-ocr page 1-

O*

( j

v./

KOLONIAAL MUSEUM TE HAARLEM

CATALOGUS

der

Nederlandsche West-Indische Tentoonstelling

te HAARLEM 1899

amsterdam — j. h. de bussy — 1899

-ocr page 2-
-ocr page 3-

VOORWOORD

Met dit boekje wordt een deel van mijn wenschcn om/rent Nederlandsch West-Jndié vervuld.

De Cultuurtuin in Suriname is gevestigd. Eene uitbreiding daarvan tot Botanischen Tuin en Wetenschappelijk Station en meerder onderzoek van het binnenland worden ernstig besproken. De inwoners hebben blijk gegeven van hunne ingenomenheid met ons streven ; de inzending van bijdragen toont hun ijver. Nederlandsch West-Indié zal in deze Tentoonstelling rijker dan ooit worden vertegenwoordigd.

Jk heb sinds lang een groote voorliefde voor onze Koloniën in het IVesle/i. Waarom? Niet omdat zij hulpbehoevend zijn! Maar uit de overtuiging dat zij zijn een verwaarloosd erfdeel, een erfdeel, dat gereed is, ons de blijken te geven van kracht en leven, maar daarin wordt tegengehouden door onze onverschilligheid. De schuld daarvan — een schuld van eeuwen, — ligt aan ons.

Wij hebben de groote zegeningen der beschaving zelf in allen overvloed genoten, maar aan onze West-Indié niet gegund.

Onze eeuw gaat den philanthropischen kant uit, — en dat is voortreffelijk. Maar wij vergeten te veel dat niet alleen de zwakken, de armen ons hulp vragen; — er zijn ook krachtige lichamen, die onderdrukt worden door eene macht van schadelijken ballast, miskende genieën die zich niet kunnen ontwikkelen en alleen vragen; Ach neem dien ballast weg en maak ons vrij!

Zoo een genie is Suriname. Vroeger was Suriname rijk door de slavernij. Thans is ze zelf een slavin, zwoegende aan een kettwg — die ketting is onze bekrompenheid.

Er is geen beter middel tegen de domheid dan kennis; en daarom blijft mijn vaste overtuiging; Breng wetenschap in Suriname en de kolonie is gered.

Dit is mijn doel geweest bij het aandringen op de vestiging van een Cultuurtuin, op het regelen van een Expeditie, op het houden van deze Tentoonstelling. Niet anders dtn kennis van het land en zijn productie.

-ocr page 4-

4

In Suriname was de Wetenschap tot dusver verwaarloosd. Enkele landgenooten zijn wel daarin voorgegaan, reeds in de vorige eeuw, maar kleingeestig jagen naar dadelijk voordeel maakte van de rijke kolonie een vuile scharrelboel, van het heerlijke land dat schatten van welvaart en volksgeluk zou kunnen geven, — een lastpost.

Daarom stel ik voor Ned. West-lndié een geheele omwenteling voor; Als onze geliefde Koningin slechts het sein wil geven, dat in Suriname een centrum van wetenschappelijke ontwikkeling worde gevestigd, zooals in onzen tijd in Nederland zelf en in alle beschaafde landen bestaat, dan is de toekomst van Nederlandsch West-lndié verzekerd.

Wie er meer van wil weten, kan aan het Koloniaal Museum inlichting krijgen.

Moge deze tentoonstelling daartoe eene nuttige bijdrage leveren, dan is ons doel bereikt.

F. W. van Eeden.

Haarlem, i Juli 1899.

-ocr page 5-

GESCHIEDENIS

DER

NEDERLANDSCH WEST-INDISCHE TENTOONSTELLING

In 1897 ontwikkelde zich bij het Bestuur van het Koloniaal Museum het plan van eene Tentoonstelling van Ned. West-Indië; de eerste mededeeling dienaangaande verscheen in het Bulletin van het Museum van Maart 1897.

Het vond bijval in Ned. West-Indië zelf, en spoedig kwam daar eene commissie tot stand, die zich beijverde tot voorbereiding dier Tentoonstelling.

Oorspronkelijk was het voornemen deze te houden in 1898 te Paramaribo, en in 1899 te Haarlem, om vervolgens, hetgeen daarvoor geschikt was, te bestemmen voor de Wereldtentoonstelling te Parijs in 1900.

Het programma, samengesteld door de Surinaamsche commissie, in overleg met het Museumbestuur, is opgenomen in het Bulletin van het Koloniaal Museum, no. 18, uitgegeven in Juni 1898.

Het plan vond bij vele ingezetenen van Suriname medewerking en zoowel het Koloniaal bestuur, als de Plantersvereeniging verleenden daaraan haren financieelen steun.

Het Koloniaal Museum bestemde de groote zaal van het nieuwe bijgebouw van dat Museum voor de Surinaamsche tentoonstelling in 1899, en daarna tot blijvende West-Indische afdeeling.

Van het plan om eene vóór-tentoonstelling te houden, is de commissie, in Suriname, teruggekomen, wegens de moeielijkheid, om de voorwerpen en producten aldaar zoolang voor bederf te vrijwaren; want het voornemen blijft, om het beste deel der inzendingen te bestemmen voor de tentoonstelling te Parijs in 1900.

Voor de uitvoering van het plan zijn wij dus in de eerste plaats dank verschuldigd aan deze commissie in Suriname en in het bijzonder aan hare leden: J. F. Pool, C. J. Kering en S. de Lange, in Suriname.

De Heer W. L. Loth, tijdelijk in Nederland, heeft ons bij de voorbereiding der tentoonstelling bijzonder ter zijde gestaan.

De genoemde heeren in Suriname hebben zich zeer veel moeite

-ocr page 6-

6

gegeven met het verzamelen van de ingezonden producten en voorwerpen.

Dr. H. van Cappelle heeft voor de geologische collectie onzer tentoonstelling willen zorgen, Jhr. L. C. van Panhuys voor de ethnographische, en de Heer H. Veen voor de zoölogische.

Niet onvermeld mogen blijven de bijzonder goede zorgen, die de conservator van ons Museum, de Heer D. G. J. Bolten, aan deze expositie heeft besteed.

Ook betuigen wij onze bijzondere erkentelijkheid voor hunne bijdragen in dezen beschrijvenden catalogus, aan de Heeren Dr. H. D. Benjamins, Jhr. Mr. T. A. J. van Asch van Wijck, W. L. Loth, Dr. H. van Cappelle, H. Pyttersen Fz , Jhr. L. C. van Panhuys, Mr. C. W. van Meurs, L. A. Ferguson en Dr. Maurits Snellen.

Niet het minst hebben ook aanspraak op onze erkentelijkheid de Directie van den Koninkl. West-Indischen Maildienst, die de aanzienlijke uitzendingen uit Suriname volkomen kosteloos vervoerde ; alsmede de Heeren cargadoors Hoijman en Schuurman, die ons mede belangeloos hulp verleenden.

Wij eindigen met onze hulde te brengen aan Z. E. den Minister van Koloniën en Z. E. den Gouverneur van Suriname, aan wiens gunstige gevoelens het welslagen van deze tentoonstelling voor een groot deel te danken is.

Wij vleien ons dat zij met voldoening zullen terugzien op deze gebeurtenis, en dat zeer zeker veler oogen en harten zich zullen vestigen op onze bezittingen in Amerika.

-ocr page 7-

ALGEMEENE INLEIDING

De eerste nederzettingen der Engelschen, en later, in 1667, der Hollanders, in Suriname werden gevestigd langs de oevers van den benedenloop der rivieren Suriname, Commewijne en Cottica, met de daarin vloeiende Para-, Paulus- en Surnaukreeken, takken van de Suriname, de Orelana-, Matappica- en Commetewane-kreeken, takken van de Commewijne, en de Perica-, Mot- en Vreden-burger-kreeken, takken van de Cottica.

Eerst in het begin van deze eeuw werden langs de oevers van den benedenloop der rivier Saramacca eenige plantages aangelegd, terwijl terzelfder tijd, voornamelijk door Engelschen, aan wie daartoe door het koloniaal bestuur grondbrieven werden uitgereikt, de plantages in het tegenwoordig district Coronie langs de zeekust en langs de oevers van de beneden Nickerie-rivier ontstonden.

Zoolang de aanvoer van negerslaven uit Afrika het verlies van werkkrachten, door desertie als anderszins veroorzaakt, kon aanvullen, bloeiden de plantages en was er een aanzienlijke uitvoer van suiker, koffie, katoen, terwijl ook cacao, tabak en indigo verbouwd en veel timmer- en meubelhout verwerkt werden. De kwijning der plantages begon evenwel toen die aanvoer ophield, en openbaarde zich in het verlaten van eene reeks plantages, die langzamerhand tot de wildernis terugkeerden; zij bereikte haar toppunt toen in 1863 de proclamatie der emancipatie gelukkig een einde maakte aan de slavernij en die plantage-arbeiders in 1873, na de opheffing van het staatstoezicht dat hun dwong onder contract op de plantages te werken, grootendeels aan zich zeiven werden overgelaten.

Daar sommige van de vroegere slaven aan wie, na 1873, kleine perceelen land door het Kol. gouvernement waren afgestaan, om voor eigen rekening stapelproducten op kleine schaal te verbouwen, zich met goed gevolg daarop toelegden op de terreinen bij het fort Nw.-Amsterdam en de voormalige plantage Domburg, werd de uitgifte in huur van kleine perceelen aan creolen-arbeiders uitgebreid langs de oevers van de rivieren Saramacca, Nickerie

-ocr page 8-

8

en andere punten in de nabijheid van in werking zijnde plantages, en verkregen later ook immigranten, wier contract-tijd geëxpireerd was, dergelijke perceelen kosteloos. Onlangs werden nieuwe centrale vestigingsplaatsen door de zorg van het Bestuur aangelegd, waarvan de voormalige plantage Alkmaar uitsluitend voor immigranten, de vroegere plantages La Rencontre en Paradise voor deze zoowel als voor creolen-arbeiders, inboorlingen der kolonie, bestemd zijn.

Bovendien zijn vele vroegere plantages thans het eigendom geworden van de vroegere slaven en hunne nakomelingen, die de gronden onderling verdeeld hebben, zooals in het district Coronie, of in onverdeeld bezit gezamenlijk bearbeiden, als in de districten Boven-Para en Boven-Suriname, zoodat het aantal personen, die zelfstandig op kleine schaal den landbouw uitoefenen, voortdurend toeneemt.

Toen na de vrijverklaring der slaven, na eene periode van malaise, maatregelen genomen werden om door aanvoer van immigranten de ontwikkeling van den landbouw op groote schaal te bevorderen, begonnen de overgebleven plantages zich uit den staat van verval op te heffen, en was de aandacht nu voornamelijk gevestigd op de teelt van cacao, daar de suikerprijzen zóó begonnen te dalen, dat slechts met toepassing van de nieuwste machines de concurrentie van rietsuiker tegen beetwortelsuiker is vol te houden. Katoen, indigo en tabak verdwenen van de productielijst. Ook het timmerhout kwam schaars aan de markt, omdat er van boschcultuur nooit sprake was geweest en de vroegere zoogenaamde houtgronden uitgeput raakten. Wat daarvan thans nog uitgevoerd wordt, komt hoofdzakelijk door tusschenkomst van boschnegers uit de bosschen nabij den bovenloop der rivieren in de stad. In 1897 is uitgevoerd 2382 M8. onbewerkt en vierkant behakt hout ter waarde van ƒ 47640 en 8946 K.G. letterhout ter waarde van f. 1342.

In den laatsten tijd werden proeven genomen met den aanplant van tabak, welke aanvankelijk zulke goede resultaten opleverden, dat zij thans op groote schaal worden voortgezet.

Monsters daarvan zijn aanwezig in de collectie van het Koloniaal Museum te Haarlem.

Hetgeen van Suriname buiten den kring der vroeger aangelegde plantages ligt, werd eenigszins bekend door de verschillende tcchten, die, voornamelijk in de tweede helft der vorige eeuw, werden ondernomen om weggeloopen slaven in de bosschen op te sporen, of ze tot de Boven Marowijne en de Suriname rivieren te vervolgen. Na de staking der vijandelijkheden tegen die weggeloopen slaven en de erkenning van de vrijheid, die zij zich zeiven hadden verschaft, werd er niet meer naar die binnenlanden omgezien.

-ocr page 9-

9

Deze toestand duurde tot i860, toen de heeren J. F. A. Cateau van Rosevelt en J. F. A. E. van Lansberge de verschillende rivieren van Suriname in kaart begonnen te brengen, waarbij zij tal van punten astronomisch bepaalden, welke tot grondslag dienden voor latere metingen en verkenningen in het bergachtig deel der kolonie, die, in 1876 begonnen, geleid hebben tot de ontdekking van den goudrijkdom van den bodem en de aanwezigheid van andere mineralen.

Intusschen is tot nu toe slechts ongeveer een derde deel van het land bereisd en min of meer onderzocht.

Uit de kaart van Suriname, naar die van genoemde heeren vervaardigd en aangevuld met eigen opmetingen van ondergeteekende en gegevens betreffende den bovenloop van de Corantijn van C. F. Barrington Brown en H. Coudreau, blijkt, dat Suriname op de Noordkust van Zuid-Amerika ligt tusschen 54° en 58° Westerlengte van Greenwich en 2quot; en 6U Noorderbreedte.

De grenzen daarvan zijn in het Noorden bepaald door den Atlantischen Oceaan, in het O. door de rivieren Marowijne en Lawa, terwijl van af 30 16\' N. breedte zuidwaarts de O. grens onzeker is, omdat nog niet beslist is of de Itanie, komende uit het Z. Z. W., dan wel de Marowijne kreek, stroomende uit het Z. Z. O., die op dat punt samenvloeien in de Lawa, de hoofdtak is van laatstgenoemde rivier.

In het zuiden scheiden het Tumuchumacgebergte, waaruit de Lawa ontspringt en het Acaraigebergte, dat de bronnen van de Corantijn voedt, Suriname van Brazilië. De zuidelijke grens tusschen 550 en 56° Westerlengte van Greenwich is echter niet nauwkeurig bekend.

De Corantijnrivier bepaalt in het westen de grens tusschen Suriname en Engelsch Guyana nauwkeurig tot de Koning Frederik Willem IV-vallen, op ongeveer 30 24\' N. B. Van af dat punt zuidwaarts tot het Acaraigebergte heerscht dezelfde onzekerheid als aan de Oostelijke grens, omdat ook hier nog niet beslist is welke de hoofdtak is van de Corantijn: de in bovengenoemde vallen uit het Z. en Oosten komende zijtak of wel de uit het Z. Z. W. komende in September 1872 door C. B. Brown F. G. S. ontdekte „nieuwe rivierquot;.

Blijken de Itanie, de hoofdtak van de Lawa en de uit het Z. en Oosten komende stroom de hoofdtak van de Corantijn te zijn en trekt men de zuidelijke grens gemiddeld over de parallel van 20 N. B., dan bevat Suriname eene oppervlakte van 146300 K. M.3 of 14,630,000 Hectaren.

Moeten daarentegen de Marowijne kreek en „de nieuwe rivierquot; worden beschouwd als de hoofdtakken van de Lawa en de Corantijn, dan bedraagt de oppervlakte der kolonie, met behoud van de zuidelijke grens op gemiddeld 20 N. B. 161.000 K. M.2 of 16.100.000 Hectaren.

-ocr page 10-

10

Er heerscht derhalve onzekerheid ten aanzien van eene oppervlakte van bijna anderhalf millioen Hectaren, gelijkstaande aan bijna de helft van de oppervlakte van Nederland, of van de gezamenlijke oppervlakte van de Nederlandsche provinciën Friesland, Drente, Overijsel, Gelderland en een deel van Utrecht of van Noord-Holland, Zuid-Holland, Zeeland, Noord-Brabant en Limburg.

De kolonie is thans, behalve de stad Paramaribo, verdeeld in 12 districten. In de handleiding behoorende bij bovengenoemde kaart, zijn de ligging van de bestaande plantages, met de soort van het hoofdproduct en van de voormalige en buiten cultuur zijnde plantages en kleine perceelen, aangegeven.

Bevolking. Volgens het Koloniale Verslag over 1897 bestond op Ulto. December 1897 de bevolking uit 67.767 personen, waaronder 766 Europeanen, waarbij niet begrepen zijn de Europeanen die bij het garnizoen, de zeemacht of op de koopvaardijvloot dienen. Hiervan waren 30 577 te Paramaribo gevestigd.

Landbouw. Op 1 Januari 1S98 waren 257.131 Hectaren ten behoeve van den landbouw in eigendom en in huur uitgegeven, waarvan slechts 15.654 in cultuur.

Er werden verkregen:

Suiker

District.

t/j

£3 2

lt;M

Muscovado

K.G.

Vacuum-pan K.G.

Melasse Liter.

Rum Liter.

Hectare

oppervl. waarvan de

oogst is verkregen.

Cottica...........

2

233-970

i-53i-77S

71.682

212.368

274.6

Ben. Commewijne.

2

7.127-685

1.218.318

483.382

871.665

Ben. Suriname ....

I

3SI-544

59 420

70.654

87.71

Nickerie..........

3

70.000

2.28O.OOO

20.690

234337

452.

Samen.....

8

303.970

I 1.32 I.OO4

1.370.110

1.000.741

1.685.9750

Gemiddeld bedroeg alzoo de productie suiker per Hectare 6895 K.G.

-ocr page 11-

11

O

O

vO

XTi

uanpruA -piBv

10 t-»

to

O ro

ro , O

O 1

I 0

0

1 O

co

N

r^.

O

cgt;

M

o

10

(sreiv) jl

uajo^j

vO O 10

•U950US0^0^ j-BJUBV

O ro

O

CJ ci

2Q

00 lt;gt;

oo

O O ro ro O

O O

r^

CO

lO

O

O

IT) Cs

r—

Ü

O

O

gt;-*

lO

co

O

m

to

rf

to

Ü

ro

OO

O

O

r-^

O

O

CO

O

►H

CH

vO

lO

lO

00

IO O

CO vO vO

r^.

O O0

O

vO O

co O

co

CO

CO T}-co

O

Cv

O

co

CV

vo i-i

CO

M

CO O

W

O

Tl-O

Ti-

Tj-

vO

lO N

lO

lO

lO

lO r-

vo

CJ

Cv

lO

\\o

O

CO O

co

co

O

O

■^

O lO

vO

CO

Cv

co

M

O

Cv vO

Cv

lO

r^»

O

lO Cl

CO N

to

O «O

•quot;3-

iO

lO

CO

00

Tj-r^.

Cv

Tf

w

co

t—•

Cv

lO

Cv CO

M

CO

t^. »-«

lO

co

co

M

TJquot;

CO r^.

C

lt;y

c

c3 C cö

O

w

ü lt;£ o

O o

c3 O rt O

•sagEjuBid JBJUBV

rt u O ci

s

Cj t-l rt \'Jl

G

lt;D

G

O »-( O

U

gt; O

O

rt •*-»

O

CJ

(V

O

J2

r zr*

(V

O

S

s

£

s

o

O

U

U

gt;

c

o

D

o

£

£

rt

rt

.5

Cj

u

\'C

ci

£H

c

G

gt;

agt;

QJ

o

PQ

PQ

23

ci

Vh

rt

-ocr page 12-

12

Cacao en andere

producten van voormalige plantages

die

vroegere plantages thans in

kleine perceelen gesplits:

en

arbeiders en

immigranten of aan hen verhuurd.

ü

to C

- c ü

ci u D

Trossen.

c

--—^ ^

c

0

District.

§ S £ 0

Il ë

a lt;

Cacao. K.G.

Koffie. K.G.

Bananen.

Bacoves.

Aantal kokosnot

S c

d «

V

1-1

0

u

■v * u

rt lt;

Cottica..............

60

46.085

8.388

35-5i6

35-I35

5-0

Bov. Commewijne.....

133

29.I 72

2-i59-5

20.412

30.460

25-9

Ben. Commewijne.....

273

28.903

3-242

35-246

300

100

12.435

22.3

Ben. Suriname........

245

25.800

2.346

14.618

i5-54;

57-9

Ben. Para............

S51

6.168.5

125

7-35°

15.148

8.6

Bov. Suriname........

103

9-423.5

505

21.599

25.160

98.5

Bov. Para............

540

78.871.5

3.268

18.191

425

29,440

:4l-9

Bov. Saramacca.......

44

2.849

4-935

90

8.160

32-5

Ben. Saramacca.......

583

i93-095-5

195-419

I7S

121.301.;

49-5

Coronie..............

611

21.478

984

23.626

432 083

s-99!

23-7

Nickerie.............

191

87-139

2.001

21.086

14.68;

5-2

Marowijne............

11

i67

1.000

3

5

5

3345

528.990

23-9i5-5

398.165

990

432.183

3i4-471\':

571-9

3896 eigenaren en 4160 huurders van kleine perceelen, te

same

-ocr page 13-

13

DIE THANS MINDER DAN 25 H. A. IN CULTUUR HEBBEN; en kleine perceelen in eigendom behoorende aan creolen-

AGES plitsi

?S-I3i 50.460

12-435 [5-54i \'S-1 25.160 29.440 8.160 21.30\'

5-99! 14.6S i.000

14.471.

en, te

\'-N

rt

^ c

dquot; « OJ u O

Aardvruchten !

K.G.

.ïï, d £ W

Kokosolie L.

Copra K.G.

Lemmetjes H.L.

Lemmetjessap L.

Hout in geldswaarde.

Tabak.

Aanmerking.

5.020

ƒ 1.129

Uitgevoerd 2382 Ms.

25-935

600

„ 2.2 745

onbewerkt en □ be-

22.350

4.100

„ 2.411

hakt hout, ter waarde

57-995

3.420

39

,, 230

van ƒ 47.640 en 8.946

8.685

3I-253

K.G. letterhout ter

98.566

3^255

„ 17.007

25

waarde van ƒ1.342.

!4i.905

10.155

„ I9-5745

Deze hoeveelheid is

32-550

4.100

„ 816

voornamelijk door

49.560

37.990

— quot;

„ 428

boschnegers aange

23-785

M

00

4130

6160

voerd uit de binnen

5-225

11*350

landen.

375

a) Onder koren ver

staat men in de kolonie

57i-95i

134.223

1238

4130

39

6160

ƒ 43-870

25

Mais.

samen 8056 personen, beoefenden den kleinen landbouw.

I

-ocr page 14-

14

Behalve deze producten van den landbouw levert het boscb nog tal van gommen, harsen en oliën op, die echter bij gebrek aan bevolking ongeëxploiteerd blijven. Zoo maakt het koloniaal verslag over 1897 slechts melding van den uitvoer van 6485 K.G. kwassiehout, 84 K. G. tonkaboonen en 159,253 K. G. balata.

De winning van laatstgenoemd artikel, het gestolde melksap van de bolletrie (Sapota Mülleri Bleek.) is in de laatste jaren eene industrie geworden, die naar gelang van de stijging of daling der prijzen met meerdere of mindere energie wordt uitgeoefend.

In 1897 waren 32 concessiën verleend op eene gezamenlijke oppervlakte van 158,131.20 H. A. tot exploitatie van balata.

Tot het doen van onderzoek naar de aanwezigheid van balata werden 77 vergunningen verleend tot eene gezamenlijke oppervlakte van 3,514,786 Hectaren.

Sedert de aanwezigheid van goud in 1876 voldoende geconstateerd werd, is de ontginning daarvan onafgebroken voortgezet en wijzen de resultaten van af dien tijd op eene toenemende exploitatie,, waarvan schitterende resultaten worden verwacht.

Werd het goud tot nu toe verzameld uit de wasschingen der afzettingen in de kreeken, thans zijn op verschillende plaatsen goudhoudende kwartsriffen gevonden, wier exploitatie rijke voordeden beloven.

In 1897 werden kosteloos 45 vergunningen verleend tot het doen van onderzoek naar de aanwezigheid van delfstoffen in de-districten :

Saramacca op een oppervlakte van 800.000 H.A.

Nickerie „ „ „ „ 40.000 „

Marowijne „ „ „ „ 23.000 „

Suriname „ „ „ „ 20.000 „

te samen 883.000 H.A.

Het terrein gelegen tusschen de Suriname- en Marowijne rivieren,. aan de Mij. Suriname voor den tijd van 4 jaren kosteloos afgestaan tot het instellen van een geologisch en landbouwkundig onderzcek, werd volgens het verslag der Mij. voorloopig onderzocht met het oog op aanleg van een stoomtramweg, te loopen van Paramaribo-door de goudstreek tusschen de Saramacca- en Suriname-rivieren en verder langs de Sara kreek naar de Tapanahonij.

Voorloopig is het onderzoek bekroond met het vinden van goudhoudende kreeker, wier exploitatie uitzicht geven op goede winsten.

-ocr page 15-

15

exploitatie waren uitgegeven :

Aantal concessiën.

District.

Hectaren.

93

Suriname.

33-113-2566

44

Saramacca.

105.423.85

20

Marowijne.

11.300.625

12

Lawa.

6.378.40

te zamen 169

Hernieuwde concessiën.

156.216.1316

Aantal concessiën.

District.

Hectaren.

96

Suriname.

103.292.3850

40

Saramacca.

31.878.47

12

Marowijne.

13.850

13

Lawa.

85-687.3750

te zamen i6r

234.708.23

In het geheel alzoo 330 concessiën op eene oppervlakte van 390.9243616 Hectaren.

De hoeveelheid goud in 1897 gevonden bedroeg in de terreinen aan of in de nabijheid van de

boven Suriname............. 434661.1 gram.

Saramacca............ 135.492 „

Marowijne............ 82.950.8 „

Lawa................ 250.020.2 „

903.124.1 gram.

De waarde van het uitgevoerde goud van den aanvang der industrie in 1876 tot en met 1897 bedraagt ƒ 21.872.450.08.

Uit deze gegevens blijkt dat de belangstelling welke in Nederland van lieverlede voor Suriname toeneemt, volkomen gerechtvaardigd is, daar niet alleen de rijkdom aan goud en andere mineralen een bron van groote winsten kan opleveren, maar vooral de vruchtbare bodem bij vermeerdering der werkkrachten en goede exploitatie, de daartoe bestede kapitalen goede rente zal doen afwerpen.

\'s-Gravenhage, Juni 1S99. VV. L. Loth.

-ocr page 16-

WIJ GAAN VOORUIT!

Wie met eenige belangstelling de geschiedenis van Suriname gedurende het laatste tienjarig tijdperk _ heeft gevolgd, zal de quot;bovenstaande woorden moeten onderschrijven.

Wij gaan vooruit, in waardeering van deze schoone kolonie, zoolang miskend en louter als een lastpost beschouwd; in het streven onze kennis omtrent land, volk, voortbrengselen te vermeerderen ; in zucht tot het verkenen van steun ter ontwikkeling van de bronnen der te langzaam ontkiemende welvaart.

Hoe gebrekkig evenwel is nog deze kennis.

Moet niet een gevoel van schaamte den Nederlander bekruipen, als hij zijn blik laat rusten op die groote, zwarte vlek, ruim 90 % van het totaal gebied der kolonie, op de kaart aangeduid als „onbekende wildernisop het V968 deel der geheele oppervlakte, dat thans in cultuur is gebracht!

Welke stroomen hun oorsprong nemen op onbekende bergen en hoogvlakten daar in het binnenland; welke schatten er verborgen liggen in den bodem; welke producten, welke natuurwonderen er gevonden worden, wij weten van dat alles niets en twee en een halve eeuw lang hebben wij er zelfs niet naar getracht er iets van te weten.

Zal het thans anders, beter worden?

Er zijn verschijnselen welke duiden op eene verandering ten goede.

Nu de aanvankelijk goed geslaagde arbeid der „Maatschappij Surinamequot; bovendien bewezen heeft dat het klimaat geen beletsel behoeft te zijn voor ondernemingen, welke zich de exploratie van het binnenland ten doel stellen, mag men verwachten dat anderen zich aangemoedigd zullen voelen het door haar gegeven voorbeeld te volgen en het onderzoek van andere streken van Suriname ondernomen zal worden, zoo ter vermeerdering onzer wetenschappelijke kennis, als om nieuwe bronnen van welvaart op te sporen.

Wat wij er van weten wettigt de overtuiging, dat het achterland van Suriname rijk is aan goud en andere metalen, aan kostbare houtsoorten, balata en andere boschproducten; gegronde ver-

-ocr page 17-

17

wachting omtrent het welslagen eener degelijk voorbereide en toegeruste onderneming mag dus worden gekoesterd.

Daarom de hand aan de ploeg geslagen, in het belang der kolonie, in het belang ook van het moederland dat mede de vruchten plukt van de welvaart zijner overzeesche bezittingen, maar bovenal om op te houden de eer van den naam van Nederland, welke niet duldt dat vreemdelingen zullen doen en tot stand brengen wat wij verzuimden.

Deze tentoonstelling zal daartoe krachtig kunnen medewerken. Zij zal er toe kunnen bijdragen aan Suriname te geven wat het in de eerste plaats behoeft van de zijde van het Moederland: den steun van intellect en kapitaal, en langs dien weg een werkzaam middel blijken ter meerdere ontwikkeling, tot verhoogden vooruitgang van Suriname.

Glück auf!

\'s-Gravenhage, Juni 1899. Pvttersen.

-ocr page 18-

DE BODEM

VAN

NEDERLANDSCH WEST-INDIE

Bij het telkens weder vernemen van nieuwe concessies voor het ontginnen van goud in de kolonie Suriname, zal menigeen wellicht niet vermoeden, dat wij aangaande de verspreiding van de formatie, die als de primaire ligplaats van het goud in de kolonie moet beschouwd worden, nog zeer weinig weten en dat men dus in de meeste gevallen omtrent de waarde van de aangevraagde terreinen geheel in het onzekere verkeert.

Een herinnering aan het beschamende feit, dat van de mil-lioenen, die de West-Indische bodem reeds aan phosphaat heeft opgebracht, slechts een zeer klein gedeelte aan die kolonie zelve en aan Nederland ten goede is gekomen, doet, in verband met den ontegenzeglijk grooten goudrijkdom van Suriname, onwillekeurig de vraag rijzen: zijn in Nederland de oogen nog niet open gegaan, heeft Nederland niet reeds genoeg geboet voor het verzuim, dat het gepleegd heeft, door geen belang te stellen in de gesteldheid van den bodem zijner koloniën in de West? Terwijl toch de Fransche en Engelsche Regeeringen in de aan Nederlandsch-Guyana grenzende koloniën reeds aanzienlijke sommen aan het geologisch onderzoek besteed hebben en. terwijl vooral Engeland reeds heeft ondervonden, dat deze sommen niet veel beteekenden, vergeleken met de middellijke en onmiddellijke voordcelen, die er uit zijn voortgevloeid, toch heeft Nederland nog steeds in een rustig afwachten volhard en geduld, dat door wetenschappelijke genootschappen of door partikulieren gelden voor geologische onderzoekinge.i in West-Indië werden besteed.

Het is zeker geen gemakkelijke taak, die van mij gevraagd werd, om, in enkele bladzijden, voor leeken een kort overzicht te geven van hetgeen door bedoelde onderzoekingen in Suriname reeds aan het licht is gebracht, en het zal dan ook slechts mijn streven kunnen zijn, om in hoofdtrekken een algemeen beeld te geven van de geologische gesteldheid dier landstreek en het belang van een stelselmatig geologisch onderzoek van haren bodem voor de ontwikkeling en den bloei onzer West-Indische bezittingen in het licht te stellen.

Hetgeen aangaande de geologie van Nederlandsch-Guyana

-ocr page 19-

19

bekend is geworden, bepaalde zich tot voor korten tijd nog tot de mededeelingen, die door den Leidschen Hoogleeraar K. Martin over zijne reis langs de Suriname-rivier in het licht zijn gegeven •) en waarin deze schrijver, mede in verband met de berichten van Dr. Schomburgk, Dr. Voltz en Dr. H. ten Kate over het westelijk deel der kolonie, een schets van de vermoedelijke verspreiding der verschillende formaties over ons geheele gebied heeft trachten te ontwerpen.

Korten tijd geleden werd onze kennis van Suriname verrijkt met de uitkomsten van drie reizen, door den Districts-commissaris van Nickerie, den heer C. van Drimmelen, langs de Boven-Nickerie2), de Maratakka, (zijrivier van de Nickerie) en de Kabalebo (zijrivier van de Corantijn) s) gedaan, en waarvan de gronden en steensoorten, benevens kaart en photographiëën, op deze Tentoonstelling door mij zijn ingezonden.

Wegens de ondoordringbare vegetatie kunnen bij eene korte orienteeringsreis slechts de rivierdalen aangaande de geologische gesteldheid van het land licht verschaffen.

Eene vergelijkende studie van de beddingen der talrijke Suriname van Z. naar N. (in de bovengedeelten van Z.W. naar naar N.O.) doorsnijdende rivieren, zal ons evenwel een algemeen overzicht kunnen geven van de verspreiding der verschillende vormingen in dat gebied. Dat dezelfde opeenvolging der formaties, die Martin bij bevaring der Suriname heeft aangetoond, ook in de overige rivierdalen van Suriname wederkeert en dat van de kust zuidwaarts het land binnendringende een viertal formaties strooksgewijs op elkander volgen, kan niet meer betwijfeld worden.

De rij wordt geopend door een breede alluviale kuststreek, die van O. naar W. belangrijk in breedte toeneemt en die uit de afzettingen van de zee en de rivieren gevormd zijn, wier grens moeilijk te bepalen is. Deze streek is opgebouwd uit klei, geel en blauw leem en fijner of grover kwartszand, waarvan de korrels veelal door bruinijzererts aan elkaar gebakken zijn en alzoo een zandsteen vormen. Van deze gronden, die de tot afzetting gekomen verweringsproducten van de hooger op ontwikkelde gesteenten (graniet, diabaas, kristallijne schiefers) zijn, kan men monsters in de ingezonden verzamelingen zien.

Zoodanige afzettingen stellen ook de terrasvormige oevers van den midden- en bovenloop der rivieren samen, en kunnen hier,

\') Bericht über eine Reise nacli Niederlandisch West-Indien und darauf gegründeten Studiën, mit 4 Karten, zahlreichen Tafeln und Holzschnilten. 11 Geologie. Leiden, Brill. 1S88.

3) De Boven-Nickerie, onderzocht en in kaart gebracht door C. van Drimmelen, en naar diens verslag en bijeengebrachte gronden en gesteenten be-chrcven door Dr. H. van Cappelle. (Tijdschrift v. h. Kon. Ned. Aardrijksk. Gen. Jaargang 1899, Afl. I) met I kaart.

■\') De uitkomsten dezer beide tochten zullen binnenkort door mij gepubliceerd worden.

-ocr page 20-

20

wegens de menigvuldige opstuwingen van het water en wegens de groote hoeveelheid medegevoerd steengruis, een aanzienlijke dikte bereiken.

Behalve deze alluviale gronden speelt porseleinaarde ofkaolinr nu eens op primaire ligplaats (dan onzuiver), dan weer van de vormingsplaatsen weggespoeld, als verweringsproduct van graniet een groote rol, terwijl het heuvelachtig savannegebied zijn ontstaan aan de kwartskorrels dezer granieten te danken heeft.

Tot het alluvium moeten ook de talrijke opgeheven oeverwallen of de zoogenaamde schulpritsen gerekend worden, die, ongeveer evenwijdig aan de kust, ver landwaarts in zich uitstrekken.

De zooeven genoemde savannen van kwartszand behooren reeds tot de tweede strook of het eerste granietgebied, een gesteente, dat hier en daar, als dammen in de rivier te voorschijn komt (vooral in den drogen tijd) en stroomversnellingen te voorschijn roept, doch waarvan in dit gebied in hoofdzaak slechts de verweringsproducten: kwartszand, leem, klei (kaolin) en ijzerhoudende zandsteen aan de oppervlakte komen.

Talrijke verscheidenheden van graniet, nu eens in gneiss, dan weder in syeniet overgaande, zijn reeds uit Suriname beschreven en in de ingezonden collectiën vertegenwoordigd. Behalve graniet komt in dit gebied een ander vulkanisch gesteente voor, nl. diabaas, dat later in eruptie gekomen is en zoowel door de graniet als door dc gesteenten van de volgende strook, het schiefer-gebied, heengebroken is. Deze derde strook, uit kristallijne schiefers opgebouwd, welke door gneiss, chlorietschiefer, glimmer-schiefer, kwartsietschiefer en kwartsiet vertegenwoordigd worden en doorgaans steil opgericht zijn, is daarom van belang, omdat zij goudvoerende gangen bevat en als de formatie beschouwd moet worden, waaruit, evenals in Brazilië, het goud afkomstig is. Dat een nauwkeurig onderzoek naar de verspreiding dezer formatie in de kolonie van zeer groot belang zou zijn en dat de plaatsen, waarin in het alluvium vermoedelijk goud zou te vinden zijn, daardoor als van zelf zouden zijn aangewezen, behoeft geen nader betoog. Graniet, dat zich als dek over de schiefer schijnt te hebben uitgebreid, vormt weder de vierde strook, welke in het dal der Suriname bij den Diëtival begint.

Blijkt dus de geologische bouw van Nederlandsch-Guyana zeer eenvoudig te zijn, in het westen, in het gebied der Corantijn treedt in zoover eenige complicatie op door het van uit de Britsche Kolonie overgaan eener zandsteenformatie, die volgens Martin naar analogie met hetgeen in Venezuela bekend is, tot het krijt behoort.

