcidhty tol hel dc-hrminrwfn der Inliiiidsclii\'. dieven. (Haarlem 1875).

Voor de. meer bijzondere kenuis van de huisdieren en van die, welke voor den landbouw nuttig of schadelijk zijn, is zeer aan te bevelen de l.iiiidhoiiirdiirl.inidc van Dr. J. Kitzema Bos, 2 deeleu (Groningen 1879).

Over de verbeteringen, die lint boek bij eiken nieuwen druk heeft ondergaan, zal ik niet uitweiden. Dankbaar voor de goede ontvangst, die het gedurende moer dan twintig jaren mocht genieten, sluif ik met den wensch, dat ook deze vierde druk moge blijven voortgaan nut te stichten.

K\'nit/ini, 27 Unarl /S8ö. I). LUIiACH.

vr

-ocr page 11-

I iv li o ii Igt;.

HIz.

EER8TJC AFDEICLING. Inleiding......................................................1

Hoofdstuk I. Over do lUorkiiult;1 o in liot algoiuooii................I

lioofdstuk II. G os c lii o de nis dor Diorkuiido...............

Hoofdstuk Hf. Bouw on v or rich tin go n van hot mouscho-

lijk lichaam, als ho oosten vorm van hot lichaam 11

dor dier on........................................................................................5

A. Voorafgaande opinorkiugou..............................5

15. Overzicht van het g\'eraamtc als vasten yrondslag\' dos lichaams.

C. Organische verrichtingen..............................................................28

D. Dierlijke verrichtingen................................................................48

Hoofdstuk IV. K angsct hik ki ii g\' on he n ;i mi ng- der dieren... Sl\'

TWKKDh AFDKKLINd. Ovkiizk IIT VAN HKT I gt;II UUNUIJK..............88

Hoofdstuk V. (jI o wervelde dioron....................................................88

l Klasse. Zooydieren........................................................................8lt;.)

II n Vogelen............................................................................133

III « Kruipende dieren............................................................IGo

IV „ Visschen............................................................................ISO

Hoofdstuk VI. Gelede di oren..............................................................202

I Klasse, hiseklen............................................................................211

11 „ Daizendpooten..................................................................238

Hl „ apinnen............................................................................210

IV „ Schaaldieren....................................................................218

Hoofdstuk VII. W or men..........................................................................20;quot;)

1 Klasse. Jlolwonncn........................................................................207

II „ Voiwormeu........................................................................275

Hoofdstuk Vil 1. Weekdieren................................................................283

1 Klasse. Kopdrayende M eel\'dieren..............................................287

II „ l\'taatkichuiyc Weekdieren..............................................302

III „ lluidzakdiamp;ramp;n................................................................310

IV „ Armpooliijen....................................................................315

V „ Mosdiercn..........................................................................31Ö

-ocr page 12-

VIII

niz.

32^

Hoofdstuk IX. S toke Ihuidigo ............................. ^

I Kl.isso. ..............................................

II „ ............................................. ggB

III „ .............................................. \'g3\'9

IV „ Zeeleliën...................................... \'

Hoofdstuk X. Holtedieron of Netel dioveu................. ^

I Klasse. ............................................... ^ ^

II „ Kwaldieren................................... j!(.0

HI „ Polypen of liloemdiercn........................

Hoofdstuk XI. P ro t o z oö ................................... g7))

I Klaaso. Sponsen...................................... \' ^

H .............................................. \'__

quot; . ...... ;ilt; lt;

IH „ ..............................................................,i8.

Systematisch ..................................

VK

EUBl-yrEKINGEN EX BT.IVOEdSEL

151 ad/.. 119, vogel 0 v. o. staat E. laMis, moot xiju Af. laliroulru. lilad/.. 120 regol 1 bove.mau staat Belaena, moot /..ju Balama.

Klad/. 133 Do Vogolbokdlerou worden ook Moi.otvomen (.U.gt;-notremala) genaamd, van pivoc: één, enkel, en : opening, omdat

Zii pveuals do vogels,-/.ie Idad/.. 139 8 1GÜ, - sleol.tseéno opening n,w buiten voor de drekstoffen, de urine en do jongen of eieren l.c/.it-to,,. In den laatsten tijd nu /.ijn de Vogelbekdieren of Monotremen ge-bleken eierloggoi.de dieren te /.ijn. Reeds in 1H29 werd dit beweerd, doch men ko„ er toon geen afdoende bewij/.en voov aain-oeren. I kuis liooft Uien de eieren van Omithorynehu* en van Kchnlna ontde . aai .«««.«......or ^omc„ ^

lllmll0 „laats ouder de zoogdieren bol.ouden, doel. moet

wat zoogdieren zijn (8 115) o,. beu als uitzondering o,. bot „levende

ioueon voortbrengenquot; worden gewezen.

mad/.. 171. Do goslael.ton G eu 7 (Draak ou Ho^ooaan) moeten o .de de Diktongigon worden gerangsobikt, zoonln dan ook ... bet hjste matisidi Over/.iel.t is gescbied.

-ocr page 13-

Eerste Afdeeling.

1 N L 10 1 1) I N Gr.

EE US TE II OOF D S T UK.

Ovor do Dierkunde in hot algomeon.

§ 1. Diorou y.ijn die bowcilctuigclp,, lovnndc wezens, die gcwmu-worden en zich willekeurig bewegen.

Het is niet gemakkelijk , of\' liever onmogelijk, om eene zoodanige bepaling van wat dieren zijn te geven, met wier behulj) men in elk geval kan ondersebeiden of eenig organisch voorwerp een dier of eene plant is. Hij de allerlaagste, minst samengestelde vormen der organische wezens is de overeenkomst zoo groot, dat men moeielijk zeggen kan, tot welke der beide bewerktuigde rijken zij moeten worden gebracht. Het is bovendien de vraag nog, of vele dier lagere organismen, die wij tot de dieren brengen, wel inderdaad bezitten wat wij gewaarwording en wil noemen, en of de doelmatige bewegingen, die zij uitvoeren, niet tot die onwillekeurige bewegingen behooren, hoedanige wij later zullen zien dat ook door vele organen van de hoogere dieren worden volvoerd. Hoe dit wezen moge, en al moeten wij erkennen dat do grenzen tusseben bet dieren- en het plantenrijk niet volkomen zuiver te trekken zijn, zoo is toch bovenstaande, bepaling voldoende, voor zoover gewaarwording en willekeurige! beweging inderdaad de meest in \'t oog loopende eigenscbappen zijn, waardoor men in \'t algemeen een dier van eene plant kan onderscheiden.

§ \'2. De Dierkunde of Zoölogie is dat gedeelte der natuurweten schap , hetwelk de kennis der dieren omvat.

1

-ocr page 14-

Mi\'t de l\'lantkundo (Pliytologie of Ilotanie) en do Dolfatofkutide (Mineriilogic) vormt de Dierkunde de, Natumlijko Ueseliiedenis of Nalimrlijko Historie.

(j 3. Dieren on planten bestaan beide uit dooien, die zekere wcrkhiym uituefenen, waardoor de stofwisseling ))ij dioron on jdan-ton on do gewaarwording en beweging bij de dieron mogelijk worden. Die doelen boet men daarom werlctulycu (organen); do werkingen, dio zij volvoeren, heet men vcrriclitliKjcn (funotiën). Daar de dieren en de planten zulke werktuigen wel , de delfstoffen niet bezitten, noemt men do eersten hiivrr/clniyUe (organisebo), do anderen mhewcrktulijda (anorganische) voorwerpen.

De vorri( btingen, die tot de stofwisseling, voeding en groei betrekking hebben, noemt men ori/Kiiisflie, ook wol veyetahevi\'. verrichtingen, omdat zij aan alle organische wezens, ook aan de planten, eigen zijn. Die verrichtingen daarentegen, die gewaarwording en willekeurige beweging tot uitkomst hebben, heeten (hcrlijki- (animale) verrichtingen, omdat zij alleen bij de dieren worden aangetroffen.

De organische verrichtingen dienen óf alleen tot instandhouding van het individucel leven des diers of der plant, of zij dienen er toe om tie now/, waartoe het dier of de plant behoort, voort durend in wezen te houden. De eersten noemt ineu /c.vnts-wr-nr/i f uii/i-n , de anderen tp (lt;! N11II !js - rr r r /1\' /i f i in/t\',11,

§ 4. Daar de Dierkunde zich niet alleen bepaalt tot de beschrijving van het uitwendig aanzien der dieren, maar zich ook bezig houdt niet hun inwendig samenstel, zoo zullen wij , na vooraf een blik ojgt; de geschiedenis der Dierkunde te hebhen geworpen, een denkbeeld geven van den bouw en de verrichtingen van het men-schelijk lichaam. als Je meest volmaakte type van de dierlijke bewerktuiging. De kennis daarvan zal ons tol punt van vergelijking dienen met hetgeen wij over het samenstel der dieren zullen mededeelen.

\'1\' VV E E D E 11 O O F D S T UK.

Groschiodoni.s dor Dierkunde.

S 5. Al mogen er onder de wijsgeeren vóór Aristotoles geweest Zijn. die de dieren, hun samenslel en hun leven tot bet onderwerp

-ocr page 15-

3

van hunne navorscliingen kozen, gf\'lijk men dat o. a. van Demo-k rit us leest, y.oo is toch Aristoteles (ovcrl. ii\'Jl v. Chr.) als de grondleggei\' der wetenscliaiipelijke Dierkunde te beschouwen. De veroveringstochten van zijn leerling Alexander den Grooten en de op last van dozen volbrachte ontdekkingsreizen leverden hom vele bouwstofi\'en voor zijn arbeid, en liij ondernam zelf ontleedkundige nasporingeu. Menige vau zijne wiiarueiningen zijn, na betwist of veronachtzaamd te zijn, eerst in lateren tijd gebleken volkomen juist te wezen, eu zijne indeoliug van het dierenrijk getuigt van zijne grondige inzichten; allo indeelingen, die na hem en vóór Cuvier beproefd zijn, staan beneden de zijne.

S (!. De geleerden, die later te Alexandrië de gelegenheid hadden in de diergaarde vau het Museum aldaar waarnemingen te doen, mogen voor do ontleedkunde iets gedaan, en kennis gekregen hebben aan eenige diersoorten, die Aristoteles nog onbekend waren, — toch stond er gedurende eeuwen na dezen goeu eigenlijk gezegd dierkundige op. Want wat 1\'liuius in zijne Ilistoria na/nralis van de dieren heeft medegedeeld, ia weinig meer dan eene onoordeelkundige samenvoeging van lang vóór hem bekende feiten en deels ongegronde meoningen, die in de verte niet te vergelijken is bij hetgeen de overgebleven geschriften van Aristoteles ons loeren.

S 7. De middeleeuwen leveren geen enkelen naam op, die niet betrekking tot do Dierkunde verdient genoemd te worden, tenzij men dien van Albertus Magnus zou willen aanvoeren, den man, van wicn men zeide dat hij de gansehe wetenschap van zijn tijd omvatte, doch die evenwol tot bevordering van de Dierkunde niets gedaan hoeft. Hij leefde in do 13quot; eeuw. Maar in de 15quot; en de 16quot; eeuwen vond de Dierkunde waardiger beoefenaren. Men keerde terug tot de Aristotelische waarneming en navorsching en, terwijl Vesalius, Eustachius en Fallopia de ontleedkunde van den meusch hervormden, verwierven in Duitschland Gesnor, in Italië, Aldro-vandi, in Frankrijk lielon, in Engeland Wotton zii b als dierkun digen een welverdienden naam.

8 8. Nog vruchtbaarder was echter de 17\'\' eeuw. Harvey ontdekte den bloedsomloop, Aselli de watervaten, eu, —daargelaten nog welken invloed dit had op dc duiding dor bij de dieren ontdekte dooien en hunne verrichtiiigon, — deden de veelvuldige ontledingen van dieren, die van die ontdekkingen de gevolgen waren, de kennis van het samenstel der dieren zeer vooruitgaan.

-ocr page 16-

Die ontdekkingen toeli vonden in den beginne tegenspniak, ook bij hoogst bekwame mannen, en ieder trachtte zijne inziehten te staven door ontledingen en proefnemingen.\' — Niet minder gewichtig was in deze eenw de ontdekking van het mikroskoo]) door onze. landgenooten Ifans en Zacliarias Jansen, een hnl1)nn«ldel, waarvan Swammerdam, Malpiglii en Leeuwenhoek met liet nit-stckendst gevolg gebruik maakten, eu door welks gebruik zij de wetenschap met een schat van waarnemingen en ontdekkingen verrijkten.

§ 0. (ledurende de. IH1\' eeuw maakten zich in Frankrijk Kéau-inur, in Duits(diland K«gt;scl von Hosenhof verdienstelijk door huniuï ouderzoekingeu aangaande de levenswijze en gedaanteverwisseling der lagere dieren, bijzonder der insekteu. De onleedkunde dei\' dieren werd ook meer en meer met goed gevolg beoefend , die der hoogere vooral door Pallas, Daubenton en (^amj)er. Wat de lagere betreft, schreef Lvonnet een werk over de ontleedkunde van de wilgenrups, dat, met het veel latere van Strauss-Diirckheim over dc ontleedkunde van den meikever, als model kon gelden. Maar den grootsten naam onder de dierkundigen van deze eeuw maakte zich Karl Linné (1707—1778), minder door zijne, ontdekkingen en waarnemingen, dan door het bewerken en ordenen van de bouwstoften, waarover men toenmaals te hosehikken had, — door het nader bepalen van de begrippen soort. geslacht, orde, klasse,— en door eene eenvoudige , maar tevens hoogst doelmatige wijze van benoemen (nomenclatuur) der dieren in de plaats te stellen van de zeer onbepaalde of zeer samengestelde benamingen van vroeger. — Van andere beroemde dierkundigen in deze eeuw zwijgen wij , om alleen nog maar van Bnftbn te gewagen . omdat deze bij het alge meen zich een grooten naam verworven heeft. Kchter zijn het vooral zijne letterkundige verdiensten, zijn fraaie stijl, die hem zijn roem hebben be/orgd ; als wetenschappelijk dierkundige stond hij heneden zijne medewerkers, vooral beneden Daubenton. Te out kennen is het echter niet dat in zijn geschriften hier eu daar goede waarnemingen en opmerkingen voorkomen, en dat hij de eerste grondslagen heeft gelegd voor de kennis van de geographische ver spreiding der dieren, vooral der zoogdieren, — Hij dezen verdient vooral Lamarck te worden genoemd, die \'t eerst de dieren onderscheidde in quot;gewerveldequot; en quot;ongewerveldequot; dieren, en de grondleg ger was van de liedendaïigsche outwikkelings- of afstammings-theorie.

-ocr page 17-

5

§ 10. Igt;(! mini, die in de litquot;\' eeuw in de alloreersto plaats als ilierkundi^e vordieut genoemd te, worden, is (ieorge Cuviei\' (ITlii) — 1 (Grondige outlcedkundi^e nasporingen braeliteu hom niet alleen tot ooile verdeeling des dierenrijka, die meer eene ontwikkeling van die van Aristotelos dan van die van Linnó moet genoemd worden en de grondslag is dor nieuwste, zoölogisolie ver-deolingen, maar oidt tot, eene hetere kennis der uitgestorven dieren, waarvan wij de ovoriilijfselon terugvinden in de gesteenten, die, gedurende, vroegere, tijdperken viin liet bestaan der aarde gevormd zijn. Na CUvier komen eene menigte beroemde, namen, ook van nog levenden, die steeds met eer zullen genoemd worden, maar wier opsomming iu eene korte sohota als deze noeh mogelijk, noch nuttig wozen zou.

1) K R D E 110 0 PD ST U Iv.

Bouw on vorrichtingon van hot monscholijk lichaam als hoogston vorm van hot lichaam dor dioron.

A. VOOUAi\'dAANDK Ol\'MKKKINÖEN.

§ II. Met menselielijk liehaam bestaat uit vaste en vloeibare deelen. \'l\'ot de, vaste behoorcMi lgt;. v. dlt;\' lieciidercn, do spieren ot\' het vleeseh, do aderen, de zenuwen, de ingewanden enz.; tot de vloeibare hot bloed, de gal , de slijm en andere, voehten meer. De hoeveelheid der vloeibare overtreft die der vasto doelen aanmerkelijk; het liehaam van een man, die 154 pond woog, werd bevonden aan vocht 110, en dus aan vasto deelen slechts .\'W pond, te bevatten. Voorts worden iu de voehten des liehaams ook gassen of Inchtvonnige vloeistotl\'en aangotrofl\'en.

§ 1quot;J. Wat werktuigeu of organen zijn, weten wij. Eene spier is een orgaan, de, aderen zijn organen, de ingewanden zijn organen enz. In hot liehaam van een dier nu zijn velerlei organen van dezelfde, soort, h. v. vele spieren, vele. aderen. Deze gelijksoortige, d. i. in satnenstol mot elkander overeenkomstige organen noemt men , te namen gononien, nle/nc/n (systemen). Zoo hoeft men dus een

\') ICigRiilijk Kiil\'or, geltorou to Aliirapolgard (vorfranscht Moutbóliard) iu den Klzfis.

-ocr page 18-

f

lioenderonstelsol, con spioratelsol, con blood vaten- Cslagadoren- on adcron-) stolsel, oen zomuvstclsol. onz. Voor zoover oonigo organen, flio tot vorschillendo stclsols ktinnon I)ohooron. mot elkander eon gohcel vormen, dat tot bereiking van oen bepaald dool dient, vonnon zij te snmon oon toestel (apparaat.)

tj 13. ÏFet fijnste inwondige, samonstol dor dooien en werktnigen van bot licbaam noemt men bot weefsel dier doelen en worktnigon. Hot licbaain bestaat nit doelen, on dezo nit weefsels, evenals oen gebouw bestaat »it verscbillendo doelen, (minon, dak, vloer, deuren , vensters, enz.) en dozo wodor gt;iit bomvstotlon (bont, steen, kalk, ijzer, enz.) Do woofsola zijn dns de bouwstoffen, waaruit de dooien des licbaams bestaan.

§ 1-1. Als eerste, eonvondigsto orgaan, waaruit oorspronkelijk alle weefsel» ontstaan , of, zooals men bot noemt, worden opgebouwd moet in den monsoh on do dieren, ovenals bij de, planten do od worden aangemerkt. Eono eel in haren meest ontwikkelden vorm bestaat uit een celrlirs, dat eene soort van blaasje vormt, mot een a\'! In hond (plasma, protoplasma), en een hn-n, die doorgaans l\'itr- 1. togen don binnenwand van het eolvlios aan lifjl. ülo ra. vergr. ) vooral als bij nog jong is, nog een kern-

lichdinnpjc bevat. Do kern on ook hot eolvlios kunnen oehtor ontbi\'ekon, zoodat de gehoelo col uit oen rond klompje protoplasma bestaat, — Kr zijn lagere diervormen, die nit weinig anders dan eono oei zonder omhulsel on zonder kern

a. do mol di-n kt-rn hoHtHHH inhoud fftmildo (\'«dbiaas

A.korn.c.kornlichaampjn. I)(. stof, Waarin flo. COllfMl zich bovillflpil, WiUir /ij olkandor niet oniniddcllijk liogrcnzon , «mi (lio, dus tnsRchcii «li» (\'(dloii is, href inon /nsschrncclsfof. T)ozo stof iy of

hef voorthrongHr! der Inwndo cel Ion zclven, of zij in afkornsfi^ uit dr vo(»diTi^8vo(ditf,n van hot organisme , on in dat geval pntton do col Ion nit haar do stof tot haren groei en hare. vermenigvul diging. Zoodanige tnssohenoelatotVon heet men iinnstoj (blastema). Die vennenigvnldiging nu heeft plaats of in het Idastema (exogene vorrnonigviddiging) of binnen reeds aanwezige cellen, die dan moeder-cellen hoe ten endogene vormonigvnldiging).

I )(• in een wordend organisme of in oen wordend gedeelte van een organisme, ontstane cellen ondergaan in vele gevallen aarnner-k\'lijkc verafideringen. Zij worden plat, hoekig, langwerpig, krijgen

-ocr page 19-

uitgroeisels of uitsteeksols, groeinn in grootci\' of kleiner aantal aaneen om zoo vezels enz. te vormen, verliezen (b.v. bij de plat-geworden cellen) haren vlóeiliaren of halfvloeibaren inhoiul enz.

S 15. Als voorbeeld van een der allereenvoudigste weefsels dient de opperhuid, die als een dunne laag nf vliesje de eigenlijke huid bcjkleedt, en bestaat int nevens elkander gelegen, geheel plat geworden cellen mot. verharden inhoud (zie fig. 2 a). Daartoe behoort ook het hoornwevffiid, waaruit de nngels en de haven bestaan. Sommige oppervlakten hitnieu het liehaam zijn ook door een opperlmidje bedekt, dat men rpiihc/lin/i heet.

ij lli. liet hhtdweefsel is eene weeke, doorsebijnende, vliezige zelfstandiglieid, die de tussehenruimteH der verschillende deeieu opvult en bot middel is, waardoor deze deeieu en de onderdeelen

Kiy. 2.

-ocr page 20-

8

weefsel. Binnon in hot bindwoofsol bevinden ssich rniinteu (vroeger onk wel quot;cellenquot; goheoten) welke eene heldere wiiterige vloeistof (wei) bevatten. Het vetwecfsc.l, ilat overigens veel overeenkomst mot In t bindweefsel bezit, bevat in zijne ruimten of mazen cc/.

§ 17. Va/en zijn kanalen of huizen, die zich, evenals de stam van eeu boom, verdeelen in een groot aantal takken, die op hun beurt zich weder in kleinere takken, en vervolgens in nog kleinere en kleinere takjes splitsen, en waarin de voedende vochten des lichaams (het bloed en de lympha) bevat zijn. Men verdeelt ze in bloedvaten, en water- of lymphavaten. In meest alle deelen en weefsels des lichaams vindt men vaten, in enkele echter niet, zoo-als in de opperhuid, tie baren, de nagels.

S 18. Xeuiwi\'n zijn witte, koord-of draadvormige, niet holle, maar zich toch, even als de vaten, in takken en takjes splitsende doelen, /.ij bestaan uit dicht naast elkander gelegen zenuwdraden of zenuwhuisjes, die door bindweefsel tot bundels en deze op hun beurt tot grootere bundels vereenigd zijn. Hij de voortgaande splitsing uu van zenuwen in takken, takjes, nog fijnere takjes, wijken de bundels, waaruit die zenuwen bestaan, uit elkaar en vormen alzoo dunnere zenuw en, die zich op dezelfde wijze in nog dunnere verdeelen , totdat in de allerfijnste zenuwen alleen een enkel zenuwbuisje overblijft , dat zich niet meer verdeelt. Kik zenuwbuisje bestaat uit eeu vliezig omhulsel, een uit eiwit hestaaudeu draad (as-cvlinder) en het zenuwmerg, dat de overige ruimte binnen bet (imhnlsel opvult. 1 \'it zulke zenuwdraden bestaat ook de witte zelfstandigheid der hersenen en des rugge-mergs. De grauw gekleurde zelfstandigheid der laatsgenoenide organen en van nog andere kleinere organen, die men „zenuwknoopenquot; heet. bestaat, behalve uit de genoemde witte zenuwbuisjes, nog uit wnnircc/len, laugwei|iig ronde, roodachtig gele cellen met een kor-religeu inhoud, die altijd nauw met zenuwbuisjes nainenhangen.

S 19. Teder heeft een algemeen begrip van datgene wat men onder een rhett verstaat. De huid is eeu vlies, de opperhuid is er ook eeu. De vliezen, aan wier kennis ons \'t meest gelegen is, zijn, behalve de genoemde, de slijmvliezen en de weivleizen.

De Wy/zirAcvc», aldus gen aanul omdat hare op per vla kte gestadig een helder of grijsachtig lijmerig vocht (slijm) uitzweet,— of afscheidt, gelijk men \'t noemt, — bckleeden alle zoodanige holten in het lichaam, die toegankelijk zijn voor de lucht of voor andere van buiten ko-mende storten, als b.v. de mondholte, de keel, den slokdarm, do

-ocr page 21-

maag on do darmen, alsmodo do noustiolto on Imt imvondigo dor longon.

Do weii\'lie.zc.ii, die oen dun waterig vocht of wei nit/,weeten, bokloeden die holten de» liehiiams, die gccno oponingon naar bttitcii liezitten, on in welke dus de lueht niet kan intreden. Zoodanige holten zijn die, waarin de verscliillende ingewanden hosloten liggen, do borstholte en de buikholte bij voorbeeld, liet weivlies, dat de Pitr ;{, wanden van zulk een holte, evenals een

behangsel, geheel bekleedt, en aan de wanden vast door bindweefsel verbonden is, omgeeft bovendien do meeste ingewanden, die in zoodanige holte bevat zijn, en geeft aan deze een weivliezi-gen bnitensten rok. Men stelle zieh dit op de volgende wijze, voor.

Pig. 3. verbeelde de horizontale doorsnede van eene zoodimige, holte; dan is A de uit beenderen, vloeseh en huid bestiiandc wand dier holte; en 1! het wei vlies, dat de binnenzijde van dien wand bekleedt. Dooide donker getinte figuur 1) wordt, voorgesteld de doorsnede van een m die holte zieh bevindend ingewand. \' l|i een zekere iibmts nu vormt het weivlies B eene plooi, waarvan de beide, platen (! C — idke plooi heeft immers twee, platen, — eerst dieht tegen elkander liggen, maar zieh vervolgens van elkander verwijderen, om liet ingewand 1) tussehen zieh als in een zak op te nemen, met andere woorden; om aan dat ingewand een buitenst omkleedsel of bnitensten rok te sebenken. Die rok, of dat ingewandbeklee-dende weivlies, is met het ingewand zelf vast door bindweefsel verbonden, even als het wand-bekleedende wcivlies 1? zulks is met den wand A der holte. Het begin der plooi, de brng C (\' tussehen bet wandhekleedende en ingewandbekleedende weivlies, is bij liet eene ingewand kort en smal, bij het andere lung en breed, en dient, inderdaad als brug voor de bloedvaten, zenuwen, enz., welke tussehen de beide platen der plooi naar het ingewand loopeu.

lt;\'ollt; de slijmvliezen geven op sommige plaatsen dergelijke om kleedsels aan zekere deelen, file gelegen zijn binnen de holten, welke zij (de slijmvliezen) bekleeden. Zoo is het b.v. in de mondholte. De wanden dier holte, te weten de binnenzijde der wangen en lippen, de basis der tanden, het gehemelte, de bodem der mondholte onder de tong, de keel, zijn bekleed met een slijmvlies. De inde

-ocr page 22-

10

mondholte gulogon ton}? is ook door oon slijmvlins omhuld, on dat slijinvllcs, die slijm vliezige rok dor tonj;, is oon vorlongscl oono, plooi van hot slijmvlios van don hodom der mondholte. De plaats, waar die plooi de brug vormt tot het slijmvlies der tong, wordt /.iehtbaar wanneer men do tong oplicht; het is dat deel, dat men gewoonlijk het tongriempje of toompje noemt.

ij 20. Kraakbeen is oene zeer vaste, maar veerkrachtige, halfdoorschijnende, melkwitte of geelwitte zelfstandigheid, die nit eene homogene massa met cellen en celkernen bestaat. — Been, het hardste bestanddeel des lichaams, bestaat nit kraakbeen , verhonden met IxxiKKO\'dc, welke laatste hoofdzakelijk uit phosphorzure en koolzure kalk bestaat. Alle been ontstaat oorspronkelijk uit kraakbeen en is hekleed met een vrij vast vlies, het hmwlics. — Beenvormende kraakbeenderen noemt men dus zulke, die, bestemd zijn om in been te veranderen; blijvende kraakheenderen daarentegen die, welke gedurende het gansche leven den kraakbeenigen toestand blijven behouden, § 21, Het spier- of rleeschwcc/sel bestaat uit zeer dunne, samentrekbare, dat is voor aanmerkelijke verkorting vatbare, vezels, die door bindweefsel met elkander vereenigd zijn tot spierbundels en deze weder tot spieren. Veelal maakt men zich bij het woord quot;spierquot; een verkeerd denkbeeld , even alsof eene spier een dun, lang, koord- of draadvormig lichaam zijn zou , ongeveer als een zenuw af zoo iets. De spieren zijn integendeel min of meer groote en dikke vlecschmassa\'s, waarvan de meesten wel is waar een langwerpige gedaante, bezitten, zoo als b, v. die in tig. 4, maar waaronder men er ook vindt, die meer breed en plat zijn en naderen tot den vorm van vliezen. Er zijn er zelfs die werkelijk vliezen zijn, de spiervliczen namelijk, waarover Inter. De uiteinden van de meeste eigenlijke spieren bestaan niet uit rood spier- of vleeschweefsel, maar uit pezen, die glinsterend parelwit, zeer taai en niet samentrekbaar zijn, en dour middel van welke de uiteinden der meeste spieren vast aan de beenderen zijn

gehecht.

-ocr page 23-

tl

8 22. Van rlo klieren zij hinr aangomorkt dat zij werktuigen zijn van zeer verschillenden vorm e,u maaksel, doch die allen daarin overeenkomen, dat zij zeer vele fijne bloedvaten bezitten, uit wier bloed door die klieren zeiven zekere vochten worden afgezonderd of afgescheiden, welke voehten vervolgens door ecu uitloo-zingsbuisuit do klier worden uitgestort eu veelal tot zekere bepaalde doeleinden dienen.

t? 23. Wat do scheikundige samenstelling aangaat van deze en andere weefsels en deelen des lichaams , zoo bestaan zij grootendenls uit stikstofhoudendo stoffen, vooral uit vezelstof (//iiv\'/x;). Tot het lichaam behooren eehter ook stikstofvrije stoften, b.v. het vet, terwijl de meeste weefsels ook niet-organische zouten bevatten, waaraan vooral de beenderen, gelijk wij zagen, zeer rijk zijn, daar zij aan hun gehalte aan phosphorzure en koolzure kalk hunne hardheid ontleeneu. — Ynu alle voehten des lichaams is water de grondslag; het verschil tussehen die vochten hangt af van de iu dat water opgeloste of op eene andere wijze aanwezige stoffen.

I?. OVKHZIf\'HT VAN HUT (iKRA AM I\'ll, \\I,S VASTEN (1II(1NI)SI,A(;

DUS MCItAAMS.

S 21. Hij hetgeen wij over liet heen reeds iu § 20 gezegd heb ben moeten wij nu nog hel volgende voegen. — Meu onderscheidt de heendoren iu lange of pijphcondeioii, iu platte en in korte beenderen. De lange, zijn langwerpig, rolrond, aan de einden dikker dan iu het midden, fu het middenste, dunste, meest rolvormige gedeelte is een kanaal, de ntergpijjt, waarin zich zeer fijn en vaatrijk bindweefsel bevindt, dat vet bevat en merg ge-heeten wordt. Do korte beendoren ziju min of meer bolvormig of hoekig, b. v. de beenderen der nahand en van den navoel, /ij zijn van binnen sponsachtig van weefsel, doch veelal met een saaingedrongeue, vaste korst omkleed. De yjAv/Zc beeiuleren bezitten eene grooto oppervlakte en zijn naar evenredigheid dun, b.v. de door getande naden met elkander verbonden sehedelbeenderen. \'/ij bestaan uit twee platen , tnsHehen welke sponsachtig been (hier diploe. genoemd) ligt. — De ruimten vau het sponsachtig been der korte en platte beenderen bevatten ook merg.

Van den vorm der lange, beenderen kan men zich door de beschouwing van lig. 8, k, l, m, r, igt;, w, een denkbeeld vormen;

-ocr page 24-

ook de. kootjes der vingois en tccncn y), 2, 011 liot nlcutclheon lt;/ bchoorcn daartoe. Als voorbeoldim der korte l)eeiidereii voorden wij reeds de beenderen van de. naliimd en den navoet (tifj;- 8, n, y) — als voorbeelden der platte die van den schedel (fif; 8, «,) aan.

Fig. 5 verbeeldt een gedeelte van een lang been (dijbeen,) een kort been en een plat been , allen doorgezaagd. Aan liet lange been 1 /iet men , dat het uiteindequot; van het boen 2 (het boonhoofd) van binnen een losser, sponsiger weefsel bezit dan het overige, van het been; men ziet daar ook in .\'5 de mergpijp, liet korte been .\'! bestaat geheel nit sponsachtig boen, evenwel met eene coinpaete korst omgeven. Het platte boen l bestaat nit harde beenplaten, waartusschen een laagje van sponsachtig been.

tj 2quot;). De wijze, waarop de beenderen mot elkander verbondon zijn, is verschillend. Soinmign hoenderen zijn onljcwei/clylc met elkander verlmuden. t\' zij door in elkander slnitende min of moer getande ikk/cu, \'t zij door eene soort van lasch van de verdunde randen van twee beenderen (slaap- en waiidbeeii b. v.), t zij door tusschonliggend kraakbeen (sainongroeiing), \'t zij eindelijk doordien het eene als \'t ware als i;on spijker in hot andere gedreven is, gelijk bij do tanden. — Andore, heondoren daarentegen vormen met elkander eene heiüryrlijkr vereeniging, een yeivrichf, Het eene been nameli jk bezit eene niet glad kraakbeen overkleede , min of meer nitgeholdo vlakte of holte {yi-u-rivlilsvloklc of f/c.irriclil.sliollc), waartegen of waarin liet insgelijks mot glad kraakbeen overtrokken, vaak min of meer atgennide niteindi\' (yciorlchlshnnfd) van het andere been sluit, zóó, dat er tussehon beide beenderon eene beweging mogelijk is. Schiirnif.ryin-lrhtrn noemt men die, welke zon zijn ingericht, dat het eene boon zich slechts in eono bepaalde richting hoeksgewijs op hut andere bewegen kan , b, v. als oen

Fiff. 5.

-ocr page 25-

18

knipmes. Drnai- of rolgewriehten zijn lt;lic, waar hot cone boon, nicer of min jjaralicl aan liet andere lilijvcmli!, zich in een lialvcn cirkel om dit andere baen bewegen kan. Vdlkomnu\'. of rrye yc-iwichtcn eindelijk zijn die, liij welke het gewriehtshoofd van liet eene been zich in of op de gewriehtsholte of vlakte van het. andere naar alle riehtingeu heen kan bewegen , evenals de ronde knci|] van een wandelstok in de holle hand.

§ 26. Do beide beenultcinden, die te zamen een gewricht vor men, worden oji lunine plaats gehouden door //kikIcii , bnigzame, taaie, weinig veerkiachtige deelen, van een vezelig weefsel. Elk gewricht bezit een benrtband, die het gewricht evenals een zak geheel omgeeft. Andere gewrichtsbanden zijn eenvoudige strengen of strooken, die de gewrichtsdeelen met elkiuuler v(M\'eenigen. Het binnenste van eiken benrsband is bekleed met een vlie.s, dat een vocht (lidvocht, synovia) afscheidt , waardoor de met kraakbeen overtogene gewrichtsdeelen glibberig worden gehouden en dus de stroefheid dei- beweging wordt voorkomen.

Ter opheldering van het samenstel der gewrichten mogen de beide volgende (ignren dienen. In lig. 0 is n het ondereinde van Fig. 6. Fig. 7.

het opperarmbeen, voorzien i.\'i h van een zoogenaamde katrol; r is het haakvormig boveneinde van de ellepijp. hetgeen om de katrol slnit en daarmede een schnrniergewricht vormt. -— Fig. 7 verbeeldt hef kniegewricht; u is het ondereinde van hel ilijbcen ,

-ocr page 26-

14

h het bovcncimlo van hot scheonbecn, waaraan zicli tor zijde het kuitbeen h aansluit. Haken nu bel dijhoen en liet scheenbeen (\'Ik-

Fig. 8.

-ocr page 27-

15

ander, dan sliiitcn do knokkels c. oj) gelodingsvlakton, die zich in j\'/ bevinden, terwijl de soort van kam, die zich tussehen ild bevindt, in de groeve tussehen de beide knokkels komt. Datzelfde gewricht ziet men in c van zijne bandon omgeven, te weten door den beursband ƒ en de zijdelingsehe langwerpige banden (/ en /1. Door /\' wordt de in 11 afzonderlijk afgebeelde kniesebijt\'aangeduid.

Deze, zit besloten in eene seheede, gevormd dooi\' de pees /.\', / van eene sterke dijspier, die in * afgesneden is.

\'I usscheu de onbewegelijke verbinding van beenderen onderling en de bewegelijke (gewricht) staat ids het ware de im/t/y ic-wi\'i/clijlc verbinding (onvolkomen geleding) in. Uier is tnssehen de met elkander ver bonden beenderen wel eenige beweging nui-gelijk , doch deze, is zeer bei)crkt. Zoodanig is de verbinding der wervelbeenderen (§30a}, die, van d(^ ribben met de rngge- of borstwervelen en met het borst heen (§ Jil) //), van de beenden van den handwortel en van den voetwortel (tj ;ii! a en b).

§ l!7. Met uitzondering van het tongbeen (lig. 50) zijn alle beenderen des mensehelij-ken liehaams met elkander verbonden tot een geheel, dat men het (/cvacimlc of sl/c/rf noemt. Dit geraamte maakt den grondslag des geheelen lichaumB uit en geeft daaraan zijn idgcmeenen vorm. Ook worden verscbeid(!ne weeke deelen door de beenderen van het geraamte; omgeven en ingesloten , de hersenen b. v. door de been deren van den schedel, de borstingewan den (hart en longen) door de ribben en het borstbeen. De eerste stap dus tot kennis van den bouw des liehaams is de kennis van het geraamte.

Men verdeelt het geraamte, even als hot geheele lichaam, in hoofd, rlt;jii\\ii of h\'oul\' en hulcmulfii.

§ 28. Het hoold wordt weder verdeeld in den schedil en het aanyc.ztrld.

l\'%. !l.

-ocr page 28-

16

ii. Dc sclicilcl (fig. 8 a) vormt het bovenste en achterste gedeelte des hoofd*. terwijl het aangezicht het onderste en voorste er van uitmaakt. — Ue schedel is eene ovale, beenige doos, wier

iinvoudige holte de schedelhol-

Fiir.

te genaamd wordt. Het bovenste gedeelte of gewelf des schedels bestaat uit eenige onbewegelijk met elkander verbonden beenderen: van voren uit het codrhoofdnhrm (lig, culO; 1), van boven en terzijde uit de twee ivinnl- of kriiinhiTiidercn \'2, en de twee s/iKijihi\'i\'iiilrrcn, 4 , ó waarhij een uitsteeksel van deze, het te-pelvonnig uitsteeksel, door 4* is aangeduid, van achteren uit het iirli/erhuofduhni\'n\'i. lletonder-stcgedeelte of ile bodem des schedels wordt gevormd door een, in deze figuren niet zichtbaar, horizontaal hoven de oogholten achterwaarts loopend gedeelte des voorhoofdbeens,— dooi\' de naar binnen gekeerde rij/Har/itii/i\' uitsteeksels der beide slaa|ibeeuderen (Hg. 1 1 ;

1*).

loor de genoemde beenderen niet tiidem der si hedelholte boven ilen neus

door het (lig. 11 ; 3*)

voorwaarts omgebogen gedeelte des aehterhoofdboens \'liet grondbeen), — t^n door het irii/i/ebceii, dat als eene wig ingedreven zit tusscben de reeds oi)genoeinde beenderen, en waarvan een zijdedingseh ge deelte in lig. 10 naast 5 en in tig. 11,5 ziclitbaar is. I let zi\'ij-Acr/). hetgeen nog eene klein ere, aangevulde opening in den sluil , is in geen onzer li-

-ocr page 29-

17

guroii tii Jiion. Maiu\' \\\'2, voorstellondo ecnc schots van ecu

vortikiiiil cloorgy/iiagtldti schcdi\'l op /ijtlo, gi^\'lï ocno voklocMuln voor.stcUing van ilo sclicdrlholtc en van iln ricliting van den bo-(Irih cr van, lt;lio daar in iloorsnodo to zien is. Daar is I hot voorhoofdsboon , \'J do schoiding tussidion dn twoo wandbcondo-ron, ;! hot achtorlioofdsbfion, H* hot zioli naar voren bnigond(! goduelto van dat boon, .quot;i** hot voorsto godoelto van hot aehtor-hoofdsboen (grondbcon), (i ecu der nciisbeontjos, 1 1 het mid-didsto godoelto van hot wiggchccn , en l i) het zoo.l\'been. Do lijn .r.r duidt do longtc-af\'mcting van don acliedol aan. Hot acbtor-hoof\'daboon bezit in zijn voorwaarts gebogen gedeelte een vrij groot rond gat, dat in fig.11 is to zien, en in lig. 12 door 13 i.s aangeduid, In do sehedelholto liggen do borsoiion besloten, en door het groote achteihoofilsgat hangiui die horseiieii samen met hot rng-gomerg. Andere, kleinen\' ojie.niugou in dou schedcl, welke dienen tor doorlating van bloedvaten en van zenuwen , gaan wij met stilzwijgen voorbij, terwijl wij alleen op het bestaan van zulke openingen opmerkzaam maken.

/gt;. Van hot aangozioht maken de beide l/ot\'ciikaal:slj(\'rii(li:rij/i t io tig. 10 met 7 getookend, dou grondslag uit. Tussehon hot bovenste gedeelte van deze boendoron ligt de de opening dor nonsbolte, welke opening van boven als \'t ware overwelfd is door do twee kleine neusbicutjcs li. In don onderrand dor bovenkaaksboonderen, die te samen de bovenkaak vormen, bevinden zhb U! tandkassen, S In elk bovenskaaksboen, en aan de binnon/ijdo dierzelfdo beenderen ligt het horizontaal loopend gehemelte (lig. 11; 7, 7), dat de neusholte en de mondholte vaneen soheidt. De neusholte wordt door ecnc dunne vertikale beenplaat (het beenig neusiniddolsohot, of liliMU/br.en, fig. 10) in twee zljdelingsehe helften verdeeld. Klke dier nousbolten , wier vloer het gebemelto uitmaakt, hebben ook van aeb-teren (in de keel) eene opening, in tig. II door lt;/ a aangeduid, \'russeheu de bovenkaak 7 en het slaapboen \'I ligt aan elke zijde des hoofds het juk- of wtuiijhciii 8, dat (lig. II) mol hel jukuit stooksol des slaa]dieons aan weerszijde des hoofds een min of meer uitpuilendeu boog, den jukboog -r*1 8 vormt, liet ondeisle gedeelte van hot voorhoofdsbeen vormt mei hot bovenste gedeelte van hot bovenkaaksbeen en van bot jukbeen, en naar binnen met bel wiggebeen, op elke helft van hot gelaat de naar ac hteren py rainidaal toeloopeude ovyhul/c, waarvan do wijdo openingen 10 in

2

-ocr page 30-

18

(1^-. 10 üiclifbnar zijn. Ecnigc kleinere bcondernn g» ik met stil/wij-gen voorljij, alleen nog aaninerkeiule , dat de oogliolten hoofdzakelijk door het voorhoofdsbeen , de bovenkaaksbeendcren , de jukbeenderen en, meer binnemvaarta, door bet bovengenoemde wiggebeen gevormd worden. Al deze beenderen zijn even onbewegelijk met elkander verbonden als die dos schedels. — Dit is niet bet geval met de onderkaak. Dit been (lig. !) 8, lig 10 i)) beeft den vorm van een boog, waarvan het middenste, meest naar voren uitstekende gedeelte de, h\'n is, en aan welks heide aehtereinden zich een opwaarts gericht gedeelte 2* bevindt : de tak der onderkaak. Aan Fig. 12. dezen tak is van boven

een knokkelvormig uil-sfeeksel, hetwelk sluit in eene groeve van het slaap-been. Die knokkel on die groeve vormen te samen een gewricht (natuurlijk een aan elke zijde des hoofds), dat van dien aard is, dat de onderkaak zich nuiir beneden en naar boven hevvegen kan (d. i. de mond zich kan openen en sluiten), en tevens ook eenig-zins zijwaarts, voorwaarts en achterwaarts heen en weer. In den bovenrand van het boogsgewijze gedeelte der onderkaak bevinden zich, even als in de bovenkaak, 1(5 tandkassen.

tj 2!t. Elke tand bestaat uit drie deeleu: de kroon, het bovenste in den mond zichtbare gedeelte; den wortel, die in de tandkas besloten is, en den ha/ji, liet gedeelte waar kroon en wortel zich vereenigen, en dat omgeven wordt door het tamlvleesch, dat is, door het over de kaken gesjmnnen slijmvlies der mondholte. Verder bestaat elke taiul uit drie zelfstandigheden. Van binnen namelijk bestaat hij uit het harde, witte ivoor, dat aan de kroon overtogen is door het nog hardere rrri/lducl, (/laznur of nnnil,, en aan den hals en den wortel door de minder harde hiiKldi\'/ilii/i\' of hceii(ti\'lilijilt; zelfstandigheid. In lij;. 13

zijn de\'/,c drie /ellVtandi^heden /under nadere anmv ijzing duidelijk

Fiff. 13.

I)oor

-ocr page 31-

19

to onderkennen, even als ook do zich binnen in eiken tand bevindende [holte, en het nauwe kanaal, dooi\' hetwelk zich deze holte in den wortel naar buiten opent.

l\'ig. 14. Fig, 15. Fig. 16. Do mensoh bezit drie soorten

van tanden, tc weten in elke kaak 4 snij tanden, met beitelvormige kroonen en enkelvoudige wortels (tif?- 14), \'J hoek-, /londs-j oi ooy-tandoi met spitse kroonen en ook enkelvoudige, maar zeer lange, wortels (lig. 15), en 10 n 111et breede, van t(gt;iielvormige verhevenheden voorziene kroonen (fig. 1G). De vier voorste of licinc. kiezen bezitten enkele, de zes achterste of (/roole kiezen (maaltanden) dubbele of driedubbele wortels.

De orde, waarin deze verschillende soorten van tanden in den mond staan, vertoont de onderstaande schets, waarin s snijtand h hoektand, (/,-.) kleine kies en /.-. groote kies beteekenen. De

Kik «eivelbeen

-ocr page 32-

of\' wervel bestaat uit eenc vrije dikke. boven en onder platte gcliijf» 17 eu 1H lt;i), liet lichaam, —en een looej met eenige uitsteeksels, waarvan ik hier alleen liet doormvijze uitsteeksel /\' en de beide dwarse c noem. Door de verceniging van het liehaam met den boog ontstaat in eiken wervel een vrij groot gat cl. Stapelt men nu de 24 wervelen zóó op elkander, dat do lichamen op de lichamen , de bogen boven de bogen en dn» ook de gaten boven de gaten komen te liggen (lig. 18); — denkt men zich al die wervelen door stevige, vezelaclitige banden vast aan elkander verbonden, zóó noebtans, dat liet geheel zieb vrij sterk voor-, achter- en zijw aarts huigen laat, — dan heeft men een denkbeeld van de ruggegraat (tig. !l, c, c* d; tig. 8 van achteren). Do lichamen der wervelen liggen in de rnggegraat naar voren, de bogen achterwaarts; de punten der doornwijze uitsteeksels zijn op do middellijn van den rug duidelijk te voelen, bij magere meuschen zelfs te zien. Wegens bet vlak boven elkander liggen van al de 24 wcrvelgaten is natuurlijk de ruggegraat in hare gansche lengte doorboord met een kanaal, het rwjije.mcrynk-anadi, waarin, gelijk de naam aanduidt . bet ruggemerg besloten ligt.

Van de 2*1 wervelen beet men de. 7 bovenste c, tig. 9 de hals-wervelen, de 12 volgende r* dc rug- of borstwervels, en de 5 onderste (l do lendewervels. De wervelen nemen van boven naar beneden in grootte toe. — De twee bovenste halswervels (tig. Ill en 20)

rnggeinergskanaal

wijken in gedaante van dr overigen af. De bovenste, alias ge uaamd (lig. II\') is zóó met hit achterhoofd verbonden, dat bet groote aehterboofdsgat zieb vlak boven het gat d van dien wervel

bevindt, waiirdonr dus de sidiedelbnlte en bet

gcnicensehap mrt clknnder hebben. Overigens is de verbinding van den atlas niet het aeliteiiioofd en met den tweeden halswervel (den /iiugenaainden dl aaiwei vel, lig. 2(J) van dien aard, dut het hoofd

-ocr page 33-

21

np don hal» voor- on iichtovovor gobogon, on zijwnai\'ts gedraaid kan worden. Wat do oorsto bowoging aanl)olangt , zoo vormen do tweo knokkels I) lig. 1-!, ilii^ zich aan woorszijdo van hot achtorhootds-gat bovindon, gowrichton mot do golndingsvlakton r e van den atlas. Do draaiondo bowoging daarentegen hooft |ilaiits tussehon don draaiwervol en den atlas, waarbij het taniluornu)/ ailslce.kscl 1) van den persten, sluitende tegen de geledingsvlakte t van den laatsten, de spil vormt, om welken de atlas met het hoofd draait.

Do onderste lendewervel rnst op het hiiilif/bwn (tig. H onder aan de rnggegraat van voren en van achteren, fig, , fop zijde, lig. quot;Jl ,igt; wederom van voren), hetgeen van voren gezien oen hartvormige gedaante bezit, aan de voorzijde hol en aan do achterzijde bol is. Kigen-lijk bestaat het nit 5 wervolen, die echter met elkander tot eén stnk vergroeid zijn; de doornwijzo uitsteeksels zijn aan do achtervlakte, duidelijk zichtbaar. In liet heiligbeen bevindt zich het vervolg en uiteinde van hot rnggeinorgskanaal. — \' )nder aan do punt des heiligheens vindt men het kleine, voorwaarts gebogen sluilhccn (fig. It, I**), hetgeen uit vier zeer kleine, onderling beweegbare werveltjes bestaat, doch geen kanaal bevat. I!ij vole dieren bestaat het uit een veel grooter aantal stukken, en vormt den staart.

/). De boondoren der borst zijn de rihhen, en het horsthc.m.

Aan elk der 12 borstwervelen zijn, door middel van kleine gewrichten , twee lange en platte heenderen , ribhcii, (lig. \'S en 0 , «) bevestigd , die zich van achteren naar voren om de horst heen Inii-gen, en wier voorste uiteinden alzoo op het voorste gedeelte der borst tot elkander naderen. Van de bovenste, ribhenparen loopen die vooreinden in kraakbeenderon nit , door middel waarvan zij samenhangen met het langwerpige, platte, smallo borstbeen c*, dat van voren midden op do borst gelogen is (zie ook (ig. S) en van onderen eene, spits, het zmanrdvormif/ nitste.elcnel, bezit. De drie volgende ribbenparen loopen ook in kraakbeenderon uit, doch deze hechten zich niet onmiddolijk aan het borstbeen, maar aan de kraakbeenderen der zevende ribben. De twee onderste, zeer korte ribben hebben geheel vrije uiteinden. Deze vijf onderste ribbenparen noemt men wel eens vahohe ribben.

De, ruggewervele.il, het, borstbeen en de ribben vormen te, samen eene soort van kooi met dwars liggende, half hoepelswijsgebogene Iralien. Het borstgedeelte, der wervelkolom en het horstbeen zijn de beide, staande stukken van deze kooi, de ribben zijn de traliën.

-ocr page 34-

22

Doze kooi noomt mon do borstkas, en ilo daardoor ingesloten ruimto de fiors/liolfc. De borstkas is van boven smal , wordt naar boncderi broedor 011 wijdor, om dan wodcr eonig/.ins te vorsmallon. Behalve do tiissobonrnimten dor ribben hoeft do borstkas twee openingen; oen bovenste kloinero on oen onderste veel grootoro.

f. De beenderen dos bekkens zijn de beide ongenaamde of heiqi-hecndercH (tig. 8 en 9, ƒ, lig. 21; I, 2, , 4). Ook behoort bior nog bet heiligbeen toe. liet is mooielijk van do groote en zeer onregelmatig gevormde heupboenderon zonder uitvoerige, figuren of zonder ze zelvon voor zieb te hebben een goed denkbeeld te geven, Men kan zo zich voorstellen als twee zeer broedo, tevens dikke, on onregelmatig gevormde ribben, die zieb van beide zijdon dos heiligbeen^ fwaarmede zij onbewegelijk verbonden zijn) om

den buik heen-buigen , waarbij zij tevens sebuins naar beneden en naar voren neerdalen, Van voren komen zij hij eikanderen vereenigen zich daar (sc/tnani-beens - vcrceni-/////ƒ/ 2*). Men onderscheidt er

Fig, 21,

drie gedeelten aan: het naar boven en buiten gelegene, breedste doel, het (lannhr.en (lig, 21, 1), hot aan do voorzijde gelegen nr/nKiw/ie.ni. 2, en het onderste, boogsgewijs mot het scbaaniboen verbonden zilbc.cn :i. Met hot heiligbeen (lig. 21; 5, tig. !l /quot;) vormen de beide heupbeenderen hot hekken , dat den buik vooral van aehteren, zijdelings on van onderen omgeeft.

31. Do romp bezit twee groote holton, de borstholte en de buikholte. Igt;e borstholte wordt ingesloten door bet borstgodeelte der wervelkolom, de ribben, het borstbeen, en door spieren, diode tus.sebeiirnimten Ier ribben aanvullen en do ribben zolven gedeeltelijk bedekken. De bovenste overblijvende, opening wordt, aangevuld door versehillondo doelen, b. v. de luchtpijp, den slokdarm, een aantal

-ocr page 35-

23

bloedvaten, /cuuwcu, spieren en bindwcofaol. De onderste groote opening wordt gesloten door een nagenoeghomontaid liggende s|iii\'r, die iil/.oo een iniddeiiseliot maakt tusscheii de borstholte en do daaronder gelegen buikholte. Dit spierachtig iniddensdiot boet het middelrif.

De buikholte is niet in die imitc door beonige doelen ingesloten. Daar het middelrif niet vlak is, maar een bolle kromming naar boven bezit, behooren de onderste ribben even goed tot dc buikals tot de borstwanden. Voorts sluiten (!(■ leudenwervelen , het heiligbeen en de heupbeenderen den bnilc van achteren, ter zijde eu van onderen in. Voor \'t overige wordt de buikholte ingesloten door breede platte spieren, die als het ware uitgespannen zijn tusseheu de onderste ribben, het zwaardvormig uitsteeksel de» borstbcens, de leudenwervelen en dc heinibeendoren. Vau hoveu wordt de bnikbolte, gelijk wij zagen, van dc borstholte gescheiden door htit middelrif, eu de onderste opening van bet bokken wordt gesloten door spieren.

tj 32. Do ledematen zijn bovenste en ondersta ledematen, of armen en boenen.

cf. Tot de bovenste ledematen behooren de schouderbeendoren, de opperarm, de vóórarm en de hand.

De sehouderbeendereu zijn het schoiulurhlad en het sleutelbeen. Het eerste is een driehoekig, plat been (tig. 8 en 9, h) dat boven tegen den rug gelegen is en van hoven aan de buitenzijde ecue ondiepe gewriebtsvlakte / bezit, llat sleutelbeen, //, is een langwerpig been, dat met het eene einde vast en onbewegelijk aan bet boveneinde van het borstbeen e, en mot het andere einde even vast aan een uitsteeksel des sebonderblads, boven de genoemde gewriebtsvlakte, gehecht is, zoodat bet schouderblad door bet sleutelbeen op zijn plaats wordt gehouden. — liet opperarmbeea (lig. 8, k) raakt met zijn dik, rond boveneinde, het hoofd, aan de gewriebtsvlakte des sehouderbhids /. liet breede ondereinde den opperarmboens bezit gewrichtsvlakten, door middel van welke het verbonden is met do éllepijp en het daarnaast liggende sjxuiMjixn (lig. 8, l, gt;quot; ,), welke te zamen den vóórarm of onderarm vormen. Aan In^t ondereinde des spaakbeens volgt de hand, en wol eerst de, handwortrl n , welke uit 8 kleine, onhewegelijk met elkander verbonden handwortel- of nahandshei ntjes bestaat, — vervolgens de 5 middelhands- of voórhandsbemderen o, die slechts weinig be-weegbaar zijii, — en eindelijk dc 5 vinijcrs ji, waarvan ieder

-ocr page 36-

24

uit (Irir Icrlcn bpstnat, behalve df. duim, dio or slechts tvcie linzit.

h Tot do ondorsto lodoiunton brengen sonimigcu ouk do heup-hoondoren, omdat in doze de gowriehtsliolto ^•o(lI■ hot dijhoon lu1-val is. zoodut het heupbeen liij do onderste ledematen dozolt\'do rol vervult als hot schouderblad luj de bovenste. Hot dijhccu r, li^. 8, — dat met het opperarmbeon is te vergelijken, is een lang, stevig boon, dat met oen dik rond hoofd (tig. l\'1 . o) zich in een diepe gowriehtsliolto 1 in hot houpboen beweegt; dit hoofd zit op een hals /), die oen hoek maakt met het dijbeen zelf, on ter plaatse van do verocniging van den hals mot het dijbeen zit een uitsteeksel c dat men den tfroolm draaier noemt. Lager vindt men een kleiner, den l/lriticii, (Iraain\' d. Aan hot onderoind dos dijheens is (flf;. 8) het 8(dieenboon r ingcwricht, aan welk been het dunne kuitbeen «• on-Ixnvogolijk is vastgehoeht. Het gowriidit tussehon hot ilij- en seheon-boon heet hot kniogewi icht, en vóór dit gnwricht bevindt zich eoue hoenigc schijf, do knionchijj n , die door spieren en bandon daar ter plaat.se vastgehouden wordt. Het onderste, einde, van het sclioeu-boon vormt met den roe/ hel voet- of hiolgo.wricht. Di\', samenstelling van den voet is in de hoofdzaken dezelfde als die dor hand. Korst hoeft men de 7 achlcr-ot narnc/.ihcciidcrcii .r, waarvan oen. dat zoor dik is en ver aehternit steekt, het hielbeen heet, — dan komen do ö midtlclroi\'/s- of votWvnrlnhire.iidrrcn. ij, — en eindelijk de 5 Icrne.ii z, elk uit drie leden bestaande, behalve do grooto teen. die, even als de, duim. twee loden bezit.

§ Van do hewoging der bovenkaak en van bigt;t hoofd zelf.

a!sinquot;de van die der rnggegraat. spraken wij roods. He ribben kunnen door de daaraan bevestigde spieren elk oen weinig naar hoven en weder naar beneden getrokken worden. Hot schouder-en henp-gewrieht zijn znn ingericht, dat het opperarmbeou ou het dijboen zieh nagenoeg naar alle zijden heen vrij kunnen bewogen. Het elle-bnog- en kniegowriiht en do gowritditen tussehon de leden der vingors en toonou laten alleen bniging en uitstrekking toe, Het spaakbeen kan zich in een halvon cirkel om de ellopijp heenwon-telen, waardoor het vnorover en aehterover kantelen dor hand be-werkt wurdt. I\'e hewoging in het hand- en voetgewricht bestaat in buiging, uitstrekking en eoue zekere mate van zijdelingsche beweging, hij de hand meer dan hij don voet. De geleding der vingors met de iniddelbandsbeenderen laat oene vrij veelzijdige beweging toe; bij die der teenon met den middenvoet bepaalt zich

-ocr page 37-

25

(lozd vooral fot l)iiiging on uitstrokking. — Ton aanüicn van rlcn iliiim is nog optcmorkon, flat deze oono vool vrijen; hi\'wcoghmirlioid bezit, (iim ile overige vingers; liij kan met zijn top de toppen der andereu aanraken, ja zieli in don handpalm nederlegge.n, en heet daarom legcuovdstrlhncr (oj)ponibcl).

S 34. Bij gelegenheid van deze hesehrijving van het geraamte zullen wij iets zeggen van hetgeen men door overeenkomstige, (analoge) en verwante, (homologe) doelen verstaat. — Wanneer twee verschillende dieren elk een orgaan bezitten, dat al is het nok in aard geheel onderseheiden van dat des anderen diers, toch in verrichting of doel daarmede overeenkomt , dan noemt men die beide organen analoge organen. Zoo verschillen bijvoorbeeld de vleugels van een vogel en die van een insekt, ontleedkundig gesproken, geheel van elkander, — maar beiden dienen toch tot vliegen en oefenen dus dezelfde verrichting uit: zij zijn dus met elkander analoog. Wanneer daarentegen twee organen, hoe verschillend limine verrichtingen ook zijn mogen, toch ontleedknndig naar hetzelfde plan gevormd, dus in hun vc-on dezelfde de.elen zijn, dan zijn zij met elkander hmriDhtrtij. Zoo heeft de vleugel van een vojjcl in den grond dezelfde, samenstelling als de, vóórpoot van een paard of de borstvin van een visch, en daarom, hoezeer de, vleugel tot vliegen, de vóórpoot tot loopeu, de vin tot zwemmen dient, zijn die deden in hun wezen dezelfde en met elkander homnlong.

Maar even als er homologe deeleu bij verschillende dieren bestaan, zoo bestaan er ook homologe deeleu in een en hetzelfde dierlijke samenstel. Als voorbeeld daarvan zullen wij een oogenblik verwijlen bij de homologiën van het geraamte van den menscli.

§ ar». In het geraamte onderscheidt men twee, afdeelingcn; de, eerste daarvan omvat het hoofd met den romp, d. i, het eigenlijke lichaain, — de tweede bestaat nit de ledematen , zoo bovenste als onderste.

Van dat eigenlijke lichaam maken de, wervelkolom en meer bijzonder de wervel-licliainen (tig. 17 en 7S a) den grondslag; nit; onder en boven (vóór en achter) die wervellichameu zijn al de beenige deeleu des lichaains geplaatst. Men noemt die lieliameii daarom dan ook de hrra/z/r niidilrlpiiii/in fmilra) des licbaums. b\'ig. L\'-J stelt eene ideale horizontale doorsueil.\' van den romp op de hoogte der borst voor, waarin r het beenig centrmn of wervellichaam aanduidt. Hoven v ziet men de. nit drie, stukken bestaande boog van den wervel: a, a en e, waarvan a a de, dwursche

-ocr page 38-

20

on schuinschn, on o hot doornvorinig uitstookaol aanwijzon. Tns-sclien dit alios is SN\'X , liet worvclgnt of rnggomorgskanaal, giv logc.n. Daar flat ruggomorg (mot do lioracuou) hot midfiolpunt is Fig. 22 van hot zonuwstol-

lt;■ sol, draagt do wor-

volboog don naam van zcnuivbooy (nou-raal-boog). Honodon r vindt inon aan do horst on hot hokken oon andoro hoog, don hloc.dbooii (hao-maal-hoog); do/.o hoog hostaat aan de borst uit do, ribbon mot hare kraakbocn-doron on hot horstboon , aan hot bok-

kon nit do ongenaamde boondoroii, (a\' a\' ribbon, h\' h\' ribbon-kraaklioeiidoron . c\' borsthoen). Di\'zo boog omvat do deolon die tot hloodboroiding on blocdsoinloo]) dienen.

Zoo is hot aan do borst on hot bokkon. Mon zou nu moenon dat aan don hals on aan do louden, waar goono ribben aanwezig zijn, de haemaalboog ontbreekt Dit i,-lt; y.okor zoo. Doch dosniot-tegonstaando wordisn ook daar (locion aangetroften, die mot do, ribbon homoloog zijn. Indien (ig. 17, die oen borst- of rngwervol voorstelt, oon halswervel was, dan zou men in de dwarsohe uit-stooksols, tor plaatse zoo ongevoor waar hot stroopjo lgt;ij do lettor lt;{ eindigt, een gat zien. N\'n is het opinorkciijk dat, wanneer het geraamte nog niet geheel verhoend is (§ quot;JO), hij oon halswervel dat gedeelte van hot dwarsohe uitateoksol oou afzonderlijk stuk vormt, dat eerst later mot hot overige, van liet uitsteoksel tot één stuk vergroeit. Op gronden nu, die wij hier niet kunnen nitoenzotten, inootou dio gediMdton dor dwarsohe uitsteeksels van do halswervels als onvolkomene, rudiineutaire, ribben worden aangemerkt.

Kn nu do lendonworvolen. Waren do beide borstwerveleu van lig. H lendenworvelen, dan zou men aan de dwarsohe uitsteeksels \'• geen golodingsvlakto aantreffen, maar daarentegen ongevoor tor plaatse waar lt;/, en U elkander raken, oon knohboltje of oeno ruwe

I

f \'

I

h

-ocr page 39-

27

vlakte. Dat knobboltjo ot dio ruwe vlakto is eigenlijk lioinoloog niet de, (Iwurselie uitsteeksels dor hals en borstwervelon., en wjit wij gewooidijk do dwarselie uitsteeksols der loiideuwervelen liecten , zijn eigerdijk weden- onvolkomene ribben.

Die onvolkomene hals- en lendenribben ni;iken een begin van haemaal-bogen uit. — Men kan alzoo den beenigen romp besehon-wen als te bestaan nit eene reeks van oj) elkander volgende stukken of segmenten, ieder bestaande uit een eentrum . een neuraal-boog en een baemaalboog. Aan ieder zoodanig segment heeft men den naam van osteodrsma gegeven.

.*]lt;gt;. Maar ook bet andere gedeelte des eigenlijken licbaams, het hoofd, moot besehonwd worden te bestaan uit dergelijke osteo-desmen, — segmenten, die. homoloog zijn met die. van den rornp. \\\\ ij zullen deze, vier in getal, aanwijzen op (ig. 2.\'}, die een beenig hoofd met eenigszins van elkander verwijderde beenderen voorstelt.

Eerste segment of osteodesma (neuswervel). Centrum : het zeef-

been I ; neuraalboog: de neusbeenderen \\a\\ luiemaal-boog: het snij-tand- of tusseheid^aaks-been \\lgt;, dat bij den menseli ooi\'sprnnkelijk, bij de meeste dieren bij voortduring een afzonderlijk been is.

Tweede segment (voor hoofdswervel).Cohtrum: \'la het voorste, gedeelte van het wiggebeen 2: neuraalboog : het voorhoofdsbeen 2a/ baemaalboog: de juk- en bovenkaaksbeenderen 2/gt; en 2c.

Derde segment (nvandwervel;, (■(mtrum: liet achterste gedeelte, van bet wiggebeen ; neuraal-boog: de, wamlbe.onderen en de zoogenaamde, vleuged-uitsteu\'ksels van het wiggebeiin, dat hier niet , maur wel in lig, 10 ■ .gt; te zien is*, baemaalboog: de, slaapbeendereu 36 en het onderkaaksbeen 3//.

-ocr page 40-

28

Vinrrlo RORrni\'iit (achtei\'hoofflsworvol). Coiitrnm: hot grondheen (§ quot;iS, 1(1) of grondstuk Viin hef achtt\'i\'1 i(gt;nf(IsIummi 4, neii-

raal-lioog: hct c.ignnlijko iichtcrlioofdslxMin Ik; luicmaatboog; hct tongbeen ■i/(.

Wij moeten hier opmerken, dat de verdeeiing van hct wiggebcen in verscheidene stnkken evenmin willekeurig is , als de verdeeiing van elke liovenkaaksheen in eigenlijk hovenkaaks- en snijtand- nf tus-sehenkaaksbeen. In den nog niet geheel ontwikkelden toestand tneli bestaat het wiggebeen inderdaad uit die at/onderlijke stukken.

S .\'57. \\\\\'at de homologie tnsseben de bovenste en onderste (aeb-terste en voorste) ledematen betreft, zoo kan vooreerst het bekken, dat wij boven alleen als homoloog met de ribben beschouwden, met recht worden aangemerkt als saamgegroeid nit twee gedeelten , waarvan bet eeue homoloog is met do ribben, on bet andere met bet sehonderblad en het sleutelbeen: de gewriclitsholte 1 fig. 20 is nu volkomen bomoloog met de gowrichtsvlakte / tig. 8, die ook in tig. zonder aanwijzende letter goed te zien is. De overige bomologiën zijn gedeeltelijk zeer in \'t oogvallend. Het opperarm-been en het dijbeen, — de ellepijp en het kuitbeen, — hot spaakbeen eu het seheenbeen , — het ellebooguitstceksel (in den onontwikkelden toestand bij den menseh , en bij enkele dieren voortdurend een afzonderlijk been) eu de knieschijf, — de acliterhauds- en de aebtervoets-beenderen , — de middelhauds- en de middelvootsboendcren, — de, vingers en de teenen zijn met elkander homoloog. Oppervlakkig zon men misschien freneigd zijn het opperarmboen met het scheenbeen, eu het spaakbeen mot het kuitbeen te vergelijken. Om meer dan ééne reden, — waaronder vooral deze, dat het spaakbeen de hand, en het seheenbeen den voet draagt . — moeten echter deze twee laat ste, beenderen als homoloog worden beschouwd.

C. OKU ANTSCIIK VKRIUCHTINGKN.

§ .\'iS, l,aat ons thans de verrichtingen, door welke, zich het leven des lichaams ojienbaart eu die, tcx\'ens rle voorwaarden van dat leven zijn. kortelijk beschouwen, terwijl wij daarbij tevens zoo veel van de. inwoudigon bouw des lichaams mcdedcolen als tot ons tegenwoordig doel noodzakelijk is. Wij moeten daarbij eerst hct oog vestigen op de organische of vegetatieve verrichtingen (§ .\'!) die meer rechtstreeks en onmiddelijk dienen tot instandhouding van het organisch sainenstcl.

-ocr page 41-

2!)

§ SO. In allo declon des lichaams, vaste en vloeibare, wordt onoplioudi\'lijk stof voibruikt, welke, door nieuwe moet wórden vervangen, (voeding), ongerekend nog de overinaat van nieuwe stol\', de voor den groei en de ontwikkeling van het nog niet volwassen liehaam noodig is. üe nieuwe stof wordt door do verseliillende licliaamsdeelen geput uit het bloed, en door het bloed uit de spijs-verteringsorgaiieu oiigenoiuen.

g 40. Het is het voedsel, de sjtljs, welke (iilt;^ nieuwe stof aan het bloed mededeelt. Tot het gebruiken van spijs worden wij aangespoord door het in de nuiiig gezetelde gevoel van honger. — Water is, gelijk wij in S -■\'! zagen, de grondslag vau alle vloeibare deelen des lichaains. Maar dat, water wordt gedurig uit het liehaam verwijderd, en heeft dus evenzeer herstelling noodig als de vaste deelen des liehaams. Daarom dringt ons het vooral in de nioiid-holte en de keel gezetelde gevoel van (lorn/, — hetgeen zieh telkens openbaart wanneer bet voehtverlies des lichaains een zekere hoogte heeft bereikt, — om op nieuw vocht, dat is water, inliet lichaam op te nemen.

§ 41. In het voedsel zijn zekere stoffen aanwezig, die men tw-(InKjsstoffe.n of voedi\'ngêbcyinse.len noemt, en die, van do overige, bestanddeelen des voedsels afgesclieidon en zelve, in meerdere of mindere mate veranderd, in het bloed moeten worden gebracht om daar tot herstel van het verlorene te dienen. Sommige van die, voedingsbeginselen zijn xtiLstofhoadend (eiwit, vezelstof, kaasslof in de dierlijke voedsels, planteneiwit, penlstof of legumine in de plantaardige); andere zijn slikti/ofvrij (zetmeel of stijfsel, suiker, alsmede dierlijk en plantaardig vet). Van beide deze soorten van voedingstoffen moet er in het voedsel een zekere hoeveelheid voorhanden zijn. (gt;ollt; moeten , \'t zij door de spijs , \'t zij door den drank, aan het liehaam zekere zouten of de bestanddeelen er van — worden toegevoerd, die tot liet samenstel des lichaam» behooren , doch ten gevolge van het stofverbruik mede gesladig daaruit verwijderd worden.

Die voedingsstoffen nu nineteii uit het voedsel, de spijs, afge zonderd en tevens zóó veranderd worden , dat zij geschikt worden om door liet bloed te worden opgenomen. Di( is het werk van de verricliting, of der reeks van, verriehtingen, die men spijsrer/cn/a/ noemt. De spijsvertering heeft plaats in liet npijiikainml, hetwelk bestaat uit de mondholte met de keel, den slokdarm, de maag en de darmen. De slokdarm, de maag en de darmen zijn samengesteld

-ocr page 42-

30

uit drie op olkaruler liggende of in elkander geschoveno, door bindweefsel nauw met elkander vereenigdc vliezen of rokken, te weten, een buitenst weivlies (§ 10), een spiervlies (§ 21), dat uit overlangs loopende en ringvormige spier-vezelen bestaat, en een binnenst slijmvlies (§ 1!)), dat het geheele spijskanaal, van de lippen af, van binnen bekleedt. Verder bebooren bij liet spij\'bkanaal zekere klieren, waarover straks nader.

§ 42. Vestigen wij bet oog op fig. l\' I , welke den ingang van het spijsverteringskanaal: de mond- en keelholte, voorstelt. Men ziet daar eene doorsnede van liet onderste gedeelte ties boo Ids en het voorste, deel van den hals. Een gedeelte van den bodem der hersenholte wordt door lgt; (fig. 12; 11 , 3*»), het harde, beenige gelietnolte door //, het zoogenaamde zaelite gehemelte (eene plooi van het slijmvlies van neus- en mondholte) door ii voorgesteld. BenedenhetgC-hemeltc ziet men de linkerhelft der mondholte met de tanden der bovenkaak , voorts de foitfj c, en, onder deze en aehter de doorsnede der onderkaak . de sprrl\'sr/l\'h\'rrrn l waarvan eone — de onder-kaaksklier, -— door e is aan geduid. Met lt;/ c / ƒ/, «elke de tut het »tri)ttenlioofd be hooiende deelen en het bovendeel der luchtpijp zijn, bebbrn wij voor \'I oogenblik minder te doen, wel daarentegen met /. /, liet liovenoimlc van den nloMarm, dat hier bijna geheel in de lengfe ojiengespleten wordt voorgesteld. Ten einde een goed begrip te krijgen van de in de keel gele-

J-V. 24.

-ocr page 43-

{Cfin dooien, voegen wij hier fig. 25 bij, voorstellende don wijd geopemlen mond, waarhij do tong met den vinger wordt neergedrukt, om alzoo in de keel te kunnen zien. Aldaar is « do tong; h \\) de boogvormige aehterrand van het machte gehemelte d; c i de ingang der neusholte, in tweeën gesclieiden door de hui;/ e; !j is de ingang der keelholte; 1. Door 1\' en f* worden do zoogenaamde amandelon aangeduid. Keeven wij nu tot (ig. 23 terug, dan zilt;\'n wij daar lietzeifile, maar allc.on de linkerhelft. 11et zachte gehemelte, doorgesneden langs de middellijn, dus mot de halve huig, zien w ij daar door a aangeduid. Daaronder ziet men , doeli zonder aanwijzende letters, de linker uiteinden (pilaren) der beide geherneltobogen, en daartussehen den linker amandel, tlauw Fig. 21). door witte stippen aangeduid.

In de volgende (ig. 2(J hebben wij eene voorstelling van het gchcele spijsverteringskanaal, hetgeen met den slokdarm « begint, welke aan de rechterzijde des lichaama in h do maai/ overgaat. Igt;e maag gaat links bij lt;■ in den zoogenaamden ticnalfmiigerigm (/arm over, welke het begin is vim den zeer gekronkelden dn trucii ilarin d. Deze gaat wedei\' over in den dikken darm ƒ, y, //, i, k, waurvan hot onderste uiteinde k de i\'iidclilarin heet, die. zieli in / naar buiten opent, — Hec hts van de maag ligt de/(■(••■i-»«, die in deze figuur evenwel naar hoven opgeslagen wordt vertoond, (en einde hare onderste upper vlakte (e laten zien, met de daar gelegen i/alltluus n , en de Irn i /jin.i u , die beide gemecMiHclnip liebben met do i/iiHmm , in de (ignur als eene vooi tzet ling der leverbuis voorges(eld en zieh hij lt;■ in den (\\\\ aaICvingeren darm ojienende. Achter de maag ziet men de ai\'clri\'schk/irr p, en links dt^ milt a.

Iteschouwen wij eindelijk nog (ig, 27, welke de borstholte cn de buikholte beiden \\;mi voren geopend vooi\'stcdt. Niet alleen zijn

-ocr page 44-
-ocr page 45-

33

afgnsohoidiiii en in liiif siiijsvci\'toi\'ingsknnaul uitgestort; 2°. in do oplossing en lie seheikunfligo verandering dor in het voedsel voorhanden voedingstoffen (tj 45), waardoor deze geschikt worden gemaakt om in hot bloed te. worden opgenomen en tot voeding te dienen, en daarbij 3°. in bet voortbewegen des voedsels door het geheele spijsverteringskanaal, opdat bet met ui de spijsverterings-voebten in aanraking kome en eindelijk liet tul voedsel ondienstige uit het lichaam worde verwijderd.

§ 41. De; fijnmaling des voedsels geschiedt in de mondholte, ; de beltclvormige snijtanden bijten het stuk, do platte hreede kiezen malen het fijn. Dit afliijten en fijnkauwen der spijzen gescbledt

door het o|gt;- en uederliewegen der onderknak, het kanwen .........

bepaalde.lijk door eime zijdclliigsebe, en voor- en achtenvnartscho beweging van datzelfde detd, waarbij de tong-en de wangspieren bet voedsel gedurig tusschcu de kiezen schuiven. De spijsverterings-vochten zlju Iquot; het speeksel, dat geleverd wordt door twee groote voor beide ooron gelegen oorkl\'n\'i\'en} en door de in lig. I I afgebeelde onderkaaks- en ondertongsklieren ; 2quot;. bet maagvixbt; liquot;, bet darnivocdit , dat afgcscdieiden worlt;lt door kleine in hel slijmvlies der maag en dor darmen gelegen klieren ; 4quot;. het zeer met speeksel oven.....komstigo alvleescbvocht, afkomstig uit de achter de maag

gelegen alvleesehkller, welke klier ecne nitlozlngshuis liczil,die zich ter zelfder plaatse als de galbuis , (dns lig. 20 in c) In den twaalfvingerlgen darm uitstort; 5quot; de groene of geelbruine, bittere, gal, welke in de lever wordt gevormd, en door de. genoemde galbuis in den twaalfvingerlgen darm komt.

S 45. Het voedsel wordt reeds in den mond onder het fijnkau wen met het speeksel vermengd. Daarna wordt het doorgeslikt, — ecne verrichting waarbij een aantal spieren te. pas kornen, zoo om te maken dat het voedsel door de keelholte in den slokdarm komt, alsook om te zorgen dat geen gedeelte er van in de neusholte, of, wat erger is, in het strottenhoofd geraakt, fJesebiedl dit laatste, komt bet voedsel, gelijk men \'tnoemt, In de verkeerde keel, dan wordt het door geweldig hoesten weder uil het strotlenlmofd en de luchtpijp gedreven. — In dquot;n slokdarm wordt bel voedsel door de van den wil onafhankelijke samentrekkingen van den spierrok of het spiervlics van dit deel naar beneden in den maag gedreven. Hier vertoeft het eenigen lijd , om door bet maagsap wél doordrongen Ie worden , komt vervolgens in den twaalfvingerlgen darm, waar

8

-ocr page 46-

34

bet met de gal, liet alvleeschvoelit, en , even aUi in de overige «Inn-ne (liirini\'n . met het darmvochtin aanraking komt, doorloopt vervolgens al de kronkelingen der dunne, darmen, en komt eindelijk , van de meest voedende, bestanddeelen lioroofil, maar daarentegen d« be-standdeelen der gal en/, bevattende, als drekstof in de dikke darmen, om ten laatste, door / (lig. 215) naar bniten te worden ontlast.

t) 4(). Deze voortbeweging dc^s voedsels door liet gansebc spijskii naai been, waaibij het voedsel ook de menigvuldige kronkelingen der dunne darmen (fig. d) moet doorloopcn. en daarbij niet /.elden tegen zijne eigene zwaarte naar boven bewogen wordt, b.v. in In^t begin van den dikken darm (den opstijgenden dikken darm , lig. \'ifi lt;/) — die voortbeweging heeft plaats ten gevolge, eener golvende {pirinlallluche) beweging, welke in den slokdarm, de maag en de (binnen ontstaat, zoodra daar voedsel in komt. Deze golvende beweging, waardoor het voedsel steeds voortgestuwd wordt, hangt af (gelijk ik reeds in de vorige § ten aanzien van den slokdarm aanmerkte) van de. van den wil onafhankelijke samentrekkin-gen van het spiervlies, waarvan het geheele spijskanaal is voorzien. In de maag houdt zieh het voedsel eenigen tijd op. Dit kornt doordien, bij het intreden van voedsel in de maag, zich een spier achtige ring samentrekt, gelegen ter plaatse waar zieli de porlicr der maag (d. i. de opening waardoor do maag in den twaalfvin-gerigen darm uitkomt) bevindt; door die samentrekking wordt de portier gesloten, en verhinderd dat de golfbeweging der maag hot voedsel in den genoemden darm stuwt. Is het voedsel geheel met maagvoeht doordrongen, dan opent zieh de genoemde ring langzamerhand en het voedsel kan nu zijn weg vervolgen.

Wanneer door de eene of andere, ziekelijke oorzaak de golvende beweging van maag en slokdarm eene riehting aannoeint, tegenovergesteld aan de natuurlijke riehting (an/liicrislaUlsc/ic beweging), dan. ontstaat er hrakirni,

ri IT. De opgenoemde vuedingsvoi hten zijn het, dio de verschil lendo voedende brstanddeelen des \\\'oedsids op selieikundige wijze veranderen en oplossen. Die oplossing nu wordt door do vaten, die in do wanden des spijsverteringskanaals aanwezig zijn, opgeslorpt en wel gedeeltelijk door de aderen, gedeeltelijk door de watin-aloi. liet voeht , dat door de watervaten der darmen wordt opgenomen, is wit van kleur, wegens het vet des voodsels, dat in dat voelit in zeer fijn verdeelden toestand voorhanden is; dat voeht

-ocr page 47-

35

noemt men chyl, en lt;le genoemde watervaten dan ook wel a/ii/lvalc.n. Do voedingstoffen, die door de aderen worden opgciiomon, komen alzoo roclitstreeksch in luit bloed dat door de iideren stroomt; die, welke door de cliylvatcn opgenomea worden, na eerst door een iian-tal zoogenaamde chylklicren gegaan to zijn, in een groot watervat, de bonthuis, welke het almede in eene groote ader (de linker ondersleutelbeensader) leidt.

De genoemde klieren, ook dwrnseheilk-Ufrm genaamd, omdat zij gelegen zijn in het darmsc/icil, de brug (§ 13) tusschen het wand-bekleedende en dannbekleedende bnikvlies, — zijn eigenlijk de hier en daar ineengerolde en zieli daarbij menigvuldig vertakkende ehj l-vaten zelve. In die darmseheilklieren ondergaat de cliyl nog eene zekere verandering, die haar gesebikt mankt om , na door de borst-bnis gegaan te zijn, in het bloed der aderen te worden opgenomen.

§ 48. Het bloed is een rood vocht, bestaande uit bloec^tv.r (water niet vezelstof, eiwit, zouten, vet, enz.), waarin zekere alleen door het mikroskoop waar te nomen, roode en ongekleurde, schijfvormige lichaampjes, de hloedlichaanijjjc.v, in groote menigte zwemmen. Do roode bloedlichaampjes (fig, 28«, b, lt;•) zijn liet, die aan het bloed zijne roode kleur geven. Zij zijnschijf-0,. c vorinig, op beide vlakten cenigzins uitgehold

(@ equot; liclj\')cu ccn diameter van 0,00ü tot 0,03

millim,; zij bestaan uit eene kleurloo/c massa c fstromaj en eene ijzerhoudende kleurstof fhac-maloylobuhiicj. Do ongekleurde bloedliehaam-pjes zijn bolvormig; hun diameter bedraagt 0,007 tot. 0,011 millim. Hun aantal is zeer veel minder dan dat der roode: op 1000 roode komen ,gt; of 4 kleurlooze. Na het opnemen van voedsel is hnu aantal liet grootst. Zij zijn samentrekbaar en nemen allerlei gedaanten aan (tig, 25, (l,r,/,,/), op de wijze der later te beschrijven diertjes, die men Amoeben heet. — Wanneer bet bloed afgekoeld wordt tot de gewone temperatnur der lucht, dan stolt het. De vezelstof namelijk stremt dan en trekt zich samen tot eene vaste massa, waarin de bloedlichaampjes besloten zijn, e,u die men den blur,/ koek noemt. Deze bloedkoek drijft in het thans van zijne vezelstof be roofde bloedwater, waaraan men nu den naam van bloedwel geeft.

Het bloed is overigens of helderrood of donkerrood; het eerste noemt men ook wel slagaderlijk, het laatste aderlijk bloed.

-ocr page 48-

36

(j 4 0. Hot bloed bevindt zich in do bloedvaten (§17), dio mot hot hart het hloedcatcvslcliid voimen. De bloedvaten zijn óf slagade-

Fi.\'. 29.

den overgang uit tusschen de uiteinden dor slagaderen, en de beginselen der aderen.

§ 50. Hesehouwon wij nu het bloedvatenstelsel oenigzins in hijzonderlieden. In lig.-7 zagen wij in fHiet met het hart-zakjo (een weivliczig omkleedsel) omgeven hart tusschen di\' longen liggen. In lig. !i() zien wij het hart, van het harl-zakje ontdaan, en uit de borstholte genomen-, lig. .\'11 geeft eene schets van ccn in do lengte doorgesneden hart, waarvan dus het binnenste zichtbaar is. Wij zullen bij onze beschrijving vooral bet oog op fig. .quot;gt;1 vestigen. Heeft men het danrover te zeggen goed be-grejien . dan is liet niet moeielijk lig. .\'50 daarmede te vergelijken.

il. r-liolndnr .«• namv «. i. . k.n.l ; I, ||(,t |s ,,,,,, l,,,] t.pj,,,.. of vleoscll-

bovonstr lu i uit r rnrf t;ikklt; M i lt;\'Ji 1

k: p. 7, r, ! wot- of werktuig, dat, — zie fig. .\'il -

niirta ni\'\'t t.ikkiMi: w, / Idn^arh-rt ii:

o. sla^.wl\'T van Im-i Imr? kroonsinpf- (iolt;gt;r OfMl llliddciiscliot .s\' ill fWOC. licH-mler): n jullt;\'r vnn hef Imrt (kroonarter ... i 11

h t-n hft bov«\'H »» d\'1!! boop diT h\'ll , OCH l\'Cclner (\'11 (M\'ll VCrdC.C.ld

nörta niof. door h\'ltfr . ^ . i n

aangrduUl vat, zijn d»1 longnlnK-nlcren ls- Im\'.IU bc/lt (WOO nullen, tt\'H

-ocr page 49-

37

boezem of voorkamer cn ocno kamer: r v k is de, rechter on l v k de linker voorkamer; r k do rechter en l k do linker kamer. De boezem en de kamer van elke zijde hebben door een ruime opening-gemeenschap met elkander, voor welke opening zich echter een ■klapvlies bovindt, rechts en links mot w gctcekend. In het middenschot is geene opening, en het rechter en linker gedeelte van het hart, of, gelijk men het ook wel uitdrukt, het rechter en linker hart, hebben dus met elkander geene onmiddellijke gemeenschap.

Uit de linker kamer l k ontspringt do yroote slayadcr of aörla a, die eerst een eind weegs naar boven klimt (opklimmende, aorta) zich dan boven het hart boogswijs ombuigt en achter het hart naar beneden daalt (neerdalende aorta); het afgesneden onderste gedeelte is ook met a geteekend. Vestigen wij nu het oog op fig. 32 , eene schots der slagaderen voorstellende. Daar zien wij in a weder het

begin en don boog der groote slagader, zonder het hart evenwel. Wij zien daar hoe die slagader, na de boelit gemaakt •h te hebben, naar beneden loopt, terwijl zij in h on d naar boven naar liet hoofd o, zijdwaarts e naar de armen f, u, /(, voorts naar de borst, naar den buik, overal heen, takken afgeeft, die zich weder in kleinere takken, deze in nog weer kleinere en zoo voorts verdoelen. Wij zien boe de groote slagader zich eindelijk in den buik in twee takken i splitst , die naar ieder der onderste, ledematen gaan en dezo almede van al kleinere en kleinere slagaderen voorzien. Onze kleine figuur levert van dat alles slechts eene ruwe en onvolkomeno schets cn geeft op verre na geen denkbeeld van hot groote aantal slagaderen on slagadertjes van verschillenden rang, die in het lichaam voorhanden zijn. G-enoog, dat die figuur duidelijk maken kan, hoe oene enkele groote slagader hare, takken afzendt naar nüe lichaamsdeelen. De allerfijnste, nit-einden der slagaderen gaan over in de haarvaten, die, gelijk ik in § 49 zoide, door het weefsel van alle lichaamsdeelen als ware, het heengevlochten zijn. Uit deze haarvatennetten ontspringen de aderen mot dunne worteltjes, die, zich vereenigeude, allengs dikker worden, tot zij grootere aderen vormen, die eindelijk in twee

-ocr page 50-

38

-ocr page 51-

.TO

Isa, fig. 31 ; do atleren, die Iiof, blood van do, longon af naar don lin-kor boezem van het hart, voeren, zijn do vier Iniiffntleren I v.

§ 51. Wij kunnen na hot, gezegde ons gomakkelijk voorstollen, dat de holton van hot hurt on die der slagado.ron, adoron enhaarva-ton in onafgebroken gemconschap niet (dkander staan, mot andere woorden: dat die holten mot elkander ééne onkele bolto, é^n onkel samenhangend stelsel van buizen vormen. Denken \\\\ ij ons nu die holte, dat buizenstelsel, mot bloed gevuld.

De wanden van hot hart zijn in eone gestadige beweging, welke bestaat uit eone beurtelingacho samentrokking en ontspanning van zijne spiervozelen. Bij de samentrekking der wanden worden chi voorkamer en kamers vernauwd, bij elke, ontspanning of verslapping dier wanden worden die holton verwijd. Dit geschiedt evenwel zoo, dat beide voorkamers zich gelijktijdig vernauwen, terwijl op dat zelfde oogenblik beide knmers wijder worden, en omgekeerd. Dezo bewegingen zijn de oorzaak van hot 1,-/.oppen van het hart, dat men voelen kan, wanneer men de hand op do linker helft der borst legt.

Heginnon wij nu onze beschouwing van den bloedsomloop met de uitstorting van hot blood, dat van allo lichaamsdeelen terugkeert, uit de beide holadoren ha, fig. I . in de rechter voorkamer /■/■/,■ van het hart. Doze uitstorting geschiedt op het oogenblik dat die, voorkanior verwijd is. Dozr trekt zloh echter, na hot bloed ontvangen te hebben, dadelijk samen en wordt dus kleiner, nauwer. Wat gescbiodt er, wanneer eone ruimte, die met vocht gevuld is, zich sterk vernauwt? Het vocht wordt natuurlijk uit-gespnten uit die ruimte, zoo er althans eone opening bestaat. Dit geschiedt bier nu ook. Door de vernauwing van do voorkamer r e/.: wordt het daarin bovalte bloed gedreven in de kamer r I:, die, naar ik zoo even zoide, op \'t oogenblik dat zich do voorkamer verkleint , ruimer wordt on dus bet bloed opnemen kan. Maar zoodra deze kamer vol bloed is, trekt zij zieb op hare beurt samen en wordt nauwer. Waar zal nu bet blood been V Terug in do voorkamer rvh kan het niet, want het klapvies in is zoo ingeriebt, dat het. wel wijkt voor den bloedsaandrang uit r v li naar r k, maar daarentegen do opening tussehen do voorkamer en de kamer vast sluit, wanneer het bloed van rk naar r Wi\'dringt. Het wordt dus uit de kamer rk in de hmgf-lagader geperst, die zi(di in twee takken Isa verdoelt, welke bet bloed nu vorder naar do, beide longen voeren.

-ocr page 52-

40

Door do ui fijiior en fijnoi1 wordondo tukvcrdcolingcn van Is a goi\'iuikt alzoo liot blood iu hot hiiarviiton-uct dor lougon, en verzamelt zich dan weder in adertjes, die in de vier longaderoii I v to samen komon, door welke dut bloed na gevoerd wordt in de linker voorkamer I v k. Doze drijft — oven als rvk, het bloed drong in rh — door zijne sumentrokking dat blood in de linker kamer lOp hare beurt trekt deze kamer zieh krachtig samen en perst hot bloed in do groote slagader, wier bocht gij boven hot hart. en wier afgesneden ondereindo gij mede in a ziot, en waarvan ik li don loop in fig. 32 voorgesteld heb. Deze slagader nu voort dat bloed naar do haarvaten-netten van allo doelen dos liehaams ; en, gelijk wij zagen, komt het uit diezelfde baarvaton-notten weder in do aderen, eerst in eb\' fijnste, dan in do dikkere, die uit de voreouigiug dier fijnste ontstaan, tot dat hef eindelijk door de boladeron al weder naar den rechter boezem des harten gevoerd wordt, om dan denzolfdeu omloop, dien ik bosehrcof, wederom te beginnen.

De beschouwing van nevensgaande schots zal ons dien bloedsomloop nog verduidelijken. De aderen m , die nil de haarvaten I dor verschillende, li-ehaamsiloelen ontspringen, voeren bet blood in don rechter boezem lt;i li. Deze drijft het io de rechter kamer c, waaruit hot geperst wordt in do longslagador y , die het voert in de haarvaten der longen h. Fit deze haarvaten geleiden de lougaderen i het bloed naar den linker hartboezem d e,, waaruit hot komt in do linker kamer/, die hot perst in de groote slagader welke het weder naar het haarvaten-net dor doelen l voort.

Men ondersehoidt den bloedsomloop in een f/roolc.n en een I.Uino.n bloeilsomloop. Do eerste volgt den weg/, k, l, in, n, /lt;, begint dus in de linker hartkamer, en eindigt in don roclitor hartboezein, l)(^ andere of kleine bloedsomloop begint in do rechter hartkamer en eindigt in den linker hartboezem, zoodat hot den weg , lt;/, /(, I, \'l, c noemt. Do groote bloedsomloop voert het bloed naar allo lichaainsdoolon, de kloino, alleen naar do longen.

l\'ig. oi).

-ocr page 53-

41

§ 52. Do oorzaak, waarom hot bloed door do slagaderen , haar-vaten en aderen heen van het hart, af, en weder tot hot hart terugstroomt, is gelegen in de voortstuwende kracht van de samentrekkingen dor hartkamers. Klke nieuwe hloodgolf hijv., die do linker kamer in de grooto slagader perst, stuwt hot bloed, dat iu de takken dezer slagaderen, in de haarvaten en in do aderen bevat is , vooruit. Telken reize als die kamer zich vernauwt en alzoo eene nieuwe bloedgolf in het v...... \' ^quot;l perst, ondergMan de slagaderen

daardoor een oogenblikkelijke nitzetling (do polslag); de polslagen zijn dus gelijktijdig met de samentrekkingen der linker hartkamer.— De rechter hartkamer drijft hot bloed door do lougslagader, dc haarvaten der longen en dc long\'aderon heen. Deze weg is veel korter dan die, langs welken de linker kamer het bloed moet voortstuwen; daarom zijn dan ook de, wanden der rechter kamer veel minder vleczig en krachtig dan die der linker. De, wanden der boezems hebben niets te doen dan het bloed, dat, zij ontvangen, in dc, vlak bijgelegene kamers te drijven; Inmnc wanden zijn dan ook mtg zwakker en bijua vliezig.

Ofschoon nu de samentrekkingen van het hurt dc hoofdoorzaak van den bloedsomloop uitmaken, zoo is het toch ook waar, dat dc samentrekkingskracht van dc waudcu der slagaderen en aderen daaraan het hare toebrengt. Daarover kan ik hier evenwel niet uitweiden.

t; 53. Van het bloed, dat door do haarvaten ilcr liehaamsdeelen heonstroomt , — welke strnoming hier langzamer is elan iu de slagaderen en aderen, dringt een gedeelte van het bloedwater (tj •18) door de poriën van dc wanden dier haarvaten hoou, en doordringt, het weefsel der deden. Dit duorgezweete bloedwater is het roccliiK/s-vochf, waaruit 3quot;e weefsels de, stof opnemen , die zij tot hun herstel , tot hunne voeding noodig hebben , — maar aan hetwelk zij ook de verbruikte, onbruikbaar geworden stof weder afstaan. Het herstel, de voeding , geschiedt door celvorming, door vermenigvuldiging en wijzingen der cellen of celkernen, die reeds in hot voedingsvocht aanwezig zijn. Naarmate het voedingsvoclit uit dc haarvaten uitzweet, wordt het weder opgeuoinen door de yialo.rvate.n (tj 17), die dat vocht, nu hjinplia geheetc.u,uit allo liehaamsdeelen voeren in de horsthuis (§ -17), welke het, met dc chyl vermengd, in het bloed der aderen voert.

§ 54. Door de intreding dor chyl in het bloed en door de opslorping door de aderen der maag (§ 17), wcnlt het verlies aan

-ocr page 54-

42

voedingsstof, dat hot bloed door do in de vorige § vermelde uit-zweeting en voeding omlorgaat. telkens weder aangevuld. Doch er is nog een ander verlies, dat daardoor hersteld wordt. Immers in het bloed hooft onophoudelijk eenc scheikundige omzetting plaats van zekere stofl\'en, die, grooteudeels althans , afkomstig zijn van de tot voedsel gebruikte, vetten en andere stikstofvrijo voedingsbeginselen. De aard dezer omzetting komt hoofdzakelijk hierop neder, dat die stoften ontleed worden,— dat hnnno koolstof en waterstof, zich ieder op zich zelvcn verbinden mot do zuurstof, waaraan her slagaderlijk bloed zeer rijk is; dat, met andere woorden, die koolstof en waterstof v.rhrando.n, en, als producten dier verbranding of verbinding met zuurstof, koolzuur en water leveren. — Het gevolg van die verbranding is warmtn-ontwihl\'i\'liiKj, en deze is de bron van die cltjcuc warmte van het inwendige des liehaams, welke ;!()quot;,50 tot .\'i7quot; op den hfiiitlerddceligen tliennometer bedraagt, en niettegenstaande allo afwisseling van de temporatuur der lucht altijd nagenoeg dezelfde blijft, zoodat , hetzij de monsch in het hooge noorden woont, hetzij hij zicdi in de keerkringsgewesten ophoudt, de iinri\'ii(lii/c warmte zijns liehaams nimmer hoogei\' klimt no(di lager daalt.

§. ■!■). Zoodoende komt er nu eeliter gedurig eene orcrmnnl van water en koidzuur in hef bleed. Dut water en dat koolzuur inoefen dns ook gestadig weer worden verwijderd. Maai\' het slagaderlijk liloed heeft, deels ton gevolge dier zelfde verbranding, cerZ/V.?

aan z.mirstof ondergaan. Deze moet worden berstold, daar anders de telkens in bet bloed opgenomen, van de vetten enz. afkomstige stofl\'en, geene zuurstof tor verbranding zouden aantreffen lt;quot;1) alzoo do, bron der eigene warmte zou ophouden. -- Do adan-lialiii;/ au reinigt het aderlijke, bloed van hof overtolige koolzuur en ontlast, daaruit ook oen gedeelte van hef overtollige wafer; die zelfde ademhaling levert aan dat bloed nieuwe zuurstof en verandert hot alzoo weder in slagaderlijk bloed.

S 56. De luchtpijp begint (tj 42) van het strottenhoofd. Zij loopt achter

-ocr page 55-

43

in do borstliolto licncrtomvaavts on splitst zich daar in twoo takken, cono voor olke long. In fig. 34 is a hot strottenhoofd (in tip. 22 door do., in fiy, 27 door a aangodnid) , h is do van kraakbeonige ringen omgeven hichtiiijp, die zich verdeelt in twee takken, een voor do long c, eon voor do long d. Do linker long d in doze fignur komt overeen mot do longen hh in fig. -27. De rechter long c, geoft daarontogen eene voorstelling van de wijze, waarop zich olke luchtpijjistak in kleinere, deze weder in nog kleinere takjes splitst, om eindelijk in een uiterst lijn weefsel van buisjes nit te loopen, waarvan in r. een gedeelte aan de long vast gelaten ia. Ieder van die allerlaatste, fijnste buisjes eindigt in een zoogenaamd longblaasje, llfif. Verbeeld n nu dat aan al de takjes der Incht-pijplmi» van de long c nog die allerfijnste takjes c zaten; stel n dat gansche weefsel voor als doorweven mot een oven fijn haarvaten-net, afkomstig v;m do longslagarler (§ 18), inaarook van de, voedingsslaga-deren dei\' longen, die uil de gmoto slagader ontspringen; voorzie voorts

in nwo gedachten diezelfde long rijk van watervaten (S öl!) en zenuwen, en omkleed haar dan met een weivlies (i? Ill), dan kunt gij u oeno voorstelling vormen van hel inwendig maaksel of weefsel der longen.

S .m . Door lt;lc werking van spieren. die aan de, ribben vastzitten, en van hot middenrif, wordt de borstkas (tj .\'!()), waarin de longen mot het hart besloten liggen, beurtelings verwijd en vernauwd. Bij elke, verwijding der borstkas treedt er door den neus (of den mond) hot strottenhoofd en de biditpijp dampkringslnchf do luchtpijp

takjes en longblaasjes; dit noemt men de Inadem in;/. Bij elke daarop volgende vernauwing der borstkas treedt er langs den zelfden weg lucht ml de buigen; dit is de iiiladrminii. De uiterst dunne en teedero wanden (lei1 fijnste Iueht|iijptakje9 en blaasjes zijn als ware het vergroeid mot de oven dunne en leedere wanden der bloed voerende haarvaten. Door die dunne wanden heen zweet nu vooreerst eeni^ water uit het bloed doQr, welks aanwezigheid wij als waterdamp op oen aaiigoadoind glas ontwaren. Maar, waarbof hier

-ocr page 56-

44

\'t moest op Him komt, door die zelfde wanden heen treedt or uit het bloed der haarvaten koolzuur in do hiohtpijptukjes, ou daar-ontogou even veel zuurstof uit do lucht der luchtpijptakjes in hot hloed. Zoo wordt liij olko ademhaling om deel van het aderlijk bloed van overtollig koolzuur gezuiverd on van nieuwe zuurstof voorzien, eu daardoor in holdeirood, slagaderlijk bloed voranderd.

De dainj)kringslueht, dit woton «ij. bestaat uit zuurstof on stikstof, eu wol /,00, dat or op 1\'quot;* kub, duintou luoht ton naastenbij 21 kub, duimon zuurstof ou V.) kub, duiinon stikstof komen, üe niliic.adcmdc luoht bevat ook 7\',i doo.lon stikstof, maar sloohta Uï doelen zuurstof, zoodat er 5 dooien zuurstof in het bloed zijn overgegaan, Kvonwel is hot volume dor uitgoadomdo lucht even groot als dat der ingeademde, want de verloren 5 dooien zuurstof ziju vervangen door 5 doelou koolzuur, welke bot bloed aan do lucht heeft afgestaan.

Hot is aan do zuurstof, dat hot bloed in do. slagadorou van don grooteu bloedsomloop zijne holdorroodo kleur is vorschuldigd. Indien mou in bloed, door eouo aderlating verkregen, dat steeds donkerrood, zoogenaamd zwart bloed is, zuurstof blaast, of hot in oone flosoh daariuodo schudt, dan wordt bot dadelijk heldor rood.

ü 58, Aan hot voodingsvooht wordt in bot wi\'ot\'sol dor doelen do onbruikbaar geworden stof, die door nieuwe vervangen word, af-gostaan, gelijk ik reeds iu § \'gt;.! aanmorkto, I)ii\' onbruikbare, stof komt door do watervaten on de horsthuis weder in het, bloed. Voor zoover doze stof niet weer tot voeding geschikt kan gemaakt worden, moet zij, even als hot koolzuur, uit het bloed worden verwijderd, Dit laatste, — eu daarbij do afscheiding van het overtollige water, dat bij lange na idet door de ademhaling verwijderd wordt, - geschiedt door do afnchridlni/cn. Er zijn evenwol ook andere afscheidingen, wier doel minder is het. uit het lichaam verwijderen van eeuigo overtollige of schadelijko stof, maar hot voortbrengen van een vocht, dat aan het lichaam zekere diensten bewijzen moet, b.v. de spijsvortoringsvoohton, do slijm, de wei, het traanvocht enz,

S 5!). De afscheidende werktuigen zijn t-liezcn of klieren. Hot eenvoudigst afscheidingsworktuig is oone vrije oppervlakte , b, v, van oon slijm- of woivlies. Van zulke ecne vrije afscheidingsvlakte tot oone zoor samengestelde klier bestaan een aantal overgangen , gelijk door do schots in fig. .\'ii) aiuschouwelijk wordt gemaakt.

-ocr page 57-

4,r)

Do doovsnodc van do vrije oppervlakte! van 0011 vlies, cou slijmvlies pij, yo, 1). v., wordt daar door witte dwars-

lijuon voorgesteld. De oonvoudigsto toenadering tot oene klier is een kuiltje in dat vlies, voorts oen tot een zakje verdiept kuiltje, verder een zakje, met eene namvero uitloozings-Imis, dan verselieidene zakjes, elk met een uitloozingsbuisje, die zieh trosvormig in eene algemcene nitloo-zingsbnis uitstorten, eindelijk eene algemeene nitloozingsbuis met een aantal van zulke trosjes. Keu andere vorm van klieren, waarvan de schets ook een voorbeeld levert, is die, welke enkel uit verlengde buisjes, zonder takjes, bestaat. — In lig. .\'iT2 ziet men eene miuder sclietsacldige, meer natuurlijke afbeelding van eene van zakjes voorziene zoogenaamde druifklier, hoedanig do speekselklieren, de alvloesebklier, de traanklieren en de zogklie-

ren zijn; a is hier de, algemeene nit-loozingsbuis, h de eerste, c de tweede tak daarvan, en d zijn de zakjes of korrels. Fig. 37 1 levert eene. afbeelding van eene geheel buisvormige, klier, hoe-danige de. nieren en zweetklieren zijn.

I )e (lartnseheilklieren , waarvan t} -17 gespioken is, en de met deze volkomen overeenkomstige zoogenaamde wa-tervaatsklierc.n, die bij de waterva-^ ten der overige lieliaaHlBdeelen (tj 53) bebooren, verdienen eigenlijk den imam van klieren niet, daar zij geen eigenaardig vocht nfseheiden uit bet bloed en dus ook geene nit-loozingsbuizen bezitten.

i? GO. Alle afsclieidende vliezen en alle klieren zijn zeer rijk aan fijne haarvaatjes. Hetzij nu het afscheidende orgaan een vlies, hetzij het de wanden van de buizen of de korrels eener klier zijn , zoo geschiedt de iii\'seheiiiing dilllrdoor, dat bet ai\'te sclieiden voelit uit het bloed door de wanden beeiulringt, die het van de vrije oppeivinkte van liet vlies of van de, holte der buizen of korrels der klier scheiden. Uier geschiedt dus volkiinion hetzelfde al» bet-

m* w

-ocr page 58-

46

goen bij het dringen van water 011 koolzuur uit hot bloed dor longenhaarvateii in (l(! lnc\',htsj)iji)»l)uisji^ jilaatrt heüft. Dit vocht komt nu hetzij op ih; vrije oppervlakte van het vlies, of wordt door de algemoene uitloozingslmis der klier op lt;lio oppervlakte uitgestort.

Eigenlijk zijn dus do longen ook klieren, die water en koolzuur afscheiden, gelijk trouwens ook haar samenstel in de hoofdzaken geheel met dat der druifklicreu overeenkomt. Kchter slurpen de longen ook op, te weten zuurstof, hetgeen de overige klieren niet doen.

S 61. Van die afscheidingen, welke in de dierlijke huishouding eenr rol te vervullea hebben, noemde ik aan het slot van § 55 cenige op. De spijsvertoringsvochten (§§ 43, 44) dienen tot scheikundige verandering en oplossing der voedingstollen; do slijm om de oppervlakte der slijmvliezen (§ lil) tot verscheidene doeleinden glibberig te honden en den onmiddelijken invloed der lucht te verhinderen; de wei, die door de weivliezen (§ 19) wordt afgescheiden, verhindert de aaneengroeiing der wand- en ingewand-bekleedende weivliezen ; do tranen bewaren de, voorste oppervlakte des oogs tegen de lucht, enz.

Van de afscheidingen, welke dienen om overtollige stoffen uil het lichaam te verwijderen , noem ik vooral de zweet- en de urine-afscheiding. De gal-afscheiding behoort hiertoe ook gedeeltelijk, ofschoon zij tevens ecne rol hij de spijsvertering vervult.

§ 62. Van de laatstgenoemde afscheidingen, door welke overtollige of schadelijke stollen uit liet lichaam worden verwijderd, moeten wij kortelijk de ztwcZ-afsehciding en de «W/«c-afsebeidiiig beschouwen.

Ifet zweet wordt afgescheiden door de zweetklieren , die gelegen zijn iu het bindweefsel onder de huid (zie hier tig. 42). Elke zweetklier bestaat uit eene kluwenvonoig opgerolde buis, die zich , na de huid zelve te liehben doorboord , op de oppervlakte er van tusschen de gevoeltepeltjes (waarover later) opent. Zij scheidt een vocht af, dat bestaat uit water, waarin zouten zijn opgelost, en dat gewoonlijk in dampvormigen toestand voorkomt (onmerkbare, huiduitwaseming), maar dat, wanneer het in zoo groote hoeveelheid wordt afgescheiden, dat de warmte des lichaams niet voldoende is om het tot den dampvormigen toestand te brengen, als eene, dropvormige vloeistof (zweet) op de huid verschijnt. — Door deze afsc heiding wordt ecne niet onaanzienlijke hoevoelheid water.

-ocr page 59-

47

on eonigc van dti stofwisseling afkomstige zouten, benevens eenig koolzuur uit liet bloed verwijderd. Hovondieii is de liuiduitwase-ming als de inodcratour der eigene of dierlijken warmte (g 54) te besclionwen. Wij zagen dat die warmte standvastig oji 36quot;—37quot; van den liuuderddeeligen therniomet(\'r staan blijft. Hoe komt ditV Zoodra zich meer warmte in liet lirhaam ontwikkelt, of de temperatuur der omgevende Inelit zeer boog wordt, verdampt er ook meer water ii|) de oppervlakte der liuid, maar juist daardoor, door die grootere verdainping, wordt er nu ook meer warmte aan het liehaam onttrokken. Hij verminderde warmteontwikkeling in het. lichaam of bij verlaagde temperatuur der luelit, zal rr daarentegen minder water op do huid verdampen, en daardoor mindere warmte aan bet lichaam worden ontnomen. Zoodoende houdt de vermeerdering en vermindering der onmerkbare huiduitwaseming de eigene warmte des lichaams op nagenoeg altijd dezelfde hoogte.

Nog liggen er in do huid zelve een aantal andere, kleinere kliertjes, vooral menigvuldig op behaarde plaatsen, welke kliertjes men mer.rkUKrtjcH heet. Zij scheiden eene vctaehtige stof af, die de huidt zacht en lenig en de haren glanzig houdt.

§ 63. De urine wordt atgeseheiden door de nieren, twee vrij groote, boouvormige klieren, fig. 38«, die hoven en achter inde Fig. 38. buikholte aan weerszijde der wervelkolom gelegen zijn. Zie de plaatsing in lig. 32 /.\'. Zij zijn iu-wendig samengesteld uit bundels klierbuisjes (§ öll) I wier uiteiiideu in eene holte in de klier samen-■ komen, waaruit eene vrij lange buis (de urinelei-H (/er) ontspringt, die benedenwaarts gaat en uitloopt H in de hldas, een vliezige, van spiervezelen voor-ziene zak, beneden en vóór in de buik achter do I schaainsbeensvc,reening (§ .\'!()). De urine wordt uit I het bloed der nierslagaderen afgescheiden in de genoemde klierbuisjes, komt daaruit in de holte der nieren (het nierbekken), en daaruit weder in dc mineleiders, tig. .i8/j, die haar in de blaas lt;; voeren, uit welke zij, wanneer deze vol geworden is, naar huitcn ontlast wordt door een vliezig kanaal, waarin het onderste en smalste gedeelte tl — de halx der blaas — zich verlengt. — De urine is een ble(!kg(Md , eigenaardig i\'ie-kend, gewoonlijk zuur reageerend vocht, dat vele zeer onderscheidene opgeloste bestandenden, zouten enz. bevat, en niet alléén het

-ocr page 60-

48

grootste gedeelte van lugt;t overtollige water uit hot lichaam afvoert, maar ook de meeste van die stoften, die tengevolge der stofwisseling onbruikbaar geworden eu ontleed zijn (§53). Deze stollen, afkomstig van Ijrstanddeolen des liehaams, die bijna allen stikstofhoudend zijn (§ 2.\'?), moeten natuurlijk ook rijk aan stikstof wezen. Van daar de annnoniak-reuk van tot scheikundige ontbinding (verrotting) overgaande urine, daar hier de stikstof, waaraan de urine, zoo rijk is, met de nit do. in de urine opgeloste stoften ontstaande waterstof ammoniak vormt. — Door de urine worden ook vele andere iu het bloed geraakte zelfstandigheden , 1). v. oplosbare maar niet voedende bestaiiddeolen der spijzen, geneesmiddelen, enz. enz. weder, en soms zeer spoedig, uit het bloed verwijderd. Van daar dat de kleur, de reuk en de bestunddeeleu der urine vaak, ook hij gezonde mensehen , zoo verbazend verschillen.

I). niKKI.UKI\'. VHUUU \'i ITINd I\'.N.

§ 64. Wij moeten nu eene andere klasse van verrichtingen des mengchelijken en dierlijken liehaams overwegen , namelijk diegene, welke men daarnni liij uitstek (lierlijkc. verriehtingen noemt (§ 3), omdat daarvan liij de planten niets , of slechts een uiterst flauwe aanduiding te bespeuren is. — (Icvoel, en hcwriiini/ zijn die ver-riehtingen, gelijk wij reeds weten.

W ij hebben intnsschcn geiegcnlieid geleid de opmerking te maken, dat geene organische verrichting, tot wier beschouwing wij ons tot dusver hepaaldcn , zondfr hcirci/ing kan plaats hebben. Die beweging berust somtijds op zuivere natuurkundige wetten, h.v. de opslorping en de afscheiding, de omwisseling van zuurstof tegen koolzuur (§ 67), de verdampingen van vocht op de huid (§ 59). Maar de meeste orqniiischc. bewegingen berusten, even goed als de dierlijke, die wij nog moeten beschouwen, op samentrekking van spiervezelen (§\'J1). /.oo b. v. de beweging des voedsels door het spijskanaal heen, ten gevolge van de samentrekkingen van den spier-rok van dat kanaal, — de omloop des bloeds, ten gevolge van de samentrekkingen des harten.— de adcmlialing, ten gevtdgc dei samentrekkingen van de spieren die aan de ribben gehecht zijn en van het middenrif, - - ook de voortstuwing der door de klieren afgescheiden vociiten door de samen trek ba re spiei-vezels, welke zich in de wanden der nitloozingsbuizcn bevinden, enz. enz. — Zonder eene

-ocr page 61-

49

soort van (/crorl, noiui zekere ontvangbaarheid voor prikkels (b. v. in de o|)gcgoveix voorbeeklen voor don prikkel der spijzen, des bloods, enz.) kunnen wederom die bewegingen moeiolijk gedaebt worden, daar elke beweging een oorzaak vooronderstelt. Maar dat gevoel is een gevoel zonder bewustheid\' de ziel ontwaart de aanwezigheid van die prikkels niet. En evenzoo is de daarvan afhankelijke beweging eene onwilkhvurigc ljci:ci/iii(/. die geheel onafhankelijk van onzen wil plaats hoeft, en die wij zelfs in vele gevallen niet eens door onzen wil kunnen onderdrukken. Zoo b. v. de samentrekkingen van het spijskanaal, van het hart enz. De adein-lialingsbewegingen gaan wel is waar ook buiten onzen wit voort, zonder dat wij er om denken, doch wij kunnen ze evenwel onderdrukken, zoo wij dat verkiezen. Het kauwen en slikken, beide willekeurige bewegingen, hebooren, wat hun doel aangaat, tot de orga-nisehe, maar wat hun aard betreft, tot de dierlijke verrichtingen.

Voor wij eeliter tof de beschouwing der dierlijke verriehtingen overgaan , moeten wij hier nog kortelijk eene in het liehaam hier en daar plaats hebbende beweging vermelden, die geheel en al van de reehtstreeksebe werking der zenuwen onafhankelijk is. Ik bedoel de dus genaamde of Jlihkerbeicei/irK/. In iig. 2 gaf ik in c eene afbeelding van drie naast elkander geplaatste cellen: cilindercellen , die aan hunne vrije zijde van uiterst fijne haartjes of liever (want eigenlijke haartjes zijn het niet) lijne en puntige uitsteeksels voorzien zijn. Even als bij de eilindereellen h moet men zich voorstellen, dat die eellen rechtop geplaatst zijn op het vlies dat zij bedekken, zoodat het puntig uiteinde der eellen dat vlies raakt en de niet haartjes voorziene einden der cellen de oppervlakte van het alzoo gevormde epithelium vormen. Zulk trilhaar-epitheliuni vindt men in het adetnhalingskanaal, in bet begin der pisbuisjes , voorts in de nader te heschrijvcn neusholte, de, buizen van Eustachius enz,, terwijl ook een aantal lagere dieren op onderscheiden plaatsen van de buitenvlakte huns lichaanis trilharen bezitten. De trilharen nu zijn in eene onophoudelijke, zeer snelle, golvende beweging, en wel doorgaans in eene bepaalde richting, welke beweging nog eenigeu tijd na den dood , zelfs op afgeschraapt epithelimn, aanhoudt. Niet altijd is het doel dier hewegingeu duidelijk; men begrijpt echter dat deze in een nauw kanaal de voort-beweging van vochten in eene bepaalde richting moeten bevorderen, § •)quot;). liij den mensch en de dieren zijn overigens zoowel het gevoel

4

-ocr page 62-

50

met en zonder bftwustlicid , als do willckonrigo en ouwillckciirigo bc-w ogingcn, voor zoover doze laatsto niet van zuivor iihysisclien aard /ijn, afhankelijk van hot zemiwsteljsel.

[Tot zcmvwstekol ondcrschoidt men in twee doelen , te weten eon niid-ilniptinfs-ot cenlraahjedeelle, on eon omlrek»-o( peripherineh gedeelte.

