DE KOLONIE SURINAME. Eene Voorlezing,
DOOR
E. NIJLAND.
In den laatsten tijd is deze onze kolonie dikwijls besproken. Blij, als men wezen mag, dat ze eens ter sprake kwam ook in de „Koningin der Aardequot;, waren liet tocli niet enkel juichtonen, die men vernam. De gescliiedenis met de Para-negers, de grensscheiding met Fransch-Gu y ana, de GouTerneur en diens handelingen waren nu wel niet uitlokkende en verheffende onderwerpen ter bespreking, maar de kolonie werd nog eens genoemd. Op nog ernstiger wijze dan bij de behandeling der Begrooting in de Tweede Kamer maakte deze en gene zich eens op, eenig licht te doen opgaan over toestanden, daar aanwezig, belangen, daar te behartigen. Men kwam tot vragen, en, werd al niet elke vraag beantwoord, toch verschool zich achter die vraag belangstelling.
Waaraan het toe te schrijven, dat de kolonie in het Moederland zoo weinig de aandacht trekt? Omdat onze Oostindische Koloniën veel meer belangstelling verdienen, en, omdat er in Suriname bezwaren te overwinnen zijn, die niet met een tooverwoord terzijde zijn te stellen. De Nederlander-kolonist heeft evenwel in zijne geschiedenis blijk gegeven, moeilijkheden te kunnen overwinnen, waar het den bloei eener kolonie gold, om ook thans nog niet het beste ervan te hopen: onze volksaard is dienaangaande nog niet zoozeer veranderd. Dat Suriname de gegevens biedt tot meer bloei, moge Eng.-Guyana, dat onder vrij wel dezelfde klimatologische invloeden verkeert, ons leeren.
Doch loopen wij niet vooruit en beginnen wij met een blik op het land en zijne gesteldheid te slaan.
a. Natuurkundig overzicht.
Suriname, gelijk bekend, aan de Noordkust van Zuid-Amerika
151
gelegen, heeft vrij wel natuurlijke grenzen. Met de beide rivieren, de Corantijn en de Marowijne, ten W. en ten O., en den Atlantischen Oceaan ten N., wordt het ten Zuiden door het Tumuhuac-gebergte van Brazilië gescheiden. Geldt de 2e graad N.-Br. als de zuidgrens, de 6e graad is min of meer de noordgrens. Verreweg het grootste deel is niet bezocht door Europeanen, veel minder bekend. Lang heeft de geologische wetenschap in het onzekere verkeerd over den toestand van den bodem: alleszins begrijpelijk, daar het land, uitgenomen de alluviale kuststreek, niet te doorreizen valt. Het zijn alleen de rivieren, tot op zekere hoogte nog maar bevaarbaar, en dan met niet geringe moeite, die den geoloog eenig licht over de vorming en den stand der aardkorst kunnen verschaffen. Nu! prof. Martin uit Leiden heeft in 1886 een paar der rivieren met een wetenschappelijk doel bevaren en het resultaat zijner onderzoekingen komt op het volgende neer:
„Tot op den 5en graad N. Br. ongeveer, vrij wel parallel met deze parallel, (in \'t Oosten iets Noordelijker) constateerde hij eene granietformatie van den bodem. Van daar tot aan eene evenwijdige lijn met de eerste, op 11 uur afstand van de zeekust, moest hij het bestaan van archeïsche gesteenten , die tot de huronische periode behooren, vaststellen; terwijl ten N. van deze laatste scheiding alluviale grond gevonden wordt. Op den zuidrand van het alluvium wordt over de geheele breedte der kolonie eene 2 a 3 uur breede strook van verweerd graniet gevonden, die in de droge tijden van het jaar zich geheel kaal vertoont, doch in den regentijd gras en struiken oplevert.quot;
De Zuid-Aequatoriaal-stroom, die langs de zeekust stroomt, heeft een aantal schulpritsen langs de kust opgebouwd, die als met een zoom de zee geborduurd hebben, en die. niet alleen de landing, maar tevens den ingang der rivieren zeer bemoeilijken.
Wanneer ik nu erop wijs, dat tot nu toe Suriname alleen zijne beteekenis had in het alluviale deel, waar de plantages aangelegd zrjn, en dat het overige deel der kolonie, zooal niet ontoegankelijk door het klimaat dan toch ongetwijfeld door de onafgebroken wouden, zoo goed als onbekend is, dan ligt de gevolgtrekking voor de hand, dat er nog heel wat te cultiveeren valt voor den nijveren kolonist. Sedert evenwel aan den bovenloop der rivieren goud ontdekt is, ontwaakte de begeerte kennis te maken met het
152
onbekende binnenland, en wat men af en toe al aan houtsoorten uit de bosschen heeft kunnen samenbrengen, kan een bezoek aan het Koloniaal Museum te Haarlem doen zien. Alles lokt uit tot gebruik; jaar in, jaar uit, wat zeg ik! eeuwen al biedt de Natuur hare groeikracht, door God haar geschonken, den mensch aan, die de gelegenheden maar zal hebben te scheppen, om zich van den weelderigen rijkdom aan houtgewas als anderszins te verzekeren.
Maar de rivieren dan, en Suriname heeft er zoovele, zijn dat geene goede verkeerswegen? Ze zouden het zijn, indien geen stroomversnellingen, geen rotsachtige beddingen, geen watervallen dit beletten. Ja! men kan het beproeven, ze op te varen. Maar, zoodra ze het alluvium verlaten, moet eene lichte kano eene zwaardere boot vervangen, terwijl verreweg de meeste (uitgezonderd de Suriname en de Saramacca) niet verder dan 15 uren van de kust bevaarbaar zijn. Gij gevoelt, M. H.! de bezwaren zijn vele en nu sprak ik nog niet van een gevaarlijken vijand voor den Europeeschen kolonist: het klimaat. In het alluvium is het voor een Europeaan te dragen, maar veel verbeeldingskracht is er niet toe noodig, om in te zien, dat in zulke weelderige wouden, waar de zon bijna nooit kan doordringen, de dampen en de regens den bodem moerassig maken en koortsen doen ontstaan, die iederen Europeaan letterlijk vermoorden. De inboorlingen, van jongs af in deze streken gewend, kunnen er tegen, naar het schijnt. Ook hier is alleen van culti-vatie heil te verwachten.
In Suriname heeft men in alle opzichten een tropisch klimaat; weinig verschil in luchtdruk, geen orkanen en een steedsheerschenden passaatwind. Men onderscheidt 4 jaargetijden: den kleinen drogen tijd van half Februari tot half April, 2 maanden dus; den grooten regentijd van half April tot begin Augustus, S\'/o maand alzoo; den grooten drogen tijd van begin Augustus tot half November, ook SVz maand; en den kleinen regentijd van half November tot half Februari, derhalve 3 maanden. Is de kleine droge tijd het gezondst te noemen, de groote droge tijd is daarentegen het ongezondst, gelijk het Engelsche rijmpje (In July you may die, but in August you must), in den mond des volks levende, dan ook bevestigt. Blijft men zich evenwel iu het alluvium ophouden, neemt men zich in acht (hetgeen wij in ons waterland trouwens ook dienen te doen), dan is
153
het er zeer goed uit te houden niet alleen, maar rolgeus personen, die hier verblijf hadden, \') is het er zeer gezond, terwijl het geheel ontbreken van cholera, typhus, longziekten of leverkwalen zeker voor hypochondristen een bezwaar minder is.
Ik wil niet langer stilstaan bij dit onderdeel van mijne teeke-ning, omdat ik hunker, u de bevolking als het meest belangwekkende deel voor te stellen; de nadere kennismaking volgt later, want we zullen haar bezoeken en zullen dan tevens gelegenheid hebben van de fauna en flora eeuige nota te nemen.
Suriname, een deel van de kuststreek, als Guyana bekend, van Middel-Amerika tot den Amazonenstroom zich uitstrekkende, werd in 1499 door de Spanjaarden ontdekt, en was toen door Indianenstammen bewoond. Een dezer stammen, de Surinen, gaf zijn naam aan de rivier de Suriname, waar hij gevestigd was, en waaraan onze kolonie weer haren naam ontleende. 1) De Indianen zijn dus de oorspronkelijke bewoners en als een deel van liet Amerikaansche ras der Roodhuiden vertoonen zij nog in zeden en gewoonten, in huidskleur en lichaamsbouw hunne verwantschap met hunne Noord-Amerikaansche broeders. Drie stammen onderscheidt men nog: De Cariben, de Arowakken en de Waraüen. Wij komen later op hen terug.
Een tweede deel der bevolking zijn de z.g. Boschnegers, afstammelingen van gevluchte negers der plantages, door de kolonisten aangelegd. Deze wonen thans in de bosschen van het Binnenland. De voornaamste stammen van hen zijn: de Aucaner-negers, de Saramacca-negers, de Bonni-negers, de Matoeari-negers en de Bekoe-en Moesinga-negers. Als wij hen opzoeken, zullen we gelegenheid hebben, hen te leeren kennen in aanleg en gewoonten.
Het derde, overheersehende deel zijn de kolonisten.
Volgens het laatste Koloniaal Verslag telt de kolonie 55968 zielen, waarvan 4193 emigranten; derhalve ruim 5Ü.00U niet-emi-granten. Van deze zijn slechts pl. m. 5000 Bosclmegers en Indianen.
b. Geschiedkundig Overzicht.
Laat mij een weinigje geschiedenis mogen verhalen, om u de
1
Volgens anderen is Suriname afgeleid van Lord Surrey, een Engelsch gouverneur, die aan de rivier Suriname, naar hem genoemd, plantages had.
154
omstandigheden bij de vestiging der kolonisten te verduidelijken.
Na de ontdekking van Amerika werden vele tochten door Spanjaarden, Portugeezen, Engelschen, Hollanders en Franschen naar Z.-Amerika gedaan, ten einde aldaar volksplantingen te stichten. Door tegenstand van de Indiaansche stammen kwam daarvan niet veel, doch in 1630 gelukte het een Engelschen kapitein Marshal zich met een zestigtal zijner landgenooten aan de Para-kreek te handhaven en daar eene plantage voor de cultuur van tabak aan te leggen. De berichten , die Engeland bereikten over den weelderigen grond, deden zekeren Lord Parham besluiten, zich deze gronden toe te eigenen, hetgeen hem gelukte, daar hij een verdrag met de Indianenstammen sloot, waarbij hem een deel grond tusschen Sara-macca en Marowijne werd afgestaan. Parham evenwel, uit gebrek aan arbeiders, verplicht iets te doen, om zich de verkregen gronden ten nutte te maken, haalde eenigen zijner landslieden over, naar Guyana te verhuizen, die dan ook in 1652 aankwamen en dadelijk begonnen de gronden tot verbouw van suiker en tabak toe te bereiden. Parham schijnt een man van tact geweest te zijn: de Indianen maakten het hem niet lastig, zelfs noemden ze de stad, door hem aangelegd, naar hem; Paramaribo en het blijkt uit enkele gegevens, dat zij hem behulpzaam waren bij de ontginning van de rijke schatten die het land bezat. Ook de Engelsche Regeering, kennis genomen hebbende van de kloeke handelwijze van haren onderdaan, stond bij akte van 2 Juni 1662 aan Lord Parham plechtig het eigendomsrecht over Suriname toe. Men kwam, gelijk blijkt, in die dagen gemakkelijker aan grondbezit dan thans; doch ook even gemakkelijk kon men het weer verliezen. Zoo ook hier. Fran-sche kolonisten, meer oostwaarts gevestigd in Cayenne, raakten in strijd met Nederlandsche kolonisten en Israelieten, ook daar aanwezig, en verdreven hen van daar. Was het vreemd, dat dezen beproefde de pas gevestigde Engelschen op te jagen? Dat ging nu wel niet zoo gemakkelijk en bovendien kon men toch ook nog tot een vergelijk komen, omdat de streek nog niet aan overbevolking leed. De Engelschen, practisch als altijd, begrepen, de nieuw aangekomenen te kunnen gebruiken tot exploitatie der gronden. De Israelieten mochten zich vestigen aan de boorden der Suriname, terwijl de Nederlanders zich nederlieten aan de Comme-wijue. Deze laatsten bewezen door flinke inspanning met weinig
155
vertoon goede kolonisten te zijn; want hunne gecultiveerde gronden wonnen liet dra in opbrengst van de Engelsche, die, tot jalousie geprikkeld, hen wilden verjagen. Vindt ge het vreemd, dat de 2e Eng. oorlog (we zijn in 1666) voedsel gaf aan dezen naijver? Dat de geschiedenis meldt, hoe een Zeeuwsch kapitein, Abraham Grijnszen, avontuurlijker gedachtenisse, zijne landgenooten ter hulpe schoot, en, met 3 schepen de Suriname opvarende, de Engel-schen zoodanig in het nauw bracht; dat zij genoodzaakt waren hunne vestiging te verlaten, en ze den Zeeuwen over te laten, mag ik als bekend veronderstellen. Het bemachtigde fort werd omgedoopt in Zeelandia; en een zeker aantal mannen met de verdediging ervan belast. Dit feit werd bij verdrag van 5 Maart 1667 bekrachtigd. Crijnssen zond een schip naar het vaderland, dat aan gemaakten buit (o. a. 100.000 K.6. suiker als brandschatting aan de plantages opgelegd) eene som van ƒ400.000 vertegenwoordigde. Het verwondere u niet, dat onze vaderen, dien buit taxeerende bij de reeds hangende vredesonderhandelingen met Engeland, er de bepaling bijvoegden, dat Suriname aan ons zou verblijven. Gaarne wilde men het nog niet zooveel rente afwerpende Kieuw-Nederland er voor verruilen. De vrede kwam tot stand, gelijk u bekend is, 31 Juli 1667, en de kolonie werd daarbij in vollen eigendom aan Zeeland gewaarborgd.
De Algemeene Staten namen in 1672 het opperbestuur van deze kolonie over, behoudens het recht van eigendom, dat aan Zeeland verbleef, en waarborgden haar daardoor eene grootere veiligheid.
Een gouverneur werd aangesteld, om het Bestuur namens de Algemeene Staten te voeren, en in de eerste jaren had deze moeite, om de aanvallen, zoo van Engelsche zijde als van den kant der Indianen, af te weren; doch men kon zich aanvankelijk handhaven. Zeeland evenwel, met Holland in twist geraakt over enkele rechten, die dit laatste gewest meende te kunnen doen gelden, ontdeed zich van de zijne voor ƒ 260.000 aan eenige particulieren, die zich in 1682 tot eene Westindische Compagnie vereenigden. Een octrooi van de Algemeene Staten, die evenwel het opperbestuur in handen hielden, werd verkregen en dus veranderde de jonge kolonie andermaal van eigenaars. Bij het Octrooi was aan genoemde maatschappij ook het recht geschonken, om Negers uit Afrika aan te voeren en ze in Suriname te verkoopen (vreemd
156
recht voorwaar!) doch ook onder dit nieuwe regime gingen de zaken niet geheel naar wensch. De groote kosten van beheer der toenemende bevolking, maar vooral die van hare verdedigings-en veiligheidsiniddelen, deden de bewindhebbers der Compagnie in 1683 besluiten, 2/s te verkoopen. Dit geschiedde: de stad Amsterdam kocht 1/s, en Cornells van Aerssen, heer van Sommelsdijck, Spijk, Plate en Bommel, Siere en Markies van Chatillon, Baron van Bernière in Bassois, enz., het 2® derde deel. De nieuwe ver-eeniging nam den titel aan van: „Geoctroieerde Sociëteit van Surinamequot;, en voerde drie wapens op één schild, n.1. dat vau Amsterdam, dat van het huis Sommelsdijck en dat der Kolonie. (Dit laatste was: een zeilende driemaster, door 2 Indianen gehouden met het devies: Gerechtigheid, Godsvrucht, Trouw).
