-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

HET HOUT.

-ocr page 6-

Stoomdruk van J. VAN BOEKHOVEN - Utrecht.

-ocr page 7-

LjoLj, D.

HET HOUT.

, eigensclappen en toepasÉi in let öaplijhcli levra

DOOK

G. J. STAM,

Technoloog,

Assistent voor de Scheikunde aan de Poli/technische School te Delft.

MET EE3Sr quot;VOOIElZBIEIRIGZHrT

VAN

Dr. C. A. J. A. OUDEMANS,

Hoogleeraar aan de Universiteit te Amsterdam.

Met één plaat en vele hcutsneeflguren in den tekst.

UTRECHT,

Gedr. VAN DER POST.

1888.

BIBLIOTHEEK DER RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

-ocr page 8-

........„Wie in jenen höheren Kreisen der Idecn

und Gefühle, in dem Studium der Geschichte, der Philosophic und der Wohlredenheit, so ist auch in allen Theilen des Natunvissens der erste und erhabenste Zweck geisliger Thatigkeit ein innerer, namlich das Auffinden von Natur-gesetzen, die Ergrundung ordnungsmasziger Gliederung in den Gebilden, die Einsicht in den nothwendigen Zusammen-hang aller Verimderungen im Weltall. Was von diesem Wissen in das industrielle Leben der Volker überströmt und den Gewerbfleisz erhöht, entspringt aus der glücklichen Verkettung menschlicher Dinge, nach der das Wahre, Er-habene und Schone mit dem Nützlichen, wie absichtslos, in ewige Wechselwirkung treten.quot;

von Humboldt.

(Kosmos. Dl. I, blz. 37).

0888 4557

RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

-ocr page 9-

AAN

DEN HOOGEDELGESTRENGEN HEER

DR. A. VROLIK,

OUD-MINIS TER VAN FINANCIËN,

LID VAN VERDIENSTE EN OUD-VOORZITTER

DEK

NEDERLANDSCHE MAATSCHAPPIJ TER BEVORDERING VAN NIJVERHEID,

WORDT

DIT WERK UIT HOOGACHTING OPGEDRAGEN

DOOR

DEN SCHRIJVER.

-ocr page 10-
-ocr page 11-

VOORBERICHT.

Op verzoek des Schrijvers, heb ik inzage genomen van het eerste gedeelte van dit werk, waarin al datgene behandeld wordt, wat met den bouw en de wording van het hout in verband staat, en dat dus als het anatomisch onderdeel van het onderwerp beschouwd kan worden. Ik deed zulks, omdat mij werd meegedeeld dat een woord ter aanbeveling , juist van dit gedeelte, wellicht zou kunnen strekken om den twijfel weg te nemen, die zich van dezen of genen, ten opzichte van de waarde der eerste twee Hoofdstukken meester zoude kunnen maken, met het oog op de omstandigheid, dat de Schrijver wel als technoloog, doch niet als planten-ontleedkundige bekend staat. Toch behoort, volgens des Schrijvers eigen raeening, juist in het anatomisch gedeelte het zwaartepunt van zijn arbeid voor een deel gezocht te worden.

Had ik mij voorgenomen mijne pen in rust te laten, bijaldien de hierboven bedoelde Hoofdstukken mij waren tegengevallen, zoo strekt het mij thans tot voldoening, aan des Schrijvers wensch gevolg te kunnen geven met de verklaring, dat zijne uiteenzetting van den bouw van het hout, met al de daaruit afgeleide gevolgtrekkingen, niet alleen in volkomen overeenstemming is met den tegenwoordigen stand der wetenschap en de nieuwelijks ingevoerde naamgeving, maar dat ook de wijze van voordracht van een en ander zoo bevattelijk mogelijk is; dat niet meer begrippen zijn omgehaald dan voor het doel noodig waren gebleken , en dat overal van het meer bevattelijke tot het meer ingewikkelde geleidelijk wordt opgeklommen.

-ocr page 12-

Daar in werken, aan de techniek van het hout gewijd. aan den bouw dezer grondstof doorgaans niet de noodige aandacht geschonken wordt, van hoe groot gewicht die voor den technoloog ook wezen moge, zoo meen ik met bijzonderen nadruk er op te moeten wijzen, dat in dit werk met deze traditie gebroken, en voor oppervlakkige — dikwerf geen steek houdende — beschouwingen eene flinke bearbeiding van het anatomisch gedeelte in de plaats is gekomen.

De Schrijver heeft de leer van de ontleedkundige samenstelling van het hout blijkbaar tot het onderwerp eener ernstige studie en daarbij van de beste bronnen gebruik gemaakt, vóór hij zich aan zijne taak begon te wijden, en de uitkomst van zijn onderzoek en denken eerst daarna in bondigen vorm en gekuischten stijl aan zijne vakgenooten aangeboden. Hij verdient dus den dank vau allen, voor wie zijn werk bestemd is!

C. A. j. A. OUDEMANS.

Amsterdam, 29 Mei 1883.

Tot mijn en zeker veler leedwezen heeft de Schrijver, wiens wankele gezondheid reeds sedert jaren het ergste had doen vreezen, zijn arbeid niet voltooid vóór zich mogen zien. Zijne taak was wel afgewerkt, doch de laatste hand moest er nog aan gelegd worden, en gedurende dat oponthoud bezweek hij.

Ik voldoe gaarne aan den wensch der Uitgevers door te verklaren, dat ik thans, vier jaar nadat het bovenstaande geschreven werd, geene letter terug zou wenschen te nemen van den lof, toen door mij aan den Schrijver toegezwaaid. Hij bleef zich zeiven tot het einde gelijk: even nauwgezet, even degelijk, even doordrongen van het besef dat eigen waarneming hem den weg moest wijzen.

Laat ons hopen, dat dit werk den eenvoudigen, bekwamen, bemin-nelijken man nog lang in veler aandenken doe voortleven en dat nut moge verspreiden, t welk hem , bij de samenstelling er van, steeds voor tien geest zweefde.

Amsterdam , 13 Nov. \'87.

C. A. J. A. OUDEMANS.

-ocr page 13-
-ocr page 14-

.........,\\Vie in jenen höheren Kreisen der Ideen und Ge-

fühle, in dein Studium der Geschichte, der Philosophie und der Wohlredenheit. so ist aueh in all».\'n Theilendes Natunvissens der erste und erhabenste Zweck geistiger Thatigkeit ein inner er , niimlich das Auffinden von N\'aturgesetzen, die Ergründung ordnungsmasziger Gliederung in den Gebilden, die Einsicht in den nothwendigen Zusammenhang aller Veriinderungen im Weltall. Was von diesem Wissen in das industrielle Leben der Völker iiberstrümt und den Gewerbfleisz erhöht, entspringt aus der glücklichen Verkcttung menschlicher Dinge, nach der das Wahre, Erhabene und Schone mit den» Nntzlichen.wie absichtslos , in ewige Wechselwirkung treten.quot;

von Humboldt. (Kosmos. Dl. I, blz. 37).

-ocr page 15-

INLEIDIN G.

Alle planten worden door de plantenkundigen in twee groote afdeelingen gerangschikt.

Zij gronden deze verdeeling- op de wijze van voortplanting: de planten, die zich vermenigvuldigen door middel van sporen, vormen de afdeeling der cryptogamen, terwijl tot die der phanerogamen alle planten gerekend worden, die zich uit zaden ontwikkelen.

Hoewel ook onder de cryptogamen planten worden aang-e-troffen, wier stengel of stam een boomachtigen vorm aanneemt, (varens uit de keerkring-sgewesten), zijn uit een mechanisch-technisch oogpunt voornamelijk de boomen, heesters en struiken der phanerog-amen belangrijk, omdat zij, zoowel in hun stam als in takken en wortels, een der voornaamste grondstoffen voor de mechanische nijverheid leveren.

Die grondstof is het hout, dat, verborgfen onder een schors, aan genoemde plantendeelen een zeer groote vastheid verleent.

Aan die vastheid, gepaard met een betrekkelijk g-ering specifiek gewicht, is het hout in de eerste plaats zijn waarde voor de techniek verschuldigd. Moeten wij voor de bewerking van hout twee eigenschappen ontberen, die aan de metalen in meer of minderen graad eig\'en zijn, en bij hun bewerking een groote rol spelen, nl. smeltbaarheid en rekbaarheid , ons wordt, als \'t ware ter vergpoeding, in de splijt-

1

-ocr page 16-

of kloofbaarheid een niet minder gewaardeerde eigenschap aangeboden, die bij de metalen niet bekend is.

Heeft het hout daarentegen met de metalen gemeen, dat er eigenschappen in aanwezig zijn, wier gemis door niemand zou worden bejammerd, toch heeft het, naast de reeds genoemde , nog tal van andere eigenschappen aan te wijzen, zooals bijv. buigbaarheid, taaiheid, ,elasticiteit, enz., die het bij uitstek geschikt maken, om, door middel van mechanische vervorming, in voorwerpen omgezet te worden, die in verschillende behoeften van den mensch kunnen voorzien.

Dat al die eigenschappen, zoowel goede als kwade, ten nauwste samenhangen met den elementairen bouw van het hout, zal wel geen betoog behoeven.

De kennis van dien bouw is dus een eerste vereischte voor den technicus, die zich aan de bewerking van het hout zal wijden.

Daarom was het in de eerste plaats onze taak, een grondige wetenschappelijke beschouwing der grondstof te geven, wier mechanische vervorming in een vervolg van dit werk ter behandeling zal komen.

-ocr page 17-

HET HOUT.

HOOFDSTUK I, Anatomie en Physiologie,

„ II. Vergelijking van den bouw der houtsoorten.

„ III, Scheikundige samenstelling.

„ IV. Ontleding of bederf.

I, V, Technische eigenschappen.

,, VI. Bijzondere beschrijving van houtsoorten.

-ocr page 18-

In elk der drie groepen, waarin de plantenkundige de groote afdeeling der phanerogamen op haar beurt onderverdeelt, treffen wij de planten aan, die het hout voortbrengen, dat in onze streken ter bewerking komt.

In de groep der naaktzadigen vinden wij ze hoofdzakelijk in de familie der coniferen (naaldboomen); ook bij die der eenzaadlobbigen (monocotylen) is slechts één enkele familie, die der palmen, voor ons van belang; de groote verscheidenheid der voor ons nuttige houtsoorten danken wij hoofdzakelijk aan de groep der hveczaadlobbige planten (dicotylen).

Het groote verschil in hout, afkomstig niet slechts van planten behoorende tot verschillende groepen of families of geslachten, maar zelfs van planten van hetzelfde geslacht, kan reeds door den leek bij een oppervlakkige beschouwing worden waargenomen; wij zullen ons daarmede evenwel niet tevreden stellen, maar door een meer nauwkeurig onderzoek, zelfs de oorzaak van die verschillen trachten te onthullen.

Om dat onderzoek ook den lezer duidelijk te maken , die geen gelegenheid vond zich eenigszins met planten-anatomie en physiologic vertrouwd te maken, rekenden wij het ons tot een plicht, om vooraf eenige bladzijden aan beide takken van wetenschap te wijden.

Bij die behandeling zullen wij het doel, daarmede door ons beoogd, niet uit \'t oog verliezen, en haar dus slechts zooverre uitstrekken, als voor een toepassing op onze grondstof noodzakelijk is.

-ocr page 19-

EERSTE HOOFDSTUK,

Anatomie en Physiologie.

si Anatomie.

1. Het hout is, even als alle stoffen van plantaardigen en dierlijken oorsprong, uit cellen opgebouwd. Die cellen hebben een zeer verschillende gedaante.

Het houtweefsel is voornamelijk uit spocl-vormige cellen samengesteld, wier lengte tus-schen i en 2 m.M., wier dikte tusschen 0.01 en 0.05 m.M. afwisselt. Zij worden houtvezels genoemd, en sluiten zonder eenige tusschenruimte in \'t weefsel aaneen, zooals dit in nevensgaande figuren duidelijk zichtbaar is. (fig. 1 en 2.)

2. Oorspronkelijk hadden deze vezels niet zulk een lang gerekte gedaante; ze waren in hun jeugd veel korter, polyedrisch en aan de einden niet toegespitst. Zou evenwel het hout de taak, die het in de plant is aangewezen, o. a. om haar deelen de noodige vastheid te verleenen, in alle opzichten kunnen vervullen, dan moesten tijdens den groei die cellen zich in de eerste plaats vervormen, ten einde beter en sterker aaneen te kunnen sluiten, dan oorspronkelijk het geval kon zijn: de vezelvorm, boven omschreven, is het eindresultaat dier gedaanteverandering.

Maar niet alleen een vaster aaneensluiten der cellen werd gevorderd, ook hun wand moest

Fig. i.

1 ul

\\\'

Vezels uit lin denhout (vergroot.)

-ocr page 20-

6

stevig genoegquot; worden, om weêrstand to bieden aan de werking van uitwendige krachten. Die wand, aanvankelijk zeer dun, verdikt zich daarom voor of na de vervorming, nu eens meer dan eens minder, zoodat de ruimte, die eenmaal door een dun cel wandje was omsloten, ten slotte voor grooter of kleiner gedeelte door den verdikten wand wordt ingenomen, (fig. 2).

Bij de jeugdige cel was die ruimte gevuld met een weeke, doorschijnende stof, den zoogenaamden protoplast, bestaande behalve uit protoplasma, een stikstof houdende scheikundig zeer samengestelde zelfstandigheid, uit verschillende andere stoffen, vloeibare zoowel als vaste, die wij hier stilzwijgend kunnen voorbijgaan. De vervormde en verdikte cellen hebben meestal den protoplast, en daarmede het leven verloren; zij zijn feitelijk als doode elementen in het planten-lichaam te beschouwen.

In \'t algemeen komt de wandverdikking voor bij cellen, die zich tot een weefsel, tot een door bepaalde eigenschappen gekenmerkte groep hebben vereenigd.

Op die weefsels komen wij nader terug; voorshands vorderen de verdikkingen der ivanden onze aandacht.

3. De verdikking strekt zich in de minste gevallen over den ge-heelen celwand regelmatig uit; meestal is zij slechts plaatselijk; hier en daar zijn plekken op den wand aanwezig, waar geen verdikking heeft plaats gehad.

Om dit te kunnen waarnemen, moet men bij de geringe afmetingen der cellen, al zijn ze in \'t hout 1 — 2 m.M. lang, zijn toevlucht nemen tot het microscoop. Met behulp van dit instrument bemerkt men dan op de meeste houtvezelwanden zeer spoedig kleine ronde stipjes. Deze blijken bij een voortgezet onderzoek geen gaatjes in den celwand te zijn, maar slechts fijne kanalen; ze ontstonden, doordat de celwand rondom de plaats waar men ze waarneemt, zich ringvormig verdikte.

Daar nu juist tegenover zulk een kanaaltje zich in den

-ocr page 21-

7

aansluitenden celwand ook een dergelijk gevormd heeft, veronderstellen de botanici, dat deze aaneensluitende kanalen dienen voor een gemakkelijke communicatie tussclicn de ruimten, die door de wanden van aan elkaar grenzende cellen of vezels worden omsloten.

Behalve deze eenvoudige ronde kanalen, die als gewone stippels bekend zijn, treft men op de vezelwanden ook zeer dikwijls zoogenaamde hofstippels aan, die zich onder \'t microscoop voordoen als twee concentrische cirkeltjes.

Ook hier is een kanaal gevormd door plaatselijke niet-verdikking van den cel-

wand; maar dit heeft niet, als zooeven geschetst werd, overal nagenoeg dezelfde doorsnede, neen, hetblijkt trechtervormig naar den buitenwand te verloopen. Het grootste der cirkeltjes, die men bij deze stippels met \'t microscoop waarneemt, is dan ook niets anders als de rand van het wijdste gedeelte der trechtervormige ruimte, (fig- 3- A).

Daar nu ook weêr in twee aangrenzende celwanden deze kanalen zich tegenover elkaar bevinden, en met hun wijdste monding aaneensluiten, wordt ook door deze stippels een middel van gemeenschap tusschen de cellen gevormd, hetzij de uiterst dunne gemeenschappelijke celwand

al dan niet meer aanwezig is. (Het laatste

schijnt bii oude cellen \'t geval te ziin.) a. Gedeeitevancenhoutve-

_ zt-I, (overlangsdoorgesneden)

Dikwijls zijn ook de kanalen in den met hofstippels, uit grenen-

hout. Vergr. 400 maal.

verdikten wand niet rond of naar buiten B en c. liahe hofstippels (B

... . • T-x 1 jonSe\' C oudere) lichame-

verwijd, maar spleetvormig. Dezespleten lijk voorgesteld.

liggen op den vezelwand alle in eenzelfde

richting; ze vormen te zamen als \'t ware op den vezelomtrek links stijgende spiraallijnen, die onophoudelijk zijn afgebroken. Daar ook hier weer met elk dezer spleetstippels in een

-ocr page 22-

8

buurcel een spleetstippel correspondeert, in dezelfde richting-stijgend, neemt men onder \'t microscoop deze stippelsoort als kruisjes waar, hetwelk men zich uit de doorzichtigheid der fijne vliezen g^emakkelijk kan verklaren. Meermalen komt het voor, dat spleetstippels tegelijkertijd hofstippels zijn of omgekeerd. (fig. 4).

Behalve een stippelvormige verdikking treffen wij hij enkele houtvezels een zoogenaamd hmd-vorui\'igc verdikking aan; deze is ook ontstaan ten g-evolge van een zeer onregelmatige verdikking; slechts enkele gedeelten zijn met banden of lijsten voorzien, die zich als verhevenheden, \'t zij ring-, spiraal- of netvormig aan de binnenzijde van den wand vertoonen.

4. Al naar de wijze waarop de vezels zich ontwikkelden , en hun wanden verdikt werden, onderscheidt men soorten van ccllcn of vezels. Zoo noemt men die met laatstgenoemde banden bijv. ring-, spiraal- of wZ-cellen. Hebben de houtcellen of vezels zich tijdens den groei sterk in de lengte, weinig in de breedte ontwikkeld, zijn hun wanden sterk verdikt en slechts met spleetstippels oizeer kleine hofstippels voorzien, dan kent men ze onder den naam van libriform-vezels; vezels, die zich ook door aanzienlijken breedtegroei kenmerken, wier wanden gehofstippeld en zeer dikwijls spiraalvormig verdikt Gedeelte van zijn, worden als tracheïde-vezels onderscheiden.

een vezel uit

eikenhout met quot;Wij komen op deze vezelsoorten nog- nader terug. Wand zeer ver- 5. Met de physische wijzigingen gaan ook tijdens v\'iTgr. 400 maai. den groei der plant cJicmiscJie veranderingen van den cehvand gepaard.

Oorspronkelijk bestaat de wand uit water en een vaste stof, de cellulose, een verbinding van koolstof, waterstof en zuurstof, die door de formule C6Hl0O,, of een veelvoud daarvan, kan worden voorgesteld.

Terwijl het water, dat oorspronkelijk tusschen de kleinste

-ocr page 23-

9

deeltjes van den celwand regelmatig\' verspreid is, zich op verschillende plaatsen ophoopt, zoodanig dat daardoor in den wand lagen van verschillend watergehalte kunnen worden waargenomen, worden langzamerhand andere stoffen tusschen de cellulose deeltjes van den celwand afgescheiden.

De verdikte vezelwanden bijv. bevatten dientengevolge benevens cellulose hoofdzakelijk houtstof, die waarschijnlijk geen enkelvoudige stof, maar een mengsel van verschillende organische stoffen is. Zeer rijk aan houtstof is vooral de buitenste wandlaag van vezels, die tot weefsels zijn gegroepeerd; onderzoekingen van den laatsten tijd brachten aan het licht, dat deze laagjes, die men eenmaal ook als intercellulaire stof beschouwde , niet, zooals men meende, uit kurkstof bestaan, maar grootendeels uit houtstof, en voor een uiterst gering gedeelte uit cellulose zijn samengesteld.

Ook stoffen van anorganischen aard, voornamelijk zouten, worden op en tusschen de vezelwanden afgezet; wij komen daarop later bij de behandeling van de scheikundige samenstelling van het hout uitvoeriger terug.

Ten slotte zij nog opgemerkt, dat men in weefsels van bepaalde houtsoorten een zeer eigenaardige chemische omzetting van de celwandstoffen aantreft. Hoewel zij voornamelijk in de schors der planten plaats heeft, komt ook in houtweefsels deze verandering voor; wij hebben \'t oog op de vorming van gom uit de stof der cel wanden, een verschijnsel, dat ook bij onze kerse-, pruime- en abrikozeboomen wordt waargenomen. De verschillende ware gomsoorten, die wij uit den handel kennen, hebben aan zulk een celwandverandering hun ontstaan te danken \').

6. Behalve met vezels, zullen wij bij de bijzondere behandeling van het hout ook kennis maken met andere van zijn samenstellende elementen. Met uitzondering toch van \'t hout

r) Volgens de nieuwste onderzoekingen van Dr. M. W. Beijerinck wordt gom uit het hontweefsel onzer vruchtboomen slechts gevormd onder den invloed der smetstof van een besmettelijke ziekte.

-ocr page 24-

der naaldboomen (dennenhout, vurenhout) \'), treffen wij in dat dor monocotylen en in dat der loofboomen de zoogfcnaamde vaten aan, die zich op een dwarsche doorsnede van den stam door hun groote wijdte van alle andere elementen onderscheiden. Zij maken op den leek den indruk van poriën in het houtweefsel.

Men bemerkt op een doorsnede volgens de vezel- of draadrichting, wanneer men den loop der vaten volgt, dat deze een veel grooter lengte bezitten, dan de gewone houtvezels. Die vaten zijn nl. uit cellen ontstaan, van grooter afmetingen, dan de hen omgevende; boven elkaar geplaatst, nam tijdens den groei de dikte der zijwanden dezer cellen toe, terwijl hun dwarswanden geheel of gedeeltelijk verdwenen.

Het laatste geval doet zich bijv. voor bij de zoogenaamde zeefvaten, wier vrij dikke tusschenwanden met poriën voorzien zijn, zoodat ze den indruk maken van een zeef; van daar hun naam. Men treft ze gewoonlijk in de schors aan, nog voorzien van de protoplasten der cellen, waaruit ze ontstonden; zij doen in de plant dienst als overbrengers van het eiwit, van de plaats, waar dit uit anorganische bestand-deelen werd gevormd, naar die plantendeelen, waar het als voedsel zal worden verbruikt.

7. Van meer belang zijn voor ons de hout- of luchtvaten.

Bij deze zijn de dwarsche tusschenschotten ook wel eens gedeeltelijk, maar meestal geheel en al verdwenen; daarmede hebben zij tevens hun oorspronkelijken inhoud, den protoplast, verloren. In de plaats daarvan is lucht en water getreden, die beide, wanneer en waarom zal bij de beschouwing der physiologische functiën der houtelementen blijken , afwisselend grooter en kleiner gedeelten van het vat kunnen aanvullen.

De tusschenwanden , zoo zeiden we, zijn geheel of gedeeltelijk verdwenen. Waren de dwarsche wanden der cellen, waaruit het houtvat is ontstaan, loodrecht geplaatst op de zijwanden, dan zijn ze nagenoeg totaal opgelost (in eiken- en beukenhout);

t) fn hot eerste levensjaar bezitten ook de naaldboomen vaten; in volgende jaren worden geen vaten meer gevormd, zoodat zij hier niet in aanmerking komen.

-ocr page 25-

I I

maken ze met één der vlakken, welke men zich volgens de lengteas van \'t vat denken kan, een meer of minder scherpen hoek, zooals dit in hazelaars- en elzenhout het geval is, dan zijn ze van spleetvormige openingen voorzien.

De zijwanden der vaten, tijdens den groei met houtstof doordrongen, zijn, evenals wij dit bij de houtcellen of vezels aantroffen , ook niet gelijkelijk verdikt; ook hier vinden wij stippels, zoowel als spiraal- en net-vormige verdikkingen.

De aanwezigheid van stippels is bij de vaten regel; voornamelijk treft men hofstippels aan, en daarnevens bij enkele houtsoorten (bijv. lindenhout) spiraalvormige verdikkingen (fig. 5, A); soms zijn slechts bepaalde gedeelten van het hout door dergelijke spiraalvaten gekenmerkt (ahorn).

F. „ r -n n essehenhout.

Fig. 5 (B, C, D, R, F) geeft een denkbeeld van de wijze, waarop de wand der gestippelde vaten zich kan voordoen.

-ocr page 26-

I 2

De kleur dezer vaten geeft somwijlen een eigenaardig uiterlijk aan de splijtvlakken van eenige houtsoorten; zoo bijv. zijn ze in hout van den in Suriname inheemschen ceder (Cedrela odorata) donkerrood en glanzig, in teakhout donkerzwart, enz.

Maar in de kleur der vaten zoeke men geen belangrijk middel om houtsoorten te onderkennen; voor dat doel zal gt; zooals later blijken zal, de bepaling van hun diameter, maar nog meer de waarneming van hunne plaatsing in \'t weefsel gt;

8. Met de vaten moet men de zoogenaamde harsgangen niet verwarren , die zoowel in de schors als in het hout der naaldboo-men voorkomen. Wij merkten reeds op, dat naaldhout zich van het hout der loof boomen, door het gemis van vaten onderscheidt; wanneer men nu dunne dwarscho sneden van eenig naaldhout bij doorvallend licht beschouwde, om door de afwezigheid van poriën die van vaten te kunnen ontdekken , zou men hier en daar bij enkele dezer houtsoorten wel degelijk kleine ronde openingen bemerken, die de gedachte aan vaten zouden doen opkomen. Zij danken evenwel hun aanzijn aan de in sommige naaldhoutsoorten aanwezige harsgangen. Deze gangen, wier wanden hars afscheiden, hebben soms een aanmerkelijke lengte, en staan alle in de plant met elkaar in ge-

-ocr page 27-

13

meenschap. Met het toenemen der hoeveelheid afgescheiden stof verkrijgen de gangen een grooter middellijn, (fig. 6) \')

9. Wij zijn nu genaderd tot de behandeling van celgroepen, die niet minder dan vezels en vaten voor ons zeer belangrijk zijn, daar zij bij de ontwikkeling en den bouw der meeste houtsoorten een zeer gewichtige rol vervullen: het parenchym en de vaatbundels.

Beide, zoowel parenchym als vaatbundels, zijn weefsels. Wij merkten vroeger reeds terloops op, dat men onder planten-weefsels groepen van gelijksoortige cellen verstaat.

Deze groepen onderscheiden zich van elkaar door verschillende eigenschappen (kleur, hardheid, celinhoud), en kunnen in grooter of kleiner aantal naast cellen, die geheel afgescheiden daarvan bleven bestaan, in bijna alle deelen eener plant worden waargenomen.

Nieuwe weefsels worden in stammen en takken van boomen, behoorende tot de coniferen en dicotylen, gevormd zoolang de groei duurt; ten gevolge daarvan nemen deze boomen in dikte toe.

De stammen der palmen (monocotylen) daarentegen vermeerderen niet in omvang; in hun stam is van een nieuwe weefselvorming geen sprake — alleen ontwikkelen de eenmaal aangelegde weefsels zich in de lengte.

Men maakt daarom onderscheid tusschen weefsels van eersten aanleg (primaire) en weefsels, die tijdens den diktegroei der plant uit deze kunnen voortkomen (secundaire) doordat hun cellen door splitsing van den protoplast en het ontstaan van een tusschenschot, zooals men dit uitdrukt, zich deelen.

Het parenchym zoowel als de vaatbundels zijn meestal primaire ïvee/sels.

i) Verschillende coniferen leveren ons terpentijn en de gewone hars, bekend als grondstof voor de vervaardiging van lakken en vernissen , als lijmmiddel in de papierfabrikage, enz.; in den Elzas , wordt bijv. aan den zilverspar (Pinus picea L.) terpentijn onttrokken , die als „Straatsburgerquot; in den handel komt; in Tyrol aan den lorkenboom (Larix europaea D.C.) de „largoquot; of „largetquot; bij ons als „V\'cnetiaanschequot; terpentijn bekend , en/.

-ocr page 28-

14

10. Het parenchym, dat als het ware het aanvullingsweefsel tusschen andere celgroepen der planten uitmaakt, is als „echtquot;

parenchym een primair weefsel, en kenmerkt zich dan daardoor, dat zijn elementen, veelhoekige of ronde cellen, niet aaneengesloten liggen, maar door met lucht gevulde (intercellulaire) ruimten gedeeltelijk gescheiden zijn. Dit is bijv. het geval bij het echte parenchym van bladen, schors en wortels.

Het parenchym daarentegen , dat, op verschillende wijzen gerangschikt in grooter of kleiner hoeveelheid in bijna alle houtsoorten voorkomt, vsgt;wh secundaire vorming, omdat het tijdens den diktegroei van den stengel uit een ander weefsel, door celdeeling ontstaat.

Dit houtparenchym heeft met het echte parenchym gemeen, dat de dwarsche wanden der korte cellen meestal loodrecht op de zijwanden zijn geplaatst — maar het onderscheidt er zich van, doordat de cellen, evenals de houtvezels, zonder intercellulaire ruimten aaneensluiten.

De cellen van het houtparenchym bezitten een protoplast; zij behooren dus tot de levende elementen van het houtlichaam. Daar zij ook zeer dikwijls zetmeel, looistoffen, harsen kleurstof korrels bevatten, dienen zij klaarblijkelijk als bewaarplaats van voedingstoffen.

11. Op enkele uitzonderingen na, die wij hier niet ter sprake behoeven te brengen, zijn de vaatbundels primaire weefsels.

Samengesteld uit cellen en vaten, loopen zij als banden door het plantenlichaam en staan alle met elkaar in verbinding;

-ocr page 29-

15

de vaatbundels toch dienen tot vervoer van voedingsstoffen en water.

Dit vervoer heeft in verschillende deelen van den vaatbundel plaats, zoodanig dat voedingsstoffen (eiwitstoffen) en water streng gescheiden blijven; het vaatbundeldeel, dat slechts water vervoert, noemt men den houtbundel, dat voor de geleiding der voedingsstoffen den zeefbundel.

Deze vaatbundels worden in het hout niet aangetroffen, of beter, ze worden tijdens den diktegroei van den stengel zoodanig gewijzigd en vervormd, dat ze niet meer herkenbaar zijn.

quot;Wanneer wij ons eenige oogenblikken met deze vaatbundels bezighouden, geschiedt dit dan ook met geen ander doel, dan om een duidelijke verklaring te kunnen geven van de wijze, waarop de diktegroei plaats heeft, m. a. w. hoe in stengel en wortel de houtvorming tot stand komt.

Van de verschillende soorten, die de plantenkundige onderscheidt, zullen wij slechts de collaterale en de radiale vaatbundels beschouwen.

12. In de collaterale vaatbundels (fig. 8), algemeen voorkomende in de stengels der phanerogamen, treft men slechts één enkelen hout- en zeefbundel aan; de houtbundel is dan naar het centrum, de zeefbundel naar den omtrek der stengeldeelen geplaatst.

De houtbundels bestaan uit cellen en houtvaten, die zonder eenige tusschenruimte zijn verbonden, en wier plaatsing ten opzichte van elkaar geheel onregelmatig is. De wanden der cilindervormige cellen zijn, alnaar de sterkte der vaatbundels, geheel of gedeeltelijk met houtstof doordrongen; de vaten zijn verdikt op de verschillende wijzen, die wij vroeger vermeldden.

Ook de zeefbundels bestaan uit eng aaneengesloten vaten en cellen; de laatste zijn lang cilindrisch (cambiformcellen), en bezitten geen verdikte wanden; de vaten zijn hier zeefvaten.

13. De vaatbundels komen in de meeste gevallen uit de bladen in den stengel; maar hun loop in den stengel

-ocr page 30-

i6

verschilt, al naardat deze aan een monocotyle of dicotyle plant behoort.

Fig. s.

Beziet men een monocotylen plantenstengel op dwarsdoorsnede, dan neemt men waar, dat de vaatbundels zoowel aan den omtrek als meer naar \'t midden van den stengel geplaatst zijn; de dikste, gering in aantal, in \'t centrale deel; de kleine, dicht op een gedrongen, aan den omtrek.

Een gevolg daarvan is, dat bij monocotylen, bijv. palmen.

-ocr page 31-

7

het peripherisch gedeelte van den stengel het hardst is, en veel meer technische waarde bezit dan het centrale deel.

Bij de dicotyle plantenstengels daarentegen zijn de vaatbundels, ten minste wanneer van geen diktegroei sprake of de stengel nog zeer jeugdig is, in een kring geplaatst, op de wijze zooals dit in nevenstaande figuur schematisch is aangeduid, (fig- 9)-

Men ziet daar zes collaterale vaatbundels , wier houtbundels (h) dus naar \'t centrum, wier zeef bundels (z) naar den omtrek van den stengel zijn g\'ekeerd.

Aan den omtrek van elk der zeefbun-dels zijn door drie zwarte stipjes bastbundels aangegeven.

Van deze bundels dient vermeld te worden, dat zij als koordof handvormige organen aan dunne en buigzame plantendeelen stevigheid moeten verschaffen; zij bestaan uit cilindrische of spoelvormige cellen, hier bastvezels genaamd, die ongeveer 5—io m.M. lang zijn, en sterk verdikte maar toch zeer elastische en buigzame wanden bezitten.

Bij jonge dicotyle plantenstengels zijn deze bastbundels aan den buitenomtrek van den zeefbundel geplaatst, maar bestaan daar uit cilindrische cellen, wier weeke, meer of minder verdikte wanden een protoplast omsluiten.

In oude stammen zijn de bastbundels dikwijls verdwenen.

14. Bezien wij nu verder de figuur. Het wit gelaten gedeelte stelt parenchymweefsel voor; binnen de vaatbundels heeft men het den naam van merg gegeven; de strooken tusschen de vaatbundels zijn de mergverbindingen, en het peripherisch gedeelte van dit weefsel noemt men de schors.

Door een dubbel lijntje wordt in de figuur (duidelijker in fig. io) de afscheiding tusschen hout- en zeefbundels der vaatbundels voorgesteld.

Dit was noodzakelijk om aan te duiden, dat beide bundels niet onmiddellijk aaneensluiten. Bij den aanleg van den vaat-

S. schors.

h. houtbundel | .u i i n j i vaatbundel. z. zeefbundel I

-ocr page 32-

18

bundel toch, heeft zich tusschen zijn deelen een weefsel ingelegd, dat uit cellen bestaat, die het vermogen bezitten om zich door deeling te vermenigvuldigen; een deeling, die, afgezien van de splitsing van den protoplast, tot stand komt Fig JO door de vorming van horizontale en ver-

tikale tusschenschotten; de laatste evenwijdig aan den stengelomtrek. (Men zie © figuur 8).

4? *LTijdens het groeien van den stengel lt;£| vormt zich ook in de mergverbindingen,

in het parenchym tusschen de vaatbundels, een dergelijk weefsel, en wel zoodanig,

Schematische voorstelling 0

van een dwarsche stengel- dat zich ten slotte in het stengeltje een doorsnede, na ontwikkeling . .. 1

van den cambiumring. gesloten ringquot; van cellen bevindt, die later

s. sèhrors0kir aanhoudend door deeling nieuwe cellen

zullen voortbrengen. (Zie fig. io).

Dit geldt voor dicotylen, en wel bepaaldelijk voor boomen en heesters; bij de monocotylen gaat daarentegen dit weefsel in den hout- of zeef bundel over, en daarmede verliezen de cellen hét deelingsvermogen. (Zie blz. 13).

Het ringvormige weefsel, dat, zoolang als de groei duurt, nieuwe cellen voortbrengen zal, draagt den naam van cambium (c en cb in fig. 8).

Zoowel naar het centrum van den stengel, als naar den omtrek, heeft deze productie van nieuwe cellen plaats, die gezamenlijk binnen den cambiumring het hout, er buiten de schors van den stengel zullen vormen.

Het cambium zelf is samengesteld uit lange, smalle, spoel-vormige cellen, die op dwarsche doorsnede een platten, veel-hoekigen vorm vertoonen. De celwanden zijn des zomers dun, des winters plaatselijk verdikt — dit verschijnsel staat met de werkzaamheid van het cambium in verband. Want niet voortdurend brengt het nieuwe cellen voort.

In onze gewesten ten minste staakt het cambium met het naderen van den winter (soms reeds vroeg in den herfst) zijn werking, om deze eerst in de volgende lente voort te zetten.

-ocr page 33-

19

Op de dwarsche doorsnede van een stam onzer boomen bemerkt men, dat het houtgedeelte in ringen is afgezet; wel is waar is dit hier eens meer, daar weêr minder duidelijk zichtbaar, maar geheel ontbreken die ringen nooit.

Elk dezer ringen werd gevormd gedurende één der perioden, waarin het cambium werkzaam was; den naam jaarringen voeren zij dus naar hetgeen boven gezegd werd, niet ten onrechte. Dat men de periodieke werking van het cambium in den stam waarnemen kan, wordt niet alleen daardoor veroorzaakt, dat het hout, hetwelk tegen het einde eener periode wordt gevormd, meer uit gelijksoortige elementen werd opgebouwd, als bij den aanvang daarvan geschiedde, maar doordat èn vorm èn kleur van dezelfde elementen in voorjaarshout en herfstliout verschillen (fig. n).

-ocr page 34-

20

Wij zullen spoedig in de gelejfenheid zijn ora aan te toonen, dat dit verschil samenhangt met de taak, die het hout in den plantenstengel heeft te vervullen.

15. Staan wij nog een oogenblik stil bij den diktegroei van den jeugdigen stengel.

Terwijl deze plaats heeft, terwijl dus de cambiumring naar binnen en naar buiten in gesloten ringen nieuwe cellen afzet, worden de houtbundels (h in fig. 10) der vaatbundels en het merg (M) niet meer gewijzigd.

Men vindt ze ten allen tijde in \'t hart van het houtlichaam terug; de ruimte, die ze daarin dan beslaan, is natuurlijk uiterst gering in vergelijking met de doorsnede van den stam — een grooter dikte dan i—2 m.M. van denmergkoker behoort tot de uitzonderingen. Een gedeelte van het parenchym-weefsel uit den jeugdigen stengel treft men dus zelfs dan nog aan, wanneer deze door diktegroei in omvang toegenomen is.

Maar van de strooken parenchym tusschen de vaatbundels (fig. q of 10) is dan in den stam weinig of niets meer te ontdekken. Wel is waar zien wij daar op dwarsche doorsnede, en vooral wanneer men tot het vergrootglas zijn toevlucht neemt, ook lijnen, die in de richting van den straal het hout doorsnijden, maar deze staan met de mergverbindingen in geen verband \'). Die lijnen toch, mergstralen genoemd , loopen in den regel niet tot aan het merg. maar bovendien ziet men ze voortkomen uit alle deelen van het cambium; ze hebben in denzelfden stam ongelijke lengte en, wat op radiale en tangentiale lengtedoorsneden van den stam duidelijk te voorschijn treedt, eveneens ongelijke hoogte en breedte. De mergstralen zijn ook celweefsels, die door het cambium zijn voortgebracht, en niet alleen in het hout, maar ook in de schors worden aangetroffen.

Hoe mergstralen zich onder het microscoop in bovenge-

1) Bij cenige hoornen (linde, beuk. enz.) komt het voor, dat gedurende de eerste jaren van den diktegroei het cambium , dat gevormd is tusschen de vaatbundels , geen hout voortbrengt maar slechts parenchytmveefsel; dit heeft dan met de oorspronkelijk\'* mergverbindingen groote overeenkomst.

-ocr page 35-

noemde doorsneden kunnen voordoen, daarvan geven de onderstaande figuren een denkbeeld.

Het blijkt uit die afbeeldingen (fig. 12 en 13), dat zij uit een grooter of kleiner aantal cellagen bestaan, zoowel volgens de hoogte als volgens de breedte. De cellen, waaruit elke laag is samengesteld, zijn cilindrisch en met hun grootste as in de richting der stralen geplaatst; hun wand is meer of minder dik en van stippels voorzien. Gedurende de periode, waarin het cambium zijn arbeid heeft gestaakt, d. i. dus tijdens de laatste herfstdagen en des winters zijn de mergstraalcellen met zetmeel gevuld; evenals de vaten dienst doen als reservoirs voor water, vervullen deze cellen, met de elementen van het houtparenchym , die functie voor voedingsstoffen.

16. En wat is er ten slotte, tijdens den diktegroei van den stengel, van het derde gedeelte van het oorspronkelijk aanwezige parenchymweefsel geworden, dat wij in de fig. g en 1 o door de letter S aangaven, en met den naam van schors betitelden ?

Ook daarvan meenen wij nog met een enkel woord te moeten gewagen; want hoewel de schors een deel van den stam en diens takken is, dat, wat zijn toepassing in de techniek

-ocr page 36-

22

betreft, in het vervolg van dit boek niet ter sprake zal komen, zij is van invloed op den bouw van het hout en zijn eigenschappen , en mag- dus door ons niet stilzwijgend voorbij worden gegaan.

In den zeer jeugdigen stengel is het parenchym, buiten de vaatbundels gelegen, door een primair weefsel, de zoogenaamde opperhuid, begrensd.

Deze opperhuid, die gewoonlijk uit een enkele laag protoplast-houdende cellen bestaat, sluit zoowel hier als bij andere plan-tendeelen, waar zij voorkomt, de buitenlucht van het inwendig weefsel af.

Eng sluiten die cellen aaneen, zoodat slechts door enkele openingen, die men huidmondjes noemt, de intercellulaire ruimten van het parenchym (zie blz. 14) met de buitenlucht in gemeenschap staan.

Die opperhuid verdwijnt bij aan diktegroei onderhevige plantendeelen, zooals bij stam en takken, en maakt plaats voor een kurkhuid, wier cellen ook nauw aaneensluiten, zoodat slechts weêr door enkele openingen (lenticellen) de buitenlucht in de open ruimte tusschen de parenchymcellen dringen kan.

Deze nieuwe huid ontstaat óf door deeling van opperhuidcellen óf door deeling van aangrenzende parenchymcellen.

Nadat een eerste laag dezer kurkhuid [phcllogeenlaag) gevormd is, brengt deze op haar beurt, zoowel naar het centrum als naar den omtrek van den stam, nieuwe ringvormige cel-lagen voort. De laatstgenoemde, n. 1. die aan den omtrek, vormen de kurklaag der kurkhuid; alles wat buiten deze kurklaag ligt sterft af.

Bij jonge stengeldeelen blijft éénzelfde phellogeenlaag aanhoudend kurklagen naar buiten afscheiden; bij uitzondering geschiedt dit ook bij oude stammen en takken, bijv. bij die van den beuk. In dit geval vertoont de stam een glad uiterlijk.

Maar wordt aanhoudend een geheel nieuwe phellogeenlaag gevormd, die op haar beurt kurklagen aan haar buitenomtrek afzet, dan sterven de oude, daarbuiten gelegen phellogeenlagen voortdurend met hun kurklagen af, zoodat dan ringvormige strooken langs den geheelen omtrek van de schors loslaten,

-ocr page 37-

23

en deze, zooals bij den wijnstok waar te nemen is, een zeer ruw uiterlijk geven •— in dit geval was de eerste phellogfeenlaag gevormd door dceling van parenchymcellen. (Zie boven).

Wordt slechts over een gedeelte van den omtrek een nieuwe phellogeenlaag gevormd, dan sterven natuurlijk de voorgaande lagen slechts voor dat gedeelte af, zoodat dan ook aanhoudend kleine deelen van de schors loslaten (eiken, ijpen), deze ruw maken, en dikwijls afvallen (plataan), — dit geschiedt gewoonlijk indien de eerste phellogeenlaag door deeling van opperhuidcellen is gevormd.

Niet minder als het aan den stengelomtrek grenzende deel van het parenchym S door celdeeling wordt gewijzigd, heeft dit, wat de deelen betreft, die in de nabijheid van den zeef-bundel der vaatbundels zich bevinden, plaats door de werking-van het cambium.

Dit zet ook jaarlijks aan de schorszijde lagen van bast- en zeefbundels en parenchym af (alle dus secundaire weefsels); maar hier is van die periodieke werkzaamheid niets te bespeuren, want jaarringen worden er niet waargenomen. Wel ontmoet men ook in de schors, even als in \'t hout, de zoogenaamde mergstralen, maar reeds op zeer geringen afstand van den cambiumring smelten ze met de zooeven genoemde secundaire weefsels samen.

17. Er blijft ons nu nog over den diktegroei der wortels te beschouwen. Hier treffen wij in den jeugdigen toestand dezer deelen geen collaterale, maar in het centrum slechts één enkelen radialen vaatbimdel aan.

Deze is van cilindrischen vorm, en bestaat uit één stervor-migen houtbundel, waarvan stralen uitgaan naar het den vaat-bundel omgevend parenchym. ïusschen twee stralen is een zeefbundel geplaatst; hun aantal, gewoonlijk bij dicotyle wortels 2—8, bij monocotyle g—20, is dus gelijk aan dat der hout-bundelstralen. Tusschen deze en de zeefbundels ontwikkelt zich het cambium, en vormt ook hier weldra, even als in den stengel, een gesloten ring. En op dezelfde wijze als daar» ontstaan ook uit dat cambium de secundaire weefsels, zoowel

-ocr page 38-

24

de secundaire schors als het secundaire hout, waarvan de bouw weinig verschilt van dien, welken wij bij deze weefsels in den stengel waarnemen. Ook het wortelhout bezit een merg-koker en mergstralen.

Ten slotte zij opgemerkt, dat de periodieke werkzaamheid van het wortelcambium der loofboomen in den zomer aanvangt, door den winter niet wordt gestoord, en eerst in het voorjaar is geëindigd — zij valt dus niet samen met die van het cambium in den stam.

Wij eindigen hiermede ons klein uitstapje op het gebied der plantenanatomie, ten einde nu voor een oogenblik dat der plantenphysiologie te betreden — want ook de kennis van de functiën, die het hout had te vervullen tijdens het leven van de plant, waarvan het eenmaal een deel uitmaakte, is noodzakelijk tot goed begrip van zijn bouw, en ter verklaring van de verschillen, die daarin bij de onderscheiden houtsoorten worden waargenomen.

-ocr page 39-

I». Physiologic.

18. De rol, die het hout heeft te vervullen bij de voeding en den groei der plant, wanneer het daarvan nog een deel uitmaakt, is verre van onbelangrijk.

Terwijl andere plantendeelen stoffen opnemen uit hun omgeving, weêr andere, zoo noodig, deze opgenomen stoffen omzetten in plantenvoedsel, dient het hout in wortels, stam en takken eensdeels als vervoermiddel, anderdeels als bewaarplaats daarvan.

19. Het vervoer van verschillende stoffen is in de plant noodzakelijk.

Het water bijv., dat, zooals wij vroeger zagen, geen gering deel van het houtlichaam uitmaakt, moet van de plaats waar het opgenomen wordt, van de wortels, gebracht worden naar andere deelen. Elke plant toch zal aan de lucht, en al naar haar meerderen of minderen vochtigheidstoestand in verhouding tot dien der lucht, water verliezen. De verdamping zal bij onze boomen, daar zij bij stammen en takken door de ondoordringbare buitenlaag (kurkhuid) verhinderd wordt, voornamelijk plaats vinden in de bladen, met hun groot oppervlak en een opperhuid met talrijke huidmondjes; daarheen dus moet het water worden gevoerd.

Bezit een boom veel bladen, die te zamen een groot verdampingsoppervlak aanbieden (loofboomen), dan zal het quantum te vervoeren water veel aanzienlijker moeten zijn dan bij andere, waar dit niet het geval is (coniferen); en waar telken jare meer bladen ontstaan, zal zeer zeker elk volgend jaar ook meer water moeten vervoerd worden.

Bij naald- en loofboomen wordt dan ook jaarlijks een nieuwe houtlaag gevormd, ten einde de reeds aanwezige lagen in hun

-ocr page 40-

26

werking, wat watervervoer betreft, te ondersteunen ; bij monoco-tylen (palmen) neemt het houtweefsel niet in dikte toe (zie blz. 18) — een vermeerdering van die afmeting is dan ook niet noodzakelijk, omdat deze monocotylen, na een zeker tijdstip in hun groei, jaarlijks evenveel nieuwe bladen ontplooien, als zij verloren.

20. Hoofdzakelijk zijn de vezels met het watervervoer belast.

Maar hoe kan dit geschieden, daar deze tsch in de meeste gevallen geheel gesloten elementen zijn, in wier wanden men wel is waar stippels en spleten, maar toch dikwijls geen openingen vindt?

De waterverplaatsing geschiedt door een bijzondere eigenschap der vezelwanden; deze kunnen n. 1., terwijl hun volume toeneemt, water opnemen, en dit ook weêr met daarmede gepaard gaande volumevermindering afstaan. Door deze verandering in volume onderscheidt het verschijnsel zich van dat, hetwelk, door capillaire werkingen te voorschijn geroepen, bij alle poreuze lichamen wordt waargenomen : het water dringt in de poriën der poreuze voorwerpen — maar bij de celwanden drijft het de kleinste deeltjes, de molekulen, uiteen, zoodat elk molekuul, even als een eiland, door het water wordt omgeven.

Men noemt het verschijnsel imbibitie.

Het water, door imbibitie in de vezehvanden opgenomen, verplaatst zich daarin zeer gemakkelijk; werkt er dus naast een kracht, die aanhoudend water in de wanden perst, een andere, die het water daaraan onttrekt, zoo zal er een aanhoudende strooming in het water, een aanhoudend vervoer door de vezehvanden kunnen plaats vinden.

En die krachten zijn in de plant aanwezig.

De wortels n. 1. nemen niet alleen het water op, maar zij drukken hot bovendien in den stam omhoog — de bladen zijn oorzaak, dat uit de planten aanhoudend water wordt verwijderd : ziehier dus, door de eigenschap der vezehvanden en de som der werkingen van wortels en bladen, het watervervoer door het houtweefsel in de plant tot stand gebracht.

-ocr page 41-

27

21. Niet onder alle omstandigheden behouden de vezelwanden de eigenschap, om imbibitiewater op te nemen en dit ook te vervoeren; zij moeten daartoe een bepaald watergehalte bezitten. Is dit, bijv. door sterk uitdrogen, niet meer voorhanden, dan is ook voor immer het vervoer onmogelijk geworden.

Zoo verliezen o. a. de vezels in de oudste, meest centrale gedeelten van stammen zeer dikwijls dit vermogen; de vezel-wanden van het zoogenaamde kernhout worden te droog, zoodat slechts op die der omliggende peripherische houtlagen, het splint vormende, de taak blijft rusten om water te vervoeren.

Maar splinthout is niet alleen vochtiger dan kernhout, de imbibitie met water veroorzaakt ook andere verschillen. Het water dringt daarbij toch tusschen de kleinste deeltjes der wanden, en vergroot dus hun onderlingen afstand, waarvan een vermindering der aantrekkingskracht, die zij op elkaar uitoefenen , een direct gevolg is; de vastheid der vezels in \'t splint is dus geringer, maar de buigzaamheid groot, in vergelijkingmet die van kemhoutvezels. Dit zijn feiten, die voor de mechanische houtindustrie van geen gering gewicht zijn.

22. Bewijzen voor het feit, dat in de door diktegroei gewijzigde stammen onzer boomen het houtweefsel slechts water vervoert, zal men hier ter plaatse niet mogen verwachten — de vraag, waarom het water zich uit dit weefsel, niet in \'t omliggende weefsel der schors verspreidt, kunnen wij evenwel niet onopgehelderd laten.

De oorzaak daarvan is te zoeken in de aanwezigheid van weefsels, op de grens van cambium en schors, wier cellen, zonder eenige tusschenruimte samenhangend, van wanden voorzien zijn, die het groote imbibitie-vermogen der hout celwanden missen. Was zulk een cellenlaag daar niet aanwezig, dan zou het water zich zeer zeker in de intercellulaire ruimten van het parenchj\'mweefsel der schors uitstorten. Deze ruimten, die alle met elkaar in verband staan, dienen tot het vervoer van de zuurstof, door de planten ingeademd, naar deelen, die daaraan behoefte hebben. Bij een verschil in drukking, op het water en op dit gas uitgeoefend, zoodanig

-ocr page 42-

28

dat de eerste de overhand heeft, zouden de open ruimten tusschen het parenchyrmveefsel gevuld worden, en deze dus niet meer aan hun doel kunnen beantwoorden.

23. Maar niet alleen is water noodzakelijk om te gemoet te komen aan de behoefte, die daaraan door de verdamping ontstaat, het is ook noodig voor de vorming van nieuwe cellen, wier celwanden en protoplasten toch voor geen gering gedeelte uit water bestaan, en niet minder tot vervoer van voedingsstoffen door de plant, bepaaldelijk van anorganische stoffen (zwavelzure en phosphorzure kali, kalk en magnesia; salpeterzure zouten, enz.).

Deze zouten, door de wortels aan de aarde ontnomen, moeten voor de voeding der plant naar andere deelen worden overgebracht ; het vervoer geschiedt in opgelosten staat — het oplossingsmiddel is het imbibitiewater. Langs dezen weg komen de genoemde anorganische stoffen bijv, in de bladen, waar hun elementen (zwavel, stikstof) in verbinding treden met die van reeds aanwezige organische voedingsstoffen (zetmeel, druivensuiker) \') en als bouwmaterialen dienen voor de vorming van een ander organisch lichaam, dat meestal in levende plantencellen, met het protoplasma gemengd, voorkomt, n. 1. het planteneiwit

Dat eiwit en druivensuiker niet door \'t houtweefsel worden vervoerd, van de plaats waar hun vorming tot stand kwam naar andere deelen in de plant, waar ze verzameld of verbruikt zullen worden, stipten wij reeds ter loops aan; de wegen voor hun vervoer zijn bij de stammen onzer boomen gelegen in de schors — de zeefvaten (blz. io en 15) der zeef bundels belasten zich met het vervoer van eiwit, het parenchymweefsel met dat van druivensuiker.

24. Wij hebben nu het hout leeren kennen als vervoermiddel

i) Onder den invloed van het licht, worden water en koolzuur, dat uit de lucht is opgenomen, dopr de bladgroen korrels in de cellen van het parenchym der bladen ontleed. Uit de produkten dier ontleding; koolstof (C), waterstof (H) en zuurstof (O) wordt wellicht eerst druivensuiker (CcHiiOc) en daaruit, door onttrekking van waterstof ••n zuurstof, zetmeel CfilIloOi} gevormd.

-ocr page 43-

29

van water, en zullen nu nog nagaan, hoe het ook als bewaarplaats van water en voedsel een niet minder gewichtige rol in het plantenlichaam vervult.

Reeds bij een vroegere gelegenheid wezen wij op het feit, dat het voornamelijk de vaten zijn, die in het hout als water-reservoirs fungeeren (zie blz. n); maar ook de vezels, wier wanden het transport mogelijk maakten, nemen aan dit opzamelen deel.

De holle ruimten, door vat- en vezel-wanden omsloten, als de protoplast verdwenen is, worden niet immer door lucht gevuld. Wanneer de verdamping van water uit de plant gering is, drukken toch altijd de wortels het water op; de lucht, die eenmaal in vaten en vezels onder een bepaalde spanning aanwezig is — een spanning die niet gewijzigd wordt door grootere of kleinere drukking der buitenlucht, omdat de lucht in vezels en vaten daarvan afgesloten is \') — wordt samengedrukt , ze neemt geringer volume in dan voorheen, en moet de aanwezige ruimte nu deelen met het opgedrukte water.

Die geringe verdamping heeft bij onze loofboomen natuurlijk in het najaar en des winters plaats, wanneer de afwezigheid van bladen een sterke verdamping van water onmogelijk maakt. Maar als zij in het voorjaar hun bladen ontplooien, zijn groote hoeveelheden water noodzakelijk voor den groei, daarna zullen gedurende een groot gedeelte van den zomer en den herfst, enkele regendagen uitgezonderd, aanhoudend groote hoeveelheden water verdampt worden, zoodat in die jaargetijden, vooral in de eerstgenoemde, de hoeveelheid water in vat- en vezelholten aanwezig, meestal tot een minimum wordt gereduceerd.

Men zal nu lichtelijk inzien, dat bij naaldboomen, wier blaadjes niet elk jaar afvallen, zulke kolossale water-reservoirs, als wijde vaten, niet vereischt worden, te meer, daar door den

t) Om te voorkomen , dat bij beschadiging der plant, bijv. bij het afbreken van takken , de buitenlucht met die in liet houtweefeel zou communiceeren , zwellen dikwijls na de verwonding de houtparenchymcellen op, die meestal de vaten omgeven, en sluiten in het inwendige der houtvaten tredend, de buitenlucht af; de vezels zijn slechts kort , vormen geen doorgaande kanalen, zoodat bij deze elementen die zoogenaamde „thyllen -vorming niet noodig is.

-ocr page 44-

vorm en het samenstel hunner bladen of naalden toch nooit van aanzienlijke waterverdamping\' sprake kan zijn.

25. Een gevolg van de imbibitie der vezelwanden met water en van de aanwezigheid van grooter of kleiner hoeveelheden daarvan in vezel- en vatholten, is de vorming van hout van verschillenden bouw, gedurende de jaarlijksche groeiperiode.

Terwijl het voorjaarshout (zie blz. i 9) weinig afg-eplatte, groote cellen bezit en tal van wijde vaten (bij loofhout), zijn de vezels van het herfsthout plat op doorsnede (fig. 6 , 11, 14), en de vaten klein en gering in aantal; ja, deze kunnen daar geheel ontbreken.

Alles wijst er op dat het

voorjaarshout ontstaan is onder gunstig\'er, vrijer omstandigheden, dan het hout, dat in \'t najaar werd gevormd.

Toen de houtcellen in het voorjaar uit het cambium door celdeeling ontstonden, was nl. langzamerhand ook de groote hoeveelheid water uit de vezelen vatholten verdwenen, en had de lucht daarin dus een minimum van spanning verkreg\'en. Ook de vezelwanden bevatten minder water; en daar zij door de imbibitie met deze stof minder in de lengte, dan wel in de dikte worden uitgezet, en dit dus een vermeerdering in omvang van het houtlichaam veroorzaakt, had ook een vermindering van het imbi-bitiewater een vermindering van dien omvang ten gevolge.

De schors, die, rondom het hout gelegen, aan de uitzetting

-ocr page 45-

3i

daarvan weêrstand bood tijdens den meer vochtigen toestand van het houtweefsel, en dientengevolge een drukking daarop uitoefende, zal die drukking\' nalaten, zoo spoedig het volume van het houtlichaam geringer wordt, m. a. w. zoo spoedig het watergehalte daarin vermindert.

In het voorjaar dus zijn het hout en het cambium bevrijd van den knellenden band der schors. en zal daardoor natuurlijk de ontwikkeling der nieuwe cellen veel vrijer geschieden, dan wanneer die band zich weêr laat gevoelen; dit zal tegen het eind van den zomer langzamerhand weêr plaats hebben, niet minder, doordien intusschen aan het houtlichaam een nieuwe houtlaag is toegevoegd, zoodat dit reeds daardoor in omvang toenam. De vermeerdering van den druk heeft een samendrukken van de nieuw gevormde cellen, een vermindering in de snelheid van hun ontstaan en hun groei ten gevolge, — ze maakt eindelijk in het najaar en in den winter de vorming van nieuwe cellen door het cambium onmogelijk.