Het contraalgedoelt(! bestaat nit de hersenen on bet riigyemcrti, — of anders nitgedrnkt (§ 110) nit bet ruygemery, waarvan do bovenste aanzwolling do hefucnrn genoemd wordt.

Hot peripheriseho bestaat nit de zenuwen.

Mon leze bier na, wat ik in § 18 over bot weefsel dor zonn-uon, dor bersonen on des niggomorgs, en over do zenuwdraden on zenuwoellen gezegd bob.

§ (j(). Do liorsenen liggen binnen de. schodelholto. Wanneer men san bi\'t hoofd bot bovendeel des schedels wegneemt (\'t geen door voorzichtig doorzagen van den sobedel gesohiodt), en dan de hersenen er uit neemt, dan vertoonen zich deze als in fig. 39. Igt;ie oppervlakte is, golijk men ziet, niet ofl\'on, maar voorzien van zoogenaamde kronhelingr.», die evenwel niet zeer diep indringen. Overigens zijn do hersenen door eene van voren naar achteren ioopendo, spli\'ol in twee zljdeiingsoho linlfto.u of halfronden gescheiden. Zie fig. .\'57«.

Do onderste oppervlakte der hersenen, die vlak, maar tevens ongelijk is, rnst op don bodem der sehedolholte (§ 28). De spleet.

-ocr page 63-

51

waarvan ik zoo even sprak, is dailr sloclita te zien aan het voorste en achterste gedecito dor horsonen, maar dringt niet tot hot middelste gedeelte iler hersenen door. Aldaar, aan dat middelste gc-doelte van de busis der hersenen, en ook daarboven in do zelfstandigheid der hersonen zelve, bcvindon zich ondorseheideno herson-deelen, met wier opsomming wij ons hier eeliter niet zullen bozig houden. Fig. 40 moge cvenwol oen denkbeeld van die hersenbasis geven.

De gimschc hersenmassa onderscheidt men in ijroolc en kleine, hersenen. In lig. 39 ziet men in c h niets dan do bovenste oppervlakte dor yroo/e hersenen, die in liet bovenste gewelfde godcelto dos sohe-

dols (lig. 12) besloten zijn. De kleine hersenenchl, — die echter met do grooto samenhangen —liggen onder hot aclitorsto gedeelte dor grooto hersenen. In lig. 41 zijn do grooto horsenen, herkenbaar aan hare kronkelingen, aangeduid door n\\ do kleine, wier oppervlakte niet gekronkeld maar gestroopt is, door h. Men ziet hier ook de spleet tussohen de zijdolingsche helften of halfronden der grooto, en kleine hersonen aange-

govon, welke ook in lig.

A,A/, A/\'di\' bolde lialfroildcn 4ci\'grnoto home- aan do ondorvbikto

mm, nan do ondiM vlakto gezien. O. kleine hernenen. . , ■ • ,

1\' V\' brug van Vnrolins, M n vorlongd inorg, van \' ) \'gt;• IMS-

onderen afgesneden. Schcil I I

I it de grooto liei\'sonen, v(gt;ór de kleine, ontspringt een oilindcr-vormig licdmam, het verlengde, »/quot;\')•lt;/, dat eigenlijk liet boveuslo godeedte, het begin, van het ruggomeig is, welk ruggemerg door hot grooto aohtorhoofdsgat buiten den schedel treedt on dan door hot ruggoinergskanaal in de wervelkolom naar boneden tot in hel heiligbeen voortloopt. In lig. 41 zien wij het als eene witte streep onder do kloino horsenen voor den dag komen en langs don rng

-ocr page 64-

fi.

naar beneden loopen. — Hot s})i,eokt van zelf dat in deze schets het zmuwstrlscl verondersteld wordt ontdaan t(i zijn van zijn beenige bekleedselen: schedel en wervelkolom of rnggegraat.

s:

rif

c

iTO

M

1

li

11 li

m

hi 1!

Ui »*•

f t

1

Fis. 41.

t; (17. 1 il do lirinenen — wel te verstaan uit de grondvlakte der j^nioti\' hersem\'M, —- en uit het niggemerg ontspringen de ::niniri\'ii. Kig. II ^erft ern algemeen tienklieeld van de wijze, waarop

-ocr page 65-

53

zich do liooftfatammcn dor zonuwon van (lo contnialdoolon af door het lichaam verspreiden, — ongcn\'oer op do wijze ais wij do verspreiding dor slagaderen door do schots in fig. !!() hohhon aangewezen. ^^oll ziot liior, gelijk ik roods zoide, lt;lo grooto hersenen a en de kleine h. Voorts ziet men in d zich een paar horsenzenn-won , — waarvan overigens I\'J paren bestaan — in liet aangezicht verspreiden, — en eindelijk oen groot aantal zenuwen (31 hoofd-stammen aan elke zijde) uit hot ruggemerg ontspringen , on zich naar do onderscheidene afdoolingon van den romp en de lodomaten begeven. Dozo zenuwen vertakkon zich algaandowog moer en moor, en worden natuurlijk naar die mate al dunner on dunner, zoodat do uiterste einden or van, die in het fijnste weefsel der huid en der spieren eindigen, slechts fijne, enkelvoudige on dus niet meer spli(share zenuwdraadjes (8 18) zijn.

Elke zenuw, of liever elk zenuwbuisje hooft /»w uitolndon. Mot het eono — hot horsenuiteindo —- staat hot mot do hersenen in verband, hetzij onmiddelijk of door tusschonkomst van hot ruggemerg. Het andere uiteinde — hot poripherisch uiteinde — bevindt zich in het weefsel, hetzij dor gevoelige doelen, der huid b. v., hetzij in eono spier.

§ 08. De zenuwen zijn de geleiders , do goleiddraden , van den indruk of prikkel, die gevoel of beweging ten gevolge hooft.

Wanneer men met den vingertop iets aanraakt, of, \'t geen hot-zolfde is, wanneer do vingertop door iets aangeraakt wordt, dan ge.vof.lt men dozo aanraking; do ziel wordt het zich bewust dat er iets mot den vingertop in aanraking is gekomen. Do fijne, zenuw huisjes of zenuwdraadjes, die in do huid van don vingertop eindigen , ontvangen bij die aanraking oen indruk, oen prikkel. en zij geleiden dien indruk naar de hersenen mot evenveel snelheid als de telegraafdraad den elektrisclion stroom van de cone plaats naar de andere geleidt. Tn do hersenen, het werktuig der ziel, komt die indruk tot bewustheid, wordt hij door de ziel waargenomen.

Wanneer men een doel wil bewogen, wanneer men b. v. den wijsvinger wil buigen, dan werkt do wil op de horsonuiteinden (ij (il) van die zenuwbuisjes, wier poriphoriseho uiteinden zich in do buigspioren dos wijsvingers verspreiden. De wilsindrnk wordt door de zonuwbuisjes met even grooto snelheid geleid naar die. spieren; deze trokken zich, zoodra zij door dien indruk geprikkeld worden, dadelijk samen, en alzoo volgt dan do gewilde beweging.

-ocr page 66-

54

Do eerste soort van geleiding, do, geleiding van t/c.vor,lsitiflrukken, gaiit van den omtrok, de poriplierio, nuar liet contraaldeol, do hor-sonen, on heet daarom middelpnntzoeke.nde (centripetale) (jdeidiny, — ook wel eenvoudig gevoels-fjdeldhif/.

De tweede soort van geleiding, do geleiding van w/fo-Z/frfiveH-f/j, gaat van hot contraaldeid naar don omtrek , en wordt dus middcl-jjuntvliedende {centrifuyale) ye.leidiny, — of oolc wils-geleidiny, bc-iveyinga-yeleidiny, genoemd.

In den regel en normaal worden do gevoelsindrukken aan de peripherisclie uiteinden door de zenuwen opgenomen, — on de wils-indrukken kunnen niet anders door de zenuwen worden opgenomen dan aan liet hersenuiteindo, daar die zenuwen alleen door dit uiteinde met de liersenon en nlzoo met do ziel in betrokking staan.

Dit neemt evenwel niet weg, dat, wanneer oen prikkel noch op hot hersonuitoinde, noch op het peripheriseh uiteinde, maar op oen ander gedeelte der zenuw werkt, welke die plaats ook zijn moge, dat, zeg ik, dan ook gewaarwording of beweging ontstaan kan. De zenuwbuisjos toch geleiden den ontvangen indruk voort, waar zij dien ook ontvangen, liet spreekt intussehen van zelf, dat ooiic beweginy, die liet gevolg is van oen indruk , dien de zenuw ontvangt op oene andere plaats dan haar hersonuitoinde, steeds eone onwillekeurige beweging zijn zal.

§ 69. Men hoeft zenuwbuisjes voor het gevoel en andere voor de beweging. Prikkeling van oen gevoelzennwbuisje heeft in don regel (§ 70) geene bewoging ton gevolge; op prikkeling van oen bowoegzonuwbuisje volgt geen gewaarwording. — Wat de zenuwen aangaat, die, gelijk wij weten, uit de nevens elkander liggende, en tot bundels vereenigde zenuwbuisjes bestaan, — deze zijn óf zuivere gevoelszenuwen, of zuivere beweegzciiuwon, óf gemengde, zenuwen, al naarmate zij uitsluitend uit govoelszenuwbuis-jes, of uitsluitend uit bcweegzonuwhuisjes, of uit beide soorten van zenuwbuisjos zijn samengesteld.

liet behoeft nu wel geene verklaring, hoe hot komt, dat, wanneer eene zuivere govoolszoauw ergens, \'t doet er niet toe waar, geprikt of geknepen wordt, daardoor pijn ontstaat, maar ge,one beweging; — dat, wanneer men ditzelfde doet mot eene zuivere boweegzenuw, er samentrekkingen ontstaan van de spieren, waarheen die zenuw loopt, maar er tevens geene de minste pijn wordt waargenomen; — en dat eindelijk, wanneer eene gemengde

-ocr page 67-

55

zoimw bcleedigd wordt, én spiersamontrckingon én pijn ontstaan.

§ 70. Elk govoelszonuwbnisjo brengt, om \'t even of liet aan zijn porijihoriscli niteiiulc of op ccnc andere plaats geprikkeld wordt, altijd in de ziel de gewaarwording to weeg alsof alleen dat peri-pherisch uileinde geprikkelde ware geworden. Een stoot op den elleboog veroorzaakt pijn en tinteling in de buitenzijde, (de pink-zijdo) der hand cn in do pink , omdat aan den elleboog de zenuw ligt, welke do zenuwbuisjes bevat, wier poriplierisebo uiteinden in dat gedeelte der band zich verspreiden. Of un die uiteinden zelven worden aangedaan, dan of daarentegen de zenuwbuisjes tei\'plaatM\'. van den elleboog geprikkeld worden, doet niets af, zij kunnen aan do ziel geeno andere gewaarwording inededeeleu, dan alsof do prikkeling aan do hand zelve had plaatsgehad. —Lieden, die oen hunner ledematen, 1). v. een voet, verloren hebben, spieken soms van pijn in dien lang verloren en wellicht reeds lang vorganen voet. Do oplossing van dit bij den eersten opslag vreemde, verschijnsel, dat tot allerlei zotte verklaringen door middel der zoogenaamde sympathie aanleiding heeft gegeven , volgt zeer eenvoudig uit het reeds gezegde. Wanneer de voet verloren gaat, afgezet wordt bij voorbeeld, dan blijven toch in het heen de zenuwbuisjes bestaan, wier uiteinden vroeger in den voet gelegen waren. Wordt nu de stomp b. v. door rheumatisme aangedaan, en worden do in dien stomp gelegen zenuwbuisjes, die vroeger tot den voet doorliepen, daardoor geprikkeld, dan zal de ziel de gewaarwording ontvangen, alsof de voet zelf aangedaan werd, omdat do zenuwbuisjes de onl-vangene indrukken altijd zóó tot het bewustzijn brengen, alsof hun natuurlijk periporisch uiteinde geprikkeld was geworden.

§ 71. Het gebeurt soms, dat wanneer eene gevoelszenuw he vig geprikkeld wordt en er dan pijn ontstaat, er ook pijn in na-bijgelegene doelen gevoeld wordt, die niet; geprikkeld zijn gewor don. De pijn h. v. van ééne holle kies wordt soms gevoeld door bot geheolo gebit heen. Hier deelen de geprikkelde zenuwbuisjes den ontvangen indruk aan de. naast bijgelegene mede, —niet echter daar, waar zij in eene zenuw naast elkander liggen, —maar zóó, dat de indruk in de hersenen zich overplant op de, hersenuit-oinden van die andere zenuwbuisjes: en dien ten gevolge — daar \'t niet afdoet w iliir eene zenuw geprikkeld wordt (S lt;!\'.\') — do gewaarwording ontstaat alsof ook de peripherische, uiteinden van (/lt; ■ zenuwbuisjes waren aangedaan.

-ocr page 68-

56

Ook kim het gcachiodou, flat, wunnnci\' men cpiio spior in beweging brengt, b, v. lt;lc buigers van den wijsvinger, ook naburige spieren of tie gelijknamige spieren van de andere zijde des lichaiiins zich tegelijk bewegen , zonder dat mon dit gewild beeft. Do wil werkte hier rechtstreeks alleen op de hersenuiteindon van do ze-uuwbuisjes voor de buigspieren des wijsvingers — maar de wilsin-drnk is, buiten den wil om, overgeplant op de hersenuiteindon van naburige zenuwbuisjes.

Men noemt het eerstgenoemde verschijnsel associatie, van yewaur-wordinqi\'.tt, bet tweede associatie ran beivrcjint/cn.

§ 72. Eindelijk gebeurt liet meermalen, dat, wanneer gevocls-/.onuwbuisjes of zuivere gevoelszenuwen geprikkeld worden, onwilie-kcurigo bewogingen volgen. Zoodanige bewegingen zijn b. v. die van lii\'t strottenhoofd bij hot slikken , voorts liet niezen, hoesten en braken door prikkeling van hot slijmvlies van don neus, van liet strottenhoofd en van de keel, ook de stuipen van kleine kinderen na soms onbeduidende prikkels, enz. Die bewegingen ontstaan door de overplanting van den tot de hersenen of hot ruggo-morg geleiden gevoelsindruk op het horsen- (of ruggomorgs-) nit-einde van bewecgzonuwbnisjes. die nu dien indruk oogenblikkelijk naar de spieren geleiden, waartoe zij bohooren, en deze doen samentrekken. Men noemt deze overplanting reflc.xic, en do daaruit ontstane bewegingen refle.riehcicr.riitiym. Zij ontstaan meer na lichte, dan na hevige prikkels.

§ 73. Doorsnijding of sterke samendriikking der zenuwen en zenuwbuisjes, vernieling der laatste door bijtende stoften, heften de zenuwgeleiding op. Uelette toevoer van bloed naar een deel doet in dat doel alle zenuwwerking (gevoel en beweging) opbonden, Vordoovende vergiften (narcotica) belemmeren de zenuwwerk-dadiglieid. Matige prikkels oefenen de zenuwen en verhoogen haar geleidingsvennogen; te sterke of te aanhoudende prikkeling daarentegen put dat geleidingsvermogcn nit, Is die uitputting niet al te sterk, dan wordt hot vermogen om indrukken te geleiden door rust hersteld.

§ 71. Wij zullen thans de ::iiiliii(/rlijl:c i/ciranrwordiiu/i\'n, of het gevoel in luimeren zin meer in bijzonderheden beschouwen.

dccocl, in ruimeren zin genotnon, is gelijkluidend met zintui-gelijke gewaarwording. In bejieikten zin verstaat men daardoor den ijf.viic.ls::i/i., de gewaarwording van i/croc/, in de gewone dage-

-ocr page 69-

lijkschc bdtcckonis. Dit lautstp hoeft zijn zetel vooral in de huid, ofschoon ook rle slijmvliezen aan den ingang der lichaamsholten daarmede bedeeld zijn, b. v. het .slijmvlies van den mond en der neusholte. Dieper in hot lichaam wordt hot gevoel als ware het duisterder, stomper, tot het eindelijk in den natuurlijken, normalen toestand niet meer bespeurd wordt, niet meer tot bewustzijn komt.

Zoo gevoelen wij 1). v. van hetgeen in onze ingewantlen omgaat niets. Zoo veroorzaakt ceno teug te heet drinken een gevoel van branding in den mond en in do keel; doch eens doorgeslikt zijnde,, doet bet in den regel zich niet meer gevoelen, daar bet gevoel van den slokdarm reeds stomp en dat der maag in den gezonden toestand geheel en al een gevoel zonder bewustheid is. Tn een van den gezonden afwijkenden toestand kan zich evenwel het duistere,

verborgen gevoel van vele inwendige, doelen verheffen tot gevoed mot bewustheid. — men (lonke b.v. aan koliokpijn.

§ T5. Men onderscheidt aan de huid drie lagen: de eigenlijkeof/crfrr-huid, welke van buiten bekleed wordt door (\\v opijnrhuid, aan de binnenzijde door het underliuidscJic blmlwccfsi\'l, door wolk laatste de huid, hier sterker, daar losser, verbonden is aan de onderliggende doelen.

De lodorhuid is vezelachtig van weefsel, rijk aan bloedvaten en zenuwen, en aan de buitenzijde voorzien van ontel bare, zeer kleine verhevenheden, in elke

Zoor vorgroofo vrrlikalo door- i • .

siH\'dc dor huid. A buitoiiKto. oppor- WJlMTVJUl (M\'Ji (\'.IIKClVOUdzcilliw lniisjc

vlakto a. opnnrlmid, h Kliimnot, c. lo- . j- , . . .

dorlnnd/^ondprhuidsohl\'induMM t^.l, lt;Mii(llgt . cl» die men fir.roc.lsfr.prlfjrs

««\', .«roo«wtkllwon ƒ.hnnr; ....... M(!ll kan ,lir tciudtjes aan de

hoiirHjo mot eon naar, dat bovon lt;!lt;\' \' •\'

liuld iiitsirrki: iti don ijodi-m vnn Ih-i lianibialmvlakte der vingers, waar zii boiirijo fii\' hflivrwortol j \'/lt;■» «mfler- _ •\'

klli\'rijns Mtnrton xlch in hnt nauw» in evenwijdig loojiendc rijen liggen, gcdoclte van hnt bourajo \'til.

met bet bloote oog onderscheiden.

De opperhuid is een droog, dun, vaat- en zenuwloos vlies (fj I .quot;i) dat als eone soort van vernis over de lederhuid ligt uitgebreid. Het bestaat uit verscheidene lagon, waarvan de buitenste gedurig afschilfert, waartegen de lederhuid oven aanhoudend nieuwe uitzweet of afscheidt. Die jongste, nog weeke, niet verdroogde lagen

-ocr page 70-

58

der opperhuid, die natuurlijk onmiddellijk op de lederhuid gelegen en steeds donkerder gekleurd zijn, dan de buitenste drooge, noemt men het nel of de slijm ran Mafpliihi.

In d(^ lederhuid liggen , gelijk wij reeds zagen , de smeerkliertjcs, die zich meestal, zooals in tig. 4:2, in de straks te vermelden haarkanaaltjcs uitstorten; — onder de lederhuid do zweetklieren (§ 62).

Tot de huid hchooren do haren en de narje.h. Heiden bestaan uit hoornweefsel, even als de opperhuid zelve. De haren zijn met hunne iioflel.i ingeplant in eeue uitholling der opperhuid , hot haarbeursje of haarzakje, op welks bodem zich eeue kleine verhevenheid, de haarklein, bevindt, welke gedurig nieuwe hoornstof afscheidt, die zich aan den wortel van het haar vastzet, zoodoende het haarzelf steeds doet opschuiven, en het idzoo doet groeien. — De nagels zijn ingeplant in eeue diepe sleuf dor lederhuid op de rugzijde van de laatste leden der vingers en teenen; zij groeien, even als de haren, door aanvoeging van hoornzelfstandigheid, die in do huidsleuf wordt afgescheiden, zich aan den wortel der nagels vastzet, en alzoo van lieverlede den nagel voortselmift. Dat de nagels inderdaad zoo, en niet aan hun voorrand groeien, kan men bewijzen door een onmtwisehbaar toeken te maken op een nagel , dicht aan den wortel; dat toeken zal, naarmate do nagel groeit, steeds meer en meer don vingertop naderen, — oen duidelijk bewijs dat de nagel inderdaad vooruitgeschoven wordt.

Overigens bezitten de haren in hun inwendige eeue kleurstof, waarvan hunne verschillende kleur afhangt.

g 7lt;). De geheele huid is gevoelig. Doch de binnenvlakte der laatste vingerleden zijn dit wel hijzonder. De geschiktheid der hand om de voorwerpen van verschillende kanten gelijktijdig aan te raken on te omvatten, maakt daarbij de vingers tot de eigenlijke werktuigen van den tastzin, dat ia van den door onzen wil in werking gesteldön gevoelszin. De nagels dienen daarbij om aan de vingertoppen bij het aangrijpen en betasten een steun te geven. — Door het gevoel bekomen wij kennis van den warmtegraad, den samenhang, de grootte, den vorm , do gladheid of ruwheid van oppervlakte, en den afstand der lichamen, alsook van hunne zwaarte.

g 77. Hel zintuig van den reuk is gelegen in de neusholte. Deze holte wordt (§ -W») gevormd door de heide, bovenkaaksbeenderen . en door het geliemeite afgescheiden van de mondholte. Achter in

-ocr page 71-

5ft

do koel , (zii^ (ig. II a 11) hobbcn I\'ig. 43.

/

neus- on inoiidlioltc gomoonschap mot olkmulor, dewijl hot go-liomclto, daar ophoudt. Dit moot ook zoo zijn, daar do noiisholtc eigenlijk hot liogin is van hot adeinhalingskanaal (strottenhoofd, luchtpij]), luolit|iijptakken), oven als de mondholte het liegin is van hot spijakanaal (slokdarm, maag, darmen). Was de neusholte van achteren geheel van de keel afgesloten, dan kon natuurlijk do lucht niet door den nous iu do luohtpij\'p dringen , en wij zouden altijd met open mond moeten adein-


halen, zoo als wij soms wol genoodzaakt zijn bij verkoudheid . wanneer het slijmvlies dor neusholte gezwollen en daardoor die holte zelve verstopt is.

Fig. 43 A geeft cone voorstolling van do neusholte. Wij zien daar don ui\'twcndigen, uit mot huid overtrokken kraakbeen be-8taanden neus, die do aan het hoofd van het geraamte in fig. 10 zichtbare nousopening overwelft en bedekt, en tevens do neusholto zelve vergroot. De plaats dor mondholte wordt door li aangeduid; a is het linker neusgat, c/ de achterste opening der neusholte, waardoor deze gemeenschap heeft met de koel (vergelijk 11^. 1 I k a). Op den bodem der schedolholto (waarin zich bij h 1, zekere donker gekleurde holten, boezems genaamd, bevinden, mot welke wij ons echter hier niot zullen ophouden) ziot men de renkzenuwknoop c. (vergcl. lig. 40; 1. 1) waaruit de reukzenuwon ontspringen, dio door fijne, in do bovonvlakto van hot zeefboen (§ 33) aauwoziRo gaatjes, in do neusholten dringen. Door ƒ wordt voorgesteld eb; opening van oene buis, waarover wij bij het gehoor zullen sproken. — Do wanden der neusholte bezitten aan weerszijde drie seholpswijs ^o kromde uitsteeksels, ncumchelpen glt;Miaaind. Deze neussclielpen, en trouwens do goheele inwendige nensholto, ook hlt;\'t niilt;ldensob(it, is overtrokken met een slijmvlies — hot waarin de fijne

takjes der genoemde zenuwen zieh vers))reiden. Hot spreekt van

-ocr page 72-

«0

zelf, dat dn oppervlakte van dat slijmvlies aldus veol grooter is, dan het wezen zon, indien do wanden der neusliolte geheel glad en zonder uitsteeksels waren , en dat daardoor dan ook de aanra-kingspunteu tusselien de liudit en liet nnusalijmvlics void meer zijn, dan zonder die uitsteeksels liet geval zou wezen.

S 78. Sommige lichamen zijn riekend, reukgevend , andere zijn reukeloos. Het riekend heginsol der eerste bestaat uit zekere vluchtige deeltjes, die uit de rlekotule lichamen ontsnappen en zich in dr lucht verspreiden. Die lucht voort bij de inademing en bij het opzettelijk opsnuiven de riekende deeltjes in de neusholte; zij doen daar de rciikzeiiiitceu aan, en deze geleiden dien indruk naar de hersenen, waar hij als reuk door do ziel wordt waargenomen.

Hiertoe is noodig dat het slijmvlies vochtig zij , hetgeen geschiodt door het slijm van dat vlios zelf en door hot traanvocht, waarover later. Een droog slijmvlies, b.v. in hot eerste tijdperk van verkoudheid, ruikt weinig of niet.— Overigens bezit het neusslijm-vlies, behalve reukzenuwen, ook gewone gevoelszomuvcn d e.

§ 70. De Ioikj is het zintuig van den smaak , ofschoon ook een deel van het gehemelte-slijmvlies liet vermogen van smaken bezit, /ij is een vleezig orgaan (fig. 43, li.) dat met zijn achterste gedeelte, zijn wortel, in de keelholte vastzit, en is deels door hare eigene samentrekkingen, deels door versehoidene aan haar vastgehechte spieren . zeer beweegbaar. Zij is geheel bekleed met het slijmvlies dor mondholte. De overgang van hot slijmvlies van den bodem der mondholte, tot bet slijmvlies van de tong vormt onder de laatste eeno plooi, het toompje, waarover ik reeds iu § l!l sprak, dji den rug der tong vindt men een aantal tcpelljes van verschillenden vorm en grootte; in couigen daarvan eindigen de smaakzenuwen c.

Kvenals wij door den reuk kennis ontvangen van don aard der vluchtige deeltjes, die in de lucht aanwezig zijn, zoo worden wij door den smaak den aard dor stoffen ontwaar, die in water of in hot speeksel opgelost zijn. Daarvandaan, dat, om b,v. het voedsel wel te proeven, dit voedsel óf nit zich zelf vochtig moot zijn, óf met speeksel moet worden doordrongen.

Ook de tong bezit, behalve smaakzenuwen, zenuwen voor het gewone gevoel, iets, waarvan ieder zich overtuigen kan.

§ 80. Door het r/e/ioor nemen wij bet ije.hdd waar, dat is, gelijk wij weten, de golvende trillingen, waarin de deeltjes van een

-ocr page 73-

61

veerkrachtig lichaam geraken, wanneer hot dooreen ander liehaam

geschokt of aangestootcn wordt. Die trillingen worden in de meeste gevallen door de lucht aan hot oor toegevoerd, liet gehoororgaan , waarvan het uitwendige oor, de oor-xchclp, slechts een minder wezenlijk gedeelte uitmaakt , ligt verborgen in de rolsachtiyc, uitsteeksels dor slaajjheciidoreu (§ quot;JB). In fig. 44 zien wij het inwendige gehoororgaan uit het rotsbeen uitgebeiteld. Daar is a do ingang van don (jfhooiujang, welke opening in de diepte van de oorschelp kan go-zien worden , ii is aio gonoorgang zeit, welke geleidt in eeno holte , de Iromniclholte (l, waarin eeno rij van drie kleine hoentjes: het lia-mertje, hot aanbeeld, on do stijgbeugel , gelegen zijn. liet einde van den gehoorgang is echter van do troinmolholto door oen vliesje c afgo-scheidcn , dat het troiiimdvlics hoot. Voorts ziet men nog dieper c. don doolhof, welke hol is en in (\' afzonderlijk is afgebeeld; daar is a. de zoogenaanido roorfiof, h. hot slakkeuhuix, c. de drie half cirhclconnujc kanalen. In den voorhof, de halfcirkolvormigc kanalen en het slakkenhuis bevinden zieh do fijne eindtakjes dor r/c/zooiir/jdw, die daar nog omgeven zijn van een waterig vocht, liet slakkenhuis hooft mot do trommelbolte gemeonscliap door eeue ronde opening (hrf ronde een s/er), de voorhof door een ovale opening (he/ eironde, whs/cc), welke beide openingen eeliter ook door vliezen gesloten zijn. De gehoor beentjes liggen inde trommelholte zi\'ió, dat de steel van bet bameitje aan bet trommelvlies gebeeht is, terwijl zijn kop aan het aanbeeld en dit aan den stijgbeugel vastzit, en de trede van den stijgbeugel rust op bet vlies van het eironde venster, \'rimschen het trommelvlies en bet vlies van het eironde venster bestaat dus eeno kelen van kleine beentjes.

-ocr page 74-

02

§ 81. Do zic.h reclitlijnig voortplantondc geluidstrillingen der lm lit, de geluidsstralen om zoo te spreken, treden door don uit- r

wendigen gehoorgang naar liinnen en brengen het trommelvlies in trilling. De trillingen van liet trommelvlies worden medegedeeld door de keten der gehoorbeentjes aan het vlies in het eironde venster en door dit aan het vocht, waarin de gehoorzenuwtakjes zieh bevinden. Deze nu planten den op die wijze ontvangen indruk als geluid voort naar de hersenen. De door de trillingen van hot trommelvlies in beweging geraakte lucht binnen de trommelholte kan deze trillingen ook voortplanten op liet vlies van het ronde venster, (ui zoo do in hot slakkenhuis gelegen zenuw aandoen.

De zenuwen van don voorhof schijnen vooral te dienen tot waarneming dor grovere gelnidsindrukken, die van het slakkenhuis meer tot hot onderseheiden van de fijnere verschillen dor geluiden en toonen.

l it do trotnmelholte loopt nog oene nauwe buis, rfc huis can Kn-sl.aclii\'ii.i, tot in de kool. Zio lig. 43 ƒ do keelopening dier buis. Door deze buis kan de buitenlucht in de1, trommelholte treden, welke anders door hot trommelvlies geheel van die buitenlucht afgesloten zou zijn. Ware de Eustachiaansche buis er niet, dan zou er gedurig een verschil van spanning bestaan tusschen de binnen- en buitenlucht, waarvan het gevolg zou zijn: drukking op hot trommelvlies, hetgeen dan niet meer behoorlijk zou kunnen trillen. Daar echter de genoemde buis aan de buitenlucht vrijen toegang verleent , zoo wordt het evenwicht tusschon binnen- en buitcnlneht bewaard. Hij verstopping echter dier buis ontstaat doofheid, wegens de bolommorde trilling van het trommelvlies.

4} H\'J. Het gehoor heet scherp, wanneer het in staat is ook kleine geluidtrillingen goed waar to nemen; fijn noemt men het, zoo het kleinere verscliillen in de hoogte, laagte en klank der toonen In staat is te bespeuren.

De rich/inti, in welke het geluid tot ons komt, maken wij vooral op uit de meerdere sterkte, waarmede hot een onzer ooren aandoet.

Is dit b. v. bet rechter oor, dan besluiten wij. dat het geluid van den reeliler kant komt. Voor den afstand is doorgaans de meerden\' of mindere sterkte van het geluld ons tot maatstaf. Hoe be-driegelijk ons oordeel over de richting en den afstand van hot geluid moet zijn , zoolang hot alleen op do aangevoerde gronden berust, behoeft geen betoog en loert ook trouwens de dagelijksche ondervinding.

§ 8,\'1. Het zintuig van het (jrzicht is het, oog, de ooyhvl, welke

-ocr page 75-

golcgon is binnen do beenigft oogholto. of oogkas (§ 27 fig. 10,10). Ho ven de oogholto vormt do huid eenc, afhiingcnde plooi, het bovenst otin lid, en bonoden de oogholte een dergelijke kleinere, bot onderst ooylld, welke beiden aan hunne randen van ooyhuurtjes vooi-zien /.ijn en door daartoe geschikte spieren tot elkander gebracht en van elkander verwijderd, of, zooals men gewoonlijk /.egt, gesloten en geopend knnnen worden. In de oogholte, naar de bniten/ijde des boofds, liggen nog de traanklldrc.n, die het Iraunvoohl af-Bcboiden , hetwelk door de gedurige beweging der oogleden over de voorvlakte van den oogbol gevoerd wordt, welke voorvlakte bestendig vochtig blijven moet. Dat traanvocht geraakt eindelijk in den binnensten ooghoek, waar het opgenomen wordt in het Iraaazakje en uit dit door de traanbuis in de neusholte komt. lïij bet weenen is de afscheiding van liet traanvocht vermeerderd ; do oogen worden daardoor vochtig ; er wordt ook door de traanbuizen meer vocht in de neusholte gevoerd ; en wanneer do hoeveelheid van het afge-Bcheideu traanvocht zóó groot is, dat de traanbuizen bot niet meer kunnen verzwelgen , dan loopt het over den rand van het onderste ooglid als tranen op de wangen neder.

Op het voorhoofd, even boven de oogbuien, liggen Ao wenkhrau-wen, wier nut door sommigen aangenomen wordt daarin te bestaan, dat zij liet van bet voorhoofd nedcrloopende zweet zijdelings afleiden, zoodat het niet in de oogen komt.

§ 84. De oogbol zelf is een bolvormig, van binnen hol orgaan, waarvan de wand uit verscheidene op elkander gelegene vliezen bestaat. liet buitenste vlies is wit, vrij vast en vezelachtig van weefsel, en heet het harde oogvlies (tunica sclerotica of wel sclerotica alleen.) Dit bolvormige vlies bezit aan de voorzijde een rond gat, dat echter weder gesloten is dooreen volkomen doorsehijnend vlies, het hoornvlies (cornea), dat een sterkere kromming of welving bezit dan het harde oogvlies, liet tweede vlies van den oogbol, welk tweede vlies het harde oogvlies van binnen bekleedt , is het nml-of adervlies (tunica ehoroideaj, dat aan de achterzijde mei zwarte kleurstof bedekt is. Dit wordt wederom overdekt door het /.eer fijne, bijna doorschijnende netvlies (rrtinaj , het derde oogholvlies. Door een gat achter in den oogbol, dat het harde oogvlies en het vaatvlies doorboort, treedt de dikke gezichtszenuw binnen den oogbol, en verspreidt, dadelijk hare zemiwbulsjcs in bel netvlies.

Het netvlies is het eigenlijke gezichtsorgaan ; maar de plek,

-ocr page 76-

04

waar do gezichtszenuw in hot oog komt en die «enigszins verheven is, is voor liet lielit ongevoelig. De voor het licht allergevoeligste jilaats van het netvlies ligt in \'t midden van het netvlies, en is oen klein ovaal, geel gekleurd groefje, (geide vlek). Ter plaatse, waar do rand van hot doorsehijneml hoornvlies verbonden is met don rand van het rondo gat in de voorvlakte van liet harde oogvlies, bevindt zich oen middenschot, dat de ruimte, bevat in do holte van bet hoornvlies, afscheidt van de voel grootero holte, die door het harde oogvlies, het vaatvlies en het netvlies omsloten wordt. Dat iniddensehot, hctwi\'lk men rcycn-hooyvlies lt;d\' iris heet, bezit in hot midden eon gat: de oogappel of pupil. De iris is dus eigenlijk een ring; de acditerste oppervlakte van dien ring is zwart, de voorste, gelijk elk -weet, grijs, blauw, groen, bruin of zwartbruin.

De holte van don oogbol achter de iris is opgevuld door bet kogelvormige, ylasuchtiy lichaam, betgeen bestaat uit een volkomen doorschijnend vliezig weefsel, dat met oen waterhelder vocht gevuld is. Die kogel bezit van voren eene sehotelvorinigo iiitliolling, waarin de hrislal-knK sluit, een rond lensvormig lichaam, met een bolle voorvlakte en eene. nog bollere achiervlakte, en ulinede volkomen doorschijnend. Do ruimte tussehen de kristallens en het doorsehij-nend hoornvlies is gevuld mot een waterachtig vocht.

Fig. 45. In de nevensgaande

figuur 45 duidt a het harde oogvlies aan; de stippellijn is van onderen bij vergissing doorgetrokken tot den donkeren ring h, welke het vaatvlies aanduidt. De gezichtszenuw is voorgesteld door c, het netvlies door d, het ghisaebtig liehaam door e. Een de kristallens van den ooui.ol. omgevend vliesje wordt

aangeduid door ƒ, de kristallens zelve, in de uitholling van het glasachtig liclmnm als ware het ingedrukt, door i/. Eindelijk ziet men hier de iris /(A, met de pupil / en van voren het doorschijnend hoorn\\ lies

-ocr page 77-

65

Wanneer men de nogen van een andor persoon — of zijne eigene oogen in een spiegel — Ijeschonwt, dan ziet men vooreerst liet zoogenaamdö wit van het oog, hetgeen niets anders is dan het voorste gedeelte van het Imrde oogvlies, liet middelste, niet witte, is het gat van het harde oogvlies, gesloten doorliet doorschijnende hoornvlies, hetwelk vooral goed te zien is, wanneer men een oog op zijde (in profiel) besehonwt, waarbij dan duidelijk opgemerkt kan worden, dat het boller is dan het harde oogvlies. Door hot doorsc hij-neiul hoornvlies heen ziet men voorts de grijs, blauw of bruin gekleurde iiis, en het gat in het midden daarvan: do oogappel of pupil. Deze is steeds zwart en men zon dien bij eene oppervlakkige beschouwing niet voor oene opening honden. Wil men zich overigens van het inwendig samenstel des oogs door eigene aanschouwing een vrij goed denkbeeld vormen, dan neme men een kalfsoog, ontdoe dit voorzichtig van het aan de achterste oppervlakte en rondom do gezichtszenuw opgehoopte vet, en snijdo hot dan zóó door, dat men het in eene voorste en achterste helft verdeelt. Dit kan met een groot en scherp pennemes zeer goed verricht worden.

Ter voltooiing van deze schets van het samenstel dos oogbols voeg ik bier nog bij, dat het voorste gedeelte er van, dat gedeelte namelijk wat bij lederen mensch van buiten tussehen de oogleden zichtbaar is, nog overkleed is mot een uiterst fijn, volkomen doorschijnend en daarom niet in \'t oog vallend vliesje,het hindvliCH. Dit bindvlies hangt samen met, of is een verlengsel van een dergelijk vlies, dat de binnenvlakte der oogleden, tot den be-baardeii rand toe, bekleedt.

Voorts is de gansche oogbol beweegbaar door onderscheidene kleine spiertjes, waarvan elk zich met zijn eene uiteinde aan den wand van de, beenige oogkas, en met zijn andere aan het harde oogvlies vasthecht.

S 85. Over het ::!m zal ik zeer kort zijn, daar het voornaamste wat biertoe betrekking heeft, hij de leer van het licht behoort en aldaar behandeld wordt. Ter herinnering diene het volgende.

In fig. \'li! ziet men een vergrooten omtrek van den oogbol. De verpehillende vliezen enz. zijn daar niet afgebeeld, hetgeen ook niet noodig is en de voorstelling slechts verwarren zonde. Men ziet er den ronden omtrek des oogbols, in 1)1\'cl) het doorschijnend hoornvlies, in DyijoD de doorsnede der iris; de ruimte j) ]) is de

-ocr page 78-

(gt;(;

quot;og.ippcl of pupilj on EE ilo lens. De kromme lijnen II en G komen hier niet in aanmerking.

Fiir \'16.

A I! is een buiten liet oog gelegen voorwerp. Van alle punten van dat voorwerp gaan lichtbundels uit, die uit divergeer....... stralen bestaan. In dc figuur zijn, om haar niet te verward te maken, alleen de lichtbundels geteekend, die van de beide uiteinden vauquot; A 15 in do richting vau het oog uitstralen, en elke dier lichtbundels is slechts aangeduid door twee buitenste en eene middelste lichtstraal. De stralen nu , welke van het voorwerp op het hoorn-vlies vallen onder een hoek, die kleiner is dan 48°, gaan door dat hoornvlies heen en, daar het hoornvlies met het waterachtig vocht gevuld een bolle lens vormt, zoo worden zij gebroken, zoo dat zij minder divergceren. Zoo kunnen van die stralen meer dooide pupil gaan, dan anders het geval zou zijn. Door de pupil getreden, worden zij door do lens EE nog sterker gebroken, en wel zoo, dat de lichtstralen, d!e ran hetzelfde piml den voorwerp» ko-quot;quot; i\', zich achter in het oog wederom ineen brandpunt vereenigen, quot;elk brandpunt bij een welgevornid oog juist op het netvlies valt. llerinneH men zieh het in de physica over de straalbreking door lenzen geleerde, dan moet het duidelijk zijn. dat de bundel lichtstralen. die van bet punt A de* voonverps A H komt. zijn brandpunt op het netvlies in a hebben moet, en dat daarentegen de van I! kiimeiide straalbundel in I, zijn brandpunt zal vormen. Even duidelijk zal het zijn, dat van alle punten, gelegen tussehen A en li,

............... zu,le» afkomen, die, door het hoornvlies en de lens

gebroken, brandpunten zullen vormen tussehen a en b. Ieder dier brandpunten is een beeld van het overeenkomstige punt des voor-werps, « van A, h van I!, en zoo vervolgens. Al die beelden vor-

-ocr page 79-

67

men natuurlijk to aainpii eon beeld van hot ycheKh: voorwerp A I?, en derhalve wordt or van dat geheele voorwerp A li con omgekeerd en verkleind beeld op het netvlies geteekend.

Dat dit werkelijk het geval is, wordt bewonen in de eerste plaats door de leer van de straalbreking door ver/amollenzen, toegepast op de goheelo inriehting des oogs, en in do tweede plaats door een reehtstreokseho ])roofneniing. Men schilt aan oen kalfsoog van achteren op een plok van een duim middellijn voorzichtig het harde oogvlies en het vaatvlies weg, zorgende, dat het netvlies ongeschonden blijft. Richt men dan het hoornvlies van dat oog naar een sterk verlicht voorwerp en ziet men van achteren door do afgeschilde plaats, dan ontwaart rnen op het netvlies een klein, omgekeerd beeld van dat voorwar]), en het wordt ons dan duidelijk, dat men met recht het optisch samenstel des oogs mot dat van eenc chambre obscure vergelijkt.

De op de zenuwbuisjes van het netvlies voortgebrachte indruk van het alzoo gevormde beeld wordt door do gezichtszenuw naar de hersenen en alzoo tot bewustzijn gebracht.

§ 8igt;. Zoo er op het netvlies oen omr/ckojTii beeld van hot voorwerp gevormd wordt, waarom zien wij hot desniettegenstaande! recht? Omdat alle overige boeiden, die gelijktijdig ophot netvlies gevormd worden, evenzeer omgekeerde beelden zijn en do betrekkelijke plaatsing van allen onderling dus dezelfde blijft. Stel dat A15 een toren was. Dat een toren omgekeerd stond, zouden wij daaraan bespeuren, als zijne spits A naar den grond en zijn voet 1gt; naar den hemel gekeerd was. Maar in do afbeelding op hot netvlies zal hot beeld van den hemel, van do wolken, honeden « staan, en de afbeelding van den grond, waarop de toren staat, boven h. De boomen, die misschien rondom don toren staan, zullen op het netvlies afgebeeld worden mot hunne toppen wijzende naar den hemel bonoden n, en met hun stam wortelende in don grond boven h. En zoo zal het met alles zijn. Al de beelden, die gelijktijdig op het netvlies vallen, behouden dus. mcl. Jc/rc/,•/gt;■/;/(/ lal «//.((»(/«■)•, volkomen doiizelfdon stand, welken de voorwerpen zelve bezitten. — Wanneer men door oenig nadenken zoo ver gekomen is dat men deze verklaring wél heeft begrepen, dan zal men moeten toestemmen dat zij volkomen natuurlijk en juist is, en dat de zwarigheid, welke zij oplost, van geen moer gewicht is dan die, welke onkundige menschen wol eens inbrengen tegen

-ocr page 80-

08

do lom- van do holromlo gedaante dor aarde en het bestaan van tegenvoeters, welke laatsten zoodanige lieden steeds venvarren met nienschen, die mot liet hoofd naar beneden loopen.

§ 87. Het nut van hot regenboogvlies of de iris bestaat voornamelijk en in de eerste plaats in het volgende. De iris bezit zeer iijne spiiTvezelon, die in tweeërlei richting loopen. Sommige namelijk loopen kringsgewijs, andere loopen straalvormig van den bnitensten, grootcn omtrek der iris naar den binnensten, kleinen omtrek , die de rand der pupil is. Trekken do kringsgewijze spier-vezelen zich samen, verkorten zij zich, dan is daarvan het gevolg dat het gat in de iris, de pupil, nauwer wordt. Verkorten zich daarentegen de straalsgewijze vezelen, dan wordt de pupil wijder. De kringsgewijze spiervezelen nu trekken zieh te samen onderden invloed van hef licht, en wel des te sterker, naarmate er moer licht in het oog valt. (Dit is een voorbeeld van een dier reflexie-bewegingen, waarvan ik vroeger sprak). Indien nu het licht zeer sterk is. en er alz.OO meer licht in bet oog valt dan tot goed zien noodig is, — hetgeen bot netvlies en de oogzennw te, sterk prikkelen zou en nadeelige gevolgen zon kunnen hebben, — dan trekken zich dadelijk do kringswijze vezelen samen, de pupil wordt nauwer, en daardoor do toegang voor de overtollige lichtstralen tut het binnenst van hot oog afgesloten. Is daarentegen het licht siechts zwak. dan verslappen do kringswijze vezelen naar evenredigheid. en do straalsgewijze vezelen hebben nu vrij spel om zich samen te trekken, do iris zelve te versmallen, en daardoor de pupil te verwijden, ten gevolge waarvan dan eeue grootore hoeveelheid licht in het nog wordt toegelaten. Dit geschiedt onophoudelijk; bij elke verandering in de sterkte des lichts heeft er zulk oene verwijding of vernauwing dor pupil plaats. Laat iemand eenige oogenblikkeu de oogon sluiten , en houd er ten overvloede — omdat de oogleden eenigzins doorschijnend zijn. — do hand voor; laat hom dan hij oen goed verlicht venster de. oogen openen; gij zult zien hoe de verw ijde pupul zich plotseling samentrekt en kleiner wordt. — Wanneer men van oene helder verlichte plaats in een slechts schemeraehtig verlicht vertrek komt, zal men eerst slechts weinig of niets oiidersehoiden. Iinmers door het heldere licht is do pupil vernauwd , en het licht, dat in de donkere kamer door die vornamvde pupil dringt, is tot duidelijk zien niet voldoende. Na eenige oogonblikkon echter zal men heter beginnen te zien.

-ocr page 81-

09

omdat nu de pupil zich verruimou zul en daardoor in staat zul worden gestold meer lichtstralen door te laten. — Wanneer men \'s nacht op,een weg of langs eene straat gaat, waar slechts even genoeg licht is om de uaastbijgelegene voorwerpen Hauw te ouder-scheidon, en men vestigt dan zijne oogen op oen helder licht, dat op een afstand brandt, dan zal men daardoor zoo verblind worden, dat men om zich hoen geheel niets meer ziet, hetgeen niet zelden tot ongelukken aanleiding geeft. Eerst waren de pupillen genoeg verwijd om al de lichtstralen, hoe weinig ook, die van do, omringende voorwerpen afkwamen, door te laten, en men kon dus nog zien; het licht, van de lantaarn b.v, deed echter do pupilion zich vernauwen, waarvan hot gevolg was, dat er veel te weinig lichtstralen konden worden toegelaten om zelfs flauw te zien.

§ 88. Thans moeten wij de tweede klasse der diorlijko verrichtingen, do beweging, beschouwen. Er ontstaan in hot inenscholijk lichaam bewegingen, wier oorzaak gehoelonal uit bekende physischo wetten verklaard moet worden; zoo b.v. de beweging van vochten door endosmose, do samentrekking van alvorens uitgezette dooien ton gevolge hunner elasticiteit, en wat ilios meer zij. Doch van verreweg do meeste onwillekeurige bewegingen, en van alle willekeurige, zijn do spieren de worktuigon. Spieren zijn hetgeen wij in hot dagelijksch loven vlecsch noemen. Hot zijn doelen van oen vezolachtigon bouw, rood van kleur, die gedurende het loven de eigenschap bezitten om zich samen Ic kunnen trekken en daardoor korter te worden. Hare gedaante is verschillend; de moesten zijn langwerpig, zooals b.v. do spieren van den arm in lig. \'1. Deze spieren zijn, gelijk men ziet, langwerpige, in hot midden dikkere;, naar do beide einden dunner wordende vleoschmassa\'s. Er zijn or echter ook, die aan hot eene einde breed, aan hot andere smal, en andere, die overal breed on tevens plat zijn. gelijk b.v. do broode on groote spieren, die do wanden van den huik uitmaken. Eindelijk zijn er ook, die men spiorvliozen noemt, omdat zij geheel don vorm on do uitgobroidhoid van vliezen bezitten, zooals b.v. het spiervlios, dat het spijskanaal in zijne geheelo uitgestrektheid (slokdarm, maag, darmen) omgeeft en bekleedt. — Do grootte dor spieren is almede zoor verschillend.

Men onderscheidt overigens de spieren in twee klassen. Tot de eerste behooren de eigenlijke spieren, die tot de. iriUrkenri\'ie bewoging dienen, — tot do tweede diegene, welker samentrekking

-ocr page 82-

70

niüt van (Inn wil afhangt, zooals liet liart, do genoemtle gpier-vliczen, do vcznlcn van do iria enz.

§ 89. Aan do spieren dor willokenrigc beweging, tot wclko wij ons nu in de eerste plaats bepalen, onderschoidt men, wolken vorm zij overigons mogen bezitten, drie deolen: twee einden on een middengedeelte. Hot laatste is liotgeen men bij de langwerpige spieren den spirrhitik noemt. De beide uiteinden loopcn in den regel uit in pezen. Doze zijn voel harder en vaster dan het spiervloeseh, niet samentrekhaar, on wit van kleur. In fig. 4 ziot men deze pezon aan verscheidene dor daar nfgeboelde spieren, vooral duidelijk aan de spier 8 (do gnmeonsohappelijko uitstrekspier dor vier vingors). Door middel dezer pozou is elke spier stevig vastgehecht aan twoe veraohillonde punten van hot geraamte, —sommige kleine spieren, li.v. de aangeziclitsspiorcn , met het eene eind aan do huid. Zie, verder § 02. Het overige dor spier is door bindweefsel vrij los met de naastliggende spieren en andere doelen verbonden.

Ten aanzien van hot fijnere, inwendige samenstel der spieren merk ik hier slechts aan; 1°. dat elke spier bestaat uit oen groot aantal fijne bundels van nog veel fijnere sjiiei-vezelen-, 2° dat do spieren vele bloedvaten bezitten; 3quot;. dat er ook vele zenuwen in eindigen, wel to verstaan vele bowcegzenuwon (§09). De gevoeligheid der spieren is overigens niet groot, en do pozen zijn nog veel ongevoeliger dan bet spiervloeseh.

§ 90. Elke, levende spier bezit het vermogen zich samen te trekken, d. i. korter (en tevens dikker en harder) te worden, /nik eene samentrekking en verkorting ontstaat in eene spier, wanneer di? boweegzenuw , die zich van de hersenen naar de spier begeeft en zich in haar vertakt, door den wil wordt aangedaan. De indruk, de prikkel van dien wil wordt, uit de horsenon, door de zenuw op de vezelen dor spier overgebracht —- en bet gevolg is : samentrekking en dus verkorting der spier. Die invloed van den wil is de regelmatige, natuurlijke oorzaak der spiorsamentrekking. Maai\' er zijn ook andere oorzaken, andere prikkels, die in staat zijn zulk eene samentrekking in eene spier te weeg te brengen. Indien men eene bloot liggende beweegzenuw (bij oen levend of een /t\'i.i gestorven voorworp) met oen tangetje knijpt, of met oen naald steekt , of er een druppel scherp zuur op laat vallen, of er een elektrischen stroom door laat gaan, dan zal de spier, welke mot die, zenuw in verhand staat, zich samentrekkon, buiten den wil

-ocr page 83-

71

om. Ja tiet is niet oens noodig de, zenuw te, prikkelen 5 prikkelt men op oeno der genoemde wijzen de spier zelve , dun zal er ook sameutrckking volgen, doordien ook dau illt;\' fijne zenuwdraadjes in de zelfstandigheid der spier zelve worden geprikkeld.

§ !H. Oe spieren zitten door middel barer pezen vastgehecht iimh liet geraamte. (Zie echter g 02) Steeds ligt tnssdicn de beide nanhech-

tingspunten (die men als punt van oorsprong en punt van inphmting gewoon is te ondersobeideu) ecu gewricht, — met andere woorden: elke spier is vastgehecht aan twee (of meer) verschillende beenderen , die door een gewricht met elkander verbonden zijn. Wat moet

c

ij er nu gebeuren, wanneer zulk een spier zich samentrekt en derhalve korter wordt? Vestigen wij het oog oji nevenstaande figuur 47 ,

voorstellende twee, stukken bout, (twee beenderen) a en h, die door een scbarnier (een gewricht) d met elkander vereonigd, en tevens door een touw ƒ e (j (waarvan e ƒ eene spioi\' voorstelt,) met elkander verbonden zijn. Wanneer dat touw e ƒ korter wordt, doordien men er in ;/ aan trekt, dan zal van die verkorting het noodzakelijk gevolg zijn, dat do beide aanheehtingapnnten van het touw, c, en/, en dus de beide houten, waaraan het gehecht is, tut elkander naderen. Staat het eene stuk hout, re b.v., vaster op zijne plaats dan h, of wordt a vastgehouden en 6 niet, dan zal 2» alleen tot a naderen.

T11 fig. 48 zien wij volkomen betzelfde, doch de beide stukken hout, die twee door een gewricht verbonden beenderen moeten voorstellen, zijn hier voorgesteld in volkomen ui\'lgeulrc.k/nn toestand , dat is zóó, dat het hout a (dat wij het opiierarmbeen , fig. I /.:, zullen noemen) ligt in de verlenging van het bout 6, voorstellende, den onderarm, fig. 4 ra 11. Wij zien hier weder eene koord ƒ h c. lt;j, loopende over de katrol e. Die koord moet verbeelden , voor zoo ver liet gedeelte f li e aangaat, de binnenste armspier, ecu der buigspioron van den voorarm. Men begrijpt, dat die Imigspier zelve aan de beenderen in ƒ en c vast zit, en dat liet gedeelte der koord c (j met de katrol c hier slechts bijgetcekend is, evenals in (ig. 47,

-ocr page 84-

72

om iloor daaraan to trekken rto verlcortiiKj der oigonlijko, tiiss(dien con/ golegono spier te vervangen. Wordt nu aan lt;/ getrokken, of, zoo de koord ƒ e in r vast zat, kriin|it ./e in, dan zal ook hier het hout h (de onderarm) naderen tot don bovenarm «, en do arm zal in het elleboogsgcwricht d gebogen worden.

Vestigen wij nu nog eons het oog op tig. 47 , dan loopt het in het oog, dat de. koord (of spier) in ƒ niet zoo gunstig voor nene gemakkelijke beweging aan bet hont h gehecht is, dan \\ plaats zou hebben, indien zij vorder van hot

\\ gewricht d af, b.v. in f* vast zat. Vooral dtln

zal natuurlijk dio aanhechting in / ongunstig zijn, zoo het vrije uiteinde van het hout d nog met een last c bezwaard is. Intusschcn zijn zeer velo, ja de meeste spieren in bet lichaam op die, wijze — die vooral voor krachtsuitocfoning zeer ongunstig is, — vastgehecht, en wel om redenen, die wij hier kortheidshalve niet zullen hespreken. Doch liierop maak ik opmerkzaam, dat men bij sommige gowrichtcn inrichtingen iian-^j(, treft, waardoor hieraan ocuigzins te gemoot wordt

gekomen. Zie mi weder naar fig. IH. (ilj ziet daar aan het onderste uiteinde van het hout a eeno verhevenheid h, waarover de koord cƒ heen loopt, on ik geloof dat de blooto heschonwing dor figuur u zal doen opmerken, dat nu, wegens het schuins van h naar ƒ loopon der koord, do beweging, dat is het buigen der beide houten in het scharnier, vrij wat gemakkelijker gaan zal, dan wanneer de verhevenheid h niet aanwezig was, en de koord r, f dus plat op de houten lag. De meeste gewrichtsuit-einden der beenderen nu zijn dik, dikker dan de middenstukken dier beenderen; die verdikkingen aan de gewrichten doen eenigcr-mate den dienst der verhevenheid h. De knieschijf, en het sterk uitpuilende ellehoogs-uilsteeksel bewijzen denzelfden dienst aan de uitstrekkende spieren van het heen en van den arm.

■j f\'2. Dit is een der eenvoudigste voorbeelden van de uitwerkselen van de samentrekking eener spier. In het algemeen is dit uitwerksel: beweging van een deel van bet geraamte. De aard dozer beweging zal natuurlijk verschillen naar gelang van de verschillende heenderen, waaraan de spieren gehecht zijn, van cle wijze,

quot; \\

\\

d \\u

-ocr page 85-

73

waarop zij daaraan gohccht zijn, van de. houding, wclko het to bewogen boen bezit op het oogenblik dat de spior y.ieli samentrekt, on van de omstandigheid of het het eene dan wel hot andere der beide beendoren is, dat op het oogenblik dor spiorsamentrek-king vast staat of bewegelijk is.

Het geraamte nu is, gelijk wij weten (§ 27), do grondslag dos li-ehaams. Wordt een deel van het geraamte bewogen, dan wordt lt;ink het goheele liehaamsdoel bewogen , waarvan dit deel van hot geraamte de vaste grondslag is. De spieren en de. booiuleron zijn daardoor de werktuigen der willekeurige beweging, en wol de spieren do werke.wh factievc.) , do beenderen do lijdende fpaxsieve) ; do spieren toeh brengen door hare samentrekking de beenderen in beweging; d(^ beenderen daarentegen worden in beweging gebracht,en doen daaraan zeiven niets.

Er zijn, opdat ik dit hier met oon enkel woord doe opmerken, eenige spieren voor de willekeurige beweging, die slechts met het eene einde aan een been, en inet het andere aan een zacht doel gehecht zijn. Zoodanige zijn b.v. do spieren der tong , de spieren van den oogbol, liij deze en dergelijke spieren is het vaste punt steeds dat, waar de spier aan het been gehecht is, Zeer enkele, zooals de kringspier van den mond, zitten geheel niet nan beenderen vast.

§ 113. Do spieren der onwillekeuriye beweging zijn het. hart, de kringswijze spiervozoleu in de wanden der bloedvaten on in de, wanden van de uitloozingsbnizen der klieren, in den wand van de luchtpijp en van de luchtpijptakken, voorts do spicrvezelen der piablaas en de spierrok van het goheele spijsverteringskanaal , do. spicrvezelen van de, iris enz.

De samentrekking van deze spieren geschiedt buiten den invloed van don wil, maar niet buiten den invloed van zenuwen. De zenuwen dier spieren en spin vliezen toch vormen een wel met het ruggemerg en do hersenen samenhangend, mnar toch tot zekere hoogte, op zichzelf staand zenuwstelsel : het vegetatief- voedings-zenuwstelsel , bij den mcnsch en de hoogerc dieren de groolo, medelijdende zenuw (nerrus si/mjxUhicuti) gonaamd. liet is een dubbele, ter weerszijde van do wervellichamen van het hoofd af naar benedon in de bnikholle looponde zenuwstreng, waaraan zich van afstand tot afstand 21 of 2.r) zeninvkiionpi-n ((jarKjlini vertoonon. lri( deze knooiion ontsiiringon ze-nuwtakken, die met elkaar vloeiiten vormen , waaruit weder zenuwen ontstaan, die zich met takken van het hcrson-ruggeinergstelsel verbinden of den loop der vaatvertakkingon volgon en zich zoo in de verschil

-ocr page 86-

74

lenilo lichiiainsilnelen vevspvcidcii. nii\'t allne.n gaan er takken

naar hot lierscii-riiggonicrgstolscl, — In-t vegetatief zonuwstolsel ontvangt oek takken van dit laatste. — Onder de heerschappij van dit, zenuwstelsel staan al die verrichtingen en bewegingen, die hui-ten den wil om plaats liehhen, dus bepaaldelijk de vegetatieve of organische verrichtingeii, — voor zoover niet de wil daarop invloed heeft, 1). v. bij het kauwen en slikken. Do centraal-organen van dat stelsel zijn de zennwknoopeu van den mrvu* si/mpalhicus. Vergelijk hier § lt;5 1. — Nog bij ile Grelede dieren bestaat allerwaarsehijn-lijkst een afzonderlijk vegetatief zenuwstelsel;—- bij de lagere dieren smelt het met het dierlijke of hersen-ruggeincrgzenuwstelsel ineen , en drukt zijn stempel des te meer op het gezamenlijke ze-nuwstelsel , als het dier lager staat op do ladder dor bewerktuiging.

De wijze, waarop ten gevolge van prikkeling van eon der genoemde dceleii (van het hart door het bloed , van bet spijsverteringskanaal door het voedsel enz.) samentrekking van de spiervezelcn dierzelfde deelen tot stand komt, kan het best vergeleken worden mot het ontstaan der insgelijks onwillekeurige reflexie-hewegingon in de willekeurige, spieren, waarvan ik § 7quot;_\', molding maakte. Men stelle het zich zóó voor, dat do indrukken, die een sympathische gevoelszonuw ontvangt, door deze naar een zenuwknoop worden geleid, en zich daar reflectoren op een sympathische beweeg-zenuw, ilie haren wortel in hetzelfde ganglion heeft, —• De uitwerking der alzoo ontstane spiersiunentrckkingen is voortstuwing van de stoffen , die in bet door de spicrvezelen omgeven deel zich bevinden.

Iets eigenaardigs is het overigens bij dezo onwillekeurige spierbewegingen, dat zij meest altijd bestaan in min of moer geregeld en voortdurend afwisselende samentrekkingen en verslappingen.

S ill. Ons bestek laat niet toe dat wij, thans tot de willekeurige bewegingen terug keoiende, hier de beweging der verschillende doelen des lichaiuns elk in liet hijzonder beschouwen. Vooral de plnatsbeweging (het (/aan, loopcn, sprinyfn enz.) zoude in bot tegenovergesteld geval onze aandacht moeten bezig houden. Ik zal mij dus bepalen tot nog een kort woord over de s/em en de. sprank.

liet werktuig, dat tot voortbrenging der stem dient, is het slrol-fmhoof\'l. Het liet lig. 1G a, ~ I r) boven en vóór aan ileu hals, en maakt het bovenste gedeelte der luchtpijp nit. In fig. ^ 1 is ƒ de schildklier, dé\' hel strottenhoofd van voren gedeeltelijk bedekt, doch .......rmede wij thans niet te maken hebben.

-ocr page 87-

75

!•%. 10. 40 geeft eenn grootcrc afbeelding

van liet strottenhoofd, aan de linkerzijde gezien. Het is een breede en korte buis, van boven vastgeheeht aan het tongbeen ld, dat van voren weder aan den tong vastzit\'. De wanden dier buis bestaan uit het sehildvormig kraakbeen l en het ringvormig kraakbeen c, aan welk laatste zich de eerste ringen van De andere afbeelding is eenc over-langsche doorsnede van het strottenhoofd, waarvan hier dus do rechterhelft van binnen zichtbaar is. De doorsnede van het tongbeen is daar door h, het halve sehildvormig kraakbeen door t . en

het halve ringvormige door lt;: aangewezen. Op den hoogeren en broederen achterkant van bet laatstgenoemde kraakbeen zitten de kleine hrhervov-miffe kraakbeenderen ar. liet door c aangewezen deel is de rechterhelft van een kraakbeenigo klep. die baar vast jmnt heeft vóór aan liet strottenhoofd, dus onder //, en naar achteren neergedrukt kan worden. Onder deze klep, de xfrotklop vormt het slijmvlies, dat het strottenhoofd bekleedt, ter weerszijde twee plooien, die van voren naar achteren tot v loopen en in de figuur duidelijk genoog zichtbaar zijn.

de luchtpijp Ir aansluiten.

Imsj\'. 50.

Deze plooien zijn bet, die voor ons van het meeste gewicht zijn. In de figuur zijn de bovenste en benedenste plooi der rechterzijde van bet strottenhoofd zichtbaar, en het spreekt van zelf dat naast ieder dier plooien eene bovenste en benedenste dor linkerzijde komt te liggen, wanneer men de linkerhelft des strottenboofds, die hier weggenomen is, weder in gedachten aan de In de figuur ziclitbare rechterhelft voegt. — De beide benedenste plooien nu, tusschen

\' Kijf. 50 levert eeue afbeolding van het lonj/hccn, hot ennigo hoen dat niet tot hot gornamto liehoorl (§ 27). Hof wordt Iner voorgesteld vau voren gozion ; a is het ml hhmluk of liehnam, in lig. 19 door h aaugeiluid : h zijn do zoogenaamde groole hoornen, die achterwaarts uitstoken en in tig. 10 zonder aanwijzende lettor gonoogzaani ziehthaar zijn, c zijn de kleine hoornen (tig. 10 /).

-ocr page 88-

welke cene namvv spleet open blijft, hooten (\\a slembanden o(stem-spleelbanileu, ook wel ware gleinhamkn, in tegenoverstelling vim de, bovenste plooien, die men ook wel onware stembanden heet.

§ t)5. Wanneer men zicli herinnert hetgeen de pliysica leert aangaande het geluid, voortgebracht door de trilling van veerkrachtige vliezen en wel bepaaldelijk door zoogenaamde tone/werken, dan zal liet niet moeielijk zijn zieh een denkbeeld te vormen van de-wijze, waarop de menschelijko stem wordt voortgebracht, liet strottenhoofd is een tongwerk; de ware stembanden zijn de tonyen (anches); ile lucht wordt uit de longen door de luchtpijp en het strottenhoofd tot in de keelholte gedreven en brengt, wanneer do stembanden door zekere daartoe dienende spiertjes behoorlijk gespannen zijn, de randen dier handen in trilling, waardoor dan een toon ontstaat. Even als bij gespannen snaren zal hier de toon des te hooger zijn, naarmate do stembanden sterker zijn gespannen; des te lager daarentegen, naarmate dit laatste minder het geval is. Vandaar bet verschil der toonen, die de menschelijko stem voortbrengt. Bij gelijken graad van spanning zullen korte stembanden een hoogeren, langere een dieperen toon geven; vandaar dat de stem bij do vrouw en bij het kind — bij welke do stembanden korter zijn, — hooger is dan bij den man, wiens stembanden grootere lengte bezitten.

De stembanden zijn echter slechts in staat een hooger of lager (lehiid — toonen — voort te brengen. Door dat geluid met zekere kracht en met een bepaalden klank flhnhyj voort te brengen, ontstaat de Klein; maar die stem wordt dan eerst .s/fraa/i. wanneer zij een bepaalden vorm verkrijgt, wanneer zij yedrtlculeerd wordt,— wanneer in de eerste plaats de eenvoudige geluiden, dooi lt;lo stembanden voortgebracht, door verruiming of vernauwing der keel- en mond-Imlte tot bepaalde Id.inkcrs {voealenj gewijzigd, en in de tweede plaats die. klinker» weder op nieuw gewijzigd worden door zekere bewegingen der lippen en der tong, door het bij elkander brengen der tanden enz. , ten gevolge waarvan de inedekliiilcrr.i (eonsonanten) ontstaan.

§ ill). De vraag: „wat geleiden de zenuwen en hoe. geleiden zij Vquot;— kunnen wij hier niet bespreken. Voor zoo ver hier van dierlijke elektriciteit spraak ia, moet ik naar de behandeling van deze in de physica verwijzen. Ook het daarmede samenhangend vraagstuk van de vcnhditiniren der hersenen en hare afzonderlijke deiden zal ik sl .H\'lits even aanroenm. Mfii is hot daarover oens,

-ocr page 89-

I (

dat do groote liorscnnn «ven roodig zijn tot donken als b. v. liet harde hoornvlies, de letia, het glasachtig vocht tot zien, — terwijl vooral het middenste gedeelte der hersenen en het verlengde merg tot het willen in betrekking staan, en wel zóó, dat het rechtergedeelte der hersenen de linkerhelft des lichaams bcheerscht, en omgekeerd. In het verlengde! merg ligt ook het middenpunt der uilcinhnlhifishcweyingen. Van de verrichtingen der kleine hersenen kan men met zekerheid weinig zeggen, ofschoon de nujcllmj do.r Uciiaamshrwi\'ylngcn aan dit orgaan opgedragen schijnt. Het ruggemerg, — behalve dat het als een zenuwstam kan aangemerkt worden, die de zenuwen voor den romp bevat, — is de voorname bron der retlexie-bewegingeu (tj l\'i) en van die onwillekeurige bewegingen, die, hoewel eerst onder den invloed van den wil aangevangen, daarna huiten dien invloed om worden voortgezet, van welke bewegingen o. a, het gaan een voorbeeld oplevert.

§ !)7. Elke aandoening of inspanning van de werktuigen des dierlijken levens (zintuigen en spieren) brengt op den langen duur vermoeiing, onvatbaarheid om aangedaan te worden , en onvermogen om te werken, voort. Door het niet verder gebruiken der zintuigen en der spieren, met andere woorden, door aan die organen runt te verleenen , wordt hunne afmatting weder opgeheven en zij tot verdere verrichtingen weder in staat gesteld.

Ook de hersenen worden vermoeid en hebben behoefte aan rust. Zij worden vermoeid door het gestadig ontvangen van indrukken langs den weg der zintuigebjkc zenuwen (gewaarwordingszeimwen), door het overbrengen van wilsindrnkken op de bewegings-zenuwen, en eindelijk door denken. Do rust der hersenen — die tevens de meest volkomene rust der zintuigen en der spieren is, — is de nlaaj).

Gedurende een volkomen , vasten slaap zijn de verrichtingen der hersenen: gewaarworden, denken en willen, — opgeheven en rusten de zintuigen en willekeurige spieren, in zoo ver de gevoeligheid der eerste zeer verminderd is, en de laatste zich althans niet meer willekeurig bewegen. De organische of vegatieve ver richtingen: spijsvertering, Idoedsomloop , ademhaling, voeding, opslorping, afscheiding, gaan gedurende den slaap haren gang. De voeding schijnt zelfs gedurende den slaap krachtiger te zijn dan gedurende het waken, tenvijl daarentegen de overige der opgenoemde verrichtingen eenigzins vertraagd worden.

Bij het slapen zijn de hersenen echter zelden in een staat van

-ocr page 90-

78

volkomens werkeloosheid; daavvan liet droomen. Droomeu zijn gewrochten on/er vcrbcoldingskraoht, die ook gedurende den wa-keiulen toestand kuunou ontstaan, doch dan dadelijk door ons erkend worden voor wat \'/ij zijn en door ons worden onderdrukt. Doch in den slaap, waar ons vermogen om te oordec\'en ons begeeft, heeft de verbeelding niet alleen vrij spel, maar de voorstellingen, die zij ons voortoovert, komen ons dan als quot;werkelijk bestaande voor en verbinden zich vaak op de meest zonderlinge en ongeregelde wijze met elkander.

§ OH. Wij hadden bij onze ontleedkundige en physiologische beschouwing tot dusver het oog meer bepaaldelijk gevestigd op den menscb. Wij moeten echter hier nog \'t een en ander bijvoegen dat van meer algemeenen aard is.

De organische of vegatieve en de dierlijke verrichtingen dienen, gelijk wij reeds bij den aanvang zagen, tot instandhouding van elk dier op zich zelf, tot instandhouding van het individu. Eene andere reeks van verrichtingen , de voortplautiuijaverriehtingmi dient bij do dieren (en de planten) tot instandhouding der soort. Een paar hiertoe betrekkelijke punten mag ik niet met stilzwijgen voorbijgaan.

S ül). Tot de wezenlijke eigenschappen van dieren en planten behoort deze: dat elk individu uit ouders, dat is, uit gelijksoortige, reeds vóór hem bestaande individuen, ontstaat. Maar is dit waar, en ontstaan er geene levende wezens op andere wijze. V Van ouds dacht men dat uit de verrotting van zekere stollen levende wezens konden geboren worden. Later geloofde men niet meer daaraan, althans zulk een ontstaan zonder ouders, zulk een ran -elf onlslafin (i/cneralio sjjon/diicd, aiiloyeiiesis) werd door de natuurkenners niet meer aangenomen. Doch in nog lateien tijd keerden sommigen weder tot het oude gevoelen terug, en men meende, dat uit scheikundige omzetting en verbinding van zekere stoffen, onder den invloed van lucht, vocht en warmte, planten en dieren konden ontstaan . — maar toch altijd slechts de allereenvoudigste planten en dieren, zoo als schimmels en infusiediertjes, üe wij zen hiervoor zijn echter nog nimmer geleverd, en de stelling: „dat al wat leeft uit ouders ontstaan isquot;, kan beschouwd worden als tot dusver door niets op afdoende wijze wcdci\'legd te zijn.

jj 100. Dat Hoinmige dieren (de zoogdieren) levende jongen voort

I 1 ■;gt;

J ^

-ocr page 91-

7!)

brengen, dut do overigen (vogelen, kruipende dieren, visselien, insekten, wormen, enz. enz.) over \'t geheel eierleggende diei\'en zijn, is bekend, en ik behoef daarovei- niet uit te weiden. Hierbij moet worden opgemerkt, dat bij de levendlnirende en de eierleggende diei\'en de samenwerking van tweeërlei voortpbintings-organen, mannelijke en vrouwelijke, noodig is. Deze nu zijn bij de hoogere diersoorten verdeeld over verscbillende individuen van dezelfde soort, mannelijke en vrouwelijke, lüj andere, dieren daarentegen zijn beiderlei organen in elk individu der soort vereenigd ; van die dieren bestaan dus geen mannelijke en vrouwelijke ; zij zijn hcr-maplirodi/isch, gelijk men het noemt.

Hij een overgroot aantal lagere dieren bestiian eehter nog twee andere wijzen van vermenigvuldiging, die wij nog kortelijk moeten aanduiden.

De eerste is de voortplanting door knopvorming. Op een dier ontstaat een uitwas, een knop, die in grootte toeneemt en vervolgens óf van het moederdier los wordt en dan als zelfstandig dier blijft voortleven, óf voor altijd aan het moederdier geheeht. blijft. In het laatste geval ontstaan samengestelde, gegroepeerde dieren-kolonién, waarvan o. a. de zoogenaainde polypenstokken, die uit honderde aan elkaar vastzittende diertjes bestaan , een voorbeeld zijn.

De tweede wijze van vermenigvuldiging is de voortplanting door verdeeling of splitsing, waarbij een dier (moederdier) zich splitst in twee helften, die dan dieren zijn of worden gelijk aan hot moederdier, en zich weldra ieder ook in twee helften verdeelen , welke op hare beurt zich weder splitsen, enz. Daar bij vele zulke dieren de dooide splitsing ontstane individuen vaak uiterst spoedig, binnen weinige minuten, hunne normale grootte hereiken en zieli dan op hunne beurt verdeelen, zoo is de ongeloofelijke vermenigvuldiging van zoodanige dieren binnen weinig uren gemakkelijk te begrijpen.

§ 101. Ofsehoon elk dier uit ouders ontstaat, volgt daaruit nog niet- dat elk dier gelijkt op bet dier of de diereu waaruit het ontsproten is. lüj versehillende lagere dieren toeh is dit geheel niet het geval, — hij die dieren iiamelijk , bij welke men eene n/\'irinsi Ir.iulr. rooi\'/ji/tiutiin/, iri*sr/i/cJilt;ilt;gt;i\'li\' of hwl/trlssfliiii/ (i/ftn rulio rillcrinntx, iiie/ai/i\'.iicn!iij wiianieeint. 11ij die, dieren zien de jongeii, niet alleen zoolang zij jong zijn, maar gedurende hun gansebe leven er geheel unders uit dau het moederdier, — en wel zóó, dat b. v. bet eerste geshieht dezelfde gedaante bezit als het derde , het tweede

-ocr page 92-

so

uls lift vionlo, on /.00 bij nfwlsspling. Stel 1). v. tint ccn üockwal ci\'ii polypaditig ilior, ilezo laatstn wcdor oon zookwiil, dc/.e twcodo /cckwal wiier een polypaditig dier, en zoo vervolgens voovtbrcngen, dun /al rnon zicli van dc/.o wissclgcboorto 00,11 donklicold kimnon vor-nion. Wij znllon daarvan later ondorsclieidon voorboeldon outmoo.ton.

Andere lagen! dieren ondergaan (/edamfeeerwlMf-hnt/m fr.irtnriwr-jthosin,) dat is, bot pas geboren dier gelijkt (iok uiot oji dc ondfii\'S, maar wordt toeb gedurende den loop zijns levens zolt aan deze gelijk, ton gevolge van oeno verandering, die het op zeker tijdstip van dat leven ondergaat. Als voorbeeld voer ik aan de vlinders, l it een door een vlinder gelogd eitje komt geen vlinder, maar eene rups voort; deze verandert in een pop, waaruit dan eindelijk bet dier als vlinder te voorsebiju komt. De staat, waarin zieh in deze en dergelijke gevallen liet uit liet ei gekomen dier bevindt, noemt men masker (larva).

§ 102. Meest alle dieren zijn onmicldelijk na liiinne geboorte, wanneer zij een zelfstandig leven beginnen te leiden, aiinmcrkelijk kleiner dan de ouders; zij moeten derhalve groeien, grooter worden. De dieren , dio eene volkomene gedaanteverwisseling ondergaan (wat eene volkomene gedaantewisseling is , zullen wij later zien) groeien wel in den staat van masker, maar niet meer in dien van volkomen ontwikkeld dier. Kene rups, eene made groeit,—een vlinder, een vlieg niet. Nadat het dier zijne volkomene ontwikkeling bereikt heeft, blijft het op dien trap een tijd hing staan, doeh dan treedt bij allen een tijdperk van verval, van veroudering in, gedurende hetwelk de verriehtingen des liebaarns in kraeht afnemen . tot dat zij eindelijk niet langer in staat zijn dat lichaam in stand te honden. Het gevolg daarvan is de dood; het dier sterft. De levensdiuir is overigens bij de dieren zeer verseliillcnd, bij eenigen van sleehts enkele uren, b.v. bij het haft (A^p/wmcro), bij anderen van een groot aantal jaren , en is in den regel evenredig aan den tijd , dien het dier tot zijne volkomene ontwikkeling noodig heeft.

Na den dood worden de organische hestanddeelen des dierlijken liohaams onder den invloed van de zuurstof der liiebt i/co.ey-//eeiv/, (1. i. langzaam vrrhraiid. De eiml-uitkomst van die oxydatie is , dat die beshinddeelen zicli ten slotte oplossen in koolzuurgas, koolwaterstofgas, water en annnonia, waarbij dan de niet-orga-nis(die bestanddeelen , — zouten, zooals do pbosphorzure en kool-

-ocr page 93-

81

zure knik der beoulcrcn, —ovcrblijvon. Hooft die oplossing mi rechtstrooks plaats, dan noemt mon haar OHfbimlliu/. Doch in vorrowog do mcesto gevallen schrijdt do oxydatio daarvoor to langzaam voort, en wel dos to langzamor, naarinato het lijk moor aan do inwerking der zuurstof is onttrokkon, b.v. bij begraving iu do aarde. In dat geval vormen zit li, vóór hot tot do oplossing in koolzuurgas onz. kfiint, tusschonproduoton dor oxydatie, onvol-komon gooxydeerde stoffen, dio godooit(dijk vergiftig zijn en stank vcirsproidon. Deze oplossing uocnit men rottiiiy, en do bodooldo tussclionproducton worden dan ook voltingsproductvu genoemd.

Doeh bij lange na niet allr dieren- on inensci.indijken ondergaan t(ui volle dat ontbinding- of rottingsproces.

Immers oen overgroot aantal dioron uit allo afdooliugon dos ilierenrijks voeden zich mot doodo organische stollen, met lijken, ou zelfs met do uitworpsolon van levoudo dieren, ook al zijn die stollen in do aarde begraven. Die dioron worden daarom dan ook mot recht tot do nuttigste dieren gerekend.

Wat moor in \'t bijzonder don monscb betreft, zoo merkt men in hot tijdperk der cc.rslv. kindshdd, dat zich van do. geboorte tot hot zevende jaar uitstrekt, eeno zokero, onovourodigheid in don bouw des liehaatns op, dio vooral in oen stork overwicht van thoofd boven do lodoniaton bestaat. liet uitbotten dor tandon begint mot tie 7o maand, en weldra bezit het kind een gebit van dezen aard (vgl. § 21():

{k k) h s 8 s s h (k k)

(k k) h s s s « /1 (k k)

Mot hot zevende jaar begint de tandwisscding, waarbij do eerste tanden (nndktandon) alle door nieuwe worden vervangen en 01 maaltanden bij komen; de achterste (wijshoidskiozen) vortoonon zich eerst omstreeks bet quot;2U41\'\' jaar of nog later. Dit tijdperk noemt men do tweede kindsheid \\ hot strekt zieb tot liet 15(l1\' of IT\'1\'1 jaar uit, Avanneer dat der Joiit/rlli/f/sr/irip begint, dat tot hot

of jaar duurt, om dun in dat van don /cr/-

HJd over te gaan. Mot hot begin van dit tijdperk houdt de groei in de lengte op: aide uitsteeksels dor lange beoiuleron, tot dusver door kraakbeen met die beenderen verbondon, zijn er nu aan vast gegroeid. De nmnnelijke leeftijd wordt met hot fiOquot;quot;\' jaar door don

li

-ocr page 94-

(\'■isli\'ti ouderdom gevolgd, die zich gemiddclil tot lifit zeventigste levensjiiar uitsti okt, wuavop diin de tu:ccdi\'af hooiiquot;. otidcrdoiii snAgt.

Naar den regel . dat een zoogdier in normalen toestand 5 maal liet voor zijn volkunienen groei benoodigde tijdperk doorleeft, is des mensêhen normale levonsduur 5 X 20 = 100 jaren.

HOOFDSTUK IV.

UANOSCIIIKKINO KN UK NAMING 1)1:11 DIKKEN.

§ 103. De levende voonverpen, die wij door onze zintuigen waarnemen. zijn individuen. Met andere woorden en om al dadelijk een voorbeeld te geven: wij nemen niet waar den menseh in liet algemeen, bet menselidom, maar deze en die, zieli op deze en gene wijze noemende, inoisc/ieu, — niet bet algemeen begrip van bond, maai\' bepnaldelijk deze en die bonden. — Maar wij merken tevens onder de individuen , die wij waarnemen , zekere punten van overeenkomst en vim verscliil op. Zien wij nu, dat zeker aantal individuen in de voornaninste eigensebappen zóó met elkander overeenkomt , dat men des noods bet eene individu voor bet andere zou kunnen in de plaats stellen, dan vereenigen wij iu onze ge daiditeu die individuen tot ééne groep, en geven aan die groep een naam. Zcm ontstond uit de overeenkomst, die men tusseben zieb en een aanlal met zicb zeiven overeenkomstige wezens vond, bet algemeeiu! begrip mensch, — uit de overeenkomst, die men tusseben een aantal van zekere viervoetige dieren ontwaarde, bet algemeene begrip vim hond, enz.

§ 101. Met dit algemeene begrip, dat uit de verzameling van individuen tot ééne groep ontstaat, knml liet begrip soort der natuurkenners in de hoofdzaak overeen. Doch dit begrip dient tot ueteiisebappelijke iliK\'leindrii cenigzins nauwkeuriger omsehreven Ie worilen. liet begrip van diersoort is dan ook op onderseheidene wijzen opgevat en bepaald. I\'.ene in de meeste gevallen volkomen voldoende bepaling is deze : rem dirrsoovl in mt qriji\'p ran dir-mt t dn\' zoo if tri (llundir orrreciilotiicii, do/ ::ij ijrocht zondtu l.unnrn iror/lni utlr/i ran dezrlfdc, oudirs af\' tr slaiilinen.

I\'ll i\'eiivoudigii begrip van diersoort is ei liter in eltelijke geval-

-ocr page 95-

83

Ion niet voldociulo. Oei ij ken con pooilel on con hazewindhond zoo op i\'lkiinilcr, dut iemand, die vroegor nooit znlko liondoi had gezion, op do gedachte zou raken dat zij gerekend kunnen worden van dezefde ouders afkomstig te zijn V (fclijken diuirentcgon de wolf en do jakhals niet zeer sterk op sommige rassen van honden , veel moer dan deze honden zelve op andere hondenrassen gelijken? Moeten dan do wolf en do jakhals eigeidijk als wilde honden beschouwd worden, of de honden als tamme wolven en jakhalzen\'?

S 105. Kene andere bepaling van het begrip van diersoort is deze; (lieren, die ia den ualuiirs/auf me.t, elkander pdrai en jonr/cu voortbrenyen, tvcl/ce. en welker afslammclinyen yeilurende. een onhe-perkt getal van yene.raticn o n d e r c 1 k a n d e r ook weder vracht-hactr zijn, hehooren tot cene en dezelfde, soort. Het paard en de ezel gelijken, vooral in inwendig samenstel, zeer veel op elkander. Of zij in clou natuurstaat al dan niet met elkander zouden pareu, weten wij niet. In den tammen toestand kan men zo tot paring krijgen, en zij brengen dan een bastaarddier voort: het muildier of don muilezel. Deze bastaarddieron zijn echter onder elkander onvruchtbaar: derhalve zijn bet paard en de ezel, niettegenstaande alle overeenkomst, verschillende diersoorten. De Aine-rikaanschc buffel of bison paart in gevangen toestand met het gewone, rund; het kroost van deze paring is een bastaarddier, dat, ja, vruchtbaar is, doch alleen bij paring met ecu bison of gewoon rund, en niet met een dergelijk bastaarddier. Dus zijn de afstamincliugen van bison en rund niet vruchtbaar ondei- elkander-, bison en rund zijn dus twee versclnllende diersoorten.

§ 10(5. Tot voor niet langen tijd is men steeds van de vooronderstelling uitgegaan , dat elke diersoort oorspronkelijk en onveranderlijk is, — dat is, dat zij steeds zóó is geweest als zij is, en steeds (beboiuleus minder wezenlijke en niet volstrekt onveranderlijke ras-versehillen) xwt blijven zal. Die oorspronkelijltljeid en onverauderlijkheid zijn echter ontkend, en door bet grootst aantal der hedciulaagscbe natuurkenners wordt aangenomen , of ten minste verondersteld en ab hoogst waarschijnlijk geacht, dat de cene soort zich in den loop der tijden uit de andere heeft ont wikkebl, telkens de boogere uit de lagere, zoodat men, steeds teruggaande, tot eenigo weinige allereenvoudigste diervormen komen zou, waaruit zieh het gansche dierenrijk , zoowel de bestaande als de ten onder geganc diereu, hebben ontwikkeld. De grond

-ocr page 96-

84

legger van ile/.e ontwikkeliiigh- of iifstiiminingt- ((lcscen(U!iitic-)-tlic-orie was in het iniddon der vorige, eeuw Demuillet; zij werd in liet begin van de/.c eeuw door Lamiirek nader aangedrongen en in onzen tijd floor Darwin op zeer vernuftige wijze uitgewerkt. Eene bcsc-liouwing van die theorie iu bijzonderheden en van de daartegen ingebrachte bezwaren, — on vooral van de bijzondere leerstellingen van liet ■■Darwinismequot;, — behoort echter niet hier. maar in de algemcone dierkunde of wijsbegeerte der dierkunde te huis.

§ 107. Wanneer eeulge diersoorten, niettegenstaande alle verschil . toch in vele andere, opzichten met elkander overeenkomen en zich daarentegen gezainelijk van andere diersoorten onderscheiden, dan vereenigt men die soorten tot een groe]gt;, die men een i/cjilarht noemt. — Al is het dat de hond, de wolf, de jakhals niet tot céne soort hebooren , maar verschillende diersoorten uitmaken, toch bezitten zij zeer voel overeenkomstigs, dat hen van de overige dieren onderscheidt. Daarom vereenigt men ze, met. nog andere dergelijke dieren, tot één geslacht, waaraan men dan gewoonlijk den naam van de meest bekende soort geeft, — dus het geslacht liond. /.00 brengt men dan ook het gewone rund, den bison, den Kaapschen butl\'el, den Indischen bud\'el met nog eeui-ge andere soorten , tot één geslacht : hot geslacht yuikI.

Verscheidene geslachten, die de meeste overeenkomst met elkander vertoonen, verbindt men weder tot eene grootere groep, tot eene familie, of een gezin.

Op dezelfde wijze vereenigt men weder een aantal gezinnen of fauiiliën tot een onlc, en vervolgens een aantal orden tot eene l.ldnsc. Kindelijk vormen de klassen, die in zekere belangrijke bijzonderheden met elkander overeenkomen, maar van de, overige vorseliillen, te samen een hoofdijvoep.

Het dierenrijk wordt dus verdeeld in een zeker aantal hoofdgroepen; elke hoofdgroep bevat een aantal klassen, elke klasse een aantal gezinnen, elk gezin een aantal orden, elke orde een aantal geslachten, en elk geslacht een aantal soorten.

S 108. Alle wetenschappelijke benamingen, die men aan de dieren geeft, en die, gemaks- of kortheidshalve en om overal verstaan te. worden , doorgaans in liet latijn of in gelatiniseerde grieksche woorden worden uitgedrukt, zijn tltibhul. Van deze /»■ nmnin(jisu:J~i\' (iioiiiaicUi/iuir) is Linné de invoerder geweest en zij i sedert hem altijd behouden gebleven. Linné volgde hierin het

-ocr page 97-

voorbeeld van do namen dw monaclion. fn onao maatschappij bezit rik menseh een geslaelits- of familienaam . en i\'en voornaam of eigen naam. Zoo gaf bij ook aan elk dier den naam van het fieslacht (§ 107) waartoe bet behoort, en voegde daarbij eigt;ii tweeden naam of een bijvocgclijk naamwoord, dat de snorl des diers aanduidt. In het latijn gaat dan de geslachtsnaam altijd voorop. Zoo behooren b. v. , gelijk ik /,eide , al dr ci]i rundvee gelijkende dieren tot het geslacht quot;rnndquot;\' , in het latijn Hos. Kn nu heet bet gewone rund laurus, de bison Hos hixon,, de Indische buffel Hos hnhahis, de, Kaapsche buffel Hou enpensis enz. enz.

§ 109. Wij moeten thans weder torugkeeren tot bet begrip van soort, om tevens een denkbeeld te geven van bet begrip van rec-scliei\'denheld of vnrleteit. Ecue vorschcidenbeid noemen wij eenc groej) van lot dw.Ifde. soorl /vAoonvii/\'1 individuen, die. zekere bopaaldo en crflijke kenmerken bezitten, waardoor zij zich onderscheiden van de overige individuen dier soort. Om oen voorbeeld te geven voeren wij hier de verscheidenheid van don leeuw aan. De leeuw (Fells leo) bewoont geheel Afrika en Zuid-westelijk Azië, overal bezit bij de gedaante, die elkeen kent. Maar de Noord-Afrikaan-sche (Barbarijsehe) leenw verschilt toch van den Senegalscben en vooral van den Indisehen in grootte, meerdere of mindere, donkerheid van kleur, en vooral in de dichtheid en lengte der manen. Alzoo heeft men van die diersoort , die men leeuw noernt, een aantal verschf.ldi:uhéd\'\'n; do Uarbarijscbe, Simegalsche, Kaapsche, Tndische verscheidenheden. — Ken ander voorbeeld. Alle tamme schapen behooren tot eenc en dezelfde soort: Oris aries; maar de schapen verschillen onderling toch nog vrij veel. Zelfs binnen de enge grenzen van ons land bestaat er verschil tussehen het Drentsche en het Friesche, tussehen het eerste en het Tes-selsehe schaap. En nog veel nief.r verschillen de gewone Kuropc-sehe schapen van het schaap in Barbarije. Hier beeft men dus alweder een aantal verscheidenheden van de soort schaap. — De eigenaardigheden, die elke verseheidenbeid kenmerken, zijn, gelijk ik zei de, crfc.lljk. Ik moet er evenwel bijvoegen, dat zij over het geheid minder standvas\'l;/ zijn, dan cle. eigenlijke kenmerken der soort. Want het kan soms geschieden dat de kenmerken eener verscheidenheid verdwijnen, en wel onder den invloed van veranderde levensomstandigheden. Dit geschiedt vooral bij de versehei-denheden bij de tamme dieren.

-ocr page 98-

86

Mm is gewoon tic vorsc.hoiflrnlicdca van wildo diersoorten vr-nchr.ide.nhedm to blijven noemen, maar die van tamme mot den naam van rassen te bestempelen.

De rassen dor tamme dieren (paaiden, nmderen, schapen, ka-meolen , bonden, — voorts van hoenderen, duiven, enz.) bel)l)en hnn ontstaan vooral te danken aan de versehillende levensomstan-digbeden (klimaat, lucht, water, voedsel, levenswijze) onder welke dc mcnscb ze g(d)racbt heeft.

§ 110. Wanneer men allo bekende, diersoorten rangschikt onder de geslachten, waartoe die soorten kunnen worden gebracht, die geslachten weder vereenigt in orden , de orden in gezinnen of fa-miliëu, en deze in klassen volgons een bepaalden regel nevens elkander voegt, dan verkrijgt men een slc.lsd fsi/sfemaj,1

Aristoteles verdeelde het dierenrijk in twee hoofdgroepen: dieren mot en dieren zonder bloed (Bloeddieren en Bloedeiooze dieren); zijne verdere verdeeling was de volgende :

1 niocddicrvii.

I Dieren, die levende jongen voortbrengen,

\'2 Vogels.

\'i Eierleggende viervoetige dieren.

\'1 Vissehen.

H Illocdeloozr dicvon.

5 Weekdieren.

(! Schaaldieren.

7 Gekorvone dieren.

8 .Sehel])dieren,

Daarbij nam Aristoteles overgangsvormen aan, waartoe hij b, v, de vledermuizen en de slangen hraeht. De namen Bloeddieren en Bloedelooze dieren zijn, gelijk later bemerkt zal worden, niet juist; die met rood en niet rood geklemd bloed zouden, ofschoon nog niet geheel juist, te verkiezen zijn geweest,

Linné nam de volgende verdeeling aan:

I Zoogdieren , (overeenkomende met de levendbarende dieren van Aristoteles),

\'2 Vogels.

! Over hot oiiderseliuid tii.-orlum een natimrlijk en een kimstinatig slolsol kan hier, m!\' liij de plantonknmlo, hot nooilige gozegil wordou.

-ocr page 99-

87

II Aniphibiöii. (do ouu-loggcndo viervoetige dieren vim Aristoteles benevens de slangen).

I Visschen.

5 Tnsekten. (de gekorveno en du schaiddiereu van Aristoteles.).

li Wormen, (de weekdieren en selielpdieren van Aristoteles).

Cuvler verdeelde het tliereurijk in dlt;\' volgende vier groepen:

1 Gewervelde, (van een inwendig beengestel voorziene) dir ren. Deze groep beantwoordt aan de bloed-dieren van Aristoteles, en aan de zoogdieren, vogels, anipbibiën en visschen van Linné.

■J Weekdieren.(De schelpdieren en een deel der weekdieren van Aristoteles; een doel der wormen van Linné.

Gelede dieren. (De schaaldieren en de gekorven dieren van Aristoteles; de insekten en een deel der wormen van Linné).

■1 Straaldieron. (do overige, weekdieren van Aristoteles; de overige, wonnen van Linné).

Men hoeft, na Cuvier, zijne, rangschikking op onderscheidene wijzen trachten te, verbeteren. Vooral trachtte men dit door de groep der Straaldieron in meer groepen te splitsen, terwijl ook weldra ren gedeelte van de groep dor Gelede dieren tot eon nieuwe groep verheven werd — die der Wormen, — wonnen evenwel in een veel beporkteren zin dan de wormen van Linné.

Wij zullen deze indeeling volgen:

I Gewervelde of Ruggemerg-dieren.

Gelede dieren.

;! Wonnen.

1 Weekdieren.

5 Stekelhuidigen.

tgt; Darmloozcn (Hollijvigen , Coclenteraten).

7 l\'rotozoen.

De 2«, 3quot; en -1« groep van Cuvier, en de \'J\' tot en mot de 7\' groep van rli; opgegeven verdeeling vat men zeer dikwijls .samen onder den naam van Ongewervelde dieren, dat zijn dieren, die, in tegenstelling met ile Gewervelde, dieren, geen inwendig beengestel bezil ten. Deze tweeledige, indeeling komt volkomen overeen met de verdeeling dei\' dieren door Aristoteles: Uloeddieren amp; Itloeilelooze, dieren.

-ocr page 100-

Tweede Aftleoling.

Overzicht van liet Dierenrijk.

II 0 OF D STUK V.

(1KWKHVELDl\'j OF HUCJGKMKRQSDIKUUN.

§ III. Gcwoi\'veldo iliciün (Animalia c\'r^\'irato) of Hnggomcrgs-(licrcu (A. mi\'.clullata) noemt men (lieren, bij welke lt;lo centraal-deolen van het zenuwstelsel besloten liggen binnen een meestal becnig, soms kraiikbeenig, in /,eer enkele gevallen (de klein-of smalhartige visseheii , § 2^8) vliezig omkleedsel, dat men, wanneer het beenig of kraakbeenig is, d(! wervelkom heet (tj ■\'!quot;), en waartoe, gelijk wij vroeger ge/.ien hebben, ook de schedel behoort. Daarvandaan de naam gewervelde dieren. De centraal-deelen zijn , gelijk wij weten, de hersenen en het rnggemerg; zij liggen bij de gewervelde dieren steeds aan do rugzijde des liehaams, boven (hij den meuseh wegens zijn o]igcrichteu stand achter) de werktuigei, voor do spijsvertering, de ad omhaling en den bloedsomloop, korter: vóór de, voedings-werktuigen.

Alleen bij de gewervelde, dieren zijn de centraaldeelen van het zenuwstelsel vereeuigd tot één geheel, het rnggemerg , waarvan de hersenen de voorste aanzwelling zijn. Daarvandaan de naam ruyi/c-mcrysdteren

Overigens zijn alle gewi\'rvelde, dieren nagenoeg bilateraal-sym-metrisch , dat is te zeggen: wanneer men zich het liehaam in een

1 In tegenovorstelling van clo goworvoldfl dioren tKierut men al ilo andero, lèj wie, InU hovnnslaan\'le niet liet geval is en die dan ook geen worvolkolom he/.itten, dus allo andero dieren, onycwerveUle diuren.

-ocr page 101-

H!)

rochtiu\' on ooii linkoi\' liolft vordoold voorstolt, vindt moil aim woors-zijdo dozolfdo cu ovon grooto orgauon. Ik zcido cvonwol nayKiwea; want ton aanzien van vclo inwendigo organen (hart, lovci\', maag, darmen, milt) gaat do bilaterale symmetrie niet door. Zio b.v. fig. \'21.

tj 112. Verreweg do moeste gewervelde dieren bezitten oen min of moor volledig geraamte, — volledig namelijk in vergelijking met dat van don menseli. Kohter vorsoliilt het geraamte l)ij do gewervelde dieren vrij aanmerkelijk. Bij een groot aantal vindt men wol is waar alle beendoren, die ook tot het mcnseholijko geraamte bc-hooren, — ofschoon dan ook do vorm en de evonrodighoden dier beenderen somtijds zeer van die dor menscholijko beenderen afwijken, — maar er zijn ook dieren, die verscheidene dier beendoren missen. Zoo zijn er die ribben noch borstbeen bozitton. Het aantal der lodomaton verschilt ook. De meesten bezitten tweepaar pooten (nooit moor); er zijn er echter ook die maar één paar hebben, ja ook, bij welke alle ledematen ontbreken. Hij de moeste gewervelde dieren bestaat hot stuitbeen uit moer worvolbeontios dan bij don mensch on vormt alzoo een moer of minder langen staart. Allo gewervelde dieren bezitten , even nis do menseli, twee, boven elkander geplaatste;, zich in vortikale richting bewegende kaken, die meestal met tanden gewapend zijn.

S ll\'!. De gewervelde dieren hebben, op ééno nitzondering na, allen een hart en rood bloed. Zij ademen door longen of, wat de, steeds in het water levende betreft, door kieuwen. Zij planten zich voort hetzij door levende jongen voort te brengen, hetzij door eieren.

Steeds is bij do gewervelde dieren oen afzonderlijk zenuwstelsel voor de. organische verrichtingen (zenuw knoopstelsel) aanwezig, en doorgaans bezitten zij, even als do menseli, vijf zintuigen.

g III. Men verdoolt do hoofdgroep dor gewervelde dieren in vkr klassen, te weten I dor zooycUeren, \'J der voyelcn, 3 dor/.n»-pende dieren, en 1 dor visschm.

I. KliAHSK.

Zo oi/ d i n ren.

8 115. Zoogdieren (Mummnlin) zijn gewervelde dieren, die door longen ademen, die rood, warm bloed bezitten, wier hart twee

-ocr page 102-

t)0

kiiiners «\'tt twee })i)(tzeins ot\' vooi\'kainers bezit ? eu dio levonde jiingeii voortljrongen, welkt\', het moedenlier ecnigeu tijd iik^I lia-rc melk voedt. — linrstliolte. en buikholte \'/.ijn bij de zoogdieren door een sj)ieraelitig middenrif viineen geweheideu. De huid is ineest-:il met buren, fioms niet stekels (di(^ niets anders dan dikkere, of tot dikkere bundels hijeengegroeide haren zijn) bedekt: hij zeer weinigen is de huid kaal; hij enkelen voor een gcdecdte niet met haren, maar met hoormichtige of beenige sehubhen of schilden bedekt.

tj 11(1. Het samenstel van het geraamte en van de overige li-ehaamsdeelen der zoogdieren komt in het wezenlijke overeen met dat van (hm inensch. lt; biderscheid bestaat (U\'etditer natuurlijk. Reeds liet geraamte biedt, bij alle overeenkomst, menig punt vim verschil aan. Ik voeg bier, ten einde zonder veel woorden dat verschil in het oog te iloou vallen , de afbeeldingen van twee dierengeraam-ten bij, om te vergelijken met dat van den metiseh, in lig. 4 afgebeeld. Het eerste (lig. quot;tl) is het geraamte van oen kameel en

-ocr page 103-

91

kan ilionon als voorboolil van rle gewono iiiriditing van lint gi1-raamte t)ij dr op vior voeten loojxindc /.oogdicrcn. Fig. 52 stelt een meer afwijkenden vorm van geraamte, voor, vooral wat de ledematen betreft ; liet is liet geraamte van een zoogdier dat een groot deel van zijn leven in liet water doorbrengt. — van den zeehond.

§ 117. Wat bet hoofd aanbelangt, zoo merken wij hier op dat het achterhoofdsgat bij de zoogdieren meer irehterwaarts geplaatst is dan bij den menseh, bij de moesten zelfs veel meer achterwaarts; dat , behalve bij den inenseh , de apen en de herkauwende dieren, de oogholte niet van de slaapgroeve afgeseheiden is, en dat het gedeelte van elk bovenka a k she en, waarin de snijtanden zitten, een afzonderlijk been (tAisHchcnliafih\'Hhfc.n), uitmaakt, dat bij den menseh alleen in den nog niet ontwikkelden toestand aangetroffen wordt (§ 36).

Het gebit der zoogdieren is volkomen, wanneer alle soorten van tanden, die de menseh bezit, aanwezig zijn, of onvolkomen, wanneer dit niet bet geval is. Meestal sluiten de tanden niet zimi dicht aan elkander als bij den menseh ; zelfs bij de apen staan de hoektandon meer op zichzelve en de, onderste, passen bij gesloten mond in eene. ruimte vóór de bovenste. Soinmigc zoogdieren bezitten geheel geen tanden. Overigens duldt men in de dieiknnde de soort, het aantal en de plaatsing der tanden aan door taml-

Fig. r.2.

-ocr page 104-

!)2

formules, waarvan wij con tlonkboclil inootcn govon, omdat juist het verschil van gebit een der belangrijkste grondslagen voor de klassifieatio uitmaakt. De, schets van het meiischelijk gebit, gegeven aan het slot vim § 29. is reeds eeue tandfonnule. Daar echter 1quot; do betrekkelijke plaatsing der verschillende tandsoorten altijd dezelfde is, on 2quot; do beide helften van elke kaak ten aanzien der tanden aan elkander gelijk zijn, zoo duidt men de tandsoorten en bun aantal aan door cijfers, verbonden door het teeken of een punt, en wel alleen voor eeue halve kaak, t. w. de linker helft. Bij den inenseb, bij wien boven- en onderkaken dezelfde tandsoorten in hetzelfde aantal bevatten , zou men daarmede kunnen volstaan , doch , daar bij vele zoogdieren de boven- en onderkaken in dit opzicht verschillen, voegt men er steeds de halve onderkaak bij. De formule van § 2!t, in de gebruikelijke

I (2 3)

1 \' (2 3)

I hoektand, 2 kleine of valsche en De taiulformule van den hond is

d, i. in elke

formule overgebracht, zal dus zijn 0

halve kaak 2 snijtanden,

groote of ware kiezen.

•\'! ■ I -f- 4 I -{- 2)

3 1 —f- -f- 1 -1- 2)

1 hoektand. valsche kiezen, 1 seheurkies, en 2 ware kiezen.

i. in elke halve kaak 3 snijtanden ,

Wat een seheurkies is, zullen wij later zien. Eindelijk, om nog een voorbeeld te geven, is

0 -l- 0 4- G 4 0 -I- li dat is: in de bovenkaak geen, in de halve onderkaak 4 snijtanden (dus 8 in de onderkaak), geen hoektanden, en aan weerszijde van do boven- en onderkaak lt;! kiezen. — Dat ook de vorm dor tanden verschillend is, zullen wij later zien.

S 118. lt;\'p drie uitzonderingen na bezitten alle, zoogdieren zeven halswervels, zoo-wed de korthalzige walvisch als de langhal-zige giratVe. De uitzonderingen zijn eene rsoort van Luiaard (llradypiis jxtl.lidns), die 9, eenen andere (Hr. forquatns), die 8, en eene zeekoe {Mdiiatus aiisfralls), die (gt; halswervels he.zit. lüj den Luiaard echter zijn

de tand-formule van bet rund:

-ocr page 105-

SI 3

de overtollige halswervels eigenlijk rngweivels met onvolkomen ribben.

11«\'( aantal der borst- of rug-wervelen (en dus der ribben) is I 0 tot 20, — der lendemverve-Icm 3 tot 7, der lieiligbcemver-volen \'J tot 5. Dat der staartwer-velen bedraagt soms tot 4(J.

S 119. Ten aanzien van de le-demutoii bestaat er tussehen de zoogdieren nog al vcrseliil. Hij ile meeste zoogdieren zijn de (illcjiijp en het spaakbeen met elkander vergroeid, zoodat voorover- of aehteroverbuiging onmogelijk is. Veelal is dan ook de ellepijp verkort, zoodat zij niet tot de hand reikt; het ellebooguitsteeksel is echter meestal zeer groot. Aan de achterste leilema-ton (onderste, hij den menseh) is

van een bij velen het kuitbeen weinig

zijdelin,;-

sommige zoog-

ontwikkeld. Hij

dieren, zooals de herkauwende dieren , en de paarden, zijn de iniddenhands-en middenvoetsbeenderen zeer lang; de herkauvendc (lieren bezitten aan ieder der ledematen daarvan twee, die eeliter te samen tot één been (het kanonbeen der vee-artsen) vergroeid zijn, terwijl het kanonheen vim het paard sleehts uit één iniddenhands- of middenvoetsheen bestaat.

liet grondgetal (typisehe getal) der vingers en teenen is bij de zoogdieren 5. Doeh zooveel zijn er bij lange na niet altijd aan wezig. liet meest ontbre(dlt;t de duim (of groote teen), b. v. bij het varken. Hij den rhinoceros en ilon drievingerigen luiaard ont breekt bovendien de pink. lüj de herkauwende dieren zijn noeh duim, noeh pink noch wijsvinger aanwezig, zoodat zij slechts twee teenen bezitten. Het paard eindelijk bezit alleen een mid denvinger.

Niet zelden zijn pink en wijsvinger of de daMimede overeen

Achtcrvuft v:i

u schofMibiU\'ii, h rcr-s|(! h tweede rij vod

wortolboendun-n, c rniddenvtx-tsboon, «■ eerst*! lid «lor trcurli, ƒ tweede lid, ff of uagellld.

Als in lig. ;iS, behalve 4 onvolkomen imtwikkeld midden-Vuelsbeen tweeden sehen teen.

-ocr page 106-

94

ko.nstigo tocnoii kleiner en hooger gei)liiiitst (hm de overige, /00-d.it /ij den grond niet nimriiken: zij heeten diin „aeliterteenenquot; of ,aehterkliiu\\venquot;, of „bijteenenquot;.

Overigens is liet uimtiil der teenen niet bij alle zoogdieren aan de voorste en aebterste ledematen hetzelfde.

Meestal is het aantal der kootjes of leden van vingers en teenen •\'!, behalve van den duim en groeten teen, die twee kootjes bezitten. Hij de walvisehaelitige dieren echter bezitten de midden ste vingers moer kootjes, zelfs tot 7 en meer.

lïij de meeste zoogdieren eindigen de vingers en teenen in nagels ; bij sommige ontbreken deze, b. v. aan vier der vijf vingers van de vlieglmnd der vledermuizen en aan de vinvoeten der walvisehaelitige dieren, lïij vele dieren zijn die nagels klanwen, die tot graven, of tot vastgrijpen en vorselieuren enz. zijn ingericht. Hij anderen zijn nagels aanwezig, die als een sehóen het laatste vingerlid omgeven; zulke nagels noemt men hoeven. Voorbeelden daarvan vindt men bij de herkauwende dieren, het paard en het varken.

Overigens zijn do ledematen versehillend ingerieht, al naarmate zij slechts moeten dienen om er iels mede aan te grijpen en vast te honden, of om in de aarde te graven, of om te zwemmen, gelijk de zeehond en de walviseh, of zelfs om te vliegen, gelijk de vledermnizen. Wij zullen lal el\' van deze verschillende iiiriebting voorbeelden zien.

, Wat ik in hoofdstuk 111 , S 42 tot S \'gt;•), over de orga

nische verrichtingen bij den incnsch (sjiijsveitering, bloedsomloop, ademhaling, voeding, afs( lieidingen, enz.) gezegd heb, is in liet algemeen op alle zoogdieren van toepassing, •— wel te verstaan met zoodanige wijzigingen, als de aard van het voedsel des diers,

-ocr page 107-

zijne It\'vciiswij/.c en zijne besto.nnmnf; noodziikolijk niiikcn. — Zon goscliiodt I). v. ili\' blooilsoinloop geliftol oj) ilrzi\'lfdc! wijzo nis bij den monscli, on du sclicts van don bloedsomloop, dio ik roods liij g ó 1 voogdo on bior Inulnifil, jinst dus voor allo zoogdioron.

Do zoogdieren voeden zicli deels met plantonvoedse.1 (gras en bladoren, vrneli-ton en zaden, boomsehors en wortel»),— deels met dierlijk voedsel; — sommigon zijn allosetond, dat is, zij g(djrniken zoowel plantaardige als dierlijke spijs. Do plan-tonetende zoogdieren zijn het talrijkst, niet alleen in soorten, maar ook in individuen.

Ecnigo zoogdieren, b. v. apen, de Aard-eeklioom enz. bezitten wangzakken aan de binnenzijde der wangen, waarin zij\' bet verzamelde voedsel oenigen tijd

I en aanzien van de lengte van liet dannkannal bestaat er (us-seben de zoogdioren een aanmerkelijk vorsebil. lüj somniige insek-tenotende vlederinuizen en bij don leeuw hoeft liet darnikanaal ongeveer drieinaal do lengte van bet gohoele liebaam, — bij bet schaap daar(oitogeu aedd-en twintig maal. Tnssehen deze beide mtorston vindt men vorsehillende verlunidingen ; bij don nienseh is de lengte des darmkanaals ongeveer zevenmaal die dos liehaanis. In den regel is liet darmkanaal het kortst bij de vloesehetonde, het langst bij de )ilantetende dieren; de vloeseheteiido zeehonden,

die een zoor lang darmkanaal bezillen, maken ilaaro)....... nitzon

dering. — Over den eigenaardige bonw van de maag der herkan wende dieren spreken wij later.

§ 1 I. Ook ten aanzien van de dierlijke verriehlingon (tj (M \'.\'7 komen de zoogdieren in het wezenlijke met den monseli cixneen. Allen bezitten hersenen, oen rnggeinorg, een zennw knoopslel el en zenuwen. Allen bezitten vijf zintnigen. In de belrekkelijke groollr zoo van de geheele herseniiiassa als van de oiidersehoiden gedeelten der hersenen is ev enwel een groot \\ i isehil, en ook het aantal der windingen np de oppervlakte der groote liersenen is zeer oii

l\'ig. .r)().

-ocr page 108-

9(J

gelijk; do lu\'rscm\'ii der Vledcnnilizcii, Tiiiulcloozen , Insoktenotors, Kn.iHgdicn\'ii, Huidiildiercn en V(gt;g(!lb(!kd\'u\'i (!ii, bozitlen cr wi\'inigc of geeuo. Hovcndicn zijn do liolt\'teu dor grooto liorsonou ))ij do Huidcldicren on Vogolbekdioron door goon C(dtiuditig lichaam mot olkimdor verbonden. Mij vele zoogdieren zijn do lippen hot voor-mune werktuig vim den tastzin (§ 7(gt;); bij imderon strekken ook dt^ baiirdluiron en knevel» tot liet ontwaren van uitwendige beletselen. De meeste zoogdieren — behalve do nienseh, de apen en do walvissohon, — bezitten aan den binnonhoek dos oogs een dorde, maar onvolkonion ooglid, lüj vele. zoogdieren bevindt zich in de diepte van het oog, vóór bot vaatvlies, eeno laag, die bot tapyt (Idjii\'/um) genooind wordt, on welks glans in hot halfdonker bet

.......ii- of blauwachtig lichten dor oogen veroorzaakt. Sporen

daarvan worden echter zelfs ook bij den rnensch aangetrolïen. lüj oenigo zoogdieren is geen uitwendig oor, goeno oorscliel)) (S 80) aanwezig.

De huid dor zoogdieren is, gelijk wij reeds zagen, in den regel met haar bekleed. Er is ondorscboid tusscbon hot grovere hoven-of dokhaar, en bot daaronder liggend lijner, dichter en korter wolliaar. Do zoogdieren wisselen jaarlijks van haren en in den winter is het wolhaar dichter en overvloediger.

lüj don mensch bevindt zich onder do huid van den hals en bot onderste gedeelte van bet gelaat eene broode, maar dunne spier-laag, de huldspier can den huh. Deze spier is nergens aan boon, maar geheel aan bot bindweefsel der huid gehecht, zoodat zij als eeno spiorvozellaag dor huid kan worden beschouwd, lüj de zoogdieren nu is die spiorlaag wel meer ontwikkeld en omgeeft soms den geheolon romp. Daarvandaan het vermogen, dat men hij de zoogdieren waaruoemt , om do huid zich te doen bewegen. — Dat overigens do staart ook afzonderlijke spieren moet bezitten, behoeft nauwelijks vermelding.

Ten aanzien van de verstandelijke vermogens, staan de zoogdieren zonder twijfel van allo dieren hot hoogst. Maar er bestaat te dien aanzien tusscbon hen oen zeer groot verschil. Kunstdriften worden bij hen minder aangotroHen dan b. v. bij do vogels en vele insckton ; zij bepalen zich tot het graven van holen en loopgraven, hot samoubrongen van nesten en bij zoor onkelen (b.v. den bever) bij het bouwen van oenen woning.

Ü 1 Do meeste zoogdieren leven altijd op het drooge land,

-ocr page 109-

ilquot;

ii|i don vlakken grond, op bergen en rotsen, op boomon of ook onder den grond, zooals de mol. /ij bewegen zich daar door te loepen, te springen, te klimmen, te vliegen zelfs. .Sommigen, namelijk de walvisebaelitige dieren , kunnen buiten het water niet leveu, en blijven dus gestadig daarin. Vele anderen zijn wel veel m het water, doeli kouion ook vaak op bet drooge, on zijn dus dieren van twooi\'rlei leven (amphibiën); zoodanige zijnde zeehond, de otter, do waterrat, de bever, enz. Van de in het water geheid of gedeeltelijk levende, zoogdieren leveu oeuige iu zout, andere in zoet water. Allen moeten eebter om adem te halen naar boven in de lm ht komen.

Vele zoogdieren zijn nachtdieren, dat is, zij zijn over dag traag en lusteloos cu brengen den tijd dan veelal met slapen door, maar gaan \'s avonds en \'s nachts om voedsel uit. Hij deze dieren is het oog zóó ingericht, dat zij bij helder licht minder scherp zien dan in de sehemering.

Ouderseheidenc zoogdieren (b. v. de vledermuizen, de. egel, de beer, de maiinot enz.) houden een winterslaap en brengen den winter door iu holen of andere schuilhoeken , zonder eenig voedsel te, imttigeii. De bloedwarmte kan daarbij dalen tot 1quot;; daalt zij beneden 0quot;, dau sterft het dier. De hartslag en aduuihaliug zijn in den winterslaap zeer zwak, de afscheidingen onbeduidend, en de geringe stofwisseling wordt onderhouden door bet vooraf in het lichaam opgehoopte vet.

§ 123. Alle zoogdieren brengen, gelijk reeds in § II ö gezegd is, levende jongen tor wereld. De jongen worden door de moeder gedurende eeuigen tijd gevoed met de melk, een vocht, dat afgescheiden wordt door de zoykiicrc.n,, die aan de benodenzijde dos licbaams , hetzij aan de borst, hotzij aan den buik, onmiddellijk onder do huid liggen, en wier nitlozingsbuizen hare 0|iening0n hebben aau de lej/clx, die door de jongen iu den mond worden gevat. — Sommige zoogdieren worden blind geboren.

§ 124. Wij verdoelen de klasse der zoogdieren iu l.\'i orden, Ie weten die dor 1. Tweehandigon, 2. V ierhandigen, Iluidvlie gors, 4. Roofdieren, 5, Herkauwende dieren, (I. Dikliuidigen , 7 Walvisehaehtigen , 8, Vloiigelhandigen , 1). Insekten-oters , ll). Knaagdieren, II. Tandeloozen, 12. itnideldieron en l.\'i Vogelbekdieren.