De Geoctroieerde Sociëteit bleef onder het oppergezag der Alge-meene Staten en Cornells van Aerssen werd gouverneur. Gaarne stond ik met u stil bij het bestuur van dien alleszins krachtigen man, die niet om zijne vele titels aandacht verdient, maar wel om de geestkracht, die hij heeft betoond in het spannen der snaren, die hij op zijne boog had, om Suriname vooruit te brengen. Ik zou moeten vreezen U te vervelen, als ik de maatregelen besprak, die hij nam om de kolonie van werkvolk te voorzien; maatregelen, die wel niet alle vrucht hebben gedragen, maar toch van zijne vindingrijkheid getuigen; als ik U wilde opsommen met welke bezwaren hij te kampen had; bezwaren met Indianen, bezwaren met planters, bezwaren met handhaving der orde, bezwaren met beheer van onbeheerde nalatenschappen, bezwaren met de uitbreiding der stad Paramaribo, bezwaren met de Edel Groot Achtbare Heeren Directeuren der Sociëteit, bezwaren met ja, ik weet al niet wat, die ten slotte ook indirect zijn dood hebben veroorzaakt (hij werd door eenige rebelleerende soldaten doodgeschoten); doch deze opsomming alleen zal U wel doen inzien, dat ook in dien tijd een Gouverneur, die wat wilde, niet zonder moeite tot zijn doel kwam. Over ééne zaak, onder zijn bestuur tot stand gekomen, moet ik U nochtans spreken: in 1685 werd n.1. de synagoge der Israëlieten op de Joden-Savanne gesticht. De stichting eener synagoge is nu wel niet zulk een merkwaardig feit, zult ge oordeelen, om er gewag van te maken, en ik geef dit toe. Doch! de Joden hebben te allen tijde in de geschiedenis van Suriname zulk eene groote
157
rol gespeeld, (zelfs is het gordijn voor hun spel nog niet gevallen op den huidigen dag) dat ik over deze eerste vestiging van beteeken is niet mag zwijgen.
Ik deelde U eenige regelen vroeger mede, dat de Joden, die met de Nederlanders voor de Franschen uit Cayenne gevlucht waren, zich aan de Suriname vestigden. Grootendeels van oorsprong uit Brazilië, dat hen met groote scharen uit Portugal had zien komen, (gij brengt dit natuurlijk met Filips II in verband, en gij hebt recht daartoe) vestigden zij zich toen op den top van een vrij hoogen berg, 15 uren ongeveer van de monding der Suriname, welke plek thans nog den naam van Oude Savanne draagt. Doch zoowel de steilte des bergs als de aanvallen der Indianen noodzaakten hen, eene andere vestiging te kiezen en zij vonden die op een terrein, hun geschonken door zekeren de Meza. Hier legden zij het tegenwoordig vervallen dorp, de Joden-Savanna, aan, waar zij na den bouw der synagoge zich groepeerden en spoedig dit dorp in grootte deden toenemen. Zij zelve namen toe in rijkdom, grootheid en aanzien en langer dan eene eeuw hield het dorp zich staande. Later is het vervallen, ook een brand in 1832 deed het zijne en thans heerscht er niets dan armoede, terwijl het plaatsje zelf niet veel meer beteekent. — Doch wij keeren terug.
Na van Aerssen (zijne nabestaanden verkochten 1760 hun 3e part voor ƒ 700000 aan de stad Amsterdam) hebben tal van Gouverneurs elkander opgevolgd, waarmee ik U niet wil bezighouden. Interesseert U de geschiedenis dezer heeren, van wie sommigen zwakhoofden, anderen flinke mannen waren, van wie slechts enkelen wakker en practisch konden heeten, en het meerendeel met weinig humaniteit deze kolonie hebben beheerd, dan is er wel gelegenheid (o. a. in het boek van den Heer Wolbers) om U hierover in te lichten. Ik wensch bij hen niet langer te verwijlen, maar stip enkel nog een paar punten aan, die mij den overgang van het verleden tot het heden zullen moeten vergemakkelijken. In 1719 werd de eerste koffie aangeplant. In 1735 kwamen de Hernhutters in de kolonie aan.
In het begin van de 2e helft der 18e eeuw gaf Suriname ons land vrij wat voordeel, hetgeen U zal blijken uit de mededeeling, dat in 1775 Suriname 3/s van al de koffie, cacao en katoen voor
158
onzen handel leverde. Dat toen ter tijd meer dan 5000 slaven op de plantages ons dat voordeel brachten, zij hier ter loops vermeld. Doch, M. H.! de Fransche tijd nadert en daarmee begint de vaderlijke zorg van onze naburen, concurrenten in den handel, de Engelschen, practisch gelijk altijd! Suriname werd in 1794 hun pleegkind: de W. I. Comp. ging te gronde en tot 1814 bleef de kolonie onder hunne macht. Ge kent de „chronologiequot;. In 1814 werden ons de koloniën teruggeven, behalve de Kaap de Goede Hoop, Demerary, Berbice en Essequebo. Zegt U dit niet, dat de prac-tische Engelscbman zijn voordeel gezien had in die rijke, alluviale gronden daar aan den noordrand van Zuid-Amerika ? De Corantijn werd tot grensrivier gesteld, wat Westelijk daarvan gelegen was, bleef in handen van die practici, en voorwaar! Fij over ons! Zij hebben getoond, wat verstandige kolonisatie vermag.
Ik kan niet nalaten, hoezeer een zijpaadje inslaande, even een en ander mede te deelen van de handelingen der Engelschen, sinds zij weer een deel van den grond, vroeger reeds bezeten, hun eigendom konden noemen. Bij de annexatie bedroeg de uitvoer uit Demerary, Berbice en Essequebo nog slechts 32 millioen Amst. ponden suiker, 9 mill, ponden koffie en 7 mill, ponden katoen. Daar nu de suiker destijds in prijs steeg en de productie gemakkelijk ging, terwijl koffie veel arbeid vereischte en de Vereeuigde Staten de markt met katoen overlaadden, werden vele koffie- en katoenplantages veranderd in suikergronden, zoodat in 1824 de uitvoer van het laatste product verdubbelde en van de beide andere tot op de helft verminderde. In 1829 was de uitvoer uit Britsch-Guyana gestegen tot 107 mill, pond suiker, 7 mill, pond koffie en 2 mill, pond katoen. Suriname, onze kolonie, leverde in dit jaar slechts.... 33 mill, pond suiker.
Doch er is meer! In 1838 werd in Engelsch-Guyana de slavernij afgeschaft en begrijpelijkerwijze werden veel offers van de plantagehouders gevraagd, om hunne werkkrachten vergoed te krijgen. Doch de Engelsche Regeering sprong bij. Niet minder dan ƒ 51.600.000 werd den plantagehouders voor het verlies hunner gezamenlijke slaven ten getale van ruim 80000 gecompenseerd, d. i. dus ƒ 623.— gemiddeld per hoofd. En wij Nederlanders? Toen in 1863 de slavernij bij ons tot de geschiedenis zou gerekend worden , verschafte de Regeering nog niet de helft dezer som aan
159
hare plantage houders! Bemoedigende handelwijze, niet waar?
En moest ik u vergelijken, wat de gouverneurs niet alleen, maar ook het Moederland heeft gedaan voor deze onze zusterkolonie, om bij de ontstentenis van werkkrachten te voorzien in den arbeiders-nood, voorzeker! dan valt de vergelijking ook niet in ons voordeel uit. Laat mij u alleen zeggen, dat van 1 Jan. 1838 tot 30 Juni 1881 niet minder dan 218.435 emigranten als arbeiders werden ingevoerd, hetgeen alleen mogelijk kon worden, doordien de Engelsche Regeering de leeningen garandeerde, gesloten door bankinstellingen, die zich ten doel stelden de emigratie te bevorderen. Dat op deze wijze in concurreerende werkkrachten voorzien werd, waardoor men onafhankelijk werd van de grillen der Creoolsche neger-bevolking, die na de emancipatie nog al aan wispelturigheid ging laboreeren, ligt voor de hand; dat de Engelsche kolonist ten slotte door dezen maatregel de kolonie tot bloei bracht, niet minder. Mij dunkt, dat u de volgende cijfers zullen overtuigen. Waar o. a. het productiecijfer der suiker in 1829, toen dus de slaven nog werkten, 107 millioen p. st. bedroeg, en dit begrijpelijkerwijze bij de invoering der emancipatie moest dalen, werd in 18G1 dit eerste cijfer weer bereikt, terwijl van 1876—1880 \'s jaarlijks gemiddeld de uitvoer van dit hoofdstapelproduct tot 170 mill. p. st. steeg. Vergelijkt men hiermee , dat in 1886 uit Suriname voor slechts f 731.000 aan suiker werd uitgevoerd, dan zou ik onbillijk worden in mijne voorstelling , als ik er niet bijvoegde, dat in Engelsch Guyana 110 suikerplantages, in Suriname slechts 12 in werking zijn. Doch, M. H.! is dat verschil in aantal bewerkte plantages al niet beschamend, schrik niet, als ik u mededeel, dat Nederland jaarlijks nog eene subsidie aan Suriname uitreikt van ƒ 350.000 (dit was het cijfer in 1889). De Engelsche kolonie is dezen steun reeds lang ontwassen en is thans een der parels aan de kroon van Engelands koningiu Victoria.
Practisch zijn de Engelschen, vaderlijke zorg verstaan zij, \'t is waar, tóch kan men hun geen geestkracht ontzeggen. En zou ik niet vreezen te uitvoerig te worden, dan ging ik met u een kijkje nemen in Georgetown, de hoofdplaats van hunne kolonie, het oude Stabroek (hoe Hollaudsch van naam, niet waar?) van weleer, waar ge onder de 50.000 inwoners van allerlei kleur en nationaliteit uwe ethnografische kennis zoudt kunnen vermeerderen. Ge zoudt u verbazen over de breede en goed onderhouden straten,
160
over de flinke particuliere huizen, over rle soliede publieke gebouwen, waar de bureelen van het Koloniaal Gouvernement gevestigd zijn, over de talrijke magazijneu en winkels, de goede publieke markten, het groot aantal kerken, helaas! ook over het overgroot aantal gelegenheden tot gebruik van sterken drank!
Ik zou met u dan ook Nieuw-Amsterdam, de tweede stad, willen bezoeken, en we zonden niet kunnen nalaten te vergelijken, wat men voor den handel al niet heeft bedacht; hoe tevens de scheep-vaai-t met kustlichten, semaphores, dokken, kaden enz. enz. ook haar eisch ontving om ten slotte jaloersch uit te roepen; Waarom kan Suriname dat ook niet hebben?
Ik weet het niet, maar de vrees bekruipt me, dat Nederlands koloniale historie nog zal moeten gewagen van een; „Verzuimd Surinamequot;, gelijk zij nu al reeds te gewagen heeft van een ,Verzuimd Braziel!quot;
c. Paramaribo.
Wij laten nu de kolonisten rusten, om misschien later terug te komen op hunne tegenwoordige levensverhoudingen en zullen de bewoners der kolonie in hunne woonplaatsen gaan opzoeken. Gij zult het niet wraken, dat wij hen, die de oudste brieven hebben, de oorspronkelijke bewoners des lands, de Indianen, daartoe eerst met een bezoek lastig vallen.
Wij komen dan met een steamer der Kon. Westindische Stoomvaartmaatschappij onze kolonie nader. De kust in het gezicht krijgende, ontwaren we niets van dien grootschen plantengroei. dien we ons reeds van de kolonie voorstelden: de vlakke zeekust is bedekt met lage boomen en struiken, waarin zich troepen watervogels ophouden en wolken van muskieten den mensch den toegang beletten. Met iederen nieuwen vloed wordt deze moerassige bodem onder water gezet en zoo weinig helling is er, dat, tot cp een afstand van 2 a 3 uur van de kust, maar 4 a 5 vademen diepte wordt gepeild. Evenwijdig met de zeekust loopen zand of schulp-ritsen, voormalige oevers, gelijk reeds blz. 151 gezegd, door den Zuid-Aequatoriaal-stroom opgebouwd, die zich hier en daar tot aan de zee uitstrekken, hooger zijn dan de omringende, drassige bodem en meestal dicht begroeid met hooge struiken en lage boomsoorten.
161
Begrijpelijk is het dus, dat wij op een afstand blijven, tot de monding der Suriname wordt bereikt, waar een beter vaarwater ons den toegang zal vergemakkelijken. De eentonige kust met het treurig beeld, dat zij oplevert, de schulpritsen, die haar als eene franje omzoomen, de lage boschjes van struiken keuren wij weinig aandacht meer waardig, om hetgeen de rivier te zien geeft met meer attentie te beschouwen. De monding is zeer ondiep; het met half-kracht stoomen is dan ook niet ongegrond, en geeft ons gelegenheid met meer aandacht rond te zien en de opmerking te maken, dat de plantengroei al meer verscheidenheid vertoont in de wouden van mangroveboomen en rizophoren, die we aan de oevers waarnemen. Er steekt een enkele pinapalm zijn slanken stam naar boven, en, hoe verder men komt, hoe meer verscheidenheid zich gaat voordoen aan het oog. De oever, begroeid met stekelige vlinderbloemen, is onzichtbaar door liet dicht gebladerte; de carolinea met hare heerlijke bloesems, de heliconiën met hare reusachtige bladeren vallen in \'t oog en alles wijst op eene verscheidenheid, die we met genoegen waarnemen. Twee uren boven den mond der Suriname, heeft de Commewüne, eene statige rivier, haar mond, en voortstoomende passeeren we het fort Amsterdam, dat ons door zijne batterijen reeds genoeg vertelt. Langs fraaie koffie- en suikerplantages, die aanvankelijk doen denken aan bewoonde streken, komen wij, twee uurtjes verder om den kring-vormigen bocht heenstoomende, Paramaribo naderbij.