26. ïen slotte zij er nog op gewezen, dat het hout in den stam, evenals de schors, als bewaarplaats dienst doet van organische voedingsstoffen, en wel van planteneiwit en zetmeel; daarvoor zijn de protoplasthoudende cellen van mergstralen en hout-parenchym aangewezen.

Hiermede eindigen wij het eerste Hoofdstuk.

Dat wij daarin slechts feiten konden vermelden, zonder overal bewijzen voor hun juistheid aan te halen, zal een ieder, na \'t geen wij met betrekking tot de strekking der voorgaande bladzijden meedeelden, gemakkelijk begrijpen.

Wie die bewijzen wil leeren kennen, wie bovendien een beter inzicht in den bouw en de function van plantendeelen wenscht te erlangen, dan dit door kennismaking met onze oppervlakkige behandeling mogelijk is, dien verwijzen wij naar de leerboeken der plantenkunde, door ons aan het slot van dit boek genoemd.

-ocr page 46-

In de voorgaande bladzijden is o. a. gebleken, welke elementen en elementengroepen bij den bouw van \'t hout kunnen optreden.

Met een enkel woord werd er ook op gewezen, dat in hun voorkomen, in hun rangschikking, enz. een groote verscheidenheid heerscht.

In \'t volgende Hoofdstuk stellen wij ons ten taak, de elementen van \'t houtweefsel en de deelen van het houtlichaam meer nauwkeurig te beschouwen, en tevens op den weg der vergelijking het verschil in den bouw der houtsoorten te doen kennen.

Deze beschouwing zal zich slechts over het hout van naalden loofboomen uitstrekken; het minder belang voor onze mechanische industrie noopt ons om, ten minste voorloopig, de behandeling van het hout der monocotylen achterwege te laten.

Moge nu ook al het ongewapend oog ons in staat stellen het onderscheid tusschen weefsels van verschillende houtsoorten waar te nemen, waar het geldt de oorzaken van dat verschil op te sporen, kan een grondig en nauwkeurig onderzoek met behulp van vergrootglas en microscoop niet worden ontbeerd.

Een dergelijk onderzoek heeft voor den technicus een bijzondere waarde.

Want een juiste kennis van den bouw van het hout zal hem, ten minste in zeer veel gevallen, ook omtrent den aard cn de hoedanigheid der mechanische eigenschappen met zekerheid kunnen voorlichten.

Van de waarheid dezer woorden overtuigd , hebben wij niet geaarzeld om in de volgende bladzijden voor alles de aandacht te vestigen op de uitkomsten van het microscopisch onderzoek der houtsoorten.

-ocr page 47-

TWEEDE HOOFDSTUK.

Vergelijking van den bouw der houtsoorten.

27. Tusschen het hout van loof- en naaldboomen bestaat een zeer karakteristiek verschil.

Terwijl het loofhout samengesteld is uit vafoi, libriform- en tracheïde-vezels, houtparenchym- en mergstraalcellen, troft men in het naaldhout slechts de drie laatstgenoemde elementen, en in enkele soorten ook harsgangen aan.

Hoe het mogelijk is, dat met dit gering aantal elementen een zoo groot aantal houtsoorten kon worden gevormd, als het plantenrijk ons aanbiedt, zal uit de volgende bijzondere beschouwing dier elementen kunnen blijken.

28. Wij zullen deze beginnen met de behandeling van houtvaten, elementen, die, zooals wij zooeven meêdeelden, slechts in loofhout en nooit in naaldhout voorkomen.

De cellen, waaruit de vaten worden gevormd, zijn door deeling uit cambiumcellen ontstaan (blz. 18). De dwars wanden dezer cellen, of de tusschenschotten in de vaten, maken met de zijwanden oorspronkelijk een meer of minder grooten hoek, die bij den groei zelfs qo° worden kan — voornamelijk wanneer de vaten zich sterk in de breedte ontwikkelen. Is van een dergelijke ontwikkeling geen sprake, dan komen die dwars-wanden ook nooit in een horizontaal vlak te liggen, maar zij behouden hun oorspronkelijken meer of minder hellenden stand.

De horizontale dwarswanden zijn meestal cirkel- of elhps-

3

-ocr page 48-

34

vortnig doorboord, en daardoor bijna g-ehecl en al verdwenen. De hellende worden slechts plaatselijk opgelost, en vertoonen langwerpige openingen of spleten; ze zijn, zooals men dit uitdrukt, ladderoor uiig doorboord (fig. 15), en komen o. a. voor in vaten van berken-, elzen- en hazelaarshout.

Enkele malen treft men in hetzelfde hout ook vaten aan, wier tusschenschotten op verschillende wijzen doorboord zijn; in \'t kastanjehout bijv. zijn slechts de vaten, die in de nabijheid van den mergkoker voorkomen, van laddervormig doorboorde schotten voorzien, terwijl deze bij al de overige vaten slechts ronde openingen bezitten ; men neemt dit ook waar in het hout van den beuk en van den plataan.

De vatwanden worden in vergelijking met die van andere elementen zeer snel en ook veel sterker met houtstof doordrongen\'); reden, waarom zij, door een oplossing van zwavelzure aniline — die met houtslof een geelgekleurde verbinding vormt — meer intensief gekleurd worden dan bijv. vezelwanden.

Ten gevolge van deze aanzienlijke intussusceptie van hout-stof zijn de vatwanden ook uitermate broos.

De wanden zijn meestal van stippels, zoowel van spleet- als hofstippels voorzien. Gewoonlijk vertoonen zij dezelfde soort van stippels als de wanden der elementen, waaraan zij grenzen; zijn dit tracheïden, dan zijn ze gehofstippeld; zijn de libriform-vczels mot zeer kleine hofstippels voorzien, dan vindt men die kleine hofjes ook bij do stippels der aangrenzende vaten (noteboomen-, linden-, haagbeukenhout, enz.)

Aan den vorm der stippels zou men enkele houtsoorten kunnen kennen; men zie bijv. de volgende figuren, waarin

i) Het afzetten van de houtstofdecltjes tusschen die der cellulose of in \'t algemeen , van vaste deeltjes tusschen andere, reeds aanwezige, wordt intusiusceptie genoemd.

-ocr page 49-

verschillende wijzen van stippoling van houtvatwanden zijn afgebeeld. Merkwaardig- zijn de spleetvormigc horizontale stippels op den wand van vaten uit esschenhout. {fig. 16).

Een spiraalvormige verdikking der vatwanden komt zeer dikwijls voor.

Nu eens zijn die spiralen h\'nks (hout van den wijnstok) dan weêr rechts gewonden (linden-, seringeboomenhout). Zie fig. 16 A.

Vooral wordt deze soort van verdikking waargenomen, wanneer de vaten aan libriform grenzen; zijn ze naast mergstraal-en houtparenchymcellen gelegen, dan is ervan een spiraalvormige verdikking, wanneer men het lindenhout uitzondert, nooit sprake (hout van den esehdoorn, van den wilden kastanje, van den wegedoorn, enz.)

In \'t algemeen is de wandverdikking der vaten zeer gering;

-ocr page 50-

36

een uitzondering- op dezen regel vinden wij in \'t esschenhout, dat zeer sterk verdikte vaten bezit.

Gewoonlijk kan men de aanwezigheid van vaten in \'t loofhout reeds met het bloote oog op een dwarsche doorsnede van een stam of tak waarnemen; ze doen zich dan voor als poriën in het houtweefsel.

Maar veel duidelijker kunnen zij gezien worden, wanneer men een zeer dun schijfje, loodrecht op de draadrichting van het te onderzoeken stuk hout afgesneden, tegen het licht beschouwt, terwijl het oog mot een vergrootglas gewapend is; nu is zeer nauwkeurig te zien, op welke wijze de vaten in \'t houtweefsel geplaatst zijn. nu kan men hun grootte in alle deelen der jaarringen vergelijken, en allerlei bijzonderheden ontdekken, die voorheen aan de waarneming- ontsnapten \').

En wat al verschillen bemerkt men, wat de vaten betreft, wanneer men schijfjes van verschillende loofhoutsoorten met elkaar vergelijkt! Wij zullen eens nagaan, wat zulk een vergelijkend onderzoek aan het licht brengt.

i0. IFa/ de plaatsing der vaten betreft. Vaten worden in alle deelen der jaarringen aangetroffen, maar gewoonlijk zijn zij in het voorjaarshout in grooter getale aanwezig dan in het herfsthout.

Wij merken tevens op, dat de wijze, waarop de vaten in \'t voor-jaars- en herfsthout voorkomen, voor eenzelfde houtsoort na-

t) Dr. H. Nördmnger (Hoogleeraar te Hohenheim in Wurtemberg) heeft in de laatste jaren een reeks v.in houtdoorsneden (lot heden 1000) in den vorm van duodecimo boekdeeltjes uitgegeven. Deze worden door een korte inhoudsbeschrijving begeleid. De doorsneden zijn zeer lijn en klein , zeer belangrijk voor speciale doeleinden , rn.iar o. i. voor den technicus of voor aanstaande technici van minder waarde dm; ..Burkart\'s Sammlung der wichtigsten Xutzhölzer in characteristischen Schnitten.quot; Het initiatief tot deze uitgave werd genomen door het Hestuur van het Technologische Gerwerbe-.1 luseum te Weenen, (Directeur: Prof. Dr. \\V. F. F.xnkk.) De zeer fraaie houtblaadjes, die, ten getale van ïao, ongeveer 12 c.M. lang en 5 e.M. breed zijn, geven 40 soorten van hout, in één dwarsche doorsnede en twee lengtesneden (radiaal en tangentiaal) te aanschouwen. Deze collectie, die door een kleine, maar zeer grondige beschrijving wordt begeleid, kost 20 Mark.

-ocr page 51-

37

g-onoegf altijd dezelfde is, terwijl zij bij de verschillende houtsoorten zeer afwisselt.

Hier zijn ze, en vooral wanneer hun aantal g-ering is, gelijkmatig door alle deelen van den jaarring verspreid (wilg\'enhout), daar staan ze in groepen bij elkaar (kleine vaten in haagbeukenhout). Nu eens vormen zij in \'t voorjaarshout duidelijk een gesloten ring (eiken-, ijpen-, esschenhout), dan weêr zijn meer concentrische vatringen waar te nemen (populieren [abeelen]-, elzenhout). Ook treffen wij straalsgewijze, evenwijdig met de mergstralen, rijen van vaten aan (pereboomenhout); bij enkele soorten verheffen zij zich in kronkelende lijnen uit het voorjaarshout (populieren [espen]-hout); bij andere komen zij als een breede straal daaruit te voorschijn, om zich in de nabijheid van \'t herfsthout te vertakken (hout van den tammen kastanje), enz.

In enkele houtsoorten blijven de vaten steeds tot het voorjaarshout beperkt; wij halen als voorbeeld daarvan slechts het bukshout (zoogenaamd palnihout) aan.

Met behulp van de loupe en ten slotte met den microscoop bemerkt men vervolgens met betrekking tot

2°. de grootte of wifdte der vaten, dat deze in de verschillende deelen van den jaarring, bij dezelfde houtsoort reeds, zeer verschillen kan.

Zij kunnen in een jaarring soms nagenoeg overal dezelfde wijdte bezitten (azijnhout, plataanhout), terwijl dan in de richtingvan \'t herfsthout de doorsnede slechts iets geringer wordt, maar zeer dikwijls komt het voor, dat men duidelijk twee soorten van vaten,groote en kleine, kan onderscheiden; zoo bijv. in acaciahout, in eikenhout, in ijpen- en kastanjehout, enz. In\'t laatste geval zijn de wanden van beide vatsoorten meestal op dezelfde wijze verdikt, soms evenwel zijn die der groote vaten gestippeld, terwijl de kleine nog bovendien van een spiraalvormige verdikking voorzien zijn (hout van den moerbeiboom, van don ijp, enz.).

Een klein denkbeeld van \'t verschil in doorsnede, al naardat de vaten tot het voorjaarshout, of tot het najaarshout be-hooren, geeft de volgende tabel:

-ocr page 52-

Diameter der vaten in voorjaarshout in herfsthout

van esschen..........0.14 m.M. 0.06-1. m.M.

„ hickory..........0.248 „ 0.035

„ linden............0.06 „ 0.024 n

„ notoboomen. . . 0.22 „ 0.036 „

Wij zien hier tevens, dat de vatwijdte in de verschillende loofhoutsoorten zeer kan verschillen. In \'t hickoryhout, dat heden ten dage veel uit Amerika en in bewerkten staat (rad-veilingen, spaken) tot ons komt, treft men vaten in \'t voorjaarshout aan van 0.248 m.^I. diameter; ze behooren evenals de groote vaten in \'t noteboomen-, esschen-en teakhout (diam. 0.16 m.M.) tot die, welke men zeer duidelijk met hot bloote oog kan waarnemen. Moeielijker wordt dit, wanneer de middellijn geringer wordt dan TV m.M. bijv.

bij berkenhout .... 0.085 m.M. gemiddeld „ echt ebbenhout . . 0.08 „ „

.. elzenhout......0.076 „

„ lindenhout.....0.06 „ „

terwijl zij slechts met den microscoop kunnen waargenomen worden, zoodra zij minder dan ^ m.M. wijd zijn, zooals bij

het bukshout..................0.028 m.M. gem.

„ pereboomenhout. ........0.04 „ „

en andere soorten het geval is.

Nordlixger onderscheidt volg\'ens hun wijdte 8 klassen van vaten , waarnaar men de verschillende houtsoorten kan indeelen; wij halen daarvan slechts aan:

Klasse 1. zeer grove poriën hout van den zomereik.

„ 2. grove poriën „ „ „ ijp,

4. tamelijk fijne poriën „ „ „ ahorn.

7. iiiters! fijne poriën „ „ „ hulst.

De eerstgenoemde klasse omsluit houtsoorten met vaten van ongeveer 0.2 m.M. doorsnede; de vaten uit hout, dat tot klasse 7 kan gebracht worden, zijn nagenoeg tienm;ial kleiner (0.02 m.M.)

-ocr page 53-

39

Dat dc vaten zich in dc draadrichting van het hout als ondiepe , fijne voren voordoen, die zich dikwijls door een verschil in kleur van het overige houtweefsel onderscheiden, hebben wij reeds in het vorige hoofdstuk opgemerkt.

29. Harsgangen. Wanneer men ook een dun schijtje van enkele naald-houtsoorten — loodrecht op den draad afgesneden — tegen het licht beziet, bemerkt men, soms op groote afstanden van elkaar, kleine, ronde, donkerbruin gekleurde vlekjes, of, evenals in \'t loofhout, kleine openingen in \'t houtweefsel. Dit zijn de harsgangen, die meestal aan de grenzen der jaarringen , gevuld met lucht of hars en dan tevens bruin gekleurd, worden aangetroffen. De diameter dezer gangen is nagenoeg dezelfde als die van vaten, maar het aantal, dat in één jaarring voorkomt, is, in vergelijking met dat van vaten op die uitgebreidheid, zeer gering.

Ook op vertikale doorsneden treden deze harsgangen als fijne groepjes van meer of minder lengte of als bruine punten (op tangentiale snede) te voorschijn ; want niet alleen komen de gangen in vertikale richting te midden van houtparcnchym-cellen voor, maar ook in horizontale richting in de mergstralen. Deze gangen staan alle met elkaar in verbinding.

Hun wand bestaat uit cellen, die waarschijnlijk de hars uitscheiden en haar in de gangen uitstorten (fig. 17).

Bij enkele soorten van naaldhout ontbreken deze gangen ; zoo bijv. in hout van den cipres, van den jeneverstruik, van den taxis, enz. Ook in ons dennenhout (van Abies pectinata D. C.)

-ocr page 54-

zijn dc harsgangen uiterst gering in aantal \'); de meening, dat zij in dit hout geheel ontbreken, is dus minder juist.

30. Dc houtvezels worden (zie Hoofdstuk I) naar de wijze, waarop de wanden zijn verdikt, in libri/orm- en tracheide-vezels onderscheiden. Wij zullen ook beide vezelsoorten iets nauwkeuriger bezien, en tevens hun voorkomen in het weefsel van verschillende houtsoorten met een enkel woord schetsen.

a. Libnform-vezels. Volgens Santo 2) zijn als libriform de weefsels te beschouwen, die uit houtvezels van een spoel- of vezelvormige gedaante zijn opgebouwd, wier betrekkelijk sterk verdikte wanden nooit een spiraalvormige verdikking, maar zoowel gewone stippels als hofstippels kunnen bezitten — hofstippels, die evenwel in grootte en in vorm van die der vatwanden afwijken.

Men onderscheidt twee soorten van libriform vezels, n.1. voudigc en gedeelde, al naardat de reeds ontwikkelde en verdikte vezel niet dan al door tusschenschottcn in een grooter of kleiner aantal hokjes verdeeld is; het gedeeld libriform (fig. 18 B) komt in vergelijking met de overige elementen zeer weinig in het hout voor (in teakhout, in hout van den wijnstok,) — in vorm komt het geheel met dien van het ongedeelde of enkelvoudig libriform overeen (fig. 18 A).

Dc langste elementen in het houtweefscl behooren tot het libriform. De lengte der vezels is verschillend, en bedraagt gemiddeld 0.5 m.M,; toch zijn ook libriformvezels van 2 en meer m.M. lengte geen zeldzaamheid. Is het libriform in het hout zeer regelmatig, radiaal geplaatst, dan behouden de vezels de oorspronkelijke lengte der cambiumcellen, waaruit zij ontstonden (hout van den paardekastanje); bij onregelmatige plaat-

1)I-. Dippel. Zur Hi -tologie der Coniferen. (II. Die HarzbehiiIter der Weisstanne, enz.) Botanische Zeitung; Deel 21 , blz. 253.

2) Men /ie: Geschiedenis dc voornaamste elementen van het hout in de Bijdrage tot de kennis ter hioutanatomie (Academ. Proefschrift) door Dr. J. G. Boerlage. Leiden, 1875.

\\ crgletchende Untertuchungen über die Rlementarorgane des Holzkörpers, door Dr. C. Samo. Botanische Zeitung: Deel 21, blz. 85 e. v.

-ocr page 55-

sing zijn de vezels altijd aanzienlijk verlengd (ijpenhout, enz.).

De gedaante der libriformccllen kan tweeërlei zijn; zij kunnen geringe breedte in verhouding der lengte hebben en zeer langzaam spits toeloopen, bijv. in ijpen- en eikenhout (zie ook fig. 18), of bij groote breedte der vezels kan deze over een groot deel der lengte gelijkmatig blijven, terwijl de wanden zich nabij de uiteinden plotseling spits samentrekken (lindenhout, enz.)

De wandverdikking der libriform-vezels is in \'t voorjaarshout meestal geringer dan in \'t herfsthout, — ten minste als ze in deze lagen van den jaarring voorkomen; het gebeurt n.1., dat dit weefsel, hoewel libriform in alle deelen der jaarringen kan voorkomen, in de genoemde lagen ontbreekt , en slechts in \'t middelgedeelte wordt aangetroffen (acaciahout.)

De stippels op de wanden zijn gewoonlijk zeer weinig in getal; de hofstippels zijn, met uitzondering van die op het libriform in eikenhout en enkele andere houtsoorten, altijd zeer klein.

De ruimte, die door de wanden der libriform-vezels wordt omsloten, is meestal met lucht, des winters vooral ook met zetmeelkorrels gevuld.

ïen slotte zij opgemerkt, dat het libriform al dan niet de hoofdmassa van \'t houtweefsel kan uitmaken; men vindt dan, óf tusschen het libriform houtparenchym-cellen en vaten verspreid, óf enkele libri-formvezels tusschen parenchymcellen en vaten. In het eerste geval, wanneer het

-ocr page 56-

42

hout dus voornamelijk uit libriformvczels bestaat, kenmerkt het zich door een zeer groote vastheid (azijnhout, djatihout, eikenhout, esschenhout, enz.).

b. TracJicïde-vezels. De tracheïden zijn meestal korter en bezitten minder verdikte wanden dan de libriformvczels \'); vooral zijn ze in loofhout zeer dumvandig en kort in de nabijheid der vaten.

Zeer aanzienlijk is de verdikking daarentegen, -«-anneer de tracheïden in \'t loofhout de hoofdmassa van het weefsel vormen, zooals bijv. in hot bukshout het geval is.

De wanden der tracheïden zijn altijd gehofstippeld en meermalen spiraalvormig verdikt.

Bij \'t naaldhout zijn de hofstippels der tracheïden veel grooter dan die, welke op die vezelsoort in \'t loofhout worden waargenomen; ze bevinden zich op dat gedeelte van den vezehvand, hetwelk in de richting der merg-stralen is geplaatst, vertoonen zich dus op oen radiale lengtedoorsnede, en, wegens hun grooten diameter, die nagenoeg gelijk is aan de vezelbreedte, meestal in een enkele rij.

(Zie fig. i g).

Slechts bij enkele naald houtsoorten zijn de vezelwanden niet alleen gehofstippeld, maar ook met een spiraalvormige verdikking voorzien; het duidelijkst is dit waar te nemen in het hout van den taxis (fig. 20).

Bij \'t loofhout is het aantal stippels vooral aanzienlijk in de nabijheid van vaten; de hofjes, hoewel kleiner dan bij naaldhout, zijn

altijd grooter dan die, welke men bij libri- cheïden uit naaldhout.

Vergr. 300 maal.

formvezehvanden aantreft.

1) In het hout van den paardenka-tanje bedroeg de lengte der tracheïden 0.26 m.M. die der lihriformvezels 0.43 m.M.; in het eikenhout (zomer-) waren de tracheïden 0.48 m.M. en de libriformvczels 0.80 m.M. lang.

-ocr page 57-

43

De tracheïden zijn, evenals de libriform-vezels, meestal recht; het komt evenwel voor, dat ze g-ebogen, en daardoor oorzaak zijn, dat het hout mociolijk en niet glad splijt (beukenhout).

Zeer dikwijls bekomen de tracheïden aan een der uiteinden kleine openingen en gaan daardoor, wanneer zij tevens in de breedte ontwikkeld, en hun wanden weinig verdikt zijn, in vaten over. Zij vormen als \'t ware den overgang tusschen libriformvezels en vaten.

Op verschillende wijzen gerangschikt, kunnen de tracheïden naast libriform en vaten in \'tloofhout voorkomen. Het kan gebeuren, dat in \'t voorjaarshout de tracheïden niet de overhand hebben, maar dat ze deze eerst in \'therfsthout krijgen; het libriform verdwijnt dan in dat gedeelte van de jaarringen bijna geheel en al. Maar niet zelden ook vormt hot libriform de grond-massa , terwijl de tracheïden slechts tot de naaste omgeving der vaten beperkt blijven; zijn die vaten tweeërlei, groote en kleine, dan zijn vooral de laatste door tracheïden omgeven; zoo bijv. in haagbeuken-, acacia-, moerbezieboomhout, enz. (een uitzondering maakt hout van den zomereik en van den tammen kastanje). Komt er slechts één soort van vaten voor, dan treft men de tracheïden dikwijls alleen in \'t herfsthout aan, op de grens van \'t herfsthout en \'t voorjaarshoiit van een volgenden jaarring, bijv. in espenhout, noteboomenhout, berkenhout, esch-doomhout, enz.

De inhoud der tracheïden is meestal lucht; zij missen pro-toplasma, en behooren dus ook tot de doode elementen van het hout. De levende, protoplasmahnudende cellen moeten in het houtparenchym en de mergstralen worden gezocht.

Bezien wij ook deze houtweefsels eens achtereenvolgens meer van nabij.

:0- ■

Spiraalvormige verdikking met hofstippels op den wand eener tracheïde uit taxishout. A radiale i, . , B tangentiale 1 \'™gtesnede; Vergr. 400 maal.

-ocr page 58-

44

31. Houtparench.ym. De cellen of vezels van het hout-parenehym zijn korter clan libriformvezels en tracheïden, ook veel minder wijd; hun wanden zijn van gewone stippels voorzien en slechts weinig verdikt.

Zij ontstaan uit de cambiumcellen, hetzij zonder, hetzij met gelijktijdige dwarsdeeling. Daarom onderscheidt men ook hier, evenals bij het libriform, gedeelde en ongedeelde vezels. \') De gedeelde vezels treft men dus ten gevolge dor vormingswijze altijd als celgroepen aan , die te zamen de gedaante van een cambiumcel vertoonen (fig. 21); die gedaante is in \'t algemeen spoel- of vezelvormig.

Het gedeeld parenchym ontbreekt bij de houtsoorten zelden; is dit wel \'tgeval, zooals bijv. bij het berberissenhout, dan komen de ongedeelde meer of minder spoelvormige vezels te voorschijn (fig. 22). Zij zijn gewoonlijk op dezelfde wijze gestippeld als eerstgenoemde, en vertoonen (evenals deze) grootc stippels, ter plaatse waar zij aan vaten grenzen; somwijlen zijn de wanden der ongedeelde vezels van spleetstippels voorzien.

Het houtparenchymweefsel komt op verschillende wijzen gerangschikt in het houtlichaam voor.

l ig. ; A

i

\\ l \\

I !

K:

H

5

A cambiumcel (tan-gentiale lengte-snede) uit eikenhout.

H gedeelde houtpn-renchymvezel uit eikenhout.

Sterk vergroot.

Is het in aanzienlijke hoeveelheid voorhanden, dan kan het tangentiaal zijn geplaatst; in meer of minder fijne bandon strekt het zich dan loodrecht op de richting der mergstralen uit. Men vindt het in dit geval tevens rondom de vaten geplaatst, of wel het begrenst die elementen aan de zijde van het herfsthout (fig. 23).

1) De naam „ongedeelde houtparenchymvezels\'\' werd aan deze vezels gegeven door Dr. j. G. Boeklai;k. Zie Bijdrage, tot dc kennis der Houtanatomie, blz. 41. San 10 gaf /,«; den naam van „Holzparenchymersatzfasernquot; of „Ersatzfasern.quot; Botanische Zeitung, Jaarg. 21 , blz. 96.

-ocr page 59-

45

Dikwijls doet het parenchymweefsel zich voor als een vertak-Fig. 22. king der mergstralen; het omgeeft de vaten

dan niet, maar deze worden tusschen die vertakkingen aangetroffen (fig. 24).

Meestal wordt het gedeelde parenchj\'m door ongedeelde vezels begeleid; toch komt het ook meermalen voor, dat men het eerstgenoemde weefsel door den ganschen jaarring ontmoet, terwijl ongedeeld parenchym\' slechts in het herfsthout wordt aangetroffen, zooals bijv. in berken-, in elzen-, wilde kastanje-, linden- en noteboomenhout.

Wanneer het houtparenchym een zeer gering gedeelte van het houtweefsel uitmaakt, zooals dit in elzen-, berken-, dennenhout, enz. het geval is, dan kan men het uiterst moeielijk en niet op een dwarsche, maar op een overlangsche doorsnede ontdekken; in andere houtsoorten , bijv. in hickory- en noteboomenhout daarentegen is het zeer gemakkelijk met \'t ongewapend oog waartenemen.

Eigenaardig is het voorkomen van parenchym verschillende soorten van eikenhout. Men vindt het

Fig. 24. iquot; J\'p

ISif ■ lil

®Miamp;v JW

Ongedeelde houtparenchym vezel uit djatihout.

Vergr. 300 maal.

in de

Dwarsche doorsnede dooreen stuk ijzerhout Casuarina equisetifolia L. fil.)

Hp handen van houtparenchym; V vaten •,

111 mergstralen.

Vergr. 300 maal.

-ocr page 60-

46

daar in innig verband met tracheïden en vaten tusschen een weefsel, dat hoofdzakelijk uit libriformvezels bestaat. Neemt men een vorgrootylas ter hulp, dan ontwaart men op dwarsche doorsnede radiale banden, die lichter gekleurd zijn dan het omgevend houtweefsel, en die ons door hun verschillend voorkomen in staat kunnen stellen om de eikenhoutsoorten te onderscheiden (fig. 25), (Wij verwijzen naar de bijzondere beschrijving van het eikenhout in het laatste Hoofdstuk).

De inhoud der parenchymcellen bestaat, in levend en gezond hout, behalve uit protoplasma, uit voedingsstoffen, zooals zetmeel; verder uit kleurstof, harskorrels, enz. In enkele houtsoorten, bijv. in populieren- en acaciahout, treft men in deze vezels kristallen aan van zuringzuren kalk.

Nog één bijzonderheid van het parcnchym verdient zeer de aandacht.

In acaciahout, in eiken-, elzen-, esschen-, kastanje-, ijpen-, djatihout, enz., komt het n. 1. zeer dikwijls voor, dat het

-ocr page 61-

47

parcnchym , hetwelk de vaten omsluit, door dc stippels der vatwanden dringt, en de vatholten met ronde blaasjes gfeheel of gedeeltelijk vult, waardoor deze elementen zeer waarschijnlijk in de uitoefening hunner functie worden belemmerd.

Men noemt deze uitwassen der hout-parenchymcellen thyllen; fig. 26 maakt duidelijk, op welke wijze zij zich onder den microscoop kunnen voordoen.

Zijn de blaasjes niet te jong, dan bevatten zij zetmeel; in zeer oud hout bestaat hun inhoud slechts uit lucht.

Met uitzondering van het geval, waarvan wij in de noot op blz. 29 melding maakten, ligt de oorzaak van het ontstaan en het doel dezer thyllen nog in het duister. 32. Wij zijn nu genaderd tot een gedeelte van het houtweefsel, dat ons zelfs ter onderkenning der houtsoorten zeer gewichtige gegevens kan verstrekken, n. 1. tot de

mergstralen. Uit vorige bladzijden (blz. 20 en 21) is ons hun bouw in \'t algemeen bekend. Hier zullen wij nog enkele bijzonderheden omtrent de verscheidenheden in dien bouw vermelden.

Vooraf zij reeds gezegd, dat de verschillen, die men waarneemt, niet slechts te voorschijn worden geroepen door een afwisselend getal cellagen, zoowel volgens de hoogte als volgens de breedte der mergstralen, maar ook veroorzaakt worden door de niet constante afmetingen der mergstraalcellen, en door de verschillende mate van wandverdikking dier elementen.

Om het samenstel der mergstralen nauwkeurig te kunnen waarnemen, met het doel ze met elkaar in hetzelfde stuk hout of in verschillende houtmonsters te vergelijken, is het noodig, voor zoover deze vergelijking slechts met \'t ongewapend oog of met behulp van een loupe zal geschieden, dat, behalve één aanzicht, loodrecht op dc vezel- of draadrichting (dwarsche snede), ook twee aanzichten, volgens de

-ocr page 62-

48

draadrichting mogelijk zijn. n. 1. één, tevens inde richting der mergstralen (radiale lengtesncde) en een ander loodrecht er op (tangentiale lengtosnede).

In fig. 2 7, de schematische voorstelling van een stamgedeclte, zijn deze drie aanzichten duidelijk weêrgegeven.

Het vlak AAA, kopvlak genoemd, laat ons zien, in welke richting de mergstralen hot houtlichaam doorloopen;

meestal geschiedt dit, vooral ook wanneer de houtmassa rondom den mergkoker gelijkmatig is verdeeld , rechtlijnig in de richting van de schors naar het centrum van den stam; is die hout-verdeeling ongelijkmatig, dan doen de mergstralen op hot kopvlak zich als meer of minder gebogen lijnen voor.

In de figuur zijn op de dwarsche doorsnede de mergstralen duidelijk zichtbaar, evenals dit ook feitelijk bij vele houtsoorten het geval is; wij herinneren slechts aan eiken- en beukenhout. \'1 och zou men zich zeer vergissen, indien men meende, dat dit een vaste regel was.

In het hout van naaldboomen, in bukshout, olijfhout, esschenhout, enz. is met het ongewapend oog geen spoor van mergstralen te ontdekken. Neemt men evenwel zijn toevlucht tot het vergrootglas, dan bemerkt men, dat de genoemde houtsoorten toch wel degelijk mergstralen bezitten, en wordt

-ocr page 63-

49

het onderzoek nu verder uitgestrekt, dan blijkt, dat zij in elk hout, zoowel in dat van dicotylen als van coniferen afkomstig, zonder uitzondering voorkomen, \'t Zou dan waarschijnlijk ook aan de aandacht van den onderzoeker niet ontgaan zijn, dat daar, waar reeds met het ongewapend oog mergstralen werden gezien, het aantal bij de vergrooting sterk toeneemt, \'t zij doordat naast grove mergstralen zich nu ook tal van fijnere soorten vertoonen, \'t zij doordat grove mergstralen in een aantal zeer fijne stralen worden ontleed \').

Men ontmoet n. 1. in het hout, wanneer men dit op het kopvlak onderzoekt:

imergstralen, die zich duidelijk aan \'t bloote oog vertoonen als zeer smalle banden — bijv. in eikenhout, enz.;

2°. mergstralen, die zich aan \'t ongewapend oog nog als fijne lijnen voordoen — bijv. in noteboomen-, linden-hout, enz.;

3°. mergstralen, die slechts bij eenige vergrooting kunnen waargenomen worden — bijv. in naaldhout, in acacia-, pereboomenhout, enz. en eindelijk

4quot;. mergstralen, die met het bloote oog duidelijk zichtbaar zijn, maar bij onderzoek met de loupe blijken te bestaan uit een dichte groep van mergstralen, die elk afzonderlijk, zonder vergrooting, niet zouden worden gezien — bijv. in haagbeukenhout.

Wij zullen dientengevolge onderscheiden:

\\ bandvonniee mergstralen;

\\ echte ... .

\\ 1 lijnvormige „ ;

A. met \'t bloote oog zichlhare •

I oncchte mergstralen.

B. met \'t bloote oog onzichtbare mergstralen \'-).

Of de mergstralen met \'t bloote oog al dan niet zichtbaar

1) In \'t algemeen neemt men waar, d;i\'hoe grover enkele mergstralen zijn iu een of andere houtsoort, des te grooter ook het aantal mergstralen »•lt;;// verschillende fijnheid is , dal naast de eerste optreedt.

2) Men zal deze benamingen, ter aanduiding der mergstraalsoort, bij de bijzondere beschrijving der houtsoorten terugvinden.

-1

-ocr page 64-

zullen zijn, hangt natuurlijk af van hot grooter of kleiner aantal collagen, die , m horizontale richting naast elkaar geplaatst, to

zamen de morgstraalbreedte bepalen. Beziet men onder den microscoop een tangentialo doorsnede van Campêche-hout (fig. 28), dan blijkt, dat de mcrgstralen op het breedste gedeelte slechts uit één cel of uit twee of drie naast elkaar geplaatste cellen bestaan; met\'t bloote oog zijn in dit hout geen mergstralen waar te nomen, hetgeen bewijst, dat zelfs mergstralen, die in horizontale richting uit drie cellagen bestaan, nog tot de onzichtbare behooren kunnen. Wordt dit aantal grooter, bedraagt het eindelijk bijv. acht, tien of meer lagen, dan ontstaan mergstralen, die wij als band-vormige qualificeerdon.

Wij merken hier tevens op, dat, indien do mergstralen breed zijn, de vaten en vezels voor de mergstralen uitwijken; is dit niet het geval, en ontmoeten de fijne mergstralen bijv. groote vaten, dan worden de stralen op zij gedrongen, en nemen daardoor een kronkelenden loop aan (mergstralen in ahomhout, in ijpenhout, enz.).

Ook het aantal cellagen in vertikale richting (draadrichting) is zeer verschillend. Men kan dit met het blooto oog duidelijk op een tangentiaalvlak (vlak CC in fig. 27) of op een radiale lengtesnede waarnemen - de hoogte der mergstralen, die toch van het aantal dier cellagen afhangt, blijkt dan een weinig standvastige afmeting te zijn.

Op het radiale vlak doen zich dc mcrgstralen voor als meer of minder hooge en lange banden, die loodrecht op de richting van den draad het hout doorsnijden. Door kleur, glans en door hun grooter oppervlak steken ze hier meestal meer dan op een dwarsche snede van het omringend houtweefsel af.

-ocr page 65-

51

Die glans is oorzaak, dat men do mergstralen ook spiegels noemt, en hot vlak, waarin ze zich zoo spiegelend vertoonon en waarin lengte en hoogte der mergstralen te voorschijn komen, met den naam spiegelvlak betitelt (vlak ABB in fig. 27). Op het spiegelvlak van een of andere naaldhoutsoort bedraagt de hoogte dor spiegels zeidon meer dan 0.2 m.M. bij hout van dicotylen is daarentegen een hoogte van 200 m.M. geen zeldzaamheid.

Nördlinger bracht volgens deze afmeting dor mergstralen de houtsoorten tot acht klassen \'); maar een scherpe indeeling der houtsoorten, gegrond op de hoogte der mergstralen, is niet mogelijk, omdat deze op de verschillende punten hunner lengte niet dezelfde blijft.

Wij zullen om die reden en voor zoover ons daartoe geen gegevens ontbroken, bij de bijzondere beschrijving der soorten de afmetingen der enkele mergstraalcellon opnemen; deze toch zijn voor dezelfde houtsoort tamelijk constant, ten minste wat de hoogte (h) en breedte (b) der cellen betreft, maar bedragen natuurlijk slechts honderdste en duizendste deolen van een millimeter. In hot volgende tabelletje geven wij, ter vergelijking, de hoogte en breedte van eenige mergstraalcellon aan:

Houtsoorten.

hoogte (h).

Mergstraalcellen.

breedte (b).

pokhout hazelaarshout ij pen „

noteboovnen „ hickory „ beuken „ djati-of teak „ ebben

gem. 0.00R „ o 009

o.011 0.013 0.013 0.014

0.016-O.OJ

0.024

m.M.

m.M.

gem 0.01 ,. 0.012 „ o.011 ,, O.OI2 - o 036 ,, 0.012—o.r-jö ,, 0.018 „ 0.017—0.037 0.026


V. 2 m.M.

VI. m.M.

mcrgslraal-hoogtc.

boven 160 m.M. 50 m.M. 5 m.M. 2 m.M. 1 m.M. 0.5 m.M 160 M. bijv. in in in in in in in

: elzenhout. zomer- ibeukenhoutj pmimeboo-i ahornhout. esschen- bukshout, eikenhout. menhout. hout.

m.M.

-ocr page 66-

Watten slotte de wanden der mergstraalcellen betreft, deze zijn in den regel sterk met houtstof doordrongen, en gewoonlijk ook gestippeld; bij naaldhout ontmoet men hofstippels.

Eigenaardig is de wandverdik-king dezer cellen bij hout van den groven den (Pinus sylvestris L.), het grenenhout van den handel; deze is voornamelijk bij de bovenste 2en onderste cellen van een merg-

Gedeelte van een mergstraal uit gre- Straal zeer onregelmatig, zoodat

m-nhout (radmie lengtesnede). Je wand, op een radiale lengte-

De wanden der randcellen dezer merg- 1

stralen zijn zeer onregelmatig verdikt — doorsnede, zich bij sterke ver-die der centrale cellen van groote stip-

peis voorzien. grooting als getand voordoet. (Zie

Vergr. 300 maal.

fig. 29).

Ook bij andere naaldhoutsoorten bieden de wanden der mergstraalcellen een zeker middel ter onderscheiding aan; wie slechts eenmaal, onder den microscoop, deze cellen ook in vuren- en dennenhout heeft waargenomen, dien zal de herkenning

dezer houtsoorten met behulp van genoemd instrument niet meer moeielijk vallen (fig. 30). Wij komen in het laatste Hoofdstuk nogmaals op deze onder-scheidingswijze terug.

33. Slechts terloops merken wij op, dat ook de mergkoker. — zoo men dezen aantreft, aan de on-

Gedeelten v.m mergstralen iradiaie derscheiding van sommige hout-lengtesneden).

a uit vurenhout. De wanden der soorten kan dienstbaar gemaakt randcellen zijn gehofstippeld, die

der overige op de gewone wijze worden. Het al dan niet aan-gestippeld. ... . ,

B uit dennenhout. De wanden van WeZlg Zijn Van merg IS CiaarVÜOr

gesti^d!trMlCellenZijnf;eW00n minder van belang, dan de Vergr. 300 maal. vorm en wijdte van den koker,

daar deze voor bepaalde houtsoorten tamelijk standvastig zijn. De doorsnede is, zooals wij voorheen reeds opmerkten (blz. 20), uiterst gering; wel is in wortelhout en in hout van enkele

-ocr page 67-

stammen (lorkenhout) van een mergkoker bijna niets te bespeuren, maar meestal is hij duidelijk waar te nemen en heeft dan een doorsnede van i z m.M. Uitzondering\'en zijn natuurlijk voorhanden; bij den berk bedraagt die doorsnede slechts 0.5 m.M., bij den djatiboom 3- 5 m.M., bij den esch 4 m.M., bij den fijnen spar (vurenhout) 5 m.M., bij noteboomen 6 m.M., enz.

Op dwarsche doorsnede vertoont de mergkoker, in dezelfde houtsoort, altijd denzelfden vorm; bij eiken is de koker vijfhoekig, bij andere boomen driehoekig (berk) of vierhoekig (spar, djatiboom, buks,) enz.

34. Van meer praktisch belang voor ons is een nauwkeurige beschouwing der jaarringen. Wij weten, waaraan ze hun ontstaan in het hout te danken hebben, en hoe ze zich in \'t algemeen voordoen. Wanneer men er evenwel toe overgaat om de jaarringen, \'t zij in eenzelfde stuk hout, \'t zij in stukken van verschillenden oorsprong, met elkaar te vergelijken, dan bespeurt men, ten gevolge van allerlei omstandigheden, groote verschillen in hun bouw. En deze mogen ons niet onbekend blijven, omdat wij van die afwijkingen, hoewel niet van alle in dezelfde mate, minder ter onderscheiding\'der houtsoorten, dan wel ter bepaling van enkele physische eigenschappen , partij kunnen trekken.

Jaarringen ontbreken in geen enkele houtsoort; zijn ze somwijlen zeer moeielijk waar te nemen, het hout, uit onze streken afkomstig, vertoont meest altijd zeer duidelijk den ringvor-migen bouw.

Er zijn verschillende redenen, waarom het herfsthout op ons oog een geheel anderen indruk maakt als voorjaarshout, m. a. w. waarom de jaarringen zich zoo duidelijk afgescheiden vertoonen.

Een beschouwing met den microscoop doet ons dadelijk die redenen kennen.

Men zie bijv. de volgende figuren (31 en 32), die twee doorsneden van verschillende houtsoorten, vergroot, voorstellen: de eene van het hout der grootbladige linde (loofhout), de andere van dat van den jeneverstruik (naaldhout.)

-ocr page 68-

54

In de ocr.stc plaats merken wij op. dat in het hout van den jeneverstruik, zooals dit in \'t algemeen bij coniferen het geval Hs 3l is, het voorjaarshout

langzaam in het najaarshout overgaat, terwijl bij het linden-hout die overgang ! l meer plotseling plaats heeft.

Vervolgens nemen wij duidelijk waar, dat in beide houtsoorten de ruimten door de cehvandcn omsloten in \'t herfst-hout veel kleiner zijn dan in \'t voorjaarshout, en dit niet alleen , omdat de eehvandon in radiale richting zijn samengedrukt en afgeplat, maar ook, omdat de verdikking der wanden ;-ig , . in \'t herfsthout veel aanzien

lijker is.

Ten slotte blijkt uit fig-. 31 , dat in het loofhout de vaten op de jaarringgrens geheel ontbreken, en in het herfsthout, wanneer zij daar voorkomen , van zeer kleine afmetingen, van zeer geringe doorsnede zijn, in vergelijking met die in het voor-jaarshout; deze aanwezigheid van een groot aantal en wijde vaten in het voorjaarshout van een volgenden ring is een der hoofdredenen, waarom bij \'t loofhout de jaarringen dikwijls zoo duidelijk met het bloote oog zichtbaar zijn.

Daar ook de kleur van het herfsthout meestal verschilt van, en donkerder is dan, die van het in\'t voorjaar en des zomers

Dwarsche doorsnede door lindcnhoui. (Vergr.) A A jaarringgrens;

m, m mergstrMen.

I : - - SÖ QS -

iSiii

Dw.irsche doorsnede door hout van en jeneverstmik, (Vergr.) A A jaarringgrens: m , m , m mergstralen.

-ocr page 69-

55

gevormde weefsel, zijn er dus redenen tc over, om de grenzen van voorjaars- en herfsthout in opvolgende ring-en duidelijk te voorschijn te doen treden, m. a. w. om de jaarringen duidelijk zichtbaar te doen zijn.

Desniettegenstaande laat deze duidelijkheid hier en daar te wenschen over. Bij de houtsoorten uit tropische gewesten zijn de jaarringen door den korten duur van hot jaargetij, waarin de plantengroei eenigszins beperkt is, meestal zeer moeielijk waar te nemen; en ook bij hout uit onze streken komt het voor, dat de jaarringen niet met het bloote oog-, maar eerst bij eenige vergrooting zichtbaar zijn. In het bukshout, gewoonlijk palnihovX genoemd, is bijv. het voorjaarshout niet zoo donker van kleur als dat, hetwelk gedurende den zomer is gevormd. Met het ongewapend oog meent men dus wel jaarringen te zien, maar bij het gebruik van don microscoop bespeurt men weldra, dat men dwaalt, daar dan het verschil in kleur, en hiermede de grens van zomer- en voorjaarshout verdwijnt; de ware jaarringgrens vindt men zelfs met den microscoop nog moeielijk, daar het herfsthout slechts uit een paar rijen sterk verdikte en samengedrukte cellen bestaat.

In het hout van vertikaal gegroeide stammen kunnen de jaarringen langs hun geheelen omtrok van gelijke breedte zijn. In dat van hollend gegroeide stammen en in takken zijn de jaarringen in het naar de aarde gerichte deel veel breeder dan in het daaraan tegenovergestelde gedeelte; daardoor is ook hot hart in dergelijke stammen of in takken uitmiddelpuntig geplaatst (fig. 33).

is.opviaK van een scnni un uen - . - . , ,

stam v.m een lorkeboom - op Ongelijkheid ui de breedte van

Sn een zelfden jaarring wordt ook veroor-hoek van 30- maakt. zaakt door het plaatselijk scheuren van

de schors tijdens den groei, \'t zij dit geschiedt door uitwendige verwonding, of door de werking van inwendige krach ton (ziehlz. 22).

-ocr page 70-

56

De grenslijnen zijn in dit geval zeer dikwijls golfvormig-, en wel zoodanig-, dat tegenover de plaats waar de schors gebarsten of verwijderd was, de breedte der jaarringen grooter is dan tegenover andere deelen van don omtrek; men treft dit verschijnsel bij vurenhout, bij esschen-, berken-, ijpen-, wilgenhout e. a. zeer dikwijls aan.

Is de breedte van denzelfden jaarring niet gelijkmatig, nog minder is gelijke breedte te verwachten van verschillende jaarringen, \'t zij in hetzelfde stuk, hetzij in verschillende stukken van eenzelfde houtsoort.

Takhout en stamhout van denzelfden boom bijv. vertoonen ong-elijke ringbreedten. Stamhout van den groven den (grenenhout) heeft smalle jaarringen, wanneer het voortgekomen is op een zeer drogen mergelhoudenden of op een zeer natten bodem — dezelfde houtsoort, afkomstig van een vruchtbaren, eenigszins vochtigen grond, vertoont breede ringen; bij wilgen-, elzen-, en ook bij esschenhout zien wij breede ringen, wanneer het welig op een natte standplaats is gegroeid, enz.

Men zal dus begrijpen, dat het ondoenlijk is om de breedte der ringen als onderscheidingsmiddel der houtsoorten te gebruiken; slechts wanneer men over een dwarsche doorsnede van een ganschen stam beschikken, wanneer men de breedte der verschillende, elkaar opvolgende jaarringen vergelijken kan, is het mogelijk enkele naaldhoutsoorten en ten minste naaldhout van loofhout te onderscheiden.

In stammen van don groven den (grenenhout) en den lork (fig. 34) nemen de jaarringen, van het middelpunt uitgaande, zeer snel in breedte toe, om, zoo zij eenmaal een zeker maximum hebben bereikt, weêr langzaam aan naar de schors smaller te worden \').

f) Hier /ij opgemerkt, dit in het stamhout der loofboomen ook de vaten in de jaarringen mrt den afstand van het hart in diameter toenemen ; eveneens de vezels, bijv. het libriform in berken- en elzenhout; dit is in de jaarringen nabij den mergkoker niet zoo dikvvandig en wijd als in de buitenste jaarringen.

-ocr page 71-

57

Ook bij andore naaldhoutsoortcn heeft deze aangroeiing-, hoewel iets langzamer, somwijlen zeer regelmatig plaats; eveneens de breedtevermindering.

Bij stamhout van den fijnen spar en den zilverspar (vuren- en dennenhout) wordt dit regelmatig verloop, gedeeltelijk ten gevolge der groeiwijze, gedeeltelijk door bijkomende omstandigheden (tijdelijk in verdrukking zijn, beschaduwing van den stam door andere boomen) zeer dikwijls verstoord, zoodat dientengevolge tusschen breede ringen zeer smalle worden waargenomen, en omgekeerd.

Bij \'t loofhout wordt deze vermeerdering en daaropvolgende vermindering der jaarring--breedte eveneens waargenomen \'), maar veel lang-zamer dan bij het naaldhout wordt het maximum van breedte bereikt, en veel aanzienlijker zijn, ten gevolge der groeiwijze, de onregelmatigheden (fig. 35).

Ter bepaling van enkele mechanische eigenschappen van het hout, kan het onderzoek naar de breedte der jaarringen soms nuttig zijn.

Zoo is in den regel dat naaldhout, hetwelk de smalste ringen vertoont, ook het meest vast en dicht; noordsch grenenhout wordt bijv. veel meer op prijs gesteld, wanneer het over een gansche doorsnede van den stam jaarringen bezit van 1 a 2 m.M. breedte, dan wanneer de ringen die maat overschrijden.

Bij loofhoutsoorten daarentegen, voornamelijk bij die, waar

1) Door het smaller worden der jaarringen verdwijnt bij sommige houtsoorten somwijlen een weefsel, dat in de oudere jaarringen wel voorkomt; in de breede jaarringen van het moerbeiboomhout bijv. neem: men waar;

iquot;. een laag voorjaarshout, bestaande uit houtparenchym en wijde vaten;

2quot;. „ middellaag, bestaunde ui\' libriform , groepen van kleine vaten , trachcïden

en houtparenchym;

30. „ laag herfsthout, bestaande uit parenehym en nauwe vaten.

Bij de vermindering der ringbreedte valt de middellaag geheel weg en daarmede ook het libriform.

-ocr page 72-

de vaten kringsgewijze zijn geplaatst, zou men zeer verkeerd handelen, wanneer men uit een geringe breedte der jaarringen tot een betere qualiteit van het hout ging besluiten. In stammen van eiken, esschen, ijpen, enz., die onder ongunstige voorwaarden zijn gegroeid, vinden wij een zeer zwakke ontwikkeling van houtlagen, dus zeer smalle jaarringen; bezien wij deze evenwel nauwkeurig met behulp van een loupe, dan blijken ze zeer vaatrijk, poreus, en in tegenoverstelling van \'t geen men bij \'t naaldhout waarneemt, zeer weinig dicht en vast te zijn. In de smalle jaarringen komt het vaatrijke, poreuse vooijaarshout in geen geringer hoeveelheid voor dan in de breede jaarringen; maar hot vaste weefsel, dat men daar in de zomer- en herfstlagen aantreft, dat minder met groote vaten doorgroeid, en hoofdzakelijk uit vezels is samengesteld, wier wanden sterk verdikt zijn, dit weefsel voornamelijk ontbreekt in de smalle ringen het hout moet dientengevolge los en poreus zijn.

Dit is dan ook de reden, waarom men voor vele doeleinden de voorkeur geven moet aan dat eikenhout, hetwelk breede jaarringen vertoont; maar slechts tot zekere grens gaat met een groote jaarringbreedte een betere qualiteit van het eikenhout gepaard, want worden de ringen breeder dan 5 a 6 m.M., dan leert de ervaring, dat het hout weêr als een minder vaste en duurzame soort moet worden aangemerkt.

Ook volgens de lengte van den stam blijft de breedte van een jaarring niet standvastig; ze verandert, ten minste bij loofhout, op do meest willekeurige wijze. In dit opzicht onderscheidt het hout der loofboomen zich ook van dat der coniferen , wier houtlagen deze onregelmatigheid in veel minderen graad vertoonen.

Zeer zelden kan dus, volgens het door ons meegedeelde, gelijkmatigheid in het beloop der jaarringen door het houtlichaam worden verwacht maar, waar ze zich bij een houtsoort voordoet, moet dit door den technicus als een eigenschap beschouwd worden, die niet genoeg naar waarde kan worden geschat.

-ocr page 73-

59

35. Het is ons ook reeds bekend (zie blz. 27), dat het hout

36.

Vertikale doorsnede van het houilichaam uit een vijfjarigen stam.

Schematische voorstelling.

in de achtereenvolgende, jaarlijks afgezette lagen, wier aantal ons door de ringen op de dwarsche doorsnede van den stam wordt aangegeven \'), niet altijd dezelfde constitutie hoeft. Met een enkel woord toch maakten wij molding van een verandering van het hout in het centrale gedeelte van den stam; dit verliest somwijlen een groot gedeelte van zijn watergehalte, daarmede het vermogen tot watervervoer, en onderscheidt zich daardoor van het peri-pherisch gedeelte van het stamhout.

Dit verschijnsel is voor de praktijk van groot belang, omdat met het verschil in samenstelling dezer stamdeelen ook nog verschillen in technische eigenschappen gepaard gaan ; het noopt ons om het splint en kernhout hier ter plaatse nog eens nauwkeuriger te beschouwen, dan dit bij een vroegere gelegenheid mogelijk was.

Wij vestigen clan in do eerste plaats de aandacht op het feit, dat niet bij alle houtsoorten kernhout in den stam wordt aangetroffen, \'t welk zich door donkerder


-ocr page 74-

6o

kleur on g-cringor watergehalte, kortom door verschillende eigenschappen, .van het splint onderscheidt.

Er zijn n. 1. verschillende boomsoorten, door wier stammen het watervervoer, zoowel in de pcripherischc als in de centrale lagen geschiedt, stammen die dus geheel uit splint bestaan.

Weêr andere soorten vertoonen in het centrum der stammen of tusschen het kern- en splinthout een grooter of kleiner aantal lagen, die geheel of gedeeltelijk uit een houtweefsel bestaan, dat zich wel eenigszins in kleur en watergehalte, maar overigens in niets van het splintweefsel onderscheidt; deze lagen vormen als \'t ware een overgang van splint naar kernhout; wij zullen dit hout met den naam van rijphout bestempelen.

Men kan dus onderscheiden:

isp/mihoomen, wier stamhout slechts uit splintlagen bestaat;

iquot;. rijphouthoomen, met splint- en rijphoutlagen;

3quot;. kern/iouthoomerx, met splint- en kernhoutlagen , en

4quot;. kern-rijphouthoomen, die bovendien tusschen splint en kernhout, rijphoutlagen vertoonen.

Als voorbeeld van deze boomsoorten noemen wij:

Splintboomen. Rijphoutboonien. Kcrnhoutboomen. Kern-rij phoulbooiucn.

(voornamelijk loofboomen.)1 (loof- en naaldboomen.) (loof- en naaldboomen.) \'(voornamelijk loofboomen.)

ahorn berk buks els

haagbeuk hazelaar

wilde kastanje, enz.

a. naaldboomen. fijne spar (vurenh.)

zilverspar (dennenh)

b. loofboomen. beuk

linde

pereboora, enz.

a. naaldboomen. grove den (grenenh.)

lork

taxis, enz.

b. loof hoornen.

eik

appelboom noteboom pruimebootn, enz. (alle verfhouten zijn van kernhoutboomen afkomstig.)

eseh ijp

wilg, enz.


-ocr page 75-

61

Op de doorsnede van een stam zijn, door het verschil in kleur, kern-, splint- en rijphout meestal duidelijk van elkaar te onderscheiden; bij rijphoutboomen laat dit nog wel eens te wenschen over; bij kernhoutboomen, bijv. bij don eik, bij den ebbenhoutboom, gouden regen, moerbezieboom, enz. is het kernhout daarentegen dikwijls zeer scherp begrensd.

Het splint is voor de techniek minder belangrijk en vindt daar minder toepassing dan het kernhout, omdat het meer aan bederf onderhevig is, veel van insecten te lijden heeft, kortom in den regel te weinig duurzaamheid bezit.

Het grooter of kleiner volume, dat het dus in den stam inneemt, kan ons niet onverschillig zijn, omdat daarvan bij kernhoutboomen bijv. het volume afhangt van het technisch meer op prijs gestelde gedeelte, d. i. van het kernhout.

De breedte der splintlaag wisselt zeer af; zelfs in denzelfden stom bestaat zij aan den voet uit een grooter aantal jaarringen dan in meer naar den top gelegen deelen. Omtrent dit aantal ringen, waaruit het splint bij verschillende houtsoorten bestaat, vindt men bij hun bijzondere beschrijving- in het laatste Hoofdstuk nadere gegevens.

De verhouding tusschen het volume van splint en kernhout verandert ook tijdens den groei; is het splint in den aanvang breeder, later kunnen tijdperken aanbreken, waarin de breedte van kern- en splinthout weinig verschilt, of, waarin zelfs de splintlaag smaller is. Daaruit trekke men nog niet het besluit, dat het voordeelig is om een boom eerst dan te vellen, wanneer de dikte der jaarlijksche lagen een minimum wordt, d. i. wanneer de boom hoogbejaard is! Want wat is het geval ?

Het kernhout neemt met de jaren nog, wel is waar, in volume toe, maar .... hoe ouder hot wordt op stam, des te meer verliest het in quaüteit; men moet hier dus wikken en wegen en tot de velling overgaan, voordat de winst van een grootere hoeveelheid kernhout niet meer zou opwegen tegen het verlies, ten gevolge van do mindere qualiteit.

Het splint onderscheidt zich van het kernhout, behalve door

-ocr page 76-

62

de reeds g-enoemde eigenschappen , ook nog door een groot water-opslurpend vermogen.

Brengt men op dwarsche doorsnede van een stam een druppel water, zoowel op een ring in het splint als in het kernhout, dan wordt deze veel sneller door het splint opgezogen — wanneer de ringen ten minste in breedte (en vaatrijk-dom bij dicotylen) niet te veel verschillen.

Maar dit alleen voor het geval, dat de kern gezond, dat wil zeggen, niet ontstaan is door uitwendige invloeden. Wij zullen dit nader toelichten.

Het kernhout schijnt in de ware kernhoutboomen reeds in de eerste jaren van de diktetoeneming in den stengel te worden gevormd; langzamerhand breidt het zich uit, neemt in volume toe, en dikwijls zoo regelmatig, dat zijn grenzen overal nagenoeg even ver van de schors verwijderd blijven.