De linidvliegerB (vliegende aap of bond) worden ook wel tof de Vioihaudigen gebracht, en de Insokten-eters met de Koofdie-

-ocr page 110-

98

reu verecnigd tot ccnr ordo dor Vorschourcndc dieren. Danrento-gon wordt de orde der Dikhuidigeu viiidi gesplitst in twee orden , di(^ der Keidioevigou en der Veollioevigen. De orde der Walviseh-aehtigen wordt door de nieuwere natuurkeimers mede in twee orden verdeeld, die der Sirenen (onze afdeeling der planteuotende walvissellen), en der eigenlijke Walvisehaelitigen (onze vlcesc.heten-de walvisschen), terwijl eindelijk de Buideldieren in vier orilon kunnen worden verdeeld, die wij later als onderverdeelingcn van onze orde der Uuideldieren zullen leereu kennen.

§ 125. Eerste orde. Tweeliandigen (llhnana). Handen aan de voorste ledematen; aan de aehterste ledematen voeten , die tot gaan zijn ingerieht. (Jpgeriehte fi\'aiig, dat, is, liet liehaam rust bij het staan en gaan alleen op de voeten, en niet op alle vier do ledematen. liet naar evenredigheid kleine aangezicht ligt niet wor maar onder den naar evenredigheid zeer groeten schedel. Voorts» handen en voeten vijfvingerig met breede en platte nagels. De tanden allen

even hoog cn gerangschikt in aaneengesloten rijen.

1f , 2 1 ^

I andformule ^ ^ [ .y ^ ;J)

Deze, orde bevat slechts ééne soort: don mennch.

Ten aanzien der verstandelijke vermogens staat de mensch nilt;\'t slechts hooger dan d(^ dieren, maar moet worden aangemerkt als een geheel op zieh zelf staand sehcpael. Hij alleen is een redelijk en zedelijk wezen. Het uitsluitend bezit der ttpruol:, d. i. van het vermogen om voorstellingen en gedaehten in woorden uit te drukken , is geheel afhankelijk van zijn redelijke eigenschappen en niet van de inrichting zijner spraakwerktuigen.

Niettegenstaande men sleehts ééne menseheusoort aanneeait, bestaat er toch tnsschen de vele volkstammen, die de aarde bewonen. een aanmerkelijk verschil. Met andere woorden: er bestaat een aantal mciiscliKnt\'crsclicKlcii/irdcn. Men brengt deze, waarvan het aantal zeer groot is, tot eenige lioofdrcrnctiiuilcii/icdcn, hoofdslam-incii en hoiifdyrocpcii, en Hommigen nemen van zulke hoofilrasseu drie, anderen vijf, nog anderen weder veel meer aan. Wij zullen ons houden aan de indeeling volgens IJIumenbaeh, - ■ niet omdat deze iu volstrekten zin de beste is, maar omdat zij dat is wanneer men eene uit zeer wcijiii/ leden bestaande imleeling wensidil.

-ocr page 111-

99

Ifoo moer hoofclgroepen mon anders aannoemt, dos to moer zal do iudooliiig van hot monscholijk goslaolit iialuaflljk zijn. Onder do huüfdgi\'oopon van lUninonbacdi tocli wordon vole volken bij elkander gebracht, die in hooge mate van elkander versohillen. Hot moest loopt dit in \'t oog bij do Maloischo hoofdgroep, on missehion nog moor bij di^ Amerikaansohe. lOono allo of do moeste ethnologon bevredigende indoeling in moor groepen te vindon , is ochtor totdnsver nog niot golukt.

1. Hoofdgroep. ICaukasisoho, Japotisoho, Iraniseho, Kuropeoscho vorsohoideuhoid of hoofdstam. Een eironde schedel, een eirond aangezicht met vooruitstekenden nous on kin, en weinig uitstekende wangbeenderen. Kaken niot vooruitstokoud; loodrechte! snijtanden. Lippen dun. Oogloden horizontaal gespleten. Huidkleur bij de Europeosche ou West-Aziatisebe volken blank, bij de overigen bruinachtig, bruin, ja zwart; oogon en haren van allo klonron; hoofdhaar lang, recht of krullend , maar nooit wollig; baard meestal dicht. — Hiertoe bohooren alle liuropeanen, behalve de Laplanders; voorts de bewoners van Westelijk Azië en Zuidelijk Azië bewesten don Granges, van Noordelijk Afrika tot den zuidrand der Sahara en van Oostelijk Afrika langs de Koode Zee tot dicht aan den aoquator.

\'2. Hoofdgroep. Mongoolscho, Altaïsche, Turanische , Aziatische verscheidenheid of hoofdstam. Een bolronde (soms eironde) schedel, ecu breed aangezicht met oen kleinen, meest, ofschoon niet altijd, stompen en broeden neus en zijdwaarts uitstekende wangbeenderen. Kaken niet of zeer weinig vooruitstekend, met loodrechte snijtanden. Mond broed met eenigzins dikke lippen. ()iigledeu .schuins gespleten, ofschoon niet altijd, zoodat do bimienhoek lager staat dan do buitenhoek. Huidkleur geel, van nagenoeg blank tot geelbruin; oogen bruin of zwart; haren zwart, recht; baard veelal dun. Lichaamsgestalte, veelal gedrongen en wat kleiner dan bij de boofdgroe|ien I, ii eu 5. — Woonplaats Azië , met uitzondering van het door Kaukasiërs bewoonde gedeelte en het schiereiland Ma lakka. Ook brengt men hiertoe de Laplanders in Europa en de Eskimo\'s in Noord-Amerika.

ii. Hoofdgroep. Kthiopisehe, Afrikaansche verscheulenlieid of hoofdstam. Negerstam. — Een smalle, achterwaarts verlengde schedel; oen niet breed, maar plat aangezicht, met een van boven broeden en platten neus met broede neusvleugels en naar voren

-ocr page 112-

100

nitsti\'kciule wangbooncloréii. Hovonkaak naar voren uitstckpiid met schuins naar voren gerichte snijtamlcn •, kin forngwijkond; lippen dik, vooruitstekend en omgekruld. Oogleden horizontaal gespleten. 1 luidkletir zwart of donkerbruin ; bij enkelen (de liotteutotten) geel. Haar zwart, kort, wollig. Oogon hruin of zwart. — Woonplaats geheel Afrika ten Zuiden der Sahara on ten Westen en Zuiden van Opper-Egypte en Abyssinië.

4. IToofdgroep. Maleische, Tmlo-australischo verscheidenheid of hoofdstam. Schedel ovaal of kogelrond, aangezicht eirond, doch met uitstekende wangbeenderen. Neus van boven plat, of soms ook uitstekend, maar altijd met hreede, neusvleugels en wijde neusgaten. Oogleden soms eenigzins aehnin gespleten. Kaken min of meer uitstekend en naar die mate ook met min of meer schuins geplaatste snijtanden. Mond groot met dikke lippen. Huidkleur geel of roodbruin. Oogen bruin of zwart. Hoofdhaar zwart, lang,, soms recht, soms lokkig en krullend, maar nooit wollig. — Woonplaats: Ma-lakka, do Indische Archipel, al de /uidzee-eilandcn; ook Madagaskar wordt voor een deel bewoond door stammen van deze groep. Daar de Zuidzee-cilanden gezamenlijk (met uitzondering van Nieuw-llolland) ook l\'olynesië genaamd worden, noemt men hunne bewoners ook l\'olyucsii\'is.

5. Hoofdgroep. Amerikaansclie versebeidenheid of hoofdstam. Schedel meestal rond met oeu vlak en kort achterhoofd ; een groote, soms uitpuilende en gebogeuo , woms platte neus. Kaken weinig vooruitstekend, tanden weinig scbuiu.s. soms loodrecht. Mond vaak als bij de Kaukasische groep. Huidkleur roodbruin, kaneelkleurig, geelbruin. Oogen bruin of zwart, soma schuins geplaatst. Haar lang, reebt, zwart en stroef. Haard dun.— Hiertoe behooren al de oorspronkelijke inwoners van Amerika , behalve de eskimo\'s.

Van de volken, die tot de Maleische hoofdgroep gebracht worden , verschillen sommigen zeer weinig van de Mougoolsche volken, terwijl daarentegen andere (op N\'iouw-Ouiuea; Meuw-Holland enz.) op negers gelijken . en dan ook Australische negers genoemd worden.

Klke dezer opgenoemde vijf hoofdgroepen wordt wederom in kleine groepen verdeeld. Men kan bij voorbeeld de Kaukasische hoofdgroep splitsen in zvs kleinere groepen, t. w. de ludo-Kuro-peesche of Arische groep, de Semitisebe groep, de Egypto-Mau-retanisehe groep, de (Jgriseh-TartaaiHche groep , de [llyro-lberisehe groep en de Diaviiliselie of \'l\'(diugaan»eb(! groeji.

f. (gt;

u

Wgt;:

•f ij.

I 1

,1 r

U

-ocr page 113-

101

Tot do Indo-Europcesclic of Ai\'ischc groep behoorcn do verschil-lcudi^ iiatii\'ii van Europa nu\'t weinig uit/.ouderiiigen , — maai\' ook do Imliërs of Hindoos. Tot de Semitisclio groep bcliooi\'cn dc Israë-iiten en Arabieren.

S 1\'26. Tweede orde. Vierliandigen ((inadnimaiui). Handen aan alle. vier, althans aan de aehtersto ledematen. Vijf vingers aan allo vier de handen , of aan de voorhanden geen duim , en alleen vijf vingers aan de aehterhiinden. Meestal platte, nagels. Tanden als bij den inenseh, maar do hoektanden langer dan de overigen, en tussehen deze en de overige tanden oenige ruimte; do onderste, hoektanden grijpen bij gesloten mond in de ruimte voor de bovenste hoektanden. Kiezen dicht aaneen gesloten. Oogen, evenals bij deumonseh, in volledig gesloten oogkassen bevat, en dieht bijeen staande, Schedel rond, maar sterk vooruitstekende kaken. De meesten hebben oen staart. De hersenen komen die dor monschen zoor nabij; de groote hersenen bezitten goed ontwikkelde windingen of kronkelingen (§ •!(!) en bedekken meestal de kleine hersenen volkomen.

De vierhandigen, of apen, naderen iu uiterlijke gedaante en inwendig samenstel \'t meest van alle, dieren tot den inenseh , — niet echter in verstand, dat bij vele roofdieren en sommige, plan-tenetende dieren (don olifant b. v.) voel hooger staat dan bij de apen.

De lichaamsbouw der vierhandige dieren maakt ben ongeschikt om overeind te gaan, en zij gaan dan ook op den vlakken grond op vier ppoten, daar zij do knieën niet kunnen strekkon en de, handen der aehterpooten niet plat op den grond kunnen zetten. I luiino eigenlijke bestemming is bet leven op boomeu, met wier vruchten en bladeren zij zich voeden, ofschoon zij (vooral de Slankapen en de llalf-apen) iusekten en kleine vogels ook niet versmaden. Jüj hot klimmen op de boomen komen hun hunne vier handen, en bij sommigen de grijpstaiirt, zeer te stade. Meestal leven zij in troepen. /.ij bewonen slechts do warme, gedeelten van Azië, Afrika en Amerika. In Europa vindt men alleen op de rots van Gibraltar apen.

t} 127. De orde der Vierhandigen wordt verdeeld in twee afdee-lingen: die, der eigenlijke apen en die, der half apen of bastaard-apen.

De eigenlijke, wan; Apen {Siniiac.) hebben een naakt, niet niet

-ocr page 114-

!()-gt;

liaui\' tx^grooiil , plat aangir/clclif, (in gulijki\'M \'I im\'i\'st nji den mcnscli. i\\[(ii!stal zijn di.\' voorpootm langer ilan de aclitorpootun.

Sommigen lichhon goon staart, de meeston wel; vole Anieri-kaanscho apen liebbon een grijp- of rolstaart.

De Ilalf-apon {TinmuniH) hebben oen kop, die meer op een vos-senkop gelijkt, oen bebaard gelaat en langere achter- dan voor-pooten.

§ 128. Er bestaat oelitor nog verschil tiisschen do ware apen van de Oude (Smalnenzigen: Cd/afrhinne) en die, der Nieuwe Wereld (rii\'oednou/.igen: Plnlijrliinai\'), gelijk uit de volgende vergelijking blijkt.

WAUK AIM;X.

Van Azië en Afrika. l anilfoiinnle als bij den monseh. Vijf vingers aan alle handen.

Neusgaten met een smal niid-denschot en met benoden-waart» gerichte neusgaten.

liij de meesten een staart, maar

nooit een rol- of grijpstaart. lüj velen zoogenaamde wangzakken aan de binnenzijde der wangen.

lüj de moesten eeltige plekken (zit eelt) aan de acliterdeelen. Slim, vlug, levendig, maar, vooral op gevorderden leeftijd, woest en onhandelbaar.

Van Amerika.

2 1-1- (3 3) 2 1-f- (••! -I-ISij sommigen vier vingers aan de voorhanden, of althans aan die banden slechts een kleine en weinig beweegbare duim. Neusgaten met een breed mid-denschot en buitenwaarts ltc-

O

rielite neusgaten,

lgt;ij allen een staart, bij velen

een rol- of grijpstaart,

Geeno wangzakken.

Geen zit-eelt.

Minder slini, zwaarmoediger en zachtaardiger.

\'andfiirmule


§ 120. Onder de. apen der oude wereld ondersehoidt men de zoogenaamde Anthropoinorphen of op den menseh hel meest gelijkende apen. \'/.ij hebben geen staart , zit-eelt noch wangzakken, en zijn over I geheel zeer groot (vooral de Gorilla, die zes a zeven voet lang is,) Tot hen bohooren de Orang-apeu en de

-ocr page 115-

103

Lang-ariiiiipon. — Do Lapondor-aap is die aapsoort, flic bij ons op kiu\'misscu onsi. \'tinocst gezien wordt, en is eon goed voorbeeld van den nicest gewonen vorm der upon. — De Havianon of llondsko|i-iipcn wijken in elk op/.icht quot;t incest van idle wai\'e apen van den nicnscli at\'.

§ 130. Do Ilidf-apen, Bastaard -apen olquot; Spookdieren (Proshiiil, Lcinures) hebben con behaard aan-geziebt mot een voornitstokenden inin of moer spitsen snuit. Voor-pooten korter dan de aolitorpooten.

Van de wijsvingers der Jiicliterliandon oen sniiille, kromme klauw. Bij velen eon lange staart, die cchtcr geen grijpstnart is. Zij loven

in Oost-Indië en Afrika, maar vooral op Madagaskar. — Soms is er eene ruinito tussehen do beide bovenste paren snij-tanden , en meestal zijn er zes kiezen aan elke zijde der boven- en onderkaak. Bij eenigen bezit de onderkaak slechts

Koii van oon jiroikat. - snijtanden. De meeste zijn naclitdieren. 8 131. Gcslachton en soorten.

1. Ware apon.

a. Apen der Oude worold.

1. Orang-Aap (Simia). Orang-octan (Simia sali/rus), liornoo en Sumatra; Cliimpanzó (S. Iroijlodyles), Gorilla (lt;S\'. yo-villn). beiden in West-Afrika.

2. Ijiingann-aap (Ihjlobates). — Gibbon (//. /ar), Indiscli vastland; Siainang (II. syiulac/ylus), Sinnatra-, Grijzo gibbon, Wouwon (//. kaciscus), Java.

3. 81iuik-aap (SKmnoplthecas). — llanumaii of llulinan (S. cn-iMiis), Dekaii en Bongalen ; langneuzige, Kaban (gt;S\'. iiasica), Borneo j Kleodaap OS\', nnmaeus), Coeliin-Cbina.

1. Meerkat (Ccrcoplthecus). — Diana-aap (O. diana) en llarle-kijn of groene aap sabaeuti), West-Afrika; Koodo aaji ((\'. ruher), Noord-.ifrika; Javaan (C. cijuomolyus), Malakka en de Ind. archipel.

-ocr page 116-

104

m

5. Magot (Tnuas), —- Stiuirtloozo ailp (/. crdiidahis) de soort van Gibmltar, voorts in -Afrika; — Lapoii(lcr-:iii|i (/, np.iiifslrlnun), Sumatra on Horiico; zwarti\'. Baardaap , Wan-(l(U\'oo {/. silcmts), Dekan, Ceylon, enz.

igt;. Haviaan, llondskopaap {Cynoccplialas), — Mandril ot\' Boscdulnivcl (C. Monuoii): Kaapsclm baviaan (lt;\' puren rins)-, Mantelaap \'allen in Afrika. De AVan-di\'roc wordt ook wol tot de bavianen gerekend en iieet dan C. silenus.

Apen der Nieuwe wereld.

1, Bralaap (.^fi/cetcs), —Gewone brulaap (.1/. hcclzchn/h) ea rose of roode brulaa]) (.1/. xcaicAdus), Guyana, Brazilii\'.

2. Slingeraap {Atele») — de Coaita {A. panisous), Guyana; Miriki (-1. hi/po.ranfluts), Brazilië.

Kolaaj) of Sapajoe (Cchus). — De Capucijner-aap (C. ca-piiclnus en apo.Ua), Guyana.

l\'iokboorn-aap {(Jidlilhrix). — Du Saimiri of Titi , ook doodskop-aapje (C. Kchirru), Guyana en Brazilië.

/weofaap of Saki il\'lllvcia). — Witkop-aaj) (/\'. Ikhcoci\'-ptudn)\', .loden aap (/\'. i*y/iel\'lu), Duivel-aap (1\'. Satana*), allo drie in de noord(dijke. lielft van Z.-Amerika. Zijde-aap (llcqxi/vi ■, pewono of witoorigi; Zijdo-aap, Oeïs-titi II. ,i(tfi/ias)\\ Ijoouwaapje {II. ltosulia)\\ Brazilië, Columbia, enz, \'

II llalfajien.

I. Vosaap of M.iki (l.riniir)— de gewone Maki (/.. MontjirSi ■, de Vari of Mac.aco (/.. Mnraco); Indri (/,. of /Jchanoins liulrl), allen op .Madagaskar.

Vingcrdier \' (\'/ilromi/s). — V. van .Madagaskar, Ayo-Ayc \'(C/i. i)iada(jaacan\'lt;iisi\'.i)\\ «\'ordt ook wel tot do knaagdieren gebracht.

•\'!. rraaglooper, Lori (iSh\'/ioiis) — de Slanke lori (St. yrardis), (\'i\'vlon; do, Guinoesohe \'l\'iaagloi per of l\'otto (Sl. I\'ulllt;i)\\ (Jiijzo 1\', (Sl. fardiijrutlus)) lud. vastland, Boj-noo , Sumatra.

a.

i.

o.

1. Ooraap of Galago (Otolicuan)—Henegalsehe galago (O.

S

1 (iij ll\'ijjitlc (Jtuihti*) is do taftdformule als Ijij do apen dor Oude vvmold on liij ijtjii inonscdi. 11orsoiiüii zuader wiiidingea.

-ocr page 117-

105

iiioholi). -- llüt gt;Spouk(li(!rtje (\'/\'nrsias spcclnim), liul. !ir-i iliijiel.

g l.\'i2. DunK\', Orde I Iuidvlicgcrn {Dcnnoptrva). Dc/.c. onlc 1)1\'-staat alleen uit het geslacht Vliegende aap of\'inaki waarvan .\'I soorten (G. varhyatus, mariiturlt;itii.i en l\'/illippiiicnsis) bekend zijn. Bij doze dieren vormt de huid der zijden en der poolen een uitspiinsol, welks rand zich van den nek tot de vóór-handen, van deze naar de achterininden, en dan tot de punt van

den staart uitsterkt. Dit uitspansel dient het dier niet om te vliegen, maar als eene soort van valseherm , waarmede het, hij zijne geweldige sprongen van den ecnen boom op den andoren, als ware het op de lucht steunt. De dui-men zijn niet oppouibcl (g 33) de. nagels sikkelvormig gekromd. Paarsgewi js geplaatste snijtanden in de boven-, aan-eengeslotene in de onderkaak; geene hoektanden. Kiezen met scherpe knobbels, als hij de insckten-eters. /,ij leven van vruchten , insekten en kleine

vogels, die zij des avonds najaden. ) Vlli.\'gonilii -Maki. J

S 133. Vierde orde. Verscheurende dieren of roofdieren (Carui-vura). Snij tanden naar evenredigheid klein; hoektanden groot, gi^-kromd en spits; kiezen met min of meer spitse punten. lt; )p du valsehe kiezen volgt eene groote kies met verseheidene spitsen, die achciirl-ies genaamd wordt. Aan de, voor- en aehterpooten doorgaans 5 teeneii, allen met kiauweu gewapend. Soms 4 teenen aau de achtervoeten, zelden aan de vóórvoelen.

Uet gchecle maaksel dur roofdieren, vooral dat van hun gebit, hunne kaken, wier gewricht bijna alleen eene, op- en neergaande beweging toelaat, en do spieren, die de kaken bewegen, zijn naar hunne levenswijze ingericht. De, jnkboog is stevig en sterk buitenwaarts gekromd, /.ij leven van andere dieren, vaak grooter dan zij z.clvcn zijn, en zijn niet zelden met zeer groote kracht en vlugheid begaafd.

-ocr page 118-

10tgt;

D(i windingen drr gri)lt;it(! Iie.iac.iicn zijn voel mindoi\' ontwikkeld dun hij dc! apen, en die hersenen bedekken vim aehteren de kleine hernenen niet. Intnssclien stium velen in veistandclijk opzicht hoo-ger dan de apen.

Men verdeelt de vcisehenvende dieren in 1quot; Landroof-dioron en \' Zee-roofdieren of Vinvoetige verseheurende dieren. 1S l.\'il. Landroofdieren (Ferm\'-). Zij hebben (! snijtanden en 2 hoektanden in elke kaak, maar het aantal kiezen is verschillend. Ook het getal dor temen verschilt; zoo hebben b. v. de katten en honden 5 teenen aan de voor- en 4 aan dc achtervoeten, de hyenas 4 aan al dc voeten, de meeste civetkatten, de wezelachtl-gen en de boeren daarentegen 5. Ook de wijze, waarop zij den voet op den grond zetten, is niet bij allen dezelfde. Bij het mee-rendcel (katten, hyenas, honden en civetkatten) steunen de voeten bij het gaan alleen op do teenen , maar de wezelachtigen en de boeren zetten den handpalm en de voetzolen op den grond. De eersten noemt men daarom Vingertreders (diyitigrada), do andoren Zooltreders (vlanliijrada) Ook ten aanzien der klauwen verschillen de landroofdieren. De katten en cenige soorten van civetkatten (Fi-vrrra, I\'dvado.ruriis) kunnen de klauwen geheel of gedooltolijk terugtrekken, ten gevolge waarvan deze, althans wanneer zij geheel teruggetrokken kunnen worden, steeds scherp blijven, terwijl zij hij de roofdieren, die geene intrekbare klauwen bezitten, door afslijting bij hot gaan stomp zijn.

Do katten zijn mot hot oog oj) gebit en klauwen, op kracht, vlugheid en bloeddorst , de roofdieren bij uitstek, terwijl daarentegen de beren van allen \'t meest naderen lot den plantcnetcnden. Bij de beren zijn de kiezen platter en voel minder spits, do schenrkies verschilt weinig van de overige

Fi-. t;i).

1

De //con il\'diereu of Viiivootigeii worden quot;\'dlt; wel als oone afzondor-lyke orde aungomerkt,

,J Van dc in i? I\'i\'i i\'|i to gevim gcshuditen tiehquot;quot;ron lot dc (Hi/iliiini\'la I tut on met S, mot nitmmdoring van ■quot;) [l\'aratloxunia). Ouder do Wo-

-ocr page 119-

107

kii\'/en en (Ie, snijtanilcii zijn niiiu\' vorhoiuling gront; zij voeden zicli ilun ook gcilccllclijk niet |iliiiitiiai\'(lige stod\'cn.

Nicl uili! laudroofdicrttii bezitten slcutel-lieeiulereii, en bij ben die er bobben, zijn zij onvolkomen (iiuliinontaii). Do jongen worden blind geboren. Zeer enkele, zoo als de beer, bonden oen winterslaap.

g 135. De Zeeroot\'dieren of Vinvoetige versebeiirende dieren {Vinnipc.d\'a) zijn dieren van tweeërlei leven ifëlmphibia), daar zij een groot deel van hun leven in do zee— gehoon altijd dicht bij do kust — doorbrengen, doch ook veel op bet droogo komen. De

!•gt;. Gl.

tandforinnle is verschillend. De hoektanden zijn sterk en spits, de kiezen kegelvormig of mot schor-po punten. In overeenstemming met hunne levenswijze loopt bun lichaam naar achteren bing en kegelvormig nit, en is bedekt met korte, glad

zolaclitigon , Iquot;, II, I L\' en I.\'!) die (i v (■ r i ^ e r i s zijii, \\iiilt;l(

mon et\'olijke dit! alleen bet vmn\'.sfe ^erloelte \'lor \\\'nc!/.nol o]i den grond zotten; mon noemt ze daarom lialtzdidtreibn\'s (xcvi\'jtldufl\'frfi\'hi), lt;hi(l(M\' do Viveri\'inen (.gt;, (ï, 7 en S) ■indt uien oonigen, die oono toimadorlng tot de zooltrodors vortconou door het pohool of na;*onee^ onbehttard /.ijn dol\' vootzolen ; /.ij /.ijii de giinolkat, de ichiieninon oa de zenik.

-ocr page 120-

108

luinsluilciiilc liaron; do hals is kort; uitwnndigo ooron outbroken, holialvo liij O/aria, lt;li(^ klo,iiu\' oorscliolpoii liceft. Do vijfvitigei\'igo pooton zijn kort, vinvormig vorbrood on tnsschon do tecnon vim zwomvliozon voorzion. Do iiclitorpooton stiuin aolitcrwaurts gokocrd nan boidc /.ijdon Vim don korton staart. (gt;|i liot drogo bowcgen do miM\'ston y.it-li diontongovolgo siochts kruipond on langzaam; daar-ontogon /.wominon zij nitstokond. Ondor do huid bozittcn zij oone dikko siioklaag. Zij lovon in do gomatigdo on vooral in do, koudo gowoston dor aardo, on wol in troopon. V(!rstandolijk boliooron zij tot do hoogst staando dieren.

1,\'!(). Groslaohton on soorten. 1 A Land roofdieren.

I. Viiigortreders {Diyitiyrada).

I. Kat {Fdix) — Huiskat (/\'\'. domestica) t waarsohijnlijk afkomstig deols van do Abyssinischc (/•\'. manicnlata), doels van do Eiiropeesoho en Aziatische Wilde Kat (b\\ calus); do Loach {F. /.\'/«■\'■), Kuropa en N. Azië; Caracal (F. ca-rncnl), Afrika on Midden-Azio, vorscheidenc tijgorkatten F. mai\'niOTdfn, jtavddlis, nerval enz.), O. Tndii\' eu Amerika ; Leeuw (F. leo) Afrika en Azië; Tijger (F. tii/rls), (». ludië ; Luipaard (F. IcnporrliiK en /Kirdim), Afrika en Azië; Ja-goear of Amerikaansche tijger {F. Poema, f^oegoear

of Amerikaansche leeuw {F. concolor), beidon in tropisch eu gematigd Amerika; Jachttijger (F. jubata on yutlala), Azië eu O. Afrika, beidou met niet of weinig intrekbare klauwen; men richt deze diereu tot de jacht afquot;.

Hyena (Hyne.na), — Gestroepte (//. striata), N. Afrika; Gevlekte (II. cror.uta,), Afrika; Kaapschc Hyena of iStraudwolf (//. brimiiea).

.\'J. Aardwolf (l\'rolflrs) — Kaapschc A. (/\'. Lalnndii).

Hond (Canix). — Huishond, iu verschilhnido rassen (C.fa-iii i Uur is), waarschijnlijk afkomstig van den gowonou Wolf (C. Iii/his) . den Jakhals (C. aiireim), Europa, \\V. Azië, N. Afrika , do. wilde Indische houden (C. primamus cn rntilans) enz.; voorts: Hyaona-houd (C. jrictus), Afrika;

1 Het tcokeii f hoteekont dat liot bedooldo dier in ons land in hot wild afttigetroffeu wordt, liij andoren staat dit nitdnikkolijli vormeld.

Mon val do Jaditlijfrors ook maler den geslachtsnaam Ci/nailunin saiiion als miilorjj;oslacht van hot geslacht I\'chs.

-ocr page 121-

109

ili! gewond Vos f (C. vuljies), Egyj)ti8clu! vos (C. iil/o/lciin), Pool- of Blauwvos (C. l(t(/oj)iix). — lloudon rn wolven hob-bou oen ronden, vossen een loodrecht gespleten jnipil. 5, Civetkat (l \'/mra). — Groote eivetkat (1\'. ricclla), tro-piseh Afrika; Zihetkat (1\'. ;:iltcl/ia) O. Indië( Genetkiil (V, yenelta), X. Afrika, Spanje en Frankrijk. 0. Kolstaartkat (l\'anidoxuriis), — Indiselie en Soeiidasclic

(/\'. lypus i\'ii iiiusaiKjd). \'/Ai\' noot 2 (j l.\'i4.

7. lehneuinoii (Hcfpeii/cs). — Egyptische Ichneumon of Rat van l\'harao {II. icl uw. i du on).

Zenik (Ithlzucna). — Kaapschc Zenik of Surikate (h\'li. tc-Iradncli/lci).

/oolgangers. (I\'lanHyvadit).

it. Wezel (Miis/ijln). —- Gewone wezel t (.\'/• vnh/drln) \\ Hermelijn (M. c.niiiiifd) • Hoommarter (.1/. \'mnrles); Steen- of lluismarter f (M. foiiia); Hnnseni f (-1/. pulon\'tm); Frot f (.1/. J\'nro); Sabel (M. ziheUina). Allen inlaudseh behalve M. crrn\'mai en zihtUina, die in noordel. Europa te huis behoo-ren. In /. Amerika M. harhara, of O ulo canc.srens.

10. Otter (Lutra). — Gewone visch-otter f (/.. vulyarin) \\ Zeeotter (//. marina).

11. Stinkdier (Mcphilts). — Noord-Ainerikaansch Stinkdier of Chink (il/. cliinya}.

I -. Honigdas (MclUvorct). — Kaapschc II., Kalei (M. cd/inixis).

13. Veelvraat (dn/o), — Noordsche. ((/. hori\'dlin).

I-I. Das (Mr.las). — Gewone das f (M. \'J\'a.cus).

If). Heer (L\'rtinu), - Bruine beer (lnrc/on), bergstreken van N. Europa en N. en \\\\\'. Azië, ook in de Alpen; zwarte Amerikaansche B. (/ \'. ((lue.rii\'anim) \\ (Jrijze Amerik. B. (/\'. /rrox) ; Middcn-Aziatischc B. (/\'. tibetiiHHë)\\ Syrische B. (1\'. stjr\'mnis); Lippenbeer (!\'. /(ibiafiis), Indië; Malei sehe B. (/\'. inalai/annx) \\ l.lsbcei\' (V, iiutrifii/i/is). N. pool streken.

I(i. Wasehbeer (l\'roci/on). Gewone \\\\. {/\'. lalor), \\. Ame rika; Surinaamsibe \\\\ , Cnibodago (/\'. ram-fiixiniK).

17. Ncusdier (.Wikiki), iN\'cusvarken of Kocali, Coali mondi (A. ndKtat cu i«ii:ialis)} Oostelijk Z. Ami\'i\'ika.

18. Kinkajoe ((\'rrrulrjgt;/r*). Gewone K. ((\'. camlinaliuis), Z. Amerika.

-ocr page 122-

1 10

l\'.t. Hcnturung {Arc.tic.tls), — Sooudaaclic 15. (A. pe.)iivillafa).

I!. (josliicliteii en soorten van Zecioofdioim.

1. Hol) (l\'hofici).— (Stewono Kol) of /.oclionil f (l\'h. vitiiliiui) •, Oi\'oonlaiKlschc K. (/\'//. graenluiHlica).

Zco-olifant (üyitlophoia). —■ Nooi\'dclijko en Zuidelijke (C. crixla/a en probosridea) \\ Z. en X. halfrond.

lt; lor-rob (Otarla). —Zeeleeuw juhata), kust van l\'ata-gonië; Zeebccr (O. iirsimi), Kusten der Zuidpoolzee, liet mannetje van den eersten met korte manen, de tweede ruig.

4. Walrus (\'rrlc/ircus), — Gewone Walrus (7\'. roxumnis), met twee groote Ijenedenwaarts geriehte slagtanden in de bovenkaak. Noordpoolzoeën.

i\'iquot;-. (Ui

Adit quot;TVOrt VMM t i n ln rt.

§ 1.\'!7. Vijfdi1 orde. llerkauweude dieren of herkauwers (lïinu!-nanlia). — Voeten met twee hoeven (§ 119) waarom do herkauwende dieren ook wel Iweehoc.uiyi\'n (/jistilna) heeteii. Hij de meesten bevinden zich aehter aan den voet nog twee kleine gehoofde tcencn, bijhoeven, die den grond niet aanraken. Kiezen met geplooid glazuur op de breed1\' kauwvlakte. -— In het algeineen ontbreken in de bovenkaak de snijtanden en in heide kaken de hoektanden, terwijl de kiezen dei-onderkaak door eene vrij groote tusschonruinite van ili^ snijtanden geseheidon zijn. Het aantal kiezen is steeds quot;/s-— Hierop maken de kamoelen en lama\'s eene uit/ondering; deze hebben ook in de bovenkaak snijtanden, hoektanden in beide kaken, maar slechts kiezen. Enkele hertsoovten hebben ook hoektanden in de bovenkaak, die zelfs soms zeer lang zijn en benedenwaarts uit den mond steken , b. v. ( \'o\'inis mvnljar, het Mnsknsdier enz.

De meeste herkiinwende dieren dragen hoornen op den kop. Men oiiderseheidt deze in eigenlijke of holle hoornen, en in vaste hoornen of geweien. Holle hoornen zijn kokers, die eigenlijk uit samengepakte haren bestaan en met linnne grondvlakte om een vast beenen uitsteeksel (hoornpit) des voorhoofdbeens zitten. Zij vallen niet al en groeien gedurende den gelieelen leeftijd des diers voort, door

-ocr page 123-

ilicii zich aan den grondslag telkons iiieuwo hoornringcii onwikko-lon. Tot voorbeeld dienen do hoornen der koeien en geiten. -— Een vaste hoorn of gewei bestaat nil beenstot\' en is niet hol. De grond vlakte uit niet om , maar op een beoiiig uitsteeksel van het voorhoofdsbeen, dat men „rozenstokquot; heet. iirt gewei valt jaarlijks

af, en wordt vervangen door nieuw gewei, dat steeds grootcr is dan het voorgaande , cu ook , zoo het een getakt gewei is, nicer takken be/.it. Als voorbeeld noem ik het gewei van een hert. /00 lang het gewei groeit, is het bekleed met cene behaarde, zeer vaal rijke, huid, wier bloedvaten de stof afscheiden waardoor het gewei groeit. Latei-sterft deze huid en valt af, waartoe het dier door wrijven van het gewei tegen boomen medewerkt. — Geweien bezitten alleen man neljes-dieren, behalve bij het rendier, welks wijfje ook een gewei

licolt; liij dieren mei holle lioomen zijn meestal de wijfjes daar ook van voorzien.

138. Ten aanzien van lief inwendig samenstel der herkauwers

-ocr page 124-

112

moet vooral linimc, inang niet inot stilzwijgen worden voorbijgaiin. 1)(! maag der herkauwe.nile dl eren is geen enkelvoudige zak,/.coals die der overige zoogdieren on van den inenseh; /ij is in drie of vier afdeelingen of magen verdeeld, die men van linksaf tcd lende aldns onderselicidt: do \'pms (rumcu), de muls, ImiJ of url-\'maay (rc.Hcaluin) de bockpcns (omtmuiii, psa/h riiim) i^n Ifhiiiadtj. (ahomanniii). De binnenvlakt! van de pens is voorzien van harde

tepeltjes, de mnts bovendien vim kleine, plooien van bet slijmvlies. die diepe hoekige vakjes vormen ; in de boekpens bezit liet slijmvlies breede overlangsehe plooien, die als de bladen van een boek tegen elkander liggen; in dc Icbmaag bevinden zieb kleinere plooien, en in deze. maag alleen is eigenlijk bet maagsap bevat. Het voedsel nu — dut bij do herkauwende dieren steeds uit gras of bladeren bestaat en met behulp der tong wordt afgeplukt, -wordt eerst onder bet grazen sleehts grof gekauwd en komt dooiden slokdarm in de pens, waar het in bet doorgeslikte speeksel

ur(.k| _ vervolgens in de muts, waaruit het weer bij kleine ge

deelten door den slokdarm in den mond gedreven wordt, om op nieuw gekauwd of lurhtuwd te worden, (ioed fijn gekauwd gaat het nu wederom door den slokdarm, dan voorts door een sleuf aan de binnenzijde, der muts naar de boekpens (die bij de kamee-len en lama\'s ontbreekt), en daarna naar de lebtnaag, waarin de

-ocr page 125-

113

cMgonliJkc. spyavoi\'tciing phmts hooft, liij dc ziiigeudo jongoii g.\'uit dn molk rochtstrooks door do drio coi\'stc, inagun hoen imar do lobniiiag. Hot dannkauaal is lang; hot hozit van 12 tot 28 maal do longto van hot liohaam.

Do horsencn voi-toonon windingen , inaar in minden! mato dan die dor roofdieron.

S 13!). Do horkauwondo diorou /.ijn mcost groot van gostalto mot naar evonrodighoid kloinon kop, en loven, gelijk gezegd is, vooral van gras en bladen. De nieostcn levon gezellig in kuddon Tot hen bohooron ongetwijfeld lt;lo voor den inoiiseh hot meost mil-■ tige dieren. Zij zijn over de gansehe aardo vers|)i\'oid, behalve in Australië.

Mon verdeelt do herkauwende dieren in twee groote afdoeliugon .

te weten; lquot;. liorkauwors mot drio magon on siiijtnndon iu de l)ii

voukaak (kameolachtigon), 2quot;, herkauwers met vier magen en met

.snijtiinden alleen in do onderkaak. De hiatston vordeolt mon weder

iu holhoornigen, bortaohtigen of geweidragendon, en girall\'en. \\S\'ij

krijgen aldus vier groopen van horkauwoiulon.

I. Kanieelaehtigou (Came/ina. \'I\'l/lopniUi). (Jeene bijhocven; gccne

i l i 1 \'i 1 f) . 1 I ■ 5.

Iioornen; tanden , of, bn do lamas,

9 H i \'l \' ;i -f- l | 5.

Geen boek]iens.

\'i. Ilolhoornigeii {(\'(ir/\'eoniia), Aehtorhoeven; hollo hoornen; tand

0 0 -I- (5 formule ^ i ^ (•1 niagen.

3. (lort aehtigen (Ccn-ina). Ae.hterhoeven; bij do meeston eon bun dol haar aan do binnony.ijdc der aehtervoeton ; vaste hoornen of ge weien (het mnskusdier bezit or goeno). \'randfornnde als bij do Ibd hoornigon , doeh bij eonigen hooktandon. \\\'irr magen.

i. Oiraffos (CantcloixtrdnUna, Ih\'voxa). (Joone acditorhooven; in plaats van hoornen of gewei twee stompe, blijvend door do bnid om kleedde boon-uitsteoksols. Igt;ij bet mannetje oene uitpuiling midilen op don schedel. Tandformitlo als quot;2 en .\'!.

8 140. Ooslaohton on soorten.

I. Kaïneelaohtige dieren.

1. Kamool. (Cainchi/t). — Arahisidie of oonbnltige kameel of dro modaris (C. (IronirdariKs), liaetrisohe, Mungoolscdn\', twecbub tige kameel (6\'. Iladrlmiim).

\'i. Lama (Aiiclieni\'a). Iluanaco (A. ImaiKiao), waarvan do olgen-

8

-ocr page 126-

lijke lairui {A. lama), die alleen in tiimmeii stiiat voorkomf, waarschijnlijk afstamt; l\'aco (/I. puco) ■, Vlcnnna, vigogne (.1, vlc.anmt). Alle in Z.W. Zuid-Amerika.

II. Ilolhooriügcn.

I. Rund (Itda). — Gewoon Rund (/». lanrus) mot verschillende rassen; Zebu (11. hidiciis), l\'er/ië en Indic; Soendascho l?aii-tang (/\'\'• siédaians), Java; Sylhotaanseli rund (II. Sylhelanns, (taunu, froiihiUs), Indië; Gewone haffel, ami, karbouw (/gt;\'. hiihahin, ïndië , en daaruit overgebracht iu Italië; Knapsidie buitel (II. cafcr); Kuropeescbe. bison. Wisent (H honasns); ten onrechte Aueros of llrus gehceten; alleen nog in Lit-thauwcn en in den Caucasus; Amerikaansche bison (\'/A ((/quot;civ-rduns), X,-Anuu ika; ^\'ak (11. (ifiinniciisj, Midden-Azii\', Mus kus-ns (/gt;. of ih\'ilxm iiwscjkiIiih) , No(U\'d-Ainei-ikaanHcbe poolstreken.

Schaap (Oris). ■ Moeflon (O. miixinion), Turkije, Griekenland, Sardinië. Corsica; Argali (O. (imnioii.), /.. Siberië en Tartarije : van een van beiden stamt allerwaarschijnlijkst hef tamme schaap (lt;gt;. «r/ra); Arkar (O. I\'nlii), y.eer groot ; Mid den-A\'/,ië ; Afrikaansche moctbm, tedal ((k trdyclaiihun). .\'ï. (weit (Cf/j\'i\'quot;) Gewone geit •[ ((\'. hn\'i\'iis) stamt waar-

H\'hijjilijk af \\\'au den Me/oarbok ol l\'asang (O. anz/nj/t\'tin) in Pei\'/ië; Steenbok der Alpen ((_\'. //vt) ; Steenlgt;ok der l\'yreuei\'ii (( \'. in/rmctica).

1. Antilope (Anliloiir). — Gems (A. riip!r(iigt;ra ); /.-Kuiopa; (Jewone Gazelle (A. durnis), N.-Afrika en Araliië; Springbok (A, eiwliore); IFertebeest (.1. Cmmn); Klanddier (Ai oretit); Oryx (A. rjn/.r); Blauwbok (.1. Imeophata), met nog een aantal andere soorten, in Zuid-Afrika; Indische antilope (A. cry-rlfaitrn) i Saiga (.1. saïyo), Russische steppen; Addax (.1. «■7 (Uc.r). Xuhië; Gnoe (/I. ƒ/««),/.. Afrika; Dwei-g-anlilope (.1. IK/iinuini) , Guinea; Tschikara (/I. i/mnlrii-oniin), met vier kleine hoorns, in bet 1 limalaya-gc.ljergte.

1 Ondorsclieid tiisschou schapen ea geiten. Sidiaap: v(iorhool(lstreok

ca liovenaensstreek bol; I.......... van aeliteren naar vDrea platgedrnkt,

v.mk spiraalswijs gewoinlim.

(ieii : vunt\'b\'iijfdslrook ea ................... plat; hnortien /.ijdelia^s

platgedrukt en achlonvaails gebogen.

-ocr page 127-

li!)

Hf. Ilcrtiielitlgo dieren.

I. Hert {Ct\'t\'vns). —- Ueiulidr (O. tiirmulus), Liiplaiul, N.-Silx1-rië, noovdolijk N.-Ainorika; Klaml (C. aires), N.-Europa cu N.-Amerika; (lowooii ot odclhci\'t f ((\'. e.lapkus)\\ Wapiti of N.-Amcrikaauscli odt\'llici\'t (C*. (\'(iiuiilc./isis) ^ Rocluu\'t (C, r/n/t\'/ii-tnms) Amoiika; klein Rcohort (C iH\'.inovalis) Surinaiue; Japanach edelhert (lt;quot;. Slka)\\ Javaaiisclio Itnssa (C. nma); Hert van Anstotolo» (C. Arl*lofeli*) Indisi\'li vastland; Muntjac {(!. iniinfjaa) Tiulisoh vastland, China, Ind. archipel; Damhert f dama) \\ Axis ((\'. axis) Indisch vastland; lire, f (C, c.aprKohis)

l\'. Mitsknsdier (Mogehits). — Aluskusdier (.1/. moschifenta), 1 Mid den-Aziê; Javaanscii M. (M. Jui\'uiiici/s), /00 groot als een konijn; /wijnhert (.1/, m/uat/riisj, Westkust van Afrika, in maaksel van ledematen overcenkomeiuh^ met de zwijnen.

IV. (iirall\'o. (CamcloiianlalisJ. — Kaïneclpardcl of girad\'e (C. (li niffaj, Midden- en Znid-Afrikn.

■,i 141. Zesde orde. Diklinidigon (I^avhyilrnnata). Een zeer wr

seliillend gehit. Ilij het paard is de tandformnle , bij het

t j - I j - (J

.. 3 1 1 7 _ 2 1 c,

/W .\'i l l T\' \'\'\'\'\' ., J hij den Uhinoceroa

4 •• 0 1- lt; t -I- 0-1-7 |:(gt;,1 of2

, 7; liij den klipd\'is , _; lii| den I\' efant , .

1 M\' \' 2 j-. l) • 7 ■\' O -f O .|. I of2

lgt;ij hel Nijlpaard zijn de voorste snijtanden der onderkaak zeer lang (^11 groot, de ondei\'ste hoektanden desgelijks, lüj den Klefant zijn dlt;\' heide snijtanden in de bovenkaak tot lange slagtanden uitgegroeid; het aantal kiezen is eigenlijk in elke kaak (1, doch daar zij zeer afslijten, om dooi\' andere meer aehtenvaarts geplaatste te worden opgevolgd, zijn er steeds slechts I of 2 aanwezig.

1

.1/. mnschifeniH, levtrnde in do hoogo vlakten van Middnn Aziö, is opmerkelijk door een aan don Imik goliaelitoa zak of Imidel, waarin do mnnkuH bovat. is.

-ocr page 128-

()ii do kiunvvliiktc der kiezen ziet men bij ilen n/.iatiachen clefant limidvonnige, bij «b\'ii afrikaanselien ruitvorinigc glaziuii\'ijlooien.— ^\'ll(•tell met \' , i 1 of 5 gehoefde vingers. Meestal eene dikke tuiiil. Hij velen (Elefaut, Rhinoceros, l\'aard) eene enkelvoudige many, bij anderen een beginsel van eene sclieiding in twee belt-l\'i\'-. US, ten (Tapir, Klipdas); bij eem\'gen de niaag werke-kelijk in twee afdeelingen geselieiden (Nijljiaard , Xavelvarken). /ij eten dergelijk voedsel als de lier-kamvende dieren, doeli berkanwen niet.

I\'V. ()9.

ij 142. (ieslaebten en soorten.

I. Henlioevigmi \' S»l!,liiu;iiilit.) Kimke, veelal fraai g(d)onwde die-

-ocr page 129-

ren, met i\'cm uiot to grooto» kdp , grouto oogiüi , langen IimIs, cm iiaiir (\'a\'ciircdiglicid liingc pootim. la liet wild leven zij (ip boomloozo grasvlakten, oorspi\'onkclijk in Middcn-A\'/ii\', vci-wildcnl (jok in aiulcro wci\'clddoo.lcu. Do /.cbra, de Dauw en do Qaagga loven in Znid-AIVika.

1. Paard C1lt;jlt;ihus). —- Paard fl\'L caballusj, Ezel ftt. aniiuinj, Dsjiggotai (l\'l. hciiiionas), Syi\'iscdie e/.id {I-\'.. hrniijipu*), Z(d)ra (Xi\'.bra), Dauw (1\'!. iiKjiilanusJ, Quagga f qudfjjiaJ. Vo(dlioevigen fMiilliiiKjiiln). Drie tot vijf gehoefde leeuen. Dikke, vaak plompe diereu mot oen grootou kop, kleine oegeu , korten hals, en naar evenredigheid korte poolen. Zij leven mees! iu voelitige wouden en moerassige stroken, of zelfs (Nijlpaard) ■( gedeoltelijk in hot, water. Van deze dieren

is liet zwijn allesetend en nadert tot de roof-I k dieren, moor bepaaldelijk tot de Boeren. De

overigen zijn plaiiteuctoud.

2. /w ijn (Sus). — Wild zwijn (/S*. «oro/rt.waarvan allenvaarsehijidijkst bet tamme zwijn (,S\'. hi-i\'hJ\'k doincs/icKs), afstamt. Kaapsch masker-zwijn (S. larvnlns) , llortzwijn of ISabiroessa (S. of I\'orvus bahlraasaj. Celebes, .\'i. N\'avidzwijn {Dlcolylcn). Pokari of \'l\'ajassoe

(I). lal/lal us), /. Amerika.

I. Wratzwijn fJ\'liacucliOKrus). — /uid-.Vfrikaanseh W. (I\'h. aethl(iplcus); Zwijn van Aelianua (l\'h. Acliaai), Abyssinit\'\'.

net van \'■en varken. r,_ Rivier- of Nijlpaard (Ilip/mjio/iivus). — NijI-paard (//. nmphll/ins) uit. de Midden- on Zuid-Afrikaansehe rivieren, vroeger ook in den Nijl.

li. Tapir (\'l\'lt;i]gt;lni.i). Ziiid-Anierikaansebi\'tapir (7\'. aiiirrii-iiiius} •, de harige tapir (7T. villoxi\'.t), inodt! in /. Amerika*, de, tapir van Sumatra en de Molnkken (/. inillcusj,

T. Xeuslioorn fJi\'liiii(Kcros). — Kenhooruig Indisch en Javaaiiseh Xeusliooriidier (l\\\'h. indlcuK e,ii /nritiiiciis)j tweehoornig Suma-Iraasch X. (h\'h. Siimit/rdiiiin)-, tweelioornig zuiil-Afrikaanseb (/i\'h. bicornln), waarvan als bijsoorten of rassen kunnen be sehomvd worden li\'I\'. siiiins, Knllim en i\'iirnUiitn.s.

8. Klipilas flli/rd.r).— Syrisebe klipdas of Daman (II. ni/n\'nciis ; Kaapsobo klipdas (IL cajn\'iisis): — kleine, voel op knii;;\'

II.

-ocr page 130-

118

(lioi\'on gi\'lijkonde dieren, dio wegens luin gebit eu schedel vonn, welke op die van do Khinoeerossen gelijken, hier wordon geplaatst.

!•. Elefant (Klcphas). — Indische elefant Cl\'\', indicus); Afiikaan-sche elefant (t). afrlcuuus).

§ ll.\'f. /evende ni\'de. Walviscliachtige dieren (Cr./acea), dooi-ifaans verdeeld in tuce (irden ; Sirenen fN/rc/oV, en eigenlijke Wal-

vischaehtigen of Wallen (Cc/dccd). Eon min of meer vischvormige romp , bij de Sirenen naderende tot den vorm der robben. Alleen voorste ledematen met vin-ge rvonnige. voeten, (lig, r.r.) wier vingerleden geheel door de hnid ingesloten zijn; bij de Sirenen soms , bij de Wallen nooit nagels. Hij de Sirenen neusgaten voor aan den kop, bij de Wallen boven op den kop. Cteenc nitwendige ooien. De romp loopt achterwaarts dnn uit en eindigt in eene borizontiile platte staartvin (bij de vissehen is de staartvin loodrecht). Bij de Sirenen tepels in de okselholte, hij de Wallen aan den buik. Bij eenige Sirenen snijtanden en geknobbelde kiezen, bij eenige. Wallen (dol-njiiachtigen) vele kegelvormige tanden, hij de overigen geene tanden, maar aan de bovenkaak lange, overdwars geplaatste, elas-tieke lioornplaten of „Ijaardenquot; (bahgt;in). Huid weinig behaard met borstelharen aan de lippen (Sirenen), of geheel naakt (Wallen). Voorts ligt bij de laatsten onder de huid eene min of mem\' dikke speklaag. — De hersenen sterk ontwikkeld , met een nog meer ingewikkeld stelsel van windingen dan bij den inensch.

De Sirenen bereiken eene lengte van tot I meters en meer. \'/ij leven in zee. dicht bij het strand en aan de monden van rivie-

-ocr page 131-

ren, en vocduu zich met /.ooplantcn; «Ie. AVallcti, waarvan vele soorten veel grooter zijn, leven in volle zee en gebruiken zeedie-Kitr, 7;j, ren tot voed

sel.

Bij de wul-visselien voert (1lt;! bij eene liriielitige uil-

-jfiBy de neiisgiiteii uitgedreven luebt veel wa-

teriliiin|)e,n met zieb , die zich (i|i een afstiind als een watorsti iiid vi\'rtddiien. liet strotti\'iilmofd is verlengd tot eene van boven omgebogen krnaltbeenige bids, die bij de iideinhiding in de aeli-terste nensopening kan worden gebraebt., «■ aarbij dan nens- en

FIl\'. 74.

mondholte door eene sluitspier van elkandei- gesebeiib\'n worden . zoodat hot (lier kan ademhalen ook wanneer de inondholte vol water is.

S 144. Geslaeliten en soorten.

I. Sirenen.

1. liarnantijn — IJrazilisehi\' l.amantijn of\'/i\'okoe (.1/, anstrdlisj, West-Indische Zeekoe /.(iliriislrin), Sc negidsehe \'/eekoe (.1/. seiu\'f/a/ciiKiK).

2. Doejong, (/1nhrnv j.— De Doejong of Zeekoe van Oost Indië en Australië II. frldcat.j

II. Walvisebuchfigen.

a. Eigenlijke Wallen (Halaenodia). Geini tanden, maar baarden.

-ocr page 132-

120

1. AViilvisi\'li (Hi\'liicua).— Grooiilaudsclie Willviseli (H. niys-

tlcctas), \'/niil/iM\'-watvi^cti (II. auslrulis.)

li. Vinvist\'li flktlnciioph\'raj; ecu i ugviii. - Grootc. VinviHcli fll. hoöjis.J, IJszee, het grootste dier, soms meer dan 30 meters lung; Liingvinnigc Viuviseh fit. IviKjünana.J, IJszee, Jnpansche zee.

/i. Dollijinielitigeii (DflplimoideaJ, TiuuIüii.

.\'i. 1\'otviseli (Phyuelcr). Potviscli f (l\'/i. rnacrooeji/iahis). N.

zee en Atl. oceaan.

I. Butskop (IIijigt;i;ruodoii). — Grcwono ii. t voslraliis), Atl. oceaan.

Narwal (Monoiluii). — Narwal of Zee-eenhoorn (M. munu eer os), In de tussehenkaaksheemlereii staan (§ !)(!) I\\\\lt;,e tanden, waarvan de rechter meestal niet uitgroeit, terwijl bij de mannetjes de linker /eer lang vordt en als een rechte spiraalsgewijs gegroefde hoorn voor den kop uitsteekt; Noordel. IJszee.

• i. Dolliju (/h\'ij}1 li)!us). — Gewone rloKijn f (!gt;. dclphis), \'ruimelaar f (1). lursio); de in zoet water levende. Gan-gesdoUiju (I). i/diiiic.llcim) en Amazonen-dolfijn (II. of fnia. (imctzonicus).

7. Hruinviscli (I\'lwcacna). — Gewone Hruinviseh f (/\'/(, communis); Zwaardviseh, Oik f (Vh. oven); Grindwal t (Vh. fjlohicrps).

lüj Haldijid en hebben t)i\'ide neusgaten op den

kipp sleehts éêiu! genieensehajipelijke opening.

ll.quot;gt;. Aclitsfe orde. Vlengelhandigcn (Cli/rojjti\'i\'H), Vledennni-zrn. \\\'ijf vingers aan alle. vier de ponten, De vingers der voorpoo-ten (uitgezoiulerd de, duim) zijn buitengemeen lang. Tussehen die lange voorvingers, de voorpooteu zeiven, de zijden van het lijf, de aehterpooten rn soms ook den korten staart, is een dun, onbehaard vlii\'S uitgespannen, door middel waarvan het dier als een vogel, of liever als een vlinder, iu de lucht kan vliegen. Aan den boven- of voorland der vleugcis steken de kleine duimen als scherpe punten uit. Aan elk hielbeen ziet men een spoorvormig

-ocr page 133-

don arm, waardoor dan d»\' vlicgliuiM tegc.n de zijde des liidiaams wordt gejilooid. Hij dag sIa[)(Mi de. vlodcrnmi/cn in holle boonum, in sjdetcn van inuren rnz. : \'s mvoikIs en \'s nacdits vliegon /c uit om voedsel te zoeken, in de gematigde InclitstrckcMi liouden zij een winte.rslaa}), geduren-zij aan de nagels der aehterpooten hangen niet den leneden, en met de viieghuid om liet lijf gejilooid. Zij

voeden zich doelsrnet dierlijk , deels niet phiiil;mrdi^ voedsel. — De ojijiervlakte der ^Toote Iiorsenen is ge-of nagenoeg glnd. et gebit der I nseeten etende vledeniinizen is o tot n i I I (1 tot:{ :gt;) 2 -}- 11(1 totli) De kiezen, soma ook de

(K* wrlkcn kop muir 1

-ocr page 134-

liocktiiiirli\'ii, zijn vim Bclu^rpu puntjes voorzini. Di\' vingurs lici\' vooriMiotun, behalve de (luim, zijn ongeiuigeld. De meestem (gesl.

jj-ig. 7«, - , 3, 4,5), hobbcn gróötc, brecde

en van plooien voorziene ooreu, en bij velen is het gelaat inisvonnd door hoef\'ij/.ervorinigi\', klaverblad-vorinige , liervonnige huidplooien op den neus. Men vindt ze door de ge-beele wereld verspreid. Soiumige groote Anieiikiiimselie soorten zuigen levende, sums groote dieren het Kruliicndu Vlcrtcriimi^. bloed uit (A\'mlnp\\\'rs).

De Vruehteteude vledorinuizon, die alleen iu Oost-lndië en op N ii\'iiw 1 lollauil leven en jiieereudeels zeer groot zijn, bezitten llt;ie

-I- i a tot 5

zeu iiict slnnnie kiiiiwvhlkten. \'r:indforinule

1 \'2 | I i .\') tot lt;)

kop heeft veel van dien van een hond, met sleehts matig groote

en geenzins vreennlgiïVOriudi\' ooren en zonder liuidplooien op den

neus. üeluilve, de iluiin is ook de tweodc vinger der voorpooton

genageld.

Ü I Ki. Gresluehten en somten.

1. Vruebtenetende vli^dermuizen.

I. Vliegende Hond (/Vero/«(«). — Javaansche vliegende hond of

Kalong (Vt. fihi/is).

11. Insektcnetende vle.deriniiizen.

■J. 111 ad neus (Pln/Hosloiim). — iSruziliaiinsclie Vain])yr (l\'h. .speel mm).

Vluelit 0,7 meter.

Iloelijzeineus, Kanmens (lihiiioloplins). Kuropeesebe hoelijzer-ni\'iis (lih. frvrmu ; Zuidelijk Kiiro|iJl.

I. Tongvlederumis ((Hoxso/ihiiya). Braziliaansehe I. ((gt;. (inqjlt.ri-caudala).

Liernons (Alrt/affrrinfi). l.ierneus lijnt) t Dekan.

li. Grootoor (PlriioliiK). Kurepeesebe Grootoor t aurilus).

Grootoor van Timor (/\'/. timorcnsi\'s.)

7. Vledennuis (Vi\'fpcriiliu). — Gewone vledermuis, groote spek-nuiis f (V. iiorhila), Avondvloderimns f (V. serolimis), Kat-vledermuis-J- (V. iitnrlints), Dwergvlodcnnuis f (V. iiipixtreUus).

-ocr page 135-

123

S 117. Nngundc nr(li!. Iiiscktcnotms (htscrllvora). Dczc wcrrlon vroogui\' ids ondd\'afflocliiig liij do vurHclieuriiiidc dicioii gr

voogd. Gotid snijtiindon on kiozcn vorsoliilloinl, do oorstc soins ongelijk in auntiil in do boido kukon; viiak goo,up liqcktaiuirii,

Kio/.on mot sohorjio pnntjos. Do spitsnmi/cn bozitto.n sloclils con paar grooto snijtiindiMi in elke kauk. Doorgiimis •quot;) vingoi\'s ami id do vooton, die mot do yt zoli\'ii op don gi\'ond goiii.\'ialst zijn. Slonlolboondoron. Kon klein Sctii\'di\'i van iic Wiiti\'i\'«iilt»iiiiiis. on godroiigon lioliaiun, gelij kondo dp dat vim vole kiiniigdicrc.n. S()ininig(ni (do mollon) Icvoii ondor don gnmd on bozitton slocbfs kloino, bijna of gobool door do hnid overdekte oogon. Velen bonden een wintersbikp. — fjoon windingen dor grooto liorsoncn.

§ 1 10. Gosbicbton on soorton.

I. Gostokoldon (Aculca/ii). ling on zijden met stekels liodekt; eon stompe snnit ; oen koi\'to of goon staart.

I. Egol (Kriuacms). Gewone Egol, Zwijnngol, Kgelvnrken f (KriiificiiUH cnroiMcii*), Miidngaskurscbo Borntol-ogid , Tonreo (//\'. of (\'I\'li/e/rs ecundnlus).

■J. Klim-ogol (CludoljHles). — Uost-lndisolie klim-cgol, Tnpiiiu ((-\'/. Tana).

H. Spitsinuiaiicbtigen (Soririmt). Ken liingt! en sjn\'tse snnit on lunge staart; goon jnkboog.

■ !. Spitsmuis (Soi-c.r). — Go.wone spitsmuis f (S. rn/rjnrls en Iimiifus); Watorspilsmnis f (\'S- /quot;diens); I hvergspilsmnis {S. fArmmis, of (.\'rocidum simwole.ii»), bet kleinste, zoogdier, si coll ts I oontim. lang. Knrojia.

I. Springspitsnmis (}[acfOscdidcn). -- De AlVikaiiiiscbc S. (,U. f}/pic us).

Desman (Mi/oyah\'.) — IJisam-dosinan uit zuidelijk Ixiisland (.1/. moschatd.).

III. Molaebtigon (Trdpina). Eon rolrond liidiaam; sjiitse snuit; goon uitwo.ndigo ooron, oogon klein, bijna door do bnid bedekt; geeiK\' of zoor korte staart. Voeten tot graven ingorielit.

-ocr page 136-

C), Mol {\'I\'dl/tn). — Gcwono Mol f (7\', cai-oigt;aca)-, Blinde mol

(7\'. cocciij i Kuiopa.

7. Watermol (Scalops). — Nooiil-AinciikiianBchc Watermol (N. aijrlnticiis).

S. Ster-mol (Coiiflijhtra).— Noord.-Auierikaauselio Stcnnol (C.

cn\'slald en loiKjicuudaUi),

!t. (ilansmol (C/irt/sochloris). — Kaapselie glans- of goudinol (Ch. inaiirala.)

sj ll\'.l. Tiende orde. Knaagdieren (Itadcii/ln t liosorcK). Over quot;t. geheel kleine /.oogdieren, met een geilrongen lijt\', mill of meer mi.t Unevelliaren bezetten annit, en dikwijls met een gespleten bovenli]). Snijtanden Vi . \'ang, gekromd, beitel vorinig, diep in de kaken stekende, en steeds voortgrueiende, zoodat zij door bet gebruik niet wegslijten. liet glazimr der snijtanden is aan de voorvlakte dikker dan aan de aehtervlakte; het gevolg daarvan is dat zij van voren minder door liet knagen afslijten dan van aehteren en dus steeds eone beitelvormige snede behouden. liij de haasaehtigen vindt men aehter eiken snijtand der bovenkaak nog een klein snijtandje. Hoektanden geene. Eeno groote ruimte, tusseben snijtanden en kiezen. Kiezen meestal

Jïovriivlnkin iior ki. /m van Vt tot \'/, inct geplooide kauwvlakten.

0011 knftiigdicr. ])(. plooien daarvan hangen af van het

naar binnen inspringen van het harde glazuur, dat de. kies omgeeft. l\'.enige knaagdieren, zooals de eekhoorns, hebben geknobbelde kiezen; de haasaehtigen bezitten kiezen, die uit tegen elkander liggende, plaatjes bestaan, waardoor op de kaïnvvbikte dwar-nehe verhevenheden te, zien zijn. Hij deze zijn de kiezen zonder eigenlijke wortels in de kassen geplant, — De inrichting der kaak-gewriehten laat eene zeer vrije beweging van de onderkaak voor-en achterwaart» too.

-ocr page 137-

125

Velen hobbe.ii wangzak ken , waai-in zij Imn voedsel tijdelijk lier gen. Hij oenige, uit de geslaeliten 1.4, !), II en 12 zijn de beiden onderkiiiikshulften bewegelijk. \\\'ier of vijf van klauwen voorziene teenen, bij souinugou, die ook in liet water loven, met zwemvliezen. Staart van ve.racbilleude lengte en vorm ; soms geen staart. — Deze orde is onder de zoogdieren het rijkst aan soorten. De meeste, knaagdieren vermenigvuldigen zieb daarbij zeer sterk.

Do knaagdieren leven vooral of uitsluitend van jdantenvoe.dsel, en wel meest van liarde of taaie jdantondeelen , basten, wortels, enz. , die zij niet Inunie daartoe ingcriebte groote snijtanden af knagen. linkele, zooals do rat, etea ook wel insekten, wormen, enz., ja versebeureu kleinere dieren, lüj ben, dii^ klimmen of met de voor]iooten lu^t voedsel naar den mond brengen, vindt men sleutelbeenderen; bij de hazen en het stekelvarken vindt men daar van sleehts rudimenten; de y.ivia\'s bobben er geene. Groote? hersenen zonder windingen. Ten aanzien van bun verstand staan /.ij veelal (met uitzonderingen, zooals de rat) op ze.er lagen trap, of-schoon liet instinct bij velen zeer ontwikkeld is, b. v. bij den liever \'.

ij 150. Geslaeliten en soorten.

I. Kekhoornaehtigen (iSWotvW;). Voorvoeten met 1 teenenen een

duimstomp, aebtervocten met 5 teenen. Ken bebaarde ntaart.

1. Kekboorn (Si-mms). — lt;gt;ewiion Meklmrent je f (gt;S. rn/i/aris) \\ (Jrauw M. (N. c.iiicrcnx). N\'. Amerika. Groote K. van Mala bar (S. niii.riiiuiu), zoo groot als een kat; kleine Kekhoorn van l\'orneo (N, r.ri!is), zoo groot als een muis.

2. Aard-Eekhoorn ( I\'diiiidH). Sibcrisehe A. {\'/\'. Klridlux). Wangzakken.

I!, \\ liegende Mekhonrn (1 \'frmui//*), niet een valseberm om treilt als de vliegende Maki (ij 127). Siberische (/\'. )■«/■ lt;/firis) , ludiselie (/\'. iiclanrislo),

1. Marmot {Ardomys), Marmot {.1, imtnno/ti), /.w itserlaml, \'l\'yrol ; Mobae (.1. Ixi/xir) lïusland.

5. /iesel (,Siiiyiii(i/(,iiliihix). /iesel (.S, lt;■ lll/nn). Duitseh land, Siberii\'t; 1\'rairie-liond (N. Iiii/(ii:cIciiiiii«) , Noord Amerika.

lt;1. lielmuis, Zevenslaper (.1 /i/nrn.s). Gewone relmnis (M.

Zuid-Kuropa • ilazclinuis -}• (M. ai\'i llannrins).

\' Zie M\\or den Itrxcr : llnrlinj^, /iomrlinisl dn ilirreii.

-ocr page 138-

12(i

II, Zwcmknangdiuron {Palmiprdia). Zwomvlioütm tiisHclmii do ni\'literteoiion ; brecdo , beschnbdo staart.

7. I\'x\'viü\' ((tuwoho boven- (C. Jihcr), Amorika, Si-btiriö, vcoogoi\' ook ou \\r. Kuro|)a. Ouchü\' do huid van ilon 1)iiik bovinilo.n y.icli twee /akjos, waarin /icli bot zoo-

gouaamd bevergeil (castoronm) bevindt, dat als geneesmiddel gebruikt wordt.

III. \\Viirliiuii/oii (Avrlcodiin). Dikko, stomiie ku])-, wortolloozi!

kiezen; korte staart.

8. Muskusrat, Zibetuuiis (Fihcr). — Ondatra (/\'\'. zilidirim), N. Amerika.

i\'. \\\'cld- of Woebuuia Watorrat f (//. rnnplii-

/lins); (ro.woiu! voldmnis f (//. urrjilln); Sibcrisohe woel-naiis (//. ne.Konomux).

10. Loiniuing (Mt/oflrs). - Noordselu1 Ij. ( W. U\'lmnift), Maakt soms gezellig grooton tochten.

IV. Mul/.on (Miirimi). Smalle en s))ifs(gt; koji; ooren, pooten en staart w(dnig of idot behaard; lange staart. Teonon als I.

11. Muis (Mn*). ■ - (iowone Muis f (M. mvtr.iiliu); Zwarte rat f (.1/. vallus)-, lirinni\' rat f (M. (/(\'(■«gt;»«?/«s); de/warti^ rat, vroeger zeer algemeen, is tlians bijna door de bruine vordron^on. Hoscinnuis f (.\\r. st/lfn/!niM)\\ Akkormuis f (.1/. iKinirins) \\ Dwergmuis f (.1/. tninnliis); Uou/.enrat (.1/. (/\' f/mih\'iis), Ind. vaste land en Soouda-eilanden.

1Ilamstor (Crii-.r.fiis). Gewone 11. (C. frumcn/dviim), N. en /. Duitseldand , llongnrijo, Kusland, Siberië.

\\\'. Mobnuizon, Aardmuizon {(/mri/ctiina). Dikke kop, liehaam rolrond; graafpooten ; oogon en ooren weinig zichtbaar; zeer ste.rke snijtanden.

I.\'t. Molrat, Ulindinuis (Spctltix), inolvormig met zeer kleine oogen; b\'cft onder don grond. — lilindtnuis nil Z. lt; gt;, Huropa (iS\'. \'l)/jililiis).

II. Zandmol (lldlhj/iri/iis), als do vorige. — Kaa))sohe zand ni(d (/gt;\'. maritimns).

\\\'l. Spriagmnizon (Pi/joiliiht). \\roorpooton zoor kort, aehlerpooton zoei lang; snuit spits; oogen en ooren groot; staart lang.

I.V Springmuis (/gt;//\'quot;«). Siberische (/\'. sai/ilfa); ICgyidische (lgt;. inyi/ji/idiilx).

Dl. Springhaas (l\'iili\'lrn). - Kaapsche S. (Pfdi\'tcn mfn).

-ocr page 139-

VII. Ocstckciilcii (Aciilen/a). K (I ] I ililc, stomp ; gost^kold lietiiuini.

17. Stckeliat (Loiirhercs), — .SuriiiiiiunHchc, S. (/,. crisfalu).

18. Stekelvarken {Jlystrix). — Gewoon S. (//. erin/a fa), Italië. cn Spanje; Javaansrli S. (II. javanicd).

11), Orijiistaart-Stokelvai\'ken((\'crcolahcs) — Aine.i\'ikaansclie. lt;■. . (\'oemloe (C. prchciiKi/itt).

20. Hooniatekelvarken (Plit/odi\'mlni).— l\'rson, X. AmerikaanHcli 1!. (l\'h. dnrsata).

VIII. I laifliocvigen (Niibumjiiluln) , (Cavia\'s (Carina). Korte lioefadi-

tige nagels.

20. Caviu (C\'aoia) Guincoscli biggotjit, verkeenlelijk marmot genaaiml ((.\'. rolun/it) ■, Ajierea ((.\'. lt;(y)cnvj); heiden Zuid Amerika.

21. Watorliaas ((\'iifloj/cni/n). I\'aka yw/.w), /aiid-Aniorika.

22. Agoeti {!Umyproda). (juwoiio A., (\'dim coni (/gt;. Znid-Ameriku.

23. \\\\,at(M,/.\\\\ijn (Ili/drorliuiras). \\V:ifoiv.wijn (II. rtijii/ljant), liet grootste van alle knaagdieren, /,igt;o groot als een klein neliaap. In Zuid-Amoiika.

IX. W dltmii/en, 1 laasmni/en. (I\'lrlntin/hin). Acldi\'i\'poolen lang:

groote ooren; vrij lange staart; lang zaeht Imar.

24. {Ihineliilla (h\'ritiuu/x). Z.-Amerika, (\'iiinekilla (/•.\'.

l\'ern en (\'liili.

2;). liaasmuiB (lAijinnlomnn). —■ l\'ampaslmas, X\'iseaelie (/../c/ (■linddc/i/litn), ürazilië en Paraguay.

X. ifaasaeld.igen (Lcjioi-iiKi). Acditerpooten lang; voor 5, ai liter

■1 t(!enon; ooren groot; staart korl of onthrekend. Aelifer

eiken boveiiHnijtand nog een klein tandje; wortellooze kie/en.

2i!. Haas (l.c/ms). — (Jewone llaasj* (I .rp\'/u / / in i/h/s), Sneeuw liaas (/.. mridhi/lx), Konijn i* ( /.. rnnlrnlns).

27. l\'ijplmas, I lamsterliaas (I.(Iiilt;iiiii/k). Bergliaas (/,. Al/ii iiiis) in Xoerd Azië.

tj 1 .r) I Klfde orde. Tandeloozen (Ihtcnlii/d), — In heide kaken geene tanden, -— of altlmns nie(!st altijd geene hoek- en Hnijlan-den. De kiezen, waar zij aanwezig zijn, zijn eylimlriseh of pris-inatiseli van vorm, zonder glazuur, en vaak zeer groot in getal

-ocr page 140-

128

(van 1 tut 25 paiv.n tcv weerzijde, in elke kaak). Zij hebben ruimten tiiHscbon (^kiinclor on groeien «teedo voort. Getal tier dicht met clkiinder verbondene toenon verschillend. Lange , sabclvormig gokronuU^ klauwen , geschikt tot klimmen of graven of om /ieli iiiiii hoomtakken o|itehiingcn (Lui-aard). — Groote hersenen zonder windingen

De tandeloozc dieren zijn meest trage miclitdieren. In gedaante wijken zij zeer uiteen. Zij zijn bedekt óf alleen met liarcn (Mie-veneter , Mierenbeor , Luianrd) of voor een groot gedeelte met een uit beenige of lederachtige, in ^ui\'dels gt\'nmgscliikte strooken bestiiand pantser (Gordeldier, Schild-dier), óf met liqoniaehtige, (lakpanswijs gerjingsehikle Hclinbben (Sehubdier).

152. Gesliichten en soorten.

I. I\'lantenetenden {Ihrhiinva). Kiezen in elke kaak. Kop rond; snuit kort (Luiaard) of meer gerekt (Gordeldier).

1. Luiaard (Ih\'(((li/pvn) — Drievingerige luiaard, Ai (/». Iriddfti/hinJ\', \'rweevingcrige luiaard, I uau (II. of (\'holor-l„i* didiiclijhiK). Allen in Z.-Amerika, De drievingerige luiaards omvatten volgens nieuwere ontdekkingen vier nf vijf afzonderlijke soorten.

2. Gordeldier, Armadil. (Ikmypvs). — Negengorde.lig gordeldier, \'i\'eba of Cacbieama (/\'. noi-mciiiciiin)\\ Driegor-didiquot; gordeldier, Apar (!gt;. /ricimliis) \\ Keu/.engonleldicr {!gt;. i/ljian). Allen tropisch Amerika en Paraguay.

:i. Scliibldier {Cliliiini/doplioriis.) — Sehilddier {(\'//. truiicii-tns) lïolivia.

II. Insektmicter» (luserlicnva). Geen tandou, behalve do Miereu-heer. Hen lange, uit- eu instulpbare, kleverige tong, waarmee deze dieii\'ii Imnue prooi vangen. Ken kleine mondopening en zeer verleJigde snuit.

Mierenbeer, Aardvarken (Onir/rrnjnii). — Kiiapsch A. ((). rt/pctisis.)

-ocr page 141-

129

5. Miornuctor (Miinnecophaija). — Grooto .M. (hf. juhala), //.-Amerika; l;iinaiulii;i (.1/. /(■.Irdihic/i/ld) met ihmi gvijp-staavt; /i.-Ainovika; kleineM. (.1/. /.-Aincrikii.

(!. Selinlnliei\' (Manix). .lavaiinscli S. (M. jtnumirn) j Lang-staartig S., Ai\'riicaaiisclie i^augolin (.1/. loiK/iannhda).

I\'lquot;\'. S|

9

-ocr page 142-

of dc huidplooien, maar iieincu daartoe tocli steeds hunne toevlucht, \'t zij om te zuigen, \'t zij om zich te verwannen, \'t zij om eeuig gevaar te ontvluchten. Bij eeuige soorten (o. a. Didcl-jiIii/k dorsiije.ra) draagt de moed.\'r do oudere jongen ook wel oj) ilen rug met zieh , waarbij de laatsten dan hunne staartjes om den langen staart der moeder slaan, om niet te vallen. — Overigens verschillen zij in gebit, vorm der pooten en in levenswijze veel van elkander; sommige komen te dezen aanzien met roofdieren , andere, met insektenetenden , nog andere met knaagdieren enz. overeen. Bij een aantal zijn de tweede en derde vingers der aehterpooton tot aan de nagels met elkander vereenigd, zoo-dat zij éèn vinger met twee nagels schijnen uit te maken. — Ten aanzien van het inwendig samenstel zijn opmerkelijk twee langwerpige heeiulcren (buidelbeenderen) vóór aan liet bokken, die men bij geene andere dieren, dan bij de Hnidel-dieren en de Vogelbekdieren, aantreft, en welke dienen om de huid van den buik , wanneer daaraan jongen hangen, op te houden. Aan de binnenzijde van den hoek der onderkaak vindt men een binnenwaai\'ts gebogen uitsteeksel. Groote hersenen glad. — /ij leven in Amerika en in Australië, vooral op \\ i e uw-i foil and.

§ Ió 1. Nieuwere schrijvers hebben de orde in vier orden gesplitst. Zij zijn de volgende:

I. Vleesehetende liuideldieren {Stnxophcujd): kiezen met s|iitso knobbels, en in \'t algemeen een roofgebil.

1. Huidelwolf (\'/\'hi/lariiuttt).— Huidelwolf van Tasmania (Th. ri/n ni\'t\'j) h\'f lux).

\'2. liuidelmarter (Itasi/nnis). II. (IK rircrrniHH) •, lïeerachtigc

li. (J). ursinus.)

3. Uuidelrat (J\'liiiscoyak). — l\'enseelstaartigo I!. (/\'//. pKiiicll-/dla.)

1. ]Juidebnicreneter{ Mi/rim\'coh\'iift),—(.1 estreojito 15.f ,1/. fascmtn,t.

tot tijd den zak FiiC. 85.

-ocr page 143-

131

Vorgroeulvingorigc Buidolilicren {SyiuliirhjUita). Zie bovi\'ii. IMimf of insektcnctciifl gebit.

1. Kongoei\'oo (Ifnlinaluriin). — Grooto Kongocroo (//. lt;/i(jan-

h\'fifi) ^ \'rasmanisclu\' K. (//, Ur.niwtli).

■gt;. Rat-Kc\'ngoei-oc — Pcnscolatnartige Kon-

goeroe, -rat van Nieuw-Holland (II. jiniiciUalus), Tasmani-St\'lll! K. (II. ciiincnhis),

;i, Boom-Kcngocroo (Dendrolagm). — Nionw-Gitineosdio 15.

{!). ursinus).

Dezo goslacliton loven van gras en liladei\'en , en worden l\'oHpliaga genoomd.

■I. Koeskoes (I\'lKildiigis/n) met een o]i|ionilielen duim aan de acditcrvoeteu en een langen gn\'jpstaart. — Amboinneseluï koeskoes (/\'//, órirn/olis).

.r). \\ liegend Hnideldier (Pchmnis). Met een valselierm, onge-veer als dat der vliegende eekhoorns (§ 144). — Eekhoorn-buideldier (/\'. Kciiirciis). Nieinv-IFolland.

f». Igt;iiidelbeer, Koala (1 \'Intsca/tf/quot;c/o-vj, — Grij/e ktjala van Nieuw- Holland (llli. c/jicriuta).

Deze (lrilt;\' geslaehteu voeden zich met vruehtc.n (Carpophaga).

7. Snuit-buideldicr (\'Iafsijirs), met een verlengden snuit (Mi zonder landen. Nieuw Hollanclseh snuit-buideldier (\'/\'. ro*-tralus).

8. liuideldas (I\'craiiwles). — Spitsneuzige 1!. (/\'. nnmta),

!•. Gehoefde liuideldas (Chocropus). De vier pooten lang en dun; aan de voorpooten twee vingei\'S, aan de achter])oo-ten vier, waai\'van een veel langer is dan de andere, zoo dat bet dier alleen op deze loopt. Shields ééne soort C/i. caslanolis op \\ieuw-l lolland.

De drie opgenoemde geslaehten voeden ziidi met insidvten en wonnen (l\'Jnlomophagfi).

Buidelratten (I^cdinianu). De achtervoeten bandvormig, tot grijpen ingerieht, en een lange dunne grijpstaart. Roofdier gebit.

1. Buidelrat (Didclphgs). Virginisehe Buidelrat. (/gt;. virgini-(iiui) t fs. Amerika. Oi)ossmn (I). opossum), /. Amerika. Langstaartige B. (/gt;. dorslgcra), Suiinanie. Igt;. Azarac vervangt in /. Amerika Igt;. rtrgfu/ann. Voorts de Krabben-etendo Buidelrat (/A caticrirora.) in Brazilië en Guyana.

-ocr page 144-

\'J. /wombiiidclnit (Jjhh\'oiiff.lcs), /wcinvlic^/ou tu^sclicn dt\' tiH*-ncn dcr iichtovvoctcn.— Bruzilisclic ou Giiyaiinsclio /wom-Imidelrat (C/i. minimus.)

1 \\r. KnMagbiiidclcliorcu (/i*Itizojthdtj\'! o( (i/h\'ina). Immi knaa^diorgebitquot;.

1. Wombat (I\'litisro/oini/s), — (Jrwinic \\\\. (77/. iro)iiljuf ot fossor). ,

Do buideldieren kunnen in soimnign op/.ichton bcsclioinvd worden als een reeks van zoogdieren, in welke de overige orden lier li.iald worden , of die niet die orden evenwijdig loopl. Zoo bieden do knimgbuideldieron ovcroonkoinstcn aan niet de kmtagdieren, bet grsbiebt Phalan(jist(i met de Halfapen, Prliiitrns met Clalra-pilhfcus , de Poi:igt;Iiaij(t met de Dikhnidigen en Herkauwers, l\'ar-nipcs on Mtjriiiccohui* met de \'J\'andeloozon, Peraiiir/i\'n on (\'hncro-pu» mot de Insokteneters, do Sttreophaijn en l\'ciliniuiut met de vorBebourondo dieren, moor bopiialdolijk lgt;ilt;lelphi/^ en Danyuriin mot do Cnotten, Cliiroinwlcs mot den Otter, I\'ha/ic(ilt;icillt;\'. met Cla-ila/idli\'s, Sdrco/ihilus mot don Veelvraat en I hijhirutiis met den Woll.

§ 155. I)irtioud(\' orde. Vogelbokdieron ((Iriiilli\'irhynrlii). Deze diereu ondersebcidon zioh: 1. door bunnen taudeloozeu on als oen

fig. «7.

-ocr page 145-

133

vogolsuavol yój\'liüigdiiii snuit zoiiiloi\' lippen, (lii; liij liet ccikI-vo golbiikdicr bijna volkoiuoti tip ili^i simVH vim ceu ceiidj liij liet ogol-vogclbokdiHi- moer op don snuit van oen miereneter gelijkt; \'2. door het bezit van slechts ééno opening ter ontlasting der drekstoft\'on en der urine, in welk op/.ieht zij ook met de vogelen overeenkomen; door hunne dubbele sleutelbeenderen, even als bij de vogelen en de, hagedissen; 4. door bet bezit van buidel-beenderen; 5. door de aauwezigbeid, bij de mannetjes, van eene spoor aan de iiehterpootcn, welke spoor doorboord is met een kanaal, dat geineensebap hoeft met eene klier aan do dij; deze klier sebeidt een vocht at\', dat door dit kanaal naar buiten vloeit. Hersenen op die van vogels gelijkende. — Voorts hebben zij een dik lichaam, geen uitwendige noren, korte pooten , vijf teenen met sterke, tot graven ingerichte nagels, liet eend-vogelbekdier is oen dier, dat door zwemvliezen vereenigde teenen heeft en in het water zwemmende zijn voedsel zoekt; het egel-vogelbekdier is een landdier, /ij voeden zich met insekten, die het egel-vogelbekdier door middel van zijne lange tong bemaehtigt, op de wijze der miereneters; liet eend-vogelbekdier ook met andere waterdieren enz.

§ I.\')(). Kr zijn slechts twee geslachten bekend, die op \\ieuw-llollaml, van Diemensbmd (Tasmanie) en Nienw-Gninea leven,

1, Eendvogelbekdier (Otiiilhor/iynclms), —-Vogelbekdier (O. para-(l\'i.m*). \'*11 Nieuw-1 Folland.

2. Kgel-vogelbekdier, Mien\'in\'gei (Jieln\'dm). — Miorenegel (iciikiita; /■gt;\'. hi/fi/ri.i\'). lt;\'p Nieuw-I bdland en van Dieinensland, Nieuw Gruineeseh K. (Ilrhidua of AcanUioylossuti liruynii).

II. KI.ASSK.

Voyclcn.

§ 157. Vogelen (/lec.s) zijn gewervelde dieren, ilie door longen ademen, warm rood bloed bezitten en wier hart twee kamers en twee, boezems bezit. In deze opzichten komen zij dus met de zoogdieren (ij ll.r)) ovcreei.. Doch zij verschillen van dezen vooral in de volgende punten. Zij brengen geene levende jongen ter we-

-ocr page 146-

131

i\'cld , maar leggen eieren; humic huid is niot niet haren, maur met veder(iu bedekt; sleehts hunne achterste ledematen dienen tot staan, loo))on, klimmen of zwemmen, daar de voorste zoodanig gewyzigd zijn, dat zij vliegwerktuigen of vleugels zijn geworden; hunne heide ver vooruitstekende kaken (snavel) zijn tandeloos en mot eone hoornachtige sehede hekleed, De snavel is bij eenigo vogel» (roofvogels, papegaaien, duiven) aan de basis omgeven door eeno zachte, soms gekleurde huid, die men n-ashiiid (euroma) heet.

g 158. Aan het geraamte dor vogelen (tig. 88) doe ik de volgende bijzonderheden opmerken.

Aan den kleinen kop vallen in bet oog de in do vorige § reeds vermelde, van een hoornachtig omkleedsel voorziene, ver vooruitstekende, taiulelooze kaken. Wat men bij sommige vogels tanden noemt, /.ijn slechts hoekige, uitsteeksels aan de randen der kaken. Hij jonge papegaaien heeft men wel is waar aan de binnenzijde, der kaken tandjes onder het slijmvlies ontdekt, doch deze verdwijnen later. De onderkaak der vogelen is niet omniddelijk aan het slaapbeen iugewrlcbt, zoo als bij do zoogdieren, maar aan het slaapbeen is nog een afzonderlijk beentje, het vu.rlcanlc. been of Ironuiic.lhrcii, door geleding verbonden, en aan da( beentje is de onderkaak iiigewi\'icht.

\'Terwijl de? zoogdieren (met enkele uitzonderingen, § 1IS) allen sleehts 7 halswervelen bezitten, hebben de vogelen er meer, minstens 0, meestal 10 tot 15, somtijds 20, —en kunnen dien ten gevolge bun hals veel sterker wonden en krommen dan de zoogdieren. Van den bovenrand der halswervellichamen ontspringt aan weerszijde een stijlvormig uitsteeksel, dat met de punt benedenwaarts is gericht (rudimentaire halsribben), en waaraan zich spieren vasthechten. Ook is de kop bewegclijker dan die dor zoogdieren, omdat het achteihoofdsbeen slechts met één knobbel ingewrieht is op don atlas, en omdat ook do talrijke halswervelen slechts door één knobbeltje aan eiken wervel met elkander geleed zijn. Ook zijn de doornuitsteeksels zeer kort. Hoe langer pooten, des te langer hals bezitten de vogels; een langpootige vogel zon ook anders moeielijk mot don lick op den grond komen. Daarentegen hebben niet alle vogels, die een langen hals hebben, ook lange pooten , gelijk wij dit bij de zwemvogels zullen zien. De. 0 tot 11 rngwervels zijn weinig bewegelijk, soms aan de doornuitsteek-sels met elkander tot een kam vergroeid; de 8 iV 10 lenden-

-ocr page 147-

1.35

wervels en het heiligbeen maken één enkel beenstuk: liet lenden heiligbeen (on sacrolumhare), uit. De staart bestaat uit meestal 7

bewegolijke werveltjes, wnarvan de laatste dlt;\' grootste is en iu ecne soort vini breedi- plaat uitloopt.

De ribben der vogelen zijn (gt; tot I 1 in getal. Minstens het eerste, paai\' reikt niet tot bet borstbeen, evenmin als het laatste paar of de twee laatste paren (valsehe ribben 30). Aan de ware ribben, die zeer plat zijn, vindt men zekere achterwaarts over

-ocr page 148-

186

elke vol^oudo rib nitstokoudo vwlongsolr! (proces.iKs tinchiali). Elke rib bestaat uit tweo gctlcclton: oen vóór- en oen achter-, of borst-boens- on wervelgodcolto (borstbeeusril) on wervolrib). Doze go-doolten zijn door kraakboon onderling onder oen scherpen hoek verbonden, terwijl de borstbconsribben mode onder een hoek met het borstbeen geleed zijn. De wcrvelribben zijn daarentegen onbewegelijk met de wervelen verbonden , zoodat de ademhalingsbewegingen der borstkas zieh alleen bepalen tot hot voorste gedeelte der borstkas. 15ij die bewegingen wordt hot borstboon beurtelings voor- en aehterwaarts getrokken lt;\'.11 rlaurdoor de hoek, dien do beiden ribgedeelten met elkander maken, vergroot en verkleind en de borstholte verwijd en vernauwd.

liet borstbeen der vogelen is groot en in den regel op het midden vim een sterk voornitstekcuden k;i 111 of\' kiel voorzien (fig. 87), waaraan de krachtige spieren vastzitten, die de, vleugels benedenwaart- bewegen, liet borstbeen is lirt grootst bij de zwemvogels, bij wie het soms tof het bekken reikt,-—-het breedst en dikst bij de roofvogels. -- Hij de, meeste vogels bezit lief van aehteren rand-insiiijdingen , die bij andere oiitbreken of door gaten worden

vervangen. —- De kam is bij de zwaluwen en ! ig. S;). \' . . .

de (Imven hi\'t grootst. De pingnin , die wel

c niet vliegt, maar zijne vleugels als roeiwerk-

tniüon gebruikt, bezit ook e,en kam. Daar-enfegrn onthreekt deze, of is althans weinig nif|iuilend bij de sfruisaehfigo vogels.

De vogelen bezitten firc paar sleutel1........

„ deren. De beide eigenlijke sleutelbeenderen (r., fig. 80) zijn, als bij de zoogdieren, van boven aan de (zeer smalle) sehoudquot;rbladen (d) geheidif, doidi ziften diiarentegen met ............. bun ander eind meestal niel aan hef borst-

(HTcii, t\'ii KI\'li(iIHIcriM;i(lr,n.

been 1/ vast , maar gaan boven het borstbeen

a ; \'/ ra

\\ 1 • 111 lt; ■ K -\' 1 • lt; ■ 11«I\' ■ r 1111 \'1. -tip in (111\\ ;i 11 (l(M\' OVCr , /.ij t lt;\' zaïmMi slechts

pullijn l)ii d\'\' im-ih\' ft is hij , , .

\\krom in :.i ■ ih ••cm vormen , lief ror/,/)(\'.(;if gciIfUliml —

van rochi gotcukond); lt;• lt; i » i. i» i

I!,-Mliik.. ...............ml....... ..1 I»l,l de slruisen en eemge Australlselie, pape-

vorkluM-n: lt;/ nu-l ■ i i • i\' i m i 4. 1

...................................................ü\'J1» \'l\'1 helften van lief vork-

been niet met elkander vergroeid, maar worden met elkander en met het borstbeen samengehouden door banden, lüj den Kiwi-Kiwi ontbreekt hef vorkbeen. De twee an-

-ocr page 149-

137

flcro slfuttcllu\'ciKli\'i\'cii h , jvïi\'cnftcA\'.vZ\'fT/irfcmt goiiniiniil, omdat y.ij met lum ccno «Miul gchci\'ht zijn aim oon uilstcoksol van het sclioiulor-blilfl, dat men ravonboks-uitstocksol licet, veibiiideu de Hehouder-blildcn en het borstbeen stevig met elkander.

liet bokken dor vogelen is van voren opon (bebalve liij den Afrikaansehen Struis) doordien do scliaambeenderen niel met elkander verbonden zijn, e.n de vooreinde.n van de/e ver van elkander staan.

De pooten bestaan uit een kort, steeds bevederd dijbeen, een scheenbeen met een kort en weinig ontwikkeld kuitbeen, een been, dat het loophaén (tarsus) genoemd wordt en eene vereeniging is van den voetwortel en den middenvoet, en teeuen, die in nagels eindigen. De teeuen zijn mnsltil I in getal. De duim heeft \'2 leden, de tweede teen 3, de derde I, de vierde 5. Echter is de, iniddenteen, die vier leden bezit, meest altijd de langste. De duim is moestal achterwaarts gekeerd; bij de klimvogels is dit mol nóg een teen het geval. In zeer enkele gevallen staan alle teeuen voorwaarts, of kunnen ton minste voorwaarts gebracht werden, namelijk bij zulke vogels, die zich aan steile rotsen en muren vasthaken, b. v. de gierzwaluw.

Over de vleugels sproken wij in § liil.

Vele beenderen der vogels zijn hol en, in plaats van met merg, met lucht gevuld. Men noemt dit do p»cinualicilcil dier beenderen. Zij is het sterkst bij vogels, die snel en lang vliegen. Bij den Kiwi-Kiwi (Aii/i ri/.r) ontbreekt zij. Bij de dagroofvogols zijn bijna alle beenderen pneumatiscb, alleen het jukbeen en schouderblad niet; bij de meeste, zwemvogels, de kleinere steltloopers, de zangvogels en de struisen zijn het alleen de schodell.....nderon. Deze

lucht komt in do moeste beenderen door zekere kanalen, die in verband staan met do luchtzakken, die ik in §11)1 zal vermelden , — in de schedelbeendereu daarentegen meer rechtstreeks door de neusholte, de buis van Kustaehius (ij 81) en de trommelholte. Hot geraamte der vogelen is daardoor zeer licht —iets, wat hij hel vliegen natuurlijk van voel belang is. Het gewoonlijkst zijn piien matiscb ; de schedelbeenderen, hel op|ierarmbecu en hel borstbeen, zeldzamer het dijbeen, nog zeldzamer de beenderen van den voor arm, het beuedenbeen en de leden dia- teenon. Bij den lihinoce rosvogel zijn ook deze laatste pneumatisch.

§ 159. Wat de spijsverteringswerktuigen aangaat, zno bezit de

-ocr page 150-

138

en het begin van den slokdarm zeer uitzetbaar. l)e gevangen buit kan dus daarin bewaard blijven , evenals in de wangzakken van sommige zoogdieren (ij I l\'0). liij den pelekaan vormt de vederlooze en zeer rekbare imid, waarmede de onderkaak van onderen bekleed is, een zak, waarin bet dier een groote, hoeveel-beid visseben kan bergen. De maag der vogels is in tweeën verdeeld; do eerste afdee-ling is de l lic.rmaay, waarin

bet maagsap wordt afge-

SpUnvortertiinwerkUilgoti van oon hoon. , ., i a i. j

Hrbeiden: de, tweede is de

(1 .Slokdarm: /. krop; r bljmang, lt;1 maiif?: c

fwanlfvlnKcritjc tlariu; ƒ iimnui (lann; // hlliulo siiiormanii. De spierinaag is

flarmon; )i ilikko darni; l lover; h K\'lljlaas; I \' t

Kalliilizon; m nlvlorachklior; m |ii«loiilorlt;, o oi- bij graanetende VOgcls, Wier hiiiU\'r: jgt; rUnu\'a: \'/ ii.irs. . . ^11

voedsel cono storko kiumi-/iiio; (»11 li jimmkin^ noodi^; licoFf, inwiMidi^ mot oen hooriuu\'htig, soms met harde knobbeltjes liezet vlies hekleed, en voorts voorzien vim zeer dikke vleezige wanden; bij de vlccsebetende vogels en de pjipegiiaien daarentegen zijn ilie wanden dun en vliezig. Het dannkannal iler vogels is betrekkelijk kort, en bezit slechts drioimial, hoogstens vijfmaal ili^ lengte van het liehaam. Aan den

-ocr page 151-

13!)

iiiinvaiig van den dikkon darm vindt inoii twoc lilimlc durmen,— bij den reiger sleclits één.

§ 160. Eene blaas bezitten do vogels niet. Maar het ondercinrl van di\'n endeldarm vormt een zak, cloaca genaiiind (§ 155), waarin zich do urine met de drekstott\'cn vonnongt. Do witte zolfstandighcid, die men aan de drokstoffen dor vogelen ontwaart, is do urine, In diezelfde cloaca komen ook de eieren.

ij ltgt;l. 1!)(! worktnigon van don bloedsomloop komen in het wezenlijke mot die dor zoogdieren overeen. Do jMint van bet hart is pij, lt;)i naar achteren gekeerd en do

inrichting van bot kleppen-stclsol is eonigzins anders dan hij de zoogdieren. ofschoon do werking dezelfde is. Do yrooto slagader {noria) verdoelt zich (UkUHJI hij haion oorsprong nit hot hart in co-no oi)k]immende on noderda-londo (§ 50.) Do longen dringen van achteren tnssehen di^ rihhon in , zoodat men op de acbtorvlakte dor longen oen aantal inkervingen ziet, die aan do ribben beantwoorden. Do longen der vogels onderscheiden zicb echter vooral daardoor, dat zij niot, zooals bij de zoogdieren, in kwabben verdeeld zijn, dat zij van achteren aan don horstwand zijn vastgegroeid, en dat zij aan do buitonzyde openingen bezitten, dio goinoonachap bohhon mot zekere vliezige bichtssakken, dio onder aan don bals on in do borst- en buikholte gelegen zijn, en die op hare beurt weder in verbinding staan mot do holten, dio, gelijk ik § 180 zoide, in vele hoenderen der vogels aanwezig zijn. Do lucht kan alzoo uit do longen door de luchtzakken in do holton dor hoenderen treden.

In do geslachten PcUcanas en SuUt bestaan ook luclitzakkon onder do huid van bijna de gansche opporvlaklc dos lichaams.

liet strottenhoofd, dat zich boven aan do luchtjiijp (ij !l 1) bo-

\'pijp; hb luclitpijpstAkkcu ; cc g«M»poinl« liichlpijpstiikkon : i/ K(!nu;ons(\'.li,,ipsc)]i(.,iiiiig(Mi lus schcn de luchtpijpstnkkcn en de hic.ht/.iikken.

-ocr page 152-

MO

vindt, diiiiit bij do vogola uiot tot hot voortlirongon van geluid. Maar onder aan do luehtjiiji), gewoonlijk daar, waar dozo zioh in twee luchtpijptakken of longtakkcn splitst, vindt uien oen twoodo, onderste, strottenhoofd, waarin hot geluid wordt voortgohraeht. Dit strottenhoofd is van zoor vorsehillond maaksel, ook wat do spiertjes aangaat, die er zioh aan vasthoohton, en maakt dienten-govolgo al of uiot oen sani/locslel uit, wolk maaksel wij echter hier niet zullen bcsohrijvon.

§ l(i-_\'. Do, huid der vogels is, gelijk hekend is, mot mieren hodokt. Vederen bezitten overeenkomst mot haren , gelijk men het

duidelijkst ziot aan de haaraehtigo ......ren van den kasuaris; beide,

haren on vederen . bestaan uit hoornstof. — Elko veder bestaat uit oeno Iiuis, waarvan oen gedeelte (do Belmfl, rhachis) opgevuld is met oene witte spoiisaehtige stof, waarvan do eellon mot luoht gi\'vidd zijn, terwijl hot overige (de .«yioi/, bij jonge

vederen door een huidtepol gevuld is, die, wanneer do veder vol-grooiil is, verdroogt, en dan sleehls oenigo vliezige tussehonschot-teu (do \'.iel) vormt. Do punt dor spoel zit in de huid vast; aan de schaft ziet men ter weerszijde do haordeu of lakken (rami): dunne lange blaadjes, waarvan elke weder kleinere haardje» of stralen (ramui!) draagt. Elk takje is aan weerzijde weder voorzien van ftlralen (radii), waaraan omgekrulde, haartjes, haakjes (hamuli) zitten; do liaakjos van elko twee togen elkander gelegen haarden grijpen wodorkeorig in elkander, waardoor de gladde en cfTone oppervlakte, van elke veder ontstaat, en waarvan ook hot gevolg i-lt; dat, wanneer men twee baarden van oono, veder van elkander trekt, die baarden zieh niet weer zoo met elkander vereenigon als vroeger. 1 gt;e gezamenlijke baarden oouor veder noemt men do ««ïh,. Soms zit aan de, spool nog oene kleine hij sein if!. — Men onderscheidt de vodoren in fnn/ri\'llt;\'s vederen en d-OUNvederen : de laatste hobhon oen zoor korte spoel, zoor fijne, niet — zooals bij de omtreksvodoren door bot iu elkander grijpen dm\' haakjes, — aaneensluitomlo baarden. en liggen dielit op de huid onder do omtreksvodoren vor-seholeii. — l\'rmte\'i iioemt men de langere dikkere en stijvere, vederen vim den staart en do vleugels.

Kenmaal \'s jaars, in den nazomer of in liet begin van don herfst, verwisselen do vogels van voeren; zij ruien. Sonnnige vogels ruien nog eens, en wel in \'t voorjaar.

Do kleur der vederen is, gelijk ieder weet, zeer vorsehillond;

-ocr page 153-

bij jonge vogols is zij doorgaans inindiT licldci\' en fraai dan hij ouden; daarvan de namen van feugilkleril (ni roH-ome.ii hlee.il, die men aan liet gevcderto der jonge en oude vogels geeft, liij de wijfjes zijn de kleuren ook dikwijls minder schoon dan hij de nianneljcs. Bovendien verkrijgen de vedeivn van vele vogels in den zomer eene andere kleur dan die zij \'» winters hadden; deze Mi-gels dragen, gelijk men gewoon is te zeggen, een mnnev- en een wiiilerkleed.

In do liuid der vogids ligt een groot iiantal lijne spiertjes , die zich aan de spoelen der vederen vastheeliton en door middid waarvan de vogels hnnne vederen kunnen opzetten.

Uovon den woi\'tel van den staart ligt hij de vogels eene klier, die eene olieachtige vetstof afscheidt , die de vogel niet den sna vel nit do klier drnkl , waarna hij de vederen door den snavel haalt, om ze mei dat vet te hcdeelen. De vederen worden daardoor voor do inwerking van vocht behoed en blijven droog en glad. \'1\' rouwGHB in do Imid der vogels vindt men goene smoor-kliertjes, zooals bij do zoogdieren. (§ § 02 en 7;quot;),)

§ 1G3. Het loopbeen of tarsus on de teonen zijn bekleed met eene lioornacbtige liiiilt;l, die, in liookigo scliildjesof in wratjes Vin-deeld is. Zijn de sebildjrs voor (m zij\\\\;i:irts \\n\\\\ den (.irsns mot elkander vergroeid tot lango strookon, of zijn de zijdon van den tarsus bekleed met zoodanige stronken, die elkander van achteren raken, dan noemt men die tarsen (/clfKiTsd. — Oc pooten zijn overigens vorsebillond ingerielit tot gaan, klimmen of zwonnnen, soms ook om er iets mede vast lt;o honden (b. \\\'. 1)itj do papegaaion). liij sommige kleine vogels (b. v. de mnsch) is liet gaan meer huppelen dan loopen. Over de rieliting der teenon in het algemeen en hij sommige vogels in het bijzonder sprakon wij in ^ 158.— Het henedenbeen is of tot a:in den hiel of nog verder bevederd ((jwnjpootcquot;), of slechts aan het bovenste gedeelte {waadjtooloi). Tn\'j do z\\\\o,invogol^ zijn de. tecnen door een ZAvenivlies met olk.in-dcr vereenigd, waardooi\' do voet een platte roeiriem vormt.

De inrichting, waardoor do vogelen zich, zelfs slapende, zonder eenige inspanning op een boomtak staande honden, mogen wij niet mot stilzwijgen voorbijgaan. De po/en van do bnigspieren der tccmcn loopen zóó vev over het knie- en hif-lgewrichf heen, «lat zij, wanneer de vogel zich op een tak neerzet, hij hot huigen dier gewrichten gespannen worden , en de tecnen zich dns vast om den

-ocr page 154-

145

5ï\'

luk slniton. zonder dat do vogel hiertoe eenigc moeite beliocft iiim te wenden. Vele vogelen met lange pooten, zoo als do ooiiv-vaar, sliijien stiiiindo; bij dezen bezit liet ondereind des dijebeeng eeno bolte , wiuirin, uls de knie gestrekt is, een uitsteeksel van het selieenbeen sluit, zoodat het been, eenmaal gestrekt, onveranderlijk in dien stand blijft, totdat de wil dos vogels daaraan oen eind maakt.

t; 1(1-1. Do meest eigendommelijke beweging dor vogels is hot v/ifi/rn. Do vleugels, waarmede zij deze beweging volvoeren, zijn

eigenlijk , gelijk ik

ty

f ^

I

Fig. !•-

re (\'dn zeidc, dc voorste Icdonuiten. Zij bestaan uit een aan het Hchouder-blad ingewricht op-pcrarmbeen , eene ellepijp met een spaakbeen, voorts twee aehterliancls-beentjes, waaraan eene kleine duim en twee midden-

lt;• ; / voorarm; «li- Hlfpljp nu-l fli^ kloinc slayr- . . . .

jM-mu-n ; ƒ/lt;!«• Iiaml niet de groot»\' slaKponuon; h lt;\\v dtiiui hanclsboenueren ge*-

mot lt;l«m iluimvlfiigcl. i i . n

hecht zijn, op welke,

laatste de. korte pink en de langere iniddemvinger volgen. Deze vingers be/itten geen nagels; bij slechts enkele vogels (Pctvra, Palanicdid) beeft echter de duim er een. De/e beenderen, bepaaldelijk liet oppcrarmbecn, worden door zeer krachtige spieren bewogen.

De vederen en pennen, die in de huid des vleugels ingeplant zijn, dragen verschillende benamingen. (Irooto. {IkhkI.-) slagpcnncv. noemt men de grootere vederen (meestal 10 in getal) die in de hnid van de hand zitten; lldnr (arm-) «htt/pennwi zijn die, welke aan den voorarm zijn gehecht. Voorts is de. vleugel en het begin der slagpennen aan beide zij den des vleugels bekleed met (Icli\'C-fhrrn. Kimielijk zit aan den duim nog eene, afzonderlijke rij kleinere pennen , die men den of het vlejiqclfjc noemt. Deze slagpennen zijn aan de zijde van hare inplanting overdekt door de (hkfrdrrrn.

It

v lt;

I

II

p \' -f

-ocr page 155-

I -I ;i

8 165. Wat liet vliegen zelf hotrol\'t, zoo spreiden zich de vleugels bij hut nedcrshuin (evens uit , om np eone grootero opper-vhikte huht te werken en als \'t-niirc te steunen; hij het seliielijk naar voren hrengen vouwen zieh de vleugels gedeeltelijk te samen. Hechts en links vliegt de vogel, door in liet eerste, geval meelden linker-, in het tweede den rechtervleugel te hewegeu. De staart dient vooral om, door zich ter néér te drukken of\' op te hellen, de hcweging naar boven of naar hencden te regelen. — De beweging van het vliegen is zeer snel, vergeleken met de beweging der overige dieren, hoewel overigens do snelheid van vlucht bij de vogels zeer ongelijk is. Weinige vogels vliegen In het geheel niet. Onder deze belmoren de struisvogels en de kasnarlssen, hij wie de naar evenredigheid zeer kleine vleugels slechts tot bespoediging van den loop dienen, — de kiwi-kiwi van Nieuw-Zeeland, die bijna geene vleugels heeft, — de vetgans of pluguin, wiens vleugels tut riemen om te /.wemmen zijn ingericht. — Ilij bet vliegen is een matige tegenwind voor de vogels de gunstigste . en een van achteren komende wind niet gewensebt, omdat deze laatste hunne vederen doet opwaaien en in wanorde brengt, liij al te sterken wind vliegen /.ij niet, of schuins tegen den wind in.

§ ItïtJ. liet. zenuwstelsel der vogels komt in hoofd/.aak met dat der zoogdieren overeen; ten aimzien der hersenen komen zij het naast aan do buideldieren; de groote hersenen bezitten geen windingen en sluiten zich van achteren omniddelijk aan de kleine hersenen, zonder van deze iet» te bedekken.—De smaak is hij de meeste vogels weinig ontwikkeld, daar hunne tong een hoorn-aehtig bekleedsel bezit. Hierop maken de papegaaien, die een dikke vleezige tong bezitten, eene uitzondering. De reuk is het fijnst bij de roofvogels en de sfoltloopcrs. Het gehoor is niet in hooge mate ontwikkeld. Dit is daarentegen wel het geval met het gezicht. Het oog des vogels is betrekkelijk groot, liij de moésten staan de oogen zijdelings aan dea kop; bij de uilen naar voren, bij zeer enkelen (snippen) meer aebterwaars gewend, liehalve de beide oogleden, vindt men nog een derde hinnen-ooglid aan den binnenhoek (voorsten hoek) de» oogs, hetwelk zich over het oog kan heentrekken {mnnhrann nictiUins), Met harde, oogvlies wordt dikwijls nog versterkt door een uit I tot 15 bcenigo plaatjes bestaanden ring. In het oog ligt, ter plaatse waar de ge/.iebtszenuw in het oog treedt, een fijn geplooid zwart vlies, dat men den hun

-ocr page 156-

of den wacit\'cr (pccfe.n) licet. Hij /(mt stork licht zot dit zich uit on hoschnt hot notvlios.

§ KJT. 0(4 voi^lijt\'pliint^, lt;1«\' lovonswij\'/o on hot voodsol dor vog\'olon zijn zoor vorsohill(Mid, on staan in hot naviwst vorband mot olkandor on mot don iiohaamsvorm, vooral mot tio g\'ostoldhoid van hals, bok on pooton. Kr zijn land-, inooras- on watcrvogols; ondor do oorston honden oonigo zh h stoods laag l-)ij don grond op. andoro lovon moost op boomcn, wo ór andere op rotsen, enz. Sommige vogels vlicgon hoog, andoro laag; ecnigo snol,1 andere traag; (Mmige mot gemak en lang, andere mot moeite! en kort; enkele (§ l f) t gt; y vliegen geheel niet. IConigo vogels loven l)ij paren, andere hij geheelo troo))on. Kindelijk zijn sommige vogeds vloosoh-etend , andere insektonetend, andoro graanotond , enz. \\ ele graan-e.tende vogels, zooals de hoenders, zijn tevens zeer belust op wur men en insekton. De graanotonde zingvogels voeden hunne jongen met insekton, b. v. rnj)son , wormen en ander dierlijk voedsel, en zijn, zoolang zij jongen hebben, zoor nuttig door hot verdelgen van een onnoemelijk aantal schadelijke insekton.

i? 108. liet verblijf van vele vogels is, vooral in de gematigde luolitstrekon , minder vast bepaald dan bij de overige dieren. Konige vogels wol is waar hebben altijd dezelfde woonplaats en heeten daarom HldiulcOgclx (b. v. de musoh). Andere, daarentegen zwerven buiten don broeitijd op grootore of kleinere afstanden in bot rond (b. v. de mezen); deze booten zwcifoogeh. Maar zeer velen verlaten na den broeitijd hun zomerverblijf, deels omdat Inm dan het noodige voedsel begint te ontbreken, deels ook om hunne gevoeligheid voor oen lagere temporatnnr, en verhuizen naar warmere stroken, waar ook bet voedsel overvloedig is; deze, vogels heet men Irrlrot/r/s. Zoodanige trekvogels zijn bij ons, gelijk ieder weet, de koekoek , de ooievaar, de zwaluw, de spreeuw, en nog voel meer andoren.

§ KJO. De vogels zijn eierleggende dieren (§ 1 oT). De vogeleieren bezitten eeno harde, kalkachtige schaal van versohillonde klenr, en worden meestal uitgebroeid door do vogels zeiven, bij enkele soorten uit de warme gewesten der aarde alleen door do

1

l)rgt; mniir/wnluw vliogt in nren uit Middoii-I-Jiropa naai* Afrika^ de havik in 11 uren, zwaluwen in 18 nren, pnstdnivon in 38 nren; kraaien zouden er (quot;gt;lt;gt; uron voor noodig hohhen.

-ocr page 157-

115

/onucwarmto. Do plaats, waar do vogels lnmno eieren leggen, is bij cenigon hlootclijk oene nilliolling ijl den grond , dooh meestal een min of meer kunstig uit versehilicnde bouwstoilen saniengestolu iic*l, dat bij d(^ ondersehoidene vogelsoorten in vorm, samenstelling en plaatsing /eer vorsehilt. \' Meestal leggen do (wilde) vogels eens, soms tweemalen in bet jaar. (lok liet gotal der eieren, die bebroed worden, is /.eer verseliillend, — gemiddeld 1 of 5— en evenzoo de duur van liet broeien (kolibri 1l\', kanarievogel l.\'J, boen 21, zwaan 40—15 dagen). Bij sommige soorten broeit alleen bet wijfje, bij andere mannetje en wijfje beurtelings, /eer enkele vogels (de koekoek b. v.) leggen Inmne eieren in de nesten van andere vogels, en laten de zorg voor de jongen aan dezen over. — Nadat de jongen uit de, eieren gekomen zijn , worden zij nog gernimen lijd door de ouden gevoed of geleid, liet eerste beeft bij de meeste vogels plaats, liet andere ziet men bij de boenders, loopvogels en eenden.

§ ITO. Wij verdeelen de klasse der vogelen in de volgende zeven orden: I Koofvogels; Klimvogels; 15./angvogels;-1. 1 loen-deraelitige vogels; 5. Loopvogels; (1. Moerusvogels of Steltloopers; 7. Zwemvogels. Over \'I geheel is bet verseldl tnsseben deze orden minder seberp geteekend dan tnsseben de orden der zoogdieren.

§ 171, Kerste orde. Roofvogels (Ittijtai-i-n). Vogels met een niet langen maar sterken snavel , met sterk gekromde bovenkaak, lt;\'0 niet stevige , van kromme en selierpe nagels voorziene klauwen.

Tarsus met sebilden, soms met ve-deren bekleed. Van de teenon staan drie naar voren en de duim naar aebteren. De voel-ziden zijn ruw en wrattig. De snavel is aan den wortel met eene wasliuid Indileed, Tien bandslagpennen De mannetjes zijn

doorgaans kleiner dan de wijfjes.

De roofvogels zijn kraelitige en vlugge Kop van eon Valk. vogels, met een seberp geziebt, velen ook met een fijnen rem. begaafd. Zij voeden zieh met dierlijk

1 Zie lilerover Hailing, de liuuwkinist der dioroa. (jroningen 18(1-,

10

-ocr page 158-

MC

Vüinlscl; conigc juron sloclits worvoldieren, iiudnro (b. v. de gieren) eten ook krengen, de kleinere ook wel insekten. \'/ij leven ));iiirsgo\\\\ ijs en leggen eons in het jiuir \'2, .ï, hoogstens eieren in een ruw cn eenvoudig nest op hoogo booineu, rotsen enz., — de uilen ook in gaten van oude muren , torens enz. — De jongen worden in het nest gevoed tot zij kunnen vliegen.

Men verdeelt de roofvogels in d(iyvooj\'vo(/clf! en iiaclitronfvoych. Hij de eersten, die over dag jagen cn \'s nachts slapen, staan de. oogen op zijde van den kop cn liggen de vederen glad gesloten tegen het lijt\'. De washuid is hij hen naakt, de pooten zijn bevederd tot aan den hiel; zij bezitten een krop, waaruit zij hunne jongen voederen. Hiertoe be-booren de valken, arenden, gieren, enz. — li ij de nachtroofvogels of uilen, die over lt;lag slapen cn \'s avonds of \'s nachts op roof uitvliegen, staan de oogon dicht bij elkander en naar voren gericht in den grooten ronden kop; de washuid is, even als de. i/i jieetc pooten dat zijn, bevederd; het gelaat is met een krans van vederen (sluier) omgeven, cn de vederen van het lichaam zijn zeer zacht en week, en liggen los tegen het lijf. De snavel is kort. De buitenste teen kan zoowel naar achteren als naar voren gericht worden, /ij bezitten geen krop.

S ITÜ\' Geslachten en soorten \'.

[. Dagroofvogels (Iti\'pit\'i\'s dttinii),

A. Valken (Falconcs). Snavel kort cn reeds dicht bij den wortel omgebogen; kop en hals geheel bevederd; sterk gekromde klauwen. Jagen meest up lovende dieren.

1 Valk (Faico). ■ Slechtvalk f (!\'\'■ communis) \\ Giervalk f (/•\'. i/i/rfafco)\\ Torenvalk f t (\'\'• (iiininiotUin) Stnellcken f

(l\'\\ (irnaluu).

2. Havik (Antny). — Havik. Duivenvalk, 1\'atrijsvalk f t (-\'• paluvihdrins) \\ Sperwer-f f (.1. mmin).

1 |)o vo \'ols. ilie met //rpc kruisjoM zijn aangeduid, broeien hier te lande.

-ocr page 159-

147

3. Kiokoiulicf (Circus). — Hruino kiekendief f f (O. rufiis); liliiuwi\' kiekendief f t (C. cyancMn).

4. Wonw {Milmm). — Koningswouw f (.1/. rajalis).

5. Buizerd (linteo). — Gewone buizerd f f (II. vuli/afin).

lt;gt;. W\'espendief (l\'cniift), — Gewone wespendieff t (!\'■ ujtivora). 7. Arend (AquilaJ — Gewone of stcomirend f (A. fnlva).