Door de aanzienlijke verwering, waaraan de gesteenten van tropische landen, ook die van Suriname, blootstaan, en waardoor een aantal gesteenten, vooral diabaas en schiefers, met een. onder den naam van lateriet (later is baksteen) bekend, ijzerrijk en leemachtig verweringsproduct bedekt zijn, is het verzamelen

-ocr page 21-

21

van handstukken van het oorspronkelijk gesteente niet gemakkelijk, en in het algemeen de studie van de geologie van het tusschen de rivierdalen gelegen, met dicht oerwoud bedekt gebied, aan groote bezwaren verbonden. Door deze verwering werd ook de merkwaardige, als gepotlood ijzer uitziende, korst gevormd, die vooral de diabaas- en schiefergesteenten bezitten en die bijna geheel uit mangaan (Mn. 02) bestaat.

Van de bovengenoemde formaties schijnt dus de oude of archaeische schieferformatie als primaire ligplaats van goud de belangrijkste te zijn, terwijl de aan ijzer rijke laterieten van het diabaas- en schiefergebied, wellicht met ijzerertsen uit de schiefers {volgens Martin) een niet minder gewichtige rol in de kolonie zullen kunnen spelen.

Dat ook nog andere ertsen in deze formatie voorkomen, is in het minst niet twijfelachtig: bij Carolina aan de Surinamerivier schijnen rolsteenen van loodglans niet zeldzaam te zijn, terwijl titaanhoudend magneetijzer, nevens eenig ingesprenkeld goud, in vrij aanzienlijke hoeveelheid in de kwartsschiefer-rolsteentjes van de Boven-Nickerie en in een kwartsrolsteen beneden de Avana-veroval (Kabalebo) is ingesloten.

Voeg ik hier nog bij, dat het zand van het Savannegebied en de in de kolonie zoozeer verspreide kaolin voor glas- en porcelein-fabricage zou kunnen gebezigd worden, dan staat voldoende vast, dat Suriname in haren bodem schatten verborgen houdt, welke die kolonie tot grooten bloei zouden kunnen brengen.

Wat nu de geologische bouw van de eilanden Curasao, Aruba, Bonaire enz. betreft, die als afgebroken stukken van het Zuid-Amerikaansche vasteland moeten beschouwd worden, zoo weten wij uit de studiën van den Hoogleeraar Martin, dat zoowel op Curagao als op Aruba diabaas zeer verspreid voorkomt; dat dit gesteente op Curagao door een gordel van krijtkalk omgeven is, terwijl het op Aruba door groenschiefers of hoornblendeschiefer is heengebroken, die het centrum van het eiland inneemt.

Op beide eilanden worden de genoemde gesteenten door een gordel van oudere kwartaire koraalkalken, en deze weder door jongere rifkalken, alluvium en duinen omgeven. Deze oude rif-kalken hebben de bekende phosphoriet opgeleverd, die als gemetamorphoseerde rifkalk moet beschouwd worden.

De millioenen, die deze phosphorieten hebben opgebracht, en die wegens de onverschilligheid van Nederland jegens de West-Indische Koloniën, grootendeels door Engelschen weggehaald zijn, kunnen ons tot leering strekken.

Moge ook Nederland eenmaal tot het besef komen, dat de beteekenis eener kolonie eerst dan goed beoordeeld kan worden, wanneer men haar bodemgesteldheid nauwkeurig kent, en moge deze West-Indische Tentoonstelling tot de vestiging dezer overtuiging krachtig medewerken!

Wageningen, Juni 1S99. Dr. H. van Cappelle.

-ocr page 22-

IETS OVER HET KLIMAAT VAN SURINAME

Wat uiterlijken vorm aangaat, hebben Noord-Amerika, Afrika en Zuid-Amerika veel punten van overeenkomst; deze drie continenten loopen alle naar het zuiden spits toe, vormen, als het ware, driehoeken, waarvan de top naar het zuiden gekeerd is; bovendien bezitten ze in het Westen gebergten, die voor de eigenaardigheden van het klimaat van groote beteekenis zijn.

Maar deze bergen vormen in Zuid-Amerika een veel sterker uitgesproken keten dan in de beide andere werelddeelen, van welke Afrika deze eigenaardigheid der verticale doorsnede het minst vertoont. In de Andes bezit Zuid-Amerika in he\' Westen een onafgebroken hoogen muur, die een scherpe grens tusschen de klimaten aan weerszijden trekt.

Het grootste verschil, wat ligging aangaat, wordt echter opgemerkt, wanneer men nagaat in welke aardgordels de drie genoemde vastelanden hunne grootste uitgebreidheid vertoonen; het breedste gedeelte van Noord-Amerika ligt in de koude en gematigde; dat van Afrika in de gematigde en verzengde luchtstreek, terwijl Zuid-Amerika om den aequator heen zijne grootste afmetingen in de breedte vertoont. Noord-Amerika reikt met zijn Zuidelijke spits even in de tropische zone van het Noordelijk halfrond, terwijl Afrika in de Zuidelijke gematigde luchtstreek dringt en Zuid-Amerika bijna het antarktisch gebied raakt.

Tengevolge van deze ligging heeft het geheele westelijk gedeelte van Zuid-Amerika, op een klein kustgebied na, een bergklimaat en onderscheidt zich hierdoor duidelijk van het Oosten, dat door geen gebergten van beteekenis aan den invloed van den warmen Oostpassaat onttrokken is, en dus tot aan de oostelijke berghellingen der Andes door overvloedige regens bezocht wordt.

Daarentegen vertoont de Westkust van Zuid-Amerika een strook van buitengewone droogte, die reeds nabij den aequator begint en waaraan zich binnenwaarts een droog hoogvlakklimaat aansluit, dat echter nog altijd veel beter van water voorzien is dan het lage kustgebied.

-ocr page 23-

23

Bij gebrek aan regelmatige waarnemingen, is omtrent de verdeeling van luchtdrukking en wind in Zuid-Amerika nog weinig bekend. In het westelijk gedeelte staat de wind grootendeels onder den invloed van lokale omstandigheden, terwijl Let vlakke oostelijk gedeelte geheel door de Oostpassaat-strooming beheerscht wordt.

Meer in \'t bijzonder het klimaat van Guyana beschouwende, is men verrast door de bijzonder gelijkmatige hooge temperatuur gedurende het geheele jaar, aan het kustgebied, gepaard gaande met eene even weinig veranderlijke en hooge vochtigheid met overvloedigen neerslag (regen), zonder een duidelijk sprekend droog jaargetijde. De regenval vertoont twee maxima, het eerste in December en Januari, het tweede in Mei en Juni, in welke laatste maanden de meeste regen valt. September en October zijn de droogste maanden, terwijl het vroege voorjaar een tweede kleinere droogte-periode vertoont.

A. Kappler, die 43 jaren in Nederlandsch Guyana of Suriname heeft doorgebracht, beschrijft het klimaat als volgt;

„De wind komt bestendig uit het Oosten ; in de eerste maanden heeft hij eene noordelijker, in de groote regentijden eene zuidelijker richting. Tijdens het droge seizoen heerscht meestal windstilte tot tegen den namiddag; dan steekt de zeewind op, die de hitte snel doet afnemen en tot 9 of 11 uur \'s avonds aanhoudt. Westelijke winden zijn uiterst zeldzaam en duren niet langer dan eenige uren. Orkanen, die op de Antillen zoo menigvuldig zijn, komen in Suriname niet voor.

„Men onderscheidt vier jaargetijden, den grooten en den kleinen regentijd en het groote en kleine droge seizoen. De kleine regentijd begint gewoonlijk medio November; zware regenbuien, die dikwijls een dag en een nacht aanhouden, volgen elkander snel op, doen de kreeken en rivieren wassen, en de plantengroei verkrijgt een frisch aanzien. In dit jaargetijde waaien sterke winden en de zee is in heftiger beweging dan gewoonlijk.

„Tegen het midden of het einde van Februari hebben de regens opgehouden; vele vruchten worden rijp en zoo is deze tijd, die tot in April duurt, en dien men het kleine droge seizoen noemt, hierdoor en tengevolge der frissche winden, de aangenaamste van het jaar.

„Daarop volgt de groote regentijd, die van het midden van April tot \'t begin van Augustus duurt.

„Zware stortregens, zooals men ze in Europa niet kent, vallen dikwijls meer dan eens per dag; lichtere landregens houden ook wel aan. maar zelden een dag lang; al het lage land wordt overstroomd, de rivieren van hooger gelegen terreinen treden buiten hare oevers en vele vlakten worden herschapen in meren, die met groote roeibooten worden bevaren; riviervisschen trekken de ondergeloopen bosschen in en doen zich te goed aan vruchten en sappige bessen.

-ocr page 24-

24

„In het binnenland, waar de oevers steil en bergachtig zijn kan het verschil in waterstand van den regentijd tot den droogsten tijd to—13 meter bedragen. Tegen het midden van Juli nemen de regenbuien af en vallen nog slechts op bepaalde uren des daags en des nachts.

„Zware onweders kondigen het begin van het droge seizoen aan; de rivieren trekken zich in hunne beddingen terug; haar snelle stroom neemt af en is weder beneden de eerste watervallen, die 15—20 uren hemelsbreed van de zee verwijderd zijn, van vloed en eb afhankelijk; de moerassen drogen uit en bij bepaalde windrichtingen brengen de daaruit ontstaande uitdampingen koorts en andere ziekten voort, die nooit over het geheele land maar slechts plaatselijk heerschen; Augustus en September zijn daarom voor den pas aankomenden vreemdeling niet zonder gevaar.

„In het binnenland komt slechts één regentijd voor.quot;

Bovenstaande opmerkingen zijn overgenomen uit de twee meest bekende werken over Klimatologie, nl. die van Prof. Dr. Julius Hann en van Prof. Dr. A. Woeikof, de eerste te Weenen, de tweede te Petersburg. Niet onbelangrijk is het nu na te gaan in hoeverre die beweringen overeenkomen met de uitkomsten der waarnemingen, die gedurende eene reeks van jaren, voor-namenlijk door de H.H. C. J. Hering, ambtenaar der belastingen en Dr. Bresser, militair apotheker, verricht en aan het Koninklijk Nederlandsch Meteorologisch Instituut toegezonden zijn.

Onderstaand tabelletje geeft de gemiddelde temperatuur voor \'s morgens 7, \'s middags 2 en \'s avonds 9 ure aan voor elke maand. Bovendien nog de gemiddelde hoogste en laagste temperaturen, die men in die maand verwachten kan. Deze getallen zijn opgemaakt uit de waarnemingsreeksen van 24 jaren. De hoogste temperatuur in dien tijd waargenomen bedroeg 35.5° C., de laagste 17.8° C.

Uit de tabel blijkt, dat het gezegde omtrent den regenval geheel met de waarnemingen overeenkomt; de natste maand is Mei met 286.6 millimeters regen, de droogste October met slechts 51.4 m.m. Bepaald droog, naar Europeesche begrippen, is het weer nooit in Suriname, want b. v. in Nederland, dat niet om zijn droogte bekend staat, bedraagt de regenval in April, wanneer de minste regen valt, gemiddeld slechts 37.9 m.m.

De grootste hoeveelheid water in één etmaal in Suriname gevallen bedroeg in de jaren, waarvoor bovenstaande getallen gelden, 189.99 m.m., den 30 Augustus 1890, dus zooveel als in Nederland bijna nooit in eene geheele maand wordt waargenomen.

-ocr page 25-

25

Temperatuur en Regen in Suriname. 1868—1896.

Temperatuur 0 C.

Regen. m. m.

Maanden.

Morgen

7 u.

Middag 2 u.

Avond. 9 u.

Max.

Min.

Januari......

24-5

27.6

25.2

30*4

20.8

243\'9

Februari.....

24.6

27 6

25.2

30-5

20.4

183.9

Maart........

25-1

28.2

25.6

31-0

20.8

I73-5

April.........

25-5

28.4

23-8

3I-3

21-3

207.4

Mei.........

25-5

28-5

2S-7

32.0

21.9

286.6

Juni.........

25.4

28.9

25.8

32-3

22.0

262.4

Juli..........

25.4

29.6

25.8

32-6

21.6

205-8

Augustus.....

25.8

30*3

26.3

33-5

21.9

145.6

September....

25-9

30.8

26.7

33-9

22.0

63.0

October......

25.8

30.7

26.7

34-0

21.6

S1^

November. . . .

25-5

29.9

2 6.3

33-4

21.6

108.6

December. ...

24.7

28.4

25.6

32.1

20.6

218.7

Jaar .....

25-3

29.1

25-9

32-3

21.4

Ul

O

00

de BiUt, Juli 1899. Dr. Maurits Snellen.

-ocr page 26-

ONZE WEST-INDISCHE EILANDEN

bestaan uit Curagao, Bonaire, Aruba, St. Martin (gedeeltelijk Engelsch), St. Eustatius en Saba. en beslaan eene oppervlakte van 20.5 vierkante geographische mijlen.

Zij vormen te zamen één gouvernement onder den Gouverneur van „Curagao en onderhoorighedenquot;, terwijl op elk der onder-hoorigheden de gouverneur vertegenwoordigd wordt door een gezaghebber. De Gouverneur wordt ter zijde gestaan door — en is de Voorzitter van —- den Kolonialen Raad, waarvan de leden benoemd worden door H.M. de Koningin, op voordracht van den Gouverneur.

Onze West-Indische bezittingen liggen ten noorden van de republiek Venezuela, in de Caraibische zee.

Curagao is door de Kon. W.-I. Maildienst in directe verbinding met het Moederland en door Engelsche en Franscke stoomers met overig Europa; terwijl eene drukke, zeer goed ingerichte lijn, de „Red D. lijnquot;, de verbinding met New-York onderhoudt..

Kleine schoeners varen steeds heen en weder tusschen Curagao en de overige eilanden. De transito handel is op Curagao levendig, en daar Curagao, noch de overige eilanden, aan zelfs de noodzakelijkste levensbehoeften der bevolking kunnen voldoen, moet er veel ingevoerd worden.

Uit Amerika wordt ingevoerd: mais, meel, gezouten vleesch en visch, geconserveerde vleezen en groenten. Naar Amerika wordt uitgevoerd zout en huiden.

Dividivi, aloë en huiden, zoo ook een gedeelte zout, worden naar Europa uitgevoerd.

Zeer belangrijk voor Curagao en Aruba is nog de exploitatie van de phosphorzure kalklagen en ook voor Bonaire en St. Martin alsnog de zouthandel.

Nog kan de aandacht gevestigd worden op de Pindas (Cura-gaosche amandelen)- productie en op die der oranje-schillen op Curagao en St. Martin.

Aan vruchten zijn de West-Indische eilanden arm, slechts kunnen genoemd worden de zuurzak (het sap wordt wel gebruikt als geneesmiddel bij gele koorts) de mispel (eene heerlijke saprijke vrucht, zeer verschillend met de Hollandsche), de manga, de pisang en de banaan, zoete petatten en de jamswortel.

Tot de rankvruchten behooren de pompoen (een voornaam voedingsmiddel), de meloen en de watermeloen.

-ocr page 27-

27

Europeesche groenten worden met zeer veel moeite en kosten geteeld op de dorre bodems onzer West-Indische eilanden.

Daarentegen teelt er welig de gigamba, als soep en als groente nog al smakelijk, de lange kalebassen, de roede zuring. Vijgen, druiven, schubappels, granaatappels, eischen veel zorg.

Gemakkelijker groeit er de gujave, waarvan eene heerlijke gelei gemaakt wordt.

De bodem van Curasao is rotsachtig, bedekt met eene laag tuinaarde, aan de kuststreken van sterk zoutgehalte. Sommigen beweren dat Curasao van vulcanischen oorsprong is, anderen weder dat Curagao op eenen koraalbodem rust.

De haven biedt eene veilige ligplaats voor zelfs zeer groote stoomers, vooral het daarachter gelegen Schottegat.

De nijverheid heeft geen hoogen trap bereikt, door de weinige hulpmiddelen en het gebrek aan energie der negerbevolking en door de omstandigheid dat alles handel en nog eens handel is.

Enkele kleine werven kwijnen en meubelmakers werken alleen om in de behoefte der bevolking te voorzien.

Een groote toekomst belooft Curagao voor den transito-handel, met de prachtige haven en wanneer eenmaal het Panama-kanaal gereed en geopend is.

In het Dagblad van Zuid-Holland en \'j Gravenhagc van 15 Juni j.1. 2e blad, heeft een Curagaonaar zeer te recht eenige hartelijke woorden gewijd aan dit stiefkind van Nederland.

Wij erkennen met den schrijver dat het diep bedroevend is, dien treurigen toestand van onze West-Indische koloniën steeds te zien voortduren en verergeren ; in het hiervoren genoemd artikel wordt beweerd dat vele Curagaonaars hunne blikken naar eene vreemde mogendheid wenden, in de hoop door die mogendheid uit het verval en den toestand van armoede opgeheven te worden.

Kunnen wij dat zelf niet doen ? Zou het zoo veel kosten ? Kunnen wij dan zelf er geene voordeden uit trekken ?

Curagao bezit stellig rijke pbosphorzure kalklagen en wellicht ook andere kostbare producten.

Groote binnenwateren, met onbeschaduwde en goed aan de zon blootgestelde stranden, bieden uitstekende gelegenheid tot het aanleggen van uitgestrekte zoutpannen.

Houtaanplant op groote schaal zoude zeer ten dienste komen, ter bevordering van den regenval. Stelselmatig worden de groote bosschen weggekapt, deels voor timmer-, maar voor het grootste gedeelte voor brandhout en om tot houtskool gebrand te worden. Het is overbekend dat niets den regenval zoo doet verminderen als het opruimen van bosschen. (Zeer belangrijk is hetgeen J.W. H. Cordes daarover schrijft in De Indische Gids van juni 18SS.)

Men bevordere b. v. den aanvoer van brandhout uit Suriname

-ocr page 28-

28

naar Curagao en onderhoorigheden en verhindere zooveel mogelijk den houtaankap op de eilanden.

Zelfs dividiviboomen worden vaak omgekapt ter verkrijging van goed brandhout, en de dividivi is nog wel een van de enkele producten van Curagao en de overige eilanden, die met vrucht en zeer weinig zorg te verbouwen zijn.

Ook kunnen jonge boomen gemakkelijk uit Suriname aangevoerd worden en menig arm Curagaonaar zal zich met hart en ziel op de boschcultuur toeleggen.

Eene andere en veelbelovende cultuur beschrijft de heer J. H. J. Hamelberg in het tweede jaarlijksche verslag van het Geschied-iTaal- Land- en Volkenkundig genootschap, gevestigd te Willemstad, Curagao. Men neme proeven met de daar bedoelde „Sisal-cultuurquot; •en Curagaosche „Pitaquot;, („Agavequot; en „Furcraeaquot;), welke laatste hier en daar gekweekt wordt en op zeer dorren bodem groeit. Eenige soorten van dit plantengeslacht moeten in Yucatan en op de Bahama-eilanden goed voldoen voor de touvvindustrie.

L. A. Ferguson.

Haarlem, Juni 1899.

-ocr page 29-

DE BEWONERS VAN NEDERLANDSCH WEST-INDIË.

Niet door de gedaante of uitgestrektheid van een land, door verschillen met het onze, als in klimaat, of door afwijkingen in de planten- en dierenwereld is het, dat wij in een land het meeste belang stellen; in de eerste plaats geschiedt dit door de menschen die wij er aantreffen. Moge eene vluchtige mededeeling over de bewoners van Nederlandsch West-Indië er toe bijbrengen om ook voor die gewesten onze belangstelling op te wekken.

In eene Nederlandsche volksplanting mogen wij verwachten dat eene blik op de maatschappij aldaar ons een stuk voor den geest roept van het leven en het zijn van onze voorouders; nog daarom te leerzamer, omdat wij van hen de daden en beweegredenen, ook de deugden en fouten, beter dan bij anderen hebben leeren onderscheiden. Suriname en Curagao zijn geen Nederlandsche volkplantingen in den eigenlijken zin van het woord; het zijn geen koloniën waar onze landgenooten zich blijvend hebben gevestigd en eene maatschappij hebben gevormd, gelijk of nagenoeg gelijkstaande met die in het moederland; maar toch, de oude Nederlanders hebben er hun geest voor een groot deel vastgeworteld; zij hebben er de leefwijze, de wetten en gewoonten bepaald en het is ons eigen bloed — zij het dan ook veelal niet onvermengd — dat wij in Nederlandsch West-Indië terugvinden.

Daarom staat de West ons zooveel nader dan de Oost; om die redenen zou men van Suriname min of meer als van een provincie van Nederland kunnen spreken en worden deze koloniën bestuurd naar de vrijgevige bepalingen van een regeeringsreglement, dat eerst in 1S65 de voorrechten heeft vervangen, die aan de kolonisten bij „fondamenteele conditiën van Hunne Hoogmogendenquot; meer dan twee eeuwen geleden waren verleend.

Het volgt echter niet uit het feit alleen, op Surinaamschen of Curagaoschen bodem te zijn geboren, dat de bewoners aldaar op rechten aanspraak geeft, zooals men die verschuldigd is aan hen die ons na staan. Een groot deel van de tegenwoordige bevolking behoort tot nog min of meer scherp van ons gescheiden vreemde rassen. Indianen, Afrikanen en Aziaten, bij wie, wanneer zij aan zich zelve werden overgelaten de teekenen van verwantschap^ voor zoover ze zijn ontstaan, spoedig zouden verdwijnen. Voor

-ocr page 30-

30

hen hebben de Nederlanders, hebben ook de Kleurlingen met Nederlandsch bloed in de aderen — de Indo-Bataven — eene verantwoordelijkheid te dragen; voor deze categorie hunner medeburgers moeten zij zijn, wat de Nederlander is voor den inboorling op Java: als het kan den leider, — den heerscher als het moet.

Wij zullen de verschillende groepen van bewoners in het kort nagaan.

In Suriname staat een gedeelte, de Indianen en de Boschnegers, nagenoeg buiten het maatschappelijk verband. De eerstgenoemden, de oorspronkelijke inwoners, houden zich in de kust- en savannen-streek op en behooren tot drie stammen: Arrowakken, Caraïben en Warouwen; met de Indianenstammen in het Zuiden van ons gebied, Acouris en Trios, werd door de Boschnegers totnogtoe alle aanraking belet. De bestuurszorg bepaalt zich voor de Indianen tot het uitdeelen van kleine geschenken aan hen die er om komen vragen, en in het hen gratis verschaffen van... doodkisten. Wij vermoeden dat deze opvoedende gaven gewoonlijk door de bedachten in jenever worden omgezet.

Omtrent het aantal en de woonplaatsen van de Indianen bestaan geene betrouwbare gegevens. De laatste officiëele mededeeling van hun aantal, in het Koloniaal Verslag van 1849, schijnt niet bijzonder juist te zijn geweest; hunne sterkte wordt daar als 800 opgegeven, terwijl volgens het Koloniaal Verslag van Suriname van 1898 alleen tot de Roomsch-Katholieke gemeente reeds 1446 Indianen behooren. !) De meermalen uitgesproken bewering dat deze Indianen zouden uitsterven schijnt dus niet op afdoende feiten gegrond te zijn.

De Boschnegers, de in vroeger tijden van de plantages gevluchte Negerslaven, die zich in het oerwoud wisten te handhaven, bestaan uit de hoofdstammen: Aucaners, Saramaccaners en Becoe en Moesinga; volgens de laatste officiëele opgaaf, het Koloniaal Verslag van 1849, respectievelijk 3800, 4500 en 350 zielen sterk; in een in 1898 uitgekomen werkje 3), worden zij evenwel op 4000, 3000, de Becoe en Moesinga, die Matoeari worden genoemd, op 600, en een vierden stam, de Koffimakka, op 400 personen geschat. De drie eerstgenoemde stammen zijn aan ons door tractaten verbonden; de opperhoofden ontvangen een jaargeld. Voor de goudindustrie (ladingvervoer) bewijzen de Boschnegers belangrijke diensten.

Zoowel onder de Indianen als onder de Boschnegers stellen de Hernhutter leeraars en de Paters Redemptoristen onvermoeide pogingen in het werk in het belang van den christelijken godsdienst en het onderwijs.

\') Bijlage E\', 110. S van genoemd verslag.

-) G. Burkhardt. Die Mission der Brtldergeraeine.

-ocr page 31-

31

Volgens het Koloniaal Verslag telt Suriname 67767 inwoners \'(die onder het maatschappelijk verband staan), onder wie 766 Europeanen M. Behalve voor eene, de categorie van immigranten lt;lie onder contract verbonden zijn, schijnen omtrent de verschillende groepen der bevolking verder geen officiëele gegevens te bestaan.

Voor hen die zich bij de door de Koloniale Verslagen gegeven mededeelingen moeten nederleggen, betreuren wij deze onvolledigheid ten hoogste, omdat wij meenen dat elk oordeel over de kolonie — en dit geldt vooral voor hen die over hare wetten ■en nooden moeten oordeelen — ondoenlijk is, wanneer men de door ons bedoelde groepen niet duidelijk weet te onderscheiden. Deze groepen zullen wij trachten aan te geven.

De Chineezen zijn overgebleven van hen die in 1S65 en later als arbeiders werden ingevoerd. Hun aantal is onbekend; naar onze schatting bedraagt dit een 400-tal. Zij spreken, behalve het Negerengelsch nog het Chineesch, doch het laat zich aanzien dal zij zich spoedig geheel met de Surinaamsche bevolking zullen vermengen. Een groot gedeelte behoort thans tot de Roomsch-Katholieke gemeente; 59 waren nog de leer van Confucius toegedaan.

De Javanen werden in 1S90, 1894 en 1S97 als arbeiders ingevoerd. Het aantal dat onder contract verbonden is bedraagt ■625; niet onder contract verbonden zijn er vermoedelijk slechts zeer enkelen. Na afloop van hun contract hoopt men dat meerderen zich in Suriname zullen vestigen. Voor zoover ons bekend, zijn het allen Mohammedanen.

De B r i t s c li-I n d i ë r s werden sedert 1S73 als arbeiders ingevoerd. Het aantal dat onder contract verbonden is bedraagt 5919; op de plantages gevestigd, doch niet onder contract verbonden, waren 4189 personen. Het aantal dat zich elders in de kolonie voor goed heeft gevestigd is onbekend; naar onze schatting bedraagt het 4000 personen. Wij meenen dat door de twee laatstgenoemde fractiën behalve de Hindostansche talen ook algemeen het Negerengelsch wordt gesproken. De Britsch-Indiërs zijn Hindoes of Mohammedanen, doch ook onder hen begint de zending hare werkzaamheden.

De Negers {Afrikanen) werden al sedert het ontstaan der kolonie tot in de eerste helft van deze eeuw als arbeiders ingevoerd uit Soedan, Guinea en de Congo. Hun aantal is onbekend doch bedraagt, naar zeer ruwe schatting, 36000; in

\') Wanneer dit niet uitdrukkelijk anders wordt vermeld, dau gelden de opgenoemde cijfers op 1 Januari 1898.

-ocr page 32-

32

1831, volgens Teenstra, 46845 zielen. Zij spreken het Neger-engelsch; velen verstaan en enkelen spreken ook Nederlandsch. Het grootste gedeelte behoort tot de Moravische Broedergemeente; verder behooren zij tot de Roomsch-Katholieke gemeente. Als landbouwers op een gehuurd of een eigen perceel land hebben zij het grootste aandeel in de productie van den zgn. kleinen landbouw; voor de goudindustrie zijn zij onmisbaar. In vele opzichten kan bij hen, sedert 1863, op groote vorderingen in beschaving worden gewezen.

Kleurlingen. {Indo-Bataven of Indo-Europeanen). Zij zijn hoofdzakelijk ontstaan uit de verbintenissen van Nederlanders, soms ook van Engelschen en Schotten, met Negers en Indianen en verdere vermenging met hunne afstammelingen. Aantal onbekend, naar zeer ruwe schatting 14000; in 1831 volgens Teenstra 7106 zielen. Mits voldoende gesteund, zijn zij voor de ontwikkeling van de kolonie een belangrijke factor. Niet alleen door hun bloedverwantschap, maar ook door taal, zeden en gewoonten kunnen zij de Nederlanders zeer na staan ; aan den anderen kant zijn zij volkomen vertrouwd met de taal en de behoeften van de Negerbevolking. Het ligt slechts aan de opvoeding en de omgeving waarin hij wordt gebracht dat de Kleurling naast den Nederlander zijn plaats kan innemen en zoowel in de kolonie als in Nederland belangrijke betrekkingen kan bekleeden.

Blanken. {Nederlanders, eigenlijk creolen en vreemdelingen). Van deze groep, waarvan de leiding uitgaat, zonder welke de maatschappij in Suriname tot stilstand of achteruitgang zou zijn gedoemd, is, hoe vreemd het ook schijne, slechts eene bepaalde fractie, de Israëlieten, voor goed in de kolonie gevestigd. Oudtijds als kolonisten uit Brazilië, en gedeeltelijk ook uit Necerland gekomen, had de kolonie veel aan hun vlijt te danken; vooral tengevolge van de emancipatie in 1863 nemen zij als kooplieden, winkeliers en ambtenaren in Suriname een zeer belangrijke plaats in. Zij wonen alleen te Paramaribo en leggen zich thans niet meer op den landbouw toe. Hun aantal bedraagt, naar de kerkgenootschappen gerekend, 1159 zielen.

Eigenlijke creolen, afstammelingen van Nederlanders van onvermengd bloed, vindt men in Suriname bijna niet; van de Neder-landsche boeren (kolonisatieproet van 1852) zijn ongeveer honderdtachtig afstammelingen (blanken en kleurlingen) aanwezig.

De overige Nederlanders (aantal onbekend, doch naar schatting 600 personen) vormen in Suriname eene vlottende- bevolking; duurzame vestiging zonder vermenging met de andere inwoners van het land schijnt voor ons wel niet mogelijk te zijn.!)

\') Volgens Prof. Joest, die Suriname in 1890 bezocht, vertoonen de afstammelingen van de bovengenoemde Nederlandsche boeren, wanneer, zij onvermengd zijn gebleven, een beeld van degeneratie.

-ocr page 33-

33

Ook voor andere Europeanen (Engelschen en Duitscners), en hunne afstammelingen (Noord-Amerikanen), naar schatting te zamen 160 personen, is het verblijf in Suriname slechts tijdelijk.

Voor de kolonie Curagao is het samenstellen van een overzicht der bewoners zeer bezwaarlijk; niet alleen omdat uit de officiëele gegevens betrekkelijk slechts weinig kan worden verkregen, maar ook omdat de overige bronnen, voor een overzicht als wij bedoelen, zoo weinig licht geven. Volledige beschrijvingen van de kleinere eilanden zijn ver te zoeken. Verscheidene van de voor Suriname gemaakte opmerkingen kunnen echter ook voor Curasao gelden.

Men vindt in deze kolonie drie hoofdgroepen: Negers. Kleurlingen en Blanken, te zamen 50705 inwoners. Wat de sterkte dezer groepen aangaat, kunnen wij alleen voor de eilanden Curacao, Bonaire en Aruba de blanke bevolking schatten, en wel respectievelijk op 3500, 200 en 500 personen, bij eene totale bevolking voor die eilanden van 29260, 4677 en 9199 inwoners. Op Curagao bevinden zich een 1000 tal Israëlieten. Op St.-Martin (Nederlandsch gedeelte) en St.-Eustatius is de Negerbevolking eveneens verreweg het talrijkst; op het eiland Saba schijnen slechts enkele Negers aanwezig te zijn en nagenoeg geen Kleurlingen.

In 1828 was de getalsterkte van de drie groepen op de eilanden als volgt: (volgens Teenstra).

Negers. Kleurlingen. Blanken.

Curagao......................................9724 2701 2602

Bonaire......................................376 860 112

Aruba........................................464 1817 465

St.-Martin (Ned. ged.)............7000 1000 1000

St-Eustatius.....■....................1635 259 379

Saba............................................462 27 656

De Negers zijn in de kolonie Curasao meer arbeiders gebleven. Terwijl in Suriname het aantal dat nog op de plantages werkt ieder jaar afneemt, hebben hier de plantages, de zout- en de phosphaat-ondernemingen aan hen als arbeiders geen gebrek. Op Curasao, Bonaire en Aruba behooren haast alle Negers tot de Roomsch-Katholieke gemeente; op de drie andere eilanden is het grootste gedeelte Protestant.

De Kleurlingen op Curagao, Bonaire en Aruba zijn voornamelijk ontstaan door vermenging van Nederlanders, Spanjaarden en Engelschen met de thans uitgestorven oorspronkelijke bewoners dier eilanden, de Indianen.

Van de derde groep vormen de Israëlieten op Curasao het talrijkste deel van de aldaar gevestigde blanke bevolking. Evenalf

3

-ocr page 34-

34

die in Suriname zijn zij gedeeltelijk uit Brazilië, gedeeltelijk rechtstreeks uit Nederland overgekomen en bekleeden zij in de Curagaosche maatschappij eene voorname plaats. Verder vindt men in de kolonie meer eigenlijke (blanke) creolen dan in Suriname, doch, voor zoover wij konden nagaan, vooral op de bovenwindsche eilanden, dikwijls van Engelsche afkomst.

In de volgorde waarin wij de eilanden opnoemden zijn er van de inwoners in Nederland geboren: 382, 17, 15, 16, 5 en 3 personen.

De Israëlieten spreken meest Spaansch; de Kleurlingen en blanke creolen meest Papiamentsch of Engelsch, — de Negers alleen Papiamentsch.

Misschien wil men daaruit de gevolgtrekking maken dat onze band met Curasao niet zoo hecht is als die, welke Suriname met het moederland verbindt. Zou het anders zijn, indien de bewoners van de kolonie Curasao alleen onze taal gebruikten? — Laat de opmerking van Dr. Kuyper in zijn pas verschenen „Varia Americanaquot;, dat in Noord-Amerika aan een kwart millioen afstammelingen van Nederlanders, onder wie veertien bladen in de Nederlandsche taal verschijnen, van uit Nederland zelden of nimmer een blijk van sympathie gewerd, ons voorzichtig doen zijn in het oordeelen.

L. C. van Panhuijs.

Scheveningen, Juni 1899.

-ocr page 35-

LANDBOUW EN NIJVERHEID

IN

SURINAME

In de hierachter volgende staten — voor een groot gedeelte ook te vinden in de Surinaamsche Almanakken, welke uitmunten door practische inrichting — wordt een beeld gegeven van die producten van Landbouw en Nijverheid, waarmede de ontwikkeling der Kolonie Suriname ten nauwste verbonden is.

Wat de suikercultuur aangaat, hoewel in de laatste 10 jaren een tiental fabrieken vervallen zijn, zoo is toch de productie niet onbelangrijk toegenomen, daar de fabrieken waaraan genoegzaam kapitaal kon besteed worden om naar de nieuwste methode van bewerking te worden ingericht, zich krachtig hebben ontwikkeld. Niettegenstaande de lage suikerprijzen kon dit resultaat worden bereikt door groote productie per acre (aVs acre = i H. A.). Het suikergehalte van het riet is zeer belangrijk, zoodat het voorkomt dat van één acre tot 4000 K. G. suiker verkregen wordt, terwijl in Demerara 2500 K. G. per acre een hoog cijfer genoemd wordt. Ook de afschaffing van uitvoerrecht op suiker in 1888, heeft zeker niet onbelangrijk bijgedragen tot het verkrijgen van de uitbreiding der cultuur.

Van eenige der grootste plantages wordt de opbrengst in de jaren 1893—1897 aangegeven.

Let men er op dat de uitvoer van cacao 40 jaren geleden niet meer bedroeg dan 271.867 K. G. en de uitvoer meer dan 10 maal vermeerderd is, dan is de mogelijkheid niet uitgesloten dat ook ten opzichte van koffie, hetzelfde resultaat zal worden verkregen, vooral wanneer men in aanmerking neemt dat de bodem zich bij uitstek voor koffie-cultuur leent. Niet alleen de cijfers van vroegere jaren geven dit aan, maar ook door koffieplanters uit Ned.-Indië werd het uitgesproken dat de jonge koffieboomen zich buitengewoon hadden ontwikkeld en vrucht droegen. De hooge loonen bij de lage prijzen der koffie, doen echter de financieele resultaten nog niet beantwoorden aan de verwachtingen. De bedongen prijzen zijn helaas in het laatste jaar zeer ongunstig geweest. De productie van Surinaamsche koffie is nog te gering om een behoorlijke markt te krijgen.

-ocr page 36-

36

De cacaoprijzen, die sedert 1893 belangrijk gedaald waren, zijn in 189S weder op de hoogste prijzen gekomen en mochten de prijzen gehandhaafd blijven, dan maken de cacaoplantages, die behoorlijk zijn ingericht en goed geadministreerd worden, goede zaken. De geleidelijke afschaffing van uitvoerrecht op cacao kwam dezen tak van landbouw zeer ten goede. Ware het recht van 3 ct. per K. G. gehandhaafd, dan zou van 1889 tot einde 1898 betaald zijn aan uitvoerrecht/871.267.21, terwijl nu gedurende de jaren 1889—1894 betaald werd ƒ162.240.74, waarna het uitvoerrecht geheel verviel.

