-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-

BIBLIOTHEEK NED. HERV. KERK

-ocr page 4-
-ocr page 5-

BIBLIOTHEEK NED. HERV. KERK

V J

z^v i

—\'3

-ocr page 6-
-ocr page 7-

GESCHIEDENIS DER CHRISTELIJKE KERK.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

r\\fvf\\ -a j quot;O

GESCHIEDENIS

DKR

CHKISTELIJKE KERK

VOOR

HUIS EN 8CH00L

DOOR

Dr. ALBERT WIPPERMANN.

VOOK NEDERLAND BEWERKT

NAAR DE

VIERDE, VEKBETEKDE EN VERMEERDERDE, HOOGDUIÏSCHE UITGAVE

DOOR

A. J. KOOZEME1JEK

Pred. te Laren.

MET EEN INLEIDEND WOORD VAN J. H. L. ROOZEMEIJER

Pred, te Arnhem.

\\

^ bibliotheek

NED. HERV. KERK r ^ ....... „ -rr,

^ o: 11

s\\( ■ .-v


ARNHEM J. W. amp; C. F. SWAAN. 18 96.

■s. . ogt;

u

u

-ocr page 10-
-ocr page 11-

V O O 11W O O K I).

Al is Dr. Wippermann\'s „K i r c h e n g e s c h i c h t e f ii r H a u s u ii d S c h u 1 equot; geen strijdschrift, al behandelt het geen voorbijgaande vragen van den dag, toch verscheen in Duitschland daarvan reeds een vierde druk. Veilig mag daaruit quot;tot de degelijkheid en deugdelijkheid van dit werk worden besloten, en daaruit de wenschelijkheid worden afgeleid, dat het, door eene bewerking voor Nederland, ook voor de Christenen in ons Vaderland worde bruikbaar gemaakt.

Gaarne voldoe ik dan ook aan het verzoek van mijn zoon, om zijne bewerking van Wippermann\'s Kir ch en geschic h te met een enkel woord in te leiden.

-ocr page 12-

VOORWOORD.

Het boek van Wippbrmann beveelt zich aan,, doordien de auteur duidelijk voor oogen houdt, voor welken kring van lezers zijn werk is bestemd. Hij schrijft „voor huis en schoolquot;; daarom, terwijl d e g e 1 ij k e studie aan nijnen arbeid ten grondslag ligt, komt deze geleerdheid nergens op li i n d e r-1 ij k e, storende, wijze te voorschijn. Het is er hem kennelijk om te doen, de leiding Gods te doen zien in de geschiedenis der Christelijke Kerk, de openbaring van dat nieuwe leven, dat. door Christus op aarde aangebracht is, en dat, in welke verschillende vormen het ook moge optreden, toch zichzelf gelijk blijft, omdat het \'t leven is, dat van het hemelsch Hoofd toevloeit aan de leden, die op aarde zijn. Daarom gaat bij hem de Kerkgeschiedenis niet op in eene geschiedenis van louter twisten, van ellende en afdwaling; in elk tijdvak let hij, zonder liet kwade te verbergen, bij voorkeur op het van God gegevene, op het echt Christelijke, dat in zulk een tijdvak zich openbaart. Zoo is inderdaad dit zuiver geschiedkundig werk dienstig tot geloofsversterking; het toont, dat de Heer, door alle eeuwen heen, de beloften, aan de Zijnen gegeven, vervult.

Eene andere, bijkomstige aanbeveling van dit werk ligt hierin, dat het noch door te groote uitgebreidheid afschrikt, noch ook al te beknopt is. \' Handleidingen en overzichten worden, op het gebied der geschiedenis, noodzakelijk dor; zij kunnen slechts namen en feiten noemen, maar niet daarop het licht laten vallen, dat tot recht verstand onmisbaar is.

Niet eene bloote vertaling kon echter volstaan. Dit kon reeds

niet, wegens het zeer geprononceerd Luthersch karakter van

Wipperjiann\'s boek. Daarenboven, terwijl sommige gedeelten, als

uitsluitend voor Duitschland belangrijk, konden bekort worden,

i

VI

-ocr page 13-

VOORWOORD.

moest voor den Nederlandschen lezer de Kerkgeschiedenis, voor zoover zij Nederland betreft, uitvoeriger behandeld worden dan in het Duitsche werk, dat ons Vaderland slechts in het voorbijgaan vermeldt. Hier was dus zelfstandige arbeid mijns zoons noodig, oin vau elders dit ontbrekende aldus aan te vullen, dat toon en geest van het geheel daarbij bewaard bleef. Mogo het blijken, dat deze niet gemakkelijke arbeid wèl geslaagd is. En moge het ge-heele werk in den kring, waarvoor het bestemd is, inderdaad aan eene behoefte voldoen! Drage liet bovenal, onder den zegen des Heeren, iets bij tot eene zoodanige waardeering der Kerkgeschiedenis, die daarin de goddelijke gave om de menschelijke bijmengselen niet voorbijziet, en die opbouwt in het allerheiligst geloof, dat de eene Gmlsgemeonte uit alle oorden en tijden verbindt.

ARNHEM. .T. H. L. ROOZEMELJEE.

Na de woorden, waarmede mijn Vader dit werk bij het christelijk publiek inleidt, slechts eene opmerking, eene dankbetuiging en een wensch. De opmerking is deze; men zal hier en daar aan den voet van de bladzijde noten vinden en zich, bij den aard van mijnen arbeid, misschien daarover verwonderen. Zij vinden haren oorsprong in het streven om het werk niet noodeloos omvangrijker te maken.

Plicht der dankbaarheid is liet verder, hen te noemen, wier werken door mij geraadpleegd zijn, en wier namen ik liever hier

VII

-ocr page 14-

voorwoord.

bijeenvoeg, dan ze telkens in den tekst te vemeldeu. Zij zijn: Hase. Kirchengeschichte.

Schmid.

in Grundriss.

B \\ i\'M.

Beets e. a. G e s c h. d e v C h r. Kerk in tafereel e n.

Montijn. G e s e h. d e r H e r v. in N e d. e r 1 a n d.

Hofstede de Groot. 100 jaren uit de G e s c h. der H e r v o r m i n g.

Reitsma. 1) e Kerk li e r v. in Ne d e r 1 a u d.

Vos. G c s c li. der V a d e r I. K e r k.

Gunning. liet Protest. Nederland in onze dagen.

vin

sohm.

Eu laat mij nu eindigen met den wenseli, dat ook door dezen vorm, waarin Wippermann\'s werk verschijnt, harten mogen worden gedrongen tot de dankbare aanbidding van Hem, die in den Zoon Zijner Liel\'de ons alles heeft geschonken.

A. J. EÜOZËM EIJEK.

Laren, (Geld.) Febr. 1896.

-ocr page 15-

INHOUD.

Inleiding.

Bladz.

§ 1. De Kerk..............1

„ 2. De Kerkgeschiedenis..........4?

V oor-geschiedenis.

§ 3. De menschheid vóór Christus.......7

„ 4. Het Heidendom............8

„ 5. De bestemming van Israël.........11

„ 6. De geschiedenis van Israël........13

„ 7. De toestand der wereld ten tijde van Christus . . 17

„ 8. Het leven des Heeren..........30

Eerste Tijdvak (33—100).

§ 9. De twaalf Apostelen..........35

„ 10. Paulus...............35

„ 11. De mede-arbeiders der Apostelen......39

„ 12. Het geloof der Gemeente.........45

„ 13. Het leven der Gemeente.........49

„ 14. De vervolging der Gemeente.......58

,. 15. Het oordeel Gods over Israël.......62

„ 16. De omvang der Kerk..........66

Tweede Tijdvak (100—323).

§ 17. De verbreiding des geloofs........68

„ 18. De strijd des geloofs..........72

„ 19. De overwinning des geloofs........87

„ 20. De inrichting der Kerk.........103

„ 21. Het kerkelijk leven..........110

-ocr page 16-

INHOUD.

Bladz

§ 22. De kerkleer...... • . 118

„ 23. Beroemde leeraren der Kerk.......122

Derdk Tijdvak (323—800).

§ 24. Het Christelijk keizerschap........132

,, 25. De Zending in Azië en Afrika......139

„ 26. De Zending onder de volksverhuizing . . . . 143

„ 27. De Zending in Nederland........155

„ 28. De Zending in Duitschland.......164

,, 29. De vijanden des geloofs.......,172

„ 30. De Hierarchie............170

„ 31. Het kloosterleven...........184

„ 32. Het kerkelijk leven..........190

„ 33. De kerkleer.....■.......198

„ 34. Beroemde leeraren der Kerk.......207

Yierdk Tijdvak (800—1517).

§ 35. De Zending in het Noorden en Oosten . . . 230

„ 36. De Oostersche Kerk.........237

„ 37. Het pausdom van 800—1085..............240

„ 38. Het pausdom van 1085—1517 ............249

„ 39. De Hierarchie...........264

„ 40. Het kloosterleven...........267

., 41. De Kruistochten...........27S

„ 42. Het kerkelijk leven..........283

„ 43. De kerkelijke kunst..........289

„ 44. De kerkleer............293

„ 45. De inwendige strijd der Kerk......303

„ 46. Wycliffe en Huss...........308

„ 47. De Hussietenstrijd 320

„ 48. De voorloopers der kerkhervorming in Nederland. 323

„ 49. Teekenen van den nienweren tijd.....32

Vijfde Tijdvak (1517—heden).

§ 50. Maarten Luther...........33;

X

„ 51. De aanvaim; van het sroote werk.....339

52. Dc Rijksdag te Worms........ . 347

-ocr page 17-

INHOUD.

Bladz

§ 5ö. Kerkelijke strijd ...........353

„ 54. Tijd van rustige ontwikkeling.......360

„ 55. De Augsburgsclie geloofsbelijdenis.....3(55

„ 56. Strijd en vrede...........372

„ 57. Luther\'s mede-arbeiders.........378

„ 58. Do Luthersche Kerk.........380

„ 59. Ulrich Zwingli...........3S9

„ 6(1. Johaimes Calviju...........393

„61. De Hervormde Kerk..........396

„ 62. De Kerkherv. en de Herv. Kerk in Nederland . 404

„ 63. De Engelscbe Kerk..........421

„ 64. Inwendige strijd in de Protestantsclie Kerk . . 427

„ 65. Vernieuwd leven in de Protestantsclie Kerk . . 432

„ 66. De Protestantsche Zending.......434

„ 67. De Broedergemeente.........439

,, 68. Kleinere Protestantsche kerkgenootschappen . . 442

„ 69. De Roomsohe Kerk sedert 1517......446

,, 70. Roomschc Zending en monnikenorden .... 451

„ 71. De Grieksche Kerk..........454

,, 7 2. De Protest. Kerk in den tegeiuvoordigen tijd. . 456

XI

-ocr page 18-
-ocr page 19-

I\'

\'\'fe. \'. jcr

,/ p,*\'

Cfc». • i^i

1 0. u^J^BlC -____^ ^ K~r^

INLEIDING.

§ 1-De Kerk.

Onze Heere. Jezus Christus beantwoordde eens eeue even diepzinnige als blijmoedige belijdenis, uitgesproken door deugene, die onder Zijne jongeren den grodtsten geloofsmoed bezat, met het woord: „Gij zijt Petrus, en op deze Petra zal Ik mijne gemeente houwen, en de poorten der hel zullen haar niet overweldige\'nquot; (Matth. 16 : 18). Zulk een woord toont duidelijk, hoe liet in de bedoeling des Heeren lag eene geordende vereeniging te stichten. Hij wil niet, dat de zijnen eenzaam hunnen weg vervolgen en een iegelijk slechts op zijnen eigenen weg lette. Neen, zij zullen eene Gemeente vormen, waarin de een dc steun des anderen is. Deze Gemeente noemt Hij Zijne Gemeente, omdat Hij haar met Zijn heilig, dierbaar bloed verkregen heeft en tot Zijn eigendom heeft gemaakt.

Tot haar behoort ieder, die in den Heer gelooft. En dit gelooven in den Heer toont zich in een zich onderwerpen aan Zijne geboden. De vereeniging nu van allen, die den Heer in het geloof dienen, heet de Kerk 1). Deze naam wordt of van \'t Grieksche Kyriake óf van liet oud-Engelsche cyrch afgeleid. Het eerste dezer beide woorden beteekent zooveel als huis des lieer en, het andere duidt eene verzamelplaats aan. Christus nu vergelijkt Zijne gemeente ook met een gebouw, als Hij zegt: „Ik zal — houwen.quot;

-1) Men houtlo hierbij echter in het oog-, dat, waar in de eerste eeuwen, gedurende de vervolgingen, kerk en gemeente beide beteekenden de vereeniging der geloovigen, volgens \'t later spraakgebruik de kerk is do vereeniging van allen, die naar Christus\' naam genoemd worden, de gemeente daarentegen de vereeniging van allen, die in don Christus zijn ingeplant. Noot van den Vertaler.

i

-ocr page 20-

2

Daar intusschen de christen der wereld en der zonde afgestorven is, wordt de Kerk in de geloofsartikelen eene heilige Kerk en eene gemeenschap der heiligen genaamd. Ook heet zij in het christelijk spraakgebruik somtijds Sion en liet ware Israël, omdat alle beloften aan het oude volk des Verbonds gedaan, op haar zijn overgegaan. „Gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk Priesterdom, een heilig volk, een verkregen volkquot; (1 Petr. 2 ; 9). Wanneer eindelijk Christus belooft : „de poorten der hel zullen haar niet overweldigen,quot; zoo is daarmede de profetie uitgesproken, van welker in vervulling treden alle eeuwen eene welsprekende getuigenis afleggen.

Deze Gemeente wordt ook het Koninkrijk der hemelen genoemd. Want Hij, die haar „bouwdequot; kwam van den hemel. Van den hemel heerscht Hij over iiaar, sints Hij weder is opgevaren ten hemel en gezeten is ter rechterhand Gods. Naar Hem zien de Zijnen op. Hem volgen zij na, zoodat zij, hoewel in de wereld, toch niet van de wereld zijn. Zoo is hun leven op aarde reeds een wandel in de hemelen. Het geloof werkt dit uit. Het geloof is de band, die, schoon onzichtbaar, toch alle machten der aarde het hoofd biedend, hen aan hunnen Koning verbindt. Het is ook de band, die hen aan elkander verbindt, en eenheid en gelijkheid doet ontstaan : van nature zijn allen zondaars, maar door het geloof zijn zij gerechtvaardigd. Zoo zijn zij één rijk, één volk onder eenen Koning en hoofd. Daarbij spreken zij eene andere taal dan de wereld. De christen toch noemt onverdiende genade van God, wat de wereld gelukkig toeval heet, of geluk, dat men zich zeiven heeft verworven. Hij noemt tuchtiging van God, wat de wereld ongeluk noemt. Hij spreekt van zonde en boete en wedergeboorte, wat in de taal der wereld onbekende woorden zijn. En eindelijk, het Koninkrijk der hemelen heeft zijne eigene zeden en ordeningen, het heeft in het Evangelie zijn grondwet.

Terwijl tengevolge van zoodanige inrichting boden uitgaan tot bekeering der heidenen, en terwijl in het midden der christenheid de kinderkens reeds door Doop en christelijke opvoeding tot den Heiland worden gebracht, de ouderen door de prediking en hex gebruik van het H. Avondmaal in gemeenschap blijven met hunnen Verlosser, en alle verhoudingen van het leven door een heilige tucht gewijd worden en in een schooner en heerlijker licht verschijnen, bekleedt en vervult de Kerk haar verheven ambt van bewaarster der

-ocr page 21-

.\'5

geheimenissen Gods en leidsvrouw ter godzaligheid. In dezen haren arbeid ervaart zij bij voortduring het verborgen werken des H. Geestes, die haar beloofd en geschonken is. Wat zoo op aarde in zwakheid begonnen is, het zal in den hemel eenmaal tot heerlijke ontplooiing komen; de strijdende Kerk wordt daar de triuin-pheerende.

Op aarde is zij de strijdende. Zij strijdt tegen al wat God tegenstaat, zoowel buiten haar als in eigen kring. Want ook hare leden zijn zondige menschen, kunnen dwalen en hebben gedwaald. Daarom heeft de Heer der gemeente ten allen tijde mannen gezonden, die tegen dwaling streden en van de waarheid getuigden. Niet altijd hebben zij de dwaling overwonnen. Dan gingen de wegen uiteen van hen, die de dwaling, en hen, die de waarheid aanhingen. Zoo werd de eene christelijke Kerk in afzonderlijke kerken gesplitst, die niet zelden vijandig tegen elkander over stonden. Wie over deze scheiding treurt, trooste zich met de gedachte, dat toch al deze kerken den naam des Heeren aanroepen en op het Evangelie gegrond zijn-

En moge ook het licht des Evangelies in enkele dezer kerken nog omneveld zijn door instellingen, die van menschen zijn, of door diep ingewortelde onwetendheid, het is toch aanwezig, zoodat het eens te zijner tijd overwinnend te voorschijn kan treden. En in alle kerken kan de Geest van God harten opwekken, dat zij, ook bij onvolkomene kennis, toch geloovig hun vertrouwen op den Heer stellen. Daarom laten ons de Geloofsartikelen, midden onder alle verbrokkeling en tweedracht in het midden der christenheid, getroost belijden: „Ik geloof ééne heilige algemeen,e christelijke Kerk.quot; Met recht wordt deze eenheid der ware geloovigen als een voorwerp des geloofs aangeduid, daar geen uiterlijk zichtbare band hen vereenigt. Maar als de onzichtbare Kerk 1) vormt zij de verborgen geestelijke kern eu steun van de zichtbare Kerk, die alle gedoopten en daarmede voorzeker ook veel afvallige en doode leden omvat. — „Waar het Evangelie zuiver gepredikt wordt en de sacramenten volgens het Evangelie worden bediend (A.ugsb. Conf. Art. VII), daar is de inrichting der Kerk het meest volkomen.quot;

En gelijk de Ned. Geloofsb. zegt: „Deze heilige Kerk is niet gelegen, gebonden of bepaald in een zekere plaats of aan zekere

1) Of: „de Gemeentequot;.

-ocr page 22-

personen, maar zij is verspreid door de geheele wereld, nochtans samengevoegd en vereenigd zijnde met hart en wil in een en den-zelfden geest, door de kracht des geloofs. (Art. 27.)

§ 2.

1)« Kerkgeschiedenis.

Het verleden is de leermeester van het heden. Daarom is liet voor den christen hoogst nuttig van de geschiedenis der Kerk een onderwerp van vlijtig onderzoek te maken, daar zij aanhangsel en voortzetting is van de geschiedenis, die in het N. T. is beschreven. Het gelooi\' wordt vaster, wanneer het ziet, dat de oude godspraken meer en meer in vervulling treden. De arbeid voor liet Koninkrijk Gods zal meer blijmoedig worden verricht, wanneer daar voor het oog onzes geestes de vroegere overwinningen door dit koninkrijk op alle tegenstanders en in spijt van alle beletselen behaald, zich gaan vertoonen. De smart over allerlei noodlottige toestanden in de Kerk wordt gelenigd, als wij er een oog voor krijgen, hoe de almachtige en alwijze God vol majesteit troont ver boven alle zwakheid en dwaasheid dezer aarde. Het eigen christelijk bewustzijn wordt klaarder en vaster door de gedachte, dat men in gelool\' en werken verbonden is met duizende en nog eens duizende christenen, zoowel van vroeger eeuwen, als van den tijd, waarin wij leven. Daarom past het ons den Heer te danken, dat Hij bekwame mannen in het hart gegeven heeft en hunne handen er toe gesterkt heeft om Zijne groote daden op te teekenen.

De eerste overwinningen, maar ook het eerste lijden der Kerk heeft Lucas in zijne „Handelingen der Apostelenquot; sober en aangrijpend geschilderd, zooals de gewijde schrijvers dat gewoon zijn te doen. Na hem zijn er eenige christenen geweest, die, de een dit, de ander weer iets anders van de lotgevallen der gemeente, die zij zelf aanschouwd en mede doorgemaakt hadden, hebben opgeteekend, maar van hunne geschriften zijn slechts uittreksels en brokstukken tot op onzen tijd bewaard gebleven. Toen echter in de dagen van Constantijn den Groote het christendom in den

-ocr page 23-

5

Eomeinschen staat tot heerschappij gekomen was, gevoelde de geleerde bisschop Eusebius van Caesarea in Klein-Azie (t 340) er behoefte aan, om de mare van zulk eenen geweldigen ommekeer der maatschappelijke verhoudingen voor het nageslacht te doen voortleven. Hij was hiervoor als het ware de aangewezen persoon, daar hij met keizer Constantijn persoonlijk bevriend, en in alle kerkelijke bewegingen van zijnen tijd zelf betrokken was. Zoo schreef hij dan twee boeken: het eene verhaalt de geschiedenis dei-Kerk tot het jaar 324\'; het andere bevat eene levensbeschrijving van keizer Constanlijn. Bij het laatste werk heeft hier en daar wel meer het dankbare hart dan de strenge waarheidsliefde zijn stift bestuurd; maar het eerste munt uit door trouwe en onopgesmukte wijze van voorstelling, waarbij niet zelden ook officieele oorkonden en berichten van ooggetuigen zijn opgenomen. Zoo heeft Eusebius het eerst de geschiedenis der Kerk wetenschappelijk behandeld, waarom men hem ook wel den Vader der Kerkgeschiedenis heeft genoemd. Zijn voorbeeld wekte velen tot naijver op, waaraan menig voortreffelijk geschrift zijn oorsprong te danken heeft. Doch weldra deelde de kerkelijke geschiedschrijving in het algemeen verval der wetenschap. Lichtgeloovig, en weinig op de hoogte van meer verwijderde gebeurtenissen, sieren de schrijvers der middeleeuwen de feiten dikwijls op w onderbaarlijke wijze op, en vertellen zij maar al te veel onjuiste verhalen, zooals do sprookjesvertellers doen, wier eenig doel is de aandacht te spannen. Nu en dan worden zij ook door een verkeerden ijver of door een streven naar pauselijke gunst er toe gebracht al hunne krachten te wijden aan het verdraaien van de waarheid. Toen volgde de verjonging der Kerk door de Hervorming, en deze deed door alle takken der christelijke we-tensèhap nieuw leven vloeien.

De Protestantsche Kerk verwierp hetgeen het pausdom als geldende regels had uitgevaardigd, en bouwde eenig en alleen op de H. Schrift. Zoo gevoelde zij zich in eenheid des geestes met de eerste christelijke gemeente verbonden. Zoo werd dan nu de noodzakelijkheid geboren om aan te toonen, dat de dwalingen van Rome niet terug te leiden waren tot den tijd der Apostelen, maar eerst later uitgedacht en in de Kerk binnengeslopen waren, en de geleerde theoloog Matthias Flacim (t 1575), uit Maagdenburg, nam daarom de taak op zich een groot Kerkhistorisch werk te schrijven.

-ocr page 24-

waarbij ettelijke cliristen-geleerden hem hielpen. Hoe veelomvattend hot werk is, wordt reeds duidelijk door den titel. Deze luidt aldus: „Kerkgeschiedenis, waarin met de grootste vlijt en nauwkeurigheid „de geschiedenissen van de Kerk van Christus worden verhaald; „wat deze Kerk ten allen tijde geweest is, hoe zij vervolgingen en „tijden van vrede gekend heeft, welke belijdenis zij heeft gehad, „welke ketters daartegen hebben gewoed, welke plechtigheden in „deze Kerk in gebruik zijn geweest, welk bestuur daarin geheerscht „heeft, wat voor scheuringen er gekomen zijn en de conciliën, die ,.er deswegen zijn gehouden, welke voortreffelijke mannen erin ge-„leefd hebben, welke wonderwerken in haar aan \'t licht zijn ge-„komen, wat voor martelaren er gemaakt zijn, ook wat er buiten „de Kerk als openbaring van godsdienst geweest is, ten slotte welke „veranderingen er in het staatsbestuur ontstaan zijn — alles uit de „voornaamste werken op het gebied der kerkgeschiedenis geput, „ook uit do geschiedenis der kerkvaders en andere boeken. Door „eenige godvreezende mannen te Maagdenburg.quot; En dewijl nu dit boek de eerste dertienhonderd jaren der Kerk omvat en daarom ook in dertien centuriën of eeuwen verdeeld is, wordt het „de Maagdenburger Centuriënquot; genoemd. Het werk verscheen in het jaar 1574 compleet.

De Katholieke kerk had gaarne wat de Centuriën aan het licht brachten, van kracht beroofd, en stelde er daarom een verweerschrift tegenover, dat in het jaar 1588 verscheen onder den titel: „Kerkhistorische jaarboekenquot;. De schrijver ervan heet Caesar Baronius, en verkreeg als loon voor zijnen arbeid den kardinaalshoed. Maar hoe geleerd en scherpzinnig hij ook mocht zijn, hij is niet in staat geweest de Centuriën te wederleggen.

Van dezen tijd af was er eene Protestantsche en eene Katholieke kerkgeschiedenis. De Katholieke bloeide hoofdzakelijk in Frankrijk, daar toch de Katholieke kerk van Frankrijk eene vrijere ontwikkeling der geesten duldde, ja zelfs bevorderde. De Protestantsche kerk daarentegen telde voornamelijk in Duitschland vele voortreffelijke godgeleerden, welke op echt-wetenschappelijke wijze de geschiedenis der Kerk naspoorden en spoedig ook in christe-lijken geest en ter versterking der geloovigen openbaar maakten, tot onderrichting zoowel als tot troost voor de geloovigen bij den geestelijken nood van hunnen tijd. Op deze wijze heeft de grootste

-ocr page 25-

7

kerkgeschiedschrijver van den uieuweren tijd geschreven. Wij bedoelen professor August Neander (t 1850) te Berlijn.

VOOR-GESCHIEDENIS.

De inenschheid vóór Christus.

Al het geschapene was zeer goed, omdat God het geschapen had. Onder de schepselen dor aarde was do mensch de meest verhevene; Gods evenbeeld was hij. Maar zijne heerlijkheid verging, toen de vloek der zonde ovsr hein kwam. Do zonde nam toe en met haaide duisternis en de jammer in het harte. Toch worden uit den grijzen voortijd half omsluierde profetiën aangaande eenen toekom-stigen Verlosser vernomen, die aan de later levende geslachten als een vertroostend erfgoed der vaderen in de ooren klinken. Want God wil niet den dood des zondaars, maar heeft besloten Zijnen Eengeboren Zoon te zenden, opdat Hij het verlorene zou zoeken en zalig maken.

Noch in de wereld der geestelijke dingen, noch in het rijk der natuur treedt echter ooit iets aan \'t licht zonder voorbereid te zijn. Ook aan de komst van den Heerc Jezus Christus moest zulk eene voorbereiding voorafgaan. Want het verduisterde oog des menschen moest eerst weder ontvankelijk gemaakt worden om het licht des hemels in zich te kunnen opnemen, eer het in staat was den Zone Gods in zijnen luister te aanschouwen. Het hart moest eerst vervuld worden van een smachtend verlangen naar eenen Verlosser, vóór het den Verlosser geloovig en blijmoedig begroeten kon. Hoe God nu de menschheid langzamerhand heeft voorbereid om Zijn heil te kunnen ontvangen en haar daartoe geschikt heeft gemaakt, dit leeren wij uit de geheelo vóórchristelijke Geschiedenis, en in het bijzonder uit de heilige boeken van het Oude Testament.

-ocr page 26-

8

Om liet meuschelijk gcslacht aldus op te voeden, gebruikte God twee verschillende wegen. Aan den eeuen kant liet Hij de Heidenen hunne eigen wegen gaan, zooals, in de gelijkenis, de vader den verloren zoon laat begaan. De heidenen zouden de vreugde der aarde genieten, en alle menschelijke gaven en deugden vrij ontwikkelen en tot rijpheid brengen. Maar juist hierin zouden zij de nietigheid van alles, wat van de aarde is, en huune eigene onmacht leeren kennen, en zóó geleid worden tot een verlangen naar het eeuwige heil, zoodat zij eindelijk genoeg zouden krijgen van den draf dezer wereld en zich op zouden maken en weder tot hunnen Yader gaan. Doch aan de andere zijde verwekte God zich in de Israëlieten een volk des geloofs, dat bestemd was de kennis van den levenden God cu de oude profetiën, die op de komst van den Messias betrekking hadden, getrouw te bewaren, en zóó als een heldere ster te schitteren in den nacht des tijds, totdat Hij zoude komen, die het licht der wereld is.

§ 4.

Het heidendom.

Na den zondvloed was het hoogland van Armenië de bakermat van het meuschelijk geslacht. De groote rivieren van het land waren de natuurlijke wegwijzers tot de vruchtbare landouwen van Meso-potamië, waar de eerste steden en staten ontstonden.

Toen besloten de lieden eenen toren te bouwen, welker opperste aan den hemel reikte. Want zij spraken: „Misschien worden wij over de gansche aarde verstrooid.quot; Zoo toonen zij nog slechts eene duistere herinnering in zich om te dragen van datgene, wat God uitdrukkelijk geboden had : „Vervult de aardequot; (Gen. 1: 28). En zelfs dezen inwendigen drang des harten willen zij niet gehoorzamen. Deze vervreemding van God is het echte kenmerk van het heidendotn, waarvan men niet ten onrechte de eerste sporen meent te vinden in den torenbouw van Babel.

Doch God zelf grijpt met krachtige hand in deze ijdele plannen der menschen. Hij verwart hunne spraak en verstrooit hen over den geheeleu aardbodem. Het nageslacht van Japhet trekt

-ocr page 27-

9

naar Europa, de kinderen van Cham bevolken Afrika, slechts de nakomelingschap van Sem blijft in het oude vaderland. Onder dtze laatsten wordt nog een tijdlang hier en daar het geloof aan de;i eonigen God gevonden. Zoo bekleedt nog in Abrahams dagen Mel-chizedek het priesterambt van God, den Allerhoogste. Maar langzamerhand worden ook de laatste vonken der zuivere Godskennis uitgebluscht; een stikdonkere nacht daalt op de geesten neder. Toch had de mensch een duister bewustzijn van Gods bestaan, en verlangde hij vurig naar de bescherming en de gunst van een wezen, hooger en machtiger dan hij zelf. Onbekend met den levenden God, aanbad hij nu het geschapene of schiep zich eene godenwereld in zijne verbeelding. Zoo vertoonde het heidendom zich in verschillende gedaante naar den aard van ieder volk; overal echter ontbreekt cene bepaalde belijdenis en eene wetenschappelijke uiteenzetting, en dit verraadt hoe weinig vertrouwen het heidendom stelde in zijne eigene leer. In den ruwsten vorm openbaart zich het geloof aan de afgoden bij de kinderen van Cham, voor welke de godheid slechts eene verre, vijandige macht was.

Het nageslacht van Sem daarentegen zag naar den hemel als de woonplaats der godheid en vereerde de sterren; het bezat vele droomuitleggers en zieners; immers bij hen bestond het geloof aan goddelijke openbaringen. De volken uit .laphets stam ten slotte dachten eene godenwereld uit, die in de lusten en lasten der menschen deelde, en in haar leven eene afbeelding was van het menschelijk leven. Maar hoe. liefelijk en vol diepen zin ook hunne oude sagen over de goden klinken mogen, de diepgevoelde behoefte des harten konden zij niet bevredigen. Zoo ontstond bij het meest ontwikkelde heidensche volk uit den voortijd de gedachte, dat er nog een andere God moest zijn. Het was om deze reden, dat in Athene een altaar gebouwd werd met het opschrift: „Voor den onbekenden Godquot;. Maar dit geschiedde juist tegen den tijd, toen de Apostelen het Evangelie predikten.

Nu had het heidendom het hoogste punt zijner ontwikkeling bereikt. De edele heidenen werden christenen. Zij echter, die op de wegen der dwaling bleven voortgaan, zonken dieper dan ooit in duisternis en schaduwe des doods. Voor altijd is vervlogen die frischheid van den geest, die het heidendom uit den voortijd eigen was. De heidensche volken van onzen tijd bouwen geen tempels

-ocr page 28-

10

meer, die sieraden zijn fier kunst; stomp staan zij voor de reusachtige bouwwerken hunner voorvaderen. Zij hebben geene wijs-geeren meer, die, zooals ecus Confucius en Zoroaster, de ervaringen des levens, of de stemmen van het hart in zinrijke spreuken inkleeden. Zij hebben noch kunstenaars, noch dichters om de natuur en de godheid te verheerlijken. Alle poëzie schijnt hun ontnomen te zijn. En hetgeen ons nog van de naieviteit en den eenvoud van zeden van enkele heidensche volken — zooals dikwijls van de Indianen van Amerika — in boeken verhaald wordt, is wel aangenaam om te lezen, maar is niet in overeenstemming met de sombere werkelijkheid.

Zoo groot is het verschil tusschen het heidendom vóór Christus en het heidendom zooals het daarna zich vertoont.

De hoofddwaling van het heidendom is gelegen in de onbekendheid. met Gods almacht en heiligheid. Het kent den God niet, die door Zijn machtwoord dc wereld uit het niet heeft voortgebracht. Het leert integendeel, dat er in den beginne, een chaos of oorspronkelijke wereldstof geweest is, waaruit dan de goden de wereld in haren tegenwoordigen toestand hebben gevormd. Evenzeer noemt het wel in het algemeen de goden heilig, maar in dc godensagen blijkt iedere god op zichzelven met zonde bevlekt. Toch draagt het heidendom de onmiskenbare sporen van althans eene schemerachtige voorstelling der waarheid te bezitten, eene voorstelling levende op den diepsten bodem des harten, en bij het eene volk meer, bij het andere minder ontwikkeld. Hiertoe moet het allereerst gerekend worden het hoogst eigenaardige verschijnsel, dat onder de dikwijls ontelbare goden der heidenen toch altijd één de, hoogste is. Daaraan knoopt zich vast de herinnering aan een zalig verleden, gelijk wij in de sage eener //gouden eeuwquot; kunnen zien.

Dat dit geluk echter als een verloren geluk gedacht, en klagend wordt terugverlangd, sluit de erkenning in zich, dat de mensch door de zonde van God gescheiden en in het verderf is gestort. Ook wordt hier en daar, voornamelijk bij de Noorsche volken, de hoop gevonden op een heilrijke toekomst en de voorstelling van eenen ondergang, die eenmaal over de bestaande godenwereld komen zal. Alle deze gedachten levende te midden der heidenen, dragen blijk van eene verduisterde herinnering van de goddelijke openbaringen

-ocr page 29-

11

uit Jeu grijzen voortijd, en als eene door God gewerkte lieenwijziug

op het heil, dat in den Christus komen zoude.

§ 5-

üe bestemming vau Israël.

Uit het nageslacht vau Sein verkoos God zich Abraham, opdat zijn huis eeue vrijstad zoude zijn voor het gelooi\', en hij zelf een vader veler geloovigeu zoude wezen. Uit het huis van Abraham toch zoude een volk voortkomen, dat den geest van zijnen stamvader in zich omdragen en een volk des geloofs wezen moest. Met dit doel werd Abraham zelf door middel van de leidingen, die God in Zijne wonderbare wijsheid met hem hield, tot een man des geloofs opgevoed. Eerst moet hij zijn land cn zijne maagschap verlaten en als vreemdeling gaan verkeeren in eeu vreemd land, opdat hij al-leen van God hulp en steun zoude wachten en vrij zoude blijven vati alle verzoeking om van van Hem af te vallen. En daarna wordt in eene reeks van goddelijke openbaringen de rijkdom hem onthuld van Gods almacht en barmhartigheid. Zij brengen hem tot eene volkomene overgave aan God, eeue overgave des harten, die ook in zware beproeving eu langdurig en smachtend uitzien naaide vervulling der goddelijke beloften, van geen wankelen weet.

Aan Abraham worden drie beloften gegeven, beloften van eenen rijken en heerlijken inhoud. De eerste luidt: „Ik zal u tot een groot v.olk makenquot; (Gen. 12 : 3). De tweede doet hem in het schoone land zijner inwoning het toekomstige vaderland zien van zijn nageslacht, in de woorden: „Aan uw zaad zal Ik dit land gevenquot; (Gen. 12: 7). Daarom heet Palestina het beloofde land, omdat God aan Abraham beloofd heeft het hem tot een eigendom te zullen schenken. De derde en grootste belofte luidt: „In u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend wordenquot; (Gen. 12 : 3). Aldus toch wijst deze belofte lang van te voren heen op den Messias, die in de verre toekomst komen zoude. Onder Abrahams nakroost toch is de Christus geboren. Doch, hoe liefelijk deze beloften Abraham in de ooren klinken mochten, toch was het niet gemakkelijk ze

-ocr page 30-

13

geloovig aan te nemen. Abraham zoude tot een groot volk worden, en toch moest hij als grijsaard nog vele jaren wachten op de geboorte van dien mow, op wien, volgens Gods wil, die belofte zoude overgaan. En hoe kou dat land zijn eigendom worden? Was het dan niet door een groot eu machtig volk bewoond? Ook heeft hij de vervulling van dit woord niet met zijne oogen gezien. Evenmin heeft hij tijdens zijn aardsche loven de vervulling der derde belofte gezien, hoewel hij de voorafschaduwing ervan hierin zag, dat hij zelf reeds velen ten zegen geworden is. Zoo is dan zijn leven, evenals bij Israël in het algemeen, een leven in hope. Maar het geloof is een vaste grond der dingen, die men hoopt. En Abrahams hoop is vervuld geworden. Want, al is hij weggenomen eene eeuw nadat deze beloften aan hem gedaan waren, toch zegt de Heer van hem: „Abraham hoeft met verheuging verlangd, dat hij mijnen dag zien zoude; en hij heeft hein gezien en is verblijd geweestquot; (Joh. 8 : 56).

In deze beloften nu ligt de geheele geschiedenis van het Godsrijk opgesloten en tegelijk wordt de plaats er door aangeduid, die do nakomelingen van Abraham in de wereldgeschiedenis zouden innemen. Te midden van hen zal de Christus verschijnen. Daarom is Israëls levenstaak het bewaren van het geloof aan den levenden God. Hoe toch kunnen zij den Zoon aannemen als zij niet in den Vader gelooven ? Om dezelfde reden moeten zij ook tot een groot volk worden. Voor een alleenstaande familie zoude het gevaar voor vernietiging en afval te groot zijn geweest. En voor dit volk, zoo hoog begenadigd, paste een land, dat in rijkdom en schoonheid met de verheven bestemming zijner inwoners in overeenstemming was, en tegelijk geschikt om eenmaal de hcilboodschap eene snelle verbreiding te verzekeren. Zulk ecu land was Palestina. Gelegen op de grensscheiding van Azië en Afrika, terwijl de groote handelswegen voor de karavanen van het Oosten dicht voorbij de grenzen des lands gaan, is het voor de volken van beide werelddeelen even gemakkelijk te bereiken, terwijl van de nabijgelegen havens der Middellandsche Zee het schip den reiziger in weinige dagen naar de kusten van Europa brengt. Door gebergten en woestijnen van de aangrenzende lauden gescheiden, begunstigde Palestina\'s ligging tevens de geboden afsluiting van de volken der heidenen, en verschafte de gunstigste verdedigingsliaiën tegen vijanden van buiten,

-ocr page 31-

18

zoodra maar het vaste geloof in Jehova het volk zedelijken steun verschafte en van den goddelijken bijstand de verzekering in het harte gaf. Eindelijk, nu, daar zooveel strafgerichten Gods over \'t land zijn heengegaan, is Palestina eene dorre woestijn, een groote. bouwval geworden, maar eens vertoonde het een rijken overvloed van alle schoonheden en alle gaven der natuur; ja, het was een land, overvloeiende van melk en honig.

§ 6-

De geschiedenis van Israël.

In de dagen van Abraham was Palestina bewoond door Kanaa-nieten, een volk dat aan de ergste zedeloosheid volkomen den vrijen teugel liet en aan gruwelijke afgoderij zich overgaf. Daarom had Abraham geene nadere vriendschapsbetrekkingen met hen aangeknoopt, hoewel iiij onder hen in hoog aanzien stond. Doch reeds zijn kleinzoon Ezau voegt zich bij de heidenen en wordt aan hen gelijk, cn ook de zonen van Jakob leven op de wijze der heidenen. Hieruit blijkt het zoo duidelijk, hoe een voortdurend verblijf in Palestina voor liet huis van Abraham een voortdurende verzoeking geweest zoude zijn. Daar wordt Jozef naar Egypte verkocht. Maar hoewel zijne broeders het ten kwade dachten. God heeft het ten goede gedacht en het huis van Jacob aan de gevaarlijke gemeenschap der heidenen onttrokken. Jozef toch werd oorzaak, dat geheel het huis zijns vaders hem volgde en naar Egypteland toog. Toen sprak Jozef met verstandige berekening tot den Farao: „Mijne broeders zijn schaapherders.quot; Want al wat schaapherder was, was den Kgyptenaren een gruwel. Zoo was reeds van den aanvang af een scheidsmuur opgericht tusschen Israël en het volk van Egypte. Eerst toen gaf Jozef zijnen broederen het schoone, door de Egyp-tenaren niet gebruikte, weideland Goseu tot woonplaats. En daar, in de stille afzondering, werd Israël tot een volk van meer dan twee millioen menschen.

Geen blijvende woonplaats echter zal Gosen wezen voor \'t volk van God. Opdat het dan gewillig zoude zijn om naar een beter land uit te trekken, moet hun, door het gebod van den Farao, het

-ocr page 32-

14

land, dat zij hebben liefgekregen, tot een hard diensthuis worden. Eindelijk wordt Israël door Mozes, den dienstknecht van God, uitgeleid on het is op weg naar het beloofde land. Dit keerpunt in de geschiedenis van Israël ging vergezeld van geweldige daden der goddelijke almacht. Daardoor wordt allereerst den Israëlieten de heerlijkheid Gods getoond, die bij \'t trotsche en tegelijk zoo vreesachtige volk in den langen tijd hunner slavernij bijkans in vergetelheid was geraakt. Tegelijk echter moest door deze wonderen ook den heidenen openbaar worden, dat Jehova de Heer is en Israël Zijn uitverkoren volk.

Onder zulke teekenen van Gods wondermacht voert Mozes de Israëlieten allereerst naar den Sinaï, die voor hem zeiven een plaats was geweest, waar hij God had leeren kennen. Gelegerd aan den voet van den wonderbaren berg met zijne eerbiedwaardige toppen, aan alle zijden omgeven door de zwijgende woestijn, onder \'t dagelijks aanschouwen van de groote daden Gods, ontvangt Israël de wijding voor zijne heerlijke bestemming. Toch staat het nog als een onmondig kind tegenover de opvoedende wijsheid van God. Zoo wordt de hemel-sche waarheid aan Israël gegeven, meer in den vorm van gebod dan van onderwijs. Want die korte en toch zoo indrukwekkende woorden, door welke het leven van Israël in zijne verhouding tegenover God en do broederen geregeld werd, konden gemakkelijk in \'t geheugen bewaard en van de vaderen op de kinderen worden voortgeplant. Daarnaast wordt een eeredienst geplaatst, even prachtig als hoog ernstig, een dienst, geschikt om oog en hart te boeien en om door zijne voorafschaduwingen vol rijke beteekenis het volk zijne heilige roeping levendig voor oogen te houden. Tegelijk wordt het burgerlijk leven geordend door eene wetgeving, zóó volmaakt als men er zich slechts eene denken kan. De Koning aller koningen is de eenige gebieder des volks; de Hoogcpriester, bedeeld met de gave der profetie, is Zijn plaatsbekleeder op aarde. In de plaats des Hoogepriesters treedt in later tijd de koning op, die echter door profeten wordt terzijde gestaan, opdat de wil van God, den eigenlijken koning, hem ten allen tijde bekend zoude zijn. Goddelijk en menschelijk recht is in dezen Godsstaat één; want \'t woord Gods is er de algemeene bron des rechts. Alle burgers ervan zijn voor dit recht gelijk, er is geen onderscheid van standen. Zelfs de uiter lijke welvaart moet algemeen en gelijkmatig verdeeld zijn. Israël

-ocr page 33-

15

moet het land bebouwen. Landbouw toch is de zekerste bron van welvaart en beschaving en richt den blik naar den hernel, vanwaar regen en zonneschijn komen moet. Zoo moet nu Palestina onder de verschillende stammen en geslachten verdeeld worden, maar iedere familie moet zijn land als een heilig erfdeel beschouwen, een erfdeel, dat onvervreemdbaar is, daar het toch, indien het in vreemde handen gekomen mocht zijn, bij het eerstvolgende jubeljaar — telkens het 50ste jaar — aan den oorspronkclijken eigenaar terugkomt.

Na verloop van tijd werd met deze inrichting gebroken; zij was te goddelijk, dan dat menschclijke hartstocht zich eraan onderwerpen zoude. Het woord Gods wordt trouwens nooit geheel door ons gehouden.

Het was voor Mozes niet weggelegd het beloofde land te betreden. Een held door Gods genade, versierd met den veelzeggenden naam Jozua — de redder — voleindigt het werk van Mozes en voert de kinderen Israëls naar Palestina. Dc Kanaiinieten worden vernietigd of teruggedrongen: do hand des Heercn komt over hen, want nu „was de ongerechtigheid der Amorieten volkomen\'\' (Gen. 15 ; 16). Nu komt de stormachtige tijd der richteren. Het geloof van Israël is nog onvast in deze dagen, en dikwijls nog doet het volk, hetgeen kwaad is in de oogen des Heeren. Doch dan, overgegeven in de handen zijner vijanden, roept het volk wederom tot don Heer, en Hij verwekt eenen richter, die \'t juk der vijanden verbreekt. Zoo ervaart Israël nu eens dc straffende gerechtigheid, dan weder de reddende liefde van zijnen God. En terwijl het volksleven van Israël eene bestendige wisseling vertoont van geluk en ongeluk, herhaalt dc geschiedenis van dit volk zich in het hart van iederen christen.

In later tijd wordt Israël een Koninkrijk, weldra in twee afzonderlijke staten verdeeld. De koningen van Juda zijn de nakomelingen van David en velen van hen wandelen ook in de wegen van hunnen grooten stamvader. In \'t rijk van Israël daarentegen

-ocr page 34-

16

heerscht de grootste ongebondenheid; zijne koningen zijn meestal gelijk aan Jerobeatn, den eersten van hen. Het gaat het volk goed of slecht, naarmate het zich houdt bij den Heer of Hem verwerpt. „De gerechtigheidquot; toch „verhoogt eeu volk; maar dc zonde is een schandvlek der natiënquot; (Spr, 14 : 34).

Met dit ondervijs zonder woorden, in hun ervaringen hun gegeven, verbindt zich weldra de gloeiende welsprekendheid der profeten, die met geweldige woorden van \'t lot van Israël de verklaring geven. Niet altijd van priesterlijke afkomst, maar toch altijd den priesters ter zijde staande, zijn deze profeten de predikers in Israël. Midden door het gedruisch der wereld laten zij hunne machtige stem weerklinken, en voortdurend getuigende van Gods onveranderlijke heiligheid en genade, grijpen zij nu en dan ook zelf met krachtige hand in de gebeurtenissen van hunnen tijd in. Hunne rede, allereerst bestraffend en verbrijzelend, is toch tegelijk vertroostend en richt ook weder op. Eu wanneer daar \'t niet te weerhouden verderf nadert en de harten in verslagenheid zuchten, beginnen de profeten de toekomst te openbaren, en laten in de schemerende verte den Verlosser aanschouwen. En hunne voorspellingen worden voortdurend vaster en meer bepaald, tot ten slotte het gansche leven en werk van den Christus daarin is afgebeeld. Zóó mogen de profeten ook in de donkerste tijden van Israël een klein aantal behouden van hen, die hunne knieën niet buigen voor Haill.

Dat toch was juist de zonde van Israël, dat het telkens en telkens weer van den levenden God zich wendde tot de goden dei-heidenen. Aanleiding daartoe was meestal de onbeteugelde zinnelijkheid, die bij de heidensche offerfeesten heerschte en die natuurlijk voor den vleeschelijken lust meer aantrekkelijkheid had dan de verheven ernst van den Israëlitischen godsdienst. Maar eindelijk was de lankmoedigheid Gods uitgeput. Toen kwam de straf. Eerst ging (722 v. Chr.) het rijk van Israël te gronde, slechts weinig-later (588 v. Chr.) het rijk van Juda. Maar juist deze vernietiging van de tot dusverre bezeten onafhankelijkheid voedde het volk op van kinderlijke onstandvastigheid tot mannelijken ernst. Het leed verwekte eene onwankelbare trouw aan het geloof dei-vaderen, zoodat voortaan geen afgodendienst meer in Israël gevonden werd. En toen op bevel van Cv rus (536 v. Chr.) de Joden

-ocr page 35-

17

in het land der vaderen waren wedergekeerd, leefden zij stil voigeus de wet van Mozes, gedachtig aan de oorzaak van zooveel onheil, als over de voorvaderen gekomen was. Vreemde koningen moesten zij nu dienen, maar juist door die vreemde overheersching werden zij voor wereldsche eerzucht bewaard. De heilige schriften, nu afgesloten tot een geheel, plantten van geslacht tot geslacht de geboden en beloften Gods voort. Maar nu staat Israël weer bloot aan gevaren van anderen aard. Vleeschelijk gezinden gaan op in uiterlijke wetswerken, terwijl zij tegelijk — zooals de Pharizeërs b. v. — de wet door hunne eigene uitlegging en toevoeging verscherpen en uitbreiden. A.nderen, oppervlakkig van gemoed, koesteren de dwaze hoop, dat het rijk van den Messias een rijk van deze wereld zal zijn. De twijfelmoedigen laten zich — zooals de Sadduceërs b. v. — door het schijnbaar vergeefs wachten op dc verwerkelijking der Messiaan-sche profetiën, verleiden tot ongeloof tegenover Gods Woord in \'t algemeen. Maar de ware Israëliet bewaart op den diepsten bodem zijns harten de beloften, door God gegeven, en wacht kalm en geduldig op hare vervulling, die éindelijk zeker komen zal.

§ 7.

De toestand der wereld ten tijde vau Jezus Christus.

De geheele tijd vóór den Christus, is een voorbereiding voor Zijne komst. Hem hebben — weliswaar onwetend — ook de helden der heidensche oudheid gediend. Alexander de Groote trok eenmaal uit om de wereld te veroveren. Zijn wereldrijk viel uiteen na slechts korten tijd te hebben bestaan. Maar, terwijl deze overwinnaar vele volkeren onder zijn scepter bracht, bereidde hij de overwinning van het Evangelie in de toekomst voor. Door hem toch werd in •Azië, ja zelfs in Afrika de kennis van de Grieksche taal verbreid, de rijkste en schoonste onder de talen der oudheid. Daarom kon zij een passend kleed worden om de diepzinnige waarheden van het christendom in te hullen. Dat de meesterwerken van de oude kunst en wetenschap in haar geschreven waren, werkte daartoe mede, want zoo was zij de algemeene bron van- en de noodzakelijke voorwaarde tot alle beschaving. Overal werd zij verstaan en gebruikt.

-ocr page 36-

18

en was zoo, als \'t ware, een geestelijke band, die de oude wereld omsloot. Ook de Joden verstonden Grieksch, sedert zij over alle landen verstrooid waren. Zoo werden dan ook te Alexandrië in Egypte — drie eeuwen vóór Christus — de heilige schriften des Ouden Verbonds in de Grieksche taal overgebracht. Yolgens eene oude overlevering is dit door zeventig kundige tolken geschied; daarom heet deze vertaling de Septuaginta of de vertaling der zeventigen. De Grieksche taal werd zoo het eerst in den dienst van het Godsrijk gebruikt; ook heidenen konden nu de woorden Gods lezen. En toen het uur gekomen was, dat de Apostelen uitgingen met de blijde boodschap van Christus, konden zij in ééne taal tor bijna alle volkeren spreken. Daardoor werd hun werk zeer vergemakkelijkt en de vrucht daarvan bevorderd. Want dat is het juist, wat in onze dagen het werk der zendelingen zoo moeilijk maakt en ophoudt, dat zij eerst zooveel tijd en moeite moeten besteden aan het aanleeren van vreemde talen, voor zij tot hun eigenlijk werk kunnen komen.

Aan de andere zijde was ook de onderlinge verhouding der volken gunstig voor de uitbreiding van het Evangelie. Eome, vaardig in het hanteeren der wapenen als het was, had bijna alle bekende beschaafde landen der oudheid tot een rijk vereenigd met gelijkvormige wetten en instellingen, binnen hetwelk een levendig onderling verkeer werd onderhouden en de handel bloeien kon. Zóó was voor de boden van het Evangelie van zelf de weg gebaand tot de afzonderlijke volken van dit rijk.

Ook de wereld des geestes was langzamerhand rijp geworden om den dag des heils te kunnen begroeten. In de harten der men-schen begon een wonderbaar gevoel van leegte en verlangen zich te vertoonen. Hoe was alles te gronde gegaan, wat tot nog toe de trots der natiën geweest was! Het vroolijke leven der Grieksche beschaving, de oude vrijheid van Rome waren verdwenen; de verbaasde wereld had het aangezien en daarin de nietigheid der men-schelijke grootheid leeren kennen. Weelderigheid en knechtelijke gezindheid beheerschten het leven ; op den troon voerde niet zelden tyrannic den scepter. Waarmede zou incn zich nu troosten? De godenhemel, waarvan men gedroomd had, loste zich op in een nevelbeeld tegenover den ernst van het leven en het licht der wetenschap. Want ook de wijsbegeerte was op de gedachte gekomen.

-ocr page 37-

19

dat het bestaan der goden twijfelachtig was. Volkomen op «ich zeiven vertrouwend en steun vanquot; buitenaf verwachtend, meenden zij slechts in eigen kracht de deugd te moeten beoefenen en iede-ren slag van \'t noodlot met kouden ernst het hoofd te moeten bieden.

Ben dergelijke voorstelling zal ook Pilatus gehad hebben, toen hij half treurig, half spottend den Heer vroeg: „Wat is waarheid?quot; Ook hier ging het, zooals het altijd gaat: aan het ongeloof paarde zich het bijgeloof. Bij toovenaars zocht men hulp, die men van de godheid niet meer verwachtte. Aldus, wandelend in diepe duisternis, oneens met zich zeiven en met hunne goden, haakten alle edele gemoederen naar licht en vrede. Door de verspreiding der Israëlieten over allerlei landen, was de kennis van den levenden God ook voor de heidenen bereikbaar geworden. Door de groote menigte werd Israël veracht, maar wie nader met hen bekend waren, hielden hen in hooge eere, ja sloten zich soms bij hen aan. Zoo geven de Joden den hoofdman van Kapernaiim getuigenis : „Hij heeft ons volk lief.quot; Zoo wordt van Cornelius verhaald, dat hij met zijn geheele huis „godzalig en vreezende Godquot; was. En ook de Messiaansche profetiën worden wijd en zijd bekend en klinken na — soms wel in wonderlijken vorm — in de geschriften der heidensche oudheid, terwijl zij aller blikken richtten naar het Oosten, vanwaar men groote dingen verwachtte. Zoo begroette de dichter Virgilius, een Romein, den terugkeer des vredes, zoo smartelijk gemistj en eindelijk door keizer Augustus weder geschonken, met de woorden, die hoewel niet vrij van oppervlakkigheid en vleierij, toch het innerlijk verlangen van zijnen tijd doen kennen:

„Wichtig en grootsch, als in \'t eerst, begint weer de kringloop der eeuwen. Nieuw is \'t geslacht, dat op aarde, den hoogen hemel verlatende, neerdaalt. Zie, hoe het heelal, gansch bevend van blijde ontroering, zie, hoe de landen, do zee, de onmeetbare ruimten des hemels, blij zich verheugen nu eindlijk die eeuw, vol van vreugde, ons aanlicht.quot;

In dezen zelfden geest laat ook do Romeinsehe geschiedschrijver Suetonius zich uit, waar hij zegt: „Door het geheele Oosten had zich de van ouds overgeleverde, vastgewortelde meening verbreid, dat het door het noodlot bepaald was, dat er in deze dagen uit .Tudea

-ocr page 38-

2(1

mannen zouden voortkomen, die zich van de heerschappij over de geheele wereld zouden meester maken.quot;

Zoo was dan alles voorbereid, toen Jezus Christus geboren werd.

§ 8-

Het leven des Heeren.

In het optreden van Johannes den Doopor vertoont zich het morgenrood van den grooten dag, die aanlicht. Daar, waar de Jordaan door woeste streken zich eenen weg baant, —- woest en onvruchtbaar als het hart van den natuurlijken raensch, — daar stond Johannes en predikte en doopte, en was zoo met recht de roepende: „bereidt den weg des Heeren, maakt Zijne paden recht\'\' (Matth. 3; 3). En gelijk eenmaal Elia voor den koning en het volk de zonde bestrafte en tot bekeering vermaande, zoo deed ook Johannes; daarom wordt van hem gezegd, dat hij voor den Heer is heengegaan in den geest en de kracht van Elia. Want het moest een boetprediker zijn, die voor den Heer henenging, omdat slechts gebrokene en beangstigde harten in staat zijn den Verlosser ge-loovig aan te nemen. De verhevenste taak echter, die de Dooper te vervullen had, was den Heer zeiven te doopen. Zóó staande tegenover den Christus verkreeg hij een plaats boven al de profeten. Daarom zegt ook de Heer van hem, dat hij meer was dan een profeet, ja dat onder allen, die van vrouwen geboren zijn, niemand was opgestaan, meerder dan Johannes. Wij zien hem op \'t hoogtepunt van zijn inzien in de wegen Gods, waar hij den blik zijner jongeren richt op den Heer, met het woord: „Ziet het law Gods, dat de zonde der wereld wegneemt.quot; (Joh. ] : 29.).

Hij zelf echter wordt geen jonger van den Heer Jezus, integendeel gaat hij voort zelfstandig te leeren en te doopen. En toer eindelijk om een woord, vrij uitgesproken, een kerker hem gevangen houdt en de deuren des kerkers zich maar niet voor hem willen ontsluiten, schijnt het licht zijns geestes verduisterd en zijne ziel van donkere twijfelingen vervuld te zijn geworden. Toen laat hij den Heer vragen: „Zijt gij degene, die komen zou, of verwachten wij eenen anderen ?quot; Daarom geeft de Heer ten antwoord, dat de

-ocr page 39-

31

minste in het Koninkrijk der hemelen meerder is dan Johannes. Zoo staat dan de Dooper nog buiten de gemeente van Christus. Hij is de laatste der profeten des Ouden Verbonds.

God, die tot nog toe door de profeten tot menschen gesproken had, begon nu tot hen te spreken door den Zoon. In Hem werden alle beloften Ja en Amen. Op Hem hadden alle heilbegeerigen uit het volk van God gehoopt, op Hem gewacht als den trooster Israëls; op Hem hadden ook de heidenen gehoopt. Geen wonder, dat, toen over Bethlehem de oude godspraak in vervulling ging: Uit U zal mij voortkomen, die een heerscher zal zijn in Israëlquot;, (Micha 5 : 1) door hemel en aarde beide de komst van dezen Heer blijde gevierd wordt. Toen daalde van den hemel eene menigte des hemelschen heirlegers af, om in de stilte van den-nacht den lof des Heilands te doen weerklinken, loen stonden daar eerst de herders, daarna Simeon en Anna om het Kindeken, als de eerste gemeente van geloovigen uit Israël, en de ijzen uit het Oosten als de eerstelingen uit de heidenen; zij brachten aan den jonggeboren Koning der Joden hunne gaven als eerbiedige hulde. In kalme stilte gaat de jeugd des Heeren voorbij. Wonderbaar vereenigd, ontwikkelt zich in Hem het menschelijke en het goddelijke, terwijl zijne goddelijke natuur zich voortdurend in zijne menschelijke natuur afspiegelt. Zoo noemde Hij met verheven gewisheid God zijnen Vader, toen bij zijn bezoek als twaalfjarige knaap in den tempel zijne moeder in hare moederlijke berisping Jozef zijnen vader noemt. Van knaap tot man gerijpt komt Hij tot Johannes en begeert van hem gedoopt te worden. Evenwel is de beteekenis van Jezus\' doop eene andere dan van den doop, waarmede het volk, dat zich om Johannes verdringt, door hem gedoopt wordt. De doop is een zinnebeeld des doods. Wanneer de doopeling zich laat onderdompelen in den vloed, bekent hij door dit zinnebeeld dat hij om zijne zonden des doods schuldig is. Jezus nu is vreemd aan alle zonden, vrijwillig wil Hij Zijn bloed vergieten tot vergeving der zonde. Zoo geeft Hij dan met Zijn doop de verklaring, dat Hij bereid is des Vaders wil te vervullen en voor de menschen te sterven. In Zijnen dood wordt Zijn verlossingswerk aangeduid. Zoo is dan Zijn doop de waardige en beteekenisvolle wijding tot Zijn Messiasambt.

Na den doop wordt Jezus door den Geest in de woestijn geleid, waar Hij verzocht wordt door den Booze. Hij wordt verzocht

-ocr page 40-

32

als wij. Maar Hij overwint den Verzoeker; liet woord Gods is Zijn wapen. Daarna keert Hij onder de menschen terug en begint Zijn werk.

Hij gaat het land door goeddoende; Hij maakt naar lichaam en ziel gezond. Zelf wandelt Hij in knechtsgestalte en heeft niets om het hoofd o]) neder te leggen; evenwel, machtig in daden en in woorden, staat Hij als de machthebbende tegenover natuur en menschenwereld. Altijd zachtmoedig en nederig van hart, zoekt Hij niet Zijne eigene eer. Worden Hem echter door een blijmoedig geloof bewijzen gegeven van de liefde, die daar voor Hem in \'t harte woont, dan wijst Hij deze niet terug. Als de reine te midden der onreinen, overal omringd door de ellende, dat gevolg der zonde, gesmaad en vervolgd door de wereld, gaat Hij met weemoedigen ernst door het leven, dat voor Hem een voortdurend lijden is. Een uiting daarvan is het van smartelijke aandoening getuigende woord: „O gij ongeloovig en verkeerd geslacht, hoe lang zal Ik nog met ulieden zijn, hoe lang zal Ik u nog verdragen?quot; (Matth. 17 : 17.) Zoo lezen wij dan ook meermalen, dat Jezus geweend heeft, terwijl wij slechts op eene plaats lezen: Jezus verheugde zich in den geest (Luc. 10 : 21).

Ontzachelijk is de indruk, dien des Heeren optreden op de menschen maakt. Zijn gerucht weerklinkt door het geheele land; duizenden en nog eens duizenden stroomen naar Hem toe en verdringen zich om Hem als om den profeet, die in de wereld komen zou. Doch weldra verwekt Zijn woord tegenspraak en verbittering. En zoo ontstaat er eene scheiding van hen, die voor- en hen, die tegen Hem zijn, en hoe krachtiger het geloof wordt bij hen, die m Hem gelooven, des te grooter wordt ook de vijandschap bij de vijanden. Eigenaardig hierbij is het, dat de vrouwen zonder eene enkele uitzondering, bewonderend het hart naar den Heer henen-keeren. Vele van haar dienen Hem met zorgende liefde, en nooit wordt ergens eene vrouw genoemd, die den Heer vijandig was.

De zaligheid zou voor de wereld komen uit de Joden. God zelf had hen tot een volk des heils toebereid. Zoo wendt de Heer zich dan ook met Zijne prediking niet tot de heidenen; dit zoude voor Hem eene versnippering van tijd en kracht zijn geweest en dit werk bleef voor dc toekomst bewaard. Integendeel, Hij verklaart: „Ik hen met yezonden dan lot dc verloren schapen des huizes

-ocr page 41-

23

Israels (Matth. 15 : 24). Uit het midden van dezen nu vormt zich om den Heer een drievoudige kring. Den nauwsten kring vormen de twaalve, gekozen met het oog op de twaalf stammen Israëls. Zij zijn altijd met den Heer, zich verdiepende in de aanschouwing van Zijn goddelijk wezen, terwijl Hij hen dieper in de waarheid inleidt. Zoo kunnen zij dan ook de heerlijke en veelzeggende belijdenis aangaande Hem uitspreken : „Het Woord is vleesch geworden en heeft onder ons gewoond, en wij hehhen Zijne heerlijkheid aanschouwd, eene heerlijkheid als des Feniggeborenen van den Vader, vol van genade en waarheidquot; (Joh. 1 : 14). Een wijderen kring om Hem vormen de zeventig, die voor den Heer heengaan door de steden en vlekken, en de nadering van Hem en Zijn rijk verkondigen. Den wijdsteu kring vormen de af— en aanstroomende scharen des volks. Tot deze spreekt de Heer meestal in de vrije natuur, die Hem de liefelijkste beelden leent tot de onderwijzing der ver-hevenste waarheden. Maar Zijn geest blikt, wanneer Hij daar zoo staat te midden der aandachtig luisterende menigte, ver in de toekomst, en Hij spreekt van komende dagen als zaten ook de volkeren van nog ver verwijderde tijden aan Zijne voeten.

Anders spreekt de Heere Jezus dan Mozes. Deze toch stond tegenover een halsstarrig volk; maar de Heere Jezus wendt zich tot de heilbegeerige harten. Terwijl Mozes door zijn streng; „Gij zultquot; spreekt, klinkt het hier zachter: „Zalig zijt gij, zoo gij doetquot; (Joh. 13 : 17). Daarbij is des Heeren woord zoo kort en eenvoudig, en toch zoo onnavolgbaar krachtig en schoon, dat bij Hem vergeleken alle meesterwerken van menschelijke welsprekendheid verre achterblijven. Hij behoeft maar één woord te spreken, en de tegenstander is ontwapend, één woord en eene bekommerde ziel verkrijgt den zaligsten vrede, één woord en een getrouwe jonger is voor altijd gewonnen. Eenvoudig en tegelijk vol diepte van waarheid, kan het woord des Heeren door een kind worden begrepen, maar door den grootsten wijsgeer op aarde niet worden uitgedacht. Een enkele maal klinkt het donker en onverstaanbaar; dan moet \'t in \'t nadenkend gemoed telkens weder overwogen worden tot op het oogen-blik, dat \'t geestelijk verstaan wordt. Ook wordt de geheele volheid van de heerlijkheid en waarheid van des Heeren woord eerst openbaar, wanneer het in het leven in beoefening gebracht en persoonlijk ervaren wordt, zooals Jezus ook zelf zegt: „Indien gijlieden

-ocr page 42-

24-

in mijn woord blijft, zoo zijt gij waarlijk mijne discipelen; en gij 7A.lt de waarheid verstaan.quot; (Joh. 8 : 31, 32.) Alle prediking des Heeren verwekt eerst een gevoel van schuld, den eenigen bodem, waarop een waarachtig geloof kan groeien. Zoo staat dan ook aan den aanvang zijner geheele prediking het woord: Bekeert u en gelooft het Evangelie (Mark. 1 : 15.) Zoo geneest de Heer de kranken dikwijls met het woord: Uwe zonden zijn u vergeven (Matth. 9 : 2.) Zoo toont Hij dan, hoe dc zonde de bron van alle ellende is, en daarom de verzoening met God noodzakelijk is, zal er eenige zaligheid mogelijk zijn.

Op Golgotha wordt eindelijk deze verzoening volbracht, toen de Heer aan \'t kruis het hoofd buigt en den geest geeft. De men-schen bespotten Hem als ware Hij door hen overwonnen, maar de hemel bedekt treurend het gelaat met een rouwfloers, terwijl de grondvesten der aarde bewogen worden. Maar weldra verkondigen de engelen de opstanding des Heeren, gelijk zij eenmaal zijne geboorte verkondigden. De Heilige Gods kon geen verderving zien. noch in den dood blijven. Dat hadden de profeten voorspeld; dat had Hij ook zelf zijnen jongeren voorzegd. De Heer, aldus verheerlijkt, behoort nog maar ten deele bij deze aarde en gaat niet meer als vroeger vertrouwelijk met zijne jongeren om. Slechts nu en dan verschijnt Hij, om hun de zekere gewisheid zijner opstanding en tegelijk Zijne laatste geboden te geven. Aan de blikken des volks onttrekt Hij zich nu geheel en al. Eindelijk keert Hij naar den Yader, van wien Hij kwam, terug. Zoo „heeft Hem God verhoogd en heeft Hem een naam gegeven, die boven allen naam is. (Philipp. 2 : 9.)

-ocr page 43-

EERSTE TIJDPERK. (33—100).

§ 9-

De twaalf Apostelen.

Christus de Heer was naar den hemel wedergekeerd. Zijnen jongeren het bevel nalatende, uit te gaan in de wereld en alle volkeren te onderwijzen. Maar de tijd, waarop zij dit moesten aanvangen was niet bepaald, en wanneer zij hun land verlaten moesten^ was hun niet gezegd. Integendeel gebood een tweede woord des Meesters hun in Jeruzalem te blijven en daar rustig de komst van den Trooster te verbeiden. Zoo waren zij dan daar eendrachtig bijeen onder bidden er. smeeken, nog geheel vervuld van den machtigen indruk, dien de Heer door Zijn Woord, door Zijn Werk, door Zijn geheele Wezen op hen gemaakt had. Met hen vereenigd waren ook vele geloovigen, die persoonlijk des Heeren onderwijs genoten hadden, en de vrouwen, die met dienende liefde den Heiland tijdens Zijne aardsche omwandeling hadden omringd.

Daaronder bevond zich ook Maria, de gezegende onder de vrouwen, en toch tegelijk de Moeder, wier smart grooter is geweest dan van eenige andere moeder. Heerlijke aanblik, deze vergadering van heiligen en beminden, zooals er op de geheele aarde nooit weder eene dergelijke gevonden is.

Aan den kring der twaalve echter ontbrak er één, dien de Heer zelf in diepe smart een kind des verderfs had genoemd. Het scheen billijk en door de Schrift geboden, dat zijn opzienersambt — zoo noemt hier de Schrift het toevertrouwde ambt met hetzelfde Grieksche woord, waarvan ons woord „bisschop\' — opziener — eenen anderen gegeven werd. Slechts hij echter werd zulk een Apostelambt waardig geacht, die den geheelen tijd van den doop van Johannes af tot de hemelvaart toe, een trouwe volgeling des Heeren geweest was. Wij zien daarin cene groote nauwgezetheid van geweten bij de Apostelen, die ons eenen

-ocr page 44-

2fi

goeden grond te meer geeft otn blijmoedig hunne getuigenis aan te nemen.

De keuze zelve geschiedde door \'t lot^ en werd zoo den Heer zeiven in handen gegeven, die alleen Zijn afgezanten kiezen kan. De keuze viel op Matthias, die nu in den kring der twaalve werd opgenomen (Hand. 1 : 36).

Niet vele dagen daarna werd het Feest der Weken gevierd, het feest, waarop men den Heer dankte voor de eerstelingen van den oogst en tegelijkertijd de gedachtenis vierde van de wetgeving op den Sinaï. Yele Joden, niet in Palestina woonachtig, waren tot dit feest opgekomen. Ieder van hen sprak de taal van \'t land, waar hij woonde. De Hehreeuwsche taal toch leefde nog slechts in de oude schriften voort.

Ook de jongeren waren nu volgens hunne gewoonte bij elkander, om gezamenlijk aan het feest deel te nemen. Toen gebeurde, hetgeen door den Christus en de profeten te voren verkondigd was; de Heilige Geest werd uitgestort over de jongeren en zij werden daardoor met wonderbare krachten en gaven begiftigd. Ook nu vergezelden groote teekenen de uitstorting des Heiligen Geestes, gelijk eens, bij de wetgeving op den Sinaï, donder en bliksem de woorden Gods hadden vergezeld. Een geweldig gedruisch werd van den hemel vernomen en vervulde het geheele huis, en een vuur werd uitgegoten over alle aanwezigen. De Apostelen, sprekende in vreemde talen, begonnen te prediken tot het volk, dat van alle zijden toestroomde, zoodat alle vreemdelingen in de talen van \'t eigen land de groote daden Gods hoorden verheerlijken. Hoe klonken deze dingen hun des te schooner, nu zij ze in eigen taal hoorden!

De eerste storm van alles aangrijpende bezieling bedaarde; alles werd rustig en stil. Toen trad Petrus op met eene heldere en krachtige prediking van Hem, dien de Joden gekruisigd hadden, maar nochtans van God voor ons allen tot een Heiland en Christus gemaakt is. Diep zonk dit woord in menig hart, en velen leerden vragen naar den weg ten eeuwigen leven. En Petrus ging voort met vele woorden te getuigen en te vermanen. Alzoo werden bij de drieduizend zielen op eenen dag gedoopt en werden toegevoegd aan de gemeente der geloovigen (Hand. 2).

Met deze dingen begon een nieuw tijdperk in het leven der

-ocr page 45-

37

jongeren. Hunne opvoeding was voltooid, waaraan de Heer tijdens Zijne aardsche omwandeling zooveel liefdevolle zorg te koste gelegd had. Tot nog toe hadden zij den Heer omringd als leerende en dienende jongeren; door dagelijks aanschouwen van \'s Heeren heerlijkheid waren zij tot geloof gebracht en waren zij telkens meer in de beteekenis van Zijn werk en van Zijn wezen ingeleid. Nu echter waren zij toegerust met kracht uit den Hooge, nu moesten zij zelfstandig optreden en aan de wereld verkondigen, wat zij gehoord en gezien hadden. De jongeren waren aldus Apostelen geworden.

Maar niet slechts voor hen, ook voor alle degenen, die den Heer liefhadden was een nieuwe tijdkring aangevangen. Zij toch, die tot nog toe slechts in den meest vertrouwden kring hunner geloofsgenooten van hun geloof hadden getuigd, zij beleden Hem nu openlijk tegenover de geheele wereld. En daar voortaan niet zij, die door de natuurlijke afstamming met Abraham verbonden waren, maar zij, die in den Heer geloofden, het ware Israël vormden, zoo scheidden alle geloovigen welbewust en opzettelijk zich voor altijd af van het „verkeerde geslachtquot;, dat den Christus verwierp. Zoo werd \'t kleine kuddeke der christenen tot een zelfstandige gemeente.

Voorgangers van deze eerste gemeente waren de Apostelen. Tot hen had de Heer gesproken: ,, Gel jkerw js mij de Vader gezonden heeft, zend Ik ook uliedenquot; (Joh. 30 : 21). Maar nog eene andere roeping wachtte hen. Langzamerhand openbaart de Heilige Geest hun, dat nu de ure gekomen is, waarop het gebod des Heeren opgevolgd moet worden, dat de Heer gesproken had: „Gaat heen, onderwijst alle volken.quot; Sommigen van hen worden door eene stem in hun binnenste uitgedreven om \'t rijk Gods uit te breiden; anderen worden er toe gebracht door de behoefte der broederen in den vreemde. Maar, waar zij ook hunne prediking brengen, nergens bestaat zij in de verkondiging vau regelen van wijsheid en kennis; integendeel, overal leggen zij getuigenis af aangaande des Meesters persoon en werk, eene getuigenis gegrond op eigen aanschouwing. Zij prediken Zijne opstanding uit de dooden en verkondigen Hein als Gods Zoon. Vele teekenen en wonderen geschieden door de handen der Apostelen, en \'t wordt hierdoor bezegeld, dat zij gezanten zijn, waarlijk door God gezonden. In neigingen en aanleg verschillen de Apostelen zeer van elkander. Maar is dit niet juist eene eigenaardigheid der goddelijke wijsheid, om ieder te gebruiken

-ocr page 46-

28

in overeenstemming met zijne gaven? Zoo is de vurige Petrus een prediker geweest voor de ongeloovigen; de zachte, diepgevoelende Johannes daarentegen een herder voor de geloovigen.

Voor \'t meerendeel waren de Apostelen werkzaam in de groote steden; van daar kon het uitgestrooide zaad zich snel en gemakkelijk verder verbreiden. Voor het overige, veel is er nog, wat wij gaarne aangaande hen zouden weten; de heilige Schrift echter, getrouw aan haar karakter, deelt alleen van hen mede, wat het geloofsleven ten nutte kan komen. Zoo komt het, dat onze kennis van de persoonlijke aangelegenheden en de lotgevallen der Apostelen zoo weinig omvattend is, en dikwijls slechts bepaald is tot de kennis vau hunne namen.

Als de eerste in den Apostelkring staat Petrus, de zoon van Jona, voor ons. Eens was hij een ongeleerde visscher geweest in Bethsaïda, een plaatsje gelegen aan het meer van Gennesareth. De groote schare volgende, die in de dagen van Johannes den Dooper, den grooten profeet in de woestijn opzocht, ging ook Petrus naar de oevers van den Jordaan en werd daar door zijnen broeder Andreas met den grooten Meester in aanraking gebracht.

En deze, de groote hartenkenner ook in de dagen Zijner vernedering, begroet hem met den Petrusnaam en duidt daarmede zijn aanleg en bestemming aan. Petra toch beteekent rots, en hij, die hiernaar zijn naam ontvangt, was een man van een diep gemoedsleven en eenen sterken geest, snel in \'t spreken en krachtig in \'t handelen, een voortreffelijke toevlucht en helper voor zwakkere broeders.

Zoo is het Petrus, die, toen de Heer eenmaal aan zijne jongeren de veelbeteekenende vraag doet; „Maar gij, wie zegt gij dat ik ben,quot; terstond het heerlijke antwoord gereed heeft; „Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Godsquot; (Matth. 16:15, 16). En toen een andermaal de Heer, met weemoedigen blik nastarende degenen die Hem verlieten, tot de twaalve de vraag richt: „Wilt gijlieden ook niet weggaan daar is het wederom Petrus, die zonder aarzeling antwoordt: „lieer tot wien zullen vjj heengaan? Gij hebt woorden des eeuwigen levensquot; (Joh. 6 : 68). Het onreine, dat ook hem nog aankleeft, wordt in den nacht van zijne verloochening maar tevens van zijn bitter berouw, in hem uitgezuiverd. Zoo beeft de Heer hem dan ook voor de oogen van al de discipelen een

-ocr page 47-

29

eereplaats geschonken, en nog in de laatste dagen voor de hemelvaart hem de opdracht gegeven: „Weid mijne lammeren^ (Joh. 21 ; 15). En inderdaad, als een herder te midden der lammeren staat Petrus daar in de eerste christengemeente. Hoezeer hij in gansch bijzondere mate de macht ontvangen had om wonderen te doen, zoodat op zijn woord dooden werden opgewekt en levenden het leven ontnomen werd, daarvan zijn de geschiedenis van Dorcas en Ananias de sprekende bewijzen.

Keeds bij de Pinksterprediking had Petrus getoond, hoe hij, door den Heer tot eenen visscher van menschen gemaakt, met goed gevolg het net der Evangelieprediking vermocht uit te werpen. En zoo gaat hij ook verder voort te Jeruzalem de prediking van den gekruisigde te doen hooren. onverschrokken in gevaar, ten allen tijde Gode meer gehoorzamende dan de menschen, en dankbaar voor den smaad hem om zijn belijden van den Christus aangedaan. Toen daarna de A.posteleii vernamen, dat Samaria het woord Gods had aangenomen, zonden zij Petrus en Johannes daarheen, om voor hen te bidden en hun de handen op te leggen, dat zij den Heiligen Geest ontvangen mochten.

Behalve de gewone zegeningen des H. Geestes: opwekking, verlichting en heiliging, werden nl. aan de eerste christenen nog allerlei buitengewone gaven des Geestes verleend, opdat de gemeente des te meer toe zou nemen en versterkt zou worden. Dit geschiedde nu ook op het gebed en na de handoplegging der Apostelen te Samaria (Hand. 8).

In deze zelfde stad woonde ook een man, Siwon geheeten, die vroeger zich met waarzeggerij en tooverij had afgegeven en daarom Magus of toovenaar werd bijgenaamd. Deze, getroffen door de prediking van den Christus, liet zich doopen. En toen hij de teekenen en wonderen zag, die de Apostelen verrichtten en de gaven, die de Heilige Geest verleende, verwonderde hij zich en bood den Apostelen geld en sprak: „Geeft ook mij dezelfde macht.quot; Doch Petrus berispte hem ernstig daarover, zoodat Simon bevreesd werd en smeekte, dat hij. den Heer voor hem bidden zou. Toch is Simon geen waarachtig christen geworden, integendeel: hij bleef een avontuurlijk en godslasterlijk leven leiden. Hij deed nl. het volk ge-looven, dat hij en eene vrouw, die hij bij zich had op zijne reizen, Helena geheeten, personen van goddelijken oorsprong waren.

-ocr page 48-

80

Petrus ging verder vele steden en vlekken door, en doopte eindelijk te Caesarea den heidenschen hoofdman Cornelius. Zoo waren dan van toen af Joden en heidenen beide opgenomen in het koninkrijk Gods. Zoo trad van toen af het woord des Heeren in vervulling; „Ik hei nog andere schapen, die van dezen stal niet zijn; deze moet Ik ook toebrengen; en zij zullen Mijne stem 7/oor en, en het zal worden ééne kudde en één Herder (Joh. 10 : 16).

Daarna werd Petrus door koning Herodes Agrippa I te Jeruzalem in de gevangenis geworpen. Docli een engel des Heeren leidde hem uit door alle poorten en voorbij de wacht, en Petrus „ging uit en reisde naar eene andere stadquot; (Hand. 12 : 17). Groote zen-dingreizen ondernam hij eerst later. Toen bereisde hij de aan Palestina grenzende landen van Azië en kwam te Babylon. Van hier schreef hij zijne beide brieven. Eindelijk, aan het einde zijns levens kwam Petrus te Home, waar reeds langen tijd eene gemeente van christenen was. Dat hij daar, onder de christenen als de eerste van hen beschouwd werd, spreekt wel van zelf. Zoo kan het waar zijn, dat Petrus onder deze christenen te Rome een tijdlang het opzieners- of bisschopsambt heeft bekleed, zooals de Roomschen beweren. Maar natuurlijk volgt daaruit nog niet, dat de Roomsche bisschop een stadhouder van Christus op aarde is. Hier in Rome nu werd eindelijk vervuld, wat de. Heer Petrus voorzegd had : „Wanneer gij oud zult geworden zijn, zoo zult gij uwe handen uitstrekken, en een ander zal u gorden, en brengen, waar gij niet wilt\'J (Joh. 21 : 18). Met deze woorden had de Heer hem aangeduid „met hoedanigen dood hij God verheerlijken zouquot;. Te Rome werd hij in het jaar 67 gekruisigd eu wel, naar de sage meldt, met het hoofd omlaag.

Uit dezelfde woonplaats afkomstig en visscher van beroep evenals Petrus, was Johannes naast hem als Apostel een groote steun voor de gemeente. Hij was de zoon van den visscher Zebe-deüs en Salome, die in de Schrift ouder de vrienden des Heeren genoemd wordt. Ook Johannes werd een jonger van den Dooper en zag reeds aan den Jordaau den Heere Jezus. Buiten eenigen twijfel was hij die jonger, die met Andreas Jezus volgde naar Zijn verblijf (Joh. 1 ; 37). Tegelijk met Petrus wordt hij dan geroepen om discipel te worden. Johannes was een man met rijke gaven, een man van diepe en levendige indrukken. Hij sprak weinig, maar was een uitmuntend opmerker.

-ocr page 49-

31

Toen de Heer na Zijne opstanding verschijnt aan Zijne jongeren, die op \'t meer van Galilea aan \'t visschen waren, is Johannes de eerste, die Hem herkent. Doch deze herkenning doet hem slechts rustig opmerken : „Het is de Heerquot; terwijl de vurige Petrus dadelijk uit de boot in zee springt en naar den oever zwemt, waar de Heer staat (Joh. 31 : 7). Meer dan eenig ander Apostel erkende Johannes het goddelijke in den Christus; daarom smaakte hij dan nu ook het voorrecht met den Heere Jezus den meest ver-trouwelijken omgang te hebben. Daarom lag hij bij \'t Avondmaal naast Jezus aan; daarom mocht hij zich zeiven noemen den discipel, dien Jezus liefhad. Hij was zacht vau karakter, maar gemakkelijk ontvlamde hij in toorn, wanneer hij gekwetst werd in hetgeen hem een heilig bezit des harten was, en zoo in \'t oogvallend was deze karaktertrek, dat de Heer hem cn zijnen broeder Jacobus den bijnaam geeft van „zonen des dondersquot; (Mare. 3 ; 17).

Na den dood des Heeren is hij het, die als een trouwe verzorger de verlatene Maria als eene moeder verpleegt, terwijl hij voor Petrus een trouwe vriend is, die hora helpt. Zoo laat God mannen van verschillenden aanleg naast elkander den levensweg bewandelen, opdat de een den ander zoude aanvullen. Zóó wordt in later tijd den moedigen Luther de zachte Melanchton als vriend en bondgenoot gegeven. Noch den een, noch den ander had de Kerk kunnen missen.

Nadat Petrus Jeruzalem verlaten had, ging ook Johannes weg vandaar en reisde naar Epheze. De christenen in deze groote en rijke stad hadden nl. aan de tegenwoordigheid van eenen Apostel dringend behoefte, voornamelijk nu hij, die hun tot nog toe tot eenen geestelijken vader geweest was, nu Paulus in de gevangenis was geworpen. Doch ook Johannes zou de vervolging niet ontgaan. Een edict des keizers verbande hem naar het eiland Patmos, een eilandje in de Middellandsche Zee.

Daar, in de eenzaamheid, gaf God hem in een reeks van gezichten de toekomst der Kerk te aanschouwen. Hij teekende ze op en schreef alzoo het boek, dat ons bekend is als de Openbaring van Johannes. Het is een vreemd boek, in menig opzicht voor ons onverstaanbaar. Ia eene lange reeks van beelden schildert het de zegepraal, die \'t rijk Gods na veel strijd op het rijk der duisternis zal behalen. Veel is voor ons onverstaanbaar, omdat een profetie

-ocr page 50-

82

eerst dan volkomen verstaan kan worden, wanneer zij in vervulling gaat. Eens, wanneer het voorspelde gekomen is, zal ook deze openbaring ons in het helderste licht verschijnen.

Niet lang is Johannes in ballingschap geweest. Hij keerde weldra naar Ephese terug en nam daar wederom het ambt van opziener en herder der Klein-Aziatische gemeenten op zich. Bij de mondelinge prediking liet ook hij het niet, evenmin als andere jongeren des Heeren. Hij schreef drie brieven en één evangelie, het laatste der Evangeliën, dat de vroegere door mededeeling van het daar niet te boek gestelde aanvult. Geheel in overeenstemming met den aard van den schrijver legt het meer nog dan de andere den nadruk op de godheid vau Christus.

Johannes overleefde alle andere Apostelen, en was zoo aan het einde der eerste eeuw van onze jaartelling de eenige jonger des Heeren, die nog in het land der levenden was. Hoe dierbaar hij den Heere Jezus geweest was, was allen bekend. Was het wonder, dat de geheele christenheid van zijnen tijd hem blijken gaf van de grootste liefde en vereering? Eu zelf bleef hij trouw tot aan den einde in de liefde, die zijn Meester deu jongeren als een nieuw gebod had voorgeschreven (Joh. 13 ; 14). Nog als hoogbejaarde grijsaard, toen de kracht tot prediking hem reeds ontbrak, laat hij zich toch nog dragen naar de vergaderingen der geloovigen en vermaande hen altijd weer; „Kinderkens, hebt elkander lief!quot; En als men hem vroeg, waarom hij toch altijd hetzelfde zeide, antwoordde hij: „Het is het gebod des Heeren, en alle plichten des christens zijn in dat ééne woord vervat.quot; Ook wordt de navolgende schoone geschiedenis van hem verhaald. Eens had hij op een reis een jongen man van gunstig uiterlijk ontmoet en hem liefgekregen. Hij gaf hem aan eenen bisschop over, opdat deze hem eene chris-lijke opvoeding zou geven. Maar de jongeling kwam op wegen der zonde en werd eindelijk het hoofd eener rooverbende. Toen Johannes dat hoorde, reisde hij diep het woud in, liet zich door de roovers gevangen nemen en tot hun hoofdman geleiden. Toen deze hem zag en herkende, wilde hij van hem wegvluchten, docli Johannes hield hem met vriendelijke woorden terug en sprak hem toe, zoo liefderijk en vol smart, dat de diepgezonkene getroffen werd en als berouwhebbend zondaar met den Apostel terugkeerde.

-ocr page 51-

:S.\'5

Op het eind van de eerste eeuw is Johannes te Ephese ontslapen, en nog langen tijd daarna toonde men aldaar zijn graf.

De schilders stellen Johannes voor als cenen schooiifin jongeling, omdat hij gehouden wordt voor den jongste onder de Apostelen ; het bij hem dikwijls geteekende zinnebeeld is de adelaar, symbool van de hooge vlucht zijns geestes.

De broeder van Johannes was Jacohus, de oudere, veel trelijken de op hem in geest en gemoed. Tegelijk met Johannes werd hij geroepen door den Heer, en een even groot vertrouwen waardig gekeurd. Hij mocht met Petrus en Johannes ook daar bij den Heer zijn, waar de andere jongeren moesten terugblijven. Zóó bij de verheerlijking op den berg; zóó bij den ziclestrijd in Gethsemané. Van zijn leven is ons niet veel bekend; hij stierf als martelaar. Want toen koning Herodes (44) door vervolging der christenen de gunst der Joden wilde winnen, trad een man op, die Jacobus aanduidde als opperhoofd der nieuwe secte. De blijmoedige belijdenis van zijn geloof voor den koning, maakte zulk eenen indruk op dezen man, dat hij, diep in \'t hart gegrepen uitriep, dat dit geloof het rechte moest zijn. Toen werd ook hij gegrepen en met Jacobus samen weggeleid om gedood te worden. Op weg naar de strafplaats bad hij Jacobus om vergeving. Maar deze kuste hem en sprak : „Vrede /.ij met u,quot; waarop beiden met het zwaard gedood werden.

Na de vermelding van deze voornaamste Apostelen moet gesproken worden over Jacohus, die geen Apostel, maar een broeder des Heereu was 1).

Deze Jacobus, vermeld Mare. 6 : 3, 1 Cor. 15 ; 7, Gal. 1 : 19, was een man van grooten ernst en tegelijk van onverwrikbare trouw. Ook als christen bleef hij gehecht aan de Oud-Testamentische geboden en inzettingen. Yan der jeugd aan had hij het als eenen heiligen plicht leeren beschouwen deze te houden, en dit bleef hij doen, ook toen hij christen geworden was. Zijn rechtschapenheid en de band

1) Sommigen, ook Wippermann, nemen aan, dat deze Jacobus een neef des Heeren, een zoon van eene zuster vau Maria was, die ook Maria heette. Ons komt deze voorstelling zeer onwaarschijnlijk voor. Wij meenen, dat de „broeders des Heeren, die niet in Hem geloofdenquot; en daaronder ook deze Jacobus, inderdaad hroeders waren. Wie deze opvattiug op, volgens onze meening, afdoende wijze gestaafd wil zien. leze hierover na de inleiding op den brief van Jacobus in Meyer\'s commentaar, van de hand van Dr. J. E. Huther. De Vert.

-ocr page 52-

34

van bloedverwantschap, die hem met den Heer verbond, waxen oorzaak, dat hij in een buitengewoon groot aanzien stond, en met Petrus en Johannes tot de „pilarenquot; der Kerlv gerekend werd (Gal. S : 9). Ook de Joden achtten hem zoo hoog, dat zij hem den bijnaam van „den rechtvaardigequot; gaven. Van hem wordt ons niet medegedeeld, dat hij eene zendingsreis ondernomen heeft. Hij bleef in Jeruzalem, toen al de Apostelen weggegaan waren. En \'t was goed, dat in de moedergemeente der gehecle christenheid juist een Jacobus achterbleef. In deze dagen was te Jeruzalem Hoogepriester een zekere Ananus, een man vol van bitteren haat tegen den Christus. Deze liet (63) Jacobus op de tinne des tempels brengen en gebood hem, dat hij voor \'t volk, dat beneden stond, met luider stem zou betuigen, dat Jezus niet de Messias was. Waarschijnlijk dacht Ananus wel, dat een man, die, als Jacobus, nog altijd volgens Joodsche wijze leefde, gemakkelijk te bewegen zou zijn den Heer te verloochenen. Maar Jacobus riep: „Wat vraagt gij mij naar Jezus? Hij zit in den hemel ter rechterhand der kracht (Gods), en zal eenmaal komen op de wolken des hemels.quot; Toen wierpen zij hem van de tinne des tempels. Door den val niet dadelijk gedood, stond hij weer op, en bad met de woorden zijns Meesters: „ Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.quot; Dit woord trof eenen van de daarbij zijnde priesters in het hart en hij riep: „Houdt op! Hoort gij niet, hoe hij nog voor ons bidt ?quot; Maar een man uit \'t volk sprong vooruit, en sloeg hem met een zwaren, ijzeren stang op \'t hoofd, zoodat hij stierf.

Wij hebben van dezen Jacobus in de Heilige Schrift een brief, die met grooten ernst dringt tot een leven van werkdadig geloof, en zóó een schoone afspiegeling is van de zielsgesteldheid van hem, die hem schreef.

Van het leven en werken der andere Apostelen is ons weinig bekend. Mattheüs, die oorspronkelijk tollenaar was en ook met den naam van Levi genoemd werd, is in Palestina en misschien ook in Egypte werkzaam geweest. Zijn Evangelie is in de eerste plaats voor Joden geschreven. Daarom die vele aangehaalde profe-tiën uit het Oude Festament. De gewijde kunst heeft, met overbrenging van de vier cherubsgestalten (Ezech. 1 : 10) op de vier Evangeliën, aan \'t werk van Mattheüs het beeld eens menschen toegevoegd, omdat hij voornamelijk op het menschelijke in den

-ocr page 53-

35

Christus don nadruk legt. PMUppus schijnt in Phrvgië gepredikt te hebben en eenen natuurlijken dood gestorven te zijn, terwijl alle overige Apostelen — behalve Johannes — den marteldood gestorven zijn. Tudas heeft den Arabieren het christendom verkondigd. Andreas kwara op zijne zendingreizcn zelfs in Scythië, en wilde daarna den Roineinschen stadhouder van Griekenland bekeeren. Deze echter liet den Apostel eerst geeselen en daarna dooden. Bartholomeüs is waarschijnlijk dezelfde als Nathanaël, die door den Heer zei ven wordt aangewezen als een Israëliet zonder bedrog (.Toh. 1 : 47). Hij is naar Indië getogen. Daarheen ging ook Thomas, nadat hij eerst in Perzië geweest was. Sints oude tijden bestaan daar in Tndië christengemeenten, die zich Thomas-christenen noemen en hun stichting — schoon met twijfelachtig recht — aan Thomas toeschrijven. Ook wordt de stad Madras door hen Bait Turna — stad van Thomas — genoemd; daar toch heeft hij, naar men zegt, lang gewoond, tot hij eindelijk door de Brahminen is gedood.

§ 10.

Paulus.

Wel had God den Apostelen „getoond geen mcnsch gemeen of onrein te heetenquot;, maar toch was het „voor eenen joodschen man ongebruikelijk, zich te voegen of te gaan tot eenen vreemdenquot; (Hand. 10 : 28). Daarom besloot God tot de heidenen zulk eenen bode te zenden, die bekend was met der heidenen wetenschap en hunne wijze van leven. Deze bode was Saulm. Hij was geen der twaalve, maar toch door den Heer tot het Apostelschap geroepen en daartoe geschikt gemaakt.

Saulus was geboortig van Tarsus in Cilicië. Zijne ouders waren Israëlieten uit \'t geslacht van Benjamin, maar tevens Romeinsche burgers. Opgroeiende te midden van menschen, die de Griekscho. taal en de Griekschc beschaving kenden, raakte Saulus bekend met het leven der oude heideusche wereld en de oude dichters en wijs-geeren der Grieken. Hij zelf zoude een rabbi of schriftgeleerde worden, daar God hem met vele gaven gesierd had. Maar volgens de gewoonte der rabbijnen om naast hunne geestelijke werk-

-ocr page 54-

36

zaamheden ook een handwerk uit te oefenen, leerde ook Saulus een handwerk en werd tentenraaker. Hij ging daarop naar Jeruzalem, waar hij zat aan de voeten van Gamaliel, door wien hij met alle nauwgezetheid in de voorvaderlijke wet werd onderwezen. Deze Gamaliel was het, die eens een zachter oordeel over de Apostelen bij den joodschen raad bewerkte (Hand. 5). Maar de zachtmoedigheid van den leermeester ging niet op den leerling over. Neen, Saulus was een jongeling van vurigen geest en krachtigen wil. De zaak, die hij eenmaal voorstond, was hij ook met hart en ziel toegedaan. Zoo was hij dan ook een ijveria; Farizeër en leefde onberispelijk naar de wet. Doch juist deze ijver maakte hem tot eenen vervolger van de gemeente van Christus. Daar verscheen de Heer hem voor Damascus (36) en riep hem het ontzachelijke woord toe : „Sanl, San/, wat vervolgt gij Mij?quot; (Hand. 9 ; 4) Dit woord besliste over Paulus\' verder leven. Met vreezen en heven antwoordde bij : „Heer, wat wilt Gij, dat ik doen zal ?quot; en daarmede stelde hij zich in den dienst van den Heer, tegen Wien hij vroeger gestreden had.

De christenen waren door dezen snellen overgang verbijsterd. Zij waren in den aanvang bevreesd voor Saulus, en geloofden niet. dat hij waarlijk een geloovige was. Doch hij liet zich doopen en werd steeds krachtiger bevestigd in zijn geloof; hij predikte in de synagogen, dat Christus de Zoon van God was. Veel vervolging van de zijde der Joden werd daardoor zijn deel. Maar toen bleef hij dan ook niet langer geschuwd door de gemeente. Barnahas, een man, die in hoog aanzien stond bij de broederen te Jeruzalem, leidde hem in bij de Apostelen, terwijl hij er voor instond, dat Saulus\' bekeering oprecht gemeend was. Van toen af werd hij dooide Apostelen als een van \'s Heeren jongeren gerekend.

Te Jeruzalem kon hij niet blijven. Vervolgd door de Joden, die hem lagen legden, moest hij vluchten. Daarom zonden de broeders hem naar Tarsus. Maar na eenigen tijd zocht Barnabas hem aldaar op en bracht hem naar Antiochië in Syrië, en weldra was daar eene christengemeente, bloeiend en krachtig, en uitmuntend in alle christelijke deugden Toen sprak de Heilige Geest; „Zondert mij af, beide Barnabas en Saulus tot het werk, waartoe Ik ze ge-geroepen hebquot; (Hand. 13 ; 2). Toen legden zij hun de handen op en lieten hen gaan (45). De eerste zendingreis, die Paulus alzoo maakte, ondernam hij met Barnabas; eerst gingen zij naar Cyprus,

-ocr page 55-

•37

toen togen zij door de lauden van Kleiu-Azië en predikten in de synagogen der Joden. Toen echter de Joden hen wederstonden en den naam des Heeren lasterden, keerden zij zich van hen tot de heidenen, en uit hen kwamen er nu talloos velen, die den Heer verheerlijkten en geloofden in den Christus. Saulus — die zich nu met den Latijnschen naam Paulus noemde — keerde na deze reis blijmoedig naar Antiochië terug. Hier ontspon zich te dier tijde in de Gemeente een twist over de vraag, of de geloovigen uit de heidenen ook den joodschen eeredienst en de joodsche wetten moesten volgen.

Met \'t oog hierop werden Barnabas en Paulus nu naar Jeruzalem gezonden, waar (in 50) de Apostelen en oudsten samenkwamen, om in deze zaak een besluit te nemen. (Hand. 15 : 16). Hier werd na belangrijke beraadslaging besloten, den heidenen, die zich tot God bekeerd hadden, geen meerderen last op te leggen, en alleen van hen te eisehen, dat zij zich vau heidensche gruwelen zouden onthouden. Wat men vroeger niet had kunnen denken was geschied, dat God geen onderscheid gemaakt had tusschen Joden en heidenen, en ook de laatsten gereinigd had door het geloot\'.

In 51 ging Paulus ten tweeden male een groote reis ondernemen. Hij bezocht Syrië en Cilicië, en sterkte de gemeenten, die hij te voren aldaar gesticht had. Silas, en later Lucas, waren bij deze reis zijne metgezellen. Te Troas, eene plaats aan de uiterste grenzen van Klein-Azië, zag de Apostel een gezicht: Een Macedo-nisch man stond bij hem, en smeekte hem naar Macedonië over te komen en hen te helpen. Zoo lag dan een nieuwe weg voor hem. Paulus stak de zee over, en zoo betrad zijn voet voor \'t eerst de Europeesche kust. Hier predikte hij eerst in Macedonië, daarna te Athene en te Corinthe. Nadat hij aldaar geruimen tijd had vertoefd, scheepte hij zich wederom in naar Azië. Overal had de Heer door Paulus groote dingen tot stand gebracht en groote dingen voorbereid. Ook begon Paulus in dezen tijd zijne brieven van stichting en opwekking aan de afzonderlijke Gemeenten te zenden, opdat hij, ook in zijne afwezigheid, hun tot een prediker en zielzorger zoude kunnen zijn. Zoo schreef hij in dezen tijd de brieven aan de Thessalonicensen 1).

Niet lang vertoefde Paulus ook thans in Antiochië, Hij onder-

1) Tijdens zijn verblijf te Corinthe.

-ocr page 56-

38

iiiiiu (54) zijn derde reis en bereisde de vroeger bezochte lauden. In Ephese bleef hij twee jaren, zoodat Joden en Grieken aldaar het. woord des Heeren Jezus hoorden, en \'t woord wies en de overhand verkreeg. Daarna vertrok Paulus van daar, en reisde naar Macedonië eu Griekenland, en ging daarbij nog verder dan tie vorige maal. Zijne metgezellen bij deze reis waren, behalve anderen, Lucas, Timotheüs en Titus. Gedurende deze reize schreef Paulus aan de Galaten, Corinthiërs en Romeinen.

Eindelijk, in 58, keert de Apostel terug naar de heilige stad. Voor de arme geloofsgenooteu in Jeruzalem brengt hij eene gave mede, die hij verzameld had onder de broederen uit de heidenen. Wel wordt hij door een stem in zijn binnenste en dioor \'t woord van den proleet Agabus verzekerd, dat banden en droefheid hem wachten, maar hij is bereid ook te sterven voor den naam van den Heere Jezus (Hand. 31 : 13). Weldra ontstaat te Jeruzalem onder de Joden een oproer tegen Paulus. Door Romeinsche wachten wordt hij gered, maar tegelijk als gevangene beschouwd. Te Cae-sarea wordt hij eerst door Pelix, daarna door Pestus in voorloopige hechtenis gehouden. Scherpe aanklachten brengen de Joden tegen hem in, en de Eomeinsche stadhouder, niet afkeerig van omkoopertj, hoopt dat Paulus hem losgeld geven zal om vrij te komen. Tegenover beide verklaart Paulus een onergerlijk geweten te hebben (Hand. 34 : 16) en beroept zich op den keizer.

Zoo wordt hij dan naar Rome gevoerd, opdat keizer Nero in zijne zaak uitspraak zoude doen. Verscheidene jaren woonde Paulus daar in Rome in lichte gijzeling, terwijl hij vrijelijk en met blijdschap het Evangelie van Jezus Christus mocht verkondigen. Volgens de overlevering der Oude Kerk heeft hij zijne vrijheid nog eens wedergekregen, en nieuwe reizen — vooral naar Spanje — ondernomen. Deze dingen zijn echter onzeker. Waarschijnlijk is hij bij de vervolging van Nero (in 67) onthoofd. In dezen tijd (in Caesarea en Rome) vallen de brieven gericht aan de Epheziërs, de Philip-pensen en Colossensen en de brieven aan Timotheüs en Titus.

De Apostel werd gedood, maar zijn taak heeft hij heerlijk volbracht. Van \'t eene einde van \'t groote Eomeinsche rijk tot het andere ontstonden bloeiende christelijke gemeenten als vruchten van zijne toewijding aan de zaak des Heersn, en in die gemeenten predikten een aantal mannen, die door Paulus gevormd, door hem met

-ocr page 57-

39

heilige bezieling voor hunnen arbeid waren doordrongen. Welk eene macht een sterke geest op een gebrekkig lichaam kan uitoefenen, daarvan is het geheele leven van den Apostel een bewijs. Dikwijls klaagt hij over lichamelijke zwakheid, dio gemakkelijk te verklaren is uit de vele moeiten en ontberingen, die zijn leven meebracht. Dikwijls is hij gevangen genomen en in doodsgevaar geweest, driemalen is hij met roeden gegeeseld, eenmaal gesteenigd, en ook verder is zijn leven een leven van zwaren arbeid en drukkende zorgen geweest (2 Cor. 11). Zoo nam hij als een echte jonger des Heeren zijn kruis op, en mocht met recht betuigen, dat hij de litteekenen des Heeren Jezus in zijn lichaam droeg (Gal. 6 : 17). Ja, hij moet zelfs eene blijvende kwaal, die hem zeer hinderde, hebben gehad 1). Immers hij zegt; „Opdat ik mij door de uitne-nemendheid der openbaringen niet zoude verheffen, zoo is mij gegeven een scherpe doorn in het vleesch, . . . ., hierover heb ik den Heer gebeden, opdat hij van mij zoude wijken. En Hij heeft tot mij gezegd : „Mijne genade is u genoeg, want Mijne kracht wordt in zwakheid volbrachtquot; (2 Cor. 13 : 7, 9). En wel verre dan ook van te klagen, betuigt de kranke en lijdende Panlus met blijdschap : „Ik vermag alle dingen door Christus, die mij kracht geeftquot; (Phil. 4 : 14).

§ li-

De mede-arbeiders der Apostelen.

Om de verheven gestalten der Apostelen groepeert zich een aantal dienende vrienden, wier gedachtenis de Gemeente in dankbare herinnering moet bewaren.

Johannes — meer bekend bij zijnen, misschien bij \'t begin zijner zendingswerkzaamheid aangenomen, bijnaam Marcus — was quot;eboren te Jeruzalem en zoon eener christin, met name Maria, die

O

door haar krachtig geloof en vrijmoedig belijden, te midden der andere Maria\'s met eere mag -worden genoemd. Immers juist in den tijd, dat Herodes de hoofden der christelijke gemeente bloedig begon te vervolgen, opende zij onbevreesd haar huis, om voor de ver-

1) Zeer waarschijnlijk eeue oogziekte.

-ocr page 58-

38

nam (34) zijn derde reis en bereisde de vroeger bezochte landen, fn Ephese bleet luj twee jaren, zoodat Joden en Grieken aldaar bet woord des Heeren Jezus hoorden, en \'t woord wies en de ovcr-liand verkreeg. Daarna vertrok Panlus van daar, en reisde naar Macedonië en Griekenland, en ging daarbij nog verder dan de vorige maal. Zijne metgezellen bij deze reis waren, behalve anderen, Lucas, Timotheüs en Titus. Gedurende deze reize schreef Panlus Him dc Galaten, Corinthiërs en Komeineu.

Eindelijk, in 58, keert de Apostel terug naar de heilige stad. Voor de arme geloofsgenooten in Jeruzalem brengt hij eene gave mede, die hij verzameld had onder dc broederen uit de heidenen. Wel wordt hij door een stem in zijn binnenste en door \'t woord van cien profeet Agabus verzekerd, dat banden en droefheid hem wachten, maar hij is bereid ook te sterven voor den naam van den Heere Jezus (Hand. 31 : 13). Weldra ontstaat te Jeruzalem onder de Joden een oproer tegen Paulus. Door Romeinsche wachten wordt hij gered, maar tegelijk als gevangene beschouwd. Te Cae-sarea wordt hij eerst door Felix, daarna door Festus in voorloopige hechtenis gehouden. Scherpe aanklachten brengen de Joden tegen hem in, en de Romeinsche stadhouder, niet afkeerig van omkooperij, hoopt dat Paulus hem losgeld geven zal om vrij te komen. Tegenover beide verklaart Paulus een onergerlijk geweten te hebben (Hand. 34 : 16) en beroept zich op den keizer.

Zoo wordt hij dan naar Rome gevoerd, opdat keizer Nero in zijne zaak uitspraak zoude doen. Verscheidene jaren woonde Paulus daar in Rome in lichte gijzeling, terwijl hij vrijelijk en met blijdschap het Evangelie van Jezus Christus mocht verkondigen. Volgens de overlevering der Oude Kerk heeft hij zijne vrijheid nog eens wedergekregen, en nieuwe reizen — vooral naar Spanje — ondernomen. Deze dingen zijn echter onzeker. Waarschijnlijk is hij bij de vervolging van Nero (in 67) onthoofd. In dezen tijd (in Caesarea en Rome) vallen de brieven gericht aan de Epheziërs, de Philip-pensen en Colossensen en de brieven aan Timotheüs en Titus.

De Apostel werd gedood, maar zijn taak heeft hij heerlijk volbracht. Van t eene einde van \'t groote Romeinsclic rijk tot het andere ontstonden bloeiende christelijke gemeenten als vruchten van zijne toewijding aan de zaak des Heer an, en in die gemeenten predikten een aantal mannen, die door Paulus gevormd, door hem met

-ocr page 59-

39

heilige bezieling voor hunnen arbeid waren doordrongen. Welk eene macht een sterke geest op een gebrekkig lichaam kan uitoefenen, daarvan is het geheele leven van den Apostel een bewijs. Dikwijls klaagt hij over lichamelijke zwakheid, die gemakkelijk te verklaren is uit de vele moeiten en ontberingen, die zijn leven meebracht. Dikwijls is hij gevangen genomen en in doodsgevaar geweest, driemalen is hij met roeden gegeeseld, eenmaal gesteenigd, eu ook verder is zijn leven een leven van zwaren arbeid en drukkende zorgen geweest (3 Cor. 11). Zoo nam hij als een echte jonger des Heeren zijn kruis op, en mocht met recht betuigen, dat hij de litteekenen des Heeren Jezus in zijn lichaam droeg (Gal. 6 : 17). .Ta, hij moet zelfs eene blijvende kwaal, die hem zeer hinderde, hebben gehad 1). Immers hij zegt: „Opdat ik mij door de uitne-nemendheid der openbaringen niet zoude verheffen, zoo is mij gegeven een scherpe doorn in het vleesch, . , hierover heb ik den Heer gebeden, opdat hij van mij zoude wijken. En Hij heeft tot mij gezegd ; „Mijne genade is u genoeg, want Mijne kracht wordt in zwakheid volbrachtquot; (3 Cor. 13 : 7, 9). En wel verre dan ook van te klagen, betuigt de kranke en lijdende Paulus met blijdschap : ,,Ik vermag alle dingen door Christus, die mij kracht geeftquot; (Phil. 4 : 14).

§ U.

De mede-arbeiders der Apostelen.

Om de verheven gestalten der Apostelen groepeert zich een aantal dienende vrienden, wier gedachtenis de Gemeente in dankbare herinnering moet bewaren,

Johannes — meer bekend bij zijnen, misschien bij \'t begin zijner zendingswerkzaamheid aangenomen, bijnaam Marcus — was geboren te Jeruzalem en zoon eener christin, met name Maria, die door haar krachtig geloof en vrijmoedig belijden, te midden der andere Maria\'s met ecre mag worden genoemd. Immers juist in den tijd, dat TIerodes de hoofden der christelijke gemeente bloedig begon te vervolgen, opende zij onbevreesd haar huis, om voor de ver-

1) Zeer waarschijnlijk eeue oogziekte.

-ocr page 60-

40

volgde geloofsgenoo\'teii, als plaats voor de gezamelijke Godsvereerütg te dienen. Haar zoon Johannes is misschien een der zeventigen geweest. Do Oude Kerk hield liem voor den jongeling, die in den nacht des verraads, den Heer van verre volgde en slechts door een snelle vlucht en met achterlating van zijn kleed, de ook hem bedreigende gevangenschap ontkwam. In later tijd geleidde hij den Apostel Paulus op diens eerste zendingreis tot Perge, maar keerde toen terug, misschien omdat de beslistheid en de zelfverloochening, voor liet zendingswerk zoo onontbeerlijk, hem toen nog ontbrak. Zoo kon Paulus bij zijne tweede reis hem niet als reisgenoot medeuemen 1). Doch twee harten door één geloof verbonden, blijven niet onverzoenlijk. Toen Paulus in Rome gevangen was, bevond Marcus zich weder bij hom. Spoedig daarna vinden wij den inmiddels tot mannelijke standvastigheid gerijpteu Apostcljonger te Baby-Ion, in den kring van Petrus, die hem vol liefde den zoonsnaam waardig keurt (1 Petr. 5 : 13). ïoen deze beide groote mannen hunne aardsclie loopbaan geëindigd hadden, die hun licht op zijn pad hadden laten vallen, heeft, indien de oude overlevering ons niet bedriegt, ook Marcus (68), den marteldood te Alexandrië ondergaan, waar hij het laatst het Evangelie verkondigd had. Zijn laatste omhulsel voerden na vele eeuwen de Venetiërs naar hunne eilandenstad, en verkozen hem als hun beschermheilige. Doch \'t schoonste gedenkteeken voor zijnen naam heeft hij zich gesticht door zijn Evangelie, waarin hij het leven des Heeren kort, maar scherp belijnd, ons afteekent. De christelijke symboliek heeft hem \'t teeken van den leeuw toegevoegd.

Nauwer nog dan deze Marcus, was dc Antiocheensche Griek Lucas — eigenlijk Lucanus — met Paulus verbonden. Geneesheer was hij van beroep, en hoevele kranke zielen heeft Lucas, toen hij christen geworden was, genezing voor het hart gebracht! Of hij ook schilder geweest is, gelijk verhaald wordt, is onzeker. Zeer onwaarschijnlijk is het vermoeden van sommigen, dat Lucas een der beide jongeren geweest zoude zijn, die met den verrezen Heer naar Emmaus reisden. Evenals de overige schrijvers des Bijbels, spreekt hij zoo weinig van zich zeiven, dat hij liet begin van zijne veree-

I) Barnabas nam het toen voor zijn neef Marcus op. Zoo ontstond die verwijdering, dio Buniabas en Paulus een tijdlang gescheiden hield.

-ocr page 61-

41

nigiug met Paulus slechts dooi\' de eenvoudige woorden : ,, }f ij voeren af van Troasquot;, aanduidt (Hand. 16 : 11). ïoch is liij van dit oogenblik af zoo innig aan zijnen vriend verbonden, dien hij zoo lief heeft en hoogacht, dat geen moeite of gevaar hem ooit van hem heeft kunnen scheiden. Waar hij na den dood van Paulus gewoond heeft, is onbekend, maar het heet, dat hij een leeftijd van meer dan tachtig jaren heeft bereikt. Zijn Evangelie wordt met het beeld van den stier aangeduid, daar het den lezer, dadelijk bij den aanvang, den Oud-Testamentischeu offerdienst voor oogen stelt.

Bijzonder gering is onze kennis van het leven van Silas. Hij was leeraar bij de christelijke gemeente te Jeruzalem, en genoot daar het bijzondere vertrouwen der Apostelen. Het Apostelcon-vent (50) gaf hem de vereerende opdracht, \'t genomen besluit van de vrijstelling der heiden-christenen van de Joodsche ceremoniën aan de Gemeente te Antiochië over te brengen en den aldaar verstoorden vrede weder te herstellen, zooals dit hierboven is medegedeeld. Nadat hij verder bij Paulus\' tweede zendingreis zijn reisgenoot geweest was, treffen wij hem onder den naam Silvanus aan, onder de medehelpers van Petrus (1 Petr. 5 : 12).

Titus, uit \'t heidendom tot Christus bekeerd, was een trouw dienaar van Paulus eu van \'t Koninkrijk Gods, zoodat Paulus zich over hem verheugde als over een „rechtschapen zoonquot; (ïit. 1 : 1). Hij droeg hem de leiding op der christengemeenten op het eiland Creta. Naar men zegt, is Titus aldaar als negentigjarige grijsaard den marteldood gestorven.

Toen Paulus ten tweedenmale Lystre bezocht, nam hij van daar den jeugdigen Timotheüs met zich, en bestemde hem voor den dienst des Goddelijken Woords. Hij was de zoon van een heiden-schen vader, maai door de vrome zorgen zijner godvreezende moeder Eunice eu zijner grootmoeder Lois, had hij van der jeugd aan eene christelijke opvoeding genoten. Toen hij onder oplegging der handen tot prediker des Evangelies gewijd werd, werden belangrijke profetiën aangaande hem gedaan, dat God door dezen jongeling eens iets groots zou tot stand brengen (l Tim. 1 : 18). Timotheüs deelde de laatste gevangenschap met zijnen leermeester, en bekleedde later het opzienersambt in Epliese, tot ook hij als bloedgetuige den dood onderging.

De geleerdste onder de christenen van zijnen tijd was Ajaollos

-ocr page 62-

42

uit Alexandria, die bovendien ook uitmuntte door groote welsprekendheid. Eerst kende hij alleen den doop van Johannes, totdat hij, in Ephese, in kennis kwam met een geloovig echtpaar, Aquila en Prudllu, die uit Eome verdreven waren door \'t keizerlijk verbanningsdecreet. Deze eenvoudige menschen werden nu leermeesters van dezen geleerden man, terwijl zij zijne dikwijls verkeerde voorstellingen van den Christus in \'t rechte spoor brachten. Daarop ging hij naar Corinthe, waar hij het werk van Paulus voortzette, of, zooals de Apostel het zoo eigenaardig uitdrukt, natmaakte, wat deze geplant had (1 Cor. 3 : 6). Hoe gunstig Apollos invloed was door de welsprekendheid, waardoor hij talloos velen boeide, toch schijnt zijne leer niet zonder bedenkelijke bijmengselen van we-reldsche wijsbegeerte gebleven te zijn. Luther 1) vermoedt, dat Apollos de schrijver is geweest van den brief aan de Hebreeën, die anders door de kerkelijke overlevering aan Paulus toegeschreven wordt.

Eindelijk is bij deze mannen nog Judas te noemen, die in zijn korten, maar ernstigen zendbrief de christenen van zijnen tijd waarschuwt tegen de toen reeds opkomende valsche leeringen. Hij noemt zich een broeder van Jacobus, en is dus als deze een broeder des Heeren geweest. Zijn leven echter is onbekend.

Naar het voorbeeld der Apostelen schreven ook in later tijd trouwe kerkleeraren opene brieven aan afzonderlijke christenen of aan geheele Gemeenten, om deze te bevestigen in kennis en gehoorzaamheid des geloofs. Deze brieven staan echter in diepte en rijkdom van gedachten, verre achter bij de Apostolische geschriften, en zijn er in geenen deele mede op eene lijn te stellen. Toch werden zij door hen, die ze ontvingen, op hoogen prijs gesteld en zelfs in godsdienstige samenkomsten^ tot stichting der Gemeente voorgelezen. Do Aposteljongeren, door zulke geschriften beroemd geworden en toch staande buiten den kring der schrijvers van \'t Nieuwe Testament, worden Apostolische vaders genoemd. Maar gelijk bij iedere groote beweging onder de menschen, zonde en harts-

1) Bit is ook de meening van Bleek. Een groot bezwaar hiertegen is echter, dat dan de lezers van den brief niet te Jeruzalem of in Palestina, maar te Corinthe moeten gezocht worden. Prof. I). Chantepie de la Saussaye pleit met zeer wichtige argumenten voor Barnabas, als schrijver van dezen brief. Dat de brief niet van Paulus is, blijkt duidelijk, o. a. uit \'t groot verschil van stijl.

-ocr page 63-

13

tocht als woekerplanten tusschen do goede vruohten opschieten, zoo ontbrak het ook in de eerste tijden van het Christendom niet aan leugenprofeten, die, om hunne verkeerde leeringen ingang te doen vinden, de geschriften vau vrome mannen vervalschten, en de voortbrengselen van hun eigen verwarden geest voor geschriften van hooggeachte Kerkvaders uitgaven. Zoo klaagt de bisschop Dionysius van A-lexandrië in een zijner geschriften: ,,Ik heb op verlangen dei-broeders zendbrieven geschreven. Maar de Apostelen des Satans hebben ze met onkruid gevuld, vele gedeelten weggenomen en andere woorden in plaats gesteld. Toch zal het wee, dat zij daardoor over hunne hoofden hebben gebracht, niet uitblijven.quot; Daarom is het dan ook twijfelachtig of de geschriften der Apostolische vaders, die tot onzen tijd bewaard zijn, alle wel dezen naam verdienen.

De eerste ouder dc Apostolische vaders is Burnaltas. Deze heet eigenlijk Joses en was een Leviet, geboortig van het eiland Cyprus. Zijn bijnaam Barnabas beteekent Zoon der vertroosting en is alzoo eene getuigenis, hoe hij van hart tot hart kon spreken. Men houdt hem voor een van de zeventigen. Hij stond onder de christencii te .Jeruzalem zeer gunstig bekend, vooral sedert hij den prijs van een verkochten akker aan de voeten der Apostelen gelegd had. Hoe hij daarna den Apostel Paulus het eerst in den discipelkring heeft ingeleid en daarna naar Antiochië heeft medegenomen, is boven reeds verhaald. Van nu af verschijnt Barnabas weer als ile dienende helper van zijnen voormaligen beschermeling, die waarschijnlijk, hoewel jonger, de meest begaafde van hen was. Intus-schen hielden de heidensche inwoners van Lystre Barnabas voor den hoogste aller goden, ineenende dat hij Zeus was, terwijl zij in den met bezieling sprekenden Paulus Hermes, den bode der goden zagen. (Hand. 14 : 12). Hieruit mogen wij opmaken, dat Barnabas door indrukwekkende gestalte en waardigen ernst zich kenmerkte. Op zijn naam staat een brief, die dc verhouding van \'t christendom tot het jodendom behandelt, en eenige overeenkomst heeft met den brief aan de Hebreeëu 1). Van \'t verdere leven van Barnabas

1) Doch daarvan oudorscheideu is met al hot verschil, dat tusscheu de Kano-uieke en niet-Kanonieke geschriften bestaat. Is Barnabas schrijver van den brief aan de Hebreeën, dan is hij het zekerlijk niet van den brief, die op zijn naam is gesteld.

-ocr page 64-

44

is niets bekend. Volgens eene oude overlevering is hij de eerste bisschop van Milaan geweest.

Een andere Apostolische vader is Clemens van Rome. Door Paulus wordt hij in den brief aan de Philippenseu (Phil. 4 : 3) als een trouwe medestrijder vermeld, wiens naam met die van anderen geschreven was in het boek des levens. Later was hij bisschop van de gemeente te Rome (92—102). In dezen tijd ont-ving hij uit Corinthe liet droevig bericht, dat de christengemeente aldaar nog altijd, als in de tijden van Paulus, in beroering was, en tegen elkander verdeeld. Dit is aanleiding voor hem om een zendbrief te schrijven aan de christenen te Corinthe. „Clemens vermaant de Gemeente in zijnen brief, die in de allerlaatste jaren der eerste eeuw moet geschreven zijn, tot eensgezindheid, ootmoed, gehoorzaamheid en geduld, terwijl hij haar wijst op het toekomend oordeel en de hoop der opstanding, waarvan reeds de natuur met hare wisseling van dag en nacht, van zaad en oogst, en niet minder de vogel Phoenix uit Arabië zulke treffende zinnebeelden toonen. Zoo gebruikt de schrijver verder ook de zichtbare schepping om de oproerige gemoederen tot rust te vermanen, terwijl hij in haar een stem Gods ziet, die de menschen tot gehoorzaamheid aan de goddelijke wet dringt. De hemel, zoo zegt hij, beweegt zich volgens deze eeuwige wetten; dag en nacht bewandelen ieder de hun aangewezen weg, zonder elkaar te hinderen. Zou en maan, en iielge-heele sterrenheir, wentelen op het woord des Scheppers langs eigen banen, zonder deze te overschrijden. De vruchtbare aarde brengt naar Zijnen wil op hare gezette tijden in overvloed spijze voort voor mensch en dier, zonder te weigeren haar vrucht te geven. De ontoegankelijke diepten van den afgrond worden door dezelfde wetten beheerscht; de ontzachelijke watermassa van de zee wordt door de macht des Scheppers samengehouden, opdat zij niet buiten de haar gestelde perken zou treden. Want alzoo spreekt de Heer: „Tot hiertoe en niet verder, hier zullen uwe trotsche golveti zich nederleggenquot;. De oceaan, die onoverkomelijke scheidsmuur voor den mensch, en de werelden, die daarachter liggen, volgen dezelfde geboden des Heeren. Lente, zomer, herfst en winter lossen elkander vreedzaam af. De winden verrichten geregeld hunne taak op hunne plaats en hunnen tijd. De nooit opdrogende bronnen, geschapen tot ons genot en onze gezondheid, zijn altijd gereed ons aan hare borst

-ocr page 65-

45

te laven tot onderhouding van het menschelijke leven, envrelt;^ en eendracht verkeeren de kleinste dieren met elkander. Dit al es heeft de groote Schepper en Heer aller dingen akoo geordend, dat het in vrede en eendracht zoude bestaan, ten nutte van ailen di , toevlucht nemen tot Zijne barmhartigheid door onzen Heer Jezus Christus, wien zij toegebracht eer en lofzegging van eeuwigheid

\' (H ïi ff c n b c li.) i t i

Ook KerL (Eoxn. 10 : 14) wordt onder de Apostolische

vaders gesteld, daar een geschrift, getiteld de herder, van hem afkomstig is. Dit geschrift bestaat uit drie afdeelingen. De eerste bevat eene reeks van profetische gezichten, de. tweede verschillende o-p,boden en opdrachten, de derde tien gelijkenissen. In de laatste twee deelen treedt een engel in de gedaante van eenen herder als leeraar op, waarnaar dan het geheele geschrift zijn naam ontvangen heeft Het boek wil voornamelijk een leven van reinheid en heiligheid bevorderen en werd in dien tijd veel als stichtelijk werk gelezen.

De Apostolische vaders Ignatius en Poly carpus zullen later besproken worden, omdat hun leven met de geschiedenis van de tweede eeuw samengesmolten is.

Het geloof tier Gemeente

Door de genadige leiding des Heeren waren de Apostelen zoolang voor de Gemeente gespaard, dat deze eene overa gelijke en vaststaande kennis van het in Christus verschenen hei kon ver-krijgen. Daartoe was ook den Apostelen de Heilige Geest gegeven, opdat zij bewaard zouden blijven voor alle dwaling. Al waren an ook de Apostelen verscheiden in aanleg en karakter toch is hunne „etui^enis dezelfde. Twee hoofdgedachten bevatte deze. De eene was dat Jezus Christus de in \'t vleesch gekomen Zoon van den levenden God is. De andere, dat de mensch gerechtvaardigd wordt door het geloof alleen, zonder de werken der wet. Deze gedachten werden door de Apostelen, in hunne brieven, zoo diep ingedacht en zoo uitvoerig uitgewerkt in de bespreking ^ fgeen er uit voortvloeit dat daarin reeds eene christelijke heilsleer zich begint te

-ocr page 66-

46

ontwikkelen. Zóó had inderdaad de oude Kerk zich in een groote eenheid des geloofs moeten verheugen.

Maar de dwaasheid der menschen kan er ongelukkig niet buiten, met de openbaring van God de eigene gedachten te vermengen En deze gedachten wil de een aan den ander opdringen als de waarheid. Geen wonder dus, dat er strijd en verdeeldheid ontstaat.

Zoo is er reeds in de gemeente te Corinthe, spoedig na hare stichting, vierderlei meening geweest. Daar waren er, die zich te goed deden op hunne kennis en zoogenaamde vrijheid door het Evangelie, die de angstvallige Joden-christenen verachtten en hen ergerden, door, tegen het Apostolische voorschrift in, offervleesch te eten dat aan de afgoden gewijd was, omdat, zooals zij zeiden, een afgod toch mets was. Anderen waren er, die veel met de zooeven getee-kenden overeenkwamen, maar bovenal redenaarsgaven en verstandelijke uiteenzetting verlangden. Weer anderen meenden, dat zij het eemg ware Christendom bezaten, terwijl zij Paulus verkleinden^ en de geheele ceremoniëele wet van Israël door de heiden-christenen wilden zien nageleefd. Eindelijk waren er, die de leerlingen van geen der Apostelen wilden zijn 1). Daarom schrijft Paulus aan de Connthiërs: „Ik bid u broeders, dat er onder u geene scheuringen zijn, maar dat gij samengevoegd zijt in eenen zelfden zin en in een zelfde gevoelenquot; (1 Cor. 1 : 10).

Intusschen heeft de Geest des Heeren uit dit alles het o-oede doen voortkomen. Door den strijd werd de dwaling overwonnen en de waarheid aan het licht gebracht. Dit openbaarde zich dadelijk )ij den eersten strijd, dien de Kerk in eigen boezem te kampen had Joden en heidenen waren tot de Gemeente toegetreden. De eersten\' waren gewoon, de heidenen te beschouwen als buitengesloten buiten het rijk van God. En inderdaad had God in Zijne opvoedende wijsheid de Joden verkoren en hen afgezonderd uit \'t midden der heidenen, om het heil, dat komen zou, voor te bereiden. Maar deze taak was nu volbracht. Het heil was in Christus verschenen, en wel voor alle volkeren, en tot alle volkeren zond Hij Zijne Apostelen henen. Daarmede konden echter vele christenen zich niet vereeni-

1) De voorstanders dezer verschillende meeningen ais scherp afeeteekende

Tvn „ , ^ P,m,US\' tegei1 die vaquot; enz., schijnt tan

redelijke bedenking onderhevig-.

-ocr page 67-

47

gen, zij ui. die vroeger Joden waren en naar oud gebruik de wet van Mozes hielden. Zij meenden, dat de bekeerde heidenen ook deze wet moesten honden, en zoo Joden worden om in het rijk Gods te kunnen ingaan. Hoe daarover te Antiochië een strijd ontstond, die. op het Apostelconvent (50) beslecht werd, is boven reeds gemeld. Maar deze zaak was en bleef nog jaren lang een oorzaak van tweespalt in den boezem der christenheid. Eerst toen de bezoeking des Heeren over Israël kwam en Jeruzalem met zijnen tempel in de asch werd gelegd, kwam men tot de erkenning, dat Israël zijne oude beteekeuis verloren had, en liet rijk van Christus niet meer gebonden was aan de Joodsche inzettingen. Ook de zachte, vermaningen van Johannes droegen er veel toe bij, de strijdenden te verzoenen. Zoo verdwenen langzamerhand de joodsche gebruiken uit de Kerk, en de heidenen werden er niet langer mede lastig gevallen. Hier en daar waren er toen, die zich hiermede niet vereenigen konden; deze scheidden zich van de Kerk af en vormden eigen, kleine vereenigingen. Eene dezer secten was die der Naza-reners, wat oorspronkelijk de naam voor alle christenen geweest was.

üe Nazareners verwierpen den Christus niet, maar bleven bij de voorvaderlijke joodsche gebruiken. Maar eene andere secte loochende de godheid van Christus, trachtte door zelf gekozen armoede en zelfkastijding de zaligheid te koopen, en noemden zich daarom Khionieten of armen.

Ook de wereldsche wijsheid van dien tijd trok het Christendom in den kring van hare onderzoekingen. Maar zij was te hoogmoedig om zich nederig onder het Woord Gods te buigen. De wijs-geeren werden wel op de blijde boodschap opmerkzaam gemaakt, en konden niet nalaten deze met eenen zekeren eerbied te bejegenen, maar zij lieten zich toch besturen door hunne eigene gedachten, en vlochten in de geopenbaarde, leer hunne eigene bespiegelingen in, zoodat aldus mismaakt, de leer van \'t Evangelie eenen zeer vreemden vorm verkreeg. Zoo leefde in de dagen van Johannes een man te Ephese, met name. Cennthus. Deze leerde, dat de wereld niet door God, den Allerhoogste, geschapen was, maar door een wezen van lager orde. Jezus, zeide hij, was een mensch, maar met dezen mensch was, van den Doop tot de kruisiging, een he-melsche geest verbonden. Ook verkondigde hij een, met de opstanding der dooden aanvangend, duizendjarig rijk, waarin de geloovigen

-ocr page 68-

48

enkel blijdschap en vreugde zouden genieten. Deze wonderlijke, leer, zoo in strijd met het Evangelie, was des te gevaarlijker, omdat allerlei christelijke gedachten en woorden erin werden aangehouden, om de omstanders des te gemakkelijker te kunnen verblinden. De Apostel Johannes ijverde dan ook zeer tegen Cerinthus. De overlevering verhaalt zelfs, dat toen hij eens in een badhuis kwam en daar Cerinthus bemerkte, hij snel terug trad en wegijlde, zijnen metgezellen toeroepende: „Vlucht, want \'t huis kon instorten, waar Cerinthus, de vijand der waarheid, zich ophoudt.quot; Daaraan herkennen wij den „Zoon des dondersquot;.

Voor het Evangelie blijft het cene eer, dat zelfs de trotsehe wijzen dezer wereld zich er niet aan hebben kunnen onttrekken, maar er toch rekening mede hebben moeten houden, ook dan, wanneer zij er zich niet geloovig aan onderwierpen.

Neg andere, valsche leeringen waren er, waartegen Johannes den strijd moest aanbinden, zoo b. v. die der Nicolaïten. Zij leerden dat men de zinnelijke lusten juist door eene onbeteugelde bevrediging ervan moest dooden, en zij wilden maar niet erkennen, dat de mensch door zóó te doen, zich altijd meer eenen dienstknecht der zonde maakt. Zoo namen zij zonder eenig bezwaar deel aan de heidensche otferfeesten, waar teugelloosheid en ongebondenheid den scepter voerden. Daarom verkondigt Johannes aan de gemeente, van Pergamus het woord des Meeren: „Ook gij hebt, die de leering der Nicolaïten houden, hetwelk Ik haatquot; (Openb. 2 : 15).

Eindelijk werden er in dien tijd nog Johannes-jongeren gevonden, die de prediking van Johannes den Dooper aangenomen hadden, maar niet tot Christus gekomen waren, hoewel hun meester hen daartoe wel zal hebben opgewekt. Integendeel, zij vormden eene eigene, op zich zelf staande vereeniging, hielden Christus niet voor den Messias, en vermengden de leer van den Dooper met de wijsheid van \'t Oosten. De meesten van hen stonden vijandig tegenover het Christendom. Nog tot in onze dagen vindt men in Azië- sporen van hun bestaan.

-ocr page 69-

49

§ 13.

Het leven der Gemeente.

Een groot deel der eerste christenen was door afstamming met het volk Israël verbonden en bleef daardoor, ook na de bekeering, trouw gehecht aan de voorvaderlijke gebruiken, waaraan zij van de vroegste jeugd af gewoon waren, en die door duizend heilige herinneringen dierbaar waren aan het hart. Deze gebruiken bleven zij volgen, voor zoover zij met het Evangelie niet in strijd waren. Een duidelijk voorbeeld hiervan is Jacobus, de broeder des Heeren, die streng de joodsche instellingen naleefde, al noemde hij ze niet noodig tot zaligheid. Scherp daarentegen stond het Christendom tegen het heidendom over. De brieven der Apostelen zijn vol van ernstige vermaningen, om geheel en al met het heidendom te breken, en wie eenmaal christen geworden was, vermeed, zoo geen hoogere plichten hem bonden, allen omgang met de heidenen. En inderdaad, zulk een omgang is eene voortdurende verzoeking om af te vallen van de waarheid, zooals onze zendelingen dat dagelijks voor zich zien. De zeden en gewoonten der heidenen waren dan ook in al te groote tegenspraak tegen des Heeren gebod. Vooral de heidensche schouwspelen werden geheel en al door de christenen vermeden. Deze toch waren dikwijls met afgodische gebruiken verbonden, zoodat reeds daarom een christen er niet aan kon deelnemen. Bovendien waren zij niet zelden onzedelijk en wreed, wat voornamelijk bij de bloedige zwaardvechtersspelen het geval was. Maar ook, afgezien hiervan, beschouwden de christenen, die den ernst des levens hadden leeren kennen, reeds liet betreden van een plaats, alleen aan wereldsche vreugde en wereklschen hartstocht gewijd, als zonde. Zoo werd soms de bekeering van eeneu heiden zijnen voormaligen geloofsgenooten bekend, door wegblijven uit het theater.

De christenen, in verzekerdheid des geloofs, maar tegelijk met de nederige erkenning, dat het alleen Gods genade was, dir, lirn. maakte, wat zij waren, gevoelden liet groote onderscheid, dat er was tusschen hen en de overige, van God vervreemde, mensch-heid. aarom noemden zij zich zeiven, in tegenstelling met deze het verderf tegemoet ijlende wereld, geroepenen en uitverkorenen. Ouder elkander noemden zij zich jongeren, of hroederx of

4

I

i

-ocr page 70-

50

heiligen. De Joden noemden hen naar de stille, nederige woonplaats huns Meesters, Nazareners of Galileeërs. Met even groote verachting noemden de heidenen te Antiochië hen CJrutianoi — aanhangers van Christus — welke naam tot den schoonsten eerenaam der ge-loovigen geworden is.

In de brieven der Apostelen vinden wij menig woord van bo-straffing over allerlei zonden, die nog onder de christenen gevonden werden. Maar dit mag ons niet verbazen. Ook de geloovigen bleven zondige menschen, en opgegroeid in eenen tijd, die nauwelijks eene andere wijsheid kende clan het jagen naar ijdele zinvermaken, van der jeugd af aan gewend aan de ongebondenheid van het heidendom, terwijl dikwijls eene diepere kennis van de heilige waarheid hun ontbrak, vergat menigeen zijne heerlijke christelijke roeping en liet de eerste liefde in zijn hart verkouden. Maar welke zwakheid ook den afzonderlijken leden der christelijke gemeenten aankleefde, de jonge gemeente zelve ervoer en betoonde toch overal en ten allen tijde de heiligende en verlichtende kracht des Heiligen Geestes, die alle verhoudingen des levens zuivert en reinigt. Vooral was het de broederlijke liefde, die met een heerlijke warmte, in de heidenwereld nooit vermoed, de christelijke familiën en gemeenten tot sieraad verstrekte. Deze liefde had gereede aanleiding zich telkens te uiten in het ondersteunen der broederen, door het feit, dat de christenen meestal arme en eenvoudige menschen waren. Door deze liefde werd bij de kleine gemeente te Jeruzalem, in de eerste dagen, alle verschil in geld en goed zoo geheel op den achtergrond gesteld, dat men alle dingen gemeen had en ieder uitdeelde naar zijne behoeften. Deze gemeenschap van goederen was niet afgedwongen door ruw geweld, of geboden door eene dwaze wet. Neen, het was eene uiting van liefde, en ingegeven door de erkenning, dat alle bezit slechts door den lieer aan ons toevertrouwd goed is, dat wij getrouw voor Hem besturen moeten. Intusschen was deze gemeenschap van goederen slechts in eene kleine gemeente mogelijk. Toen het aantal christenen toenam, hield deze uiting der christelijke; liefde op. Maar die liefde zelf bleef, en werd nimmer moede wel te doen. Altijd bleven de rijken hunne arme broeders uit hunnen overvloed mededeelen, eu meermalen ontving de gemeente te Jeruzalem in tijd van nood ondersteuning uit ver afgelegen landen, aldaar bijeengebracht door de broeders uit de heidenen.

-ocr page 71-

51

Ook binnen de stille muren van het huiselijk leven openbaarde zich de liefde, die schoone vrucht des geloofs, terwijl zij met zachte, maar krachtige hand de ruwe zeden verzachtte. De vrouw, in hei-densche landen bijna overal, maar vooral in het Oosten, tot slavin vernederd, werd door het Christendom weder tot liefhebbende gade des mans, terwijl aan de andere zijde de Apostelen met allen ernst opkwamen tegen alle openlijk optreden en onvrouwelijk overschrijden van de door God zeiven aan de vrouw gestelde perken. Hoe gezegend godvreezende vrouwen in haren kring en op hare wijze konden arbeiden voor het koninkrijk Gods, door, evenals die moeders in het Evangelie, reeds vroeg hare kinderkens tot den Heer te brengen, daarvan zijn de christinnen Eunicc en Loïs, — de moederlijke voorgangsters van Tiinotheüs\' jeugd — ons zulk een liefelijk voorbeeld. Ook legde het Christendom zegenend de hand op de dienstknechten. Bij alle heidensche volken der oudheid vindt men de slavernij. De beroemdste volkeren der oudheid vereenigden in de. zeldzaamste tegenstrijdigheid, met hartstochtelijke vrijheidsliefde, de hardst mogelijke behandeling humier lijfeigenen. Maar nu werd ook aan de knechten het Evangelie van Christus gepredikt. Het ligt niet in den aard van het Evangelie, om de burgerlijke verhouding dei\' volkeren op eenc gewelddadige wijze uit elkander te rukken. Eerst wil het den mensch innerlijk vrij maken van de dienstbaarheid dei\' zonde, vertrouwende, dat dan ook langzamerhand het uitwendige leven andere vormen zal aannemen. Zoo heeft het ook de ketenen der slaven niet op eens losgemaakt. Maar het gaf aan de knechten de ware vrijheid der kinderen Gods, terwijl het leerde den uiterlijken dwang, als eenc goddelijke ordening, geduldig te verdragen. Doch het spreekt van zelf, dat wanneer in hetzelfde huis, heer en dienstknecht tot den Heer aller heeren bekeerd waren, hunne wederkeerige verhouding alle scherpe kanten moest verliezen en tot een broederlijk verbond worden moest, waarbij de een in liefde gebiedt, de ander in liefde gehoorzaamt. „Knechten en heeren werden, als zij geloovig geworden waren, door denzelfden band van eene in de eeuwigheid hen verbeidende vereeniging met elkander verbonden; zij werden broeders in Christus, waarbij geen dienstknecht is of vrije, leden van ééu lichaam, gedrenkt met éeneu Geest, erfgenamen van dezelfde goederen. Knechten werden dikwijls degenen, die huune meesters in het Evangelie onderwezen.

-ocr page 72-

52

nadat zij voor hen \'t licht van hun geloof in hunne beperkte, aardsche verhoudingen hadden laten schijnen. De heeren zagen in hunne knechten niet meer slaven, maar broeders. Zij baden en zongen met elkander, konden naast elkander zitten bij de liefde-maaltijden en met elkander het Avondmaal genietenquot; (Ne and er).

De Gemeente-inrichting in de Oude Kerk was eenvoudig, zooals de verhoudingen der gemeenten van den eersten tijd dat medebrachten. Voorgeschreven wetten waren er niet. Wat bleek noodzakelijk te zijn voor het heil der Kerk, werd door mannen, door den H. Geest verlicht, verordend, en de gemeenten waren hun om des Heeren wil onderdanig. In de eerste plaats waren, zooals van zelf spreekt, de Apostelen de bestuurders der Kerk, waartoe zij door de keuze des Heeren en de opdracht, die zij ontvangen hadden, gewijd waren. Hoe nederig zij dan ook van zich zeiven mochten denken, zoo waren zij toch de hooggeplaatste personen in de Gemeente. Met eerbied werden zij behandeld en hunne uitspraken, zonder meer, gehoorzaamd. Wanneer zij in eeue stad vertoefden, waren zij de eersten onder de broederen. Had een hunner in eene stad ol landstreek het Evangelie gepredikt en gemeenten gesticht, dan werd hem het bijzondere toezicht op deze planting toegekend. De. gemeenschappelijke aangelegenheden der gemeenten werden bestuurd door daartoe gekozen mannen, oudsten — Presbyters1 of opzieners — bisschoppen, episcopi — genaamd. Onderscheid in rang tusschen deze oudsten en de bisschoppen was er niet. De voornaamste taak dezer mannen was, de Gemeente in de leer des Christendoms te onderwijzen. Want al was het onderwijzen en prediken toen ter tijd nog niet streng aan een bepaald ambt verbonden, toch was het aantal christenen, die er toe in staat waren, niet al te groot, en was het dus, ter wille van orde en regel, noodzakelijk, voor het onderwijs bepaalde, daartoe geschikte personen aan te. wijzen. Misschien hebben ook, zoo er meer oudsten in eene zelfde streek bijeen waren, deze de werkzaamheden onder elkander verdeeld, zoodat sommigen van hen zich aan het leeraarsambt, anderen zich aan het opzienersambt wijdden, ieder naar zijne persoonlijke gaven en neigingen. De keuze der oudsten geschiedde soms — en dit vooral in nieuw gestichte gemeenten — door de Apostelen en hunne helpers; soms door de gemeenten zelve, en dan niet buiten invloedrijke medewerking der reeds in het ambt zijnde oudsten.

-ocr page 73-

53

De betooning van christelijke liefde jegens armen en zieken bracht de christen-gemeente als van zelf tot het aanstellen van eigen armverzorgers of diakenen. Naar het voorbeeld der moeder-gemeente te Jeruzalem, was hun aantal meestal zeven in iedere gemeente. Aan hunne zijde traden weldra diaconessen op, aan wie de zorg voor de vrouwelijke krenken was toevertrouwd. Hierdoor was ook voor vrouwen de gelegenheid geopend om op eene schoone, en tegelijk echt vrouwelijke wijze, voor het Koninkrijk Gods te arbeiden en de gemeente te dienen. Naast deze diaconessen schijnen ook andere vrome vrouwen — voornamelijk weduwen — uit eigen aandrang des harten en zonder ambtelijke wijding, de geestelijke leiding harer jongere zusters in \'t geloof op zich genomen te hebben. De evangelisten of reizende predikers waren niet aan eene bepaalde gemeente verbonden. Van de eene stad reisden zij naar de andere, en brachten zoo aan de heidenen, misschien ook aan verstrooide christenen, het woord des Kruises. Overigens was er tusschen de afzonderlijke gemeenten eene hechte en hartelijke betrekking, iii het leven geroepen door de eenheid des geloofs, en door zendbrieven, van de eene gemeente naar de andere gezonden, in stand gehouden en bevorderd. Voorrang van de eene gemeente boven de andere bestond er in deze dagen niet, al verheugde, zooals te begrijpen is, de gemeente te Jeruzalem zich in een bijzonder aanzien bij de overige gemeenten.

De eerste christenen in het algemeen en de Apostelen in hot bijzonder, wijdden al hunne krachten aan de uitbreiding van de kennis van het Evangelie, en door wonderbare teekenen en daden bewezen zij de goddelijkheid van hunne boodschap en zending. Onder deze, als onmiddellijke werkingen des Heiligen Geestes aangeduide, apostolische genadegaven, zijn de profetie en het spreken in tongen, de meest in het oog vallende. De gave der profetie is mannen zoowel als vrouwen eigen. De grootste onder deze profeten is Agabus, die, geheel volgens de wijze der oude Zieners, zijne voorspelling van de gevaren, die Paulus bedreigen, van eene zinnebeeldige handeling doet vergezeld gaan. Ook de redenen en geschriften der Apostelen dragen niet zelden eene profetische kleur, en de Openbaring van Johannes is in den echten zin des woords een profetisch geschrift. Toch is de Nieuw-Testamentische profetie als het ware slechts een weldra verbleekende weerschijn van het

-ocr page 74-

o 4

voorbijgegane Israëlitisclie profetisme. Met de menschwording van den Zone Gods was de hoofdinhoud van alle profetie vervuld, zoodat hare taak nu geëindigd was. Eene eigenaardige verschijning, bijna uitsluitend eigen aan den Apostolischen tijd, is het spreken „in tongenquot;. Bij de beknoptheid der Niemv-Testamentische berichten hieromtrent en bij het gebrek van eigen waarneming, is het bijna niet mogelijk, zich eene juiste voorstelling van dit spreken in tongen te vormen. Intussclien wijzen de Heilige Schriften tamelijk duidelijk op tweeërlei soort van het spreken in tongen. Somwijlen bestond het nl. in de gave om in vreemde talen, die niet op men-schelijke wijze geleerd waren, te spreken. Van deze soort was het spreken in tongen der Apostelen op het eerste Christelijke Pinksterfeest. In andere gevallen was het een spreken in een soort van geestverrukking; dikwijls duister en onsamenhangend, en daarom door de Apostelen van minder waarde geacht 1).

De eeredienst der eerste christenen was eenvoudig en zonder uiterlijke praal; toch was hij een liefelijke getuigenis van de gemeenschap, waarin de harten der geloovigen met hunnen hemel-schen Koning stonden. De jonge gemeente te Jeruzalem had er behoefte aan, dagelijks samen te komen in de huizen der broeders. Maar zij hielden ook den Sabbath en bezochten den tempel, zooals zij het tot nog toe gewoon geweest waren. Spoedig echter kwam er een tijd, dat de gang naar den tempel gevaarlijk werd, omdat de haat der Joden de christenen vervolgde; de joodsche Sabbaths-wet kon de christenen niet meer binden, en zoo kwam dan — aanvankelijk misschien in de gemeenten van heiden-christenen — de viering op van den Zondag, den dag, waarop de Christus was opgestaan uit de dooden. Met deze herinnering aan de opstanding, werd tegelijk do gedachte verbonden aan de wederkomst des Heeren, door te gedenken hetgeen op Paschen met den Heere Jezus Christus geschied was.

Zulk eeiie herinnering, zulk eene blijde hoop maakte den Zondag tot eenen dag, onderscheiden van de overige dagen der week, tot eenen dag van heilige vreugde. Kerkelijke feesten schijnen in den Apostolischen tijd nog onbekend te zijn geweest. Deze tijd was dan ook zoo dicht grenzende aan den tijd van des Heeren

1) Alzoo is het op te vatten 1 Cor. XIV.

-ocr page 75-

leven, waaraan wij door onze feesten herinnerd worden, dat, aan bijzondere gedenkdagen geene behoefte gevoeld werd. Wel is het mogelijk, dat zij die uit de Joden tot het christendom gekomen waren, nog de feesten huns volks hebben gevierd en daaraan dan eene christelijke beteekenis gegeven hebben.

De plaats van Godsvereering was overal een daarvoor passend huis van een der leden der christelijke gemeente. Indien in eene talrijke gemeente één huis niet voldoende was, schijnt het gcheele aantal christenen zich in verschillende kleine afdeelingen verdeeld te hebben, die dan in verschillende woningen bijeen kwamen. Zoo groet Paulus Nymphas te Colosse „en de gemeente, die in zijn huis isquot; (Col. 4 : 15).

De eeredienst zelf was in zooverre eene navolging van dien, welke in de Israëlitische synagogen gebruikelijk was, als hij voornamelijk bestond uit het lezen van een gedeelte der Schrift en eene stichtelijke toespraak tot de gemeente. Dit voorlezen was eene noodzakelijke behoefte. Immers de handschriften waren destijds even duur als zeldzaam, zoodat de woorden der openbaring slechts in weinig familiën konden gelezen worden. Voor deze voorlezingen werden, in den eersten tijd, gedeelten uit liet Oude Testament, en wel hoofdzakelijk de nu in vervulling getreden woorden der profeten gekozen, daarnaast werden natuurlijk ook do brieven dei-Apostelen aan de gemeeute in deze bijeenkomsten ter kennis gebracht. Toen later de Evangeliën meer en meer verbreid werden, werden de stoffen om voor te lezen, meestal daaruit gekozen. Op deze voorlezing volgde de predikatie. Aanvankelijk was deze slechts eeue korte toepassing bij het voorgelezen gedeelte der Schrift, tot stichting der gemeente, maar langzamerhand, het eerst onder de fijn-beschaafde Grieken, werd deze korte toespraak eene langere en meer sierlijk gevormde rede. Na do predikatie werd het gebed — vroeg reeds staande aangehoord — gedaan, waarin zoowel aan de broederen als aan dc overheid gedacht werd. Ten slotte gaven de aanwezigen elkander den „heiligen kusquot;. Dc gewoonte, welke reeds bij de Israëlieten bestond, om bij openlijke en huiselijke godsdienstoefeningen heilige liederen aan te heffen, gelijk ook de Heere Jezus den lofzang gezongen heeft (Matth. 26 : 30), werd ook door de christenen gevolgd. Zij bedienden zich daartoe van de Psalmen, totdat ook in hun midden eenige dichterlijke gemoederen hunne liefde voor den

-ocr page 76-

56

Heer in heilige liederen uitspraken. Op zulke gezangen hebben de vermaningen der Apostelen, die wij meermalen vinden, het oog, als zij er toe opwekken den Heer te loven, met „Psalmen en lofzangen en geestelijke liederenquot; (Col. 3 : 16J, Een voorbeeld van zulk een lied uit den Apostolischen tijd heeft men, voorzeker niet ten onrechte, meenen te ontdekken in de woorden van Paulus:

„God is geopenbaard iu het vleosch,

goreclitvaaidigd in den Geest,

gezieu vau de engelen,

gepredikt ouder do heidenen,

geloofd in do wereld,

opgenomen iu heerlijkheid.quot; (1 Tim. 3 : 16).

Naast deze gemeenschappelijke bedestonden vinden wij het liefdemaal. Het was een eenvoudige maaltijd, naar het voorbeeld van den laatsten maaltijd van den Heere Jezus met Zijne discipelen. Het werd \'s avonds gehouden en kwam zoo ook in tijd met dit Avondmaal overeen. Rijken en armen kwamen aan dezen maaltijd samen, ja de laatsten werden zelfs bij deze gelegenheid gespijzigd door hunne rijkere broeders. Zóó was deze liefdemaaltijd eene uiting van den onder de christenen heerschenden geest van broederliefde, en hiernaar had hij dan ook zijn naam — agwpè. Met deze maaltijden verbonden, aan het einde ervan, evenals dit ook bij de instelling geschied was, werd het Heilig Avondmaal door de geloovigen gevierd.