We willen, hoe ongaarne ook, thans hier niet te lang vertoeven: ons reisdoel reikt verder. Een vluchtigen indruk van de stad wenschen we niettemin te hebben. Bij het naderen der stad wekte het fort Zeelandia, onregelmatig aangelegd, historische herinneringen bij ons op, en na aan den steiger te zijn afgestapt, maken wij eene kleine wandeling door de stad. De flinke, breede, wel wat eentonig rechte straten zijn ongeplaveid, \'t is waar, doch door het schelp-zand niet onaangenaam voor den wandelaar. Bovendien trekt ons de eigenaardigheid, dat de meeste huizen geen glazen vensters maar jaloezieën of chassinetten hebben. Hier en daar, althans in de hoofdstraten, wisselt een tuin de eentonige huizenrij af; in de meer afgelegen wijken is dat veelvuldiger, terwijl de beplanting der straten zeker niet onaangenaam voor den bewoner zijn moet. We passeeren het Gouvernementshuis, niet ver van Zeelandia, een
Nf.d. Zendinostijdschr. 11
1(52
deftig gebouw met een schoon uitzicht op de rivier, terwijl de groote grasvlakte er voor en de ruime tuin met heerlijke vrucht-boomen er achter, ons oog niet ontgaan en de goed gekozen ligging van den zetel van ons Bestuur wordt door ons geprezen. Wat zegt gij van die driedubbele laan van tamarinden, die van het Gouvernementsgebouw naar het fort loopt? Jammer, dat de heerlijke hoornen bijna breken onder den zwaren last der woekerplanten. Doch! nemen wij de kade, om een weinig verder langs \'tTolkantoor de stad in te slaan en de Luthersche Kerk en die der Hernhutters in de Steenbakkersstraat voorbij te wandelen. Een aangenamen indruk maakt de omgeving van dit laatste bedehuis: tal van gebouwen, allen aan de Moravische Broeders toebehoorende, zindelijk en net ran uiterlijk, liggen te midden van palmen en tropische gewassen, en verder wandelende, links de Steenbakkersgracht nemende, pas-seeren we 3 kerkhoven, dat der Roomscli-Katholieken, dat der Militairen en dat der Heidenen (elke gezindte heeft haar eigen kerkhof) om een kort bezoek te brengen aan de Wanica-kerk, ook een Herrnhutterbedehuis, waarbij eene school is gesticht, die goed bezet heeten mag. Laat ons thans terugwandelen door de Wanica-straat, langs de politiepost Poeloe-pantje, om langs het Herrn-hutterkerkhof gaande even een bezoek te brengen aan de derde kerk dezer Broeders, de Rust-en-Vrede-Kerk, die ons tevens door eene hoofdstraat, de Rust-en-Vrede-straat, weer in het centrum der stad brengt, waar wij ergens ons anker laten vallen. Combé, de voorstad, waar de Herrnhutters ook nog eene kerk bezitten, brengen we geen bezoek; evenmin staan we stil bij den arbeid der Broeders, dien we later hopen te gedenken.
d. De Indianen.
Wij vatten nu het ons voorgestelde doel in \'t oog: en willen daartoe den stam der Cariben-Indianen aan de Marowijne bezoeken. Een stoombootje brengt ons van de stad de Commewijne op, en wij maken eene prachtige tour langs de heerlijke plantages, die aan weerszijden der rivier zijn aangelegd op de tamelijk dikke humuslaag, die den alluvialen bodem bedekt. De statige rivier is bedekt met booten, en geen wonder, want alles, wat de plantages behoeven of afleveren moet uit de stad komen of er heen worden gevoerd, \'t Is waar, het stoombootje brengt ons sneller tot het
1(53
doel, maar een dergelijk tochtje in eene tentboot zou meer in onzen smaak vallen. Deze tentbooten, die eene lengte van 30 tot 40 voeten, en eene breedte van 6 voet hebben, bezitten eene flinke houten achterkajuit, waarin men gemakkelijk zitten kan en door de jaloezieën voor de heldere, maar ook sterke lucht is beschermd, terwijl de rivier, wegens het veelvuldige gebruik, dat men van de booten maakte, een prettig gezicht opleverde. Met de Nederlandsche vlag op de voorplecht, werden zij door 6 a 8 roeiers voortbewogen, die, in livrei gekleed, iets vroolijks aan het geheel gaven. De emancipatie der slaven evenwel deed deze wijze van reizen veel verminderen; natuurlijk, de slavenarbeid , vroeger geeischt, zou tegenwoordig betaald moeten worden door de directeurs of plantage-eigenaars, en, nu stoombootjes het verkeer vergemakkelijkt hebben, worden zulke booten zelden meer gezien. Bij Sommelsdijk gekomen, verlaten wij de Comme-wijne en varen, thans met eene roeiboot, de Cottica op. De plantages verminderen in \'t eerst nog niet, nog steeds ligt de eene naast de andere, en moge al niet elk „effectquot; (zoo luidt de naam in de kolonie) evenveel bedrijvigheid vertooneu, ja zelfs eene enkele verlaten zijn, men merkt aan de onafgebroken rij van plantages voldoende, hoezeer men in den slaventijd gebruik wist te maken van de goede hoedanigheden van den grond, die zich zoowel voor de teelt van suiker als tabak, van cacao als van katoen leende. Wij passeeren 2 a 3 kanalen, verkorte wegen naar zee, nemen af en toe eene fabriek waar, waar de suiker bewerkt wordt en profiteeren, aldoor roeiende, van den stroom, die ons snel voort doet gaan. (Ter toelichting diene, dat de Surinaamsche rivieren getij stroomen zijn en deze per roeiboot alleen bij opkomenden vloed worden opgevaren.) De plantages verminderen gaandeweg in aantal; de oevers, niet bekaad, worden slijkerig; struiken, mangroveboomen worden meer en meer gezien en wij komen al dieper de minder bewoonde streken in.
\'t Is onmogelijk onze oogen niet te laten weiden over den rijkdom van boomen, die alle in meer of minder grilligen vorm de beide oevers bezoomen. Zietdaar die bignonia leucoxylon, groenhart, in \'t Fransch ebène verte! een boom van wel 3 voet dik, die zijne bladeren verloren heeft om enkel goudgele bloesems te vertoonen, die als vuurvlammen boven het overig geboomte uitsteken! Wat
164
zegt ge van dien mauritia-palm, de hoogste der Surinaamsche palmen, die, naar ons de roeiers inlichten, somtijds 100 voet hoog worden kan ? De boom draagt een vruchtentros van 6 voet lang. Twee mannen zouden werk hebben, haar te dragen. Elke tros bevat meer dan 100 vruchtjes van de grootte eener kleine peer, glanzend bruin en sierlijk als een kleine, nog niet opengesprongen denappel. Het sap van den boom, dat men door een gat er in te boren verkrijgt, is zoet; van de jonge bladeren vervaardigen de Arowakken-Indianen hangmatten.
Uw oog wordt afgeleid door de tallooze insecten, die ge ziet vliegen. En geen wonder, dat in de wouden, waardoor we heen varen (en hier aan de Boven-Cottica zijn we in een goeden hoek) tal van deze gevleugelde dieren huizen! Wat zegt ge van die springtor, die met zijne groenachtige kleur, zoo dikwijls hij over een dichtbeschaduwd plekje vliegt, lichtende stippen vertoont; van die tallooze cicaden, die met haar gegons uwe ooren zouden ver-dooven, zoo dikwijls wij wat te dicht bij den oever komen; dien scharenslijper, een krekel van 2 duim lang, wiens schril geluid, waaraan hij zijn naam dankt een zenuwachtig mensch zou verschrikken? En dan! nu wij, \'t is avond geworden, bij den directeur der laatste suikerplantage la Paix, zullen overnachten en, nog eens van den heerlijken tropennacht willende genieten, een weinigje opwandelen, welk eene verscheidenheid in insecten! Telkens krijgen we van die krekels en torren te zien, die helder licht van zich geven, en dus ook met reden vuurvliegen genoemd worden. Voorzeker! als wij morgen vroeg uit de veeren, o neen! ik bedoel van de hangmat zijn, dan zou het woud ons heel wat ontwakende en zich reeds verlustigende insecten te zien geven, waarvan wij nooit of nimmer eenig denkbeeld hadden. Zie bijv. de ichneumon-wesp, wel 2 duim lang met gele voelhorens, ze aast alleen op spinnen, in overvloed voorhanden. Die bruine wesp bijv. daar! bouwt haar nest van eene gele aarde, die ze tot kogeltjes gerold, er naar toe draagt. Daar sleept ze hare rupsen, sprinkhanen, kleine spinnen heen en legt dan, als het wel voorzien is, haar eitje er in, om het nest dan dicht te maken, en elders hetzelfde te doen. Zie ook die goudgroene bij! Lastig is zij, de directeur der plantage zal het u zeggen, hoeveel sloten hij al niet om een dergelijk nietig diertje heeft moeten uit elkaar nemen. Geheel op haar gemak,
165
alsof ze thuis was, kruipt zij het slot binnen en vult het met een welriekend, pikaehtig was, waardoor het slot onbruikbaar wordt, tenzij men het was emit branden wil.
Doch! laat ons de boot opzoeken; wij moeten de Coermotibo, daarna de Wanekreek, opvaren en zijn verplicht thans een corjaal te nemen; de roeiboot kan ons niet meer dienen op deze meer ondiepe wateren.
Het gaat goed dat roeien in een corjaal: een uitgeholden boomstam, niet ruim, van achteren door één man voortgestuwd en gestuurd. Al pagaaiende, komen we de Wanekreek ten eind en bereiken spoedig de Marowijne, die, ter plaatse, waar zij in de hoofdrivier valt, tal van kreekjes vertoont, die bij eb weinig water hebben. De oevers der grensrivier zijn hier vrij laag en het woud aan hare oevers staat meestal onder water. Tal van papegaaien, honderden bijeen, vliegen snaterend over den breeden stroom, waar wij op den vloed wachten, die ons verder moet brengen. Wij zijn ongeveer 5 uur van de zeekust, van Paramaribo ongeveer 24 uur verwijderd, en, ofschoon we nu weer eene roeiboot zouden kunnen gebruiken, willen we de corjaal maar houden, hetgeen ons ook niet te onpas zal komen, omdat de rivier vele stroomversnellingen heeft, waar we veel beter met zulk een vaartuig dan met een grooter ons zullen kunnen redden. We hebben, tot wij het Indianendorp Christiaan, dat we zullen bezoeken, niet ver van Albina, bereiken, gelegenheid, kennis te maken met de onderscheiden apensoorten, die in de bosschen leven, en, hier evenals overal, hunne capriolen vertoonen. Eene enkele maal laten we den roeier naar wal sturen, om in een kreekje Marowijne-diamanten te verzamelen. Het zijn de witte topazen, die de stroom uit het binnenland aanvoert. Doch eindelijk zijn wij ter plaatse. Het is een z. g. dorp der Cariben-Indianen, oorspronkelijk afkomstig van de West-Indische eilanden; aan de Coppename en den Corantijn wonen ook eenige afdeelingen. De beide andere Indianen-stammen zijn de Arowakken, die aan de Boven-Suriname, de Commewijne en de Saramacca, en de Warauen, die aan de Boven-Nickerie en de Maratacca wonen.
Het dorp, thans aan de rivier gebouwd, lag vroeger op eene zandige hoogte midden in het bosch. \'t Is de moeite waard, nader kennis met de bewoners te maken; wij stappen daarom uit onze corjaal
160
en trekken haar met behulp der toegeschoten Indianen op het droge. De Uil (opperhoofd) verwelkomt ons, en noodigt ons uit om mee te gaan. Een griezelig gezelschap! Stel u voor de mannen, met donkerbruine huidkleur, hun lichaam meer of min met roode vlakken versierd, en met allerlei figuren geteekend; beenen en voeten geheel rood geverfd, het gezicht vol strepen. De hoofdharen , met eene welriekende olie besmeerd, of ook met eene geurige zalf, die er wel een vinger dik op ligt, hangen verward en wanordelijk neer, met hier en daar eenige veeren er tusschen gestoken, terwijl als kleeding een katoenen schort om het middel dienst doet, waaraan een donkerblauwe doek is bevestigd, die onder de beenen wordt doorgehaald. Deze bedekking {kleeding is te veel gezegd) is soms nog opgesmukt met allerlei veeren of lappen, aanhangsels, die natuurlijk eene openbaring zijn van hun aesthetischen zin, gelijk de armringen u ook doen vermoeden. Zoo zien er de mannen uit, die meestal onafscheidelijk aan knods of boog zijn verbonden. De vrouwen zijn nog zonderlinger uitgedoscht. Haar gelaat is van roode verfvlakken onkenbaar, haar lichaam met het sap van den tapuribaboom zwart gemaakt. De kuiten, tot eene mismaakte dikte uitgegroeid, door de gewoonte, het meisje in de eerste levensweken om de beenen banden te persen, die tot den dood toe gedragen worden, zijn vuurrood beschilderd. Van onderen tot boven met glaskoralen behangen, maakt haar voorkomen een afgrijselijken indruk, versterkt door de wanstaltige oor- en neusversier-sels, terwijl de lippen bovendien met naalden zijn doorboord, waarvan een aan den onderlip met de scherpe punt naar buiten steekt, als wapen tegen elke ongeoorloofde vryheid.
Het dorp, en zoo zijn ze alle, is zeer onregelmatig gebouwd; links en rechts, hier en daar verspreid, vindt gij de huisjes,liever hutten, der dorpsbewoners, alle naar luim en welbehagen volgens hetzelfde model opgetrokken. Eenige dikke palen van hard en glad hout zijn in den grond gegraven. Een voet of tien, twaalf, hoog, dragen zij daarop gelegde dwarsbalken. De bladeren van de groote heliconie worden met touwen aan elkaar geregen en met sparren en stangen goed bevestigd; de wanden, uit verschillende palmbladeren bestaande, laten eene opening, die zoowel voor in- en uitgang als voor schoorsteen dienst doet. Des nachts hangt men hier eene deur voor, die uit eene mat van dik gevlochten palm-
167
bladeren bestaat. Om de 2 of 8 jaar is eene nieuwe hut noodig.
Laat ons zoo\'n hut binnengaan en ons geheugen opfrisschen van wat de tenten der Surinaamsche inboorlingen in 1883 te Amsterdam te zien gaven. Daar ligt de krachtige, gezonde man vadzig ter neder! Hij heeft zooeven zijn middagmaal gebruikt. Tel de schotels met visch, wild, cassavebrood of sterk prikkelende saus; zooveel schotels gij ziet, zoovele vrouwen bezit hij. Beurt om beurt zetten deze den man een schotel voor, welke na het eten wordt opgehaald, opdat het overschot met de kinderen, die de echtgenoote heeft, verorberd moge worden. Wat moet er van huwelijkstrouw, zelfs van huiselijke eendracht komen bij zulke toestanden? Daar achter in de hut zit het gezelschap neergehurkt, en zal nu aan den maaltijd beginnen. Kunt ge u voorstellen, dat dit vriendelijk zonder kibbelen afloopt? Waar is de tucht, waar is de gehoorzaamheid, waar is de orde? O! wanneer zal ook bij deze kinderen des Hemelschen Vaders het Evangelie zijn heiligenden invloed doen gevoelen! Vindt ge het vreemd, dat de 13-a 14-jarige jongen, zoodra hij maar kan, (hij zal immers niet behoeven te wachten, tot het dankgebed na den maaltijd is uitge-sproken) de hut uitstormt met zijn pijl, zijn boog, zijn oud mes, om maar rond te vagabondeeren, zoo al niet erger, en zijn lust tot visschen, schieten op vogels, najagen van apen den vrijen teugel geeft? Zoo al niet erger, zeide ik, want ook hij heeft wel eens geproefd van den dram, dien vader eu moeder zoo dikwijls gebruiken, en dien hij ook al smakelijk vindt. Ja! de Indiaan is een dronkaard. Alles zou hij voor dram, voor brandewijn verkoo-pen. Vandaar die vadzigheid. En, wat er in het dorp voorvalt, als de bewoners in grooteren of kleinereu getale zich in de z. g. ,feestzaalquot;, midden in het dorp vereenigen, als dram- of brande-wijnflesch bij spel en dans lustig rondgaat, wie, die het zich niet kan voorstellen?