Wat de nijverheid aangaat, groote ontwikkeling fax goudindustrie heeft niet plaats gehad en er was zeker geen reden om van bestuurswege de ontwikkeling daarvan krachtig te bespoedigen. Door bevordering van landbouw wordt geen waarde aan den grond onttrokken, doch integendeel de grond op waarde gebracht; bij de onbekendheid der hoeveelheid goud, die aan den grond kan onttrokken worden, zou groole ontwikkeling in enkele jaren, groote nadeelen aan de kolonie hebben kunnen berokkenen. Nu het blijkt dat de goudindustrie een toekomst heeft, is het zeker een gelukkig verschijnsel dat eene Maatschappij als de „Surinamequot;, den steun der Regeering heeft. Mogen zij, die maatschappijen oprichten en voor hooge bedragen concessies inbrengen, zich maar steeds afvragen: of zij niet door te hoog inbrengen, de belangen der kolonie schaden; om van de belangen dergenen die de aandeelen nemen, niet te spreken.

De ^WaAz-industrie schijnt haar hoogtepunt te hebben bereikt. Had de in 1893 floor de Staten goedgekeurde en door den Gouverneur vastgestelde verordening, regelende het toezicht op de exploitatie van boschproducten, haar uitwerking kunnen hebben, wellicht ware een geheel ander resultaat verkregen. Wellicht dat ook op dit gebied door het optreden der Maatschappij Suriname nog veel ten goede der Kolonie verkregen wordt.

Uit de Staten van in- en uitvoer blijkt een gestadige gezonde ontwikkeling, en er is geen reden om in de toekomst iets anders te verwachten.

Moge de Tentoonstelling de belangstelling in deze schoone kolonie bevorderen.

T. A. J. van Asch van Wvck.

\',f■ Graven/mge. Juni 1899.

-ocr page 37-

37

Suriname. (Uitgevoerde landbouwproductie van 1740—1898).

Jaar.

Kilogr. suiker.

Kilogr. koffie.

Kilogr. katoen.

Kilogr. cacao.

1740

12.114.000

2.2S5.123

I-9I7

38.9265

994 K.G. tabak.

1745

11.426.500

3.796.3895

264

337.372

710 „

1750

10.377.500

1.768.1695

57

169.442

1755

8.208.500

1.436.281

9015

47.666

1760

10.507.000

5•I03•243°

646

64.241

1765

10.060.500

80.265

25-390

1770

7.365.000

HS •2735

84.130

1775

10.177.500

6.650.000

72.214

36.669

1780

7.850.000

5.875.000

325-400

285.175

1784

7.162.000

6.456.7325

510.2935

280.097

1s5.000 K.G. tabak en 20.500

1790

10.551.000

7.428.1375

471.290

258-732

1794

12.141.500

5-596.845

611.585

175.222

[verfhout.

1805

5.860.500

3.050.3775

2-5525

136.744

1810

8.511.000

3.252.298

3-701

44.1226

1816

5.784.1415

2.4S2.2706

533-4685

45-347°

1820

9.766.9526

2.407■SI85

664.I2I5

4.3575

1s25

11.907.853=

2.098.282quot;

I.164.803=

58.0526

1830

16.539.6505

3.016.4735

I.002.940

9 . 2 2 2 5

1835

18.888.693

1.076.275

502-I535

I5 -535

1s40

17.t56.9485

[.730.901

996.628

91.492

1845

i4.893-633:i

834.2395

420.252

52•I475

1850

I5■565•223i

376.9815

453-370

82.510\'

^55

I5-409.i98s

264.1645

468.o9o5

130.3085

i860

17.014.9045

169.756

308.82i5

271.867=

1865

8.220.9s9

48.705

193.061

344.4045

1870

11.714.223=

4I.5875

156.4585

582.is45

1875

10.393.209

50.4745

219.179

1 -343-5335

1880

10.573.614

10.196

25.922

1.052.4285

1885

5•497-I995

9-973

i.7665

I-353-7035

K.G.

1890

7.077.613=

218°

2 .207.841

76.326 balata.

1891

6.796.6275

483

2-237.5455

95-587 „

1892

5.481.2625

1 -556

1.689.175

120.1795 „

i893

7.261.878

I5-257

3.498.000

37-546 „

1894

6.471.778

32-445

3.249.1215

108.2865

1895

8.651.022

45-537

4-456-338

133.681 „ riim= 290.154 L.

1896

8.650.431

101 544

3.302.5675

209.511 „ „ =350.708 „

1897

n.730.789

161.041

3-584-715

I59-253 .. » =4I3- I8o „

1898

9.873.165

255-871

2.83o.4i4

I33-43I0 » „=750.669,,

-ocr page 38-

86

De caeaopnizen, die sedert 1893 belangrijk gedaald waren, zijn in 189S weder op de hoogste prijzen gekomen en mochten de prijzen gehandhaafd blijven, dan maken de cacaoplantages, die behoorlijk zijn ingericht en goed geadministreerd worden, goede zaken. De geleidelijke afschaffing van uitvoerrecht op cacao kwam dezen tak van landbouw zeer ten goede. Ware het recht van 3 ct. per K. G. gehandhaafd, dan zou van 1889 tot einde 1S98 betaald zijn aan uitvoerrecht ƒ871.267.21, terwijl nu gedurende de jaren 1889— 1894 betaald werd ƒ162.240.74, waarna het uitvoerrecht geheel verviel.

Wat de nijverheid aangaat, groote ontwikkeling der goudindustrie heeft niet plaats gehad en er was zeker geen reden om van bestuurswege de ontwikkeling daarvan krachtig te bespoedigen. Door bevordering van landbouw wordt geen waarde aan den grond onttrokken, doch integendeel de grond op waarde gebracht; bij de onbekendheid der hoeveelheid goud, die aan den grond kan onttrokken worden, zou groote ontwikkeling in enkele jaren, groote nadeelen aan de kolonie hebben kunnen berokkenen. Nu hel blijkt dat de goudindustrie een toekomst heeft, is het zeker een gelukkig verschijnsel dat eene Maatschappij als de „Surinamequot;, den steun der Regeering heeft. Mogen zij, die maatschappijen oprichten en voor hooge bedragen concessies inbrengen, zich maar steeds afvragen: of zij niet door te hoog inbrengen, de belangen der kolonie schaden; om van de belangen dergenen die de aandeelen nemen, niet te spreken.

De iWrtAz-industrie schijnt haar hoogtepunt te hebben bereikt. Had de in 1893 door de Staten goedgekeurde en door den Gouverneur vastgestelde verordening, regelende het toezicht op de exploitatie van boschproducten, haar uitwerking kunnen hebben, wellicht ware een geheel ander resultaat verkregen. Wellicht dat ook op dit gebied door het optreden der Maatschappij Suriname nog veel ten goede der Kolonie verkregen wordt.

Uit de Staten van in- en uitvoer blijkt een gestadige gezonde ontwikkeling, en er is geen reden om in de toekomst iets anders te verwachten.

Moge de Tentoonstelling de belangstelling in deze schoone kolonie bevorderen.

T. A. J. van Asch van Wyck.

\'s- Gravenlmge. Juni 1899.

-ocr page 39-

37

Suriname. (Uitgevoerde landdouwproductie van 1740—1898).

Jaar.

Kilogr. suiker.

Kilogr. koffie.

Kilogr. katoen.

Kilogr. cacao.

1740

12.114.000

2.285.123

I-9I7

38.9265

994 K.G. tabak.

1745

11.426.500

3 - 796 ^Squot;?5

264

337-372

710 „

175°

10.377.5°°

1.768.1696

57

169.442

1755

8.208.500

1.436.281

QOi5

47.666

1760

10.507.000

5•I03-2435

646

64.241

1765

10.060.500

80.265

25-390

1770

7 ■ 365•000

II5-2735

84.130

1775

10.177.500

6.650.000

72.214

36.669

1780

7.850.000

5.875.000

325.400

285-175

1784

7.162.000

6-456-7325

5IO-2936

280.097

185.000 K.G. tabak en 20.500

1790

10.551.000

7.428.1375

471.290

258-732

1794

12.141.500

5-596.845

611.585

175.222

[verfhout.

1805

5 .860.500

3.050.3775

2-5523

136.744

1810

8.511.000

3.252.298

3.701

44.1225

1816

5.784.1415

2.482.2706

533-46S5

45 - 347°

1820

9.766.952^

2.407.5i85

664.1215

4-3S76

1825

11.907.8535

2.098.282°

1.164.8035

58.0525

1830

I6.539.6so5

3 .016.4735

1.002.940

9 . 2225

\'Sss

18.888.693

1.076.275

502-I535

I5-535

1840

17.156.9485

(.730.901

996.628

91.492

1845

14.893.6335

854-2396

420.252

52.i475

1850

i5-565-2236

376.9815

453-370

82.510»

\'8SS

15 409.i98^

264.1645

468.0905

I30-3085

i860

j 7.014.9045

169.756

308.8215

271.8675

1865

8.220.989

48-705

193.061

344.4045

1870

11.714.223=

41•587°

156-4585

582•1545

1875

10.393.209

50.4745

219.179

1-343-5335

1880

10.573.614

10.196

25-922

1.052.428°

1885

5.497.1995

9-973

1.7665

1-353 -7035

K.G.

1890

7.077.6135

2185

2.207.841

76.326 balata.

1891

6.796.6275

483

2-237.545°

95-587

1892

5.481.262°

1 -556

1.689.175

1:20.1795

JSQS

7.261.878

I5 - 257

3.498.000

37-546 „

1894

6.471.778

32-445

3.249.1215

108.2865 ,,

i895

8.651.022

45-537

4-456-338

:i:33-68i „ rum= 290.154 L.

1896

8.650.431

101.544

3-302.5675

209.511 „ „ =350 708 „

1897

11•73° 789

161.041

3-584-7I5

I59-253 » » = 4I3•I8o „

1898

9.873.165

255 -871

2.830.414

Ï33-43I0 » „=750.669,,

-ocr page 40-

38

™ o ^

m v ^ 0 -- o d t

vr»

quot;ü 00 _£

o —

Lil Ü ogt; ^ quot;tquot;

m O io ^

O t~~- fO M to « N OO O O 00 00 00

O ThmcoO t^OO ^ O 00 O O O t-quot; lOOO M O 00 CM TJ-conn O «-

iÖC5

to ^ ^ o •—

m O M vo

- t^.

-ö Ov o 00 in ~

O 0 S

O • JU •

vO —, ö o ^ N in N c to u

r-» gt;;

-. 00 5:

oo ^

O^-^OOCOMO O co O OCOm inio ►h hh ro m mo oo »-•

■5 CD

O O

•Kca

irtdlf ■ 0 -quot;

O O O « « O

\'quot;L VO bfl O ON--

oo £

o. n.§

O d L\'1 ^ a ON a 3

oo ca a

- - gt; rt • »- gt;-

c3 OA « rt

.. ^ s

• s

c^-e--

■r^ïr QZ.

t/2 W

O lt;

H Z

c

J Ph

« OJ 2

to 2 ^

nrt ^ ^

..O . -?

ON* J-00 rt ^ « oo

fll ON

t£ tovo

lt;*1 M t4

^ ^ J

O

^ rt N rt OO o to tó fl 00 lt;V rt-

bc

Urn

a X) c

CJ

CN __, P*^

I-. t: ^ dj

lt;U c o o o o

4-J c/3 -r?

g U C lt;U j-. n, g.-H\'S o^-p

£?^.s S quot;quot;H.ïï

^ S 8 gt;

4) C ^ ^ 2

^ o w ^ 5

(V Ui

cS ei , bOT \'

u _

2 rt (U ri

c a±i ca

- \'

c3

G

^ ^ ^ ■=! =

,5 o

bc :

5f!.2 O quot; O 5,

*Z S li wTS ? C! U IXI i

»o us m gt;o ia i«3 »»

QsTfi-t tON M to-^N O rj-c-i vn^-t- *-gt; O O «-\'

Nvooo n ►-lt; m to O t— C O cSo^t^toO r^r^-io —

M lt;~gt; •-• O O »-• MO tO\'-\'t—O^^I*

too vO O^CO moo O O tomt-quot; \\ri too rj-o M co

to M N fH O O 00 00 O t^CO Tfo CO O lOiOTtM to

lOOï^fO^iO^OO OOvO O co M voO O O TfoO oo O O vnoo^vo O O mO O Tt-co O to ro m O ►— HH »-i O tOmtOMMvn Tl-vO co O O O ^

ooiororo»-quot; O quot;^O O fOM O O fO gt;-• *-gt; CG O O *-* H-t roO 0s •-« i/iTf-ntO O gt;- rf ^

QN Ttquot; M »-i r^M H4 m^vO r~-gt; O oo ioO ^

io gt;n IA gt;o gt;19 to ia o

w rj- moo co io r- ino ro ^ O O

O iO ►- ^ro»-» TJ- Tt ro ro gt;- O O

o0 m n o mo x~- O too O

vno vnO co m to oo m o

r^- hh o O O oo ^fooo Tfoo

O w m t-4 t^. t^vo to M OvO u-)tom^*ooo 0s oo t— r^o OOOvOvOvO lOmu-jrJ-rJ-TftO

MMfvOvoO^^-O O 00 O O lO O fO O ro r^- r-\\o o vO ror^rj-N coro^^OfOcON

lt;u .

o u _

J3ü15\'-,\'gt;agt;--=eo„

SuS.^^O^uQpa

lO lO IC »o

vn r~- rf m ^ t-» O

M vO gt;- fO Ttquot; HH lOvO ro O O

O O vo O O N O»-quot; ioC^»^ O

N O it ** gt;-gt; roroiOM

^ O ■*i*^-\\ororOiOioioM

to ro O 00 co vo io xn M

e v amp; ^

oo ^ O

00

rt

-ocr page 41-

39

O 0s m m O

M M M M M

o d d d o

^ S 2 5 S

\'O •*-»

I s

^ O.

lt;U (U

^5 .t:

03 . p-

N rf ^ LOCO CO CO CO IT) in irgt;

ooocooooodd


O O ro Ttquot; IT)

ro m vn t-» vo

M O O O M

Tj- Cgt; HH Tf CO O quot;O O vO ^4* TJ- ro N

£

lt;u

lOO O^MOO TJ- 00 O C

gt;- O O quot;rt- 1^.00 o — O O

rfvO 00 00 «N ui ro ^ tOO

N t^00 ro O quot;-H hh 0»-quot;v00 m •^•00 me Tj-rooo O tJ io M M ^•fO^tOtOiOt-^CO t--

T3 O i-Oh

lt;u

M

c

D.

s

a

D

o

Cj gt;

T3 •

gt;

c

C3 Qh

e

3

3 U

Cj gt;

00 O

öS K

B

C/5

w

O gt;

H

y

■ëQ isu:

cS

gt;■ \'3J ^ C-

U D T3

O gt;_

cu

V

c

cS

Cl.

s

3 D u

cj gt;

ïi

oc

5

O

rt gt;

O

u

U3

3

a .

5: S

^ CU

quot;O ^

rt ^ c3 j_

JD

2

0XD O

5 \'

co

too O

i-^

O O

c

O

M M TtO

bC

O

rj-

r-co 00 io

1 ~t

toco t-~

1 0

O 1000 to

i to

to to too

«3 00 ia

O r^- ro O n »-lt; HH Hl O

d d d d d

^ s r r s

O

too

00

00

lO

HH n

CO

r—

to 00

O

■^

to t-H

N

M

O O 1000 O io ^ co vn O O ro fO O

irjco co oo co •- O O O O

O O O O O

O rtquot; t— rtquot; O 00 gt;-1 O l~— HH CO O 0s ^ O ro «OO o ro ro

O CO O O M t^MCOvOvOO

n io t}quot; n O roio-^O •- ■^-O CO OC^t-t Tj-Cgt;OCO lOquot;^-Tj-QsQsro»-quot; »-• OO vor— O

■^- ro quot;^quot; io rf O O r— r^o^co

toO rj- N O O ïgt;» r-co •^-O O ot-^t-ivo

O ^ O r-»C0 m i-t n vo •-•

OMNOOMOOOOOO^N C gt;- 00 t--00 t}- Tj- M lO Qs O io ro vo ^4- r^oo fO t-- io

Tt* cgt; M fO O O ^IOO to roO^j-O ioO O rfO

O CO 00 O M rO-^G^-^-iOtO N lO N N 00 t-^CO XO !gt;• O^O

voco gt;-. iocor~-M ci f-i o^to

00 O ^ O t^o HH M N (-1 W

vOvOOOOOOGCOOO

o d o d d d d o d d d

^£SSSS = £ÏEt

ro rooo co w ro^o

dddododdddd

C^N ro^fomioior^o O

d o o o d o o o o d o

c3

cj

cS rt

00 O O t-quot; M ro VOO t—co

COCO O^OO^OQ^OOO^O^ j COCOCOOOCOCOCOCOOOCOCO

to vnO r—

00 00 00 00 00 CO CO 00 00 00

-ocr page 42-

40

Uitvoer Koffie.

Jaren.

Kilogrammen.

Waarde K.G.

Waarde.

1891......

477

a 1.50

ƒ 715-50

1892......

1-556

a i. 20

„ i.867.20

1893......

IS-257

a 1.20

„ 1S.308.40

1894......

32-445

a 1.—

» 32-445-—

1895......

45-567

a i.—

» 4S-567- —

i 75 -124

a i.—

„ 75.124.— ^

1896......

\\ 26.420

a 0.60

» I5-252-— i / 90-376

( in hoornschil.

)

i 45-665=

a 0.60

.. 27-399-30 )

1897......

I II5-375

a 0.40

„46.150.— , „ 74.549.30

( in hoornschil.

)

j I74-323

a 0.445

„ 78.446.— )

189S......

] 81.548

a 0.30

„ 24.464.— („ 102.910

1

* in hoornschil.

)

Uitvoer Cacao.

Waarde

W aarde.

Jaar.

Productie Kilogr.

per Kilogr.

1883.........

i.876.178

ƒ 0.71

ƒ 1.332.086

1884.........

1.450-046

„ 0.71

„ i.028.024

1885.........

1-344-413

„ 0.75

„ 1.023.981

1886.........

1.575.612

,, 0.735

„ 1.151.121

1887.........

1.722.581

„ 0.69

„ 1.188.581

1888.........

1 -543-OI8•75

„ 0.70

„ 1.079 I28

1889.........

2.042.869

» 0.65

„ 1.327.865

1890.........

2.181.347

„ 0.60

„ 1.308.808

1891.........

2.210.605

„ 0.60

„ 1.326.417

I-7I5-567

„ 0 64

„ 1.097.963

1893.........

3.498.OOO

„ 0.70

„ 2.448.491

1894.........

3.249.i2ia

,, 0.58

„ 1.884.600

^95.........

4-456-338

„ 0.51

„ 2.272.732

3-302-567

„ 0.46

„ i.519.181

1897.........

3-584-7I5

„ 0.58

„ 2.079.135

2.830.414

„ 0.71

„ 2.292.635

-ocr page 43-

-11

O (L)

(jj C

O O quot;^tquot;

N fO \\o t—

M VO

N 00

co co QN 00

ai

■5^

^ \'O

O

Z

^0

H)

O gt;

Ü

O

to

O

Hl

6

t^-

o

M

M

to

ci

O

vO

^ Tf

^ CO

co C iquot;

C O lt;V (U bu J-H

c

CS

O CO

lO

O O

O t^-

vn

co

lO

co

CO

O lO

r— t-—

to

to

VO

q

O

co

r^-

Cgt;

O

co

00 CO io

6 vO

lÓ t—.

O

-i-

00 q

có O o

quot;^* vq

CO

O ^}-

CO* N to

4-

co

có igt;.

CO

CTs

cO

in quot;^-

vO

O O

m

co

O

CJ !gt;•

M

vO

o o

r-^-vn

to r-

1—1

00

ci

co

5

5

c

O

G

O

r3 3

O - -

O ci,

• Q O

O gt;

05 M

O gt;

H

^0

O

gt;

t-» t-*

tquot;— tquot;-»

tu ^

T3 S

rt ~ ~ ~ ~ ~

rt tD *

^ ~ ~ H

QJ 5 5 ^ S P-. TJ

4-»

sj - - - - - S

u ~ ~ ~ ~ (j

ITï ITi lO tO lO tO

d

O M

• ^ co

ro quot;^*

Cgt; ró O O

00

cgt;

O

O VO O

q o co o ro

J ro ■lt; CO CO co

O

■ 00

lt;u r3 i-» ci

d gt;

Tt- co 00 00

M CO •-lt;

hh rj- io O

CO CN

r^. O

CO

lO \' N

O ro r^-rO ro O CO

\\n \\o oom

irj xgt;- m d ió

quot;s

CO CO CO

rt r n

cocoioior^r^t^.t^t-~t^i^-r^r^t^ cocococococococococococococo

O

M

Cv

to

t—

co

M

Cl

to

to

to

t—

to

Cv

r^.

(N

r^.

CO

O

r-

CO

N

co

O

t-H

Cv

Cv

O

lt;o

O

O

M

q

CO

O

r-

co

q

Cv

Cv

vq

vq

00

Cv O

ó

Ó

fquot;

O

Cv

N

6

Cv

M

quot;é-

quot;4-

CV

Cv

co

O

00

to

O

Cl

Cv

to

M

to

co

to

to

Cl

to

vO

Cv

o

q

q

co

Cv

CO

q

1—1

Cv

co

00

co

M

M

Cl

co

to

O

co

Cv

O

M

co

T}*

to

vO

r^-

CO

co

CO

CO

00

CO

co

co

co

Cv

Cv

Cgt;

Cv

O

Cv

Cv

Cv

Cv

CO

CO

CO

co

CO

CO

co

co

co

00

CO

CO

co

co

00

co

CO

M

—1

l-t

M

t-H

M

M

M

M

M

M

M

M

HH

M

M

tJ a o

O gt;

-ocr page 44-

42

O O

ns

O -

O ro

O

\'o.

O

rrr Os

CO

lt;

H

lt;

lt; W

O gt;

H

*- ü

O O

g £ g|

ta quot; C3

C/J

quot;5

O

\'S 5 £

lt;u rtoj

-a ^ fl

v

V tJD nS C j- rt «u ei

lt;v

a c o w amp;.*£

v

-I

W3 £

SS O

ro

ON 00

c a

0) a M gt;

rz v

O vO

■^r o tj-

to

ua

kO

vo

M

r-

r^.

vo

r-

-rf-

M

rtquot;

M

O

vo

00

►-•

n

qv

ro

HH

vd

r^-

(gt;

6

TJ-

O

CO

O

vo

O

M

r-

ro

N

00

ro

vo

vo

M

ro

vd

Tj-

Cv

cgt;

ro

N

**

cj

quot;rt

\'rt Xi

4—*

-c

CJ

lt;D

Cu O

-

t-4

o;

4-gt;

*55

O

•«

••

lt;L»

»*

•*

•«

lt;L)

CJ

»-

c

O

u

O

t—

O

00

N

ro

M

ro

VO

O

O

O

oo

O

r-»

vO

N

O

Cv

in

rtquot;

ro

q

q

vo

ro

q

co

-i-

VO

tJ

o

Cv

ON

00

vO

O

Hquot;

VO

00

**

Cl

M

■^t

M

•*

I

TT)

O

O

|

I

1

|

O

O

l#

W

VO

VO

l#

1,

lgt;

1,

vq

O

►H

M

N

CM

N

X

m

ia

O

O

t^.

O

O

O

»—i

i-i

ro

•—

O

M

CO

rgt;-

00

co

M

vo

ro

lO

ro

VO

vO

vo

N

O

vo

N

M

O

vo

O

M

CO

ro

O

O

ro

O

M

ro

O

ro

O

vo

N

M

-ocr page 45-

43

Algemeene Uitvoer. (Waarde en uitvoerrecht).

Waarde.

Uitvoerrecht.

Jaar.

Toelichtingen.

1875 /2.409-335

1876 „ 2.762.568

1877 „3-780.529

1878 „ 2.026.876

1879 „3.081.772

1880 „ 3.600.535

1881 „ 3.885.720

1882 „ 3.685.642

1883 „ 4.054.846

1884 „ 3.662 895

1885 „3.113.170

1886 „3.036.633 a)

1887 „3.539.5093)

1888 „ 3-316.377 d)

1889

1890

1891

1892

1893

1894

1895

1896

1897

1898

„ 3.521.867 „ 4.272.692 „ 3.994.616 „ 3.851.187 „ 5-467-631 „ 5.062.814 „ 5.060.864 „ 4.391.728 „ 5.241.671 „ 5.211.123

ƒ 119.172.45 „ 140.349.41 „ 188.571.06 „ 101.345.28 „ 150.996.41 „ 174.511.— „ 194.206.— „ I77-344-— „ 205.622.40 „ 188.748.15 „ 153.617.45 „ 123.048.52 „ 134.140.99 .. quot;8.333.72 „ 118.680.06 j „ 110.268.55 I ,, 90-635-12 „ 92.429.69 „ 98.690.575 „ 82.713.06 „ 74.178.44 c)

a) Bij de verordeningen van 23 Maart 1886 (G. E. 18S6 Xo. 10) en 17 Febr. 1887 (G. B. 1887 No. 7) werd voor het overige gedeelte van het jaar, het uitvoerrecht op suiker geschorst.

i) Bij verordening van 10 Mei 1887 No. 25, welke in werking trad 16 Nov. 1887 werd het uitvoerrecht alleen behouden voor goud en cacao en bepaald dat voor goud wordt betaald 7 c:. per gr. en in plaats van; 5 pCt. voor cacao, zou betaald worden tot 31 Dec. 1888, 3 ct. per K.G.; in 1889, 2i per K.G.; in 1890, 2; 1891, ij: 1892, 1; 1893, i; 1894 vrij.

r) Hieronder ƒ 33.871.34 goudbelasting, ingevoerd Aug. 1S95. Uitvoerrechten zijn met in werking treden der goudbelasting geheel vervallen.


-ocr page 46-

44

Algemeene Invoer (Waarde en Recht).

Toelichtineen.

Waarde.

Invoerrecht.

ƒ 264 ,. 284 ,, 308 gt;, 3l6 » 334 .. 359 .. 392 » 437 » 43 2 .. 465

„ 428 „ 408 » 541 522\' gt;. 651,

719

,, 714\' 734. „ 841.

925-» 928.

.. 953-„ 928.

„ 994

n\'

91

84

28b I

\'63 44 aJ

09 I

92

,84

•23 ,66 06

,78 bj 69

425 835

055

765 29

683

71

96

552 766 635 345 252

378 046 982 621 627 967 612 935 313 776

543 647

147

988 029 995 548 1

8.I95

D

406

40 e)\\

ƒ 3 3 3

gt;5 3 gt;» 3 gt;» 3 „ 4 „ 4 5

gt;» 5 » 4 „ 4 gt;» 5 » 4 » 4 5

gt;» 5 quot; ^

18931.. 5

1894 „ 6

1895 \' ,, 5 1896\' „ 5

1897 „ 5

1898 „ s

125.415

183.252

453-837 629.927 642.300 9i4-458 823.865 299.054 158.660 286.136 808.603 592.714 052 .621 346.840

893-355 366.258

873-335 23S.401 c)

73°•365 225.076

203 .02C)dj

335•I8o 924.240 703.427

a) Verhooging van recht.

h) Algemeene verhooging ingevoerd bij verordening van 15 Nov. 1887 G. B. No. 25.

c) In 1891 werden ingevoerd volgens den staat, overgelegd bij het Kol. verslag, 6.613,066 K.G. ijs, waarde ƒ 661.307; in 1^92, 754-335 K-G- waarde / 60.357.

d) In 1895 weid de waarde berekend naar anderen maatstaf dan vroeger. De vermindering van invoer is dus slechts schijnbaar, daar bij beregening der waarde als in 1894, de totale invoer zou hebben bedragen

ƒ 6-383-585-

c) 12 Oct. 1898 trad in werking de verordening van 12 Oct. 1898 No. 33, waarbij het invoerrecht op gedestilleerd, opium, tabak, enz., belangrijk veihoogd werd, met het oog w-aarop in de maanden Aug., Sept. en Oct. belangrijke inslagen plaats hadden.

-ocr page 47-

IETS OVER SURINAME ALS GOUDLAND

Reeds van de ontdekking van Guyana — de uitgestrekte landstreek die zich tusschen de Orinoco en de Amazonenrivier van de zee tot in het binnenland van Zuid-Amerika uitstrekt — was het algemeen gevoelen, dat dit land rijk aan goud was.

Fabelachtige verhalen kwamen dienaangaande in omloop, die zich langzamerhand vormden tot eene legende, waarvan het meer Parima het middenpunt was. „Daar woonden volksstammen, „wier tempels vol waren met massief gouden beelden, die „woonden in huizen met goud gedektquot; enz. Aan dat meer had men het goud slechts voor het oprapen, zoodat de Spanjaarden het El Dorado noemden. Intusschen, de weinigen die het durfden bestaan, die schatten te gaan zoeken, kwamen onverrichterzake of ook wel nooit terug.

Toch bleef de legende over de rijkdommen van Guyana bestaan en gaf af en toe aanleiding tot het oprichten van ondernemingen, ten einde die te ontginnen. Zoo werd o. a. in 1742 aan eene Compagnie, opgericht door een zekeren Wilhelm Hack door Directeuren der Geoctroyeerde Societeit van Suriname een uitgebreid octrooi verleend ^ tot onderzoek naar- en ontginning van- goud en andere mineralen in de kolonie, welke compagnie echter, zonder succes behaald te hebben, weder te niet ging. Eerst aan onze eeuw was het voorbehouden de legende tot waarheid te maken.

Venezuela ging voor, Cayenne volgde; in beide landen ontwoekerden vele gelukkige ontginners schatten aan den bodem.

Eindelijk werd men ook in Suriname wakker. In 1873 werd tot Gouverneur benoemd Jhr. C. A. van Sypesteyn, die al spoedig te kennen gaf overtuigd te zijn, dat ook in Suriname\'s binnenlanden groote rijkdommen slechts op ontginning wachtten. Op zijn initiatief werd in 1874 de landstreek tusschen de Suriname en Marowijne-rivieren door een commissie onder leiding van den waarnemenden Gouvernements-Secretaris Mr. P. Alma onderzocht en werd geconstateerd, dat aldaar op vele plaatsen goud met succes kon ontgonnen worden. Nu was het ijs gebroken en vroegen velen concessie om hier en daar goud te ontginnen, welke aanvragen vooral toenamen nadat, alweder in opdracht van den Gouverneur, eerst door den 2n Luitenant

\') Zie Hartsinck, „Beschrijving van Guiana,quot; p. 744.

-ocr page 48-

46

S. de la Parra ^ en daarna door den landmeter, thans nog Gouvernements-landmeter, W. L. Loth verschillende wegen waren opengekapt.

Al spoedig was langs die wegen geen land meer in concessie te bekomen en ware het Gouvernement op dien voet voortgegaan, d. w. z. waren aan Gouverneur v. Sypesteyn en volgende Gouverneurs door het Opperbestuur in het Moederland, kortzichtig als altijd, de middelen niet onthouden om het in het klein aangevangen werk op groote schaal voort te zetten, door overal door de woeste, bijna ondoordringbare binnenlanden wegen te openen en te onderhouden, de goudindustrie zoude een veel hooger vlucht in Suriname genomen hebben, dan nu het geval is geweest. Toch is die industrie, hoewel tot nog toe slechts met zeer geringe hulpmiddelen uitgeoefend, niet zonder beteekenis voor de ontwikkeling der kolonie gebleven. Van af 1880 is gemiddeld jaarlijks goo.ooo gram, een waarde vertegenwoordigende van ± ƒ 1,350,000.—, uitgevoerd1).

Toch, wij herhalen het, is de industrie in Suriname nog in hare kindsheid. Terwijl toch de rapporten van vele deskundigen, over verschillende placers uitgebracht, alle er op wijzen, dat de bodem in het algemeen rijk is aan goud in ontginbare hoeveelheid en ook de meening te kennen geven, dat bij het aanwezig zijn van zooveel „washing goldquot; er zich ook vele goudhoudende kwartsriffen moeten bevinden, bepaalt men zich tot nu toe bijna uitsluitend tot het uitwasschen der rijkste plekken, n.1. de kreken, terwijl van het ontginnen van kwartsrifïen nog bijna in \'t geheel geen sprake is. Voor een deel is dit toe te schrijven aan onkunde, voor een groot deel echter ook aan gebrek aan werkkapitaal en aan gemis van geschikte machinerieën.

Van het begin der industrie af in 1875 tol heden gaat men op de volgende wijze te werk: Op het bureau van den Gouvernements-landmeter legt men over een figuratieve kaart van het perceel, dat men in concessie wenscht te bekomen, waarbij men tevens van die aanvrage aanteekening doet in een daartoe bestemd register. Indien er geen op de wet gegronde bezwaren tegen bestaan, bijv. dat het perceel reeds voor een ander doel is uitgegeven, dat zich daarop een boschnegerdorp bevindt of iets dergelijks, wordt de concessie verleend. Men betaalt dan 10 cents voor elke aangevraagde hectare (het perceel moet

1

\'1 Thans gep. Luit.-Kolonel van het O. I. Leger.

-ocr page 49-

47

minstens 200 hectaren groot zijn) en heeft dan voor één jaar vergunning om met uitsluiting van ieder ander op dat perceel delfstoffen te ontginnen. Dan zendt men, als men op het land reeds bewerkbare plekken weet, er zijne werklieden onder het noodige toezicht heen om die te ontginnen, of zoo niet, een expeditie om naar zulke plekken onderzoek te doen.

De tocht vangt dan aan te Paramaribo; men voorziet het volk van het noodige, gewoonlijk voor ruim vier maanden, want in het bosch is niets te krijgen, en zendt de lieden weg in „corjalenquot;, dat zijn tot goede roeivaartuigen ingerichte, uitgeholde groote boomstammen. (Dm tijd en arbeidsloon te besparen laat men die gewoonlijk op de groote rivier, hetzij de Suriname of de Saramacca, door stoombootjes slepen, totdat óf de waterstand daarvoor te laag wordt óf men aan stroomsnellingen komt die de stoombootjes niet kunnen passeeren. Vandaar af moet het volk roeien en gaat het dikwijls reeds spoedig den een of anderen zijtak der rivier in. Dan beginnen de hindernissen: omgevallen boomen versperren den weg, zoodat men meermalen genoodzaakt is zware stammen door te kappen; op andere plaatsen hebben in vroeger tijd, misschien eeuwen geleden gevallen boomen, ondiepten veroorzaakt, doordien het door de rivier medegevoerde zand zich er tegen aanzette ; dan weder komt men aan zware rotsen, waar de rivier zich vernauwt, en waar-tusschen het water zich met donderend geweld een weg baant, dikwijls met vallen zoo, dat men genoodzaakt is de corjalen te ontladen en ze er dan over heen te trekken. De minste onvoorzichtigheid wordt dan zwaar geboet: zoowel in de Sarakreek (een zijtak van de Suriname), als in de Marowijne zijn meermalen menschenlevens op de vallen verloren gegaan.

Eindelijk, na een min of meer langdurige reis, al naar mate men door het seizoen — regen of droge tijd — zwaarder of minder tegenstroom heeft, komt men aan de plaats van bestemming, d. w. z. aan dat punt van waar men het doel van de reis het best te voet kan bereiken. Het spreekt toch van zelf, dat lang niet alle perceelen aan een bevaarbaren stroom liggen; in de meeste gevallen moet men nog geruimen tijd, soms wel twee dagen, door het bosch marcheeren, alvorens het in concessie genomen terrein te bereiken.

Is het een terrein waar men voor het eerst komt, dan moet er, met de figuratieve kaart in de hand, nauwkeurig gemeten worden, daar het er vóór alles op aankomt, dat men de zekerheid heeft, dat men zich op het in concessie uitgegeven land bevindt, ten einde, bij eventueele goede vondsten, latere moeie-lijkheden met aangrenzende concessionarissen te voorkomen.

De eerste werkzaamheden bestaan nu in het „kamp makenquot;, d. w. z. het bouwen der hutten; bij een eerste vestiging zijn deze gewoonlijk zeer primitief: men kapt eenige boomstammetjes, slaat die als palen in den grond, zoodat zij een langwerpig

-ocr page 50-

48

vierkant vormen en vlecht daarover met behulp van dwarslatten een dak van palmbladen. Daaronder worden dan aan twee der palen de hangmatten gebonden.

Geldt het een eerste onderzoek, dan wordt er „geprospecteerdquot;, dat is men onderzoekt de kreken, die oogenschijnlijk, hetzij door het daarin aanwezig zijn van kwartsen of door iets anders, een gunstig aanzien hebben, ten einde bij het aanwezig zijn van goud in betaalbare hoeveelheid, terstond aan het werk te gaan.

Het onderzoek geschiedt aldus: de werklieden graven vlak langs de kreek of ook wel daarin, als de kreek soms droog is of droge plekken bevat, een gat van 4 a 5 voet lengte en i1/, a 2 voet breedte; zoodra de humuslaag, dikwijls 2 tot 4 voet dik, verwijderd is, laat de opzichter zich van de dan volgende verschillende lagen grond (zand, grint, klei) een zekere hoeveelheid in een daartoe bestemde houten of ook wel ijzeren bak opscheppen, en gaat die aan den rand van het water langzaam aan zitten afwasschen. Dit afwasschen, dat een zekere handigheid vereischt, moet zoo geschieden, dat telkens de lichtere bestanddeelen verwijderd worden, tot eindelijk het zwaarste, d. i. het goud, blijft zitten in de punt, waarin de bak in het midden mtloopt; dit noemt men eene „batteequot; wasschen. Wijzen op verschillende plaatsen langs een kreek de battees goud aan in wat men noemt betaalbare hoeveelheid, hetgeen varieert, alnaarmate de grond aldaar, met het oog op steenachtigheid, dikte en diepte der lagen, meer of minder gemakkelijk te bewerken is, van 15—25 cents goud per battee, waarin zich gewoonlijk een flinke emmer vol grond bevindt, dan maakt men aanstalten om te gaan werken.