H. Zeearend f llulitiëln.i). — Gewone zeenrend f (//. aW/c/Z/a), 9. Viseliiirend fi\'diidiun). — Gewone visclnirend f f (/\'. ha-

liui\'lon).

1(1. Secretaris of Steltgier ft/i/poi/rrmiii/ij. — Secretarisvogel ((I. se.r.rc./arins), Zuid-Afrika.

15. Gieren (Vv/hmsJ. Snavel langer, alleen aan de spits onige-hogen; kop en lials geheel of nagenoeg naakt; weinig gekromde klauwen. Zoeken doode dieren, eenigen zelfs 11iei lijke uitwerpselen, tot voedsel.

I. Lainmergic-r (O\'i/paiHoft). L. der Al])en ((,\'. harhatun). Met bevederden kop en hals; jaagt ook op levende dieren, zoodat iiij den overgang (usselien de Valken en Gieren uitmaakt.

2. Gier {ViiUur). •— Gewone ti. (\\\'. fulvun), Z. G. Euro|ia, Azië, Egypte.

3. Aasgier (Xrophron). - (Jewone A. (A\'. jxrciiojili rim) , Z. Europa, Afrika.

4. Aasgier der N. Wereld, Urnbu (Culhartes). — Aura fC. aura), /. Amerika; Gierkoning (C*. ji\'i/Ki), /. Amerika,; Condor (SarcorampJius (jri/phau), Andes-gebergte.

11. Naclitroofvogels (It\'a/xicni noaltirni) of Uilen.

1. l il. Katuil (iS/yi.eJ, — Kerkuil j-f (.S\'. Jlummca) •, Hoscbuil, Katuil ff (S. a/ucoj. Maakt in gevangenscliaj) allerlei zonderlinge. gebaren. Kleine of steenuil f t f8- of Surnia noc/iia).

2. Hoornuil (Ol.iis). — Ransuil ft (O. vuli/itrin); Velduil f {quot;■ hrachyurus).

•i. Ooruil (Bubo). — Groote ooruil of Sebuifuit (II. mcixinimi). 4. Staartuil f U/ula). — Noordsclie S. (U. cinrrm), Lapland, N. Siberië.

§ 1 lt;3. I wee.de. orde. Klinivogels (Snantinyrs), - Vogels van zeer onderscbeiden maaksel, maar daarin overeonko.....mie, dat. steeils

-ocr page 160-

1 18

t\\vc(\' tctiiien naar voren cn twen naar aclitercn gerielit zijn. Snavel zeer verscliillcnd ; bij «Ie pajirgaaien ccnc waslmid. 1 arsus ringvormig met scliilclen bedekt. De pooteu zijn er op ingerielit om tegen boomstammen en takken op te klimmen, of althans om takken stevig tc oinklemmen, waarbij bij sommige soorten (de Spocbten) de stijve stuait-|ieiinen ter ondersteuning dienen. De lgt;a-pegaaien gebruiken de pooten ook om er voedsel mede naar den snavel te brengen. Zij loopen slecht op den grond en vliegen over het algemeen minder snel dan Kliimoi\'t van iUmi Dranllial». (|(, VO(rC.ls der vorige orde. \'/ij leven van vmeliten (zooals de Papegaaien), of van insekten cn wormen (/.oo-als de Toekans, Koekoeken en Spocbten).

S 171. Geslachten cn soorten.

I. Wassnavcligen (Ci riorhynch!).

1. Papegaai (1\'sittacus). — Ken groot aantal (bijna driehonderd) soorten. De bij ons meest in kooien gc-houdene is I\'s. amazonicus \\ de blauwe cu gele zoogenaamde West-lndischc mat of Ara is I\'s. (Macrorrrm») aramu-na, de roode en blauwe I\'s. of M. inucao en (tracuiiijn. Voorts ziet men in Europa niet zelden de grauwe (iuineesche papegaai (I\'s. cryfhn-cus) , de Gewone kakadoc (I\'s. ol l\'h/clo-lojilms saljjhurcus), en de Pose kakadoc

(I\'s. of /\'/. eo.v), enz. Dc kakadocs onderscheiden zich door een opzetbaiv kuif cn bevederde wangen. Tot dc grootste papegaaien behoort de op Stuart-eiland, bij Nieuw-Zeeland , wonende Uilpapegaai (I\'s. of Slni/ops hahroptila), met een sluier als do uilen; deze vogel vliegt alleen des avonds uit , n, leeft, in onderaardsebe holen, die hij zelf graaft. Tot de kleinsten behoort dc Inseparable (I\'s. of PsUlacula pullarnis) uit West-Afrika, van de grootte van een vink. II. Xaaktsnaveligcn (l\'silorltijnchi).

2. Toekan (lihamphastos). — Toekan of Pepervreter (Hh. lum,,..

Amerikii.

\'i, Speebt (J\'icus). — Moute S. f t (/\'• major) \\ Middelste 1$. ft

l-Hsr. 95.

-ocr page 161-

I!)

(/\'. niriliii.i)Kleinste li. ff {J\'. miiiov)- Zwart speclit ff (7\'. iiiarliKN) •, (Jmonspoelit f f (/\'. viridis). Bij do beide laatste geslachten i» ile tong bevestigd aan een tongbeen , waarvan de /eer lange, dunne, elasticke hoornen zicli onder de hulil

onder, uchtor en over den schedel ombuigen tot aan den wortel der snavels. Zij worden daardoor in staat gesteld de tong snol nit te werpen en wéér terug te, trekken. 1. Draaihals. (Yxn.rJ. — Gewone D. f f (¥■ lorquilld)\',

Kop van den Zwartspcel,!. g Trogon gt; Oooroocoo (TroyunJ.

—■ Moxikaansche T. (\'J\'. nirxicanusj.

(!. Koekoek (Cucuhis). — Gewone K. f f fC. canorus). 7. Konigwijzer (hulicalorj, — Z.-AlVikaanschc 11. of Ilonigkoo-

koek ff. albirostvis).

S. Toerako (MusoplKtrja), — Violette F. (ilA i\'/o/wcca); Goudkust.

§ 175. Derde orde. /angypgels, MnsclKiehtige, vogels, Koest-vogels (Om-incx, l\'auscn\'nl, rii.ii\'*sovc.i) Vogels niet een min of meer spitsen, niet of flauw gekroinden, doch overigens in vorm en ook in lengte /.eer verschillenden lick (prieinvorinig , kogelvormig , plat en aan den wortel breed, enz.), zonder washuid. Meestal vier, liij enkelen drie toeuon , mot den duim naar achteren gekeerd. Hij cenigcn (de Gierzwaluwen 1). v.) zijn all\'i tecnen naiir voren gericht. Tarsen gelaarsd, hehalve bij eenige leeuwriksoorten en bij de kraaien. Nagels spits. Negen groote slagpennen, som» nog een kleine eerste; kleine, slagpeiuieii kort. Het lichaam is meestal tenger en rank.

De kenmerken dezer orde zijn zeer onbepaald; zij bevat eigenlijk al die vogelen , op welke de kenmerken der overige orden niet van toepassing zijn. F.en vogel, die geen tot krachtigon aanval en vasthouden gescbikten snavel en klauwen bezit , bij wien slechts één teen naar rebteron is gekeerd , wiens pooten niet bepaald tot krabben in de aarde zijn ingericht, wiens sc.hecncn van onderen niet naakt of bescbubd zijn, die volkomen vleugels bezit, wiens tecnen niet door zwemvliezen verbonden zijn,— die dus geen roof-

-ocr page 162-

150

vogel, gncu kliinvogel, gcon hoenderachtige vogel, geen struisach-tigi! vogel, geen inocrusvogel en ook geen zwemvogel is, — behoort tot deze orde. Green wonder dat de zangvogels onderling zeer verschillen, — vergelijk h. v. de in sommige opzichten tot de roofvogels naderende kraai mot cone musch of cenc sijsje!

Ook de aan deze orde gegeven namen zijn gebrekkig. Men noemt haar de orde der Zangvogels; doch de tot deze orde gebrachte vogels zingen bij lange na niet allen; daarvan de verdooling in eigenlijke zangvogels {Oscincs) en schrceuwvogelsOok noemt men haar de orde der Mnsohachtigon; doch een aantal dier zoogenaamde imisachtigo vogels gelijkt al zeer weinig op musschen. Wellicht ware de naam van Koest vogels (van oen jagersterm roc.xh\'n , d. i. op een tak zitten of rusten, het Franscho pcrc/iff) te verkiezen, ofschoon ook deze benaming te onbepaald is.

Over \'t geheel vliegen de vogels dezer orde zeer goed, soni-migen zelfs zeer snol en lang. Hnn voedsid verschilt: velen zijn graanetend, anderen insekteuetend; doch ook de graiiiKitenden voeden hunne jongen met insekten en wonnen, en in bet najaar voeden zich de insektenetenden niet zelden met vrucldim cn zaden. Kukelen (de Ijsvogels) elen viseh . anderen (de Kraaien en Wurgers) vangen zelfs kleine vogeltjes. Kn over \'t geheel is de gansche levenswijze van de vogels dezer orde zeer ver.schilleml.

S ITti. Geslachten en soorten.

I. Dunsnaveligen (VV»airo-\'iln n), met een zeer dmmen , nicfahtl min of meer gebogen snavel, die ten minste langer dan de, kop is. I. rioomkrniper (CcflhidJ. — Hooinkrniper f t ((.\'■ familinviK). t (itj 2. Hoomklever (Sitta). — Hoomklever,

Blauwe specht f f fS. e.uropMa). .\'i. Liervogel {M\'nuva). — Nieuw irolland-

sche L. (M. xiqH\'fha), ■1. Hup (Upiipa). — Gewone bop f (U. i\'/inps), Bij ons zeldzaam.

Kolibri (\'I\'rochilvii). — Uciwone kolihri (\'1\'. colihri) Noord-Ainerika. Kleinste kolibri (/\'. mlnimnsj , d(! kleinste van tropisch Amerika, (i. Ilonigvogel {Xcrhiriuin). — Kaapsehe honigvog(d of Groene snikervoge.1 (X. fiimosit). ■— De honigvogels van zuidelijk Azië en Afrika vervangen aldaar de kolibris van Amerika.

11. Tandsnaveligen (Ddufiroufvs), met een rechten, aan de punt

-ocr page 163-

sUit\'lits fliiiiw gobogcn snavel, inot ecu tiiinl ofcunc iiilvoiving nabij lt;1(! spits (lei1 bovenkaiik.

1. Lijstor (TurdtisJ. — Zwarte lijstor of merel f t (7\' ^rruUt)-, ()i) Grooto lijster ft C1\'- vinei vorus) \\ Krams

vogel CT- pilaris); Zanglijster t f ( mn-siVms); Koperwiek f t ( i - Katvo-

gel fcüco.v), N.-Amerika, dus genoemd omdat zijn geluid op dat van een jonge kat gelijkt.

•gt;. Spotlijster fMimus) — Gewone S., Moc-van don Kramsvugul. kil|g, ,5;^ ( y In,). N. Amerika.

Watorspreouw (Cinclus). - Gewone W. tt (( \'- nquahcus).

4. Zanger (Sijlma). — Naelitegaal (S. hisciiiia) ■, Grasmuscli (.S\'.

Tuiiilluiter (S. ; Zwartkop {H. atriccqulln)-,

Gekraagd roodstuartje (S. jiliocuiciirus) ■, Kooilliorstjt! fS-becula); Spotvogel {S. hippolauj ; Blauwborstje (S, succicu),

Alien 11-

5. Karekiet (Cnlamöhn-pr). — Grooto K. (C. turdma)\\ Kleine. K. (C. urinidinni:(\'.a)\\ lioacliriclzangcr (C. palnslrix) Allen ff.

(gt;. Tapuit (SfixicoldJ, — Gewone 1\'. f»S, onmnthr) ^ 1 aapjv ^. rabctra). Beiden ff.

7. Uastaardiiaehtcgaal fAccciilur). — Gewone li, ff modular is),

8. Snijdervogel (Ovlholomus). — Snijdervogel (O. sulortati). 7i. Azië.

lt;gt;. Kwikstaart (MolaeiUa). — Witte K. Bouwmoestortje (.1/.

albd); Gele K. (.1/. Jlava). Beiden t-t-10. Pieper (Aiükus). — Grasjiieper (.1. pralvusis) \\ Boompieper

(J. arhoicun) \\ Duinpioper (.1. (■(Wipcslfl*), Allen ft-1 1. Winterkoninkje (Troi/ludylcii).. — Gewoon Wr. ft l\'-ropaciis).

1 -2. Vliegenvanger (Mam-icjtpn). — Gewone \\. f (.1/. (jriaoht). l;;. Uotshaan (liupicolaj. — Gewone li. (li- n-dcra)-, Guyana. M. Pestvogel (Ani^disJ. — Gewone 1*. /ijdestaart, Snuenwvo

gel f garrula).

15. Klauwier (liii.ninn). -Grooto K., Klapekster, llangckster,

Wurger, Nege.ndooder (I.. c.iciihilor).

UI. Raaf (Corcnx). — Haaf {*\'. corax) ■, Kraai {(\'. o.gt;roiilt;)\\ Boek ((\'■ fi-quot;\'jilgt;\';jquot;quot;)lïquot;quot;*1\' Klquot;ul\' Kauw, Kerkkraai

-ocr page 164-

(i.. won alula) ; Ekstci* (i1. //tea of I\'lea varia), Allen f f.

17. Gaai (Garrulus). — Gewone of Ylaainselie. Gaai, Meerkol ff (Gr. (jlauda-) ius).

Fig. 100.

I-S. Notenkraker {Xndfraya). («ewone N. f (gt;V. ra-

ryoca /acfas),

!!•. l\'unulijsvogi\'l (I\'nrd\'lisca). — Gti\'ootc P. (/\'. apocln) •, Ai\'oo-oilaiidoii. Gowoiio I\', (/\'. papunna); AVijstolijk

\\. (luinoa; Uoode I\'. (/\'. rubra)) NimwJuiiicji.

20. hpiitmclius (I\'.piiiuichiis), — fli\'oofc 10. (K. molt;jnas of spi -(•iosus). N iomv- Giii iie51.

\'J I. \\\\ icIewMal (Oriolus)» —- (• cwonc \\V. •}■ j* (0. (/nlbn/a).

22. SpnMMiw (Sfnnnis). (m;\\voih; S. ff (S. vulgaris).

2.}. 1 rncjtijoil (Ic/rr/fs). Gi\'kuifdo 7. (/. cris/alto*). Guyana «■li Bijizilii;.

21. Mccs (rarn.y). Koolmees (I\\ major)\', 1\'iinjM-imee.s (/\'. coc rulciis ; Zwartkopmees (/\'. [Ktlustri*). Alle drie ff. Tniidel mees (/*. j)ciu/ul\'u.us). /,. O. JCuropa.

25. Goudliaaiilje {Hrcjuius). - Gewoon (*. ff (//. Jlaricajiillus). Kegelsnaveligen [(.\'ounoslrrn). Korte, kegelvormige, harde snavel, met nagenoeg even Ijmge kaken met eenigzins hinnen-waarts g(d)ogen randen.

1. Leeuwerik (Alaiabi), — («ewone of Akkerleeuwerik •{••{• (.1. ar ren.sis): Hoomleeuwerik fA. arhoroa]\', Kiiilieeuwerik ■}■•{• (/I. vriatafa),

2. Vink (Friiujitlff.), Gewone vink, Seliildvink ff r.oc-

Appolvlnk (F. cocrofhrauslcs).

-ocr page 165-

153

3. Kniisviiik (/^oj.v\'n), —- Gc.woiio kruisbek f (/.. rurvivoslnit. \'1. Gors (Kmhcrkd), — Gnmwgois f f (/■,\'. miliaria) \\ 0(H!lgoi\'s,

Geelvink f f (/•-\'. dlrinc.lla) •, liiotiimscli f t (I\'i. Hi\'hoi\'iilr/n,i). 5. Wovcr (Ploceus), — Zuid-Afrikaanseho W. (/\'. ;lt;(•«»//;«) O, Amadina (Amndina), — Rijstvngcl (A. tiri/ziroru), Gcvlc ktti I!. (\'■ 1. })uncli(l(iria), l)ciil(!ii op Java en Siumilni; Hougiili (.1. ii/ioe.nii\'olis), Middrn- Afi ika.

7. Tanagra , Kardinaal (\'l\'aniKjrd). Siiiinnain.sclii! \'I\'linagi a df\' Kien (T. Jacapa),

IV. S|ploctHnavoligon (Fissliosh-c.s). Snavel kort, breed, (■gt;( (iniler do oogen gespb^tcn.

A. De lt;liie, voorteenen tot aan liet eerste of .......Ie lid door

oou vlies verliomlew. (Si/NfliK\'O/li).

(.Neushoornvogel (llticcros). (lostindiselie Kalao i It. rid iiuccron),

quot;J. Ijsvogel ^ Al redo). Gewone IJ. f iquot; (.1. inpi\'da).

Hijenvreter (Mii-opv). - Kaapselie 1!. (.1/. n/iiuy/i r). ■1. Scharrelaar ((.\'(/rnciiin). — Gewone S. , Ihiitselie papagaai (C. firaca/a) Oostelijk en Zuidelijk lOnropa. Maakt den overgang uit tot do volgenden,

li. Vrije teenen ((Viclidonc.fi).

5. Zwaluw (Iflniiido), — 1 Iniszwaluw f f (//. urhicn) Moe

renzwaluw f f (//. rnx/ica)^ (leverzwa luw f t (//■ ripnria).

(i. Gii\'rzwaluw Gierzv duw,

Torenzwaluw, ft (\'\'• Salaugan

{Oftcu/i\'Jt/ii* ot\' (\'id/inn I in rxi\'u/i\'i\'td), in Oost Indië, van wien de eetbai\'e vogelnestjes afkomstig zijn.

K quot; j i vftll (le N;u;ln/,w:ilii\\%. Xa(dlt/Walu\\\\\' . Cr ei tel UIU\'I k el\' ((\'lljll\'l-

miili/iin). — Gewone geitcmnelker, Dag slaper ff ((\'. ruro/xinis). \\Vlii|i-poorAVill fC. nii-ljrrns] , aldns genaamd naar zijn roep; Oost-Indiselie geitenmelker fC. macniniH en (tfjiiiis)\\ liet geroep van de/en luidt tjoetselioer.

8 177. Vierde orde. Iloondcmchtigc vogels f(litll.!nlt;tvrHr, Ifuxorrs Vier (zelden drie) teonen, waarvan drie naar voren geri(dit en .

-ocr page 166-

If) J

hij do cigciilijko liociulors, nan ili^ biisis door t\'on smal tuaaclicu-vlii\'S (sjiauvlios) met clkimdcr vcrhoudiiii zijti. Do duim staat aoms lioogcr ilau do ovorigc toonon. Do pooton tot aau don hiol bovo-(Icrd ; soms is dit ook met don tarsus hot goval. Xagols stomp on weinig gokromd. Do Inde, langs do liovoiiliju gowolfd, is /oldon Ianquot;-; sommigo (do Dnivon) liobben o.on washuid. Vlougols doorgaans kort on niot tot lang on snol vlicgon ingorlclit, bolialvc bij do daivon. Do boondoracbtigo, vogels loven vooral van zaden on vnielitcn, doeb ook van insokton, wormen, on/,, ilio zij mot do jiooten nit don grond opkrabbon.

Wij verdeden deze orde in twoc afdenliiigen.

1. Do Duiven, die, den ovorgang uitmaken van de zangvogels tut do oigonlijko lioondcracbligo vogels. Zij zijn slank van liebaam, bezitten vrij bingo vleugels, en vliegen goed , getuigen o, a. de Postduif, een verscboidenbeid van do tamme duif. Hunne teenen bezitten geen spauvlies , maar van onderon een vliozigen zofun. De bek is grootendeels Kop van illt;\' lInuiiltiii\'. roebt, alleen aan zijne spits gebogen en

aan de basis van eeno wasbnid voor zien. \'/ij leven bij paren en deze, vaak mode troejisgewijs; de jongen blijven gernimen tijd in bet op boomen gebouwde nest en worden door de ouden uit den krop gevoederd.

•J. De eigenlijke 1 loenderaebtige vogels. Deze zijn ploinper gebouwd dan de duiven, bebben k oil i\' vleugids, vliegen weinig, leven en nostelen meestal diebt bij of op den grond, en bezitten spauvliezeu tnsseben de. voorteeneii. Aan den bals en kop dikwijls naakte plekken, kammen, lellen euz. De duim staat meestal hoo-ger dan de overige teenen, zoodat bij sleebts met do spits den grond raakt, behalve bij de, Ibiombocnders. lüj de meeste geslaeb-ten geen washuid. Het mannetje, haan genaamd, onderseheidt zieh veelal door fraaier gevcdertc , dikwijls ook door gekleurde, huidaanbaugsels aan den kop , en sporen aau de tarsen. De stuur-pemieu van den staart zijn soms bij de mannetjes zeer lang. Kik mannetje beeft versobeidene wijfjes of bennen, met uitzondering van de. Patrijzen. Do jongen zoeken, zoodra zij uit de eieren gekomen zijn, dadelijk zeiven bun voedsel onder geleide der moeder, § 178. Goslaebten en soorten.

-ocr page 167-

155

T. Duiven (Colnmhae).

I. Duif (C\'olumha). — 1 )r wildr duif (C. livia) in rotsarhIigr stroken van Zuid-Kuropa, van welken de tiunme duiven nf-stammon; Woudduif, Ringduif f f ixilmnl/ii*) \\ kleine Houtduif ff (O. oenas) \\ Tortelduif f f (O. hninr)-, Ijaeh-duif (C. risoria), in Afrika en Azië te huis belioorende , docli liij ons veelvuldig in kooien anngefokt en verkeerdelijk forte!duif gcnaiiind ; Trokduif (C. miyratorin) \\.\\\\ Xoonl-Amcrika. Voorts de papogaaldniven , 1). v. clc /.wartkoppigc, on jiurpcro papogaaiduivou van Java (O. mclaiwi-cphdld eu jtorphijrea) \\ I fiiakbekduif ((\'. of Didnnculns stri(jiraslrlii), het eiland Upolo in de stille zuidzoe.

II. Kigeulijke lioouders (GaUinac).

ti,. DuifhoeJiders (l\'/crovlidaf,). I\'ooton bevederd tot op de tee-neu, lange, zeer spitse vleugels, wigvormige staart.

I. /andlioon (l\'/c.yoclcs). Stop|)euhooii of Steppenduif (/\'/. armarins) , Z. Rusland. Door lieluiamsgostalte, huige vleugels eu snelle vlueht , maakt ilit geslacdit deu overgang tot dc duiven, tot welke ook en .\'i eene toenadering vertoonen, h. l\'atrijsaehtigeu {t\'crdichUu\'.). IScvedcrde tarsen; hooggeplaatste acliterteen.

ü. Patrijs (l\'enU.r). — (!lt;\'.wone Patrijs f-j- (/\'. vhicrcn) \\ U\'eode P. ft (\'\'• rnhrn); Frankelijn (C. francoliiius) o|) Sii-ilii\'1 en Cyprus, ook wol soms iu ons land.

.\'i. Kwartel (Colurnlx), — Gewone K. f f riilyiiris of dttc-li/llsonanii),

o. Korhoenders (\'rilrnöiiidui\'). Bevederde tnrseii ; de aehterteou hooggeplaatst.

4. Korhoed (Ti\'/rao). - (Jewoou K. ff /c/r/.\'); Auerhaun (7\'. iirnynlli(s) , N.-Europa en Azii\'; I ln/.elhoen (\'/\'. Ilonuifia), N.-Europa.

5. Sneenwhoeu (Lnijopun). Groot S. (/.. n/jiiinis) 1 Noorwi\' wegen. Schotland.

il. Fasanthoendors (l\'hasiaiihlan), Sehouen bnvederd, tarsen al of niet bevederd; aehterteen weinig hooger geplaatst dan de voorteenen.

li. Hoon (Gallus). — Het Aziatische wildo hoen (G. /iinikira), waarvan ons tam hoen (G. domc.sliciis) afstamt.

7. Fazant {Phasianm). — Gewone F. (I\'h. colchlcus). Kaukasus

-ocr page 168-

i r.c

stroken, tam in \'t overige Eurnpa, hier en dnar verwildenl; Goiuiliikenselu) F. (I\'h. , Midden Azië en Cliina;

Zilverlukenselio I\'1, (ni/clhcniwutt), Cliinn. Beiden bij ons tam. S. Parelhoen (\\ ninidct). Gewoon I*. (Mrleai/ns), Afrika; bij ons getemd.

!i. Kalkoen (.Welcayr!*). — Gewone K. (.IA. yallopaVO) , N. Amerika; l)ij ons tam.

10. l\'auw {l\'avo). — Oewoue 1\'. (/\'. Dnstatus), Indiseh vastland, in Knro|ia,. Juvaiuisclie I\'. (vuilicus).

11, Argus (jii\'yus). — Argnstazant (^1. ijitjnuUua). Malakka, Sumatra, Borneo.

Hooinlioedi\'rs (ViutclopKl\' Scheeneii en tarsoil onbevederd ; do I (c.enen in ééu vlak gelegen.

I •gt;. lïooinhoen (Cva.v). Ilokko (C. ntccloi\'), (iuyiina ; Gehelmd I». {i pd\'i.rl of yft/cu/u). /.-Amerika.

;; 171). Vijfde. ord(!, Sf misachtige \\ogf\\s (Slrul/iioiirs, (\'iirsorrs). (iniole, knielitig gebouwde vogels met een langen bals, kleinen kop, meestal platten snavel , kraebtige,, meestal /eerlange poolen. met twee, drie of vier allen naar voren geriebte dikke en platte teenen, belialve bij den Kiwi en den Dodo, wier pooteu

korter zijn en die een kleinen aebtei-teen licblicn. Men kan op dien grond de Struisai\'btigen verdeebm in 4teenige, i, tc.enige. en \'J teenige. Het beneden-

bonn, dut bij al do vorige orden tot den hiel of lager bevederd is, sleebts van boven van vederen voorzien. De i.iuk \'tvot\'t van den .M\'i\'ikaaiiscljtüi nagels /ijn min of moer boGfac\'btig, De

vederen van den romp zijn baaraebtig en bis, daar ib^ stralen gerne bankjes bezitten; de vleugels zeer kort, zonder Blagpeunoii; de staart zonder stuurpenneu. Over bun

borstl...... zii bladz. loG. Hij den Afrikaanscdicn struisvogel is

bet bekken van voren gesloten, evenals bij de zoogdieren, terwijl bet bij alle overige vogels van voren open is (§ lüS). Deze vogels van welke alleen in Europa geene soorten worden gevonden ,— leven van plantcnvoedsel, nestelen op den grond, loo-pen zeer snel, maar zijn buiten staat te vliegen.

li t .

-ocr page 169-

§ 180. Geslaclitcu en soorten.

1. Droiitu, Dodo, üoiliiiirs (/)lt;ji/igt;). — Do dodo van MamitiuB (lgt;. itif.ptiis), sedert hot midden dor ITe eeuw uitgestorvi^ii. Vier teenen. Verwant aan de. duiven.

Kiwi (Ajjkrijx). - Dlt;\' vle.ugidloo/.e kiwi van N\'ienw-Zeeland (.1. ai(nlr((lis). Vier teenen.

3. Struis (Slrulhlo). — Afrikaiinsehi! struisvogel (Sir. niiiiclnx). Twee teenen, Afrika, maar ook Arabië en jMesopotamië.

4, Xaudne (It/ica). Nandoe ol\' Ainerikaauseho struisvogel (Ji\'h. (uiicriciina); Kmeu van Nieu\\v-1 loliand (Hh. of (\'(immnii* of Drumaius JS\'iwcic Ult;jllaiilt;li(ii\'), Iieide met drie, teenen en zonder staartvederen.

f), Kasunris {Clt;ixa(ir!as). Gewone of Indistdie kasuaris (\'\', (/(iledlus). De oostelijke (dlanden van den Indiselien Areliijiel, Drie teenen en geene staartvedenm.

Kquot;gt;|) van con Mocraasuii Fk\', 106.

§ 181. Zesde orde. Steltloopcrs, Moe rasvogels. {(* rttl l f / /\' gt; r * •), jor, Lange i)ooten, met onbevederde ot\'

sleehts van boven bevederde seliee-nen (wfCldjtoolni), Meestal drie voor-teencn en een duim, die eeliter soms zeer klein is of zidI\'s onlbreekt. Zelden zwemvliezen tusscben de teenen, dneli veelal de buitenteen en middouteen aan de basis met elkander door een vlies verbonden. De bals is veelal, doeli niet altijd, lang; de snavel is versebillend van vorm, dikwijls lang en van een waslmid voorzien, De vleugels zijn meestal lang en kraebtig.

/ij leven in moerassige streken of aan bet water, en vliegen en loopon goed. lüj liet vliegen strek ken zij de lange jioolen aebtenvaarts uit, en bij liet rusten staan zij gewoonlijk o|i één poot. /.ij voeilmi ziel] met kruipende dieren, vissollen, insekten en wonnen. Het inannetje, lieeft één wijfje,

§ IfSi\'. (ieslaeliten en soorten. 1, I rapgansaehtigen {Ohdaf). Een zwaar boendcr-

aelitig lichaam; korte vleiigels; korte bek ; lange cohtc.rvoot van een i i • . i •

k,;ian. knichtigc poolen ; drie teenen.

-ocr page 170-

158

I. Trapgans (O/Is).-—Grootc trapgans (0, tarda) \\ Kleine T., ff (O. Ircld.f). 1)(! eerste kwam vroeger in ons land voor.

■J. Uooiuhivkoc.t (I\'iiViiinrilea).—■ Kiuniclii, Oehoornd struislioen in Znid-Amcrika rornula).

Sariama (hirliolopim), — Sariama van /uid-Amerika {!gt;. criKlnliis),

4.\'l\'reinpi\'tvogel (J\'soj)ln\'it), Snrinaaniselie i . , Agami, Caini-(!ami {I\'s. crcjii/ans). — Deze vier goslaeliten vormen een overgang tot de lioenderachtigen , zoo om Inmne liehaains-gedaante, als omdat zij zich gedeeltelijk met zaden voeden.

Ueigeraelitigen {Anlcidac). Hals, snavel, poëten en vleugels lang; aeliterteen met de voorteencn in één vlak, belialvo bij den kraan.

5. Kraan ((Inm), — Gewone K. (6\'. ciia\'rca), Oostelijk Kuropa; komt soms hiei* over. — Numidiseli Juliertje ((*\', nuui\'uhra ot\' i-irlt;/o); l\'auwkraan, Kroon vogel {(.!. pavoiiliia)\\ Noord-Afrika. - 1\'e kraanvogels eten gedeeltelijk zaden.

(!. Keiger (Arden). ■ lilauwc li. ff {A. c.incrca)\\ Roerdomp ff (.1. sic./la ris) ] Woudaai)j(! ff (^t. mhutla).

7. liepelreiger (Itaiicroinn), ....... Saraeou of Ijepclln\'k, in Suriname (\'\'. cocldrnrla).

8. Ooievaar (Clcmiia). Gewone ooievaar, l\'^iber of Stork f f {(\'. (illia), zwarte lt;gt;. {(\'. najru)-, Jlaraboe-ooievaar op de Sunda-eilandeii ot\' Arr/iila niaraOn).

it. Lepelaar (l\'/alalrd). — Gewone L. (/\'/. leucoroilia).

ID, Ibis (//lt;/«), Knropeosehe Ibis, N\'iminerzat f (/. falrhicl-/.itii)\\ l\',g\\ [itisebe of\' beilige Ibis (/. (iclhiopim ot rcl.iyiosa).

Snipaebtigen (Sm/nptii\'ittac). Snavel lang, dim, gedeeltelijk

buigzaam, aehterteenen •, oogen zeer achterwaarts geplaatst.

II. Snip {Scolojxt.r). — lloutsni]) ff (S. rus/icola) ■, Watersni)) f f (S. (/(illinayo),

t-J. Grutto (Livwsa).— Gewone (j. ff (/,. mclawira ot aryo-cephala).

I .\'i. Strandlooper (\'l\'rini/a). — Drieteenige S. f (T. arenarlu)-, Kemphaan ff puc/naa:).

1 I. Oeverloojxu\' {\'l\'olaiius).— Groenpootige Ruiter f (/lol-li*)-, Tureluur f f (\'/\'. calhlris); Oeverlooper f f (T. hypo-leucnn),

15. Wulp (Xninmiia). — Groote wulp f f (Ar. arqucüus); Regenwulp f (.V. phacopus).

-ocr page 171-

15!!

1(1. ICluit (Itcciiruiroslra). — Growonn K. •/• (If. ni-ncr.lln). lVr. l\'levicriu-litigou ((J/iardiln\'idi\'dc), Snuvel iniddclniatiy hing\'; voorhoofd aclitov don snavel zeer gewelfd ; goon of/.oei\'klcino aclitertocneii. l^oopcn zeer snel.

17. Plevier — fMrndpleviei\', lïegeii|)i(\'|ier-/•-/- (C/i,

phividHx) \\ S|i\'aiid|dcvier (\'7/.

(miliainis),

18. Kievit {WiiicJIiik). Gewone

kievit ff (I. cn\'Nlaliis), l!t. (iricl {Ocilicuntius), ■ fiewone

griel ff (Ocil. wcpllaiis). \'JO. Sidi()l(dlt;Htei\' {lliu\'iiiafdpim). Ut\'wonc , KI iet [ll.dsh\'u-/(■ƒ/»«),

yi, S(eeidoo])er {^Ivc^slhta), - (Jc-wonc S. (S. mllaris), \\ . Waterhoenders (h\'ullldfic,). Korte snavel, korte vlengele ; zeer lange, dikwijls met /wemvlie/en omzoomde voorteenen; ile aehtertcen raakt den grond.

\'J\'J. Waterhoen (G\'tillliiiild). - Gewoon W. f- ((/. c/ifdraidis),

23, Koet Meerkoet ff (/\'\'. alrd).

24. Ivwartelkoning (Cro ), - (!uwone K., S|iriet f f ((!. pnt/ciinif:). l\'ö. Ral (Ildlhix). W aterral , Sehriek f [It. di/Kdlh\'.iin),

Spoorvleiigel (l\'ar)a). Ztiid-Amerikaansehe S.. (\'hirnr-g\'ijn (/\'. jarana),

27. Purperkoet (l\'orphyrio),—• Mlainve P. (/\'. /ii/dciulhliiiifi) \\ op Sii\'ilii\'; en in Zuidelijk Spanje; Groene Javaansehe P. (/\'. HDiiirdiidlnus),

S IH.\'i. Zevende orde. Zwi nivogols (Adtdlorcs). De pooton kort naar evenredigheid van liet lijf en den vaak langen lials,en ver der naar aehteren geplaatst dan liij do overige vogels, doordien een gedeelte der seheen door de Imi d van den romp hedekt is. liet sterkst loopt dit in lust oog hij de (linkers, futen, alken, zeekoe-ten, papegaaidnikers en vooral hij de pinguïns. De teenen zijn door zwemvliezen verbonden , waarbij meestal de duim vrij hlijft, behalve hij de fregat- en keerkringvogels, den rotspelekaan, den

-ocr page 172-

gt;

1()0

aalscliolver, den slaugenluilsvogc;!, deu jiclckaan. Bij de zccccuden, zaagbokken, duikers en futen lgt;c/,it de viije duim een liuidzooin, liij den albatros, do alken, zoekoeten en papegaaiduikers ontbreekt de duim. De snavel is van vorseliillenden vorm, soma broeden jdat, vaak aan de randen getand of geribd. Do vederen zijn dicht en

glad tegen liet lijf\' liggende, en worden door den vogel met den bek als \'t ware. geolied met een vette stol uit een groote klier aan het achterdeel. Onder de dekveeren vindt men veel dons. De lengte der vleugel verschilt aanmerkelijk. Hij eenigen toch zijn deze lang en krachtig (de acht eerste in

§ 181 genoemde geslachten); deze vogels zijn dan ook meercndecls uitstekende vliegers. Bij anderen de (!)e tot Hie geslachten) zijn de vleugels korter, doch toch nog voor eene tamelijk snelle en langdurige vlucht geschikt. Do slechtste vliegers zijn de duikers, al-keu, zeekoeten en papegaaiduikers, terwijl de pinguïns, en ook de groote, alk, in het geheel niet vliegen. De kleine vleugels der •kleed met zeer kleine veertjes , die op schubben gelijken. Allen zwemmen en de meesten duiken goed, doch hun gang is over het geheel moeielijk en waggelend. Sommigen duiken al zwemmende , b.v. de eenden en duikers, anderen al vliegende, zooals de meeuwen, zeezwaluwen enz. Zij leven steeds bij en in het water en voeden zich met vissehen en schelpdieren, sommigen ook met kroos, gras enz. De jongen gaan dadelijk te water en zoeken hun voedsel, waarbij zij echter door de ouden geleid worden. Alleen de meeuwachtige vogels worden een tijd lang door de ouden in hot nest gevoerd.

§ 184. Geslachten en soorten.

I. Meeuwachtigen (Ijinddc). Lange, spitse vleugels; snavel aan de spits gebogen; vrije achterteen.

1, Meeuw (I-tinis). Mantelmecuw , \'/eeknb f f (/- nuirlun»); /ilvermeeuw f f {\'■■ arijLiilatu») \\ Kleine Zeemeeuw ft (\'\'•

1\'iM-. los.

pingnins zijn slechts 1.lt;V. HM».

-ocr page 173-

lül

Gi-ootc Z., llurgoinceatcr •}• (/,. (jlaucus), 2. Koofmoouw (Lexfris). — O-roott! Jagor t (L. mtarmle*);

Kleine Jager \'iquot; (/,. pnn^ila).

•\'J. Zeezwaluw (Hierna). Gr.wonc Visduliofj».! f f (,S. hi-nuidu).

4. Sc\'lifiiu\'bek (lihyncliojis). — Zwarte 8. flth. tiiym), Ameri ka.

11. iStoriiivogols (PrOirUun\'dae). Vlengcl.s als de nieouwcn; smivel aan do spits liaakvonnig gebogen; op den snavel twee lini-zeu, waardoor de neusgaten loopeu; kleine, vrije aeliterteen. ■ gt;. Htorinvoge.l (I\'fuvvlUtna).— Groote S., zuidelijk ImltVund;

Noordscho S. f (ylacialk), vooral IJsland en de X.-Uszee. li. Moi\'in/.waliuv (1 hida^siilroiiia), — .Sturmvogeltje, Ouwcn:-

vogel (Th. peluyö-u), N.-Europa.

T. Albatros (Dwmcdca). — Albatros, Kaapsch schaap (JD. exu-laus). Zuidelijk halfrond.

lil. Itiuuipootigou (ülyjanopoilti*). Allo 4 do tooucn door ecu zweinvlioa verbonden; achlertcen binnenwaarts gekeerd, ó. 1\' rogatvogcl (\'iuchypv.le»), — Orootc frcgatvogcl (2\'. aqnila). Keerkringen.

1). Keorkringsvogel (l\'haüton). — Wit«t»iartigc K. {1\'h. uclhc-rcun),

10. Eotspelokaan (Hutu). — Jan van Gent f (,S\'. bassam).

11. .Schollevaar (C\'arbo). — Schollovaji, Aalscholver, AVater-raat\', Cormoran f f (C\', covmoranuti of 1\'lialucrucora.i: cdrbo).

Vi\' «langenhalsvogol, (Ptotm). — Znid-Ahikaansche S. {Plél lus uu/iiiifja).

l.i. 1\'eleka.un (.J\'clccaitux). — Gewone l\'. of Kropgans (/\'. ono-rrotcdux). Zuidelijk liuropa, Azie, Afrika1. IN. I\'laatsnaveligen (T.atiirttirustnx). Snavel mot een zaehte huid

bekleed, alloon aan de. pnnt hard, aan don binnenkant dor

snavelruiiden hooinisehtigo dwarsplaatjes; aehterteen vrij.

14. Eend (Mat). — Wilde E. f f (A. boschas), waarvan de,

\'Deze |ieleka.an is bot niet, die vim \'mds als oon zinnoboold van tr.mw on licifdo gold, omdat bij, zooals do sa-v iiield(l(!, zijne JoiiKeu zolls mot zijn Idood vooddo. ündor dien pelokaau Verstond moil con grinttoii roofvogel, waarsehijnlijk oen soort van gier.

11

-ocr page 174-

1(12

tamme eend afstamt; Zoimntaling f f (^1. (jiirrqueilnUi); Wintertaling f f (A. creccu); Pijlstaart f f (■\'\'• acuta); Bergeend f t (A. taduriia); Smient f f (A. Penelope). 1quot;). Zee-eend, Duikeend {Fulix). — Groote /ee-eend f {Ilt;\\ J\'nnea); Zwarte Z. f quot;lUrquot;)\\ \'^lileend f l\'\\ vliimjula); Kider-eend f (-/\'\'• mollissima).

lü. Zaagbek {Menjus). — Groote zaagbek f (^1/. vieryanser).

17. Gans (Auser). — Wilde Gans, Schierling f cineretiK) waarvan de tamme gans afstamt; Uietgans; Kleine kol f (A. negchun); Groote kul f (\'\'• arveusis); Brandgans f (.1. leueop.-ilx); Bonte gans, Kolgans, Weenkie f (.1. kUj!-J\'nms); Rotgans -j- (.-l. heruiela).

18. Zwaan (Oyguus. — Gewone /waan f {(\'. ulor), waarvan do tamme afstamt; Wilde zwaan f (C. inusicus)-. Zwarte Australische zwaan (C. atralus of plutonius); Zwarthals-zwaan (0, uiyricoüis) Z.-Amerika.

li). Flamingo {ï\'lioeuicopterus). — Gewone F. {l\'h, antii/uorum) Zuid-Europa en Noord-Oostelijk Afrika. Koode F. (J\'/i. rul/er, KjnipalUatus), Tropisch Z.-Amerika.

V. Duikers (Cu/ijiiibideae). Middolruatige; rechte snavel, korte vleugels en staart, vrij lange hals, vrije, kleine achterteen met een vliozigen zoom.

20. Duiker (Colymbus). — Koodkeelige zeeduiker f (/\', sep-trntriouaUs); Ysduiker f (C. ylucialis).

21. Fuut {l\'odieeps). —- Fuut, Zanddrijver f f (/\'. i ristalus) \\ Uoodhalsfuut \'j\' i\' (1\'. r/ibnevllis)\', Goooi\'do F. f (/\'. auritus).

VI. Alken {Aleidde) Hals dik; snavel aan de punt gekromd, poo-teu zeer achterwaarts geplaatst; geen achterteen.

22. Alk (.rl lea) — Groote alk f (•\'• lor da).

23. l\'apegaaiduiker (Moniiou). Gewone 1\'. f (M. fralereula). 23. Zeekoet f ((Iria). — Gewone Z. f (Uria TroUe).

VII. Slagiicnloozen (finjienues). Vinvormige vleugels zonder pennen, bedekt met zeer kleine op schubben gelijkende vederen; poolen zeer achterwaarts, met korrelige schubben bedekt; aehterteen klein, vrij, binnenwaarts gekeerd.

25. I\'inguin (Apletiddylen). — Gewone I\'. van l\'atagonic (.1. patuyoniciis); Kleine 1*. van Zuid-Afriku (A. demerauv).

-ocr page 175-

1 G.\'i

111 KLASSH.

Kruipende (lieren.

g 18:). Ivriiipondi! dicrou (Itrpli/ia) zijn gowcrvt\'lild (lieren, die door iongon (eonigo wcinigcu leven.i door kieuwen) udeinlmleii, die

koud, rood bloed bo/.itten, dat is, wier Ikdmaiiiswiirmte rijst lt;\'11 dfialt met die, der omgevende middenslof, — wier liart nil Iwee boezems en ééne kaïner (of twee niet. vollcomrn ran dkuiiihr sehciden kamers) bestaat, wier huid óf naakt óf met seliiklen of seliubben bedekt is, en c\'i(^ eieren leggen.

Vroeger noemde men de kruipende dieren veelal Tweeslaehtige dieren of Anipliibiëii. Nu leven wel is waar vele dieren dezer klasse

-ocr page 176-

1

u 1 ll\'

ICl

in liet water ou op hot land, cn /.ijn ilus woikelijk Amiiliibiön,— doch mot do meeste» is dit niet hot geval en men mag dus dien naam niet geven aan de gansche klasse. De naam van Krnipendo dieren is, strikt genomen, ook niet geheel Juist; sommige hagedissen looien zeer ving. Maar hij is toch heter te verdedigen dan die van Amphibien. Want do pooten der dieren dezer klasse (voor zoo ver zij die bezitten; de slangen hebben er geenc) zijn orcr \'/ atyemer-H zeer kort, zoodat zij indonlaad meer scliijnon te kruipen ) al is het dan ook snel to kruipen, dan te loopon.

§ 180. Aangaande het geraamte der kruipende dieren, dat in vele opzichten van dat der zoogdieren en vogelen afwijkt, merk ik het volgende op. /ie lig. 110, 113, 114, 117.

Tusselien de onderkaak en hot slaapbeen vindt men een {■Irr/.mil hen, even als bij de vogelen (g 158); bij de, slangen bovendien tns-schen het vierkant been en het slaapbeen nog een zoogenaamd ti\'jjclOcci\',

Uo tanden, waar die aanwezig zijn, \'I welk niet altijd het geval is, zijn kegel nl\' priemvormig, en dienen slechts tot het vatten en vasthouden van het voedsel, lüj sommigen zitten ook tanden in het gehemelte. lquot;gt;on aantal slangen bezit tjiftldinlni, w aarover later. Ue sehildpadden en de padden bezitten geheel geene tanden.

liet aantal wervelbeenderen is zeer verschillend; de kikvorsehen bezitten er 8 of !» in hot geheel, sommige slangen .\')()() on meer. liij de schildpadden, hagedissen on slangen heeft hel aehlerhoofds-been slechts één gewriehtsknokkel, even als bij de vogelen; doch bij de kikvorschaehtige dieren vindt men twee zulke knokkels, ovenals bij de zoogdieren.

De, schildpadden bezitten geene ware ribben, maar de, dwarse uitsteeksels der acht rugwervels zijn ribvormig verlengd en vormen met eenige zich in de huid ontwikkelende heenplaten het nujxchlld. Ook het borstbeen ontbreekt hij die dieren, doch daarentegen vindt men aan d( borstvlakte een broode beenhuidplaat, die het huvulschihl uitmaakt. — De slangen hebben ribben aan al de wervelen, behalve de staartwen elen ; dus vervalt bij hen de onderscheiding in hals-, horst- en lendenwervelen. Een borstbeen is bij de slangen niet aanwezig; de ribben zijn aan het vóóreind viij, en zeer bewegelijk. — De, kikvorschen, padden en salamanders hebben almede geen horstbeen, maar ook geene eigenlijke rib-

»

\'i

f i i

l s

y

#1\' jf

i

if

i l

1 I

f

-ocr page 177-

i (;.r)

lii\'ii, — De liiigfidissen hesbon ribben nu ccn 1)oi\'Htl)oou, ömtront in ilicr voogi! aln (ld zoogdieren nn vogelen.

De scliililpndden en liMgedissen bezitten een vrij volkomen , de kikvorsellen, padden pn siilamanders een onvolkomen, do slangen in \'I geheel geen bekken, of eenigen sleelits een flauwe aanduiding daarvan.

Meestal hebben de knii|iende dieren twee paar sleutelbeenderen , evenals de, vogelen (§ 158).

De slangen en één geslaebt der kikvorschaehtigen (Cao.cllm) heb-lien gecne. jiooten, met uitzondering van één slangeu-geslaclit, (Chiroti *) \\ de. overige kniipoiule dieren Iiebben er meestal 1, enkele 2. De pooti\'n zijn verscbillend gevormd, al naar de levenswijze des diers, maar komen in samenstelling met die der zoogdieren hoofdzakelijk overeen. Het getal teenen is doorgaans vijf.

g I.S7. Ten aanzien dor s|)ijsverteringswerktnigen merk ik op, dat de kruipende dieren veelal zieh voeden met andere dieren , die zij in hun geheel zonder kauwen inzwelgcn. /eer enkele zee-sebildpadden en écne zoetwato.r^lang (ITvrpeJ.on) voeden zich ook met waterplanten, de Inndschildpadden niet gras en kruiden, de leguanen met bladeren, liet darmkanaal loopt uit in eene cloaca (§ 1\'iO). — \\\\riit den bloedsomloop betreft, zoo bezit hef hart der kikvorsehen, padden en salamanders drie van elkander afgescheiden bolton, twee boezems en slechts ééne kamer; bij de overigen zijn wel twee kamers, doch deze hebben door eene opening (die echter door een klapvlies kan gesloten worden) gemeenschap met elkander, zoodat zij ook slechts als ééne kamer te beschomven zijn. I let gevolg is dus, dat er in die, kamers of die kamer eene vermenging van slagaderlijk met aderlijk bloed plaats heeft, en dat het bloed, dat door de longslagaderen naar de longen en door de groote slagaderen (de kruipende dieren bezitten er twee) naar de liebaanisdeelen gaat, gemengd bloed is. Van die twee aorta\'s gaat de rechter naar voren om takken af te geven aan het voorste gedeelte, des lichaams, en buigt zieb dan benedenwaarts; de linker buigt zich achterwaarts en vereenigt zieh met de rechter tot een buikslagader-stam. Belde noria\'s ontspringen uil het rechter gedeelte, de, kamer. Mij de krokodillen, die (wee geheel gescheiden bartekamers bezitten, ontspringt uit elke, kamer eene aürta, van welke, de recb-ter uit de linker, de linker uit de rechter kamer ontspringt. De eerste voert, dus slagaderlijk bloed en geeft takken aan den kop

-ocr page 178-

.1?

im;

ni dc voorssto ledciniitcn. Do linker buigt zich iiclitcnvaarts en

verbindt zirh met ill! rechter tot cone bnikaörta, zoodat bot overige lichaam gemengd bloed ontvangt. Wanneer hot dier onder water is en dus niet ademen kan, schijnt zich een klapvlies te openen, dat eene gemeensehapsopening tusschen de tegen elkander aanliggende wortels dor aorta\'s afsluit; daardoor kan dan slagaderlijk bloed nit do rechter aiirta in do linker komen.

De longblaasjes zijn zeer groot, en de ademhaling minder krachtig dan bij de zoogdieren en vogelen; de kruipende dieren kunnen ook veel langer zonder ademhalen in het leven blijven.

s 188. Omtrent do zintuigen merk ik aan, dat hij de kruipende dieren, die met schilden of schubben bekleed zijn, do tastzin weinig ontwikkeld is; — dat het samenstel der «ogen meest met dat der vogelen overeenkomt, terwijl ook de meeste kruipende dieren drie oogleden hezitteu, met uitzondering der slangen, hij wie de oogleden ontbreken; — dat het uitwendig oor, even als altijd bij de vogels, doorgaans ontbreekt, terwijl ook sonunigen gi\'cne trommelholte bezitten, en hij allen bet gehoor vrij stomp schijnt te zijn, welk laatste oveuzoo met den reuk en do smailk het geval schijnt te wezen; — en dat de meeste slangen en ha-gedisM\'ii enne lange, dunne, van voren in tweeën gespleten tong bezitten, die ver uit den mond kan worden gestoken.

t: 1 SU. Menige kruipende dieren kunnen springen, andere loopen en klimmen: zeer velen kruipen slechts. Een enkel geslacht (draak) kan tladdcren door middel van eene uitbreiding der huid langs de zijden des lichaams, die door de verlengde ribben ondersteund wordt. Velen kunnen ook zwemmen.

De grootte der kruipende dieren is, even als bij de zoogdieren, zeer verschillend. Tot de allergrootsten behooren de krokodillen en eeiuge niet vergiftige slangen. De, Nijlkrokodil kan eene leugt\'* van I, i nf IH vnct bereiken; de Water-boa uit Zuid-Ame-

? *

I 1: J 1 !«

Fig.

I

j gt; .

gt; !1

f

iquot;,

if ^

1 i

[

» I !

i!

I t

II i

li i

-ocr page 179-

ir,7

i\'ika on ili! Oclar-siiwa van Java worden vaak 25 voet lang.

§ li)(). liet lierstollingHvcrmogcn is l»ij de knii])cndc dieren veel kra( litigor dan hij de zoogdieren en vogelen; dcelen, die afgesneden of oji eene andere wijze verlm-en zijn gegaan (staart, pooten, ja oogen) groeien niet zelden weder aan.

De meeste kruipende dieren, b. v. de slangen en hagedissen, verwisselen jaarlijks van oppovhnid.

In gematigde en koude gewesten houden de kruipende dieren een winterslaap. Overigens leven verre de meesten in de wanne hulitstreken.

§ li)l. Do kruipende dieren leggen eieren, wier schaal minder kalkachtig en dus minder hard is dan die der vogeleieren; soms is die geheel vliezig. Zij broeden die eieren niet uit, beludvo de Oost-indische reuzenslang (Pi/lhoii.). — De Kikvorschachtige dieren (Kikvorschen, Padden, Salamanders enz.) gelijken, wanneer zij uit de eieren komen, geheid niet op de ouders; zij zijn dan visch-nehtig van vorm, bezitten geen ledematen, ademen door kieuwen eu leven in \'t. water, waarin zij door middel van hun langen van (■en zwemvlies voorzienen staart rondzwemmen. Dezen onvolkomen toestand noemt men den toestand van masker {larva). Zij oudergaan nu echter eeue gedaanteverwisseling (inetamorphose), die nilwemlig vooral daarin bestaat, dat zich pooten vertoonon en de kieuwen langzanierhand verdwijnen, terwijl zich inwendig de longen ontwikkelen. Hij de. vorschen en padden verdwijnt ook de staart Enkele, van deze, dieren behouden hun geheelc leven kieuwen, ofschoon zij tegelijk ook longen bezitten.

§ 11)2. Men verdoelt deze klasse in: 1. .Schildpadden. 2. Hagedissen. 3. Slangen. 1. Kikvorschachtige dieren.

§ 108. Eerste orde. Schildpadden (Chelonil). Een plat, kort lichaam; vier pooten, ieder met vijf genagelde of ongenagelde, tcenen; een korte staart. Hot lichaam is besloten binnen twee schilden — een rugschild on een borstschild — die slechts den kop, de pooten en don staart dootlaton (lig. I 10.) Deze deolon kunnen bij vele Schildpadden binnen hot pantser worden teruggetrokken. liet moer of minder gewolfde rugschild wordt gevormd door do verlengde dwarse uitsteeksels der 8 rugwervelen eu boe-nige buidplatcn (g IS(i); het minder gewelfde borslsehild vrrfe-

-ocr page 180-

168

genwooidigt In\'t liorritbc.on. !). /c srliild^n zijn van bnitcn mot tiooniiiclitigc jibitcn of schilden bedekt. Op het inidden van liet rugschild liggen uchtci\' elkunder in don regel 5 zoogeniuiiiidc 8cbijf|iliiten, aan elke zijde begrensd door 4. zijde- of ribplatein \'\'Hen omgeven door 23 tot 25 randplaten. Het boivtschild is meestal Overdekt met pinten ter weerszijde, doorgaans met één onparige N\'of\'irjdnat. ■— Hij eenige schildpaddon (7 rioni/.r, Sp/tavijis) zijn desebilden niet met hnnnipbiten. manr met eene lederaebtige buid bekleed. —De mond der Rcbildpaclden is tandeloos, doeh de. kaken zijn bekleed met een hoornaelitig onikler-dsel, dat soiiis zaai:--vormig getand is.

De schildpadden zijn trage dieren, die meest van planten, eenige ook van kleine visehjes en weekdieren leven. H\' moesten zijn am-pliibien en bonden zich doorgaans in het water op, doch leggen hare met kalkschalen omgeven eieren op bet droge onder het zand. Haar leven is zeer taai en zij worden zeer ond.

.Men verdoelt de schildpaddon in I. landsehildiiadden , \'2. zoetwater- of moerassehildpaddca, .\'i. rivier- of ledersehildpadden, I. zeeschildp.idden. In ons land leven goene seliihljiaddeii. Meest worden zij in warme Inehtstreken aangetmllen , doeh enkele soorten komen ook in Knropa voor, - eenc (Khii/ti mropwn) zelfs tot in 1\'rnisen en Polen. Die in de gematigdr: gewesten leven bonden een winterslaap.

^ li\'l. Oeslachten en soorten.

1. Landscliildpadden (I ■■ tn^ utcC), Korte Nictni; tienen in d(! huid verborgen,

1. 1 jandsebildpnd ( / \' . quot;/o), (trieksche schildpad ( 7\', i/ninm); Geometriscli.1 ;-ihildpad lt;/vomf/riva), /iilid-Afrika; Ge.-tatidde schildpad (7\'. lahv.UiUt), in tSuriname,

11. /.iH\'twatei- ■cliiMp;!dden (ï.u:ijdnc). Duidelijk afgi cdieiden teenen met zwemvliezen.

1. liivier of moei\'Mssidiildpad (ICimj* Muropocscdie mocras-schildpad (/■.\'. iiiropm\'u . in zuidelijk en oostelijk Kompa; Xoord-Amcrikaansehe kaaiinanschildpad (li Horjirnlhnt, ( \'hr-li/drn w/t\'-i\'tlna); Doossehildpad (K, elniisa, h\'iiiosh-nion liru.-.f/l.vnii riDn). jnedc in \\iMird-.\\merika; (Jroote rivierschildpad {/\'.. gt;ji\'\'ttHfi), in den Orinoco en de Amazonen-rivier; hangliuly.ig»! rivier,ichildpad (/•-\', Ipui/icolV», Chehdim A Ilt)lhimltur), op Nieuw-1 bdlanil.

-ocr page 181-

Snuit,sclii!(l|i\';i(l (Chi\'/i/n). (C/i. fiuiltriida). in

(Jüycnni^.

MI. liiviersrliildpiuldi\'ii (7\'rifi/i\'/rJiit/tr). A(tfCHcln^ilon f^ciicn mot /wctnvlio/oiï ; liM^cls slrcht ; -ï tccncn ; Ir(l(M\':iclitii;-\'! scllildi\'ii. I. Ijudi-racliildpail ^\'l\'n\'oni/.i:). — Hijtciidc, lodc.iMchildpad (T, ni-lolieiw), in di\'ii Nijl; AninriküniiRclii! Ij. feru.i).

I\\. /ccsehildpttddcu {(Jhctonia). Vocton vinvoriiiif^. vuur-

pootcn.

I. Zccvrliild|Kiil (Chrlonia). — Ki^tbfin\', iciizi\'ii-ziM\'sidiildiKid (Ch. iin/tlus), in den Atbnitisohon Oreaan; Kavotscliildpiid (Ch. of darcJla iinlji-ini/d\'), Indiselm en Stille. Ocoaau; Zco-li,d(;i\'SClliM[);ut (Ch. coj\'lt;(lt;■■ quot;, S/j/inri/is Middcl-

liindsulic Zoo cn Atlanlisidic Oceaan. — Do renzenschildpail lean JiOO, dt^ /ee-lcdeistdiildpïid 700 j)onlt;l r worden.

Do karetHoliildpad levci\'t in zijno lidfii\'iipiuton lief „sidiild-padquot; dat tot snuistci\'ijou verwerkt wordt.

S ll\'5. 1 woede orde., llagodissen iS,iiij-\'\'i), lOen lan^werpif;, s|iii-

in een min ot\' meer landen Staart uitloopt. Vier korte pooton, bij zoor enkele soorten slocllts twoo ach-terpooton, of in \'t gohool goono pooton. Do toenon inoostal van nagols, — do kaken, «om» ook het golio-inolto., van binden voorzien, bedekt met beeni/e ^eliiblen of met lioorniK\'.liti^e sebnb-bij ^onnnigo soorten -jtokolH vormen. De tong is óf Ki-, II.\'i.

gestrcikt: licliaain ,

Fitr. I I L\'.

llOt\'J

De

ben ,

n van voren in tweei;n

-ocr page 182-

170

gespleten, óf dik, vleenig, alleen iiiin het uilciiiile vrij en iiii\'l uitsteekbaiiv, óf voorzien vim een langen, intrekbaren, bnisvonni-gen stoel met een dik uiteinde , die pijlsnel kan nitgestootmi worden, en aan welks kleverig uiteinde do insekten blijven hangen, (Chcimai\'lcoii), óf eindelijk kort, jilat, aan de sjiita ingesneden maar niet uitsteekbanr. Meestal oogleden. — Do tong der Pantser-hagedissen is breed, vlcczig en zijwaarts aan de onderkaak vastzittend. —• Aan de binnenzijde, der dijen bij zeer velen zoogenaamde dijklieren, w ier openingen men dij-porien heet , doeh waarvan het nut nog niet bekend is.

§ 1!)(), Geslachten en soorten.

I. Gepantserde hagedissen (Sanrii Inricali), niet eone metgroote, beenigir sehilden bedekte huid. De wortellooze, kegelvormige tanden gejilaatst in tandkassen of in tandgroeven in de kaak-beemleren • daarvan ook Thfrotfouler, /ie over hun bloedsomloop, tj ISV, over hun tong § 19.r). /ij zijn gevaarlijke i\'oofdieren,

I. Krokodil {CroMdibts), — Nijlkrokodil (\' V, nilottcus) ^ Indi-

sehc krokodil (Cr. hlpormliin).

\'J. Kaaiman {Alliyufov) — Snoekkaaitnan (.!. Iuchih), in Noord-Amrrika; Brilkaiiiman (.1. , in /uid-Amerika.

Gavial ((inri/il, Ithainjilionlontti). — Bengaalsebo gavial ((!. of /i\'h. (jaiificllcAis).

II. ( gt;egchiihd(! hagedissen (Siiimi sifuanmh\') 1 bij welke, dlt;! huid bedekt i;s nu^t hoornachtige selmbbeu, die o)i den kop imi aan de Imikzijdcn veelal grooter en sehildvormig zijn. Dn tanden staan lt;gt;li de randen of hyeu de binnenvlakte, der kaakbeenderen , en niet, in tandkassen of tandgroeven. Daarvan ook A/hccodon/cs.

n. Spleettongigen {Kcliixtofjloiisi),

1. Hagedis (Tjacerld). — Gewone hagedis f (/i, rt;//7/») 1; Muur-hagedis f (//. marnim)\\ Groene hagedis (//. virklis), Zuid-Europa.

l\'. Waarselmwer (Monilor).— Kgyptisehc landkrokodil, Waran {M. sfi;llntiis)\\ Sundasche waran (.1/. hivittalus), kan 2 M. lang worden. Geen dij-poriim.

JII \'I .

•8 gt;lt; I

4

li\'

if

I\'v

li-

i I.

i i I

h

1

;). Tejus (Trjns). — Surinaamsehe T. monitor).

li 1

1

Volgons sommigen twoo soorton: Oowono luigedis (/gt;. stirpiuvi) on lovend barende Imgodis (/gt;. riri/iard).

-ocr page 183-

4. KiiobbolliagiHlis {llelodcrma). — M(!xikiiauscli(i IC. (.1/, hnr-rld/is); hooft van vuren gogi\'oofdo taudou (§ lil7) on zijn beet is vergiftig.

5. Amoiva (Ameica) — Suiinaamsehc A. (.1. valyaris).

6. Draak (Draco). — Yliogcnclo liagodis, Gmeno draak (I). viridin), op do Sunda-cilaiuloii •, (icvlcktc, 1). (lgt;, Jhnhvinhis), op Java en Sumatra.

7. Lcgooaan, ICainliagodis ([ijiiiiiki). — Gcwoik! logooaan. (/. deiicatisshna of tubcroulatn),

lgt;. 1 )iktlt;iiigig(\'ii (I\'dihi/f/tossiJ.

8. iSterliagodiM (Slclllo), — f}o,w()no S. \'(S. rulijuris), Gi iokun-laiul, Syrië, Egypte.

9. Againa (Ayaiua). — Kaapstdio slrkflliagodis (.1. oyhicn/aris).

10. Gecku (I\'/nli/flarli/hix). —- Grt\'vl\'1 ktr ïndisolui gcoko (/gt;. yul-tatus),

c. Slingcrtongigcn (SpniuloiiotflQssi).

11. Kamoleon {(Hiamac.lc.oii). ■—- Gewone kameleon valija-ris), in Sicilië, Spanje en Noord-Afrika ; K. van 15onrljoii (C/i. bijidus). Mekend zijn de kleni\'voranderingon der kameleons.

d. Ivorttongigon fHrachi/jjlossi).

12. Gordelliagodis (Pseudopun). I )c Knssiselio (i. of SebeK-opnsik (l\'x. 1\'allaKii), Sleebis 2 zeer korto acliferpoocen.

12. Skink CScinlt;ms). (iewone, skink (S. (ifjiclnalin). X. Afrika; Javaunsehc S. (S, scrjxuis).

14. I woopoot (H\'jh\'h), /nid-A frikaansebe T. (li. wirjn\'ninia). Sloelits twee stoinpvormige, van twee ongelijke kei te teeiu\'n voorziene aebterpootjes.

lo. Hazelwortn (Annum). — Gewone. II. j- (.1. /\'ra(/ilis), zonder poolen.

16. Twockopbagcdi» (Amp/n\'shaena). — Witte \'1\'. van Guyana (.1. alba), Qcciio pooton.

17. Rlughagiulis (C/nrofc.s). — AFoxikuansclu; U. (67/. candllcn-lalus), mot twoo korte voorpootje,» dicht {ichtcr den kop.

De boido Ijiatsli^ gcyladitcn wordon ook wol tot do, slangen gebracht.

§ 1 (.\'7. Derde orde. Slangen {Ophidii, Serpent es). Ken lang, rol rond lichaam. romp is 40 tot 100 malen langC3r dan breed en

-ocr page 184-

loopt van ju\'lifnvn onyovrÜ^, zonder oonigo iiisnoorin^, in oon mcor of minder 1 .•inilt;e:i stam-t uit. lli\'l be^iu van den st.iart is dus alhicn (Ijniraan I ■ ondei kennen, dat liij /ieli nehter de aars-spltM\'t hervindt. !gt;• sliinueu li(d)l)en vonrls ^eene po fen, ofsehoon l)ij r»oa; Pytlnm, 1\'lt;i\\ x en daaiincde verwante, in (]lt; volgende §

1\'iiv. 111.

niet- op{?«iiOcin(lo. j;«Hliichton, sporn:i van ccu bckkon on van omlcr «Ie Imiil vlt; rhoi\'ii\'cn a.eliterpootji\'^ aiitnve/ig zijn. tevwijl Iwi\'c 1111-gcltjos in rlcn vorm vin flt;|ioivn iiitwoniIiLT zijn to zien. GoonC oog-li\'ilcn. Oi\'i\'m\', tTomnii\'llioltr. Iv\'iio limge in tweeën ;;e^|ileteii tong, dip. nil- on iiigctrokkon wordon, Eene met srlnililicii liedckto liuiil : ,\'|)itac., naur nelitoren gerielito landen in de kaken én liet f^olieinclfo. De Iquot;Me helften der ondovkaak in liet midden van olkamiei- geselieidon; dit, mot de Itowo.\'gliiuirlM.\'id vim eenige beenderen dor liovoiikaak en liet aanwezen van een tepolboen (S 180), lieei\'t ten gevolge . dat do slangen dieren kunnen doorzwelgen . dio men op \'t eerste geziekt daartoe veel te groot zou aelitri:.

Do ulangen\' verwisselen Jaarlijks eenige malen van opjierbuid. Zij bewogen ziel: kruipende, en lieliniveii zicdi daarbij duur de beweging bnnner talrijke, niet aan een bi)i;dbocn beveBtigdo ribben

ent van eene tweede.

ovr den grond voort. Het aantal der \\vervell»\'Tnderen bedraagt van omstreeks 100 tot meer dan 100, Aan al die wor-wels /ijn rihben «relnudit, behalve aan de .\'J dl\' eerste. lialswervidlt; en de staartwer-vels. - Voorts bezitten de. slangen sloelits

loil^, soms mei liet

-ocr page 185-

Do meeste sliiiigeii leven oji het huid. enkele hi het «-ater. Zij leven van dierlijk voedsel cu nemen ineesl eene zeer groote hoc-veeilicid daarvan tot /ieh. Oaai-ua kunnen zij dan nek weken hu /.under voedsel blijven. De shin.^en hewoneii in het ^\'i\'iMdste aantal de «imne streken der narde. In die stroken houden zij gedurende hol; di\'oogc ju argot ij do een zoinorshiaji; de slangen ilor kniidero hieldstrokeu huilden oen winterslaaj).

Vele slangen zijn vergiftig. Deze bezitten in de bovenknak aan weerszijde oen langen en hiiiikvnrniig gobogon land (lig. I Ui//) die veel grooter dan do overige tandon ia, m (jiflktml oï tjifllmal: iioeind wordt. Ooül\' den giiftand lnigt;|it oen kanaal, dat zieh dielit

aan lt;1lt;! Hjnt.s op de bolle voor-/ij\'le met ecu iijac oj^KMit.

Bij cenige soorten geen kanaal, maar enkel ee.ne groeve of gleuf aan den tand aanwezig. Onder de wangen bevindt zieh eene klier, de yijdchcr e/ (op de li-giuir rnoe^f de lijn aan deze lettor eens zoo ver bonedenwaarts reiken) die, een vergiftig voeht atsclieiClt, en van welke, eene buis loojd in liet kanaal of de groeve van don gift tand, door welke Luis het giflvoeht bij liet bijten in het genoemde k;ii,;i:il of dr ;;,i\'(ie,ve., en daarlt;lourheen in de wond dringt Uij de niet vergitti.u\'e slangen is de boveiik;i;ik vrij lang. bij de gleiittandi^eu korter, bij «Ir kanaaltandigen zeer kort.

Wij verdoelen de slangen in: 1. Niet ven-giftige of gaaftandige, 2. verdachte, of groeftandige en vergiftige, of gi ft tand ige slangen.

§ IDS. (iesin i\'liten en sooi\'ten.

I. Niet vergiftige, gaaftandige (J///;//gt;//o

1. llagi\'disslang . VVormvorniige 11. (/\'. hnJ.n-

(\'((li-:), (iriekenland en Jvlcin-Azi(3. 15ij deze en eeni.-e nndei\'c gDsljnditen {(\'allt;inmi *\'! lortri. ) is de jnond-njiening klein en de nnii! kan niet worden verwijd (§ 11)7). Men noemt ze, daarom Klein- of X.uiwmondigen {Slrmjsldu,/ i , in tegfimveisl ciling /au al de overige slangen , die linn muil kunnen verwijden, en daarom Wijdmondigen (l\\i\'ry.sloi/u) worden genoemd.

-ocr page 186-

2. Woelboa (l\'lryx), — Gowone W., jaculus). Griekenland, Egypte, Syrië.

y.lSoa (Hou). — Reuzenslang. Boa (II. constrictor)-, Geringde li. (/lt;\'. (ihouia, chciichrls); Waterboa, Anaconda (/i. iiiiirnia ot\' IIiiiiectcs iiiiiriims), de grootste van alle boa\'s. Alle drie in Zuid-Amerika.

1. Python (Vijllioii). — Javaansclu\' 1\'., Oelar sawa, Kijstslang (/\'. bivitlaliis) even groot als de Waterboa, t. w. 7 tot 8 meters lang.

Wratslang (Acrochordus), — Javaansehe W. (^1. jauauicus).

li. liladslang (IIokIkiii/iIs). — Surinaamselie en Kaapsclie \\V. (/gt;. ahacliilla en coliihrluus).

7. Laudslang (Eluithis). - Slang van Aesculaiiius of hd/cr Acsciilapii).

K. (Jlaiisslang ((Jorundlu). - Glansslang. — Gladde slang f (C.

■, Surinaamsehe G. (C. cobcUa),

!). /wemslang (rropldonotim). — Kingslang, Kraagslang, Heiaal. f ( /\'. of Coluber mttrix of Xntrix lorqnala).

Vrer(lai iit(Mi, (jleuftandigen ((llijidioduiih s).

1. Zanilslang (l\'mniuiKqil\'ii). Zuid-Euroiiecseli(! /. (I\'s.

eert! nuti),

2. Ilcrjutton (IhrpctonJ. — Gespriete II. (//. tfntaculalion) in Achter-lndië, Sumatra enz. Leeft in zoetwater en voedt zich met waterplanten.

3. Takslang (lliyisas). — Javaansehe en Sumatrasche \'I, (P. di\'.ndrophlla).

Vergiftigen, Gift- of Kanaaltandlgen (Toxodontcs).

I, Ellips (l\'Uaps). — Surinaamsclie E. (K. surhiaiiiciisis cn loii-iiixcatas) •, Sundaache E. (IC. furculasj.

Hungarns (llunyarus). — Javaansehe li. (II, annularis).

:i. Urilslang (XaJaJ. — Indische lirilslang, Naja, Cobra de eapello (7\'. tri/judlans) ■, Egyptische 15. fA\'. haje.J\\ Kaapschc I!., Koperkapel, eene Nederlandsehe verbastering van het l\'ortugccsch Cobra de eapello -V. nircu).

1. Zeeslang (llijiliaphis). — Gewone /., (//. pdamis) in den Iiulisehon Oceaan.

5. Adder (VipcraJ, — Gewone Adder f (V. of I\'cllas hcrus), bij ons vooral in Drenthe; Zand-Addcr (V. amniodi/tts), in Zuid-oostelijk Kmopa; Ziiilt;l-lMiroiieesche Adder (\\\'. cis/iis)-,

-ocr page 187-

Gekroonde adder ( )\'. ccrdxtcs) in Egypte en Arabic; ICiui])-selie Pof-addcr ( I\'. ((rlctaiis)

tS. Ratelslang (CrolahtsJ, ■—- It. van Ura/.ilië en Guyana (C.

Iioriidiin)-, Noord-Amcrikaanselio K. (C. (luri.siiiisj,

7. Lachosis (Lachcsia), Snriiiaamsclie I,., lioschmcostcr (/..

inn lus).

§ 199. Vierde onlo. IvikvuiHcliachtigc dieren (llatiiic/iil). Ilct lichaam velschillend van gedaante; plat, kort en zonder staart (de kiltVorsehcn en padden), of langwerpig, hagedisachtig, en meteen staart (de salamanders). Kenc naakte (niet met schilden ofschuh-

Ikmi bek Ir ede), veelal glibberige of wnilt;tiglt;! linicl. I)lt;\' eigenlijke kikvorscben en de Kaajiselic Pijia licbbcn aihron taiiddn in de bovenkaak; de padden er do Ainerikaanselic l\'ipa liebben in \'t heel geene tanden. I)»1 salamanders en blindslangen daarentog\'cn lirldxMi beidlt;\' kaken on bot gclionicltc met sober po tandjcis bezet. Verre de mr^oston bezitten vier pootcn , — enkelen (»SV/r//

sleclifs Iwee voorpoolen, eenige (de Caeeilia\'s) in \'f gebed genie

-ocr page 188-

170

pootim. Hut go,till diu- tccneii is nuHgt;st:il vii\'r aan de voor- 011 vijl lum do iKhtei\'jMKjtün. Do, toonon br/ittcn, mot ih-u lgt;aai\' uit/ondc-riiigoii, goonc iiagolri.

1 lot punt, waarin zich eolitor do kikvorsohaoliti^o, (lieren vooral van do overige kruijiendc dioron omleiselioidon, bestaat hierin, dal de uil de eieren gekomen jongen (nulskers, larven, in hot IVanseli li\'lardi) eene audero gedaiviite bezitten dan de ouden, — duur kiomven ade-mon, - uilsluitend iu het water leven, - en eerst eene gedaantoverw isscsling moeteu ondergaan, vóór zij gelijk worden aan de ouden. Igt;e gedaantevei wi-selin;.;\' van den kikvmsrh iml de pad kan ons hier tol vo..rheeld dienen. Fig. 11 8 lt;■ vertoont ons een

Fig. 118.

d

()iit\\\\ ikkcliiiK van den kikvorsi li.

«. ku\'iQ in liet «1: 1gt;. kiem, uit lui « i K\'-nom\'-n: c. maskir nut puiiiuvca-migo kitu-wm; d. een virthr ontwikkeld m;i.-k« r, op \'/i.jdc g«zi«n ; de nitWiiidi^r kit\'.uw «n zijn verdvvriKMi ; •. ma.-ki-r m«\'l .iilwikktddt; nchltrpdoton: /.jonge kikvuivst-li, dio nog (fji ovt\'iblijf^fd van « • n staart bt/it.

masker in het eerste ontwikkolingstijdperk; het bezit een zijdelings platten, van een vlie/.igen zoom omgeven gt;1 aart, waarmede hel /.weint, — geene pooten , en uitwendig aan den kop iduinivorniige kieuwen. Deze laalsle verdwijnen weldia en het masker d ademt nu door iiiwciidiije kieuwen, even als een viseli. Na eenigen tijd begiuneu y.ieh de aehter-jiiiiiten te verlooiKtii vervolgens ook do voorpooten. Inmiddels

heeft liet lijf liingzamerhaiid de eigenaardige kikvorsehgedaante ver-kregnn , doch de staan bestaat nog. Doeh van lieverlede krimpt deze in en \\erd\\vijut eindelijk (J). (JiHlnreiide dezen buitsten lijd hebben zieh ook de longen ontwikkeld; eene korte poos ademen de jonge kikvorsebjes door longen en kieuwen te gelijk; doeh, eindelijk verdwijnen de laatstcn geheel.

-ocr page 189-

177

Eon dorgclijkou ontwikkelingsgang volgen ook du inaskors dor ovcrigo dioren dezer orde, — doch met ccnig voischil. Zoo vur-toonon zii h l)ij de siilamandcrs de voorpooten het eerst en dutiriui do achteij)Ootcn, terwijl de staart niet inkrimpt, maar blijft bestaan. Bij oeiiigen blijven godiuende het geheclc leven kieuwen wel ile. lomjca bestaan; zie § 200.

(jelijk reeds in § 185 is opgemerkt, bezitten do dieren dezer orde, even als de zoogdieren, twee aehterlioofdsknokkels. De on-gestaartc kikvorsehaehtige dieren (kikvorselien en padden) hebben geene ribben, maar toeli een groot borstbeen, dat door twee paar sleutelbeenderen mot het schouderblad samenhangt. Do salaman-deia daarentegen hebben ribben. De kikvorsebon en paddon lieli-ben gewoonlijk sleehts 10 wervelbeenderen, do Bahimamlors daarentegen een zeer groot aantal.

De kikvorseiiaehtige dieren zijn meestal amphibiën (§ 185). /ij voeden zieh met dierlijk voedsel, en loggen eieren, die in een slijmig vlies besloten liggen, dat veelal bundels of lange snoeren vormt.

Voor zoover het uitwendig aanzien betreft, zijn do kikvorseiiaehtige dieren als ware het eene herhaling van de drie vorige orden. Het platte, breede, korte liehaam dor kikvorselien en paddon en htm tandelooze mond herinneren aan lt;Ie schildpadden, wier Xoderlandscho naam deze overeenkomst reeds aandnidt; de, salamanders gelijken zeer op hagedissen; en do caecilia\'s of rim-polslangcn, met hun lang, blangaehtig lichaam zonder pooten, vertoonen geheel den vorm der slangen.

Sommige natnurkonners scheiden de kikvorseiiaehtige dieren van dc overige kruipende dieren af en maken er eene afzonderlijke klasse van, die der Amphibiën. Hiervoor bestaat cebter geen genoegzame grond. .Meer grond is er voor eene verdeeling dezer orde, in drie orden, overeenkomende mei de drie afdecliugen in do volgende g.

§ 2U0. Geslachten en soorten.

I. Ongestaarte kikvorseiiaehtige dieren (llci/mc/iii anuri). Kigen-lijke vorsehen.

A. 1 \'ipas\'s {Vipanformen). (Joon tong.

I. I\'ipa (Pijju). —- Surinaamsehe 1\'. (Z3. doi-.iii/o\'a). De oieron komen uit en de, jongen doorleven hun maskerloestand binnen holten, die zieh in de rugliuid van het inamietje vormen.

12

-ocr page 190-

178

•J. Q-enagiildo 1\'ipii (iMclylKtlira). — Kaapschc J\'. (D. ca-pcnSj, mot nageltjes aan de: drie biuuontoonou dcr acditcrvocton.

1Ï. Kikvorschcu {Uaiuifforiiirti), Km tong. i andeu in ilt\' bovenkaak. Spitse teeneii.

ii. Kikvoracli {It.tun)- — Groene Wateikikvoïsch t O1- ««quot; cu/cnla)-, Landkikvovsch f (U. leitiporariii); Loeiende K., Stlei\'kikvorscli f (li. muyms) , Noord-Ainerika.

4. Vuuvkikvorseli, Vuurpad {Boinbiii(Uor). — Gewone V. f (IS. Itjneus),

5. Kikvorochpad (Atyfc»).— Zuid-Knropeesehe K. (A. obsfe-Iricans),

(i. liasterd-kikvlt;)rslt;\'li Cl\'xciulis). — Suiinaamselie 15. (J\'c. Mf-ri\'inim , Jiana [/((rittlo.ra). liet masker is vtud grooter dan liet volkomen dier en bezit een grooten op dien van een viscli gelijkenden staart.

(\'. Hooinkikvorscheii (Ili/laifoniics), Ken tong. landen in de bovenkaak. gt;SeliijtVormige uitbreidingen aan do vingerspitsen.

7. ISoomkikvoi\'seh (Ifylu). — Gewone I!, f (If. vindm of ar/joreo). Conui (II- of Ih/lodci martniiccnuia). Op Mar-tiniijue. Do larven van dit laatste dier bezitten geen kieuwen of kieuwopeningcn en doorleven den ganscheu larvontoestand in liet ei.

|). l\'adden (lltifoitij\'ornns), ICen tong. Geheel geene tanden.

8. 1\'ad (lliffo). — Gewone, grauwe 1\'. f (\'\'• vulyuris, ci-nr.niis). Groene 1\'. t (quot;■ of Ctilamila viridis).

9. Neiisho(irn|,iad (Ithinud\'i\'iiKi). — Darwin\'s X. {Uh. Dar-wiuii) , t\'hili. *)]) den snuit een hoornvorinig uitsteeksel.

11. Gestaarte kikvorseliaehtige dieren (Halrachii uroddi) Salamanders.

A. Sahunaiulers (Sdlanutiulrida), In volwassen staat alleen longen.

10. I .andsalamander (Salumandrn). —- Gevlekte S. f (S. )iilt;irii.Uil(i)\\ .\\l|i(ui-Salamaiider (iS. a/va). De laatste doorloopt alle inetamorpbosen in liet lieliaam der moeder.

I 1. W\'at.\'iHalamander (Ti-ilon). Gewone W. f (7, ir/xlu-//■ ; Kiriin\' \\V ■{\' (/\', laviilaluN of jnmrlatiift).

-ocr page 191-

179

12. StompsiiuitsiilamaiRlcr (AmhhjsUma). N. Aincrik. S, (A. muvovthm). Moeren vim Mexico

13. Nugclsaliimimder {Oni/cliodachjlus). — X. van Sclilogd {(). Schlcyelü), Japan. Schcrpo nageltjes.

11. Uenzcnsalamandor (Megalobatraekus, Cnjptohraiichns). — Jiipansclic K. (JA. maximiis, C. JajJom\'cusJ. 15. Kieuwdragenden (1\'crainlhmnohlata). ISlijvendo kicuwou of kiouwsploten.

Ij). Kiemvsalamandcr (Jlcnopoma), — N\'oord-Amerikafinsclic Koiizonsalainandiïr (M. allcfjlu/ii!ci/s/s). (jclijkt op Cryp-tobraiichus, doch belioudt th; uitwomligc kicuwoii tevens met dc longen.

1 Ken zoor opmorkolijk dior, — do Kiouwsjilaniandor of Axolotl, uit Mexico on a/ingronzomlo streken , ge lij kon do lt;gt;|gt; oen zeer groot kilcvorsch-niaskor mot mede, zeer grooto uitwemligo kiouwen en vier volkoinou out-uikkolde pooten, dat gevangen en als visch ^(\'geten wordt werd tot dusver mot oonigo andere in Mexico on N.-Amerika voorkomendo gelijkvormige dieren tot een geslacht Sireclon v(iroenigd. Later is echter ge-1)1 eken dat Siredon lichcnoi\'le.H, uil; het. meer Wyoming in N. Amerikn, niets anders is dan de larve van Anihli/afoDLa indvortiuvi. Naar alle waar-schijnlijklieid geldt zoo iets ook voor de andere hicMiwsnlainatider.s of Axolotis. Opmerkelijk is hot intusschen dat deze larven zich voortplan-ten, evenals do volkomene dieren.

-ocr page 192-

180

1 () Proteus (l\'rofitus). — Olm (/gt;. anyu//teas), in oudoraard-scho watereu in Karinthië. Blind. Blijvende nitwendige kienwen.

17. Aalsjihimander (. 1 mpJiiii/na), — Drictcenige A. (.1. tvlt;-ddi-Aylmn), zuiden van X.-Amerika. Green blijvende uitwendige, maar inwendige kieuwen.

18. Sirene (Siren). — Hagedisaehtige S. (S, lacertina), zuiden van N.-Amerika. Blijvende uitwendige kieuwen.

11). Htduibsirene (Lcju\'dosinn). — AtVikaanseln\' S. (/.. an-v cc lens), fuwendige kieuwen 1.

111. Blind.slangen (Ojtl/loinorpha),

1. Slangsalainander, liimpelslang (Cacc/l/a), — (ioringde rim-judslang ((\'. anunlata,), Zuid-Amerika •, Gesprieten K. {(*. Icnfaculdla) y kust van (riiinea; Wormachtige II., (C. hnn-hricoidcs), in Suriname; Kleverige li. (C. (jlafiiiosa), O]) Java.

IV. KLASSE.

Vitischcn,

§ 201. Visschen (/\'Ïscjis) zijn gewervelde dieren, die door kieuwen ademhalen, die rood koud bloed bezitten, wier hart een boezem en ééne kamer bezit, die in het water leven en meest allen eierli\'ggend zijn. De ledematen bezitten bij hen den vorm van vinnen, met welke zij zieh in het water voortbewegen. De huid van meest alle vissehen is met. sehubben bedekt.

§ •J02. liet geraamte der vissehen , dat lt;\'gt;t Ixienig «M geheel ot groot en de els kraakbeenig is\', wijkt zeer af van dat der dieren van de reeds beschreven drie klassen. Ik zal hier slechts enkele der meest belangrijke eigenaardigheden opgeven.

De kop der vissehen bestaat uit meer beenderen dan die der overige gewervelde dieren. Wij zullen ons hier niet begeven iu de

1

l)it dior wordt ook wol tot do vissehen gebracht, ou vormt dan eeno at-/.uiidorlijke afdeeliii^\', di(! der vi.sschon niet longen en kieuwen {PIscch dipnoi).

\' Hierop he.rust eeno iiideeling der vissehen in Heenvissclien (l\'iffces nssri, frlcsfri) en K raakboenvissciien (1*. carlildyinci, chondroslci). Tol de? r.-rslen Ixdiooren onze 1 eerste orden en een gedeelte der O\'quot; (Aniia} I\'lt;gt;/i//i/ci\'iix Ii/nlos/\'iis- tot de laats ten lt;lo overige.

-ocr page 193-

181

inoeiclijko studio van al do/r IxmmkIitcii , cü vrnvijzrn naai\' nc-vonsgaaiido liguur 120, die ten minste een denkbeeld kan geven van de samenstelling des sehedels.

Kon oogeidilik moeten wij eeliter stilstaan hij don kiouwliogen-toestel. Do grondslag daarvan is liet van onder in de middellijn des lic-liaams gelegen laiigwcrpig tong-b eeii s 1 i e li a am of kop p elb e en.

Daaraan is van voren liet kleine tong-beontje, gelieeht, dat den wortel der tong steunt. Aan elke zijde van liot koppel-beeu vorlieffon zieh in den regel vijt-beenige of kraakbeenige bogen. Do beide voorste dier bogen zijn merkelijk groo-ter en dikker dan do volgende vier pareu; aan hen zijn bevestigd eonigo jdatte en sikkelvormige graten, die bonoden-en aehterwaarts nitsteken en kieuw-stralen (radii brmtvMoskyi) boeten. Dc^ vier daarop volgende bogcuparem zijn de kicuwbogen ; aan bun aohtorrand zijn do kieuwblaadjes (S \'JOl) in dubbele rijen vastgebeebt.

De meeste vissollen Indiben ter wcors-

SchcrtOl van immi Kabeljauw ,

van boven.

\\ achl(\'ih(tolquot;(l.sblt;,i ti, 1\'. 15 wand vlak Jiclitci\' (Idi koj) (\'(\'lie wijde

beendoron; C (gt;\' C bovon-voor- . . .

boofdHbciondcren; 1 neusbeen; kieuwspleet. Die spleet kan gesloten I) 1) voorste, voorboofdsheende- ■, . . , •

ren; F i\'achf.-rsie vooihoof.is- worclon door een vlies, (lat tussen en de

KE , gonoomde k i e u w s t r a 1 lt;• n is uit-

oognolttin; a.o bijacliter- ^

hoofdHbccnderen. gespannen, en k i e u w d e k s e 1 v 1 i e s

(membrand hrcuichlosfcj/a) heet,-— masir bovendien nog door eene reeks van vier platte beenstukken, lt;lie niet beenderen van den kop geleed zijn, en te samen liet kieuwdeksel (ojji-rch/m) uitmaken

b

lgt;ij de, liaaicn en roggen is de inrieliting in sommige ojizicliten anders. Terwijl bij de, meeste visschen de kieuwen met liare, uiteinden vrij in de enkelvoudige, kieuwholte liangen, zijn die uiteinden bij de haaien en roggen met de huid vergroeid, waarvan

1 Do versehiilondo stukkon dragen do namon van vóórkiouivdeksnl (pracopcrculmn), kiouwde-ksel (opcvciilam), onderkiouwdelvsel (mihopcrcu-lam) en tnssciienkieiiwlt;iekgt;el (inlcroperculum).

-ocr page 194-

182

liet gevolg is, dat or even zoovclo kicuwholtou zijn, als or zioli niiinton tusschon olko two.o kicinvbogcn bevindon, — met andovo woorden, dat olko kiouvvlioltn door tnssclionsohotton (do kiomven) in oonige afy.ondorlijko holton verdoold i.-gt;. loder dior kiomvliolton heoft dan ook 0011« kionwsploot, die evonwol goon kiouwdeksol bezit. Hij doze vissollen bevinden zirli ook de kiouwspleton wat vorder achterwaarts dan bij de overigen. — Bij do alen hebben do kieuwopeningon den vorm van kleine gaten; liij eenigon (do Modderaal) ligt aan do kool slechts één grootor kionwgat.

Do moeste visschen hobbon tanden, meestal s|ii(s kegelvormig, maar ook wol plat, driohookig en puntig. Zij bezitten goon wortels, maar zijn op hot boen, dat haar draagt, vastgohoebt. Do tanden kunnen op alle beondoren van de mondholte voorkomen: (i)i do kaken, do tnssohenkaak, hot vorhemolteboon, het ploogboon enz. Bij eenigo visschon vindt men ook nog jilatte tanden of tandplaten, die. tot vermaling van bard voedsel, I). v. schelpdieren, dienen.

De licliamon dor wervelbocnderen zijn evlindor- of zandloopor-vonnig; limine bovenste 011 onderste (of voorste 011 achterste) oppervlakte is niet plat, zooals hij do overige gewervelde dieren, maar bekorvormig uitgehold; de holte die alzoo door het togen elkander liggen van twee wervelbeendorcn ontstaat . is met eene geleiachtige stof gevuld. Aan iedcren wervel ia een naar boven uitstekend doornwijs uitstooksol. (lat uit hot wei volliehaain ontspringt met twee wortels of beeiu-n, tilsseben welke eene opening blijft. Al die openingen vormen te samen oen kamuil, waarin het rilggomorg ligt; de wand van dat kanaal i.s tussehen elke twee wervels afgebroken. Do staartwervels bezitten bovendien ook van onderen doorn wijze uitsteeksels met dubbele wortels, die een kanaal vormen, waarin slagaderen liggen. Rij sommige, visschen (de prikachtigo visschen) is geono eigenlijke wervelkolom aanwezig, maar een ntj/ycslrcng, welke eene van den kop tot do punt dos staarts loopomb^ kraakbeenige koord is, die besloten ligt binnen eene vliezige schede, welke aan do, bovenzijde der koord een bekleedsel vormt voor het ruggemerg. — Overigens bezit elk wervelbeen twee dwarsche uitsteeksels. — Een eigenlijken hals bezitten de visschen niet, en de verbinding tussehen den kop en don eersten wervel komt overeen met die der wervels onderling.

-ocr page 195-

183

Dn moosto viaschen bezitten ribben, die; gcbccbt zijn aan do dwavsclic uitstocksels dor wcrvcilon, maar dio, oven als do ribbon dor slangen (§ 186 on 187) inot bare omlornto uitoindon vrij eindigen , daar de vissohon, ovonmin als do slangen, eon borstboon bozitten.

Do vinnon der viasobeu, dio bij bon do plaats van lodomateu of pootou bokleodon, verdoolt men in gepaardo on ongepaarde. 15ij een visch, die allo soorten van vimion bozit (want niet allo vissollen bezitten al de mi te nocmon vinnen), vindt uien do volgende ongepaarde vinnen: eoni! nii/ciu (fig. I ;M tt h), eeno staartcin («), en eeno aarsvin (i/); — alsmede deze gepaardo vinnen; twoc borslvinnan (f) die als voorste ledematen aan to, merken

zijn , en twee hiükvriiiicn. (/■) ilie do aobtorste lodo-inaten voorstel-lon. De vorm en de plaatsing dezer vinnen vorsoliillon nog al voel. De rugvin is soms dnbbel of (liiednbbel; zoo beeft b. v. de baars (tig. 4\'_\'1) oen dubbele of in tweeën gesplitste rugvin (^ on /gt;). Do buikvinnen zitten soms midden op den buik, zooals bij den karper, of zoor naar voren, aan do borst, zooals bij de baars,— soms zijn zij zelfs vóór de borstvinnen geplaatst (/:rr/~ vinnen) 1 — liij alle visschen is de staart in vertikale richting uit-

1

Hiervan oone verdeeling der vissollen in llniitvlnvissi lieii, liurslvin-vissebon , Koelviavi.ssclion on iiaikvinloDZO vissclion.

-ocr page 196-

181

gohrciil. Daardoor verschillen de viBaclien van dc walviseliaelit ige dieren, wier staart steeds horizontaal is. Bij do moeste visschen is dlt;^ staartvin aan hot einde van don staart geplaatst, en breidt zich daar, meer of min alrf oen waaier, symmetrisch zoowol naar

hoven als naar onderen uit (zio Fig. 122. ...

lig. 121). Maar bij eenigo andere visschen ligt de staartvin alleen of voornamelijk onder aan het einde van den staart (zie fig. 135, 13G). Den eersten vorm noemt men den homocercalen, den tweeden den hcctcrocercalcn staart.

Dc vinnen bestaan uit langwerpige hoentjes (vinslralcn) die in ceno rij achter elkander gelegen on door een vlies verhou den zijn. De rugvinstralen zijn door geledingen verbonden met de platte, priemvormige doornheentjen, die met hunne punten tusschen de doornuitsteeksels der wervelen liggen. Ook de aarsvinstralcn bezitten tusschondoorubeentjos , die tns-schen de onderste doornuitsteek-sels der staartwervelon liggen. De stralen der staartvin zijn gehecht aan ecne driehoekige been-]gt;laat aan het einde der wervelkolom.

Enkele visschen bezitten op den rng nog cone kleine re/vin die geene stralen bezit (zalmen en sommige vallen), alsmede do tweede rugvin der forellen, Do stralen der borstvinnen kunnen met vingers worden vergeleken, en zijn door geleding verbonden aan zekere onder de huid gelegene, aan den schedel (hij de haaien aan den ruggraat)

-ocr page 197-

185

vastgohcehlc booudoreu, die hot sclioudcrbliul en don arm vor-togonwoordigon. Igt;ij oidudcn zijn du buikvinnon mode giduu\'ht aan los in het vlccseh liggende bcenpktcu, die de verlegonwoortligors van bokkenheendeien zijn.

Ecnige vinstralon zijn geleed en buigzaam, andere ongeleed on stijf. Op dit vorsohil kom ik later terug.

Bi\'halve de reeds vermelde beondoren vindt men bij de meeste boenvisscdion nog dunne, min of meer op ribben gelijkende beentjes, die vrij tusschen do spieren liggen, ........ iwc.n (jratm lieot,

Zij zijn niet anders dan verbeende pezen.

§ quot;20\'i, Met dnrmkamial dor visschon is over \'t gebod kort; do aarsopening ligt vóór do aarsvin, soms zeer ver naar voren, bij de keelvinvisschcn en buikvinloozo vissehen zoli\'s onder de kool. Al wat aebter doze opening ligt, wordt : taart genoemd. De nrine-opening ligt achter de aarsopening. iMgonlijke speokselklioren ont-brekon; do, lever is daarontegeu zeer groot en vet. — Verre lt;lr ineest(! vigsehon loven van dierlijk voedsol: andere vissehen , wormen, weekdieren, t^nz. Eonige gebruiken eehter plantaardig voedsel, zooals do Karper, sommige Zeebrasems enz.

Sommige visaehon h(d)b(!n in den buikwand twee openingen (pori al/(lonilnali\'s),h,\\. «\'enige Ganoiden, Zalmen, Alen, Haaien enz. AmphioxHs (§ SjJ.\'i) heeft een onkelen pornn abdomiua lis.

§ \'JO\'I. liet hart dor vissollen is kli\'in; bet ligt ondor do koel tuaseben do kiouwbogen. Het bezit slechts twee holten, een boezem en eone. kamer. Het (zie tig. 123) uit alle doelen dos lichaams terugkeerend aderlijke bloed komt uit de aderen d in don boezem c en daaruit in de kamer /gt;; nit deze kamer wordt hot door do kiemvslagader (slagader-stoel, trnnens arferiomis, eone steelvorniige verlenging van de kamer) gevoerd in de haarvaten der kiouwon lt;i, waaruit het als slagaderlijk bloed door de kienwaderen stroomt in de grooto slagader, eon onder de ruggegraat gelegen stam, die do slagaderlijke holft van hot hart vertegonwoordigt, waaruit het gevoerd wordt naar do kleinere slagaderen c en de liaiirvaton

-ocr page 198-

181!

der Ik\'liiiiunsdcclen ƒ. Du adoi\'i^ii vciimulc.u zicli Int con adcrstam , lt;li(! het bloed naiir liet hnrt terugvoert. Er is dus Uier slcchts één liloedsomloop (§ \'gt;\\). — Het bloed is rood , bolialve bij Amphioxus.

§ l\'O.V, Om te ademen ou bet bloed van nieuwe zuurstof to voorzien, hebben de vissebcn, evenals de andere dieren, lucht noodig. In het water nu is steeds lucht vervat en bet is deze lucht, welke verre do meeste, vissehon alleen imulcmen. De adein-h.dingswerktiiigeu der viistdien ziju d(^ tcinnweii-, dubbele rijen huigwei pige, driehoekige plaatjes op den lutweudigen rand van eiken kicuwboog. Do holte, waarin deze toestel ligt, heeft naar buiten een uitgang door eeno spleet, die achter aan den kop van den nek naar de keel loopt; deze spleet, de l-icHirspket, wordt van onderen gesloten door liet kicjiwvlics, maar van voren bedekt door de kieuwdcksels (g :?()2) die bij den eersten den bosten viscll gemakkelijk te vinden zijn. Hij het oplichten der kieuwdeksels /iet men de kieuwen in dc kieuwbolte liggen.

Hij bet ademhalen nu wordt, het water door den mond opgenomen , loopt, tusschen de kiouwbogen door, en stroomt door de, kieuwopeningen weer naar builen; op dien weg geeft de in het

water bevatte lucht zuurstof aan bet bloed iu do fijne bloedvaten der kieuwen af, en ontvangt daarvoor koolzuur uit hot bloed in de plaats.

Dat do vissehen buiten bet water niet lang leven , is bekend ; de kicuwplaatjes, niet langer door het water als ware liet zwevende gebonden, plakken op elkander, waardoor de bloedsomloop er in gestoord wordt. Eenige vissehen kunnen het langer buiten hot water uithouden ; bij deze heeft, zooals b.v. bij den karper, eeno sterke, afscheiding van slijm iu de, kieuwholte plaats, die bet op elkander plakken eu verdrogen der kieuwplaatjes verhindert, — of er zijn onder het kieuwdeksel cellen voorhanden, waarin water bewaard wordt, dat de kieuwen gestadig hevoclitigt. Zoo is het bij eenige vissehen, die uit bot water kruipen en zich met

-ocr page 199-

187

liuniK! borstvinnen op (llt;in grond voorflicnvo^cn (Pimtsorval, Vin-val), on hij do kliiiihaars uit Oost-lndië, dio, üegt men, zelf» op de hoornen klimt.

§ 2(H!. 15ij vele vissehon vindt men togen den niggogniat en hoven de ingewanden cene langwerpige l)!aiis , ilie óf g(die(\'l gesloten is, of\' door eene opening of oene huis gemeenseliap heeft niet den slokdarm of de maag. In die hi.-ias is Ineht hevat, t. w. zuurstof mot stikstof in verschillende uvenredigheden, met eenig koolznnr. .Men heet deze hlaas zu-cmblau*. \'/.ij is enkelvoudig of door ee.no insnoering in tweeën verdeeld, sums ook voorzien vau hlinde aanhangsels, lüj enkelen (Amid) is zij iu vakkon verdeeld. Dikwijls staat zij door een koten van kleine, hoentjes in varhand

mot hot gohoororgfuui. IIlt;\'t nut van dit orgaan, dat voor samm-tndvking on uitzotting vatbaar is, is gelegen in do wijziging van liot soortelijk gOAviclit dos lichaams on hot regelen dor drukking Oj) vorschillcndo diepten. Vele vissolion bezitten er geene.

§ 207. De huid der vissohon is, gelijk wij \\vetlt;Mi, geheel of grootondeols mot sohnhhen hodekt, ofschoon eiquot; ook eenigon zijn, die goon seliubben bezitten, zooals do Cvolostonnm on eonige Siluroïden. Van deze schubhon ondersohoidt men gewoonlijk viiir vormen: I. plaatsohubben ofj^rtccm/c-scliubboii: harde boenachtige

-ocr page 200-

188

plaatjes mot stekeltjes of knobbeltjes bedekt, of hardo, in de huid ills ware het ingebedde knobbeltjes, zoo als bij de haaien en roggen; glansscbubben of ^«/joirfc-schubben; grooterc of

kleiiieïc met glazunr bedekte, platen, die of dieht togen, of dak-panswijzo over (dkaar liggen, of slechts op de huid verspreid staan, zoo a!s bij den steur; .\'5. kringsehubben of cy/o/rfe-sehubbeii: dunne, meer hoornaehtige sehubben, die onder bet mikroskoo]) verseheidenc kringvormige strepen vertoonen; I. tandseliubbon of rA\'j^/iV/c-sehubben , welke aan den vrijen rand van fijne tandjes voorzien zijn. — Verre de meeste visseben bezitten of cycloïde of c te 11 o ï de-schubben.

IJ ij vele visseben loopt aan weerszijde van het liebaam ecno overlangsehe streep, de ïijdc.xh-ci\'p de schubben, die deze streep vormen, zijn doorboord en staan in verband met buisjes, waaruit een slijmerig voeht komt, dat zich over het gelioolo lichaam verspreidt, lüj aiuh re viaschen liggen die schubben over bet ge-heele liebaam verspreid.—■ Door sommigen wordt deze streep beschouwd als een zintuigelijk orgaan, daar een aantal zenuwen met eigenaardige eiudtoestcllen er in uitloopen.

§ \'208, liet zenuwstelsel der viss(dien bestaat uit hersenen, waarvan de achter elkander gelegene afdeelingen (groote, midden- en kleine hersenen) duidelijk zijn te onderscheiden, — een rugge-merg,—-en zenuwen.— liet gevoel der beschnbde huid kan natuurlijk weinig ontwikkeld zijn. De lippen en do van deze niet zelden afhangende, baarddraden zijn te vergelijken mot de Iast-organen der reeds beschreven dieren. — Smaak eu reuk schijnen almede niet scherp te zijn. Do enkele of dubbele neusholte heeft in den regel geene gemeonscbap met de mondholte.—De oogbol der visseben is weinig bewegelijk en van voren plat, do lens daarentegen volkomen bolvormig, zoodat door deze alleen de breking der lichtstralen plaats heeft. Ijl het oog vindt men oen sikkelvormig verlengsel, dat van de gezichtszenuw door het glas-vocht naar voren [oopt (l\'j\'oceftuKs fulGiformts), doch waarvan het nut onbekend is. Oogleden ontbreken moestal, behalve bij de haaien.

Het gehoor schijnt tamelijk scherp te zijn; uitwendige ooren ontbreken altijd,— liet instinkt der visseben is niet bijzonder groot.

§ ÜO1.). De spieren der visschon zijn gewoonlijk, zoo als bekend is, wit van kleur en los van weefsel. Do zijden worden bedekt door eone groote, door zoogenaamde tusschenspierbanden (liijameiita

-ocr page 201-

189

!utcriiiusciduria) in bliulen afgodoyldo spicrlaag, wamdoor hi;! lichaiim linka of rechts gebogen wordt. — L)o voorwaartscho beweging ia liet watca- gcschicdt vooniainelijk tcji gevolge der /ijdelingseln; bewegingen van den staart, op dezelfde wij/.e als eene boot met één roeiriem aan den achtersteven wordt voorlyeuirikt. De bnik- en borstvinnen dienen hoofdzakelijk Ier bewaring van het evenwieht. Vele vissehen kunnen vrij hoog uit het water opsjiringen. lüj enkele van deze zijn de borstvinnen zóó groot, ilat zij den viseli, wanneer bij nit bet water ojigesprongen i.s, (Uüiigen lijil in de bieht kunnen ophouden en dragen; dit is het geval bij de zoogenaamde vliegende vissehen. Dat eenige vissehen zieh ook i)]i het droge kunnen voortbewegen, bob ik met een woord gemeld, en dat de aal vaak uit het water kruipt is bekend, — De. spierkraeht der vissehen is zeer groot. Sotmnigc, zooals de Zalm, kunnen 12 ii 1*1 voet hoog uit het water opspringen.

§ 210. .Sommige, vissehen ontwikkelen elektriciteit en geven aan de dieren of do mensehen, die hen aanraken, sterke schokken. Pot deze bchooren de Sidderroggen, de Sidderaal en de Sidderval.

Het elektrisch orgaan van de sidderrog ligt vooraan het liehaarn onder de huid , tussehen den kop en de. kieuwen aan weerszijde, en bestaat uit dicht tegen elkander liggende prisinntisehe zuiltjes (wier boveneinde in tig. 120 ziehtliitar zijn), waarvan elke weer bestaat uit opeengestapelde prismatisehe eellen, die een bindweefselwand en een gelei-achtigen inhoud bezitten. In de wanden der prisma\'s verspreiden zieh talrijke zemrwtakjes. lüj de andere elektrische vissehen is de inrichting wel anders, maar hij allen vindt men met deze cellen overeenstemmende deelen. lüj den sidderaal liggen de elektrische organen in het staartgedeelte, - bij den sidderval bek leed en zij onder de huid een groot deel des lichaams. Overigens bezitten de zoogenaamde „niet-elektrisehequot;, gewone roggen aan weerszijde, van den staart een overeenkomstig orgaan, dat de hron is van zwakke elektrische stroomen.

-ocr page 202-

190

Voorts /.oudiMi volgens ili^ nieuwste onderzoekingen de elektrische organen van de sidderrog en de sidderaal veranderde spieren, die van den sidderval veranderde en gewijzigde klieren zijn.

§ 211. De visselien venncnigvuldigen zich door eieren {luit). Het getal der eieren is zoo groot, dat de kuit van 6én viseli soms uit lionderddiiizend eitjes bestaat. De eitjes zijn veelal rond, bij de liaaien en roggen zijn zij veel grooter dan liij do andere visselien, en daarbij plat, vierhoekig en aan de vier hoeken van draadvormige aanhangsels voorzien. Men noemt deze; gewoonlijk haaien- en rdiii/cii/ufc/ijcs. ISij eenige visselien ontwik kelen zich de eieren in het lichaam der moedor. lüj de nit hot ei gekomen jonge visehjes is het lijf en de staart omgeven van een dunne hnidzooin , die van den knp over den rug, het shiarteind eu onder den buik weer naar voren loopt. Van dien huiilzooin kunnen de ongepaarde vinnen (lig. l^\'l) als de overblijfselen werden beschouwd.

Knkele visselien, zoo als de stekelbaars, houwen een soort van nesten en bewaken de eieren en de jongen met groote zorg. lüj de meeste visselien eehter bespeurt men van zoo iefs niets.

Vele zeevissehen versehijnen op zekere tijden iles jnars in groote scholen o|i ondiepe plaatsen en nabij hef strand. Zij verlaten dan de diepte del\' zee om op de genoemde plaatsen hunne kuit neder te leggen. Later trekken zij weer in de diepe zee terug. Men beeft het er vroeger voor gehouden dat dit versehijnen en verdwijnen hef gevolg was van groote tochten, die deze visscben (de haringen b. v.) op zekere tijden zouden ondernemen. Het is thans echter genoegzaam uitgemaakt, dat do tochten dier zoogenaamde trek-visschen zich bepalen tof het verwisselen der diepe zee mot de ondiepe en omgekeerd.

Sommige visselien, die overigens in zee leven, zoo als de zalm, zwemmen de rivieren op, om hunne eieren to loggen.

§ \'2\\2. Het water is, gelijk elk weet, de woonplaats der visselien: men verdeelt deze in zoutwatervissehen of zeevissehen en zoet wat ervisschen. Het aantal der soorten, die de zee bewonen, is veel grooter dan dat der zoetwatervissehen. De waarschijnlijke verhouding weidt opgegeven als 3 tot 1. — In don regel sterven de zoetwatervissehen wanneer zij in zeewater, en de zeevissehen wanneer zij in zoetwater worden overgebracht. Hierop zijn echter uitzonderingen, zooals de zalm, de steur (§ 210) enz., alsmede

-ocr page 203-

lil!

du alen, die, zootwatcivisscheii zijn, nmiir ook in zc.c komen. — (•ok loven vole vissclioii aan de mondon der riviorou, dns nooli in zoet, norli in zont, maiii\' in brak water.

g 213. Wij verdoelen de visselien voorc^erst in ilie met eene zwemblaas (l\'isccs (^i/slophuri en zonder eene zwemblaas {rincc.i (Kti/s/ici). Tot de. oorstcn belioorcn: 1 eb\' I lurdvinnigeii, \'J de Week vinuigeu, .\'5 do Vastkakigeu , 1 de \'rroskiemvigen, ó de Glans-schubbigen,—■ l(]t de, tweede tl de V\'astkieinvigeii, 7 de Uondbek-kigon en 8 de Sniulliartigen.

§ 214. Eerste, orde. Hard- of Ongeleedvinnigen {AnKrlhio^li iiiiiii). \\ isseboii, doorgaans niet een beonig geiMande, bij wie de voorste stralen dor rugvin en aarsviu ongeleed, vaak stevig en spits zijn. Gremeenlijk hebben ook de bnikvinnen een barden, jinntigen straid. De bnikvinnen zijn meestal ondm\' of V()(ir de borstvinnen geplaatst

(§ 202). De sclmbben zijn etenoïdaal ; do bovenkaak is beweeglijk. Kieuwen kamvormig.

Deze. orde bevat rniin do helft der bokenide visselien.

§ 2I;gt;. Oeslac liten en Strkii \\j ii. soorten.

I. Vooj\'sto stralen der mg- en aarsvinnen ware stekels, d. ■/.. ongelede stralen, uit twee zijdeliiigsche met elkander vergrneidi\' helften 11est!l;i11(h\', en zoo vast met de vinstouubooudereu verbonden, dat zij zijdelings niet kunnen uitwijken. Veelal bezitten die stralen eene ........Ilge holte. .Stokelviuuigon (Aninlhojgt;lcri/;/ll).

1. Ilaars. (Perm.) — Hivierbaars f (/\'. ftwialili*); Zeebaars f (7. Uil/vfix) of Ijdhrux /ajjiis)\', Pos •(■ (/\'. (mc.nnit., of Acrrind vulyaris)-, Snoekbaars (/\'. luvwin\'rcd of I.Hrlopci-ra snndfi) ; vervangt beoosten de Elbe den baars.

2. Pieterman (\'l\'racliinns). — Gewone en kleine V.f ((Inico fw gt; Eene. wond toegebraeht door den eersten straal der rugvin, brengt eene lievige ontsteking te weeg.

■ !. Sterrekijkcr (Umuoêcoims). — Ruwe sterrekijker (1\'. xrabcr),

\'I. Zeebaars, I mbrina ((S\'c.(((■»((,). — Gewone Z. y (»S\'. (n/iii/ii).

-ocr page 204-

19-2

5. liiulK\'ül {^ralhix). — Grewone barbodl, Zocbrascm f (M.mirmu-le.tus)\\ Hiiiirdbiirccl (M. har/\'dtus), .Midtloll. Zee.

(j. Hanlci\' (Afugil). — Gewone li. f (..1/. capita).

7. Zcehiiiui (Ti\'if/Ui). — Gioote zecluijiu, lio/.et, 1 \'ooii y\'- {/\'. hl-

/•«//(/(;);Klciiie poon ]\'■ (\' • yitrnardus), 8.Vliogoncle zeebaan fDaeti/lopli\'-rns). — Gowonc vUcgo-iulc zeebaan (lgt;. voidans). Mid-dellaiKlifcbe /ec en Atlant. Ocoaan. !). Knorliaan {(Jol-/iis. — Kivierknoibaar, Uivienlomleriiad f (C. yohio); 7.ee-kiiniliaaii, Zee-donderpad f ncorpio) \\ Geliarnastc knor

liaan, llaniasmaniietje. f (C. c.dtdijhraclasJ.

10. Stekelbaars ((ia.slerost.eiiu). — Gewone eu kleine stekelbaars f CO, aciilaitiis en /)»(/(///»««); Zee-stekelbaars f l7\'. fii\'inucliia). 1 t. Kliinbaars [Anuhcis). Indisebe K. (/1. ftvditdciis). 1-J. Makreid (Sromhcr). Gewone makreel f (.SV. scomhev).

1 .\'i. Tonijn (\'Tlnjnnus). — Gewone tonijn ( /\'A. vuhjarin). Middellandsebe Zee. 1 I. loodsmannetje ( \\mier at es). — Loodsmannetje (N. duelor), in de Atlantisebe Geeaan (ai Middell. Zee 15. Ifors-makicel (Carnnx). — Mars-

banker -j- (C. trcielmrus), 1 (3. Zwaardviseb {Xip/iins). —Gewone zwaardviseb (A. (jladiim). Middellandsebe Zee,

17. Zonneviseb {Xe/is). — Gewone Z. f (X. faher).

18. Klipviseli (Chaelodon). — Snavel-viseb (Ch. of Cludmon rostralus)\', Halvemaanviseb of l\'latax (Ch. Ic.l-ra), Ind. Zee.

1Ijipviseb (I.ahrns). Gevbditt! L. f (/,. iiiaeuldtiin of beryijlta).

-ocr page 205-

103

20. Belager (Epibulus). — Ind. H. (!lt;!, insidiator). Vangt zijne prooi door plotseling zijn bek tot c.cne aanzienlijke lengte buisvormig uittestrekken.

11. Voorste stralen dor rug- en nai\'vinnen onware stekels, d. z. ongelede stralen, die geheel enkelvoudig zijn en minder vast aan de vinsteunbeenderen verbonden. Knkelvondigvinnigen {Ha-plopte.njgii).

21. Grondel {(lohitis). — Ivleine G y (Cr, luinufusj.

22. Sehelvischduivel (Callionijmus). — l\'ilatusviseii, Selielvisidi-d ui vel f (C. hjra),

23. Klompviseli (Ci/clnptcrus), — Gewone K., Snottolf f lampas).

24. Znigvisch {Kchcnels). — Gewone (/•,\'. remom). Middel-landsche Zee.

25. .Slijmviscb (Blennias). — Maggc, l\'uitaal f (/?. of Xoarccu vivipdruii). Brengt lovende jongen voort.

21!. Zeewolf (Anarrhichas. — Gewone zeewolf f (,l. /iipus).

27. Zeeduivel (Lo]gt;hiiin). — Zeeduivel, lloozcnbek f {!gt;. pinca-I or ius).

28. Vloornunsvisch (Mallhc). — Gewone vleermuisviscli (.1/. cc*-pc.rtilio); oostkust van Amerika.

20. Pijpvisoh {Fistalaria).- \'rabaksjgt;ijp (/■\'. /ai(« ar(a),Z.Amerika.

30. Fluitbek (AulosloniaJ. — Gekleurde l\'1. (A. colorat\'i). Tro-pisohe zeeën.

31. LintviBcb (Cepola). — Uoode linfviscb (C. ruhcscens). jMid-dellaudselie Zoo.

32. Haringkoning (Gymnc.tnw). — Gewone 11. f C1\'- remipes).

§ 210. I\'weede orde. Week- of Gelocdvinuigen (iXfalncopIrri/yH, Arthroptcrygii). Vissehcn mot een boenig geraamte, bij wie allo stralo)! dor vinnen geleed, buigzaam en vaak aan liai\'(; einden gespleten zijn. Somtijds ecliter is de eerste straal dor rugvin of dor borstvinnen ongeleed.

I )e kieuwen en de bovenkaak ais bij de vorige orde: do. selmli ben moest eyeloïdaal (§ 20(ï).

Sommige dezer visselion bezitten ook vinnen zonder stralen , die votvinuen genoemd worden, b. v. de tweede rugvin der Zalmen en van eonige Vallen.

13

-ocr page 206-

lü\'J

ij \'J 17. Groslachten en soorten.

1. Afdeeling. Huikviuuigen (Mala-cojilcryyii (i/xloininalcs). De buikvinnon geplaatst aan lion buik acbter de borstvinnen.

1, Snoek (lisox). — Gewone snoek

f (K, lucius).