Eene krijschende muziek, een jammerlijk eentonig gezang gaat aan den dans vooraf, die door een groot publiek, op lange banken aanwezig, wordt bijgewoond. Al wilder en wilder worden de sprongen, de feestgenooten, door prikkelende spijzen en verhitte dranken geprikkeld, raken buiten hun zinnen, vallen neer, ronken hun roes uit, om dan den wellustigen dans voort te zetten, totdat ze doodaf naar de hutten wederkeeren, om in de hangmat uit te slapen.
168
M. H.! laat ons zacht oordeelen over die arme Cariben; want in ons Christelijke Nederland zouden kroegen of danshuizen ook kunnen spreken van opgewonden, zedelooze taal, van vechtpartijen, ja, nog wel van erger!
Bezigheid wordt bij hen weinig aangetroffen, alleen de vrouwen maken hangmatten of leggen zich min of meer toe op den landbouw, hoewel deze evenwel uit niet veel meer dan het planten van cassave, eene wortelplant, yams, bataten, ananas en peper bestaat. Stel u niet voor, dat een akker geregeld is aangelegd. Alles staat dooreen, zonder de minste orde. Waarlijk! men zou het begroeide stuk grond niet voor een akker houden!
De mannen zijn boven landbouwarbeid verheven. Zij gaan op de jacht of op de visscherij, maken vierhoekige manden, om hunne kostbaarheden te bewaren, of, zoo ze al aan hunne woning niet iets te verbeteren hebben, zal eene nieuwe corjaal te vervaardigen een aardig tijdverdrijf voor hen uitmaken, wel te begrijpen, als zij er niet te vadzig voor zijn. Eu dan, zoo af en toe een tochtje per corjaal de rivier op of af naar een bevriend dorp of naar de stad, vult den tijd.
Ge begeert kennis te nemen van hunne godsdienstige denkbeelden misschien. Laat mij liever zeggen van hunne duivelsdienstige, want van vereering en aanbidding van een geestelijk wezen is geen
sprake. Maar____ den duivel vindt de Indiaan alom eu overal.
Als er bijv. iemand ziek is, wordt de piaiman gehaald, die als dokter en priester geldt, opdat hij den demon uit den kranke verdrij ve. En — hij verstaat zijne kunst! Eene ronde kalebas, met steentjes opgevuld, schudt hij, \'s nachts alleen bij het ziekbed gezeten, heen en weder, om de daarin besloten duivels te noodzaken, hun makker, door wien de lijder bezeten is, uit het lichaam van den patiënt te lokken. De arts is een ware buikspreker; hij bootst de geluiden van aap, tijger en papegaai bedriegelijk juist na, om te doen hooren, welke vermomde booze geesten in zijne kalebas zitten. Herstelt de lijder , dan wordt de priester geprezen en met geschenken overladen; sterft de zieke, dan bleek het immers, dat hij te veel misdreven had en de Jawahu (zoo heet de satan) was te vertoornd, om des priesters wensch te verhooren!
Dan is het ook niet geraden in de hut te blijven wonen; de bloedverwanten trekken van de plaats weg, nadat zij de hut.
169
waarin de zieke gestorven is, in brand gestoken hebben (want de ziel des gestorvenen houdt zich daar dan op en zendt den levenden alle kwaad).
Zegt de piaiman, dat de dood door vergiftiging ontstond, dan moet er jacht gemaakt worden op den moordenaar. Een ketel met water, waarin de bladeren van zekere plant geworpen worden, wordt boven het vuur gezet. Van de zijde, waar de ketel schuimend overloopt, moet de moordenaar gekomen zijn en de toovenaar geeft nauwkeurig de plaats op, waar men hem kan vinden. Ik behoef u niet verder te voeren met uwe verbeelding: ge zult kunnen denken, waar deze menschenjacht mee eindigt. Ook zal u duidelijk zijn, dat er vrij spel is voor het voeden van allerlei wraakoefening, voor het koelen van persoonlijke veten, kortom voor het bewaren van angst en schrik onder deze woudbewoners, die natuurlijk bij het ontspannen hunner zenuwen eene aanleiding te meer vinden in het overdadig gebruik van dram.
Is er bij hen dan, zoo zult gij vragen, geenerlei hoogere aspiratie ? Neen, bijna niet. Zij erkennen het bestaan van een schepper der mannen, en een der vrouwen. Dat de schepper der mannen alleen het goede bedenken kon, en het kwade slechts van den schepper der vrouwen voortkwam, zult ge kunnen begrijpen, als gij weet, hoe laag het heidendom de vrouw stelt. Maar meer denkbeelden verbinden zij hieraan niet; van zedelijke eischen geen sprake; eene aanbidding wordt niet gevonden.
Aan een voortbestaan van het leven na den dood, aan eene vergelding schijnen zij nog iets te hechten, althans de gebruiken bij de begrafenis zouden er u aan doen denken. Bij sterfgevallen n.1. wordt het lyk in eene met latten en planken belegde kuil geplaatst, zoodat het eene zittende gestalte verkrijgt. Wat de overledene bezat, wordt bij hem geborgen. Huisraad, katoenen lappen, spiegel, mes, pijl en boog, knods geeft men den dooden niet slechts mede, om daarvan hiernamaals nut te hebben, maar vrienden en vriendinnen voegen er nog snuisterijen bij, opdat hij in de andere wereld daarvoor eten en drinken kan inruilen. Het graf wordt uiterst voorzichtig met eene plank, bladeren en takken bedekt, om den gestorvene niet te bezeeren. Het schemerlicht der hoop op een voortbestaan der ziel wordt echter in zijne mogelijk weldadige uitwerking verduisterd door het lijkfeest, dat onder dansen
170
en springen, drinken en joelen den ernst van het oogenblik ten eenenmale smoort! De vraag zweeft op uwe lippen, of er dan geen Christenen geweest zijn, die zich over dit ongelukkige volk hebben ontfermd!
Naar berekening ten getale van 3000 over de kolonie verspreid, alle stammen min of meer met elkaar in verwantschap (de Cariben zijn de grootste stam), komen deze zonen der wildernis al sinds 400 jaren met de koloniseerende Christen-mogendheden in aanraking en nog laat men hen maar aan hun lot over. Niet als er voordeel van te trekken viel. De officiëele staatsstukken kunnen het u bewijzen, dat de Gouverneurs in last kregen, „om met de ,Indianen in vrede te leven, zich onzijdig te houden in hunne ,onderlinge oorlogen, zooveel mogelijk handel te drijven met hen „en niet te dulden, dat zij ooit door de kolonisten werden mis-„handeld of bedrogenquot;. En waartoe die vaderlijke zorg? Opdat de Indianen de kolonisten zouden bijstaan in het terugbrengen van weggeloopen slaven. En de Indianen? Zij verdienden gaarne de ƒ 60.— vanggeld, al was het maar om dram te kunnen koopen. Waar moest men het Christelijk bewustzijn der Nederlanders zoeken? Helaas! M. H.! het sliep! Ts het thans wakker?
Eere daarom aan Zinzendorf, neen, dank aan den Heer, die het den stichter der Broedergemeente in het hart gaf, deze zonen der wildernis op te zoeken, om hun in hunne ellende den troost van het Evangelie te bieden. Laat mij hier een oogenblik bij mogen vertoeven.
Ik wil u niet vermoeien met den gang van zaken, vóór de Hernhutters in 1737 besloten, Suriname tot het veld van hun ijver in de verspreiding van het Evangelie te kiezen. Zij kwamen te Paramaribo met het doel om den negerslaven op de plantages in hun hard lot den troost des Evangelies te brengen. Hun goed doel evenwel werd niet bereikt: lasterlijke aantijgingen maakten hun dit werk onmogelijk, en in 1739 wendden zij zich tot de Indianen, aanvankelijk de Cariben en Arowakken in Berbice.
Op ongeveer 100 mijlen afstands van de kust vestigden zich de broeders J. Güttner en L. C. Dahne aan een kreekje, dat in de rivier de Berbice uitstroomt. Zij hadden geene betere vestiging kunnen kiezen, daar de plaats, die zij Pilgerhut noemden, hoewel midden in het woud gelegen, een doorloop kon heeten voor
171
de verschilleiide Indianen, doch op genoegzamen afstand van plantages gelegen was, om vrij met de Indianen te kunnen omgaan.
De zendelingen liebben hier hun werk in allen eenvoud met de hun ten dienste staande middelen uitgeoefend. Zij getroostten zich gaarne de ontbering van allerlei gemakken, die de Christelijke samenleving opleverde, hadden allerlei ontmoetingen, maakten tochten, en wisten zich in het eerst met behulp van een Mulatten-jongen , die hun als tolk diende, verstaanbaar te maken. Zij wounen het vertrouwen van enkelen, die zich bij hen nederzetten. Toch schreef men al 1748, voor de eerste Arowak gedoopt werd, doch spoedig daarop kon nlen op een 40-tal wijzen, die een kern der gemeente begonnen te vormen. Eene zeer groote aanwinst voor deze Zending was de hulp van den zendeling Th. Schumann, die, meer geletterd dan de overigen (hij was predikant geweest te Bergen in Saksen), zich toelegde op de beoefening der taal van de Arowakken. Binnen een jaar had hij reeds enkele deelen van de H. Schrift kunnen vertalen, terwijl hij bovendien een bij zonderen tact heeft geopenbaard in den vertrouwelijken omgang met deze zonen der wildernis. Nadat hij in 1748 aangekomen was, was het gerucht van zijn arbeid spoedig tot op groote afstanden doorgedrongen ; in 1750 kwam er eene deputatie van 11 Indianen van de Orinoco, die zich eene reis van 8 a 10 dagen hadden getroost, belangstellend met hem kennis maken. Ook heeft deze Schumann zich meermalen met fierheid tegenover de Gouverneurs der kolonie, die door allerlei belemmerende bepalingen deze Zending tegenwerkten, in de bres gesteld voor den arbeid, door hem en zijne broeders verricht. Al moest men blijkbaar nog allerlei proefnemingen doen om de beste wijze van Evangelisatie te vinden, en al heeft vooral de tact, om den omgang vertrouwelijk te maken, en in ziekten bij te staan in den beginne de eerste vruchten gegeven, dankbaar moet men erkennen, dat in 1756 reeds eene gemeente van 233 zielen in Pilgerhut zich om de prediking des Woords vereenigde. Inlandsche predikers te vormen, heeft men nog niet vermocht; het zou denkelijk Schumann hebben kunnen gelukken, zoo de Heer hem langer had gespaard; maar in 1760 stierf hij.
Na den dood van dezen , Apostel der Arowakkenquot; is Pilgerhut\'s aanvankelijke bloei gaan tanen; eerst maaide eene besmettelijke ziekte een groot aantal gemeenteleden weg, toen werd een opstand
172
der Negers op de plantages in 1763 tevens de oorzaak van eene vlucht uit Pilgerhut, dat door de opstandelingen werd bedreigd. Jammer moet men het vinden, dat dit ongeval tevens de door Schumann vervaardigde Arowakken-grammatica en enkele dictaten heeft doen verloren gaan.
Heeft alzoo de vestiging op Pilgerhut geen blijvend resultaat opgeleverd, men had tegelijkertijd ongeveer, in 1747, te Saron aan de Saramacca eene tweede vestiging gewaagd. Deze proef is evenmin gunstig geslaagd, al kwamen er aanvankelijk tot een lOOtal Indianen naar het door de Broeders verkondigde woord hooren. De noordelijker wonende Boschnegers, vertoornd op de Indianen, die tegen ontvangst van ƒ 60.— aan de plantage-eigenaars de door hen gevangen negers uitleverden, hebben Saron verwoest. Den 25en Januari 1761 toen de zendelingen den dienst in hun bedehuis verrichtten, hebben de saamgezworen Boschnegers dezen post vernield en de huizen in brand gestoken. Wel keerden de twee gevluchte zendelingen Schirmer en Cleve terug, en hebben na hen nog anderen beproefd op nieuw het vertrouwen bij de Indianen te winnen, doch te vergeefs; in 1779 is deze post voor goed opgegeven.
Van meer beteekenis is de arbeid van zendeling Dahne geworden, die in 1756 van Pilgerhut zich oostwaarts aan de Corantijn vestigde en daar den post Efraïm heeft begonnen. Deze Dahne heeft door het aanleggen van akkers en aanplantingen de Indianen om zich weten te verzamelen, en het bleek, dat deze wijze van werken nog het meest vrucht droeg. Langen tijd heeft Dahne eenzaam op Efraïm alleen gestaan; de hem toegevoegde broeders had hij door allerlei redenen, meestal door ziekte, moeten zien vertrekken.
Allerlei gevaren bedreigden hem. „Zoo vielquot;, aldus verhaalt hij, „op zekeren avond, toen ik mij ter ruste wilde begeven, eene „tamelijk groote slang van een lat van het dak op mij, slingerde „zich twee- tot driemaal toe om mijn hals en hoofd en drong „zich immer vaster. Ik dacht, dat kon wel mijn dood veroorzaken, „en schreef daarom met krijt een en ander tot aanwijzing voor de „Broeders op de tafel, opdat zij niet in den waan zouden verkeeren, „dat de Indianen schuld aan mijn\' dood hadden. Intusschen viel „het mij in, om, in vertrouwen op het woord des Heeren in „Marcus 16 : 18 de slang van mij af te werpen; ik deed dit met
173
„zulk eene kracht, dat iets vau mijn vel medeging. Het was duister, „en niet wetende, wat er van de slang geworden was, legde ik mij „rustig in mijne hangmat neder en de Heer bewaarde mij, zoodat „ik er geen kwade gevolgen van heb ondervonden-quot;
Het grootste gevaar dreigde hem van de wilde en gruwzame Cariben, die in Nov. 1757 het voornemen hadden opgevat, hem te vermoorden. Hoe hij door Gods genade gered werd, willen wij hem met zijne eigene woorden laten verhalen:
„Toen ik \'s middags zou gaan eten, kwamen 50 mannen, in „hunne kano\'s zittende, aan; zij verlieten die en omringden mijne „hut. Enkelen hadden ijzeren bijlen en houweelen, anderen zwaarden en dergelijke moordtuigen meer bij zich. Ik ging hen te ge-„moet, verwelkomde hen op vriendelijke wijze in het Arowakkisch; „zij antwoordden mij barsch, dat ik in het Caribisch met hen „spreken moest. Daar zij onder elkander Caribisch spraken, merk-„ten zij, dat ik hen niet verstond en hun tolk, naar voren tredende, vroeg mij toen in het Arowakkisch: „Wie heeft u veroorloofd, hier te bouwen en te wonen?quot; Waarop ik antwoordde: „„De Gouverneur.quot; „Waarom zijt gij in het land gekomen?quot; Nu „vervoegde ik mij tot hun opperhoofd en zeide hem met vrijmoedigheid: „Ik heb broeders aan de overzijde der zee, die gehoord „hebben, dat in dit land Indianen wonen, die hun Schepper niet „kennen; deze broeders hebben mij hierheen gezonden, opdat ik „eerst de taal der Indianen zou leeren en hun dan een en ander „van God zou vertellen. „Zijt gij dan een Spanjaard ?quot; „Neen!quot; „Of „een Franschman?quot; „Neen!quot; „Zijt gij dan een Hollander?quot; Ik kom „wel uit Holland, doch eigenlijk nog verder. Genoeg zij het, ik „ben een van die broederen van de overzijde der zee, die u liefhebben.quot; „Hebt gij dan niet gehoord, dat de Indianen u dood zullen „slaan?quot; Ja, doch ik heb het niet geloofd, en gij zelf hebt onder „uwe Indianen lieden, die bij mij zijn geweest, en weten, dat ik „u liefheb. Nu! als gij weet, dat ik u liefheb, hoe zoudt gij m\\j „dan kunnen doodslaan.quot;
Het opperhoofd hernam lachende: „Dat is waar ook.quot; Nu veranderden allen in hunne gebaren en de kring ging uiteen. De aanvoerder alleen bleef bij mij, vraagde naar een en ander, en gaf mij later bij zijn vertrek levensmiddelen en beloofde, mij weder te zullen opzoeken.