Daartoe wordt van in het bosch gezaagde planken een „longtomquot; vervaardigd; dit instrument bestaat uit een houten trog, 2 voet breed en 7 a 8 voet lang, die aan ijzeren haken tusschen in den grond geslagen palen hangt; daarin wordt de uit te wasschen grond geworpen, terwijl een of twee werklieden, er in staande, bezig zijn dien grond, die veelal vrij hard en taai is en vol met steenen, te kneden met behulp van water, dat men langs een daartoe vervaardigde houten goot, aan een der smalle einden van den trog er in doet stroomen. Aan het andere smalle einde bevindt zich een ijzeren plaat met gaten van 10 tot 12 millimeter middellijn; zoodra de grond nu door het kneden geheel zacht geworden is, wordt die door de gaten gespoeld om daarna weder langs een houten goot verder te worden weggewerkt. Onder de ijzeren plaat bevindt zich echter een houten bak, waar het goud door zijne zwaarte terstond in valt, terwijl daarenboven zoowel de longtom zelve, als het eerste gedeelte van de goot waarlangs het zand wegloopt van een dubbelen bodem, waarin groote gaten, voorzien zijn, om daar het goud te vangen, dat niet in den bak verzameld wordt; zoowel in den bak als in de gaten in den dubbelen bodem bevindt zich kwik, om het zeer fijne goud vast te houden en te beletten dat dit door het water weder zoude

-ocr page 51-

49

worden meêgespoeld. Een werkman heeft tot taak, aanhoudend de massa schoongewasschen steenen uit de longtons te verwijderen, waarbij hij scherp moet toezien of zich daartusschen ook een grooter stuk goud (pépite) bevindt. Het is verbazend hoe snel, na eenige oefening, de werklieden het kleinste stukje goud tusschen den grooten hoop steenen weten te onderscheiden. Dat bij dit werk steeds scherp toezicht vereischt wordt, daar de verleiding groot is, behoeft geen betoog.

Heeft men, wat lang niet altijd het geval is, over veel water te beschikken, dan wordt dikwijls een instrument gebruikt, waarmede men op grooter schaal kan werken, n. 1. de „sluicequot;. Dit is een houten goot, een voet breed en dikwijls 150 en meer voeten lang, in het eerste gedeelte waarvan de uit te wasschen grond wordt geworpen, die dan door het water, dat men er aanhoudend in groote hoeveelheid doorheen doet stroomen wordt uitgewasschen en weggespoeld, terwijl het goud door zijn meerdere zwaarte bezinkt en bovendien ook weder op verschillende plaatsen door kwik wordt vastgehouden.

Van het aldus verkregen goud moet volgens de wet op de placer nauwkeurig aanteekening worden gehouden in een daartoe bestemd register, waarvan een afschrift bij het goud wordt gevoegd, zoo dikwijls dit naar de stad verzonden wordt.

Dit is een maatregel ten behoeve van den fiscus, daar van het gevonden goud zeven cent per gram, dus ongeveer 5 pCt, moet betaald worden.

Bovendien wordt voor het in concessie verkregen land 10 cents per hectare per jaar betaald gedurende de eerste twee jaren, de beide volgende jaren betaalt men telkens 25 cents en wil men de concessie dan nog langer houden, dan is 50 cents per jaar verschuldigd.

Uit een en ander blijkt, dat de goudindustrie een niet te versmaden bate voor de kolonie afwerpt. Ware er, gelijk wij hiervoren reeds opmerkten, van Regeeringswege wat meer voor de goudindustrie gedaan en slechts de helft van hetgeen zij jaarlijks in de koloniale kas doet vloeien te haren bate verstandig aangewend, door het aanleggen en onderhouden van goede wegen, dan zoude de industrie in de 25 jaren dat zij nu in Suriname bestaat zich ongetwijfeld reeds veel meer hebben uitgebreid, en zouden niet, zooals nu het geval is, nog millioenen hectaren op onderzoek en ontginning liggen te wachten.

Zoo is bijv. het uitgestrekte gebied tusschen de rivieren de Coppename en de Corantijn tot aan de zuidelijke grenzen der kolonie zoo goed als geheel onbekend, terwijl toch met het oog op het voorkomen van goud in de bekende deelen der kolonie, alsmede in Cayenne, Demerary en Venezuela, met recht verondersteld mag worden, dat ook daar op vele plaatsen met groot succes goud zoude kunnen worden ontgonnen.

Haarlem, Juni 1899. Mr. C. H. van Meurs.

4

-ocr page 52-

HET ONDERWIJS IN SURINAME

Sedert 1877 is in Suriname leerplicht voorgeschreven voor kinderen van 7—12 jaar; het getal kinderen op de scholen voor gewoon en voor uitgebreid lager onderwijs is sinds dien tijd, met enkele schommelingen, steeds stijgende, zooals uit de volgende cijfers blijkt:

Schoolgaande kinderen op 31 December.

Jaren.

Beneden

Van

Boven

7 jaar.

7—12 jaar.

12 jaar.

1878...

129

3881

848

4858

1882...

quot;5

4119

890

SI24

1887...

122

4346

918

5386

1892...

in

5087

1130

6328

1897...

149

5766

1303

7218

Van het jaar van inwerkingtreding der verordening waarbij leerplicht werd voorgeschreven tot December 1897 is het getal schoolgaande kinderen in de kolonie met ± 2600 vermeerderd, terwijl het percentcijfer van het dagelijksch schoolbezoek van 75 tot 81 steeg. Te Paramaribo klom in dezelfde tijdruimte de schoolbevolking van 3201 tot 5563, eene vermeerdering dus van 2362; het percentcijfer van het dagelijksch schoolbezoek steeg daarbij van 73 tot 82. Hoewel dus belangrijke verbetering is waartenemen moet het schoolbezoek nog steeds onvoldoende geacht worden in een land waar leerplicht voorgeschreven en het veroorzaken van schoolverzuim strafbaar gesteld is.

Van de 7218 kinderen, die op 31 December 1897 op de schoollijsten stonden, bezochten

2369 (1375 jongens en 994 meisjes) de gouvernementsscholen, 2343 (1152 „ „ 1191 „ ) de gesubs. scholen der

[Morav. Broedergemeente, 1790 ( 963 „ „ 827 „ ) de gesubs. scholen der R.K.

[Geestelijken,

716 ( 227 „ „ 489 ,, ) de niet-gesubs. particuliere

[scholen.

Aan deze kinderen, die verdeeld waren over 55 scholen —

-ocr page 53-

51

waarvan 26 te Paramaribo en 29 in de districten — werd onderwijs gegeven door 147 gegradueerde onderwijzers, d. i. gemiddeld 1 onderwijzer op ruim 49 leerlingen.

Op 31 December 1897 werden de bewaarscholen in de kolonie bezocht door 1070 kinderen (525 jongens en 545 meisjes), de scholen bij de Boschnegers door £75 kinderen (103 jongens en 72 meisjes), de scholen voor kinderen van Britsch-Indische immigranten door 130 kinderen (104 jongens en 26 meisjes).

In het geheel gingen dus op 31 December 1897 ter school 4449 jongens en 4144 meisjes, tezamen 8593 kinderen.

Op alle scholen — behalve op die voor kinderen van Britsch-Indische immigranten — wordt het onderwijs in de Hollandsche taal gegeven. Het Neger-Engelsch is daarbij uitgesloten. In het laatste twintigtal jaren hebben de onderwijzers alle krachten ingespannen om het Hollandsch meer en meer ingang te doen vinden en hunne pogingen zijn met goeden uitslag bekroond, al is er voorloopig nog geen sprake van verdringing van het Neger-Engelsch.

Sedert Mei 1882 is voor de schoolkinderen de gelegenheid geopend tot het inbrengen van spaarpenningen. Het bedrag tot 31 December 1897 ingebracht, beliep ƒ81.121 d.i. gemiddeld ƒ5070 per jaar. Óp laatstgenoemden datum namen 3277 kinderen deel aan het sparen op school, d. i. 45 percent van de schoolbevolking (7218); 1494 kinderen waren in het bezit van boekjes der Koloniale Spaarbank, d.i. 21 percent van de schoolbevolking en 46 percent van het getal deelnemers aan het sparen op school.

Verder dan tot uitgebreid lager onderwijs is men in Suriname nog niet gekomen, zoodat voor hoogere opleiding de kinderen hierheen moeten komen. Lang zal het echter niet meer duren of de behoefte aan middelbaar onderwijs zal zich in de hoofdplaats — eene stad met meer dan 30.000 inwoners — krachtig doen gevoelen en het is verblijdend hierbij te kunnen aanteekenen dat maatregelen om in die behoefte te voorzien, wanneer ze door de bevoegde macht in de kolonie worden voorgesteld, bij de Regeering geen tegenkanting zullen ontmoeten. Immers verklaarde de Minister van Koloniën, in de Memorie van Antwoord op het Voorloopig Verslag der Tweede Kamer betreffende de Surinaamsche begrooting voor 1898, het denkbeeld van den Gouverneur — om de bestaande openbare school voor uitgebreid lager onderwijs geleidelijk te doen overgaan in eene school voor middelbaar onderwijs — een practisch middel te achten om het onderwijs in de kolonie beter aan zijn doel te doen beantwoorden.

Suriname telt 2 inrichtingen tot opleiding van onderwijzers, beide te Paramaribo, n.I. de centraalschool der Moravische Broeder-

-ocr page 54-

52

gemeente en de gouvernements normaalschool. Op 31 December 1897 had eerstgenoemde inrichting 14 leerlingen, de laatstgenoemde 48, n.1. 25 mannelijke en 23 vrouwelijke.

Tweemaal in het jaar wordt te Paramaribo de gelegenheid gegeven tot het verkrijgen van akten van bekwaamheid tot het geven van lager onderwijs.

Het in 1S95 gestichte „Surinaamsch Onderwijzersgenootschapquot; telde, op ultimo December 1897, 125 leden, t. w. 24 dames en 101 heeren.

Het ambachtsonderwijs bepaalde zich tot dusver tot eene door het Gouvernement gesubsidieerde Avondschool voor handwerkslieden, met daaraan verbonden werkplaats voor timmerlieden en meubelmakers, beide inrichtingen in het leven geroepen door den Heer R. A. P. C. O\' Ferrall, hoofd eener bijzondere school te Paramaribo. Smeden en machinistleerlingen vinden gelegenheid tot opleiding op de werkplaatsen der koloniale vaartuigen, waar sinds een tweetal jaren een theoretische cursus is geopend, in aansluiting aan de praktijk op de werkplaatsen en op de stoom-vaartuigen.

In den laatsten tijd worden pogingen aangewend om te Paramaribo eene ambachtsschool op te richten, waarin de inrichtingen van den Heer O\' Ferrall zouden opgaan. Naar mijn gevoelen zal eerst dan eene voldoende organisatie van het ambachtsonderwijs verkregen worden, wanneer het Gouvernement de zaak geheel in handen neemt. Op den duur zullen particuliere krachten onvoldoende blijken tot instandhouding van een goede ambachtsschool en naarmate de particuliere bijdragen verminderen — hetgeen na eenigen tijd zonder twijfel te wachten is — zullen de su.bsidiën uit de koloniale kas moeten stijgen.

De vooruitzichten om tot een goede regeling van het ambachtsonderwijs te geraken zijn overigens vrij gunstig. In de Memorie van Antwoord op het Voorloopig Verslag van de Tweede Kamer betreffende de begrooting voor 1897 verklaarde n.1. de toenmalige Minister van Koloniën gaarne in overweging te zullen nemen een voorstel tot stichting van eene ambachtsschool te Paramaribo met volledig personeel, wanneer de mogelijkheid van zoodanige stichting, zonder al te groote kosten, zal zijn gebleken en de tegenwoordige Minister refereerde zich een jaar later in zijne Memorie van Antwoord — naar aanleiding van eene opmerking in het Voorloopig Verslag der Tweede Kamer omtrent het ambachtsonderwijs in Suriname — aan het door zijn ambtsvoorganger gezegde. In afwachting van het totstandkomen van eene gouvernements-ambachtsschool verdient het aanbeveling de avondschool voor handwerkslieden en de daaraan verbonden werkplaats in stand te houden en te verbeteren door financieelen steun uit de koloniale kas. Beide inrichtingen kunnen de kern vormen van de te stichten gouvernementsambachtsschool.

-ocr page 55-

53

In 1891 werd te Paramaribo van gouvernementswege een cursus voor voorbereidend landbouw-onderwijs geopend, die evenwel na een tweejarig bestaan, wegens gebrek aan leerlingen, moest worden opgeheven. Nu de kolonie in het bezit is gekomen van een cultuurtuin zou men de proef kunnen herhalen in aansluiting aar, deze instelling.

In dit Jaar is te Paramaribo eenc school geopend tot opleiding van districts-geneesheeren en apothekers. Zulk eene school heeft ook van 1882—1888 aldaar bestaan, maar zij werd opgeheven om een te grooten toevloed van geneesheeren en apothekers te voorkomen.

Dr. H. D. Benjamins, \'s-Gravenhage, Juni 1899. Jnsp.v.h. Ondensjijs in Suriname,

met verlof.

-ocr page 56-

DE OUDHEDEN VAN SURINAME

Jhr. C. A. van Sypesteyn zegt op bladz. XXI van zijn „Inleidingquot; der „Beschrijving van Surinamequot; (1854):

„In Suriname is tot het leeren kennen der binnenlanden niets „verrigt: zoodat die dan ook zeer weinig bekend zijn; en tot „nog toe zijn daarin ook geene gedenkteekenen van vroegere „bevolking gevonden, zooals die, welke door Schomburgk en „anderen in de overige gedeelten van Guiana zijn ontdekt geworden.quot;

Alhoewel in de Vil® klasse (Anthropologie) van het Programma voor de in 1899 te Haarlem te houden Nederl. West-Indische Tentoonstelling niet is vermeld: Archaeologie van Suriname, heb ik, mogelijk de eenige onderzoeker van Indiaansche Oudheden dezer kolonie en als lid van de commissie voor die tertoonstelling, gemeend het navolgende over Surinaamsche oudheden te moeten mededeelen.

Hetgeen de heer van Sypesteyn hierover heeft gezegd is minder juist, archaeologische onderzoekingen hebben dit bewezen.

Reeds had de pionier van de Marowijne, de heer Kappler, in die rivier eene rots met hiëroglyphen ontdekt, die door de Indianen aan hem werd bekend gemaakt onder den naam van Timehri. (Dit woord beteekent in het Caraïbisch „Schrift of teekeningquot;).

Dit woord Timehri is volgens Schomburgk en lm Thurn ook gegeven aan de rotsen met de vele hiëroglyphen aan de Boven-Corantijn rivier.

In het jaar 1858 had ik, daartoe aangemoedigd door Dr. Du Montier, mij in correspondentie gesteld met Dr. C. Leemans, directeur v. h. Rijksmuseum van oudheden te Leiden, en hem verscheidene door mij gevonden steenen voorwerpen van de vroegere bewoners alhier afkomstig, toegezonden.

Deze collectie kon worden beschouwd als een begin van eene verzameling voorwerpen uit Nederlandsch West-Indië afkomstig. In 1881 werd door tusschenkomst van bovengenoemden directeur mij door de Nederlandsche regeering een onderzoek opgedragen waarvoor een subsidie werd verleend, omdat door mijn ijver en belanglooze bemoeiing het museum gedurende vele jaren talrijke bijdragen had ontvangen.

Het doel dezer opdracht was tweeledig, n.1. 10. het opsporen

-ocr page 57-

00

en in teekening brengen der hiëroglyphen die door de Indianen Caraïben, de vroegere bewoners van Guyana, in de rotsen van de Marowijne en Coppename rivieren waren gebeiteld, en 20. het opzoeken van voorwerpen, die bij de oude bewoners van het tegenwoordig Neerlandsch-Guyana in gebruik waren.

Deze voor mij zeer vereerende opdracht werd met gunstig gevolg bekroond, daar ik al de hiëroglyphen van de Timehri rots heb kunnen beschrijven en afteekenen; aan de Boven-Coppename zijn geene hieroglyphen ontdekt. Later is mij door den heer F. Im Thurn, de bekende schrijver van Demerara, medegedeeld, dat aan den oever ■ der Kabalebo rivier, een zijtak van de Corantijn, in Hollandsch-Guyana, zich een steile rots bevond waarop vele hiëroglyphen voorkwamen.

Bij deze ouderzoekingsreis bezocht ik ook het district Coronie, omdat mij uit de kaart van Stedman was gebleken, dat daar in vroegere jaren een groot kamp der Warrow Indianen was geweest.

Verscheidene daar aanwezige kleine heuvels heb ik laten opdelven en vond er groote schotels of prapies (aardewerk) welke, vermoedelijk door ouderdom, waren gebroken ; twee schedels, een aantal menschenbeenderen, een Indiaansche strijdknoets of apoetoe en een steenen wig. Op den grond lagen scherven van aardewerk verspreid.

Deze voorwerpen zijn opgezonden naar het Rijksmuseum te Leiden. (Zie het verslag van den directeur van het museum. September 1882 tot September 1883.)1)

\') Reeds in 1874 had de directeur dezer inslelling in zijn verslag het navolgende over de Surinaamsche oudheden gezegd:

„In vroegere verslagen hebben wij eenige voorwerpen, wapens of werktuigen „in steen vermeld, die, afkomstig van de vroegere bewoners van de Neder-„landsche Koloniën in West-Indië, eerst in den laatsten tijd meer bepaald de „aandacht tot zich getrokken hadden, en waaraan door de tegenwoordige „bewoners, evenals dit in ons vaderland met soortgelijke voorwerpen het geval „was, en hier en daar nog wordt beweerd, een bovenaardsche oovsprong „wordt toegeschreven. Aan die dondersteenen, donderbeitels of bliksemtanden „wordt dan vaak eene kwaadwerende kracht toegekend, waaruit vanzelf volgt, ,.dat de bezitters zich slechts met moeite tot afstand of verkoop laten overhalen. *) „Daarom moet het geschenk van een drietal dier uitmuntend bewerkte en „in ongeschonden staat bewaard gebleven wiggen, waarmede deze afdeeling „door den heer C. J. Hering, hoofdcommies bij de belastingen te Paramaribo „in de kolonie Suriname, werd verrijkt, des te meer gewaardeerd worden. „Vroeger, in Augustus i860, had het museum reeds aan denzelfden heer een „paar soortgelijke voorwerpen te danken, en werden er ook van andere „oudheidsvrienden eenige aan het museum geschonken, zoodat thans Suriname „in dat opzicht betrekkelijk goed begint vertegenwoordigd te worden 1quot;

*) Als staaltje van het heerschend bijgeloof, zelfs onder beschaafde personen, aan de wonderdadige werking dezer dondersteenen, vermeld ik het volgende: Een jongmensch uit den beschaafden stand deelde mij mede, dat zijne moeder een dondersteen bezat, welke boven den drempel van hare huisdeur was bevestigd; zijne moeder hechtte groote waarde aan dat voorwerp en zou om geene redenen daarvan afstand willen doen, omdat zij glt; loofde dat die steen

-ocr page 58-

56

Een der eigenaressen van den grond stond geen verdere opgravingen toe; later heb ik den Nederl. reiziger Dr. Ten Kate het bovenstaande medegedeeld, die, naar aanleiding daarvan, zich daarheen heeft begeven; het resultaat van zijn onderzoek heb ik niet vernomen. Voorts heb ik te Coronie een onderzoek ingesteld op eene plaats genaamd „Ingie Kondrequot;, grenzende aan de Coppename-rivier, alwaar ik een shellmound1) heb ontdekt; de voorwerpen schijnen te hebben behoord aan de Caraïbische Indianen. Het komt mij voor dat de shellmound van lateren tijd dateert, omdat zij niet bijzonder groot was.

Omtrent mijn latere onderzoekingen kan ik het volgende mededeelen;

Den 2en December 1898 begaf ik mij, vergezeld van de heeren Jacott en Mac Donald, eenige delvers en een gids, naar de plantage Belladrum.

Eene topografische opname van dit dorp was niet gemakkelijk; het ligt op p.m. 200 M. afstand van den rijksweg, het is 300 M. lang en 50 M. breed. De grond bestaat uit zwart veen. De strook tusschen het dorp en den zooeven genoemden weg is zandgrond, welke ten zuiden wordt begrensd door eene zwamps) met Postentrie (Hura crepitans Mull.) begroeid.

Dit dorp gelijkt op de verlaten oud Indiaansche dorpen in Britsch-Guyana, welke door Mr. Barrington Brown in zijn werk Among the Indians of Guiana zijn beschreven.

Tot staving van de waarde van mijne ontdekking, citeer ik uit zijn werk wat hij op pag. 248 zegt over Sites of Ancient villages.

„Many examples of ancient village sites are also mentioned „by this same traveller. These are said to be only distinguishable from the surrounding country by the rich black colour „of the soil, and by the abundance of broken fragments of „pottery. Of course it is possible that these sites are those of

een voorbehoedmiddel tegen het inslaan van den bliksem in het huis was. Hij durfde mij den dondersteen niet af te staan, uit vrees dat zijn moeder hem dit kwalijk zou nemen.

Ik gaf hem den raad te wachten dat er eens een zware storm met bliksem en donder over het huis zou trekken, en dan den steen weg te nemen. Dit deed hij, en toen de onweersbui over was, vertelde zijne moeder, dat zij het behoud van huis en alles te danken had aan den dondersteen welke zij aan de voordeur had geplaatst doch nu verdwenen was. Het jongmensch i\\as toen gevrijwaard van de beschuldiging den steen te hebben weggenomen.

Om de vermelde voonverpen bijeen te brengen, heb ik allerlei listen moeten gebruiken. Ik geloof, dat tot nu toe vele van deze wiggen op plantage Belladrum zijn opgegraven en in bezit zijn van de landbouwers, doch ze, om bovenstaande redenen, zelfs tegen betaling, niet gaarne willen afstaan.

\') Shellmounds ook wel kitchenmiddens genoemd, zijn hoopen afval, of schelpen van heel ouden datum.

-) Zwamp = kreek of kleine rivier.

-ocr page 59-

57

„deserted villages of comparatively, or even very modern date. „But on the other hand, as all the repotted examples occur far „inland, and as the inland tribes make but very little pottery, „it is more likely that such places were the homes of tribes „other than those which now inhabit the surrounding country. „Only a very careful search in such places can settle this question. „And such a search would probably be rewarded by results of „extreme ethnological and archaeological value.quot;

Ik heb bij de opdelving geen oude graven kunnen ontdekken, waarin gave skeletten lagen. Een geloofwaardig landbouwer zeide mij, dat hij bij het maken van bananengaten, dicht bij de zwamp, een kuil aantrof, waarin negen schedels en beenderen waren; de juiste plaats konden wij niet meer vinden.

Later heb ik op een heuvelachtig gedeelte van dit dorp verscheidene oude en gebroken aardewerk, beenderen, steenen wiggen en meer andere voorwerpen gevonden, en ben daardoor tot de overtuiging gekomen, dat dit dorp reeds zeer lang bewoond is geweest, omdat de meeste aarden voorwerpen rood gebakken waren, terwijl al het hedendaagsch Caraïbisch Indiaansch pottenwerk van zwarte klei is vervaardigd. Deze zwarte kleur wordt verkregen door de klei met gebrande kwepiebast (Couepia guianensis Aubl.) te vermengen. Het voorwerp wordt daarna van buiten met roode verf besmeerd.

De talrijke menschenbeenderen, die links en rechts over den grond zijn verspreid, doen mij veronderstellen, dat hier vroeger een hevig gevecht heeft plaats gevonden, waarbij veel dooden vielen.

Denkelijk zijn de Caraiben langs de kust van het Noorden, het tegenwoordig Britsch-Guyana gekomen, alhier overgetrokken en toen de Coronie kreek binnengevaren, welke destijds zeer breed was en zich ter hoogte van plantage Friendship in twee takken verdeelde, waarvan de een naar den grond Totness en de andere zich tot Belladrum uitstrekte. De streek waar de Indiaansche bewoners zich ophielden, stond dus met de zee in verbinding, hetgeen voor hunne vischvangst zeer bevorderlijk was.

Verder wordt door de meeste schrijvers bevestigd, dat de oude Caraïben kannibalen waren, die de zwakkere bewoners (Warrow\'s) overmeesterden, en ze of opaten of ze als slaven verkochten. Naar mijn oordeel zijn de Caraïben, na het Warrow kamp te hebben verwoest, door de zooeven genoemde Coronie kreek naar het Oosten getrokken, hebben zich op de thans bekende plaats Ingiekondre neergezet en daar bij hun dorp een shellmound gevormd, bestaande uit dieren, vischgraten, gebrande aardlagen,, gebroken aardewerk, welk laatste veel overeenkomst heeft met hetgeen de tegenwoordige nu maken.

Bij het dorp van Belladrum zijn midden in de kitchen zeer weinig schelpen, oesterschalen en vischgraten gevonden,, maar geraamten van dieren en menschen, zoodat ik tot de con-

-ocr page 60-

58

clusie kom, dat twee Indiaansche stammen de kust hebben bewoond. Ook veronderstel ik, dat bij de uitbreiding der plantages in Coronie, de Caraïben van Ingiekondre niet gaarne in aanraking wilden komen met de bevolking, en om die reden door de Peruvia kreek naar de Coppename zijn verhuisd,

Hoe kort dit verslag ook moge wezen hoop ik, dat het eenige wetenschappelijke waarde bezit als bijdrage tot de kennis van de oude bewoners van Suriname.

Als erkentelijkheid van mijn onderzoek omtrent de oudheden in de kolonie Suriname, werd mij indertijd door Z. M. Willem III toegekend de zilveren medaille voor verdiensten ten opzichte van „\'s Rijks verzamelingen van wetenschap en kunstquot;.

Plantage JSurnside Coronie, r- i u

December 1898. ^ HERING-

N.B. De afbeeldingen der hiëroglyphen, gevonden voorwerpen, enz., zijn in de Bibliotheek van het Koloniaal Museum te Haarlem aanwezig.

-ocr page 61-

Aanhangsel.

PROGRAMMA

van eene wetenschappelijke reis, die in het belang

van de te Haarlem te houden Nederlandsche West-Indische Tentoonstelling behoort te worden gedaan in September 1898.\')

Volgens mijn idee zal de eerste expeditie kunnen vertrekken op den 17•ten September e. k. met het kol. vaartuig naar Boven-Cottica. Door het Koloniaal bestuur zullen maatregelen moeten worden genomen, dat de heer Districtscommissaris de commissie per stoombarkas doorzendt tot aan het Etablissement der Moravische Broedergemeente Wanhatti.

Van daar zullen de leden zich per corjalen naar de gewenschte richtingen kunnen begeven, om botanische of zoölogische voorwerpen te verzamelen.

Gedurende de reis zullen de leden der commissie naar omstandigheden, hetzij bij de boschnegers of bij de grondeigenaars, kunnen kampeeren.

De heeren Pool en Mattes zullen zich speciaal met het botanische gedeelte en de heer Hering zich met het zoölogische gedeelte belasten.

Ik twijfel geenszins of het zal den leden der commissie gelukken een exemplaar van de Zeekoe {Manatus Americanus) te Trieheus bekomen, zoo ook Waterhonden (vermoedelijk de Canis of Lutra brasiliensis). Ook zullen zij een exemplaar vinden van de zoogenaamde Sürinaamsche Buffel (Tapir us Suillus of Tapir Americanus) en de Waterhaas (Coelogenys Pa ca). Zeldzame vogels en boven-landsche zoetwatervisschen zullen wellicht gevangen kunnen worden.

Daar de Boven-Cottica en hare oevers zeer rijk zijn aan palmen, orchideën, waterplanten en kapellen, vooral van de Morpho Hecuba, zullen wij zeker eene zeer rijke collectie kunnen bijeenbrengen.

De commissie zal voor deze reis zich minstens voor acht of tien dagen van levensmiddelen moeten voorzien, en van het navolgende materieel als: vloeipapier en eene pers voor het drogen van planten. Voor dit doel zal de heer Hering twee persen vervaardigen ieder bestaande uit twee planken met leeren

\') Door verschillende omstandigheden is deze reis niet uitgevoerd. Curiositeitshalve hebben wij gemeend het programma toch te vermelden.

Noot vjh Kol. Museum.

-ocr page 62-

60

riemen, één voor groote en één voor kleine planten. Voor het conserveeren van zoölogische voorwerpen moeten versche dene kerosine-blikken, waarvan enkele met alcohol gevuld, worden medegenomen.

Voor het. conserveeren van een Tapir en eene Zeekoe zal noodig zijn 25 K.G. aluin, 10 K.G. fijn keukenzout, eenige K.G. salpeter, 1 K.G. camphora, twee groote potten sublimaat of arsenicum zeep, twee groote slagersmessen en nog eenige andere kleine artikelen, die op eene afzonderlijke lijst zullen worden opgegeven. Het materieel, waarover de heer Hering kan beschikken, zal hij medebrengen.

De tweede expeditie zal, met goedvinden van het hoofd-comité, zich begeven naar de Boven-Para en de Boven-Saramacca. De flora is daar anders dan die aan de Boven-Cottica. Wellicht vindt de expeditie daar den zwarten tijger {Felis nigra) en de boschgeit, door de Inlanders cariaco en door de Indianen bieri birave genoemd. Deze boschgeit is zeer zeldzaam.

Onder de vogels zullen wij wellicht vinden de koning der stinkvogels {Surcoramphus papa) en de prachtig oranje gekleurde Boschhaan (Rupicola Cracca).

Van de visschen zullen wij zeker vinden de pakoe, zoetwater sparie en pireen\'s en zonder twijfel ook nog een exemplaar van den beveraal (Gymnotus electricus) die door de zwemmers zeer gevreesd is.

Laten de tijd en de vervoermiddelen zulks toe, dan zullen wij een reis ondernemen naar Coesewine, een zijtak van de Coppename rivier, waar de fauna en de flora overeenkomen met die van de bovenlanden, en beletten de financiën dit niet, dan zullen wij binnen drie a vier weken eene zeer groote verzameling kunnen bijeenbrengen. Corjalen behoeven wij niet te koopen, omdat deze van de inboorlingen en Indianen aldaar kunnen verkregen worden, en daar een persoon door den heer Hering wordt medegebracht, die behulpzaam zal zijn bij het opzetten van dieren,, zal de commissie geen ander vast peroneel behoeven mede te nemen.

C. J. Hering.

-ocr page 63-

I. PEO GRAMMA VOOR DE IN 1899 TE HAARLEM TE HOUDEN NEDERLANDSCHE WEST-INDISCHE TENTOONSTELLING.

11. ETHNOGRAPHIE.

HI. GEOLOGIE.

IY. BOTANIE.

V. ZOÖLOGIE.

VI. BIBLIOGRAPHIE.

Be inzendingen der Commissie van de West-Indische Tentoonstelling zijn met * gemerkt.

-ocr page 64-
-ocr page 65-

I

PROGRAMMA

voor de in 1899 te haarlem te houden

Nederlandsche West-Indische Tentoonstelling

Bureau der Commissie in Suriname.

Voorzitter •. Mr. G. H. Barnet Lijon; Onder- Voorzitters: F. G. Gefken en J. E. Muller; Secretarissen-. F, C. Curiël, Mr. G. A. van Emden en Mr. A. J. van der Houven van Oordt; Penningmeester-. W. van Esveld.

Samenstelling van de Sue-commissies.

i0. Sub-commissie voor Geographie, Meteorologie, Topographic, Geologie en Mineralogie, Exploitatie van Delfstoffen: Voorzitter-. J. E. Muller; Onder-Voorzitter-. W. L. Loth; Leden-. J. Barnett, James Green, J. O. Harken, D. H. Havelaar, J. J. Heilbron, C. J. Hering, A. van \'t Hoogerhuys, J. A. Polak, J. F. Pool, H. Salm, J. R. Thomson.

20. Sub commissie voor Botanie, Zoölogie en Anthropologie : Voorzitter -. J. F. Pool; Onder- Voorzitter: S. de Lange; Leden: C. A. van Brussel, G. J. R. Eysink, H. Gilhuys, C. J. Hering, H. Mattes, D. C. Rijsdijk, J. R. Thomson, R. Voullaire.

30. Sub-commissie voor Landbouw, Veeteelt, Plantaardige Producten: VoorzitterF. G. Gefken; Onder-Voorzitter-. F. C. Curiël; Leden: C. A. van Brussel, Ch. Douglas, J. R. C. Gonggrijp, J. O. Harken, C. J. Hering, A. van \'t Hoogerhuys, J. Mavor, J. F. Pool, D. C. Rijsdijk, A. Samuels, R. Voullaire.

4°. Sub-commisssie voor Industrie en Handel: Voorzitter-. W. van Esveld; Onder-Voorzitter-. M. S. van Praag; Leden : J. Barnett, F. C. Curiël, J. O. Harken, A. van \'t Hoogerhuys^ R. H. Leysner, J. W. Bueno de Mesquita, Mr. A. J. van der Houven van Oordt, H. Salm, M. O. Salomons, S. M. Swijt, R. Voullaire.

-ocr page 66-

64

GROEP I.

De natuur van Suriname.

Ie Klasse.

Geographic.

Kaarten en beschrijvingen. Verzameling van — indien mogelijk alle — kaarten van Suriname, zooals het zich vroeger uitstrekte en zooals het thans is.

Surinaamsche almanakken ; platen behoorende tot het werk van Benoit; platen door Mabé uitgegeven; de platen van Bray; van Voorduyn; enz.

IIe Klasse.

Meteorologie.

Kaarten en beschrijvingen. Statistieken van de laatste dertig of meer jaren, toegelicht door een kaart, waarop de stations der waarnemingen vermeld zijn.

IIIe Klasse.

Topographic.

Voorstellingen van het terrein. Kaarten, teekeningen, gravures en fotografieën.

IVe Klasse.

Geologie en Mineralogie,

Verzamelingen en beschrijvingen van gesteenten en mineralen.

Zie ook groep II, Ie klasse, a.

Ve Klasse.

De Plantenwereld.

Herbarium van geneeskrachtige en giftige planten.

Herbarium van vruchtboomen. Bloeiende takken, gedroogd of geconserveerd.

Herbarium van Surinaamsche houtsoorten.

Herbarium der voedingsgewassen, cultuurplanten en groenten.

Herbarium van andere merkwaardige planten.

Herbarium van grassen, nuttig of schadelijk voor het vee.

Boschvruchten van de hout-, hars-, balsem- en andere boomen ; gedroogd of op andere wijze geconserveerd.

Bloeiende orchideeëntakken op formol.

Merkwaardige en eetbare zwammen (paddestoelen) op glycerine.

Afbeeldingen van eenige cultuur-, geneeskrachtige- en giftplanten.

-ocr page 67-

Vie Klasse.

De Dierenwereld.

Zoogdieren, a. Opgezette zoogdieren (apen, buidelratten, capacies. miereneters, luiaards, capoea\'s, zeekoeien, stekelvarkens, vampyrs). b. Huiden van zoogdieren, (pumavel, jaguarvel, enz.)

Vogels (opgezette vogels, vogeleieren, vogelnesten met eieren).

Amphibiën (pipa\'s, salamanders, padden, kikvorschen).

Kruipende dieren (slangen, leguanen en hagedissen, kameleon\'s. kaaimans, schildpadden, opgezet of geconserveerd, en schilden van schildpadden).

V i s s c h e n (geconserveerd; nagemaakt).

Insecten, vooral die, welke voor de cultures of anderszins nuttig of schadelijk zijn. (Vlinders, schadelijke rupsen met hare vlinders, kevers, bijen, wespen, houtluizen, wantsen, mieren en andere merkwaardige insecten, alsmede hunne nesten).

Duizend pooten en spinnen.

Schaaldieren (krabben, kreeften, garnalen).

Wormen (bloedzuigers, angilostomen).

Weekdieren (oesters, mosselen, eetbare slakken, schelpen).

Vilquot; Klasse.

Anthropologic.

De Inlandsche, Europeesche en Immigranten-Bevolking.

Economische toestanden.

Historie en Literatuur.

(Modellen van woningen van Europeanen, Inlanders en Immigranten; modellen van Indiaansche kampen en Boschnegerdorpen. Huisraad. Voeding. Kleeding. Muziekinstrumenten. Werktuigen en gereedschappen van landbouw, jacht en visscherij. Vaartuigen. Fotografieën van een en ander, alsmede fotografieën betrekking hebbende op het leven van Europeanen, Inlanders, Immigranten, Indianen en Boschnegers.

GROEP II.

Exploitatie en Cultures.

Ie Klasse.

Exploitatie van goud en andere mineralen,

phosphaten. petroleum ens.

Verzamelingen, beschrijvingen en afbeeldingen.

a. Ertsen, voorkomende in Suriname, als : goudhoudend kwarts en andere goudhoudende gesteenten en conglomeraten; ijzererts ; kopererts; gedegen goud ; pepiten ; stofgoud.