T)e doop bestond in eene onderdompeling. Alleen ouden van dagen en zieken werden door eene eenvoudige bespvenging met water gedoopt. Vóór hij gedoopt worden kon, moest de doopeling behoorlijk onderricht in do christelijke heilswaarheid hebben ontvangen, en zijne geloofsbelijdenis hebben afgelegd. Bij deze belijdenis werd, of de drieëenheid naar \'s Heeren gebod, of ook slechts de naam van den Heere Jezus Christus, waarmede echter tegelijk het geloof in den Vader en den II. Geest werd uitgesproken, door den doopeling beleden. Do doopelingen zeiven waren bekeerde Joden of heidenen, en dus volwassenen. Evenwel is het niet onwaarschijnlijk, dat in den Apostolischen tijd kinderen gedoopt zijn. Want wij kunnen er zeker van zijn, dat deze christenen, nog doorgloeid van de eerste liefde, zich gedrongen hebben gevoeld om ook hunne jonge kinderen in de gemeenschap der broederen opgenomen te zien. Aan de vervulling dezer wenschen stonden geene

-ocr page 77-

57

hinderpaleu in den weg. Welk eene hartelijke liefde toch had de Heer tijdens Zijne aardsche omwandeling aan kinderen betoond! En hebben ook kinderen van christen-ouders niet reeds deel aan de genade Gods in Christus, door de christelijke tucht, waaronder zij opgevoed worden, door het onderwijs, dat zij ontvangen? Ook noemen de Apostelen uitdrukkelijk de kinderen heilig, wanneer maar bf vader bf moeder in het geloof staat (1 Cor. 7 ; 14), en somtijds wordt in de Schrift van eenen bekeerde gezegd : „Hij werd gedoopt, hij en heel zijn huis\'\'\' (Hand. 16 : 33). Natuurlijk is het mogelijk, dat dit huis alleen volwassenen bevatte; maar toch geeft, hetgeen wij aanhaalden, recht tot de veronderstelling, dat de kinderdoop in den Apostolischen tijd, gesne onbekende zaak was 1). Zekere bewijzen hieromtrent zijn in de oude geschriften niet te vinden.

Naast de beide sacramenten vinden wij in de eerste Gemeente nog de wijding van de ambtsdragers en het gebed bij de kranken, als heilige handelingen vermeld. De wijding bestond in gebed en oplegging der handen door de oudsten. Zoo werden ook Paulus en Barnabas tot hun zendingswerk gewijd. Het gebed voor de kranken werd, op hun uitgesproken verlangen, door de ouderlingen der gemeente gedaan, en het had vooral tot inhoud de vraag om de lichamelijke genezing der kranken. Ook werd de zieke wel met olie gezalfd, wat als een zichtbaar teeken der genezende kracht Gods, of ook wel eenvoudig als geneesmiddel beschouwd werd. Dit gebruik echter schijnt niet bijzonder algemeen geweest te zijn, en slechts in den brief van Jacobus (5 : 14, 16) wordt er melding van gemaakt.

Ten onrechte heeft de Roomsche Kerk op dit gebruik der zalving hare leer van \'t laatste oliesel als sacrament gegrond. De zalving toch in den Apostolischen tijd geschiedde juist tot genezing van den zieke, terwijl het Roomsche sacrament van het laatste oliesel den stervende een zalig uiteinde bereiden moet.

Nog een enkel woord moet hier gezegd worden over de kerkelijke tucht. Niet zoozeer uiterlijke wetten als wel de ernst, die \'t leven der eerste Gemeente kenmerkte, heeft haar er toe gebracht, en

1) Toch zal hetdoopen van kinderen eene uitzondering gebleven zijn, daar Tertnl-lianus, omstreeks 200, het een meer en meer doordringende nieuwigheid noemt. Vert.

-ocr page 78-

58

hoewel streng, werd die tucht toch niet zonder de lankmoedigheid, door de christelijke liefde geboden, gehandhaafd. Eeeds dadelijk in den aanvang had de Heer der Gemeente aan Ananias en Saffiraeen afschrikwekkend voorbeeld gesteld, en daardoor duidelijk uitgesproken, dat Hij in Zijne Kerk, — als eene gemeente van heiligen —, reinheid i\'ischte, en geene openlijke misdadigers kon dulden. Zoo werden dan ook verder dezulken door den ban uitgesloten buiten de Gemeente, totdat oprechte boete en bekeering het mogelijk zoude maken hen weder op te nemen.

Het huwelijk werd heilig gehouden, en slechts ontbonden in het ééne geval, door den Heere Jezus als echtscheiding noodzakelijk makende, aangeduid. Huwelijken met heidenen of Joden werden vermeden. Was intusschen van een heidensch of Joodsch echtpaar een van beide echtgenooten tot het Christendom overgegaan, dan werd zulk een reeds bestaande verbintenis niet losgemaakt, daar de niet-christelijke echtgenoot door den ander geheiligd geacht werd, cn misschien ook voor het Christendom kou worden gewonnen. En inderdaad, in ontelbaar vele gevallen is vooral de ongeloovige man door de vrome gezindheid zijner vrouw tot een lid der christelijke Gemeente geworden.

De christelijke Gemeente, met hare verschillende gebruiken en instellingen, plant zich in het nu volgende tijdperk voort, en ontvangt dan nog vaster vormen en scherper afgeteekende kleuren.

§ 14.

He vervolging der Geinooute.

Het geloofsleven der Gemeente, zoowel als dat van den enkelen christen, wordt liet duidelijkst openbaar en het krachtigst bevestigd in tijden van aanvechting. Ook de Apostolische Kerk heeft door \'t louteringsvuur der beproeving heen moeten gaan, en is overwinnend staande gebleven. Tegenover het ruwe geweld barer vervolgers heeft zij slechts geduldig verdragen en blijmoedig getuigen gesteld, en ook in de onrechtvaardige overheid altijd de plaatsbekleedster Gods geëerd. En juist dooi\' het bloed harer getuigen heeft zij krachtiger gepredikt dan door hare woorden.

-ocr page 79-

59

De eerste vervolging ging uit vau de Joodsche priesters. Wel was er in den eersten tijd na den dood des Heeren bij hen eene weifeling te bespeuren, of zij verdraagzaam zouden zijn of vijandig zouden optreden tegenover de geloovigen. Toen Israël eerst zoo vermetel God liad uitgedaagd met de woorden: „Zijn bloed Iconic over ons en onze kinderen/\' terwijl in geweldige teelcenen daarna openbaar werd, dat deze mensch „waarlijk Gods Zoonquot; was, had zich een gevoel van schuld en een bang voorgevoel van Gods naderende oordeelen, van geheel Jeruzalem meester gemaakt. Bovendien viel eene groote vreeze op allen, omdat vele teelcenen en wonderen door de Apostelen geschiedden. Toen echter langzamerhand de stemming rustiger werd, omdat men \'t dreigende gevaar zag vertoeven te komen, verbonden de Farizeërs en Sadduceërs zich tegen de nieuwe leer. De eersten wilden den afval van hunne wetten en instellingen wreken, maar bovenal hun haat tegen den Christus den teugel vieren; de laatsten, die de opstanding loochenden, ergerden zich aan de prediking van den verrezen Christus.

Toen geschiedde het, dat Petrus, vergezeld van Johannes, aan de deur des tempels een\' kreupele gezond maakte, daarna aan het verbaasde volk in eene bezielde rede de prediking van den Christus bracht; daarin vond de Hooge Raad aanleiding de vijandige gezindheid, die reeds lang bij zijne leden bestond, niet langer verborgen te houden; hij liet de beide jongeren in den kerker werpen en den volgenden dag geboeid voor zich brengen. Tegenover het blijmoedige belijden der Apostelen en liet feit, dat het wonder, dat geschied was, niet te loochenen viel, was de Hooge Raad echter machteloos; onder zware bedreigingen werd daarom den Apostelen verboden verder Christus te prediken en hun bevolen zich te verwijderen, terwijl op hun even beslist als bescheiden woord van verweer geen acht werd geslagen. Maar bij dit steeds toenemende gevaar zochten de jongeren het aangezicht des Heeren, opdat Hij Zijnen knechten geven mocht, met blijmoedigheid het woord te spreken. Opnieuw voor deu Hoogcn Raad gesleept, getuigen de Apostelen, dat men „Gode meer moet gehoorzamen dan de inen-schenquot; (Hand. 5 : 29). Om dit woord wil men hen dooden, maar Gamaliël brengt den Raad van dit plan af. Wel gelooft ook hij niet in den Christus, maar toch is hij getroffen door de kracht, waarvan \'t woord der Apostelen getuigt, en door de leidingen Gods.

-ocr page 80-

60

Aldus opnieuw in vrijheid gesteld, laten de Apostelen niet af van dagelijks in den tempel en in de huizen te prediken, en het Evangelie van Jezus Christus te verkondigen.

Niet lang hierna keerde de toorn der vijanden van Gods Koninkrijk zich tegen den artnverzorger Stephanus, een man vol des geloofs, en door wien God groote teekenen had gedaan.

Het was hun niet mogelijk de wijsheid en den geest, waarmede hij sprak, tegenstand te bieden; zoo lieten zij valsche getuigen komen en voerden hem voor \'t Sanhedrin. Daar ving Stephanus aan in alle zachtmoedigheid hun uiteen te zetten, hoe God in het Oude Testament het heil had voorbereid, en dat het Evangelie niets anders was dan de vervulling der aloude profetiën. Maar plotseling overmeestert hem zijn toorn, en in groote verontwaardiging over hen, die te verstokt van harte zijn om het heerlijke werk van God te begrijpen, breekt hij zijn rede af met het toornige woord: „Gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en ooren! gij wederstaat altijd den Heiligen Geest; gelijk uwe vaders, alzoo ook gij!quot; Toen knersten zij de tanden tegen hem, wierpen hem ter stad uit, en steenigden hem. Dit was het sein voor een groote vervolging van de gehecle gemeente te Jeruzalem. De christenen verstrooiden zich naar \'t platteland van Judea en Samarië. Alleen de Apostelen bleven te Jeruzalem. Gods hand beschermde hen aldaar. Zij, die verstrooid waren, gingen het land door en predikten het Woord, zoodat het getal der geloovigen nog grooter werd. Zoo bleek het alweder, dat ook de aanslagen der vijanden het rijk Gods moeten dienen (Hand. 6 en 7).

Eenige jaren verliepen. Toon sloeg Herodes Agrippa I de handen aan eenige leden der Gemeente om hen te dooden, gelijk wij boven reeds aanleiding hebben gehad op tc merken bij den dood van Jacobus, den ouderen. Zooals wij daar gezien hebben, stelde hij deze vervolging niet in uit haat tegen den Christus, maar om den Joden welgevallig te zijn.

Ook later nog bereidde de haat der Joden aan eenige christenen den dood. Maar grooteudeels was die haat van \'t Joodsche volk toch machteloos tegenover de christenen, daar hij werd tegen gehouden door het Romeinsche gezag.

Langen tijd werd onder de heidenen het Christendom beschouwd als eene dweepzieke secte in den schoot van \'t Jodendom ontstaan.

-ocr page 81-

61

en zoolang men er zóó over bleef denken, werd deze nieuwe leer veracht, maar toch geduld. Van keizer Tiberius, die overigens een somber en achterdochtig vorst was, wordt ons door de overlevering een wonderbare trek bericht.

Tiberius had van Pilatus eene uitvoerige beschrijving ontvangen van de kruisiging en opstanding des Hoeren, en door deze dingen getroffen, diende hij nu — als een echte heiden — bij den Romeiuschen Senaat een voorstel in, om Jezus onder de door \'t Rijk vereerde goden op te nemen. Dit voorstel werd echter verworpen, en dit was goed. Want onze Heer wil niet met anderen, maar alléén als Koning heerschen.

Keizer Claudius (41—54) vond aanleiding om alle Joden uit de stad Rome te verdrijven. Door \'t edict daartoe uitgevaardigd, werden ook de christenen getroffen. De heidenen nl. kenden geen onderscheid tusschen de Joden en de christenen, en hadden van de laatsten de vreemdste voorstellingen. Zoo voegt een Romeinsch geschiedschrijver bij de mededeeling van dezen maatregel van keizer Claudius de vreemde opmerking, dat onder de Joden door eenen zekeren Chrestus — zal wel moeten zijn : Christus — voortdurend oproerige bewegingen werden verwekt.

Maar veel erger werd de toestand voor de christenen te Rome onder keizer Nero (54—68). Toen nl. in die stad door eenen brand, die negen dagen lang duurde, eene verschrikkelijke verwoesting was aangericht, hoorde men steeds luider en luider mompelen, dat de keizer zeil\' de brandstichter moest zijn. Verschrikt door deze geruchten, leidde de keizer de, aandacht van zich af, door de verdenking op de christenen te werpen, van wie men maar al te zeer geneigd was het allerergste te denken. En toen begon die bloedige christenvervolging, waarvan oude geschiedschrijvers zooveel verschrikkelijks berichten. Deze vervolging ouder Nero was de eerste, waarbij christenen met kracht door de wereldlijke overheid werden verdrukt. .

Keizer Domitianus (81—96) was aanvankelijk zeer op de christenen gebeten, terwijl hij hen tegelijkertijd met angstige vrees beschouwde. Hij had gehoord van eenen Koning uit het geslacht van David, wien de gansche aarde zoude dienen. Dit gerucht vernemende, was het hem gegaan als den koning Herodes tegenover de Wijzen uit het Oosteu. Hij was bevreesd, en gal\' bevel, alle na-

-ocr page 82-

62

komelingen van David te zoeken. Van dezen leefden er nog twee kleinzonen van Judas, die een broeder van Jezus naar \'t vleesch genoemd werd. Zij werden den keizer opgegeven als nakomelingen uit Davids geslacht, en weldra door een ouden krijgsman voor liem gebracht. Hij vraagde hun eerst: Stamt gij van David af? waarop zij een bevestigend antwoord gaven. Daarop vroeg hij hen naar hun vermogen. Hierop antwoordden zij, dat zij land bezaten tot eene waarde van negenduizend denariëu (dat is ongeveer 2700 gulden). Daarvan betaalden . zij hunne belasting en leefden zelf van hunnen handenarbeid. Ten bewijze toonden zij den keizer hunne harde, vereelte handen. De. keizer vroeg verder naar het rijk van den Christus, van welken aard dit rijk was, en waar en wanneer het zoude komen. Zij antwoordden daarop, dat liet geen aardsch, maar een heraelsch rijk was, dat eerst in de volheid der tijden algemeen openbaar zoude worden, als de Christus in Zijne heerlijkheid zoude komen, om te oordeelen de levenden en de dooden. Toen de keizer dit alles van hen gehoord had, veroordeelde hij hen niet, maar liet hen gaan, daar hij hen verachtte als lieden van lage geboorte. Tegelijl vaardigde hij een bevel uit, allo vervolgingen tegen de christenen te doen ophouden. Toch werden nog af en toe sommigen door den hebzuchtigen keizer ten doode gewijd, z. g. ter wille van hun Christendom, om hunne bezittingen te kunnen verbeurdverklaren.

Nerva (96—98) de opvolger van Domitianus, toonde zich als enkele vroegere keizers, welwillend gezind jegens de* christenen. Maar toch bleef de Kerk eene vereeniging zonder rechtspersoonlijkheid. Zij zou nog verder beproefd worden.

Het oordeel Gods over Israël.

Intusschcn was in Palestina de voorspelling in vervulling gegaan, eens met weenende oogon door den Heere Jezus over Jeruzalem uitgesproken. Nadat alle echte Israëlieten christenen geworden waren, klom de waanzinnige woede van hen, die het heil verachtten en den Heiland gedood hadden, met den dag. Zij hoopten op eenen

-ocr page 83-

63

aardschen Messias, en het ontbrak niet aan clwee.pers, die zich aan het lichtzinnige volk als redders voorstelden en strijd predikten tegen de heerschappij der Romeinen. Wel waren er ook meer be-zadigden, die afrieden tot gewelddadigheden over te gaan, maar zij werden overschreeuwd en vervolgd. De gisting nam toe; hier en daar sprak een tamelijk onbelangrijke opstand van de dreigende stemming, die onder het volk heerschte Gewapende benden doorkruisten het land, en vermoordden Romeinen en Romeinschgezinden. Hierdoor geprikkeld, veranderden de Romeinen, die tot nog toe zachte meesters geweest waren voor liet Joodsche volk, in harde heeren, en bejegenden hen met hoon en wreede gestrengheid. Eindelijk in \'t jaar 66 brak de opstand te Jeruzalem uit. Aan liet hoofd der opstandelingen stelde zich de overmoedige Eleasar, een man uit een priesterlijk geslacht, en reeds dadelijk bij den eersten aanval werden verschillende arsenalen der Romeinen genomen en de bezetting neergehouwen. Een kleine afdeeling Romeinsche soldaten, welke binnen Jeruzalem lag, werd, onder belofte van vrijen aftocht, uit hare verschansing gelokt, en verraderlijk vermoord. Nu trok de Romeinsche stadhouder Cestius Gallus, tegen Jeruzalem op. Hij aarzelde echter om de stad, waarbinnen do hartstocht der vertwijfeling heerschte, krachtig aan te grijpen; de Joden, hierdoor gesterkt in hun moed, versloegen liem, en hij stierf. Nu verbreidde zich de opstand door geheel Palestina; allerwege heerschte verwarring en schrik, en te midden van dien woesten storm der hartstochten, vernam men hier en daar stemmen, die spraken van naderend onheil. Zoo zag men dikwijls, en vooral op de feestdagen, in den tempel te Jeruzalem eenen man van bet land, Josua geheeten, die met somber gebaar een luid „weequot; over de stad uitriep. Men bespotte en bedreigde hem, men geeselde hem ten laatste, maar hij kwam altijd terug e7i herhaalde zijn onheilspellende kreten.

Dit was de tijd, waarvan de Heer gezegd had : „dat alsdan, die in Judea zijn, vlieden op de bergenquot; (Matth. 24 : 16). Zoo vluchtten dan de christenen van Palestina naar \'t stadje Pella, aan gene zijde van den Jordaan, in het land der tien steden, waar ook eenmaal hun Heer en Meester had omgewandeld en gepredikt. Daar hielden zij zich stil, terwijl in goh»el Palestina krijgsgeruchten en oproerkreten de lucht vervulden.

Op het bericht van hetgeen geschied was, zond keizer Nero een

-ocr page 84-

64

leger van zestigduizend soldaten om den opstand te onderdrukken. Aan het hoofd daarvan stond de beproefde veldheer Vespasianm; onder hem voerde zijn zoon ïitus het bevel. De Romeinen, door Galilea heen het land binnenrukkende, bestormden nu één voor één de vestingen. De Joden boden wanhopigen tegenstand. Maar zij hadden geen eenheid, want, als bij iederen opstand, vertoonden zich ook bij ben tweedracht en verdeeldheid, als natuurlijke gevolgen van oproer. Nergens sloten zij zich aaneen tot een planmatig verzet en altijd verder rukte het keizerlijke leger voort. Juist stond het gereed Jeruzalem aan te grijpen, toen Vespasianus tot keizer werd uitgeroepen. Hij verliet het leger. TUuft nam het opperbevel over, en de belegering van Jeruzalem begon.

Alles wat aan het zwaard der Romeinen ontkomen was, had binnen de muren van deze stad een toevlucht gezocht, en meer dan een millioen menschen was daar opeengehoopt. Ook hier weder aan onvrede en verdeeldheid geen gebrek. Sommigen wilden zich aan de Romeinen onderwerpen, anderen den strijd tot iederen prijs voortzetten. Wederkeerige haat en achterdocht voerden tot bloedige tooneelen in de stad zelve. Zoo overvielen b. v. eens de woeste patriotten in eenen donkeren nacht, toen een onweder zich over de stad ontlastte en tegelijk een aardbeving hare grondvesten deed sidderen, de meer gematigden met zulk eene woede, dat dagen achtereen de lijken der verslagenen op de straten verspreid lagen. Van dit oogenblik af voerde de oorlogspartij in de stad een schrikbewind, waartegen zich niemand durfde verzetten.

Zoo was de toestand binnen de stad, toen de Romeinen zich voor hare muren vertoonden. Titus eischte de overgave der stad; maar aan deze vordering werd geen gehoor gegeven. Toen begon de laatste beslissende strijd. De Joden streden met doodsverachting. Toch was het niet de hoop op overwinning, maar de woede der vertwijfeling, die hun moed gaf om vol te houden. lederen stap voorwaarts moesten de Romeinen met groote offers betalen; maar eindelijk gelukte het hun toch de buitenwerken in te nemen. Weldra kreeg Titus een geweldig bondgenoot in den honger, die onder de belegerden, in die overvolle stad, meer slachtoffers maakte dan de wapenen der Romeinen.

De laatste banden van orde en tucht werden nu geheel verbroken. Gewapende benden drongen de huizen binnen en namen

-ocr page 85-

mot gewold, wat er in huis nog te vinden was. Eens kwamen deze plunderaars in een huis, waar eene vrouw ken ter wille van haar kindje klagelijk smeekte, haar toch niet \'t laatste voedsel te ontnemen. Maar zij vond slechts doove ooren en ongevoelige harten. En toen, waanzinnig van smart, doodt zij haar kind en bereidt uit zijn lijkje een afgrijzingwekkend maal. De eene helft neemt zij zelve, de andere helft zet zij den plunderaars voor, toen zij andermaal het huis binnendringen. Vol ontzetting en afgrijzen ontvluchtten zij dit huis, en toen het Titus werd aangezegd, deed hij huiverend van afgrijzen deze gelofte : „De zon zal verder de stad niet beschijnen, waar de moeders zich alzoo voeden.quot;

Maria heette deze vrouw. Welk eene andere Maria dan hare naamgenooten in hot Nieuwe Testament! Waarlijk, in dit alles kan men de vervulling zien van \'t Woord Gods, eens door Muzes gesproken : Ah gij ook hierom — nl. door de vele voorafgaande tuchtigingen — Mij niet hoor en zult, maar met Mij wandelen zult in tegenheid, zoo zal ook Jk met u in heet grimmige tegenheid wandelen, en Ik zal u ook zevenvoudig over uwe zonden tuchtigen. Want het vleesch uwer zonen zult gij eten, en het vleescl uwer doelleren zult gij eten (Lsvit. 26 : 27—29).

Nu achtte Titus het juiste oogenblik voor den laatsten storm gekomen. Den lOden Augustus van \'t jaar 70 werd Jeruzalem dooide Romeinen ingenomen. Wei had Titus bevel gegeven den tempel te sparen, maar een soldaat, niet lettende op dit bevel, wierp een brandende fakkel in het gebouw, cn weldra was de heerlijke tempel in een onmetelijke zee van vlammen veranderd. Geheel Jeruzalem werd in de asch gelegd en boven hare puinhoopen werd de Ruin ei nsche adelaar geplant. Honderdduizend Joden worden nederge-stooten of verbrandden in de vlammen. En wie niet omkwam, werd als slaaf verkocht.

Zoo ging de heilige stad te gronde!

Maar de Joden zijn bestemd vertreden, en toch niet vernietigd te worden. Op de puinhoopen van Jeruzalem zetten zich weldra nieuwe volkplantingen van Israëlieten neder. Doch ook zij, doelende in de verblindheid hunner vaderen, stonden telkens en telkens weder tegen de Romeinen op, tot eindelijk keizer Hadrianus (134) do oproerige stad met den grond liet gelijk maken en door de plek, waar eenmaal Jeruzalem lag, de ploeg liet trekken. Don Joden werd

-ocr page 86-

66

toen op straffe des doods verboden, de stad ook zelfs maar te naderen. Slechts eenmaal in het jaar mochten zij, tegen betaling van een vastgestelde som gelds, op de puinhoopen van Jeruzalem weenen. „Telken jare op den dag der verwoesting ziet men daar een geheel volk in rouwe; onder hen vrouwen, door hartzeer nedergebogen, en grijsaards, zwak van ouderdom. Maar terwijl hun de tranen over de wangen stroomen, verschijnt de Romeinsche soldaat, en vordert schatting van hen, zoo zij nog langer willen weenen.quot; (Hieronymus.)

Zoo zijn de Joden sedert dien tijd een volk zonder vaderland, over de geheele wereld verspreid en toch nergens ingeburgerd. Maar vol vertrouwen mogen wij den tijd verwachten, waarvan geschreven staat: „Daarna zullen de kinderen Israels zich bekeeren, en den Heer, hunnen God, en David, hunnen koning, zoeken; en zij zullen vreezende komen tot den Heer, en tot Zijne goedheid in het laatste der dagenquot; (Hosea 3 : 5).

§ 16.

De omviing der K«rk.

De tempel te Jeruzalem was in puin gestort, maar een andere, heerlijke tempel werd er opgebouwd in de overal ontstaande gemeenten. Reeds waren in alle deeleu der oude wereld christelijke vereenigingen gevormd, meestal in groote plaatsen en kruispunten van het wereldverkeer, en ieder van deze moedergemeenten werd voor hare omgeving tot een Jeruzalem, van waar de prediking des Evangelies uitging, licht verspreidend in duisternis, en leven wekkend in hetgeen aan den dood was onderworpen. Men heeft berekend, dat op hot einde van den Apostolischen tijd, vijfhonderdduizend zielen den naam van Christus beleden. Zóó begon reeds het mosterdzaadje van liet Koninkrijk Gods tot een boom te worden, onder welks takken de vogelen des hemels zouden nestelen.

Onder al de gemeenten van dezen tijd was Jeruzalem het meest in eere, daar zij het eerst gesticht, en zóó als \'t ware, de stammoeder van alle andere was. Na deu dood van Jacobus was Simeon, óók een broeder des Heeren, haar geestelijk hoofd. Dikwijls werd zij door vervolging eu krijgsrumoer uiteengedreven, maar altijd weer

-ocr page 87-

67

opnieuw verzamelde zij zich. Evenzoo ging het te Samaria, waar de Heer zelf (Joh. 4) begonnen was de Gemeente te stichten en de Apostelen dit werk voleindigd hadden. Te Damascus bestond reeds in de eerste jaren na \'s Heeren hemelvaart eene bloeiende gemeente. Bedreigd door de verdelgingsplannen van Saulas, werd zij door de leiding Gods het middel tot zijne bekeering. Ook te Antiochië is zeer spoedig eene christelijke gemeente geweest, groot in zielental, en door de Apostelen met bijzondere zorg gadegeslagen. Een tijdlang stond zij onder de leiding van Barnabas en Paul us, totdat deze op Gods bevel weder elders het Evangelie gingen brengen. De talrijke gemeenten van Klein-Azië dankten hare stichting voor het meerendeel aan Panlus, of anders tocli aan zijue helpers, zooals b. v. die van Colosse het Evangelie leerden kennen door den trouwen Epaphras, welken Paulus zijnen geliefden mede-dienstknecht noemt (Col. 1:7). Natuurlijk bestonden deze gemeenten voor het meerendeel uit voormalige heidenen, en zagen, midden tusschen heidenen wonende, rondom zich de. gruwelen der heidenen, hetgeen voor hen telkens opnieuw eene bron van verzoeking werd. Dit blijkt duidelijk uit de zeven heerlijke zendbrieven, die wij in de Ope7i-baring van Johannes lezen (Openb. 2 en 3). Volgens deze was Laodicea noch koud noch heet; Sardes was dood en had nog slechts een schijn van leven; Perganms en Ihyaüre waren nalatig iu de handhaving van orde en tucht; ook EpJiese, waar toch Paulus veel liefde bewezen en ontvangen had, en Johannes met groote liefde verkeerde en arbeidde, gloeide toch niet meer van het vuur der eerste liefde. Daarentegen had de kleine kudde te Philadelplia Christus nimmer verloochend en wordt nu vermaand te houden, wat zij heeft, opdat niemand hare kroon neme. En ook aan die van Smyrna wordt de getuigenis gegeven, dat zij, schoon arm naar de wereld, rijk is in Christus.

Ook de gemeente van Philippi in Macedonië was eene schepping van Paulus, en hing dezen Apostel met groote hartelijkheid aan, wat zij o. a. toonde, door zijne geestelijke gaven te vergelden met eene liefdegave voor zijne tijdelijke behoeften (Philipp. 4 : 16). Te Ihessalonica had zich te midden der verzoekingen, die eene groote en rijke handelstad medebrengt, een klein aantal christenen tot eene Gemeente vereenigd. Hetzelfde geldt van Corinthe, waar, na het vertrek van Paulus, Apollos arbeidde. Te Athene werd het

-ocr page 88-

CH

Evangelie aanvankelijk slechts beschouwd als een nieuwigheid, die, omdat zij nieuw was, belangstelling verdiende, maar toch verlangden eenigen meer van den „onbekenden Godquot; te hooren, en geloofden (Hand. 17). Home, de trotsche hoofdstad der wereld, ontving de eerste mare van den Christus reeds na het eerste Pinksterfeest; immers onder hen, die op dien dag de Apostelen hoorden spreken, waren ook „buitenlanders van Rome.quot; Door het bloed der martelaren, als door eenen heiligen dauw gedrenkt, opgegroeid onder de oogen der heidensche keizers, en daarom het eerst blootgesteld aan de stormen der vervolging, onderwezen en geleid door Apostelen en Apostel-jongeren, werd de jonge Gemeente te Rome weldra groot in kracht en groot in aanzien.

Ook in Afrika — en wel voornamelijk te Alexandria — werd een niet gering aantal jongeren de^ Heeren gevonden.

Zoo hadden de Apostelen reeds in de eerste tientallen van jaren na de hemelvaart onzes Heeren, een keten van christengemeenten gevormd, die van \'t westen van Europa tot ver in het Oosten reikte. En toch weten wij slechts weinige plaatsen en gemeenten met name te noemen. Eén is er echter, die ze alle kent, evenals ook Hij de sterren des hemels alle geteld heeft

TWEEDE TIJDVAK.

(100—323.)

§. 17.

De verbrei ling des geloofs.

De Apostelen waren ontslapen. De Kerk, van hen beroofd, had nu de inspanning van alle krachten noodig, om zelve op te wassen in het geloof, en in den altijd toenemenden strijd tegen het heidendom staande te blijven. Zoo komt hot, dat de Zendingsarbeid een tijdlang op den achtergrond treedt. Deze was nu dan ook minder noodig dan vroeger. Immers het Rotneinsche heidendom

-ocr page 89-

6!»

— en dit zou. naar Gods wil liet éérst gebroken worden — kon dagelijks de christenen in liun leven gadeslaan en de leer des Evangelies vernemen. En nu en dan, hoewel minder talrijk dar vroeger, schudden wonderen, door den Heer gewrocht, de harten der menschen wakker, door te prediken, dat Hij, dien de christenen hunnen God en Heer noemden, een levend God is, en nabij allen degenen, die Hem aanroepen. „In Jezus\' naam,quot; zoo schrijft Irc-neüs, „werken Zijne ware jongeren, die van Hem de genade ontvangen hebben, ieder naar de gaven, die hem geschonken zijn. Sommigen drijven duivelen uit, anderen genezen kranken door oplegging der handen; ja velen zijn ook uit de dooden opgewekt en hebben nog geruimen tijd onder ons verkeerd. Er zijn ontzachelijk vele werkingen der genade, die de Gemeente tot heil der heidenen verricht, zonder bedrog ot\' zonder baatzuchtige beweegredenen. Deze dingen doet zij niet door liet aanroepen van hemelgeesten, of door tooverspreuken of touvermacht. Vrij en open bidt zij. tot den Heer, die alle dingen geschapen heeft.quot; — En ürigenes zegt : ,,Velen hebben de wondermacht, die zij door het geloof ontvangen hadden, daardoor als waarachtig doen kennen, dat zij over kranken den naam van Jezus aanriepen. Daardoor heb ook ik velen gezien, van ernstige toevallen, waanzin en anderen jammer bevrijd, die vroeger door niemand konden genezen worden. — Ook verdient vermelding, dat velen, als het ware tegen hunnen wil, christen zijn geworden, terwijl zij door gezichten, hun in den droom of in visionaireu toestand getoond, plotseling van hunnen haat tegen het Christendom zijn teruggekomen, en veranderd in dezulken, die voor de blijde boodschap zelfs den dood wilden ondergaan. Van dergelijke dingen kunnen wij als ooggetuigen veel mededeelen, waarover de ongeloo-vige natuurlijk spottend de schouders ophaalt, maar God is onze getuige, dat wij niet door leugenachtige berichten, tuaar door vele onloochenbare feiten, de leer van Jezus aannemelijk willen maken.quot;

Alzoo kreeg het Woord Gods zoozeer de overhand, dat telkens nieuwe scharen zich aan de Gemeente des Heeren aansloten. Hadden de heidenen tot nog toe spottend gezegd, dat de nieuwe leer slechts door armen en geringen verkondigd, ook slechts door armen en geringen aangenomen werd, nu klaagden zij, dat op het vasteland en op de eilanden, in steden eu dorpen menschen uit alle levenskringen, ja zelfs uit de hoogste standen, zonder onderscheid van

-ocr page 90-

GS

Evangelie aanvankelijk slechts beschouwd als een nieuwigheid, die, omdat zij nieuw was, belangstelling verdiende, maar toch verlangden eenigen meer van den „onbekenden Godquot; te hooren, en geloofden (Hand. 17). Rome, de trotsche hoofdstad der wereld, ontving de eerste mare van den Christus reeds na het eerste Pinksterfeest; immers onder hen, die op dien dag de Apostelen hoorden spreken, waren ook „buitenlanders van Rome.quot; Door het bloed der martelaren, als door eenen heiligen dauw gedrenkt, opgegroeid onder de oogen der heidensche keizers, en daarom het eerst blootgesteld aan do stormen der vervolging, onderwezen en geleid door Apostelen en Apostel-jongeren, werd de jonge Gemeente te Rome weldra groot in kracht en groot in aanzien.

Ook in Afrika — en wel voornamelijk te Alexandria — werd een niet gering aantal jongeren des Heeren gevonden.

Zoo hadden de. Apostelen reeds in de eerste tientallen van jaren na de hemelvaart onzes Heeren, een keten van christengemeenten gevormd, die van \'t westen van Europa tot ver in het Oosten reikte. En toch weten wij slechts weinige plaatsen en gemeenten met name te noemen. Eén is er echter, die ze alle kent, evenals ook Hij de sterren des hemels alle geteld heeft

TWEEDE TIJDVAK.

(100—323.)

§. 17.

De verbrei üng des geloofs.

De Apostelen waren ontslapen. De Kerk, van hen beroofd, had nu de inspanning van alle krachten noodig, om zelve op te wassen in het geloof, en in den altijd toenemenden strijd tegen het heidendom staande te blijven. Zoo komt hot, dat de Zendingsarboid een tijdlang op den achtergrond treedt. Deze was nu dan ook minder noodig dan vroeger. Immers het Romeinsche heidendom

-ocr page 91-

6!»

— eu dit zou naar Gods wil liet éérst gebroken worden — kon dagelijks de christenen in hun leven gadeslaan en de leer des Evangelies vernemen. En nu en dan, hoewel minder talrijk dan vroeger, schudden wonderen, door den Heer gewrocht, de. harten der menschen wakker, door te prediken, dat Hij, dien de christenen hunnen God en Heer noemden, een levend God is, en nabij allen degenen, die Hem aanroepen. „In Jezus\' naam,quot; zoo schrijft Ire-neiis, „werken Zijne ware jongeren, die viin Hem de genade, ontvangen hebben, ieder naar de gaven, die hem geschonken zijn. Sommigen drijven duivelen uit, anderen genezen kranken door oplegging der handen; ja velen zijn ook uit de dooden opgewekt en hebben nog geruim en tijd onder ons verkeerd. Er zijn ontzachelijk vele werkingen der genade, die de Gemeente tot heil der heidenen verricht, zonder bedrog ot\' zonder baatzuchtige beweegredenen. Deze dingen doet zij niet door liet aanroepen Vim hemelgeesten, of door tooverspreuken of toovermacht. Vrij en open bidt zij. tot den Heer, die alle dingen geschapen heeft.quot; — Eu Origenes zegt : „Velen hebben de wondermacht, die zij door het geloof ontvangen hadden, daardoor als waarachtig doen kennen, dat zij over kranken den naam van Jezus aanriepen. Daardoor heb ook ik velen gezien, van ernstige toevallen, waanzin eu anderen jammer bevrijd, die vroeger door niemand konden genezen worden. — Ook verdient vermelding, dat velen, als het ware tegen hunnen wil, christen zijn geworden, terwijl zij door gezichten, hun in den droom of in visionairen toestand getoond, plotseling van hunnen haat tegen het Christendom ziju teruggekomen, en veranderd in dezulken, die voor de blijde boodschap zelfs den dood wilden ondergaan. Van dergelijke dingen kunnen wij als ooggetuigen veel tnededeelen, waarover de ougeloo-vige natuurlijk spottend de schouders ophaalt, maar God is onze getuige, dat wij niet door leugenachtige berichten, maar door vele onloochenbare feiten, de leer van Jezus aannemelijk willen maken.quot;

Alzoo kreeg het Woord Gods zoozeer de overhand, dat telkens nieuwe scharen zich aan de Gemeente des Heeren aansloten. Hadden de heidenen tot nog toe spottend gezegd, dat de nieuwe leer slechts door armsn en geringen verkondigd, ook slechts door armen en geringen aangenomen werd, nu klaagden zij, dat op het vasteland eu up de eilanden, in steden en dorpen ineuschen uit alle levenskringen, ja zelfs uit de hoogste standen, zonder onderscheid van

-ocr page 92-

70

ouderdom en geslacht, zicli bij de belijders van den Christus gingen aansluiten. Onder de vorsten was Abgarm van Edessa in Mesopo-tarnië de eerste, die (170) het Evangelie gehoorzaam werd. Dadelijk verbood hij in zijn rijk den heidenschen offerdienst, en liet op zijne munten het teeken des kruises slaan.

In Azië ging het Christendom verder voort op de wegen, reeds vroeger er voor geopend, en verspreidde zich voornamelijk in Armenië en Perzië. In Afrika ontstonden christelijke gemeenten onder de Kopten of oorspronkelijke bewoners van Opper-Egypte; daar werd de Heilige Schrift vertaald in de taal van het land. Ook te Cyrene werd het Evangelie niet vruchteloos gepredikt, en Carthago vormde het middelpunt van eenen grooten kring van bloeiende gemeenten. In Europa werd voornamelijk aan de provinciën van het Roiueinscho rijk door het toenemende, volkeren-verkeer de blijde boodschap van den Christus gebracht. Voor Gallië en Brittanuië schijnen handelaars uit Klein-Azië de eerste Evangeliepredikers te zijn geweest. In deze landen heerschten tot nog toe de Druïden met sombere willekeur. Deze Druïden, een heidensche priesterbourl, hadden zoo outzachelijk groote macht over het volk, omdat zij tegelijk het ambt van 1 eeraar en rechter in zich vereenigden. Vast georganiseerd, kozen zij zeiven hun hoofd, die hen eenmaal in het jaar samenriep naar eene plaats, waar zij recht spraken en beraadslaagden over gemeenschappelijke aangelegenheden. Onder hooge eikenboomen vierden zij hunne godsdienstige feesten, waarbij ook menschenoffers gebracht werden.

Den Romeinen scheen hunne macht gevaarlijk en zoo werd, terwijl der Druïden macht beperkt werd, voor het Christendom de weg tot de harten des volks meer gebaand.

In de steden Parijs, Toulouse, Lyon en Vienne werden reeds vroeg kleine christen-gemeenten gevonden, welker standvastigheid bij zware vervolging straks nader verhaald zal worden.

Maar ook in dezen zelfden tijd drong reeds de prediking tot de Germaansche lauden door. Het gebied der Romeinen toch strekte zich uit over de landen tot aan Rijn en Donau, en aan deze beide rivieren waren talrijke bezettingen gelegd om de grenzen te bewaken. Ook waren daar steden met Romeinsche kolonisten. Onder deze Romeinen, en hen, die met hen in voortdurende aanraking stonden, begonnen zicli kleine christen-gemeenten te vormen.

-ocr page 93-

71

In de Rijnlanden geschiedde dit te Straatsburg en Trier, in de Donaulanden te Augsburg en Lorcli. De namen der mannen echter, die hier den Christus verkondigden, worden ons slechts door de sage genoemd. Deze weet te verhalen, dat de jongeling, door den Heer Jezus aan de poort van Naïn opgewekt, Maternus heette en daarna een van de zeventigen geworden is; dat na de hemelvaart des Heeren Petrus den bisschop Eucharius tot bekeering der Germanen over de Alpen zou gezonden hebben en met hem nog twee andere priesters, Maternus en Valerius, tot zijne hulp. Deze drie mannen begaven zich toen naar de Rijnoevers, en stichtten daar vele gemeenten. Maternus overleefde zijne beide reisgenooten en stichtte het bisdom Keulen. Toen hij nu eens als hoogbejaarde grijsaard in de kerk wilde prediken en juist het gedeelte uit het Evangelie, dat over hem zei ven handelde, — \'t gedeelte van den jongeling te Naïn — had voorgelezen, verraste de dood hem plotseling ten anderen male. Hij stierf te midden der weenende gemeente.

Volgens eene andere sage kwam in 174 keizer Marcus Aurelius, in eenen oorlog tegen den Duitschen volksstam der Marcomannen, bij gloeiende zomerhitte met zijn leger in eene streek zonder water. Mannen en paarden waren het versmachten nabij, en de vijand was vlak op de hielen. Een der legioenen, dat geheel alleen uit Christenen bestond, wierp zich toen op de knieën, en riep God om hulp aan. En zie, daar kwam een ouweder op, en bracht lafenis aan de versmachtende schare door eenen verkwikkenden regen. De vijand daarentegen, bevreesd voor het onweder, waagde den aanval niet. De keizer was natuurlijk grootelijks verheugd, en noemde voortaan dit legioen : legio fulminatrix of het bliksemlegioen.

Wat van deze dingen waarheid is en wat dichterlijke fantaisie, is moeielijk uit te maken. Maar tegenover dit onzekere is geschiedkundig zeker de naam van Florian, die te Lorch in Oostenrijk en van Victorinus, die te Pettau in Stiermarken predikte. Dergelijke prediking intusscben was meestal slechts gericht tot de Romeinen, die aan do grenzen in garnizoen lagen. Want het Duit-sche volk, door diepgewortelden haat en voortdurenden krijg van zijne op vervoering beluste naburen verwijderd, wees de van deze zijde tot hen komende Evangelieboden af, en bleef met onwankelbare trouw aan zijne goden gehecht.

-ocr page 94-

Overal, waar het Evangelie verkondigd werd, geschiedde het met de vaste verzekerdheid, dat het bestemd was de wereld te overwinnen, en de heerschappij der valsche goden te vernietigen. Aanvankelijk werd dit door hen, die zeiven kinderen dezer wereld «aren, eu de valsche goden dienden, als eene groote dwaasheid beschouwd; maar toen dit verachte geloof steeds uieer overwinnend de wereld doorging, schrikte het heidendom op, en verhief zich in grimmigen toorn tegen de nieuwe leer, die nu in hunne oogen een godslasterlijke gruwel was. Iedere stand in die groote, heiden-sche wereld had zijne eigene gronden, waarom hij de christenen haatte. De groote hoop achtte hen godloochenaars, omdat zij bij hen van geen offers of altaren iets bemerkten. Zoo gaf deze dan ook aan hen de schuld, zoodra een of andere plaag over het land kwam. De christenen uit dien tijd klagen: Wanneer de Tiber buiten zijne oevers treedt, ot de Nijl niet buiten zijne oevers treedt, wanneer de hemel geen regen geeft, of de aarde beeft, wanneer hongersnood of pest over het land komt, dadelijk hoort men roepen: „De christenen voor de leeuwen!quot; En hoe meer de christenen zich van de wereld en hare verinaken terugtrokken, des te toorniger werden tegen hen, degenen, die zich aan dien dienst der wereld toewijdden. „Voor de wereld zijt gij stom,quot; voerde men hun tegen, „maar in het verborgene zijt gij vol booze kwaadsprekerij. De baatzuchtige priesters toornden op hen, omdat de tempels leeg werden, en de offergaven minder overvloedig toestroomden.

De trotsche wijsgeeren haatten het Evangelie, dat liet woord van eenen gekruisigden Jood ver boven hunne, tot nog toe zoo hoog geroemde wijsheid stelde. Dikwijls deden zij niet eens de moeite het nader te leeren kennen, en deelden de vooroordeelen van het volk. De overigens zoo uitnemende Romeinsche geschiedschrijver Tacitus, liet zich over de christenen aldus uit: „Deze inenschen, die door hunne gruwelen overal gehaat waren, noemde het volk christenen. Degene, naar wien zij dezen naam droegen.

-ocr page 95-

73

was Christus, aan wien, onder de regeering van Tiberius, door dei. stadhouder Pontius Pihitus, de doodstraf voltrokken is.

Hoewel onmiddellijk onderdrukt, verbreidde zich dit verderfelijke bijgeloof niet slechts over Judea, het geboorteland van dit kwaad, maar zelfs over de stad Kome, waar al wat afschuwelijk en schandelijk is, een plaats vindt en gretig wordt aangenomen/\'

Maar vooral waren het de Eomeinsche keizers met hunne raadslieden, die ineenden het Christendom tot iederen prijs te moeten onderdrukken. Want al lieten de Romeinen de door hen onderworpen volken hunnen godsdienst behouden, toch was vrijheid van geweten hun onbekend, en de invoering van nieuwe goden en godsdiensten streng verboden. Het feit bovendien, dat de christenen door zulk eene hartelijke liefde verbonden waren, dat zij enkel door den christennaam spoedig met elkander bevriend werden, zonder elkander vroeger gekend te hebben, wekte de achterdocht der keizers op, die in zulk eene verbroedering geheime aanslagen tegen de kroon meenden te ontdekken. Deze argwaan werd versterkt door de omstandigheid, dat de christenen den goden, zoowel als den keizer, de onder de heidenen gebruikelijke eerbewijzen weigerden. Wanneer de heidenen op de feesten, ter etre des keizers, zijn beeld opstelden en daaraan naar de kruipend slaafsche wijze van hunnen tijd, goddelijke eer bewezen, hielden de christenen zich verre. Velen hunner wilden zelfs niet eens eene betrekking in den staat of in het leger bekleeden, om niet door zulke verhoudingen gedwongen te worden, aan heidensche gebruiken deel te nemen. Bovendien spraken de christenen zoo veel van hunnen hemelschen Koning, dat de heidensche heerschers bevreesd werden voor hunne eigene macht.

Volkswoede en priesterhaat, wetenschap en staatsgezag — alles vereenigde zich tot eenen strijd, ter vernietiging van het werk der hemelsche genade.

De oude Kerk heeft een woord van Johannes verklaard, als doelende op dezen strijd, waar in de Openbaring gesproken wordt van een dier met 10 hoornen, en dan volgt: „De tien hoornen, die gij gezien hebt, zijn tien koningen. Dezen zullen tegen het land krijgen, en het lam zal hen overwinnen, want het is een Heer der Heeren en een Koning der Koningen.quot; (Openb. 17 ; 12, 14). In aansluiting daarmede telde men tien vervolgingen, die in het

-ocr page 96-

74

KomeinSche rijk over de christenen gekomen zijn. Maar in werkelijkheid kunnen de uitbarstingen van toorn van het Romeinsche Heidendom tegen de belijders van den Christus in het geheel niet worden opgeteld.

Waardig en edel hield de Christenheid zich onder de dreigende gevaren. Nooit heeft zij gewapenden tegenstand geboden, ook waar zij talrijk en sterk genoeg was, om zulks te kunnen doen. fielaten boog zij zich onder de hand des Heeren, wien het behaagde, haar smartelijke beproevingen toe te zenden. Wel waren er, die in kleimnoediglieid het tijdelijke leven hooger achtten dan het eeuwige, en zoo de vervolging trachtten te ontgaan. Zij offerden ol leverden de heilige boeken uit, gelijk de heidenen verlangden. Ot zij kochten, van de omkoopbare beambten des keizers, voor geld een bewijs, dat zij geofferd hadden, zonder dat zij het gedaan hadden. Die aldus in de beproeving niet staande bleven, noemde men daarna „lapsiquot;, gevallenen. Maar de groote meerderheid der geloovigen beleed vast en blijmoedig, ook te midden der grootste smarten, den naam des Heeren, en verdroeg het lijden en den smaad van den marteldood met heldenmoed. Zij, die alzoo met hun bloed betuigden, dat .lezus Christus waarlijk hun Heer was, werden martelaren — d. w. z. getuigen — genaamd. Die vervolging verduurden, zonder daarin om te komen, heetten con-fessoren of belijders. Zoowel martelaren als confessoren stonden in hooge eere. Niet zelden gebeurde het ook, dat al te vurige gemoederen vol koene doodsverachting zich zeiven moedwillig in doodsgevaar begaven, om daardoor de kroon \' des levens deelachtig te worden. Maar deze voorbarige ijver werd door de Kerk ernstig berispt. Eene gemeente schreef daarover: „Wij prijzen hen niet, die zich zeiven ter dood overleveren; dat toch leert het Evangelie niet!quot;

Doch laten wij nu dezen tijd nader in bijzonderheden beschrijven. Keizer Irajanm (98—117), overigens een verdraagzaam en rechtvaardig vorst, was de eerste, die, het Evangelie geheel verkeerd verstaande, plaeaten tegen het christendom uitvaardigde. De stadhouder Plinius, \'s keizers vertrouwde vriend, die destijds stadhouder was van \'t landschap Bithynië iu Klein-Azië, schreef hierover aan Trajanus den volgenden brief:

-ocr page 97-

75

Gajus Plinius aan Trajanus.

„Het is mij eenc heilige verplichting, over alles wat mij twijfelachtig is II, o Heer, te raadplegen. Wie toch kan mij beter terechtwijzen of onderrichten, als ik in onzekerheid ben of mij de rechte kennis ontbreekt? Ik heb nooit de verhoeren der christenen bijgewoond, en weet daarom niet, wat en hoe gewoonlijk gestraft wordt. Ik weet ganschelijk niet, of er onderscheid gemaakt moet worden tusschen de verschillende leeftijden, tusschen zwakkeren en sterken, evenmin of den beronwhebbenden vergeving geschonken kan worden, of dat het hem, die eenmaal christen geweest is, niets baten zal van het Christendom terug te keeren. Eindelijk, of iemand alleen omdat hij christen heet, zonder dat er vergrijpen zijn aangetoond, gestraft worden moet, of dat slechts de misdrijven, die uit het christenzijn voortvloeien moeten geslrafl worden. Inmiddels heb ik hen, die bij mij als christenen aangeklaagd waren, op de navolgende wijze behandeld. Ik vroeg hen of zij christenen waren. Aan wie bekenden dit te zijn, vroeg ik het, onder bedreiging met de doodstraf, ten tweeden en derden male. Die ook dan nog bij hunne gevoelens bleven, liet ik ter dood brengen. Dit toch was duidelijk, dat, wat zij ook aangaande zich zei ven beweren mochten, hunne hardnekkigheid en onbuigzame wederspannigheid moesten gestraft worden. Ook nog anderen hadden zich aan dergelijke dwaasheden schuldig gemaakt. Ik zal eenigen van dezen naar Rome zenden, omdat zij Romeinsche burgers zijn. Zooals het gewoonlijk geschiedt bij gerechtelijk onderzoek, breidde het euvel zich weldra uit, en begon zich in verschillende vormen te vertoonen. Toen werd mij een ongeteekende lijst voorgelegd, waarop vele namen stonden. Doch bij het onderzoek loochenden zij, dat zij christenen waren of het ooit geweest waren. Ook riepen zij de goden aan, zooals ik het hun voorzeide, offerden wierook en wijn voor uw beeltenis, die ik tot dit doel met de beelden der goden liet brengen, en lasterden Christus. Doch., men zeide mij, dat echte christenen tot dit alles niet honden gedwongen worden. Ik meende daarom hen van verdere rechtsvervolging te moeten ontslaan. Anderen, die op de lijst stonden zeiden, dat zij christenen waren, doch ontkenden het spoedig weer. Zij waren het wel geweest, maar hadden opgehouden het te zijn, sommigen drie jaren, anderen nog lan-geren tijd geleden, enkelen reeds voor twintig jaren. Allen bewezen

-ocr page 98-

76

uw beeltenis, zoowel als den beelden der goden, goddelijke eer en vloekten Christus, Zij verzekerden intusschen dat hunne geheele schuld ot\' dwaling alleen hierin bestond, dat zij op eenen bepaalden dag voor zonsopgang saineukwamen, en een loflied zongen ter eere van Christus, als ware hij een God. Daarbij deden zij dan eene gelofte niets misdadigs te zullen doen, integendeel zich noch aan diefstal noch aan echtbreuk te zullen schuldig maken, hun woord niet te zullen breken, noch zich aan toevertrouwd goed te vergrijpen. Daarop gingen zij uiteen en kwamen later weer samen, om gezamenlijk in alle eer en deugd een maaltijd te gebruiken, en zelfs dit hadden zij nagelaten na het door mij gegeven bevel, waarbij volgens Uwen wil geheime samenkomsten verboden werden. Des te noodiger scheen het mij, deze dingen vernomen hebbende, twee meisjes, die zich diaconessen noemden, te doen pijnigen om zoo achter de waarheid te komen. Doch ik kon niets ontdekken, dan een verkeerd en grenzenloos dwaalgeloof. Ik heb daarom \'t verdere onderzoek opgegeven, en mijne toevlucht er toe genomen om Uwen raad in te winnen. De zaak scheen mij toch waard er eens ernstig over te beraadslagen, vooral ter wille van het groote aantal van hen, die er in betrokken zijn. Want velen van iederen leeftijd, stand en geslacht zijn reeds aangeklaagd en zullen nog aangeklaagd worden. Niet enkel toch in de steden, maar ook over het platte land hebben zich deze besmettelijke dwaalbegrippen verspreid. Intusschen schijnt het mij wel mogelijk ze tot staan te brengen en uit te roeien. Zooveel is althans zeker, dat de bijna ledig geworden tempels zich weer beginnen te vullen; dat de lang verwaarloosde heilige gebruiken weder in eere komen; dat de offerdieren weder verkocht worden, voor welke langen tijd geen kooper te vinden was. Daaruit kan men gereedelijk opmaken, welke een groot aantal menschen nog tot betere gedachten gebracht kan worden, wanneer er maar gelegenheid tot berouwvolle!) terugkeer geschonken wordt/\'

Op dezen brief antwoordde de keizer als volgt:

„Trajanus aan Plinius.quot;

„Gij hebt bij uw onderzoek naar ben, welke bij u als christenen aangeklaagd zijn, volkomen den jnisten weg ingeslagen. Zij moeten niet opgezocht worden. Zij daarentegen, die aangeklaagd en schuldig bevonden worden, moeten worden gestraft, met dien

-ocr page 99-

77

verstaiiile ecliter, dat hij. die den cltristennaam verloochent, en dat metterdaad bekrachtigt door onze goden aan te roepen, niettegenstaande de verdenking, waaronder hij ligt door zijn vorig leven, toch ter wille van zijne verandering in denkwijze^ vergeving ontvangen zal. Aanklachten, die niet onderteekend zijn, mogen in geen geval worden aangenomen. Dat toch zou een slecht voorbeeld geven, en onzer tijd onwaardig zijn.quot;

In dezen tijd leefde te Jeruzalem Simeon, een broeder des Heeren en bisschop van de stad, een grijsaard van honderd twintig jaren. Hij werd door de vijanden der gemeente aangeklaagd, als een, die. uit Davids geslacht was gesproten, en ook een Christen was. Yele dagen lang werd hij gemarteld, en bleef toch standvastig in zijn geloof, zoodat de stadhou Ier en alle omstanders zich verwonderden, hoe een zoo hoogbejaarde grijsaard dit kon uithouden. Eindelijk werd bevel gegeven hem te kruisigen (107).

Op eenen krijgstocht, dien keizer Trajanus iu Azië te voeren had, ontdekte hij, dat in spijt, van alle vervolgingen, het aantal geloovigen altijd nog toenam.

Plinius had zich dus bedrogen, toen hij meende het Christendom te kunnen tegengaan. Dit verbitterde den keizer, en hij besloot tegenover de christenen nog strengere maatregelen te nemen dan tot dusverre. Zoo kwam hij te Antiochië. Aan het hoofd der christelijke gemeente aldaar stond de. voortreffelijke Ignatius, een leerling van Johannes, den Apostel des Heeren; van hem wordt verhaald, dat hij onder de kinderen geweest is, die de Heer eens liefkozend zegende. Vandaar zijn naam Theoforus, of „door Godquot; gedragenequot;. Deze bijnaam kan echter ook eene andere beteekenis lubben, nl. „hij, die Godin het hart draagtquot;. Zoodra deze Ignatius vernam, dat de keizer te Antiochië was, en zeer vertoornd was op de christenen, liet hij zich voor hem brengen om alzoo den toorn des keizers van de gemeente op zich af te leiden De keizer sprak hem heftig toe: „Welke booze geest zijt gij, dat gij niet alleen zelf onze geboden ongehoorzaam zijt, maar ook andere tot diezelfde roekelooze dwaasheid verleidt, die hen toch in het ongeluk moet storten?quot; Zachtzinnig luidde, het antwoord van den grijsaard; „Nog niemand heeft Theoforus eenen boozen geest genoemd. De booze geesten houden zich verre van de knechten des Heeren. Gij

-ocr page 100-

78

moogt mij liever eenen vijand der booze geesten noemen; want ik verscheur hunne strikken door de hulp van mijnen hemelschen Koning Jezus Christus.quot;

„En wie is Theoforus?quot; vroeg de keizer. — „Die Christus in \'t harte draagt/\' antwoordde Ignatius. Toen werd de keizer toornig, dat deze man altijd weer van den Christus sprak, en riep; „Gelooft gij niet, dat ook in ons de goden wonen, en voor ons strijden tegen onze tegenstanders?quot;

„Gij dwaalt,quot; was het vaste antwoord van Ignatius. „Er is slechts één God, die hemel en aarde gemaakt heeft, en alles, wat daarin is, en één Zaligmaker, Jezus Christus, Gods eengeboren Zoon.quot; Met deze belijdenis had hij zijn leven verbeurd. De keizer riep de wacht en gebood, dat de bisschop naar Rome gebracht en daar voor de wilde dieren zou geworpen worden. Doch Ignatius prees met luider stemme God, die hem de eer van het martelaarschap had waardig gekeurd. Toen legde hij zich zeiven de boeien aan, terwijl hij met tranen in de oogen voor zijne gemeente tot God bad. Onder geleide van tien krijgsknechten, die meenden zich tegen den gevangenen grijsaard alle ruwe bejegeningen te mogen veroorloven, werd hij nu naar Smyrna gevoerd. Op deze ruwe behandeling doelende, schreef hij in een zijner brieven, dat hij reeds nu dagelijks door tien luipaarden gemarteld werd. Maar aan de andere zijde geleek zijn tocht een ware triumftocht. Aller-wege gingen de christenen hem tegemoet, om hem een laatsten, weemoedigen groet te brengen. En hij, van zijne zijde, bleef tot het einde toe, met hartelijke toewijding voor de gemeenten zorg dragen, en schreef daarom, op zijn weg ten doode, nog zeven zendbrieven, waarin hij de bisschoppen en gemeenten vermaande, in deze zware tijden hun ambt trouw te vervullen en den Heer getrouw te blijven. Den christenen te Rome zond hij eeue boodschap, dat zij bij den keizer voor hem niet om gratie moesten vragen. „Ik ben,quot; zeide hij, ,,een tarwekorrel Gods, en moet gemalen worden door de wilde dieren.quot; Ja, opgewekt zelfs schreef hij: „nu begin ik eerst een jonger te zijn.quot;

Toen hij te Rome kwam, ging de geheele gemeente hem wee-nende tegemoet. Reeds den volgenden dag werd hij naar het Amphitheater gebracht, waar volgens de gruwelijke Romeinsche gewoonte, zij, die ter dood veroordeeld waren, voor de oogen van

-ocr page 101-

79

het op schouwspelen beluste volk, aan de wilde dieren werden prijs gegeven.

De hongerige gedrochten wierpen zich met zooveei grimmigheid op Ignatius, dat hij oogenblikkelijk een offer hunner woede werd. Zoo stierf deze dienaar des Heereu in liet jaar 11 Oi. En de christenen brachten dien nacht wakende door, en baden God, dat Hij hun in de ernstige ure des doods, gelijke kracht en blijmoedigheid geven mocht.

Tn dergelijke moordtooneelen vonden de heidenen zoo groot behagen, dat zij dikwijls hartstochtelijk den dood der christenen eischten. Keizer Hadrianus, in wien \'t oud Romemsche rechtsgevoel nog leefde, vaardigde daarom een gebod uit, dat slechts ter oorzake van een wezenlijk vergrijp, een christen gevonnisd zou worden. Het kon echter geschieden, en het is ook werkelijk geschied, dat het christelijk geloof op zicli zelf als een vergrijp werd aangezien en bestraft, üe keizer intusschen — hij regeerde van 107 -—138, kwam na de onderdrukking van den tweeden Joodschen opstand op de gedachte, op Jeruzaleras puinhoopen eene heidensche stad te bouwen, die hij Aelïa Capilolina noemde. Op iedere plek aldaar, die door oude, heilige herinneringen den christenen dierbaar was, en dikwijls door hen bezocht werd, liet de keizer een heiligdom, aan de goden gewijd, oprichten, om de christenen te krenken en hen verre te houden van zulk eene plaats. Zoo werd op Golgotha een beeld van Venus, boven het heilige graf een beeld van Jupiter opgericht, en op Jezus\' geboorteplaats, te Bethlehem, een bosch geplant, aan Adonis gewijd. Maar deze maatregelen, boosaardig bedoeld, hadden ook haar nut voor de Christenheid. Tot nog toe waren die heilige plaatsen daardoor bekend gebleven, dat de ouderen ze den jongeren aanwezen. Van nu aan bleven zij des te gemakkelijker bij de later levende geslachten bekend, daalde keizer ze zelf door beelden en offerplaatsen gemerkt had.

Gedurende een tamelijk lang tijdsverloop verheugde de Kerk zich nu in eene betrekkelijke rust. Toen kwam de reeds bovengenoemde Marcus Aurelim (161—180) aan de regeering, een koud en trotsch philosoof, die in de christenen slechts dwaze dweepers en weerspannige onderdanen zag. Nu braken nieuwe vervolgingen uit. Strenge wetten werden uitgevaardigd tegen allen, die den Heer aanriepen. Overal waren aanklagers te vinden, die tegen aanbren-

-ocr page 102-

80

gersloon, do christenen opzochten en aanklaagden. Op de alzoo beschuldigden paste men de uitgezochtste martelingen toe, om hen tot verloochening te dwingen. Het aantal martelaren wies; de grootste onder allen was Pob/carpus (f 167).

Als jongeling was hij een leerling geweest van Johannes en nu was hij bisschop van de gemeente te Smyrna. In een merkwaardig schrijven geeft deze gemeente over zijnen dood ons een getrouw bericht, dat aldus aanvangt:

„De gemeente Gods te Smyrna wenscht alle gemeenten der heilige, algemeene Kerk aan alle plaatsen barmhartigheid, vrede en liefde van God den quot;Vader en onzen Heer Jezus Christus in rijke mate toe. Wij schrijven u, geliefde broeders, wat met de martelaren en m \'t bijzonder met den nu zaligen Polycarpus geschied is, die door zijn dood als bloedgetuige de vervolging bezegeld en gestild heeft.quot; En dan wordt de dood van den bisschop ongeveer aldus verhaald. „Door het dagelijks aanschouwen van hen, die ter slachtbank geleid werden, was de bloeddorstigheid der heidenen voortdurend grooter geworden, totdat het volk eindelijk met woest getier den dood van Polycarpus eischte, dien zij eenen vijand der goden en eenen vader der christenen noemden. Toen vermaanden hem zijne vrienden, dat hij zijn leven zou redden. Tegen zijnen wil gaf hij eindelijk toe en verborg zich in eene villa, waar hij eenige dagen vertoefde, terwijl hij voortdurend voor de gemeente bad. Maar eens, tegen het aanbreken van den nacht, verschenen de krijgslieden, die gezonden waren om hem te vangen. Rustig gaf hij zich over met de woorden : „de wil des Heeren geschiede!quot; Daar zij verwacht hadden eenen godloochenaar en oproermaker te vinden, verwonderden zij zich niet weinig, toen een eerwaardige grijsaard hun met stille blijmoedigheid te gemoet trad. Hij liet hun eenige verfrissching geven, en bereidde zich door een hartgrondig gebed op zijnen gang ten doode. Hierop voerde men hem naar de stad, waar op de gerichtsplaats terstond de straf voltrokken werd. Zoodra Polycarpus daar aankwam, verhief zich een luid rumoer uit de ontelbare menigte, die zich daar verzameld had, een rumoer, dat niet te stillen was. Toen de rechter tot Polycarpus zeide: „Vloek uwen Christus,quot; antwoordde hij: „Ik dien hem nu zes-en-tachtig jaren, en nooit heeft Hij mij kwaad gedaan. Hoe zoude ik dan mijnen Koning vloeken, die mij zalig gemaakt heeft?quot; De rechter, blijk-

-ocr page 103-

81

baar getroffen door deze woorden, wilde den bisschop gaarne redden, waarom hij hem uitnoodigde, alleen een heidensche eedformule te willen nazeggen. Docli Polycarpus stelde tegen dit verleidelijk verzoek slechts de eenvoudige getuigenis over: „Ik ben een christen.quot; Nu wilde de rechter, dat hij iets zou zeggen om het joelende volk tot rust te brengen; zijn antwoord luidde echter: „Ik heb het mijn plicht geacht, u te woord te staan, daar wij de van God gestelde machten de hun toekomende eer moeten bewijzen, maar deze menigte acht ik niet waard, dat ik mij tegenover hen zoude rechtvaardigen.quot; Toen werd de rechter toornig en dreigde hem met den brandstapel. De grijsaard liet zich daardoor niet verschrikken, maar zeide rustig: „Gij dreigt mij met een vuur, dat slechts korten tijd brandt en spoedig uitgaat. Maar gij weet niets van het vuur van het toekomstig oordeel en van de eeuwige straf, die den goddeloo-zen bereid is. Doch waarom draalt gij? Doe, wat gij wilt.quot; Een heraut riep nu met luider stemme tot het volk: „Polycarpus heeft zelf bekend een christen te zijn.quot; Als een éénig man riep de menigte, dat hij verbrand moest worden. Ieder was behulpzaam den brandstapel op te richten, maar het ijverigst van allen waren de Joden. Zwijgend legde Polycarpus nu zijn gewaad af, en toen hij aan don paal was vastgebonden, loofde hij God nog met luider stem. Nauwelijks had hij het Amen gesproken, of de houtmijt werd aangestoken. Hoog sloegen de vlammen op, doch zij raakten den martelaar niet aan, die ongedeerd te midden er van bleef staan. De beul moest toen met het zwaard den bisschop dooden, wiens lijk daarna verbrand werd. De asch, den christenen zoo dierbaar, werd hun gelaten. En nu dit offer gevallen was, scheen de toorn der heidenen gestild.

Polycarpus heeft ook eenen brief nagelaten, gericht aan dc gemeente te Philippi. Daarom wordt hij — evenals Ignatius — tot de Apostolische vaders gerekend.

Nog veel heviger woedde de vervolging tien jaren later (177) te Lyon en te Vienne, eene stad, dieht bij Lyon gelegen. Hier koesterden de heidenen een diep gewortelden haat tegen de christenen ; nauwelijks durfden de laatsten zich in het openbaar vertoonen. Eindelijk ging men over tot geweld, en bij geheele scharen werden de ffeloovisren naar de rechtbank trevoerd. Slechts weinigen verloo-

O O O w

dienden deu Christus, en deze weinigen stonden dan met schuwen

6

-ocr page 104-

82

blik er bij, den belijders tot een oorzaak van jammer, en den heidenen tot eene bespotting. Doch verreweg de meeste christenen gingen blijmoedig den dood te gemoet. quot;Van den schoonsten christelijken heldenmoed legden de diaken Sanctus en de slavin Blanclina bewijzen aan den dag. De eerste antwoordde op de vraag van den rechter naar naam en betrekking; „Ik ben een christen.quot; Dat was naam, betrekking en alles. Nu werd hij gemarteld, en gewond en gekneusd, zonder verpleging in den kerker achtergelaten, om spoedig tot nieuwe marteling te worden afgehaald. Maar hij wankelde niet. Blandina was eene teedere jonkvrouw, doch hare pijnigers sloegen geen acht op haren leeftijd en haar geslacht. Ook zij stelde tegenover alle bedreigingen dit eene: „tk ben eene christin, maar niets misdadigs wordt bij ons gedaan.quot; Kruiselings aan een paal gebonden, moest zij door wilde dieren verscheurd worden. Doch deze deden haar geen leed. De overige martelaren dachten intus-schen bij dezen aanblik aan den Heere Jezus, die ook eens de armen aan het kruis had uitgestrekt. Eindelijk werden Sanctus en Blandina met het zwaard gedood.

„Waar is nu uw God?quot; zoo riepen de heidenen hoonend hunne slachtoffers toe. Maar, schoon zij het niet bemerkten. God was werkelijk in het midden der Zijnen.

Marcus Aurelius werd opgevolgd door Commodm (ISO —191) eenen man, die in de zonde leefde en niet naar goddelijke dingen vroeg. Juist daarom echter schonk hij ook geen aandacht aan de christenen, die zich nu in eene weldadige rust verheugden. Zijn opvolger, Septmius Severn (193—211), was geen vijand der christenen, maar toch ging hij de vervolgingen, die enkele zijner stadhouders begonnen, niet tegen. Zoo kwam (302) over de gemeente te Carthago eene groote bezoeking, en kerkers en moordschavotten werden weder vol. Vooral éene martelares mogen wij bij \'t bespreken dezer vervolging niet vergeten. Er leefde te Carthago eene edele vrouw, met name Perpetua, dochter van eenen heidenschen vader, en moeder van een jong kindje. Zij was christin, maar had den doop nog niet ontvangen. Zij werd gegrepen en in de gevangenis geworpen, waar zij met vele anderen eene lichte gevangenschap deelde. De geestelijken mochten de gevangenen in hunne kerkers bezoeken, en zoo ontving Perpetua dan daar den doop. Ook haren zuigeling mocht zij bij zich houdeu.

-ocr page 105-

83

Maar was hare gevangenschap in dit opzicht dragelijk, bijna 011-dragelijk werd zij haar door haren vader gemaakt. Deze toch drong dikwijls tot haren kerker door, buiten zich zeiven van smart, omdat zijne dochter de voorvaderlijke goden ontrouw geworden was, en nu eenen smadelijken dood moest sterven. Soms schold en sloeg hij haar in zijne vertwijfeling en zijnen toorn; soms wierp hij zich weenend voor haar neder, bedekte hare handen met kussen, en bezwoer haar toch medelijden te hebben met zijne grijze haren. Hij wilde, dat zij voor den rechter haar geloof nog zou afzweren. Maar zij dacht aan het woord des Heeren: „ IFie vader of moeder lief heeft hoven Mij, is Mijns niet loaardigquot; (Matt. 10 ; 37). Perpetua had den Heer méér lief, al was zij bedroefd, dat haar vader zich niet over haar christennaam verblijdde. Zij was rustig over haar lot. „Ik ben in Gods hand,quot; zeide zij. ïoen zij voor den rechter gebracht werd, vond zij ook daar haren vader, die haar kind op den arm droeg. Nog eenmaal smeekte hij haar om toch, ter wille van haar kind, haar leven te redden. Maar zij antwoordde op den vraag van den rechter met vaste stem; „Ik ben eene christin.quot; Haar doodvonnis is nu geveld, eu de beulsknechten willen haar wegleiden. Daar werpt de ongelukkige vader zich op hen, om met geweld zijne dochter te bevrijden. Perpetua ziet, hoe hij terug gestooten, gegrepen, op bevel des rechters gegeeseld wordt, hoe zijne blikken verwijtend op haar rusten. In den kerker wil zij zich troosten door het gezicht van haar kindje, maar haar vader heeft het tot zich genomen, en wil het haar niet zenden. Zij overwint hare smart, blijft standvastig, ook in het laatste gesprek dat zij met haren vader voert, en zorgt met moederlijke zorg voor hare medegevangenen. Eindelijk breekt de dag aan, waarop het vonnis zal worden voltrokken. De wilde dieren zijn aanwezig in \'t renperk, waar de martelaars verschijnen, die den rechter het ernstige woord toeroepen: „Gij oordeelt ons, maar God zal u oordeelen.quot; Perpetua en nog eene christin — F eliei tas — worden in een net genaaid en eene wilde koe op haar losgelaten. Loeiend komt deze op haar af, werpt de vrouwen neder, maar loopt door. Perpetua staat op, neemt haar gescheurd gewaad in plooien bijeen, en brengt haar fladderend haar weder iu orde. Daarna reikt zij Pelicitas de hand, om deze op te richten. Door dezen aanblik worden zelfs de heidenen getroffen, en luide vorderen

-ocr page 106-

S4

zij, dat de vrouwen weggevoerd zullen worden. Maar zij werden weggeleid ten doode. Met liet zwaard werden zij omgebracht.

Eindelijk kwam er een einde aan de gruweldaden. De vervolgers werden het slachten moede. Duizeude christenen waren als martelaren gevallen, maar duizenden leefden er nog en bleven nu ongedeerd. Een tijd van vrede en rust keerde weêr, en in dien tijd herstelde de kerk zich weder van de slagen, die haar waren toegebracht.

Zóó werd het Christendom meer en meer eene macht, die ook den tegenstanders eerbied afdwong. Niet weinigen onder de heidenen begonnen in het Christendom iets goddelijks te zien, hoe ver zij ook nog van de kennis der waarheid af mochten zijn. Duidelijk blijkt dit uit het leven van keizer Alexander Sevens, (222—235). De moeder van dezen vorst was den christenen gunstig gezind, en had ook haren zoon eene welwillende gezindheid tegenover hen ingeprent. Als keizer beschermde Alexander tie christenen tegen onrechtvaardige onderdrukking, ja, hij beschouwde Christus als eenen goddelijken wijsgeer. Daarom plaatste hij ook in zijn paleis, naast de beelden der heidensche helden en wijs-geeren, standbeelden van Christus en Abraham. Bijzonder welgevallen had hij in sommige uitspraken van het Evangelie, waarvan hij dit woord tot zijn levensdevies verhief; Gelijk gij wilt, dat u de menschen doen zullen, doet gij hun ook desgelijks (Luc. 6 : 31). Toch verleende zelfs hij den christenen nog geene door de wet gewaarborgde gewetensvrijheid.

Deze tijd van rust had echter voor de kerk ook zijne gevaarlijke zijde. Vele christenen vervielen in eene valsche gerustheid. Hooren wij hetgeen de tijdgenooten dienaangaande mede-deelen. „Met onbeteugeld verlangen,quot; zoo schrijft Cyprianus, „trachtten niet weinigen naar vermeerdering hunner aardsche goederen, geheel vergetende hoe de geloovigen in den tijd der Apostelen gehandeld hebben, en hoe de geloovigen altijd moeten handelen. Zelfs onder de bisschoppen, die toch met hunne vermaningen en hun voorbeeld de anderen moeten voorgaan, waren niet weinigen nalatig in het nakomen hunner goddelijke roeping, en hielden zich met wereldsche zaken bezig.quot; Zoo zegt Origenes: „Yele christenen komen slechts bij de hooge feesten ter kerk, en dan niet eens om zich te laten onderwijzen, maar enkel tot tijdverdrijf. Anderen

-ocr page 107-

85

verlaten het kerkgebouw, zoodra de preek uit is, zonder met de leeraren te spreken en naar Imn raad te vragen. Nog anderen wachten niet eens het eind der predicatie af en hooren er nauwelijks een woord van, maar staan in een hoek met elkander te praten.quot;

Toen liet de Heer Zijne Kerk opnieuw eene vuurproef doorstaan.

Keizer Deerns (249—351) was vast besloten het Christendom met wortel en tak uit te roeien. Zoo verhief zich eene vervolging, die zich uitstrekte van het eene einde des rijks tot het andere, en trapsgewijze in hevigheid toenam. Het meest hadden de christenen te Rome te lijden, waar zij onder het oog van den keizer zeiven leefden. Maar zij bleven trouw in hun geloof. Sommigen van hen schreven aan Cyprianus, bisschop van Carthago, terwijl zij in den kerker smachtten: „Wat kan de mensch door de genade Gods heerlijkers of zaligers verkrijgen, dan deze vreugde, dat hij onder martelingen, ja zelfs in het aangezicht des doods. God den Heer mag belijden en een deelgenoot van het lijden van Christus mag worden ? Hebben wij ook ons bloed nog niet vergoten, wij zijn toch bereid het te vergieten. Bid daarom, waardste Cyprianus, dat de Heer ons ieder afzonderlijk dagelijks meer met Zijne kracht en genade bevestige en versterke; dat Hij, onze ware Veldheer, ook Zijne strijders op het slagveld, waar de strijd gevoerd moet worden, brenge, na hen in den kerker als in eene legerplaats geoefend en op de proef gesteld te hebben. Reike Hij ons de geestelijke wapenrusting, opdat wij niet overwonnen kunnen worden.quot;

In dezen tijd geschiedde te Carthago eene wonderbare gebeurtenis. De presbyter Numidicus had aldaar, onder de hevigste vervolging, zich onwankelbaar trouw betoond in zijn geloof. Velen had hij voorbereid op hun naderend einde; zijne eigene vrouw had hij op den brandstapel zien sterven. Eindelijk is ook zijne ure gekomen. Hij is veroordeeld om verbrand te worden, en ook met stee-nen wordt naar hem geworpen. Doch de woede der heidenen bekoelt, en nauwelijks meer lettende op de afzonderlijke slachtoffers, gaat de menigte zich verstrooien. Daar komt de dochter van Numidicus om het zielloos overschot van haren vader te zoeken. Zij vindt hem, schijnbaar dood. Maar weldra ontdekt zij teekenen van leven, dat nog niet is uitgebluscht. Spoedig ijlt zij terug, roept eenige christenen en redt met hunne hulp haren vader, die weer tot het leven, is weergekeerd.

-ocr page 108-

86

Ook onder Decius\' opvolgers, Gallus en Valenanus duurde, met korte tusschenpoozen, de vervolging voort. Voornamelijk was het nu gemunt op hen, die een kerkelijk ambt in de gemeente bekleedden. Men wilde de herders dooden, opdat de kudde zich zou verstrooien. Ook Sixtus, de bisschop van Rome, werd weggeleid om gekruisigd te worden. Terwijl hij door de straten naar de strafplaats gaat, snelt zijn jonge diaken Laurentim op hein toe en roept uit: „Mijn vader, waar gaat gij heen, zonder uwen zoon ?quot; Ernstig antwoordt de bisschop: „Mijn zoon, ik verlaat n niet. Gij zult niet verweesd achter blijven; een grooter strijd dan ik te strijden heb, wacht u. Wij, grijsaards, hebben een gemakkelijken strijd; maar n wacht grooter overwinning. Spoedig zult gij mij volgen.quot; Daarop wendt hij zich om en gaat kruiswaarts. Eenige dagen later doet de keizer Laurentius ontbieden, en gebiedt hem de schatten van de kerk uit te leveren.

Door de vele liefdegaven toch, die de christenen bij hunne samenkomsten medebrachten, waren de heidenen tot de meening gekomen, dat in de kerken onmetelijke schatten lagen opgehoopt. Laurentius antwoordde den stadhouder: „Geef mij slechts een weinig tijd, om alles in orde te brengen.quot; De stadhouder, verheugd over deze bereidwilligheid, die hij niet verwacht had, staat hem een termijn van drie dagen toe. Op den bepaalden dag verschijnt Laurentius en zegt: „Heer, kom en zie de kostbaarheden van onzen God. Uw voorplein is geheel gevuld met gouden vaten.quot; Maar toen de hebzuchtige stadhouder begeerig naar buiten snelt, vindt hij voor zijn paleis vele armen, die door de Kerk onderhouden worden. Vol van sprakelooze woede, meet de bedrogen Romein den vermetelen diaken met zijne toornige blikken. Doch deze antwoordt; „Wat wekt toch uw ongenoegen op? Houdt gij deze schatten voor klein of gering? Dit zijn de kostbaarheden, die ik u beloofde. Zij zijn het goud en de edelgesteenten van onze Kerk.quot; Toen riep de stadhouder : „Drijft gij alzoo den spot met mij ? Ik weet, dat gij er trotsch op zijt, den dood te verachten. Welnu, gij zult dien langzaam voelen naderen.quot; Daarom beval hij den diaken op een gloei enden rooster te leggen. Zoo volgde Laurentius zijnen bisschop.

In dezen zelfden tijd had een knaap te Caesarea in Cappadocië den Ileere Jezus als den Christus leeren kennen. Door zijnen vader uit huis geworpen, wordt hij weldra om zijn geloof voor den rechter

-ocr page 109-

87

gesleept. Deze, door de jeugd van den beschuldigde met medelijden bewogen, spreekt hem vriendelijk toe: „Kind, ik vergeef u uwe overtreding. Ook uw vader zal u vergeven en weer als zoon aannemen. Het staat in uwe macht, uws vaders erfgenaam te blijven, wanneer gij verstandig zijt en uw eigen geluk niet met voeten treedt.quot; Maar de knaap antwoordt: „Gaarne wil ik lijden; God zal mij in Zijne heerlijkheid opnemen. Ik treur er niet om, dat ik uit mijn vaderlijk huis geworpen ben, want een hetere woning is mij bereid. Ook vrees ik den dood niet, want deze voert mij tot een schooner leven.quot; ATu liet de rechter hem naar de strafplaats voeren, om hem bevreesd te maken door het aanschouwen van de voorbereidselen voor zijne terechtstelling. Maar de jonge martelaar bleef standvastig. En toen de toeschouwers hunne tranen niet konden weerhouden, sprak hij tot hen: „Gij moest u voor mij verblijden; maar gij weet ook niets van de stad, waarheen ik ga/\' Zoo stierf hij. Wij denken bij deze geschiedenis aan het woord: „Uit den mond der kinderwens helt Gij sterkte gegrondoesl om Lieer tegenpartijen ivilquot; (Ps. 8 : 3).

Zoo had ieder geslacht en iedere leeftijd nu zijne martelaren : Sixtus, de grijsaard; Cyrillus, de knaap; Perpetua, de moeder; Blandina, de jonge maagd — welk eene heerlijke verzameling van Godsgetuigen!

Waar zulke strijders streden, was de overwinning verzekerd.

§ l9-

])c overwinning des gcloofs.

Nadat Valerianus in een\' ongelukkigen veldslag gevangen genomen was door den koning der Perzen, werd zijn zoon Gallienus keizer in zijne plaats. Deze was den christenen gunstig gezind, en vaardigde in 360 een decreet uit, dat alle vervolging moest ophouden. „Niemand zal u lastig vallen,quot; zoo schreef hij aan de christenen, en tegelijkertijd verleende hij aan de Kerk het belangrijke recht, eigen terrein te bezitten. Zoo werd de Kerk na eenen strijd om het bestaan van tweehonderd jaren, nu eindelijk door den Staat als rechtspersoon erkend.

-ocr page 110-

88

In dezeu tijd had zich in het Oosten oen zekere Maerianus, een eerzuchtig man, tot keizer opgeworpen, zoodat aldaar op het edict van Gallienus niet gelet werd. Zoo geschiedde het dan eens, dat in een stad van Palestina een uitmuntend soldaat, Marius geheeten, tot hoofdman benoemd zou worden en juist den staf zou ontvangen, het teeken dier waardigheid, toen een afgunstig medesoldaat opstond, en hem beschuldigde een christen te zijn, die noch den goden, noch den keizer den verschuldigden eerbied bewees. Terstond werd nu aan Marius gevraagd of hij zijn geloof wilde afzweren, en om daaromtrent te beslissen, werd hein drie uren bedenktijd gelaten. Toen voerde de bisschop der stad hem naar de kerk, en vroeg, terwijl hij met de ééne hand op het zwaard van den krijgsman, en met de andere op het Evangelie wees: „Welk van deze beiden kiest gij ?quot; Zonder zich te bedenken, strekte Marius de rechterhand uit en vatte het Evangelie. „Houd dan vast aan God en ga i:a vrede,quot; antwoordde de bisschop. En Marius ging en verzekerde aan zijne oversten, dat hij als christen leefde en als christen wilde sterven; terstond daarna werd hij onthoofd.

Maerianus echter werd door Gallienus overwonnen en onmiddellijk daarna werd ook het beschermings-edict in het geheele rijk afgekondigd, en door de meesten der volgende keizers gehandhaafd. Veertig jaren lang verheugden de christenen zich nu in eene ongestoorde rust, en in dezen tijd kwam de Kerk tot eenen vroeger ongekenden bloei. De gemeenten namen overal in aantal toe; prachtige kerken werden gebouwd, en, zoowel aan het hof als in het leger, kwamen christenen tot do hoogste eereambten. Maar hierdoor kwam er wederom eene sluimering des doods over vele ge-loovigen, waarvan maar al to spoedig de treurige gevolgen aan het licht traden. Hierover schrijft Euselius: „Toen de onzen door de verleende vrijheid meer en meer zorgeloos en traag werden, toen zij elkander gingen benijden en met elkander twisten en elkander beleedigden; toon wij met de wapenen des woords gingen strijden, als vochten wij met zwaarden en lansen; toen tusschen verschillende gemeenten en bisschoppen tweedracht en scheuring zich gingen vertoonen; toen kruipende vleierij en huichelachtige boosheid zich indrongen in de Kerk, — toen liet God Zijne oordeelen komen, wel verschoonend en slechts langzamerhand, maar toch als eene rechtvaardige straf voor de verbastering.quot;

-ocr page 111-

89

Op het einde der derde eeuw^ en in liet begin der vierde (284—305), regeerde keizer Diocletianus, een krachtig vorst en wijs in alle wereldsche aangelegenheden. De christenen liet hij rustig in hun geloof, eu zijne gemalin was de Kerk gunstig gezind; misschien was zij zelve eene christin. Maar om zijne werkzaamheden eenigszins te verminderen, droeg hij een deel zijner keizerlijke macht over aan zijnen schoonzoon Galerius, die te Nicomedië — gelegen in Klein-A?ië, bij de zee van Marmora — zijne residentie opsloeg, en toen, geheel onverwacht, pakten zich dreigende onweerswolken boven de niets kwaads vermoedende christenen samen. Galerius was een dapper veldheer, maar gevangen ouder heidensch bijgeloof. Hiervan maakten de heidensche priesters gebruik, oiu door hem huu lang beraamde plannen van wraak tegen de Kerk des Heereu ten uitvoer te brengen. Eene gewoonte, die bij de christenen bestond, gaf huu geschikte aanleiding om Galerius eenen doodelijken haat tegen de christenen in te boezemen. Wanneer nl. in de legerplaats der Eomeinen de gebruikelijke offers gebracht werden, om zich de gunst der goden te verzekeren, dan waren de aanwezige christenen gewoon het teeken des kruises over zich te maken, om zich als \'t ware te beveiligen tegen de macht der duisternis, die in het heidendom heerschte. De heidensche priesters maakten nu Galerius diets, dat dit gehate teeken des kruises de goden verre deed blijven van de offers en hunne gunst aan het leger onttrok, waarom ook de overwinning de keizerlijke adelaren ontvluchtte.

Zulke woorden vonden maar al te gereeden ingang bij den lichtgeloovigen Galerius, die den keizer het bevel afdwong, dat alle christenen uit het leger moesten verwijderd worden. Tot dit einde werd het bevel gegeven, dat bij een feest ter eere des keizers, ieder soldaat aan het offer en het offermaal zijner afdeeling deel moest nemen. Wie weigeren mocht, moest uit den dienst worden verwijderd. Toen gaven de christenen, die in het leger dienden, liever de hoop op krijgsmanseer op, dan dat zij zondigen zouden tegen het gebod des Heeren: „Gij zult (jeen andere (joden voor Mijn aangezicht hehhen.quot; Sommigen van hen werden hierom gedood, omdat men hunne weigering als majesteitschennis uitlegde.

Te Tanger in Afrika stond de hoofdman Marcellus bij een offermaaltijd op, wierp wapenen en onderscheidingsteekcneu weg en

-ocr page 112-

90

riep : „Van dit oogenblik af houd ik op, als soldaat uwe imperatoren te dienen. Ik kan uwe houten en steenen goden niet aanbidden, daar zij niets anders dan doove en stomme afgoden zijn. Als de soldatenstand er toe dwingt, den goden en den keizer te offeren, dan werp ik werpspies en sabelriem weg en neem mijn eed aan de vaandels terug.quot; Onmiddellijk werd hij in hechtenis genomen, en als een, die de goden en den keizer gelasterd had, ter dood veroordeeld.

Intusschen was Galerius met deze maatregelen volstrekt niet voldaan. Integendeel, hij trachtte zijnen schoonvader, die oud begon te worden, tot nieuwe en afdoende maatregelen tegen de christenen te bewegen. Deze toeleg gelukte hem maar al te wel, toen Diocletianus, om mondeling met zijnen schoonzoon over deze aangelegenheid te spreken, naar Nicomedië kwam. Bij dit gesprek toch werd het uur vastgesteld, waarop het verderf alle degenen, die den naam van Christus beleden, zou achterhalen.

De christenen leefden in de vreedzaamste rust voort, steunend op hunne rechten, die hun schriftelijk waren gegeven. De tijd van Paschcn — eenmaal de lijdenstijd des Heeren en nu ook van Zijne Gemeente — was aanstaande.

Toen verscheen met het aanbreken van den dag, den 23steii Februari 303, eene afdeeling van de keizerlijke lijfwacht voor de kerk te Nicomedië. Met geweld werden de deuren geopend, het heilige vaatwerk geroofd, de Heilige Schriften verbrand. Daarna werd het geheele heiligdom naar den grond gehaald. Maar dit alles was slechts voorspel van veel erger dingen. Op den volgenden dag werd openlijk een keizerlijk bevelschrift aangeslagen, dat er op berekend was, de Kerk te gronde te richten. De vreeselijke inhoud er van was geen andere, dan dat alle godsdienstige samenkomsten der christenen verboden werden. De kerken moesten gesloten, de heilige boeken verbrand worden. De christenen verloren alle eereambten en burgerschapsrechten. Aan christenslaven werd zelfs de hoop benomen, ooit de vrijheid weder te krijgen.

Een christen uit den aanzienlijksten stand, die voorbij gaat en het plakkaat leest, rukt in verkeerd begrepen ijver dii stuk af, terwijl hij bittere woorden uit tegen den keizer, die tegen zijne onderdanen optreedt, als waren zij overwonnen vijanden. Natuurlijk moet hij zijnen overmoed met den dood boeten.

-ocr page 113-

91

Overal in het rijk wordt nu het strenpi hevel dos keizer? afgekondigd.

Soms intusschen verzachtten \'s keizers dienaren de strengheid er van, misschien daartoe gebracht door een heilige vreeze voor den godsdienst van het Kruis. Zij gaven den christenen tijd de heilige boeken te verbergen, of lieten in plaats van de Bijbels, waar-delooze geschriften verbranden. In Afrika richtte de stadhouder aan een bisschop de gewone vraag, of er ook heilige schriften in zijn bezit waren. Maar tegelijk liet hij er op volgen : „of hebt gij er misschien geen ?\'\' Hij schijnt dus een ontkennend antwoord gewenscht te hebben. Op deze wijze konden kleinmoedige christenen gemakkelijk tot leugen en veinzerij worden gebracht, maar toch, zij, die vastgeworteld waren in hun geloof, hebben bij deze vervolging, zoowel als in iedere andere, eene schoone getuigenis van hun geloof in den Christus voor de heidensche overheden afgelegd.

Intusschen verkreeg de zaak voor de christenen een gedurig meer dreigend aanzien. Toen in het paleis des keizers te Nicomedië tweemaal kort na elkander brand ontstond, en tegelijkertijd uit andere provinciën des rijks geruchten van oproerige beweging kwamen, werd opnieuw de oude beschuldiging den christenen naar het hoofd geslingerd, dat zij aanslagen smeedden tegen de kroon, en vijanden waren der openbare welvaart. De eigenaardige, dweepach-tige wijze van spreken van sommige christenen gaf aan deze aanklachten somtijds eenen schijn van waarheid, vooral daar de heidenen het niet begrepen. Zoo gaf een christen aan den rechter als zijne woonplaats het hemelsche Jeruzalem op, wat door den rechter zóó verstaan werd, alsof het eene werkelijk bestaande stad was, waar de samenzweringen, die men op het spoor meende te zijn, werden gesmeed. De voorgangers der gemeente beschouwde men als de hoofden dezer samenrotting, en zoo duurde het niet lang, of een tweede keizerlijk bevelschrift beval, dat alle geestelijken in den kerker geworpen moesten worden. Eindelijk kwam het bevel, dat alle christenen gedwongen moesten worden te offeren, en hiermede ving de gruwelijkste vervolging aan, waarmede de christenheid ooit is bezocht geworden.

In iedere stad van het rijk werd openlijk bekend gemaakt, dat alle inwoners, zonder onderscheid van ouderdom of geslacht, zich in de tempels moesten verzamelen. Wie nu of door eenvoudig

fit

li •ip ■

31

k

m

i

h

I i

-ocr page 114-

93

wegblijven of door een openlijk spreken, Jezus\' naam beleed, viel terstond als een slachtoffer van de woede der bloeddorstige vijanden. Want op zoo satanische wijze koelden dezen hunne woede, dat de geschiedenis hiervan bijna nergens een tweede voorbeeld oplevert. De pen weigert alle folteringen, toen den christenen aangedaan, te beschrijven. Gelukkig degene, welke een snelle terechtstelling beschoren was! De meeste martelaren stierven langzaam onder de handen hunner onmenschelijke pijnigers. „De zwaarden der beulen,quot; zoo verhaalt Eusebius als ooggetuige, „werden op het laatst stom]) en braken, en de beulen zeiven moesten elkander aflossen.quot; De op de christenen losgelaten panthers en beren waren dikwijls medelij-dender en rechtvaardiger dan de menschen, terwijl zij hunne slachtoffers snel doodden, of wel hun eigen bewakers verscheurden, in plaats van de christenen.

Hoe feller intnsschen de heidenen de belijders van den Christus bestreden, des te wonderbaarder werd de almachtige hulp van God aan de geloovigen openbaar. Zij zeiven toonden onder namelooze martelingen een heldenmoed, die ons, verwende kinderen van eenen meer vreedzamen tijd, bijna ongeloofelijk voorkomt. .,Toen zagen wij,quot; zoo bericht wederom Eusebius, „eene bewonderenswaardige geestdrift, een waarlijk goddelijke bereidwilligheid en kracht bij degenen, die geloofden in den Christus Gods. Want nauwelijks was het oordeel over iemand uitgesproken, of de andere christenen snelden naar den rechterstoel, zonder zich te bekommeren om het lijden en de vele martelingen, die hen wachtten, onverschrokken hun geloof in den almachtigen God openlijk belijdend. Met vreugde, ja met lachend gelaat vernamen zij het doodvonnis, dat over hen werd uitgesproken; ja tot hunnen laatsten ademtocht zongen zij nog lofgezangen en dankten zij God.quot; Een jongeling, van nauwelijks twintig jaren oud, wachtte ongeboeid, met de handen ten gebede opgeheven, rustig en onbevreesd de op hem losgelaten wilde dieren af. En zoo bleef hij staan, ook toen de monsters brullend op hem aanstormden. En wonderbaar — zij gingen weer terug, zonder hem het minste kwaad te hebben gedaan. Een stadhouder vroeg aan eenen op de pijnbank liggenden christen: „Hebt gij de heilige schriften in uw bezit?quot; Ja,quot; was het antwoord, „ik bewaar ze in mijn hart.quot; Twee jonge maagden, schoon en begaafd, weigerden moedig den goden te offeren. Zij werden in de zee ge-

-ocr page 115-

93

worpen, als ware de aarde niet waard zulke kostbare schatten te dragen. (E u s e b i u s.)

Zulk een heldenmoed dwong ook den heidenen bewondering af. Niet zelden geschiedde het, dat christenen door hunne heidensche medeburgers aan de nasporingen der keizerlijke beulsknechten onttrokken werden. Zelfs de Caesar Constantius Chlorus in Gallië toonde zich een vriend der christenen, wier geloof hij kende eu eerde. Openlijk sprak hij het uit: „Zij, die hunnen God zoo getrouw zijn, zullen hef zeker den keizer ook zijn.quot; Zoover zijn scepter reikte, genoten de christenen eenen ongestoorden vrede. Alleen eenige kerken liet hij afbreken, om toch in iets volgens het keizerlijk decreet te handelen.

Zoo gingen een paar jaren voorbij. Het bloed der christenen had met stroomen gevloeid, hunne bedehuizen lagen op vele plaatsen in puin, hunne heilige schriften waren een prooi der vlammen geworden. Eu met pralende woorden stonden overal inschriften te lezen, die de overwinning der oude goden verkondigden en betuigden : „De naam der christenen is uitgeroeid; zij, die het rijk verbrokkelden, bestaan niet meer. \'t Christelijk bijgeloof is overal vernietigd en de goden worden wederom overal geëerd.quot; Maar dit was een leugen. De Kerk des Heeren was krachtiger en bloeiender dau ooit te voren. Het bloed der gevallen getuigeu werd voor haar tot een bron van rijken zegen; want zij werden den overblij venden tot voorbeeld, en hoe dichter de dood dezen voor oogen stond, des te meer was reeds hier op aarde hun wandel in de hemelen.

Dit moesten eindelijk de vervolgers der christenen zelven erkennen. Moede van den last der regeering, die hem zwaar op de schouders drukte, legde Diocletianus (305) de kroon neer eu trok zich terug naar zijn stil en landelijk lustslot Salona, in Dalmatië. Gale-rius werd niet lang daarna door een strafgericht Gods getroffen. Een smartelijke en vreeselijke ziekte wierp hem op het ziekbed, en maakte hem tot een voorwerp van afschuw voor zijne omgeving. Toen dacht de geplaagde vorst aan de smarten, die hij zelf over zooveel duizende onschuldigen had doen komen. Eu hadden zij blijmoedig het leven verlaten, hem was iedere troost ontzegd. Wat hij gewild had, was niet geschied. Nu werd ziju hard hart week en hij vaardigde in 311 een gebod uit, waarbij den christenen hunne oude vrijheid werd teruggegeven, nadat een jaar te voren nog

-ocr page 116-

94

negen-en-dertig bloedgetuigen in Palestina, als de laatste offers dei-vervolging, gevallen waren. ïocli wilde de keizer niet erkennen dat hij onrecht gepleegd had, en daarom stelde hij een stuk op, waarin de vreemdste dingen te lezen stonden. In het begin daarvan wordt gezegd, dat de beheerschers des rijks aanvankelijk gehoopt hadden de christenen tot betere gedachten te brengen. Maar het gevolg was slechts geweest, dat de christenen nu noch hunnen God, noch de oude goden gediend hadden. Wel waren vele gemoederen in beroering gebracht en vele menschenlevens opgeofferd, daar de meesten bij hunne gedachten gebleven waren. En daarop luidt het dan verder: „Wij hebben nu, volgens onzen altijd gevolgden stelregel, van allen menschen genade te bewijzen, besloten hen ook in onze welwillende gezindheid te doen deelen, zoodat zij voortaan weder christenen mogen zijn en hunne samenkomsten mogen houden, op voorwaarde slechts, dat zij niets tegen de openbare orde ondernemen. Zij zullen nu echter ook hunnen God voor ons welzijn en dat van den Staat, zoowel als voor hun eigen heil, moeten bidden.quot;

Zoo hadden de hoogste beschermers van het heidendom moeten erkennen, dat zij tegen des Heeren woord niets vermochten. De kracht van het heidendom was gebroken, de overwinning van het geloof nabij.

Terwijl de Kerk tegenover de bloedige onderdrukking, die zij te lijden had, meestal slechts in stil verdragen haren heldenmoed toonde, ontbrak het haar intusschen niet aan verlichte mannen, die in woord en geschrift moedig hun stem lieten hooren, om onbillijke beschuldigingen te wederleggen. Deze strijders voor het geloof, meestal mannen van helder oordeel en scherpen wetenschappelijken blik, worden met eenen Griekschen naam Apologeten — verdedigers — en hunne geschriften Apologiën genoemd.

Reeds in het begin der vervolgingen, verscheen bij keizer Hadrianus de evangelist Quadratus, en overhandigde hein een geschrift, waarin hij het Christendom tegenover de leugens der tegenstanders verdedigd had. Onder anderen werden daarin de wonderen des Heeren als bewijzen voor de waarheid van het Christendom vermeld, en Quadratus legt er den nadruk op, dat verscheidenen vaii hen, die door Jezus genezen waren, nog door tijdgenooten van hem en den keizer, met eigen oogen gezien waren. Hoewel de

-ocr page 117-

95

keizer op dit verdedigiiigsgesclirift niet veel acht schijnt geslagen te hebben, werd het tocli door de christenen, tot versterking van hun geloof, ook in later tijd veel gelezen.

In deze zelfde eeuw leefde in Azië een jongeling, met name ■Tusünus, die bestemd was een sieraad voor de Kerk te worden. Hij was afkomstig uit Sichem in Samaria, eene stad, toen ter tijd door Grieksch Sprekende heidenen bewoond. Gedrongen door eene vurige begeerte om de waarheid te vinden, hield hij zich ijverig bezig met de heidensche wijsbegeerte van zijnen tijd, en bestudeerde vooral de geschriften van den Griekschen wijsgeer Plato (400 v. Chr.). Doch hetgeen hij daar vond, schonk hem noch licht noch ziele-vrede. Bij Plato toch is een diepzinnig voorgevoelen van de waarheid, verbonden met een weemoedig bewustzijn van onvervulde hoop. Het duidelijkste voorbeeld hiervan is de gedachte van den lijdenden rechtvaardige, als den drager van de tot haren hoogsten trap van ontwikkeling gekomen gerechtigheid, welke gedachte deze wijsgeer op zóó treffende wijze uitdrukt, dat wij onwillekeurig aan de Oud-Testamentische profetie van Jesaja 53 herinnerd worden, en de kerkvaders in deze plaats werkelijk eene profetische Godsopenbaring zagen. „Stellen wij ons naast de onrechtvaardigen en de rechtvaardigenquot; — zoo luidt het bij Plato — „een oprechten man voor van edelen aanleg, die er niet naar streeft goed te schijnen, maar goed te zijn. Allereerst moet zijn goede naam hem ontnomen worden, want, indien hij als rechtvaardig erkend wordt, ontvangt hij eer en geschenken, zoodat het dan in liet onzekere blijft, of hij ter wille van de gerechtigheid zelve, of ter wille van de eer en de geschenken, een rechtvaardige is. Daarna moet hij beroofd worden van alles, wat hij bezit, behalve zijne gerechtigheid, en in strijd gebracht met de overheid, zoodat hij, terwijl hij geen onrecht gedaan heeft, voor den onrechtschapenste van allen gehouden wordt, opdat hij geheel beproefd worde en het blijke, dat hij ook door den kwaden roep, waarin hij staat en al de gevolgen daarvan, niet bewogen wordt, maar onbewegelijk blijft tot in den dood, terwijl hij zijn leven lang voor niet rechtvaardig gehouden wordt en het nochtans is. Dan zegt men, dat de rechtvaardige, met wien het aldus gesteld is, gegeeseld, gebonden, blind gemaakt worde, on nadat hij al dit lijden heeft uitgestaan, aan een paal geklonken, opdat hij niet verlange rechtvaardig te schijnen, maar te zijn.quot;

i

\'Üi V\' ilï

mm

iliP

li li |

li {•

wM

I

i

ri y

i

i • i is

1?

-ocr page 118-

96

Terwijl hij zoo worstelde om de waarheid te vinden, en heen en weder geslingerd werd tusschen onbevredigende stelsels van menschelijke wijsheid, ontmoette Justinus eens aan het strand dei-zee eenen eerwaardigen grijsaard, die hem de onvruchtbaarheid van zijn pogen aantoonde, en hem op den Christus wees. Dc ware wijsheid, zoo sprak hij, moest biddend in de schriften der Apostelen en Proleten gevonden worden. „Ik zag den grijsaard nooit weder,quot; zoo verhaalt Justinus, „maar er was een vuur in mijn binnenste ontbrand, en ik voelde mij aangetrokken tot de profeten en de vrienden van Christus.quot; Zoo werd hij een christen. Over zijne be-keering spreekt hij aldus: „Toen ik vroeger behagen vond in het stelsel van Plato en de christenen hoorde lasteren, kwam ik, daar ik bij hen geen vrees zag voor den dood en voor dat alles, wat den menschen vrees pleegt aan te jagen, tot dc overtuiging, dat zij onmogelijk in zonde en verkeerde genietingen konden leven. Nu beroem ik er mij zelf in, een christen te zijn en streef er naar met al mijne krachten, om mij een christen te betoonen.quot; Van toen af werd hij een verkondiger van het Evangelie, gelijk hij vroeger een verkondiger van wereldsche wijsheid geweest was, en dewijl hij zich nog altijd bleef kleeden met den mantel, welken de wijsgeeren plachten te dragen, werd hij de evangelist in den pliilo-sophenmantel genoemd. Nadat hij groote reizen gemaakt had, vestigde hij zich als christenleeraar metterwoon te Home, en woonde hier als ooggetuige de vervolging bij. Toen stelde Justinus in het belang zijner vervolgde gelootsgenooten twee verdedigingsschriften op, hoewel hij kon bevroeden, daardoor zijn eigen leven te verbeuren. Daar de christenen door de heidenen altijd bestempeld werden met den naam van ontrouwen aan den godsdienst der vaderen, stelde Justinus in zijne geschriften in het licht, iioe het Christendom slechts de vervulling was van hetgeen het heidendom zelf voorgevoelde en zoo vurig verlangde. Daarom plaatste hij — terwijl hij het heidendom zeker overschatte — deugdzame heidenen, als b. v. eenen Socrates, op eéne lijn met de christenen, omdat zij aan de stemme Gods in hun binnenste gehoorzaam waren.

Ook tot Israël richtte Justinus een woord van voorlichting en vermaning, in een geschrift, dat hij uitgaf onder don naam ; „Gesprek met den Jood Tryphon.quot; Hij toonde daarin aan, hoe Jezus werkelijk de door de profeten beloofde Messias was. In al

-ocr page 119-

n?

deze gesclirifteu beroept Justinus zich op de kracht vau het Evangelie, die hij zelf heeft ervaren. „Ik heb — zoo schrijft hij — in de leer van den Christus de eenige vaste en heil aanbrengende waarheid gevonden. Zij bezit nl. eene macht, die eerbied afdwingt, omdat zij hen, die van den rechten weg willen gaan afdwalen, terug houdt van de booze wegen, en hun, die haar naleven, de heerlijkste rust verleent. Deze leer is zoeter dan honig, cn dit wordt hierdoor openbaar, dat wij, die door haar gevormd zijn, zelfs tot in den dood den naam van Christus niet verloochenen.quot;

In deze geschriften was Justinus tegen den geleerden, maar het Christendom zeer vijandigen Crescem opgetreden, wien hij ook in een openlijk twistgesprek de waarheid des Christendoms heeft aangetoond. De toorn van dezen beleedigden wijsgeer schijnt de aanleidende oorzaak geweest te zijn, dat Justinus (163) met nog zes andere trouwe christenen is onthoofd. Zijn doodvonnis ontving hij met deze woorden : „Dit behoort tot mijne vurigste wenschen, om voor den naam van onzen Heere Jezus te mogen lijden.quot; Daarom wordt deze onvermoeide strijder voor de belangen der gemeente, door de Kerk Justinus de martelaar genaamd.

Bijna gelijktijdig met dien Crescens, trad ook de heiden Celsus met de wapenen der wetenschap tegen de Kerk in het strijdperk, terwijl tot dusverre de heidensche geleerden, vol trotschen waan, het christelijke geloof geene wetenschappelijke bestrijding hadden waard geacht. Celsus richtte tegen de christenen een geschrift, dat den aanmatigenden titel droeg: „Ware Redequot;. Intusschen bevat het werk bijna niets dan dwaling. Celsus tocli kende noch het Evangelie, noch het innerlijk christelijk geloofsleven, en spreekt daardoor tegen de christenen slechts ongerijmde, en zich zelve tegensprekende beschuldigingen uit. Zoo schimpt hij er op, dat de christenen noch altaren, noch tempels, noch schilderstukken hadden, terwijl hij hen op eene andere plaats een ellendig zinnelijk soort van menschen noemt. Somtijds wordt zijn blaam, tegen zijnen wil, dc grootste lofspraak. Of mogen dc christenen er geen roem op dragen, dat hij hun voor de voeten werpt: „Wie een zondaar is,quot; zeggen zij, „wrie dwaas is en onmondig, met één woord, wie hulpbehoevend is, die wordt in het Koningrijk Gods opgenomenquot;?

Hoe nietiger zulke aanklachten zelfs den ontwikkelden heidenen voorkwamen, hoe meer het Christendom onder vervolging en

7

-ocr page 120-

98

smaad zich uitbreidde, des te meer meenden de geleerden onder de heidenen, al de kracht hunner wetenschap te moeten aanwenden, om hun aanzien, dat bedreigd werd, te behouden cn de gehate tegenstanders te overwinnen. De dikwijls zoo vreemde, \'en overal weer anders luidende godensagen, waren deu heidenen zeiven echter langzamerhand een voorwerp van spot geworden. Zoo werd dan nu eene nieuwe leer, als ware het eene nieuwe openbaring der goden, verkondigd, eene leer, die gegrond was op de ernstige en gevoelvolle beschouwingen van Plato. De grondgedachten van dit niemv-Platonüche stekel zijn, in het kort weergegeven, de volgende: „Boven de menscheu troont de godheid. De oude godensagen zijn slechts zinnebeeldige voorstellingen van hetgeen deze godheid is en werkt. Door deugd te beoefenen, wordt zij geëerd, maar het bedrijven van misdaden vervreemdt van haar. De wijze verheft zich reeds hier beneden tot gemeenschap met haar, en keert stervend tot haar als de bron van alle leven terug. Tot deze wijzen werd ook Jezus van Nazareth geacht te behooren.quot;

Deze leer bevat vele juiste gedachten, zonder twijfel niet buiten het Christendom ontstaan, zoodat zij, wat dat betreft, wel als een voorbereidende trap van liet christelijk geloof beschouwd kan worden. Doch de verkondigers dezer leer kwamen met zich zeiven in tegenspraak. Aan de eéne zijde traden zij op als bestrijders van de leer des Christendoms, terwijl tocli juist daarin datgene, wat zij nog maar flauw zagen schemeren en dus ook nog vaag predikten, als heldere goddelijke waarheid gepredikt werd. Ter anderer zijde verdedigden zij den heidenschen volksgodsdienst, terwijl zij toch de daarin voorkomende godenverhalen slechts door kunstig gezochte uitleggingen aannemelijk konden maken.

De voornaamste onder deze Ncoplatonische tegenstanders van het Christendom is PorjoJyrius uit Phoenicië (233—305). Hij stelde een geschrift op: „Redevoeringen tegen de christenen.quot; Spreekt hij ook van den Christus niet zonder eerbied, van de christenen spreekt hij slechts met verachting. Zoo zegt hij o. a. „Deze vrome, ten hemel opgenomen geest, is als door een noodlottig toeval, voor hen, aan wie liet noodlot de gaven der goden en de kennis van den oeuwigen Zcus 1) heeft ontzegd, tot een oorzaak van waanzinnige

1) De opperste god der Grieken, de vader van goden en menscheu.

-ocr page 121-

90

dweeperij geworden.quot; Overigens weet hij tegen het Christendom nauwelijks iets anders in te brengen, dan voorgewende tegenspraak bij zijne leeraars en leerlingen. Hem zeiven gold de vereering der vaderlandsche goden als hoogste vroomheid, en daardoor wordt ook zijn haat tegen het Christendom verklaard. Door dezen haat gedreven, noemt hij eene verwoestende, besmettelijke ziekte, een gevolg van het Christendom, en zegt, dat, wanneer dit zich verder over de aarde gaat verspreiden, Asklepios — de god der geneeskunde — niet meer op aarde zal kunnen werken.

Andere heidenen werpen den christenen, behalve hunne zachtmoedige liefde voor zondaren, voornamelijk dit als verwijt voor de voeten, dat hunne godsdienst ontstaan is onder een veracht volk, al is dit volk altijd nog boven de christenen te verkiezen; verder, dat zij licht en vroolijkheid schuwen, en de dwaasheid begaan, om een smadelijk aan het kruis opgehangen misdadiger goddelijke eer te bewijzen.

Maar de christenen wisten het wel, dat de Gekruisigde ook opgestaan was en in eeuwigheid leeft en regeert. En hunne zaak vond verdedigers in de edelste mannen, van wier leven en arbeid verder nog gesproken zal worden. Het krachtigst getuigenis voor de eeuwige waarheid van Zijn woord heeft intusschen de Heer zelf gegeven, terwijl Hij de Kerk eerst tegen de woedende bestrijding van het heidendom in bescherming nam, en daarna het heidendom knakte en het christendom de overwinning verschafte.

Tot deze zegepraal kwam de Kerk door eenen man, die, trots al zijne zwakheid en zonde, toch een krachtig middel in Gods hand is geweest, om de Kerk een volgend tijdperk van ontwikkeling binnen te leiden. Deze man was Consiantijn de Groote.

Do vader van Constantijn was die Constantinus Chlorus, die zich tegenover de christenen zoo welwillend en verdraagzaam betoonde, en wiens gemalin Helena volkomen gelijkgezind met hem was. Zoo had Constantijn reeds op jeugdigen leeftijd eerbied voor het geloof der christenen leeren koesteren. Zijne jongelingsjaren bracht hij voor een groot deel door aan het hof van keizer Galerius in Ni-comedië, en leerde daar gedurende de groote christenvervolging de standvastigheid der christen-martelaren bewonderen. Daar Galerius hem om zijn grootsche plannen, waarvan hij reeds vervuld was, wantrouwend gadesloeg, nam hij de wijk uit Nicomedië en verge-

-ocr page 122-

100

Zelde zijnen vader op eenen veldtocht tegen de oorlogzuchtige bewoners van Schotland. Toen nu Constantius te York (306) gestorven was, werd Coustantijn door de soldaten, die liem op de handen droegen, als regent van de landen, waarover zijn vader het bewind gevoerd had, uitgeroepen en, na eenige aarzeling, ook door keizer Galerius als zoodanig erkend.

Het fijk bevond zich te dien tijde in een toestand van vree-selijke verbrokkeling. Uit goedgemeende zorg voor zijne uitgebreide landen, had keizer Diocletiaims verscheidene vertrouwde mannen als Caesaren of mede-regenten aangenomen. Sints dien tijd telde het Eomeinsche rijk steeds vier of ook wel zes heerschers tegelijk. Eén van hen had het hoogste gezag, terwijl de overigen iu zijne plaats en ouder zijn oppermacht, over gedeelten des rijks het bewind voerden. Dewijl intusschen deze hoogwaardigheidsbekleeders minder het welzijn der volken dan hunne eigene grootheid en macht op het oog hadden, ontstonden door hunne heerschzucht en naijver verschillende bloedige oorlogen. Aan dezen strijd nam Coustantijn des te levendiger deel, omdat hij zich bewust was, de kracht te bezitten om de teugels van het bewind alléén in handen te nemen, en het rijk vrede en eendracht te hergeven.

Nadat de Caesar Maxentms te Home eene dreigende houding tegen Coustantijn aangenomen had, rukte deze snel Italië binnen en trok, na verscheidene overwinningen op de hem te gemoet gezondene legers, tegen de hoofdstad van zijnen tegenstander op. Toen werd hein geboodschapt, dat Maxentius groote offers bracht aan de goden, om zich van hunne hul]) in den beslissenden veldslag te verzekeren. Eu ook Coustantijn gevoelde, dat hij den bijstand van eene hoogere macht noodig had. Nu denkt hij aan de blijde hoop en het vaste vertrouwen der christenen, dat hen zelfs in nood en dood gerust en blijde maakte, en wendt zich nu in het gebed tot God, dat Hij zich aau hem mocht openbaren. En als hij de oogen opheft, zie, daar prijkt aau den hemel een kruis van glinsterende wolken. Toen nu de keizer \'s nachts ingesluimerd was, nog geheel vervuld van de meikwaardige verschijning, die hem te beurt was gevallen, had hij een\' zeldzameu droom. Christus nadert hem en gebiedt hem het kruis als zijn veldteeken aan te nemen. Coustantijn ontwaakt, en gehoorzaamt dankbaar en verheugd de stem Gods, die hij vernomen had. Hij laat een vaandel borduren met het teeken des

-ocr page 123-

101

kruises, en dc schilden zijner soldaten laat hij versieren met het monogram van den naam Christus (de Grieksche letters CH en R doorééngesclireven). Zóó gaat hij moedig ten strijde. Eusebius weet hierbij nog te verhalen, dat het wolkenkruis een omschrift gehad heeft: „Overwin hierdoorquot;. Doch het is beter om dit woord in verband te brengen met de stem des Heeren, die Constantijn in den droom vernam. Aldus opgevat, zijn de hier genoemde gebeurtenissen, noch wat haren natuurlijken samenhang betreft, noch zielkundig onaannemelijk.

De strijd werd ten gunste van Constantijn beslist (313). Maxentius verdronk op zijne vlucht in de golven van den Tiber, en Constantijn trok als overwinnaar in triomftocht home binnen. Dadelijk nam hij dc noodige maatregelen om de christenen te beschermen, die iu de laatste regeeringsjaren van Maxentius weer ten zeerste ouderdrukt waren. Op liet Forum van Rome liet hij zich een standbeeld oprichten, hem voorstellende met een vaandel in den vorm van een kruis, en met het inschrift: „Door dit heilaanbrengende teeken heb ik uwe stad van het juk des onderdrukkers bevrijd.quot;

Nadat intusschen de andere Caesars — Galerius slechts weinige maanden na de herroeping zijner bloedplakkaten — gestorven waren, verdeelde Constantijn met den Caesar Licinius het rijk, waarbij hem zelf het Westen ten deel viel.

Nu liet Constantijn wetten van de wijdste en verreikendste gevolgen ten gunste der christenen afkondigen, aan wie onbeperkte vrijheid des geloofs werd toegestaan, en alles wat hun tijdens de vervolging ontroofd was, werd teruggegeven. Bijna ieder woord in deze wetten ademt eene vriendelijke gezindheid jegens de christenen, zooals die nog nooit te voren bij eenigen keizer was gevonden. Zóó gebood Constantijn, dat de geestelijken der christenen van alle wereldsche zorgen cn ambten bevrijd zonden blijven, opdat zij niet door wereldsche beslommeringen van hunne heilige plichten zouden worden afgetrokken. Eene andere wet betrof de viering van den Zondag : het werd den keizerlijken rechters verboden op Zondag gerechtszitting te houden. Ook voor het burgerlijk leven in de steden werd voor eene ernstige heiliging van den rustdag gezorgd. Den landbouwers — voor het meerendeel heidenen — bleef het nog geoorloofd, hunnen veldarbeid op Zondag te verrichten. Eene

P

-ocr page 124-

1 02

derde wet verbood liet overoude gebruik, om veroordeelde misdadigers te brandmerken, opdat niet liet mensclielijke gelaat, geschapen naar het beeld der goddelijke sclioonheid, door zulk een teeken der schande ontsierd zou worden. Zoo begon het Eomeinsche rijk meer en meer een christelijke Staat te worden. Het Evangelie toonde voor de oogen der geheele heidenwereld zijne kracht, om alle ruwheid te verminderen en het geheele leven te veredelen.

Nog eenmaal werd een strijd op leven en dood gevoerd. Con-stantijn en Licinius konden niet in vrede naast elkander regeeren. De een begeerde de landen van den ander. De volkeren van het Romeinscbe rijk verdeelden zich in twee legerkampen, en de christenen baden voor Constantijn. Zijne zegepraal was ook de hunne. De heidenen richtten hunne blikken naar Licinius, in wien zij eenen hersteller hunner oude heerlijkheid hoopten te vinden. Maar God gaf Licinius in de hand van Constantijn. (328). En daar Licinius ook nu nog den overwinnaar naar het leven stond en hem van den troon wilde verdringen, werd hij op bevel van den vertoornden keizer verworgd. Constantijn was nu alleenheerscher van het grootste rijk der wereld.

Nu had het Eomeinsche heidendom allen moed verloren. Al zijne verdedigers waren omgekomen, en allerwege heerschte bovendien de grootste ellende. Terwijl toch de Caesars met elkander streden en de gruwelen des oorlogs de landen verwoestten, had God de volken, vooral van het Oosten, nog met allerlei plagen bezocht. Daar woedde de pest, en tegelijk daarmede ecne andere smartelijke ziekte, die vooral de oogen aantastte en duizenden blind maakte. Daarmede gepaard gingen de verschrikkingen van eenen hongersnood. En onder al deze rampen hadden de heidenen niemand om hen te troosten. Het was, alsof de oordcelen Gods over de aarde henengingen.

De christenen waren echter onder dat alles verblijd. Zij wisten toch, dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen moeten medewerken ten goede. Nu was hun ook eene uitwendige overwinning over het heidendom geschonken, waarvan zij zooveel hadden te lijden gehad.

-ocr page 125-

103

§ 30.

De inrichting der Kerk.

Terwijl de cliristeulicid naar buiten een zwaren strijd 0111 het bestaan moest voeren, ontwikkelden zich toch tegelijkertijd binnen in haar de kerkinrichting en de godsdienstige overtuiging in vaster vorm en sprekender gestalte. Al waren ook de gemeenten verspreid ouder alle volken, toch gevoelden zij zich, als eenen Heer toebe-hooreude, één groot geheel, eu dit te meer, naarmate de haar vijandige machten dezer wereld eene vaste aaneensluiting der verschillende onderdeelen noodzakelijk maakten. Voorzeker, het toenemend aantal der christenen deed van zelf een grooter verscheidenheid van mecuingen ontstaan, en het geschiedde, dat christenen hier en daar ter wille van leeringen, die indruischten tegen de belijdenis der Kerk, vrijwillig of gedwongen, zich van hot geheel losmaakten en afzonderlijke vereenigingen vormden. Doch, juist tegenover zulke scheuringen hield de Kerk hare innerlijke eenheid hoog en noemde zich, in tegenstelling met de losgescheurde gemeenten, de Catho-lleke — d. i. algemeene Kerk. En terwijl zij zich beschouwde als de door de Apostelen gestichte en door hen onderwezene ware Gemeente des Heeren, en zich daarom iu het volle en uitsluitende bezit der christelijke waarheid rekende, begon zij ook weldra te meeneu, dat buiten haar geen heil was. Een harer uitnemendste leeraren — Cyprianus — zegt, dat ecu christen, buiten gemeenschap met de Kerk, evenmin vrucht kan dragen als de twijg, die van den stam is losgemaakt. De Kerk, zeide hij, was het door Christus zeiven gevestigde, levende organisme, waardoor de werking des Heiligen Gecstes zich aan alle tijden mededeelde. \\an den Christus was die werking overgegaan op de Apostelen, van deze weer op de door hen gewijde bisschoppen, en van deze op de bisschoppen, die hen weder in de bediening opvolgden. Zoo was geheel de zichtbare Kerk met den Christus verbonden, en daarom was buiten haar geene gemeenschap met Hem of met den Heiligen Geest mogelijk.

Hoe bepaald de Kerk echter deze eenheid des geloofs op den voorgrond stelde, in uiterlijke dingen lette zij op eenheid niet zoozeer. Integendeel, de uiterlijke vormen van eeredienst waren verschillend, naar dat de oorsprong, of de volksaard, of de behoefte der

-ocr page 126-

104

verschillende gemeenten dit eischten. Eu daar de gemeenten van één vaderland natuurlijk nauwer met elkander verbonden waren en eene zekere gelijkvormigheid in inwendig bestuur vertoonden, zoo vormden zich landskerken, die zich intusschen als onderdeelen van de ééne Catbolieke Kerk beschouwden. Van deze landskerken kunnen wij drie verschillende opnoemen: dc Oostersche, de Westersche en de Afrikaansche Kerk. Maar bij deze alle werd het gevoel van eenheid, door de altijd sneller elkander opvolgende Synoden 1) of Kerkvergaderingen, lovend gehouden.

Zooals nl. reeds in de dagen der Apostelen deze samenkwamen, wanneer belangrijke vragen de gemoederen bezig hielden, zoo bleef hel de gewoonte der Kerk in haar geheel, zoowel als van de afzonderlijke gemeenten, hare besluiten te nemen in vergaderingen, waarin hare uitnemendste leden zitting hadden, en daar haar oordeel uit te spreken aangaande gewichtige kwesties. Zulke Synoden werden gehouden, wanneer en waar de behoefte van het oogenblik dit gebood. De toegang tot deze samenkomsten was vrij; toch was het natuurlijk, dat voornamelijk de bisschoppen en oudsten er heen gezonden en gehoord werden. Zij, die aldus samenkwamen, beraadslaagden als in de tegenwoordigheid Gods, en bouwden op \'s Heeren belofte, dat Hij zelf in \'t midden wil zijn, waar men in Zijnen Naam vergaderd is. Wat daarom dan ook in deze vergaderingen erkend of besloten werd, gold als openbaring des Heiligen Geestes, en werd door de gemeenten geloovig aangenomen. Intusschen werden deze besluiten der Synoden niemand opgedrongen.

Met het toenemen van het aantal gemeenteleden, traden de ambten van hen, die de gemeente dienden, meer en meer uit hunne eenvoudige verhoudingen, daar men evenzeer op vermeerdering van krachten, die zich aan de zielzorg konden wijden, bedacht moest zijn, als op de gepaste verdeeling der overige werkzaamheden. Zoo werden aan de zeven diakenen of aalmoezeniers van iedere gemeente nog andere zeven, ml- of onder-diakenen toegevoegd; terwijl de diakenen zeiven soms het predikambt moesten waarnemen. Voorliet toezicht op de kerkelijke gebouwen werden Ostiariërs of deurwachters, en tot hulp der bisschoppen AkoloutUen of begeleidende dienaren, aangesteld. He Lectoren — voorlezers — hadden dc zorg

1) Synode — Grieksch : suuodos = samenkomst.

-ocr page 127-

105

fi.

voor liet bewaren en openlijk voorlezen der heilige schriften, terwijl de Exorcisten belast waren met de genezing en verpleging der van booze geesten bezetenen. Zoo kwam het ook gewenscht voor, dat onder de Presbyters 1) of oudsten eener gemeente, één van hen de leiding van alle gemeente-aangelegenheden ter hand nam, gelijk ook de Apostelen en hunne helpers zulk een eereplaats in de gemeenten bekleed hadden. Deze eerste opziener verkreeg nu uitsluitend den titel van Lisschop, die vroeger met dien van Presbyter gelijkluidend was. De bisschop gold als de eigenlijke herder der gemeente, vertegenwoordigde haar op de Synoden, wijdde hare geestelijken tot hunne verschillende betrekkingen en werd zelf plechtig gewijd tot zijn ambt. Ook de aanneming tot lidmaten van gedoopten behoorde tot zijnen werkkring. Gewoonlijk werd de bisschop door de gemeente uit de oudsten verkozen; toch kwam het voor, dat ook mannen, die tot dusverre nog geen geestelijk ambt bekleed hadden, wanneer zij zich in het algemeen vertrouwen mochten verheugen, bij uitzondering tot het bisschopsambt geroepen werden. Men noemde nu voortaan bisschoppen, presbyters en diakenen de hoog ere geestelijkheid; de dragers der bovengenoemde andere vijf waardigheden werden lagere geestelijkheid genoemd. Het aantal dezer geestelijken voor iedere gemeente werd bepaald door de plaatselijke behoefte. Omstreeks het jaar 250 telde de gemeente te Rome 46 presbyters, 7 diakenen, 7 sub-diakenen, 42 akolouthen en 52 exorcisten, lectoren en ostiariërs. Al nam nu ook op deze wijze liet geestelijke ambt altijd vaster vormen aan, toch werd de gemeente zelve bij alle kerkelijke aangelegenheden gehoord, en bisschoppen van naam verklaarden uitdrukkelijk, dat zij nooit eenen nieuwen maatregel zouden invoeren, buiten toestemming der gemeenten. Inzonderheid besliste de gemeente over de opname of uitsluiting van hare leden. Zij koos ook hare geestelijken; intusschen had de raad der bisschoppen en oudsten op deze keuze eenen weldadigen en meestal overwegenden invloed.

\'m

!|i|

il

ti i il il

mm

ril

«IR

1 i

■V ui

1!

Ook overigens werkten vele oorzaken er toe mede, om de eer en de macht der bisschoppelijke waardigheid te doen toenemen. Kleinere gemeenten, waarin wel niet zelden geene geschikte personen zullen te vinden geweest zijn, stelden zich uit eigen beweging onder

1) Ook cpükopoi of bisschoppen, d. i. opzienera genoemd.

ü

i

-ocr page 128-

ine

den bisschop eener naburige grootere gemeente, waardoor zulk een bisschop de geestelijke herder van eencn geheelon kring van gemeenten werd. Ieder van deze werd dan slechts door een presbyter geleid, of indien zij ook al ecu\' eigen bisschop had, droeg deze den be-sclieidcn titel van landhïsschop. Maar ook de zelfstandige bisschoppen stonden volstrekt niet gelijk in aanzien in de Kerk. Sommige gemeenten waren door de Apostelen zeiven gesticht, en hadden de Apostolische leer en de Apostolische instellingen zuiverder en getrouwer bewaard, dan dit dikwijls in menige andere \'gemeente het geval was. Zij waren kweekplaatsen vau het Christendom in hunne omgeving, en werden nu, misschien ook ten deele om de staatkundige beteekenis der steden waar zij gevestigd waren, als metropolen of moedersteden beschouwd van de van haar uit gevormde gemeenten. In deze gemeenten was de bisschoppelijke waardigheid door de Apostelen ingesteld en misschien een tijdlang door hen zeiven bekleed. Zóó verkregen dan de bisschoppen dezer steden den eernaam van Metropolieten, en werden iu geheel éénige mate als opvolgers der Apostelen beschouwd. Dit gold voornamelijk van de bisschoppen te Jeruzalem, Antiochië, Ephese, Corinthe, Alexandrië, maar het meest van den bisschop van Eome.

Eome toch had de beide koningsgestalten ouder de Apostelen, Petrus en Panlus, binnen hare muren zien arbeiden en lijden; in Rome rustte hun gebeente, en limine leer was — zoo oordeelde de Kerk — in deze stad in bijzonder zuiveren vorm bewaard. Bovendien was Eome de voor alle volkeren eerbiedwaardige hoofdstad des rijks, van waar uit alle wereldsche aangelegenheden geregeld en bestuurd werden. De bisschoppen van Eome stonden het dichtst bij den troon des keizers. Zij waren het, die tegenover de machtigste hcerschers der aarde de Kerk moedig moesten vertegenwoordigen; zij waren het insgelijks, die in tijden van vervolging als eerste slachtoffers van den christenhaat des keizers, blijmoedig den marteldood moesten tegengaan. En inderdaad zijn vele bisschoppen van Eome groot geweest in hun sterven. Al deze dingen te zamen gaven de christenheid grond, om aan den raad en de uitspraken van den bisschop van Eome groot gewicht te hechten. De bisschopsstoel te Eome werd zóó reeds vroeg, hetzij uit eerzucht, hetzij uit vleierij, de stoel van Petrus genoemd.

Doch niet alleen van het bisschoppelijk ambt werd de invloed

-ocr page 129-

307

gi-ooler, maar de uiacli\', en het aanzien van den geestelijken stand in liet algemeen, namen in dezen tijd toe. De Kerk toeh was in deze jaren gewikkeld in een strijd, die niet meer of minder was dan een strijd om de vrijheid, ja om het bestaan zelf. In dezen nood zagen de gemeenten vol hoop en vertrouwen tot hare herders oj), bij wie zij eene goede belijdenis om bij te leven en op te sterven, hoopten te vinden, en meestal ouk vonden. Dit vertrouwen, door de kudde gesteld in de herders, was het schoonste en dikwijls tegelijk het eenigo loon voor de moeiten en gevaren van een ambt, dat voor wereldsche eerzucht niets aantrekkelijks had. Bij het voortdurend aangroeien toch der plichten, die zij ta vervullen hadden, konden zij niet langer van liet een of ander ambacht leven, zooals dit vroeger wel geschiedde. Zij werden nu door vrijwillige gaven der gemeenten onderhouden, en deze zullen in die ongelukkige en rampspoedige jaren wel karig hebben gevloeid, en slechts een zeer onzeker inkomen hebben verschaft. Bovendien waren de geestelijken, meer nog dan de overige christenen, blootgesteld aan de woede der vervolgers, en moesten ieder uur bereid zijn, voor de zaak des lleeren en der gemeente, den dood te ondergaan. Zóó was de heerlijkheid der bediening, zóó was in den hoogsten zin de Heer zelf de rijkdom en de eer der geestelijken, en het Mozaïsche woord: „Daarom zal hij geen erfdeel hebben in het midden zijner broederen; de Heer is zijn erfdeelquot; (Deut. 18 : :2), scheen bij hen in letterlijke vervulling te gaan. Daarom werd de geestelijkheid in haar geheel de clerus — dat is; het lot — genaamd, omdat de Heer en het ambt van Zijnentwege ontvangen, haar als het ware als lot en bezitting ten deel gevallen waren. In het algemeen droeg men gaarne de Oud-Testamentische priesterordening op de christelijke geestelijkheid over, die nu meer en meer als een afgesloten kaste, zich van de leeken — d. i. liet volk — afscheidde. De geestelijken slechts verrichtten de godsdienstige handelingen; slechts zij bekleedden het leeraarsambt, en alleen bij wijze van uitzondering werd aan begaafde leeken veroorloofd, de gemeente door openlijke toespraak te stichten. Hierbij verloor men evenmin het algemeen priesterdom der geloovigen, als de behoeften der Kerk uit het oog. „Op zich zelf beschouwd,quot; schrijft Tertullianus, „hebben ook de leeken het recht, de sacramenten te bedienen, en de gemeente te onderwijzen. Sacramenten en Woord Gods, beide worden door

-ocr page 130-

108

Güfls genade aan allon medegedeeld en kunnen dus ook wederom door alle christenen, als werktuigen der goddelijke genade, medegedeeld worden. Doch het is hier niet slechts de vraag, wat in het algemeen geoorloofd is, maar ook wat onder de bestaande omstandigheden nuttig en gewenscht is. Het woord van den Apostel Paulus gaat hier in toepassing: Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar allo dingen zijn niet oorhaar. Daarom, met het oog op de noodzakelijke orde, die in de Kerk moet worden gehandhaafd, mogen de leeken van hun priesterlijk recht tot het bedienen der sacramenten slechts daar gebruik maken, waar dit door tijd en omstandigheden geboden wordt.quot;

Zoo werd het gezag der geestelijkheid — zoowel van de hooge als van de lage — wel kalm, maar toch krachtig vastgehouden en berustte, wat zijn\' diepsten grond betreft, op de noodzakelijkheid eener vaste regeling en op de oprechte algemeene hoogachting, die de gemeenten koesterden voor het door den Heer zeiven ingestelde ambt. Overmoedig optreden van priesters was nog niet door een wet tot iets heiligs gemaakt, en werd krachtig tegengegaan, overal waar het zich zou gaan vertoonen. De overigens zoo voortreffelijke bisschop Cyprianm waagde eens de opmerking: „Wie niet in den Christus gelooft, die den priester aanstelt, zal later moeten gaan gelooven in den Christus, die den priester wreekt.quot; Maar een leek herinnerde toen den al te vurigen bisschop: „De geestelijken moeten nederig zijn, omdat ook de Heer en Zijne Apostelen nederig waren.quot;

In de kerkelijke tucht bleef voortdurend de oorspronkelijke nauwgezetheid gehandhaafd. Eerst na een ernstigen proeftijd werd men in do gemeenschap der Kerk opgenomen. Zware vergrijpen hadden afsnijding dezer gemeenschap ten gevolge, oprecht berouw deed iemand in den schoot der Kerk terugkeeren. Intusschen moest dit berouw zicli eerst als oprecht berouw toonen, in eene trapsgewijze opeenvolging van boetedoeningen. Eerst moesten de boetenden in rouwgewaad aan de deuren dor kerken staan, en de binnentredende loden der gemeente om wederopname smeeken. Daarna werd hun toegestaan, zeiven binnen te treden en van een bepaalde plaats de verkondiging des Woords aan te hooren. Daarna mochten zij ook tegenwoordig zijn, doch slechts knielend, bij het gemeenschappelijk gebed. Eindelijk werd hun vergund, staande naar de viering

-ocr page 131-

109

van liet Avondmaal te zien ; van het deelnemen daaraan bleven zij echter ook clan nog uitgesloten. Ieder van deze vier trappen liad zijn eigen naam. Had de boetende ze alle doorloopen, dan werd hem plechtig de wederopname in de gemeente toegestaan. Slechts in de ure des doods werd de berouwhebbende ook zonder inachtneming dezer vormen, vergiffenis deelachtig en weder als lid der gemeente aangenomen. Over deze wijze van boetedoening zegt Cyprian us : „Wij loopen het oordeel des Heeren niet vooruit. Als Hij de echte en blijvende teekenen van berouw bij eenen zondaar vindt, zal Hij ons oordeel bevestigen. Mocht echter iemand door gehuicheld berouw ons bedrogen hebben, zoo moge God, die niet met zich laat spotten eu het hart der menschen doorgrondt, beslissen omtrent datgene, wat wij niet goed hebben ingezien, en het oordeel Zijner dienstknechten verbeteren.quot; En een ander bisschop zegt van de boetenden: „Zij ontvangen van ons geene vergeving van zonde, maar moeten door ons tot erkenning hunner zonde gebracht worden.quot;

Geheel in het bijzonder waren de gevallenen 1) het voorwerp der zielzorg. Strenge gemoederen twijfelden, of er wel vergeving mogelijk was voor christenen, die den Christus verloochend hadden. Maar de wijze zachtmoedigheid, die de Kerk bestuurde in hare besluiten, bepaalde, dat ook denzulken de terugkeer niet geweigerd mocht worden, indien zij althans oprecht berouw toonden. Toch vond deze zachtheid tegenspraak en gaf zelfs aanleiding tot velerlei scheuring, zoo o. a. die, welke van den strengen presbyter Nova-tianus te Eome uitging (350). Toen nl. bij de vervolging onder keizer Decius eenige leden der gemeente te Eome, uit vrees voor den dood, hun geloof verzaakt hadden, en niettegenstaande deze vreeselijke zonde, door den bisschop Cornelius op hunne bede weder in de gemeenschap der Kerk waren opgenomen, verhief Novatianus met anderen zijne stem tegen een zoodanig optreden. Hij vergat, dat de Kerk op aarde ook eene opvoedster is der zwakken, en dat zij deze in lankmoedigheid moet dragen en steunen, en hield vol, dat de Kerk eene gemeente was van heiligen en rechtvaardigen, en derhalve hen, die door zulke groote misdaad de bij den doop ont-vangene vergeving der zonde wederom verloren hadden, niet weder

1) Zie bladz. 74.

-ocr page 132-

110

kon opnemen. Hoewel nu de gelieele Kerk zich tegen Novatianus verklaarde en raanueu van aanzien hem dringend smeekten, den vrede der Kerk niet door eenen onheiligen strijd te verstoren, ging Novatianus toch de Kerk verlaten, en vormde nu met gelijkgezinden eene naar hem genoemde afzonderlijke vereeniging. Deze vereeni-ging hield zich zoo streng afgescheiden van de algemeene Kerk, dat zij degenen, die van daar tot haar overkwamen, opnieuw doopte, alsof dus de andere doop onwettig was. Intusschen is de secte der Novatianen weldra uitgestorven en in vergetelheid geraakt.

§ 31.

Het kerkelyk loven.

Ir, het gevoel van eenheid des geestes, beschouwde de Kerk zich ten allen tijde als eene vereeniging van broeders, en deed deze broederlijke liefde op eene bij de heidenen onbekende, en dikwijls door hen met bewondering gadegeslagen wijze blijken. Het was eene liefde, voortvloeiend uit geloof, zich betoonend in zelfverloochening, die men om \'s Heeren wil beoefende, en die steeds vrij was van alle ziekelijke overgevoeligheid van lateren tijd. Zij strekte zich voornamelijk uit over de armen en kranken: te Rome alleen werden eens meer dan vijftienhonderd hulpbehoevenden onderhouden, zonder dat daardoor de noodlijdenden van vreemde gemeenten vergeten werden. Vooral christelijke vrouwen zag men niet zelden van straat tot straat de wijken bezoeken, om in de woningen, waar ellende heerschte, en zelfs binnen de donkere kerkermuren den troost en de hulp, waarover de christelijke liefde beschikte, te brengen. Tegenover de liefdeloosheid der heidenen kwam de grootheid dezer liefde eens recht duidelijk aan het licht, toen te Alexandrië eene vreeselijke pest woedde. Terwijl de heidenen, angstig bezorgd voor hun eigen leven, zich onttrokken aan de verpleging hunner kranke huisgenooten, en hun niet eens de laatste eer bewezen, wijdden zich de christenen zonder vrees aan de zorg voor hunne kranken, en bewezen nog aan de stervenden en reeds ontslapenen de treffendste liefdediensten. Wanneer een christen op reis in eene vreemde gemeente kwam, vond hij in ieder christelijk gezin eene gastvrije

-ocr page 133-

Ill

ontvangst. Doch opdat van deze gastvrijheid geen misbruik zou worden gemaakt, varen de oudsten gewoon, aan hen, die op reis gingen, een eigenhandig geschreven geloofsbrief mede te geven. Van dit alles kon de heidenwereld zich geen denkbeeld vormen. „Zij herkennen elkander aan geheime teckens en hebben elkander reeds lief, vóór zij nog kennis hebben gemaakt.quot; Zóó liet men zich half verbaasd, half wantrouwend over de christenen uit.

Terwijl de Kerk dus de haren — en niet altijd alleen dezen, — met zulk eene liefde omringde, trad zij, zicli altijd meer van hare roeping bewust, als eene steeds ten strijde toegeruste kampvechlster voor de zaak des Heeren op, en hield de herinnering aan dien geestelijken strijd voortdurend levendig door liet vaststellen van afzonderlijke, geestelijke „waakdagenquot;. Zóó nl. den Woensdag en den Vrijdag, welke dagen aan het verraad van Judas en het lijden des Heeren herinnerden, en daarmede den strijd tusschen licht en duisternis op treffende wijze veraanschouwelijkten. Deze dagen werden tot aan het derde uur in den namiddag, als halve gewijde dagen, met vasten en boetgebeden doorgebracht. Deze ernst des christelijken levens deed tegelijk ook eenen altijd toenemenden afkeer tegen wereldsche vermaken en dienst der wereld ontstaan, gelijk hierover vroeger reeds gesproken is, ja, in verband met de jammeren, welke deze onrustige tijden medebrachten, leidde hij tot eene toenmaals niet onverklaarbare voorliefde voor een eenzaam, bespiegelend leven, zooals het voor het eerst door Paulus uit Thebe in Egypte, met alles wat er mede verbonden was, beslist als levensdoel werd gekozen.

Deze merkwaardige man vluchtte bij de vervolging onder De-cius, toen zijn leven door de listige aanslagen van eenen verrader werd bedreigd, naar de woestijn. Daar vond hij eene onbewoonde grot, waarin hij zich verborg. Een reusachtige palm beschaduwde dezen verborgen schuilhoek, terwijl eene bron hem van water voorzag. De boom verschafte den vluchteling voedsel en deksel, de bron laafde hem. Zoo kreeg hij zijne stille woning lief, en keerde niet in de wereld terug, waar angst en kommer hem wachtten. Alleen de dood vond den weg tot dezen vreemden kluizenaar, en voerde hem (340 n. Chr.) naar eene betere plaats der rust.

Zoo kon dan een ehristen-leeraar met recht van de christenen zeggen : „Zij leveu in het vleesch en toch niet in het vleesch; zij

-ocr page 134-

113

wonen op aarde eu leven nochtans in cleu kemel.quot; Voornamelijk werd zulk een wandel in de hemelen den geestelijken tot plicht gerekend en de Kerk meende daarom, hen van alle aardsche banden te moeten bevrijden. Het uitoefenen van ieder wereldsch beroep werd den geestelijken verboden, ja zelfs het huwelijk was voor een geestelijke, in de oogen van velen eene zaak, aan ernstige bedenking onderhevig.

Had vroeger de gloed der eerste liefde lederen dag gemaakt tot eenen dag, den Heere gewijd, nu gaf een kalmer levensbeschouwing aanleiding tot het instellen van bepaalde feestdagen. De Zondagsviering werd algemeen, en verdrong de hier en daar nog gebruikelijke viering van den Joodschen Sabbath. De Zondag gold als een dag van blijdschap. Men rustte van den arbeid, doch men vastte niet.

Het Joodsche Paaschfeest werd, na eenen langdurigen strijd tus-schen verschillende opvattingen dienaangaande, over den tijd waarop het gevierd moest worden, en de beteekenis die het had, veranderd in het christen-Paaschfeest. De gemeenten in het Oosten nl. hielden, in overeenstemming met de Israëlitische gewoonte en tijdrekening, op den veertienden dag van de maand Nisan, op welken dag der week deze datum ook viel, eenen echten Paaschmaaltijd, ter gedachtenis aan het sterven des Heeren, en vierden twee dagen later het feest der opstanding des Heeren door het gebruiken van het Avondmaal. Nu bevond zich eens de vroeger vermelde bisschop Polycarpus van Smyrna te Rome, bij den aldaar zetelenden bisschop Anicetus. Toen zij de verschillende viering van het Paaschfeest bespraken, verdedigde Polycavpus het Oostersche, Anicetus het Westersche gebruik. Gene verklaarde, dat hij nog met den Apostel Johannes den Paaschmaaltijd gehouden had, deze bracht daarentegen het feit in herinnering, dat in de, toch ook door Apostelen gestichte, gemeente van Rome nooit het Israëlitisch Pascha gevierd was geworden. Zij konden het omtrent dit punt niet samen eens worden, maar toch gingen zij gezamenlijk aan het Avondmaal, om daardoor te kennen te geven, dat zij, bij alle verschil van opvatting, toch één waren in geloof. Andere bisschoppen echter toonden minder verdraagzaamheid, eu zóó duurde de strijd nog lang voort. Het hevigst werd hij gevoerd door den Roomschen bisschop Victor, die zelfs de kerkelijke gemeenschap met het Oosten

-ocr page 135-

113

wilde afbreken, hetgeen door de overige bisschoppen echter te;i strengste gelaakt werd. Eindelijk liet de geheele christenheid de Joodsshe wijze van Paaschvieren varen, en besliste ten gunste van het in het Westen geldende gebruik.

De zeven weken, die op Paschen volgden, met het feest der hemelvaart, dat daarin viel, waren, — ais herinnering aan de glorierijke opstanding des Heeren — een tijd van heilige vreugde, die inct het Pinksterfeest besloten werd. Daarnaast begon in het Oosten het feest der verschijning (Epiphaniënfeest) op te komen, dat tot aandenken aan de bij Zijnen doop openbaar geworden heerlijkheid van den Christus werd gevierd. In het Westen ging later de beteekenis van dezen dag over in die van een Zendingdag, daar men hier dacht aan de Wijzen uit het Oosten, als de eerste geloovigen uit de heidenwereld. Het Kerstfeest werd eerst aan het einde van dit tijdperk, en wel alleen in het Westen ingevoerd. De viering van alle hooge feesten werd begonnen met afzonderlijke nachtelijke godsdienstoefeningen, terwijl de — weldra ook door de kerkelijke wetten geboden — gewoonte van het vasten, als voorbereiding voor iedere heilige handeling, meer en meer ingang vond. Voornamelijk voor het Paaschfeest werd een langdurige vasten gehouden, veertig dagen lang, in navolging van het veertigdaagsche vasten van Jezus in de woestijn. Eindelijk placht iedere gemeente nog de sterfdagen barer martelaren in dankbare herinnering te houden. Deze sterfdagen noemde men zeer schoon: de hemelsche geboortedagen dei-lijders, die nu voor goed van allen kommer bevrijd waren. De gemeente placht dan op de graven der nu zalige getuigen te zamen te komen, riep zich hun lijden en geloofsmoed in herinnering, gedacht hunner in den gebede en ontving, ten teeken van de door dood en graf niet opgeheven gemeenschap der heiligen, het Avondmaal.

Reeds vroegtijdig richtten de christenen eigene gebouwen op voor hunne godsdienstige samenkomsten, daar de aanvankelijk hiervoor gebruikte woningen van gemeenteleden weldra geene genoegzame ruimte meer boden, en naarmate de gemeenten grooter werden, worden ook hare kerken grooter en prachtiger. Bij den houw der kerken diende, met inachtneming van de bijzondere christelijke behoeften, de tempel te Jeruzalem als voorbeeld. Eene deur, die gesloten kon worden, gaf toegang tot eenen voorhof, die gedurende

8

-ocr page 136-

114

de godsdumstoeieuiiigen met armen en ook wel met boetenden was gevuld. In dezen voorhof stond de kerk, zonder torens, maar voorzien van liooge deuren en vensters. Van binnen was zij door een traliewerk in twee afdeelingen verdeeld. De grootste dezer beide was ingenomen door de zitplaatsen voor de gemeente, terwijl ook de kansel zich in deze ruimte bevond; in de kleinste, iets booger dan de andere, waren de zitplaatsen voor de geestelijken en het dikwijls zeer eenvoudige, somtijds ook prachtig versierde altaar. Ook de graven der ontslapenen waren plaatsen van Godsvereering. De kunst, toen ter tijd slechts de slavin van heidensche zinnelijkheid, was om deze reden aan den christelijken godsdienst vreemd. Maar toch werd ook zij aan den Heer gewijd, toen de verhevenste gedachten van het geloovig hart door beelden van diepen zin begonnen voorgesteld ie worden. Zoo werd de hoop des christens door een anker aangeduid; een palm beteekende vrede; een duif den Heiligen Geest; een herder met een lam op de schouders, den goeden Herder zeiven, terwijl een schip, den koers naar den hemel gericht houdende, de Kerk voorstelde. Het kruis was het alom in eere gehouden zinnebeeld des Christendoms. Met al deze beelden was het huisraad der christenen versierd, maar zij kwamen in dezen tijd nog niet in de kerken voor.

De eeredienst behield, wat zijn wezen betreft, zijn vroegere gestalte. Het liefdemaal intusschen trad in dezen tijd meer en meer op den achtergrond, en verdween eindelijk geheel. Natuurlijk, want naar zijnen aard was het slechts geschikt voor kleine gemeenten, die in het midden van eene vreemde, vijandige wereld, behoefte er aan hadden, zich vast aaneen te sluiten. Daarentegen was de viering van het Avondmaal het hoogtepunt van den geheelen eeredienst, en werd daarom inet steeds meerderen ernst en steeds grooteren luister gevierd, terwijl — vooral in het Oosten — vele koren en beurtzangen er bij werden ingevlochten. Toch bleef de gewijde handeling zelve, niettegenstaande zulke opsieringen, steeds eenvoudig Wanneer nl. na de prediking, het algemeen lof- en dankgebed uitgesproken werd, zegende de bisschop intusschen brood en wijn, waarop de lagere geestelijkheid het maal uitdeelde, met de korte, maar veelzeggende woorden : „Het lichaam van Christus. Het bloed van Christus.quot; Zij, die het Avondmaal ontvingen, antwoordden dan: „Amen!quot; Ook aan kranken en gevangenen uit de gemeente werd

-ocr page 137-

115

door dc diakenen de heilige maaltijd in de huizen en kerkers aangeboden : zóó groot gewicht werd aan het gebruiken van het Avondmaal gehecht. Hoezeer deze plechtige handeling in eere werd gehouden, blijkt ook uit den naam, dien men er aan gaf. Men was gewoon het Avondmaal sacrament of mysterie — d. w. z. geheimenis — te noemen. Ook werd het als een offer beschouwd, en wel in dubbelen zin. Aan de eene zijde toch werd de benoodigde hoeveelheid brood en wijn uit vrijwillige gaven van de gemeente bijeengebracht, en gold dit als een den Heer gebracht offer der liefde, terwijl aan den anderen kant de handeling zelve den offerdood des Heeren onder een teeken voorstelde, ja als \'t ware scheen te herhalen. Terwijl men nu echter op deze wijze het breken van het brood en het plengen van den wijn, als eene herhaling van het offer des Heeren begon voor te stellen, kwam men in tegenspraak met het Schriftwoord, dat zoo duidelijk zegt; „Want met eéne offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd wordenquot; (Hebr. lü : 14), In het algemeen werd deze bovennatuurlijke vereering van de teekenen des Avondmaals, voor zwakke gemoederen niet zelden tot bijgeloovige overschatting, terwijl men deze teekenen als een Palladium (voorbehoedmiddel) mede naar huis nam en zelfs den dooden mede gaf in de kist.

Aan de viering des Avondmaals ging vooraf het voorlezen van bepaalde gedeelten der Heilige Schrift en eene predikatie, die daarop gegrond was; beide in de taal van het land. De reeds vroeg zich vormende schat van geestelijke liederen, werd telkens vermeerderd, vooral daar men begon, ook zich daartoe leenende Bijbelplaatsen als hymnen te gebruiken. Dit geldt voornamelijk van de woorden :

„Heilig, heilig, heilig is de Heer der heirscharen, de gansche aarde is van Zijne heerlijkheid vol!quot; (Jes. 6 : 3.)