2. Vliegende visch (Kxococ.tns)

Vliegende visch (/•gt;\'. volilann), niet te verwarren met deu vliegenden zeehaan. Micldell. Zee en Atlantisohe Oceaan.

3. Geep (DdoneJ. — Gewone G. f vulgaris).

4. Haring {(Jlupc.aJ. — Haring t ((\'. hare.tKjus) \\ Sprot f (C. of IJaraiyula «prallus); Elft f {O, alosa of Ahsa vulgaris) \\ Sar-del, Sardine (C. of Alosa yikkardus). Kusten van Frankrijk.

5. Ansjovis (Kiigraulls). — Gewone A. unchrcmivholus),

fj. Zalm CSalmo). — Zalm f (S. salarj; Zalm-forel (lt;S\'. of Fario (rulla), Zwitserland; Gewone Forel f (S. fario of Salar Au-sonii)-, Omber-zalm, Ombrc-ebcvalier (S. umhla), Zwitscrsebe meeren; in ons land overgeplant.

7. Spiering (Osiuertis), — Gewone S. f (O. cjic.rlwtuy),

8. Houting (C\'oreijonun). — Gewone 11. f (O. oxyrhynchna). lloogkijker {Anahleps). — Surinaamscbe 11. (Gronovli), levend-barend.

10. Karper (Qypriniin). — Karper f (C. carpio)\\ Goudviseh-(C. of Carassius auratux), uit Cbina afkomstig; Zeelt t (O. linca) \\ Brasem f (C. of Abramix hrama); Voren f (U. of Leucisvus i\'u til \'is); Grondel \'j\' (O. gobio of (ïolno vitltjnrt*)\\ IJloi f (C. of Ahramis Imrcn ); N\'estcling Alve.rlje f (C. of .\\brainis aWnrnau), welks aclmbbcn dienen tot bet vervaardigen vai. valsehe parelen , enz.

11. Dondcraal (Cohitis). — Moildurkruipcr; Donileraal t (O.fom\'li*),

11\'. Meerval, Val (Silurue). — Meerval t (\'s\'- glanis). De geogra-

pbisebe veispreiding van dezen visch is zeer zonderling. Hij kwam vroeger veel in liet IlauiUünmerincer voor; thans nog, ofschoon zeldzamer, in de overgebleven plassen en de. ringvaart; in den Rijn is bij hoogst zeldzaam, omar menigvuldig in den Donau. In Groot-lintanje, Frankrijk, Italië en de meeste Zwitsersebe nieren, alsook in Skandinavie, is liij nooit aange-troflen.

-ocr page 207-

195

13. Elukh\'ioko niecrviil (Mdlaptrrnnm). — Eluktrioko incorviil (.1/. r.lcvlricus), In den Nijl.

14. l\'antseiviil ((.\'nUic/il)ii/s). — Siuiuuiunsclio pimtscival ((\'. auper),

15. Viiival {DorasJ. — Snnnaamsflie vinval (l). cos lala).

II. Ald. Kcrlviimi^cn {Mal. jiKjnlai\'i\'* o\\ De huil;viinicii,

Kig. Uil. ilio mocstal klcuioi\' zijn dan do

boistvimion, aan il(i keel, vóór of Ondcii do borstviinicn , — of /ij ontbrekon,

1. Schol (l\'lciiroiicc/cs). Schol / (7V. plalcuna) ^ \'Tarbot ■/- (/\'/. iiia.riinun) ■, Griet f (/\'/. rhombus)-, Bot f (IV. Jlesus) ; Schar f (J\'l. limanda); Schol, Heilbot f {PI. hij)poglossusJ%

\'2. Tong {S(j/ea). — Gewone tong •/• (»S\', vulgaris \').

Kabeljauw (Gadus). — Kabeljauw t ((\'• morrliua) •, Scbcl-visch f (O. aeyle.finus); Wijting f ((1. mcrlannus) \\ Leng f {(i. molva); Pollak f {(! polhwhins); Meun f (lt; 1, mustelaj.

4. Kwab be (Lota). — Kwabbc, Kwabaal f (/,. Jluclatilis),

5. Smelt {Ammodylcs). — Smelt, Zand-aal f (A. lohiaaus).

1 Do geskchton Schol en Tong vormen to «amen de faiailio der Plat-vissclien {l\'leuronectidae). De platheid van hot llciiaam dozer vis.Hchon in eene zijdellngsche af|datting; niet, zooals bij de roggen, oone (it\'platting van boven naar beneden. Wij zien al/oo in tig. 131 do linkerzijde van den daar ai\'gebealden schol; do vin aan den bovenrand dür figunr is do rugvin, de kleine vinnen onder aan den kop zijn de huikvinnon, do daar achter gologune, *zich bijna lui de staartvin iiitHtrekkenilo vin is dit aarsvin. Ue l\'latvisschen zwemmen niet de eenc x.ijdo dos llchaamn naar

hoven en do andere naar onderen, dus op zijde; die bovenzijde!, _

welke bij oonjge iilatvisschen de linker, bij anderen do recliterzijde is,_

is steeds donkerder geklemd, terwijl de onderzijde bleek, soms wit is. N\'og moer afwijkingen van den bouw der overige visschon biedt de kop aan. De beondoron van dezen zijn zoodanig verschoven, dat do beide oogen zich bevinden aan óóne zijde des lichaaius, aan de. rechter- of linkerzijde, on wol aan die zijde, die naar boven gekoerd is, -on dat do mond scheef is geplaatst, l/aarentegen bevinden zich de borstvinnen aan beide zijden des lichaaius, zoodat daarvan dan ook in de figuur slechts eene te zien is.

-ocr page 208-

190

III. Afd. Huikvinloozcn (Mal. apodi:»). Ge one buikvinnen.

1. Aal (Anguilla). — Aal; Paling f (^- vulyarisl.

2. Zcotuü (Conyer). — Gewone zoeaal of Zeopaling f (C.ouhjartB).

3. Mocraal {Muraena). — Gemarmerdo mooaal (.1/. UcUna); Middollandscdic

4. Modderaal fSynbntnchus). — Snrinaamscho M. (S. marmo-rahitt); JavaanBchc M, fS. of Monopkrus javankus).

5. Sidderaal (Gymnotu»), — .Sidderaal {G. eleclriom). Zuid-Amcrika.

§ -218, Derde orde. Vastkiddgcn, Vcrgrocidkakigcn (Pkctogua-thi) Visselicn met een beenig geraamte, bij wie de bovenkaak onbeweeglijk is, doordien de tiiR^cdienkaken inet de boveidvaken vergroeid zijn. De meeste bobben geeno buikviimen. De buid is niet met ware scliuliben, maar mot beenige, soms sclierpc ot ste-kclige jdaten of plaatje» bezet. Eeno kleine mondopening, kleine kieuwspleten vóór de borstvinnen. Kieuwen kamvormig.

§ 219. Geslachten en soorten.

1. Hoornviseb (Ikdis/r.iJ. — Gewone lioornviseli (II. capriscus).

Middellandsebo Zee.

\'2. KoH\'erviseli ((htracion). Driehoekige kollerviseh f (O. tri-queter); Gehoornde kottcrvis(di (O. coriwOm). Oost- en West-Indisehe /.e.eën.

Kgclvisch, Tweetand (Diodmi). — Gestreepte egelvisch (I). trlgiuus). Indisebe en Japiinsebc zeeën.

1 l\'kiiuijnalhi van het griokseh rtlixsiv, sainenvlecliton, s astkiioojjon. Men xchrijl\'t ook IW.UMjniUtii, van vr.xrót, vastgemaakt. Ik verkies do eerste Ijnnaming, oimbit, de tvvoado uok kan Jifgehnd wnnlen van Trmtv, katniuini, i n dns kamkakigen lioteekenon kan.

-ocr page 209-

107

4. Kloinpviscli (Oi-thmr/oriscim). — Klomp- of imumviscli f (O. üloohü, Itelzii cu Osodum, vroeger allen begrepen onder O. mola.

§ \'220. Vierde orde. Troskieuwigeu (Lophohrnnchii). De kieuwen

niet, zoo ids bij de vorige en do volgende orden, smal en kams-wijV,o bijeengevoegd, maar don vorm van rondt! trosjes bezittende on bij pareu langs do kieuwbogeu geplaatst. De kleine kieuwopenin-gen ziju boven aan den kop gelogen. De snuit 1gt;uisvormig verlengd; cone kleine mondopening; geene tanden. Het liohaam is liookig en mot harde plaatjes bedekt, — de staart bij velen heteroeeroaal. Doze orde bevat slechts weinige en kleine visehjes.

§ 221. Geslachten en soorten.

1. Zeenaald (Sywinathus). — Gewone, zeenaald f (.V. acas); Kleine Z. f {S. roxlcllntun),

2. Zeepaardje {Hippocampus). —- Kortsmiitig zeepaardje (//. amp;rc-riroslrin). Middellandsche Zee.

\'i. Zeedraak (Pegasus). —• Zeedraak {!\'. nalnns). Indische on MolukBehe zeeën.

§ 222. Vijfde orde. Glanssclmhbigen {(lanoidd, Ganolepidoli), in togenoverstelling van de volgende orde Vrijkieuwigen {Elrnthc-robranclril). Vissohon, sommigen met een gohcol of gedeeltelijk kraakbeciiiy (Acipcnsrr, SpalulnriaJ, andere (gesl. I, 2 en 8) met een becnig geraamte. Buikvinnen ver aebtor ile borstvinnon. I)(^ huid is geheel of gedeeltelijk bedekt met beenigo, vaak met glazuur overdekte (ganoïde, § 207) selmbbon. De staart is meestal hoterocercaal. Vrije, kamvormigc kieuwen, bij sommigen (gesl. 2, 4 cu 5) aan den bovenrand van het kionwdeksol oen spuitgat of ademgat (aspiracnlum , foramen Innporale).

§ 223. Goalaehteu eigt; soorten.

1. Moddersnook (Amia). — Gemarmerde M. {A. marmorala).

Louisiana. Ademt door de voclhokkigo zwemblaas.

2. Veel vin (l\'oli/plcrus), — Gewone (/\'. Oichir), in den N\'ijl;

-ocr page 210-

198

Sonogalsc.lie V. {P, Senvyalm) hoeft in jcugdigoii iocstiuul uit-wendifre kiouwen.

KiiMiiniiu-viscli {T.^p\'tlostcus). — Gcwono K, {Ij. os.icus).

4. Stuur (Ac\'iiiuwer), — Gewone steur f (/I. »tur!o)5 Huizen-blus-steur (A. hmo). Zwarte en Kaspische Zee.

Fig. 135.

T|;lv -v- iï« ■ ■ ^

« v—Ka.\'. *. •

\' v-\'-i ^ \' \'■

v.-i

Steur.

5. SjmtclvlHcli. Zwaard,stcui\' (Sptitt/htria), — Noord-Aiuerikiian-sehe (N. foUiim). In den 5Iississiii|ii. lu den Syr-Darja treft men eeue slechts \'22 inillir». lange soort (Sp. üf.itpliiri/iicliiis Ilt;\'c(l.tclienkoi) aan.

§ 221. Zesde orde. Hiiaéichtigeii (Sdnchi-f), of I gt;warshckkif?eii {rUii/ioKfiJiiii), of, in tegcnHt(dling met de vorige orde, Vastkieu-

Fiir. 130.

■1-.- • ■ \' -

wigen (/h-smohrmvhii). VissehBn met een kraakhecitig geraamte, met kieuwen, wier Imiteiu anilen van hinnen a:in ili- huid vastzit-

-ocr page 211-

inn

ten, terwijl do gchoclc kiouwliolto door vliezige tusschonschotten in meestal vijf afdeolingcn gcscheiden wordt, waarvan elke cono

Fijr. 137,

kiouwoponing zonder kicuwdekscl liozif. lIioro|) maakt Chimaera éene uitzondering. Do bek ligt ouder den kop. De buikvinnen staan achter de borstvinnen. Kr zijn sporen van een bekken aanwezig. Eene cloaea (§ 100.) De staart is hccterocercaal. De huid is bedekt mot kleinen, harde knobbeltjes cn stekeltjes (plaeoido sehuhbou, § quot;20(i), A^eli^ hebben oogleden.

jjjy § \'J25. Groslachten on soorten.

I. Afdeeling. Haaien (Squall). Langwerpig lichaam; kieuwopeningen tor zijde van don hals; bij velen ademgaten; boweogbaro oogleden, behalve Chimaera, — dikwijls ook een

Daargelaten het kraakbeonig geraamte zijn de haaien wegens onderscheiden bijzonderheden in den licbaamsbouw enz. do hoogst ontwikkelden onder do visachon en staan hot naast aan de meest ontwikkelde kruipende dieren.

1. Draakvisoh (Chimacrn). — Gewone 1),, (laringkoning {Oh. momtrosa), Noordelijk ged(^olte van don Atlantisehen Oceaan, Middollandsche Zee. Eoik; kionwopeiiijig on 4 inwendige kieuwspleten tor weerszijde; geeu boweogbaro oogleden.

2. Hondshaai (Scylihtm). — (lowone II. f (lt;S\'. canicnlo). .\'j. Koof haai (Sfjualus). —• lllanwe II. t (H\'l- of Carcharias i/hu-

ais); h\'uwe haai (S(/. fialrvs of Galais canis); Hondshaai {Si/, umstclus of Mnstc.la pli\'.heja) Jonashaai (.SV/. rarcharias

-ocr page 212-

200

(if Lamna corunhica), tot (! unsters lung; AtlHiitisclio on Middoll. Zoo. Kpuzcnhiiiii (Si/, maximus of Se.lachc mnximn), tot 1quot;J iï 13 inotivrs lung; Noord- en Uszoo; Meiiscticnliiuii (lt;S\'y. carcharodoii of Oarcharodon Uondelclli) in bijna idle /ociin dor gomatigdo on hcctn liiolitHtrckon, 10 iV 1 1 motors lang, voor d(Mi monscli dis govaarlijksto soort.

I. 1 liunorviacli (Kjihyra of Xi/ijni\'iin,). — Gowono II. (Sji/i.. ztj-

lt;/(irnlt;i of /^. malleus), Atlantischo Oonaan on Middel, /oo. 5. Doornhaai {Spinnx). — Gowono I), f (lt;S\'. acanthiax) \\ /uid-zi\'e-doondiaai (S. of Ccstradon I\'hitlipiii). I5ij dozo laatste soort staat do mond niet onder den kop, maar aan don voorraiul van den stompen snoet.

(gt;. Zeoëngol (Hqualiua), — Gewone, Z. t (S. mlijari»), II. Afdeoling. Koggen (Jinjar). Ken brood, jilut lic.liaarn; de kiouw-ojioningon ouder aan don hals; ademgaton; onhewocglijko of geheel geone oogleden. Het lichaam eindigt, in een langen dunnen staart, bij enkelen (Printis, Hhinoba/cs, Torpedo) in een kortoren, vlee/.igen.

1. Zaagviseh (I\'rlsti.i), in lichaamsvorm van de overige roggen afwijkende en moer op de, haaien gelijkende. — Grownno Z. (/\'. antiquorum), MiddeUandsehc Zee.

\'J. llaairog (Uhinohatcs), in lieliaainsvorm ecnigzins np l\'rislis gelijkend, doch /onderzaag. —Earopeescho 11. {llh. lt;\'olm tilt ac), Middcllandsidie. Zee.

\'l\'rilrog, Sidderrog, Elektrische rog (Torpedo). (S 210). — Verschillende soorten in de MiddeUandsehc Zoo, ook in don Atlantisehen Oceaan (T. marmorata, dalen nil, narke). 1. Rog (llaja). — Gowono rog f (II. elneala);— Vleet f (li, halls),

!). 1\'ijlstaartrog (Tryyon), — Gewone 1\'. f (T. pasllnaoa); Arend-l\'ijlstaarlrog /\'. of Mijllohalla ai/ulla), Middelland-sche Zee; Oor-jjijlstaartrog of C\'ephalop/e.ra CHorna),

Middcll. Zeis; Duivclviseh (\'/\'. of eampirns), kimt van N.-Amerika

§ 22t;, Zevende orde. Uondbckken (C\'yelosloml). Vissehon met een onvolkomen kraakbeenig geraamte; kamvormige kieuwen, ge-legi-n in z ikjos, met zes tot zeven kieuwupenhigeii zonder kieuw-

-ocr page 213-

201

ilcksols aim wci\'rszijfir \\,:i11 den huls. H^vcn- (^ii oiulcrkiiiik met elkander vergroeid tot een onbeweeglijk en ring; mond rond en

Fik-. 139.

Int zuigon iiigiMichl. Ilooniarlitige tamli\'ii. Ilrl liclinam aa zonder Hclnddtcii, «lijmig. CJeonc. borsl- cu buikvimuoi; vliezige rugvin; do staartvin een vliezige zoom om den staart. Kleiim, weinig zichtbare oogen. De zootwater-eyelostoincn , missebien ook de overige, ondoigaan ooiie gedaanteverwisseling. De larven onderscbeideii zieli, onder meer, door de bijna onzicbtbiire oogen en liet volkomen gemi.s vnn boorntanden. S 227. Groslacliten en soorten.

I. Lamprei (J\'elroini/zon). — Zee])rik f (/\'. man\'mis); Zoetwater lamprei, l\'iik f (/\'. Jlariatilii),

\'J. Slijinaal (Mi/.r/m of ditxlrubravrJius), — lilindf slijmaal; Huikkienwer (.1/. ((/. ijlii/hiomi.i), Kusten van Noorwe

gen en Schotland.

i\'iff.

A mphioxm la nccolaf )/••.

§ 228. Arbtste orde. Klein- of Smalharligen. (Lcjilocnrdli). Deze orde bevat sletdits itu geslaelit, .[nip/tioxus of Ilnuichiostomn, waarvan cene soort, A. lanrxolchlus, bot lanoetviscbjc of slakprik,

5 centim. lang, in do Midd(dlands(,b(\' /-cc leeft. Dit diertje, welks gelieole lieliaam doorscliijneiul is, is het on-volkornenst vim alle gewc.rvoldc dieren. Het is langwerpig, aan beide einden spits, bezit geen geraamte, maar slechts cene ruggestreng (S 202^. liet voorste gedeelte van bet ruggemerg is niet tot hersenen aangezwollen, maar toch zijn dc acldcr elkander gelegene licrsendeelen (§ 208) aanwezig. Het bezit kloppende, bloedvaten in plaats van een hart, en wit bloed. Kéne

-ocr page 214-

II

202

l-A

■i

J

kieuw, gelogen in de Inükholto. Het water komt door don mond in do lichaamsholte en stroomt door den parus abdominah\'s (§ 203) weer naar buiten. Hot bezit goeuo vinnen, maar slechts oen vin-vormigen huidzoom langs den rug. De mond staat onder aan het oene einde des lichaams on is met borsteldraden omzet. Slechts sjioren van oogen zijn aanwezig, [let gehoororgaan ontbreekt. Geen wonder, dat men dit dier wol voor ecno soort van weekdier, eene slak, gehouden heeft. Doch oven als bij alle gewervelde dieren, is bij den Amphioxus hot spijskanaal heiicdc.n het ruggemorg gelogen. — Eene andere soort uit de Moreton-haai in N.-Holland {A. of Epigomelhys cultellus) hooft emi hoogo rugvin.

HOOFDSTUK V.

r|

i m

3 *

m

OI\'.IiHDK IHHUKM.

§ 220. öelodo of Geloodpootige dieron (Animalla arthrozoa of urthropod\'t) zijn ongewervelde dieren, dat zijn dieren, die (zie g 111) gecne wervelkolom bezitten, en bij wolke do centraal-de(den van het zenuwstolsel, niet tot één enkel orgaan (ruggemorg) samengedrongen, onder do voedingsorganen z.ijn gelegen; wier liehaam, gewoonlijk mot een bard, hoornachtig bekleedsel omgeven, in achter elkander gelegen segmenten of ringen (zoni-ten) is verdeeld, en die in den regel gelede pooten bezitten. Ilierbij kunnen wij voegen, dat bun bloedsomloop geheel of gedeeltelijk plaals herft h\\ii(eii eigonlijk(! vaten, - en dat bij do moesten eon rugge- of hartvat bestaat, waarin het bloed door zijdelingscbe openingen of spleten wordt opgenomen. (§ 2.\'!5).

De organen der gelede dieren zijn bilateraal-symmetrisch gerangschikt, dat is te zeggen zóó, dat wanneer men in gedachte bet dier in eene rechter en linker helft verdeelt, rechts cu links van de seheidings- of middenlijn dezelfde organen liggen. Dit is, gelijk wij zagen, ook hij de gewervelde dieren \'t geval, doch niet zoo volkomen; immers hij de, ingewanden dor borst- en buik-bidte is hij dezen die symmetrie niet te bespeuren (§ 111).

§ 2;iO. Van de segmenten, waarin het lichaam der gelode dieren verdeeld is, is steeds het voorste, de,kop, ongelijk aan de overigen. Hij eene der later te besclirijven klassen, die der Dui-

»1

fi

m

1

\'i

-ocr page 215-

son

ru

UitwiMidigo onfloding van een sitrinklia.an.

n. kop; borst; (I vooi-bur.itafuk , 2 inliltlcnboi\'ststuk •i jichtisrbor.st.stuk); c. achtorlijt\'; d sprioton; e oogen ,

^ corstc paar pooton ; .7 voorvIcuffolM; h tvvccl.. pa.ir lt;,/„/(),,mi,) 1 n .iitco-mi

jiooton; 1 aelrtiTvleuB. lH; k dij van lin dvnlc po., I\'.l.lll lltl g( n

zijn bij andere gelode, dieren, vooral liij de sjiinnen en schaaldieren, kop en borststuk tot, één versmolten; dit wordt dan k o p b 0 r.s t s 111 k {cr.phitliithofax) genaamd.

§ 231. Ann den kop verdienen in de eerste plaat» genoemd te worden de momldeolen, waartoe de kaken bobooriin. Deze zijn in verseltil-lend aantal paarsgewijs achter of onder elkander gelogen. Hij elk kakenpaar verdient opmerking dat, zij niet, gelijk bij do gewervelde dieren (ie boven- en onderkaak, boven elkander gelogen zijn, maar naast elkander, zoodat zij zich niet in vertikale, maar in horizontale richting naar elkander toe lt;\'0 van elkiindcr af be-

t*-!!; l schoen ; ni vort

Fii?. ua.

O

v A

Mtinddoüh^n van oen kanwond insokt. a bovonlip; /» bovenka kon; c ondorkaken ; lt;1 onderlip.

-ocr page 216-

■Jill

onderlip)

weegbare (palpi).

Voorts ontwaart men ai /.onilering van dien der uiiteiwac),

g l\'.\'Sl\', Aan do overige lieliaanissegnienten zijn de pooten ingewricht, met dien verstande, dat men deze bij de spinnen en de insekten alleen vindt aan liet borststuk, bij de overige gelede dieren ook aan andere segmenten. — Dat overigens de pooten geleed zijn, dat is, bestaan uit verseliillende door gewriebten met elkander verbonden afdeelingen, is reeds iu § 2*2■! opgemerkt.

Vele gelede dieren, t. w. de meeste insekten, bezitten vleugels, twee of vier paar, cn die vleugels zijn altijd geheeht aan liet borststuk. Zij zijn met de vleugels der vogels wol analoog (g ;i 1), maar niet homoloog, daar zij geenszins tot vliegen ingerielite ledematen (pooten) zijn , maar aanliangsels der luiidhekleeding,

§ quot;J.\'!.\'!, 1 )e huid der gelüdf dieren bestaat uit twee lagen. Het meestal harde, soms echter ook wecke en lederachtige buitenste bekleedsel bestaat uit ceno stof, die men ehiline heet; en die bij vele Scliaaldieren door het in zich opnemen van kalkzouteu kalkachtig is. De binnenste, laag (lo/poflf.rmis) is zacht en scheidt de, tine-laag af. Aan de binnenzijde van de chi-dermis heehten zich de spieren vast, gelijk die der gewervelde dieren zich vasthechten aan de beenderen van hot inwendig geraamte. Daarom geeft men aan het liuidbekleodsel der gelede naam van uitwendig hu ids kei et. Overigens

wogon. Bij c\'(;iiigo gelede (lieren /.iju do inoiuldcolcn zoo mot cikaiiilci\' vorsmoltcu, dal daardoor coiio soort van schoodo (buk, snuit, roltong) govonnd wordt.

Aan conigo oiidcrdi!lt;don van dit kakonstidsol (onderkaken en vindt inen veelal zekere gelede en be-aanhangsels; tlisters of voelers

l\'iir. 14-},

ii don kop, met uit-Hpinncn, sp r i c t c n

1 (I.

(Uitren W(

n

-ocr page 217-

205

vei\'vüllcn do gelede, dieren moestal eenigo muien voor zij volgroeid zijn, do schauldiorcn zelfs later ook nog; de oude cliitino-lmid wordt dan afgeworpen en vervangen door eene nieuwe , die door do hypodermis gevormd wordt.

§ 234. Ten aanzien der spijsverteringsorganen, die nog al ver-

seliillen, verwijzen Fig. 140. .. , \' , , ,

wij, als voorlieeld ,

naar tig. 146 , daarbij opmerkende, dat speekselklieren en leverklioron voorkomen bij de meeste golede dieren, bepaaldelijk bij die, welke in de Incht leven, en dat er niet altijd een krop aanwezig is. Dein de figuur afgebeelde, l)ij de meeste insekten aanwezige M alpighi-sclie vaten,ontsprin-

Spijavfii\'trriiiKB-organon v.in (m ii rnnlkn li\'-l (links) en v;m gen nit liet ZOOgO-oono Iiij (rechts). Molkrekol: a kop; h speoksolklirren van

de rechterzijde ; c van de linkerzijde ; tl uiteinde van de linker na am de v e t I i-

spriet; op die hoogte ziet men den uit den slokdarm out- . , , ,

spruitenden krop (inglnviamp;i)i e voonnaag (provmtriculn»); / e n a a in , (i;lt (Ie.

bijzakken van de maag; g middenst, gedeelte der maag; h . -i j ,

achterst gedeelte der maag; (venlriculns chylifenu) otquot; luid- nttlkslugeu aiuten

den.larm; f darm; ft kanalen van Malpighi omgeeft, en mon-

Jiij a krop; /gt; spcckHolkliiu\'cn ; e krop; h maag; k kana-

len van Malphlgl; l aarsklier. (l(!n ;n (l,,,, (Jann uit.

Zij zijn de uitloozingsbnizeii der urine, zoodal liet vi tliebaain kan

gezegd worden de nieren Ie veitegeuwuordigen.

Het spijsvortoringsvoclit is, met insluiting van liet speeksel, waar speekselklieren beslaan, alkalisch, alllians bij een zeer grool aantal insokten, te,rwijl liet maagvoelit bij de gewervelde dieren zuur is. — In den krop en in de, voormaag Ireft men eliitinetainl-jes aan; doch deze zijn geen kauw- of verimiliiigswerkluigeii, maar dienen iilleen om den voortgang der spijs in aehterwaartsche richting te bevorderen. Igt;e oplossing van de voedingstof geschiedt, vooral in het op de maag volgend gedeelte, van bel spljskanaal. Ilc\'t laatste, wijdere gedeelte van den darm (de eind-

-ocr page 218-

20(5

darm) is slcelit.-i cciue vciv.ainclplanta van ilt; drokstoffou ca do urino.

§ 235. Do gdcdo dicron bc/ilteu over \'t geheol wit bloed, wolk bloed tegelijk aan liet vdedingsviicht, il(ï lynipha en het bloed der gewervelde dieren beantwoordt. Do bloedliehaampjea daarin zijn rond en niet plat. Aan de rugzijde, des diers ligt veelal een hart, betgeen eigenlijk niet anders is dan een bloedvat, dat zich

I\'i-. 117.

langs den rug uitstrekt, en dat in gowtudig kloppende beweging is. Dit bait of rugvat is, bepaaldelijk bij de iimekten, door drie-boekigc, uit veerkraebtige weefsels bestaande vl e u g e 1 b a n d e n, ook wel vleugels))ieron genaamd, aan de rugvlakte des diers vast-gebeciht. Soms is bet bait enkelvoudig (bij di^ kieuw-ademers), soms daarentegen (zooals in nevensgaande figuur) in oen aantal aebter elkander gelegene afdeelingen (kamers XJ verdeeld , waarvan bij de insekton b. v. »lt;\'1^ kunnen bestaan. Ieder van deze afdeelingen bezit links en reebts eene opening of spleet (on/niiii ve.no-sum). Door de samentrekkingen van (lil vat of hart. wordt bet bloed naar alle deelen des liebaams gestuwd, \'t zij door zijne vertakkingen (slagaderen) hoen, \'t zij eenvoudig in do tusseben-

1 Kamers natuurlijk in een anderen zin dan bij de goworvoltlo iliereu.

-ocr page 219-

riiiniton (lacimac) dio dlt;i iuwiMidigo dco-lou tusachim elkitndc.r ovorlaton. Ook in lict geval, dut er slagmlcrou bestaan , zijn dezu toch nuMïstal aan de uitoindtin opeo, eu liet bloed komt dau ook ten slotto in do genoemde tusselienriiimtcn, die. dau de rol der ontbrekeudo aderen vervullen, en waaruit het bloed, door do zijdelingsehe openingtüi of sjiieten in den wand van het hart, weder in het laatstgenoemde orgaan worden opgenomen. lgt;e Hploten zijn voorzien van kleppen, die tijdens de samentrekkingen van het harl een terugkeer des bloods in de liehaams-holtc onmogelijk maken. Zijn er ook goeue slagaderen, dan vervullen de tus-sehenrniinten der deelen de rol van slagaderen en aderen tegelijk. — Een water-vaatstelsel ontbreekt.

§ 236. De ademhaling der gelede dieren gesehiedt: (t door kieuwen (bij de seliaaldieren), die zeer verschillend geplaatst zijn, gelijk wij later zullen zien; h door luchtgaten eu luchtbuizen (bij een aantal spinnen en bij alle msekten en duizendpooten); c bij de lagere spinnen en schaaldieren door de huid. De luehtgatcn («////vmita) liggen, ten getale van 1) k 10, aan heide zijden van het: aehterlijfop eene rij, of ook (bij de spinnen) onder aan het achterlijt, en vorleenen aan de lucht toegang tot de luchtbuizen of Iraclicën, tijne kanalen, wier bundels en vertakkingen bijna door het geheele lichaam loopen, (Zie § 212). — lüj vele spinnen vindt men in plaats van tracheën twee, vier of meer van binnen geplooide zakjes on-

-ocr page 220-

208

der iu het achterlijf, die men longzakken noemt, in elke waarvan do lucht door con stigma in en uit treedt. Dc grootcre luchtbuizen der iusekten en duizcnd|)ootcn bevatten een hoornach-tigen-, spiraalvormig opgewonden draad, waardoor de buis steeds open wordt gehouden; bij do spinnen, die door luchtbuizen ademen , is die draad niet aanwezig. — Men moet bij dit alles in aanmerking nemen dat overal, waar het bloed slechts door zeer fijne tusschenwanden of vliezen heen met dc lucht in aanraking komt, liet doel der ademhaling: opneming van zuurstof uit dc lucht en afgeving van koolzuur daaraan, —- kiin worden bereikt. Do luchtbuizen loepen door het in de tusschenruimten dor doelen zich bevindende aderlijk bloed; ook de longzakken zijn van dit blood omgeven; en bij de lagere gelode dieren wordt dc huid aan dc binnenzijde door datzelfde bloed bespeeld.

§ 2.\'!T. Do voorname deelen van het zenuwstelsel liggen bij do gelede dieren steeds aan de buikzijde des lichaams , dus onder Ulo werktuigen der spijsvertering en van don bloedsomloop (vergelijk hier § 224). 7ij bestaan uit eene aan die buikzijde van voren naar achtoren looponde, dubbele, maar dikwijls tot één versmolten streng, mot kuoopeit of verdikkingen, waaruit do zenuwen ontspringen. De eerste of voorste zenuwknoop (eigenlijk twee naast elkander dicht aaneenliggcnde, onderling versmolten knoopcu) waarmede deze buikstreng begint, ligt echter boren den slokdarm in den kop; hij geeft o.a. zonuwtakken af voor de oogen en de sprieten; van dezen knoop (ganglion sn.pru-oeHophayon.m) loopt aan elke zijde des slokdarms een zenuwstreng naar den tweeden knoop (lt;/. infnt-oetophngeum), die omkr den slokdarm ligt, en zoo is dan dc slokdarm van voren omgeven door een zenuwring. De eerste, boven den slokdarm gelogen zenuwknoop is te vergelijken met de hersenen dor gewervelde dieren; de buikstreng, van den tweeden knoop af tot aan het einde des liehaains , komt overeen mot het ruggemerg.

Ken kleine knoop, vóór don hersonknoop gelogen en daarmede door twee strengen in verhand staande (lt;/. fmn/alc), zendt zenuw-takjes naar den slokdarm en oen onparigon tak naar de maag.

In den regel beantwoordt elk paar naast elkander liggende, doch voidal tot één versmolten zenuw knoopen dor buikstreng aan een lichaaiDR-sogment. Maar in eenige gevallen (krabben, spinnen) zijn al de knoopen van dc buikstreng tot weinige knoopen of tot een enkelen grooteu knoop versmolten.

-ocr page 221-

Ecu voodingszomiwstclsol bestaat waarschijnlijk bij alle of do meeste gelede dieren in den vonn van oen of twoo, soms racer, klciuo zonuwknoopen, dio door vorbindingsdraden en stvongon met don bovonslokdiiiinzcnuwknooii, en vaak ook mot de buikzonuw-streng sanionliangon.

§ 238. Het gevoel der huid is het sterkst bij die gelede dieren, welke oonc Icdcraehtige of zaciito huid bezitten, het zwakst bij die wier omkleedsel hoorn- of kalkachtig is. Do sprieten, de kaakvoclors en do pooton zijn de oigonlijkc tastorganon. Dat velen con lijnen reuk on een stork gehoor bezitten, mag wel idn zeker worden aangcno?non; omtrent de organen dier beido zin-luigcu bestaat ochter nog voel onzekers. J)o ineeston echter bezitten oogon.

Do oogen der gelede dieren zijn óf enkelvoudig (ocelli), óf sii-mengsteld (onuh compositi). — Sommige schaaldieren hobbon slechts oen enkelvoudig oog; do overige gelode dieren mot enkelvoudige oogen (spinnen) hebben er twee, drie, tot aeht. Deze enkelvoudige oogen zitten soms groepsgewijs bijeen (oculi yregrati). — Maar ilo meeste gelede dieren (de moeste insckten en de hpogore schaaldieren) hebben samengestelde oogon; men kan zich zulk ccn sainongestold oog voorstellon als eeno samenvoeging van een aantal oogon, elk met een lens, maar met slechts 66n geracen-schappelijk hoornvlies, welk hoornvlies echter in oven zooveel ronde, vier- of zeshoekige afdeolingen of facetten verdeeld is, als er lenzen zijn, — op de wijze nagenoeg als een diamant of een andere tot sieraad dionendo steen met facetten geslopen is. Onder deze facetten liggen zoogenaamde kristalstaafjes of kogels, wier binnenwaarts gekeerde punten tnssehen do fijne zenuwdraadjes liggen, waarin zich do geziohtszonnw verdeelt. Ten gevolge van dezo inrichting kan het dier naar alle kanten hoon zien , zonder dat het do oogen of don kop behoeft (o bewogen. De samen-gesteblo oogen zijn steeds twee In getal, en staan op kortere of langere voetstukken, dio men, als zij lang zijn, stelen noemt. Ecnige insckten hebben enkelvoudige en samengestelde oogon te gelijk. — Enkele gelede dieren (ecnige schaaldioren) hebben In het geheel geene oogen.

§ \'J.\'i\'J. De meeste gelede dieren loggen eieren; ecnige zijn ovo-vivipare dieren, dat Is, do eieren ontwikkelen zich binnen het lichaam der moeder, lüj ecnige Insckten en hoogore schaaldieren

11

-ocr page 222-

\'210

ontstaan ook jongen door eeno soort van iuwondigc kn0j)V0i\'ming in liui lichaam van larven (\'\'/Au beneden). Zeer velen, mot name de insekten, maar ook niet weinige seliaaldieren, ondergaan eene

ling ondergaan, verschillen soms ,

Schcmatisclic donrsnodii van oen samoiigostolcl oog: a. wanneer zij llit het doorschijnond hoornvlitiK met facotton; /gt;. kristalstaatje.s/

lt;•. gezichtszenuw ; cl. knoopachtigo verdikking daarvan. ei gekomen Zijn, IJaarnnast kristalstanQe-a b. mot do daarbij bohoorendo . t r i i

facetten «. Sterk vergroot, ni (ie hootdzilken

weinig van de ouders, en niet zelden bepaalt zich de gedaanteverwisseling tot het krijgen van vleugels. Die daarentegen, bij welke eene volkomene gedaanteverwisseling plaats grijpt fdo meeste gevleugelde insekten^, gelijken in hunne jeugd niet of weinig op do ouders, lüj dezulken onderscheidt incn drie toestanden: dien van masker of larve, —don vorm waarin het dier uit het ei komt,--dien van /)\'//lt; ot\' nimf, — welke ontstaat wanneer het dier zich door eene sterkere uitseheiding van chitinestof inhult, zich verpopt (in welken toestand hot dier niet eet en zich ook slecht» weinig beweegt), — en dien van volkomen dier. Alleen in dien volkomen toestand leggen de gelede dieren eieren. — Wij zullen van deze godaantoverwisselingen verscheidene voorbeelden ontmoeten.

(h\'erigens moot ik hier nog opmerken, dat de motatnorphose van de gelede dieren (en van nog andere lagere dieren) \'t zij vooruitgaande is, b. v. van de vlinder, \'t zij teruggaande. zooals hij vele parasitische schaaldieren, wier larven organen bezitten, b, v. oogen en ponten, die, later verloren gaan, en die vrij rondzwommen, terwijl zij later vastzittend worden, doordien zij zich aan dieren of andere voorworpen vasthechten, § \'J lO. Di\' afdoeling der gelede dieren is van al de vier afdeo-lingcn des dicrenrijkH het rijkst aan soorten, — Aan alle oorden

(jednanIe verwisseling of melanwrphose (§ 101) dio men in volkoinonc en onvol kom ene onderscheidt, — Die

h dieren, welke slechts eene onvolkomeue gedaante - venvisse-

-ocr page 223-

211

(lev aavdo loven gelede dieren, — op hot land , in zout en in zoet wator. — Zij verschillen overigens zeer in levenswijze, voedsel en verblijf, en hun licliaamsbouw is dien ten gevolge ook zeer ver-scliillcml.

Wat do verstandelijke vonnogons dor gelede dieren aangaat, zoo is vooral liet instinkt bij vele insekten zeer ontwikkeld, en men vindt onder dezo dieren dan ook vele soorten, wier bouwkunst bewondering verdient, zoo als de bijen, sommige soorten van wespen, de termieten, enz. Ook de spinsels van vele spinnen verdienen in dit opzicht wel te worden vermeld.

§ ^tl. De afdeeling der Gelede d ieren wordt verdeeld in vier klassen, te weten 1quot; der Insekten of Gekorveno dieren, 2° der Diiizendpooten, 3quot; der Spinnen eu 4° dor Sebaaldicren. De dui-zendpooten worden ook wel gerangschikt onder do insekten, met welke zij dan ook door hunne inwendige bewerktuiging overeenstemmen, ofschoon zij iu andere opzichten zoo veel van de insekten afwijken, dat wij ter vermijding van eene verdeeling in onderklassen zo in eene afzonderlijke klasse zullen rangscliikken.

I. KLASSE.

1 n s c k l e. n.

§ 242. Insekten of Gekorveno dieren (Jnsccfa) zijn gelede dieren met een van het overig lichaam gescheiden kop, welke van sprieten voorzien is, —die in hun volkomen toestand drie paren aan bet borststuk ingewriehte pooten bezitten, —die meestal vleugels hebben, en door luchtbuizen ademen.

§ 243. Als voorbeeld van de verdeeling van bet lichaam der insekten voeren wij hier den Sprinkhaan aan. In lig. 142 zijn a. dc kop mot de s p r i e te n en c de o o g e n, lgt; het borst s t u k, waarvan 1 het voorborststuk, 2 het middenborststuk en 3 het achterborststuk. Aan 1 is het eerste paar pooten ƒ gehecht; aan 2 zitten de voorvleugels g en het tweede paar pooten A; aan 3 zijn de achtervleugels i en het derde pootenpaar k ingewricht. Het gelede achterlijf is door c aangeduid. Aan het achterste paar poolen zijn k de dij, I. do scheen en m de voet. — Aan het middenborststuk ziet men vaak een driehoekig plaatje, dat het schildje (scutcllum) heet.

-ocr page 224-

212

I f

§ 244. Aan den kop vertoonen zich al dadelijk oen paar sp ri e-ten, die meestal vóór of tusselien de oogen zijn ingeplant. Zij zijn geleed on beweegbaar, doch overigens verscliillend gevormd: draadvormig, geknopt, knodsvormig, plnimvormig, kamvormig, vertakt enz.

Voorts verdienen aan den kop opmerking de mondde el en (§ 226). Hij de inaekten, die hun voedsel mot den bok aangrijpen en kauwen, is de mondopening omgeven door (fig. 143^ 1 de bovenlip (labrum)) een ongepaard plaatje voor aan den kop; 2 de beide bovenkaken (maudibfilac.), twee sikkelvormige, aan do randen veelal van insnijdingen en tandjes voorziene, en aan de wangen ingewriehte doelen, die als de bladen oener schaar op elkander werken: 3 de beide onderkaken (maxi/lac) dergelijke maar minder stevige dcelen , gewoonlijk voorzien van een beweegbaar, gelood aanhangsel, voeler of taster (palpus) genaamd; do onderlij) {labium) die eigenlijk een derde paar kaken is, welke echter mot elkander tot één stuk vergroeid zijn en waarvan het grondstuk de kin (mrntum) heet. Ook aan de onderlip vindt men oen paar voelers, tor ouderscheiding van do. kaakvoe-lers, lij) voelers (paljt\' lübnih\'s) geheeton. — Deze; monddeolon zijn overigens verschillcud ; als voorbeeld voeren wij aan de grooto, als een hertshoorn getakte bovenkaken bij hot mannetje- van don kever, bekend onder den naam van Vliegend Hert.

Bij de insekteu «lie hun voedsel in vloeibaren toestand opzuigen, bestaan ook wel de genoemde monddeelen, doch zij zijn bij deze in vorm zeer gewijzigd. De bek (ms-/n//«) der ilaltvlougeligo insekten bestaat uit drie lange en dunne borstels (de boven- en met elkaar vergroeide onderkaken), bevat in eeno gelede sche-odo (de onderlij)), — do snuit {proboscis) der Tweevlougoligen (Hg. 1 14) uit bijna dezelfde doelen, de rol tong {hmiua) der Schub-vleugeligen of vlinders (lig. 1 15) uit de twee zeer verlengde en buisvormig met elkander vergroeide onderkaken, waarhij de bovenlip vleezig en do bovenkaken met de onderlip rudimentair (§ .\').quot;)) gebleven zijn.

§ 245. Aan het borststuk vindt men de j)Ooten, — aan elk der drie afdeelingon van hot borststuk één jmar (§ 2o7 ; iig. 142). Elke poot bestaat uit eenige beweeglijke leden: I do h e u j) {coxci), die, ingeu richt is in eone holte van het borststuk; 2 de dijring; {/rorftanffr) dikwijls met het volgend lid tot een stuk vergroeid;

I \'

. i

1 \' \'

5 ■

1

I ^quot;

,.A

lt;

H

k

5 *

-ocr page 225-

21

do il ij {femur) liet stevigste lid der pootcn; 4 de s eh e e 11 {tibia), meestal langer, maar dunner en vaak met beweegbare doornen (sporen, calcaria) bezet; 5 de voet (laratis) bcstiiamlo uit leedjes, meestal vijf in getal, en ciiuligende in één of twee klauwtjes, meestal in twee. De laatste geleding van den tarsus be/it niet zelden kleine haakjes, of /nignapjoB, waarmede de, iusekten tegen gladde oppervlakten kunnen opklimmen, ja tegen zolderingen loepen.— De gedaante van deze onderdeden der pootcn is overigens in overoenstemnnng met de levenswijze van het dier. Zoo onderscheidt men de lange on dunne looppooten, do platte zwempoo-ten, do van breede maar tevens korte echeonen voorziene graaf-pooton, do springpooten met krachtige dijen en lange scheonen, de roofpooten: voorpooteu met lange benpen en met dorens gewapende schoenen, die in eene sleuf van de dij als eou knipmes kunnen worden teruggeslagen.

De vleugels der insekten zijn vliezige plooien der huidbekleedsels; tussclicn de beide bladen dier plooien verbreiden zich takjes der luehtbuizen (§ 212) als zoogenaamde aderen (vc.nac, ne.rvi), en het is de. chitine (§ 2SJ8), die zieh langs deze bevindt, welke clie liubtbuizen zichtbaar maakt en aan de. vleugels hunne geiiderdo of netvonnigo teekening geeft. Do onderlinge jjlaatalng dier aderen en van de door haar begrensde vakjes {arcae, ccllu-lae) leveren, vooral bij de VUesvlengeligcn en de Twoevleugeligen, zeer dikwijls geslaehtskonmerkeu op. Bij do insekten, wier vleugels in den staat van rust opgevouwen liggen, — zooals bij de kevers, — is het de in do luelitbuizon sterker indringende lucht die de vleugels doet ontplooien. — Bij eenlge vicrvleugelige insekten, zooals de kevers, en bij vele recht- en haIfvleugclige insekten zijn de voorvleugels geheel of gedeeltelijk door chitine verdikt en daardoor leder- of hoornachtig. Zijn de geheele voorvleugels verdikt, dan noemt men deze dekschilden {cbjlr(i)\\ zijn zij alleen van voren hoorn- of lederachtig, — aan het achterste, vrije gedeelte daarentegen vliezig, dan hoeten zij halfs child en {licmichjtra).

Gelijk reeds is aangemerkt, bezitten de insekten of vier, of twee vleugels. Uij de viervlengoligcn zitten do vleugels aan het midden- en achterborststuk, — bij de tweevleugeligen alleen aan het eerste. Bij hen, die slechts twee, vleugels hebben, ontbreken óf do voor- (plooivleugeligen), óf de achtervleugels (tweevleuge-

-ocr page 226-

214

ligcn). Bij ilic, welke de voorvleugels missen, vindt men toch aan liet voorborststuk smalle uitstoeksels, rudimenten van vleugels, terwijl bij do tweevleugeligen de achtervleugels vertegenwoordigd worden door twee korte, aan het achterborststuk ingewrichte beweeglijke eu geknopte steeltjes. Men noemt deze kolfjes (hallc-res), en /.ij dienen om bij het vliegen het evenwicht te bewaren, waarom dan ook de Pranschen zo balanaiers noemen.

liij sommige soorten bezitten alleen de mannetjes vleugels, — bij andere zijn de beide dekschilden aan elkander vastgegroeid, zoodat bet vliegen onmogelijk is, — oenige insekten eindelijk, b. v. de vloo , zijn geheel ongevleugeld.

§ 24(5. Het achterlijf der insekten bestaat uit 9 ringen. Zelden zijn er meer (tot I l toe), soms echter minder. Elke ring bestaat uit een bovensten en ondersten halfring (dus uit een rug- en oen buikgedeelte), welke bolde halfringen door een vlies vereenigd zijn. Do ringen /.elven hangen ook door vliezen samen, en daardoor wordt het achterlijf beweeglijker en kan het zich meer uitzetten, dan het overige lichaam. ]5ij vele Vliesvleugelige insekten zijn do twee of drie eerste ringen van het achterlijf aanmerkelijk dunner dan de volgende ringen, zoodat het achterlijf door middel van een meer of minder dunnen steel (pcdunculus) aan het borststuk vastzit. — De achterste of eindsegmenten van het achterlijf zijn dikwijls geheel anders gevormd dan de overige, en veranderd in eigenaardige organen: tangen, borstels, legbooren of buizen, angels, enz.

§ 247. Ten aanzien van de spijsverterings-, bloedsomloop- en ademhalingsorganen, alsmede van het zenuwstelsel der insekten verwijzen wij naar bet daaromtrent bij de beschouwing der gelede dieren in § § 229, 230, 231, 232 en 233 medegedeelde. Hier voegen wij daar nog luit volgende bij.

Het vaatstelsel in onder de Gelede dieren bij do insekten \'t minst ontwikkeld. Het hart bezit meestal acht achter elkander gelegen afdeelingen of kamers en is door vleugelbanden (lig. 148) aan de omkleedselen gehecht. Van de eerste kamer gaat een slagader naar den kop.

De insekten ademen door luchtbuizen (§ 242). De uitwendige quot;peningon daarvan (nli(/}ii(i/o) zijn knoopsgat vorm ige spleten, meestal omgeven van een langwerpig ronden hoornaebtigen ring (pcrifre-tua), en bezet met nuar elkander toegekeerde, de Incht doorze-

-ocr page 227-

215

voiule haartjes. Hot stigma geleidt in een voor li of (afriu)») waaruit do Inchtbuizen ontspringen.

Het getal ademgaten of luchtgaten {stigmata) is gewoonlijk !) paren, soms 10, ook in enkele gevallen minder dan 9. Do mees-ten liggen aan weerszijde van hot achterlijf op de grenzen van twee ringen, meest in liet verbindend vlies van twee halfringen; aan de borat vindt men er drie. Aan den kop en de beide laatste achterlijfringen zijn er geene.

Voorts verdienen hier vermeld te worden de eigenaardige klieren , die vele insekten bezitten. Wij kunnen deze niet uitvoerig nagaan, doch merken evenwel op, dat sommige eene stinkende stof afscheiden; daartoe behooren de aarsklieren van sommige kevers. Andere scheiden eene scherpe stof af, die de huid doet ontsteken, wanneer men het dier aantast; dit is het geval bij sommige behaarde rupsen, bij welke die kliertjes onder de haren liggen, welke laatste dan buisvormig zijn en waarin zich liet uit-loozingskanaaltje der klier opent. Bij nog anderen (vliesvleugeli-gen) liggen grootcre klieren van dien aard (giftklieren) aan den voet van een angel (§ 230) aan het einde van het achterlijf. Eindelijk bezitten eenige larven (b. v. rupsen) cn enkele watcrkc-vers spinklicren.

De insekten loven \'t zij van dierlijk \'t zij van plantaardig voedsel. Do maskers (larven) van vele insekten zijn zeer verslindend en daardoor vaak zeer schadelijk; men denke b. v. aan de rupsen. — Het herstellingsvermogen, dat bij vele schaaldieren zoo groot is, gelijk wij later zullen zien, ontbreekt bij do insekten in den volkomen toestand, doch is bij het masker in meer of mindere mate aanwezig. Een masker, vooral van een Halfvleu-gclig insekt, dat b. v. een poot verliest, krijgt dien bij de volgende vervelling meer of niiu volkomen terug.

§ 218. De spierkracht, die de insekten ontwikkelen, is zeer groot. Om een paar voorbeelden te noemen: een meikever kan 14 maal zijn eigen gewicht voortslepen, eene bij 0,78 van zijn eigen gewicht al vliegende meêdragcn, eene vloo 200 maal verder springen dan do lengte van haar lichaam bedraagt. De snelheid van vlucht bij sommige insekten overtreft die bij de vogels, en zij kunnen hot vliegen ook langer volhouden zonder te rusten.

De geluiden, die vele insekten bij het vliegen doen hooreu, het „brommen,quot; zijn toegeschreven geworden aan het snel door

-ocr page 228-

2t(;

(lö stigmata in- cn uittreden d\'M\' liiclit, die tegen do randen dier openingen wrijft. Anderen schrijven zo toe aan trillingen, waarvan de vloHgelgewriehten do zitplaat» zouden zijn. Ook wordt beweerd dat het gebrom der Twee- en der Vliosvleagcligen bestaat uit een laag en een hoog geluid, waarvan het eerste van de Vlou-geïbeweging afhangt, het tweede daanmtegen dililraan is tocte-schrijven, dat de vliegspieren zicli niet inplanten aan do vleugels zelve, maar aan die gedeelten van den thorax, die de vleugels dragen, en dat hunne snelle samentrekking en verslapping de wanden van den thorax doen trillen evenals een stemvork. — l!ij de krekels en sprinkhanen vindt men aan den wortel der voorvleugels een dun, door een hooniring omgeven vliesje, dat hun geluidsorgaan is; bij de cicaden bestaat een meer samengesteld geluidsorgaan aan het achterlijf.

Ten aanzien der zintuigelijke organen merken wij, onder verwijzing naar § 233, aan, dat do meeste insekten samengestelde oogen bezitten, die dikwijls zoo groot zijn, dat zij een aanmerkelijk gedeelte van den kop innemen. Daarbij komen echter vaak nog eenigc enkelvoudige oogen of oogstipjes. De sprieten zijn voel-organen, volgens velen ook reuk-organen. Volgons nieuwe onderzoekingen schijnt evenwel een klein, vliezig, met haakjes bezet orgaan achter de bovenlip en vóór de keelholte, dat door een klier vochtig gehouden en door de ingezogene lucht getroffen wordt, hot reukorgaan te zijn.

§ 249. De veistandelijke vermogens der insekten schijnen bij sominige soorten vrij hoog ontwikkeld, te besluiten uit eenige handelingen, die niet wel aan het instinkt toe te schrijven zijn. Andere handelingen daarentegen, hoe opmerkenswaardig in hare gevolgen, kunnen slechts op rekening van het instinkt worden geplaatst; zooals b. v. het houwen van vaak zeer kunstige nesten en verblijfplaatsen. — Dat de insekten elkander op de eene of andere, soms voor ons geheel onverklaarbare wijze, hunne indrukken kunnen mededeelen, schijnt vrij zeker te zijn.

§ 250. Kenige weinige insekten (fnst.c.Ui i.mc.laholu) ondergaan geene gedaanteverwisseling. De Heehtvleugeligen, I lalfvlougeligen en vele l\'eesvleugeligen ondergaan eene, onvolkomi ne metamorphose (/. heiniiHC./tiJiola), en het masker blijft tot aan de laatste vervel-linf; toe eten. De Schildvb\'ugeligen, Sehubvlengeligcn, Vliesvleu-geligen en Tweevlcugeligen zijn onderworpon aan eene, volkomene

-ocr page 229-

217

geclaaiitcvenviaseling (holomalabola). Bij de innnkors van dezo zijn do sogineutcn van dc borst en liet achterlijf, behalve in grootte, nagenoeg aan elkander gelijk; sommigen bezitten, behalve drie paar borstpooten, nog pootjes aan ecnigc segmenten van het aeh-tcrlijf, gelijk men o. a. bij de rupKcn (de inaskerrf der vlinders) kan zien. Eenige maskers (die* der Vlies- en Tweevleugeligen) licbbcn geheel geone pooten; men is gewoon deze maden te noemen.

Soms is do poplinid week en do pooten vrij (Kevers), soms hard, en sluit dan de pooten in (Vlinders), soms ook is de pop ingesloten in de verdroogde en verharde huid van het masker (Tweevleugeligen). 15ij eenigen is de pop in een spinsel (cocon) besloten, hij anderen in saanigerolde bladeren of in aancenge-kleefdo aarde of zand.

Als stellingen kan men aannemen: „geen insekt komt gevleu-gold nit bet eiquot;, en „geen insekt groeit meer, nadat het de verpopping beeft ondergaan en vleugels heeft gekregen.quot; De kleine vliegjes zijn dus niet jongen der grootere, zooals men wel eens meent, maar andere, kleinere, soorten van vliegen.

j? 251. De levenswijze; der insekten is zeer onderscheiden. lgt;e ineesten loven op lu^f land, in de lucht, sommigen in zoet water, maar geene in do zee. De maskers en poppen van sommige land-insektcn leven in bet water; van de maskers der mug is dit algemeen bekend.

De levensduur der insekten na hunne laatste vervelling of gedaanteverwisseling is sleelits ecnigc weken ot\'inaanden, zeer zelden jaren, zooals bij de Hijenkoningin; — eenigen leven in den volkomen toestand slechts eenige uren of weinige dagen, zooals bet Haft. (J\'jphcincra).

§ 252. Men verdoelt de insekten in K orden, die der I Sehild-vlengeligen, 2 Hecbtvlougcligcn, Peesvlengeligen, 1 l\'iooivleu-geligen, 5 Vliesvlengeligon, (j Stdiubvleugeligen, 7 Ilalfvleugeli• gen, K Twoevleugeligen.

§ 253. Eerste, orde. S eb il dvI c,uge I ige n (Colroplera), Kevers of Torren. Vier vleugels, waarvan de voorste hoornachtige of le-deraclitige dekscluldcn (^ 210), de. achterste vlii\'zig zijn. De laatste zijn in den staat van rust dwars toegevouwen, en onder

-ocr page 230-

218

do nedcrgcslagon dekscliildou vorborgen. In pnkoln gevallen met elkander vergroeide dekschilden, waardoor het vliegen onmogelijk wordt. Do gedaante dos lichaams is langwerpig of ovaal. Een sterk ontwikkeld voorborststuk. liet middenborststuk is klein en bij gesloten dokschildon alleen zichtbaar als p-mi klein driehoekig schildje (■iciiteUnm) tussehen hot begin der dokschildon. — Monddeele.n tot bijten en kauwen ingericht. I5ij eenigen is dc koji tot een snuit verlengd, aan welks uiteinde zich do monddeolen bevinden; aan weerszijde van dien snuit vindt men een voeler (fig.

151). — Dc pooten zijn ingericht tot loo-pon en grijpen, soms tot zwemmen (fig.

152), in onkolo gevallen tot springen. — Twee vrij groote saaingostolde oogen. Sprieten zeer verschillend in vorm en lengte, soms zeer lang (Boktorren). — Volkom ene gedaanteverwisseling. Sommige maskers voeden zich met dierlijk, andere met plantaardig voedsel, en dit is ook mot do volkomen insekton \'t geval. Het maskor (fig. 153 , 155 ■, 156 Ij) heeft aan den kop in de eerste geledingen eene hoornachtige, maar overigens een weeke huid. De pop (lig. 153 d, 156 c) is meestal geelwit van kleur, loopt en kruipt niet, evenmin als zij zich voedt.

Naar gelang van hot aantal leedjes van den tarsus verdeelt men do Schild-vlougcligen in vier groepen.

§ 254. Geslachten on soorten. I. l\'cntaimra. Vijf leedjes in den tarsus.

1. Zandkever (Croindcla). — Veld-zand kever f (O. campestris); Gewone zandkever f (C. Injhrida).

2. Loopkever, Schallebytcr. (Oarabus), — Gouden L. f (C. auralus), Violette loopkever f (C. violaceus) ;

lt; \'aiosoma syaqihtiida).

schildje Fik\'. 151.

Pk\'. 152.

iö;-!.

l\'raehtkovcr f ((\'. of

-ocr page 231-

219

3. Bombardoerkever {Ttrachmus). Z. Europa

I. Watertor (Ih/liscus), — Randwatertor f {D. murtjinalis); liiecde watertor f (J). lalisshnus),

gt;. Draaikovor (Gyri\'nus). — Draaikever f

JBwwTv BwwTv na,aiquot;r)-

J\'ïliiil 6. Voelertor Clli/drophilus). — Zwarte wa

tertor f {11. piceus).

7. Aaskever (Si/lpha). - Roodlialzige aastor f (iS\'. thoracica).

8, Doodgraver {Necrophorus). — Gewone doodgraver f (A7. vespillo).

Roofkevcr {Slaplnjlhius). — .Stinkende roof kever f (Sl. olens); Ruige roofkevcr f {St. Jiirius).

10. Stenns (Stemt*). — Twoevlekkigo Ste-

nus f {St. higntlatus).

1 1. Krcngtor (Uister). — Zwarte krongtor f (//. carbonarius).

\\\'2. Basterdkrengtor {KitidulnJ. - Twecvlakkige basterdkreng-tor ■[■ (A. bipHstitlntfi). .Schadelijk vooi* kool, raapzaad enz.

13. Cucujus, — Scharlaken eucujus {C. sanguinolentus). /. Amerika.

14. Spektor {Derincstcs). Gewone spektor f {Tj. lardarius).

15. Pillenkever {Ihjrrhus). Gewone pillcnkover (/gt;\'. pihtl.a); Aaskever der verzamelingen f {H. o( Anthrenus mitmcorum),

16. lloornkever {Dynastcs). - Zuid-Amcnkaanseho If. (D. Hercules), met een hoorn tot 15 centim. lang.

17. Goudkever {Cetonia). — Goudentor f (C. aurata).

Gewone B. {li. crepitans),

18. Meikever (Mnlolottfha). Meikever, molenaar, mulder f (il/. valyaru); vreet als larve de, wortels van jonge hoornen en andere gewassen, als keverde bladen van de boo-

1 Do bomljar(loorkovor.s verilodigeu zich door uit den aars liorhaaldo-lijk van eon onti.lofflng vergezeldo seholen te doen, waarbij eon scbcrp vocht ontlast wordt, dat op de hnid roodo jeukondo vlokken te weog brengt. Dat vocht wordt door tweo kliorljcs in hot achterlijf afge.schoidon.

-ocr page 232-

220

moil wog on wordt danvdoov zeer scliadolijk. Duinkcvci\', Julijkcvcr f (M. fullo).

19. Drukkevor (Coprin). Clowoiie 1). t (C. fmar!»). iH). ü.iliolli\'i\' (Alniclnis). — lloiligo kever der Egyiitciiarcn

(A. saner),

21. Hertkever (Liiccuius). — Vliegend hert f (/quot;gt;. cervus).

22. Mestkever (C}i;olrupe.«), — Mestkever f ((■\'. Ii/phaeus).

23. Springkever (Ktalcr). Gowone siiringkovcr f (h. nuifi-iiiih)\\ liielitkover, Vuurvlieg mufiluous), Suriname.

2 1. Praciitkever (Jhiprcs/is). — lira/ilisclie prachtkever (/gt;. giijdiitca.)

25. Glimworm (Tjiimpyt\'is). — Gewone glimworm j Johanues-worm f (//. nocliluca).

26. Houtkever (Anohiuni). Houtkever, boorkever, klopkc-ver f (-\'■ striatum on .1. pertina.c). De larven zijn dc zoo-gonaamde lioutwormon, die, de meubelen doorknagen.

II. I tele romerei. Aan do tarsi der laatste achterpooten 1, aan do overige \'gt; lecdjos.

27. Sluipkever (Triirhrio). — Meeltor ^ (/\'. molilor],

28. Doodentor (IIUips). — Gewone D. f (H morliswja of

fatïdii\'Ai).

29. AardvlOokevcr (MordeUa). Gevlekte aardvlookever f (.1/. famiuta)-

ito. Meiwormkevor (Mr/oe). — Blauwe meiworm f O1\'- pros-

(•(irahac.Hs).

\')1. Spiianscho vlieg (Cantharis of Lytla),— Spaansche vlieg {C. of //. vcxicaforiti). Zuidelijk Europa.

Vuurtor (Vijrochrua), Vuurtor, Kariliuaalkcver 7 (/\'.

coefhuia).

11 f. Cvyptopcufcinii\'ru. Vier duidelijk eu onduidc^lijk waarneein-harc leedjes aan eiken tarsus.

33. Snuitkover [CuycuUo). Deiinesmiitkover f {C, of lljjlo-

hatus abiv.tis). Seluidelijk voor naaldbooinen.

2 1. Klander (Oilandm). — Gewone K. f (C. (jranaria). .quot;gt;5. Bloem snuitkever (Anlhonomus), — Appclsnuitkevcr f {A. pomorum) x,

1

Do Ifirvon van do/.on kovor iu don bluesom van appol- en j)Ooro-hoomon wordon ton onrochtc aan do zwarto vliog {Bibio Marei looge-seli roven.

-ocr page 233-

221

.\')0. Ziiadtor (Jlruchus). —■ Erwtonkover f /jini). Scluulelijk voor do poulvniclitcii.

37. Hoomkcvor (Bostriuhus). — liorkcuboomkcvcr f (/gt;. lavi-ais); Lctterzcttcv /• (ü. tijpoyraphiis). Bi\'idc zooi1 schado-lijk voor naaldboomcu.

38. Hastkuvor, Dennensclicerdor (Uylesiiiuii). — Gewouc lgt;. f (//. piniperda). Als liostriehus.

31). /aagkevcr (Priouiis). Hertslioornbok (I\'. of Atncrodoutin cervicornis), 13 i\'eiiÜMi., lang; Brazilië. 15rniiic /. f (1\'. coriarhis), 3,5 contim.

40. Muskus-boktor (Aromia). — Muskusbok . Ko/.cnbok f (A. moschata).

41. Populiertor (Sapmla). —• Gewone 1\'. f (lt;S\'. rxifchariax of populuea). Scbadelijk voor populieren.

42. rapijtbok (Acyocinus). — T. \\a.n Guyana , Ailequin de, Cayenne (-1. lonniiiiaiiiin).

43. Boktor (Ocrambyx). — rinimerman f (witiils),

44. Leliokevcr (\'Lenui of Cn\'occris). — Lelietorrotje f (/.. of 6\'. merdiyara),

45. Sebildpadkevcr (c\'assida). Groene S. f (O. cquimUls).

40. Aardvloo (Ild/tiai), — Gewone A. i\' (//. olvi\'ncea, nc-mormn, clirysoccjjhala). 47. Goxulliaantje, (Ohfysomcla). — Goudhaantje, Moertje f (Ch. poli/a) \\ Coloradokever, Aardappelkever (Ch. of JJoryphora dcccinli/ica/a). N. Amerika. Zeer schadelijk voor de aardappelen.

IV. CryptoMrame.ra. Drie duiilelijk en één onduidelijk waanicum-baru leedjes aan eiken tarsus.

42. Lievoheersbeestje ((\'ucciiic.lla), I-iieveheersbecstje , hie-vebeorshaantje, Koffij-eugeltje f (C. ncijlciiipiiur.lata, hi-punclata euz.)

§ 255. \'l\'wcede orde. 11 e e h t vl e u ge 1 i g e n (Orthojitum). Vier vleugels, waarvan de voorste min of meer leder- of perkaiuent-

-ocr page 234-

i

I

it

1

k i

r\'

I

i

m-htige deksdiilden vormen, de aelitcrste vliezig en doorscliijnciul zijii en, in den stuat vim rust, in do Imyte. waaiervormig liggen opgevouwen. Enkele hebben geen vleugels. Meestal een groote kop met 20 mede veelal lange sprieten. Monddeelen tot bijten inge-richt. Ken langwerpig, gems van een tangvormig orgaan voorzien

en bij de wijfjes van vele soorten in oen legpijp eindigend achterlijf. De pooten zijn of allen even lang, of de beide voorpooten zijn grijppooten, óf de beide achterste pooten springpoo-ten: langer en krachtiger en met veel dikkere dijen dan do overige. Twee groote zijdelingsche samengestelde oogen mot facetten. OnVtilkoitiene gedaanteverwisseling. De meeste halfvleugeligen leven van plantenvoedsel, doch eenige (oonvorm, kakkerlak) van dieren.

§ 256. Geslachten en soorten.

1. Loopers (Cursorcs). Plat lichaam; matig lange pooten , tot snel

11

-ocr page 235-

5. Wandelend blad {Phylliutu). — Wandelend hind {Ph. sic-ci/oUum). Ti\'o])iaclio gewesten der oude wereld. Ili. Springers (S(Ulatorcs). Achterste pooten lang mot dikke dijen, ingericht tot springen.

li. Veenmol, Molkrekel ((Iryllotalpa), — ( xC-wonc veenmol f {(!. vulgaris). Seh adel ijk in akkers en tuinen.

7. Krekel (Crvylliis). — Veldkrekel f (G. canijii\'Kfn\'x); Huiskrekel , Sehoorsteenkre-kel f ((!. domeuli-cus).

8. S;il) elsj)ri]ik Iia ;in( /,o-custa). ■— Groene sabidsin-inkhaan f (/.. i;!n\'(li»vima),

!gt;. Sjwinkhaau (Acruham), — Gewone sprinkhaan f (.1 hiijul-Uitum); 1 reksprinkhaan (.1. miyratorium), Voor de landen, waar zij in zwermen verschijnen en alle gewas vernielen een ware ramp.

Franjestaartigen (Thysanura). Geene vleugels. Aan \'t achtereind des hchaams drie borstels (TjCpiama) of twee staartvor-niig(3 aanhangsels, die tegen den buik kuimcn -worden omgeslagen en als springwerktuigen worden gehrnikt. Het lijf met haartjes ot schubjes bezet ^ enkelvoudige oogen: geen motamorphose.

10. Suikergast {Tjepisnia). ■— Gewone S. f {!gt;. sacchnrinn) , in spijskamers, tussehon voddige boeken en/. Zeesijringer (Mac/iihx). - (icwone. /. f (.1/. mari/iniuf).

Sjningstaart (I\'uduni). — Zydeha-rige S., Plantvloo f (1\'. holosi\'r/rca), onder afgevallen bladeren, enz.; l.lsspringstaart (/\'. of DcKa-la ijUi-oiahs), iiji bel ij» der gletachers in Zwilserlaiul.

In andere stelsels vormen de laatste geslaeliten de orde der 1\'ranjestaartigen {\'lliijsaiiuni); in de eerste uitgave van dit bock

IV.

-ocr page 236-

vormden zij met do geslaehtcn Vloo en Luis do orde der üngo-vlougoldeu {Aptera).

§ 257. Derde orde. lJ c os vl c u g el i g e n of N e t v 1 o u g c li go n (Nc.iiroplcraj. Vier vliezige of gaasachtige, met een lijn netwerk (§ 245) geaderde vleugels, die allen nagenoeg «ven groot zijn en waarvan de achtersten moestal geplooid kunnen worden. Monddeelen tot bijten, zuigen, en soms tot kauwen ingericht. Tarson meestal vijlledig. Twee samengestelde oogon en oog8ti|ipcu. Geen angel, zelden eene legi)iji) aan het achterlijf. Achterlijf doorgaans verlengd en week. Voorborststuk betrekkelijk klein. — Spricten draadvormig, veelledig. Veelal nog \'2 of .\'5 enkelvoudige oogon behalve do samengestelde. — Godnantevonvisséling hij eenigen volkomen, bij do moesten onvolkomen. De maskers leven meestal in f water, deels op \'t drooge. Velen leven van dierlijk, andore van plantaardig voedsel.

§ 258. Geslachten en soorten. Alle inlandsch behalve 3.

1, .Met onvolkomen gedaanteverwisseling (Iloniinttahola),

1. Houtluis (1\'sociis), — Tweestippeligo II. (I\'k. bipunc,talus); Bonte II. (Ps. vnric-go/nu),

2. lloutkloppor (Alro-jiokJ, — Doodsklop-portje (A. pnlsalo-ria).

Termiet (Ti rmes). — Afrikaansche T., Witte mier (7\'. fatcilix)\\ Boonitcrmiet (\'l\'. arlonnn) Afrika; Europeesehe T. ( /\'. lurlfi^ias), in Z,-Europa, ook in Frankrijk tot aan Koeholle; graaft holen in hout.

4. 1\'arelvliog (1\'cila). — \'l\'weestaartige (/\'. bicaudata).

5. Haft (Kyhiiiirra). — Haft, Oevcraas (K. Swammcrclammil, vulgata en lacte.a).

0. Kombout (l.ilicllula). — Glazenmaker, I\'uistebijter (/.. vuti/ityis),

-ocr page 237-

l2\'2\')

7. Xiinf (Aeslma). — Grootü Wateniimt\' (,I. ijraiiditt.)

8, Jutter (Ayn\'oii). — lilauwr Jutter (-1. of GaUojileryx virgo). I. Met volkomen gedamilevorwisseliiig (Mclahola).

Gaasvlieg (llrMerohitm). — Gewone (i., Stiiik.-r (B. perla). 10. Mierenleeuw (Myrmcco/con). — Gewone M. (.1/, foniil-canusj,

Jl. SohorpioeuvUeg (Panorya), — Gewone S. (/\'. vulgaris). lt;-• Wafcrmot, Kokervlieg, Seliietmot {Phryyanm). — Gewone l\'Mg. 103. W\'- tP\'MHl1\'*}- — Uc l\'liryganidon liebben uiter

lijk \\ eel vuu groote motten. Ifumie in liet water loveiido iii.ukcrs zijn iiig(\\sloteu binueu ;i:m elk eind opene kukertjes, die uit :dlcrlei d.ior een «pinsel vereeniyile stollen; - -z:uid, )gt;lml ,i\\ezel /.ell\'s kloiue acli(d|)Job, beHtaun. Voor zij in ijojipen veranderen,

M.i-ki\'r van «Irn . •• i i • i

Mi.rml.\'.iuv. HpnillCli ZIJ dn bcKh\' opcuiii^M ii des koker, (licht.

§ 25!). Vierde orde. PI o o i v 1 e u g e 1 i go n , Jthytip.

tcraj. Kleine Inse\'ktcn (van .quot;i tot I uiillim. lengte) waarvau de itnuine-tjerf groote, (Irirbnekige ;iebtervlou(;:el.-lt; bezitten, terwijl van de voorvleugel» quot;1 dekseliiblen sleclils rudiinenfi\'ii, aan do punt opgerolde

stomjijes, aanwezig zijn (§ 245). Don. Iitervleugola worden in den staat \\ iin nu l in de lengte,waaier-\\ aelilig,geplooid. Meestal vnrksge-j wijsgospleten sprieten. Samengc-\' stolde oogen. Weinig ontwikkelde, niet tot bijten geselnkte, sabel-VOnnigo kaken. Hot aehtorborst-stvik groot. De wijfjes bezitten vleugcis noeh pootcn en ook geen oogen , en leven in het achterlijf van bijen en wespen, « aur zij \'ook bare eieren leggen en waarin de larven leven , tof dat deze zich in bet lijf van bijen- of wespen-larven inboren. Volkomcuo gedaanteverwisseling. Di ze dieren leven in den volkomen toestand slechts kort, sornmigo slechts eonige. uren. 1

1 Amlorou brangon do Plooivleugeligon tot do öchildvlougolijjan, woor aniiorou tot do Poosvlougeligou.

-ocr page 238-

§ 2 (JO. Geslachtcu en soorten.

1. Stecloog (Stylops). — Uijen-.Stceloog f (S. meliltne).

2. VVcspontor (Xnnos). — Wospentor van Roas f (A\', Rossi).

stukbijten, maar niet voedsel opnemen door Fig. 165.

g 261. Vijfde orde. V liosv 1 enge 1 igeu (Ilyvinopkra). Vier vleugels, die alle vier vliezig, niet sterk geaderd, cn doorschijnend zijn. De voorvleugels zijn grooter dan de achtervleugels Inden Fiy. 104. toestand van rust liggen de vleugels ho

rizontaal op het lijf. Aan den voorraud der achtervleugels bevindt zich eene rij haakjes, die om den omgebogen achterland der voorvleugels hccngrijpeii, zoodat beide vleugels hij hot vliegen écne vlakte uitmaken. De kop is vrij en bewegelijk. De hovenkaken dienen tot vasthouden cn tot kauwen, daar de Vliesvleugeligen huu ecu zuigsnuit, — met eenige uitzonderingen, waaronder de Mieren. De zuigsnuit bestaat overigens uit de gewijzigde onderkaken (§ 244). Twee grooto samengestelde en drie enkelvoudige oogen. lletborstgadceltc , dat een zeer klein voorhorststuk l)ezit, is dikwijls door een soms zeer dunnen steel aan het achterlijf verbonden, liij de wijfjes vindt men aan\'t achterlijf meestal eene legpijp of legboor of een angel, liij het verwonden niet dezen laatsten wordt tevens een giftig vocht in de wond uitgestort. De tarsen zijn meestal vijfledig. — De vliesvlcugeligo insek-ten ondergaan eene volkomene gedaanteverwisseling; do maskers zijn a tfiftklk-r, 6 uitlooziiig.-bnis . c v. r- .

/. • 111 • ■ 1 j 11 • i • 11 s, lt;1 uifvl\'M ÜMK\'kon.i li . . HKM\'st jiootloo/.o lllJldcn ^ H O III Til 1^\'O CCIlquot; st\' krl in di\' relied»!, ƒ puut dos «tn- . . ... . ,,

küN, «terkor vrgroot. tci\', ZOOHlS (110 uCl\' Jjllt;l(l~ (\'11 iJ.OUi~

1 Aan lt;1^ oiiflersclumleno aileron dor vleugels en a/m rle door dozo govorindo vakjoK (rollen) hoeft men hijzondero nanion gegeven.

-ocr page 239-

I

227

wespen, bezitten pooten. /ij loven in iifgesloten riiimteii (cellen dor bijen en wespen), of in hot lieliaam van andere insekten (sluipwespen) , of in uitwartsen op planten, die door den steek dor moe-dei- veroorzaakt worden (galwespen). Al deze zijn maden zonder pooten en zonder aarsopening. De van pooten voorziene larven ^inet (j borstpootoa (üi 1-1 tot I (i achterlijfspooten) leven vrij op bladen en/. — Die vliesvleugelige insekten, wier larven in andere insekten leven, loggen doorgaans hunne eieren door middel der legboor reeds in do larven dier laatste. De uit het ei gekomen larve voedt zich dan alleen met het vet-lichaam der larve, waarin /ij besloten is, zoodat de/e blijft leven en zich verpopt; wanneer dit echter geschied is, vreet de inwonende larve do gansohe pop uit, en verpopt zich dan zelve. Zoo komt dan niet zelden uit een pop, waaruit men 1). v. een vlinder verwachtte, een sluipwesp te voorschijn.

De Vliesvleugelige insekten zelve leven meest van bloomsappen enz. Vele, zooals de bijen, wespen en mieren, leven gezellig bijeen, en hot is bij deze dat men een /eer ontwikkelde kunstdrift aantreft, vooral blijkbaar in liet bouwen van woningen, terwijl voorts hunne geheele levenswijze op een boog ontwikkeld instinkt duidt.

§ 2G2. Geslachten en soorten. Allen inlandseh.

I. Van een angel voorzien (Ifyuicnop/iTd aonle.ata).

1. Bij (Apis). — Gewone honigbij f (A. mdlifica),

Hommel (Bomhu*). — Tuinhomniel -/■ (//. /iortontm); Aard-hommel f (quot;• lerrcstris).

3. Woudbij (Andrcna). — Grauwe en bronskleurige graaf-, zand- of woudbij f (-\'• cinerea en niyrodiinm).

i. Houtbij (Xylocopa), — Violette II. f (X. violacea).

J). Bladsnyder (Mcync/ula). — Rozen- en berkenbladsnijder f (.1/. centuncularis en he/nlinci).

Bloorabij (Anthophora) — Gewone 1gt;. f (A. of Anthidium manioahim); vliegt zeer snel.

V. \\\\ esp (Vcspa). — Gewone \\N\'. •(• (l\'. vulgar/n), Groote W. t (V. erabro) onze grootste eu gevaarlijkste soort; Ger-maansehe W. f (1\'. germanica), nog veelvnldiger dan lt;le gewone \\V.

H. Graafwosp (Orabro). — Zeefwosp f (CV. crihvaritu). Zandwesp (Sphex). — Gewone /. f {Sph. sabulosa).

I i

-ocr page 240-

228

HlH

10. Goudwcsp (Chrysits). — Gewone (i. f (Ch. Kjnday.

11. Mier (Furmica). — Koodn M, f (V- Kwarto M. t niyra).

II. Met (urn logboor CSIphonoijhura).

12. Sluipwesp {Ichneumon), Zwarte S. f fl. coinltator); Gele S. f (/. luteus); Groote S, f (■\'• \'J\'rcxjus hrforiiis).

13. Ephialtea (KphiaUvs), — Groote E. f (A.\', of l\'ompla vianifcstatov).

14. Kulf-sluipwest (Spalhiun). — Gewone Iv- f {S. clacalus) ,

Fiff. IGü.

l\'ijUvosp.

p f 1

Dl ,

is nuttig door hot vernielen van do larven der houtkever». 15. Pijlwesp (1lt;1o(;iius), Gewone P f

(l\'\\ jaculatorj.

l(i, Galwesji (Cynip*). Eikeublad-gt;=gt;. \\ galwesp f (C. \'jue.rcus foLii)\\ Ilo-

J a % zengalwesp f {C. of IfkOditen ro-

\\ «««); Verfgalwesp O. (jalLai: tiur.-

loriae), Kloin-A/ië; levert de gebruikelijke galnoten.

17. Iloutwesp (SiiexJ. — Groote 11. f (S. (jiijus).

18. Bladwesp (Tatlkri-ilo). — Ge-wiini^ li. f (T. Hcaiarin); Dennonbladwesp f \'/\'. of Lo-phi/rus pini) vernielt soms gansohe sparrebosschcn.

ij

Ri

§ 2(;3. Zesde orde. S c li u b vl(Ul g ol i g e n of Vlin

ders. Vier groote vliezige vleugels, die bedekt zijn met gekleurde schubjes, welke dakpanvonnig over elkander liggen, en met een fijn steeltje in de vleugels zijn ingeplant (lig. Iü3). Kop zeer beweeglijk. Lange, gelode en verschillend gevormde sprieten. De monddeolcn tot ecno spiraalswijs lt;»pgc-wondeti zuigbnis of roltong vergroeid (fig. I 15) waarmede de vlinders bet sap uit de bloemen enz. kunnen Opzuigen. Met de fijne puntjes aan \'t uiteinde dei-buis seheuren zij de noctarien der bloemen open, terwijl een aanhangsel van het spijskanaal, dat vóór in bet achterlijf is gelegen, de zuigblaas, het vocht \'t ware (i|i|iiiiii|it. Do overige monddeelcn zijn slechts wrinig

Fiquot;. 11)7.

1.

)

-ocr page 241-

220

ontwikkeld. Gfooto samejigcstt\'lilo oogon , bij conigo nog twoo cnkel-voudigc oogjes bovou op don koj). De borstringcn met clkiindoi\' vcr-I\'ig. 108. grooid. Ggcü angel noch

legboor. Volkomen gc-daanfo verwisseling, liet P_ iniiskei- (rups) loeft meest van planten, vervelt ver-sclicidenc malen, spint Uups vnn Paptllo Machaon. zich eindelijk in, en gaat

alzoo tot den staat van pop over, die vaak binnen aen eoeon (§ 250) besloten ligt. Uit die pop komt dan na korteron of langeren tijd do. vlinder te voocscliijn. De rupsen hebben zes pootcn aan de bórst-ringen; do vierde en vijfde ring zijn zonder pooteu, en clan volgen nog eenige paren aeliterpooten of vidsehe j)ooteii. Zij bezitten conigo paren enkelvoudige oogen en korte drieledige sprietjes. De mond-deehm der rupsen komen vrij wel met die der kevers overeen en zijn tot bijten ingericht.

Gewoonlijk verdeelt men de vlinders in ddi/linfti\'i\'s (T)iurna), civondvliiidci\'s ((■rrjtiisai/itria), en nachtvliiuh\'.rs of uilcu (Nnrturna). De eersten worden gekenmerkt, doordien in den staat van rust de vleugels rechtop togen elkander gevoegd staan, terwijl do sprieten meestal aan de verdikt (knodsvormig) of geknojtt zijn.De avond- onnacht-

Kig. ICi).

-ocr page 242-

230

ton zijn spoelvormig, of kainvormig, borstolvomiig of pluimvormig cnz. Tusschcu do avoud- on iiaclitvliadcrH Is ovcnwol mociclijk couc grens to trokken.

§ 264. Geslachten en soorten.

I. Dagvlinders (Lepidoplera diurna). Slank lichaam; goon liij-oogen. /ie vorder boven.

1. Witje, Boterkapol (Pmns). — Gewoon witje, t soorten f (P. brassicae, rajxtc, napim i:ratalt;\'r/gt;). Do drie eersten aciia-(hïlijk voor kool, rapen en mostaard.

■gt;. Citroenkapel (CW/os). — Gewone Citroenkapol f (t\'. rhamni). 3. Ximfkapcl, Schoenlapjici\' (Vam-.xxa). — l\'auwoogvlindoi\' f {V. I(j)\\ Koningsmantel f ( V. An.llopa); Distelvink f (V. car-dui); Admiraal f (V. Atalanta).

Fig. 171. 4. Kocvink (Sali/rus)— Gewoon koevinkje-f (/S\'./A//-pcrantltns) \\ Znndoog f (/.. o(IlipixircJiiajanlra), 5. I\'arolinoervlinder (Aryijnnis). Grooto ParelmotM-vlinder f (A. paphia). Gewone parelmoorvlindci\' f (^1. laionia).

(i. Weorsohijnkapel (Xympliulis), — [risvlindoi\' f (N. iris).

7. lUauwtjr (f-ii/cdi\'/ni), — Gewoon blauwtje f Ji. Alc.rix); Bdikcnvliiuior f (//. of J\'hc.cla Ijctnlac-); Eikenvlinder -f- h. of Th. micvcus). 8. Uiddcrkapel {Vdpilm). — Klt;)ninginne-|iage f (/\'. Mai-havn). 1). Dikkop (Ifi-xpcria).— .M;ilvak)i|Mtl y (//. Afnleae),

l\'iquot;. I7Ü. quot;• Spanners, Landmeters (Oeomc/rina,),

____Een dun lichaam mot grooto i\'ii

broedc, in rnst dakvonnig liggondo vleugels mot Imakjos. Geen bij-oogcu,

- .___^ ^ Bij de rupsen is de tnssehenruiinto

tussehon voor- en aehterpootcn groot; bij het gaan plaatst de rups eerst do vier achlerpooten dicht bij de voor-pooton, zoodat liet lijf zich naar boven kromt, waarna hot, zich mot de aeh-ter.ste pooten vasthoudendo, hot gan-scho voor- en middenlichaam naar voren uitstrekt. 10. Landmeter (O\'come/ra}. — Ilnrlekijn f (O. yroiisidarial(t)\\ X\'lierspannci- f ((gt;. sainlmcuviiL),

Movi\'ii- on ondorvlcuprol vai Sjthlu.r Ut/wdri :\\u\\\\ dn ondcr/ijdc nu l het vli ugtdhnnkjo.

-ocr page 243-

231

11. Bessenspanraiisvlindor (Zerene). — Bonte li. -/■ (Z. grossu-lariata.)

12. Larentia (Larentia). — Winterspanncr f (/.. hrumalis).

III. Avondvliiuloi\'s, S|ihinxon (Sphinylda), Ecu dik voorlijf; spitH tocloopcnd aclitorlijf; ceu lange roltöng; vlougols mot haakjes, in rust horizontaal. Meestal geen bijoogen. Verpojipen zich in don grond.

13. PijlHtaaitkapel (Sphi ito:). — ücnnepijlstaart f (Sjih. 2\'inlt;in/rl)\\ Liguster pijlstaart lujaxtri); LiiKhiiiijlstaart f (Sjih. Tiline, Smerinthus tiliae); Meekraj) pijlstaart (Sph, stella-/oniin)\\ Doodshoofdkapcl f fSph. atropos, Acherontia Atro-pos) \\ Olifantje, Zwijntje, Wijngaardvlindcr f {Sph. Elp,-nor en Porcellus). Moest allen in meer of mindere mate schadelijk.

14. Glasvlougel (Sesia). — Hommelkapel (tgt;. apiformis).

IV. Spinners (lioinhycida). Men dik lichaam, vaak wollig behaard. Vleugels in rust dakvormig, zonder haakjes. De mannetjes levendig, de wijfjes zoor traag; verpoppen meest boven den grond.

If). Proco.ssievliuder (Cne(Iwcampa). —Gewone 1\'. f (C. proccs-sionaeaj. Aldus genaamd van wege het in geregelde scharen optrekken dor rupsen, voor zij gaan verpoppen. 10. Vorkstaart (ITarpyia). — Groote V. f (//. vinula); het achterlijf der rups tot twee spitsen uitgerekt.

17. Beervlindor {Ardia). —■ Groote B. f (y|. of Ohclonia Caja)\\ Kruizemunt I!, f {A. mcnlhae).

18. Donsvlindcr (Li paris). — Stamuil, Plakker f (L. chri/sor-rhaca.

li), lloutboortbn- {Oossus). — Wilgonhoutvlindorf (C. litpiipcrdaj.

20. Onechtc wondkapol. {Zt/yatna). —■ Ht. Janskiipel ■]■{/,. jili pcndula).

21. Spinner, {llotnbi/xj. ■— Non f {H. ]\\[onaclia)\\ —Busterl-Satijnvlindor f (\'/l. chri/sarrhoea) en Uonsvlinder f {11. nu-rifluaj, wier ruige rupsen zeer schadelijk zijn voor vrucht-boonion. Zijdoworiiikapol (/lt; rao»-)), oorspronkelijk uit (üiina; Japanschc /. (ö. of Aliacus Yuina mai)\\ Bengaalschc Z. {li, of A. n\'dni). Bingelrupskapel f {U. Xc/iNtiua),

22. Saturnia. {Saturnia). — Nachtpauwoog t (\'S\'. mrpiui); Atlas (lt;S\', Alias), O. Indio en China.

-ocr page 244-

V.

I ilen (Koctuina), — Eon brooil, van aolitcron ajiila lijf, vleugcis donken- pckli-unl, inocslul met vlcugollmakjcs, in rust (inkvurini^. nij-oogi\'D. V\'ci\'poiipcn moost in ilon grond. 23. W.\'ivkind (\' \'\'iloml/t),— liund wcosldnd (( \'. nujila, Xochia nupfci) ; Blauw wet1 kind (C. of Xoc/ita frti riui) ■ Aardap-piduil f pvonnlia)\\ Kooluil f (A, lyrassiw),

2-1. Trachea {\'li\'a ohm), — GoBtrcopto döuncrnps-kapel 1\' (7\'. pini/n\'riht). 25. (rondnil {Plwt\'a). -—Pistooltje. Gamtnii uil t (/\'. (/lt;01111111); Jota-uil t (/\'. iota). \\\'l, Motnelitigen (\'/\'hiiu\'iia),

Rleinvlinders (Miot\'olrpidop-

Ic.ro) Kleine, vlindertjes mot smalle vleugels en stork ontwikkelde lipvoelers. In rust liggen de vleugels horizontaal of om hot lijf geslagen.

Ijiehtinot (l\'i/rohx),— \\rtinot i\' (/\'. jitiH/niiKi/i\'*).

Wasmot {Gallcria). • t!e,\\vonc \\\\ . f (Ci. c-ivJla).

liladroller iloi\'/f /*), — i\'.ikeliladroller, ei ken mot Til\'. rirlffagt;tlt;t)\\ Wijngii nrdl»l;i(lr(tlloj- ; 7 , r/fmiii).

Mot /\'/«(;«). Koorumot ( /\'. yrnmlla); l\'elterijmot f {\'i. pc!

Klemlerinot f mrrlldla) ) Tapijtmot t (7\'. tam-

zclla).

N. ilcnnol • l\'li-i-oiJmriini. ■ Vijfvederigo mot v (/\'. pnilrolach/-/quot;■lt;). Hij dit dicrlje en «teiiigo verwnnle gi\'shiehten en soorten zijn ilc \\l\'ii!;\' U tot bijim aan den wortel in vederaelltigo -Irooken vcnxlocld.

;in

2(1:quot;). Zevende orde. II al fvl engi\'1 igc.n (U^mlpti-ra). Snavel-insokti\'ii \'h\'ilai \\ i\' i vleugels, wa.uvan de V\'ioi-~f(! tot in hot

midden hoorn- cl lederac htig (halfschildeii ,§ 245) ziju , of ook wid

27 ■28

2!)

1

In tcffMin-sf\'llin;r doze noemt meu al de n\\-erijr(; \\-linders

(irnntvlindi\'r {Miirrotiipni\'/ilci\'\':). li.. ;;rrnzen tiiss.:li(m il(gt; (Imot- en Klein- vlinders zijn intnssidnJü vrij willed,1 urig\'.

-ocr page 245-

goliool vliezig cu weinig Inirdcr dun dd Dfi inondilro-

lon vergroeid tot een snavel of /.nig.snuit. Dc/e bestaat uit oono sclieedo, die, de onderlij) is, met opwattrts gebogen zijranden, wimrin drie sclicrpe borstelharen, waarvan de twee bovenste de bovenkaken zijn, en de onderste, dubbele, de onderkaken vooi-^telt. De boveidij) vormt een dekstuk over liet achterste gedeelte der seheede. - Hij de |-| Cicadlt;iiichtigon ontspringt d« smiil ver nuar aeb-teren, stdiijubaar tnsschcn de eerste pooten. —

§ 2()(). (IcHbiclitc-n «mi somlcn. I. Wnntacn \'ovc.nldi\'). Voorvleugels haif

iioornaeiilio- 1M|C vliezig, in nisl |,ori

zontaal.

1. Wailfs {( nu\' ). I gt;e;gt;-cnwa nis. j-((\'. Intccii/■quot;///) ; Weegluis ■{■ lt;\\ lerhila VHS ()| A Cllll f h !lt;(, !(■lt;•//I hl r\'\'l) .

2. ivool\'w aul {Ik \'hirins). Gewonr 11. ■(\'• (A\'. iic.rsou.\'iIi\'s).

o. Oe.verwanfs (l\'c.Ha), Gewone, O.

f ( V. currcns).

!. \\\\ aterloopei* (JAninohaUs). (}e-

s/(f(fl/lt;fl/s).

Wiitenvants (iXrpa). \\Vatc,.r\\vants (if AN atiavi liorpioen i ■ A\'. ei m\'na).

lt;gt;. /wemwants. (Notoiw-ht). — Gewone f {X. ylaiica). \' icaden (V-ffit/nrtn). A\'oor- en aclitcrvlmigcls vlic/i:.: . hi\'t

-ocr page 246-

voorste paar soma Imlcrachtig, in rust schuin op hot lichaam geplaatst; mond ver achterwaarts, schijnbaar tusschen do voorpooten.

7. Cicade (Cicnih\'). — Zingende Cicade van zuidelijk Europa (O. onii \\ O, fraxini),

8. Lantaarndrager (Fulyora.) — .Surinaainscho L. latcr-naria).

!). Schuimbeestje (Cr.iroji\'s.) — G-ewoon S. -|- (C. of Aphro-phora spumaria).

l\'lautenluizen (Aphidea). Vier vliezige vleugels bij de mannetjes; de wijfjes meest zonder vleugels. Tweeledige tarsen. l\'i. Bladluis {Aphin). — Vlier-, Hozen-, Linde-, Koolbladluis enz. f (Aphis sainbuct, A. of Sljjlionojihora rosac , A, of (\'dthptc.ni.i lUiae, A. brassicae). Zijn do oorzaken van don zoogenaamden honigdauw.

II. Illadvloo (I\'mjlla), — El/enbladvloo f {I\'s- nhii).

|7(. 12. Wortelluis (J\'hyUoxrra). — Wijn-

gaai-dlui» (l\'h. vaslatrlx), bekend door de verwoestingen door baar in de wijngaarden van Frankrijk aangericht.

|;i. Schildluis (\'\'(«x;»»). — lOikenschild-luis (C. of l.icaniuin ilicin) in zui-delijk r.iinipa en Klein-Azië, die reeds van ouds de „kermesquot; of karmozijnverfstot\' leverde; Lak-schildlui» (C. lacca) in Hengalen, die de scliellak levert; Cochenille-schildluis (( \'. cacli), van welke do cochenille afkomstig is; Wijngaard-schildluis j- ((\'. rilin); Oranjoboom-Bcbildluis f (C. hcsjicridiim). IV. Luizen (Pudkulim), Geen vleugels; leven parasitisch op de huid van zoogdieren of vogels.

II. Luis (l\'cdiciihis) — Uoofdbiis f (/\'. capitis)-, Kleedercn-luis f (/\'. rcsliiniMti)] 1 loenderluis (/\'. yallinae o{ Liotheum pallidum.)

1Ilondsluis (Irichodcli\'*). — Gewone 11. t (/■ lalus) en

-ocr page 247-

nog vele andere gesluchten eu soorten, die parasitisch op zoogdieren on vogels leven.

§ quot;21)7. Achtste orde. T wc evl e uge 1 igcn fDIptera).

Insekton met twee vleugels (voorvliMigols) , (li(! vliezig , doorschijnend , en overlangs geaderd zijn , en kolfjes (§ 215) in plaats van achtervleugels. Zeer weinigen hobben geen vleugels (vlooien). De monddoelen zijn tot zuigen ingericht, en vormen een langoren of kortoren snnit , door dien do gootgewijs uitgeholde hoven- en onderlip met de hollo zijden naar elkander toegekeerd zijn, en tusschen zich de tot borstelvormige of lancetvormigo deeleu gewijzigde boven- en onderkaken bevatten. De kop is zeer beweeglijk. ]?ij

velen vrij lange, gelede, draadvormige, dikwijls, vooral bij do mannetjes, behaarde sprieten; bij anderen zeer kleine. Die baartjes worden door sommigen voor gehoororganen gehouden (Muggen). Bij de andoren korte, slechts uit 2 of M voorhorststuk is klein en met het middenborststuk vergroeid. Het schildje! (§ 248) overdekt bijna het achterborststuk. Borst en achterlijf meestal duidelijk van een gescheiden , doch niet door een dunnen steel verbonden , zooals bij vele Vliesvleugeligen, 1\'ooten Viink zeer lang. Onder de voeten bevinden zich meestal 2, met knodsvormige haartjes bezette zooilap jes of kussentjes. 11 ierdoor is hot dier in staat te loopen op gladde oppervlakten, zelfs wanneer het dam tegen loodrecht moet

opklit.....en, of het met den rug

naar heneden , b. v. tegen een zolder, geplaatst is. \' Bij vele wijfjes vindt men coue legpijp. Meestal twee groote samengestelde

Mn ff.

iftji-

Volgens ocuigeu geschiedt dit doordien de linssentjes als zn

-ocr page 248-

oogoii mot twiM! of driii oiikidvoudigo. Volkoinouc godiumtevorwlrt-si-Iing. Di\' Twixsvlougeligcn loggru hunne cir.ren doorgaans in liet wator ut\' in rottondc dierlijke /elfstandiglieden. Do, maskers iiclihon goono pooton ; dio madkors, welke ontstaan zijn uit in het water golegdo oioren, zwommen daarin rond , en liobbon blad- of draadvormige kii\'uwon. Do iioppen gclijkon èf op die dor Vlinders (igt;n-nai: obfectae) , óf bot umludsul i^ niols andei\'S dan do verdroogde

larvenlmid (jiiijjac coayclalac). De eerstbcdooldon hebben , wanneer zij zioh in bot water ophouden, ook kieuwen , eu zwommen.

Ovor het geluid, dat vele in-sekton dezer orde bij hot vlio-

quot; V

./ mMkon, hebben wij in § 24\']

gesproken.

§ 208. Ofsliiclitcn en soorten, allen inbmdscli, bclnilvci de inns-kieten, lt;le, llessiseho mug , de Ivloo en geslaclit ou 20. Ki ni^v onglt;;vlengel(L Muggen {Cnlicnia) of Langsjirieteu (jSCtnoi\'cra). Slank, lang-geHtrekt iieliaMii) ; lange sprieten nn f vele gel(\'(liiigen, dikwijls [)lniiuvoiinig.

1. Mug (\'Cah.i.. (h\'wouc Mug. N(M»f (lt; . jtiji\'inm en eau-Ian#); Muskiet [(\'. uk--quot;!\'/\'fo. X -in en anderen). AVarme gewest(ai; Uingnnig (O. a/i/itdxi i.s.)

2. Langpoot ( l ijm/di. MocsiMiigpoot (/. quot;h-jwrera) ^ Moeras-langpoot (7\'. I\'lfhquot;quot;\' ^\'11 i»eii/eiil;n»gpo()t {7\\ (jifjaff), (iidinng {* c i/loi/ii/iin. T.irwe-galnnig (C. /ri/ici) ^ /oogen. llessiselie vlieg i\'(/c*/rnctor), N. Ameaika.

I. Motmng (l\'xi/clfC\'ln). (Jewone M. (/^. plmluoioldcs), veel op voehtige muren (i; vinden en /eer op motjes gelijkende.

j»\'s werken, —volgons .•mdcron floor een kleverig vocht, dat /ij, of do lia.\'irijes, /ouden afsclH-idon. Nionwore ondorzoekingen liebben geleerd dat do haarti\'s een niet kleverig vocht afscheiden, en dat de voeten van het dier /ich aan do gladde oppervlakte hechten eenvoudig door de aantrekking, (adhnosio) tusschen de haartjes, het vocht, en de gladde oppervlakte liet dier reinigt\' do haartjes van stof, door eerst do kusseutjos togen elkander te wrijven en /o daarna op de vleugels af te

-ocr page 249-

5. Siieouwmiig (Chioncn), — Spiiiiiflitigo S. {Ch. arancotdfx), gocu vldugdls en loopt \'« .viiitcrs op du sneeuw i-ond, Duitsclilaiid en Zwodeii.

(J. Blooinlaiigpoot (liiljio). - Zwarte vlieg (/gt;\'. Marai). /ie § ^ I rgt;, noot.

7. Zwam-mug {He!ara). — St. TIioiiiuk Z. («s\'. jaitr.l! Thomuc). Dc inriskers lieeliten zieli dooi\' een kleverig vuelit hij mil-lioenen aan elkander en vormeii eoue streep van eenige meters lengte en een liiind lireedte, van aeliteren smal uitloopcndu, en trekken op die wijze rund.

K. Kriebelning (Siniiha}. — (iewune K. (S. i/iarijinala), vooral in Utrecht , Gel (Ierland en Overijssel; (Ievlekte Jv. (S. nm-ca lata), in Hongarije en Servië cene lan(l[)laag.

9. Piaiinnnig (Corethru).— Gewone 1\' {C. jtlionicornhs).

H. \\ liegen {Mii*i;,ula) (ji lv()rtsj)rie,l(^n (llrfc /tj/cci a). iiiehaaia meestal kort en gedrongen; sprieten kort, meestal .\'Medig en in een borstel uitloopend.

10. Brems {Tahanati). — l\\underl)rems, (7\'. hu cl nu*); Paar denbrems (7. aufuinnal\'*).

1 1. Ilomnielvlieg\' (Jgt;oaü)yliux). -......(*ro(jte II. (/gt;. \'tuajov).

12. Root vlieg [Asilas). llur/adaehtige lv. (d. crahvoii.ifoyinis)^ Dnitsehe U. (^l. f/c.nnanicufi).

13. Doorn vlieg {titralioinys). — Gewone I). (.S. cl/a/naclcon),

14. N\'lieg (Afasca). — Gewone Ka mei-vlieg (M. dom (•*(1 ca); Bromvlieg, Blauwe vleeschvlieg {M. ro/^/7or/\'a); \\rleeseli-vlieg {M. sarcopJicaja); Goudvlieg {M. oF Lav.llla Cucsar).

1^). llnpsvlieg {TacJiina). — Rupsvlieg (/\'. larrarum) 1 lt;5. Drekvlieg {Scalophaija). — Gewom? D. {S. slvrcoraria). 1 i. Staande vlieg, Tiilvlieg (Si/rj) It us). T. der aalhessen.

der peereboomen (S. ribes!i, pyrastri).

18. Dytand f {Mc.rodou). — Xareissenvlieg (M. ccjuc.slr\'at ot\' htiUjorani). Do larve veroorzaakt in de nareissen-bollen liet zoogeiiaanul ^rotquot;.

IW espvlieg (Couops). — Kospootig»\' en Geel])ootige W\'.

(C. rufipr.H en flavipc.s).

20, Steekvli(!g (Sfomoxi/s). — Gewone S. [S/. ra/i-i(rans) 1

1

Dezo vlieg wordt veel met, do gewone linisvlieg verward, waarop zij ook veel gelijkt, maar waarvan /ij zich vooral door den vooruitste-

-ocr page 250-

\'-gt;38

\'JI. Stcckdiiuit (Qlossitia). — Zuid-Afrikaanschc Tsetse (G. morsllans). llicrcndaar in /uid-Afrika ccne landplaag door liet dooden van liet rundvee.

quot;2J. Iloi/.ol {Orxtrus) — Paardeiihorzcl (O. of (taslruii \'•\'/»/);

kleine il. (O. ut\' hanmorrhoidaliti).

Jjiiisvliegen (Ifi^poboncidnr) of I\'oiipenloggern (l\'iijiipiirlt;ic,). Korte spi ietciL. meestal 2 ledig. I gt;e larven ontwikkelen zieli binnen de. moeder tot poppen.

quot;J.\'i. Lnisvlieg {llippohoncu), Paarden-

inisvlieg (//. equina). quot;JI. Vleernmisvlieg (Kt/cfcrihia), — (!e-

wone V. (A\'. vinpertilionis), 25. Hijenluis (Itr/inlu), — Gewone M. {II. coeca), heeft noeli vleugels noch oogen.

IV. Verminktvlengeligen, Vlooien {Aphanip-tcra). Ken zijdidings samengedrukt lichaam; in plaats van vleugels twee plaatjes aan elke zijde van de duide lijk geseheiden meso- en metathorax. Parasitisch op zoogdieren en vogels.

26. Vloo (Pu/\' .r).— Menschcnvloo {P. h rllana) \\ Ilondenvloo en Ivattenvloo (/\'. faiiis o.n /e/i») ; Zandvloo, Tjsike (/\'. of SiircopsyUd pcncirnns), in tropisch Amerika. Het wijfje van dit laa tste dier dringt onder de huid van do voeten van zoogdieren, ook van don mcnsch , vooral onder do nagels, en legt daar eieren, hetgeen vaak eene kwaadaardige verzweering ten gevolge heeft.

j:5

Vt

i

i:

m

ï

li

ji

li

II. KLASSK.

1) n iz c n dpo ote n.

i IM

lilt V

§ quot;ilil). Din/.endpooten {Myriapoda) zijn gelede dieren, die, evenals do Insekten , een duidelijk geseheiden kop en een paar sprieten bezitten, maar wier lichaam overigens bestaat uit een

t i

I

iiS 5

kenden snuit onderscheidt. Hot is deze vlieg, die in Augustus en Sop-tomber, voöral 1)^ regenachtig weer, zoo fel steken kan, zelfs door do kousen heen.

li

II li •\'

-ocr page 251-

\'289

doorgaans groot aantal nagonocg gelijkvormige sogmontim of rin-giMi , zoodat er geono scheiding tussclicn borststuk en aclitcr-lijf bestaat , terwijl zicli aan alle segmenten korte gelede |iooteu bevinden , soms aan elk segment twee paren, Het lielmam is doorgaans lang gestrekt , en het aantal segmenten verschilt van II (ot 80. Vleugels ontbreken. De meeston hebben monddeelen . die tot bijten zijn ingeriellt ; bij ile/,(\' zijn de ondcikaken met de onder-lip tot eene enkele onbeweeglijke mondkle|i vergroeid , waaraan geene voelers zitten, terwijl hij velen de beide voorste pootenparen eene soort van kaken vormen ; de klauwen van het tweede paar ponten zijn dan doorboord en daarin mondt de buis eener giftklier uit. Hij enkelen vindt men daarentegen eene zuighuis. Oewoonlijk bezitten zij cnk(dvoudige en dan vaak opeengehoopte oogen. Zij lulcinen door luehtbuizen.

Overigens komt het inwendig samenstel der Dnizendpooten in de hoofdzaken met dat der insekten overeen. Zij leven \'t /i) van dierlijk j t zij van plantenvoedsel. De uit de eieren komende jongen hebben slechts drie paren pooten aan de voorste ringen, maar bij elke vervelling ontstaan er meer ringen en pooten.

Wij verdeden de klasse der Duizendpooten in twee orden: I 1\'ootlippigen en 2 Kaaklippigen.

270. l^erste orde. 1\'o o 111]) pig en (C/tllojjodn). Dij deze be-hooren do Jjeide eerste pootenpai\'on tot do monddeelen (g 2t)9), — de pooten zijn ingeplant aan de randen des lichaams , aan elk seg-ment één paar,— het lichaam en de kop zijn plat, — de lucht-spleten bevinden zieii zijdelings, enkele malen óp den rug. •— De Pootlippige Dnizendpooten zijn roofdieren, en maken bij het vangen van hunne prooi van hun vergift (§\' \'2(19) gebruik ; in de tropische gewesten kan de heet van sommigen zelfs voor den menseh nadeelig , hoewel niet licht doodclijk , worden.

# \'271. Ge.ilachto.u on soorten.

1. Scolopendra (Scoiupcndra). — Zuid-F.nropi\'esi he S. (,S\' . tnov-Kitd/m) ; Javaansche grootc S. (S, d,\' Ilaanii) 22 centim. lang ; •Surinaamscho S. {S. yiyas), nagenoeg even lang of langer.

2. Duizendpoot (Lilhobtus). ■—- Crewone 1). f (/.. forficalus),

■i. Aarddnizojjdpoot (CnïjqphilitB). — Gewone A.f ((!. hjutjicornis). Sommige soorten lichten in het donker.

-ocr page 252-

240

ij -J\'rJ. Twcftde orde. Katik I i p pig en. (V/iitogtiafha), Do beid»!

Fig-, 181,

.. ■ •\'

■ . \',\'y, .......m quot;quot;m

Millio\'-\'iipuot.

oorsti\' ixjotcnpaii\'ii bolioonni niut tot de inouddcelcn, — do jioo-tcn ziji! iiitïL\'jibiut: :iau do Inükvlaklo, lu-cr paar aan (dk sogmont, bchiilvo aan do 5 ot\' ii voorstu, — bet lichaam is rolrond of balt i\'olroud dr luolitsplcten beviiidon /icb vi\'iór do pltUiti* van in-

|dantiiig dor jiooton. Snininigou liobben goenn oogen. Zij bivcn van planton ituli\'en, maar ook wol van doodc dieren , b. v. slakken. In runt of in gevaar rollen zij zieb apinudsgewijs op; eenigen,

1S-J

mot C(!ii betrekkelijk kort en breed licluitiiu {Olome-ria), kunnen zich als een bid iiie.ennjUcn.

*5 27 .*gt;. Gertlaeldcii en soorten.

i\'oivdcsmus, i, Millioenpoot (/ulns),—

GewuiU! M. f (/. t\'-rrcfif.r\'s cn /. sahquot;losi/s).

\'J. J\'ulydi\'simiH (l\'olyltsmm), — Platte 1\'. t (/\'. cohiplauatus), .\'i. Oproller ((j lornt ritt), — (rowone lt; -|- (f *. hmhatd). Gelijkt op een pissebed.

m it

IJl. K LASS li.

Spinnen.

t? 27 1. Spinnen of spimvebtige dieren (^1 raclmoidat) zijn g(delt;le diiMcn zond\'-r vbin^rls, wier kop met het borststuk , op zeer enkele nit/ondeiiHi.en r- 288) na, altijd tot een kopborststuk versmolten [6- u.rt 1 • i;il ongeleed achterlijf; met vier paar borstpooten, nimmer met buikpooten, zonder sjnieteu en met steeds enkelvoudige oogen. Zij ademen \'t zij door lueht- ot longzakken, t zij door Inehtbnizen.

I :

-ocr page 253-

241

§ 275. Do monddeeli\'U dor spinnen bestiiiiu uit I do bovon-kaken, dio meestal gelood zijn, waarom mon haar ook wol don naam van kaaksprioton geeft en als ovorcenkomeiido mot do sprieten dor insckton beschomvt. Zij kunnen vcrseliillendc gedaante hebben; bij de ware spinnen eindigen zij in een o klauw, bij do aóhorpioenen in eeno schaar, bij velo mijten zijn zij stijve ongelode borstels. Do bovenkaken zijn boven de mondopening gelegen, en daarop volgen aan do buikzijde 2quot; do. o n d e rk a k o n , elke waarvan uit eone kauwplaat p,n een voeler bestaat. De voelers hebben soms eeno pootvor-mige gedaante, doch zijn kort en meestal zonder klauwen; bij do Sohorpiocnon zijn zij zeer verlengd en dragen aan het einde eeno schaar.

Hij do eigenlijke, ware spinnen zijn do klauw-vormigo kaken doorboord, cn in het zoodoende gevormde kanaal mondt oone giftklior uit. voorste pootenpaar, ofschoon in vorm vrij wel ovor-

§ ^70.

eenkomondo mot do vólgende, moet eigenlijk worden beschouwd als homoloog mot de tweede onderkaken of do onderlip der insckton; in BOmmige gevallen begrenzen zij dan ook de mond-sploet. - Do pooten bostnan overigens uit 7, soms (gt; weinig van elkander verschillende leden. Het laatste lid draagt oen of meer haakvormige klauwen. — Overigens kunnen het eerste pootlid als heup, het tweede als dijring, het din\'de als dij, hot vierde on vijfde te samen als schoon, en hot zesde en zevenilo als voet worden beschouwd.

§ 277. Op hot kopborststuk staan de oogen op verschillende wijze verspreid. Om daarvan een denkbeeld to govon voegen wij

Iquot; —:;V \'

hierbij een schots van do onderlinge plaatsing dor oogen bij drie spinsoorton, op do wijze zooals die in do beschrijvende werken over dierkunde gewoonlij k worden ii angeduid. § 278. Hot achterlijf is doorgaans door eeno insnoering scherp van het kopborststuk gescheiden , bij oenigeu (Schorpioonou) diiarentogen niet. lüj de Mijten kan zelfs

Ui

1\'ig 184.

quot;9 o«

•• ••

a b (■

(iroepoering di-r oogen bij Spinnen.

« «

e e

-ocr page 254-

2-1 ;i

de grens tusclicn kopborststuk i-n aclitei lijf alleen bepaald worden door acht te slaan op de inplanting dor pootcn. — Bij de ware Spinnen is het achterlijf niet in segmenten gedeeld. Bij de Schorpioenen vormen de laatste segmenten van het achterlijf, die veel smaller zijn dan de voorste, een staartvormig na-achterlijf, dat in een giftstekel eindigt.

§ 27!). Over \'t geheel, doch met uitzonderingen, is de huid der Spinnen minder hard en hoornachtig, meer lederachtig, dan die der insekten. Vooral is dit het geval met het achterlijf van vele ware Spinnen. Soms is het lichaam met haren begroeid.

Ten aanzien van de inwendige organen zullen wij, na het in\'t algemeen over de gelede dieren gezegde. alleen deze. bijzonderheden vermelden, dat het spijskanaal nauw is en de betrekkelijk wijde maag soms zich door blind eindigende aanhangsels (blind-darmen) voortzet tot in de ponten (Spinnen , sommige. Mijten en vooral de, lloekpootige spinnen of l\'ycnogoimlen) , —dat de lever-klieren in den regel zeer groot zijn, —dat het hart langgeatrekt is en zijdelingsche spleten bezit, en dat de Schorpioenen zelfs niet alleen slagaderen maar ook aan do buikzijde aderen bezitten, — diit daarentegen de Mijten zelfs geen rugvat hebben, dat de ademhaling geschiedt bij velen door longzakken, bij anderen door luchtbuizen, bij de lageren door de huid, —dat dikwijls al de buikzenuwknoopen of de, voorste daarvan versmolten zijn tot (\'én groeten knoop midden in het kopborststuk, — en dat de ware Spinnen een spintoestel bezitten (zie, S 285),

tj 281). T)e, meeste, spinnen leggen eieren; enkelen, zooals de schorpioenen en de meeste, mijten, brengen lovende jongen voort. De pasgeboren jongen gelijken op de ouden; bij de jonge mijten onbreekt echter in \'t eerst het eerste pootenpaar, en de worm-mijten (§ 287) gelijken in hun jeugd op mijten, maar in den ontwikkelden toestand op wormen.

De spinnen vervellen gedurende haar leven verscheidene malen; bij zulk eene vervelling worden soms vroeger verloren gegane pooten weder hersteld.

§ 281. De meeste, spinnen voeden zich met dierlijk voedsel; sommige zijn parasiten. /-ij leven meest op hot land, weinigen in het water, en in den regel eenzaam in verborgene hoeken.

§ 282. De spinnen worden op onderscheidene wijze verdeeld. Wij zullen haar rangschikken in drie afdeelingcn, die wij als or-

-ocr page 255-

243

den zullen aan murk on, te weten die der Iquot; Groleedbiilkigon, 2° Oii-geloedbuikigcn en 3quot; lluidademers.

§ 283. Eerste orde. Ge 1 e edb ui k igen (Alihror/as/ra). Spinnen met een geleed achterlijf. J5ij het geslaclit Solpvi/a (Oaleocles) en enkele daarmede verwante gcslaehten zijn do kop en bot drielo-Fiquot;. 18.0. \'quot;S0 borststuk geschei

den , zooals bij de in-sokten. De bovenkaken eindigen in kleine, maar stevige scharen, on do voelers der ondoikaken zijn lang on pootvor-mig. De Sehorpioo-neii, bij welke ge(!iie in-, , snoerin!» tusschen borst

Sen o rjnoon.

en achterlijf bestaat,

ondcrscheidon zich daardoor, dat zij, behalve kaakscliaren, zeer lange in Hcharen cindigCihde voelers bezitten ,— dat elke poot twee kbiuwtjos heeft, en dat bef zeoi\'verlengde na-achterlijf (§ 225) aan liet uiteinde een giftstekel bezit. — Do Sohor|)iooiispinnou onderscheiden zich van de Schorpipenen vooral door hot bezit van do gemolde insnoering, door do niet geschaarde , maar geklauwde kaken , de zoor lange en ongeklauwde voorpooten en bot gemis van een gift-stekel aan het na-aclilcrlijf, wolk laatste ook wed ontbreekt. — Do Ibistaardschor]iioenen komen, wat het niet aanwezig zijn der insnoering en do kaakseharon aangaat, weder met de Schorpioenen overeen, doch hebben geen na-achterlijf, /ij , zoowel als de Schor inoonspinnen, bezitlen echter de geschaarde, in grijppooten veranderde ondei kaakvoelcrs, die aan de Schorpioenen eigen zijn. — De Bastaardspinnen eindelijk hebben oen kort en gedrongen lichaam zonder insnoering, met lange en dunne pooton, geen na-achterlijf, kaakseharon, maar geeno voe.lerscharen, en naderen in uiterlijk tot de gewone of ware spinnen. — Solpuga en verwante \'\'\' quot;\'lachten, de Mastaardschorpioenen en de Bastaardspinnen ado-incii door Inchtbnizen, .—- de Schorpioenen en Scliorpioenspinnen door longzakjos.