5

-ocr page 68-

66

Zandsteen in stukken van tenminste 30 cM3. Mica in bladen van ± 15 cM. of meer. Granaten. Maro-\\v ij n e s t e e n t j e s. Verweringsproducten van ertsen.

, Model van een placer, en van werktuigen in gebruik bij de goudexploitatie.

c. Fotografieën, toelichtende het leven en werken bij de goudindustrie, als: het vertrek van een expeditie van Paramaribo ; een „haltquot; op weg naar de goudvelden; een goudplacer; opzichters- en arbeiderskampen; het transporteeren van vivres enz. door arbeiders; het prospecteeren met de batté; het déblayeeren en opruimen van een emplacement; het goud-wasschen door middel van de longtom en de sluice; machinale goudexploitatie.

d. Voorstellingen in lichamen van zink (of gips) van de hoeveelheden gevonden goud per jaar, van den aanvang der goudindustrie af.

11° K 1 a s s e.

Plantaardige Producten.

Verzamelingen, beschrijvingen en afbeeldingen.

a. Houtsoorten, in gebruik bij timmerwerken; bij den bouw van huizen; scheepstimmerhout; hout voor meubelmakerij.

b. Vezelstoffen van katoen ; bromelia-vlas ; rameh ; maho ; wilde okrum ; cocosnoot; bananen- en bacovestronken ; ingie-sopo (Agave americana); moco-moco; camina; Mauritus-palmen ; warimbo\'s enz.

Lianen geschikt voor vlechtwerk en hoedenfabricage.

c. Gommen, harsen, planta a rdigeoliën, vetten; als: awara olie; bolletrie-sap ; cocos-olie ; crapa-olie ; cacaoboter ; hoepel-olie of balsamum copaïvse ; castor-olie ; mannie-hars ; locus-hars ; boegroe-makka vet; koemboe-vet; obémakka-vet; sesam-olie ; papaja-balata.

Balata-Industrie.

Kampen van arbeiders. Werktuigen bij het „bleedenquot; en drogen van het sap in gebruik. Fotografieën van kampen, van het „bleedenquot; der boomen.

Herbarium van den bolletrieboom.

Monsters van balata, zooals deze in den handel gebracht wordt; alsmede voorwerpen uit balata vervaardigd.

(/.Looi-, verf- en kleurstoffen.

Roucou (koesoewé); indigo; campêche-hout (logwood) dividivi; boschtamarinde; schors van de cashew; sap van

-ocr page 69-

67

bananen- en bacovestronken; schors van mangro, van groen-hart, van Simaruba amara, van Carapa guianenses, van barklak.

Vruchren (geconserveerd). Ananas, citroenen, bacoves, pommes de Cythère, oranjes, lemmetjes. sapotilles, sterappelen, tamarinde, mango\'s, Trinidad-pruimen, granaat-appelen, mopé, meloenen enz.

f. Geneesmiddelen en vergiften. Sarsaparille-wortel (met gedroogde stengels en blad en bloemen (makka té-tei); castor-olie; olie van tabaksüladeren; purgeernoten (Jatropha curcas); gele gember-wortel; poeder en wortel van de koni-koni-bita; (Aristolochia surinamensis); schors van de waicara, van de simaruba; hars van de hayawa of wierookboom (elemi); hars, bast en bladeren van de camina té-tei; schors van mierenhout (Triplaris americana); guave-bast en wortels (Psidium aromaticum); pegrekoe-bast en -zaden (Xylopia salicifolio); mosterdzaad; salie-bast; camphorbladeren; malva-bladeren; citroen-gras-olie (aetherische olie van Andropogon schoenanthus); bay-berrybladeren (Pimenta acris); roucou-bladeren en wortels.

Andere gedroogde en geneeskrachtige en giftige wortels, basten en kruiden in stopflesschen.

Calabas- en andere geneeskrachtige stroopen.

Bay-rum. bay-olie.

Vischvergiften als nekoe, koenami, gunapalu ; pijlgift (ourali); slangengift; abomavet; schorpioen-olie.

Middelen tot inenting tegen slangenbeten, stuipen, boeboe.

g. Plantaardige Bosch producten, wier exploitatie voordeden belooft.

Braziliaansche noten; Indiaansche noten; palmzaden (awarra, Mauritius, obé enz.); Tonkaboonen; Vanille; Quassihout enz.

h. Cultures.

Suiker.

Productie en bewerking van suikerriet.

Plattegrond en modellen van suikerplantages.

Fotografieën van suikerriet-beplantingen in hare verschillende phasen: oogst, wijze van transport van de velden naar den molen.

Fotografieën van interieurs van muscovado- en vacuumpan-fabrieken.

Fotografieën van directeurs-, opzichters- en arbeiderswoningen, van hospitalen, enz.

Monsters van suikerriet, gedroogd of op liquor, liefst op chinosol.)

Monsters van de verschillende producten der suikerindustrie.

Statistieken van het gemiddeld product per akker (0,429 H.A.) over de laatste vijf jaren.

-ocr page 70-

6S

Cacao.

Plattegrond en model van een cacaoplantage.

Fotografieën van kweekbedden, en van den cacao-aanplant in verschillende phasen van ontwikkeling.

Fotografieën van vruchtdragende cacaoboomen.

Fotografieën van den oogst; — de wijze van transport van de velden naar het broeihuis; van het broeien, drogen en afwerken van het product.

Fotografieën van horizontale en verticale coupes van cacao-noten; van broeihuizen; van droogvloeren en droogtoestellen; van droogloodsen.

Monsters van cacaonoten.

Monsters van de verschillende producten der cacao-industrie.

Statistieken van het gemiddeld product per akker (0,429 H.A.) van den volwassen aanplant over de laatste vijf jaren.

Koffie.

Fotografieën van kweekbedden en van den aanplant van Liberia- en Arabische koffie in verschillende phasen van ontwikkeling.

Fotografieën van den oogst; de wijze van transport van de velden naar de koffieloods.

Fotografieën van den koffieloods; van pulp-, droog-, pel-T sorteer- en andere machines bij de bereiding van de koffie in gebruik.

Monsters van koffiebessen.

Monsters van verschillende producten der koffie-industne.

Statistieken van het gemiddeld product per akker (0,429 H A.) van den volwassen aanplant.

i. Kleine Landbouw en Veeteelt.

Fotografieën van vestigingsplaatsen van kleine landbouwers ; van boerderijen en vee; van pluimvee.

Monsters gedroogd gras, dat tot veeveeder strekt en grassoorten, schadelijk voor het vee.

Producten van den kleinen landbouw, als tabak, bananen, rijst, maïs, katoen, cassaves, cocosnoten, switipatates, yams, napies, grondnoten (pinda), sesamzaad (abonjera), gember, meloenen, tajers.

Inlandsche groenten (geconserveerd).

Inlandsche boter, kaas en honig.

GROEP III.

Jacht ex Visscherij, Handel en Industrie, Statistieken, Handelsbeweging.

Pijl en boog, inlandsche jachttasschen, fuik, massoea\'s, korven (koeroekoeroe), sleepnet, vervaardigd van inlandsche vezelsoorten.

Voortbrengselen van nijverheid bij- de kolonisten.

Inlandsche Nijverheid en Kunst.

-ocr page 71-

69

■a. Goud- en zilverwerken; koelie-goudsraidswerk.

Voorwerpen van kralen, arrewipies enz.

Indiaansch vlechtwerk en pottenbakkerij.

Houtsnijwerk van de boschnegers enz.

è. Voorwerpen uit cocos- en calabasschalen gemaakt.

c. Meubels en andere voorwerpen van inlandsch hout vervaardigd.

d. Vruchten, bloemen, visschen enz. van papier en van wat-gemaakt.

Surinaamsche poppen enz.

e. Vogelveêren.

J. Zetmeel van cassaves, van koren, van switipatates, van ayms, van tajers, van bananen, van otaheite en siri broodvrucht,

van arrowroot.

Gongotay, cassavebrood.

Gedroogde rijpe bananen, gedroogde rijpe bacoves.

g. Confituren enz.

Ananas- en andere geleien.

Ananas en andere vruchten, geconfijt of op sap.

V ruchtenstroopen.

Gedroogde gember; gember op stroop; geconfijte papaja; geconfijte bananen.

h. Zuren, pepers, saucen.

Lemmetjes-sap; citroensap; gezouten lemmetjes; bilimbi-zuur; kabbes-zuur; azijn van rijpe bananen; cacao-azijn; gedroogd peper-poeder; pepers op zuur; pepers op zout; hotsauces; caseripo; ingemaakte tomaten.

-ocr page 72-

II

ETHNOGRAPHICA

*P o p, voorstellende eene Koelie vrouw, emigrante uit Britsch-Indie.

Hoofdsieraad van vogelvederen, gedragen door Indianen uit het Tumuc Humac gebergte.

Versiersel van vogelvederen, om den bovenarm\' gedragen door Indianen uit het Tumuc Humac gebergte.

Armband van vogelvederen, gedragen door Indianen uit het Tumuc Humac gebergte. (Een en ander volgens berichten van Boschnegers.)

*F eesthoed van de Caraiben-Indianen.

*H oofddeksel van een kapitein der Caraiben-Indianen aan de Poikakreek.

*K w e j o e, kleedingstuk voor jonge meisjes, van glaskralen geregen.

*G uju, katoenen schort, van de Indiaansche vrouwen aan de Poikakreek.

*Sepoen, kniebanden, van de Aucaner-Boschnegers.

Kniebanden van de Indianen.

Kuitbanden van de Indiaansche vrouwen.

*Dabarliens tokolo, door de Arowaksche vrouwen bij feesten in het haar gedragen.

*K o m a k a t i e, door de Arowaksche vrouwen om den bovenarm gedragen.

♦Schort van de Boschnegers.

*H outen toestel, (sepoen-hoedoe), om kniebanden omheen te breien.

Armringen van de Boschnegers, sommige met schelpen „papamoniquot; versierd.

Snoeren kralen van de Boschnegers.

Halsketting van kralen en tanden van de Boschnegers.

dito vanTap-tapoe van de Boschnegers.

dito vankralen en zaden.

dito „a f r o equot; van de Indianen.

dito van arewepie.

dito van witte arewepie.

dito van zwarte abia (zaden).

dito van ingiesirie (vruchtjes).

dito van zg. s t e r a n ij s-p i 11 e n.

dito van yor i-y o r i.

dito van jobstranen (Canivro).

dito van kon i-kon i, Kasaba pitten

dito van tapoe papa.

-ocr page 73-

71

*H alssieraad van de Indianen aan de Marowijne.

M a li d r o m ^

K r o e m a, op een voet ^ Boschnegertrommer.

P o e j a )

Stemhamer voor de trommen.

Kroema Tiki, 2 stokjes om de maat te slaan op de trom. K w a k w a Tiki, 2 stokjes om de maat te slaan op eene plank. Saka, rammelaar, uitgeholde besneden kalebas.

Bosch neger muziekinstrument (benta), houten plankje met 3 rieten.

*Indiaansche dwarsfluit van bamboe, met snijwerk, *B laasinstrument van aardewerk.

Rammelaars, aan banden geregen zaden van Joro-Joro.

Kwast, door de Boschnegers bij godsdienstige dansen gebruikt. *Bogen en pijlen van de Indianen.

*Apoetoe. strijdknots, waarmede de Indianen pingo\'s (boschvarkens) dooden.

Apoetoe, strijdknots van Berbice.

C 0 r j a a 1, van de Saramaccaner Boschnegers, aan den Gouverneur ten geschenke aangeboden door het opperhoofd Abroeroe. *C 0 r j a a 1 van de boschnegers.

*Indiaansche corjaal.

Boschneger-snijwerk.

*Houten zitbanken.

Schommelstoeltje voor den Granman (hoofdman) der Boschnegers.

*H outenvijzel en stamper.

Houten Bosch negerhaarkam men.

*K 1 e i n e p a r e 1 s als lepels of roerders gebruikt.

*P a r e 1 die bij dansen in de hand gedragen wordt. Wandelstok van oranje hout, (de knop in Nederland

vervaardigd).

Houten kastje.

Sn uifdoosje.

Houten kunstslot voor het hek van een moestuin. Waschstok van de Negers van de Boven-Coppename.

W a s c h k 1 0 p p e r gebruikt bij het wasschen van de Para-Negers. Wasch tobbe (model).

Waschpiank (model). j-o

Koekplank (model). / c ^

Cederhouten drilstok, voor het drillen van choco- [ quot;quot; \'■ü lade en het maken van swizzles. /.So

Paletta stok, waarmede „fonchéquot;, meelspijs, gemaaktl\'SjS wordt. (Uit Curacao.) 1-^3

R1 (U ^1 (U ^

a s p. 1 bc

Suikerras p.

Twee stokjes, om vuur mede te maken.

-ocr page 74-

72

Beker uit een komkommerschil, met houten voet. Kalebasschalen, door de mindere klasse op Aruba voor

verschillende doeleinden gebruikt.

Lepels uit kalebasschaal.

Kommen uit kalebasschaal.

Drinkvaten uit kalebasschaal.

Watervaten uit kalebasschaal, met en zonder snijwerk. Beschilderde kalebasschalen, (drinkbakjes enz.). Drinkbakjes, vaasjes enz. met lofwerk uit cocosschalen.

Haakwerk.

Kinderdraagmatje (katoen), haakwerk van de Indi-aansche vrouwen, wordt over één schouder gedragen.

*idem van zeilgras en katoen.

*K i n d e r h a n g m a t j e s (van zeilgras en katoen), Indiaansch vrouwen haakwerk.

idem van katoen.

^K atoenen hangmat.

Hangmatten van zeilgras, Indiaansch knoopwerk. *Twee bollen katoendraad, gesponnen door Aucaner

Boschnegervrouwen aan de Marowijne.

*Spinstokjes met katoen, van de Caraiben Indianen vrouwen.

Toestel om hangmatten te weven, met een begin van een hangmat er op (katoen).

Vischtuig.

Model van een seine of zegen (vischnet). Gedeelte van een vischnet voor groote visschen,

St. Martin N.G.

Gedeelte van een garnalennet, St. Martin N.G. Gedeelte van een vischnet voor kleine visschen, (het geheel wordt 6 Eng. voet lang), St. Martin N.G.

*M a s s o e a, (fuik).

Andere soorten fuiken.

*D i k a, groote en kleine flenzen om visch levend te houden. *T a p a r i e. gedeelte van een schot om de kreken mede af te zetten.

Vlechtwerk van de Indianen.

*D raagmand, van de Caraiben-Indianen.

*P a g a 1 e n (manden).

Reis pagaai.

*W e r k m a n d.

Paket- en brieventasch voor boodschaploopers *M a t a p i, pers voor cassave bereiding.

*M a n a r i, zeef voor cassave bereiding.

Vruchtenmandje.

Eierkorfje.

Mandjes.

Ui ilj

J N

I o; .

f S g \' -as

, 0 CJ / •r\' O

gt;

-ocr page 75-

73

*W a a i e r s om vuur te maken, van jonge awarra bladeren. Rammelaars.

Sigarenkokers.

Koeroe Koeroe, manden van de Boschnegers. Indiaansche wieg, (model) van awarra bladeren.

*W a a i e r, koelie vlechtwerk.

*M atten van ing i-so p p o.

*H oed, waaier, mandje van cocospalmtak. andjes van bamba m-m a k k a.

Matten van raffiavezel.

Sigarenkokers van stroo (Curasao).

Mandjes van awarrabladeren.

Gevlochten stroo hoeden.

Hoeden van tibisiri bladeren, inlandsche industrie op Aruba.

Taschje van aaneengeregen steranijszaden. Mandje van aaneengeregen steranijszaden. Kokertje van aaneengeregen steranijszaden.

Indiaansch aardewerk.

*VV aterkruiken.

Koelkannen.

*K ommen.

Aschbakjes.

Drinkbakjes.

Schotels.

Schalen.

^Bloemvazen.

*K a n n e t j e s *Potten enz.

*B laasinstrumenten.

Surinaamsche oudheden.

Steenen bijl, opgegraven door een Negerkapitein aan de Boven-Commewijne.

*S t e e n e n b ij 1.

Steenen beitel.

*Twee gebroken steenen wiggen of strijdbijlen. *Een stuk bazaltsteen.

*Een harde min of meer afgeronde werpsteen. *T\\vee stukken van een rond voorwerp van

rood aardewerk.

*Een menschenkies.

*E e n stuk kies, vermoedelijk van een Kapua, watervarken. quot;*K leine prapie (schotel) eene kant beschadigd, rood aardewerk.

^Gladde steen, veel gelijkende op een tegenwoordigen slijpsteen.

-ocr page 76-

TOELICHTING BETREFFENDE DE VOORWERPEN VERZAMELD BIJ DE AUCANER BOSCHNEGERS

„Unter allen Rassen, Vólkern oder Stammen von „Farbigen, mit denen man im heutigen Guayana „in Berührung kommt, sind zweifellos die eigen-„artigsten, merkwürdigsten und interessantesten, „so-.vohl in ethnologisch-anthropologischer, wie „linguistischer, überhaupt in jeder Beziehung, „die Buschneger\'.

(Joest, Ethnographisches und Verwandtes aus Guayana, Supplem. zu Band V von Intern. Archiv-für Ethnographic — 1893)

Gedurende een verblijf te Albina aan de Marowijne van Juni 1893 tot het begin van 1896, werden door ons bij de Aucaner Boschnegers, die aldaar soms geruimen tijd verblijf houden, de verschillende hier ingezonden voorwerpen verzameld en daaromtrent bijzonderheden opgeteekend, waarvan hieronder een uittreksel zal worden gegeven. Van de Boschnegers, jongeren en volwassenen die ons hun\' vriendschap hebben betoond, die sommige voorwerpen voor ons vervaardigden en bij wie wij inlichtingen inwonnen of controleerden, zullen wij de namen noemen; de meesten hunner zijn zeker bij de bewoners van Albina wel bekend. Het zijn: Abjensi, Gwintimatti, Seni, Soenkodjo, Paiso, Pitoe, Apiento, Damaloe, St. Hélène (sedert door den Hernhutterleeraar, den heer Kersten bekeerd), Abankoe, Amampa, Abroko, Aloepi,. Alamoe en Kikenki.

Scheveningen, 16 Juni 1899. L. C. van Panhuijs.

Tooverratel (Sakka-obia) en tooversnoeren (obia-tété).

Deze voorwerpen spelen bij de godsdienstige begrippen van de Aucaners een zeer voornamen rol. Zij worden door den toovenaar (loekoeman of wintiman) vervaardigd, de eerstgenoemde soort uit een kalebas die met steentjes, zaden of hagelkorrels gedeeltelijk wordt gevuld en waaraan een gesneden steel met handvat wordt bevestigd. De obia-tété wordt samengesteld uit wit katoen of

-ocr page 77-

koord en met allerlei voorwerpen als koperen belletjes, pape-gaaienveeren, pakir- of tijgertanden, kauri-schdpen (Cypraea moneta L.) of gesneden stukjes hout voorzien. Een derde soort., de awidja-kodja, bestaat uit den staart van een miereneter (tamanoa), met een houten handvat.

De obia\'s zijn uiterst moeilijk te verkrijgen, tenzij wellicht dat men juist het tijdstip mpcht treffen dat de eigenaar het christelijk geloof wenscht aan te nemen; aan de Marowijne werden nog slechts zeer enkele Aucaners daartoe bekeerd.

Slechts door een langdurigen omgang met de Aucaners hebben wij het volgende omtrent de geheime met obia\'s volvoerde plechtigheden kunnen constateeren.

Nadat de obia met witte aarde (pemba) is ingewreven, neemt de loekoeman een slok dram in den mond, besproeit daarmede de obia en roept diens macht aan (of liever de macht van den „akraquot;, dat is van zijn eigen geest, zijn tweede ik) om eene gunstige jacht te bekomen (doordat de akra den kogel bestuurt), om onkwetsbaar te zijn (voor aanvallen van wilde dieren, voor de pijlen van vijandige Indianen en, in vroeger tijd, voor de kogels van de blanken), of om de liefde van eene vrouw te winnen.

Bij de zoogenaamde winti- of bezweringsdansen, smeert de winti-man zich eerst aangezicht en borst met pemba in, hangt zich de obia snoeren om, en wordt daarna als „Gadoequot; toegesproken, waarbij hij dan niet meer met de gewone vluchtige omarming mag worden gegroet, maar door bij het uitsteken van de hand drie of vier vingers tegen de zijne te brengen en die op de muis van de hand te laten terugklappen. Onder wasschingen met een aftreksel van kruiden en eenig (doch matig) gebruik van dram vangt de wintiman aan „kromantiequot; te spreken, een soort van negerengelsch dat door toevoeging van Afrikaansche en Indiaansche woorden en door verdraaing zelfs voor den stads- of plantageneger onverstaanbaar is; daarna weet hij zich door beven en roepen — waarbij wat hij zegt als een orakel wordt aangehoord,— eindelijk door brullen in zulk een staat van opwinding te brengen dat hij onvermoeid met zijn ratel ronddanst, in stuiptrekkingen nedervalt, ongeloofelijke sprongen maakt en ongevoelig is voor het vuur of de doornstruiken, waarin hij soms terecht komt.

De vvintidans, voor de Boschnegers een schrikaanjagende en indrukwekkende openbaring van de geestenwereld waarin zij gelooven, is het voornaamste middel waarmede de loekoe-mans tot nogtoe de uitbreiding van het christendom wisten te beletten.

Om kwade geesten te weren, wordt de obia opgehangen in het „gadoe-hossoquot;, een miniatuur-hut die men vermoedelijk op alle dorpen aantreft. Te Albina was deze in 1896 nog aanwezig. Ook werden obia\'s door ons aangetroffen bij de hangmat van een zieke, die daarvan genezing verwachtte.

-ocr page 78-

76

Armring met talisman.

Ook deze voorwerpen worden door den loekoeman aan zijne stamgenooten verkocht.

Twee standaards van cederhout.

Het ware gebruik van deze standaards is niet bekend. Zij schijnen bij de een of andere plechtigheid te worden gebruikt.

Bakje van een kalebas.

Het bakje, met koperen belletjes voorzien zou, volgens mede-deeling, dienen om aftreksels van kruiden, bij de vervaardiging van obia\'s benoodigd, te bewaren.

Twee vogels van cederhout.

Het met zwarte strepen versierde exemplaar, waarvoor een slang uit den grond verbeeldt op te rijzen, stelt een „koejakéquot; (toekan, Ramphastos Toco Muil.) voor. De vogels werden door jongens vervaardigd.

Kandelaar en miniatuur kandelaar.

In den kandelaar (kandela-tiki) worden volgens mededeeling kaarsjes gebrand, doch alleen bij eene bepaalde plechtigheid. Voor dagelijks gebruik schaft de Boschneger zich een blikken „koekoe-lampoequot; aan. Er zou een plechtigheid bestaan waarbij de houten koejaké, bovengenoemd, met brandende kaarsen wordt omringd. De miniatuur kandelaar is door een kind vervaardigd.

Pronkstaf (wakkatik i).

De staf wordt, o. a, voor den aanvang van een dansfeest, te pronk gedragen. Het aanwezige exemplaar stelt een slang voor. Bij begrafenisfeesten schijnt de wakka-tiki een rol te spelen; het juiste gebruik daarbij is nog niet bekend.

Trom van cederhout (met hertevel bespannen; de spanhouten zijn van groenhout).

De trom die als een bezield wezen (ferisch) wordt beschouwd, — het boveneinde heet bijvoorbeeld dromfesi, het aangezicht van den trom, het ondereinde drom foetoe, enz. —, doet zoowel bij wintidansen als bij de gewone dansen dienst en wordt, evenals alle muziekinstrumenten bij de Aucaners, volgens hunne mededeeling, alleen door mannen en jongens bespeeld. De speler neemt de trom voor zich tusschen de knieën en slaat er op met de saamgehouden vingertoppen, met het plat van de hand of met de vuist. Met zekerheid kunnen wij zeggen dat bij de Aucaners (vermoedelijk ook bij de andere Boschnegerstammen) een trommentaal bestaat, namelijk seinen waarmede zeer snel •berichten, en zelfs scheldwoorden, van dorp tot dorp Tctmnen -worden overgetrommeld. Onder den schijn van een blanken bezoeker met trommelslag eer te bewijzen, wordt, wanneer hij

-ocr page 79-

I i

het dorp van een opperhoofd nadert, nauwkeurig wat van hem bekend is op die wijze vooraf medegedeeld.

Een bekend sein is bij voorbeeld: „wan bakkra konquot; (een blanke nadert).

Het overtrommelen van scheldwoorden naar elkander loopt wel eens uit op zeer geanimeerde (doch onschadelijke) vecht- en worstelpartijen, waarbij van geene wapens gebruik wordt gemaakt, en waarbij de Boschneger, wat trouwens zelden gebeurt, zijn goed humeur niet verliest.

De tentoongestelde trom heeft meer dan eens dienst gedaan bij de bootwedstrijden van de Boschnegers te Albina, bij gelegenheid van den verjaardag van Hare Majesteit de Koningin, om de strijders aan te vuren.

De op de buitenzijde ingesneden figuren (meandroïden) zijn vermoedelijk ontleend aan figuren van Indiaansch vlechtwerk.

Muziekinstrument, (b e n t a).

Door het schuiven van stukjes hout onder de drie toetsen, kan de benta worden gestemd. Terwijl het instrument met beide handen wordt vastgehouden, worden de toetsen met de duimen beurtelings snel aangeslagen.

Met de benta (evenals met den „gwadooquot; een met drie houtjes doorstoken kalebas, waarover snaren van „siengrassiquot; zijn gespannen) wordt het (ook bij ons bekende) spel gespeeld om een vooraf verborgen voorwerp door hard en zacht spelen te laten opsporen. De maten van de daarbij gebezigde muziek worden door de Boschnegerkinderen onthouden en gezongen met het versje:

,Jonsro mi sa Kisi wan gwanaquot;

d. w. z. „zoo meteen zal ik een hagedis vangenquot;, voorts door de klanken: „Potto wanisi, potto wanisi, „potto kwo, potto kwoquot; (de nabootsing van een vogeltje), afgewisseld met „Ion kon loekoequot; (kom gauw kijken) en „koesinga bitaquot; (de koesinga heeft beet?).

Bogen van letterhout en pijlen.

Deze worden door de Boschnegers wel bij de vischvangst gebruikt; voor de jacht alleen bij gebrek aan kruit en lood. De vervaardigers zijn de Indianenstammen van de binnenlanden, die hunne bogen en pijlen (evenals hangmatten, veeren sieraden, snoeren, jachthonden en soms ook levensmiddelen) bij de Boschnegers tegen houwers, bijlen, messen en kralen verruilen.

De Boschnegers vervaardigen ook zelf pijlen, van die van de Indianen o. a. daardoor te onderscheiden doordat zij niet met veeren zijn voorzien. De punt wordt vervaardigd uit hard hout, of uit oude ijzeren duigen en met behulp van katoendraad en manihars (Symphonia coccinea) aan de schacht (kamaroea, een Indiaansch woord voor riet) bevestigd.

-ocr page 80-

Boog, kruisboog en pijlen van boschnegerkinderen.

Dé jongens loopen met hun pijl en boog op het rivierzand in het heldere ondiepe water en schieten kleine visschen. De boog is van de Indianen afkomstig; de pijlen, die zij „kabisi ngaquot; roemen, maken zij zelf.

Hoe de Boschnegertjes aan een kruisboog als speelgoed komen is ons een raadsel.

Model van een v i s c h f u i k.

Dit model werd door een Boschnegerjongen spelenderwijs vervaardigd. Met een stuk schil van een awarra noot wist hij er spoedig een vischje mee te verschalken.

Modellen van corjalen.

Door het maken van deze modellen als speelgoed, leeren de knapen al vroeg vaardigheid in de moeilijke bewerking van het branden, waardoor de uitgeholde boomstam, waarvan de corjaal gemaakt wordt, zonder dat het hout splijten mag, op de vereischte breedte wordt uitgebogen.

Het kalefateren geschiedt met vlas (siengrassi) en mani-hars; kleine scheuren worden met stukjes blik bij elkander gehouden. Soms worden de corjalen (zooals bij een van de modellen het geval is) met spatborden (papaai) tegen het inslaan van golven bij het overtrekken van watervallen beveiligd. Op de zitbanken aan voor- en achterzijde vindt men vaak versieringen ingesneden.

Het grootste model werd ons bij vertrek van Albina door de Boschnegerjongens ten geschenke gegeven.

Parels.

De parel wordt met een houwer (de in Suriname algemeen gebruikelijke korte sabel om onkruid te wieden) uit een stuk hout tot den vereischten vorm gekapt, met een zakmes gladgeschaafd, het handvat uitgesneden en de zijvlakken met snijwerk versierd.

Op het kleinste exemplaar (een door Saramaccaner Boschnegers vervaardigde pronkparel) ziet men duidelijk tegenover elkander geplaatste menschelijke figuren, waarvan een Boschneger en eene Bosehnegerin aan hunne kuit- en enkelbanden kenbaar zijn.

Op de oude (defecte) parel bevinden zich merkwaardig gesty-leerde, doch moeielijk herkenbare menschelijke figuren.

Miniatuur parels (pari-tik i) en ander houtsnee werk.

De Boschneger zit zelden leeg; hij houdt zich in tusschenuren vaak met houtsneewerk bezig; is het gesneden voorwerp naar zijn zin uitgevallen, dan ioopt hij er mede te pronken en geeft het aan zijn donkere beminde ten geschenke.

-ocr page 81-

79

Op de miniatuur parels en de houten sabeltjes zal men de in de Boschnegerornamentiek kenmerkende leguanen cogen (guana ai) en de zaagtanden (saa-tifi) aantreffen; in de a jour gewerkte handvatten ; slangenkoppen (die voor oningewijden „krulloequot;, kn:llen, worden genoemd) en vogels.

De als spatel bewerkte pari tiki wordt wel gebruikt om den por mede te roeren. De zeer onbeholpen afgewerkte exemplaren zijn door kinderen van een jaar of zes vervaardigd.

De twee hondjes zijn van cederhout, evenals het miniatuur stampblok (matta met stamper, matta tiki) en het door een jongen gesneden poppetje (mansfiguur). In de matta wordt door de vrouwen rijst, pinda, cassava, awarra-en koemboepitten gestampt; opmerking verdient dat dit blok (dat de Boschnegers wel van de Indianen zullen hebben nagebootst) in de Surinaamsche huishouding is ingevoerd.

Kalebassen en Kalebas lepels.

De schil van de kalebasvrucht wordt gesneden tot kommetjes en lepels ; groote kalebassen leveren het bekken voor wasschingen met kruidenaftreksels. De figuren worden door de vrouwen in de schil gesneden als die nog week is; de beteekenis dier figuren is voor een oningewijde niet gemakkelijk te ontdekken. Toch zal men wellicht in een van de kleine kalebaskommen twee zwemmende eenden kunnen vinden; in een ander een zwartgespikkeld figuur dat een haan voorstelt, die terwille van het ornament en de voorhanden ruimte in hvee symmetrische helften werd weergegeven. Dit ornament lijkt ons zeer merkwaardig. Verder zijn er afbeeldingen van slangen, van de pipa-toddo, enz.

Het kalebassen-, eet- en drinkgereedschap wordt na gebruik met zand en lemmetjes geschuurd en netjes opgeborgen. De hoofdmaaltijd werd te Albina gehouden even na zonsondergang; de mannen en jongens zitten dan in een kring op hunne bankjes voor de hut. De vrouwen en meisjes eten naderhand afzonderlijk.

Waaier en Mandje (halfvoltooid).

De waaiers worden gebruikt om het vuur aan te blazen. De manden dienen om kleine voorwerpen in te leggen. Voor berging van voorwerpen worden echter algemeen de vierkante Indiaansche manden met deksel, pagara\'s, of wel blikken koffers gebruikt.

Zitbankjes van cederhout.

Wanneer men een Boschnegerhut binnentreedt, worden dadelijk bankjes aangeboden om te zitten. Soms zijn de bankjes en kleine tafels met veel zorg bewerkt; die exemplaren worden dan in doeken bewaard en zijn of in \'t geheel niet, of slechts tegen bespottelijk hooge prijzen verkrijgbaar. Waar zij desnoods zelf in al hunne behoeften kunnen voorzien, kennen de Boschnegers het geld minder waarde toe dan bij ons.

-ocr page 82-

80

Bij de tafels en bankjes komt hun zucht tot versiering met koperen spijkertjes vooral aan den dag.

Het grootste van de ingezonden bankjes is uit één blok. cederhout vervaardigd ; de krullen in de a jour gewerkte steunstukken stellen slangenkoppen voor.

In een uit drie stukken bestaand exemplaar is met wit hout een krab (Srika) ingelegd. De gaten in het zitvlak, waarin de zich aan de steunstukken bevindende uitsteeksels passen, en die verschillende beteekenissen, als strijdknotsen, slangenkoppen, visschen, kunnen hebben, heeten de oogen van het bankje (bangi-ai).

De twee kleine bankjes zijn door kinderen vervaardigd.

Het gebrekkig bewerkte withouten bankje is van Saramaccaner Boschnegers afkomstig, het bankje zelf stelt een viervoetig dier voor ; op de steunstukken staan de teenen aangegeven. De ruw bewerkte insnijdingen stellen voor vogels en leguanen oogen, de zwart gestippelde figuur op de zijvlakken eene slang.

Spindel.

In afwijking met de spindels van de Indiaansche vrouwen, schijnen de Boschnegers de hunne ook wel met een cederhouten schijf te voorzien.

Model van een Boschnege r-h a n g m a t.

Dit model werd voor ons vervaardigd door een jongen van een jaar of tien. Er schijnen maar weinig Boschnegers te zijn die de vervaardiging goed kennen, zoodat de door hen zelf gemaakte hangmatten volstrekt niet algemeen worden aangetroffen.

De bewerking is vrij gecompliceerd; de draden worden dub oei genomen, met een dubbelen knoop bevestigd aan een houten stok, de djemba, en daarna beurtelings boven en onder om de djemba en de dwarsbalken gehaald van een toestel (pangoela), dat schuin tegen een van de hutwanden steunt. Is het spannen van deze lengtedraden gereed, dan worden de dradengroepen met de „bobbiquot; bij elkander getrokken; voorts de plaats waar de draden elkander kruisen met de „hangmakka pariquot; uitgespreid gehouden, de schietspoel daar ter plaatse dwars door de lengtedraden geworpen, de dwarsdraad vervolgens met de hangmakka pari vastgestampt en deze laatste weggenomen, waarna met de bobbi andere groepen lengtedraden worden naar voren gehaald, de hangmakka pari weder wordt ingebracht en de schietspoel op nieuw wordt geworpen.

Wat wij hier schietspoel noemden en als zoodanig dienst doet, is een hardhouten stokje (agoema dégoe) van ongeveer Va M. lang, waarop het katoen door een jongen vooraf gewikkeld wordt.

Van een halfvoltooide hangmat, die op de pangoela staat, is een teekening hierbij gevoegd.

-ocr page 83-

81

Aan een hangmat is een Boschneger (vrouwen doen dezen arbeid niet) een twee of drietal weken bezig, waarbij hij echter ook ander werk verricht. Twee malen kwamen wij te weten, dat de voltooide hangmat aan Indianen ter beschildering werd gegeven, die de hangmat, versierd met de figuren die op hun kruikjes voorkomen, terugbrachten.

Enkel- en Kuitbanden (sepoen) en s e p o e n-h o e d o e.

Deze banden worden door vrouwen en meisjes met een houten haakje (of met een omgebogen balein uit een parapluie) gehaakt op een flesch of om een houten mal, „soepoen-hoedoequot;, dat de mannen en jongens weder voor hen vervaardigen.

Het ingezonden sepoen-hoedoe is door een knaap van een jaar of tien gemaakt ; dé zigzagvormige lijn langs den rand, die in een driehoek eindigt, stelt een slang voor.

Borduurwerk.

Op een in een winkel gekochten lap katoen, die tot pantje of tot schouderdoek moet dienen, worden door den man met houtskool figuren geteekend; deze patronen worden door de vrouwen geborduurd.

De figuren op het ingezonden pantje stellen voor; een apenstaart, een vogelpoot met een slang en twee tegenover elkander geplaatste „akema\'squot; (figuren met eene erotische beteekenis). De beteekenis van het schuine kruis is ons niet met zekerheid bekend.

Waschgoedkloppers (Kodja).

Ook deze voorwerpen worden, evenals de haarkammen, door mannen en jongens vervaardigd en aan de vrouwen en meisjes ten geschenke gegeven. In de kleinste kodja is in het handvat o. a. een pijl uitgesneden.

Haarkammen.

Bij het snijden van de reusachtige haarkammen, die niet zonder reden gewoonlijk uit een zeer taaie en veerkrachtige houtsoort worden vervaardigd, wordt gewedijverd wie het fraaiste handvat weet te maken.

Die fraai bewerkte exemplaren zijn dan echter weer moeilijk te verkrijgen.

De grootste kam (van cederhout en niet tot gebruik, maar voor pronk bestemd), toont de ornamentiek, niet van de Aucaners, maar van de Saramaccaner Boschnegers.