„Eere zij den Yader, den Zoon en den Heiligen Geestquot; (naar Openb. 1 : 6).

„Eere zij God in de hoogste hemelen en vrede op aarde, in menschen een welbehagenquot; (Luc. £ ; 14).

Bij deze prediking mochten ook niet-gedoopten tegenwoordig zijn. Maar zij moesten zich verwijderen, zoodra de viering van het Avondmaal begon. Zoo splitste zich de geheele godsdienstoefening altijd scherper in twee deelen, van welke het eene voornamelijk

-ocr page 138-

116

aan de prediking, en het andere aan het sacrament en aan aanbidding en belijdenis gewijd was. Dat bij het laatste deel enkel zij, die waarlijk leden der gemeente waren, tegenwoordig mochten zijn, lag in den aard der zaak opgesloten.

Evenals de viering van het Avondmaal, begon ook de doops-bediening meer en meer uiterlijken luister te vertoonen. Nu waren het meestal volwassenen, die getroffen door de kracht, die van het Evangelie uitging, begeerden in de Gemeente te worden opgenomen. Vóór hun dit intusschen werd toegestaan, werden zij door afzonderlijk daartoe aangestelde Catecheten of leeraars in de hoofdwaarheden des Evangelies onderwezen, en heetten in dezen tijd Catechumenen. Als dit onderricht was afgeloopen, werd de dag-voor den doop vastgesteld. Gaarne koos men daarvoor den Paasch-zondag of Pinksteren. Bij het laatste dacht men aan den eersten doop op den Pinksterdag, terwijl de doop op Paschen het woord in herinnering riep, dat alle gedoopten in Christus\' dood gedoopt zijn. Op den dag, voor den doop vastgesteld, verschenen alle doo-pelingen in witte kleederen in de doopzaal, meestal een afzonderlijk gebouw naast de kerk, waarin een waterbekken stond van behoorlijke afmetingen. De bisschop vroeg nu den catechumenen in aansluiting aan de woorden, door den Heer bij de instelling des doops gebruikt, of zij geloofden in God den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest. Ook werd wel de vraag hieraan toegevoegd: „Zweert gij den duivel en alle zijne werken af?quot; Want de christenen van die dagen waren zich wèl bewust van hunnen strijd tegen het rijk dei-duisternis, en zagen dat, als het ware, dagelijks als geduchte tegenpartij voor hunne oogen staan. Daardoor wordt bovenstaande vraag en de zich daarbij aansluitende duiveluitbanning (exorcisme) gemakkelijk verklaard. Hadden de doopelingen die vragen beantwoord, dan werden zij driemalen ondergedompeld. Daarop zalfde de bisschop hun hoofd en legde hun de handen op, om zinnebeeldig aan te duiden, dat de mededeeling des Geestes nu volgde. Daarmede werd deze heilige handeling besloten. De gedoopten — nu leden dei-gemeente — begaven zich hierop naar de kerk. Slechts aan zieken werd de doop alleen door besprenging voltrokken. Evenzoo werd de doop eenigszins anders bediend, wanneer het jonge kinderen gold; welke kinderdoop langzamerhand in de gemeente tot een vast gebruik werd. Uit het midden der gemeente werden daarbij bijzondere

-ocr page 139-

117

cloopgetuigeu — peteu — gesteld, die in naam van den kleinen doopeling de geloofsbelijdenis aflegden en op zich namen, voor cene christelijke opvoeding zorg te dragen. Deze verplichting was des te zwaarder, maar aan de andere zijde ook des te gezegender, naarmate in die tijden van vervolging het aantal verweesden grooter was. De handoplegging ontvingen de gedoopte kinderen eerst, wanneer zij het eerste onderricht in de christelijke waarheden ontvangen hadden. Onder den naam van confirmatio (bevestiging) werd dit dan tot eene afzonderlijke kerkelijke plechtigheid.

Ook het huiselijk leven met al zijne afwisseling werd als doorvlochten met eenen krans van heilige plechtigheden. Het huwelijk werd door de Kerk ingezegend, nadat de verloofden vooraf het heilig Avondmaal hadden ontvangen. Echtscheiding kwam zelden voor, en slechts om de redenen in het Evangelie aangegeven. Ook de begrafenis geschiedde niet zonder kerkelijke wijding. Het aandenken aan geliefde dooden hielden de nabestaanden levendig, door het gebruik van het Avondmaal, waarbij zij zich de onverbrekelijke eenheid met de ontslapenen in den hemel in herinnering brachten. Tevens werden de afgestorvenen in den gebede herdacht. Zoo werd de smart over het verlies verzacht en geheiligd door de zekerheid, dat zij, die in den Heer ontslapen zijn, den Heer leven. „W ij mogen niet om hen treuren, die door de roepstem des Heeren van de banden dezer wereld bevrijd zijn. Wij weten toch, dat zij niet verloren zijn voor ons, maar slechts vooruitgezonden, dat zij slechts afscheid van ons genomen hebben, om ons voor te gaan. M\'ij mogen naar hen verlangen, als naar hen, die van ons wegreisden, maar wij mogen hen niet beklagen. Wij mogen hier beneden geen zwart rouwgewaad dragen, terwijl zij daar boven reeds met de kleederen der heerlijkheid bekleed zijn. Wij mogen den heidenen geen grond geven voor de beschuldiging, dat wij hen als vernietigd en verloren beschouwen, van welke wij toch zeggen, dat zij bij God leven.quot; (Cyprianus.)

-ocr page 140-

118

§ 23.

De kerkleer.

Het is eene eigenaardigheid van het Evangelie, waardoor liet zulk een heerlijke schat is, dat het op aller nieuschen hart en gemoed eenen krachtigen indruk kan maken, hoe verschillend ook de verhoudingen zijn, waarin ieder leeft en de gaven, waarmede hij bedeeld is. Voor eenvoudige gemoederen behoeft het zich slechts in zijne heerlijkheid als geopenbaard woord van God te doen kennen, om te weeg te brengen, dat zij ootmoedig er voor leeren buigen, terwijl het aan rijker begaafde naturen zulk eene diepte van wijsheid en kennis aanbiedt, dat zij zich vol bewondering getrokken gevoelen, altijd verder en verder in deze schatkameren door te dringen. Dit wetenschappelijk onderzoek nu droeg in de verschillende landen een verschillend karakter, naar dat de ontwikkeling en geestesrichting van ieder volk dit medebracht. Het Oosten streefde met een dikwijls overmoedigen geest van onderzoek naar het verklaren van het Wezen van Hem, die een ontoegankelijk licht bewoont. Het Westen daarentegen hield zich meer bezig met de leerstukken van de zonde der menschen en de genade Gods, leerstukken, welke diep in het leven ingrepen, en daarom ook gemakkelijker in hunne diepte onderzocht konden worden. Het meest wetenschappelijk werd het Christendom behandeld te Alexandrië, waar de beroemdste kerkleeraren gevormd werden en hun onderwijs gaven.

Maar juist dezen mannen der wetenschap ontbrak niet zelden de ootmoed, die alle kennis dienstbaar maakt aan de gehoorzaamheid des geloofs. Sommigen konden zich niet vinden in de getuigenis van den jonger, die, het diepst in het wezen van den Christus doorgedrongen, gezegd had, dat het Woord bij God was, en vleesch geworden was en onder menschen gewoond had. Zoo hielden zij dan den Christus voor eenen mensch, uitnemend in wijsheid en deugd, zonder meer, zooals ook in onze dagen velen meenen. De overgroote meerderheid der Christenen intusschea hield zich aan de oude. waarheid, dat Jezus Christus do ecniggeboren Zoon des Vaders is, in eer en macht aan God gelijk.

Ook de Joodsche en heidensche wijsheid werd gewikkeld in

-ocr page 141-

119

den machtigen strijrl der geesten, die in deze dagen van het Christendom uitging. Zij toch kon oor en oog niet meer sluiten voor het Christendom, dat overal als van de daken werd gepredikt. Meer en meer hielden de wijsgeeren der Joodsche en heidensche scholen op te strijden tegen liet Woord Gods; zij traden het nu met belangstelling nader. Maar, evenals reeds in de dagen dei-Apostelen Cerinthus gedaan had, zoo gebruikten ook zij op zich zelf staande woorden en gedachten uit de Schrift, slechts tot opsiering hunner eigene wijsheid, zoodat uit eene dergelijke vermenging eene zeer wonderlijke nieuwe leer ontstond. Evenwel zagen zij met minachting op de (jeloovenden neer, terwijl zij zich zelve voor de wetenden hielden. Van daar dat hunne leer het Gnosticisme — de wetenschap der wetenden — genoemd werd. In deze leer werd verkondigd, dat er een boven het heelal verheven goddelijk, oorspronkelijk Wezen bestond, uit wien vele andere goddelijke wezens — o. a. de Jehova van het Oude Testament — waren voortgekomen. Een dezer wezens zou de wereld hebben geschapen uit een reeds vroeger aanwezige grondstof. Deze wereld was bedorven door het daarin binnenkomen van het Booze, dat zijnen zetel had in de zinnelijkheid. Om hiervan te verlossen, was de Christus gekomen. Deze moest voor een goddelijk tusschen-wezen gehouden worden, slechts met een schijnlicliaam bekleed; Hij had dus niet werkelijk op aarde geleefd en geleden, maar slechts schijnbaar. Ook hield men Hem in dezen kring van gedachten voor eenen hoogeren Geest, die zich bij den doop met den mensch Jezus vereenigd had. De menscli werd, volgens het Gnosticisme, van het booze verlost, wanneer hij door onthouding van het booze, dat in liet vleesch zetelde, overwon.

Eenigen dezer wijzen gingen in hunne dwaasheid zoover, dat zij den God der Schriften, den God van hemel en aarde voor den Satan, en Kaïn eu Judas Iskariot voor heilige mannen hielden, die zich tegen den wil van dien boozen God hadden verzet! Dewijl intusschen dit alles in de scherpste tegenspraak was met de oorkonde der Godsopenbaring, zoo beweerden de „wetendenquot;, dat de Heilige Schriften vervalschte en leugenachtige boeken waren. Doch zie, de wetenschap der wetenden kwam na weinige tientallen jaren in verval, het Evangelie daarentegen breidde zich steeds verder uit, eu overwon alle dwaling door de waarheid.

-ocr page 142-

120

Ook ouder de Perzen ontstond in dezen tijd (370) eene merkwaardige beweging op godsdienstig gebied. ïoen zij zich aan de opperheerschappij van eene vreemde dynastie hadden ontworsteld, keerde het volk zich met verdubbelde toewijding tot de oude godenleer der voorvaderen. Daarin werd gesproken van een rijk des lichts en een rijk der duisternis, waarvan ieder door een eigen god be-heerscht werd en tegen het andere strijd voerde. Mani, een der Magiërs of Wijzen, had nu in deze leer cenige christelijke voorstellingen opgenomen, waarom hij door de andere Magiërs uit het land verdreven werd. Als voortvluchtige, peinzend over goddelijke dingen, trok hij Indië en China door, en hield zich eindelijk op in een grot, in de nabijheid van zijn vaderland. Hier schreef hij al zijne gedachten op in een boek. Daarin wordt onder anderen verhaald, hoe de goede god Ormuzd in zijnen strijd tegen den boozeu god Ahriman, langen tijd de overwinning niet had kunnen behalen, waarom daarna de goede geest Christus in eene schijnbaar men-schelijke gestalte van de zon op de aarde gekomen was, om den strijd ten einde te brengen. Doch de schriften, zeide Mani, die over dezen Christus handelden, waren vervalscht, en nu had de Christus tot openbaarmaking der echte waarheid Mani gezonden, die niet r minder was dan de door Christus beloofde Trooster. Eindelijk keerde „de Troosterquot; naar Perzië terug en verzamelde om zich aanhangers, die hij met olie doopte, en uit wier midden hij twaalf Apostelen verkoos. Maar op bevel des konings werd hij na niet langen tijd op wreedaardige wijze gedood. Zijn aanhangers — de Manieheérs — vierden den dag zijns doods als hun grootste feest, waarbij zij voor een leerstoel, voor hen de symbolische voorstelling van hunnen meester, knielend hun gebeden deden. Langzamerhand stierven zij uit, en hunne avontuurlijke leer daalde met hen ten grave.

Door een dergelijken waan misleid, gaf (170) de pas bekeerde christen Montanus, te Pepuza in Phrygië, zich voor den beloofden Trooster uit, en daar zijn volk en zijn tijd maar al te zeer tot dergelijke dweeperij genegen was, won ook hij weldra een grooten aanhang. Evenals hun meester, meenden ook zij, onmiddellijke openbaringen des Geestes te ontvangen, hielden vol dat deze niet tot den Apostolischen tijd beperkt waren, maar eene gave voor alle eeuwen, en koesterden eene groote verachting voor de wetenschap

-ocr page 143-

121

en voor de iiisteiliuge.u der Kerk. Met verblindende kleuren scliil-derden zij de heerlijkheid van het duizendjarig rijk, dat zij nog vóór het jongste gericht verwachtten. Daarnaast hechtten zij groote waarde aan vasten en kruisiging van het vleesch, en hielden den huwelijken staat voor minder verdienstelijk dan den on-gehuwden.

Te midden van dergelijke bewegingen had de Kerk de haar toevertrouwde christelijke waarheid, als eenen kostbaren schat, te beschermen tegen verbastering en ontwijding. Daar bovendien de dwaalleeraars niet zelden hunne eigene verdichting voor Apostolische geschriften uitgaven, maakte de Kerk inet groote trouw en nauwkeurigheid een onderscheid tusschen de echte heilige schriften en de menschelijke namaaksels, die dezen naam onwaardig waren. Somtijds bouwden de dwaalleeraars hunne leeringen op een verkeerd begrepen of verkeerd uitgelegd woord der Schrift. Daar tegenover stelde dan de Kerk tot steun der juiste opvatting, de mondelinge overlevering der Apostelen, die nog in de herinnering der gemeente leefde. En opdat de bonte verscheidenheid en de tegenspraak der verschillende leeringen en gevoelens de gemoederen niet in verwarring zouden brengen, en ook voor de eenvoudigen de kern van de christelijke waarheid helder en verstaanbaar zou zijn uitgedrukt, zoo vatte men deze te zamen in eene korte, doch veelomvattende belijdenis, die ook nu nog ouder den naam van Apostolische fje-loofsheljdeiiis den band vormt, waardoor de geheele christenheid te zamen verbonden is. Hoogst onwaarschijnlijk is het, dat deze door de. Apostelen zeiven zou zijn opgesteld, maar dit is zeker, dat zij m of kort na den Apostolischen tijd is ontstaan, en dat zij in ieder woord gebouwd is op de duidelijke uitspraken der Apostelen. Ieder, die deze belijdenis tot de zijne maakte, gold als lid der Kerk; afwijking van die belijdenis werd leetterij genaamd en zoo streng beoordeeld, dat zelfs de geldigheid van den door ketters bedienden doop in twijfel werd getrokken.

-ocr page 144-

122

§ 23.

Beroemde leeraren der Kerk.

Een uituemenden kampvechter voor het geloof in den zooeven geschilderden strijd, vinden wij in Ireneus (f 202). In Klein-Azië uit Grieksche ouders gesproten, had hij als knaap gezeten aan de voeten van den bisschop Polycarpus te Smyrna, en in hoogen ouderdom herinnerde hij zich nog met de grootste blijdschap de uren, waarin deze eerwaardige leermeester hem en andere hoorders van zijn\' persoonlijken omgang met Johannes en andere jongeren des Heeren verhaalde. „Ik hoorde deze dingen,quot; zoo schrijft hij aan eenen vriend, „met belangstelling aan, en schreef ze niet op papier, maar in mijn hart.quot; In zijn later leven trok hij naar Lyon en werd bisschop der gemeente aldaar, juist toen deze door de boven beschreven vervolging van 177 op \'t zeerst werd benauwd. Overal hief hij het woord der Schrift omhoog, predikte daarbij te midden van allen strijd, de liefde, als de schoonste vrucht des gcloofs, en bracht wat hij verkondigde, zelf in praktijk. Zoo werkte Ireneus in den geest der Apostelen, en kon met recht als het licht der Westersche Kerk worden aangemerkt. Tegen de dwaalleer van het Gnosticisme stelde hij in het Grieksch eene wederlegging op, waarin hij met groote scherpzinnigheid en met voortdurend beroep op de Heilige Schrift, deze leer in al hare dwaasheid en verbastering beschreef. Zoo zegt hij in dit bock o. a. : „Uit de Schrift kan ieder, die wil, de leer der Apostelen leeren kennen. Daarom moet dan ook de echte en betrouwbare verklaring der Schrift aan haar zelve worden ontleend. Ook is de zin der Schriftwoorden nooit zoo diep verborgen, dat de vriend der waarheid dien niet gemakkelijk zou kunnen ontdekken. Al datgene, wat naar Gods raad nuttig en noodzakelijk voor ons is te weten, is opgeteekend en is helder en klaar te zien. Maar wat in dc Schrift niet met duidelijke woorden is uitgedrukt, dat mogen menschen niet eigenmachtig vast willen stellen.quot; En op eene andere plaats: „De ware wetenschap is de leer de Apostelen, het over de gehcelc wereld verbreide gebouw der Kerk, het gebruik der onvervalschte Schrift, zooals deze zich zelve verklaart, en de taak dor liefde is kostelijker dan alle we-

-ocr page 145-

123

teuschap, roemvoller dau de profetie, hooger dan iedere andere genadegave.quot;

Doch, bezat Ironeus de gave om dwaalleer met ernst te bestrijden, met denzelfden ernst predikte hij de liefde onder de broederen. Toen de Romeinsclie bisschop Victor 1) met de christenen van Klein-Azië den strijd had aangebonden over de afwijking in de viering des Avondmaals, bracht Ireneus in een bijzonderen zendbrief hem zijne liefdeloosheid onder het oog en herinnerde hem er aan, hoe anders toch ook bij verschil in gebruiken, de gemeenten in vriendschappelijke verhouding met elkaar gebleven waren, ja, dat juist bij afwijkingen in uiterlijke vormen de eenheid des geloofs in vollen glans openbaar werd. Zóó toonde Ireneus zich in alle omstandigheden een godgeleerde van den echten stempel, vol van wijsheid, toegerust met de kennis, waarover zijn tijd kon beschikken, en met een diepen blik in het menschelijk hart. En bij dit alles sierde hem de ootmoed, waardoor hij bij al den rijkdom zijner eigene kennis toch aan het menschelijke weten geen hooger plaats inruimde, dan waarop het recht heeft. Zoo zegt hij: „Wat schaadt het dan, dat wij van datgene, waarover wij in de heilige schriften verklaring zoeken, een gedeelte volkomen begrijpen, een ander deel echter aan God overlaten, zoodat God altijd de leermeester, de mensch altijd toehoorder blijft. Wij zullen ons toch niet schamen, datgene aan God over te laten, wat voor ons te hoog is ?quot; — Aangaande den dood van Ireneus hebben wij geene zekere berichten.

Terwijl intusschen door zijnen dood aan de Kerk een harer voortreffelijkste getuigen ontrukt werd, groeide een nog grooter steunpilaar der Kerk op, toen nog een knaap te Alexandrië, waarop niemand lette. Het was Origenes (186—254), de zoon van Leoni-das. Opgegroeid in den schoot van een ernstig christelijk gezin, terwijl een verstandig en goed onderwezen vader hem den weg wees tot het onderzoeken en goed verstaan van het goddelijke Woord, vertoonde Origenes weldra zeldzame gaven van verstand en hart. Door zijn al te onstuimigen dorst naar keunis kwam hij dikwijls tot vragen, waarop een wijzen op de beperktheid van \'t menschelijk weten het antwoord moest zijn, vragen, die evenwel het vaderhart met vreugde en hoop vervulden. Dikwijls, in den nacht, wanneer

1) Zie bladz. 112.

-ocr page 146-

124

de kinderen ter ruste gegaan waren, trad Leonidas aan Origenes legerstede, kuste den sluimerenden knaap en dankte God in stil gebed, dat Hij hem zulk een zoon geschonken had. Toen verhief zich eene bloedige vervolging tegen de christenen in Alexandrië. Leonidas werd ook in de gevangenis geworpen en wachtte daar het uur af, waarop het doodvonnis aan hein zou worden voltrokken. Origenes treurde, maar niet omdat het leven zijns vaders bedreigd werd, maar omdat hij den dood zijns vaders niet kon deelen. Nauwelijks was hij de kinderschoenen ontwassen, maar reeds had eene zoo groote liefde voor den Christus zijn hart vervuld, dat hij haakte naar den marteldood, en slechts niet moeite gelukte het zijne meer bezonnen moeder, dezen haastigen stap te verhinderen. Maar zijnen vader zond hij eenen brief naar de gevangenis, met deze bemoedigende woorden : „Zorg, dat gij niet oin onzeutwil uw beginsel verloochent.\'\' En Leonidas verloochende zijn beginsel niet.

De dood van haren echtgenoot bracht de moeder met hare zeven kinderen, waarvan Origenes de oudste was, in groote moeie-lijkheid. Origenes was uu de kostwinner. Eeeds van de kindsheid af was hij aan wetenschappelijken arbeid gewoon. Zoo besteedde hij dan nu zijnen tijd met het overschrijven van handschriften en \'t ver-koopen daarvan, waardoor hij in het onderhoud van zijn huis voorzag. Daarenboven was het hem tot eene vreugde in die dagen dei-vervolging, den martelaren in den kerker en op hunnen gang ten doode, troost en versterking te brengen, en hen met bezielde woorden te vermanen, trouw te blijven in hunne belijdenis. Hij prikkelde daardoor echter den toorn der heidenen, en bijna was zijn vurig verlangen naar den marteldood al te spoedig vervuld, had niet des Heeren hand hem beveiligd en zijn veelbelovend leven voor de Kerk bewaard.

Door dit alles werd de opmerkzaamheid van bisschop Demetrius van Alexandrië getrokken, en Origenes door hein tot leeraar aan de bestaande school van geleerden aangesteld. Weldra was de achttienjarige, maar door den ernst der tijden vroeg gerijpte jonge man, een hooggeacht leeraar, aan wiens lippen zelfs kundige mannen in liooge bewondering hingen. Tegelijk werkte hij met zoo ingespannen ijver aan zijne eigene vorming, dat men hem den bijnaam van „den ijzerenquot; gaf. Hij achtte het ook niet beneden zich, op de hoogte te blijven van de heidensche wijsheid van zijnen tijd.

-ocr page 147-

eu uitiieineiid kwam hem deze verworven keu nis te stade, wanneer, zooals menigmaal geschiedde, heidenen, of christenen door de heidensche wetenschap in verwarring gebracht, tot hem kwamen om inlichting omtrent de leer des Evangelies. Hij was in staat zich te verplaatsen in hunnen gedacht enk ring, en hun zoowel hunne eigene dwaling als de waarheid van het Christendom helder uiteen te zetten. Zoo werd hij voor ontelbaar velen, die vroeger vijanden des Heeren geweest waren, een leidsman naar den Christus. Zoo b. v. voor den rijken Alexatidriër Ambrosius, die de diepe waarheden dei-kerkleer niet verstaan had en daardoor op de dwaalwegen van het Gnosticisme verdoold was. Origenes had hem weder tot de waarheid teruggeleid, en hij betoonde dezen nu zijn dankbaarheid daardoor, dat hij hem aanmoedigde om te schrijven, en bein daarbij op de vrijgevigste wijze ondersteunde. Tot dusverre toch had Origenes nooit geschenken aangenomen, hoewel hij volgens de gewoonte van dien tijd, zijn inkomen als onderwijzer enkel trekken kon uit de vrijwillige giften zijner leerlingen. Hij had echter geleerd met weinig-vergenoegd te zijn, en in dezen tijd zijns levens nog meer hangende aan de letter der Schrift, zonder nog diep in den geest eu den samenhang doorgedrongen te zijn, wilde hij ook uit gehoorzaamheid aan des Heeren bevel, niet tegelijk „twee rokkenquot; bezitten. Ook zijne geschriften, die hij in dezen tijd op raad en op aansporing van Ambrosius begon uit te geven, dragen de sporen van zijn nog niet tot volkomen rijpheid gekomen geestelijk inzicht. Een dezer schriften draagt den titel: „Van de eerste aanvangenquot; en is een geloofsleer, bij de opstelling waarvan Origenes zelf onder den invloed der toenmalige philosophic schijnt te hebben gestaan. Althans hij houdt daarin, in tegenspraak met de Schrift, de bewering staande, dat de zielen der menschen vóór den aanvang van den tijd uit het wezen Gods waren voortgekomen, terwijl hij aan den anderen kant de Bijbelsche leer van de opstanding des vleescbes uit misverstand loochent. Bovendien schreef hij uitleggingen op eenige Bijbelboeken, hierbij van den volkomen juisten stelregel uitgaande, dat slechts hij een uitlegger der Schrift kon zijn, die in levende gemeenschap des Geestes met den Heer stond. Zijne uitlegging van iedere Schriftplaats is drieledig. Eerst zet hij de letterlijke beteekenis uiteen, dan brengt hij den uitslag van dit onderzoek als zedelijke waarheid in toepassing op het leven, en eindelijk meent hij nog eene

-ocr page 148-

126

verborgen diepere openbaring te vinden, die den door God uitverkorenen wordt medegedeeld. Deze laatste beschouwing heeft dikwijls aanleiding gegeven tot eene willekeurige, gezochte verklaring van de meest eenvoudige en heldere uitspraken der Schrift. Maar, is het waar, dat de geschriften van Origenes aan gebreken mank gaan, even waar blijft het, dat zij bezield en vol van geloof zijn geschreven, en dat zij zóó groote schatten van wijsheid in zich verborgen hielden, dat zij voor duizenden een aansporing werden tot een diepe en geloovige opvatting der Heilige Schrift. Zoo begon de naam van Origenes onder de geheele cliristeilheid met eere genoemd te worden.

Plotseling kwam er eene noodlottige wending in het leven van den gevierden man.

Eene reis naar Palestina door hein ondernomen, bracht hem in aanraking met verschillende gemeenten aldaar, welker bisschoppen zijne vrienden waren. Deze drongen hem, in hunne kerken te prediken, ofschoon hij de priesterlijke wijding nog niet ontvangen had en daarom nog als leek gold. Ja, eindelijk gaven zij hem ook de wijding tot presbyter. Daardoor gevoelde de Alexandrijnsche bisschop Demetrius zicli gekrenkt, daar volgens eene overoude gewoonte, een presbyter slechts de wijding ontvangen mocht van den bisschop ouder wiens diocees hij behoorde. Zoo ontstond dan tusschen Demetrius en Origenes eene gespannen verhouding, die met iederen dag verergerde. Was het ijverzucht, dat zijn vroegere beschermeling hem door zijn altijd toenemenden roem geheel in de schaduw stelde ? AVas het te ver gedreven onwil over de vroeger genoemde afwijking van Origenes van de kerkelijke leer en de kerkelijke gebruiken? Hoe het zij, Demetrius klaagde Origenes aan, hem beschuldigende van ketterij en bewerkte, dat hij op eene vergadering van Alexandrijnsche presbyters in den ban werd gedaan.

Nu verliet Origenes Alexandrië en vestigde zich metterwoon in Palestina. Hier had hij reeds vroeger, diep bewogen, de plekken bezocht, eens door de voeten des Heeren betreden; nu was hem dit land een welkom toevluchtsoord, waar liefdevolle vereerders hem op de handen droegen. Zoo leefde hij rustig voor de wetenschap, terwijl hij vroeger begonnen werken voltooide en nieuwe begon. Tot deze laatste behoort eene grondige wederlegging van den christenhater Celsus, eene der belangrijkste verdedigingsschriften der

-ocr page 149-

127

Oude Kerk. Waitiieer de Aziatische gemeenten door kerkelijke strijdvragen bewogen worden, zag men Origenes gaarne als lid der Synoden, die waren bijeengeroepen om uitspraak over deze punten te doen. Hij predikte ook dikwijls. Snelsclnijvers schreven dan zijne predikatiën op. Hij stelde de christelijke waarheid boven alles, en kwam openlijk uit voor de gebreken, waaraan zijne geestelijke kennis in de vorige periode ziji s levens mank ging. „Eenmaal kende ik,quot; zoo sprak hij, „den Christus slechts van hooren zeggen, als onderdeel van de leer der Heilige Schrift; maar nu ken ik Hem anders/\' Zijn levensavond werd door de vervolging onder Decius verduisterd. Wel is waar ontging hij den marteldood, maar toch sleepten de mishandelingen, die hij te verduren gehad had, hem in 254 ten grave. Hij was toeu een grijsaard van bijna 7 0 jaar oud. Zijn rijke geest en zijne onvermoeide krachtsinspanning hebben der Kerk tot grooten zegen gestrekt en ook na zijn heengaan, hebben vele voortreffelijke leeraars der Christenheid kracht en voorlichting bij hun werk en onderzoek te danken gehad aan den geest der geschriften van Origenes.

De boeken van Origenes zijn in \'t Grieksch geschreven. Maar een groot gedeelte daarvan is in den loop der tijden verloren gegaan.

Naast hem, schoon zijn wetenschap minder omvangrijk en zijn arbeidsveld meer beperkt was, verdient TertuUianus (f 220) met eere genoemd te worden. Hij was te Carthago uit heidensche ouders gesproten en eerst volwassen werd hij christen. Hij was een man van een ernstig gemoed en eenen vurigen geest, en hij ontwikkelde eene kracht van wil, die voor geen hinderpalen terugdeinsde. Wat hij was, was hij met hart en ziel. Wat hij dacht, sprak hij open en onbevreesd uit. Zoo werd dan ook nu het Evangelie de ziel van zijn leven; al zijne rijke gaven wijdde hij aan de verbreiding en verdediging van het christelijk geloof. Zijn vroegere betrekking van rechtsgeleerde opgevende, trad hij in den dienst der Kerk en bekleedde in zijne gemeente het ambt van presbyter. Doch door zijne doorzettendheid, waardoor hij niets ontzag, gepaard aan eene zekere somberheid van karakter en eene levendige phantasie, kwam hij or toe verstrikt te geraken in de toenmaals zeer verbreide, dweepzieke leer van het Montanisme, en nooit schijnt hij hiervan weer geheel los geworden te zijn, al heeft hij ook getracht de scherpe kanten

-ocr page 150-

128

Van hot Moutanisine te verzachten en het met de heerscheude leer iler Kerk te verzoenen. Niettegenstaande dat, heeft hij toch in menig opzicht een weldadigen invloed uitgeoefend. Naar buiten trad hij met welsprekende woorden, als kampvechter voor het Christendom, tegen de aanvallen der heidenen op; in de Kerk was hij een ijverig voorstander van kennis en wetenschap. Hoofdzakelijk besteedde hij zijne krachten aan het schrijven van verschillende werken, welke handelden over de meest uiteenloopende stukken der christelijke, leer en de gebruiken der Kerk. Hij houdt er daarbij van, tegenover de tegenstanders, de beide voorstellingen van eene zaak, duidelijk en zonder omwegen in het licht te stellen. Terwijl de heidenen roemden op de verhevenheid hunner wijsheid, hield hij hun „de dwaasheid des Evangeliesquot; voor; terwijl zij de schoonheid der menschelijke gestalte in hunne kunst pleegden te verheerlijken, wees hij hun op de verachte knechtsgestalte van den Christus. Tegenover het Gnosticisme, dat sprak van een scliijnlichaatn van den Christus, plaatst hij de groote liefde, die den Heer er toe bewogen had, juist een menschelijk lichaam in al zijn nederigheid aan te nemen. En gelijk Tertullianus eens in zijne rechterlijke betrekking het onrecht geweerd en het recht verdedigd had, zoo was hij in de dagen der vervolging de pleitbezorger der Kerk. Toen nl. richtte hij aan den Romeinschen landvoogd der provincie Afrika eeneu brief, waarin hij de onschuld der christenen en de onrechtvaardigheid hunner vijanden aan het licht bracht. Hij is de eerste kerkleeraar, die in het Latijn schreef.

De grootste onder de leerlingen van Tertullianus is Cyjmanus, een man van vurigen en krachtigen geest, die alle goederen dezer wereld prijs gaf om Christus te gewinnen. Niet minder als man van geld en van aanzienlijke geboorte, dan als leeraar der welsprekendheid nam hij eene geëerde plaats in, eu scheen zóó alles te bezitten, wat het leven kan sieren. Doch één ding ontbrak hem — het licht van het Evangelie. Wel zag hij, hoe het Evangelie steeds machtiger uitbreiding verkreeg; wel had — mogen wij eene oude overlevering gelooven — de liefde voor eene christen-jonkvrouw hem bijna tot het Christendom gebracht, maar nog steeds sloot hij het oor voor deze stem, die hem vermaande. Het lag in \'s Hee-ren weg, dat hij door een vriend voor den Christus zou worden gewonnen. Dc presbyter CaeciHm deelde hein met zooveel gloed

-ocr page 151-

139

van overtuiging de hemclsche waarheid mede, dat Cyprianus eindelijk begeerde gedoopt te worden. Met de warme liefde van een gemoed, dat door den doop tot blijdschap gekomen was, verdeelde hij een deel van zijne goederen onder de armen; toch bleef hij nog in staat om op groote schaal weldadigheid te blijven bewijzen. Zijn vorige maatschappelijke betrekking gaf hij op, en nam daarvoor slechts den smaad en liet gevaar, aan den christennaam verbonden, in ruil. Met grooten ijver las hij de werken van de leeraren der Kerk, onder wie hij vooral Tertullianus lief\' kreeg. Hij was gewoon dezen eenvoudig zijn leermeester te noemen. Het duurde niet lang, of de christenen van Carthago begonnen hunne aandacht te wijden aan den nieuwen broeder; het was alsof men er een voorgevoel van had, welk een voorvechter van hare zaak de gemeente in hem ontvangen zoude. Toen dan ook de bisschopszetel van Carthago open kwam, eischte de meerderheid der gemeente, dat Cyprianus, kort te voren tot presbyter gekozen, als hun herder zou optreden; toch waren er velen tegen, en stemden voor eene andere keuze. Cyprianus, zoo plotseling voor deze zaak gesteld, waarop hij geen gedachte gehad had, bedankte; maar toen het volk met onstuimig verlangen hem als bisschop bleef begeeren, verklaarde hij, daarin een roepstem Gods ziende, het ambt te zullen aanvaarden. Maar het waren zware tijden, waarin hij den herdersstaf ter hand nam. Wel is waar had de vervolging langen tijd gerust, maar juist deze rast had in de Kerk zelve, veel onrust en ergerlijke partijschap gekweekt. Ook Cyprianus vond in zijne gemeente dikwijls ongehoorzaamheid en tegenspraak, voornamelijk bij hen, die met zijne verkiezing niet ingenomen waren geweest. Zulke tweedracht nu moest zoowel de afzonderlijke gemeente als de geheele Kerk in verwarring brengen en eindelijk te gronde richten, wanneer er geen paal en perk aan gesteld werd, en een verdere uitbreiding er van werd tegengegaan. Daardoor kwam in den geest van Cyprianus de gedachte op aan eene alle geloovigen omvattende algemeenc Kerk, door de bisschoppen met krachtige hand bestuurd, en zóó in staat, om alle onwettig verzet in haar midden te overwinnen. Cyprianus was er juist de man voor om deze gedachte, die zich met steeds helderder kleuren voor hem afteekende, te verwerkelijken. Hij toch was een man, krachtig in daden, die uitging van dezen grondregel, dat een christen groot moest zijn in zijn leven, niet in zijne woorden. Maar — toen hij

9

-ocr page 152-

130

juist op het punt was, strengere tucht in zijne gemeente in te voeren, werd deze gemeente door den Heer zeiven op geheel andere wijze onder tucht gebracht.

De vervolging onder Deeius brak nl. toen uit, en ook te Carthago vereenigden zich strenge keizerlijke dekreten met den christenhaat der groote menigte om de Kerk ten onder te brengen, liet grauw eischte, dat Cyprianus voor de .leeuwen zou worden geworpen. Toen ontweek de bisschop de stad. Was het vrees voor den dood en de geest des huurlings, die in \'t uur van gevaar de kudde verlaat en vliedt, welke hein daartoe dreven? Maar neen, uit zijne stille wijkplaats zendt de vluchteling de heerlijkste brieven aan de oudsten der gemeente, vol van troost en vermaning, bekrachtiging en raad. Als velen hartstochtelijk begeerden naar de martelaarskroon, schreef\' hij : „niet ons bloed, maar ons geloof vraagt tie Heer.quot; Zóó, te midden barer beproeving, werd de gemeente het toch gewaar, dat zij eenen bisschop had, die haar op het harte droeg, en dicht bij haar was met zijne gebeden en voor haar zorgde. Maar den tegenstanders gaf zijne vlucht eene welkome aanleiding hem te belasteren. En toen de vervolging ophield en de bisschop, wedergekeerd, hen, die tijdens de vervolging afvallig geworden waren, eerst na lange en ernstige boetedoening, weder in de gemeenschap der door hen verloochende Kerk wilde opnemen, vraagde men hem schamper, hoe hij zoo streng tegenover anderen kon zijn, daar hij toch zelf niet trouw was bevonden. Tegenover dit scherpe verwijt stelde, hij nu deze verklaring zijner handelwijze: „De Heer wilde, dat ik gaan zou. Niet om zelf in veiligheid te zijn ben ik gevlucht, maar omdat ik wist, dat de heftigheid van den storm der vervolging zou luwen, wanneer de hoofdaanleiding -— de bisschop — verwijderd was. Ook terwijl ik lichamelijk afwezig was, was ik toch den broederen in den geest nabij.quot;

Maar de vervolging barstte opnieuw los. Tegelijk daarmede kwam eene vreeselijke pest christenen en heidenen teisteren. Daar de heidenen slechts op eigen lijfsbehoud bedacht waren, bleven hunne kranken onverzorgd; hun sterfbed was eenzaam en geen laatste eer werd hun bewezen. Toen riep Cyprianus de gemeente bijeen, en sprak met bezielde woorden van de liefde, die bij God in zoo hoog aanzien staat. Deze liefde echter alleen jegens de geloofs-genooten (e bewijzen, was niet iets, dat bewondering verdiende. De

-ocr page 153-

131

r IlS

w

II

ml

1

ii

I

w

-

1

1

■,

é

li

;(!i CJ

it«

1

■:;i

christen moest méér doen Jan hetgeen ook bij heidenen cn tollenaren gewoonte was. Hij moest het kwade met het goede overwinnen, en, naar het voorbeeld der goddelijke lankmoedigheid, ook de vijanden liefhebben. Voor dergelijke woorden van hunnen bisschop bleven de christenen niet doof, en zij verzorgden nu ook de kran-ken uit de heidenen, welke verlaten en eenzaam waren achtergebleven.

üe edelmoedige bisschop ontving geen dank als vergelding. De verschrikkingen van de pest eindigden; de verschrikkingen der vervolging zouden nog niet eindigen.

Nu was Oyprianus echter te hoog: gestemd om ten tweeden-male te vluchten; in Carthago wilde hij van het leven scheiden en naar zijnen Heer gaan, onder het gebetl en do voorbede der gemeente. Eindelijk kwamen de mannen, die hem moesten gevangen nemen. Maar ook hun brak bijkans liet hart, toen zij gedachten, hoe eens deze man hunne kranken verpleegd, hunne stervenden getroost had. Wanneer de Heer (och iemand lief heeft, verandert Rij soms zijne vijanden in vrienden. Waar het gerucht zich verspreidde in de stad, dat Cyprianus voor den rechter gesleept werd, was liet alsof de geheele stad in rouw verzonken was, en velen klaagden over het schouwspel, dat hun wachtte. Toen Cyprianus nu voor den rechter stond, vraagde men hem : „Zijt gij Cyprianus?quot; — „Ja.quot; — „Zijt gij dus het hoofd der gemeente, die onze goden veracht?quot; — „Juist.quot; — „De doorluchtige keizer gebiedt u den goden te offeren.quot; — „Ik weiger dat te doen.quot; — „Welaan, dan zult gij ondergaan, wat gij verdient.quot; — „Doe, gelijk u is bevolen.quot; — Dit was het gesprek tusschen den beschuldigde en zijnen rechter gevoerd. Deze laatste overlegde eenige oogenblik-ken in stilte, met zijn raad cn liet toen de uitspraak van het vonnis bekend maken: Cyprianus zou door het zwaard vallen. Daarbij was des rechters stem en optreden onzeker, alsof hij de onbillijkheid dezer uitspraak besefte. De veroordeelde antwoordde kalm: „God zij geloofd!quot; — „Wij willen met hein sterven,quot; riepen de christenen. Toen bewoog de stoet zich naar de plaats der terechtstelling, eene vlakte, door hoornen omgeven. Vele christenen klommen daarin — gelijk eens Zacheüs, — om hunnen herder nog eens te zien en te hooren.

Cyprianus legde nu zelf zijn priesterlijk gewaad af, wachtte

i

-ocr page 154-

132

staande den beul af en toen deze kwam, gaf hij hem nog een rijk geschenk. Met sidderende hand volbracht de beul daarna zijn werk. Zoo ging Cyprianus tot de schare der overwinnaars in (24 September 258).

De geschriften van Cyprianus zijn alle uit het leven gegrepen en voor het leven geschreven. Het beroemdste draagt tot titel: „Van de eenheid der Kerkquot;.

DERDE TIJDVAK.

(323—800.)

§ 24.

Het christelük keizerschap.

Drie eeuwen lang iiad de Kerk ter wille van den naam van Christus den smaad der wereld gedragen; nu was voor haar, die zoo wakker had stand gehouden, de tijd der verheffing aangebroken. Het Romeinsche rijk iiad zijne laatste krachten verspild in zijn vruchteloos woeden tegen het Koninkrijk Gods; nu was zijn stervensuur geslagen. En de wereld, geschokt tot in het diepst van haar wezen, kon nergens heil en vrede vinden dan in Christus. Het Evangelie alleen kon den wankelenden troon vastheid geven en het verkwijnende volksleven wederom nieuw bloed schenken. En hij, die in eene beslissende periode zich de heerschappij zag toevertrouwd over het machtigste rijk der aarde, — was hij daardoor van zelf niet de aangewezen persoon om de overwinningen des Christen-doms, tot nog toe slechts in de stilte behaald en verder onopgemerkt, uit de schaduw in het licht te brengen, en ook openlijk ze te erkennen, en boven de bouwvallen van het ineengestorte heidendom het Kruis op te richten ? ■ Constantijn heeft erkend, dat dit zijne roeping was en deze roeping vervuld. Hij was een vriend van de Kerk en hare dienaren, en, machtig als hij was, had hij

-ocr page 155-

133

geene reden om deze vriendschappelijke gezindheid voor de wereld verborgen te houden. Hij benoemde christenen om als hovelingen aan zijn hof te verkeeren; hij koos christenen tot zijne raadslieden, en ook de wetten, die door den keizer uitgevaardigd werden, droegen er het stempel van, dat dc wetgever het gebod Gods voor oogen had. Daar hij te Rome altijd nog omringd bleef door de priesters en altaren der oude goden, verplaatste hij zijne hofhouding naar Byzantium, dat door hem in eene christelijke stad werd herschapen en naar hem den naam Constantinopel ontving. Met groote vrijgevigheid verschafte hij den christenen de middelen om hunne godshuizen te bouwen en hunne geestelijken te onderhouden, en hij hield zich met voorliefde bezig met de vragen, die de Kerk bezig hielden. Zijne vrome moeder Helena vond er hare vreugde in, de door gebeurtenissen der gewijde geschiedenis geheiligde plaatsen op te sporen en te versieren. Zoo werden op haar bevel te Nazareth en te Bethlehem, te Jeruzalem en to Hebron prachtige tempels gebouwd, uit eerbied voor de nagedachtenis van hetgeen daar geschied was.

Het huis des keizers had de oude goden verlaten, maar in de harten van vele onderdanen hadden zij nog hun oude plaats behouden. Daarom liet Constantijn met wèl overlegde zachtmoedigheid de beelden en offerfeesten van het heidendom bestaan, overal waar het volk er met eerbied aan gehecht was. Alleen sloot en sloopte hij eenige tempels, waar men een wellustigen eeredienst had, of het volk door onwaardig priesterbedrog om den tuin geleid werd. Evenzoo verwijderde hij uit Jeruzalem de hcidenschc gruwelen, die eens door Hadrianus aan de ontwijde stad waren opgedrongen.

Het was bovendien natuurlijk, dat de keizer aldus verschoonend optrad. Immers zijn eigen hart behoorde den Heer niet onverdeeld toe. Onmetelijke heerschzucht en hartstochtelijke drift brachten hem nog meermalen tot gruweldaden, en dit te gemakkelijker, daar hij geene machtigen der aarde behoefde te vreezen, en hij door zijne omgeving niet ernstig genoeg gewaarschuwd en bestraft werd. Uit eene bijgeloovige berekening, aan zijne dagen niet vreemd, stelde hij, daar hij niet genegen was zich zeiven te bedwingen 1), zijn doop

1) En er kleefde a»u zijne handen zooveel bloed, zelfs dat van zijn eigen zoon!

-ocr page 156-

lo4

gedurig uit, eu bleef — hoewel vriend der Kerk — toch buiten haar staan. Eindelijk, toen eeue doodelijke krankheid hein aangreep, verzamelden vele bisschoppen zich om zijn leger, en door een van hen — Eusebius — werd hij gedoopt. Van die ure af wilde hij purper noch andere versiering meer dragen en hij beloofde, diep geroerd, een ander raensch te zullen worden, als God hem beterschap wilde schenken. Doch tot oen aardschen werkkring zou hij uit zijne ziekte niet meer opstaan. Hij ontsliep op den Pinkstermorgen van het jaar 337.

Zijne drie zonen ontvingen nu de heerschappij over het rijk huns vaders, totdat Constantms, na den vroegtijdigen dood zijner broeders, alleenheerscher werd. Zij traden met grooter gestrengheid dan hun vader op, sloten dc heidensche tempels, en bedreigden ieder met den dood, die het nog wagen durfde op de voorvaderlijke wijze te offeren. Voortaan mocht men nog slechts te Rome de oude goden dienen en te Athene, aan welke stad dezelfde gunst werd verleend. Doch hoewel de heerscliers krachtig optraden tegen den afgodendienst, toch bleven zij in hun hart de afgoden dezer wereld dienen. Immers, het Evangelie beschouwden zij slechts als een middel om hunnen troon te bevestigen, en hunne onderdanen in toom te houden. ï)it bleef niet ongestraft.

Verteerd van vrees en argwaan, hadden zij bijna alle leden van \'t keizerlijke huis gedood, en slechts den onmondigen Julianus gespaard. Deze moest geestelijke worden, en zijne opvoeding werd daartoe aan eenigc monniken toevertrouwd, die hem daarvoor zouden opleiden. Doch het diep gewonde gemoed van den knaap kende slechts verachting voor de beheerschers van den Staat, de moordenaren zijner familie; hij beschouwde zich als geroepen, om eenmaal als wreker voor deze vermoorden op te treden. Was het wonder, dat hij ook het christelijk geloof, dat zij hem wilden opdringen, en dat hem bovendien door onverstandige ijveraars op eene onmensch-kundige wijze gebracht werd, in het diepst zijner ziel verachtte? Vrij wat beter beviel hem, wat sommige heidenen, die partij wisten te trekken van de stemming, waarin de jongeling verkeerde, hem verhaalden van den glans der heidensche wijsheid cn van de dwaasheid van het Evangelie.

Toch verborg hij deze gedachten diep in zijn binnenste, en schikte zich schijnbaar naar des keizers wil, terwijl hij slechts in

-ocr page 157-

135

stilte plannen ontwierp voor de toekomst. Ja, zóózeer gelukte liet hem den keizer zand in de oogen te strooien, dat deze alle wantrouwen liet varen, en Julianus tot veldheer verhief over de troepen in Gallië. Toen wierp Julianus het masker af. Zijne soldaten, geheel voor hem gewonnen, riepen hem tot keizer uit, en Constantius stierf in den veldtocht, dien hij tegen den oproerling ondernam. Zóó werd Julianus keizer en triuinfeerde het heidendom.

Als keizer was hij een verbitterd tegenstander vau het Christendom, maar zooveel wist hij wel van zijne geschiedenis, dat het met geweld niet onderdrukt kon worden. Zoo deed hij dan, wat hij kon, om het te vernederen, zoodat het niets aantrekkelijks of schoons meer had in de oogen der menschen. Weldra verschenen eene menigte wetten, die van \'s keizers vijandige gezindheid de duidelijkste getuigenis aflegden. De vroegere ondersteuning van Staatswege werd aan de geestelijkheid en de Kerk onttrokken, opdat zij weder arm zouden worden. Overal, waar heidensche tempels door den invloed van \'t Christendom vervallen waren, moesten zij voor rekening dor christenen weder worden opgebouwd. Waar strijd was in den boezem der christelijke gemeente, wakkerde de keizer dien strijd verder aan, om verdeeldheid in de Kerk te brengen. Hij verbood de christenen wetenschappelijke scholen op te richten, opdat zij, beroofd van de middelen tot christelijke vorming, onbeschaafde en verachte lieden zouden worden. Hij schreef zelfs strijdschriften tegen hen, en maakte er der christelijke leer een verwijt van, dat door haar de hooggeroemde kunst der voorvaderen was verloren gegaan. Gelijk hij nu om de christenen lachte, meende hij ook den spot te kunnen drijven met Hem, dien zij hunnen Heer en hunnen God noemden. Om nl. het woord te schande te maken, dat de Christus over den tempel gesproken had: „hier zal niet één steen op den anderen gelaten wordenquot; (Matth. 24- ; 3), wilde Julianus den tempel weder opbouwen, en zond bouwmeesters naar Jeruzalem en gebood hun met de grootste toewijding de oude heerlijkheid des tempels weer uit zijne puinhoopen te doen verrijzen. Doch ziet, de grond, die niet gebeefd had toen Titus met zijne legioenen zegevierend haar betrad, of toen Hadrianus «ijne afgodsbeelden er plaatste, opende zich nu met eene aardbeving onder de voeten der bouwlieden, zoodat zij verschrikt wegvluchtten.

-ocr page 158-

lae

en liet werk opgaven. Aldus schrijft, ontroerd van geest, de hei-densche geschiedschrijver Amiuianus.

Terwijl Julianus zich inspande om het Evangelie voor de wereld verachtelijk te maken, koesterde hij de ijdele hoop, den val van het heidendom door kunstmatige middelen tegen te houden. Slechts heidenen werden aan het hof benoemd en tot Staatsambten verheven, en wie deelnamen aan de aangerichte offerfeesten, konden op \'s keizers gnnst rekenen. Verder wilde de keizer, wetende welken grooteu invloed de christelijke godsdienst door zijne verheven majesteit op de gemoederen uitoefende, den bijna vergeten tempeldienst der heidenen, door navolging van christelijke gebruiken er weder bovenop brengen. De oude heiligdommen schitterden in nieuwe pracht, plechtige lofzangen weerklonken binnen de tempelwanden, en in schoon gekozen woorden verkondigden de priesters den roem der goden. Ook armen- en krankenzorg werd in navolging der christelijke liefde ingevoerd.

Des keizers wijsheid intusschen werd dwaasheid bevonden. Aan de doode pracht der offerfeesten ontbrak de geest; de gekunstelde welsprekendheid der priesters miste den grondslag van een goddelijk woord; bij dc armenzorg zocht men de liefde te vergeefs. Het gevolg van dit alles was, dat de tempels en de harten ledig bleven.

Hierdoor werd dc keizer verbitterd. Strenge maatregelen, welke hij tegen de christenen wilde nemen, werden door hem uitgedacht, maar de Heer belette de uitvoering daarvan. Een vreemd volk — de Parthen — deed een inval in het rijk. De keizer, een ridderlijk krijgsheld, trok den vijand te gemoet, doch, in den slag (36S) doodelijk gewond, riep hij stervend uit; „Galileër, gij hebt overwonnen lquot;

De stervende had de waarheid gesproken. Dc Galileër had overwonnen. En met den dood van Julianus vielen ook de kunstmatige steunsels, waardoor hij liet heidendom meende te kunnen staande te houden. Als een bouwvallig huis stortte het ineen.

Zijne opvolgers op den troon der Romeinsche keizers waren christenen. Meer en meer verkregen dc steden een christelijk aanzien; de heidensche tempels werden weder verwoest of geraakten in verval. Somtijds keerde de christelijke bevolking zich tegen de tempels, en nam door ze te verwoesten wraak over den smaad, die nog voor een zeventigtal jaren door de heidenen aan de kerken

-ocr page 159-

137

was aangedaan. Nu zonk menig kunstwerk der bouwkunst iu puin, en menig kunstgewrocht werd iu stukken geslagen. En de lieidensche offerdienst trok zich bevreesd in de afgelegen dorpen terug.

Toen nu het rijk al meer en meer het voorkomen van een christelijken Staat verkregen had, begon keizer Theodosius (381) bepaalde wetten tegen het heidendom uit te vaardigen. De tempels moesten gesloten, de afgodendienst zou gestraft worden. Wie de oude goden uog aanhing, kon nu eenigermate beseffen, hoe het weleer den vervolgden christenen te moede was. Zoo kwam de straf voor de vroegere wandaden der heidenen op hun eigen hoofd neer.

Te Eome stond een altaar voor de godin der overwinning, iu liooge eere gehouden bij het volk, welks trots bestond in de overwinningen zijner voorouders. Nu moest dit altaar vallen. Uit naam van alle senatoren nam toen Symmachus, een welsprekend man uit de heidenen, het woord voor dit gedenkteekeu van Rome\'s glorie op, en smeekte, dat toch aan zijne grijze haren het leed bespaard mocht worden een altaar te zien vallen, dat hem reeds als knaap dierbaar geweest was. Zijn smeeken was te vergeefs. Zóó hadden ook eens de voortreffelijkste vertegenwoordigers der christenheid te vergeefs om gerechtigheid gesmeekt.

Het stevigste bolwerk van \'t heidendom scheen liet oude wonderland Egypte te zijn, waar de priesters nog grooten invloed op het hart en leven des volks behouden hadden. Toen aldaar het bevel des keizers bekend werd, was het, alsof de beleedigde goden besloten hadden zich te wreken. De Nijl toch wilde niet buiten zijne oevers treden en het dorre land besproeien. Toen dit echter aan Theodosius werd medegedeeld, sprak hij vastberaden : „Eer moge de Nijl ophouden te stroomen, dan ik de afgoderij duld.quot; Plotseling zwol toen de Nijl geweldig en overstroomde nu het geheele Nijldal, zoodat liet geheel vruchtbaar werd. Te Alexandrië bevond zich sedert eeuwen een beeld en een tempel van Serapis, die als de beschermgod der stad werd aangezien. Ouder het volk ging de sprake, dat hemel en aarde zouden ondergaan, wanneer dat beeld viel. Daarom, toen het gebod van den keizer werd afgekondigd, wilde aanvankelijk niemand de hand slaan aan dit beeld, tot eindelijk een krijgsman het met een bijl in stukken sloeg. Hemel en aarde gingen intussclien niet onder, wèl het heidendom

-ocr page 160-

138

zelf, dat nog in de harten van enkele weinigen in liet verborgen en zonder innerlijken steun tot in de zesde eeuw voortleefde. Het Christendom werd echter helaas! meer en meer eene wereldsche macht, die met wereldsche middelen streed, en gruweldaden als de moord der edele heidin Hypatia (4.16), werpen donkere schaduwen oj) dit tijdperk. Vele heidenen verwierpen nu hun voorvaderlijken godsdienst zonder Christus gevonden te hebben. Zij volgden onverschillig den stroom van \'t leven van dezen tijd, zonder zich te bekommeren over den hemel. Anderen echter, van eene meer edele gezindheid, die de verborgen heerschappij van eene hoogere macht bevroedden, vereeuigden zich tot eene afzonderlijke vereeni-ging. Daartoe behoorden do Massalianen, die wel is waar van verschil lende goden spraken, maar toch slechts den hoogsten vereerden, den Gebieder van alle dingen. In de schemeruren verzamelden zij zij zich in hunne heilige gebouwen, die dan schitterend verlicht waren. Doch al zulke verschijselen zijn spoedig weder verdwenen.

De ommekeer, waardoor de Romeinsche Staat in een christelijke werd veranderd, was van ver strekkende gevolgen voor de Kerk. Sedert deze de machtigste vorsten der aarde onder hare leden telde, zag zij tot hen op als tot beschermers, door den Heer zeiven haar verleend, en noemde vol vertrouwen op deze bescherming den Ro-meinschen keizer haren bisschop voor de uiterlijke dingen, daar bij haar niet sterken arm beschutte in alle gevaar en alzoo zelf een dienaar was van \'t Godsrijk. Echter ook in het inwendige heiligdom der Kerk zocht het keizerlijk hof somtijds in te grijpen, waar het de ontwikkeling van de geloofsleer en van de belijdenis gold, en wanneer de bisschoppen vergaderden over een of ander belangrijk vraagstuk, dat in \'t midden der christenheid was opgekomen, dan was hun uitspraak hierover dikwijls meer eene ingeving des keizers dan des H. Geestes. Ook traden tot nadeel van de Kerk vele onwaardigen toe tot den geestelijken stand, aan welks bekleeding nu eer en geldelijke voordeelen verbonden waren, en onder die ambtsdragers waren er velen, die meer de menschen gehoorzaamden dan God. Toch ontbraken daar naast de bezielde getuigen de waarheid niet, die \'t ook verstonden zelfs eenen keizer eene boetprediking te brengen. Doch wanneer de ruwe volkeren der oudheid zich buigen zouden ouder de heiligende tucht van

-ocr page 161-

139

\'t Koninkrijk Gods, dan moest dit koninkrijk zich ook met uiter-lijken glans en majesteit onder hen vertoonen. Daarom, wat Con-stantijn en zijne opvolgers voor de Kerk hebben gedaan, is eene groote daad van God, gewichtig voor alle latere tijden. Want hetgeen geldt in \'t leven van iederen afzonderlijken mensch, het geldt ook als wet in \'t gausclie Koninkrijk Gods: door zwakheid tot kracht, door strijd tot overwinning, door droefheid tot vreugde.

Doch het Romoinsche rijk was niet bestemd altijd het middelpunt der Kerk te blijven; integendeel, het was zijnen ondergang nabij. Vóór het te gronde ging, had het nog de overwinning van het Evangelie erkend en liet openlijk verheerlijkt. Nu verdeelde (395) Theodosius het rijk, en deze verdeeling was een voorspel van verdere verbrokkeling. Het Westersche rijk kwam (476) om in de golven der volksverhuizing; het Oost-Komeinsche rijk bleef nog een duizendtal jaren bestaan, maar sleepte als een afgeleefde grijsaard, een mat en weerloos bestaan voort. In het lot van \'t rijk deelde ook de Kerk : in do vernietigende schokken, die \'t Westen te gronde richtten, in de versteening van het Oosten. Toen deed de Heer opnieuw een heerlijke daad Zijner liefde en macht. De jeugdige, krachtige volksstammen der Germanen, die \'t esten overwonnen, werden zelf overwonnen door het Evangelie, dat zij bij de overwonnenen vonden. En weldra bloeide onder de pas ge-wounenen een zóó opgewekt christelijk leven op, dat tot op dezen dag al wat waarlijk groot in de Kerk is, door de volken van Germaanschen stam verricht is. En toen de groote Frankenkoning Karei (800) te Rome de kroon des Romeinschen keizers ontvangen had, was voor \'t bewustzijn der volkeren ook het recht om de Kerk te beschermen, op hem, en dus op een vorst van Germaanschen stam, overgegaan.

De Zending iu Azië cu Afrika.

Op wonderbare wegen liet God in dezen tijd, waarover wij nu handelen, het Evangelie des vredes brengen ouder de onbeschaafde

-ocr page 162-

140

volkeren van Azië en Afrika. In Armenië waren reeds vroeg op zicli zelve staande cliristelijke gemeenten geweest, die echter onder vernielende oorlogen, die dit land met zijne onrustige naburen moest voeren, veel te lijden hadden. Nu gebeurde het, dat een voorname Pers in dit land kwam met den geheimen last van zijnen koning, om den Armenischen koning te dooden. Het gruwelstuk gelukte, maar hij, die het bedreven had, werd door de Armeniërs met geheel zijn huis omgebracht. Alleen een kleine knaap werd door een christen aan het bloedbad ontrukt en ontving onder den naam Gregorius eene christelijke opvoeding. Deze knaap groeide op tot een vroom man, welbedreven in de heilige schriften. Toen nu ïiridates, de zoon van den vermoorden koning, het rijk, dat hem een tijdlang ontrukt was, weer heroverd had, gaf hij een groot feest en beval, dat daarbij door ieder aan de goden geofferd moest worden. Tot nog toe had Gregorius Tiridates met alle getrouwheid gediend, om zoo de groote schuld, die op zijnen vader rustte, uit te wisschen, maar nu weigerde hij den koning te gehoorzamen. Toen werd tegelijk bekend, dat de sluipmoordenaar van den vorigen koning zijn vader geweest was. Nu beval de vertoornde koning Gregorius gebonden in een slangenhol te werpen, opdat hij daar zou omkomen. Doch evenals Daniël eens in den leeuwenkuil, werd ook hij bewaard en later door eene vrome weduwe trouw verzorgd. Niet lang daarna werd de koning krankzinnig; de zuster des konings bevrijdde Gregorius, die nu tot hoog aanzien geraakte, den koning genas en dezen met geheel zijn volk tot het Christendom bekeerde. Op de wijze der Apostelen trok hij nu het land door, bouwde kerken en stelde oudsten aan. Door het dankbare volk met den eernaam „Verlichterquot; begiftigd, moet hij in \'t jaar 331 als kluizenaar gestorven en door herders begraven geworden zijn.

Doch het nauwelijks opgegane licht scheen weer te zullen verbleeken. De eerste bezielde prediking van den Christus werd niet meer gehoord, en \'t Woord Gods kon niet voortdurend in het openbaar verkondigd worden, daar \'t volk alle beschaving, zelfs een geschreven taal miste. Slechts hij, die vreemde talen verstond, kon dus de H. Schriften lezen. Toen nam de kluizenaar Miesrol (440) de taak op zich, om zijn volk tegelijkertijd eene schrijftaal en de vertaling des Bijbels te geven. Door menigvuldige tochten, die hij in naburige lauden ondernam, door samenspraken met kun-

-ocr page 163-

141

dige mannen en door onvermoeiden ijver, gelukte het liera div moeielijke werk te volbrengen.

In dezen zelfden tijd woonde in liet Kaukasische gebergte het woeste volk der Iberiërs, en onder hen eene geroofde christelijke slavin, Nunia geheeten. Eens was er in dat land een doodziek kind, waarvoor niemand genezing wist. Nunia, die daarover zeer bekommerd was, bad nu voor dit kind en haar gebed werd verhoord en \'t knaapje, dat reeds was opgegeven, herstelde. Toen het gerucht hiervan verspreid werd door het geheele land, kwam ook de koningin, die eveneens krank was, tot Nunia en begeerde hare voorbede. En wederom werd haar gebed verhoord. Nu drong de koningin er bij haren gemaal op aan, dat hij zich toch ook aan den dienst van dien God mocht wijden, van wien Nunia sprak en die zoo groote wonderen kon doen. Doch de koning wilde naar haar niet hooren. Daarop geschiedde het, dat hij eens in \'t gebergte jaagde, en zoo door een dichten nevel van alle zijden werd ingesloten, dat hij geen uitkomst meer zag of mogelijkheid om den rechten weg te vinden, en meende, dat hij daar zou moeten omkomen. Toen dacht hij aan hetgeen hij van zijne gemalin gehoord had, en riep den God der christenen aan. En zie, de nevelen scheurden, het uitzicht werd helder en de verdwaalde kwam weer behouden bij de zijnen aan. Nu verliet hij met geheel zijn volk den dienst der afgoden, en zond gezanten naar Griekenland om daar christen-priesters te halen; deze bouwden kerken en onderwezen het volk in de waarheden des Christendoms (3:30).

Ook in Arabië werd een heidensche koning voor het Christendom gewonnen en wel door een gezantschap van keizer Con-stantius (350). Aan \'t hoofd toch van dit gezantschap stond Theophilvs de Indiër, een merkwaardige figuur in den tijd waarin hij leefde. Hij was geboortig van Din, in Indië, en zijne ouders waren Arabieren, maar in de oorlogen tusschen Romeinen en Arabieren was hij door de eersten als gijzelaar naar Constantinopel gebracht en daar in de christelijke beginselen onderwezen. Met genoemd gezantschap, kwam hij in naam des keizers den Arabischen sheik verzoeken, dat hij den christen-kooplieden in Arabië mocht toestaan, ongestoord hunne godsdienstige plechtigheden te mogen vieren. De sheik ontving hem vriendelijk, liet zich doopen en beval, dat er in zijn land drie christelijke kerken zouden gebouwd worden.

-ocr page 164-

142

Aan de noordelijke grenzen van Arabië loefden toen ter tijd ook vele kluizenaars, die niet zelden in de gelegenheid waren aan rondtrekkende Bedoeïnen, wanneer deze op hunne strooptochten in hunne nabijheid kwamen, het woord des levens te brengen. Maar tocli, zoowel in Arabië als in Indië, waarheen de zooeven genoemde Theophilus gegaan moet zijn, ja in geheel Zuid-Azië, waren het altijd maar zeer weinigen, die den geloove gehoorzaam werden. En deze weinigen stonden aan den vooravond van ontzaehelijke vervolgingen.

Het onmetelijk groote werelddeel Afrika bleef\' voorloopig, met uitzondering van de Noordkust, die tot het Romeinsche rijk behoorde, voor den invloed van hei Evangelie gesloten. Meer nog dan de eigenaardige afgeslotenheid en onherbergzaamheid van dit werelddeel, was de stompzinnigheid der bevolking aan de éene zijde, en hare. ruwheid aan de andere zijde, daaraan schuld. Abessynië alleen werd voor \'t Christendom gewonnen; de zendeling, die daar het Evangelie bracht, was een geroofde slaaf. Toen nl. eens een Romeinsch koopvaardijschip aan de kust van Abessynië landde en de bemanning aan land was gegaan oin water in te nemen, kwamen de roofgierige kustbewoners uit hunne schuilhoeken te voorschijn, plunderden het vaartuig en doodden de bemanning. Twee knapen intusschen van \'t schip — Frumentim en Aedesius — hadden in de boschjes aan den oever zich neergevleid en zaten daar nog, de een vertrouwelijk met den arm op den schouder des anderen geleund, onbekend met hetgeen er geschied was, toen de moordenaren hunner makkers ook de plaats, waar zij verborgen waren, naderden. De roovers hadden echter medelijden met hen, omdat zij zoo jong waren, en lieten hen in het leven. Van deze barmhartigheid nu heeft het geheelc land van Abessynië kostelijke vruchten geplukt. De koning hield de knapen aan het hof, en nadat het hem gebleken was, dat hij hen vertrouwen kon, benoemde hij Aedesius tot schenker, terwijl hij Frumentius de opvoeding van zijnen zoon toevertrouwde. En zij, die nu tot zoo hooge eereambten waren opgeklommen, zagen daarin eenc beschikking des Heeren. Rustig en geleidelijk bereidden zij den weg voor \'t Evangelie, en toen de koning stierf en de leerling van Erumentius den troon besteeg, was het niet moeielijk, het heidensche land iu een christenland te herscheppen. Frumentius werd door den grooten Athanasius tot bisschop

-ocr page 165-

143

van Abessynië gewijd, en stichtte nu, bijgestaan door eenige vrienden en helpers die hij had doen overkomen, de Abessynische Kerk. Aedesius werd kluizenaar. Spoedig nam de nieuwe Kerk in bloei toe en is, door alle stormen heen, bewaard gebleven tot op dezen dag. Het is waar, nu schijnt zij ingesluimerd, het volk is onkundig en heeft weinig verkeer met de christenheid der andere landen. Maar zou de kracht Gods te kort schieten, om ook daar nog eenmaal het oude Jte verjongen en het schijnbaar doode levend te maken?

De Zending ond^i nr. tom.-it lt;-•

Toen de heidensche Romeinsche Staat bezweek, was het heidendom bij de Germanen nog in vollen bloei. Bij hen tocli was de volksgodsdienst gegrond op de kracht en de trouw van \'t volk, en was rijk aan diepzinnige, schoone gedachten, die schenen te spreken van hooger openbaring. Zoo wederstond deze godsdienst lang den invloed van het Evangelie, terwijl hij iutusschen de harten van velen ontvankelijk maakte om het eenmaal aan te grijpen. Evenals liet volk zelf, waren ook zijne goden kuisch en rein; ernstig en duister als \'t land waren ook de sagen. Mogelijk is het een en ander van de oude poëzie der Germanen niet buiten den invloed van \'t Christendom geschreven. Over goden en mensehen, over de vijandige reuzen en de geheimzinnige dwergen — zoo heet het in de liederen van den voortijd — heerseht 0/1/w, de hoogste van alle bestaande wezens, daarom ook AUfadur (Alvader) genaamd. Onder zijn opperbestuur deelen de andere goden de eerbewijzen en de zorgen, die de wereldheerschappij met zich brengt. Zoo is Widar de beheerscher van de zee, de god die kalm en zwijgend over de wolken heneuglijdt en zich verheugt, wanneer wolken den hemel bedekken en stormen het water in beweging brengen. Een blij karakter daarentegen draagt Fre/jr. Hij is de zonnegod, die de zon bestuurt op haar baan. Daarom wordt de zonsondergang genoemd \'t huwelijk van Freyr met Gerdha (godin der zee). Naast hem be-heerscht Thor de krachten des hemels. In zijnen donderwagen rijdt

-ocr page 166-

144

hij door de lucht; zijn hamer Mjolner verbrijzelt Je hardste rots. Wordt er op aarde gestreden door de volkeren in bloedigen kampstrijd, dan is lyr, de sterke oorlogsgod, in de nabijheid en vuurt den moed der strijders aan. En wanneer dan de strijd volstreden en het slagveld met de lijken der gesneuvelden bedekt is, dan zweven de zachte //\'alkyren aan, maken een einde aan allen doodstrijd, en voeren hen, die met eere hun leven in den slag hebben gelaten, naar Walhalla, waar eeuwigdurend genot hun verbeidt. Lafaards en verraders daarentegen, reizen dan naar het donkere schaduwrijk van Hela, waar allerlei ellende hen wacht, terwijl zij, die onberoemd gestorven zijn, naai\' het duistere Nifiheim. gaan. De Norven (Urdhir, Verdhandhi, Skuld), d. i. de schikgodinnen, hebben des menschen lot in handen. De goden (Asen) wonen in hun burcht As-gard (godentuin). Voorzeker zou bij hen een ongestoorde zaligheid kunnen gevonden worden. Freia toch, de koningin der liefde voert er heerschappij over de harten; wie oud worden, worden door fduna opnieuw jong gemaakt; en de treurigen worden opge-vroolijkt door Braga, den god van den zang. Doch evenals het leven der menschen, is ook het geluk der goden verduisterd dooide zonde. Eens waren de goden zalig, toen nog de witte Baldur, de god des vredes en der onschuld, onder hen verkeerde. Doch de valsche Loke, de stichter van alle onheil, liet hem door Höder met een mirtetak dooden; van toen aan spanden de goden te vergeefs hunne krachten in om den boozen geest in hun midden te overwinnen. Bovendien hebben zij ook naar buiten strijd te voeren; de verschrikkelijke Reuzen toch, willen zicli niet aan hunne heerschappij onderwerpen. Eenmaal zal deze strijd nog veel heftiger moeten gestreden worden; goden en reuzen zullen daarbij omkomen, en voor den hemel en de aarde zal een tijd van ontzache-lijke verwarring — de godenscJiemering — aanbreken. Maar dan zal ook Baldur, de goede, weder opstaan, een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zal geboren worden en vrede en zaligheid zullen daar wonen.

Zien wij in deze dingen niet een zeker voorgevoel van de eeuwige waarheid? „Van eenen Baldur spreekt het Zuiden, van den zoon der maagd. Vrede was zijn oorlogsdevies, liefde zijn zwaard, en onder palmen in verre landen is zijn graf. Zijn goddelijke leer gaat verder van dal tot dal; eenmaal komt zij ook hier en slaat

-ocr page 167-

145

over de hoogten van Norgelaiul (Noorwegen) de sneeuwwitte duivenvleugelen uitquot; 1).

Eeuwen waren sedert de hemelvaart des Heeren verloopen, maar nog slechts nu en dan, en hier en daar, was het woord van \'t Evangelie des Kruises in Germanië\'s eikenbosschen vernomen. De verkondigers toch der blijde boodschap waren allen zonen van het zachte Zuiden, en vermeden het ongastvrije land der Germanen, met zijne gevreesde, oorlogzuchtige bewoners. Maar eens, daar verscheen onder de volksstammen aan den Donau een vreemdeling, die in wijden kring de belangstelling gaande maakte. Het was toen omstreeks 400 n. dir., en genoemde streken waren juist zwaar geteisterd door den storm der volksverhuizing. Als een vreeselijke onweerswolk was het woeste leger der Hunnen er over getrokken; steden en dorpen waren door brand vernield, en van de eens zoo bloeiende landstreek was slechts eene kale wildernis overgebleven. Hongersnood, ziekte en ellende, die sombere metgezellen van den oorlog, waren nu bezig het gruwelijke werk der verwoesting te voleinden. In deze dagen der bezoeking nu werd de genoemde vreemdeling de helper en vertrooster der geteisterden. Niemand wist te zeggen, wie hij was of van waar hij kwam. Alleen aan zijne spraak was het te bemerken, dat hij van liomeinschen oorsprong moest zijn. Van zich zeiven sprak hij slechts weinig. Alleen deelde hij mede, dat hij vroeger in het Oosten gewoond had en daar groote gevaren had doorgestaan, doch door den machtigen arm des Heeren daaruit was gerukt; dat hij nu door den Geest Gods werd aangedreven, om troostend en vrede-brengend naar de volken vau Germanië te gaan. Met groote verbazing staarde ieder dezen man aan. En geen wonder, want in kracht en bezieling geleek hij op de oude proleten in Israël, en hoewel hij blijkbaar van hooge afkomst was, reisde hij toch barrevoets en hoogst eenvoudig gekleed. Bn het was zichtbaar, dat God met hein was. Severinus was zijn naam. Overal, waar hongerigen verkwikking, overal, waar diepbedroefden troost behoefden, was hij en bracht het hun. Tegelijkertijd echter vermaande hij met overtuigende woorden tot boete en bekeering. Bn wetende, dat bij alle inspanning van krachten zijne eigene werkzaamheid toch altijd eene beperkte grens had, trachtte hij

1) ïegnor, (slotzang* Frithiots-sage).

10

-ocr page 168-

146

blijvende iiiiddelpunteu voor de verspreiding van cliristelijk geloof en cliristelijlv leven te sticliten. Zoo legde liij den grond voor verschillende kloosters, en droeg den monniken op liet Evangelie te verkondigen in ruimen kring en de zorg der kranken en veriatenen op zich te nemen. Voornamelijk te Weenen en te Passau stichtte hij zulke kloosters, terwijl hij bij voorkeur te Weenen zijn verblijf hield.

Een hoofdkaraktertrek van Severinus was zijn liefde voor de eenzaamheid. Reeds in \'t Oosten had hij als kluizenaar geleefd, en eens betuigde hij openlijk: „Plet liefst zoude ik, ver van \'t gewoel der wereld, in een eenzame hut in gebed en vrome overpeinzingen mijn leven doorbrengen. Doch God heeft mij geboden, onder de menschen te gaan, en overal de noodlijdenden te helpen en de vertwijfelenden op te richten door den troost des geloofs.quot; Hij trok zich dan ook gaarne in de eenzaamheid terug. In de nabijheid van \'t klooster te Weenen, liet hij voor dit doel een eenzame kluis bouwen, waar hij dikwijls in stille, vrome overpeinzingen, vertoelde. Het kon niet anders, of een zoo verheven persoon als Severinus moest een diepen indruk maken op de ruwe menschen onder wie hij verkeerde, en de geschiedenis heeft menigen schoonen trek bewaard, waaruit de liefde en vereering, de achting en de eerbied blijken, welke aan Severinus werden geschonken. Dikwijls trad hij op voor de meest gevreesde krijgshelden van dien ruwen tijd en sprak hun ernstige woorden van vermaning toe, en de ruwe harten lieten zich door hem bewegen en luisterden met eerbied naar zijn woord, als naar de stem uit eene hoogere wereld. Maar ook bij de kleine gebeurtenissen in het leven, wendde men zich dikwijls tot Severinus oin raad of hulp. Indien hij helpen kon, vroeg men hem nooit te vergeefs. En waar hij dan hielp, liet hij zijne hulp vergezeld gaan van een aangrijpend woord, en zijn woord was niet minder krachtig dan zijn daad. Den achtsten Januari 482 ontsliep hij.

Op gelijksoortige wijze arbeidden ook andere kluizenaars aan de grenzen van Germanië, maar slechts weinigen werden gewonnen. De oogst was zoo groot, de arbeiders waren zoo weinige, en bovendien was hun hart zoo versaagd.

Toen moest volgens den raad Gods de volksverhuizing het middel worden om de Germanen tot de kennis der waarheid to brengen. Deze volksverhuizing toch was een opdringen van het

-ocr page 169-

147

Oosten naar het Westen, van het Noorden naar het Zuiden, van Gcrmaansche volksstammen, die nu eens door het vijandig aanstormen van een woest ruitervolk, dan weer door een woeligen ondernemingsgeest uit hun rust werden opgedreven. Hot eene volk werd daarbij op het andere geworpen. Overwinningen en nederlagen wisselden elkander af, en voor de verloren woonplaatsen moesten andere gezocht, en ook deze dikwijls weer verlaten worden. Maar door deze voortdurende woeling en gisting geraakten volksgewoonten en volksgodsdiensten aan \'t wankelen; de trots, die zoolang in de harten gewoond had, werd gebroken, en onder het onrustige, onbestendige leven, waartoe de volksverhaizing drong, werd een verlangen naar rust geboren, een verlangen, dat in de meer ernstige gemoederen zich heerlijker als een verlangen naar zielsvrede openbaarde. Zoo kwamen zij, met niet onvoorbereide harten, in de christelijke landen. Daar zagen zij allerwege, op de torens der kerken het Kruis hun tegcnblinken; daar boeide in die kerken een verheven Godsvereering hunne aandacht ten zeerste. Daar koos menig Germaan zich eene christelijke gade, die nu zijn hart op den levenden God wee?. Hoe zien wij in dit alles de wijze voorzienigheid des Heeren!

Het eerst kwamen van deze Germanen de Gothen, een volk, wonende aan de oevers van de Zwarte Zee, tot kennis der waarheid. UIJtlas (f 388), een man van Grieksche afkomst, wordt als hun Apostel genoemd. Zijne voorouders waren als krijgsgevangenen in het land der Gothen gekomen, en hadden daar ongestoord hunnen God mogen dienen. Ook Ulfilas was te midden der Gothen opgegroeid, en, vertrouwd zijnde met hunne volksgewoonten en hunne taal, was hij, na reeds vroeg tot priester en bisschop gewijd te zijn, de meest geschikte persoon om hun het Evangelie te brengen. De ernst der tijden droeg er niet weinig toe bij zijne prediking gereedelijk ingang te doen vinden. Want van alle zijden bestookt door de Hunnen, zagen de Gothen zich genoodzaakt de grenzen van \'t Romeinsche gebied te overschrijden, en voor velen werd deze overgang tegelijk een overgang tot het Christendom. Zou echter het goddelijk Woord een blijvende schat voor \'t volk kunnen worden, dan was daartoe noodig, dat de Heilige Schrift in \'t Go-thisch bestond. Daarom gaf Ulfilas den Gothen eene Bijbelvertaling, de eerste Gcrmaansche vertaling die tot stand kwam, tegelijk het oudste gedenkteeken dor Oud-Gcnnaansche taal.

-ocr page 170-

148

Eeiic eeuw later had Cldodwi.g, de Frankische veroveraar, tusscheii den Riju en do Seine een machtig rijk gesticht. Zijne gemalin Chlotüde behoorde tot den Bourgondischen volksstam eu was eene christin, reeds vóór haar huwelijk. Voor ieder ander mocht de koning norsch en barsch zijn, tegenover zijne gemalin was hij altijd vriendelijk en verdraagzaam. Zoo stond hij haar toe, ongestoord voor haar geloof uit te komen, en weldra zag men dan ook christen-priesters en bisschoppen aan het koninklijk hof. Zelfs vatte de koningin het plan op, haren echtgenoot voor het Christendom te winnen. Dikwijls sprak zij hem daarom over de nietigheid der heidensche goden en over de heerlijke majesteit van den levenden God. Maar de koning antwoordde dan trotsch: „Uw God behoort zelfs niet eens tot liet geslacht der goden; Hij is immers noch een zoon, noch een broeder van Odin.quot; Daarbij kwam nog, dat de meeste christenen, die hij kende. Romeinen waren, die hij in \'t diepst zijner ziel verachtte. Daarom was hij gewoon te zeggen : „Do God der christenen moet een zwak man zijn, daar Hij hot rijk der Romeinen heeft laten te gronde gaan, ofschoon zij Hem dienen. Mij hebben mijne goden tot nog toe in den strijd altijd bijgestaan en mij de overwinning geschonken.\'quot; Docli om dit eerste mislukken harer plannen, gaf echter Chlotilde de hoop niet op.

In dien tijd werd aan het koninklijk echtpaar een kind geboren, en toen Chlotilde haren gemaal vroeg om toestemming om dit kind te laten doopen, gaf hij haar die. Doch reeds zeer jong stierf het knaapje. „Wat beteekende nu die christelijke doop,quot; zoo spotte de koning, „zoo hij toch niet verhinderen kon, dat het kind stierf?quot; Chlotilde antwoordde echter gelaten; „Ik verheug mij zoo, dat mijn kind waardig gekeurd is, om in \'t gewaad der onschuld tot de engelen in den hemel te mogen gaan,quot; en de koning verwonderde zich over hare berusting.

Niet lang daarna schonk God hun wederom een zoon. Eerst wilde de vader dien niet laten doopen, doch op het smeeken zijner gemalin gaf hij eindelijk toe. Doch zie, plotseling werd ook deze kleine zwaar ziek. Toen riep Chlodwig in diepe droefheid, eu morrend tegen het Christendom, waaraan hij zijn ongeluk toeschreef, uit: „Dit kind zal wel sterven als het eerste.\' Doch Chlotilde, sterk in haar geloof, wierp zich op do knieën en bad God, dat het Hem toch mocht behagen ter verheerlijking van Zijnen heiligen

-ocr page 171-

140

naam, liet ongeloof van den heideusclien vader ie beschamen, en liet leven van liet kind te sparen. En God verhoorde dit gebed van de moeder, hetgeen op het gemoed des konings een diepen indruk maakte.

Zoo verdween langzamerhand uit Clilodwig\'s gemoed de afkeer van de leer van den Gekruisigde. Tegen wil en dank moest hij eerbied hebben voor het Evangelie en de belijders van het Evangelie. Toch bleef hij nog een tijdlang zich verzetten tegen de wenschen zijner gemalin, die hem gaarne reeds toen als lid der Gemeente zag opgenomen. Eindelijk zou een bloedige veldslag ook dezen laatsten tegenstand zijns harten breken.

In het jaar 496 deden de oorlogzuchtige Allemannen, een volk, woonachtig aan de oevers van den Boven-Eijn, eenen inval in het rijk der Franken. Dicht bij het plaatsje Zülpich, niet ver van Bonn, werd de beslissende veldslag geleverd. Hevig was de strijd eu lang bleef hij onbeslist. Eindelijk konden de Franken zich niet langer staande houden; met een verscheurd hart zag Chlodwig den vijand vooruit dringen en de zijnen vluchten. Op dit oogen-blik trad een zijner wapenknechten op hem toe en herinnerde hem aan den God der christenen. Bij dit woord viel er een lichtstraal in des konings verduisterd gemoed. Met een plotselinge ingeving hief hij hand en oog ten hemel en riep met luider stem: „Jezus Christus, U, dien men den Zoon van den levenden God noemt, die den ellendige redt, en overwinning geeft aan hen, die op ü hopen, U smeek ik ootmoedig om uitredding. Indien Gij mij de overwinning geeft over mijne vijanden, zal ik in U gelooven en mij laten doupen in Uwen naam.quot; Wederom trekt de Erankische slaglinie zich samen. Steeds heviger ontbrandt de strijd. Daar komt een hertog der Allemannen te vallen, zijn leger wendt zich verschrikt tot de vlucht, en de verbaasde Chlodwig wordt door de zijnen als overwinnaar begroet.

Toen de held naar zijne haardstede was teruggekeerd, herinnerde zijne gemalin hem aan de gedane gelofte. Hij liet toen Ee-migius, den bisschop van Ehciras overkomen, die op zich nam den koning in de christelijke geloofsleer te onderrichten. Met de aandacht van een kind zat nu Chlodwig aan de voeten des bisschops, en vernam uit zijnen mond, wat de Heiland geleerd en geleden had. Eens had hij lang met stille belangstelling geluisterd naar de

-ocr page 172-

] 50

gescliiedeiiis van des Heereu lijden, toen hij plotseling, diep verontwaardigd, uitriep: „Was ik daar maar bij geweest met mijne Franken; ik zou die Joden wel getuchtigd hebben,quot;

Toen de koning genoegzaam onderricht was, werd zijn doop vastgesteld op het Kerstfeest. En als die blijde feestdag nu was aangebroken, trok Chlodwig, met drieduizend Frankische edelen, die gelijk hij begeerden gedoopt te worden, in witte kleederen door de stad naar de Mariakerk. Toen bij bet Godshuis binnen ging, zeide hij iiaief tot Eemigius ; „Mijn vader, is dit het rijk, dat gij mij beloofd hebt?quot; waarop Eemigius antwoordde : „Neen, maar de weg die daarheen leidt.\'\' De doop werd nu aan hem voltrokken, en de paus toonde hem zijn bijzonder welgevallen, door hem den titel: „eerstgeboren Zoon der Kerk en allerchristelijkste koningquot; te schenken. Dezen titel hebben daarom steeds de koningen van Frankrijk tot in den nieuwsten tijd gedragen.

Langzamerhand volgde het volk der Franken het voorbeeld van zijnen koning en nam, eerst alleen met de lippen, de christelijke geloofsbelijdenis aan. Onder de christenen was de vreugde groot bij het vernemen van Ciilodwig\'s bekeering. Met vertrouwen toch mocht men nu, wat betreft de bekeering der Germaansche staten, de toekomst tegenzien, nu een hunner koningen zich tot het Christendom bekeerd had. Toch was in het hart van Chlodwig zei ven de onderwerping aan het christelijk geloof slechts als een eerste voorjaarsdag geweest, die voor een oogenblik met zonneschijn en lentegeur de strenge koude des winters doet vergeten, en \'t hart met hoop en vroolijkheid vervult, doch weldra weer verdrongen en in vergetelheid gebracht wordt door opnieuw heerschende winterstormen. Het verdere leven toch van dezen koning was helaas bezoedeld door menige daad van ruw geweld. Evenwel, al was \'t leven van koning en volk nog slechts spaarzaam door stralen van christelijke kennis verlicht, zoo was intusschen door Chlodwig de grond gelegd voor de verdere godsdienstige en zedelijke ontwikkeling der Germaansche. volken. Onder de zegeningen der christelijke opvoeding, groeide een minder ruw geslacht op. Zoo is dan toch de slag bij Zülpich ook voor \'t Godsrijk eene zeer gewichtige gebeurtenis.

Chlodwig wordt terecht een andere Constantijn genoemd. Want in de eigenaardige wijze, waarop beiden tot het christelijk geloof

-ocr page 173-

151

gelmiulit worden, dat geloof wederstaau en dienen, zijn groote punten van overeenkomst bij beide vorsten op te merken.

De landen, door Franken en Bourgondiërs in bezit genomen, werden door christenen bewoond. Onder deze waren vele uitmuntende mannen, die beproefden hunne overheerschers zoo mogelijk tot het Christendom te brengen. Naast Eemigius, van wien boven reeds gewag werd gemaakt, verdient hier vooral Caesarius, bisschop van A relate — \'t tegenwoordige Arlcs in Zuid-Frankrijk — de aandacht.

Engeland was gedurende langen tijd eene provincie van Rome. In dien tijd was er van Rome uit het Evangelie gepredikt. Toen echter de Angelsaksen, aanvankelijk slechts door de Britten te hulp geroepen tegen de Schotten, zich meester maakten van de heerschappij (449), en zeven koninkrijken — de heptarchie — stichtten, werd door dien inval der heidenen het voortbestaan van \'t Christendom in deze landen, ten zeerste twijfelachtig. De echte belijders van het Evangelie des Kruises trokken zich in \'t gebergte terug. Deze oude Britsche christenen zijn later Culdeërs genoemd. Zij bezaten een Christendom, dat dichter bij liet Evangelie stond, dan dat, wat thans te Rome gevonden werd, en hebben grooten invloed geoefend op de bekeering van Ierland en Schotland tot het Christendom. In den aanvang werden overwonnenen en overwinnaars gesclieiden door een haat, die elke toenadering onmogelijk maakte. Zoo woonden de Angelsaksen meer dan een eeuw in Engeland, voor zij de heerlijkheid van \'t Evangelie leerden kennen. Toen geschiedde het, dat Gregorius de Groote — toen nog slechts abt te Rome — op de slavenmarkt aldaar eenige gevangenen zag, die als slaven te koop werden aangeboden, en door hun edel voorkomen zijn belangstelling in de hoogste mate gaande maakten. Blijkbaar behoorden zij tot een vrij en krachtig volk. Toen Gregorius nu, op zijne vraag uit welk land zij kwamen, vernam, dat zij Angelsaksen en heidenen waren, hield van dit oogenblik de gedachte hem bezig, aan dit volk \'t Koninkrijk Gods te prediken. Doch het strenge verbod van zijn bisschop hield hem er van terug, dit plan ten uitvoer te leggen. Spoedig hierop werd hij tot bisschop van Rome verkozen. Nauwelijks had hij den bisschoppelijken zetel ingenomen, of reeds iu 597 zond hij Augudinm, abt der Benedictijnen 1), met veertig monniken naar

1) Wel te onderscheiden van den kerkvader Augustinus van Hippo.

-ocr page 174-

152

Engeland, naai\' liet liof van koning Edelhert, koning van Kent. Deze toch was gehuwd met Bertha, dochter vau den Fraukisclieu koning. En op haar, die tot den christelijken godsdienst behoorde, hadden deze monniken hun lioop gebouwd. Aanvankelijk werden zij met wantrouwen ontvangen. Docli spoedig werd het hart des konings voor lien gewonnen. Hij liet zich doopen en was den zendelingen behulpzaam in de vervulling van hunne taak, al liet hij ook zijne onderdanen geheel vrij in de keuze van hun godsdienst. Op eénen Kerstdag doopte Augustinus tienduizend christenen. Door dit alles was zijn hart met zoo groote blijdschap vervuld, dat hij den llooinschen bisschop in opgetogen bewoordingen het welslagen der onderneming mededeelde. Doch evenals eenmaal de Heer, toen de zeventigen met blijdschap wederkeerden en roemden in hetgeen zij verricht hadden, hen terechtwees en zeide: ,, Verblijdt ti daarin niet, dat de geesten u onderworpen zijn; maar verblijdt u veel meer, dat uwe namen geschreven zijn in de hemelen\' (Luc. 10 : 20), — zoo waarschuwde Gregorius ook Augustinus tegen alle overschatting van zich zeiven en vermaande hem en de zijnen tot ootmoed. Bovendien herinnerde hij hun, dat men verstandig met het volk moest omgaan en het niet van zijn oude bestaande gebruiken be-rooven, doch aan deze een christelijke en daardoor heerlijke betce-kenis geven. Daarom moesten de heidensche tempels niet worden ontheiligd of verwoest, maar den levenden God worden toegewijd. De oude otterfeesten zouden voortleven als vroolijke maaltijden, onder \'t geboomte naast de kerk gehouden, en beschouwd als christelijke feesten. Het volk moest door toegefelijkheid, wat betrof het vroegere uiterlijk vreugdebetoon, gewonnen worden voor de innerlijke vreugde van een geloovig hart. Zóó arbeidde Augustinus, die nu tot aartsbisschop van Canterbury verheven was, aan de bekeering, maar tegelijk Eoraaniseering der Angelsaksen in \'t land van Kent.

Eene dochter van bovengenoemden Edelhert huwde met Edwin, koning van Northumberland, een der andere rijken van de Angelsaksische heptarchie. Toen zij haar land verliet, nam zij Paulinus, een christen-priester, mede naar hare nieuwe hoofdstad York. Na lange aarzeling riep koning Edwin eene groote vergadering bijeen. Daar zou beslist worden of het Evangelie moest worden aangenomen of verworpen. Toen deze samenkomst geopend was, nam een der

-ocr page 175-

153

edelen het woord en neide : „Wanneer dos winters, als buiten storm en sneeuwjacht door de lucht gieren, de koning zijne grooten en dienaren aan een gastmaal verzameld heeft eu allen, 0111 het vuur gelegerd, niets bemerken van de koude en de ruwe wintervlagei), en er strijkt dan een vogel door do zaal, de eene deur in, de andere weer uit, dan is dat korte oogenblik, waarin de vogel in de wanne zaal is, te vergelijken inet ons kort leven op aarde. Omtrent do lange tijdsruimte, die er aan voorafgaat en er op volgt, ver-keereu wij in hot onzekere. Indien deze nieuwe leer ons daaromtrent zekerheid kon brengen, moesten wij haar aannemen.quot; Nu begon Paulinus te prediken en met zóóveel vrucht werd deze prediking bekroond, dat de heidensche opperpriester zelf het bevel gaf om de oude heiligdommen te verwoesten. In de hoofdstad York werd toen een bisdom gesticht en Paulinus als de eerste bisschop aangesteld. Toch kon aan eene geregelde kerkinrichting nog niet worden gedacht; ook waren er geen predikers om het volk de blijde boodschap te brengen. Maar hierin kwam weldra verandering. De Sehotsche monnik Aidan, een man van milden geest en uitnemend geschikt om de allereenvoudigsten te onderwijzen, kwam naar het nieuwe bisdom over. Hij trok het land door en vroeg aan ieder, dien hij tegenkwam, of hij Christus kende. Dit gaf hem gelegenheid hoofd voor hoofd dit volk het Evangelie te prediken.

\'Zoo breidde zich langzamerhand het Christendom uit over alle koninkrijken der Angelsaksische heptarchie. Somtijds werd het wel door enkele verdedigers van den ouden heidenschen godsdienst bedreigd, maar door de kracht Gods bleef liet staande en werd van dag tot dag sterker. Het laatst werd het aangenomen in Sussex, aan de Zuidkust van Engeland. Hier heerschte eens een groote hongersnood, toen Wil fried de bisschop van York daar kwam. Ter oorzake van een twist was deze door den koning van zijn ambt ontzet en zocht nu naar eene plaats om weer het Koningrijk Gods van dienst te kunnen zijn. Toen hij den nood van de inwoners van Sussex zag en bemerkte, dat zij nog niet eens goed viscb konden vangen, gebood bij zijnen metgezellen netten te leenen en te gaan visschen. Als zij nu eene groote menigte visschen in hunne netten gevangen hadden, deelde hij deze in drie deelen. Eén deel gaf hij aan de armen, één deel aan de eigenaars der netten, het derde deel aan zijne metgezellen. Hierdoor won hij de harten van het volk, dat

lij

m

lil! ■

-ocr page 176-

154

nu ook ooren er naai- had oui zijne geestelijke spijze te ontvangen, nadat zij eerst spijze voor hun lichaam van hem hadden gekregen.

De inwoners van Ierland en Schotland behoorden tot den volksstam der Kelten en ook hier, evenals in Gallië en Brittannië, oefenden de Druïden een machtigen invloed uit op vorsten en volk. Toen geschiedde het eens, dat eene schaar lersche zeeroovers aan de kusten van Engeland landde en daar van het strand een knaap wegroofden, Patrik geheeten, den zoon van een christen-priester. Toen hij in Ierland aankwam, werd hij aan een der vorsten geschonken, die hem als herder over zijne kudde aanstelde. Terwijl hij daar nu eenzaam bij zijne schapen nederzat, ver van zijn vaderland, ver van zijne ouders, als een arme lijfeigene, dacht hij aan al de gulden spreuken der H. Schrift, die hij vroeger geleerd had, maar waarop hij met de lichtzinnigheid, aan de jeugd eigen, weinig had gelet. Als een zaadkorrel waren zij in zijne ziel verborgen gebleven; nu kwamen zij op eu droegen rijke vrucht. Zelf bekende hij later: „Ik was zestien jaren oud, maar kende God niet. Daar in \'i vreemde laud opende God mijne oogen, zoodat mijn ongeloof week, en ik, zij het dan ook laat, aan mijne zonde gedacht en mij van ganscher harte tot den Heer, mijnen God, bekeerde, die op mijne ellende zag, zich over mijne jonkheid en onwetendheid ontfermde, en nog vóór ik Hem kende of goed of kwaad wist te onderscheiden, mij beschermde en troostte als een vader zijn\' zoon.quot;

Nadat Patrik wederom bevrijd en in zijn ouderlijk huis terug was, kon hij het echter niet lang in zijn vaderland uithouden. Voortdurend stonden de geestelijke nooden van \'t volk, in welks midden hij als knaap geleefd had, hem voor oogen, en hij besloot als zendeling naar Ierland weer te keeren. Hoe de zijnen hem dit ook ontraadden, zij konden zijn besluit niet doen wankelen. „Het geschiedde niet in mijne kracht,quot; zegt hij, „God was het, die in mij overwon en allen tegenstand deed zwijgen.quot; Hij ging dan naar Ierland en begon zijnen arbeid, waarbij zijne nauwkeurige kennis van taal en gebruiken des volks hem uitstekend te stade kwam.

Kwam hij op een plaats aan, dan verzamelde hij het volk met trommelslag en begon het Evangelie te prediken. Tot veler hart drong zijn woord door. Een bard (zanger) aan \'t hof des konings werd er zoo door getroffen, dat hij ecu gcloovige werd en nu lie-

-ocr page 177-

155

deren dichtte ter eere van den levenden God, terwijl hij vroeger de goden en helden van zijn volk bezongen had. Een jonge man van edele geboorte — Benignus geheeten — werd evenzeer dooide prediking van Patrik getroffen. Hij verliet alles, wat hij had, volgde den prediker en week niet van zijne zijde. En zoo deden ook anderen. Patrik stichtte vele kloosters, waarin afschriften des Bijbels gemaakt werden en de jeugd werd onderwezen. En het Woord Gods wies in Ierland, en het aantal geloovigen nam zoo toe, dat men het eiland weldra het eiland der heiligen noemde. Vele der monniken uit Ierland\'s kloosters werden later zelf zendelingen en trokken naar vergelegen landen als boden van de blijde boodschap.

Patrik stierf in het jaar 160.

De apostel van Schotland was Columha (f 507), een monnik uit Ierland, die naar dit land overstak, waar nog slechts hier en daar aan enkelen het Evangelie verkondigd was. Op het voorbeeld van Patrik stichtte ook Columba vele kloosters, onder welke dat op \'t eiland St. Jona het beroemdste was.

§ 27.

De Zending in Nederland.

Waar eens de zeemeeuw vloog, de roerdomp in het slijkerig nat zijn onheilspellend klaaggeschrei aanhief, daar had langzamerhand, door de vereenigde werking van de altijd bewegelijke zee, die voortdurend vruchtbaar slib aanbracht en de levenwekkende zonnewarmte, die planten en riet deed opgroeien in dat nog zeer in wording zijnde stukje grond, maar waarin zij toch eenige stevigheid vonden en waaraan zij steeds meerdere vastheid gaven, een tweetal eilanden zich gevormd; de zandige hoogten tusschen Rijn en Usel, de meer vlakke, maar ook meer vruchtbare landen tusschen Rijn en Waal. Hetzij om hun visschersbedrijf uit te oefenen, of wel om van deze onherbergzame oorden te gemakkelijker roof- en plundertochten te ondernemen, zetten weldra Germaansche stammen zicli hier neder. Misschien zagen zij verder, en verstonden, dat deze nu nog onbeduidende landen, eene schoonc toekomst tegemoet gingen.

-ocr page 178-

156

Iiniiiers aan du monding van vele der hoot\'dstrooineu van Zuidelijk en Westelijk Europa, Schelde, Maas, Rijn en Eeins zou over vele Europeesche belangen worden beschikt, en er was geene profetische gave toe noodig om te vermoeden, dat weldra machtige steden zich fier zouden verheffen, waar nu nog \'t riet ruischte en iedere springvloed ■\'t jonge land met ondergang bedreigde. Batavieren, Sueven, Bructeren, Kaninefaten, Saksen, Katten, Friezen treffen wij hier aan als de bewoners van ons vaderland in de eerste historische tijden. Doch zoowel de Batavieren, beroemd om hunne trouw, waarom de Eomeinen zelfs een bondgenootschap met hen niet beneden zich achtten, als de andere meer of min met hen verwante stammen, werden weldra overvleugeld eu onderworpen door het machtige, onafhankelijke volk der Friezen. Van Germaanschen stam, maar toch zeer verschillend van Got beu en Franken, die nauwelijks aan toestanden van barbaarschheid zich gingen ontworstelen, waren deze Friezen reeds langen tijd rustige bewoners van eigen bezittingen, en \'t nomadenleven lag verre achter hen. .Met tieren moed hadden zij gestreden tegen den Romeiuschen adelaar, en slechts zeer ter loops had een Romeinsch leger zich in \'t land der Friezen kunnen vertoonen.

Zuidelijk van dit krachtige volk woonden dc Franken, een volk met een groote toekomst, en sints Chlodwig (zie boven) gewonnen voor \'t christelijk, meer bepaald R.-Cath. geloof, in tegenstelling met de overige Duitsche stammen, die, zoover zij tot nog toe met \'t Christendom in aanraking waren gekomen, dit in den Ariaanschen vorm hadden ontvangen. Voor dit volk mogen wij dus, wanneer \'t zich op Zendingsgebied gaat bewegen, de hulp der pausen verwachten, en omgekeerd voor iedere zending met pauselijke sanctie de hulp van den koning der Franke]).

In \'t Oosten van \'t Friesche rijk waren de Saksen de machtigste, maar ook tegelijk de meest aan \'t voorvaderlijk heidendom gehechte en \'t langst daarmede verbonden Germaansche volksstam, en het is voorzeker niet buiten verband met den godsdienstigen toestand van Friesland, Saksen en Frankenland, dat de Friezen in de zesde eeuw zich van het verbond der Frankische stammen losmaakten, om gedurende de beide volgende eeuwen trouw met de Saksers verbonden te zijn.

Het was eerst in bet begin der 7de eeuw, dat de eerste spo-

-ocr page 179-

157

ren van \'t Cliristeiidom zich onder fle eigenlijke bewoners dezer gewesten gingen vertooneii. Wel weet de legende te verhalen van

O O O 1

eene prediking hier te lande door Petrus en door twee fabelachtige personen, Aegistus en Materna?, doeh er bestaat niet de minste grond om aan deze volksverhalen eenig geloof te hechten, terwijl de christelijke oudheden, te Nijmegen opgegraven, hoogstens bewijzen, dat onder de Romeinsche bezetting van Noviomaguui christenen geweest zijn. Zoowel Batavieren als Piiezen verzetten zich tegen den godsdienst van hunne politieke tegenstanders, en tegen iedere christelijke prediking van die zijde, niet alle macht.

Het kan ons dan ook niet verbazen, dat nadat de macht der Romeinen gebroken was, en de Franken, na den val van \'t West-Gothische rijk en de verovering van Bourgondië, meer en meer de natie bleken te zijn, die het keizerschap weer zou herstellen, de IViezen, tegen hen een afvverend-vijandelijke houding aannemende, ook weinig geneigd waren, de Zending van deze zijde tot hen komende, in hun land toe te laten, en dat de latere Zending der Angelsaksen, een stamverwant en niet door staatkundige verhoudingen van hen gescheiden volk, veel meer kansen had, die op overwinning deden hopen. Toch was er een bezwaar, dat het Christendom, ook van deze zijde komende, bij de Friezen in den weg stond. Zullen wij verstaan, hoe \'t Christendom, bij andere Germaansche Staten zoo gereedelijk ingang vindende, in onze gewesten een strijd van meer dan twee eeuwen te strijden had, dan moeten wij nu allereerst aan den grootsten hinderpaal : de groote gehechtheid dei-Friezen aan hunnen nationalen godsdienst, onze aandacht wijden. Wij stipten zooeven reeds aan, dat er een groot verschil bestond tusschen de Friezen en de overige Germaansche stammen, het verschil, dat bestaat tusschen hen, die nauwelijks aan \'t nomadenleven ontkomen zijn, en hen, die reeds sedert eeuwen vaste bezittingen hadden, erfrecht kendeu, door koningen geregeerd werden, die méér waren dan krijgsoversten, en aan de beginselen van beschaving sints lang niet vreemd waren. Gothen zoowel als Franken hadden te veel nu eens hier dan weer daar gewoond, te veel volken en godsdiensten gezien, om nog een bijzondere geestdrift te kennen voor den dienst der eigene goden; zij hadden geen plaatsen, gewijd door eerbiedige godsvereering van geslacht na geslacht; zij konden hunne kinderen niet brengen naar den eik of naar het meer, waar

ill i

Si

li

» ,

m

li

ill ■

11 Ém

i

Bi \'fdfa

f,

»1

-ocr page 180-

158

hunne grootvaders lieu zelf aau de hand hadden heiieugeleid, om te verhalen van de machtige goden en volkshelden, hier sedert eeuwen vereerd, om het kinderoog voor immer met godsdienstige vrceze te doen rusten op die plekken, waar voor \'t eerst de sehoone sagen des volks hun waren medegedeeld. De Friezen konden dit wel, en menig heilig woud was door hen bevolkt met de goden, die zij dienden; het heidendom was mot hun geheele volksbestaan sainengeweven, eu de voorvaderlijke gebruiken werden voor hen niet vaag en onbelijnd door do gedachte, dat ze uit verre, onbekende streken tot hen waren gekomen, maar zij stonden onder hen onbewegelijk eu vast, evenals de trotsche Wodans-eik zijn kruin ten hemel verhief.

Maar toch, ook die machtige eik zou vallen, en ook onder de Fi\'iezen zou het openbaar worden, dat het Kruis, waar het wordt gepredikt, volkeren wint, omdat het zielen tot vrede brengt, omdat alleen bij Golgotha\'s Kruis de parel van groote waarde gevonden wordt, die nergens elders te vinden is, maar waarnaar ieder menschenhart, ook dat van den heiden, uitgaat. Zoo zien wij dan den Zendingsarbeid door de Franken aanvangen, door de Angel-saksen voortzetten, tot eindelijk onder Karei den Groote het volle licht begint te schijnen.

Omstreeks 636 treffen wij iu de omstreken van Gent een Evangelieprediker aan, met name Am an dus. De uitslag van zijn arbeid was echter gering. In dezelfde streken werkte ook Bavo, evenals hij, uit het land der Franken naar de oevers der Schelde gekomen, doch ook hij zag weinig vruchten. De Friezen, die toen nog tot zelfs over Utrecht heerschappij voerden, waren te machtige en hardvochtige tegenstanders voor deze Frankische Evangelieboden. In 623 hadden deze voorvechters voor \'t heidendom. Utrecht op de Franken veroverd en de christen-gemeente aldaar, zoo deze er nl. al bestond, gelijk sommigen willen, zeker geheel vernietigd. Maar nu treedt Dayolert, de Frankische koning uit \'t geslacht der Merovingers, hun tegemoet, belet hun verder voortdringen en herovert Utrecht, waar hij in 631 een kapel sticht, gewijd aan den H. Thomas, en daardoor den grondslag legt voor het Christendom in ons vaderland.

Van meer invloed nog dan de stichting dezer kapel, was het werk van den vromen goudsmid fJigrm, die in \'t gevolg van, en

-ocr page 181-

] 59

zeer gesteund dooi\' Dagobert, van Vlaanderen uit, met ontzaclielijke toewijding en volharding, liet Evangelisatiewerk in deze landei: aanving en voortzette. Tusschen de jaren 641 en 658 wijdde hij zich aan zijn lieerlijke roeping, naar \'t scheen niet zoiuler vrucht. Maar noch hij, noch de Brit Livinus, die in dien zelfden tijd, in dezelfde streek optrad, vermocht ievs meer te verwekken dan een voorbijgaande belangstelling. Na hunnen dood verflauwt \'t nauwelijks ontstoken licht alras, en wederom zinken deze gewesten, te zeer aan \'t heidendom gehecht, in de vorige duisternis terug.

Niet van frankenland, maar van Engeland uit zou de Kerk van Christus in onze landen geplant worden. Maar het beschermen van den jongen boom bleef bewaard voor de Franken. Niet dezelfde is het, die plant en nat maakt, beide doen zij intusschen het werk des Heeren, en, zij \'t ook op andere wijze dan menschen denken en willen — het Koninkrijk Gods komt!

De oud-christelijke Kerk der Britten was meer en meer verdrongen door de meer pauselijk gezinde Kerk van den monnik Augustinus, die, gelijk wij ons herinneren, den Angelsaksen het Evangelie bracht. Maar nog altijd duurde de strijd tusschen de Britsche cn Angelsaksische Kerk voort. En het is niet buiten verband met dezen strijd, dat W\'ilfried, aartsbisschop van York (zie boven) als prediker van \'t Evangelie in Friesland optrad. Want toen hij na een gerezen geschil niet den koning uit zijn ambt was ontzet, trok de ijverige, maar onbuigzame man op weg naar Eome, om daar bij den paus, wiens rechten hij in Engeland immer had voorgestaan, reciit te zoeken. Door een schipbreuk op de Friesche kust geworpen, predikt hij in den winter van 677 en 678 met aanvankelijken zegen onder hen, zoodat vele aanzienlijken, duizenden uit het volk, ja zelfs koning A-dgild werden gedoopt. Doch in 678 ging hij naar Rome. Zijn werk bleef onverzorgd achter, en toen in het volgende jaar Radboud, de sterke kampvechter voor heidendom en Friesche vrijheid optrad, zegevierden opnieuw de heidensche goden en weder scheen het Kruis vergeten en vertreden.

Maar tegenover hem trad nu een andere macht iu Jt strijdperk Pepijn van Herestal — zijne belangen nauw verbonden gevoelende met die van \'t Christendom en in Radboud zijn natuurlijken tegenstander vindende, — helpt de zendelingen, die na Wilfried met pauselijke sanctie \'t land der Friezen gaan bezoeken, en staatkun-

-ocr page 182-

160

dige belangen, voor hein één met de belangen der christelijke Kerk van die dagen, doen liem zoowel de bestrijding van t heidendom door de Evangelieprediking steunen, als met het zwaard in de vuist den geduchten tegenstander van \'t Christendom bekampen. Zoo worden Egbert en Wighert, door hem gesteund. Zoo wordt vooral Willebrord de man, dien hij helpt, maar tegelijk ook als wegbereider voor zijne plannen gebruikt.

Egbert, een Angelsaksisch edelman, die zich op later leeftijd als monnik van de wereld had afgezonderd, om boete te doen voor de zonden zijner jeugd, meent een goddelijke roeping te ontvangen, om zijn klooster in Ierland te verlaten en den Iriezen te gaan prediken. Een storm, die hem terugslaat van de Eriesche kust, doet hem evenwel spoedig zijn plan opgeven, daar hij, bijgeloovig als hij is, hierin een bewijs ziet, zich vergist te hebben in zijne goddelijke roeping.

Grooter volharding toonde Wigbert, de lersche kluizenaar. Ook hij lijdt schipbreuk, doch, hierdoor niet afgeschrikt, onderneemt hij een nieuwen tocht en predikt twee jaren achtereen, van 68b—690, onder de Eriezen. Helaas! wederom scheen toewijding en inspanning verspild * in 690 sluit Hadboud zijn land voor t Jljvangelic en verdrijft Wigbert.

Intusscheu had Egbert zijn plan niet opgegeven. Lit zijn klooster zendt hij eenige jongeren als zendelingen onder Friezen en Saksen. Aan hun hoofd stond Willebrord. Reeds was hij doorgedrongen, gesteund door Pepijn, tot Utrecht, maar Radboud drijft hem terug in \'t zelfde jaar, waarin hij Wigbert verbande (690). In 691 onderneemt ook hij eene reis naar Rome, laat zich door den paus wijden en keert met een schat van reliquiën terug. Aanvankelijk predikt hij nu aan den Rijn, maar zijn doel, Friesland, verliest hij geen oogenblik uit het oog en nauwelijks is in den slag bij Duurstede (693) de macht van Radboud gebroken en trekken Pepijn\'s zegevierende legers Utrecht binnen, ot Willebrord haast zich naar Friesland. Met kracht wordt zijn arbeid nu door Pepijn gesteund, en toen hij, na een nieuwe reis naar Rome in 6t)6 van daar als aartsbisschop onder de Eriezen terugkeerde, wijst de machtige Pepijn hem Utrecht als tijdelijken bisschoppelijken zetel aan. Van daar uit werkt Willebrord met nooit verllauwenden ijver; overal sticht hij kerken. Ook op practisch gebied toont hij zich een vriend

-ocr page 183-

161

dos volks (\'t Willebvordsputje van Heiloo). Meer en meer wint hij \'t vertrouwen, en de zaden des Christendoms, met kwistige hand door hem gestrooid, vallen meer en meer in goede aarde en beginnen te ontkiemen. Op de pninhoopen der Thomaskapel te Utrecht verrees weldra de Dom aan St. Maarten gewijd (72(i).

Maar nog was de zaak van het Evangelie niet gewonnen, in 714 sterft Pepijn. Radboud leeft nog, en met inspanning van alle krachten, strijdt hij weder voor de taak zijns levens; handhaving van den heidenschen, voorvaderlijken godsdienst in \'t vrije Friesland.

In dezen tijd zien wij de Frankische zending, een tijdlang op den achtergrond gedrongen, zich weder bij de Angelsaksische aansluiten. Wulfran, de. Frank, acht zich geroepen, niet slechts den Friezen het Evangelie te brengen, doch zelfs Radboud te bekeeren. Gesteund door den hertog van Bourgoudië, die hem vergezelde, richt hij tot den machtigen koning \'t woord, onbeschroomd en onbevangen, en oen tijdlang hoort, de kampvechter van \'t heidendom hem rustig en niet. zonder belangstelling aan. Hij laat hem toe te prediken, ja toont zich ten slotte niet ongeneigd den doop te ondergaan. „Eén vraag slechts,quot; o priester! „Waar zijn do edelen en koningen der Friezen, mijn voorvaders?quot; En als Wulfran hem antwoordt dat, deze, als zonder \'t sacrament des doops gestorven, verloren waren in de hel, trekt de koning zich terug. „Liever mot mijne voorvaderen in Walhalla, dan niet vreemden in den hemel der christenen.quot; Niet lang daarna echter stierf Radboud, als heiden gelijk hij geleefd had, en met hem was dc krachtigste voorvechter aan \'t heidendom ontvallen.

Intusschcn bleef Willcbrord arbeiden. Tol 739 blijft hij doen, wat zijn hand vindt om te doen, en tcrccht noemt men hem den Apostel van Friesland; hem, en niet. Bonifac\'nis, een man, meer nog bekend en in menig opzicht van nog grooter beteekenis, maar wiens arbeid een andere was. Winfried, een Angelsaksisch edelman, later Bonifacius geheeten, in 710 op zijn dertigste jaar als priester geordend, is ongetwijfeld een groot man in de geschiedents van de uitbreiding van \'t Christendom. Zijn ideaal : hervorming en reorganiseering der Christenheid, heeft hij nagenoeg bereikt; het stichten van een Latijnsch Christendom in de Germaansch-heidensche Staten is hem gelukt. Hij is het, die door het afleggen van den eed van gehoorzaamheid aan den paus, door het in ver-

li

-ocr page 184-

163

band brengen van nieuwe gemeenten en nieuw gecbristianiseerde landen met den pauselijken stoel, door bet instellen in verscbillende landen van de bisscboppelijke ordening, de stichter mag worden genoemd van \'t pausdom der Middeleeuwen, voor zoover Duitscb-land aangaat. Dit scbijnt voor die dagen een noodzakelijkheid te zijn geweest: „de macbt on volle ontplooiing van beerlijkbcid der Kerk was noodig, om aan de volkeren do macbt on beerlijkbcid van \'t Evangelie zichtbaar voor oogon te stellen (So/i/m). Bonifacius was een kind van zijn tijd; bij begreep wat de noodige, tot nog toe ontbrekende schakel was om de Gonnaanscbo landen en t (christendom onverbrekelijk te verbinden. De toestand van onmondigheid moest door do Germaanscbe Kerk eerst doorleefd zijn, voor zij in de Reformatie zich in volle kracht en jeugdige frischhcid kon ver-tooneu. Niet uit staatkunde, niet met bij-oogmerken\', doch volkomen te goeder trouw, jaagde, de „Apostel der Duitschors , zooals Bonifacius ten deelo terecht genoemd wordt, zijn ideaal na, en het zou meer dan eenzijdig en oppervlakkig zijn, wanneer wij om de dwaling van zijn tijd, de verheerlijking van het pausdom, geen eerbied zouden hebben voor don man, die t licht dat hem geschonken was, met inspanning van alle krachten beeft gebruikt, om de heerlijkheid van bet Evangelie zoover mogelijk te doen erkennen.

Doch, dit alles bedenkende, blijkt het van zelf, dat Winfried (of Bonifacius) noch in ons vaderland, noch ergens elders in \'t gebied zijner ontzachelijk uitgestrekte werkzaamheid, allereerst ol allermeest als zendeling, veeleer als hervoriuer van bestaande toestanden, als samenvoeger van het tot nog toe alleen staande, in aanmerking komt. Met ons vaderland kwam bij driemalen in aanraking. Het eerst in 716. Hij moest toen Engeland ontvluchten en landde te Duurstede. Zijn plan oin naar Eriesland te gaan moest hij echter opgeven, en ook uit \'t Frankische deel van f riesland moest hij zich terugtrekken, daar Radboud het opnieuw overwon. Onverricb-terzako keert bij naar Engeland terug. De tweede maal treilen wij hein in deze gewesten aan na den dood van Radboud in 719. Hij blijft toen tot 722 arbeiden onder Willebrord. Maar zijn weg lag verder, en als aartsbisschop van Duitschland, zien wij hem dan t grootste deel zijns levens onder üuitsche volken arbeiden. Nog eens aan den avond zijns levens, in 755, keert hij in Friesland weer. Willebrord was reeds lang (739) gestorven. Radboud 11 was nu weer

-ocr page 185-

] 63

de ijverige voorstander van het heidendora. Slechts een oogenblik zou Bonifacius den Frieschen grond betreden. Bij Dokkum geland, zal hij het vormsel aan de nieuwgedoopten toedienen, als een bende heidensche Friezen op hem, die geen wederstand biedt, aanvalt en hem met de meeste zijner metgezellen wreedaardig vermoordt (755).

Zou het heidendom dan altijd in onze landen de banier des Kruises overwinnen ?

Wel was Willebrord gestorven en Bonifacius op Frieschen grond vermoord, doch deze zelfde Friesche bodem behoefde niet langer van elders arbeiders te ontvangen. Sints lang was er te Utrecht een christelijke Stiftschool, waar zendelingen gevormd werden. Van daar uit kwam nu een voortdurende, door \'t heidendom niet meer te stuiten, stroom van zegen aansnellen. Een Lébuivm, een Ludger, een Willehad, die. in Overijsel, \'t tegenwoordige Friesland en Groningen en in Drenthe arbeidden, predikten met bezieling het Evangelie, en waren tegelijk de gewenschte werktuigen in de hand van Karei de Groote, aan wien de taak gegeven was voor goed de macht van \'t heidendom te breken en \'t Christendom in onze gewesten te doen zegevieren. Friesland was weldra door hem onderworpen, maar verderop woonden de nog heidensche Saksen, die met hun onverschrokken aanvoerder Wittekind, telkens weer in Friesland binnendrongen, en gesteund door de nog heidensche Friezen, in het rijk der Franken trachtten binnen te dringen. Maar Karei de Groote, die tegelijk in \'t Zuiden de Longobarden, in \'t Oosten de Hunnen, in het Westen de Saracenen in toom houdt, is ook opgewassen tegen den vijand in \'t Noorden. Reeds was Wittekind minder gelukkig in den strijd. Daar, opeens, terwijl Ka-rel in \'t Zuiden strijd voert met de Mooren, steekt hij het hoofd weder op, dringt Friesland binnen en verwoest het Christendom te vuur en te zwaard. Doelt met reuzenschreden nadert de held van \'t Westen; hij verplettert Wittekind en zijn Saksers, hij lijft Friesland en Saksen voor goed bij Frankenland in (774) en met Friesland\'s onafhankelijkheid is ook voor goed de macht van ^t heidendom gebroken.

De Friezen, reeds lang vatbaar gemaakt voor den rijkdom van het Evangelie, en voor \'t grootste deel door de prediking voor het Christendom gewonnen, nemen weldra het Christendom aan.

Lang had de strijd geduurd, hevig was de kamp. Maar geen

-ocr page 186-

164

overwinning is zekerder dan die na zwarcn strijd behaald wordt. Friezen en Saksen, zij hadden met hand en tand aan \'t heidendom vastgehouden. Eindelijk overtuigd van de heerlijkheid van \'t Evangelie, was de belijdenis van den Christus voor hen geen onverschillig bezit. Met alle macht hielden zij vast, toen weldra de woeste benden der Noormannen plunderend deze gewesten teisterden, niet slechts aan hun vaderlandsliefde, maar ook aan hun christelijk beginsel. Het eens heidensche Nederland was een bolwerk voor het Christendom geworden.

Lang had de strijd geduurd en hevig was de kamp. Maar dat zoowel de Friezen als hunne naburen de Saksen christelijk leven in zich hebben opgenomen en niet, als zoo menig volk, gemakkelijk zijn overgegaan van een voorvaderlijken godsdienst, dien zij niet achtten, tot het Christendom, dat zij niet waardeerden, door een oppervlakkige belijdenis, dat toont de veertiende eeuw in Geert Groote, de zestiende in Maarten Luther.

§ 28.

De Zending in Duitschlaiul.

Oin dezelfde reden als bij de Friezen, was ook in Duitschland het Christendom in den aanvang met een weinig welwillend oog gadegeslagen. Want ook aan hen deed het zich voor als de godsdienst der vijanden. Immers de eerste kennis van het Evangelie kwam tot de Germanen door het kanaal der Romeinen. Maar weldra ontbrandde onder de lersche en Schotsche monniken een geloofsijver, die hen in grooten getale de zee deed oversteken om in Duitschland den Christus te prediken. Deze mannen — wij zagen hetzelfde verschijnsel bij de Friezen — hadden niet te kampen met de bezwaren van nationale veete. Voor een gedeelte waren zij ook met hen stamverwant en zoo vonden zij meer geopende ooren, meer toegekeerde harten dan de enkele Romeinen, die reeds vroeger onder de Germanen gearbeid hadden.

Een der eersten onder hen was Columhanus, een lersche monnik van het klooster Bankor, waar destijds drieduizend kloosterlingen zich bevonden. Met twaalf jongere monniken trok hij eerst

-ocr page 187-

165

naar Prankeuland; daarna arbeidde hij onder de Allemannen. Aan de oevers van het meer van Constanz vond hij de overblijfselen van een oud slot, Brcgentia genaamd, en daarnaast een kapel, die eens door christenen gebouwd, maar sedert lang weer door de hei-deneu in gebruik genomen was. Het slot richtte Columbanus in als woonhuis, eu van daar uit bracht hij den Allemannen de blijde boodschap van het Evangelie. Velen van de jongbekeerden vestigden zich in zijne nabijheid; zoo ontstond de stad Bregenz. Later trok Columbanus naar Italië, waar hij ook (615) gestorven is.

Een zijner metgezellen, Gallus genaamd, werd toen door ziekte verhinderd zijn meester naar Italië te volgen. Hij bleet\' dus in Zwitserland eu toen hij weer hersteld van zijn ziekbed opstond, vestigde hij zich niet ver van den Santis. Daar bouwde hij een hut. Maar weldra verrees op die plek een klooster, en daarna de stad, die nu nog naar den stichter St. Gallen heet. Gallus stierf in 640.

Sommige Evangelieboden trokken reeds verder Duitschland binnen. Fridolin (t 550) predikte in Zwaben en verkreeg den bijnaam : „Apostel der Allemannenquot;. Ruppert (f 628) stichtte de gemeenten Regensburg en Salzburg. K Ui aan waagde zich zelfs tot in het land der Thüringers aan de Main. Doch door eenc onhandige en onverstandige daad verspeelde hij zelt de vruchten van zijnen arbeid. Hij was nl. vriendelijk ontvangen door den Thüringer hertog Gosbert, die zijn zetel had te Würzburg. Ja zelfs liet deze zich onderrichten in de christelijke leer. Doch nu was deze Gosberl gehuwd met de weduwe zijns broeder-, eene verbintenis, door de Eoomsche kerkelijke wetgeving voor ongeoorloofd verklaard. Hoewel dit natuurlijk eene zaak is, waarvan eenen heidenschen vorst allerminst een verwijt kon gemaakt worden, meende Kiliaan Johannes den Doopcr te moeten nadoen. Hij sprak dus tot den hertog: „Het is niet geoorloold, dat gij de vrouw uws broeders hebt.quot; Hierdoor vestigde zich een wrok in het hart der hertogin, en eens ioen haar gemaal op reis was, liet zij Kiliaan dooden.

Doch, of ook al de verkondigers van het Evangelie menschen waren, en daarom ook op hunnen tijd dwaalden, toch zullen hunne namen met eere genoemd worden, want zij waren het, die het zaad van \'t Woord Gods hebben gezaaid. Langzaam en in \'t verborgen ontkiemde het. Toen verscheen in Duitschland de man,

-ocr page 188-

166

over wiens arbeid in het vorige hoofdstuk reeds gesproken werd, Win.fried, de Apostel der Duitschers.

Hij was afkomstig uit het Britsche stadje Kirton bij Plymouth, waar hij ongeveer in 680 het levenslicht aanschouwde. Hij was gesproten uit eene aanzienlijke familie. Zoo ontving hij dan ook den ridderlijken naam Winfried. De beteekenis van dien naam is: een held, die door strijd vrede verkrijgt of voor anderen verwerft. Wel werd de schoone beteekenis van zijnen naam aan quot;Winfried vervuld, en in veel heerlijker zin dan zijn vader bij zijn doop had gedacht. Hij zou een strijder worden voor Gods Koninkrijk en daardoor velen tot vrede brengen.

In het ouderlijke huis van Winfried heerschte een echt christelijke geest, die zich in geheel het huiselijk leven openbaarde. Dikwijls geschiedde het, dat vrome monniken bij zijnen vader kwamen, en met hem en de overige leden van \'t gezin handelden over heilige dingen. Zoo ontving het jeugdig gemoed van den knaap reeds spoedig indrukken van hooger leven, lieeds in zijn vijfde levensjaar sprak hij met ongewone bezieling en zekerheid den wensch uit, in een klooster te gaan en zijn leven geheel aan den dienst van God tc wijden. In den aanvang trachtte zijn vader, die een rijk man was en bij al zijn godsdienstigheid toch veel hechtte aan levensgenot, deze opkomende neiging bij zijnen zoon tc onderdrukken. Doch toen eene ernstige ziekte hem op het krankbed nederwierp, meende hij in die smartelijke uren in de stem van den knaap den wil Gods te vernemen, en, weer hersteld, bracht hij Winfried, die toen zeven jaren oud was, tot den beroemden abt Wolfard, die aan het hoofd stond van het klooster Exeter. Later ging Winfried in het door den abt Winbert bestuurde klooster Nuscelle over. In beide kloosters werd hij in alle kunsten en wetenschappen onderwezen, tot hij op zijn dertigste jaar tot priester gewijd werd, en dadelijk, op algemeen verlangen, als leeraar in de kloosterschool werd aangesteld. Toen rees in hem de gedachte op, die meer en meer veld won, om in navolging van zoovele zijner vrome landge-nooten, aan dc heidenen het Evangelie tc verkondigen. Winbert trachtte hem nog van zijn voornemen af te brengen, doch tegenover Winfried\'s machtige aandrift tot het Zendingswerk vermocht hij niets.

Hoe zijn eerste tocht naar Friesland ondernomen mislukte (716),

-ocr page 189-

167

zagen wij boven reeds. Twee jaren later echter begaf hij zich weer op reis, en wel allereerst naar Home. De paus ontving den moedigen kampvechter voor het geloot\' welwillend, overlaadde hem met eerbewijzen, en liet hem in de lente van het volgend jaar verder trekken. Hij sprak hem goeden moed in voor zijne onderneming, en gaf hem brieven van aanbeveling mede voor eenige üuitsche vorsten, die reeds het Christendom welgezind waren. Hij verzocht hun Winfried bij zijne plannen te willen ondersteunen en helpen. Vol moed ging deze nu de Alpen over en Duitschland in. Van toen af draagt hij den Latijnschen naam Bonifaeius, die „weldoenerquot; beteekent. Het is intusschen onzeker of hij dezen naam als eeretitel van den paus, of reeds vroeger bij zijne toewijding tot

priester, heeft ontvangen.

In Duitschland aangekomen, begaf Winfried zich allereerst naar Thüringen, dat toen ter tijd ook het tegenwoordige Hessen omvatte. Hij trof daar een eenvoudig, goedig volk aan, dat niet meer geheel onbekend was met het Christendom, en reeds naast zijne heidensche gebruiken ecnigc christelijke had aangenomen, het driejarig bezoek aan Friesland en Willebrord, na Radboud\'s dood (710—732, zie boven) keerde hij naar het hem dierbaar geworden Thüringen terug, en predikte hier met veel zegen het Evangelie. Doch het Christendom in die streken moest vastheid hebben, door zich te vereenigen om een vast punt. Zoo bouwde hij dan op een rots, bespoeld door het riviertje do Ohm, een klooster, het eerste dat op Duitschen bodem verrees, en hetwelk naar den naam, dien in die. dagen liet riviertje droeg, Amanaburg werd genoemd, de oorsprong van het tegenwoordige stadje Amoe-neburg.

Maar nog altijd stonden de nieuwgestichte christen-gemeenten van Thüringen te veel op zich zelve. De Kerkinrichting moest er nog op vaster leest worden geschoeid, en er moest meer samenhang zijn met de geheele Kerk. Zoo ging Winfried dan andermaal naar Rome, waar de paus een langdurig onderhoud met hem had, en hem tot bisschop van het Duitsche volk wijdde. Bij zijn terugkeer gat\' de paus hem brieven aan de Duitsche volkeren mede, waarin hij de bekeerden prees, de wankelmoedigen tot vast en krachtig geloof opwekte, en de nog onbekeerden aanspoorde het christelijk geloof aan te nemen. Van buitengemeen groot belang

i

I

l

lil

r

IfP

-ocr page 190-

168

was het voor den nieuwen bisschop der Duitsche Kerk, dat de paus een schrijven richtte aan den ÏVankischen hofmeier Karei Mar teil, die nu aan alle bisschoppen en ambtenaren in het rijk ecu door hem zelveu onderteekend decreet uitvaardigde ten gunste

O O

van Winfried.

Met nieuwen moed snelde deze nu terug naar zijne Thüringsche wouden. Op zijn reis daarheen kwam hij weder in Hessen, en toen hij daar nu (724) de vroeger bekeerde christenen opzocht, verhaalden deze hem, dat nog altijd de oude afgodendienst onder het volk bestond, en zelfs velen, vroeger tot het Christendom overgegaan, in het heidendom teruggevallen waren. Bij het dorp Geisinar toch, — zoo verhaalden zij, — stond nog altijd een ontzachelijk groote eik, aan den Dondergod gewijd, en geheel het volk had daarvoor een onbegrensdeu eerbied. Daar kwamen de heidenen nog samen voor hunne raadsvergaderingen en hunne offers, en zóó diep was de eerbied voor dezen boom in aller hart geworteld, dat reeds gedoopte christenen teruggekeerd waren tot die plek, hun van jongs aan dierbaar, en zich weer bij do offeraars hadden gevoegd. De boom gold echter voor onvernietigbaar en, naar de meening van het volk, zou de vreeselijkste wraak der goden den vermetele treffen, die het wagen zou, den eik met vijandige bedoeling te naderen.

Aanstonds besloot Winfried door eene krachtige daad een einde te maken aan dit wankelen tusschen heidendom en Christendom. Met verscheideneu zijner reisgenooten begaf hij zich. met een bijl gewapend, naar de aangewezen plek. Hij trof bij den boom eene talrijke schare aan, bezig op de oude wijze hun offerfeest te vieren. Met een oog, vlammend van toorn, trad Winfried in den kring en berispte hen over hun goddeloos gedrag. Met verwondering, gemengd met vreeze, hoorde de menigte den onverschrokken spreker aan. Nog slechts een oogenblik — zoo meenden allen — en de beleedigde god zou zijnen bliksem slingeren om den lasterenden vreemdeling te vellen. Doch onbevreesd, met hoog opgeheven bijl, trad Winfried op den boom toe en begon met forsche slagen hem te vellen, en toen zijne metgezellen hem machtig bijsprongen, zonk weldra de geweldige eik, in vier stukken gespleten, voor de oogen van het verbaasde volk, krakend neder. En toen geen bliksem van den hemel daalde, bogen die ruwe harten zich diep geroerd voor den alléén waren God. Hun geloof aan de voorvaderlijke

-ocr page 191-

169

goden was gebroken en gaarne uamen zij de leer des Evangelies aan. Van het hout van den gevallen eik bouwde Winfried eene kapel.

Van Hessen bcgat\' hij zich nu naar het eigenlijke Thüringen. Daar bouwde hij op den top van een schoon begroeiden berg de eerste kerk van dat land. Het was bij bet dorpje Altenberge in het hertogdom Gotha, dat zij verrees, en nog in hot begin van deze eeuw waren aldaar de bouwvallen van het vervallen kerkje te zien, terwijl nu een hooge steenen kandelaar de plaats, waar het stond, aanwijst.

De gezegende uitwerking van Winfried\'s prediking bracht vele christelijke mannen uit Engeland er toe, naar Duitschland te komen en in gemeenschappelijken arbeid met Winfried het Koninkrijk Gods uit te breiden. Zoo verlieten mannen en vrouwen hun vaderland, om Winfried in zijnen arbeid te steunen. Uit hen koos hij meestal de abten en abdissen der kloosters. En toen hij altijd krachtiger en met steeds meerderen zegen onder de Thüringers arbeidde eu zelfs zijne prediking uitstrekte tot de grenzen van het Saksische gebied, en daarbij overal christelijke kerken en kloosters stichtte, maakte de paus hem tot aartsbisschop (733) Op een derde reis naar Rome, 738—39, besprak Winfried met den paus den kerke-lijkcn regel, welken hij ouder tie Thüringers wilde invoeren en ontving hij ook een opdracht met betrekking tot de Beiersclie bisschoppen, die tot nog toe geweigerd hadden zich onder het oppergezag van Rome te plaatsen. Het is hem gelukt hierin verandering te brengen, eene zaak, waardoor hij den pauselijken stoel niet weinig aan zich heeft verplicht. In Duitschland stelde hij drie zijner metgezellen tot bisschoppen aan 1), over welke hij echter het oppertoezicht zich voorbehield. Zijn bisschopszetel was Mainz.

Had Winfried aldus eeu machtigen invloed op de Kerk ten Oosten van den Rijn, do Kerk ten Westen dezer rivier beheerschte hij door Synoden. Vooral na Karei MartelFs dood was zijn invloed in Frankenland groot. In 741 stierf deze. In 74:i werd in Au-strasië \'t Concilium Germanicum (Duitsch concilie) gehouden.

Doch was Winfried\'s werk steeds pauselijk-hierarchisch getint, dit neemt niet weg, dat hij met hart en ziel zich gaf aan de uit-

1) Te Erfurt, Wiirzburg, Buraburg.

-ocr page 192-

170

breiding van het Christendom. Nooit stelde hij zich tevreden met het feit, dat men zich doopen liet of voor het uitwendige overging tot het Christendom. Veeleer trachtte hij de bekeerden een helder inzicht te verschaffen in de christelijke waarheden, en hen te brengen tot een heiligen, onberispelijken wandel. Zoo bouwde hij voor hun geestelijk welzijn zijne kloosters. Daarom liet hij bij den doop der jonge christenen de geloofsbelijdenis, het Onze Vader en het afzweringsformulier opzeggen. Dit laatste was een in vragen en antwoorden vervatte gelofte, om in de toekomst met alle afgoderij te breken.

Een machtigen steun bij al dezen arbeid had Winfried in de trouw zijner metgezellen, die met de grootste toewijding hem aanhingen. Niet zoo begaafd als hij, maar toch evenals hij bezield door echt christelijken zin en oprechte vroomheid waren deze mannen ten allen tijde zijne trouwe makkers, die de dagen des gevaars, even goed als de dagen van voorspoed met hem deelden. De meest in het oogvallende figuur onder hen is Sturm.

Sturm was de zoon van eene aanzienlijke Beiersche familie en werd reeds in zijn jeugd ter opvoeding aan Winfried toevertrouwd. Dt-ze bracht zijnen pleegzoon in het klooster Fritzlar, waar hij tot den geestelijken stand werd opgeleid en ook later de priesterwijding ontving. Drie jaren lang was hij nu Winfried\'s onafscheidelijke metgezel. Toen ontwaakte in den jongeling eene begeerte, welke door Winfried werd aangemoedigd, om zich, evenals andere zendelingen vóór hem, in de eenzaamheid van het woud terug te trekken, en daar een klooster te stichten. Het te stichten klooster zou volgens Winfried\'s bedoeling slechts zulken opnemen, die zich aan een leven van onthouding wilden wijden. Waar het echter te stichten ? Sturm werd uitgezonden om er eene geschikte plek voor te zoeken, en getroffen door de lachende schoonheid van het Pulda-dal, besloot hij het daar te doen verrijzen. In 742 (of gelijk anderen willen 744) werd door Winfried zeiven de eerste steen gelegd en een kloosterregel opgesteld, strenger dan die van Benedictus. Het klooster werd naar de rivier, waarbij het gebouwd was, Ffihla genoemd. Het bleef de meest geliefde verblijfplaats van Winfried en geraakte onder de leiding van Sturm tot zulk een hoogen trap van bloei, dat eens liet aantal monniken vierduizend bedroeg, en gedurende den geheelen tijd der Middeleeuwen was het

-ocr page 193-

171

klooster Fulda een zeer geachte en ook zeer achtenswaardige zetel der wetenschap.

Intusschen begon Win fried\'s levensavond te dalen, maar ook nog in zijnen ouderdom was de eerwaardige grijsaard met inspanning van al zijne krachten werkzaam gebleven. Zijn schoon eii welbesteed leven zou niet roemloos eindigen. De geloofsheld zou zijne onwankelbare trouw met den dood bezegelen.

Op zijn laatste reis naar Friesland (755, zie boven) werd Winfried met de meeste zijner metgezellen bij Dokkum vermoord. Slechts weinigen ontkwamen aan het bloedbad. Weeklagend namen deze het lijk van den edelen vermoorde, en brachten het volgens zijn laatst verlangen naar Fulda. Eerst op den dertigsten dag na de ramp kwamen zij daar aan. Sedert rust zijn aardsch omhulsel in den Dom van Fulda, waar een schoon grafteeken zijn gebeente dekt. Maar het schoonste gedeukteeken, dat hem is gesticht, is het christelijk geloof van het üuitsche volk.

Van alle üuitsche stammen waren nu nog alleen de Saksen in de macht van het heidendom. Voor zoover zij met de Friezen in aanraking kwamen, zijn zij reeds besproken. Nu moet nog slechts in herinnering worden gebracht, hoe hun gebied zich uitstrekte van de Oostzee tot aan den Rijn, welks stroomgebied zij dikwijls plunderend overschreden, en hoe Karei de Grootc naar aanleiding van hunne invallen in het land der Friezen, den oorlog met hen begon, die van 772—803 voortduurde en eindigde met hunne volkoinene onderwerping. Hoewel Willehad en Ludger, in hunne latere levensjaren bisschoppen van Bremen en Munster, met ijver de zaak van het Christendom voorstonden, en ook schijnbaar de overwinning was behaald toen Wittekind in 785 zich liet doopen, was het toch een gedwongen en daardoor uiterlijke overgang tot het Christendom, welke door Karei den Groote werd bewerkt. De Saksers droegen weldra wel christelijke namen, maar de ontwikkeling van hun christelijk leven moest langzamerhand volgen. Eerst toen het hart erkende, dat de opgedrongen godsdienst de ware was, volgde die, en werd het reeds vroeger gechristianiseerde Saksen een land, dat de zegeningen van het Evangelie kende.

Aan het einde der achtste eeuw, beersebte het heidendom nog slechts onder de Noorsche volkeren en onder de Slavische volkeren van Oost-Europa.

-ocr page 194-

172

§ 29.

De vyaiideu des goloofs.

Terwijl in het Westen hel Christendom meer en meer veld won, gingen zware bezoekingen over de Kerk in hel Oosten. Wel is waar streed het Roineinsehe heidendom — tot nog toe de grootste vijand der christenen — nog slechts korten tijd en alleen in woord en geschrift tegen het Evangelie, sedert rechtspleging en hoogst gezag in handen waren gekomen van christen-keizers, maar nu dreigden van andere zijde gevaren. Tegen den woorden- en penne-strijd van het wegkwijnend Romeinsche heidendom, verhieven de leeraars der Kerk altijd weer hunne dikwijls welsprekende stem, terwijl zij valsche beschuldigingen afweerden en de zuiverheid van liet Evangelie in het licht stelden. De voortreffelijkste dezer verdedigers is Lactanüus (f 330), die eene „onderwijzing in goddelijke dingenquot; tot wederlegging der tegenstanders schreef, en om zijne klassieke, zuivere taal de christen-Cicero werd genoemd. Intusschen eindigde deze strijd tusschcn heidendom en Christendom spoedig, toen het lloineiusche heidendom zelf te quot;ronde lt;;inlt;j.

O o O

Maar daarentegen verhief zich in dezen tijd in Perzië eene vervolging tegen de christenen. Verschillende oorzaken hadden daartoe medegewerkt. De Perzen leefden in voortdurende vijandschap met de nu christelijke Romeinen, eu beschouwden daarom de christenen van hun land als geheime bondgenooten van hunnen vijand. Verder kende de Perzische godsdienst twee goden, eenquot; goeden en een\' boozen, en dewijl de Perzen daarom alle kwaad in het leven van den laatste lieten komen, beschuldigden zij de christenen van godslastering, omdat zij ook de rampen als leidingen Gods beschouwden. Eindelijk was de machtige priesterkaste der Magiërs vijandig gezind tegen de nieuwe leer, die dreigde hunnen invloed te vernietigen. Zoo wilde dan koning Sapores slechts tegen betaling van een zwaar hoofdgeld de christenen toestaan, om overeenkomstig hun geloot\' te leven. Tegenover deze onderdrukking sprak de bisschop Simeon het al te stoute woord : „Wij zijn knechten Gods, des Allerhoogsten, en achten ons niet gebonden door het onrechtvaardige bevel van eenen man, die evenals wij, niets dan een knecht Gods is.quot; Toen gebood de koning alle geestelijken ter

-ocr page 195-

173

dood te brengen en de kerken te verwoesten. Langzamerhand.eerst

O O

bedaarde de storm der vervolging en nam het getal der christenen weder toe. Maar daar liet de bisschop Ah dm een Perzisch heiligdom omver halen, waarin een heilig vuur als zinnebeeld van Or-muzd, den goeden god, onderhouden en vereerd werd. Toen hij uu veroordeeld werd den tempel weer te laten opbouwen, antwoordde hij, nooit een huis aan afgodendienst gewijd, te zullen stichten. Hierdoor werd de haat tegen de christenen opnieuw wakker bij de Perzen. De bisschop moest zijnen ijver met den dood boeten, en velen deelden zijn lot. Doch nu werd de vijandschap door eene schoone, edelmoedige daad verzoend en de vervolging tot staan gebracht. De Romeinsche legers hadden zevenduizend krijgsgevangen Perzen naar Klein-Azië gebracht. Deze werden daar streng bewaakt en leden aan alles gebrek. De bisschop Akazim, die dit aanzag, kon dit schouwspel niet verdragen, en zijne geestelijken om zich verzamelende, sprak hij hen aldus aan: „Onze God is de algenoeg-zame, en heeft geene behoefte aan gouden en zilveren vaten. De Kerk is door de liefde barer kinderen rijk aan zulke kleinodiën. Welnu, laten wij deze gebruiken om de ongelukkigen los te koo-pen.quot; Toen dit voorval aan den koning der Perzen bekend werd, werd hij zachter jegens de christenen gestemd. Ook vreesde hij hen niet langer, naarmate het Romeinsche rijk verviel en de Kerk van het Oosten door innerlijke scheuring eene bespotting werd voor hare vijanden, die zich over dit schouwspel verheugden.

Slechts nog éénmaal en nog maar voorbijgaand, werden de Perzen de schrik der christenen, toen de veroveraar Chosroës in 614 Jeruzalem innam en de kerken dezer stad schond of verwoestte. Doch deze overmoedige werd door de Oost-Romeinsche keizers, tot wier gebied Palestina behoorde, spoedig weder overwonnen.

In Arabic bestond ongeveer in het midden der zesde eeuw eene zelfstandige christelijke Staat, het land Neckchran. Veel had deze te. lijden vau den Arabiscben vorst Dhu-Novas, die eerst christen geweest, daarna Jood was geworden en nu de christenen vervolgde, zoover zijn scepter reikte. Doch nadat reeds bij de twintigduizend christenen den marteldood hadden ondergaan, kwamen de christelijke Abessyniërs naar Arabic over en overwonnen den geweldenaar.

Lang zou de rust evenwel niet duren. Juist in Arabic pakte

-ocr page 196-

174

zich een vreeselijk onweder samen, dat weldra met verwoestende kracht over de Oostersche Kerk zou losbarsten.

Tot nog toe hadden de bewoners van het groote Arabische schiereiland aan de sterren en de geheime krachten der natuur goddelijke eer bewezen. Goed en kwaad waren in den aard van het volk op zeldzame wijze dooreengeinengd. Eene levendige fan-taisie en eene aangeboren neiging tot fanatisme waren bij hen verborgen onder \'t kleed van afgemeten kalmte, terwijl aan de andere zijde dit volk door edelmoedigheid, gastvrijheid en aartsvaderlijken eenvoud voordeelig afstak bij de andere heidensche volken. Het was alsof onder hen nog eene flauwe afschaduwing van den geest en den zegen Abrahams was te bespeuren, die door Ismaël ook van dit volk de stamvader was. Daar trad plotseling (611), de vroegere koopman Mohammed op, die zich zeiven in trotschen overmoed als den hoogsten profeet Gods, en zijne leer als den hem door God ge-openbaarden weg ter zaligheid aanprees. Op zijne reizen had hij eene; oppervlakkige kennis verworven van de Heilige Schrift, maar in zijn ijdel en onboetvaardig hart geen ware kennis van de goddelijke evenmin als van de menschelijke natuur ontvangen. Eenige Bijbelsche waarheden, eenige geschiedenissen des Bijbels nam hij over. Menigmaal verminkte hij ze echter en voegde er zijne eigene, vaak dwaze, beschouwingen aan toe, die hij misschien in trotschen waan voor goddelijke ingevingen hield, of anders met listige berekening verzon en voor goddelijke openbaring uitgaf. Zoo ontstond die leer, welker kern en voornaamste dogma neergelegd is in het woord ; „Er is maar één God en Mohammed zijn profeet/\' Wel wordt ook Jezus een — zij het ook mensehelijk — profeet genoemd, maar inderdaad wordt Hij geheel terzijde gedrongen. Met stalen voorhoofd verklaarde Mohammed alles voor leugen, wat door de Apostelen omtrent Christus verkondigd is. De God van Mohammed is wel een groot en machtig wezen, maar hij is niet de genadige, levende God. Genade kent Mohammed in het geheel niet. Immers, daar hem de macht en het wezen der zonde onbekend zijn, zoo meent hij ook de verlossing niet noodig te hebben en leert, dat, door vasten en aalmoezen en dergelijke uiterlijke deugden, de zaligheid verdiend wordt. De zaligheid zelve draagt een zeer aardsch karakter en belooft genietingen, zooals de weelderige, wellustige Oosterling ze zich maar wenschen kan. Bovendien verkondigde

-ocr page 197-

175

Mohammed nog de versteenende leer van een onvermijdelijk noodlot, dat niemand kan ontgaan en waarin geen verandering kan worden gebracht. Hij is verstandig genoeg geweest zich zeiven geen wonderkracht toe te schrijven; wel worden wonderen verhaald, die aan hem zouden geschied zijn. Zoo verhaalt men, dat hij eens als vluchteling in een spelonk zich verborgen had en onmiddellijk daarop een spin zulk een groot web voor den ingang gesponnen had, dat zijne vervolgers het onmogelijk achtten, dat in dit hol zich een mensch kon hebben verborgen en daarom hunne vervolging hadden voortgezet. Hoeveel heerlijker verschijnt daarnaast het beeld van Hem, die eens van eene steilte zou worden afgeworpen, maar vol majesteit door de menigte henenging, zonder dat één hand liet waagde Hem aan te raken! (Luc. 4 : 30.)

Als eene leer, die de zinnen streelde en aan oppervlakkige gemoederen schijnbare bevrediging schonk, verbreidde de leer van Mohammed zich snel onder zijn volk. Wel moest eens, in 632, de nieuwe profeet door een\' haastige vlucht zich onttrekken aan de woede zijner eigen stamgenooten, maar weldra wist hij zich toch op te werpen als heerscher over zijn volk en predikte nu den oorlog tegen allen, die zich aan zijne leer en heerschappij niet zouden onderwerpen. Zijne soldaten wist hij, door onbeteugelde zucht naar buit in hen aan te wakkeren en hemelzaligheid hun voor te spiegelen, in zulk een geestdrift te doen ontvlammen, dat een ontzaeh-lijke beweging onder de volkeren ontstond, die na zijnen dood (632) nog eeuwen voortduurde. De stroom dezer beweging splitste zich in twee geweldige armen. De ééne daarvan overstroomde het Oosten, en ontrukte, aan \'t zwakke Grieksehe rijk de ééne provincie voor, de andere na. De tweede liep naar \'t Westen, overstroomde het Noorden van Airika, en breidde zich uit tot in Spanje, waar \'t Mohammedanisme zich in \'t Zuiden vestigde, terwijl de christelijke bevolking de wijk nam naar het Noorden. Hadden beide stroomingen ongehinderd hunnen loop .kunnen voortzetten, dan zouden zij in het hart van Europa, in Duitschland elkander hebben ontmoet, en zou de standaard met de halve maan in ons werelddeel geplant zijn. Doch aan het voortdringen van \'t Westelijk leger werd paal en perk gesteld door de roemrijke, overwinning door Karei Martelt in den slag bij Tours (732) op de Mooren bevochten; de Mohammedanen van het Oosten werden nu eens door innerlijke tweespalt.

-ocr page 198-

176

dan weer door vreemde legers, die in hun eigen gebied drongen — in den tijd der Kruistochten — te veel beziggehouden, dan dat zij langer de christenheid van \'t eigenlijk Europa hadden kunnen bedreigen. De Oostersche Kerk echter had sedert lang, tegelijk met het ware Evangelie, hare eerste liefde verloren, was versteend in menschelijke inzettingen en doode vormen, en verscheurd door kleingeestige twisten. Nu werd aan haar het profetische woord uit de Openbaring van .Johannes vervuld: „Ik zal haastelijk tot u komen, en zal uwen kandelaar van zijne plaats weren, indien gij u niet bekeertquot; (Openb. 2 : 5). Ja, haar kandelaar werd omge-stooten, want \'t licht dat er op brandde, was uitgegaan. Tegenover hen, die haar belaagden, vermocht zij geen geloofsmoed, die achting afdwong, over te stellen en zoo werd zij tot eene bespotting en voetwisch voor hare vijanden. Toch heeft zij onder allen smaad den christennaain bewaard en het is mogelijk, dat ook zij nog weder door Hem versterkt wordt, die ook de rookende vlaswiek tot eene heldere vlam kan aanblazen.

De leer van Mohammed — de Islam — is bijna alleen door het zwaard verbreid, en is nergens in staat geweest het leven te reinigen of te heiligen. Op maatschappelijk gebied is hier en daar aan al te groote misbruiken paal en perk gesteld. Zoo is het onbeperkt aantal vrouwen, die een man bezitten mag, op vier teruggebracht. Doch werden zonden eenigszins gebreideld, zij werden niet tegengegaan met kracht van overtuiging. Zoo is dan ook tot heden aan alle Mohammedaansche volkeren ware beschaving en ontwikkeling vreemd gebleven, en in hun optreden tegen andersdenkenden zijn zij ten allen tijde trotsch en onrechtvaardig geweest. Over Mohammed zelf wordt verschillend geoordeeld; zeker is het, dat zijn voorspoed hem zedelijk heeft bedorven en met betrekking tot het Evangelie is hij in ieder geval een leugenprofeet te achten.