§ 281. Geslachten en soorten.

-ocr page 256-

1. Spinschorpioon. (Solji/u/fi, (JrdvQdi\'ft). — /nid Uussisdie S. (gt;S. of (t. arancoides).

\'2. Schorpioon (Scoririo). —■ Kuropoesclui S. (»S. ciiropacus), in zuidelijk Europa; Afrikaanache S. (amp; occiUmkn»), ook tii zuidelijk Spanje.

.\'ï. Selioi\'pioenspin (Phrt/nus en /lielyphonus). llra/iliaausclio S, I\'h. rcniformis) \\ Javaansohc S. {I\'h. caudaius).

\'1. Basterdschorpioen (Chc.Ufer). — JJoekeuscliorpioo.ii f (Oh. can-croides).

5. Bastaardspin , Kivcftspin (rhalantjium).— Hooiwagen , AN over f (I\'h. ojiilio),

§ 28quot;). \'l\'woodo ordo. O n gelo e db uiki g eu. (Anarthroyastra of SplKtvoyaf/ra). Wij splitsen al dadelijk deze dieren, die overigens daarin mot elkander ovoroonkonion lt;iat hun aohterlijf ongeleed is, in twee van elkander zeer afwijkende afdeelingon, die der ware Spinnen ou dor Mijten.

Hij de Spinnen is hot kophorststuk en hot aohterlijf door oone diepe in^uooring van elkander gosc\'hoilt;lou. De kaken zijn voorzien van giftklauwon; do voelers der onilcrknken lioldion bij do wijfjes don vorm van popton, dooh zijn korter en hebben geeno klauwen. Zii adomon door longzakkon ; oenigen bobbeu nog bovendien lurhtbuizen. Oooigaans zijn do mannetjes kleiner dan do wijfjes. Opmerking verdienende spinwerktuigon der ware spiunon. Zij bestaan uit klieren achter in bet achterlijf, die een voeht afsehi\'iden, dat door fijne, uitloozings-buinjes komt in uiterst dunne haarvormige pijpjes, geplaatst op J of fi rondom den aars geplaatste tepeltjes (spintepels), liet voeht is kleverig en stelt in do lucht, liet dier perst het uit de tepels en pijpjes en verbindt do door do stolling gevormde draden tot één . vn - ifiln. dikkeren draad met behulp dor borstids aan

de aehterpooten. Sommige spinnen vervaardigen met die dradon min of meer kunstige webben, waarin Imnne prooi verwart; anderen (gosl. ï , 8) maken jiieht op hare prooi en spinnen alleen zijib achtigo omhulsels (cocons) voor hare eieren en jongen.

-ocr page 257-

245

Vclo, spinnen verzorgen hare jongen eenigen tijil en dragon zo zelfs op Inm rug mede.

Bij do Mijten ontbreekt do afsehoiding tusselicn hot kopborst-stnk en het aehtorlijf. Do mond is óf tot kauwen óf tot zuigen ingericht; Bonis zijn or kaakseharen. Do ademhaling geschiedt

door luchtbnizon, bij de parasitische soorten alleen door de huid. Geen rngvut; soms geono oogen. Sommigen leven in het water, anderen op hot land, — verscheidene parasitisch op andere dieren.

§ 280. Geslachten en soorten.

I, Ware, Spinnen (Arandda).

1. Vogelspin (Mygalc). — Znid-Amerikaansche boschspin (.1/. avicularia); Javaansche V. (.1/. javanica), beide, met de pooten, 5 tot 7 centim. lang; Znid-Europoeschc graafspin (.1/. of Clciika etinentoria en fodiens); Geluidgoveude G. (JU. slridulans), Bongalon.

2. Tuinspin (fipeira). Gewone tuin- ojf; kruisspin f (Ji. diadema), Weversspin (Tlic.ridlum), — Italiaansohe \\V. (Th, of l.dlro-dcc/es tnalmii/nalIniH) •, Gewono W. y (Th. rodiniitam),

1. lluisspin (Ar(inca). — Gewone II., Kamerspin, Venatorspin •j- A, of \'l\'eycnaria doMcstica).

6. Waterspin (Aryt/ronnla), — Gewono W. f (A. aqimtira) de grootste inlundsche spin, merkwaardig Om haar klokvormig nestje,

\'i. Satynspin (Ctnhiona). — Gewone 8. f O, holoscricea).

7. Jachtspin, Wolfspin (/.;/cosa). — Gewono \\V. of Aai\'dspin

-ocr page 258-

24G

Ij

f (/,. sacoata) \\ Tavuntolspin (//. iar\'tnliiln) in /uiiloiijk Ttali;\'\'. 8. S|iiiiigspiii (Altus), — Grewonc S. •}• {Alius of Sallious scc-nicus). Vliegoudc S. (J. of S. vohuis), Austvalic. 15ij dozo

2. Teck Qlxodes). Fiff. 180.

spin Ls hot acliterlijf sian de rugzijde bedekt met eone dunne plaat, die zich tor weerszijde uitbreidt in den vorm van twee breedo vleugids. dionen dor s[hu

als zweeftoestel bij liet springen.

Mijten {Acarina).

1. y\\ards))in, Aardmijt (!ZVo)h6/(7/»)»). — Karmozijnrood aaidspiuiictje f (V\'. holoscri-ceum),

— Ilondonteek -j- (/. ricinus),

;i. Mijt {Acarns). — Kaasmijt f (.1. siro); Mcelinijt f (-1. farinac); Si liurftmijt f (. I. (gt;(Harcoples scnhici). I. Iluidinijt (Di\'.iuoilc.c of Simonca).— Mensohen-lmidrnijt f P. of S. ho-i/iini.i), do oorzaak der zoogenaamde meile.i\'ter.\'i (cDtncdoiics).

■ gt;. Watennijt (Ifi/tlrffchnci). — (.lewoni!

W. f ( //. aqualica.)

l). Luiamijt (Dcrnmnyssus en (ramasus), — Ij. dor zangvogels, der duiven en der kevers f (/K avium} coliau-binns, Q, colcojilrroruuij.

§i;

It?


I

fM:

e1 i» ^.; III i$\'

§ 287. Derde orde. Iluidademcrs (Drrmalopiiciisld). Deze dieren komen daarin overeen, dat zij geone afzoiuleilijke adcmbiilingsorganc.n bezitten, maar dat de omwisseling van zuurstof en koolzuur geschiedt door de huid (uitwendige huid, of inwendige, nl. do oppervlakte der ingcw iiidru). Verder ondi\'r.scheidt men ze in Heertjes, Wormmijton en Iloekpooten.

De l\'x hertjes, \\\\ atei\'beertjes [Archycdidcu), ook Traagloopers (Tardigradtt) en Stomppooten (Colrpoda) genaamd, hebben een ovaalrond, onduidelijk in vier ringen verdeeld lichaam, met 4 paar korte gelede, pootjes of pootstompjos, ieder met 4 kleine klauwtjes; het aeliterste paar zit aan het achterlijf. De mond is

iScluirftiitijt va» oiuioren.

^ I ti

Hl lih

-ocr page 259-

217

tot zuigen ingericht mot twee uitschuifbiire stoeltjes (kaken). Twee oogsti]ipfiii. Zij leven in vochtig mos, in dakgoten enz. en knn-non, evenals de later to beschrijven Raderdiertjes, nu geheel verdroogd te zijn, door bevochtiging weer herleven. Zij bewogen zich zeer langzaam, en de grootste bereiken zelden meer dan Va millimeter lengte.

De wormmijten (LinijiuUtdina) hebben pooten noch oogen, en een wonnvortnig, rolrond of plat, naar achteren dun uitloopend, in ringen verdeeld lichaam. Rondom de mondopening ziet men vier intrekbare haakjes. Maar pas uit het ei gekomen, is hot dier ei- of peervormig jnct een dun staartvonnig verlengsel en beeft 4 paar korte pootjes, elk met twee klauwen, terwijl tor weerszijde van de mondopening zich een haakje bevindt en daartusschon een mesvormige boorpriom. Zij leven parasitisch in inwendige doelen van andere dieren, en worden daarom vroeger tot de ingewandswormen gebracht.

De lloekpootige Spinnen (I\'ycnor/onlda) naderen in gedaante weer meer tot de gewone Spinnen of tot do Schaaldieren, lliuine bekleedselon zijn hard, hot kopborststuk betrekkelijk groot, het achterlijf zeer klein on geleed. liet kopborststuk eindigt van voren in oen kegelvormige spits, die den zuiger vormt, cn waaraan zich Triyf kaken bevinden, die bij sommigen schaarvor-mig zijn. De ponten zijn bij sommigen zeer lang, en eindigen in een klauw. Het darmkanaal zet zich tot in do pooten voort. Daar de huid hard is, schijnt do ademhaling door do ingewanden te geschieden. Alle lloekpootigen zijn zee- en strand-dieron.

§ 288. Groslaehten cn soorten.

I. Heertjes (Arcliscoi-dra).

1. Mosboertje {Mlt;i-

Tongmljt vim rton Hond. CTobiotus). _

Gewoon M. t (.li. ureelt us).

pi

;| ■,\' !

Fiir. 102,

-ocr page 260-

2-18

II. Wormmijtou. {T/mgiiahd\'ina),

1. Tongmijt, Vijfinoud (f^iiirjuatnla,, Pcutnxlomum). — T. van don lioml enz. t (ïgt;. of J\'. taiiiioidcs); het jongo dierliior-vau heette vroeger /\'. dc.nliculatum.

Hl. Hockpootigcn (Fi/cndijonicla).

1. Zeospln (Pycnogünutn). — Q-owono Z. f (/\', littorale).

IV. KI.ASSK.

Sc li a u Idi6 7\' e n.

§ Sclmalilicrcu (AninniUa vraslucra) zijn geledo ilioreu zon

der vleugels, diu door kieuwen iiddinlialen, twee puren sprieten liehbcu en niet alleen aan het kopborststuk, muar ook aan het ach torlijf of den buik pooten bezitten. — Deze bepaling in eehter niet volkomen van toepassing op al de dieren, die tot deze klasse worden gehraebt. Wij zullen er b. v. later leeren kennen, dio men beter bij de ingewandsvormen zou meenen te liuis te hehooren. Aangaande do reden, waarom men deze en dergelijke dieren bij de Sehiialdieren voegt, kunnen wij niet in bijzoiulerlioden treden, en merken alleen in \'t algemeen aan, dat die reden bestaan deels in zekere eigenaardigheden van den liehaamsbouw, maar vooral in den giing iler ontwikkeling bij die dieren, welke nood/.aakl ze vooralsnog hij de scb:ialdieren te phiatsen, — eveiiiilA men Ij. v. de Liuguatidinen (j? 287) van wege de gedaante die zij in hunne jeugd bezitten hij de Spinnen voegt.

De buit! der Schaaldieren is bij de grootere soorten bard en bevat eeae aanmerkelijke boeveellieiii koolzure knik; van daar de naam Seliaaldieren; bij de kleinere soorten is do huid hoorn- of lederaebtig, of zelfs week.

De kop is bij verreweg de meeste seliaaldieren met hel borststuk vergroeid en als ware het versmolten tot een kopborststuk, waarmede ook niet zelden de eerste segmenten van het aehterlijf oubewegelijk verbonden zijn. liet daaropvolgemle in buigzame ge-hdingen verdeeld achterlijf hiiet men bij de aohaaldieren gewoonlijk den s/airr/,

8 \'290. Aan den kop merkt men het volgende op:

li. Vier of soms twee sprieten, — bij de lagere vormen vaak in grijp- ut\' beweegorganen veranderd 5

-ocr page 261-

219

b. Twee , dikwijls op steeltjes geplaatste, savnciigesfelde oogen , — of twee groepjes van enkelvoudige oogen, bij do meesten daaren-bovon nog een ongepaard oog, — of één enkelvoudig oog in liet geheel; enkele zeer kleine op andere dieren levende (parasitiselie) seliaaldieren zijn blind.

r. Hij dc kauwende seliaaldieren vindt men, behalve de vroeger aangeduide monddciolen, nog andere kaken, die otditer duidelijk kleine pooten zijn, doeh alleen dienen tot het aangrijpen en vast-

liomlcn van voodrtel■, zij worden dininnn kaal-pooten, ^onocmcl. _

Aan dc bovcnk.\'iken vindt nion \\t»clal vtndcrs, die bij dc ovcriffc dieren Mliccn aan dc onderkftke^n en dc onderlij) fc \\\'iiidei\\ zijn, l»ij dc zuigend • .scliaaldieicn zijn dc moiiddcelen V(ngrucilt;l tot een zuiger.

§ 291. Aan liet borstgedeelt(^ van liet koj)borststuk vindt men dc eigenlijke pooten, veelnl vijf tot zeven paren. Zij bestaan, alliums bij de hoogerc seliaaldicrc.n, nit eene benp, een dijring,

-ocr page 262-

250

who dij, GoiiG scliocii on fion hvnc.lcili^uu voet of tarsus. Do chul-ledon van hot eerste paiir zijn bij vele soorten groot, breed en van nijpers otquot; /oogetuvaiHtle schnrcn voorzien. Die. scharen worden rigdilijk gevormd di)ordien het laatste, tarsuslid minui In^t eerste

geplaatst en daan.....Ir iloor een ge\\vrilt;dit verbonden is. — Aan

hot achterlijf volgen nu nog eenige paren huikpoolen, die bij de hoogst ontwikkelde soorten duidelijk pooteu zijn, doch bij de lagere soorten vliezig on niet zelden in twee draden verdeeld. — Aan het eind van don slaart ziel men vaak «ene bhidvonnigo verbreeding of vin.

§ 21)2. I)e schaaldioren ailémcn door kieuwen, en ssij» lt;1ns vooral tot liet loven in bet water cri\'scliikt. Deze kienwon zijn bij vele soorten geplaatst in eone holte van het kopborststnk, welke holte twee openingen heeft voor hot in- en uitstroomen des waters; zij hebben do gedaante van getakte bundeltjes of boeksgewijs ver-oenigde blaiuljr . Hij andore sehaalrlieren zijn de, kieuwen gehecht ami de basis dor bnikpuoten, of de bladvorniige vliezige uiteinden dier buikpooten dienen tcjt kieuwen.

lOeiiige krabben leven nu\'or op het land dan in het water (CrV-(■arc\'nn.t, (h\'Ui.-iiiiins enz.). Hij dezen is de ademhalingsholte ouder het rugschild zeer ruim. In In t benedenste gedeelte daarvan liggen do kieuwen, maar de wand van het bovenste gedeelte der holte is bekleed met oen dicht net van vaten, die, deels van het hart uitgaan, deels dn nbeen terugkeeron. Dat bovengedeelte der ademhalingsholte is dus voor de luchtademing geschikt.

De schaaldieren bezitten een rng-evat of hart, dat alleen hij de allerlaagste schaaldieren ontbreekt. De slagaderlijke bloedsomloop geschiedt bij de hoogoro door slagaderen, de aderlijke door lacu-nen (§ 233); bij de lagere is de geheele bloedsomloop laeunair.

Meest alle schaaldieren leven van dierlijk voedsel. De mondopening ligt op eenigon afstand van den voorrand des kops aan de buikzijde , daarvandaan klimt do korte slokdarm naar boven om in do maag over te gaan, van waar dan do rechte, ouge-kionkclde darm naar bet achtereinde, des lichaams loopt. Speekselklieren zijn niet aanwezig; (laarentcgen is de lever zeer ontwikkeld.

Bij de hoogerc sohaahlieren is hot zenuwstelsel zeer ontwikkeld; bij do lagere ontspringen de zenuwen uit eone enkele zenuwknoop-massa. Oogen bezitten de meesten. (Zie § 290). Gehoororganen (gehoorblaasjes, zijn alleen bij de hoogore vormen aanwezig ,

-ocr page 263-

251

mo est ui a an hut grondlirt vim do ondevsto s|irioicn , soms (Art/sis) aan hot achtcrsto uiteindo dos liidiaams.

§ 293. Sommige jonge aehaaldieron gelijken , na uit de eieren gekomen te, zijn, geheel op hunne ouders; andere ondergaan in zoover een godaantevenvissoling, dat zij h. v. eerst nft oenigo ve.r-vellingen (\'ene staartvin , of Iniikpooten verkrijgen. Maar de overigen hebben eerst oen gebeid anderen vorm, dan zij later zullen bekomen, zoodat inon zulke onvolwassen dieren wol eens voor afzonderlijke goslacditen of soorten heeft gehouden, b. v. Xanpliaa en Xoën , van «elke men tog(gt;nwoordig weet dat zij de larven van andere schaaldieren zijn. — De Nanplius-vorm der larven wordt gekenmerkt door drie paren ledematen (de latere sprieten en bovenkaken) , één onparig enkelvoudig oog , en hot ontbreken van kauw-werktuigen. Het lijt is meestal eirond of peervormig (\'lig. -\'07// (gt;11 -08 b) . maar kan ook anders gevormd zijn. — De Zoëa (lig. 1!)4) bezit een soms van stekels voorzien rugschild , en een geringd na-achterlijf , maar geen pooten , behalve de twee voorste elk in iwee takken verdeelde, kaakpnoten , die tot roeipooten dienen , — voorts twee samengestelde oogon met één onparig oog. Hij de eerste vervelling, die zij ondergaat, verschijnen vijf par(Mi borstpooten en de achterste kaakpooten (Megalopa-vorm). Hij oenige la-gere. schaaldieren is de gedaanteverwisseling teruggaande, dat is: eenige bij het mas-ker bestaande deelen , h. v. ])ooten en oogon , verdwijnen. \\a zijne gedaanteverwisseling blijtt het schaaldier nog ee,nigen tijd groeien (vgl. § 245).

§ 29\'l. Do schaaldieren vervollen in hun onvolwassen staat vele malen; de volwassen boogere soorten doorgaans eenmaal \'s jaars. Deze verliezen dan hunne, harde schaal, waar-onuer zich echter reeds (gt;(!n nieuw, dim en gevoelig bekleedsel heeft gevormd, liet pa» vervelde dier verbergt, zich dan, tot zoolang de nieuwe huid hard en minder gevoelig is geworden. Tevens vervelt ook de maag van binnen, en hij die gelegenheid geraken \'lan ook twee ronde kalkachtige lichamen los, die in het slijmvlies il\'i maag vast zaten, en die men gewoon is k r e ef t es te en e n

Fig1. I1M.

-ocr page 264-

252

of kr eof tsö og eu to noemon. De kalk van ilo/.o steentjes wordt in het niaiigvoeht ojigelost, tlaiuna in het bloetl opgenoiiieu, on lt;li(\'iit dan oin ilü niouwo huiil van kalk te voorzien.

De herstellingskiaeht is bij do scliaMldiercn zeer groot, zoodat zelfs afgebroken pooteu weder aangroeien.

§ 295. Do grootte der schaaldieren is zeer versehillend. Mon vindt onder ben de grootste van alle gelede dieren; sommige kreeften toch bereiken oene lengte van anderhalven voet. Andere daarentegen zijn slechts een streep lang.

Sommige kleine soorten zijn parasiten en zuigen het bloed van andere waterdieren, vooral van vissehen. Dc meeste schaaldieren bewonen het water; in de zee vindt men de meeste soorten.

296. Wij verdeden de Hcbaaldieren in acht orden, te weten: I Steeloogigen, 2 (higesfe(dlt;loogigen, Ileupinoudigcu, 4 Kieuw-pootigen, 5 Sehelpdi iigendcn, tl liieiapootigen, ( Kankpootigen, 8 Iladerdiertjcs. — Deze orden kunnen worden samengevat in I. Ma-lai\'oalvwa (Podophlhciltncf en /■.■/: /j*fhulnui) , 11. Giyuntostvacci oc-cilopoda), en 111. /vnlomostracd (lt; \'irrhijicdia, liranchipoda, Oatra-coda en C\'opeiioila). De llotatoria blijven dan afzonderlijk over.

g 2!i7. Mcisle orde. Steeloogigen (1\'odnp/d/talma). Ken kop-borststuk, waiiraan do eerste segmenten van het achterlijf deelnemen , bekleed met een gemeonsehappelijk rugschild {(Jarupax), behalve bij Squitla, waar de a(ditorate borstringen vrij blijven. 1 )ii(^ paar (bij S\'/ulltri en eenige andere geslachten vijt paar) kaakpooten en vijf paar tot loepen ingerichte pooteu aan het kop-borststuk (liij Si/i\'ll/n paar), waarvan liet voorste van scharen is voorzien. Kieuwen aan de hasis der twee achterste kaakpooten en der looppooten, som» (Si/udln enz.) ook aan de buikpooten, overdekt door het rugsehild, behalve bij SyiiiUa enz. Vaak oen waaiervormige staartvin. Twee sainengestelde oogen op beweegbare stelen, die bij sommigen b. v. (Podopldhalmus) zeer lang zijn.

Terwijl bij de meeste Langstaartige Steidoogigen (zie beneden) de uit het ei geltomeu jongen op de ouden gelijken eu buu al-leen do staartvin ontbreekt, bezitten die der Kortstaartigon eu der Anoniard. don /.ooa- en daarna den Megalopa-vorm.

207, Wij venleelcn deze oi\'de in twee onderordeu.

Uij de eerste, die dor Ti enpootigen, zijn kop, borst eu

-ocr page 265-

vourachtpi lijf overdekt met oen eavapiix. en in oono liolte duar-ondci\' liggon do kieuw on, Kr zijn drie, paar kaak-, on vijf paar loo])-pooton. — Wij vordoolcn do \'ri(uijjpotigon wodorom in drie groepen.

Bij do dieren van do eerste groep ia iiot mi-aohtorlijf, dat geen zwoinpootén en geono staartvin bezit, onder hot bree.de knpborst-

Fig. 196.

stuk toruggeslngen en ligt in eono groeve aan de buikzijde, ziquot;gt;-dat van boven sleclits kophorstslnk kan gc/icn woi-dcu. Hij (11 van do tweede groep is de staart ook teruggoslagen , docli er is geen buikgroeve (!ii wc.I een staartvin. Men noemt zo daai\'om K or tnta arti ge n. Hij do derde groop is Init na-aeliterlijf of staart

-ocr page 266-

254

lang uitgestrekt cn van ccnc wnainrvonnigo stamtvin voorzien; do dieren van dezo groep hoeten daijjj\'om Ij angst aar tig cn. § quot;298. Groslueliten en soorten.

I. Tienpootigen (Dccaporla).

A. Kortstaartigen (Bravhi/iira)-,

1. Zwemkrab (Por/unua). — Kleine Z. of Zeekrab f (/\', depnrator).

\'2. Zeekrab fC\'ancrrJ. — Gewone Z.(C. pagurus).

\'i. Strandkrab (Carcinus),

— Gewouo S. f (O. mocnas),

4. Oogkrab (PodoiihfJurl-— 1 )oornig,c lt;gt;,(/\'. sj)//i(gt;sn.s of c\'H\'l) uit do Indisclic zee. . Mo.ssolkrab {Pin.nothi rr.s)

— Gewoon rood mosscl-krabje f (/\'. piunm), oj» ocstora en mossels.

(iowone II. (7\'. jhiviatilis) in

(1. K\'iviei\'knd) (TcliiltUsa)

Kalië en Griekenland.

Fiquot;-. 197 Landkrab (Gecarcinus). — Gewone L. (d.

run\'cola) in West-lndië.

H. Koepkral) ((•\'i\'.liixniiiis). -- Ziiid-AnKüikaansclK^ \\ ■ j? !*• rooaiis). Hij dit gesliicbt is eene der selia-

Atyamp;sSmmZ t- ren bij do inaimctjce veel grooter dan de andere, en wordt l)li liet loopen omboog gelumdiMi. !). Snavolkral) (Maja). — Gc-wone S. (M. Squl-nnilo), in de Miiidell, zee en den Atlant.Oecaan.

10. ( ;al;ip[gt;a (Calaiijia). — Gekorrelde ( \'. (C. yrauiihilu), Middeilandsche zee.

11. Kikvorsclikrab {linnina). — Getande H. (U. dentata ot m rrala) . I\'oode zee en Indiselie zee.

li. \\ inkortfltaartigen (Vlrri/hrarhiiira^A tiounira), Na-aebtevlij t ills bij de Hnieliyura: maar met een staartvin; geen buikgroeve. II\'. Hastaardkmb (//i/pjia). — Gewone IS. (I/. enten\'la);

kusten van llrazilië.

I\'j. Eremietkrab (l\'ngurnit). — Kremietkrab, Kreeftslak. Snijder (/\'. Heruhanl!). Het aeliterlijf is weinig ont-

-ocr page 267-

2^rlt;

wikkeld en met cou weckc Imifl boldcod. I)(! kmli bewoont do ledige acholpon van kmkhorcn.slakkcn, waarin liij zicli door middel van twee ruwe aanliana-sels van liet achterlijf vastlicclit, teiwijl hot voorlijf

met do. pooton buiten de selielp uitsteekt en lud dier bij het kruipen deze met zicli mede.sleept. 14, i orccleinkrab, ivi\'eeftki\'ab (J\'/irrtillunn). — l^ang^priidige.

1\'. f (/\'. lonyicorhis), met eene staartvin. I\'angstaartigen (.Murnirti).

-ocr page 268-

25G

15. Langootito {Vdl\'nutvntt). — Grcv uiu; I-». (/*. vulyai\'is), Miil-

dell. /.ec en Admit. Ocoftftn.

I (i. Kreoft (Anhirun). — üivii\'i\'kreeft f (.1.///((•/«//amp;); Zuld-cii iMiddcii-Enropu, liij ons in 1 .iiiibur^r. Zcokrooft f A, mcti\'iniis ot\' Ifoniani* nifyünx), Middoli. en Noord-zoo, zoldou diolit liij onze kusten.

17. Garnaiil \'ran(jon), — Gowouo gariiaul of garnaat. f t\'. vulgaris),

18. Steurkral) {l\'ahcmon), — Stourkrab of Ptour-gariiaid f (/\' Hquillll),

De twccdo oudor-ordo is dio dor M o u d p o o t i g r li, bij welke, do ca ra] el x een oopliiilothorax is mot vrijgelaten voor-achtorlijfs-sogracn-tcn. Do, kieuwen zitten aan do pooien van den coplialotlio-rax van liot- na-aeli-torlijf, of zij ontbroken (Mi/ki\'s), in dit laalsto, geval goseliioilt de aderalialing door de Imid. II. Geslachten en soorton der Mou(l)i\'dbtigcn (Slomalopoda),

19. Spriiikhaaiikrecft (Hquilla),— Gewone S, (N. mantis). Mid-dell. zee.

ÜO. Gamaatsipiilla (Myais). — Gewone, G. (.quot;. vulyaris), N. IJszee.

§ 299. Tweede orde. 0ng e st eel do og i gen (ICdrioplilhalma), liet ko])borst8tuk bestaat uit den kop en slechts den eersten, zelden ook den tweeden borstring. Eén paar kaakjiooten, 7 iiaar looppooten , waarvan soms de eerste of de twee voorste grijppooten zijn. Dikvijls een weinig ontwikkeld aebterlijf met aeliterpooten. Ongesteelde sanioegostidde oogen. Doorgaans gcene godaantoverwis-seling, ofschoon de jongen niet altijd betzclfde aantal licbaains-ringen bezitten als de ouden. — De gedaante loopt overigens nog

-ocr page 269-

ui uiteen. Sommigen lutblxm een rank on gestrekl licliiuini (dam-nuiriis, Orc/iculid. \'ra/i/rim, Coroii/n\'inii en lt;\'((/irr//r(), liij anderen i* dit korl , breed en plat (Ci/(ii/iii.i en de pissebedden). l!ij eenigen (anmiiiariis. (tvc.hculid, \'1\'iililvii.t) eindigen lie lantnle poote.n van het aebterlijf in springsteeltjes, De dieren dezer orde zijn allen I\'Ig. JOO. klein. Lonig(gt;, (de landpi.ss(!beddon) leven op bet en bunne kieuwen zijn tot adeinilig in dlt;^ ielit ingeriebt.

§ (Jesbiebten en soorten.

1. Vlookreeften (Ainjjhijioila), Men goed ontwikkeld na-aehterlijt\' met zes paar iiooten. Vlic./Jgc kieuwen ann de aebter.stc iiooten van bet voorliebaam.

1. Vlookreeft (Gainmarus), - (lewone \\ .

Zoetwatergarnaaltjo. f pulc.v). quot;i. /eevloo (Tdlilnis. — Gewone f (7\'. adltafor),

g. \'JOI, Springer(0)V\'/i!(,.v//a).— Strand-

vlooj ook wel Zeevloo v (O. iilo-rc.a).

I. Diksprietgarnaal (Corojihlum) - I rowone *|* (V. lonjj/coruc),

II. Ki\'elpootigen (1 ^iri/ioilijioila). \\a-ai bterlijf rudimentair; een eejibalotboi\'ax bestaande uit don kop , den prptorax on den morfotlvorax , zoodat het eerste pootonpaar aan de keel sehynt

te zitten. Ken lung gestrekt zesledig aebterlijt\'. .Mosotbora.N-pooten voorwaarts gestrekt. Kieuwen aan of in de plaats van de. voorste achterlijIspooten. ^gt;. Bokje ((\'quot;pri\'J./a). (Jewone 1!. f

(O, lobatd).

lt;i. Walvisehluis (Ci/aimift) — W\'alviHeb

luis ccti).

Golijkpootigen {hapoda). Ken plat, meestiil gedrongen lichaam met 7 vrij(\' borstsogmentmi en een verkort na-achterlijf, waaraan bla-

17

-ocr page 270-

208

(lcngc kicuwi\'ii die gctransformoorde valsclu; pootcn zijn.

7. Landpiascbt\'d (Onlaciin), — ]\\ r! i l (\'i\'] i i s-i \'1) i\' i!, IC rob , Kt\'ldtü\'-mot f (^\' nsellus).

8. Aardpisscbcd (l\'orrcJUn). — Gcwonn A., Varkentje f (/\'• ««lt;-hi r mi piclus,

l\'iji\'. 203. Uolpissobod, Op-

roller (ArvKiilillo). — (it\'wone Oprol-ler f (-\' • vnlyaris); (JeneeskraclitigeU. (.. I. o(l\'!c!iiunivi), vroeger in de ge-iKiCskundc ge-

bruikt; leeft in zuidelijk Europa.

10. Mospisfebcd (1\'liiloftcia). — Gewone M. f (/\'//. inuxcormn).

11. Uaveupissebed {I.///\'tr). — Clewone 1!. i\' (/-. occ.umca).

12. Zoetwaterpissebed (Anclhis). Gewone /. t (.1. cnli/m\'is). |Zeepissebed (hlotca). Lange /lt;. t (\'• /iiu\'wlnj.

\\

Koftkral).

ij 301. Derde erde. II eu pm o n d i g e u (Merontomuta) of Vcrsc.b i I poo tige n l\'oc.rildpoda). of Z wa ar d s t aa r t i ge n (SiphoanrciJ liet kopbor^Muk bedekt door een van gt;oren boogsgewijs gerand, broed en gewelfd schild, dat van aehtoren ter weerszijde in een punt uitloopt, en waaraan zieli oen vlakker, zc-kanlig, zijwanrts gedoomd a(diterlijfslt;\'liild sluit , aan hetwelk zii b een lange degenvorraige stanrt stekel bevindt. Op bet voorste sehild twee kleine enkelvoudige ongea. Aan hol kopborststidc (i gesehaarde, pootiïn, wnar-van bet eerste een paar sprieten, het tweede een paar bovenkaken, bet derde en vierde 2 pareu onderkaken, en liet vijfde, en zesde 2 paren borstpooten voorstellen. Daaraebter de kieuwen. — Sums tot a I eentim. lang buiten den stekel. — De jongen gedijken op de ouden, dueh missen eerst den stmntstekel.

-ocr page 271-

§ .\'iO\'J. Oüsliiclitcii en soorten.

I. Rogkrali, liogkrccft {1/ninihi.i). — U. dor .Molukkon, Mimio (.1/. iito/nccaiiits); Ainonkaansclu\' li. (/,. fo/t/pliciinin), aan do AMantisclio ktiston van Amorika: Langdnoi-ni^o K\'. (/,. /rmt/ii-phut); knston van Jiijian.

§ 303. A\'iordc orde. Kieuw- of 151 ad p ooti ge n (llirincliinporln

of l\'hul\'itlKtda). Kleine dieren, wier lieliaam hij sommigen gel.....I

of gedeeltelijk bedekt is door een rugscliild (/lyii/A\'), bij andere omgeven van eeno soort van twee-kloppige schaal, die óf het ge-hocle lieliaam insluit (I./jiiikk/Iu), óf den ko]i vrij laat (Ihijj/mia), terwijl enkelen geen schild noch twoeklojipige schaal bezitten (Jiraiic/ilpiis). I gt;e drie hoofdnf-dcelingen des lichaams zelden duidelijk vaneen gescheiden. I\'wee of vier paren \'t zij weinig ontwikkelde \'I zij in vorm zeer gewijzigde sprieten. Hen paar bovenkaken en een of twee paren onderkaken. Minstens 1 , maar soms tot 10 ja Gil paren bladvonnige zwempooten met aanhangsels, welke kieuwen zijn. I\'wee samengcstolde, soms gestoelde oogen mot één ongepaard enkelvoudig oog (Hranehipm, Aims, LhnnaiUa), of een groot samengesteld oog en daarvóór één enkelvoudig oog. Hij velen eeno gedaanteverwisseling. De larven bezitten den N\'aii-pliiis-vorm; eenige , zooals Daphnia, ondergaan geen metamorphose.

§ 304. (Jeslachten en soorten.

I. Kieuwpoot (llranc/ii\'iius), — Vijverkiouwpoot •/• (II. sUK/tm-Im. — Doorschijnende K. f (II. of (,\'liironcplirilus dinplKiiiiin).

i. liladpoot (Apnn). — Langstaartigo li. f (A. proiluc.lnx), X tot ■gt; eentim. lang en oppervlakkig wel iets op een kleine Rog krab gelijkende.

3. Moeraskiouwpoot CfAtmutdia). — (iewone L. (L. JIcrmmini), in waterplnssen in Midden Huropa.

4. \\\\ atervloo (Daphiia),— Getakte W. f (!gt;. iui/c.r).

-ocr page 272-

■200

§ 305. Vijfdo orde. Sc help lt;1 rage n d « n (Onlraeoda, ook Ci/-pridiua). Kleiiio, meestal slei-hts even niet liet lilootc «gt;og ziclitlnuv dierties. niet een ovaal of boonvonnig ongeleed lieliaam, besloten in eene tweekleppige schaal , die op den rug des diers vast zit., en waarvan de kleppen naar en van elkander kunnen gebracht worden. Twee paren sprieten. Ken bovenlip, twee bovenkaken met bingo voelers en twee paar onderkaken, die soms van aanhangsels (kieuwen V) voorzien zijn. Twee of drie paren in klauwtjes eindigende kruip-of zwempootcn, die buiten de schelp uitsteken. Ken of twee samengeslelde oogen, soms met, een enkelvoudig oog. (lodaaTilevcrwisscling; de larven, althans van Ci/jiris, bezitten den Nauplins-vorm. Sommigen leven in zee, iin-dere iu zoet water.

§ 30(). Geslachten en soorten.

1. Sehelpvloo ((,\'t/pvis), — Gewone S. ■/• (fusca), Getcekeiule S. f ((!. orngja).

I\'iy, 201!.

^ Zesde orde. R i e m p o o t i g e n. He tot deze

orde behoorendc dieren zijn van zeer vcrsidiilleud maaksel, doch de maskers er van komen in hooge mate, met elkander overeen. Die, maskers bezitten den Naupliusvorm. De volkomene dieren bezitten, voor zoover zij tot de hoogere vormen behooren , een bepaald aantal liehaams-sej.\'-nientcn en ledematen, maar de lagere wijken zoozeer van tie hoogere en van den achaaldier-vorm in \'t algemeen af, dat alleen hun ontwikkelingsgeschiedenis

Kilt;\'. -07.

ze tot de schaaldieren doet rekenen. (§ 289).

De hoogere (\'ope.poden, Vrijzweinmende (\'oiiepoden , ICaakmon-digeil (OnalhoKlomata), waarvan geslacht 1 een voorbeeld is, heb ben in den Lreheel ontwikkelden toestand een kopborststuk, dal

-ocr page 273-

t

■ju i

soms (I), v. lgt;ij Ci/olop*) eau viij groot schild vormt. Aan den kop (V\'ii oog on tweo |)iiar sjirictoii, waarvan do voorste hot grootst zijn; voorts 1 paar bovonkakon; 1 paar ondorkakon on 2 paar kaakpootcu. Aim hot vooraclitorlijf, dat 5 soginonton tiozit, «taan ovon zoovocl paron rooipooton, dio mot borstols bozot zijn. Hot modi\' uit 5 sogmouton in-stuando aiditorlijf\' (eindigt in Uvoo. plaatjos

Hij do lagore C\'opopodon. I\'arasiti-sclio (\'opopodon, (O. iiara-iilica) wMir-too goslachtcn 2 tot 8 bohooron, on dio parasitisch loven op do kicuwon van grootero schaaldioroii of van vis-schon, ja waarvan cnkclo zich in hot lichaam van dozen hiatsten inboren , kunnen al di^ gonoemde dooien zoo weinig ontwikkeld of zoodanig in vorm gewijzigd zijn, dat iiion zo voor goeno Schaaldieren en zelfs voor goeno goledo. dieren zou aanzien, znodat alleen do overeenkomst dor maskers ininno vor-wautschap mot do/.o bewijst (§ 289). Ottelijke hebben goeno oogon. — Sle-konde (\'ii zuigende monddeclon.

Over het algoineen vorschillon de wijfjes in vorm van de man-neljos, vooral bij de lagere Copopodon. De eerste zijn ook steeds gi\'ooter.

Hij zonde re ndemlnilingsorganon oiitbrokon.

;; -KIH. (ieslaehlon en sooi\'len.

I. Konoog {(\'t/r/nji.t), (iowone of viorhoornigo l\'lennog rul-

//f/ns lt;11 lt;iiimlfiroyn s).

Kreoftluis f {.\\. UHlaci).

I\'alingluis f (li. (jihljus).

Oewono K. j- (.1. foliar.c.ns).

lot luis (O. l/ipponlnttfii).

— Oewono S. -j- {!gt;. siin-ioiiin).

— tiewono H. f (7\'. po/ycrjljKis).

il

do nltoindon. — Hijtondc , soms ook stokciido

mot borstol.s aan nionddoolon.

Ki- !30S.

i

\'2. Krct\'Ftlnis (.Xicolhuc).

8. Vischliiis {Jijvaasilus),

I. K.njKM\'liiis (, 1 i\'if/tl/fs),

• gt;. liolluirt {Caluju*). — Ilcill lt;gt;. Stuurluis {Divho.lvstiam). -

7. Uaarslnis (Trachcliasfcx).

8. K Jib el jan willis (Lcrnaca). Gewone, K. (/.. hranchialin).

___

-ocr page 274-

8 300. \'/rvt\'iido orde. Raiikpootigou (\'■\'rri/iiylia). Schaaldieren, dii! in hun gnlu\'.cil ontwikkoldcii toestand altijil vastzitten aan rotsen, stuunon, palen, drijfhout, of aan sehelpen ofdclmid van zeedieren. Zij zijn omsloten door kalkaehtige, soms lederaeh-tigo, uit verschillende stukken hnstiiando schalen. l?ij aoinmigeu (fjC.jjd.t of Anallfa) bevindt zieh aan het kopoindo een vrij dikke en soms vrij lange steel, die buiten du schaal uitsteekt, en waarvim het zuignapvonnig uiteinde vastgekleefd zit aan het voorwerp , waaraan het dier zieh bevindt. Het lichaam is onverdeeld; aan het kopoinde bevindt zich do mond, waaraan eonc bovenlip, een paar bovenkaken, en twee paar onderkaken, van welke het tweede paar tot eene onderlip vergroeid is. Soms twee korte sprieten.

-ocr page 275-

kors ^clijUcn ovoi\'ij^ons zimii\' op (Ii(! van ili^ ilicic.n (lei- vorige orde (mi /iWcinmou OJCdo vrij rond.

§ 310. Gcslaclitcu en soorten I. E e ii de n in o SB cl (f^cpan of Analifa) — Gladde K. f (fjcpas anatifeva of A. laitvls), leeft in wai luchtstreken, doeli ko; bij (ina soms aati drijfhout i* \'Ê/Ê «f aim schepen voor.

H|j(É^j^|^F •gt;. Zeetul|), Z(M\'pok, /ei!|ndst (lialnnus). — Gegroefde /. f (/gt;\'. milcatus) , zeer idgoineen aan palen, op schelpen, schilden van schaaldieren enz.

. Kroonpok (Coroimla). — Kroonpok ((\'. (fiadrma).

Kiquot;-. au.

II

§ \'ill. Achtste orde. K a d e r d i e, r t j e s (h\'o/nlorhi). Ten nan-zien van (leze, vroeger tot de. I iifiisieiliect jes gerekende, diertjes, bestaat er verschil of zij tot de Wonnen dan wel tot de Gelede dieren moeten gebracht worden , daar zij zoowel mot de Wormen als met de Scliaal-dioren cenige, punten van ovoreenkdinst aanbieden. Wil men him nn oono plaats tnsseben deze beiden aanwijzen, dan schijnt het \'t best ze te plaatsen aan bet slot van de klasse der Schaablieren. Aan bet hoofd \'jt rjj \'\'cr Wormen voegen zij niet, omdat de boogere wor-U ^ men honger bowerktiiigd zijn dan de Kaderdiertjesgt; \'■ terwijl zij , aan het einde der Wormen geplaatst, niet

tusschen deze en de Schaaldieren /.ouden staan.

De Kade.rdiertjes zijn overigens kleine, nauwelijks met hot bloote oog te ondersebeiden, doorschijnende diertje,.s, bestaande uit oen dooi\' eene lichte insnoering Kniiivr Vi,quot; overige, licliaani gescheiden kop, een lijf of

tronk en een voet of staart, min of meer geleed , waarop het diertje, bij bel kruipen steunt. I\'ooten en oogen ontbreken. Aan bet uiteinde van den kop bevindt zich een in en udstulpbare zoom, die bezet is met \'ii\'ie Irilliai\'en , welke, gesladiff

-ocr page 276-

264

in beweging zijn, waardoor hot water eene rondilriiaiendo bowo-ging aannoemt, hotgoon den indrnk maakt alsof de zoom zolf in oono ronddraaiende beweging was. De mond is gelegen aan den binkrand der trilscliijf en voert in een krop, waarin zieli een in gestadige beweging ver-keerende boornaebtige kauwtoestel bevinilt. Kenigon bo/.ilten geen aarsopening. Sommigen bebben korte voelers in den nek. De voet of staart eindigt stomp , of in een spits WWWfJ\'i j quot;f iu een twee- of driedubbel vork «ge-wij .s uiteinde. Een of twee oogen. Geen

ade.mbalingsorgane.n. Zij leven van infnsie-dieren of eeneeilige. lagere [danten, die door ib^ beweging van bet water, veroorzaakt door de trilharen, naar den mond worden gevoerd, li ij enkelen ontbreekt de trilsehijf en zijn de trillmren alleen aan den mond aanwezig. De mannetjes zijn kleiner dan de wijfjes.

«\'hmvii (Mi Nvintor-ficrcii; de 1 i.itstc worden /\'»lt;) gcnocnid omdat zij (l(!n winter overblijven. Zij ondergaan p\'enc gedjiantovcrwiHseling.

1)«\' meeste IiadcrdicrtjcH leven in zoet water, enkele in zee. Sommige (Ifoli/cr) kunnen geheel indroogen zonder te sti\'rven: Ix;-voclitigd wordende, herleven zij weer (verge!. § 287).

§ .\'{12. lt; icshu\'litrn i\'ii soorlen. I twee eei\'ste geslachten zijn vastzittend).

1. IJastaanljmK |gt; (l^n-inulaVff). - (ie/.t\'lligc 15. f (/.. sociah\'s), Deze dieren leven, in een gcMiUMmsehappelijk geleiachtig om-hnlsel l)«\'.-loten, gezellig bijeen.

2. lUoempnlyi» (l^lomuilari\'i). Sieilijke 15, (F. un/afa). Ii\'aderdici ije (li\'oli/rr). —- (lewone I*. -j- (/»\', rnl/f(iriflt;),

I. I) ik lij 1\' {! Iijddfnid)). Ihiltig 1), f (//. sci/fa).

• gt;. SchihIdrager (Iirdchnt/n/s). — liakci Sehilddrager quot;j* II. Ha ken\'.

-ocr page 277-

HOOFDSTUK VI.

W OHM K N.

S Ml.\'!. Woi\'inrii (Vmiirn) /.ijn l)ilMt(,raiil-syiiiiii(\'triscIi(\', dit\'ii\'n , cvoii nis clo glt;!kuln ilii\'rcn,—mot cou dikwijls rulvonnig en zoor Vdili\'iigtl licliauin , cu /.miilci\' cigculijkd geïnde, pooten. Hot lioliiunn is oolitcr ook /.oor dikwijls kort, /.oil\'s iiagciioisg srliijfvonnig 011 jilat, /.iiuilnt bij oou /.oor groot aantal wonnoii do oigoolijko w o r m-vonn niet bestaat.

,f}\' 314. 0(3 huid is meestal wook, doeh niot altijd. Sommigo wormeu zijn besloten in kalkliulsols , die editor niot inot liet liehaam sainoiiliangoii. Hij eenige wonnen is liet lichaam niet in ringen

verdeeld, bij andere wol, on dan in ver-sehillendoii graad, van eenvoudige dwarse liuid]dooien af tot eone dio|iore segmentatie. — Do kop is niet bij allo wormen duidelijk onderscheidbaar.

§ .\'iO.\'!. Hot li(diaam dor wormen is geheid on igo veil Van cone s|iior-loopende spierve/.olen , nooint. Bij ooiiigon ligt die zak van hiinien togen de, huid aan, bij andoren nemen oen aantal spiorvozelon in lt;lo huid xelvo, aan de vorming van den Imid-s|iior/.ak doel , zoodat do grenzen tusBOhon deze on de huid niet to bopnlen zijn.

§ ;ll Goleile ]iooteii onthroken altijd, doidi vidon bezitten on-gelode., van horstcis voorziene, soms dubbele voetstompjes ipayn-podia), die eouvoiidig iiitstiilpingen van den lie liaamswand on hol zijn, on geen afzonde: lijke spieren bezitten, lüj andoron worden deze vervangen door horatels, die mede, tot voortbewoging dionon. Nog ;intleren howegoi, /.icdi in hot water voort door iniihhd van

iMiig, Ix\'stajiiulc uil in Ix\'pjiulilo- riclitiiigeii welke spiurlaag men den li ui d s p i c.r z a k

-ocr page 278-

\'Jfili

trilhaiirtjos. Amliu\'c,

rank till (e rr///).

§ .\'iltl. K(!iiigo worincn (lianilwcirinen) hc/ittcn gcliorl goon spija-vci\'tKi\'iiigskiuiiial. r.ij di\'. ovorigi\'.n hi\'stiiut ton aanzien van dit kanaal con vcirscliil . waarop wij later liij ili\' lu\'solnijving lt;1(M\' klaasen znllcu wijzon.

Do hoogo.ri! wurmen lie/itten een enkeivimdig rug- utquot; hartvat on oen stolsel van gesloten vaten , znodat zij in ilit f)|i\'/.i(;lit meer tut de ge-wervelilo ilieron naderen dan de gelede (lieren doen. I!ij (\'enige lagere \\\\|innrn daarentegen ont-lgt;|-(gt;(gt;kt liet bloodvaatHtelsel geheel en de verdeeling der voedende vochten door hot liohaam geschiedt door de tnsselienrnimten der doelen, of liloot doordiende weefsels van het dier (hia.pmode doortrokken worden.

Menige lioogere wormen (liorstidworiiien, Sliirpwonnen en de Uloedy.niger») liezitten aanhangsels, die de rol van kieuwen ver-vnllen; anderen liebhen geene afzonderlijke ademhalingsorganen.

Ilijna allo wormen he/ilton een stelsid van kanalen, dat men vroeger ten oni\'eclitc het w a t er vaa t s t e 1 s el noe.mde. Het he-sla;it uit twee zijdelingsidie, vertakte kanalen, die ziel: aan het voor- of aclitereinde des lieliaams openen , of, wanneer het liehaani in segmenten verdeeld is, uit twee meer of min gewondene kanalen in (dk segment, die zieh ter weerszijde naar huiter; openen. Men hestempelt de/.i\' organen tlmns met den naam van segmentaal 0 r g a n e n. De liinnenwand dier kanalen he/,if een tril epithelium, waardoor een buitenwaarts gerichte stroom ontstaan moet. Hun nul is nog niet uitgemaakt; zeker dienen zij tut het uitscheiden van stollen /urine V) naar buiten.

§ 17. liij een aantal wormen koud liet zenuwstelsel in alge-meenen aanlog vrij wel met dat der gelede, dieren overeen, bij anderen wijkt bet daarvan meer af, — bij eenigen heeft men tot ilnsvcr geen zenuwstelsel kunnen ondersrlieiden.

Ten iian/ien van he( bezit van zintuigen bestaat de meest mo-gclij kc verse li e i (I ei ill\' id.

§ .quot;D-i. De wurmen planten zich voort door eieren , andere door knopvorming aan de opjicrvbikte des iicbaams, vaak ook door afscheiding vat.....nige segmenteu daarvan, die dan afzonderlijke

uitsteeksels aan de voetstoinpjes beet men

-ocr page 279-

2(57

dieren worden, of door imvcinlige knojivorining. Velen zijn lier-mnphroditiseh. (§

S \'21!). Wij verdeel en de, afdeeling der Wormen in twc.e klussen, 1quot; die dor Ilohvormen, en 2quot; die dor Vohvonnen.

I. KLASSl\',.

IT o l w o r m e n.

t} 320. Ilohvonnon (Coelclmia) zijn wormen, liij wie de door don hnidspier/.ak omgovone lieiiaamsholte ecne doorlooponde vrije ruimte is, waarin do overige organen (spijsvertoringskanaal enz.) zie.li bevinden, die, alleen door [ilooion van een vlies, dat do liolte van hinnon liokloodt (S llgt;)j aan d(! wanden dier holte zijn vast-gohcoht, on overigens omspoeld worden door oon vloeistof, die met do lymplia (§ 53) der hoogoro dieren vergelijklniar is.

§ 321. De vorm dos liehaams is meestol rolrond, en hij velen komen pootstompjos, horstids, of tot iidoinlnding dienende, aanhangsels voor. Zelden treft men znigna|ijes aan.

S 322. Do spiervozolou, dio den hiiilt;lspiorzak samenstellen, vormen oene spierlaag, die van hinnon logon de hniil aanligt, zonder dat do huid Z(dvo aan de vorming van dien spierzak deel neemt. Die spierlaag is dikwijls in een rug- en huikgedeelte ge seheiden, doordien aan elke zijde van het dier eene, overlangs loopende, verdikking der huid (/.ijsti-eep , zijdexadd) haar in tweeën doelt.

{j 323. liij verreweg de meeste soorten van Ilohvormen vindt men mannetjes en wijfjes.

S 321. De, liolwormen worden verdeeld in drie orden, die der I Horstelwormen, 2 Shirpwonnen en .quot;gt; Kond wormen.

325. Kerst e orde. 15 o is t e, I w o r m e, n (Clmclujiodd), liet liehaam meestal langgorekt en rolrond, soms eirond, en verdeeld in een onbepaald aantal segmenten , ■ nu eens met I of 2 rijen enkoio of dnhhele, (oeuriemige of t weer ie mi ge) voetstompjes aan weerszijde, dos liehaams , op welke stompjes intrekhare borstels of -lekeis geplaatst zijn, —■ dan eens alleen met borstels aan de liehaams-

-ocr page 280-

208

zijdon. Do iuui ilcn koploli go.pl.iiit.sti\'. Iii\'wng(dijki\' iianh aii^scls (cii-r/ii) luH\'ft men vociI ilradcn , die. aan liot inondHcginont vocIcm1» gonaamd. De. mondDpuiiing ligt veelal aan de buikzijde.,

iu drii twi\'Otb\'n ring*; «l»* (icrsto rin^, \'lus lu\'t voorste, uitc/nidc dc-s lirluiüins, lircl de kop. l)!1 huid is weck, injuir dikwijl.s iti (!Oii t zij wcckci\', \'t /ij lodorjuditigcMi, \'t zij hooniiiclitigeii koker l)Oslotnn , die door do Iniid wordt Mp^CHchcidcn on soms kalk bcvflt, docdi soms ook aaniM-M^cdvli lt;d\'do /aiidkorrols, kUdnc stukjos van s(.\'hol|)(Mi enz.

liet voorste gcdoolto van hot darmkanaal (d(! slokdarm) is in I midden wijihu* dan elders, en vaak voorzien van hoornplaat jes, die als tanden dierst, doen. I)ij eenigon kan dit gedeelte; nitge-stulpt worden en vormt dan oen slnrp. liet darmkanaal loopt meestal recht door hot liehaa.m heen. De kieuwen zijn huidverlengsels, waarin eon slagadertjo , dat zieh t(»t een adertje ()mbuigt. Deze. kienw-aanhangsels , die van zeer versehillenden vorm zijn , vindt men geplaatst of aan \'t voorste eind des liohaams (Kop-kiouwen), of tor weerzijde van hot lieliaam aan den rug van alle ot ettelijke segmenten (Kng-kieuwen). — Hij allen konien sogmontaalorganon (§310) yoor. — Overigens geldt bepaaldelijk van do (\'haetopodon alios wat hoven over de hoogore wormen is gezegd. Velen hozitton oogon van zeer eenvoudig samenstid, geplaatst aan den kop, soms ook levens aan het achterdeel des liohaams, of\' aan de zijdon van elk segment, of aan de kieuwdraden van den kop. liet gevoel is zeer ontwikkeld ; aangaande het gehoor en den reuk is men onzeker.

liet herstellingsvermogen is hij deze dieren zeer groot; afgesneden liobaamssegmenten groeien vaak weer aan. De meoston planten zieh door eieren voort , eenigon ook door verdeeling, waarbij zieb dan e,(me reeks der achterste, segmenten afscheidt en het voorste.

-ocr page 281-

•JCÜ

irvaii ili^ ko|) wdrilt. Igt;it af^Mwcliciilnn niciiwc dior plant zicli iliin gt;rt «Icior dieren : liet voorste gedeelte is daavtoo soms al, soms l\'Mg\'. L\'lli. niet in staat, lüj enkelen neemt men ook vnort-idanting\'door kno|n\'onning, ja zelfs door verdeeling waar. I it de eieren komt een larve, die zieli beweegt door trilharen, die haar als één of Iwee gordids onifi\'even. /alk eene larve bestaat uil een koj)segni(!nr met oogen, en een aarssogment, waar-tnssehen /.iidi later ander)1 iljyoogen.

De meesten leven in zee nabij de knaten , de minsten in zoetwater of in de voehtigo aarde. Zij voeden zieh met ilieren , enl{0len met aarde en slijk , waarin orgnnisebe. stollen bevat zijn. Sommigen zijn parasiten.

fj .\'!-)(!. (loslaehten en soorten.

1. \\ e.elbiirsteligen (/\'lt;gt;!i/rharla), Voetstomjijes , eirrhi enz. Kieuwaanhangsels. Zij zijn vrij levend (e.rranh\'u \\ gesl. I -\'!) of vastzittend (m/rv;-turia; ge.sl, 5—8).

1. Zeemuis, zeerups (Aitlirinllh1). I\'\'I n\\\\ i\'tden of g(dioornde. Z. j- (A. aoiha/d),

2. Zééduizendpoot (Acrcin). Gewone /. f (A. jichujic.K.) ; Greldankette Z. \\ {X. fiiriila), doodt de paalwormen.

.\'i. Kuniee {Kmiicc), - Spriid-E. {!■\'.. iiti/rnniila).

Middell. Zee.

I. Zrej)ier (Arcnico/d,). (iewone /. f (A jjis-ca/onnii).

•\'. Kokerwoiin (.1 mpln/rilr), — Zandkoker. («oud worm f (.1. (iiiriciu/Ki), VaslziUend.

iCoupiur.

;i7.

7.,./,. 11,1.

-ocr page 282-

270

0. Tcrcbella (TercheUa). —- Ocwoiic T -j- (T. couehilega) in oen kokor met gcliulpstukjns. Vastzittend.

7. Saljolla (tiahcila). — I\'ïngclsi\'lic S. (lt;S\'. of Ifirini\'IUi cniijlica). Aan dc Kii^clsclic kust, I\'auw-Sabclla (\'S. pavonia), lt;lp (l(^ Franadic en Imi-gclsclio. kusten. Allen vastzittend. lt;S. Wormbuis (Sci\'/mtn). — Gedraaide W. f (S. i\'onlortiiplicdla); Wonn-vorniige W. (S. icrniiciilaris). Kusten van de Noordzee. II. W c.inigl^orHtoli^on (Oliiioc/ntc/a). (iccn voctstojTijycis enz.; alleen horstcls. (* eon ki(ïHNVJianli}mlt;;sols; Imidadcinin^.

Pirr, Ilcigenworm (LiDiihvicits).— (iowono IV; Aardworm (/.. /erres fris); Witt te H f (//. albidt/s). 10. Watcrslangctjo. (Xais). — Gewone \\\\r. •{• (iV. scvpcnlnid) *, Snnit-slange-tje i* (.V. prolioscldcaj. Zoetwater.

1 1. Vin won n, Pijlwonn (Sayiffaj. — Gewone. V. f (S. hipuuclata). Ken langgestrekt lichaam, door zwakke insnoeringc»)!, maar toch duidelijk, in kop, romp en .staart verdeeld. Twee oogen acliter aan

den kop. Zijdelings aan lief lijf twee paar viiii\\en, aan \'t einde van dt^ staart, oene staartvin; alle met zeer fijne stralen. Op de huid en voor den mond kleine stekeltje». Ken recbtuitloopend s|)ijskii-naal; slei lits sporen van een vaatstelsid. Ken liersen/.enuwknoop en twee oogknoopen. De, Sngitta\'s voeden zieli met andere kleine di Ten. !)il geslaelit « ijkt zoozeer van de overige geslacliten dezer

-ocr page 283-

orde af, dut in den nicuwcion fijil (liiiirvan cciuï afzoiulcrlijUo onlo, ilio dei\' viuworim\'ii {l\'lcrlicliniiillic.v), govoiind is.

i? M27, Twoctlo ordo. 81 u rp wurmen (Ocphj/rwi of Slpuvcu-l(iccti). Meestal rolrond, zakvormig, zondei\' koplob; giu\'ii verdeeling in segmenten. Vóór aan liet lieliaam ei\'ii soms nil- en in stulp baar deel, dat men den slnrp heet, doeli dat niet tot lt;leii mond belioort. De huid is vaak nnv door (diiline-knolibidtjes of korte bdisteltjes (l\'!i-liiiira , //ozh;///») of naakt fSIjiitiii\'iiliixJ. Di\'nnmd ligt voor aan hel lichaam aan de buikzijde en is omgeven doer korte voelers, die de, rol van kieuwen vervnlleu; hij eenigen vimll men kienwaanhangsels aan hel aehtenleel. Hij eeu aanlal beslaal eene voonnaag of krop, soms voorzien van lioornplaatjes. lïij eenigen vindt men vaten, die in de lengte langs mg, buik en darm loopeu en gevuld zijn met roodaehlig geel of geel bloed Hone.l/in), ■— bij andereu (iSijianciilnn) een kanaalslelsel, herinnerend aan het watervaatstelsel der liolothnriën. De aars ligt èf aan \'t aehtoruiteinde, i\'if op den rug. Ken stokdarm-zenmvring en bnikstreng; geene oogen, behalve missehicn bij eenige soorten

van Sipinu-nlus. De Slurpworruen planton zich voor door eieren en ondergaan veelal eeue gedaanlevenvisseling. overeenkomende met die der Chaetopodeu. 15ij Sijiiiiiriihi* daarentegen komt de vonnve: audei ing meer overigen met die der Slekellundigen , waarover later. 1 )e Slurpwormen leven in zee, kruipende (ussehen steenen en in rolss)ileten. S 328. Geslaehlen en soorten. I Kehinriden (li\'i\'/iiuvidac.). 15orstel« aan \'I voor-, soms aan het achtereinde. Ken vaatstelsel. De, aars aan I aehtereinde.

1. Kehiunis (Kcliinnis). -- K, van Pallas -j- (I\'d!laaii).

2. Uouellia (lloiic./lia),— Groene I!. (II, nlyidin), Middelland sehe Zee,

11. Sim ppieraehtigen (Siigt;iiiiciilitlai\'). (!een borslels, geen of wei

-ocr page 284-

nij*\' ontwikkeld bloiulvjuitstolsnl; do tuoudopdiiinf^ Jitin liot (Milde, van dun slurp; di\' iiiirsopcniiig 11:111 di\' rug\'/ijdo. Slnrppicr (Sij/nnt-nlns), — (!r\\V(Mie S, [S. itmthh). Middidl.nul Hcdic /eo.

..........................mond ligt aan liet voor-, de aars

aan lint acditorcinde ; de eerste is meestal voorzien van twee of vier doorgaans met kleine tepeltjes bezette lipjes. Aan hot vóór en aeliter-eindn vindt men soms aanlningsels, die als voelers moeten worden lieselionwd. Ili\'t darnikaimal (slokdarm, (liylnsdarm, enii(ddariii) loopt reeht nit van den mond naar den aars. Geen afzonderlijke adem-lialingR- nocdi l)loedoniloo]is-organen. maar wel een nitsclieidings kanaalstelsel , dat in eone, opening 111111 de buikzijde niet ver van de mondopening nitinondt. — De meeste Ivondwormen leven paraaitiscdi in andere dieren 011 liebben geen oogen ; die welke geen parasiten zijn, bezitten die meestal. — De Rondwormen planten zich voort door liardsehalige eieren, die langen tijd aan allerlei elieniiselie en pbysisehe invloeden, o. a. aan eene vrij hooge tenipcratinir, weerstand kunnen bieden, lüj eenigen (b.v. \'I\'iieliiini en eenige Fila-riën) komen de in dat geval dnnsclialige eieren nit in het liehaam der moeder. De nit de eieren gekomen jongen gelijken vrij wel op de ouden, ofsehoon bet maaksel van het mond- en staarteinde verschilt. Meestal komen de eieren en de jonge dieren niet tot volkomen ontwikkeling in bet dier, waarin zij zijn nedergelegd, maar in een ander, waarin zij worden opgenonieii. tj 330. (ieslaeliten en soorten.

I. Met eene aarsopening (l\'irtcliiclia).

1. Aaltje (AiHjinUnlfi) llhiilnhlix). Azijn-aa\'.tje f (vï. ni-r/t of Liploilera oxophilfy); \'l\'arwe-aaltje f A. of Uhahdilm Iriliri) ; beide niet parasitiseh, -Sommige Rliahdilen, die

-ocr page 285-

27:i

men in vochtige aarde vindt, zijn do jeugdige vormen vim andere Ncmatoden.

2. Spoel worm (AscmvIx). —■ Gewone S. f (/I. lumbricoidcs) \\ de gewone witte of rozenroode, 1)ij mensehen voel voorkomende ingewandsworm.

Aarsmade (Oxyurus) — Gewone A. f (O. vc.rmlriilarls)) vooral voor kinderen vaak zeer lastig.

4. Draadworm (Filavid). — Guineeselie I). mcdliinixix) ^ ontwikkelt zich onder de opjierlmid der beenen i^n voeten, wordt soms meer dan 1 meter lang, en veroorzaakt hardnekkige zwoeren; Oogdraadsworm {F. oriili), in hot oog, vooral bij negers; Bloeddraadworm (F. hacmatica), ontdekt in het bloed van honden.

5. liorstelstaartworm , Platkopworm (\'/\'fichorfplioliinj. — (Je-wone lgt;. f d!spav)\\ in den dikken darm van den menseb en eenigc apen; 7\'. dffinix, bij herkauwende dieren.

IJ. Haarworm (Trichina), — Spirale II. f spiralis), inliet vlooseh van varkens. Daaruit in de maag van eenig dier of van den menseb gekomen, worden zij van een hen omgevend omhulsel bevrijd, en vermenigvuldigen zij zich. lli\'t wijfje brengt een groot aantal levende jongen (tot 1000) voort. Deze boren den darmwand door en geraken eindelijk in de spieren, rollen zic h daar spiraalsgewijs op en worden met een kalkaehtig omhulsel (hi/slr) omgeven. In groot getal aanwezig, kunnen zij oone gevaarlijke ziekte en den dood veroorzaken. — Oorspronkelijk sehijnl de triebine te huis te behooren in de ingewanden van ratten en veldmuizen, waarmede ze door de varkens worden

VliM\'M-h mnt opongctnaiiktoky.i- verslonden.

ton, in rlkr waarvan (H\'ii Imar- 7 igt; 1........../ / lt; . ,,

iv„nn. \'• Ivolworm {hlrnviiyliis). — Orooto U.

\'/■ {H. ///(/as), in do nieren van varkens. Wordt soms I meter lang.

8. Dnehmius (/ïi\'i\'hviii\'s). I). van den Iwaalfvingerigen darm

-ocr page 286-

(!gt;. (liioilt iKilis)} vooral in Mgyptc on Aliyasiuië bij mcii-«clu\'ii veelvuldig.

11. /onder aarsopening (Apyocld).

It. Ivoordworm ((luiilitis). Gewoiu! of dunne K. f (G. .tela). Niet |mr;isiliscli. De liirven brengen baar loven door in bel liebaain van in bet water levende insekten-larven.

10. Siiaarworm (Mcnnin). — Zwartaebtigo en witte S. f (.1/. nii/rcfcfii* en cMicanx). Niet iiarasitineb. De larven boren y.ieb in de larven van vlinders on kevers in, on komen tegen den tijd der goslaehtsrijpbeid in vaak zoo groot aantal te vooracbiju, dat dil aanleiding beeft, gegeven tot bet sprookje van worm-regens.

§ \'m. De soorten van bet ge.slacbt l\'eripatus (van welke wij allleen /\'. jnliformis van de Antillen noemen), gelijken uiterlijk ii|i Dnizendpoolen, de genoemde soort o. a zeer op den Millioeu-jMiot {Julus), maar zijn in bun samenstel deels aan de Chaetopo-den, deels aan de Bloedzuigers verwant. Aan den kop ziet men twee vrij bingo voeldraden of sprieten on aan de voctstoinpjes dubbele klauwtjes. Wegens bet eigenaardige van bare. bewerktuiging nmakt men er eene afzonderlijke orde van, die dor Klauwdragcrs (Onychojihora).

Tot de (irde der llinnenkieiiwigen {Mulirobrdiiohl) brengt men liet in de golt\' vün Napels levend geslaebt lltildnoc/loxsus (li\' minn-lus en /gt;\'. c.hiciijcv), dat, bij een lang, wormvormig niet fijne tril-baartjes bezet liebaam, zieh onderse.beidt Iquot;. door een zoogenaam-drit slurp, aan de basis omgeven door een verdikten ring, in welke slurp /.ii-b twee openingen bevinden, waardoor bet water in de linlto van don slurp in- en uittreedt, en 2°. door een samenge-stelden Intn inlhiru adondialingstoestel (kieuw korf) , tot welke liel water toegang beeft door twee rijen kieuwgaton in de Imid.

llrt grsbn-bl Stekelsimit (-1/inor/it/tichtix) vormt de orde der 1 )uot,nkoppig(Mi (Ar inllion\'iihctli), De uit de eitjes van deze dieren gekoinone jongen geraken in dim darm van kleine scbiialdieren ((IfdinjKiniti, Am\'llvn), dourboreii den wand daarvan, en verblijven dan in do liebaamsbolte van die dieren, zonder ziob (laar volledig te ontwikkelen, welk laatste dan eerst gesehiedt, wanneer In-I srbaaldiei door eriiig ander dier voisbinilen Wordl. Hol dier

-ocr page 287-

275

krijgt dim (H\'uc langgostrnktc godaimtu, liooft gocn mond, darm, nocli aars, maar een soort van slurp, waaraan zicli haakjes bevinden, door middel van welke hot zich aan het slijmvlies der darmen vasthceht. De meest bekende soort is de Keuzen-stekel-snnit (A\'. (j\'njas), die vooral bij hot varken wordt aaiigetnidoii, maar ook bij di\'n pekari, den hyaena, l)ij watervogels en bij vissehen is gevonden.

Nog vermelden wij de orde dor liuiktrihvormen (6\'as/ro/m;/irtr), kleine, oppervlakkig beschouwd wel wat op Kader- of Infusiediertjes gelijkende diertjes, meestal door oene insnoering in een kopen aehterlijfsgedeélte geseheiden, en bij een igen met een gevorkt staartaanliangsel. Langs den bnik loopt oene strook trilhaartjes, terwijl het overige, lichaam met stijvero haren is bezet. De mond bevindt zich vooraan aan de buikzijde, do aars aan het achtereind. De dieren van de/.o orde leven in zoet water, zeer enkele in de zee.

Over de orde der Vinwormen (I\'liT/ichiiinllios) werd aan het slot van § 320 reeds gesproken.

u ki.as.sk Vol io o r vi lt;■ n.

§ 332. Volwormen (1\'lcrclmia) zijn wormen, bij wie de door den huidspierzak omgeven lichaainsholte is verdoold in vele kloini\', onregelmatig versproido vakjes, die deels door bindweefsel, deels door spiervozelon gevormd worden, in welke vakjes zieh do organen, van oen eigen bindweefsol-omkloedsel omgeven, vGrs])reidt;n.

§ 333. Hot lichaam dezer dieren is mocstal plat en naar evenredigheid dor breedte niot zóó verlengd als dat dor llolwormcn. Enkelen echter, zooals do Suoerwonn en verwante soorten, worden zeer lang; eenigon , zooals de Bloodznig(!r, en d(^ Ziiigworincn, zijn rolrond. Zelden vindt men lichnamsaanhangscls, maar bij velon zuignapjes (bo/liriri).

S 33\'I. Dc spiervczelen van don huidspierzak zijn voor een aan

-ocr page 288-

morkelyk gcdecltn met het wccfsol (lev Imiil ills \'t warn iloorccn-geweven, wilt l)ij ilc Ilolwcmncu niet lint g\'oval i.s. (Ji Zijtli\'-

vcllt;l(!ii zij 11 nict aimwozig.

§ 335. Vomnvog do inocsti! Volwormcm ziju hermapliroditisch.

S 330. Wij verdoelen de Vidwonneii in drie orden, die der Tril-worincn, der /uigiiajiwnniien en der lgt;iiit- of liandwonnen.

§ 337. Eerste orde. Tril worm on (Turbellaria). Een plat, meestal langwerpig ovaal. soms bladvormig lichaam, ofschoon enkele soorten (Lineus 1). v.) ecne grootc lengte kunnen bereiken. 1 ):it lichaam is ongeringd en gidieel mot trilharen bezet. Een duidelijk afgescheiden kop is niet voorhanden. Ooene zuignapjes. Aim de buikzijde een mond; een booinsgowijs vertakt (Plaixtvia, Dcn-(Iroi\'oc.hm) of onvertakt spijskmiiuil, uiuirvan bij ile zooeven ge-noeinde geslachten het voorste gedeelte ills een slurp uitgestulpt kan worden, lïij anderen bestaat wel een uitstnlpbaar slurpvormig deel, dat bij sommigen {\'rclraatrnniia.) zelfs een spitse, priem bevat, doch dit deel heeft genie betrekking op den mond. Bij velen cone iiarsoponing iian het achtennnd des lichaams ( Iclrtoi/ciiniin, M/rynntoniinn , Ij\'nicus), bij nnderen niet. Ulo(!dvaten komen bij oenigeu {\'l\'rlru^lcinma, I.iufns), liij de ineesten niet voor. Er zijn twi-e door een dwarsstreng met elkander verbonden zenuwknoopen In het voorste gedeelte des lichaams, waarbij soms nog twee komen. die mot de andore ecu slokdarmrlng vormen. Sommigen hebben oügcn, anderen niet, eenigen ook gehoorblaasjos. Kcnigo (l\'laiKiriii, Diiulrocurliiin) zijn hermapliroditisch, de meeste echter niet. !*(\' uit de eieren gekomen jongen der Zloetwater-rnrbollarien en van sonnnlgo In zee levende ondergiian goene gediiiintcvcrwls-se.llng; Mj anderen heeft er eene (ilaats op de wijze der Stokel-hnidigen. Alle Turbelhmen leven vrij In zoet of zont water, Wiiitrin zij zich voortbewegen door trillende bewegingen, welke afhiuikclijk zijn \\iiii de werking dor lu S 32\'-! vermelde rugbuikspieren.

§ .\'iliS. (li slaelitcn en soorten.

1. 1 lolshirpigen, S-imrlum), Men holle, niet niet

het spljskmiiiiil In verband staande slurp, vank gewii|i(\'nd met

-ocr page 289-

ecu )irii\'m (gosl. I). Do darm vim uitstulpingen voorzien; meestal eene aarso|iening.

1. Vieroog (\'rclraulcinina). Monte V. f (V. vdficolul\').

2. Snocrwonn (Liiicii*).— Kngclsclie S. (/.. , h\'or-Uisia AiKjliai). Aan de rotsaclitigo kusten van Krank rijk en Kngeland; wordt soms verselieideue meters lang. Voormond (ProNlomniii). — Smalle V. (P, bucarf).

11. Staafdarmigen , 11 hnjquot;lnmrilt;r. Ge.en vrije slurp ; de. darm een \'quot;iquot;-. eenvoudige zak; eene aarsopening (gesl. \\) of geene

a (gcsl. 5 en 8).

1. Kleinmond (Microntomum), — Smalle K. lnn\'-

nn\'). — lüj deze soort , en trouwens hij meer tril-wormen, bevat de huid kleine staaf- of priemvor-mige kalkliehaainpjes, die bundelagewijs bij (dkander liggen.

5. Grootmond ^Tacrostommn). — Stekelige, (i. f (A. hijstrix). In veemvator.

(!, Draaier {Vortcx). — Groene D. f (V. vindm). In sloten on vijvers.

III. lïoonid:innigen {/)cn.lt;li\'oi\'oc.lu.) liet darmkanaal hoornachtig vertakt. Een ware slurp, namelijk hot uit- en instulpharc voorste deel van den slokdarm. Een langwerpig eirond, plat, vaak bladachtig lichaam.

7. /eeplatworm (Plaii(iria). — limine /. (/\'. torva.) S. /octwaterplatworin (Deiidi\'ocvclum). Melkwitte y

(/gt;. laclcum).

§ .\'i.\'ül. \'Tweede orde. / u i gn a p w o r m en. (Cotijlidrri). Een ver-leugd, bijna rolrond, vóór en achter dun uitloopend lichaam, waarvan de. huid ringvormig geplooid is (Bloedzuigers), —of het lichaam plat, blad- of lancetvormig en geheel ongeringd (Zuigwor-nien). Goeno trilharen; de moesten zonder licliaainaanhangsel. /uignapjos , bij eenigen (Bloedzuigers) aan \'t acht(M einlt;lc, soms tevens aan \'t vóóreindo bij do overigen één, twee, drie of meer op onderscheidene plaatsen. Bij de Bloedzuigers ligt de mond aan de. vóórbuikzijde in de zuignap, zoo er daar oen is; hij do overigen ligt hij tusschen de twee voorste zuignappen, of in een

-ocr page 290-

zuignap meer inuir t ini(|illt;\'ii van (km buik enz. DiinnUiiuiiiil boomsgowijs vcitakt, ot wel ii\'cht cu onvertakt (IJloi\'d/.uigors). lüj

IlluodzulK\'T.

(li- BloiMl/.uignrs blocdvafiui, bij de aiulcrun niet; bij allen ccbtor vorkconlclijk zongonaaindo watcrviitnn, die naar binten 0|ienen en

I\'\'!quot; i\'i?.} \'nitselieiding dienen, (ij .\'ilG) .Af\'/.iinderlijkc adcm-lialingsorgauon ontlii-ekc.ri. Het /.enuwstelsel komt in \'t wezen der zaak met dat der vorige orde overeen. Do meeslc nioorlznigers hebben twee of meer oogen langs den vóórrand van den voorsten zuignap , —- bij do overigen ontbreken zij meestal, behalve in zeer ^ jeugdigen toestand. — Meest allen zijn herinaphrodi-limm. Icn (gt;u eierleggers; velen, waaronder de bloedzuigers, ontwikkelen zieh rechtstreeks; hij anderen bestiiat metainorpbose, en teelt wisseling. Kenigen leven vrij (eenige Hloedzuigers), — an-dere zitten steeils geheeht aan de ludiaainsdeelen (kieuwen, mantel) van vissehen, sehaaldieren en weekilieren ; eenige leven binnen in hef liehaain van andere (lieren. Allen zijn eehter ])arasiten, want ook de overige viij levenden lie(hten zich tijdelijk aan andere dieren , om zieh met het bloed van deze te voeden.

§ :M(». Geslachten en soorten.

1. nioedzuigera. (Ifinnlincd). Een zuignap aan hef achtereinde, veelal ook een aan bef vooreinde. Ibiid niet korte ringplooien. Mond aan het vooreinde der huik vlakte. Een aarsopening boven den achtersten zuignap.

I. liloedzuiger (IUrntlo). — fTeneeskra(ditige li. (//. mcdici-nal\'n) uit znididijk Europa afkomstig en van daar aangevoerd, docb in (ins vaderland in enkele plassen gepoot. I\'aardenbloodzuiger f (//. i-ot-n.r) •, Zwarte f li. (7/. of /1«-Ins/oma lt;inlo).

■J. Zeebloedzuiger. Zeeëgel (I\'oitlobflclld). wrattige Z. j-(/\'. murhdtu). Leeft van \'t bloed van vissehen.

-ocr page 291-

27!l

.\'i, Visch-ogol (l\'iuaicola), - • GüW\'iii; V. (/\'. i/cumc.lru). In /.oot wal er.

1. C\'l(^|isiru! (Chpfiiquot;\'). \'I\'wccüog\'ig^ (\' f ((\'. lj!(jcalalii). In zoet wator.

II. /nigwdniH\'ii {\'rroiKiludK). Keu ouguiingd, |ilat lichaam mc( (\'en of ini\'i\'i- /.niyiiiipji-s (i|i vtM\'Hcliillciiilc plnatticn. I\'a\'ii vit tukt (l.-iniilfaiiiiul , zoiuloi\' aars. — De onhvikkcliug van vele. Tmnatodon, tn\'iiaaldclijk van IHstoma, \'J\'n\'.sloma, l\'ohjftoma en Monostoma, liooft op »li\' volgcndu wijze plaats. ])(■, mccstaI in hot water gelegde eitjes hrcngcn kiemen voort, die met trilharen T)e/,et zijn en ziidi in het water voortijewegen. Door con dier, h. v. oen slak, ingeslikt, ontstaat uit de kiem een zakje (Jii\'flid), waarliinnen zieh eellen vormen, die zieh tot gostaarl.o diertjes {Cf rear la) ontwikkelen. Do eerearien komen wed er in het water, en daarna ai wederom in oen slak, of viseli of ander (lier, verliezen daarin hnn staart en hullen zieli in een vliezig omkleodsei (cyste) in. Wordt nu hot dier, waarin zij zieli bevinden, door oen ander dier verslonden, dan komen zij in liet darmkanaal van dat derde dier, alwaar liet omlmlsei verloren gaat, waarna het dier door den darmwand en/., lieenboort cu eindelijk in de lever, de blaas, do oogholte enz. aankomt.

1. Krabwonn (Vdonella). — Wijtingworm f (f/. pollachii). De l\'doiiellen leven op kloine seliaaldieren, die |iarasitis(di U^vcn op zccvisschen, b. v. op de. botiui» (Ciilii/iis der vissollen § 50G), en zijn dus [larasiton van parasiten.

2. Driemond (7V/a7owi«). Driemond van do Heilbot (7\'. of l\'pilxlella hijiiioyloNxi).

Veobnoiid (I\'oli/sloma). — Kikvorsch-voolniond f (\'\'• lt;irrvhiiiim). In (li^ blaas van kikvorsellen.

4. Duhbeldier {Diplozoon). Gekruist 1). i\' (D. jiarailo-inui). Van dit op di^ kieuwen van zoetwatervissolion lovend (lier, aan den Ve.elmond na verwant, vindt men vaak twee individuen in \'( midden aaneengegroeid, zoodat een dubbel, kruisvormig dier ontstaat.

5. Twoeinmid (l)inloina), Leverhot, f (P. licpii/icinii). In do. gulwegen van dieren, vooral van hel schaap, maar ook solus bij den monsob. Heu/.eiihot (/gt;. fiollalh) , H een tim. lang. In de lover van walvissehen.

-ocr page 292-

280

(i. Kénmmul (Monosloinn). - VcMaiidoilijk^ E. f (■\'/■ mala bile). In dn buikholto, ili\' ilnrmcn, de luiusholtc en/, vim vcisclicidouo wiiti\'r- rn mocriisvogcls. — Lons-ciinmoiid f (.)/. leiitis). Tu do kristallens liij den mcnscU.

§ 311. Derde ordo. Uiuid ot\'L i 111 \\v or me n (dcxloiilcaj. Meestal lang, en van gedaante handvonnig, met een dun nitli)oj)Cnd uiteinde, tor wij1 het lichaam van daar tot aan liet andere uiteinde

Kik. 22t).

Ijintworin.

l;iiig\'/:iirn\'rh:iii(| bl,(;(,,(l(U, wordt. Ild voorste ^odeclte v;m 11ot dumu» uiteinde licct de ko/j. Kigonlijk i.s (;oii l»:ind- of Lintworm oen sainongostold dier, t g(MMi uit eeiK^ acditcr (dkandor gellt;\'glt;»n rocks vun dici\'cu bestaat, dio imui gowoonlijk l o d o u noomt. Hot voorsto, lid. de. zoogouaamde kop, dut in vorm en suiuonstel van de overige leden verseliilt, heet men scolex • (\\r. daurop volgende leden , die in struetuur uilen aan (d-kandei\' gelijk zijn, noemt men prcxjlollideii, ()|) deze, samenstelling maken enk(de bamhvormen, over wi(; wij inditer niet spreken zullen, in enkele opziehlen eelie, uitzondering.

Mondopening, spijsverteringsorganen. l)lo(Mlvaten en werktuigen voor de ademhaling ontbreken. Deze, wormen voeden zieh door het opnemen van voeht, wa.nin voedende, zelfstandigheden bevat zijn, in de. geheele liehaains/elfstundigheid. ritscdieideinle vaten zijn echter voorbanden, evenals bij de \'/uignapwormen (§ 32G) Van een ze-

I

m

l\\quot;|l V .\'III l \'H

I,int worm, v ergroo t.

-ocr page 293-

miwatclsel boHpRitrt\' men niets. ICvimiwcI licoft con op proglottis luin^i\'bruclitc prikkel Hairicntrokking van (Ir/.c ten gc.volge, en hovenilien plant ziüli die jirikkel van proglottis tot proglottis voort, gelijk blijkt uit Iminie sainentiekkingen. Deze ontstaan in de onder de, huid gelogen spierlaag,

Aan den scolex of kojt ziet men twee of vier /uignapje.s, en haakje», die \'t zij in een krans aan liet vóóreinde van den sen-lex staan, \'t zij aan de zuignappen /elven. De seolex kan geene eieren voort brengen, maar brengt door verdeeling van zijn dunner aebtereinde (bals) proglottiden voort. Elke. proglottis daarentegen is voorzien van oen eierzak , die bij den gewonen Lintworm een kanaal midden in de proglottis is, dat zijdelingscbe vertakkingen bezit, waarin zieb de eieren vormen.

De Handwormen leven parasitiseb binnen andere dieren. De. wijze waarop zij daar binnen geraken, hangt ten nauwste met Inmne ontwikkelingsgesebiedenis samen, en wij zullen van deze laatste, een denkbeeld geven, door kortelijk de ontwikkeling van den Lintworm te. beschrijven.

Stellen wij ons een geheel ontwikkelden, in het darmkanaal van een nienseb of dier buigenden lintworm voor (Hg. 221!). Hoe verder bij dezen de proglottiden of leden van den seolex of kop verwijderd zijn, des te. onder en des te grooter zijn zij. Wanneer de oudste, proglottide.n rijp, dat is volgroeid en met eieren gevuld zijn , dan raken zij los en worden met de drekstotl\'en ontlast. Xatmnlijk gaan vele van die proglottiden en eieren nu te loor; doeh eenige. komen met het voedsel (gras b. v.) in de maag van andere dieren. In die maag wordt de proglottis en het omhulsel der eitjes door bet inaagvoeht opgelost, en de nu vrij geworden kiem, die van boorwei\'ktnigen voorzien is, doorboort met deze den wand des darms, komt in een bloedvat, en wordt met het bloed naar het een of ander lichaainsdeel gevoerd , zeer dikwijls naar de lever, maar ook wel in de spieren, het hart enz. Daar wordt het nu weldra omgeven door een vlies , dat, meer en meer groeiende, een met vocht gevuld blaasje wordt. lt;lp de eene of andere plaats van den wand van dat blaasje ontwikkelt zich de toekomstige seolex, die nu ook voortgroeit, en wel binnenwaarts. Later echter stulpt zicb de blaas om, en nu zit de seolex, reeds voorzien van znignapjos en haakjes, met eene soort van hals aan do buitenzijde, der blaas. In dezen toestand noemt men bel dier

-ocr page 294-

-) s :gt;

Igt;l:i:i-wurm (( \'i/Klirn\'cii.i, fi^\'. \\u kuinicn, wiunirci\' di\' l)Iuas lang-

/iunoi\'luuul ciTsl iMgc\'ki\'Oiilluiii cm ciiidrlijlc verdwenen is, zicli jircig-lottidcu vin\'iiicn door vci\'docling van den lials van den scolrx. Hij vdi\' soorten gebeurt dit ccliter ailot ii dun , wanneer liet liehaains-deel (lever, bindweefsel van bet s|der\\lei-seli en/.) waarin /.irh de l\'iquot;-. blaasworm ojihoudt, door een ander

dier . ook door den inenseb, tot voedsel is gebruikt. Op die w ijze in bet darmkanaal van dat dier of dien inenseb aangeland , beeld de scolox zieb aan bet slijmvlies daarvan met zijne baakjes vast, en nu ontwikkelen zieb door gestadige vcrdeeling van den altijd voortgroeienden bals voortdurend proglottiden, zoolang de seolex leeft. Kn alzoo ontstaat dan een lintworm, liet is nu gemakkelijk te begrijpen, waarom de bet diebtst bij den kop of seolex gelegen proglottiden of leden de kleinste zijn, en daarentegen des te grooter, naarmate zij verder van den seolex zijn verwijderd: de laaiste toeb zijn de oudste, de eerste de jongste. Dat nu de loslatende, eieren voortbrengende proglottiden, uit liet lichaam geraakt, en in oen ander liebaarn gekomen, wederom tot bet ontstaan van eene seolex of voedster-dier in dat laatste aanleiding kunnen geven, beboeft nauwelijks aangemerkt te wnnlen.

liet kan eeliter ook gesebieden dat rijpe proglottiden in de maag der menseben komen , en daar verteerd worden, waarna de eieren zich in de darmen, evenals bij bet varken, tot kiemen ontwikkelen, door den (liirnnvand in bet bloed komen en zoo in de lever, de spieren, ja in het oog geraken, en zieb daar tot eystieereen ontwikkelen, wat natuurlijk bedenkelijk wezen zal.

S .\'i lü. Geslachten en soorten.

1. Kettingworni, lireede Lintworm, Oroefkopworm {Hothriof.c-jihahiK). — Gewone K. •/\' Inlas), liij den inenseb, meer echter in oostelijk Kuropa en /iwitserland, dan in westelijk Huropa en bij ons.

■J. I.iutworni {\'l\'ticnid.) —fjewone L. f (7\'. so/lum). l)i^ jeugdige, toestand is de lilaasworin van hel bindweefsel (Ci/sliccrcus rrlhilosdc), die vooral in de spieren van varkens voorkomt.

Cystiorcnx. ; V\'ocdsfciMlifr van lt;llt;.-ii lintworm), « Vorgroofc kop.

-ocr page 295-

281!

Deze soort van linlwoim woiilt llt;it .\'! irwlcrs hing. Hij igt;ns is ecliti\'i mcnigvuldigf\'r de /. nifi/iofdur/hila, waarvan de. bliiaswoiin in di! spiori\'n v;iii nnidorcn leci\'t, en di(! cimki lenglo vim 1 meters en incor liei-oikt. - Voorts heeft men nog eeTi n.anllil soorten, li, v. den Diklialzigen Ij. f cnis-simllh) bij ile kat; de Idanaworm (iiuirvan knint in ninizen voor; den ilondeidintwonn f iïc/i\'iincocciiK,) , wiens

bliiaswonn (l^ hiiirjcDccitH vc.lcrinorum), in inenselu\'ii, rnndoren en varkrn» leeft; •— een andeie llondenlinlwonn (cociiin-its), wiens blansworm , de Driiniworin (CoeniirKS cerchraVn), in dc liersenen van schapon voorkomt, en/.

HOOFDSTUK VII.

whhkiuuhkn.

ij .\'! I.\'!. Weekdieren {Animalia nio/./imcd, Malactcoa) zijn dieren die ineerondeels, gedeeltelijk evenwel niet , bilateraal syninie-trigeb zijn en wier Uchaain, evenals dat der Wormen, bevat is in een linidspicr/.ak, welke ecbtei niet in geregelde afdeeliiigen of segmenten is verdeeld , en die veelal een verlengsel vonnt, dat zieh om het lichaam omslaat en dit geheel of gedeeltelijk oinbidt. Dit verlengsel, betgeen ook bij de Uankpootigen en Ostraeoden onder ile Seliaaldiereii wordt aangetroffen, noemt men den mantel. In zeer vele gevallen is deze mantel weer omgeven dooréén of twee , zelden meer. kalkaehtige of hoornaehtige, sehelpen, waarvan de stof door den mantel afgeseheiden wordt. Daar, waar geen uitwendige sebelp bestaat, vindt men veelal onder de hnid ren seludpaehtig deel of sporen daarvan.

§ 3\'14. De hniil en de, mantel zijn veelal week. De laatste, quot;ingeeft bet liebaam in eenige gevallen geheel , en in die gevallen zijn er twee openingen opengelaten, eene voor de opneming van voedsel en water, de andere tot wederafvoer van de in liet liebaam opgenomen stollen. In andere gevallen overdekt de mantel slechts een gedeelte, soms maar een klein gedeelte, van bet lichaam.

-ocr page 296-

281

tj i! 15. Nu (H\'.us is de iiKiiitcl vordikt ou v^vliaril (lluiilzukilii\'-nm, MoBdioron), lt;lmi ei\'iw, golijk rcud» i» gcaegd, met ccno «cli o 1 p bcklocid. .Men vcrilrrll ilc scliclpi\'ii in cónkli\'piiigc! (liorens), twoo-kli\'jipigi\'. (oigimiijkr schclpi\'ii of doubk\'ttcn), cu vci\'lklcppigtï sidicl-pen, al niiiinniit(ï /ij uit ói\'üi , twee, of meer stukl\'.oii Iwistaan. V clc Viiu Hcliidpon voorzienig wi\'okdioriMi bi\'/itton «lie- roudti in lirt oi, iindoi\'o diiiircntogmi niet. De stot\', w.\'iiiniit clc selii\'lp bestiiat mi Wiliirdoor /ij grooit, wordt iifgcsi\'licidrn door don vrijen buitcu-rand van don innntcl; do grooi dor Hcludpcn liangt af Viin dioii dos inantols, wiens vrije rand stcoda ligt tcgon den rand van den mond der eenkleppige Hebelpen en ililt;dit Jian den rami der kleppen bij do tweokleppigen. De scbolpen bestaan liij do moesten uit twee bigcn, waarvan de binnenste, die de dikste is, cene witte kleur en dikwijls een pavebnoergliins bezit, terwijl do buitenlaag verseliillond gekleurd en geteekend is. Eigenlijk bestaat er nog, meer bepaald bij de horens, eene buitenste eliitinelaag, het drap marlii der franschen; doeh de/o verdwijnt dikwijls door afseburing en is bij de Behelpen en horen», die in do verzamelingen worden aangetroffen, zelden aanwezig. — Daar de groei der sehelpon van tijd tot tijd stilstaat, zoo ziet men op vele horens en sclielpcn g r o e i s tr e p e n , diode grenzen aanduiden der oudere en nieuwen! aangrooiingen. De windingen dor horens hangen daarvan af, dat bet dier zelf in gewonden vorm groeit. Is do mantelrand voorzien van boehten en vei-dikkingen (welke ook soms tijdelijk kunnen voorkomen) dan geven deze aanleiding tot de vorming van ribben, golvingen, punten en stekels op do schelpen. — De parebnoerghins van de inwendige laag van vele schelpen is een optisch vorachijnsel, dat voortgebracht wordt door mikroskopisch fijne streepjes of barsfjes van de zelfstandigheid dier laag. 1

§ 34(). Niet alle weekdieren bezitten een kop; zij, bij wie de mantel het gansche lichaam bekleedt, bobben er geen; pooton of

1

Men maakt parelmoor na door b. v. koperen voorvvorpon, zooals knoopen, van /,ulllt;e Mtroopjos te voorzien. Het qiiasi franscli jierle (Vamonv is eeno verbastering van ons parelmoer, fiot hoogduifschc Do oorsprong van lt;Ut woord, dat ook in hot middoloeuwsch latijn fper la maler) voorkomt, is daaraan toe te schrijven, dat men het parolmoor als do moodoratof, do matrix, dor paarlon beseliomvdo. In hot frjiiiscli boot parelmoer nacre.

-ocr page 297-

285

vootstompjos vindt nion bij cnkcl. Uotgoen mon bij dc wock-

Fiquot;- 2\'J\'t dieren den voet noemt, is cenc spier-

aehligc verdikking en verlenging dor Imid en van den spierzak , die, soms zoolvormig is, of kiclvormig, of kegel-, of wormvormig, of zieh vertoont als twee vinnen.— Velen bezitten in do nabijheid der mondopening twee,, vier of meer voelers of voelarmen, — anderen twee spiraalsgewijs opgerolde armen. (Arm-pnotiyeri).

§ .\'517. Hot spijsverteringskanaal bezit een mond on een aars, welke laatste oeliter niet altijd aan bet aebtersto niteinde des liebaams gelogen is, maar meestal meer naar voren, waarvan dan eene lisvormige ombuiging van bet darmkanaal het gevolg is. Hij boogere weekdieren volgt op de, vaak van boornkaken voorziene, mondholte oeno keelholte, waarin zich eene tong bevindt, die bekleed is met een hard, met tandjes bezet vlies, wrijfplaat (radula) genaamd. Speekselklieren en lever zijn veelal sterk ontwikkeld.

$ 348. Hij de hoogere weekdieren vindt men, juist omgekeerd als hij de visselien, een slagaderlijk hart met één of twee, voor-Fe\' 280 kamers; waardoor het

nit de ademhalingsorganen teruggekeerde kleurloozc, geel- of blauwachtige slagader lijk blned door slagaderen naarde liehaams-deelen gestuwd wordt. 1)i1 aderlijke bloedsomloop geschiedt deels door aderen; deels door (225). lüj de laagste weekdieren (de Mosdieren) bestfitin geheel geene organen voor blötidsondoop. Doch tnsseben deze heide uitersten vindt men allerlei overgangen. De Weekdieren kunnen door uitwendige openingen water in hun bloedvaatslel opnemen, waardoor zij opzwellen en harder worden; dit water kunnen zij weer door samentrekking des liebaams uitdrijven.

De adeinbalingsorganen /.ijn bij de hoogere weekdieren meeslal

laeimen

-ocr page 298-

280

ki(Mi\\v(!U, die binnen don mantel liggen; zeldzamer, en dun inoost bij op hot drooge lovende wook-dioron, longen . d. z. oone door don mantel omge-ve.no, van een netwerk vim vaten voorziene holte. Sonnnigon bezitten beide, kieuwen en oone long. De lagere weekdieren ademen door de huid.

5j 34!). liet eontraal-zennwstolsol bestaat uit twee, dikwijls tuf één versmolten bovonslnkdarm-knoopon, twee onderslokdarm- of vootknoopen, die door veibindingsstrcngen

Fiff. 232.

!•%. aai.

-ocr page 299-

287

mot de eerste sameiiliiingeii; en twee kieuw- , niimtel- o(\'ingewiiiuls-kiioopen. Soms zijn er meer kiioupeii ; soms ook minder, zelfs muur één enkele. Hovemlien trtift men, bij de iioogere weekdiei\'en al~ tlnms, nog een voedings/emiw.slelsel aan (§227), dat door strcMigen met de boveiislokdarm-knoojien glt;\'meenseliii]) heeft.

§ De Weekdieren planten /.ieh voort dooi\' nieren, vele

lagere tevens door knopvorining en door teidtw isseling of w issel-geboortc (§

§ i)51. Do meeste weekdieren leven in /ee, verselieidene (Mditer in zoetwater of op het land.

§ .\'i;)2. Wij verdeden deze afdeoling in vijf klassen, —die dor Kopdragende Weekdieren, der I\'laalkienwige Wecdcdieien ofStdudp-dieren, der lltiidzakdiercu, dn Annpootigen, en der Mosdieren.

1. KLASSK.

Kopdragende II\'eekdierm.

§ Jiöy. Koj)dragendc Weekdieren (Ceijlia/op/ioiri) zijn weekdilt;\'reii met eou van het overige liehaain duidelijk ondorsehoiden kop, die van voelers of vangarmen om den mond en meestal van twee

oogon voorzien is. Eeno tong met eeno wrijfplaat ei...... hart met

één, twoo of meer voorkamers. Velen zijn besloten in eene één-kloppige seliel)) of horen.

§ 351. Men verdeelt deze. klasse in .\'i orden, li^ weten 1 die der Koppootigen, 2 der 1 iaikpootigen, (lt;ii der Vlengelpootigen.

§ Jiöö. Koi\'ste orde. Koppootige w c e k d i e r (gt; n (Ccijliato/ioild). Kopdragemle weekdieren met rondom don mond geplaatste, zeer beweegbare vangarmen, wier naar elkander toegekeerde zijden bezet zijn met een aantal gestoelde of ongesteelde zuignapjes, door welke liet dier zieli aan andere voorwerpen kan vastheebten. .Meestal zijn deze 8 in getal, liij sonimigen zijn bovendien nog twee langere., doorgaans sleebts aan hét brecMlere uiteinde van napjes voorziene armen (g;iijpannen); deze beide armen zijn lager geplaatst en kiimien worden teruggetrokken, lüj i\'enigon zijn de armen sleclit-. iloor een kort \\dies aan de ba t , om den mond ,

-ocr page 300-

288

on vormt al zoo cone soort van troclitcr rondom do inoiidopoinng. Twee kromme, hoormiehtigo kaken, te siunen gelijkende op een papegaaisnavtd *, oene luivde en rnwe tong niet ecne weeke spitn. Gehoor-/akjes in hot later te vermelden kopkraak-becn, Twee groote zijdelingsclie oogen. Achter elk oog ceno kleine opening, voerende, in ecu kanaal, denkelijk een reukorgaan. Het lichaam is tot aan den hals bedekt door den mantel, die langs den rug met den huidspier/.ak des lichaam* samenhangt, maar aan do buikzijde een zak vormt, hinnen welken de Idaderige en geplooide kieuwen liggen, en die zieli vóór aan den huik verlengt in den zoo-genaanulon trechter. Door eene spleet in den mantel komt het water in de, kieuw-holte;; door den trechter wordt het, na de kieuwen in aanraking te zijn geweest, weder ontlast. I!ij eonigen (gt;SV^/a, [.(jlifjo, S^inila enz.) is de mantel zijwaarts vinvormig verbreed. Overigens is het lichaam of langwerpig, langgerekt, of eirond, of rond en breed. l!ij of in de lever bevindt zich ecu zakje (de inkt-zak), gevuld met eene bruinzwarte vloeistof (waarvan de bekende verfstof, ftc.pm, afkomstig is), welke door eene hall bolvormige klier a:in den achterwand van dat zakje ol blaas wordt afgescheiden. Dat zakje opent zich almede in don trechter, en dc uitgespoten inkt schijnt het dier als verwerings

middel te dienen.

!„ ,|(. oven onder de oppervlakte gelegene laag der glibberige opperhuid liggen samentrekbare. met roode, violette, blauwe en gele kleurstof gevulde cellen (pigment-cellen), die men ehroma-tophoren noemt. Door de bcurtelingschc samentrekking en uitzetting dier cellen ontstaat een kleurenspel in de, huid, eenig zins vergelijkbaur met dat in de huid van den Chamaeleon.

vorlmmlcn; liij andoren, 1). v. (,\'in\'hothc.iitls, reikt ilit vlies verdci

met

-ocr page 301-

289

Binnen in het, lu liasim vindt inon enn kvaaklic.onig skclot dat

ocditcr bij dn voi\'scliillonde gcslacliten in zeer ondorschoi-dou mate ontwikkeld is. In den meest volledigen vorm liestant het \\iit een den slok-danii-zemiwring omgevenden ring of kopkruakbeen , kraak-beonige oogkassen, een rng-kraakljeen, een nekkraak-boon (in vinkraakbeenderen.

Heiligen (Aryonauln t S/ii-rnla en Xntttilus) bezitten een uitwendige seholp. Bij Nautilus is die; door tnasehenaeliot-ten in ruimten ot\' in kamers verdeeld , in de voorste waarvan v.ieli het dier bevindt. In elk tnssehensehot i.s een gat, waardoor heen ren kalkachtige buis (si/ihn) van de eerste naar do laatste kamer gaat. In die buis zit een vliezige buis, waarmede bet dier aan de schelp bevestigd zit.

Ook koppootigen , welke, niet in eene sehelp besloten zijn, bezitten toch eene soort \\-ati schelp, doch inwendig in den rug, eene. rugplaat (yladnis). liet zoogcnaanule zeesehniin , dat men aan onzen stranden vindt, is zulk een rugplaat van den gewonen inkt-viseh.

\\S at vorder van de bloedsoinloopsorganen en van het zenuwstid-sel der boogero ueekdieren gezegd is, is in volle, mate op de Koppootigcn toepasselijk.

Mannetjes en wijfjes zijn bij vide geslachten op het uiterlijke aanzien te onderscheiden; bij Argonnvita is dat onderscheid wel het grootst. Bij het iiiaieietje van Argonanta niet alleen, maar ook bij eenigo anderen is een der armen (llectocotylus-arm) dikkeren langer dan de overige en loopt uil in een langen draad. Deze scheidt zich van bet lichaam van het mannetje af, beweegt zich zelfstandig in het water en wordt eindelijk binnen de mantelbolte van hel wijfje opgenonien. I!ij hel inamielje van Nautilus zijn drie. dei

II)

-ocr page 302-

\'290

vclo armen gohcol, cu con viordo gedeeltelijk, met olkander vergroeid tot een knodHVOrmig orgaan (.s/xff/i.t).

Do Ivoppootigen ondergaan genie inctamoridiosc. lluu groei scliijnt onbeperkt. Somniigen kunnen oeuo aimzienlijke grootte bereiken, /oodat de vangarmen ettelijke meters lang üijn. Dergelijke veusaelitige inktvisseben liebben aanleiding gegoven tot allei-lei verhalen van zoeinonsters en gcdvoebtcn.

Do Kojjpootigen loven allen in de zoe, en voeden zieli mot andere dieren. — De langwerpig gevormde Tienpootigen bewegen zich bij hi\'t zweinmen steeds achterw aarts. daar ile vooitbewo-ging, behalve door de viingarmen, geschiedt door bet met kraclit uitspuiten door do trechtcroponing van het in de inantelholte op-gonomen water. De kortere en rondere Achtarmigen bondon zieb moer op den bodem op, en kruipen daar rond op hunne vangai-men, dus met den kop benedenwaarts.

§ 350, Geslaehten en soorten.

I. Tweekieuwigen [lgt;ibranuhia,tlt;i). Aan elke zijde in de kieuwholte één kieuw.

A, \'rienarinigen (Derapoda).

1. [nktviseh — Oewone luktviseh, Zeekat i\' (^S. nj-

Jlcïixil.is).

\'2. Spiraalhoorn (S/iiridn). — l\'osthooi n (S. I rrdiiii)\', Indi-seho oceaan.

3. l\'ijl-inktviseh (Loliyo), Twee driehoekige vinnen aan bet achterlijf. — Gewone I\'. f (/■■ vulj/tirw).

4. Kleine luktviseh ({Si jiio/n) t — Sepiola van Rombdet r (S. Jioiulchlii). Met vinnon.

5. Oogroller (Ommmtr^phes). — Keusaehtigo lt;». (O. t/itjan-l uk). Kust van Chili, Atlant. oinuian. Holrond met gi\'0lt;iti\' vinnen.

(!. N\'agel-inktviseb {Onijehotheuti*). Met kromme, boornaoh-tige kaken aan lt;le vangannou in plaat» \\\'an zuigua|)pen; groote vinnen. — (icwapende \\. (O. aniialo) /uid/.ee; Javaanscbe X. (O. anyu/ala).

11. Aehtarmigen {OcJiijiodn)

7. Aehtvoet, l\'oelpe (Orlopiui). Gewone A. (O. vulyan\'s), de l\'olyjius of Voe.lviict (Ier ouden; Middellandsebe zee. Muskns-aehtvoct (O. mosrhatm of Ekdone motehala)\', riekt .turk naar muskus; Middellaiulsche zee. (lirrhusdragende

-ocr page 303-

A. (O. nf Cirrhothcuiis Mulkri) , kustou v:iu Gi-oonland.

1\'ig. 236. laatste soort

nclit armen over li u ii u o, g c h o e 1 e 1 e ii g t e door ecu vlies tot oen trcclitor-vorniig scherm verbonden , en de znig-napijcn zijn voorzien van lange vooldradcn of cirrlii.

Papiernautilus, Argonaut {Aryonauta). — Papier-nautilus, Doek-huif\' (A. aryo), Mid-dellandscho zee. Eeiie in de Molukselni zee levende ;-oorf i^ A. tu-hcrcjiUtla. Het wijfje van Argonauta i» Im\'-sloten in ecno witte, dunne, zijdelings plaf-gedrukte, gerilide sehelj), en bezit aan twee der vangafmen een zeer verbreede èindplaat. Die beide eindplaten zijn in den ri\'gel om het vooreind der scliolp heengeslagen, en niet los zwevende, zooals Argonauta. meestal (ook in fig. \'i.\'ifi) wordt afgebeeld. Terwijl bij de. overige sehelpdragende werkdieren de schelp het product van den mantel is, is zij dit bij A. van de genoemde eindplaten. liet maimetje, dat veel kleiner is dan liet wijfje, hoeft geen schelp, geen verbreede eindplaten, maar een ItÜHocütyliis-arm.

lilj de/.u zijn do

:.w.

-ocr page 304-

292

II. Vierkicuwifjjcn {TrlyuhritnrJiiaUi). A;in clko zijde in itn kieuw-holtn twoc kieuwen.

i). Nautilus (Nau/Kus), — Parcltnoor (.V. pompi/iiis). Dit dier onderscheidt zich door een groot aantal voelers, de gekamorde schelp, gocn inkt/.ak, vier kieuwen en/. \'I\'ro-pischc zeeën.

§ 357. Tweede orde. H u i k ]) o o t i g p u (G\'nsh ropodn). Kojidra-gemle wc.ekdi(!rcn met ccno voet- of bnikschijf, die meestal enkelvoudig en zool-vormig is, maar hij eenige soorten in een voorste kielvor-mig en een achterste staai t vormig gedeelte is verdeeld, (lig. 2 17), die besloten zijn in eeno éénkleppige sidndp of horen, in eenige gevallen (miakte luiikpoofigoii) zonder in liet oogloopende of zichtbare schelp, — die dan evenwel toch bestaat, maar zeer kleinen achter op het lijf geplaatst is, of ook binnen den mantel ligt,— in nog andere gevallen (gesl. 39, 40, II en 49) is er in t geheel geene schelp, behalve hij de larven (JS? 336). Aan den voet is veelal ecu hoorn- of kalkachtig schijfje (dclscl, opircnhuii), dat, wanneer bet dier zich geheel in den horen terugtrekt , de opening daarvan sluit.

De mantel vertoont zich meeslal als cenc soort van kraag of muts op den rug. In de gedaante der schelpen bestaat veel verscheidenheid. Meestal is de boren of schelp spiraalsgewijs gewonden, en wel doorgaans van links na.ir rechts. De windingen nu kminen gelegen zijn in écn enkel vlak , zooals bij de scbijl horenslak, of spiraalsgewijs om eene as, zooals b. \\\'. bij den gewonen kinkhoren en de poelsbik. Hij de zooilanigen ondersidioidt men de, bij het levend dier achterwaarts helleude, spits (apt:.r), waarvan af de windingen beginnen; de laatste winding eindigt in den rand van de opening of mond (o/i\'/V/nv/). lünnen in den boren vindt

-ocr page 305-

21),\'i

nirii dl- zuil of spil (columrlla), ilici van do s|ii(s hdgint cn in den hiniicni-und van den mond (.spi 1 r au d) eindigt. Bij oon gi\'oot iiiintal is, cnvonals bij dim kinkhoren on do poolslak, olko wiii-iling zichtliaar; do grenslijnen dor windingen heotoii nadon (su-turac). Hij conige d.iarentogo.n is alleen do grootsto , d. i. de jongste winding, (§ in

baar gobeel ziehtbaar, de andero ; Fig, 23!).

! I

i,/ it : . v

m

d

oudere, dcchfa godccltolijk; dit is b. v. bij den Kegelhoorn (C\'o-nus) het geval. Kindelijk vindt men ook boreug, bij welke de grootste winding de andore windingen zoo overdekt, dat van done laatste, nitwendlg niets te, bespeuren i.s, I). v. bij de I\'urseleinborens of zoogonaanide Katjes {(\'i/iirlt;iclt;i). lOr zijn ook enkede horens, wier windingen elkander niet raken ( 1 n\' /ncliis), — Antleri1 eeidsli^ppige scheliien zijn niet gewonden, en dan si haalvorniig (Sihotolhoren of Patella), of mntsvormig (Kielburen of Canaria), of bnisvorinig (Stoolland of UcntaHum) enz. Ken overgang lot de niet gewonden sehelpen maken degenen,

Fig, aio.

-ocr page 306-

29 I

bij wolkc op con gedeelte der schelp cenige windingen als ware het slochts aangoduid zijn, b. v. do Zeeüor (Haliolts) en do kleine sclielpjcfi der naidslakken (Limax, Tesla-rrlla). Iv.\'iii^i\' horens zijn aan do punt open, zuonls do ovei\'igi\'iis op oen sehotelhoren ge-]ijk(3ndo Spleotsehot(dhoren (Finsurdla) en d(! Stoottand. — Overigen zijn vele horens mot golvingen, groeven en uitsteeksels bedekt, ovor wier oorsprong reeds in § 315 gesproken is.

De holte dor schelp is gewoonlijk geheel aangevuld door hot dier, dat aan de spil der Fig. 212. laatste, d. i. dor groot

ste winding bevestigd is door eene spier, de spilspior (muscidus co* Iniucllar is}, (li(! aan de, rugzijde van den voet ontspringt.

De voor aan de buikzijde geplaatste mond j^\'eft toegang tot eene mondholte of eigenlijk een slokdannhoofd, waarin een paar ohitinokaken igt;n daarachter eene tong mot een wrijt\'plaat (§ .\'!81), De tandjes daarvan J, wrijveu met behulp van een eigen spiertoo-stel tegen de hoornachtige kaken, on zijn daardoor geschikt om voedsel af te bijten en te verkleinen. De wrijf plaat en de tandjes daarvan verschillen bij de onderscheiden geslachten der Gasleropodcn. lu het midden van de lengte-afmeting der plaat bevindt zich eene niiddenplaatrij van tandjes, en aan weerszijde daarvan eono tUBacheuplaat-rij en eene zijplaat-rij. De mond kan bij velen uitgestulpt worden en zoo een slurp vormen, die bij eenigen {.Ultra, Volium, C\'o-ii.HK, lt; zeer lang , bij anderen (Htlix)

j,

\' V

Spijsvcrtcriiig^orgAtH\'ii van Arolis. n mond « n kak»-!!; h -lok (Innn ; o nina^; d aanhntitest 1- die. lt;i(; l»;vcr vcrt\' gi n-WKirdigt-n; n i ndoldann.

-ocr page 307-

295

liiinax) /ecr kort is. Voor ;uiii do slurp bevindt /it\'ll t\'ciio opening, (li(! di\' eigenlijke,, vvai\'o, mond i», wulke. in de mondlioito voert. Do uitwendige of onware mond, eeno, spleetvormigo opening, is soms voorzien van voelerachtige aanbaiigsols. Twee speekselklie-von. — Do slokdarm voert in oen wijilo maag; de daaruit weder ontspringoude darm, die, bebalvo aan het einde (endeldarm), overal even wijd is, buigt zich, dikwijls na verscheiden kronko-lingon te hebben gemaakt, lisvorinig naar voren, om zich te openen niet ver van het vooreinde des diers bij de adoinholto , doorgaans aaa de rechterzij do , bij oonigen moer aehtenvaarts op den rug. Hot darmkanaal loopt door do meestal /.oor ontwikkelde lover heen.

liet aderlijk blood stroomt in lacunen , doch komt bij de meesten door eonigo korte aderen naar de ademhalingsorganen, en van deze door vaten naar het hart, dat uit een voorkamer cn ocno kamer bestaat, waarvan do eerste hot slagaderlijk geworden bloed ontvangt, de laatste dit door een veelal gesloten slagadorenstelsel naar alle doelen voortstuwt.

Naast of vóór het hart ligt een orgaan , dat de hotoekenis van oene nier heeft; hot bezit eeno holte, die zich óf rechtstreeks óf door tusschonkomst van de, ademhalingsholte,, of van pene buis naar buiten opent. Die opening dient ook, nevens eene andere in den voet, om van buiten af water in het bloed to brengen.

Do meeste IJuikpootige weekdieren ademen door kieuwen, liij de moesten zijn de kieuwen — die, iu den regel uit kamvormigo plaatfes bestaan, — gelegen binnen eeno holte van den mantel, en wel rechts, in welke holte het water intreedt door een kanaal, dat eene plooi is van den rand van een aanhangsel dos mantels, en sipho genoemd wordt. Aan dezen sipho beantwoordt een kanaal of eene insnijding aan den rand der schelpopening. Er zijn er, die aan weerszijde kieuwen bezitten ; in dat geval is he( hart dubbel en vormt een ring om den endeldarm. — lüj eenige lage, Kuikpootigen zijn de kieuwen uitwendige, aan de rug of aan de zijden geplaatste, eenvoudige of vertakte huidaanhangsels (/leofo, Glaucus, Tritonia, Tufhy», Doris enz). — Eenige üuikpootigon ademen niet door eigenlijke kieuwen, maar door zoogenaamde longen, namelijk den inwendigen zeer vaaliijkon wand dor adem-holte zelve. Ampullaria heeft én kieuwen èn longen. Knkele eindelijk ademen door de huid.

Xa, het in hel algemeen over het zenuwstelsel der hoogore Week-

-ocr page 308-

-pr?

lii

ano

dieren aangevoordo voegen wij hier alleen bij, dat bijna alle linilc-pootigen oogeti bezilfen, die dikwijls geplaatst zijn aan liet uiteinde van al ot nii\'t inti\'ekbare stelen (oinnidtopboru), of ook wel aan (Ie basis der voelers; enkele twee itaar; die voelers zijn zeer bewegelijk en knnnen vaak worden ingetrokken. Sommigen, o. a. Turbo bezitten bovendien nog andere kopaanbangsels, die, evenals de voelers, tast-organen zijn; eenige naakte soorten hebben dergelijke aanhangsels ook op den rug of aan de zijden des liehaams. Ook bezitten de, meesten gehoororganen fgehoorblaasjes).

In den regel zijn do Pnlmonata en Opisthobraneliia (zie 358) herniapbroditisch, de I\'roaobranebia en Ifoteropoda niel. Kenige soorten, (I\'aludhia vivipara, Clamilia veulricosa, een jiaai\' lldlr-soortcn, in § 358 niet opgenoemd, en sommige soorten van Pu pa en Janlhma brengen levende jongen voort; de overige eehter leggen eieren. De eieren vim Ihtcoimm, veelvuldig aim onze stranden in gehcele klompen voorkomende, zijn bekend. De ])iis geboren jongen der l\'ulmmiata hebben reeds genoegzaam don vorm der oudon, maar die der overige Gasteropode.n zijn larven, die nog al in gedaante verschilien en in wier beschrijving wij ons hier niet kunnen inlaten. Een cNer larven is in tig. 231 afgebeeld. Allen komen hierin overeen, dut zij omslreeks hot vooreinde ib-s liehuains een schijf of scherm (r f-m) bezitten, dat met trilharen bezet is en bij het zwemmen dient; dit scherm verdwijnt nadat de voet zich heeft ontwikkeld.

De Buikpootige Weekdieren leven \'t zij op het land. \'t zij in zoet water of ia de zee, maar bet uimtiil der in zee levenden is verreweg het grootst. Do me, sten die op \'I laud leven , zijn plan-

tenetendc, de zeebewouers dierlijk voeilsel gebruikende dieren._

Do kieuwen liggen óf voor óf achter het hart. Daarop grondt zich e.ene verfjeeling van deze dieren, die wij zullen volgen.

§ 358. Geslaehten en soorten.

1. Ken platte, zoolaehtige, tot kruipen geschikte voet (Plalypmlu), A. Voorkieuwigon (Pvosohi\'auchia), Kicuwon, gelegen voov het hart; eene schelp, meestal met een deksel. \\iei herma-phroditisch. De jongen zijn larven met een sclierm.