Er komen natuurlijk tal van uitzonderingen op dezen regel voor; zoo is bij eike- en taxisboomen, e. a. het kernhout dikwijls van uitloopers voorzien, van takken, die de mergstralen somwijlen tot aan de schors begeleiden, enz.

tiet ware kernhout onderscheidt zich dan bij vele niet al te jonge stammen van het omliggende splint door een grooter specifiek gewicht.

Xu zien wij evenwel dikwijls het geval bij oude stammen zich voordoen, dat, hoewel hot kernhout zich door de kleur duidelijk van het splint afscheidt, het specifiek gewicht van beide weinig of niets verschilt; en dan is de kern meestal niet op de gewone wijze ontstaan, maar haar vorming een gevolg van hoogen ouderdom of van verschillende uitwendige invloeden. Dergelijk ongezond kernhout is in den stam altijd zeer scherp begrensd; meestal omsluit de grenslijn een zeer onregelmatige figuur. Men zie bijv. fig. 37, die een kernhoutvorming voorstelt, waargenomen in een ouden ijpen-boom; waarschijnlijk is een deel van deze kern ontstaan ten

-ocr page 77-

63

gevolge van een hevigen slag of stoot, tijdens den groei aan den stam toegebracht. Uit fig. 38 is zichtbaar, dat hot ongezonde kernhout dikwijls niet samenhangt in den stam; de kernvorming, zooals deze figuur ze voorstelt, werd door Nördunger in een plataanstam opgemerkt, en door hem aan den invloed van de vorst toegeschreven.

Ook in weeke houtsoorten (wilgen, kanada-sche populier, enz.) kan men kernhout in de stammen aantreffen, dat zich kenmerkt door een onaangenamen eigenaardigen reuk , die aan een begin van ontleding doet denken, en dat dus waarschijnlijk ook geen gezond kernhout zal zijn.

Is eindelijk bij die boomen, welke wij als kern-rijphoutboomen onderscheidden, de breedte van den rijphoutring eenigszins aanzienlijk, ook dan zal in den regel het kernhout niet geheel normaal zijn.

Al dit abnormaal gevormde kernhout nu, door welke der genoemde omstandigheden ook te voorschijn geroepen, neemt water niet minder snel dan het omliggende splint tot zich; ja, het komt voor, dat het opslurpingsvermogen zelfs grooteris.

In de volgende Hoofdstukken komen wij op laatstgenoemde eigenschap van splint- en kernhout, afwisselingen in het spec, gewicht, enz., nog nader terug.

36. Het is hier de plaats om nog op een verschijnsel te wijzen, dat men, hoewel zeer ongaarne, bij enkele houtsoorten en vooral bij eikenhout waarneemt.

Alidden in \'t kernhout van don stam treft men meermalen een houtlaag aan, die in kleur en physische eigenschappen van het omliggende kernhoutweefsel verschilt. Bij eikenhout is de kleur van dezen ring lichter dan die van het kernhout, n.1. wit of geelachtig, zoodat het schijnt, alsof zich te midden van het kernhout een splintlaag gevormd heeft. Men spreekt daarom van valsch of dubbel splint, of betitelt zulk oen houtring met den naam van maanring.

Die valsche splintlaag strekt zich nu eens over een grooter, dan weêr over een kleiner aantal jaarringen uit; meestal is zij

-ocr page 78-

64

zeer onnauwkeurig begrensd, en gaat het weefsel onmerkbaar in dat van hot gewone kernhout over; nu eens bevindt zij zich meer in de nabijheid van het merg, dan weêr verder daarvan verwijderd.

Het hout van dezen maanring is specifiek zeer licht, soms lichter dan hot splinthout, en ook meer hygroscopisch.

Dat de maanring op het omliggende hout op den duur geen na-deeligen invloed uitoefent, zooals sommigen meenen, mag worden betwijfeld. Men schreef de vorming tot voor korten tijd aan den invloed van den bodem toe , omdat er gronden zijn , die altijd eikestammen leveren, welke met dit euvel zijn behept. Sedert

men evenwel dieper in het wezen der lagere planten, met name der parasieten, die slechts organisch voedsel tot zich nemen, is doorgedrongen, wordt ook het ontstaan van een maanringweefsel aan de tijdelijke werkzaamheid van woekerplanten toegeschreven. In Hoofdstuk IV zullen wij dienaangaande uitvoeriger

Kopvtikviin een eiken balk met maanring. mededeelingen doen. In nCVCrlS-

staande fig. 39 wordt een maanring in eikenhout voorgesteld.

die reeds in een verregaanden staat van ontbinding verkeert en zich daardoor duidelijk van het kernhout afscheidt.

In stamhout van kastanje-, kerse- en noteboomen komen dergelijke ringen ook tusschen het kernhout voor; daar zijn ze nu eens lichter dan weêr donkerder (bij noteboomenhout bijv. donkerbruin) dan het omliggend weefsel gekleurd.

Wij behoeven niet te zeggen, dat, op welke wijze deze maanringen ook gevormd mogen zijn, hun optreden in het hout zeer weinig gewonscht is, nmdat dit weinig duurzaam en daarom voor technisch gebruik minder geschikt is dan het gezonde stamhout.

37. Behalve het bout van\' den stam wordt ook dat van dc

-ocr page 79-

takken en wortels der boomen in de industrie mechanisch bewerkt. Daar dit hout in cnkclo opzichten, wat den bouw betreft, van het stamhout afwijkt, kunnen wij niet nalaten het ook te dezer plaatse aan een beschouwing\' te onderwerpen.

Een enkel woord over het vertakken van den stam of stengel, en den invloed der vertakking op het stamhout moge daaraan nog voorafgaan.

Do stam van boomen en heesters is, zooals men weet, altijd vertakt. De vertakkingen of takken ontwikkelen zich uit zoogenaamde zyknoppen \'), die ten tijde van den groei in de nabijheid van de opperhuid (zie blz. 22) ontstaan. Hoewel deze knoppen oorspronkelijk zeer regelmatig langs den stengel gerangschikt zijn 1), is er in den stand der takken meestal weinig of geen regelmaat te bespeuren, omdat vele knoppen niet tot ontwikkeling komen.

Bovendien sterven in den regel de takken aan het benedeneind van den stam spoedig af; hoofdzakelijk, omdat de hooger geplaatste en later gevormde takken het licht onderscheppen, dat voor het leven en de verdere ontwikkeling noodig is.

Voornamelijk bij boomen i\'u een behoorlijk gesloten stand heeft dit afsterven der oudste takken plaats, wanneer zij nog zeer weinig ontwikkeld zijn; na hun dood vallen zij weldra van den stam af, en laten daarop bijna geen spoor meer achter van hun voormalig bestaan. Maar niet alleen op don stam, ook in het houtweefsel is dan van do vroegere vertakking weinig of niets te bespeuren.

Bij vele boomsoorten, vooral die, welke de zoogenaamde „lichtequot; houtsoorten leveren, moge nu in bovengenoemd geval,

1

De knoppen ontstaan n. 1. in de oksels der bladeren , in het celweefsel van den stengel, dat zich direct boven de aanhechtingsplaats van den bladsteel bevindt. Daar de stand der bladeren aan den stengel regelmatig is , moeten ook de zijknoppen regelmatig geplaatst zijn.

-ocr page 80-

66

hot spoorloos verdwijnen van eenmaal gevormde takken aan het benedeneind van den stam regel zijn, hot geschiedt geenszins bij exemplaren, die op een vrije standplaats en zonder eenige belemmering zich kunnen ontwikkelen. Wel is waar sterven dan de oudste takken ook nog af, maar meestal eerst nadat zij reeds een tamelijken leeftijd hebben bereikt, en verschillende houtlagen konden gevormd worden in samenhang met de jaarringen van den stam. Het gevolg daarvan is, dat na het afsterven wel degelijk de sporen dor vertakking op den stam achterblijven; want al moge ook het overige gedeelte van den dooden tak, door den wind bijv., worden afgerukt, dat, hetwelk zich in de onmiddellijke nabijheid van den stam bevindt, blijft daaraan gewoonlijk vastgehecht en wordt in volgende jaren door het houtweefsel van den in dikte al meer en meer toenemenden stam omsloten.

Op deze wijze komen er in het houtlichaam gedeelten van afgestorven takken, die later, wanneer de stam tot planken

V].

f H

111

1

1

c ?

wordt gezaagd, tot het optreden van de zoogenaamde kwasten en meer bepaald van rtWrtfckwasten aanleiding geven \'). Daar dergelijke kwasten in \'t geheel niet met \'t hen omringend houtweefsel samenhangen, vallen zij gewoonlijk zeer gemakkelijk uit het droge, gezaagde hout, en laten daarin meer of minder groote openingen achter. Komt hot doode stuk bij toeval volgens de breedte in een plank, dan ontstaat er na het wegvallen een gootyormige, meer of minder lange holte.

1) Natuurlijk zullen rloze kwasten ook voorkomen, wanneer de takken ten gevolge van snoeien of door andere oorzaken zijn gedood, en het stamhout over de takstompen is heengegrocid

-ocr page 81-

by

zoodat op die plaats de vastheid van hot hout aanzienlijk wordt verminderd. (Men zie fig. 40).

Gewoonlijk vertoonen zich in het stamhout, tor plaatse waar zich takstompon bevinden, al zeer spoedig\' verschillende rot-tingsvorschijnsols \'). Bij naaldhoutsoorton, waarin men harsgan-gon aantreft, wordt aan deze gewonde plokken spoedig veel hars toegevoerd; een gevolg daarvan is, dat ook het doodo takdoel in hot hout daarmede gedrenkt en zijn weefsel daardoor zoo hard wordt, dat het aan olko mechanische bewerking eon zeer grooten weerstand biedt.

De takken, die niet afsterven , nemen natuurlijk met don stam regelmatig, maar op kleiner schaal, jaarlijks in dikte toe (fig. 41). Wordt dergelijk vertakt stamhout, na van deze lovende takken te zijn ontdaan , tot planken gezaagd, dan vindt men op de verbindingsplaatsen van stam en takken ook wel kwasten, maar die nu innig met het omringende weefsel zijn

Voorstelling van het innig verband tusschen liet stamhout cn dat van een levenden tak; verloop VCrDonden, Gn (licntonyo-der jaarringen uit het stam- in het takhout. . . 11 • n

volge niet zullen uitvallen. De gezonde kwasten zijn niet zoozeer gevreesd als de zoo oven behandelde; in het naaldhout zijn ook deze kwasten soms zeer hard — minder bij hout van den groven den, dan wel bij dat van den fijnen spar en den zilvorspar — niet alleen wegens de geringe jaarringbroodte in do takken (zie blz. 57), maar ook, omdat het houtweefsel van den kwast een tamelijk

1) Zoo spreekt men o. a. van gepijpte kwasten t wanneer daarin volgens de lengte dooi bederf gaten zijn gevormd; al naar den aard van het bederf, zijn die gaten met een geel (gfetgepijpt) of wit [witgepijpt) poeder gevuld. Men onderscheidt ook bruine kwasten en uiüge kwasten , wanneer de inwatering bij de rotting een hoofdrol schijnt te spelen.

-ocr page 82-

68

groot harsgehalto kan bezitten. Dc smalle jaarringen zijn ook oorzaak, dat de kwasten in beuken- en populieren- (espen) hout zeer hard zijn; bij het eikenhout en in \'t algemeen bij houtsoorten met groote vaten, ringsgewijze in \'t voorjaarshout geplaatst, moet het weefsel der kwasten losser en poreuzer zijn dan dat van het omringende hout, enz.

Het behoeft geen betoog, dat al deze kwasten, vooral wanneer zij sterk opeengehoopt in het hout voorkomen, zooals dit bij naaldhout kan plaats vinden, de vastheid van het hout zeer moeten verminderen.

Tor plaatse waar zich kwasten bevinden, zijn de vezels van het stamhout niet meer recht cn evenwijdig; zij moeten daar, zooals dit ook uit de figuren 40 en 41 duidelijk is op te maken, gebogen of gekronkeld zijn, waardoor het hout „warreldradigquot; wordt en daardoor zeer moeiclijk te bewerken.

38. Wanneer wij nu tot een bijzondere vergelijking van stamhout en takliout overgaan, kan reeds dadelijk worden gezegd, dat door die vergelijking slechts geringe verschillen in den bouw voor den dag zullen komen.

Wij merkten reeds op, dat, en waarom de mergkoker niet in de lengteas der takken geplaatst is; hoe meer de tak van de vertikale richting afwijkt, des te meer verwijdert de mergkoker zich uit het centrum van hot houtweefsel.

De mergstralen doen zich in den regel op dezelfde wijze voor als in het stamhout; soms echter treden zij in takhout in grooter hoeveelheid op (bij elzensoorten) of behooren hier tot de „echtequot; zichtbare, terwijl ze in den stam „onechtquot; zijn, omdat ze daar uit een dichte groep van elk voor zich onzichtbare mergstralen zijn samengesteld.

De jaarringen zijn veel smaller dan in stamhout, hetgeen ook hier bij loofhoutsoorten, wier groote vaten ringsgewijze zijn geplaatst, tot een groote poreusheid van het hout aanleiding geeft; onregelmatigheden in het verloop der ringen, zooals wij die als een gevolg van het scheuren der schors bij stamhout waarnemen. komen bij takhout minder voor.

39. Het wortelhout biedt in zijn bouw in vergelijking met

-ocr page 83-

6g

dien van stamhout eenige verschillen aan, die van geen geringen invloed op de mechanische eigenschappen zijn.

In de eerste plaats hebben de jaarlijks afgezette lagen in het wortelhout veel geringer breedte dan in den stam. Die smalle jaarringen bestaan hoofdzakelijk uit een weefsel, dat te vergelijken is met het voorjaarshout uit den stam; de vaten zijn zeer talrijk in verhouding tot het aantal vezels, hebben dikwijls nog grooter diameter dan die uit \'t stamhout, terwijl de vezels, en dit geldt ook voor het wortelhout der naald-boomen, tevens zeer wijd en lang zijn, en zeer weinig verdikte wanden bezitten.

Dientengevolge is het wortelhout woeker en, vooral dat van loofboomen, ook veel poreuzer dan stamhout, te meer daar de vaten er zelden met thyllen zijn aangevuld.

Vervolgens wordt erin de hoofdwortels meestal een mergkoker van zeer geringen diameter aangetroffen; het hout is gewoonlijk zeer onregelmatig rondom dien mergkoker verdeeld, zoodat ook de mergstralen in den regel niet rechtlijnig maar gebogen zijn; nu eens zijn ze ook breeder in het wortelhout (haagbeuk, eik) dan weêr smaller, en loopen dientengevolge meer kronkelend door het houtweefscl dan in den stam (berk).

Eindelijk is het wortelhout in den reg\'el zeer kromdradig; de wortels zijn n.1. dikwijls zeer sterk, en daarbij onregelmatig vertakt, zoodat de vezels niet recht en evenwijdig, maar onderling verward en samengevlochten zijn. Het hout, dat dientengevolge, vooral bij gladde bewerking, een gebloemd of gevlamd uiterlijk vertoont, wordt in de techniek tot de vervaardiging van fineerplaatjes of van kleine voorwerpen gebezigd. Dat wortelhout, overal waar hardheid en vastheid in de eerste plaats vereischt worden, geen toepassing vinden kan, zal, zelfs na\'t weinige, dat wij met betrekking tot den bouw meedeelden , geen nadere toelichting behoeven.

-ocr page 84-

Door een scheikundig onderzoek van het hout zal, blijkens het behandelde in vorig\'e bladzijden, de aanwezigheid van een groot aantal bestanddcelen kunnen aangetoond worden, die gedeeltelijk als bouwmaterialen voor cellen en vaten hadden gediend, gedeeltelijk als reservestoffen in het houtweefsel van den boom waren opgehoopt, toen door de velling een einde gemaakt werd aan zijn voortbestaan.

Wanneer wij de meest gewichtige dezer verschillende be-standdeelen nogmaals en nu eenigszins uitvoeriger ter sprake zullen brengen, geschiedt dit, omdat een goed begrip van de samenstelling en kennis van enkele eigenschappen dezer stoffen, zoo ook van hun verspreiding in do verschillende onderdeelen van het houtlichaam, ons voor den industrieel zeer wenschelijk toeschijnt. Het wordt daardoor bijv. mogelijk om zich rekenschap te geven van verschillen, die men met betrekking tot enkele mechanische eigenschappen zoowel bij hout van den-zelfden als van verschillenden oorsprong waarneemt.

Dit zij evenwel gezegd, dat onze kennis van vele der chemische verbindingen, waaruit het hout werd opgebouwd, of die wij in \'t weefsel aantreffen, nog zeer beperkt is. Het ruime veld, dat hier den scheikundige ter bebouwing is geboden, werd nog slechts ton deele ontgonnen — op dit gebied wordt zijn arbeid in onze dagen nog slecht beloond.

Een kort overzicht van hetgeen reeds met betrekking tot de scheikundige samenstelling van het hout door de mannen der wetenschap, na moeitevollen arbeid, werd aan \'t licht gebracht, zal den inhoud van het volgende Hoofdstuk uitmaken.

-ocr page 85-

DERDE HOOFDSTUK.

Scheikundige samenstelling.

40. Het aantal scheikundige verbindingen, dat in \'t hout voorkomt, en waarvan het bestaan ons bekend is, is niet gcring_

De eelwanden bestonden in hun prille jeugd uit een vaste stof, de cellulose, en uit water; tijdens den groei der plant, waarbij de oorspronkelijke vorm der cel zich wijzigde of geheel verloren ging, veranderde tevens de samenstelling hunner wanden, doordat tusschen en op het cellulose-weefsel houl-sto/en kleurstoffen werden afgezet. De holte, door die wanden omsloten, bevat nu eens eiwitstoffen en ■zetmeel, dan weêr lucht en water; verder komen nog looistoffen, harssoorten, gom, benevens tal van anorganische verbindingen in de verschillende houtsoorten voor.

Al die stoffen maken dus geen deel uit van de vaste houtmassa; vele er van worden slechts, door hot houtweefsel verspreid, in grooter of kleiner hoeveelheid aangetroffen. Wij zullen toch ook die chemische verbindingen, welke geen bestanddeelen van het vaste houtweefsel uitmaken, maar in \'t dagelijksch leven als bijbestanddeclen of sappen worden beschouwd, in den kring onzer beschouwingen opnemen; wegens den grooten invloed, dien zij op de hoedanigheid van het hout uitoefenen, zijn zij voor ons niet do minst belangrijke.

41. Maken wij een aanvang met de behandeling van een der meest gewichtige bestanddeelen van het hout, n.1.

-ocr page 86-

72

het water, dat of, al clan niet met andere stoffen verbonden, do holten, door vezel- en vatwanden omsloten, geheel of gedeeltelijk opvult, óf ten gevolge van het imbibitievermogen der wanden do ruimton tusschen hun kleinste deeltjes inneemt. Uitgebreid en talrijk zijn do onderzoekingen, die in den loop onzer eeuw plaats hadden, ten einde te geraken tot een juiste kennis van de hoeveelheid water, waarmede do verschillende houtsoorten zijn bedeeld \'). Desniettemin kunnen wij heden ten dage nog niet op die konnis bogen; het vraagstuk betreffende het watergehalte der houtsoorten wacht nog steeds op een volmaakte oplossing.

Do tot heden bekende onderzoekingen zijn, met enkele uitzonderingen, min of meer gebrekkig, of onvolledig; de beste omvatten gewoonlijk slechts weinige houtsoorten, de meeste

i) Reeds in 1732 en volgende jaren werd door den Inspecteur-Generaal der Fransche Marine, Duiiamel DU Monceau, het watergehalte bepaald van hout, afkomstig van eiken, die alle denzelfden ouderdom hadden bereikt; de voorbereiding der stukken die ter onderzoeking kwamen , vorderde evenwel zoo geruimen tijd, dat do verkregen resultaten onnauwkeurig moesten zijn. Één feit kwam daarbij aan het licht, \'t welk in onze dagen nog niet algemeen als juist erkend wordt, dit n. 1. dat het hout des winters saprijker is dan in voorjaars- en zomermaanden. (duhamel , Exploitation des Bois, Dl. I, blz. 340).

Verdere onderzoekingen zijn ons o. a. bekend van ;

G. Hartig. Physikalische Versuche über das Verhaltniss der Crcnnbarkeit der

meisten deutschen Waldhölzer, 1804.

G. SchüBLEK. Untersuchungen über die Temperaturveranderungen der Vegetabilien Tiibingen , 1829.

Th. Hartig. Vollstandige Naturgeschichte der forstlichen Culturpflanzen Deutsch-lands. Berlin , 1840—1851. Men zie ook diens verschillende opstellen , voorkomende in de

Botanische Zeitung, Jaargangen 1858, 1861 , 1863, en in de Allgemeine Forst-und Jagdzeitung;

Jaarg. 1871 , blz. 41 ; Bestimmung des Holz- Wasser- und Luft-gehaltes der deutschen Waldbaume , en blz. 121 : Periodische Schwan-kungen des Wassergehaltes der Baume.

Jaarg. 1876, blz. 6: Wassergehalt des SchaftholzeslebenderPflanzen.

li. Nökülingek. Die technischen Eigenschaften der Holzer, Stuttgart 1860, blz. 61. Centralblatt f. das gesammte Forstwesen 1879 , blz. 409.

Fr. v. Bauk. Untersuchungen über den Festgehalt und das Gewicht des Schicht-holzes und der Rinde. Augsburg , 1879.

IC. Ebekmayer. Physiologische Chemie der Pflanzen. Berlin 1882. Deel 1. blz. 14.

-ocr page 87-

73

beperken zich tot de bepaling van liet verschil in water-g-ehalte in den vcrschen of groenen, en in den Inchidrogcn toestand van het hout. Prof. Ebermayer droogde stukken van verschillende houtsoorten bij ico0 C. en kon nu, in verband met waarnemingen van Prof. Baür, het absolute watergehalte der houtsoorten bepalen. Zijn onderzoekingen strekken zich evenwel voor elke soort slechts uit over het hout van één enkelen boom, zoodat zij door andere moeten worden aange-vtild, voor het verkrijgen van juiste gemiddelde waarden.

Wij zullen deze bladzijden niet vullen met lange en korte tabellen, die de resultaten van al de genoemde onderzoekingen behelzen, maar slechts in algemcene trekken datgene mede-deelen, wat de onderlinge vergelijking der meest betrouwbare gegevens ons leert \').

Onder alle houtsoorten zijn die, welke van coniferen afkomstig zijn, doorgaans het meest rijk aan water; terwijl zij van 52—65 % water bevatten, bedraagt die hoeveelheid 45—55 % voor de lichte en 38—45 u/o voor de specifiek zwaardere loofhoutsoorten (Ebermayer). Streng gaat natuurlijk deze opgave niet door; tot het naaldhout behoort bijv. ook dat van den lorkeboom met 45 — 53 % en van ^011 Weymouthspijn mot zelfs 77 % water, maar in \'t algemeen zal zij van de waarheid niet ver afwijken.

De groeiplaats van den boom, de ouderdom die hij bij de velling bereikt had, het jaargetijde waarin deze plaats vond, en nog andere omstandigheden, oefenen op het watergehalte van zijn hout een groeten invloed uit.

Is, bijvoorbeeld, de boom in een gesloten stand slechts langzaam gegroeid, dan is het hout armer aan wrater, dan wanneer het afkomstig is van een boom, die een open, vrije standplaats bezat. Ook het hout, door jonge boomen geleverd, is saprijker dan dat van oude stammen. Is de boom in don zomer of in do eerste herfstmaanden geveld, dan is het water-

1) Opgaven omtrent het watergehalte vindt men bij de bijzondere beschrijving der boutsoorten.

-ocr page 88-

gehalte van het hout een minimum. in den winter en in de eerste voorjaarsmaanden een maximum; dit geldt voornamelijk voor loofhout, daar het jaargetij op het watergehalte van naaldhout in den regel minder invloed heeft, enz., enz. (Zie de blz. 2g en 30).

Loopcn dus de waarden van het waterquantum in hout van verschillenden oorsprong, maar van dezelfde soort, zeer uiteen, niet minder groote verschillen worden in dit opzicht waargenomen , bij vergelijking van houtgedeelten van éénzelf-den stam.

Wij weten reeds, dat het watergehalte van het splint veel grooter dan dat van hot kernhout is; dit verschil bedraagt van 5 —15 %• Maar niet alleen in horizontale richting door den stam, ook in de lengterichting is het watergehalte niet standvastig; in de bovenste, jongste doelen is het aanmerkelijk grooter dan aan den voet, hetgeen bij naaldhout dtiidclijkor dan bij loofhout te voorschijn treedt. Bij laatstgenoemde houtsoorten ontmoeten wij verschillen van 3 a 4 % (des winters) tot io\'1/,, (in den zomer); bij naaldhout 5 a 6 % (^11 quot;inter en voorjaar) tot 15 en 20 quot;/0 (i\'1 den herfst).

Het meeste water treft men in het takhout aan.

42 In den groenen toestand wordt het hout zelden gebruikt: dit geschiedt in den regel slechts dan, wanneer niet alleen het water uit do vezel- en vatholten geheel verdreven en door lucht vervangen is, maar wanneer ook die wanden zelf voor een groot gedeelte daarvan zijn bevrijd.

Eerst dan, wanneer het watergehalte ongeveer 12—20 % van hot totale houtgewicht bedraagt, is de grondstof voor het gebruik geschikt, en is zij, wat men noemt, lucht- of winddroog Het hout goeft in dion toestand, wanneer er met den hamer op geslagen wordt, een helderen klank, is in vergelijking met hot groene hout veel lichter, en verliest aan de lucht blootgesteld weinig of geen water meer, enz.

Zonder gebruik te maken van kunstmiddelen wordt groen hout gewoonlijk winddroog gemaakt, door het op een droge plaats, onder dak, on met inachtneming van enkele voorzorgen.

-ocr page 89-

die wij later zullen leeren kennen, aan de werking der lucht bloot te stellen.

De overgang tot winddroog hout geschiedt dan evenwel niet zeer spoedig; groen hout vordert daarvoor, zelfs in den vorm van dolen en platen, een tijdsruimte van 4—6 jaar \'). In den beginne vordert de waterverdamping aan de lucht tamelijk snol. zoodat reeds binnen het jaar het gehalte tot op 25 a 3oquot;/l| kan gereduceerd zijn; het nog achtergebleven water verdampt langhamer, en eerst aan het einde der genoemde periode verliest het hout geen vocht meer aan de lucht.

De hoeveelheid, die nu nog door het houtweefsel hardnekkig wordt teruggehouden, ten gevolge van de groote kracht, waarmede het imbibitiewater niet alleen door de houtvezels opgenomen, maar ook door de houtvezels gebonden wordt, kan men er slechts door kunstmatige verwarming (tot 100 a 105° C.) aan onttrekken; dan eerst wordt het hout watemry % Aan de lucht trekt dit watervrije hout spoedig 12 — 20 % water aan en wordt daardoor weêr winddroog.

Verschillende omstandigheden zullen overigens op de snelheid van het houtdrogen van invloed zijn. In de eerste plaats zal een flinke luchtstrooming langs het oppervlak van het te drogen hout (kunstmatig, met daarmede gepaard gaande verwarming) de verdamping van het water en daarmede het drogen bevorderen.

Ook de elementaire bouw speelt daarbij geen geringe rol;

1) In Hoofdst. XV van den Instructie-1nventaris voor de Artillerie der Landmacht , (Breda, 1881) leest men bij de Algcmccnc Ophelderingen , omtrent eikenhout, op blz. 131 ;

„Daar het niet mogelijk is , het hout voor den dienst der Artillerie benoodigd in be-

„hoorlijk drogen staat aan te koopen of te doen leveren.......zoo is men bij de Artil-

„lerie genoodzaakt het hout verseh aan te schaffen en zelf te drogen. Volgens een ouden „regel rekent men, dat tot het drogen voor 0.0262 M. (één Rijnlandschen duim) dikte „één jaar noodig is, waaruit volgt, dat bijv. platen, dik 0.22 M. acht en een half jaar „en dikkere balken nog meer tijd tot drogen behoeven; deze tijd moet echter als minimum „worden beschouwd , en de voorraad zoodanig worden geregeld , dat het hout wel langer, „maar nimmer korter blijft liggen , alvorens te worden verwerkt.quot;

2) Ten gevolge van de groote kracht , waarmede imbibitiewater in het hout wordt teruggehouden , zinkt ook zelfs het watergehaltc van oud meubelhout , (stoelen , tafels . die jaren lang in verwarmde vertrekken stonden) niet beneden loquot;,,.

-ocr page 90-

76

hout, dat voornamelijk uit elementen met weinig verdikte wanden, bijv. uit tracheïden bestaat, zooals het naaldhout, droogt betrekkelijk zeer snel, terwijl dat, waarin het libri-form de hoofdmassa van het weefsel uitmaakt, (niettegenstaande de aanwezigheid van talrijke groote vaten in het voorjaarshout: esschen- eikenhout, enz.) zeer langzaam droogt. En ook aan sommige bestanddeolen van het hout is men genoodzaakt invloed op hot drogen toe te schrijven; zoo schijnt het hooge harsgehalte van het hout van den grovon den (Pinus sylvestris L. — grenenhout) oorzaak te zijn, dat hot in vergelijking met hout van don fijnen spar (Abies excelsa Lam. — vurenhout) en den zilvorspar (Abies pectinata D. C. — dennenhout) zoo moeielijk droogt. Vervolgens zullen zich bij hot drogen ook atmosferische invloeden doen gelden. Zoo bijv. de vochtigheidstoestand der lucht, haar temperatuur, drukking, enz.; daarom moeten ook hot klimaat en hot jaargetij in acht genomen worden, wanneer mon omtrent don duur van het drogen der verschillende houtsoorten een deugdelijk overzicht wenscht te verkrijgen.

Do aanwezigheid van een schors rondom het houtlichaam verhindert het uitdrogen (zie blz. 25) ten sterkste; zoo men dit dus om andere redenen (scheuren) niet wenscht te vertragen, is de verwijdering der schors slechts aan te bevelen; in vele gevallen zorgt de natuur er voor, dat de schors van het gevelde hout, binnen een niet te lang tijdsbestek, afvalt (verrotting, insecten).

Splinthout geeft sneller het watergehalte aan de lucht af dan kernhout \'); ook aan voorjaarshout, in het algemeen aan los hout, wordt het water in den regel spoediger dan aan herfsthout, of aan een dicht en hard houtweofsel onttrokken. Het spreekt wel van zelf, dat hoe grooter het oppervlak van het te drogen houtstuk is, in verhouding tot het volume, het water ook sneller ontwijken en de duur voor het

1) Ongezond kernhout droogt zeer snel; ook hout, dat men in \'tdagelijksch leven „rotquot; of „verstiktquot; noemt, verliest snel het watergehalte.

-ocr page 91-

77

drogen benoodigxl, korter zijn zal; gansche stammen of zware balken drogen derhalve veel langzamer dan daaruit vervaardigde platen, planken, latten, enz. En daar ten slotte het water door verdamping het gemakkelijkst in de draadrichting, moeielijker in radiale en tangentiale richting uit het hout verdreven wordt, zal ook de verhouding van de grootte der kop-vlakken van het te drogen stuk tot die dor overige vlakken op den duur van het drogen van invloed zijn.

43. Het drenken van hout met vloeistoffen, een behandeling, die het in de praktijk bijv. voor de conservatie ondergaat, biedt nog een enkel punt ter beschouwing aan, dat wij hier gevoegelijk ter sprake kunnen brengen.

In \'t algemeen nemen de houtsoorten, die snel drogen, ook weêr snel water uit een vochtige omgeving op. Hebben de vezelwanden slechts een gering gedeelte van het water verloren, dat zij tijdens de uitoefening hunner functiën in de lovende plant bezaten, dan zal het hout in staat zijn dit verloren quantum weêr geheel aan te vullen. Daar dit nu zelden of nooit het geval is, en de vezels van bouw- en werkhout in den regel in zoo hooge mate zijn uitgedroogd, dat dientengevolge hun imbibitievermogen voor een groot gedeelte en voor immer werd opgeheven (zie blz, 27), zal zulk hout, zelfs na langdurige onderdompeling in water, niet meer zoo groote hoeveelheid vloeistof kunnen opnemen. Wel zullen zich de vezel- en vatholten vullen, maar het aanzienlijke volume, dat het water vroeger als imbibitiewater tusschen de kleinste deeltjes hunner wanden innam, is en blijft nu veel geringer.

Het is overigens duidelijk, dat houtsoorten met groote wijde vaten, vooral de gedeelten waar de vaten zich bevinden (voorjaarshout bij eiken, esschen, ijpen) zeer snel water zullen aantrekken, en dat ook het lossere splint zich sneller met water vullen zal dan rijphout, en dit weêr spoediger daarmede verzadigd zijn zal dan kernhout.

Van de waarheid van dit laatstgenoemde feit kan men zich door een eenvoudige proef overtuigen. Een blokje eikenhout

-ocr page 92-

78

(a in fig. 42). liet splint neemt evenwel sneller water op dan kernhout, zoodat dus weldra het oogenblik intreedt, dat het splint even zwaar, ja zwaarder dan het kernhoutdeel wordt (b en c in de fig.). In het laatste geval is het splintgedeelte dus op zijn beurt dieper ingedompeld dan het kernhout. Ten slotte neemt het stukje hout weêr de oorspronkelijke stelling in, daar nu ook het kemhout zich verzadigd heeft (d in de fig.).

Overigens zal het harsgehalte, evenzeer als op den duur van het drogen van het hout, ook op dien van het drenken van invloed moeten zijn. De meeste omstandigheden, die het snelle drogen bevorderen, zullen ook een snelle bevochtiging door het g-eheele houtlicbaam ten gevolge hebben (groot oppervlak, groote kop vlakken, enz.).

Vervangt men het water door oplossingen van metaalzouten (kopervitriool, zinkchloried, kwikchloried, enz.) of door andere vloeistoffen (carbolzuur, zware steenkolenteerolie, enz.), dan zullen zeer zeker diezelfde omstandigheden de drenking blijven bevorderen of tegenwerken, hetgeen dan ook in de praktijk der houtbereiding blijkt.

Het hout van splint- en rijphoutboomen (beuken-, haagbeuken-, elzen-, dennen-, vurenhout, enz.) kan veel gemakkelijker en boter geïmpregneerd worden dan dat van kernhoutboomen (eiken-, grenenhout). Wel kan bij laatstgenoemde houtsoorten het splint nog goed gedrenkt worden, eveneens het aan de kopvlakken grenzend gedeelte, maar in het kernhout laat de volkomen verzadiging in den regel te werischen over.

liet is een feit. dat slechts vezels uit gezond hout gemakkelijk

met splint aan het eenc en kernhout aan het andere uiteinde, zal, omdat dit laatste speeifiek zwaarder is, in water zoodanig drijven, dat het kernhoutgedeelte het diepst is ingedompeld.

-ocr page 93-

79

met vloeistof worden doordrong\'en; bij ongfezond kernhout, dat bijv. in oude rijphoutboomon (beuken) wordt gevormd, laat dit zeer veel te wenschen over; reden waarom men ook bij de bereiding voor de conservatie met den ouderdom van het hout moet rekening houden. Grenenhout laat wegens het hooge harsgehalte een dergelijke bereiding moeielijk of in \'t geheel niet toe.

Wij kunnen hiermede van het water als bestanddeel van het hout afscheid nemen; de verschijnsels, die met het af-en toenemen van het watergehalte gepaard gaan, het krimpen en zwellen van het hout en de gevolgen van dien, zullen wij wegens het hooge gewicht voor de praktijk in het Hoofdstuk over de Technische eigenschappen, aan een uitvoerige behandeling onderwerpen.

44. De bestanddeelen , die nevens water in het hout voorkomen, zijn gedeeltelijk van anorganischcn, gedeeltelijk van organischcn aard.

Men kan zich daarvan door verbranding van het houtweefsel zeer gemakkelijk overtuigen. De anorganische stoffen toch zijn voor geen verbranding vatbaar, ze smelten of sintelen samen, en vormen de houtasch; de organische daarentegen, met koolstof als een nooit ontbrekend element, verbranden, worden in verschillende gasvormige verbindingen omgezet, en in dien toestand verwijderd, misschien voor een klein gedeelte (koolzuur) door de anorganische stoffen gebonden.

In volkomen luchtdroog hout, met een watergehalte van 12—15%, bedraagt het gehalte aan organische stoffen ongeveer 85—87 % en dat der anorganische 0.4—:o,8^%.

45, Het aantal scheikundige elementen, dat in de organische bestanddeelen van het hout wordt aangetroffen, is gering; voornamelijk treden vier elementen op, n. 1. koolstof, waterstof, zuurstof en stikstof.

Uit verschillende onderzoekingen blijkt, dat de hoeveelheden van deze elementen in de onderscheiden houtsoorten niet aanmerkelijk van elkaar afwijken. Het koolstofgehalte van het bij 100 —105° C. gedroogde, watervrije hout variëert tusschen

-ocr page 94-

8o

48 on 51 %; dit noemt dus oen aanzienlijke plaats onder de samonstollendo elementen van het hout in. Dan volgt de zuurstof, die van 43—46 % en eindelijk de waterstof, die 6—6.5 % van het totale gewicht van hot gedroogde hout uitmaakt.

In verhouding tot de hoeveelheid dezer elementen, is het stikstofgehalte in het hout zeer gering, want watervrij stamhout bevat gemiddeld 0-5 % stikstof; en dit is niet te verwonderen, daar do voornaamste en verreweg de meeste bestanddeelen van het hout uit stikstofvrije verbindingen bestaan. Voornamelijk is de stikstof afkomstig van de in het houtweefsel aanwezige eiwitstoffen; er komen nog wel anorganische stikstofverbindingen in den vorm van ammoniak- of salpeterzure zouten voor, maar de hoeveelheid daarvan is te gering, dan dat zij op het totale stikstofgehalte een merkbaren invloed zouden uitoefenen.

Volledigheidshalve vermelden wij hier, dat in \'t eiwit ook zwavel als een der elementen optreedt; daar het evenwel slechts 1 % van het totale eiwitgewicht uitmaakt, is het zwavel-gehalte van het hout uitermate gering, en komt bijna niet in aanmerking. Ook het feit, dat met het eiwit steeds een anorganisch lichaam gemengd voorkomt, n. 1. phosphorzuur gebonden aan een of andere basis, stippen wij eveneens slechts aan , daar wij er later op terugkomen.

46. Aanzienlijker is het aantal elementen, dat wij in de ascJi der houtsoorten aantreffen.

Hoofdzakelijk bevat zij oxyden of zuurstofverbindingen van metalen, als kalium, calcium, magnesium , ijzer en mangaan; zeer zeker lavamen vele dezer oxyden in het hout voor, gebonden aan organische zuren (bijv. zuringzuur), maar in de asch vindt men het meerendeel als koolzure, zwavelzure, kiezelzure en phosphorzure zouten terug. Behalve metalen en zuurstof, zijn in de asch dus ook de elementen koolstof, zwavel, silicium en phospor voorhanden.

Wanneer wij het koolzuurgehalte der asch buiten rekening laten, (omdat dit gas gevormd is bij de verbranding, uit de koolstof der organische stoffen, en dus eerst daarna door de

-ocr page 95-

81

metaaloxyden werd gebonden, zoodat het als geen deel der anorganische bestanddeelen van hout kan beschouwd worden), bedraagt het aschgehalte ongeveer 0.2—0.5 % van het gewicht der droge houtmassa. In het stamhout der loofboonien wisselt het af tusschen 0.3 en 0.5 % , in dat der coniferen tusschen 0.2 en 0.3 %; in het naaldhout is het aschgehalte dus geringer dan in het loofhout. Dit stemt overeen mot de waarneming, dat, in vergelijking met loofboomen , de naaldboomen immer geringer eischen stellen aan den grond, ten opzichte van de hoeveelheid benoodigde anorganische stoffen; de grove den (Pinus sylvestris L.), wiens hout (grenen) het geringste aschgehalte heeft, tiert zelfs in gronden, die met anorganische stoffen uiterst karig zijn bedeeld.

De aard van den grond is op het aschgehalte van het hout niet zonder invloed; een geschikte bodem levert hout met grooter aschgehalte dan een slechte grond; en bevat deze bijv. veel kalk, dan kan dit ook in de asch van het hout der boomen, die er in groeiden, het geval zijn (djatihout).

Het hout van eenzelfde boomsoort, dat onder dezelfde omstandigheden werd gevormd, maar van stammen afkomstig is, die in verschillende jaargetijden werden geveld, vertoont eveneens verschillend aschgehalte; zoo ook splint- en kernhout, stam- en takhout van denzelfden boom, enz.

Het kan dus na deze algemeene opmerkingen geen verwondering baren, dat de opgaven der verschillende onderzoekers omtrent het aschgehalte der houtsoorten zeer uiteenloopen. Men zal daarom ook de lange tabellen, de resultaten dezer onderzoekingen behelzende, hier te vergeefs zoeken \').

1) Wij venvijzen voor de resultaten van onderzoekingen over het aschgehalte der houtsoorten en de samenstelling dor houtasch naar:

Aschenanalysen von land- uiid forstwirthschaftlichen Producten , Pabrik-Abflillen uud wildwachsendcn Pjlanzen. Einheitlich bereehnet und mit Naehweisung der Quellen systematisch geordnet nebst Xotizen über das untersuchte Material und verschicdenen Ueber-sichts-Tabellen , door Dr. Emil Wolff. Deel I en li (onderzoekingen tot aan het jaar 1880). Rerlijn , 1871 en 1880.

-ocr page 96-

8.\'

47. Meer belangrijk zullen voor don lozer enkele korte medetleolingen zijn omtrent de anorganische verbindingen, die in het hout aanwezig zijn, en voor hot grootste gedeelte in de asch van hot hout worden teruggevonden. Wij zeggen „voor hot grootste gedeeltequot;, want, zooals wij reeds met een enkel woord opmerkten,

ammoniak en salpeterzure zouten worden niet in de asch aangetroffen, om do eenvoudige reden, dat de geringe hoeveelheid dezer stikstofverbindingen bij de verbranding van het hout, ontleed wordt.

Het feit, dat toch in verschillende houtsoorten ammoniak-zouten voorkomen, wordt o. a. daardoor bewezen, dat zich uit sap van den suikerahorn en den berk, (\'t welk wegens het suikergehalte aan don stam, en ook aan het hout van den stam dezer boomon onttrokken wordt), na toevoeging van kalk, ammoniakgas ontwikkelt.

De roden, waarom deze verbindingen in zoo geringe hoeveelheid in den plantenstengel worden aangetroffen, is waarschijnlijk deze, dat zij, na door de wortels uit den bodem te zijn opgenomen, zeer spoedig door den stam naar de bladeren worden afgevoerd (zie blz. 28), om daar tot de vorming van eiwitstoffen mede te werken.

48. Onder de aschbestanddeelen verdienen in de eerste plaats die stoffen onze aandacht, die de scheikundige met den naam van basische metaaloxyden bestempelt.

Als een der gewichtigste daarvan kan de

kali (of het kaliumoxyd) worden genoemd. Deze basis is in de plant tot zetmeel- en suikervorming, zoowel als voor het vervoer dezer produkten, onontbeerlijk. Zij komt daarin voor in verbinding met wijnsteenzuur, zuringzuur en andere organische zuren, die bij de verbranding tot koolzuur overgaan en zoo aanleiding geven tot de meergemelde vorming van een koolzuur zout: in dit geval van koolzure kali of potasch.

Het kaligehalte in naaldhout is in den regel geringer dan dat in loofhout, en wel zooveel geringer, dat men in de praktijk der chemische industrie, die de bereiding van potasch uit

-ocr page 97-

»3

houtasch ten doel heeft, verreweg loof hout (beukenhout) boven naaldhout verkiest; in loofhout bedraagt dan ook het kali-gehalte der asch 20—30 %, in naaldhout overtreft het zelden 20 n/0 van het aschgewieht \').

In verschillende deelen van het stamhout is het kaligehalte ook niet hetzelfde. Bij onderzoek van asch van splint- en kernhout, afkomstig van een 50-jarigen eik, bleek, dat het jonge hout bijna driemaal meer kali bezat, dan dat tut de centrale deelen van den stam (per kub. meter hout; 398 gram in de asch van het splint, 146 gr. in die van \'t kernhout).

Wanneer hout geruimen tijd in water- ligt, vermindert het kaligehalte; het water schijnt, onder meer, uit het hout een gedeelte der kalizouten te extraheeren, reden, waarom ook hout, dat per vlot vervoerd werd, voor de potaschfabrikatic niet gewenscht is.

Kalk (of calciumoxyd) draagt er waarschijnlijk toe bij om aan de celwanden, die met houtstof doordrongen worden, nog meerder vastheid te verleenen; het bewijs daarvoor zoekt men in de omstandigheid, dat men vooral in plantenweefsels, die dergelijke cellen bezitten, niet alleen steeds kalk aantreft, maar dat ook de hoeveelheid daarvan, bij toenemenden ouderdom der weefsels vermeerdert. Bovendien zullen de kalk-zouten naar alle waarschijnlijkheid ook meewerken bij de omzetting van stikstofvrije voedingsstoffen in cellulose.

De kalk is meestal aan zuringzuur gebonden in oude organen van de plant, in den kristalvorm afgezet 1) (zie fig. 11). Ook als een zwavelzuur en phosphorzuur zout komt het in hout voor; in laatstgenoemden toestand treft men de kalk bijv. in

1

Daar calcium als koolzure kalk een zoo groot bestanddeel der meeste grondsoorten uitmaakt, nemen de planten dikwijls meer daarvan op dan zij noodig hebben . en zonderen het overtollige daarvan als kristallen van zuringzure knik in bijzondere cellen nf. Leerboek der Planten physiologic ten gebruike bij het Hooger Ondoivijs door Prof. Hugo de Vries. bl. 186. Amsterdam, C. L. Brinkmanquot;. 1880.

-ocr page 98-

«4

het djati- of teakhout aan. De Heer Cordes. Inspecteur van het Boschwezen in Nederlandsch-Indië, doelt dienaangaande mode \'), dat zich „dikwijls gehoele kalkringen van aanzien-„lijke dikte, soms tor dikte van eenige jaarkringen, tot aan-„merkelijke hoogte uitstrekken, of wol is de kalk in zoo „groote hoeveelheid verspreid dat het hout daardoor een geheel „witachtig aanzien verkrijgt.. . . Die kalk vormt zich in allo „doelen van don stam tot nabij het merg; in vele oude boomen „vond ik zelfs het hart van den grond af tot op verscheidene „ellen hoogte met een kolom kalk gevuld .... Bij een schoi-„kundig onderzoek \'door den Heer D. Ples block zulk een „kalkafzotting te bestaan uit phosphorzure kalk.quot;

Dat zulk een g-root kalkgehalte de waarde van sommige exemplaren dezer houtsoort zeer vermindert, behoeft geen betoog.

Magnesia (of magnesiumqxyd) komt in zeer geringe hoeveelheid in het hout voor; volgens eenige onderzoekingen blijkt het magnesiagehalte in het watervrije hout slechts gemiddeld 0.02 % tc bedragen. quot;Wellicht is deze basis in \'t hout ook aan phosphorzuur gebonden.

Ijzer werd als ijzeroxyd in verschillende boutaschsoorten bepaald, maar altijd slechts in geringe hoeveelheden aangetroffen.

Dit metaal dient niet, zooals men zulks voor de overige organische stoffen vooronderstelt, tot de vorming of het vervoer van voedingsstoffen, maar is toch voor den groei indirect onmisbaar, daar het als vast bestanddeel optreedt van het chlorophyl, de groene kleurstof der bladeren, die voor de productie van druivensuiker en zetmeel in de eerste plaats noodzakelijk is. Eon ander metaal,

mangaan, wordt ook als oxyd in grootero hoeveelheden in de asch van verschillende houtsoorten, maar vooral in die van naaldhout aangetroffen.

Het roode mangaanoxyd (MiisO,, de vorm waarin dit bestanddeel door de scheikundigen word bepaald,) maakt in asch

i) De Djati-bosschen op Java; hunne natuur, verspreiding, geschiedenis en exploitatie, door J. W. H. Cordes. (Batavia . Ogilvie amp; Co. 1881) blz. 26.

-ocr page 99-

»5

dor laatstgenoemde houtsoorten tot zelfs 28 %, in loofhoutasch ton hoogste 8 % van het totale asehgchalto uit.

Volgens eenige analyses bedraagt de hoeveelheid mangaan-

oxyd in asch van:

^ [ eiken stanihout (zonder schors)..........2.69%

I beuken „ ( „ „ )..........5-26 0/o

-(berken „ ( „ „ )..........8.66%

4 i stamhout van den fijnen spar ( „ „ )..........23.96 %

1 I „ „ zilverspar ( „ )..........28-56 quot;/„

Waarin de functie van dit element bij den plantengroei bestaat, is een vraagstuk, dat nog op een oplossing wacht; voorloopig\' wordt het als een „toevallig aanwezigquot; bestanddeel der houtsoorten beschouwd.

49. Onder de bestanddeelen der asch treffen wij verder nog verbindingen aan, die in de scheikunde als anorganische zuren worden beschreven.

Zij komen in de plant voor, al dan niet in verbinding met de anorganische bases, die wij zooeven hebben beschouwd.

Een zuur, dat in vrijen toestand in het hout en gedeeltelijk als zoodanig ook in de asch daarvan voorkomt, voor zoover n. 1. bij de verbranding geen verbinding met metaaloxyden werd aangegaan, is het

kiezelzuur. Daar dit zuur \') in alle gronden in groote hoeveelheid wordt aang-etroffen, wordt het tijdens den groei door vele planten in meerder of minder hoeveelheid, en even als kalk, dikwijls in overmaat opgenomen.

Men vindt het niet alleen in de buitenste deelen der planten , in de schors, in de opperhuid der bladen, enz., maar ook in \'t hout, steeds afgezet op de wanden der vezels of cellen, of tusschen hun kleinste deeltjes.

Kiezelzuur dient niet tot vorming van voedingsstoffen, maar waarschijnlijk indirect tot regeling van hun vervoer door

i) Kiezelzuur is het hoofdbestanddeel van zand. In verbinding met bases komt dit zuur in eiken bodem voor; ook in een vorm, waarin het door water gemakkelijk opgelost en door de planten opgenomen wordt.

-ocr page 100-

86

de plant naar dcelcn, waar do voedingsstoffen het meest noodzakelijk zijn. Overal toch, waar het kiezelzuur zich afzet tusschen de kleinste deeltjes der elementen, zullen deze waarschijnlijk in de uitoefening hunner functies verhinderd worden; het zou dus mogelijk kunnen zijn, dat door do kiezelzuur-afzetting enkele transportwegen voor voedingsstoffen werden afgesloten en slechts die geopend of vrij bleven, welke naar de zooevon genoemde plantendeelen voordon.

Vervolgens zal het kiezelzuur, afgezet op verschillende plantendeelen, tot hun vastheid kunnen meêwerken en daarbij tevens hun duurzaamheid vermeerderen. Men heeft toch opgemerkt dat planten, die in den regel rijk aan kiezelzuur zijn en lang aan vernietigende invloeden weêrstand bieden, zeer spoedig door woekerplanten en door insecten worden aangetast, wanneer men kunstmatig de opname van kiezelzuur verhindert. Ook weet men door ervaring in de praktijk, dat hout, hetwelk van boomen van middelbaren leeftijd afstamt, in den regel hot duurzaamst is, terwijl uit onderzoekingen blijkt, dat juist dit hout de grootste hoeveelheid kiezelzuur bezit. Daar bovendien stammen, die honderdtallen van jaren onder water lagen, en wier houtvezels zich meester gemaakt hebben van in \'t water opgelost kiezelzuur, hard en vast, en haast onvergankelijk geworden zijn, is men dus wel verplicht aan te nomen, dat er verband bestaat tusschen het kiezelzuur-gehalte en de duurzaamheid van een of ander plantendeel.

Zonder ook met andere bestanddeelen rekening te houden, is het evenwel niet raadzaam, uit het kiozolzuurgohalte tot de meerdere of mindere mate van duurzaamheid eener houtsoort te besluiten; men bedenke bijv. dat beukenhout en eikenhout, wat duurzaamheid betreft, in hooge mate verschillen—terwijl beukenhout deze eigenschap in veel geringer mate vertoont, heeft het een veel grooter gehalte aan kiezelzuur dan eikenhout.

In \'t algemeen is loofhout rijker aan kiezelzuur dan naaldhout; in de droge houtmassa van 100—150 jarige loofboomen bedraagt het kiezelzuurgohalte Jj quot;/„, terwijl hot van \'t gewicht van even oud naaldhout nog geen -,4,, % uitmaakt.

-ocr page 101-

87

Dit gehalte varieert met en hangt af van den aard van den grond, waarop het hout is gegroeid; bevat deze zeer veel kalk, dan wordt ook zeer veel kalk en weinig kiezel-zuur en omgekeerd wordt uit een kalkarmen bodem een grooter hoeveelheid kiezelzuur dan kalk opgenomen. Kalk en kiezel-zuur schijnen elkaar niet alleen in \'thout, maar in allo deelen der plant te vervangen. Bij het hout gaat deze vervanging door kalk met een vermindering van de duurzaamheid gepaard ; daarin wordt ten minste de verklaring van het verschijnsel gezocht, dat bijv. vurenhout van een sterk kalkhou-denden grond veel geringer duurzaamheid bezit dan dat, hetwelk van gronden afkomstig is, waarin die basis in zeer geringe hoeveelheid wordt aangetroffen.

Uit hetgeen boven is vermeld omtrent de toeneming van het kiezelzuurgohalte in het hout met de vermeerdering dor levensjaren van den boom, kan men tevens het besluit trekken, dat ook het oudere kornhout rijker aan kiezelzuur moet zijn dan het moor jeugdige splint; verschillende onderzoekingen loverden bewijzen voor de juistheid dezer gevolgtrekking.

Hot kiezelzuur schijnt niet in alle elementen van hot hout in gelijke mate voor te komen; dit is zeer duidelijk merkbaar bij houtsoorten, wior asch bij uitzondering veel kiezelzuur bevat, zoo o. a. bij het djatihout \'). Cordes ^ deelt mede, dat zich slechts in de vaten van het djati-kernhout kiezelkorrels bevinden; ook zijn do wanden dor thyllen in deze vaten geheel verkiezeld; maar in do mergstraal- en in do parcnchymcellcn werden, evenmin als in de houtvezels, kiezelkorrels aangetroffen.

Een ander anorganisch zuur, dat voor den opbouw der planten onmisbaar is, n. 1. het

phosphorzuur. komt in verbinding met kali, kalk of magnesia in verschillende plantondoolen voor. Gewoonlijk bevindt het zich in de onmiddellijke nabijheid van het plantoneiwit,

1) Volgens G. Thoms bevat de asch van het hout van Tectona grandis L. (teak-of djatihout) tot ongeveer 25% kiezelzuur. (Versuebsslationen, Dl. XX11I, blz. 419.1879.)

2) De Djati-bosscben op Java. blz. 26.

-ocr page 102-

88

nooit chcmisch daarmede verbonden, maar alleen mechanisch onder deze stof gemengd.

Met betrekking tot de werking van phosphorzuur wordt algemeen dezelfde meening gehuldigd; men gelooft n. 1., dat do ciwitvorming- uit druivensuiker, in opgelosten toestand, in de plant door dit zuur wordt mogelijk gemaakt. Vorvclgons dient het waarschijnlijk als kalizout bij het vervoer dier eiwitstoffen.

In \'t algemeen is phosphorzuur in oudere plantendeelen, dus ook in het hout, in geringe hoeveelheden voorhanden; in \'t stamhout van loofboomen maakt het slechts 0.051 %.irlnaakl-hout een nog geringer deel, n. 1. 0.013% van het gewicht der droge houtmassa uit.

Den regel, dat het phosphorzuurgehalte in oude plantendeelen gering\'er is dan in jongere, zien wij ook bewaarheid door het onderzoek van houtmonsters, die afkomstig zijn van boomen van verschillenden leeftijd. In Wolff\'s Aschenanalysen, Dl. II, is op blz. 78 bijv. jiangegeven het phosphorzuurgehalte der asch van

25-jarig eikenstamhout (wintereik).........•ö.Sy\'Voi

50 „ „ kernhout................ 5.88 quot;/0.

50 „ „ splint...................14.28%.

345 „ „ kernhout................ 2-5 7%.

345 „ „ splint................... 9.27 %

Uit deze tabel is tevens zichtbaar, dat het splint een grooter phosphorzuurgehalte bezit dan het kernhout, hetgeen na het hierboven gezegde ook niet anders verwacht kon worden.

Het teakhout of djatihout maakt een uitzondering op den regel, dat het gehalte aan phosphorzuur in het hout niet aanzienlijk is \'). De kalk, die, volgens de meêdeeling van den Heer Cordes , in zoo groote quantiteiten in dat hout kan worden aangetroffen, komt daarin hoofdzakelijk voor als neutrale

1) Ter vergelijking diene nog de volgende tabel:

phosphorzuurgehalte der asch van beukenkemhout {220 jaar oud) 4.54 %• „ „ r \'bcukensplint ( „ „ r ) 13.21 %• „ „ „ vurenhout j stamhout ) 2.49 %•

r r „ dennenhout ( „ ) 5.05 %•

Ontleend aan Dr. K. Wollff\'s Aschenanalysen.

-ocr page 103-

Sg

phosphorzure kalk \'). Tho.ms vond in dc tcakhoutasch dan ook 29.61 % phosphorzimr.

Zeer belangrijk voor den plantengroei moet ook het

zwavelzuur, in verbinding met verschillende bases, zijn; dit zuur toch levert de zwavel, als een nooit ontbrekend en onmisbaar bestanddeel van de eiwitstoffen. Het komt evenwel in \'t hout in zóó geringe hoeveelheden voor, dat wij verdere meêdeeling daaromtrent hier gerustelijk achterwege kunnen laten.

50. Het grootste gedeelte van deze hier beschreven anor-ganische bestanddeelen, die aan den bodem ontnomen werden, benevens het koolzuur, dat zij aan de lucht onttrekt, heeft de plant noodig voor de vorming van haar organische bestanddeelen. Op welke wijze dit in de plant geschiedt, hoe de processen verloopen, volgens welke organische verbindingen uit de anorganische ontstaan, het zijn vragen, waarop men een volledig antwoord zeer zeker nog lang zal schuldig blijven. En hoe dan verder uit die eenmaal gevormde organische stoffen zich andere ontwikkelen, hoe druivensuiker in zetmeel, hoe zetmeel in cellulose, hoe cellulose in houtstof wordt omgezet, enz. de juiste beantwoording dezer vragen , die nog moeielijker, nog ingewikkelder zijn dan de zooeven gestelde, ligt eveneens nog in een ver verschiet.