174
Na zijn dood, heeft men dit Efraïm als te ongezond in 1765 verlaten en eene vestiging stroomopwaarts beproefd. Deze vierde vestiging Hoop genoemd, heeft nog de meeste vrucht gedragen. Hier heeft zich vooral zendeling Fischer verdienstelijk gemaakt. Behalve dat deze spoedig in het Arowakkisch heeft knnnen preeken, begon hij met eene school eerst voor kinderen, daarna in 1793 ook voor volwassenen. De aanplantingen, gelijk Dahne dit op Efraïm had beproefd, werden ook door hem met goed gevolg begonnen en hij mocht de voldoening smaken, een 100-tal Arowakken rondom zijne vestiging te zien verblijf kiezen. Hoe zeer is het te betreuren, dat het verraderlijke klimaat velen weggerukt heeft; want, na Fischer kwamen wel enkele broeders, doch geen heeft het lang kunnen uithouden. Doch ook andere redenen werkten mede: de kolonie, aan Engeland gekomen in den Franschen tijd, ondervond daarvan nadeelige gevolgen; ook konden de broeders in Paramaribo niet meer den steun geven, dien zij wenschten, omdat de Evangelisatie onder de Negers op de plantages nog al veel krachten vereischte, en eindelijk heeft men in 1808 voor goed Hoop verlaten. Op deze wijze hield de Zending der Broedergemeente onder de Indianen op.
In dezen tijd denkt men er over, op Albina eene nieuwe Zending onder de Cariben te beginnen. Geve God daarop Zijn zegen!
„Die gezegende plaatsen, waar eenmaal Gods lof werd verkondigd, waar liederen ter Zijner eere weerklonken, zijn thans dicht „met bosch bewassen, waaruit men slechts het geschreeuw van ,papegaaien en van andere woudbewoners hoort. In Pilgerhut is „geen pelgrim meer; Saron is niet langer een bloeiende tuin; „Efraïm draagt geene vruchten en op Hoop hoopt men niet meer. „Echter, zoo eenmaal de stem van den Archangel de dooden ter „opstanding roept en de klank der laatste bazuin ook in deze „wouden wordt gehoord, zullen ook daar graven zich openen, uit „welke Indianen met hunne leeraars zullen opstaan, die Hem „zullen roemen en loven tot in eeuwigheid, die zich hunner zielen „heeft ontfermd en hen ten eeuwigen leven bekwaam gemaakt heeft.quot;
( Wordt ver.volgd).
DE KOLONIE SURINAME.
Eene Voorlezing.
DOGE
E. NIJLAND.
II.
e. De Boschnegers.
We waren de Marowijne opgevaren en hebben aanleiding gevonden in een bezoek aan de Indianen, waarvan wij maar één stam bezochten, den arbeid te gedenken van die Christen-broeders, die het leven en zijne genietingen gering hebben geacht, om aan den drang van hun hart te voldoen. We zouden nu de Marowijne kunnen oversteken en in Fransch-Guyana een bezoek brengen kunnen aan het klooster der zusters van St.-Joseph van Cluny, die met voorbeeldige toewijding in het niet ver van de rivier afgelegen Mana een leprozenhuis hebben gesticht, dat zij thans nog besturen; ook verder opvarende met onze corjaal, zouden we, aangenomen, dat de tallooze stroomversnellingen en watervallen suo niet belemmerden, het betwiste grondgebied tusschen Lawa en Tapanahoni kunnen bezoeken, maar willen noch het een, noch het ander doen. Wij stellen u voor, over den getraceerden weg een tocht door het dichtbegroeide bosch te maken. We zijn, \'t is waar, op een door het gouvernement getraceerden weg en zijn niettemin verplicht den weg opnieuw te traceeren, want van een weg is bijna geen sprake meer, zoo dicht is alles weer begroeid. Stel u ook niet voor, dat wij op vlakken grond wandelen; \'t is alles berg en dal, en gelukkig! dat wij fantaisie-reizigers zijn, want dagen van vermoeienis zouden er mee heengaan, als wij dezen tocht in werkelijkheid hadden uit te voeren.
Ned. Zkndingstmdschr. 13
194
Waarom wij niettemin dien tocht volbrengen? Omdat wij de Boschnegers willen opzoeken in hunne streken. Het doel onzer reis is Brokopondo, aan de Suriname gelegen. We zijn hier in het midden van het Boschland; zoo ergens, dan krijgen we hier den rechten indruk van de Surinaamsche wouden. Ofschoon wij niet dan een vluchtigen blik wierpen bij onze reis naar de Marowijne op de ryke flora van het land, een blik, die ons van de weelderigheid van den plantengroei nog maar een geringen indruk gaf, hebben wij hier gelegenheid te over, om onzen blik te verruimen, ja, het zou ons zelfs onmogelijk vallen, als we alles wenschten te overzien, wat deze oerwouden te zien geven. Evenzoo zou het ons gaan met de fauna. We willen niet beproeven, u van al de verscheidenheid in de dierenwereld nieuwe bewijzen bij te brengen; we zouden anders in ruimen overvloed kunnen verwijlen bij adelaars, papegaaien, vleermuizen, tijgers, schildpadden, evenals bij de ontelbare menigte van insecten, waarvan de bosschen en de moerassen, die wij af en toe op lage plekken passeeren, wemelen.
We brengen deze reis, zoo nemen we dan maar aan, met eenigen bekwamen spoed ten einde en arriveeren zonder van malariakoortsen te hebben geleden, te Brokopondo. Gelijk gezegd, zijn wij in het hartje van het Boschnegerland.
Wie zijn die Boschnegers toch?
In \'t kort worde hun stamboom aldus omschreven: „Nakomelingen van weggeloopen negerslaven.quot; Oorspronkelijk dus, gelijk u de naam slaaf nog doet vermoeden, uit Afrika afkomstig; door de kolonisten daar vandaan gebracht, doch .... ontloopen aan de zweep hunner heeren. Welk eene gedachtenwereld ontsluit zich bij deze simpele herinneringen, niet waar? „Uit Afrika hierheen gevoerd.quot; Ge kent de geschiedenis. Las Casas zal ik niet opvoeren. Evenmin de slavenjachten, het lot der gevangenen, de keuring, het brandmerk, de verpakking en verzending der koopwaar, de ontscheping, de 2e keuring, de veiling, de wegvoering naar de plantages. Eenmaal aangekomen, had hun hard lot nog geen eind. Och! neen! \'dan begon het pas. Laten wij er even bij stilstaan.
De plantages in Suriname (meestal effect genoemd) zijn suiker-, katoen-, cacao- of houtplantages. Liggen de eerste meest langs den benedenloop der rivieren, de houtplantages liggen begrijpelijker-
195
wijze meer aan den bovenloop. Een kijkje op eene plantage, eene suikerplantage, zal ter verduidelijking wellicht niet onwelkom zijn. Aan den oever van eene rivier of kreek gelegen, vormt iedere plantage een op ziek zelf staand dorp van 40 tot 600 bewoners. Meestal ruim aangelegd, zijn zij natuurlijk verschillend in grootte, en wisselen af van 500 tot 2000 H. A. Het effect is door een dijk omringd, waarbinnen de gebouwen en velden liggen, deze laatste doorsneden van kanalen (trenches), die zoowel voor de afwatering als voor het vervoer der producten moeten dienen. Van de landingsplaats aan den oever der rivier tot aan de woning van den directeur loopt meestal over een 200 a 300 schreden eene laan van palmen, oranjeboomen of tamarinden. Naast of achter deze woning, die beneden eene galerij heeft, bevinden zich kleinere vertrekken als bijv. de keuken, voorraadkamers enz. Wat verderop ligt het hospitaal, dan volgen de fabrieksgebouwen, molens, kookhuis, rumstokerij enz. Deze liggen altijd aan het groote kanaal, dat met de rivier in verbinding staat, en waarin tweemaal per dag ebbe en vloed afwisselen; de waterstand krijgt daardoor een verschil van 6 a 8 voet. De molens worden meest door stoom in beweging gebracht; in vroegeren tijd maakte men daartoe gebruik van het water en kon men enkel het suikerriet malen ten tijde der springtijden, n.1. van 3 dagen vóór tot 3 dagen na nieuwe en volle maan. De inrichting van een suikermolen te beschrijven, acht ik onnoodig: ieder weet, dat het riet uitgeperst wordt, dat het sap wordt gekookt, gecristalliseerd, gezuiverd enz. Dat de siroop of melasse een goed handelsartikel is, mag ik bovendien als bekend veronderstellen; ook wordt hieruit eene versnapering voor den neger bereid; van het schuim n.1. maakt men rum. Voorts bevat de plantage werkplaatsen tot het vervaardigen van kisten en vaten, terwijl nu achter de fabrieksgebouwen de woningen der Negers gevonden worden. Meestal hutten, gemaakt van palmboomenlatten en gedekt met palmenbladeren, zien zij er, hoe eenvoudig ook, netjes uit, met een klein tuintje voor eigen gebruik, waarin enkele groenten geteeld kunnen worden (het hoofdvoedsel krijgt de arbeider van zijn meester). Achter deze Negerwoningen liggen de velden met suikerriet beplant, in perken verdeeld, van circa 100 M. lang en 10 M. breed en afgescheiden door slooten van V, M. diepte. Al deze slooten staan in verbinding met het hoofdkanaal, terwijl
196
men door sluizen in staat is het water vooral in het droge seizoen op te houden, om watergebrek te voorkomen. Als ik nu nog aanstip, dat de huizen alle een witten buitenwand hebben, dan laat het zich denken, dat eene plantage, waarop leven en beweging heerscht, een aangenamen indruk moet maken. De eigenaar van de plantage woont zelden op zijne bezitting, meestal in de stad, waar hij voor den aankoop van een en ander voor zijne fabriek of ook voor den afzet zijner producten eene vaste woning heeft. Het eentonige leven op de plantage zou hem gaan vervelen, en liever zoekt hij dus afleiding en vertier, al zal hij wel eens korter of langer tijd op zijn effect doorbrengen. Het leven op de plantage is eentonig, zeiden we. Men oordeele: ,Om 6 uur\'s morgens stond de heer, als hij „op de plantage woonde, doorgaans op. (Ten einde ons in de verhou-,dingen der slavernij in te denken, want we willen ons doel niet „uit het oog verliezen, stellen we ons het leven voor op eene plan-„tage vóór de emancipatie der slaven). Hij begaf zich dan op de „plaats voor het huis of onder de verandah; de vaderlandsche „gouwenaar werd aangestoken, een kop koffie genuttigd. Terwijl „hij hier op zijn gemak de koele en verfrisschende morgenlucht „genoot, verscheen de opzichter, orn zijn verslag in te leveren en „de orders voor den dag te ontvangen.
„De opzichter, die zich dikwijls door kruipende beleefdheid in „de gunst van zijn patroon zocht in te dringen, maakte, na eenige „bewijzen van eerbied door buigen en strijkages te hebben gegeven, „den meester bekend, wat er den vorigen dag gewerkt was, welke „Negers weggeloopen, gestorven, ziek of weder gezond waren geworden; of er ook geboorten onder de slavenmacht hadden plaats „gehad, enz.; daarop volgden de aanklachten over dezen slaaf of „die slavin; wie het werk niet goed verricht, luiheid getoond, „kleine diefstallen begaan had of iets, dat in de oogen van den „opzichter niet goed was, had misdreven. Daar de aangeklaagde „meestal tegenwoordig was, volgde er doorgaans parate executie.
„Dan kwam de heelmeester of liever de dresneger, (= slaaf-„ziekenoppasser) om verslag uit te brengen. Viel dit wat te on-„ gunstig uit naar het oordeel des meesters, dau werd hij soms met „een duchtigen vloek weggezonden, of kreeg eenige streken met „de karwats, als toevoegsel tot de vermaning, om zijn plicht te „doen en vooral luiheid van ziekte te onderscheiden.
197
,Vervolgens naderde de creolen-mama, eeue oude Negerin, met „het opzicht der kindereu van de plantage belast, vergezeld van „al de jeugdige slaven en slavinnen; dezen, na zich vooraf gebaad „te hebben, ontvingen meestal hun ontbijt, uit rijst en bananen „bestaande, onder het oog van den meester, waarna zij, na eenige „grimasssen te hebbeu gemaakt, weder vertrokken.
„Nu ging de planter in zijn négligé eene wandeling maken, of „steeg, zoo hiertoe gelegenheid was, te paard, om zijue rijke velden „in oogenschouw te nemen en te zien of zijne Negers goed werk-„ten. Dit négligé bestond meestal uit een fijn linnen broek, „zijden kousen en roode of gele muilen of pantoffels, een hemd, „aan den halsboord open en daarover eene japon van sits, eene „muts, zoo fijn als spinrag ter wering van insecten en daarover „een groote castoren hoed ter beschutting voor de zon.
„Tegen 8 a 9 ure van dit morgentochtje teruggekeerd, ontbeet „hij en kleedde zich volgens de gewoonte vau den tijd, waarbij „gedienstige slaven of\' slavinnen hem ter zijde stonden.