1. Schotelhorcnslak (Puti\'lla). — Schaalhoren, Schotelho-ren, fepelhoedje f (/\', rjihjala).

2. .Spleetschotcllioornshik (Fisxurella). — Gewone S. (/•\'. iji\'iicit), .Middeliandscbe Zee.

pf\' 1|

-ocr page 309-

297

;j. Zc-öorslak (Haliotis). — Qcknubboldti Z. (7/. fuhercit-/«/(i). .Midilellftüdscho Zoo, Ptircltnoor Z. (//. (»,V) Glii-nooscho cm Jiiiiansclic Zcoën,

1. I olhoronslak ( J\'i\'(jlt;:Iius), — Zonncborcn (\'J\', solan\'s)- l\'cr-spccticfhuren (T. perspcr.Uvus). 15oi(lc in de IiuUscIk; Zoo. Grauwe T. f cluevai\'ius).

• gt;. Maunlioroii.sliik {Tarbo). — (toikIiiiuikI (\'1\'. (ilivijsosloiiuis).

Molukscbo Zco.

(j. Xin\'iistslak {NrrUa). — Rivicr-norict f (.V. JhirUi/lIm).

7. Vlóngolboonwlak (fflromhiiH). Gniolü V. of Krooiilioivn (■^1. H\'H\'ts). W^-Iurtisclio Zee.

8, Val- of Toiihui-eiislak {DuUnm:.. — VaJ horen (D. (jalc.a), Midilellancisehe Zee.

it. Kaskethoreu (Ceugtg), — Uoodo K, - (O. ■»■«ƒ«);• Indische Zee.

10. Toi\'onlummslak (Cerithium). — Gewone T. (C. vu/m-

hnn). Middellandsche Zee M. [\'urs. leinlioreiihilak (([\'/prncu), Katje. — Getijgerde P. ((\'. tigris). Molukscbe Zeo. Kaaphoren (O. mappa), lii-dische Zee. Kauri moncfa). Indiaelio Zee. 1-\'. Eihorensiak (Ovula) — Witte K. (O. oviformis). Indi-scho /ee.

iy. Kegelhopmslak, Toot (Conus). — Onedele K. (C. u/no-hlVs) Middellandsehe Zee, Admiraal-toot (C. amiralls)-, lt; tranje-adnii; aal-toot (C. uur(iiil:i(i:ns) \\ Goudlaken-toot (C. tcxülig) Eoem-der-sseo-toot (C. glortct maris). Allen uit lt;1lt; Afoluksche Zee.

1 1. Stekelhorenslak (Murexj. — Getakt.; S. (Ü. brandaris en trnnrtilas). [n de Middelhiudsclie Zee. (\'it deze slak wei\'d oudtijds liet purper bereid. Geschubde S. f (,17.

(\'i\'li\'CtCrjis).

15. SpiJlioornslak (iïisiig). — Noordlioren f (llt;\\ auh\'/pms). 1 (5. Kinkhoren, Wulk (/lurcimnii). — Gewone Wulk f (II.

uii,latum)lt; Engelsche W. f (II. auf/lïraiium).

1 7. .Myterslak Mi/i-u). — ISissehupsinyfer (M. rplsrojialis).

Molldisehe Zee.

18. Olijf horenslak (OHua). — Olijfhoren; Dadelhoren (O.

niaura). Molukscho Zee.

I!), l\'looihoirnslali (Wjlnla). - Gekroonde lepolbak { 1\'.

-ocr page 310-

•Jil.S

(fJhioptva); Viu\'kmissmüt of Vlcdonimis (V. vcspf.rlibo). in ilo Molnksclii! /(30.

■JO. Wcutultnipsliik (Svalaria), — Gewono W. t (■quot;gt;•

thrus). Ei\'lito, W. (lt;S\'. preJïosa). Molukscho Zoo. ■21. Kwalhootsluk (JanUihia). — Gewone Iv. (•/. frajllis). MiiUlell. Zoo. Mot eou uit Bcliuimbliiasjos bostaaud dvijf-toontcl.

l\'J. Torent jossl.ik (riiri\'ilc.ll\'i). — Gc.woui.! I . f ( \'■ communis).

Fig. ail.

Jantldna fnujilU

\'J\'i. Iluishnrcn, Wormliovcu {Yv.rnic.lus). — [loiMüiHlangctjü (V. hiiiitn\'u\'iili*). West-Afnkaausclio koo.

21. Tepolhoron, Kioi\'dojor (Xtihca). —

Gewono \'J\'. f (N, moliinfi\'i\'(i). of). Alikruik fLiloi\'ina). — Gcwoiu; A. f

(/j. Utorea).

■gt;igt;. Moorasliorcnslak (Paludina). — Gi\'.-

wono M. t (J\'. vio/para). 27. Kondmoudhorenslak (Cijcloslomci). — Gevuite It. t (C. elegans).

Chiton. 1gt;. Longailomcrs (I\'ulmonata). Ademhaling

door lonj^i\'ii. Ilerniapliroditcn. Geen inetamori)hoso. 28. 1\'ooislak (ïjimHmi). — l\'oclsliik; .Moddoralivk f C\'. slagnuli»), 2i). Srhijt\'horcusluk (/\'Imioyhts). — Gewone S. f (/. covitcHs)\', Gekielde S. f (/\'. carina/us) ■, i\'latte S. f (/\'. coinplaualus). \'!(), IMaashorenslak (P/ii/sa). — Brou-blaashorenslak f (Ph. fon-tmalis).

:tl. Hooniiiovcnslak (Helix). — Wijugaardslak f (//. pomulia). Wairsiliijnlijk vin iddrrs ingevoerd. Segryn-slak f iquot;- ad-

-ocr page 311-

290

s^ccsft); lioora- of hocstoi\'slak f (If. urhunlorum); \'l\'iiinslak f (//. nemoralis).

lt;Ï2. Slnitslak (Claustlta). — Jiivjiaiisclu; S. (C. jctvctuicct) \\ in-landsclie shiitslakkcii ((\'. pvi\'c.rsa, jiai\'t\'ttla, nlyv/caii* , vut,.) — Op ilü sjiil dor voorlaatste, winding oen steeltje mot een kallcseliijfjo, dat de opening der schelp sluit, vv Mineer liet iliei1 zich daarin terugtrekt.

■\'i.\'J. I\'lathorenslak (ZoniUut). — Keldcrslak f cc/teWa); ICris-

tallijn-slukjc f {Z. cry stall!na)*

!il. Ölashorcnslak (Vilrina). — Glasslak f {V. pellucida). ■hgt;. Sehclp-aard-slak (TcHtucc.lla), — Gre.wone S. (T. haliolidca), 3(5. Aardslak {TAmax). — Gewone A. f {L. ynfus). •\'17. Strandslak (OnchuliuinJ. — S. van I\'éron (O. Vii\'onli), Jtixu. Aelitei\'kieuwigen (OjiiNlobranchid). Adciulialingsorganen (kieinvi\'n) achter het hart. 1 lenna|ihroiliten. De Jongen zijn larven niet oon kopselii\'nn. Kukelen, ademon door de huid, b. v. gesl. II.

\'I\'oralak (Ohi/on). —- Sehaal, eenigs/.ins ge-lijkoftfle op die van den Schotelhoron, maar bestaande! uit 8 achter elkander gelegene stukken, die mot elkander beweeglijk verbonden zijn, zoodat bet dier zich met de schelp buigen kan. Inlandsche T.; Zeepissebed f (C\'h. niari/inatus t cineixiis, laevls en lacviaalus),

Zeobaas (Aiilijuid) — Kaalmakende Z. (.1. (h\'pildiis). Middellandsehi\' Zee. Z. van lïuin-phius (A. of Dolahulla h\'i(iiiphii). Moluksedie Zee.

Obliehovenslak (Bulla), — Stompe en geknotte O. f (/». obfnsa en fvnncnia).

Deris (Don\'s), — Wrattige en gesterde 1), (lgt;, luljcrculafa en slcllata)\\ Hoodo 1). (/\'. unjo), .Middelbindsebe Zee.

Aueula (Aucula), (ïekamdo A. (A, crls-idki), Noordzee.

13. Tritonia (/i\'honict), — Gekroonde \'1\'. f (/\'. corona In) •, Getakte T. i\' (T, of Dendroiiolus arborcsccus),

44. Aoolis (Acolis), Gedoomde Aeolis f (Ac, jKijjll/oscc), 15. Wormslak (l\'liijllirrkoil), — Ainboinsche W. (I\'h, anihoiiiii/-

Fitf. 240. ■\'!8\'

-ocr page 312-

:!0i)

S\'h), Dc/iC slak, evenals de I\'mifoln/idx. lihodojx\' enz. ad(Mnt door de huid.

11. \\ crschilpootigon (Ilcfcvopoda). Df void in con voorste, kiolvor-

\\ vr. 217.

Fig. l\'H.

mij?, fii com aclitcr.-U\', sluartvormig gndci\'lto goschuiduiL Xict lioi\'in.\'ijiliroditiscli. D(1 jongen al.- lüj de vorigs aFdocling. Tot zwemmen en drijven op den rug, niet tot kruipen ingoriclit. Hl. Kiclslak (Cannann). — (Jewnne K, (C, i\'ymhlwni). Middel-hmdselie /ee.

§ .\'i.ii). Derdo orde. Vleugel- of Vin po o-tigcu (l\'f-roj/ij\'tii). Kleine, kopdragemde /,ee-weekdien\'ii, met een half doorsehijnend , golei-ai litig lüliaam, dat of naakt (ClioJ of in eene /eer dunne, brooze, doorgt;eliijneiide s( liel]i is in-gesloten (////((/(•lt;(, t\'leodom, Llmaeina), Onderden kop of aan weerszijde daarvan twee weeke vleu-gtdvonnige aanhangsels (v o e t ■, zie g-\'ilfi) die tot zwemmen dienen. Waaiervormige kieuwen of geem\' ademlndingsorganen. Kén tot drie. jiaren voelers uan den mond, soms geene. Hun inwendig samenstel komt in het algemeen met dat der Buikpootigeu vrij wei overeen. Niet allen hebben een mantel, noeh ook oogen. /ij leviui in

-ocr page 313-

:}()!

(liV,j)0 zoo, voodoii zicli mof kloino scliaaldioroii, 011 dionoii op Imimo bomt aan do wallon, vissclion en /ooA\'ogcls tot spijs. § 3()0. Goslacliton 011 soorten.

1. Walvistthans {Clio), ■— N\'oordsch walvisclmiis (Cl. horen Ik); Zuulzoc-wiilviscliiius (CV. anslralinj.

Kristalslak {Hi/alea). — Di-ictaiuli^i\' kristalslak (//. /riile.n-fata). Midclollandsclie Zeo oh Atlantisclio Zoo.

3. (Jlcodora (Cle.odora). — Lansvonnigo C\'. (C. lane\' olutn).\'Vro-pisclie zeecn.

4. Jjifliacina, (l.nnachia). Xoordsolic L. (I.. arolira). Noordelijk»! Usz 0«\'.

Aanmorkiiig. Als ovlt;!rgaug tussolion do Kopdr.-i^oiulo »!n Kop-Iihizi! wookdieren moot worden aangemerkt d»j Stoottand-Mak (Ikn-/(tllum), waarvan men ook cene afzonderlijke klasse, dio dor Stoottanden lt;d Alo.sheftli»iorns (S^le/iociJi/r/mc. 1 IcufaliiUt) gcmnakt liooft. Den eersten naam liobben zij verkregen wegens hunne overeenkomst in gedaante met do stoottanden van den elefant, — dou tweeden, omdat do schelp wol wat gelijkt op de tweekleppig»! schel]) van de Mesheften (§ 358), wol te verstaan wanneer men zieh de beide, kleppen met de randen aan elkander vastgegroeid voorstelt. — Overigens is de kop slechts rudimentair; bijna geheel

Fig. ai!).

bestaande uit cene momlholt»! met tong en wrijfplaat. Kr zijn I paren voelers en een uitsteekbaro, rolronde voet, die to( graven geschikt is. Geen bloedvaatstelsel, noch afzonderlijke ademhalings organen, noch oogen. Langs onze slranden vimll men dikwijls lt;!lt;• schel]) van Uni/alhnn iiiln/c.

-ocr page 314-

302

II KLASSK.

I \'Itifitliii\'uiriye iolt;,lt;,h\'d!e.ren.

ij .\'Uil. l\'liiatkic.uwigc wcokdio.rcii (Ltiiii\'-llihrfiiichin/a of (.\'onchi-/\'(\'/•(() zijn wcckilicniu /oimUm\' kop. wier mantol twee (1)1 den mg vereenigde platen vomit, die liet lieliaam aan heide zijden be dekken, en welke jdaten wederom bedekt worden door ocne tweekleppige sclielj), dat is, cene selielp, die nit twee zijdclingsclie helften of klopjien bestaat, welke op den rug door een slotver-bonden zijn.

Denkt men zieli eene geheel met een mantel overdekte slak zonder kop, tong en wrijfplateu zijdelings samengedrukt, zoodat nu de mantel uit twee zijdelingsehe lappen bestaat, die op den rug samenhangen, en denkt men zich nu dat dier besloten binnen twee sehelpen, eene reehtsehe cn een linksehe, die door eene soort van seharnier mede op den rug met elkander verbonden zijn, dan heeft men ongeveer een denkbeeld van een plaat-kieuwig weekdier, b. v. van een mossel. Eene andere vergelijking is die met een hoek, widks bladen geheel aan elkander geplakt zijn. Die bladen, du^ liet eigenlijke hoek, zijn het dier zelf; de, rug van den band is de slotrand; de twee buitenste van binnen op de borden geplakte schutbladen (die men zich hier echter onder den bandrug samenliangonde moet denken) zijn de beide helften van den mantel ; de twee volgende schutbladen kan men aannemen als de kieuwplaten (§ .\'Slid) voorstellende. Het boek moet daarbij staan met den rug naar hoven.

De rug bevindt zieh dus hij de phiatkieuwige weekdieren ter plaatse, waar de beide schelpkleppen door het slot tot een doublet of doosje, gelijk men zegt, verbonden zijn; de buik daarentegen is gekeerd naar de. vrije randen of de opening der schelp. Het vóóreinde is gelegen waar zich de mond, het achtereinde waar zich de aars bevindt. Men kan bij zeer vele dezer dieren het vóóreinde (en dus ook of eene schelpklep eene rechter of linker is) gemakkelijk onderscheiden, doordien veelal de schelpraud vóór den top of de spits (zie § steiler afhelt dan achter den top ,

terwijl meestal het voorste gedeelte meer afgerond en het aeh-torste meer in de lengte uitgerekt is.

-ocr page 315-

303

§ Dc t\\vockloj)|)lge scliclpcn vormen, y.on lang zij iuniccn-

vei\'boiulon blijven, wilt tnen wc! eens gewoon is ecno ilonblet-scliclp to noomcin. Het slot of scha mi er bovindt zicb onder don zoogenaamilen top of de sjiits, en wordt gevormd doordien /jeli hier, in liet oudste en dikste gedeelte der sehelp, uitsteeksels (tanden) en groeven bevinden, die in elkander sluiten. Vóór den top, die meestal meer naar voren geplaatst en ook. tengevolge vau zijne meerdere steilheid (§ - lit) , daar ter plaatse zich doorgaans iets naar voren neigt, vindt men soms een plat veldje, (bet maantje), — achter den top vindt men aan den naar de andere schelp gekeerdeu rand eone spleet, waarin de veerkraeh-(ige slotbiind vastgehecht is, die de beide schelpen vast aan elkander verbindt, In de wijze van aanhechting van den slotband komen echter verschillen voor.

Veelal zijn de beide kleppen der schelp even groot en vau denzelfden vorm (golijkkleppige sebelpon), of de eene is grooter dan dc andere, of heeft een eenigzhis anderen vorm (ongelijkkleppige schelpen).

Aan de uit- eu inwendige vlakte der schelpen neemt meu groei-strepeu (§ 345) waar; aan de. uitwendige bovendien vaak onel\'-fonheden, lihben, punten, enz.; — de inwendige vlakte is glad. soms parelmoerglanzend. Aan die inwendige vlakte zijn, meer uf minder duidelijk, zekere indruksels waar te nemen. In de eerste plaats ziet men er écu of twee, die de aanbeebtiugpbiatsen zijn van één of twee stevige spieren (sluitspieren), welke dw irs ef schnius van de eene schelp naar de andere loopen. liet openen en openhouden der tweekleppige schelpen geschiedt, buiten den wil van het dier om, door don elastieken slotband, en is dus een passief verseliijnsel; hij doodo schelpdieren gaapt daarom de schelp altijd. Het sluiten daarentegen geschiedt door de samentrekking der genoemde spieren, waarbij de tegenstand van den slotband moet overwonnen worden. Zijn do spieren doorgesneden (hetgeen b. v. bij het opemnaken van oesters geschiedt), dan blijft de schelp openstaan , al leeft het dier nog. Voort.- ziet meu eene. kromme lijn, nagenoeg evenwijdig loopendc met den rand der schelp. Deze lijn, de mantellijn, duidt de plaats aan, tot welke, van het slot afgerekend, de mantel tegen de schelp aanligt. De mantel strekt zich overigens nog iets verder uit dan die lijn. lüj velen loopt de mantellijn gelijkmatig door; bij anderen daareute

-ocr page 316-

301

gf;n vormt /-ij :i;iu liet siclitcii\'stt! g(Mloolti\' IMMU\' in^prlu^i\'iulr bocht («/(«is); dozo komt voor bij din ai\'liclpdicron, vinr mantel achtcr-waavts ceno buis (sipho) vormt. — Overigens vindt men de schelj)-dieron somtijds bekleed met de ebitine-achtige oi)|ierhuid waarvan wij in § 345 spraken.

liet in vooral bij de 1\'laatkiouwigen dat men liet vcrsehijusel der parelvorm ing waarneemt. Wanneer vreemde licliaampjea (zandkorrels, splinters van schelpen, larven van andere zeedieren enz., zelfs opzettelijk ingebrachte kleine voorwerpen) tusschen den mantelrand en de schelp geraken en niet weder los worden, dan worden zij omgeven door de door den mantelrand afgescheiden parelnioerstof. Itij zeer vele goslaehtcu hetdt men dit ziekelijk vei-schijnsel waargenomen; de grootste in fraaiste parelen leveren ïcleaijrt uu en Vulo.

S 3()3. Niet altijd zijn de. niant(drandcii vrij, maar in vele ge-

Fi.r, Üo0.

Jtrchtrr- en linkfiNchclp van Aniphiilrs-tnn mot spii\'viiulruksrls, den indruk van lt;lon rand dclt; mantels m de inwaarts lie lx » ht {.simi.t) daarvan.

vallen aan de buikzijde met elkander vergroeid; zij laten dan evenwel openingen vrij voor den voet en voor de in- en uittreding van het water uit de mantelholte. De beide openingen voor dit laatste bevinden zich aan het achtereinde boven elkander; de onderste, de ademhalings- of kieuw-opening, dient om het wateren met dit het voedsel toe te laten, de bovenste, de cloaca-opening om het wnte.i en de drekstotVcn te verwijderen. Deze openingen zijn vaak buizen, doordien zich de geshiten mantel achterwaarts verlengt; zulk eene buis noemt men mantelbuis of sipho; natnnr-lijk is de bovenste dan de eloac.a-sipho, de onderste de ademha-üngs-sipho. In enkele gevallen {Mijd, I\'liolax) kumum deze sipho s niet teriiKgelrokken worden en moeten dus de schelpen, al zijn

-ocr page 317-

306

zij gesloten , van achteren open blijven. — Ann den inaiitclzooin, ilio soms levendig gekleurd Ik, vindt men tepeltjes, die zich bij eenige soorten tot vocldraden verlengen, ca voorts een aantal dogen, die soms op steeltjes staan.

§ !)C4. De voet {% ;MG) ontbreekt zelden on is doorgaans kegel-

of wigvormig,soms moer Koolvormig, on veelal donkerrood, geel of bruin van klonr, i 1 ij kan naar beneden of voorwaarts uitgestoken en weer ingetrokken worden. Hij dient om er langzaam mede tc kruipen, soms tot springen of om zich in liet zand of het slijk in te graven. Hij sommige l\'laatkieuwigcn scheidt eene klier in den voet eone stof af, die tot draden (baard , bi/xifim) stolt, waarmede de dieren zich ergens aan kunnen vasthechten en als het ware voor anker loggen.

§ 3G5. Do mond ligt voor de sluitspier of do sluitspieren, en gaat onmiddellijk over in den slokdarm, die in de maag voert, terwijl het einde C\'endeldarrn) van het vrij lange ea gewonden darmkanaal door het hart heen loopt en in ecu aars eindigt, die zich ontlast in de cloacabolte van den mantel (§ 3ü3). De mondopening wordt begrensd door twee driehoekige vliezige lippen of mond-voelers. De lever en de geslachtswerktuigeu omgeven het midden-ste gedeelte van het darmkanaal.

S 36ti. Do werktuigen van den bloedsomloop stemmen in de hoofdtrekken met die der lioogere weekdieren overeen (§ 348). Het uit de kieuwen terngkeereiul bloed wordt door twee aortae en hare takken door het lichaam gevoerd, en koert naar de kieuwen terug door kanalen, waarvan het. editor nog niet geheel zeker is of zij eigene wanden bezitten, dus aderen zijn. Het bloed uit den voet en do ingewanden komt in eene ruimte, of hoezem, gelegen tus-sehen twee nieren of organen van Bojanus, die onder bet hart liggen, en dringt daaruit in kleine holten in die organen, waaruit het door slagaderen naar de kieuwen gevoerd wordt. Die kieuwen bestaan uit draden, die. met elkander vergroeid zijn

au

Fin- 251.

-ocr page 318-

BOO

tot twee jiaien k i e uw ]i 1 a t c n of k i cu wbl sul on ; elk dier )}ii-ren begint aehtor den moiul cn sti\'ekt zich, door den niantel bedekt, langs de zijde des lieliaams tut aan liet uehterstc gedeelte daarvan uit.

§ Wat bet zenuwstelsel betreft, zij bet genoeg hier te zeggen dat bet den

algemeeneu , vroeger (§ 311))

bcschreveti grond vorm bezit, en drie knoopen-juiren liccft: een jiiiar bovonslok-

(birinknoojpoii, oen paar voel-knooj)en en oen ]iaar kieinvknoo-j)en.

Langs den rand des niiintels, tas-sehcn zekere

/ic 11 daaraan bevindende |i\'|ieltjes, die zieli soms tot mantel-voelers verlengen, vindt men bij velen een aantal oogen. Geliodibbuisjes vindt men in de nabijheid van den voet.

S Kenige l\'laatkienwigeii, zooals de oester, de mossel , de

kam-oestor enz. zijn hermajibi\'oditen, de meesten eehter niet. Allen planten zieb voort door eieren, die gewoonlijk in do inantelbolte blijven zitten, totdat de jongen er nit gekomen zijn. Do jongen dezer dieren, die in zoet uater leven, bezitten dan reeds hel begin eener sehelp , doeh die in zee leven niet.

§ IMil). Alle IMaalkiiaiwigen leven in hel wali\'r, verreweg de moesten in de zee. Zij voeden zieli veelal met organisehe wezens van dierlijken of plnntaardigen uard, die met het water binnen de mantelholle geraken. Zeer vele zijn vastziltend, b. v. de oestei\'s, of boren zieh in steen of hout in,- andere leven vrij en bewegen zich voort, \'t zij door met behulp van den voet te kruipen,

Mg.

-ocr page 319-

307

of zich daanncdo voort te stuwen, of zelfs door te springen, — \'t zij door liet zich in de miintelholte bevindfiulc water met kracht uit te spuiten, waardoor het dier naar den tegcnovergestelden kant gedreven wordt.

§ 370. Van de verschillende indeclingen drr Plaatkieuwigen in orden komt ons die in 1quot; Gaafmantöligen en 2quot; Uochtmanteligen, of die in 1quot;. Eénspierigon (Moiiuniyaria) en 2quot; Twcospieiigeu (Di-myaria) de geschiktste voor. Wij zullen beide vereciiigeu.

g 371. Eerste orde. Eenspiorigen (Monomyaria). Een enkele groote sluitspier, ingeplant in of bij het midden dor schelpklcp]icn. liij do moesten een geheel openo mantel, terwijl de slotband doorgaans inwendig is. Velen zijn ongclijkklcppig. Alle zijn gaafman-tclig.

§ 372. Geslachten en soorten.

1. Oester (Oslrca). — Gewone oester f (O. eilnlin); llaneknm (O. crista (jalli). In Oost-Iiulic.

2. Kam-oester (Pcclen). — Inlandsche Kamoester f (J\'. maximus, variun, opcrcularis en ohsolctus),

3. Klepoester (Sjjotidylus). — Ainerikaansehe K. {Sp. amcricanus).

4. Pareloester (Mcleayriita). — Parelschelp (.1/. o( Avtcula uica--garitifera). Bij Ceylon, in do Perzische Golf enz. Levert de meeste parels, Oostersche parels genaamd.

5. Hamer-oester (Malleus). — Gewone Hamer-oester (M. vulgaris).

(i. Bakschelp (J\'ridacna). — Groot(^ Bakschelp gigas), In de

Iloode Zee en den Indischen Oceaan. De schelp wordt soms 250 kilogi\'. en meer zwaar.

§ 373. 1 woede orde. f wee sp 1 e ri g c n (Dimgaria). Twee sluitspieren, meer naar de rugzijde geplaatst. Bij de moesten zijn de manlelranden mot elkander vergroeid; volen ln\'/iitrn sijilio\'s; do slotband is meest altijd van buiten zichtbaar. Do mantel bezit al of niet een sinus.

I. (J raafmantel igen (.Inlegripalliata).

1. Steekoester, Stoekmossel (Tinna). — Gewone S.; llamdou-blet (/\'. squamosa). In de Middellandsche Zoe, waarin ook nog andere, soorten voorkomen. In zuidelijk Italië spint men don byssns van dit dier, en vervaardigt uit de draden on-dorycheidene kleine voorwerpen, beurzen enz.

-ocr page 320-

308

■gt;. Mossel (MyÜlus), — Gewone M. f (;!/. ednlis).

:i. liiviermosscl (Drfixse.nu). — Gewone, H. f (D. poli/iiiorphu).

•1. Neut (Xi\'rula). — Parelmoernent f (\\. marynrika).

5. ZoetWiii\'■nnossel (AnodoMa). — Eenileninossc^l, Moclilersclioligt;, N\'ecnsclu\'lp f (.1. anulina); Zwnanmossel t (\'\'•

(i. Strooinniiissel (l.\'nio). — Verfseheli) f (U. pi dom m); Ha-taafsehe S. f (U. balnvnx)-, Parelmossel f (U. mdryarilifr-rnx of Maryarilana rnargariUfcra). I)e/.(^ laatste levert de Westersclie parelen.

7. (Miaina (Chauin). — Gewone (!li,, Kotnselielp (Ch. yri/phoitlcti). Tropiseluï zeeën.

8. lliirtaelielp, Zandaelielp (Canlinm). — Eetbare II., Kok-liiian f (O. c.thdc.) •, Gedoorncle 11. f nc./iiuatnin).

0. Lucina-sclielp (Lucina), — Noordse he Ij. t (/■• hormlix) • lioehtige Ij. f (/.. Jlr.iuosu).

10. Itoiulachaal (Cydas.) — Hoornachtige K. -/- (O. cornea). In zoet water.

11. Fijnsehual {l\'inidium). — Rivierlijnschaal f {!\'. amniaim)-, Kleine F. f (/\'. pnsillum).

II, Bochtmanteligen (Siintpallidla).

12. Venusseholp (1 ftins). — Bruine V. (1. *, Gei\'ibde V. f {V. fam-idla); Gcatree])to V. f (V. (jaUina).

13. l\'latsehelp, Dunsichaal (I^Uina). — Gewone 1\'., lioternapje f (7\'. Icntiis)\\ Linksgestreepte 1\'. f fahnla). Bij deze laatste is do reehterseliaal geheel glad, de linker duaren-tegen lijn gestreept. (\'eyloneesohe Zonnestraal (/, livyulu).

14. Zaagsehelp (Doiiti.i:). — Zaagje t i1\'- andlina).

1quot;). Straiukehelp (Maditi). — Gewone S. f (.1/. nol/da)-, Gestreepte S. f (.1/. nhrllurnni) \\ Geknotte S. f (.1/. Innic.uln),

]li. Amphidesma CAmpludt\'Sfna). —Gesehakeerde A. (.1. vtinc-yatu). Indisehe Oceaan.

17. (ia])er (Mipi). — Zandgaper, Slijkmossel f (.U. fov/mr/n); Veelvuldig in de Zuiderzee, (ieknotte of Btoinpe (!.; Kussentje f (.1/. Iruiicala).

18. Mesheft {Sohn). — Messeheede f (.S\'. ■(•«//ma); Zwaardschoed»! (.S\', ensin of Ensis ennis).

1!). Boorworm (J\'holu.i). — Gewone 1!. f (l\'h. (luelylim). Paalworm (Teredo). — Gewone 1*. f (/- nundiN).

21. Zeefsehelp (AxperyiHnm). — d iVMansehc Z. (.1. Jac,(///ivo/i) ;

-ocr page 321-

;!09

Sfliooclczoefscliolp (.1. vayhiiferuni). Uoodc Zco. Beide ou-govoer oen huiven voet lang.

Aiminerking. Do Pualworm ia bekend wegens de venvocstingon, dilt;! hij in het hout der zeeweringen iuuiricht. Zijn lichaam is lang

wormvormig; slechts een klein gedeelte, aan\'t eono eind daarvan is met oenc schelp bedekt; aan het andere, einde bevinden zich dc clo-aca- en ademha-lings-sipho. Do oppervlakte van het smallere voorst(! gedeelte der schelp is voorzien van rijen zeer fijne tandjes, die loodrecht staan op dergelijke rijen tandjes van hot breedoro middengedeelte!. Zoodra de jonge l\'aalworm den larventoostand heeft verlaten, boort hij zich in het hout, on dolft zich daar gedurende zijn gohoelo loven al verder on vorder in, waarbij do oppervlakte des lichaams (de mantel) kalk afscheidt, waardoor zich binnen dc in \'t hout geboorde loopgraaf eeno kalklmis vormt, waarin het lichaam des diers vastzit door middel van twee kalkplaatjes (pa-letton) aan \'t begin der sipho\'a. liet boren is oen raspen, en geschiedt door het gestadig openen en sluiten der beide schelpklop-pon, waarbij de snoden , veroorzaakt door de tandjes van het middenstuk der schelp, die, welke alvorens door de tandjes van het voorste gedeelte gemaakt zijn , ovorkruisen , en alzoo het hout af-raspen. Het raspsel wordt door den mond opgenomen endoorden cloaea-sipho naar buiten ontlast.

Op dergelijke wijze boort zich de Boorworm (/\'hohts) niet alleen in hout en klei, maar ook iu steen, zelfs in zoor harde rotsgesteenten.

Bij de Zcefachelp is het lichaam mede langgostrokt, en beslo-

-ocr page 322-

;i I o

ten in criu\' rolronde kalkbuis, die door don mantel wordt afge-seheiden. Ann het vooreinde van liet dier, dat loodrceht naar lie-noden gekeerd in het zand of het slijk stookt, ziet men de heide kleppen der kleine schelp, die in den jeugdigen toestand vrij waren, doeh later zoodanig met do kalkhuls vergroeien dat alleen de toppen te herkennen zijn. Aan het vooreinde zijn oen nauwe spleet voor don kleinen voet en een aantal (ijne huisjes waardoor verlengsels van den mantel kunnen steken. Het naar hoven gekoerd aehtereindo bozit twee openingen, do rudimentaire sipho\'s.

lil KI, AH SE,

HuidzaJcch\'eren.

§ 371. Onder lluidzakdieren of Mantoldieren {Tunicala) verstaat men koplooze, zak- ol\' tonvonnigo weokdieren zonder sehelp en zonder voet. wier mantel geheel gesloten is, inet uitzondering van twee openingen: de kieuw- of mondopening, en de cloaea-opening , — terwijl zich binnen de inantelliolte eene zak- of handvormige kieuw bevindt. — lüj eenigen liggen de beide genoemde openingen dicht bij elkander, bij anderen vindt men ze aan de twee tegenovergestelde! uiteinden des liehaams.

g De vorm der Ifuidzakdieren is zeer vorsehillend, meest

eylinder-, flesch- of tonvormig. De mantel bestaat uit twee om-bulsels, die, behalve bij de Salpen en verwante geslaehten, alleen ter plaatse der beide openingen met elkander samenhangen, liet buitenste omkleedsel is steviger dan het binnenste, bij velen lederachtig en verschillend gekleurd, soms met ingekorste zandkorrels of schelpstukjes, — hij andere vliezig, kleurloos en glashelder doorsehijnend (l\'yro-soma, Sulpa, Doliolum, Apprndh-nl(trin). Het binnenste omhulsel bevat de spieren, die bij vele zwemmende soorten (S\'i/pa, Doliolum) gordelsgewijs om het lichaam loopen. Opmerkelijk is het, dat het buitenst omhulsel voor een groot deel bestaat uit cellulose (tunieinc), overeonkornende, met planten-cel-lulose.

§ 371). De kieuwen vormen bij een aantal soorten een zak, wiens wanden voorzien zijn van op regelmatige! rijen geplaatste spleetjes, waardoor die zak op het eerste gezlelit wel wat op een

-ocr page 323-

;ïi I

^ovloclitcn korfje gelijkt. Sonii is) liij iuia (1(! himum/.ijild van nlDoioii voor/.iiüi, wuai\'iloor de oppoi vlakte voi\'gi\'oot wertlt. Die kiemv/ak strekt y.ieli van do kienwopening tot aeliter in het liehaain uit en neemt liet grootste gedeelte van de lieliaamsholto in. In dien zak geraakt water door do kienwopening; hot dringt er weer uit door de genoemde spleten, komt zoo in de overige lieliaamsholto en wordt door do eloaca-openiiig outlast, — Bij andere soorten (lt;S\'a£jP(i)bestaat de kieuw uit een holle, handvormige strook .quot;•onder spleten, die zich schuins door hot liehaum hoen van vóór hoven tot ach tor onder uitstrekt. Bij nog andore (Doliolnm) vormt

de kieuw oen tussohenschot met spleten, waardoor de lichaamsholte in eene voorste en aehtorsto holte verdoold wordt.

§ 877. Hot hart is enkelvoudig, en van gedaante spoolvormig. De bloedsomloop geschiedt deels in afzonderlijke kanalen; bepaaldelijk loopen er twee langs de rug-en de buikzijde van den kieuw-zak of hand , die door takjes in den wand van dozen met elkander gemeenschap oefenen, — deels in wandloo/o ruimten. Opmerkelijk is liet, dat het hart liet bloed hij tusschonpoozen naar achteren en naar voren drijft, zoodat hetzelfde vat liet eene oogenblik do rol van slagader, het andere die van ader vervult,

§ .\'(78. De eigenlijke mond of ingang van don slokdarm ligt binnen den mantelzak in het achterdeel des lichaains. Daarheen voert oen gootvormige, met trilharen bezette groeve in hot bin-

-ocr page 324-

312

uonatc omkleedsel, die onder den kienwznk van do kiemvoponing tot dgt;\'ii mond loopt (bull.i/rocro). Hierdoor wordt liet water niet liet daarin aamvc/.igc voedsel, dat van donzelfden aard is als dut der IMaatkieuwigen, naar den mond gevoerd. Do slokdarm gaat over in oono maag, desse in een darm, die /igt;\'Ii voorwaarts om-hnigt, en zich door den niet ver van den mond gelegen aars in de eloacaliolto opent. Slcclits zelden opent zieli de aars rcelitstrceks naar buiten.

Het hart, de vóór liet hart liggende spijsverteringsorganon, en/, waarhij ook een klierachtig lichaam (lever?) en een orgaan dat wellicht cene nier is, hehooren, liggen bij elkander in het achterdeel des liehaams, en vertooncn zich hij de doorschijnoudü soorten (li. v. Salpa) al^ cene donkore massa of kern.

§ liet zenuwstelsel bestaat uit een enkelen grooton zenuw

knoop aau de rugzijde des diers, boven het vóóreind van de kieuw. Daaruit ontspringen do zenuwen. -— lüj sommigen (Salim, l\'i/ronoma) treft men achter of boven den zenuwknoop een klein orgaan aan, dat sommigen voor een oog, anderen voor een gehoororgaan hou den. — Eene kleine, van trilharen omgeven holte of groeve aau de rugzijde vau HkJiki en Doliolam wordt voor een reukorgaan gehouden.

Over de voortplanting der huidzakdleren zal in SS\'\'1^2 en \'ï81 iets gozegfl wunlen. Allen zijn hermaphvoditiscb.

S 3S(), De Imidzakdieren zwemmou of vrij in de zee rond, of zitten op andere lichamen vast. Zij zijn óf enkelvoudig, óf zij vormen koloniën; dit laatste is ook \'t geval met verscheidene die vrij zwommen.

§ 381. Wij verdeelen deze klasse in twee orden: Iquot; die der Tethyonideëu, 2quot; die der Thaliaeeën.

382. I\'er te orde. T e t b v o n i d e ë n (l hijouï\'ilt;■\'tr). Zakvormig. !)(■ bride, nniliulsids des licdiaauis hangen aan de kieuw en eloaea-openhlgeu mei elkander samen. De mondopening ligt aan de huik-zijde, de eloaca-opeiiing aan de rugzijde, meer of minder iu de nabijheid van de kieuw-opening, behalve bij I\'ijrusoiua, TushcImui beide openingen ligt de zenuwldioop. De kieuwen zijn zakvormig. Meestal t. u\'. mei uitzondering van I\'l/rosnma) vastzittend.

De uit de eiljes gekomen jongen zijn rond of ovaal , met een

-ocr page 325-

313

staart, on op don rug twoo vlokjes, die voor oofren , of vooreen oog i\'ii oen gehoororgaan gehouden zijn. Die larven zwenunen eenigen tijd vrij rond, en zetten zich later met het vóóreind vast. Daaruit ontwikkelt zieli dan rcehtstreeks het volkomen dier, terwijl de staart verdwijnt. Otquot; er ontwikkelen zioh in het lichaam der larven knoppen, waaruit eene kleine kolonie van volkomen dieren ontstaat. Hier heeft dus eo.ne teeltwissiding plaats.

§ .\'tiS.\'i. Grcshichten en soorten.

1. Zakpijp (.inddia), Cijnthia). — Lederachtige /,. f ((!. rlaildi-c/ofs) * liastors /. f (O. ampulla).

2. Kraakbcenzakpiji) (l\'liallusia). — Doorschijnende l\'h. f (l\'h, iiildstinalin).

3. Steel/akpijp (IWopJiora). — Listers Zakpijp (I\'. histcri). Aan de Engclsche kust. Vormt koloniën, waarvan de individuen vedersgewija aan een gemconschappelijken steel geplaatst zijn.

F iff. 205.

4. (quot;cleikorst (llolnjllus). — Gesterde G. f (II. Schtoxsrrl), De Botryllus vormt mede koloniën, waarhij echter de individu\'s in eene gemeenschappelijke gelei- of lederachtige massa liggen ingebed, meestal stervormig rondom eene, gemeenschappelijke cloaca.

l\'ig. 2óG.

5. I\'lainljou w-pij |) (Vyvosoma), — Gcwono I\'\\ (/\'. al la n firitrn), ^^i(l(l(,IIan(la(\'lH^ c.ii frnpiscln» zoccn. Kciu; kolonie,, lu\'staainl»\' uit rcue cylindorvormigi^, aan quot;I céne uitrindr opoiKï buis;

-ocr page 326-

314

(ld individuen vcrtooiicn zi(di nan de bnitciivliikto, diuu\'vim als nitstckcndc topcls. De holtn der buis is de gomcciiscIia|i-jiolijko cloiK\'ii. I\'yyosoinn behoort tot de liclitende zeedieren. Wegens de uit/.nmlering, die bet (zie. § .\'i.SJ) in menig op-zicht op do Tcthyonideëu maakt, beeft men de soorten van l\'ijrosoma ook tot eene afzonderlijke orde, die der Luciai\',, gemaakt.

§ JiH\'l. Tweede orde. (\'1\' h a I i a e e ë n. (Thaliaccai:). \'ronvonnig. De beide omhulsels des lichaams mot elkander Siiincngegriicid. De

kieuwopening aan het eene, de eloaea-openiug aan het andere eind des geheel doorseliijnondonliohaams. I)e kieuw is óf een tusschonsehot in de liehaams-liolte, of oen schuin door die holte loopeude holle band (§ .\'iTG). Do dieren dezer orde zwemmen allen vrij. De vooiiplimting der tot deze orde bohoorende Saljia is als volgt. ISinnen in eene enkelvoudige Salp ontstaan door kuopvorming andere Salpen, die, van liehaains-aan-haugselou voorzien zijn, met welke zij zich kettiugsgowijs achter elkander of kringsgewijs aan olkaiuler vasthcchton, on zoo eene soort vau kolonie vormen. Doze door kuopvorming uit de enkelvoudige Salp (de voedster) ontstane Salpen brongen eieren voort, waaruit weder enkelvoudige, geen eieren voortbrengende, voedster-Salpon ontstaan. Bij Dollolum is do voortplanting ingewikkelder, omdat daar meer geslaehten van voedsters elkander opvolgen.

§ 385. Geslaehten en soorten.

i. Salp. (Saf/xi, Ifqikorn),— Grooto en Afrikaansehe S. (,S*. ma-xlma en Africana). De eerste is do voedster der laatste, evenals S. ritnclua/a, die wel eens aan de Kngelselie kust voorkomt, de voedster is van S. dc.iitocvalic/i. Overigona loven de Salpen in de warmere en tropische zeeën.

\'2. Tonnetje (Doliohun), — Getand T. (D. cknllculaluin). Atlantische zee.

.\'i. StaiU\'tzakdier (Appcinliriilnrla). — Gewoon S. (A. nophoceren). Middellandsebe Zee. De Appendiculariën bezitten ook in den

rij

Sütpn; a ittöml, m nm s

-ocr page 327-

315

volkomen tocstiiuil non staart, waarmede, zij zich, cvunals ile larven dei Aseidiën, in liet water voortlxnvegc^ii.

IV. KLASSK.

A r ui jgt; o o t i (j c u.

tj .\'SS!!. De klasse der Armjiootigcn (llrnrlilopoi/a) werd vroeger als eeno ordo van do klasse der Seliel|)diercn (Conchlfera) beschouwd , waartoe dan ook de Plaatkieuwigcn gebracht werden. Inderdaad liehbcn ook de selieljien der Armpootigcn, bij eene op-pervlakkigo uitweudige hescliouwing, veel van die der I\'laatkien-wigon. Docli het verschil tuss(dien beide diergroepen is groot ge-neeg oin de plaatsing dor Armpootigcn in eene afzonderlijke klasse te rechtvaardigen.

De A rmpootigen zijn koploozf! weekdieren, lieslolen in een twee-kleppigen mantel en schelp, even als de l\'lafitkiemvigcn, maar met dit grooto verschil, dat tengevolge van de ligging der inwendige organen , do eene klep bovenklep of rngklep , dc andere eene onderklep of bnikklep is (vgl. § 31! 1). De plaats, waar de top dor sehelp ligt, welke plaats hij de IMaatkienwigca do rugzijde was, is hier bet achtereinde. Door den mantel wordt eene holte omsloten, in wier achterste gedeelte zich rlc overige wecke deelen van bet dier bevinden,

§ .\'!87, De schelp bestaat bij dc mcesten nit koolzure kalk, soms echter ook uit eene ehitineaebtige zelfstandigheid, Eone parel-inocrlaag bestaat niet. Meestal zijn tic schelpen van binnen naar buiten doorboord van fijne kanaaltjes, waarin zich verlengsels van den mantel voortzetten ; trouwens de samenhang van den mantel met di\' schelp is liier veel grooter dan bij de l\'laatkiemvigen, Klke sidndpklcp is op zich zelve Bymmetriscb, \'t geen hij de l\'laatkien wigen niet zoo is; maai\' de beide kleppen verschillen. Waar een slot aanwezig is , is do bnikklep grooter dan de, rngklep. In dat geval bezit de bnikklep een naar boven en binnen omgebogen top (snavel), met eene insnijding cd\' een gat. Aan de vóórzijde van den snavel vindt men twee slottauden, tussclien welke twee andere van de rngklep zijn ingeklemd, Keu slotbaml (£ 3(52) out-

-ocr page 328-

31 (i

hrockt altijd. Diiiutcgcu viailt men tusschon do slóttaudcu der rugklcp con kort uitsteeksel, dat door spieren kan worden tcrug-getrokknn , waarvan \'t gevolg is, dat de kleppen zieh openen. De sluiting der sehelp geaclnndt door andere spieren.

§ 388. Een aanmerkelijk deel dor door den mantel omslotene liolte wordt ingenomen door spiraalsgewijs opgewonden armen, die, ontrold zijnde (\'tgecn slechts tot zekere, hoogte gelukt), 3 tot 5 maal zoolang als de schelp zijn. Zij bestaan nit chitineachtige

stof met kalkdoeltjes, en bezitten langs de buitenzijde eene groet\' met trilhaartjes en naast deze groef eene dubbele rij van kieuwdraadjes. Deze betrekkelijk zware armen worden meestal gesteund en als ware het opgehouden door een vrij samcngestelden , met de rugschelp een geheel nitinakendon s t e un s to e s tel, waarvan lig. 258 1gt; een denkbeeld geeft.

-ocr page 329-

Do schol)) is overigens vMilk voorzien vim strepen, ribbon of sir-kols , welko 1 mitste liol zijn.

S .\'iHO. Do inanti\'1 bestiiat uit twee platen, tussolien welke holton bostaan, die mot do algomconc mantolholte gi^ineoiischap bobben. Aan don rand des mantels staan borstels, die nllerwaarsi hijn-lijkst zintuigclijke organen zijn.

Do mond is oene kioino spleet aan do buikzijde ; hij geleidt in oen slokdarm en door dezen in ecno kleine maag, waaruit do, darm ontspringt, die óf blind eindigt, óf zich reeds tusschen do man-tcllaj)pon in een aars opent. Do lever omgeeft een godoolte, van den slokdarm en do maag.

Hoven de maag ligt bet enkelvoudige hart, waaruit slagaderen bot bloed voeren in de ruimten, die do organen omgeven.

Do ademhalingsorganen zijn do kieuwdradon der armen, wellicht ook do binnenvlakte des mantels, die men vroeger voor het eenige ademhalingsorgaan hield.

Het zenuwstelsel bestaat uit 1 paar zennwknoopen, waaruit de zenuwen ontspringen. Andere zintiiigelijke organen dan de mantelborstels zijn nog niet waargenomen.

§ De Armpootigen zijn vastzittende dieren. Slechts enkele

(Tlircidinm) zitten vast door vergroeiing van do buikklop met andere voorwerpen, rotsen b. v.; dc meeaten echter door middel van een vleozigen steel, ongoveor op dc wijze van Anatifa (§ 309). Die steel komt achterwaarts naar buiten, quot;t zij tusschen de achterranden dor beide kloppen door, \'t zij door do § 387 vermelde insnijding of opening van de buikklop.

De uit do eitjes gekomen larven, die voorzien zijn van oen in 8 of 12 slippen gespleten zwemtoestel, waardoor zij wel iots op Mosdiortjes gelijken, zwemmen aanvankelijk vrij rond.

Hot voedsel der Armpootigen bestaat hoofdzakelijk uit diatomeön.

§ 301. Deze klasse kan worden verdoold in dc orden der Slot-tandigen en Slotloozen.

§ 3!)2. Eerste orde. Slotlandigen Geheel ver

kalkte scholpen, van welke de buikklop de grootste is. Ken shit mot slottanden. Een steuntoestel voor de armen. De darm eindigt blind, zonder aars.

§ 303. Groslachten en sóórten.

1. (Jatscbelp (\'Irfr/tvafnld of Aiionilci). Sbingenkop (7. CKjurt

-ocr page 330-

318

Hcrpaitis). Atlantische Oecaaii en Noordzee. Chiluesclio G. (7. chileiulis). Di\' gatsdielpeii zitti\'ii vast door iniildcl van een korten steel, die door oen gat van den top of snavel naar buiten komt.

2. Doo3hcIii\'1|i (Thccidiiim), — Gewone Igt;. (\'1 li. medi terra nr. urn). Middell. zee. Geen oiiening in den snavel. Minder ontwikkelde stiumtocstel. Zit met de Imikklep vastgegroeid aan andere voorworpen,

§ . Tweede orde. Slotloozen (Mcanlhics), Meest horen-aelitige, selieliicn. De klejjpen nagenoeg even groot. Geene slnt-landc.n noeli steuntoestcl. De darm eindigt in een aars, 31)5. Geslaclitcu en soorten.

1. i\'ongselielp (Lhiyuki), — Eenden-tongselndp amlina); Gapende T. (/.. hians). Heide in zeeën der warme gewesten. Eeu lange cn dikke steel.

2. Crania (Crania)* — Gewone C. (O, anomala oiuovwcgica), Kalk-selielp. Met de buikklep vastgegroeid, liotsige kusten der Noordzee.

v. ki.assi;.

M o s (l 1 e i\' o ii.

§ .\'i\'.Ml. Mortdioren (liri/oxon.) 1 zijn zeer kiitiuo, knplooze, zuil-of bekervormige weekdieren, die van onderen omgeven zijn door •u\'iie eliitine- of kalkachtige cel, waarin het dier zich geheel kan tenigtrokkeii. Do cellon nu hangen of in haar geheel, óf alleen aan hare hasis samoi met merr dergelijke cellen van andere diertjes dezeltdr sooi t, en vormen alzoo samengestelde dieren, -- ko hmii\'n of eellenstokhen van mosdieren.

liÜ eenige soorten vindt men op of tusseheu de cellen zekere, aanhangsels, die eoiiigszins den vorm van een vogelkopje bezit-

\' It mh\' I riMobloy in I lt; l\'t outdokt en /\'oil/pen (i jnnttwhc gonoenni, en lang als ocne atdei\'ling der jinlyjicn hesehouwfl. Thans briMigt men ze tot de Werlulieren; soinniigen evcniwel voegen ze hij do Wonnen.

-ocr page 331-

31!)

ten, wnarvnii du ontlcrkiiiik zich van tijd tot tijd opent cn sluit. Men noemt deze doelen aricnlaricn. Wiiiirseliljiilijk dienen zij om kleine organiache voorwerpen te vatten on vast te houden, totdat do door ontbinding loslatende deeltjes daarvan door den waterstroom naar de mondopeningen van de mosdieren-kolonio worden gevoerd. — Andere borstelvormige en beweeglijke deelen, ingeplant op zekere tussclicu de overige cellen verstrooide eironde zoogenaanulo ei col Ion, wier beteokenis nog onbekend is, heet men vihracula.

§ Het in de cel bevatte diertje bezit een

vliezig omhulsel, ite eigenlijke huid, die de lieliaamsholte oingeeft. Aan het voorste nileinde ziet men oen aantal zoogenaanulo voel-draden of vangarmen, van 8 tot 80 in getal, die echter kieuwdraden zijn, en bezet mot trilharen, door wier beweging een

sti\'ooni in het water ontstaat, die de voedende sloll\'en naar on in den mond voort, lïij de meeste zee inosdieicn slaan die draden op ecne schijf, in t m.\'ddcn waarvan de mond ligt,—bij de meeste zoetwater-mosdieren verlengt zich het viii\'ircindc ilcs diers tot twee armen, (i|i widke de ki(Uiwdraden slaan (fig.-01)); ter plaatse waar

-ocr page 332-

3-20

die ImmcIc aniion Hiimenkomi\'ii Lcvindt /icli do moiul. l)r Uirnw-di\'adon on do zoo oven genoemde armen zijn liol en hunne holte heeft met die des lichaams gemconsehap.

§ IIigt;f voorste gedeelte des lichaams kan met armen en

kieuwdraden snel ingetrokken worden in de cel, zoodat er uitwendig niets van te zien is; de uitstulping gaat langzamer, lüj cenigen is do opening der cel nog van een dekseltje voorzien.

§ 89!). De mond voert in een slokdarm en deze in eene, maag, die soms van horentandjes voorzien i = . l it de maag, die zieh veelal als een blinde zak tot hot achterste des lichaams voortzet, ontspringt een darm, die naar het vóóreind loopt en eindigt in oen aars onder den krans der kieuw draden.

Hart en bloedvaten ontbreken ; de lichaamsruimtc is gevuld met voedingsvocht.

De contraaldcelen des zenuwstelsels bestaan uit één of twee zenuwknoopen aan (hi rugzijde, d. i. de zijde waar de aars gelegen is. Afzonderlijke zintuigen ontbreken.

§ 400. De Mosdieren leggen eieren, liet jong zwemt vrij, gelijkt op een van trilharen voorzien infusiediertje, en wordt eerst langzamerhand aan de ouden gelijk. quot;Wanneer de jonge mosdieren zich eindelijk op schelpen, stukken hout, wier enz. hebben vastgezet, vormen zij door knopvorming koloniën. In sommige zoet-water-soorten ontstaan bovendien nog w i n t e r-e i e r e n (Slrafo-hlaxla), die grooter, platter en hardschaliger zijn dan de andere, en die het mocderdier bij zich houdt. Wanneer dit nu iu den herfst of in den winter gestorven en daarna vergaan is, dan ontwikkelen zich in de lente uit de wintereieren jongen, die geene trilharen bezitten en reeds bijna geheel op de ouders gelijken.

§ \'lUl. De inecste Mosdieren leven in de zee, waar zij aan steenen , schelpen, koralen, zeewier enz. vastzitten. Eenigen leven in zoet water, aan dergelijke voorwerpen vastgehecht.

# 402. De Mosdieren worden verdeeld in twee orden, die der Kanidradigen en der Treehtermondigen.

sj 403. Kerste orde. Kanidradigen of Kampootigen (/.o-pho/joda). De kienwdraden geplaatst op twee armen, die met elkander een hoefijzer vormen, in welks binneuhock de mond gelegen is, een celklepje; hoornachtige of wceke, nooit kalkachtige

-ocr page 333-

cellon. Do moesten planton zich, bolmlvc door gewouö oio,en, ook nog door wintor-cioron voort, en leven in zoet wato\'. ^ 404. Grcshicliteu en soorten.

1. Kampolyp. (Crixtatella). — Gewone K, f (C. murah). D,. {Vistatellen staan op oeng-emeenscliappelijko schijf, waarmede de kolonie zieli, schoon uiterst lang-zaam, voortbewegen kan. Dit vermogen tot plaatsverandering missen de, overige Mos-dieren.

2. Vederbos-polyp (Plu ma/dia). — Klokvormigt; \\r. f (P. cumjm-n u hi f a).

3. Klokhloonidiertje (Ahjjfondki). — Sponsaelitig K. {A. fmnjosa).

4. IMuimpolyp (Lophopus). — Glazen P. f (L. cri^allinug).

§\'105. rrweedlt;! orde. T re c li t e r m o n d i ge n (InfmuliljulaUl). De kicuwdnulen gi^plaatst op cene .schijf, in \'t midden waarvan Fig. 261. de mond ligt. Geen eelklepje. De cel

len zijn vliezig, horenachtig of kalk-(ÉÊi ÉSShk \'«\'litig. — De moesten loven in zee.

§ 100. Geslachten en sporten. 1 Meercelpolyp {l\'aliidicr.lla). — (Jr-lodo -M. (1\\ co\'/tiuildia), liet eenige. in zoet water levend geslacht, lloreucelpolyp (Ocllutaria). — Vo-golbek-horencelpcdyp f (C. ucicn-Harige II. f (C. dliala). •\'i. Tweeling-celpolyp

Geharnaste, I. y lovn-uftx], I. liasp-celpolyp (Crilcpon/). —liawe,

R. f (O, pnmicosa). f). Vlius-eelliolyp (Mi inbruiiiponi). 1\' ijne y (.1/. inciiihi\'itncic\' ii),

0. Ilorenwier (Fluntru).—Uladvormig 11. -j- (/■\', i\'uliacid). quot;i. /cevinger (Ualoitactylm). — Dourachijiiondo /. f (Jl.

«««); Uuwe Z. (//. hirsutais).

8. lieker-celpolyp (Laijviiciila). — Kiiiipende I!. f /.. ir/Kiix). 1). Iiowerbankia {liou crhankia). — Geschubde lgt;. f (li. iinii iratd.)

10. Ivoor-celpol}]! (ünsia). — Witte 1. f (C. cbuniM).

11. Uuis-eelpolj\'p (\'J\'nliuhpOfa). — Kruipende 1!. f (7\'. rrigt;rgt;u)).

-ocr page 334-

uoorDSTriv ix.

STBKK.I.nriKKll-; DlUltl\'.N.

g \'107. De Stekel huidige dicieu (l\'!lt;;li!nodrnnala) bezitten een llcliaam, waurvaii de deelen niet bilateraal symmetrisch (8 211), rechts en links van elkander staan, maar radiaal symmetrisch geplaatst zijn, dat is te zeggen; een lichaam, welks deelen straalsgewijs geplaatst zijn rondom eeno lichaams-as. Het aantal der stralen is in den regel vijf\', zijn er meer, dan is toch hun aantal meest altijd oneven. Die gestraalde vorm is het duidelijkst bij de Zeesterren en bij de Zeeleliën . bij welke iedere uitstekende arm een straal voorstelt. Maar ook bij de Zeeëgels, die een half bolrond of schijfvormig lichaam bezitten , kan men in de later te beschrijven a m b u 1 ac r a a 1 v el d ca, die als meridianen zich van do eOne pool des diers tot de andere gordclsgewijs uitstrekken, don straalvormigcn bouw des lichaams erkennen. Hij de Zeekom-koinmers, die een meer of min rolrond , meer wormvormig lichaam bezitten , duidt zieb diezelfde bouw aan door vijf langs de lengte dos lichaams loopendo am b ulac ra al ban d e n.

De benaming van KrJiinodcniiala is in do eerste plaats afkom stig van de Zeeëgels {Krhini)^ die algt; de type vim d^\'ze afdoeling werden beschouwd, liet omkleedsel van (leze is met ruwe,, harde punten en stekels bezet. Daar nu de dieren, die overigens ook in liun anatomischen bouw don type der Zeeëgels vertoonen . in den regel oigt;k met harde puntjes en stekeltjes bezet zijn , noemt men ze allen Zeeëgelhuidigcn (Ilrhinodcniuila) en Stekel b u i-d i g e n. Kr zijn er echter ook, die glad zijn. Men zou deze af-decling ook die der Straaldieren (Itadiatn) kunnen noemen, gelijk zij dan ook de type van de Itadinla van (\'uvier zijn.

S 408, Dit brengt ons al dadelijk tot de. beschouwing van een stolsel, dat aan de Stekelhuidigen eigen is, en watervaat- of a tn b u 1 a c l\'a a 1 s t e 1 s e 1 genaamd wordt. Achter de moudnpe-ning ligt rondom (bui slokdarm een ringvormig kanaal, wiiamil vijf kanalen (ambulaeraalkanalen) ontspringen, die langs de zijden van het lichaam loopen. Aan het ringkanaal bevinden zi(di nog

-ocr page 335-

323

één, twco of racnr, vaak vijf, saincntrckbaro Ijlaasjos, de blaas-jca van Poli, die liet water uit hut ringkanaal in de anibnla-craalkuiialon kuinien stuwen. Door ecu ander kanaal, steen kanaal genoemd, omdat het dikwijls, niet altijd, kalkachtig is, water, waarin het dier leeft, in het ringkanaal gehracht.

Aan \'t hegin van het steenkanaal vindt men \'Ie m a d r e p o r e n-1gt; 1 a a t, eene met gaatjes en kanaaltjes doorboorde plaat, die het water als ware het filtreert, vóór het in het steenkanaal geraakt, lit de ambulacraal-kanalen ontspringen zijdelingsclie takjes en uit deze weder blinde zakjes, die men a m b u-1 acraalvoctjes heet, en die door openingen van het liehaamsbe-kleedsel naar buiten kunnen treden en weer ingetrokken. Het naar

ScliotH van het ambiil itTaaltitrl.-it\'l van ooniï Zi\'Osti-r. \' 11 ^11 \'\'\' 11 ^ 1111 * \' 11

lgt;i\' stralon hlthh zijn at^csncflcn . in ilit straal a is ln!t ainbllblCraalvOCtie begin van In-t iinibnlacraalkannal bewaard gebU;v(*n; I\'

mailr\'iti\'icnelaal; d atoonkanaal; c ringkanaal;./\' Poli- beeft ] daats tengevlt;\'lge «olie blaasjes ; van i!e ainbniakraalkanalen zijn 1 wlt; i

gesneden maar f/ is bewaard Keblevun;/t zijiakjus inet van (b^ samentrekking

ainjjuilen on ainbulapraalvoctjea i. i i •

van een aau het begin van elk voetje gelegen blaasje (ampvlla), dat het water, \'t geen hot bevat, in het voetje drijft, en dit dus doet zwellen, stijf worden en uitpuilen; bet intrekken gesehiedt door het samentrekken van bet voetje zelf, waardoor het water weer in de ampulla en het anibulaeraalkanaal gedreven wordt. Wanneer de auibula-eraalvoetjes tot plaatsbeweging dienen (zij dienen ook wel als ademhalingswerktuigen), dan is elk van een zuignapje voor/ien. Overigens zijn de openingen, waardoor de voetjes zich naar buiten strekken , in de vroeger vernielde ambulaeraalvelden of banden

-ocr page 336-

i \':

g(»j)laiitst, aan do biimcnzijdc waarvan (1(^ arnbulacraalkanalen loo-pen. Ovorecnkoinstig mot ilozc zijn dan ouk dit- \\\'i,ldi,n of bandon vijf in gotal. — Do tnssolion do ainbulaoraalvoldon gclogcno v(ddon of strookon liort men interainbnlacraalvoldcn.

§ 401). Aan do buikzijdo (bij do Zoi^koinkoininors aan bot vóór-oind) dos liobaam.s bovindt ziob do mond. l»ij do moosto Stokol-Iniidigon zijn slokdarm, maag on dann van olkaiulor to ondorkcnnon. lion aars is niot altijd aanwozig, on wannocr liij bostaat, is do plaatsing vorsobillond; bij do moost ro-golmatigo vormon dor Stokolliuidigon ligt bij middon oj» do bovon- ofrngvlakto. Hiïtblood-vaatstidscl, in \'f welk ovorigcns nog al vor-sobil bestaat, is gesloten, en bostaat deels nit eon ringvat rondom don slokdarm on, bij den Zeeögels on Zoestori-on, een ander aan \'t tegenovergesteld einde des lieliaanis, nit welke takken ontsjn ingen , — deels uit mede nit het ringvat voortkomende vertakte vaat-stammen langs de lengte van liet darmkanaal. Wannocr mond- en aarsoponing diebt bij (dkander liggen , zijn beide ringvaten met elkander verbonden door oen kloppend kanaal (bart). — Tot de adomlialing dienen vorsrbillendt^ bij (dko klasso o})tegovon organen, — of de opporviakto d(^s liobaams , — of buisjes, die rondom tien mond gelogen zijn, — of aanlningsels ^nn lt;le ambnlaernalkaimlen. Hel /,omn\\stelsel bestaat uit een meestal vijfkantigen slokdarmring en vijf straalsgewijs nit de. boekon daarvan oiits]iring(mdo /emiw stammen zonder zenuw knoopon; uit deze. st;iii\\nien ontspringen do zennwon.

§ 110. IJij ile Stckelliuidigrn bestaat, met eukele uitzonderingen, verschil van seksen. Allen brengen (deren voort, waaruit diertjes voortkomen, die op infusoriën gelijken, maar in larven veranderen, die eigene, als quot;t ware voorloopigo organen bezitten, welke later weer verdwijnen. Hinnon deze larven of door knopvorming daaraan ontwikkelt zieh het volkomeno dier.

Alle bezitten oen kraohtig horstellingsvermogcn.

§ 411. De afdooling der Stokelhuidigen wordt verdeeld in vier klassen, die der \'/••(■komkommers, der \'/rri\'gels, dor Sterdioren en der /eebdü\'-n.

11

\'l\' B

1 li

I 111 III

ill

-ocr page 337-

I KI.AS.SH,

\'/. c. e I; o m k o tn ui c r s.

§ 11\'-\'. Z e e k o in k ii in m (i r » (/folo/hiiridfcij zijn iliorou mot ooii vorlongil, min of incor rolrond, dus wormvormig, maar tevens Vrij dik liclmam , met de inondoponing aan hot eene en do aars- of eloaeaal-oponiiig aan het andere einde. Het einde, waar zieh de moudopening bevindt (vóóroinde) , is eenig\'zins afgeknot, het aars-of aelitereiiule daarentegen moer afgerond. Men ondorscheidt aan liet lieliaam eoue buik- en rugvlakto. Aan de buikvlakte vindt men drie ambulacraalbanden (§ 407), aan do rugvlakte, twee, met vijf

Pig. 204,

l\'iL\'. ÜÜfl.

iW-V,

v M

\\

A Kalk-niikfiMji!: 1\'. Aukc plu.il.

/ooals mej gjiatjcs

rijen ambularraalvortjes daarnp, van welke oclltcr die op den rug soms ontbreken, of in allon ge.valle niet van /,uigna)ijcs voorzien zijn. Do mond is van \'t y.ij enkelvoudige \'t zij boomsgowijs vertakte voelers omgeven, die gebeid of geilerltelijk intrekbaar zijn, naarmate van bunne lengte, en zu b tot lii\'t anibulaeraal- of watervaatstelsel verliouden op dezelfdo wijze als de voetjes. Hun aantal is vijf, of bet meervoud daarvan.

§ 113. De buid der Zeekomkommers is lederaehtig, met daarin verspreide talrijke kalkliebaampjes van verscbillenden vorm , doiirboordo seliijfJ(!S , zcefjdaatjes, ringetjea ,

Élllcil Unlit\' bandüii me volilcn

-ocr page 338-

326

-ocr page 339-

/J did. Hot darmkanaal is bij de mceston o.oik! rolronde tmis, die van de trechtervormigo mondholte of slokdarm rechtuit loopt naar liet aclitereiud, zudi dan weer naar het vóóreincl begeeft om eindelijk woer naar achteren te loopeu en in enne cloaca te eindigen. Bij de .Synapten (§ 421) loopt do darmbuis in eens rechtuit van den mond naar den aars. Als maag kan beschouwd worden eene op het begin des di.rma (slokdarm) volgende afdeeling, die moer dan hot overige van spiervezels voorzien is. — Van het bloedvaatstelsel is het danngcdeelte (§ 400) het meest ontwikkeld, en daarbij bestaat ook nog een maagvaatstelsel. De hoofdstammen van deze stelsels kloppen en kunnen als barton worden beschouwd. — 1\'il de cloaca ontspringt bij de meestcn een kort kanaal, waaruit twee of meer takken ontspringen, die zich weer in een groot aantal takjes verdeden, welke in blaasjes eindigen. Deze op eene long gelijkende toestel, die soms vrij groot is , kan water opnemen en ilit weder niet kracht uitspuiten. Men noemt hem waterlong. Of /ij echter tot niets dan tot ademen dient, is onzeker, en in elk geval zou dan de naam van kieuw gepaster zijn. Overigens schijnen ook de voetjes op den rug, misschien ook de voelers, voor de ademhaling te dienen, terwijl men vermoeden kan, dat er ook eene darm-ademhaling plaats heeft. — Zekere blinddarm-of buisvormige, met de watorlong of do cloaca Hamenhangende organen, die bij vele, Zeekomkomnn rs worden aongetroll\'en , doch waarvan de beteckenis onzeker is, vermelden wij slechts in het voorbijgaan.

§ 115. Het steenkanaal hangt bij deze dieren vrij in dn lichaamsholte, die met vocht, gedeeltelijk zeewater, gevuld is. Het verdikte vrije uiteinde er van, de kalkzak, vertegenwoordigt de madreporeuplaat der andere Stekelluiidigen. Hoe bet zeewater in de lichaamsholte komt is nog niet met zekerheid bekend, — misschien door kleine openingen in de blaasjes der waterlong. Aan het ringkanaal vindt men één 1\'olisch blaasje, zelden meer. De gehecle binnenvlakte der lichaamsholte en de buitenvlakte der daarin aanwezige deelen zijn overigens bezet met trilharen, door wier beweging het water daarin stroomende wordt gehouden.

§ 110. Omtrent het zenuwstelsel verwijzen wij naar § -lOU. De tastzin der Zeekomkommers zetelt vooral in de voelers en de voetjes. Of deze dieren gezichtsorganen hchbeu isonzeknr; waarschijnlijk bezitten althans dgt;\' Svnapten gehoororganen.

-ocr page 340-

328

§ 117. Ouiloi-selioiclonc soorten van longloozc ZeekoinkomiiKirs kunnen, wannocr zij gegrepen worden, liet li(jhaatn zoo stork sii-iniintrekken en afsnoeren, dat er een stuk afbreekt. Alle Zeekom-kommers bezitten do oige.nschap van buuno inwendige dooien, wanneer zij zieh sterk samentrekken, dooi* de. cloaca naar buiten te kunnen drijven. In vele gevallen snoeren zieh dan die dooien af, zonder dat het dier daarom sterft. Want, het herstellingsvermogen is bij deze dieren zigt;o groot, dat gehcele ingewanden en liehaamsgedeclteu zich weer op nieuw kunnen vormen.

g 11h. De op infusorién gelijkende diertjes, die uit de eieren der Zeekomkommers kotnon, veranderen in gelobde, steeds week blijvende en vau geen huidskolot voorziene , langwerpige of eironde larven (vroeger als oene diersoort onder den naam van AuricuUiriu bekend), die later eeno tonvormige gedaante verkrijgen, waarhij de, lobben verdwijnen. Uit dit tonnetje, dat mot de pop der in-sekten te vergelijken is, ontwikkelt zich hel volkomen dier.

■:j 119. Do Zeekoinkomiuors loven in zee. Zij houden zich daar mot, hunne voetjes en voelers, de Synapteu met do besehrevoii ankerspitsou, vast aan den bodem of aan rotsen, of kruipen langzaam daarop voort. Knkole zwemmen ook aan do oppervlakte des waters. Zij loven Aan kleine zeedieren.

.i;\' 120. AVij verdeden de Zoekomkommers in twee oi-don , die, dor Lougdragenden en dor Longloozen.

-ocr page 341-

tj l-I. Korsto orde. L o n g d r ag o n il o u (l\'iK-.ninophoi\'d), — Eouc wutcrloug; mnostal oen dikkn huid; airibubiciMalkiuiiiUiii bij allen, voetjes bij bijna ulhm; 0(mi dubbol lisvormig ilarmkanaal. Oo-SfbcidciK! seksen.

§ 12^. Goslacliten (üi soorten.

I. irolotbui\'ia (llolo/huria.) l\'ijidioldfliiii\'ia //. /ithnlus-ii). Mid dellandsidie Zee. Ketbai\'e 11., Triqiang (II. alra, iniixillcus on furibundn). Indischc arcdiipel.

\'J. Zeebnidid (l\'cutdcfa), - Lederen f (/\'. fro)iiligt;sa)\\ Ton-/.eebuldel {!*. ot\' Cncumavia tlolioluin), Uutsige kusten van noordelijk Europa.

Zeeiigurk (I\'.-iolics), — limine \'/. f (I\'s. plninlapiin).

I. I hyone (Thijoiie), — (iete.peidf (/Y/. jKri/illo.tft.), Kusten I)enem:irkcn en Engeland. Gelumdeerde Tb. (T/i. J/isciald)-, westkust van Java.

§ 1 •\'. Tweede, orde;. Jiougloozen (Apiii\'iiinoua) G(;eiie. waler-long; meestal ee.ne dunne bnid; bet ambnlacraalstelsel bestaat uit een stelt;Mikanaal (soms meer steenk:inaleii), een ringkanaal en 10 ot meer voelerkanalen, maar /.onder straalsgewijze ambulaeraal-kanalen en ambulaeraalvoetjes; een recht darmkanaal, llerimiidiro-ditisme.

§ 421. Geslaebten en soorten. De typische vorm van deze orde is het geslacht Klever (Sijnapta). 1)(^ dieren van dit geslacht bewogen zich voort door de voelers, waarmede zij zich aan voorwerpen, rotsen b. v. vasthechten, en waaraan zij dan bet lichaam voorttrekken. Over de ankerplaatjes en ankertjes is reeds gesproken. Wij nocnuiii van dit ^osljicht: Si/nap/a occ.awCa in de Tndisclio en Slill*» Zuid/cc, — .S\'. iHii\'lald,, in de. Middcllandsclic Zee,, (\'cm; soort, biiinon \\v«dko, niet /tddfii oen flbdcjo {Ili llcoHijriiix iiavdsirh\'1/)

jKirasitiscli looft, .....S\'. Ilrsi/uj in de Mnluksrlio Zoo, dio SOins

fwci\' motors • lang wordt, on S. Dt/rcnioii! aan do, noordkust van Frank rijk.

Aan on/c knslon vindt men gocm; Synapton.

-ocr page 342-

11 KI, AS sr..

\'/.li\'rljch.

S 1-5. Umlrr Zi\'iH\'gnls {Echinoiil\'M) vorshmt mou (tirri\'U, l)t\'slo-tcu in (\'en Imi\'d, kalkaclifig, van liowcegban\' stekels voorzien omhul i\'l, dat a%o]ilat liolvunnig, half-liolrond, liartvonnig of schijfvormig van gedaante is. Tusschen de stekels in bevinden zich in dat oiiiliiilsel de ojieiiin^en der ambnlaeraalvoetjes. Do Zeeegels bezitten (ren mond en eon aars. De mond is in den regel geplaatst in het midden (h r naar beneden gekoerde vlakte des diers, — de aars aan de tegenovergestelde pool, dus aan den top. De aars neemt eehtcr bij yersehcidene soorten cenc andere plaatsing in, j.-j,, 2(;s, — excentrisch, zelfs

tot aan don rand van de bovenvlakte, ook wel aan de beneden vlakte tot, zelfs naast den mond ; de mond daarentegen, ofschoon soms vrij ver van bet midden \'der ondcrvlakte verwijderd , bevindt zich toch steeds aan het ondergedeelte des lichaams.

/quot;(\'klit, voor (llt;! lu\'lfl van stokvis ontdaan. ^ I Iet In rlt;l(\'

kalkachtige onilmlsel, bet skelet, gewoonlijk de s c h a al genaamd, ofschoon het nog door eene dunne huid omkleed is, bestaat nit een zeer groot aantal kleine. 4-, 5- of Ij-hoekigc plaatjes, die zoo gerangschikt zijn, dat men aan de schaal een top veld of to pst reek en eene am b u 1 a c r a a I s t re e k onderscheiden kan. Hij de regelmatig gevormde Zeeëgcls ligt do aars in het midden van het topveld. De .nirsopeniiig der schaal is omringd door in den regel vijf phiatjes (genitaal-|ilaatje3), in elk waarvan eene opening is tot bet dooihlten der eitjes. \\ eelal liggen tussehen

-ocr page 343-

831

doze nlaaties, en daavmedo afwisselend, nog vijf kleinere plaat-

lieet, omdat men zekere vlekjes in het Imidje, dat er over ligt, waur-seliijnlijk ten onrechte, voor oogen hondt. Een der gonitaalidaten is met de inadreporenplaat tot oeno enkele wat grootore plaat vergroeid ; bevindt de aars zich niet midden in het topveld , dan neemt de ma-dreporenplaat zijne plaats in. Al die rondom de aarsopening gegroepeerde plaatjes vormen te samen het topveld.

liet overige, dus verreweg liet grootste gedeelte der schaal, vormt de amlndacmalstrei\'k. Deze bestaat nit vijf amlmlacraalvelden lt;\'11 vijf tnsKchen-ainlndaeraalvelden, die cl-ka,nder afwisselen en meridiaans- of gordclsgewijs van de eene pool naar ainbnlacraalveKhm aan de oogjilaat-jes, de tussclicn-ainbnlacraalsveldcn aan d(! genitaal|ilaatjes aan vangen. Klk(^ van ilic gonlels bestaat in den regel nit twee rijen van plaatjes, zoodat men gewoonlijk 20 gordels of meridianen waameeint. \'tii elk ])laatje der amlmlacraalvelden ziet men een of meer gaatjes voor do ambnlaeraalvoetjes en een of meer knobbeltjes; de ttiHsehen-ambnlacraalvelden be/,itte,n allemi knobbeltjes. Op deze knobbeltjes staan de beweegbare stekels.

Dit maaksel der schaal kan mi cenige wijzigingen aanbieden, ilic; wij bier evenwel met stilzwijgen moeten voorbijgaan. Alleen vermelden wij , dat bij vele. soorten vijf bloembbulvormige ambu-hieraalvehloii rondom den mond gerangschikt staan. De platte Kcbinoideën, hij wie (lil plaats heeft, naderen daardoor tol den vorm der Hielleride:\'n.

Langs den binnen-orntrek van de mond-opening der schaal vindl men een mo 11 dring, die, even als de, kalkring iler/eekcimknm-mers, nit vorschcidene stukken is samengesteld, met naar binnen gekeerde uitsteeksels. Hij dient tof Jonderstenning van den lale.r te vermelden kauwtoestel en tot aanhechting van spieren.

jes, dio mon oog plaatjes

de andere loopon, waarbij de

-ocr page 344-

332

(j 11\'?. Du stokclü loopcn in grdmuitc cn grootte accr uiteen. Zij zijn uiialil-, staaf-, knods-, of zelfs ei- of bolvormig, zeer kort of zcor lang, soms tot 12 en meer ccatimetors too. —Tusschcn de stekels vindt men zekere zeer kleine, doch nog mot liet blooto oog zichtbare organen verspreid, die, men p edico 11 ariön heet; zij hebben don vorm van een drieklopiiig getand tangetje, dat zich gedurig opent en Muit (vg\'1. S ■i\'.\'ii). Bij sommig(! Zeëgels (Spntanyn*) vindt men ook nog t r ilb o r s te 1 s: borstelac-hligo aanhangsels , die met trilharen bezet zijn.

f; 428. liet ambnlacraal-watervaatstelsel is bij de Zeeëgels volkomen ontwikkeld. Zelden is echter het steenkauaal kalkachtig, meestal vliezig. Het aantal der 1\'olisi lie. blaasjes bedraagt gewoonlijk vijf. De voetjes kunnen zich bij de soorten, die lange stekels hebben, voorbij «leze uitstrekken, en toch weer bijna geheel worden ingetrokken. Bij velen treden aan den rand der schaalmondopeningen nog tien korte, vertakte, vooler-acbtigo organen (mond-kieuwen) te voorschijn.

lt;5 129. De mondopening der schaal is gesloten door een rekbaar vlies, in \'t midden waarvan zich de eigenlijke mondopening be-i*i• (iir\'•!i;irii•;i va,. !■:lt;/\'i viiult Volo soovlou bezitten (\'en ci-iMiMardi-, .\\ ;• «.p.mi; igt; kauwt•\'lt;\',(d dio door dii; immi

weinig naar buiten kan treden; men noemt dien toestel den lantaarn van Ari sto te 1 e,s. Hot maaksel er van is vrij ingewikkeld; genoeg is het hier Ie zeggen, dat de be-Pj„ v-j[ weegbare atukkon, waarnit do toestel be

staat , door veerkrachtige banden aaneen zijn gehecht cn te samen een kogelvormig lichaam samenstellen, waarvan vijf stukken, de kaken genoemd (in lig. 271 zijn er drie van zichtbaar), de voornaamste doelen zijn. Elke kaak heeft aan de punt een spitsen tand; zijn de kaken gesloten, dan liggen die tanden over en langs elkander been. Het brce-dere gedeelte der kaken is de kauwvlakte. De ven-chillondo doelen van dezen kanwtoe-slel worden door talrijke spiertjes bewogen.

De slokdarm loopt door den kauwtoestel heen cn gaat over in

Iuit.tarn v ui A11 i -lt\'li ui\' t ei-W weinig ^noimndtj

-ocr page 345-

ceu robomU\'ii daim, (lie vci\'1 wijder is, ofsoliooii er geen gedeelte aan kun oiulcrstlieideii worden, dat men inaiig zuu kunnen noe-mcn. J)(ï darm voniit vei\'seheidonc^ bochten vtjor liij ON\'e.rgaat in den uauwercn ciidcldann, die zicli in den aars opent. Ook de aarsojieuing der seliiuil is door een vlies gesloten, waarin zieh, \'t zij in het midden, \'t zij meer zijwaarts, de eigenlijke aiirsojic-ning bevindt; dat vlies is in den regel bezet niet een iiiintal underling beweeglijke plaatjes (lig. L\'G\',)}.

liet bloedvaatstelsel komt over \'t geheel met dat der Zeekuin-kommci\'S overeen, maar de /eeëgels bezitten een duidelijk, buisvormig hart, dat naast dcu slokdarm en het ondereind van liet steenkanaal\'is gelegen, liet bloed i :■ geel van kleur.

Tot de ademhaling schijnen te dienen de ambulacraalvoetjes, de zoogenaamde inondkieuwen en inigt; ehien ook nog meer inwendige deelen en de huid. Kvenals bij de Zeekoinkonimcr.s is de lichaams-bolte gevuld met vocht, dat waarschijnlijk gedeeltelijk zeewater

is*, het is ook van do Zecëgrls oiibckeiid lioc dat water naar binnen komt.

-ocr page 346-

sa i

§ 430. Het zcnuwstolscl bestaat uit cmi moiHlrhig, uit ilr hookon waarvan zonuwstainuum (auihulacraalstaiuiuou) oiit.s])iiiig(ui. De zo-muvi\'iug b«zit van boven ocne gleuf, die hein in twee coneentri-sebo ringen verdeelt; de zenuwvezelen van den buitenring gaan gelieel, die van den binnenring sleehts gedeeltelijk in do anibu-laeraalstammnn over. Deze liggen aan de buitenzijde der ambula-eraalkanalen, en zijn, evenals ook de moiulring, in eene, vliezige schede bevat.

§ 431. De bol- of eivormige, met lange trilharen bezette diertjes, die uit de eitjes komen, veranderen in teutvormigc larven met naar builen uitstekende kalkaelitige tentstaafjes. Zidk eene larve noemt men l\'/nfn/n. ])(■ /eeëgel ontwikkelt zieh uit een knop, die ()]j den l\'luteus uitbot.

§ 43-. De Zeeëgel» leven in helder zeewater liefst i p een stern- en rotsiuditigen bodem nabij

de kusten /ij ......len zich met wier en kleine

zeediertjes.

fj 433. Men verdeelt de /eeëgels in twee orden, die der lün-nen-topveldigen en lïuiten-tojiveldigen.

§ 431. Kerste orde. ]5innen-topvcldigen (Kudoci/rMra). Mond en aars tegenover elkander geplaatst aan de beide polen der schaal. De aars ligt steeds in het topveld. Een kauwtocstel.

§ 435. Geslachten en soorten.

1. (\'idaria {OWaW.s).(Sewime ((C. hynlri.r). Middelland.s(die Zee.

■J. Z(;eklit — Gewone /. of /.eeiippel , /eelulband f

rsculeiilns.)

§ 43i!. Tweede, orde. Hu i ten - to p v el d i g c n (K.ronydica), l^» aars niet ii] bet topveld (g 425), dus exeentriseh; de mond inliet midden der ondervlakte, of mede ex een tri sell verplaatst. Dlt;\' verplaatsing der anrsopening gescdiiedt steeds langs de middellijn van een der interambulaenuil-velden , dilt;\' van di^ii mond langs het ambulacraalveld . dat tegenovergesteld is aan het interambulacnial-veld, w aarin zilt; h de aars bevindt. Sommigen liebben een kauw-

-ocr page 347-

335

toestel, anderen niet. Do ainbnlacra y.ijn dikwijls bloembladvonnig, vooral aan do. rugzijde dor schaal.

§ 4.\'i7. Geslachten on soorten.

1. Zeeschild (Cljipcastrr). — Ko/orood Z. (C. rondccnx), Antilli-seho Zee.

2. Dworg-zee-appol (Kchhiocyamus). —- Gewone I), f (/■.\'. pKnillus), .\'!. Zeehart (SjMilinijiiis). — l\'nrjioren Z. f (S. /jui-jinrriix).

■ |

—ri/clica), De ■mond in liet -f.st. De ver-ddcllijn van -d langs liet mbulacraal-■i een kanw-

III. KI,,\\ssr.

S ter d i ere, n.

§ 438. De typische vorm der Stcrdicron (Slellmih-a) is die van de gewone aan ons noordzeestraud menigvuldige Zeester, bij welke vijf armen uitstralen van oen deze verbimlond iniddcnstuk of lichaam. Er zijn er echter ook, die meer armen of stralen bezitten; — andere bij welke geen eigenlijke stralen zichtbaar zijn (Culcita) en die alleen uit eene vijfhoekige scliijt\' bestaan; bij eenige dergo-lijken (AslerUcus) puilen de vijf hoeken sterk uit en vertonnen dus een begin van stralen. Tevens zijn er anderen (de Slangsterren), hij welke de stralen of armen niet zoo zeer onmiddellijke voortzettingen van hot lichaam of middenstuk zijn, gelijk in lig. \'27-1, al,, wol lange, rolronde aanhangsels daarvan. —De huid der Stordieron, ofschoon van kalklichaainpjes voorzien, is lederachtig en buigzaam. Ambulacraalvoctjes vindt men alleen aan de onder-vlakte dor armen. De mond is, evenals bij de Zeecgels, naar onderen gekeerd, en bij die soorten, welke oen aars bezitten (im-mers niet allen bezitten die), bevindt zich deze steeds op de rug-of bovenvlakte.

§ 430. In de huid bevindt zich een netwerk van onderling beweegbare kalkbalkjes, die het huidskelet vormen. Op de huid staan knobbeltjes of schildjes, en stekeltjes, die soms ponseelvormig zijn (pmriHoe); alsmede pedicellarien (tj -127), die echter /(n rkleppig zijn. — lünnen de armen of stralen bevindt zich een vrij samen gesteld inwendig skelet , eene soort van arm-graat of kolom, die ^ i j niet in bijzonderheden znllon beschrijven, maar waarvan wij hier alleen vermelden, dat /.ij bestaat uit eene reeks van wer-V(dachtige, onderling beweegbare schijfjes, die door kleine spieren

liockcn nu. Do. /c-coiiccntri-iring gaan de iiiiilm-—r amlmlii-inoiuli\'ing,

lange tril-■jcs komen, naar bui-gifjes. Zulk ™ri\'ëg(Vl ont-—cn Pluteus

r zcowatev quot;iidcin nabij — en kloinc

c der Hin-

S). Mond en der schaal.

■ndscln\' Zee. netulband f

tmm

-ocr page 348-

33 G

binvogoii wordi\'ii. lïij do ZccsltTrcii : ih\'/.i1 worvt\'Ujcs in verbinding met huidschildjcs, die lniig^ dr raiulcu dur iu iikmi di\' gren^ tiissclu\'ii de boven- en oiuli\'i vlukte vomn\'ii ; bij do Sbliigstcrrcii is dit niet bot geval. lt;)|i verdere versrliillen /,;il bij de ojiguve van

J\'iK. 271.

de keinnerken der orden wni\'den ge\\M\'/,eii. — Deze wervelketen of kolom staat in verband niet een uit vijf stnkken bestaanden kalk-ring, gelegei; rondom bet begin der mondlioltu, en vergelijkbaar met dien der Zeekonikommers en der /reëgel.s. Aan dezen ring lici liten zieb Spiioen vast. lüj de Zeesterren en de Slangsterren staat die ring ook nog in verband met vijf paar moiidhoekstakken, die bij de Slangsterren \'t meest ontwikkeld zijn en een grijp- en kamvtoestel vormen.

§ 140, Het ambidaerale watervaatstelsel der Sterdiereu komt in hoofdzaak met dat der beide vorige klassen overeen. De madre-porenplaat ligt bij de Zeesterren op de rn^/.ijde, steeds bij een der door de armen gevormde inspringende boeken (lig. 271), bij ile Slangsterren op i cne (b rgelijke plaats aan de niidcrzijde. Ui l sleinkanaal is kalkaebtig. Soinmige Zeesterren bebbcn meer

-ocr page 349-

dan cénc madreporonplaat; in dat geval lieeft clko madrepornn-jilaat een stoonkanaal. - Van do ainbulacraalvootjoH ho/itton (■(■nigc oone /.uigscliijf, andere niet, l!ij do Z(gt;estenen liggen zij in twee of vier rijen in eene groeve aan de ondervlakte der armen, welke groeve zich van dc spits van eiken arm tot aan den mond uitstrekt, on /.uli kan vernauwen of verwijden, lüj de Slangster-ven staan zij langs dc randen der annon.

§ ill. De mondopening der schaal is gesloten mot een rekbaar vlies met eene opening in \'t midden, die hijna onmiddellijk toegang verleent tot eene maag, Avelko hij do Zeesterren van hlindo aanhangsoU voorzien is, die zich in do armen voortzetten, lüj dio /eestorren, welke een aars he/itten, ontspringt nit de maag een korte endeldarm, dio zich in den op de hovenvlakte zich hevin-dendon aars opent. Bij de Slangsterren, waarvan goene eene aars hez.it, is ook geen endeldarm aanwezig, en hoz.it de maag ook geeno hlinde. aanhangsels of hlinddarinen.

liet hloedvaatstels(d bestaat, lioofdzukelijk nit een va;itring om den mond boven het ringkanaa.1, en e(;n anderen aan den rngwand. Zij zijn verhonden dooi- een buisvormig hart, dat tegen het steen-kanaal aanligt.

lot ademhaling schijnen te dienen zekere tepeltjes, die dooi1 poriën 0]) de rugzijde naar huiten treden. Doch er kan ook eene inwendige ademhaling plaats grijpen, Ue lichaamsholte, is ook hier met, vocht, gedeeltelijk zeewater, gevuld; hoe dit naar binnen dringt, is nog niet volkomen zeker.

De eigenaardigheden, waardoor zich het zenuwstolsel der Sler-dieren van dat der overige Ktekolhuidige dieren onderscheidt, g:iaii «ij met slilzwijgen voorbij, lüj vele Zeestcrri\'n vindt men sainen-gcslelde oogen in de a,mhulacraalf.\'roeve nahij de sjnts.

§ 442. Dc seksen sehijnen bij de Sterdieren steeds gescheiden te zijn . I gt;e larven, waarin dc uit de eitie-gekomen infiisoriëmu htige kiemen zich veranderen, hebben uitwendig meer van den Auricularia-, dan van den l\'lnteiis-vorm, op welke eerste zij daarin gelijken, dat zij zacht en buigzaam zijn. Zij komen echter daarin liet volkomen dier er z.ich aan ontwik

Fig, 27.quot;..

met IMutmis overeen , flat

-ocr page 350-

338

kolt door knopvorming. Dio laivou voracliillcn editor onderling nog viij veel, en dragc.n daarom verscliillende namen: Bip! nu ar ia, Jlrachiolcti\'ia, enz.

§ 443. De klassi! der Sterdieren wordt verdeeld in twee orden, die der Zeesterren en der Slangsterren.

§ UI. Eerste orde. Zeesterren (Astcridae). Vijf (soms meer) stralen of\' armen die onmiddellijke voortzettingen zijn van liet mid-denlieiiaam , — of een vijfhoekig (soinn meerhoekig) liehaam zonder stralen. De werveltjes van het inwendig arm-skelet bestaan uit twee zijdelingsehe, onderling beweegbare stukken; de wervelreeks zelve is tegen de oudervlakte van den arm gelegen. De on-dervlakte van eiken arm bezit eene overlangsche groef (§ 440), waarin de twee of vier rijen ambnlaeraalvoetjes liggen. Die groeve kan verwijd en vernauwd worden door de beweging van de zijdc-lingsehe helften der werveltjes. De madreporenplaat ligt aan de rugzijde. Aan de inang blinddarmen, die zich in di\' holte der armen boven het wervelskelet uitstrekken. Velen bezitten een aars, en deze is steeds aan de rugzijde gelegen.

ij 145. Goslaohten en soorten.

1. Zeester {A.sfrfiun of L ruslcr). — Gewone Z. of \\ ijfvoet (/1. lubr.iis)^ Violette Z. of V. (.1. ciolucea).

2. Kamster (A.itrojxi/cn). — Oranje Kanisier {.I. aurantidann). iMiddell. Zee..

Zonnestor {S\'i/tixh\'i ). \\\'t rlstralige of 13 sti alige f (iS. plt;ij)]]0sii8)\\ Klfstralige Z. /- (S. heudnlni).

1. Kussenster (Culcita). — Schijfvormige K. ((\'. dixroideé)\'. Mo-luksehe Zee.

Stekelster (KehiMS/er). Geoogde S. f (/\'/\'. oculahm).

• i. ürisinga (UrisiiKja). — Kil\',innige 1gt;. {li. !/\'Iithh\'iimcmns). Xoorweegsehe kust. Schijf en armen als van een Slangster, doch overigens met de kennierken der Asteriden.

§ I Ui. S 1 an gs t e r r i\'n Ijdtiquot;riditi ;. Kon ronde, soms iels vijfhoekige lichaainsschijf met vijf, zc.lilcn zes aan de buikvlakte iiige|ilante, lange, rolronde, worm- of slangvormige armen, als aanliMigPels. niet al - S\'oortzettingrn dc liidi.iam-. 1)»\' wcrvelreeks

-ocr page 351-

339

dor itrincii is in de as van deze gelegen; de wervels bnstiiiui uit één stuk. Geenc unibulaeraalgroeven ; de aiiibullt;ici-aalvoetjcs staan aan

do zijden dor armen. Do madrejioronplaat ligt aan do onderzijde. De mondopening is stervormig met vijf spleten, die do stralen dier ster voorstellen; de mond is voorzien van een grijp- of kimwtoostcl (§ 439). De maag bezit goene blinddarmen. Kon aars ontbreekt.

§447. Goslacliton on soorton.

1. SelmbBlangster [Ojjhiolc.pin], --- Gewone S. f {O. ciliata) en scjnamata),

2. llaarslangster {Ophtoth-ix). — Breekbare H. f {O. frcujilis),

3. Adderster {Euryah). — Ongetakto A, K. of Asteronyx Lóveni), o]) de kust vau Noorwegen; Go-takte A. (1\'J. of Astrophyton arhurcscenx). Middoll. Zoc : NN\'iat tige A. {IC, vcn\'ucox\'i of Astrophyton vrn-m-osum), Indiscbo Oceaan. Jiij do beide laatste soorten zijn do armen in takken en deze in takjes verdoold.

Fk\'. 270.

IV. K L A S s i:.

Xcclclii\'ll.

§ 448. De Zooleliön (Crinoidea) bestaan uit eene naar evonredig-lieid kleine centraio schijf of middenlichaani, waarvan zoor lange en dunne, uit geledingen bestaande buigzame armen uitstralen, die ter weerszijde met mede gelode aanliangsels of rank en bezet zijn. Het getal der armen bedraagt bij Comatula tien (vijf, die aan de baeis ieder in tweeën gesplitst zijn), l\'cntac-rnms veertig (door opvolgende vordeeling der tien armen). De vlakte der scbijf waarin zieli do mond bevindt, is naar boven gekeerd, en week en naakt, dat is, niet van kalkaolitige Imidskoletjdaatjos voi^/.ien. Do tegenovergestelde vlakte, die liij de Zooëgols on Zoostorren de rngvlakte is, is naar beneden gekeerd on van een stolsel van kalkplaten voorzien; men noemt deze vlakte de kelk. De armen bestaan uit kalkaelitige sdiijven of gelodingstukken , die aan de

-ocr page 352-

340

onder-, buiton-, of rugzijde Moot liggen, maar aan de Imwn-, binnen- of buikzijde bekleed worden door eene huid, die de voortzetting is van die der mond- of buikvbdsto des rniddenlicliaains. In de as van olkcn arm loopt etai kanaal, dat met eene geleiachtige stof ia gevuld, en zieh in de ranken voortzet. Aan de met huid beklecde binnenzijde der armen loopt eene ambulacraal-groeve, die in vereeniging met de naast aanliggende begint aan een der hoeken van den vijfhoekigen mond. l»ij (Jomatnla zijn de kalk platen van den kelk gedeeltelijk overdekt door ren ^roolere, vijfhoekige jdnat, den knop, wnaraan gelede- ranken zijn inge

plant , welke bet dier dienen om zn h ergens aan vast te houden; bij renta-rr/ni/s vindt men in de plaats van den knop een langen vijfkantigen steel, waarmede het dier blijvend op andere voorwerpen vast zit, I )ie steel beslaat uit een aantal vijfhoe kige stukken of geledingen . waarvan elk op de vlakte , waarmede het aan het aangrenzemle stuk raakt, de figuur eener vijfstralige stei- of vijfbladige bloem vertoont. Door dien steel loopt een kanaal, dal met kanalen in de kalkplatcu van den kelk en met die der armen en annrankrii gemeensebaj» heeft. Op zekere, afstanden staan ron dom den steel kransen van gtdede ranken, die mede kanalen bezitten, welke voortzettingen zijn van het kanaal in den stead zol-ven. De :irmen woiahui bewogen en gekromd en de armranken naar elkander toehewogen door khdne. spiertjes: ook (ie ranken van den knop van (\'omntnla bezitten zulke spieren. I )aai,enl;cgen bezit de steid van I\'\'\'ntatrniun, hoezeer buigzaam, geene spieren.

§ ll!gt;. liet ambulaeraalwatervaatstelsid bestaat in een ringka naai ender den mond, waaruit vijf ambulaeraalkanalen ontsprin-

-ocr page 353-

.\'ill

gun, ilio /.icli elk in twi\'oiin ilcclou, din (lau blj domdltda in dn 10, hij I\'lti/rwriims ((m.^cvoigo van du vuorlgc/utte vi\'i\'dculing in ilc. In nrmcn voort to loopon on wt\'l aim ilc binnoiinijlt;li! van clkcn arm. Met deze kanalen staan ambiilacnialvoctjoa in verband, die in di! HinbnlacraalgToiiVC naar buiten troden, docli niet van znig-napjes voorzien zijn en niet tot voortbeweging dienen. Bovendien bezit elke, arm nog een ander waterkanaal , dat echter geenc ge-meenschiip beoft met bot i\'iugkanaal, maar wol m, i de licliaams-liolte in bet middenliebaain. Kcne niadre|iorenjilaat, l\'oliscdie blaasjes en ampullon ontbroken.

jj 150. Do kloinc, vijfhoekige mond ligt midden in do naar boven gekeerde vlakte, des liclmams. Hij Voert in een korten slokdarm, en dezo in oen darm, dio weldra ziel) naar do bovenzijde ilos lieliaam ombuigt en in eon spiraal rondom oono sponsaebtige massa midden in bet lieliaam, naar den aars loopt. Die massa wordt verondersteld de, lover te zijn. Do darm eindigt als endeldarm in eene, aarsopening, die diebt aan den rand der bovenvlakte golegen is tusseben twee der ambulaeraalgroevon.

Van een bloodvatenstelsi\'l is nog niets hekend. De adembaling gi\'sebiedt waarsebijnlijk door de amhiieraalvoetjes of cle buid der bovenvlakte, missebien ook door den darm.

§ löl. In eiken arm hevindt zieb ceno zenuw, die takjes af-/amdt naar de, ranken. Deze zullen wel ontspringen uit een ze-nuwring om den mond, die intusscben nog niet ontdekt is.

S ló-. De eitjes der \'/eel. liën onhvikkiden zieb niet in de liebaams-bolte, maar aan do basis der artnrankon, onder de buid der am-hulaeraalgroeven. Het eivormige, met Irilbaren omgeven diertje, dat uit bet eitje komt, verandert in eene larve, waarin zieb, evenals binnen dat der /eekomkommers (§ 418), het volkomen dier ontwikkelt. Hierbij is op te merken, dat ook de jonge Comahda een met dien van l\'ciilitcrinun overeenkomstigen stead bezit , welke aan \'t ondereind voorzien is van een zuignapje, waarmede bet dier ergens aan vastzit. Later groeit bot bovenste lid van den steel sterk in de breedte, en vormt zoodoende den knop; bet volgende lid laat dan los, en de Comatula zwemt nu vrij in bet water rond. doeb bezit, gelijk reeds is gezegd, bet vermogen om ziel» met de ranken van ilen knop aan \'t een of ander voorwerp vast te bondon.

g 15:3. Do \'/eeleliim leven in diep zeewater, waarin zij door

-ocr page 354-

342

middel van de armen zwemmen, 011 voeden zich met mikrosko-piache zeediertjes of kleine sohaaldieren.

§ 454. Geslachten en soorten

1. Haarster CComatula). — Gewone II. {C. rosacea), Middel-landsche /00; ook aan de westelijke kust vim Spanje en Frankrijk en de zuidelijke van Engeland.

2. Zeelelie (Peiitaa-inus). — Medusa-hoofd (7\'. caput Medusae); Zoelelie van (/\'. h\'anyii), Heiden in de Wost-Indiseho Zee, maar zeldzaam. I\'. Rancjii hoeft geen steel, maar zit onmiddellijk met de kelk vast.

■\'i. Wortel-zeelelie (Uhizocrinus.) — Lofodinsche W, {Rh, lofo-tensis).

HOOFDSTUK X.

Itor.TKDIKREN OF NETKI.DIKKKN.

§ 455, De zesde afdeeling van het dierenrijk omvat de dieren, door Cuvier onder den naam van Zeenetels (Acarephcs) en I\'o-lypen (Polypes) als derde en vierde klassen onder de afdeeling ut\' groep der Straaldiercn gerangscdiikt. Thans vereenigt men zr in ééne afdeeling, aan welke men den naam van Hollijvigen, Ifol todieren (Coclcnlerala), ook wel M a a g z a k d i e r en en Darmloozigcn geeft, en die ook, wegens het vrij algemeen bes taan van netelorganen, met den naam van No tol dieren (Ai-a/epha\' 1 kan wnrdon bestempeld. Zij zijn overigens radiaal-syinmetriseho lieren; do vorsehillende doelen staan straalsgewijs om een gemeenschappelijke as geschikt, en hun aantal is door 1 of 0 deelbaar. — Met zeer weinige uitzonderingen loven alle Coe-lenteraten in do zee.

§ lóö, lioo ongelijk van gedaante en in satnengcsteldhoid van bouw de Coelenteraten ook wezen mogen, zoo komen zij allen

1 lli.\'f aantal lovenlt;le goslaehton en soorten van deze klasse is gering, ilat dor futile, vi\'iiüuerelillijko soorten is zeer veel gn otor. Neemt men deze lafttst» mede in aanmorking, dati kan men de klasse in twoe orden vcnleelon, die dor liloemleliën (Anlhoidea) en dor Kiein-zee-leliën (Hlaslmdea). De lovende soorten behoorou, mot do inceato tbs-silo, tot do eerste orde.

-ocr page 355-

;ii;!

daarin ovoreon, dat linn lieliamn bestaat nit een zak met eeno enkele opening, die tot mond- en aarsopening dient, terwijl du wanden van dien zak bestaan uit twee collagen, die eene biiiten-Imid (ertodi.rma) en eene binnenhuid (emlodcrma) vormen. \\\'aii zulk een hoogst eenvoudig dier is I\'rotohydra Lcucl-arlii, een voor ongeveer 15 jaren ontdekt diertje, een voorbeeld. .Maar in den regel zijn de Coclcnteraten, al kan men ben steeds tot don bovenge-noemden zak terugbrengen, meer samengesteld. Vooreerst liggen veelal tusschen de beide cellagen nog andere weefsels, o, a. sa-mentrekbaren vezels, en bezitten de moesten aanhangsels, vaste of wel bolle voelers, voelarmen, grijparmen, wier holten met de algcmeene lichaamsholte in verband staan, terwijl zieh in diezelfde laag ne t e I - o r gan cn ontwikkelen. Voorts splitst zich bij velen de algcmeene liehaiimsliolte in twee met elkander gemeenscha]) hebbende afdcflingcii, waarvan de naast aan don mond )7U gelegene de maagzak heet. Dc. overige liehaamsholte is vaak door tH.ssohcnscliotten in afzonderlijke ruimten verdeeld, en bij eenigen vindt men kanalen, die mede met de genoemde holte in verband staan. Deze kanalen met het gedeelten dor lichaamsholte, dat niet tot de maagzak behoort, vat men samen onder de benaming van gastrovasculair stelsel.

De netelorganen, die óf over dc gehecle oppervlakte verspreid zijn, of plaatselijk daar op gelegen zijn, dikwijls zelfs op de bivmeuvlakte der lichaamsholte worden aangetrofifen, bestaan uit eene in dc buitenhuid gelegen nctel-ccl, waarin een draad opgerold ligt, die mot groote snelheid naar buiten kan worden gesehotcn, wanneer het orgaan aangeraakt of gedrukt wordt. Die draad is lijn getand, of van fijne weerbaakjes voorzien, of hij l-\' bezit aan \'t uiteinde een jieervorinig blaasje met weer-haakjes enz. Van de laatstbedoelde soort van draden is Vy in lig. -78 eene afgebeeld. Beneden in de figuur ziet men eene netelcel, en daarboven een uitgeworpen draad met peervormig uiteinde en woerhaakjes. Wordt iemands huid daardoor getroften (\'t geen bij het aanraken, b, v. van eene kwal, \'t zij bij het zwemmen \'t zij anderszins lieht gebeuren kan dan veroorzaakt dit eeno brandende, pijn, even als bij \'t aanraken van brandnetels, liet is mogelijk dat bij \'t indringen der puntjes o\'

nikrosko-

Middi\'l-panjc en

fcdiisnc); -Indisclio

maar zit lih, lofo-

l\'iir. 278.

c dieren, . ) en l\'o-afdeeling men zr jvigen, 3 r c n cn ilgemeen 1di o ren radiaal-alsgowijs a door 1 illc Coe-

Iheid van zij allen

s gering, men twoo or-3 111 - ZO C-

3oste fos-

-ocr page 356-

344

liiiakjca in lt;l(: huid tevens een scliori) vocht binnen ilezc komt. Niiiir alle wiiiuschijnbjkheid dienen deze organen hij het vaneen der prooi. liet aantal dor iietelcellen verschdtj op sommige (lieren, h. v. de Actinia\'s en de Zeekwallen vindt men ze hij dni-/.enden verspreid. Hij eenigen, bepaaldelijk de Kibkwallen, vindt men ze ook in de inwendige, liehaamaholte.

g l.u. De spijsvertering geschiedt in de lichaamsholte of in den maagzak, waar deze bestaat. l51oedvaten worden bij de (loeien-teratcn niet aangetroffen; het vocht, dat in de lieliaamsholte bevat en een mengsel is van voedingsvoeht en water, wordt deol» door de samentrekkingen des lichaains gehouden in eenc stroo-mende beweging door de lichaamsholte en de daarmede in verband staande kanalen heen.

S 468. lüj de Ilydroiden (§ 480, 1) vindt men kleine zenuw knoopen en zenuwvezeltjes. De Uib- en .Schijfkwallen bezitten een zenuwring mot zenuwknoopen , waaruit zenuwdraden ontspringen , die langs de gastrovaaculair-kanalen uaar de voelarmen en de zintui-gelijke organen loepen, ^^\'at deze laatste betreft, zoo zijn vooral dc vangarmen en voelers de organen van den bij allen zeer ontwikkelden tastzin. Gehoor- en gezichtsorganen wil men, gelijk wij later zullen zien, bij de Uib- en Gebijt kwallen hebben waargenomen, § l.iO. lüj alle Coelenteraten vindt eene voortplanting door eieren plaats, en bovendien planten zeer velen zich ook voort door kuopvormiug of door vel\'deoling. De door knopvorming ontstane dieren vormen in vele gevallen te samen eene kolonie of een stok waarbij de individuen, die tot éiüne en dezelfde

kolonie bebooren, echter dikwijls in gedaante en verrichting zeer verschillen. Het weefsel, dat de individuen van dcnzelfdeu stok met elkander verbindt (ooenenchi/ma of mreoaoma), bezit steeds kanalen, welke met de lichaamsholte dier individuen gemeenschap hebben , zoodat al die lichaamsholten met elkander in verband staan.

§ l(it). De afdeeling der Coelenteraten omvat drie klassen, die do- Kibkwallen, der l\'olypkwallen en dei\' Ijloemdiereu of I\'olypen.

I. KL.A88J3.

li ih kie (ille n.

It\'tl. De Kibkwallen ol .Meloenkwallen (Cfctfj/thovft) zijn dieren een gelei ulitig , doorschijnend of halfd.....schijnend lichaam.

S \'

met

-ocr page 357-

:M5

dat iiuiostul do giidiuiutü vim een min of muur ovalen kogol, ook wel vim oen klok, of zolfs, t(.Migovolgo van stei\'ko zijdrling^clio iifpliitting on uitbreiding, van oon band (flg. LJ-:}) be/.it. Op de oppervlakte des iieliaanis bcviiuleu zieh mciid i iiaus\\\\,ij\' ^ looju\'udo riltvonnigc verbevonbrdon, ineostal ludit, gevoruul door j gt; I anti es (zwcmpliiatjos) welke bcstaim uit aan do. basis samengrooido trilbiirtui. 1)« liibkwal-lon be/.itteu óf giu\'in^, óf twee Cin ouktde gevallou tol zck) voel- of vuugnnnon, dio zij yaak in oeuo soort vim bobedo. kunnen toriigtrekkou , en tot ct-uu aiiu/.io.ulijko lengte uitsteken, on die veelal met kleinere. draden en met nctclorgimon be/.et zijn. I).\'/.e vimgarinen zijn nun lt;le zijden des lie.liaams geplaatst. A iii den mond vindt men bij o.euigen zijdelingsi lie inondloblnm.

§ l()2. Do wijde en ruime, of niiitwe en sploctvonnigo mond ligt mui d(! eene pool des lieliiiiiins en wol aan do ondor-zijdo, en voert onmiddellijk ineen maag-zuk, w aarvan liet luditereind, dat door spieren kim gesloten worden , (lour ee.no of meer openingen in gemeenselia p staat niet bet ne li torste gedeelte der licdiiuvinsbolte , dut korter is dan do innugzak , en tree, liter genaamd wordt. De. treclitcr eindigt in twee. ünkjeg, die elk oeno zeer kleine opening naar buiten bezitten, l\'it den treelitor ontspringon aelit kanalen (g aat r o - v use u I u ir k au al en, voedingskanalen) dio onder de ribbon naar den mond loopen, en. daar deels dndelijk, deels na oen aantal bocliten ia de mondbibben of zijdelingsclio uitbreidingen, zoo die er zijn, te beliben gemaakt, in een ringkiuiaal overgaan, dat om den mond loopt. Het gidieide gastro-vaaculairstel.-cl is van binnen met trilharen bcz.et, waarduor de veroisehtc strooming daarin ontstaat. De vangiirincn staau met dat stelsel in verband (§ 45(1).

S 41)3. Afzonderlijke organen voor den bloedsomloop en de adein-lialing bezitten de Ribkwallen niet, — tenzij men de gastruvas-

-ocr page 358-

340

(Ulliiii-kaiKilcn nlrt rudimcntiiii\'i\' circiilatic.-nryMiirii wil bosclumwcn. De iulcinliuliiig goscliicdt dooi\' alle oiiijcrvlaktoi, die met het water in aanraking zijn.

Aan de tegenover den mond staande pool des liehaamf) (treeli-terjiool) ligt tussehen do bovengenoemde kleino openingen des trechters een zenuwknoop, waaruit zenuwen ontspringen, die onder de ribben en onder elk zwemplaatje eene kimopvnrmige verdikking bezitten. Op den contraalknoop, of, zoo er twee zijn, up eiken contraalknoop ligt een klein Orgaan, dat nis gehoorwerktuig wordt beschouwd. Zekere bruinroode vlokjes daarnaast zijn misschien gezichtsorganen.

De zwemplaatjes der ribbon zijn zwemweiktuigen, — de voel-draden, gelijk wij zagen, tastorganen.

Het geheole lichaam kan zieh zeer sterk samentrokken door middel van overlangsebe en dwarse spierbundels.

§ 461, De eitjes der Kibkwallen ontwikkelen zich in instulpingcn van den wand der gastro-vasculairkanalen. Zij worden door dezen iu den trechter, uit dezen in deu maagzak, en daaruit door den mond naar buiten gevoerd. In den regel komen de ribkwallen geheel gevormd daaruit en ondergaan dus geene gedaanteverwisseling,

§ 40\'), De Uibkwallen leven in zee, meest in tropische of subtropische gewesten. Zij zwemmen vrij rond, door de beweging der zwemplaatjes en door de samentrekkingen des liehaams. Zij voeden zich met kleine zeedieren, vooral schaaldieren, —• bij enkele groeten vond men zelfs kleine vischjes in den maagzak. In hoever zij van de netelorganen gebruik maken om bare prooi meester te worden , is nog onzeker.

§ De klasse der Ribkwallen wordt verdeeld iu twee orden,

die der Nauwmondigen en die der Wijdmondigen.

§ 407. Kerste orde. Nauwmondigen (S(moslomata). D« mond is spleetvormig en nauw, evenals ook di1 maag. Vangarmen zijn Ijij de meosten aanwezig. De gasfro-vasculair-kanalen geven geenc

Fier. 280.

-ocr page 359-

347

of altliium alcclits woinigc dwarstakkou af. Ann don mond, nan don trcchtorpool en soms elders viudt men l)ij velen lobben of zijdclingsohc aanhangsels, terwijl bij enkele soorten hot gchcele lichaam handvormig afgeplat en zijdelings uitgebreid is.

§ 4()8. Grcslaehten en soorten.

1. Snavelribkwal (I\'Juramphaea). — Vaandeldragende S. (/•,\', cnxilligera), Middellandsehe \'Aca\',. Groote inondlobheu en twoe groote snavelvonnigc aanliangsels aan den trccliterpool.

2. Ocyroë {Oci/i\'ov). — Kristal-Oeyroë (O. crystallina), /.uidülijke Atlantische Oceaan.

Zeeband (Cesium). — Veimsgordcl (6\'. Veneris), Middellandsehe zee.

4. Cydippe {Cijdippe). —Kogelronde 0. f (O. pi leus) \\ Treclitor-Cydippc t (t\'. infundibulurn), zoo groot als oen ei.

8 469. Tweede orde. Wij d mo nd i g o n (/\'iuryslomata). De mond is wijd en rond ; de maagzaak insgelijks wijd. Geonc vangarmen. I)i\' gastro-vaseidairo kaniden geven talnjko takjes af, die zich weer in fijnere, verdoelen. Geene vangdraden. Meestal eirond met afgeknotte mondpool.

§ 470. Geslachten en soorten

1. Ucroë (Beroë), —-Gewone li. (II. Fors-

talij. iMiddellandscbe Zoo. Kirondo li.

(11. ovata), Antillische Zoc

*2. ivangia (llangia). — Getande li. (h\'

dentata. Wost-AfrikaansclK! /.eo. Mmid-

rand tnsselien dlt;\' ribben diep ingesneden

met een voeler in elke. insnijding.

i i k i. a s s i:.

K io n l d i e r e n.

§ 471. Deze klasse is samengesteld nil dieren van (wee /.eer verschillende vormen, te weten de Kwallen en dio l\'olypcn, aan

-ocr page 360-

318

wie, men, ter oiidorsrluucling van do cclitc PolypiMi of Aiitliozo;i , don iiiiuin Vim 1 lydmid-iKilyiicn gcn\'i^vi\'ii heeft. Zij is itit, omdat imui geleerd hooft, dat die Hyilroiil-polypcn en Kwallen vcv-ieliil-lende ontwikkelingstoestandeii van dezelfde dieren /ijn, waarliij de polypon de vol van voedsters en do kwallea die van ciorleg-gende geslachtsdioren spelen.

Men lieeft aan de dieren dezer klasse de namen gegeven van Ilydroinedusae of 1 lydi\'asmedn.sai^ (Ilydroid- of I\'olypkwallen) en van Hydrozoa (llvdradieren). Wij y.nllen jlen naam van Polyp-kwallen besparen voor cone dm\' orden van de/r klasse, maar duidelijkheidshalve , daar ook do naam van llydroiden, taalkundig gelijkbeteekenend mi\'t Ilydro/.oi\'n , als eene onderafdeeling van die orde zal vooikoinen, voor de klasse zelve eenvoudig den naam van Kwallen behouden, daar toidi onze hesehouwing

van de verschillende diervormen, welke die klasse omvat, van de Kwallen in strikten zin, de Schijf- of Schcrmkwallcn , behoort uil to gaan, en deze als de meest volkomeno typen der overigen

§ 172. De Schijfk wallen of Scliermkwallen (l)isoómcduaac, I Hmiophova) hebben een rond, schijf- of regen-rhermvonnig lichaam, dat van boven in meer of minder mate gewelfd en bij (■enige soorten zelfs klokvonnig is. Die schijf {discus, mnbrr/la) bestaat hoofdzakelijk uit eene tussehen de binnen- en bniten-buiil liggende, meestal geleiachtige zelfstandigheid, en is in den regel glashelder, of blauwachtig halfdoorschijnend. De on-dervlakto van het slt; herm is vlak, met een vlies (onderscherm) dat spiervezelcn bezit, door wier saraentri kking di\' -i liijf van gedaante kan veranderen. De rami der schijf is zelden gaaf en zonder eenige aanhangsels; vaak is zij in kwabjes verdoold , en waar deze, niet aanwezig zijn, ligt er dikwijls aan de binnenzijde een zich horizontaal uitbreidend ringvormig vlies tegen aan, — de r and-

kunnen worden beschouwd. Fig. 2^2.

of min of meer hol, en bekleed

-ocr page 361-

349

ul lip/ct nipt afliangfindo, lagcic, of kortere, voeler» of vooldratlcn. Eindelijk noemt men bij velen op don i\'iind ook zekere, run d-1 i c h u a in |i j o H waar, die soms op steeltjes zitten, — bij anderen gekleurde stipjes. Do randliebaamp-jes on stipjes zijn aller-wanrscliijnlijkst geziebts-organen.

t) -ITO. Aan de onderzijde, van bet ncberm , in het midden van bet on-derseberm, ligt de mond, meestal voorzien van oene langere of kortere, sainen-trekbare mondbuis (moudst e o 1), die van vangarmen (m o n d ii r m lt;gt; n , in o n d la ji )gt; e n) omgeven is. Hij eenigen zijn vier of aebt mondstelen, die een grooter of kleiner aantal openingen bezitten, die als zoovele, monden te besebouwen zijn. Die bnis voert in de liebaamsholto des diers, die tegelijk verteringsbolle is, en waaruit de 1 gastro-vaseulairkanalen langs de bolte of i? ondervblkte uitstralen naar een lingkauaal in den ronden nnitrek, ofse.boon dit kanaal liij sommigen onlbreekt. Hij vele lagere en kleine seliijl\'kw allen bevindt zieb ile s|iysve,rteringsbolti^ niet in de zeltstnndiglleid van bet seberm, maar bangt aan dlt;^ ondervblkte daarvan als een klepel in een kink (maagsteol). I\'it den bodem \\an dien steel ontspringen

zoom (vrltnn). Voorls is dn rmul mcf

Fm-, ÜS;J.

aw.