§ 30.

De Hierarchie.

Naarmate de strijd ernstiger was, welken de Kerk in die dagen zoowel tegen de macht van vijanden buiten haar, als tegen de ruw-

-ocr page 199-

177

heid van hen, die pas tot haar waren toegetreden, te voeren had, naar die mate moest de toenemende ontrouw en wereldsgezindheid van een groot gedeelte harer herders des te dieper worden betreurd. Sedert de dagen toch van Constantijn en zijne opvolgers, die met kwistige hand aan de geestelijken macht, eer en rijkdom hadden geschonken, kon het wel niet anders of velen kozen slechts uit begeerte naar die goederen, het geestelijke ambt, of bezweken latei-in de verzoeking, al hadden zij aanvankelijk niet hun eigen voordeel gezocht. Deze wereldsche gezindheid der geestelijken trad te scherper aan het licht, waar zij zich streng afzonderden van de wereld —- zij verstonden daaronder intusschen de leeken — en deze afscheiding door allerlei teekenen duidelijk in het oog deden vallen, teekenen, die aanvankelijk slechts onschuldige uiterlijke vormen waren, doch langzamerhand een valstrik werden voor den geestelijken hoogmoed.

Vroeger was liet dc gewoonte geweest, dat lijfeigenen en boetelingen met geschoren hoofd liepen. Nu werd een beschoren kruin

— de Tonsuur — een kenteeken van den priesterstand, en moest te kennen geven, dat de priester met lichaam en ziel den Heer toebehoorde en in voortdurende boete zijne dagen doorbracht. Ook werd aan dc priesterwijding een bijzondere luister bijgezet en werd het voorgesteld, alsof de gewijde daardoor voor altijd afscheid nam van de wereld en daardoor tegelijk eene voortdurende heiligheid

— het z. g. „onverliesbare karakterquot; — aannam. Dc ongehuwde staat der geestelijken — waarvoor in tijden van vervolging dikwijls veel te zeggen was — werd nu vooral in het Westen door de publieke opinie steeds dringender geëischt, in eenige streken zelfs door het kerkrecht geboden. De grond daarvoor was de verkeerde beschouwing, als zoude een priester buiten alle wereldsche verhoudingen moeten staan, waarbij men vergat, dat juist door het Evangelie alle wereldsche dingen geheiligd en gewijd worden en aan het rijk Gods dienstbaar worden gemaakt.

Zoolang de Kerk slechts rijk in God geweest was, hadden hare dienaren zich slechts als bewaarders van Gods geheimenissen (1 Cor. 4 : 1) beschouwd. Maar toen zij veel aardsche goederen had verworven en allerlei vormen en instellingen in het leven had geroepen, stelde zij in de afzonderlijke gemeenten ook schrijvers en andere lagere beambten aan, die intusschen niet tot den geestelijken stand

u

-ocr page 200-

178

«erekend werden. De diakenen waren reeds lang van nederige arm-verzorgers priesters geworden. Ook hield men zien niet meer aan liet zevental, maar had dit veranderd in het getal, dat telkens door de behoefte sreëischt werd. Het schoone werk der ameiiverpleegsters — diaconessen — geraakte geheel in vergetelheid. Aan het diaconaat nl. konden zich niet langer vronwen wijden, sedert het tot het priesterambt gerekend werd. De aanstelling der geestelijken hing voornamelijk van den bisschop af. In de Gennaansche christenheid benoemde ook de koning de geestelijke ambtsdragers en schonk deze ambten niet zelden weg aan zijne gunstelingen en krijgslieden, om hun daardoor een aanzienlijk inkomen of eenen rustigen ouden dag te bezorgen. Dat het A.postolische voorschritt; „een opziener moet zijn onberispelijk, bekwaam om te leeren,quot; hierbij veelal niet werd gehoorzaamd, behoeft geen nader betoog. Zij echter, die langs den geordenden weg zich tot den geestelijken stand voorbereidden, ontvingen hunne vorming meestal in een klooster of in de onmiddellijke omgeving van een geacht priester, door wien zij onderwezen en voor hunne toekomstige, roeping werden opgeleid. In het Oosten bestonden een tijdlang afzonderlijke theologische scholen; zóó de school van Alexandrië, welke reeds vroegtijdig tot bloei kwam, doch later door den roem van die te Antiochië in de schaduw gesteld werd.

Hoe talrijker en meer dreigend de gevaren werden, welke den priesterstand bedreigden, met des te grooter ijver spande de Kerk zich in, deze gevaren af te weren. Hiervan gal zij blijk door de talrijke wetten, welke bisschoppen en Synoden uitvaardigden, om het indringen van onwaardige personen en verkeerde praktijken in het geestelijk ambt tegen te gaan. Daar vooral het huiselijk leven der priesters door het meer en meer veld winnen van den ongehuw-den staat bedreigd werd, gaf de Frankische abt Chrodegcmg (760) aan de priesters van zijn district een\' met de kloosterregels verwanten regel voor hun dagclijksch leven. Volgens dezen moesven allo \'priesters van dezelfde kerk in een eigen huis — Stift of Munster — bij elkander wonen, en in gemeenschappelijke godsdienstoefeningen gedeelten der Heilige Schrift lezen, capitula genaamd. Van daar dat deze priestervereenigingen weldra zelve kapittels genoemd werden. In het algemeen moesten zij aan eene vaste huisorde onderworpen zijn. Deze regel van Chrodegang werd in 816 binnen de grenzen

-ocr page 201-

179

van het Frankische rijk tot algemeen geldende wet verheven. In-tusschen kon door al zulke uiterlijke dingen het bederf uit den geestelijken stand niet worden geweerd, toen eenmaal een ongeestelijke geest er begon te heerschen.

a

1

1

ill ■

IfP

irt

111« riiiii

oil™, lil

1

pi ii

■ I |

11 f

In overeenstemming met het streven en de behoefte van den tijd, werd eene nauwkeurige opeenvolgiug der verschillende geestelijke waardigheden vastgesteld (Hierarchie). De bisschop was niet langer alleen de herder van eene enkele gemeente, maar het invloedrijke hoofd van een groote diocese, welke hij nu en dan bezocht om kennis te nemen van bestaande toestanden of door zijne bevelen daarin wijziging te brengen. Om hem te ondersteunen bij zijne altijd aangroeiende bezigheden omringde hij zich door een raad van geestelijken, — het Domkapittel genaamd — en stelde zelf archi-dia-kenen en aarts-priesters aan, om hem te vervangen in de afzonderlijke gemeenten van zijn kerspel. De kerk van den bisschop werd door den naam Bom,- 1) of Kathedraalkerk — dat is kerk van den bisschopszetel — van de andere kerken onderscheiden. De bisschoppen van een landstreek waren zelf weer geplaatst onder eenen aartsbisschop of Metropolitaan; een wit priesterkleed — het Pallium — was en is nog het teeken der aartsbisschoppelijke waardigheid. Zoo was Bonifacius, en na hein degeen, die als zijn opvolger den aarts-bisschoppelijken zetel van Mainz bezette, de hoogste kerkvorst van Duitschland. Onder de bisschoppen werd aan die van Jeruzalem, Alexandrië, Antiochië, Rome en Constantinopel een zekere voorrang met den titel Patriarch of aartsvader toegekend, om de groote be-teekenis welke die plaatsen en de daar gevestigde gemeenten voor de Kerk hadden. Groote vraagstukken, door den tijd in \'t leven geroepen en de Kerk betreffende, werden behandeld op Oecumenische Conciliën of algemeene Kerkvergaderingen, welke in hoogste ressort uitspraak deden. Al de Kerkvergaderingen van dezen tijd zijn binnen de grenzen van \'t Romeinsche — later Oost-Roraeinsche — rijk gehouden. Zij werden bijeengeroepen door den keizer, en door een man, die daarvoor de aangewezen persoon bleek te zijn, geleid. De beraadslagingen werden door schrijvers opgeteekend. De besluiten door meerderheid van stemmen verkregen, werden door alle bis-

Is

1) D. 0. M. ziju de beginletters van de formule „Deo optimo maximo.quot; Zij werden op een voltooide kerk ingegrift, om haar den „alleen volmaakten en grooten Godquot; toe te wijden.

-ocr page 202-

181)

schoppen onderteek end en den keizer aangeboden, opdat die\' er uitvoering aan zou geven. Stemgerechtigd waren over het algemeen slechts de bisschoppen. Toch werd ook nu en dan aan anderen, tengevolge van een bijzondere opdracht, of aan mannen van groot vertrouwen het stemrecht gegeven. Deze vergaderingen zelve droegen een godsdienstig karakter. De H. Schrift lag opengeslagen optafel. Behalve deze algemeene Conciliën werden ook talrijke Synoden in in de afzonderlijke landen en in \'t bisschoppelijk rechtsgebied gehouden. üit de besluiten dezer vergaderingen en uit de verordeningen van geachte bisschoppen ontwikkelde zich langzamerhand een volledig kerkrecht, dat door bekwame mannen bijeengebracht en bewerkt werd. De belangrijkste van deze geschriften op het gebied van het kerkrecht is de wettenverzameling van bisschop Isit/orus van Sevilla (6ÜÜ).

Reeds in vroeger dagen had de wereld den bisschoppelijken stoel van Rome beschouwd als door God met bijzondere majesteit bekleed; nu in de volgende eeuwen sloot de geheele christenheid van het Westen zich aaneen, in de eerbiedige vereering van den Roomschen bisschop, als hoogste gebieder der Kerk. Sedert de zesde eeuw werd deze uitsluitend paus genaamd, welke naam „vaderquot; beteekent, en vroeger aan alle bisschoppen werd gegeven. Deze ontwikkeling van de pauselijke macht berustte — afgezien van de reeds vroeger vermelde oorzaken — op verschillende omstandigheden. Eensdeels werd in de christelijke wereld meer en meer \'t bewustzijn levendig, dat, slechts indien de hoogste macht in de Kerk bij één hoofd berustte, zij bewaard kon worden voor de scheiding en verdeeldheid, die in het staatkundig leven van dezen tijd het levensgeluk der volkeren verwoestte. Zoo sprak een keizerlijk decreet het eens openlijk uit, dat er slechts dan vrede in de Kerk zou heerschen, als men overal een hoogsten gebieder — den bisschop van Rome — gehoorzaamde. Aan de andere zijde moet niet worden voorbijgezien, dat de bisschoppen van Rome te midden van allen strijd en alle beroering een zeldzaam helderen blik op de zaken toonden te hebben, en eene zedelijke grootheid openbaarden, die zoo mogelijk de achting en eerbied nog vermeerderden, welke men vroeger reeds gewoon was huu toe te dragen. Daarbij kwam nog, dat door den overgang van de koninklijke waardigheid van het Frankische rijk op het huis van Pepijn — waarover later uitvoe-

-ocr page 203-

181

i\'iger — de paus een geheel éénigen invloed verkreeg in de Kerk vau \'t machtige Frankische rijk eu tegelijk onafhankelijk vorst werd van een eigen land. Door dit alles kregen de pausen hooge gedachte van hun ambt, wat hen somtijds tot edele daden dreef, doch ook gemakkelijk kon ontaarden in hoogmoed en ijdelheid. In dit bewustzijn van macht verklaarde reeds paus Innocentius 1 (402-— 416), dat op den geheelen aardbodem niets mocht beslist worden buiten den Koomschen stool om, dat vooral in zaken des geloofs alle bisschoppen zich tot den heiligen Petrus te wenden hadden. Evenwel behield de Kerk nog lang het bewustzijn, dat ook door de uitmuntendste kerkleeraars vrijmoedig werd uitgesproken, dat de paus wel de hoogste bestuurder, doch volstrekt niet de hoogste wetgever der Kerk was. „Wanneer cene laatste uitspraak moet worden gedaan, staat de Kerk in haar geheel boven Eome. Alle bisschoppen hebben een gelijk priesterschap, allen zijn opvolgers der Apostelen.quot; (Hieronym us.) — „T)e sleutelen.des hemels zijn niet aan een afzonderlijk mcnsch, doch aan de Kerk in haar geheel geschonken.quot; (Augustinus.) De verhouding van het Oosten is nooit innig geworden. De christenheid was aldaar te veel verdeeld, stond ook iu christelijke ontwikkeling te ver bij het Westen achter, dan dat eeu hechte band tusschen beide mogelijk zou zijn geweest. Zoo heeft het Oosten nu eens het pauselijk gezag erkend, dan weer verworpen. In 554 veroverden de legers van den Oost-Romeinschen keizer Italië, dat, sints den ondergang van het West-Romeinsche rijk (476), door Germaansche stammen beheerscht werd. Do Grieksche keizers beschouwden zich nu van dit oogenblik als herstellers van het oude Romeinsche rijk, en beproefden zich als beschermers of somtijds als behecrschers der pausen te doen gelden. Doch te minder gelukte hun dit, daar reeds na korten tijd dooide Lougobarden, die het rijk binnenvielen, hunne macht in Italië bijkans geheel gebroken werd (568). Hoe meer de stad Rome onder deze gedurige verandering van volkeren en heerschers te lijden had, des te minder was het mogelijk do keuzo van den paus aan vaste wetten te binden. Wel werd als beginsel vastgehouden, flat de bisschop van Rome door zijne gemeente gekozen werd. Doch indien tijdens deze verkiezing een machtig vorst te Rome heerschappij voerde, oefende hij van zelf grooten invloed uit op de vervulling van do ledige plaats op den pauselijken stoel.

-ocr page 204-

183

Een der belangrijkste pausen van dien tijd was Leo I (440— 461)^ bijgenaamd de Groote. Met helderen blik overzag hij de behoeften en bewegingen van zijnen tijd, en wist op het juiste oogenblik zijn veelbeteekenend woord te spreken en daardoor de weegschaal te doen overslaan. Ook hij achtte zich geroepen als opvolger van Petrus, het opperbestuur over de geheele Kerk te voeren, maar toch noemde hij de overige bisschoppen zijne medehelpers en ambtgenooten. Ook in de wereldlijke zaken van zijne eeuw greep soms zijne hand krachtig in. In 452 trok Attïla, de koning der Hunnen, door zijne tijdgenooten niet zonder reden „de geesel Godsquot; genaamd, tegen het weerlooze Eome op, dat nu aan eene volkomeue vernietiging scheen te zullen worden prijsgegeven. Toen ging Leo in volledig priestergewaad den tot nog toe onover-winnelijken veroveraar tegemoet, en hield een langdurige samenspraak met hem. Wat van dit gesprek ook de inhoud moge geweest zijn — Attila keerde plotseling om, en Rome was gered.

Op het eind van de volgende eeuw zat Gregorius I (590— 604), door de geschiedenis insgelijks de Groote genaamd, op den pauselijken stoel. Hij was uit een aanzienlijk geslacht gesproten. Toen hij volwassen was, maakte hij zijns vaders paleis tot een klooster, terwijl hij zijne monniken en zich zeiven onder strenge tucht hield. Hij was voor zieken en armen als een vader, en een voortreffelijke toevlucht voor ieder die in nood was. Lijfeigenschap verklaarde hij voor onverdedigbaar, ja in strijd met het Evangelie. Toen hij reeds paus was predikte hij dikwijls en spoorde de geestelijken aan, ijverig te zijn in de verkondiging van het Evangelie. Ook als schrijver heeft hij aan de Kerk groote diensten bewezen. Hoe hij den weg geopend heeft voor de bekeering der Angelsaksen, is vroeger reeds behandeld. Ootmoed en eerzucht waren op zonderlinge wijze bij hem in één persoon vereenigd, gelijk uit het volgende kan blijken. Tusschen Gregorins en den patriarch Johannes van Constantinopel was een zeer weinig Apostolische rangstrijd ontstaan. Geen van beiden wilde de meerderheid des anderen erkennen. Toen nu de Byzantijnsche patriarch zich den aanmatigenden titel van oecumenischen of algemeenen bisschop toeeigende, werd ook aan Gregorius door eenige vrienden dezelfde eer bewezen. Doch hij, hoewel hij bleef staan op de rechten van den Rüomscheii stoel als de hoogste macht in de Kerk, wilde toch van

-ocr page 205-

183

dien titel niets weten en noemde zicli tegenover zijnen trotschen tegenstander, een knecht der knechten van Christus.

Ter wille van hunne verhouding tot het Frankische rijk mce-ten hier nog Zacharias (741—752) en Slephanws II (752—75?) genoemd worden.

Reeds meer dan honderd jaren lang hadden de voorvaderen van Pepijn, bijgenaamd de Korte, onder den titel van „hofmeierquot; het bestuur van het Frankische rijk in handen gehad, en het was den Franken tot voordeel geweest, zoodat zij zich gaarne in dien staatkundigen staat van zaken geschikt hadden. De koningen toch uit den stam van Chlodwig, de Merovingers, waren te onbeduidend, dan dat zij niet gaarne het geheele bewind aan deze machtige eerste dienaren hadden overgelaten. Toen besloot Pepijn met één kloeken greep de koningskroon op eigen hoofd te plaatsen, eene daad, in die dagen vergefelijker dan later, wijl de erfopvolging va7i de regeerende vorstenhuizen nog niet op vaste grondslagen rustte. Deze daad en zijne gansche regeering wilde Pepijn door eene pauselijke goedkeuring geheiligd zien. Daartoe zond hij een schitterend gezantschap naar den paus Zacharias, met de vraag: „Is het billijk, dat de één den naam van koning draagt in een rijk, terwijl een ander het bewind in handen heeft?quot; De paus, die juist in dien tijd zeer benauwd werd door de Longobarden, tegen welke de zwakke Grieksche keizers, hoewel zij zich zijne heeren noemden, hem geene bescherming verleenden, kon het niet anders dan als zeer gewenscht beschouwen, den machtigen Pepijn tot zijn vriend te maken en gaf dus aan zijn gezantschap ten antwoord: „Die het bewind in handen heeft, moet ook koning heeten.quot; Pepijn plaatste nu den zwakken Childerik den Derde in een klooster, werd zelf door de Franken eenparig als koning erkend, en bleef den paus voor zijne hulp zijn geheele leven ten zeerste verplicht.

Intusschen was Zacharias gestorven en Stephanus volgde hem oj). Over de Longobarden heerschte toen de overmoedige en oorlogzuchtige Aistulf. Deze begon een strijd met den paus, nam eenige steden, die tot het gebied van Rome behoorden, en bedreigde eindelijk Rome zelf. Te vergeefs wendde Stefan us zich tot Constanti-nopel om hulp. Toen vluchtte hij naar het rijk van Pepijn. Onmiddellijk nam deze de wapenen op, overwon de Longobarden in verschillende veldslagen, en schonk aan den paus een groote

-ocr page 206-

184

streek lands, welke de koning der Longobarden had moeten prijs geven. Daaruit is langzamerhand de Kerkelijke Staat ontstaan.

Hoog in aanzien bij de Christenheid, minder afhankelijk van wereldsche invloeden door de van nu af met de geestelijke verbonden wereldlijke macht, was het pausdom voortaan de machtigste steunpilaar voor de krachtige en degelijke ontwikkeling van de Kerk der Middeleeuwen. De aanmatigingen van den pauselijken stoel zijn in strijd met de Schrift, maar otuler de leiding Gods is het pausdom zelf voor een bepaalden tijd niet zonder zegen geweest.

§ 31.

Het kloosterleven.

De geestelijken, hoewel uitgetreden uit de meeste wereldlijke verhoudingen, moesten toch uit kracht hunner roeping blijven arbeiden in het midden der wereld. Nu, in dezen tijd, begon zich op het voorbeeld van eenen zekeren Paulus van Thebe, meer en meer de begeerte te openbaren, om zich volkomen uit allo verkeer met de menscheu terug te trekken. Ongetwijfeld was deze nieuwe uiting van christelijk leven in strijd met natuur en Schrift, maar toch was zij bij alle dwaling rijk aan krachten, die van waren christe-lijken ernst en oprechte zelfverloochening getuigden. Waar dit het geval was, heeft de wijsheid des Heeren ook uit deze dwaling een zegen doen voortkomen. Zooals reeds vroeger besproken is, was de sombere levensbeschouwing der Egyptische christenen de vruchtbare bodem, waarop het kluizenaarsleven kon opbloeien. Een van hen, Antonius (251—356), is de vader geweest van alle kluizenaars en monniken.

Antonius groeide op in den schoot eener christelijke familie, niet verstoken van eene beschaafde opvoeding, doch reeds als knaap geneigd tot een eenzaam bestaan, waarin hij zich aan eigen droo-men kon overgeven. Door den vroegtijdigen dood zijner ouders, was hij weldra eigenaar geworden van een aanzienlijk vermogen. Zoo trad hij als twintigjarig jongeling eens het bedehuis in, toen juist de woorden der Schrift werden voorgelezen: „Zoo gij wilt volmaakt zijn, ga henen, verkoop wat gij hebt, en geef het den armen, en

-ocr page 207-

185

gij zult eenen schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, volg \' Mijquot; (Matth. 19 : 31). Onmiddellijk past hij dit woord letterlijk op zich toe, en verdeelt al zijne goederen onder de armen. Alleen het aandeel van zijne jonge zuster houdt hij er uit en plaatst haar zelve, ter wille harer opvoeding, in een gesticht van christelijke jonkvrouwen. Nu gaat hij altijd verder vau de woonplaatsen der menschen weg, en vindt in de woestijn Paulus van Thebe, dien hij nog juist de oogen kon sluiten. Thans begint voor Antonius een tijd van geweldigen strijd en heilzame loutering. Want juist omdat hij in de volslagen eenzaamheid, die in strijd is met \'s menschen natuur, geen deel meer had aan den arbeid en de zorgen van \'t leven, geraakte zijne ziel, die zich slechts met zich zelve bezig kon houden in verwarring, en verzoekingen kwamen tot hem, die zijne overspannen verbeeldingskracht hem in de gestalte van levende booze geesten voortooverde. Intusschen was hij geen d weeper of dwaas, en zelfs zijn uiterlijk voorkomen toonde, dat hij een bezadigd man, geen op avonturen belust woestijnbewoner was. In de kracht des geloofs overwon hij zijne aanvechtingen en kwam eindelijk tot zulk eenen heerlijken zielevrede, dat hij later zijne leerlingen in heldere en bezielde taal kon opwekken, op dezelfde wijze als hij, deze verzoekingen te overwinnen. Hij bleef ook daarna wonen in de hem lief geworden woestijn, daar, gelijk hij zeide, een kluizenaar evenmin buiten de woestijn kan leven, als een visch buiten het water. Doch zie, daar komt ook in zijne eenzame kluis de tijding van eene groote christenvervolging (311), die als een der laatste in het Romeinsche rijk en vooral in Alexandrië woedde. Dadelijk maakt Antonius zich op, snelt naar Alexandrië, sterkt hen, die ten doode gewijd zijn, door zijn bezielend woord, en boezemt iedereen zulk eene achting in, dat do heidensche landvoogd niet de hand op hem durft te leggen, hoewel hij in een schitterend wit kleed de rechtszitting bijwoont, waarin de zaak der christenen behandeld wordt. En toen in later tijd (325) de christenheid in beroering werd gebracht door eenen belangrijken strijd over de leer, verscheen Antonius weder te Alexandrië en verkondigde hier het klare Evangelie zoo duidelijk en krachtig tegenover de Ariaansche beweging, dat niet slechts vele geslingerde christenen tot helder inzicht gebracht werden, maar ook vele heidenen tot het Christendom werden bekeerd.

-ocr page 208-

186

Toen nu bekend geworden was hoe zonderling Antonius in Egypte leefde, kwamen velen tot, hem in de woestijn, soms door nieuwsgierigheid gedreven, soms in den waan, dat zij door het kluizenaarsleven vrede en heiligheid zouden deelachtig worden. Den nieuwsgierigen vragers wist Antonius te antwoorden op eene wijze, die in menig opzicht eenzijdig, maar zeer dikwijls hoogst treffend genoemd mag worden. Eens werd hem gevraagd, hoe hij zonder boeken kon bestaan. Hij antwoordde daarop, dat het boek der natuur altijd voor hem opengeslagen lag. Ook deed hij een wedervraag : „Wat is ouder, het verstand of de geleerdheid?quot; En toen men hem antwoordde, dat het verstand ouder was, zeide hij: „dan heeft hij, die gezond verstand heeft, ook geen geleerdheid noodig.quot; Een andermaal vroeg hij aan een heiden ; „Wat is een beter bewijs, een geloof, dat op ervaring rust, of een bewijs dat steunt op sluitredenen van het verstand?quot; — „Het eerste.quot; — „Welnu, dan is het Christendom waarheid en het heidendom leugen.quot;

De kluizenaars, die zich om hem verzamelden, vermaande hij vlijtig te arbeiden, opdat lediggang hen niet zou verderven. Ook gebood hij hun, hom na zijnen dood in stilte te begraven, en niemand te zeggen waar hij begraven lag. En zoo is het geschied.

Nog voor den dood van Antonius was het aantal kluizenaars zóó toegenomen, dat zij zich tot groote vereenigingen aaneensloten. Voor zulk eene vereenigint; van kluizenaars stichtte Pachomrus

o O

(292—348) op het in den Nijl gelegen eiland Tabenna groote gebouwen of kloosters, welk woord „gesloten huizenquot; beteekent. De bewoners van zulke huizen werden monniken — d. i. kluizenaars — en hunne voorgangers abten — d. i. vaders — genoemd. Wie in zulk een klooster wilde worden opgenomen, moest zich alle gemeenschap met de wereld ontzeggen, in vrijwillige armoede leven en aan de boven hem gestelde machten eene volkomene gehoorzaamheid bewijzen. De uren van den dag werden tusschen gebed en arbeid verdeeld. Hoewel de stipte vervulling dezer voorgeschreven plichten reeds een niet geringe mate van zelfverloochening eischte, legden toch vele monniken uit eigen beweging zich nog strenger ontberingen eu oefeningen op. Ook vrouwen wijdden zich aan het kloosterleven en heetten dan Nonnen of heiligen.

liet scheen in den aanvang, alsof deze Oostersche plant in het

-ocr page 209-

187

koudere klimaat van het Westen niet zou willen tieren. Maar t\'jen de stormen der volksverhuizing over Europa losbraken en alles nederwierpen, wat tot nog toe den menschen tot heul en bescherming had gestrekt, hoopten ook in \'t Westen vele gemoederen in de kloosters die rust te vinden, die de veelbewogen tijden hun niet schonken. Zoo werd ook aldaar \'t kloosterleven door vrome mannen gezocht en verbreid, zooals b. v. door den bisschop Mar-tinus, te Tours in Gallië (316—400). Van hem wordt de bekende legende verhaald, dat hij oorspronkelijk een Romeinsch soldaat Was, ruw, maar trouw en eerlijk van gemoed. In dien tijd zou hem eens in den barren winter een man zijn tegengekomen, die hem om een kleedingstuk bad, om hem tegen de koude te beschermen. Toen, zoo verhaalt de sage verder, nam Martinus zijn zwaard, sneed zijn mantel in twee stukken en gaf den armen man de éene helft. In dien nacht verscheen hem Jezus en zeide tot hem : „Ik was het, die de gestalte van een bedelaar aannam, om uwe liefde op de proef te stellen. Laat uw krijgsmansberoep varen, gij zult van nu af een strijder Gods worden.quot; En dit is hij geworden. Met groote kracht heeft hij het Evangelie in Gallië verkondigd. Onder zijne begunstiging ontstonden hier zoovele kloosters, dat bij zijn\' dood 2000 monniken hem ten grave droegen. Bij dit graf — zoo weten oude boeken te verhalen, — geschiedden vele merkwaardige dingen: kranken werden er genezen, wanneer zij er hunne gebeden opzonden. Daarom is Martinus heilig verklaard en de 11de November aan hem gewijd. Naar hem is ook Maarten Luther vernoemd.

Een niet minder merkwaardig man is Benedictus van Nursia in Beneden-Italië. üoor den geest van zijnen tijd aangegrepen, vlood hij als twaalfjarige knaap in een grot, waar een vrome monnik hem dikwijls opzocht en onderwees. Daarna trad hij zelf in een klooster. Hier werd hij er getuige van, hoe de monniken slechts te dieper in allerlei wereldsche lusten verzonken, naarmate zij zich meer aan den arbeid en den door God gewilden strijd des levens onttrokken. Toen hij daartegen wilde opkomen, zag hij zijn leven bedreigd en moest hij vluchten. Nu kwam de gedachte bij hem op het kloosterwezen te hervormen. Op den Monte Cassino, eenen berg bij Napels, stichtte hij in 539 een klooster, dat een model werd voor de kloosters der volgende eeuwen. Het leven der monniken werd aan strenge tucht onderworpen; de grondslag er van was eene volkomene ge-

-ocr page 210-

18S

hoorzaamlieid aan den abt. Lediggang werd streng verboden; wetenschappelijke arbeid, onderwijs der jeugd, tuinbouw en beoefening van verschillende kunsten, moesten de uren aan godsdienstige samenkomsten gewijd, afwisselen. Opdat geen onwaardige er binnen zou dringen, werd van ieder die binnentrad een proefjaar — het Noviciaat — geëischt. Alle monniken droegen een zwarte pij. Deze vereeniging van monniken droeg den naam van Benedictijner-orde, verkreeg weldra eene groote uitbreiding en kwam in hoog aanzien.

Tegenover het tegennatuurlijke kluizenaarsleven was het kloosterleven, vooral in zijn meer edelen Westerschen vorm, een bepaalde vooruitgang. Want terwijl het eerste op eene enkele loffelijke uitzondering na, zich volkomen van de wereld afzonderde en zich daardoor de mogelijkheid ontnam, het rijk Gods te dienen, veree-nigde het klooster zijne bewoners tot eene broederlijke gemeenschap, en sloot hen niet zoo streng van het verkeer met menschen af, of er bleef gelegenheid te over, om zich met hart en ziel aan nuttigen arbeid te wijden. Waar de kloosters dus zoowel gelegenheid verschaften om met kracht te kunnen arbeiden, alsook om zich stil uit de stormachtige wereld te kunnen terugtrekken, kwamen zij tegemoet aan eene onmiskenbare behoefte van dien tijd. Evenzoo nl. als bij den afzonderlijken mensch somwijlen de behoefte ontstaat en ontstaan moet, om met zich zeiven alleen te zijn, zoo komt ook soms tot geheele volkeren en tijden de behoefte aan die ongestoorde eenzaamheid, waar het gedruisch van \'t dagelijkscb leven niet kan binnendringen. En wie zou kannen ontkennen, dat de Middeleeuwen met de gisting onder de volkeren en de verwarde toestanden, die allerwege werden gevonden, deze behoefte noodzakelijk moesten doen geboren worden ? Zoo zijn dan de kloosters voor den geheelen tijd der Middeleeuwen van groote beteekeuis en tot grooten zegen geweest. De weduwe, die eenzaam was overgebleven, de jonkvrouw, die zonder bescherming zich bloot zag gesteld aan booze praktijken, de vorst, die zijn kroon moede was en naar een onvergankelijke kroon had leeren vragen, de geleerde, die een rustig plekje zocht om zijne studiën te kunnen voortzetten — zij allen gingen in het klooster en vonden, wat zij zochten. In de kloosters zelve ontwikkelde zich een bedrijvig leven. Sommigen schreven met groote vlijt de Heilige Schriften, maar ook de ongewijde schriften der oudheid over, en zonder deze zorg zouden wij deze laatste bezwaarlijk tot in

-ocr page 211-

189

onzen tijd bewaard hebben gezien. Anderen onderwezen de jeugd, aan welker opvoeding in dien tijd nog bijna niemand anders zich wijdde. Weder anderen bebouwden het land, dat rondom het klooster als een lichtende streep tegen het donker woud begon af te steken, en langzamerhand in vruchtbaar bouwland werd herschapen, of wijdden zich aan schilderkunst en zang, of namen armen en kranken in hun kloosters op, om ze daar liefderijk te verplegen. Hoe uit deze kloosters mannen voortkwamen, die als krachtige getuigen voor geloovigen en ongeloovigen beide optraden, hebben wij boven reeds meermalen gelegenheid gehad op te merken. Om dit goede, wat er in was, heeft de almachtige God het kloosterwezen laten voortleven en het geleid, hoewel het niet op den onmiddel-lijken grondslag der H. Schrift is gebouwd, al vertoont zich in SamuëFs profetenscholen een verwant verschijnsel.

De kloosters van bet Oosten stonden bijna zonder uitzondering op een lageren trap, dan die van het Westen. Daar waren de monniken niet zelden oen bandelooze troep, die, zelf geheel verstoken van christelijke kennis, in tijden van kerkelijke verdeeldheid maar al te veel gebruikt werd door slimme partijhoofden, om hunne plannen ten uitvoer te brengen. Waar de Geest Gods niet woont, daar heerscht de zonde.

Naast de kloosters bleef, vooral in \'t Oosten, het kluizenaarsleven voortbestaan, soms niet zonder edele beginselen, soms ook zich verloopend in allerlei dwaasheden. Voorbeelden van beide zijn Macedonms, een voortreffelijk man, en de pilaar-heilige Simeon, die in waarheid een „wonderbaarlijk heilig manquot; genoemd mag worden. Macedonius verliet (387) de eenzaamheid, om de uitvoering van een in toorn gegeven bevel van keizer Theodosius af te weren. Deze wilde eene stad laten verwoesten, die oproerig geweest was en de beelden des keizers had vernield. Toen sprak Macedonius tot den gezant van den keizer: „Uw Heer is vertoornd, dat zijne afbeeldingen verwoest zijn, en wil hij daarom menschen dooden, die \'t beeld Gods vertoonen? Beelden kunnen hersteld worden, maar van een mensch kan zelfs de keizer niet een enkel haar maken.quot; De keizer schonk hierop de stad genade.

Simeon (f 460) bouwde bij Antiochië een zuil, waarop hij, ten laatste op eene hoogte van 50 voet, dertig jaren lang stond, onder alle weer en wind. Het volk bracht hem spijze, welke hij in een

-ocr page 212-

190

korf naar zich toeheesch. Zoo nu en dan predikte hij ook. Zijn voorbeeld vond navolging. Het ligt nl. in den aard der Aziatische volkeren, dat zij zich om hunne zaligheid te verwerven, veel moeite en verdriet willen getroosten, daar zij door hun eigen werken de zaligheid willen verdienen. Maar toch slechts de onwetenden zagen met verbaasde, eerbiedige blikken tot zulke dwazen als heiligen op; de leeraren der Kerk waarschuwden tegen hen als gevaarlijke dweepers.

§ 32.

Het kerkelyk leven.

In vroeger eeuwen was slechts hij tot het Christendom overgegaan, die gedrongen werd door een vurig verlangen naar het in Christus geschonken heil. Zoo openbaarde zich een heilige ernst in het leven der gemeente; zoo was de tucht een niet knellende band, en de strijd, dien de christenheid te voeren had, was hoofdzakelijk gericht tegen eencn vijand buiten haar, tegen heidcnsche gruwelen en heidensche vervolging. Maar nu was dit anders geworden. Het heidendom was bezweken, maar een vreeselijke vijand verhief zich binnen de grenzen der Kerk, in de vleeschelijke gezindheid harer eigen leden. Wie toch slechts door \'t voorbeeld van eenen Chlodwig, wiens daad zooveel als een bevel aan zijn volk was, of door het zwaard van eenen Karei den Groote bekeerd was, die was nog niet werkelijk bekeerd, maar droeg nog het oude onbekeerde hart in zich om; die had zich slechts uiterlijk bij eene kerk aangesloten, welker heerlijke gaven hij nog niet begreep, op welker geboden hij hoogstens uiterlijk acht gaf met knechtelijke vreeze. En zij, die in den schoot der Kerk waren opgegroeid, hadden nu de vijandschap der wereld niet meer te vreezen, en gaven daarom ook zeiven hunnen tegenzin tegen het rijk van deze wereld prijs. En langzamerhand, terwijl zij de Kerk eerden, en meenden in het geloof te staan, werden zij dienaren van deze wereld en hare begeerlijkheden. Niet alleen was dit het geval bij de leeken, maar ook een groot deel der geestelijken was in dergelijke wereldsche begeerlijkheid gevangen en verzuimde de heiligste plichten. Zoo

-ocr page 213-

191

werd het Woord Gods schaarsch in het land; de kennis van \'t christelijk geloof werd minder, en het christelijk geloofsleven der oude Kerk meer en meer in een uiterlijken kerkdienst verbasterd. De innerlijke vernieuwing des menschen door de kracht des H. Geestes werd buiten rekening gelaten, en door aalmoezen, stichtingen of andere z. g. goede werken, meende men zeker te zijn van zijne zaligheid. Was vroeger door de kerkelijke tucht van de verdoolden een oprecht berouw geëischt, waarbij de uiterlijke boetedoeningen slechts als uiterlijke teekenen en waarmerken van dat berouw golden, nu legde men op die uiterlijke dingen den grootsten nadruk, en liet men zich aan de bekeeriug des harten minder gelegen liggen. Langzamerhand kwam het zelfs in gebruik, kerkelijke boeten met geld af te koopen. Bij de Germanen werden nl. misdrijven met geld weder goed gemaakt, ten eerste wijl de trotsche vrijheidszin dezer volkeren de toepassing van andere soort straffen schier onmogelijk maakte, maar ook omdat geldstraffen in dezen aan geld zeer armen tijd, als bijzonder scherpe kastijdingen moesten worden beschouwd. Doch het is duidelijk, dat in het christelijk leven deze gewoonte slechts onheil kon aanbrengen, al gebruikte ook de Kerk het geld dat zij ontving, voor godsdienstige doeleinden, en al trachtte zij op deze wijze te voorkomen, dat men haar verdenken zou de rijken vóór te trekken.

Ook na hunne bekeering bleef bij de Germanen \'t geloof aan elfen, dwergen en andere geheimzinnige wezens voortleven, aan wie men de heerschappij over de verborgen krachten der natuur toeschreef. Moge ook al op \'t eerste gezicht \'t bestaan van zulk een sprookjeswereld een onschuldig spel der verbeelding schijnen, toch werd hart en oog er door afgetrokken van den almachtigen God, en werd de vatbaarheid minder om de verheven poëzie te verstaan, die, zij het ook dikwijls weinig opgemerkt, in het Evangelie zelf te vinden is. Nog gevaarlijker was het onder de Romaansche volkeren niet weinig voorkomende verschijnsel, om heidensche feesten en heidensche gewoonten aan te houden met een christelijke tint er overheen, zoo b. v., dat men nu als een heilige vereerde, dien men vroeger als afgod gediend had. De Gostersche Kerk bewaarde slechts kort haren oorspronkelijken ijver voor de waarheid, en hoe meer in haar het goddelijke Woord door menschelijke instellingen en eigengemaakten godsdienst verdonkerd werd, des te meer werd

-ocr page 214-

192

die ijver tot een ijver zonder verstand, en tot een voorwerp van bespotting voor de zegevierend voortrukkende Mohammedanen.

Zóó is het te verklaren, dat in het kerkelijk leveu van die dagen, zoo menig vreemd verschijnsel zich aan onzen blik vertoont.

Niettegenstaande dit alles echter is ook in die tijden de belofte des Heeren vervuld : „Ik hen met u al de dagen, tot aan de voleindiging der wereldquot; (Matth. 28 : 20). Niet alleen is de Kerk uitwendig in stand gehouden en uitgebreid, maar ook is het Evangelie ook toen een kracht Gods tot zaligheid geweest voor een iegelijk, die gelooft. Bovendien is die tijd even rijk aan uitnemende kerkleeraars, als zij aan eene andere zijde in het christelijk volksleven vele schoone trekken van echt christelijke gezindheid vertoonde. De christenheid doorleefde als \'t ware den jongelingsleeftijd, en mocht zij ook al menigmaal geen blijken geven van helder oordeel en rustige bezadigdheid, toch gaf zij zich met zulk eene innigheid en zelfverloochening aan des Heeren dienst, dat deze liever in onzen nuchtereu tijd wat meer nagevolgd moesten worden, dan in ongewettigde zelfverheffing voor „middeleeuwsche duisternisquot; verklaard.

J)e christenen, niet langer arm als in de eerste tijden, zetten aan hunne kerken en godsdienstoefeningen steeds grooteren luister bij. Wierookdampen en de schittering van waskaarsen vervulden nu voortaan ook de tempels der christenen, en niet meer, als vroeger, alléén die der heidenen, en hunne priesters geleken in gewaad en bediening weldra den priesteren des Ouden Verbonds. De prediking in het Oosten werd langzamerhand een tooneel-voor-dracht, waarover de toehoorders in levendige bewoordingen hu7i gevoelen uitten; in het Westen had zij niet in iederen dienst plaats, maar was althans minder stuitend. Om den predikers in zijn rijk te gemoet te komen, bij wie de kanselwelsprekendheid meestal nog op zeer lagen trap stond, liet Karei de Groote een preeken-boek bijeenverzamelen uit de werken van beroemde predikers, en gaf dit bock den dienaren der kerk in handen. De prediking werd in de afzonderlijke landen in de landstaal gehouden; maar voor het overig deel der godsdienstoefening, den eigenlijken eeredienst, kwam meer en meer de Latijnsche taal in zwang, daar deze rijker en voor de priesters meer gewoon was, dan de ruwere Germaansche talen. Evenwel liet keizer Karei in eene oorkonde duidelijk als zijn

-ocr page 215-

193

gevoelen hieromtrent uitkomen : „Niemand meene, dat God slechts in sommige talen aangeroepen kan worden. In iedere taal kan meu God aanbidden, en kan men op verhooring rekenen, indien men althans om geoorloofde dingen vraagt.quot;

Na den val van het heidendom en de algemeene invoering van den kinderdoop, werden de bedehuizen enkel door gedoopten bezocht, en verviel dus de vroegere splitsing der godsdienstoefening in een deel dat voor allen, en een ander deel, dat slechts voor de gedoopten toegankelijk was. Prediking en gebed vormden voortaan één schoon geheel. Huwelijken werden immer kerkelijk ingezegend; begrafenissen waren kerkelijke plechtigheden; alleen aan zelfmoordenaars en misdadigers werd eene kerkelijke begrafenis onthouden. Het was eene zaak, die van zelf uit de beschouwingen van dien tijd voortvloeide, dat men de dooden naast of zelfs in de kerken ging begraven. De hier en daar nog in zwang zijnde viering van den Sabbath — den Zaterdag — geraakte weldra in onbruik; daarentegen waakte de overheid voor de viering van den Zondag en bevorderde met kracht de Zondagsrust. Op bevel des keizers werd verboden des Zondags in het Eomeinsche rijk wapenschouwingen of gerechtszittingen te houden; ook moesten op dien dag alle theaters gesloten zijn. Doch niettegenstaande dit alles, werd de aanbidding van God in geest en waarheid minder zuiver: de liefde en eerbied, die men tot nog toe voor de nagedachtenis der martelaren gekoesterd had, veranderde langzamerhand in eene volslagen vereering van heiligen en martelaren. Somtijds waren de heiligen-verhalen eene schoone belichaming van diepe gedachten. Zóó b. v. wanneer men van den reus Christoforus verhaalde, dat hij in trotschen overmoed alleen in dienst van den grootste en machtigste had willen blijven, en eindelijk na lange zwerftochten het Christuskind als den grootste had moeten erkennen. Doch meestal ontaardde de vereering der heiligen in zuivere menschvergoding, terwijl men hun voorbede, bescherming en bijstand inriep, en daarmede zijn eer ontroofde aan Hem, die onze Heer en Geneesmeester is en al onze nooden wegneemt. Ook vergat men, dat in waarheid ieder christen een heilige Gods is, en in de Schrift zoo wordt genoemd.

Niemand bekleedde onder al die heiligen eene zoo verhevene plaats als de moeder des Heeren, en terwijl de eigenaardige majesteit van Maria juist hierin bestaat, dat zij slechts de nederige

13

-ocr page 216-

194

dienstmaagd des Heereu is; en zelfs den uit haar geboren Zone Gods steeds met den grootsten eerbied als verre boven haar staande bejegent, maakte men haar tot hoog-heilige koningin des hemels, en men bracht haar eene hulde, dichterlijk en vol gevoel, zich dikwijls uitende in de liefelijkste liederen, maar ten eenenmale in strijd met het Evangelie. Vooral wendden zich de vrouwen met hare gebeden tot Maria, die ook moedersmarten kende, en daardoor haar dichterbij scheen dan de in onbereikbare verte en ongestoorde zaligheid tronende God. En hoe meer men zicli het goddelijke te zeer menschelijk ging voorstellen, meende men met recht de gevolgtrekking te mogen maken, dat Maria bij den Christus als haren rechtgeaarden zoon verhooring van iedere bede zou kunnen ontvangen, en zóó alles kon verleenen, wat men van haar vroeg.

Zoo werd meer en meer het christelijk leven iets uiterlijks. Daarmede stond ook het gestadig veld winnend gebruik in verband, van de graven der heiligen te bezoeken, of naar de heilige plaatsen van Palestina bedevaarten te doen, en deze pelgrimstochten als Gode welgevallige en verdienstelijke werken te beschouwen. Eu weldra kwamen deze bedevaarten meer en meer in gebruik door den waan, dat men daardoor begane misdrijven kon goedmaken, of door de ziekelijke meening, dat men het best op die door den Heer zeiven geheiligde plaatsen, zijn godsdienstige vereering kon uiten. Verlichte kerkvaders waarschuwden daarom ook met hoogen ernst tegen overschatting van de waarde van zulke pelgrimstochten. „Ik ben,quot; zoo schrijft Gregorius van Nyssa, „ik ben óók te Jeruzalem geweest, maar mijn geloof is er niet sterker of zwakker van geworden. Ik geloofde de geboorte van den Zone Gods uit eene maagd, vóór ik Bethlehem had gezien. Ik geloofde de opstanding des Heereu, vóór ik Zijn graf had gezien. Ik erkende de waarheid van de hemelvaart, ook zonder dat ik den Olijfberg bezocht had. Dit heb ik alleen met mijne reis gewonnen, dat ik nu weet, dat er bij ons veel meer christelijk leven is dan op die verre plaatsen. Daarom, gij allen, die den Heer vreest, prijst Hem, waar gij ook zijt. Door verandering van woonplaats komt men niet dichter bij God. Waar gij ook zijt, de Heer zal tot u komen, als uw hart een geschikte woonplaats voor Hem is geworden. Is daarentegen uw hart boos en vol wereldsche gedachten, dan moogt gij zijn op Golgotha of op den Olijfberg, maar evenmin zal Christus dan in uw hart wonen als

-ocr page 217-

195

iu het hart der ongeloovigeu. Niet door bedevaarten naar Jeruzalem, maar door het geloof ontvangen wij de goddelijke genade.quot;

De schoone indeeling van het Kerkelijk jaar nam steeds vaster vormen aati. Als nieuw ingestelde feestdagen zijn naast den Hemelvaartsdag voornamelijk de feesten, aan heiligen gewijd, te vermelden, welker ontstaan uit het zooeven besprokene van zelf duidelijk wordt. Terwijl de afzonderlijke kerken en landstreken hare eigene feesten hadden, waarop zij haren beschermheiligen hulde brachten, gaf de verandering van bestemming van het Romeinsche Pantheon, dat van een tempel voor alle goden werd tot eene kerk aan alle heiligen gewijd, aanleiding tot de viering van het feest Allerheiligen, dat valt op den Isten November. Ook Johannes de Dooper verkreeg een\' eigen gedenkdag (24\' Juni), een dag niet zonder diepen zin aldus gekozen in eenen tijd, waarin de dagen beginnen te korten. Immers Johannes noemt zich een, die tegenover den Christus altijd meer moet afnemen (Joh. 3 : 30). Het feest voor den aartsengel Michaël (39 September), werd gevierd als een feest der engelen in het algemeen, tot eene herinnering, dat ook de gezaligde geesten deelnemen aan den strijd, dien de Kerk op aarde te voeren heeft, en zich verheugen over lederen zondaar, die zich bekeert. Natuurlijk werden ook werkelijk gebeurde of verdichte feiten uit de geschiedenis van Maria feestelijk gevierd. Zoo ontstonden de feesten Maria Lichtmis (2 Februari), Maria Boodschap (25 Maart) en Maria Hemelvaart (15 Augustus). Het Nieuwjaar werd langen tijd in tegenstelling met de uitgelaten feestvieringen der heidenen op dien dag, als boete- en bededag beschouwd en later veranderd in eene gedachtenisviering van des Heeren besnijdenis. De viering van het Paaschfeest, langzamerhand geheel losgemaakt van de Joodsche opvattingen van dit feest, had met steeds grooteren luister plaats. Het werd voorafgegaan door een algemeene vasten van 40 dagen, ter herinnering aan het verblijf van Jezus in de woestijn. Dit moest een tijd zijn van stil en ernstig zelfonderzoek, opdat men zich waardig voor de viering van het Opstandingsfeest zou voorbereiden, door eigene opstanding uit den dood der zonde. Men stelde zich intusschen bij voorbaat schadeloos voor de volgende vasten, door zich in de dagen die er aan voorafgingen, aan teugellooze uitgelatenheid over te geven. Deze tijd, na welken men zich dan van vleeschspijzen moest onthouden, heette daarom caro vale — vleesch

-ocr page 218-

196

vaarwel! — later verbasterd tot carneval. I)c week, die aan het Paaselifeest voorafging, werd de groote of stille week genoemd; de afzonderlijke dagen van deze week kwamen meer en meer in hun eigenaardige, vaste beteekenis te staan. Aan het einde er van werd eene nachtelijke godsdienstoefening gehouden in de helder verlichte kerk, als voorbereiding voor het Paaselifeest, dat als een feest van hooge en heilige vreugde met gejubel werd ontvangen. Wat den tijd der Paaschviering betreft, kwam de gezamelijke christenheid overeen, altijd op den eersten Zondag na de volle maan op de lente-evening volgende, den eersten Paaschdag te stellen, dewijl men bij deze regeling den Zondag als Opstandingsdag kon blijven houden, en toch tegelijk ook zooveel mogelijk de geschiedenis getrouw bleef. Voornamelijk Alexandrië was in dezen tijd de stad, waar de sterrekunde bloeide. Zoo zond dan de patriarch van deze stad aan liet begin van ieder jaar een encycliek (open brief), waarin hij den door sterrekundige berekening vastgestelden eersten Paaschdag aan de gemeenten opgaf. Als voorbereiding voor het Kerstfeest kwam meer en meer de viering van den adventstijd in eere; toch bleef als begin van het kerkelijk jaar gewoonlijk het Paaschfeest beschouwd. Terwijl alzoo de afzonderlijke feesten van het kerkelijk jaar ieder jaar opnieuw de groote daden Gods bij de gemeente in herinnering riepen, kwam tegelijk het gebruik in zwang, in vastgestelde orde over eene serie teksten te prediken, die voor iederen rustdag passend schenen. Zoo vormde zich een vast pericopen-systeem, hetwelk zijn laatsten volledigeu vorm voornamelijk dankt aan Paul Warnefried, den geleerden vriend van Karei den Groote.

De kunst, tot nog toe slechts de gehoorzame dienares van het heidendom, werd nu in dienst gesteld van het Godsrijk, en kwam hoofdzakelijk lot uiting in den sierlijken en verheven bouw der godshuizen. Deze werden gebouwd volgens het model der Grieksche basilica of gerechtszaal: een vierkant, door zuilengangen doorsneden, en uitloopend in een half-cirkelvormige ruimte. Ook de kruisvorm kwam weldra in eere, doch trad zelf weder op verschillende wijze op. Was liet z. g. Grieksche kruis, welks balken even lang zijn, aan den bouw ten grondslag gelegd, dan verhief zich boven het midden der kerk eene hooge koepel, dikwijls door vier kleinere koepels omgeven, terwijl van binnen het gewelf door hooge rondbogen werd gevormd. Deze bouwstijl, de Byzantijnsche genaamd.

-ocr page 219-

197

is het strengst gevolgd in de Sophiakerk te Constantinopel. Wanneer in het Westen, daarentegen in kruisvorm gebouwd werd, werd het Latijnsche kruis als grondvorm gekozen. De langere balk vormt daarbij het schip van de kerk.

Volgens de overlevering werd het orgel uitgevonden door de H. Caecilia, toen deze in geestvervoering het gezang der engelen gehoord had, en dit nu trachtte na te bootsen. Klokken gebruikte men het eerst in Rcneden-Italië, van waar uit het gebruik er van zich verder verspreidde. Het kerkgezang was in het Oosten meer levendig en vallende in den smaak van het volk: de liefelijkste reizangen werden /laar bij de godsdienstoefening gehoord; terwijl in het Westen, vooral door de bemoeiingen van paus Gregorius 1, het kerkgezang meer gedragen en ernstiger was; meer in overeenstemming met het eentonig gezang der monniken. Maar hoe dit zij, in de gansche Kerk werd het kerkgezang in hooge eere gehouden. Iedere gemeente had hare eigene zangers — cantor en — en overal werden zangscholen opgericht. Vooral bij de Germanen was dit noodzakelijk, wier gezang, daar hun stem slechts aan krijgsliederen gewoon was, door de muzikale Italianen met het gehuil van wilde dieren vergeleken werd. Behalve op de zangkunst, legde men zich met allen ijver op de dichtkunde toe. Zoo werd een niet gering aantal hoog gestemde liederen in het leven geroepen, tintelend van liefde en geloof.

Heiligen-beolden — door de Oude Kerk altijd ten strengste geweerd — werden nu, door de zinnelijke opvatting van den godsdienst bij de groote menigte, als noodzakelijke bestanddeelen van den eeredienst aangemerkt. Wel noemden de meer ontwikkelden de beelden, door de menschwording van Christus gerechtvaardigde, zinnelijke voorstellingen van eeuwige dingen, een schrift, leesbaar ook voor de onontvvikkelden. Maar dit nam niet weg, dat voortaan Joden en Mohammedanen de christenen van afgoderij beschuldigden, en ook de wezenlijk ernstigen onder de christenen aanstoot namen aan de beelden-vereering der groote menigte. Zoo vond de Grieksche keizer Leo III, een ruw krijgsman, die zich gaarne mengde in de godsdienstkwesties van zijnen tijd, aanleiding in 726 een bevel uit te vaardigen, dat alle beelden uit de kerken moesten verwijderd worden. Groot was de verbittering van het volk; liet kwam in oproer, en slechts met de grootste moeite werd de opstand voor het

-ocr page 220-

108

oogeiiblik cmderdrukt. Maar onder al de volgende keizers duurden de onlusten voort. De meerderheid der bisschoppen werd langzamerhand voor de hofpartij gewonnen, die bovendien ook het leger tot hare beschikking had; maar daartegenover hield de talrijke monniken-partij met hand en tand aan de vereering der beelden vast, en hoe gruwelijk velen hunner ook om deze ongehoorzaamheid werden gestraft, zij wilden van geen toegeven weten. Het volk stond geheel aan de zijde der monniken en beschouwde de gestraften als martelaren. Toen eindelijk de keizerin-regentes Irene een einde aan den strijd wilde maken en de zevende algemeene Kerkvergadering te Nicea (787) de verklaring afdwong, dat den beelden althans een zekere vereering, zij het ook geene aanbidding, toekwam, kwamen wederom de vijanden van de beelden-vereering in verzet, en eerst aan keizerin Theodora (842) gelukte het de tegenspraak te overwinnen, en door plechtige wederinvoering der beelden aan den honderdjarigen beeldenstrijd een einde te maken.

De Westersche Kerk veroordeelde het geweldig optreden van het Grieksche hof, zonder intusschen den beeldendienst in zijn grove uitingen in bescherming te nemen, en eene Synode, op aansporing van Karei den Groote in 794 te Frankfort aan den Main gehouden, verklaarde, dat de heiligen-beelden een schoon sieraad voor de kerk waren, maar dat iedere vereering er van ten strengste gelaakt moest worden.

§ 33.

De Kerkleer.

Niet slechts over de beelden (zie vorige §), maar ook op het gebied der christelijke wetenschap ontbrandde de strijd, en dit te heviger, naar mate nadat het heidendom overwonnen was, het leven der Kerk zich voornamelijk ontwikkelde in verband met de inwendige belangen, en streefde naar het verkrijgen van zekerheid aangaande het gemeenschappelijk geloof. Zoolang toch de christelijke Kerk slechts een klein kuddeke was, en onder de gruwzaamste onderdrukking zuchtte, was in haar midden liet optreden van afwijkende beschouwingen zoowel door de eenvoudigheid van het geloof in die

-ocr page 221-

190

eerste dagen, alsook door het gevoel van gemeenschappelijk lijden onmogelijk geweest. Maar, nadat de Kerk tot rust gekomen was, en vele natiën en tongen tot haar behoorden, werd ook haar inwendig leven meer bewogen en rijker aan verscheidenheid, en deze verscheidenheid van opvatting leidde als van zelf tot het voordragen en bestrijden van verschillende leeringen.

Den oppervlakkigen beschouwer schijnt de geloofstrijd dier dagen dikwijls een onnutte inspanning, vooral daar de strijd soms loopt over één enkel woord. Maar ook dat woord is van groote beteekenis, wanneer het eene gedachte van ver strekkenden zin in zich verbergt. De tijd, waarover wij nu handelen, was zich daarvan bewust. Daarom nam de gansche christenheid dier dagen zoo levendig deel aan den strijd. Helaas, het bleven zondige menschen, die den strijd voerden. Daarom is dikwijls de liefde vergeten, en hebben zich zelfzucht en hartstocht in den strijd gemengd. Bovendien zijn vooral in het Oosten, door ruwe monniken-benden, en evenzeer door de onbuigzame dwingelandij van het keizerlijk hof, dikwijls wapenen gebruikt, die met de heiligheid van de zaak in strijd waren. God bestuurde intusschen ook deze dingen, en liet alles medewerken tot verheerlijking van Zijnen Naam. In de hitte van den strijd werd de waarheid gevonden en als heilige nalatenschap overgedaan aan de volgende geslachten, die zich nu in een juister inzicht mochten verheugen, en met dit verhelderd verstand verder hunne onderzoekingen konden uitstrekken.

De eerste strijd was de Ariaansche, een strijd, welke gevoerd werd over de beschouwing van den persoon des Heeren.

In het jaar 318, op eene vergadering van geestelijken te Alexandrië, kwam de presbyter Arms op tegen de leer van den patriarch Alexander, die leerde dat de Zone Gods van eeuwigheid uit het wezen des Vaders voortgekomen, en daarom gelijk van wezen met den Vader was. Arius hield vol, dat Christus slechts het eerste en meest volkomen schepsel Gods was, en dus in wezen lager dan de Vader. Hoewel nu eene dergelijke loochening van de godheid van Christus in strijd was met de belijdenis der Kerk, en al dadelijk door de eerste majestueuse woorden van het Evangelie van Johannes wederlegd wordt, toch stemden velen er mede in, daar zij voor het natuurlijk verstand begrijpelijker was, dan de voorstelling van eene gelijkheid van wezen van Christus en dei! Vader. Zelfs

-ocr page 222-

200

voorname kerkleeraars — de gescliiedschrijver Eusebius en later de Gothische zendeling Ulfilas — schaarden zich aan de zijde van Arius. De patriarch Alexander bleef echter bij zijne overtuiging. Hij zeide openlijk, dat Arius met zijne leer den geheelen samenhang van het Evangelie verbrak. Is Christus niet goddelijk van wezen, dan kan Hij ook niet de Verlosser der wereld zijn. „Niemand van hen zal zijnen hroeder immermeer kunnen verlossen; hij zal Gode zijn rantsoen niet hunnen gevenquot; (Ps. 49 : 8).

Zoo bewerkte Alexander in 321, dat Arius van de gemeente werd afgesneden, dewijl hij niet genegen was zijne beschouwingen prijs te geven. Toen keizer Constantijn hiervan hoorde, beschouwde hij aanvankelijk, met de geringe kennis van het Evangelie, die hij bezat, den geheelen strijd als eene zaak van weinig belang, en schreef naar Alexandrië, dat men zich weer moest verzoenen en den strijd staken. Maar Alexander kon deze zaak niet laten rusten. Immers het gold hier de verdediging van de waarheid tegen de dwaling. Eindelijk scheen ook Constantijn iets meer van het gewicht van den strijd te gaan begrijpen, en in 325 schreef hij, om dezen strijd te beslechten, de eerste algemeene Kerkvergadering {Oecumenisch Concilie) te Nicea uit. Ongeveer driehonderd bisschoppen vereenig-den zich aldaar. De meesten van hen waren uit het Oosten; maar ook uit het Westen, ja zelfs uit de wildernissen der Gothen en Scythen, hadden bisschoppen zich opgemaakt om over deze gewichtige aangelegenheid van gedachten te wisselen. In het begin was de vergadering het met zich zelve niet eens. Maar al te velen toch hadden niet het juiste inzicht in den aard en de beteekenis van den strijd. De zachtmoedige Eusebius wilde bemiddelend optreden en legde daartoe den vereenigden bisschoppen eene geloofsbelijdenis voor, waarin de godheid van Christus eenigszins vaag werd geleerd. Doch Alexander — ondersteund door den jeugdigen archi-diaken Athanasius — wist de aanwezigen te overtuigen van de noodzakelijkheid, om eene zóó gewichtige leer in heldere en ondubbelzinnige woorden uit te drukken. In overeenstemming hiermede gaf de Synode toen aan de door Eusebius ontworpen schets scherper lijnen, en ziedaar de oorsprong der Niceensche geloofshelijdenis. Daarin werd het tweede artikel van de Apostolische geloofsbelijdenis aldus uitgebreid, dat dwaling en verkeerde keringen onmogelijk werden gemaakt. Men beleed nl. in genoemde belijdenis, dat Christus is:

-ocr page 223-

201

„God uit God, geboren, niet gescliapen; gelijk van wezen met den Vader.quot; Hierdoor was de Jeer van Arius als dwaalleer gebrandmerkt. Behalve hij zelf, waagden slechts twee bisschoppen het, zich tegen het genomen besluit te verklaren. Zij werden op last des keizers afgezet, hunne geschriften verbrand en het scheen, alsof de strijd geëindigd, en door de waarheid de zegepraal was behaald.

Intusschen gelukte het na niet langen tijd den vrienden van Arius den keizer gunstiger voor hem te stemmen, vooral nadat hij in een aan h^t hof aangeboden verzoekschrift, getoond had in de godheid van Christus te gelooven, zonder intusschen zijne beschouwingen terug te nemen. Reeds was bepaald, dat hij te Constan-tinopel plechtig opnieuw in de gemeenschap der Kerk zou worden opgenomen, toen hij plotseling krank werd en stierf (336). Het hof bleef intusschen zijn aanhangers genegen, en een oogenblik scheen het alsof de Arianen nog de overwinning zouden behalen. Him meest besliste tegenstanders toch werden afgezet en uit hunne gemeenten verdreven. Toen ontstond er tweedracht onder de Arianen zeiven. Terwijl sommigen nl. streng zich hielden aan de woorden huns meesters, wilden anderen een vergelijk treffen met de Catho-lieke Kerk door de verklaring, dat Christus „gelijkendequot; was op het wezen des Vaders. Nu werd Synode tegenover Synode gehouden. Scheiding en verwarring heerschten overal. Deze jammerlijke verdeeldheid nam nog des te meer toe, toen Julianus de Afvallige alle bannelingen terugriep, zich verlustigende in de oneenigheid, die onder de christenen heerschte. Het Westen sprak zich onder dit alles al krachtiger en krachtiger uit tegen Arius, en ook de meest beteekenende leeraars der Kerk wederlegden zijne leer. Eindelijk verklaarde zich keizer Theodosius in 381 tegen de Arianen. Hij riep eene vergadering van gelijkgezinde bisschoppen, als tweede Oecumenisch Concilie, te Constantinopel bijeen. Ook daar werd de leer van Arius verworpen en de geloofsbelijdenis van het Concilie van Nicea gehandhaafd. Zonder dwaling of bedrog kon nu de christenheid weder blijmoedig belijden: „Ik geloof in Jezus Christus, Gods eengeboren Zoon.quot; Wel is waar bleef de Ari-aansche dwaalleer nog onder enkele Germaansche volken voortleven, die van Ariaanschgezinde zendelingen het Evangelie ontvangen hadden. Doch ook zij vereenigden zich weldra met de Catholieke Kerk.

-ocr page 224-

202

Naast den Ariaanscheii strijd ontbrandde de Pelagiaanschc, een strijd, welke gevoerd werd over de natuur des menschen.

Tot nu toe had de Kerk eenvoudig het woord des Heeren geloovig aangenomen, dat de mensch van nature verloren was, en niemand tot den Vader kon komen dan door Christus. Nu echter begon, in het jaar 409, de monnik Pelagius, een man onbedreven in de Schrift, evenals in de kennis van het menschelijk hart, in het Westen de leer te verbreiden, dat de mensch van nature onbedorven was, ja zelfs zonder zonde kon leven. Hieruit maakte hij van zelf de gevolgtrekking, dat de mensch ook zonder Christus zalig kon worden, en de genade Gods, in Christus bewezen, niets was dan eene ondersteuning van de kracht, die men zelf reeds bezat. Daarmede werden na het zuivere Woord Gods en tegelijk alle ervaringen van een eenigszins dieper gemoedsleven wedersproken. Immers juist de edelsten onder de christenen, zooals Paulus en Luther, hebben ten allen tijde een levendig schuldbesef gehad, en bekend, dat zij hunne hoop alleen op Christus vestigden en nooit op eigen deugd. Volgens de leer van Pelagius scheen dan ook de verlossing door Christus overbodig, en het toebehooren tot de Kerk eene onverschillige zaak. Van deze punten uitgaaude, sprak de Westersche Kerk op verschillende Synoden zich tegen Pelagius uit, hoewel diens vrienden den ganschen strijd trachtten voor te stellen als een zaak van geringe beteekenis. Intusschen was Pelagius naar het Oosten gegaan, waar hij een meer geschikten bodem voor zijne leer meende te zullen vinden. Doch terzelfder tijd deed met kracht en overtuiging de getuigenis van den grooten kerkvader Augustinus zich hooren. Toegerust met groote Bijbelkennis en met een diepen blik in de schuilhoeken van het menschenhart, verkondigde Augustinus met groote helderheid en onverschrokkenheid zijne leer, welke vlak tegen die van Pelagius over stond. Terwijl de eerste zonde, zoo laat Augustinus zich hooien, afval was van God, is met de zonde een toestand van vervreemding van God over de menschheid gekomen, die voor altijd alle gelukzaligheid buitensluit. Zóó geeft God dan in de vreeselijke openbaring Zijner heiligheid sommigen aan het verderf prijs, waarin zij door de zonde gekomen zijn, terwijl Hij anderen door een vrijmachtig besluit van Zijnen wil tot zaligheid verkiest en door Christus tot zaligheid brengt^ Deze ontvangen door de genade. Gods de ware vrijheid en eenen gehei-

-ocr page 225-

203

ligden wil, terwijl zij tevoren gebonden waren onder de macht der zonde. Alle deugd, die uit zulk een geheiligden wil voortkomt, is eene vrucht der goddelijke genade, en verschaft den mensch geen verdienste in de oogen van den eeuwigen Rechter.

Konden nu ook de leeraren der Kerk zich niet altijd vereenigen met de voorstelling van Augustinus over eeue uitverkiezing Gods, die zich slechts tot enkelen zou bepalen, daar ze in tegenspraak scheen te zijn met de liefde Gods, die zich aan allen betoont, toch erkenden zij eenparig de waarheid der overige leerstellingen van Augustinus, en verwierpen de Pelagiaansche dwaling, hoe deze ook de inenschelijke natuur mocht streelen.

Intusschen was in het Oosten een andere strijd begonnen, waarin weder de persoon van den Christus besproken werd. Deze strijd heette de Nestoriaansche.

Reeds sedert geruimen tijd had zich tusschen de theologische scholen van Antiochië en Alexandrië een zeker verschil in de beschouwing van onderscheidene leerstukken geopenbaard. Zoowel volkszede als de persoonlijke overtuiging der aan beide scholen verbonden leeraars hadden dit verschil doen ontstaan. Daar benevens beschouwden de patriarchen van Constantinopel en Alexandrië elkander met steeds grooter afgunst, zoodat beide voortdurend slagvaardig stonden om zich met elkander in den strijd te meten. Dit waren de diepste oorzaken van den Nestoriaanschen strijd; de aanleiding er toe was de Maria-dienst der Grieken. Toen nl. in 428 de te Antiochië gevormde Nestonus patriarch van Constantinopel geworden was, vond hij hier de gewoonte Maria met den naam van „Moeder Godsquot; te vereeren. Een der priesters, door Nestorius medegebracht, predikte tegen het gebruik van dien naam. Maria toch, zeide hij, was de moeder van den mensch Jezus, niet van den Zone Gods, en de menschelijke en goddelijke natuur van Jezus moesten wel uit elkander gehouden worden. De Byzantijnen wilden zich echter het gebruik van den naam „theotokosquot; (Moeder Gods) niet ontzegd zien. Nestorius nam het nu voor zijnen priester op. Toen verzette zich — en met recht — de patriarch Cijriïlus van Alexandrië tegen eene zoo scherpe scheiding van de beide naturen van Christus en zeide, dat zij zóó nauw en zóó volkomen met elkander vereenigd waren, dat zij niet gescheiden mochten worden.

Onder zulke omstandigheden kwam in 431 de derde algemeene

-ocr page 226-

204

Kerkvergadering bijeen, om aangaande de Felagiaansche en Nesto-riaansche dwaalbegrippen uitspraak te doen. Eenstemmig verklaarde het Concilie zich tegen Pelagius, doch met betrekking tot het Nestorianisme ging het in twee partijen uiteen. De meer krachtige Cyrillus wist echter voor zijn gevoelen eene meerderheid te verkrijgen. Nestorius trok zich in een klooster terug en stierf ten slotte als balling in de Egyptische woestijn. De bisschoppen van Rome verklaarden zich — voor een deel eenigszins weifelend — zoowel tegen Pelagius als tegen Nestorius.

Hoewel het alzoo scheen, dat de christelijke waarheid tegenover de dwaling zegevierend gehandhaafd was, toch was de overwinning volstrekt niet volkomen. Cassianus nl. te Marseille (t 432), maakte een half Pelagiaansch — „semi-Pelagiaanschquot; — leerbegrip openbaar, waardoor hij meende aan de leerstellingen van Augustinus, zoo vernederend voor de menschelijke natuur, maar ook aan de overdrijving van Pelagius te ontkomen. Hij gaf toe, dat de mensch tot het kwaad geneigd was en de goddelijke genade noodig had, maar hij loochende de besliste verdorvenheid van het natuurlijke hart, en meende, dat de mensch uit eigen kracht goede werken kon doeib die hem, en niet de goddelijke genade, als verdienste moesten worden toegerekend. Deze leer was, niettegenstaande den milden vorm, waarin zij werd voorgedragen, even goed dwaalleer als het Pelagia-nisme, en werd ook door sommige Synoden krachtig bestreden, doch meer en meer viel zij in den smaak van eenen tijdgeest, die altijd meer in uiterlijke werken heil zocht, en zoo verkreeg zij langzamerhand recht van bestaan in het midden der Catholieke Kerk. Zóó bleven de belangrijke vragen omtrent de wederzijdsche betrekking tusschen menschelijke natuur en goddelijke genade onopgelost tot de dagen van Luther.

De leer van Nestorius vond een toevluchtsoord in het Perzische rijk, waar zij door den voortvluchtigen bisschop Barsumas werd gebracht. Alle Perzische gemeenten traden (499) tot haar toe, en de Perzische koningen achtten hun kroon veiliger, wanneer hunne christelijke onderdanen op gespannen voet leefden met de christenen uit het naburige Grieksche rijk. Daarom begunstigden ook zij het Nestorianisme. Nog heden ten dage bestaan in die streken Nestori-aansche gemeenten. Zij zijn echter vervreemd van het volle Evangelie en versteend in doode werkheiligheid.

-ocr page 227-

205

Niet langen tijd na de Nestoriaansche en semi-Pelagiaansclie twisten, ontbrandde in liet strijdlievende Oosten een nieuwe twist over den persoon van Christus. Deze draagt den naam van Euty-chiaanschen strijd, en kan bescliouwd worden als eene voortzetting van den strijd tegen Nestorius. De leer nl. van de twee nauw verbonden naturen van Christus, te Epliese vastgesteld, werd te Constantinopel door den presbyter Eiityches dermate overdreven voorgesteld, dat hij in Christus slechts ééue goddelijke natuur wilde erkennen en de menschelijke geheel in de goddelijke liet opgaan. Zóó geloofde hij dan ook, dat het lichaam des Heeren verschillend was van het lichaam eens menschen. Dewijl nu deze beschouwingen tegenover de besluiten der Synode van Ephese als ketterij moesten worden beschouwd, ontzette de patriarch van Constantinopel, Flavianus, Butyches van zijn ambt. Maar deze vond eenen beschermer in den patriarch Dioscurns van Alexandrië, een hartstochtelijk man en bezield met een grooten naijver tegen Constantinopel. Toen verklaarde de Romeinsche bisschop Leo de Groote zich vóór de handelwijze vim Flavianus, zette in een aan hem gericht schrijven met bewonderenswaardige helderheid de dwaling dezer nieuwe leer uiteen, doch sprak tevens den wensch uit, dat Eutyches met zachtheid beoordeeld mocht worden, en langs vredelievenden weg tot de waarheid mocht worden teruggebracht. Intusschen riep de inmiddels voor Eutyches gewonnen keizer Theodosius II (449) eene Synode te Ephese bijeen, waar Dioscurus met de hulp van de door hem omgekochte monniken en opgezweepte volksmassa\'s, den tegenstanders schrik aanjoeg en zoo een even korte als roemlooze overwinning van het Eutychianisme bewerkte. De afgezanten van Leo konden niet aan het woord komen, en Flavianus stond aan zulke mishandelingen bloot, dat hij niet lang daarna stierf. Door deze gewelddadigheden verkreeg de ongeestelijke vergadering den naam van „rooversynodequot;. Nu richtte Leo de Groote een schrijven aan het Grieksche keizerlijke hof, waarin hij hetgeen te Ephese geschied was, ten strengste laakte. Het hof zocht zich te verontschuldigen, doch ziet, plotseling kwam er eene wending: immers, de volgende keizers trokken zich de zaak van Eutyches niet langer aan. Zoo scheen zij dan haar einde nabij. Althans, een vierde Oecumenisch Concilie, op verzoek van den nieuwen keizer te Chalcedon in Klein-Azië bijeengeroepen (451), veroordeelde de leer van Eutyches als

-ocr page 228-

206

ketterij en verklaarde, dat meu in Christus twee naturen moest aannemen, ongedeeld en onvermengd.

Doch de aanhangers van Eutyches\' leer — Monophysiten 1) genaamd, schikten zich niet naar de besluiten van het Concilie. Steeds wonnen zij meerderen voor hunne overtuiging, ja eindelijk kregen zij weer het keizerlijk hof op hunne hand. En toen nu nog bovendien vijanden van buiten het rijk gingen bestoken, sleepte die blijvende inwendige verdeeldheid de jammerlijkste gevolgen na zich. Justinianus 1 (527—565), beroemd als wetgever, trachtte eerst door wereldlijke verordeningen, daarna door het vijfde Oecumenische Concilie te Constantinopel (553) eene verzoening tusscheu de partijen tot stand te brengen; doch zijn eigen wankelende houding vermocht noch de eene noch de andere der partijen te bevredigen, en deed zijne plannen schipbreuk lijden. Een zijner opvolgers, He-raclivï (611 — 641) deed eene formule afkondigen, waardoor in Christus slechts één — goddelijken — w\'ü werd aangenomen. Hij meende, dat de strijdende partijen nu den strijd over de tweevoudige natuur zouden opgeven, en zich in de erkenning van één wil zouden vereenigen. Doch gansch anders geschiedde het. Onder den naam van Monotheleten 2) ontstond nu eene derde partij. Ten slotte gaf het hof alle pogingen om te bemiddelen op en verbood eenvoudig den strijd. Dit verbod bleef vruchteloos. Toen begon het hof op de meest onrechtvaardige en gruwelijke wijze hen te straffen, die het Catholiek geloof waren toegedaan. Zóó werd in 662 de tachtigjarige monnik Maxiinus openlijk gegeeseld en aan tong en handen wreed verminkt, en den Roomschen bisschop Martinus (f 655) sleepte men, daar hij zich niet wilde voegen naar de keizerlijke besluiten, naar de wildernissen van de Zwarte Zee, waar hij als banneling omkwam. Eindelijk echter behield de leer, in het Westen steeds gehuldigd, ook in het Oosten de overhand, dat in Christus een tweeledige natuur, en dus ook een tweeledige wil moest worden aangenomen. Op de zesde algemeene Kerkvergadering van Constantinopel (6S0) werd deze leer als kerkleer aangenomen. De strengere aanhangers van de Monotheletische leer, die zich niet wilden vereenigen met de leer der Kerk, verzamelden zich nu om het Maron-

1) D. i. één natuur in Christus aannemende.

2) Zij, die één wil in Christus auuuemen.

-ocr page 229-

207

klooster op den Libanon, waar zij — voortaan Maronieten genaamd — achter de natuurlijke borstwering hunner bergen, allen vijanden het hoofd boden en de leer van éenen wil in Christus hoog hielden.

De Monophysitische leer bleef in Azië en Afrika voortbestaan.

In al deze strijdigheden over geloofszaken, was het groote verschil tusschen Westersche en Oostersche Kerk helder aan het licht getreden. Maar ook; in gewoonten en gebruiken toonde zicii dit verschil. Het Oosten diende de beelden en hield strenge vasten. Het quot;Westen hechtte daaraan minder. In het Oosten waren de priesters gehuwd, in het Westen ergerde men zich aan het priesterhuwelijk. Sedert het Romeinsche rijk gesplitst was, rekenden de bisschoppen van Constantinopel zich gelijk in rang met de bisschoppen van Rome, en vonden het niet onaangenaam, wanneer zij hen konden weerspreken of ran dwaling en ketterij beschuldigen. Zoo werd meer en meer eene scheuring van de christenheid in twee groote legerkampen voorbereid. Een schijnbaar onschuldig woord gaf daartoe nog te meer aanleiding. Toen nl. de kerkvaders te Nicea de vroeger vermelde geloofsbelijdenis opstelden, zeiden zij alleen, dat de Heilige Geest van God den Vader uitging. De Christus zegt intusschen : „Indien Ik henenga, zoo zal Ik Hem (den Trooster) tot u zendenquot; (Joh. 16 ; 7). In overeenstemming daarmede, leerde men in het Westen, dat de Heilige Geest van den Vader en den Zoon uitging. Deze leer werd op een Synode van Toledo (584) als kerkleer vastgesteld. Daar men nu deze woorden toevoegde aan de Niceensche geloofsbelijdenis, werd de Westersche Kerk door de Oostersche aangeklaagd, dat zij de belijdenis, door de vaderen nagelaten, vervalscht had. Zoo werden de christenen van elkander vervreemd, terwijl zij in hunne zelfzucht vergaten, dat zij één lichaam waren en éénen Heer toebehoorden. De volkomen breuk tusschen beide deelen dei-Kerk valt intusschen eerst in het volgende tijdperk.

§ 34.

Beroemde leeraren der Kerk.

Wanneer wij het leven van de voornaamste strijders voor de zaak van liet Godsrijk uit het tijdperk, waarover wij nu gehandeld

-ocr page 230-

208

hebben, aan onze oogeu willen laten voorbijgaan, dan valt wel het eerst onze blik op Athanasius (396—378).

Toen eens de bisschop van Alexaudrië, Alexander, in de stad zijner inwoning het spel van eenige knapen gadesloeg, zag hij, dat een van hen, spelenderwijze, eenige makkers doopte, terwijl hij de daarbij gebruikelijke handelingen nauwkeurig nabootste. Hij zag daarin eene vingerwijzing inet het oog op de verdere loopbaan van dezen knaap, en zoo liet de bisschop den kleinen dooper, wiens naam Athanasius was, tot den geestelijken stand opleiden. Bij zijn opwassen vertoonde zijn beschermeling den schoonsten aanleg. Voornamelijk hield hij zich bezig met de werken van Origenes, die vroeger in Alexaudrië als leeraar gearbeid had. Juist in dezen tijd streed het heidendom zijnen laatsten strijd tegen het Christendom, en Athanasius, in de geestdrift der jeugd, gevoelde zich geroepen om voor het eerst naar de pen te grijpen en in twee geschriften het Evangelie tegen zijne tegenpartijders te verdedigen. Nog bijna een jongeling, werd hij reeds archi-diaken van den nu door ouderdom gebogen bisschop en begeleidde hem naar het Concilie van Nicea, alwaar hij door overtuigende welsprekendheid de belijdenis van de Godheid vau Christus deed aannemen, al stond hij ook in rang en leeftijd ver beneden de overige aanwezige bisschoppen. Yan dien tijd af is zijn leven één onafgebroken strijd tegen de dwaalleer van Arius, en gaat derhalve met den Ariaanschën strijd op en neder, voornamelijk nadat hij, na den dood van Alexander, bisschop van Alexandrië was geworden. Hij verzette zich tegen den uitdrukke-lijken wensch des keizers, om Arius weder in de gemeenschap der Kerk op te nemen. Zijn plicht als herder der kudde toch verbood hem, in het midden zijner gemeente onchristelijke leeringen te dulden. Hierop, door Ariaanschgezinde bisschoppen hevig vervolgd en bij Constantijn aangeklaagd, werd hij naar Trier verbannen. Doch ook in zijne verbanning trachtte hij het rijk Gods te dienen, terwijl hij voor het in het Oosten juist opkomende monnikenwezen, in het Westen den weg baande. Daar verbreidde zich plotseling het gerucht van den onverwachten dood van Arius, waarin sommigen een strafgericht Gods meenden te zien. Athanasius, die de grootste tegenstander van den gestorvene geweest was, sprak toen kalm en waardig: „De dood is voor alle menschen het gemeenschappelijk einde des levens, en over den dood van niemand, ook niet van zijnen grootsten

-ocr page 231-

209

vijand, mag men zich verheugen. Wij weten toch niet, of vóór den avond ook ons misschien niet een zelfde lot wacht.quot; Na den dood van hunnen vader riepen de zonen van Constantijn Athanasius uit zijne ballingschap terug, misschien wel op verlangen van den gestorvene. Doch weldra begonnen de vervolgingen opnieuw, en een bevel des keizers ontzette Athanasius uit zijn ambt. De quot;Westersche bisschoppen — vooral die van Rome — verklaarden nu, dat de verstootene de wettige bisschop van Alexandrië, en dat zijne zaak rechtvaardig was. Met dreigingen en straffen bracht men hen echter zoover, dat de meesten van hen een banvonnis over Athanasius onderteekenden. Keizerlijke soldaten werden nu afgezonden om zich van zijn persoon meester te maken. Onbeschaamd drongen zij de kerk binnen, waar hij juist godsdienstoefening hield. Hij nam toen de vlucht, doch niet vóór de dienst op waardige wijze geëindigd was en hij gezorgd had, dat de gemeente rustig uit elkander ging. Langen tijd vertoefde hij toen in de Libysche woestijn, tot Julianus de Afvallige hem zijne vrijheid teruggaf en hem in zijn ambt herstelde. Doch de valsche keizer bedroog zich in zijne verwachting, dat daardoor de strijd in de Kerk opnieuw zou ontbranden. Integendeel was de teruggekeerde balling er voortdurend op bedacht, in zijne verscheurde gemeente vrede en eendracht weer te herstellen. Vele Catholiekgezinde bisschoppen hadden in den Ariaanschen strijd, uit vrees voor het keizershuis, de waarheid verloochend en werden daarom nu door strenge ijveraars zeer hard gevallen. Doch Athanasius wenschte, dat zij met zachtheid beoordeeld zouden worden, wanneer zij berouw toonden over hunne dwaling. Ten slotte verbande Julianus opnieuw den man, die geen verdeeldheid maar vrede bracht. Ook door Julianus\' opvolgers werd hij niet met rust gelaten, en alleen de laatste jaren zijns levens heeft hij in ongestoorde rust te Alexandrië mogen doorbrengen. Zes-en-veertig jaren lang heeft hij de bisschoppelijke waardigheid bezeten, doch bijna de helft van dezen tijd in ballingschap doorgebracht. Zijn onrustig leven heeft hem verhinderd werken van grooteren omvang te schrijven, waartoe hij anders al de vereischten bezat. Maar de strijd van zijnen tijd heeft hem toch nu en dan tot schrijven gebracht. O. a. heeft hij vier redenen tegen de Arianen geschreven. Over het algemeen was deze strijd tegen Arius de groote taak zijns levens, door God hem op de schouders gelegd, en door Zijne hulp heeft hij deze taak ook

14

-ocr page 232-

210

roemrijk vervuld. Het was hem voortdurend helder voor den geest, hoe de gematigde leer van het semi-Arianisme eene loochening van de godheid van Christus en van de drieëenheid in zich sloot, al noemde zij Christus „gelijkend op God \'. Wat toch slechts gelijkt op God, is niet zelf van goddelijken oorsprong. In dezen strijd wilde Atha-nasius steeds eerlijke wapenen gebruikt zien. Onderstaande woorden uit zijne geschriften leggen daarvoor het duidelijkste getuigenis af. „Het is en blijft het schoonste kenmerk der vroomheid geen geweld, maar bewijsgronden te gebruiken. De duivel alleen is gedwongen de poorten met houweel en bijl stuk te slaan, daar hij geen waarheid medebrengt. De Heiland dringt zich aan niemand op met geweld, maar klopt zacht en vriendelijk aan. — Het wezen der waarheid brengt nu eenmaal mede, om niet door krijgslieden en wapengeweld, doch alleen door bewijsgronden en vrije overtuiging erkend en verbreid te worden. Maar hoe kan van vrije overtuiging sprake zijn, als men uiterlijk geweld heeft te vreezen? Of hoe kan men onpartijdig onderzoek verwachten, wanneer hij, die het waagt, de groote menigte te wederspreken, zoo al niet dood en verbanning, dan toch andere krenkingen en onrecht heeft tegemoet te zien?quot;

Athanasius was het voornaamste werktuig in Gods hand om de Ariaansche dwaalleer te overwinnen. Door tijdgenooten en later levende geslachten is dit erkend, en daarom is hem de bijnaam van „vader der orthodoxiequot; gegeven. Ook werd de derde der alge-meene christelijke geloofsbelijdenissen de Athanasiaansche genoemd — hoewel die misschien eerst in de vijfde eeuw ontstaan is. Met klare, en scherp belijnde uitdrukkingen wordt daarin het geloof aan de godheid van Christus beleden, en in het algemeen het geloof aan de heilige drieëenheid, terwijl iedere openlijke of bedekte bestrijding dezer leer met kracht er in wordt tegengegaan.

Een ander voortreffelijk man was Basilius de Groote (339—379).

Hij was te Caesarea in Klein-Azië uit een aanzienlijk geslacht gesproten. Als knaap door zijne grootmoeder Macrina in de kennis van het Evangelie onderwezen, hoorde hij te Constantinopel en te Athene in zijne jongelingsjaren de beroemdste wijsgeeren van zijnen tijd, die voor het meerendeel nog het heidendom waren toegedaan. Daarop keerde hij naar zijn vaderland terug, om daar als pleitbezorger zich te vestigen. Maar in dien tijd maakte eene krachtige, innerlijke aandoening zich van hem meester. Zijn hart werd tot de

-ocr page 233-

211

dingen des hemels aangetrokken, en toen nu juist in dien tijd eene vreemde stad onder de meest eervolle voorwaarden hem als redenaar binnen hare muren begeerde, sloeg hij deze aannemelijke aanbieding af, en nam zich voor, geheel aan \'s Heeren dienst zich te wijden. Alle wereldsche wijsheid scheen hem nu dwaasheid, vergeleken met de wijsheid, die de Christus geeft. Nadat hij nu den doop had ontvangen, woonde hij als kluizenaar aan den oever eener rivier. Het lag intusschen niet in zijne bedoeling, zich aan lediggang over te geven. Integendeel, met ronde woorden sprak hij het uit, dat het gewone kluizenaarsleven in strijd was met het gebod der liefde, omdat het alle verkeer met de medemenschen afsloot. Daarom ging hij trouw onder de menschen, onderwees voornamelijk de jeugd, en verzamelde 0111 zich een aantal metgezellen, die hij tot dezelfde leefwijze opvoedde. Zoo werd hij de stichter van een mon-niken-vereeniging, waarin men zich oefende in ware vroomheid en nuttigen arbeid. Later tot bisschop in zijn vaderstad verkozen, stichtte hij daar een groot broederhuis, de Basilias genaamd, bestemd voor de opname van kranken en dakloozen, een huis, dat met zijne talrijke bijgebouwen en zijn groot aantal bewoners, wel een afzonderlijke stad scheen te zijn. Aan deze stichting legde Basilius zijn gansche vermogen ten koste. Voor zich zeiven had hij bijkans geene behoeften. Toen de Ariaansche troebelen den vrede der christenheid kwamen storen, hield Basilius ze tegen, zoover zijn woord en blik reikten. Keizer Valens, daarover vertoornd, bedreigde hem met strenge straffen. Maar Basilius verklaarde met groote kalmte, dat hij geen vrees kende. Hij schuwde geen verbanning, daar de Heer overal met hem zou zijn; evenmin den dood, die hem maar des te eerder bij zijnen Heer zou brengen. Ongedeerd liet de keizer hem toen gaan. Evenwel, zijn krachten waren spoedig uitgeput, en toen hij nog nauwelijks acht jaren de bisschoppelijke waardigheid had bekleed, kwam de dood hem reeds oproepen. Zijn laatste woord was : „Mijn God, in Uwe handen beveel ik mijnen geest.quot; Behalve zijne andere geschriften zijn ons vierhonderd brieven bewaard gebleven, die voor de kennis van die tijden van het grootste gewicht zijn. Wat zijn karakter aangaat, de oorspronkelijk zeer voortvarende Basilius was langzamerhand tot die kalmte en beslistheid gekomen, die, verre boven den dienst van het vergankelijke uitgaande, een bewijs is van een hart, dat de wereld in zich

-ocr page 234-

312

heeft overwonnen, eu nu de wereld om zich heen met helderen blik overziet en met vasten wil beheerscht.

Basilius had nog eene zuster Macrina en eenen jongeren broeder Gregoriiis. De zuster werd abdis van een vrouwenklooster, de broeder (f 394) bisschop in de stad Nyssa, in welke hoedanigheid hij levendig deel nam aan den Ariaanschen strijd en in woord en geschrift beide — vooral op de Kerkvergadering van Constauti-nopel — de godheid van Christus verdedigde.

Met het zoo juist besproken broederpaar was Gregorim van Nazi an ze (f 390) door iieilige vriendschap nauw verbonden. De geschiedenis zijner jeugd brengt ons in de kalme omgeving van een christelijk huisgezin en maakt het ons opnieuw duidelijk, hoe heerlijk ook eene vrouw in haar beperkten werkkring arbeiden kan voor Gods Koninkrijk. Zijne moeder Noma was de ziel zijner ouderlijke woning, en haar leven mag met recht een leven genoemd worden, dat met Christus verborgen was in God. De feestdagen der Kerk waren ook feestdagen voor haar huis, en zij toonde dan een vroolijk gelaat, ook wanneer leed haar drukte. Eindelijk werd door haar gebed en vromen levenswandel ook haar man voor het geloof gewonnen, en nu bracht zij haar lang verwachten eerstgeboren zoon in het huis des Heeren, en wijdde hem aan den dienst van God. Eens, toen zij voor het altaar geknield lag, nam de dood haar weg. Het beeld nu van deze moeder prentte zich zóó diep in de ziel van Gregorius, dat het hem als een beschermengel overal vergezelde. Toen hij zich naar Athene begaf om aldaar zijne studiën te voltooien, werd hij op de zee door storm beloopen, zoodat het schip dreigde te vergaan. En toen hij nu ook aan zijne moeder dacht, wijdde hij zich zeiven geheel aan \'s Heeren dienst toe, indien hij uit het groote gevaar gered mocht worden. En zie, de storm bedaarde en de zee werd kalm. Gregorius vergat zijne gelofte niet, en bleef onbesproken van gedrag en rein van harte in de groote weelderige stad. Daar, te Athene, sloot hij ook zijn vriendschapsverbond met Basilius, een verbond, dat geworteld was in hun gemeenschappelijk geloof. In die dagen studeerde ook Julianus, de latere keizer, toen nog een jongeling, te Athene. Al was hij oogenschijnlijk het Evangelie toegedaan, toch doorgrondde Gregorius met zijn kalmen, scherpen blik de plannen, die deze trotsche vorstenzoon smeedde, en met smart eu wrevel riep hij eens uit: „Welk een pest koestert toch het rijk

-ocr page 235-

in eigen binnenste!quot; Nadat hij Athene verlaten had, vertoefde hij een tijdlang als kluizenaar bij Basilius. Daarop werd hij medehelper zijns vaders, die intusschen tot bisschop van Nazianze gekozen was. Na diens dood trok hij zich in de eenzaamheid terug, tot de Ari-aansche strijd hein weer op het wereldtooneel terng bracht. Te Constantiuopel hadden zich nl. de vrienden van de Niceensche geloofsbelijdenis van de meestal Ariaanschgezinde overige bevolking afgescheiden. Deze beriepen nu Gregorius als bun geestelijk hoofd. Kort daarna verklaarde keizer Theodosins zich tegen de Aria-nen, en werd Gregorius tot patriarch van Constantinopel benoemd. Niet lang heeft hij echter dit hooge ambt bekleed. Alras bleek de last daarvan hem te zwaar, en legde hij zijne waardigheid neder. Nadat hij voor het juist te Constantinopel vergaderde Concilie een heerlijk schoone afscheidsrede gehouden had, keerde hij naar zijn vaderland terug, waar hij zich rustig aan de wetenschap en dichtkunst wijdde. Zonder takt in ziju verkeer met de buitenwereld en bovendien dikwijls licht geraakt en mismoedig, was hij niet berekend voor de hooge eischen in zoo ernstigen tijd aan eene hooge kerkelijke waardigheid gesteld.

Een tijdgenoot van bovengenoemde mannen was Johannes, patriarch van Constantinopel, die om zijne schitterende redenaarsgaven Chrysostomos — d. i. guldenmond — genoemd werd. In 347 was hij te Antiochie uit eene aanzienlijke familie geboren. Reeds vroeg verloor hij zijnen vader, waarna hij door zijne uitnemende moeder Anthusa werd opgevoed, die niettegenstaande zij nog jong was nooit haar weduwenkap aflegde. Als jongeling volgde hij de lessen van een beroemden heidenschen wijsgeer, die hem zijnen uitnemendsten leerling noemde, en de christenen verweet, dat door hen zulk een kracht aan de wijsbegeerte werd onttrokken. Daarop sloot Johannes zich bij eene vereeniging van monniken aan, totdat de verstandige bisschop zijner vaderstad hem bewoog uit zijne stille afzondering weder te keeren, en zich aan den dienst der Kerk te wijden door te Antiochie als prediker op te treden. Daar hij meester was van den vorm en bovendien een krachtig ontwikkeld geloofsleven bezat, werd hij van zeil\' de grootste prediker van zijnen tijd. Weldra werd hij tot patriarch van de keizerstad benoemd. Toen hij nog jong was had hij eens een geschrift uitgegeven, waarin bij met groote geestdrift de heerlijkheid van den geestelijken stand

-ocr page 236-

214

beschreef. En nu, als man, trachtte hij tot uitvoering te brengen, wat toen reeds in zijne ziel gerijpt was. Daar vele inenscheu zich door beroepsbezigheden lieten weerhouden de godsdienstoefeningen bij te wonen, begon Johannes (Chrysostomus) bijzondere avonddiensten te houden, opdat niemand meer een voorwendsel voor zijn verzuim zou hebben. Zoo liet hij ook in eene der kerken in het Gothisch het Evangelie prediken, om de talrijke Gothen te bearbeiden, die door de volksverhuizing naar Constantinopel waren gebracht. Zelf leefde hij zeer eenvoudig, maar voor de armöii stond zijn huis en hart altijd open. Doch juist deze eenvoudige leefwijze kon de bevolking van het prachtlievende Constantinopel niet begrijpen. Zij was gewoon, hare geestelijke en wereldlijke overheden met pracht en luister te zien optreden. Langzamerhand werden de gemoederen tegen hem ingenomen, hetgeen maar al te ernstige gevolgen voor Chrysostomus na zich zou sleepen. Eenige Afrikaansche monniken waren om hunne liefde voor de geschriften van Origenes door hunnen bisschop vervolgd, die dezen kerkvader voor een ketter verklaarde. Deze monniken nu werden door Chrysostomus met hartelijke liefde ontvangen, waarop genoemde bisschop hem bij het keizerlijk hof aanklaagde. Nu begon voor hem eene reeks van bittere krenkingen, die zijne gemoedsrust en zijnen arbeid afbreuk deden. In den aanvang nam hij wel het streven zijner vijanden gelaten en getroost op, en zeide eens tot zijne diep geschokte vrienden: „Bidt met ernst, en weest alleen bezorgd voor het welzijn der Kerk. De leer van den Christus is met mij niet begonnen en zal met mij niet ophouden.quot; Doch ten slotte werd hij de even kleingeestige als onrechtvaardige lasteringen moede, en vergat dan somwijlen zijne gewone zachtmoedigheid. Aan het hoofd zijner tegenstanders stond de keizerin Eudoxia, de heerschzuchtige gemalin van den zwakken Arkadius. Eens, toen ter barer eere een beeldzuil was opgericht, waarbij eene echt hei-densche praalvertooning plaats vond, meende Chrysostomus dit in zijne prediking te moeten laken. Toen de keizerin toornig daarover was, gebruikte hij bij eene andere predikatie deze geestige maar tegelijk bittere woordspeling: „Wederom woedt Herodias, wederom eischt zij liet hoofd van Johannesquot;. Eindelijk werd Chrysostomus uit zijn ambt ontzet, en naar den meest afgelegen oever van de Zwarte Zee verbannen. Alle vrienden der Kerk treurden; de

-ocr page 237-

215

balling zelf schikte zich stil in Gods leiding. Lang en was de. reis. Dikwijls liep de weg door onherbergzame wiL.

dikwijls onthielden de ruwe wachters den gevangene iedere verkwikking. Nog eer het eind der reize bereikt was, stond de balling aan den eindpaal van zijn leven. Toen hij den dood voelde naderen, deed hij een wit kleed aan en ontving het heilig Avondmaal. Hij stierf (14 September 407) met het woord, dat zijn levensdevies was geweest: „Geloofd zij God voor alles!quot; Eerst na een dertigtal jaren bekoelde de toorn zijner vijanden; toen werd zijn stoffelijk overschot naar Constantinopel vervoerd en daar plechtig bijgezet.

Een niet onaanzienlijk getal redevoeringen heeft Chrysostomus ons nagelaten. Daaronder is er eeae, die een juisten blik geeft op den tijd waarin deze prediker leefde, en op de wijze waarop hij zijne stof behandelde. De rede, welke wij bedoelen is gehouden bij gelegenheid van het Epiphaniënfeest, en begint aldus: „Gij allen zijt heden blijde. Slechts ik ben bedroefd. Wanneer ik toch op deze zee van menschen vóór mij zie en den omnetelijken rijkdom beschouw, welken de Kerk in al die personen bezit, en dan daarna bedenk, hoe deze gansche menigte zich weder van ons zal afwenden en wegsnellen, dan is mijne ziel vol treurigheid en rouwe daarover, dat de Kerk wel vele kinderen het leven heeft geschonken, maar zich over hen niet bij alle samenkomsten, doch slechts op feestdagen verheugen kan. Welk eene geestelijke blijdschap zou zijn, welk eene verheerlijking Gods, welk eene winst voor de zielen^ als wij bij iedere samenkomst de kerk aldus gevuld zagen! De schippers en de stuurlieden spannen alle krachten in om de zee over te komen en de haven te bereiken. Maar wij laten ons herwaarts en derwaarts slingeren, bedekt door de golven van wereldsche aangelegenheden, terwijl wij een bezoek brengen aan markten en gerechtshoven. Doch op deze plaats verschijnen wij slechts eens of tweemaal in hel jaar. Weet gij niet, dat God kerken heeft doen bouwen om havens te zijn, waar wij ons kunnen bergen voor de stormen van het wereldsch gewoel, en waar wij de stille, rust zullen vinden? Hier is een haven der zielen. Gij ze]ven zijt getuigen voor hetgeen ik hier uitspreek. Hier woedt geen toorn, brandt geen hartstocht, verteert geen nijd. Hier vordert geen overmoed een breede plaats voor zich zeiven, geen ijdele begeerte naar roem doet hier een .aanval op ons hart. Al deze verscheurende dieren worden

\\

-ocr page 238-

214

beschreef. Eu nu, als man, trachtte hij tot uitvoering te brengen, wat toen reeds in zijne ziel gerijpt was. Daar vele menschen zich door beroepsbezigheden lieten weerhouden de godsdienstoefeningen bij te wonen, begon Johannes (Cbrysostomus) bijzondere avonddiensten te houden, opdat niemand meer een voorwendsel voor zijn verzuim zou hebben. Zoo liet hij ook in eene der kerken in het Gothisch het Evangelie prediken, om de talrijke Gothen te bearbeiden, die door de volksverhuizing naar Constantinopel waren gebracht. Zelf leefde hij zeer eenvoudig, maar voor de armön stond zijn huis en hart altijd open Doch juist deze eenvoudige leefwijze kon de bevolking van het prachtlievendêquot; Constantinopel niet begrijpen. Zij was gewoon, hare geestelijke en wereldlijke overheden met pracht en luister te zien optreden. Langzamerhand werden de gemoederen tegen hem ingenomen, hetgeen maar al te ernstige gevolgen voor Cbrysostomus na zich zou sleepen. Eenige Airikaansche monniken waren om hunne liefde voor de geschriften var. Origenes door hunnen bisschop vervolgd, die dezen kerkvader voor een ketter verklaarde. Deze monniken nu werden door Cbrysostomus met hartelijke liefde ontvangen, waarop genoemde bisschop hem bij het keizerlijk hof aanklaagde. Nu begon voor hem eene reeks van bittere krenkingen, die zijne gemoedsrust en zijnen arbeid afbreuk deden. In den aanvang nam hij wel het streven zijner vijanden gelaten en getroost op, en zeide eens tot zijne diep geschokte vrienden: „Bidt met ernst, en weest alleen bezorgd voor het welzijn der Kerk. De leer van den Christus is met mij niet begonnen en zal met mij niet ophouden.quot; Doch ten slotte werd hij de even kleingeestige als onrechtvaardige lasteringen moede, en vergat dan somwijlen zijne gewone zachtmoedigheid. Aan het hoofd zijner tegenstanders stond de keizerin Eudoxia, de heerschzuchtige gemalin van den zwakken Arkadius. Eens, toen ter barer eere een beeldzuil was opgericht, waarbij eene echt hei-densclie praalvertooning plaats vond, meende Cbrysostomus dit in zijne prediking te moeten laken. Toen de keizerin toornig daarover was, gebruikte hij bij eene andere predikatie deze geestige maar tegelijk bittere woordspeling: „Wederom woedt Herodias, wederom eischt zij liet hoofd van Johannesquot;. Eindelijk werd Cbrysostomus uit zijn ambt ontzet, en naar den meest afgelegen oever van de Zwarte Zee verbannen. Alle vrienden der Kerk treurden; de

-ocr page 239-

215

balling zelf schikte zich stil in Gods leiding. Lang en moeitevol was de reis. Dikwijls liep de weg door onherbergzame wildernissen; dikwijls onthielden de ruwe wachters den gevangene iedere verkwikking. Nog eer het eind der reize bereikt was, stond de balling aan den eindpaal van zijn leven. Toen hij den dood voelde naderen, deed hij een wit kleed aan en ontving het heilig Avondmaal. Hij stierf (14 September 407) met het woord, dat zijn levensdevies was geweest: „Geloofd zij God voor alles!quot; Eerst na een dertigtal jaren bekoelde de toorn zijner vijanden; toen werd zijn stoffelijk overschot naar Constantiuopel vervoerd en daar plechtig bijgezet.

Een niet onaanzienlijk getal redevoeringen heeft Chrysostomus ons nagelaten. Daaronder is er eene, die een juisten blik geeft op den tijd waarin deze prediker leefde, en op de wijze waarop hij zijne stof behandelde. De rede, welke wij bedoelen is gehouden bij gelegenheid van het Epiphaniënfeest, en begint aldus: „Gij allen zijt heden blijde. Slechts ik ben bedroefd. Wanneer ik toch op deze zee van menschen vóór mij zie en den onmetelijken rijkdom beschouw, welken de Kerk in al die personen bezit, en dan daarna bedenk, hoe deze gansche menigte zich weder van ons zal afwenden en wegsnellen, dan is mijne ziel vol treurigheid en rouwe daarover, dat de Kerk wel vele kinderen het leven heeft geschonken, maar zich over hen niet bij alle samenkomsten, doch slechts op feestdagen verheugen kan. Welk eene geestelijke blijdschap zou zijn, welk eene verheerlijking Gods, welk eene winst voor de zielen^ als wij bij iedere samenkomst de kerk aldus gevuld zagen! De schippers en de stuurlieden spannen alle krachten in om de zee over te komen en de haven te bereiken. Maar wij laten ons herwaarts en derwaarts slingeren, bedekt door de golven van wereldsche aangelegenheden, terwijl wij een bezoek brengen aan markten en gerechtshoven. Doch op deze plaats verschijnen wij slechts eens of tweemaal in het jaar. Weet gij niet, dat God kerken heeft doen bouwen om havens te zijn, waar wij ons kunnen bergen voor de stormen van het wereldsch gewoel, en waar wij de stille rust zullen vinden? Hier is een haven der zielen. Gij zelven zijt getuigen voor hetgeen ik hier uitspreek. Hier woedt geen toorn, brandt geen hartstocht, verteert geen nijd. Hier vordert geen overmoed een breede plaats voor zich zelven, geen ijdele begeerte naar roem doet hier een .aanval op ons hart. Al deze verscheurende dieren worden

-ocr page 240-

216

in toom gehouden, zoodra het woord der Schriften door het oor in het hart gedrongen is, en die dwaze hartstochten tot stilzwijgen heeft gebracht. Hoe ongelukkig zijn toch degenen, die slechts zelden tot onze moeder — de Kerk — komen, terwijl zij hier konden toenemen in wijsheid ! Kondet gij een vruchtbaarder bezigheid, of een meer gezegende samenkomst hebben? Wat verhindert n dan hier met ons samen te komen? Te vergeefs maakt gij uwe armoede tot voorwendsel. Dat is geen afdoende reden. Zeven dagen zijn er in de week. Daarbij heeft God nu zulk een milde schikking gemaakt, dat Hij slechts éenen dag voor zich heeft gehouden. En op dien éenen dag wilt gij niet rusten van uwe wereldsche zorgen, en maakt zoo u zeiven gelijk aan de kerkroovers, terwijl gij eenen dag, die bestemd is voor het aanhooren van geestelijke redenen rooft en voor uwe aardsche belangen misbruikt! Doch wat spreek ik ran den ganschen dag? Doet in den loop van den rustdag slechts dat, wat de weduwe bij hare aalmoes deed. Zij wierp twee penningskens in, en ontving veel genade bij God. Wijdt gij slechts twee uren van den dag aan den Heer, en gij zult eene winst van zeshonderd dagen in uw huis brengen. Wanneer daarentegen God veracht wordt, dan verstrooit Hij de schatten, die gij hebt verzameld.\' \' —

Toen de vervolging tegen hem begon, liet hij zich in zijne prediking aldus hooren: „Er zijn vele golven en er is een geweldige vloed. Maar wij vreezen niet onder te gaan, want wij staan op de rots. Moge de zee ook al koken — zij kan de rots niet doen smelten; mogen de golven bruisen — het scheepje van Jezus kan niet zinken. Zeg mij, wat ter wereld zullen wij vreezen? Den dood misschien? Christus is mijn leven en het sterven mij gewin. Of verbanning? De aarde is des Heeren, mitsgaders hare volheid.quot; —

Bij de reeds genoemde mannen verdient verder Ambrosius (Siü—397) genoemd te worden.

Hij was de zoon van den Romeinschen landvoogd in Gallië. Deze en zijne familie behoorden reeds sedert langen tijd tot de christelijke Kerk, ja onder zijne voorouders telde hij eene martelares, en eene dochter des huizes — de edele Marcellina — woonde als non te Rome. Toen Ambrosius\' vader gestorven was, toog ook de moeder met de jongere kinderen naar Rome, alwaar Ambrosius van knaap tot jongeling opgroeide, onderwezen in alle kennis van

-ocr page 241-

317

zijnen tijd, om eens een aanzienlijk staatsambt te kunnen be-kleeden. Ook het Koninkrijk Gods bleef voor hem geen onbekend gebied. Door de trouwe zorgen zijner moeder en zuster werd hij dat koninkrijk nader gebracht. Maar den doop had hij nog niet ontvangen. Nauwelijks was hij de jongelingsjaren ontwassen, of hij werd benoemt! tot keizerlijk stedehouder te Milaan. Ook in deze stad evenals in zoovele andere, was de christelijke gemeente door den A.riaanschen strijd in twee vijandelijke legerkampen verdeeld. Toen nu de bisschop stierf en de gemeente in de hoofdkerk bijeengeroepen werd oin eenen nieuwen bisschop te kiezen, ontstond er eene groote beroering, en begonnen in de vergadering de meest stormachtige tooneelen. Gretrouw aan zijn plicht snelt Ambrosius toe en maant tot de orde. Men luistert naar zijn woord; de onstuimige golven komen tot bedaren. Toen men dan nu tot de stemming zal overgaan, wordt eensklaps de stem van een kind vernomen, dat roept: „Ambrosius moet bisschop worden!quot; (jleheel de menigte ziet hierin een stem Gods; dit oogenblik beslist alles, en Ambrosius wordt gekozen. Doch hij weet hoe gewichtig het ambt is, en zich zeiven acht hij zoo gering. Zoo legt hij dan de verklaring af, dat hij de roepstem niet kan opvolgen, ja verlaat zelfs de stad, waar op zoo onwelkome wijze de liefde jegens hem zich lucht had gegeven. Doch alle weigering is te vergeefs, en eindelijk buigt Ambrosius zich dan ook voor \'s Heeren duidelijk uitgesproken wil, en neemt in een ernstigen tijd zijn gewichtig ambt op zich. Het ging hem hierbij als dien profeet, die moest uitroepen: „Heer, Gij hebt mij overreed en ik ben overreed geworden; Gij zijt mij te sterk geweest eu hebt overmocht!quot; (Jerem. 20 : 7.) Gave God, dat er vele dienaren waren, die hooge ambten ontvloden, en zich eerst door God lieten overreden en winnen!

Ambrosius werd nu gedoopt en begon zijnen arbeid. Zijne bezittingen schonk hij aan de armen, en zijne broederlijke zorg voor Marcellina was de eenige dam, dien zijne vrijgevigheid kende. Zijn ambt nam hij met groote trouw en nauwgezetheid waar; hij predikte, hoewel dit niet noodzakelijk tot zijn ambt behoorde, ja, zelfs menig-werf tweemalen iederen Zondag. Voor al de leden zijner gemeente stond zijn hart open, en volgens den eiscli der Schrift verblijdde hij zich met de blijden en weende met de- weenenden. Met bezig-hedon overladen en door tal van bezoekers altijd omringd, had hij

-ocr page 242-

218

toch nog rustigen tijd voor allen en alles. Wanneer wij luisteren naar iemand, die bij hem in en uitging, dan vernemen wij : „Ik kon hem niet vragen, wat ik wilde, zooals ik dat wilde. Scharen van menschen, die hij in hun nood of zwakheid van dienst was, sloten mij den toegang tot zijn oor en mond af. En was hij met hen niet bezig, dan verkwikte hij, wat hem zelden vergund werd, zijn lichaam met het allernoodzakelijkste voedsel, of zijne ziel met lezen. Wanneer hij zoo las, liepen zijne oogen, als het ware, de bladzijden langs. Zijn hart vorschte dan naar den zin der woorden, en stem en tong bleven stom. Het was niemand verboden bij hem binnen te treden, en men behoefde zich niet bij hem te laten aandienen. Wanneer ik bij hem was, zag ik hem dikwijls geheel in het lezen verdiept. Zwijgend zaten wij dan bij elkander en zwijgend gingen wij dan uiteen; want wie zou het wagen hem, die zoovele bezigheden had, dan te storen? lederen Zondag hoorde men bem het woord der waarheid aan het volk verkonden, en steeds werd het mij duidelijker, dat al die gezochte moeielijkheden, waarin zij, die mij tot verleiders waren, de Heilige Schrift hadden gewikkeld, zeker moeten kunnen worden ontwardquot; (Augusti nus).

Ambrosius beoefende ook de dichtkunst. Zijne Latijnsche psalmen behooren tot de voortreffelijkste kerkliederen van den ouden tijd. Waarschijnlijk is de z. g. Ambrosiaansche lofzang (ons Gez. 3) de vertaling door Ambrosius van een Oostersch lied. Het Oosten, de bakermat van het Christendom, was rijk aan liederen en zong deze op de levendige en opgewekte wijze van het volkslied. Deze wijze van zingen voerde Ambrosius nu ook in het Westen in. Hoe dit rythmische koraal, (door sommigen ook in onzen tijd terug verlangd,) op menigeen een diepen indruk maakte, blijkt ons uit de woorden van Augustinus, als hij zegt: „Hoe weende ik bij het hooren van dit psalmgezang; hoe werd ik aangegrepen door de liefelijke tonen die in Uw tempel weergalmden, o mijn God! De stemmen drongen mij in het oor, de waarheid drong tegelijk door tot mijn hart, en vrome gewaarwordingen braken er uit te voorschijn. Mijne tranen vloeiden en het was mij daarbij zoo wel te moede.quot;

De wegslepende macht van dit kerkgezang werd eens in een ure van hangen kommer openbaar. Ambrosius had een zwaren strijd te strijden tegen de Ariaansche partij, die, omdat zij zich in de gunst des keizers verheugde, in Italië oppermachtig was. Tegenover

-ocr page 243-

219

haar moest Ambrosius de rechtgeloovige K.crk handhaven, doch zette, door dit te doen, eigen leven en vrijheid op het spel. Eens kwam tot hem het bevel om de kerk aan de Arianen over te geven. Hij weigerde, daar de kerk aan zijne gemeente behoorde en tegelijk met deze aan zijne zorgen was toevertrouwd. Nu werden troepen uitgezonden om tie kerk met geweld in bezit te nemen. Toen bracht Ambrosius met zijne gemeente dag en nacht in het bedreigde godshuis door, niet om zich met geweld te verzettei:, maar om voor het aangevochten recht der kerk te pleiten. Nu weerklonken de bedoelde liederen door het godshuis en alle harten werden er door gesterkt en vertroost. Ambrosius verklaarde zich bereid oin alléén den toorn des keizers te verdragen en alle schuld op zich te nemen. Daarom sprak hij tot het volk: „Met mijnen vrijen wil zoude ik u nooit verlaten, maar het geweld kan ik niet wederstaan. Ik kan treuren, zuchten, weenen, maar tegen wapenen en vreemde krijgsknechten heb ik geen andere wapenen dan tranen, iu waarheid ook het echte wapen van den priester. Een ander wapen ken ik niet en wil ik niet kennen. Maar weet dit, het zijn niet de scharen krijgslieden, liet is niet het wapengekletter om de kerk, waardoor mijn geloof geschokt wordt. Alleen daarom maken zij mij ongerust, omdat ik vrees, dat u ongeluk treffen zal, door mij bij u te houden. Daarom bid ik u, laat uwen priester in den strijd gaan. Het oogenblik is gekomen, dat onze tegenpartij tot den laatsten strijd zich gereed maakt. — Ja, ik bezweer u nog eens, laat mij gaan. Wij weten toch. Broeders! dat de wonden, welke wij om Christus wil ontvangen, niet zulke zijn, waardoor het leven wordt verloren, maar zulke, waardoor het wordt gewonnen. Wanneer eene stad een voorvechter heeft of iemand, die ervaren is in een edele kunst, dan begeert ze, dat hij in den kampstrijd ga. En wat gij zoo in eenvoudige zaken als regel stelt, zoudt gij dat bij \'t grootere verwerpen ?quot;

De trouw van den bisschop en hot goed recht der gemeente behield de zege. Op het beslissende oogenblik waagde het hof het toch niet, geweld te gebruiken. Eindelijk hield alle bemoeielijking op, toen Theodosius het geheele rijk onder zijne heerschappij bracht.

Aan den naam van dezen keizer knoopt zich een der roemrijkste gebeurtenissen uit liet leven van Ambrosius vast. Te Thes-salonica in Macedonië was tweespalt tusschen de burgers en de

-ocr page 244-

320

hoofden der keizerlijke bezetting. In dien tijd nl. bestonden de legers voor het meerendeel uit huurlingen, die het volk vreemd en dikwijls vijandig gezind waren. De oneenigheid nam toe en liep ten slotte zóó hoog, dat eenige keizerlijke hoofdlieden vermoord werden. Het was een groote misdaad, doch de wraak des keizers was nog grooter zonde. In heftigen toorn ontbrand, lette Theodosius niet o]) de waarschuwingen van christelijke vrienden eu beval, zonder onderzoek, een vreeselijke strafoefening over de stad te voltrekken. De uitvoering van dit vonnis droeg hij op aan de verbitterde soldaten zeiven; deze lokten nu het volk in de groote ruimte van het amphitheater en slachtten hen daar, terwijl zij als wilde dieren zich op hen wierpen. Binnen drie uren tijds werden zevenduizend menschenlevens geofferd. Op het vernemen dezer tijding schrijft Ambrosius een ernstigen brief van vermaning aan den keizer, die toen juist in Milaan zijn verblijf hield, en verzekert hem o. a. dat hij geene vrijmoedigheid had, om in tegenwoordigheid van iemand, met zóó zware schuld beladen, het Avondmaal te bedienen. De brief eindigde met deze woorden : „Gelooft gij mij, volg dan dezen wenk, en vergeef mij mijn stoute woorden. Gelooft gij mij niet, vergeef mij dan, zoo ik Gode meer gehoorzaam dan u.quot; De keizer was niet vertoornd op den stoutmoedigen spreker, doch hij nam het voorval niet ernstig op, en kwam zóó eens, zonder er verder bij te denken, in de bisschoppelijke kerk. Toen trad Ambrosius hem tegemoet en weigerde hem den toegang. „Gij schijnt,quot; zoo sprak hij, „nog niet te weten, Heer, hoe groot uw schuld is. Gij zijt een vorst, maar uwe onderdanen zijn uwe mede-dienstknechten, en de eeuwige God is Koning en Heer over allen. Hoe durft uw oog het huis des Heeren aanzien? Hoe durft uw voet den gewijden grond betreden? Hoe wilt gij uwe handen, die nog druipen van bloed uitstrekken, om daarmede het heilige lichaam des Heeren te ontvangen? Ga van hier weg, en stapel geene nieuwe schuld op de oude.quot; Dit woord drong den keizer in het hart. Hij keerde terug en droeg rouw over zijn misdaad. Acht maanden lang bleef hij weg van de tafel des Heeren. Maar toen het Kerstfeest naderde, smeekte hij Ambrosius hein eenc boete op te leggen. De bisschop eischte toen als boete eene wet, dat geen doodvonnis mocht voltrokken worden, dan nadat eerst dertig dagen verloopen zouden zijn. Toen, met een berouwvol hart, nam keizer Theodosius deel aan het

-ocr page 245-

221

Avondmaal, maar tot aan het einde zijns levens bleef hij met smart aan deze daad vau geweld denken.

Niet langen tijd na den dood van Theodosius begon ook Am-brosius ziekelijk te worden. Zijne laatste arbeid was eene verklaring van den 44sten psalm, die hij aan zijnen diaken Paulus dicteerde, maar niet ten einde kon brengen. De dood nam hem weg op Goeden Vrijdag (4 April) van het jaar 397.

Ten slotte verdient nog vermelding, welk een diepen indruk de persoon van Ambrosins zelfs op ruwe heidenen maakte. Eens bevond zich een voorname Frank, met name Arbogast, als Romeinsch legeraanvoerder te Milaan. ïoen deze eens aan de spits zijner leger-afdeeling ten strijde toog, beweerde hij, bij hoog en laag, dat hij bij zijn terugkeer de schoone kerken der stad tot paardenstallen zou maken en de priesters onder zijne soldaten indeelcn. Maar juist deze overmoedige gast was Ambrosius zoozeer genegen, dat hij zich op zijnen omgang met den bisschop als een groot geluk beroemde. En ook de Franken in Arbogast\'s omgeving beschouwden Ambrosius met heiligen eerbied als een wezen van hooger orde, en zeiden zelfs eens tot hunnen veldheer: „Gij overwint daarom al uwe vijanden, omdat de man u liefheeft, die tot de zon zegt: sta stil! en zij staat stil.quot;

Met andere gaven en in andere kringen diende ook Hierony-mus (331—420), uit Stridon in Dalmatië, het rijk Gods. Hij was het kind van christen-ouders en werd als jongeling door zijnen vader naar Rome gezonden, om daar in den tempel der wetenschap zelf een dienaar der wetenschap te worden. Maar terwijl hij de wijzen der heidenwereld, zoowel, die toen leefden als die vroeger geleefd hadden — en onder deze laats ten voornamelijk Cicero — tot zijn leermeesters maakte, vergat hij Hem, die alléén onze Meester zijn wil. Zoo stond dan de begaafde, hartstochtelijke jongeling ongewapend en zonder steun tegenover de verleidingen van het weelderige Rome, voor welke hij ook een enkele maal bezweek. Maar de Heer zocht hem op. Onbevredigd gelaten door de vreugde zoowel als door de wijsheid van de wereld, geraakte hij met zich zeiven in strijd. Nu droomde hij eens, dat hij voor Gods rechterstoel stond en toen hij zich hier op zijn christennaam beroemde, werd hem geantwoord: „Gij zijt geen jonger van Christus, maar van Cicero.quot; Bij zijn ontwaken deed hij toen de gelofte, dat hij zich voortaan

-ocr page 246-

2X2

aan het onderzoek des goddelijken Woords zou wijden. En om nu tegelijk de lusten des vleesches bij zich te onderdrukken, vluchtte hij van Rome weg, naar eene woestijn in het Oosten, waar hij de Heilige Schrift las en zich aan de zwaarste boetedoeningen onderwierp. Daar leerde hij ook het Hebreeuwsch, dat toen ter tijd slechts weinigen machtig waren. Eindelijk keerde hij weer naar de woningen der menschen terug, en woonde toen zonder vaste betrekking in verschillende plaatsen, tot Darnasus, bisschop van Rome, hein opdroeg de toen in gebruik zijnde Latijasche Bijbelvertaling na te uien en te verbeteren. Dit gaf hem aanleiding om een geheel nieuwe Latijnsehe vertaling der H. Schrift te vervaardigen. Het was de vrucht van jarenlange inspanning. Onder den naam Vulgata — d. w. z. algemeen geldige (vertaling) — werd deze vertaling voor het gebruik in de kerken ingevoerd. Hij schreef ze te Bethlehem, waar hij met gelijkgezinde vrienden en vriendinnen zich metterwoon gevestigd had. Over dezen oefende hij een even strenge tueht uit als over zich zeiven. Zoo lichtzinnig als vroeger zijn levensopvatting geweest was, zoo streng was zij nu. Li dienzelfden tijd woonde te Rome een verstandige monnik, Jovinianus. Met beslistheid kwam deze op tegen iedere onthouding, die de monniken vorderden, en toonde aan, dat dit meer en meer veld winnend systeem de ziekte was van zijnen tijd. Hij toonde aan, hoe aan dergelijke onthouding dikwijls verkapte hoogmoed ten grondslag lag, en hoe zij volstrekt niet beschermde tegen verzoekingen. Op heftige wijze heeft Hiero-nymus hem bestreden en ook de tijdgeest was tegen dezen vrijzinnigen monnik. Zóó kende ook Hieronymus\' leven rusteloozen arbeid en strijd, maar naast deze ook tijden van heilige zalving, vooral wanneer zijne levendige verbeeldingskracht zich met het KindJezus bezig hield, in de plaats van wiens geboorte hij woonde. In zulk eene ure schreef bij die schoone verhandeling, waarvan wij hier de vertaling doen volgen: ,,Zoo dikwijls ik deze plaats aanzie, heeft mijn hart een liefelijk gesprek met het Kind Jezus. Ik zeg dan : Ach, Heere Jezus, hoe beeft Gij en ligt hard in die kribbe, ter wille van mijne zaligheid! Hoe zal ik U dat vergelden ? Dan is het mij alsof het Kind Jezus antwoordt: „Ik begeer niets anders, lieve Hieronymus, dan dat gij zingt: Eere zij God in den Hooge! Laat liet u zoo goed zijn; Ik zal nog veel meer ontberingen lijden in den Olijvenhof en aan Golgotha\'s kruis.\'\' Dan zeg ik verder:

-ocr page 247-

„O dierbare Jezus, ik moet ü wat geven; ik zal U al mijn geld geven.quot; Dan antwoordt het Kind mij: „Hemel en aarde behooren Mij reeds. Ik heb uw geld niet noodig, geef het aan de armen. Die gave wil Ik aannemen, als ware het mij zei ven geschonken.quot; Dan zeg ik weer: „Lieve Jezus, dat wil ik gaarne doen, maar ik moet U persoonlijk iets geven of het hart zal mij breken van smart.quot; Dan antwoordt het Kind: „Hieronymus, omdat gij zoo vrijgevig zijt, zal Ik u zeggen, wat gij Mij moet geven. Geef Mij uwe zonde, uw kwaad geweten en uwe doemwaardigheid.quot; Dan zeg ik: „Heer, wat zult Gij daarmede doen?quot; En het Kind Jezus zegt: „Ik zal het op Mijne schouders nemen, zooals Jesaja voor langen tijd voorzegd heeft, dat Ik uwe zonden wil dragen en wegdragen.quot; Bij \'t hoeren dezer woorden begin ik bitterlijk te weenen en zeg: „O Kindeken, hoe hebt Gij mijn hart getroffen! Ik meende, dat Gij wat goeds zoudt willen hebben en nu wilt Gij alles hebben, wat boos bij mij is. Neem dan het mijne, en schenk mij het Uwe! Dan ben ik vrij van zonde en verzekerd van het eeuwige leven.quot;

Nog in hoogen ouderdom moest Hieronymus vluchten, daar vreemde volkeren het land overstroomden. Zijn sterfdag is 30 September 420.

De laatste dezer karakterschetsen zij de geschiedenis van Au-f/nstinus, den grootsten van alle kerkvaders.

Hij was geboren te Tagaste in Zuid-Afrika, op den 13dcn Nov. 354. Zijn vader was nog heiden en, zelf als raadsheer van de stad in hoog aanzien staande, verlangde hij ook zijnen zoon eens groot en gevierd te zien. Van zijne moeder Monica geeft Au-gustinus ons een aantrekkelijke beschrijving. „Zij was in een christelijk huis grootgebracht en wel door de zorgen van eene oude dienares, die ook vroeger haren vader had opgevoed en nu zijne dochter voor hem grootbracht. Na haar huwelijk met mijnen vader was het haar vurige wensch, hem door liefderijke zachtmoedigheid voor het Christendom te winnen. Zoo verdroeg zij zelfs zijne ontrouw met geduld. Hij was opvliegend van aard, doch had overigens een goedaardig karakter. Wanneer hij in toorn was, zweeg zij; als hij rustiger geworden was, sprak zij hem vriendelijk toe.quot; En de Heer vervulde ook bij haar de belofte, die Hij aan de zachtmoedigen heeft gegeven. Het hart van haren echtgenoot werd door de zachtheid van Monica tot het Evangelie gebracht, vóór hij stierf. Doch

-ocr page 248-

224

reeds had het verschil in levensbeschouwing bij de ouders zijn noodlottigen invloed uitgeoefend op de opvoeding van den zoon. Op het voorbeeld zijns vaders, beschouwde Augustinus de vreugde en de eer dezer wereld als het hoogste goed, en te vergeefs wees zijne moeder hem het hemelsche kleinood. En toen hij daarop naar Carthago ging om zich als redenaar en pleitbezorger te bekwamen, kreeg hij daar wel spoedig, door vlijt en gaven te zamen, den naam van een buitengewoon jong mensch, maar tegelijk stortte de om-gansc met lichtzinnige makkers hem diep in het moeras der zonde, zoodat hij alle tucht en alle ingetogenheid vergat. In dien tijd kon hij volgens zijne eigene getuigenis blozen, wanneer hij minder overmoedig was dan zijne makkers. Het smeeken der treurende moeder bleef vruchteloos. Toen vloeiden hare tranen in stilte. In dezen toestand trof eens een bisschop haar aan, die diep getroffen door hare smart, tot haar de profetische woorden sprak : „ Jf ees getroost, Monica! Een hind van zooveel gebeden- kan niet verloren gaan.quot; En de trouwe Herder daarboven ging ook deze verloren ziel na, tot Hij haar vond. Maar het duurde nog lang voor deze zich wilde laten vinden.

Augustinus was nu tot man gerijpt. Hij had, met de ijdele wereld te dienen nu verstaan, hoe die wereld het hart ledig laat. Zijne moeder had hem eens den weg des vredes getoond; hij had dien veracht en vergeten. ]NTu hoopte hij onder de Manicheërs heil en troost te vinden; doch na negen weggeworpen jaren trok hij zich van hen terug, en nam weder zijne toevlucht tot de wijsheid der heidenen. En de zucht naar roem grijpt hem nog eens weer met dubbele kracht aan. Hij hoopt in Rome, de hoofdstad der wereld, eerder te stijgen op den ladder des roems, dan in de beperkte verhoudingen van zijn vaderland. Zijne moeder, sidderend voor de verleidingen van het weelderige Home, tracht nog door vermaning hem van zijn plan af te brengen. Toen misleidt hij haar met het voorwendsel, dat hij alleen een vriend naar het schip wilde geleiden. Doch Monica vertrouwt het niet. Zij ijlt hem na, en kan nog juist in de verte de zeilen zien van het schip, dat al de hoop haar? levens met zich voert. Vastberaden volgt zij — de weduwe — haren zoon naar Rome, en vertrouwend op Gods almachtige hulp, houdt zij niet op met waarschuwen en staakt zij haar gebed niet. Te Rome ziet Augustinus zijne stoute verwachtingen niet bevredigd.

-ocr page 249-

:25

Hij gaat nu naar Milaan, waar hij liet hoofd wordt van de daar bestaande school voor welsprekendheid, en hoort nu Ainbrosius prediken. Deze geweldige prediking grijpt hem aan; de machtige tonen van het Westersche kerkgezang treffen zijn hart en de Kerk van Christus, vroeger door hem veracht, treedt meer en meer vóór hem als eene macht, waarvoor men eerbied hebben moet, eene macht, waarvoor meer en meer zelfs de aanzienlijken en machtigen zich buigen. Hij begint de brieven van Paulus te lezen, en zij doen een geheel nieuw licht vallen op zijn eigen hart en leven. Ernstiger wordt hij en de beslissende ure komt hoe langer hoe nader. Met verbazing ziet hij het aan, hoe overal van heinde en ver ontelbare scharen zich voegen bij de Gemeente des Heeren. Toen roept hij in heftige beweging tot een vriend; „Wat is dat? De onwetenden worden wakker en bemachtigen den hemel, en wij met al onze geleerdheid, maar zonder hart, laten ons rusteloos door vleesch en bloed heren derwaarts slingeren!quot; Nu ijlt hij in den hof om daar zijn zielestrijd verder te strijden. Ouder tranen werpt hij zich ter aarde en smeekt om redding van den vloek der zonde. Daar is het hem, alsof uit een naburig huis de stem van een kind hem toeroept: „Sta op en lees! Sta op en lees!quot; Dit roepen dringt als eene stem Gods door tot zijn hart. Hij slaat de brieven van Paulus op, die hij altijd bij de hand heeft, en zijn oog valt op het slot van het dertiende hoofdstuk van den brief aan de Romeinen, waar de Apostel vermaant eerbaar en niet op de wijze der heidenen te wandelen en den Heere Jezus aan te doen. Van toen af was Augusti-nus een ander man. Zijn positie als leeraar der school gaf hij op; hij werd een leeraar van Christus. In den Paaschnacht van 387 ontving hij den doop, tegelijk met zijnen vriend Alypius, die getuige en deelgenoot van zijn zielestrijd was geweest. Nu kon Monica tranen van dankbaarheid weenen en in vrede heengaan. Niet langen tijd na de bekeering van haren zoon werd zij uit het leven opgeroepen.

Dezelfde Augustinus, die vroeger den glans der wereld gezocht had, vlood nu naar zijne stille, afgelegen vaderstad. Daar arbeidde hij in verecniging met gelijkgezinde mannen aan de loutering vanzijn eigen hart en de verheldering zijner kennis, tot de Heer hem riep als dienstknecht in Zijnen wijngaard. De gemeente te Hippo B.egius — het tegenwoordige Bona lil Algerië — koos hem tot

i J

I

i.

i

Fi

|

■4

M

15

.1

-ocr page 250-

226

presbyter. Slechts met tegenzin volgde hij deze roeping op; hij achtte zich dat ambt niet waardig. Maar toen hij het aanvaard had uit gehoorzaamheid aan den Heer, ontwikkelde hij in geest en woord zulk eene kracht, dat de invloed van zijnen arbeid ver buiten de grenzen van zijn vaderland en van zijnen tijd gevoeld werd. Terwijl hij misschien in veelheid van kennis achterstond bij eenige leeraars der Kerk, overtrof hij allen in diepte van geestelijk leven, en in moed, om uit te komen voor hetgeen hij geloofde. Evenals Panlus eenmaal juist daarom van de onbeduidendheid onzer werken en van het wezen der goddelijke genade een waarachtig getuigenis kon geven, omdat hij vroeger een Pharizeër en een vijand van het Evangelie geweest was, zoo doorzag ook Augustinus het verderf van het menschelijk hart des te beter, naarmate hij zelf er meer mede had te strijden gehad. En wat hij ervaren had en voor waarheid hield, dat sprak hij met volkomen openhartigheid uit, zonder er zich om te bekommeren of het anderen ook voorkwam eene harde rede te zijn. Door deze eigenschappen was zijn optreden in den kerkdijken strijd van zijn tijd van des te grooter gewicht en van des te meer invloed. Reeds vroeger is er over gehandeld, hoe hij met krachtige hand in de Pelagiaanscbc twisten ingreep. Hierdoor had hij aanleiding om talrijke geschriften in het licht te geven, die voor het grootste deel nog tot ons gekomen zijn.

Tot de meest bekende van zijne geschriften behooren zijne „Confessionesquot; of belijdenissen, waarin hij zijne zonde en bekeering behandelt. „De Confessiones,quot; zegt von Eaumer, „zijn ccni! ernstige biecht, voor het aangezicht Gods, tegenover de wereld afgelegd. Terwijl het er hem met ernst om te doen is de waarheid te vinden, verdiept hij zich in het beschouwen van den afgrond zijner zondige neigingen en vervolgt de zonden tot in haren donkersten schuilhoek, tot aan dat punt, waar de mensch moet erkennen: ie kan het weten, hoe menigmaal hij zondigt? Vergeef inij ook de verborgen afdwalingen.quot; —

Zulk eene biecht was iets ongehoords. Immers, de menschen beproeven meestal in navolging van Adam en Eva, hunne zonden zoo mogelijk te verzwijgen, te bedekken of in een schoon daglicht te plaatsen, liever dan ze te erkennen. Augustinus wilde niets verzwijgen, maar duidelijk aan de geheele wereld doen hooren, wat hij verkeerds gedaan, gedacht of gesproken had. Hij wilde zich in

-ocr page 251-

227

geen enkel opzicht verontschuldigen, maar zijne schuld belijden en God om genade bidden. — In het tiende boek dezer Confessiones schrijft hij; „Wie de waarheid doet, wordt als zoodanig openbaar. Voor U, o Heer, voor Wiens oogen de geheele afgrond van het menschelijk schuldbewustzijn open ligt, voor U kan niets, wat in mij is verborgen zijn, ook al zou ik het U niet willen belijden. Ik zou wel U voor mij, maar niet mij voor U kunnen verbergen. Nu ik mij zclven mishaag, doet Gij uw vriendelijk aangezicht over mij lichten, en mint mijn hart U en verlangt vurig naar ü. Zoo moet ik over mij zeiven blozen, mij verwerpen, U kiezen en noch mij zeiven noch U behagen, tenzij dan door Uwe genade. Welke goede vruchten kan het dan brengen, o Heer, aan Wien ik dagelijks mijne zonden belijd, wanneer ik, als in Uwe tegenwoordigheid nu ook voor de menschen door dit geschrift belijd, hoe ik tegenwoordig ben? Zullen zij mij gelukwenschen, als zij gehoord zullen hebben, hoe dicht ik door Uwe genade bij U kom, of zullen zij voor mij bidden, als zij hooren, hoezeer ik door het gewicht mijner aardsgezindheid van ü afgetrokken word? Aan hen, die zoo gezind zijn, wil ik mijn gemoedsleven toonen. Wat ik goeds heb, is Uw werk en geschenk; wat ik kwaads heb, is mijn werk en Uwe rechtvaardige straf. O Heer, erbarm U over mij naar Uwe grootc barmhartigheid om Uws naams wil; verlaat niet, wat Gij in mij begonnen zijt; voleindig, wat nog onvolkomen aan mij is.quot;

Even uitmuntend is het werk van Augustinus over „het rijk Godsquot;, waarin hij aanvang, voortgang en voleinding van het Godsrijk schildert, om zoo de voortdurend tegen de christenen ingebrachte beschuldigingen der heidenen te wederleggen. Dit geschrift is het voortreffelijkste apologetische werk der gansche oudheid.

Wij laten nu nog eenige belangrijke uitspraken van Augustinus, zooals die. in zijne verschillende geschriften voorkomen, volgen.

„Wat is de Heilige Schrift anders dan een zendbrief van den almachtigen God aan Zijne schepselen, even verstaanbaar als een brief, dien iemand ontvangt van zijnen vriend ?quot;

„Ik stem toe, dat de Heilige Schrift zulke diepten heeft, dat ik in het goed verstaan daarvan dagelijks nog vorderingen zou kunnen maken, ook wanneer ik tot mijnen ouderdom mij vlijtig daarop toelegde. Niet alsof het moeielijk zou zijn er in te vinden.

-ocr page 252-

228

hetgeen tot onze zaliglieid noodig is, maar omdat, ook wanneer men het geloof er uit verkregen heeft, dat tot een goed en vroom leven noodig is, er toch altijd nog vele donkere geheimenissen zijn, een ernstig onderzoek overwaardig voor al diegenen, die hunne kennis en hun inzicht in geestelijke zaken meer en meer willen verrijken en uitbreiden.quot;

Gelijk vele anderen, gaat ook Augustinus aan het euvel mank, dat hij zich in den strijd met zijne tegenstanders laat vervoeren tot uitingen, die gewaagd en met elkander in strijd zijn. Zoo zegt hij op eene plaats: „O, indien men wist, hoe moeielijk het is dwaling te vermijden, en hoe groote inspanning geëischt wordt om de waarheid te kunnen vinden; indien men er aan dacht, hoe zelden de macht der gewoonte overwonnen wordt en met hoeveel moeite de zinnelijkheid in toom wordt gehouden; indien men zich voor den geest riep, met welke bezwaren hij te kampen heeft, die zijn geestelijk oog genezen wil, en hoeveel zuchten en tranen het kost, om ook maar eenigszins tot juiste kennis van Gods wezen te geraken; was men ten slotte zoo wijs, om niet zich zeiven alleen zonder gebrek te achten, en niet te wanen dat men de waarheid alleen in pacht heeft, — dan zou men er zich voorzeker voor wachten eenen zoogenaamden ketter te vervolgen.quot; En toch laat hij zich door zijnen strijd tegen eene vijandige partij verleiden tot de bewering, dat iemand, die buiten de Kerk stond, door den Staat niet geduld mocht worden, en tot toetreding tot de Kerk gedwongen kon worden.

De Kerk acht hij in het algemeen zeer hoog. Zoo spreekt hij: „Ik zou het Evangelie niet gelooven, als het aanzien der Kerk mij daartoe, niet bewoog.quot; Maar hij zegt toch ook: „Voorzeker is de Kerk op een steenrots gebouwd; voorzeker zijn haar de sleutelen van het hemelrijk toevertrouwd; voorzeker is zij een steunpilaar der waarheid en vermag alle macht van den booze niets tegen haar, maar bedenk wèl: de Kerk die zulke eigenschappen bezit, is eene vereeniging van heiligen en uitverkorenen.quot;

Augustinus ontveinsde zich niet, dat zijne geschriften, die dikwijls aan de behoefte van het oogenblik hun ontstaan te danken hadden, eene schifting dringend noodig hadden. En des te meer was er hem aan gelegen, alle misverstand en misbruik zijner woorden te voorkomen, wijl zijne vrienden in hunne, geestdriftvolle

-ocr page 253-

229

vereering elk zijner woorden als een kostelijk kleinood aanzagen. Daarom waarschuwde hij en sprak; „Het is geen goede zaakj waarvoor gij opkomt. Ik zelf zal scheidsrechter zijn en gij zult het verliezen.quot; Daarom schreef hij met de hem eigene vrijmoedigheid aan het einde zijns levens een boek, waarin hij al zij tie geschriftcJi aan eene ernstige beoordeeling en eene strenge correctie onderwierp.

Over de hoog ernstige opvatting van onze zonde en Gods genade bij Augustinus, is reeds vroeger gehandeld. Zoowel bij zijne Schriftverklaring als in zijne ontwikkeling der christelijke leer gaat hij uit van de veronderstelling, dat het geloof aan de kennis vooraf gaat. En zoo is het ook inderdaad. Ook nog heden schijnen de wonderbare wegen Gods aan het koude verstand als dwaasheid of toeval, terwijl het oog des geloofs ze in hunne diepte en heerlijkheid ziet.

Misschien door Ambrosius\' voorbeeld daartoe opgewekt, is Augustinus ook als liederendichter opgetreden. Wij bezitten van hem een Opstandingslied, dat, evenals al zijne werken in liet Latijn geschreven, aldus aanvangt: „Wanneer Christus, de Koning der eere.quot; Zijne uitgebreide werkzaamheid als schrijver was somwijlen een hinderpaal voor zijnen persoonlijken arbeid in den hem aangewezen bisschoppelijken werkkring, en toch was deze arbeid in de toenmalige tijdsomstandigheden even noodzakelijk als zegenrijk. Daarom werd hem een helper in zijn ambt toegevoegd, evenals hij zelf vroeger ook geweest was. Doch voor zoover het hem mogelijk was, nam hij zijn ambt met groote nauwgezetheid waar. Zijn levenswijze was eenvoudig. Zelf levend te midden van cenen kring van meestal jonge mannen volgens eene zeer strenge huisorde, uit \\yelken kring vele dienaren der Kerk zijn voortgekomen, was hij ook van het monnikswezen niet afkeerig, wanneer dit op dezelfde wijze zich inspande om het Koninkrijk Gods te dienen.

Was de jeugd van Augustinus bewogen door de stormen van den hartstocht, die hij zelf had wakker geroepen, in zijnen ouderdom, toen hij zelf vrede gevonden had, moest hij de stormen van den krijg om zich heen zien woeden. De stadhouder van de provincie Afrika was tegen den keizer opgestaan en had tot zijne ondersteuning het woeste volk der Vandalen te hulp geroepen, hetwelk in die dagen der volksverhuizing tot in Spanje doorgedrongen was. Te laat heeft hij van deze onvoorzichtigheid berouw.

-ocr page 254-

230

Hij trekt zich binnen de muren der stad Hippo terug om zich tegen dezen vijand, dien hij zelf had binnengehaald, te verdedigen. De Vandalen belegeren de stad en de stadhouder sneuvelt in den strijd. In de stad breekt een hevige koorts uit en ook Augustinus wordt doodelijk krank. Terwijl hij op zijn verleden terug ziet, laat hij David\'s boetpsalmen aan den wand naast zijne legerstede bevestigen, om ze voortdurend te kunnen lezen en bidden. Eindelijk verwijdert hij ook zijne deelnemende vrienden, en bereidt zich, alléén met zijne gedachten, onder overpeinzing cn gebed voor op den dood, die hem den iJSsten Augustus 430, onder het strijdrumoer buiten voor de muren der stad, in de woningen des vredes brengt.

VIERDE TUI)VAK.

(800 — 1517.)

§ 35.

De Zending in het Noorden en Oosten.

Evenals het Zuiden, kweekte ook het Noorden voortdurend nieuwe geloofshelden en boden des vredes, en ook in dit tijdperk ging het geloof in den Christus verder op zijn weg ter overwinning. Ansgar of AnscJiarius is de Apostel van het Noorden.

Ansgar was in SOI in de nabijheid van de ïransche stad Amiëns geboren en behoorde tot eene aanzienlijke familie. Reeds vroeg legde zijne vrome moeder de kiem des geloofs in het ontvankelijk gemoed van den knaap, en besliste zoo over zijne verders levensrichting. Doch, helaas, de knaap was slechts vijf jaren oud, toen hij de liefderijke verzorgster zijner jeugd door den dood verloor. Zijn vader had geene gelegenheid hem met dezelfde onvermoeide zorg te omringen en op zijn doen en laten te letten. Zoo bracht de jeugdige Ansgar zijn meesten tijd met vroolijke makkers door, en uit zijn hart scheen de vroegere ernst meer en meer te

-ocr page 255-

231

verdwijnen. Maar in stille oogenblikkeu kwam het beeld zijner moeder hem weer voor den geest. Het was hem, als waarschuwde zij hem dan, toch niet de paden der lichtzinnigheid te betreden. Zulke oogeublikken lieten een blijvonden indruk op zijn gemoed achter. De herinnering aan hetgeen zijne moeder hem geleerd had, werd weder levendig in hem. De knaap werd toen door zijnen vader aan het klooster te Corbie toevertrouwd, trad op jeugdigen leeftijd in den geestelijken stand en was weldra hot sieraad van het klooster. Toen nu keizer Lodewijk de Vrome een klooster voor Saksische monniken aan de Weser bouwde, dat naar het voorbeeld van Corbie werd ingericht en Nicuw-Corbie — nu Corvey — werd genoemd, stelde hij Ansgar aan als hoofd van de daarbij behoorende kloosterschool. Toen geschiedde het, dat de Deensche koning liar aid aan het keizerlijke hof te Ingelheim bij Mainz verscheen. Hij was door binnenlandsche twisten uit zijn vaderland verdreven en zocht hulp bij den keizer. Om diens gunst te winnen, ging hij tot het christelijk gelooi\' over en willigde de begeerte, die de keizer had laten doorschemeren in, om een christen-zendeling onder zijn gevolg op te nemen. Reeds vroeger was de gedachte bij Ansgar opgekomen, dat God hem tot zendbode onder de heidenen verkozen had, en met vreugde volgde hij dan ook de roepstem van den keizer op, om in Denemarken met het werk der Zending een aanvang te maken. Maar al was hij gemakkelijk tot het nemen van dit besluit gekomen, de uitvoering was niet gemakkelijk. Langen tijd weigerde Hor ik, de opvolger van Har aid, Ansgar te steunen, tot eindelijk de volhardende zachtmoedigheid van den Evangeliebode de vijandelijke gezindheid des konings overwon, en hij verlof kreeg een christelijke nederzetting tot stand te brengen. Ook in Zweden beproefde hij meermalen het Evangelie te prediken, en vroeg daartoe onbeschroomd verlof aan den koning van Zweden. Deze riep eene volksvergadering bijeen, en hoewel deze eerst tegen Ansgar gekeerd was, werd zij, door de redevoering, welke een oud man hield en waarin deze met een bewogen gemoed verklaarde, hoe de Cod der christenen reeds velen wonderbaar bewaard had, geheel en al tot eene andere zienswijze gebracht. Toen nu zoo de zending in het Noorden vasten voet had gekregen, werd Ansgar tot bisschop van \'t Noorden benoemd. Nu vestigden zich monniken op de afzonderlijke zendingsposten in Denemarken eu Zweden. De nieuwe bisschop

-ocr page 256-

232,

vestigde eerst zijn zetel te Hamburg, en later, toen deze stad voortdurend bloot stond aan de aanvallen der roofzieke Noormannen, in het meer veilig gelegen Breinen. Doch onder al de vermoeienissen en inspanning van zijn ambt, was hij vroeg oud geworden en eindelijk werd hij doodelijk ziek. Dikwijls herhaalde hij het woord van de Schrift: „Zouden wij het goede van God ontvangen en het kwade niet ontvangen ?quot; (Job 2 : 10.) Hij stierf den 3deu February 865.

Hoe gemakkelijk had, hetgeen Ansgar geplant had, weer geknakt kunnen worden door de stormen van dien ruwen tijd, als niet een machtige hand het jeugdig plantje beschermd had. Eerst traden de Duitsche koningen als beschermers der Deensche christenen op, daartoe in staat door het gezag van hun naam of de kracht van hun zwaard. Toen leidde God Knut, koning der Denen er toe, dat hij zicli boog onder den Koning der koningen en in wijden kring een beschermheer der christenen werd. Hij was in Engeland opgevoed, gehuwd met eene Engelsche koningsdochter. Weldra zag hij de noodzakelijkheid in, dat zijn volk nu ook deel moest uitmaken van liet groot geheel der Kerk, en ingevoegd worden in het christelijk Statenverbond. Daarom reisde hij (1037) naar Kome, om een band te leggen tusschen zijn volk en het hoofd van de Kerk. Op het eind zijns levens kwam ook Noorwegen onder zijn gezag, waar een volk leefde, voor het uiterlijke arm, maar rijk in geestkracht en warm van gemoed. Eenigen van dit volk hadden reeds op hunne vikingtochten (krijgstochten ter zee) 1) van de ster gehoord, die in Juda was verrezen, maar deze geruchten, die hen slechts vluchtig bereikten, hadden de aangeboren gehechtheid aan hunne goden bij het volk niet doen wankelen. Wel was koning llakon de Goede geloovig geworden en dacht er aan, ook zijn volk den geloove gehoorzaam te maken. Doch toen hij op eene volksvergadering voorstelde, dat zij toch ook den Christus zouden aannemen, Wien geheel de wereld toeviel, gaven de Noren hem met openhartigheid ten antwoord: „Hoe zal een nieuwe God vertrouwen m ons stellen, als wij zoo spoedig onze oude goden vaarwel zeggen?quot; Toen vreesde de koning verder te gaan en diende den Christus nog slechts in stilte, ja voor de oogen des volks aanbad hij de afgoden, tot hij in den strijd omkwam, vol berouw over zijne

IJ Zie Fiithiofs-sage, einde.

-ocr page 257-

233

verloochening van den Christus. Intusschen breidde toch het Evangelie zich in stilte ook in dit land uit, tot Knut ten slotte het land veroverde, en het christianiseerde. Daarna brachten Noorsche zeelieden het Evangelie col: naar de ongastvrije stranden van IJsland, ja zelfs naar de sneeuwvelden van Groenland.

Na den dood van Ansgar waren ook naar Zweden vele monniken uit Duitschland en Engeland getogen, oin de blijde boodschap van den Christus tc brengen. Meer en meer won zij veld, tot ten slotte in 1075 de trotsche tempel van Upsala door koning Inge verwoest werd. Op de puinhoopen van dezen tempel werd later een prachtige Dom gebouwd, de schoonste kerk in geheel het Noorden. Van Zweden uit bereikte het Christendom de Lappen en Pinnen, maar het armzalige en ongeregelde leven dezer volkeren stond aan eene christelijke beschaving in den weg.

De handelsschepen dor Duitsche Hansa brachten tegelijk met de voortbrengselen der menschelijke kunst ook de eerste prediking van de heerlijkheid Gods in Lijfland. Meinhard, uit Bremen, was de voornaamste prediker in Lijfland, en bouwde er de eerste kerk. Weldra werden de christenen door de heidenen verdreven, maar gewapende kruisvaarders brachten hen er met geweld terug. En om voortaan aan de christenen meerdere veiligheid te verzekeren, verbond zich een aantal ridders tot een geestelijke ridderorde — de orde der Zwaardbroeders.

In het Zuiden van de Oostzee woonde het ruwe volk der Pruisen, een tak van den uitgestrektcn Slavenstam. Onder hen arbeidde Adelhert, vroeger aartsbisschop van Praag (f 997). Hij toog het land door van het eene einde tot het andere, doch niet veleu gaven aan zijne prediking gehoor. Eindelijk werd hij door woeste heidensehe benden in den slaap vermoord. In de geschiedenis draagt hij den naam van Apostel der Pruisen. Verschillende monniken trachtten toen insgelijks het Evangelie te brengen in deze woeste streken, maar te vergeefs. Ten slotte, toen in een oorlog tusschen Pruisen en Polen de eersten de overhand behielden, riep een hertog der Polen de Duitsche Ridderorde te hulp. Zoo werd, na een hardnekkigen strijd (1280 —1283) het Pruisische land aan vreemde heerschapppij en christelijke vormen onderworpen.

Ook den Wenden werd het Christendom met geweld opgedrongen. Hendrik I en Otto I, de Duitsche koningen, hadden wel.