Wij knnnen ons met de hypothesen, dienaangaande opgemaakt , en die, zeer zeker met recht steunen op verschillende processen, die de scheikundige in zijn laboratorium naar willekeur kan te voorschijn roepen, hier niet inlaten. Meer doeltreffend komt het ons voor, om , evenals wij dit met de anorganische verbindingen deden, ook de, in de plant en meer in \'t bijzonder in \'t hout, voorkomende organische verbindingen aan een nauwkeuriger beschouwing te onderwerpen, dan dit in \'t Eerste Hoofdstuk mogelijk was-

i) Volgens G. Thoms, bestond de witte kalkaf/.etting in teakhout uit : 80.89 % neutrale phosphorzure kalk.

16.06 % water.

3.05 % houtdeeltjes.

Versuchsstationen. Dl. XXIII, blz. 419.

-ocr page 104-

En als wij nu deze verbindingen achtereenvolgens ter sprake brengen, zal dit geschieden zonder ons te verdiepen in hun chemische constitutie, zonder ons in te laten met al hun eigenschappen; slechts datgene zal met betrekking tot de organische bestanddeelen van het hout worden meêgedeeld, wat o. i. voor den praktikus voornamelijk waarde kan hebben.

Vooraf herinneren wij nog aan \'t feit, dat meest al die bestanddeelen wel koolstof, waterstof en zuurstof bevatten, maar geen stikstof; de eenige stikstofhoudende stof, die in de volgende bladzijden ter behandeling komt, is het reeds meer genoemde planteneiwit.

51. De stof, waaruit de wanden der jeugdige plantencellen altijd bestaan, die ook in oude en vergroeide celwanden nooit ontbreekt en dientengevolge een vast bestanddeel van alle houtcellen en vaten uitmaakt, is de

cellulose of celstof. Zij wordt in de plant, ook in het houtlichaam (cambium) slechts in levende cellen door het protoplasma uit zetmeel gevormd, waarschijnlijk nadat dit vooraf in suiker (druiven-) is omgezet.

Tot op den huldigen dag vermocht de scheikundige nog niet dit proces na te bootsen; wil men dus de celstof in zuiveren toestand verkrijgen , dan schiet er niets anders over dan haar te onttrekken aan verschillende plantendeelen, bijv. katoenvezels, houtvezels, enz., waarin zij in meer of minder zuiveren staat aanwezig is.

Men neemt daarvoor zijn toevlucht tot allerlei oplossende en oxydecrende middelen, waardoor aan deze vezels niet alleen de verschillende organische stoffen onttrokken worden, die tusschen de cellulosedeeltjes zijn afgezet, of als verbindingsmateriaal tusschen de celwanden dienden, maar waardoor ook de organische en anorganische stoffen, die zich op en in de ruimte binnen die wanden bevinden, worden verwijderd. Zoo onttrokken de botanici door oplossende stoffen, als alcohol en aether, en door oxydeerende als salpeterzuur, chroomzuur, bromium, die alle op de cellulose onder gewone omstandigheden en bij voorzichtige behandeling, niet inwerken, al die

-ocr page 105-

9\'

stoffen aan de houtvezels, die tor verdikking hunner wanden of tot hun ouderlingen samenhang hebben bijgedragen. Zóó fabricccrt de industriëel uit hot hout langs chemischen weg, en voornamelijk door de inwerking van kokende loogen (meestal een oplossing van natron in water), de eellulosc, die heden ten dage als houtstof oen der belangrijkste grondstoffen voor de papierindustrie en andere takken van nijverheid uitmaakt.

Boter dan olkc andere plantaardige stof, biedt cellulose weêrstand aan de vernielende (oxydeerende) of oplossende werking van zuren of alcaliën. Slechts wanneer zij zeer geconcentreerd of sterk zijn, of ook, wanneer zij in verdunden toestand geruimen tijd inwerken, tasten deze stoffen ook de cellulose aan, en zetten haar in andere verbindingen om.

Zoo worden bijv. door verschillende zuren (zovitzuur als gas in tegenwoordigheid van water) waterstof en zuurstof aan de cellulose toegevoegd en een nieuwe verbinding gevormd, die onder den naam van hydro-cellulose \') bekend is. Met deze omzetting der cellulose gaat oogenschijnlijk geen verandering van de vezel gepaard; bij nader onderzoek blijkt evenwel, dat de mechanische eigenschappen totaal gewijzigd zijn, en er bijv. van vastheid der vezels geen sprake meer zijn kan. Naar aanleiding van deze ontdekking (in 1881 door Ai.mé Girard) vooronderstelt men, dat ook de vastheidsvermindering der houtvezels aan de lucht, dikwijls voor geen gering deel moet toegeschreven worden aan de langdurige werking van verschillende zuren, die door onze verbrandings-processen en door andere omstandigheden in den damkring geraken.

Zuivere cellulose rot niet, maar wordt door rottende stoffen zeer spoedig in de ontleding meegesleept en in allerlei andere verbindingen omgezet; dit is een feit dat zeer belangrijk is voor tal van nijverheidstakken, waarin de grondstof hout mechanisch ter bewerking komt — zij bevat toch naast cellulose en andere stikstofvrije bestanddeelen, altijd verschillende

1) Men /.ie o. a. onze ineödeeling in \'t\'rijdschrift d. Maatsch. t. 1gt;. v. Nijverheid , Deel VI. Stuk I: Het ontaarden van cellnlose-houdende stoffen, palier, katoen, linnen, en:.

-ocr page 106-

Q2

gemakkelijk rottende, stikstofhoudende stoffen, wanneer geen of een slechte voorbereiding der grondstof aan de bewerking voorafgaat.

Luchtdroog h^ut bestaat gemiddeld voor ongeveer de helft van zijn gewicht uit cellulose; zachte houtsoorten zijn iets rijker aan celstof dan harde, reden waarom ook de eerste voornamelijk als grondstof voor de houtstof-fabrikatie gebruikt worden. Men zie de volgende tabel.

Houtsoorten. Cellulose gehalte.

(luchtdroog).

Ca. 53 %.

» 53 X)gt;

» 54 % gt;

» 56 %.

- 57 %.

A. zachte houtsoorten.

lindenhout.......

grenen „ ......

elzen „ ......

wilgen „ ......

dennen „ ......

B. harde houtsoorten.

eikenhout..............cquot;. 39 %,

beuken ...............gt;1 45 %gt;

buks ........ ; „48 %,

mahonie,,..............„ 49 %■

Do verbindingen , die naast cellulose in de wanden der houtvezels optreden, zullen dus in harde houtsoorten een grooter gedeelte van het gewicht der luchtdroge houtmassa uitmaken dan in de zachte. Onze kennis van deze stoffen is evenwel nog zeer gering en oppervlakkig. Nog voor korten tijd, n. 1. in 1879, werd door Thomsen te Kopenhagen in verschillende houtsoorten een stof ontdekt, die in samenstelling de cellulose zeer nabij kwam. Hij noemt haar Holzgummi,

houtgom. en onttrok dit lichaam aan het gezuiverde hout-weefsel door verdunde koude natronloog \').

Zeer verschillend is het houtgom-gehalte van \'t hout; in naaldhout wordt het bijna niet aangetroffen, in jong loofhout

i) Uit deze oplossing wordt de houtgom door alkohol als een vlokkige witte massa gepraeeipiteerd

-ocr page 107-

meer dan in dat van oude boomen. Ook in \'t splint en in \'t kernhout is de houtgom nu eens gelijkmatig, dan weer zeer ongelijk verdeeld. Thomsen vond in watervrij, in den winter geveld hout van

een ioo-jarigen beuk : 8.2 % houtgom in \'t splint, en 15.9 % in \'t kernliout.

jongen beuk : 13.8 % esch : 9.7%

eik : 14*4 %

kerseboom : 19.3

De houtgom maakt naar alle waarschijnlijkheid een bestanddeel uit van de organische stof, die zich tijdens den groei tusschen de cellulose-deeltjes der houtvezelwanden afzet, en bekend is onder don naam van

houtstof of lignine (blz. 9). De houtstof kan men niet als zoodanig, zooals de cellulose, aan het houtweefsel onttrekken, omdat men geen middel kent, dat haar bij de afscheiding van cellulose niet tegelijkertijd zou ontleden. Zoo kan bijv. dat deel der vezelwanden, waarin cellulose de overhand heeft, wel door inwerking van zwavelzuur of chroomzuur van houtstof bevrijd worden, maar dan is ze opgelost of geoxydeerd.

Hier zij ter loops opgemerkt, dat, wanneer het cellulosege-halte ten opzichte van de hoeveelheid houtstof zeer gering is, zooals bijv. in de buitenlaag der vezelwanden, men genoodzaakt is om ter verwijdering der lig\'nine een zeer sterk oxy-deerend mengsel van chloorzure kali en salpeterzuur aan te wenden; daar de houtstof in deze peripherische wan diagen tevens als verbindingsmiddel der aan elkaar grenzende vezels dienst doet, zal met de verwijdering der houtstof ook de samenhang tusschen de vezels worden opgeheven. Op deze wijze „isoleertquot; men houtvezels, wanneer men ze met behulp van den microscoop nauwkeurig wil leeren kennen \'1).

Het ligninegehalte van, bij 100° C. gedroogd, hout bedraagt

1

Ook met bijtende loogen (kali of natron) kan men houtvezels isoleeren , vooral onder aanwending van druk en hooge temperatuur. Wij herinneren slechts aan de bereiding der houtstof (houtvezels) voor de papierfabrikatie langs chemisehen weg.

-ocr page 108-

94

gemiddeld 50 quot;/, ; bij harde en zware houtsoorten is dit gehalte in den regel grnoter dan bij de zachtere soorten (eikenhout met 51 %, grenenhout met 42%.)

Daar ook de afzetting van houtstof met de ontwikkeling der hoütplanten toeneemt, heeft dit ten gevolge, dat eveneens het oude hout veel meer daarvan bevatten zal dan dat, \'t welk van jeugdige boomen afkomstig is; ook kernhout is rijker aan houtstof dan splint, enz.

Met de verdikking dor celwanden, als een natuurlijk gevolg dezer lignine-afzetting, gaat een groote verandering in hun mechanische eigenschappen gepaard. De zuivere cellulosevezel is, zooals men weet, buigbaar en zacht, bezit een betrekkelijk geringe vastheid, enz.; heeft evenwel een sterke afzetting van houtstof tusschen de celstof-molekulen plaats gevonden, zooals dit in houtvezelwanden het geval is, dan is die buigbaarheid verminderd en zeer gering geworden, terwijl daarentegen de vastheid en do hardheid toenamen.

De geringe buigbaarheid van het gewone werkhout zou zeer zeker beletten, dat het ook langs mochanischen weg, door buiging, vervormd en bijv. als grondstof voor de fabri-katie van gebogen voorwerpen gebezigd werd, indien men niet in den stoom een middel bezat, waardoor de invloed der houtstof grootendeels, hoewel tijdelijk, opgeheven en de buigzaamheid der vezels vermeerderd kon worden. Een toepassing van dit hulpmiddel, op groote schaal, treffen wij aan bij de fabrikatie van gebogen meubels volgens de nieuwste methode van Tho.vet \').

Do vastheid, zeiden wij, neemt toe mot de vermeerderde afzetting der houtstof. Maar op die intussusceptie zijn verschillende omstandigheden van invloed; het zonlicht bevordert haar. — een bodem, die het hout snel doet groeien, en een snelle cellen-vorming veroorzaakt, verhindert daarentegen de

1) De Weener firma Thonet heeft ook te Amsterdam (Kalverslraat, e 66 en 68) een f.ibrieks-ilcpAt gevestigd. Alle voorwerpen en meubels daar aanwezig zijn geheel of voor oen groot deel uit gebogen hout (beukenhout) vervaardigd.

-ocr page 109-

95

sterke afzetting van houtstof. Daaruit wordt het dus verklaarbaar, waarom boomon, die in een gesloten stand zijn gegroeid, oen minder vast houtweefsel leveren, dan die, welke zich geheel vrij ontwikkelden, en waarom het hout van sommige boomsoorten, in een rijken, vetten bodem getooid, van geringer hoedanigheid zijn kan, dan dat hetwelk op schrale gronden werd gevormd.

Dat houtstof door een oplossing van zwavelzure aniline in water, geel gekleurd en haar aanwezigheid daardoor aangetoond kan worden, werd vroeger reeds vermeld (blz. 34). Eigenaardig is ook de kleuring door phloroglucine. Lost men een kristalletje van deze stof in water op, en dompelt men in deze vloeistof een spaander van een of andere houtsoort, dan kleurt deze zich onder den invloed van het licht, bij daaropvolgend bevochtigden met zoutzuur en drogen aan de lucht, eerst lichtrood, vervolgens fraai violet. Wij maakten van deze reactie melding, omdat prof. Wiesner in het celsap van de schors van verschillende boomen en in hun merg phloroglucine ontdekte; dit wordt daaraan waarschijnlijk door het houtweefsel onttrokken, en geeft dan aanleiding tot het optreden der violette kleuring, die men op versche zaagsneden van jonge populiere-, kastanje-en lindestammen, reeds korten tijd na de verdeeling, kan waarnemen. Men bezit tevens in de phloroglucine een uitstekend middel om snel in weefsels, zooals papier, de langs mechanischen weg gefabriceerde houtstof te ontdekken.

Voor practici zal ten slotte de meêdeeling\' niet zonder waarde zijn, dat rottende stoffen in de nabijheid der houtstof, haar nog veel gemakkelijker in de ontleding meeslepen dan dit bij cellulose het geval is. Evenals lignine is ook de

gom, de bruine, meer of minder harde massa, die dikwijls op de schors onzer ooftboomen wordt waargenomen, een product, dat uit do cellulose wordt gevormd. Deze verandering of omzetting der cellulose heeft, zoowel in de schors als in \'thout van pruime- en perzike-, van kerseen abrikozeboomen, alleen dan plaats, wanneer de boomen door een ziekte zijn aangetast, die volgens verschillende onderzoekingen van dr. Beijerisck onder de hoogst besmettelijke

-ocr page 110-

y6

plantenziekten moet gerangschikt worden \'). Do gom, die met ïho.mse.v\'s houtgom eenige overeenkomst heeft, wordt in hot hout slechts aangetroffen in do onmiddellijke nabijheid dor besmette en ontaarde gedeelten; het kan dus niet als een bestanddeel van het gezonde hout worden beschouwd. Dat de waarde der stammen, die hevig en op verschillende plaatsen door deze gomziekte zijn aangetast, voor het technisch gebruik zeer gering moet zijn, behoeft geen betoog.

52. Het aantal der overige organische houtbestanddeelen is niet gering; de hoeveelheid evenwel, waarin elk hunner in \'t hout wordt aangetroffen, is zeer miniem. De anorganische stoffen toch maken in gewicht circa 0.3 % uit van het volkomen watervrije hout; cellulose en houtstof te zamen ongeveer 95 quot;/„i zoodat dus voor al de andere organische verbindingen slechts 4.5 n/0 overblijft.

Die verbindingen stammen gedeeltelijk af van het zoogenaamde „houtsapquot;, gedeeltelijk zijn het meer of minder vaste stoffen, die op de celwanden en in de celholten zich blijve)id hebben afgezet, of daar slechts tijdelijk vertoefden, om later in andere gedeelten der plant als voedingsstoffen op te treden.

Onder de hierbedoelde organische stoffen, die stikstofvrij zijn, noemen wij in de eerste plaats,

zetmeel en druivensuiker. Wij weten reeds dat, en onder welke omstandigheden in de bladeren, ton gevolge eener gelijktijdige ontleding van koolzuur en water door het chlo-rophyl (blz. 28), druivensuiker kan gevormd worden; ook is reeds meêgedeeld dat deze druivensuiker in de plant, door een ons onbekend proces, in zetmeel wordt omgezet

1) Dr. M. W. Beijerinck, Leeraar aan de Rijkslandbouwschool te Wagen in gen, opperde naar aanleiding van zijn ontdekking . in The gar diner\' s chronicle. Dl. XVIII, blz. 396, het denkbeeld om de gomziekte der acacia\'s (Acacia Verek. Guill. et Perott.), kunstmatig te bevorderen , zood;it de productie van gom (Arabische en Senegalgom) door de\'plant niet meer van het toeval afhing. (L\'it de groote overeenkomst tusschen Arabische gom en die onzer ooftboomen , trekt B. liet besluit, dat ook de gomziekte der acacia\'s een besmettelijke is).

Men behoefde slechts op gezonde gedeelten van den stam, of op geheel gave stammen de smetstof over te brengen, om even als B. dit bij onze ooftboomen altijd met goed gevolg deed, de gomziekte door besmetting op te wekken.

-ocr page 111-

97

en dit als rcsorvestof meestal in \'t houtweefsel aanwezig is (blz. 31). Als bewaarplaats doen daar de levende cellen dienst, n. 1. de cellen der mergstralen en van het parehchym. Het vervoer naar en de afvoer uit deze bewaarplaatsen geschiedt, nadat vooraf de kleine zetmeclkorrels in druivonsuiker zijn omgezet.

In \'t voorjaar moeten de bewaarplaatsen oen groot gedeelte der opgezamelde reservestof afstaan; want gedeeltelijk is deze dan in andere deelen van het houtlichaam noodig voor hout- en schorsvorming\', gedeeltelijk wordt ze naar zich ontwikkelende stengeltoppen, jonge bladen en wortels afgevoerd, om ook daar de vorming van nieuwe cellen mog-elijk te maken (omzetting in cellulose). Tegen het einde der maand jNIei wordt de afvoer gestaakt; spoedig daarop noemt do opza-meling van nieuw gevormde reservestof, die op haar beurt in \'t volgende voorjaar zal worden verbruikt, een aanvang om eerst in den herfst met het geel worden der bladeren te eindigen \').

Het hout, dat in de maand Juni geveld wordt, zal dus zeer zeker hot minst zetmeelhoudend zijn.

Het grooter of kleiner zetmeelgehalte van \'thout is nog van een andere omstandigheid afhankelijk. De koolzuur-ontleding in de bladen hangt niet alleen van bladgroonkorrels af, maar o. a. ook van hot licht, aangezien dit de kracht levert, die voor de ontleding wordt vereischt; de hoeveelheid zetmeel, die gevormd en opgezameld kan worden, zal dus zoowel met een meerder of minder aanzienlijke bladvorming

1) Dr. Th. Hartig {Anatomic uud Physiologic der Holzpjlauzcn , Berlin 1879, blz. 113) vooronderstelt, dat het zetmeel in den beginne aan den voet der stammen wordt afgezet; jangzaam schrijdt deze afzetting tot in hoogere deelen voort. De afvoer geschiedt aanvankelijk in \'t voorjaar uit de hoogste stamdeelen. In de lagere deelen van den stam en in \'t kernhout, waar ten allen tijde tamelijk groote hoeveelheden zetmeel worden aangetroffen , wordt dan waarschijnlijk dat zetmeel bewaard, hetwelk in overmaat werd geproduceerd in jaren, die voor de vorming zeer gunstig waren; in schrale jaren wordt dit als voedsel verbruikt. De grond voor deze vooronderstelling vindt H. in het feit, dat zeer schrale, onvruchtbare jaren van geringen invloed op den wasdom der boomen zijn.

-ocr page 112-

q8

toe- on afnemen, maar ook met de grootere of kleinere intensiteit van het licht, dat tot die bladen kan doordringen.

Wij kunnen dus ook met zekerheid verwachten, dat het hout van in den winter gevelde boomen, wier standplaats geheel vrij was (bijv. langs wegen of op open pleinen), meer zetmeel bevatten zal dan dat, hetwelk van boomen afkomstig is, die in hetzelfde jaargetij geveld zijn op een groeiplaats, die minder voor het licht toegankelijk was (in bosschen).

Als reservestof zal ook suiker in het winter- en voorjaarssap van vele boomen aangetroffen worden. Xiet alleen druiven-suiker, maar ook levulose (die zich van druivensuiker onderscheidt, doordat ze veel moeielijker in gisting overgaat, en niet dan zeermoeielijk kristalliseert) komt in het sap van verschillende boomen voor, bijv. in dat van den haagbeuk, den berk en de linde; rietsuiker wordt tot een gehalte van circa 8 quot;ju in het sap van den suikerahorn (Acer saccharinum L.) aangetroffen, en ook voor een zeer geringe hoeveelheid in dat van onze Europeesche ahornsoorten (don gewonen en den rooden eschdoorn) \').

Van een technisch standpunt beschouwd, zijn deze reserve-stoffen van weinig gewicht; de hoeveelheden, die men in \'t hout aantreft, en dan voornamelijk in \'t parenchym van \'t splint en in de mergstralen, zijn te gering. Dat zij eenigen invloed zullen uitoefenen op de duurzaamheid van \'t hout, kan niet worden ontkend; want ovenals het plantenciwit zijn ook deze organische stoffen een gemakkelijk te verteeren voedsel voor verschillende woekerplanten en insecten; de rotting en ontleding van het hout wordt dus door hun aanwezigheid bevorderd (zie Hoofdstuk IV).

Wanneer men het sap der boomen in aanraking brengt met een door lakmoes blauw gekleurd papier, wordt dit zeer spoedig rood; het sap vertoont dus een zure reactie. Deze moet naar alle waarschijnlijkheid toegeschreven worden aan organische zuren, zooals

n Ruim 300000 centenaars ahornsuiker worden jaarlijks in Xoord-Amerika uit het sap van den suikerahorn bereid. Het wordt daar ook geconsumeerd en komt niet in den handel.

-ocr page 113-

99

wijnsteenzuur, zuringzuur, enz., die in vrijen toestand of als zure zouten in verbinding; met kali, kalk en andere bases ook in het houtsap aanwezig zijn. Op welke wijze deze zuren in de planten ontstaan, is nog niet met zekerheid bekend; men gist, dat zij gevormd worden, zoowel door oxydatie van zetmeel en suiker als door ontleding van eiwitstoffen. Zij verbinden zich met de bases der organische zouten, wier zuren, zooals zwavelzuur, salpeterzuur, e. a., nu vrij komen en deel kunnen nemen aan andere processen (bijv. vorming van eiwitstoffen).

In \'t hout treft men zeer dikwijls zuringzuur aan, als kalkzout afgezet, voornamelijk in de cellen van het parenchym en van de mergstralen (fig. 11). Groote kristallen worden bijv. gevonden in de mergstralen van ebbenhout, in de paren-chymcellen van Campèche-hout, pokhout en teakhout. In de asch dezer houtsoorten behoudt de kalk den kristalvorm van het zuringzure zout, niettegenstaande het zuur door de verbranding ontleed, en het daaruit gevormde koolzuur verdreven is.

Do scherpe, wrange smaak \') van eiken-, haagbeuken-, kastanje-, elzen-, mahoniehout, enz. moet evenwel niet aan zuren worden toegeschreven, maar meer aan de aanwezigheid van

looistoffen. Hoewel deze voornamelijk in de schors der stammen voorkomen, worden ook grootere of kleinere hoeveelheden looistof in de mergstraal- en parenchymcellen van vele houtsoorten aangetroffen. De hypothesen ter verklaring van het ontstaan en het doel dezer verbindingen in de plant loopen uiteen; deze beschouwt looistof als een omzettings-produkt van cellulose, gene als een ontledingsprodukt van zetmeel; volgens eenigen is de looistof een der plantenbestand-deelen, die geheel zonder eenige waarde is voor den groei en

i) Voornamelijk in het naaldhout, waarschijnlijk ook in dat der loofboomen komt in geringe hoeveelheid een glucoside voor, n. 1. conifer ine. Deze stof, afgezet tusschen de vezeldeeltjes, verleent een bitteren smaak aan het hout. Dat hout, en vooral naaldhout. door een mengsel van sterk zoutzuur en carbolzuur in quot;t licht eerst groen en na eenigen tijd helder blauw wordt gekleurd , is een gevolg van de aanwezigheid van eoniferine.

-ocr page 114-

IOO

de ontwikkeling van nieuwe cellen, volgens anderen neemt zij wel degelijk, niet minder dan andere reservestoffen, aan dat ontwikkelingsproces deel.

Xiet alleen hot splint, maar ook het kernhout bevat, hoewel in mindere mate, een zeker gehalte aan looistoffen.

Onder alle houtsoorten is dat van den zomereik hot rijkst aan looistof; ze bevindt zich daar voornamelijk in de mergstralen \'); vervolgens wordt hout van den tammen kastanje, den els, den haagbeuk, en onder de naaldhoutsoorten dat van den lork als zeer rijk aan looistof vermeld.

Looistoffen worden ook wel „looizureuquot; genoemd, omdat ze zich evenals zuren gedragen, en bijv. verbindingen met metaal-oxyden aangaan. Onder deze verbindingen kenmerkt zich die met ijzeroxyd door een blauwe kleur (eiken-, wilgenlooistof) of door een donkergroene (elzen-, esschenlooistof). Mon ziet die kleur o. a. te voorschijn komen bij het zagen van eikenhout; reeds door aanraking van de zaag met het hout en de inwerking van het houtsap op het ijzeren of stalen zaagblad wordt er, blijkens de kleuring van het versche snijvlak, looizuur-ijzeroxyd gevormd.

Velen achten het voorkomen van deze looistoffen in hot hout uit een technisch oogpunt niet zonder gewicht. De looistoffen ontleden zich namelijk zeer gemakkelijk door opneming van zuurstof; zoolang looistoffen in het hout aanwezig zijn, zoolang zij de zuurstof gretig absorbeeren zal deze, naar men vooronderstelt, niet kunnen meêwerken tot ontleding van het houtweefsel; de looistoffen zouden dus de ontleding van het hout tegengaan, en daardoor tevens de duurzaamheid er van vorhoogen. Als bewijs voor do juistheid daarvan haalt men in den regel het feit aan, dat twee houtsoorten, eiken- en elzenhout, die onder water en in een vochtigen grond groote duurzaamheid vertooncn, tevens een aanmerkelijk looistofgehalte bezitten.

ri Volgens onderzoekingen van Dr. C. Sanio. Botanische Zeitung. Jaargang 1863, blz. 17.

-ocr page 115-

IOI

Wannoor men evenwel kennis neemt van de onderzoekingen van Hartig \'), wordt men genoodzaakt de bovengenoemde vooronderstelling, ten minste voor zoover ze betrekking heeft op hout, dat aan den invloed dor lucht is blootgesteld, als minder juist te beschouwen. Niet alleen toch wordt dio houtsoort, welke \'t rijkst aan looistof is, n. 1. eikenhout, op stam niets minder dan andere houtsoorten door de parasieten uit het plantenrijk aangetast en vernield, maar het is ook gebleken, dat de looistoffen, evenals eiwit en zetmeel, voedingsstoffen zijn voor woekerplanten — dientengevolge bevordert looistof de ontwikkeling van zwammen, en daarmede indirect de vernietiging van het houtweefsel -).

Men schrijft ook aan een ontleding der looistoffen door de inwerking der lucht de vorming toe van verschillende gekleurde verbindingen, die, op hun beurt, een verkleuring van het weefsel van verschillende houtsoorten veroorzaken (bruin worden van eikenhout in de lucht, enz.).

Veel meer dan de aanwezigheid van een der reeds beschreven bestanddeelen is die van

eiwitstoffen in \'t hout te vreezen. Zij komen steeds in \'t hout voor, zoowel in \'t splint als in \'t kernhout. De levende cellen der mergstralen en van het parenchym bevatten toch protoplasma, dat voornamelijk uit eiwitstoffen is opgebouwd ; en ook de overige houtcellen bezaten in hun jeugd een protoplast, waarvan de bestanddeelen zeker nog voor eer. gedeelte in vezels en vaten zullen zijn achtergebleven.

Voor de vorming dezer stoffen in de plant is in de eerste plaats druivensuiker noodig; zij levert de koolstof, waterstof en zuurstof, die in planteneiwit worden aangetroffen, terwijl de daarin ook voorkomende stikstof en zwavel ontleend worden aan de anorganische stikstof- en zwavelbevattende voedingsstoffen (ammoniak, salpeterzure en zwavelzure zouten).

Phosphor, dien men altijd in de asch van eiwitstoffen aan-

1) r. Hartig. Die Zersetz ungserschcin ungen des Ho hes. Berlin, 1878.

2) Men zie Hoofdstuk IV.

-ocr page 116-

I02

treft in verbinding met verschillende bases (kali, kalk, magnesia) , is in het eiwit niet chemisch gebonden, maar begeleidt dit als phosphorzuur zout, en schijnt voor de eiwitvorming absoluut noodzakelijk te zijn.

De eiwitstoffen worden zoor gemakkelijk ontleed en in allerlei andere verbindingen omgezet; reeds de aanraking met eenigszins vochtige lucht is voldoende om een rottingsproces te doen ontstaan. Eiwitstoffen zijn n. 1. een gemakkelijk verteerbaar voedsel voor allerlei hoogere en lagere zwammen (bacterien), wier kiemen of sporen in grooten getale in de lucht aanwezig zijn. Worden die sporen daaruit afgezet op een of ander lichaam, dat toevallig voor hun ontwikkeling geschikt is, dan zal deze, wanneer ook de temperatuur daarvoor gunstig is, niet lang op zich laten wachten. Hout, dat benevens veel eiwit, ook een zeker watergehalte bevat, is een lichaam, dat uitstekend voor de ontwikkeling van verschillende zwammen geschikt is; en geschiedt dit, dan blijft ook, zooals wij roods vroeger opmerkten, een ontleding, oen rotting van hot hout-woofsel niet achterwege.

Ook vele insecten nemen deze eiwitstoffen met voorliefde als voedsel tot zich; om het te bemachtigen worden door hen gangen in het houtwoofsol aangelegd, en dit in allerlei richtingen doorboord , natuurlijk tot groot nadeel voor do vastheid van hot hout.

Planten en dieren zullen dus hot hunne bijdragon om do duurzaamheid der houtsoorten, die rijk aan eiwitstoffen zijn, te verminderen.

Gemiddeld bevat het hout in den watervrijen toestand slechts i % eiwitstoffen. Jong hout bevat iets moer dan oud hout; het hout van hot worteleind dor stammen dus minder dan dat der topgedeelten , kernhout eveneens iets minder dan splint.

Onder do naaldhoutsoorten bezit grenenhout hot geringste en dennenhout het grootste eiwitgehalte; onder do loofhoutsoorten is vooral beukenhout zeer rijk aan eiwitstoffen. Hot kan ons dus geen verwondering baren, dat, wanneer dennonen beukenhout aan weêr en wind worden blootgesteld, zij een zeer geringen graad van duurzaamheid vertoonon.

-ocr page 117-

,03

Volgens enkele onderzoekingen is het eiwitgehalte van het hout in den winter geringer dan in don zomer; men zal dus aan hout van boomen, die in den winter zijn geveld, een grooter duurzaamheid kunnen toeschrijven dan aan dat, hetwelk van in den zomer gevelde exemplaren afkomstig is.

Met looistoffen, kreosoot en metaaloxyden vormt het eiwit in water onoplosbare verbindingen, die niet geschikt zijn om als voedsel voor woekerplanten en insecten te dienen. Deze eigenschap heeft de praktische mensch zich dan ook ten nutte gemaakt; het vermeerderen der duurzaamheid van het hout, volgens de methoden van Kyan, van Payne, van Boucherie, van Bethell en anderen, berust voornamelijk op het onschadelijk maken van de eiwitstoffen door middel van metaalzouten , als bijv. sublimaat (kwikchloried), kopervitriool (zwavelzuur koporoxyd), of van de zware olie uit steenkolenteer (kreosootolie).

Het spreekt - van zelf, dat dit resultaat, n. 1. een grooterc duurzaamheid, ook verkregen zal worden door zooveel mogelijk de eiwitstoffen uit het hout te verwijderen. Hoe men dit door uitloogen met water of door uitstoomen tracht te bereiken, zal bij de beschrijving der bereiding onzer g-rondstof voor haar mechanische bewerking worden ontvouwd.

Een belangrijke plaats onder de bestanddeelen van vele houtsoorten wordt door de

harsen ingenomen. Zooals ze in de natuur voorkomen, zijn het geen enkelvoudige organische lichamen , maar mengsels van harsen met vluchtige of aetherische oliën, die door allerlei andere stoffen (zetmeelkorrels, houtvezels, enz.) zijn verontreinigd. Over de wijze, waarop de harsen ontstaan, is men nog in \'t onzekere. Naar alle waarschijnlijkheid worden verschillende harsen uit verschillende grondstoffen gevormd, nu eens uit cellulose, dan weêr uit zetmeel, misschien ook uit looistoffen, enz.

Harsen zijn in water onoplosbaar; door verdunde zuren worden zij weinig of in \'t geheel niet aangetast; aan de lucht blootgesteld gaan ze niet tot ontbinding over.

Zijn ze in een houtsoort aanwezig, zoo beschermen zij

-ocr page 118-

I04

deze niet tegen verrotting en beletten de ontwikkeling van woekerplanten niet, maar zij verhinderen , zooals wij later zullen zien , een snelle ontwikkeling der parasieten en vertragen daardoor de ontleding. De houtbedervers onder do insecten schijnen van hars een afkeer te hebben, want bij uitzondering worden harsrijke houtsoorten door den worm aangetast.

Onder de Europeesche boomsoorten leveren ons de naald-boomen een meer of minder harsrijk hout \'). In don regel bevatten dennen (Pinus) een grooter gehalte aan hars dan sparren (Abies); zoowel bet gewone grenenhout (van P. syl-vestris L.) als hot Amcrikaansche (red-, pitch-, en yellow-, pine van P. australis Michx.?) zijn harsrijker dan de naald-houtsoorton, die hier te lande onder den naam van vurenhout (van A. cxcelsa Lam.) en dennenhout (van A. pectinata D.C.) bekend zijn \'1). Niet alleen dus wegens het grooter gehalte aan eiwitstoffen, maar ook door het geringer gehalte aan hars, staan beide laatstgenoemde houtsoorten, waar het de duurzaamheid betreft, bij het grenenhout achter.

Ten slotte zij nog opgemerkt, dat ons aangaandp denaard, do samenstelling on eigenschappen der meeste

houtkleurstoffen zeer weinig bekend is 2). Hot zijn orga-

1

De dikvloeibare gele massa, die bij verwonding uit de schors onzer naaldboomen vloeit, is terpentijn, die gedeeltelijk uit een vaste stof, de pijnhars, gedeeltelijk uit een vluchtige olie, de terpentijnolie, bestaat. De terpentijn wordt, daar zij dik vloeibaar is, onder de balsems gerangschikt, evenals enkele vloeibare harsen uit boomen van tropische gewesten (copaivabalscm, perubalsem, tolubalsem). Zeer rijk aan hars is het pokhout, afkomstig van Guajacum officinale L.; ruim 25% guajac-hars wordt in \'t kern hout van dien in VVest-Indiö voorkomenden boom aangetroffen.

2

Het meest nauwkeurig heeft men de kleurstoffen der verfhoutsoorten onderzocht, die uit de tropische gewesten tot ons komen; dientengevolge is bijv. bekend, dat in het Femambukhout of roodhout (kemhout van Caesalpina echinata Lam.) een kristallijnestof voorkomt, brast line genoemd, die in alcohol en water gemakkelijk oplost en door alcaliön (ammoniak, kali) bloedrood gekleurd wordt; dat in \'t Campéche-hout of blauwhout (kern-hout van Haematoxylon campechianum L.) haematoxyline wordt aangetroffen , eveneens een kristallijn en kleurloos lichaam , dat in de lucht gemakkelijk oxydeert, en dan door alcaltèn , onder blauwklcuring , kan worden opgelost. enz.

-ocr page 119-

105

nische, stikstofvrije stoffen, die waarschijnlijk in \'t celvocht werden gevormd en op de celwanden zijn afgezet.

In \'t hout is de kleurstof niet overal gelijkmatig verspreid; dientengevolge komen in sommige houtsoorten aderen, vlekken, vlammen voor, die voor verschillende toepassingen van \'t hout zeer gewenscht zijn.

Het hardste gedeelte van hot hout bevat in den regel donkerder (moer?) kleurstof dan de zachte doelen ; kernhout is door \'t verschil in kleur van splint, herfsthout daardoor van voorjaarshout te onderscheiden. Zeer dikwijls ontwikkelt de houtkleur zich eerst, wanneer het hout aan de inwerking der lucht is blootgesteld; gewoonlijk worden de kleuren, en dit is vooral bij \'t naaldhout duidelijk waar te nemen, na verloop van tijd veel donkerder dan zij oorspronkelijk waren.

Dat onze inlandsche houtsoorten door geen fraaie kleur uitmunten, en daarin verre achterstaan bij die uit warmer gewesten, is een ieder welbekend. Van hoeveel invloed de luchttemperatuur op de kleur van het hout is, kan o. a. daaruit wojrden opgemaakt, dat het hout van noteboomen, die bij ons te lande of noordelijker zijn gegroeid, veel lichter (bijna wit) van kleur is dan het Italiaansche notoboomenhout, dat om zijn bruine tint en gevlamd uiterlijk door onze meubelmakers zoo hooggeschat wordt.

Wij zullen bij de behandeling van de technische eigenschappen der houtsoorten nog nader op de houtkleur terugkomen.

Andere organische bestanddoelen van het hout, zooals bijv.

bitterstoffen. kunnen wij hier buiten beschouwing laten, omdat zij niet den minsten invloed op de eigenschappen van hot hout schijnen uit te oefenen.

-ocr page 120-

Evenals alle organische stoffen, die aan geen levensproces meer deelnemen, zal ook het hout in den natuurlijken toestand , zooals men in \'t dagelijksch leven zegt, bederven en verrotten, en daardoor geheel of gedeeltelijk de eigenschappen verliezen, waaraan het zijn waarde als grondstof voor de mechanische nijverheid te danken heeft.

Al naar de verschijnsels, die met de houtrotting gepaard gaan, onderscheidt men verschillende soorten van bederf; men spreekt bijv. van droge en natte rotting of vervuring, van verstikking, enz. en schrijft deze verschillende soorten van bederf aan verschillende oorzaken toe. Naar aanleiding van talrijke feiten, die in de laatste jaren ten gevolge van wetenschappelijke onderzoekingen aan \'t licht werden gebracht, moet evenwel de ontaarding, het bederf van het hout, in verreweg de meeste gevallen aan éénzelfde oorzaak worden geweten, n. 1. aan de ontledende werking van allerlei zwammen.

Op hun werking wenschen wij nu in de eerste plaats \'s lezers aandacht te vestigen.

Daarna zullen wij eenige bladzijden wijden aan houtbedervers uit het dierenrijk. Een ieder weet, wat te verstaan is onder hout, dat door den „wormquot; is vernield; maar met betrekking tot de „houtwormenquot; zelve heerschen nog zeer zonderlinge meeningen — zoo zonderling, dat een beschouwing van deze houtvemielers, al is ze dan ook slechts een oppervlakkige, ons hier alleszins gewenscht voorkomt.

Hoe langer het hout weêrstand bieden kan aan de ontledende werking van plant en dier, des te langzamer zal het ontaarden. Verschillende omstandigheden oefenen op dat weêr-standsvermogen invloed uit. Ook dienaangaande zullen wij het een en ander meédeelen, en zoodoende den natuurlijken duur der houtsoorten in \'t volgende Hoofdstuk ter sprake brengen.

-ocr page 121-

VIERDE HOOFDSTUK.

Ontleding of bederf.

53. De natuurlijke duur van het hout na de velling wordt bepaald door de meerdere of mindere snelheid, waarmede eigenschappen, die het voor technische doeleinden zoo uitermate geschikt maken, geheel en al verdwijnen of ten minste in hooge mate verminderen.

Verschillende omstandigheden hebben op het vroeger of later intreden der ontaarding en op de snelheid, waarmede zij voortgaat, een grooten invloed.

Niet alleen toch kunnen de houtsoorten eigenschappen bezitten, die hun een groot weêrstandsvermogen tegen een hoe-danigheidsverandering verleenen, — eigenschappen, die een gevolg zijn van de voorwaarden, die tijdens den groei van het hout waren vervuld, •— maar zij kunnen ook op verschillende wijzen in de techniek toepassing vinden, nu eens in gunstiger dan weêr in ongunstiger toestand verkecren, hier aan weinige, daar aan vele vijanden het hoofd moeten bieden.

Voordat wij de duurzaamheid der houtsoorten onder verschillende omstandigheden kunnen nagaan, moeten wij met de oorzaken der ontaarding zoo goed mogelijk bekend zijn; daarom zij eerst een enkel woord gewijd aan de beantwoording der vraag: waardoor bederft cn vergaai het hout?

54, Reeds meermalen vestigden wij de aandacht op het feit, dat verschillende insecten als houtbedervers optreden.

-ocr page 122-

io8

Hun werking, waarop wij later uitvoerig terugkomen, heeft een vermindering van de vastheid van het houtweefsel ten gevolge; de hoedanigheid van het hout vermindert dus, of m. a. w. het bederft en vergaat ten slotte.

In quot;t dagelijksch leven heeft men evenwel met bederf en vergaan van hout, alleen veranderingen op het oog, die zich, wel is waar, eveneens kenmerken door een vermindering der vastheid van liet hout weefsel, maar die, naar men meent, voornamelijk veroorzaakt worden door de samenwerking van lucht, water en warmte.

Deze meening werd tot op den huidigen dag, voor zooverre ons bekend is, door onze technische schrijvers verkondigd; zij wijkt grootelijks af van die, welke door ons gehuldigd wordt, sedert wij kennis namen van verschillende wetenschappelijke onderzoeking-en, die op het bederf en de rotting van hout betrekking hadden.

In hoeverre de voorstelling, die men zich van het vergaan of verrotten van het hout maakt, afwijkt van die, welke men zich op grond dezer onderzoekingen, daarvan o. i. maken moet, kan uit eene vergelijking het beste blijken.

Wij zullen daarom in de volgende paragraaf kortelijk aanhalen, wat omtrent de ontaarding van het hout wordt vermeld; daardoor zijn wij tevens in de gelegenheid om eenige der meest algemeen voorkomende verschijnsels van rotting bij bouw- en werkhout te beschrijven.

55. Het hout bestaat uit verschillende stoffen, die, de eene gemakkelijker dan de andere, onder de werking van water, van lucht en van warmte tot ontbinding kunnen overgaan. De houtvezels, in den zuiveren toestand, zouden grooten weerstand eian de ontleding bieden; de sapbestanddeelen van het hout zijn evenwel in hoogen graad aan bederf onderhevig en slepen de vezels in het ontledingsproces mede, waardoor hun samenhang verloren gaat en het hout, waarvan zij deel uitmaken, zijn hardheid, vastheid en buigzaamheid verliest. Deze verandering van het hout, door vrijwillige ontleding der sappen, waaraan spoedig de houtvezels deelnemen, wordt verrotten genoemd.

-ocr page 123-

IOQ

Is die ontleding- plaatselijk en beperkt tot \'t binnenste gedeelte van het hout, kan daarbij lucht noch water toetreden , dan noemt men de rotting meer bepaald vervuring \') of droge rotting in tegenoverstelling van natte rotting, die bij een overmaat van vochtigheid plaats heeft, waardoor het hout gelijkmatig en onafgebroken wordt ontleed (bijv. in vochtigen grond).

Terwijl het hout bij de natte rotting meestal een witte kleur aanneemt en witte vlekken vertoont op de aangetaste gedeelten, wordt bij de vervuring het hout meer of minder donkerbruin; het riekt dan onaangenaam en wordt zeer hygroscopisch.

Als een verschijnsel dezer vervuring noemt men o. a.

roode olm of molm-, het wordt meestal in het inwendige van het hout waargenomen. Deze roode olm doet het hout zeer snel ontaarden, en verandert de vezels zoodanig, dat ze gemakkelijk zijn fijn te wrijven. Is het bederf zóóver nog niet gevorderd dan bemerkt men, op een glad geschaafd oppervlak, rosachtige vlekken, die vooral duidelijk te voorschijn komen, wanneer het hout vooraf sterk bevochtigd is.

Ook uileveércn zijn een zeer eigenaardig vervuringsver-schijnsel; op de bedorven plaatsen vertoont het hout bruine vlammen en strepen, met witte streepjes in de richting van den draad, die zoodanig gerangschikt zijn, dat men bij de waarneming onwillekeurig aan een nabootsing van vogel-veêren denkt.

Is het hout door dc \'werking der zuurstof uit de davipkrivgs-lucht bedorven, terwijl water en warmte die werking ondersteunden , is het langzaam geoxydeerd dan zegt men, dat

i) In de vertaling van het Hand buck der ntechan. Technologie van Dr. Karmarsch , door G. KüVPER Hz. (1876, afl. io) , wordt op blz. 723 gezegd:

„De droge rotting, welke bij ons meer in \'t bijzonder den naam draagt van vervuring, openbaart zich bij eene geringer en afwisselend nu eens klimmende dan weder dalende mate van vochtigheid, waarbij derhalve de vernieling bij tusschenpoozen wegens gebrek aan vochtigheid, minder of zelfs afgebroken wordt en over \'t geheel langzamer voortschrijdt (bijv. boven vochtigen grond of in de open lucht; voorts overal waar slecht gedroogd hout verhindering ondervindt in het afzetten van zijn natuurlijke vochtigheid door uitdamping zonder juist van buiten aan natheid te zijn blootgesteld).quot;

-ocr page 124-

I IO

het vermolmd of veritséerd is. Dergelijk hout treft men meermalen in de bosschen aan; het hout van achterg-ebleven stronken en van oude, op stam gestorven boomen, wordt daar op den langen duur gewoonlijk zoodanig veranderd, dat het weinig inspanning kost om het tot poeder te wrijven. Het vermolmde of verweerde hout phosphoriseert meestal zeer sterk; men verklaart dit verschijnsel uit het oxydatieproces, dat het hout bij de vermolming ondergaat, maar, zooals weldra blijken zal, moet het phosphoriseeren aan een geheel andere oorzaak worden toegeschreven.

Vervolgens kan het hout ook verstikken. Wanneer het des zomers een geruimen tijd in de schors in de vrije lucht heeft gelegen, vertoont het hout voornamelijk in de buitenste splintlagen geen natuurlijke kleur meer; het is als het ware „aangeloopenquot;; het splint van esschenhout krijgt een blauwachtig bruine, dat van eikenhout een donkerbruine, en dat van naaldhout een grauwachtig blauwe kleur. Wordt dergelijk hout niet spoedig van do schors bevrijd en snel uitgedroogd, dan verliest het weldra zijn vastheid en geheel en al zijn oorspronkelijke kleur. Als oorzaak van dit bederf wordt de gisting der sappen aangegeven.

Enkele houtsoorten, vooral esschenhout, verliezen hun vastheid op die plaatsen, waar bijv. ijzeren of andere beslagen worden aangebracht; bij den minsten stoot kan het, na wegneming van het beslag, op die ontaarde gedeelten glad en zonder splinteren afbreken. Ook dit verschijnsel wordt aan verstikken (of slapen) toegeschreven.

Ten slotte wordt ook het hout in sommige gevallen bedorven door de -verking van huiszwam, duivelsbrood of paddestoelen. Deze gewassen ontstaan op, en groeien ten koste van het hout in dompige plaatsen, waar de lucht zeer vochtig is en zelden ververscht wordt; zoo bijv. op vloerbalken, houtwerk in kelders enz.

56. Wij hebben hiermede, en naiir wij meenen nauwkeurig, al datgene meegedeeld, wat in onze technische boeken omtrent het rotten of vergaan van het hout wordt geleerd. Daaruit

-ocr page 125-

I 11

volgft, en geen andere gevolgtrekking is o. i. mogelijk, dat men de hoofdoorzaak van het houtbederf zoekt in de werking der zuurstof; zij werkt vernietigend en ontledend, gedeeltelijk in den vrijen toestand (zuurstof uit de lucht bij vervuring, vermolming, enz.), gedeeltelijk in den gebonden toestand (zuurstof uit het water bij natte rotting, enz.); haar werking wordt door warmte ondersteund.

Wanneer men evenwel geen vreemdeling is op het gebied der wetenschap van onze dagen dan kan men zich met bovenstaande verklaringen en ophelderingen aangaande houtbederf moeielijk meer tevreden stellen.

Overal toch, waar in de natuur organische stoffen tot ontleding overgaan, overal, waar bederf heerscht, moet die ontleding of dat bederf, volgens den hedendaagschen stand der wetenschap toegeschreven worden aan de werking van zwammen; zoo ook het bederf van het hout. In de uitkomsten van talrijke onderzoekingen bezitten wij even zoovele bewijzen voor de juistheid der stelling, dat de rotting van het hout, de ontaarding van het weefsel, hoofdzakelijk door zwam-werking wordt veroorzaakt. Een verklaring van die werking op het hout moge nu volgen.

57. Zwammen zijn plantjes, die zich niet door zaden, maar door sporen voortplanten \'). Zij kenmerken zich door de afwezigheid van bladgroen. Dientengevolge zijn zij niet in staat om anorganische stoffen in organisch voedsel om te zetten; daar dit evenwel voor hun ontwikkeling, voor hun leven, onvoorwaardelijk noodig is, moeten de zwammen het zich op andere wijzen verschaffen. Zij ontnemen daarom die organische stoffen aan levende of doode planten of dieren, of aan voortbrengselen uit het planten- en dierenrijk afkomstig; voor zooverre zij woekeren op levende organismen rangschikt men de zwammen onder de ware woekerplanten; zoo zij hun voedsel aan andere organische lichamen onttrekken, noemt men ze afvalplantcn.

i) Deze zwamsporen zijn gewoonlijk zeer kleine ééncellige lichaampjes van nagtmoeg bolvormige gedaante; de celwand omsluit een protoplast.

-ocr page 126-

Deze plantjes zijn ook niet alle evenzeer ontwikkeld; sommige hebben een zeer eenvoudige gedaante, en bestaan slechts uit één enkele cel, bijv. splijtzioatiDiien of bacterieu, andere bezitten een zeer samengesteld maaksel, zoo bijv. de ware zwammen, waartoe o. a. onze gewone huiszwam behoort \').

De zwammen, die op hout zijn waargenomen, of die, waarvan de ontledende werking op het hout bekend is, behooren zoowel tot de hooger als tot de lager georganiseerde soorten. Gedeeltelijk zijn deze houtzwammen woekerplanten, gedeeltelijk afvalplanten, want zoowel het hout, dat nog deel uitmaakt van den levenden stam als dat, hetwelk bewerkt of ter bewerking voorbereid is. is aan hun aanvallen blootgesteld.

Zooals opgemerkt is, planten deze zwammen zich voort door sporen; door hun gering gewicht worden deze natuurlijk uiterst gemakkelijk van de plaatsen, waar zij door de moederplant werden voortgebracht, door de lucht en door het water weggevoerd, en daaruit ten slotte op het oppervlak van het een of ander lichaam afgezet. Zijn de omstandigheden nu gunstig, kunnen aan dit lichaam stoffen onttrokken worden, die de zwam ter voeding noodig heeft, zijn vochtigheid en warmte voldoende, dan ontwikkelen zich de sporen.

Die ontwikkeling begint bij de ware zwammen met de vorming van draden, die uit in de lengte gerekte cellen bestaan ; deze draden, het mycelium der zwam genoemd, dringen in het lichaam of in het voorwerp, waarop de sporen toevallig werden afgezet, nemen al het voedsel tot zich, dat zij op hun weg ontmoeten, en maken daardoor den verderen groei der zwamplant mogelijk; de functie dezer draden komt dus overeen met die der wortels van andere planten.

Maar behalve dit mycelium, of het vegetatieve gedeelte der plant, ontwikkelt zich aan het oppervlak van het lichaam,

i) De plantenkundigen onderscheiden vijf hoofdgroepen van zwammen : iquot;. splijtzwammen , 2quot;. gistzwammen, 30. slijmzwammen , 4quot;, draadzwammen en 5quot;. ware zwammen. Tot do laatste groep behoort de zoozeer gevreesde huiszwam (Merullus lacrymans Schuin.).

-ocr page 127-

waarop «lo zwam woekert, meestal nog\' een vruchtlichaam, waarin do sporen ontstaan. De vorming van dit generatieve zwamdeel kan gedurende langen tijd achterwege blijven; het is dus mogelijk, dat het mycelium zich reeds krachtdadig in het hout hoeft doen gelden, vóór men aan het oppervlak de aanwezigheid van zwammen bespeurt \').

Het ontstaan van vruchtlichamen cn de vorming van sporen zullen hier verder geen punten tor behandeling uitmaken; alleen zullen door eenige voorbeelden de ontwikkeling in en de werking van hot mycelium op hot houtweefsel worden toegelicht.

Wij maken daartoe gebruik van mededeelingcn van prof. Hartig, betreffende zijn onderzoekingen van ontledingsver-schijnsels, die men bij verschillende houtsoorten waarneemt, en met de namen droge en nn/tc rotting, vervuring, enz. bestempelt 1).

58. Met behulp der figuren op de Plaat zullen wij dan in de eerste plaats de werking trachten duidelijk te maken van een zwam, die o. a. het hout van den fijnen spar vernielt, en bij de botanici onder den naam Polyporns minosus Fries bekend is.

De sporen, waaruit deze zwam ontstaat, zijn in fig. VI zeer vergroot afgebeeld, en hebben een eivormige gedaante; hun

1

Die /ersrtziiiigscrsc/ieiiiitHgen des Holzes der Nadelh. I\'Junime undder Fichte in forst-licher, botanifdicr und cheniischer Richtnng, von dr. R. IfAKTn;. Berlin, Verlag von J. Sprin\'-.f.r , 187-;.

-ocr page 128-

114

grootste afmeting bedraagt 0,005 m.M. Wanneer deze sporen op een spar ontkiemen, en het mycelium het hout bereikt, ontwikkelt zich dit in den beginne in de richting der merg-stralen en wel in \'t bijzonder in do cellen dier mergstralen (fig. Ia). De eiwitstoffen, die zich daar bevinden, worden onder den invloed dor myceliumdraden in een bruine vloeistof veranderd, waardoor het geelachtig witte hout, ter plaatse waar zich de aangetaste mergstralen bevinden, een violette tint aanneemt (fig. I).

Door het vele voedsel in deze cellen tiert de plant zeer welig, en ontwikkelen zich nog meer draden. Is de bruine vloeistof ten slotte geheel verteerd, dan verdwijnt de violette kleur, om plaats te maken voor een aanvankelijk lichtgele kleur met violetten zoom, die later in een bruine kleur overgaat; gelijktijdig komen ook in het hout. en vooral in het losse voorjaarshout, talrijke kleine zwarte vlekjes te voorschijn, die voornamelijk op een tangentiale doorsnede zeer duidelijk zijn waar te nemen (fig. II). De draden hebben zich namelijk, toon het voedsel in de mergstraalcellen ten einde raakte, een uit-weg gebaand, en drongen door de aangrenzende wanden der tracheïde-vezels, omdat, waarschijnlijk door openingen, die door een enkelen myceliumdraad waren geboord, een gedeelte der bruine vloeistof uit de mergstraalcellen in de vezelholten was overgevloeid. In die holten ontwikkelen do draden zich nu ook weêr bij uitstek; zij nemen het voedsel op, vertakken zich , en vullen de ruimten in de vezels soms geheel en al aan (fig. Ha). Die groepen van opeengehoopte myceliumdraden vormen de zwarte stipjes of vlekjes, waarvan wij zoo even melding maakten.

Is nu de voedende stof uit de vezelholte ook opgenomen, dan tasten de myceliumdraden, wanneer zij niet afsterven, hetwelk met hot verdwijnen van zwarte stipjes gepaard gaat, ook eindelijk de vezehvanden zelve aan. Geschiedt dit, dan worden het eerst de stoffen verwijderd, die, zooals houtgom , houtstof, enz., tusschen de cellulose-deeltjes der wanden zijn afgezet; de cellulose wordt dus als \'t ware van vreemde be-

-ocr page 129-

i 15

standdeelen gereinigd \'). Deze ontlcdingspcriode wordt op\'t hout merkba.ir, doordat zich rondom de zwarte vlekjes witte randen vormen (fig. III). Door de nieuwe werking van \'t mycelium wordt vooral de buitenste wandlaag der vezels getroffen (zie blz. g); deze verdwijnt zeer spoedig geheel en al, zoodat do samenhang der vezels geheel wordt verbroken (fig. Ilia; recht-sche gedeelte). De cellulose biedt dus wel zeer lang weerstand aan de vernieling, maar wordt toch ten slotte ook aangetast.

De witte vlekjes op het hout breiden zich bij \'t voortgaan der ontleding al meer en meer uit, en vloeien eindelijk samen, zoodat dan in het vastere herfsthout slechts een witachtige, zeer losse massa overblijft (fig. IV en IVa).

Een schematische voorstelling van de ontleding der vezel-wanden door de zwammen, ter plaatse waar de witte vlekken gevormd worden, geeft fig. VII. Van b tot g zijn daar tracheïden op dwarsche doorsnede afgebeeld, die zich in verschillende stadiën van ontleding bevinden; de g\'ele kleur wijst op de aanwezigheid van hnutstof, m. a. w. op onaangetaste wanddeelen. Bij a is de vezel in den normalen toestand afgebeeld; in b is de wand reeds eenigszins aangetast, de houtstof verdwijnt gedeeltelijk, en daarmede, in de figuur, de gele kleur. De wanddikte blijft evenwel bij verdere ontleding (c, d) dezelfde, zoodat van een bepaalde oplossing van dien wand nog geen sprake is. Eindelijk is ook in e do buitenste wandlaag, de verbindingslaag der vezels, geheel in cellulose omgezet of van houtstof gereinigd. Nu begint de eigenlijke vernietiging mot de verwijdering dezer verbindingslaag; ze gaat langzaam naar het inwendige van de vezel voort, al meer en meer wordt de zuivere cellulose verwijderd, totdat van den vezelwand ten slotte niets meer dan het geraamte overblijft, dat in de figuur door g wordt aangegeven.

1

Hartig oppert nog een andere meening omtrent de werking der zwammen in deze periode der ontleding. Het kan volgens hem ook mogelijk zijn . dat de lignine en andere stoffen, die zich tusschen de cellulose-deeltjes hebben afgezet, door een chemische werking fier zwammen wèer in cellulose worden omgezet — dat dus de zwammen een proces veroorzaken, tegengesteld aan dat. waardoor houtstof uit cellulose wordt gevormd.

-ocr page 130-

116

Van uit de deelen van het hout weefsel, waar zich do witte vlekken vertoonen, ontwikkelen de myceliumdraden zich verder in do draadrichting van het hout.

De vernieling der vezels geschiedt op de plaatsen, die zich niet in de onmiddellijke nabijheid der witte vlekken bevinden, op cenigszins andere wijze als zooeven werd geschetst. Hot rechtsche gedeelte van figuur VII geeft daarvan een duidelijke voorstelling. Men ziet, wanneer men de celwandontaarding van a langs h, i, k, enz. tot p volgt, dat zij langzaam van binnen naar buiten voortgaat. Do omzetting van houtstof in cellulose, of de verwijdering der houtstof, wordt nu direct gevolgd door een totale oplossing van het aangetaste wand-laagje; in dit geval gaat dus de vernietiging dor centrale deelen van den vezelwand aan die der periphorische vooraf.