-ocr page 362-

350

dan de gastro-vasculaire of voodingskaualcn. liet aantal vai deze laatsten is (§ 455) gewoonlijk door 4 of soms door (gt; deelbaar.

Hij verschillende soorten heeft men een in den rand der schijf verloopenden zemnvring niet knoopachtigc verdikkingen waargenomen. Hierdoor wordt do samentrekking van het scherm geregeld en elke zenuwknoop is een middenpunt van beweging voor een gedeelte van het scherm.

De schijf kwallen leven in zee en voeden zich, gelijk trouwens alle kwaldieren, van zeedieren. Do vangarmen en vangdraden dienen de soorten die ze bezitten tot bemachtiging van hare prooi. Zij zwemmen in volle zee door afwisselende samentrekking en uitzetting dos lichaams.

Jsf 474. De Hydroid-polypen of Hydrozoën zijn kleine dieren van ecne buis-, knods-, beker- of kelkvonnige gedaante, die aan het eene gesloten uiteinde vastzitten, terwijl zich aan het tegenovergestelde uiteinde de mond bevindt, die rechtstreeks voert in de lichaamsholte of spijsverteringsholtc. Meestal is do mond, die tevens tot aars dient, oiugeveu van langere of kortere vangarmen, die hol zijn en in gemeenschap staan met dc lichaamsholte. De hydroide-polypen vormen moest allen koloniën of vertakte stokken. Zulk een kolonie ontstaat, wanneer een nit oen eitje gekomen dier (ylanula), na oenigen tijd vrij rondgezwommen te hebben, zich ergens aan heeft vastgezet en dan tot een hydroid-polyp ontwikkeld is. Het vermenigvuldigt zich dan door knoppen aan nit-loopers van zijn eigen zelfstandigheid; die telkens zich op deze wijze vormende hydroid-polypen blijven op dc plaats van haar ontstaan vastzitten, en zoo vormt zich eene kolonie van hydroid individuen (polypoïden), die op een gemeenschappelijk gedeelte van den stok (ooe.nosarca) vastgehecht zijn. In liet coenosarca loo-pen kanalen, die door eene opening in het vastzittend uiteinde der individuen gemeenschap hebben met de licliaain.sliolte van deze. Zulk eene hydroid-kolonie is dus te beschouwen als één enkel samengesteld dier, alhoewel desniettegenstnande elk deel er van zijne eigene individualiteit blijft behouden.

Het weeke coenosarca is meest altijd omgeven door eene chi-tinelaag, die door do oppervlakte er van wnrdt afgescheiden; veelal zijn ook de polypoiden zeiven daarmede omkleed ; sleehts zelden is ecu hydroid-polyp geheel naakt, zooals de Zoetwaterpolyp (//(/

-ocr page 363-

ilra). Fii oeuigi\', govallon {^[ille.pora) verliiirilt luit coenosavea door afzetting daarin van kalkzouton.

§ 475. Na alzoo met do twee hoofdvormen van deze klasse to heblicn kennis gemaakt, zullen wij liet verband, dat er tusKelien

l-\'iquot;\'. Ü85.

-ocr page 364-

352

De kwallen planton zich vonvt door «itjcs, die zicli ontwikko-len oiulor aan liet sclicrm, in den omtrok dor mondlniis, of aan do f^astro-vaaonlairo kanalen. Uit hot eitje komt een rond, eirond, of langwerpig, met trilhnrcn om/.et diertje, \'t geen vrij rond-zwomt. Xn kan hot volgende ]diiiits giijpon.

1quot;. I\'it hot bedoelde diertjo, ontwikkelt zich rechtstreeks oone kwnl. Dit gevfd is ochtor zeldzamn.

2quot;. Mot diertje zot zich met hot oone eind ergon» aan vast en ontwikkelt zich nu tot eon op oen hydroid-pnlyp gelijkend wezen niet een mond, vooldraden on spijsvurtoriiigsholte, lt;)]i do plaat» dor vasthochting vormt hot zijdoiingsi he uitloo)ior8, waaruit door knojivortning dergoiijko dioron ontstaan, Xa zoo oonigon , soms ge-niiinon tijd, gol(iofd te hoi)boii, ontstjuin aan het lichaam kringsgewijze. insnooringon , die al dieper on dieper worden, on aan de randen der aldus gevormde schijfjes vortnen zich regelmatige insnijdingen. Men geeft nu wol eens aan het dier den naam van Htrohitn, wegens oonigo oppervlakkige golijkoni» op een kogelvrucht (s/ro^Z/\'z/.v). Weill ra verkorten zich de vangdradon dor bovenste\' schijf, waarin zich de mondopening bevindt, om eindelijk geheel to verdwijnen, waarna die schijf los raakt, zich omkeert, en als oen jong kwalletje, voorzien van een vrij langen mondsteel, daar been zwemt. Aehtoroonvolgens achoiden zich nu ook de volgende segmenten af, en worden kwallen. Maar met bot onderste, vastzittende segment geschiedt dit niet. Hieraan ontwikkelen zich nu vangarmen en bet neemt in lengte toe, om zich later welliobt weder in segmenten te verdoelen. Deze wijze van ontwik koling vindt meer bepaaldelijk bij de hoogore kwallen plaats.

Hot uit bet ei gekomen diertje zot zich vast, en ontwikkelt zic h tot, oen Hydroid-polyp, waaruit door knopvorming een vertakte liydroid-polypenstok (hj/drnrinm, ter onderscheiding van hot pnlujinriitm dor echte polypen) ontstaat. Aan dien stok kunnen zich echter niet alleen nieuwe polypoiden, maar, mode door knojivur-ining, ook kleine kwallen ontwikkelen, die, na oonigon tijd loslaten en vonrtzwommon. Maar bij vele bydroid-kolonii\'n komen do door knopvorming ontstane kwallen niet tot die ontwikkeling, welke voor hot leiden van oen zelfstandig loven vorcischt wordt, en blijven in moer of minder onontwikkoldcn toestand op don stok vastzitten. Dit noemt niet weg, dat die kwalachtige wezens eieren voortbrengen, uit welke, eveilols uit die der vrij zwemmende kwal

-ocr page 365-

leu, kioinou ontstaan, dio op do boven aangeduide wij/i; tot nicinvo liyilroid iKilypcn of voedsters woi\'dcu, Men geeft aan die blijvend vastzittende kwalletjes den naam van uicdiisoïdcii.

Kene kolonie, waaraan zich èn polvpoïden, èn mednsoïden bevinden, de laatste soms in vorseliillendo ontwikkelingstocstanden, geeft ccn denkbeeld van eene veelvormige (polymorpbe) kolonie of van een ptdymorpb sanuüigesteld dier. Dat polymorpbisme wordt nog grooter, wanneer eenige individuen, deels polypoïden, deels medusoïden, zich aan een en donzelfden stok e e n z ij d ig ontwikkelen, dat is, wanneer bij cenige di(!r individuen zieh e.nkele doelen wel, soms zeer stork, andere daarentegen weinig of niet ontwikkelen, en iedere daardoor ontstane vorm eene verscliillende rol speelt in het gemeenschappelijke level der kolonie. Dit nu i-- liet geval met de Buiskwallcn (Sqjhoiifiji/ion.ii), waarover wij later zul len spreken.

Na deze algemeene aanduidingen zullen wij overgaan tot eene korte beschouwing van de drie orden, welke wij voor deze klasse aannemen, te weten die dor lloogero kwallen, der llardkwallen en der 1\'olypkwallon.

§ 47ii. Eerste orde. Iloogere kwallen. (Hiiineditsnc), Schijfvormige of halfholvonnige kwallen, met een in lobben verdeelden sehermrand, onder welke lobben de randliehaampjes bedekt liggen. Geen randzoom; een van spieren voorzien onderscherin. Vc(dal, niet altijd, voelers of voeldraden aan den rand. Ken zeer ontwikkeld gastro-vasculairstelscl. De eieren ontwikkelen zich in gekronkelde plooien in den omtrek van den inondsteel. liij de geslachten Aurelia en Cyanea is de in § 475 onder boBchrevene ontwikke-lingswij/.e waargenomen, en waarsehijidijk geldt deze voor dlt;^ geheele orde.

§ 4 77. Geslachten en soorten.

I. Eenmondigen {Monostomidcd). Kene enkele, van vier vangar men omgeven mondopening aan het einde van een korten mondsteel.

1. Zeekwal {Medusa, Auvcliu). Geoorde Z. f (.1/. of.l. nn-

vita)] Gekruide f (M. oü Auril.ia eniricita).

\'2. Cyanea {Cyunea). — Harige C. f (6\'. enpillata)-, van Lamarck f {C. Lamurrhii).

-ocr page 366-

354

3. Hoedkwal (L\'hrysaora. — Gewone II. f (Ch. hyoscella).

II. Voelmoiuligen (l\'olystomldae). Vier of acht, /ich doorgaans vertakkende mondstelen (§ 473).

4. Zcepaddestoel (lihizostotna). — /. van Cuvier f (h\'h. Cu-vicrii). Z. van Aldrovandl (Kh. Aldrovandi) Middell. zee.

§ 478. Tweede orde. Hardkwallen (Traclti/tncdusae). Een

Hcliijf- of halfbol vormig, bij som-migen min of meer vierkantig, l)ij anderen beker- of trechtervormig scherm, dat vaster en minder beweeglijk is dan bij andere kwallen.

()cik de voelers zijn dikwijls stijf en niet samentrekbaar. De rand glad, gelobd of gekerfd. De meesten bezitten een randzoom. De eieren vormen zich in de gastrovaseulaire kanalen; de ontwikkeling der kiemen tot kwallen is óf cene rcchtstreeksche, of heeft plaats door tnsschenkomst van voedsters, die hier den vorm van vrij levende kwallen hebben.

Tot deze orde brengt men thans ook do Kelkkwallen of Kelk-polypen (fAiccrnariën), die men vroeger onder de volgende klasse, die der echte of Bloempolypen rangschikte, ofschoon reeds Lamarck ze tot de Zeenctols bracht. Inderdaad gelijken zij , bij eone oppervlakkige beschouwing, uitwendig veel op echte polypen; zij zijn intusschen kwallen, die door een korten en vrij dikken steel blijvend vastgehecht zijn aan wier, zeegras, enz., en wier schijf kilU- of trechtervormig is, met den bodem der kelkholle, in \'t midden waarvan de mond ligt , nanr boren gekeerd, /.ij versebii-len dus in ilit opzicht op dezelfde wijze van de overige kwallen, als de vastzittende Zcelelicn van de overige Sterdicren verslt;diillen. De randen der schijf zijn boogsgewijs uitgesneden; in elke uitsnijding ligt een knobbeltje, eu op den top van elke slip staan korte, geknopte vinders. De mond, voorzien van eene zeer korte

-ocr page 367-

mondbuis, voort in de licliaamsholtc , wiuiruit zicli vier kanalen in den voet voortzetten om daar in een gomcenseliappelijken blinden zak te eindigen. Voorts bestaan er vier gastro-vasculaire kanalen, die in ecu riugkauaal uitloopen; in die kanalen ontwikkelen zieb dc eitjes. Do schijf is samentrekbaar door dc werking van ecne kringspier aan den rand en straalsgewijzequot; spieren in de slippen, liij de voelers bevinden zich slippen, die waarschijnlijk gezichtsorganen zijn.

§ 479. Geslachten en soorten.

T. Vastzittende Ilardkwalleu KrusiUs; r.ii.ceriinridac).

1. Kelkkwal, Kelkpolyp (Lwcriiaria). — Gewone K. -|- (/.. auricula).

II. Vrije Ilardkwalleu Lihcrac).

2. Charybdea (Charyhdca,) — /ak-Chaiybdca (Cli, marsiiplnlis.)

Met Charyhdca, behooren hier de geslachten Aryina en Oeri/o-

nia, die duidelijk kwallen zijn, en op welke de in den aanvang van dc vorige § gegeveno beschrijving geheel van toepassing is, (icryonia bezit een zeer langen moudstoel, die als een slurp uit het scherm naar buiten steekt. Het aantal vangdraden] bedraagt, meestal 4. Zij leven meestal in de Middcllaudsche Z(h; on do zeeën der warme gowesteu.

§ \'180. Derde orde. Polyp kwallen (Hydromedusae.) Kwallen of medusoïden (§ 475), ontstaande door uitbotting uit polypoïde voedsters, die een getaktcn stok vormen. Zij worden verdeeld in twee onderorden.

1. Dc eerste onderordc is die der llydroïden (Hydroidea). Do voedsters of polypoïden zijn in den regel vastzittend. Do olerleggende gcslaehtsdieron of kwallen hebben een ongclobden rand en een randzooiu. Meestal onvertakte gastro-vasculaire kanalen. Geen drijftoestel noch zwemklokken. De eieren vormen zich of aan de gastro-vasculaire kanalen, of aan de maag of inond-stcel.

\'2. Dc tweede enderorde is die der Muiskwallen (Siphonoii/iora). Deze zijn vrij in de zee drijvende of zwemmende koloniën, samengesteld uit in gedaante, en verrichtingen zeer van elkander verschillende individuen (bladz. 353), waarvan conige een drijf-on zwomtoestcl uitmaken. Keue Siphoiugt;plioren-koloni(! kan hebben;

-ocr page 368-

35G

1quot;. voedingspolypoïden, ovcreenko-mcndo met gi\'wonc hydvoïii-poljjioï-den; 2°. oicrloggcndo modusoïden; .\'t0. tiistpolypoïdou , gelijkende (i|) voe-dingspolypoïden , maai\' langer en zim-dor mondoiicning; 1quot;. zwcinklokkfii,

t. w. kwalscdiermen zondci\' maagholte en inoiidstcel, lt;lio als bcwegingsdic-ron dienst doen; hij eenige soorten nemen zij den vonn van met lucht gevulde blazen aan; 5°. dekstukken (alleen bij eenigen bepaalde soorten; zooids Diphycs): stijve, slechts tot zekere hoogte ontwikkelde kwalscher-men, die tot beschutting der andere deelen dienen. — De voortplanting gt; geschiedt door de eieren der inedu-soïden, waaruit jongen voortkomen, die door knopvorming een stok vormen, waaraan dan de genoemde dee-leu ontstaan.

§ 481. Geslachten en soorten. 1. Hydroïden (Hydroïilm).

A. Vrije kwallen.

1. Mesonema (Me.snneina).— Gewone M. f (it/. Hm!\'\'-ai/a.)

-ocr page 369-

;557

Tliiuunimtiim (I\'liriiiinaii/inn). — Iliilfkogelvormige \'l\'li. f 77/. heniiKjilKKricd).

Pig. 2ni.

Een 7,(iotwailt; i|iolvjgt; vorgroot, dlc* lt; cno wa-tervloo {Duphnia) gt vangen heeft; a mond.

lt; i\' klokt»? I Mibhclblaa.1- /Hjihyr.s cotujin iu lata. .\\ o stam of a* der kol\'-iiH\'; 7«/.win klokken*, c hoito daarvan, met een samen 1 rekbaar vlies bekleed; v kanalen in den wand d« r klokken; o opening der zwt-m■ klokken; lt;- medimoub\'n, voedings en last polypcideji met dekstukken: It lt; lt; n alV.onderlijk dekstuk, a -tam; t dekstuk : nilt; dusquot;Vdrn : n vucdingepolyiK\'ïden ; i 1 ast pol y jm ïden.

-ocr page 370-

358

3. Cladoncma (Cladonema). — Gcstiualdo C. (C*. radiatnm). Hclgisehe on waarschijnlijk Noderlaiulgehc kusten.

4. Oceania (Occania), — Roode O. t (0. sanyuinolenta).

I!. Voedsters. Ifydroid-polypon.

I. Tandhoreniiolyp (Serlularia). — Zeecy|)r08 f (iS\', cuprcn-sina). Er zijn nog gecne vrijo kwallen bekend, die aan cone Sortularia haren oorsprong t(! danken hchben.

\'J. Pluimpolyp (I\'hmularia). — Zcchorstel, /copluim f (I\'. jjIiiiiici). Ook van dozo kont men nog gcene vrijo kwallen.

Millopora (Miltepova). — Getakte M. (M. alcieornis). Kalkachtig on hard. Antillischo Zee.

•1. Klokpolyp (Cniiipanulttria). — Slingerende, gaafran-dige, gekranste Klokpolypen -j-(C. volubilis, inlc.ijrn on verticillala),

.rgt;. Pijppolyi) (Tubularla). — Ponnesohaft f (7\'. calama-rin). Brengt vrije kwallen voort van hot geslacht Dinenia.

(i. Syncoryiio (Syncorync). — Kloine S. t (£gt;■ pus ilia) ; is medo voedster van volkomcnc kwallen.

7. Kruispolyp (Slauridia). — Gestraalde K. t (gt;S\'. radlata) do voedster van Cladonema radialum.

8. Zecrasp (Ui/draclinia). — Ruwe Z. f (If. (■chlnala).

!•. Knodspolyp ((\'lava). — Govvone K. t (C. muUicornis).

10. I\'rotohydia (l\'rolohtjdra). 1\'. van Lonekart (P. hcack-artii). 15ij Ostcndo. (§ 456) Vermenigvuldigt door dwarsche deeling op do wijzo der infusiediertjes.

II. Zoetwatorpolyp, Annpolyp (Hydra). — Gewone 7. f (//quot;. vuhjaris); Itruine /. f (//, fasca)\\ Groene Z. f {II, viridis) \'.

if, »

nil

1 Do Hydra\'s nf /ilt;iotwatoi\'|iigt;ly|)on vonnon glt;!(!no slokkon of knlonii-n , maai\' loven .\'I!/\')Iwlrrlijk, «fohooht aan do liliuteruii of stolon van wator-|ilanton. Din annheclitlng is ochtnr willokoinig; zij kunnen zich lt;i|i hot voorwerp, waarop zij /.ioli In^indoii, langzaam voortbewogen, (loordion /.Ij mot linnno vangarnion oon ander pant aangrijpen, vervolgens hun ondordool van dat, waar zij aan vast waren goliecht, losmaken on hot daarna weder op liet gogropon punt v.\'istlioi\'hton. Het uitoindo van hot ondonlool, waarin zich eeue kleine uponinfj (editor goon aars) bovindt,

ijMi

lil\'

-ocr page 371-

IZcckain (//nlilophiis). — II. mirabilis, die aan di\'kust

van Noorwegen en do Shotlandsche eilanden leeft, is eon iniddon-vonn tusseheu do Hy-droid-jiolypon en do Biyozoon, gcdijkondo o]i een Hydroido, maar met hoefij/ervormign vangarmen, als do Kampootigo Hryozoën, terwijl liet dien- ook in oenigo andore opzich-toi: met deze laatste overeenkomt. Vormt stokken.

II. Buiskwallen (Siphonophora).

1. Dubbelblaas (1 tqihi/es). — Geknotte IJ. (I). truncata), aan lt;lo kust van Noorwegen; Spitse I). {!gt;. aciimiitdta), Mid-dellandsehe Zee; (jroote 1). (/A ot\' Praya maxima). Mid-dcllandsche Zee.

2. lilaaak wal (l\'hijssophora). — Grewono 14. (/\'//. kydrostalica), Middellandselu! Zee; Grekleurde 15. l\'h. muzonrma)), zuidelijke Atlantische Oceaan.

werkt daarbij als zuigorlt;;aau. Aan do lango on zeer beweeglijke vangarmen bovinden zicb netelorganon vau don in flg. 278 afgeheeldon vorm; met do draden daarvan omstrongelon do hydra\'s luunio prooi. Het borstel lings vermogen der hydra\'s is zoor groot, gelijk do door Trora-Mov reeds in 1711 medogndeolde en door lateron herhaablo proeven loeren. Mon kan hot lichaam van een doel boroovon, on dit groeit weer aan; men kan het In do dwarste en do lengte in stukken snijden, en elk afgesneden stuk wordt weer oono hydra. Ja mou kan het lichaam als een der vingors van eeu handschoen omkeeren, en het dier gaat voort te loven en voedsel tot zich te némen. Op allo punten van quot;t lichaam eener hydra kunneu zich knoppen vormen, die tot jonge hydra\'s zich ontwikkelen, wolko zich later afscheidcu (fig. 2Wt). Ook Mj-ueii zij zich soms voort te planten door zich in stukjes to verdoelen. Zeker echter is het, dat zij zich mode voortplanten door eieren, die ontstaan in een knopje o.\' zakje aan het dikste gedeelte des lichaams, welk knopje te vergolijkon is mot oeno modusoïde op den laagsten trap van ontwikkeling.

-ocr page 372-

360

.\'i. /joobliius (l\'/ii/xub\'d), - üi\'/uimtj», Bij-ili\'ii-winil-zcilci-, 1 \'üi\'tngooscli oorlog,scliip (PA. pc/ai/lca), Z(!oüii der liccti\' gewesten.

1, ( 1 i\'Jclla). Gowoni\' V. (V. spivaits), .Middoll.

/i\'e ; liroodc \\\'. (V. lata), noordelijke A tlantiselu! Ócoii.\'in ; Linkscdic; V. (1\'. nhiiatra of anlnrctica), zuidelijke Atlantische Oceaan.

• gt;. Porpita Porpifn. — Gewone 1\'. (7\'. mcdittrrauai)-, Mid dcllandsclie Zee.

UI. KLASSE.

l\'ollipen of liluemdieven

i?\' IHlJ. Do naam van I\'olypen of Veelvoeten werd (§ ,\'}5G) door de ouden gegeven aan eenige soorten van kopdragende weekdiei\'im, doch in lateren tijd heeft men, /.onder op die oorspronkelijke heteekeiiis te hdton. dien naam toegepast op dieren van een veel eenvoudiger maaksel, — dieren, wier lichaam buis-, kolk- of bekervormig is en wier mondopening door vangarmen of vangdraden is omgeven. Wij bebbcn reëels een aantal van dieren, waarop deze kenmerken van toepassing zijn, loeren kennen onder den naam van Mosdiercn (§ 306), Lueernariën (§ 178) on Ilydroid-polypen (§ ISO); doch de eigenlijke I\'olypen (/Vi/y»), 81 ra al-p cl v p e n (Arliitopo/i/pi) of 151 o e in d i cr e n (Anlhosöa), die wij nu moeten besehouwen, verseldllen van deze in monigorloi opzicht, bepaaldelijk en vooral daarin, dat zij oen maagzak bezitten, en liet daar achter gelegen gedeelte der lichaainsbolte door tusschcnschotten in vakken is geseheiden, die zich in de holle vangarmen voortzetten.

Zooals wij later zullen zien. vormen de meeste polvpen koloniën of stokken, die zeer dikwijls vertakt zijn en dan inderdaad wel het aanzien hebben van eenc plaat. Daarom is het niet te verwonderen dat men deze van oude tijden af voor zeeplanten hield, niettegenstaande de vaak steenachtige hardheid der stokken; vandaar de nog wel in het dagelijkseh leven gebruikelijke naam van K o r u a I g e wils s e n. Dat gevoelen kreeg zelfs in lateren tijd een leun, toen in hel begin van de vorige eeuw De Marsigli

-ocr page 373-

301

dn bliMsimiii vim vimcliillomlc ktiraalgowassoii ontdekte. Korst in 172\') mankte 1\'e y ss o ii e 1 /ijne, onderzoek ingen bekend, wnuiiiit bleek, dut de zoogenaamde koraalgewassen vooi-tbrengsels van dieren, on do vermeende bloemen de dieren zelve waren.

§ 48?!. De l\'olyiidieren zeiven komen onderling in vorm en samenstel vrij wel met elkander overeen, daargelaten de, versebilleu

in grootte, betrekkelijke lengte, en klenr. leder bezit van boven eene mondscliijf met den mond in liet midden; die inondsehijf is met vangarmen omzet, wier aantal 8, G of een veelvoud van U bedraagt. De vangarmen zijn hol, meestal intrekbaar, en van kleine openingen voorzien, door welke bot in den vangarm bevatte water kan worden uitgedrukt; voorts zijn de vangarmen bezet met neteldraden. De mondopening voert in een maagzak, die in den bodem eene Opening met oene kringspier bezit, door welke ijlen komt in de, achter den maagzak gelegene liehaamsholte. Aan de binnenvlakte van die holte ziet men overlangsehe plooien (m e-s e n t er i a a 1 p 1 o o i en), die zieh voorwaarts aan den maagzak inplanten en tusseheiI8I\'hottoii vormen, waardoor holten ontstaan, die zieh tot in de vangarmen voortzetten. Aan \'I aehtereind van elke plooi ziet men een draad, mesente ri aa 1 d rn ad.

ft 181. Kenige polypen, zooals de Aetinii\'n of /ee-aneinonen . zijn enkelvoudige dieren. Hun liehaam loopt aehtcrwaarts nit in eene schijf, die men voet noemt. Blijft die voet week. dan is ook. even als bij Ui/dya (§ 181 noot), doeh op andere wijze, namelijk

door voortsehuiven....... langzame plaatsverandering mogelijk.

(tcwoonlijk eehter verhardt hij en is bet dier daarmede onbew eeglijk aan eenig voorwerj), een steen of eene rots, vastgeliecbt. l\'-nkcle Aetiniën, alsmede lt;le samengi\'slelde gesl.oditen ,

1 \'mlillum , en daarmede verwante soorten steken alleen met bet uiteinde van den stok in het zand of slib van den zeebodem. Do meeste polypen zijn samengestelde dieren, waarvan de indivi-

-ocr page 374-

m\'2

(Iticn op een j)olyi)cnstok (polypartam) voroonigd staan, welk po-lypiirium , naurniiito dor soort, (icno zoor vcrscliillcnde gedaante kan bezitten.

§ 485. De voortplanting dezer dieren geschiedt door eieren of door knoppen. I it liet ei komt oene ronde of eironde, met trilharen omzette larve, die eerst vrij rondzwemt, maar zich later met hot oene einde vastzet. Rondom den mond beginnen zich nu vangarmen to vormen, terwijl tegelijkertijd de maagzak en de mesenteriaalplooien ontstaan. — Do knoppen ontstaan aan do zijden dos liehaams en ontwikkelen zieh tot nieuwe individuen, die bij do week blijvende soorten zich kunnen afscheiden om oen zelfstandig loven te leiden , maar bij do polypon met verharde weefsels aan het moedordior vast blijven en zoo de oorzaken worden van het ontstaan en de vergrooting van den polypenstok. Men neemt ook

oeno vermenigvuldiging waar door vcrdoeling van de mond-sebijf. Deze wordt dan eerst van rond langwerpig en verdeelt zieh vervolgens in twee monden. — Hij oenige soorten noemt men ook waar, dat de mondschijven en ile monden zich in céne richting uitzetten, zoodat door het elkander ontmoeten der zich alzoo vergrootondo mondschijven deze dan een kronkelend verloop verkrijgen {Mac.andrtna enz.). — In eiken polypenstok hebben de lichamcn van al de individuen

-ocr page 375-

gc.inRniiscliiii) mot. elkandoi\' door kanaaltjoB in het coonosarca.

§ 48(5. Uc inccsto polypen verharden voor een grooter of kleiner godeeltc, natuurlijk met uitzondering van de vangarmen en do tot do voeding noodige gedcelton. Die verharding gescdiiedt door noorzetting in hot tot dusver wceko lichaamsweefsel van eene chitine-achtige stof of van kalk. 15ij do Aloyonariön geschiedt do verharding door neerzotting van vrije kalkliehaainpjcs (sclcroiler-mitcii , scleritcn), waarhij do stok toch nog altijd vloesoh- of sponsachtig blijft, ofschoon ook hier do kalklioliaampjes elkander kunnen ontmoeten en samenvloeien, liij de Madrcporon en verwante geslachten daarentegen vormen zich goonc vrije kalklichaamjijes, maar ocno sameidiangonde, dichte massa kalknaalden mot slechts geringe tusschonruimton. Deze skclotvorming hogint aan den voet of het achterste gedeelte dos lichaams, en zoo ontstaat, hij de gestadig voortgaande uithotting van nieuwe knoppen , eene gemeenschappelijke harde, horen- af kalkachtigo as van don polypcnstok , die door het weck gehlovon coonosarca omgovon is. Veelal vormt zich dan ook eene dunne harde schoede om de individuen. Hij do Madrcporon verkalkt de gehoelo lichaamswand (die dan don naam muur en, met den verkalkten voet, van kolk verkrijgt) en ook do mosonteriaalplooien , die dan s tra als c h o 11 on (sejj/n) hooton , tuaschon welke dan weer nieuwe verkalkte tusschonschottcn ontstaan.

S 487. Do vorm dor polypenstokken is overigens zeer verschillend. Sommigen zijn massief on bestaan uit onderling tot ccno massa samengegroeide polypen; andere vormen ccno soort van zoodo, waarboven do afzonderlijke individuen, of de korto uit individuen saamgosteldo stammetjes zich verhell\'on; nog undoro nomen don vorm van gekrulde bladeren aan of vormen struik- of boomvormig vertakte stokken. De grootte, is ook zeer verschillond. Er zijn koraalBtaminen van 15 voet hoogte en .\'i voet dikte waargenomen. — De harde doelen der polypen vormen, wanneer het wooke gedeelte niet moer leeft, don grondslag, waarop de lovende kolonie vastgehecht blijft en waarop zij al» ware. het voortbouwt. Zoo is het to begrijpen, dat in de zeeën der tropische gewesten , waar do meeste, soorten te huis behooron, koraalrotsen en koraal-rillen kunnen ontstaan. Daarover, en over de wijze waarop zich uit de koraalrotsen en rillen eindelijk koraaleilanden vormen, verwijzen wij naar De Mayl vcm het kleine van den Mooglooraar Halting (Amst. I8i)()). Hier willen wij alleen zeer in \'t algemeen

-ocr page 376-

;((i I

do inei\'st waiu\'seliijnlijkt! wij/c van ontstaan dei\' koraaliulandcn aandniduii. Er hoeft stoerts 0[i ondcrsclu\'idcnc plaatsen van den aardbol ceno uiterst langzame daling van don bodem plaats, waar ti\'gonover ceno rijzing van dii\'n bodem op andere plaatsen staat. Indien nu een eiland, door dicht aan hot strand aansluitende ko-raalrill\'cn (stran dri ffo n) omgeven, in den loop der tijden langzaam daalt, dan zullen do koraalriffen op dezelfde hoogte blijven wegens don gestadig naar de. oppervlakte der zee voortgaande groei der koraalpolypen. Zelfs zal dat rif eindelijk boven water komen en hreeder worden, omdat de golven de brokken on het gruis daarop en daartegen werpen, die afkomstig zijn van do afgestorvene en afgebrokkelde gedeelten van hot rif. Kindelijk moet zieh ton gevolge van de voortgaande daling van het eiland tns-scben dit en het rif een kanaal vormen, en dat rif alzoo veranderen in oen ka na al rif. [3 ten laatste hot oorspronkelijk eiland gohoel onder de oppervlakte der zee verdwenen, dan zal er een uit koraal bestaand kringvormig rif overblijven, waardoor oen moer (lagune) omsloten wordt. Op dat rif, nu een kringvormig eiland, (atol), spoelen zeewier, doodo zeedieren, allerlei organiseho stoffen aan, die met het verwoorde kalkgruia en den most van (luizende zeevogels oeiie vruehtbaro aarde vormen, waarin aango-spoeldo kokosnooten en door vogels ovorgobraehte plantenzaden ontkiemen.

§ IW. De polypon loven allen in zee en voeden zieh met zeer kleine zeediertjes, die In den maagzak worden verteerd onwaarvan de overblijfsels door den mond weder worden uitgeworpen. De voedende stoffen komen in het water, dat zieh in do liehaamsbolte bevindt, en waar dit door trilharen in strooming wordt gehouden. Do armen schijnen ook ademhalings-organen te zijn. Sporen van een zenuwstelsel zijn nog niet waargenomen. De, tastzin zetelt vooral In do armen. I let uitsteken van deze laatste gesehiedt door daarin gedreven water (verge!. § \'108), en dit wordt daaruit en uit de, lichaamsholte weder uitgedreven door do poriën dier armen en door den mond.

tj 18!». De klasse der Polypon wordt verdeeld in twee. orden, die der l\'doempolypeii en der Sterpolypon.

!gt; IKü. Kerste orde. li I o e m p o I y p e n. (Zigt;aiithayia{ I\'olyac/i-

-ocr page 377-

nia). Zes, twaalf\' of moer in vornclicidono kransen stuiiiide cnk(tl-voiuligo cl. i. zelden vertakte cn nooit gevederde vaiigarinon. Som-migen (Actinia, (Jmus, Zoiiiilhim enz.) zijn en Idijven week; anderen bezitten cene vcrliardc as niet een weck coeneneliym omgoven, waarin de. afzonderlijke individuen ziften (Anlijiallirs), — nog anderen hebben een volledig ontwikkeld kalkakelof (Ca ryophillia, Oculina, Astraca, Mamndrina, Fiingia enz.) of een kalkskelct met minder volledig verkalkte mesenferiaaliilooien of straalsc.liotten (.^fadrr.^om , Anlopora enz.) De polypeiistokken van deze orde, die verkalkt zijn, zijn bet, die vooral de koraalriften vormen. —• De meeste gebeel weeke i)oly)ien voiinen gcene stokken,

maar zijn zelfstandige dieren. — Antipatbes en verwante soorten , en verre ile meesten der overige, vormen daarentegen stokken , ofseboon toeb «Mik onder de hardst en octiigen zijn, die enkelvoudig blijven, zooals Caryophyllia lt;\'ii eenige andei\'e gcslaebten.

S 491. Geslaehten en soorten. 1. We\'ekhuidigen (Malcicodeniiafa, Ar.fiiiiaria), Eene weekblijvend liebaam zonder ebitine- of\' kalkskelct. De dieren van deze af-deeling zijn enkelvoudig (Arfim\'a, CrrrnK), of vorincn door knopvonning polypcnsfokken, in welk geval de huid meer lederaebtig is (/Coaiilhnx)

1. Zee-anemone (Actinia), — fJewone Z. f (A. mesemhryan-thc.inuin)\\ Gekno]ite Z. f (.1. (jrnniiacca). Zelfstandig levend.

2. Was-anemone (Cereus). — Lederachtige W. f (O. eoriacciis). Zelfstandig levend.

3. Zoanthus (Zuanllms). ■— Z. van van Hasselt (X. Ua Sunda zee.

II. Hardvoetigen (Sclcrobafnca, Antipatliarifi). lOcn poU |»eii.stok, inwendig bestaande uit een liardcn liooriniclitigen sis, omgeven door het week blijvende sareosoma.

4. 1 leesterkorajil (Atitlpalhvs), - Lorllt;en-H. (A. larix), Mid dellandsebe Zee; Spirale II. (A. s/iiralix) •, .Slrab-iidc. II. {A. radians); beide uit de Molukselu? Zee.

-ocr page 378-

3GG

III. llardhuidigen (Sclc.rodci mala, iïtadrciioraria). Eon geheel ontwikkeld kalkskolet. Ook na den dood zijn daaraan do vorm on de bouw van het dier duidelijk te onderkennen, zooals de uit muur en straalsehotton gcvormden kelk, waarin zich hij het loven de nog wcekc deelon van het dier konden terug trekken. De moesten vormen polypcnstokken; ecnige daarentegen blijven enkelvoudig (Caryopliillia, l\'hingia). f). Nagelkoraal (Caryophyllia). — Gekamde N. (O. cris/ala).

Indische en Roede Zee.

(\'i. Oogkoraal (Oculina). — Waaiervormig O. (O. fldbdliformls), Indische Oceaan.

7. Amphihelia (Arnphihelia), — Wit koraal (A. fif Oculina ocu-

Middelt. Zee.

8. Zon- of Sterkoraal (A*/yaf.a). — Zonkoraal (A. hcliopora). Indische zee.

!). Seherpbladkoraal (KiqihylUa of Astrae,a slrialn). \'i\'ropischo zeeën.

10. Maeandrina (Jlaeaudriiia).— Doolhof-M. (M. lahijrinthica) , Indische Zoo; llersenvormige M. (.1/, ccrchriformis).

if

li

I;!!-IP

J .i

\\

■j

11. Zeepaddestoel (i\'tuujia). — lloekvonnige Z. (/\'\'. j/Hi hk) •,

Fie. \'209.

l-\'ltr. 298.

m

$

it I

5 7quot; •

I

*i :U

w il

-ocr page 379-

Zoc-Kiiiiijienioolie (ujarii\'ifurniix); beidt; uit de Molnk-aeho Zee.

12. Sponskoraal {Madrejxjra). — Xoovdsche S. (.1/. hore.alis) in Jc Witte Zee; indisclie S. (.1/. ahro/uiwïdes), Indische Zee.

§ -ÜIS. Tweede orde. S t e vji ol y ]) e n (Ahyonni\'ia; Oc/acliitia). Aelit gevederde vangarmen in één krans rondom don mond, en

iiclit inesenteriiial-plooien. De laatste nooit verkalkt. Velen liebben een weeken polypenstok, met daarin verspreide kalklielmani])jes (Alcyonium), anderen komen in dit opzicht met Antijjalhe* (490) overeen, zooals Goryonia, Tvin, 1 \'cnnalala, \\\'irflilliitn, bij welke die as min of meer buigzaam is, en Corol-lium, die eene geheel verkalkte as bezit; bij nog anderen zijn alleen de wanden der polypkelken verkalkt (Tn/ji-pora).

§ 498, Geslachten en soorten, I, Buisachtigen (Tnhiporidat). Onver-takte polypai\'iën, bestaande uit rolronde, evenwijdig naast elkander staande en door horizontale platen verbondene kalkbuisjes of kelken,

1. Buiskoraal (1 tihipovci) — Oi\'gelkoraal (7. musica, rnhroln etc.) Middellandsehe, Indiscbe /ee.\' n.

If. Kuikpolypcn (Alcyonldac) Ecnc weeke, vleezige of kuikach-tige polyjjenstok met talrijke daarin verspreide kalklieliaamp-jes. De vorm is eene veelal vingenvijs gelubde of bnisvonnigc massa. Hij Anlhclia vermenigvuldigt de stok zieh niet deur zijdelingschc knopvoi-ming aan de individuen, maar door uitbotting op e^n van den voet der individuen uitloopond ge-ineen9chap)iolijk week vlies.

2, /eekiirk {AU-jonmm), — Zeekurk, Doodemansduim f (,l. lt;//-/,\'-Inluiii), Gepalmde Z, (A. pcdiiKttnin) Middell, Zee.

8» Storbloompolyp (AnilicUa), — Zeegroene S. (A, ghiuca)\\

-ocr page 380-

mate verkalkte as, omgeven door het week sareosama. Zij onderscheiden z.ieh van de Gorgoniden door do regelmatige, soms sierlijke gedaante van den stok, en doordien zij niet als deze aan rotsen of anderen voonverpen in zee vastzitten, maar niet het stomjii\', niet met polyiien bedekte, uiteinde van hun steel sleehls in het zeezand of de slib steken.

-ocr page 381-

369

7. Zeovcder, Zocpcn (Fennahila). — Koodo zoevcder of Zco-pen (/\'. rubra), iMiddcllandscho Zee; lichtende Zeepen f (/\'. phosphorea).

8. Koedepolyp (Virgularla), — Gewone li. t (I\'. nurahilk).

9. Eolpeu (Veretillum). — Gewone II. f (1cynoinorium).

II O O F I) S T II K xr.

PROTOZOEN.

§ 494. Deze op den laagsten trap van bewerktuiging staande dieren, bij welke clc licbaamsmassa \'t ininst in afzonderlijke organen onderscheiden (gedifforentiëerd) is, bestaan uit eone geleiachtige of slijmige, meer of min doorschijnende, maar tevens door daarin aanwezige kleine deeltjes of moleculen min of meer troebele, eiwithoudendc stof, die men sarcode of p rot oplas ma noemt. Vele Protozoën bestaan alleen uit een klompje van deze stof, die geheel homogeen schijnt te zijn, doch in wier eenigszins troebele massa heldere doorschijnende ruimten (vacuolen) ontstaan en weder verdwijnen, welke vacuolen men, wanneer ze steeds op

dezelfde plaats ontstaan, contractile blazen of ruimten heet. De moleculen, die in de sarcode zijn bevat, blijven niet op dezelfde plaats, maar verplaatsen zich , somtijds langs vaste banen met groote regelmatigheid. Hovendien ziet men zulk een klompje sarcode, zoo het door geen uitwendig vlies bekleed is, van tijd tot tijd van gedaante veranderen, en zich tijdelijk uitbreiden in uitsteeksels en draden, die hef later weer iu de lichaamsmassa opneemt. Die uitsteeksels en draden, welke, laatste soms vertakt zijn, noemt men p s e u d o p o d i ë n. Hij zulke alleen uit een klompje homogene sarcode bestaande Protozocn is het. gevolg van hun hoogst ecn-

24

-ocr page 382-

370

voudig samenstel, dat zij zicli gemakkelijk in twee of meer deelen kunnen splitsen, waarvan elk dan een diertje vormt, en dat daarentegen twee of meer zulke diertjes tot één kunnen samenvloeien. — Bij do iets hooger bewerktuigde l\'rotozoën treft men in de sareo-demassa éénc of meer blijvende kernen aan; — bij velen vormt de buitenste sareodelaag eene soort van bast of een uitwendig vlies, dat soms trilharen of stijve aanhangsels bezit, of door afzetting van kalk hard en scheljivormig wordt,—-terwijl eindelijk binnen nog anderen zich een skelet van kalk of kiezel vormt.

§ 495. Een spijskanaal of darm ontbreekt bij alle l\'rotozoën, ofsehoon bij velen, b. v. bij de meeste Infusiediertjes, eene monden vaak ook eene aarsopening, althans eene opening tot opneming en eene tot uitloozing van voedsel worden waargenomen. l)c voeding geschiedt door het indringen of het indrukken van organische zelfstandigheden in de sareode ; diezelfde sarcodemassa is het ademhalingsorgaan. Van vaten of zenuwen is geen spoor ontdekt.

§ De meestal zeer kleine dieren, die tot deze afdeeling

behooren, verdeelen wij in vier klassen, — die der Sponsen, Wor-telpootigen, Gregarinen en Infusiediertjes.

i K L A 8 s K.

Sponsen.

§ \'197. De Sponsen (Sjtoiiyiaria), die bij sommige natuurkenners der laatste klasse der Coelenteraten uitmaken, bestaan uit een

skelet van netsgewijs ineon-

geweven vezels van eene eigenaardige horenachtige of chitine-achtige stuf (Spon-gioline), die uit sareode ontstaan is, waarbij zich bij vele Sponsen naalden van kiezelznur (S p o n s n a aid e n, S/iicula) voegen, die of inderdaad lang en uaaldvor-mig, al of niet met een knopje aan het eind en met knobbeltjes bezet, -— of (fig. .\'i\'l I)

-ocr page 383-

371

korter t\'ii dan kruisvormig, haiikvorinig, boogvormig /.iju, on waarvan sornmigon bestaan uit een kort steeltje met eene schijf aan elk uiteinde. Dezen laatste vorm noemt men t\'.mphldlscuii; bij komt vooral bij do Zoetwaterspons (iïponyilla) voor. Hij ecnige Sponsen vindt men ook sponsuaalden , dio uit koolzure kalk bestaan; deze zijn meestal samengesteld uit drie of vier takkoii, die in één ])unt sanicnkoincn. Zulk een skelet nu dient tot steun van de weeke, gedeeltelijk tot cellen ontwikkelde sarcode, en door deze worden een aantal holten (kamers) en kanalen in do spons begrensd, door welke een stroom water loopt, dat er in komt door een aantal kleine openingen (poriën), en er weder uittreedt door grootere (mondjes), die soms op den top van buisvormig verlengde verhevenheden staan. -— De gewone Sponsen, die in bet dagclijkscb leven tot verschillende doeleinden gebruikt worden, zijn slechts het horenskelet van sponsen, waaruit de sarcode door kneden onder water en uitwasscben verwijderd is.

§ 408. De gedaante dei\' Sponsen is verschil-lend;rond,knods vormig, treebter-of bekervormig,

heesteraebtig enz., of zij zijn als eene korst over andere lichamen uitgebreid. Steeds zitten zij trouwens vast op andere lichamen: stee-non, rotsen enz., soms zelfs op andere dieren,

rasitiseh leven. Alleen de kiemen, waaruit do Sponsen ontstaan, zwommen eenigen tijd vrij rond.

§ 499. Aan do wanden der inwendige holten vindt men cellen, die ieder één of twee trilharen bezillen, welke niet anders dan

-ocr page 384-

voortzcttingou dor sareode.-ecllon zolvcn zijn. Zij stiiMii veelal gegroepeerd tot zoogeiiiiiimde t ri 11o osto 11 on of trilkorfjes (fig. 805). Door de beweging van deze trilharen ontstaat in het water, dat do spons omgeeft, cone strooming naar do poriën toe, en in dat, wat in do kanalen en holten bevat is, een stroom van de poriën naar de. mondjes. Dat water voert aan de saroode èn de tot voeding nooiligc organisehe stoffen, èn de tot ademhaling vereischte lucht toe.

§ 500. De voortplanting dor Sponsen geschiedt op tweeërlei wijze. Vooreerst geschiedt /.ij door hol- of eironde kiemen, die zich In de sarcodo vormen en door het water naar hulton worden gedreven. Zij verkrijgen dan trilharen, waarmede zij eenigc dagen lang rondzwemmen, om zich vervolgens vast te hechten, de tril-haron te verliezen, zich schijfvormig nit te breiden en zich tot Sponsen te ontwikkelen. — Of zij planten zich voort door S po-rang iën, ronde, lichaampjes die cellen bevatten on grootero, evenzeer eenc opening hozitten , waardoor die cellen kunnen uittreden. Die cellen bezitten goene trilharen en zwemmen dan ook niet rond, maar ontwikkelen zich, na zich te hebhen vastgezet, evenals do eerstgenoemde kiemen, tot Sponsen.

§ 501. Op de vraag: of de Sponsen enkelvoudige of samengestelde dieren zijn. kan ineti antwoorden, dat enkele soorten, die slechts ééne uitstroomingaopening of mondje bezitten als enkelvoudige, de overige daarentegen allen als stokken of koloniën te beschouwen zijn.

§ 502. Do Sponsen zijn zeedieren, alleen met uitzondering van hot geslacht Sitotui\'illa, dat in zoet water leeft, /ij houden zich bij voorkeur op in zeeën met een rotsigon bodem , —enkele kleine soorten op wier of schelpen. Ecnigon (van het geslacht Vioa) leven in holten, die zij zeiven in koralen, schelpen en steenen geboord hebben.

S 50.\'!. Do Sponsen kunnen worden ingedeeld in twee orden; Rigenlijkc Sponsen en Kalksponsen.

ij 501. Eerste orde. Eigenlijke Sponsen (Aulosponyiaria.) Hen alleen uit horenvezols, of alleen nit kiozelspicula, of uit horenvezels met kiezelspienhi bestaand skelet.

§ 505. Ooslachten eu soorten.

-ocr page 385-

373

T. Hoonisjionscii (Ccralo\'ijtoiKjirK\'.J. Het skelet bestaat hoofdzakelijk uit lioomvczolcu met betrekkelijk weinig kiezelnaalden. 1. Horenspon» (Snomjia). — Gewone Spons (-S\'. mollisstma of usitaliKsiina; 8. adrintica; S. equina en andere soorten, saineng(!vat onder den naam S. communis). Do eerste is ile lijnern toilctspoiiK, — de andere zijn de grovere soorten Allen leven in de Middellandsche Zee; de fijne meer bijzonder aan de kusten van Klein-Azië en Syrië.

II. Kiczelsponsen (Silivispougiae). liet skelet bestaat hoofdzakelijk uit kiezelnaalden met geen of betrekkelijk weinig hoornvezelen. K ie zei-pons (I lulicliDiiflrift). — Pni\'iieren K. (//. purpurea) \\ aan de kust van Xicnw-1lolland, Geoogde Iv. (U. oculata) Fransclie kusten.

.\'I. Iti keisjKins (Pulcrinu). — Neiitunus\' en Amphitrite\'s beker oq,; (]\'. Nepluni en 1\\ Arnphi/rile.iJ \\ Indisehe

Zee. Soms meer dan oen meter lang. 4. Zoctwaterspons (fiponyilla). Gewone /. f

(lt;S\'. lacuslris en palustris).

ft. Sehorsspons (\'ICthya). — Gewone S. (7*.

Ii/ncuriumj. Miildellandsehe /.ee. G. Boorspons (1 ioa, Cliona). — Boorspons

(F. of C. cclata). Zie § 502. 7. Glasdraadspons (Hyalonema). Een min of moor rolrond of knodsvormig lichaam met Poicrim. een skelet van kiezelnaaldjes, zittende

op een langen steel, die een skelet bezit van lange kiezelnaalden, die tot een bundel vereenigd zijn. — Xoord-sehe G. (If. boreale) \\ Siebold\'s G. (II. Sieholtlü); in de Jaigt;ansolic Zee. Het steelskelet van deze laatste soort bestaat uit een pluim van fraaie witte kiezelnaalden, die soms 5 decimeters lang worden. De naalden van II. mi-rabile aan de kust van Portugal zijn bijna even lang. 8. Glasbuisspons {Eu^lccteUa /. — Gewone asjicryillum) •, uit de Zee der Philippijnon.

§ 506. Tweede orde. Kalk spon son (Caleispoiiyiaria), Een skelet , bestaande uit spieula van koolzure kalk. Enkelen zijn enkelvoudig, de meesten samengestelde dieren.

-ocr page 386-

§ .r)07. Goalachton en soorten.

1. Buissporis (Si/coii). — rrllliaarbiiisspons (S. cU\'ialum). Vorm spilvorinig mot ééne uitstroomings-opening. Enkelvou(lig.

li. KLASSK.

Wortel poot liiin,

§ 508. Wortclpootige dieren (Rhkoiioda) zijn dieren, die geheel of grootondeels bostuan uit eonc homogene sareodemiissa, die dikwijls in eon buitensto laag (bastlaag) en eenc binnenste of racrglaiig kan Worden ondorschoiden, en waarvan do bastlaag, voor zoo ver deze een omhulsel bezit, psoudopodicn (§ 41)1) vormen kan, welke pscndopodiën óf lange, dunnr slijmige dradon zijn, wuaraan men kleine korreltjes of verdikkingen ziet, die zieb langzaam schijnen voort te bewegen, óf korte, brocde, meer lob-vormigo uitsteeksels. Do pseudopodiën dienen tot beweging, doordien bot dier er zioh medo aan een ander lichaam vasthecht on dan, door y.o te verkorten, het overige lichaam voorttrekt. Ook dienen zij om kleine organische lichaampjes te omslingeren on zoo in do saroodemassa op to nemen. — Do voortplanting goschiodt bij do weoke soorten door vordeeling; l)ij die welke in of uitwendig een kiezel- of kalkskelet bezitten, kan zich een gedeelte, iles lichaams afscheiden en al^ kiem optreden,

§ 509. De Wortolpootigou worden verdeeld in Weoke Wortel-pootigen , Foraminiforen imi Kadiolai\'iën,

§ 510. Eerste orde. Weeke Wortolpootigou of I\'rotei-n en (.1 lalaco-r/ii^opoelu of l\'roteinn). Geeno kitlksohaal noch kie-zolskelot, — soms echter oen verdicht sareode-omhulsol, waarin soms zandkorreltjes, kloiiio diatoinei\'ii ouz. zijn opgonoinen. lüj do moesten cone, kern en 6éne. of moer sainentrokbare ruimten, /ij leven meest in zoet water,

§ .\'gt;11, Ocslaehten en soorten.

I. Aruooba fAmorha). — Vervloeiende A. f f.\\. difjhu\'nn) \\ Htra-lige \\. f (A. riirtiosd). Zie fig. 30;!.

•J. niffhigia (Igt;\'fJlii(ji.(ij. Langwerpige 1), f D. obluiiyaj. lie-

-ocr page 387-

zit, evenals liet verwante geslacht Ar cel la, een vrij stevig omlmlloiul vliesje, dat l)ij Difflugia versterkt wordt door de opneming van zandkorreltjes enz. Zio fig, 303.

3. Gromia (Gromia). —- Eivormige Gr. f {Ci. oviformis). 1. /iOnncdicrtje fAclluoplirys). — Gewone /. f fA. sol).

§ 512. Tweede orde. Po ra mini f oren of Poly thalami ën. {Furaminifcra of Polylhalamia), Een kalkschaal van zeer verschillende gedaante; sommigen hebben daardoor eenc oppervlakkige overeenkomst met schelp dragende Cophalopoden. De schaal is één-kamerig of bestaat uit vele kamertjes; alle Poranüniferen zijn echter oorspronkelijk cénkaraerig en waar, gelijk veelal, moer kamers zijn, ontstaan deze door achtereen volgende uitbotting. De, schaal bezit ééne opening (mondopening) of een groot aantal openingen , waardoor de lange en dunne, vaak met elkander versmeltende pseudopodii\'n naar buiten treden. Geone kernen noch contractile ruimten. Zij leven in zee en hunne kalkschalen dragen zeer veel bij tot het vormen van den zeebodem, evenals die der voorwereldlijke Poraminifercn tot de vorming van het krijt en van andere kalkgestce.nten bijdroegen. Over de Poraminiferen leze men voorts het reeds aangehaalde werk van llarting : De mayt van hel kleine.

§ 513. Eene zeer natuurlijke iudeeliug der Poraminiferen is de volgende.

-ocr page 388-

370

I. Ondoorboordon (F. imperfuralaj, lgt;ij welke de scluial geen andere openingen bezit dun oene enkele, cn de paeudopo-diën dun ook alleen door deze kunnen worden uitgestoken

CQuinqueloculhia, Orbiculina , MV/..J.

11. Doorboorden fF. perforataj, bij welke do schaal niet een

b:i

i

m

aantal openingen doorboord is (Nodosaria, Texlilarla, Xo-nionina, Amphtsteyina, de aan do beide laatsten verwante Nummulitcs en/,.).

\'/Ac tig, 309 cn voorts bet zooeven aangehaalde werk.

§ 51 1. Dorde, orde. Uadiolariên Clladiolarin). Het binnenste gedeelte van do sareodemassa bestaat uit eenc betrekkelijk groote blaas met oen vliezigcn wand, met lijne poriën, in welke blaas waterheldere blaasjes bevat zijn, en welke men eentraalkap-sel heet. Rondom dit binnenst gedeelte ligt oene laag van sar-

eode, van ....... do dunne pscndopodiën uitgaan, wier asgedeelte

echter door do bhmoimn\'odc van (l(? gcjioenulo blaas wordt ge-

i

-ocr page 389-

377

voriml. In do buitonsarcodo vindt men con iiantal gcclkhMiiigo col-leu. Meestal is er een nit kiezolnaaldcn of staafjes bestaand skelet, dat \'t zij geheel buiten de contraalkapsel is gelegen, \'f /.ij door ojicniiigen daarin ook binnen die kapsel indringt. Dit skelet bestaat óf uit in de sarcode verspreide spicula, óf uit stekeltjes die uit één middelpunt uitstralen, óf uit ronde, kegelvormige, schijfvormige, bekervormig getraliede schalen, vaak van zeer fraai samenstel. Gcene aamentrckbare blazen. Zij leven in zee, eenigen in zoet water. De meeste Radiolariën zijn enkelvoudig; — eenige vormen koloniën.

§ 515. Men verdeelt de Radiolariën in: 1. Met een buiten do contraalkapsel gelegen skelet of geheel geen skelet (EctolilhlaJ, b. v. Thalassicolla, Kucyrtidlum, fig. 310 llnUosphacra, Cullos-phdcra enz. Van deze vier geslachten zijn Thalassicolla en llc.üosphaera enkelvoudig, de beide andere vormen koloniën. Het buiten de contraalkapsel gelegen skelet zendt naar het binnenste van dien kapsel straalawijs geplaatste deden af. Alle do tot deze afdeoling behoorende Radiolariën zijn enkelvoudig fAoanthometra, Xiphacanlha, Actinomma, Coccodisuus eriü.) Zie mode het aangehaalde werk van Harting.

li.

III. KLASSE.

Lifusiedieren,

§ 516. De Infusie- of Afg i e ts e 1 di c rtj es (Infusori aj zijn kleine, vaak alleen door het mikroskoop waarneembare diertjes, aan wien men dien naam gegeven hoeft, omdat sommige soorten er van in afgietsels of aftreksels (infusiënj van vele bewerktuigde, stoffen ontstaan, maar die overigens overal in water, dat organische stoffen bevat, in zoet water en /.oor enkele ook in zeewater voorkomen. Hun vorm is zeer verschillend. De sarcode, waaruit hun lichaam bestaat, is te onderscheiden in eene weekcre merg-laag en eene vastere bastlaag, die evenwel niet scherp van elkander afgescheiden zijn. De bastlaag i.s omgeven door een meer of

-ocr page 390-

;i78

iniiiiliT vast oinlmlsi\'1 en kim zicli uiet tot pscmlopodiiiii uitstrck-ki\'ii; 11lt;\'t lichaam der iufiisorië», ofschoon voor saniontrckking (üi vormvoraiuhiring vatbaar, liecft dus ecu meer bepaalde cn vaste gedaante! dan dat der Wortelpootigen. Do bastzelfstandighcid bezit eenc groote mate van samontrekbaarheid , verg( lijkbaar mot die van spieren, waardoor het lichaam vod sneller van gedaante kan veranderen dan dat der Uhizopoden, de Ainoebeu b. v., ofschoon die godaauteverandering wegens hot omgovend omhulsel niet zoo vc^dzijdig en afwissrlend kan zijn dan l)ij deze laatsten. Zelfs kan dit ombnlse! zoo stevig zijn, dat do vormverandering daardoor zeer beperkt wordt, ja wanneer dat omhulsel tot eono soort van pantser wordt, bijna wordt opgeheven. In de sareode liggen ééne of moer contractile ruimten, dio beurtelings verdwijnen on weder te voorsehijn komen. Hij sommigen staan daarmede nog andere ruimten en kanalen in verband, waardoor eone soort van watervaatstelsel ontstaat. Hij velen, zoo niet bij allen, met uitzondering van de Acinoten, hebben do contractilc ruimten eeno opening naar buiten, waardoor been wuarseliijidijk bet water, dat met het voedsel in do sareode komt, tengevolge van de samentrekking dier ruimten naar buiten ontlast wordt.

§ 517. Ilij oen groot aantal infnsoriën is bet lichaam geheel of gedeeltelijk bezet met trilharen; bij anderen bevinden zich aan het eene uiteinde des lichaams één, twee, of meer lange zwoep-baron; nog anderen (do Acinoten) bezitten noch tril- noch zwcop-haren. Velen bezitten eene. mondopening aan het vooreind des lichaams, gelogen in don bodem tiener trechtervormige uitholling (m o n d voo rh o fj ou omgeven van trilharen, door wier beweging in het water oen stroom ontstaat, die do in dat water zweminondo organische deeltjes naar den mond voert. De mond voort in een slokdarm, zijnde, eene bnisvormigo instulping van de oppervlakte des lichaams, en vrij uitloopo.ndo in de inwendige sarcodemassa. Hij velen is ook een aars aan het achtereindo dos lichaams. zeldzamer niet ver van den mond. Daarentegen zijn er ook velen (do Aeineton en de meeste zweopbaar-infusoricn) die noch mond noch aars bezitten. .Maag en darmen zijn niet aanwezig. ISij do moesten bestaat oen kern.

tj TilH. De infnsoricu planten zich voornamelijk voort door verdeeling in dwarseho, zeldzamer in ovorlangseho richting, en zij kannen zich op deze wijze in zoor korten tijd op bijna ongoloo-

-ocr page 391-

37!)

felijko wijze vertnonigvuldigGii. Doch zoor volon planten zich ook voort doordien ziuli van do korn rondo HCgineiiton afschc\'idon, waarin zich jongen vormen , die door eono opening in het lichaam van liet inoederdier naar huiten treden. Die jongen zijn bol- of eirond, met trilharen bezet, hebben geone mondopening, en worden eerst na ecno gedaanteverwisseling gelijk aan het inoederdier.

Eeno eigenschap der Infusoriën is, dat zij zich kunnon inhullen (eucysteren, inkapselen) in een aanvankelijk week, later verhar-dend omkleedsel Ici/tfe), Dit geschiedt b.v., wanneer het water, waarin zij zich ophouden. uitdroogt, liet diertje blijft dan zonder voedsel leven, om later, wanneor het weer mot water omgeven en doordrongen wordt, het omhulsel te verlaten en even al- vroeger rond te zwemmen. Daar de droge cysten zno\' licht zijn \' n dus gemakkelijk door de lucht worden opgenomen en elders heengr-voerd, laat het zich begrijpen dat in allerlei wateren en aftrok» si\'ls, waarin vroeger geene infusoriën waren, deze zich op i- n-kminen vertoonen.

Bij eenige infusoril\'n In .-ft i-egolmatig op zeker tijdperk van het

leven zulk eene inhulling plaats, en deze verdoelen zieh gedurende dien toestand, tengevolge waarvan er jongen ontstaan, die wederom vrij in het water zwemmen. Dit is het gi-val bij de infusoriën met zw. ejiliaren en bij enkele anderen.

■■ ÓU). Wij veid\'M\'len de Infu-..-ril\'n in drie ordi\'ii: Zuiger-infus-o :■ :i. 1 i ilhaar-infusorii\'n en /■ j.ham iü-fusoriën.

? \'lt;20. .\'I •!••. Znijfr- ir.-

fusori ë n of A e i n e t c n gt; n. r v, of .)■ ■ . . M. -tal va-liri\'hci lit aan een of ander voorwerp, \'t zij door middel vin een steeltje t zij niet. Mond, aars, trilharen en zweepharen ontbreken. De vorm is meer of min driekantig rond. of meer verlengd. Zij bezitten dunne, vrij lange, intrekbare zuigbuiz.en, veelal geplaatst aan het vrije einde de? liehaams . dat aan het vastzittend uiteinde

i\'iï- ill 1.

-ocr page 392-

,\'!80

tRgpnovorgosteld is, ru (M\'iiig/.in» vurgiilijkljaar iiK^t ilc iiscudojio-dii\'ii der Woitolpootigon, iniiur omgevou door liet algcmcene liehaams-vlicsjc. lodoro zuigbui» is liul en eindigt in oom napje, waarin eonc opening is. Dooi\' deze /.uigbuizen nornen do Acinotou liun voedsel (do weeko sareode vim andere infunoriën) in lininic eigene aarcodcinaBsa op.

ij 521. Groslacliten en soorten.

1. Znigerdiertje (Acincta en l\'odophrya). — Gewone A. f (A. lithcrcuUisn). Langsteelig Z. f (I\'Ddophyija fint).

föi

i

8 i

§ Tweede orde, T r i I b a a r - i n f us or i ö n (C\'lliala). liet ge-

iicele li(diaam bezet mot rijen van trilliaren , of alleen trillmron aan de ondervlakte, in welk geval ile/,c va,ak langero , beweeglijke borstels zijn. Met die borstels kunnen velen zich als m.\'t pootjes al loopende voortbewegen (fig. .\'112, VI). Er is altijd een mond, soms mol een zoom van trilbaren

Kis. ais.

llit IB

kj: m

omzet, — en meestal ook een aars. F.éni! of incor contractile ruimten on cone kern.

§ 523. Geslachten en soorten.

1. Met trilharen op de goheele lichaainsoppervlakte {Endinida).

1. Klokdiertjo (Vorlicclla), De diertjes van dit geslacht zitten op oen lang stooltje vast. — Gewoon K. f (V. campanulata).

2. Bekerdiertje (Carc/iRaiiim), als Vo rti cclla, doch met vertakten steel, zoodat op één stam meer individuen zitten. — I\'olypbekerdiertje f (G. polypin um).

-ocr page 393-

381

3. Stijldim\'tjo (Hiii\'s/ylis), nis Garrhosium. — Knikkond S. f (I\'J. nutans).

4. ïrompotdiei-tjc. (Stentor). — Gewoon T. f (/S\'. Mulle.ri).

5. Kolpotlii (Coljinild). — Gckapto K. f (O. cucvlhis).

O. Paramocium (Paramecium). —■ Bcursvormigc P. f (1\'. hursariaj.

II. Oenii trilharen op do gehcclo licliaamsoppcrvlakte (Adinida).

7. Borstcldiertjc (Euplotes). — Sehotelvormigo 15. f (A\'. pa-tella).

8. Uoldiertjc (Hiichclys). — Gewone li, •}• (/\'/. jtir/ia); in moe-rassen,

i). llalsdiertje (TMCrymaria). — Zwanenlialsdiei tje f (/.. ohrj.

10. Tiachclins (Trachellus). —■ Twee in (ig. 312 afgebeelde Hoorton: (\'/\'. aiua en 7\'. fasc.iola).

§ 524. Derde orde, Z w e e p li aar - infuso ri ën (FUujellata).

Aan het eene eind des lieliaaina één of meer lange zwecpharen, donr wier snelle lj(\'weging de diertjes zwemmen. Soms vindt men op eene bepaalde plaats des lichaams, b. v. in eene rondom \'t lijf\' loopende of aan den buik gelegen groeve, ook trilharen. Slechts bij sommigen bestaat eene mondopening met een zijdelingseh lipje. Hij velen kernen, vaak ook contractile ruimten. Over de voortplanting door verdeeling der Ingehulde individuen is in § 518 gesproken.

§ 525. Geslachten en soorten.

1. Peridininm b. v. I\'. Jldiicllatinn. Is lichtend.

2. Euglena b. v. M. viridis f,

3, Draaier (Volvox) b. v. V. (jlohator f.

4, Monade (Monau). /etmeel-monade. f (.1/, amyli).

-ocr page 394-

382

§ 52«, Mot dn Zwoepliaren-infusoriëu zijn wij in zeker opzicht dc grenzen van het jiluntenrijk gemulcrd. Want ofachoon er goede redenen bestaan om die voorwerpen onder dc dieren op te nemen, moet men toeh erkennen dat de omstandigheden, waarom sommige natmnkenners de juistheid van deze opvatting betwijfeld hebben, wel tot zoodanigen twijfel aanleiding konden geven. De kiemen (zoosporen, mierogonidien) van soimnige Algen (Wieren) komen niet alleen in uiterlijken vorm, ook wat de zweepharen betreft, zeer met Zweephaar-infusorien overeen, maar bewegen zich met deze ook, even als dieren, in het water. Vele wieren, die slechts uit ééne enkele eel bestaan (I\'vo/ococcacca), hullen zich evenals de /.weephaar-infusoriën in, en veimenigvuldigen zich dan door verdeeling.

§ 527. Als eene afzonderlijke klasse der Protozoen nemen sommige hedendaagschc imtiuirkcnners aan de Gregarincn (Greya-rinida), — diertjes, bestaande uit slechts ééne cel met een samentrekbaren wand, een korreligen inbond en eene kern. Eene mondopening ontbreekt, /ij leven parasitisch in liet darmkanaal van andere dieren, vooral van insekten, weekdieren, wormen en holothuriën, waarin zij soms twee aan twee samenhangend worden aangetroffen. Hunne gedaante j. k \'s eirond, peervormig, spoelvormig enz. Dikwijls

poii/morpha, \'n\'thts snoert zich door samentrekking van den wand tij-.i-ii 0f blijvend een deel des liehaams af, dat

Ki}\'. 31Ü.

dan gelijkt op een kop (fig. 31C). Indien wij zo in eene van onze. drie klassen hadden opgenomen, zouden wij ze bij de Wcoke Wortelpootigen hebben moeten plaatsen en ze beschouwd hebben aiti parasitische Amoeben.

§ 528. Nog oen paar andere diertjes heeft men tot eene afzonderlijke klasse der Protozoën gemaakt, te weten de twee bekende soorten van het geslacht Kocfiluca. liet in de Noordzee levende Piehtdiertje (Noctiluca millaris) is een rond, zakvormig diertje, omgeven door een vlies en van binnen bestaande uit sarcode, die gedeeltelijk korrelig i». Het korrelige gedeelte ligt

-ocr page 395-

383

ccno iiidcuking vuil den Wiind, waar-of booiivui\'inig wordt. In de indc\'ii-king i» ecne niondopcniiig, welke voert in eene liolte van de korrelige, massa ; uit die niondii|ieiiing, ter zijde waarvan een liorenaelitig uitstcek-si.\'ltji! staat, komt van tijd tot tijd een /ieli snel en golvend lijn draadje. In de imlcuking is voorts ingejilaiit een fijn geleed vrij aanhangsid, dat heen- en woergaande liewegin-gini maakt. De korreligi! sureode, waaruit de korrelmassa bij de in-deuking en den mond bestaat, zet zich van daar als zieli vertak kende strengen naar den omtrek uit. Daar in die strengen ecne dergelijke korrolbeweging zichtbaar is, als aan de slijmige jiscudopodiën van sommige AVortelpootigen (Groinia en vele Foraminlfcrai, § 508), heeft men wel eens die strengen als inwendige psendopodiën beschouwd. In of bij de korrelige massa bevindt zich enne kern, — De voortplanting geschiedt door vcrdecling, die voorafgegaan wordt door ecne verdeel ing van de kern. — Behalve -V, iniliaris, kont men nog de zeer op deze gelijkende ,V. wcH/erravea uit de .Middcllandsche Zee, Aan bet Licbtdiertje is in onze zeeën vooral het lichten der zee toe te schrijven, dat hoofdzakelijk in den zomer en in den Jiorfst voorkomt.

opgehoopt in don omtrek van door bet dier eenigszins nier-

Fig. ;!17.

§ i)2!», iM\'iiige vermelding verdienen bier de zoogenaamde Splijtzwammen (Schizomyr.dcs) of Haeterien, welke wel is waar gewoonlijk gerangschikt worden onder de planten en wel onder de Zwammen, maar die evengoed tot de twijfelachtige lussclien-vorinen tussehön planten en dieren kunnen geacht worden te be-booren. Deze wezens zijn uitermate klein; zij bezitten oen diameter van nauwelijks \'/.-.oo millimeter. Zij zijn rond (Kogclbacte-rie : Micrococcus) , langwerjiig (Staafjes-bacterie : ISadcrium) , draadvormig (Draadbacterie,!: Jlacdltm en I ihrio), of spiraalwijs gewonden (Schroefbacterien; Spirillum en Spirochac.lc). In bet water bewegen zij zich snel ieder afzonderlijk, of zij vereenigen zich

-ocr page 396-

384

tot geleiachtige massa\'s (Zoögloea). Zij planten zich in vochten, die voor hen geschikt zijn, niet, verbazende snelheid \'t zij door verdeeling, \'t zij door vorming van sporen voort; eene enkele splijtzwam kan binnen den tijd van 7 tot 8 uren aan meer dan hondordduizend andere het aanzijn geven. Dc eigenlijke rotting van de organische stoffen staat onder den invloed van Splijtzwammen, evenals dc alkoholische gisting onder dien van een andere lagere zwam (Saccharoini/ces). — Water, dat de voor hare voeding noodzakelijke organische stoffen bevat, is voor de splijtzwammen onmisbaar; in zuiver of bijna zuiver water sterven zij. Dit laatste geschiedt ook bij zeer hoogen warmtegraad. Gedroogd zijnde sterven zij niet, maar blijven een zoogenaamd verborgen (latent) leven leiden, om bij bevochtiging weer op te leven. (Vgl. § jj 287 en 311). Bevriezen bluscht dat latent leven niet uit. — Tegenwoordig houdt men het er voor, dat de miasmen en smetstoffen, die, in het organisme van mensch of dier opgenomen , dc oorzaken zijn van malariaziekteu of van besmettelijke ziekten, splijtzwammen zijn.

-ocr page 397-

SYSTEMATISCH OVERZICHT.

(•KW KM I.U)1gt; niI JvIi.N {Ammalid. vcrlehrafa),

I Klasso. ZooouiiatKN (Mcutimalia).......................... }-i(|

I Orde. Twoohandigon {Uimana)........................ lt;Wi

Gosl. Homo.

Orilo. Viorliandigon {Qiutdrumuna)..................... |()| ^

I. A po li (Simiae).

c. A/jm der (Sm/e wereld f,S\'. mlarrhinaej.

lt;gt;. Simia, llylobatos, Scinnoiiithociis, Coreo|pillioc\'iis, Inuus, Cyuoooiilialus.

Igt;. Alien der Nieuwe wereld (S. plali/rhinoej.

G. Mycetos, Atelos, C\'obus, Gallitln ix, l\'itliocia, I tapalo.

II. Halfapen fl\'roshnil, LemnresJ.

l-ciuUi\', liichaiiotiis, (\'hinimys, Stoiiops, Otolieims.

a Orde. IIuidvliGgers rlJermoptera)...................... jqü.

G.aleopithocns.

I Ordo. Hoofdioron, Vorsehourendo dioron (Canucora). 105.

I. I-androof(1 ioi\'on (Ferae).

a. Vinyerlredera (Diyiliyrada).

l\'Vilis, — Hyaena, Protolos, — (Janis, \\ ivorrii, 1 aradoxui\'iis, ilorpo.stes, Khizaona.

/). Zoollreders (t\'lanh/radu,■,).

(i. Mnstola, Lntni, Moj.liiti», Mellivora, O ulo, Molos,-I i\'sns, l\'rncyoii, Xasua, Cercoleptos, Aictictis.

II. Zeoroofrtioron, Vinvootigon {Vinn\\igt;edui).

(I. I\'lioca, Cyatophora, (Jtaria, Tiichecus.

yr.

-ocr page 398-

:i8()

lilad/

5 Orde. Herkauwers (linminaniiaj...................... 110.

F. K ;i m eelachtig o u (Gamelma, Tjjloigt;oda)

G. Camelus, Aucliorna.

II. 11 ol h oo rui gén (Caxnc.ornia).

G. Bos, Ovihos, Ovis, Ca[)ra, Antilopf;.

III. 11 (i r tac h t i gen (CermnaJ.

G. Corvus, Moschus.

IV. Giraffes, Afhollonden (Camcloi)ardalina, UcvexaJ.

(J. Camelopanlalis.

() Orde. Dikhuidigen (rachiidcnnata).................... 11.\').

I. I ] e n li o o v i g e n (Solidnngula),

G. Kqiliis.

II. Veelhoovigen (MultwKjnla),

(i. Sus, Poreus, Dieotyles. Phacoj-lioenis, —- Ilippopo-

taiuus,.......Tapirum, Ivliinoeoros, Myrax, — Klephas.

7 Orde. Zeozoogdieron (Cc (area)....................... 118.

I Sirene n fSireniaJ.

(i. Mauatus, llalicore.

II. \\V a 1 a c li t ige n fCefacca vera).

a. Wallen fJJalaenodeaJ.

(i. Haiaona, lialaenoptora.

h. \' /gt;lt;djiJnai-hfl;jr)f (\'Deljdmiaidcaj.

(«. 1 )elphiuusgt; [uia, i\'liocaoiia, IMiysetcn*, Ily])erof)don. Monodon.

s Orde. Vleugelhandigen (Cldvopiara).................. 1-0.

I. \\\' r ii lt;• li t (i u e t li d o li (\'(\'arjHiplunja).

G. I\'terupus.

II. I n se k te u e ten d(! n (Knfoinophaija).

a. Jliadiieiiïlt/en \' Phtjllorhinida /.

(J. IMiyllostuiu.\'i, Uhiiioloplius, (ilussopliaga, Mogad(gt;rina. h. Vlrrnnnizcn ( VcspcrfiIutrnda j.

(J. IMeeotus, Vesportilio.

0 orde. Insekteneters (In sect kor aj..................... l-.J.

1. (lestekelden fAcidea taj.

(». Krinaceiis, Ceuttïtes, C lad o Wat es.

II Spitsmuizen fSarlriaaJ.

(i. Sorex, Crocidura, Mac-rosecdides, Myogale.

III. M o I ac h t ige ii (T\'llpuiaJ,

G. Talpa, Scalops, dundylura, Chrysociiloris.

10 Orde. Knaagdieren \'liodmiia, Rosnrc»)................ 1-i.

I. lio o r n s fSciiwina j.

G. Sciuriis, Tainias, rteroniys, Arctomys, Spenuato-pliilus, Mynxn.s.

-ocr page 399-

387

T r Tt i 1 • *. 1»1\' M1 /,

II. /wem Icnaagdioron (I\'almiimlui).

Cl. C.\'istor.

III. Woolmuizon fArvicolinaJ.

G. Fiboi\', liypudaeus, Myodos.

IV. M uiznu (MurintiJ.

(i. Mus, Criontus.

\\. Molmuizon, Aar d mu iz on ((IconiihiiKi.)

O. iSpalax, Datliyorgiis.

\\ l. Spriiigmuizoii fDipodidaJ.

lt;i. Di|ius, Podotes.

VII. Gostokoldon fAc.ulenfaJ.

(I. lioiudiovos, I lystrix, Corpolahos, I\'liilddcndra.

VIII. Ilalfhoovigon (Suhunuulatii).

(I. Cavia, (\'utdogeiiyH, Dasyin iicta, I lydv(i(diiif.|\'ii.s.

IX. Wolmuizen, Ilaa.smuizou (h\'.rlomyhia).

G. Mi\'iotnys, l,agostoiniis.

X. 11 aasa c litigen (Lcporinu).

(i. liopns, Lagomys.

II Orde. Tandeloozon, Ongoregoldtandigon (I\'.hniui,,,

Anomodonia). . ........................

1. IM/ni t o no t e n don (Herlivora),

(i. Uradypus, Choloo|gt;u,s, Basypns, Clilamyduidmnis.

II. In s ok t en e t oude u flnaech\'vnra).

(Jryctorojuis, Myrmocopliaga, Mauls.

11\' Orde. Bviideldicron (Mor.vi/jlalmJ..................... 129.

I. \\ 1 e os oh o tonden (Sarao/ihagaJ,

lt;i. \'riiylacinus, Dasyurus, l\'liascogale, Myriiincoliins. II. \\\' ergr oe i d vin gerigon (Sj/ndactt/linoJ.

ii. Hlailcrenclendcii (Poiiphai/fiJ.

(!. llalniaturus, lly|i.si])ryiiinus, Deudrolagus, h. Vriiclilrnc/enden CdiirpoiduuiaJ.

G. Plialangi.sta, Potaunui, Phascolarctos.

fnsoletenelendcn C^idomoiihdijp,).

(gt;. I arsipos, Parainelos, Choeropns.

III. liiiidelratton , IIand vo otigeu (Prdmiuna).

G. Didolpliis, Cliironectos.

I\\\'. Kiifiaglniidel dieren, Wortoletondon {OKrhm, Wil-zophaga.)

I\'h.iscoloinys.

ll-\'i Orde. Vogolbekdiorcn (Ornillwrhi/uch!, Muuolrrninlii)____ UW.

(i. üruithorliyiu\'lius, Krliidua, Aeantlioglossiis.

-ocr page 400-

388

Iliad/.,

1 Orde. Roofvogels {Rapaces)........................... 14;\').

I. Dag v o o f v o g* e 1 s (Hap ar es dl urn i).

a. Valkachtiijen (l^alconidae, AccipUrhiï).

(i. F.alco, Astur, Circus, Milvus, Huteo, l\'ornis, Aquila, I r.\'iliactos, Pandiou, (Jypo^or/inu.s.

}gt;. (iierachtvjen (Vultarideae).

(J. («ypjictos, X\'ultur, Neuphroii, Cntliartes, Sarcoram-phus.

II. Nacli troofvo^oIs (Jiapaecx nocfunil).

(i. Strix, Suniia, Otus, liubo, Ulula.

\'J Oidc. Klimvogels (Sransore*)......................... 147.

I. \\V a s s n a v e 1 i g1 e n (Ceriorhynclu).

(J. Psittacus, Macrocercus, Plvotolophus,8trigops, Tsit-taciila.

II. N aa k ts n a v c 1 i go n (PsHorliz/nclii).

(J. l\'iciis, Vunx, — Trognn, — Cuculus, IiKlicatoi\', --Musophagn.

i] Ordo. Zangvogels, Muschaclitigen, Roostvogols {()*■

(\'ine8t rasser tui, hmesHoren)....................... lil).

1. 1) u n s n a v o I i go a (Tmuirodres).

( J. Ccrthia, KSitta, — Meuura,— Ujmpa, — Troehilus,— Nectariuia.

II. T a m d s ii a v o lig»\' u [IJcn firostres).

(J. Tardus, Mimiis, Ciudiis, — Sylvia, CaIamolior]»o, Saxicdla, Accontor, Ortliotoirms, Motacilla, Autlms, Troglodytes, - Museicapa, Ampelis, — Kupicola, — Lanins, — Corvus, Pica, Garrulus, Nucifraga. -Paradisea, Kpiiuaelms, Oriolus, - Sturnus, Icterus,— Parus, Uegulus,

III. K g e I s u a v o I i go n (Conirostrcn).

(i. Alauda, — Friugilla, Loxia, Kmbeiiza, Ploceus, Ainadina, Tauagra.

I \\ . S }) I c et sna vo li ge n (Fimrosfres).

a. J\'i\'iv/roeit!rliijeri\'/en (Si/ndacti/lae).

(J. Huceros, Alcodo, - Morops, — Coracias.

/gt;. I\'rljfi( j)li/rii (Jjleafltcroddc/ijlne, CluHdone-s).

(i. llirundo,— (\'ypselus,— (Vdlocalia,- OajfriiuuIguH.

\\ Orde. Hoenderachtigen {(!alllnaceae)................. 153.

I Duiven (Oolnmbae).

l (\'olurnha, I gt;idunculus.

II. Hoenders ((!aUvnae).

u. Du Ij\'hoenders ( l\'terorlldae).

(J. Pterndrs.

-ocr page 401-

;38i)

ni.\'uiz.

h. L\\itnJs(ickti(jcn (Perdicidaé).

(I. Pordix, Coturiiix.

c. Korlioendcra (Tetraoiiidae).

({. Tetrao, Lagopus.

(l. l^amnthocnders (Phasianldae).

G. Gallus, Phasianus, Ninnidfi, Molcaj^ris, I\'avo, Argus, c. Boomhoenders (l\'cnelopidae).

G. Crax.

.quot;) Ordo. Struisachtigo vogels, Loopvogels {Strnthiuindac,,

Ouvsoves)........................................ 1 oG.

F. Vi erteon igon (QuadrunyaUitae).

(r. Didus, Aptoryx.

II. Drioteonigon (Triunyulatac)\'

(}. Khoa, (\'asuarius.

III. T weo too n igon (Hhumf/nlalae).

(i. Struthio.

0 Ordo. Steltloopers, Moerasvogols (Grallatore*)....... 107.

I. \'V v a p gaii z o n (Otidac).

(J. Otis, Palamedoa, Dicliolojuis, Psophia.

II. Koigers. (Ardchla).

(J. Grus, Ardoa, Oancroma, Ciconia, Argnla, Plata-loa, Ibis.

lil. S ui])pon (Scolopacidaé).

(i. Soolopax, Limosa, Tringa, Totaims, Niinionius, Kocurvirostra.

I\\\'. Ploviorou. (Charadrlldac).

Charadrius, N\'anollus, Oodiciioiiiiis, lIaeinato|)ns, Stropsilas.

\\\'. Wat o rli o o ii dors {RalLidae).

(I. (fallimila, Fulica, Crex, Rallus, Parra, Porphyrio.

7 Ordo. Zwemvogels (Xalatores)........................ 1 iV,).

I. M o o u w o n (Jjorklae).

(i. Lams, liOstris, Sterna, Kliynchops.

II. S 1 o r ui vogels (L\'voceliaridac).

(J. Procellaria, Thalassidroma, l)iom(;doa.

III. lil o in p o o t i g o ii (Stci/anopodes).

(i. Tacliypotos, Phaiiton, Sula, Oarlx», I\'lotus, Poloranns. I \\ . PI a a t s navol i g o n (Laiuclliroftlres).

(J. Anas, Pnlix, Morgus, Ansor, Cyguus, Phoonicoptonis. \\\'. Duikers ((J\')hjmhidac).

(». Colymbus, Podicojis.

VI. Alk ou (AIcidaea).

(J. Alca, Moriiion, llria.

-ocr page 402-

WM)

VII. Slaoii 1 oozon (Impenne^).

(i. Ai)toiio(lyte.s.

lil Klasse: Kulipkndk dikhen {lïcpiilui)........................ k;;»

1 Ordo. Schildpaddon. (Ohelonri)........................ icj

I. Lilii(1 s c hi 1 (lp ,*i(l (1 eii (I1cs(in/inea).

(J. Testiido.

II. Z 00 t w a tor- of M o o r/i.s s c li i Id p a d d e u {Emydci).

(i. Kmys, (\'linlydra, Kifio.storiion, CMiolodiua, Cliclys. HI. Iv i v io rsc li i Id pad o ii (Tiuou/jchlcHa).

(J. Trionyx.

IN. Zoos c li i 1 d p add e n {(\'hcJonlda),

(i. (\'liolonia, (\'arotta, Spliar^is.

2 Ordo. Ilagodisson (Saurii)........................... |(;«j

I. Go p a ii ts o rd on (Loricatl, \'rUccodontcs).

(Jrocodilus, Alligator, ll/iuipliostitiiia.

II, (i os c li ii 1) d o ii (S(ji/a/nat!, Afheconrhinten).

o. S/)lcc/fuHf/i«/cii (Schixfoylosfd).

(J. Lacorfa, Monitor, — Anioiva, Tejus, llolod(!riiia.

/gt;. Dihioii\'ifi/i\'u (P(K\'/if/i/li»,.sl).

(i. Iguana, Draco, Againa, Stcllio. l\'lalydactvlns. lt;. Slnifjertoiiyitjen (Spendonoi/ldxxi).

(J. (Jliamaoloon.

Ao)\'l/oii\'/ii/cti (Tivdchfjfjlossï).

(i. Psoudopus, Seincus, Uipos, Anguis, Cliirolos, Ampliislmona.

\'gt; Ordo. Slangen {Ophidü, Srrjtciifw)..................... 171.

I. N iot-vergi l\'t igo 11, (laartand ign (.ifjli/i/hoi/oiitcs) a. A (unnii(»idgt;f/en (Sfcnosfomi).

(J. Typlilops, Calaniaria, Tnrtrix.

It. WijihtKnidif/cn (Kf/n/.sfomi).

Kryx. Boa, Python, — Acrochordu.s,— Dondrophis, lOlaphis, — Coronolla, Tropidonotiis.

II. \\ ordacliton, (gt; I 011 ftandi «yon (li/])hlt;id(gt;nte-s).

lt;!. Psannuopliis, llorpeton, — hipsa.s.

III. \\ (n-ffi t\'tf.iin (1 i ff o 11 (l\'ii.riilt;loiitc«).

lt;i. l-;ifi|)s, lïung-jirns, Xaja, - Ilydropliis, l\'olias, \\quot;i]ioi\')i, (\'rotiiliis, Ijfichosis.

I Orde Kikvorschachtigon (Uatmchii)................ I7.quot;gt;.

I. () ngi!s tani\'t.o 11 {Amiri),

u. Vï})\'i-nchlilt;jlt;ii (l\'fpaejhi\'tnc*).

Pipn, I Idi\'lylctlira.

I/. /\\ il. rofxrhcti ^liondcf \'oriiicn).

-ocr page 403-

391

Bind/..

(«. Rfiti.\'i, nombiiiatoi\', Alytes, Psoudis.

c. lioonil\'lkvovHchen (Ilylacforme*).

(1. Hvl.\'i, Hylodos.

(I. Vaddm (Bafonifovrnes).

G. Hufo, Calamity, Uhiuodonna.

II. (lost a a r t e n (Urodeli).

(i, Salamanders (Salamandrlda).

(i. Salamaudra, Ti\'iton, Amblystoma, Onychodacty-lus, — Cryptobraiu\'.hus.

I). Kirinrdraiieiiden (PcrenNlhraiichlata)

(J. Monopnma, — Pro to; us, Ainpliiimia, Siren, Loi»!-d os iron.

III. I» li n dsl an^\'on (pjdiioniorijhi).

(J. Caocilia.

K lasso. Vissciikn (Pi urea)................................. 180.

1 Ordo. Hard-of Ongeleed-vinnigen I Dl.

I. S tokoI v i ii ii i go u (Aranfhuplcrijf/!!).

(1. Porca, Lab rax, Acorina, Lneioporca, Traoliinus, UmiiOHCopns, — Sciaona, Mullus, Mngil, Ti\'ig\'la, l)a(,tylo[)toi,iis. Cottus, Gastorostous, Auabas,

Scombor, Tliyuuus, Naucratos, (\'araiix, Xiphias, Zous, Cliaotodini, Clioliiion, Labrus, l^pibulus.

I\'iu k (j I vou d i lt;;• - v i uu i^ou laploplerjinü).

(i. ({obius, (\'alliouyimis, Cycloiitonis, ICöhoiu\'is,

liloiiiiins, Aiiarrliichas, ...... Lophius, Maltho, l^istu-

laria, Aulostoma, Cojx)!;!, (Jyiuuotrus.

\'2 Ordo. Wock of Geleed-vinnigon {Maiavopin\'miii, .!/•

thropterijfjl I).................................... 1 ^8.

I. Hu i k v inn igou (M. ahdominales).

(i. i:sox, I\'Aocootus, Hoiouo, (\'liipc.a, llarongula, Alausa, I\'ugrauUs, - Salmo, Fario, Salar, Osmorns, Corogonus, — Aiiab](\'i»s; (Vpriuus, Carassius, Abra mis, (Jobio, (Jobitis, — Silurus, Malaplorurus, (\'allicli-thys, Doras.

II Kot* 1 v inu i ^oii (,1A. jif.yularc*, snhhrdc/ni).

(». PlouroiKH\'tos, Sob.ia, (rJidus, Lota, AinnntdyIcs.

lil. I» u i k v i n I oo / o n (A/nx/rn).

(i. Angnilla, Congur, Muraoiia. Syuibrauclins, (iym-notus.

it Oi-ilo. Vast- of Vorgrooidkiikigou {I\'k\'-h\'innihi)...... liKi.

(1. lijilislo.s, Oitracion, DiodMii, Ortlini^nvisciis.

I Onln. Troskieuwigon {Lupliiilivntirlin)................. I!i7.

-ocr page 404-

392

_ r.ii.i/.

(i. hyngiiatluis, Ilippocamjuis, Pogasu.s.

5 On In. Glansschubbigon (Qanoidei)................... div,

I. lioeuigGu (f/. utmeij.

(i. Ainia, Polypterus, Uopiilostoiis.

II. K mak b e o u i if en (J i. cartilai/ineï).

(j. Aeiiionser, .Sijatulavia,

0 Orde. Dwarsbekkigon, Haaiachtigon {l\'lojimi lt;gt;}iu1 Se~

M).......................................... ti»s,

1. Uaaion (Squalula).

(}. Chiinaora, — Scyllinm, — Cai-charias, — Zygaona, —• (ialeuH, - Mimtola, — l.nmna, Solncho, Cnrcharo-(loii, —• (Aistracion, — Spitiax, S(jiiatiiia.

II. Uugfjoii [Hujitla).

(gt;, I\'i\'istis, Ithinobatis, — — Kaja, — Try-

jjoii, MiliobaH.s, Ooiilialoptnra.

7 Ordo. Ronclbckkigcn (Ciji-lustumi)..................... «oo,

(J. rotrniiijv.nn, Myxinu.

S Ordo. Smalhartigon (Leplvcardii)..................... aoi,

t\'. Am|iliiiixiiM, I-itigQinctliys.

()l,M,l)I, hll.KIA (Aninidlid arthrozoa v. (irlliru/xirld).

I. Klasse. Inskkti:n\' (Insecta)............................... jgt;ll

I Orde. Schildvlougoligon (Ouleoj/lera).................. ^17.

1. \\ ij t\'1 c d i c n (1\'ciilunievaJ,

(i. ( icindol.a, ( arahus^ CalD.souia, Ilr.tchiiiiis, I)\\\'tis-(.|is, — (iyi-inns, Ilydrophilns, -- ^ilplia, Nccroplii)-i-ns, Staphyliims, Stonus, — Uister, Xitidnla. Cii-iMijns, Donnestes, llynliiis, Antliroiins, Dyuastos, (Jotonia, Mololoutlia. Copri.s, Atoucliis, Liicaiins, (ten trnpcs, — Klater, I\'.nprostis, Lanipyris, - Aiioluiini.

II. \\ o i1 sc,li i 11 (mIigo ii (Heleromei\'a),

(\'. lonebrio, Hlaps, .Mnrdolla, - Meloi\'. I^ytta. 1\'\\ rot■ I;rn,\'i.

III. V i\' !■ I) o rge u - v ij fl o e d i go n (Ori/jiloiimUimera).

(gt;. ( iirculio, (\'alaiidra, A(itlioiininus, lïriichiis, ---- Itds-triidms, Ilylosiims, Toiniciis, ■ I\'i-ioiiiis, Maorodontia, Aroinia, .Saporda, Acnminiis, Corainhy— Lonia.Cas--iila, Ilaltica, (,\'lirysoniela, I^oryphor.\'i.

I \\ . V o r I) O r g e u - v i o r I c o d i go n (Cryiitutc.tramcra).

Coccinolla.

- Orde. Reohtvlougoligon {Orthuptei-ii).................. 2-21.

I. Ij (i o |) o i1 h (Vnrsoreti).

(t. Forfienla, — Klatta.

-ocr page 405-

303

m.\'uV/.

II. Wan do la ars (6\'rmore.s).

lt;». M;intis, — IMiasma, Pliylliuni.

III. 8 p ringers (Sallatoves).

G. Giyllotalpa, Gryllus, — Lucusta, — Acridiuin.

IV. r a iij o s t a a r t i g* e n {Thysanura).

G. Lepisma, Macliilis, — Podura, Dosoria.

3 Ónlo. Peos- of Netvleugeligen. {Ncvropfera).......... .

1. M o t o ii v o 1 k o ui o n o m o t a m o r j» li o s o {llcinimetaholo). («. Psocus, Atropos, — Termos, — l\'orla, - Mplicnio-ra, — Libolliila, Acslina, Agriuu, Calloptoryx.

II. .M o t v o 1 k o m ene m o t a m o r p h o s o (Ilolonielahola).

({. Homoniliins, Myrmecoloon, Panorpa, - l\'Iiry^anoa.

I Orde. Plooivlougoligon (Hlrcjmplr.ru).................. 2\'J\').

G. Stylops, Xenos.

ö Orde. Vliosvleugeligcn (Jli/moioptera)................

I. Mot oen an^el (Acnlc.atn).

(J. Apis, nomliiis, Andrena, Xylocojia, .Mcg-.\'K-liila, Au thopliora, —- \\ (\'spa, Crahro, Spliox, (\'iirysis,

Formica.

II. Mot oon 1 o g* 1) o o r (Siphonophora).

G. iclinonmon, Trogns, llphiallc-s, Spatliins, l-\'ocniis,

Cynips, lllioditos, — Sircx, \'roiilhrcdo.

(» Onlo. SchubvloiigGligcn {Lep\'nloplera)................ ^-JS.

I. Dagvlinders (Dhrnid).

(J. Pioris, (jollas, Vanessa, Satynis, Hippart\'liia, Ar ^ymiis, Nymplialis, Lycaenn, Tliecla, Papillu. II. Spanners, Landmeters (Jicomctnna),

(«. ((odinotra, Zonmo, Larontia.

III. A v o n d v 1 i n lt;1 o r s, S j» li i n x o n (S/t/ihu/Ida) .

(«. Sphinx, Smeriiithus, Acliorontia, Snsia.

I\\\'. Spinners (liornljjjrhla).

d. Cnotliocampa, Ilarpyia. Arclia, (\'lioloniji, Lijiaris, Cossns, Zyg-aeua, Mombyx, Attacus, Satiirnia.

\\ . Uilen (Xocfnina),

(*. Catocala. Noctua, Trachea, Phisia.

\\\'I. Motten {Tin ei na).

(i. Pyralis, (Jalloria, Tortrix, Tinea, Pterophonis. 7 Orde. Snavolinsekten (Itlii/nrlin/d) nf Halfvlougeligon

(llciniptcra)........................................ 123-,

I. W an t s o li (Coreidac).

(J.Ciinex, Acanthia, — K\'ednvins, Liinnohates, \\\'e lia, — Nopa, — Notonecta.

II. (\' i c a d e n (Cicadaria).

-ocr page 406-

30 I

HI ml /.

(J. Cie.\'idn, — Fnl^ora, — (Jorconis.

III. P I ;i ii to ii I u i z o a [Aj^iidc.a).

(J. Psylln , — Aphis, Siphouopliora, (\'allijttonis, — riiviloxora, — Coccus, Lecnuiun».

I\\\'. I) i o v I ii i z e n (Pclimlma).

(J. Podieulus, laothemn, — Trichodoctos.

s Onlo. Twoevleugoligen {Dlpfcra).....................

I Mu^^on ((\'nfichla), L a n g1 s j) r i o t o n (.N rmocem) .

(J. (■ ulox, Tipula, Cocidomyia, Psychod/i, Cldonoa,

1 gt;iIgt;io, Sciar.M, Simnlia.

II. \\ I i (; ^ lt;gt; n (Mnsrida), K o r t spriet.» n [firachyrera).

(J. Tabauus, Hombyliiis, — Asihis, — Stratiomys, Syrplms, Morodon, —- Musea, Lucilia, Tachina, Sca-lopha^a, (\'••mips. StnniDxys, Glossina, Oestrus.

Ill I i u i s v I i e o ii (Ilipj/obosciilac), o p p g n I o ^ge r s, (Z\'^-pipar(Ki\\.

(J. Ilippohosc.\'i, Nyclerihia, liraula.

I\\. \\\'e r ui i ii k t v 1 o u ^o I i g\'e n (.-I ji/iaiiipfera), \\\'loo ion. (J. I\'ulox, S.\'ircopsylla.

Klasse. I gt;1 izi:\\i\'i\'\'(lt;n i n (Mt/rlaj/Dild)........................ -.\'IS.

1 Orde. Pootlippigen {C/illojuiild)........................

(i. Seelepondra, Litli(d)ius, (Joopliilns.

2 Ordo. Kaaklippigen {(J/illoi/udtha)...................... lW) .

(J. .lulus. IVdydosmus, (iloiiuu\'is.

Klasse. simnnkn (Arar./molilcti)............................. ülo.

I Ordf. Gclcedbuikigen (.l/7//ngt;//e.N\'//-e).................. - 1.).

(i. SidpMga, —Scorpio, IMiryuus, Cholit\'er, Pha-langium.

! Ordo. Ongeloodbuikigon {Adarlhrorjaalra).............. ^11.

I. W a r o Spina o n (Arancida).

O. Myg-alo, Cteniza, — lOpcira, \'riioridium. Latrodoctes, Aranea, Ar^yroueta. Cluhiona, - Lycosa, Attus.

II. .Mijt (mi (^A carina).

O. \'rreiiibidiuin, Ixodes, - Acarus, Sarcoptos,— Doniodox, I lydraclma, I )ernianyssus, O am as us.

1) Orde. Huidademers {Dcrmalopncusla).................. fc2t(gt;.

I. I\'» e e r t j o s , T r n a g I e o ]»e r s (Ayotiwoidc.it. Tdrdnjvada). (i. Macrobiotus.

II. W o r in in ij t e n (LitK/nattdind).

(J. Lin^uatula.

III. 11 o o k p o e t i g e n ( Pyc ? 10fj07i id a).

(.1. I\'y «•ue^oiuiiu,

-ocr page 407-

ItUulz.

IV Klasse. Scjiaalüieukn (CrKsf(icca).......................... 248.

1. Orde. Steoloogigen {Podophthahna)..................... 25^.

I. T i o n jgt; o o t i g e n (Decapoda).

a. Kortfstaartifjcn (Brachynra).

G. Portunus, Caneor, Carcinus, Podophllialiiius, - Pin-uotlieres^ Telphiisa, (Jecareimis, Golasimns, Maja,—

Calappa, — Kauina.

h. Ouyevcfjeldstaartii/en ( Anomnra).

G. Ilippa, Pa^iirus, — Porecllana.

c. Lanysldartujcn (Mko hra).

G. Paliimrus, As tams, Iloniariis, (.Vaugon, Palaeiuon. II. M u n lt;1 p o o t i g e u (Stomatoj\'offa).

S. Squilla, ■ Mysis.

\'2. Ordo. Ongestooldoogigon {Edrwiihlhdlma)............. \'20(5.

I. \\ look roe ft en (Amidupodd).

G. Gaimnariis, Talitrus, (Jrcliostia, (\'oropliiuin.

II. Iv e o 1 p o o t i ge ii (^Ldeviodipnda),

(i. Caprella, - (\'yamus.

III. (t e 1 ij k po otigeii (IsojKit/a).

G. Onisciis, Porccillio, Arniadilio, Philoscia, l/i^ia,

Asellus, Idotrn.

0 orde. Heupmondigon, Verschilpootigon. Zwaard-

Staartigen (Mcro*tlt;niiafd, Pui\'iulninxld, XtJthu.surd)........ -.)S.

(i. liiinulus.

1 Orde. Kiouw-of Bladpootigon (/gt;\' \'(Utr/ilojKidd, 1 \'hi/l/opuild) 2r)l).

G. Hraiichipus, Giiirocephaliis,Apus, - Limnadia,

lgt;ai»liiiia.

Orde. Soholpdragenden {(htrdrndd, Ci/igt;rldi/id).......... 2()0.

G. Cypris.

(gt; Orde. Kicmpootigen (Cquot;/gt;c/gt;olt;ld,)....................... 21)0.

I. Kaak in o n d i ge n ((riidlhoslomdld).

(i. Cyclops.

II. Par a s i t e n (Pardfriiica),

(i. Xicothoc, Krgasilns, Argulus, - (\'aligns, J)i-cliolestiiini, — Traclieliastes, - liornaea.

7 Orde. Rankpootigen (Cirrhqjcdid)...................... 21)2.

(J. Lepas, lialaims, (\'oronulM.

8 Oi\'do. Raderdievon {liofdtoria).........................

O. haciimlaria, Floscularia; I vol iter, Ilydatiua, 1 iracliionns.

WORMKX (Vernu s).

I Kla sso. I|iimvuumk.n {l\'velelmid)............................. ^liT.

-ocr page 408-

39G

lilatl/,.

I lt;)n|p. Borstelwormen (Chactopoda).................... 2(57.

I. V\' o o I b o r s t o 1 i g o n (PdlfjcluicUi).

(J. Aphrodito, — Xorois, — luunico, — Aronicola, — Arn-jihitrito, Honnella, — Tovobell.\'i, — Sabella, Sorpula. II, W o i n i g li o r s t o 1 i g o n (Oliyochaeta).

(J. Liimbricus, — Nmïs, — Hngitta.

•L* Onlo. Slurpwormen {(\'^ph/jrea, Hipnnrulaced)............ ^71.

1. 10 c. li i u r i (1 o u (Echluridae).

(r. lu\'liiiinis, — 1 joncllia.

II. S I u rj) p i o ro ii (Sipimcalida).

(t. Sipuiicnliis.

Onlo. Rondwormen (Xcmatoda)......................... \'21-J.

I. M o t o c ii e a a r s o p e n i n g (l\'ructncha),

(». Aiiginlliiia, IJlialxiitis, Ascaris, Oxynnis, i\'ilaria, \'rricliocüphaiii.s, Tiicliina, — Strougyliis, Ducliiniiis.

II. Zoii dor aar.soponiiig (Aprocta).

(i. (rordiu.s, - Mnniiis.

1 Onlo. Klauwdragers (Ontjrhophora)..................... 271.

(i. Poripatus.

•gt; Onlo. Binncnki\'-uwigon (ttnterubranrha)................ 274.

(«. nnlanoglu.Ksus.

«\'» Orde. Doornkoppigon {Aiaulhor.cplmla)................. 274.

(J. Mcliiiiorliynohiis.

7 Onlo. Buiktrilwormon (Üa*fro/rIc/ia)................... 27;\').

II Klasso. \\r«»LWnKMi;\\ (l\'lcrclnua)............................. 27;\').

1 Onlo. Trilwormen {\'rnrhcUar-a)....................... 27i).

1. 11 o 1 s I ii r p i g e u [liliynclwcoela).

(\'i. TotrastoiTiina, Liiious, — Pro.stoinnm.

II. S t aa t\'lt;l a rm i g o u (h\'habifocoela).

(«. Microstomimi, - Macro.stoiniini, — Vortox,

III. IJooiii- of v o i* t ak t - v o r m i g (Mi (Devdrocoela)»

(». IMnnaria, DoiKlrucooldin.

2 Onlo. Zuignapwormen (CottjÜdca)..................... 277.

I. 1» 1 o (! (I z ii i go r s (//Irndmta).

(\'gt;. Ilii\'iido, — Pontohdella, Piscioola, — (quot;lopsiuo.

II. Zuig \\v o r in o u (rremaloda).

(». ITdonolla, Tristoiiin, ■—Moly.stoina, Diplo/ioön,— Distoma, — Monostoina.

Onlo. Band- nt\' Lintwormen {(Jcsloidea)............... 2.S().

(!. Bothriocophahis, — Taonia.

WKKKDIKK\'KN {MoUmca).

I. Klass(!. K ■\'rokaoinoi: \\Vi;i:ki»ii:ki;n (Cc pita to phova)............ 287.

-ocr page 409-

3lt;)7

Blad/..

1 Orde. Koppootigon {Cephalopoda)...................... 287.

I. T gt;v o e K i o u \\v i ^ o n (Dibranch ia fa).

a. Tienarmitjen (JJecapoda).

(i. Sepia, — Spirula, —— Lolig\'o,- - Sopiola, — Onimas-trophes, — Onychotliontis.

lgt;. Aclüar miyen {(Jclopixla).

(i- Octo])u.s, - Klodono, - Cirrhothculis, Ar^\'oiiaiita.

II. \\\' i c- r k i o u w i lt;;• e n (Telvahranchlala).

(J. Nautilus.

2. Orde. Buikpootigen {Ciasferopoda)..................... 292.

I. 15 ro e d v o o t i go li (Plalt/jpada).

a . Voarkicwviijen (/\'roxohrancJiia).

(J. Patella, J\'M.ssurclin,- — 1 faliotis, \'rroclius,\'{\'ui-lio,

-.....Nerita, — Stromlms, — 1 )uliuni, (quot;assis, (\'erifhi-

niii, (\'ypr.\'Kïa, O vu la, (Nuius, Mnrcx. Fusus,-Hucciuuni, Mitr.\'i, Oliva, N\'oluta, Scalaria,— Jantliina,— \'rurritclia, N\'ei\'UKiliis,— Natica, Lit-toriua, Paludina, (\'yelnstiHiia.

h. Tjoni/adono\'s {Vulmonaia).

(i. Lymuaea, Plauorbis, l\'hysa, Helix, (Jlau.silifi, Zo-nitos, \\\'itriua, TestacoIlM, — i.imnx, — Oucliidiuiu . lt;•. Achterkicairit/en (Ojdslohranclda).

(J. Chiton, Aplysia, Dolabolla, Hull/i, - Doris, Audi Ia, - Tritouia, J)endr()iiotu.s, • Aeulis, - Pliyllirrlioë.

II. Verschi I poe ti u {Heteropoda).

(J. Carinaria.

M Orde. Vleugel- of Vinpootigcn {l\'in-ojwdu)............ ;]()().

Clio, 1 lyalea, (\'Icodor.\'i, - Liiuaciiia.

NU. Dontalium.

II. Klasse. Fi.aatkikiwk;in (LamclUhraiichlafa)................. ^02.

1 Orde. Eenspierigen (Mononujaria)..................... 307.

(i. Ostrea, Pectou, 8|K)iidy!us, Mcdeag\'riiia, Malleus, — Tridacna.

2 Orde. Tweespierigen ...................... ;{()7.

I. (J a a fin a u t e 1 i ^ u (fnteyrl/xdlla la).

(«. I\'iuua, Mylilus, iireissnna, Nucnla, Am-«loiita, 1\'uio, Mar^ariliua, Cliaina, Cardium,

Iiiiciua, (\'yclas, I\'isidiuiu .

II. Hocli t in a ii t r*. 1 i g- o ii {Sla ajmUlafa).

(J. \\\'eiius, Telliua, I )niiax, Mactra, Amidiidcsma, Mya, Sole.I, I\'liolas, Teredo, A.sjierg\'illuiu.

lil. Klasse. 1 Iiidzakdihukn ( Taairala)......................... /»10.

-ocr page 410-

398

Ill.-ul/,

I Ordo. Tethyonidocn {Tethyonldcar).................... ii 11\'.

(i. Asoidi.\'i, 1\'lialliisia, — Poi\'ophuva, — lintrylliis, — I \'yrosomn.

- Onlo. Thaliaceën (Thaliaceoe)......................... .\'ill.

(i. Snlp.\'i, — OoUoliim, -— ApiKjnitii\'iiliivin.

i\\\' Klasse. Aumi\'Ootu;k.\\ (Hraeliiopn fn)........................ 315.

1 Onlo. Slottandigon {TeMiaird\'mca)..................... .\'!IT.

(!. TGrehratuin, — TliocMimn.

2 Onle. Slotloozon (Kiordines).......................... .quot;!1S.

lt;1. Lingiila, — Crania.

V Kiasso. Mosnii:ui n [lirijozou).............................. .\'!1S,

I Onlo. Kampootigen {Loiihojmla)...................... ;!20.

(i. (.irisfatnllji, I\'luuiatclla, AIcy miolla, [.lt;t|tliopiis.

- On 1(5. Tro^htormondigen {Injimdilmlaid).............. iWl.

i\'aliiilicclla, Cclliilarla, (lOincliaria, (-\'fllfjpora, Muniliraiiijiora, Flustr/t, iialotiacfx\'lns , ij.quot;iii,iiiu-nl.,i. liiiwcrbaiikia, (\'i\'isia. Tiiljiili]iora.

s i\'i ;ki ;I.ii r11 gt;I(. I;\\ .

i Klasse. Vikkkomklt;\'.mmkks [Ihitulliiir\'nhie)..................... S\'J.\'gt;

1 Orde. liongdragendon {l\'ucvmiDtupiwrd)................ ;i2i)

(i. I lolotluiïia, I\'eiitncla, (/ucumarln, I\'solns, Tliy^no.

2 (Jrde. Longloozcn (AimciniKiua)....................... .\'.il\'li

JSynnpta.

II Kiasso. Zi:kült;iki.s [Echnwuleo)............................. ;):!()

1 orde. Binncntopvoldigon (Knilori^Hi-n)............... JW-l

(•. (.\'idaris, - - i\'A-hiims.

2 onle. Buitentopveldigen {ExnnjiUcd)................

lt;■. Clypca.stoi\', Kcliliiocyanin.s, Spalan^iis.

Ill Klasse. SiF.uiiiKiiKN (Stcflerithie)...........................

1 Onlo. Zoestorron {Anteridat)........................... fj;j8

li. Asterias, - Astrojioi\'.ton, Sulaster. — (\'uIcita, I\'.clii-nasier,— lirLsinga.

2 Onlo. Slangstoi-ren (OphiiiriUae)....................... :!3H.

O. (Jpliinlopis, Ophintlirix. — linryalo.

I\\ Klas.se, JiKKi.Ki.iKX (Crhnmteoe)............................ iJ.\'ül.

O. (\'nniatula, IViitarrhuis, — K\'lii/.ecriniis.

HOI . I I\'. quot;!■ X I. I\'l J.I gt;I|;|;I\'.X (Curlcnfcvdta ,V. .I\' (th-iih(i).

I Klasse. KiilKWAl.i.iN (Cleiiojilidra)........................... iiW.

I Onle. Nauwmondlgen {SinioKhmuiu).................. ii-U!.

■ * i.uraiupliaea, — Ocyrliee, (.\'estinu, (-\'ydippo.

-ocr page 411-

399

lil.lllz.

L\' Ordo. Wijdmondigen {Ennjshmala)...................

lt;i. Uorotl, — Kandia.

Klasse. Kwai.dikhkn {Medusae)............................ 347.

1 Orde. Hoogere kwalion {Enmedumc).................. 303.

I. He n m on (I i go u (MonoMloiiiid(ie),

Cl. Aurelia, Cyanen, - - C\'lirysaova.

II. \\\'eo 1 m ou ilige n {l\'olyxtomiduc) .

(i. HliiziORtfima.

2 Ordo. Hardkwallen {Tj-achymednsw)................... 301.

I. \\\'a s t/. i 11 e n d e (7*. .v^.v.v/Yr.v, Lvrci\'iuiridav),

(i. I.ucf1 niaria .

II. Vrije (\'/\'. lihernc).

Charylidea, ■ Argilia, (ieryoiiia .

3 Ordo. Polypkwallon {I/i/drinne.diisaif)...................

I. II y d r ii i d o ii (Ih/d, \'ioidrne).

a. Vrije /\'olypkirdllen (//. liherdr).

O. Mosonein.\'i, - Thauniantias, Chidononia, -Ocoania. /gt;. Ili/flroidjtoh/jicn (Ifydrojjohjpi).

( \'i. Sertularia, IMunmlaria,......( \'amjiaiuilaria. - Millopo-

ra , Tiilnilana, ^vncoryiio, Staiiridia, 11\\«Iractinia,

(\'lava, Prolohydra, Haliloplms, ilydra.

II. I»ii i s It w a lien (Siphonojihura) .

(i. Diphyos, Traya, i\'liysojihor.\'i, l\'hysalia,— \\\'c lella, l\'orpita.

KlassO. poiai\'lin ot IlLDr.mkii.hi X (AclhlOZOd, Arlii/iifXill/j),). . . .

1 Ol\'do. Bloompolypen {Zoanlhartu, Inli/acliiNd)..........olVl.

I. \\\\\'i\'c k li u i d i ^ c n (Ma/acoilcmiald. .Ir/rnitirid).

(J. Actinia, (crous, Zoanfliiis.

II. Hard v o (; (i pquot; c n (ScAcrohtish\'n. A /ttljjaf/uirid).

(J. Aiitijgt;atlios.

111. li a r (1 h ii i d i g o n (Srh /•mlermafd, Mcfrijioriurla).

(I. (\'aryojdiyllia. - Oculina, Amj»liili(dia, - Astraca, Kiijdiyllia, Macamlriua, Fiin«,ria, — Madrcj (jra.

! Ordo. Sterpolypen {Orfacfinid, Alcyouario).............. .\'HIT.

I. H ii i s a c li t i o-c ii (\'riihijfgt;rigt;/ar i.

(i. Tubipora.

II. K ii r k p o I y j» o n (^1 Irijouidaa).

(J. Alcyunimn, Antliclia.

III. 11 o o r ii k o i a I c ii (J 1 or r/imnhH\').

(J. (Jorjjonia, Isis, (\'.irailiiiiii.

I\\. Zcovodorn [J\'cniiaiu/idae).

(i. I\'eunatula, Virgnlari.i, \\\'ori\'tilliiiM.

-ocr page 412-

\'6 - /t/

/y lt;-

r/ J

u

400

Bladr.

1\'KOTOZOKN i \'rofnz-ni).

I Klasse. SrnN-KN iSpimyiurlo....................................

1 Orde. Eigenlijke Sponsen [ Aatvx^\'nlt;jiar\'lt;n ■............ -37\'J.

1. 11 o o r n H p o d s lt;* n {Vera tot/nrngUie).

G. Sjx\'iiiria.

II. K i o z e 1 s i» lt; • a gt; e n iSilicitpongiac).

G. Ilaliclioridna. Poteriou. Spoijg:illa, \'J\'etliya, \\ ioa, — Hyaloiu\'ina, Kuplectella.

•J Orde. Kalksponsen .................... .\'57:».

G. Sycon.

II Klasse. AVobtkli^.\'Mïk;r.s (Uhi- jj\'^la) ...................... 374.

I Orde. Weeko Wortelpoptigen; Proteïnen iMulwrh:-

zopoda: VroU i/to)....................................... • m i .

AmoeWa, Dit\'riujjia, - - lt;n-onia, — Aetin«»i)l)rys.

•J orde. Foraminifcren ; Polythalamien I\' ■ nnmüf\'-rd:

lJoljjlludamia).......................................... on).

I. O ii d quot; u r b o ord e n • /rupcr/orata).

li. Quiuqueloculina,— Orbiniliua .

If. 1) o o r b o o r d e n (/\'er/i-m/t»).

(«. Nodusaria, Nonionina, — \'Jexüllaria.— Amjjlii.ste-pna. Nummulit\'s.

i) Orde. Radioiarien It\'oliohirm)....................... ;\'7G.

I. Mot V) li i «; e u s k e let i h\'rf,.

(J. \'J\'hala.ssicolla, — Kiieyi ridinni, - Heliosphaera, (dlosj»hapra.

II. Met b in ii e ii s k lt;• 1 o t {hwi lUlm\').

(i. Ae/Uïthometra, Xijdiacanra. - Aetiuoimna, (\'«.k*-codiseus.

111 Klasse. Infusif.dikkkn Infusoria)........ ............. ••• lt;.

I Orde. Zuiger-infusoriën; Acineten • quot; .m\'l

(J. Aeiiut.\'i. Podoplirya.

\'2 Orde. Trilhaar-infusoriën {CHiota).................. ::*0-

1. O v o r a I met tr il h a r e u ijvndini\'lu).

G. \\\'lt;.rti(«dla, Carchesium, Kjiistyli-. —- Stentor. .....

(\'(dj»od.H, Paramecium.

II. Niet iveral met trilharen [Adincla].

(}. Kiipluk\'gt;. Knchelys, - Lacrymaria, Trachelii;gt;.

:•» lt; )i de. Zweephaar-infusoriën \\ .............. \\.

(i. Peridinium. ICnglena,— N\'olvox,— Mmias. NB. dre\'iarini\'hi, .\\ nrlih/clda, en Dac\'crxi.

4. /.76

-ocr page 413-
-ocr page 414-

I

■.\'v--,quot; ., ,■ . gt; . J- ... \' ■ / 7quot;~ \'A

. . , • .

M :

\'

te • ■ -i

^

■■ ^ ■

-ocr page 415-