De ellipsoïden in een der handvatten stellen „dondro-stonquot; (steenen bijlen van de Indianen, door de Negers dondersteenen geheeten) voor. Verder zijn er in de handvatten o. a. uitgesneden : slangen, slangenkoppen, vogels en een manspersoon met slangvormige ledematen. De zaagtanden en hagedis-oogen doen als randversieringen dienst.

6

-ocr page 84-

82

Hoofdsiersel.

Deze houten sieraden worden in het haar te pronk gedragen. De ingezonden „tiki vo heddequot;, zijn door kinderen vervaardigd; een er van stelt een vogel voor die op een slang staat.

Halskettingen en snoeren.

Deze snoeren, bekend onder de namen van arewepi, tappoe-tappoe, sierie, afroe en reddi boontje worden van de Indianen verkregen. Een zoon van het groot opperhoofd Oseisie verkocht ons een snoer afroe voor „wan banknootoe wan vaamquot;, d. w. z. vijftig cent voor de maat van de uitgestrekte armen. De arewepi-kettingen zijn bij de Surinaamsche dames zeer gezocht.

Het ingezonden enkelsnoer (jorro jorro) wordt bij den dans gedragen, de houtachtige vruchten van de cerbera maken dan een klapperend geluid.

Pijp.

Volgens onzen zegsman, den Boschneger Amampa, vervaardigden de Boschnegers in de tijden dat zij weinig met beschaafden in aanraking kwamen hunne pijpen zelf, doch wordt dit thans niet meer gedaan, daar zij nu in de winkels te Albina een steenen pijpje voor één cent kunnen koopen. Hij kende nog slechts eene oude vrouw aan de Tapanahony die de kunst verstond en bracht op ons verzoek na terugkeer van een reis daarheen twee exemplaren mede. Tot steel werd een stukje riet als bijgevoegd gebruikt dat met een prop katoen in de pijp moet worden vastgestoken.

-ocr page 85-

Ill

GEOLOGIE EN MINERALOGIE

I. Verzameling grond- en steensoorten in 1897 en 1898 bijeen

gebracht door den Districtscommissaris van Nickerie, den Heer C. van Drimmelen, op zijn tochten langs de Boven-Nickerie, de Maratakka, de Corantijn (Nederlandsche oever) en de Kabalebo, met photographieën en bijbehoorende kaart, bewerkt en ingezonden door Dr. H. van Cappelle, te Wageningen.

Gedeeltelijk reeds beschreven in Tijdschr. Kon. Ned. Aardr. Gen. 1899, afl. 1, blz. 1—36.

a. de Maratakka.

1. Grijs kwartszand. I , .

( venvenngs producten

2. Grijs wit leem met kwartskorrels. / . , „ ■ , . I van graniet.

3. Grijs wit leemig zand.

b. de Boven-Nickerie.

1. stuk van een „schulpritsquot; \'met zand overdekte, opgeheven

schelpbank).

2. Ijzerhoudende zandsteen.

3. Porceleinaarde (Kaolin).

4. Fijnkorrelige, magneetijzerhoudende biotietgraniet.

5. Biotietgraniet.

6. Fijnkorrelige biotietgraniet.

7. Zandig, fijn leem.

8. Grofkorrelige graniet.

9. Diabaas (bijna geheel in lateriet overgegaan.)

9a.Diabaas (met gele verweringksorst).

10. Fijnkorrelige biotietgraniet.

II. Gelateriseerde, gedeeltelijk gekaoliniseerdt graniet.

12. Middelkorrelige biotietgraniet.

13. Grijs- en geelgevlekt leem.

14. Zeer leemig fijn zand.

15. Ijzerhoudende zandsteen.

16. Fijnkorrelige biotietgraniet.

1 órt.Grofkorrelige biotietgraniet.

17. Grofkorrelige, glimmerarme graniet (roze veldspaath, bijna

geheel in witte kaolinachtige massa veranderd).

-ocr page 86-

84

i8. Gele, fijne, klei hemden de zandsteen.

ig. Grof grind (uit graniet, diabaas, kwartsschiefer gevormd).

20. Grijze grofkorrelige graniet.

21. Grofkorrelige graniet.

22. Ijzerhoudende zandsteen.

23. Hoornblende-graniet.

23a.Grof korrelige hoornblende-graniet.

c. Nederlandsche oever der Corantijn.

1. Porceleinaarde (Kaolin).

2. Kaolinzand.

3. Grijs- en geelgevlekte, zandige, glimmerhoudende klei.

4. Diabaas.

5. Glimmerhoudende kwartszandsteen.

6. Ijzerhoudende zandsteen.

7. Diabaas.

Sa.Roodgrijze kwartsiet.

S^.Grijze kwartsiet.

9. Grind (uit kwarts).

10. Biotietgraniet.

11. Grofkorrelige biotietgraniet.

12. Grofkorrelige biotietgraniet.

d. Kabalebo, z ij rivier van de Corantijn.

1. Ijzerhoudend zand, met een weinig klei.

2. Grijs- en geelgevlekte zandige klei met glimmerblaadjes.

3. Fijnkorrelige sterk verweerde diabaas.

4. Fijne ijzerhoudende zandsteen met biotietplaatjes.

5. Fijn grind.

6. Lateriet.

7. Kwartsrijke, magneetijzerhoudende glimmerschiefer.

8. Blauwgrijze kwartsiet.

9. Diabaas.

10. Zuiver bolronde diabaas-rolsteen, in een draaikolkgat gevormd.

11. Diabaas.

12. Diabaasrolsteenen.

13. Kwartsrolsteen.

14. Diabaas.

15. Donkerbruine, zeer vruchtbare aarde (verweerde diabaas).

16. Diabaas.

17. Lateriet.

18. Fijnkorrelige graniet.

19. Porfierische graniet.

II. Verzameling grond- en steensoorten van de Marowijne, bijeengebracht door Jhr. L. C. van Panhuys, beschreven in Bulletin No. 12, uitgegeven door het Koloniaal Museum.

-ocr page 87-

85

III. Verzameling graniet-, kwarts-, en schiefergesteenten van de Boven-Suriname-rivier, zand van de Joden-Savanne aan de Suriname-rivier. Ingezonden door de Tentoonstellings Commissie.

IV. Goudhoudend kwarts van Suriname.

*Modellen van sluice en longtom, Foto\'s.

V. Goud uit Suriname.

Goud van de Marowijne.

*Zuil en cubi, voorstellende de goudproductie in Suriname

van 1876—\'98.

*Stuk Surinaamsch goud van 1 K.G.

VI. Mineralen, (ertsen, gesteenten) aardsoorten van de West-Indische Eilanden.

a. van Aruba.

Goudhoudend zand.

Graniet.

Dioriet.

Kwartsdioriet.

Augietdioriet.

Diabaas.

Carneool.

Jaspis.

Vuursteen.

Chalcedoon. i ,T , , . ^ ,

Kwarts gt; kristalberg. De kwarts vormt gangen m

Be k i t 1 1 kwarts dioriet en is goudhoudend.

Kwarts met pyriet.

Bloedsteen.

Malachiet in gangkwarts tusschen dioriet.

Ijzer- en mangaanhoudende koolzure kalk.

Koolzure kalk.

Druipsteen, uit de grot van Fontein.

Gele klei.

Witte klei.

Roode aarde.

Rood krijt.

Roode oker.

Gele oker.

Groenachtige oker.

Phosphoriet.

De phosphorieten der West-Indische Eilanden worden als gemetamor-phoseerde oud-kwartaire rifkalken beschouwd. Door inwerking van oplossingen van guanozouten zijn deze kalksteenen in meer of minder zuivere phosphoriet overgegaan. Op vele plaatsen gaat de phosphoriet ongemerkt over in kalksteen.

Gemalen komen de phosphorieten als kunstmeststoffen in den handel.

-ocr page 88-

86

b. van Curasao.

*K\\varts met fluoriet.

*Jaspis.

*Mangaan erts.

*K.alkspaat.

Druipsteen uit de Grot van Hato.

Volgens Prof. K. Martin is deze grot een open ruimte in den oud kwartaire rifkalk.

* Phosphoriet.

c. van Bonaire.

Phosphoriet.

//.van Saba.

•Zwavel.

v a n St. Martin.

•Mangaan erts.

/.van de Eilanden boven den Wind.

*Gips.

VII. Fossielen (versteeningen).

Uit de phosphoriet van Aruba.

Uit de phosphoriet van St. Bartholomeus.

De fossielen zijn doorgaans steenkernen, die een soortsbepaling slechts zelden toelaten. Voor het meereadeel zijn zij van Gasteropoden, Eivalven en Zeeappels afkomstig.

-ocr page 89-

IV

PLANTAARDIGE PRODUCTEN

Dilleniaceae. Curatella americana L. Wilde Cashew.

* Hout met bast. Bast. Hout.

Curatella ? Cashoema.

Vruchten.

Anonaceae. Anona muricata L. Zuurzak.

Vruchten. Bast.

Anona punctata Aubl. (?) Bati-bati. (?)

Vrucht i. p.

Anona reticulata L. Serikaya.

* Vrucht.

Anona squamosa L. Kaneelappel.

Vruchten.

Duguetia guianensis D.C. Pritijari, lanshout.

* Hout.

Xylopia frutescens D.C. Alasa Pegrekoe.

* Bast.

Xylopia glabra L. Pegrékoe.

Vruchten. Takken met bladeren. Hout.

Papaveraceae. Argemone mexicana L. Duivelsvijg.

Olie (Polver sjimaron olie).

Nymphaeaceae. Nymphaea sp. Lotus.

* Bloemen.

Cruciferae. Lepidium virginicum L.

Kruid.

Ciapparideae. Moringa pterygosperma Gaertn. Marengo. Vruchten. Zaden. Olie.

Vrucht i. p. = vruchl in papiermaché uit de collectie, geschonken door den heer Matthes. Vrucht i. \\v. = vrucht in was, uit de collectie geschonken door Mevr. Reisiger - Swaab, Paramaribo.

-ocr page 90-

88

Bixineae. Amanoa guianensis Aubl. Bosch marmeldoos.

Hout.

Bixa Orellana L. Orlean Roucou. Koesoewé.

Vruchten. Zaden (anatto). ^Herbarium. *Kleurstof (Koesoewé). Casearia stipularis Vent. Boschkoffie.

Hout.

Polygaleae. Krameria Ixina L. Besoea, Pega saja sjamaron. Hout.

Vochysiaoeae. Vochysia guianensis Aubl. Wassi-wassi, Kwari-ceder. Kwali (kwari, quali).

Hout.

Guttiferae. Clusia alba L. Pépépérc votomité.

Vrucht i. p.

Guttiferea ind. Redi koedoe.

* Herbarium. * Vruchten i. p.

Mammea americana L. Mamie. Anierikaansehe Abricoos.

Hout. * Vrucht. * Melksap. Vrucht i. p.

Moronobea coccinea Aubl. Maniboom.

* Pek uit de hars. * Ruwe hars. * Hars. * Bloemen. * Melksap.

* Bast.

Moronobea sp. Boschmani.

Hout.

Ternstroemiaceae. Caraïpa Richardiana Cambess. Matakki, Maratakki.

Hout.

Caryocar butyrosum W. Boternoot.

Vruchten. Vet uit de vruchten.

Caryocar glabrum Pers. Nengre notto.

Vruchten.

Caryocar nuciferum L. Bokkenoot.

Vruchten.

Caryocar tomentosum W. Bokkenoot.

Vruchten. Vet uit de vruchten. Bast (Souari-bast).

Caryocar sp. ind.

Hout.

Malvaceae. Apeiba glabra Aubl... aspera Aubl., Tibourbou Aubl. Vruchten i. p.

Carolinea (= Pachira) princeps D.C. Boschcacao. Anattra.

Hout. * Herbarium.

Eriodendron anfractuosum D.C.

* Vruchtpluis. Hout.

Gossypium arboreum L. Katoen.

Gezuiverd katoen. Ruw katoen. Tak i. p. Vruchten. *Bloemen en * Vruchten. Zaden (katoenpitten). Katoenpitolie, ruw en gezuiverd. * Herbarium,

-ocr page 91-

89

Hibiscus esculentus L. Calalou, Okro, Jurka okro. Gigambo. Surinaamsche oker.

* Vruchten. * Zaden. * Bastvezels.

Hibiscus Sabdariffa Perott. Roode Zuring.

Vruchten. Gelei.

Hibiscus sp. Swamproos,

* Herbarium.

Hibiscus sp.

* Bastvezels.

Malva sp. Malva wiwiri.

* Herbarium.

Pachira aquatica Aubl. Morno^ Boschcacuo.

* Bast.

Paritium elatum Don. Maho.

* Bastvezels.

Sida ciliaris L. Jeerba di seeroo.

Wortel.

Sida sp. Sisibi wiwiri.

* Herbarium.

Sterculiaceae. Theobroma cacao L. Cacao.

Cacao-vruchten van verschillenden ouderdom. * Reuzenvrucht. * Cacaoboonen. Cacaoboter. Ruwe cacao-azijn. Cacao sap. Spiritus uit cacao-sap. Model eener cacao plantage.

Zygophyllaceae. Guajacum officinale L. Pokhout, Bokhout.

Bast (Wajaka-bast).

Geraniaceae. Averrhoa Bilimbi L. Franschman. Bilimbi. Birambi.

Bloemen. * Herbarium. Vruchten, (* geconfijt, * op rum, i. p.) Averrhoa Carambola L.

Vrucht i. p.

Rutaceae. Citrus buxifolia Sieb. Gideonsappel, Lamoen.

Vrucht i. w.

Citrus decumana L. Pompelmoes.

Vrucht i. p.

Citrus Liraetta Risso. Lemmetjes-boom, Zoete citroen, Swieti-lemmetje.

Vruchten. • Herbarium. Gom.

Citrus Limonum Risso. Limoen.

Vruchtschillen. Vruchtsap. Citroenzure kalk uit het sap. Citrus medica Risso. Citroen.

Vruchten. Vrucht i. \\v.

Citrus nobilis Lour. Mandarijn.

Vrucht i. p.

Citrus spinosissima Mey. Lemmet je.

Vrucht i. p.

-ocr page 92-

90

Citrus Aurantium L. Sinaasappel.

Hout. Vrucht i. p.

Citrus vulgaris Risso. Oranjeboom.

Onrijpe vruchten (Curagao-appeltjes). Vrucht i. w. Oranjeschillen. Hout.

Erythroxylaceae. Erythroxylon Coca Lam. Coca.

* Herbarium.

Diosmeae. Galipea officinalis Hancock.

Bast (West-Indische angustura-bast).

Simarubaceae. Quassia amara L. Bitterhout, Kwassi, Quasi bit a.

Vruchten. Bast. Hars. * Hout. Hout met bast.

Simaruba amara Aubl. Simaruba.

* Bast. • Herbarium.

Burseraceae. Icica altissima Aubl. Witte ceder 1 IVara oe\' i. Cura-ui (cura). Korjaalhout.

Hout. Bast.

Icica Aracouchini Aubl. Lakasiri. Akasiri.

* Bast. * Hars.

Icica heptaphylla Aubl. Witte Sale. Tingimoney, Palon.

Bast (Hyawa). Hout. Hars (*Elemi, Conima-hars).

Meliaceae. Carapa guianensis Aubl. Krapa, Shambona, Bitter Kola.

* Olie. * Zaden. Vruchten. * Bast. Hout.

Cedrela odorata L. Bruine-^ Roode ceder. Acoujari, Spoorceder. (?) Hout.

Swietenia Mahagoni L. Mahoniehout.

Vruchten. Hout.

Celastraceae. Goupia tomentosa Aubl. Kopie (wit en rood), Kaboeballi.

Bast. Hout.

Anacardiaceae. Anacardium occidentale L. Cachou, Cashew.

* Gom. * Vruchten. * Zaden. * Bast. * Herbarium. Vrucht i.w.

en i. p. * Bloeiende tak. * Vruchten o. s.

Mangifera indica L. Mango, Mauja.

Gom. Hout (ook witte Mango). Vruchten (op spiritus, ge-confijt, i. w.)

Schinopsis Lorentzii Engl Colorada Quebracho.

Herbarium (van Berlijn).

Spondias dulcis Forst. Po mme de Cythere.

Vruchten (geconfijt, op rum i. w. en i. p.)

Spondias lutea L. Mopé, Mappé, Macapruim, Wilde pruim, Hoobao. Mor ra (?)

Hout. Bast. Gom. Vruchten (op spiritus, geconfijt.)

-ocr page 93-

91

Lieguminoseae. Abrus precatorius L. Makoera, Weesboontje.

* Vnichten. * Zaden.

Acacia Farnesiana Willd.

Gom (Wabi, Hoebada-). Hout.

Adenanthera pavonina L. Koraal-erwt.

Vruchten.

Andira aspera, Peigne macaque.

Vrucht i. p.

Arachis hypogaea L. Pinda. Aardnoot. Curafaosche amandelen.

Vruchten. Olie uit de zaden. Aardnotenkaas. quot;* Herbarium. Caesalpinia coriaria Willd. Divi-divi, IValapana.

* Peulen van Suriname. Peulen van Curagao. Peulen van

Aruba. Extract uit de vruchten. Poeder van de vruchten. Inkt uit het vruchtsap.

Caesalpinia echinata Lam.

Brazielhout.

Caesalpinia sp.

Bast (Ducallibast).

Caesalpinia sp. Caprie.

Bladen.

Caesalpinia sp. Corovai.

* Peulen.

Cassia bracteosa W.

* Herbarium.

Cassia Fistula L. Trommelstok.

Vrucht.

Cassia occidentalis L. loroko pes ie ^ Jur baboon, Spookboon.

Zaad. * Herbarium.

Cassia sp. Surinaamsche Senna. Slabriki wiwiri.

Bladeren. * Herbarium. * Bloemen.

Copaifera bracteata Benth. Purperhart, Simirida. Bois d\'atnaranthe.

Hout (ook Swamp-purperhart).

Copaifera officinalis L. var. Surin. Kquot;pahu.

\'* Balsem. Olie. Hout (hoepelhout). * Zaden. * Herbarium. Dipterix odorata Willd. Tonka.

Vruchten. Zaden (tonkaboonen). * Gepraepareerde en onge-praepareerde tonkaboonen van Curagao. .Hout. Drepanocarpus sp. Brantimakka.

* Herbarium.

Enterolobium cyclocarpum Gris.

Vrucht.

Eperua falcata Aubl Bijlhout, Wallaba

* Vet. * Balsem. Hout. * Bladen en * vrucht van IVater-

bjlhout.

Erythrina sp. Koffie mama.

* Herbarium.

Geoffroya retusa Lam. Kabbes. Roode en zwarte kabbes.

Hout.

-ocr page 94-

92

Guilandina Bonduc L. Awari sieri, Awari ston.

* Zaden.

Haematoxylon Campechianum L. Campeche-, Blauw hout.

Hout.

Hymenaea aff. Bastaard-Locus. Singapretoe.

Hout.

Hymenaea Courbaril L. Locus, Simiri, Loksi.

* Lokus. Hars. * Copalhars. Hout. Vruchten. * Herbarium, Indigofera tinctoria L. Indigo.

Kleurstof. * Herbarium.

Inga ingoïdes L. Switie bonkte {Switi boontjes).

Vruchtdragende tak. Hout.

Inga sp. Indiaansche erwt.

Vrucht i. p.

Inga sp. Cowaai.

* Vrucht.

Lablab vulgaris Savi. Sebiari.

* Herbarium.

Leucaena glauca Benth. Toemba raboe.

Herbarium.

Lonchocarpus sp. Ne/coe.

* Hout.

Lonchocarpus violaceus Kth. Stinkhout, Nekoe, Tiengi koedoe. Hout.

Machaerium Schomburgkii Benth. Hooglandsch Bcbéhout, Tigerwood.

Hout.

Mimosa chrysantha.

Wortels.

Mimosa guianensis Aubl. Slangenhout, Sneki-hoedoe.

Hout.

Mimosa pudica L. Sjem-sjem („zich schamenquot;).

* Herbarium.

Mimosa salinarum Steud.

Hout.

Mimosa sp.

Hars (Barba di jonkman-gom).

Mimosa sp. Boschtamarinde.

* Hout. * Zaden.

Mimosa sp. „Bedriegertjesquot;.

* Herbarium.

Mora excelsa Benth. Peto. Mora. Maurra.

Bast. Hout. * Vruchten.

Mucuna urens L.

Zaden (koeienoogen).

Myrospermum frutescens Jacq.

Vruchten.

Ormosia sp. Kokerkie.

* Zaden.

-ocr page 95-

93

Poinciana pulcherrima L. Krere-krere.

* Herbarium. * Peulen. * Zaden.

Poinciana sp.

* Peulen.

Pterocarpus suberosus Pers. Bébé, Corkwoodtree.

* Hout.

Robinia Panacoco Aubl. Apoetoehout.

Hout.

Tamarindus indica L. Tamarinde.

Vruchten (droog, geconfijt, op spiritus). Zaden. Hout. Tephrosia toxicaria Pers. Koenami (vischgift).

* Bast. * Stengels.

Vouacapoua Americana Aubl. Bruinhart of Bruinhout. Dakamaballi.

Hout. Vruchten.

Vouapa chrysostachys Miq. Watergroenhart, Ouapa1 Wafa. Hout.

Rosaceae. Amygdalus communis L. Amandelboom.

Zaad.

Chrysobalaneae. Couepia guianensis Aubl. Kwepie.

Hout. Bast. * Bast gebrand en ^met klei gemengd. Vruchten. Hirtella hexandra W.

* Herbarium.

Combretaceae. Terminalia Catappa L. s.j-. Amandel.

Vet.

Rhizophoraceae. Rhizophora Mangle L. Mangroe^ Mangel-, Oesterboom.

Hars. Bast. Hout met bast. Hout (Blanco, Coraal). Mandjes van het hout.

Myrtaceae. Bertholletia excelsa Humb. Kokeleko, Para-notenboom.

Vruchten. Zaden (onechte bokkenoten, amazone-amandelen). Couratari guanensis Aubl. Ingi Pipa.

Hout.

Couroupita guianensis Aubl. Bosch kalebas.

Hout.

Eugenia Jambosa L. Pommerose. Curafaosche appel, Rozeappeltje.

Bloeiende tak. Hout. Vrucht (op spiritus, i. p.)

Eugenia pumila L. Boschkers.

Vrucht i. p.

Lecythis bracteata W. Bosch kalebas. Hoogland\'s kalebas.

Hout.

Lecythis grandiflora Aubl. Kwatta-pattoe.

Vruchten (Monkey pot). Hout.

Lecythis Ollaria L. Man-B ar klak. Wadili Wasanola. Kakaralli.

Bast. Hout. * Sigarettenpapier (Oelimani).

Pimenta acris Wight. Bay berry.

* Bayrum. Double destilled Bay-rum. * Bay-olie. Bay-berries. quot;* Bladeren. * Herbarium. Bloeiende tak.

-ocr page 96-

94

Psidium aromaticum Desc. Bosch Guava, Mariabu.

Bast (Guava-bast, Maljaba Goejaba). Hout.

Psidium piriferum L. Tamme Guava.

Hout. Gelei uit de vruchten. * Herbarium. Vrucht i. w. Punica Granatum L. Granaatapptl.

Bladeren en vruchten. * Herbarium. Vrucht i. p.

Passifloraceae. Passiflora edulis Sims. Sarin. Markoesa, Sopropo.

Vrucht i. w. * Bloem.

Passiflora foetida L. Sneki markoesa.

* Herbarium. • Bloemen.

Passiflora quadrangularis L.

Vrucht i. p.

Passiflora tiliaefolia L. Para Markoesa.

Vrucht i. \\v.

Passiflora sp. Binietti Markoesa.

* Herbarium.

Melastomaceae. Blakea quinquenervis Aubl. z. g. Mispel.

Hout. * Herbarium.

Papayaceae. Carica Papaya L. Granbofsi papaja.

Bladeren. Bloeiwijze. Vruchten (op spiritus, geconfijt, op azijn i. p., i. w.) Hout. * Herbarium. * Melksap, vloeibaar en gedroogd. * Dubbele vrucht.

Cucurbitaceae. Cucurbita Pepo L. Pompoen.

Zaad. * Herbarium.

Lagenaria sp. Kalebas.

Vrucht i. p.

Momordica Charantia L. Springkomkommer.

Vrucht (op spiritus, i. p.) * Herbarium.

Trichosanthes tuberosa L,

Zetmeel (van Curasao).

Zanonia macrocarpa BI.

Vrucht. Zaden.

Cactaceae. Cereus heptagonus Haw. Dato.

Roode vruchtschil. Doornen. Hout.

Cereus sp. Nachtcactus.

* Bloemen.

Opuntia curassavica Mill.

Gom (Spaansche juffergom).

Rubiaceae. Coffea arabica L. Koffie.

Koffieboonen (van verschillende herkomst, o. a. boonen van Curasao, z.g. koffie der Boninegers). Hout.

Genipa americana L. Tapoeripa.

Verfstof uit het vruchtsap (taproepa). * Vruchten. Hout (ook Oewan tapoeripa?)

Genipa tomentosa.

Vrucht i. p.

-ocr page 97-

95

Morinda citrifolia L.

Vruchten.

Octavia augusta. Wat ra-mama-bobi.

Hout.

Pavetta sp. Fay a lobi („Vurige liefdequot;).

* Herbarium. * Bloemen.

Posoqueria longifolia Aubl.

Vrucht i. p.

Randia Mussaendae D.C. Marmaradosi. Boschmarmeldoos.

* Vruchten.

Siderodendron triflorum Vahl. IJzerhart^ Ijzerhout, Hitcaya1 Wanabeta.

Hout.

Labiatae. Clerodendron aculeatum Gr. Madampolan.

* Herbarium.

Clerodendron fragrans Willd. Al eikhout.

Hout.

Clerodendron verrucosum.

Vrucht i. p.

Lantana Camara L. Korsoe wiwiri (Koortskruid).

\'* Herbarium.

Ocymum Basilicum L. Bonoe wiwiri? Smeri wiwiri. \' Herbarium.

Verbenaceae. Avicennia nitida jacq. Parwa. Parawa^ Courida^ P(n\'. Hout (ook luitte parwa). Houtasch.

Sapotaceae. Achras Sapota L. Sapodille (West-Jnd. Mispel).

Zaden. Was. Hout.

Bumelia nigra Sw. Bastaard-bolle trie ^ Turanira, Meri.

Hout.

Chrysophyllum Cainito L. Goudblad^ Starappelboom.

Vruchten witte en violette starappels). Hout. * Herbarium. Lucuma mammosa Juss. Bolletrie.

Hout.

Mimusops Balata Gaertn.

Balata (ingedikt melksap). Vruchten. Hout. Herbarium. Sapotaceae ind. i. Boseh-sapadille en 2. Pinto bolletrie. 3. Maiupa-*\\Aa.Am1 * bast, 4. Doekali *bast. Hout.

Boragineae. Cordia cylindrostachia.

Kruid.

Asclepiadeae. Asclepias Curassavica L. Frederikskatoen.

* Herbarium. Vrucht i. p.

Asclepias paludosa (?)

Vrucht i. p.

Bombax Ceiba L. Kankantrie.

Vruchtpluis.

Calotropis gigantea R. Br. Zijde-katoen.

-ocr page 98-

96

Acanthaceae. Justicia pectoralis Jacq. Kromanti wiwiri, * Herbarium.

Apocynaoeae. Allamanda cathartica L. Wilkens bita. („Wilkens bitterquot;).

Bladen.

Aspidosperma excelsa Benth. Parelhout, Yaruri1 Boukonta. Blaka pari {zwarte pagai).

Hout.

Cerbera Thevetia L. Joro-Joro.

Onrijpe vruchten. * Vruchten en zaden. Hout.

Minquartia guianensis Aubl. Ar at te.. Konthout.

Hout.

Nerium Oleander L.

Wortels.

Tabernaemontana alba Mill.

Vrucht i. p.

Bignoniaceae. Bignonia inaequalis D.C. Oeman barklak^ Kakali. Bast Hout.

Bignonia Leucoxylon L. Groenhart, Groenhout, Arrahonce (?)

Bast. Hout.

Jacaranda filicifolia Don. Momoen. (?)

Hout.

Sesamum orientale L. Abonjera.

Zaad. Olie.

Campanulaceae. Campanula sp. Savanneklokjes.

Bloemtak i. p.

Loganiaceae. Strychnos sp. ind.

i. Woerari, Curare en pijlspitsen daarmede vergiftigd. * Stuk curare-stam. 2. Majakara, * Bast.

Loganiacea ind. Dagoeston.

* Herbarium. * Vruchten.

Crescentiaceae. Crescentia Cujete L. Kalebassenboom.

Vaatwerk uit de vruchtschillen. * Hout. * Zaad. * Olie.

Convolvulaceae. Convolvulus sp. Abia.

* Snoer van zaden.

Ipomoea Batabas Lamk. Zoete bataten.

Meel.

Ipomoea Quamoclit L. Duivelsnaaigaren.

* Herbarium. Bloem i. p.

Solanaceae. Capsicum sp., div. Spaansche of zoete peper (0. a. * Kersi peper, * Kras peper, * Arattakakka peper, * Mad. Jeannette, * Surinaamse/ie peper).

Vruchten. * Herbarium.

Datura Stramonium L. Doornappel.

Zaad.

-ocr page 99-

97

Nicotiana Tabacum L. Tabak.

* Tabak (sigaren, een monster „Long Thomsquot;;. * Herbarium. Physalis sp. Batto bita.

* Herbarium.

Solanum Lycopersicum L. Tomaat.

Vrucht i. w.

Solanum macrocarpum L.

Vruchten. * Herbarium.

Solanum mammosum L. Njoen wintje hobi.

Vruchten. Vrucht i. p.

Solanum sativum Dun. Napis.

Knollen.

Solanum surinamense Sendt. Antroea.

Vruchten. Vrucht i. w.

Solanum sp Matrozen zeedruif.

Herbarium.

Scrophularineae. Scoparia sp.

* Plant.

Veronica curassavica.

Kruid.

Compositae. Ageratum sp Bokko bokko-wiwiri.

* Herbarium.

Clibadium Surinamense L. Koenami.

* Herbarium.

Eryngium sp. (?) Sneki wiwiri.

* Herbarium.

Espeletia grandiflora H. et B.

Hars.

Espeletia Schuitzei.

Kruid.

Eupatorium glutinosum Lam.

Kruid.

Mikania atriplicifolia. Brokko bakha wiwiri.

* Herbarium.

Mikania gonodada D.C.

Kruid.

Amaranthaceae. Amarantus paniculatus L.

Kruid.

Gomphrena globosa L. Kras boonki.

* Herbarium.

Portulaccaceae. Portulacca sp. Postelein.

* Herbarium.

Polygonaceae. Coccoloba nivea Jacq.

Vruchten.

Coccoloba uvifera Jacq. Echte zeedruif. Matrozendruif.

Bast. Hout. * Herbarium. * Vruchten.

-ocr page 100-

98

Coccoloba pubescens L. Bra klieft Bradilifi, Broad-leave.

Hout.

Coccoloba sp. Kweeki sirie.

Bladen en vruchten.

Triplaris americana L. Mierenhout, Mira koedoe, Drogetjdshloem. Hout. quot;* Herbarium. * Bast.

Chenopodiaceae. Chenopodium anthelminticum L. I^orrojt jucnti.

* Herbarium.

Chenopodium sp. Klaroen, Inl.indsche spinazie.

* Herbarium.

Chenopodium sp. Tingi-menf..

* Bladen.

Olacaceae. Ximenia Americana L.

Vrucht i. p.

Euphorbiaceae. Croton cereifolum.

Kruid.

Euphorbia cotinifolia L. Gocnapaloe.

* Stengel.

Euphorbia thymifolia L. Melki wiwiri.

* Herbarium.

Euphorbia resinifera L. (?)

* Herbarium.

Euphorbia sp. Melkl wiwiri.

Herbarium.

Hippomane Mancinella L. Manschinellen boom.

Zaden.

Hura crepitans L. Po sen trie, Zandkokerboom.

Vruchten (gedroogd, quot;:s op spiritus, i. p.). Hout. Bladen. * Herbarium.

Jatropha Curcas L. Purgeernoot, Schijtnoot.

Bloemen. * Vruchten. Zaden. * Herbarium.

Jatropha Janipha L. Zoete cassave.

Zetmeel. Knollen. *Herbarium.*Bloeiende takken. *Cassave-azijn. Jatropha Manihot L. Bittere cassave.

Zetmeel (gomma.) Knollen. * Herbarium.

Omphalea diandra L. Baboen.

* Noten. * Vruchten.

Phyllanthus Niruri L. Djarihita, Bita wiwiri (Bitterblad).

* Herbarium.

Phyllanthus sp. div.

* Vruchten. * Herbarium.

Ricinus communis L. Krapatta.

* Zaad. * Vruchten. * Olie. * Herbarium.

Sapindaceae. Melicocca bijuga L. Blackberry.

Hout.

-ocr page 101-

99

Sapindus saponaria L. Zeepboom^ Hooriwassa, Sopohceiioe.

Zaden. Ketting van zaden. Hout. * Bloemen.

Paullinia sp. Feiüfienga wiwiri.

* Herbarium.

Artocarpeae. Artocarpus incisa L. Broodboom.

Vruchten. Zetmeel.

Brosimum Aubletii S\\v. Oeman {vrouw) lei ter hout.

Hout.

Ficus carica L. Vijg.

Vrucht i. p.

Firatinera guianensis Aubl. Man letter hout.

Hout.

Piperaceae. Peperomia sp. Kousasea wiwtri.

* Herbarium.

Piper sp. div. Ancisi wiwiri (Anijskruid).

* Herbarium.

Piper nigrum L. Peper. (?)

Vruchttak i. w.

Aristoloohiaceae. Aristolochia sp. div.

i. Paratetei bast. 2. Loango tetei * Liaan. * Stengels. Aristolochia surinamensis W. Kom-koni-bita.

* Wortel. Meel.

Myristicaceae. Myristica fatua Sw. Baboentrie. Dallv.

Bast. Hout.

Virola sebifera Aubl. Baboentne.

Vet. Kaarsen uit het vet.

Lauraceae, Nectandra Pisi Miq. Piste. Siroeabcilli, Wassi-wassi. Hout met bast. Hout (ook hout van Oeman pisie en Water geelhart). Bladeren.

Nectandra Rodiaei Schonib. Geelhart, Greenheart, Groenhout (?) Hoogland\'s geelhart (?)

Bast. Vruchten. Hout.

Nectandra W ana. Wane. Pisi wane.

Hout.

Nectandra sp.

Vrucht i. p.

Persea gratissima Gaert. Abac ate, Avocatoboom, Advokaat. Vrucht. Vrucht i. w.

Malpighiaceae. Banisteria lucida Rich.

* Herbarium. * Vruchten.

Hernandiaceae. Hernandia guianensis Aubl. Vonkhoul. Foegoe hoedoe.

Hout.

Orchideae. Orchideae sp. div.

* Herbarium. * Bloeiende takken op spiritus.

-ocr page 102-

100

Rodriguezia secunda.

* Vruchten.

Schomburgkia marginata.

Plant.

Vanilla planifolia Andr. Vanielje.

Vrucht. Bladeren.

Scitamineae. Amomum Granum Paradisi L. Cardamom.

Vrucht i. p.

Canna sp. Paraloe.

* Herbarium. * Bloemen en *vruchten.

Costus sp. Sangravoe.

* Herbarium.

Curcuma longa L. Gele gember.

Wortelstokken. * Herbarium.

Maranta arundinacea L. Arrowroot.

Zetmeel. Wortelknollen. * Herbarium.

Maranta sp. Pagara wiwiri.

* Herbarium.

Musa paradisiaca L. Banaan, Pisang.

Meel. Vruchten. Vrucht i. w.

Musa sapientum L. Bakoven.

* Bloemen en *vruchten. Vrucht i.w. Meel.

Phrynium Casupo Rox. IV an mbo.

* Vezels (in verschillende stadia van bewerking).

Renealmia exaltata L. Massua.

Vrucht i. p.

Palmae. Attalea funifera Mart.

Vruchten. Vezels.

Acrocomia sclerocarpa Mart. Macaruba. Marcourara (?)

Hout.

Areca Catechu L. Pinangpalm.

Vrucht i. p.

Astrocaryum aculeatum Meyer. Awarra.

Vruchten. * Olie.

Astrocaryum Awarra de Vriese. Awarra. Aoura.

Bladeren. Vruchten. Zaden Vrucht i.w. Vet uit de zaden. Vet uit de vruchten. Vruchtkernen. Hout. Vezelstof der vruchten.

Astrocaryum Mururauru Mart. Herrij)

Hout.

Bactris acanthocarpa Mart. Boegroe-makka.

Vet.

Bactris Plumieriana Mart. Kis kiss!mak ka siri. Apendoorn.

* Zaden. * Bloeiwijze. * Stengels. * Vruchten.

Bactris sciophylla Miq.

Vrucht.

-ocr page 103-

101

Cocos nucifera L. Kokospalm, Klapper.

Vruchten. Copra. Vet. Gom. Zeep uit het vet.

Inzending betr. de cocos-industrie van de Cultuur Mij. „Coroniequot;

te Amsterdam.

•Cocos nucifera L. var. (?)

* Vruchten.

Desmoncus horridus Splitg. Bamba.

Olie. Gabbi (bladsteel).

Elaeis guineensis L. Obé palm.

Vruchttrossen. Vruchten. Vet.