Eigenaardig is de verhouding van hars of terpentijn in het vurenhout tegenover de ontledende werking der zwamdraden. Dit bestanddeel ontwijkt n. 1. uit de aangetaste cellen, trekt zich eerst naar \'t herfsthout, en wanneer dit vernield wordt, naar de buitenste splintlagen terug. Maar zeer gemakkelijk wordt de terpentijn niet teruggedrongen; slechts uiterst langzaam verplaatsen hare deeltjes zich, zoodat dientengevolge de ontleding niet zoo snel kan voortgaan, als zonder de aanwezigheid van genoemde stof hot geval zou zijn.

59. De vernieling van het hout der loofboomen door de zwammen komt in hoofdzaak met die van hot naaldhout overeen. Toch zullen wij nog door een enkel voorbeeld de werking nagaan van een andere Polyporus-soort op loofhout, omdat wij daardoor tevens in de gelegenheid zijn, om het ontstaan der zoogenaamde „maanringenquot; toe te lichten (blz. 63).

De Polyporus igniaruts Fr. is een zwam, die het meest algemeen op eikenhout, maar ook op dat van ooftboomen, van beuken, haagbeuken, wilgen en populieren woekert.

Wanneer sporen dezer zwam zich op eiken ontwikkelen, dringt het mycelium zeer spoedig door de schors in het splint. Hier maakt zich de aanwezigheid van mycelium weldra kenbaar door de klexirveranderingen. die de buitenste houtlagen

-ocr page 131-

117

ondergaan; het splintweefsel wordt donkerbruin cn ten slotte yeelachtig wit.

Een doel der mycoliumdraden ontwikkelt zich verder in de draadrichting van het splint, enkele vertakkingen richten zich ook naar hot hart van den boom, en taston eindelijk het kernhout aan; dit wordt in \'t begin dor ontleding iets bruinor van kleur, eindelijk, evenals \'t splint, geelachtig wit gekleurd. Heeft de ontleding van \'t kernhout zich zoover uitgebreid, dat deze geelachtig witte kleur over de breedte van eenige jaarringen, \'t zij langs hun geheelen omtrek, \'t zij slechts langs een gedeelte er van, waargenomen wordt, vertoonen zich daardoor in het kernhout jaarringen, die nagenoeg dezelfde kleur hebben als het splint, dan vormen deze het zoogenaamd „dubbel splintquot; of een „maanring.quot;

Dikwijls is de kleur in alle deelen van een maanring niet dezelfde. Het mycelium ontwikkelt zich namelijk met voorliefde inde vaten, en daarom wordt dat gedeelte van het houtweefsel, waarin zich do meeste vaten bevinden, bij eikenhout dus het voorjaarshout — het sterkst door de zwam aangetast; dc voorjaarslagen der jaarringen vertoonen dientengevolge reeds de geelwitte kleur, terwijl het najaarshout nog een bruine kleur bezit. Men vergelijke met deze beschrijving fig. V der Plaat, die een gedeelte van een dergelijken, nog niet voltooiden maanring in eikenhout voorstelt.

De bruine ringen, die men bij het begin der ontleding in den maanring waarneemt, verdwijnen met hot voortgaan der ontleding in het herfsthout, zoodat ton slotte de gele kleur met geen andere meer afwisselt.

Op welke wijze werden nu door dc myceliumdradon dc beschreven kleurveranderingen veroorzaakt?

De draden ontwikkelen zich weêr het eerst in do merg-straalcellen. De looistof, die zich daarin bevindt, wordt zeer spoedig opgenomen zonder voorafgaande omzetting in andere stoffen. Het bewijs daarvoor vindt Hartig in de omstandigheid, dat de mycoliumdraden, die in de mergstraalcellen zoo welig groeiden, door een oplossing van ijzerchloried donker-

-ocr page 132-

118

blauw worden gekleurd, en dus de reactie vertoonen, die voor looistof uit eikenhout kenmerkend is.

Deze waarneming verdient wel onze aandacht: or volgt n. 1. ten duidelijkste uit, dat

10 de looistoffen niet, zooals men meende, altijd conser-veerend in het hout werken; integendeel, waar het de ontleding door hoogere zwammen betreft, zal deze in den levenden boom worden bevorderd, daar looistoffen als voedsel door de zwammen worden opgenomen; en dat 2quot; do werking dezer cryptogamen op het hout, in zoover zij de bestanddeelen daarvan doen verdwijnen, geen zuiver chemische is.

Voor quot;t overige is de werking der myceliumdradcn van deze zwam in het eikenhout nagenoeg gelijk aan die van P. annosus in dat van den fijnen spar.

Ook hier worden nu, na de verwijdering van looistof, de organische stoffen, die zich in de mergstraalcellen bevinden (zetmeel, suiker, enz.), in een bruine vloeistof veranderd, die aan het houtweefsel een bruine kleur meêdeelt. Is deze vloeistof opgeteerd, heeft ze tot voedsel gestrekt, dan boren zich dunne takken der myceliumdraden door de wanden der omliggende vezels, bij voorkeur door die der tracheïden. Daarin begint nu eenzelfde proces als dat, hetwelk wij, in verband met het rechtsche gedeelte van fig. Vil, beschreven hebben : vóór hun totale oplossing worden de vezelwanden laagsgewijze van binnen naar buiten van houtstof gereinigd, en daardoor wordt de aanvankelijk bruine kleur van het aangetaste hout togen het einde van het ontledingsproces door een lichtgele kleur vervangen.

Met betrekking tot deze kleur zij nog opgemerkt, dat zij in de lucht wordt gewijzigd, omdat dan door den grooten toevoer van lucht het mycelium zich weelderig aan het oppervlak van het hout ontwikkelt; een versch snijvlak van door de zwam aangetast hout vertoont daardoor spoedig een donkergele kleur, die van de talrijke myceliumdraden afkomstig is.

-ocr page 133-

ng

Wij meenen met deze v oorbeelden de ontwikkeling\' en den vernielenden invloed van het mycelium der ware zwammen op het hout genoegzaam te hebben toegelicht; hetg\'cen overigens met betrekking- tot de werking der zwammen bekend is, zal, voor zoover dit hier van belang kan worden geacht, ten slotte in alg^emeene trekken worden geschetst.

60. Volgens de uitkomsten van verschillende wetenschappelijke onderzoekingen, op enkele waarvan hierboven do aandacht gevestigd werd, behooren de zwammen, die het hout aantasten en doen ontaarden, voornamelijk tot de hoogst ontwikkelde zwamsoorten.

Do zuare zwammen deelen aan het hout, tijdens de ontwikkeling van het mycelium, allerlei kleuren mede, zoowel een roode en geelbruine, die bij de zoogenoemde „nattequot; rotting, als oen gele en witte, die bij de „drogequot; rotting te voorschijn komt. De wijze, waarop het hout zal ontleed worden, m. a. w. of dit de verschijnsels van droge of van natte rotting vertoonen zal, hangt, voor zoover dit geschiedt door de ware zwammen, van de eigenschappen der zwamsoort af, en niet, zooals men meende, alleen of nagenoeg alleen van uitwendige invloeden, als meer of minder gemakkelijke toetreding van lucht, hooger of lager luchttemperatuur, grooter of kleiner vochtigheidsgehalte, enz.

De ontwikkeling der myceliumdraden in het hout geschiedt ten koste van de daar voorhanden eiwitstoffen, phosphaten, koolhydraten (zetmeel, suiker), enz., — allen stoffen, die als voedsel door de zwammen worden opgenomen. Om dit voedsel te bereiken, worden zelfs de dikste vezel- en vatwanden doorboord , en deze, nadat al het verteerbare, wat zij omsloten, is opgenomen, ten slotte zelf meer of minder krachtdadig door het mycelium aangetast.

De verwijdering der bestanddeelen van de vaste houtmassa kan op tweëerlei wijze geschieden; óf zij worden als zoodanig door de vegetatieve werktuigen der zwammen opgenomen, die daaruit, onder afscheiding van koolzuur, de produkten vormen, die zij voor hun ontwikkeling behoeven, of zij worden vooraf in andere verbindingen omgezet. Hoewel de scheikun-

-ocr page 134-

dige processen, die bij deze ontleding\' van hot hout voorkomen, zeer ingewikkeld moeten zijn, wijzen de scheikundige analysen toch weinig of geen verschil aan in de samenstelling van gezond en rot hout, wat het gehalte aan waterstof, zuurstof en koolstof betreft.

Maar niet alleen aan de schadelijke werking van deze hoog ontwikkelde zwammen staan de houtsoorten bloot.

Afdalend in de reeks der zwamgroepen, zooals die door de botanici is opgesteld (zie de noot op blz. i i 2), ontmoeten wij, bijv. in de groep der drnadzwami/tcn, niet minder houtver-nielende soorten. Daartoe behooren o. a. zwammen, die in vermolmd hout werkzaam, en oorzaak zijn van do phospho-rescentie, waarvan in vorige bladzijden met een enkol woord werd gesproken; hot lichten van dit hout, dat men vooral bij vochtige luchtgesteldheid waarneemt, wordt veroorzaakt door myceliumdraden, want worden do zwammen gedood, dan blijkt, dat met hun leven ook het lichtgevend vermogen van het vermolmde hout verdwenen is.

De zwammen, die wij hier op \'t oog hebben, worden in \'t dagelijksch leven mot den naam van schimmels bestempeld. Om te kunnen loven, behoeven deze schimmels zuurstof, en dus lucht. De sporen, die zich uit de lucht op hout hebben neergezet, ontwikkelen zich bij voldoende warmte en vochtigheid , en werken oxydeerend, langzaam verbrandend, doordat zij de zuurstof op de bestanddeelen van het hout overbrengen; hoe ruimer de luchttoevoer is, des te sneller is hun ontwik-koling en werking. De organische stoffen worden daardoor langzaam ontleed, en in een bruine of zwarte humusachtige massa omgezet; de anorganische blijven onaangetast.

Nog verder afdalend in de zwammenreeks naderen wij eindelijk tot de groep dor splijtzwammen of baciericn. In deze groep, waarin de mensch zijn grootste vijanden (ziekteverwekkende bacteriën) moot zoeken, treft men ook zwammen aan, die een vernietigende werking op het hout uitoefenen. In stilstaande wateren , in poelen en moerassen kan het hout, zdoals bekend is. niet minder gemakkelijk dan in de

-ocr page 135-

12 I

lucht worden ontleed. Men treft in die wateren zwammen aan, uit korte cilindrische cellen bestaande, wier werking (in water) daarin bestaat, dat zij cellulose omzetten in een of andere voor hen gemakkelijk verteerbare stof, die ten slotte in koolzuur en in zoogenaamd „moerasgasquot; \') wordt ontbonden. Wanneer deze zwammen in groot aantal voorhanden zijn, en er weinig ander voedsel meer aanwezig is, dan tasten zij ook hout aan, en ontleden dit op de beschreven wijze.

In den regel oefenen verschillende zwamsoorten, achtereenvolgens of tegelijkertijd, hun ontledende werking op het hout uit; daardoor zijn de processen, die bij de rotting optreden, dikwijls uitermate sameng\'esteld. De taak van den onderzoeker dezer ontledingsprocessen wordt dientengevolge zeer bemoeilijkt, en zeer zeker zullen nog vele jaren verloopen, voor men van alle verschijnsels met betrekking tot de houtrotting nauwkeurige, op wetenschappelijke onderzoekingen gegronde verklaringen zal kunnen geven.

61. Maar nog langs een anderen weg komt do ontaarding van hot hout tot stand.

Wij gewaagden cr reeds meermalen van, dat verschillende bestanddeelen, in sommige gevallen zelfs die der vezel- en vat-wanden, de aangewezen voedingsstoffen zijn voor allerlei dieren.

De houtbedervers uit het dierenrijk behooren, met weinige uitzonderingen, tot de groote afdeeling der gelede dieren, en meer bepaald tot de klasse der insecten.

Het meerendeel dezer insecten ondergaat, voor zij zich geheel ontwikkeld hebben, een volkomen gedaanteverwisseling. Zij komen n. 1. uit het ei als larve of masker onder een gedaante, geheel verschillend van die, welke het volmaakte insect bezit: in dien toestand zijn zij voor de paring geheel ongeschikt, en leven oogenschijnlijk slechts om zich te voeden.

Dan zijn zij ook in het hout het meest gevreesd. Door do zorg van het moederinsect vinden do larven der houtbedervers

i) De gasblazen. die somwijlen in grooten gct.ile uit de modder onzer grachten en slooten opstijgen , bestaan voor oen groot gedeelte uit dit ontledingsprodukt.

-ocr page 136-

wel vooJscl in dc onmiddellijke nabijheid van de plaats, waar zij uit \'t ei zijn gekropen (in en onder de schors der boomen), maar is dit verteerd, dan zoeken zij nieuwe voedingsstoffen op, en boren daarvoor in \'t hout tal van gangen van groo-ter en kleiner diameter.

Uit de larve vormt zich een pop, waaruit zich het volkomen insect ontwikkelt, dat in staat is zijn geslacht voort te planten, Is er genoeg voedsel in \'t hout aanwezig, dan blijft hot dikwijls daarin voortleven, en maakt zich nieuwe gangen; dikwijls ook verlaat het de geboorteplaats, en laat slechts duidelijke sporen van zijn verblijt achter, n. 1. grooter of kleiner gaten aan het houtoppervlak, die al dan niet met houtmecl zijn gevuld.

62. De klasse der insecten wordt door de dierenkundigen in verschillende orden verdeeld, waaronder vooral die der schild-vleugeligen (torren of kevers), der vliesvleugeligen (o. a. wespen) en der schubvleugeligen (vlinders) dieren opleveren, die als houtbedervers geboekt staan. Groot is het aantal daarvan, dat hout gedeeltelijk als woon- en broedplajits kiest, en ook het noo-dige voedsel daar vinden kan. Omdat de grootste hoeveelheden der voedingsstoffen in het splint aanwezig zijn, treft men de houtbedervende insecten ook meer in de jongere houtlagen dan in \'t kernhout aan. Zoolang de insecten, om tot dit voedsel te geraken, het houtweefsel, bijv. van een gevelden stam, slechts in de nabijheid van het cambium aantasten, en tusschen schors en splint hun gangen boren, is dit uit een technisch oogpunt zeer onschadelijk; alleen wanneer zij geschikte broedplaatsen of verblijven voor den wintertijd aanleggen, daarvoor gangen graven in de richting van het splint naar den mergkoker, en van daar uit nieuwe gangen openen, is hun werking meer te duchten.

Dit zij opgemerkt, dat de insecten in den regel slechts die boomen, of die stammen tot hun woon- of broedplaats uitkiezen, waarvan het hout niet meer gaaf is, maar meer of minder door parasieten uit \'t plantenrijk is aangetast; is dergelijk hout evenwel niet voorhanden, of zijn de insecten in groot aantal aanwezig, dan vallen zij ook op gezond hout aan. Geen enkel

-ocr page 137-

natuurlijk bestanddeel van het hout weert hen , met uitzondering\', naar het schijnt, van hars; gevold naaldhout, dat zeer har.srijk is, heeft weinig van insecten te lijden.

Wij zullen door enkele voorbeelden de werking der insecten , of „van den wormquot;, zooals men in \'t dagelijksch leven zegt, \') nader toelichten, en ons daarbij niet bepalen tot de „wörmenquot;, die slechts in bouw- en werkhout worden aangetroffen , maar ook de aandacht vestigen op die, welke \'t levend hout, het hout op stam, vernielen -). Voor een zeer nauwkeu-rige beschrijving van de houtbedervors, die hier nu ter sprake komen, moet naar de boeken over insectenkunde worden verwezen.

63. Onder de verschillende families der schüdvleugeligen is die der schorskcvers zeer schadelijk voor de op stam staande boomen; zoowel de volkomen insecten, de kevers, als hun larven, boren door middel van de stevige kaken gangen in

1) De larven gelijken, wat hun lichaamsvorm betreft, zeer veel op een worm (veel jaren geleden werden zij ook als „wormenquot; beschreven); aan deze gelijkenis is het ie danken, dat men nog altijd van den „wormquot; in \'t hout spreekt, en het hout,dat door insecten , hetzij door \'t volkomen insect of door zijn larve is aangetast, „wormstekigquot; noemt.

2) In Hoofdstuk XV van den Instmctit-Inventaris voor de Artillerie der Landmacht, (Breda, 1881), wordt onder de Algem. Ophelderingen omtrent Constmctiehout meegedeeld;

blz. 126. „Het op den stam staande Ht. (hout) heeft dikwijls reeds gebreken . die aan het gevelde Ht. nadeel doen. Deze zijn hoofdzakelijk:............

blz. 128. 6quot;. I Ffrw, die wordt onderscheiden in G. (grooten), KL (kleinen) en dooden wormquot; De G. worm bevindt zich in den levenden stam , en sterft spoedig na het vellen van den boom. Hij wordt het meest in zacht - Ht., voornamelijk op de zachtste plaatsen aangetroffen, heeft een bruine kleur, een lengte van omtrent 0.04 (M.), een breedte van 0,015 (M.), en iets minder dikte. Hij vreet zeer onregelmatig loopende gaten, van ongeveer 0.02 (M.) Ml. (middellijn) in het Ht. cn doorwoelt somtijds den stam zóódanig, dat de sterkte er belangrijk door wordt benadeeld.

De KI. worm komt bij goed tiken - Ut. in het droge spint, doch hoogst zelden in het vaste droge Ht. voor.

De doode worm komt nimmer in het vaste droge Ht. voor, hij kenmerkt zich door fijne gaten, die met zwart poeder zijn opgevuld en zich als zwarte stippen vertoonen.quot;

Moge toch deze opheldering, benevens cenige andere der, overigens zeer belangrijke. Algemeene Ophelderingen achter Hoofdstuk XV van bovengenoemden Instructie-Inventaris, spoedig eene omwerking ondergaan!

-ocr page 138-

124

schors en hout, de eerste om daarin eieren te leggen, de laatste om het voor hun ontwikkeling noodige voedsel op te sporen. Vele dezer schorskevers leggen hun gangen slechts in de schors aan, on raken daarbij hoogstens het splint, zooals bijv. de grovte en kleine ypcnsplintkever, de berken- en esschcnsplintkever, enz.; deze zijn dan slechts physiologisch schadelijk. Andere kevers van dit geslacht, bijv. de benken-houtschorskever, do dennoischorskever, de gestreepte hout-sehorskever, do luof/ivulschurskever e. a. boren diep in\'t splint, maken dus ware „houtgangenquot;, en moeten dus van oen technisch standpunt als zeer schadelijk worden beschouwd.

Het boren, of wellicht juister het uitschrapen, van gangen in de schors en in quot;t hout wordt gewoonlijk door den vrouwelijken kever aangevangen. Zij maakt zich een spleet of scheurtje in de schors van stam of tak ten nutte, en graaft vandaar een eerste gang, in een richting nagenoeg loodrecht op de draadrichting van het hout. Is de gang diep genoeg, dan wordt dikwijls het achtereind tot een zoogenaamde paringskamer verwijd. Van hier uit graaft het insect vervolgens in verticale of horizontale richting, en nagenoeg loodrecht op de eerste gang [boorgat), één of meer moeder-gangen ; zijn deze lang, dan worden ze door enkele luchtgangen in gemeenschap met do buitenlucht gebracht.

In de moedergangen worden door het insect de eieren gelegd, en wanneer daaruit, na verloop van korter of langer tijd, de larven te voorschijn komen, boren deze zich gangen in do draadrichting, do larvengangen genoemd; ze zijn in den beginne zeer klein van doorsnede, maar worden met den groei dor larve al grooter en grooter, totdat deze aan het eind

-ocr page 139-

van haar g\'angquot;, de zoogenaamde poppenwieg, verpopt.

De kever, die uit de pop ontstaat, boort zich, zoo spoedig hij daartoe genoeg ontwikkeld is, langs den kortst mogelijken weg uit \'t hout.

Naar het aantal moedergangen en hun plaatsing ten opzichte van den hoofdingang, onderscheidt men bij schors en splintgangen verschillende vormen, waarvan wij de afbeeldingen, ook ter opheldering van het zooeven meêgedeelde, den lezer niet kunnen onthouden. Men zie de figuren 43, 44 en 45.

Enkele dezer insecten graven geen moedergangen, maar plaatsen hun eieren aan het eind van den ingang; de larven, die daaruit voortkomen,

Stergang met vijf takken va„ t^ten gezamenlijk de wanden van den

dendonnenscborskever(Bo5trichus jnan2. aan en verwijden dezen tot een bidens F.), ö amp; gt; J

larvenkamer.

Eigenaardig zijn ook de gangen, die

a aanvangspunt;

bb voltooide moedergangen;

e onvoltooide moedergang;

d vertakking van een gang;

e larvengangen;

\' sommige echte houtbedervers van de

plOpt;/. der nat. grootte, familie der schorskevers. Onder deze

diep in het hout geboord worden door

1) Deze kever komt in Nederland zelden voor. Zijn gangen werden door Dr. Ritzkma Bos. zoowel in de omstreken van Wageningen als van Borger (Drente), onder de schors v.-m gevelde dennen waargenomen {l.audbouwdierk.. door Dr. J. Kit/kma Bos 1)1. ii. blz.

-ocr page 140-

I 26

\'■\'is- 4®- noemen wij Aengc.sfrcep/cn houtschorskcvcr

(Xyloterus linoatus 01.).

Deze kever (fig\'. 46) is ongeveer 4 mM. lang en 2 mM. breed, heeft een ineengedrongen lichaam en een donkerbruine kleur, met overlangsche gele strepen op do dekschilden. Dr vrouwelijke kever boort cilindervormige gangen in allerlei boomen, zoowel in dennen en sparren als in berken, haagbeuken, enz. En niet alleen worden levende, hoewel dan ziekelijke exemplaren aangetast, maar voornamelijk gevelde stammen, mits deze niet al te zeer zijn uitgedroogd.

meer dan 10 cM. lang is, loopt aanvankelijk in de richting van de schors naar het merg, maar buigt zich weldra in de richting der jaarringen. Op eenigen afstand van de gangopening boort het insect in de richting vjin den draad, op regelmatige afstanden van elkaar (2—4mAI.). korte zijgangen (fig. 47), plaatst in elk dier gangen (20—50) één ei, en sluit vervolgens den zijtak metbehulp van het houtschraapsel van de hoofdgang af. Wanneer do witte larve, met bruinen kop en sterke kaken . uit het ei te voorschijn komt, blijft zij opgerold, d. i. met den kop naar het achtereind van het lichaam gebogen, in de zijgang liggen, en

vreet gedurende eenige weken het Ganeen in berkenhout van den r . ,

Keslreepten houtschorskcvcr. h0Ut\\V6élS6l rondom ZlCil WGg\\

Met do ontwikkeling van de larve gaat dus de verwijding van de zijgang hand in hand; de afsluiting, door den kever aangebracht, blijft bestaan, en wordt door do excrementen der

De

gang. die

f\'ig- 47-

RTÏ

fikj! IH

..„I, li\'

fh -Mr*

w

f

11

mM li

H\'IHIftii*\'\' ; 1

-ocr page 141-

larve nog\' meer verzekord. Na een bestaan van 4—6 weken gaat de larve in den poptoestand over; komt eindelijk de jonge kever te voorschijn, dan verschaft hij zich zeer spoedig toegang tot de hoofdgang, en verlaat daardoor den stam, waarin zijn wieg zich bevond \').

De gangen, die door deze schorskevers gemaakt worden, noemt men laddervonnige houtgungen; gewoonlijk zijn de wanden dier gangen door de ontwikkeling van zwarte zwammen g-ekleurd.

Van de overige technisch schadelijke schorskevers vermelden wij nog;

den bonten esschenbastkever, die zijn gangen in volmaakt gezonde esschen boort, wier standplaats eenigszins vochtig is;

den loofhoulschorskever, die vooral het hout van appelboomen, maar ook dat van pereboomen, eschdooms, elzen, beuken, kastanje- en noteboomen aantast;

den bultig en eikenhoutschorskever, die in oude eikenstammen zijn gangen graaft, enz. enz.

Een andere familie der schild vleugeligen is AieAer hotitboordcrs.

De soorten dezer familie zijn vooral gevreesd als vernielers van het bewerkte hout; zij leven in het bouwhout en in de meubels, en worden soms in zeer groot aantal in onze huizen, vooral in nieuwe gebouwen, aangetroffen. Zoo bijv. een soort van het geslacht knmhorenkever, die in onze woningen voorkomt, zoowel in meubels van zacht als van hard hout vervaardigd (beuken-, eiken-, noteboomen-, populierenhout, enz.).

Meer algemeen bekend is evenwel het geslacht klopkever, waaraan wij nu eenige oogenblikken zullen wijden. Hun naam ontleenen deze houtboorders aan het eigenaardig geklop, waardoor zij, vooral in den paartijd, elkaar hun aanwezigheid kenbaar maken. Dit kloppen geschiedt bij tusschenpoozen en zoo regelmatig, dat men onwillekeurig aan het getik van een hor-

1) De Heer Everts deelde mij mede, dat hij nooit exemplaren van dezen kever zag , die hier te lande waren gevangen. Ritzkma Bos vond de gangen van den kever in inlandsch dennenhout (Landbouivdierk., Dl. II, blz. i$i)-

-ocr page 142-

128

loye denkt. Om het g-eluid voort te brengen, trekt het insect de sprieten en voorpooten in, heft zijn ganscho lichaam met rukken op, en slaat bij het terugvallen met de sterke kaken op den benedenwand van zijn boorgang \').

Van de soorten van dit geslacht noemen wij slechts den huis-klopkevcr (Anobium domesticum Four.), die in ons land het meest algemeen schijnt voor te komen (fig. 48 A).

De lengte van dit kevertje bedraagt 3 tot 4 m.M.; zijn kleur is meer of minder zwartbruin; de dekschilden zijn, volgens de lengterichting van \'t lichaam, met evenwijdige rijen fijne puntjes en grauwe haartjes bezet. De geelwitte larve (fig. 48 B) heeft een

zeer gerimpeld lichaam, lichtbruinen kop en zes korte pooten. Ondanks zijn naam bederft de huisklopkever niet alleen het meubel- en Einder

\' ^ \'lout. in onze woningen en werk

plaatsen aanwezig is, maar ook levende boomen, hoewel dan meestal

A De huisklopkever (Anobiumdomes- ziekelijke, blijven van vernieling ticum rour.) met J J

n de larve. door dit kevertje niet verschoond.

Vooral wordt dat werkhout door den kever aangetast, hetwelk niet spoedig na de velling of slecht is uitgedroogd; wil men het hout voor zijn vernielzucht beveiligden, dixn moet het na de velling niet alleen spoedig van de schors ontdaan en gedroogd, maar daarna ook op een plaats bewaard worden, die niet vochtig of dompig is.

In Augustus of September boren do klopkevers zich uit het hout; de kleine ronde openingen, die men dikwijls in \'t oppervlak onzer oude meubels of van oud gereedschap kan waarnemen, wijzen de plaatsen aan, waar zij het hout verlieten ; daar, waar dit niet wegvallen kon, zijn de openingen door houtschraapsel bedekt, dat door den kever uit de gang werd medegevoerd. De gangen in het hout zijn zeer onregelmatig; het gansche

1) Ken houtluis (het doodskloppcrtjt - Atropos pulsatorius L.). die ook op en in\'t hout leeft. en /,ich waarschijn lijk m^t schimmels voedt. klopt in onze huizen soms op dezelfde wijze.

-ocr page 143-

129

stuk hout wordt inwendig\' gquot;chool vernield; alleen do hardste gedeelten worden zeer weinig aangetast; en terwijl bijv. het voorjaars- en zomorhout der jaarringen tot poeder is geknaagd, vormen de herfsthoutlagen als \'t ware de schotten of wanden van kamers, waarin dit poeder is opgehoopt.

Waarschijnlijk paren de klopkevers ook in \'t hout, en planten zich in een zelfde stuk voort, zoolang tot het geheel vernield is, en gebrek aan voedingsstoffen hen noopt een ander verblijf op te sporen.

Met een enkel woord wenschen wij hier nog de aandacht te vestigen op een zeer schadelijken kever, behoorende tot de familie der iserfkevers.

Op onze scheepswerven zal volgens Snellen van Vollen-hoven \') „hoogstwaarschijnlijkquot; de Lymexylon navalc L. worden aangetroffen. Op de Fransche scheepswerven richt deze werf kever soms aanzienlijke verwoestingen aan. Het insect boort, evenals zijn larve , zeer snel lange. ronde gangen van tamelijk kleine doorsnede loodrecht op de draadrichting in het hout. Bij voorkeur zoekt hot houtstapels op in geheel gesloten loodsen, cn tast

dan het hout aan, dat in het midden dier stapels gelegen is. Bij een gelijkmatige temperatuur en in oen doodsche stilte

i) Zie: de Gelede Dieren, door Dr. S. C. Snellen van Volli.nhovkn , blz. 212. De Heer Everts meldde mij, dat deze werfkever in Nederland, voor zoover hem bekend, niet wordt aangetroffen. Desniettemin volgt een beschrijving van do werking van dez^n kever, ten einde er de aandacht onzer scheepsbouwers op te vestigen; wellicht komt men daardoor den kever hier te lande op bet spoor, hetgeen ook o. i. zeer waarschijnlijk is . daar hij zoowol op de Duitsche nis op de Fransche werven wordt aangetroffen.

9

-ocr page 144-

1

tiert dit houtbedervertje het best; hot ontvlucht het zonlicht, en vermijdt zooveel mogelijk elke luchtstrooming. Ontdekt men in \'t eikenhout gaatjes, zooals er in fig. 49 zijn afgebeeld, en verspreiden eenigc van \'t hout afgeschaafde spaanders een geur, die aan rum doet denken, dan is dit een duidelijk bewijs voor de aanwezigheid van hot insect; het aangetaste hout moet men zoo spoedig mogelijk onder water dompelen, ten einde insecten en larven te dooden, en verdere vernieling van het inwendig gedeelte van het hout te voorkomen \').

Ook de familie der hokforren levert keversoorten op, wier larven technisch schadelijk zijn. Zij vernielen zoowel het op stam staand hout (de groote en kleine populierboktor) als het hout in onze woningen.

Zoo bijv. de huisbak (Hylotrupes bajulus L.), wiens larve daksparren, zolderbalken, kozijnen, houten gereedschap aantast en bederft.

Deze kever heeft een donkerbruine kleur, een plat en lang

(1 —2 cM.) lichaam, dat tamelijk behaard is, en voor een boktor zeer korte sprieten (fig. 50 A). De vrouwelijke kever plaatst haar eieren in scheuren en spleten van balken en planken (in dennenhout bij voorkeur). De larven, die uit de eieren voortkomen (fig. 50 B), boren , zonder daarbij eenige regelmaat in acht te nomen, breede gangen in \'t

1) Snllle.v van Vollenhoven [de Gelede Dieren , blz, 212) maakt ook nog melding v.in een anderen werfkever , Hylecoetes dermesloides F., „voor ons vaderland een der schadelijkste dieren, daar hij in de palen onzer zeeweringen leeft en die geheel doorboort.quot; fn zijn Naamlijst der Schildvieugelige Insecten maakt Sn. v. v. ook gewag van het feit, dat Herklots een larve van dezen kever in palen , uit het IJ , had gevonden. De Heer Everts zeide mij evenwel . dat (niettegenstaande alle pogingen daartoe door bekwame personen, te Amsterdam , in \'t werk gesteld) van dezen kever aldaar geen spoor te ontdi-kken is.

-ocr page 145-

hout; die gangen zijn altijd met houtmeel aangevuld, on hebben een ellipsvormige doorsnede.

64. Onder do families van de orde der vliesvleugeligen bekleedt die der houtwespen een voorname plaats onder de hout-

bedervende insecten.

Om ook van hun werking een klein denkbeeld te geven , zullen wij de ontwikkeling van de dennenhoutwesp (Sirex juvencus L.) kortelijk beschrijven.

In \'t midden van den zomer legt het wijfje (fig. 51 A) met behulp van haar leg-boor de eieren in hot splint van verschillende naaldboomon, en met voorliefde in dat van den groven den. De geelwitte larve (fig. 51 B), die uit het ei ontstaat, boort zeer lange, op dwarsche doorsnede cirkelvormige gangen ; deze doorsnede is in don beginne zoor gering, maar neemt met do ontwikkeling van het insecten mot de vermeerdering der ganglengte al meer en meer toe, zoodat do gantr

-ocr page 146-

aan het uiteinde dikwijls 5—5,5 mM. wijd wordt. Do richting, die de larve in het hout volgt bij het boren van de gang-, is ook altijd nagenoeg\' dezelfde; eerst volgt zij den draad van het hout, maar op oen afstand van ong-evcor 7—g cM. van den ingang boort zij in de richting van het oudere hout, en nadert tegen den tijd, dat zij verpopt, weêr meer tot de peripherische gedeelten van den stam. Hot verpoppen geschiedt op eenigen afstand van do schors; in do figuur is de ruimte, die de pop in de gang innam, door twee gestippelde lijntjes aangewezen (fig. 51 c). De staalblauwe wesp met roodachtige pooten, die ten slotte uit de pop te voorschijn komt. boort zich uit het hout, en voltooit daardoor de larvengang (fig. 51 abc). Dczo gangen dor houtwesp zijn niet met houtmoel gevuld.

Andere wespen, zoo bijv. Sir ex gigas L., die meer in sparren dan in dennen wordt aangetroffen, gaan wij verder met stilzwijgen voorbij.

65. Ten slotte de orde der schubvleugeligen of vlinders. Tot deze behooren o. m. insecten, die vooral voor levend hout zeer verderfelijk kunnen zijn; niet alleen doorboren zij het hout, maar zij voeden zich, in den larvetoestand, als rups, met het loof en de jonge naalden der boomen. Daar vele dezer larven zich in \'t voorjaar ontwikkelen, en dikwijls in grooten getale te voorschijn komen, worden de boomen in een zeer gevoelig tijdperk van hun leven erg gehavend, en sterven dientengevolge zeor dikwijls op stam.

Als een vlinder, die zeer schadelijk is, omdat de rupsen het hout doorboren, noemen wij den •wilgenhoutvlinder (Cossus ligniperda Fab.). Hot wijfje legt de eieren onder de schors van wilgen, populieren, ijpen, eiken, linden en ooftboomon. De larven brengen \'t eerste jaar van hun bestaan door in gangen, die zij tusschon schors en splint graven; maar in \'t tweede jaar boren zij dieper in \'t hout, en ten slotte ook volgens de lengterichting van den stam. Men neemt aan, dat, wanneer hot aantal dor vlinders niot zeer groot is in verhouding\' van dat dor boomen , waarin zij gaarne hun eieren plaatsen, bij voorkeur do minst gave, zieke en oude stammen als

-ocr page 147-

broedplaats door hen worden uitgekozen; komen de vlinders in groot aantal voor, dan ontzien zij evenwel ook de beste en gezondste stammen niet. Wanneer wij nog zeggen, dat de rupsen dan in groot aantal in een zelfden boom huizen, en gaten in het hout boren van zelfs een centimeter diameter (plat ovaal op doorsnede), dan kan men zich een denkbeeld vormen van do snelheid, waarmede door deze houtbedorvers oen gansche stam voor technische doeleinden onbruikbaar gemaakt wordt.

66. In de lucht heeft het hout dus onder de dieren veel vijanden , die het op stam of na de velling vernielen kunnen; onder water, en meer bepaald onder zoet water, is het hout minder aan bederf „door den wormquot; blootgesteld.

In het zeewater huist evenwel een worm, dien wij niet met stilzwijgen durven voorbijgaan, omdat zijn werking veel geduchter is dan die van eenig insect, dat wij zoo even bespraken. Wij hebben \'t oog op den paalworm (Teredo navalis L.), een weekdier, behoorende tot de orde der schelpdieren (familie: boor schelpdieren). Deze worm wordt de „verwoestendequot; bijgenaamd, een naam, die niet ten onrechte is gegeven, wanneer men de groote snelheid in aanmerking neemt, waarmede door dit dier in sommige jaren, vooral toen men nog geen voorbehoedmiddelen tegen zijn werking kende, onze sluizen en de palen der zeeweringen beneden de vloedlijn werden vernield. Door de Natuurk. Afd. onzer Kon. Academie v. Wetenschappen werd in het jaar 1859, naar aanleiding eener mededeeling van haar toenmaligen Secretaris, den Heer W. Vrolik, een commissie benoemd, „belast met het bijeenverzamelen en het onderzoeken van al de feiten, welke lieden ten dage omtrent de natuurlijke geschiedenis van den paalworm op de kusten van ons vaderland te vernemen zijn.quot; Het resultaat van haar onderzoekingen en proefnemingen gedurende een periode van ;o jaren heeft deze commissie in zeven lijvige verslagen neergelegd; daaraan is door Prof. P. Harting een verslag toegevoegd van een onderzoek over het mechanisme van den toestel, waarmede Teredo navalis zijn gang-en maakt.

-ocr page 148-

Veel licht is daardoor verspreid over de levenswijze en dc middelen tot wering van den paalworm. Wij moeten voor een meer uitvoerig-e beschrijving naar het werk der commissie verwijzen \'), en merken hier omtrent den paalworm nog slechts het volgende op.

Het lichaam van het dier heeft de gedaante van onze gewone aardwormen , en is door een kokervormigen mantel omgeven. De schelp is kogelvormig; de beide schalen raken elkaar slechts over een kleine lengte aan de buikzijde. Deze schalen zijn de werktuigen, waarmede het dier het hout raspt; ze zijn daartoe met fijne tandjes bezet, en kunnen met behulp van verschillende spieren met de noodige kracht bewogen worden. De gangen worden meestal in de richting der vezel geboord; hout, dat door den worm sterk is aangetast, blijkt evenwel in alle richtingen doorboord te zijn, en doet op een doorsnede aan een honigraat denken. In de gangen bekleedt het dier zich met kalk, en wordt zoo stevig door dien kalk-koker omsloten, dat het slechts met moeite daaruit kan worden verwijderd. Het neemt het geraspte hout niet als voedsel tot zich, daar het zich blijft voeden met de infusoriën, die met het zeewater in dc gangen worden gevoerd.

67. Nu men zich van de werking van plant en dier eenigszins een denkbeeld maken kan, moet ten slotte nog het weêrstandsvermogen der houtsoorten tegen de ontaarding worden nagegaan en de omstandigheden, die daarop van invloed zijn.

Voor bijzonderheden met betrekking tot den natuurlijken duur, in zooverre die ons bekend zijn, verwijzen wij naar de bijzondere beschrijving der houtsoorten in het laatste Hoofdstuk, daar wij ons in de volgende bladzijden hoofdzakelijk tot alge-meene opmerkingen dienaangaande zullen bepalen.

Het is wel bekend, dat hout, van verschillende boomsoor-

-ocr page 149-

135

ten afkomstig, onder overigfens gelijke omstandigheden een verschillende mate van duurzaamheid vertoont. Maar ook hout van verschillende exemplaren eener zelfde boomsoort blijkt, onder dezelfde voorwaarden toegepast, verschillend van duur te zijn.

De duurzaamheid eener houtsoort hangt namelijk in do eerste plaats zeer nauw samen met de gesteldheid van den bodem en van het klimaat, waarin ze voortgekomen is; beide oefenen, evenzeer als op alle technische eigenschappen van het hout, een niet geringen invloed uit op den weêrstand , dien het, na de velling van den boom, aan ontaarding zal kunnen bieden.

Eikenhout bijv., dat in een gematig\'d klimaat op een vruchtbaren bodem is gegroeid, blijkt duurzamer te zijn, dan dat, hetwelk uit het Noorden en van schrale gronden afkomstig is. Het laatstgenoemde is specifiek veel lichter, meer poreus en scheurt gemakkelijker, zoodat het ook meer blootgesteld is aan de werking der lucht met al haar verontreinigingen, bijv. zwamsporen, dan dit bij het zwaardere hout uit zuidelijke gewesten het geval is; hier verkrijgt de lucht niet zoo gemakkelijk toegang tot de inwendige deelen.

Naaldhout, dat uit Noordelijke of bergachtige deelen van Europa tot ons komt, is daarentegen duurzamer dan dat, hetwelk uit het vlakke, meer vruchtbare land der gematigde stroken afkomstig is, en een veel geringer specifiek gewicht vertoont als het eerstgenoemde.

Het blijkt uit deze voorheelden, dat de invloed van bodem en klimaat op de duurzaamheid dezer beide houtsoorten geheel verschillend is; maar tevens merkt men op, dat zoowel bij de loofhoutsoort, het eikenhout, als bij het naaldhout die invloed zich ook verschillend doet gelden, mot betrekking tot het specifiek gewicht, en ... . dat het specifiek zwaarste hout in beide gevallen het duurzaamst is.

Maar niet alleen voor genoemde, ook voor alle andere houtsoorten is deze regel geldig, zoodat men dus in het specifiek gewicht een eenvoudig middel bezit ter vergelijking

-ocr page 150-

136

van dc duurzaamheid van hout van dezelfde sovrf, maar van verschillende afkomst.

Vervolgens oefent ook de standplaats van den boom invloed uit op de duurzaamheid van het hout.

De ervaring leert, dat naaldhout van boomen, die in een behoorlijk gesloten stand zijn gegroeid, voel duurzamer is dan dat van boomen, die een vrije standplaats hadden; daarentegen leveren loofboomen. die zich vrij hebben kunnen ontwikkelen, duurzamer hout, dan wanneer dit niet hot geval is geweest.

Zooals wij weldra zien zullen, heeft ook de standplaats den-zelfden invloed op het specifiek gewicht van naald- en loofhout, als op hun duurzaamheid. Een bewijs te meer voor de juistheid van het zooeven aangegeven middel ter vergelijking van de duurzaamheid van monsters eener zelfde houtsoort.

Dat het niet aangaat, om ook monsters van verschillende houtsoorten met elkaar te vergelijken, en uit het specifiek gewicht tot grooter of geringer duurzaamheid van het eene boven het andere te besluiten, zal een ieder bij eenig nadenken gemakkelijk inzien. Wel bezitten zware houtsoorten, als bijv. acacia- en eikenhout, een groote duurzaamheid, in vergelijking met lichte houtsoorten, o. a. dat van populieren; maar een groot aantal andere soorten, grenenhout, linden-hout , enz., wier specifiek gewicht met dat van populierenhout nagenoeg overeenkomt, kan men daarom nog niet, evenals dit, onder de gemakkelijk vergankelijke houtsoorten rangschikken.

Ook de ouderdom, dien de boom bereikt heeft, als hij geveld wordt, bepaalt voor een g\'root deel de duurzaamheid van het hout bij het gebruik. Hout van middelbaren leeftijd verdient de voorkeur boven oud en jong\' hout.

De reden daarvan is, dat met den ouderdom de bestand-doelen van het hout gewijzigd worden, en dat in hout van middelbaren leefrijd een maximum aanwezig is van stoffen, welke de duurzaamheid bevorderen (bijv. kiezelzuur), terwijl andere, die een tegenovergestelden invloed uitoefenen, slechts in geringe mate voorkomen.

-ocr page 151-

\'37

Jong hout wordt wcg\'ens de groote hoeveelheden voedings-stoffen, zooals eiwitstoffen en phosphaten, en een bepaalde mate van vochtigheid, zeer spoedig door zwammen en insecten aangetast en vernield. Oude boomen zijn dikwijls reeds op stam aangetast; hun hout kan niet meer gezond worden genoemd, en moet in den regel in duurzaamheid bij dat van jongere, gave exemplaren ten achter staan; naaldhout, esschen-, eiken- en ijpenkemhout, dat gewoonlijk van aanvallen van boktorren en Anobiumsoorten weinig te lijden heeft, wordt, wanneer het zeer oud is, vooral op niet te droge plaatsen, door deze insecten doorknaag\'d.

Of de boom des winters dan wel des zomers is geveld, doet o. i. weinig- ter zake, en heeft op de duurzaamheid van het hout weinig of geen invloed. De heerschende meening is wel, dat het in den winter gevelde hout meer duurzaamheid heeft, maar nauwkeurige bewijzen voor de juistheid er van ontbreken. Onze overtuiging is, dat, wanneer slechts na de velling het hout op behoorlijke wijze behandeld wordt, des zomers bijv. niet te lang in de schors blijft, en niet te veel aan afwisselende droogte en vochtigheid wordt blootgesteld, men bij het gebruik weinig verschil zal bemerken, wat de duurzaamheid betreft, tusschen het in den zomer en het in den winter gevelde hout. Zelfs zou men, naar aanleiding van hetgeen wij omtrent de opzameling der voedingsstoffen in \'t hout tegen den wintertijd hebben meegedeeld, tot het besluit moeten komen, dat, zoo er verschil bestond, zeker de wintervelling zeer weinig te verkiezen zou zijn, daar in dat jaargetij het houtwecfsel de grootste hoeveelheid voedingsstoffen bevat — voedingsstoffen niet alleen voor den boom, maar ook voor woekerplanten en insecten. Zeer waarschijnlijk heeft men aan de wintervelling slechts om occonomische redenen — in onze streken ten minste — de voorkeur gegeven.

Een andere meening, die eveneens door ons niet gedeeld wordt, is deze, dat een boom, die ten gevolge van een of andere beschadiging (vorst, rups) op stam gestorven is, steeds hout

-ocr page 152-

zal leveren, dat een geringe duurzaamheid bij het gebruik vertoonen zal. Wanneer maar weer er voor gezorgd wordt, dat de gestorven boom tijdig geveld, en daarna niet aan alle wind en weêr blootgesteld wordt, zal ook van die geringe duurzaamheid waarschijnlijk niets blijken. Ware dit het geval, dan zou ook de duur van het kernhout zeer gering moeten zijn, daar dit toch feitelijk niets anders is dan een deel van den stam, dat langzamerhand zijn functiën door de uitdroging niet meer heeft kunnen waarnemen en ten slotte afgestorven is. En juist dit kernhout, — niet te oud en gezond — bezit een zeer groote duurzaamheid.

Wij vergeten daarbij natuurlijk niet, dat de voorwaarden, waaraan het hout voldoen moet, opdat parasieten en insecten daarin welig tieren, bij het kernhout ook zeer slecht zijn vervuld; de voedende stoffen ontbreken, of zijn, evenals het watergehalte, slechts in zeer geringe hoeveelheid aanwezig, de vezel- en vatwanden zijn sterk met houtstof doordrongen gt; en zullen dus aan doorboren en doorknagen een groeten weerstand kunnen bieden.

Het splint daarentegen is sterk aan de aanvallen van houtvernielers uit het planten- en dierenrijk blootgesteld; dat de bestanddeelen daarvan de oorzaak zijn, daarover behoeven wij , na al \'t geen dienaangaande reeds in vorige Hoofdstukken werd vermeld, niet meer uit te weiden. De aanvallen der insecten zijn voornamelijk gericht op het splint van loofboomen (naar men zegt, bij voorkeur van die, welke des zomers zijn geveld). Splint van elzen, beuken, linden en wilgen, dikwijls ook dat van ijpen, esschen en eiken hebben veel van insecten te lijden; minder dat van den ahorn, van acacia- en kastanjeboomen. Het splint van naaldboomen wordt, naar men wil, veel minder door insecten aangetast.

In hoeverre nog verschillende andere bestanddeelen als de hierboven reeds genoemde, van invloed zijn (harsen, looistoffen, enz.) op de vernieling door planten en dieren, hebben wij reeds in vorige bladzijden meegedeeld; wij mogen dat dus hier als bekend vooronderstellen.

-ocr page 153-

\'39

68. Dc duur van het hout i.s ook in hoog\'c mate afhankelijk van het gebruik, dat men er van maakt.

iquot;. Onder wafer is de duurzaamheid van het hout zeer aanzienlijk.

De hoofdoorzaak daarvan is, dat de twee groote groepen van houtvernielers, de parasieten uit het plantenrijk en de insecten, hier, bij gebrek aan lucht, weinig of niet vertegenwoordigd zijn.

Vervolgons kan het water, ten minste op eenigen afstand onder zijn oppervlak, gunstig werken door de drukking; op den duur zullen ook onder gunstige omstandigheden vezel- en vatwanden anorganische stoffen, die oorspronkelijk in het water waren opgelost, bijv. kiezelzuur (blz. 86), kunnen opnemen en daardoor hun hardheid worden vermeerderd; wellicht zullen ten slotte ook alle ruimten in het hout door die stoffen kunnen worden gevuld, en dus de poreusheid van het hout geheel verdwijnen, zoodat bijaldien mogelijk, er nog slechts sprake kan zijn van schadelijke werkingen op het houtoppervlak. Maar lang voor dit geschiedt, zijn, ten minste in stroo-mend water, de nevenbestanddeelen van het hout opgelost en geëxtraheerd; zoodoende wordt dit van een groot aantal stoffen, die schadelijk konden werken, bevrijd, en het houtweefsel als \'t ware gereinigd.

Op deze reiniging berust, bij het zoogenaamde „wateren!\' een bereidingsmethode, waarop bij de voorbereiding der grondstof ter bewerking nader zal worden teruggekomen , het duurzamer maken van het hout.

Als een voorbeeld van den groeten duur der houtsoorten onder water, halen wij beukenhout aan. In de lucht is dit zeer spoedig door den worm aangetast en vernield, onder water blijft het eeuwen bestaan; een bijzonderheid daarbij is, dat dit hout, na bijv. een eeuw onder water te hebben doorgebracht, somwijlen zoo weinig veranderd is, dat het uiterlijk niet verschilt van dat van \'t versche beukenhout \').

i) NöRDLINOER deelt omtrent de duurzaamheid van beukenhout (onder water) het volgende mede [die tcchuischat Eigen.uhaflen, biz. 471): „ Bei 111 Bau des früheren Eisen-

-ocr page 154-

14°

Eikenhout wordt daarentegen in \'t water donkerzwart, en evenals elzenhout, in den beginne wel harder, maar toch op den duur minder taai.

Bij een zeer langdurig verblijf onder water schijnen eindelijk alle houtsoorten in een weeke turfachtigc massa te worden omgezet. Waaraan dit toegeschreven moet worden is onbekend, waarschijnlijk zijn bij deze ontaarding een zeer groot aantal scheikundige processen in \'t spel.

Hot water, waarin het hout zoo grooten duur vertoont, moet natuurlijk geen rottend water zijn, geen water van poelen en moerassen, waarin zich allerlei kleine zwammen ontwikkelen (zie blz. 121), die het hout, wellicht even spoedig als dit inde lucht geschiedt, zouden doen vergaan. Vervolgens is ook sterk stroomend water weinig gewenscht, daar dit door de wrijving langs het oppervlak, dus langs mechanischen weg, het hout vernielt.

Als zeer duurzaam onder water moeten na \'t eikenhout, vooral het harsrijke lorken- (best grenen) en grenenhout met smalle jaarringen en het elzenhout worden genoemd; van de andere naaldhoutsoorten verkiest men voor \'t gebruik onder water dennen- boven vurenhout.

Volgens Pfeil l) neemt men gewoonlijk nog aan, dat, indien de duur van eikenhout onder water door het getal 10 wordt voorgesteld, die van

elzenhout door .... 10

ijpen beuken , lorken . grenen . vuren ,

7 (10 volgens Nördlinger.)

8

yf i

werkes R.ircnthal an der obern Donau liess mein Vater ein gerade 100 Jahre altes Wöhr herausrcisscn. Ein dabei zuin Vorschein gekommener Wohrbalken von Buchenholz zeigtc sich überaus frisch. Mein Vater stcckte einige abfallende Sp.ïne in die Taschc, zeigtc sie untenvegs beim begegnen dem Forstschutzdiener der Hut, die die Spane für „wachs-frischquot; erklarte und sich alsbald anschickte den Stock des starken Baumes aufzusuchen, den ihm, wio er meinte, ein frccher Holzfrevler entwendet haben müsse.quot;

1) Pfeil: l\'orstbcnUtzung.

\'I:

Ij i

-ocr page 155-

\'4\'

zal worden aangegeven; van esschen-, wilgen-, populieren- en ander hout wordt die duur door kleinere getallen uitgedrukt.

2quot;. hi dc lucht zal de duur der houtsoorten in \'t algemeen geringer moeten zijn dan in het water; het „veel of weinigquot; hangt van verschillende omstandigheden af.

In het Noorden zullen de verschillende houtsoorten, die in ons klimaat gemakkelijk ontaarden, veel minder aan de werking van den worm en van parasieten en saprophyten zijn blootgesteld, omdat deze daar minder goed kunnen leven. De temperatuur der lucht heeft dus ton eerste een grooten invloed op den duur van het hout.

Vervolgens zal ook de duur veel geringer zijn, wanneer men het hout aan „wind en weêrquot; blootstelt, dan wanneer men het tegen afwisselende regens en zonneschijn beveiligt. Als in het laatste geval het watergehalte van het hout zeer gering was, en insecten niet tot het hout konden doordringen, dan zou ook, even goed als onder water, de duur zeer groot zijn, daar door het gemis van vocht van een ontwikkeling van saprophyten in het hout geen sprake zijn zou. Die duur zou daarom nog niet oneindig groot zijn, omdat toch het hout nog een verandering ondergaat, die zich openbaart in een zeer langzame vermindering der taaiheid; waaraan deze uiterst langzame ontleding moet worden geweten, is, zoover ons bekend, tot heden nog niet opgehelderd.

Wanneer het hout slechts in droge plaatsen wordt bewaard, is dus de duur zeer groot; wij zien dat aan meubels en allerlei voorwerpen van hout vervaardigd (kisten van mummies), die op droge plaatsen eeuwen lang den tand des tijds trotseerden.

De duurzaamheid in de lucht — buiten invloed van wind en weêr, maar steeds in nagenoeg droge lucht — wordt (volgens Pi\'f.il en Nördlixger) bij de volgende houtsoorten uitgedrukt door de achter hun resp. namen geplaatste getallen, wanneer men die voor eikenhout = 100 stelt.

-ocr page 156-

\'42

lorkenhout

95

80—100

ijpen „ ......80-

grenen „ (harsrijk). . . 90

vuren „ beuken „

50— 75 \'5— 95 35— 40

wilg-en elzen

populier. „ berken „

In van dc buitenlucht afgesloten ruimten, waarin weinig of geen luchtverversching plaats hebben kan, in bedompte plaatsen, in kelders onzer woningen. in stallen, in sommige fabriekslokalen, in bergwerken, enz., waar de lucht dikwijls een groote mate van vochtigheid en een betrekkelijk hooge temperatuur bezit, is het hout meestal sterk aan bederf blootgesteld. Minder zijn daarvan de insecten de aanleidende oorzaak, dan wel allerlei, zoowel hoogere als lagere zwam-soorten.

In onze woningen ontwikkelt zich bijv. op vloerbalken in kelders en benedenverdiepingen zeer dikwijls één der meest volmaakte zwammen, de Hniszisiam \') (Merulius lacrymans Schum.), een saprophyt, die, evenals de Polyporussoorten, tot de ware zwammen behoort, en nagenoeg op dezelfde wijze als deze het hout vernielt (blz. 113). Men bemerkt ze gewoonlijk \'t eerst aan witte vlekken, die zich zeer spoedig uitbreiden, en ten slotte een koffiekleurig vochtig weefsel op het houtopper-vlak vormen; dit is het generatieve gedeelte van het zwam-lichaam, waarin de sporen tot voortplanting worden gevormd. Het eenigste rationeele middel, om de ontwikkeling van deze zwam te verhinderen of haar vernielende werking te stuiten, bestaat in het bevorderen der luchtwisseling en het verhinderen van vochtaanvoer uit den grond.

Vrij in de open lucht, verkeert het hout in een zeer ongun-stigen toestand.

l i Gewoonlijk lt; hampignon ynoenul.

-ocr page 157-

Door regenwater sterk bevochtigd zijnde, zal het spoedig daarna door de werking der zon snel en ongelijkmatig drogen, en dientengevolge scheuren. Met herhaaldelijk afwisselen van regen- en zonnewerking zal een vermeerdering dier scheuren tengevolge hebben, zoodat een uitstekende gelegenheid aangeboden wordt aan sporen van woekerplanten en aan insecten, om in verschillende deelen van het houtlichaam hun vernielende werking te beginnen; het bederf van een stuk hout door het geheele lichaam wordt daardoor dus uitermate bevorderd \').

Wanneer men de duurzaamheid van eikenhout in de vrije lucht ook nu weêr door 100 voorstelt, dan wordt zij

van ijpenhout door.......óo—qo

„ lorken „ „ ......40—85

„ grenen „ „ ......40 —85

„ vuren „ „ ......40

„ wilgen „ „ ......30

„ elzen „ „ ......20

„ popul. „ „ ......20

„ esschen,, ........15

„ berken „ „ ......15 en

„ beuken „ .......10

uitgedrukt.

30. Ten slotte de duur van het hout in den grond. De aard daarvan moet op dien duur van invloed zijn, omdat alle gronden, afgezien van de gToote verschillen, wat hun andere be-standdeelen aangaat, niet hetzelfde watergehalte bezitten, en niet alle even doordringbaar zijn voor lucht. In zwaren voch-tigen kleigrond is het hout tegen de werking der lucht beveiligd, en niet aan groote afwisselingen van droogte en

1) In de lucht aan wind en weêr blootgesteld verliest het hout dikwijls aan het oppervlak allen samenhang; het wordt wollig, en schijnt met grauwe of witte zijdeachtige haren bedekt. Men noemt dit bij onze Duitsche naburen Tvergraueuquot; , — grijs of oud worden van \'t hout. Dat deze ontaardingswijze slechts aan de werking van de zuurstof der lucht moet toegeschreven worden, zooals men meent , mag worden betwijfeld.

-ocr page 158-

144

vochtig-heid blootgesteld: het verkeert daar nag-enoeg onder dezelfde gunstige omstandigheden als onder water. In zandgronden , die hoog en droog zijn gelegen, ontaardt het hout daarentegen zeer snel. omdat de lucht tusschen de grove zandkorrels beter kan doordringen en ook de vochtigheidstoestand van het zand, daarmede die van \'t hout, nu eens zeer hoog, dan weêr zeer gering is; diezelfde groote afwisseling tusschen vochtigheid en droogte doet ook het hout in een kalkhou-denden bodem spoedigquot; te gronde gaan.

Het snelst wordt het hout vernield, ter plaatse waar het den grond raakt, en in \'t algemeen „tusschen water en windquot;, waar die zoo even genoemde afwisseling\' het grootst is; duidelijk merkbaar wordt dit bij stijlen voor schutting\'en, die bij den grond gewoonlijk het eerst afrotten, bij dwarsliggers voor spoorwegen, enz.

G. L. Hartig \') onderzocht de duurzaamheid van 20—30 jarig-e, in den winter gevelde stammen, door ze in den grond te heien, en waar te nemen, hoeveel tijd er voor de ontaardingquot; werd gevorderd. De uitkomsten waren als volgt:

.. , , Spliiitlagen meer of Niet

Palen afgerot bij den prrond. • . , , , ,

° mmder aangetast. veranderd.

Na vijf jaren. Na acht jaren. Na lien jaren. Na tien jaren.

berkenhout eschdoornhout eikenhout acaciahout

beuken „ (van lt;il\'n ge»o- dennen .. lorken „

1 nen eschdoom

elzen „ grenen „

of ahorn.)

eschdoom,. (vnn esschenhout vuren „

den Noordschen ..

eschdoom.) \'IPCnhout

lindenhout plataan „

n lt; 1. L. KARTfG, /nrstliciie. Convo-.uit ions lex ikon.