„Wilde hij nu vrienden of buren gaan bezoeken, zoo begaf hij „zich naar zijne tentboot, door den opzichter met vruchten, wijn, „sterke dranken en tabak goed voorzien, en door 6 of 8 sterke „roeinegers gebracht, waar hij wezen wilde. Had hij geen lust tot „uitgaan, dan besteedde hij wat meer tijd aan zijn ontbijt. Een „dergelijk ontbijt bestond uit ham, pekelvleesch, gebraden hoeu-„ders of duiven; verder bananen, cassave, brood, boter en kaas; „waarbij zwaar bier en een glas madeira, Rijnsche of Fransche „wijn werd gedronken. Was de planter ongehuwd, dan was de „directeur der plantage menigmaal zijn eenige deelgenoot. Zoo „werd de dag verder in allerlei afleiding doorgebracht, om meestal „tegen 10 a 11 uur te eindigen achter de rumflesch.quot; 1) Dan werd het tijd van den inspaunenden arbeid uit te rusten, om den volgenden dag weer een even doelloos, materieel leven te beginnen, een leven, door zijne weinige verheffing voor de zedelijkheid verwoestend; want, afgezien van de omstandigheid, dat de verhoudingen, waarin de planter tot zijne slaven stond, waardoor hij over een groot aantal zijner medemenscheu niet alleen onbeperkt had te gebieden, maar ben voor zich van angst kon doen sidderen.
1
J. Wolbers.
198
ligt het voor de hand, dat een leven, gevoed door het voldoen aan zinnelijken lust, een hartstochtelijk leven worden moet, waarbij alle hooge aspiratiën, zoo zij al bestaan, ten eenenmale gedoofd moeten worden.
En nu sprak ik nog niet over het toedienen van straffen, ook noodig, en zoozeer afhankelijk van de meerdere of mindere menschelijkheid van directeur, opzichter, blankofficier ofbastiaan; een ieder voelt, dat de humaniteit van deze heeren-inspecteurs het lot der slaven dragelijk of ook ondragelijk maken kon.
In den regel was de arbeid der slaven zwaar, het voedsel slecht, de behandeling altijd streng, meermalen wreed. Loon werd den slaven nergens verstrekt; het voedsel met karige hand uitgedeeld, de woningen (eiken slaaf eene afzonderlijke woning af te staan met vrouw en kind ware te veel weelde) kan men niet als loon beschouwen; bij ziekte werd er berekend, of de kosten van verzorging hunne interesten zouden afwerpen en anders! nu ja, gij raadt het wel. Het eenige vermaak, dat de meester soms zijnen slaven veroorloofde, was de dans- of baljaar-partij; hierop was de Neger zeer gesteld. Door hartstochtelijken dans en het gebruik van dram opgewonden, vergat hij voor eenige oogenblikken zijn droevig lot; evenwel deze verlustiging, die zeer sterk aan zijne zinnelijkheid voedsel gaf, werd, geljjk alle verlustigingen van dien aard, geboet door uitputting en afmatting.
Doch! ons doel weer in \'t oog vattende, moeten wij u terugvoeren tot de oorzaken van het wegloopen der slaven.
Waar predikanten over slaven oordeelen, dat het alleszins recht niet alleen is, om hen wreed te behandelen, maar dat zelfs hunne welvaart bestaat in de slavernij \'), daar verwondert het niet, dat eigenaars en directeurs van plantages bijna zonder onderscheid de slaven hardvochtig behandelen.
Onder toezicht van den blankofficier, stond de zwarte bomba of
1) In een boekje van den Weleerw. (sic!) heer Picardt, predikant te Koevorden, uitg. 1660, kunnen wij het volgende lezen: «Deze menschen (de Afrikanen) sijn alsoo genaturaliseert, soo wanneer sij in vrijhelt gestelt of lieftallig gekoesterd werden, soo en willen sij niet deugen en weten haar zelfs niet te gouverneren; maar bijaldien men geduerig met rottingen in hare lenden woont, en dat men deselvige \'t elkers sonder genade bastonneert, soo heeft men goede diensten van deselve te verwachten, alsoo dat haere welvaart bestaat in de slavernije.»
199
bastiaan steeds gereed, om, indien der slaven lust of de krachten mochten verflauwen, deze door zweepslagen wat op te wekken. Was er strenger tuchtiging noodzakelijk, dan werden de leden uitgerekt, terwijl de slagen talrijker werden. Ik ijs er van, u te vertellen van de straf der „ Spaansche bokquot;, waarbij men den slaaf de handen te zamen bond, en de knieën hierdoor wrong, terwijl men een stok tusschen de saamgebonden handen en opgetrokken knieën stak, hem op zij liet kantelen, waarna de stok stevig in den grond bevestigd werd. Aldus onmachtig, sloeg de bastiaan den slaaf met een bundel tamarinde-roeden op de bovenzijde der billen; was de eene zijde goed door, en geheel rauw vleesch, dan werd hij omgekeerd, om de andere zijde in denzelfden toestand te brengen. (Deze straf werd soms op verzoek der meesters publiek op de straten van Paramaribo toegepast). Nu spreek ik nog niet van verminkingen: het afsnijden van een oor, om een herkenningsteeken te hebben; het doorsnijden van den Achillespees, om het wegloo-pen te beletten, e. d. m. Deze verminkingen zijn wel eens bij gouver-neurs-resolutiën verboden, doch, wie was de aanklager van den heer of de verdediger van den slaaf, als de meester zich hieraan niet stoorde ?
Ge zoudt meenen, M. H.! dat ik overdrijf en een enkel geval voor alle laat gelden. Toch zouden u de notulen-boeken van de raadsvergaderingen der Koloniale Raden van het tegendeel overtuigen. Daarin worden bijna geregeld aanklachten behandeld tegen plantagehouders, die hunne slaven onmenschelijk bejegenen en hen geeselingen, brandmerken, folteringen van de onmenschelijkste soort deden ondergaan. Nog erger dan de grootste uitspattingen van heidensche wraak- en folterzucht. En dat alles geschiedde? Omdat men meende hierdoor de Negers in toom te kunnen houden. Toch M. H.! sterk als het ras der Negers is, zoowel physisch als psychisch, doorstonden zij deze straffen meestal zonder blikken of blozen. Vindt gij het vreemd, dat de slaven begeerden van onder dit regime heen te komen om hunne vrijheid te zoeken in de bosschen? Vandaar die ontvluchtingen op groote schaal! Eenmaal vrij, konden zij ondanks alle beloften er niet toe besluiten, zich weer onder het ondragelijke juk te krommen, en vreemd mag het dan ook niet heeten, dat alle weggeloopenen zich vereenigden tot grootere en kleinere benden en zoo goed mogelijk in hun levensonderhoud
200
voorzagen, ten einde niet op nieuw afhankelijk te worden: de rijke bodem van Suriname kwam hun hierbij krachtig te hulp.
Ik dien er bij te voegen, dat een Franschman, Cassard, met eene vloot de Suriname opvoer in 1712, en op de kolonie eene brandschatting legde, ten gevolge waarvan enkele plantagehouders hunne slaven tijdelijk verborgen of naar de bosschen deden uitwijken, doch waarvan ze met moeite terug te brengen waren, nadat het gevaar, door Cassard verwekt, was geweken.
Het ligt voor de hand, dat de plantagehouders van het Gouvernement hulp begeerden in de jacht op hunne weggeloopen slaven, en ziedaar u verklaard, waarom de 18® eeuw zooveel te vertellen heeft over die drijfjachten eenerzijds, die wraaknemingen anderzijds.
Trilt uw hart niet van verontwaardiging, dat het Nederlandsch Gouvernement, van al deze toestanden kennis dragende, hierin geen verandering bracht V Vindt gij het met mij geen leugen, het devies in Suriname\'s wapen: „Gerechtigheid, Godsvrucht, Trouwquot;?
En, hoe moet gij dan wel oordeelen over de gewetensnauwgezetheid onzer vaderen, als ik u meedeel, dat ons Gouvernement deze toestanden bestendigde, doordien de W. I. Gomp. in 1730 nog zich verbond tot de levering van jaarlijks minstens 2500 slaven, en dat, toen er klachten werden ingeleverd, dat van 12 Aug. 1731 tot 24 Aug. 1738 er door haar slechts 13012 in plaats van 17500 (dus 4488 minder dan het vereischte getal) waren aangebracht, voor rekening der „Societeit van Surinamequot; van 1738—1745 63 schepen naar de kust van Guinea werden gezonden, om slaven te halen?
Ge schaamt u bijna, dunkt mij, een nazaat te zijn van die vaderen. Het is niet genoeg, te zeggen, dat andere natiën misschien ook zoo handelden, dat verontschuldigt onze Vaderen niet, die toch al 1100 jaar het Christendom beleden.
„Poeloe joe pantje!quot; — doe het stuk linnen van je lendenen af — is de toon, die u in de ooren klinkt op het voorplein van het kasteel Zeelandia staande. Het wordt op den meest barschen toon, dien men zich denken kan, toegeduwd aan den neger Baron, die, het middenlijf aan een paal vastgegespt, de voeten in een ijzeren boei gekneld, terwijl de handen opgeheschen worden, gereed staat eene strafoefening te ontvangen, hem toegedacht. Wendt
201
uwe oogen af van zijn meester, trotschen en koelbloedigen ooggetuige van de strafoefening. Hij telt de slagen, die hij volgens de wet eischen mag voor den brutalen, onwilligen hond!
De Neger verzet zich niet; hoe zou hij ook kunnen, vastgebonden als hij is. De tamarinde-roe snerpt en wondt en slaat de huid rauw; het bloed druipt op den grond. Gij kunt het niet langer aanzien! Gij zoekt naar een plekje, om, verwijderd van dit sehand-tooneel, verademing te vinden; ziehier in een hoek eene plaatsi waar de menschelijkheid hare geschonden rechten herneemt! Het slachtoffer der bloedige met negerhardvochtigheid doorgestane pijniging wordt naar de ondiepe put gesleept, waarbij gij u geplaatst hebt, en die bestemd is voor het afwasschen der bebloede leden. Baron heeft straks geen kreet doen hooren en zwijgt ook onder de duldelooze pijnen, nu het lillend vleesch en de verscheurde dij worden gereinigd, om dan de wonden met azijn, pekel of andere bijtende middelen, de diepste gaten met spaansche peper in te voelen wrijven ter voorkoming van koudvuur.
Waartoe deze afschuwelijke straf? Baron is een koppige slaaf, die telkens gehoorzaamheid weigert aan zijn heer, die hem nu aan het Gouvernement ter afstraffing heeft overgegeven!
Wie is die Baron, en waarom is hij zoo koppig? Laat mij het u zeggen.
Dahlberg (het stuit mij, hem Mijnheer Dahlberg te noemen, hoewel hij officier is) had bij zijne komst in Suriname een knaap in dienst genomen, die spoedig bij hem in gunst kwam: er zat aanleg in dien jongen Neger. Zijn meester liet hem onderwijs geven in schrijven en lezen en leidde hem voor een ambacht op. Op reis naar Nederland, ging de jonge man mede; in Amsterdam werd Baron toegezegd, als vrij man te mogen leven bij terugkomst in Suriname. Het oog van den knappen negerjongeling glom van vreugd; vrij zijn, geen handelsartikel meer wezen, welk een vooruitzicht! Hij zou zijn eigen heer worden en schoenen moyen dragen. Baron keert met zijn meester terug, hij nadert het Land van Belofte. Alles lacht hem tegen; hij zou werken voor zich zelf, een vrouw de zijne mogen noemen en , zoo God het wil, vader worden, vader van eigen kinderen. Hoe zal hij de hand van den blanken man zegenen, heel zijn leven!
— De Christen Dahlberg ontmoet een Jood. Deze ziet den
202
Neger, biedt een prijs, biedt nog booger — de geldduivel voer in bet bart van Dablberg: — Baron blijft slaaf, de Jood werd zijn meester.
Begrijpt ge zijne koppigheid? Verstaat ge bet ook, dat bij na de strafoefening, zoo even ontvangen, op middelen zint, om zicb te wreken?
Op een goeden dag ontvlucht bij naar de bosscben en zweert plechtig, niet te zullen sterven, voor hij zijne handen in bet bloed van zijne tirannen zou gewasscben hebben. Jaren lang was de slaaf, de bedrogen slaaf Baron, de vrees der kolonie!
Doorgaans in ééne adem genoemd met Joli-Coeur, waren beiden met hunne volgelingen tot angst en schrik zoowel voor de plantage-houders als voor bet Gouvernement!
Joli-Coeur, zijn makker, had niet minder reden tot ontvluchten gehad. Deze was op de plantage, eertijds Rodebank geheeten. Haar directeur, de Israëliet Schulz, berucht door de misbandelingzijner slaven, was het niet minder door de uitspattingen met zijne slavinnen!
Op zekeren avond had hij eene slavin gedwongen hem in zijne vuige driften ter wille te zijn. Een slaaf, die met voorkennis en goedkeuring des meesters met deze vrouw leefde, bad dit opgemerkt. Natuurlijk, dat hij de slavin, die zijne ziel liefhad, tegenover den directeur te hulp kwam. Wat doet Schulz? Hij klaagt den beleedigden echtgenoot aan; de blanke beschuldigt den slaaf van brutaliteit en — wordt geloofd. Slaven hebben geen recht in zulke gevallen. Eene geeseling met zweepslagen werd als straf uitgesproken en deze volvoerd in bijzijn van een knaap, den zoon van den slaaf, die zoo gefolterd moest boeten voor de verdediging ran zijne geschonden vrouw! Die knaap was .... Joli-Coeur!
Vindt bet dus niet vreemd, M. H-! waar zulke gruwelen, die helaas! niet alleen staan, konden voorkomen, dat de menscbheid bare geschonden rechten herneemt; eene ruwe strafoefening doodt den zieleadel immers niet.
Genoeg! om te verstaan, dat het Gouvernement op maatregelen bedacht moest wezen, om zich tegen de Negers te verdedigen. De cordon van militaire posten met hare 25 piketten afgezet (thans gelukkig verlaten) kan u nu duidelijk zijn; Een wreede Fourgeoud was er noodig, om de soldaten aan te voeren tegen de rebellen!
203
En, slaagde hij nu en dan eens in het vangen van enkelen — wee hun!
Toch! M. H.! hoe gaarne ik verwijlen zou bij eenige tafereelen uit dezen afmattenden kamp tegen de Boschnegers, tafereelen, die u bijna zouden doen blozen Nederlander te zijn, en waarin u tevens vele trekken van grootmoedigheid en fierheid bij deze zonen van Cham zouden treffen, — ik mag hierbij niet langer stilstaan en wil u alleen meedeelen, dat ten slotte het Gouvernement dezen strijd heeft moeten opgeven: in 1761 n.1. is er een verdrag tus-schen het Gouvernement eenerzijds en de Aukaner-Negers anderzijds gesloten. De blanke afgevaardigden moesten bij die gelegenheid zoetsappig aanhooren, wat de negerkapitein hun toevoegde; „Ik „ben nooit van zins geweest, vrede met de blanken te maken, en „ben \'t ook nog niet van zins. Doch, nu de zaken zoo staan, en „de blanken tot ons komen, zal ik er mij wellicht toe laten vin-„den.quot; Op Neger-heidensche wijze werd het verdrag bezegeld, de eeden van Christenen werden niet voldoende geacht.
De afgezanten moesten zich eene snede in hunnen arm laten welgevallen, het bloed druppelde met dat, hetwelk op dezelfde wijze bij zestien negerkapitains werd verkregen, in eene uitgeholde kalebas. Met een weinig water en zand gemengd, moest het door allen gedronken worden, waarop de priester der Negers den vloek uitsprak over een iegelijk, die van een der beide zijden ooit dit dit verdrag overtreden zou.