Euterpe oleracea Mart. Fina-, kool-,palisadepalm,palmiet,palasala

Bladknoppen. Bloemsteng (indiaansche bezems). Hout. Geonoma voga L. Dwergpalm, Tas.

Ruwe stokken met bladeren. Geschilde stokken. Wandelstokken. Manicaria saccifera Gaertn. Troeliep alm.

Vrucht i. p.

Mauritia fle.xuosa L. Mauritius-. Itapalm, Tibisiri.

Vruchten. Pitten. * Vezels. Touw, * Bladeren.

Maximiliana regia Mart. Maripa palm, Kabbes.

Vruchten. * Vet. Pitten.

Oenocarpus Bacaba Mart. Patawa, Tooroopalm, Koemboe of koemboen.

Vruchten. Hout.

Pilophora testicularis Jacq. Hoedpalm.

Vruchten. Bloemschede.

Raphia Ruflaa Mart.

Vruchttros. Bladvezels.

■Pandanaceae. Pandanus edulis F. Th.

Vrucht i. p.

Phytelephas microcarpa R. et F. Planienivoor.

Vruchten.

Bromeliaceae. Agave americana L. Gewone aloë, Pita.

Vezels. Touw. Wortels. Kleurstof uit de wortels.

Agave rigida.

Vezels.

Agave sp. Ingi sopo.

* Herbarium. Bladhuid (vloeipapier).

Ananassa sativa Lindl. Ananas.

* Vruchten.

Bromelia Karatas L.

Vezels.

Bromelia sp. Sin gras si. Zeilgras.

* Bladeren. s Vezels.

Fourcroya gigantea Vent. Ingi sopo.

Hout.

Tillandsia usneoides L.

Luchtwortels (erin végétal). * Bloeiende plant.

-ocr page 104-

102

Dioscoreaceae. Dioscorea alata L. Igname.

Meel.

Dioscorea Batatas Decaisne. Bataten, Yams.

Meel.

Dioscorea sativa L. Nappies.

Wortelknollen. Meel.

Amaryllidaceae. ind. Wateramaryllis.

* Herbarium. * Vruchten.

Liliaceae. Aloë vulgaris Lam. Aloü.

Aloë (van Curasao).

Sanseviera longifolia.

* Vezels.

Commelinaceae. Commelina agraria Kunth.

Kruid. * Herbarium.

Aroideae. Aroideae div.

* Herbarium en *Bloeiende en vruchtdragende takken.

Arum esculentum L. Tayers.

Meel. Wortelknollen.

Caladium arborescens Vent. Mokko-mokko^ Tiengi-taja.

♦Vruchten. Stengels. Touw. * Herbarium. Vrucht i. p. Dietfenbachia seguina Schott. Donkin.

* Herbarium.

Gramineae. Bambusa arundinacea Willd. Bamboes.

* Stengels.

Coix Lacryma L. Tranengras^ Jobsti anen. Canivro.

Vruchten. * Kruid.

Eragrostis sp. Spelde prikki.

* Herbarium.

Oryza sativa L. Rijst.

Rijst. Meel.

Saccharum officinarum L. Suikerriet.

Suiker, in verschillende stadia van bewerking en van verschillende herkomst. Suikerriet (gedroogd en i. p.) * Suiker. * Suikerstroop. Rum. Dram. Tafia. Melassewater. Sorghum vulgare Pers. Kleine Mais, Negerkoren, Durrha.

Stengel met vruchten.

Filices indet. i. Capler wiwiri. 2. Tini bita.

* Herbarium.

liichenes. Roccella tinctoria Ach. Barba dipiedra. Orchilla weed. Geheele planten.

Fungi. Foengoe, zwam door mieren verzameld.

Fungus op boomschors.

Boomtondel.

* Boomzwammen.

-ocr page 105-

PLANTENDEELEN EN PLANTAARDIGE PRODUCTEN

waarvan de wetenschappelijke namen niet bekend zijn \')•

{Met eenige aanteekeninge/i van W. L. Loth.)

Abaja; houf.

Adabadan: bast.

Agaste hoedoe: hout. ^Ainginjroddo: komkommerachtige vrucht.

Akatati: hout.

Alira: hout.

Aloema: groente. Een struikje waarvan de bladeren als groeijte gebruikt wordt.

Ambrari: vruchtboom.

Anoeman katti: hout.

Apa: hout.

Arejankané: hout.

Ariemerie: hout.

Aramata: bast.

Ar ra-arm: bast.

\'quot;Bahnruda: bast.

Bakka hoedoe: hout.

Baksita tetei — mand-vezel; wa-

riniho?

*Bamba tetei: liaan.

Banba, gebezigd voorcorjalen: hout. Barbatha: hout.

Baroekoeloe: bast.

Ba terd salie: hout.

*Bati bati(l): vruchten, hout. *Baboeunefd,fee,malola: vezelgras. Bichoorada: bast.

Biro hoedoe = laaglands hout: hout. Blakkatiki menti: bladeren. Mint; wordt a I s wormafdrij vend genees-middel gebruikt.

Bloot hoedoe: hout.

Boenhati mama = goedhartige

moeder: hout.

Boesi gramman —• boschgouverneur: hout.

Boesi keersi, wilde of boschkers:

hout.

Boesoea: bast.

Bcffroe hoedoe = buffelhout. Bokkehout: hout.

*Bonoe: bladeren. ■::quot;Boomauanas:bloemendragend,eeue

orchidee?

Bnschkatoen, deze boom levert

kapok: hout.

Branti: hout.

Cocooroo: bast.

Craweru: verfstof.

Dakala (3): hout.

Dakania(2): bast.

Dakini: boom.

Debil do wa: hout.

Decalie (3): bast.

Desse hoedoe: hout.

Dia roetoe — herten wortel: hout. Doca: bast.

Dorfi jamman: hout.

Epicuïi: bast.

Eri-ibi: hout.

Foetoekoe: slingerplant.

Gangi hoedoe: hout.

Gedoe: hout.

Glad leder (?): hout.

Goewana of guana = leguaanhout. Groenmelk: hout.

Hegron mesi = hooglandshout. Hegron tapoeripa: hout.

Iloenga gato: hout.

quot;Hoepel tetei: liaan.

Honing-hout: hout.

.Takopoe masteki: hout.

quot;Jara kapé: Bladeren.

Jarokakali: bast, vezels.


\') De Directie van het Koloniaal Museum te Haarlem houdt zich aanbevolen voor iedere bijdrage, die deze lange lyst van onvoldoend bekende Surinaamscbe plantaardige producten kleiner kan maken. Vooral herbarium is gewenscht, met monsters!

-ocr page 106-

104

Jassi hoedoe (5): hout.

Jawanbaroe; bast.

JKakia: bout.

Kalaba balli; bast.

Kalankronoteluma: bast.

Kalbari: bout.

Kalkwe: bout.

Kamakoeté: vezels.

Kamra: hout.

*Kamina-tetei (sipo) tetei: liaau.

Kanaboeli: bout.

Kandoen: hout.

Kaneelhout: dus genoemd naar de geur die het afgeeft.

Kapiteinshout: hout.

Kappoeweri tetei = struikgewas of laag geborimte; hout.

Kari-hari: hout.

Karoeloe, ook kalaloe: bast.

Katjoro: hout.

Kaulanapai: bast.

Kierkawa: bast.

Kiskissi kamkan = apen kam (ö): hout.

Kiviti: bast.

Knippenliout: hout.

^KnoHoki tetei = knoflook-liaan.

quot;Knoflooki = knoflook-gras. Aldus genoemd om de lucht die door den wortel v/h gras en de liaan wordt verspreid.

Koejeti: vezel (v. d. bast).

Koekoe: bast. Koekoe is de benaming van het ziektebeeld van een opgezette milt, meestal tengevolge van malaria, de bast wordt waarschijnlijk als geneesmiddel aangewend.

Koelara pesi: hout.

Koelikojoko: bastvezels.

Koenanaballi: bast.

Koenapari, vischvergift: bast.

Koenatepi, ducalliballi (3): hout, taaihout. Ducaliballi is de naam bij de Arowakken-Indianen.

Koengoe trie, trie = tree = boom: hout.

Koenoekoe: hout.

Koerabarra: hout. AVordt gebruikt tot het maken van corjalen door Ind. bosch negers.

*Koerali: bast.

Kongo tetei: liaan.

*Komtoe: bast.

Koméboe: verf bast.

Krabita kaka: boom.

Krassi: Jeuk-hout.

Kroewakroe: hout.

quot;Kwassi tetei; slingerplant.

Lnboti: hout.

Lemiki-wisi (4): kruid.

Linivien; hout.

Loboedoe = riemenbout. Loto-hoedoe = loodhout. *Maka-maka: Bladeren van een palm ?

Makraka: hout.

Mamantri: hout.

Mambradi: hout.

Mambiara, mamiara: wilde vruchtboom.

Mana: hout.

Manbrali: hout.

Jfani, Marl hoedoe: purperhout? Manipisi: hout.

Manjassi hoedoe: hout. Mannoster; hout.

Mapa: hout.

Matagri (10): hout.

Mawassi: hout.

Mini hoedoe: hout.

üloetinde: hout.

]\\Ionobe: hout.

3foster: hout.

Moster oeman: hout.

Nagelhout: hout.

Naura: hout.

ISTekoepoen: hout.

Kingre kandre hoedoe (11): hout. O kan: aardvrucht.

Oranjehout: hout.

^Pantii (7): hout, taaihout. Papagaibrieugi: hout.

Papaja hoedoe: hout.

Para tetei: liaan voorkomende in

\'t district Para.

Pasi hoedoe: hout.

Pata koewana: hout.

Patmalat: hout.

Ping Ming appels : vruchtboom. Pempen: bloem, leliesoort. Peprepattie = peperpit: hout. Pera: vrucht.

Perima: hout.

Petri serie-boesi: varen = wilde

of bosch-peterselie.

Pienja: hout.

Pintó bolletrie: hout.

Pobi hoedoe: hout.

Pokori: hout.

Porkonie: verf bast.

Prati sari: hout.

Prikati: hout.

-Proconie: bast, kleef bast.


-ocr page 107-

1U5

Prinsmeri: hout.

quot;Kaventongo = Papegaaitong: peulen-boom.

*Rumbu: pitten.

Sabanjoengoe: hout.

Sainan hoedoe — Surinaamsch-hout.

Saka, bastaardpurperhart (8): hout. quot;Salie: hout.

Sango: hout.

Sarasara wiwiri: waterplant, grassoort met zeer scherpe randen. Satijnhout: hout.

Sautolobi: hout.

Sebo: hout.

Sekrepatoe wiwiri: schildpadbladen.

Bergeantskloot (9): hout. Sergeantston (9): vruchten.

Sika fattoe (vloeienvet): boom. Singri kwari, shingle = smalle plankjes in gebruik voor dakbedekking.

Sisie: hout.

Smoko hoedoe: hout.

Sueki bito = slangeubitter: hout. Sombi: hout.

Sombrosipo tetei: liaan.

Spoentri: hout.

Spijkerhout: hout.

Suikerhout, massara: hout, hiervan worden riemen gemaakt.

Surnaruppa: hout.

Surada: bast.

Swamp ceder: hout.

Swamp kables: hout.

Swamp krapa: hout.

Switi tiki = zoet hout: hout. ïabaka hoedoe: hout.

Tafelhout: hout.

Takoeba: hout.

-Tandjé: bladeren.

Tastiki = tas stok (12): palm. Tetei hoedoe; hout.

quot;Tetei quassi: vrucht.

Tiengie tetei: liaan.

Tinkwatta: hout Toerara: hout.

Tapa hoedoe: hout.

ïrompetti hoedoe (10): hout. quot;Vengi-vingi: hout. *Vlfermiiisnoten.

Votei: bast.

Waikara: (13) bast, geneesmiddel

tegen dysenterie.

Waloekoekoe: bast.

Wanonia: bast. *Waterkwaliehout: hout.

Wilde jasmijn.

Witti pempen: bloem, leliesoort. Wurmhout: hout.

^ Zand papierboom : hout.


AANTEEKENINGEN.

(1.) De plant bereikt de grootte van een appelboom; de vruchten zijn ovaalvormig, 5 tot 10 c3I. lang, hebben een dunne schil, wit vruchtvleesch als een appel of peer, en bruine zaden in een klokhuisje besloten. Zij smaken aangenaam aromatisch, doch eenigszins wrang; worden ook als moes toebereid bij vleeschspijzen genuttigd.

Is in Paramaribo weinig bekend en kan bij zorgvuldige teelt een fijne tafelvrucht opleveren.

(2.) Dakamaballi is de naam van den bruinhartboom (Vouacapoua americana Aubl.) bij de Arowakken. De hier bedoelde bast kan van dezen boom afkomstig zijn.

(3.) Ducaliballi is de naam van Koenatepi of Coenatepi-boom bij de Arowakken (de wetenschappelijke naam niet bekend.) Wellicht dat de hier bedoelde „Decalie bastquot; en „Dakala houtquot; van dezen boom afkomstig zijn.

(4.) Lemiki = lemmetje, wisi = vergift. Aldus genoemd omdat deze parasiet in korten tijd de lemmetjes-struiken vernietigt; vertoont zich als oranjegele draden.

-ocr page 108-

106

(5.) Jassie is de neger-engelsche beuaming van de huidziekte „yawsquot;. Het hout is inisscliieu afkomstig van eeu boom die een geneesmiddel tegen die ziekte oplevert voor de boschnegers.

(6.) De vrucht van dezen boom is besloten in een houtachtig omhulsel.

De buitenzijde is bezet met korte puntige stekels, te vergelijken bij de tanden van een roskam, die volgens een legende door de apen als haarkam wordt gebruikt.

(7.) De vruchten komen bij trosjes aan den stam en de takken van den boom voor; elke bes bevat 2 zadeu, die met de platte zijdè tegen elkander ligsren, glimmend zwart gekleurd zijn en een zeer aromatische geur afgeven, als zij tusschen de vingers gekneusd worden, welke aan kruidnagelen of ceder doet deuken.

(S.) Salie met fraai carmijnroode vruchten, bevattende 2 tot 4 zaden met wit. fluweelachtig, zoetsinakend omhulsel; ook „Pidentl\' genoemd. Levert hard, geelgekleurd meubelhout op.

De zaden smaken als die van de Inga ingoïdes W.

(9.) Sergeant ston = Sergeantkloot. De boom komt veel vooraan de oevers van de rivieren en kreeken. De vrucht lijkt op de cacao en wordt ook wel wilde ( f bo^ch-cacao genoemd, De bloem ziet er echter uit als een groote witte pluim met rose uiteinden. De meeldraden zijn 15 a 20 cM. lang.

De vruchten van de bosch-kalebas worden ook sergeautkloten genoemd. Deze hebben de grootte en vorm van een kegelbal en komen aan deu stam en aan de takken voor. De prachtige bloem ziet er met zijn vele meelc.\'.raden uit als een passiebloem. De stam bereikt eene hoogte van wei 10 a 15 Meter.

ilO.) Mat igri moet zijn Matakki, op de lijst ook genoemd Trompetti-hoedoe. Dit hout groeit veel op lage moerassige gronden. De wortels, die, als trompetten gebogen, boven den grond te voorschijn komen en liet loopen zeer bemoeilijken, vooral als de lage grond in den regentijd onder water staat, hebben aanleiding gegeven tot den naam.

De uit in den schors gemaakte insnijdingen vloeiende gele vloeistof wordt door de indianen door koking bereid tot een zwart pik, door hen gr-noemd „maniquot; waarmede zij het garen bestrijken dat zij gebruiken om pijlpunten vast te binden en lekken in hunne vaartuigen te dichten.

Vandaar ook de naam „Manihoedoequot; (Moronobea coccinea Anbl).

(11.) Xingre kandra = Negerkaars. Harsachtig hout waarvan de hoschnegers fakkels maken. Lokns? Arakasini? Zij gebruiken daartoe ook de bladstelen van den Manritie palm.

(12.) De slam van de taspalm waarvan de bladen een zeer goede dakbedekking oplevert, die bij goede behandeling wel 10 jaren lang weerstand biedt aan tropische regens.

(13.) De vrucht van dezen boom met roodbruine nap en zwarte eikel, bevat een geel moes.

-ocr page 109-

V

DE FAUNA VAN SURINAME

Zooals alle tropische landen, biedt ook Suriname eene groote verscheidenheid van diersoorten aan, die door pracht van kleuren, grilligheid van vormen of bizondere ontwikkeling elks aandacht trekken. Toch is die verscheidenheid minder groot dan in onze Oost-Indische bezittingen, daar bijv. de olifant, de rhinoceros, de buffel, het paard en anderen totaal ontbreken, hetgeen echter voor de bewoners, althans wat de twee eerstgenoemde soorten betreft, bepaald als een voorrecht te beschouwen is, daar bedoelde dieren den mensch dikwijls veel schade veroorzaken.

Opmerkelijk is het ook, dat de in Suriname voorkomende tijgers, krokodillen en slangen den menschen veel minder leed berokkenen dan met diezelfde diersoorten in de Oostersche gewesten het geval is. Zoowel de poema als de jaguaar vallen, in tegenstelling met de koningstijger, zelden menschen aan; — de krokodillen bereiken in lange niet de grootte hunner Oostersche verwanten en zijn daardoor voor den mensch niet gevaarlijk; — slangen zijn er wel is waar in menigte doch het aantal giftige soorten is niet zeer groot en bijzonder te vreezen heeft men ze niet, daar allen erg traag zijn in hare bewegingen, in tegenstelling met sommige Oost-Indische individuen, die zich voortbewegen met een gang als van een sneltrein. Ook zijn de in West-Indie voorkomende apensoorten volstrekt niet gevaarlijk, integendeel bijna allen zijn gemakkelijk te temmen en kunnen in huis gehouden worden, alhoewel niet valt te ontkennen, dat het geluid van de veelvuldig voorkomende brulapen dikwijls minder aangenaam voor het gehoor zal zijn.

Slaan wij echter liever een blik op de verschillende orden, zij het dan ook maar een zeer vluchtigen.

Wat de zoogdieren betreft, vindt men er: „apen, vleermuizen, marters, otters, dassen, wikkel- en neusbeeren, leeuwen, tijgers, tijgerkatten, tapirs, herten, boschvarkens, cavia\'s, agoutis, miereneters, luiaards, gordeldieren of armadils, eene groote menigte buidel-, stekel- en andere ratten, muizen enz. Hierbij dient opgemerkt dat de Surinaamsche leeuw of poema niet de fierheid bezit van zijne Afrikaansche broederen, doch veel meer het

-ocr page 110-

108

uiterlijk heeft van een tijger; alleen de effen kleur van zijn huid maakt dat hij onder de leeuwen behoort gerangschikt te worden. De vleermuizen behooren geen van allen tot de uitsluitend van plantaardig voedsel levende afdeeling. Merkwaardig zijn de gordeldieren, die door hun geschubde pantsers onwillekeurig aan de dieren der voorwereld doen denken en niet minder verdient de aandacht de wijze waarop de buidelratten hare jongen met zich voeren; d. i. op den rug of onder de buik. De boschvarkens zijn over het algemeen kleiner dan de Oost-Indische wilde zwijnen en in geen geval zoo gevaarlijk.

De vogelwereld is in Suriname bizonder goed vertegenwoordigd en men moet verrukt zijn bij den aanblik van zoovele prachtig gekleurde dieren, zooals bijv. de roode ibis, de zwart en geel gekleurde bananenbekken, waarvan sommigen nesten bouwen, die op een anderhalven meter lange zak gelijken; de ara\'s, d. z. langstaartige papagaaien met hunne rood en blauw of blauw en geel gekleurde vederdos; de colibris met hunne dikwijls als metaal schitterende kleuren, hunne vreemde kuifjes of eigenaardig gevormde staarten en dan zoo klein, dat men ze schier voor vlinders zou aanzien, enz. enz.

Doch niet alleen de kleurenpracht trekt de aandacht; ook de wonderlijke vormen, zooals b.v. de slangvogel door zijn lange hals ; de toucans of pepervreters door hunne dikke, de lepelbekken door hunne breede snavels ; de powies door zijn gekroeste kuif, weder anderen door hunne gespoorde vleugels en eindelijk eene soort door haren ongeveer een decimeter langen doorn boven op den kop.

Onder de reptilen vindt men er : schildpadden, waarvan sommigen gegeten worden, terwijl van de eieren eene soort olie gefabriceerd wordt; verder twee of drie soorten krokodillen, hagedissen, leguanen, die ook tot voedsel strekken en slangen, waarvan sommigen prachtig gekleurd, bijv. karmozijnrood met zwart; metaalglanzig groen, enz. Inderdaad moet het soms, naar men ons verzekerde, een verrukkelijk gezicht zijn, zulk een fraai gekleurd schepsel aan de takken der boomen te zien hangen. Tot de giftige of meer gevaarlijke soorten behooren de capassie slang en de ratelslang.

Batrachia zijn er bij duizenden, hetgeen niet te verwonderen valt als men weet hoevele zwampen Suriname telt; sommige boomkikvorschen zijn fraai gekleurd, alhoewel die kleur helaas in den alcohol bijna totaal verloren gaat; enkelen brengen jaren lang door in onvolwassen staat. Onder de padden is er een buitengewoon groote soort waarvan het wijfje geruimen tijd de eieren en zelfs uitgekomen jongen in de ruwe holten van haren rug mededraagt.

Visschen zijn er insgelijks bij duizenden ; deels fraai gekleurd, deels wonderlijk gevormd, zooals de hamerhaai en dezaagvisch; anderen merkwaardig om hare levenswijzen, zooals bijv. de kwikwi

-ocr page 111-

109

die zich nesten bouwt; weder anderen zijn van grootere waarde als handelsartikel daar zij uitmuntend van smaak zijn.

Van mollusca is zoo weinig toegezonden, dat wij er geen bepaald inzicht van kunnen krijgen; toch meenen wij, dat ze volstrekt niet zeldzaam zijn.

Insekten vindt men in Suriname in grooten getale, alhoewel, naar het schijnt, niet in alle streken; ook daarvan is niet zeer veel ingezonden. Over het algemeen munten de insecten uit door hunne fraaie kleuren, grillige vormen of bijzonder groote afmetingen ; het gaat niet aan hierover in details te treden, doch wij noemen slechts Dynastes hercules en Megaceras actaeon, de reuzen onder de kevers, de Euchroma gigantea met zijn fraaien metaalglans: de Macropus longimanus, een boktor met bijzonder lange voorpooten, verder Urania leilaria een fraai zwart, groen en zilverachtig gekleurde, gestaarte vlinder enz. enz. Vrij schadelijk is er een groote snuitkever Rhynchophorus palmarum, wiens larven in de kokospalmen leven. Lastig zijn er het groot aantal muskieten, wespen, mieren en sommige bijen, waarvan enkelen een prachtige groene metaalglans bezitten. Aan bijenteelt schijnt men bijzonder weinig te doen ; honig en was werd alleen gezonden van St. Eustatius.

Ten slotte zij nog gemeld, dat door het gering getal ingezonden soorten van duizendpooten, krabben, schorpioenen, spinnen, wormen of lagere dieren, geen bepaald denkbeeld te vormen is van den meerderen of minderen rijkdom aan die dieren.

Zooveel is zeker, dat Suriname voor natuuronderzoekers zeer veel interessants op zoölogisch gebied bevat.

-ocr page 112-

Zoölogische Afdeeling

MAMMALIA.

Zoogdieren. ^

Orde Primates. (Apen)

Fam. Cebidae.

Mycetes seniculus L. Brulaap of Baboen.

Pithecia leucocephala Geoff. Witkopaap of Wanakoe.

Cebus apella L. Capucijneraap, Mekoe of Kesi-Kesi.

Fam. Hapalidae.

Midas rufimanus Geoff. Ëekhoornaapje of Sagoein.

Orde C h i r o p t e r a. (Vleermuizen.)

Fam. ?

* Eenige nog niet gedetermineerde species.

Orde Carnivora. (Vleesch vreters.)

Fam. Mustelidae. (Otters, marters, enz.)

Galera (Galictes) barbara L. Haira, eene soort das.

* Ongedetermineerde species.

Fam. Procyonidae.

* Cercoleptes caudivolvula Illig. Wikkelbeer of Wikkehieus. Nasua rufa Desm. (socialis Wied.) Neusbeer, Kwassi-Kwassi,

Koe ra Nasua of Coati.

Fam. Felidae. (Katten.)

* Felis onca L. faguaar.

Felis concolor L. Surinaamse/ie leeuw of Poema.

Orde Rodentia. (Knaagdieren.) Fam. Dasyproctidae.

Dasyprocta aguti L. Agoeti, een konijnachtig dier.

* Coelogenys paca L. Walerhaas of Paca

Fam. Caviidae.

* Hydrochoerus capybara Erzl. Cavia.

Fam. Muridae. (Ratten en muizen.)

* Eenige nog niet genoegzaam gedetermineerde species.

\') Van de in deza lijst genoemde dieren zijn huiden, opgestopte huiden, dieren op alcohol of opgezette dieren voorhanden.

-ocr page 113-

Ill

Orde Ungulata. (Een- en meerhoevige n.) Fam. Tapiridae. (Tapirs.)

Tapirus americanus L. Tapir of Buffel.

Fam. Gervidae. (Herten.)

* Elaphus sp. (Nog niet genoegzaam gedetermineerd.)

Fam. Dycotylidae.

* Dycotyles labiatus Cuv. Boschvarken, Pin -o.

Orde Edentata. (Tandeloozen.) Fam Dasypodidae. (Armadils of Schubdieren.)

Tatua Kapleri? Platte tere capassi.

Tatua novemcincta L. Bolletree capassi.

Tatua sp. (Een of twee niet genoegzaam gedetermineerde species). Priodon gigas L. Armadil. latoe of Gramman capassi.

Fam. Myrmecophagidae. (Miereneters.)

* Cycloturus didactylus L. Kleinste miereneter of Lekkihan.

* Tamandua tetradactyla L. Middelste miereneter.

i# Myrmecophaga jubata L. Groote miereneter of Tamanga.

Fam. Bradypodidae. (Luiaards.)

Cholaepus didactylus L. Oenau.

Bradypus cuculifer Wagl. Ai.

Orde Marsupialia. (Buideldieren.) Fam. * Didelphidae. (Buidelratten of opossums )

* Eenige nog niet genoegzaam gedetermineerde species.

Schedels of andere gedeelten van het skelet zijn voorhanden van:

Mycetes seniculus L. (Brulaap?)

Cebus apella L. (Capucyneraap)

Hydrochoerus capybara Erzl. {Cavia.)

Bradypus cuculifer Wagl. (Ai.)

Myrmecophaga jubata L. {Groote miereneteri)

Dicotyles tajacu L. (Pakir.)

Dicotyles labiatus Cuv. [Pingo.)

Elaphus savannorum Cab. en Schomb. {Hert?)

Tapirus americanus L. [Tapir.)

Nog eenige ongedetermineerde schedels en andere beenderen.

AVES.

Vogels.

Opgezet of opgestopte huiden. Fam Turdidae. (Lijstervogels.)

*Turdus gymnophthalmus Cab. Schomb. {Boontjedief.)

-ocr page 114-

112

Fam. Coerebidae.

Dacnis cayana L. {Blauwvink.)

Chlorophanes spiza L.

Coereba cyanea L.

Coereba coerulea L.

Certhiola cliloiopyga Cub.

Fam. Tanagridae (Tanagra\'s.)

Procnias Tersa L.

Euphonia nigricollis Vieill.

Euphonia chlorotica L.

Euphonia violacea L.

Calliste tricolor Gen.

Calliste festiva Shaw.

Calliste cyaneiventris Vieill.

Calliste thoracea Temm.

Calliste melanota Scl.

Calliste brasiliensis L.

Stephanophorus leucocephalus Vieill.

* Tanagra episcopus L. [Blauwvogeltje.) Ramphocoelus dorsalis Scl.

Ramphocoelus jacapa L. (Kieng.)

Phoenicothraupis rubica Vieill.

Tachyphonus surinamus L.

Tachyphonus coronatus Vieill.

Nemosia flavicollis Vieill.

Fam Icteridae.

* Cassicus persicus L. {Kleine hananenbek.)

* Cassicus affinis S\\v. {Bananenbek met rooden rug.)

* Agelaens icterocephalus L.

* Leistus guianensis L.

* Icterus xanthornus Gm. (Ginga vogel.)

Fam. Fringillidae.

Sycalis flaveola L.

Fam. Tyrannidae.

* Arundinicola leucocephala L. (Soeur of domino.) *Todirostrum cinereum L.

Elainea pagana Licht. (Tjietjarie.)

Pitangus sulphuratus L. (Gr ie tjeb ie.)

Myiodynastes audax Gm.

Fam. Oxyrhamphidae.

Oxyrhamphus flammiceps Temm.

Fam. Pipridae.

Pipra aureola L.

Machaeropterus regulus Hahn amp; Küst. Chiromachaeris gutturosa Desm.

-ocr page 115-

113

Fam. Cotingidae.

Rupicola crocea Vieill.

Fam. Dendrocolaptidae.

* Dendroplex picus Gm.

Fam, Formicariidae.

* Thamnophilus doliatus L. {Pepervogel.) Thamnophilus palliatus Licht.

Fam. Trochilidae. (Colibri\'s.)

Chlorostilbon atala Less.

Thalurania \'glaucopus Gm.

Thalurania furcata Gm.

Lampornis violicauda Bodd.

* Lampornis gramineus Gm.

Chrysolampis moschitus L.

Polytmus viridissimus Vieill.

Leucochloris albicollis Vieill.

Agyrtia leucogaster Gm.

Agyrtia bartletti Gould.

Agyrtia brevirostris Less.

Agyrtia affinis Gould. ?

Eucephala coerulea Vieill.

Phaetornis superciliosus L.

Clytolaema rubinea Gm.

Florisuga fusca Vieill.

Cephalolepis delalandi Vieill.

Callophlox amethystina Gm.

Lophornis ornatus Lath.

Lophornis chalybens Vieill.

Fam. Caprimulgidae. (Geitenmelkers.)

Podager nacunda Vieill.

Fam. Alcedinidae. (Ijsvogels.)

*Ceryle inda L.

*Ceryle superciliosa L.

Baryphthengus ruficapillus Vieill.

Fam. Picidae. (Spechten.)

Picumnus lepidotus Cab. amp; Heine.

Fam. Ramphastidae. (Pepervreters of Toucans.)

Ramphastos ariel Vig.

Fam. Galbulidae.

Galbula viridus Lath.

Fam. Bucconidae.

Malacoptila torquata Hahn amp; Kust.

* Chelidoptera tenebrosa Pali.

-ocr page 116-

114

Fam. Cuculidae. (Koekkoekachtigen.)

* Coccyzus minor Gm.

* Dilopterus naevius L.

* Crotophaga major Gm.

* Crotophaga ani L. {Kaufoetoehoi.)

Fam. Psittacidae. (Papagaaien.)

* Ara araruana L.

* Ara macao L.

Fam. Gracidae.

Crax alector L. {Powies, Hokko of Hisst.)

Fam. RalUdae.

* Porphyriota martinica L. (Carra mizora.)

Fam. Eurypygidae.

* Eurypyga helias Pall. (Zonvogel.)

Fam. Parridae.

*Jacana jacana L. {Kemphaan of Kiepankie.) Fam. Charadriidae. (Snipvogels.)

* Gallinago frenata 111.

Fam. Ibidae (Ibissen )

* Eudocimus ruber L. (Ibis., Kon-Kori^ Flamingo.) Fam. Plataleidae. (Lepelbekken.)

* Ajaja ajaja L.

Fam. Ciconiidae. (Ooievaars.)

* Mycteria americana L.

Fam. Plotidae. (Slangvogels.)

* Plotus anhinga.

Verder vele vogels, welke nog gedetermineerd moeten worden, voornamelijk roofvogels, reigers, eenden enz.

Vele nesten van vogels, waaronder de merkwaardige van de groote en kleine bananenbek.

VOGELEIEREN.

(Volgens determinatie in West-Indië.)

Turdus albiventris. {Boontjedief.)

Minus polyglottis. {Spotvogel.)

Gallinula galeata. (Anamoen.)

Sterna hirunda. {Meeuw.)

Zonornis martinica. {Anamoen.)

Chardeiles acutipennis. {Boeta.)

Turdus fumigatus. {Boontjedief.)

Megarhynchus pitangua. {Grietjebie.)

Ceonicita cristata. (Blauwvogel.)

Leistes guianensis. {Roodborstje.)

Engyptila rufaxilla. {Pasduif.)

-ocr page 117-

115

Charadria virginica. (Grassnip)

Tyrannus pipiri. (Grietjebie.)

Mimus gilvus. (Allattavogel.)

? Duif.

Rooiiborsfje.

Champoelia rufaxilla {Duif.)

Ardea cyanura. {Tjok.)

Dendrornis guttatoides.

? Spreeuwsoort.

Collius sp. {Specht.)

Katvogel.

Ortallis matmol. {Anamocn.)

Columba griseola. {Blauw dief)

Ortallis minor. {Atinmoen.)

Cassicus persicus. {Bananenbek.)

Picumnus spilogaster. {Timvierman, Specht.)

Pitangus lictor. {Grietjebie.)

? {Zwampvogel)

Porzana Cayennensis.

Spermophila castaneiventris. {Rijstvogel.)

Tachyphonus melanoleucus. {Kieng.)

Diplopterus naevius. {Drieling)

Duif.

Jacana jacana. {Kiepankie)

Dendrocolaptes sp. {Rietjo)

Tanagra episcopus. {Blauwvogeltfe)

Todirostrum cinereura. {Titer)

Icterus coronatus. {Pompon)

Dendrocygna fulva. {Skoertje)

Nyctibius grandis. {forkafowl)

Champoelia griseola minor. {Steenduif)

Tyrannus melancholicus. (Tontoli)

Dendrobates sanguineus. {Timmerman. Specht)

Agyrtia tabacci. {Cohbri)

Spermophila lineata.

Crotophaga ani. {Kaufoetiboi)

Carduelis canorus. {Kanarie)

Champoelia albiventris. {Steenduif)

Urogalba paradisea.

Pitangus sulphuratus. {Grietjebie)

Turdus phaeophygus. (Boontjedief)

Ortinops decumanus. {Pompon)

Tanagra palmarum. {Blauwvogel)

Mimus minor. {Boontjedief)

Arundinicola leucocephala. {Soeur)

Turdus major. {Boontjedief.)

Myoseteles cayennensis. {Grietjebie)

Fluvicola pica. {Katoenvogel.)

-ocr page 118-

116

Troglodytes parvus. (Gadovogel.)

Elainea pagana. (Tjietjarie.)

Synalaxis cinnamomea. {Rietje.)

Ramphocaelus jacapa. {Kieng.)

Spermophila minuta. {Rijstvogel.)

Ceryle superciliosa. (Visscherman.)

? Purple grackle.

Tyrannus minor. (Grietjebie.)

Tanagra albicollis.

Cenaidura macroura. {Duif.)

Petrochelidon erythrogaster. {Zwaluw.)

? Duif.

Icterus xanthornis. {Koelie Kanarie)

Sycalis flaveola.

Tyrannus griseola. {Grijze grietjebie.)

Verder verschillende nog niet gedetermineerde soorten.

REPTILIA.

Chelonla, (Schildpadden.)

* Chelone mydas L. (viridis Schw.) Kalpé.

* Chelone imbricata L.?

Testudo tabulata Wol.

*Testudo carbonari Spix.

Rhinemys nasuta Schw. {Kromnek.)

Eieren van Chelone mydas L. {Kalpé eieren)

Crocodilina. (Krokodillen )

* Caiman palpebrosus Cuv.

Wellicht nog een species.

Krokodillen eieren.

Lacertilia. (Hagedissen.)

Iguana tuberculata Laur. {Leguaan)

Tupinambis nigro-punctata Spix. {Sabakarra.)

Ameiva surinamensis Laur. ?

* Polychrus marmoratus Cuv.

* Doryphorus azureus L.

* Thecladactylus rapicaudatus Cuv.

Amphisbaena fuliginosa L. | H dissen zmdcr pooten ■* Amphisbaena alba L. \\ ^

* Eieren van Iguana tuberculata Laur.

* Eieren van Tupinambis nigro-punctata Spix.

Eieren van een onbekende soort hagedis.

* Ei van een hagedis, waaruit het jong half te voorschijn komt.

-ocr page 119-

117

Ophidia. (Slangen.)

Epicrates cenchris L. Dagoe sneki.

Boa constrictor L. Papa of tapijtslang.

* Eunectes murinus L. Anaconda of Aboma slang.

Rhadinaea cobella L.

Leptophis liocercus Wied.

Xenodon severus L.

Aporophis lineatus L.

Leptodira albofusca Lacép.

Oxyrhopus cloelia Daud.

* Lachesis mutus L. Oeroe Koekoe of Capassi slang.

Crotalus terrificus Laur. Ratelslang.

? Rediteere sneki.

? Warappa.

? Toddo sneki of kikvorschslang.

Eenige andere nog ongedetermineerde slangen.

Opgestopte slangen.

Boa constrictor L.

* Eunectes murinus L.

Lachesis mutus L. {Bij dit exemplaar zijn de gif Handen duidelijk

zichtbaar.

Slangenvellen.

* Eieren van Boa constrictor L.

* Eieren uit een mierennest te voorschijn gebracht, van een

onbekend gebleven soort slang.