-ocr page 159-

•45

Andere onderzoekingen van dezen aard, bijv. duurzaamheids-bepalingen door middel van houten dwarsliggers, gaan wij hier met stilzwijgen voorbij, omdat wij daarop nader de aandacht zullen vestigen bij de behandeling der middelen, waartoe men in de praktijk zijn toevlucht neemt, om hout voor bederf te behoeden en de duurzaamheid langs kunstmatigen weg te verhoogen.

10

-ocr page 160-

VERKLARING DER FIGUREN OP DE PLAAT.

Fig. I. Een stuk vurenhout met violet gekleurde plekken; eerste periode der ontaarding door Polyporus annosus Fr. Nat. grootte.

„ Ia. Ontwikkeling van het mycelium van P. annosus in de merg-stralen. Vergrooting 90 maal.

,, II. Een stuk vurenhout, bijna geheel bruin gekleurd; links in de fig. nog gezond splint. De zwarte vlekjes op het tangentiale vlak wijzen op de tweede periode der ontleding door P. annosus. Nat. grootte.

IIa. Sterke ontwikkeling van het mycelium van P. annosus, ook in enkele tracheïden van het vurenhout, in de tweede ontledingsperiode; links in de fig. is het mycelium in de tracheïden werkzaam geweest (het bewijs daarvoor leveren de talrijke gaten in de vezelwanden) en weêr verdwenen. Vergrooting 90 maal.

„ II1\'. Twee vezels uit fig. IK In het benedengedeelte der links geplaatste trachelde bevindt zich bruine vloeistof, die uit de mergstraalcellen is gevloeid; in de andere tracheïde heeft het mycelium zich welig ontwikkeld. Vergrooting 360 maal.

,, III. Een stuk vurenhout, waarin zich ten gevolge der werking van P. annosus eindelijk witte vlekken , rondom de zwarte, gevormd hebben. Nat. grootte.

,, lila. In de figuur zijn de mergstraalcellen en enkele tracheïden in \'t vurenhout reeds van elkadr gescheiden door het verwijderen der houtstof in de buitenste wandlagen; rechts in de fig. bevindt zich mycelium in de tracheïden. Vergr. 90 maal.

„ IV. Een stuk vurenhout, waarin de zwarte vlekken verdwenen en , door de voortgezette werking van P annosus, de witte vlekken voornamelijk in \'t voorjaarshout samengevloeid zijn. Nat. grootte.

-ocr page 161-
-ocr page 162-
-ocr page 163-
-ocr page 164-
-ocr page 165-
-ocr page 166-
-ocr page 167-

\'47

Fig. IV». Door deze sterke ontleding zijn de wanden der vezels in het bruingekleurde deel van \'t hout, en meer bepaald in \'t voorjaarshout, bijna geheel opgelost en slechts de buitenste wandlagen overgebleven; de mergstralen zijn geheel vernietigd. De terpentijn is naar het herfsthout teruggedrongen. Vergr. go maal.

„ V. Een stuk eikenhout, aangetast door Polyporus igniarius Fr.

De voorjaarslagen der jaarringen in \'t kernhout vertoonen een geelwitte kleur; begin van de vorming van een maanring. Links en rechts van het door de zwam aangetaste gedeelte is het hout nog gezond. Nat. grootte.

„ VI. Sporen van Pol. annosus Fr. (middellijn 0,004 ^ ogt;ooS mM.)

Benige, 24 uren na het begin der ontwikkeling. Vergr. 360 maal.

„ VII. Schematische voorstelling van de vernieling der tracheïden uit vurenhout door P. annosus Fr.;

a, h, i, k, 1, m, n, o, p, ontleding der tracheïden in de deelen.

die zich op eenigen afstand van de witte vlekken bevinden;

a, b, c, d, e, f, g, ontleding in de vlekken.

Door de gele kleur wordt in de figuur de aanwezigheid van houtstof aangegeven. Vergr. 650 maal.

-ocr page 168-

In de Mechanische Technologie noemt men elke stof, die door het bezit van een kleiner of grooter aantal eigenschappen een mechanische bewerking, een vervorming langs me-chanischen weg toelaat, een grondstof.

Behalve de eigenschappen, die voornamelijk voor haar bewerking van gewicht zijn (arheidseigenschappen), heeft elke grondstof in den regel nog een reeks van andere eigenschappen. die in het produkt der vervorming overgaan, die meestal de toepassing der grondstof bepalen, en zeer dikwijls op de waarde van hot produkt een grooten invloed uitoefenen (bcdrijfs-eigenschappen). Zoo vertoont de grondstof; hout in de kleur, den glans, den reuk, het specifiek gewicht, enz. verschillende eigenschappen, die niet voorde vervorming, maar wel degelijk voor het gebruik in aanmerking kunnen komen; en omg\'ekeerd zijn bijv. de kloofbaarheid, de buigbaarheid, enz. eigenschappen, die voornamelijk voor den bewerker, voor don producent, van belang zijn, maar wier aan- of afwezigheid in het produkt den consument veelal geheel onverschillig is.

Zoowel de voornaamste der arbeids- als der bedrijfseigen-schappen van \'t hout zullen, onder den gemeenschappelijken naam van technische eigenschappen, in het volgende Hoofdstuk worden behandeld.

Betrekkelijk weinig in getal zijn de wetenschappelijke onderzoekingen, waarmede het verkrijgen van een juiste kennis dier technische eigenschappen werd beoogd. Hetgeen ons dientengevolge van vele dier eigenschappen is bekend, in \'t bijzonder van die, welke het hout onder de werking van een of andere kracht vertoont, is van luttel beteekenis.

Van een numerische bepaling kon bij sommige dezer eigenschappen (hardheid, broosheid, enz.) in \'t geheel geen sprake zijn, omdat een juiste definitie van die eigenschappen ontbreekt: van andere (vastheid, elasticiteit) staan ons slechts weinig van deze bepalingen ten dienste, die tegelijkertijd vertrouwbaar en nauwkeurig zijn, want nog slechts weinig onderzoekers konden beschikken over de volmaakte hulpmiddelen van onze dagen, die voor het onderzoek dezer eigenschappen volstrekt noodzakelijk zijn.

-ocr page 169-

VIJFDE HOOFDSTUK.

Technische eigenschappen,

69. Uit hetgeen in vorige hoofdstukken werd meêgcdeeld, kan men onmiddellijk de gevolgtrekking afleiden, dat de houtsoorten, wat hun technische eigenschappen betreft, in hooge mate van elkaar moeten verschillen. De beschouwing van hun anatomischen bouw, niet minder die van hun chemische samenstelling\', brengt toch te veel verscheidenheden aan \'t licht, dan dat wij daaruit niet tot een groot verschil in eigenschappen moeten besluiten.

En dat deze gevolgtrekking alleszins juist is, zou bij eene mechanische bewerking van verschillende houtsoorten ten duidelijkste blijken.

Maar ook bij hout van eenzelfde boomsoort afkomstig, kan men geen gelijke eigenschappen verwachten. Wij wezen reeds op \'t feit, dat de aard van den grond en van het klimaat, de stand on de ouderdom der boomen van grooten invloed zijn op de structuur en dc samenstelling eener houtsoort, op het weerstandsvermogen, dat zij bieden kan aan bederf, enz. Al deze genoemde en nog andere omstandigheden wijzigen alle technische eigenschappen eener houtsoort in meerdere of mindere mate, en maken het ondoenlijk om den graad, waarin een of andere eigenschap in een houtsoort voorkomt, nauwkeurig en met juistheid aan te geven. IMen moet zich dus daar, waar het do waarde eener eigenschap van

-ocr page 170-

een of andere houtsoort betreft, met de gemiddelde waarde tevreden stellen, die uit verschillende waarnemingen en onderzoekingen is verkregen.

Voornamelijk zullen dan ook deze waarden worden vermeld bij de beschrijving der technische eigenschappen, waartoe wij nu overgaan, en waar achtereenvolgens ter sprake gebracht worden:

de kleur en glans,

„ reuk of geur,

„ fijnheid,

het soortelijk of specifiek gewicht.

de veerkracht of elasticiteit,

., vastheid of cohaesie,

., buigbaarheid en taaiheid (broosheid).

hardheid,

.. kloof baarheid, en ten slotte het imbibitievermogen, met zijn gevolgen.

70. De kleur en glans \'). Wanneer men houtsoorten nauwkeurig beschouwt, bemerkt men weldra, dat het ondoenlijk is hun kleur nauwkeurig te bepalen, daar die meestal voor de verschillende deelen van het houtweefsel niet dezelfde is. In de eerste plaats is het splint en rijphout lichter van kleur dan het kemhout, en gewoonlijk is ook het voorjaarshout in eiken jaarring minder intensief gekleurd dan het herfsthout; vervolgens zijn de mergstralen op overlangsche doorsneden donkerder, en op dwarsche doorsneden, even als het parenchym, lichter \'-) van kleur dan het hen omgevende weefsel, enz. In de praktijk der houtbewerking wordt op deze meer of minder groote kleurverschillen van de deelen van

1) Men zie ook , hetgeen op blz. 105 rnct betrekking tot de houtkleurstoffen werd meégedceld.

2) Onder den microscoop zijn de merg^tr.don gewoonlijk donkerder van kleur dan «it andere deelen van het houtweefsel.

-ocr page 171-

151

y

het houtweefsel minder acht geslagen, en vergenoegt men zich met die kleur aan een houtsoort toe te kennen, welke bij een minder nauwkeurige beschouwing den totalen indruk van al haar kleuren op het gezichtsorgaan het beste weergeeft.

Een zeer groote verscheidenheid heerscht er in de kleur der houtsoorten. Gewoonlijk bezitten de soorten, welke uit Noord- en Midden-Europa afkomstig zijn, een witte, niet zeer fraaie kleur, die naar het gele, bruine of roode zweemt. Zoo is bijv.

van den paardenkastanje (Aesculns Hippo-castanum L.) .

„ „ berk (Betula alba L.)

„ „ haagbeuk (Carpinus Betu-

lus L.) ...

en der eschdoornsoorten.......

het hout

rijphout I van \'\'nc\'e (T\'\'\'a parvifolia Ehrh.). .

splint 1 kernhout1 splint 1 kernhout\'

den esch (Fraxinus excelsior L.) den lork (Larix europaea D. C.) ,

splint J kernhout|

splint ( kernhout I

splint \\ kernhout|

den groven den (Pinus sylvestris L.) den beuk (Fagus sylvatica L.). . . . den walnoot (Juglans regia L.) . . .

j wit;

( roodachtig;

( wit gt;

1 bruinachtig;

1 geelachtig wit;

! bruinrood;

geelachtig wit; spoedig na de veiling

bruinachtig; roodachtig wit; bruin;

grauwwit; groenachtig bruin met schakeering.


geelachtig; braingeel;

geelachtig; roodachtig:

\' licht bruin ;

Populus tremula L.) iets lichter van kleur dan het wilgenhout;

geel tot roodachtig wit; minder wit dan vurenhout:

„ den acacia (Robinia Pseudacacia L.) en van den jeneverstruik (Juniperus communis L )......... , .

splint \'

rijphout j kernhout (

populierenhout (bijv.

splint kernhout

den wilg (Salix Caprea L.).

vurenhout (Abies excelsa Lam). . . . dennenhout (Abies pectinata D C.).

-ocr page 172-

de eikenhoutsoorten.......helderbruin met verschillende

nuancen;

het elzenhout (Almis glutinosa Grtrtn.j. grauw roodachtig;

,, perenhout (Pyrus communis L.) . . bruinachtig rood,

^[en ziet uit deze tabel, dat het splint geen fraaie kleuren aanbiedt.

Hetzelfde neemt men waar bij de houtsoorten uit warme g-ewesten; voornamelijk hun kernhout kenmerkt zich door levendige of krachtige kleuren, die men bij onze houtsoorten te vergeefs zoekt. Als voorbeelden daarvan halen wij slechts aan:

het kernhout van Copaifera bracteata Benth. (amaranthout) licht tot donkerrood ;

„ „ „ Haematoxylon campechianum L. (Campêche-hout) bloedrood;

„ „ „ Guajacum officinale L. (pokhout) groenachtig zwart;

„ „ „ Diospyros Ebenum Retz. (ebbenhout) zwart, enz.

Hot splint dezer houtsoorten is wit of geelachtig wit.

Hoewel door de kleur enkele houtsoorten zeer goed gekenmerkt worden, kan men haar toch, in \'t algemeen, niet ter onderscheiding der houtsoorten bezigen, omdat ze voor eenzelfde hotitsoort niet zeer constant is. Het hout van een ouden boom is donkerder van kleur dan dat van een exemplaar van dezelfde soort, dat op jeugdigen leeftijd werd geveld; hout, dat onder gunstige omstandigheden groeide, vertoont frisscher kleuren dan dat, hetwelk onder minder gunstige voorwaarden werd gevormd; het hout van een boom, die in een mageren bodem en in een open stand is gekweekt, is lichter van kleur dan dat, hetwelk op een vetten bodem groeide, enz.

Bovendien verschilt de kleur van het hout direct na de veiling meestal en somtijds zeer veel van die, welke het in den drogen toestand vertoont. In don regel wordt de kleur in do lucht en bij \'t drogen donkerder, en wel deste-meer, naarmate het hout in den groenen toestand witter van kleur is: bij kern- en rijphout geschiedt dit verkleuren, wan-

-ocr page 173-

neer het in een niet te vochtige ruimte geplaatst wordt, sneller dan bij het splint. Vooral vurenhout (met splint- en rijphout) behoudt zeer lang zijn oorspronkelijke geelachtig witte kleur; reden waarom het hier en daar voor quot;t vervaardigen van vloeren wordt gezocht. Elzenhout daarentegen verkleurt in de lucht uiterst spoedig; op een versch snijvlak vertoont het een vleeschroodc kleur, die nog binnen \'t verloop van een uur geelrood wordt; deze kleur bleekt evenwel bij \'t uitdrogen weêr op.

In de kleur is ons bij enkele houtsoorten ook het middel verschaft om de qualiteit van \'t hout te beoordeelen. Zoo is het bijv. bij \'t eikenhout, \'t welk als constructiehout zal dienen, zeer gewenscht, dat het op het kopeind een gelijkmatige kleur vertoone, zoowel in het splint als in het kernhout , en vlekken of vlammen niet worden waargenomen \'); deze toch zijn veelal het teeken, dat het hout niet meer gezond of minstens zeer zwak is. Eikenhout moet vervolgens, zooals de ondervinding heeft geleerd, in den groenen toestand geen sterk bruine kleur bezitten; door Duhamel en Nördlinger wordt een stroogele kleur boven alle andere verkozen, en het bruine eikenhout (dat bij \'t drogen lichter van kleur wordt), zoowel als het blauwachtig roode, beide met smalle jaarringen, minder aanbevolen. In den drogen toestand is bij do verschillende qualiteiten van eikenhout nagenoeg geen verschil in kleur waar te nemen, zoodat het keuren volg-ens de kleur spoedig na de velling- moet geschieden; of hot mocht zijn, dat de eiken stam niet van de schors was ontdaan, en weinig of niets was uitgedroog\'d, zoodat men zelfs maanden na de velling door hot afzagen van een niet te dunne schijf aan het top- of worteleinde de oorspronkelijke kleur waarnemen kon. Bij mahoniehout verkiest men een lichtbruine kleur boven een meer donkerroode; deze laatste kleur toch

i) Op een zandbodem gegroeid, vertoont het eikenhout dikwijls roode en witte strepen op \'t kopvlak vin den stam ; verdwijnen de/\'- niet hii quot;t drogen , dan wordt liet hout van geringe hoedanigheid geacht.

-ocr page 174-

\'54

wordt mettertijd zwartbruin, terwijl de andere in het prachtig-kastanjebruin overgaat, dat bij deze houtsoort door de liefhebbers zoo zeer op prijs wordt gesteld \'). Van lorkenhout (best grenen) , verlangt men, dat het een donkerbruine kleur vertoone: hoe donkerder het van kleur is, des te duurzamer acht men het ook. enz.

Van verschillende houtsoorten en voornamelijk van die, welke de zeer dunne platen (fineerplaten) tot \'t versieren of verfraaien van meubelen en andere fijne voorworpen zullen leveren, is \'t zeer gewenscht, dat zij geen regelmatige of gelijkmatige kleur, maar fraaie figuren, vlammen en bloemen vertoonon. Deze ontstaan door een verschil in intensiteit der kleur van naast elkaar gelegen houtlaagjes, die ook meestal meer of minder sterk gebogen of gekronkeld zijn. Bij \'t notenhout ontstaat reeds een voor \'t oog zeer aangename teekening-, eenvoudig door de afwisseling in kleur van herfst- en voorjaarshout; bij andere soorten worden aderen of vlammen gevormd door de aanwezigheid van\'parenchymbanden, die soms sierlijk gebogen zijn, zoo bijv, bij \'t palissander, dat behalve de prachtig bruine, naar \'t violette hellende kleur, ook zwarte aderen vertoont, voornamelijk op de radiale en tangentiale vlakken.

In verreweg de meeste gevallen zijn de zoogenaamde „bloemenquot; in \'thout te danken a£in een abnormalen groei. Het hout van knoestige uitwassen aan stammen, die óf door de natuur óf kunstmatig werden te voorschijn geroepen, dat van het worteleind der

r) Het echte mahoniehoul, afkomstig van Swietenia Mahagony L. en vin S. multijuga Schietle, dat uit Cuba, Jamaica, Mexico, Honduras, enz. in den handel komt, en als S.gt;nia Anna-, Cuba-, Domingo-, Tabascomahoniehout bekend is, be/.it die bruine kleur , terwijl de kleur van bet M ideira-mahoniehout , van Khaya senegalensis Guill. et Perott. uit West-Afrika , meer naar t roode zweemt. Zeer veel overeenkomst met \'t echte mahonie, wat de kleur betreft, heeft het Arenas-mahoniehout , dat uit Chili (Punto Arenas) naar Europa wordt aangevoerd. Men ziet evenwel reeds met de loupe \'t onderscheid tusschen beide soorten , doordien de vaten van \'t Arenas-mahonie door parenchym zijn omgeven , dat lichter gekleurd is dan \'t overige weefsel. Onder den microscoop blijken de mergstralen van dit hout ook slechts uit 2 rijen cellen, volgens de breedte, te zijn opgebouwd, terwijl men er bij \'t echte mahoniehout 1—3 telt.

-ocr page 175-

9

gt;55

stammen of van de wortels zolf (blz. 69), voornamelijk van boomen, die in g\'een gesloten stand zijn g\'egroeid, is meestal

• sterk kromdradig; de vezels zijn gekronkeld, of gegolfd, soms zeer zonderling dooreengevlochten, en daarbij ongelijkmatig van kleur.

Bepaaldelijk bij uitwassen of gezwellen wordt deze onregelmatige ligging der vezels, en de daarmede gepaard gaande veelal fraaie kleurschakeering, door eene vorming van knoppen veroorzaakt. Een enkel woord ter opheldering daarvan moge hier niet misplaatst zijn.

In Hoofdstuk II (blz. 65) werd meêgedeeld, dat de zijtakken aan den stengel zich uit knoppen ontwikkelen, die in de nabijheid der opperhuid boven de aanhechtingsplaats der bladen ontstaan. Meestal wordt slechts één knop in een bladoksel gevormd; enkele malen ontmoet men er verscheidene (zelfs 10 tot 11) bijeen, waaronder één, de hoofdknop, die meer ontwikkeld is dan de andere \'). Zoo bijv. bij eschdoornsoorten, bij den acacia, haagbeuk, enz. In den regel vergroeien »► dan de houtringen van den uit den hoofdknop ontwikkelden

tak met de houtlagen der omliggende takjes; er vormt zich een kegelvormige opzwelling, terwijl de takjes achtereenvolgens afsterven. De vergroeiing der kleine houtringen wordt op een lengtedoorsnede van stammen der genoemde boomsoorten zeer duidelijk waargenomen, vooral bij een gladde afwerking, daar de kleur dezer ringen gemeenlijk donkerder is dan die van \'t hen omgevende houtweefsel; de zoogenaamde manches in enkele houtsoorten hebben aan zulk een knopvorming hun ontstaan te danken \'-). (Men herinnere zich hierbij \'t geen met betrekking tot de vorming van kwasten is gezegd).

Maar behalve in de bladoksels kan een knopvorming ten

1) Men zie: Vormleer en Rangschikking der Planten door Prof. C. A. J. A.

• Oudemans , blz. 23. Zaltbommei, bij Joh. Numan en Zoon. 1883.

2) Bij eschdoornhout uit den handel treft men deze mouches soms zeer fraai aan : zij worden wegens hun uiterlijk in Duitschland met den naam van „Vogelaugenquot;*, in Engeland met dien van „ bird\'s-eyesquot; bestempeld.

-ocr page 176-

156

allen tijde, zelfs op de oudste stamdeelen, plaats hebben; dit g-eschiedt voornamolijk bij verwonding- of beschadiging van een stam. Er vormt zich dan op het verwonde gedeelte een gezwel, waarin somwijlen talrijke knoppen zijn opeengehoopt; daaruit kunnen ook, zooals dit bijv. bij knot-wilg\'en en -populieren \'t geval is, takken ontspruiten. Het houtweefsel in deze uitwassen, die zich in het door ons aangehaalde geval aan de kopeinden der stammen bevinden, is in hooge mate krom-dradig; de vezels zijn op \'t zonderlingst ineengekronkeld, en talrijke mouches en bloemen komen bij de bewerking uiterst fraai te voorschijn. Aan zulk een kopvorming is men het gebloemde mahonie- (St. Domingo-bloem. Monto-Christo-bloem), esschen- (Hongaarsch esschen), populierenhout, enz. verschuldigd.

Behalve deze bloemstukken is ook, zoo wij goed zijn ingelicht. het „wortelhoutquot; uit den handel in enkele gevallen niets anders dan een knoestige uitwas van den stam van een of andere boomsoort, en geenszins van de wortels afkomstig, zooals men , op den naam afgaande , zou meenen (zie blz. 60). Zoo bijv. het Amboina-wortelhout, waaronder men de knoestige zeer onregelmatige stukken verstaat van enkele Pterocarpussoorten (P. indicus Willd. e. a.), die uit O. Indië worden aangevoerd \').

Echt wortelhout daarentegen, dat zich door de bloemen en mouches bijzonder fraai voordoet, is o. a. het Bruyère -), ook hier te lande welbekend, doordat het veelal de grondstof is, waaruit dc vleeschkleurige houten tabakspijpen worden vervaardigd quot;).

-ocr page 177-

157

Glans neemt men bij vele houtsoorten op het spiegelvlak waar; hij wordt, zooals duidelijk op het spiegelvlak van eikenhout te zien is, door de mergstralen veroorzaakt, die zich daar in hun volle lengte en hoogte voordoen (blz. 51). Vooral die houtsoorten, welke zich kenmerken door hooge en dicht bijeen geplaatste mergstralen, vertoonen dan ook op het radiale vlak. een zeer sterken glans. Zoo bijv. het spiegelhout van den Amerikaanschen plataan (Platanus occi-dentalis L.), van den gewonen eschdoorn (Acer Pseudopla-tanus L.), den kleinen eschdoorn (Acer campestre L.), de linde (ïilia parvifolia Ehrh.) en van de meeste naaldhoutsoorten bij gladde bewerking: vooral dat van den zilverspar (Abies pectinata D.C.).

Door boenen met was, nog beter door politoeren, komt deze glans vooral zeer sterk te voorschijn, zelfs bij houtsoorten, die na gladde bewerking nog geen spoor van glans vertoonen (zijde-glans \') van mahoniehout).

Wij zullen, waar ons zulks nuttig schijnt, bij de bijzondere beschrijving der houtsoorten, behalve hun kleur, ook het al dan niet aanwezig zijn van glans vermelden.

71. De reuk of geur. De meeste houtsoorten kenmerken zich, vooral wanneer het hout in den groenen toestand verkeert, door een eigenaardigen reuk, die bij het drogen verdwijnt, en dan door den reuk vervangen wordt, dien men als „houtreukquot; zou kunnen qualificeeren. Hoewel de uiterst geringe hoeveelheid van riekende bestanddeelen in de gewone houtsoorten geen beletsel is om ze door middel van ons reukorgaan te kunnen onderscheiden, zoo wordt daardoor toch het onderzoek naar den aard en de samenstelling dezer stoffen, langs scheikundigen weg, geheel en al onmogelijk gemaakt. Slechts bij die houtsoorten, welke hun reuk langen tijd behouden, en die dan ook in den regel groote hoeveelheden van reuk of geur

1) Men spreekt ook van een zilver- of »zm/w^-glans (hout van Ailanthus glandulosa Desf.), van een w/glans (kopviak van zwart cederhout), enz.

-ocr page 178-

verspreidende bestanddeelen bevatten, is een scheikundig- onderzoek niet vruchteloos gebleven.

Op den langen duur verdwijnt evenwel ook do reuk van elk hout, doordat de aromatische stoffen uit het houtweefsel bij dc g^ewone luchttemperatuur verdampen en verdwijnen, of door een scheikundige verandering onder den invloed der lucht hun geur verliezen.

De tiaaldhout-sooTten danken hun harsachtigen reuk aan de aanwezigheid van aetherische oliën (blz. 103): die reuk gaat niet snel verloren, \'t welk gedeeltelijk de oorzaak is van \'t feit, dat schrijnwerkers en meubelmakers zich ongaarne van naaldhout bedienen als grondstof voor hun fabrikaten \').

Bij het loofhout zijn waarschijnlijk de looistoffen (blz. 199) oorzaak van den houtreuk. Zeer zeker is dit bij het eikenhout het geval: hoe beter dit is, des te sterker riekt het naar deze bestanddeelen; ontbreekt de reuk geheel en al, zoo zou dit bewijzen, naar men zegt , dat de boom, waarvan het hout afkomstig is, reeds vóór \'t vellen was afgestorven.

Gewoonlijk kan de reuk van \'t hout niet als een bedrijfs-eigenschap (zie blz. 148) worden aangfemerkt; zelfs is hij, zooals wij reeds opmerkten, hier en daar minder g^ewenscht. In enkele g-evallen evenwel is wel degelijk de reuk van de houtsoort de aanleiding tot haar technisch gebruik. De eenige reden bijv., waarom uit de dunne niet ontschorste stammetjes van den Prunus Mahaleb L. -) pijperoeren worden vervaardigd.

1) Voornamelijk is het geringe gebruik van harsrijke naaldhoutsoorten aan de hars-afscheidingen toe te schrijven.

NöRDLINGER (die tcchnischen Eigenschaften , blz. 52) zegt; „Der bekanntc Geolog, Dr. Grateloup zu Bordeaux , erzahlte mir , er habe sich für seine Conchylien einen be-sonders schonen Schrank aus Cedernholz fertigen lassen. Xach dreissig Jahren aber sei die Terpentinausdünslung aus letzterem immer noch stark genug gewesen , um die in dem Schrank aufbcwahrten Schnecken mit einer bernsteinahnlichen Harzkruste zu überziehen.\'

2) Het splint en de sch\'ors dezer pruimeboomsoort rieken zeer onaangenaam. wanneer zij nog in den groenen toestand verkeeren ; eerst bij het drogen ontwikkelt zich de reuk van cumarine. Het kweeken van den I\'. Mahaleb (bijv. te Baden bij Weenen) geschiedt met veel zorg; wanneer de stammetjes ongevc-er drie jaar oud zijneneen lengte van nagenoeg 2 Meter bereikt hebber. , worden zij gekapt.

-ocr page 179-

\'59

moet in den gquot;eur gezocht worden, die het hout na zorgvuldige kweeking- in den drogen toestand ontwikkelt. De geur van dit zoogenaamde „Weichselquot;-hout is van een aromatisch lichaam afkomstig, dat ook o. a. in de tonkaboontjes \') en in het Lieve-vrouwonbedstroo (Asperula odorata L.) wordt aangetroffen, en in de scheikunde onder den naam van cumariue bekend is.

Verschillende houtsoorten uit de tropische gewesten bezitten een zeer sterken reuk; zoo o. a. het kaneelbruine kern-hout van den West-Indischen Cedrela odorata — ten onrechte cederhout g-enoemd — waaruit meestal de sigarenkisten ver-vaardigfd worden; het blauwhout of Campêche-hout, heden ten dag-e een gewichtige grondstof voor inktfabrieken , heeft op een versch snijvlak, den geur van welriekende viooltjes; bijzonder sterk en eigfenaardig is ook de reuk van het bruine kernhout van den Virginischen Jeneverboom (Juniperus virginiana L.), waaruit men de omhulsels van beste potlooden (Faber-pot-looden) vervaardigt; een aangenamen rozengfeur bezit het wortelhout van enkele Convolvulussoorten (C. scoparius L. en C. floridus L.) van de Kanarische eilanden, dat als „rozenhoutquot; 1) in den handel komt, enz., enz.

72. De fijnheid. Wanneer men de fijnheid van een of andere houtsoort bepalen moest, zou het onderzoek met behulp van de loupe en den microscoop voorzeker de beste gegevens daarvoor verschaffen.

Bleek bij zulk een onderzoek, dat alle deelen van het weefsel een zeer gelijkvormigen bouw bezaten, dat bijv. de holle ruimten, die door vezel- en vatwanden werden omsloten, even-

1

Het hout , dat gemeenlijk in den handel „rozenhoutquot; heet , dankt dezen naam niet aan den reuk maar aan de kleur; zoo bijv. het Braziüaanseh rozenhout (in Engeland „Tulipwoodquot; genoemd), \'twelk waarschijnlijk afkomstig is van Physocalymna floribun-dum Pohl; het West-Indische rozenhout van verschillende Cordi i-soorton (C. Gerascan-thus L. , C. Sebestina 1..), enz.

-ocr page 180-

i6o

zeer als de wanddikte dezer elementen onderling weinigquot; of niets verschilden, dan zou men met recht de houtsoort, die een dergelijk weefsel bezat, fijn noemen. De absolute grootte van vaten en vezels komt natuurlijk bij die fijnheidsbepaling minder in aanmerking; de hoofdzaak is, dat het weefsel in alle deelen zooveel mogelijk homogeen is.

Op deze wijze handelende zou men evenwel verschillende houtsoorten onder de grove soorten rangschikken, die toch in de praktijk der houtbewerking als fijn worden beschouwd. Dit is daaraan toe te schrijven, dat men in de praktijk, voor de bepaling der meerdere of mindere fijnheid van het hout, in \'t algemeen geheel andere gegevens kiest, en de een een houtsoort fijn noemt, omdat ze zich. na door middel van schaaf of beitel bewerkt te zijn, op \'t gevoel glad voordoet, terwijl de ander aan een fijne houtsoort don eisch stelt, dat ze door boenen of politoeren een vrij hoogen glans aanneemt.

Het hout van den noteboom zou, wanneer men met den microscoop de elementaire deelen had onderzocht, zeker niet als een tamelijk fijne houtsoort kunnen worden aangemerkt. Reeds met het bloote oog ziet men zeer duidelijk jaarringen, en vaten, die onderling in wijdte zeer verschillen; bij meting met den micrometer blijkt dan ook de middellijn der vaten in het herfsthout nagenoeg zesmaal kleiner te zijn dan die in hot voorjaarshout. Vervolgens is ook de vezelwijdte ruim viermaal kleiner dan de wijdte der kleinste vaten, en bovendien wordt het weefsel door parenchymbanden doorsneden, wier celholten een veel grooter middellijn bezitten dan de holle ruimten, die door de vezelwanden worden omsloten, enz. Het weefsel van turksch palm-(buks-)hout daarentegen hoeft vaten, die zeer regelmatig tusschen de overige elementen zijn verspreid , en die wegens hun geringen diameter slechts met den microscoop kunnen gezien worden, terwijl de cellen zoo gelijkmatig verdikt en regelmatig van vorm zijn, dat men ter nauwemood bij zeer sterke vergrooting de grenzen der jaarringen kan ontdokken. Hoewel nu de laatstgenoemde houtsoort benevens nog eenige andere. wier weefsel met den micros-

-ocr page 181-

I b I

coop bezien tamelijk homogeen blijkt te zijn, ook in de praktijk als zeer fijn wordt beschouwd, rekent men daar ook beuken-, esschen-, mahonie-, notenhout, enz. tot de fijne soorten, omdat ze glad bewerkt of fraai gepolitoerd kunnen worden.

Wanneer het weefsel eener houtsoort niet voldoet aan do voorwaarden, die de vereischten zijn voor fijn hout, rang-schikt men haar onder de grove soorten. Natuurlijk kan van een nauwkeurige rangschikking der houtsoorten volgens de meerdere of mindere fijnheid van het weefsel geen sprake zijn, al was het alleen wegens het feit, dat dit, onder de verschillende invloeden, die tijdens den groei zich doen gelden, nu eens meer, dan eens minder gewijzigd wordt. Zoo zal men het eikenhout met zeer breede jaarringen zeer zeker veel gladder bewerken kunnen, dan dat met smalle jaarringen, waarin de vaten over de gah-sche ringbreedte zoo eng aaneengesloten voorkomen; eveneens kan \'t vurenhout, dat onder bepaalde omstandigheden is gegroeid, zeer fijn zijn; zoo bijv. dat, hetwelk zeer smalle jaarringen heeft, en tor vervaardiging van klankbodems dient.

De tabel, die wij hier doen volgen, heeft dan ook slechts ten doel om een denkbeeld te geven van de groepeering van eenige der meest bekende houtsoorten naar de fijnheid, volgens het beginsel, dat daaraan in de praktijk ten grondslag\' wordt gelegd. Men noemt bijv.:

zeer fijn het bukshout en het jonge taxishout;

fijn het hout van den haagbeuk, den hazelaar, den

paardenkastanje, den pereboom;

tamelijk fijn het hout van den berk, den beuk, den esch, den eschdoorn (A. platanoides L.), den tammen kastanje, den noteboom, den jeneverboom, (Juniperus communis L. en j. virginiana L.);

grof het hout van den els, het grenenhout, het hout

van den larix, de linde (Tilia parvifolia 1-.), den ftlataan (Platanus acerifolia W.), don populier (Populus tremula L. en P. alba L.) het vurenhout en het hout van den wilg (Salix alba L.);

zeer grof het hout van den acacia, den ijp en den zomereik.

I I

-ocr page 182-

102

Terwijl het anatomisch onderzoek het gebloemde hout als zeer weinig homogeen doet kennen, wordt dit evenwel ook wegens de groote gemakkelijkheid, waarmede het zich fraai laat politoeren, als fijn hout aangemerkt \').

73. Hot soortelijk of specifiek gewicht. Het gewicht van het hout, dat met \'t oog op het technisch gebruik van groot belang is, is dit in \'t bijzonder voor die industrieën, welke hout als grondstof ter mechanische bewerking bezigen, omdat zeer gewichtige eigenschappen voor de bewerking, zooals hardheid en vastheid, daarmede in nauw verband staan.

Daar de kennis van dit gewicht dus op hoogen prijs gesteld wordt, is het door een tal van onderzoekers bepaald, zoodat ons heden ten dage een tamelijk uitgebreide reeks van gegevens voor de gewichtsberekening van het een of ander volume van de meest verschillende houtsoorten ten dienste staat. Ten einde onafhankelijk te zijn van de in verschillende landen gebruikelijke, minder algemeen gekende maten en gewichten, wordt in den regel niet het absoluut gewicht, maar het soortelijk of specifiek gewicht der houtsoort, d. i. de verhouding tusschen het gewicht van een zeker houtvolume en dat van hetzelfde volume water 1), opgegeven. Wij merken daarbij op, dat het voor het praktisch gebruik minder van belang is om het specif, gewicht der zuivere houtmassa te kennen, dan wel dat van het poreuze houtweefsel met al

1

Men neemt daarvoor in den regel de eenheid van volume aan, n.1. den kub. decimeter. Daar één kub. decim. water — bij 40 C. — één kilogram weegt , stelt \'t verhoudingsgetal , dat het specifiek gewicht aangeeft, ook het gewicht voor van één kub. decim. hout, 111 kilogrammen uitgedrukt.

-ocr page 183-

de luchtholten in cellen en vaten en met alle bestanddeelen, die er gewoonlijk in voorkomen. Terwijl het eerstgenoemde specif, gew. voor alle houtsoorten nagenoeg gelijk is \'), worden voor het laatstgenoemde waarden gevonden, die onderling voor de verschillende houtsoorten in meer of minder aanzienlijke mate van elkaar afwijken, hetgeen na alles wat in vorige hoofdstukken over den anatomischen bouw werd meegedeeld, geen nadere toelichting zal behoeven.

Het verhoudingsgetal, dat \'t specif, gewicht eener houtsoort voorstelt, is geen constant getal, m. a. w. wanneer men zoo nauwkeurig als slechts mogelijk is, het specifiek gewicht van een of ander houtmonster heeft bepaald, dan is dit nog niet het spec, gewicht van elk ander monster van diezelfde houtsoort — zelfs al ware dit afkomstig van hetzelfde stuk, van denzelfden balk bijv., waarvan het eerste is genomen.

In de eerste plaats zij er op gewezen, dat hout van verschillende deelen van een boom, wat het specif, gewicht betreft, onderling zeer verschilt.

Het ■wortelhout is in den regel het lichtste hout van den boom; dit volgt reeds uit een vergelijking van den elemen-tairen bouw met dien van stam- en takhout. Een uitzondering op dezen regel vindt men bij naaldboomen, wier stammen kernhout bezitten (g\'rove den, lork); hun wortelhout toch heeft nagenoeg hetzelfde en in enkele gevallen zelfs een grooter specif, gewicht dan het stamhout, waarschijnlijk ten gevolge van de groote hoeveelheden hars, die er in zijn opgehoopt \'2).

x) Volgens Kakmarsch {Handboek der Median. Technologie , 2de druk , Deel I , hl/. 697) „is het soortelijk gewicht der geheel dichte (compacte), zonder tusschenruimten gedachte, houtmassaquot;\' , o. a. bij ahorn- en dennenhout .... 1.46 _ berken-, linden-, populierenhout. 1.48

„ ijpenhout................1.52

beuken- en eikenhout..... 1.53

„ mahoniehout........ 1.68

Ook onderzoekingen uit den laatsten tijd brachten aan \'t licht , dat er in quot;t genoemd gewicht nagenoeg geen verschillen zijn waar te nemen, en het voor berken-, beuken-, eiken-, grenen-, vurenhout, door quot;t getal - 1.56 kan worden voorgesteld.

2) Bij wortelhout van een groven den vond Xokdlingkk een spec, gewicht \'-035.

-ocr page 184-

164

Veel onderzoekingen omtrent het specif, gewicht van iak-hout zijn niet verricht, maar gewoonlijk is het grooter dan dat van wortelhout en geringer dan dat van stamhout; het laatste is bijv. steeds het geval bij houtsoorten, wier vaten in het voorjaarshout een kring vormen (eiken-, esschenhout). Het takhout van loofboomen heeft somwijlen een grooter specifiek gewicht dan hout van den stam; dit komt o. a. voor bij den beuk en bij enkele populieren (Populus tremula L. en Populus monilifera Ait.). Dat van oude naaldboomen, voornamelijk dat van de horizontale of naar de aarde hellende takken van den fijnen en den zilverspar, alsmede het takhout van den lork, is eveneens specifiek zwaarder dan het stamhout, tengevolge van het meerdere harsgehalte.

Bij het stamhout verschilt niet alleen het specifiek gewicht der topdeelcn van dat der worteleinden, maar ook het specif, gewicht der centrale houtlagen van die, welke zich meer aan den omtrek van den stam bevinden.

Vaste regels voor deze verschillen aan te geven is niet mogelijk.

Bij \'t onderzoek van (luchtdroge) houtmonsters, op verschillende afstanden van \'t worteleind van een stam genomen, blijkt toch, dat het specif, gewicht nu eens van het ondereinde naar den top afneemt (zoowel in \'t splint als ■ in \'t kern-hout), dan weêr, dat het aanvankelijk in die richting toeneemt, om ten slotte weêr geringer te worden; in enkele gevallen bereikt het specif, gewicht in \'t tophout een maximumwaarde.

De oorzaak dezer afwijkingen in \'t specif, gewicht moet, in verreweg de meeste gevallen, geweten worden aan een afwisseling van de breedte der jaarringen, volgens de lengte van den stam (blz. 58).

Gewoonlijk bezitten boomen, die in een gesloten stand zijn gegroeid, aan de topeinden hunner stammen de breedste jaarringen; daaruit volgt, in verband met hetgeen op bladz. 57 omtrent den aard van herfst- en voorjaarshout in breede en smalle jaarringen is gezegd, dat bij het naaldhout in die

-ocr page 185-

165

deelen een gering specif, gewicht \'), bij loofhout, en bepaald bij die soorten, welke groote in een kring geplaatste vaten in \'t voorjaarshout bezitten, een grooter specif, gewicht zal worden waargenomen, dan in de worteleinden. Bij den groven den gaat deze gevolgtrekking door, voor zoover het \'t stam-hout betreft, tot aan de kroon van den boom; want van daar af neemt de breedte der herfsthoutlagen en daarmede het specifiek gewicht van het stamhout weêr toe. Ook voor den eik is zij juist, mits de boom nog in de kracht van zijn groei is. Bij zeer oude eiken neemt evenwel het specif, gewicht van het stamhout naar den top af. Ook bij den beuk doet zich \'t zelfde geval voor als bij oude eiken, doch in het kroonhout neemt \'t specif, gewicht weêr toe, evenals bij den groven den.

Bemerken wij dus weinig standvastigheid in \'t specif, gewicht van stamhout, en zelfs weinig regelmaat in het af-of toenemen volgens de lengterichting van den stam, niet minder is dit het geval met betrekking tot het specif, gewicht van hout uit de centrale en peripherische lagen van den stam. Nu eens is er weinig of geen verschil in \'t specifiek gewicht der genoemde stamdeelen (rijphout en kern-hout van den fijnen spar), dan weer neemt het gewicht toe in de richting van den mergkoker naar de schors (beuk, stammen van oude naaldboomen), en eindelijk doet zich ook het omgekeerde geval voor (bij eiken, osschen, populieren, grove dennen), dat n. 1. het kernhout specifiek zwaarder is dan het houtweefsel uit jongere lagen.

Treft men nu al zulke belangrijke verschillen aan in \'t specif, gewicht van hout uit een en denzolfden stam, ze worden nog aanmerkelijker, wanneer men hout van dezelfde soort, maar van verschillende stammen afkomstig, onderling-vergelijkt.

Het klimaat en de bodem, waarin de boom is gegroeid; zijn

r) Wanneer naaldboomen niet in gesloten stand zijn gegroeid, bezit het topeinde van den stam meestal het specifiek zwaarste hout.

-ocr page 186-

166

stand tijdens don groei; zijn ouderdom, toen hij geveld werd, het zijn alle factoren, die in meerdere of mindere mate het specif. gewicht van zijn stamhout wijzigen. Als voorbeelden ton bewijze daarvan halen wij slechts aan, dat hot naaldhout uit noordelijke streken, of uit hot hoogge-borgte afkomstig, zwaarder is dan dat uit zachter klimaten, want do jaarringen zijn smaller, hot herfsthout, dat dichter en vaster is dan hot voorjaarshout, hooft daarin do overhand; dat do eik slechts bij oen langzamon grooi, op droge maar toch vruchtbare gronden, flink zwaar hout levert \'); dat het beukenhout, op vochtige kleigronden gevormd , niottogonstaande geringe breedte der jaarringen, een veel geringer specif. gewicht hooft dan dat, hetwelk op droge gronden groeide; dat esschen en ijpon slechts een spocifiok zwaar hout leveren, wanneer zij in oen vruchtbaren bodom zijn voortgekomen (Zeeuwsche ijpon); dat hoornen, dio met een rijken bladerdos prijken en eng opeen zijn gegroeid, in den regel een specifiek lichter hout bezitten dan die van dezelfde soort, welke zich geheel vrijstaand (langs wegen , bijv.) konden ontwikkelen, enz.

Naast het specif, gewicht van het wind- of luchtdroge hout wordt in den regel ook dat van het hout in den groenen toestand aangegeven. Hot laatste wisselt natuurlijk af met het watergehalte; neemt dit toe, en worden de holten in vezels en vaten met water aangevuld (blz. 29 en 74), dan vermeer-dort daarmede ook. het specif. gewicht van het hout, en omgekeerd zal een vermindering van de hoeveelheid water mot die van het specif, gewicht hand aan hand gaan. Daar hot niet doenlijk is om uit het specif. gewicht der groene houtsoorten eenige gevolgtrekking te maken ton opzichte van een dor andere technische eigenschappen, omdat hot water-gehalte in het groene hout door zoo velerlei omstandigheden wordt gewijzigd, zal in de hieronder volgende tabel slechts

1) NoKDI.inger zogt {Dir terhn. F.i^ensch. blz. 123): „das F.ichrnholz der I^othringer libcncn, des Rheinthals , das holliindische ist als sehwammig und leicht verrufen.quot;

-ocr page 187-

I67

hot specif, gewicht van het winddroge hout worden aangegeven \').

Behalve \'t water heeft onder de andere bestanddeelen ook de hars der naaldhoutsoorten een grooten invloed op het specif, gewicht; evenals bij het groene hout hot specif, gewicht vermeerdert, naarmate de holle ruimten in het weefsel met water zijn aangevuld, evenzoo stijgt ook bij deze houtsoorten het specif, gewicht niet het harsgehalte. Dat

i) Chevandier on Wektheim kwamen door hun proefnemingen tot liet resultaat, dat er een zeer nauw verband bestaat tusschen de specifieke gewichten van monsters cener zelfde houtsoort, die in verschillende stadiön van vochtigheid verkeeren.

Zij W het watergehalte van groen hout, uitgedrukt in percenten van het absolute houtgewicht,

\\V\' het watergehalte van luchtdroog hout,

S en S\' de specifieke gewichten, en

C een coefficient voor de afwijking van het spec, gewicht, dan wordt , volgens hen , de betrekking tusschen S en S\' voorgesteld door de formule;

S\' — S [i — C (W - W\')].

waaruit volgt:

s =_5:________

I - C (W — W\')

S — S\'

De waarde van den coefficient C , berekend volgens de formule C — ^ ^ •

nadat S en S\', \\V en \\Vquot; door proefnemingen waren bepaald, is voor hout, uit verschillende lagen van den stam, niet dezelfde. Men neemt daarom een gemiddelde waarde voor C aan; deze bedraagt:

voor acaciahout........0.00555 •

„ beuken „........0.00486,

„ dennen „........0.01034,

„ eiken „........0.00422,

r esschen „........0.00501 , enz.

Met behulp van deze formule zou men dus. wanneer het watergehalte van het groene hout, het specifiek gewicht van datzelfde maar luchtdroge hout, en de waarde van C gegeven is, het specifiek gewicht van het hout in den groenen toestand kunnen berekenen.

Van verschillende zijden zijn — hoewel ook Cu. en W. zei ven haar niet als zeer nauwkeurig beschouwen — tegen hun gevolgtrekking, ernstige en o. i. zeer gegronde bedenkingen ingebracht. Wij gaan daarom hier niet tot nadere beschouw ing over, en verwijzen belangstellenden naar de oorspronkelijke verhandeling: Mcmoirc sur les proprictïs mécaniques du bots, (Paris, 1848) of. naar de Duitsche vertaling van Prof. \\V. F. Ex nek , getiteld; Die mechanischen Eigenschaften des Hohcs (Wien , 1871). Men zie ook: .1 fit t h ei lungen aus dein Mechanisch-Technischen Laboratorium der K. Tee hu. Hoehschule in München. van Trof. J. Bauscmingkk. Afl. 9, Hladz. it. München, 1883.

-ocr page 188-

168

het kernhout van den groven den bij toenemenden ouderdom specifiek zwaarder wordt, is daaraan toe te schrijven, dat in het weefsel ook nog\' op hoogen ouderdom hars gevormd wordt; dit geschiedt bij den lork en den fijnen spar slechts in de jongste splintlagen, zoodat van harsvermeerdering\' in andere lagen, en daarmede van verhooging\' van het specif, gewicht van het hout gedurende het leven van deze boomen geen sprake is.

Volledigheidshalve zij er ten slotte nog op gewezen, dat ook het gebloemde hout, en dat, hetwelk met talrijke kwasten is voorzien, voel zwaarder is dan kwastvrij hout , met regelmatig gerangschikte vezels. hetgeen wel geen opheldering zal behoeven. Hout. dat met verschillende stoffen kunstmatig gedrenkt is, zal eveneens een hooger specif, gewicht bezitten dan het natuurlijke; Xordlinger nam bij beuken- en grenenhout, ten gevolge van het creosoteeren, een gewichtsverhoo-ging waar van 18 %.

Na al hetgeen in do voorgaande bladzijden over de geringe standvastigheid van \'t specif, gewicht eener houtsoort werd g\'ezegd, kan het geen verwondering baren, dat de opgaven daaromtrent zeer uiteenloopen en van elkaar afwijken moeten, omdat zij de uitkomsten behelzen van onderzoekingen, die door verschillende personen ten uitvoer zijn gebracht; men bepaalde wel de specif, gewichten van dezelfde houtsoorten, maar de monsters, die voor de bepaling dienden, waren afkomstig van stammen, die onder geheel verschillende omstandig--heden waren gegroeid; die monsters waren van verschillende deelen der stammen genomen, op verschillende wijzen voor-bereid, enz. oorzaken dus te over om de onderzoekers tot verschillende resultaten te voeren.

In de tabel zijn dan ook, voor zoover dit mogelijk is, de grenzen aangegeven, waartusschen zich de waarden der specif, gewichten van de meest bekende houtsoorten, volgens opgaven van verschillende onderzoekers, bewegen. Om van deze samenstelling ook een praktisch g-ebruik te kunnen maken en bij benadering het gewicht van een of ander houtvolume te

-ocr page 189-

i ög

kunnen berekenen \'), zijn daaraan ook de gemiddelde waarden der specif, gewichten toegevoegd; vele er van verdienen evenwel geen onbepaald vertrouwen, omdat ons voor verschillende houtsoorten te weinig gegevens ten dienste staan, dan dat verwacht kon worden , clat de berekende gemiddelde waarde der waarheid zeer nabij zou komen.

Houtsoorten -).

(luchtdroog.)

Specifieke gewichten.

Gemiddelde waarden.

j Grenswaarden,

Acaciahout (Robinia Pseudoacacia L.) ... 0.58—0.85 ; 0-7I5

ahornhout (Acer carapestre L.)..........0.61—0.74 0.675

appelboomenhout (Pyrus malus L). . . . 0.66—0.84 0-750

Berkenhout (Betula alba L.). ... ■ . . 0.51—0.77 0.640

beukenhout (Fagus sylvatica L.) .... 0.60—0.89 0-745

„ (Haag-, Carpinus betulus L.) . 0.62—0.S6 0.740

bruyère (Erica arborea L)...... i.oo i.ooo

1) Het absoluut gewicht in kilogrammen wordt gevonden door het specif, gewicht met het houtvolume , in kub. decimeters uitgedrukt, te vermenigvuldigen.

2) Om verschillende redenen konden in de tabel niet alle houtsoorten worden opgenomen, die in de nijverheid toepassing vinden ; slechts die, welke ons \'t gewichtigst voorkwamen , vonden daarin een plaats.

Men zie overigens voor de eigenschappen en het specifiek gewicht van W. Indische houtsoorten ;

van Europeesch Guiana : Beschrijving van houtsoorten, die in E. G. wassen door H. A. van der Speck Obreen , Rotterdam , H. Nijgh. 1864.

van Suriname (Ned. Guiana); Over Surinaamsche houtsoorten door Jhr. C. A. vax svpesteijn.

Voor die , in O. Indie in gebruik de: Algemeene beschrijvende Catalogus der houtsoorten van Ned. Oost-Indi\'é, aanwezig in het Koloniaal Museum, op het Paviljoen te Haarlem , door F. W. van Eeden , voor welke beschrijving gebruik gemaakt is van de werken van W. L. de Sturler , Miquel, e. a.

Een overzicht van de resultaten der proefnemingen van verschillende onderzoekers met betrekking tot het specifiek gewicht der houtsoorten vindt men in ; Die mechanischen Eigenschaften des Hohes, blz. 63, e. v. Op bladz. 82 e. v. is in die vertaling ook een tabel aanwezig, waarin het verloop der specif, gewichten aangegeven is van verschillende houtsoorten , in de draadrichting en in een zelfden jaarring.

-ocr page 190-

i yo

Specifieke gewichten.

Houtsoorten.

(luchtdroog.) _ , Gemiddelde

Grenswaarden. waarde

bukshout, (onecht palmhout, Buxus semper-

virens L.)........

Ceder hout (echt, Pinus Cedrus L.).....i

„ (bruin, Surinaamsch, Cedrela odorataL.) | „ (wit, Canadaasch,Thujaoccidentalis L,.) „ {roolt;:\\,Amcrikaansch,]un\\\\)£raü virginianaL.) Dennenhout (Abies pectinata D. C.) . . . . I

djatihout (Zie teakhoutquot;).

Ebbenhout (zwart, lUospyros \'Ebenum Retz. en

andere quot;D. soorten).....

eikenhout (zomereik,QuercuspeduncHlataEhrh.) |

„ (wintereik, Q. sessiliflora Sm.) . elzenhout (Alnus glutinosa Gartn.). . . . esschenhout (Fraxinus excelsior L.) . . eschdoornhout (Acer Pseudoplatanus L.) . ;

Grenenhout (Pinus sylvestris L.).....

„ {Amerikaanseh, Pinus australis Mill)

i0. pitch-pine......

2yellow-pine.....

Hazelaarshout (Corylus avellana L.) ...

hickoryhout (Carya alba Mill.).....

hulsthout (Ilex Aquifolium L.).....

IJpenhout (Ulraus campestris L.).....

ijzerhout (bruin- , grenadi/hout, Casuarina

equisetifolia L. fil.).....

Jeneverboomenhout (Juniperus communis L.) . Kastanjeh.(lammekastanje,Castanea vescaGartn.) ,, (paardenkastanje, Aesculus Hippo-castanum L.).......

0-53—0-70 0.56—0.72

0.52 - 0.63

0.99— I 02

1.005

0.486 \')

0.486

0.376 ■-)

0.376

o-38—0.54

0.460

0.40—0.60

0.500

0-37—0-69

o-53°

[.187—1.246

1.216

0.69—1.03

0.860

0-53 —0-96

o-7i5

0.42—0.64

o-SS0

o-57-o94

o-755

0\'53—0-79

0.660

0.31 - 0 828

0.569

0 832 J)

0 832

0.50—0.63

0.565

0.56- 071

o-635

0

«■J

1

M

Ö 0

0.885

0.78

0.780

0 56 — 0.82

0.690

1.185-1 239

1.212 0.615 o 640

0.575


1 Cederhout van deh Libanon , volgens Khbels en Treugold.

2) Volgens Engelschc opgaven; zie; Over Surinaamsc/ic houtsoorten, door Jhr. C. A. VAN SVPESTEiJN , blz. 44.

3) Zie; Verhandelingen in h. Tijdschrift v. h. A\'. /. v. Ingenieurs, Jaargang 1880—81, blz. 174.

4) Centralblatt f. d. gesammte Forstwesen. Juli 1882, h\\/.. 301.

-ocr page 191-

Specifieke gewichten.

Houtsoorten.

(luchtdroog.) ^ , Gemiddelde

Grenswaarden. waarden.

kersebooraenhout (wilde kriek, Prunus avium L.)

°-S7-

—0.78

0.675

Lindenhout (Tilia parvifolia Elirh) ...

0.32-

0.60

O.460

lorkenhout (best grenenh., LarixeuropaeaD. C.)

0.44-

-0.85

0.645

Mahoniehout (echt, Swietenia Mahagony L.) .

0.56

-0.878\')

0.719

„ {Madeira- of Caïlcedrahoui van

Khaya senegalensis Guill. et Terott.)

0

•91

O.9 IO

meidoornhout (Crataegus Oxyacantha L.) .

0.81-

-0.88

0.845

Noteboomenhout (Juglans regia L.) . . . .

0.65

-0.71

0.680

Olmenhout (Zie : ijpenhout.)

Palissanderhout (Polyxanderhout, van J acaranda

brasiliensis Pers. .

0.908

0.908

palmhout (Zie: bukshout).

pereboomenhout (Pyrus communis L.) . .

0.71

-0-73

O.72O

plataanhout (Platanus occidentalis L.).

0.61

- 0.6S

0.645

pokhout (Guajacum officinale L.) ....

\'•393

populierenhout (witte, Populus alba L.) . .

O.4O-

-0-S7

0-485

„ (Canadasche , Populus raoni-

lifera Ait.) ......

0.38-

-0.52

0.450

„ (esp, P. tremula L.). . .

0-43-

- 0.60

°-5TS

pruimeboomenhout (Prunus domestica L.) .

O.68-

-0.90

0.790

Taxishout (Taxus baccata L.)......

O.74-

-0.94

0.S40

teakhout of djatihout (Tectona grandis L.).

0.56-

-O.84 3)

0.700

Vlierhout (Sambucus nigra L.)......

o-53

— O.76

0.645

vurenhout (Abies excelsa Lam.).....

0-35-

— O.6O

o-475

Weyraoutspijnhout (Pinus strobus L.). . . .

0.31-

-O.58

0.445

wilgenhout (witte W. ofschietwilg, Salix alba I..)

0 43quot;

-0-53

O.480

„ (ruige W. of waterwilg, S. Caprea L.)

o-43

-0.63

0-530

1

Volgens Karmarscii. Volgens Wif.snbk , had houl van Swietenia Mahagony , uit Guadaloupc afkomstig , een specifiek gewicht ~ 1.04.

-ocr page 192-

172

Men ziet uit de tabel, dat het specif, gfowicht der houtsoorten zeer gering- is, wat voor het gebruik in de meeste gevallen zeer gewenscht is \'). Gemiddeld toch is het specif, gewicht van loofhout (luchtdroog) = 0.659, dat van naaldhout = 0.453 ; dit zijn dus waarden, die ver blijven beneden het specif, gewicht der voor de mechanische nijverheid meest gewichtige metalen, zelfs ver beneden dat van het lichtste, n. 1. het aluminium (specif, gewicht = 2.5). De zwaarste houtsoorten komen uit de tropen tot ons.

Men kan de houtsoorten, volgens hun specif, gewicht, in verschillende klassen rangschikken; een indeeling, die ons het rationeelst voorkomt, en ook het meest overeenstemt met die, welke in de praktijk gevolgd wordt, is de onderstaande 1);

Eerste klasse. Zeer ziuare houtsoorten, met een minimum specif, gewicht van 0.75.

Hiertoe behoort bijv. hickory- en ijzerhout, \'palissanderhout, pitch-pine, pokhout, enz.

Tweede klasse. Zware lioutsoorten wier specif, gewicht 0.70 — 0.75 bedraagt, bijv. eiken-, mahonie-, taxis-, teakhout, enz.