-ocr page 258-

234

toen zij sommigen der Wendische stammen overwonnen hadden, hier en daar in de overwonnen landen christelijke kerken gebouwd, maar de Wenden zagen in het Christendom het werk van gehate tegenstanders, en zelfs toen hun eigen vorst G oils chalk, die in z\'ju jeugd christelijke indrukken had ontvangen, zijn volk tot den Christus wilde brengen, verhieven zij zich tegen hem, doodden hem, verbrandden de kerken en slachtten de priesters. Vooral Albrecht van Brandenburg en Hendrik van Saksen hebben deze landen aan zich onderworpen, en zoo ook aan de strijders voor \'t Christendom, die met andere wapenen streden, den bisschoppen Viceliu en Benno, toegang verschaft.

Het langst hield het heidendom stand in Pommeren. De levenslustige bevolking, die daar woonde, dreef den spot met de monniken, die als zendelingen tot hen kwamen, ter wille van hun haren kleed en sobere levenswijze. Olio van Bamberg is tot op zekere hoogte dc neigingen van dit volk tegemoet gekomen, door met allen praal en luister, dien de Kerk in die dagen aan hare dienaren bijzette, tot hen te gaan en zoo, vriendelijkheid en vastberadenheid parende, wist hij zelfs zijn tegenstanders eerbied af tc dwingen. Zijne rijk gezegende zendingreizen (1124 en 1129) hebben in Pommeren de macht van het heidendom gebroken, dat in 1168 in den tempel op het eiland Eügen zijn laatste bolwerk verloor.

Ook in het Oosten van Europa woonden voornamelijk Slaven. Ruw en ongepolijst als het volk zelf, waren ook de godenbeelden en godensagen. Men had een flauw bewustzijn van een hoogste wezen, maar men vereerde toch slechts twee uit hem gesproten godengeslachten — de witten en dc zwarten — die goed en kwaad in de wereld verwekten. Evenals in andere heidenlanden, zorgde een naijverige priesterstand er voor, dat het volk in bijgeloof verzonken bleef, opdat hij zijn overwicht er op mocht behouden. Door christen-slaven, uit de ontelbare oorlogen als krijgsgevangenen medegebracht, werd voor het eerst het Evangelie in deze gewesten gc-bracht. Soms leende men hun een gunstig oor, maar zoo er al enkele Slavenvorsten zich naar het Christendom toekeerden, het geschiedde niet altijd alleen ter wille van de waarheid, doch menigmaal met het oog op een machtigen nabuur, die het Christendom was toegedaan. Of de drangreden er toe was, de beschaving der christelijke wereld ook in het eigen land over te brengen.

-ocr page 259-

235

Uit het land der Bulgaren, die in de negende eeuw ten Noorden vaigt; het Grieksche rijk een staat vormden, welker bevolking Slavisch en Tartaarscli bloed in de aderen had, was de zuster des konings, Bogoris, langen tijd te Constantinopel eene gevangene. Zij had daar eene christelijke opvoeding ontvangen en bij haar terugkeer werd zij voor haren broeder eene evangeliste. Theodora de keizerin, zendt nu twee monniken, Methodius en Cyrillm naar Bvil-garije, en weldra wint de eerste dezer broeders des konings gunst door zijne schilderkunst. De koning vraagt hem zelfs een vroolijk jachtstuk te ontwerpen, doch in stede daarvan schildert hij eene voorstelling van het jongste gericht, waardoor de koning ten zeerste werd getroffen. In 861 laat hij zich doopen eu ontvangt den chris-tennaam Michaël. Op het hooren van dit gerucht slaat zijn volk tot oproer over, maar de koning bedwingt \'t oproer, en gebiedt zijne onderdanen zich te laten doopen. Intusschen vertaalde Cyrillus, de stille geleerde, den Bijbel in de landtaal. Zoo breidden beschaving en zachtere zeden zich langzamerhand over het land der Bulgaren uit.

Van hier begaven deze broeders zendelingen zich naar Moravië. In 863 werd Radislav daar bekeerd tot het Christendom. Toen onder zijn opvolger ook Bohemen werd onderworpen, werd ook Borzhüoi, hertog van Bohemen gedoopt. Vooral diens gemalin Lud-w.illa, toonde zich eene ware christin. Telkens reisden Methodius en Cyrillns naar Home, om de pauselijke goedkeuring voor hunne zending te erlangen. Ten slotte bleet\' Cyrillus (f 864) daar in een klooster achter. Methodius (t 875) ontving eindelijk de lang verzochte toestemming, de gausche godsdienstoefening in de Slavische taal te mogen houden. Doch na Borziwoi\'s dood en den dood van zijnen veelbelovenden zoon, verdrong het heidendom gewelddadig de nieuwe leer. Ludmilla werd geworgd en de christenen vluchtten uit het land. Later echter, ondersteund door keizer Otto I, bedwongen de volgende vorsten het heidendom weer, en stichtten toen het aartsbisdom Praag.

Door een Boheeinsche koningsdochter, Domhrowka, kwam het Christendom ook in Polen. Haar echtgenoot, de Poolsche hertog Miecislaw nam het Evangelie aan, toen hij haar huwde. Door Polen kwam het Evangelie tot Litthauen. In Polen werd Posen, in Lit-thauen Wilna het middelpunt van het kerkelijke leven.

-ocr page 260-

236

Toen in het voortdurend door oorlogen in beroering gebrachte rijk der Russen het eerst de blijde boodschap van het vrederijk van Christus doordrong, ontstond bij vorst Wladhnir het verlangen, den pas verkondigden hemelschen Koning te leeren kennen. Daarom zond hij boden naar Constantinopel, om hem nauwkeurige berichten te verschaffen van de leer en het leven der christenen. Bij hun terugkeer schilderden zij in levendige kleuren de heerlijkheid van den christelijken godsdienst. Een dienst in de Sophiakerk door hen bijgewoond, had hun gemoed ten zeerste getroffen. Door Grieksche zendelingen werden hierop Wladhnir en zijn volk in den Dnieper gedoopt. In de stad Kiew ontstond een bisdom en een beroemd geworden klooster.

De Hongaren vernamen op hunne zwerftochten uit den mond hunner gevangenen het eerst de prediking van den Christus. Langen tijd stonden echter tegenzin tegen de Duitsche taal en vijandschap tegen al wat uit Duitschlaud kwam, de invoering van het Christendom in den weg, tot eindelijk de moed en \'t geduld van zendelingen als bisschop Pilgrim van Passau dezen tegenstand hebben gebroken.

Slechts zelden werd de aandacht der christelijke volkeren, die zooveel te doen hadden in hun naaste omgeving, bepaald bij den toestand der verafgelegene heidensche volkeren. In Oost-A-zië hadden de Mongolen een machtig rijk gevormd. Tot hen ging de edele Franciskaner monnik Johannes de Monte Corvino, die te Peking het Evangelie predikte en het Nieuwe Testament in het Chineesch vertaalde. Doch helaas, al werden door zijnen trouwen, liefderijken arbeid duizenden tot bckeering gebracht, geen helper stond hem ter zijde, geen opvolger trad in zijne plaats, en zoo ging dan de vrucht van zijnen arbeid weer ten onder door de onstuimige beweging der Aziatische volkeren. Lang bleef het rijk der Mongolen voor het rijk Gods ten eenenmale gesloten; slechts zelden kwamen duistere verhalen uit dit land naar het Westen.

Eene zending onder Mohammedanen bleek eene onmogelijkheid. De halve maan streed tegen het Kruis en tusschen christenen en Mohammedanen verwekte de onderlinge aanraking slechts geloofshaat en bloedigen strijd. De Joden leefden in verachte dienstbaarheid. Aan hunne bekeering dacht niemand.

-ocr page 261-

237

§ 36.

De Oostersche Kerk.

Met meer ernst zou door de Kerk gestreden zijn, met meerderen zegen zou haar arbeid zijn bekroond, waar zij naar buiten optrad, wanneer zij zicli vrij had kunnen houden van inwendige verdeeldheid. Maar reeds eeuwen lang had ijverzucht en geestelijken hoogmoed eenen hoogen muur opgericht tusschen de christenen van het Oosten en die van het Westen. Doch deze innerlijke vervreemding der beide Kerken, was nog niet door eene in het oog vallende gebeurtenis aan het licht getreden. Thans zou dit geschieden.

Eens was in \'t Grieksche rijk Bardos regent, als voogd over eenen minderjarigen troonopvolger. Hij was een lichtzinnig spotter, die de Kerk verachtte, en nu, als eens Belsazar in Babyion, bij onstuimige drinkgelagen met het heilige den spot dreef. De patriarch Ignalma had de vrijmoedigheid hem hierover te berispen, en eindelijk van deelneming aan het Avondmaal uit te sluiten. Bardas nam wraak op den onwelkomen raadgever en vermaner. Hij ontzette hem van zijn ambt en benoemde Piotius in zijne plaats, een man, die tot dusver overste van de lijfwacht was geweest. Hij muntte uit door geestesgaven, was zeer geleerd, had zich ook zelfs verdienstelijk gemaakt voor de Kerk. Maar nu werd hij verstrikt in de zondige plannen des keizers, en om nu de smet, die aan zijne onwettige ambtsbediening kleefde, uit te wisschen, meende hij te moeten bewerken, dat de bisschop van Rome hem als patriaröh erkende. Op zijn verzoek zond nu paus Nicolaas I eenige gezanten naar Constantinopel om de zaak te onderzoeken. Deze lieten zich echter door de beloften van Bardas omkoopen en verblinden, en brachten een bezwarend oordeel mede omtrent Ignatius. Doch de paus, onomkoopbaar en scherper ziende dan zij, wraakte hunne beslissing en verklaarde zich ten gunste van den smadelijk verdreven Ignatius. Hierdoor zag Photius zijn aanzien ten zeerste bedreigd, en nam nu als laatste redmiddel zijn toevlucht tot eene noodlottige daad. Hij noodigde alle bisschoppen van het Oosten uit tot bijwoning van eene Kerkvergadering te Constantinopel, en klaagde in dit schrijven de Roomscho of Westerse he Kerk aan, dat zij vele

-ocr page 262-

238

afwijkingen van de christelijke waarheid in haar boezem duldde. De Synode, in 867 samengekomen, aldus te voren ingenomen tegen Rome, sprak den ban over den paus uit en verklaarde hem afgezet, hetgeen door den paus insgelijks met eenen banvloek en een afzettingsdecreet werd beantwoord. De breuk tusschen Rome en Con-stantinopel was hiermede ten duidelijkste uitgesproken.

Niet lang mocht Pliotius zich verheugen in de wederrechtelijk verkregen waardigheid. Een nieuwe keizer ontnam hem die spoedig, zonder intusschen Ignatius recht te doen. Eenzaam en vergeten stierven de beide patriarchen, zonder zelfs dank te ontvangen voor het goede, dat ieder van hen toch ook tot stand had gebracht.

Altijd meer ging het Gricksche volk achteruit. Terwijl het in het Oosten zich bedreigd zag door de overwinnend voorwaarts dringende Arabieren, vermeden zij iedere toenadering met de volkeren, die toch één geloof met hen hadden. Aan hunne Kruistochten namen zij geen deel; het scheen wel, of alle wilskracht in hen gebroken was. In alle kerkelijke vraagstukken stelden zij groot belang, maar zonder de noodige kennis van zaken. Zoo bleef, trots allen strijd over de waarheid, het Evangelie voor de Oostersche Kerk een verborgen schat. Zelve onmachtig iets groots tot stand te brengen, deed de Grieksche wereld van dien tijd zich te goed op den roem van den Griekschen voortijd. En inderdaad, de weerschijn er van was nog niet geheel uitgedoofd. Nog legde men zich te Con-stantinopel toe op de Grieksche taal en de wetenschap der voorvaderen. Eens zou dit naar Gods raad aan de Westersche Kerk ten zegen gedijen.

Gedreven door de sints lang bestaande veete, liet de patriarch Michacl Cerularius te Gonstantinopel alle kerken sluiten, die aan gemeenten der Westersche Kerk behoorden. Tegelijk vernieuwde hij en vermeerderde de aanklachten, vroeger tegen Rome ingebracht, in eenen brief, dien hij naar Italië zond. Het antwoord hierop waren Roomsche gezanten, die voldoening eischten. Toen ieder vergelijk trotsch werd afgewezen, legden de gezanten plechtig de pauselijke oorkonden, waardoor de Oostersche Kerk in den ban gedaan werd, op het hoogaltaar der Sophiakerk neder, en schudden het stof van hunne voeten, als zinnebeeld van de opheffing der christelijke gemeenschap (1054). De patriarch van Gonstantinopel beantwoordde dit den volgenden dag, door den ban over de Westersche Kerk uit

-ocr page 263-

239

te spreken. Van nu af bestond eene Griekscli-Catliolieke en eene Tioomsch-Catholieke Kerk.

Het Griéksche volk volhardde bij zijne trotselie verachting van het Westen, terwijl zijne keizers somwijlen vriendschupsver-bindingen er mede wilden aanknoopen, om hulp te verkrijgen tegen de Arabieren. Meermalen bood de Westersche Kerk de hand ter verzoening aan, maar altijd weer bleek deze onmogelijk, daar mon-schelijke berekening er de eenige drijfveer voor was, en niet een gemeenschappelijk zich buigen onder het Goddelijk Woord.

Bisschop Avsehnm van Havelberg, in Constantinopel vertoevende als gezant van keizer Lotharius, een man van een vastberaden en tegelijk meegaand karakter, trachtte in 1135 in een openlijk gesprek met een bisschop der Gricksehe Kerk een vergelijk te treffen, maar te vergeefs. En toen de Grieksche keizers uit oorzaken, welke wij boven noemden, gezanten zonden naar de groote Westersche Kerkvergadering te Lyon (1274), die aldaar op voorwaarde, dat de eigenaardige Grieksche kerkgebruiken in het Oosten gehandhaafd bleven, het pauselijk gezag erkenden; toen later keizer Johannes VII zelf naar de Kerkvergadering te Florence (1439) reisde en verklaarde zich bij Rome aan te sluiten, —stelde het volk zich zóó als een cénig man tegen de keizerlijke maatregelen en besluiten over, dat de voorgenomen vereeniging der beide Kerken volkomen schipbreuk leed. Slechts eenige weinige uitnemende Grieken, die de vereeniging hadden aangeraden en voorgestaan, gingen tot de Roomsche Kerk over.

Zoo zag het Westen, langzamerhand onverschillig geworden omtrent de broeders in het Oosten, den val van Constantinopel en het Grieksche rijk, (1453), zonder deelneming aan. De halve maan verkreeg daardoor in Europa een sterkte, welke zij tot op dezen oogen-blik nog bezit. De prachtige Sophiakcrk en eene menigte andere godshuizen werd aan den dienst van Allah en den profeet gewijd. Het Grieksche volk werd, met steeds toenemende verachting, door den overwinnaar vertrapt; het ontving daarin een aangrijpend strafgericht, maar toch heeft het ook in drukkende slavernij immer aan het Kruis blijven vasthouden.

De kleine christelijke vereenigingen in Azië, — in het bijzonder de Maronieten en Armeniërs, — zochten, toen Griekenland hen niet meer steunen kon, de machtige hulp van Rome. Wjselijk

I

f

]i f

IB

Iff4,

li 1#

iüi -Jljj. f

Hf 11

li »1

.. • 1

I

i r* ■ i

;| 1 •Ir

i

-ocr page 264-

340

stond de paus hun toe, hunne eigenaardige kerkgebruiken aan te honden.

§ 37.

Het pausdom van 800—1085.

In het tijdperk, dat wij nu behandelen, vormt het pausdom het middelpunt der Kerkgeschiedenis. Het is de macht, die de Kerk verheven en tegelijk te gronde gericht heeft. De pausen hebben de Kerk verheven door de althans ten deele als plicht erkende en beproefde naleving van hetgeen hun plaats in de wereldgeschiedenis van hen eischte. Allereerst moesten zij in deze onrustige tijden de eenheid der christenheid handhaven en er orde bewaren. Immers dc volkeren der Middeleeuwen, levende in den overgangstoestand tusschen ruwheid en beschaving in, stonden vreemd en vijandig tegenover elkander, nog niet verbonden door een dagelijkschen omgang, en veeleer geneigd de hand aait het zwaard te slaan, dan die tot een broederlijk verbond elkander toe te reiken. En zoo liep ook de Kerk gevaar in tal van afzonderlijke kerkjes uiteen te vallen, die niet bestand zouden zijn tegen de stormen des levens. Dit gevaar was des te meer te duchten, daar het gebrek aan dieper geestelijk inzicht een gevoel van eenheid des geestes onmogelijk maakte, en daardoor de eenheid in den vorm des te noodzakelijker was. Verder had het pausdom dc aanmatiging der machtigen tegen te gaan. Loepen de machtigen der aarde altijd gevaar de. perken hunner macht te overschrijden, hoe veel grooter was de verzoeking daartoe in die tijden van toome-looze willekeur! Niet altijd durfde men vrijmoedig tegen hen te spreken, en durfde men het al, dan werd al te vaak zulk eene vrijmoedigheid met geweld onderdrukt. Het schijnt dat daartoe de goddelijke wijsheid aan den Iloomschen bisschop eene wonderbare macht heeft gegeven, voor welke vorsten en volkeren zich bogen, opdat hij een band zou zijn voor de volkeren cn een bolwerk tegen den overmoed der vorsten.

Doch helaas, is het pausdom hoog gestegen en had het tot een zegen kunnen zijn, het is ook diep gevallen en heeft een

-ocr page 265-

341

zware schuld op zich geladen. De pausen gingen meer en meer aan hun eigen zondigen persoon al de macht en heerlijkheid toeschrijven, die de Heer aan de Gemeente heeft gegeven, en zij matigden zich het recht aan naar willekeur over de harten te heersclien. En toen zóó het zout smakeloos werd, en het licht des Evangelies bijna onder ging onder menschenwerk en menschenwoord, toen ging de Kerk achteruit en steeds scherper werd de tegenstelling tusschen pausdom en Evangelie. Do volkeren begonnen dit ook steeds duidelijker te gevoelen, en al bleven zij ook uit gewoonte de pauselijke bevelen gehoorzamen, niet zelden spotten zij tegelijk met de dragers van het pauselijk gezag. Van den eénen paus verhaalde men, hoe de duivel hem gedood had, terwijl hij zich aan overspel schuldig maakte. Van een anderen, dat hij zijne ziel aan den duivel verkocht had, om paus te kunnen worden. Ja, men sprak er zelfs van, dat eene vrouw zich als man had verkleed, ijverig had gestudeerd en paus was geworden, tot eindelijk het bedrog aan het licht was gekomen. Maar hetzij men over \'t pausdom spotte, hetzij men met ernst er over oordeelde, overal hooren wij doorklinken een toon van diepen weemoed en een vurig verlangen naar eene vernieuwing van de Kerk van Christus. Zoo is deze tijd de spiegel, waarin de hoogste glans en diepste vernedering van het pausdom gezien wordt.

Paus Ni col am T (858—867) begon allereerst eenen rechtvaardigen strijd tegen de willekeur van vorstelijk geweld. Koning Lotharius van Lotharingen, de kleinzoon van Karei den Groote, verstiet zijne onschuldige gemalin Tietberga op eene valsche aanklacht van ontrouw, zette haar in een klooster, om daarna zijne minnares Walrade te huwen. Helaas waren er bisschoppen, die hunnen ambtsplicht vergetend, bereid waren aan dit huwelijk eene kerkelijke wijding te geven. Toen sprak de paus den ban uit over den koning en de al te inschikkelijke bisschoppen. Wel rukte nu Lodewijk, de broeder van Lotharius, die over Italië heerschte en zelf den Eomeinschen keizerstitel droog, met oen groot leger tegen Rome op om zijnen broeder te wreken, maar de paus bleef bij zijn uitspraak volharden en bleef overwinnaar, zonder wapenen te gebruiken. Lodewijk ging terug; Lotharius ontving Tietberga wederom tot gemalin uit do hand van eenen pauselijken gezant, na het afleggen van eene vernieuwde gelofte, van trouw, en Walrade moest

16

-ocr page 266-

242

den gezant naar Rome volgen om daar boete te doen. En al werd zij nu ook op weg ontvoerd en zoo aan de straf onttrokken, en al behandelde koning Lotharius zijne gemalin dikwijls hard en onrechtvaardig, toch was en bleef voor de geheele wereld de zonde des konings gestraft en was de echt heilig gehouden.

Evenals onder de wereldlijke vorsten deed Nicolaas ook onder kerkvorsten met nadruk zich gelden. Daarbij beriep hij zicii op een zeldzaam geschrift, dat in dien tijd begon verbreid te worden, flet was eene verzameling van kerkelijke wetten en oorkonden, die naar allen schijn uit de oudheid dagteekenden en vooral den paus de heerschappij verzekerden over alle bisschoppen der christenheid. Als verzamelaar dezer wetten wordt genoemd Isidorus van Sevilla, dien wij reeds vroeger noemden, maar inderdaad waren het Frankische priesters, die dit geschrift uitgaven om de wereld te misleiden, of misschien waren ze zeiven bedrogen geworden. Arm aan kennis en zonder scherpen kritischen blik, namen de christen-volkeren dit geschrift als echt aan, en de pausen verheugden zicli zeer over de verschijning van deze valsche geschriften, die hunne macht ten zeerste deed toenemen. Onder meer toch wordt in deze verzameling beweerd: „De heilige gemeente van Rome neemt onder alle gemeenten de eerste plaats in. Daarom moeten bij haar ook de hoogste aangelegenheden, de uitspraken en bezwaren der bisschoppen, ook de belangrijkste vragen der gemeenten, als tot eene opperbe-stuurderes worden gebracht.quot; Maar ook de bisschoppelijke macht wordt hoog gesteld, wanneer er gezegd wordt: „De schapen mogen hunne herders niet aanklagen, de leeken hunnen bisschop niet, daar de leerling niet staat boven zijnen meester of de knecht boven zijnen Heer. De bisschoppen moeten door God geoordeeld worden, die hen gekozen heeft om als het ware Hem tot oogen te zijn.quot; TTet is duidelijk, dat dergelijke woorden in de hand van eergierigen zeer verderfelijk moesten worden, omdat de tijd der Middeleeuwen, lichtgeloovig en niet begaafd met oordeel des onderscheids, niet wist te onderscheiden tusschen de waarheid en de overdrijving, welke beide daaarin verborgen waren. Eerst de geleerde schrijvers der Maagdenburger Centuriën hebben de onechtheid dezer „Pseudo-Isidorische decretalenquot; — valschelijk aan Isidorus toegeschreven wetboeken — aangetoond, en zelfs Catholieke geschiedschrijvers hebben dit moeten toegeven. Doch keereu wij tot Rome terug.

-ocr page 267-

24.3

Slechts al te spoedig verbleekte de glans van waardigheid, welke Nicolaas aan het pauselijk gezag had bijgebracht, en steeds onwaardiger werd het schouwspel, dat de zoogenaamde stoel van Petrus aan de christenheid, die zich meer en meer onwillig afwendde, te zien gaf. Het pauselijke hof bezoedelde zich met de grootste ongerechtigheden, en liet zich tegelijk medeslepen in den strijd, waardoor een heerschzuchtige en wraakgierige adel Italië verwoestte. In de negende eeuw was de hoogste kerkelijke waardigheid een speelbal iu de hand van twee voorname vrouwen, Theodora en Marosia, die hare schoonheid en geestesgaven in den snoodsten dienst der zonde misbruikten, en hare lievelingen en kinderen door list en geweld tot de pauselijke waardigheid wisten te verheffen. Toen een van hen, Johannes X, na den dood van Theodora zich met de hulp van zijnen broeder aan die schandelijke heerschappij trachtte te onttrekken, liet Marosia zijnen broeder voor zijne oogen vermoorden en hemzelven in den Engelenburg worgen. Haar kleinzoon Octavius, in den aanvang wereldlijk gebieder van Home, wierp zich op als heer der Kerk, en misschien uit een gevoei dat de levenswandel, dien hij tot nog toe geleid had, in strijd was met de heiligheid van het ambt, dat hij nu bekleedde, veranderde hij zijnen bevlekten naam en liet zich verder Johannes XII noemen. Zoo is een dergelijke naamsverandering bij de pausen een vaststaande gewoonte geworden. Intusschen veranderde hij wel zijnen naam, doch niet zijn leven, zoodat hij op aansporen van den ridderlijken üuitschen koning Otto I werd afgezet, als schuldig verklaard aan godslastering, moord en ontucht (963). Zijn opvolger Leo VIII legde voor den koning den merkwaardigen eed af: „Wij Leo, de knecht der knechten Gods, in vereeniging met de geheele geestelijkheid en geheel het volk van Rome, verleenen krachtens ons Apostolisch recht, aan den koning Otto en al zijne nakomelingen voor altijd het recht, zoowel voor zich zeiven een opvolger te kiezen) als ook hem aan te stellen, die zitten zal op den pauselijken stoel, en zoo ook aartsbisschoppen en bisschoppen, zoodat zij slechts door hem in hun eerambt worden bevestigd. Niemand zal voortaan de macht hebben, den koning en regent of den paus of eenigen bisschop aan te stellen, maar wij verleenen deze macht uitsluitend aan den Roomschen koning. Al wie derhalve door de geheele geestelijkheid en geheel het volk van Rome tot bisschop gekozen wordt,

-ocr page 268-

244

zal niet gewijd worden, tenzij dan, dat aijne keuze door genoemden koning goedgekeurd en bekrachtigd is.quot;

Doch de gunstige invloed van den keizer trad weer terug en de oude gruwelen keerden weder. Eindelijk kwam het zoover, dat, toen een onwaardige paus werd afgezet, hij zich staande hield in een deel van Italië; de tloor zijne tegenstanders gekozen paus verkocht voor geld zijn pausdom aan eenen derden. Toen nam in 1046 ten tweedenmale een Duitsche keizer, Hendrik JIJ, de regeling der Italiaansche aangelegenheden ter hand. De drie pausen werden nu afgezet en een Duitscher — bisschop Suidger van Bamberg — beklom den pauselijken stoel, waarop anders bijna uitsluitend Italianen gezeten hebben. Doch, uit het tot nog toe gezegde blijkt het reeds, dat tegelijk met Rome de Kerk afhankelijk werd van de koningen, e.ene afhankelijkheid, die des te verderfelijker werken moest, als liet wereldlijk gezag van die dagen maar al te dikwijls willekeurig en gewelddadig optrad. Zoo verlangden dan allen, die het goed met de Kerk meenden, dat zij van deze afhankelijkheid mocht worden bevrijd.

In dezen tijd bevond zich in het Pransche klooster Clugny de monnik Hildelrand. JTij was de zoon van eenen smid uil de Italiaansche stad Saona, en had lang in een klooster te Home onopgemerkt geleefd. Geërgerd door het eigenmachtig optreden van keizer Hendrik, volgde hij vrijwillig eenen der afgezette pausen — Gregorius VI — in de ballingschap. Hij was klein van gestalte en ziekelijk, doch in zijne oogen lag een zeker iets, dat gehoorzaamheid afdwong. Waar hij ook was, beheerschte hij zijne omgeving, en een zijner vrienden, die hem bewonderde, noemde hem steeds zijnen heiligen Satan, omdat hij, of hij wilde of niet, door den geweldigen monnik geregeerd werd. Zoo kwam ook Jjeo JX tot hem, dien de keizer wel benoemd had, maar die nu vreesde, niet door de Kerk erkend te zullen worden. Hildebrand eischte van hem, dat hij als pelgrim naar Rome zou gaan en in de heilige stad zich aan eene wettige verkiezing onderwerpen. De paus koos nu zijnen ernstigen raadsman tot geleider, om door de vereeniging met den sterke ook zelf sterker te worden. Eerst wilde Hildebrand zijn kloostercel niet verlaten, doch ten slotte luisterde hij naar de roepstem van zijnen hooggeplaatst en vriend. De nood der Kerk toch ging hem ter harte, en bij gevoelde in zich de kracht om daarin

-ocr page 269-

245

verandering te brengen. Zelf beschrijft hij den lijd, waarin liij leefde ■aldus: „De Oostersche Kerk is van het geloof afgevallen, en wordt door de ongeloovigen bestreden; in het Westen zijn er bijna geen bisschoppen meer, die hun ambt op wettige wijze hebben verkregen, en wier levenswandel in overeenstemming is met de heiligheid van hun ambt; nergens zijn er vorsten, die Gods eer stellen boven do hunne, of gerechtigheid boven gewin; Eomeinen, Longobarden, Noormannen zijn heden erger dan Joden en heidenen.quot; En een tijdgenoot vau hem getuigt van de priesters van eene grooto stad in Italië het navolgende : „Sommigen loopen het land af met honden en valken, als waren zij jagers; anderen zijn kramers en woekeraars, maar allen bijna zonder uitzondering brengen hun leven op schandelijke wijze door met slechte vrouwen.quot;

Aanvankelijk aangesteld als subdiaken, later tot kanselier en archi-diaken verheven, beheerschte Hildebrand langen tijd (1048— 1073) de pausen, en alzoo de Kerk. Het doel, waarnaar hij streefde, stond hem toen reeds duidelijk voor oogen. De Kerk te bevrijden van alle smadelijke banden, alle wereldlijk gezag te brengen onder het oppergezag des pausen als plaatsvervanger van den Koning der koningen — ziedaar de taak, welke Hildebrand met scherpzinnigheid en taaie volharding trachtte te vervullen. Allereerst moest de pauselijke stoel zelf onttrokken worden aan den invloed, welken tot nog toe de keizer en het volk van Rome op de keuze der bisschoppen van Rome hadden uitgeoefend. Daartoe liet Hildebrand een pauselijk decreet uitvaardigen (1059), waardoor de pauskeuze uitsluitend aan de kardinalen werd opgedragen. Deze kardinalen waren oorspronkelijk de zeven bisschoppen met de onder hen staande priesters en diakenen van de gemeente van Rome; in later tijd werden in het algemeen aanzienlijke kerkvorsten — doch bij voorkeur Italianen — tot kardinaal benoemd. Een steeds strenger tucht werd van Rome uit gehandhaafd over onwaardige priesters en leeken, tot eindelijk hij, van wien deze strenge maatregelen uitgingen, als Gregorius VII, zelf den stoel van Petrus beklom (22 April 1073). Nu kon hij de maatregelen, die hij tot bereiken van zijn doel reeds zoolang had voorbereid, met kracht, ten uitvoer leggen. Gelijk hij er vroeger op bedacht was geweest het pausdom los te maken van alle banden, waarmede het aan het wereldlijk gezag verbonden was, zoo had hij nu hetzelfde met den geheelen

-ocr page 270-

246

priesterstnnd in den zin. En inderdaad, maar al te dikwijls was de verhouding tusschen de dragers van de wereldlijke macht en die van het geestelijk gezag voor beide partijen schandelijk en schadelijk tegelijk. De koningen verkochten menigmalen bisschopzetels voor geld, en de koopers zochten zich weder schadeloos te stellen door de priesterplaatsen in hunne diocese aan de meestbiedenden te verkoopen. Zulk een handel in geestelijke ambten werd Simonie genoemd, gedachtig aan eene dergelijke daad door Simon te Samaria gepleegd (Hand. 6). Doch zelfs waar zulke misbruiken niet gevonden werden, achtte Gregorius het bedenkelijk, dat geestelijken door wereldlijke vorsten werden aangesteld. Terwijl toch de vorsten aan de bisschoppen door het overreiken van ring en herderstaf — investituur — hun ambt opdroegen, scheen het alsof het kerkelijke ambt was voortgekomen uit de wereldlijke macht, en alsof de dienaren der Kerk dienaren der vorsten waren. En dit was in strijd met Gregorius\' overtuiging. Daarom gebood hij, dat geen leek de investituur eens priesters meer zou verrichten, maar dat \'t recht van aanstelling geheel aan de Kerk moest verblijven. En om ten slotte nu ook de teederste banden te verbreken, waardoor de priesters aan de overige inenschheid verbonden waren, verhief Gregorius het meer en meer veldwinnend coelibaat der priesters tot een algemeen geldende wet in de Kerk. Ontwend aan de vreugde en de zorg van het huiselijke leven, moest de priesterstand een geestelijke krijgsmacht gaan vormen, die slechts der Kerk en haar hoofd onderworpen was, en bereid om de pauselijke bevelen blindelings ten uitvoer te leggen.

Zeer gemakkelijk wist Gregorius twee spoedig na elkander door hem bijeengeroepen Synoden te bewegen, de door hem genomen maatregelen te bekrachtigen. Ze ten uitvoer te legger was niet zoo gemakkelijk. Wel waren de gewone leden der Kerk reeds gewoon de uitspraken der pausen als goddelijke woorden te gehoorzamen, maar de vorsten en priesters verzetten zich toornig tegen de nieuwe maatregelen, die zoo krachtig ingrepen in hunne werkelijke of aangematigde rechten. Daarom stelden zij tegenover de brieven en gezanten des pausen zich te weer met eene hevigheid, die op sommige plaatsen tot gewelddadigheid oversloeg. Doch Gregorius, van al zijne tegenstanders in vastheid van beginsel verreweg de meerdere, wist ten slotte overal de overwinning te

-ocr page 271-

Ml

behaleu. Zoo moest zelfs de Duitsche keizer zich voor hem vernederen.

Op den troon van het Duitsche rijk was toen ter tijd fleu-drik IV gezeten. Zelfzuchtige opvoeders hadden van hem, die in zijn jeugd een veelbelovende knaap was, een lichtzinnigen en wispelturigen jongeling gemaakt. Aan zijn hof bloeide de Simonie. Door den ernst der pauselijke wetten liet hij zich niet waarschuwen; integendeel hij verkwistte de goederen der kerk als soldij voor zijne soldaten, en versierde zijne minnaressen met de edelgesteenten der kerken. Ernstige aanklachten werden bovendien tegen hem ingebracht door de Saksers, die hij zwaar onderdrukte. Zoo ontstond tusschen paus en keizer eeue levendige briefwisseling, waarin Hendrik de trotsche maar weloverwogen woorden van Gregorius met ondoordachte hartstochtelijke uitingen van boosheid beantwoordde. Eindelijk ging Hendriks overmoed zóóver, dat hij de raadslieden, die hij vroeger eens op bevel des pausen had verbannen, terugriep, en dat hij door eenige hem gunstig gezinde bisschoppen, den paus liet afzetten. Doch tegen den onbuigzamen wil des pausen was de nu eens heftige en dan weer bevreesde keizer niet opgewassen. Toen Gregorius ten slotte den banvloek uitsprak over den keizer en, daardoor ontketend, de tot nog toe bedwongen wrevel bij de Duitsche vorsten en volkeren tot uitbarsting kwam, zoodat de troon op zijne grondvesten schudde, — wierp Hendrik al zijne hoogheid plotseling ter zijde, en trok in het ruwe jaargetijde over de Alpen om den strengen kerkvorst tot een zachter vonnis te bewegen. Met een boetkleed aan stond hij (25 tot 27 Januari 1077) in ruwe winterbuien drie dagen lang op het slotplein van Ganossa, waar Gregorius zich juist ophield, en wachtte daar deemoedig de pauselijke beslissing af. Op den vierden dag werd hij eindelijk toegelaten bij hem, die zich de hoogste rechtspraak had toegeëigend, zelfs over de machtigen der aarde. Nu had de paus zijn doel bereikt, en bevrijdde \'s keizers hoofd van den banvloek, die er op rustte. Maar vrede was het daarom nog niet. Hendrik vergat spoedig wat hij den paus beloofd had; hij herinnerde zich enkel de smadelijke bejegening, welke hij had ondergaan. Nadat hij in Duitschlaiul de macht der vorsten had gebroken, trok hij aan het hoofd van een leger naar Rome om zich op den trotschen priester te wreken. Maar onbuigzaam, ook wanneer gevaar hem

-ocr page 272-

248

dreigde, verklaarde Gregorius, dat hij den keizer, die opnieuw in den ban gedaan was, eerst van den banvloek zou bevrijden, indien liij oprecht boete wilde doen. Hendrik nam Rome in; Gregorius vluchtte in zijn bijna onneembaren Engelenburg. Eindelijk kwam een leger Noormannen uit beneden-Italië den paus ter hulp, en nu volgde deze zijne bevrijders naar de stad Salerno, daar de trouw van de burgers van Rome hem twijfelachtig scheen. In deze vrijwillige verbanning eindigde hij zijn leven (35 Mei 1085), dat veel bewogen voor hem zeiven en voor de Kerk van zeer groote beteekenis was geweest. Zijn laatste woord was: „Ik heb de gerechtigheid liefgehad en het onrecht gehaat; daarom sterf ik in ballingschap.quot;

Groot en edel zijn dc gedachten, waardoor Gregorius zijne daden liet besturen. Er ligt waarheid in zijne beschouwing, dat al het wereldsche het Koninkrijk Gods onderdanig moet zijn. Maar schromelijk heeft hij gedwaald, waar hij meende, dat het pausdom hetzelfde was als het Godsrijk, en waar hij zelf eene macht wilde uitoefenen, die slechts den Heer der Kerk toekomt, maar in men-schenhanden een vreeselijk wapen is. Ook kende hij naast zijnen ernst geen zachtere gewaarwordingen. Zóó werd zijn vastheid dikwijls hardvochtigheid. Maar nimmer was het lage eerzucht, die hem leidde. Vrouw of kind had hij niet, voor welke hij eene glanzende toekomst had willen openen; voor zich zeiven had hij weinig behoeften. Van zich zeiven belijdt hij; „Het gewicht mijner zonden drukt mij zóó, dat mij geen andere hoop overblijft dan de barm-hartigheid van Christus.quot; Door zijne omgeving werd hij in hooge eere gehouden; vooral met zijne geestelijke dochter Mathilda van Toscane was hij met eene wonderbare vriendschap verbonden. Dat hij zich niet bewust was van onedele bedoelingen, heeft hij eenmaal in eene ernstige ure plechtig betuigd. Toen hij nl. te Canossa met den keizer na hunne verzoening ter kerk ging, waar eene groote volksmenigte hen wachtte, wijdde hij zelf de hostie, brak haar en wendde zich toen diep geroerd tot Hendrik, woorden sprekende, die naar de wijze van dien tijd een Godsgericht eischten en aankondigden. Hij was, zeide hij, door zijne Duitsche tegenstanders van vele misdaden beschuldigd; tegenover deze aanklacht wilde hij het getuigenis stellen van den almachtigen God. Daarom wilde hij nu God zeiven tot getuige zijner onschuld aanroepen, terwijl hij om haar

-ocr page 273-

249

te staven, het lichaam des Heeren zou ontvangeu. Als hij ouschuldig was mocht God hem jiu vrijspreken, als hij schuldig was hein met een oogenblikkelijken dood vernietigen. Kalm nam hij hierop de helft van de hostie; diep bewogen zag de ganschc verzamelde menigte het aan. Toen reikte hij den keizer de andere helft var het gewijde brood, en noodigde hem uit het te nemen, ais hij zich van zijn onschuld bewust was. Maar ontzet week Hendrik terug; zijn geweten was niet rein.

§ 38.

Het pausdom van 1085—1517.

Gregorius had aan zijne opvolgers zijne plannen ter uitvoering nagelaten, hetwelk inhield den strijd met de wereldlijke macht. Wel is waar leidden de Kruistochten de aandacht der christelijke volkeren af van de stuitende twisten tusschen hunne geestelijke en wereldlijke overheden, maar niettemin was de strijd verder gestreden en was er een rechtsvraag gesteld, die aldus werd beantwoord: De bisschoppen waren vorsten, wier macht voor een deel staatkundig, voor een deel kerkelijk was. Zoo hadden dan ook zoowel de bestuurders van den Staat, als de kerkelijke overheid deel aan hunne ordening. Op deze wijze kwam het eindelijk (1122) te Worms tusschen keizer Hendrik V en paus Calixtus IT tot een vergelijk — het Concordaat van Worms. ,,De keizer laat aan God, den heiligen Petrus en Paulus en de Catholieke Kerk de gansche investituur met ring en staf over. Hij laat toe, dat in alle kerken de keuze vrij en volgens de wettelijke verordeningen geschiede. De paus neemt er genoegen mede, dat de keuze in tegenwoordigheid des keizers, zonder geweld of simonie, voltrokken worde. Bij oneenigheid in de keuze helpt de keizer de partij, die het recht op hare zijde heeft, volgens den raad van den aartsbisschop en de overige bisschoppen. De gekozen prelaat ontvangt het keizerlijke leen van den keizerlijken scepter, en is verplicht den leeneed af te leggen.quot;

Doch slechts korten tijd rustte de strijd. De keizerlijke macht toch hield zich evenmin binnen de perken als het pauselijk gezag;

-ocr page 274-

250

beiden trachtten zij elkander afbreuk te doen, om zóó zelf in macht toe te nemen. Weldra kwam bij den wedijver der hoofden ook nog de rangstrijd der volkeren. De trotsche burgers der rijke Lombardische steden verdroegen slechts met tegenzin het oppergezag der Duitsche keizers. In Duitschland had het roemrijk vorstenhuis der Hohenstaufen of Waillingen — zóó genoemd naar het Zwabische stadje van dien naam — den keizerlijken troon bestegen. Daardoor was de naijver van het even machtige huis der Welfen opgewekt en twisten zonder eind waren hiervan in Duitschland het gevolg. Maar ook naar de overzijde der Alpen sloeg deze strijd over. Onder de ver-Italiaanschte namen Ghibellijnen en Guelfen bestreden daar voor-en tegenstanders van het keizerlijk huis elkander. En het hoofd der Guelfen, of vijanden van het keizerlijke huis, was de bisschop van Rome.

Toen echter de pauselijke waardigheid aldus door hare dragers door het slijk gesleurd werd, dat zij zich mengden in den strijd der volkeren, toen verdween de achting voor deze waardigheid bij hen, die van het onwaardige schouwspel getuigen waren. Reeds verhieven zich enkele steramen tegen de wereldlijke macht van den stadhouder van Christus, wiens rijk immers niet van deze wereld was. De moedigste onder deze stemmen was die van den jeugdigen priester Arnold van Brescia, die zelfs een soort van Kerkhervorming in het leven riep. Maar evenals andere wakkere mannen van zijn tijd dwaalde hij, en wel hierin, dat hij den wortel van allo kerkelijke krankheden slechts in uitwendige verkeerdheden en niet in afval van het Evangelie zag. Daarom had dan ook de door hem verwekte beweging geene verdere gevolgen ; maar zij bracht eene groote beweging te weeg, en was tot een oorzaak van schrik voor den pauselijken stoel. Immers Arnold\'s prediking, bezield als zij was door haar steunen op de Heilige Schrift, prikkelde het volk en spoorde het aan, het wereldlijk gezag des pausen te vernietigen en de oude republiek van Rome te herstellen. Een tijdlang moest Arnold voor de wraakzucht der priesters van het eene land naar het andere vluchten, doch weldra moest de paus zelf vluchten en trok Arnold zegevierend Rome binnen. Doch de Senaat (d. i. het burgerlijk bestuur) van Rome was de inwendige onlusten moede. In stilte onderhandelde hij met den paus over diens terugkeer, en de eerst als bevrijder ingehaalde werd prijsgegeven en moest in ballingschap

-ocr page 275-

251

vluchten. Soldaten van keizer Frederik I namen hem gevangen en leverden hem als oproermaker aan den paus uit. Deze sprak het doodvonnis over hem uit en op vreeselijke wijze eindigde de onbezonnen priester zijn leven (1155).

In plaats van gedachtig te blijven aan de weldaad, welke Frederik door de uitlevering van Arnold van Brescia aan het pausdom bewezen had, bleef de paus den keizer vijandig. Daar, volgens oud gebruik, de Duitschc koningen te Eoine uit de hand des pausen de kroon ontvingen en den naam van keizer van Duitschland of Roomsch keizer, meenden de pausen eindelijk, dat zij den keizer als vasal mochten behandelen. Zoo waagde eens de pauselijke gezant, kardinaal Roland, op Duitschen bodem in tegenwoordigheid van keizer Frederik en vour de ooren der verzamelde vorsten het koene woord: „Van wien heeft de keizer zijn kroon, indien niet van den paus?quot; Toen trok een der vorsten zijn zwaard om den vreemdeling voor zulk eene aanmatiging te straffen. De keizer verhinderde wel dat dit geschiedde, maar de kardinaal moest uit het land vertrekken. De Duitscbe bisschoppen schreven toen naar Rome: „Gaarne bewijzen wij onzen vader den paus den eerbied, waarop hij aanspraak heeft; de vrije kroon van ons rijk echter verklaren wij alleen door God gegeven te zijn.quot; Rome bleef bij zijne aanmatiging. Kardinaal Roland besteeg als Alexander TIJ (1159 —1181) den pauselijken stoel, en werd de voorvechter in den strijd tusschen Italië en Duitschland. Als wereldlijk vorst trok hij het zwaard tot ondersteuning der Lombarden; als geestelijk vorst gebruikte hij het nog verschrikkelijker wapen van deii ban tegen keizer Frederik, tot eindelijk na een langen en bloedigen strijd in beider hart het verlangen naar den vrede rijpte. Te Venetië zagen in 1177 dc beide hoogste gebieders der aarde elkander van aangezicht tot aangezicht, en spoedig kwam toen dc verzoening tot stand. Beiden scheidden met achting voor elkander; ieder had geloof in zijn goed recht en beiden hadden zij met eerlijke wapenen gestreden.

Minder eervol voor de koninklijke macht was de afloop van den strijd tusschen Alexander en koning Hendrik II van Engeland. Het was dezen hartstochtelijken vorst reeds lang een doorn in het oog geweest te bemerken, dat de priesters in Engeland den paus meer gehoorzaamden dan hem. Daarom benoemde

-ocr page 276-

252

hij den tot dien tijd toe zeer aan hem verknoohten kanselier Thomas Becket tot aartsbisschop van Canterbury, opdat deze, als hoogste bisschop van het land, de Kerk nu naar \'s konings wensch zou regeereu. En inderdaad onderteekende de nieuwe aartsbisschop op oene groote vergadering eene wet, hem door den koning voorgelegd, waardoor aan de kroon de leenheerschappij over alle geestelijke ambten en eene verreikende macht in de Kerk werd toegekend. Toen intusschen de Paus deze bepalingen voor onwettig verklaarde, had Becket berouw over zijne inschikkelijkheid en vluchtte. Wel is waar werd hem vergund terug te keeren, doch voortaan achtte hij zich meer gebonden door de bepalingen der Kerk dan door den wil des konings. Teleurgesteld in zijne verwachtingen, was de koning zeer verbitterd tegen hem en riep eens toornig uit: „Is er dan onder de lafaards, die mijn brood eten, niemand, die mij van eenen oproerigen priester verlost ?quot; Toen snelden vier dienaren des konings naar Canterbury en sloegen den aartsbisschop dood op de trappen van het altaar (1170). Zoowel het volk als de Kerk was vertoornd over deze bloedige daad, en hoewel de koning plechtig verzekerde, dat hij onschuldig was aan den moord, toch kon hij niet loochenen, dat hij er de aanleiding toe had gegeven. Om zijne schuld te verzoenen onderwierp hij zich aan eene vernederende boete. Vooreerst schafte hij de wet weer af, waardoor hij heer der Kerk was gemaakt. Toen trok hij (1184) naar het graf van den vermoorde, die door den paus heilig verklaard was. Daar stond hij een geheelen dag in boetgewaad, vastend en biddend, terwijl hij de monniken beval hem met roeden te geeselen. Zoo kwam er weer vrede tusschen hem en den paus.

De opvolgers van Alexander UT waren minder krachtig; een oogenblik scheen het alsof liet pauselijk gezag ten onder zou gaan, en de wereldlijke heerschappij der pausen werd op het ergst bedreigd. Toen nl. de Duitsche keizer Hendrik VI door het huwelijk met eene Napolitaansche prinses ook de kroon van Napels ontvangen had, was het pauselijk gebied in \'t Noorden en Zuiden door keizerlijke landen ingesloten. Doch geheel onverwacht bereikte toen juist de pauselijke macht haar toppunt, toen zij door de keuze der kardinalen in handen kwam van Innocentivs III (1198—1216). Hij was toen een man in de kracht des levens. In vastheid van karakter geleek hij op Gregorius VII, maar in zijn verkeer met de

-ocr page 277-

353

wereld had hij meer takt. Bovendien was hij zeer geleerd, ervaren in geestelijke en wereldlijke zaken. Zoo was Innocentins III de machtigste en gelukkigste van alle pausen, en heeft over vorsten en volkeren van zijnen tijd als hun gebieder geheersclit. Natuurlijk was ook zijn streven voornamelijk daarop gericht, Rome volkomen onafhankelijk te doen blijven van de macht der Duitsche keizers, en hij had menigmaal gelegenheid in te grijpen in de Duitsche aangelegenheden. De weduwe van Hendrik VI toch had op haar sterfbed de voogdij over haar zoontje Frederik opgedragen aan den paus. Met trouw en beleid heeft deze zich van die taak gekweten, en tegelijk als tijdelijk regent Napels bestuurd. Maar de vorsten van Duitscliland toonden zicli allerminst bereid zich te buigen onder \'t gezag van dit knaapje of zijnen voogd. Zij wisten echter niet, wien als oppergebieder te kiezen: den Welf Otto, zoon van Hendrik den Leeuw, of Philip van Hohenstaufen, een zoon van Frederik Barbarossa. Toen verklaarde de paus, dat de kroon aaii Otto toekwam, daartoe gebracht door de overweging, dat een Welf gehoorzamer zou zijn aan de Kerk, dan een Hohenstaufen, wiens voor-vaderen het pausdom hadden bestreden. Natuurlijk kwam Philip tegen deze pauselijke uitspraak op, zeggende, dat de paus geen wereldsche kronen te vergeven had; doch Innocentius gaf trotsch ten antwrford, dat hij de keizerskroon verleende en daarom ook te beoordeelen had, wie haar waardig was. Eindelijk werd Philip door een zijner leenmannen gedood. Nu was Otto alleenheerscher, maar in het gevoel zijner waardigheid trad hij ook met hetzelfde gezag in Italië op, dat vorige keizers er hadden uitgeoefend. Toen sprak de paus ook over hein den banvloek uit, en bewoog de Duitsche vorsten, aan Otto de gehoorzaamheid op te zeggen, en zijn nu tot jongeling gerijpten pupil Frederik II tot keizer te kiezen. Zijn raad werd opgevolgd, en Otto stierf verlaten op zijnen burcht te Brunswijk.

Ernstiger nog trad de paus op tegen koning Jan van Engeland, een zoon van Hendrik II. Toen te Canterbury de keuze van eenen aartsbisschop op onwettige wijze geschied was en geen resultaat had opgeleverd, schreef Innocentius zonder toestemming des konings, eene nieuwe stemming uit, waardoor de ledige bisschopszetel naar zijnen wensch bezet werd. Hierover vertoornd en niet geleerd door de vernedering, die zijn vader ondergaan had, ondernam de

-ocr page 278-

254

hartstochtelijke koning den gevaarvollen strijd tegen de pauselijke macht, zonder dat hij de noodige wijsheid en kracht voor zulk eenen strijd bezat. Te vergeefs stelden pauselijke gezanten hem herhaaldelijk den eisch, om aan de Kerk de regeling van haar inwendig bestuur over te laten. De koning beschimpte de gezanten en trok de kerkelijke goederen aan zich. Toen sprak de paus ten slotte over hem den ban en over Engeland het Interdict uit. Alle kerken werden nu van hare sieraden beroofd en gesloten, de klank van klokgelui en kerkgezang werd niet meer gehoord, godsdienstoefeningen waren er niet meer. Slechts de kinderen mochten worden gedoopt, en aan stervenden het laatste oliesel worden toegediend. Het huwelijk werd niet meer voor het altaar, maar op het kerkhof ingezegend, en de dooden werden in ongewijde aarde, zonder eenige plechtigheid begraven. Wanneer over een land zulk een vloek was uitgesproken, hield alle vroolijkheid op. Op straat groette men elkander niet, en uit de woningen week de vreugde. Maar de koning bekommerde zich weinig om den rouw zijns volks. Eerst toen de paus in het volle besef zijner macht hem van den troon vervallen verklaarde, en de kroon van Engeland opdroeg aan den koning van Frankrijk, sidderde de koning, die nooit getracht had de liefde zijns volks te winnen, en nu zijn troon zag wankelen. Om den paus te verzoenen deed hij toen zelf vrijwillig afstand, en ontving zijn kroon slechts op voorwaarde, dat hij zich voortaan als leenman van den pauselijken stoel zou beschouwen en hem schatting zou betalen. Het Engelsche volk droeg morrend deze vernedering, en de koning van Frankrijk zag zijne luchtkasteelen in duigen storten. Het pausdom had intusschen eene nieuwe overwinning behaald.

Er kon in die dagen moeielijk één christenvolk of één koningshuis gevonden worden, waartegen Innocentius niet een ernstig woord sprak. Door den banvloek van Eome werd de koning van Frankrijk gedwongen, zijne verstootene eerste gemalin terug te roepen en een met toestemming zijner bisschoppen gesloten huwelijk weer te ontbinden. De koningen van Arragon en Portugal brachten jaarlijks schatting op aan Rome; de eerste uit dankbaarheid, dat de paus zijne bede had ingewilligd en hem had gekroond; de laatste tegen zijn wil, maar toch eindelijk bukkend voor de pauselijke macht. Aan de vorsten van Bulgarije en Walachije schonk Innocentius den koningstitel; in Polen en Hongarije trad hij als bemid-

-ocr page 279-

355

delaar op in een strijd om de kroon. Zoo zag hij zijne trotsche gedachte verwezenlijkt, dat de Kerk de zon was, van weike alle wereldlijke macht, als de maan, licht en glans ontving.

Doch terwijl de geest van dezen paus de geheele christelijke wereld bestuurde, was zijn leven uiterst eenvoudig. jSJiet voor zich zeiven, maar voor de Kerk besteedde hij de groote schatten, rlie voortdurend naar Rome stroomden. Ook de armen vergat hij niet; maar weduwen en weezen verzorgde hij op vaderlijke wijze. Hij predikte gaarne, en als hij het deed, geleek zijne prediking in kracht op de Oud-Testamentische beeldspraak. Niet zelden sprak hij den wensch uit, dat hij van het glanzende gewicht zijner heerschappij ontheven mocht zijn, om in een stil verborgen plekje alleen voor zijn geestelijk ambt te kunnen leven. ïot zijne lievelingsplannen behoorde de bevrijding van het Heilige Graf uit de handen der ongeloovigen, en de wedervereeniging van de Griekscbe en de Roomsehe Kerk. Daarom riep hij (1215) een buitengewoon talrijke en schitterende Kerkvergadering bijeen, waarop bijna vijfiionderd bisschoppen en achthonderd abten verschenen. Ook kwamen gezanten van bijna alle christelijke vorsten, en zelfs de Oostersche Kerk had patriarchen of plaatsvervangers voor hen gezonden. De paus droeg daar zijne ontwerpen voor, die. o. a. de leer der Kerk en de maatregelen tegen onkerkelijke leeringen te nemen, betroffen. Al zijne voorstellen werden door de vergadering aangenomen; bij de uitvoering echter leden vele er van schipbreuk door de macht der omstandigheden. De eensgezindheid van dit Concilie was de laatste vreugde voor den paus; reeds het volgende jaar stierf hij.

In dezen tijd stond in Frederik II een geweldig tegenstander tegen den pauselijke.n stoel op. Hij wilde de rechten der Hohen-staufen op Italië en liet beschermheerschap over de Kerk doen gelden, die beide naar de meening der volkeren hem toekwamen als gekroond Eoomsch-keizer. Maar de pausen verzetten zich standvastig, en gebruikten alle wapenen tegen hem, zoodat zijn leven en zijn kracht in eenen, bij alle behaalde overwinningen, niettemin vruchteloozen strijd tegen Rome, verteerd werden. Onder anderen werd de ernstige aanklacht tegen hem ingebracht, dat hij Mozes en Christus voor bedriegers zou hebben uitgemaakt, die evenals Mohammed de wereld hadden verleid. Misschien was ook inderdaad de keizer door den overmoed, die hem eigen was, en door zijn

-ocr page 280-

256

wrok tegen de kerkvorsten van zijn lijd tot uitdrukkingen verleid, die tegen de Kerk en de leer der Kerk gericht waren. Ook stond de troon der pausen vaster dan die der koningen. Wanneer het er op aan kwam kozen de volkeren de partij van den paus. Het gezag der Hohenstaufen in Italië ging te niet, en ook het Duitsche volk had geen liefde voor een vorstenhuis, dat bijna uitsluitend in en voor Italië leefde. Ten slotte drongen op buit beluste ïran-schen, gebruik makende van de rampzalige verwarring, de Italiaan-sehe erflanden van Frederik II binnen, en vermoordden in 1268 \'s keizers kleinzoon Konradijn. Zoo ging het eens zoo machtige huis der Hohenstaufen te niet. Dat het tc gronde ging kwam de Kerk ten goede. Immers de in dat huis erfelijk geworden strijd tegen het pausdom kon ook de Kerk geen nut doen. Maar Duitschland en Italië waren aan de grootste verwarring prijsgegeven, en ook de hoop der pausen op volkomene onafhankelijkheid van de wereldlijke macht werd er niet door verwezenlijkt. Integendeel, een ander vorstenhuis, dat met ontzachelijke ruwheid den pauselijken stoel aangreep, deed die hoop der pausen geheel en al in duigen storten. Dat was liet Franschc vorstenhuis.

Reeds in den laatsten tijd der Hohenstaufen hadden zich zelfs in de vergadering der kardinalen Fransche invloeden doen gelden, en door oneenigheid in dit lichaam was de verkiezing eens pausen reeds eenmaal drie jaren lang tegengehouden. Het gevolg daarvan was een zonderlinge bepaling, de Conclavewet genaamd. Krachtens deze wet moesten, indien er een paus moest worden gekozen, alle kardinalen in een kamer worden opgesloten, totdat de keuze gedaan was. Was men in drie dagen nog niet tot eene keuze gekomen, dan ontvingen de kardinalen iederen volgenden dag kariger maal, totdat zij het ten slotte eens geworden waren. Op zulk eene wijze, maar niet zonder dat hij zelf toch een grooten invloed op de beslissing uitgeoefend had, was Bonifacius VIII (1294—1303) tot paus gekozen. Hij trachtte eenen Gregorius en Innocentius na te volgen, doch hij bezat niet den zedelijken ernst dezer mannen en kon dus ook de volkeren geen eerbied afdwingen. Bijna opzettelijk zocht hij strijd met koning Philips van Frankrijk, die juist in oorlog was met Engeland. Zonder daartoe uitgenoodigd te zijn, wilde de paus als scheidsrechter optreden tusschen de strijdende partijen. Philips wees dit aanbod af, waarop de paus wraak nam

-ocr page 281-

257

door de Fransclie geestelijkheid te bevelen de opgelegde oorlogschatting niet te betalen. Hierover nam de koning weerwraak, door zich goederen der Kerk toe te eigenen en allen uitvoer van goud en zilver te verbieden. Hierdoor kreeg de paus een gevoeligen slag; want zijne voornaamste inkomsten vloeiden uit Frankrijk hem toe. Hij liet toen den koning een eigenhandig schrijven geworden, dat aldus luidde : „Bonifacius, de bisschop, en knecht der knechten Gods, aan koning Philips van Frankrijk. Vrees God en houd Zijne geboden. Wij laten u weten, dat gij in geestelijke en wereldsche zaken ons onderdanig zijt. Kerkelijke betrekkingen en kerkelijke fondsen gaan U niets aan. Zijn er vacante plaatsen, waarover gij het opzicht hebt, dan hebt gij de inkomsten daarvan voor hem, die later die plaats vervult, te bewaren. Hebt gij zulke plaatsen weggeschonken, dan verklaren wij zulk eene benoeming vnor onwettig, en verklaren ongeldig alles wat daarvan een gevolg is geweest. Wie anders denkt, houden wij voor een ketter. Gegeven in het Lateraan.quot; Philips bleef hierop het antwoord niet schuldig. Het luidde, als volgt: „Philips, bij Gods genade koning van Frankrijk, brengt Bonifacius, die als paus optreedt, slechts geringe of in het geheel geene groetenis. quot;Uwe hoogste Dwaasheid moet weten, dat wij in tijdelijke dingen niemands onderdaan zijn. Vacante plaatsen te vergeven is ons recht; de inkomsten er van gebruiken wij voor ons zeiven; de benoemingen in kerkelijke ambten, welke wij gedaan hebben en nog zullen doen, blijven altijd van kracht, en de aldus door ons benoemde ambtsdragers zullen wij tegen ieder krachtig in bescherming nemen. Ieder, die anders denkt, houden wij voor eénen dwaas. Gegeven te Parijs.quot; Waar zoo heftig gesproken werd, was verzoening bijkans niet mogelijk. Wel is waar sloeg de paus een meer gematigden toon aan, hield zelfs vol, dat het zoo even medegedeelde schrijven ondergeschoven was, maar Philips liet alle brieven van den paus verbranden. Toen verklaarde Bonifacius, dat het geloof aan de oppermacht van den paus een geloofsartikel der Kerk was, tot zaligheid noodig. en sprak den banvloek uit over den koning, die dit niet aannam. Doch gesteund door de aanhankelijkheid van het volk, noemde de koning den paus onwettig verkozen, en zond zijnen kanselier Willem van Nogaret naar Rome om deze verklaring hein zei ven te overhandigen. Bonifacius zag de toekomst donker in, en door een angstig voorgevoel gedreven vluchtte hij

17

-ocr page 282-

•258

naar zijne vaderstad Anagni. Doch de Frauseliman volgde hem ook daarheen met een gewapend geleide. Daar verder ontkomen hem niet mogelijk was, besteeg de paus, versierd met alle teekenen zijner waardigheid den troon, en wachtte met oud-Romeinsche vastberadenheid de gezanten van den toornigen koning af. De gezant verscheen en zijn gevolg nam den grijzen paus gevangen. Na eenige dagen schoolde wel het volk samen en bevrijdde den gevangene, maar deze was tengevolge van den gel ede] i smaad zoo geschokt, dat hij waanzinnig werd en na weinige maanden stierf.

Niet lang daarna wist Franschc list te bewerken, dat een Pransche bisschop — Bertrand van Bordeaux — onder den naam Clemens V tot paus werd verkozen. In plaats van nu naar Boine te trekken, nam de nieuwe opvolger van Petrus zijn zetel te. Avignon aan de Rhone (1309). Aldaar hebben ook de volgende pausen, die meestal onder den invloed van Frankrijk gekozen waren en naar den wil der ïransche koningen de Kerk bestuurden, verblijf gehouden. En daar deze afhankelijkheid van het pausdom ongeveer zeventig jaren duurde (1309—1377), werd deze tijd met bitteren spot vergeleken met de gevangenschap van Israël in Babel, en daarom de Babylonische ballingschap der pausen genoemd. De geheele christelijke wereld zag liet met altijd stijgenden tegenzin aan, hoe de stadhouder van Christus een knecht der koningen geworden was. Vooral het Duitsche volk was zeer verbolgen, dat het pauselijke hof met de gewone aanmatiging zich in zijne aangelegenheden mengde, terwijl het tocli klaarblijkelijk meer de belangen van Frankrijk dan het heil der iverk op het oog had. Daarom verzamelden zich in 1338 de voornaamste Duitsche vorsten te Rhense aan den Rijn en bepaalden, dat voortaan slechts de keuze der vorsten over de keizerskroon zou beschikken, en dat de door hen gekozene de pauselijke goedkeuring en kroning niet noodig had. De Romeinen stichtten intusschen weer hun oude republiek, aan het hoofd waarvan zij den tribuun Riënzi plaatsten. Wel ging deze avontuurlijke beweging weldra weer te gronde, maar de Kerkelijke Staat bleef daarna een onbeheerd land, dat in tal van kleine Staatjes dreigde uiteen te vallen. Van het pauselijke hof te Avignon kwamen de schandelijkste geruchten. Was het wonder, dat toen de achting, die de volkeren voor de pauselijke waardigheid hadden, spoediger verloren ging dan zij eertijds gewonnen was? Zelfs de zóó gevreesde wapenen der pausen

-ocr page 283-

259

— Ban en Interdict — schenen afgestompt te zijn, sints de pausen wereldlijke wapenen niet hadden versmaad, en zoo de keningen geleerd hadden ook de wapenen tegen Rome te gebruiken. En niet alleen van vertoornde koningen, ook van trouwe dienaren der Kerk moest de pauselijke stoel zich menig hard woord laten welgevallen. Eens had een paus een zijner gunstelingen naar Engeland gezonden, om aldaar een winstgevende kerkelijke betrekking te vervullen. Doch de bisschop daar ter plaatse wilde liem niet toelaten, daar hij een persoon was, ten eenenmale voor het priesterambt ongeschikt. Toen de paus dezen daarop zijn bisdom ontnam, schreef hij vrijmoedig terug: „Sints den val des duivels, is geene zoude zóó in strijd met het Evangelie, als wanneer door ontrouw in het opzienersambt zielen gedood worden. Zulk eene zonde begaan zij, die met de melk en het leven der schapen van Christus\' kudde slechts hun eigen vleeschclijke en aardsche lusten voeden, terwijl zij aangesteld zijn om zorg te dragen voor onsterfelijke zielen. Daarom kan de heilige pauselijke stoel niets gebieden, wat met deze zonde ook maar éénige gelijkenis vertoont. Wie dus waarlijk gehoorzaam is aan het pauselijk gezag, kan geboden, die zoo iets zouden eischen, onmogelijk opvolgen, maar is verplicht met alle kracht daartegen op te komen. Daarom moet ik, met verzekering van trouw en betuiging van onderdanigheid, gehoorzaamheid weigeren aan de voorschriften in uw schrijven medegedeeld en zal, met woord en daad, daartegen opkomen.quot; De paus vermocht niets tegen zulke vrijmoedige woorden. Zij waren op waarheid gegrond. Steeds luider openbaarde zich het misnoegen der volkeren; steeds dringender klonk de eisch der volkeren, dat het hoofd der Kerk bevrijd zou worden uit de onwaardige positie, waarin hij te Avignon verkeerde en aan Rome zou worden teruggegeven. Zelfs in de liederen van den hoog in eere staanden Petrarca (f 1374) werd in krachtige, bezielde woorden de terugkeer des pausen als het verlangen van gansch Italië bezongen. Toen eens een bisschop door den paus berispt werd, dat hij voor een geruimen tijd zijn bisdom verlaten had, gaf hij treffend ten antwoord, dat de paus eene gelijke schuld op zich geladen had. Eindelijk waagde het Gregorius IX het, naar de stad der zeven heuvelen terug te keeren. De langdurige verwarring moede, ontving men hem aldaar met groote vreugde. Maar hierdoor keerde de vrede in de Kerk nou- niet weder. Sterk door hun aantal en overmoedig

i

I1

; iif

Ir

, |

!

\' \'I1 »1

\'flf HiV:\'

gipi

fmm

illr

i\'j| ■ Jl

11:!

.!

, v tfj

H

Isp\'i

lil

1 i» •■ii?

i\'H

I

i i

1

\'if; I

-ocr page 284-

258

naai\' zijne vaderstad Anagai. Doch de Frauscliman volgde hem ook daarheen met een gewapend geleide. Daar verder ontkomen hem niet mogelijk was, besteeg de paus, versierd met alle teekenen zijner waardigheid den troon, en wachtte met oud-Romeinsche vastberaden-heid de gezanten van den toornigen koning af. De gezant verscheen en zijn gevolg nam den grijzen paus gevangen. Na eenige dagen schoolde wel het volk samen en bevrijdde den gevangene, maar deze was tengevolge van den geleden smaad zoo geschokt, dat hij waanzinnig werd en na weinige maanden stierf.

Niet lang daarna wist Franschc list te bewerken, dat een Pransche bisschop — Bertrand van Bordeaux — onder den naam Clemens V tot paus werd verkozen. In plaats van nu naar Rome te trekken, nam de nieuwe opvolger van Petrus zijn zetel te Avignon aan de Rhone (1309). Aldaar hebben ook de volgende pausen, die meestal onder den invloed van Frankrijk gekozen waren en naaiden wil der Pransche koningen de Kerk bestuurden, verblijf gehouden. Eu daar deze afhankelijkheid van het pausdom ongeveer zeventig jaren duurde (1309—1377), werd deze tijd met bitteren spot vergeleken met de gevangenschap van Israël in Babel, en daarom de Babylonische ballingschap der pausen genoemd. De geheele christelijke wereld zag het met altijd stijgenden tegenzin aan, hoe de stadhouder van Christus een knecht der koningen geworden was. Vooral het Duitsche volk was zeer verbolgen, dat het pauselijke hof met de gewone aanmatiging zich in zijne aangelegenheden mengde, terwijl het toch klaarblijkelijk meer de belangen van Frankrijk dan liet heil der Kerk op het oog had. Daarom verzamelden zich in 1338 de voornaamste Duitsche vorsten te Rhense aan den Rijn en bepaalden, dat voortaan slechts de keuze der vorsten over de keizerskroon zou beschikken, en dat de door hen gekozene de pauselijke goedkeuring en kroning niet noodig had. De Romeinen stichtten intusschon weer hun oude republiek, aan het hoofd waarvan zij den tribuun Riënzi plaatsten. Wel ging deze avontuurlijke beweging weldra weer te gronde, maar de Kerkelijke Staat bleef daarna een onbeheerd land, dat in tal van kleine Staatjes dreigde uiteen te vallen. Van het pauselijke hof te Avignon kwamen de schandelijkste geruchten. Was het wonder, dat toen de achting, die de volkereu voorde pauselijke waardigheid hadden, spoediger verloren ging dan zij eertijds gewonnen was? Zelfs de zóó gevreesde wapenen der pausen

-ocr page 285-

259

\' I

JI

— Ban en Interdict — schenen afgestompt te zijn, sints de pausen wereldlijke wapenen niet hadden versmaad, en zoo de koningen geleerd hadden ook de wapenen tegen Rome te gebruiken. En niet alleen van vertoornde koningen, ook van trouwe dienaren der Kerk moest de pauselijke stoel zich menig hard woord laten welgevallen. Eens had een paus een zijner gunstelingen naar Engeland gezonden, om aldaar een winstgevende kerkelijke betrekking te vervullen. Doch de bisschop daar ter plaatse wilde hem niet toelaten, daar hij een persoon was, ten eenenmale voor het priesterambt ongeschikt. Toen de paus dezen daarop zijn bisdom ontnam, schreef hij vrijmoedig terug; „Sints den val des duivels, is geene zonde zoo in strijd met het Evangelie, als wanneer door ontrouw in het opzienersambt zielen gedood worden. Zulk eene zonde begaan zij, die met de melk en het leven der schapen van Christus\' kudde slechts hun eigen vleeschelijke en aardsche lusten voeden, terwijl zij aangesteld zijn om zorg te dragen voor onsterfelijke zielen. Daarom kan de heilige pauselijke stoel niets gebieden, wat met deze zonde ook maar éénige gelijkenis vertoont. Wie dus waarlijk gehoorzaam is aan het pauselijk gezag, kan geboden, die zoo iets zouden eischen, onmogelijk opvolgen, maar is verplicht met alle kracht daartegen op te komen. Daarom moet ik, met verzekering van trouw en betuiging van onderdanigheid, gehoorzaamheid weigeren aan de voorschriften in uw schrijven medegedeeld en za], met woord en daad, daartegen opkomen.quot; De paus vermocht niets tegen zulke vrijmoedige woorden. Zij waren op waarheid gegrond. Steeds luider openbaarde zich het misnoegen der volkeren; steeds dringender klonk de eisch der volkeren, dat het hoofd der Kerk bevrijd zou worden uit de onwaardige positie, waarin hij te Avignon verkeerde en aan Rome. zou worden teruggegeven. Zelfs in de liederen van den hoog in eere staanden Petrarca (f 1374) werd in krachtige, bezielde woorden de terugkeer des pausen als het verlangen van gansch Italië bezongen. Toen eens een bisschop door den paus berispt werd, dat hij voor een geruimen tijd zijn bisdom verlaten had, gaf hij treffend ten antwoord, dat de paus eene gelijke schuld op zich geladen had. Eindelijk waagde het Gregorius IX het, naar de stad der zeven heuvelen terug te keeren. De langdurige verwarring moede, ontving men hem aldaar met groote vreugde. Maar hierdoor keerde de vrede in de Kerk nog niet weder. Sterk door hun aantal en overmoedig

I \'P

IH

II

11 i: W llffll m

i ipi \'|p

ii

\'lil ■S\'r\' ■\'■kL,

i

y*

V.1

ff i|l

lil

: H

- i

li \\é ii t r

ij\' i\'!

ir

if

-ocr page 286-

260

als zij waren, kozen Je F ranse he bisschoppen na den dood van Gregorius (1378) eenen nieuwen paus, waardoor zij natuurlijk in botsing kwamen met de te Home reeds gedane keuze. Zóó stonden nu plotseling twee stadhouders van Christus tegenover elkander; de één sprak over den anderen en zijn aanhang den ban uit, zoodat de geheele christenheid in den ban geweest zou zijn, als men zich aan den banvloek ten minste uog gestoord had. Tientallen van jaren duurde deze onhoudbare toestand, en geregeld werden te Rome en te Avignon afzonderlijke pausen gekozen. Maar door deze verdeeldheid was tegelijk de macht van het pausdom gebroken, en zijne beteekenis in de wereldgeschiedenis geëindigd. Want niet langer werd de eenheid, maar integendeel de tweedracht door het pausdom bevorderd. En dewijl iedere paus den ouden glans, die den pauselijken stoel altijd omringde, wilde behouden, terwijl hij toch slechts over de helft der schatten en inkomsten te beschikken had, begonnen zij onder de nietigste en onwaardigste voorwendsels steeds meer te vorderen van de offervaardigheid der volkeren. Uit dezen tijd komt ook de afschuwelijke aflaathandel voort. Doch niet ongestraft werd er van het geduld der christenheid te veel geëischt. Reeds stond een geslacht van verstandige mannen op, die een open oog hadden voor do gebreken der Kerk, en moed genoeg bezaten om op de wonde plekken de hand te durven leggen. Vooral de beroemde universiteit van Parijs deed bij monde barer meest gevierde leeraren een krachtig protest hooren tegen het gemis van alle orde in de Kerk. üe uitnemendste vertegenwoordiger dezer hoogeschool was G er ft on. (f 1429), die eene reformatie der Kerk in hoofd en leden voorstond. Hij sprak als zijne overtuiging uit, dat voorzeker altijd een zichtbaar hoofd der Kerk noodig was, maar dat de Kerk als geheel boven de pauselijke waardigheid verheven was. Zoo was dan, volgens hem, eene Kerkvergadering, die inderdaad de gansche christenheid vertegenwoordigde, bevoegd ook over de pausen vonnis te vellen en hunne macht binnen wettige perken te houden. Zulk eene Kerkvergadering kwam eindelijk in het voorjaar van \'t jaar 1409 te Pim bijeen. De kardinalen hadden haar uitgeschreven. Een zeer wezenlijk onderscheid tusschen dit en alle vorige Conciliën was, dat hier het aantal bisschoppen sterk overtroffen werd door het getal van rechtsgeleerden en theologen, die voornamelijk door de Universiteiten werden gezonden. Er waren voortreffelijke mannen

-ocr page 287-

I

J61

onder, maar het meerendeel van hen had, helaas, te weinig inzicht li

of te weinig goeden wil. Wel is waar werden de pausen te Rome eu te Avignon voor afgezet verklaard, daar zij zich niet wilden voegen naar de uitspraak van het Concilie, en dus als onverbeterlijke rustverstoorders openbaar werden. Maar toen de vergadering nu eenen nieuwen paus benoemde, werd de zaak vooral niet beter.

Als zoodanig werd gekozen een zeventigjarig grijsaard, Alexander V.

Gersou vermaande hem in eene krachtige toespraak de Kerk van Christus door eene verstandige leiding te herscheppen tot een duidelijk beeld van het Godsrijk; doch de nieuwe paus vreesde juist zulke veranderingen, en ontbond de vergadering, eer zij reformatorische besluiten had kunnen nemen. De afgezette pausen wilden van hunne waardigheid geen afstand doen. Zoo werd dan nu de christenheid nog meer dan vroeger verscheurd, daar er drie pausen waren, instede van twee.

Paus Alexander stierf door vergif, waarschijnlijk door een zijner kardinalen hem toegediend. Deze giftmenger — later hekend als Johannes de XXTIIste — wist zich niesster te maken van den pauselijken stoel. Oorspronkelijk was hij zeeroovei geweest, later werd hij gouverneur van Bologne, en had zoowel te water als te land een verschrikkelijken naam verworven. Deze moest nu herder zijn van de kudde van Christus. Op aandrang van keizer Sigismund, wien het, rechtschapen als hij was, te doen was om het heil der Kerk,

stemde hij er in toe een Concilie bijeen te roepen. Hij meende het in Italië onder zijn oog te doen plaats hebben, maar de keizer besliste voor Duitschland. Zoo kwam dan in 1414 de groote Kerkvergadering van Constanz bijeen. En met een blik vol hoop hield de christenheid van het Westen de oogen nu daarheen gericht. De menigte, die was samengestroomd toonde echter niet den ernst, die bij deze samenkomst passend zou geweest zijn. Want niet alleen waren duizende bisschoppen en priesters, en daarnaast tal van vorsten met hunne raadslieden, en ook geleerde afgevaardigden der hoogescholen verschenen, maar ook potsenmakers, ja zelfs ontuchtige vrouwspersonen hadden in de stad van het Concilie hun intrek genomen, om de wereldsche begeerlijkheden van deze geestelijke vergadering te bevredigen. Bij de eerste zittingen scheen inderdaad een krachtig streven openbaar te worden om den nood der Kerk te lenigen, en hare gebreken te verbeteren. Onder den

I

ff a

•v

■ li

ïJMW I gi\'M I

;i:i

Pi\'

I

-ocr page 288-

262

invloed toch van Gersou\'s persoon werden al die grondstellingen, welke de beroemde geleerde eertijds aangaande de plaats, die het Concilie in de Kerk bekleedde, had uitgesproken, als wettige besluiten vastgesteld. Ook werd verordend, dat er gestemd zou worden volk bij volk en niet persoon voor persoon. De vertegenwoordigers dezer volken — Duitschers, Franschen, Italianen en Engelschen — moesten eerst onder elkander beraadslagen en stemmen; hetgeen door minstens drie volken besloten werd, zou als besluit van het Concilie gelden. Indien er hoofd voor hoofd gestemd was, zouden de talrijk opgekomen Italianen den paus eene gemakkelijke overwinning bezorgd hebben. Nu kreeg de paus een voorgevoel, wat hem te wachten stond, en als stalknecht verkleed vluchtte hij uit Constanz weg. Doch hij werd aangehouden en gevankelijk naar het ten Westen van Constanz gelegene slot Gott-lieben gebraclit, waar tegelijk met hem ook Johannes Huss in den kerker zuchtte. Het Concilie sprak nu over hem en een zijner tegenpausen het afzettingsvonnis uit; de derde deed vrijwillig afstand. Nu had de vergadering de hoogste leiding der Kerk in handen en had de verwachting kunnen vervullen, die haar moedig optreden in den aanvang gewettigd had. Doch geheel anders is het afgeloopen. Wel werd er eene commissie benoemd om over het werk eener kerkhervorming ie beraadslagen, maar de uitvoering van alle gemaakte plannen leed schipbreuk op de vreesachtigheid en de baatzucht der meerderheid. Te vergeefs eischten de Duitschers, dat eerst de Kerk hervormd, en dan eerst een nieuwe paus moest gekozen worden. De andere volkeren verklaarden zich er tegen en beschuldigden de Duitschers van ketterij. Nu diende de „zich naar Gods wil voegende, geduldige en deemoedige, maar door Gods genade niet onmachtigequot; Duitsche natie een protest in, waarin zij alle zonden van het pausdom onbeschroomd blootlegde, en de vereenigde volkeren voor het laatst opriep om toch eendrachtig samen te werken tot het ter hand nemen van een ernstig bedoelde reformatie. Het was alles te vergeefs. Alleen werd het uitzicht geschonken op nog meer Concilies. Men koos eenen verstandigen Italiaan — Martinus V — tot paus, die (1418) het Concilie uit een liet gaan. Hij schonk alle aanwezigen aflaat tot hun stervensure toe, en verliet de stad met groote praal. De keizer voerde zijn paard aan den teugel; veertigduizend ruiters vormden zijn geleide.

-ocr page 289-

263

De volkeu zagen zicli bedrogen, de vromen treurden, en het herstelde pausdom geleek een wit gepleisterd graf.

Wel is waar werden de naklanken van den vernomen eisch van reformatie ook verder vernomen, maar zij die haar eischten werden door onzalige partijschappen verdeeld, en waren ook zelf vrij wel in het onzekere omtrent het doel, dat zij najaagden. Nog altijd toch waren zij van oordeel, dat eene uiterlijke verbetering, eene verandering in het bestuur der Kerk, in pausdom en priesterdom, voldoende zou zijn, terwijl zij vergaten, hoe het bederf dei-Kerk dieper zat, in het afwijken van het Goddelijke Woord, en daarom ook slechts genezen kon worden als men in leer en leven weder tot het Evangelie terugkeerde. Door deze dwaling kwam er toen van eene kerkhervorming niets. Des Heeren tijd was nog niet gekomen. Het scheen zelfs wel, alsof het pausdom een tijd van nieuwen bloei tegemoet ging. Op het Concilie van Bazel werd nog menig vrijmoedig woord gesproken, doch zonder iets te hebben uitgewerkt ging het uiteen, nadat vele jaren verspild waren aan ellenlange beraadslagingen en bestendigen strijd met den Roomschen stoel (1431—1443). De flauwhartige keizer Prcderik III sloot (1448) met den paus het z. g. Aschaffenburger Concordaat, waardoor het Duitsche rijk wederom geheel het hooge geestelijke gezag des pausen erkende. Eene zelfde matte stemming lag als een zware slaap over de volkeren, die zich zelf niet eens aangrepen om de steeds meer naderende Turken te bestrijden. Wel werd op een Kerkvergadering te Mantua (1459) door paus Fins I, eenen der beste pausen, een Kruistocht gepredikt, maar de oude geestdrift voor zulk eenen strijd was verdwenen, en de geheele onderneming was een droevig zinnebeeld van de erbarmelijkheid van dien tijd. Toen beproefde de paus, of een krachtig woord een wapen zou kunnen zijn, dal den Turk keerde. In eenen brief vermaande hij den sultan Mohammed II om zich tot het Kruis te bekeeren en een knecht Gods te worden. Maar de trotsche Turk verachtte het woord, waarvan hij de diepte niet begreep. De volgende beheerschers der Kerk voegden bij de oude zonden der pausen steeds nieuwe. Innocentius VIII (1484 — 1492) werd wegens de talrijkheid van zijne onechte kinderen spottend : „vader des vaderlandsquot; genoemd, en liet zich gebruiken als cipier door den sultan, wiens jongsten broeder hij tegen betaling van eene groote som geld gevangen hield. Alexander Fquot;/(1493—1503)

-ocr page 290-

264

werd schuldig bevonden aan ontucht en moord. Eindelijk vergiftigde hij door eene vergissing zich zeiven met een giftdrank, die voor een\' ander gemengd was. Julius II (1503—1513) was een krijgsman, die zich beter in zijn harnas dan in zijn priesterkleed thuis gevoelde. Leo X misbruikte zijn hoogen rang om een wereldsch schitterend leven te leiden. Uit de opbrengst van den aflaathandel bouwde hij de Pieterskerk te Rome. Zoo deden de z. g, discipelen van Hem, die zachtmoedig was en nederig, die gekomen was niet om gediend te worden maar om te dienen, en Zijn leven te geven tot verlossing van zondaren.

§ 39.

De Hiorarcliic.

De gevolgen van het toenemen van de macht der pausen en van het ongeestelijke van hun leven, waren natuurlijk ook zichtbaar in het bisschopsambt. De invloed van den bisschop op de kerkelijke verordeningen in zijn bisdom werd gaandeweg minder, naarmate hij meer aan banden gelegd werd door de pauselijke inmenging, die in alle verhoudingen zich deed gelden. Zelfs de eens zoo machtige aartsbisschoppen hadden bijkans geen ander voorrecht meer, dan dat zij hun prachtig ambtsgewaad — het pallium — tegen aanzienlijke betaling in Rome mochten halen. Daartegenover gaf het leenstelsel hun een plaats tusschen de vorsten. Zoo verschenen zij dan ook naast de hertogen eu graven op de Rijksdagen. Doch dit recht sloot ook de verplichting in, gewapend mede ten strijde te trekken. Van een Duitschen aartsbisschop, die keizer Barbarossa vergezelde, wordt ons medegedeeld, dat hij door zijn geweldige knuppelslagen de schrik van den vijand was. De bisschoppen werden gekozen door de domheeren van de bisschoppelijke hoofdkerk. Keizer en paus hadden het recht van approbatie. Bij de bisschoppen berustte de gansche rechtspraak over hunne geestelijken, die geheel aan den wereldlijken arm onttrokken waren. Niet altijd intusschen oordeelden zij het noodig, datgene te straffen, wat voor den wereldlijken rechter strafbaar zou geweest zijn, en maar al te dikwijls was het bezoedelde leven der hooge geestelijkheid

-ocr page 291-

265

een vrijbrief voor de lagere. Indien zij straften, deden zij het door gevangenscliap in de kerkergewelven van een klooster. Soms zijn de schuldigen zelfs ingemetseld en aan deu hongerdood prijs gegeven. Doch er zijn ook voortreffelijke mannen geweest onder de dragers van het bisschopsambt, mannen, die midden in de booze wereld hun hart onbevlekt wisten te bewaren. Zoo wordt ons verhaald van eenen bisschop Peter van Moustier in Savoye, dat hij, uit liefde voor de armen, zelf arm gebleven is en voor de eenvoudigen predikte, terwijl hij het prediken voor de aanzienlijken aan zijne priesters overliet. Over de sneeuwvelden der Alpen ging hij naar de armste hutten, bracht er geestelijke en lichamelijke verkwikking, en gaf zelfs zijn eigen gewaad weg, als hij iemand aantrof die bij eene hevige koude alle bedekking miste. Alleen de kerken zag hij gaarne versierd; zelfs de armste had zilveren Avondmaalsbenoodigdheden. Maar zulke voorbeelden van bisschoppelijke herdertrouw waren niet talrijk, en vele hooge geestelijken beschouwden hunne ambtsplichten als een last, dien zij liever op anderer schouders laadden. Dewijl nu bij het onophoudelijk vooruitdringen der Turken in Klein-Azië vele bisschoppen van daar naar het Westen de wijk namen, terwijl hunne bisdommen onder het juk der Ongeloovigen te gronde gingen, werden deze vluchtelingen deu bisschoppen van \'t Westen als helpers toegevoegd, en de pausen vergaven nu en dan ook de feitelijk niet meer bestaande bisdommen van het Oosten, en zij, die nu zulke bisdommen verkregen, werden wijbisschoppen of episcopi in parühus injidel\'mw — bezitters van bisdommen in de landen der Ongeloovigen — genaamd, en waren inderdaad de helpers en plaatsvervangers der echte bisschoppen. Daar het bisschopsambt menig-malen hooge inkomsten verzekerde, werd dit ambt evenals andere hooge kerkelijke betrekkingen dikwijls begeerd door eergierige en hebzuchtige edellieden. Naar de geestelijke geschiktheid van zulke personen werd dan somtijds weinig gevraagd. Het kwaad werd algemeen erkend, doch niets werd er tegen gedaan. „Schooljongens en halfvolwassen knapen worden,quot; — zoo schrijft Bernhard van Clairvaux — „ter wille van hunne hooge geboorte tot hooge kerkelijke betrekkingen gebracht, en het voorzitterschap in hooge geestelijke colleges wordt opgedragen aan zulken, die zich minder over deze groote eer verblijden, dan wel hierover, dat zij de plak ontloopen zijn.quot;

-ocr page 292-

266

In het algemeen gaf de geheele priesterstand den geest des tijds terug. Velen uit dezen stand hebben ter wille van het Koninkrijk Gods alles vaarwel gezegd, wat het leven veraangenaamt, en moge dan ook hun gebrekkige kennis hen dikwijls op eenen dwaalweg hebben geleid, hunne grootsche zelfverloochening blijft toch altijd bewonderenswaardig. Bovendien is er in geen enkelen tijd een volslagen gemis geweest van eerlijke gemoederen, die in eenvoud des harten den Heere Jezus liefhadden en openlijk voor de waarheid uitkwamen. Doch daar de geheele priesterstand geen rechte tucht kende, bezweken velen voor de verzoekingen van hunnen tijd. Op de eens door Chrodegang opgestelde leefregels werd nauwelijks meer gelet, hoewel de geestelijken der domkapittels nog altijd door een soort van gemeenschappelijke huisorde van de zoogenaamde wereldlijke geestelijkheid onderscheiden waren. De pogingen van Gregorius VII om den priesterstand op te heffen tot een hooger peil van zedelijkheid droegen weinig vruchten. Integendeel, de geboden echteloosheid gaf telkens aanleiding tot grove zouden. Eenige dienaren der Kerk trokken als reizende priesters rond, zonder vaste betrekking of vaste woonplaats, of leefden als hofkapelaans op de burchten der aanzienlijken, voor alle geestelijke of ook ongeestelijke diensten voor geld te koop. Van anderen lezen wij, dat zij door hunne bisschoppen vermaand moesten worden, niet met rinkelende sporen, noch in dronkemansroes het huis des Heeren binnen te gaan. En niettegenstaande dit alles bleef toch bij de vromen in die eeuwen het ambt in eere, ook waar de persoon, die dit ambt bekleedde, geene eer waardig was, en rijke schenkingen en erflatingen geven er getuigenis van, hoe gaarne men de Kerk en hare dienaren eerde en van aardsche zorgen ontlastte. Doch ook die rijkdom was voor de betrokken geestelijken aanleiding tot zonde. Het eenige, wat het oordeel van de wereld tegenover die vleeschelijke gezindheid der priesters iets zachter maakte, was de buitengewone milddadigheid door de priesters bewezen. De gansche zorg nl. voor de armen was in handen der Kerk.

-ocr page 293-

267

§ 40.

Het kloosterwezen.

Meer gezien bij liet \'volk en daardoor in \'l bezit van iquot; grooteren invloed, waren de kloostergeestelijken. Wel waren ook de stille kloostermuren dikwijls getuigen van een echt wereldscl\' gewoel, en werd hondgeblaf en paardengetrappel vernomen in plaats van het gebed. Maar voortdurende ernstige pogingen om de gezonken kloostertucht te verbeteren leveren een bewijs van de oprechte begeerte, die er bestond om de duidelijk erkende gebreken weg te doen. Nieuwe orden ontstonden; de éene orde zocht de andere te overtreffen in strenge tucht en de fouten van andere orden te vermijden. Zoo was het klooster Clugny een modelklooster, dat men zich dikwijls tot voorbeeld nam als een type van heilig kluizenaarsleven. Clugny was gelegen in Bourgondië, en was door zijnen stichter onder onmiddelijk opzicht des pausen geplaatst. Diens opvolger Odo (f 943) voleindigde wat de stichter was begonnen. Zelf een ridder van hooge geboorte, had Odo den glans van zijnen stand verwisseld met de armoede van het monniksleven. Hij vernieuwde den ouden strengen kloosterregel van Benedictus van Nursia. Nu werd Clugny een zetel der wetenschap en een kweekschool voor de jeugd, en deze werkzaamheid, in verband met de strengere tucht van het huis, droeg niet weinig er toe bij om het kloosterleven te veredelen en het weer te doen rijzen in de publieke opinie. Andere kloosters namen nu de orde van Clugny over en verbonden zich onderling tot eene kloostervereeniging, de Clun iaccnseji - orde. Het aantal hierbij aangesloten kloosters steeg tot tweeduizend, en ook in Duitschland stichtte abt Willem zulk een klooster, nl. Hirschau bij Calw, in \'t tegenwoordige Wurtemberg.

Doch in de oogen van sommigen was de roem en rijkdom van Clugny nog te wereldsch. Dertien monniken bouwden toen, aan de wereld ontvlucht, hun cel in liet donkere Alpendal Chartreuse bij Grenoble (1084). Hun hoofd was de domheer Bruno van Keulen, die eertijds aan \'t hoofd gestaan had van de cathedraal van Rheims. Hun kloosterregel was buitengewoon streng. Alle samenspreken was verboden; de tong mocht alleen gebruikt worden om God te verheerlijken. Gemeenschappelijke boetedoeningen, gods-

\'lï-

flHgt;

i #1 If

P

•. r

■1

w

i ilii m

I

i 1

■m

1 if

-ocr page 294-

268

dienstoefeningen en het overschrijven van geestelijke boeken namen den ganschen dag in. De spijs, die zij gebruikten, was zoo eenvoudig mogelijk; hun huisraad zeer armoedig; zij vastten dikwijls en streng. Zulk eene strengheid achtten velen een trap naar den hemel. Talrijke kloosters werden volgens Bruno\'s regel gesticht. Naar hunnen oorsprong werd deze orde die der Karthuizen genoemd. Het ordekleed was een zwarte mantel.

Minder overdreven streng en toch in den geest van den tijd, stichtte de Fransche graaf Robert te Citeaux bij Dijon de Cistercienser-orde. Hij volgde den regel van Clugny na, doch in tegenstelling met den klimmenden hoogmoed der monniken van dat klooster, plaatste hij zich vrijwillig onder het gezag der bisschoppen, en verbood de leden zijner orde zich te mengen in de herderlijke zorg, die aan de daartoe aangewezen geestelijken moest worden overgelaten. Spoedig werd deze orde zeer beroemd; zij telde in den tijd van haren bloei tweeduizend monniken- en zesduizend nonnenkloosters. Het ordekleed is wit met zwarten gordel en een mantel van dezelfde kleur.

Nog meer buitengewoon, en nog aantrekkelijker dan het leven van de tot nog toe genoemde stichters van kloosterorden, is het leven van Norhert, die de Praemonstratenser-oxi.amp; heeft gesticht. Hij was te Xanten uit een grafelijk geslacht gesproten. Hoewel hij reeds in zijne jeugd in den geestelijken stand werd opgenomen, had hij toch de wereld lief. Hij bad dan ook al die eigenschappen, welke bij de wereld in eere zijn. Hij was wel opgevoed, bad vele gaven, zoowel lichamelijke als geestelijke ontwikkeling; volgens de beschouwingen van zijnen tijd was hij geleerd; hij was aangenaam in den omgang en gezien bij oud en jong. Zoo ging hij vroolijk en onbezorgd het leven door, zonder strijd met de wereld om hem of in de wereld van het eigen hart te kennen. Een hem aangeboden bisschopszetel sloeg hij af, omdat hij iets voorgevoelde vau den ernst van het ambt, en daarvoor terughuiverde. Een krachtige roepstem des Hceren zou hein echter tot den ernst brengen, die hem tot nog toe ontbroken had. Toen bij op zekeren dag in sierlijken ridderdos van Xanten naar buiten reed, door eenen edelknaap begeleid, kwam een vreeselijk onweder op, en bedreigde het leven der ruiters. De page werd angstig en drong aan op terugkeeren, doch Norbert dreef overmoedig zijn paard met de sporen vooruit.

-ocr page 295-

2Gf»

Daar sloeg plotseling de bliksem vóór hem den grond in; de grond spleet open, het paard stortte neder en de ruiter werd in den kuil geworpen. Toen hij uit zijne verdoe ving ontwaakte, gevoelde hij, hoe ontzachlijk nabij heiu de dood geweest was. Hij stond op, trok het boetkleed aan en wijdde zich met ijver aan de vervulling der plichten van zijn geestelijk ambt, aan welke hij zich tot nog toe onttrokken had. Hij waagde het zelfs, het wereldsche leven zijner ambtgenooten te Xanten vrijmoedig te berispen, en toen een van hen, vervuld van grimmigen toorn, hem in liet aangezicht spuwde, wischte hij met kalme zelfbeheersching zijn gelaat en zijne tranen af, en scheen het woord tot zijn levensdevies gemaakt te hebben : ,,Door geloof en geduld\'\'. Dit geduld moest eerst geleerd en beproefd worden door eene reeks van krenkingen, waarvan de zooeven genoemde smadelijke bejegening slechts een begin geweest was. De die]) gezonken priesterstand toch wist niets van boete en begreep daarom ook niets van de strengheid, waarmede de eens zoo wereldsche Norbert nu zich zeiven en anderen behandelde. Toen verliet hij eindelijk, van alle zijden in \'t nauw gebracht, zijn vaderland, nadat hij eerst nog zijn goed aan de armen had gegeven. Hij trok in armoedige kleeding het Noorden van Frankrijk door, terwijl hij aan leeken en priesters beide, boete en bekeering predikte. Wel zonk zijn woord in veler hart, en om hem heen verzamelden zich bewonderende metgezellen, waarvan één hem toeriep: „Ik ben met onlosmakelijke banden aan u verbonden.quot; Doch weldra moest hij ook bittere ervaringen opdoen, evenals vroeger in zijn vaderland. Toen vluchtte hij met zeven metgezellen in de donkere bosschen van Prémontré bij Laon, en bouwde een klooster. Hij stichtte dus een nieuwe orde, die der Praemonstratensers (1121). Gelijk hij zelf vroeger reeds zich onderworpen had aan de bisschoppelijke macht, en zoo den arbeid van den wettig geordenden priesterstand ondersteund had, zoo moest ook nu zijne orde optreden, en zich bovenal toeleggen op de verspreiding van het Evangelie onder christenen en heidenen. Zij moest dus vooral de herderlijke /org voor hare rekening nemen, en toch tegelijk de strenge orde en tucht dei-kloosterlingen behouden. Het ordekleed was wit.

Eenige jaren na de stichting van het klooster vergezelde Nor-bert eenen vriend op zijn reis naar Duitschland. Bij zijn heengaan schreef hij voor zijne monniken een woord tot afscheid, waaruit

-ocr page 296-

270

een toon van de reinste vroomheid tot ons komt, tegelijk met het bewustzijn, dat het afscheid dat hij nam, een afscheid voor altijd was. Daarin zegt hij : „Zeer geliefde broeders, wij vermanen u den Heer te dienen met uw gansche hart. Daartoe zijt gij door uwe gelofte verplicht. Gij hebt n zeiven en al het uwe in Zijnen dienst gesteld; gij moet dagelijks het kruis van Christus dragen, dat is, midden onder allerlei aanvechting in geduld en boete uw leven doorbrengen. Wandelt dan nu voorzichtiglijk op Gods weg, dat de dood u niet onvoorbereid overvalle; oefent u in volstrekte gehoorzaamheid, vrijwillige armoede en onbevlekte kuischheid. Wie in een uiterlijk gewaad van vroomheid, met een schijn van argeloosheid en te vergeefs gelaafd met de zuivere melk des Evangelies, zijnen weg gaat, terwijl hij toch eigenlijk naakt is en een verachter der heilzame leer, die zal, indien hij niet omkeert, het eeuwige verderf voor zich zien. Beschouwt daarom gaarne en dikwijls dit blad,, dat u in korte trekken vermaant God te dienen met een volkomen hart, opdat gij eens het woord des Heeren tot Abraham gesproken, ook als tot u gericht moogt vernemen: Ik ben uw schild en uw loon zeer groot (Gen. 15 : 1). Bidt vurig tot Hem, die voor ons inensch is geworden, en verzocht is geworden gelijk wij, en daarom ook medelijden kan hebben met onze zwakheid. Bidt, dat Hij uw hart vervulle, dat Hij met Zijne trouw u bewake, met Zijne onschuld uwe gerechtigheid zij, en u alzoo door dit tijdelijk leven geleide, opdat gij het eeuwige niet verliest. Hij, die met den Vader en den Heiligen Geest, leeft en regeert in eeuwigheid, moge u dat schenken. Amen.quot;

Toen hij in Duitschland was aangekomen, predikte Norbert te Spiers voor keizer Lotharius. Bij die gelegenheid waren er ook priesters uit Maagdenburg in de kerk, die tot den keizer gezonden waren om den aartsbisschopszetel aldaar wederom te doen bezetten. De geweldige boetprediker was toen in liun oog juist de man om die plaats in te nemen. Met veel tegenstreven aanvaardde Norbert dat ambt, en in boetgewaad in plaats van in het aartsbisschoppelijke staatsiekleed trok hij de rijke stad binnen. Men verhaalt, dat de portier van het aartsbisschoppelijk paleis hem den toegang geweigerd heeft, op grond, dat er reeds zooveel gemeen volk was binnengedrongen. Toen deze man zijne dwaling bemerkt had en zeer verschrikt wilde vluchten, moet do nieuwe aartsbisschop tot hem

-ocr page 297-

271

gezegd hebben; „Loop niet weg, lieve broeder. -Gij kent n.\\ij beter, dan zij, die mij eene waardigheid op de schouders leggen, die mij niet toekomt.quot;

Hij had weinig vreugde in zijn nieuw ambt. Tegenover zijn ijver om een heilig priesterleven te doen ontstaan, stonden dezelfde hinderpalen in den weg als vroeger. Ook moet gezegd worden, dat zijne onbezonnen gestrengheid de harten soms meer verbitterd dan verbeterd zal hebben. Daarom bleef de door hem gestichte orde de vreugde van zijn hart, dewijl hij hier de meeste vruchten zag en den grootsten dank inoogste. Hij stierf in 1134; zijn stoffelijk overschot rust in het Praemonstratenser klooster te Praaar.

O

Het aantal kloosterorden nam nu hand over hand toe, en veelvuldige twisten en tweedracht waren hiervan de onvermijdelijke gevolgen. Daarom gebood paus Innocentim UT, dat voortaan geen nieuwe orde gesticht zou worden. Yan te voren echter had hij nog aan twee mannen verlof gegeven, onder tot nog toe onbekende bescherming van den pauselijken stoel monnikorden te stichten, die tot een waren steun voor het pausdom werden, en die diep zouden ingrijpen in het kerkelijk leven der Middeleeuwen. Bedoelde mannen waren Frans van Assist (1182—1226) en Dominicus Guzman (1170—• 1221); hunne orden, die Franciscanen en die der Dominicanen.

Frans van Assisi, aldus genoemd wijl hij geboortig was uit het Italiaansche stadje van dien naam, wijdde zich in zijne jeugd aan de handelsbelangen zijns vaders. Waarschijnlijk zal het zijnen vader wel niet zeer naar den zin zijn geweest, dat hij het verdiende geld onder de armen verdeelde. En toen de dweepzieke jongeling op zijn ziekbed eens de kennelijke uitredding des Heeren ervaren had, en door droomen en verschijningen meende geroepen te zijn tot \'s Heeren dienst, deed hij afstand van alle aardsche hopen en genieten, om alleen het rijk Gods te dienen. Hij volgde het voorbeeld der Apostelen na, die noch goud noch zilver in den buidel droegen, noch schoenen hadden of twee rokken. (Matth. 10 : 9 en 10) en ging zoo als een prediker van boete en genade ouder het volk om, zonder eenig bezit, enkel levend van de milde gaven, die hem werden geschonken. Een bruine pij was zijn gewaad, een touw zijn gordel. Weldra sloten zeven gelijkgezinde mannen zich bij hem aan, en na lange aarzeling werd in 1223 de nieuwe orde door den pauselijkcn stoel erkend. De kleeding en leefwijze

-ocr page 298-

273

van den stichter werd door de leden dezer orde. overgenomen. Zij droegen verder den ootmoedigen naam van frafrrs minor es — d. i. geringe broeders (Minrebroeders). Gedreven door eene zelfde overgave de? harten aan den Heer, stichtte de jonkvrouw Clara vav Am\'si de Franciscaner nonnenorde. Tot nog toe was Franciscns eene bespotting geweest voor de lieden, die zijne trotsche wereldverachting en vrijwillige armoede niet begrepen; nu werd hij opeens een beroemd heilige, wien in dweepzieke zucht tot navolging voortdurend nieuwe jongeren toestroomden. Hij wilde van eer noch vreugde weten; door dagelijksche geeseling meende hij het eigen vleesch te moeten kruisigen. Zijne welsprekendheid was wegslepend, wanneer hij voor de vuist spreken kon, doch hij bleef steken toen hij eens voor den paus eene bestudeerde rede wilde houden. Van de wetenschap zegt hij, dat men zich daarop biddend met rustigen ijver mag toeleggen, maar alleen om het rijk Gods er door te bevorderen, niet om ijdel weten of ijdelen roem alleen. In eenen kinderlijk vertrouwelijken omgang met Christus levende en daarbij rusteloos arbeidend, heeft Franciscns wonderbaar veel tot stand gebracht en wonderbare dingen ervaren. Hij moet naar den geest van zijnen tijd beoordeeld worden, en de moedige zelfverloochening van dien tijd maakt het nuchter leven van onzen tijd beschaamd.

In geestesrichting met Franciscus verwant, doch begaafd met een helderder bevatting, was de Spaansche priester Dominicus Gnzwan, die stichter eener orde werd door het klimmend getal dergeuen, die met de Kerk in onmin leefden. Op een reis door Frankrijk was hij getuige geweest eener refonnatorische beweging, welke daar door de Albigenzen zoowel als door Petrus Waldus in het leven geroepen was. Toen kwam de gedachte bij hem op, de afvalligen weder met de Kerkte verzoenen. Misschien echter besefte hij wel, dat meestal het onbevredigde verlangen naar den troost des Goddelijken Woords tot den afval van de Kerk gebracht had. Daarom begaf hij zich naar die streken, waar liet brandpunt was van genoemde beweging, en predikte met allen ijver zoowel het Evangelie als ook de leer der Kerk. Een zelfde streven verwekte hij ook bij anderen. Zoo ontstond de orde der predikheeren of Dominicanen, welke in 1215 de pauselijke goedkeuring verwierf. Het ordekleed was een zwarte mantel over een wit kleed. De orde werd door den stichter ingericht als bedelorde, gelijk hij dan ook stervend

-ocr page 299-

278

den vloek uitsprak over ieder, die het verlangen der ordebroeders naar aardsch gewin zou heueurichten.

Niet lang daarna ontstond de bedelorde der Augustijners, welke zegt haren regel van den grooten kerkvader te hebben overgenoir.en. Toen de paus deze orde uit verschillende kleinere orden samenstelde kon hij niet vermoeden, dat uit haar midden eens de meest geduchte bestrijder van Rome — Maarten Luther — zou voortkomen. De kleeding der Augustijners is zwart.

De eer welke deze bedelorden — vooral de twee eerstgenoemde — gedurende de Middeleeuwen genoten, is niet onverdiend. De uitnemendste dienaren der wetenschap zijn uit haar midden voortgekomen, en de leerstoelen der hoogescholen werden bijna uitsluitend door hen bezet. Bovendien hebben zij gezegend gearbeid als predikers in een\' tijd, waarin de herders en opzieners der gemeente zich meestal aan de prediking niet veel lieten gelegen liggen. Doch ook veel strijd is door hen in het leven geroepen, strijd met den priesterstand en strijd onder elkander, daar zij zich dikwijls indrongen in den kring der geordende priesters en op elkander zeer afgunstig waren.

De oorzaken, waardoor het kloosterleven tot zoo grooten bloei kwam, waren talrijk. Het volk was den monniken meer genegen dan den priesters, daar het ijverige werken der eersten meer eerbied afdwong dan de trage onwetendheid der laatsten. Ook was het kloosterleven geheel in overeenstemming met den geest van dien tijd, welke niet zonder overijling de hoogste goederen over had voor de verwerkelijking eener schoone gedachte. Niet ten onrechte heeft men het monnikendom genoemd : een ridderschap van de heilige tucht over zich zeiven. Ten slotte wijdden zich de kloosterlingen aan de. overigens bijna verwaarloosde kranken- en armenzorg; eene Spaansehe orde had zich zelfs het loskoopen van gevangene christenslaven onder de Ongeloovigen tot taak gesteld. Zelfs de vorsten bewezen den monniken eerbied, door uit hen meestal hunne biechtvaders te kiezen, en gaven aan de abten hooge onderscheidingen, om in hen een tegenwicht te hebben tegen de aanmatiging der bisschoppen. Hetzelfde deden ook de pausen, die als \'t ware een onmetelijk leger hadden in al de aan hen verbonden monnikenorden. Aldus gedragen door de gunst van aanzienlijken en geringen, nam het aantal en de rijkdom der kloosters tot in het ongeloofelijke

18

-ocr page 300-

374

toe, en de afzonderlijke orden telden weldra liunne kloosters bij duizenden en hunne leden bij tienduizenden. De monniken bestonden uit priesters en leeken; aan de laatsten werden de uiterlijke belangen van \'t klooster ter behartiging overgelaten. Aan \'t hoofd van ieder klooster stond een abt of prior; over de kloosters van eene geheele streek had een provinciaal het toezicht; aan het hoofd van iedere orde stond oen, meestal te Rome resideerende, grootmeester. Terwijl de hooge kerkelijke ambten der bisdommen dikwijls door edellieden weiden bekleed, openden de kloosters voor begaafde lieden uit het volk insgelijks de gelegenheid tot hooge kerkelijke waardigheden op te klimmen. Hoe ernstig de stichters der kloosterorden het kloosterleven opvatten, blijkt uit de steeds toenemende strengheid der kloosterregels. Het haren kleed, de kleine kloostercel, alles vermaande de leden der orde tot stille overpeinzing en onbaatzuchtige, vrome werkzaamheid. Zoo woonden dan ook werkelijk in de kloosters kunsten en wetenschappen, stille zelfverloochening en christelijke weldadigheid, zoolang zij vasthielden aan den geest, waardoor ze in het leven geroepen waren. Maar tegelijk met den nobelen zin der Middeleeuwen, verdween ook de edele geest van het monnikenleven. Dewijl het niet rustte op den rotsgrond van het goddelijk Woord, maar zijn ontstaan te danken had aan eenen drang des tijds, die zelf menigmaal het spoor bijster geraakte, moest wel het kloosterleven zijne heerlijkheid en diepere beteekenis verliezen, nadat het door Gods raad veel goeds had helpen tot stand brengen. De oude tucht ging verloren, terwijl de vorm bleef bestaan. En zonder de eerste werd de laatste een verlammende keten. En toen op het einde der Middeleeuwen de gansche christenheid streefde naar eene hervorming der Kerk in den geest van het Evangelie, streden de monniken als blinde werktuigen des pausen voor ieder dwaalbegrip en voor ieder misbruik. Zoo keerde zich ten slotte tegen hen de verachting en toorn derzelfde volken, die eens hunne voortreffelijke vroomheid hadden bewonderd.

Naast deze monnikenorden onstonden vele andere godsdienstige vereenigingen. Menig hart nl. wilde zich wel geheel aan \'s Heeren dienst wijden, zonder nochtans de monnikspij te willen aandoen of den sluier te willen aannemen. Vooral in Nederland ontstonden zulke vereenigingen. Zij die zich daarbij aansloten, werden door het volk Begharden en Beghynen genaamd — van daar de naam

-ocr page 301-

275

Bagijnhof in zoovele onzer steden. Zij kwamen bijeen tot gemeenschappelijke godsvereering. Daarbij werd veel werk gemaakt van het onderzoek der Heilige Schrift. Ook wijdden zij zich aan kran-ken- en armenzorg. Aanvankelijk werden zij belasterd, alsof zij de priesters verachtten en tegen de Kerk in verzet kwamen, en zij liepen gevaar door de Inquisitie veroordeeld te worden. Maar spoedig bleek het duidelijk, dat zij zich slechts met werken des vredes bezig hielden en niets vijandigs tegen de Kerk in den zin hadden. Men liet hen toen voortaan niet vrede. Eene andere ver-eeniging daarentegen, welke in blinde dweepzucht alle menschelijke verhoudingen dreigde te zullen omkeeren, moest worden onderdrukt. Zij noemden zich geeselaars of Flagellanten. In 1348 kwam nl. de pest uit het Oosten naar Europa over. Zij werd daar, oin de zwarte pestbuilen, waarmede zij \'t lichaam bedekte, „de zwarte doodquot; genoemd. De vrome zin der tijden zag hierin eene goddelijke bezoeking, die tot boete vermaande. Maar evenzoo lag het ook in de opvatting van dien tijd, de boete slechts als eene uiterlijke zelfkastijding op te vatten. Zoo voegden zich dan de boetenden tot groote scharen bijeen, en trokken zoo landen en steden door, terwijl zij onder het gezang van geestelijke liederen zich zeiven geeselden. De onordelijkheden, welke van deze optochten het onvermijdelijk gevolg waren, bewogen de pausen ze te verbieden en de deelnemers te bestraften, maar de overspannen ijver om boete te willen doen, zette, niettegenstaande het verbod, zijn werk voort en verdween eerst toen de reformatie een helder licht over de ware boete verspreidde.

Behalve monniken en genoemde vereenigingen waren er ook nog kluizenaars. De meest beroemde onder hen is de Zwitser Clans von der Flühe. Hij was een flinke en zeer geziene boer in ünter-walden, die in zijn jeugd medegevochten had in den strijd der Eedgenooten en later het land als rechter gediend had. Hij had vrouw en kinderen en eene degelijke boerderij. Doch van zijne kindsheid aan had hij een aandrang tot eenzaamheid. En toen hij nu, man geworden, om zich heen veel boosheid en ongerechtigheid zag, kwam de gedachte bij hem op, al deze ergernissen te ontvluchten. Hij nam afscheid van de zijnen, en trok eerst eenigen tijd doelloos rond, tot hij eindelijk besloot op een hem toebehoorenden berg te blijven wonen. De liefde zijner landgenooten bouwde hem hier een kluis en kapel, waar hij 20 jaren lang, tot zijnen

-ocr page 302-

276

dood toe (1487) leefde. Het water van een nabijgelegen bron was zijn drank, het meermalen door hem genoten heilig Avondmaal zijne eenige spijze. Dooh niet geheel eenzaam was hij in zijn kluizenaarscel. Verwanten en vrienden bezochten hem dikwijls om troost en raad bij hem te zoeken, en toen er eene groote tweedracht was onder het volk der Zwitsers, bij eene Stendenvergadering in het vlek Stanz, waar men het niet eens konde worden, riep een, die het goed met zijn volk meende, den kluizenaar van zijnen berg om vrede te stichten. Hij kwam, en met zulke ernstige woorden vermaande hij tot eendracht, dat de booze geest van zelfzucht week en allen zich verzoenden. Toen was er groote vreugde in het land, en als nu niet lang daarna de levensmoede grijsaard stierf, ging om zoo te zeggen, liet heele volk achter zijne lijkbaar. Zijn liefste gebed was geweest;

0 mijn fjod en Heer, neem alles van mij Wat mij afleidt van U.

0 mijn God en Heer, geef mij alles Wat mij dichter tot U brengt.

0 mijn God en Heer, ontruk mij aan mij zelven en maak mij geheel tot Uw eigendom.

Een eigenaardig kenmerk voor den geest van dien tijd is ook het leven van heilige vrouwen als Catharina van Siëna (1347— 1:380) en Elisabeth van Thüringen (1207—1231). De eerste was de nederige dochter van cenen verver in de Toskaansche stad Siëna. Reeds in haar prille jeugd toonde zij een wonderbare, liefde voor het hemelleven. In de eerste plaats openbaarde deze liefde zich intnsschen als enthusiastische vereering van de zichtbare Kerk. Voornamelijk toonde zij dien eerbied voor de machtige orde der Dominikanen, en met devotie kuste zij de voetstappen van voorbijgaande leden dezer orde. Met de jaren nam hare liefde voor den Heer toe; haar eimlelooze phantasiën tooverden haar de schoonste beelden voor. Zoo zag zij den Heiland zelven nederdalen en zich met haar verloven, ja zelfs ruilen met haar van hart. Al het aardsche genot leerde zij ten slotte ontberen en geen ander voedsel nam zij toen tot zich — evenals Claus von der Eltthe — dan het heilig Avondmaal. Haar leven werd verdeeld tusschen gebed en kranken-verpleging. Zelfs voor de afzichtelijkste krankheden deinsde zij niet terug. Reeds tijdens haar leven werd zij door het volk als eene

-ocr page 303-

277

heilige vereerd; zelfs liet de paus zich door haar vermanen van Avignon naar Rome terug te keeren.

Minder overspannen, doch even nederig is het leven der edele vorstin Elisabeth, die insgelijks na haren dood tot de heiligen dei-Kerk gerekend werd. Zij was de dochter van den koning van Hongarije en de gemalin van den Thüringschen landgraaf Ludwig. Ook in haar vorstelijk gewaad leefde zij voor God en menschen nederig als een bedelares. Allo de voorrechten van hare geboorte gaf zij op, om de kroon des eeuwigen levens niet te verliezen. Eens, toen haar gemaal ver weg was in den strijd, richtte zij het vorstelijke slot Wartburg, waar anders dc liederen der minnezangers weerklonken en een vorstelijke pracht werd ten toon gespreid, in tot een toevluchtsoord voor armen en kranken, die zij met eigen hand voedde en kleedde.

Daar bereikte haar plotseling de mare van den dood van haren echtgenoot. Haar hardvochtige zwager, de landgraaf Heinrich, verdreef de treurende weduwe met hare kinderen uit de burcht en verbood ook een ieder de verstootenc m huis te nemen. Zoo sleepte de ongelukkige zich weenend voort over de straten van Eisenach, maar geen deur opende zich voor haar. Ook moest zij het dulden, dat een bedelares, vroeger door haar ondersteund, haar nu in de goot liep. Eindelijk verleende eene der kerken haar een schuilplaats, en toen zij bij de begrafenis van haren gemaal in het klooster Reinhardsbrunn tegenwoordig was, werd aller hart tot medelijden met haar bewogen. Zelfs de oorzaak van haar ellende liet zich vermurwen en wees haar \'t slot Marburg in Hessen als weduwgift aan. Daar zette zij met nog grooter toewijding het leven van weldadigheid voort, dat zij op den Wartburg reeds begonnen was. Bovendien legde zij zich zelve allerlei ontberingen op en onderwierp zich aan de geeselingen, welke haar strenge biechtvader — Koen-raad van Marburg — haar oplegde. Haar teeder gestel was intusschen op den duur hiertegen niet bestand en spoedig bezweek zij er onder. Boven Elisabeth^ graf is eene prachtige kerk gebouwd, die haar naam draagt; het altaar er in is met hare beeltenis versierd, en nog heden wordt bij de Avondmaalsviering een door haar geweven laken gebruikt.

\'li» l

li1 I,

illi

!|®p. p

• 11

i

-ocr page 304-

278

§ 41.

De Kruistochten.

Ten allen tijde hebben vrome christenen het eene zalige vreugde gerekend een pelgrimstocht te ondernemen naar het Heilige Land. Alle dalen en heuvelen, alle meren en woestijnen waren daar gewijd door de wonderen en het lijden des Heeren. Zulke bedevaarten werden bevorderd door de gemoedelijke oppervlakkigheid der Middeleeuwen, waardoor men meende met grooter hoop op verhooring te Jerusalem te kunnen bidden dan in eigen woning, en zelfs de gevaren, aan de reis verbonden, waren een prikkel om haar te ondernemen. Het was een tijd, waarin men gaarne het gevaar opzocht. Wel was in deze dagen het Heilige Land in de handen der Ongeloovigen, maar tegen betaling van een gering hoofdgeld lieten deze gaarne do christenen toe. Doch na het midden der 1.1de eeuw (1079) overstroomden woeste benden Seldsjukken het beloofde land en deden den christelijke pelgrims den grootsten overlast aan. Toen werd in het Westen de droeve mare vernomen, dat de overmoedige Muzelmannen de gewijde plekken van \'t Heilige Land ontwijd en de pelgrims mishandeld of gedood hadden. En het duurde niet lang, of daar kwam een teruggekeerd pelgrim — Peter van Amiens — in Italië en Frankrijk in gloeiende kleuren schilderen, wat men tot nog toe slechts uit de verte en hoogst onvolledig had vernomen. Een schok van verontwaardiging werd in alle christelijke landen gevoeld. Paus Urbanus II schreef in 1095 twee groote Kerkvergaderingen te Piacenza en Clermont uit, om de christenen van Frankrijk en Italië tegen de Ongeloovigen te wapen te roepen. Met vreugde werd deze oproeping door duizende harten ontvangen. „God wil het,quot; riep de verzamelde menigte en de bezieling nam toe, toen de paus allen die uittrokken in den heiligen strijd, groote zegeningen voor het tijdelijke en het eeuwige leven beloofde.

Tot. nog toe hadden christenen en Mohammedanen slechts in het Westen van Europa — in Spanje — tegenover elkander gestaan. Nu trok een geweldig leger vol geestdrift naar het Oosten, met het roode kruis op de banier, als teeken dat zij streden voor de zaak van Christus. Het Duitsche rijk, in die dagen in onmin met

-ocr page 305-

279

den paus, had slechts weinig strijders gezonden. Het Grieksche rijk-deelde de bezieling van het Westen niet, hoewel dit toch ook voor de vrijheid van Griekenland streed. Maar toch bedong de Grieksche keizer in dwazen trots de suzereiniteit over de landen, welke veroverd zouden worden. Na een reis vol bezwaren en een bloedigcn strijd werd 1099 Jeruzalem veroverd en in een christelijk koninkrijk herschapen. De dappere Boudewijn aanvaardde de koningskroon, terwijl zijn beseheiden broeder Godfried van Bouillon — de aanvoerder van het geheele leger — zich alleen beschermer van het Heilige Graf\' had genoemd. Doch met nieuwe kracht rukte de vijand aan, en het nieuwe koninkrijk was weldra zijnen ondergang nabij. Toen grepen de voornaamste vorsten van Europa naar het zwaard, om het veroverde te behouden. Keizer Koenraad III en de Fransche koning Lodewijk VII ondernamen (114.7) een5 tweeden kruistocht. Doch weldra keerden zij terug, zonder eenige beslissende overwinning behaald te hebben. Het ongewone klimaat en tweedracht in het midden van de gelederen der kruisvaarders, verlamde den moed. En met te grooter geweld drong de vijand vooruit. In 1187 veroverde de ridderlijke sultan Saladin opnieuw de Heilige Stad, en vernietigde er het christelijk koninkrijk. Toen gordde de heldhaftige keizer Frederik Barbarossa nog in zijnen ouderdom de wapenen aan, doch alleen om in de wateren van het Oosten zijn graf te vinden (1190). Zijn verweesde troepen vonden in de Engelschen en Franschen, die onder hunne koningen Richard en Philippus Augustus, achterna kwamen, zelfzuchtige strijdmakkers. Zoo werd het christelijk heroïsme verstikt door den vergiftigen adem der zelfzucht, en de op groote schaal aangevangen oorlog nam een jammerlijk einde. Nieuwe scharen, wederom door eencn Boudewijn van Vlaanderen aangevoerd, begonnen 1204 een nieuwen kruistocht. Maar de Grieksche keizer Isaak wist zich de hulp dezer kruisvaarders te verzekeren in den strijd tegen eenen voorspoedigen opstandeling. Zóó werd bij dezen kruistocht Palestina vergeten en voor den Griekschen keizer de verloren troon heroverd.

De lichtzinnige Griek verbrak toen de belofte, waarmede hij zijne redders gelokt had. In woede ontstoken, veroverden zij toen Constantinopel en verdeelden het rijk onder elkander. In 1261 kreeg echter het Grieksche keizershuis troon en rijk wederom terug. Intusschen had keizer Frederik II door den roem van zijnen naam

-ocr page 306-

280

zonder geweld van wapenen Jeruzalem van de Turken terug ontvangen, na een korten kruistocht, begonnen in 1228. Doch een onzalige strijd met den paus verlamde de kracht van den keizer. Zoo geraakte Jeruzalem opnieuw in handen der vijanden. Edeler van gezindheid dan velen zijner voorgangers, beproefde Lodewijk IX van Frankrijk tweemaal (1249 eu 1270) het geluk zijner wapenen tegen de halve maan, terwijl hij eerst Egypte, daarna Tunis aanviel, om zoo een bres te maken in de sterke en in geheel het Zuiden vastgenestelde Muzelmansche heerschappij. Doch bij zijnen eersten tocht werd hij door de vijanden gevangen genomen; bij den tweeden tocht vond hij den dood. De nog overige christelijke steden van Palestina geraakten langzamerhand in de macht der Turken. Met de vesting Acco viel in 1291 het laatste bolwerk der christenen in het Heilige Land, dat opnieuw aan het ruw geweld der Muzelmannen onderworpen werd.

Wel was het eene schoone gedachte geweest, in die stad, waar eens de Zone Davids met koninklijke eer ontvangen was, een christelijk koninkrijk te willen stichten. Maar men dwaalde, waar men die gedachte met het zwaard in de vuist tot uitvoering wilde brengen, en menigmaal was het vrome doel van den strijd slechts het voorwendsel, om daarachter eerzucht en een avontuurlijke begeerte naar wapenfeiten te verbergen. Daarom kon op deze tochten de zegen niet rusten van Hem, die Zijn rijk door wereld-sche. wapenen niet wil vestigen of uitbreiden. En toch hebben deze krijgstochten, door het Westen ondernomen, een zegen gebracht, zij het ook een zegen, waaraan de menschen in het geheel niet gedacht hadden. Het was een tijd, welke meer en meer vreugde begon te vinden in betooningen van kracht, gelegenheden opzocht om moed te kunnen toonen en deze gelegenheden maar al te dikwijls vond in bloedige veeten met eigen volksgenooten. Aan dezen strijdlustigen zin werd nu een meer edel doel voor oogen gesteld, terwijl hij op de bescherming van het geloof tegenover de Onge-loovigen gericht werd. Vroeger hadden de machtigen der aarde dikwijls tegen de Kerk gestreden; nu trokken zij het zwaard om de eer der Kerk te handhaven. Vroeger hadden de ridders op hunne burchten en de burgers in de steden vijandig tegenover elkander gestaan; nu vergaten zij dien strijd eu trokken gemeenschappelijk op tegen den vijand van hun beider geloof. Eu wanneer

-ocr page 307-

281

de lijfeigene boer zich bij de strijders aansloot, werd bij een vrij man. Zoo sloot een weldadig gevoel van eensgezindheid de verschillende standen nauwer aaneen, en de burgers van eenen Staat leerden zich als één geheel beschouwen. En waar men den blik leerde wenden tot andere lauden en volkeren, en hetgeen men daar nuttigs zag, medebracht naar eigen woning, daar werd het wereldverkeer levendiger en de gezichtskring uitgebreid. Wel is waar werd ook door de sluwheid der pausen en hunne priesters deze strijd dikwijls dienstbaar gemaakt aan zelfzuchtige doeleinden. Wanneer de vorsten en edelen in het Oosten waren, waren de pausen in het Westen veel meer vrij in hune bewegingen. Geen paus heeft zich ooit bij de kruisvaarders aangesloten. En terwijl de uittrekkende strijders niet zelden have en goed aan de Kerk ten geschenke gaven, en stervende aan priesters en kloosters hunne bezittingen vermaakten, nam de priesterstand in rijkdom toe, terwijl de adelstand armer merd.

Deze verheffing van den ridderstand tot een wapendienst voor het rijk Gods, had die eigenaardige verbinding ten gevolge van den priester- en krijgsmansstand, welke wij aantreffen in de geestelijke ridderorden van dien tijd. Toen nl. na de stichting dei\' christenheerschappij in Palestina de pelgrims nog altijd aan de aanvallen der rondzwervende Saracenen bleven blootgesteld, vereenigden zich (1118) tien Fransche ridders te Jeruzalem tot een orde, die zich teil doel stelde, de pelgrims op hunne gevaarlijke tochten tot geleide te verstrekken. De eerste grootmeester dezer orde was Hugo de Pavens, De koning van Jeruzalem schonk den ridders een paleis, dat op de plaats stond, waar eens de tempel van Salomo geweest was. Daarnaar werd nu de orde die der Tempelheeren of Tempeliers genaamd. Slechts edellieden konden er lid van worden. Behalve de riddergelofte, altijd getrouw te zijn aan eer en deugd en de vervolgden te zullen beschermen, legden zij ook nog de priestergelofte van armoede, kuischheid en gehoorzaamheid af. De leden der orde werden verdeeld in ridders, die het zwaard voerden; priesters, die de zielzorg bij kranken en gewonden waarnamen, en dienende broeders, die zich wijdden aan de lichamelijke verzorging der lijdenden. Het ordekleed was een witte mantel met een rood kruis. Toen de heerschappij der christenen in \'t Heilige Land een einde nam, trok de orde zich eerst naar het eiland Cyprus en toen naar

-ocr page 308-

282

Frankrijk terug, hel vaderland van de meeste leden der orde. Doch aldaar verwekte de macht en de rijkdom dezer orde de afgunst van koning Philips, tevens de geweldige tegenstander van het pausdom. De Tempeliers hadden uit het Oosten vele gebruiken, misschien ook leeringen medegebracht, welke zij zorgvuldig geheim hielden, en het volk verhaalde nu, dat de orde in stilte plannen smeedde om de goddelijke en menschelijke ordeningen te verstoren. Op deze losse geruchten liet de koning op cunen dag (1307) alle Tempelridders gevangen nemen en velen van hen — en daarmede ook den grootmeester Jacques de Molay — tengevolge van afgeperste getuige-jiissen en ook van niet gegeven ophelderingen, op den brandstapel sterven, terwijl hij tegelijk den geheel van hein afhankelijken paus dwong, de orde op te heffen. De rijke bezittingen der orde kwamen nu aan den koning, maar ook laadde hij eene zware schuld op zich, en toen niet lang daarna koning en paus beide stierven, zag het geheele volk daarin een Godsgericht.

In denzelfden tijd, waarin de orde der Tempeliers ontstond, vormden ook de ziekenverplegers van het Italiaansche Johannes-hospitaal te Jeruzalem eene vereenigiug, welke zich ten doel stelde voortaan ook met het zwaard de Ongeloovigen te bestrijden. Daarom veranderden zij den naam, welken zij tot nog toe gedragen hadden — broeders van \'t hospitaal van den heiligen Johannes den Doo-per — in dien van Hospitaalridder)! of Johannieters. Hun eerste grootmeester was Raimond du P«y. De inrichting der orde stemde overeen met die van de orde der Tempeliers. Hun ordekleed was een zwarte mantel met een wit krnis. Zich spiegelend aan het treurig einde der Tempelorde, onthielden de Johannieters zich van hebzucht en wereldliefde. Zoo vonden zij meer genade in de oogen der vorsten en volkeren. Ook later nog bleven zij aan de taak die zij zich in den aanvang gesteld hadden, vasthouden. Toen zij uit Palestina verdreven waren, zetten zij van het eiland Rhodus uit den strijd tegen de halve maan voort (1310—1540), totdat, toen zij ook van daar verdreven waren, keizer Karei V hun het eiland Malta als woonplaats aanwees. Door verraad van den laatsten grootmeester werd dit eiland Napoleon in handen gespeeld, zoodat nu de orde nog slechts bestaat als een eeretitel.

Toen keizer Barbarossa in het Oosten zijn leger verward had achtergelaten cn zijne gezellen in den strijd met woeste vijanden

-ocr page 309-

ass

en valsche vrienden, eene nauwere aaneensluiting wenschelijk achtten, vormde zich in de legerplaats van Acco de Duitsche orde. Hendrik van Walpot was de eerste grootmeester; een witte mantel met zwart kruis was het ordekleed. Oorspronkelijk wijdden zij zich aan krankenverpleging, doch weldra slechts aan den oorlog, totdat de verovering van Pruisen het aan deze orde mogelijk maakte rustig als staatslichaam voort te bestaan.

§ l\'S-

Het kerkclyk leven.

De Middeleeuwen zijn een tijd van geweldigen strijd, die zijn invloed evenzeer doet gevoelen in het leven der afzonderlijke personen als in het leven der volkeren. Deze strijd vormt zulke eigenaardige menschen, en zulke vreemde toestanden zijn er het gevolg van, dat onze nuchtere tijd bijkans gaat twijfelen aan de waarheid dor geschiedenis van dien tijd. En naast veel goeds heeft de tijd der Middeleeuwen ook zooveel dwaling en misdaad doen te voorschijn treden, alsof de christenheid nog gevangen was in duisternis en schaduw des doods. Deze heerlijkheid en deze dwaling, onverzoend naast elkander voortbestaande, is juist het eigenaardige van een\' tijd, die den hemel zocht en toch de aarde nog liefhad. De Middeleeuwen zijn de jongelingsjaren der nieuwere volkeren en toonen een vroolijke blijdschap in het bewustzijn van kracht en eene dweepzieke innigheid van gemoedsleven, terwijl daarnaast een rustige blik op de dingen en eene diepere opvatting van het heil, in Christus aangebracht, ontbreekt. Er is in dien tijd w aar te nemen een hartelijk verlangen naar den vrede Gods, die alle verstand te boven gaat; zware offers wil men zich getroosten om dien vrede deelachtig te worden, en er is eene kinderlijke ontvankelijkheid in de harten om die stemmen van boven in zich op te nemen, welke men meent te vernemen. De stem Gods echter, die uit het Evangelie tot ons komt, werd verre gehouden van het volk, daar onwetendheid of traagheid de meeste priesters ongeschikt maakte het woord Gods te brengen. En toen het volk, dat hongerde naar het levensbrood, de Schrift begon te lezen om daaruit licht te ontvangen en

-ocr page 310-

284

daardoor gesticht te worden, verboden paus en bisschoppen het lezen des Bijbels, omdat zij dit, in het bewustzijn van eigen afval van het Evangelie, gevaarlijk achtten voor hunne macht. De Synode van Toulouse (1229) verbood aan de leelcen de H. Schrift te lezen of zelfs te bezitten. Zoo werd de geestelijke dorst der christenheid niet gelaafd met het water des levens, dat de Heer zelf ons schenkt; en nu nam men daarom zijn toevlucht tot allerlei boetedoeningen en vrome werken, waardoor men hoopte God te esren en de zaligheid te kunnen verwerven. Doch behalve eene gloeiende bezieling voor een grootsch doel had deze tijd ook eene grofzinnelijke neiging. Zoo wilde men het goddelijke met de zintuigen waarnemen en miskende de nabijheid des Heeren in woord en Geest. Vandaar al die beelden, waarin men meende den Onzichtbare te zien. Vandaar die buitengewone vereering van Maria en de heiligen, die als \'t ware menschheid en godheid in één persoon schenen te vereenigen. Vandaar die vereering van voorwerpen, waaraan heilige herinneringen verbonden waren. Zelfs onwaardige en stuitende zaken schenen de aanbidding waard. Zoo vertoonde men te Schaffhausen den adem van den heiligen Jozef, door Nico-demus in een handschoen opgevangen; in Wurtemberg een veer uit den vleugel van den aartsengel Michael; in Halle een bosje van het hooi, waarop het kindcke Jezus gelegen had, ook eenige tanden van Paulus. Iedere landstreek, ieder beroep, iedere toestand van \'t leven had eenen afzonderlijken beschermheilige, die om hulp en zegen aangeroepen werd. Deze heiligen waren oorspronkelijk trouwe christenen geweest, die voortleefden in de herinnering van het volk, en die langzamerhand met een dichterlijk waas van heiligheid omgeven waren. De pausen hadden nu het recht eenen afgestorvene door canonisatie — plaatsing op het heiligenregister — heilig te verklaren, en 7,00 tot een voorwerp van vereering te maken voor de gansche Kerk. En evenals deze heiligen-vereering in den grond der zaak niets anders was dan een verzinnelijking van den godsdienst, zoo was het ook met de openlijke schouwspelen, waarbij gebeurtenissen uit de gewijde geschiedenis voor het volk werden vertoond, en waarbij men zelfs den Allerhoogste liet optreden. Dergelijke voorstellingen werden meestal met geestige zetten gekruid, en in Frankrijk ontzag het volk zich niet bij zulke gelegenheden zelfs met de Kerk en de priesters den spot de drijven. Daar vierde men

-ocr page 311-

285

het narrenfeest, waarbij vermomde personen in priesterlcleeding de kerk binnentrokken, eenen narrenpaus kozen en in hun onwaardig spel de handelingen der priesters nabootsten. Ook bestond in datzelfde land een ezelsfeest, waarbij ter herinnering aan het lastdier, waarop de Heere Jezus Jeruzalem was binnengereden, een ezel met een koorhemd bekleed, de kerk werd binnengeleid, terwijl het volk onzinnige liederen zong. Indien wij nu eenen blik terugslaan op al deze eigenaardigheden der Middeleeuwen, dan kan het ons niet verbazen, dat niettegenstaande allen eenvoud en edele gezindheid, welke ook in die tijden gevonden werd, toch geen gezond christelijk leven kon ontstaan, daar juist dat voedsel ontbrak, dat den christclij keu geest doet rijpen en krachtiger maakt. Het geloof ontaardde in bijgeloof; de godsdienst eerde den levenden God niet meer. En hoewel de Geest des Heeren ook in die tijden evenals in alle tijden trouwe getuigen verwekte, wier waarschuwende stem ver in het rond werd vernomen, de wachters op des Heeren wijnberg waren ontrouw en zochten meer zich zei ven dan de eere Gods. Daarom werd deze wijnberg onvruchtbaar en bracht meer wilde dan goede druiven voort.

Verdeeld door innerlijken strijd, beladen met zware zondenschuld, was de Kerk der Middeleeuwen, niettegenstaande haren uiterlijken glans, niet eene macht die. een\' waarlijk heiligenden invloed uitoefende op het leven der volkeren. Toch waren hare wetten tot eene weldadige beteugeling der hartstochten, die voortwoekerden in het overmatige gevoel van onbedwingbare kracht, hetwelk dien tijd eigen is. Een ruim veld voor deze hartstochten werd geboden door de eindelooze veeten, waarin adel en steden beide, voortdurend gewikkeld waren, üe wereldlijke macht was niet in staat, al had zij dit gewenscht, aan dezen toestand van binnen-landschen strijd een einde te maken. Toen deed de Kerk van zich hooren (1032) en beval, dat van Woensdag avond tot Maandag morgen alle veete moest rusten cn als \'t ware Sabbatstilte moest heerschen. Dit gebod droeg den schoonen naam van Godsvrede; om Godswil moest de vrede bewaard worden en iedere vredebreuk zou als beleediging der Hoogste Majesteit worden beschouwd. Ook eene andere echt Germaansche gewoonte werd door de zorg dei-Kerk zeer verzacht. Wanneer de schuld of onschuld van eenen aangeklaagde op gewoon menschelijken weg niet was te bewijzen.

-ocr page 312-

286

(lan moest hij zicli aan een dus genaamd Godsgericht onderwerpen. Hij moest dan met zijn tegenpartij een tweegevecht houden, of met bloote voeten over gloeiende kolen loopen of iets dergelijks doen. Kwam hij ongedeerd terug, dan werd zijne onschuld bewezen geacht. Aan deze gewoonte lag de vrome beschouwing ten grondslag, dat God de onschuld aan het licht zou brengen, en niet zou dulden, dat het onrecht zegevierde. Doch al is dit waar, toch zijn en blijven deze Godsgerichten een spelen met de wondermacht Gods. Zeer terecht beschouwde de Kerk daarom deze gewoonte als een verzoeken des Allerhoogsten, en stelde er straf op. Doch de gewoonte was sterker dan de wet en bleef voortbestaan. Toen stelde de Kerk haar onder haar eigen opzicht, om althans overdrijving tegen te gaan. Doch al beproefde ook de Kerk eenen verzachtenden invloed uit te oefenen, waar het algemeene volksgebruiken gold, helaas, pausen en priesters grepen maar al te gretig het bijgeloof des volks aan, als een middel om geld en eer te verwerven. Toen op her, eind der tiende eeuw tengevolge van eene verkeerde uitlegging van woorden der H. Schrift het gerucht zich verspreidde, dat op het eind van het duizendste jaar de wereld zou vergaan en de Christus zou wederkomen, zeiden de priesters tot het volk, dat zij have en goed maar aan de kloosters en kerken zouden geven, daar slechts op deze wijze de aardsche rijkdom bij het laatste oordeel gezegende vruchten zou afwerpen. De wereld, als het ware onder eene zinsbegoocheling levende, volgde dezen raad en rijke legaten en giften werden aan de kerk geschonken. Toen het ongeluksjaar kwam verging de wereld niet, maar was wel veler welvaart voor altijd geknakt. Meer en meer werd het christelijk bewustzijn omneveld; het geloof aan geesten en toovenarij kwam weer boven, en instede dat nu de pauselijke stoel met een krachtig getuigenis tegen dergelijke dwaalbegrippen optrad, werden twee afzonderlijke heksen-rechters voor Duitschland aangesteld, die over hen, die van toovenarij beschuldigd waren, streng recht spraken en een eigen vreemdsoortig wetboek — heksenkamer geheeten — opstelden, waarin beschreven stond hoe men zich tegenover toovenaars had te gedragen. Duizenden eindigden hun leven op den brandstapel, maar de schuldige in deze zaak was alleen de Kerk.

Ook tegenover hen, die werkelijk goddelijke en menschelijke wetten overtraden, trad de Kerk met kracht op, en voorzeker bad

-

-ocr page 313-

287

dit heilzaam kannen werken, indien deze kracht altijd van christelijke wijsheid vergezeld was gegaan. Immers de banvloek der Kerk boezemde den volkeren veel grooteren schrik in dan de toorn der koningen, en ook aan de zwaarste boetedoeningen onderwierp men zich bereidvaardig om God en de priesters te verzoenen. Maar zij, die van God geroepen waren deze kerkelijke tucht te handhaven, verloren den ernst hunner roeping uit het oog, en voerden nieuwe gebruiken en leeringen in, waardoor de christelijke tucht verloren ging en de innige vroomheid van het volksleven vervloog. Was het vroeger al reeds gewoonte geweest door geld boetedoeningen af te koopen, langzamerhand werd dit ook met het oog op de hemelzaligheid in praktijk gebracht. In 1215 toch werd de leer vastgesteld, dat een christen na den dood in een tusschentoestand, eene loutering, het vagevuur genoemd, voor alle zonden op de aarde bedreven moest boeten, eer hij tot volkomen zaligheid kon komen. De arme ziel kon intusschen dezen tijd bekorten en vroeger uit de pijn tot het eeuwige leven ingaan, wanneer op aarde een priester in bepaalde (en betaalde) ziolrnisseu voor haar bad. Doch er waren nog altijd vele vrome harten, die slechts door het dierbaar bloed van Jezus Christus en niet met goud en zilver meenden verlost te kunnen worden vati hunne zonden. Om ook hen te bevredigen en tegelijk de gewetens en de geldbuidels te ontlasten, werd toen eene nieuwe leer ontdekt en ingevoerd. Christus en de heiligen — zoo leerde men uit Rome — hadden veel méér goede werken gedaan, dan voor henzei ven noodig geweest waren, en er was aldus een schat van overtollige goede werken ontstaan, waarvan de paus den sleutel had. Van dien schat telde hij den minder heiligen men-schen — natuurlijk niet zonder eenige vergoeding — zooveel toe als aan hunne eigene deugd tot verkrijging der hemelsche zaligheid nog ontbrak. Zoo was de rechtstitel gevonden, door welken gedekt, de priesters tijdelijke en eeuwige straf zeiden te kunnen kwijtschelden tegen betaling van geld. Ook werd deze aflaat wel verbonden aan zekere z. g. heilige werken, zooals vooral de bedevaarten. Als de meest gezegende bedevaartsplaats gold de heilige hut — Casa Santa — te Loretto in Italië. Volgens \'t verhaal der priesters was dat het huisje, waarin Jozef en Maria te Nazareth gewoond hadden, en dat nu door engelen uit het Heilige Land binnen het gebied van den stadhouder van Christus gebracht was. In groote scharen maakten

-ocr page 314-

2« 8

de pelgrims zich naar dergelijke heilige plaatsen op, de handen met schatten gevuld, en als zij terugkeerden namen zij de overtuiging mede, dat zij vergiffenis ontvangen hadden. Wel bleven eenige ernstige priesters voortgaan met te herinneren dat slechts de tijdelijke straften, welke de Kerk oplegde, met geld konden betaald worden, terwijl vergiffenis van God alleen op oprechte boete volgen kon; doch aan het begoochelde volk beviel de gemakkelijke aflaathandel beter dan de prediking van boete en bekeering, en het leven werd van jaar tot jaar meer ongebonden, daar voor iedere zonde toch dadelijke kwijtschelding van straf kon worden verkregen. De kerk was van een bedehuis een huis van koophandel geworden.

Ook bij de godsdienstoefeningen trad het gebruik des Woords meer en meer op den achtergrond; uiterlijke praal en een vormelijke eeredienst kwam er voor in de plaats. De Mis, in het Latijn bediend, werd meer en meer het hoofdbestanddeel der godsdienstoefeningen. Oorspronkelijk is de Mis, die de plaats van het Avondmaal innam, een werkelijke schoone voorstelling van het gansche verlossingswerk van Christus, zoodat ieder onderdeel der Mis zijne zinnebeeldige beteekenis heeft. Zoo is het treden voor het altaar de symbolische voorstelling van Christus binnentreden van Geth-semané; het opheffen der hostie stelt voor de verhooging van Jezus aan het kruis; de zegen aan het einde herinnert aan de uitzending-des Heiligen Geestes. Maar met dat al verdrong de Mis het dooiden Heer ingestelde Avondmaal, en gaf aanleiding tot afgodische vereering van het zinnelijke teeken.

De prediking des Woords bleef vaak geheel achterwege, en alleen de bedelmonniken maakten het volk met de heilswaarheden bekend.

Het getal feestdagen nam toe in dezelfde mate als het getal heiligen; door het verspreiden van wonderlijke sprookjes over he-melsche verschijningen werden ze niet zelden populair gemaakt. Tot de belangrijkste feestdagen behoort de H. Sacramentsdag — sints 1264. — op den Donderdag invallende na het Trinitatisfeest gevierd. Het feest ïrinitatis (feest der Drieëenheid), dat in denzelfden tijd opkwam als de viering van den H. Sacramentsdag, werd beschouwd als de samenvatting der aan dien dag voorafgegane drie groote feesten, die elk aan een der drie personen van de H. Drieëenheid gewijd zijn. De Sacramentsdag — in andere landen genoemd: feest van het lichaam des Heeren — bedoelt do vereering van de, hostie.

-ocr page 315-

289

Op den eersten November werd Allerheiligen gevierd; op den dag daarna Allerzielen, een dag van algemeene voorbede voor de afgestorvenen, die in het vagevuur vertoefden. De gewijde kerkelijke handelingen noemde men sacramenten, zonder rekening te houden met het doel, waartoe zij door Christus waren ingesteld. Behalve doop en avondmaal werden ook biecht, aanneming als lidmaat, \'t huwelijk, de priesterwijding en het laatste oliesel tot de sacramenten gerekend. Bij het Avondmaal werd den leeken slechts de hostie gereikt, terwijl het genieten van den drinkbeker een voorrecht voor de priesters werd. Deze afwijking van de uitdrukkelijke bevelen des Heeren kwam vooral hierdoor in de wereld, dat men eene scheiding wilde maken tusschen geestelijken en leeken. Ook vreesde men, dat bij het voortdurend gebruik eens iets van den gewijden wijn mocht verloren gaan. Om deze nieuwe wijze van Avondmaalviering te rechtvaardigen verklaarde men, dat reeds de hostiealléén het lichaam des Heeren met het heilige bloed te zamen was, en daarom de toevoeging van den kelk overbodig was. De oude wijze van biechten werd verscherpt, zoo dat de biechteling den priester alle bedreven zonden moest opsommen, en slechts voor de opgenoemde vergiffenis kon ontvangen. (1215j Dit noemde men oorbiecht. Eindelijk drong zelfs een oorspronkelijk Arabisch gebruik de Kerk binnen; men gebruikte bij het bidden den rozenkrans. Daar nl. de priesters den biechtelingen niet zelden het herhaaldelijk opzeggen van een zelfde gebedsformule als straf oplegden, en men gemakkelijk zich in het aantal opgezegde gebeden kon vergissen, deed men een aantal groote en kleine kogels aan een snoer. Bij \'t bidden liet men nu langzaam de kogels door de vingers glijden, naar hun aantal de gebeden tellende. Hoe werd intusschen op deze wijze Joh. 4 : 24 miskend: GW is een geest, en die Hem aavhidden moeten Hem aanbidden, in geest en waarheid!

§ 43.

De kerkelijke kunst.

Het is eene merkwaardige karaktertrek der Middeleeuwen, dat zij den ganschen rijkdom van het pasontwaakte leven in dienst

19

-ocr page 316-

290

stellen der Kerk. Ook op het gebied der kunst zoeken wij naar bewijs voor deze stelling niet te vergeefs j ook zij wordt hoofdzakelijk gebruikt om \'t heilige te versiereu, om heilige personen en gebeurtenissen voor te stellen, eu zij wordt daardoor zelve gewijd en geheiligd. Gemakkelijk kon zij zich ontwikkelen en kunstwerken scheppen : de vrome zin van rijk en arm had voor de gewijde kunst met blijdschap schatten over. Aanvankelijk werden de kerken nog gebouwd in Romaanschen stijl (Dom te Worms). Doch weldra schiep de edele, diepdenkende en tegelijk hoog gestemde geest der Germanen een nieuwen bouwtrant, gewoonlijk, doch minder juist, de Gothische stijl genaamd. De moedige geest der Germanen, vervuld van de schoonste idealen, zich gaarne als op adelaarswieken ten hemel verheffend, kon zich moeielijk schikken in de drukkende, zwaarmoedige rondbogen en lagere zuilengangen van den ouden stijl. Zoo kwam de spitsboog den rondboog verdringen, en in de deuren en vensters, in gewelven en torens vindt men overal dit eigenaardige hoofdkenmerk van de Gothiek terug. Het geeft iets afgeronds aan het gansche gebouw, leder onderdeel heeft zijn afzonderlijke beteekenis en zijn eigen versiering, maar de eenheid van \'t geheel wordt door deze onderdeden niet verbroken, integendeel eerst werkelijk openbaar. De roos boven den hoofdingang, een rond venster, duidt volgens een oude beeldspraak aan, dat hier alle wereldsch gedruisch verstomt en heilige stilte heerscht. Bij \'t binnentreden is men aanstonds in \'t midden van een woud van hemelhooge steenen zuilen, die den blik als van zelf opwaarts voeren. De grond is gesierd met de statige beeltenissen van bisschoppen en priesters, welke zich aan den bouw gelegen hebben laten liggen, en wier stof onder deze gebeeldhouwde zerken rust. Het ruime schip geeft een geschikt terrein voor plechtige ommegangen; iiet hooge koor met het hoogaltaar en de zitplaatsen der kerkelijke hoogwaardigheidbekleeders zou men het allerheiligste van den tempel kunnen noemen. Het gansche gebouw is in een mystiek halfdonker gehuld; de hooge boogvensters zijn met schoone schilderingen versierd, die met hare levendige kleuren het oog aangenaam aandoen, terwijl de voorstellingen zelve, aan de gewijde geschiedenis ontleend, bestemd zijn om het hart in eene gewijde stemming te brengen. Ook de buitenwanden van zulk eenen tempel zijn met heiligenbeelden versierd of vertoonen ook wel, in de

-ocr page 317-

291

verwrongen trekken van wonderbare duivelsgestalten, de overwinning des Heeren op het rijk des Boozen behaald. Eindelijk voltooien kunstig opengewerkte torens, die zich tot eene duizelingwekkende hoogte verheffen, het geheel op alleszins passende wijze. Met den bouw van de schoonste dezer cathedralen heeft Gerhardt (1248) te Keulen en Erwin (1:275) te Straatsburg een aanvang gemaakt. Ook buiten Duitschland vond deze Germaansche bouwtrant navolging. De prachtige Dom van Milaan is daarvoor een bewijs.

Terwijl Duitsche bouwmeesters cathedralen bouwden, versierden Italiaansche schilders ze met gewijde schilderstukken. Deze waren de producten van een heiligen kunstzin, die inet waarachtig geloof zich verdiepte in de leer en geschiedenis van het godsrijk. Yan Angelico (f 14-55) wordt verhaald, dat hij nooit schilderde dan in een biddende stemming. En indien wij bewonderend stilstaan voor het laatste Avondmaal van Leonardo da Vinei (f 1517), dat van zooveel dichterlijke opmerkingsgave getuigt, of voor de heilige nacht van Corregio (f 1534), de Madonna van Rafaël (f 1525) of het aangrijpende Ecce Homo van Titiaan (f 1576), dan verstaan wij er iets van, hoe innig het geloofsleven dezer kunstenaars geweest moet zijn, in eenen overigens zoo geestelijk dooden tijd. De beeldhouwkunst werd voornamelijk door Michel Angelo (f 1564) in dienst der kerk gebruikt. Overigens mogen AJhreeht Dvrer de schilder en Peter Viseher de beeldhouwer hier niet worden vergeten.

Ook de gewijde muziek trad langzamerhand een tijdperk in van grooter volkomenheid, hoewel zij in dezen tijd niet op denzelfden trap stond als de overige kunsten. Het orgel, dat oorspronkelijk slechts twaalf toetsen had en zóó onhandelbaar was, dat het met vuisten gebeukt moest worden, werd grooter en sierlijker, en kreeg langzamerhand meer klavieren. Het gezang werd veelstemmig, maar \'t was in dezen tijd meer eene uitvoering van afzonderlijke zangkoren dan een eigenlijk gemeentegezang. Toch begon zoo iets daarvan te komen. Het ontwikkelde zich uit de korte hymnen, die op het laatste groote Halleluja van de Mis volgden en daarom sequenzev — vervolgliederen —• genoemd werden. Zij waren Latijnsche, maar op Germaansche wijze berijmde, liederen. De eerste die zulke sequenzen dichtte, was de monnik Nother (f 912) te St. Gallen. Langzamerhand nam het aantal en de roem

-ocr page 318-

292

der geestelijke liederendichter? toe, onder welke de Franciskaner Thomas van Celano (f 1260) en Jacoponus (f 1306) eene eerste plaats bekleeden. Van den eerste is het aangrijpende lied van het wereldgericht:

Dies irae, dies illa, enz.

vertaald :

O die schrik\'bre dag der wrake.