Met de Saramacca-Negers en andere stammen werd later een dergelijk verdrag opgesteld.
Toen kwam er wat rust, en sedert zijn de Boschnegers in hunne onafhankelijkheid gelaten. Zij hebben hunne eigene bestuurspersonen en, hoewel zij het Gouvernement erkennen in sommige opzichten, o. a., door z.g. posthouders of districts-commissarissen in hun gebied toe te staan, ontvangen zij ook ingevolge de contracten geschenken van gouvernementswege, soms tot eene som van ƒ 20000. In 1856 pas werd het verkeer met Paramaribo en de plantages vrij verklaard.
Doch! na deze historische uitweiding, noodzakelijk tot recht verstand der dingen, is het, nu wij in de streken der Boschnegers zijn, noodig, nader van hun doen en laten, hun denken en gevoelen kennis te nemen.
204
Wij naderen dan Brokopondo. Na het lossen der vereischte schoten, het signaal, dat wij, blanken, tot hen naderen, bespeurt gij al spoedig, dat gij niet met open armen ontvangen wordt. De les, voor eenige jaren door een ouden boschneger-kapitein aan zijn opvolger gegeven: „zoek niet naar goud; want als de blanken „hooren, dat er goud bij ons te vinden is, komen zij ons halen,quot; toont u, evenals de koele ontvangst, dat er meer dan eene eeuw gevorderd wordt, om het wantrouwen weg te nemen jegens de de Hollanders, die het er dan ook naar gemaakt hebben. Bij groote gunst wordt gij na een willekeurig verlengden wachttijd tot den Granman (hun opperhoofd) toegelaten.
Lacht niet op het zien van dien verkleeden soldaat! Een versleten generaalsuniform met luitenantsepauletten, een kaal officierskalotje, eene soort van opgelapte schanslooper om de schouders hangend, een stok met een vergulden knop en een ringkraag — ziedaar de „groote manquot;. De personen bij hem, gekleed in blauwe wambuisjes, versierd met hoeden, waaraan oranjecocarden, getooid met een lialsschild, waarop het Hollandsche wapen, bovendien voorzien van groote stokken, — zijn kapiteins, die het bevel over het dorp voeren. Zij hebben bitter weinig over hun onderhoorigen te zeggen; hunne maatschappelijke samenleving hangt van willekeurigheden aaneen en hun soi-disant gemeenebest verkeert in eene soort van regeeringloosheid. De Loekoemans hebben het hecht in handen. Als bijv. het Groot-Opperhoofd een persoon benoemt, op wien na zijn overlijden zijne hooge waardigheid moet overgaan, dan weten de toovenaars door middel van den alvermogenden dram het zóó te wenden, dat een naar hunnen smaak, al is hij ook de blinde onder de eenoogigen, gekozen wordt. De prerogatieven van den Granman bestaan dan ook alleen maar in zijn titel, zijne gepluimde steek, zijne epauletten en zijn stok. Hij wordt door zijne onderhoorigen evenzeer geëerbiedigd als door zijne vrouwen, die hem duchtig doen blijken, dat zijn persoon niet onschendbaar is. Met de rechtspleging gaat het even willekeurig. Is er iemand beticht, dan wordt de schuld of de onschuld aan het licht gebracht door het drinken van een door het Groot-Opperhoofd toegedienden toover-drank. Daar dit, uit vergiftige kruiden geperste vocht van de willekeurige bereiding eens Loekoemans afhangt, gebeurt het niet zelden, dat een beschuldigde Neger liever een eind aan zijn leven
205
maakt, dan dat hij zich aan de gevaarlijke proef onderwerpt. Het paradijs, door de Boschnegers bewoond, wordt alzoo door hunne vreeselijke hartstochten in eene hel misvormd. Haat, nijd en wraakzucht woelen en woeden op zoo vreeselijke wijze, dat vergiftiging en doodslag geen zeldzaamheden zijn. Een onverwacht plotseling sterfgeval wordt doorgaans aan een geheimen vijand toegeschreven. Het lijk wordt letterlijk op een draf door het dorp gedragen en het huis, waarvoor de dragers, door de inblazing van den een of anderen geest, stilhouden, moet de woning des daders zijn, dien men van den moord beschuldigt. En wee den man, die onder den blaam van het misdrijf verkeert! De verdachte, wiens misdaad voor geen stellig bewijs vatbaar is, wordt door de oudsten van het gehucht op eene plank gebonden, in het bosch gebracht en met de voeten dicht bij een heet vuur geplaatst, hetwelk hem verbijstert en voor altijd kreupel maakt. Dwingt hem de pijniging eene bekentenis af, dan wordt hij levend van onderen af verbrand, tenzij eene vlaag van medelijden zijn lijden op eene andere wijze verkort.
Als gij dat Boschnegers-leven oppervlakkig beschouwt, heeft het eene zonzijde. De woningen zijn inwendig niet vuil of slordig. De mannen zijn kloek, de vrouwen gezond, de kinderen tierig. Er is volop te eten: plantaardig en dierlijk voedsel wordt in bosch en kreek gevonden. Maar — van nabij bekeken, kan niets den toets doorstaan. Ziedende hartstocht bederft het persoonlijk, veelwijverij het huiselijk, dronkenschap het gezellig, bandeloosheid het maatschappelijk leven, indien het nog leven heeten mag.
Opperhoofd en onderdaan wijzen op den thermometer van verstandelijke en zedelijke ontwikkeling denzelfden graad aan, die onder nul te zoeken is.
Tegenover den blanke voelt de Boschneger echter zijne waardigheid. Brutaal in manieren, heeft hij geen zweem van dat lage en kruipende, hetwelk den negerslaaf kenmerkt. Het is hem aan te zien, dat hij vrij man is.
Doch slaat met mij dien nauwen weg in, die door het dichte woud gebaand is! Daar staat een groote boom, onder den naam van Mama- of Cattantreeboom bekend. Hij is de afgod van het dorp. Soms is het een houten pop, die onder een afdak wordt geplaatst en aldus den boom vervangt. De hooge stam en de breede takken
206
met welige uitloopers leveren een prachtig schouwspel. Hij staat in vollen bloei, hetwelk niet ieder jaar gebeurt; de vruchten groot als een ganzenei, als zij rijp zijn, ontwikkelen zich, vóór hij bladeren heeft. Met een knap openen zij zich meest in éénen nacht, strooien hare korrels in groote vlokken in de rondte en de eerst bladerlooze reus van het plantenrijk, thans als in een zijden mantel gewikkeld, die van alle takken nederhangt, prijkt daar welig en statig. Langs en om den boom vliegen in tallooze menigte en met verbazende snelheid veelkleurige kolibri\'s, die met den langen, smallen snavel de gele en bruine vruchtkorrels ledig pikken, welke met eene zeer fijne, lichtbruine zijdeachtige wol omgeven zijn, waarvan de sierlijke vogeltjes hunne nesten bouwen. Als gij verrukt dien tachtig voet hoogeu, heerlijk gekroonden boom, een sieraad der overrijke natuur, bewondert, dan zou ik wenschen, dat voor u verborgen bleef, wat helaas! uw oog, als gij het naar beneden slaat, treffen moet. Welk eene akelige tegenstelling tusschen de sierlijke kroon en den bodem, waarin de breede stam zijne wortels verspreidt! Daar liggen vleesch en visch, door de arme Bosehnegers uit hunne dorpen gebracht, daar staat dram, van de plantages of uit Paramaribo afkomstig, als offers voor hunnen God. Het wordt natuurlijk de buit van slimme bedriegers, doch hiervoor is de Boschneger door zijn bijgeloof verblind. En gij kunt deze sporen van bijgeloof in alles vinden. Tal van toovermiddelen, obia\'s tegen ziekten of verscheurende dieren, vindt gij overal, aan hun lichaam, in hunne hutten, op de daken, aan de takken van hoornen, ja zelfs hunne houden zijn er mee behangen. En wat zijn dat dan meestal? Stukjes glas, hoornen, tijgertanden, papegaaiveeren, houten poppen, in een woord allerlei prullen, die, hoe grooter en bonter samengebracht, des te meer hun geloof versterken in allerlei wondermachten. Geen dorp, of er is een Gods-huis, aan den Gran Massa Gado gewijd! Ziet ge voor die hut dienbloementros,kennelijk met bedoeling zoo afgezonderd geplaatst? Voor die hut wat verder, een koehoorn, voor een derde, een ijzeren schop, voor elke hut bijna wat anders, maar toch een afzonderlijk voorwerp? Het is een schildwacht, een Kandoe, door den Loekoe- of Obia-man verschacherd natuurlijk, maar niettemin een machtige beschermgod der woning!
O! diep beklagenswaardig vindt ge met mij dit volk, dat in
207
meer dan eenen ziu in duisternis en schaduwen wandelt. Geen spoor van hooger leven; nog lager staande dan de Indianen, die dan nog van geesten spreken.
Die geestelijk-dooden, zij getuigen tegen ons volk, dat hen uit hun land geroofd, toen in slavenhoeien heeft geklonken, vervolgens als onafhankelijk heeft erkend, maar toch bij de maatschappelijke vrijheid, hun geschonken, neen! (dit woord is nog te goed) hun gelaten, toen zij ze terugeischten, — niet hebben gepoogd, hen te brengen tot de vrijheid der kinderen Gods!
Onbegrijpelijk, dat de door Christus vrijgemaakten niet vroeger de handen aan den ploeg hebben geslagen, om ook dezen Boschnegers het Evangelie der Vrijheid te brengen, ja, wat nog sterker spreekt, onbegrijpelijk, dat onze „vromequot; vaderen hunne verplichting hebben overgelaten aan de Herrnhutters, die althans hun goed en bloed (ja! hun goed en bloed) er voor hebben over gehad. Nog sterker! niet op onze Vaderen rust de schuld alleen: wij, tegenwoordig levende Christenen van Nederland staan er nog schuldig aan. Geen Nederlandsch zendeling werkt thans nog onder de Boschnegers. Waar, onlangs eene Engelsche dame nog ƒ 12000 gaf voor de Zending onder de Boschnegers, daalde in ons land de bijdrage, die Amsterdam voor de Zending in Suriname afzonderde, van ƒ 2000 in 1881, op ƒ 650 in 1882, op ƒ 600 in 1883, op ƒ550 in 1884. In gansch ons vaderland heeft men nog geen ƒ 3000 jaarlijks over voor de Zending in Suriname!
Spreken deze getallen niet? Welsprekend zijn zij, doch — tot diepe beschaming, M. H.
De Herrnhutters! zij hebben, toen in 1761 de vrede met de Boschnegers gesloten was, op aanzoek van den Gouverneur Crommelin zich bereid verklaard, eene Zending onder de Boschnegers te beginnen. Stoll en Jones, begeleid door den reeds genoemden Dahne (de zendeling der Indianen, doch na zijne terugkeer van Europa, waar hij wegens ziekte heen was getrokken), hebben zich daarvoor met vreugde laten vinden. Zij vestigden zich aan de Senthea-kreek, waar zij aan de 12 neger-kapiteins werden voorgesteld, die hen vriendelijk ontvingen. De hoofdman Abini gaf aanvankelijk zijn steun; doch, toen zij zoo ver waren, dat zij zich in de taal onderhouden konden met hunne nieuwe vrienden, en de Obia-lieden vermoedden, waarop hunne pre-
208
diking zou nitloopen, hadden zij veel tegenstand te verduren.
De Broeders durfden hunne hutten bijna niet te verlaten, uit vrees vermoord te zullen worden, en, hoewel zij hunne godsdienstoefeningen met open deuren hielden in de hoop, dat de Boschnegers daardoor zouden worden uitgenoodigd, tot hen te komen, mochten hunne pogingen niet veel vrucht zien. Daarbij kwam het moordende klimaat, waarvoor reeds Dahne had moeten wijken, en Jones had moeten terugkeeren, zoodat Stoll alleen overbleef, die wel is waar door andere zendelingen werd bijgestaan, doch voor wie zich de moeielijkheid telkens voordeed, dat zij eerst met de Boschnegers moesten leeren spreken, eene moeielijkheid, niet gering te achten, hoe gemakkelijk het Neger-Engelsch, een abracadabra van Engelsch, Nederlandsch en Portugeesch ook aan te leeren valt. Eigenlijk is de geschiedenis der Zending onder de Boschnegers tot 1860 toe eene aaneenschakeling van teleurstellingen , van een zaaien op hoop tegen hoop, van beproevingen van allerhande aard, waarbij men niet weet, wat meer te bewonderen valt, öf de vasthoudendheid van het Bestuur der Broedergemeente, of den geloofsmoed der zendelingen zelve. Het zou u vermoeien, als ik dit in bijzonderheden moest toelichten, want ieder oogenblik zoudt gij moeten hooren: Br. A. kwam aan, om het werk van dien of dien voort te zetten, maar moest na zooveel maanden tot herstel van gezondheid terug naar Paramaribo; zuster B. is aan de koorts overleden; die en die hebben met nieuwen moed dit of dat beproefd, maar konden wegens het klimaat hun plan niet volbrengen, omdat één hunner stierf. Voorwaar de namen: Senthea-Creek, Quama, Bambey, Gingee hebben eene treurige vermaardheid verkregen.
Waren er dan geen lichtpunten? Konden er dan geen inlandsche predikers worden gevormd? Och! mijne Heeren! het zou ondankbaarheid verraden, te willen zwijgen van den hoofdman Abini, van het Groot-Opperhoofd Johannes Arabi, van Scipio en Grego, van den Neger Simeon. Zij hebben getoond (Arabi vooral) wat het geloof vermag, en wat de liefde tot den Heiland uitwerken kan, maar, gij gevoelt, als ik niet meer dan éénlingen kan noemen, dat de arbeid met bezwaren gepaard ging, en wij, die zoo gaarne vruchten zien, zouden in verzoeking komen, wel eens bekommerd te vragen: „ zou men die
209
Zending wel mogen en kunnen voortzetten?quot; Ja! het heeft der Broedergemeente veel gekost, haar op te geven, gelijk zij in 1813 deed, en toch! de Negers trachtten den baud te bewaren, door af en toe de Broeders te Paramaribo op te zoekeu. In 1840 heeft de Broedergemeente weer met Kasmus Schmidt eene nieuwe poging gewaagd; tal van heerlijke ondervindingen heeft deze op zijn post Nieuw-Bambey opgedaan, doch deze uitnemende dienstknecht des Heeren heeft zijn werk ook weer om gezondheidsredenen moeten opgeven. Een ander nam zijn werk over: hetzelfde resultaat. Sedert worden de Boschuegers van uit Paramaribo bezocht, doch ook dit, ge gevoelt het, is stukwerk, hoe goed het gemeend zij. De Zending onder de Boschnegers heeft iu tegenstelling tot die onder de Indianen blijvende vrucht gedragen. Hoofdzakelijk mag dit worden toegeschreven aan de spoedige hulp, die de Broeders van inlandsche helpers hadden. Waar zij voornamelijk door prediking en herderlijke zorg arbeidden, al moest dit telkens door ziekte- en sterfgevallen afgebroken worden, daar werden zij langs dezen weg personen, die bij de Boschnegers vertrouwen wonnen, en de grootere woonvastheid in vergelijking met de Indianen is zeker een reden meer voor het doorwerken van den zuurdeesem des Evangelies.