Derde klasse. Middelmatig zumre houtsoorten, met specif.

gewicht van 0.55 — 0.70, zooals; appelboo-men-, berken-, elzen-, grenen- en kastanjehout, enz.

Vierde klasse. Lichite houtsoorten met een maximum spec.

gewicht van 0.55, bijv. dennen-, linden-, populieren-, vuren-, wilgenhout, enz.

Het verband, \'t welk tusschen het specif, gewicht en andere technische eigenschappen van het hout bestaat, zal in de vol-

1

Nökdunokr neemt zeven gewichtsklassen aan, en verdeelt de houtsoorten

in buitengewoon zware (S. G. of ) i), zeer zware (S. G. ~ 0.99 — 0.9),

zware (S. G. 0.89 — 0.8), middelmatig zware (S. G. = 0.79 — 0.7),

tamelijk lichte (S. G.: 0.69— 0.6), lichte (S. G. 0.59 — 0.5) en zeer lichte (-S. G. - 0.49 — 0.4). {Die tec/\'in. Eigenschaften , blz. 227).

-ocr page 193-

\'73

g-ende bladzijden ter sprake worden gebracht. Welke betrekking er heerscht tusschen hot specif, gewicht en de duurzaamheid van het hout werd reeds op blz. 135 e. v. meegedeeld.

74. Dc veerkracht of elasticiteit. Wanneer men een houten staafje buigt, worden de vezels, aan het convexe oppervlak grenzende, gerekt, en die aan de holle of concave zijde samengedrukt.

Die rekking en samendrukking der vezels zal met de vermeerdering van de grootte der krachten, die op de uiteinden van het staafje werken en de buiging veroorzaken, toenemen; gaat men dan evenwel met de buiging niet te ver, zoo zal, wanneer de werking dier krachten ophoudt, het staafje zijn oorspronkelijke gedaante kunnen hernemen; dc gerekte vezels zullen zich weer samentrekken, de samengedrukte zich wederom uitzetten.

Het is de veerkracht, die, hetzij men door buigende, dan wel door rekkende, drukkende, of wringende krachten een uitrekking of samendrukking der vezels veroorzaakt — het staafje weêr tot zijn oorspronkelijke gedaante terugbrengt, mits de vormverandering niet te aanzienlijk is geweest. Men weet toch, dat, wanneer men in \'t vertrouwen op die veerkracht de houtvezels te veel rekt of drukt, dit dikwijls het scheuren der vezels en daarmede het breken van het voorwerp, waarvan zij een deel uitmaken, ten gevolge heeft; en al ging men niet zoo ver, en al brak ook het houten voorwerp niet, dan zou dit toch, wanneer men bij de vormverandering een bepaalde grens te boven ging, niet meer zijn oorspronkelijke gedaante aannemen, maar een blijvende, hoewel misschien zeer kleine, vormverandering ondergaan \'). Men heeft dan, zooals men dit uitdrukt, de grens der elasticiteit overschreden, eu daarmede een eersten stap

1) Wij laten hier buiten aanmerking dat , hoe gering men ook een staaf van een of andere slof moge belasten, die belasting altijd, een bijna onmeetbare verlenging of samendrukking der staaf ton gevolge heeft.

-ocr page 194-

174

gedaan op den weg, die noodzakelijk tot een verbrijzeling van het voorwerp moet leiden.

Uit \'t geen ons bekend geworden is omtrent den elemen-tairen bouw van het hout, kunnen wij reeds dadelijk het besluit trekken, dat die grens niet alleen bij gelijkvormige stukken van verschillende houtsoorten, maar ook bij stukken van dezelfde boomsoort, ja van denzelfden stam afkomstig, bereikt zal worden onder de werking van krachten van zeer ongelijke grootte.

En dit is inderdaad het geval.

Tal van proefnemingen hebben bewezen, dat niet minder dan het specif, gewicht, ook de veerkracht van hout uit dcnzelfden stam ten gevolge van de meest verschillende omstandigheden, kan afwisselen.

Men zie bijv. eens in de volgende tabel, welk oen grooten invloed het watergehalte op de elasticiteitsgrens uitoefent.

Om dien invloed te bepalen, werden, door Chevandier en Werïheqi, houten staafjes van groen hout en van hout met ongeveer 20 % water, idle van dezelfde lengte en doorsnede, aan één der uiteinden onwrikbaar bevestigd; daarna werd de grootte van het gewicht bepaald, dat men aan het andere uiteinde (in de lengterichting van het staafje) kon aanbrengen, zonder dat een permanente verlenging van het staafje na het wegnemen van de belasting, d. i. hier van de trekkende kracht, duidelijk was waar te nemen. Om zeker te zijn, dat men de belasting tot aan de elasticiteitsgrens had opgevoerd, ging men daarmede iets te ver, zoodat men na elke proef een uiterst geringe verlenging kon waarnemen (0.00005 van \'Ie staaflengte) \'). In de tabel stellen de cijfers het aantal kilogrammen voor, dat per vierkante milimeter door-

1) Wektheim raadde later aan, om deze permanente verlenging iets grooter te nemen (Amur les de c hi mie et de physique T. XII, p. 385).

Mon /ie dienaangaande ook de verhandeling van NöRDLINGER over Zugfeder-kraft der Holzer in het Centralblatt fïtr das ge sa mm te Forstwesen, Januari 1881, blz. 2.

-ocr page 195-

175

snede der staafjes voor een belasting tot aan de elasticiteits-grens werd gevorderd \').

Luchtdroog hout Houtsoorten. Groen hout. . ,,, ,

met 20 % water.

Berkenhout . . elzen „ . . . esschen .

plataan „ . . . populieren „ (ratel-), ij pen „ . . . acacia „ . . . ahorn „ . . . beuken „ . . . dennen „ . . . eiken „ (winter-) grenen „ . . .

0.761

1.617

1.449

1.809

1.726

2.029

1.647

2.303

2.302

co q

0.987

r.842

3.188

2.715

2-37i

2-153

2-349

i-233


Men ziet hieruit, dat de elasticiteitsgrens veel sneller bij het vochtige dan bij het meer droge hout wordt bereikt. De tabel geeft tevens een antwoord op de vraag, waarom houtsoorten in den groenen toestand veel gemakkelijker een blijvende vormverandering ondergaan, dan wanneer zij gedroogd zijn. Wordt het hout kunstmatig gedroogd, bijv. door verhitting tot 100° C., dan wordt de kracht , die voor de geringste uitrekking der vezels noodzakelijk is , nagenoeg even groot als de aantrekkingskracht tusschen de kleinste deeltjes, als de cohaesie; wordt deze overwon-

1

Rij de bepaling dezer elasticiteitsgrenzen had slcehls een kortstondige belasting der

2

ger wordt.

-ocr page 196-

176

non, dim broken dc vezels — van een blijvende verlenging kan dus, in dit geval, geen sprake zijn.

Ten einde niet slechts andere omstandigheden, die op de elasticiteit van invloed zijn, aan te halen, maar ook een denkbeeld te kunnen geven van de hoegrootheid dezer verschillende invloeden, moeten wij een verklaring geven van den zooge-naamden elasticitcits-co\'cffici\'dnt.

Men verstaat daaronder de grootte van de kracht, in kilogrammen uitgedrukt, waarmode men een der einden van een staafje van i mM-. doorsnede, waarvan het andere einde onwrikbaar bevestigd is, zal moeten uitrekken of samendrukken om het, indien dit mogelijk \'Metre, een verlenging of verkorting te doen ondergaan, die gelijk is aan zijn oorspronkelijke lengte.

De waarde van dezen coëfficiënt, die men langs empirischen weg bepaalt \'), zal voor de verschillende houtsoorten door een zeer groot getal (kilogrammen) worden uitgedrukt. Men kan dit opmaken uit het geringe effect van een belasting tot aan dc elasticiteitsgrens bij staafjes van i mM-. doorsnede. De verlenging bedraagt bij die belasting voor staafjes van: esschenhout, slechts , der totale lengte ij pen „ „ ttt ..

eiken „ „ tj u » .. «

vuren „ -jTi; .. gt;. .•

dennen „ „ riv » « »

beuken „ „ „ „ „

In de volgende tabel hebben wij van eenige houtsoorten de gemiddelde waarden hunner elasticiteits-coëfficiënten (uitrekking) opgegeven; daar hot tevens ons doel is om te doen zien dat, en

i) Men zie voor.de bepaling van den elasticiteits-coëfficiönt der houtsoorten; Chkvandier et Wkktmkim : Mé moiré sur les proprictês mécaniques du bots , N\'oKDLiNGiik: die technischen Eigenschaften der Hdlzcr ,

Akustische nuthode ter bepaling van den coefficient van veerkracht . toegepast op eenige tropische houtsoorten. Akademiscli proefschrift door S. I\'igek (Haarlem 1877. J. M. S(.nai.f.k wil\').

-ocr page 197-

177

in welke mate de elasticiteit in de richting- van den draad en in daarop loodrechte richtingen verschilt, worden ook de coëfficiënten in radiale en tangentiale richting aangegeven.

Dwarsdraads.

Radiaal. Tangentiaal.

In de

Houtsoort. ■ , . , .

draadrichting.

acaciahout ...

1261.9

170-3

152.2

ahorn ......

1021.4

I57-1

72.7

berken „ . . . .

997.2

81.1

155-2

beuken „....;

980.4

269.7

159-3

eiken (winter-) hout .

92I-3

1SS.7

129.8

esschenhout...

I 121.4

in.3

102.0

plataan „ , . . .

1163 8

134 9

80.5

populieren (ratel-) hout

107.6

43-7

Met een enkele uitzondering (in de tabel: berkenhout) is dus de elasticiteit in de richting der vezels het grootst, en het geringst in tangentiale richting. Chevandier en Wertheim , aan wier mededeelingen wij ook bovenstaande getallen ontleenen, maakten uit de resultaten van hun onderzoek de gevolgtrekking , dat, wanneer men de elasticiteits-cocfficiënt in de draadrichting = i stelt, de elasticiteits-coëfficicnt in de richting der mergstralen ~ 0.165, en in die der jaarringen 0.091.

Hout, genomen van verschillende deelen van een boom, vertoont een zeer verschillende mate van veerkracht. In deze richting zijn zeer belangrijke onderzoekingen door Mikolaschek \') gedaan; zijn proefmateriaal bestond uit gedeelten van stammen en takken, die elk 1 meter lang waren. De proefstukken werden uit \'t kernhout dier deelen vervaardigd, en waren bij het onderzoek volmaakt luchtdroog.

1

Unier such u ngen iïber die Elasticitat mui Festigkcit der wichligsten Hau- mui Nutzhölzer Böhmens von Carl Mikolaschek . Lchrer an der K. K. Staatsgcwcrbcschule zu Reichenberg. Wien, 1879. (Uit de Mittheilungen a us dem forst lichen Versuchswesen Oesterreichs; Hand //. Heft

-ocr page 198-

17«

Uit de resultaten zijner onderzoekingen — waarvan wij in de volgende bladzijden nog een ruim gebruik zullen maken — maakt Mikolaschek omtrent de elasticiteit van hout uit verschillende deelen der boomen, deze algemeene gevolgtrekkingen:

iquot;. Bij uitrekkende krachten is de elasticiteitsgrens in het worteleind der stammen aanzienlijker dan in \'t middendeel; en daar in de meeste gevallen aanmerkelijk hooger dan in het takhout. De verlenging tot aan die grens is het grootst bij de proefstukken uit het worteleinde van den stam en het geringst bij die uit het takhout.

De elasticiteits-coëfficiënt is bij alle houtsoorten het hoogst in het middengedeelte der stammen; voor het hout der voeteinden is die coëfficiënt meestal nog grooter dan voor het takhout.

2quot;. Bij drukkende krachten bereikt de elasticiteitsgrens in het hout der takken veelal een maximum; in \'t middendeel der stammen is de grens hooger dan in \'t worteleind (bij \'t meerendeel der onderzochte houtsoorten). De samendrukking tot aan de elasticiteitsgrens is eveneens in \'t takhout het grootst, en het kleinst in het hout uit het voeteinde der stammen.

Voor de elasticiteits-coëfficiënt van het takhout vindt M. zeer uiteenloopende waarden; in het benedengedeelte der stammen is de coëfficiënt bij de meeste houtsoorten hooger dan in \'t middendeel.

3quot;. Bij buigende krachten is de elasticiteitsgrens in \'t top-hout het hoogst, het geringst in \'t voeteinde der stammen.

De elasticiteits-coëfficiënt is in het takhout bij de meeste houtsoorten kleiner dan in dat van den stam; in \'t hout uit het voeteind en het middengedeelte der stammen genomen, zijn de waarden dezer coëfficiënten nagenoeg even groot.

4°. Bij -.vringende krachten is de elasticiteitsgrens bij takhout \'t hoogst, en \'t laagst bij het hout uit de middendeelen der stammen

De elasticiteits-coëfficiënt is in het laatstgenoemde stamdeel bij de meeste houtsoorten hot geringst; in het worteleinde

-ocr page 199-

179

der stammen gedeeltelijk grooter, gedeeltelijk kleiner dan in het takbout.

Men zal dus, zonder veel van de waarheid af te wijken, kunnen aannemen, dat in \'t algemeen het takhout het meest en het hout uit hot middendeel der stammen het minst elastisch is.

Ook in de richting loodrecht op die der vezels blijft de elasticiteit van het bout niet standvastig. In den regel heeft de jaarring, waarvan het weefsel het hoogste specif, gewicht bezit, ook de grootste elasticiteit. Volgens Chevandïer en Werthelm neemt, bij verschillende houtsoorten, met bet specif, gewicht ook de elasticiteit regelmatig van het hart naar den omtrek van den stam toe (blz. 165); bij andere nemen elasticiteit en specif, gewicht aanvankelijk toe, om ten slotte in de richting der schors weer in waarde te verminderen.

Zijn dus de verschillen in de veerkracht van bout uit eenzelfden boom reeds aanmerkelijk, voor overeenkomstige houtmonsters van dezelfde soort, maar van verschillende stammen afkomstig, loopen zij aanzienlijk uiteen. Het klimaat en de bodem, waarin de boom is gegroeid, zijn standplaats, zijn ouderdom bij het vellen, zijn al weer even zoovele omstandigheden , die op de veerkracht van het hout van invloed zijn. Ken enkel voorbeeld.

Het zoogenaamde „Resonanzholzquot; uit het Bohemerwoud is afkomstig van den fijnen spar, die ons het vurenhout levert. Het Boheemsche bout evenwel, dat om zijn gering specifiek gewicht (0.4—0.5) en groote elasticiteit door de ganscbe wereld beroemd is, komt van 200—400 jarige exemplaren, die op de N. en N. O. hellingen van het gebergte zijn gegroeid, op een boogte van 600—-i 200 meter boven de oppervlakte der zee; de bodem is daar met een dikke humuslaag bedekt, de grond overigens zeer arm aan minerale voedingsstoffen. 1 let hout heeft gelijkmatige , zeer smalle, één a twee millimeter breede jaarringen \'), is dikwijls gevlamd, en vertoont nu eens een meer

I) Volgens de proeven van CHE VAN PIER en Wrkthkim mm wel bij liel ilenttenhout

-ocr page 200-

i8o

naar \'trood hellende, dan wéér een witte kleur. Nergens ter wereld \') wordt vurenhout geleverd, dat om zijn groote elasticiteit tengevolge van den gelijkvormigen bouw, zoo goed voor klankbodems is geschikt, een bewijs dus, dat op de elasticiteit van hout de bovengenoemde omstandigheden van invloed moeten zijn.

Dat het vochtigheidsgehalte van den bodem ook zijn invloed doet gelden op de elasticiteit van het daarin gegroeide hout, is duidelijk door de proefnemingen van Chevandier en Wertheüi aan \'t licht gebracht 2). Hout van droge gronden bleek steeds veel meer elastisch te zijn dan dat, hetwelk uit moerassige gronden afkomstig was. Ook de stand van den boom, waarvan het proef hout was genomen, werd bij hun onderzoekingen niet over \'t hoofd gezien; een boom op het noorden, noordoosten of noordwesten gegroeid, leverde veerkrachtiger hout dan een andere, die op zuidelijke berghellingen bijv. had gestaan. Men zie do tabel öp de volgende bladzijde.

In hoeverre de ouderdom der boomen zich doet gelden, kan ook uit die tabel blijken; duidelijk toch is het waar te nemen, dat met den ouderdom de elasticiteit van het hout geringer wordt. Men vergete evenwel bij het raadplegen der tabel niet, dat verscheidene omstandigheden vereenigd optreden en de waarde van den elasticiteits-coëfficiënt bepalen.

de elasticiteit toe met de fijnheid der jaarringen, maar bij andere houtsoorten werd niet melden het tegenovergestelde geval waargenomen.

Grooter elasticiteit gaat dus niet altijd hand in hand met geringer breedte der jaarringen.

1) Aanzienlijke hoeveelheden „Resonanzholzquot; komen ook uit Beieren, Galliciö, Vorarl-berg, en worden zelfs uit Amerika aangevoerd.

2) Wij moeten hier rncdedeclen . dat de houtsoorten die door Ch. en W. werden onderzocht uit de Vogezen afkomstig waren , en hun uitkomsten dus , strikt genomen , slechts voor hout uit de Vogezen geldend zijn.

-ocr page 201-

Eikenhout (Quercus sessiliflora Sm.).

Ouderdom

Stand

Bodem.

Elast. coefficient.

van den boom. van den boom.

vruchtbaar.

op het zuiden. \'

51 jaar.

948-3

^, „ bergkam

60 „

953-3

\' 1 „ liet zuiden. |

78 „

925.6

! 1 op het westen.

50 jaar.

ioo6.4

„ „ oosten.

74

996.4

: „ ,, westen

85 ,,

946.9

! »j gt;gt; :gt;

95 ..

879.0

1 ») 5j 5)

105

848.1

1 li ?)

164 „

878.7

„ „ noorden.

103 ..

to66.3

op het noorden.

40 jaar.

1439.6

1 » *) \'t

75 ..

784.7

De anatomische bouw dor houtsoorten is van grooten invloed op de waarde dezer elasticiteits-coëfficiënten. Nördlinger \') vond bijv., dat bij kernhout van een zomereik de coëfficiënt 747 tot 1607 en bij kernhout van een Bourgondischen eik (Quercus Cerris L.) slechts 696 \'Kg\', per mM.2) bedroeg; de reden van dit verschil moet gezocht worden in de aanwezigheid van betrekkelijk dikke mergstralen (fig. 25, blz. 46), die op zeer geringen afstand van elkaar (233 millimeters) het weefsel der laatstgenoemde eikenhoutsoort doorsnijden, en de vezels herhaaldelijk van richting doen veranderen.

Hoe meer gelijkmatig de bouw van het hout is, hoe rechter de vezels zijn gestrekt, hoe minder kwasten, bloomen of mouches er in \'t hout voorkomen, des te grooter is ook de veerkracht.

vochtig.

Zware houtsoorten zijn meestal zeer elastisch (ebbenhout, palmhout, teakhout), maar ook onder de lichte houtsoorten

1

\'/.ugftdcrkraft der Hölzer, enz. door dr. nohdli ngf.k , in het Centralblatt f. d.

2

ges. For stive se n, 1881 . blz. 3.

-ocr page 202-

zijn or vele, die voornamelijk door hun eenvoudige structuur een hooge mate van elasticiteit bezitten (dennen-, grenen-, linden-, vurenhout), indien zich slechts geen onregelmatigheden als die, welke wij zoo even opsomden, in hun weefsel voordoen. Men kan dus niet uitsluitend door vergelijking van de specif, gewichten van verschillende houtsoorten, tot een grooter of geringer elasticiteit van de eene houtsoort boven de andere besluiten, liet boven aangehaalde houtmonster van den Bour-gondischen eik bijv., met geringer elasticiteits-coëfficiënt dan dat van den zomereik, had een specif, gewicht in den lucht-drogen toestand = 0.820, terwijl dat van \'t zomereikenhout van 0.706 tot 0.738 afwisselde; ook het acaciahout (zie de tabel op blz. 177), dat zulk een hooge mate van elasticiteit bezit, behoort geenszins tot de zwaarste houtsoorten.

Een zeer volledige reeks van onderzoekingen omtrent de elasticiteit van Europeesche houtsoorten werd, zooals ons reeds bekend is, door Mikolaschek verricht. Een groot aantal der door hem verkregen numerische data voor die eigenschap, vindt men, ten einde het overzicht gemakkelijk te maken, in de volgende lijst te zamen gesteld:

-ocr page 203-
-ocr page 204-

184

Nördunger. \') rangschikte de houtsoorten volgens hun veerkracht in zes klassen; hij leidde daarvoor do gemiddelde waarde van hun elasticiteits-coëfficiënt uit de waarnemingen van verschillende onderzoekers af. Een denkbeeld dezer classificatie, en tevens een overzicht van den rang, dien de meest gewone houtsoorten in dit geval ten opzichte van elkaar innemen, geeft de volgende tabel:

Eerste klasse. Buitengewoon elastisch: bijv. ebbenhout, teakhout. Tweede „ Zeer „ „ acaciahout.

Derde „ Elastisch : „ berken-, populieren

(Populus tremula L.)-, ijpen-, linden- en notenhout. „ beuken-, eiken-, es-schen-, eschdoorn (Acer Pseudoplata-n us L.-), en vurenhout. .. dennen-, elzen-, haagbeuken-, en lorkenhout.

„ grenenhout hout van den Canadaschen en den witten populier.

Wij verwijzen voor het overige naar de verschillende opgaven, omtrent de elasticiteit van houtsoorten, in het laatste F loofdstuk.

1) Die technischen Eigenschaften , blz. 357.

-) In den scheepsbouw gebruikt ni\'n voor masten bij voorkeur grenenhout. - voor-n.nnelijk wt^eiis zijn «roote ehisiiciteit Uit strookt dus weinig met het bovenstaande. Wij merken evenwel op , dat de grenen stammen , die voor masten zullen dienen, aan buitengavone cischen moeten voldoen. De beste moeten weinig of geen kwasten en /.eer weinig splint (r—2 centim. breed) bezitten; ook mogen zij niet te veel hars bevatten , dit bovendien zeer gelijkmatig door het kernhout moet verdeeld zijn; ten slotte moeten de jaarringen zeer smal (0.75— 1.75 eentm.) en door den ganschen stam nagenoeg even breed zijn. De kleur van het hout verlangt men gelijkmatig lichtgeel.

Wij herhalen d it de classificntic van nokdlinger op de gemiddelde waarde van den el isticiteits-coöfficiënt v.m houtsoorten van verschillende hoedanigheid is gebaseerd.

Tamelijk elastisch

Vierde

Vijfde

Weinig elastisch

Zesde klasse. Zeer ■weimir elastisch

-ocr page 205-

185

75. Do vastheid of cohaesie. Onder vastheid van bet hout verstaat men den weerstand, dien hot biedt aan de werking van krachten, welke de vezels van een trachten te scheuren of van elkaar te scheiden. Die krachten kunnen daartoe op verschillende wijzen werken, en al naardien openbaart zich ook een verschillend weerstandsvermogen.

Wordt een houten voorwerp, een staafje bijv., gebroken, doordat zijn elementen, vezels, vaten, paronchym- en merg-straalcellen óf te veel gerekt óf te sterk samengedrukt worden, dan is in het eerste geval de absolute, in het tweede de terugwerkende vastheid overwonnen. Zullen eenige elementen van het staafje gerekt, andere gelijktijdig samengedrukt worden, zoodat zij daardoor hun samenhang verliezen, zooals dit door buiging en wringing geschieden kan, dan ondervinden die buigende en wringende krachten de tegenwerking der relatieve en der -wringingsvasthcid. Grijpen eenige krachten het staafje zoodanig aan, dat een afschuiving van een gedeelte van het houtweefsel moet plaats vinden, dan doet de afschuivingsvastheid zich gelden.

De draadrichting van \'t hout kan al dan niet samenvallen mot de lengterichting van \'t staafje: al naar de ligging der vezels zal de weerstand, die het staalje aan de verbrijzeling biedt, hoe dan ook de krachten, die dit beoogen, mogen werken, hetzij bijv. trekkend, hetzij afschuivend, ook verschillend zijn. Wij komen op dit feit weldra terug.

Ten einde de vastheid van verschillende houtsoorten onderling te kunnen vergelijken, bepaalt men bij het onderzoek daarvan de kracht, die vereischt wordt om oen staafje van i mM.1doorsnede te breken, en drukt deze dan uit in kilogrammen. Het getal, dat aangeeft hoeveel kilogrammen voor de verbrijzeling gevorderd worden, noemt men den •vastheids-co\'cffici\'ènt\').

1

van een atmosfeer per cM2. ongeveer i kilogr. bedraagt, drukt men de vastheid per cM*.

2

Men kan natuurlijk ook de kracht aangeven, die voor de verbrijzeling van \'t proef-staafje noodig is, zoo dit een doorsnede heeft van r cM2. Elke coefficient wordt dan slechts ioo maal grooter dan voor de door ons aangenomen doorsnede. Daar de druk

-ocr page 206-

18f)

Reeds vele jaren heeft men zich met het onderzoek van de vastheid, met de bepaling van vastheids-coëfficiënten der houtsoorten, bezig gehouden. De resultaten van de oudste onderzoekingen , die reeds uit de vorige of uit \'t begin van onze eeuw dagteekenen, zijn evenwel zeer dikwijls niet vertrouwbaar en de verschillende gevolgtrekkingen weinig met elkaar in overeenstemming. Daarom hebben voor ruim een dertigtal jaren Chevandieu en Wertheim , van wier onderzoekingen omtrent de veerkracht wij reeds molding maakten, ook van verschillende houtsoorten (uit de Vogezen) do vastheid bepaald, terwijl zij daarbij zooveel mogelijk mot alle omstandigheden, die invloed op deze eigenschap konden uitoefenen, rekening hielden \'). Hun arbeid, die op dit gebied zeer zeker nog de boste en volledigste is, werd sedert door dien van andere onderzoekers aangevuld; en zoo danken wij naast Ch. en W. vooral aan Bauschinger , Mikolaschek, Thurston, e. a. een meer nauwkeurige kennis van deze voor de praktijk zoo gewichtige eigenschap der houtsoorten.

In een kort overzicht zullen wij de door hen verkregen resultaten trachten weer te geven.

u. De absolute vastheid in do richting van den draad is, zooals uit de op bladz. i ga volgende tabel blijkt, zeer aanzienlijk, en veel grooter dan die in de richting der mergstralen (radiaal) of in die der jaarringen (tangentiaal). Wanneer men toch een staaf door uitrekkende krachten verbreken wil, moeten de vezels,

dan in atmosferen uit; verschillende onderzoekers uit den laatsten tijd geven aan deze wijze van uitdrukking de voorkeur.

i) Fn hun Mémoire, etc. komt een historisch overzicht voor van de resultaten, die vóór hen door verschillende onderzoekers met betrekking tot de vastheid en andere eigenschappen der houtsoorten waren verkregen cn worden uit eenige werken (o. a. müsschen-bkoek ; Introductio ad phi losophiam naturalem, 1762 — Buffon : Oeuvres de Buff on — duhamel du Monceau ; Traité de la conservation et de la force desbois, 1780—enz.) verschillende punten a.ingehaald ten bewijze van de weinige overeenstemming der gevolgtrekkingen.

Zeer belangrijk is ook het. aan genoemd werk toegevoegd, tabellarisch overzicht van numerische data voor he: specif gewicht, de vastheid en de elasticiteit van verschillende houtsoorten, opgegeven door onderzoekers . die zich vóór 1850 in \'t bijzonder met de bepaling der mechanische eigenschappen van \'t h ut hebben bezig gehouden.

-ocr page 207-

IS?

zoo zij volgens de lengte der staaf geplaatst zijn, over een gansche dwarsche doorsnede doorgescheurd, of over grooter of kleiner lengte uit hun onderling verband gerukt worden \')• Liggen evenwel de jaarringen of de mergstralcn overlangs, dan zal het breken der staaf zeer vergemakkelijkt worden, voornamelijk, omdat er dan geen sprake meer is van de doorscheuring van een zeer groot aantal vezels, of van hun uiteenrukking (waarbij een groote wrijvingsweerstand moet overwonnen worden).

Bovendien zal, in \'t geval dat de mergstralcn zich in do lengterichting van \'t staafje bevinden, de ringvormige bouw — de aanwezigheid van wijde vezels met weinig verdikte wanden en meestal van een groot aantal vaten in de eerste lagen van het voorjaarshout — een scheiding in sommige dwarsche doorsneden zeer gemakkelijk maken. En loopen de jaarringen volgens de lengterichting, dan zijn er in verschillende dwarsche doorsneden mergstralen aanwezig, wier weinig verdikte cellen onderling en met de omliggende houtvezels zeer geringen samenhang bezitten.

Chevandier en Werthelm meenden dan ook uit hun gansche reeks van waarnemingen het besluit te mogen trekken, dat, indien men de absolute vastheid in de draadrichting van het hunt gelijk aan de eenheid stelt, diezelfde vastheid in de richting der mergstralen [radiaal) = 0.163 en \'1 die der jaarringen [fangentiaal) — 0.159. Hoewel voor de praktijk voornamelijk de absolute vastheid in de draadrichting van gewicht is, is ook de vastheid in daarop loodrechte richtingen niet van belang ontbloot; met een groote vastheid in radiale en tangentiale richting behoeft men niet te vreezen, dat door drukkende krachten, werkende in de draadrichting, het hout zeer spoedig zal splijten, enz.

Zooals men uit de tabel kan waarnemen, wisselt de absolute

1

vormen zijn de vezels grootendeels niet gescheurd, maar bundelsgewijze uit elkaar getrokken.

-ocr page 208-

i88

vastheid der meest gewone Europeesche houtsoorten nog\' al af; do gemiddelde vastheids-coëfficiënten zien wij evenwel zelden hooger stijgen dan 10 Kg. per mM\'-. \'). Zeer groote vastheid bezitten verschillende houtsoorten uit de tropen.

Verschillende omstandigheden , die wij reeds als van invloed leerden kennen op het specif, gewicht en de elasticiteit der houtsoorten, wijzigen ook in grootere of geringere mate de absolute vastheid eener bepaalde houtsoort.

In de eerste plaats het klimaat en de bodem, waarin het hout is gegroeid, en de stand van den boom tijdens den groei. Deze factoren zijn, zooals wij vroeger reeds meedeelden, van invloed op de breedte en den aard der jaarlijks gevormde houtlagen. Zijn zij oorzaak dat dichte, en, in verhouding tot den ganschen jaarring. breede herfsthoutlagen gevormd worden (bijv. naaldhout uit hot Noorden, eikenhout uit zuidelijke streken) dan dankt het hout daaraan, naast een hoog specif, gewicht, een groote absolute vastheid.

Men meene daarom nog niet, dat direct met een grooter of kleiner specif, gewicht van het luchtdroge hout een meerder of minder absolute vastheid gepaard gaat. Dit is wel zeer dikwijls hot geval, maar hot is geen regel. Want behalve van het aantal vezels, dat op een gegeven dwarsche doorsnede voorkomt, zal de vastheid van het houten staafje — om nog eens tot dit voorbeeld onze toevlucht te nemen — zeer zeker nog wel afhangen van de wijze, waarop de vezels ten opzichte van elkaar zijn geplaatst, of zij elkaar omslingeren of recht gestrekt zijn, enz.; zeer zeker zal deze plaatsing van invloed zijn bij die staafjes, die na het bezwijken onder den invloed der trekkende krachten een „langdradigequot; breuk vertoonen (zie do noot op blz. 187).

Maar bovendien hangt het specif, gewicht van \'t hout ook

-ocr page 209-

i8g

af van den ouderdom van den boom en van de hoeveelheden der verschillende stoffen, die zich tijdens den groei tusschen en op de deeltjes der vezels afgezet hebben. Harsrijk grenen-kernhout van oude boomen bijv., dat zeer zwaar is, bezit veel minder vastheid dan dat met een veel geringer harsgehalte, hetwelk van jongere grove dennen afkomstig is.

Ook de houtstof of lignine, die tijdens den groei de vezels verdikte, schijnt van invloed te zijn op de absolute vastheid. Bauschinger \') vond, dat bepaaldelijk deze vastheid met het gehalte aan houtstof afnam; alle omstandigheden dus, die de vorming van lignine begunstigen, zullen waarschijnlijk de absolute vastheid van het hout verminderen.

Ook met de vermindering van het watergehalte neemt het specif, gewicht der houtsoorten af; maar Chevandier en Wert-heüi kwamen tot het resultaat, dat meestal met de vermindering van het watergehalte de absolute vastheid vermeerderde. Wanneer dit gehalte door kunstmatige uitdroging evenwel tot op ongeveer 10 quot;/o daalt, vermindert de vastheid zoodanig, dat het hout zich tot geen proefnemingen ter bepaling der vastheid meer leent; het wordt broos.

Het jaargetijde, waarin de boomen geveld worden, schijnt volgens sommige onderzoekers invloed op de vastheid uit te oefenen; bij het vuren- en grenenhout werd van zulk een invloed op de absolute vastheid door Bauschinger niets bespeurd, een resultaat, dat o. i. bij het naaldhout verwacht moet worden, omdat daar de afwisseling in het watergehalte in de verschillende maanden van het jaar betrekkelijk gering is. Want toch zal waarschijnlijk in dit wisselende watergehalte de eenige verklaring gezocht moeten worden voor den invloed van den vellingstijd op de absolute vastheid van het hout van sommige boomsoorten, g-esteld dan dat een invloed waarlijk wordt uitgeoefend.

t) „Ligninquot;, zegt Bauscihmgek o, a. „sclicint das Mol/, barter, sproder, widerstands-fahiger gegen Biegung zu machcn, wahrend die Zugfestigkeit durch Ligninbildung ver-ringert wird.quot; Mitthci hingen aus dem mcchan.-techn. Labor at. enz. I left IX. biz. 19.)

-ocr page 210-

iqo

Zal het bovenstaande reeds eenige opheldering geven omtrent het feit, dat de vastheids-coëfficiënten der houtsoorten, zooals die door voorname onderzoekers worden opgegeven, zeer veel verschillen — - hetwelk ook duidelijk uit de tabel is waar te nemen, waarin wij voor dit doel de resultaten van verschillende proefnemingen opnamen, — uit de nu volgende regelen zal blijken, dat groote overeenstemming in de cijfers niet verwacht mag worden, omdat zelfs de absolute vastheid van het hout van eenzelfden stam afkomstig zeer weinig standvastig is.

Zoowel in de draadrichting, van de aan de wortels grenzende stamdcelen af, tot die in den top, als in daarop loodrechte richtingen, van het hart naar den omtrek der stammen, beweegt zich de absolute vastheid van het hout soms tusschcn zeer ruime grenzen.

Mikolaschek komt door zijn proefnemingen tot het resultaat, dat hot hout uit het benedengedeelte van een stam, naast een grooter elasticiteit, ook een grooter absolute vastheid bezit, dan dat, hetwelk van meer naar den top geplaatste deelen afkomstig is. Het takhout heeft nog geringer vastheid dan het laatstgenoemde. De waarnemingen van Chevandier en Wertheim komen daarmede goed overeen; in de meeste gevallen nam de vastheid van het hout af met de hoogteligging in den stam. Volgens Baüschinger oefende het bij de door hem onderzochte vuren en grenen stamdcelen weinig of geen invloed op de resultaten uit, of de proefstukken uit hoogere dan wel uit lagere deelen van een stam afkomstig waren \').

i) Wij moeten hieraan evenwel het volgende toevoegen.

De stamdcelen , die Baüschinger onderzocht, waren afkomstig van 90—zoo jarige grove dennen en fijne sparren. De stammen waren 1% Meter boven den grond afgezaagd; van eiken stam werden twee op elkaar volgende stukken genomen , die elk 3 Meter lang waren. Igt;\'; onderzoekingen strekten zich dus slechts over een stamgedeelte van 6 Meter uit. F lij onderzocht zoowel splint als kernhout of rijphout. Mikolasciikk nam zijn proefstukken slechts uit het kern- of rijphout . en niet alleen uit het benedendeel der stammen . die zoowel van loofboomen als van naaldboomen afkomstig waren , maar ook uit een hoogte van 6, 8 of 10 Meter boven den grond. Ook Chevandier en Wertheim onderzochten verschillende stammen over hun gnnsche lengte.

-ocr page 211-

IQI

Ook in de richting van den mcrgkokor naar de schors heerscht geen standvastigheid in de absolute vastheid. In de meeste gevallen neemt zij toe in die richting-; de meening, die men dikwijls hoort verkondigen, dat kernhout altijd vaster is dan splint, wordt door vele onderzoekingen gelogenstraft. Die van Bauschinger bijv. brengen duidelijk aan \'t licht, dat het kemhout van den groven den en het rijphout van den fijnen spar veel minder vastheid bezit dan het splintgedeelte dier boomen \'). Bij het stamhout van vele loofboomen, mits deze niet te hoogen ouderdom hebben bereikt -), wordt eveneens een vermeerdering der absolute vastheid van het merg naar de schors waargenomen; zoo, volgens de onderzoekingen van Chevandier en Werthelm bij den acacia, ahorn, beuk, els, esch, haagbeuk, enz.

Alles te zamen genomen, zal men, bovendien wetende, dat de doorsnede der proefstukken, die aan \'t onderzoek worden onderworpen, in den regel slechts zeer klein zijn (die van Baüschinger bijv. 24 cM1.), in de nu volgende tabel, behelzende eenige coëfficiënten der absolute vastheid volgens opgaven van verschillende onderzoekers, zeer weinig overeenstemming in de cijfers kunnen verwachten.

1

Het hout van eikenstammen en dat van een buuk maakten bij de onderzoekingen van Chevandier en Wertiieim een uitzondering op den regel, dat het splint een grooter absolute vastheid bezit dan het kernhout. Deze stammen waren evenwel op eon resp. 94 , 164 en 95 jarigen leeftijd geveld, terwijl al de overige, behalve een berkenstam , een ouderdom hadden bereikt van 21 tot 6r jaren. De uitzondering bestond daarin , dat de vastheid wel aanvankelijk in radiale richting naar de schors toenam, maar op een afstand van den mergkoker, die ongeveer gelijk was aan gedeelte van de middellijn , had het hout zijn maximum van vastheid bereikt en verminderde deze van daar, in de richting naar de schors , zoodanig , dat zij In de nabijheid daarvan zelfs geringer was dan in t hart van den stam. Uit deze feiten meenen genoemde onderzoekers dan ook het besluit te mogen trekken , dat dij oude kernhoutboomen (bij oude beuken vormt zich kernhout) , met dc verandering in den toestand van het houtweefsel (overgang tot kernhout), tevens een omkeer in het verloop der vastheid plaats grijpt terwijl dit bij andere, met name bij naaldboomen (ook die van het geslacht l\'inus? kernboomen) en splint-

-ocr page 212-

Dwarsdraads.

Houtsoort. In de

i draadrichting \'). ; Radiaal. Tangentiaal.

acaciahout (Rob. Pseudoac.L.) 7.93(Ch. enW) — i.23(CH.enW.

beukenhout (Fag. sylvat. L.) . 3.57 „ o.88(CH.enW.) 0.75 „

3-64 (M.)

dennenhout (Ab. pectin. D.C.) 4.18 (Ch. en W.) j 0.22 „ 0.30 „

7-13 (M.) 1

eikenhout (Q. sessilifl. Sm.). 5.66 (Ch. en W.) 0,58 „ 0.41 „

4.66 (M.)

eschdoornh.{AcerPseudopl. L.). 6.16 (Ch. en W.) 0.52 ,, 061 „

5 39(m-)

essphenh. (Frax. excels. L.) . 6.78 (Ch. en W.) 0.22 „ 0.41 „

grenenhout (Pin. sylv. L.K 2.48 (Ch. enW.) o.26(CH.enW.) 0.12 (Ch. enW.)

4-27 (M.)

9.00 splint 1 «-g^

quot; quot; , 2.60 kernh.\'

boonien, wier houtweefsel in de centrale ringlagen steeds dezelfde kleur vei toont en hetzelfde watergehalte bezit als in de peripherische, niet geschiedt.

De juistheid dezer gevolgtrekking dient evenwel o. i. door nadere onderzoekingen gestaafd te worden.

1) Deze coëfficiënten zijn gedeeltelijk afkomstig van Chevandiek en Wertiieim (Ch. en W.) gedeeltelijk van Mikülaschkk (M.) en van Bauschinger (B.).

Cu. en VV\'s coöfficiönten zijn grootendeels gemiddelde waarden , welke door onderzoeking van hout van verschiliende boomstammen van dezelfde soort verkregen en op een watergehalte van 200/0 gereduceerd zijn. M\'s materiaal bestond uit de centrale houtlagen van verschillende boomstammen; zijn getallen hebben betrekking op luchtdroog kernhout, of zooals bij vurenhout , op rijphout. Het watergehalte van B\'s proefstukken wisselde af tusschen 12 en 25%.

Die coc-ffictènten, welke door oudere onderzoekers, bijv. door Laves {Mittheilungen des Gewerbevereins fur das Konigr. Hannover, 1836, Lie/er. 11. Zie; NuKülingkk, die tcchn. liig. blz. 389 e. v.) gevonden werden, komen ons veel te hoog voor. Karmarsch, gebruikte deze, naar wij meenen , ter samenstelling van zijn vastheidstabel, zoodat de door hem aangegeven coëfficiënten veel hooger zijn dan de bovenstaande; volgens zijn opgaven [Handb. der Mech. Ter hu., 5quot;quot; Any/. blz. 613) varieert de absolute vastheid (in de draadrichting) van

beukenhout, tusschen i.n en 15.27 (15.29 volgons Laves),

dennenhout r 1.11 .. 10.48 {10.50 - ).

eikenhout 2.23 . 14-51 (MÓS •• •• )»

esschenhout 5.22 .. 12.10 (12.12 •■ ) gt; en/-

-ocr page 213-

\'93

1 )\\varsdraads.

fn de

Houtsoort. , , . , .

draadnchting. Radiaal. Tangentiaal.

\'

haagbeukenh. (Carp, betul. L.) 2.99 (Ch. en W.) 1.01 „ o.fu „

i 6.17 (M.)

ijpenhout (Ulm. camp. l.) . . ; 6.99 (Ch. en W.) 0.34 ,, | 0.37 „

; 4-5° (M-)

lindenhout (Til. parvif. L.) . . 3.08 „ —

populierenli. (Pop. tremula L.) 7.2 ! Cu. en W.) 0.17 „ : o..|i „

1 3.83-(M.)

vurenhout (Ab. excelsa Lam.) 3.74 „

; 9 13 splint i,px

quot; igt; O 1 1^quot;/

, 3.18 rijpn. !

u-ilgenliout (Sal. Caprea I,.), . ■ 2 72 (M.)

De elasticiteits-coëfiiciënt (bij rekking) neemt met dién dor absolute vastheid toe en af. Uit do ondcrzoeking\'en van Batj-schixoer blijkt evenwel ten duidelijkste, dat dit niet in dezelfde verhouding geschiedt. Bij een grenen stam bijv. verhielden zich de vastheids-coëfficiënten van het kernhout en \'t splint tot elkaar als 1 : 5.7, de elasticiteits-coëfficiënten in genoemde stamdeelcn, als 1 : 2.3; eveneens werd bij vurenstammen de verhouding 1 ; 4 en 1 : 2.5 voor de vastheids-coëfficiënten en voor die der elasticiteit 1 : 2.5 en 1 : 2.1 gevonden. Dat ook Mikolaschfk hetzelfde verband tusschen elasticiteit en absolute vastheid vond bij zijn onderzoekingen, werd vroeger reeds vermeld.

6. De terugwerkende vastheid van \'t hout is volgens de meeste onderzoekingen geringer dan de absolute vastheid.

Zij hangt van dezelfde omstandigheden af, als die, welke wij van invloed op de absolute vastheid leerden kennen.

Volgens do draadrichting kan \'t hout den moesten weerstand aan drukking bieden \'); do coëfficiënten dor terugwerkende vast-

1) Volgens Nordlinger bevinden zich bij enkele, voornamelijk bij twee voor de wagen-makerij belangrijke houtsoorten, ijpen- en hiekoryhout, de vezels of vezelbundels, bijeen drukking loodrecht op den draad, niet alle onder denzelfdon druk. P.ij de bepaling d\'T

-ocr page 214-

194

hcitl zijn voor deze richting meermalen grooter dan die, in een daarop loodrechte, \'t zij in een radiale, \'t zij in een tan-gentiale richting\'. Xiet voor alle houtsoorten zijn do verschillen tusschen de coëfficiënten in de drie genoemde richtingen gelijk of nagenoeg gelijk. Dit is een direct gevolg van het verschil in anatoraischen bouw; en hot behoeft geen betoog, dat bijv. bij naaldhout met wijde, weinig verdikte vezels in \'t voorjaarshout, de terugwerkende vastheid in de richting der mergstralen met betrekking tot die in de draadrichting, voel geringer zal zijn dan bij de loofhoutsoorten, met vaten van kleine doorsnede, die regelmatig door het houtweefsel zijn verspreid; eveneens zullen wij bij deze loofhoutsoorten een gunstiger verhouding tusschen de vastheids-coëfficiënten in genoemde richtingen mogen verwachten , dan bij die, met groote, ringsgewijze in quot;t voorjaarshout geplaatste, vaten. De gegrondheid hiervan blijkt, wanneer men de gemiddelde waarden dezer coëfficiënten voor de aangewezen houtgroepen opmaakt en met elkander vergelijkt:

bij dc naaldhoutsoorten verhouden zich de coëfficiënten in de draadrichting tot die in radiale richting gemiddeld ...............als i : o. 12 ;

bij de loofhoutsoorten met ringsgewijze geplaatste vaten.............als i : 0.20 ;

en bij die met regelmatig door de jaarringen

verspreide vaten............als 1 : 0.28.

De volgorde dezer houtgroepen wordt eenigszins gewijzigd, wanneer men haar baseert op de verhouding tusschen de coëfficiënten in de draadrichting en in tangentiale richting; dit is aan den invloed van de kromming der jaarringen toe te

v.isthcids-coöfficiöntcn volgt bij oen zekere belasting, bij deze houtsoorten een samendruk-king van t proefsU\'afje maar geen verbrijzeling. Om daartoe te geraken moet de belasting soms aanzienlijk worden vermeerderd. Bij dc eerste belasting bezwijken wel enkele vezels of v zelbundds, maar door de samendrukking van \'t staafje komen andere bundels in werking, die wel in staat zijn om weerstand te bieden aan den druk dezer belasting. Pnirk-ti; . ■ it .A-v //lt;gt;/:lt;•. : • \'/ /-\'orstrath XöRDI.INGr.K zu Tï(hingen in hel Cer,tK.il!\'l,itt fïn- dtgt; ;vlt;-wm/c r882, blz. 281.

-ocr page 215-

195

schrijven, waardoor eon juiste bepaling- van de coëfficiënten ii tang-entiale richting zeer moeielijk wordt:

bij do naaldhoutsoorton verhouden zich de coëfficiënten in de draadrichting tot die in tang\'entiale richting als i : 0.12; bij do loofhoutsoorten met regehniitig\' verspreide vaten.............als i : o, 1 y ;

en bij die mot ringsgewijzc geplaatste vaten als 1 : 0.21 \').

Dat overig-ens de bouw van \'t hout van gfrooten invloed is op don weerstand, dien het tegfon samendrukking bieden kan, blijkt uit het feit, dat door de minste onregelmatigdieid in het weefsel eener houtsoort, zooals de aanwezigheid van zoor kleine kwasten, die weerstand in hooge mate verminderd wordt.

Ook de bestanddeelen van \'t houtweefsel kunnen, volg\'ens enkele onderzoeking\'en, wijziging brongen in de terugwerkende vastheid dor houtsoorten. Een groote hoeveelheid hars bijv., opeengehoopt in hot kernhout van sommige naaldhoutsoorten, is oorzaak van een zeer geringe vastheid. Een groot water-gehalte heeft eveneens een zeer nadeeligen invloed op de terugwerkende vastheid. Zoowel Bauscitixger als Nörhij.nger namen bij een vermindering van dit gehalte eon vermeerdering der vastheid waar -).

1) Wanneer men uit de coöffietënten voor de terugwerkende vastheid van verschillende loof- en naaldhoutsoorten, de gemiddelde waarden der coëfficiënten voor de drie genoemde richtingen opmaakt , blijkt, volgens Nördlingf.k , dat

de coefficient in de draadrichting — 4.37 Kg. (per m.M-.)

„ „ „ n radiale richting — 0.89 n „ „ v n n tangentiale richting =r 0.79 „ „

De gemiddelde waarden voor vijf naaldhoutsoorten (dennen-, grenen-, lorken-, v urenhout , hout v. d, Wéymouthspijn) in deze drie richtingen zijn :

4.2T Kg., 0.49 en 0.50 Kg.;

voor loofhoutsoorten met ringsgewijzc geplaatste vaten (bijv. hout van Ailanthus glan dulosa Desf. , van Quercus rubra L. en van den acacia):

5.10 Kg.. 1.00 en 1.17 Kg.;

voor de overige loofhoutsoorten (bijv. eschdoomhout, dat van Acer dasycarpum L. eken-, haagbeuken-, plataan- en populierenhout):

4.r4 Kg. , t.t6 en 0.79 Kg.

2) BausCHINGER [Untersnchungcn , blz, 14) liet uit twee stammen van fijne sparren en uit één van den grovcn den zes proefstaafjes vervaardigen , twee uit eiken stam en

-ocr page 216-

I 96

In verschillende doelen van eenzelfden stam heeft het hout ook een verschillende terugwerkende vastheid. In \'t hart der boomen is door dc aanwezigheid van een morgkoker, door een onregelmatig verloop der jaarringen enz. do vastheid van \'t hout soms al zeer gering. Naar den omtrek der stammen noemt zij met het specifieke gewicht van liet luchtdroge hout af of toe. Volgens Bauschixger \') hebben kernstukken van vuren- en grenenstammen gewoonlijk geringer terugwerkende vastheid dan andere, welke meer in de nabijheid dor schors van don stam genomen zijn. Deze regel geldt voor het stam-hout van allo naaldboomen, die in gesloten stand gegroeid zijn en in wier centrale doelen geen hars wordt afgezet -).

Bij het stamhout der loofboomen, uit oen gesloten stand afkomstig, wordt do grootste terugwerkende vastheid waargenomen op oenigon afstand van hot hart.

Wat do vastheid in hoogere of lagere stamdeelen betreft, komen do verschillende onderzoekers, allen tot hetzelfde resultaat; de vastheid in de bénedendeelen der stammen is, hoewel somtijds zeer weinig, toch altijd grooter dan die in de meer

bepaald uit deelen «li»\' in eikaars onmiddellijke nabijheid lagen. Van olk paar stanljes werd er t\'én in den groenen toestand , één , na snelle kunstmatige droging onderzocht. De uitkomsten wnren nis volgt;

iHtf paar. Staafje van vurenhout met 20 quot;/0 watergehalte. Terugw. vastheid — 226 atmosf.

r » n * ro-4 % v. n •• : 3l7

2,]? paar. „ „ „ „ 21.5% „ „ „ = 211 „

« n n Ti IO.7 «/„ „ * „ quot; 303 n

^.i»-paar. r „ grenenhout „ 18.0 0 „ „ v ~ quot;338

~ n IO-3 % r v v ~ 397 *

1) ........diess letztere , namlich , dass die Kernstiickc eine geringere Festigkeit haben,

;ils die Seitenstiieke , (triffi) durchweg zu , in Uebereinstimmung mit den Resultaten fier /ugvorsuche, nur dass dor Unterschied hier, des grosseren Querschnitts der Probestttcke halber, nicht so aufTallend ist als dort.quot; (Bat schixoer , Untersuchungen, blz. 21), De stukken voor de bepaling der absolute vastheid hadden een doorsnede vnn circa 4 gt;.\' ic.M., voor die tier terugwerkende vastheid evenwel een van ca. 9 X 9 cM.

2) Volgens NV.rdi.ingkk. Ccntralbl. f. d. ifcs. Forst™., 1882. blz. 292. Het kernhout van oen lork , was door de aanwezigheid van een niet te groote hoeveelheid hars, aanzienlijk vaster dan hel splint.

-ocr page 217-

197

naar den top geplaatste deelen \'). AIikoi.asciiek. bevond, dat hel kernhout der takken de grootste terugwerkende vastheid bezat 1).

De terugwerkende vastheid van hot hout schijnt in verband te staan met het jaargetijde, waarin de boom is geveld. Bau-schinger toch kwam door zijn onderzoekingen tot de ontdekking, dat het hout van in den winter gevelde stammen van den groven den en den fijnen spar, een grootere mate van terugwerkende vastheid bezat dan dat, hetwelk van in den zomer gevelde stammen afkomstig was. Wordt deze vastheid van het in den zomer gewonnen grenenhout en vurenhout = i gesteld, dan is die voor het winterhout = 1.35 (bij grenenhout) en = 1.18 (bij vurenhout) *). Ten opzichte van de loofhoutsoorten is ons van een dergelijk verband niets bekend, daar onderzoeking-en dienaangaande ontbreken.

De volgende tabel moge nu een klein overzicht geven van de waarde der terugwerkende vastheid bij verschillende houtsoorten , volgens de richting van den draad. Het zal na het voorgaande duidelijk zijn, waarom ook hier weder in de vastheidscoëfficiënten (Kg. per mM.-) door verschillende onderzoekingen verkregen, weinig overeenstemming wordt aangetroffen.

1

Mikolasciiek , Untersuckungen, blz. 15.

-ocr page 218-

[ yS

Houtsoort. In de draadrichting.

acaciah. (Rob. Pseudac. L.) . 5.07 - 6.90 (Nördl.)\')

beukenh. (Fag. sylv. L.) . . 4.73—7.07 dennenh. (Ab. pectin. IJ. C.) 3.67—6.66

eikenh. (Q. sessil. Sm.) . • 1 „ , ,

^ \' 3.18—6.2!

„ („ peduncul. Ehrh) I

eschdoornh.(AcerPseudopl.L.) 3.61—5.44

esschenh. (Frax. excels. L.). 3.52—5.07

grenenh. (Finns sylvestr. L.) \'3.00 — 5.81

haagbeukenh. (Carp, betul. I.) 3.97 5.43

hickoryh. (Carya alba Mill.). 5.1S—6 71

ijpenh. (Ulm. camp. L.) . . 3-99—5-37

lindenh. (Tilia parvif. L.J. . 3.00 -4.61

populierenh. (Pop. tremula L.) 3.38 -4.40

vurenh. (Ab. cxcelsa Lam.) . 2.98—5.87

wilgenh. (Sal. alba L.). l0Hd ^

(jong 3.99—5.05

Dat do houtsoorten ccn verschillende terugwerkende vastheid bezitten, wordt in de praktijk ook niet uit \'t oog verloren ; pooten onder zware kasten maakt men geenszins van zachte houtsoorten mot een geringe terugwerkende vastheid.

Pooten van fauteuils of stoelen worden minder om samendrukking dan wel om knikking of doorbuiging te voorkomen, van niet te geringe dikte in verhouding tot delengte vervaardigd.

„ 3.86 (Mikolas.)

gt;, 3-12

2-58 364

2.73

3.02 „ 4.38 (Bausch.)

2-71 »

?gt;

2-37 3-26 „

1.01 „ 2.44 „

» 2.10 „

»j 2-97 gt;? 3-35 »

Omtrent dit doorbuigen van houten, vertikaal geplaatste stangen, wier lengte een zeker veelvoud van hun dikte is, onder den invloed van in de richting der lange as drukkende krachten, zijn door Nöruuxoer eenige onderzoekingen gedaan.

1

zocht zoowel splint ais kernhout van verschillende deelcn, verschillende stammen ,-cth-r boomsoort, en stelde uit al zijn onderzoekingen de bovenst.iande grenswaarden te zamen. Bauscuinger cn Mikoi.aschek gebruikten voor deze onderzoekingen dezelfde stamdeelen nis voor de bepalingen der absol. vastheids-coöfiiciënten (zie de noot op blz. 190).

-ocr page 219-

i gg

waarvan de resultaten hier gevoegelijk kunnen meegedeeld worden.

De bouwkundigen maken in den regel houten stijlen niet langer dan 8 a 10 maal de kleinste afmeting der dwarsche doorsnede. Stijlen van naaldhout kunnen volgens Nördi.inger evenwel 12—15 maal langer dan dik zijn, zonder dat zij, zelfs bij een belasting, die samendrukking van het houtweefsel veroorzaakt, eenigermate uitbuigen. Dit geschiedt eerst, wanneer de verhouding der lengte- en diktcafmetingen ongeveer als 1 ; 18 wordt. Stijlen van enkele loofhoutsoorten, zooals berkenhout, populieren-, linden-, elzenhout, worden zonder buigen samengedrukt, wanneer die verhouding ongeveer 1:7 a 11 bedraagt; van alle andere loofhoutsoorten worden staven nooit sameng\'edrukt, zonder dat zij meer of minder buigen , zelfs wanneer de lengte slechts het vijf-, vier- ja, het tweevoud der dikte bedraagt. VTij verzuimen evenwel niet er op te wijzen, dat men in deze resultaten geen aanleiding behoeft te vinden, om die houtsoorten voortaan minder algemeen toe te passen; de buiging der staven heeft toch eerst plaats eenige weinige oogènblikken voor hun geheele vernietiging door samendrukking \').

Ten slotte kan de volgende mededceling nog haar nut hebben. Bauschinger komt door zijn onderzoekingen, betreffende vuren- en grenenhout tot het besluit, dat, wanneer men de gemiddelde hoedanigheid van stamhoutsoorten, welke dan ook, onderling wenscht te vergelijken , dit het best kan geschieden door de vergelijking hunner terugwerkende vastheid; allerlei vragen, omtrent don invloed dor standplaats, der vellingstijd, e. d. op de qualiteit der houtsoorten, kunnen, volgons hem, het eenvoudigst en met de meeste zekerheid door middel van drukproeven worden opgelost 1).

1

B. (Untcrsuchungcn, blz. 23) slaat voor om op drie plaatsen, ter borsthoogte,

-ocr page 220-

200

c. Üe relatieve vastheid. Wanneer op een houten staafje krachten zoodanig aangrijpen, dat het buigt — het kan bijv. aan de einden bevestigd en in \'t midden sterk belast zijn dan worden do vezels aan de holle zijde samengedrukt, aan de bolle zijde uitgerekt. Zijn de buigende krachten zóó groot, dat bij de buiging de elasticiteitsgréns wordt overschreden dan worden de gedrukte vezels weldra te zamen geschoven of ineengedrukt; toch behoeft het staafje nog niet te bezwijken onder de werking der krachten, daar nog de gerekte vezels aan de convexe zijde stand kunnen houden; het bezwijkt eerst dan, wanneer bijv. de werking van grootere krachten ook het scheuren der gerekte vezels ten gevolge heeft. De relatieve vastheid, die zich bij deze krachtswerking doet gelden, is niet alleen wegens het groote gewicht voor de praktijk, maar ook, omdat dit onderzoek weinig moeielijk-heden aanbood, reeds door enkelen der eerste onderzoekers van de technische eigenschappen dor houtsoorten, bepaald.