Die, naar luid der oudste sprake Aan deez aard een einde make, enz.

Van Jacoponus het Marialied :

Stabat matev dolorosa, enz.

vertaald :

Met de tranen in de ooaren.

Stond de Moeder, neergebogen,

Bij het kruis, waar Jezus hing;

Waar haar door \'t verzuchtend harte.

Overstelpt door wee en smarte.

Een doorborend slagzwaard ging, enz.

Doch al zong en dichtte de Kerk in het Latijn, toch schiepen de Germaansche volkeren ook in eigen taal lofliederen ter eere van God, die hen in de gemeente der heiligen had opgenomen. Niet lang nadat de Saksers den Christus hadden aangenomen, ontstond in hun midden een heerlijk gedicht, dat een voorstelling geeft van \'s Heeren leven, en daarom Heliand — Heiland — genoemd wordt. Terwijl het zijn oorsprong dankt aan den machtigen indruk, welken de Germaansche geest van de prediking van den Christus had ontvangen, ontleent dit gedicht woorden en beelden aan het volksleven van die dagen, en teekent den Christus naïef-kinderlijk en toch tegelijk heerlijk schoon, bijna alsof Hij onder de Saksers geleefd en gepredikt had. Til war geeft een goeden indruk hiervan als hij zegt; „Hoe de Heer de bergrede aanvangt, wordt hier geheel beschreven als geschied te zijn op de hoog verheven, plechtige wijze, waarop de Duitsche vorsten met hunne hertogen en graven raad hielden in de tegenwoordigheid van volk en leger — ongeveer in dezen trant: In de naaste omgeving van den Heer, den handelenden persoon in het tafereel, het vredekind Gods, staan de wijze mannen, die Hij, de Zone Gods, zich zeiven verkoor; verderop zijn de volkeren gelegerd. De getrouwen wachten op het woord van hunnen

-ocr page 319-

293

Koning. Ernstig peinzend wachten zij in eerbiedige spanning af, wat de Opperheer aan de verzamelde volksstammen zal verkoirligen. Hun Herder en Leidsman, Gods eigen kind, zit tegenover de mannen, om in wijze woorden den lof Gods te doen kennen aan de onderdanen van dit wereldrijk. Hij zat daar langen tijd zwijgend neder, cn zag hen aan, en had hen lief in Zijn hart, de heilige Heer der volkeren, zoo teeder van gemoed. Toen deed hij Zijnen mond open. Hij, de almachtige Vorst, en sprak voor de ooren van hen, die Hij zich tot deze Stendenvergadering geroepen had, en leerde, wie onder al de volkeren dezer wereld bij God het meest geliefd waren : zalig noemde Hij hen, die in deze wereld arm waren door nederigheid; God zou hun in de zalige dreven des hemels, het eeuwige leven schenken.quot;

Minder verbeven, maar toch goed gemeend, is de door den monnik Otfried te Weiszenburg in den Elzas (860) geschrevene Evangeliën-harmonie, eveneens eene dichterlijke beschrijving van het leven van Christus.

Bij volksfeesten en bedevaarten zong men geestelijke liederen met liet staand refrein: „Kyrie eleëisonquot;; daarom werden ze Leken genoemd. Eene verzameling van deze liederen werd in 1420 door den rector Petrus Dresdensis bezorgd. Sommige dezer liederen zijn oorspronkelijk; andere zijn navolgingen van oudere liederen. In vele wisselen Duitsche en Latijnsche regels elkander af. Zoo vangt er een aldus aan: „In dulci jubilo, nun singet und seid froh.quot; En evenals de kunstenaars hunne kunst, zoo stelden ook zelfs de minnezangers hunne talenten in den dienst van het heilige, terwijl zij ter eere van Maria en haren goddelijken Zoon hunne liederen dichtten.

§ 44.

De kerkleer.

Terwijl de kunst blijken gaf van voortgaande ontwikkeling, hield de kerkelijke wetenschap met haar gelijken tred, en bereikte in de tweede helft van dit tijdvak eene ongekende hoogte. Wel is waar telde de Kerk vele dienaren, die nauwelijks konden lezen of schrijven. De scholen, aan kloosters en bisschopszetels verbonden.

-ocr page 320-

294

waren onvoldoende in aantal, en het onderwijs daar gegeven, liet zóóveel te wensoheu over, dat er geen behoorlijk getal goede krachten aan de Kerk geleverd werd, en weetgierige mannen — als b. v. Gerbert (f 1003), die eerst leermeester van keizer Otto III geweest was en later den pauselijken stoel besteeg — naar het Moorsche Cordova in Spanje gingen, om aldaar hunne opvoeding te voltooien. Maar toch, terwijl meer en meer bekwame godgeleerden, vooral uit de bedelmonniken, scharen van scholieren om zich verzamelden, aan wie zij eenen blik gunden zoowel in de wijsheid der wereld als iu de diepten van het Evangelie, ontstonden de universiteiten, aldus geheeten, omdat zij als hoogescholen voor alle wetenschappen golden. De eerste universiteiten kwamen voort uit de vereeniging van de leerlingen aan de scholen van Oxford en Parijs. De eerste universiteit in Duitschland was die van Praag (1347), welke spoedig door vele andere gevolgd werd. Alle universiteiten waren kerkelijke inrichtingen, welke de pauselijke goedkeuring noodig hadden, en de wetenschap, welke er beoefend werd, droeg daarom ook een kerkelijk karakter. Zij werd schoolwetenschap genoemd naast de practische werkzaamheid der geestelijken, en zoo scholastiek geheeten. ïwee verschillende wegen werden door haar ingeslagen. Of zij legde in allen eenvoud en trouw de Schriften uit, of zij wijdde zich aan de beoefening der wijsbegeerte, en trachtte samenhang te brengen in de christelijke leerstellingen, en deze als noodzakelijke resultaten van het wetenschappelijk denken in het licht te stellen. Tot de eerste richting behoorde de geleerde Hugo a Sunclo Caro (f 1260), woonachtig te Vienne in Frankrijk, die de thans gebruikelijke indeeling in hoofdstukken voor onzen Bijbel gaf. De tweede richting ging uit van de veronderstelling, dat er geen blijvende tegenspraak kon bestaan tusschen goddelijke openbaring en menschelijke rede, en dat het onbegrijpelijke van de wegen Gods en van de geheimenissen Gods, toch ook aan het verstand als heilige wijsheid openbaar konde worden. Zij hield zich wel aan de leer der Kerk en sloot zich wel aan bij de uitstekende kerkleeraren der oudheid, maar toch zocht zij met onbevangen vrijheid naar de redewet in de openbaring Gods, en achtte het niet beneden zich gebruik te maken van de door den Griekschen wijze, Aristoteles, gepredikte grondregelen van het logische denken. Tot de grootste meesters van deze richting der scholastiek behoort de Franschman Ahaelar-

-ocr page 321-

295

dm (1079—1142), die aan de schitterendste gaven eene namelooze ijdelheid paarde, en zoo zijn beroemden naam en zijn levensgeluk in de waagschaal stelde. Eene leerlinge van hem, de edele jonkvrouw Heloïse, vatte eene afgodische liefde voor hem op, en vilde hem toch voor de wereld niet toehehooren, om hem niet in den weg te staan om eenmaal naar de hoogste kerkelijke waardigheden te kunnen dingen. Om die reden wilde zij slechts in het geheim zijne echtgenoote zijn, en liet zich dan ook in stilte met hem in \'t huwelijk verbinden. Doch de zaak werd ruchtbaar; hare familie, h oogstverbolgen over het gebeurde, liet Abaelard overvallen en zóó folteren, dat hij zelfs voor het priesterambt ongeschikt werd. Zijne treurende Heloïse ging in een klooster, en ook Abaelard vluchtte eerst naar een klooster, toen in de eenzaamheid, waar hij zich een kluizenaarscel bouwde. Zijne gloeiende welsprekendheid trok iutus-schen zijne leerlingen ook hierheen. Zij bouwden kluizen bij de zijne en eene kapel, welke den H. Geest als den Trooster gewijd werd, en waardoor de gansche nederzetting den naam „Troosterquot; ontving. Toen later Abaelardus tot kerkelijke leeraarsambten geroepen werd, gaf hij Heloïse het opzicht over deze hermitages. Zelf geraakte hij in onmin met de Kerk, welke hij door zijn ijdelheid dikwijls be-lecdigd had, terwijl ook zijne koud verstandelijke behandeling der kerkelijke leerstukken deze scheen te ontwijden. Zijne oprechte vroomheid, en zijn met de jaren geleerde en steeds duidelijker aan \'t licht tredende ootmoed, schonken hem nieuwe vrienden, en het was hem vergund in vrede te sterven.

Grooter dan Abaelardus was de Italiaansche Dominikaan Thomas oan Aquino (1226—1274), een even diepzinnig geleerde als eenvoudig prediker. Bij zijne studiën was hij gewoon altijd neder te knielen en den Heer om bijstand te smeeken, als het hem zwaar viel een leerstuk te verstaan of onder woorden te brengen. Zijn meest bekend geschrift was een „Summaquot; of samenvatting van alle christelijke leerstukken.

Maar nog grooter glans straalt om den naam van Bernard van Clairvaax, een tijdgenoot van Abaelardus. Hij was in 1091 geboren te Fontaine, in de nabijheid van üijon. Hij behoorde tot een edel geslacht, en zucht naar wereldschen roem voerde in den aanvang den rijkbegaafden jongeling op den gevaarlijken weg van den eerzucht. De herinnering echter, die nooit van hem week,

-ocr page 322-

296

aan zijne vroeg in den Heer ontslapen moeder, bracht er hem ten slotte toe zich, volgens haren meermalen uitgesproken weusch, aan het kloosterleven te wijden. Hij sloot zich aan bij de pas gestichte Cistercienser-orde, eu werd reeds na drie jaren abt van het klooster Clairvaux, eene stichting van het stamklooster. Nederig als hij was, wilde hij deze plaats voor geen andere ruilen, maar desniettegenstaande maakte zijne diepe kennis en vooral zijn krachtig geloof hem tot den grootsten man van zijnen tijd. Hoewel hij veel van de eenzaamheid hield, en gaarne verwijlde in de stilte der wouden of werkte in zijn kloostertuin, wist hij toch op het goede oogen-blik zich te vertoonen in het gewoel van \'t leven, en tot koningen en volkeren, maar niet minder tot de ambtsdragers der Kerk woorden te spreken, vol geest eu kracht; en hoe hoog ook de Kerk met hare leer en hare instellingen bij hem stond aangeschreven, toch was hij volstrekt niet blind voor hare gebreken en voor de verzoekingen, waaraan zij blootstond. Terwijl hij streed voor de eenheid van de leer der Kerk met die van het Evangelie, streed hij tegec alle leer, die met de Schrift in strijd was, en niet ten onrechte wordt hij daarom de spiegel genoemd, waarin de geest der hervorming vóór de hervorming gezien werd. Een talrijke menigte monniken schaarde zich als leerlingen om den gvooten meester; en weldra waren liet zijne geestelijke kinderen, die de bisschopszetels in \'t rond bezett\'en; een zijner leerlingen werd zelfs paus. Aan hem richtte Bernhard, behalve vele brieven, een schrijven, waarin zijne beschouwingen over het pausdom waren nedergelegd. Hij liet een hooger licht stralen over de beschouwingen dienaangaande van zijnen tijd, en schilderde het ambt des pausen af als een door God ingestelde ordening, welke de hooge roeping had het recht te handhaven en den vrede voor te staan. Den dragers van dit ambt werden dus de ernstigste verplichtingen opgelegd, en hij voorspelde, dat het met het pausdom zeer droevig zou afloopen, indien het ging lijden aan zelfoverschatting en zijne plichten ging vergeten. In een dezer brieven spreekt hij den paus aldus toe: „Eisch van de Kerk niets voor u zeiven, maar laat uw leven voor haar, indien het er op aankomt. Gij zijt een gezant van Christus; gij zijt dus geroepen om te dienen, niet om gediend te willen worden. Een echt leerling van Paulus zal ook gaarne met den Apostel zeggen ; Niei dat wij heerschappij voeren over uw geloof, maar wij zijn mede-

-ocr page 323-

297

werkers uwer hljdschap (2 Cor. 1 : 24). Een echt opvolger van Petrus moet ook aau \'t woord van dezen Apostel gehoor leeuen : Noch als heerschappij voerende over hel erfdeel des Keer en, maar als voorbeelden der kudde geworden zijnde (1 Petr. 5 : 3). Hoewel ik mij voortaan niet meer uwen vader zal noemen, gevoel ik toch vaderlijke liefde en bezorgdheid omtrent u. Want ik denk er aan, hoe hoog gij zijt geplaatst, en deuk met vreeze aan de mogelijkheid van vallen. Tot eene hcoge levensroeping zijt gij gekomen; houd het immer in gedachtenis, dat gij een navolger van hem moet zijn, die sprak : Zilver en goud heb ik niet (Hand. 3 : 6). Och, dat het mij gegeven werd, vóór mijnen dood de Kerk in den toestand te zien, waarin zij eenmaal verkeerde, toen de Apostelen hunne netten uitwierpen om zielen te vangen, en niet naar zilver en goud der menschen.quot;

Met even helder oordeel trad hij tusschenbeide in den inner-lijken strijd, waardoor het leven van zijnen tijd geschokt werd. Hij stond er op, dat het aanzien der Kerk hoog gehouden werd tegenover alle tegenstanders. Maar tegelijk verhief hij waarschuwend zijne stem tegeu alle maatregelen van geweld, en hij beschouwde het als de schoonste overwinning voor de Kerk, wanneer zij hare tegenstanders door de macht der waarheid overwon, instede van hen door bloedige vervolging te vernietigen. Toen dan ook de woelzieke monnik Eadulf in de Rijnstreken de lichtbewogen menigte aanhitste tegen de Joden, die men, zeide hij, evengoed moest vernietigen als de Ongeloovigen in het Oosten, — veroordeelde Bernhard met sterke bewoordingen een dergelijke onderneming, en vroeg, hoe dan de oude beloften in vervulling zouden gaan, dat de Joden eens bekeerd zouden worden, indien men nu al de Joden ging dooden? Ook waren er christenen, zeide hij, die door hunne woekerwinsten erger Joden waren dan de Joden zei ven.

quot;Vóór het begin van den tweeden Kruistocht trok Bernhard zelf als prediker rond, om overal ijver te doen ontbranden voor den heiligen oorlog. Voornamelijk naar Duitschland ging hij heen, waar men te bezadigd was, dan dat men dadelijk in vuur geraakte voor die avontuurlijke tochten. Alles stroomde toe om den beroemden man te hooren, en hoewel hij het Duitsch niet machtig was en dus door het volk niet verstaan werd, werd toch door zijn gebarenspel en door de macht zijner eigene bezieling, ook onder het Duitsche

-ocr page 324-

298

volk een tot nog toe ongekeude ijver gewekt voor cle bestrijding der Ongeloovigen. Wel is waar werd zijn woord niet vervuld, dat de strijd een gunstig gevolg zou hebben, maar door te wijzen op de ondoorgrondelijkheid van Gods raadsbesluiten en op de zonden der kruisvaarders, wist hij zich later te rechtvaardigen.

Over zijn eigen geloofsleven laat hij zich in deze bewoordingen uit: „Ik staar op drie dingen, waarop mijn hoop is gebouwd. Allereerst: de liefde Gods, die mij als kind heeft aangenomen; vervolgens; de waarheid Zijner belofte, en ten slotte de macht Gods om Zijne belofte te vervullen. Dat is het onverbrekelijke drievoudige snoer, dat uit het hemelsche vaderland op aarde is nedergelaten, waaraan wij ons moeten vasthouden, en waardoor God ons eens in Zijne heerlijkheid zal opnemen.quot;

Door eene smartelijke krankheid werden zijne laatste dagen verduisterd, tot de dood hem uit zijn lijden verloste (20 Aug. 1153). Luther heeft als zijn oordeel over hem uitgesproken: „Indien er ooit een oprechte, vrome, godvreezende monnik is geweest, dan was het St. Bernard, voor wien alleen ik veel grooter eerbied heb dan voor alle monniken en papen op den ganschen aardbodem. Nooit heb ik van iemand gelezen, die hem geleek; nooit heb ik van zoo iemand gehoord.quot;

Ook geestelijke liederen zijn door hem gedicht. Een van zijne Latijnsche lijdensgezaugen begint, (vertaald) aldus:

Wees gegroet, o hoofd vol wondeu,

Met de doornenkroon ombonden;

Jammerlijk met bloed bedropen,

Met de rietstok wreed geslagen,

En bespuwd zelfs Uw gelaat.

Paul Gerhard heeft dit gezang ten grondslag gelegd van een zijner schoonste liederen, (ons Gez. 271). —

De scholastieke ontwikkeling der christelijke leer bracht va:.i zelf tot het scheppen van verschillende nieuwe dogma\'s. Hierbij wordt een eerste plaats ingenomen door de leer van de verandering van het brood en den wijn bij het Avondmaal — de leer der transsubstantiatie.

Deze leer, in de vorige periode reeds voorbereid, toen bij het aannemen van een mystieke vereeniging van twee personen in Christus, het aannemen van eene mystieke vereeniging van zijn

-ocr page 325-

299

\\

lichaam en bloed met de Avoudmaalselementen niet verre lag, — werd in dit tijdperk met krachtige bewoordingen voorgedragen door den abt Paschasias Radbertus te Corbie. In 831 en 844 gaf hij zijne geschriften uit over het Avondmaal, en leerde daarin, dat door de consecratie (wijding) de zelfstandigheid van het brood en den wijn werd opgelost, en deze nu het lichaam van Jezas vormden, „dat geboren was uit Maria, aan het kruis geleden had en uitliet graf was opgestaan.quot; Wel werd deze meening vooral bij monde van Rabanus Maurus en Ratramnus hevig bestreden, maar het lag zóó geheel in den bijgeloovigen geest van dezen tijd zulk een gevoelen over te nemen, dat, toen een paar eeuwen later Beren-garius van Tours tegen de transsubstantiatieleer optrad, hij op twee synoden (1059 eu 1079) gedwongen werd haar te onderschrijven. Tnnocenüus III maakte het (1215) tot een onveranderlijk geloofsartikel. „De scholastiek kon gaan twisten over allerlei fijn uitgesponnen vragen, betrekking hebbende op de wijze van verandering, en onder dat alles werd de leer der transsubstantiatie vaster en kreeg door de invoering van den Sacramentsdag een liturgischen achtergrond en populaireu steunquot; 1). In het tijdperk der Hervorming hooren wij opnieuw van dezen strijd.

In dienzelfden tijd werd nog een\' andere strijd gevoerd, welke intusschen meer de godgeleerden dan het volk bezig hield, over de voorbeschikking Gods — praedestinatie — tot zaligheid en eeuwige ellende.

In het klooster Orbais, in Frankrijk, woonde nl. een monnik van Duitsche afkomst, Gottschalk gcheeten. Toen bij nog een kind was, werd hij door zijne ouders, die hem voor \'t kloosterleven bestemd hadden, in het klooster Pulda geplaatst. Toen hij evenwel eeu volwassen man geworden was, voelde hij zich zeer ongelukkig in zijne gedwongen kloosterlijke afzondering en verlangde den band met zijne orde te verbreken. De strenge abt van zijn klooster wist echter een keizerlijk decreet uit te lokken, waardoor hem het uittreden werd verboden. Nu zocht Gottschalk troost in wetenschap-pelijken arbeid en bestudeerde vooral de werken van den kerkvader Augustinus. En toen liet hem nu bij deze studie bleek, dat de Kerk dezen kerkvader wel zeer hoogachtte, maar intusschen zijne

1) Hagenbach, Dogmengesch.

-ocr page 326-

300

leer van de goddelijke voorbeschikking toch niet had overgenomen, zag hij er volstrekt geen bezwaar in, deze leer, met eigen verscherpende toevoegingen, openlijk voor te dragen. De heilige God — zoo leerde hij — heeft van den beginne voor den mensch slechts goed voorbeschikt. Maar daar zijne Alwetendheid ook het kwade van te voren gezien had, konden zijne heilige raadsbesluiten omtrent de goddeloozen slechts hunne tuchtiging bedoelen, terwijl zijne genade zich aan de vromen in het verleenen van tijdelijke en eeuwige zegeningen openbaarde. Zoo was er volgens hem een dubbele voorbeschikking, daar sommigen tot zaligheid werden verkoren en anderen aan de verdoemenis werden prijsgegeven.

Tegen deze eindconclusie verzette zich intusschen het christelijk bewustzijn. Aan het hoofd van de tegenstanders stond Gottschalks voormalige abt lialanus, en de moedige monnik, die zich niet bewust was iets geleerd te hebben in strijd met de leer der Kerk, zag zich plotseling buiten de gemeenschap der Kerk gesloten, en na bloedige geeseling onder strenge tucht gehouden in een klooster, waar hij tot aan zijnen dood (869) een droevig bestaan voortsleepte. Intusschen bleven zijne vrienden zijne zaak voorstaan; zijne leer scheen toch waarheid te bevatten; zij werd door den naam van Augustinus gedekt. Ten slotte zou eene Kerkvergadering in deze zaak beslissen, maar zij kwam nooit tot stand, en zoo bleef dit vraagstuk onbeantwoord, totdat het insgelijks bij de Kerkhervorming opnieuw ter sprake kwam.

Bijkans zonder strijd won nu een leerbegrip veld, dat een dei-grootste geheimenissen des Christendoms — de verzoening — ontwikkelde. Innig geloof verbond zich daarbij met groote geleerdheid, en met overtuigende helderheid werd het voorgedragen.

De man, die dit deed, was Anselmus van Canterbury (1033— 1109). Als kind werd hij door zijne vrome moeder Ermenberga opgewekt om zich geloovig te verdiepen in de Heilige Schrift, en later, toen hij moest vluchten voor zijnen liefdeloozen vader, geleidden geleerde monniken hem verder op dezen weg. Het meest beroemde zijner geschriften is een beknopt boekske, dat tot titel heeft: „Waarom is God mensch geworden?quot; Hij ontwikkelt daarin, hoe de zonde noodzakelijk eene scheiding tusschen God en mensch moest teweeg brengen, en den mensch zijne zaligheid ontrooven moest. Eene verlossing uit dezen toestand kon nimmer van eenen

-ocr page 327-

301

mensch uitgaan, daar deze zelf een zondaar was en bleef, en evenzoo was het iu strijd met de heiligheid Gods, zonder voldoening de zonde te vergeven. Daarom moest nu de Zoon Gods mensch worden, opdat Hij volgens Zijne goddelijke natuur die voldoening bewerkte en volgens Zijne menschelijke natuur de menschen met God verzoende. Hiermede was de leer der verzoening in een helderder licht gesteld dan ooit te voren.

Hoe verdienstelijk zich intusschen de scholastiek maakte met betrekking tot de christelijke wetenschap, zoo lag er toch iu de beoefening er van een groot gevaar voor hare jongeren om hoogmoedig te worden op hunne kennis, en om een nutteloozen strijd te voeren over de goddelijke geheimenissen en over menschelijke meeningen. Daarom zorgde de Heer er voor, dat er eene tweede richting in de Kerk opkwam, welke bestemd was een weldadig tegenwicht te geven tegenover de eerste. Het was de christelijke mystiek, die niet zoozeer de leer van het Christendom met het verstand wilde doorvorschen, als wel een met Christus verborgen leven in God wilde leiden, en zich stil en nederig aan den Heer wilde overgeven.

Keeds Bernard van Clairvaux was in dezen zin een mysticus geweest, en na hem traden vele andere mannen op, die op de ontwikkeling van het christelijke leven eenen grooten invloed hebben uitgeoefend. Zij behoorden hoofdzakelijk tot den Germaanschen stam, terwijl de meesters der scholastiek uit Italië en Frankrijk zijn voortgekomen. Vooral twee mannen verdienen hier genoemd te worden. De eerste is Johannes Tauler (f 1361), Dominikaner monnik in zijn vaderstad Straatsburg. Hij getuigt zelf, dat hij van de ,,groote, knappe geleerden van Parijsquot; niets had kunnen leeren. Zijn voornaamste leermeester was de Waldens Nicolaas van Basel, die naar Straatsburg kwam, toen juist deze stad in den onzaligen strijd tusschen keizer en paus ouder pauselijk interdict lag, en Tauler bijna alleen van alle priesters was overgebleven, om de priesterlijke bediening te vervullen. Tauler was een uitstekend prediker, die ook in de Duitsche taal het zoo zelden gehoorde Woord Gods verkondigde. Velen van zijne spreuken zijn treffend. „Allen die met hun in- en uitwendig leven God willen toebehooren, keeren zich tot Hem en keeren tegelijk tot zich zeiven in; gij moet de genade Gods innerlijk willen ontvangen, anders baat zij u niets/\' — „De

-ocr page 328-

.302

mensch moet er toe komen, alle dingen te vergeten en doen, alsof hij niets wist en kende. Want daar moet eene groote rust en stilte zijn in het hart, wanneer dat het Woord Gods zal verstaan.quot; — „Wilt gij worden, hetgeen gij niet zijt, verloochen dan eerst hetgeen gij zijt.quot; — „Wanneer iemand ook zich schuldig gevoelde aan duizend zonden, maar ze erkent en belijdt, dan schaden zij hem nog niet zóóveel, als eene enkele zonde, welke hij niet wil belijden en afleggen.quot;

Behalve zijne predikatiën schreef Tauler ook een stichtelijk werk „over de navolging van het arme leven van Christus.quot; Lnther zegt van Tauler, dat hij na den Bijbel en Augustinus geen ander boek heeft leeren kennen, waaruit hij zóóveel van de dingen van Gods Koninkrijk geleerd heeft, als uit Tauler\'s boek. Daarin toch was méér van de goddelijke leer te vinden, dan in alle boekeu van „schoolgeleerden der universiteiten.quot;

Tegelijk moet hier nu reeds genoemd worden Thomas a Kern pis en de broederschap des Gemeenen levens, over welke later nader (in § 48). Het kwam Thomas voor, dat het christelijk leven niets anders was dan eene navolging van Christus, waarbij de hartelijke liefde tot Christus eene voortdurende, stille, nederige heiligmaking verwekte, en zoo den mensch in zalige gemeenschap bracht met den Heer. Zijn „navolging van Christusquot; heeft na de H. Schrift de meeste herdrukken beleefd — meer dan tweeduizend — en is in alle Europeesche talen, ook in Aziatische, vertaald, terwijl het ook in onze dagen nog veel wordt gelezen.

Naast deze mystieken vinden wij in dien tijd nog een veree-niging, welke zich „hroeclers en zusters van den vrijen geesf\' noemden, die Schrift en Kerk overbodig achtten en zich alleen beriepen op den geest van Christus, die in alle geloovigen werkte. Maar terwijl zij vergaten, dat juist Schrift en Kerk de door God geordende dragers en werktuigen des H. Geestes zijn, meenden zij, dat de buitensporigheden, welke hun eigen ongebonden geest hun veroorloofde, uitspraken waren van Gods Geest. Ja, zij geraakten zelfs op dwaalwegen van een onzedelijk karakter, waar zij voor een deel ongekleed rondliepen, meenende dat zij, in dit opzicht zich met Adam gelijkmakende, ook den paradijstoestand konden terugroepen. De Kerk, zoowel als de Staat, werden nu wel gedwongen tusschen-beide te komen. En toch zijn zelfs deze uitingen, evenzeer als de

-ocr page 329-

303

meer edele strevingen van scholastieken en mystieken, een bewijs, hoe in de harten der volken een diepgevoeld verlangen naar het heil leefde. Indien de Kerk der Middeleeuwen beter deze behoefte bevredigd had, zij zou ook minder schuldig zijn geweest aan afdwalingen van eenige dweepers. Maar nu was zij zelve de schuld van de dwalingen harer leden, en werd zij oorzaak van talrijke godsdiensttwisten, welke niet weinig hebben bijgedragen om eene reformatie der Kerk naderbij te brengen.

§ 45.

De inwendige stryrt der Kerk.

Geheel in tegenspraak met haar uitwendig vertoon van macht, droeg de Kerk der Middeleeuwen in zich zelve het beginsel van een naderend diep verval. De harten, welke zich onbevredigd gevoelden, verweten dit aan de Kerk, en deze ontevredenen behoorden tot allerlei rangen en verschillende graden van ontwikkeling. Hunne ontevredenheid gaf zich lucht op ganseh verschillende wijze, naar mate eene meer of minder edele gezindheid er de oorzaak van was. De bijna honderdjarige non HUdegard (t 1197) in \'t klooster Ruprecht bij Bingen en de abt Joachim van Floris in Italië, die in dezen zelfden tijd leefde, voorspelden in profetische bezieling den val van eene Kerk, welke het Woord Gods verlaten had, en zich in dienst had gesteld van ijdelheid en bijgeloof, en de edelsten van hunnen tijd beschouwden hun woord als een openbaring Gods. Anderen predikten oproer tegen den paus en zijne priesters, en vonden den dood bij deze poging. Zoo b. v. een Arnold van Brescia. Vooral was \'t aantal ontevredenen groot in Frankrijk. Aan \'t plaatsje Ally, waar zij hun middelpunt hadden, ontleenen deze den naam Aïhigensev. Graaf Raimund van Toulouse verleende hun zijne bescherming. Zij noemden zich Gathari (van daar \'t woord „ketterquot;) of „reinenquot;; maar niet aller zedelijk streven was rein. Terwijl sommigen onder hen in stille gehoorzaamheid aan de Schrift een godzalig leven leidden, zoodat een van hen zelfs bijna door den paus heilig gesproken was, hadden anderen, met hun geloof in de Kerk, ook hun geloof aan het Evangelie verloren, en gaven dus

-ocr page 330-

304

oolv in hun leven weinig acht op \'s Heeren geboden. Alleen in verzet tegen den paus en zijne verordeningen kwamen allen overeen. Paus Innoeentius ITI zond monniken uit, en eenen gezant, om aan de ketterij in Frankrijk paal en perk te stellen. Doch de prediking der monniken had niet de minste vrucht, en de gezant werd gedood. Nu werd \'t bevel gegeven tot een werkelijken kruistocht tegen de Albigensen. Een ridder zonder land, Simon de Montfort, stelde zich aan \'t hoofd van dien kruistocht, tot welks geestelijk hoofd de abt Arnold van Citeaux door den paus benoemd werd. Het was een bloedige oorlog; de gruwelijkste wreedheden werden door de zoogenaamde kruisvaarders bedreven. Te vergeefs gaf de paus bevel dat aan \'t bloedvergieten een einde zou worden gemaakt, daar hij slechts een rechtvaardige straf wilde voltrekken; — de uitgezonden soldaten werden meer door moord- en rooflust gedreven, dan door het verlangen de Kerk tot zegen te zijn, en zoo werd dan ook de pauselijke vermaning geheel in den wind geslagen. Zelfs de abt van Citeaux spoorde zijne soldaten tot eene volkomene vernietiging der ketters aan. Toen bij de bestorming eener stad aan hem gevraagd werd, hoe men de ketters van de geloovigen moest onderscheiden, antwoordde hij: „Doodt ze allen; de Heer kent de Zijnen wel.quot; Ten slotte gaf graaf Raimund de jongere de zaak op, voor welke zijn vader zoo moedig had gestreden, en sloot zich bij de vervolgers aan. Toen moesten na eenen vreeselijken strijd (1209— 1229) de Albigensen het onderspit delven. Van hunne steden bleven slechts puinhoopen over. Om zich in hare overwinning te handhaven, waakte de Kerk met pijnlijke zorgvuldigheid over alle uitingen van \'t godsdienstig leven in deze streken. Wie slechts onder verdenking lag van ketterij, werd wreedaardig gestraft, en al de leden der gemeente moesten onder eede van hunne goed-Catholieke overtuiging eene plechtige verzekering geven. Het is intusschen duidelijk, dat door zulke middelen de Kerk de ontevredenheid in de harten niet tot zwijgen bracht.

Veel meer getrouw aan het Evangelie en daarom ook bestemd iets blijvends na te laten, was liet optreden van Petris Wal dm te Lyon. Hij smachtte naar de vertroostingen des Bijbels, en daar de gedeelten, welke in de Kerk werden voorgelezen, hem niet volledig genoeg waren, liet hij door twee bevriende monniken den Bijbel in de taal van zijn land overbrengen, en een bloemlezing van kerk-

-ocr page 331-

.305

vaders er aan toe voegen. Nog ernstiger en meer in zich zeiven gekeerd werd hij, toen een zijner vrienden op een feestmaal door een beroerte werd getroffen en dood nederzonk. Het was hem zeiven de heiligste ernst „met vreezen en beven zijne zaligheid te werkenquot; en hij begeerde nu ook zijnen medemenschen het Woord Gods te brengen, opdat zij ook den vrede Gods deelachtig mochten worden. Zoo schonk hij zijne goederen aan de armen en stichtte (1170) met andereji, gelijkgezinden, eene vereeniging, die onder den naam van „armen van Lyonquot; het Woord Gods op straat en in de huizen verkondigde, zonder intusschen met de Kerk te breken. De bisschop van Lyon verbood echter eene dergelijke leekenprediking, maar gansch naïef verzocht Petrus Waldus toen den paus zijne vereeniging in bescherming te willen nemen. De Roomsche stoel bevestigde intusschen liet bisschoppelijk verbod, en vervolgde den vromen stichter der vereeniging, die nu vluchtte naar den vreemde, en na lang omzwerven (1197) in Boheme stierf.

De vervolging strekte zich ook weldra uit over Waldus\' volgelingen, voortaan Waldensen genaamd. Toch was er niets op hen aan te merken en moesten zelfs tegenstanders hen prijzen. Een Roomsch priester zegt van hen: „Zij zijn ordelijk en bescheiden in hun levenswijze, dragen noch te kostbare noch te armoedige kleeding, vermijden allen leugen en bedrog, en leven van handenarbeid. Zij verzamelen geen schatten, maar stellen zich tevreden met de noodzakelijkste levensbehoeften. Zij gedragen zich ingetogen, bezoeken geen herbergen en openbare dansgelegenheden, maar werken, leeren en onderwijzen.quot; Bovendien waren zij—zelfs de kinderen — met de Heilige Schrift zóó vertrouwd, dat de geestelijken niet weinig verbaasd er over waren. Dewijl zij in zoo goed gerucht stonden, heeft paus Innocentius nog pogingen in het werk gesteld om hen met de Kerk te verzoenen. Hij wilde hen nl. voor armen-en krankenverzorging gebruiken, onder den naam „Catholieke armen/\' Maar het onderwijzen en verbreiden van het Evangelie wilde hij hun niet toestaan, dewijl dat tegen de grondbeginselen was der Catholieke Kerk. Zij konden zich intusschen daarin niet aan den paus onderwerpen. Daartoe hadden zij met te veel ijver de Schrift onderzocht, dan dat hun oog niet open zou zijn voor de verkeerde leerstellingen der Roomsche Kerk. Maar toen zij zich nu verzetten, begon de vervolging tegen hen opnieuw. Zij trokken zich terug

20

-ocr page 332-

;506

naar de dalen van Piemont en grepen daar somtijds zelfs naar het zwaard, wanneer het opgezweepte volk hun rust in hunne veilige schuilhoeken kwam bedreigen. Het hevigst hebben zij gestreden in 1488, toen de Roomsche stoel een groot leger afzond om hen ten onder te brengen; en terwijl de mannen toen streden voor vrijheid en leven, stonden de vrouwen thuis met opgeheven handen en baden voor de overwinning, gelijk eens Mozes in den strijd met de Amalekieten. En haar gebed werd verhoord; de vijand trok af. Zoo zijn de Waldensen tot in onze dagen staande gebleven, meestentijds geduld door de hertogen, en wanneer het er op aankwam, door de Pruisische koningen beschermd. De geringe plaatsruimte in Piemont bracht er hen toe, gedeeltelijk naar Montevideo in Amerika r,e verhuizen (1857). Doch niet langen tijd daarna kwam ook in Italië volkomen vrijheid van godsdienst, en sedert dien tijd (1861) zijn hunne gemeenten snel verbreid over het gansche schiereiland. Voor de leiding van hunne gemeenschappelijke belangen vormden zij eigen Synoden. De geestelijken ontvangen hunne opleiding aan de hoogescholen van Frankrijk en Zwitserland. Met de Protestantsche Kerk staan zij in eene geestelijke betrekking, daar zij de Schrift als grondslag voor geloof en leven beschouwen. De bergrede is hun tot grondslag voor hunne zedeleer; de Apostolische eeuw is de regel voor hunne gemeente-inrichting.

Doch keeren wij tot de geschiedenis der Middeleeuwen terug. Hoe dreigender het gevaar werd, dat in de Albigensische en Wal-denser beweging den pauselijken stoel bedreigde, des te geweldiger waren de middelen door den paus aangewend, om zich staande te houden tegenover het misnoegen en het wantrouwen eener langzamerhand ongeloovig wordende christenheid. Reeds in 1329 op eene Synode te Toulouse werd vastgesteld „dat iedere vorst, landheer, bisschop of rechter, die eenen ketter verschoonde, zijn land, goed of ambt zou verliezen. ledei huis, waarin men eenen ketter vond, zou worden omvergehaald. Indien ketters, of zij die van ketterij verdacht worden, doodelijk ziek zijn, wordt bij hen nimmer een geneesheer of een partijgenoot toegelaten. Zij, die oprecht berouw hebben, worden uit hunne omgeving, indien deze ook onder verdenking ligt, verwijderd; zij ontvangen eene bijzondere kleederdracht, en zijn geheel van burgerrechten verstoken, totdat zij door den paus begenadigd zijn. Wie goed Catholiek christen wil zijn.

-ocr page 333-

307

moet ieder jaar trouw beloven aan de Kerk, en driemaal in \'t jaar het A.vondmaal ontvangen. Wie zich daaraan onttrekt, zal van zelfs vallen onder verdenking van ketterij.quot; Dat waren strenge besluiten, en streng werden zij gehandhaafd. En toen de paus vreesde, dat de TVansche bisschoppen hunne landgenootcn zouden laten loopen en minder streng tegen hen zouden optreden, stelde hij eigen gerechtshoven in, welker leden gekozen werden uit de orde der Dominikanen, die oorspronkelijk ook gesticht was om de ketters te bekeeren. Deze gerechtshoven der Inquisitie moesten de ketters opsporen en bestraffen. Zij ontvingen de meest uitgestrekte volmachten, welke ook door de wereldlijke vorsten, deels uit vrees, deels uit aanhankelijkheid aan ie Kerk, werden erkend. De inqui-sitoren konden iederen aangeklaagde doen gevangen nemen, ook zonder hem zijnen aanklager te noemen. Ook was hun toegestaan door de pijnbank bekentenissen af te dwingen en zelfs hen, die bekenden en berouw toonden — meestal door levenslange gevangenisstraf — voor altijd onschadelijk te maken. Wie niet herriep, werd aan den wereldlijken rechter overgegeven, opdat deze hem ten vure doemen zou. Want hoewel de priesters den dood hunner slachtoffers wenschten, hielden zij vast aan de huichelachtige bewering, dat de Kerk geen bloed verlangde. Terwijl aanvankelijk deze rechtbanken slechts in Frankrijk hun werk verrichtten, verspreidden zij zich ook spoedig over de andere Westersche landen, en overal, waar zij kwamen, waren zij eene schande voor de Kerk en een vloek voor de volken. Geen land heeft meer van die gruwelijke rechtbanken te lijden gehad dan Spanje. De Spaansche koningen hadden duizende Joden en Mooren gedwongen het Christendom aan te nemen, en door de Inquisitie wilden zij hen nu noodzaken, trouw te blijven aan hun nieuw geloof. En daar de Inquisitie in Spanje geheel en al een werktuig van de koningen was, werd zij ook gebruikt om personen, die gevaarlijk waren voor den troon, of tegen wie men een of andere grief had, uit den weg te ruimen. Men heeft uitgerekend, dat in Spanje vijf-en-dertig duizend menschen verbrand, en driehonderd duizend in de gevangenis zijn geworpen, terwijl hunne goederen verbeurd werden verklaard. In Duitschland was Koenraad van Marburg de grootste kettermeester. Doch slechts twee jaren heeft hij zijn afschuwelijk ambt bekleed. Teen is hij door eenige op hem verbitterde edelen gedood.

-ocr page 334-

«08

§ 46.

Wj cliffe en Huss.

Het was zoover gekomen, dat de kerkvorsten in hunne verblinding de wereldlijke macht hadden te hulp geroepen om hen en hunne eigen belangen te steunen in den strijd tegen de waarheid. Doch \'s Heeren Geest verwekte voortdurend mannen, die als getuigen optraden voor het zuivere Evangelie, en al was hun getuigenis menigmalen de uiting van nog niet volkomen tot helderheid gekomen denkbeelden, toch werd het als een woord van blijde hope vernomen te midden van den strijd dier dagen, en bereidde het de christenheid voor op den altijd nader komenden dag van de vernieuwing der Kerk.

Terwijl men in Dnitschland en Frankrijk in geschriften en op Conciliën beraadslaagde, hoe men de Kerk iu „hoofd en ledenquot; zou kunnen hervormen, trad in Engeland een man, die vroeger nimmer van zich had doen spreken, plotseling op als bestrijder van al de zouden van het pausdom en de vervalsching van de zuivere leer. Dit was John Wycliffe.

Hij was in 1334 te Wycliffe geboren, aan welke plaats hij zijn\' naam ontleent. Hij hield langen tijd verblijf te Oxford als een dier oudere studenten, die volgens de eigenaardige inrichting der Engelsche universiteiten dikwijls gedurende hun gansche leven met de hoogeschool in betrekking blijven, en dienst doen als leidslieden van de aankomende jongelingen. De talrijke vrijheden en rechten der universiteit prikkelden den naijver der monniken, die hier minder invloed hadden dan elders, en verbitterden hen ten slotte zóózeer, dat allerlei moeielijkheden ontstonden, in welke Wycliffe de rechten van zijnen stand met mannenmoed tegen de aanmatiging der monniken verdedigde. Toen eenigen tijd later koning Eduard, in overeenstemming met de wenschen van zijn volk, den paus de verdere uitbetaling van de door hem gevorderde jaarlijksche schatting weigerde, en ook het recht der pausen bestreed om in Engeland priesters aan te stellen, was het wederom Wycliffe, die in woorden en geschriften voor de zaak des konings opkwam. Door dit alles kwam hij in hooge gunst te staan bij den koning, terwijl het hem den haat van alle aanhangers van het pausdom op den hals haalde.

-ocr page 335-

309

Hij werd tot professor aan de universiteit beuoemd, ca toegevoegd aan een gezantschap, dat tot den paus gezonden werd om den strijd te vereffenen. Zóó zag liij met eigen oogen de omkoopbaarheid en geesteloosheid der geheel verwereldlijkte hoofden der Kerk, en altijd moediger werd zijn taal en met nog grooter ijver dan vroeger begon hij de Schrift te onderzoeken. Hij schroomde zelfs niet den paus voor den Antichrist te verklaren. Aflaat en heiligtn-verecring verwierp hij, evenals het gebruik van \'t Latijn bij den eeredienst, op grond van zijn onderzoek der Schrift. De leer van de verandering des broods hij \'t Avondmaal werd door hem aangetast, en over de hostie liet hij zich aldus uit: „De gewijde hostie, welke wij op het altaar zien, is noch Christus, noch een deel van Hem; het is alleen een krachtig teeken.quot; De leer der praedestinatie nam hij aan, gelijk die vroeger door Gottschalk, in strijd met de leer der Kerk, was voorgedragen. Hoewel zijne beschouwing van vele leerstukken blijkbaar nog niet tot rijpheid gekomen was, kon hij toch van zich zeiven verklaren : „God zij mijn getuige, dat ik vóór alle dingen slechts de eere Gods en het heil der Kerk op het oog heb, daartoe gedreven door den eerbied voor Gods Woord en gehoorzaamheid aan Jezus gebod. Indien zich echter met deze mijne bedoelingen eene onzuivere begeerte naar wereldschen roem, naar vuil gewin of bevrediging van booze wraakzucht gemengd mocht hebben, dan heb ik daarover oprecht berouw, en wil door Gods genade daarvoor op mijne hoede zijn.quot; Om ook de onontwikkelden van dienst te zijn, vertaalde hij de Heilige Schrift uit de Vulgata, en daar hij de gave miste populair tot het volk te spreken, zond hij predikers uit — Lollliarden genaamd — om het zuivere Evangelie in de gemeenten te verkondigen. Evenwel, hoe ernstig hij ook zijn best deed de zaak des Heeren te dienen, scheen toch zijn arbeid te vergeefs te zijn. Het Engelsche volk zag dien arbeid tamelijk onverschillig aan; eene oproerige beweging, ontstaan door een misverstaan van de door hem in \'t licht gegeven prediking, was voor de goede zaak eer schadelijk dan bevorderlijk, en zelfs de koning kon zich niet vinden in Wycliffe\'s al te vurigen ijver. Hij werd voor een\' kerkelijke rechtbank gedaagd, en vervallen verklaard van zijn hoogleeraarsambt. Toch stond men hem toe, op de hem toevertrouwde standplaats Lutterworth \'t leeraarsambt te bekleeden tot zijnen dood (31 Dec. 1384). Hier schreef hij zijn voornaamste

-ocr page 336-

.310

werk, dat zijne denkbeelden wereldkundig lieeft gemaakt. Zijne aanliangers werden met groote strengheid vervolgd, en vonden voor \'t meerendeel den dood op den brandstapel. Ook Wycliffe\'s gebeente werd (1438) opgegraven, en volgens besluit van de Kerkvergadering te Kostnitz verbrand.

De moedige woorden van eenen Wycliffe vonden een wonder-grooten weerklank in het ver verwijderde Bolieine, een land, dat meer dan andere landen voorbereid was voor eene reformatorische beweging. Want terwijl het overige Duitsehland door Bonifacius tegelijk voor \'t christendom en voor den paus gewonnen werd, had Boheme het Evangelie door de prediking van Grieksche monniken ontvangen, en hoewel ook de Boheemsche Kerk zich vroeg bij Rome aansloot, had zij toch altijd eene zekere zelfstandigheid behouden. Deze werd nog krachtiger door de staatkundige onafhankelijkheid van Boheme. Tengevolge daarvan bleef Boheme buiten de oorlogen van Duitschland tegen Rome, en zoo ook onafhankelijk van de pauselijke macht. En de stille maar krachtige werkzaamheid van eenen Petrus Wal dm had er duidelijk hare sporen nagelaten.

Onder het aldus toebereide volk werd den 6den Juli 1373 eenen eenvoudigen landbouwer een zoon geboren, die bij den Doop de naam Johannes ontving. Hij groeide op in armoedige omstandigheden en deelde den arbeid zijns vaders. Deze stierf echter vroeg, en de armoede nam toe. Toen neigde God het hart van den edelen heer van Hussinecz, waar Johannes woonde, dat hij zich den knaap aantrok en hem eene wetenschappelijke opleiding deed genieten. Johannes Him — zóó toch wordt hij voortaan genoemd — maakte nu zulke vorderingen, dat hij reeds op zijn zestiende jaar als student aan de universiteit te Praag kon worden ingeschreven. Hier behaalde hij den graad van Magister, en werd twee jaren later tot professor iu de philosopie benoemd.

Alle groote mannen Gods moeten eerst eenen innerlijken strijd doorleven, vóór zij als helden in den strijd des levens kunnen optreden. Ook Huss heeft dezen strijd doorleefd en wel in denzelfden tijd, waarin hij tot gevestigden stand kwam. Zelf schrijft hij daarover op de volgende wijze: „Toen werd ik arm en verbrijzeld, en terwijl ik met vreezen en beven het woord Gods onderzocht, begon ik de daarin geschonken schatten van wijsheid te bewonderen. Nu voelde ik mij doordringen met een nieuw, krachtig

-ocr page 337-

811

rriü

en zaligend vuur, dat tot op dezen oogenblik in mij werkt en des te meer ontbrandt, naar mate ik mij meer in liet gebed ophef tot God en tot Jezus, den gekruisigde.quot; En toen dit vuur in hem ontbrand was en zijn ziel tot volkomen erkenning van het heil was gekomen, gaf God hem weldra gelegenheid getuigenis te geven van de waarheid. Eeeds een tiental jaren vroeger had een aanzienlijk man, behoorende tot de raadslieden des konings, in vereeniging met eenen koopman, eene kapel gesticht, waarin dagelijks in de landtaal moest gepredikt worden. De kapel werd Bethlehem genoemd, dewijl Bethlehem „broodhuisquot; beteekent, en dit kerkje bestemd was voor de uitdeeling van geestelijk voedsel. In 1102 werd Huss als prediker in deze kapel aangesteld. Hij nam zijn ambt met groote nauwgezetheid waar. Dewijl hij in het leven der menschen veel zondigs opmerkte, was zijne prediking meestal eene bestraffende. Doch weldra zou zijne aandacht meer in \'t bijzonder op den priesterstand worden gericht.

In dezen zelfden tijd toch keerde een jong Bohemer van aanzienlijke geboorte van Engeland, waar hij zijne studiën voltooid had, naar Praag terug. Hij heette llieronymus von Pauljisch; in de geschiedenis wordt hij intusschen gewoonlijk Ilieroni/mus van Praag genoemd. Hij was in Engeland getuige geweest van den grooten strijd, welke daar door Wycliffe tegen Rome was aangevangen, en geheel en al vervuld van de daar bij hein verwekte gedachten, kwam hij te Praag en verbreidde daar Wycliife\'s leer en geschriften. Niet lang daarna vestigden zich ook twee jonge Engelschc theologen te Praag, die insgelijks de meeningen huns meesters Wycliffe verkondigden, en dat niet met woorden alléén. Zij plaatsten iu hunne woning twee schilderijen, waarop de tegenstelling tusschen den Heere Christus en zijnen dusgenaamden stadhouder op aarde ten duidelijkste aan het licht trad. Op de ééne zag men Christus Jerusalem binnen gaan met de jongeren barrevoets achter Hem, en daarnaast den paus, die met zijne kardinalen een schitterenden intocht hield te Rome. Op een andere schilderij was Christus afgebeeld met de doornenkroon, en daarnaast de paus met de driedubbele gouden kroon. Het behoeft wel niet gezegd te worden, dat de gemoederen hierdoor in groote beroering geraakten.

Johannes Huss had dezen strijd over Wycliffe aanvankelijk schijnbaar onverschillig gadegeslagen. Hij was een vredelievend en

Mij

|li

li

m

H

■*

ï\'

-ocr page 338-

812

bezadigd man, eu vestigde zijn oordeel eerst als hij eene zaak grondig had onderzocht. Maar hoe meer hij de geschriften van Wycliffe las en ze met de Heilige Schrift vergeleek, des te meer werden zijn oogen geopend voor de groote gebreken der Kerk. En daar Wycliffe bij velerlei dwaling iu ondergeschikte punten deze gebreken toch erkend eu bestraft had, kon Huss niet nalaten zich tnenigmalen gunstig over Wycliffe uit te laten. Hij spreekt over hem als volgt: „Dit moet ik toegeven, dat ik de juiste opvattingen van Wvcliffe toejuich, niet omdat hij het gezegd heeft, maar omdat het Woord Gods of de wet van het gezond verstand er voor pleit.quot; De omkeering, die aldus had plaats gegrepen in de beschouwingen van Huss, was ook merkbaar in zijne prediking, waarbij hij menigmalen Wycliffe in herinnering bracht. Zijne prediking maakte daarom te dieperen indruk, omdat zij bleek vrucht te zijn van eigen overtuiging en daarom ook kracht had om anderen te overtuigen. Ook tot deu priesterstand richtte hij zich, en berispte hunne zonden met moedige woorden. Wij hebben nog redenen van hem, waarin bij zegt; „Erkent het zelf, gij geestelijken, of wij niet eene strenger heerschappij over de christenen uitoefenen dan de heidensche Koningen over hunne onderdanen?quot; En dan laakt hij het, dat de priesters uit persoonlijke wraakzucht de wapenen hunner geestelijke macht misbruiken, menigmalen zelf een zondig leven leiden en zich aan grove zinnelijke genietingen overgeven. Hij verwijt hun, dat zij vaardig zijn met de tong en traag in de daad; dat zij onder een masker van ernst eenen lichtzinnigen wandel verbergen; hij noemt hen blinde wachters, stomme herauten, langzame boden, onwetende geneesmeesters en lamme krijgsknechten. Natuurlijk waren dergelijke opmerkingen den priesters zeer onaangenaam, en de aartsbisschop van Praag diende zijn beklag in bij koning Wenzel. Maar deze antwoordde hun: „Zoo lang de magister Huss tegen ons, lea-ken, predikte, hebt gijlieden u daarover verheugd. Nu is de beurt aan u gekomen; nu moogt gij het u ook laten welgevallen.quot;

Weldra echter schenen de zaken voor Huss eene ongunstige wending te zullen nemen. Hiervoor bestond een dubbele oorzaak. Allereerst de samenstelling van de Praagsche universiteit. Hoogleeraren en studenten behoorden aldaar nl. tot vier verschillende nationaliteiten: Bohemen, Saksen, Beijeren en Polen. En dewijl nu vele bewoners van Duitsche landen tot de Polen gerekend werden.

-ocr page 339-

313

stonden 3 Duitsche volken tegenover het eene Slavische, en daar in alles, wat de hoogeschool betrof, gestemd werd volgens nationaliteiten, hadden de Duitschers altijd eenen overwegenden invloed. Do heteekenis van de hoogescholen was in die dagen zoowel voor de wetenschap als voor het volksleven bijzoader groot. Begrijpelijk was het dus, dat de bovengenoemde verhoudingen den Bohemers tot een ergernis waren. De onderlinge naijver, aldus voortdurend aangewakkerd, zou ook zijn invloed doen gelden op het leven van Huss, die zelf de Boheeinsch-nationale partij was toegedaan.

Een tweede zaak van gewicht en verstrekkende gevolgen was deze; De wijsgeerige godgeleerdheid dier dagen, welke op alle takken van wetenschap haren invloed deed gelden, was verdeeld in twee groote richtingen, waarvan de ééne meer de ideëen, de andere de zichtbare verschijningsvormen in het oog vatte.

De aanhangers der eerste richting heetten Realisten, de andereu Nominalisten. Huss behoorde, evenals Wycliffe, tot de Realistische school, terwijl de Duitschers meestal tot de Nominalistische behoorden. Dewijl nu Wycliffe een tegenstander was van den pauselijken stoel, zoo gold ook de geheele theologische partij, welke hij vertegenwoordigde, voor onkerkelijk, en de vrienden van Rome ondersteunden daarom des te meer de tegenovergestelde richting.

Verschil in wetenschappelijke richting en verschil van nationaliteit deden nu aan de Praagsclie universiteit de volgende partij-formatie ontstaan: de Wycliffe-gezinde nationaal Boheemsche partij en de Roomsch-duitsche. Deze laatste wist nu door haar overwicht in de stemmen een besluit door te drijven, volgens hetwelk 45 stellingen uit Wycliffe\'s werken veroordeeld werden. Als antwoord hierop lokte Huss, in verbinding met Hieronymus van Praag, en door zijnen persoonlijken invloed, een koninklijk besluit uit, waardoor voortaan in aangelegenheden der universiteit de Duitsche nationaliteiten slechts ééne stem, de Bohemers daarentegen drie stemmen zouden hebben. Eene onbeschrijflijke opwinding was het gevolg, en duizenden, professoren en studenten, verlieten Praag en trokken naar Leipzig, alwaar zij den stoot gaven tot de stichting van de hoogeschool aldaar.

Huss had gezegevierd, maar zijne overwinning verwikkelde hem meer en meer in ernstige inoeielijkheden. In Duitschland was men toornig op hem, omdat hij te Praag de rechten der Duitsche

-ocr page 340-

314

natie verkort had. De Bohemers moesten toestemmen, dat door zijnen invloed de universiteit ontvolkt en haar glans getaand was. Maar vooral stelde de priesterstand zich tegenover hem, daar deze, na de verwijdering der hem genegen Duitschers, zich in gevaar zag gebracht.

Aan het hoofd der Praagsche priesters stond aartsbisschop Sbinko. Hij was een vriendelijk, maar karakterloos en onbegrijpelijk onwetend man. Deze zond naar Rome bericht van de voorliefde voor Wycliffe bij Hnss. Het antwoord was een pauselijk bevelschrift, waarin bevolen werd de geschriften van Wycliffe te verbranden, en \'t prediken in afzonderlijke Kapellen te doen staken. Dit laatste zag natuurlijk op Huss. Sbinko liet toen honderde boekdeelen van Wycliffitische geschriften, en tegelijk ook verscheidene van Huss, verbranden. Het volk lachte er om, de onwetendheid van den aartsbisschop kennende. Op straat zong men hem na: „Sbinko durft de Ketters an; hij, die zelf niet lezen kan, laat de boeken maar verbranden, die hij zelf niet leest, o schande!quot;

Huss was intusschen door voortgezette studie en verschillende ervaringen, waardoor hem bleek, dat de publieke opinie hem gunstig was, moediger geworden. Hij predikte als altijd in de Bethlehems-kerk, en verklaarde, dat wie uit vrees voor den aardschen banvloek de prediking van \'t Goddelijk Woord naliet, buiten het rijk Gods zou gesloten worden, en aangemerkt als een verrader van de zaak van Christus, als bij \'t jongste gericht zijne ziel voor God zou verschijnen. Tevens wendde hij zich tot paus Johannes XIII en eischte een nieuw onderzoek. Deze zag den ganschen twist in Boheme met voorname onverschilligheid aan, en liet het onderzoek aan zijn kardinaal Colonna over. Huss werd naar Rome ontboden. Hij ging niet, daar hij de lagen der Romeinen kende, en de haat der Duitschers vreesde. Hij zou nu uit de Kerkgemeenschap ge-stooten worden, maar het hof en de universiteit stelden zich voor hem in de bres, en wisten gedaan te krijgen, dat te Praag zelf eeu raad van beslissing werd benoemd. Daar leide Huss (1 Sept. 1411) eene geloofsbelijdenis af, waarin hij zich, evenals in zijne reeds vroeger verschenen geschriften, tegen al de tegen hem ingebrachte beschuldigingen verdedigde, en grondig, maar toch tegelijk bescheiden, de beweegredenen voor zijne handelwijze deed kennen. De aartsbisschop verklaarde zich overwonnen, en zond het bericht naar

-ocr page 341-

315

Rome, dat hij volkomen met Huss verzoend was, en allo kerkelijke oneenigheden in zijn land nu waren opgeliouden. Maar de vrede zou niet lang duren.

De aartsbisschop stierf. In zijn plaats kwam een ander, die vroeger lijfarts van den Koning geweest was. De pauselijke gezant, die hem de ksnteekenen zijner nieuwe waardigheid kwam overhandigen, bracht tegelijk een pauselijke bul mede, waarin een kruistocht gepredikt werd tegen Koning Wladislaus van Napels. Er was n. I. tusschen hem en den pauselijken stoel eene veete ontstaan, en de paus had nu den Koning voor eenen vijand der Kerk eu den oorlog tegen hem voor eenen heiligen oorlog verklaard. Wie daaraan deelnam of geld er voor offerde, dien werd vergeving van zonde beloofd. Aflaatkramers reisden nu Boheme af, en maakten de genade Gods tot een handelsartikel. Doch slechts spot en hoon werkte de gezant uit met zijn ijver. Duizenden lieten afkeurend hun stem hooren tegen dezen aflaat, en het bleef niet bij woorden alleen. Overal waar men de bul aansloeg ontstonden oploopen. De onstuimige Hieronymus vooral trok er tegen te velde. Hij liet de bul met smaad door de straten dragen, en deed haar bij den schandpaal verbranden. De overheid nam scherpe maatregelen, maar de rust verbeterde er niet op.

Te midden van dien hartstochtelijken strijd kwam de bezadigdheid en scherpheid van blik, die Huss altijd keuinerktcn, weder ten duidelijkste aan het licht.

Ook hij schreef tegen den aflaat, maar op eene Christelijke, ernstige wijze. Hij toonde aan, hoe onzinnig het was, vergeving van zonde als belooning te zetten op het dooden van vele Christenen. Hij wees op den Christus, die in zijn eigen zaak nooit het geringste geweld had willen gebruiken, en stelde ten slotte in het licht, boe de priester slechts aan berouwhebbende zondaren absolutie kon verleenen, en hoe, in den vollen zin van \'t woord, alleen God de schuld vergeven kon.

Intusschen was de nieuwe aartsbisschop bereids weder afgezet en in zijn plaats gekozen Koenraad van Vechta, een streng priester, die dadelijk zich vijandig stelde tegenover Huss.

In het jaar 1413 verscheen een pauselijk bevelschrift, waardoor Huss in den ban werd gedaan, en de plaats, waar hij verblijf hield met het interdict werd geslagen. De aartsbisschop, gehoorzamende

-ocr page 342-

316

aan het pauselijk gebod, verklaarde de stad Praag liggend ouder den banvloek. Toen verliet Huss de stad, om haar niet om zijnentwil in ongelegenheid te brengen, maar vóór hij vertrok had nog een werk van zijne hand het licht gezien, tot opschrift dragende: „over de Kerk.quot;

Daarin tracht hij aan te toonen, wat de echte Kerk (gemeente) is, en waarmede de Kerk van zijn tijd zulk een schril contrast opleverde. Niet altijd oordeelt hij juist. Terwijl hij het onderscheid tusschen Kerk en gemeente verwaarloost, noemt hij de Kerk de gemeenschap der uitverkorenen, en spreekt met minachting over de uitwendige gebruiken en den samenhang der Kerk. Maar dan vergeet hij, dat er behalve eene onzichtbare Kerk, toch ook eene zichtbare is en wezen moet, eene Kerk, die ook doode. en onge-loovige leden omvat, om ze tot levende geloovigen op te voeden. Indien deze zijne opvatting dan ook belichaamd was geworden, zou Huss wel eene kleine, afgezonderde gemeenschap, maar nooit een vast aaneengesloten Kerk hebben kunnen vormen. Behalve deze eenzijdigheid is er toch echter veel schoons eu treffelijks in dit hoofdwerk van Huss, en van groote beteekenis is de daarin voorkomende opmerking, dat Christus het éénige hoofd der Kerk is, en een paus onnoodig is.

Nadat Huss Praag had verlaten, begaf hij zich eerst naar \'t platteland. Op het slot Kozi, van een zijner vrienden, vertoefde hij eenigen tijd. Daarna ging hij naar Hussinecz. Hier zette hij zijne Evangelieprediking voort, en gaf ook verscheidene geschriften uit. Hij preekte in de open lucht, want iedere kerk was voor hem gesloten en het gansche volk hoorde naar hem en hing hem aan.

In dien zelfden tijd werd het Concilie van Constanz gehouden, dat bijeengekomen was om verbetering te brengen in de verkeerde toestanden, die in de kerk waren binnengedrongen. Ook in de Boheemsche aangelegenheden zou daar eene beslissing worden genomen, waarom dan ook Huss door den toenmaligen keizer Sigismur.d naar Constanz ontboden werd. Wel trachtten zijne vrienden hem dien tocht af te raden, wel boden verscheiden Boheemsche ridders hem steun en bescherming, maar Huss ging toch, in vertrouwen op het goed recht zijner overtuiging. Het werd hem dan ook verzekerd door niemand minder dan den pauselijken geloofsrechter te Praag, dat hij niet was afgeweken van de leer der Kerk. Deze toch

-ocr page 343-

317

gaf het volgende getuigschrift: „Vele malen heb ik met den magister Johannes Huss gesproken; ik heb met hem gegeten en gedronken, en dikwijls zijn voordrachten gehoord; ook vele gesprekken met hem gevoerd over onderwerpen uit de Heilige Schrift, maar nooit heb ik iets van dwaling of ketterij bij hem bespeurd, doch in al zijn woorden en daden hem altijd als een geloovig en oprecht man leeren kennenquot;. En de keizer gaf hem een vrijgeleide, waarin bet heet: „Wij nemen den eerwaarden Johannes Huss onder onze bescherming en die van het heilige E-oomsche keizerrijk, en eischen, dat men hem, zonder de minste verhindering, vrij late reizen en terugkeerenquot;. Zoo kwam Huss den 18den November 1414 te Con-stanz aan.

Hier was intusschen de publieke opinie beslist tegen hem. Een niet gering deel der vergadering bestond uit ijverige aanhangers van het pausdom; deze wilden Huss tot iederen prijs ten val brengen. En al waren er nu ook te Constanz vele wakkere mannen, die met diepe smart het bederf in de Kerk zagen en wilden verbeteren, deze gaven ten slotte Huss prijs, om niet ook zeiven met de Kerk te breken, en daardoor de goede zaak te schaden. Daarbij kwam nog het vroeger genoemde verschil tusschen de wetenschappelijke richtingen van Huss en de toongevers van \'t Concilie, en de oude wrok, welken de Duitschers tegen Huss koesterden. Dit waren de voornaamste oorzaken van het droevig einde van den Boheemschen hervormer.

Weken gingen voorbij eer hij gehoord werd. Wel werd hij den 28sten November afgehaald om het eerste verhoor te ondergaan, doch nauwelijks had hij het pauselijk paleis betreden, toen hij gevangen genomen en in den kerker geworpen werd. Wel beklaagden de vrienden van Huss in de nabijheid en van verre zich ernstig over den smaad, hunnen vriend aangedaan; wel gebood de keizer zelf, dat hij vrijgelaten moest worden, maar op de klachten werd niet gelet, en de al te toegefelijke keizer werd tot zwijgen gebracht door de machtspreuk, dat hij, als leek, in deze geestelijke zaak niet had mede te spreken, en dat men aan een ketter zijn woord niet behoefde te houden. Nu stelden eenige geleerde mannen uit de geschriften van Huss de punten van aanklacht op aangaande zijne beweerde valsche leeringen, en zonden hem deze toe. Maar in de gevangenis was hij ziek geworden, en toen hij nu de punten van

-ocr page 344-

318

beschuldiging ontving, vroeg hij een pleitbezorger met het oog op zijn eigen zwakheid. Deze werd hem geweigerd. Toen zeide hij: „Zoo moge dan de Heer Jezus Christus zelf mijn pleitbezorger zijn.quot;

Den 5 Juni 1415 verscheen Huss nu voor de eerste maal voor \'t Concilie, waarbij ook de Keizer tegenwoordig was. Maar reeds dadelijk bij zijn binnentreden ontstond er zulk een rumoer, dat hij niet aan het woord kon komen. In de volgende dagen werd hij wederom voorgeroepen, en de punten der aanklacht hem voorgelezen. Allereerst zou hij geleerd hebben, dat het Avondmaalsbrood ook na de consecratie gewoon brood bleef. Dit ontkende hij plechtig. Dan zou hij zich gunstig over Wvcliffe hebben uitgelaten. Dit gaf hij onder voorbehoud toe. Vervolgens zou hij de Bohemers hebben aangespoord geweld te gebruiken tegen den paus en zijne priesters. Hij antwoordde, dat hij altijd met de woorden der Schrift vermaand had, de geestelijke wapenrusting goed te gebruiken. Elders heette het, dat hij in Boheme, en vooral aan de Prager hoogeschool, tweedracht verwekt had. Hiertegen teekende hij protest aan. Hij dacht waarschijnlijk terecht, dat de-beweging, waarop men doelde, door hem niet bedoeld was en voor \'t grootste deel het gevolg was van hetgeen zijne tegenstanders tegenover zijn edel streven hadden overgesteld.

Gedurende de gansche behandeling zijner zaak, legde Huss een zeldzame kalmte en beradenheid aan den dag, en won daardoor het hart zelfs van velen zijner tegenstanders. De eisch om zonder voorbehoud te herroepen wees hij onvoorwaardelijk af. Naar zijn vaderland zond hij in die dagen menigen roerenden brief, en zegt daarin, dat hij nu eerst in zijn ellende de kostelijke Psalmen goed leerde verstaan.

Zijne ellende zou weldra met den dood eindigen.

Den 5den Juli 1415 zond de Keizer vier bisschoppen en twee edellieden naar den kerker, om Huss nogmaals tot herroepen te bewegen. Onder deze edellieden was een vriend van Huss, Johannes van Chlum geheeten. Deze sprak tot hem: „Ik ben geen geleerde en kan u geen raad geven. Erkent gij, dat gij u aan dwaling hebt schuldig gemaakt, zoo herroep. Maar anders wil ik u niet raden, iets tegen uw geweten te doen.quot; Huss antwoordde onder tranen, dat hij bereid was te herroepen, zoodra hij uit de Schrift wederlegd was. Toen sprak een der bisschoppen; „Ik zou toch nooit zoo

-ocr page 345-

319

groot van mij zeiven denken, dat ik eigen meening hooger stelde dan de uitspraak van het Concilie.quot; Daarop antwoordde Huss; „Dat meen ook ik. Indien de geringste van de vergadering mij van dwaling overtuigt, dan zal ik gaarne toegeven.quot; De boden des Keizers gingen lieen, en \'t lot van Huss was beslist.

Den volgenden dag — het was juist de geboortedag van Huss — was het geheele Concilie en geheel het keizerlijk hof in de domkerk verzameld. Toen Huss was binnengebracht hield een der bisschoppen eene predikatie, en daarna las een geestelijke van het Concilie de aanklacht en. het vonnis van Huss voor. Gedurig viel Huss hem in de rede om zijn onschuld te betuigen. Nu trok men den veroordeelde onder ruwen spot de priesterkleeding uit; gelaten droeg hij het. Hij was nu uit de Kerk gestooten, en werd in handen gesteld der wereldlijke overheid. Keurvorst Lodewijk van de Paltz nam hem nu over, en liet hem ter dood brengen. Op de plaats der terechtstelling aangekomen bad Huss met zooveel gloed, dat het volk er zich over verwonderde, hoe een ketter zóó kon bidden. Hij werd aan den paal gebonden en de brandstapel aangestoken. Toen riep hij ; „Heere Jezus, gij Zoon des levenden Gods, die voor ons geleden hebt, erbarm U mijner!quot; Toen hij ten derde male alzoo bad, verstikte de rook zijn stem, en weldra ontvlood hem het leven. Zijn asch werd in den Eijn gestrooid.

Huss heeft geen hervorming tot stand gebracht. Hij was geroepen om de voorlooper te zijn van een grooteren navolger. Ook zelf was hij daarvan zich steeds bewust, zooals blijkt uit eene schertsende opmerking over zijn naam, die in \'t Boheemsch gans beteekent: „De gans,quot; zeide hij, „is een gedwee dier, dat zich niet in hooge vlucht kan verheffen, maar na mij zullen valken en adelaars komen, die zich door Gods Woord en eenen heiligen levenswandel hooger zullen verheffen, en velen met zich zullen opvoeren tot den Heer Jezus.quot;

Terwijl Huss te Constanz in den kerker versmachtte, verscheen ook zijn trouwe helper Hieronymus in die stad, in de hoop iets voor zijnen vriend en diens zaak te kunnen doen. Doch spoedig zag hij in, dat zijne eigene veiligheid in gevaar kwam, en vluchtte. Maar hij werd gevangen genomen en teruggebracht. Oorspronkelijk vol goeden moed en met heilige toewijding vervuld, was hij echter niet bestand tegen het afmattende van de lange gevangenschap en

-ocr page 346-

820

het aandringen der priesters, zoodat hij den 23sten September 1415 al de vroeger door hem tegen de Kerk gesproken woorden herriep, en den dood van Huss een rechtmatige straf noemde. Maar ook toen werd hij niet losgelaten. Eenige monniken uit Boheme meenden, dat hij, in Boheme teruggekeerd, aldaar opnieuw onrust zou verwekken, en zoo bleef hij gevangen. Toen kwam de gevangene weder tot zich zeiven en greep moed. Hij vroeg een nieuw verhoor en nam plechtig zijn herroepingswoord terug, terwijl hij tegelijk openhartig erkende geheel van dezelfde denkwijze te zijn als Huss. Daarmede had hij zijn vonnis uitgesproken. Op dezelfde plaats, waar de brandstapel van zijnen vriend gestaan had, werd nu ook de zijne gebouwd. Ook zijn sterfdag was dezelfde als die van Huss, 6 Juli. Hieronymus zong gewijde liederen op zijnen gang ten doode, en was onderworpen, ja blijmoedig gestemd. Sints zijn tweede herroeping was hem de last van ziel genomen. Nog stervende riep hij zijnen rechters toe, dat hij hen binnen honderd jaren voor den rechterstoel Gods daagde. Op \'t laatst kwam nog een eenvoudige landman, en legde nog een zware hoop hout op den brandstapel, om ook mede te helpen aan het ter dood brengen van den ketter en zóó een goed werk te verrichten. Maar Hieronymus zeide: „O heilige onnoozelheid! Duizendmaal bezondigt zich hij, die u ou dwaalwegen voertquot;. De brandstapel doodde hem langzaam; terwijl hij bij het aansteken gezegd had: „Vader! in Uwe handen beveel ik mijnen geest!quot; was zijn doodstrijd een aanhoudend gebed.

§ 47.

De Hussietenstrüd.

Terwijl te Constanz nog terechtzittingen gehouden werden over de leer van Huss, werd in Boheme deze leer omgezet in daden. De priester Jacoh van Mira te Praag, gaf bij liet Avondmaal de kelk ook aan de leeken, daartoe gebracht door het woord onzes Heeren : tenzij gij het vleesch des Zoons des Menschen eet, en Zijn bloed drinkt, zoo helt gij geen leven in n zeiven (Joh. 6 : 53). Toen Huss nog in den kerker hiervan tijding bekwam, waarschuwde hij voor eigenmachtige invoering van nieuwigheden, en gaf den raad

-ocr page 347-

321

om liever op behoorlijke wijze dea paus om toestemming te vragen. Het Concilie eischte onvoorwaardelijke onderwerping aan het gebod der kerk, zeggende, dat deze op goede gronden ue oorspronkelijke bedoeling van den Christus gewijzigd had. üene onhoudbare en eigenzinnige verklaring deed de Bohemers nog te sterker aandringen op de herstelling van de viering des Avondmaals, zooals de Heer het zelf had ingesteld, en de kelk werd nu de strijdleuze van geheel hun verzet. Nu besloot de Kerk geweld te gebruiken, gelijk vroeger tegenover de Albigensen. Doch zij stuitte op een veel beter georganiseerdeu tegenweer. De blinde Zixka stelde zich als „hoofdman in de hoop Godsquot; aan het hoofd van zijn bedreigd volk, en overwon (1420) keizer Sigismund op den naar hem genoemden Ziskaberg bij Praag. En toen de overwonnen keizer nieuwe legers verzamelde, en de paus eenen kruistocht liet prediken tegen de opstandelingen, toen ontvlamde daar in Bohemen een haat tegen den paus en de Duitschers, die werkelijk éénig is in de geschiedenis. In hun eigen land verwoestten zij kerken en kloosters, en vernietigden alles wat aan den Eoomschen eeredienst herinnerde, maar tegelijk overstroomden tallooze legerbenden \'t naburige Saksen en Brandenburg, terwijl zij aan de nagedachtenis hunner martelaren Huss en Hieronymus, bloedige wraakotters brachten. Als de oude aanvoerders van \'t oorlogstooneel verdwenen, stonden nieuwe aanvoerders op. De plaats van Ziska, die aan de pest overleed, werd ingenomen door Procopius, terwijl eenige legerbenden meenden, dat de ledige plaats niet te vervullen was en zich weezen noemden. Maar in het wilde krijgsrumoer stierf het edeler christelijk gevoel, zooals het bij Huss en zijne vrienden gewoond had. De Hussieten hadden eerst, door den nood gedrongen, naar het zwaard gegrepen; nu gingen ze over tot den aanval oiu te kunnen rooven en moorden. Huss had in zijn leven, dat zich zoo voornamelijk met de practijk bezig hield, noch eene geloofsbelijdenis, noch zelfs een duidelijk geformuleerd leerbegrip opgesteld, en het kan ons dus ook niet verbazen, dat bij de Hussieten zoowel dieper inzicht als innerlijke eenheid ontbrak. Zóó gingen ze dan ook weldra in twee partijen uiteen. Een zeker deel wilde zich nl. weer aan het gezag der Room-sche. Kerk onderwerpen, indien hun de kelk bij \'t Avondmaal gelaten werd. Daarom worden zij Calixtijnen (van : Cahx = kelk) genoemd. De andere partij had eene stad gebouwd, en daaraan den naam

21

-ocr page 348-

Tabor gegeven, gelijk zij in het algemeen hielden van \'t gebruik van Bijbelsche namen. Zij, die tot deze groep behoorden, werden om deze reden laborleten genoemd. Zij wilden van vrede met Rome niet hooren, en begeerden eene zelfstandige kerk te vormen, gegrond op \'t zuiver Evangelie. Doch zonder geestelijke ontwikkeling en zonder geestelijke leiding, gingen zij weldra zich bezig houden met dweepachtige voorstellingen en onvruchtbare begrippen; de wederkomst van Christus hielden zij voor onmiddelijk aanstaande.

In dezen tijd was te Bazel een nieuw Concilie samen gekomen. Deze kerkvergadering, niet onbekend met de onderlinge oneenig-heid der Hussieten, vormde het plan, althans met de mildere richting onder hen, eene verzoening tot stand te brengen, en zoo aan den onzaligen strijd een einde te maken. Op hare uitnoodiging verschenen (den 9deu Januari 1433) driehonderd afgevaardigden der Hussieten te Bazel. Vijftig dagen lang duurden de onderhandelingen. Het scheen alsof de verzoening weder schipbreuk zou lijden op de onverzettelijkheid van \'t Concilie. Reeds waren de afgevaardigden weer onverrichter zake vertrokken, toen men hen terugriep, en in alles hun verlangen inwilligde. Vier eischen werden hun toegestaan, welker inwilliging zij bedongen hadden als loon voor hunnen terugkeer onder liet pauselijk gezag. Allereerst werd hun het gebruik van den beker toegestaan; intusschen slechts bij wijze van uitzondering. Dan zou het zeer uitgebreide kerkelijk bezit onder beter beheer worden gesteld. Ook de prediking in de landstaal en een strenger toepassing der kerkelijke tucht, vooral bij den geestelijken stand, werden hun toegezegd. Daarop vertrouwende onderwierpen zich de Calixtijnen, en erkenden nu ook Sigismund als koning van Boheme, dien zij tot nog toe om zijn trouwbreuk tegenover Huss de gehoorzaamheid hadden geweigerd. De Tabo-rieten bleven zich verzetten; maar hun kracht was gebroken. Aangevallen door Catholieken en Calixtijnen, konden zij den ongelij-ken strijd niet volhouden, en bezweken in den slag, die in 1434 in de nabijheid der stad Praag geleverd werd. Naarmate het gevaar minder werd, vatte de Roomsche Kerk weer nieuwen moed. Daar men nu de Calixtijnen niet langer behoefde te vreezen, ontnam men hen allengs weder de toegestane voorrechten en in 1462 werd het verdrag van Basel geheel vernietigd. Het Boheemsche volk zag zich in zijne verwachting bedrogen, en de Roomsche

-ocr page 349-

323

Kerk scheen weer opnieuw de overwinning te hebben behaald.

Doch eene zaak, die gegrond Was op trouw aan het Evangelie, kon niet spoorloos te gronde gaan. Juist in denzelfden tijd, dat de Kerk haar woord brak tegenover de Calixtijnen, verzamelde de. eerwaardige prediker Michael van Bradacz (1487) een kleine schaar Taborieten, die hunnen vleeschelijken ijver hadden laten varen, en een rustig leven in den dienst des Heeren wilden leiden. Zij voegden zich bijeen onder den naam van: vereeniging van Broeden van de wet van Christus. Later werden zij Boheemsche of Moravische broeders genoemd. Zij maakten eene kerkorde naar het voorbeeld der Apostolische Kerk, en vatten hunne eenvoudige godsdienstige overtuigingen samen in eene geloofsbelijdenis, waarin zij, met verwerping van al de door Rome ingevoerde dwalingen, vasthielden aan het geloof der eerste gemeente, terwijl zij, wat de Avondmaalsopvatting betreft, eene wonderbare overeenkomst vertoo-nen met de latere Luthersche Kerk. Werd het gevaar voor hen te groot, dan trokken zij zich in bosschcn en holen terug; wanneer zij gebrek aan geestelijken hadden, zonderden zij na ernstig beraad drie verstandige mannen af, die meer dan anderen thuis waren in de H. Schrift en kozen hen tot predikers, terwijl zij hun tegelijk trouw en gehoorzaamheid beloofden. En omdat in die dagen alleen zulk eene wijding tot het geestelijk ambt als geldig beschouwd werd, welke door eenen bisschop voltrokken werd, zoo zonden zij drie andere geestelijken naar eenen bisschop der Wal-densen om door hem tot bisschop gewijd te worden, en zoo later zelf nieuwe geestelijken te kunnen wijden. Zoo nam de gemeente dezer broederen meer en meer in aantal toe, en een halve eeuw na hare stichting bezat zij reeds tweehonderd kerken.

§ 48.

Voorloopers der Kerkhervorming in Nederland.

Gelijk wij boven (zie § 27) reeds hebben gezien, hebben onze voorvaderen zich lang en hevig tegen het Christendom verzet, maar het ten slotte met overtuiging aangenomen. Geen wonder, dat wij dan ook in den verderen loop der geschiedenis duidelijke sporen

-ocr page 350-

324

van zelfstandig geestelijk leven in deze gewesten aantreffen, ja, dat de bewoners dezer gewesten zelfs in menig opzicht op godsdienstige toestanden van later dagen een machtigen invloed hebben uitgeoefend.

Wanneer wij van dezen invloed eene beknopte en toch zoo mogelijk eene juiste beschrijving zullen geven, zullen wij te spreken hebben over verschillende ketterijen, welke in de lage landen aan de zee een vruchtbaren bodem vonden, en over mystiek en humanisme, die, gansch verschillende paden bewandelende, toch eene zelfde groote gebeurtenis — de kerkhervorming — hebben voorbereid.

Al waren ook hier, door den invloed van Bonifacius, pauselijk gezag en pauselijke macht erkend en gehuldigd, toch wisten de bisschoppen eene zekere zelfstandigheid te bewaren, waardoor zij soms niet schroomden zich over te stellen tegen pauselijke wenschen of bevelen. Of was het niet de bisschop van Utrecht, welke in den strijd tusschen Gregorius VII en Hendrik IV, het waagde over den paus, welke de volkeren aanzette den leeneed te breken, in 1076 den banvloek uit te spreken? En hij stond niet alleen; ook zijn opvolger Koenraad drukte geheel zijne voetstappen.

Eene andere uiting van den vrijheidszin onzer vaderen kan men zien in de anti-kerkelijke bewegingen, welke deels uit zuivere, deels uit onzuivere bron gesproten, vooral de Zuidelijke Nederlanden als terrein hebben gekozen. Aldaar deden de kruistochten groote en bloeiende steden ontstaan, welke in een levendig handelsverkeer bleven met de overige wereld, en daardoor bestanddeelen in zich opnamen, die uit wereldsche of geestelijke beweeggronden in strijd kwamen met de ongeestelijke geestelijkheid van die dagen, lanchelijn, de Vlaming, predikte omstreeks 1109 losmaking van de hiërarchische inrichting der Kerk.

In dien zelfden tijd vertoont zich ook hier de ketterij der Katharen. Vrije Kloostervereenigingen van Begharden worden somtijds kweekplaatsen van allerlei ketterijen, waaronder Fratricellen, Lollhar-den en Flagellanten deels als blijvende, deels als kortstondige verschijningsvormen van ketterij moeten worden opgenoemd. Zij waren tevens de bodem, waarin de secle van den vrijen geed, een vorm van pan-theisme, tot diep in de vijftiende eeuw, welig tierde. Het is eene zekere zaak, dat vele van deze ketterijen ongebondenheid hielden voor vrijheid, dat er veel, zelfs zéér veel kaf was onder het koren.

-ocr page 351-

325

maar ook openbaart zich in sommige van haar tegelijk eene innig godsdienstige overtuigingj welke zich desnoods durft cverstellen tegen eene Kerk, die niet langer als een voertuig kon worden beschouwd voor de waarheden van het Evangelie-

Uitvoeriger intusschen dan bij de verschillende kettersclie verschijnselen der middeleeuwen, hebben wij stil te staan bij die belangrijke geestesstrooming, welke men gewoon is aan te duiden met den naam mystiek. Naast al de koude schoolsche geleerdheid geeft zij een gevoel van verkwikkende warmte, daar zij het innig persoonlijke van den Godsdienst op den voorgrond stelt. Zich in onmiddelijke betrekking met God te stellen door het gebed en het „schouwenquot; (zich verdiepen in de goddelijke dingen) was \'t doel van de Nederlandsche mystieken, evenals van hunne Duitsche en Zwitsersche broeders „de Gods-vriendenquot;, maar de eersten werden veelal teruggehouden van verdwalen in de onklare wateren van \'t mysticisme, door den practischen geest, die toepassing van \'t beginsel zocht in de praktijk des levens. Zoo wordt de devotie geboren, terecht genoemd de dochter der mystiek. Als de Vader der Nederlandsche mystieken is te beschouwen Jan van Ruyshroeck. Geruimen tijd was hij kapellaan der St. Gudula te Brussel; later woonde hij met eenige geestverwante vrienden in \'t Klooster te Groenendaal. Van zijne geschriften, maar vooral van zijn innig vroom leven, ging een machtige invloed uit. Hij is het geweest, die een Geert Groote en duizende anderen de oogen geopend heeft voor \'t gevaar van te spelen met geestelijke dingen, en zoo, tot op een zekere hoogte, niet onmiddelijk, maar toch inderdaad, den eersten stoot heeft gegeven aan de oprichting eener broederschap, welke een bepaald Nederlandsch karakter draagt, maar waaruit mannen zijn voortgekomen die in verschillende landen de Kerkhervorming hebben voorbereid.

Deze broederschap is die. van de broeders des gemeenen levens. Om haar goed te leeren kennen is het intusschen noodig eerst een oogenblik te spreken over den stichter, zoo even reeds met een woord genoemd: Geert Groote. In 1340 werd deze merkwaardige man te Deventer uit aanzienlijke ouders geboren. Hij ontving eene zeer zorgvuldige opvoeding, en bezocht in verband daarmede beroemde buitenlandsche scholen, die van Parijs, Praag, Avignon en Keulen. In deze verschillende plaatsen wijdde hij zich aan de

-ocr page 352-

326

beoefening van allerlei wetenschap, het verzamelen van belangrijke geschriften, maar ook aan de meer wereldsche vermaken. Het jaar 1374 bracht een groeten omkeer in zijn leven. Hij hield toen nl. te Utrecht een belangrijk gesprek met zijnen vriend Hendrik van Calcar, en van dat oogenblik af besluit hij zichzelven met zijn vermogen, zijne gaven, zijn geheelc persoon in dienst te stellen van het Godsrijk. In de jaren omniddelijk hierna volgende, zijn waarschijnlijk de verschillende bezoeken te plaatsen, welke hij aan Jiujsbroeck te Groeneiidaal bracht, en de invloed, die deze ontmoetingen O]) hein hadden, kwam niet alleen ten goede aan de ontwikkeling van zijn geloofsleven, maar verwekte ook de in dien tijd bijkans altijd daarmede samengaande behoefte aan kloosterlijke afzondering. Zoo vinden wij hem van 1372 — 79 in \'t klooster Munnikhuizen bij Arnhem (op \'t tegenwoordig landgoed Klarenbeek, niet ver van de Steenentafel). Doch op aandrang zijner vrienden stelt hij daarna opnieuw zijne groote gaven in dienst van \'t practische leven. Bij zijn terugkeer te Deventer sticht hij eene vereeniging van zusters des gemeenen levens (d. i. des gemeenschappelijken levens) en niet lang daarna een patei-huis voor de broederschap, welke in deze zustervereeniging eene voorgangster had. Reeds lang had Geert Groote te Deventer jonge mannen om zich verzameld, die hij hielp bij hunne studiën en aan wie hij werk verschafte om die studiën te kannen bekostigen. Dit werk bestond in het overschrijven van boeken, en daar deze boeken voor een groot deel de werken zijn van Ruysbroek, Geert Groote en Radewijns, zijnen vriend en opvolger, heeft de gansche vereeniging een levendig aandeel aan de geestelijke invloeden, welke door die wer-quot; ken ingang hebben gevonden. Intusschen had Geert Groote zich als diaken laten wijden om het recht van prediken te hebben, en ging nu, overal het volk opwekkende tot waar geloofsleven en de geestelijkheid vermanend tot nederigen en ingetogen levenswandel, het land door. Maar niet lang predikte hij. De verbitterde geestelijkheid ontnam hem zijne bevoegdheid, na een bijzonder vrijmoedige rede in 1383 te Utrecht gehouden, doch ook zijne werkeloosheid in dezen behoefde niet lang voor hom te duren. Reeds in \'t volgend jaar maakte de pest een einde aan zijn jong, maar zeer vruchtbaar leven.

Florentius Radewijns, reeds tijdens zijns meesters leven- hoofd van het Fraterhuis, volgt hem op als vader van de nu verweesde

-ocr page 353-

327

broederschap. Hij volvoert een plan, dat reeds bij Gaert Groote was opgekomen. Kloosterachtige vereenigingeu zonder bepaalde kloostergelofte waren der geestelijkheid een doorn in het oog, en het was te voorzien, dat de broederschap eene verwante kloostervereeni-ging zou moeten hebben om desnoods als toevlucht te kunnen dienen. Deze werd gevonden in \'t klooster van Regulieren te Windesheim.

ïusschen \'t fraterhuis te Deventer en \'t klooster te Windesheim bleef eene nauwe vereenigiug bestaan, maar toch bewandelde het eerste zijn eigen meer practische wegen, en behoefde ook nimmer zijn toevlucht te nemen tot Windesheim. Het Concilie van Constant zuiverde het van iederen blaam van ketterij. Ook te Zwolle was een fraterhuis opgericht, en van deze huizen gaat nu verder een grooten eu gezegenden invloed uit. Thomas a Kempis, Wessel Gansevoort, Reuchlin, Agricola, Ilegius, Erasmus zijn uit deze gewijde en tevens frissclie omgeving voortgekomen. Over elk van deze mannen nu nog een enkel woord.

Thomas a Kempis is onder de Windesheimer auteurs wel de beroemdste. Evenals allen, die uit de broederschap des Gemeenen Levens voortkwamen, deed hij wai hij kon tot verspreiding van den Bijbel in de landtaal, en in 1421 gaf hij het boek in \'t licht, dat meer dan 2000 uitgaven eu vertalingen beleefde : „de navolging van Christusquot;.

Deze innig geloovige man heeft een grooten invloed uitgeoefend op ff essel Gansevoort, in 1410 te Groningen geboren. Deze ontving zijne opleiding eerst aan de fraterschool te Zwolle, daarna nam hij te Parijs deel aan den strijd van Realisten en Nominalisten, en verwierf door zijne veelzijdige geleerdheid bij zijne vrienden den eernaam van lux mundi (d. i. licht der wereld). Door wat hij sprak en schreef is hij een voorlooper der hervorming te noemen in den meest bepaalden ziu des woords, niet slechts als de overige mystieken en devoten die indirect de hervorming voorbereidden. Hij stond in nauwe betrekking met Reuchlin en Agricola, op wie hij eenen sterken invloed uitoefende, en vormt zoo tevens de schakel tusschen mystiek en humanisme.

Beide laatstgenoemde mannen toch behoorden met Jlegius en Erasmus, allen te zamen onder sterke invloeden van Geert Groote\'s stichtingen, tot de groep der humanisten, die in tegenstelling met

-ocr page 354-

328

hunne Italiaansche strijdgenooten, als vrienden van het Christendom mogen worden beschouwd. Agricola heeft als taalgeleerde veel bijgedragen tot een juist verstaan des Bijbels; Erasinus van Rotterdam heeft door zijne beschouwingen het priestergezag eenen ge-duchten slag toegebracht, en de begeerte naar vrij en onbevangen onderzoek der waarheid niet weinig aangewakkerd. Wel zijn deze humanisten niet rechtstreeks met de hervorming in verband te brengen. Zij gingen hun eigen wegen, maar het is boven allen twijfel verheven, dat naast de mystiek ook liet humanisme, althans het Nederlandsche liumanismc, een geestelijke atmosfeer heeft doen ontstaan, waarin de denkbeelden der hervorming, zoodra zij door mannen vol van geloof werden uitgesproken, zich vrij en krachtig zouden kunnen ontwikkelen. Weinige landen waren zoo uitnemend toebereid als het onze om liet goede zaad der hervorming te ontvangen. Ei was slechts een enkele vonk noodig, om hetgeen reeds begon te smeulen als een heldere, lichtende vlam te doen opslaan.

§ 49.

Teekenen van den nieuweren t\\jd.

Ook aan gene zijde der Alpen gingen de oogen open voor het bederf in de Kerk, en werden stemmen verneembaar, die, onbevreesd voor de nabijheid van den pauselijken stoel, den val van het pauselijk gezag durfden voorspellen. De groote dichter Dante (t 1321) sleepte de harten zijns volks mede door een grootsch treurspel, dat onder den naam van divina comedia beschrijft, hoe de wrake Gods komt over alle menschelijke ongerechtigheden en in de drie deelen van dit gedicht vagevuur, hel en paradijs schildert. In „de. helquot; ontmoet men de namen van verschillende pausen, welke doov den dichter de eeuwige pijn worden waardig gekeurd. Maar, was dit nog eene eenigzins op zich zelve slaande betuiging van ongenoegen over de ongeestelijke kerkvorsten, in de dagen van Luthers vroege jeugd deed de dominikaner monnik Savonarola te Florence den toorn van t gansche volk ontbranden tegen de zonden dei-Kerk, en gaf den stoot aan eene beweging, welke den paus deed sidderen op zijnen troon. Toegerust met eene grondige kennis, uit-

-ocr page 355-

329

muntende door onbevlekten levenswandel en schitterende spreek-gaven, voortvarend in zijn plannen als een echte zoon van het Zuiden, beheerschte deze stoutmoedige monnik eenigen tijd zijn volk met onbepaalde macht, en gebruikte dien om zoo mogelijk tegelijkertijd het aardsch en eeuwig heil zijner medeburgers te bevorderen en eenen Godsstaat te stichten, welks burgers vrij en vroom naar goddelijke wetten konden leven. Dit doel trachtte hij vooral te bereiken door ecne geweldige prediking, waarin hij met profetische bezieling allerlei voorspellingen gat\' van de naaste toekomst. Zoo zeide hij o. a.: ,,l)e vernieuwing der Kerk zal spoedig komen. Reeds kan men het nieuwe licht in de verte zien doorbreken. Rome zal dit vuur niet uitblusschen, hoezeer het zich ook inspant, en als het gelukken mocht het hier uit te dooven, dan zal het ginds weer in nieuwen luister opgaan.quot; Hij beloofde ook, dat een vreemd heerscher Italië zou binnendringen en met het zwaard het geluk der Kerk helpen bevorderen. En werkelijk deze voorspelling scheen in vervulling te gaan, toen Karei VIII, koning van Frankrijk, tegen Italië optrok, en hel tot nog toe zoo machtige huis der Medici in Florence ten val bracht. Florence werd een vrijstaat, waarin Savonarola door den machtigen invloed van zijnen geest en zijn woord heersehte. Doch de adel morde over den nieuwen stand van zaken. De nieuwe heerscher toch waagde het te tornen aan oude rechten, en verzette zich voortdurend in eene ernstige boetprediking tegen de uitspattingen des rijkdoms. De paus liet den gevaarlijken man den kardinaalshoed aanbieden, in de hoop hem op die wijze voor zich te winnen. Maar Savonarola sloeg die gunst af, en begeerde slechts den rooden kap der martelaren. Nu werd Florence in den ban gedaan, en onder het luiden van de doodsklokken werd het pauselijk interdict afgekondigd. En zie, daar verkeerde plotseling de gunst van \'t lichtbewogen volk in haat. Savonarola werd in den kerker geworpen en wreedaardig gefolterd. Onder zijne pijnen riep hij smartelijk uit: „Het is genoeg, neem nu, lieer ! mijne ziel.quot; Voor de rechters bewaarde hij een hardnekkig stilzwijgen, daar hij wel wist, dat hij van hunnen haat en hun dweepzucht geene gerechtigheid kon wachten. Merkwaardig is \'t woord van den paus over hem: „Deze man moet sterven, al was hij zelfs een Johannes de Dooper.quot; Toen hij ter dood veroordeeld was, nam Savonarola zelf het Avondmaal, en ging gemoe-

-ocr page 356-

83ü

digd naar de strafplaats, waar hij geworgd en met den worgpaal verbrand werd. (1498). Hij liad geijverd voor den Heer, maar niet genoeg in den geest des N. Verbonds. Hij steunde te veel op eigen inzicht eu kracht, en vermengde te veel geestelijke en wereldsche belangen met zijne plannen tot hervorming. Zoo ging dan ook zijn werk voorbij, zonder zichtbare vrucht na te laten; toch is gewis zijn arbeid, door wat daarin waarlijk uit God was, niet nutteloos voor het Godsrijk geweest; was hij al geen Hervormer, hij was toch een profeet, die op Hervorming wees.

Terwijl zoo, nu eens met juiste, dan weer met minder gepaste middelen de christenen eene prediking des Goddelijken Woords trachtten te verkrijgen, werd er van de zijde der geleerden, niet Jt minst door de Nederlandsche humanisten, alles gedaan om den Bijbel in een meer verstaanbaren vorm onder het volk te brengen. Wij stipten dit boven slechts aan. Hier nog iets naders daarover. Reeds in 1476 kwam te Delft een Nederlandsch Oud-Testament in \'t licht, dat werd aangevuld door telkens verschijnende vertalingen van gedeelten des N. Verbonds. En nog vroeger (in de dertiende eeuw) had Maerlant zijn rijmbijbel uitgegeven. Zoowel Erasmus als de geleerde kardinaal Ximenes bestudeerden met allen ijver \'t Grieksch des Nieuwen Testaments. Beiden kwamen met eene vertaling van \'t N. T. gereed. Erasmus gaf het uit met eene vereerende opdracht aan den paus, en ontving van dezen een vleiend schrijven. Ximenes verzocht eerst verlof, en moest vijf jaren wachten tot hij dit ontving. Zoo geeft dan de eerste in 1516, de laatste in 1520 zijn werk in \'t licht. Reuchlin, een buitenlander, maar leerling te Parijs van Wcssel Ganzevoort, en daarom hierboven onder de Kederl. humanisten genoemd, legt zich toe op de lang verwaarloosde studie van \'t Hebreeuwsch en wijdde zich aan \'t Oude Testament. Behalve dezen wetenschappelijken arbeid vindan wij ook in de veertiende eeuw reeds eene menigte gedeeltelijke vertalingen des Bijbels in dialecten. Deze waren onder \'t volk zeer populair. Wel waren zij voor een groot deel slecht vertaald en ■ zoo bijna onverstaanbaar, maar het algemeene verlangen naar verbetering der Kerk werd er toch niet weinig door versterkt. Dit verlangen bestond kort voor de hervorming in veler hart. Een oude monnik bad dagelijks in zijn cel : „Ik geloof, dat gij, mijn Heer Jezus Christus, alleen mijne gerechtigheid en Verlossing

-ocr page 357-

831

zijt.quot; Eeu bisschop beleed openlijk: „Mijn hoop is ■\'s Heeren kruis, ik bouw op Gods genade en niet op mijne werken.quot; Ken ander sprak stervende, toen men hem troostte met heenwijzing naai de verdienstelijke werken der monniken: „De werken van mijn Heer Jezus moeten het alleen doen; daarop verlaat ik mij.quot; Zoo gevoelde de christelijke wereld, trots alle werkheiligheid, welke de Kerk leerde, dat alleen het geloof in Gods genade in Christus zalig kan maken. De Kerk zelve werkte mede tot haren val, terwijl zij na iedere overwinning, op de ketters behaald, zich in overmoed op hare zegepraal te goed deed, en geen oog wilde hebben voor de schreiende behoefte van het volk. Matthesius, de vriend van Luther, verhaalt van de Paaschfeestviering van zijnen tijd; „Soms pleegt men in den tijd van \'t Paaschfeest sprookjes en onzinnige verhalen op den kansel te brengen om de menschen, die in de vasten door hunne boetedoeningen bedroefd zijn, en in de lijdensweken door medelijden zijn bewogen, door zulke ongerijmde en beuzelachtige vertelseltjes weer te verblijden en te troosten.quot; En een Roomsch cardinaal zelf getuigt: „Benige jaren vroeger, voor de Luthersche en Calvinistische ketterij opkwam, was er, volgens de getuigenis der geschiedschrijvers van die dagen, geen toezicht op goede zeden, geen kennis van eenige heilige wetenschap, geen eerbied voor goddelijke dingen, ja ternauwernood was er nog iets van den godsdienst overgebleven.quot;

De wereld der Middeleeuwen was oud geworden. Zij zou verjongd worden door de vernieuwde openbaring van het Evangelie. Zoo is dan de geheele geschiedenis, welke aan de hervorming voorafgaat, een in elkander grijpen van goddelijke leidingen, welke deze verjonging voorbereidde. Terwijl Columbus (1492) een nieuwe wereld ontdekte, en Copernicus (t 1543) te Frauenburg in Pruisen nieuwe en nooit gedachte verklaringen gaf van de verhoudingen en wetten der sterrenwereld, werd door beider arbeid de geest des menschen bevrijd uit de enge wanden van overgeleverde beschouwingen en kleingeestige alledaagschheid, en in staat gesteld tot een hoogere vlucht der gedachte. Opdat de wereldherscheppende gedachten van den nieuwen tijd en vooral het opnieuw terug geschonken Woord Gods sneller zouden kuunen worden verspreid, moest in de eeuw, aan de hervorming voorafgaande, de boekdrukkunst worden uitgevonden. Ja zonder het te weten en te willen

-ocr page 358-

832

werkte zelfs sultan Mohammed II (1453) mede, door de leer des Kruises uit Constantinopel te verdrijven. Zoo toch werd eene prediking van \'t zuiver Evangelie in \'t Westen zeer bevorderd. Want vluchtend voor de voortrukkende Muselmanuen, verspreidden zich vele Grieksche geleerden over de Westersche landen en brachten er de kennis van de Grieksche taal, en zoo tegelijk de kennis van het Evangelie van Christus.

Daardoor namelijk heeft de reformatie der 16de eeuw tot stand gebracht, wat aan geen der voorafgaande pogingen tot reformatie ooit gelukt was, dat zij de Heilige Schrift als haar banier omhoog hief. De Hervorming was niets anders dan het terugleiden van de Kerk tot de oude belijdenis: Wij beslmten dan, dat de mensch door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet. (Rorn. 3 : 28).

VIJFDE TIJDVAK.

(1517 tot heden.)

§ 50. Maarten Luther.

In dien tijd van algemeene verwachting van nieuwe dingen, waarover wij \'t laatst hebben gesproken, trok een landbouwer uit het dorpje Möhra — gelegen in het tegenwoordige hertogdom Saksen-Meiningen — met zijne vrouw naar Eisleben, om daar zien voor eenigen tijd metterwoon te vestigen. Deze man heette Hans Luther; zijne vrouw Margaretha Lindemann. Deze schonk in den avond van den lOden November 1483 het leven aan een zoontje, dat den volgenden dag in de Pieterskerk gedoopt werd. En daar die dag in den kalender aan den heilige Martinus gewijd was, noemden zij den jonggeborene Martinus of Maarten. Daarna verlieten zij Eisleben en trokken naar Mansfeld, waar de vader bergwerker werd.

-ocr page 359-

Eenige jaren lang leefden zij daar in armoedige omstandigheden, zóó zelfs, dat Maartens moeder he.t hout op den rug naar huis droeg. Maar niettegenstaande hunne armoede werden zij erkend en geacht als riinke menschen, en hadden een goeden naam in hunne omgeving. Hun vlijt werd gezegend, zoodat de vader eindelijk twee smelthutten had, en in den raad van de stad werd gekozen

7 O *

Hunnen zoon gaven zij eene strenge opvoeding, en zorgden ervoor, dat hi] geregeld de school bezocht, waar hij veel aanleg toonde en rassche vorderingen maakte. Toen hij veertien jaren oud was, werd hij te Maagdenburg op -eene school der Franciscanen besteed, om daar verder eene wetenschappelijke opleiding te ontvangen. Maar het volgende jaar (1498) ging hij reeds naar de Latijnsche school te Eisenach, waar hij hoopte door de vele verwanten, die hij aldaar had, in zijne studiën geholpen te zullen worden. Daarin had hij zich echter bedrogen. Zijne familie liet zich niet aan hem gelegen liggen, en zoo moest hij als „Kurrend-schülerquot; (scholier, die aan de deuren zingt om een stuk brood), in zijn onderhoud voorzien. Toen nam de weduwe Cotta den knaap op in haar huis, en trok zich zijner aan, getroffen als zij was door de eerbiedige wijze, waarop hij zijne liederen en gebeden zong.

üe knaap werd jongeling, en in 1501 ging Maarten naar de hoogeschool te Erfurt. Zijn vader was trotsch op hem en hoopte, dat hij zijn\' veclbelovenden zoon nog eens als keizerlijken of vor-stelijken raadsheer zou zien. Hij moest daarom in de rechtswetenschap studeeren. Maar eerst moest hij, volgens de gewoonte van dien tijd, nog de kunstgrepen der scholastiek en vooral de oude talen leeren. Zijne dagelijksche studie begon hij met gebed, volgens zijn grondbeginsel, dat goed bidden het halve werk is. Hij was opgeruimd en vroolijk en zijn gezelschap waard, en verheugde zich in alle betamelijkheid in zijn jeugd. Zeer spoedig zou hij het leven van zijne ernstige zijde leeren bezien. Eerst werd hij zwaar ziek, zoodat hij dacht te zullen sterven. Toen kwam een oud» priester aan zijn legerstede, en zeide tot hein de profetische woorden : „Wees getroost! Gij zult aan deze ziekte niet sterven. God zal nog een groot man van u maken, die velen vertroosten zal.quot; Inderdaad werd hij ook weder gezond. Toen hij eenigen tijd later op reis was, verwondde hij zijn voet met zijnen degen, die uit de schede viel, zóó gevaarlijk, dat het bijna zijn dood was geweest. Toen riep hij: „Help,

-ocr page 360-

332

werkte zelfs sultan Mohammed II (1453) mede, door de leer des Kruises uit Constantinope! te verdrijven. Zoo toch werd eene prediking van \'t zuiver Evangelie in \'t Westen zeer bevorderd. Want vluchtend voor de voortrukkende Muselmanuen, verspreidden zich vele Grieksche geleerden over de Westersche landen en brachten er de kennis van de Grieksche taal, en zoo tegelijk de kennis van het Evangelie van Christus.

Daardoor namelijk heeft de reformatie der 16de eeuw tot stand gebracht, wat aan geen der voorafgaande pogingen tot reformatie ooit gelukt was, dat zij de Heilige Schrift als haar banier omhoog hief. De Hervorming was niets anders dan het terugleiden van de Kerk tot de oude belijdenis: Fy besluiten dan, dat de memch door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wei. (Rom. 3 ; 28).

waarover wij \'t laatst hebben gesproken, trok een landbouwer uit het dorpje Möhra — gelegen in het tegenwoordige hertogdom Saksen-Meiningen — met zijne vrouw naar Eisleben, om daar zich voor eenigen tijd metterwoon te vestigen. Deze man heette Hans Lutherj zijne vrouw Margaretha Lindemann. Deze schonk in den avond van den lüden November I-IS-S het leven aan een zoontje, dat den volgenden dag in de Pieterskerk gedoopt werd. En daar die dag in den kalender aan den heilige Martinus gewijd was, noemden zij den jonggeborene Martinus of Maarten. Daarna verlieten zij Eisleben en trokken naar Mansfeld, waar de vader bergwerker werd.

-ocr page 361-

383

Eenige jaren lang leefden zij daar in armoedige omstandigheden, zóó zelfs, dat Maartens moeder het hout op den rug üaar huis droeg. Maar niettegenstaande hunne armoede werden zij erkend en geacht als flinke menschen, en hadden een goeden naam in hunne omgeving. Hun vlijt werd gezegend, zoodat de vader eindelijk twee smelthutten had, en in den raad van de stad werd gekozen. Hunnen zoon gaven zij eene strenge opvoeding, en zorgden er voor, dat hij geregeld de school bezocht, waar hij veel aanleg toonde en rassche vorderingen maakte. Toen hij veertien jaren oud was, werd hij te Maagdenburg op -eene school der Franciscanen besteed, om daar verder eene wetenschappelijke opleiding te ontvangen. Maar het volgende jaar (1498) ging Itij reeds naar de Latijnsche school te Eisenach, waar hij hoopte door de vele verwanten, die hij aldaar had, in zijne studiën geholpen te zullen worden. Daarin had hij zich echter bedrogen. Zijne familie liet zich niet aan hem gelegen liggen, en zoo moest hij als „Kurrend-schülerquot; (scholier, die aan de deuren zingt om een stuk brood), in zijn onderhoud voorzien. Toen nam de weduwe. Cotta den knaap op in haar huis, en trok zich zijner aan, getroffen als zij was door de eerbiedige wijze, waarop hij zijne liederen en gebeden zong.

De knaap werd jongeling, en in 1501 ging Maarten naar de hoogeschool te Erfurt. Zijn vader was trotsch op hem en hoopte, dat hij zijn\' veelbelovenden zoon nog eens als keizerlijken of vor-stelijken raadsheer zou zien. Hij moest daarom in de rechtswetenschap studeeren. Maar eerst moest hij, volgens de gewoonte van dien tijd, nog de kunstgrepen der scholastiek en vooral de oude talen leeren. Zijne dagelijksche studie begon hij met gebed, volgens zijn grondbeginsel, dat goed bidden het halve werk is. Hij was opgeruimd en vroolijk en zijn gezelschap waard, en verheugde zich in alle betamelijkheid in zijn jeugd. Zeer spoedig zou hij het leven van zijne ernstige zijde leeren bezien. Eerst werd hij zwaar ziek, zoodat hij dacht te zullen sterven. Toen kwam een oud» priester aan zijn legerstede, en zeide tot hem de profetische woorden: „Wees getroost! Gij zult aan deze ziekte niet sterven. God zal nog een groot man van u maken, die velen vertroosten zal.\'\' Inderdaad werd hij ook weder gezond. Toen hij eeiiigen tijd later op reis was, verwondde hij zijn voet met zijnen degen, die uit de schede viel, zóó gevaarlijk, dat het bijna zijn dood was geweest. Toen riep hij: „Help,

-ocr page 362-

334

Maria!quot; God hoorde de stem van hem, die smeekeud zijne stem verhief en hielp. Luther zelf heeft later van dat oogenblik gezegd: „Ik zou toen gestorven zijn, met mijne hoop gebouwd op Maria!quot; Een andere maal werd hij in \'t vrije veld door een onweder overvallen en bijna getroffen; tegelijkertijd werd zijn vriend Alexis gedood. Nu geschiedde het, dat hij eens in de boekenverzameling van de universiteit eenen Latijnschen Bijbel vond, terwijl hij tot nog toe de Evangeliën en brieven die in de kerk gelezen werden, voor den ganschen Bijbel gehouden had. Hij was zeer verblijd met die vondst, en hoopte dat God hem ook eens zulk een boek zou doen bezitten. Toen hij echter bij voortduring meer in den Bijbel gelezen had, overweldigde hem bij het zien van de openbaring van Gods genade het gevoel van eigen schuld zoozeer, dat hij zich sidderend en bevend afvroeg, hoe hij toch zalig zou kunnen worden. In die dagen gold het kloosterleven voor een zeer verdienstelijke zaak, en zoo besloot hij dan dit leven te kiezen, om vrede met God te verkrijgen. Hij noodigde zijn vrienden nog eens voor het laatst bij zich op een maaltijd en ging toen in \'t holle van den nacht (1505) naar het Augustijner klooster te Erfurt, waar hij als monnik werd opgenomen onder den naam van Augustinus. Het was eene groote droefheid voor zijne vrienden, maar bovenal eene groote teleurstelling voor zijnen vader, die nu al zijne schoone plannen voor de toekomst in duigen zag storten. Hij wilde voortaan van zijnen zoon niets meer weten. Luther zelf getuigt van dezen stap, dat hij niet gaarne of gewillig, maar gedwongen door schrik en doodsangst deze kloostergelofte had afgelegd. Eerst toen zijn vader twee kinderen verloren had, werd de strenge man verteederd, en liet zich door zijne vrienden overhalen Luther vergiffenis te schenken.

In \'t klooster behandelde men den nieuwen monnik zeer hard. \'s Morgens moest hij als bedelmonnik de stad doorgaan, en in het klooster liet men hem het geringste werk verrichten. Hij schikte zich nederig in alles, en beschouwde het als een dienst aan God bewezen. Ook de studie gaf hij niet op, maar las zeer vlijtig in de Heilige Schrift, en verdiepte zich in de geschriften der kerkvaders, vooral van Augustinus en Tauler. Eindelijk (1507) werd hij tot priester gewijd en las hij zijne eerste Mis. Daarbij was ook zijn vader, hoewel nog niet volkomen verzoend, tegenwoordig.

-ocr page 363-

335

Maar den vrede dien hij zocht, vond Luther in het klooster niet. God wilde hem toonen, dat wij door het geloof en niet door de werken gerechtvaardigd worden. Hoezeer dan ook Luther zich pijnigde met bidden en vasten, zoo dat zijn lichaam verviel en zijn gemoed van de zwaarmoedigste gedachten vervuld werd, toch bleef hij altijd rust zoeken, maar vond ze niet. Soms sloot hij zich dagen achtereen op in zijn cel, zonder spijs te nemen of iemand te zien. Een anderen keer moest men zijn deur openbreken en vond hem in onmacht; slechts door de zachte tonen van muziek kon hij weder worden bijgebracht. Een eenvoudig kloosterbroeder troostte hem toen met dit ééne woord: „Ik geloof de vergeving der zonden.quot; Bovendien zond God hem nog een anderen trooster, den vicaris der Augustijner kloosters van Midden-Duitschland, Johann von Staupitz. Alsof hij een voorgevoel had van de toekomst van Luther, hield hij hem in groote eer en troostte hem met veel wijsheid en takt. Zoo zeide hij tot Luther: „Gij weet niet, dat zulke verzoekingen goed en noodig voor u zijn. Zonder deze zou niets van u terecht komen.quot; Daarop verklaarde hij hem, hoe de verzoening in Christus zóó iets groots en ernstigs was, dat men haar alleen met een verslagen en beangst hart zich kon toeëigenen. Luther schildert ons zijn monnikleven aldus; „Waar is het, dat ik een vroom monnik geweest ben, en zoo streng heb ik mijn gelofte gehouden, dat ik mag zeggen : „Is ooit een monnik in den hemel gekomen door de vervulling zijner monniksplichten, dan zou ik er ook zoo gekomen zijn.quot; Dat kunnen mijn kloosterbroeders getuigen, die mij gekend hebben. Want indien het nog langer had geduurd, zou ik mij hebben doodgemarteld met waken, bidden, lezen en anderen arbeidquot;.

Ook wat zijn maatschappelijk leven betreft, reikte von Staupitz Luther eene behulpzame hand. Op zijne aanbeveling toch werd Luther (1508) door den keurvorst van Saksen, Frederik den Wijze, als professor aangesteld aan de pas gestichte hoogeschool te Wittenberg. Slechts met aarzeling nam hij deze benoeming aan. Redekunde en wijsbegeerte van Aristoteles te onderwijzen lachte hem niet bijzonder toe. Ook Staupitz schijnt nog in \'t onzekere te zijn geweest, waar en hoe hij Luther \'t best kon gebruiken. Spoedig na zijne benoeming te Wittenberg kreeg Luther eene aanwijzing om een leeraarsambt te Erfurt te gaan bekleeden. Doch reeds na

-ocr page 364-

336

korten tijd keerde, hij naar Wittenberg terug en wel als professor in de godgeleerdheid. Hij droeg deze geheel anders voor dan de meeste leeraren van zijnen tijd. Terwijl men over \'t algemeen zich hoofdzakelijk bezig hield met de kerkvaders, keerde hij bij alles tot het woord Gods terug. Een ander professor zeide toen van hem : „T)eze monnik zal alle doctoren in de war brengen en eene nieuwe leer doen geboren worden, en de geheele Roomsclu; Kerk hervormen. Hij legt zich neder bij de geschriften der apostelen en profeten, en heeft zijne vastigheid in het woord van Christusquot;.

Nog nooit had Luther het gewaagd om te prediken. Toen von Staupitz er hem toe aanzette, antwoordde hij: „Heer doctor, gij brengt mij om het leven, want ik houd het geen vierendeeljaars volquot;. Doch ten slotte vermande hij zich, en predikte eerst in \'t klooster, toen in een klein kerkje, totdat hij in 1512 als prediker door den raad van Wittenberg werd aangesteld.

Bij zijn vlijtig onderzoek der Tl. Schrift vond Luther daarin ook het woord: De recltvaardige zal door lei (jeloof leven. (Rom. 1 : 17) en dit woord gaf hem hoop en sterkte, want vroeger had hij altijd getracht, door eigengekozen werken zalig te worden. En zijn blik zou ook verder meer verruimd en helderder gemaakt worden. De orde der Augustijnen droeg hem op, in 1511 een bedevaart naar Rome te ondernemen, en te trachten den paus te bewegen toe te staan, dat kranke monniken ook op vastendagen vleesch mochten eten. Met vreugde ging Luther op weg, want het scheen hem een groot voorrecht toe om de heilige stad, den zetel van \'t pausdom, met eigen oogen te mogen zien. Maar met ontzetting werd hij gewaar, dat in Italië de goddeloosheid erger was dan in zijn eigen vaderland. Toen hij de monniken van zeker klooster berispte, dat zij zoo onmatig leefden en de kloostertucht geheel vergaten, wilden zij hem dooden. God beschermde hem echter, zoodat hij ontkwam. Nog beschouwde hij wat hij in dat Italiaansche klooster had waargenomen als eene uitzondering op den regel, en toen hij Rome in de verte eindelijk vóór zich zag liggen, viel hij met zijn aangezicht ter aarde, roepende: „Wees mij gegroet, heilig Romequot;! Maar hoe wreed werden zijne oogen geopend, toen hij al het onheilige en slechte zag, dat te Rome zich onder een geestelijken mantel bedekte! Zelfs de priesters spotten met de heilige handelingen, welke zij in het midden der gemeente hadden te verrichten; de gansche

-ocr page 365-

337

godsdienst was een ijdele vertooning, zoodat Lutlier zich geërgerd afwendde van deze omkoopbare dienaren der Kerk. Wel bezoclit hij nog in vrome devotie alle heiligdommen der stad, maar luider en luider werd de stem in zijn binnenste vernomen: De rechtvaardige zal door het geloof leven.

Voor de oude kunst van Rome had hij geen oog, maar een groote schat van geestelijke vrijheid en kennis nam hij van dit bezoek mede. Zoo kon hij later zeggen uit den grond zijns harten: „Ik zou voor geen honderdduizend gulden het voorrecht villen missen Home te hebben gezienquot;.

Niet lang daarna kwam von Staupitz met andere voorname monniken zijner orde overeen, dat Lutlier doctor in de Theologie moest worden. Dezen titel toch plachten alle beroemde leeraren der godgeleerdheid te ontvangen. Luther weigerde ecliter die eer, zeggende, dat hij te zwak en te ziekelijk was om dien titel met eere te kunnen dragen. Maar Staupitz zeide: „Het is te voorzien, dat God spoedig in den hemel en op aarde groote dingen zal doen tot stand komen. Dan zal Hij vele jouge en bruikbare doctoren noodig hebben om Zijn strijd te strijden.quot; Luther gehoorzaamde toen en legde den gebruikelijken eed af, dat hij altijd de H. Schrift zou onderzoeken en volgens deze leeren zou. Dat is hem later dikwijls tot een grooten troost geweest, als hij onder den strijd der reformatie dreigde te versagen. Dan zeide hij: „Ik heb op mijn heerlijken Bijbel moeten beloven en zweren, dat ik hem trouw en zuiver zou prediken. Bij dit streven heeft zich het pausdom op mijnen weg geplaatst, en het mij willen verhinderen. Maar het is de pauselijke macht er naar vergaan, zooals men zien kan, en het zal haar nog altijd erger gaan, en zij zal zicli tegen mij niet kunnen verweren.quot;

Toen Staupitz kort hierna door den keurvorst naar de Nederlanden gezonden werd, werd Luther voor dien tijd als vicaris aangesteld, en ondernam als zoodanig (1516) eene bezoekreis naar al de Augustijner kloosters van Saksen. Toen kon hij zich persoonlijk er van overtuigen, hoe diep gezonken het kloosterwezen was. Met groote toewijding trachtte hij de goede orde te herstellen, en schreef vele brieven om de broeders te vermanen en tot een hooger geestelijk standpunt op te heffen.

Zoo was de diepzinnige denker van \'t klooster te Erfurt een

22

-ocr page 366-

338

zeer gezien man geworden, die reeds de algemeene aandacht trok. Hij bleef intusschen even nederig als vroeger, trachtte niet naar hooge dingen, en leefde slechts voor de vervulling zijner ambtsplichten. Eens brak de pest te Wittenberg uit, en een vriend ried hem aan de stad te verlaten. Maar hij antwoordde: „Waarom zal ik vluchten? Ik hoop, dat de wereld niet tegelijk met broeder Martinus zal vallen. Als de pest veld wint, wil ik wel de broeders overal heen verstrooien, maar ïh ben op mijn plaats en moet hier op mijn post blijven.quot;

Onmiskenbaar is in den ganschen levensloop van Luther de goddelijke wijsheid, die hem tot reformator opvoedde. De nederigheid en armoede van zijn ouderlijk huis gaf hem een hart vol liefde voor \'t volk, en de gave om populair te spreken. Hij werd gehard en gestaald op allerlei wijze om bestand te zijn tegen \'t leed dezer wereld. Zijn hart ging niet naar aardsche dingen uit; zijne behoeften waren gering, en zoo was hij ook bereid in ellende te komen als God dat voor hem noodig rekende. Daarbij deed hij zooveel grondige kennis op, dat hij in staat was het woord Gods ook tegenover de machtigen en geleerden dezer wereld te verdedigen. Ook voor hem was het waar, dat alle kennis van \'t Evangelie alléén geworteld kan zijn in persoonlijke ervaring. Zoo moest hij dan ook door menigerlei strijd en aanvechting heen gaan, opdat hij ten volle verzekerd zou worden, dat alle gerechtigheid en vrede alleen eene gave is van Gods vrije genade. Zoo werd hij de man, die het Evangelie van Gods vrije genade ook aan anderen prediken kon. Ootmoed, dien een strijder voor \'s Heeren zaak het allermeest behoeft, was hem in zoo ruime mate geschonken, dat hij slechts met tegenstreven alle onderscheidingen en uitbreiding van zijnen arbeid aanvaardde, terwijl toch juist deze uiterlijke levensomstandigheden hem die plaats verleenden, van waar alleen hij zijn krachtig woord tot in alle deelen der Kerk van zijne dagen kon laten weerklinken. Zelfs de profetische stemmen, die voor de hervorming waren vernomen, moesten medewerken om zoowel hem als zijn tijd voor zijn werk voor te bereiden.

-ocr page 367-

339

§ 51.

De aaiming van het groote werk.

De stille opgewekte arbeid van Luther werd plotseling onderbroken. Paus Leo X deed ter wille van den bouw van de St. Pieterskerk te Rome eene daad, die groote ergernis verwekte. Hij had den aartsbisschop Albrecht van Mainz opgedragen, atlaatkramers door het Duitsche land te zenden; de helft van de op die wijze verkregen gelden moest naar Rome worden gezonden, de andere helft kwam aan den aartsbisschop. Albrecht, gehoorzaam aan dien last, zond letzel (eigenlijk Dïez geheeten), eenen Dominikaner monnik uit Leipzig, er op uit om dien aflaathandel te drijven. Deze Tetzel was een ruw persoon, met een slecht verleden achter zich. Hij was zelfs wegens echtbreuk te Innsbrück ter dood veroordeeld, en had slechts op voorspraak van den keurvorst van Saksen gratie ontvangen. Hij kwam nu met zijn aflaathandel dicht aan de grenzen van Saksen, maar de keurvorst was zoo verstandig, hem die grenzen niet te laten overtrekken. Hij verkondigde het volk, dat hem genade en macht verleend was, om ook de zwaarste zonden te vergeven, ja, dat hij zelfs door zijnen aflaat meer zielen verlost had dan de heilige Petrus door zijne prediking. Het roode aflaatkruis met het pauselijke wapen was, volgens hem, van even groote kracht als liet kruis van Christus, en berouw en boete waren niet meer noodig voor iemand, die aflaatbrieven kocht. He verschillende zonden waren alle geprijsd. Tooverij kostte twee, moord acht, kerkroof en meineed negen dukaten. De gemoederen werden door deze prediking niet weinig in verwarring gebracht, en Luther merkte op, dat de menschen meer naar Tetzel dan naar hunnen biechtvader gingen. En als hij de biecht afnam en de biechtelingen tot berouw vermaande, hielden zij hem hun aflaatbrief voor, en weigerden boete te doen. Geen wonder, dat dit den ernstigen prediker in de hoogste mate verdroot, en toen nu tegen Allerheiligen eene groote menigte van menschen naar de Allerheiligenkerk (tegelijk slotkerk) van Wittenberg kwam samenstroomen, hechtte Luther op den vooravond van het feest (31 October 1517) een papier aan de kerkdeur, waarop 95 Latijnsche stellingen tegen den aflaat geschreven waren. Het was gebruikelijk, dat de geleerden over nog onbeant-

-ocr page 368-

340

woorde vragen op \'t gebied van de leer der Kerk of van de we-tenscliap openlijke twistgesprekken inet elkander hielden, om zóó tot de waarheid te komen. Daarom begonnen Luther\'s stellingen dan ook aldus : „Gedreven door liefde en door liet verlangen de waarheid aan het licht te doen komen, zullen onder leiding van den eerwaarden pater Maarten Luther, Augustijner, magister in de vrije kunsten en de uitlegkunde van de H. Schrift, geordend leeraar, de navolgende stellingen verdedigd worden.quot; Hij verzocht daarom degenen, die niet persoonlijk hierbij tegenwoordig konden zijn en er zóó met hem van gedachten over konden wisselen, zulks schriftelijk te willen doen. Wij laten hier eenige der stellingen volgen :

1. Toen onze Heer en Meester sprak; „doet boete,quot; wilde Hij, dat het geheele leven Zijner geloovigen op aarde ééne voortdurende boete zou zijn.quot;

6. „De paus kan geen schuld vergeven, dan alleen in zooverre, dat hij bekrachtigt en openlijk bevestigt, hetgeen God vergeven heeft, of dat hij vergiffenis schenkt in die gevallen, welke hem persoonlijk aangaan; en indien dit voorbijgezien zou worden, zou de schuld geheel en al onverzoend blijven.quot;

21. „Daarom dwalen de aflaatpredikers, die zeggen dat door den pauselijken aflaat de menscheu bevrijd worden van alle straf en zalig zullen worden.quot;

32. „Zij zullen met hunne meesters naar den duivel varen, die daar meeuen door aflaatbrieven zeker te zijn van hunne zaligheid.quot;

38. „Toch is de pauselijke vergitt\'eiiis volstrekt niet te verachten. Want gelijk ik gezegd heb, is zijne vergeving eenc verklaring der goddelijke vergeving.quot;

50. „Men moet de christenen leeren, dat de paus, indien hij de zwendelarij der aflaatpredikers kende, liever zou willen dat de Dom van St. Pieter tot puin verbrand werd, dan dat hij zou opgebouwd zijn inet de huid, het vleesch en de beenderen zijner schapen.\'quot;

63. „De ware schat der Kerk is het heilig Evangelie van de heerlijkheid en genade Gods.quot;

94. „Men moet de christenen vermanen, dat zij zich hebben te bevlijtigen Christus, hun Hoofd, door kruis, dood en hel na te volgen.quot;

95. „— en alzoo zich getroosten veelmeer door vele beproe-

-ocr page 369-

341

vingen, dan langs een gemakkelijlceii weg in het Koninkrijk der heineleu in te gaan.quot;

Op denzelfdeu dag zond Luther de stellingen met een begeleidend schrijven aan den keurvorst van Mainz, die tevens aartsbisschop van Maagdenburg was en als zoodanig het geestelijk hoofd van Saksen. In dit schrijven luidt het: „Op eene dergelijke wijze worden de zielen, die u hoogeerwaarde zijn toevertrouwd, tot rampzaligheid onderwezen, en de rekenschap, die gij voor deze allen zult moeten geven, wordt steeds grooter en zwaarder.quot;

Door deze stellingen van Luther ontbrandde nu een zoo groot;; strijd in de Duitsche staten, dat de besturende broeders van zijn klooster hem vermaanden, toch ter wille van hunne orde te willen ophouden met zijn strijd tegen den aflaat. Maar Luther zeide: „Lieve vaders, wanneer deze strijd niet in Gods naam is aangevangen, dan zal hij spoedig geëindigd zijn, maar is hij wel in Zijnen naam begonnen, laat Hem er dan voor zorgenquot;. Toen zwegen zij hierover. De groote meerderheid des volks was zeer met den moedigen man ingenomen, toen zij van zijne stellingen hoorden. Ecu kloosterbroeder jubelde; „Hoho! Die zal het doen! Hij komt, O]) wien wij zoolang hebben gewacht.quot; En een oude priester in Westfalen betuigde in zijn eigenaardig dialect Luther zijne groote ingenomenheid. In veertien dagen waren de stellingen door geheel Duitschland verspreid, in zes weken door gansch Europa, en na eenige jaren werden zij zelfs te Jeruzalem verkocht. Keizer Maxi-miliaan zeide tot eenen Sakser; „Hoe gaat liet met uwen monnik? „Waarlijk, zijne stellingen zijn niet kwaad.quot;

Luther stond zelf verbaasd, dat zijne stellingen zulk een algemeene beweging hadden doen ontstaan, en, bijna huiverig voor de gevolgen, vroeg hij zich af, of hij soms al te voorbarig gehandeld had. Hij dacht er nog niet aan, zich los te maken van den paus. Maar zijne tegenstanders zeiven brachten hem er toe, gelijk hij het zelf uitdrukt, van dag tot dag bruikbaarder te worden.

Te Home, in het verwereldlijkt Vaticaan, zag men de plotseling van Wittenberg uitgaande beweging aan voor een3 van die monniktwistcn, die in die dagen zoo dikwijls voorkwamen. Maar toch schreef een zekere Prierias, een van de pauselijke hofhouding, een scherp stuk tegen Luther en verweet hem, dat hij zich wilde verzetten tegen de pauselijke macht. De paus zelf laakte intusscben

-ocr page 370-

342

dit schrijven om den ongepasten toon. Velen gaven den raad om Luther met eenige honderde guldens den mond te stoppen. Maar een pausgezinde antwoordde zelf daarop ; „Dat Duitsche monster geeft om geen geld, en zou liet niet aannemen, zelfs als \'t hem werd aangeboden.quot;

Nu hielden de Augustijners eene groote vergadering van leden hunner orde (1518) te Heidelberg. Ook Luther ging daarheen, en toen ook over zijne stellingen gesproken werd, verdedigde hij zich mot nieuwe stellingen. Eene van deze luidt: „Niet hij is rechtvaardig, die vele uiterlijke werken doet, maar hij, die zonder uiterlijk werk, veel geloof heeft in den Christus.quot; Zijne rede viel in goede aarde en verwierf hem vele vrienden in Zwaben, die later de kerk aldaar hervormd hebben in den geest van Luther.

Ten slotte bepaalde de paus, dat een geestelijk gerechtshof omtrent de zaak van Luther zou beslissen. Hij werd daarom naar Rome ontboden, en zijne vrienden sidderden voor zijn leven. Maaide keurvorst van Saksen, overigens een trouw Catholiek, wilde tenminste Luthers leven beschermen. En daar de paus den keurvorst, als aanzienlijk vorst van het Duitsche rijk, gaarne voorkomend wilde behandelen, stond hij toe, dat Luther zich op Duitsch grondgebied, te Augsburg, voor den pauselijken legaat Thomas de Vio uit Cajeta — daarom Cajetanus genoemd — mocht verantwoorden. Heimelijk ontving de kardinaal echter last, om Luther gevankelijk mede te voeren naar Rome. Gemoedigd ging Luther naar Augsburg, en zijn keurvorst zond brieven aan den raad van die stad om toe te zien op zijne veiligheid. Bovendien was ook Luther zoo verstandig, eerst naar den kardinaal te gaan, nadat de keizer hem vrijgeleide had toegezegd. Toen hij bij hem kwam, viel hij eerbiedig voor hem op de knieën, en zeide, dat hij als gehoorzaam zoon der Kerk op uitnoodiging des pausen hier ter verantwoording verschenen was, en dat hij gaarne beter wilde worden ingelicht. De kardinaal beval hem op te staan, en eischte van hem, dat hij alles zou herroepen, wat hij tegen paus en aflaat geleerd had. Maar toen Luther als grond voor zijne handelingen zich beriep op uitspraken der H. Schrift, spotte de kardinaal er mede en zeide, dat de paus macht en lieer-schappij had over alle dingen. Daar Luther nu van zijn stuk werd gebracht, en met woorden verder niets uitwerkte, vroeg hij om eenen dag bedenktijd. Daarna verscheen hij ten tweeden en ten derden

-ocr page 371-

343

male voor den kardinaal en overhandigde liem ook een geschrift, waarin hij zijn leer over den aflaat verdedigd en niet bewijsplaatsen gestaald had. Maar de kardinaal wilde noch hem aanhooren, noch zijn geschrift lezen en sprak heftig: „Ga heen, en kom niet weder onder mijne oogen, tenzij dan dat gij herroept.quot; Luther ging, en bad bij zijn heengaan herhaaldelijk billijk beoordeeld en overtuigd te mogen worden uit de Heilige Schrift. Cajetanus zweeg. Hij zon op middelen om Luther heimelijk te doen oplichten, eu naar Kome te laten voeren. Maar hij werd gewaarschuwd en vluchtte, begeleid door eenen bode van den raad. De kardinaal moet na deze dingen gezegd hebben: „Ik kan ;net dit monster niet langer sprekenj want het heeft holliggende oogen en wonderbaarlijke gedachten in het hoofd.quot; En aan Luther was het op nieuw duidelijk geworden, dat de Kerk van de Schrift was afgeweken, en zich ook door deze niet wilde laten leeren of terechtwijzen. Hij was zeker van zijn goede zaak eu daarom vroolijk en gerust, en zijne vrienden sterkten hem.

De kardinaal schreef nu aan den keurvorst, dat deze Luther zelf naar Rome zou zenden of althans uit zijn land verbannen. Maar Luther vergeleeh dit schrijven niet de handelwijze van de Joden voor Pilatus, die Jezus tot hem brachten, maar geen bewijs van zijn schuld konden bijbrengen. Daarop bouwde dan ook de keurvorst zijn even beslist als voorzichtig antwoord, terwijl hij zoowel een rechtvaardig als een grondig onderzoek van Luther\'s leer vorderde. Intusschen verwachtte Luther den banbliksem en hield zich gereed, „heen te trekken, waarheen de barmhartige God zou willen.quot; Tot aijne gemeente zeide. hij in die dagen in zijne prediking: „Ik beu tegenwoordig een zeer ongestadig prediker, zooals gij bemerkt hebt, en ben dikwijls weggegaan zonder u te hebben gegroet. Als dat ooit weder mocht geschieden, dan wil ik u vaarwel gezegd hebben voor het geval, dat ik eens niet mocht terugkeeren.quot; Tevens beriep hij zich op een toekomstig algemeen Concilie.

Intusschen wilde de paus terwille van den keurvorst Luther sparen. Daarom zond hij zijnen kamerheer Karei von Mïlütz, een geboren Sakser, om den keurvorst eone gewijde gouden roos als eeregift te overhandigen, en tevens maatregelen te nemen tegen Luther. Maar toen hij ontdekte, hoezeer het volk Luther aanhing, waagde hij liet niet hem gevangen te nemen, doch sprak zeer

-ocr page 372-

344

vriendelijk met hein op eene samenkomst te Altenburg (Januari 1519)-Luther schreef toen aan den paus, dat hij zich voortaan stil wilde houden, en zelfs een geschrift wilde verspreiden om de gemoederen tot rust te brengen, wanneer dan ook zijne tegenstanders ophielden zijne tot nog toe gehouden redenen en zijn persoon te bestrijden. Luther hield woord, maar zijne tegenstanders zwegen niet.

Toen stierf de oude Duitsche keizer Maximiliaan, en totdat een nieuwe keizer gekozen zou zijn, trad nu de keurvorst van Saksen als plaatsvervanger des keizers op. Daarom schroomde de paus nog des te meer geweld tegen Lather te gebruiken. Aan de hervorming is dit niet weinig ten goede gekomen.

Nog steeds was de leer van Luther niet wetenschappelijk dooide lloomschen aangetast. Dit zou nu gaan geschieden.

Dr. Eek, professor aan de toenmalige hoogeschool van Ingol-stadt, tot dusverre persoonlijk met Luther bevriend, had een geschrift in de wereld gezonden, dat de stellingen van Luther heftig bestreed, al was het eigenlijk tegen Luthers ambtgenoot Karlstadt gericht. Luther was hierover zoo ontstemd, dat hij zeide, dat hij eens „met een ernstig geschrift op de Roomsche draken zou lostrekken.quot; Er werd een openbaar twistgesprek aangekondigd, en op het slot te Leipzig gehouden. Het begon den 27sten Juni 1519. Dagelijks werd tweemaal gedisputeerd. In den aanvang sprak Eek met Karlstadt, daarna met Luther. Zij handelden over de genade Gods, over de macht des pausen en den aflaat. Luther beschouwde Christus alleen als het hoofd der Kerk, en beriep zich op het woord der Schrift. Eek hield hem het aanzien en gewicht van de Kerk voor, en verweet hem Hussitische ketterij. Toen zeide Luther, dat er ook veel v/aars was in hetgeen Huss dikwijls gezegd had. Op dit woord werd hertog George zeer toornig en wilde zijn levenlang niets meer weten van Luther, daar hij vreesde voor een nieuwen Hussieten oorlog. Het twistgesprek (den 12den Juli geeindigd) bleef onbeslist en Luther beschouwde den tijd, die men er voor besteed had, als verloren. Een ooggetuige schetst ons de beide strijdende partijen aldus; „Martinus is van middelmatige grootte, mager en draagt zóó de sporen van zorgen en harde studie, dat men, als men hem van nabij ziet, alle beenderen kan tellen. Hij is een man in de kracht van het leven, en heeft een klankvolle, heldere stem. Eek is lang, sterk gebouwd en grof, en heeft een volle stem, die uit

-ocr page 373-

345

een breede borst te voorschijn komt. Hij ziet er uit als een slager of een soldaat.quot;

Niet lang daarna stierf Tetzel te Leipzig.

Eek overreedde nu den paus den banvloek tegen Luther uit te spreken, en hij bracht zelf de bul naar Duitschland mede. Daarin werd geboden, alle reeds bestaande en nog verschijnende geschriften van Luther te verbranden, en hem zeiven gevangen te nemen of buiten \'t land te zetten. Waar hij zich ophield of zou vestigen die plaats zou ook onder interdict 1) worden gezet. De bul werd door de aanhangers des pausen overal aangeslagen, maar volk en overheid vernietigden ze bijna altijd. Luther was vol goeden moed, en bleef ook het antwoord niet schuldig.

Hij uoodigde 10 Dec. (1530) allo studenten uit, te komen aan de Elsterpoort te Wittenberg. Daar richtte een zijner vrienden een houtstapel op en stak dien aan. Toen wierp Luther den pauselijken banbul met de pauselijke wetboeken of decretalen in het vuur met de woorden; „Omdat gij den Heilige des Heeren bedroefd hebt, zoo bedroeve en verteere n het eeuwige vuur!quot;

Zoo had dan Luther gebroken met den paus. Schuchter was was hij aangevangen, en niet dan met groote aarzeling had hij zijn toorn over Home\'s onchristelijk optreden uitgesproken. Maar steeds moediger ging hij verder, toen Eome hem niet wilde overtuigen en ook niet door hem overtuigd wilde worden. Het ware Hoofd der Kerk in den hemel werd zijn één en al, en het hoofd dei-Kerk te Eome kwam hem meer en meer voor als de vijand van Christus.

Van al de stappen die hij deed, gaf Luther verklaring in geschriften, die, naarmate zij voor de geleerde wereld of voor het volk bestemd waren, in het Latijn of in het Duitsch waren geschreven. Zij vonden alle hun oorsprong in een innig geloofsleven, vrij van alle eerzucht en opgesmuktheid; zij verdedigden en zochten alle Gods eer, en zijn zoo waar, zóó krachtig, zoo kernachtig en vol afwisseling, dat zij eene blijvende waarde hebben en weerklank vinden in het gemoed van den lezer, en hein wel moeten winnen. Maar in den tijd, waarin zij geschreven werden vooral, hebben zij op krachtige wijze het groote werk helpen bevorderen, terwijl zij

1) Zie bladz. 254.

-ocr page 374-

346

den geest des schrijvers op duizenden deden overgaan en de zaak van \'t Evangelie maakten tot eene zaak van het volk.

Onder deze geschriften bekleedt eene voorname plaats; „Aan de christelijke adel van \'t Duitsche volk.quot; Luther had sints lang de droevige ervaring opgedaan, dat zich in de bres stelden voor al het onchristelijke in de Kerk, juist diegenen, die God als wachters op Sions muren had aangesteld. Daarom was hij er op uit, de leeken tot verbetering der Kerk op te roepen, en wendde zich nu het eerst tot de vorsten en edelen, die vooral de macht schenen te bezitten en aanleiding te hebben om een strijd met Rome te kunnen en willen ondernemen. Luther wijst hen op al de overmoedige bejegening, welke Duitschlands vorsten en volkeren gedurig weer van de zijde der pausen hadden ervaren, en spreekt dan over de „drie murenquot;, waarachter zich de aanhangers van den paus, tegenover al het verlangen naar- en aandringen op eene reformatie bij de christenheid, verschansten. De eerste muur was de leer, dat de Kerk hooger stond dan iedere wereldlijke overheid, en deze laatste dus niet mocht medesprekeu in de aangelegenheden der Kerk. Daar tegenover moest worden vastgesteld, dat de gansche christenheid een priesterlijk volk was, en leekenstand en priesterstand slechts gescheiden waren ter wille van de prediking van het Woord. De tweede muur was, dat slechts de paus de Schrift kon uitleggen. Maar dit was eene onzinnige voorstelling. Indien toch de paus onfeilbaar was, zou men in het geheel geen H. Schrift noodig hebben. De derde muur was, dat de paus stond boven de Conciliën. Maar het was iedereen bekend, dat de paus dikwijls gedwaald bad. Waar dan de waarheid te zoeken ? Hij spoort nu de vorsten en edelen aan om het smadelijk juk des pausen af te werpen, den priesters het huwelijk toe te staan, het aantal kloosters te verminderen, en bovenal oud en jong vlijtig in de kennis van de H. Schrift te doen onderrichten. Ten slotte erkent hij groote dingen te eischen, en gaat dan voort: „Ik ben verplicht het uit te spreken, dat ik liever heb, dat de wereld strijdt tegen mij, dan dat zij strijdt tegen God; mij toch kan men alleen maar het leven ontnemen. Ik heb tot nog toe mijnen tegenpartijders dikwijls don vrede aangeboden, maar God heeft mij door hen gedwongen, telkens den mond verder te openen.quot;

Een ander geschrift draagt tot opschrift: „Van de vrijheid

-ocr page 375-

347

eens christens.quot; De iioomsclie Kerk stelt hare misoffers, haren aflaat en goede werken tusschen God en den mensch, zoodat de mensch voortdurend afhankelijk is van des priesters woord en gebod. Daarnaast wijst Lnther op de juiste verhouding, waarin de christen staat tot de wereld: in het geloof heer van alles, in ootmoedige liefde aller dienstknecht. Alleen door het geloot\' kan hij genade bij God verkrijgen, en in dit geloof wordt hij vrij van alle ketenen, waarmede eigen zonden of machten buiten hein, hem willen binden. „Dat is de christelijke vrijheid, liet geloof alleen; dat bewerkt niet, dat wij ons mogen overgeven aan lediggang of kwaad doen, maar dat wij geen goede werken noodig hebben om kinderen Gods te worden en de zaligheid te erlangen.quot;

Het krachtigst gebruikt Luther het tweesnijdend zwaard van de Schrift in zijne verhandeling over „de Babylonische gevangenschap der Kerk.quot; Daarin grijpt hij krachtiger dan ergens elders de tyrannic van Home aan, daar hij in de laatste jaren steeds duidelijker het onrechtmatige van het pausdom had leeren inzien. Het is een geschrift, gericht tegen de valsche sacramenten der Hoomsche Kerk en tegen de verbastering van het Avondmaal. Dat zijn de banden waarmede de Kerk is gebonden, en in dit opzicht wordt zij vergeleken met Israël in de gevangenschap.

En nog steeds krachtiger zou de getuigenis van Lnther worden.

§ 53.

De Rijksdag te Worms.

Jaren waren voorbijgegaan sints Luthers hamerslagen do kerkdeuren van Wittenberg hadden doen dreunen. Sedert hadden zij ook den bisschopszetel van Rome doen schudden. Steeds luider en krachtiger had Luther gesproken, eu steeds meer verblijd hoorde de Duitsche christenheid naar de zoo nieuwe boodschap van de vrije genade Gods in Christus. Maar nog had geen wetgeving, geen uitgesproken wil eens vorsten het ideaal verwerkelijkt, dat Luther beoogde en waarvoor hij leefde. De voortreffelijke keurvorst, Frederik de Wijze, toonde juist weder zijne wijsheid daarin, dat hij niet eigenmachtig eene verbetering in de Kerk begon, maar zich tevreden

-ocr page 376-

348

stelde Luthers vrijheid en leven te beschermen. Immers, Luther wilde juist de zuiverheid des evangelies opnieuw doen zien door het te ontdoen van alle menschelijke instellingen. Zoo moest Jan ook zijn eigen werk buiten aanraking blijven met de wereldlijke macht, en alleen door de macht der waarheid zegevieren.

Deze macht zou nu op de proef gesteld worden, toen de hoogste geestelijke eu wereldlijke machthebbers haar op leven en dood gingen bestrijden. Toen nl. de nieuwgekozen keizer Karei V eenen Rijksdag te \\\\ onus had uitgeschreven, begeerden de verschillende Duitsche vorsten van hem een rechtvaardig onderzoek van de zaak van Luther. De pauselijke legaat Aleuncler verzette zich hier tegen: „Een vergadering van leeken kou niet over geestelijke zaken beslissen; de Kerk had reeds recht gesproken en Luther in den ban gedaan.quot; De streng Catholieke keizer was persoonlijk geneigd omniddelijk met sterken arm de Kerk te steunen in het ten uitvoer leggen van haar vonnis. De vorsten bleven echter staan op hun eisch, en de keurvorst van Saksen stelde duidelijk in het licht, dat Luther na al zijn bidden eu beloven nog geenszins door do Kerk beter ingelicht of van dwaling overtuigd was. Men reikte zelfs den keizer een geschrift over, waarin honderd eu één bezwaren tegen de pauselijke aanmatiging waren uitgesproken. Zoo, tegen zijn wil, geprest, vaardigde de keizer zijnen heraut Kaspar Sturm af met een kalm en bezadigd schrijven, waarin Luther naar Worms werd ontboden. Voor de heenreis en den terugkeer beide werd hem vrijgeleide toegezegd. Getroost in zijnen Heer ging Luther op weg, hoewel hij ouwel was eu op reis ernstig ziek werd. Doch de Heer was hem nabij en hield zijnen moed levendig, ook wanneer angstige lieden hem aan Huss herinnerden, en zeiden, dat men hem te Worms tot pulver zou verbranden. Luther antwoordde hun: „Wanneer zij ook een vuur maakten, dat tusschen Wittenberg en Worms tot aan den hemel reikte, zoo zou ik nog in Heeren kracht willen verschijnen en Christus belijden, en Hem laten zorgen.quot; Zij, die het evangelie waren toegedaan sterkten den dierbaren man met goede troostwoorden en allerlei betooningen van liefde.

Toen hij dicht bij Worms gekomen was, werd hem opnieuw geraden er toch niet binnen te gaan en het gevaar te vermijden. Maar hij zeide: „Indien er ook zooveel duivelen te Worms waren als pannen op de daken, dan zou ik er nog binnen willen gaan.quot;

-ocr page 377-

349

Den löden April 1521 kwam Luther te Worms aan. Vele vrienden uit Saksen — Amsclorf en Jonas — vergezelden hem. evenals de keizerlijke heraut. Duizende menschen wachtten hem op de straat op., en vergezelden hem naar zijn logies.

Den anderen morgen ging hij naar den doodzieken Saksischen ridder Hans von Minkwitz om hem het Avondmaal toe te dienen, \'s Namiddags vier uur ging liij, volgens een ontvangen wenk dienaangaande, naar de vergadering van den Eijksdag. Hij sterkte zich daartoe met een vurig gebed. Hij was een held in het bidden, en door het bidden is hij ook een held voor de wereld geworden. Op het bepaalde uur werd hij door den rijksmaarschalk Ulrich van Pappenhelm naar het raadhuis geleid. Er stond echter zulk een menigte volks opgehoopt om het gebouw, dat het slechts langs omwegen te bereiken was. Aan de poort van de vergaderzaal stond de keizerlijke veldoverste George van Freundherg. Deze klopte Luther trouwhartig op den schouder, en voegde hem toe: „Monnikje, mon-nikje, gij gaat nu zulk een\' gang doen, als ik en menig overste ook in de ernstigste oorlogen niet gedaan hebben. Zijt gij echter eene goede meening toegedaan en zeker van uwe zaak, ga dan in Gods naam en wees getroost: God zal u niet verlaten.quot; De vleugeldeuren openden zich, en Luther trad binnen.

Niet zonder spanning wachtten de keizer met de vorsten het oogenblik af, dat zij den moedigen monnik van Wittenberg van aangezicht tot aangezicht zouden zien. ïoen zij nu den bleeken, ziekelijken man zagen, die bovendien bij alle blijmoedigheid toch met zichtbare verlegenheid in den schitterenden kring der vorsten trad, wendde zich de keizer tot den vorst, die naast hen! zat, en zeide: „Deze zou mij er niet toe brengen een ketter te worden.quot;

Luther wachtte bescheiden af tot men hem vragen zou. ïoen stond een raadsheer op van den keurvorst van Trier, en vroeg in naam des keizers aan Luther of hij de boeken, die men daarnaast op een tafel gelegd had, had geschreven, en bereid was alles te herroepen, wat hij over den paus gesproken had. Vóór Luther nog antwoordde, eischte zijn wakkere verdediger Hieronymus Schirf, dat men de titels der boeken zou voorlezen. Dit geschiedde. Luther erkende, dat de boeken door hem geschreven waren en bad, wat het herroepen betrof om bedenktijd, opdat hij een besluit mocht nemen zonder schade voor het goddelijk woord of zijne eigene ziel.

-ocr page 378-

350

Toen werd hem nog een dag gegund, maar niet zonder de sclierpe. opmerking, dat liij anders reeds tijd genoeg gehad had om te overleggen.

Den dag daarop (18 April) werd Luther op \'t zelfde uur naar het raadhuis geleid. De vorsten waren echter nog aan het behandelen van zaken des rijks, zoodat hij twee uren moest wachten. Toen hij in de zaal trad, was deze reeds verlicht. Dezelfde vraag van den vorigen dag werd hem weder voorgelegd. ïoen hield Luther in de Duitsche taal eene tegelijk besliste en deemoedige verdedigingsrede. Nadat hij den vorsten verzocht had hem het te willen vergeven, indien hij door onbekendheid met hofgewoonten in eenig opzicht tegen de etiquette zou zondigen, maakte hij een verdeeling zijner boeken in drie groepen. Sommige had hij eenvoudig geschreven als uiteenzetting van de christelijke leer, andere tegen het onrecht van het pausdom, andere tegen afzonderlijke bestrijders zijner gevoelens. VV anneer hij nu in de laatsten misschien wat te heftig geweest was, toch kon hij er niets van herroepen, omdat hij door zulk een herroepen al het onchristelijke zou stijven en bevorderen, waartegen hij juist was opgetreden. Als hij echter uit de Evangeliën of de Profeten van ongelijk overtuigd kon worden, zou hij geneigd en bereid zijn, alle dwaling te herroepen en zijne boeken zelf in het vuur te werpen.

Op deze rede antwoordde de woordvoerder zijner tegenpartij, dat men hier niet samengekomen was om twistgesprekken te houden, en dat hij van hem een eenvoudig en zakelijk antwoord wilde vernemen of hij wilde herroepen of niet.