Batrachia. (Kikvorschen, padden, enz.)

* Pseudis paradoxa L. {In verschillende ontwikkelingstoestanden.)

* Pipa surinama. (Een groote pad.)

* Verschillende species, zeer moeilijk en daardoor nog niet genoegzaam te determineeren soorten van gewone- en \'boom-kikvorschen.

Pisces. (Visschen.)

Centropomus undecimalis Bloch. Snoek.

Mugil brasiliensis Agasj. Kwerriman.

Mugil cephalus ? Haarde.

Mugil tang? Molliet of prasie.

Clupea cyprinotus. Trapoen.

Batrachus surinamensis BI. Sch. Lomp.

Pimelodus clarias L. Pasisi.

Auchenopterus maculosus C. V. Noja.

Callichtys asper Q. G. Kwikwi.

Callichtys longivilis C. V. Kwikwi.

-ocr page 120-

118

Callichtys ? Witte Kwikwi.

Macrodon trahira Spix. Patakka.

Erythrinus unitaeniatus Spix. IVarappa.

Pyrrhulina filamentosa C. V. Matoeari.

Anableps tetrophthalmus.

Anastomus fasciatus Spix. Warakoe.

Leporinus fasciatus BI. Kioassi mania.

Serrasalmo piraya Cuv. Pi ral.

Gymnotus labiatus. Logo logo.

Pristis antiquorum Lath. Zaagvisch.

Sphyrna zygaena. Hamerhaai.

Plectropoma chlorum. Kleine grauwmunk.

Trygon tuberculata Lath, of Trygon hystrix. Sipanvisch.

? Witte s el lie.

Centrachus ? Oeroe wijfie.

Perca ? Matoeri.

Pimelodus ? Boter mannetje.

Centrachus? Mis si nelly of accari.

Silurus ? Djakivisch.

Prochelodus ? Weli Weli.

Bovenstaande visschen voor een groot deel in Suriname gedetermineerd; verder nog eenige ongedetermineerde soorten.

Een kwikwi met haar nest.

Kaken van een haai.

Zagen van de zaagvisch.

Een eigenaardige schedel van een visch.

Mollusca.

Slechts een paar nog niet gedetermineerde soorten.

INSECTA. COLEOPTERA.

Hydrophilidae. (Waterkevers.)

Hydrophilus sp.

Lucanidae. (Vliegende herten.)

Neleus interruptus L.

Neleus punctiger Percher.

-ocr page 121-

119

Scarabaeidae. (Bladsprietigen.)

a. C o p r i n i. (Mestkevers.) Phanaeus faunus Oliv.

b. Melolonthini. (Meikevers.) Chalepus sp.

c. Rutelini. (Glanskevers.) Cyclocephala signata T.

Antichira virens.

Rutela lineola, var. surinama L.

d. Dynastini.

Megaceras chorinaeus F.

Megaceras philoctetus OJiv.

Dynastes herculus L.

Strategus aloeus L.

Megasoma actaeon L.

e. Cetonini. (Gouden torren.) Gymnetes stellata Latr.

Buprestidae. (Prachtkevers.)

Euchroma gigantea L.

Chrysobothris viridi-fasciata Buq.

Elateridae. (Kniptorren.)

Chalcolepidius porcatus F.

Pyrophorus pellucens Eschsch.

Pyrophorus ignitus F.

Cantharidae. (Weekschilden.)

Photurus pensylvanica de G.

Tenebrionidae.

Nyctobates gigas L.

Zophobas tridentatus Dej.

Curculionidae. (Snuitk^vers.) Cratosoma bombina F.

Heilipus sp.

Rhynchophorus palmarum L.

Sphenophorus hemipterus L.

Sphenophorus rusticus Dej.

-ocr page 122-

120

Cerambycidae. (Boktorren.)

Orthomegas cinnamomeus L.

Mallodon spinibarbe L.

Malleden maxillarum F.

Malleden dentatum F.

Criedien cineraceum Oliv.

Sphallenum castanopterum Er.

Chlerida festiva L.

Chlerida sp.

Callichrema suturale F.

Trachyderes succinctus L.

Taenietes farinesus F.

Taeniotes deceratus de Cast.

Oncideres amputater F.

Onychecerus scerpie F.

Macrepus longimanus L.

Stirastema breve Sulz.

Lagechirus araneifermis L.

Chrysomelidae. (Goudhaantjes.)

a Eumolpini. Eumelpus surinamensis F.

Eumelpus fulgidus.

Deryphera pustulata F.

Deryphera vittata F.

Deryphera sp.

b. C a s s i d i n i. Mesomphalia bipustulata L.

Chelymerpha marginata F.

Cyptocycla 6-punctata F.

Taurema taurus F.

Erotylidae.

Eretylus variegatus F.

Cypheretylus gibbosus F.

Aegithus punctatissimus F.

Aegithus surinamensis Lac.

Coccinellidae. (Onze lieve heer haantjes.)

Megilla maculata de G.

-ocr page 123-

121

LEPIDOPTERA. (Vlinders.)

Heliconia melpomene L.

Lycorea sp.

Morpho menelaus Cr.

Caligo eurylochus Cr.

Colaenis phaerusa L.

Colaenis julia F.

Gynaecia dirce L.

Ageronia ferona Cr.

Prepona demophon L.

Stalachtis euterpe Cr.

Pieris albucilla Cr.

Callydrias marcellina Cr.

Papilio thoas L.

Papilio vertumnus Cr.

Papilio crassus Cr.

Chaerocompa tersa Cr.

Philampelus vitis L.

Urania leilaria Cr.

Attacus aurota Cr.

Arsenura erythrinae T.

hymenoptera. (Wespen en bijen.)

a. Sphegidae.

Pelopaeus histrio St. Farg.

Podium luteipenne F.

Podium sp.

Sphex ingens Sm.

Sphex ichneumonea L.

b. Eumenidae.

Eumenes canaliculata Oli-.

c. V e s p i d a e.

Polybia sericea Oliv.

Polistes lanio F.

Synaeca surinamensis L.

d. A p i d a e (bijen.)

Euglossa cordata L.

Euglossa dentata L.

Euglossa surinamensis L.

Xylocopa nitens St. Farg.

Apis sp.

orthoptera. (Sprinkhanen enz.) Mantis rogatoria Stoll.

Tropinotus cristatus L.

Tropinotus serratus L.

Meroncidius aquilinus L.

-ocr page 124-

122

Ten slotte verschillende nog niet gedetermineerde insecten, zooals

vlinders, wantsen, enz.

Larven van Rhynchophorus palmarum L, larven van vlinders,

cocons, bijen- en wespennesten.

Eenige crustacea, wormen en vele schelpen, schorpioenen en spinnen.

Eenige voorwerpen op anatomisch gebied.

VOORTBRENGSELEN UIT HET DIERENRIJK.

Spons van Euspongia sp. (Aruba.)

Spons van Euspongia sp. (Aruba.)

Octopus sp. Sepia. (Aruba.)

Loligo sp. Bóeladoer, sepia. (Aruba.)

Purpurea sp. Zeehaas^ kleurstof. (Aruba.)

Ajeta di Karet. Schildpadolie, vervaardigd uit de eieren vao

Chelone mydas L. (Aruba.)

Ajeta di Karet. idem. (Suriname.)

Ajeta di Karet van Chelone imbricata L. (Aruba.)

Kippenvet.

Vischolie van Chaetodon auriga. (Aruba.)

Ajeta di tibron. Haaienvel van Squalus americanus

Manteka di Colebra. Vet van Scincus sp. (Aruba.)

Slangenvet van Ernectus murinus L.

Drente maissi schubben. Van visch.

Honig en was. (St. Eustatius)

-ocr page 125-

VI

LITERATUUR

BETREFFENDE

NEDERLANDSCH WEST-INDIË1)

Aan dengene, die op eene aangename wijze met Nederlandsch West-Indië wenscht kennis te maken, zouden wij de lezing van het, in het tijdschrift „Tour du Mondequot; voorkomende artikel van den Heer G. Verschuur, getiteld: „Voyage aux trois „Guyanesquot; aanbevelen, dat na een in 1892 aan Suriname en aan het eiland Curagao gebracht bezoek het licht zag.

Wenscht men een beknopt overzicht van de over de koloniën Suriname en Curasao aanwezige literatuur, zoo zal men dit aantreffen in het door Prof. V e t h gegeven overzicht in den „Catalogus der afdeeling Nederlandsche Koloniën van de Internationale Koloniale en Uitvoerhandel-Tentoonstelling te Amsterdamquot;, 1S83. Na dat jaar zijn, naar wij meenen voor Suriname vooral van belang: het in 1897 uitgekomen werk „Surinam, sein Land u.s.w., van A. Kappler; de reisbeschrijvingen van Prof. M a r t i n, Jhr. Mr.E lont van Soeterwoude (Onze West) en van Dr. P a r e a u en voorts het door het „Internationales Archiv fürEthnographiequot; gepubliceerde „Ethnographisches und Verwandtes aus Guyanaquot; van Prof. J o e s t, al zal de toon waarin het laatste geschreven is geen onverdeelde sympathie kunnen verwerven. Voor Curagao zouden aan het bedoelde beknopte overzicht o. i. kunnen worden toegevoegd het artikel „Les Possesions Neerlandaises dans les Antilles, van de hand van Mr. Ch. L. W ij n m a 1 e n, in de „Revue Coloniale Internationalequot; van 1888, en de sedert 1897 uitgekomen jaarverslagen van het Geschied-, Taal-, Land- en Volkenkundig Genootschap op Curagao.

Eene zeer uitgebreide verzameling van wat er over Nederlandsch West-Indië geschreven is, zou men kunnen samenstellen met behulp van de volgende gegevens, die voor een gedeelte hierbij zijn ingezonden; namelijk met den bijgewerkten catalogus van het

\') GedureDde de Ned. West-Indische Tentoonstelling is in de leeszaal van de Uibliotheek van het Koloniaal Museum aanwezig onze zeer uitgebreide verzameling literatuur, kaarten, foto\'s, enz. op de West-Indische Koloniën betrekking hebbende.

-ocr page 126-

124

Indisch Genootschap; met dien van de Surinaamsche bibliotheek te Paramaribo, (waarvan de aanvullingen zijn gepubliceerd in het Gouvernements Advertentieblad); met die van de heeren Brill, Frederik Muller amp; Co. en Martinus Nijhoff; met den door de firma Brill uitgegeven catalogus van de bibliotheek van wijlen Prof. V e t h, met den catalogus van de bibliotheek van het Ministerie van Koloniën, met de bibliographische opgaven die in het tijdschrift „West-Indiëquot;, en in de „Beschrijving van Surinamequot; van Jhr. van Sypesteyn voorkomen en met behulp van de zoo nauwkeurige en volledige opgaven in het aangehaalde artikel van Mr. W ij n m a 1 e n. Eindelijk zou men, voor wat Suriname aangaat, de hulp van het bestuur der Moravische Broederschap te Herrnhut en van het Apostolisch Vicariaat te Paramaribo moeten inroepen, om een overzicht te verkrijgen van de talrijke geschriften van godsdienstigen en zedekundigen aard door de beide voor Suriname zoo belangrijke godsdienstige gemeenten sedert vele jaren uitgegeven; terwijl een overzicht van wat over beide Koloniën in tijdschriften voorkomt, te vinden is in het bekende Repertorium van den heer Hartmann over de Koloniale literatuur.

De volgende boeken, brochures en geschriften die voor de studie van Nederlandsch West-Indië van belang kunnen zijn, zijn door ons gedurende deze tentoonstelling ten dienste van belangstellenden aan de directie van het Koloniaal Museum in bruikleen afgestaan.

I. Algemeene beschrijving.

Beschrijvinghe van het Goutrijck ende heerlijck Coninckrijk van Guiana, nu ter tijt beseten van den oude Inwoonderen van Peru, ende geregheert van den nacomelingen van Guiana Capa, eertijts een machtich Coninck in Peru, mette beschrijvinghe van den rijcken Lantschappen van Emeria, Aromaia ende Amapaia, alles ontdeckt in den jare 1595 door den E. H. Walther Ralegh, (waarin o.a. de oude namen van de Surinaamsche rivieren voorkomen) 1644?

Fermin (Dr.). Beschrijving van de colonie van Surinaame (met-afbeeld11. en kaart). 1785. 2 dln.

Stedman. Reizen in Surinamen (met platen en met kaarten van Guiana, Suriname en Fransch-Guyana.) 1799. 4 dln.

Als volgorde i; aangenomen dat eerst de geschriften betreffende Sur.name en Curasao afzonderlijk en daarna die welke op beide Koloniën te zamen of op onderwerpen van andere landen, die met Nederlandsch West-Indië in verband staan, betrekking hebben, worden opgenoemd.

-ocr page 127-

125

Van Heeckeren van Walien. (G. P. C. Baron). Aanteeken;ngen betreflende de kolonie Suriname (met twee kaartjes) 1826.

Van Sypesteyn (Jhr. C. A.). Beschrijving van Suriname. Historisch, geographisch en statistisch overzigt (met schetskaart van Suriname en plan van Paramaribo). 1854.

Van Leent (Dr. J.). La Guyane Neerlandaise (met schetskaartje). Paris. J. B. Ballière et Fils. 1881.

Hierin komt voor eene lijst van Negerengelsche dier- en plantnamen.

Elout van Soeterwoude (Jhr. Mr. W.). Onze West. 1884.

Kappler (A.). Surinam, sein Land u. s. w. 1887. Geïll. en met schetskaartje.

De beschrijving van de Surinaamsche planten- en dierenwereld en van de bewoners is zeer uitgebreid.

Simons (G. J.). Beschrijving van het eiland Curagou (met plaat en schetskaartje). 1868.

Hierin een lijst van dier- en plantnamen in het Papia-mentsch.

Wijnmalen. (Mr. Th. Ch. L.) Les possessions Neerlandaises dans les Antilles. Notices bibliographiques, historiques, politiques, économiques et statistiques. 1888.

(Uit de Revue Coloniale Internationale).

de Veer. (J. R. G.) La colonic de Curagao. 1898.

(Uit het Gedenkboek, saamgesteld bij gelegenheid van de inhuldiging van H. M. Koningin Wilhelmina).

Reilly. (W. B.) Curagao, Dutch West-Indies. 1898. Geill.

(the Monthly Illustrator, vol. XVI, No. 1).

Feenstra. (M. D.) Beknopte beschrijving van de Nederlandsche overzeesche bezittingen. 1852. 3 dln.

Wesenhage\'n. (W. A. C.) Een en ander over de West. 1896, (met afbeeld.)

Aitton. (D.) Nederlandsch Oost- en West-Indië. 1889.

(Aardrijkskundige beschrijving ten dienste van het onderwijs).

Ter loops zij hier opgemerkt dat naar ons bescheiden inzicht de beste en meest volledige aardrijkskundige beschrijving van Suriname en Curagao ten dienste van het onderwijs ons toe schijnt die te zijn van den Heer Schuiling in zijn leerboek „Nederland onder de tropenquot;, al komen er ook verscheidene kleine onnauwkeurigheden in voor.

-ocr page 128-

126

Le Pays de l\'or, met afbeeld., aflevering van „La Politique Coloniale Illustrée.quot; 1895.

In deze beschrijving van Fransch-Guyana komt iets voor over de Lawa-delta en over de vraag of Suriname ten zuiden aan Fransch-Guyana grenst.

Loth (W. L.) Beknopte Aardrijkskundige Beschrijving van Suriname, met kaart van Paramaribo.

Martin (K.) Bericht über eine Reise nach Niederl. West-Indien und darauf gegrundete Studiën. (Met kaarten en platen), 1886—88, 2 dln.

II. Natuurlijke historie, Taal-, Land- en Volkenkunde.

Lisman. (Mr. J. A. E.) Verslag van een reis naar de rivier Marowijne en naar het etablissement Mana. Paramaribo 1849.

Elout van Soeterwoude. (Jhr. Mr. W.) De Surinaamsche goudvelden. Gids 1884.

Loth. (W. L.) Verslag van een reis van de Lawa tot verkenning van het terrein tusschen die rivier en de Tapanahoni en van dat tusschen de Toso- en de Sarakreek, enz. 1892.

Wesenhagen. (Mr. A. C.) Suriname. Iets over land en volk. 1896.

Van Panhuijs. (Jhr. L. C.) Iets over de Marowijne rivier en hare geschiedenis.

(Uit het Bulletin van het Koloniaal Museum. Maart 1896).

Idem. De vrouw in Nederlandsch West-Indië. Uitgegeven van wege de W.-I. rubriekcommissie van de Nationale tentoonstelling van vrouwenarbeid. 1898.

Staring. (Dr. W. C. A.). Over de geologische gesteldheid van Suriname. 1855.

(Uit de „Letterbodequot;).

Dumontier (Dr,). Bijdrage tot de kennis der geologische gesteldheid van het eiland Curagao.

(Uit Verslagen en Mededeelingen der Kon. Academie van Wetenschappen, afd. Natuurkunde, Deel VIII, blz. 287).

De Vrij (Dr. J. E.). Contributions to the knowledge of Thevetia nereifolia (cerbera of jorro-jorro).

(Uit het Pharmaceutical Journal, December 1881.)

De Loos. (Dr. D.). Voortbrengselen van Nederlandsch West-Indië.

(5e Deel der Beschr. Catalogus v. h. Koloniaal Museum, Haarlem, 1888.)

-ocr page 129-

127

Hering. (C. J.) Meteorologie in de Kolonie-Suriname. (Uit „Goede Tijdingquot;, No. 91 en 92, 1894.)

Gerhard. Negerenglische Gespniche, bearbeitet u. sw. von J. Kersten. Herrnhut 1893.

Met dit werkje kan men in korten tijd van het Neger-engelsch voldoende op de hoogte komen ; het wordt algemeen gebruikt door de Hernhutter leeraars, die zich in Suriname gaan vestigen.

de Martins. (Car. Fr. Ch.) Dictionnatrium Gallice-Latine-Galibi. 1763. (overdruk), waarin o.a. Caraïbische dier- en plantnamen.

Veth. (Dr. P. J.) Uit Oost en West. 1889.

Tijdschrift West-Indië. Onder redactie van Mr. H. C. Focke, Dr. C h. L a n d r é, J h r. C. A. vanSypesteynen Dr. C. A. Dumontier. 1856 en 1858. 2 dln.

Met belangrijke artikelen over de natuurlijke historie, de taal-, land- en volkenkunde en de geschiedenis van Suriname.

Eerste jaarlijksch verslag van het geschied-, taal-, landen volkenkundig Genootschap, gevestigd te Willemstad (Curagao.) 1896/97.

Tweede verslag 1897/98.

van West. (Dr. J.) Twee Indiaansche bekkens uit de koloniën Suriname (Acad. proefschrift met afbeeldingen), 1870.

ten Kate. (Dr. H) Observations anthropologiques recueillies dans la Guiane et le Vénézuéla. 1887.

(Uit de Revue d\'Anthropologie, dirigée par Paul T o p i n a r d.)

Hensen. (A. W.) Eenige halssierraden in gebruik bij de Indianen in Suriname.

(Bulletin Koloniaal Museum van September 1892).

Schmeltz. (Dr. J. D. E.) Gerathe der Caraïben von Surinam, (met 2 gekl. platen.)

(Uit het Int. Archiv. für Ethnographie.) 1887.

van Panhuys. (Jhr. L. C.) Ein Caraïbisches Ruder aus Surinam. 1897.

Idem. Fiirben des Körpers der Eingeborenen Central Amerika\'s. ^97.

Idem. Proeve eener verklaring van de ornamentiek van de Indianen in Guyana. 1898. met afbeeldingen.

(Uit het Int. Archiv. für Ethnographie.)

Wood. (J. G.) De onbeschaafde volken. Met een voorrede van Prof. H. Schlegel. 1876. 2 dln. geïll.

Op bladz. 616—675 wordt speciaal gehandeld over de Indianen van Guiana.

-ocr page 130-

128

Sapper. (Dr. C.) Mittelamericanische Caraiben. 1897.

(Uit het Int. Archiv. fur Ethnographic.)

Balfour. (H.) The evolution of decorative art. 1893. geül-

Op biz. 121 teekeningen cn verklaring van figuren op Indiaansch vlechtwerk.

Spenser St. John. (Sir.) Hayti or the Black Republic 1889.

Hierbij is gevoegd een overzicht van dit hoogst belangrijke werk, voorkomende in het Zondagsblad van „De Avondpostquot;.

Serrurier. (Dr. L.) Oost- en West-Indische huizen. 1885.

van Panhuys. (Jhr. L. C.) F. Boaz. The Indians on the North Pacific Coast. 1898.

Idem. Primitive ornamentik. 1898.

(Uit het Int. Archiv. für Ethnographic).

Preuss. (Dr. K. Th.) Künstlerische Darstellungen aus Kaiser Wilhelmsland. 1898. Met afbeeld.

(Uit het Zeitschrift für Ethnologic.)

(Voorbeeld van een onderzoek naar de beteekenis der ornamentieke figuren van onbeschaafde volken).

Serrurier. (Dr. L.) De Pionier. Handleiding voor het verzamelen en waarnemen op natuurkundig gebied, inzonderheid in tropische gewesten. 1891.

Hubrecht. (Dr. A. A. W.) Handleiding bij het opsporen of verzamelen van voorwerpen uit het dierenrijk ook in Oost- of West-Indië. 1879.

Veen. (H.) Handleiding voor het verzamelen en conserveeren van dieren en dierlijke producten in de Nederlandsche overzeesche gewesten. 1897.

Westeroüen van Meeteren, Surinaamsche planten en Cultuurgewassen, boomen en houtsoorten.

III. Geschiedenis.

Consideratien van Bewinthebberen der Generale Geoctroyeerde West-Indische Compagnie deser Landen over de Directie van de colonic van Suriname ende het Gouvernement van den Heer Van Sommelsdyck aldaar. 1688?

Hierin komt o. a. voor het octroy ofte fondamenteele conditiën, onder de welcke haar Hoogh Mogenden, enz., van 1682.

Wolbers. (I.) Geschiedenis van Suriname. 1861.

-ocr page 131-

129

Vlier. (Mej. M.) Beknopte geschiedenis van Suriname. 1863.

Van Sypesteyn. (Jhr. C. A.) Mr. Jan Jacob Mauricius. 1858.

Kollewijn. (A. M.) Geschiedenis van Nederlandsch Oost- en West-Indië. 1887.

Netscher. (P. M.) Geschiedenis van de koloniën Essequebo, Demerar)\' en Berbice 1888, met kaarten van Guiana, Essequebo, enz.

Rapport en suite d\'une enquête générale sur les événements du territoire contesté franco-brésilien et sur le combat de Mapa. Supplem. au Moniteur officiel de la Guyane Frangaise 22 Juni 1895.

IV. Wetgeving, Rechtswezen en Bestuur. Statistiek.

Gouvernementsbladen van Suriname van 1816—1835.

Idem van Suriname van 1836—1839.

Schuurman en Jordens. Wetten en verordeningen betreffende Suriname, Curagao en Nederlandsch-Indië 1888.

Hevlidy. (Mr. C. J.) Verhandeling over de strafregtpleging in Suriname 1857. (Acad.-Proefschrift.)

Van den Bkandhof. (N.) De toekomst der kolonie Suriname 1878. (Met schetskaart van eene voorgestelde territoriale indeeling.)

Cohen Stuart. (J. A. F.) Suriname\'s financiën van 1867 —1874.

Quarles van Ufford. (Jhr. Mr. J. K. W.) Surinaamsche aangelegenheden. (Economist 1876.)

Idem Nederlandsch West-Indië. (Economist 1898.)

Van Panhuys. (Jhr. Mr. F. G.) Uitlevering van vreemde misdadigers in onze overzeesche bezittingen 1891. (Acad. Proefschrift.)

Malouet. (V. P.) Collection de Mémoires et correspondances officielies sur l\'administration des colonies et notamment sur la Guyane Frangaise et Hollandaise. an X. 5 din.

In het 3de deel mededeelingen over Suriname. Kaart van het bekende gedeelte van Fransch en Bataafsch Guyana (deel I) en van Suriname door Simon Mentelle. Cayenne \' 777, (deel III).

Reglement van orde van de Koloniale Staten 1868. Jaarcijfers van de Koloniën 1894 en vorige jaren. Uitgegeven door de centrale commissie voor statistiek.

-ocr page 132-

130

Wijnmalen, (Mr. F. C. L.). Statistisch overzicht van Neder-landsch West-Indië, 1888. Uit de Bijdragen van het statistisch Instituut.

Surinaamsche almanak van 1859, 1861, 1866, 1889 en 1896.

Van Raders, (R. F. Baron). Memorie aan den Koning betreffende zijn bekomen ontslag als Gouverneur der Kolonie Suriname, 2de druk 1852.

Hevlidv, (Mr. C. J.). Open brief van, enz. aan Mr. H. A. A. des Amorie van der Hoeven. Uit de Surinaamsche Courant, Gouvernements-Advertentieblad van 12 Februari 1884, No. 20.

Protest tegen den raad om de Surinaamsche negers maar te laten uitsterven.

Van Eeden, (F. W.). Een verwaarloosd erfdeel. (Bulletin Koloniaal Museum van Maart 1896).

V. Kolonisatie, Emigratie, Emancipatie en Slavernij.

Van Panhuvs, (Jhr. Mr. W. E.). Europeesche Volksplantingen in tropische gewesten. Gids 1870

Emigratie naar de Nederlandsche Koloniën. Verslag van Directeuren der Ned. Maatschappij ter bevordering van Nijverheid wegens de ingekomen rapporten der departementen. 1873?

Amerinus Senior. Emigratie van Nederlanders naar Suriname 1873.

Van der Gon Netscher, (A. D.). Open brief aan Z. E. den Minister van Koloniën J. D. Fransen van de Putte. 1864.

Idem. Werking van de wet tot opheffing der slavernij in de Nederlandsche West-Indische Koloniën. 1866.

Idem. Over den nood van Suriname. 1868.

Idem. Immigratie voor Suriname, afstand van de kust. 1871. (Uit het Dagblad van Zuid-Holland en \'s-Gravenhage).

Eerste en Tweede Rapport der Staatscommissie, benoemd bij Kon. Besluit van 29 November 1853, N0. 66.

(Suriname, met kaart, 1855; Curasao 1856.)

Van Svpestevn, (Jhr. C. A.) Afschaffing der Slavernij in de Nederlandsche West-Indische Koloniën.

(Uit het bijblad van den Economist) 1866 en 1867.

Cohen Stuart, (J. A. F.) De coolie aanvoer in Suriname. (Economist) 1875.

Van Praag. (Mr. Sem.) Een immigratiefonds voor Suriname. 1879.

-ocr page 133-

131

Iets omtrent den tegenwoordigen toestand der slavenbevolking in de Nederlandsche West-Indische bezittingen. 1853.

De Surinaamsche kwestie op haar tegenwoordig standpunt. 1868.

Sanches, (D. J.) Een blik op den toestand der kolonie Suriname. 1871.

Juda, (M.) Open brief aan allen die belang stellen in de toekomst van Suriname.

(Vier brieven, 1869 — 1870).

Joh an. Suriname en de Surinaamsche kwestie. 1875.

Pyttersen Tzn., (H.) Door een rooden draad verbonden, Armenzorg, Emigratie, Suriname. 1892.

VI. Geneeskunde.

Du.montier, (Dr. F. A. C.) üe framboesia iu Colonia Surinamensi observata. 1855.

Verslagen over de lepra in Suriname, ingediend aan het Departement van Koloniën door de Eerste Klasse van het Kon. Ned. Instituut. 1851.

Landre, (Dr. Ch.) Bijdrage tot de kennis en de behandeling der ziekten van Negers in de kolonie Suriname. I Hydraemia. II. Chloasma. 1852.

Landré (Dr. Ch.) Over de oorzaken der verbreiding van de lepra. Een waarschuwend woord aan de inwoners van Suriname 1889.

Drognat Landré (Dr. C. L.) De besmettelijkheid der lepra arabum, bewezen door de geschiedenis dezer ziekte in Suriname. (Acad. Proefschrift) 1867.

Laure (Dr. Jules) Considerations pratiques sur les maladies de la Guyane. Paris 1859.

Capriles (Dr. D. R.) Het krankzinnigengesticht op Curagao. Oorzaken en behandeling der krankzinnigen op dit Eiland. 1883.

Raadgevingen aan de ingezetenen van Suriname, omtrent hun leefregel en de hulpmiddelen bij het ontstaan der cholera. Uitgegeven met voorkennis van de Commissie van Geneeskundig onderzoek en toevoorzigt.

Boen rai vo wan dattra, fa wi moesoe li bi, en dem fossi helpi, disi wi habi va noodoe, efi Koléra Siki sa Kom na wi Kondré.

-ocr page 134-

132

VII. Diversen.

Hensen (A. H.) Over de pinda of aardnotencultuur in Suriname. Bulletin van het Koloniaal Museum. Februari 1S92.

Gorsira c.s. (M, B.) Aan onze mede-aandeelhouders in de Aruba Phosphaat Maatschappij en het Publiek. 1884.

van Lier (Mr. E. J.) Leugenachtig en brutaal. Antwoord op bovenstaande brochure. 1884.

Verslagen van de Aruba Phosphaat Maatschappij 1883/1884 en 1886/1887.

Maduro (S. E. L.) Bescheiden bemerkingen op het aanleggen van gemeenschapsmiddelen tusschen Pietermaai en Stad-zijde, enz.

Derde Jaarlijksch Verslag van het St. Jozefs-weeshuis voor jongens te Santa Rosa op Curagao. 1894.

Corona funebre dedicada a la memoria de A. Bethencourt. Curazao 1886,

Dumontier. (Dr) Necrologie C. A. F. Moorrees, Chef van den geneeskundigen dienst in Suriname. Uit het Ned. Militair Geneeskundig Archief 1878.

Van Coll, (C.) Openbrief aan den Heer J. F. A. Cateau van Rosevelt 1879.

Van Lansberge. (J. F. A. E.) Het zilveren kroningsfeest in Suriname.

VIII. Tentoonstellingen.

Negerengelsche oproeping tot deelname aan de tentoonstelling te Paramaribo in 1876.

Catalogus tentoonstelling Paramaribo 1876.

Van Eeden (F. W.) De Koloniën op de Internationale Tentoonstelling te Amsterdam in 1883.

Catalogus der afdeeling Nederlandsche Koloniën van de Internationale, Koloniale en Uitvoerhandel Tentoonstelling te Amsterdam 1883, (waarin het in den hoofde dezes aangegeven beknopte bibliographisch overzicht).

Overzicht van hetgeen gewenscht wordt voor de rubriek West-Indië van de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid („Onze Westquot; van 17 November 1897, No. 14.)

Catalogus van de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid. 1898.

(Zie over Nederlandsch West-Indië, blz. 60 en vlg.)

Vam Eedhn. (F. W.) Eene tentoonstelling van Nederlandsch West-Indië in 1898.

(Indische Mercuur van 6 Februari 1897).

-ocr page 135-

133

IX. Bibliographische gegevens.

Catalogus Surinaamsche Bibliotheek te Paramaribo 1862.

Catalogus Bibliotheek Indisch Genootschap 1869.

Catalogus van de firma Brill te Leiden betr. Oost- en West-Indië, met supplement.

Catalogus van de verkooping van de bibliotheek van wijlen Prof. V e t h 1899.

(Zie voorts de reeds opgenoemde werken van Jhr. van Sypesteyn, Dr. Wijnmalen en het tijdschrift West-Indië.

X. Kaarten.

Kaart van Suriname, uitgegeven door de Vereeniginsr voor Suriname, 1881. ?

Kaart van de drooglegging van de terreinen rond Paramaribo, 1896. (Memorie van Toelichting wetsontwerp leening productieve werken).

Kustkaart van Guyana, van Demerary tot Cayenne. Uitgegeven door de afdeeling Hydrographie van het Ministerie van Marine, 1886.

Loth (W. L.) Kaart van Guiana (Engelsch, Nederlandsch en Fransch. Uitgegeven met goedkeuring van Zijne Excellentie Mr. H. J. Smit, Gouverneur van Suriname. (Schaal 1 : 1.000.000).

Van Panhuvs, (Jhr. L. C.). Kaart van de Beneden-Marowijne vervaardigd naar de kaart van J. F. A. Cateau van Rosevelt en J. E. van Lansberge. Schaal 1 : 100000. (Uitgegeven door het Koloniaal Museum te Haarlem, 1896.)

Kaart van Suriname, aanwijzende de verdeeling in districten. Koloniaal verslag van 1898.

Voorts de kaarten en schetskaartjes die zich bevinden in de reeds opgenoemde geschriften van: Fermin, Sted-man. Van Heeckeren, Van Sypestein, Van Leent, Kap pier, Simons, Maloult en in het eerste Rapport van de Staatscommissie van 1853.

Juli 1899.

L. C. van Panhuvs.

-ocr page 136-

134

Inzending van J. H. de Bussy, Amsterdam:

KAART VAN SURINAME,

naar de opmetingen van J. F. A. Cateau van Rosevelt en J. F. A. E. van Lansberge, aangevuld tot 189S met die van- en geteekend door W. L. LOTH,

Gouvenicmcnts Landmeter in Suriname,

Schaal i : 500.000, in kleurendruk.

Afmeting 96 X I05 c-^*

De ter tentoonstelling aanwezige kaart is het eerste van de pers gekomen exemplaar van deze nieuwe zeer belangrijke kaart, welke dezer dagen bij de firma J. H. DE BUSSY het licht zal zien.

-ocr page 137-

INHOUDSOPGAVE.

i.

Pag.

V oorwoord..................... ~

Geschiedenis der Nf.derlandsch West-Indische Tentoonstelling ................... g

Algemeene inleiding ; door W. L. Loth........ 7

Wij gaan vooruit!; door Pyttersen......... r6

De bodem van Nederlandsch West-Indië; door Dr. H.

van Cappelle.................. 18

Iets over het klimaat van Suriname; door Dr. Maurits

Snellen..................... 22

Onze West-Indische eilanden; door L. A. Ferguson . . 26

De bewoners van Nederlandsch West-Indik; door L. C.

van Panhuijs................... 29

Landbouw en Nijverheid in Suriname; door Jhr. Mr. T.

A. J. van Asch van Wvck............ 35

Iets over Suriname als goudland; door Mr. C. H. van Meurs......................

Het onderwijs in Suriname; door Dr. H. D. Benjamins. 50 De oudheden van Suriname; door C. J. Hering .... 54 Programma van eene wetenschappelijke reis, die in het belang van de te Haarlem te houden Nederlandsche West-Indische Tentoonstelling behoort te worden gedaan in September 1898; door C. J. Hering. ... 59

II.

Programma voor de in 1899 te Haarlem te houden

Nederlandsche West-Indische Tentoonstelling ... 63

Ethnographie...............................70

Geologie............................................83

Botanie............................................87

Zoölogie............................................107

Bibliographie.......................123

z.o.z.

-ocr page 138-

BERICHT.

WEST-INDISCHE PRIJSVRAAG.

De Commissie van het Koloniaal Museum te Haarlem looft uit een Gouden Medaille voor de beste verzameling\' van minstens ioo gedroogde Surinaamsche planten (herbarium), in het bijzonder van nuttige en weinig bekende gewassen; zie blz. 103 van dezen Catalogus.

to ^quot;3

-ocr page 139-
-ocr page 140-
-ocr page 141-
-ocr page 142-

\'gr% mWsè. 4ef£r m*

*. ^ . ^TOsr ■quot; V *\'quot;quot; ■■\'

v Jt ***% ^ -

V» \' ~ ^1. quot; . ,

\'.v --}k. ^ \'\'■quot;

é-\' ■.- * L f ■

^ -.^ASr^r - r#-^% -v .;

\' gt;N \' V\'\'\'■■-\'• vij? ••■•lt;394v^r v»; .•

r \'- JfT- v / • ^^T \'fv ^ -^•.

■AM ^-V \' r4 !• \' quot; - ^J quot;\';..

^V-o- i\'\'^.- V- L :\'v • ■

;.Vgt;quot;W^.J% JL,.- P lt;C; L é lt;lt;3.- ■;

\'■ T: - \'Sv

\' .quot;5\'i \'■ :*%quot;*■ . .: \' • iM

:.-, \\ lt; - v ■«, , ■-, •■ /. - v gt;, ■ Jfc^ -» . / ■. ^ ■.,

v,yH- J ;\' « \'\'• J, ■* T -• A ■

- \'.-\'. H \'\'H1*quot; . - ■•.

fquot;. * *• • quot;quot;• - ^ \' .^;- \' *kr- ;:f} quot; •« \'

-*•• - J\\ l»/#- lt;\'5^ - 1:,;

. -•* \\ fiWk \\ .lt;*■■\' • / v «r ^ ^ • .

lt;■ ümh\'■ gt; ^-f ■lt;■••\' •

jC1 rf gt;A#r «.• y lt;*•• ■ •f^.Tï^s \'■• fc-r\'c^ C *^0#^ H%% 4 i-Wik

«s» .,\' .;.\'y.:

k\' , *:/ «; ; v ■ . ^ .

quot; \'V, ■\' ■ , \'V ■■ ■•

t\'. ■gt;•\'--iv

■.gt;\': v \' X- . )0 .

;/^.^rquot; • -a v .: ^ \' Sv v

rn\\\' ■■»gt;, N-vi^rV .1. \'Jk • lt;.. \' ~ .• •