In 1861 heeft de Heer zelf eene deur geopend bij de Matuari-negers aan de Boven-Saramacca, door een Boschneger indroomen te wekken tot den weg naar het eeuwige leven. Laat mij u dit mogen meedeelen. De persoon, door den Heer op dusdanige wijze geleid, heet Johannes King, en is nog op zijne woonplaats Maripa-stoon als voorganger werkzaam. Deze man dan droomde in 1858 eens, dat hij op zekeren keer een groot, licht en schoon huis, vol wit gekleede menschen had gezien, waarin zoo mooi gezongen werd, als hij zijn leven nog niet had gehoord. Vervolgens had zich voor zijne oogen vertoond een akelig gebouw, er uitziende als eene gevangenis, en op welks binnenplaats een ontzaglijk vuur brandde. En, toen hij genaderd was en door eene uitschietende vlam, als door eene vuurtong, aangeraakt was geworden, had hij eene onuitsprekelijke pijn gevoeld. In de nabijheid had hij vaten opgemerkt, zoo groot als die vaneenplan-tage-kookhuis. Omtrent deze was hem toen medegedeeld, dat menschen, die slecht waren geweest, daariu met ziedende olie gepijnigd werden. Binnen het huis zelf had hij met ontzetting de
Ned. Zendingstijdschr. 14
210
pikzwarte gestalte des duivels ontwaard. King\'s begeleider had hem nu bevolen aan zijne volksgenooten te melden, wat hij gezien had, en hoedanig het lot der ongelukkigen was. Op het hooren van dezen last had King plotseling gevoeld, dat ook hij tot die ongelukkigen behoorde, en was daarop al sidderende zijn leidsman gevolgd tot aan eene rivier, was die ingesprongen en ontwaakte toen.
Acht dagen later had hij weer gedroomd, thans, dat hij zich in eene stad bevond en voor eene kerk stond. Aan de kerkdeur had een man gestaan, die hem had gevraagd: „King! weet ge wel, wat gij moet doen? Gij moet terstond uw naam aan de gemeente opgeven, want, als gij op datgene acht slaat, en bij datgene blijft, wat de Heidenen u zeggen, gaat gij voor eeuwig verloren!quot;
Ook droomde hij op zekeren keer, dat zijn geleider, dien hij altijd in zijne droomen zag, hem beval, de rivier af te zakken. Hij zou, in de stad gekomen, een man in een wit jasje aan een steiger zien staan, die hem meer van zijne gezichten zou kunnen uitleggen. Hii volgt die roepstem op, en vindt juist, wat hij gedroomd had: een Leriman (zendeling) onderricht hem, hij gaat terug, bezoekt den zendeling meermalen, ontvangt diens onderricht en wordt 11 Aug. 1861 gedoopt.
Het zou mij te ver voeren, als ik u al de leidingen van dezen man in droomgezichten wilde meedeelen, de belangstellende kan ze vinden in het Missionsbl. der Brüdergem. der jaren 1861, en volgende jaren. King beweegt het hoofd Calkoen Christen te worden, predikt sedert dien tijd geregeld onder zijne landslieden, bezoekt vaak Paramaribo en is in dubbelen zin een leidsman van zijn volk.
De Boschnegers hebben thans nog geen eigen leeraar, maar hnnne posten: Maripastoon, Kwattahede, Nieuw-Bambey en Koffij-kamp worden geregeld bezocht van uit Paramaribo. In de jaarg. \'89 en \'90 van het Missionsbl. der Brüdergem. worden nog twee zulke reizen beschreven, een o. a. van zendeling Schmidt naar Kwattahede, zeer lezenswaardig.
f. De Herrnhutterarheid in de Districten en in de Stad.
Reeds vestigde ik af en toe in het voorbijgaan uwe aandacht op den zendingsarbeid der Moravische Broeders op de plantages onder de Negerbevolking. Bij het begin hunner vestiging te Paramaribo
211
hebben zij reeds de Negers der naastbij gelegen plantages willen bereiken; enkelen, die in de stad konden wonen, werden aan hunne gemeente toegevoegd, zoodat daar sinds 1776, toen de eerste Neger gedoopt werd, eene negergemeente ontstond, die sedert in grootte toenam. Toen zij in 1779 door den Heer Palmer werden nitgenoodigd, op zijne plantage Fairfield zelf te komen prediken, werden langzamerhand al meer plantages voor hen opengesteld, en vonden de Broeders een nieuwen gezegenden werkkring, die wel vele krachten vorderde, maar toch wegens den voortgang, dien de arbeid verkreeg, door hen met liefde werd verricht. Dat vele eigenaars van plantages niet veel op hadden met deze godsdienstoefeningen voor hunne slavea, zal u duideliik zijn, omdat zij immers zelf geen behoefte hadden aan het Evangelie, doch ook, omdat de Negers maar niet te wijs moesten gemaakt worden. De prediking van Christus\' liefde tot de menschheid mocht den Negers eens hun hard lot te zeer doen gevoelen; het zou bovendien ook wel eens kunnen blijken, dat hunne heeren niet veel van den Geest van Jezus blijkens hunne handelingen bezaten; en beter was het derhalve maar, de slaven in hunne omgeving te laten, hunne gedachten maar niet te schokken. Anderen, — meer menschelijk, dachten er anders over; zeker ook, omdat zij gevoelden, aan een Christenslaaf ook een getrouwen slaaf te hebben. Het Christendom predikt immers geen opstand? Het woord van Petrus: Alle ziele zij den machten, over haar gesteld, onderdanig, den goeden niet alleen, maai* ook den kwaden, was ook voor den Christen-Neger van kracht.
En de Negers zelve! Buiten verwachting heeft deze prediking vrucht bij hen gedragen. Is het wonder? Hadden zij het ooit kunnen droomen, te zullen hooren van een vertroostenden Heiland, die ook voor hen aan het kruis was gestorven, voor hen, daar zij in hunne dagelijksche ervaringen toch zoo weinig bespeurden, dat anderen voor hen wat over hadden, veel minder barmhartigheid verstonden te bewijzen! Aandoenlijk is het, te lezen, hoe zij, waar de zendelingen hun dien troost des Evangelies boden, de handen smeekend ten Hemel hieven, of den Heer dankten, nu zij langzamerhand de gewisheid verkregen, in den Hemel een vriend te hebben, aan wien zij hun lijden konden klagen, van wien zij wisten, dat Hij hen hoorde, die hen, ja wel niet uit hun aardsche lot ver-
212
loste, maar hun toch het dragen van dat soms harde juk vergemakkelijkte.
Tal van plantages werden achtereenvolgens opengesteld; ze alle te hooren, zult gij niet begeeren: de meest bekende, ook nu nog door de zendelingen getrouw bezocht, zijn: Beekhuizen, Clevia, Rust en Werk, Leliëndal, Wederzorg, Heerendijk, Helena-kreek, Charlottenburg, Berseba, Gatharina Sofia, Salem (pi. Hamilton, waar in 1889 nog eene kerk werd ingewijd), Waterloo, Nieuw-Nickerie en Domburg, waar een kerkbouw wordt voorbereid.
Gij ziet, M. H.! de zendelingen der Broedergemeente zitten niet stil; want, hebben slechts enkele dezer plantages kerkgebouwen, is op een enkele misschien een zendeling gevestigd, geregeld wordt des Zondags op al de u reeds genoemde plantages een dienst waargenomen door een voorganger onder de Negers, die niet alleen van die plantage, maar van de plantages uit de omgeving alle Negers tracht te trekken, en hun het Woord des Levens verkondigt, de sacramenten bedient of huwelijken sluit. Eu nu gewaagde ik nog niet van den arbeid in Paramaribo zelf, waar zij behalve de hoofdkerk (Mama-kerkie zeggen de Negers), die 2000 menschen bevatten kan, waaromheen tal van gebouwen staan, die den Herrnhutters toebehooren, nog drie andere bezitten: de Rust-en-Vredekerk, de Wanica-kerk en de kerk in de voorstad Combé.
Voorts wordt eiken Zondag in het Armenhuis, en iu de Gevangenis door hen gepredikt, terwijl sedert de emancipatie der slaven ook nog de aangevoerde werkkrachten, de koelies uit China en Eng.-Indië komende, worden bezocht. En dit alles niet enkel door prediking, eene school voor jongens en eene voor meisjes, en eene bewaarschool hebben bovendien nog hunne zorgen. Wat dunkt u, M. H.! mochten wij, Nederlanders, niet wat meer doen dan\'sjaars hoogstens een ƒ 3000.— geven, (gelijk ik u herinnerde) voor dezen arbeid der Broedergemeente? \'t Is toch onze Nederlandsche kolonie, ons Suriname! Zijn wij niet mede verantwoordelijk voor het hoeden van onze broeders daar in de West? En ging het ongezegend, of was hun arbeid verderfelijk, nu! dan moge men bezwaar hebben, maar, wie weet niet te verhalen van den stillen, eenvoudigen arbeid der Broedergemeente? Wie kan onwetendheid voorwenden omtrent de houding der slaven, toen zij eindelijk op 1 Juli 1863 vrij verklaard werden? Iedereen zag dien datum met bekommering te
213
gemoet: plantage-houders, gouvernement, moederland, ja, ieder. En tocli! op alle plantages een dankdag; in Paramaribo eene ernstige plechtigheid in de Hoofdkerk; nergens rustverstoring, blijkbaar was dit alleen te danken aan den als zuurdeesem gewerkt hebbenden arbeid der Broedergemeente! De arbeid in de stad Paramaribo en in de districten op de plantages, thans maar zeer in vogelvlucht bezien, verdient eene meer uitgewerkte behandeling, want deze omvat verreweg het belangrijkste deel van den arbeid der Herrn-hutters. Vreesde ik niet, u te zeer te vermoeien, dan stond ik gaarne langer er bij stil.
Juist zou ik naar aanleiding van dit onderdeel van hunnen arbeid u dan ook willen spreken over enkele zaken en handelingen, die ons op het eerste hooren vreemd zouden klinken en die dan ook door lasterende vijanden gaarne gebruikt worden, om de Herrn-hutters en hun arbeid met slijk te werpen. Ik heb hier op het oog o. a. de sluiting van het „verbondquot;, een vorm van huwelijksverbintenis, die de Broeders in sommige gevallen bij de Negers toepassen. Van verschillende zijden, laatstelijk nog in het Nieuws van den Dag door een correspondent, die, door pure waarheidsliefde gedreven (sic!), meende, hierover het ware licht te moeten ontsteken, werd deze handelwijze der Broeders gegispt, doch ik ben verplicht er bij te voegen, dat hetzelfde Nieuws van den Dag in zijne Redactie het toch met de waarheidsliefde niet al te nauw neemt, waar ik u moet meedeelen, dat zij achterwege bleef, de andere partij te hooren, die, haar ten gelieve en ter inlichting van vele belangstellenden, eene publieke meeting in een paar steden van ons land belegde, om de handelwijze der Broeders toe te lichten en te verdedigen, doch ondanks herhaalde aanschrijving hwam er van de Redactie niemand. Het spijt mij, niet meer dan eene aanduiding te kunnen geven, ik zou te wijdloopig worden, indien ik deze kwestie geheel behandelde, en wil ook hierin het werk aan anderen niet uit de hand nemen.
Toch moet ik nog even iets anders aanroeren. Suriname is tegenwoordig zoo dikwijls het onderwerp van gesprek, dat ook de Broeders, die steeds stil hun arbeid verrichtten zonder opzien te willen verwekken, meermalen in het openbaar worden besproken. Nu! dat is niets, wie aan den weg timmert, heeft veel bekijks, en de arbeid der Herrnhutters in Suriname is waarlijk niet in het
214
duister geschied. Doch juist daarom is het zoo grievend, nu en dan lasterlijke beschuldigingen te hooren uitspreken, waaraan bij na altijd het bewijs ontbreekt. Noemde ik u zooeven het Nieuws van den Dag als drager van zulke liefelijkheden, het spijt mij niet minder, te moeten zeggen, dat ook in \'sLands Vergaderzaal dit nog plaats vindt, waar men o. a. bij de behandeling der laatste Begrooting de Herrnhutters geen minderen blaam heeft aangewreven, dan dat zij zich met de politiek zouden bemoeien. Wie iets van den arbeid der Broeders-Herrnhutters kent, gevoelt dadelijk, dat dit onwaar moet zijn; wie hun arbeid in Suriname aan een onderzoek onderwerpt, zal de ondervinding opdoen, dat deze officieel uitgesproken onwaarheid als eene onbewezen beschuldiging daar staat. Ik mag niet vooruitloopen, maar verklaar gaarne, dat in deze kwestie het laatste woord nog niet gesproken is.
Genoeg hiervan. Laat mij u ten besluite mogen herinneren, dat van de 28000 bewoners, die Paramaribo telt, er ruim 14000 onder de geestelijke zorg der Herrnhutters staan, terwijl van de ruim 55000 zielen in de geheele kolonie een 26000-tal tot hunne gemeente behooren.
Nu, M. H.! ontmoet gij soms een vermogend persoon, hebt gij soms iemand op het oog, die met zijn geld goed wil doen, wijs hem eens op het Zeister-Genootschap, een tak der Broedergemeente, die hoofdzakelijk voor Suriname werkt. Of herinner hem of haar er aan, dat er in den Haag eene Vereeniging tot bevordering van het godsdienstonderwijs onder de inlandsche bevolking in de kolonie Suriname bestaat, eene Vereeniging, niet pas onlangs opgericht, maar sinds 1828 reeds werkzaam, doch helaas! zoo dikwijls niet in staat tot werken, omdat het geld meermalen ontbreekt. Hoevele Nederlanders dragen zelfs niet eens kennis van het bestaan dezer Vereeniging!
Doch! al ontmoet ge geen Nabob, ook de penninkskens der weduwe, de kleine giften, zij zijn alle welkom niet alleen, maar zy dragen haren zegen mee. Het zijn alle typen van die talloos vele, kleine kreekjes, die Suriname\'s heerlijke rivieren voeden, rivieren, die weer de plantages voorzien, waardoor de rijkdom der kolonie aan den dag treedt. Wees zoo goed, deze metaphora over te brengen!
Nu de Lawa-kwestie van de baan, de Para-kwestie opgelost is
215
en de Koloniale Raad een nieuwen Gouverneur ontvangen heeft, is het te wenschen, dat Suriname een rustigen tijd te gemoet ga. Er zyn teekenen van vooruitgang waar te nemen. Doch! ik mag niet te veel van uwe aandacht vragen en is het mij alleen te doen geweest, uw oog af en toe eens met belangstelling te doen werpen naar dat heerlijke land der zonne en der kleuren, naar dat Suriname, dat meer en meer belangstelling gaat wekken, Gode zij dank! en dat het ook in alle opzichten verdient!
Utrecht, Juni \'91.