Toen zeide Luther: „Daar dan uwe keizerlijke Majesteit van mij een eenvoudig antwoord begeert, zoo zal ik er een geven, dat noch horens noch tanden zal hebben. Tenzij ik, door een getuigenis der H. Schrift of met klare en duidelijke bewijsgronden overtuigd word — want ik geloof noch den paus noch de Conciliën alleen, daar het klaar als de dag is, dat zij dikwijls gedwaald en zich zeiven wedersproken hebben — zoo ben ik overwonnen door de woorden, die ik heb aangehaald, en gevangen door mijn geweten en Gods Woord, en kan en mag daarvan niet herroepen, daar het niet veilig en geraden is iets tegen het geweten te doen. Hier sta ik, ik kan niet anders. God helpe mij. Amen.quot;

Dat was een krachtig woord, en Luthers vrienden werden er

-ocr page 379-

351

door gesterkt. De keurvorst van Saksen zeide tot zijnen hofprediker: „Pater Martinus heeft lieden zeer schoon gesproken voor den keizer eu \'t rijk. Hij is mij veel te moedig.quot; l)e kanselier zeide wel : „Martinus, gij hebt onbescheidener geantwoord dan past, en nuttig is voor uwe zaak. Want waartoe dient het, opnieuw te willen redetwisten over dingen, die voor zoovele honderd jaren door de Kerken en Conciliën veroordeeld zijn?quot; Doch Luther wendde zich tot den keizer met het verzoek, dat hij van heiu geene herroeping zou eischen, die tegen zijn geweten en zijne innige overtuiging streed. Een ander antwoord dan hij gegeven had, kon hij niet geven.

Ter wille van den keizer had Luther zijne gansche rede herhaald in het Latijn. Toen hij nu geëindigd had te spreken, werd hem gezegd, dat iiij kon gaan. Dewijl daarbij eenige ridders hem vergezelden, verhief zich een gemor van afkeuring, daar men meende, dat hij gevankelijk werd weggevoerd. Maar Luther bracht de ontruste gemoederen tot kalmte.

Daar Luther het zeer warm had, zond hertog T.rlk van Brunswjh, lid van den Rijksdag, hem een kruik bier ter verkwikking, waarvoor Luther hem dankte met de woorden: „Gelijk hertog Erik aan mij heeft gedacht, zoo moge onze Heere Christus hem gedenken in zijne laatste ure.quot;\' Tot zijne vrienden sprak hij opgeruimd: „Als ik duizend hoofden had, wilde ik ze liever alle laten afhouwen dan herroepen.quot;

Zoo was Luther blijmoedig in het midden van het gevaar. De dag te Worms is een onvergetelijke dag gebleven. Ter herinnering daaraan is (1868) het gedenkteeken opgericht, dat heden als een meesterstuk van kunst de stad Worms versiert.

Op den dag na deze zitting verklaarde de keizer aan de vorsten des rijks, dat hij volgens het voorbeeld zijner voorvaderen het oude geloof moest beschermen, en Luther met den ban en alle andere middelen, die hem ten dienste stonden, vervolgen. Maar toen eenige stemmen werden gehoord, die zeiden, dat men het vrijgeleide moest breken en Luther dadelijk gevangen nemen, verklaarde de vergadering zich beslist daartegen. Zelfs de keizer zeide, naar men verhaalt: „Ik wil niet blozen als Sigismund. Wanneer goede trouw en geloofwaardigheid van de wereld verdwenen waren, moesten zij toch bij mij nog gevonden worden.quot; Hij verlengde

-ocr page 380-

852

zelfs den duur van \'t vrijgeleide, opdat men nog in der minne met Luther zou kunnen spreken.

ïen slotte sprak de aartsbisschop van Trier zelfs zeer hupsch met Luther, en ried hem aan op te houden met zijne bestrijding. Doch Luther antwoordde: „Genadigste heer, ik weet geen beteren raad dan welken Gamaliel gaf, toen hij zeide: „Indien deze raad of dit werk uit menschen is, zoo zal het gebroken worden; maar indien het uit God is, zoo kunt gij dat niet breken.quot; Zoo dan ook mijn zaak niet uit God is, zoo zal er na twee of drie jaar geen spoor meer van over zijn; maar als zij uit God is, zoo zal men haar niet kunnen breken.quot;

Toen Luther aldus bleek niet voor overreding vatbaar te zijn, werd hem de verklaring des keizers medegedeeld, die deze aan den rijksdag gedaan had. Hij ontving deze mededeeling met de woorden : „Het is geschied zooals het den Heer heeft goedgedacht. De naara des Heeren zij geloofd.quot; Daarop nam hij de terugreis aan.

De keurvorst van Saksen werd intusschen zeer bezorgd over zijn lot en vatte het voornemen op hem eenigen tijd te verbergen. Hij stelde ook Luther met dit plan in kennis.

Opgewekt trok Luther voort. Overal werd hij vriendelijk ontvangen. Maar toen hij zijne familie in Thuringen bezocht had, en juist (4 Mei 1521) naar Waltershausen reed, werd plotseling zijn wagen door de ridders Hans von Berlepsch en BurJchardt von Hund — op bevel van den keurvorst — met voorgewende barschheid aangehouden en Luther medegevoerd. Zij trokken hem een ridder-kleeding aan, en brachten hem met het vallen van den nacht op den Wartburg.

Het was hoog tijd, dat Luther in veiligheid werd gebracht. Weinige weken later verscheen een keizerlijk bevelschrift, dat in de scherpste bewoordingen Luther onder den rijksban verklaarde, en ieder waarschuwde Luther te ondersteunen of ook met spijs en drank te verkwikken.

Er ging een schrik door het gansche volk, toen Luther zoo plotseling verdwenen was. Men wist niet of hij dood was of leefde, en overal heerschte groote treurigheid. Alhrecht Bur er, de schilder, schreef in zijn dagboek: „O God, als Luther dood is, wie zal ons dan liet heilig evangelie zoo duidelijk verkondigen? Wat had hij nog in tien of twintig jaren kunnen schrijven ! Gij vrome christenen

-ocr page 381-

353

alle, helpt mij dezen man, door Gods Geest bezield, bevveeneii, en God bidden, dat Hij ons eenen anderen zende, eyen verlicht als hij.quot; Men vreesde, dat Lnther heimelijk door de aanhangers des pausen gevangen was of misschien wel gedood. Op enkele plaatsen kwam het zelfs tot oploopen, en de pauselijke legaat Aleander was bijna doodgeslagen.

Het rustige toevluchtsoord zou intusschen een nieuwe bron van zegen worden voor het Godsrijk.

§ 53.

Kerkelijke stryd.

Vier jaren lang had Luther vóóraan gestaan in een strijd, die hem naar lichaam en ziel voortdurend meer inspanning veroorzaakte. Yoortvarend van geest en geneigd tot driestheid in woord eu daad, liep hij gevaar, in den grooten strijd tegen de bestrijders van het zuivere evangelie, te verzuimen zelf diep door te dringen in het evangelie en tot allerlei zwakheid en eenzijdigheid te vervallen. Daardoor zou intusschen het werk der reformatie niet weinig hebben geleden, dat op dit oogenblik nog enkel met Lnther verbonden was. Toen was het de onvrijwillig verkregen tijd van rust, die den veelbewogen en altijd bezigen man aanleiding gaf, rustig in te keeren tot zich zeiven, en een meer vreedzamen, eu toch tegelijk zoo rijk gezegenden arbeid te ondernemen. Al schreef hij ook in den aanvang half toornig, dat hij, „liever ter eere Gods op gloeiende kolen gebraden wilde worden, dan half levend tot bederf overgaan,quot; zoo ontwikkelde hij toch weldra eene arbeidzaamheid, die zoowel voor hemzelven als voor zijn werk ten zegen was. Terwijl bij zich toelegde op het wetenschappelijk onderzoek der Heilige Schrift, leerde hij het groote geheel der christelijke heilsleer beter overzien en grondiger verstaan. Zoo had hij in zijn ijveren legen de llooni-sche werkheiligheid de Bijbelsche leer van de rechtvaardigheid uit het geloof zóó op den voorgrond gesteld, dat hij den brief van Jacobus, met zijne eischen van een werkdadig geloofsleven, verachtelijk een „strooien briefquot; roemde. Zulk een overijld woord heeft hij later terug genomen, toen rustiger tijden hem tot kalmer beoor-

23

-ocr page 382-

354

cleeling in staat stelden. Terwijl hij vroeger hoofdzakelijk strijdschriften had moeten schrijven, gaf hij nu op den Wartburg in de „Kirclienpostillequot; een voortreffelijke verzameling leerredenen tot stichting der gemeente uit. En terwijl hij veel met lichamelijke zwakheid en geestelijke aanvechting te strijden had, bleef hij nederig en ootmoedig, en bleef dus het schoonste kenmerk van den waren Godsman zijn deel.

De kostelijkste vrucht van zijn eenzaamheid was de vertaling der H. Schrift, de eerste leesbare vertaling, die op Duitschen bodem verscheen. Op den Wartburg vertaalde Luther het Nieuwe Testament; het Oude volgde daarna bij gedeelten. Eindelijk (1534) was het geheele werk voltooid. Onbeschrijfelijke moeielijkheden waren het, welke bij den toemnaligen stand der wetenschap bijkans niet te overwinnen waren, waarmede deze arbeid te worstelen had. Met bewonderenswaardige volharding hebben echter Luther en zijne geleerde vrienden deze beletselen overwonnen, en zich ingespannen om den inhoud der goddelijke oorkonden goed weer te geven. Hij zelf laat zich hierover aldus uit: „Het is ons meermalen gebeurd, dat wij veertien dagen of drie weken naar een enkel woord hebben gezocht en gevraagd, en het toch niet hebben gevonden. In het Boek Job werkten wij zoo langzaam, dat wij in vier dagen somtijds nauwelijks drie volzinnen afkregen. Nu het in \'t Duitsch is overgebracht en gereed is, kan een ieder het lezen en in zich opnemen.quot; — „O, welk een groot en verdrietig werk is het, de He-breeuwsche schrijvers te dwingen, Duitsch te spreken! Zij verzetten zich met alle macht, en willen hunne Hebreeuwsche manieren niet laten varen en de Duitsche overnemen! Het is alsof een nachtegaal zijne liefelijke melodie moest inruilen tegen het geroep van den koekoek.quot; Luther heeft intusschen de Hebreeuwsche en Grieksche schrijvers uitnemend weten te dwingen, het „grove Duitschquot; te spreken. En ook zijn overige arbeid heeft door deze Bijbelvertaling zooveel meer kracht, voortgang en zegen gehad, als Lutlier zelf nauwelijks vermoedde. Zijn vriend Bugenhagen hield dan ook aan \'t eind van dat werk een huiselijk feest, om met zijn kinderen en vrienden God voor dit heerlijke werk te danken.

Doch keeren wij terug naar den Wartburg, of, gelijk Luther het noemde: zijn Patmos. Slechts korten tijd duurde Luther\'s schijnbare werkeloosheid. Door briefwisseling bleef hij in nauwe verbinding

-ocr page 383-

355

met zijn vrienden te Wittenberg en bracht er zelfs eens in het geheim een bezoek. Bovendien gaf hij allerlei geschriften uit, om tien arbeid, dien hij was aangevangen, te ondersteunen en voort te zetten. Zoo had de kardinaal-aartsbisschop van Mainz opnieuw den aflaathandel doen voortzetten te Halle, toen Luther\'s mond verstomd scheen te zijn. Toen schreef Luther een geschrift: „Tegen den afgod te Halle/\' en kondigde den bisschop aan, dat hij dit openlijk zou verspreiden, als aan den aflaathandel niet binnen veertien dagen een einde werd gemaakt. Hij schreef: „Uwe genade meene niet, dat Luther dood is. Hij moet uwe genade aanzeggen, dat, indien de afgod niet wordt weggedaan, hij in het belang van de christelijke leer en de eeuwige zaligheid der christenen, uwe genade en den paus openlijk zal moeten aantasten, en aan de ge-heele wereld toonen het onderscheid, dat er is tusschen eenen bisschop en een wol f. Uwe genade moge nu weten zich daarnaar te gedragen.quot; De aartsbisschop was getroffen, verbood den aflaathandel, en schreef aan Luther: „Waarde doctor, ik heb uwen brief ontvangen en gelezen en goed opgenomen; ik heb echter goede hoop, dat de oorzaak geheel is weggenomen, die u tot zulk schrijven aanleiding hoeft gegeven. Ik zal mij, zoo God wil, gedragen gelijk liet eenen vromen geestelijke en kerkvorst betaamt.quot;

Op den Wartburg vertoefde Luther, althans aanvankelijk, onder den naam van Jonker George en droeg ridderkleeding om door niemand herkend te worden. Maar spoedig zou hij het ridderzwaard weer verwisselen met het zwaard des geestes.

II

1

1| j ||

\\

!

dil

Waar God op aarde Zijn rijk wil stichten, pleegt de mensclie-lijke zonde zich al spoedig belemmerend in den weg te plaatsen. Gelijk zich eenmaal naast de door God gezonden profeten ook valsche profeten verhieven, om de harten te verwarren en van de waarheid te vervreemden, zoo bracht ook Luthers strijd tegen Rome hem allerlei bondgenooten, die, bij al hun voorgewenden ijver voor \'t Koninkrijk Gods, toch slechts het hunne zochten en zoo de heilige zaak der hervorming schade deden. Toen nu Luther van \'toor-logstooneel verdwenen was, schenen zij het veld vrij te hebben. Niet geleid door den ootmoed en de wijsheid van eenen Luther, meenden zij alle papistische misbruiken met geweld te moeten af-schaffen, en beschouwden de inblazingen

moedig hart als

van hun eigen hoog-ingevingen Gods, zoodat zij dan ook niet weinig

-ocr page 384-

;i56

atVeken van de leer der H. Selirift, voor welke zij tocli zeiden te strijden.

Het eerst werd eene dergelijke vleesclielijke beweging waargenomen in de Saksische stad Zwickau.

Aldaar had zich nl. onder de opgewonden burgerij eene talrijke omwentelingspartij gevormd, waarvan Thomas Münzer, een prediker, en Nicolaas Slorch, een lakenwever, aan het hoofd stonden. Terwijl zij hunne eigene meeningen boven de uitspraken der H. Schrift stelden, spraken zij met minachting over de eerbiedwaardige instellingen van de Kerk en verwierpen b. v. den kinderdoop. Over Luther liet een hunner zich aldus uit: „Martinus heeft meestal gelijk, maar niet in allen deele. Er zal nog een ander na hem komen, met een hoogeren geest bezield.quot; Maar de raad van de stad gedroeg zich als een echte christelijke overheid betaamt, stelde aan de wanordelijkheden met krachtige hand paal en perk, en verbande Münzer uit de stad.

Wrevelig togen nu de „Zwickauer profetenquot; naar Wittenberg, om daar in de bakermat der hervorming zelve hunne nieuwe leer te verspreiden. Hier vonden zij een kloeken aanvoerder en geleerden verdediger in deu predikant Andreas Bodenstein, uit Karlstadt in Beieren, daarom gewoonlijk Karlstadt genaamd. Deze moedige tnat.r onbezonnen vriend der reformatie was alreeds veel verder gegaan dan Luther zelf. Hij hield de mis in het Duitsch, en was in het huwelijk getreden.

Het samenwerken van Karlstadt met de Zwickauer profeten had bij de onstuimigheid, welke hen beide kenmerkte, rumoerige tooneelen ten gevolge, te meer nog, daar de licht ontvlambare studeerende jongelingschap het voorbeeld van Karlstadt volgde. De kerken, nog als altijd versierd, werden bestormd, de heilige beelden verbrijzeld, de gewijde plaatsen en heilige vaten ontwijd. Luid deden hierop de vijanden der reformatie hun aanklachten hooren, terwijl zij om de schijnbare vruchten het werk zelf veroordeelden. De keurvorst was diep geschokt; zijne zwakke waarschuwingen bleven zonder vrucht. Melanchton was radeloos, en beschouwde Luther als den éénigen man, die kon helpen en raden. En Luther hielp. Hij verliet (3 Maart 1522) zijn Wartburg en snelde, nog altijd in riddergewaad, naar zijn geliefd Wittenberg. Hij had altijd daarnaar terug verlangd en eens diepbewogen uitgeroepen: „O, gelukkig toch, die in Wittenberg is!quot;

-ocr page 385-

357

Toen hij nu door Jena kwam en daar in een herberg zijn intrek had genomen, kwamen daar ook twee studenten uit Zwitserland, die op reis waren naar Wittenberg. Luther sprak hen vriendelijk aan, en noodigde hen uit bij hem te kumen zitten. Verwonderd vraagden zij zich af, wie toch de man kou zijn, die wel een ridder geleek en toch een psalmboek voor zich had, en voortreffelijk over geestelijke zaken wist te spreken. Toen de waard hen influisterde, dat het Luther was, verstonden zij hein verkeerd en dachten, dat het Hutten was, maar tot hun groote vreugde vonden zij den vreemden ridder later te Wittenberg als Luther terug.

Daar Luther tegen liet bevel van den keurvorst den Wartburg verlaten had, gehoorzamend aan \'t bevel van een nog grooteren Meester, schreef hij hem van Borna uit eenen brief, die een voorbeeld genoemd mag worden van christelijke nederigheid en vrijmoedigheid tegelijk. „Hij had/\' zoo schreef hij, „nu een jaar lang zich geschikt naar den keurvorst en zich stil gehouden, uiaar nu was hij zoo met jammer vervuld, uatquot; hij nergens anders op kon letten. Ik schrijf dit aan uwe keurvorstelijke genade, opdat gij moogt weten, dat ik naar Wittenberg reis onder machtiger bescherming zelfs dan de uwe. Ik ben ook niet van zins van uwe genade bescherming te vragen. .Ta, ik houd het er voor, dat ik u meer zou kunnen beschermen, dan gij mij. Wie het meest geloof bezit kan hier het meest bescherming verleenen.quot; En dan eindigt hij aldus: „Indien uwe genade geloofde, zou zij de heerlijkheid Gods zien. Maar daar zij nog uiet gelooft, heeft zij nog niets gezien. God zij geliefd en geloofd tot in eeuwigheid! Amen.quot;

Nu predikte Luther een week lang dagelijks vol ernst en zachtmoedigheid tegen den beeldstorm. Hij zeide: „Ik wilde, dat op de gansche aarde geen mis meer werd bediend, maar toch mag de liefde hierin niet gestreng zijn en met geweld wegrukken. Men moet niemand bij de haren daarvandaan trekken, maar het aan God overlaten, en Zijn Woord alleen Zijn werk laten doen.quot; „Neemt een voorbeeld aan mij. Ik heb mij tegenover don aflaat en alle pausgeziuden gesteld, maar niet met geweld. Ik heb alleen Gods Woord bestudeerd, gepredikt en geschreven; verder heb ik niets gedaan. En dat heeft, als ik sliep, zooveel uitgewerkt, dat het pausdom zoo krachteloos is geworden, dat noch keizer noch koning het zooveel afbreuk heeft gedaan.quot; Van de beelden zegt hij — wat

-ocr page 386-

358

wij, Hervormden, hem niet zonder voorbehoud nazeggen: „Als herinneringsteekenen zijn de crucifixen en heiligenbeelden goed cn loffelijk. quot;Wanneer het geen zonde is, maar goed, dat ik het beeld van Christus in het harte draag, waarom zou het zonde zijn Hem voor oogen te hebben?quot;

Zóó deed Luther den vrede wederki eren. Karlstadt hield zich stil en de valsche profeten verlieten Wittenberg. Zij waagden het niet hun geheimen wrok tegen Luther lucht to geven.

Nog gevaarlijker voor het Evangelie was de treurige verwarring tusschen geestelijke en wereldlijke vrijheid, gelijk die eerst onder de ridders, daarna onder het geringe volk in woord eu daad aan het licht trad.

Bij den heerschenden onwil tegen do geestelijke onderdrukking, die van Roiuo uitging, was Luthers optreden allorwegc met blijdschap begroet. Maar terwijl Luther slechts met hot wapen des Woords voor het Godsrijk streed, oorloogden anderen mot vleeschelijken toorn en vleesehelijke wapenen tegen Home en zijn aanhangers. Zoo had de moedige ridder Frans von Sickingen (f 1523) de Keul-sche priestermacht met geweld van wapenen gedwongen een onrechtvaardig proces tegen den geleerden Reuchlin op te geven, cn toen over Luther de rijksban was uitgesproken, bood hij hem in zijne burchten een toevluchtsoord aan. Zoo had de geestige en geloerde ridder Ut rich von Hutten (f 1523), de onverzoenlijke tegenstander der pausen, zijn zwaard tor beschikking van Luther gesteld, terwijl hij ook de pen met vlugheid en scherpte wist te hanteeren. Maar Luther wees beslist dit aanbod af, en zeide: „Ik zou niet gaarne willen, dat men met geweld on bloedvergieten voor het Evangelie ging strijden. Door het Woord is de wereld overwonnen.quot;

De grootste begripsverwarring echter aangaande de door Luther verdedigde christelijke vrijheid heerschte onder den boerenstand. Deze dacht het eerst aan de slavernij, waarin hij versmachtte. In die dagen bestond nog de lijfeigenschap, welke drukkende last dikwijls nog door den overmoed van vorsten en edelen schandelijk verzwaard werd. Reeds lang vóór de reformatie waren herhaaldelijk oproeren uitgebroken onder de landlieden, maar altijd waren deze met geweld onderdrukt. Ook nu verbreidde zich eene groote gisting onder hen, toon Luthers woord over de vrijheid van den christen bekend, maar niet verstaan werd. Luther vermoedde, wat dreigde

-ocr page 387-

359

te geschieden. Hij liet zich daavoiu aldus uit; „Ik vrees voor een groot oproer in Duitscliland, waarmede God de Duitsche natie zal straffen. Wij zien al. dat dit Evangelie den gemeenen man vuor-treffelijk naar den zin is, maar zij nemen het vleesclielijk op; zij zien, dat het waar is, en willen het toch niet goed gebruiken.quot; Nog tijdens zijn verblijf op den Wartburg richtte hij daarom eene „vermaning aan alle christenen, om zich voor oproer en opstand te wachten.quot; Hij zegt daarin: „Zij, die mijne leer goed verstaan en lezen, maken geen oproer; zij hebben het van mij niet geleerd. \' — „Ik houd het en zal het altijd houden met dat deel, dat van \'t oproer lijdt, al staan zij ook voor eene onrechtvaardige zaak. \\V ant geen oproer is ooit rechtvaardig, al strijdt het voor de meest rechtvaardige zaak. Oproer is niets anders dan zichzelven richten en wreken. Dat kan God niet dulden.quot; Doch deze vermaning droeg geen vrucht. In 1524 brak de opstand uit in Zwaben, vanwaar hij zich over Frankenland en ïhuringen uitbreidde.

De boeren waren in den aanvang nog gematigd in hunne eischen; zij stonden toen nog voor eeu deel onder de tucht des Evangelies. Zij stelden 12 artikelen op, waarin zij al hunne bezwaren en wenschen mededeelden. Zij verlangden de zuivere prediking van het Evangelie door predikanten, die zij zelf kozen, vrije jacht en visscherij, afschaffing der lijfeigenschap, vermindei\'iag van heerendiensten en belastingen.

Luther vermaant in een nieuw geschrift de beide partijen zich te verzoenen. Daarin waarschuwt hij de vorsten voor al te groote gestrengheid; de boeren wijst hij uit de Schrift aan, hoe onchristelijk zij handelen. Aan de eersten roept hij,toe: „Indien gij nu nog te raden zijt, mijne waarde heeren, geeft om \'s Heeren wil den toorn een weinig plaats. Tracht het nog in der minne te schikken, daar gij niet weet, wat God kan laten geschieden.quot; Don boeren zegt hij, dat de Schrift vermaant alle overheden onderdanig te zijn.

„Met dit grondbeginsel is eigenlijk op al uwe artikelen geantwoord. Want al waren zij ook alle natuurlijk en rechtvaardig en billijk, dan hebt gij toch het christelijke recht vergeten in zooverre, dat gij ze niet met onderworpenheid en gebed, zooals het christenen past, veroverd hebt, maar met het ongeduld en de boosaardigheid van het natuurlijke hart.quot;

Dc keurvorst toonde zich zeer verdraagzaam tegenover den

-ocr page 388-

;360

opstand, die dan ook in Saksen niet recht wortel wilde scliioteu. Maar daar trad Thomas Münzer, destijds predikant te Allstedt in Thüriugen, op als het hoofd der beweging. Met groote bijbelkennis en schitterende welsprekendheid toegerust, maar vol van hartstochtelijken ijver en zonder ootmoed, had deze man zich zeiven en zijnen aanhangers diets gemaakt, dat hij door God gezonden was om wraak te nemen op de vorsten. Hij noemde Luther het „gees-telooze, gemakkelijk levende vleesch te Wittenberg,quot; en zichzclven den „Knecht Gods met liet zwaard van Gideon.quot;

Hij riep de landlieden te wapen onder de heftigste smaadredenen tegen alle vorsten en edelen, en deed de schandelijkste gewelddaden in Thüringen. Nog schandelijker was door andere troepen reeds vroeger in Zwabeu en Frankenland huis gehouden. Toen begon Luther in nieuwe geschriften de oproermakers te bestraffen en zeide openlijk: „Ik houd het er voor, dat het beter was, dat alle boeren werden doodgeslagen dan de vorsten en overheden, daar de boeren het zwaard voeren niet op Gods bevel.quot; Ook trachtte hij in Thüringen op de gemoederen te werken, maar meestal te vergeefs.

Nu vereenigden de vorsten van Middel-Duitschland hunne legers en trokken de oproerige benden tegemoet. Bij Franken ha usen 15 Mei 1525 werden do boeren geheel verslagen. Thomas Münzer werd gevangen genomen en onthoofd. Niettegenstaande Luthers vermaning werd den boeren een zwaar juk op de schouders gelegd.

Intusschen was Frederik de Wijze (5 Mei 1525) ontslapen. quot;Hij was een zoon des vredes, en in vrede is hij gestorven,\'quot; zeide de geneesheer bij zijn doodbed.

§ 54.

Tyd van rustige ontwikkeling.

Karlstadt en Münzer hadden door onbezonnenheid en misdaad de reine zaak van het Evangelie bezoedeld. Doch de ontketende hartstochten werden gebreideld door liet kalme woord van Luther en de overwinning der vorsten. Het werd aau ieder tevens openbaar, dat het werk der hervorming niets gemeen had met dweeperij en oproerige handelingen. Zoo werd de indruk bij \'t volk meer en

-ocr page 389-

361

meer gevestigd, dat het Gods werk was. Eenige vorsten beproefden wel in liuiiiie landen liet pauselijk gezag hoog te houden, zooals behalve de keizer voornamelijk de hertogen van Beieren en Saksen en, natuurlijk, de bisschoppen; zij verboden de geschriften van Luther en bestraften hunne onderdanen, wanneer zij zich aan afval van de Kerk schuldig maakten of zelfs indien ze daarvan verdacht werden. Maar niet weinige gebieders daarentegen sloten zich uit vrije overtuiging bij de hervormingspartij aan, of werden medege-sleept door de publieke meening, die losmaking van Rome eischte. Het eerst verklaarden zich de vrije rijkssteden voor Luthers leer, daar zij slechts te rekenen hadden met den wil des volks. Daar traden dan nu de grondbeginselen van Luther in het leven op^ welke tot nog toe slechts in woord en geschrift door hem waren uitgesproken en verdedigd. Duizende monniken en nonnen keerden uit de donkere kloostercel terug iu het werkelijke leven met zijn vreugde en strijd, daar zij hadden ingezien, dat hunne kloostergelofte in strijd was met het Evangelie, en daarom ongeldig. De priesters mochten zich nu levensgezellinnen kiezen, daar Gods gebod hun méér gold dan menschelijke instellingen. Uit den eeredienst werd de Roomsche afgoderij verwijderd en de Duitsche taal ingevoerd. Toch ging Luther hierbij zeer verschoonend te werk. Hij liet de kerken en de ceremoniën al de versieringen behouden, waarmede de gebruiken van vroeger dagen ze getooid hadden. Openlijk sprak hij het uit: „Ik ben niet van oordeel, dat door het Evangelie alle kunst terneder geslagen behoeft te worden of moet vergaan, zooals eenigen over-geestelijk beweren, maar ik zou gaarne alle kunsten, vooral de muziek, in dienst zien gesteld van Hem, die ze gegeven heeft.quot; Ook het gebruik van \'t Latijn wilde hij voor een gedeelte der liturgie behouden zien. Het Avondmaal werd in alle evangelische landen onder beiderlei gestalte bediend.

Eene overgang van oude toestanden in nieuwe gaat altijd met allerlei verwarring gepaard. Zoo ook toen; de oude verhoudingen waren opgelost, en nog was geen nieuwe orde van zaken geboren. Vele gemeenten die nu trouw zwoeren aan \'t Evangelie, hadden nog geen geestelijken, of hadden door den nood gedrongen het herders-ampt in onbekwame handen moeten geven. De inrichtingen dier nieuwe gemeenten waren overal \'t werk geweest van afzonderlijke personen, zoodat er veel sporen van willekeur waren waar te nemen. Daarom was

-ocr page 390-

362

het noodzakelijk aan de nieuwe Kerk nieuwe wetten te geven. En daar nu de bisschoppelijke maelit niet meer bestond, aan welke vroeger geestelijken en gemeenten onderworpen waren, namen de vorsten zelve de regeling der Lutliersclie Kerk ter liand. Zoo riep de landgraaf Philips van Hessen (1536) geestelijke en wereldlijke vertegenwoordigers van zijn volk samen tot eene Synode te Homburg, om daar eene kerkorde vast te stellen. Keurvorst Joh an van Saksen gebood, dat eeuige daartoe verkozen predikers zijn land zouden doorreizen, en de ordening der kerken en gemeenten aan een nauwkeurig onderzoek onderwerpen. Om deze eerste kerkvisitatie vour te bereiden, gaf Luther een voortreffelijk boekje uit, dat tot titel had : „Onderricht der visitatoren aan de predikanten in het keurvorstendom Saksen.quot; Do visitatie werd 1528—29 met groote zorg gehouden. Vergezeld van andere vrienden, bezocht Luther den omtrek van Wittenberg, en Melanchton Thüringen. Zij vonden bij het volk, maar ook bij de geestelijken, schromelijke onwetendheid in geestelijke dingen. Niet op één oogenblik kon de duisternis wijken, waarin het pausdom do volkeren gehuld had. Daarom schreef Luther (1529) den grooten Catechismus voor de leeraren, en de kleine voor de jeugd en het volk, om hun de rechte kennis van den weg des heils in te prenten. Om de voortreffelijkheid dezer geschriften zijn zij in de Luthersche kerk nog tot heden in gebruik. Luther mocht schoone vruchten van zijnen arbeid zien, en kon weldra aan don keurvorst schrijven: „Knapen en meisjes groeien nu op, wel onderricht door Catechismus en H. Schrift, zoodat het mij goed doet aan mijn hart, te zien, hoe tegenwoordig jonge knapen en meisjes méér leeren over God en Christus, dan vroeger in alle scholen en kloosters geleerd kon worden.quot; Een verder gevolg van de visitatie was de aanstelling van superintendenten, d. i. ambtsdragers, die over de predikanten van eene gehcele landstreek het opzicht hebben.

Afwisselend waren intusschen de kansen van den uitwendigen strijd, waarin de jonge Kerk gewikkeld was. Zoolang als keizer Karei in beslag werd genomen door den ernstigen oorlog tegen Frankrijk, liet hij de Evangelische rijksstenden begaan. Paus Adri-aan VI (1522—23) hoopte door het beloven van eene reformatie der Kerk de Duitsche vorsten en volken voor zich te winnen, en daardoor Luther\'s reformatie te smoren, maar zijn opvolger koes-

-ocr page 391-

363

tenle eene ganscli andere gezindheid, eu alle hoop op toegeeflijkheid van de zijde van Rome verdween weder. Het scheen zelfs,, al sot de geestelijke strijd der Kerk door het zwaard der vorsten zou worden uitgevochten. De Znid-Duitsehe Roomschgezinde vorsten sloten nl. in 15.i4i te Regensburg een verbond om hot oude geloof te verdedigen, waarna op aandrang van den landgraaf Philips van Hessen de Evangelische Stendcu dit beantwoordden door te Torgau elkander houw en trouw te zweren, voor \'t geval van vijandelijke aanvallen. Luther waarschuwde ernstig tegen pogingen om tegen don keizsr op te staan, en wilde liever het land verlaten, dan de oorzaak te worden van een binnenlandschen krijg. Ook de Rooinsche partij draalde met het beginnen van vijandelijkheden. Zoo werd op eenen Rijksdag te Sjriers (1536) vastgesteld, dat alle overheden des rijks zoo zouden leven, regeereu en zich gedragen, als zij meenden liet tegenover God en den keizer te kunnen verantwoorden, totdat op een algemeen Concilie over de zaken zou worden beslist. Maar toen de keizer over zijne buitenlandsche vijanden gezegevierd had, vatte de Rooinsche partij opnieuw moed, en stelde op een tweeden Rijksdag te Spiers (1529) vast, dat voortaan, tot het eerstvolgende algemeene Concilie, geen vorstendom van leer veranderen mocht, en zij, die reeds tot de nieuwe leer waren overgegaan, toch niet verder zouden gaan met hervormingen in dien geest. Deu predikers werd opgedragen, het Woord Gods alleen in den geest der Rooinsche Kerk uit te leggen. Tegen zulk een\' onrechtvaardigen eisch dienden do Bvangelischen, na een snel genomen en spoedig uitgevoerd besluit, eene plechtige verwering —protestatie — in. Deze was onderteekend door dc vorsten : J oh an van Saksen, Philips van Hessen, George van Brandenburg, Ernst en Frans van Brunsio\'jh, Wolfgang van Anhalt en door de vertegenwoordigers vau 14 rijkssteden. Daarnaar verkregen de onderteekenaars en met hen alle aanhangers van Luther den naam van Protestanten. De protestatie werd door den keizer zeer euvel opgenomen.

De levensloop van Luther was in deze jaren rustiger dan te voren, eu bracht hem zeiven eu zijn volk zegen. Nog steeds had hij, bij al zijnen strijd tegeu kloosterheiligheid, voor zijn persoon zich gebonden aan \'t monniksleven. Maar toen de Augustijners te Wittenberg allen hun monniksgelofte verbroken hadden, verliet Luther (1524) met den prior als de laatste het nu eenzaam geworden

-ocr page 392-

364

klooster. Ja toen de non Catharina von Hora, uit het klooster Nimbschen bij Grim nut, naar Wittenberg ontvlucht was, en nu hulpeloos en radeloos stond in de haar vreemde wereld, alleen steunend op de hulp van Luther, besloot deze uit gehoorzaamheid aan de goddelijke en nienschelijke ordening haar de hand te reiken ten huwelijk. Den 13den Juni 1525 werd hun huwelijk door Luthers vriend BugenJtagen ingezegend. Geen bloot aardsche liefde was de grondslag van dit verbond, maar de gemeenschappelijke liefde dezer echtelieden voor den Heer, vereenigde hen beter en inniger dan aardsche liefde liet had vermogen te doen. Catharina zag steeds met eerbiedige liefde tot den man op, die zoo hoog boven haar stond, en hij op zijn beurt verpoosde zich gaarne te midden van de moeiten van zijn veelbewogen leven aan den huiselijken haard, en gaf zich dan aan de vreugde van het huiselijk leven met al de eenvoudigheid en hartelijkheid van zijn rijk gemoed. De brieven door hem aan Catharina geschreven, wanneer hij een tijdlang van huis was, zijn vol vroolijke scherts, waartusschen men echter een\' diepen en heiligen ernst ziet henenschemeren. Zoo draagt een dezer brieven tot opschrift: „Aan de hooggeleerde vrouwe Catharina Lutherin, mijne genadige huisvrouw;quot; een andere: „Aan de heilige zorgzame vrouwe Lutherin, doctorin, mijne genadige lieve huisvrouw.quot; In dezen laatsten brief vermaant hij haar aldus haar vertrouwen op God te stellen: „Allerheiligste vrouw doctorin. Wij danken u heel vriendelijk voor uwe groote bezorgdheid, waardoor gij zelfs niet kunt slapen. Ik ben bezorgd, dat als gij niet ophoudt met bezorgd te zijn, ons ten slotte de aarde zal verslinden en alle elementen ons zullen vervolgen. Leert gij zóó uwen catechismus en beoefent gij zóó uw geloof? Bid liever en laat God zorgen.quot; Eveneens weet deze groote held Gods af te dalen tot kinderlijke eenvoudigheid; hij beschrijft aan zijn zoontje Hansje het paradijs als een verrukkelijken tuin, waar de vrome kinderen in mogen komen en gouden kleertjes en mooie paardjes met gouden toornen krijgen. En als hij in den kring zijner vrienden was, weiden vroolijke en droevige dingen besproken en daarbij menig ernstig en blijmoedig woord uit Luthers mond vernomen. Vele van deze bij verschillende gelegenheden gesproken opmerkingen zijn later verzameld, en als een boekje onder den naam van „Dr. Maarten Luthers Tafelgesprekkenquot; uitgegeven. Onder de daar verzamelde

-ocr page 393-

365

uitspraken zijn b. v. deze: „De Bijbel is eeu prachtig bosch, waarin geen boom staat, waartegen ik niet wel eens met mijn hand geklapt heb.quot; — „Als ik iets te zeggen had, zou ik willen, dat men niemand tot diaken of predikant koos, als hij niet van te voren een jaar of drie op de scholen naast andere goede kundigheden den kinderen den catechismus had onderwezen en vlijtig met hen herhaald. Scholen zijn ook tempelen Gods.quot; — „Een prediker moet drie dingen doen: trouw den Bijbel lezen, van harte bidden en eeu leerling blijven. Dan is hij een groot theoloog.quot; Luther zelf heeft zich altijd trouw aan deze drie dingen gehouden.

Behalve dit alles ging Luther altijd voort met dichten en schrijven. En nog altijd grijpen zijne gedichten en geschriften ons in \'t hart. Want al zijne woorden komen voort uit een gemoed, dat door storm en aanvechting heen, den vrede Gods deelachtig is geworden. Nu staat hij als \'t ware op de vrije hoogte des geloofs, en ziet van daar met helderen blik op het aardsche leven onder hem en het hemelsche boven hem. Hij gevoelt zich door den Heer geroepen om Zijn werk te doen en weet daarom, dat de Heer hem altijd ter zijde staat. Vandaar die wonderbare frischheid en opgewektheid des geestes, die hem nooit, zelfs niet in droeve dagen, verlaat. Zijue vrienden omringden hein dan ook met hartelijke liefde en bewondering, en uit alle landen stroomden jongelingen en mannen naar Wittenberg om aan Luthers voeten te zitten, en aandachtig naar hem te hooren.

§ 55.

Do Augslmrgsche geloofslbelijdeiiis.

Gedurende een tiental jaren had keizer Karei, in zijne aanhoudende oorlogen tegen andere vorsten, de Duitsche legers noodig gehad en daarom het Duitsche geweten vrij gelaten. Zoo had de leer van \'t reine Evangelie zicli een plaats veroverd en was aanvankelijk krachtig geworden, zonder dal het met veel tegenstand te worstelen had. Nu zou voor zijn vrienden de tijd aanbreken om zich trouw te betoenen in den goeden strijd des geloofs. Eindelijk gaf Gods wijsheid den keizer zijne vijanden te overwinnen. De

-ocr page 394-

366

koning v:m Erankrijk werd gedwongen vrede te sluiten; de Turken trokken, na te vergeefs Weenen bestormd te hebben, naar Imn land terug, en zelfs de paus kroonde den keizer, wiens invloed en overmacht hij zoo lang gevreesd en bestreden had. Maar juist bij deze kroning legde de keizer de plechtige belofte af, dat hij de afvalligen onder de macht des pausen terug zou brengen. Hij meende verplicht te zijn, hij meende ook de kracht te bezitten nu eindelijk den strijd met de nieuwe leer, een strijd waarnaar hij reeds zoo lang verlangd bad. aau te binden.

Toen de boden der Lutherschc Stenden (leden van den Rijksdag) hem de protestatie van Spiers overbrachten, liet hij hen in de gevangenis werpen. En toen de keizer eindelijk antwoordde, eischte hij gehoorzame onderwerping aan het besluit van den Rijksdag, dat door de meerderheid der vorsten onderteekend was. Zulke dreigende voorteekenen van naderend gevaar, noopten de onderteekenaars der protestatie te Schwabach in Erankenland (15.29) eene samenkomst te houden. Bij deze gelegenheid heeft Luther 17 stellingen — de Schwalacher artikelen — opgesteld om uitdrukking te geven aan hun gemeenschappelijk geloof. Wel zou de haastige Philips van Hessen gaarne dadelijk het zwaard hebben getrokken om den keizerlijken tegenstander af te weren, maar Luther bleef bij zijne overtuiging, dat men geen oproer mocht beginnen tegen den gezalfde des Heeren, en evenmin wereldlijke wapenen gebruiken in een geestelijken strijd.

Nu riep de keizer de vorsten samen tot een nieuwen Rijksdag te Augsburg, waar ook over de belangrijke vragen der Kerk zou worden gehandeld. De keurvorst Johan van Saksen zag meer dan ooit de noodzakelijkheid in, om eene duidelijke en klare geloofsbelijdenis te doen opstellen, opdat Luthers leer aan de wereld openbaar zou worden als te zijn de zuivere waarheid des Evangelies. Op zijn verzoek onderwierp Luther gezamenlijk met zijne vrienden Melanchton, Jonas en Bugenhagen de Schwabacher artikelen aan eene nieuwe bewerking. Tevens verklaarden zich de vier godgeleerden bereid, zeiven naar Augsburg te gaan en zich daar te verantwoorden, opdat de keurvorst niet in gevaar zou worden gebracht. Maar Johan van Saksen antwoordde op dit voorstel: „Dat zou God niet willen, dat ik er buiten gesloten zou zijn. Ik wil met u te zamen mijnen Heer belijden.quot; Daarop gebood hij, dat men in alle kerken

-ocr page 395-

367

des lands oiu eenen gezegenden afloop van den Rijksdag zou bidden, — en dit gebed is verboord. Daarna vertrok de keurvorst, welgemoed, en was de. eerste vorst, die te Augsburg aankwam. Melanchton, Jonas en Spalatin waren in zijn gevolg, Lutlier vergezelde hem slechts tot Coburg en bleef daar achter. De vervloekte balling kon zich niet vertoonen in de tegenwoordigheid des keizers. Maar evenals Mozes in den slag met de Amalekieten, zoo heeft Lnther, gedurende de samenkomst van den Rijksdag te Augsburg, tot God geroepen, en door gebed zijne vrienden gesterkt in hunnen strijd. Zelf versterkte hij zijnen moed door het, misschien reeds in 1529 gedichte, lied: „Een vaste burg is onze God.quot; Dit lied kan men liet aanzien, dat het in dagen van zwaren strijd is gedicht. En het is later het strijd- en overwinningslied geworden der hervorming.

Na lang op zich te hebben laten wachten, hetgeen niet veel goeds voorspelde, deed de keizer 15 Juni 1530 zijn intocht in Augsburg. Daar nu den volgenden dag het Roomsche Sacramentsfeest gevierd werd, gebood hij aan de Luthersche vorsten zich evenals de Roomsche aan te sluiten aan den plechtigen optocht. Dit weigerden zij, en de keizer gaf toe. Maar vervolgens eischte hij ook, dat de predikers, die zij hadden medegebracht naar Augsburg, dadelijk zonden ophouden te prediken. ïoen antwoordde George van Brandenburg in heilige verontwaardiging: „Eer ik mijnen God en Zijn Evangelie wilde verloochenen, zou ik liever hier voor uwe keizerlijke majesteit willen nederknielen en mij het hoofd laten afhouwen.quot; Deze vrijmoedigheid beviel den keizer, en glimlachend zeide hij, dat dat nu nog niet dadelijk noodig was. Eindelijk bepaalde hij, dat slechts eenige door hom aangewezen predikers te Augsburg mochten prediken, en wel zonder de eene of andere partij te bestrijden of te bespotten.

Intusschen had Melanchton op bevel van den keurvorst nogmaals de leerstellingen van Schwabach en Torgau aan een nauwkeurig onderzoek onderworpen, en zoo een geloofsbelijdenis opgesteld, die sedert bekend is onder den naam van Augshurgsche Confessie. Opgesteld door de bezadigdste godgeleerden uit die dagen, dagelijks nog met groote zorg nagezien en verbeterd, toonde dit even besliste als zachtmoedige geschrift aan, hoe Luther en de zijnen slechts menschelijke instellingen, welke in strijd waren met het Evangelie

-ocr page 396-

368

wilden verwijderen, en de leer van \'t zuivere Evangelie herstellen, zoodat zij dan ook met de apostelen en de gansche oorspronkelijke kerk op één zelfde standpunt des geloofs stonden. Toen het gereed was, werd het naar Luther te Coburg gezonden, die het terug zond met de woorden: „Het bevalt mij uitnemend, en ik weet er niets aan te verbeteren of te veranderen. Christus onze Heer geve, dat het vele en rijke vruchten drage \\quot;

Toen nu den 24sten Juni de keizer met vertegenwoordigers van alle rijksstenden in plechtige zitting vereenigd was, stonden de Luthersche vorsten op van hunne zetels, en lieten door den kanselier Brück, een\' Sakser, verklaren, dat zij bereid waren hunne geloofsbelijdenis openlijk voor te lezen en over te reiken. De keizer wilde wel \'t geschrift aannemen, maar gaf geene toestemming om het voor te lezen. Doch moedig en onbeschroomd bleef de kanselier hierop aandringen; alléén op die wijze konden de verschillende beschuldigingen, tegen Luther en zijne aanhangers ingebracht, ontzenuwd worden. En toen do keizer nog altijd aarzelde, herinnerde de kanselier hem er aan, hoe hij toch ook in zaken van minder belang zijn onderdanen steeds welwillend had aangehoord. Toen gebood de keizer, dat men den volgenden dag de Confessie zou voorlezen. Maar tegen dien dag (25 Juni) riep hij den Rijksdag niet bijeen in de groote zaal van \'t raadhuis, maar in een veel kleiner vertrek van het bisschoppelijk paleis, dat niet veel toehoorders kon bevatten. Toch stond er veel volks aan de poort, en onder de geopende vensters, om de geloofsbelijdenis der Lutheranen aan te hooren. Daarom gebood de keizer, dat men liet alleen voor hem bestemde Latijnsche exemplaar zou voorlezen. Maar keurvorst Johan begeerde, daar men op Duitschen bodem stond, dat de Confessie in \'t Duitsch zou worden voorgedragen. Ten slotte gaf de keizer toe, en nu las de kanselier van den keurvorst de heerlijke belijdenis zoo luide en zoo langzaam voor, dat zijne stem tot op eenen grooten afstand vernomen werd. Het was een plechtig oogenblik, en Luther noemt het vroolijk en blijde „een verstandige en geestige zet, dat, inplaats van eenige godgeleerden, de keurvorst van Saksen met andere vorsten en heeren optreedt om vrij uit te prediken voor de ooren van den keizer en het geheele rijk, zoodat zij wel moeten hooren, en niets er tegen kunnen zeggen.quot;

De voorlezing dezer geloofsbelijdenis maakte eenen geweldigen

-ocr page 397-

369

indruk. Zelfs Dr. Eek stemde toe, dat de Bvangelischen niet met de Heilige Schrift te wederleggen waren, waarop de hertog van Beieren antwoordde: „Dan zitten, als ik goed hoor, de Lutherschen in de Schrift, en wij er naast.quot; De bisschop van Augsburg zeide openlijk, dat, wat daar gelezen was, de zuivere en onloochenbare waarheid was. De keizer zelf was zoo getroffen, dat hij de Lu-thersche Stenden van zijn hooge ingenomenheid met hunne belijdenis verzekerde. Het Latijnsche exemplaar nam hij met zich mede. Dit was, evenals het Duitsche, onderteekend door de vorsten van Saksen en Hessen, door Wolfgang van Anhalt, Ernst van Luneburg en George van Brandenburg. Bij hen hadden zich de gezanten der vrije steden Neurenberg en Eeutlingen aangesloten.

Door deze geloofsbelijdenis was de eerste organische eenheid onder de belijders der nieuwe leer tot stand gekomen. En deze nieuwe Kerk mocht terecht beschouwd worden als de voortzetting-van de Apostolische Kerk van de eerste jaren des Christendoms. Zij was niet afgeweken van de Apostolische verkondiging, maar juist daartoe teruggekeerd. En alleen de pausgezinden waren afvallig geworden van het oorspronkelijk Christendom.

Weldra verkreeg intusschen in het hart des keizers de oude wrok tegen de Lutheranen wederom de overhand. Hij liet door Dr. Eek en eenige andere Roomsche priesters eene wederlegging

— Confutatie — van de Luthersche belijdenis ontwerpen en den 3den Augustus openlijk voorlezen. Maar het scheen wel, alsof hij zelf geen groot vertrouwen stelde in de bewijsvoering zijner priesters. Hij wees toch het billijk verzoek der Hervormden van de hand om een afdruk dezer confutatie, ten einde zich te kunnen verantwoorden. Evenwel verklaarde hij, dat de Luthersche Stenden van dwaling waren overtuigd, en dreigde de afvalligen met geweld tot onderwerping te zullen dwingen. Toen greep Melanchton, die vroeger wel eens door angstvalligheid dreigde \'t spoor bijster te geraken, plotseling moed. Hij had onder de voorlezing van de genoemde confutatie spoedig eenige aanteekeningen gemaakt, en schreef nu met zijne gewone omzichtigheid en duidelijkheid eene verdediging

— apologie — der Confessie, in welke hij alle leerstukken, waarover tusschen beide partijen den strijd liep, nog eens uiteenzette. Zoo legt deze apologie het verschil in wezen tusschen de beide Kerken bloot, terwijl de Confessie bestemd was om de hoogere

24

-ocr page 398-

;i70

geloofseenlieicl aan \'t liclit te brengen. Hoe voorlieffelijk echter deze apologie ook was, zij werd door den keizer noch aangehoord, noch aangenomen. Integendeel, aan het slot van de zitting van den Rijksdag gaf hij een gestreng edict, waarin, onder verwijzing naar een te houden algemeene Kerkvergadering, den Lutheranen een half jaar tijd gegund werd om tot de Roomsche Kerk terug te keeren. Tegelijk verklaarde hij, als beschermer van de Kerk, de dreigende scheuring, zelfs met geweld van wapenen, te willen verhinderen. Zoo werd de rijksdag opgeheven, zonder aan de volkeren de vrijheid des geloofs te hebben geschonken, waarnaar zij zoo smachtend uitzagen. Met tranen in de oogen nam keurvorst Johan afscheid van den keizer, die, bewogen en toornig tegelijk, hem toevoegde: „Dat had ik toch nooit van u kunnen denken.quot;

De strenge woorden van bedreiging door den keizer gesproken, brachten de Luthersche stenden er toe (29 Maart 1531) te Smal-Jcalden een verdedigingsverbond te sluiten, om elkaar (rouw ter zijde te staan in den strijd, die aanstaande was. Hierop had Karei niet gerekend. Het deed hem pijnlijk aan, en zoo betoonde hij zich dan verdraagzamer dan men gehoopt had. Opnieuw door de Turken in het nauw gebracht, sloot hij met de Luthersche vorsten den z.g. godsdienstvrede van Neurenberg, waarin hij hun, tot dat een Concilie zou hebben beslist, vrijheid van godsdienst toestond. Niet lang daarna stierf de keurvorst Johan. Hij had den goeden strijd gestreden en een goede getuigenis afgelegd voor vele getuigen.

Intusschen was de vrede niet van langen duur. Slechts gedwongen had dc keizer toegegeven, en de Lutheranen moesten steeds op hunne hoede zijn.

Herhaalde malen reeds had keizer Karei er bij den paus op aangedrongen een algemeen Concilie uit te schrijven, om zóó den vrede in het rijk en in de Kerk te herstellen. En waar hij dit deed, handelde hij geheel in den geest ook zijner Roomsche onderdanen. Maar de pauselijke stoel vreesde het wapen dat de volgelingen van Luther bezigden: het Woord Gods, en tegelijk ook klachten en bezwaren der nog trouw gebleven volken. Daarom bleef men opzettelijk talmen en dralen onder allerlei voorwendsels, totdat eindelijk paus Paulus III een list bedacht, om schijnbaar toe te geven en toch het Concilie te beletten. Hij riep (1536) een Kerkvergadering bijeen in dc stad Mantua in Lombardije, maar daar juist in die

-ocr page 399-

371

streken weder de strijd woedde iussclicn de keizerlijke en Fransche legers, was het feitelijk onmogelijk om aan deze oproeping gevolg te geven. Tegelijk eischte hij, dat de Protestanten zich reeds van te voren er toe zouden verbinden zich bij de besluiten van het Concilie neder te leggen. In antwoord hierop hielden de Protes-tantsche stenden opnieuw raad te Smalkalden (1537) en btsloten daar, terwijl zij het vroeger gesloten bondgenootschap hernieuwden, zich wel voor het Concilie te verantwoorden, maar de bedoelde belofte, van onderwerping reeds van te voren, te weigeren. Met recht merkten zij op, dat van een Concilie op Italiaanschen bodem het Duitsche volk geene gerechtigheid had te verwachten. Ook kon de paus niet als rechter optreden in een rechtzaak, waarin hij tegelijk zelf betrokken was. Luther had intusschen op verzoek van den nieuwen keurvorst Johan Trederik een nieuw belijdenisschrift—de. Srnalkaldische artikelen — opgesteld, waarin hij, na eene korte uiteenzetting van de grondwaarheden, waarin alle christenen overeenstemden, op eenvoudige en besliste wijze alles blootlegt, wat de Roomsche Kerk van de Evangelische gescheiden hield. Het eindigt aldus; „Dit zijn de artikelen, waarop ik moet en wil blijven staan tot in mijnen dood, zoo God wil, en er is daarin niets, dat ik zou kunnen veranderen of waarin ik zou kunnen toegeven.quot; Hij wist, dat eene verzoening niet meer mogelijk was, maar toch was hij bereid zelf naar het Concilie te gaan. Hij legde zijn geschrift aan zijn trouwe helpers voor, die het goedkeurden en onderteekenden. Toch voegde de zachte en wel eenigzins angstvallige Melanchton er bij: „Van den paus geloof ik, dat indien hij het Evangelie ongeschonden liet blijven, hem ook door ons, terwillc van den vrede en de eensgezindheid, een oppergezag volgens menschelijk recht over de bisschoppen kon worden gelaten.quot; Doch de paus wilde het Evangelie geen vrijen loop laten, noch ook, ter wille van den vrede, zijn geüsurpeerd recht prijs geven. Het Concilie kwam niet bijeen en men gaf daarvan natuurlijk de schuld aan de Protestanten. De pauselijke gezant Yergerio, die de onderhandelingen er over in Duitschland geleid had, ging korteutijd hierna tot de Protestant-sche Kerk over.

Nog altijd hoopte de keizer op verzoening. Hij deed verschillende godsdienstgesprekken houden, waarheen de Evangelischen opzettelijk in plaats van Luther Melanchton zonden. Maar al achtte

-ocr page 400-

372

men ziek somtijds het doel reerls zeer nabij, tocli vond men zich altijd weer een volgend oogenblik ontzachlijk ver daarvan verwijderd. De lloomsclien wilden niet buigen voor de eischen van het Evangelie; daarom was eene verzoening feitelijk onmogelijk.

De Protestanten namen voortdurend toe in aantal en macht. Hertog (Jlrich van Wurtemberg voerde in 1534 de leer van Luther in, die hem tot troost geweest was in groote rampen. De keurvorst Joachim van Brandenburg en hertog Hendrik van Saksen sloten zich met hunne landen, welke reeds lang voor de reformatie gewonnen waren, openlijk bij haar aan, terwijl hunne voorgangers heftige bestrijders geweest waren. De rijkssteden Straatsburg, Lindau, Memmingen en Constauz traden ook toe tot de Augsburgsclie Confessie. Zij hadden eerst deel uitgemaakt van de Zwitsersche hervorming. Doch daarover later. Zelfs de keurvorst aartsbisschop Herman van Keulen maakte plan om in zijn bisdom de hervorming in te voeren, maar keizer en paus dwongen hem (1547) afstand te doen van zijne waardigheden, en vernietigden wat hij was begonnen.

Doch reeds getuigden de Protestanten niet enkel met woorden, ook met hun bloed bezegelden zij hunne belijdenis. Naast de Nederlandsche geloofsgetuigen van die dagen Hendrik Voes en Johannes van Essen (waarover nader in § 62) zien wij in Duitsch-land weldra anderen. Zoo Adolf Clarenlach en Peter Fly steelt in Keulen (1529). Zoo de priester Leonard Kaiser te Passau (1534). Maar dit martelaarschap gedijde der Hervorming tot zegen, en evenals in de eerste dagen van het Christendom werd liet bloed der martelaren het zaad der Kerk.

§ 56.

Strjjd en vrede.

Het was in Gods raad besloten, dat de vorsten en volkeren, welke het geloof van Luther omhelsd hadden, eerst door strijd moesten henengaan voor vrede hun deel kon zijn. Maar alvorens die strijd begon, die vooral zwaar in Saksen woedde, had de Godsman zelf den strijd volstreden, en was tot de eeuwige Sabbatsrust ingegaan. De ijver voor \'s Heeren huis had zijne kracht gebroken; hij

-ocr page 401-

373

werd met zware krankheid bezoclit. De overigens zoo ujoedigc man was afgemat naar lichaam en geest beide, zoodat hij schreef: „Ik heh genoeg van de wereld en de wereld van mij.quot; Tot zijne vrienden richtte hij de bede: „Ik kan niet meer; bid God voor mij om een zalig sterfbed,\'\'\' Hij hield op met zijne voordrachten en pred\'katiën, nadat hij herhaaldelijk op den kansel in onmacht gevallen was. Zijn geest was somber, gelijk ook de tijden somber waren. Als een profeet staarde hij naar de toekomst, en deze toonde hem slechts onverkwikkelijke beelden. Den strijd tegen de vijanden vreesde hij minder dan de opgeblazenheid eener wetenschap, die de veranderlijke meeningen van de menschelijke rede hooger stelde dan de eeuwige geopenbaarde waarheden Gods. Zoo sprak hij in zijne laatste predikatie te Wittenberg: ,,De satan zal het licht der rede ontsteken en n van het geloof afbrengen. Ik zie duidelijk, dat indien God geen trouwe predikers en dienaren der Kerk geeft, de duivel door de wargeesten onze kerken vernietigen zal. — Bid God ernstig, dat Hij Zijn Woord bij u late blijven.quot; En een ander maal zeide hij, dat hij zeer ongaarne profeteerde aangaande de toekomst, omdat hij maar al te dikwijls verwerkelijkt had gezien, wat hij in den geest had aanschouwd, maar dat hij toch met groote smart moest uitspreken, dat hij donkere dagen voor Duitschland zag komen.

Nog aan den avond zijns levens werd Luther geroepen door de graven van Mansfeld, die hem in hooge eere hielden, een strijd, welke tusschen hen ontstaan was, te beslechten. Hoewel krank en levensmoede, volgde hij in 1546 bereidwillig deze roepstem op, en toog naar Eisleben, vergezeld door twee zijner zonen en zijnen vriend Jonas. Niettegenstaande zijne zwakheid predikte hij meermalen te Eisleben, en volbracht ook de hem opgedragen taak naar genoegen der graven. Den 17den Februari kreeg hij een voorgevoel, dat zijne geboortestad ook zijne laatste woonplaats op aarde zou worden. Met zijne gewone hartelijkheid nam hij afscheid van de zijnen toen hij zich ter ruste begaf, en beval zich zeiven en zijnen arbeid aan in hun gebed. In dienzelfden nacht gevoelde hij, dat de dood naderde. Hij bad veel en met groote innigheid. Maar toen hij door groote zwakte niet meer spreken kon, riep Jonas hem nog eens toe: „Eerwaarde vader, wilt gij trouw aan Christus en de leer, die gij gepredikt hebt, sterven?quot; Toen sprak hij nog

-ocr page 402-

374

met hoorbare stem: „Ja.quot; Daarna ontsliep hij (18 Februari 1546). Zijn stoffelijk overschot werd naar Wittenberg gebracht en in de slotkerk begraven. Bugenhagen en Melanchton spraken aan zijn graf, de eerste in het Duitsch, de ander in het Latijn. Hoe groot de rouw was, welke het volk droeg om dezen trouwen Godsman, is niet met woorden te zeggen.

Zóó ging een man ten hemel in, die een uitverkoren knecht des Heeren geweest was. Door hem is eene der grootste werken tot stand gekomen, welke God ooit tot stand heeft gebracht, maar uit eigen kracht of voor zich zeiven heeft hij nooit willen leven of arbeiden. Door dezen ootmoed geleid, sprak hij het openlijk uit, dat God tien doctors Luther maken kon. Hij was geroepen een strijder te zijn in \'s Heeren dienst, en dezen strijd des Heeren heeft hij trouw en met allen ernst gevoerd. Wel heeft zijne aangeboren heftigheid en de heerschende ruwheid van zijnen tijd hem tot menig woord verleid, dat blijken geeft van menschelijke onbedachtzaamheid. Zoo heeft hij eens den raad gegeven: den paus met geheel zijn bende in de zee te verdrinken! Doch zulke opwellingen van het oogenblik kunnen ons niet bevreemden bij den man, die midden in den strijd stond tegen ongoddelijke leeringen en aan God vijandige daden. De trouwe pastor Matthesius in Joachimsthal, die zijne gemeente het leven van Luther in preeken geschilderd heeft, zegt van hem: Het heeft onzen doctor dikwijls van harte gespeten, dat zijne geschriften zoo hard ncderkwamen als een slagregen, en dikwijls wenschte hij, dat hij zoo fijn en zacht en liefelijk kon regenen als b. v. Philippus Melanchton en Brentius, maar het zijn verschillende werkingen, al is het één geest. — Als het iemand werkelijk ernst is met het een of ander, dan kan hij niet altijd schertsen, of ook lauw zijn of langzaam loopen. — Wie in zijnen kring verkeerd hoeft, kan naar waarheid getuigen, dat zijn geest zacht en bescheiden geweest is.quot; —

Van zulk eenen zachtraoedigen en bescheiden geest heeft hij ook bewijzen gegeven in zijn omgang met hoog- eu laag geplaatsten, met vrienden en onbekenden. Zijn levenswijze was eenvoudig. Nooit bedroeg zijn inkomen meer dan driehonderd gulden. Ja, toen hem zijn keurvorst eens laken voor een zwart pak had gegeven, wilde hij liet alleen dragen om zijn dank aan den gever te toouen en hij schreef hem : „Ik smeek uwe keurvorstelijke genade te willen

-ocr page 403-

375

wachten met geschenken, tot ik zelf klaag en vraag, opdat ik door zulke voorkomendheid niet de vrijmoedigheid verlieze tot uwe genade te spreken in \'t belang van anderen, die zulke genadebewijzen veel meer verdienen dan ik. Uwe genade doet mij toch al veel te veel vriendschap aan.quot;

In den kring zijner familie was Luther zeer gelukkig. Zijne Catharina stierf 1552. Uit hunnen echt werden zes kinderen geboren. De lieve Magdalena was vaders lieveling, en toen zij (154-3) in haar dertiende levensjaar stierf, was hij bitter bedroefd. Hij zeide toen: „In den geest ben ik blijde, maar naar het vleesch zeer droevig te moede. Het is een wonderlijk iets te weten, dat zij zeker in vrede is en het haar wel gaat, en toch nog zoo treurig te zijn.quot; Ook een ander meisje, Elisabeth, stierf vroeg. Vier kinderen Johannes, Martin, Paul en Margaretha hebben hunne ouders overleefd. Maar toch is Luthers familie nu uitgestorven.

Luthers dood was als het ware het teeken om den strijd te beginnen. De Luthersche vorsten hadden nog altijd, hoorende naar Luthers stem, die hen tot vrede vermaande, geaarzeld den strijd tegen den keizer aan te binden. Maar deze laatste achtte nu den tijd gekomen, dat de wapenen zouden beslissen. Met den koning van Frankrijk had hij ten slotte een blijvenden vrede gesloten. Hij wachtte zich echter, toen hij liet zwaard trok, den schijn aan te nemen, alsof hij dit deed ter wille van \'t geloof. Terwijl de Luthersche vorsten slechts volgens hunne geloofsovertuiging wilden leven, over welke geen keizer zelfs \'t recht had te gebieden, vatte hij hun verzet tegen de besluiten van den Kijksdag op als wereldlijke beleediging van de majesteit des keizers. Tegelijk sloot hij een verbond met den paus, die hem met geld en krijgslieden ondersteunde en openlijk verklaarde, dat deze oorlog beschouwd moest worden als een kruistocht tegen de wederspannigen. De twee hoofden van het verbond van Smalkalden beproefden den keizer te doen inzien, dat hij op het punt stond eene onrechtvaardige zaak te gaan doen. Maar het eenige antwoord, dat de keizer hierop gaf, was de ban en het voortzetten der krijgstoerustingen. Toen eindelijk riepen de Luthersche vorsten hun volk te wapen en rukten snel tegen den keizer op, die nog niet geheel gereed was. Het trouwe hart van keurvorst Johan Ercderik echter kon zich nog maar niet vinden in het denkbeeld van tegen het heilige hoofd des rijks te strijden, terwijl de

-ocr page 404-

376

voortvarende Philips van Hessen er op aandrong den oorlog met kracht te beginnen. Zoo werd de kracht der Lutheranen verlamd, en toen nu bovendien nog het bericht werd vernomen, dat hertog Maurits van Saksen als bondgenoot des keizers in het keurvorstendom een inval gedaan had, keerde de keurvorst ijlings terug, de vereenigde legers gingen uiteen en de nu op zich zelf staande keurvorstelijke troepen werden (34 April 1547) door den keizer volkomen verslagen. De keurvorst werd gevangen genomen, en ook de landgraaf werd, toen hij vrijwillig voor den keizer verscheen, door dezen als zijn gevangene behandeld. Nu was het verbond der Lutheranen verbroken, hunne wapenen waren onbruikbaar bevonden en zij zeiven als oproermakers smadelijk bejegend. Maar zoo moest het zijn. Het Evangelie heeft het zwaard niet noodig. God zelf is de beschermer en wreker van Zijne eigene zaak. Hij was het ook toen. Op wonderbare wijze neigde Hij het hart van den overwinnaar tot vrede. De keizer gedroeg zich geheel anders dan men had durven hopen, wetende, hoe vertoornd hij was. Hij was even verdraagzaam als men gemeend had, dat hij gestreng zou zijn. In diep nadenken verzonken stond hij aan het graf van Luther. Toen eenigen van zijn gevolg hem aanrieden het gebeente te laten opgraven en het te doen verbranden, antwoordde hij: „Laat hem liggen; hij heeft zijnen rechter. Ik voer strijd met de levenden, maar niet met de dooden.quot; En toen hij hoorde, dat men te Wittenberg om zijnentwil de Luthersche godsdienstoefeningen gestaakt had, riep hij wrevelig uit: „Wie is daarvan schuld? Indien het in onzen naam geschiedt, doet men er ons geen dienst mede.quot; Ook liet hij er zich over uit, dat hij in de Luthersche landen veel anders had gevonden, dan men hem had gezegd. Nog altijd hoopte hij door een vergelijk aan den strijd in de Kerk een einde te maken.

In zijne hoop, dat een besluit van een Concilie dit doen zou, had de keizer zich bedrogen. Reeds in de eerste zittingen van het intusschen bijeengeroepen Concilie van Trente had de paus de leer der Protestanten vervloekt, en daarna de vergadering zelve verlegd naar Bologna. Daarom beproefde de keizer nu den kerkdijken strijd te beslechten door Duitsche godgeleerden. Hij droeg den verdraag-zamen Catholieken priester Julius von Pflugk en den geleerden Brandenburger hofprediker Johannes Agricola op, een vergelijk op

-ocr page 405-

377

te stellen. De vrucht van hunne bemoeiingen was het Interim, dat 15 Mei 1548 te Augsburg openlijk werd afgekondigd, waarin zeer onbepaald, naast de rechtvaardiging alleen uit het geloof, ook de noodzakelijkheid en verdienstelijkheid de goede werken geleerd werd, en tegelijk de geheele Roomsche kerkinrichting gehandhaafd bleef. Slechts bij wijze van uitzondering werd den Protestanten het huwelijk der geestelijken, en het gebruik van de kelk bij het Avondmaal toegestaan. Deze poging echter tot vereeniging leed schipbreuk op hare innerlijke onwaarheid en hare uiterlijke onuitvoerbaarheid. Op sommige plaatsen werd wel de invoering van dit Interim met geweld doorgedreven, maar die verder zagen dan den schijn, en waarlijk hart hadden voor hunne overtuiging, waren zoowel onder Lutherschen als onder Roomschen met dit vergelijk volstrekt niet voldaan. De keurvorst Johan Frederik weigerde zelfs in den kerker instemming er mede te betuigen, en wilde de aan hem dierbare Augsburgsche Confessie tot aan zijnen dood getrouw blijven. De nieuwe keurvorst Maurits gebood de Wittenbergsche theologen het Interim aan een nauwkeurig onderzoek te onderwerpen, en deze maakten nu eene omwerking er van gereed — het Leipzïger Interim — doch met even ongunstig gevolg. Al te vreesachtig en zwak, hadden ook zij het Roomsche kerkbegrip onaangetast gelaten, en zelfs de pauselijke en bisschoppelijke macht, althans onder voorbehoud, erkend. Zoo heerschte overal onzekerheid, die nooit tot werkelijken vrede kon leiden, toen op eens een onverwachte gebeurtenis den strijd besliste.

Met spanning had keurvorst Maurits van Saksen den loop der gebeurtenissen gadegeslagen. In vroeger dagen was hij een vriend en wapenbroeder des keizers geweest. Met hem had hij tegen zijne eigene geloofsgenooteu gestreden, zonder daarvoor intusschen dank in te oogsten bij de Catholieken. Toen hij later aandrong op de vrijlating der beide gevangen vorsten, vond hij geen gehoor. En toen hij nu bovendien bedacht, dat de staatsinrichting menigmaal door Karei verkracht was, vatte hij het plan op met eenen slag den vrede te bevechten voor het rijk en voor de Kerk, en het onrecht te verzoenen, dat hij had gepleegd. Hij verklaarde den keizer den oorlog, op grond van zijn onrechtmatig optreden, en dwong hem, na eenen korten oorlog, in 1553 het verdrag van Passau af, waarin voorloopig den Lutherschen Stenden vrijheid van

-ocr page 406-

378

godsdienst en gelijke staatsburgerlijke rechten met de Catholieken verzekerd werden. Ue gevangen vorsten werden vrij gelaten. Een jaar later sneuvelde Maurits in den slag van Sieversliausen, geacht door zijne vijanden en betreurd door zijne opnieuw gewonnen vrienden.

De keizer was de regeering moede. Hij had gezien, dat zijn verzet tegen het Evangelie vruchteloos was. In zijn laatste levensdagen moet hij zijn hoop hebben gesteld enkel op de barmhartigheid van Christus. Indien dit bericht waarheid bevat, zou het doen besluiten tot eene nawerking van de reformatie ook in het hart van haren bestrijder. — Alle Stenden des rijks waren er nu van doordrongen, dat alleen door erkenning en eerbiediging van elkanders rechten de vrede voor het rijk en de harten kon wederkeeren. Zoo bracht Ferdinand, Kareis broeder en opvolger, den godsdienstvrede te Augsburg tot stand (25 Sept. 1555). Daarin werd aan de verschillende deel en des rijks, niet aan de afzonderlijke personen, daarin woonachtig, vrijheid van godsdienst toegestaan, en verder aan de inwoners vrijheid om zich te begeven naar een ander land, indien hunne geloofsovertuiging niet met die van het eigen land overeenkwam. Slechts indien een Catholiek kerkvorst tot het Protestantisme overging, zou hij zijn vorstendom verliezen.

Zoo was, meer door de leiding Gods dan door de menschelijke wapenen, de strijd tusschen de kerken geëindigd. Duitschland was aan het einde dier periode bijna gelijk verdeeld tusschen Koomschen en Protestanten; de nieuw gestichte Protestantsche Kerk was aanvankelijk bevestigd en zou nu innerlijk zich gaan ontwikkelen.

§ 57.

Luther\'s Mede-arbeiders.

Evenals naast de andere groote mannen in \'s Heeren dienst, vinden wij ook in Luther\'s omgeving trouwe vrienden, die hem tijdens zijn leven moedig ter zijde stonden en ook later zijnen arbeid verder voltooiden. De grootste onder hen is PMUppus Schvar-zerd, die volgens do gewoonte der geleerden van zijnen tijd zijnen naam vergriekschte in Melanchton. Hij was 16 Pebr. 1497 in

-ocr page 407-

379

Bretteu, een stadje iu Baden geboren, als zoon van een kunstvaardigen wapensmid. God had hem met zulk een schoonen aanleg begiftigd, dat Luther later van hem zeide: „Er is op aarde niemand met zoo schoone gaven als Philippusquot;. Bijna nog een knaap ging hij reeds naar de boogescliool te Heidelberg; als zeventienjarig jongeling was hij reeds schrijver, en leeraar in de grieksche taal en wijsbegeerte. Het toppunt van zijnen roem bereikte hij te A\\ ittenberg, waar hij gedurende de eerste reformatorische beweging (1518) beroepen werd. Hier knoopte hij zijne innige vriendschap aan met Luther, die tot zulk een grooten zegen is geweest voor de Kerk. Uitmuntende door groote kennis en begiftigd met een diep gemoedsleven, zacht van inborst en zeer wel ter tale, wist Melanchton de waarheden des Evangelies nauwkeurig te onderzoeken en helder in het licht te stellen, en terwijl hij, als van eene meer schuchtere natuur, nooit alléén een hervormer zou geworden zijn, kon hij toch voor den grooten hervormer een trouwe raadsman en edele vriend zijn. Luther drukt dit aldus uit: „Ik ben geboren om tegen helsche machten en duivels te velde te trekken; daarom zijn mijne boeken veelal driftig en oorlogzuchtig. Ik moet de wortels en tronken uitkappen; dorens en struiken opruimen, de gaten in den weg dichtmaken; ik moet den weg banen en effenen. Doch de magister Philippus gaat netjes en rustig zijn weg; hij bebouwt \'t land en plant, hij zaait en begiet met lust en ijver, de groote gaven gebruikende, die God hem gegeven heeft.quot;

En Melanchton noemt Luther op zijn beurt de „éénige man, vol van heldenmoed, door wien God groote dingen zou doen.quot; Zoo hielden deze beide mannen elkander in eere, als door God zelven gezonden tot heil zijner Kerk. Op aansporen van Luther legde Melanchton zich bijna uitsluitend toe op de godgeleerdheid. In 1524 werd hij hoogleeraar daarin, en was als zoodanig een sieraad van de universiteit, en ontzachelijk groot was het aantal van hen, die van heinde en verre zijn onderwijs kwamen bijwonen. Niet minder was de invloed, die van zijne geschriften uitging. Zoo kon kon hij met recht praeceptor Germaniae „leeraar van Duitschlandquot; genoemd worden. Hij kon intusschen nooit besluiten om te prediken. Evenals Luther was ook hij buitengewoon hartelijk in den omgang, en vriendelijk en gezellig in den huiselijken kring. Hij moest echter zijn kracht voortdurend doen schragen door de

-ocr page 408-

380

groote wilskracht van Luther, waardoor hij zich liet leiden en be-heerschen.

ïoen nu na den dood van Lnther al die stormen losbraken, welke zijn profetische blik reeds had zien aankomen, en in het midden van Luthers Kerk zelve dikwijls de strijd ontbrandde, toen sidderde Melanchton en treurde, en blijdschap des geloofs en vrijmoedig belijden werd niet bij hem gevonden in die mate, als de ernst der tijden het eischte. Terwijl hij naar eendracht, en vrede voor de Kerk uitzag en daarom bad, overleed hij in vast vertrouwen op zijnen Verlosser (19 April 1560), en werd in dezelfde kerk begraven, waar reeds Luthers gebeente rustte.

Onder de verdere medearbeiders is te noemen Johannes Bugenhagen (f 1558) uit Wollin (in Pommeren), daarom Dr. Pommer genaamd. Hij bezat de gave om de kerkinrichting te regelen, en werd om deze gave meermalen naar andere landen geroepen, om aldaar behulpzaam te zijn bij het invoeren der reformatie. Spalatinus (f 1545), Fnedrich Myconius, Nicolaas van Amsdorf, Justus Jonas, hebben ieder met hun eigen gaven en in hun eigen kring de hervorming gediend. Staupitz, eerst zulk een beschermer voor Luther, was, toen het er op aankwam, te onbeslist, om met de hervorming mede te gaan, eu stierf als abt van \'t Benedictijner klooster te Salzburg (1534).

§ 58.

De Luthersche Kerk.

De nieuwe leer van Luther bleef niet ingesloten binnen de grenzen, waar binnen zij ontstaan was en zich aanvankelijk had ontwikkeld, maar werd weldra ook in vele landen gepredikt, die echter niet met gelijke belangstelling deze prediking aanhoorden, en voor een deel zich zeer vijandig tegenover haar stelden. Vooral in Zuid-Duitschland en de Romaansche landen vorderde het Evangelie maar stap voor stap, terwijl het Noorden er meer ontvankelijk voor bleek, zich door den frisschen adem des Geestes tot nieuw leven te laten wekken.

In Oostenrijk predikte Paulas Sper alm in den Stephanus-dom

-ocr page 409-

381

te Weenen, en zijn woord en zijne persoonJijkheid maakten zulk een\' indruk op veler gemoed, dat toen hij genoodzaakt was naar het hertogdom Pruisen te vluchten, waar hij in groot aanzien (1554) overleed, het zaad, dat hij had uitgestrooid, bleef ontkiemen en vruchten ging dragen. Hooggeplaatsten en eenvoudigen namen Luther\'s leer aan in zoo grooten getale, dat Rudolf II in 1609 door den Majesteitsbrief hun gelijke rechten meende te moeten verzekeren met de Catholieken. Doch reeds zijn opvolger Matthias schond deze rechten, en gaf daardoor aanleiding tot dien opstand, waaruit later de jammerlijke 30-jarige oorlog zich ontwikkelde. De opstand zelf werd door Keizer Ferdinand II weldra onderdrukt (1630), maar toen, na eenige schitterende overwinningen van Tilly en Wallenstein, Ferdinand in 1629 het Restitutie edict uitvaardigde waardoor de Evangelische vorsten gedwongen werden al de kerkelijke goederen, welke zij sedert het verdrag van Passau in bezit hadden terug te geven, ging daar een schok van verontwaardiging door alle Evangelische landen, en maakte de ridderlijke Gustaaf Adolf zich tot kampvechter voor het Protestantisme (1630). Helaas, reeds 1632 sneuvelde hij te Lützen, en veranderde de strijd geheel van karakter. Uit staatkundige redenen hielp Frankrijk in Duitsch-laud de Protestanten, die het in eigen gebied op \'t wreedst vervolgde, en van dat oogenblik is de oorlog, begonnen tot verweer, tot verdediging van de edelste beginselen, een oorlog geworden als iedere andere. In 1648 verzekerde de Westfaalsche vrede den Evangelischen stenden volkomen gelijkheid met de Catholieken. Aan de onderdanen van Catholieke vorsten werd eene beperkte geloofsvrijheid toegestaan. Doch de gemoederen bleven verbitterd. Voortdurend werd in Oostenrijk aan de rechten der Protestanten getornd, ja \'t kwam zelfs nog nu en dan tot vervolgingen, waaronder die van de Salzburgers door den aartbisschop Firmian, het meest de aandacht verdient (1731).

Toen in 1806 het Duitsche rijk als zoodanig verviel en de Duitsche Bond (1815) daarvoor in de plaats kwam, werd wel de bepaling gemaakt, dat Evangelischen en Catholieken binnen \'t gebied van den Bond dezelfde rechten zouden hebben, maar het werd in het midden gelaten, of daarbij ook bedoeld was, dat zij op Kerkelijk gebied gelijk gesteld zouden worden. In de meeste provinciën van Oostenrijk mochten de Evangelischen dan ook geen

-ocr page 410-

382

kerken hebben, maar enkel bedehuizen zonder torens, en in 1837 gingen nog vele bewoners van \'t Zillerdal (Tyrol) in vrijwillige ballingschap, om zich te onttrekken aan de vijandelijke bejegening, welke zij in hun vaderland te verduren hadden. Eerst Frans Jozef I heeft in 1860 volkomene vrijheid des geloofs ook aan de Evangelische onderdanen van zijn rijk geschonken.

In Hongarije brachten kweekelingen van de Hoogeschool van Wittenberg — vooral Matthias Dovay (f 1549), en kooplieden die Luther\'s geschriften invoerden, het eerst de zaden der hervorming over, die weldra welig opschoten. Doch tegen de vast aaneengesloten geestelijkheid was het Protestantisme niet opgewassen, onderling verdeeld als liet was in een Luthersch (duitsch) gedeelte eu een Gereformeerde (Magyaarsche) partij. Eerst in den jongsten tijd is in Hongarije vrijheid van godsdienst in den vollen zin des woords.

In Polen ging het evenzoo. Door de Moravische broeders was aldaar de hervorming voorbereid. Luthers geschriften werden snel verbreid, de adel verklaarde zich moedig voor de nieuwe leer, en het scheen of Polen weldra voor de hervorming gewonnen zou zijn. Johannes a Lasco, een R.-C. priester, ging tot de Luthersche Kerk over, eu werd als Evangelieprediker velen tot zegen. Doch ook hier was het Protestantisme verdeeld in zich zelve. Gereformeerde gemeenten ontstonden naast de Luthersche. Men verstond elkander niet, en streed voor \'t recht van de partij, in plaats van tegen den gemeenschappelijken vijand, die nu eens geweld en dan weer list gebruikende, het heft in handen wist te houden. De godsdienstvrede van 1573 beloofde vrijheid van geloof, maar nog in 1724 werden de Lutheranen te Thorn bloedig vervolgd, en eigenlijk verkregen zij niet eerder vrijheid van beweging, dan toen vreemde heerschers aan de verwarring, die altijd in Polen heerschte, een eind kwamen maken.

In Frankrijk was al spoedig een kleine Luthersche gemeente in de stad Meaux, later na de verovering van den Elzas, versterkt door de daar wonende geloofsgenooten. Sedert 1871 is natuurlijk hun aantal weer zeer geslonken. Zij verloren Straatsburg als universiteit, zoodat nu de Luthersche predikanten van Frankrijk met de Gereformeerde samen hunne opleiding te Parijs genieten.

Ook in Italië werd Luthers leer spoedig verbreid, onder de hertogin van Tide in Ferrara. De vrome priester Paleario schreef

-ocr page 411-

383

„over de weldaad van Christusquot;, en leerde daarin geheei als Lulher de rechtvaardiging uit het gelooi\'. Antonio Bruccioli vertaalde de H- Schrift in het Italiaansch. Doch een geloofsgericht, door den paus aangesteld, trad met onverbiddelijke gestrengheid op. Meestal in den kerker, opdat het volk niet door den geloofsmoed der martelaren getroffen zou worden, werden de belijders der nieuwe leer wreedaardig gemarteld en afgemaakt, en lang duurde het, vóór het Evangelie aan het zonnige land het ware licht kon brengen.

Vervolgde men in Italië het Protestantisme door terechtstellingen in den kerker, in Spanje deed men het in het openbaar. Aido da Fe\'s (handelingen van \'t geloof) heetten daar de openbare moordtooneelen, waarmede het volk, dat zoo gaarne zenuwprik-kelende vermaken heeft, zich verkwikte. Ieder, die maar eenige neiging tot \'t Protestantisme toonde, werd gedood, en de Spaansclie bijbelvertaling van Francesco Enzina, die dezen arbeid met den marteldood boette, kon niet vroeger gebruikt worden dan in onze dagen, waarin, hoewel nog steeds onder hevigen tegenstand, opnieuw met kracht het Evangelie aan Spanje gebracht wordt (Engelsche bijbelcolportage; de arbeid van Fliedner te Madrid).

Werd aldus in Zuid-Europa het licht lang van den kandelaar geweerd, in het Noorden zegevierde spoedig het zuivere Evangelie over de machten des bijgeloofs. Over de Noordelijke Staten van Duitschland werd reeds genoeg gezegd bij de behandeling van Luthers arbeid. In Pruisen en Lijfland, die een afzonderlijke plaats innamen als bezittingen van geestelijke ridderorden, werd de hervorming door de grootmeesters zelve, Alhrecht van Brandenburg en Koenraad Kettler ingevoerd. In Denemarlcen werd zij begunstigd door denzelfden Christ,iaau I, die haar in Zweden met kracht tegenwerkte, om zich aldaar door de macht der priesters staande te houden. Doch Gustaaf Wasa, zijn eigen aanspraken op den troon latende gelden, maakte Zweden vrij van Deensche over-heersching, en verdreef de Roomsclie priesters, terwijl hij de. reeds lang onder \'t volk verbreide leer van Luther, zich vrij liet ontwikkelen. Olof en Lor enz Peterson, twee broeders, die te Wittenberg leerlingen van Luther en Melanchton waren geweest, predikten met kracht het Evangelie. De eerste werd nu door den koning benoemd tot kanselier van de hoogeschool te Upsala; de zachtmoedige Lorenz tot aartsbisschop der Zweedsche Kerk. Op den vreed-

-ocr page 412-

384

zamen weg der overtuiging vond nu allerwege de nieuwe leer ingang, terwijl Olof met den komnklijken kanselier Anderson niet weinig tot verbreiding van Luther\'s leer medewerkte door eene Zweedsclie Bijbelvertaling te bezorgen. In 1544 op den Eijksclag te Westeras werd met algemeene toestemming de Lnthersclie leer als godsdienst van Zweden ingevoerd. Pogingen van latere vorsten om \'t Catbolicisme er weder bovenop te brengen, mislukten geheel, en het verdween in Zweden zoo volkomen, dat liet Catholicisme eerst in onze dagen gelijke rechten met het Lutheranisme verkregen heeft.

In Denemarlcen, gelijk wij zagen door \'t koningschap begunstigd, vond Luther\'s leer ingang zonder strijd. Peter Lilie (1519) bracht haar \'t eerst uit Duitschland over, en toen nu Trederik I, die zelf Lutbersch was, Christiaan II opvolgde, werden uit Denemarken, evenals uit Zweden, de Roomsche priesters verwijderd en op den Rijksdag te Odensee (1539) de Luthersche kerkorde ingevoerd. Van Denemarken uit verbreidde zicli de nieuwe leer over de afhankelijke landen Noorwegen en IJsland.

Ook in Noord-Amerika ontstonden vele Luthersche gemeenten, welke zich groepsgewijze tot Synoden vereenigden. Over de hervorming in Engeland en Schotland moet elders gesproken worden, als niet in rechtstreeks verband staande tot de Luthersche Kerk, waarover wij nu handelen.

Had deze Kerk met allerlei bezwaren van buitenaf te strijden, ook aan strijd in eigen boezem ontbrak het niet. In den aanvang treedt alleen het echt Protestantsch beginsel op den voorgrond, door Luther als beginsel der hervorming uitgesproken, en in\'t kort samen te vatten in deze beide stellingen: 1. De mensch wordt gerechtvaardigd, niet uit de werken, maar uit het geloof in Jezus Christus. 2. De Heilige Schrift is de onbedriegelijke en volkomen toereikende kenbron voor de goddelijke openbaring. Maar de eigenlijke leer der Luthersche Kerk is vastgesteld na allerlei strijd, die onder de Protestanten ontstond over onderdeden der heilswaarheid.

Allereerst noemen wij den Anti-nomistischen strijd (van; nomas, wet). Johannes Agricola (f 1566) had reeds als predikant te Eis-leben een tegenstelling gemaakt van wet en Evangelie en later als hoogleeraar te Wittenberg, liet hij zich zoo scherp uit tegen de wet, dat Luther zich genoodzaakt zag, in een afzonderlijk

-ocr page 413-

385

geschrift tegen hem op te treden en hem op zijne overdrijving te wijzen. Agricola liet zich terechtwijzen, en daarmede is deze strijd geëindigd.

Voor wij nu de andere leertwisten bespreken, is \'t noodig een blik te slaan op Melanchton. Vredelievend en ruim van blik, zocht hij liever hoogere eenheid, dan op verschilpunten den nadruk te leggen. Hij was niet de man om zijn tijd te beheer-schen; veeleer liet hij dien op zich inwerken. Hij zag het goede ook daar, waar een ander het menigmaal niet zag, en altijd zocht hij of niet te vereenigen was, wat dreigde uiteen te gaan. Natuurlijk was hierin een gevaar. En voor dat gevaar vreezende, hebben de strengere vrienden van Luther zich gesteld tegenover eene opvatting der heilswaarheden, welke zij te weinig scherp belijnd achtten, en zien wij Lutheranen en PMlippisten weldra tegenover elkaar staan, de eersten door de universiteit van Jena, de tweeden door die van Wittenberg vertegenwoordigd. Deze wrijving der geesten openbaart zich in de volgende leertwisten.

De Majoristiscle strijd ontbrandde naar aanleiding van het Leipziger Interim. Daarin toch was in aansluiting met Rome gezegd, hoewel natuurlijk anders uitgelegd; de goede werken zijn noodig ter zaligheid. Daartegen trad Ni co Jaas Amsdorf op, die in een ander uiterste oversloeg en zeide: de goede werken zijn schadelijk. De strijd ontleent zijn naam aan Major, predikant te Wittenberg, die de hand gehad had in de formuleering der gewraakte woorden en deze verdedigde.

Het genoemde Interim gaf ook aanleiding tot den Adiapho-ristisclen strijd. Om zoo mogelijk een volkomen breuk te voorkomen, had men, hoewel de grondbeginselen der hervorming vasthoudende, bijna alle E. C. kerkelijke gebruiken voor „adiaphorenquot; d. i. onverschillige dingen verklaard. De Lutheranen vreesden hierin een geleidelijke terugkeer tot Home te moeten zien, en verzetten zich met alle kracht, vooral toen het Interim met geweld werd ingevoerd. Eerst toen de verdragen van Passau en Augsburg de breuk tusschen het Catholicisme en \'t Protestantisme tot eene afgedane zaak hadden gemaakt was de strijd van Interim en Adiaphoren van zelf geëindigd.

De Synergistiscle strijd (van si/nergeia; medewerking) ontstond door een verschil van gevoelen, dat reeds tusschen Luther en

25

-ocr page 414-

386

Melanchton bestaan had, maar waarover zij zelven zich nooit tegen elkander in \'t harnas hadden gejaagd. Daartoe waren zij veel te zeker met elkander in geloofsgemeenschap te staan. Maar de hoogescholen van Jen a en Wittenberg streden langen tijd een verbitterden strijd. Het gold de vraag, of ook de natuurlijke inensch in eenig opzicht medewerkt aan zijn eigen bekeering door toe te stemmen in den arbeid des H. Geestes. Wittenberg hield dit staande. Jena sprak het, vooral bij monde van Matthias FJaciua, krachtig tegen, en dit gevoelen zegevierde ten laatste.

Had in al den tot nog toe behandelden strijd het Lutheranisme zich gekeerd tegen gevaren, die van R. C. zijde dreigden, weldra gevoelde het zich ook geroepen tegenover de Zwitsersche hervorming positie te nemen. Met vredelievende bedoelingen, maar toch eigenmachtig had (1540) Melanchton het artikel over \'t Avondmaal veranderd, zoodat het de Zwitsersche hervormden niet stooten kou. Luther had hem toen zacht daarover berispt. Maar daarbij was het tijdens \'t leven der hervormers gebleven.

Doch na zijn dood treedt zijn schoonzoon Peucer, lijfarts van den keurvorst August van Saksen, op als hoofd eener richting, die weldra die der Crypto- (d. i. geheime) Calvinisten wordt genoemd. Hij maakte propaganda voor zijn gevoelen o. a. door een nieuwen catechismus te geven. Intusscheu bleef hij met zijn partij tot dat oogenblik toe in schijn trouw verbonden aan de Luthersche kerk; hij maakte ook misbruik van den naam van zijn keurvorst, zoodat toen eindelijk zijn streven openbaar werd, de reactie geweldig was. Hij zelf werd in den kerker geworpen, en op last van den keurvorst kwamen te Torgau 5 Luthersche godgeleerden bijeen om de leer vast te stellen, die nu eene geloofsbelijdenis opmaakten, welke verbindende kracht zou hebben in de Luthersche kerk en die naar het doel, waarmede zij was opgesteld „eendrachtsformulierquot; — formula concordiae — werd genoemd.

Bij al dezen strijd om de zuivere leer was wel de studie der godgeleerdheid tot grooteren bloei gekomen, maar de herderlijke arbeid had er zeer onder geleden. Voorzeker een godgeleerde als Joh. Gerhard (f 1637) had ook een oog voor de geestelijke behoeften der gemeente, maar veelal werden deze toch niet of te weinig in het oog gehouden. Als tegenwicht tegen deze starre Orthodoxie. begon zich nu een diep gevoelsleven in de gemeente te ontwik-

-ocr page 415-

387

kelen, dat zich op allerlei wijzen uitte, en bekend is onder den naam van Piëtisme (van: pietas, vroomheid). Als voornaamste vertegenwoordigers dezer zeer belangrijke richting noemen wij Philip Jacob Spever (geb. 1635) en August Herman Francke (geb. 1663). De eerste, geboren in Rappoltsweiler, werd reeds zeer vroeg predikant te Straatsburg, en op 31jarigen leeftijd vinden wij hem reeds aan \'t hoofd der Luthersche geestelijkheid van Frankfort. Begaan met de onwetendheid aangaande geestelijke dingen, die hij overal vond, begon hij Bijbellezingen te houden in zijn eigen woning\', en schreef een boek, getiteld: Pi a desideria, of: hartelijk verlangen naar eene Gode welgevallige verbetering der Evangelische Kerk. Hij vond spoedig eenen grooten aanhang, en zulk een naam ging er van hem uit, dat hij in 1686 als opper-hofprediker naar Bresden geroepen werd. In Saksen viel intusschen de eenvoudige boetprediker niet in de7i smaak, en toen hij eens gewaagd had den keurvorst Johan George een schrijven te zenden, waarin hij hem tot boete vermaande, viel hij in ongenade. Zoo volgde hij in 1691 eene beroeping op naar Berlijn, waar hij grooten invloed uitoefende op koning Frederik I, die op zijn aanraden de universiteit te Halle stichtte (1694), die langen tijd de bakermat is geweest van het piëtisme. Hij stierf in 1705.

Spener\'s voortrefTclijkste leerling was Francke. Eerst te Leipzig, daarna te Erfurt, arbeidde hij geheel op dezelfde wijze als zijn leermeester, tot hij door den keurvorst van Mainz, tot wiens gebied Erfurt behoorde, gedwongen werd deze stad te verlaten. Tegelijkertijd intusschen ontving hij eene benoeming als professor te Halle, welke hij aannam. Maar ook in zijn nieuwen werkkring bleef hij zich wijden aan zielzorg en de behoeften der armen. In zijn huis had hij een busje voor hen, en toen hij eens zeven gulden daarin vond, beschouwde hij die als de grondslag voor een door hem op te richten armenschool. Weldra werden ook kinderen van hoogere standen aan zijn leiding toevertrouwd, en naast de armenschool verrees een paedagogium en gymnasium. Het duurde niet lang, of hij had ook een weeshuis opgericht, en naast al deze dingen vond hij lust en gelegenheid de Zendingszaak te behartigen door kweekelingen op te leiden, die door Denemarken als zendelingen naar Indië gezonden werden. Door velen beweend, ging hij (1727) naar zijn eeuwig huis.

-ocr page 416-

.388

Terwijl onder godgeleerden en predikanten de door Luther gestrooide zaden zich op de nu beschreven wijze begonnen te ontwikkelen, was daar ook in de gezinnen een opgewekt geestelijk leven ontstaan. Uitnemende stichtelijke lectuur vermeerderde de geestelijke kennis, en een schat van schoone liederen werd voortdurend met nog schoonere vermeerderd, zoodat nu op \'t eind onzer eeuw liet aantal op tachtigduizend geschat wordt. Ontzachelijk groot is de invloed, die van liet lied is uitgegaan. Men zong in huizen, op scholen, zelfs op straat de liederen der Hervorming, en ze drongen door in allerlei schuilhoeken, en stichtten er zegen of verwekten een verlangen naar de waarheid. Nicolaï, Paul Ger-hardt, Louise Henrietta van Brandenburg, Gellert, Klopstock gaven liederen, zoo schoon en heerlijk, dat ze bij de christenheid van alle eeuwen in gezegende herinnering zullen blijven. De schoonste woorden werden gezongen op de heerlijkste melodiën. Bach en Handel verstonden het die te schrijven, en wij behoeven slechts Matthaeus-Passion en Messias te noemen, om te doen erkennen hoeveel ook zij op hunne wijze hebben bijgedragen tot het verstaan der heilswaarheden.

De uiterlijke verschijning dezer Luthersche Kerk was eene kerkinrichting, die onder onmiddelijk Staatstoezicht stond. De we-reldsche gebieders waren als noodbisschoppen aangesteld bij den aanvang der Hervorming, en ook later bleef het hoogste kerkelijk gezag bij hen berusten. Zij stelden Consistoriën in, vergaderingen van geestelijke en wereldlijke leden, die recht moesten spreken over de geestelijkheid, en opzicht en tucht houden over de leden dei-Kerk. Door deze beheersching door den Staat, bleef de Kerk bewaard voor innerlijke verbrokkeling, maar dikwijls was de Staatsbemoeiing hinderlijk voor hare ontwikkeling. In de Luthersche Kerk waren feitelijk alle bevestigde predikanten gelijk, d. w. z.: allen waren gerechtigd tot het uitoefenen van alle kerkelijke functien. Maar ter wille der goede orde werd toch eenig onderscheid gemaakt, cn aan \'t hoofd van de predikanten van een district een mper-intendent (opziener) aangesteld.

Voor wij van de Luthersche Kerk afscheid kunnen nemen, moeten wij ten slotte nog wijzen op twee merkwaardige mannen, uit haar midden voortgekomen: Joh an Arndt, een uitnemend predikant te Quedlinburg, waar hij bij eene pestziekte wonderen van barmhar-

-ocr page 417-

389

tige liefde en zelfverloochening heeft verricbt, die tevens door zijn invloed op de Kerk zijner dagen als superintendent te Celle, eu door zijne opbouwende geschriften, een geheel nieuw licht heeft laten vallen op den eisch der heiligmaking. En B\'óhne (1575—1624), de schoenmaker-wijsgeer uit Görlitz, een door en door vroom gemoed, maar door zijne phantasie, niet gecontroleerd door deugdelijke theologische kennis, menigmaal op vreemde dwaalwegen gevoerd.

§ 59-

Ulrich Zwiugli.

In denzelfden tijd, dat Luthers hamerslagen weerklonken op de deur der slotkapel van Wittenberg, verhief ook in Zwitserland een moedig man zijne stem tegen het bijgeloof van Rome. Hij droeg den naam van Ulrich Zwiugli en was geboren in 1484. Op de hoogescholen van zijn vaderland eu ook daarbuiten had hij ijverig gestudeerd, en was uitnemend thuis in de H. Schrift. Een groote vrijheidszin, den Zwitsers als ingeschapen, deed hem grooten afkeer koesteren tegen iedere soort van onderdrukking, en maakte hein moedig in den strijd, dien hij daartegen voerde. Reeds in 1506 werd hij pastoor in Glarus, waar hij zijne moeielijke taak met grooten ernst vervulde. Van daar uit trok hij met zijne stadge-nooten als veldprediker mede in den oorlog van Oostenrijk tegen Frankrijk, en in 1516 vinden wij hem als priester van de kerkte Einsiedeln, waar een wonderdoend Mariabeeld jaarlijks duizende pelgrims trok. De bijgeloovige vereering, hier aan een beeld bewezen, was Zwingli een doorn in liet oog, en hij leerde onbeschroomd, dat men Christus moest aanroepen, en niet Maria. In 1519 werd hij als prediker aan den Dom te Zurich verbonden, en ook daar predikte hij het Evangelie en niets anders.

Intusschen was de Franciscaner monnik Bernhard Samson uit Milaan de Alpen overgekomen, en verkocht nu, op dezelfde wijze als ïetzel in Duitschland deed, den Zwitsers aflaat voor hunne zonden. Doch met zóóveel kracht en overtuiging trad Zwingli tegen zijn streven op, dat zelfs de overheid van Zurich aan Samson den toegang tot de stad verbood.

-ocr page 418-

390

Eu de Zwitsei\'sehe hervormer ging voort inut, gesteund door liet duidelijke Schriftwoord en zijne eigen ambtelijke ervaring, vrijmoedig te getuigen tegen de dwalingen van Rome. Hij behoefde niet te strijden met machtige vorsten; de raad en de burgers zijner stad hoorden gaarne naar den zeer gezienen prediker, en de paus draalde met krachtig tegen hein op te treden, omdat hij het Zwit-sersche leger niet missen kon. Zóó kwam zonder eenigen tegenstand in Zwitserland eene volledige hervorming tot stand.

Te vergeefs had Zwingli den bisschop van Constanz, onder wiens diocees hij behoorde, gevraagd het priesterhuwelijk toe te laten, en nu achtte hij het oogenblik gekomen om (in 1523) de Eoomsch-Catholieke geestelijkheid uit te noodigen tot een twistgesprek, waarbij hij de door hem opgemaakte stellingen met vrucht wist te verdedigen tegen de vertegenwoordigers van den bisschop. De korte inhoud dezer stellingen is: „Christus is onze algenoeg-zame Verlosser en voorspraak. God alleen kan de zonde vergeven. Goede werken worden alleen in de kracht van Christus volbracht. Aflaat en misoffer zijn in strijd met de H. Schrift.quot;

Na deze dingen stelde de raad van Zurich een nieuwe kerkorde vast in den geest van Zwingli, en gebood den leeraars overal overeenkomstig de Schrift te leeren. De mis werd afgeschaft. In 1534. trad Zwingli in het huwelijk met de weduwe Jnna Beinhard.

Wat in Zurich geschied was, vond navolging in de naburige kleine vrijstaten. In Appenzell en Basel, in Bern en Schatfhausen werden soortgelijke veranderingen ingevoerd. Te St. Gallen nam de abt van quot;t van ouds beroemde klooster de wijk, en de kloosterlingen konden ongehinderd de Reformatie invoeren. Wel nam men somtijds zijn toevlucht tot geweld; de katholiekgezinde raadslieden werden dan afgezet, en enkele vrienden van Rome zelfs als verraders om \'t leven gebracht, maar in alle standen was de meerderheid verblijd over de ingevoerde veranderingen, en deze eenparigheid scheen het onrecht, aan enkelen aangedaan, te verontschuldigen.

Slechts de landbouwende bevolking van de kantons aan de Vienvaldstadtersee: Schwyz, Zug, Unterwalden en Luzern ergerde zich aan het gedrag der in hun oog afvallige eedgenooten, en plechtig zwoeren genoemde kantons trouw aan het oude geloof. Zij onderdrukten iedere poging tot reformatie binnen hun gebied, en namen tegenover de andere kantons een dreigende houding aan.

-ocr page 419-

391

Intusschen ging de hervorming in de evangelische kantons verder. Terwijl Luther gemeend had niets le moeten afschaffen, wat niet bepaald in de Schrift verboden werd., meende Zwingli niets van de vroegere gebruiken bij den eeredienst te moeten aanhouden, wat niet bepaald in de Schrift geboden werd. Zoo moest dan alle versiering in de kerken worden weggenomen; de klokken en orgels verstomden; de altaren werden verbrijzeld, de schilderijen vernield.

Zijne beginselen ontvouwde Zwingli in een boek geheeten: „over de ware en valsche leer/\' Ook hij gaat daarbij uit van den grondregel, dat de Schrift het eenig richtsnoer is voor het geloof. Maar op verschillende punten is zijne uitlegging eene andere dan van Luther; de erfzonde is voor hem eene krankheid der ziel, het Avondmaal eene gedachtenisviering, en, wat ons al zeer vreemd voorkomt, hij stelt uitnemende heidenen uit de oudheid op ééne lijn met de christenen.

Gelijkgezinde vrienden traden als Zwingli\'s bondgenooten op. Wij noemen daaronder Leo Judae (f 1543), die den Bijbel in den Zwitserschen tongval vertaalde, en Johannes Oecolampadms (llausschein), die met recht om zijn zacht karakter Zwingli\'s Melanchton genoemd mag worden. De eerste woonde in Zurich, de tweede in Basel.

Nog lang hoopten de Pausgezinden een volkomen breuk tus-schen Zwitserland en \'t Roomsch-Catholicisme te kunnen voorkomen. Zij noodigden daarom Zwingli uit, te Baden een dispuut te houden met Dr. Eek. Doch hij achtte dit niet veilig, en zond zijnen vriend Oecolampadius (1536). Maar gelijk te voorzien was leidde het gesprek tot niets.

Drie jaren later had een ander godsdienstgesprek plaats, dat eveneens niet veel vruchten droeg, en een treurige schaduw werpt over den anders zoo glanzenden hervormingstijd. Verschil van aanleg, temperament en volksaard deden ten slotte tussehen Luther en Zwingli zulk een onderscheid in geestesrichting openbaar worden, dat zij, hoewel in hoofdzaken samengaande, toch zelfs vijandig tegenover elkaar kwamen te staan, vooral naar aanleiding van de leer van het Avondmaal.

Luther verdedigde eene letterlijke opvatting van ,,Dit is mijn lichaamquot; en toen Zwingli opmerkte, dat deze uitdrukking gelijk

-ocr page 420-

392

was aan: „dit beteekent mijn lichaamquot; cn Oecolampadius liet woord „lichaamquot; als „teeken des lichaarasquot; verklaarde, ontstak Luthor\'s toorn cn gaf hij een geschrift uit: „Dat de woorden \'Dit is mijn lichaam nog vaststaanquot; en kort daarop een ander: „Belijdenis aangaande het Avondmaalquot;. De strijd werd zoo heftig, dat het scheen, alsof er een scheuring zou komen tusschen de kerken der Hervorming, en dat in een tijd, waarin aaneensluiting tegenover de bedreigingen van den Duitschen keizer zoo dringend noodzakelijk was. Om nu zoo mogelijk de eenheid te herstellen, bewerkte landgraaf Philip v. Hessen, dat er te Marburg een gesprek tusschen de Duitsche en Zwitscrsche hervormers zou gehouden worden. Dit geschiedde 1—3 October 1529. Zwingli sprak met Melanchton, Luther met Oecolampadius, om heftige tooneelcn te voorkomen. Doch hoewel men het eens werd omtrent veertien van te voren opgestelde artikelen, omtrent het vijftiende — en dit betrof juist de leer van \'t Avondmaal, — kon men het niet eens worden, en hoewel Zwingli ten slotte met tranen Luther smeekte toe te geven, deze meende dat niet te kunnen doen en zeide beslist, doch droevig te gelijk: „Gij hebt eenen anderen geest dan wij.quot;

Doch, al was het doel niet bereikt, toch was er op een edele wijze gesproken, en bij \'t afscheid beloofde men elkander nooit weer een scherp woord tegen elkaar te spreken of te schrijven. Zoo was op de Luthersche zoowel als op de Gereformeerde kerk een eigen stempel gedrukt.

Niet lang hierna ging Zwingli tot de eeuwige ruste in. Eeeds lang hadden de Evangelische en Roomsch Catholieke kantons vijandig, en ten aanval gereed, tegenover elkander gestaan. Eindelijk kwam het tot eene uitbarsting. De Catholieken begonnen den strijd toen Zurich er niet op was voorbereid, en geen hulp van geloofs-genooten spoedig genoeg kon verkrijgen, en zoo werd de slag bij Kappel (1531) geleverd, waarin de Eoomschen het veld behielden. Zwingli, die als veldprediker mede getrokken was in den strijd, werd door steenworpen en lanssteken zwaar verwond, en toen een vijandig soldaat, die hem zóó vond liggen, hem wilde dwingen tot Maria te bidden, weigerde hij en werd door hem afgemaakt. Aan zijne vrouw moest het bericht gebracht worden, dat op eenen dag haar man, haar zoon en haar broeder gesneuveld waren.

Zwingli was gestorven, maar zijn werk duurde voort. Nadat

-ocr page 421-

393

tusschen Evangelische en Rooinsclie kantons vrede gosloten was, waarbij het recht van bestaan van beide Kerken erkend werd, stelden in 1536 drie godgeleerden — Bulling er nit Ziirich, M/jco-v/his en Grynaeus nit Basel — de eerste Gereformeerde geloofsbelijdenis op, welke in een verzoenenden geest ten opzichte der Duitsche hervorming gesteld was.

Kort na Zwingli stierf ook Oecolampadius. Toen zijne vrienden hein vroegen of hij ook licht wenschte, antwoordde hij, wijzende op zijn borst; „Hier is licht genoeg.quot;

§ 60.

Johannes Calvyn.

In het sterfjaar van Zwingli (1531) zwierf in Zwitserland een man om, die uit zijn vaderland had moeten vluchten ter wille van zijn geloof. Hij was door God bestemd om Zwingli\'s werk voort te zetten, en een krachtig arbeider te zijn in den dienst van Gods Koninkrijk. Zijn naam is Johannes Calvijn.

Hij was in 1509 te Noyon (Noorden van Frankrijk) geboren en reeds als kind bestemd voor den geestelijken stand. Zoo kreeg hij dan ook reeds op zijn 12de jaar eene geestelijke bediening, waarvan hij intusschen natuurlijk voorloopig slechts de inkomsten genoot. Doch niet zoodra kwamen de berichten van Luthers nieuwe leer over de grenzen, of hij gaf het plan op om de oude Kerk te dienen, daar zijn levendige geest onmiddellijk de waarheid verstond van het streven der hervorming. Eerst legde hij zich nu toe op de studie van de rechtswetenschap, om zich echter weldra weer aan de theologie te wijden. Maar toen hij nu te Parijs zich openlijk uitsprak voor de beginselen der hervorming en in dien geest werkte, werd hij van de universiteit verwijderd en begon hij een zwervend leven. Gedurende zijn verblijf te Basel, waar hij zich vrij lang achtereen ophield, schreef hij (in 1535) een „Onderricht in de christelijke leerquot; (Institutio) in het Latijn, en gaf daarin eene Pro-testantsche geloofsleer in den geest van Augustinus. Zijne bedoeling-was een verdedigingsschrift voor \'t Protestantisme te geven, door aan te toonen, dat het niet van \'t zuivere Evangelie afweek. Daarom

-ocr page 422-

394

zond hij liet ook den koning van Frankrijk toe, op wien het, helaas, niet veel invloed schijnt te hebben uitgeoefend.

Jaren achtereen had Calvijn een zwervend leven geleid, maar te midden van die uitwendige onrust en door zijnen omgang met verlichte mannen, had hij een vast geloof verkregen en rust in God gevonden. Zoo kwam hij in 1536 te Geneva, waar kort te voren de reformatie in Zwingli\'s geest was ingevoerd, en waar nu Farel aan haar zijne mannelijke kracht en bezielde welsprekendheid wijdde. Doch ook andere, het Evangelie vijandige, geestesrichtingen waren te Genève vertegenwoordigd. En in zijnen strijd tegen deze had Earel eenen bondgenoot noodig, dien hij in Calvijn meende gevon-•den te hebben. Hij noodigde hem uit zich daar te vestigen, doch daar Calvijn altijd iiuiverig was eene beslissing te nemen als hij Gods roepstem niet duidelijk verstaan had, vond hij langen tijd geen gehoor. Toen sprak Farel op zijn verpletterende wijze: „Zoo verkondig ik u dan in den naam van den Almachtige, dat Gods vloek op u zal rusten, daar gij niet de eer van Christus, maar uwe eigene eer zoekt. \' Dit woord was beslissend. Calvijn bleef. Zijn gansche volgend leven zag hij Farel met opgeheven hand voor zich staan, en het was hem alsof „de Heer hem van uit den hemel met zijnen arm gegrepen had.quot;

Met eenen ernst zoo als men van zulk een\' jongen man nog niet verwacht had, trad nu Calvijn in de kracht Gods op tegen eene menigte dwaalgeesten, die te Genève de goede zaak bedierven, en die voor een deel geestelijke nakomelingen waren van de „broeders des vrijen geestes,quot; voor een ander deel gerecruteerd werden uit hen, die de eischen des Evangelies te streng vonden, al wilden zij zich aansluiten bij de Hervormde religie. Strenge kerkelijke tucht moest volgens Calvijn, deze „libertijnenquot; tot bezinning brengen, en hij noodigde zelfs de overheid uit hem bij zijn streven behulpzaam te zijn. Doch men begreep hem nog niet en wilde zich ook niet aan hem onderwerpen. Toen hield hij een ernstig gesprek n?et Farel en andere predikanten, en maakte bij gelegenheid van het Paaschfeest openlijk van den kansel bekend, dat het Avondmaal niet in de gemeente kon worden bediend, zoolang zooveel ongebondenheid in haar midden geduld werd. Doch deze mededeeling viel geheel en al in verkeerde aarde. De verwoede burgerij verbande hem en Farel uit de stad. Farel ging naar Neufchatel.

-ocr page 423-

395

Calvijn werd benoemd als predikant te Straatsburg. Hier arbeidde hij broederlijk samen met Lutheranen, en woonde zelfs een godsdienst gesprek te Worms bij, op verlangen van Karei V gehouden, waarbij hij Melanchton leerde kennen en waardeeren. Te Straatsburg trad hij ook in het huwelijk met 1 deletie van Buren, van Nederlandsclien stam afkomstig. Maar al arbeidde hij ook met zegen, toch hing zijn hart nog altijd aan het verweesde Genève, en toen hij vernam, dat een kardinaal pogingen aanwendde om het Catholicisme er weêr te doen zegevieren, zond hij aan zijne oude gemeente een hartelijk schrijven om haar te waarschuwen. Dit trof de harten, en met betuigingen van berouw en onder belofte van volkomen onderwerping, riep men hein terug. Hij kwam, en was van toen af geestelijk heerscher op Protestantschen grondslag. De raad en de gemeente gehoorzaamden aan de bepalingen, die Calvijn met alle gestrengheid meende te moeten invoeren en handhaven. Het hoogste gezag werd, in overeenstemming met de Zwitsersche gebruiken, in handen gegeven van ecnen raad van oudsten, die uit zes geestelijken eu twaalf leeken bestond. Op het leven werd een strenge tucht uitgeoefend. Spel en dans waren maar in zeer enkele gevallen veroorloofd. Calvijn\'s geloofsleer ging uit van deze grondstelling: Gods almacht is volkomen en de mensch is onbekwaam tot eenig goed. Zij vond haar hoogtepunt in de leer der praedestinatie. Door hare helderheid en onverzettelijke consequentie maakte zij, en maakt zij nog altijd, op menig verstand een overweldigenden indruk. Bij de leer over \'t Avondmaal hield Calvijn het midden tusschen Luther en Zwingli. Hij sprak van een geestelijk genieten van het verhoogde lichaam van Christus.

Calvijn wist zijne beschouwingen in de gansche Zwitsersche Kerk ingang te doen vinden, en daar de hoogeschool van Genève, door de gunstige ligging dier stad aan de grenzen van drie landen, eene groote schaar van jonge mannen trok, die er onderricht of verderen opbouw van hun geestelijk leven zochten en vonden, en ook tegelijk Calvijns theorien in zich opnamen, werd de leer van Calvijn weldra door vele landen van Europa verspreid.

Een leven van ingespannen arbeid als prediker en geleerde, als schrijver en herder zijner kudde, sloopte weldra zijn toch reeds ziekelijk gestel. Hij voelde zijn krachten minder worden, en schreef toen zijn laatste woord, een geestelijke nalatenschap, waarin hij

-ocr page 424-

396

getuigenis aflegt van blijiuocdig geloof en groote nederigheid. Hij schreef daarin o. a.: „Wee mij! de goede wil, dien ik gehad heb en mijn ijver, indien men dien zoo noemen tan, is zoo lauw en zwak geweest, dat mij oneindig veel heeft ontbroken in de vervulling van mijn ambt/\' Toen hij ernstig krank was, liet hij de raadsleden en geestelijken van de stad aan zijn ziekbed komen, en vermaande hen tot trouw aan Gods Woord en broederlijke liefde onder elkander. Dikwijls hoorde men hem in smartelijk verlangen bidden : „O, wie geeft mij vleugelen der duiven om naar U heen te vliegen !quot; Eindelijk ontsliep hij (27 Mei 1564lt;) in vollen vrede. Geen steen dekt zijn graf, en niemand kan zelfs zijn laatste rustplaats aanwijzen.

Niettegenstaande zijne harde consequentie, waardoor hij Gods mysteriën voor het verstand doorzichtig poogt te maken, is Calvijn toch een uitnemend man, vol des H. Geestes. Zijn uitlegging van de boeken der H. Schrift is scherpzinnig en geestelijk tegelijk, en kan nog altijd met vrucht worden geraadpleegd. En werd hij ook, door verschil van karakter vooral, in menig opzicht verwijderd gehouden van Luther, toch was zijn blik ruim genoeg om in hem eenen broeder in Christus te erkennen, zoodat hij dan ook eens zeide: „Al schold Luther mij ook voor een duivel, dan toch nog zou ik hem eerbiedig een uitnemend dienaar Gods noemen, wien wij allen veel verschuldigd zijn.quot; En omgekeerd droeg ook Luther hem de hoogste achting toe. Ach, waarom werden door \'t nageslacht zoo dikwijls menschelijke leeringen op den voorgrond gedrongen, en werd de hoogere eenheid in Christus zoo vaak voorbijgezien!

§ 61.

De Hervormde Kerk.

*

Ook in al de West-Europeesche landen was iets van den geest van Luther doorgedrongen, maar overal werd aldaar op de reformatorische bewegingen de stempel ingedrukt van Calvijns krachtige persoonlijkheid, en van de godgeleerdheid, gelijk die te Genève beoefend werd. In Frankrijk had sints lang, ten gevolge van den zegevierenden strijd met den pauselijken stoel, eene meer vrijzinnige opvatting der Catholieke leer veld gewonnen; door Waldensen en

-ocr page 425-

.397

Albigensen was de hervorming er krachtig voorbereid. En spoedig vinden wij dan ook vooral in Zuid-Frankrijk Hervormde gemeenten, die zich, daaraan verwant door taal en volksaard, bij voorkeur aan de Zwitsersche hervorming aansloten. Doch ook in Parijs zelf gevoelden de Protestanten zich weldra zóó sterk, dat zij aldaar in 1559 eene algemeene Synode hielden, waarop zij een streng Calvinistische belijdenis vaststelden. Nog krachtiger werden zij, toen ook het koninklijke huis Bourbon van Navarre hunne partij koos. Maar liet hof, dat uit politiek in \'t buitenland de zaak van \'t Protestantisme voorstond (zie boven), vervolgde het in eigen land daarentegen met groote bitterheid. Vele getuigen der waarheid stierven op den brandstapel, maar de waarheid zelve kon niet tot zwijgen worden gebracht. In het verborgen hielden de Calvinisten hunne godsdienstoefeningen en vergaderingen. Yooral een moerassige heide bij Tours was voor hen eene geliefkoosde verzamelplaats. Het volks-bijgeloof liet daar de schim van Hugo Capet rondwaren, en het is waarschijidijk ten gevolge daarvan, dat de Fransche Calvinisten al spoedig niet den naam van „Hzigenotenquot; werden aangeduid. Anderen zien in dien naam eene verfranscliing van het Duitsche „Eidgenossenquot;, eedgenooten.

Gedurende de minderjarigheid van den koning, en bij den strijd van de prinsen van Navarre en de hertogen van Guise, die als pretendenten naar de kroon, die weldra onbeheerd zou zijn, optraden, werd helaas de zaak van het Evangelie in dien zuiver wereldschen strijd gemengd en te gelijk maar al te dikwijls, de Hervormde Kerk verlaagd tot eene politieke partij. Want terwijl Navarre het Protestantisme als bondgenoot koos en de Guise\'s op de Catho-lieke Kerk hunne hoop bouwden, ontstond een gruwelijke burgeroorlog, waarin alle recht en gerechtigheid met voeten getreden werd, tot driemalen toe de vrede opnieuw werd gebroken, totdat eindelijk in 1570 aan de Protestanten, die zich onverwinlijk getoond hadden, een blijvende vrede verzekerd werd, en zij als erkende partij mochten worden geduld. Maar niemand vermoedde dat uit den nu schijnbaar helderen hemel, plotseling een bliksemstraal zou neder-schicten. Catharlna de Medici, die als voogdes van haren minderjarigen zoon Karei IX als regentes was opgetreden, werd juist door het politiek optreden der Hugenoten gedreven tot een besluit om die machtige partij voorgoed te fnuiken. Eerst w;ist zij eene

-ocr page 426-

898

Verloving tot stand te brengen tusschen Hendrik van Navarre eh hare dochter Margaretha, en hield zich, als wilde zij daardoor eene blijvende verzoening tusschen de strijdende partijen tot stand brengen. Toen de bruiloft zal worden gevierd, noodigt zij alle hoofden der Calvinistische partij, die, aan deze uitnoodiging gehoor gevende en niets kwaads vermoedende, met den grijzen Coligny aan \'t hoofd, op den bepaalden datum te Parijs verschijnen. Maar toen na het groote bruiloftsfeest (23 Aug. 1572) de nacht viel, deed een onheilspellend klokgelui zich hooien van den toren van \'t paleis. Moordenaarsbenden komen uit hunne schuilhoeken te voorschijn, aangevoerd door den Catholieken adel, en een bloedbad vangt aan, dat in de geschiedenis nauwelijks zijn wederga vindt. Bij menigten worden de niets kwaads vermoedende Hugenoten neer gehouwen, zonder eerbiediging van ouderdom of geslacht. Als een der eerste slachtoffers van dezen gruwelnacht valt de Coligvy. Zelfs zijn lijk wordt nog mishandeld. Zelfs de koning vuurt van \'t balkon de moordenaarsbenden aan, en lost schoten op eenige vluchtende Hugenoten. Zeven dagen houdt het moorden te Parijs aan, terwijl in-tusschen renboden naar de provincies gezonden worden om den stadhouders eveneens uitroeiing der protestanten te gelasten. En al geeft nu een van beu het schoone antwroord, dat hij den naam des kouings te hoog achtte, dan dat bij dien door de uitvoering van zulk een moordbevel wilde bezoedelen; al schenkt zelfs een bisschop aan de Hervormden van zijn bisdom bescherming tegen het geweld der Catholieken — niet alle dienaren des Konings waren zoo menschelijk, en in die weinige dagen kwamen veertig duizend Hugenoten om het leven.

De paus liet de klokken luiden om deze schandelijke overwinning te vieren, terwijl in de kerken Te Deum\'s moesten worden gezongen. Doch \'t nageslacht keert met afschuw zich af van dit verbreken van een koningswoord, en de vergelding bleef niet uit voor den jongen Karei, die in angstige droomen altijd weer de verschrikkingen van dien gruwelnacht voor zich zag, totdat een vroegtijdige dood een einde maakte aan deze foltering.

Op nieuw grepen nu de Hugenoten in groote verbittering tegen hunne doodvijanden naar de wapenen, en deze nieuwe burgeroorlog eindigde niet eer, dan toen in 1589 het koningshuis Yalota uitstierf en Hendrik van Navarre den troon besteeg. Het Catholieke

-ocr page 427-

399

Frankrijk wilde intusschen geen Protestantschen koning erkennen. Toen keerde, terwille van Je kroon, Hendrik in den schoot der Moederkerk terug, hopende aldus zijn land den vrede terug te schenken. Maar uit verloochening der waarheid kan nimmer vrede geboren worden. Wel gaf de koning (13 April 1598) eene wet — het Edict van Nantes — ter bescherming zijner voormalige geloofs-genooten, aan wie hij volkomen vrijheid van geweten en gelijke burgerrechten met de Catholieken verzekerde; zij mochten op sommige plaatsen openlijk, op andere ten minste in stilte, ongestoord godsdienstoefeningen houden, en zelfs schonk hij hun tot onderpand en tegelijk als bolwerk hunner vrijheid zekere vestingen, zoodat de Protestanten in Frankrijk als het ware een staat in den staat vormden. Maar dit alles bracht geen vrede. De Protestanten bleven treuren over Hendriks afval, en ook de Catholieken mistrouwden zijne bedoelingen, en beschouwden zijn stap als een maatregel van wel begrepen eigen belang. In 1610 zonden de Jezuieten eenen moordenaar op hem af, die een einde maakte aan zijn leven. Niet lang daarna verkortte Richelieu, de oppermachtige minister van Lodewijk XIII, de burgerlijke rechten der Protestanten door de bovengenoemde vestingen één voor één door regeeringstroepen te bezetten. Hoe meer de hervorming in Frankrijk zich uitbreidde, des te meer nam de onderdrukking toe, en toen eindelijk, na een weelderig en zondig leven, Lodewijk XIV tot berouw ontwaakte, stelden zijne biechtvaders hem voor, dat de uitroeiing der ketters de beste boete was, die hij voor zijne zonden doen kon. Nu volgden strenge maatregelen des konings elkander op, om zijne hervormde onderdanen weer met geweld onder het pauselijk gezag terug te brengen. De hun eenmaal verzekerde burgerschapsrechten schond hij op wreede wijze door zijne dragonders tegen hen uit te zenden (dragonades), opdat deze door afpersingen en gruweldaden hen zóó lang zouden kwellen, tot zij weer het Rooinsche geloof zouden aannemen. Tegelijk liet hij het goud schitteren en wierookwalmen van koninklijke gunst uitgaan oin proselyten te maken. Toen weken velen het land uit, al trachtte de koning dit ook te verhinderen. Een half millioen Calvinisten verliet den geboortegrond, en vond elders, vooral in Nederland 1), een nieuw tehuis (refugiés). Nu verklaarde

1) Zie § 62.

-ocr page 428-

400

Lodewijk (17 October 1685) het edict van Nantes overbodig geworden, oiider voorwendsel dat er geene Protestanten meer bestonden, en hief het op, hoewel nog wel twee millioen Calvinisten in Trankrijk waren achtergebleven. Zestienhonderd Hervormde kerken werden omvergehaald, de predikanten beklommen het moordschavot, de. mannen werden op de galeien in boeien geklonken, de vrouwen in den kerker geworpen, de kinderen aan de ouders ontrukt en in de kloosters Catholiek opgevoed. Met grooten heldenmoed bleven de Hervormden trouw aan hun beginsel, en het was eene groote uitzondering, als iemand afvallig werd. In bet Zuiden maakte eene bittere wrok tegenover zooveel onrecht zich meester van de licht ontvlambare gemoederen. Men greep naar de wapenen, en verschanste zich in de bosschen en bergkloven der Cevennes, die bun eene natuurlijke vesting waren. Menigmaal waren zij gelukkig in den strijd, en dit vermeerderde bunnen moed, maar deed ook den haat hunner vijanden toenemen. Hun aanvoerders waren mannen vol geestdrift en hartstocht, die als profeten bezielden tot strijd Tooide waarheid. Doch in het rijk Gods wordt de blijvende overwinning niet bevochten door dapperheid in den veldslag, maar door geloofsmoed, gestaald in lijden. En zoo gelukte het dan wel den woesten benden der Caw.isards om in 1704 herstel in de oude burgerrecliten en volkomen vrede af te dwingen, maar toen zij de wapenen hadden nedergelegd werd iedere belofte opnieuw gesehonden, en begon eene vervolging, nog vreeselijker dan de voorafgegane. Doch nu kwam ook het ware geloof heerlijker aan het licht. Niet meer onder de wapenen, maar God meer gehoorzamende dan de menschen, verzamelden zich de Hervormden in donkere bosschen in het holle van den nacht, en de predikanten, in den ban gedaan en voortvluchtig en daarom \'predikers der woestijn genaamd, gingen moedig voort bet woord Gods te prediken. Velen werden gegrepen en ter dood gebracht, maar in de plaats der gedooden verwekte God nieuwe dragers van zijn Evangelie. Nog in het jaar 1762 werden eenige predikanten ter dood veroordeeld, omdat zij waagden te prediken. Een van hen, met name Jioghette, werd op zijn laatsten gang zelfs door krijgslieden beweend. Maar hij sprak tot een\'van hen: „Vriend, gij zijt ieder oogenblik bereid voor uwen koning tc sterven; waarom beklaagt gij mij, dat ik voor mijnen God sterf?quot; Op een andere plaats werden twee predikanten gevangen genomen, Benezet en

-ocr page 429-

401

Molines. De eerste ging moedig den dood te geraoet, de laatste zwoer in doodsangst zijn geloof af. Maar zijn geweten ontwaakte. In wanhoop verliet hij het land, en keerde in Nederland tot de verlaten Kerk terug. Doch zijne doffe, zwaarmoedigheid eindigde eerst met den dood en altijd meende hij den laatsten blik van den trouwen Benezet te zien.

De Fransche revolutie (1789) ontnam, wel is waar, aan de Roomsche Kerk de macht om de Hervormden te vervolgen, doch het was nog de ware vrede niet, dien zij daardoor verkregen. Telkens hadden zij nog hier en daar uitingen van den volkshaat te verduren. Ook keizer Napoleon III was in de eerste jaren zijner regeering maar al te zeer geneigd zich de gunst der Catholieken te koopen, door onderdrukking der Protestanten. Niettegenstaande deze eeuwenlange onderdrukking, trots alle rechtsverkrachting, welke zij zich moesten laten welgevallen, hebben zich de Protestanten van Frankrijk trouw betoond aan hun beginsel, en vooral door de „Société Évangéliquev niet weinig gedaan voor de verbreiding van den Bijbel en christelijke geschriften, en krachtig gearbeid aan de uitbreiding van Gods Koninkrijk. —

In Schotland ontbrandde een heftige strijd tusschen de Catho-lieke regeering en het volk, dat de beginselen der hervorming aannam, en ook hier werd in dien strijd politiek en godsdienst op droeve wijze dooreengemengd. De prediker John Knox, een man van onbuigzamen wil en brandenden ijver, werd de leider van het volk. Nadat hij zelf tot kennis der waarheid gekomen was, predikte hij met groote vrijmoedigheid de nieuwe beginselen, totdat hij in handen der Franschen viel, die de Koomsch-Catholieke partij in Schotland te hulp gekomen waren. Als galeislaaf werd hij door hen naar Frankrijk gezonden, en, al mocht hij ook na eenige jaren naar zijn vaderland terugkeeren, weldra drong een nieuwe vervolging hem naar Genève de wijk te nemen, waar hij vriendschap sloot met Calvijn. Toen hij eindelijk weer terugkeerde, was daar een bittere wrok in zijn hart tegen het Catholicisme, terwijl hij geheel de eigenaardig Zwitsersche beschouwingen der hervorming in zich had opgenomen. Sedert 1560 was de schoone Maria Stvart Schotland\'s koningin, en niet lang was Knox terug of, geërgerd door het weelderige leven, dat aan \'t hof geleid werd, en de wijze waarop het Catholicisme begunstigd werd door eene vrouw, wier gansche

26

-ocr page 430-

402

hart naar wereldsche vermaken uitging, begon hij openlijk van den kansel tegen haar op te treden. Te vergeefs smeekte de koningin hem onder tranen, haar toch te willen sparen. Het toch reeds oproerige volk werd altijd meer onrustig, en instede van het haar dreigend gevaar te bezweren, maakte Maria in hare verblinding het gedurig grooter, tot zij eindelijk, vluchtend voor haar eigen volk, in Engeland, instede van gastvrije ontvangst, langdurige gevangenschap en een bloedig einde vond. Nu had de reformatie in Schotland gezegevierd, maar ook tegelijk het strengste Calvinisme in dit land zijn intrek genomen. In 1572 werd de hervormer van Schotland opgeroepen, en op zijn graf zette men : „Hier rust een man, die niemands aangezicht vreesde.quot; —

In^Duitschland was Luther eigenlijk altijd de hervormer, met wien de volksaard het meest verwantschap gevoelde, en indien in sommige Duitsche landen toch de Gereformeerde leer de Luthersche heeft verdrongen, is dit het gevolg geweest van regeeringsinvloeden of van den arbeid van Gereformeerde godgeleerden. Dit was vooral het geval in het keurvorstendom de Paltz, gelegen aan Rijn en Neckar. Hier voerde (1589) keurvorst Frederik de Gereformeerde leer in. Zijn opvolger beval, dat er weer Luthersch gepredikt zou worden, maar de volgende keurvorst verdreef met geweld alle Luthersche predikanten uit het laud, en verzekerde zoo den Gereformeerden de overwinning. Maar toch bleef de Duitsch-Gereformeerde Kerk altijd bewaard voor de eenzijdigheden van het strenge Calvinisme, en de Heidelbergsche Catechismus, op bevel van den keurvorst Frederik in 1562 door ZacJiarius Ursinus en Caspar Olevianus opgesteld^ ademt een warmen godsdienstigen zin bij eene meestal uitnemend klare uiteenzetting van het leerbegrip. — Honderd jaren later braken over deze zelfde Paltz zware stormen los. Het vorstenhuis stierf uit (1685), en nu kwam het huis Paltz-Neuburg aan de regeering, dat Roomsch-Catholiek was, en niet altijd rechtvaardig optrad tegen, over de Protestantsche onderdanen. Bovendien drongen weldra in den rampzaligen oorlog tusschen Frankrijk en Duitschland, bande-looze legers van Lode wijk XIV het land binnen, en terwijl zij allerlei verwoestingen op ieder gebied aanrichtten, voerden zij met geweld het Catholicisme in vele gemeenten weder in, en toen eindelijk vrede werd gesloten, werd deze onnatuurlijke toestand bestendigd.

In het keurvorstendom Brandenburg ging de keurvorst Johan

-ocr page 431-

403

Sigisraund (1613) tot de Gpreformeerde Kork over. Herhaaldelijk had hij zijnen vader op schrift moeten beloven, nimmsr tot dien stap te zullen overgaan. Maar hij hield zich aan deze belofte niet, zeggende, dat in de dingen van Gods Koninkrijk zulke geloften niet golden. Toch schijnt staatkunde aan dien stap ook nief. vreemd te zijn geweest. Hij maakte aanspraken op het land van Cleef en had daartoe den steun der Calvinisten noodig. Wel verzekeide hij aan de Stenden, dat hij in geen enkel opzicht zijne Luthersche onderdanen zou belemmeren. Toch bleven botsingen niet uit. Ook werd de bekende dichter Paul Gerhardt uit zijn predikambt ontzet.

Ook Maurits van Hessen-Kassei ging (1604) over. Bremen en de Anhaltsche vorstendommen insgelijks.

In Hongarije breidde de Gereformeerde Kerk zich vooral uit onder de Magyaarsche bevolking, maar deelde er met de Luthersche een vrij droevig lot. In den jongsten tijd hebben de pogingen der Magyaren oin hunne zelfstandigheid te herwinnen, de zaak van het Protestantisme geschaad, en worden de meest welwillende maatregelen van de zijde der Oostenrijksche regeering er met het grootste wantrouwen begroet.

De Gereformeerde Kerk van Zwitserland zelve heeft ook in deze eeuw een zwaren strijd te strijden gehad tegen eene partij, die niet slechts de oude kerkorde vernietigd heeft, maar ook het geloof en de kerk zelve in de grondslagen aantastte. Zoo schafte men in het kanton Waadt (1839) de Zwitsersche geloofsbelijdenis af, en verlaagde de dienaren der kerk tot lijdelijke werktuigen van den Staat. Toen trad de meerderheid der predikanten uit, en vormden een eigen, vrije kerk. Zij hadden nu menigmaal verdrukking, nimmer ondersteuning van den Staat te wachten, doch intusschen bleven zij op deze wijze getrouw aan het geloof der vaderen.

In den loop der jaren heeft zich nu de Hervormde Kerk volgens haar eigen aanleg ontwikkeld. Van den republikeinschen staatsvorm der landen, waar zij tot vollen wasdom kwam, heeft zij de meer democratische inrichting overgenomen, zoodat de gemeenten meer zelfstandig zijn, ook de kerken in ieder land hare eigene regeling hebben, wat tengevolge heeft, dat zij slechts door een weinig hechten band met elkander verbonden zijn. De predikanten zijn meer dan ergens elders: dienaren der gemeente. De godsdienstoefeningen zijn dikwijls al te eenzijdig predikdienst. Doch de

-ocr page 432-

404.

eerekroon der Hervormde Kerk is hare bijzondere, toewijding aan de belangen van in- en uitwendige zending, waardoor ook naast den arbeid der predikanten voor de leden der gemeente een rijk arbeidsveld geopend is.

§ 63.

De Kerkhervorming en de Hervormde Kerk in Nederland.

Nauwelijks had de groote Hervormer te Wittenberg zijne stem doen hoeren, of zijn woord vond ook iu onze gewesten weerklank in veler hart, getuige de menigvuldige uitgaven van Luther\'s geschriften, welke, in liet oorspronkelijke en vertaald, reeds in 1518 te Antwerpen verkrijgbaar waren; getuige ook het bekende werk van Hendrik van Bommel, 1) en zoo menige prediking, reeds in de eerste jaren na 1517 te Antwerpen, Dordrecht, Utrecht en elders gehouden. Maar krachtiger nog dan dit alles spreken de vele vertalingen der H. Schrift 2) en de geloofsmoed der eerste martelaren. Onder de eerste bloedgetuigen in de Nederlanden hebben wij te noemen Hendrik Foes en Johannes van Essen, die als monniken van \'t Augustijner Klooster te Antwerpen zich met kracht tegen den aflaat verzet hadden. Toen van hen gevorderd werd openlijk hunne leeringen te herroepen, weigerden zij dit standvastig, en werden daarom den len Juli 1523 op de markt te Brussel levend verbrand. Op den brandstapel hieven zij nog het Te Dmm (in ons Gez. 3 overgebracht) aan, en betuigden aan de menigte, dat zij als goede Christenen stierven. Toen Luther van deze terechtstelling hoorde, sterkte hij den moed der hervormings-gezinden door \'t bekende lied op de twee martelaren, waarin o. a. de schoone regels voorkomen: „Zij, die bij \'t leven, door den moord. Tot zwijgen zijn gedwongen. Zij spreken thans in ieder oord. En door veel duizend tongen Wordt blij hun lof gezongen!quot;

Ook Noord-Nederland kan reeds in deze tijden op martelaren wijzen. Jan van Woerden, ook wel Jan de Bakker genaamd,

1) Summa der Godliker Scrifturon.

2) 1523 N. T. uitgeg. bij Ailr. van Bergen. 152G Volledige Bijbelvertaling door Jacob van Liesveldt en door Doen Pietevs. In zes jaren zagen 23 drukken van \'t N. T. het licht. ïusschen 1523 eu \'43 meer dan honderd.

-ocr page 433-

405

beleed op den brandstapel te \'s Gravenhage zijn geloof in Jezus Christus, den Verlosser, toen liij bad: ,,Jezus Christus, Zoon van God! gedenk mijner en ontferm U mijnerquot; (1 525).

Kwamen dus de eerste zaden der hervorming, dadelijk in zoo vruchtbare aarde ontkiemend, van Luthersche zijde, al spoedig werden ock Zwitserscbe invloeden in deze gewesten openbaar. Hinne Rode toch, rector der Utrechtsche school, meer zekerheid willende ontvangen omtrent eene opvatting van Ganzevoort\'s Avondmaalsleer, door hemzelven in navolging van zijn vriend Hoen gehuldigd, had zich eerst naar Lutlier, maar daarna naar Zwingli begeven, om hen in dezen te raadplegen. Luther kon hem niet overtuigen. Zwingli was met zijne beschouwingen zóó ingenomen, dat hij later openlijk betuigde, dat hij de rechte beschouwing van het Avondmaal aan godgeleerden uit Nederland te danken had. Na zijn terugkeer predikte H. Rode dan ook, sints 1535, te Deventer, in den geest der Zwitsersche hervormers.

Van ditzelfde jaar 1525 dagteekenen strengere maatregelen van Karei V tegen de Hervorming. In welken vorm men de nieuwe leer aanhing was hem om het even. Hij had vast besloten alle ketterij in zijne erflanden uit te roeien, en ook de overige heerschers in de Nederlanden — de bisschop van Utrecht en de hertog van Gelre — deden in gestrengheid niet voor hem onder. Wendelmoet KlaesdocMer, Cornells Wouters en vele, vele anderen werden ten vure gedoemd.

Maar oneindig grooter nog is het getal van hen, die men in vunzige kerkerholen liet versmachten, om hen zoo tot terugkeer tot het Roomsche geloof te bewegen. Gode zij dank, heeft de Inquisitie, in deze jaren door telkens nieuwe placcaten verscherpt, de hervorming niet kunnen uitroeien, maar toch is haar een gevoelige slag toegebracht. Want steeds was men er op uit, hare leiders te vangen, en hetzij deze dan den marteldood stierven of naar het buitenland ontvluchtten, de jonge gemeenten bleven herderloos en verweesd achter.

Zóó was de toestand, toen in 1530 zich een nieuw verschijnsel onder de hervormingsgezinden vertoonde. Zóó luidruchtig en dweepziek, zóó snel opgekomen en verdwenen, dat het niet ongelijk is aan een snel opbrandenden stroobos. Het is het Anabaptisme, de beweging dor Wederdoopers, die van Embden uit hier een vijftal jaren de gemoederen in beweging bracht, en na de eerste opwek-

-ocr page 434-

406

king floor Melchior Hofman, zijn hoop bouwde op de Nederlandsclie leiders: Jan MattMjs, Jan van Leiden, Jan van Geel en anderen. Een dezer. Jan van Leiden was liet, die in 1535 te Munster een zoogenaamd Godsrijk stichtte, waarin de dweepzucht alras tot woeste zinnelijkheid oversloeg. ïoen de Bisschop van Munster zijne stad heroverde, vonden de leidslieden en volgelingen een vreeselijk einde. Na den val van \'t Siousrijk te Munster, verdween het Anabaptisme langzamerhand, geen ander spoor nalatend dan de secte der Batenburgers. Want, hoewel in oorsprong eenigzins met het Anabaptisme verwant, is het Doopsgezinde kerkgenootschap, gevormd door Menno Simons, niet in dadelijk verband er mede te brengen.

Het rumoerig optreden van het Anabaptisme had eenige vermindering van strengheid ten gevolge in de houding der overheid tegenover de Hervormden. Men maakte in deze jaren onderscheid tusschen zware en lichte ketterij: de zware, die der Wederdoopers; de lichte, die der Hervormden. Doch toen in 1540 Karei V zijne erflanden bezocht om het oproerige Gent te tuchtigen, werden de vorige placcaten verscherpt en alle ketters met de Wederdoopers gelijkgesteld. Van nu af zien wij \'t streven van Karei V om in al zijne landen eenvormigheid van bestuur te verkrijgen, en de ketterij niet enkel tegen te houden, maar uit te roeien. En van nu af zien wij het vrijheidlievende Nederland eerst lijdelijk, daarna met de wapenen in de hand strijden voor privilegiën en vrijheid van denken, strijden voor „haardsteden en altaren.quot;

Terwijl Karei V door tien elkander opvolgende bloedplaccaten (het laatste in 1550), de Inquisitie regelde en het ten slotte bijna onmogelijk maakte voor de aanhangers der* nieuwe leer in Nederland te blijven, zonder gedood te worden, beschikte de Heer der Gemeente voor de benauwde kudde hulp in het buitenland. Ood-friesland, de Paliz en Engeland waren vluchthavens, waar duizenden zich heen begaven en veilige wijkplaats vonden; hun aantal wordt bij matigste berekening dp vijltigduizend geschat. Het was in \'lezen tijd, dat een man opstond, die groeten invloed op de hervorming in Nederland heeft uitgeoefend., Sederd 1540 woonde in do nabijheid van Embden op zijn landgoed een Poolsch edelman, a Lasco geheeten. Reeds sints lang met Erasmus bevriend en de hervorming wel gezind, was hij toch evenals de groote Rotterdammer, langen tijd van oordeel, dat het zijn plicht was in de Roomsch-Catholieke

-ocr page 435-

407

Kerk te blijven, en zoo, in de Kerk, aan eene langzame hervorming der Kerk te arbeiden. Doch toen hij \'t vruchtelooze dezer poging had ingezien, legde hij de bisschoppelijke waardigheid, die hij in Polen bekleed had neder, woonde eeuigen tijd te Leuven, waar hij eene Hollandsche vrouw huwde, en was toen naar Oostfriesland gegaan, om daar in rust zijne dagen te slijten. Doch de Heer had een\' anderen werkkring voor hem weggelegd. Om aan den verwarden godsdienstige!! toestand van Oostfriesland een eind te maken, werd hij tot superintendent aangesteld, terwijl hij zich te Embden als predikant vestigde. Zoowel hier nu, waar hij, totdat in 1547 liet Interim hem verdreef, met grooten zegen arbeidde, als in Londen, waar hij daarna werkzaam was als superintendent van de Vtaamsche, Waalsche en Italiaansche Kerken, heeft a Lasco organiseerend gewerkt onder die schare vluchtelingen, die onder zijne leiding voor verstrooiing bewaard bleven, en heeft hij de grondslagen gelegd voor eene kerkinrichting, die, toen de vervolging minder werd, latei-in eigen vaderland den Hervormden ten zegen zou zijn. Op het punt van leerstellige opvatting had deze kerkinrichting, het stempel dragend van haren leider, het meest overeenkomst met Luther, in de beschouwing van kerkelijke gebruiken met Zwingli, in de handhaving der tucht met de opvattingen van Calvijn. En wil ineii in later dagen, zelfs toen \'t streng Calvinisme in onze kerk heerschte, en ook nu nog, uu allerlei andere verschijnselen zich in die kerk voordoen, de Hervormde Kerk in Nederland zelve begrijpen, dan moet men den blik richten op a Lasco en zijn\' arbeid.

In 1553 werd hij uit Engeland verdreven, en na tevergeefs in Luthersche landen gastvrije opname te hebben begeerd, vertoefde hij als superintendent drie jaren te Eraukfort, terwijl hij zijne laatste krachten wijdde aan zijn vaderland, en eene poolsche bijbelvertaling in het licht gaf. In 1560 overleed hij.

In 1555 deed Karei V afstand van de regeering. Hij had inet alle macht de nieuwe leer bestreden, maar hij had het Protestantisme niet overwonnen. In zijne erflanden Spanje en de Nederlanden volgde zijn zoon Philips hem op; in Duitschland werd zijn broeder na hem keizer.

Wat zal nu die zoon en opvolger doen? Hij zal met nog grooter verbittering trachten de ketterij uit te roeien, maar in nog grooter teleurstelling zijne plannen zien ondergaan. Nauwelijks had Philips II de regeering aanvaard, of drie grieven werden tegen

-ocr page 436-

408

hem openbaar. Het eemoig edict, een bevestiging van Kareis placcaat in 1550 gegeven, de aanwezigheid van Spaanseh Jcrjgsvoll; en de nieuwe indeeling van Nederland in 18 iisdommen waren oorzaken eener ontevredenheid, die meer en meer toe zoude nemen en eindelijk zoude leiden tot afschudden van het Spaansche juk. Aan het hoofd der oppositie stond Willem van Oranje, die, — vooral na een gesprek door Hendrik II, koning van Frankrijk in 1559 op een jachtpartij met hem gehouden, waardoor hem een licht was opgegaan over de veel omvattende plannen van Philips — een zich wel van zijn doel bewust verdediger der verdrukte Nederlanders was. Dat doel was eerst het beschermen der rechten van de provinciën, waarover hij stadhouder was. En reeds tijdens de bloedige vervolgingen, in den eersten tijd van Philips regeering, ziet men het groote onderscheid tusschen het lot der Hervormden onder Willems bestuur, nl. in Holland, Zeeland en Utrecht, en dat van hen, die in andere gewesten, vooral in Zuid-Nederland woonden. Toch is quot;Willem eerst later, door het lecren kennen van den ernst des levens, een kampvechter voor de rechten van \'t Protestantisme geworden. Niettegenstaande alle hevige vervolging en het verlies van de beste krachten, breidde de zaak der Hervorming zich voortdurend uit. Het geestelijk leven uitte zich in geheime conventikeien, waar oorspronkelijk de Souterliedekens door Willem van Znvlen van Nijevelt, in 1540 met keizerlijke machtiging uitgegeven, werden gezongen, en predikers uit den vreemde de gemeenten onder het kruis stichtten. Deze predikers — wij noemen slechts Guido de Bres, (of de Bray), Batheen, Moded — hebben met voorbeeldigen ijver en hartelijke toewijding hun zware taak vervuld, maar tegelijk krachtig medegewerkt om een sterk Calvinistische geestesstrooming in deze gewesten in te brengen. En deze strooming werd weldra zóó sterk, dat de overige Protestanten, die meer onder Duitsche invloeden stonden, als Sacramentisten werden aangeduid. De in 15o9 door G. de Bres opgestelde Nederlandse/te Geloofsbelijdenis werd in 61 te Genève heimelijk gedrukt 1) en in\'t volgend jaar hier

1) Calvijn had liever tie Fransche belijdenis overgenomen gezien, maar de Bres vieesde, dat de na de oorlogen met Frankrijk tegen dit land bestaande veete een hinderpaal hiertegen zou zijn. Ook wilde hij krachtiger optreden tegen de wederdoopers dan in de Fransche geloofsbelijdenis geschiedde.

-ocr page 437-

409

te lande vertaald en verspreid, en had weldra haar gezag gevestigd. Do Heidelbergsc/ie Catechismus, opgesteld door Ursinus en Olevianus te Heidelberg, werd in 1563 door Datheen vertaald en kwam spoedig in even hoog aanzien als de belijdenis van de Bres, en het is als een zegen voor onze Kerk te beschouwen dat dit zoo was, daar het ons volk voor de uiterste consequenties van het Calvinisme meestal heeft behoed. De bovengemelde Souterliede-kens werden geheel door eene nieuwe Psalmberijming van Datheen verdrongen.

Zoo vond Willem van Oranje niet een aaneengesloten partij, aan wier hoofd hij zich plaatsen kon, maar drie partijen, die alleen nu en dan door vrees voor den getneenschappelijken vijand bijeen konden worden gehouden: een patriotische Roornscle partij, welke \'staatkundige rechten wilde handhaven tegenover den Spaanschen dwingeland; de Calvinisten, die een staat ingericht volgens hunne belijdenis begeerden, en de overige Hervormingsgezinden, die niet tot de Calvinisten mogen gerekend worden. Tot deze laatsten be-hooren in dezen tijd een Anastasius Veluanus, schrijver van „der Leeken wegwijzerquot;, een Angelus Merula, de pastoor van Heenvliet, en andere mannen, die tot het Evangelie der Schriften wilden terug keeren, maar voor wie de streng afgebakende Calvinistische confessie niet aannemelijk was. Pogingen van Willem, om vooral Lutherschen en Gereformeerden te verzoenen, mislukten geheel, maar toch kwam er langzamerhand een meer enkelvoudige toestand, doordat nl. de Calvinistische partij gedurende eenigen tijd de éénige was, die zich met kracht kon laten gelden.

Onder dit alles werd de klove dieper tusschen Nederland en Philips II, en in 1566 waren de zeer duidelijke voorteekenen te aanschouwen van den strijd op leven en dood, die weldra zon ontbranden. Die teekenen zijn: de verbonden van edelen en kooplieden, de hagepreeken en de beeldenstorm. Het zijn de niet meer half gesmoorde maar duidelijk uitgesproken blijken van afkeuring van het schrikbewind; het zijn, in edelen of min edelen vorm, bewijzen, dat het vrije volk zich niet langer wilde laten tyranniseeren in wat hem het hoogst was. Vandaar, dat edelen en kooplieden opkomen voor overoude rechten; vandaar, dat \'t blijmoedig geloof zich niet binnenskamers kan houden, maar zich openlijk gaat uiten; vandaar ook dat ^t grauw, tot het uiterste getergd, het gansche

-ocr page 438-

410

gebouw fier kerk, die moordbevelen gaf en bleef geven, tot gruis wilde vermorselen. Met deze dingen was de teerling geworpen. De sombere monarch te Madrid zwoer wraak, en geheime bevelen werden aan de landvoogdes Margaretha gegeven. Oranje neemt met duizenden uit Antwerpen de wijk naar \'t buitenland. In 1567 verschijnt Alva; Egmond en Hoorne sterven op \'t schavot; legers door Oranje verzameld, worden verslagen; al verder dringt de wreker voort, overal verderf en schrik verspreidend; Oranje, door geldgebrek gedwongen, moet zijn leger afdanken. Wij behoeven deze dingen hier slechts aan te stippen, om den ontzettenden tijd van Alva\'s schrikbewind in schrille kleuren voor ons te zien. Dan volgt de invordering van den tienden penning, maar tegelijk de inneming van den Briel; in \'t volgend jaar 1573 het beleg van Alkmaar, het „begin der victpriequot;. In dit zelfde jaar ging Oranje tot dc Hervormden over.

Reeds vroeger had hij zijne meesterlijke verantwoording geschreven, maar van dit oogenblik af is hij eerst volkomen één met de goede zaak, welke de staten van Holland en Zeeland voorstonden. Immers, staatkundige vrijheid was ook in het plan dier Staten begrepen, maar vrijheid van denken voor het Protestantisme stond bovenaan. Wij zien dan ook, en dit is weder een feit, waarmede de kerkgeschiedenis te maken heeft, dat in den tachtigjarigen oorlog de omverwerping van het Spaansche gezag op den voet gevolgd werd door de vestiging der Hervormde Kerk.

Deze Hervormde Kerk van Nederland had in 1571, na eenc voorloopige conferentie van uitgewekenen te Wesel in 1568, hare eerste wettige Synode gehouden te Ernbden, en nauwelijks waren de eerste overwinningen behaald, en was Leiden, na eene smartelijke belegering in 1574 ontzet, of den moedigen verdedigers werd als belooning de Academie geschonken, die vooral ten nutte der godgeleerde wetenschap gesticht werd en reeds in 1575 werd geopend. 1) Het duurde niet lang, of Noord-Nederland was voor het grootste deel voor deze Kerk gewonnen, en wel zóó beslist, dat een strijd tus-schen Noord- en Zuid-Nederland niet kon uitblijven. Tevergeefs trachtte de Pacificatie van Gevt dezen strijd te bezweren; door de Unie van Utrecht en die van Air echt werden Noord- en Zuid-

1) Be Aoailemic te Gvouiugeu werd 1614 ; die te Utrecht 1636 gesticht.

-ocr page 439-

411

Nederland verschillende landen, waarvan het laatste zich weldra voor Spanje boog en \'t hoofd in den schoot legde, het eerste in langen en volhardenden strijd een schitterende toekomst te gemoet ging.

Zwaar en bang was de strijd, welken onze voorvaderen hebben gestreden. Maar hij is dienstbaar gemaakt om het zuiver Evangelie in het diepste van ons volksleven te doen doordringen. Aan onze Kerk is in dien worstelstrijd des geloofs een heerlijk verleden gegeven, dat zijne zegeningen nog tot in het heden toe uitstrekt.

Het kan intusschen geen verwondering baren, dat bij al de beroering der eerstvolgende stormachtige tijden de verhouding tns-schen Kerk en Staat niet nauwkeurig werd geregeld, en evenmin^ dat de strenge formuleering der Nederlandsche Geloofsbelijdenis, weldra, toen de ouderteekening dier belijdenis van telkens meerderen geëischt werd, oorzaak werd van verdeeldheid, niet slechts tusschen hen, die op belangrijke punten verschilden, maar evengoed tusschen hen, die het in hoofdzaken ééns zijnde, in een of ander ondergeschikt punt geen overeenstemming van gevoelen konden verkrijgen. De oorzaken der twisten over kerkorde en confessie, die nu volgen, zijn daarmede aangegeven.

Eeeds vroeg, niet buiten invloed van Leycesters optreden, is er eene zekere spanning tusschen de wenschen der Kerk en die der Staten waar te nemen, en eveneens zien wij maar al te ras, dat zij die het waagden in eenig opzicht van de streng Calvinistische gevoelens, welke de meerderheid der dienaren van de Kerk was toegedaan, te verschillen libertijnen, socinianen 1), afvalligen genoemd werden.

Vasten vorm neemt deze strijd aan in het begin der zeventiende eeuw. Al wie vijand was van staatsbemoeiing, maar ook van de geringste afwijking van de Nederlandsche Geloofsbelijdenis, stond toen geschaard om mannen als Gomaras, Plancius en Bogerman, tegenover de anticonfessioneelen, van welke Arminius, tegen zijn zin, de leider werd. Op droeve wijze werden in dien strijd staatkundige en theologische beginselen dooreengemengd; en gelijk overal, waar dit gebeurt, het vuur van den hartstocht tot lichtelaaie

1) Zie § 68.

-ocr page 440-

413

aangeblazon. De aanleiding tot dezen strijd, waarvan wij de diepere oorzaken reeds noemden, was de twist tusschen de Leidsche Hoog-leeraren Arminius en Gomarus over de leer der uitverkiezing. De eerste verkondigde de stelling: God neemt slechts in genade aan, die Zijne roepstem tot gelooven opvolgen, waartegenover Gomarus eene strenge, maar volgens velen niet bijbelselie praedestinatieleer liandhaafde. Alsof een vonk gevallen was in een vat buskruit, zoo was plotseling \'t ganscbe land in rep en roer. Er wordt van beide zijden op een nationale synode aangedrongen, maar de Staten van Holland houden dit tegen, tot eindelijk na den staatsgreep van Maurits, die zich aan de zijde van Gomarus gesteld had, Olden-barnevelt en de Staten-partij het onderspit delven en de tegenpartij triomfeert. De dood van Oldenbarnevelt en de veroordeeling van Arminius volgelingen, sedert 1610 Remonstranten 1) genaamd, zijn hiervan het gevolg. Immers zoodra Maurits\' partij had gezegevierd, kwam de groote nationale Synode van Dordrecht bijeen (13 Nov. 1618).

Over deze Synode, zoo vaak besproken, zoo heftig veroordeeld door sommigen, zoo hemelhoog verheven door anderen, in korte woorden iets te zeggen, is geen lichte taak. Wanneer men de vijf stellingen der Arminianen leest, dan zien ze er voor een deel zoo onschuldig uit, dat inen geneigd is de strenge uitspraak der Synode te wraken, en haar van bittere partijdigheid te beschuldigen. Ze zijn de volgende: lo. dat God van eeuwigheid besloten had degenen, die door Zijne genade in Jezus Christus gelooven, en daarin volharden, te verkiezen ten eeuwigen leven, eu daarentegen besloten, de onbekeerlijken en ongeloovigen te verwerpen ter eeuwige verdoemenis; 2o. dat mitsdien Christus voor allen en een iegelijk mensch gestorven is, doch alleen zóó, dat niemand de vrucht daarvan geniet zonder het geloof; 3o. dat de mensch het zaligmakend geloof niet heeft van zich zelven, noch krachtens zijn vrijen wil, maar daartoe de genade Gods in Christus van noode heeft; 4o. dat de geloovige niet volhardt zonder de medewerkende genade, edoch niet op onwederstaanbare wijze werkende; 5o. dat

1) In dit jaar bodon dc Arminianen n.1. aan de Edelmogenden eene Remonstrantie aan, waarin zij de later te noemen 5 artikelen voordroegen, tot wederlegging vau de geruchten, aangaande hun leer in omloop.

-ocr page 441-

413

de waarlijk geloovige door zijne eigen schuld van God kan afwijken, en ganschelijk liet geloof verliezen. — Bij nauwkeuriger beschouwing blijken ze intusschen minder onschuldig. Zij doen, zij het ook met een gedeeltelijk goede bedoeling om nadruk te leggen op de menschelijke verantwoordelijkheid, toch te kort aan den genade-arbeid Gods; zij stellen den Christus niet voldoende als algenoegzamen Zaligmaker voor. Er schuilde inderdaad in de leer, door deze stellingen vertegenwoordigd, voor de kerken der Reformatie een groot gevaar. En al zouden wij nu niet gaarne al wat op de Dordtsche Synode gesproken is onderschrijven, al zijn er Arminianen, wier nobele bedoelingen en vroom gemoed wij kunnen eerbiedigen, wij moeten toch voor een eenigszins juiste beoordeeling dezer Synode deze punten op den voorgrond stellen: a. De Synode kwam op voor een hoog en heilig belang. Immers, zij trachtte uitdrukking te geven aan het besef van het vroom gemoed, dat God de eenige oorzaak is van het behoud des zondaars; h. het is begrijpelijk, dat een geslacht, pas aan Home ontworsteld, met groote kracht optrad tegen leeringen, waarin men eene toenadering tot de Roomsche dwaling, alsof een mensch zijne eigene behoudenis bewerkte, meende te onderkennen; c. het was een zeer te waar. deeren blijk van bezadigdheid der Synode, dat zij het infrahpsa-risme (Gods raadsbesluit stellende na den val des meuschen, zie art. 16 Ned. Gel.) aannam, en niet het meer consequente, maar minder Godewaardige supralapsarisnie, (dat Gods raadsbesluit tot verkiezing en verwerping vóór den val des menschen plaatst); (l. hoewel de Synode eene scherpbelijnde praedestinatieleer vaststelt, dringt zij er niettemin op aan, dat over deze verborgenheid slechts spaarzamelijk gehandeld, maar daarentegen de volle raad Gods tot zaligheid altijd weêr den volke gepredikt zou worden. Zien wij dit alles niet voorbij, dan mogen wij daarnaast erkennen, dat ook hier alweer duidelijk blijkt, dat de menschelijke rede niet in staat is de verborgenheden Gods te doorgronden, en dat het uitsluitend nadruk leggen op Gods raadsbesluit schade deed aan de erkenning van \'s menschen verantwoordelijkheid. Dan mogen wij ook toestemmen, dat de Synode geestelijker zou gehandeld hebben door eenvoudig hare belijdenis uit te spreken en verder op de macht der waarheid te vertrouwen, dan door, even als de tegenpartij vroeger gedaan had, steun te zoeken bij de wereldlijke

-ocr page 442-

414

inaclit. Eu het beroep op hare medewerking werd door de Overheid dan ook aangegrepen. De Arminianen, den 14 Jan. 1619 uit de vergaderzaal der Synode verwijderd, werden nadat hun leer veroordeeld was, nu van al hunne ambten en waardigheden ontzet. Van wege de Staten werd hun eene „acte van stilstandquot; voorgelegd, waarin zij beloven moesten zich van eiken kerkdijken dienst te zullen onthouden en zich rustig te zullen gedragen. Toen verreweg de meesten dit weigerden, werden zij uitgebannen. In-tusschen was, nog tijdens de zitting der Synode, nl. 5 Maart 1019, begin van uitvoering gegeven aan het plan tot oprichting van eene „gemeene broederschapquot;, welke zich ten doel stelde de vrijheid te handhaven. De ziel dezer beweging was Wttenhogaert, tot aan zijn einde het erkende hoofd der Remonstranten.

Behalve met deze veroordeeling der Arminianen heeft de Synode zich bezig gehouden met de vaststelling van \'t leergezag. Vaste formulieren van eenigheid werden aangenomen. De Hervormde Kerk, bestuurd volgens de regeling der Dordtsche Synode, is van 1619 —1795 te beschouwen als de heerschende kerk. Na den dood van Maurits, onder Frederik Hendrik, wordt langzamerhand het vijandelijk optreden tegen de Remonstranten minder. In 1634 kon zelfs Episcopius zijne lessen openen aan hun eigen seminarie te Amsterdam. Nog eens dient hier gezegd, dat men de Dordtsche Synode, en al wat daarmede samenhangt, niet mag beschouwen buiten verband van haren tijd, en moet men toestemmen, dat in dien tijd in geen land zóó groote verdraagzaamheid werd betoond tegenover Protestanten, afwijkende van de heerschende kerk, en ook tegenover Roomschen en Joden, als juist hier te lande.

Een vrucht der Synode is ook de voortreffelijke bijbelvertaling, welke 1037 het licht zag. Behalve dat zij genoemd mag worden een meesterstuk van taal en stijl, zóó getrouw het oorspronkelrke teruggevende, dat zelfs de Remonstranten geen bezwaar konden maken ze aan te nemen, is zij ook een gedenkteeken van het geloof der vertalers, die voor hunnen arbeid te Leiden samenbleven, terwijl een hevige pest aldaar woedde.

Nauwelijks was er eene zekere rust wedergekeerd, of een nieuwe strijd werd openbaar nl. tusschen de scholastieke geleerdheid en de nieuwere philosophie. Wij noemen hier slechts Voetins en Coccejm als de eerste vertegenwoordigers van deze partijen,

-ocr page 443-

415

welke onder verschillende namen gedurende de 17e en 18e eeuw de vaderlandsehe kerk in twee kampen verdeelden. Beide zijn hoogst achtenswaardig; Voetius, de scherpzinnige dogmaticus, met het innig vrome hart, de man der synthese, der samenvoeging dei-leerstukken tot één geheel; Coccejus, de man der analyse, der ontleding van het in de Schrift gegevene, hetgeen hem niet belette tot stellige resultaten te komen. Hij is de eerste, die wijst op het onderscheid der Verbonden. Eerst bij hunne volgelingen wordt de strijd kleinzielig, en verloopt zich in een twisten over beuzelingen. Het spreekt wel van zelf, dat bij dit verschil van beschouwing en aanleg, er ook een verschil viel waar te nemen in hunne predikii:g. De prediking van Voetius en de zijnen gaf zeer dikwijls uitnemend voedsel voor het hart, maar handelde somtijds meer over den Christen dan over den Christus. De Coccejanen legden zich toe op uitvoerige schriftverklaring, en gaven hierin dikwijls veel goeds, maar menigmaal was hunne prediking gezwollen van stijl, en gemengd met veel te veel vertoon van geleerdheid.

Naast deze dogmatische verschijnselen, treffen wij ook in ons land evenals in Duitschland, doch hier zich reeds vroeger openbarend, eene richting aan, welke grooten nadruk legde op godsdienstig leven, en in Duitschland bekend is onder den naam van Piëtisme. De leelinks (vader met twee zonen), Theodorus en Willem a BrakeU, Lodenstern waren hare waardige vertegenwoordigers. Doch spoedig vertoonden zich in de kweekelingen en de vereerders van de La-badie 1) (onder welke eene Anna Maria van Schurman), in de Gieh-telianen en Hattemisten, afwijkingen met sectarisch en dweepziek karakter.

Het kon niet anders, om de waarheid getrouw te zijn, moesten wij eenigen tijd spreken van twisten, en inderdaad voor den opper-vlakkigen beschouwer geven deze eeuwen, volgende op de Synode van Dordt, niet veel anders te zien. Maar daarom juist is \'t noodig er op te wijzen, dat er in \'t verborgen veel goed zaad, in goede

1) Jean de Labadie, opgevoed in de Roomsche Kerk, was ia 1650 tot de Her-vorming toegetreden, en maakte weldra te Genève grooten naam als bezield prediker. Van daar werd hij in ons land ingehaald met groote verwachting, dat liij de Kerk zuiveren zon. Als altijd, is ook toen hot streven naar eene Kerk van wedergeborenen ijdel gebleken. In plaats daarvan ontstonden to Middelburg, Veere en Amsterdam, hnis-gemeenteu. Langzaam verval en ondergang van \'t Labadisme te Alton a en in Friesland.

-ocr page 444-

-l i 6

aarde gevallen, opgroeide ter eere des Heeren. Het Evangelie was eene groote macht in ons volksleven. De H. Schrift werd vlijtig gelezen en men leefde er in, wat nog veel méér zegt. Daar was tucht in de huisgezinnen; vele stichtingen verre/,en voor weezen en ouden van dagen. Vroeger dan eenig ander volk, liet ons voorgeslacht zich gelegen liggen aan de geestelijke belangen der Koloniën, en, was ook de methode gebrekkig, daar alles te veel op Holland-schen leest werd geschoeid, toch moeten wij dien zoo vroeg ontwaakten Zendingsijver prijzen. De hulpvaardigheid, waarmede Holland optrad tegenover verdrukte geloofsgenooten uit andere landen (men dcnke aan de vluchtelingen uit Frankrijk, tijdens de verdrukking onder Lodewijk XIY) is wereldberoemd; de weldadigheid aan quot;Waldensen en anderen bewezen, meer dan gewoon. Somtijds, bij feestelijke tijden, was daar helaas! ook bij onze vaderen, dronkenschap en ongebondenheid, maar nooit was zij regel in het dagelijksch leven bij de overgroote meerderheid van het volk. Ta, wij mogen zeggen, dat daar zóóveel doorwerking te zien was van het Evangelie als in een zondige menschenwereld te wachten is.

Deze dingen gelden intusschen met grooter nadruk van de 17 de dan van de 18de eeuw. Immers, deze eeuw vertoont meer en meer dc sporen der verslapping, welke toenemende weelde altijd met zich brengt. Bovendien begonnen toen onder de „beschaafdenquot; de invloeden zich te doen gelden der Duitsche philosofen Wolf en Kard, van de Engelsche vrijdenkers Hnme en Locke, en van de Fransche spotters Diderot en Voltaire. De vromen trokken zich toen meer en meer terug in stille kringen, met neiging tot lijdelijkheid (Schortinghuis). De besturende machten in de Kerk bepaalden zich tot het krampachtig vasthouden aan de leer, maar die niet langer de uitdrukking was van het levend geloof. De verschillende twisten en de wrijving der geesten, welke telkens tot eindresultaat hadden, dat met uitstooting of uittreding der uitersten, toch meer of minder afwijkende gevoelens in de Kerk geduld werden, deden indere begrippen over verdraagzaamheid geboren worden, maar tegelijk werd verdraagzaamheid wel eens gelijk aan beginselloosheid. De revolutiegeest verscheurt eindelijk alle banden van goddelijk en menschelijk gezag. Zij is ongetwijfeld te beschouwen als een oordeel Gods over veel dat vermolmd was, maar toch, de revolutie is in haar wezen slechts tot afbreken, niet tot opbouwen in staat.

-ocr page 445-

41 7

Troosteloos zijn dan ook de toestanden, die dc eerste dagen na de revolutie in de wereld- en kerkgeschiedenis te aanschouwen geven. Door de Bataafsclie republiek wordt de Kerk in onze gewesten van hare rechten en goederen beroofd, waarbij de Staat intussehen de verplichting tot bezoldiging der leeraars op zich neemt. Het Fransche bewind vernedert de Kerk nog al meer, terwijl de omverwerping van alle vroegere machten ook op het gebied des geestes het ongeloof, en op dat des levens de ongebondenheid ontketent. Maar toch, altijd zijn daar sporen van het leven des Geestes, al gloort het vonkske slechts onder de asch. Het is een merkwaardig verschijnsel, dat juist in deze woelige jaren de gedachte opkwam het Nederlandsche Zendelinggenootschap op te richten (1797), en aandacht geschonken werd aan het kerklied, zoodat in 1806 een bundel gezangen werd ingevoerd. De oprichting van het ITaagsche genootschap en het Teyler\'s genootschap tot bevordering van godgeleerde onderzoekingen, is eveneens teeken van leven in een tijd, die overigens ten doode scheen opgeschreven. Maar bovenaan staat misschien de stille trouw van honderden predikanten, die rustig, zonder opzien te baren, hunnen arbeid voorzetten, terwijl hunne bezoldiging door het Pransch bewind werd ingehouden en zij van dc liefdadigheid der gemeente leven moesten.

Geestelijk leven was er. Maar onze vaderlandsche Kerk was bijna dood. Het was dan ook wel noodig, dat eene krachtige hand het bijkans vernietigd organisme onzer vaderlandsche Kerk in orde bracht. Dit geschiedde door koning Willem I op eene wijze, die intussehen door velen werd afgekeurd. Met medewerking van elf predikanten werd 7 Jan. 1816 het Algemeen Keglement vastgesteld, volgens hetwelk de Kerk, (voortaan Nederlandsche Hervormde Kerk) van nu af zou worden bestuurd. Een algemeene Synode werd bijeengeroepen. Er werden provinciale kerkbesturen ingevoerd, terwijl de classikale vergaderingen van beteekenis veranderden 1). Het lichaam, dat zoo ontstond, vertoonde een veel grooter eenheid, dan de tijd der afzonderlijke gewestelijke synoden ooit had te aanschouwen gegeven. En moge ook al het eenigszins eigenmachtig optreden des konings sommigen hebben gehinderd,

1) Classikale Benturen waren ov niet vóór 1810. Men had classikale Tergade-ringen en provinciale synoden, welke laatstgenoemde echter niet geregeld gehouden werden: in Zeeland zijn ze zelfs nooit door de Staten toegestaan.

-ocr page 446-

418

wij mogen niet vergeten, dat de koning, die de Kerk in ontredderden toestand aantrof, voortging op de lijn van bescherming ver-leenen en oppergezag uitoefenen, waarin vroeger de Staten waren voorgegaan. De afhankelijkheid der Kerk van den staat was onder koning Willem I voorzeker niet grooter, dan waarin zij vóór 1795 verkeerd had. Ten blijke, dat deze organisatie niet bedoelde, eenigen invloed uit te oefenen op het geestelijk leven der Kerk, werd in het reglement aan de besturen der Kerk o.a. opgedragen: „ha/ntl-havintj har er leer.quot; Het belijdend karakter der Kerk is dus geenszins verloochend. Daar echter de belijdenis, gelijk ze in de Belijdenisschriften is nedergelegd, nooit naar gewijzigde toestanden en behoeften is herzien, gelijk geschied zou zijn, indien, naar den wensch der Dordsche synode om de drie jaren eene. Algemeene Synode ware samengekomen, die opgerezen bezwaren had kunnen behandelen, zoo is thans eene Kerkrechterlijke handhaving onmogelijk geworden, en behoudt alleen een beroep op geest en hoofdzaak der belijdenis zijne zedelijke kracht. Kerkrechterlijk is er geen voldoende rechtsgrond tegenover allerlei van het Evangelie der Schriften afwijkende leeringen, maar daarom heeft nog niet allerlei „wind van leerquot; zedelijh recht in de kerk, wier belijdenis geenszins in het onzekere laat, waar het in leven en sterven op aan komt.

Het schaadt niet, dat de Kerk in haren strijd tegen dwalingen geen anderen dan den geestelijken weg kan volgen. De kracht der waarheid is het eenige, wat werkelijk dwaling overwinnen kan, en op den duur kan zich toch in de kerk niet blijven thuis gevoelen, wie haar eigenlijk leven niet medeleeft.

In den eersten tijd, na de invoering der organisatie, was er al zeer weinig strijd. Men gevoelde zich gelukkig, dat er verandering gekomen was; men was met de omstandigheden, maar daarom ook al licht met zich zei ven tevreden. De prediking ondervond den invloed daarvan. De hoofdwaarheden des Evangelies werden niet verloochend, maar eene oppervlakkige deugdprediking deed den persoon en het werk des Heeren op den achtergrond treden.

Als een onwaardeerbare zegen is het daarom aan te. merken, dat eene geestelijke opwekking (Eéveil), die van Engeland uitgegaan, eerst in Zwitserland werkte, van daar, over Frankrijk heen, ook tot ons land kwam. Overal ontwaakte belangstelling in het goddelijk Evangelie, en weder werd met ernst gevraagd: Wat moet ik doen

-ocr page 447-

419

om zalig te worden? En wie gevonden hadden, wat zij zochten, begeerden dien schat ook anderen mede te deelen. Godsdienstige gezelschappen ontstonden; Evangelisatie werd aangevangen; werken der reddende liefde werden ondernomen.

Meer nog onder leden der gemeente dan onder hare voorgangers werkte deze opwekking. Geen wonder dus, dat er bij velen vervreemding kwam van de Kerk, en dat voor hen slechts geringe aanleiding noodig was om met de Kerk te breken. Die aanleiding kwam in 1834 door eenen strijd met de hoogere besturen van den predikant de Cock te Ulrum, bij wien zich spoedig v. Raalte, Scholte en enkele, andere voorgangers voegden, die afzetting ten gevolge had. Er ontstonden door het gansche land bewegingen tot afscheiding, die de Regeering tevergeefs (helaas, door boeten en gevangenisstraffen) trachtte te onderdrukken. Bij de troonsbestijging van Willem II werd aan deze afgescheidenen volle vrijheid verleend, zich tot een afzonderlijk kerkgenootschap, onder den naam van „Christ. Afgesch. Geref. Kerkquot;, te organiseeren. Eene theologische school, te Kampen opgericht, zorgde weldra voor de vorming van leeraars. In 1869 werd de naam veranderd in dien van „Christelijke Gereformeerde Kerkquot;.

Vele anderen intusschen, die den invloed van het Réveil hadden ondergaan, bleven in de Hervormde Kerk en arbeidden daar, op verschillende wijze, aan de uitbreiding van het Godsrijk. Met eere verdienen onder dezen de namen van een Groen van Prinsterer, Bilderdijk, da Costa, Capadose, Molenaar, Heldring genoemd te worden. Groote kracht ging van deze mannen en anderen met hen uit, om zielen te winnen voor den Heer. Op staatkunde en letterkunde oefende het Evangelie der Schriften invloed, maar vooral in werken van barmhartige liefde toonde zich de kracht der opwekking.

Waar nu alzoo het geloof zich bijzonder krachtig openbaarde, nam ook de bestrijding, niet slechts van de kerkleer, maar van geheel het Evangelie der Schriften, meer en meer toe, gelijk dat vooral tot openbaring kwam in de wereldbeschouwing, die omstreeks sedert 1855 onder den naam van modernisme, zich in de kerk begon te verbreiden. Deze richting poogt uit het Evangelie al het bovennatuurlijke te verwijderen, maar ontneemt daardoor tevens aan het Evangelie zijne levenskracht; het maakt van Jezus eenen braven Rabbi, die wijze zedelessen gaf; het neemt de blijde bood-

-ocr page 448-

430

schap van eenen Redder voor zondaren weg om er een tweede wet voor in de plaats te stellen.

Terwijl deze strijd der geesten de Kerk bezig hield, had deze intusschen in 1852 eene nieuwe organisatie verkregen, die haar geheel en al zelfstandig maakte tegenover den Staat. Een beginsel, in die organisatie uitgesproken, dat het recht tot beroeping van predikanten en benoeming van kerkeraadsleden bij de gemeente berust, werd uitgewerkt in een Reglement, dat in 186G tot wet werd verheven. De. verwachting, dat hierdoor de rechtzinnigheid tot heerschappij zou komen, werd wel ten deele vervuld, maar toch niet zóó snel, of er waren er velen, die forschere maatregelen begeerden. Hiermede hangt de stichting samen van eene Vrije Universiteit op gereformeerden grondslag te Amsterdam in 1880, en het ontstaan eener beweging in 1886, onder den naam van „doleantie\' bekend, omdat de leiders dezer beweging de groepen, die zich aan het synodaal verband onttrokken, „doleerendequot; (of klagende.) „kerkenquot; noemden. Deze beweging behoort nog te zeer tot onzen tijd om in een geschiedkundig werk beschreven te worden. Genoeg zij het te vermelden, dat deze „doleerende. kerkenquot; zich in 1892 met de Christelijke Gereformeerden onder één synodaal verband, onder den naam van „Gereformeerde Kerkenquot; vereenigden. Sedert hebben zich echter weder op verschillende plaatsen gemeenten gevormd van personen, die zich aan deze vereeniging onttrokken, en de voortzetting willen zijn van de voormalige Christelijke Gereformeerde Kerk.

Tegenover de vast aaneengesloten Roomsche Kerk, vervalt het Protestantisme in ons vaderland in een aantal kerkgenootschappen, naast welke nog de Irvingianen en Darbysten zijn te noemen. Het bestek laat niet toe in nadere omschrijving te treden van deze kerkgenootschappen, noch van de richtingen, die zich in elk van deze, maar vooral in de Hervormde Kerk als de talrijkste, openbaren 1). Het kleine Nederland vroeg reeds zoolang de aandacht. Doch wij verlaten het niet dan met dank aan den Heer der Gemeente, die in en door ons vaderland groote daden wrocht, en met de bede, dat het „land der martelarenquot; opnieuw krachtig

1) Wip van deze dingen uitvoerige en duidelijke inlichting- begeert, raadplege: „Het Protestantsche Nederland onzer dagen, door Dr. J. H. Gunning J.Hzn.quot; Gron, 1889.

-ocr page 449-

421

moge staan en leven in het geloof, waaivoor de vaderen alles hebben over gehad.

§ 63.

De Eiigelsclic Kerk.

Tijdens de Kerkhervorming regeerde in Engeland koning Hendrik VIII, een man des gewelds, en op wiens zedelijk leven veel is af te dingen. Hij was in zijne jeugd bestemd voor den geestelijken stand, en had alzoo eenige theologische kennis opgedaan, waarop hij in later jaren zich niet weinig liet voorstaan. Zóó kwam hij er dan ook toe, eene wederlegging te schrijven van Luther\'s geschrift: „Over de Babylonische gevangenschap der kerkquot;, en tegenover hem op te komen voor de zeven sacramenten. Dit geschrift ademt toorn en verbittering; vleiers roemden het als dooiden Heiligen Geest ingegeven; de paus gaf hem een teeken van zijne hooge gunst, door hem den titel van „verdediger des geloofsquot; te verleenen; doch Luther werd er niet door overtuigd, en hij liet Hendrik niet op antwoord wachten.

Niet lang daarna echter drong de koning van Denemarken er bij Luther op aan, dat hij zich met Hendrik zou verzoenen, daar deze den paus weinig goedgezind, en misschien voor de zaak der Reformatie te winnen was. En nu schikte de edele man er zich in, de minste te willen zijn en zich te verootmoedigen. Zóó schreef hij den koning eencn brief, waarin hij hem om Christus wil om vergeving vroeg, en den wensch uitsprak, dat de koning weldra een even vurig belijder van het Evangelie mocht worden als de keurvorst van Saksen. Maar deze schoone brief bleef onopgemerkt.

Kwam Hendrik quot;VIII dan toch ten slotte tot losmaking van de Catholieke Kerk, en, schonk hij aan Engeland eene soort van Kerkhervorming, hij kwam daartoe niet uit zuivere motieven. Immers aanleiding was voor hem de weigering des pausen, om zijn huwelijk met Catharina, tante van Karei V, te ontbinden. Zondige neiging voor eene hofdame, Anna BoJeyn, had er hem toe gebracht dit te begeeren, en het feit, dat Catharina vroeger gehuwd was

-ocr page 450-

422

geweest met zijnen broeder Arthur, had hem bij \'t verzoek om de pauselijke goedkeuring als voorwendsel gediend. Evenwel, de paus was niet geneigd deze goedkeuring te schenken. Toen nam de koning een haastig besluit. Hij maakte zich los van den paus, en verklaarde zichzelven in 1534 tot „hoogste bestuurderquot; der Engelsche kerk. Het Parlement keurde dit besluit goed, en billijkte ook de echtscheiding, waartoe de koning nu eigenmachtig overging. Het Engelsche volk werd door deze daad in twee deelen gedeeld. Daar waren er, die aan Rome vasthielden of althans van eene reformatie als deze niets wilden weten. Maar aan de andere zijde waren er ook, die op een echte hervorming hoopten, en zich nu reeds verheugden over de aanvankelijke losmaking van Rome. Tot deze laatsten behoorde ook de priester Thomas Cr emmer, die meende \'s konings echtscheiding te kunnen billijken, en daardoor in groote gunst stond bij het hof. Hij werd als gevolmachtigde door den koning naar Rome gezonden, om daar met den paus te onderhandelen. Later vertoefde hij eenige jaren in Duitschland, eu zóó leerde hij zoowel het onchristelijke leven te Rome kennen, als de zuivere strooming, die van de Duitsche reformatie uitging. Bij zijnen terugkeer werd hij aangesteld als aartsbisschop van Canterbury, en hij begon nu pogingen aan te wenden om de Engelsche Kerk te hervormen. Doch zijn taak was niet gemakkelijk. Hij stond tegenover een\' vorst, die gewoon was met ruwe hand in het heiligste in te grijpen. En deze had, toen hij zich van Rome losmaakte, eene geloofsbelijdenis ingevoerd, waarbij de koning dp plaats des pausen innam, maar overigens de Roomsche Kerk gehandhaafd bleef. Wie daar niet mede instemde, hetzij uit gehechtheid aan den paus, hetzij uit instemming met de beginselen der reformatie, moest dat met zijn leven boeten.

De rijke kloostergoederen werden ten bate des konings verbeurd verklaard. Wel werden Protestantsche geleerden geroepen, om op de Engelsche hoogescholen leerstoelen te bezetten, maar toch, tot aan den dood van dezen koning, bleef de toestand vau de Kerk verward (1547). Hij werd opgevolgd door zijnen minderjarigen zoon Edward VI, dien men wel eens den Britschen Josia, genoemd heeft. Immers, evenals die koning van Juda, besteeg hij nog als knaap den troon, en evenals toen werd ook nu het heiligdom gereinigd van den verkeerden godsdienst van vorige dagen.

-ocr page 451-

423

Nu kon Cranmer kalm en bezadigd het werk voortzetten, dat Hendrik gewelddadig en meer verwoestend dan opbouwend begonnen was.

Maar, helaas, Eduard stierf spoedig en in zijn plaats kwam (1553) Maria, dochter van Hendrik en Catliarina, cn gemalin van Philips II van Spanje, aan de regeering. Het leed, dat zij hare moeder had zien aandoen, had haar verbitterd, cn in blakenden ijver voor het herstel der oude Kerk, nam zij nu het zwaard ter hand om de bestrijders daarvan te vernietigen. Het vertoornde en gefolterde volk gaf haar den bijnaam van „de bloeddorstigequot;. Ongeveer driehonderd personen van allerlei leeftijd en geslacht lieten op den brandstapel het leven.

In de eerste plaats keerde zich Maria\'s toorn natuurlijk tegen Cranmer, in haar oog de bewerker der kerkelijke nieuwigheden niet alleen, maar ook de handlanger van Hendrik VIII in zake de echtscheiding harer moeder. Hij werd in den kerker geworpen, waar hij langen tijd streng werd bewaakt, tot plotseling de strengheid plaats maakte voor bijzondere vriendelijkheid. Tegen zulk een overgang was de afgetobde grijsaard niet bestand, en hij liet zich overhalen tot eene herroeping zijner denkbeelden welke aldus aanving:

„Ik Thomas Cranmer, vroeger aartsbisschop van Canterbury, doe afstand van en verafschuw en verwerp iedere soort van ketterijen en dwalingen, door Luther en Zwingli gepredikt, en alle leeringen, welke in strijd zijn met de gezonde leer. En ik geloof vast en zeker, en wil daarvan ook nog met mijnen mond getuigenis afleggen, dat er slechts eeno heilige zichtbare Catholieke Kerk is, buiten welke geen zaligheid mogelijk is. Daarom erken ik dan ook den bisschop van Eome als het hoofd der Kerk op aarde; ik belijd, dat ik hem voor den hoogsten bisschop en paus houd, voor den stadhouder van Christus, aan wien de geheele christenheid zich gewillig moet onderwerpen.quot;

Niettegenstaande deze herroeping, herkreeg Cranmer zijne vrijheid niet, en het was bepaald, dat hij ter dood zou worden gébracht. Op den bestemden dag bracht men hem naar eene kerk om daar ook openlijk te herroepen. Maar heimelijk was er reeds alles in gereedheid gebracht om hem uit de kerk ter dood te brengen. Hij doorzag echter dit plan. En toen men nu van hem

-ocr page 452-

434

eischte, dal hij zijne dwalingen zou belijden, verhief hij luide zijne stem om van de waarheid te getuigen, en herriep weer zijne herroeping. Den hervoriningsgeziuden was dit tot vreugde, maar de tegenstanders riepen: „Stopt deu ketter den mond en leidt hem weg !quot; Toen hij bij den brandstapel gekomen was, hield hij de rechterhand rustig in de vlammen, opdat die \'t eerst zou verbranden, omdat hij zijne herroeping er mode had onderteekend. Herhaaldelijk riep hij daarbij: „Onwaardige rechterhand\\quot; Weldra maakten de opslaande vlammen hem het spreken onmogelijk. Zijn laatste woord was: „Heere Jezus, ontvang mijnen geest.quot; (21 Maart 1556).

Twee jaren daarna stierf ook Maria. Nu kwam de kroon aan Elisabeth, wier regeering door de Engelsehen voor den glorietijd hunner geschiedenis gehouden wordt. Zij was eene dochter van Hendrik VHI en Anna Boleyn, maar zij had eene moeielijke jeugd gehad, daar zij, nadat hare moeder op \'t schavot het leven gelaten had, door haren vader wreed behandeld werd. Toch ontving zij door Gods wonderbare leiding, godsdienstig onderricht in den geest van het leerboek van Melanchton. Zoo had zij een ernstig en vastberaden karakter, toen zij den troon besteeg, en was zij de leer der Hervorming toegedaan. Onmiddelijk gaf zij dan ook de vrijheid weer aan al diegenen, die op bevel van Maria om hun geloof in den kerker geworpen waren. In 1562 gaf zij bevel, dat eene geloofsbelijdenis, van 39 artikelen, als grondslag van alle leeront-wikkeling moest worden erkend. Ook in Ierland, als afhankelijk van Engeland, werd de Engelsehe Reformatie ingevoerd. Maar de Ieren haatten de Engelsehe overheersching en het geloof, dat uit Engeland hun werd opgedrongen. Zij bleven den paus getrouw. Wel gaven zij tienden en vaste bezoldiging aan de priesters, die uit Engeland hun werden toegezonden, maar deze konden geene gemeenten om zich verzamelen. In Engeland werd in 1673, niettegenstaande er een niet onbeteekenend aantal Catholieken was, die hun Kerk niet wilden verlaten, eene wet uitgevaardigd, dat niemand een staatsambt mocht bekleeden, die niet den koning als hoofd der Kerk had erkend en in een bisschoppelijke kerk het Avondmaal ontvangen had. In den nieuweren tijd zijn deze harde bepalingen veranderd, maar daarmede is ook het aantal Engelsehe Catholieken merkwaardig toegenomen. Het tweeslachtig karakter der Engelsehe staatskerk is hiervan grootendeels oorzaak.

-ocr page 453-

425

De Engelsclie Staatskerk — de z. g. bisschoppelijke kerk — bekleedt eeue ganscli eigenaardige plaats onder de christelijk? kerken. Terwijl zij zich, wat de leer betreft, aansluit aan de Zwtsersche reformatie, doet hare uiterlijke inrichting dikwijls aan den Eoomschen kerkvorm denken. De 39 artikelen harer belijdenis zijn een heldere en milde uiteenzetting van de Hervormde leer. Van het Avondmaal wordt gezegd, dat daarbij het lichaam van Christus op een hemelsche, geestelijke wijze gegeven wordt. De praedestinatie wordt in gematigden zin geleerd. Maar de kerkinrichting is in haar wezen Roomseh. De koning is het hoofd van de Kerk; de talrijke en rijk bezoldigde bisschoppen behooren tot de pairs van het i\'ijk (leden van het Hoogerhuis). Bij den eeredienst is de liturgie zeer lang; aan de prediking wordt minder moeite besteed. Doch juist omdat die inrichting der Kerk bij het Engelsclie volk geen instemming vond, en het Woord ook niet zoo gepredikt werd als de behoeften van het geestelijk leven dit eischen, maakte zich al spoedig een groot gedeelte der Engelsclie Protestanten van de staatskerk los, en stichtten als dissenters — d. i. andersdenkenden — eigen Kerkgenootschappen. Zoo is daar een zekere verdeeldheid onder de Protestanten in Engeland, welke de vorming van sekten en dweep-achtige uitingen van geestelijk leven begunstigt, maar welke toch ook eenen edelen wedijver in de bevordering van christelijk leven heeft te voorschijn geroepen. Langen tijd heeft de Staatskerk de Dissenters onderdrukt; onder Elisabeth zijn ze zelfs vervolgd geworden, tot nu in den jongsten tijd ook in Engeland meerdere vrijheid van denken is toegestaan.

Onder deze Dissenters verdienen Puriteinen en Methodisten het eerst onze aandacht. Met den eersten naam worden aangeduid de reeds van den aanvang der Hervorming af, ook in Engeland sterk vertegenwoordigde Calvinisten. Zij stootten zich aan bet aanhouden van den Eoomschen kerkvorm, en vormden daarom afzonderlijke gemeenten. De prediking was voor hen hoofdzaak; de overige bestanddeel en van den eeredienst werden ter zijde gesteld; de kerken werden van alle versiering ontdaan; de groote christelijke feesten werden niet gevierd. Ook maakten zij zich los van alle Staatsbemoeiing en bestuurden hun eigen zaken door Presby-teriën en Synoden: van daar de naam Presbyterianen, waarmede zij zich noemen. Ook naar Amerika zijn zij overgeplant.

-ocr page 454-

426

Uit latereu tijd is het Methodisme. Deze eigenaardige strooming levert er het bewijs van, hoe het christelijk leven daar, waar het niet gezond en krachtig zich kan ontwikkelen, door eene eenvoudige verkondiging des Woords, toch zich zelf baan breekt en zich gaat uiten op eene wijze, die dikwijls het Godsrijk ten goede komt, maar tegelijk eigenaardige gevaren doet ontstaan.

In het begin der vorige eeuw studeerden aan de hoogeschool te Oxford twee vrome jongelieden, de gebroeders John en Charles Wesley. Zij waren in de ziel gegrepen door de heerlijkheid van de Heilige Schrift, al verstonden zij het niet in hare diepte af te dalen. Zij verlangden de goddelijke waarheden in hun eigen leven te verwezenlijken, en richtten nu met gelijkgezinden eenen bond op, die zich zou toeleggen op gemeenschappelijk Bijbellezen en op werken van christelijke liefde. Omdat zij nu de heilige oefeningen, waartoe zij zich verbonden hadden volgens een zekere methode of regel deden, werden zij eerst uit spotlust, daarna in ernst „Methodistenquot; genoemd. Toen deze broeders den mannelijken leeftijd hadden bereikt, muntte vooral John (1703—1791) uit in krachtigen arbeid voor de zaak van het Godsrijk, terwijl zijn geleerde vriend George Whitejield (1714—1770) hem trouw ter zijde stond. Door den invloed dezer beide mannen ontstond nu in Engeland en Amerika eene machtige godsdienstige beweging, die menigmaal op gezonde en uitnemende, maar dikwijls toch ook op stormachtige en bevreemdende wijze eene verandering en bekeering der goddeloozen wilde tot stand brengen. Tot deze bekeering meent het Methodisme te geraken, niet door een zich meer en meer verdiepen in de Godsopenbaring, niet door een worstelen in den gebede om de goddelijke genade, maar door een uiterlijken, en daarom bedenkelijken, strijd van boete. Indien dan ook de stichters van den bond, of de door hen uitgezonden reizende predikers — die meestal uit de leeken voortkwamen — in het open veld hunne predikatiën hielden, waar duizenden heenstroomden, dan toonde zich de geestelijke opwekking in zoiiderlingen vorm, nu eens in lachen en weenen, maar dan ook weder in woeste verwenschingen en vervloekingen. Vooral in Amerika trad het Methodisme luidruchtig op, en dat te meer, naarmate he,t aan goede leiding van bezadigde voorgangers ontbrak.

Het Methodisme heeft onder heidenen en christenen samen

-ocr page 455-

427

zijne boden uitgezonden, en vooral op het gebied van uitwendige zending vee] vrucht gezien op zijnen arbeid.

Door al deze uitingen is de Protestantsehe Kerk in Engeland zeer verbrokkeld, en daar toch in hoofdzaken de verschillende afdeelingeu der Protestanten eene zelfde belijdenis huldigden, kwam bij de ware vrienden van het Godsrijk de wensch op, zich te vereenigen in eenen gemeenschappelijken arbeid voor de uitbreiding van het Evangelie. Zóó kwam de Evangelische alliantie tot stand (1846), die weldra ook iu andere landen vertakkingen kreeg.

§ 64.

Imvendige stryd in de Protestantsehe Kerk.

Daar is geen enkel christen, of hij heeft in zijn leven tijden van twijfel, ja, zelfs van ongeloof door te worstelen. Ook de Protestantsehe Kerk moest door dezen strijd heen. Er verhief zich een woedende storm van vijandschap tegen het Evangelie, maar dit toonde zijn goddelijke kracht door alle aanvallen zegevierend te doorstaan. Deze strijd nam zijn oorsprong in de Protestantsehe Kerk van Engeland, waar de innerlijke tweespalt het ontstaan van ongeloofstheoriën begunstigde, maar werkte daarna ook door in andere landen. De diepe grond voor dit ongeloof was gelegen in den afkeer van het natuurlijke verstand, om zich met kinderlijk geloof te buigen onder het woord der openbaring. Ook de Kerkgeschiedenis staaft de waarheid van het woord: „Voorwaar zeg ik u, indien gij v, niet verandert, en wordt gelijk de kinderen, zoo zidt gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan.quot; (Matth. 18 : 3).

Hetzelfde verschijnsel, dat zich in do eerste eeuw had voorgedaan bij de Gnostieken, vertoonde zich ook nu. Zelfstandig ontwikkelde en krachtig aangelegde geesten, beproefden oin door te dringen in de diepten van het Goddelijk wezen, en begonnen de goddelijke openbaring te toetsen aan de algemeene wetten van het denken. De Kerkhervorming had de wetenschap belangstelling ingeboezemd voor de H. Schrift, en had zulk een helder licht doen vallen op de waarheden daarin vervat, dat een rijke stof

-ocr page 456-

428

tot onderzoek en nadenken den geleerden geopend was. Nadat de tijden, waarin men goed en leven gaarne waagde voor zijn geloof, voor meer rustige tijden hadden plaats gemaakt, — terwijl de reformatie er zelve toe had medegewerkt grootere verdraagzaamheid jegens andersdenkenden aan den dag te leggen, en het vertrouwen op de kracht der goddelijke waarheid, er van zelf van deed afzien met het zwaard \'t geweten te willen dwingen, — trad ook weder het koude verstand nader, en vroeg zich af, of hetgeen de goddelijke openbaring leerde, waarlijk mogelijk was. En maar al te spoedig was men geneigd op deze vraag een ontkennend antwoord te geven, daar menigmaal, wat door de geloovigen als openbaring van \'s Heeren liefde en wijsheid erkend wordt, aan het ongeloof als sprookjes of fabelen toeschijnt.

Deze beweging, welke zich ten doel stelde het Evangelie der Schriften te bestrijden, kwam het eerst op in Engeland. De bisschoppelijke kerk, met haar priesterlijk-wettisch karakter, kon het denkend verstand evenmin bevredigen, als de sombere gestrengheid der Puriteinen 1), en men ging nu, afgaande op de onvol-komene uitingen van het christelijk leven, het christendom zelf als iets onvolkomens beschouwen. Zoo ontstond de richting der Deisten, — vereerders van eeuen God die boven de wereld troont, maar zich daaraan niet openbaart, — ook wel vrijdenkers genoemd, omdat zij, met een eigengemaakte voorstelling der goddelijke dingen, zich niet in het geloof der kerk konden vinden.

Terwijl zij, hoewel onbewust, nog altijd onder den invloed van het Evangelie stonden, hielden zij vast aan de erkenning van een\' persoonlijken God en eene vergelding na den dood; maar gelijk zij de menschelijke rede voldoende bron voor ware gods-kennis achtten, zoo meenden zij ook door eigen deugd zich een zalig leven hiernamaals te kunnen verzekeren. Daardoor geraakten zij in tegenspraak met de diepe, en toch zoo duidelijke, waarheden der Schrift. Maar zij beschouwden dan ook de leer der H. Schrift slechts als Oostersche beeldspraak of als eene menschelijke leer, bestemd en berekend voor lang vervlogen tijden en lang verdwenen volken. Toch hielden zij haar nog altijd in hooge eere. Met grooten ernst

1) Naam voor die Protestanten, die beslist alle Roomsche overblijfselen verwierpen.

-ocr page 457-

4-29

drongen zij aan op een zedelijk, rein leven. En daar zij liunnen natuurlijken godsdienst veelal verbreidden in Latijnsche geschriften, namen eigenlijk slechts de geleerden er kennis van, en werd aan de kern des volks liet geloof door hen niet ontnomen. De merkwaardigste mannen van deze richting waren Herbert van Cherbury (t 1648) en Thomas Hobbes (f 1679).

In Frankrijk werden do theoriën der Engelsche vrijdenkers met graagte ontvangen. Maar zij konden hier veel meer orheil stichten. Met een schrikbarende onwetendheid in geestelijke dingen, paarde zich in dat land een nog vreeselijker lichtzinnigheid, en de menschelijke, dwaasheid trad hier dan ook ruwer en driester op tegenover de Godsopenbaring. Daarbij kwam nog de vergiftigende invloed van een weelderig hof, dat de geboden Gods als voor de koningen niet gegeven beschouwde, het verval van het familieleven, en ile verkeerde wijze, waarop het ongeloof bestreden werd door eene Kerk, die meer op uiterlijk machtsvertoon dan op de kracht der waarheid vertrouwde. Zoo verviel dan ook de groote meerderheid der meer ontwikkelden tot een ruw soort van ongeloof, dat de goddelijke waarheid niet slechts loochende, maar ook met bitteren spot hoonde. En deze geest van lichtzinnigheid werd onder het volk verspreid door de schitterende zeggingskracht van geniale schrijvers, wier werken met bewondering gelezen werden. Doch reeds tijdens hun leven achterhaalde hen de toorn van dien God, dien zij verachtten. Dc dichter Voltaire (f 1778) schreef eens aan eenen vriend, dat over twintig jaren geen altaar meer staan zon voor den God der christenen, en juist twintig jaren later stierf hij in zoo vreeselijkcn doodsangst, dat hij den geneesheer de helft van zijn vermogen aanbood voor do geringste verlenging zijns levens. De zoogenaamd ernstige, maar innerlijk verdorven Tlonssran (t 1778), wilde veranderingen invoeren bij de opvoeding der jeugd. Hij wilde natuurmenschen kweeken in plaats van geloovige christenen. Zelf miste hij zoo volkomen opvoedkundige kennis en christelijke liefde, dat hij zijne eigene kinderen aan een voudelingenhuis toevertrouwde. Onbekend met de liefde van den Heiland, die juist wil dat de kinderen tot Hem komen, meende hij, dat men eerst met den achttienjarigen jongeling over God mocht spreken. De woedende Diderot (f 1784) hoopte het te beleven, dat de laatste koning met de „darmen van den kaatsten priesterquot; geworgd werd. En nu hebben

-ocr page 458-

430

deze mannen niet onkel dergelijke, straattaal gebezigd; zij hebben zicb zelfs wel eens een enkele maal gnnstig over de Schrift uitgelaten. Ja zelfs zegt Rousseau: „Wanneer het loven en sterven van Socrates, het leven en sterven van oenen wijze is, dan is het leven en sterven van Christus hot leven en sterven van eenen God. De daden van Socrates, waaraan niemand twijfelt, zijn minder zeker gestaafd dan die van Christus.quot; Maar toch, al boog zich het ongeloof eene enkele maal onwillekeurig voor do majesteit van den Christus, het was te weinig bekend mot geestelij ke dingen, dan dat hot de heerlijkheid van het Evangelie had kunnen scheiden van de onvolmaaktheid van kerkleer en kerkinrichting. Zoo streed het tegen de goddelijke waarheid zelve, terwijl het tegen Kerk en priesters te velde trok. Zulk een vijandschap tegen de bron van allen vrede, was onheilspellend voor de toekomst.

Van Frankrijk uit verbreidde zich, hoewel in zachter vormen, die lichtzinnige loochening der waarheid ook over andere landen. Oppervlakkige vrijgeesten uls Edelmann (t 1767) ontkenden de wonderen der goddelijke genade, evenzeer als de behoefte aan verlossing van den menschelijken geest. Een privaat-geloerde Schmidt (f 1749) te Worthheim in Baden, verspreidde eene nieuwe Bijbelvertaling, waarin hij de oorspronkelijke heerlijkheid der Schrift geheel verduisterde, en de groote daden Gods pasklaar maakte voor het meest nuchtere natuurlijk verstand. Het begin daarvan luidt aldus: „Alle wereldlichamen en onze aarde zelve zijn in den beginne door God geschapen. Wat vooral de aarde betreft, deze was in den beginne geheel woest; zij was omgeven door een donkeren nevel en rondom bespoeld door het water, waarover hevige dor men begonnen te waaien.quot; Een veelgelezen tijdschrift — „de Duitsehe bibliotheekquot; van Nikolai te Berlijn — schold het eerwaardig geloof der vaderen voor bijgeloof, en prees de nieuwe verlichting van de rede aan, en de wegens zijn ongeloof en groote zonden afgezette predikant Bahrdt (t 1793 als tapper te Halle), kleedde op eene onbeschaamde wijze de nieuwe wijsheid in een voor allen begrijpelijk kleed. Natuurlijk konden dergelijke theoriën alleen daar op bijval rekenen, waar een wereldsche gezindheid zich had meester gemaakt van de harten van hen, die werden medegesleept in den maalstroom der wereld. Bij de eenvoudige landlieden van Duitschland vonden zij al zeer weinig ingang. Het allerminst werd men in Zweden

-ocr page 459-

431

van deze geestesstrooming gewaar; integendeel ontstond daar de wijdvertakte vereeniging der lasare — d. i, lezers — die ten doel hadden, zich gemeenschappelijk te stichten door de lezing der H. Schrift.

Ook de leeraren der kerk zouden voor een deel worden mede-gesleept in dien algemeenen opstand tegen den Heer en Zijnen Gezalfde. De wijsbegeerte trad nu op als de leidsvrouw der nieuwe geestesrichting. De groote Leibnitz te Hannover (t 1716), had zich nog met al zijn rijkdom van kennis en diepte van gedachten gebogen voor het Evangelie, en dit erkend als boven de menschelijke kennis verheven, niet daartegenover staande. Maar If o/f, die na hem te Halle optrad (f 1754), verkondigde eene wijsbegeerte, die er op uit was alle dingen in vastafgebakende begrippen te begrenzen, en met glasheldere bewijzen vasten grond er aan te geven. Zoo werd men er aan gewend, ook de feiten der goddelijke openbaring met het verstand te willen verklaren, en zoo het diepste bewijs — de getuigenis de? H. Geestes — voorbij te zien. Bij de bovengenoemden sloot zich aan de beroemde Koningsberger wijsgeer Kant (f 1804), die met het geloof aan God en Onsterfelijkheid den eisch verbond, in mannelijke standvastigheid de deugd te beoefenen. Toch stelde ook hij zich niet vijandig tegenover de H. Schrift, maar beschouwde deze als een goed boek om het volk uit te leeren, al was ook een groot gedeelte er van voor hem onverstaanbaar en onaannemelijk. Maar door de voordrachten en geschriften dezer mannen, werd toch meer en meer de menschelijke rede als de rechte bron van alle godskennis beschouwd, en de goddelijke openbaring in de schaduw gesteld, zoodat naast deze philosophen de trouwe dienaren des goddelijken woords, predikers schenen van een verouderde en onvruchtbare leer. Het sciierpst kwam deze tegenstelling tusschen „de beschaafden\'\' en de predikers van het Evangelie uit bij den begaafden dichter Lessing (t 1784), die in zijn hooggeprezen en toch schandelijk onrechtvaardig drama „Nathan de Wijze\'\', het Christendom naast een opzettelijk verheerlijkt Jodendom en Mohammedanisme als onzedelijk en dwaas op de kaak stelt. Kort te voren had hij de door eenen professor Reimarns (f 1705) opgestelde Wolfenbüttelsche Fragmenten uitgegeven, waarin de Evangeliën als overdreven verhalen van zeer eenvoudige en gewone gebeurtenissen, en .Jezus als een Joodsche

-ocr page 460-

432

wijze wordt voorgesteld, die niet alleen zeil dwaalbegrippen koesterde, maar die oolc bij anderen opwekte.

In dezen zelfden tijd woonde te ITalle een man van groote geleerdheid on vromen zin, maar die medegesleept door de twijfelzucht zijner eeuw, de baanbreker is geworden van het Rationalisme. Deze man was de hoogleeraar Semler (f 1791). Terwijl hij met schuchtere hand hier on daar de H. Schrift aantastte, de. wonderen bestreed en de geloofwaardigheid der Apostolische overlevering ontkende, gingen anderen met meer voortvarendheid en minder eerbied voor het eerbiedwaardige op zijnen weg voort. Zoo werd Jezus weldra een Joodsch leeraar, de deugd de leidsvrouw ten eeuwigen leven. ITet gevolg hiervan was, dat men van den kansel meestal over de zedeleer predikte, en niet zelden over wereldsche dingen; de heilbeloften Gods werden naar omlaag getrokken en van al hare schoonheid beroofd.

Ook de bloeitijd der Duitsche poësie moest van deze beschouwingen het stempel dragen; een Göthe en Schiller kennen niet het hoogste ideaal van alle dichtkunst: den eeuwigdurenden jubel ter eere des eeuwigen Gods. Alleen onder het volk leeide liet oude geloof, dat zielen zalig maakt, voort, en men koesterde en verzorgde het in het stille heiligdom van \'t huiselijk leven.

Toch had ook in dezen tijd de Heer Zijne trouwe getuigen, die. opkwamen voor de eer Zijns Naams. ij noemen hier eenen Mattlim Claudim (1740—1815), den geestigen en vromen schrijver van den Wandsbecker Bode; den man des gebeds Junp Sfillinfi (1740—1817), den trouwen herder Oherlm en den Zuricher predikant Lavaier. En vertoonden zich ook door het gebrek aan geestelijke leiding soms vreemde verschijnselen in liet midden der Kerk, er waren genoeg sporen voorhanden, dat het morgenrood van betere tijden voor de christelijke gemeente ging aanbreken.

§ 65.

Vernieuwd leven in de Protestantsche Kerk.

In het jaar 1817 werd het derde eeuwfeest der Kerkhervorming gevierd. En op dien 31 October wendde zich de predikant

-ocr page 461-

433

Claus Harms (f 1855) te Kiel, geheel in den geest van Luther, met 95 stellingen tot zijn volk, om het te wijzen op ile heerlijkheid van \'t geloof der Hervorming. Al was zijn stem ook als „de stem eens roependenquot;, toch leverde zij het bewijs, dat in de woestijn nieuw leven begon te ontwaken.

Op dien zelfden dag zond koning Frederik Willem III van Pruisen eeue oproeping aan zijne Luthersche en Gereformeerde onderdanen, om zich, met ter zijdestclling van hunne leerstellige verschilpunten, tot eene vereenigde (Unirte) Evangelische Kerk te vereenigen. Terwijl door deze „Unionquot;, afgezien van het wenschelijke of niet wenschelijke van eene dergelijke door den Staat gewilde samensmelting, de Protestantsehe Kerk tegenover de buitenwereld eene meerdere eenheid vertoonde, geraakte het gansche Protestantisme in een maalstroom, waardoor het niet bijee.nbehoorende gescheiden werd. Vroeger had menige ongclool\'stheorie zich verborgen achter uiterlijken eerbied voor de Kerk. Nu had men te kiezen tusschen oprecht geloof en welbewust ongeloof. De Wurtembe.rger geleerde David Strauss, verklaarde in een zeer geleerd werk de Evangeliën voor eene overdreven, en geschiedkundig onbetrouwbare voorstelling van het leven van een gewonen joodschen Rabbi. Anderen gingen nog verder, en beschuldigden de Evangelisten van opzettelijke verdichting. Met kwistige hand werden de ongeloofstheoriën onder het volk uitgestrooid, en ze schoten welig op en vertoonden bij het opwassen weldra de trekken van het aan geloof en familiebanden vijandige Socialisme. Of, in de meer beschaafde kringen, de trekken van het Pantheïsme, d. i. de vergoddelijking van het wereld-al, dat in de plaats van den eenen, waren God een Iets predikt, dat eerst onbewust van zich zelf, de wereld geschapen en eerst later, in den inenschengeest, bewustzijn ontvangen zou hebben.

Dat deze beginselen inderdaad diep hunne wortels geschoten hadden, blijkt in den Staat door de revolutie van 1848, en in de Kerk door het optreden der vrije gemeenten van de „vrienden des lichtsquot;.

Doch tegenover deze verschillende uitingen van ongeloof staat eene hernieuwde opleving des geloofs. Prof. ScJtleiermac/ier (17G8—1834) heeft in zijne „Eedevoeringen over den godsdienst voor de ontwikkelden onder zijne verachters\'\' de taak der oude Apologeten overgenomen, en met hem opende zich eene breede rij

28

-ocr page 462-

434

van begaafde mannen, die met alle hulpmiddelen, welke hun de wetenschap verschafte, de banier des geloofs hoog hielden. Zelfs de philosophic keerde zich in hare groote vertegenwoordigers Schelling (f 1854) en Heg el (f 1831) weer meer tot de erkenning eener goddelijke openbaring. Mannen als von Schuiert ff 1860) te München toonden, dat men groot natuurvorscher cn tegelijk uitnemend christen kan zijn. En wij behoeven slechts eenen Karei Gerok (f 1894) te Stuttgart, een Spitta en E. M. Arndt te noemen om te doen zien, hoe de dichters opnieuw hunne harpen stemden tot een loflied voor den Heer.

Opnieuw door bezielde predikers verkondigd, weerklonk de bazuin des Evangelies luider te midden van alle tegenspraak, en begon het woord Gods opnieuw zijne schiftende en levenwekkende werking te openbaren, üe verwoestingen door het ongeloof onder de lagere standen aangericht, werden weder met kracht bestreden, terwijl de strijders in dezen heiligen kamp zich te zamen voegden rondom eene banier, waarop geschreven stond: „Inwendige zendingquot;. Huizen tot redding van gevallenen, diaconessenhuizen (Eliedner), het ,,roode kruisquot; en tallooze andere vereenigingen en stichtingen, zijn de levende bewijzen van een weder ontwaakt levend geloof.

§ 66.

De Protestantsche Zending.

De eer van zich het eerst binnen de grenzen van het Protestantisme aan de zending te hebben laten gelegen liggen, komt, afgezien van den arbeid der Nederlanders in Oost-Indië, toe aan de Zweden. Eerst Gustaaf Wasa, daarna Gustaaf Adolf vatten het werk op, dat reeds in de Middeleeuwen onder de Lappen begonnen was, en stelden pogingen in het werk om het voor het uitwendige oppervlakkig gechristianiseerde land, innerlijk de zegeningen des Christendoms te doen ontvangen. Daarna stichtte Frederih IV, koning van Denemarken en als zoodanig heer van \'t grootste deel van Lapland, in 1716 een zendinghuis te Drontheiin, aan \'t hoofd waarvan Thomas von Westen werd aangesteld, een man, die eerst met gunstig gevolg de ongeestelijkheid in de gemeente, waar hij

-ocr page 463-

435

als predikant arbeidde, bestreden had en die nu ook ii: Lapland den aanvankelijken tegenzin, waarmede hij ontvangen werd, wist te breken. Hij arbeidde met zooveel zegen, dat hij eindelijk tot eer van God mocht getuigen, „dat nu iedere Fin op zijne tochten, het heilige boek bij zich droeg. God prees en Christus tot vriend en reisgenoot had.quot; Hij gaf zich zoo volkomen aan zijn arbeid, dat hij zelfs niet genoeg naliet om van begraven te worden. Maar de Finnen hielden hem in dankbare herinnering als de „Leeraar, die de Finnen had liefgehad.quot;

In dien zelfden tijd ondernam de predikant Hans Egede (1686 —1758) een zendingreis naar Groenland, waar hij onder tal-looze bezwaren in de arme hutten der Eskimo\'s het rijke Evangelie van den Christus bracht. Toen hij eindelijk zijnen arbeid aldaar aan zijnen zoon Paul kon overlaten, stichtte hij het zendingshuis te Kopenhagen. Zijn arbeid is tot op dezen tijd in stand gebleven.

Ook voor zijne Oost-Indische onderdanen in Trankebar wilde koning Frederik het Evangelie toegankelijk maken. En daar zijne liefde voor de Zending een vrucht was van den invloed van het Piëtisme, zoo was het ook nu de stichting te Halle, welke hem bij dit edel streven behulpzaam moest zijn. De jonge Bartholomews Ziegenhalg, een man, gehard in den strijd des levens, werd hem, met nog een metgezel, voor dit doel toegewezen. Ziegenbalg vatte zijn taak met grooten ernst op. Zoodra hij in Indië was aangekomen, zette hij zich met de kinderen der Hindoes op de schoolbanken, om allereerst de taal van het land goed machtig te worden. En op deze wijze leerde hij tegelijk de wijsgeerige stelsels kennen, vervat in de heilige boeken der Indiërs. Aldus toegerust, begon hij heidenen en Mohammedanen den Christus te prediken, en hij deed het met eene toewijding en met een tact, die aan zijne tegenstanders eerbied afdwong, en hem, hoewel na hangen strijd, deed zegevieren. Toen hij eens in de gevangenis geworpen was, gebruikte hij dien tijd om een begin te maken met eene vertaling des Bijbels in het Tamulisch. Voor zijn dood maakte hij nog eene reis naar Europa, om de tegenstanders der zending, die hem voor een lichtzinnig avonturier gescholden hadden, zoo mogelijk tot andere gedachten te brengen. Niet lang na zijn terugkeer in Indië stierf hij, in volle blijdschap des geloofs.

Zijne Bijbelvertaling werd voltooid door Scluh, op wiens aan-

-ocr page 464-

436

raden een later uitnemend zendeling, nog in Duitschland zijnde, zich op liet Tamnlisch ging toeleggen. Wij bedoelen Chmtiaan Frederih Schwartz (1716 — 1798). Reeds vroeg ging hij als zendeling naar Indië, waar hij Ziegenbalg\'s waardige opvolger werd.

Te Berlijn stichtte Jdnïke een zendingshuis in \'t jaar 1800, dat lang het éénige bleef in Duitschland, maar, ook onder Janike\'s opvolger Gossner, rijk gezegend werd. In 18-23 ontstond nu te Berlijn een zendelinggenootschap vanwaar b. v. Karl Giltzlajf is uitgegaan, die zijn leven gegeven heeft aan China. In 1839 ontstond de Bai-mcnsche vereeniging, die vooral naar Afrika zendboden zond.

Een meer bijzonder Luthersch karakter droeg de Dresdener Zendingvereeniging, opgericht in 1836, tegelijk met de insgelijks Luthersche Noord-Duitsche vereeniging, die haren zetel te Her-

mannsburg heeft.

Nog een geheel onbetreden terrein werd in de achttiende eeuw voor de Zending geopend in den arbeid onder Israël. In 1720 werd te Halle tot dit doel een genootschap opgericht, dat zendeling Schulz uitzond. Ook na zijn dood (1776) werd dit werk voortgezet, en vooral in Zuid-Rusland (Bessarabië) met heerlijke vruchten gekroond. Maar ook elders zijn niet weinig Israëlieten voor het Evangelie gewonnen, en onder hen zijn er velen gelijk b. v. de beroemde August Ne,ander — een sieraad en een steun der Kerk geweest.

Ook naar liet Heilige Land richtte men den blik en, dank zij de samenwerking van Frederik Willem I\\\' van Piuisen en Victoria van Engeland, verrees weldra op Zion een Protestantsch bedehuis. Daarnaast staat een diaconessenhuis, en de vele scholen door Protestanten gesticht, hebben liet vertrouwen der bevolking.

Aan Nederland zweefde reeds van de dagen der Oost-Indische Compagnie liet doel voor oogen den heidenen, in de Koloniën woonachtig, liet Evangelie te brengen. In den aanvang waren de pogingen, daartoe in \'t werk gesteld, niet voor de behoeften der inlanders berekend, en met kracht werd deze arbeid eigenlijk eerst aangevat, toen, nadat in 1795 het Londensch Zendinggenootschap was opgericht, in 1797 het Nederlandsche Zendelinggenootschap tot stand kwam. Als eerste belangrijk werk van dit Genootschap behoort genoemd te worden de arbeid van den zendeling van der Kemp in Zuid-Afrika. In Ned. Indië kon de arbeid eerst aanvan-

-ocr page 465-

437

vangen, toen de Koloniën, na den Franschen tijd, waren teruggegeven. Van toen at\' zien wij het Genootschap met ijver en zegen werkend in de Minahasse en op Oost-Tava. In 1856 werd opgericht het Java-Comité, arbeidende in Batavia en op Sumatra en in Java\'s Oosthoek, terwijl de Nederl. Zendingvereeniging (Nieuw Rotterdam), West-Java als haar arbeidsveld koos (1858). De Utrechtsche Zeu-dingvereeniging (sints 1859) arbeidt op Nieuw-Guinea, Halmaheira en Boeroe. Midden-Java wordt bewerkt door de Doopsg. en Chr. Ger. vereenigingen, terwijl de Nederlandsche tak der Broedergemeente zich bezig houdt met Suriname, het Barmensch gen. met Borneo, Sumatra en Nias. Het bestek van dit werk laat geen ruimte voor eene, ook nog zoo beknopte, beschrijving van de verschillende posten en hunne arbeiders 1), maar wel voor de bede, dat in ons vaderland met zijne verschillende vereenigingen en zijnen grooten zendingsijver onder enkelen, de heilige Zendingszaak meer en meer moge worden eene zaak van het volk. Wie werkelijk deel heeft aan Gods Koninkrijk, moet iets gevoelen voor de uitbreiding daarvan, gelijk ook het nadrukkelijk bevel des Heeren iederen christen daartoe roept.

Ook in Engeland ontbrandde groote liefde voor de Zending. Onder de Roodhuiden had reeds in de zeventiende eeuw Jolm Eliot (f 1690) met grooten zegen gearbeid. Maar \'t werk stond nog teveel op zich zei t, de verschillende kerkelijke partijen kwamen niet genoegzaam overeen ten opzichte van dit gemeenschappelijk belang, totdat het Londensch genootschap in 1795 werd opgericht, als antwoord op de oproeping daartoe door den 80jarigen predikant Bogue. Een jaar later ging reeds een Zendingschip naar de Zuid-Zeeeilanden, en na allerlei aanvankelijke mislukking werd koning Tornare van Tahiti voor \'t Christendom gewonnnen. Fransche kanonnen hebben later dit eiland gedwongen, de Roomsche Missie toe te laten.

De Zending, van Engeland uitgaande naar Engelsch-lndië, had even goed als de Duitsche aldaar, in den aanvang te worstelen met de tegenwerking der Engelsche O.-I. Compagnie, die in de

1) Wie meer van deze ilingen wil weten, raadplege b. v. Prof. Kruijff, Gesch. het Ned. Zend.-Genootschap. v. Hasselt, Gedenkboek van een 25jarig zendingsleven op Nieuw Guinea. S. Coolsma, Voorlezingen over West-Java, en de berichten der onderscheidene vereenigingen.

-ocr page 466-

438

ontwikkeling der Hindoes gevaar zag voor haar gezag. Doch na den grooten opstand der Mohamedaansche bevolking in 1857 is de heerschappij over Indië gekomen in handen der koningin, en hierdoor zijn de vooruitzichten voor de Zending aanmerkelijk verbeterd.

Op Madagascar vond het Evangelie, na bloedige vervolging, later ongedacht gereeden ingang. In 1869 liet de koningin zich doopen, en het Evangelie werd er nu gebracht door Bngelsche en inlandsche predikers. Thans is het eiland ouder Fransch bestuur gekomen; het kan niet anders, of dit doet voor de Protestantsche Zending iu de toekomst bezwaren voorzien.

Ook in Noord-Amerika werden vele, vaak Methodistisch gekleurde, Zendingvcreenigingeu opgericht, in navolging van de in 1810 gestichte vereeniging te Boston. Zij arbeiden vooral in de Turkscbe landen, in de versteende Grieksche Kerk, door prediking. Bijbelverspreiding en \'t stichten van scholen.

De Baseier vereeniging zendt hare zendboden voornamelijk naar Afrika\'s Westkust; het Fransche Gen. naar Zuid-Afrika.

Zoo gaat onder broederlijke samenwerking van alle natiën en tongen het Evangelie uit over alle deelen der aarde. Een met de Zending verwant gebied betrad John Wilberforce (f 1833), die het eerst opkwam voor de afschaffing der slavernij. Eu al is deze ook nu nog onder heidenen en Mohamedanen volstrekt niet als geëindigd te beschouwen, en al is er nog veel meer slavenhandel da7i menigeen denkt, toch is het een heerlijk ding, dat het Christendom als zoodanig een woord van afkeuring doet hooreu over, en zooveel mogelijk belemmerend optreedt tegen eene zaak, die een schandvlek genoemd moet worden van \'t menschelijk geslacht.

Een eigenaardig verschijnsel in onze eeuw is ten slotte de oprichting van Bijbelgenootschappen (sints 1804), welke ten doel hebben, den Bijbel meer toegankelijk te maken ook voor de armen. In 200 verschillende talen overgezet, wordt de H. Schrift door deze bij millioenen exemplaren verspreid.

-ocr page 467-

439

§ 67.

öe Broedergemeente.

Met voordacht zwegen wij tot hiertoe van de Zending, uitgegaan van de Broedergemeente, om aan deze eene meer opzettelijke bespreking te wijden.

De gemeenten van Bolieemsehe en Moravische Broeders, van haar eerste ontstaan af zulk eene eerbiedwaardige verschijning, waren onder allen druk toch bewaard gebleven. Eustig en zonder eenige aanmatiging arbeidden zij in eigen kring aan de uitbreiding van het Godsrijk. De hervorming van Luther werd door haar met ingenomenheid begroet. Zij sloten er zich intusschen niet bij aan, maar bleven aan hare eigen instellingen getrouw. In 1616 vaardigden zij eene nieuwe, door alle gemeenten goedgekeurde kerkorde uit. Maar toen telkens en telkens weer nieuwe vervolgingen deze gemeenten teisterden, de Bijbel haar ontnomen werd en hare kapellen werden gesloten, verlieten velen der Moravische broeders hun vaderland, en zochten hun toevlucht in Protestant-sche landen. Zoo geschiedde het, dat ook eenige familiën onder leiding van Christiaan Davids, zich te Berthelsdorf in Saksen nederzetten, en wel binnen het gebied van graaf Nicolaas Lodeioijk von Zimendorf. Weinig konden zij denken, dat weldra deze aanzienlijke man bisschop hunner gemeente zou worden.

Deze edelman, in den vollen zin des woords, werd 20 Mei 1700 te Dresden geboren. Hij was een knaap van schoonen aanleg, werd eerst opgevoed door zijne vrome grootmoeder, daarna in de Francke-stichting te Halle, en groeide zoo op tot cenen jongen man, voor wien reeds vroeg een verborgen omgang met den Heiland de grondtoon des levens was. Nadat hij te Wittenberg gestudeerd had, en door groote reizen zijne opvoeding voltooid was, trad hij in Staatsdienst, zonder dit intusschen als een bevredigend levensdoel te beschouwen.

In dezen tijd vestigden zich bovengenoemde kolonisten te Berthelsdorf, en dit feit besliste over het verder leven van den graaf. Hij ging reeds om met denkbeelden, van Spener overgenomen, en gevoelde daarom veel meer voor kleinere vereenigingen van geloovigen, dan voor de groote Luthersche kerk, en toen nu

-ocr page 468-

438

ontwikkeling der Hindoes gevaar zag voor haar gezag. Doch na den grooten opstand der Mohamedaansche bevolking in 1857 is de heerschappij over Indië gekomen in handen der koningin, en hierdoor zijn de vooruitzichten voor de Zending aanmerkelijk verbeterd.

Op Madagascar vond het Evangelie, na bloedige vervolging, later ongedacht gereeden ingang. In 1869 liet de koningin zich doopen, en het Evangelie werd er nu gebracht door Engelsche en inlandsche predikers. Thans is het eiland onder Eransch bestuur gekomen; het kan niet anders, of dit doet voor de Protestantsche Zending in de toekomst bezwaren voorzien.

Ook in Noord-Amerika werden vele, vaak Methodistisch gekleurde, Zendingvcreenigingen opgericht, in navolging van de in IHK) gestichte vereeniging te Boston. Zij arbeiden vooral in de Turksche landen, in de versteende Grieksche Kerk, door prediking. Bijbelverspreiding en \'t stichten van scholen.

De Baseier vereeniging zendt hare zendboden voornamelijk naar Afrika\'s Westkust; het Fransche Gen. naar Zuid-Afrika.

Zoo gaat onder broederlijke samenwerking van alle natiën en tongen het Evangelie uit over alle deelen der aarde. Een met de Zending verwant gebied betrad John Wilberforce (t 1833), die het eerst opkwam voor de afschaffing der slavernij. En al is deze ook nu nog onder heidenen en Mohamedanen volstrekt niet als geëindigd te beschouwen, en al is er nog veel meer slavenhandel dan menigeen denkt, toch is liet een heerlijk ding, dat het Christendom als zoodanig een woord van afkeuring doet hooren over, en zooveel mogelijk belemmerend optreedt tegen eene zaak, die een schandvlek genoemd moet worden van \'t menschelijk geslacht.

Een eigenaardig verschijnsel in onze eeuw is ten slotte de oprichting van Bijbelgenootschappen (sints 1804), welke ten doel hebben, den Bijbel meer toegankelijk te maken ook voor de armen. In ± 200 verschillende talen overgezet, wordt de H. Schrift door deze bij millioenen exemplaren verspreid.

-ocr page 469-

439

§ 67.

üe Broedergemeente.

Met voordacht zwegen wij tot hiertoe van de Zending, uitgegaan van de Broedergemeente, om aan deze eene meer opzettelijke bespreking te wijden.

De gemeenten van Boheemsche en Moravische Broeders, van haar eerste ontstaan af zulk eene eerbiedwaardige verschijning, waren onder allen druk toch bewaard gebleven. Rustig en zonder eenige aanmatiging arbeidden zij in eigen kring aan de uitbreiding van het Godsrijk. De hervorming van Luther werd door haar met ingenomenheid begroet. Zij sloten er zich intusschen niet bij aan, maar bleven aan hare eigen instellingen getrouw. In 1616 vaardigden zij eene nieuwe, door alle gemeenten goedgekeurde kerkorde uit. Maar toen telkens en telkens weer nieuwe vervolgingen deze gemeenten teisterden, de Bijbel haar ontnomen werd en hare kapellen werden gesloten, verlieten velen der Moravische broeders hun vaderland, en zochten hun toevlucht in Protestant-sche landen. Zoo geschiedde het, dat ook eenige familiën onder leiding van Christiaau Davids, zich te Berthelsdorf in Saksen nederzetten, en wel binnen het gebied van graaf Nicolaas Lodewijk von Zinzendorf. Weinig konden zij denken, dat weldra deze aanzienlijke man bisschop hunner gemeente zou worden.

Deze edelman, in den vollen zin des woords, werd 20 Mei 1700 te Dresden geboren. Hij was een knaap van schoonen aanleg, werd eerst opgevoed door zijne vrome grootmoeder, daarna in de Fraucke-stichting te Halle, en groeide zoo op tot eenen jongen man, voor wien reeds vroeg een verborgen omgang met den Heiland de grondtoon des levens was. Nadat hij te Wittenberg gestudeerd had, en door groote reizen zijne opvoeding voltooid was, trad hij in Staatsdienst, zonder dit intusschen als een bevredigend levensdoel te beschouwen.

In dezen tijd vestigden zich bovengenoemde kolonisten te Berthelsdorf, en dit feit besliste over het verder leven van den graaf. Hij ging reeds om met denkbeelden, van Spener overgenomen, en gevoelde daarom veel meer voor kleinere vereenigingen van geloovigen, dan voor de groote Luthersche kerk, en toen nu

-ocr page 470-

440

deze verdrevenen zich op zijne bezittingen nederzetten, had hij dadelijk een hart voor hen en omringde hen met vaderlijke zorg. Weldra gaf hij ook zijn staatsbetrekking op, en trad openlijk tot de Broedergemeente toe. De nieuwe kolonie ontving den naam van HerrnJmt (hoede des Heeren). Von Zinzendorf begon nu nog theologie te studeeren, en nadat hij zijne examens gedaan had, werd hij door den hofprediker Jablowsky, vroeger zelf bisschop der Mor. Br., tot bisschop der Moravische Broeders gewijd (1737). Hij maakte een aanvang met het stichten van koloniën der Broedergemeente ook buiten Europa. Maar dit optreden was voor de Luthersche overheid van Saksen al te. buitengewoon, en men oordeelde het noodig von Zinzendorf uit het land te verbannen. Tien jaren zwierf hij rond. Eindelijk in 1748, toen de Broedergemeente openlijk instemming betuigd had met de Augsburgsche Confessie, werd zij in Saksen als rechtspersoon erkend, en Zinzen-dorf\'s verbanning opgeheven. Na een onrustig leven ging hij in 1760 in tot de eeuwige rust. Op den laatsten dag zijns levens zeide hij nog tot de omstanders; „Ik kan het niet uitdrukken, hoe lief ik ii allen hebquot;, en hij wendde zich tot één van hen met de vraag: „Hadt gij in den aanvang wel gedacht, dat het gebed des Heeren, opdat zij allen éen zijn, zoo heerlijk onder ons zou worden vervuld ?quot;

De „vernieuwde Broedergemeentequot; wil geen eigen Kerk vormen. Er kunnen ook Lutherschen en Hervormden tot haar toetreden, zonder dat zij het verband met eigen kerk behoeven op te geven. Ieder der verschillende belijdenissen, die zoo in de Broedergemeente vertegenwoordigd zijn, wordt in hun taal een Tropus genoemd.

Vooral op het gebied der Zending heeft de Broedergemeente krachtig gewerkt, ja, men kan zeggen, dat de nieuwere Zending den stoot tot haren arbeid van de Broedergemeente heeft oiitvangen. Reeds in 1732 zond Zinzendorf de broeders Nitzschmaim en Dob ar als zendelingen onder de slaven op de West-Indische eilanden, en ging kort daarna zelf een tijdlang hun strijd en lijden deelen. Van dien tijd af heeft de Broedergemeente de zending als haar eigenlijke levenstaak beschouwd. Eerst arbeidde zij in Noord- en Zuid-Amerika, thans daarbij in andere werelddeelen, overal in de eerste plaats het diepst gezonkene opzoekend. De kleine Broedergemeente,

-ocr page 471-

nauwelijks 30,000 zielen sterk, heeft thans 200 zendingposteu met ruim 300 zendelingen. Voor de kinderen van deze laatsten wordt in Europa ia opvoedingshuizen gezorgd, zoo vooral te Klein Welka, in Saksen. De meest bekende dezer zendelingen is wel David Zeisberger (geb. 1731, f 1808), die met onverminderden ijver en vasten geloofsmoed jaren lang ouder de Indianen gearbeid heeft. Hij had met talloos vele bezwaren te kampen: de haat der heidenen tegen „de bleekgezichtenquot; (de Europeanen), de voortdurende veeten der verschillende stammen, het wantrouwen waarmede de Enge!-sche regeering en de Europeesche kolonisten de Zending beschouwden en eindelijk de oorlog tusschen Amerika en Engeland, dit alles belemmerde den arbeid der zendboden zeer. Gewoonlijk wendde Zeisberger zich tot de stamhoofden en vroeg hun verlof voor den stam te mogen prediken. Hij bediende zich daarbij van de krachtige en beeldrijke taal der Roodhuiden, en gewoonlijk werd het hem toegestaan.

Na een leven vol moeite eu doodsgevaar, stichtte hij op hoogen leeftijd nog eene kolonie, die hij Gosen noemde, en waar hij wachtte op de reis naar \'t beloofde Kanaan der ruste. Hij stierf aldaar 1808. Indianen plantten een zilver-denneboom op zijn graf.

De leer van de Broedergemeente is die van het Protestantisme. Een eigenaardigheid is het op den voorgrond stellen van den persoon van den Heer Jezus, zoodat zelfs God de Vader meer op den achtergrond treedt, en bij grooten eerbied voor \'s Heeren dood, zien zij de eenheid van \'s Heeren leven en arbeid met Zijnen dood wel wat voorbij. Een innig gevoelsleven staat meer op den voorgrond dan Schriftkennis en dogmatiek. Spangenberg, de vriend en opvolger van v. Zinzendorf, heeft de geloofsopvatting der Broedergemeente in geschrifte geformuleerd. De godsdienstoefeningen dragen een eenvoudig en vriendelijk karakter, schoone liederen worden of dooide geheele gemeente of in beurtzang gezongen. In de gemeente wordt een strenge tucht toegepast, welker uitoefening vergemakkelijkt wordt door de indeeling der gemeenten in verschillende koren: (kinderkoren, koren van ongehuwde mannen, van ongehuwde vrouwen, van gehuwden, van weduwnaars en weduwen.)

De leden der Broedergemeente leven deels in geordende gemeenten, deels in de „diasporaquot;. Zij is een gezegend toevluchtsoord voor vele zielen, die troost in aanvechting of opgewekt geloofsleven

-ocr page 472-

442

in een geestelijk dooden tijd zochten; zij is een zout, dat ook in tijden van ongeloof niet smakeloos is geworden. Zij heeft ten allen tijde voel zorg besteed aan de opvoeding der jeugd, en was er vroeger ook al eens een zekere gespannen verhouding tusschen haar en andere Protestanten, nu is een broederlijke omgang met hen daarvoor in de plaats getreden.

§ 68.

Kleinere Protestaiitsche kerkgenootschapiten.

Naast de Luthersche en Hervormde Kerk ontstonden in verloop van tijden verschillende kleinere Protestantsche kerkgenootschappen. En ook wanneer men zicli niet tot bepaalde vereenigingen aaneensloot, werd toch menigmaal verzet tegen de belijdenis dier Kerken openbaar.

Eeeds in de dagen van Luther hadden eenige godgeleerden zich verzet tegen de leer der Drieëenheid, maar hun woord had geen ingang gevonden. Sterker uitte zich deze bestrijding in Italië, waar de hervorming onderdrukt was, en de enkele geleerde, die hier of daar zich bezig was blijven houden met de groote vragen van zijn tijd, lichtelijk op dwaalwegen verdoolde, daar hij samenhang met de hervormingsgezin den miste. En toen zij uit Italië moesten vluchten, begaven deze loochenaars der Drieëenheid — Unitariërs of Anti-trinitariërs genoemd — zich bij voorkeur naar Zwitserland. Daar echter werd één hunner — den Spanjaard Mi-chaël Servède — de brandstapel bereid. Zijn scherpe en bijzonder sterke uitdrukkingen — zoo zeide hij b. v. tot de reformatoren: „Gij kent den waren God niet, maar een Cerberus (helhond) met drie koppenquot; — verbitterden, en terecht, Roomschen en Protestanten beide. In 1553 werd hij te Genève gevangen genomen, en daar hij hardnekkig weigerde te herroepen, op den brandstapel gedood. Natuurlijk komt ons rechtsgevoel tegen zulk een vonnis in verzet. Geestelijke dwaling behoort alleen door geestelijke wapenen overwonnen te worden. Maar wij moeten niet vergeten, dat de openbare meening van die dagen dit vonnis geheel billijkte. Zelfs de zacht-

-ocr page 473-

4,43

moedige Melanchtou schreef aan Calviju: „Ik ben volkomen van hetzelfde gevoelen als gij, en ik ben er zeker van, dat uwe regee-ring goed heeft gehandeld, dat zij een Godslasteraar, na behoorlijk onderzoek, ter dood heeft veroordeeld.quot; Onbillijk is het naarom, gelijk zoo vaak geschiedt, wegens deze terechtstelling Calvijn als een monster van wreedheid te beschouwen.

Doch niet overal werden zij even streng bejegend. In Polen en Zevenbergen werden zij door de vorsten en edelen in bescherming genomen en vormden daar de secte der Socinianen. Deze ontleent haren naam aan Lelio en Favsto Sozzino (gewoonlijk Soci-nus genoemd), van welken de eerste (f 1562) wel dwaling meende te zien in de leer der Drieëenheid, doch nimmer haar openlijk aantastte. Zijn neef Fausto daarentegen (1604), trad met kracht tegen haar op, en stelde zich aan het hoofd der Unitariërs, die nu naar zijnen naam genoemd worden. In den Catechismus door hem opgesteld, wordt geleerd, dat er geen erfzonde is, dat Jezus niet van nature Gods Zoon is, maar slechts een mensch met goddelijke krachten begiftigd, doch dat Hij, tot loon voor Zijn heilig leven en lijden, tot de waardigheid van een „Zoon Godsquot; verheven is. Op dergelijke wijze werden de heerlijkste christelijke waarheden door hem gelijkvloersch gemaakt. Thans komt deze secte nog slechts in Zevenbergen en in Noord-Amerika, de kweekplaats aller secten, voor.

Niet slechts eene secte, maar eene bepaalde geordende ver-eeniging geven de Doopsgezinden te aanschouwen, in vroeger jaren ten onrechte bijna geheel vereenzelvigd met de Wederdoopers. Wel is het echter waar, dat Menno Simons, destijds nog Catholiek priester, in 1533 op \'t zeerst werd getroffen door den blijden geloofsmoed, waarmede een wederdooper de doodstraf onderging. Hij legde zijn ambt neder, nam gewillig smaad en vervolging in ruil voor eer en aanzien, en werd het hoofd der zich om hein verzamelende doopsgezinden, die zich nu Mennonieten noemden. Het bedienen van den Doop, uitsluitend aan volwassenen (en wel door onderdompeling), was bij Menno Simons en de zijnen een uitvloeisel van het streven, dat aan al hun werken ten grondslag lag, om eene kerk van enkel wedergeborenen te stichten. Uit ditzelfde beginsel kwam de weigering van eedzwering en van het dragen van wapenen voort, even als het verbad van echtscheiding

-ocr page 474-

444

en proces-voeren. Vooral in Holland en Noord-Duitschland verbreidden zij zich, maar onder den druk eener zware vervolging, daar de Mennonieten als verspreiders der zroare ketterij nog strenger vervolgd werden dan de overige hervormingsgezinden 1).

Ook in Engeland ontstonden talrijke gemeenten van doopsgezinden (Baptisten), die zich echter bij de leer en kerkinrichting der Hervormden aansloten, en met de zooeven genoemde doopsgezinden slechts de verwerping van deii kinderdoop gemeen hebben.

Verder verdienen hier eene plaats de Kwakers, volgelingen van George Fox (t 1691). Deze, een man van eenvoudige geboorte, meende door God geroepen te zijn, om in de dagen der Engelsche revolutie als boetprediker onder zijn volk op te treden. Hij zag in, dat een uiterlijk christendom, en een uiterlijk gehecht ziju aan de kerk, niets beteekende; maar in stede van nu een ijverig in-leven in de H. Schrift aan te bevelen, verwachtte hij alle heil van het „innerlijke lichtquot;, dat, naar hij meende, aan hem en zijne aanhangers geschonken was. Ook hij streefde naar een zuivere kerk. Hij zelf noemde de zijnen vrienden, maar het volk schold hen Quakers (sidderaars). Men verhaalt nl. dat Fox, toen hij voor den rechter zich over zijne beginselen moest verantwoorden, tot dezen het ernstige woord zou hebben gesproken: „Sidder voor \'s Heeren woord,quot; waarop de rechter spottend zou hebben geantwoord: „Zie dien sidderaar eens!quot; Maar spoedig werden de Kwakers niet meer lastig gevallen. Een voornaam En-gelschman, William Venn (f 1718), ging niet alleen tot hen over, maar bezorgde hun een groot stuk grond in Noord-Amerika, naar hem Pennsylvania genoemd. Daar bouwden zij een stad, die ze Philadelphia — broederliefde — noemden. In Duitschland hebben zij eene gemeente in Pyrmont. Kerkelijke instellingen kennen ze niet. In hunne vergaderingen voert het woord, wie door den geest daartoe gedreven wordt. Bescheiden en rustig treden zij op, en tegen de zekere stijfheid in vormen en kleeding, zoo dikwijls bespot, mag wel opwegen de stille vrome zin, die bij niet weinigen onder hen gevonden wordt, en het lijden, door hen ondergaan in den strijd voor de vrijmaking der slaven.

1) Zie ouk § 62.

-ocr page 475-

445

De Darbysten of Plymouth broeders ontleenen liun oorsprong aan John Darhy, l^eraar van Je Engelsche Staatskerk. Van Plymouth verspreidden zij zich over\'t vastland van Europa (Zwitserland, Wupperdal, Nederland). Zij meenden de Protestantsche Kerk te moeten verlaten, die tot een Babel geworden was. Geesvelijken hebben zij niet, daar zij zich beroepen op het algenieene priesterschap der geloovigen. De wederkomst van Christus achten zij zeer nabij en wachten die nu rustig, vereenigd tot kleine huisgemeenten, af 1).

In Engeland ook ontstond het Irvingisme. Edward Irving (1792—1834) een beroemd prediker der Presbyteriaansehe Kerk, maar gevangen in menige dwaling, wilde de gaveu des Geestes, die aan de Apostolische Kerk geschonken waren, weder tot haar recht laten komen, en beschouwde de bestaande Kerken, wegens gemis dezer gaven, als niet van de. echte soort. Toen hij door zijn Kerk was afgesneden, stichtte, hij een eigen vereeniging, die zich naar zijnen naam noemde, en ook in Zwitserland, Belgie en Nederland gemeenten vormde. Deze gemeenschap heeft op Apostolisch voorbeeld hare Engelen en Evangelisten, en beweert, dat de gave der profetie en van \'t spreken in tongen opnieuw aan haar is geschonken. Verder hopen zij op eene spoedige wederkomst van Christus, waarop dan het duizendjarig rijk zal volgen. Hun eere-dienst is luisterrijk, naar de wijze der Roomsche Kerk en der Engelsche Staatskerk.

In Zweden was Im.manuël van Swedenlorg (1688—1722), dooide bestudeering van Böhme\'s geschriften en door een bijzonderen blik op de natuurwetenschappen, in zulk een zeldzamen toestand van geestverrukking geraakt, dat hij meende in gemeenschap te staan met de onzichtbare geestenwereld. Zulk een verborgen omgang met de geesten achtte hij het ware kenmerk van den christen. Hij vond aanhangers ook onder vrome Duitsche theologen. Zóó kwam hij op het denkbeeld van „het nieuwe Jerusalemquot; te moeten stichten, in welke zijne openbaringen als een derde Testament dienst moeten doen. Maar juist deze dweepzieke zelfoverschatting stond de stichting der Kerk in den weg, en alleen in Amerika komen nog echte Swedenborgianen voor.

1) Over de Methodisten eu Puriteineu, zie § 63.

-ocr page 476-

446

Ten slotte bespreken wij de sekte der Mormonen in Noord-Amerika in \'t leven geroepen door den gewezen koopman Joe Smith (f 1844). Deze man, zich noemende profeet, grondde zijn leer op een zoogenaamd—oud geschrift van Mormon, een Jodenchristen uit den eersten tijd des Christendoms, inderdaad ecliter niet anders dan de romantische beschrijving van de sage der 10 stammen Israels, door den gekruisigden Heiland persoonlijk bekeerd, en toen naar Amerika verhuisd. De Mormonen noemen zichzelven „heiligen der laatste dagen,quot; de geheele christenheid rekenen zij onder liet heidendom. Zij doopen door onderdompeling, hebben gemeenschap van goederen (althans binnen zekere grenzen). De mannen mogen meer dan een vrouw hebben. De regeering der Vereenigde Staten heeft dit oproerige volkje in 1857 onderworpen, nadat zij reeds in 1844 Illinois tegen het Utai-dal aan liet Zoutmeer hadden moeten verruilen.

In hun stille afzondering aldaar, hielden zij nog vast aan hun zonderlinge gebruiken, totdat de Pacific-lijn aan die afzondering een einde maakte, en eene menigte gelukzoekers naar Utah bracht, waar weldra het Mormonendom, dat zich zelf door inneriijken strijd vernietigt, alleen in sombere herinnering zal voortleven.

Het spreekt wel van zelf, dat wij al deze kleine kerkgenootschappen en secten niet met een zelfde oog beschouwen. Sommige zijn eerbiedwaardig, andere niet. Maar bij allen ligt toch meer of minder bewust ten grondslag, het streven naar een zuivere kerk van louter geloovigen, een streven dat altijd weer ijdel zal blijken, zoolang het woord des Heeren waar blijft, dat „onkruid en goede tarwe te zamen moeten opwassen tot den dag des oogstes.quot;

§ 09.

De Roomsche Kerk sedert 1517.

Indien in de dagen der Kerkhervorming de geestelijke herders der Roomsche christenheid hadden kunnen besluiten tot eene noodzakelijke vernieuwing der kerk, op grond van het Evangelie,

-ocr page 477-

447

hoeveel onheil zou daardoor vermeden zijn! Maar integendeel hield de Roorasche Kerk met hand en tand vast aan de oude dwaling. De trouw gebleven volken hield zij door de Inquisitie volkomen in bedwang, en onderdrukte er iedere uiting van zelfstandig leven. Op den pauselijken stoel werden uitsluitend Italianen gekozen, en wel meestal grijsaards, die uit den aard der zaak geene veranderingen konden invoeren, al hadden zij het gewild. In 300 jaren is geen Concilie gehouden, opdat do Kerk toch maar niet gedrongen zou worden, eischen tot aanbrenging van hervorming toe te staan. Intusschen streefde de Roomsche kerk naar vorstengunst, terwijl zij beweerde de hechte steunpilaar van den troon to zijn, en de reformatie daarentegen de vruchtbare bodem te zijn voor do revolutie. Maar de geschiedenis heeft doen zien, dat juist Roomsche landen brandpunten zijn geweest van allerlei beroering, en trouwe aanhangers van denzelfden pauselijken stoel, die een steun der kroon heette te zijn, hebben vorstenmoord verdedigd.

Zoo stond Rome, en zoo staat het nog, bitter tegen de. Hervorming over, en toch heeft het zich niet kunnen onttrekken aan den invloed van de Hervorming uitgegaan. Bij voorb., de aflaathandel heeft opgehouden, en de banbliksem wordt niet meer bij de geringste aanleiding geslingerd. Daar wordt meer zorg gewijd aan de prediking, en de Roomsche kerk heeft inderdaad op uitnemende predikers te wijzen. Ook aan het onderwijs der jeugd wordt meer aandacht geschonken. Het is alleen merkwaardig, dat aan deze dingen vooral aandacht gegeven wordt in de Protestantsche landen en hun naaste omgeving, terwijl in de echt Roomsche landen de opvoeding van volwassenen en jeugd schandelijk verwaarloosd wordt.

De grond der tegenwoordige kerkleer en kerkinrichting is gelegd op het Concilie van Trente (1545—63). Op ernstig aandringen van Karei V, werd dit Concilie bijeengeroepen door paus Paulus III (1534—1549). Maar vóór het twee jaar bijeen was, verlegde hij het, naar het heette om de uitgebroken pest, van Trente (in Tirol) naar de Italiaansche stad Bologna. Weldra hief hij het geheel op. Zijn opvolger Julius III (1550—55) riep het weer te Trente bijeen. Maar toen de keurvorst Maurits van Saksen Tirol binnendrong, stoof het in panischen schrik uit elkander. Eindelijk verzamelden zij zich weer een korten tijd, tot zij 4 Dec. 1563 de laatste zitting

-ocr page 478-

448

hielden. In dien ganschen tijd waren er slechts 25 zittingen geweest, daar de eindbesluiten der Synode eerst in Commissiën van onderzoek werden voorbereid. Bij die laatste zitting waren 255 hoogwaardigheidsbekleeders tegenwoordig, maar daarvan waren Vs Italianen, zoodat het Concilie nooit als vertegenwoordiging der Catholieke christenheid kan worden aangemerkt. En daar hoofd voor hoofd gestemd werd, werd op de billijkste eischen der niet-Italianen eenvoudig geen acht geslagen. Op dit Concilie werden de Protestanten in het algemeen vervloekt, en de gansche leer der Middeleeuwen plechtig bevestigd. Naast de Schrift stelde men de overlevering, naast de Kanonieke boeken de Apokryphe, als even betrouwbare kenbronnen der goddelijke waarheid. Uit deze besluiten werden twee algemeen geldige belijdenisschriften der Roomsche Kerk geboren: de geloofsbelijdenis van Trente (1564) en de Roomsche Catechismus (1560). De Roomsche Kerk van Frankrijk, gewoonlijk de Gallicaansche geheeten, wist altijd, en ook tegenover de besluiten van \'t Concilie van Trente, eene zekere zelfstandigheid te bewaren.

Al streefden ook de pausen naar eene volkomen eenheid van leer, toch kon inwendige strijd niet geheel worden verineden. Wij denken aan Jansenisme en Quië/isme, waarvan met een woord dient melding gemaakt te worden.

Het eerste ontleent zijn naam aan Jansen, bisschop te Yperen (t 1638), die in een doorwrocht werk, „Augustinusquot; geheeten, aantoonde, hoe de Roomsche Kerk was afgeweken van de leer over zonde en genade, door dien beroemden kerkvader voorgedragen. Het boek werd eerst na zijn dood uitgegeven, en vooral in Frankrijk bijzonder gunstig ontvangen. De ijverige pausgezinden vervloekten het natuurlijk. In dezen strijd is merkwaardig het Cisterciënser klooster Port Royal bij Parijs, in den omtrek waarvan een groot aantal uitnemende mannen zich verzamelden, en een vrije broederschap stichtten, om daarmede tegen het aanmatigend en onwetenschappelijk optreden der Roomsche monniken verzet aan te teekenen. De beroemdste dezer mannen van Port Royal is Blaise Pascal, wiens „Penseesquot; een boek van onvergankelijke waarde vormen, en wiens „Brievenquot; eene scherpe kritiek oefenen over het Jesuitisme. Weldra vielen de Jansenisten bij den koning in ongenade. In 1709 werd Port Royal geslecht en zelfs \'t stof der ontslapenen

-ocr page 479-

449

ontwijd. De Jansenisten weken voor \'t meerendeel naar de Nederlanden uit.

Daar is later eene gemeente gevormd, „de bisschoppelijke Cleiesyquot;, die, hoewel meer ontstaan doordat de Utrechtsche geestelijkheid voor hare rechten opkwam, tegenover \'quot;t drijven van paus en Jezuieten, dan door verschil in de leer, toch tot op zekere hoogte eene spruit van \'t Jansenisme kan worden genoemd. In l(58o was te Utrecht als aartsbisschop benoemd Petrus Codde. Deze benoeming was echter niet naar den zin der Jezuieten, die zijnen val wisten te bewerken. In 1700 werd Godde. vriendelijk uitgenoodigd te Rome te verschijnen, doch nauwelijks daar aangekomen, werd hij geschorst. De capittels van Haarlem en Utrecht wilden den nu benoemden bisschop niet erkennen; eenigen tijd bleet\' de bisschopszetel onbezet, totdat in 1724 de capittels een nieuwen aartsbisschop kozen. Van deze benoeming werd kennis gegeven aan den paus, die antwoordde met den banvloek. En zoo gaat het nog altijd tot in onze dagen toe. Toch sluit de bisschoppelijke Cleresy zich aan bij de belijdenis van het Concilie van Trente, en erkent den paus als hoofd der Kerk. Met kracht treedt ze op tegen de moraal der Jezuieten, en kent ook den paus geen onbeperkte macht, nog veel minder onfeilbaarheid toe.

De overigens verloren gegane geest van \'t echte Jansenisme is zoo bij deze Utrechtsche Oleresy nog het zuiverste bewaard. Immers de beide andere stroomen van \'t Jansenisme openbaren zich als dweepzieke overspanning (couvulsiouaires), of vrijzinnig verzet tegen het Jezuietisme in Frankrijk, Duitschland en Italië.

Het Quietisme vindt zijn oorsprong in het optreden van den vromen priester Molmos, die met allen ernst er op aandrong toch niet alleen de Kerk gehoorzaam te zijn, maar in de eerste plaats den Heer van harte te dienen. Maar daar zijn optreden voor den priesterstand beleedigend en gevaarlijk scheen, werd hij in den kerker geworpen, waar hij in 1090 overleed. Tot deze richting behoort in Frankrijk Fénélon (1651—1715).

Vrome humor, welke op geestige wijze de zonden van zijn tijd berispte, treffen wij aan bij Ahraham a Santa Clara (f 1 707), terwijl de geheel verbasterde kerkmuziek weer in nieuwe sporen geleid is door Palaestrina (f 1595), die. drie missen schreef, en Allegri (t 1652), den componist van het Miserere.

29

-ocr page 480-

450

In de eeuw der revolutie verminderde ook de eerbied voor den pauselijken stoel. In \'t eclit Roomsclie Oostenrijk zien wij eenen Josef TI (1780—1790) do hand leggen op de goederen der Rüomsche Kerk, en plannen maken tot eene geheele reformatie dier Kerk. Paus Pius VI reisde zelf naar Weenen, om te trachten den keizer tot andere gedachten te brengen. Zijn tocht was te vergeefs, maar toch moest de keizer ten slotte toegeven, zwichtend voor den wil zijns volks, dat nog een onbepaald vertrouwen stelde in de Roomsche priesters, en hen onvoorwaardelijk gehoorzaamde.

In Frankrijk schafte de nationale conventie (1793) geheel den godsdienst af, en stelde daarvoor in de plaats den dienst der rede, totdat Robespierre weder verklaarde: „Het fransche volk erkent een Hoogste Wezen,quot; een uitspraak, in dien mond niet veel meer dan eene phrase. Toen nu weldra de Fransche wapenen in Italië zegevierden, stak ook in den Kerkelijken Staat de revolutiestonn op, en werd hij veranderd in een Roomsche republiek. De paus bood rustig en waardig dien storm het hoofd, en weldra was \'t pauselijk gezag weder zóóveel in aanzien gestegen, dat Napoleon zich in 1804 door Pius VII tot keizer liet zalven. Maar in 1808 bezette de Fransche keizer den Kerkelijken Staat, verklaarde „de schenking van zijnen voorganger Karei den Grootequot; voor teruggenomen, en lijfde dien Staat bij Frankrijk in. Eerst in 1814 verkreeg de paus zijne vrijheid en zijn land terug. Maar de rist keerde daarin niet weer, voor dat, na een tijd van oproer en verwarring, Victor Emanuel (1870), het nu door geen vreemde mogendheid meer beschermde, en door de pauselijke troepen slechts zwak verdedigde Rome tot hoofdstad van Italië verhief. Van dat oogenblik af is de paus vrijwillig gevangene in het Vaticaan, Deze groote verandering werd voorbereid en groep plaats onder de regeering van paus Pius IX (1846 —1878), die intusschen, waar hij zijn staatkundigen invloed zag afnemen, het Catholicisme een groote kracht zag ontwikkelen. In Duitschland en Nederland versterkte zich de tot nog toe bijna maehtelooze Roomsche Kerk; in 1853 werden in Nederland weder bisschoppen aangesteld, na een vruchteloos protest van een groot deel der Protestantsche bevolking (April-beweging); in de Engelsche Staatskerk toonde zich eene bedenkelijke voorliefde voor Roomsche ceremoniën en vormen van eeredienst, naar prof. Pusey, te Oxford, het \'Puseyisme genoemd.

-ocr page 481-

451

In 1854 deed de paus de Maria-vereering nog toenemen, door een nieuw leerstuk over hare volkomen reinheid in wezen en afstamming. In 1864 gaf hij twee omvangrijke kerkelijke wetten: de Encyclica en den Syllabus. Het Concilie van 1870 verklaarde den paus onfeilbaar.

Het was slechts een klein aantal priesters en geleerden, die zich tegen het besluit van dit Concilie durfden verzetten. Aan hun hoofd stond de hooggeachte hoogleeraar Bollinger, te München. Daar zij de leer van de onfeilbaarheid van den paus als iets nieuws en als in strijd met het Catholieke geloof brandmerkten, noemden zij zich zeiven oud-Catholiehen. In 1873 kozen zij prof. Reinkens, te Breslau, tot hunnen bisschop, die door een Hollandschen bisschop van de Cleresy gewijd werd.

In Duitschland ontbrandde, tengevolge van het besluit van \'t Concilie, een hevige politieke strijd. Aanleiding daartoe was \'t feit, dat vele geleerden, professoren aan universiteiten, zich tegen dit besluit verzetten, en de Roomsche Kerk nu van de regeering hunne afzetting eischte. Dit werd geweigerd door liet gevleugelde woord van Bismarck (1873); „Wij gaan niet naar Canossaquot;, en de daarop gevolgde Mei-wetten. In den aanvang brachten deze wetten een storm in \'t land teweeg, welke storm intusschen in de laatste jaren, door gematigder optreden van Leo XIII (Pius\' opvolger), en zachte toepassing der Mei-wetten, vrijwel aan het bedaren is.

§ 70.

Roomsche Zending en Monnikenorden.

Eeeds vroeg heeft de Roomsche Kerk zich aan den arbeid der Zending gewijd. Met alleen toch waren de voornaamste zeevarende mogendheden der 16de eeuw, Spanjaarden en Portugeezen, Catholiek, en kwamen zoo Catholieken het meest met de heidenen in aanraking, maar ook de innerlijke eenheid der Roomsche Kerk kwam den zendingsarbeid ten nutte, terwijl de verschillende monnikenorden, vooral de Jezuicten, zich in dit opzicht verdienstelijk maakten. Wel hebben de zendelingen der Roomsche Kerk dikwijls de Pro-

-ocr page 482-

452

testantsche Zending in den weg gestaan; wel hebben zij, volgens het beginsel van hun Kerk, meer de eer van den stadhouder van Christus, dan van Christus üelven bij hunne prediking in \'t oog-gehad, maar toch kan men niet anders dan den bezielden ijver prijzen, wraarmede zij gearbeid hebben, zonder zich door de grootste bezwaren of zelfs den marteldood te laten afschrikken.

Voor wij iets van dit zendingwerk raededeelen^ moeten wij spreken over de orde, die zich het meest aan dezen arbeid heeft laten gelegen liggen. Wij bedoelen de orde der Jezuïeten, gesticht door Jnigo de Loyola (1534). Hij was een Spaansch edelman van hooge geboorte; bij \'t beleg van Pampelona, in krijgsdienst van Karei V, werd hij zwaar gewond en daardoor langen tijd aan het ziekbed gekluisterd. Daar las hij veel ridderhistories en levensbeschrijvingen van heiligen. Koortsachtige droomen vervolgden hem, en in een toestand van halfwakende geestverrukking meende hij de heilige Maagd te zien, en legde de gelofte af, haar altijd als trouw ridder te zullen dienen. Toen hij hersteld was, verkocht hij zijne goederen ten bate der armen, kleedde zich als bedelaar en ging naar Jeruzalem. Maar hij werd daar door de monniken verdreven, en, in zijn vaderland teruggekeerd, door de inquisitie met wantrouwen gadegeslagen. Toen besloot hij eerst de achting van zijne Kerk te winnen. Met ijver legde hij zich op de studie toe, met schooljongens plaatsnemend op ile schoolbanken om latijn te leeren. Hij voltooide zijne studiën te Parijs, waar hij op Maria Hemelvaart met zes anderen eene broederschap stichtte, welke zich betooningen van zelfverloochenende, liefde tot doel des levens stelde. Terwijl Loyola naar Spanje terugkeerde, om daar liet ontworpen plan verder tot uitvoering te brengen, wijdden anderen zich in de ziekenhuizen van Italië aan ziekenverpleging met eene bewonderenswaardige, doch soms ziekelijk overdreven toewijding. In 154-0 werd hunne orde door paus Paulus III gewettigd. Zij namen 7iu den naam aan van „Societeit van Jezusquot;. In 1556 stierf Loyola, en de mede-oprichter Jacoh Lainez (f 1564) zette nu het door hem begonnen werk voort.

De Jezuïetenorde, staande, in bijzonderen dienst des pausen, wordt streng monarchaal geregeerd door een generaal der orde, die alleen den paus verantwoording schuldig is. Vóór men kan toetreden wordt men aan een strengen proeftijd onderworpen, en daar-

-ocr page 483-

453

toe zelfs wordt men eerst dan toegelaten, als men blijk geeft van goeden aanleg en tevens eene goede gezondheid geniet. In de orde heerscht slaafsche gehoorzaamheid van de minderen aan hunne meerderen, en daar de orde er altijd uitnemend slag van gehad heeft, de eigenaardige gaven, waarover zij te beschikken had, op de juiste plaats te gebruiken, heeft zij een macht ontwikkeld, die menig vorst haar mag benijden. De pausen schonken haar vele voorrechten. Terwijl de Jezuieten zelf vrij zijn van allen kloosterdwang en zich vrij in alle levensverhoudingen mogen bewegen, hebben zij \'t recht overal te prediken en de biecht te hooren. En zoo hebben zij, verborgen en in \'t openbaar, onder rijk en arm, een invloed uitgeoefend, groot, maar tegelijk verderfelijk, daar zij aan hun doel alles, zelfs plicht en geweten, ten offer brachten. Met list en geweld streden zij, en strijden zij nog, tegen het zuivere Evangelie; zij voeren de Rooinsche Kerk telkens verder van den Heer, en alle middelen rekenen zij geoorloofd, als zij hopen kunnen, daardoor de Hervorming te kunnen vernietigen.

De tegenspraak tegen deze zeer machtige en zeer gevaarlijke orde, begon in Portugal, waar (1751) de minister Pombal de Jezuieten uitdreef, en hunne bezittingen verbeurd verklaarde. In 1773 werd paus Clemens XIV gedwongen de orde op te heffen. Maar tegelijk met het herstel der wereldlijke macht des pausen, werd in 1814 ook de Jezuietenorde opnieuw ingesteld. Sedert jaagt zij weder haar vroeger doelwit na, alleen voorzichtiger en meer in stilte.

Niettegenstaande deze dingen, zijn enkele Jezuieten uitnemende zendelingen geweest. Een Xaverius begon zijn zendingswerk in de wildernissen van Brazilië. Daarna ging hij naar Azië, waar hij vooral in Japan gearbeid heeft. In 10 jaren tijds heeft hij met zendingsreizen eencn afstand afgelegd, die meer dan tweemaal den omtrek der aarde bedraagt. Juist wilde hij ook nog naar China gaan, toen de dood hem verraste (1552). Zijn levensbeschrijver zegt van hem : „Het is een wonder te achten, hoe een sterfelijk mensch in staat was, zulke bezwaren te overkomen als hij, en dat niet slechts met een rustige volharding, maar alsof hij een onwederstaanbaren drang zijns harten volgde.quot; Doch weldra viel zijn werk in duigen. Hij had de achting en het vertrouwen der Japaneezen weten te winnen. Maar toen na hein geslepene en

-ocr page 484-

454

aanmatigende monniken volgden, en liet openbaar werd dat vele Europeanen, die naar Japan kwamen, meer \'t goud dan \'t zieleheil der Japaneezen begeerden, werd \'t land voor de Europeanen gesloten.

Evenzoo ging liet in China. Ook hier hadden Jezuieten den toegang gebaand tot het anders ontoegankelijke laud. De voornaamste van hen was Matthias liicci (f 1610). Met een Portugeesch gezantschap was hij naar China gekomen, en had zich daar door zijne geleerdheid verdienstelijk gemaakt. Eerst toeu hij geheel burger was geworden en \'t vertrouwen gewonnen had, begon hij zijne prediking, die rijke vruchten droeg. Een strijd tusschen de Dominicanen- en Jezuieten-orde in Italië, nawerkende in China, vernielde aldaar den opbloeienden oogst.

In Thibet heeft de Roomsche Zending niet veel gevolg gehad. Méér in Voor- en Achter-Indië. De Jezuieten begonnen met den Paria\'s, de laagste klasse der bevolking, het Evangelie te brengen.

In Amerika vestigden zij een onafhankelijken zendingsstaat, in het ontoegankelijk Paraguay (1610 —1750), opdat de heidenen het Christendom mochten leeren kennen, zonder de gruweldaden der christenen tegelijk te ondervinden.

Wijdden zoo de Jezuieten zich aan uit- en inwendige zending beide, andere orden in de laatste eeuwen opgericht, hebben bijzonder de inwendige zending op het oog. Zóó de orde der Ursalinen, gesticht door de vrome jonkvrouw Angela van Brescia (f 1540), die ten doel heeft de opvoeding der vrouwelijke jeugd. De stichting van Vincentius de Paula (f 1660), beoogt kranken- en armenverzorging. De Trappistenorde, gesticht door Bouthillier de Rance, abt van \'t Cistercienserklooster te La Trappe (t 1700), herinnert in overdreven gestrengheid aan den tijd der Middeleeuwen. Spreken is verboden, en zelfs de slaap wordt onderbroken door gemeenschappelijke gebedssamenkomsten.

§ 71.

De Grieksche Kerk.

Onder den zvvaren druk der Turksche regeeriug behield de Grieksche Kerk wel eene zekere zelfstandigheid, en bleef de

-ocr page 485-

455

patriarch te Constantinopel het gemeenschappelijk hoofd, aan wien rle kerkvorsten te Alexandrië, Antiochië en Jeruzalem onderworpen waren, maar zij versteende meer en meer, en zelfs van de geweldige beweging der reformatie werd men in deze bevroren zee niets gewaar. In Rusland vestigde czaar Iwanowitch een vijfde patriarchaat te Moskou, en Peter de Groote nam zelfs de hoogste leiding der geestelijke aangelegenheden in handen, door in plaats van genoemd patriarchaat eene „heilige, besturende Synodequot; in het leven te roepen, die in \'s keizers naam de Kerk moest besturen (1721). Zoo vereenigde Rusland\'s keizer wereldlijk en geestelijk gezag in één persoon. Alexander I trachtte het geestelijk peil zijner kerk te verhoogen door seminariën te stichten, en zelfs een genootschap op te richten tot bevordering van Bijbelverspreiding. Maar zijn opvolger Nicolaas I hief dit weder op. Deze trachtte ook proselyten te maken van zijne Protestantsche onderdanen in de Oostzee-proviuciën, en door bedrog, list en vervolging is dit maar al te dikwijls gelukt. Zwaar verdrukt werden niet alleen de Joden, maar ook de Russen, die van de landskerk afweken, onder wie de Stundisten (aldus geheeten naar de „Bibelstundenquot;, samenkomsten tot Bijbellezing, die zij houden) de achtenswaardigste zijn. Daar gaat eene sprake, dat de dezer dagen (Mei \'\'96) gekroonde czaar het vijandig optreden tegen andersdenkenden verbieden wil. Zou het waar zijn, en zoo ja, zal hij zijn nobel plan kunnen ten uitvoer leggen?

üe Russische Kerk schijnt een vast aaneengesloten geheel. Inderdaad is dit meer schijn dan werkelijkheid. Vele secten — Raskolniken — hebben zich gevormd, en vormen zich nog voortdurend, secten die geheel en al afwijken van de christelijke waarheid, welke dan ook helaas zelfs bij de priesters, evengoed als bij de leeken, in de Russische Kerk droevig weinig bekend is.

Ditzelfde geldt van de Grieksche Kerk in andere landen. In Griekenland oefent eene Synode, in naam des konings, het hoogste gezag uit; de patriarch van Constantinopel is geheel afhankelijk van de Turksche regeering. Maar vooral staat in de Grieksche Kerk het geestelijk leven laag. \'t Zingen en lezen van rijke liturgieën, maar in het oud-Slavonisch, een taal uit de tiende eeuw, en daarom onverstaanbaar voor de volken van onzen tijd, is het hoofdbestanddeel van den eeredienst. De prediking is langen tijd geheel verboden ge-

-ocr page 486-

456

weest, opdat maar geen nieuwe leeringen de Kerk zouden binnensluipen. De Grieksche Kerk erkent intusschen Christus als eenig hoofd der Kerk, en verwerpt het pauselijk gezag. Desniettemin voelt de Grieksche Kerk zich meer tot de Roomsche dan tot de Pro-testantsche Kerk aangetrokken, zoodat dan ook pogingen om haar met de laatste te verzoenen, in de dagen der Hervorming door Melanchton, en later door anderen gewaagd, volkomen schipbreuk leden. Pogingen tot vereenigiiig door Home aangewend, hebben beter resultaat gehad: in 1596 heeft de Roomsche Kerk vele West-Eussische en Poolsche Grieken er toe gebracht, zich bij haar aan te sluiten en het pauselijk gezag te erkennen. Maar deze Unie is door keizer Nicolaas (1839) verbroken, zoodat deze „geünieerde Griekenquot; zich weer bij de Rijkskerk hebben aangesloten.

§ 72.

De Protestantsche Kerk van den tegeirwoordigen tyd.

Terwijl de christenheid ongeveer 350 millioen gedoopten bevat, behoort de helft daarvan tot de Roomsche Kerk. Heeft deze Kerk sints de laatste jaren niet meer een grooter zielental dan de Protestantsche, zij vertoont door hare eenheid nog steeds de grootste macht. En toch, al betreuren wij den strijd over bijzaken, welke soms in het Protestantsche kamp heerscht, verlangen wij naar de eenvormigheid der Roomsche Kerk niet. Want het hangt juist samen met meerdere vrijheid van denken en krachtiger ontwikkeling van leven, dat daar telkens en telkens weer onder de Protestanten verscliilpunten aan het licht treden. Onverwrikt hebben zij intusschen in hunne belijdenis-schriften vastgehouden aan de Godsopenbaring in de Heilige Schrift geschonken. En indien daar in hun midden zich ook de strijd tusschen geloof en ongeloof openbaart, dan is die strijd zelf een getuigenis, dat de Geest des Heeren de waarheid wil scheiden van de dwaling. Indien de Protestantsche Kerk zich in aanzien niet meten kan met de indrukwekkende Roomsche Kerk, dan is het haar tot een eerekroon, dal

-ocr page 487-

457

zij het beeld vertoont van de stille Maria, die alle aardsche heerlijkheid vergetend, stil toeluistert aan de voeten des Heeren. Daarom juist beschouwt zij allen als broeders, die, in welk kerkverband ook, den Zaligmaker hartelijk liefhebben.

Deze trouwe aaneensluiting van allen, die in Christus geloo-ven, is in onzen tijd zoo noodig. Want bij al den strijd en al de woelingen, te midden waarvan wij leven, dringt zich altijd weer de vraag naar voren: „Wat dunkt u van den Christus? Wiens Zoon is Hij ?\'\' Daar zijn er, die daarop antwoorden: een kind des n;en-schen. Zij achten Zijn woord verouderd en meeuen, dat het plaats moet ruimen voor een nieuwe, z. g. vrijzinniger en meer geestelijke opvatting van den godsdienst. Dergelijke meeningen vinden hunnen oorsprong in de beschouwingen over Jezus\' leven door TLenan en anderen, en hoe meer „vrijzinnigheidquot; en „vooruitgangquot; de onbegrepen wachtwoorden worden der groote menigte, des te meer zijn dergelijke aanvallen op Hem, die Zich zeiven bij uitsluiting: „de weg, de waarheid en het levenquot; noemde, in staat menschen te verblinden en te boeien. Maar aan de andere zijde zijn, door dergelijke uitingen, zij die in den Christus als hunnen Verlosser gelooven, aangespoord, om in voor het volk verstaanbare geschriften en in openbare voordrachte7i, de zaak van hunnen Heer voor te staan, en met eene grondige en duidelijke uiteenzetting van denkbeelden, op de wijze der oude apologeten, de waarheid en heerlijkheid van het Evangelie te verdedigen.

De teekenen der tijden schijnen te spreken van een naderende schifting, waardoor geloof en ongeloof geheel hun eigen wegen zullen gaan, en misschien geheel andere kerkelijke verhoudingen zullen geboren worden. Eene partij, die zich altijd meer dreigend verheft, verbergt haar voornemen niet, om allen godsdienst te willen vernietigen. Maar dit alles kan niet anders, dan het Protestantisme ten zegen gedijen; het zal zijn eenigen steun leeren vinden in het persoonlijk, welbewust geloof zijner leden, en daardoor meer gaan gelijken op zijn voorbeeld — de eerste Apostolische Kerk. En indien dit geloofsleven krachtiger wordt, zal eene schoone vrucht gezien worden, die zelfs tegenstanders tot jaloerschheid zal wekken. Deze vrucht is liefde, om Christus\' wil bewezen. Reeds nu geeft onze tijd, méér dan eenigen vroegeren, daarvan te zien, in allerlei arbeid van Inwendige Zending, aan kranken, weezen, armen, ge-

-ocr page 488-

458

vallenen, te koste gelegd. In zulke werken toont zich de levenskracht, die de Kerk, te midden van allerlei uitwendige ellende, bezit als uitvloeisel van de levenswerking van haar goddelijk Hoofd. De Kerk is, als zichtbare, menigmaal hoogst gebrekkige verschijningsvorm van het Koninkrijk Gods op aarde, aan wisseling eu verandering onderhevig. Maar de Gemeente, die haar levende kern is, blijft eeuwig, want zij is op den eeuwigen Rotssteen gegrond. Zij wanhoopt nimmer, want zij belijdt: „Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde, en tot in eeuwigheid.quot;

lt;

1

-ocr page 489-

TIJDTAFEL.

Eerste Tgdvak.

Jaar.

33. Stichting der Chr. Kerk.

37. Steeniging van Stefaiius; liekeo-

ring van Paulus.

44. Jacobus f.

45—48. Panlns\' eerste zendingsreis. 51. Apostelconvent te Jeruzalem. 51—54. Paulus\' tweede zendingsreis. 55—59. Derde zendingsreis.

Tweede

Jaar.

107. Simeon t-

116. Ignatius f.

134. Jeruzalem eene heidensche stad.

160. Paschastrijd tusschen Polycarpus en Anicetus.

163. Justinus de martelaar f.

167. Polycarpus f.

170. Montanus in Phrygië. Abgarus van Edessa.

177. Christenvervolging te Lyon en te Vienne.

200. Paschastrgd tusschen Victor van Rome en het Oosten.

202. Christenvervolging in Afrika. Ire neus f.

Jaar.

59. Paulus te Jeruzalem gevangen genomen.

63. Jacobus de rechtvaardige f.

64. Christenvervolging te Rome. 66—70. Joodsche oorlog.

67. Paulus eu Petrus f. 70. Jeruzalem verwoest. 92—102. Clemens, bisschop teRome.

Tijdvak.

| Jaar.

j 220. Tertullianus f. 250. Christenvervolging onder Decius.

Ifovatianen.

254. Origenes f-258. Cyprianus f.

260. Keizer Gallienus staat vryheld

van godsdienst toe. 270. Optreden van Manes.

303. Begin der vervolging onder Dio-

cletianus.

301. Constantius Chlorus f. 311. Galerius mede-regent. ! 312. Constantijn overwint Maxentius. 321. Begin der Ariaansche twisten. 323. Constanten alleenheerscher.


-ocr page 490-

460

Derde Tijdvak.

Jaar.

325. Eerste Oecumenisch Coucilie te Nicea.

330. Lactantius f.

331. Gregoriuu „de verlichterquot; f.

336. Arius f.

337. Constanten de Groote f.

340. Ensebius en Paulun v. Thebe f. 343. Christenvervolging in Pcrziö. 348. Pachomius f.

356. Antonius f.

361—363. Julianus „de Afvalligequot;. 373. Athanasius f.

379. Basil ins f.

381. Tweede Oecumenisch Concilie te Constantinopel.

387. Macedonius.

388. Ulfilas f.

390. Gregorius van Nazianze f.

394. Gregorius van Nyssa f.

397. Ambrosius f.

400. Martinus van Tours f.

402—416. Innocentius I bisschop van

Rome.

407. Chrysostomus f.

410. Begin van den Pelagiaansche strijd.

418. Nieuwe christenvervolging in

Perzië.

420. Hieronymus f.

430. Augustinus f.

431. Derde Oecumenisch Concilie te Ephese.

432. Cassianus f.

440. Bijbelvertaling van Jliesrob. 440—461. Leo I bisschop van Rome. 449. Rooversynode te Ephese. 451. Vierde Oecumenisch Concilie te

Chalcedon.

460. Simeon, pilaarheilige f. 476. Ondergang van het West-Ro-

meinsche rijk.

482. Severlnus f.

486. Chlodwig wordt christen.

Jaar.

499. De Persische Kerk verklaart zich ten gunste van Nestorius.

529. Monnikenregel van Benedictus van Nursia.

550. Fridolin f.

553. Vijfde Oecnmenisch Concilie te Constantinopel.

589. Synode van Toledo.

590—604. Paus Gregorius 1.

597. Columba f. Augustinus in Engeland.

600. Isidorus van Se villa.

622. Mohammeds vlucht (Hedschra).

628. Rupert fi

631. Dagobert\'s kapel te Utrecht.

632. Mohammed j.

640. Gallus f.

649—655. Martinus I paus.

680. Zesde Oecumenisch Concilie te Constantinopel.

689. Kiliaan f.

691. quot;Willebrord in Friesland.

711. De Mooren in Spanje.

726. Begin van den Griekschen beeldenstrijd.

732. Karei Martell overwint de Mooren.

739. Willebrord f.

741 — 752. Zacharias paus.

742. Stichting van \'t klooster Fulda.

752—757. Stephanus II paus.

755. Bonifacius quot;f. Begin van den Kerkdijken Staat.

760. Regel van Chrodegang.

785. Wittekind gedoopt.

787. Zevende Oecumenisch Concilie te Nicea.

789. Wiilehad f.

794. Synode te Frankfurt.

799. Paul AVarnefried f.

800. Karei de Groote tot Keizer gekroond.


-ocr page 491-

401

Vierde Tijdvak.

Jaat*.

842. Einde van den beeldenstrijd.

858—867. Nicolaas I paus.

861. Methodius en Cyrillus in Uul-Rarije.

863. Dezelfden in Moravië.

865. Anacliar en Radbertus f.

867. Aanvankelijke breuk tussohen Home en Constantinopel.

869. T)e monnik GottHchalk en de Slaven-apostel Cyrillus f.

894. Methodius in Bohemo.

912. Notker te St. Gullen f.

942. Odo van Clugny.

963. Paus Jobaunes XII al\'gezot.

966. Het Christendom in Polen.

980. Wladimir van RurIiiikI wordt christen.

997. Adelhert van Praag f.

999 1008. Paus Sylvester f.

1027. Koning Knut van Denemarken doet een pelgrimstocht naar Rome.

1032. Invoering ven don Godsvrede.

1038. Stepbanus van Hongarije f.

1046 1047. Paus Clemens f.

1048. De monnik Hildebrand te Rome.

1054. Volkomen scheiding van de Westersche en Oostersche Kerk.

1059. quot;NVot op de verkiezing der pausen.

1073 1085. Paus Gregorius VIT.

1075. Verwoesting van den tempel te Upsala.

1077. Hendrik IV doet boete te Ca-nossa.

1079. Verovering van Palestina door de Seldsjukken.

1084. Stichting der Karthuizer-orde.

1095. Kerkvergadering te Clermont.

1096. Begin van den oorsten kruistocht.

1098. Robert van Citeaux sticht de Cistercienserorde.

1099. Jeruzalem door de kruisvaarders veroverd.

Jaar.

1109. Anselmus f.

1118. Orde der Tempeliers en Johan-nieters gesticht.

1121. Norbert sticht de Praemon-stratenserordo.

1122. Concordaat te Worms.

1142. Abaelardus f.

1147. Tweede Kruistocht.

1153. Bernard van Clairvanx f.

1155. Arnold van Brescia f.

1159 1181. Paus Alexander II.

116.9. Heidendom op Rügen overwonnen.

1170. Thomas Boeket f. Do Walden-sen in Lyon.

1174. Boete van Hendrik II.

1177. Verzoening van keizer en paus.

1187. Jeruzalem door de Saracenen heroverd.

1189. Derde Kruistocht.

1190. Duitsche ridderorde gesticht. Prederik Barbarossa f.

1197. Petrus quot;NValdus f.

1198 —1216. Paus Innocentius III.

1204. Vierde Kruistocht.

1209 1229. Strijd tegen de Albigensen.

1215. Concilie te Rome. Stichting der Do tninikaner-orde.

1221. Dorainicus Guzman f.

1223. Stichting van de orde der Franciscanen.

1226. Frans van Assisi f.

1228. Vijfde Kruistocht.

1229. Synode van Toulouse. Inquisitie-gericht.

1248. Begin van den bouw van den Keulscben Dom.

1249. Zesde Kruistocht.

1256. Stichting van de orde dor Augustijnen.

1260. Hugo a St. Caro f.

1264. Begin van Goede Vrijdag-vie-ring.

1270. Zevende Kruistocht.


-ocr page 492-

462

jaar.

1274. Syüodo van Lyon. Besluit omtrent het Conclave. Thomas van Aquino f.

1291. Val van Acco.

1294—1303. Paus Bonifacius VIII.

1306. Jacoponus f.

1307. Opheffing van de orde der Tempeliers.

1309—1377. Babylonische ballingnchai)

der pausen.

1310. De Johannieters op Rliodus. 1814. Jacob de Molay verbrand. 1321. Dante f.

1330. Johannes de Monte Corvino. 1338. Vorstendag te Rhense. 1348. Flagellanten-tochten. 1361. Johannes Tauler -j-.

1373. Huss geboren.

1S74. Petrarca f.

1378—1409. Schisma.

1379. Broederschap des genieenen levens.

1380. Catharina van Siena f.

1383. Geert Groote f.

1384. Wycliffe f.

1402. Huss predikt in de Bethloboms-

kerk te Praag.

1409. Concilie van Pisa.

1413. Huss in den ban.

1414—1418. Concilie van Constanz.

1415. Huss f.

1416. Hierouymus van Praag f. 1420. Overwinning van Ziska. 1429. Gerson ■}-.

Jaar.

1431 — 1443. Concilie te Basel.

1433. Het Concilie gaat een verdrag aan met de CalUtijnen.

1434. I)e Taborieten verslagen.

1439. Synode van Florence.

1448. Concordaat tusschen keizer en paus.

1453. Constantinopel door de Turken ingenomen.

1457. Moravische broeders.

1459. Concilie te Mantua.

1462. De voorrechten der Calixtgnen opgeheven.

1471. Thomas ii Kempis f.

1483. Luther geboren.

1484. Zwingli geboren.

1484—1492. Paus Innocentius VIII.

1485. Angelico f.

1487. Claus von der Flübe f.

1488. Oorlog tegen de Waldensen in Piemont.

1497. Luther te Maagdenburg. Me-lanchton geboren.

1498. Luther te Eisenach. Savonarola f.

1501. Luther te Erfurt.

1506. Zwingli te Glarus.

1508. Luther te Wittenberg.

1509. Calvijn geboren.

1512. Luther wordt doctor in de Theologie.

1513—1521. Paus Leo X.

1516. Luthers kerkvisitatie. Zwingli te Einsiedeln.


Vyfde Tydvak.

Jaar.

1517. Luther\'s stellingen. Leonardo da Vinei f.

1518. Lutber voor Cajetanus. Me-lanchton te Wittenberg.

1519. Miltitz en Eek houden twistgesprekken met Luther. Zwingli te Zurich.

Jaar.

1520. Luther verbrandt de pauselijk? hanbul.

1521. Rijksdag te Worms. Luther op den Wartburg.

1522. Reuchlin f. Luther te Wittenberg terug.

1522—1523. Paus Adriaan VI.


-ocr page 493-

463

Jaar.

1523. Von Sickingon eu Hutten f. Marteldood van Hendrik Voes on Johannes van Essen.

1524. Lutlior zegt het monniksleven vaarwel. Verhoud derCatholieko vorsten te Regensburt?. Stau-pitz f.

1525. Boerenoorlog. Luther treedt in het huwelijk. Raphael en Fre-derik de Wijze f.

1526. Eerste rijksdag te Spiers. Ver-boud der Evaugelischen te Tor-gau. Tindal in Engeland.

1528. Kerkvisitatie in Saksen. Al-brecht Dürer f.

1529. Tweede rijksdag to Spiers. Luther\'s Catechismus. Gesprek te Marburg. Wederdoopers te Munster.

1530. Rijksdag te Augsburg.

1531. Smalkaldisch Verbond. Zwingli en Oecolampadiua f.

1532. Godsdienstvrede van Neurenberg.

1534—1549. Paulus III paus.

1534. Correggio f. Luther voltooit zijne bijbelvertaling. Engeland maakt zich los van den paus.

1535. Wederdoopers te Munster ten onder gebracht.

1536. Erasmus f. Calvijn te Genève. Zwitsersche geloofsbelijdenis. Hervorming in Denemarken.

1537. De Smalkaldisehe artikelen.

1539. Deensche rijksdag te Odensee.

1540. Erkenning van do Jezuietenorde. De Johannieters op Malta. Ur-sulinenorde gesticht.

1542. Leo Judae f.

1545—1563. Concilie van Trente.

1545. Spalatijn f.

1546. Luther f. Begin van den Smal-kaldischen oorlog.

1547. Slag b. Mühlberg. Hendr. Vlll f.

1548. Het Interim.

1552. Verdrag van l\'asaau.

Jaar. 1553. 1555.

1556.

1558.

1559.

1560.

1561.

1562.

1564.

1565.

1566.

1567.

1568.

1570.

1571.

1572.

1574.

1575.

1576.

1577. 1579. 1581.

1583. 1587. 1.588. 1589.

1595.

1596.

Servede f.

Godsdienstvrede van Neuren-renberg. Jonas f. Karei V doet afstand van de re^eering. Cranmer en Loyola f. Bugenhagen en Maria van Engeland f.

ïfederlandsehe goloofsbelijdenis opgesteld.

a Lasco en Melanchton y. Menno Simons f.

Socinus de Oudere f. De Kn-gelsche geloofsbelijdenis en de Heidelbergsche Catechismus opgesteld.

Michel Angelo, Calvijn en Lai-nez f. De geloofsbelijdenis van Trente.

Amsdorf eu Farel f. De catechismus Romanus. Beeldenstorm in Nederland. Alva komt in Nederland.

Begin van den tachtigjarigen oorlog. Conferentie te Wesel. Vrode tnsschen Catholieken en Hervormden in Frankrijk. Synode te Embden. Bartholomeusnacht. Inneming van den Briel. Knox f. Maagdenburger Centuriën. Matthias Flacius f. Academie te Leiden gesticht.

Titiaan f.

Formula Concordiae.

Unie van Utrecht.

Philips H afgezworen. De Hervormde Kerk de heerschende in Nederland.

Ursinus f.

Olevianus f.

Annalen van Barouius. Patriarchaat in Moskou. Palestrina f.

Vereeniging van een deel der Orieksohe Kerk met de Room-sche.


-ocr page 494-

464

Jaar.

1598. Edict ran Nautes.

1604. Fauatus Socinus f.

1609. Keizer Rudolf f?eeft den Ma-jesteitsbrief.

1610. Hendrik IT f- De Jezuïeten in Paraguay. Remonstrantie der Arminianen.

1614. Academie te Groningen gesticht.

1618. Begin van den SOjarigen oorlog. Synode van Dordt komt bijeen.

1621. Johan Arndt f. Einde van het 12jarig Bestand.

1624. .lacob Böhme f-

1630. Gustaaf Adolf in Duitschland.

1632. Gustaaf Adolf f.

1636. Academie te Utrecht gesticht.

1637. De Staten-Vertaling voltooid.

1688. Jansen f.

1648. Vrede van Munster.

1652. Allegri f-

1660. Vincentius de Paula f.

1667. Louise Henriette van Brandenburg f-

1673. Testacte van Karei tl van Engeland.

1676. Paul Gerhard f-

1679. Thomas Hobbes f.

1685. Opheffing van het Edict van Nantes.

1690. Elliot f.

1691. Fox f.

1696. Molinos f.

1700. De Rance f- Codde geschorst.

1703. Einde van den oorlog der Ca-misards in de Cevennes.

1705. Spener en Bossuet f.

1707. Abraham a St. Clara.

1715. Fenelon f.

1716. Oprichting van het Zendings-huis te Drontheim. Leibnitz f.

1718. William Penn f.

1719. Ziegenbalg f.

1721. De „besturende Synodequot; te St. Petersburg ingesteld.

Jaar.

1722. Stichting van Herrnhut.

1727. August Herman Franke quot;j*.

1728. Begiu van eene zending onder de Joden. Thomasius f.

1731. De evangelische Salzburgers verlaten hun vaderland.

1748. De Broedergemeente sluit zich bij de Augsburgsche gelools-belijdenia aan.

1750. Bach f. Opheffing van de heerschappij der Jezuïeten in Paraguay.

1754. Wolf f-

1758. Haua Egede f.

1759. Verdrijving der Jezuieten uit Portugal. Handel f.

1760. Zinzendorf f.

1765. Reimaru» f-

1769. Gellert en Tersteegen f-

1770. Whitefield f.

1772. Swedenborg f.

1773. Jezuïetenorde opgeheven.

1777—1799. Pius VI paus.

1778. Rousseau en Voltaire f.

1781. Tolerantie-edict van keizer Jozef II.

1784. Lessing en Diderot f.

1789. Fransche revolutie.

1791. Soulier en Wesley f.

1793. Het Christeudom in Frankrijk afgeschaft.

1795. Algemeen Zendinggenootschap te Londen opgericht. De Hervormde Kerk in Nederland houdt op staatskerk te zyn.

1797. Nederlandach Zendelinggenootschap.

1798. Schwartz f.

1800—1823. Paus Pius VU.

1800. Janike\'s Zendinghuis te Berlijn.

1801. Lavater f.

1803. Klopstock en Herder f-

1804. Kant f. Bijbelgenootschap te Londen opgericht.

1806. Evangelische Gezangbundel in Nederland.


-ocr page 495-

465

Jaar.

1809. Opbeffinp; van don Korkelijken Staat.

1814. Herstelling van de pauselijke macht en van de Jezuieten-orde.

1815. Heilig Verbond.

1816. Zendinggenootscliap te Basel. Koning Willem I organiseert de Hervormde Kerk.

1817. Jung-Stilling f. Union tusschen liutherschen en Hervormden in Pruisen.

1821. Koning Pomare van Taïti f.

1823—1829. Paus Leo XII.

1824. Zendinghuis te Parijs.

1826. Oberlin f-

1827. Janike f.

1831. Hegel f.

1832. Stichting der Gustaal-Adolf-vereeniging.

1833. Wilbert\'orce f.

1834. Begin der Afscheiding in Nederland.

1837. De evangelische inwoners van Zillerthal verlaten hun land.

1841. Protestantsch bisdom te Jeruzalem.

1844. Joe Smith f.

1845. Lutherscho afscheiding in Pruisen.

1846. Evangelische Alliantie.

1848. Revolutie. Vlucht des pausen.

1850. Heander f. De paus keert naar Rome terug.

1851. Gützlaff f.

1854. Schelling f. Nieuw dogma omtrent Maria. Concordaat van Oostenrijk met den paus.

1855. Claus Harms f.

1858. Gossner f.

1859. Italiaansohe oorlog. Oproeren in den Kerkdijken Staat.

1860. De paus verliest bet grootste deel van zijn land. De Protestanten in Oostenrijk ontvangen een eigen bestuur. Schubert en Spitta f.

1861. Geloofsvrijheid in Italië.

1864. Pauselijke encycliek en sylln-

bus.

1868. Luthermonument te Worms.

1869. Begin van het Oecumenisch Concilie te Rome. De koningin van Madagascar gedoopt.

1870. De paus onfeilbaar verklaard. Rome door de Italianen bezet.

1872. De Jezuïeten uit Duitschland verdreven.

1873. De Pruisische Meiwetten. Oud-Catholleken.

1874. Evangelische Alliantie te New-York. David Strauss f.

1878. Leo Xlll paus.

1880. Vrije Universiteit te Amsterdam.

1882. Pusey f.

1886. Doleerende Kerken In Nederland.

1894. Karl Gerok f-


30

-ocr page 496-

REG I ST EU.

Bladz.

Abaelardus.......294

Adalbert........233

Adiaphor. strijd......385

Aedeaius........142

Aelia Capitolina..........79

Aflaat.........287

Afscheiding.......419

Aidan....... . 153

Akolouthen........104

Albigensen........303

Alexander III......251

Alexander VI.......263

AmbroaiuB.......216

Anabaptisme.......405

Angelsaksen.......151

Anselmus........300

Anscliarius........230

Antinom. strijd......384

Antonius........184

Aiiostolische geloofsbelijdenis . 121

Aprilbeweging......450

Arius.........199

Arndt.........388

Atbanasius...... 199, 208

Augsburgsche geloofsbelijdenis. 367

Augsburgsche godsdienstvrede . 378

Augustinus (Kerkvader) . . . 228

Augustinus (monnik) .... 151

Augustijners.......273

Avignon (pausen te) ... . 258

Bakker (Jan do).....404

Barnabas ........43

Baronius................6

Bladz.

Bartholomeus-naolit.....398

Basel (Concilie van) .... 263

Basilieken........196

Basilius.........210

Beeldenstrijd.......197

Begbarden en Boghyneu . . . 274

Benedictus........187

Benezet ........400

Bernard van Clairvaux . . . 295

Bisschoppen......52, 105

Blandina.........82

Boereu-oorlog.......8ö8

Böhme.........389

Bonifacius......161, 166

Bonifacius VIII......256

Bora (Cath. van).....364

Bradacz.........323

Brés (Gruido de)......408

Brescia (Am. van) . . . . • 250

Broedergemeonte.....323

Bruno.........267

Bijbelv. in do Middeleeuwen . 330

Bijbelvert. (Nedorlandsche) . . 414

Bijgeloof....., ... 286

Cajetanus........342

Calixtijnen........321

Oalvijn.........893

Camisards........400

Canonisatie........284

Cameval........195

Cassianus........204

Catechismus (Luthersche) . . 862

Catechismus (Heidelbergsche) . 403


-ocr page 497-

467

}l!adz.

Cathnri.........303

Catliarina van Siëna .... 276

Catholieke Kerk......103

Celsus.........97

Cerinthus........47

Cerularius........238

Chalcedon (Concilie van). . . 205

Chlodwig........148

Chrodegang.......178

Chrysostomus......212

CistercioneerB......268

Claudius........61

Clemens Komanus.....44

Cleresy (Bisschoppelijke). . . 449

Clerus.........107

Cluniaoonsers.......267

Coccejus........414

Coligny.........398

Columba........155

Columbanus.......164

Conclave wet.......256

Confessores (belijders). ... 74

Constantiju......99, 132

Constantinopel (Concilie van) . 201

Constanz (Concilie van) . . . 261

Cranmer..............422

Crypto-Calvinisten.....386

Cyprianus........128

Cyrillus van Alexandriö . . . 203

Cyrillus do martelaar .... 87

Cyrillus van Bulgarije. . . . 235

Wagobert........158

Dante.........328

Darbysten........445

Dathoeu........408

üecius.........85

Deïsten.........428

Denemarken (Hervorming in) . 383

Diderot.........429

Diocletianus.......89

Dioscurus.......: 205

Doleantie........420

Dominicaners . ......272

Domitianus.......61

Domkapittel.......179

Bladz

Dordrecht (Synode van) . . . 412

Dragonades.......399

Duitsche orde......283

Kbionioten........47

Eek..........344

Edelhert...... . 152

Edwin.........152

Eeredienst..... 55, 133, 192

Elisabeth van Thiiringen. . . 237

Engelsche Kerk......424

Ephoso (Concilie van).... 205

Episc. in part. infid.....235

Epiphaniënfeest......113

Erasmus........327

Essen (van).......404

Eusebias..................5

Eutyches........205

Exorcisten........105

Farel.........394

Feestdagen...... 195, 288

Flacius..................5

Flühe (Claus ven der) . . . 275

Formula Concordiae .... 386

Fox..........444

Francke.........387

Frankrijk (Hervorming in) . . 396

Frans van Assisi.....271

Franciscaners.......271

Frederik II.......255

Frederik de Wijze . . . 335, 360

Freundberg.......349

Frumentius.......142

Gallus.........165

Gansevoort........327

Geert Groote.......325

Geloofsbelijdenis (1° Geref.). . 393

Geloofsbelijdenis (Nederl.) . . 408

Germanen.......70, 146

Gerson.........260

Gnosticisme.......119

Godfried van Bouillon . . . 279

Godsgericht.......286

Godsvrede........285


-ocr page 498-

468

Bladz.

Gothische bouwstijl.....290

Oottschalk........299

Gregorius de Verlichter . . 140

OregoriuB van Nazianze . . . 212

Gregorius van Hyssa .... 212

Gregorius I.....151, 182

Gregorius YII.......245

Gregorius IX.......259

Grieksche Kerk......454

Guzman (Dominicus) .... 273

Hakon.........232

Harald.........231

Heidolbergache Catechismus. . 402

Hendrik II (van Engeland) . . 251

Hendrik VIII (van Engeland) . 421

Hendrik IV (van Duitschland). 247

Heraclius....... . 206

Hermas.........45

Hieronymus.......221

Hieronymus van Praag . 311, 319

Hildebrand.......244

Hongarije (Hervorming in) . . 382

Hugo a Sancto Caro .... 294

Huss..........310

Hütten (Ulrich von) .... 358

Hypatia.........138

Ignatius.........77

Ignatius van Constantinopel . 237

InnocentiuB III......252

Innocentiiis VIII......263

Imiuisitie........306

Interim .........377

Interdict........254

Ireneus.........122

Irvingianen........445

Isidorische decretalen .... 180

Isidorische (pseudo-) decretalen. 242

Italië (Hervorming in). . . . 382

•Fan van Engeland.....253

Jansenisten.......448

Jeruzaiem\'s verwoesting ... 63

Jezuieien........462

Johannes-jongeren.....48

Bladz.

Johannieters.......282

Johannes XXHI......261

Joseph II (van Oostenrijk) . . 450

Julianus do Afvallige .... 134

Julius II........264

Justinus Martyr......95

Kant.........431

Karei de Groote......163

Karei V...... 348, 406

Karlstadt........356

Karthuizers.......267

Kiliaan.........165

Knut .........232

Knox.........401

Koenraad van Marburg . 277, 307

Kwakers.........444

Liabadie........415

Lactantius........372

Lapsi (gevallenen) .... 74, 109

Lasco.........406

Laurentins........86

Lectoren........104

Loo I....... 182, 205

Leo X...... . . 264

Lessing.........431

Libertijnen.......394

Loyola.........452

Luther.........332

Maagdenburger Centuriën . . 6

Maoedonius.......189

Majoristische strijd.....395

Manicheërs........120

Marburg (godsd. gespr.) . . . 392

Marcellus........89

Marius ........88

Maria-dionst.......193

Martelaren.......74

Martinus van Tours .... 187

Massalianen.......138

Melanchton.......379

Menno Simons......443

Methodius........235

Miesrob.........140


-ocr page 499-

469

Bladz.

Miltitz . . .....343

Mira........ • • 320

Mis •.....288

Mohammed........174

Molines.........401

Molino».........449

Monophysiten.......206

Monotheleten.......206

Montanus........120

Monte Corvino......286

Moravische Broeders .... 323

Mormoneu........446

Moustier........265

Münzer.........356

Mystiek.........325

Kantes (Edict van).....399

Narrenfeest.......285

Ifazareuers.......47

• Neauder................7

Neo-platonisine......98

Nero..........61

Nerva.........62

Nestorius........203

Nicea (Concilie van) .... 200

Nicolaas I........241

Nicolaïteu........48

Nominalisten.......313

Norbert ........268

Noorsche goden......143

Numidicus........85

Nunia..........141

Oecolarapadius......391

Oecumenische Conciliën . . . 179

Onfeilbaar-verklaring: .... 451

Oostenrijk (Hervorming in) . . 380

Oost-Romeinsche rijk .... 139

Oranje (Willem van) .... 408

Origenes.........123

Ostiariërs........104

Otto van Bamberg.....234

Paaschfeestviering.....112

Pachomius........186

Pascal.........448

Bladz.

Patriarchaten.......179

Patrik.........154

Paulus van Thebe . . . 111, 184

Pelagius................202

Pepijn van Herestal . ... 159

Pepijn de Korte......183

Perpetua........82

Peter van Amiens.....273

Petrus Waldus......304

Philips II........407

Photius.........237

Piëtisme........387

Pisa (Concilie van).....260

Pius I.........363

Pius AU........460

Pius IX.........450

Plinius.........74

Poëzie in de Middeleeuwen . . 271

Polen (Hervorming in) . . . 382

Polycarpus........80

Praedestinatie-strijd. . . 223, 299

Praemonstratcnsers.....268

Presbyters.......52, 105

Presbyterianen......425

Prierias.........341

Protestanten.......363

Puriteinen........425

Pusey.........450

lt;^uadratu8........94

Quietisme........449

Realisten . ......313

Relieken........284

Remonstranten......411

Réveil.........418

Ricci..........454

Robert.........268

Rode (Hinne)......, 405

Roghette........400

Rousseau........429

Russische Kerk......455

Ruysbroek........325

Sanctus.........82

Sapores.........172


-ocr page 500-

470

Bladz.

Savonarola........328

Sbinko.........314

Schilderkunst.......291

Schleiermachor ...... 433

Schmidt.........430

Scholastiek.......294

Schotland (Hervorming in) . . 401

Severinus........145

Semi-Pclagianen......204

Semler.........432

Servcde.........442

Sickingen........358

Simeon van Jeruzalem ... 77

Simeon de Kluizenaar. . . . 189

Smalkalden (Verbond van) . . 370

Socinus.........443

Spanje (Hervorming in) . . . 383

Spiers (Rijksdag v.) .... 363

Staupitz........335

Swedenborg.......445

Synergistische strijd .... 385

Synoden........104

Taborieten.......322

Tauler.........301

Tempeliers........281

Tertullianus.......127

Theophilus de Indiër .... 141

Thomas van Aquino .... 295

Thomas a Kempis . . . 302, 327

Toledo (Synode van) .... 207

Torgau (Verbond van) . . . 363

Transsubstantiatie-leer . . . 298

Trente (Concilie vau) . . 376, 447

Tucht.........108

Ulfilas.........147

Bladz.

Union (Pruisische).....433

Unitariërs........442

Vagevuur........287

Voes..........404

Voetius.........414

Voltaire.........429

Vrijen Geest (Broeders van den) 302

^Valdensen.......305

Warnefried.......196

Wartburg........352

Wesley en quot;Whitefield .... 426

West-Romeinsche rijk .... 139

quot;Wilberforce........438

Wilfried........153

Wlllebrord........160

quot;Willem I (koning).....417

AVladimir........236

quot;Wondergaven.......69

quot;Worms (Rijksdag te) . . . . 347

Worms (Concordaat van) . . 249

Wulfram........131

Wyclitfe........308

Xaverius........453

Zending (Duitsche) . ... 435

Zending (Ncderlandsche) . . . 436

Zending (Engelsche) .... 437

Zending der Broodergemeente . 440

Zinzendorf........439

Ziska .........321

Zillpich.........] 49

Zweden (Kervormiiii; in) . . . 323

Zwickaner profeten.....356

Zwingli.........389


-ocr page 501-
-ocr page 502-
-ocr page 503-

» \'s

BIBLIOTHEEK | NED. HERV. KERK

-ocr page 504-

_

quot;

i

-ocr page 505-

BiBLIOTHEEK quot; V. KË.0vK

-ocr page 506-

?x