De uitkomsten van onderzoekingen uit den lateren tijd, van Nördlinger, Mikolaschek en B.vuschinger, doen weer ten duidelijkste zien, dat de relatieve vastheid van het hout afhangt van de standplaats van den boom, van den bodem, waarin deze groeide, kortom, van dezelfde omstandigheden, die wij van invloed leerden kennen op de reeds behandelde eigenschappen. Evenals zulks bij de absolute en terugwerkende vastheid het geval is, wordt ook met do vermeerdering of vermindering van het specifiek gewicht de relatieve vastheid van een of andere houtsoort meer of minder aanzienlijk, en evenals ten opzichte van het specif, gewicht vertoont zich deze vastheid ten opzichte van de veerkracht. Gemiddeld bezit het

in l midden cn aan t kofxindc, uit etn stam, waarvan de hoedanigheid moet bepaald worden, schijven van 15 cm. dikte te zngen , deze dadelijk, om het scheuren te voorkomen, door twee diametrale zaagsneden in 4 gelijke sectoren te verdeden en daaruit prismatische proefstaven van 15 bij 8 ■ 8 of 10 gt;- 10 cM. te vervaardigen. Deze staven , gemakkelijk en met niet te groote kosten te verkrijgen, worden dan op hun terugw. vastheid onderzocht.

-ocr page 221-

takhout van een boom de grootste, en dat uit het benedendeel der stammen de geringste relatieve vastheid \').

Een invloed van den vellingstijd werd, ten minste bij vuren en grenen stammen, niet waargenomen 1).

Volgons Duhamel ou Moxckau 2) dragen vierkant behakte en horizontaal geplaatste balken meer, wanneer de jaarringen een vertikalen, dan wanneer zij een horizontalen stand innemen; men zal er daarom immer naar moeten streven, om do balken in zoodanigen stand te plaatsen, dat de jaarringen, op de kopvlakken gezien, in dezelfde richting loopen als de buigende krachten zullen werken. Nördlixger quot;) meent zeer terecht, dat deze onderzoekingen evenwel herhaald moeten worden, omdat de proefstaven van Duhamel wol alle dezelfde dwarsche doorsnede, maar niet alle dezelfde hoogte en breedte hadden, wat toch voor vergelijkende buigings-proeven noodzakelijk is. Hij zelf vond het onderscheid tusschen de relatieve vastheid van espen balken, met bij hot onderzoek vertikaal en horizontaal geplaatste jaarringen uiterst onaanzienlijk; de coëfficiënt voor den balk met staande jaarringen bedroeg toch 8.57 (Kg. per mM.2) voor dien met liggende jaar-ringen 8.37.

Niet onbelangrijk achten wij hier de mededeeling- van eenige uitkomsten van proeven, door Barlow r\') verricht, ten einde den invloed te leeren kennen van enkele dikwijls gevolgde bereidingswijzen van houtsoorten, op hun relatieve vastheid. Zijn onderzookingsmateriaal bestond uit eiken balken, die, uit eenzelfden stam gezaagd, elk 1.83 M. lang waren en een dwarsche doorsnede van 25 cM.2 hadden. Deze balken werden langs den natuurlijken weg in loodsen gedroogd; enkele

1

Bauschinger. Untersuchungen. blz. 20.

2

Du transport, de la conservation et de la fori r des bois. Blz. .417 (Livrc Cinqquot;quot;-, Chap. II). Paris, 1767.

-ocr page 222-

werden vooraf, g-edurende kortoren en langweren tijd met stoom, andere met kokend water uitgeloogd. Na \'t drogen werd hun weerstand bepaald teg\'en de werking van buigende krachten.

De uitkomsten dezer proefnemingen vindt men in de volgende tabel.

Nummer der proeven.

Wijze van bereiding.

Duur der bereiding.

Uren.

Gemiddelde belasting bij het breken.

Kg.


303

5

303

to

CO M

2

278

4

278

6

267

8

290

10

27.S

In den natuurlijken toestand gedroogd.

Gestoomd.

Met kokend water behandeld.

14

16

Deze onderzoekingen zijn evenwel uiterst onvolledig en het zou zeer gewenscht zijn, dat de door Barlow verkregfen resultaten aan die van andere, nauwkeurige en op grooter schaal aangelegde proefnemingen konden worden getoetst. Men zou toch allicht uit het bovenstaande het gevolg kunnen trekken, dat het uitstoomen het dikwijls gedurende 60 tot 80 achtereenvolgende uron uitloogen van hout, door stoom van lage drukking, vóór het drogen, hoofdzakelijk met het doel om het zoogenaamde „werkenquot; van het hout te verminderen een nadeeligen invloed op de vastheid van het hout uitoefent. I let tegendeel is, volgens de meeste technische schrijvers, hot geval, en de resultaten ecner kleine reeks van onderzoekingen, die evenwel ook niet door groote volledig-

-ocr page 223-

203

heid uitmunten, en die, evenals de bovengemelde, v;in ouden datum zijn , zouden daarvan het bewijs levercMi \').

Ten slotte moge ook hier weder een opgave van coëfficiënten der relatieve vastheid (Kg. per m.M.2) van verschillende houtsoorten volgen.

Van Chevandier en Wertueim stonden ons weinig gegevens ten dienste, omdat zij slechts de relatieve vastheid bepaalden van eiken- en dennenhouten stukken, van vorm en met afmetingen zooals ze in den handel voorkwamen.

i) In Dingier s Polyt. Journal Dl. 36 (Jaargang 1830) blz. 199, komt een verhandeling voor van A. Stkeicmer te Weenen, getiteld: „das Auslaugen des Holzes und seine Wirkung, enz. waarin o, a. over de relatieve vastheid van al dan niet uitgestoomd en gedroogd hout het volgende wordt meegedeeld. Ten einde de draagkracht van het niet bereide hout te vergelijken met het uitgestoomde, werden stukken van eiken-, ahorn-, beuken-, pereboomen-, linden- en vurenhout in vier gelijke deelen gesneden; twee ervan werden voor het drogen uitgeloogd de twee andere in den natuurlijken toestand gelaten.

Deze staafjes (lengte 30 cM., dwarsche doorsnede ongeveer 6.3 cM.1) werden nu, horizontaal geplaatst, aan de einden bevestigd en in \'t midden belast totdat het breken volgde. De resultaten waren;

Belasting in Kilogr. bij het breken.

1 loutsoorten.

j Niet uitgestoomd | Uitgestoomd vóór \'t drogen. vóór \'t drogen.

ahornhout..............285 335

beuken „..............312.5 377.5

eiken „..............iriy.s 237.5

linden ..............172.5 200

pereboomenhout..........175 225

vurenhout..............187.5 237-5

Hieruit blijkt, dat de staafjes van het uitgestoomde hout 50—75 Kg. meer konden dragen dan de niet uitgestoomde.

-ocr page 224-
-ocr page 225-

d. Do afschnivingsvastheid. De weerstand tegen afscheren of tegen het verschuiven van een deel van een stuk hout, ten opzichte van de andere doelen, door do werking van uitwendige krachten, hangt af, al naar do richting waarin de afschuiving plaats hoeft, of van don zijdelingschon samenhangquot; der vezels en vaten (afschuiving in do draadrichting), öf van den samenhang dor vezel- en vatdeeltjes (afschuiving dwarsdraads). Daar de samenhang dor vezels en vaten onderling veel geringer is dan die der vezel- en vatdeeltjes, is ook de weerstand togen afschuiving in de draadrichting veel g-oringer dan in daarop loodrechte richtingen; bovendien zal ook de afschuiving in hot laatste geval door den goringoren weerstand togen samondrukking zeer worden bemooiolijkt.

In do volgende tabel vindt men de bevestiging van hot zooeven modogedeelde. Do getallen stollen ook hier weer do grootte van dc kracht voor, uitgedrukt in kilogrammen, die ter overwinning van don afschuivingsweerstand, per mM.\' doorsnede crovorderd wordt.

|

Houtsoorten. , In de draadrichting. Dwarsdraads.

beukenhout (Fag. sylv. L.) . \' 0.81 (Mikolasch.) 3.91 (Mikolasch.)

dennen „ (Ab. pectin. D. C.) : 0.31 „ j 2-73 „

eiken ,, (Querc. sessil. Sm.) 0.71 „ I 1.91 „

gt;1 „ (Querc. pad. Ehrh.) | 0.92 „ !3\'50 .gt; elzenhout (Aln. glut. Gartn.) 0.57 ,, 2,29 grenen,, (Pin. sylv. L) . . 0.32 „ \'2.14

,, „ „ 0.91 (Bausching.)

liaagbeukenh. (Carp. bet. L.) 0.72 (Mikolasch.) ;3.io ,,

ijpenhout (Ulm. camp. L.) . 0.61 „ i 2.71 ,,

linden „ (Til. parvif. L.). . 0,41 „ 2 37

lorken „ (Larix eur. D. C.) 0.43 „ 2.47

vuren „ (Ab. exc. Lam.) . 0.51 „ 12.59

„ „ o.84 (Bausching.) 1

wilgen „ (Sal. Caprea. I..) . 0.69 (Mikolasch.) :2.26 .,

Men vindt in do tabel in hoofdzaak slechts do resultaten dor proefnemingen van een onkelen onderzoeker, omdat de

.\'ifschuivingsvasthcid van hot hout, als voor de praktijk van

-ocr page 226-

2o6

minder belang\' zijnde, nog slechts door weinigen de moeite van een onderzoek werd waardig\' gekeurd. Meerdere onderzoeking-en daaromtrent zouden ons evenwel een juister inzicht in andere technische eigenschappen van het hout kunnen verschaffen.

Bij de proeven, door Bauschinger genomen, bleek, dal de weerstand teg\'en afschuiving\' (in de draadrichting en radiaal) onafhankelijk was van de breedte der jaarringen. En wat het verloop der vastheid betreft van het centrum naar den omtrek van een stam, nu eens nam zij van den kern naar het splint aanhoudend toe, dan weer was de vastheid in de nabijheid van het splint zelfs g-eringer dan in \'t hart van den stam. Van reg\'elmaat kan dus in dit verloop, ten minste bij hout van vuren- en grenen stammen, geen sprake zijn.

B.ujschixgkr kon geen invloed bespeuren van de hoogte-ligging van \'t hout in den stam op deze vastheid. Mikolaschek deelt daarentegen mede, dat die vastheid, loodrecht op de draadrichting, van takhout \'t geringst is, en het hout uit \'t middengedeelte der stammen nu eens grooter dan weer geringer vastheid vertoonde dan dat, hetwelk uit de worteleinden afkomstig was; volgens het radiale vlak onderzocht, bood \'t hout uit de middendeelen der stammen den grootsten weêr-stand tegen afschuiving.

In overeenstemming mot \'t geen daaromtrent bij de terugwerkende vastheid werd vermeld, vindt Bauschinger een verschil in de afschuivingsvastheid van \'t hout, al naar dat het van stammen afkomstig is, die in den zomer dan wel des winters zijn geveld. Zooals uit de volgende tabel blijkt, inliet gevonden verschil nog al aanzienlijk.

Houtsoorten

Zomervclling.

Gem. afechuivingsvastheid van \'t luchtdroge hout. Kg. per mM*.

Wintcrvelling.

1. grenenhout

2. vurenhout .

3-

4- «

1.08

0.74 0.90

t.07

0-99 0.68

0.84

0.54

-ocr page 227-

207

Dc stammen, die het hout opleverden voor de proeven, waarvan het resultaat onder i vermeld is, waren natuurlijk alle van eenzelfde standplaats afkomstigquot;; eveneens die voor de proeven sub 2, 3 en 4.

Wordt dus de afschuivingsvastheid van \'t stamhout van in den zomer gevelde grove dennen en fijne sparren — 1 g\'e-steld, dan bedraagt zij gemiddeld, volgons B\'s onderzoekingen bij het des winters gevelde hout dezer boomsoorten resp. 1.46 en 1.08.

c. De \'curingingsvasthe\'id. Wanneer op een houten staaf krachten zoodanig werken, dat zij om haar lcngquot;teas wordt gewrongen, nemen de vezels, zoo zij evenwijdig aan die as loopen, een schroefvormig beloop aan.

Al naar de vastheid van \'t hout kan de wringing\' meer of minder aanzienlijk zijn, voordat de samenhang der vezels of der vezcldeeltjes wordt vernietigd. Sedert men hout als grondstof voor de vervaardiging van drijfassen al meer en meer door ijzer vervangt, is ook de juiste kennis van den weerstand, dien het hout tegen verbreken door wringing bieden kan voor de praktijk van minder gewicht geworden. Op bouwkundig gebied treft men hoogst zelden constructies aan, waarbij het hout aan wringing is blootgesteld; slechts bij enkele werktuigen (houten windas, kaapstander) en bij een der moest belangrijke mechanische vervormingswijzen (draaien) speelt de wringingsvastheid van \'t hout geen onbelangrijke rol, zoodat het daarom en vooral ook met het oog op oen juistere kennis van andere technische eigenschappen gowenscht is, dc meerdere of mindere waarde dezer vastheid voor verschillende houtsoorten te kennen.

Nauwkeurige onderzoekingen omtrent dc torsievastheid van \'t hout zijn zeer weinig in getal. Een tamelijk volledige reeks werd door Mikolascher \') verricht; de resultaten zijner proefnemingen vindt men in de volgende tabel (torsievastheid in Kg. per inM.2).

t) Untersuchungen. enz. blz. 18, xg en .!lt;gt;,

-ocr page 228-

2O8

Houtsoorten.

eiken „ (Querc. sess. Sm.)

„ (Q- pedunc. Ehrh.) elzen ., (Aln. glut. G.trtn.) grenen „ (Pin. sylv. L.). . haagbeukenh. (Carp. bet. L.) ijpenhout (Ulm camp. L.) . linden „ (Til. parv. L-) . . lorken „ (Larix eur. D. C.). vuren „ Ab. excels. Lam.) wilgen ,, (Sal. Cap. L.).

Voordat men de elasticiteitsgrens bij \'t wringen der proef-staven overschrijdt, worden zij meer of minder sterk getordeerd; is deze grens overschreden dan kan de torsie nog aanmerkelijk toenemen, voordat de staven breken. Ook de grootte der wringingen (in graden) werd in de tabel opgenomen, omdat opgaven daaromtrent, voor de houtsoorten weinig of niet worden aangetroffen.

Deelen

Middell. Torsievastheid.

Maat der

wringing.

der

--:— t

-:—.

van het stamhout.

staafjes mM.

1 voor elk

):

jstamdeel.

gemidd.

bij elasticiteitsgrens.

bij breuk-grens \'-).

benedend.

66.2

0.987

0.92

3030 4°\'\'

47O25]30

bovend.

80.3

0.848

2°5i\'i8

2 2° 7\'oquot;

benedend.

^5*3

o-379

0.46

2033 0quot;

24° g\'22\'

bovend.

73.8

0-541

402o\'oquot;

7045\'45quot;

benedend.

80.4

0.771

4034\'3oquot;

37° 3 25

jbovend.

S4.1

O-738

0 75

2\'\'48\'oquot;

t 5quot;4o\'oquot;

benedend.

75*3

0.9S4

0.97

5° 5\'24quot;

7037\'\'2quot;

bovend.

82.2

o.962

302S\'l2quot;

tiquot;5i0

benedend.

78.5

0.631

0.62

Iquot;30 0quot;

8045j5,

bovend.

71-3

0.600

3052\'23

ioquot;26\'o

benedend.

7I-3

o-579

50i6\'oquot;

i704o\'45quot;

bovend.

84.1

0-5r3

Oo5

2° 9\'5oquot;

benedend.

. 72-9

1.222

t.i6

2°52\'26quot;

. 2I»I3\'oquot;

bovend.

54-o

1.092

2o32\'50quot;

: 36o30\'0\'

benedend.

80.1

0.7S0

0.79

3\'SI\'47quot;

yio\'o

bovend.

55-0

0.803

3023 6quot;

j 76° o\'oquot;

benedend.

61.0

0-757

0.76

2quot;47\'38quot;

6046\'o

bovend.

66.8

0.768

2024\'oquot;

40020\'0

benedend.

84.3

0.730

0.65

3056\'30quot;

1 i4lt;gt;I6\'O

bovend.

67.1

0-567

5»t2,36quot;

8032 5^

beneden\'1.

82.9

o-SSÖ

0-53

2057 33

22quot; 7 0

bovend.

79.8

0.526

3° o\'oquot;

11 quot;300

benedend.

7 7-4

0.7S2

0.94

t°52\'4Squot;

17quot; o\'o

bovend.

57-o

1.093

2»45\'oquot;

18quot; 50

1) I )c longlc flor cilindcrvormigr proefsfaven bedroeg 400 mM.

2) l\'.ij vele slaven wordt de geringe wringing bij de brenkgrens door de aanwezigheid van kwasten veroorzn.ili.

-ocr page 229-

2oq

Zooals uit deze onderzoekingen blijkt, is de torsievastheid van het hout in de bovendeelen der stammen gemeenlijk geringer dan in de lagere deelen. Uit nog andere onderzoekingen besluit Mikolaschek, dat van alle deolen van een boom het hout der takken den grootsten weerstand aan wringing bieden kan. Meer proefnemingen worden \'evenwel vereischt, om tot een nauwkeurige kennis van de torsievastheid der houtsoorten te geraken \').

76. Aan alle constructies, dus ook aan die, welke uit hout vervaardigd zijn, stelt men in den regel als eersten eisch, dat zij zoo duurzaam mogelijk zijn.

i) Aan Dingl. Polyt. Journal (Jaargang 1875. Deel 216, blz. 363) ontleenen wij de volgende resultaten van wringingsproeven, die door IIikn werden verricht. Zijn prismatische proefstaven, met 8.41 cM1 dwarsche doorsnede, werden aan de einden stevig bevestigd en door middel van gewichten, werkende aan een hefboomsarm van 1 M. lengte, getordeerd. (Nauwkeuriger mededeelingcn ontbreken).

Houtsoorten.

Belasting bij het breken . in Kg.

beukenhout (Fag. sylv. L.) . . .

1370.7

eiken „ (Querc. sessil. Sm.)

1169.0

esschen „ (Frax. excels. L.) . .

1629.3

haagbeukenh. (Carp, betul. L.) . .

r355-2

ijpenhout (Ulm. camp. L.)

920.7

kastanjehout (Cast. vesca Giirtn.)

636.2

noteboomenh. (Jugl. regia L.) . . .

1748.3

palmhout (Buxus semperv. L.) .

1334-5

vuren „ ? (Abies exc. Lam.). .

527.6

In het genoemde en het daarop volgende deel van Dingl. Jourv. zijn ook meegedeeld de onderzoekingen van R. H. Thurston , (Hoboken, N. Y.) over de vastheid en elasticiteit van verschillende constructiematerialen , hout, ijzer, enz. Behalve een afbeelding en beschrijving van de door hem gebruikte machine ter bepaling van den weerstand tegen wringing, vindt men in de verhandeling van thurston ook grafische voorstellingen van de torsievastheid van verschillende Amcrikaansche houtsoorten. Tegen de nauwkeurige werking van het toestel, zoowel als tegen verschillende gevolgtrekkingen van Th. zijn evenwel vele bedenkingen ingebracht door prof. Kick [Dittgl. Journ., 1875, Deel 218, blz. 185) en Müller-Melchiors [Dhigl. Journ., 1880, Deel 237, blz. 10). Hoewel laatstgenoemde aan het apparaat alle praktische waarde ontzegt, meent Kick, dat de diagrammen, zooals deze door de eenvoudige machine worden opgeleverd, weldegelijk in de praktijk van nut kunnen zijn.

\'4

-ocr page 230-

2 IO

Elk onderdeel der constructie moet dus aan alle krachten, die er np kunnen werken, zoo lang mogelijk weerstand bieden.

Daarvoor is het noodzakelijk, dat geen enkele dier krachten een blijvende gedaanteverandering van het materiaal kan veroorzaken, of m. a. vv. de eventucelc belasting moet geringer zijn dan die, waardoor het materiaal tot de grens der veerkracht wordt belast. In de praktijk zorgt men er zelfs voor, dat nooit eenige belasting tot in de nabijheid dier grens mogelijk zij; daarom wordt voor allo zekerheid in de berekeningen van constructies geen gebruik gemaakt van de elasti-citeits-coefficiënten, die in de tabellen op vorige bladzijden werden aangegeven; slechts voor een gedeelte hunner waarde worden zij in rekening gebracht.

Het behoeft geen betoog, dat men voor de berekeningen van afmetingen van constructies ook niet die vastheids-coëffi-ciënten gebruikt, die in de vorige paragraaf worden aangegeven. Men wenscht toch de constructies zoodanig te leveren, dat men er onder de ongunstigste omstandigheden op vertrouwen kan. In den regel worden de waarden der coëfficiënten, die men in do tabellen aantreft, tot op iV gereduceerd \').

De vraag, of men, door slechts een dergelijk gering ge-

i) In don i2en druk vin het „Ingenieurs Taschenbuchquot;, uitgegeven door den „Verein IJuttequot; (Berlin , Verlag von Ernst amp; Kokn , 1S83) wordt op blz. 232 aangegeven de „Tabelle der zulassigen Inanspruchnahmen , (van verschillende bouwmaterialen) welehe bei der Bauabtheilung des Berliner Polizei-Prasidiums in gebraueh sind.quot; Daaruit blijkt, dat tie belasting, die per mMs. voor verschillende houtsoorten veroorloofd wordt, bedraagt voor ;

Materiaal.

Rekking.

Drukking.

beukenhout .......

1.2

0.66 Kg.

dennen „ .......

0.6

0

gt;0 d

eiken r.......

1.2

0.66 „

esschen „.......

1.2

n

0.66 „

grenen „ .......

0.8

V

0.66 „

-ocr page 231-

2 i i

deolte van den coëfficiënt van breken als draagmodu 1 us aan te nemen, met de zekcrheidsmaatregelen niet te ver gaat, moet volgens onderzoekingen uit den laatsten tijd absoluut ontkennend beantwoord worden.

Buffon \') reeds deelt mede, dat balken, die een enkelen dag 9000 Kg. konden dragen, na verloop van 5 a 6 maanden braken bij een belasting van slechts 6000 Kg.; de duur der belasting oefent dus grooten invloed uit op de uitkomsten der onderzoekingen omtrent de vastheid van materialen.

Thurston -) heeft, om dien invloed nauwkeuriger te kennen, verschillende onderzoekingen verricht met \'t hout van den Yellow pine (Pinus australis?) en komt tot \'t resultaat, dat de zekerheids-coëfficiënt, zelfs wanneer de eigenschappen van het hout nauwkeurig bekend zijn, en in de gunstigste omstandigheden, nog altijd minstens = 4 moet genomen worden. Thurston zelf zou dien coëfficiënt nooit minder dan 5 nemen. Is men evenwel omtrent het te gebruiken hout niet nauwkeurig ingelicht, zooals dat in de praktijk meestal het geval is, zijn de constructies aan trillingen of schokken blootgesteld, en grijpen de krachten niet altijd op dezelfde punten aan, dan moet men nimmer beneden een zekerheidsmodulus = 8 blijven, maar voor verreweg de meeste constructies den coëfficiënt 10 aannemen.

En evenals Thurston vond ook Kidder 1), dat een zekerheidsmodulus = 5 als de geringste te beschouwen is, dien men zelfs voor constructies, die aan volmaakt rustige belasting zijn blootgesteld, mag in rekening brengen.

77. De buigbaarheid en taaiheid (broosheid). Wanneer men de gewichten, waarmede staven van verschillende houtsoorten tot aan de elasticiteitsgrens kunnen belast worden,

1

Ueber die Festigkeit u. F.lasticit \'at des Fichtenholzes, in Dingl. I\'olyt. Jonrn., Jaargang 1882, Dl. 246, blz. 537.

-ocr page 232-

veryelijkt met die, waardoor het breken door te groote rekking wordt veroorzaakt, dan blijken deze (die natuurlijk altijd grooter zijn dan de eerstgenoemde) nu eens meer, dan eens minder van gene te verschillen. -Men zie bijv. de volgende tabel, waarin om de vergelijking den lezer gemakkelijk te maken - onder elkaar eenige uitkomsten van de onderzoekingen van Chevandier en Wertheim, n.1. breukbelastingen, (A) en belastingen tot aan de elasticiteitsgrens (B), voor eenige houtsoorten , nogmaals zijn opgeteekend.

acacia hout.....

11 II \'I II

7,93 3,188

Kg. per mM -,

verschil = 4,742

beuken .......

A = B =

3,57

2,317

„ „ „ ,

= 1,253

berken .......

A = B =

4,30

1,61 7

„ „ „ ,

= 2,683

dennen „ .....

B =

4,18

2,153

„ „ „ ,

„ = 2,027

grenen „ .....

A -B =

2,48 1,633

„ „ „ .

1^

co d

li

eiken „ (winter-)

A = B =

5,66 2,349

„ , ,, ,

= 3,311

Hoe meer men de belasting kan vermeerderen, nadat de elasticiteitsgrens is overschreden, voordat het breken intreedt, des te meer zullen ook de houtvezels gerekt en de staafjes verlengd worden; de hoegrootheid dezer belasting, die in de tabel als „verschilquot; wordt aangegeven, zal dus een maat voor de rekking en het middel kunnen zijn om de rekbaarheid van houtsoorten onderling te vergelijken en wel bepaald hun rekbaarheid onder do inwerking van rekkende krachten.

quot;Wanneer men in plaats van deze krachten buigende krachten op een houten staaf laat werken, zal ook weer het verschil tusschen de belasting tot de elasticiteitsgrens en die tot de broukgrens een maat van de rekbaarheid bij buiging, m. a. w. van de buigbaarheid kunnen voorstellen. Hoe meer deze grenzen bij een of andere houtsoort van elkaar verwijderd zijn, dos te meer zal zij gebogen kunnen worden, des te meer buigbaar zijn.

-ocr page 233-

213

Do weinige gegevens, die ons ten dienste staan, leeren evenwel, dat de elasticiteit der meeste houtsoorten nog al aanzienlijk is en de clasticiteitsgrens een tamelijk hooge waarde bereikt; de vastheid is evenwel betrekkelijk gering. Daar dus de waarden dezer twee eigenschappen zeer dicht bijeen liggen, kan er ook van groote rekbaarheid of buigbaarheid van houtsoorten geen sprake zijn. En dit is zeer te bejammeren, want beide zijn mechanische eigenschappen, die voor de industrie en meer bepaald voor die takken van nijverheid, welke de vervorming van hout zonder verdoeling van het materiaal beoogen, van niet weinig gewicht zijn.

Zooals uit het voorgaande blijkt, wordt het buigen van \'t hout, onder de werking van uitwendige krachten, niet hierdoor mogelijk gemaakt, dat de houtelemcnten, houtvezels, vaten, enz. ten opzichte van elkaar van plaats veranderen of verschuiven, maar wel daardoor, dat die elementen alle meer of minder rekbaar zijn. Des te meer is dit het geval, naarmate de vezel- en vatwanden minder verdikt zijn, naarmate er zich minder organische en anorganische stoffen op en tusschen de oorspronkelijke cellulosedeeltjes hebben afgezet; des te minder, naarmate de intussusceptie aanzienlijker wordt.

Om deze reden is het hout uit de jongste deelen der hoornen het meest buigbaar en zijn die houtsoorten, wier houtvezels en vaten veel organische en anorganische bestanddeelen bevatten, zeer weinig buigbaar of zeer broos, zooals bijv. ebbenhout.

Ook het feit, dat de buigbaarheid der houtsoorten af- en toeneemt met het watergehalte \'), bewijst, dat die eigenschap van de hoeveelheid der bestanddeelen, die naast cellulose in de houtelemcnten voorkomen, afhankelijk is. Het water toch zal zeer zeker een gedeelte dezer bestanddeelen oplossen, en daar de vezels door het opnemen van water zwellen, doordat waterdeeltjes zich tusschen de vezeldeeltjes dringen, zullen die opgeloste stoffen over een grooter oppervlak worden

i) Daarom is ook groen hout in veel hoogor mate buigbaar dan het gedroogde.

-ocr page 234-

214

verbreid; meerdere buigbaarheid van hot hout is daarvan hot gevolg\'.

Wordt hout met warm water gedrenkt, dan vooral zwellen de vezels zeer sterk op; en daar ook bovendien de oplosbaarheid van verschillende stoffen in den regel sterk met de temperatuur van \'t water toeneemt, moet door een zoodanig proces de buigbaarheid van het hout wel in hooge mate toenemen. Daarom wordt, bij de fabrikage van houten gebogen meubels, het van natuur weinig buigbare beukenhout vóór de bewerking door stoom bereid. (Zie blz. 94).

Wanneer men de buigbaarheid van verschillende houtsoorten met elkaar wenscht te vergelijken, kan men verschillende wegen inslaan.

Door Karjiarsch werd bijv. de buigbaarheid op de volgende wijze bepaald. \')

Balken van vuren-, dennen-, beuken- en eikenhout, alle natuurlijk van dezelfde afmetingen, werden horizontaal aan do uiteinden ondersteund en in het midden belast, totdat zij daar voor het i-5ssti: deel der lengte waren doorgebogen; wanneer do vuren balken een gewicht 100 daarvoor vereischten, moesten dennen, beuken en eiken balken, respectievelijk met gewichten = go, 67 en 62 (tot 84) worden belast; daar de buigbaarheid omgekeerd evenredig met deze gewichten moet genomen worden, is dus volgens Karmarsch de buigbaarheid van eiken- en beukenhout nagenoeg anderhalfmaal grooter dan die van vuren- en dennenhout.

Nordlixger -) bepaalde de buigbaarheid uit de doorbuiging van staven, die alle 1 M. lang en i cM. breed en hoog waren, bij constante belasting. Volgens de door hem verkregen resultaten zou men enkele houtsoorten, ten opzichte hunner buigbaarheid, als volgt moeten rangschikken:

Eerste klasse. Zeer buigbaar: grenenhout.

Tweede „ . Buigbaar: elzen (Aln. incana L.)-, popu

lieren (Pop. alba L.)-, lorkenhout.

1) Handbuch der mechun. Technologie. 5te Auflage. Deel I . blz. 614.

2) Die tcchnischcn Eigenscha/tcn, blz. 375.

-ocr page 235-

Derde klasse. Weinig buigbaar; esschen-, eschdoorn {Acer

Pseudoplat. L.)-, Wcymouths-pijn- en Canadaasch popu-liorcnhout.

Vierde „ . Tamelijk „ : linden (Til. parvif. L.)-, espen

(Pop. tremula L.)-, ijpen-, acacia-, eiken (winter-)- en berkenhout.

De buigbaarheid wordt in enkele gevallen en wel daar, waar hout als bouwmateriaal moet dienen, als een eigenschap beschouwd, die veel meer nadeel dan voordeel aanbrengt; de bouwkundige moet toch immer deze eigenschap onschadelijk trachten te maken, en er zooveel mogelijk naar streven om de schadelijke gevolgen er van te voorkomen. Dikwijls ook is de buigbaarheid juist zeer gewenscht, en vooral de hooge graad van buigbaarheid, die men taaiheid \') noemt, eon eigenschap, die \'t mogelijk maakt, dat staven van verschillende houtsoorten stooten en allerlei verbuigingen in do meest verschillende richtingen weerstaan zonder te breken.

Taai zijn de houtsoorten vooral in den groenen, vochtigen toestand, en de specifiek lichte houtsoorten altijd meer dan de zware. De oorzaak hiervan is waarschijnlijk te danken, eensdeels aan de grootere lengte dor vezels en hun rechtlijnigen loop, anderdeels ook aan den meer lossen bouw van het houtweefsel dier lichte houtsoorten, waardoor een verbuiging minder wordt bemoeilijkt. Daarom is ook wortelhout taaier dan stamhout. Het takbout is nu eens meer (wilg, hazelaar, berk) dan weer minder taai (eik, linde) dan stamhout.

De ouderdom van \'t hout heeft ook invloed op de taaiheid; jong hout, en vooral splint, is bij de meeste houtsoorten veel taaier dan kernhout en oud hout. Kernhout van oude boomen is bepaald broos, evenais het hout van eiken, beuken en

i) Een goede wetenschappelijke definitie van „taaiheidquot; te geven is niet wel mogelijk; dit is dan ook de reden, waarom ook deze eigenschap der houtsoorten nog in quot;t geheel niet op een wetenschappelijke onderzoeking aanspraak kan maken.

-ocr page 236-

2 1 6

andere boomen, die in een vochtigen bodem zijn gegroeid.

Naar men zegt, kunnen ook andere bestanddeelen van \'t hout dan water, de taaiheid vermeerderen of verminderen; zoo moet bijv. een hoog harsgehalte van sommige houtsoorten met een groote taaiheid gepaard gaan.

Taai hout wordt tot velerlei doeleinden gebruikt; zoo ter vervaardiging van hoepels, zeefranden, doozen, vlechtwaren (matten, hoeden, enz.), zweepstokken, wandelstokken, enz.

In de wagenmakerij worden vooral voor wielvellingen en spaken taaie houtsoorten gevraagd. Ook de scheepsbouwers gebruiken veel taai hout.

Het taaiste hout leveren de zeer jonge takjes en uitspruitsels van verschillende soorten van wilgen; de jonge takjes (teenen) van den gelen wilg (Salix alba L. var. vitellina) worden bijv. tot het aanbinden van planton, het vlechten van manden gebruikt, enz. ; de driehelmige wilg {Sal. amygdalina L. var. concolor) de amandelbladige wilg (Sal. amygdalina L. var. discolor) — waardenhout — en de bindwilg (Sal. viminalis L.) - rijswaard worden in de zoogenaamde „griendenquot; in Zuid-Holland gekweekt en tot hoephout en kribwerken aan de rivieren gebruikt. Niet minder taai zijn berken-, haagbeuken-, esschen-, ijpen- en hazelaarstakken. Tot de taaie houtsoorten behooren verder: hickory-, esschen-, espen-, ijpen- en acaciahout.

78. Onder hardheid van hout moet men verstaan den weerstand, dien het weefsel biedt aan \'t indringen van eenig lichaam tusschen de kleinste deeltjes of moleculen der elementen (vaten, vezels, mergstraalcellen, enz.), waaruit het is opgebouwd. Die weerstand doet zich bij verschillende bewerkingen gelden, die een verdeeling van het hout ten doel hebben, volgens een richting die niet samenvalt met die van den draad; want bij een verdeeling volgens do draadrichting treedt een andere eigenschap op, die wij spoedig zullen leeren kennen, n.1. de kloof baarheid; een werktuig, dat in die richting \'t hout binnendringt, scheidt geen moleculen van vezels of vaten, zooals in de bovenstaande definitie werd gezegd —

-ocr page 237-

217

maar heeft slechts de veel g-eringor vastheid of cohaesie te overwinnen, waarmede die vezels en vaten onderlingf samenhangen.

Bij het schaven, zagen, in \'t algemeen bij een verdeeling van hot weefsel van verschillende houtsoorten, bemerkt men reeds zeer spoedig, dat hun hardheid uiterst verschillend is; hier schaaft of zaagt men gemakkelijk, zelfs met werktuig\'en van zeer g\'ering gehalte, daar is dit slechts met moeite, met de uiterste krachtsinspanning en met de fijnste en boste instrumenten mogelijk.

Het zal natuurlijk, met het oog op de bewerking, steeds gewenseht zijn, dat de hardheid van de te bewerken grondstof niet te groot zij, en voor de indringing van vreemde lichamen (beitel, enz.), in het weefsel niet te veel kracht gevorderd worde; van het produkt der bewerking zal evenwel zeer dikwijls, weg\'ens het g-ebruik, dat men daarvan wenscht te maken, een groote hardheid in de eerste plaats verlangd worden (onderdeelen van machines — azijnhouten tanden in raderen); de wenschen van consument en producent loopen dus met betrekking tot deze eigenschap vaak zeer uiteen.

Daar de meer of mindere hardheid van het hout de grootte der kracht bepaalt, die voor de vervorming- door verdeeling-noodzakelijk is, en deze op haar beurt een zeer grooten invloed op de waarde van het door de bewerking verkregen produkt uitoefent, is de hardheid een der gewichtigste factoren, waarmede men in de praktijk rekening- houden moet. Het is dus om die reden uitermate gewenseht, dat men omtrent de hardheid van verschillende houtsoorten on van de verschillende omstandigheden , die daarop invloed hobbon, niet slechts eenige, maar bij uitstek veel kennis heeft.

De eerste vraag, die bij ons opkomt, wanneer wij van dc relatieve hardheid der houtsoorten eenig denkbeeld willen verkrijgen, is: hoe zullen wij haar bepalen?

Hout is, zooals wij weten, een materiaal, dat weinig-homogeen is; in een gegeven ruimte vindt men nu eens een grooter dan weer een kleiner aantal elementen niet alleen, maar

-ocr page 238-

2 I 8

elementen van geheel verschillende chemische samenstelling, wier kleinste deeltjes dientengevolge een verschillende mate van samenhang moeten vertoonen.

Wij kunnen do hardheid dus niet slechts aan het oppervlak van eenig proefstuk bepalen, zooals dit bij andere materialen, mineralen, metalen, enz.geschiedt; wij moeten de gemiddelde hardheid van het gansche stuk trachten te vinden, en bij het onderzoek zooveel mogelijk de kloofbaarheid en andere eigenschappen trachten buiten te sluiten, die op de nauwkeurigheid der bepaling een nadeeligcn invloed zouden uitoefenen.

Nordlixger was, naar wij meenen, do eerste onderzoeker, die als het beste middel om een overzicht te verkrijgen van de hardheid der houtsoorten, hun verdeeling door middel van de gewone handzaag aan do hand deed; men zaagt stukken van verschillende houtsoorten mot eenzelfde zaag, natuurlijk dwars op den draad door, en bepaalt de grootte van het doorgesneden oppervlak per zaagstoot.

Op de juistheid \\quot;in dit middel is wel het een en ander af te dingen; men gebruikt bijv. eenzelfde zaag voor \'t onderzoek van verschillende houtsoorten, en geeft dus geen acht op oen van de eerste voorwaarden, die men bij het zaagbedrijf niet uit het oog mag verliezen, n.1. deze, dat de tanden van het werktuig, om het hoogst mogelijk nuttig effect te verkrijgen, steeds naar den aard van de te verdoelen grondstof moeten gevormd zijn; men zal dus bij harde houtsoorten onder gunstiger omstandigheden werken, clan bij zachte, of omgekeerd, al naardat de zaagtanden boter voor de een dan voor do andere groep van houtsoorten, door hun aantal op een gegeven lengte, door hun vorm, schranking, enz. zijn te gebruiken. De zaag, wier tanden moeten snijden, zal daardoor in veel gevallen de vezels scheuren, waardoor niet alleen de hardheid , maar ook de meerdere of mindere taaiheid en broosheid der vezels in het spel treden.

Maar in vergelijking mot andere middelen om de hardheid te bepalen is toch, zooals do lezer bij eenig nadenken zelf spoedig zal inzien, hut bovengenoemde verre te verkiezen;

-ocr page 239-

2ig

verschillende proefnemingen bewezen, dat, wanneer men de zaag door haar eigen gewicht laat werken en haar met de hand slechts voor- en achteruit beweegt, de verkregen cijfers zeer weinig voor eenzelfde houtsoort verschillen. Een elzen-stam werd bijv. op drie verschillende plaatsen, waar de diameter 200, 196 en 180 mM. bedroeg, doorgezaagd; daarvoor waren respectievelijk 174, 164, 138 zaagstooten noodig; per stoot werden dus 180,5, \'84 en 184,4 mM2. hout doorgezaagd.

Op de beschreven wijze werden door Gayer \') eenige houtsoorten in den groenen toestand onderzocht; hij vond, dat als men den weerstand, dien de zaag bij \'t doorsnijden van stammen loodrecht op hun as ontmoet, voor beukenhout = 1 stelt: die van vuren-, dennen-, en grenenhout. . . . = 0,5 —0,6 „ eschdoorn-en elzenhout ook dat van denlarix= 0,75 — 0,9

„ eikenhout............= 1,03

„ wilgen{SalixCaprcaL.)-, espen-, berkenhout = 1,30--!,40 „ haagbeuken-, linden-, en populierenhout = 1,80.

Op de hardheid van het hout oefent, behalve de bouw, ook de samenstelling van het houtweefsel grooten invloed uit.

Hoe minder ruimte een zeker aantal houtvezels van een of andere houtsoort innemen, m. a. w. hoe geringer hun doorsnede is, en hoe kleiner de holle ruimten zijn, die de wanden dier vezels omsluiten, des te grooter is natuurlijk de weerstand, dien het houtweefsel tegen het indringen van een ander lichaam zal bieden. Er bestaat dus ook verband tus-schen de hardheid en het specifiek gewicht; de zwaarste houtsoorten zijn in den regel de hardste.

Het spreekt ook van zelf, dat, wanneer, zooals hierboven aangeduid werd, de mate van verdikking der vezelwanden van invloed op de hardheid is, ook herfsthout gewoonlijk harder zal zijn dan voorjaarshout, en het hout eener bepaalde boomsoort des te harder, naarmate de herfsthoutlagen een grooter gedeelte van de jaarringen uitmaken.

1) Karl Gayer, Die Forstbcnutzung. Sechste umgearb. Auflage, blz. 36. Berlin 1883-

-ocr page 240-

220

Behalve in de verdikking der vezel- en vatwandcn, moet ook in de incrustatie, dc afzetting van verschillende organische en anorganische stoffen op die wanden, een oorzaak gezocht worden van de ongelijke hardheid der houtsoorten. Ebbenhout bijv. is veel harder dan beuken- en pcreboomenhout, toch is cr weinig verschil in de dikte hunner vezelwanden \'), maar die wanden zijn bij \'t ebbenhout veel meer geïncrusteerd, en de ruimten, die zij omsluiten, meestal met een zwartbruine massa gevuld, \'t welk bij de andere genoemde houtsoorten niet \'t geval is. Harsrijke naaldhoutsoorten (grenen-, lorkenhout) bezitten om diezelfde reden zeer hard herfsthout en zeer zacht voorjaarshout. En ook is het aan dezelfde oorzaak toe te schrijven, dat gezond, gaaf kernhout altijd harder is dan splint, terwijl toch het specifiek gewicht van het jongere hout zeer dikwijls dat der andere lagen overtreft.

Ook van het watergehalte is de hardheid der houtsoorten afhankelijk. Droog hout is harder dan groen hout, niet alleen omdat door het watergehalte van dit laatste de vezel in een weeken toestand verkeert, maar ook, omdat het volume van nat hout grooter is dan dat van het gedroogde, daar de vezels door het opnemen van water zwellen ; hoe minder stof in een gegeven ruimte, des te geringer is hot weerstandbiedend ver-mogen tegen de werking van het indringende lichaam. Bij zware en kortdradige houtsoorten, vooral bij beuken-, eiken-, ahornhout, is de invloed van het water zeer groot; in den verschen toestand laten deze houtsoorten zich veel gemakkelijker bewerken. Ook bij de lichte, langdradige houtsoorten is de invloed van het water niet gering. Met \'t watergehalte toch vermeerdert ook de taaiheid der vezels; daardoor kunnen deze door oen in \'t weefsel dringend lichaam worden teruggedrongen, indien zulks mogelijk is. En terwijl dit bij de harde houtsoorten bezwaarlijk zou gaan, kan het losse weefsel van zachte houtsoorten, zooals populieren-, wilgen-, berken-, espen-, AVoy-

i) Terwijl het asebgehaite van clc meeste houtsoorten kleiner clan 1% is, vindt men bij ebbenhout 3,9% asch met 0,4% kiezelzuur).

-ocr page 241-

mouthspijnhout \'), samengedrukt en daardoor de bewerking van dit hout in een groenen toestand bemoeilijkt worden.

Ook de bodem en het klimaat, waarin het hout is gegroeid, zijn van invloed op de hardheid, doordat zij op den bouw van het hout invloed uitoefenen; de vraag, waarom Noordsch naaldhout harder, en Noordsch eikenhout zachter is, dan naalden eikenhout uit de overige deelen van Europa, zal, na\'t geen hier en vroeger daaromtrent werd meegedeeld, geen antwoord meer behoeven. Dat de kleur in verband staat met de hardheid, werd reeds op blz. 105 opgemerkt. Dikwijls beweert men, dat hout, hetwelk op het kop vlak zeer wijde vaten vertoont, harder is dan dat, waarbij die vaten met \'t bloote oog niet zijn waar te nemen. Hoewel nu ijpen- en hickoryhout en andere houtsoorten, die men onder de harde rang-schikt, toevallig wijde poriën vertoonen, is dit nog geen reden om uit de aanwezigheid daarvan tot de mate van hardheid te besluiten; bij palmhout bijv. zijn met \'t bloote oog in \'t geheel geen vaten te bespeuren en toch is \'t hout zeer hard; ook bij het zoogenaamde cocohout 2), hetwelk zoo hard is, dat stukken, die tegen elkaar worden geslagen, evenals metaal klinken, zijn poriën zeer moeielijk te zien.

Nog dit zij opgemerkt, dat in \'t algemeen in een stam de hardheid van het hout in de richting van den voet naar den top afneemt, en dus het hardste gedeelte van het stamhout gewoonlijk in \'t benedengedeelte der stammen moet g-ezocht worden.

Ten slotte moge de classificatie der houtsoorten, volgens de hardheid , hier een plaats vindon, zooals die door Nördlinger quot;■)

r) Andere naaldhoutsoorten maken een uitzondering; grenen-, lorken-, vurenhout kan in den groenen toestand beter gezaagd worden dan droog.

2) Dit hout, afkomstig van een in West-Indiöinheemschenboom (Inga vera Willd.), heeft een specif, gewicht van r.4 x.6. I Ie.\'olijfgroene kernhout wordt in do lucht donkerbruin. Men gebruikt \'tin den laatsten tijd, — maar met wéinig succes - voor de vervaardiging van pijpen; deze pijpen verbranden evenwel veel spoediger dan die van Bruyère, en barsten zeer gemakkelijk.

3) Die tec hu. Eigenschaften, blz. 235.

-ocr page 242-

is opgesteld, naar resultaten, die hem dc bewerking van het hout niet alleen met behulp der zaag, maar ook met verschillende andere werktuigen (mes, bijl enz.) verschaften:

Pokhout, ebbenhout, enz. Beenhout (Lonicera xylosteum L., waarvan voorheen laadstokken worden vervaardigd) berberissen-, palm-, liguster- en seringenhout, onz.

Kornoelje-, sleedoorn- en mei-doomhout, enz.

De moeste soorten van ahornhout. haagbeuken-, wegedoorn eschdoom-, vlier- en taxishout, enz Tamelijk hard. Hout van den moerbezieboom esschen-, plataan-, pruimeboo men-, ijpen- en acaciahout, enz Kastanje (tamme)- , beuken-noteboomen-, pcre- en appelboo men- en eikenhout, enz.

Grenen-, vuren-, dennenhout, wilde kastanje-, elzen-, berkenen hazelaarshout, enz. Wcymouthspijn-, linden-, populieren- en wilgenhout, enz. Ten gevolge van de ons bekende eigenaardige structuur en den veel geringeren samenhang der vezels, cellen en vaten van het hout onderling, dan die tusschen de kleinste deeltjes, waaruit deze elementen zijn samengesteld, bezit het hout een eigenschap, die men bij de metalen te vergeefs zoekt, dc eigenschap n. 1. om door dc werking van een wigvormig lichaam, dat ■volgens de richting van den draad in het xvee/scl \'cordtgedreven, zeer gemakkelijk te scheuren en te splijten. Men noemt deze wijze van vcrdeeling van het hout in \'t dagelijksch loven klooven, reden waarom wij de eigenschap, waarop zij berust, met den naam kloof baarheid betitelen zullen.

Eerste klasse. Steenhard. Tweede „ Beenhard.

/.ccr hard.

Derde

Hard.

Vierde

Vijfde

Weinis; hard.

Zesde

Zevende

Zacht.

Achtste

Zeer zacht.

79. Do kloofbaarheid.

-ocr page 243-

223

De kloofbaarheid is voor de mechanische bewerking een zeer gewichtige eigenschap. Niet alleen omdat zij don industrieel in staat stelt, zijn grondstof met zeer geringe hulpmiddelen, en wat hem niet minder aangenaam is, met zeer weinig verlies aan materiaal, te verdeelen, maar ook, omdat de elementen der grondstof minder dan bij elke andere mechanische verdeeling beschadigd worden, en daardoor het produkt zijner bewerking in vele gevallen aan uitwendige invloeden beter weerstand bieden kan.

Reeds uit de structuur van het hout kan men met betrekking tot de onderhavige eigenschap, en met zekerheid, de gevolgtrekking opmaken, dat de kloofbéiarheid in verschillende mate zal optreden. Slechts in de radiale richting is het mogelijk, het kloofvlak te brengen tusschen de verschillende elementen, waaruit het hout is opgebouwd; in elke andere richting moeten de elementen dor mergstralen, de wanden der mergstraalcellen, worden verscheurd. Hoe grooter het aantal der spiegels wordt, hoe grooter het aantal celreeksen, waaruit elk voor zich is samengesteld, des te meer celwanden moeten uiteengerukt, des te meer weerstand zal daarbij ondervonden, des te moeielijker zal de klooving worden.

Nu moet men zich niet voorstellen, dat in de praktijk bij radiale klooving de mergstralen nooit uiteengescheurd worden; dit komt zelfs herhaaldelijk voor, zoodat men op de beide kloofvlakken hier en daar deelen van dezelfde mergstralen kan waarnemen.

Maar desniettemin biedt het hout in deze richting den minsten weerstand aan het klooven, zooals door Nördlingek\'s onderzoekingen ten duidelijkste is aangetoond. Wij zullen een oogenblik bij de methode, die daarvoor doorhem gevolgd is, blijven stilstaan.

Om den invloed van verschillende krachten, die bij \'t gebruik van kloofwerktuigen zich doen gelden, te ontgaan (wrijving, enz.), zal men de kloofbaarheid van het hout op de meest nauwkeurige wijze door middel van trekproeven kunnen bepalen.

-ocr page 244-

Xördlinger vervaardigde dus van verschillende houtsoorten proefstaaf-jes van vorm en afmetingen als in figquot;. 52 wordt aangegeven.

De draad ligt in de richting der

Gedaante en afmetingen van een lengte, en Op de overeenkomstige

houten staafje, voor t onderzoek viai,i.pn fi„r staafips die voor eender kioofkiarheid — volgens Nükd- v laKKen aer staaijes, ciie v oor cen-

UN\'c;EK- zelfde reeks van proefnemingen zullen

dienen is het verloop van jaarringen en mergstralen ook hetzelfde ; zoodat, wanneer men bijv. de kloofbaarhcid in de richting der mergstral en wil onderzoeken, de mergstralen of spiegels op de kopvlakken der staafjes alle evenwijdig aan het ge-wenschte splijtvlak worden waargenomen, terwijl zij voor het onderzoek der tangentiale kloofbaarhcid loodrecht op de richting van dit vlak staan.

Een der tanden van het vorkvormig proefstaafje wordt (in de stelling als in de figuur) stevig aan een horizontalen balk bevestigd; vervolgens wordt aan den tweeden tand, bij p, een bak gehangen, deze langzaam met water gevuld en dus een belasting verkregen, die regelmatig aangroeit, en eindelijk groot genoeg is om het staafje op het zwakste gedeelte vaneen te scheuren. Deze belasting meet den weerstand tegen het klooven.

De uitkomsten, die Nördunger volgens deze onderzoekingsmethode verkreeg, leerden, dat de kloofbaarheid in de richting dor jaarringen veel geringer was , dan die volgens de spiegels; somwijlen bedroeg de belasting voor een proefstaafje, dat in eerstgemelden zin werd onderzocht, het dubbele van die, welke voor een splijting in de richting der mergstralen werd gevorderd (zoowel bij houtsoorten met concentrische vatringen), als bij die met vaten, die door alle deelen van den jaarring verspreid zijn).

Men kan, zonder veel van de waarheid af te wijken, aannemen , dat de weerstand, dien een houtsoort biedt bij \'t klooven in radiale richting, slechts het -/3 bedraagt van den weerstand bij \'t klooven in tangentiale richting.

-ocr page 245-

225

Bij sommige houtsoorten, o. a. bij hout van den kurkeik, den ijp, den haagbeuk, is de samenhang tusschen mergstralen en vezels zeer innig, zoodat deze, zelfs in radiale richting, niet gemakkelijk kloofbaar zijn.

Het meer of minder gladde uiterlijk der kloofvlakken zal natuurlijk in hoofdzaak afhangen van den loop der enkele vezels; moeten deze niet herhaaldelijk voor sterk ontwikkelde spiegels uitwijken, zich krommen en buigen, zoo zal ook het kloofvlak gladder zijn dan in \'t omgekeerde geval; hoe minder kromdradig, hoe meer recht- en langdradig het hout is, des te schooner splijtvlakken zal men natuurlijk verkrijgen. Xiet te harsrijk grenenhout, kastanje-, acacia-, espen- en jong ahorn-hout kunnen zeer glad gekloofd worden; ook eiken-, ijpen-, populieren (zilver)- hout kan nog tamelijk gladde kloofvlakken vertoonen.

Het klooven van het hout, door middel van eenig wigvormig werktuig, een bijl bijv., wordt door verschillende eigenschappen bevorderd of tegengewerkt. Hoe meer do vastheid tusschen de enkele vezels onderling nadert tot die tusschen hun kleinste deeltjes, des te voorzichtiger zal hot klooven moeten geschieden; hoe harder het houtweefsel is, destemeer weerstand zal dit bieden aan het eerste indringen van het werktuig; is het hout daarentegen zeer week, dan zullen bij het begin der bewerking- de vezels wellicht niet gescheiden, maar ineengedrukt, als \'t ware gestuikt worden.

Bezit het hout een groote elasticiteit, dan zal deze het klooven bevorderen; tijdens de bewerking zullen de uiteengedreven vezels elkaar weer trachten te naderen, en daardoor aan het einde van de reeds gevormde scheur krachten optreden , die door hun grootte en door de richting, waarin zij werken, de verscheuring van het stuk bevorderen.

Ook het meerdere of mindere watergehalte heeft invloed op de kloofbaarheid.

In den regel geschiedt het klooven des te gemakkelijker naarmate het hout vochtiger is, reden waarom waarschijnlijk ook het kernhout, afgezien van den minder regelmatigen bouw

15

-ocr page 246-

226

der oudste jaarring\'en, meer weerstand aan deze wijze van verdeeling\' biedt dan hot splint. Maar moge nu ook al bij loofhout de splijtbaarheid in de richting\' der jong\'ste jaarringen toenemen, bij het naaldhout is dit zeer dikwijls niet het g\'eval; wanneer, ten gevolg\'e van het smaller worden der jaarringen, de dichtheid van het weefsel toeneemt, vermindert ook de kloofbaarheid in de jongste lagen.

Een groot harsgehalte oefent bij dit hout evenzeer op deze eigenschap een ongunstig\'en invloed uit, waarschijnlijk, omdat door dit gehalte de elasticiteit zeer gering wordt.

Om dezelfde reden werkt ook vorst nadeelig op de kloofbaarheid ; bevroren hout is dikwijls broos en bovendien moeielijk te klooven , omdat de bijl niet pakt; bij streng winterweer wordt dus het klooven in de hosschen uitgesteld.

Wat de kloofbaarheid aangaat van hout uit verschillende deelen, in vertikale richting aan den boom ontnomen, zoo kan van wortelhout en het daaraangrenzend stamhout gezegd worden, dat het, in \'t algemeen, wegens het onregelmatig beloop der vezels, en het wortelhout ook om de geringe vastheid van het weefsel, zeer weinig kloof baar is. Naar den top van den stam neemt de kloofbaarheid in den regel toe; talrijke uitzonderingen op dien regel zouden evenwel kunnen aangehaald worden.

De invloed van den bodem en de stand van den daarin gegroeiden boom zijn ook in de kloofbaarheid van het hout bemerkbaar; daar, waar het hout slank en recht groeit, en weinig takken het stamhout kwastig maken, zal dit, wanneer de houtsoort tot de kloof bare behoort, natuurlijk de kloofbaarheid vermeerderen; een vruchtbare bodem en een dichte stand kunnen een dergelijken groei bevorderen , en al naardat dus boomen van dezelfde soort onder deze gunstige of onder meer ongunstige omstandigheden ontwikkelden, zal ook hun hout een grooteren of kleineren graad van kloofbaarheid bezitten.

In de volgende tabel zijn ten slotte weer verschillende houtsoorten naar hun kloofbaarheid gerangschikt, üeze classificatie.

-ocr page 247-

227

Buks (palm)-, kornoelje-, plataan (Plat. acerifolia W.)-, taxishout, enz. Acacia-, berken-, haag-beuken-, ijpenhout, enz. Ahorn- , gewone esch-doorn- , esschen-, pereen appelboomen-, seringenhout, dat van den jeneverboom , enz. Pruimeboomen- , wege-doornhout, enz.

Kastanje (tamme)-, beuken- , notcboomen-, lorken-, vlierhout, enz. Gemakkelijk kloof baar. Paardenkastanje-, elzen-, hazelaars-, grenen-,espen-, eiken-, wilgen-, linden-hout, enz.

Dennen-, vuren-, wey-mouthspijnhout, enz. Populieren (P. alba)- , Canadaasch populieren hout, enz.

80. Het imbibitievermogen. met zijn gevolgen. Het

vermogen om zich met water te imbibeeren, d. i. onder toeneming van \'fvolnme, \'valer op tc nemen is ook eigen aan den met houtstof doordrongen vezelwand.

Roods in Hoofdstuk I (§ 20 o. v.) merkten wij op, dat het

door Nördlinger opgesteld, wordt heden ten dage door de meeste technologen overgenomen. Wij moeten dit doen zoolang onze kennis aangaande de kloofbaarheid zóó uiterst gering is, als uit de vorige bladzijden blijkt, waar slechts in weinige grove trekken een eigenschap kon behandeld worden, die voor de mechanische houtbewerking van zoo hoog gewicht is.

Eerste klasse. Buitcngew. moei cljk kloof haar.

Zeer moeiclijk kloof baar.

Moeiclijk kloof haar.

T weede

Derde

Eenigszins moeiclijk kloof baar.

Tamelijk gemakkelijk kloof haar.

Vierde

Vijfde

Zesde

Zeer gemakkelijk kloof baar. Bnitengew. gemakkelijk kloof baar.

Zevende

Achtste

-ocr page 248-

vervoor van het water door de houtvezels der planten \') mogelijk gemaakt wordt door deze bijzondere eigenschap, het imbibitie-vennogen, der vezehvanden. Imbibitie is dus, zoolang het hout deel uitmaakt van den levenden stam, voor het loven noodzakelijk ......maar ze is van dat leven niet afhankelijk:

het hout behoudt zijn imbibitiovermogen ook na het vellen van don boom.

Dat vermogen gaat dus over in do grondstof voor do mechanische nijverheid ; hot wordt daarin ovenwol moer verwenscht dan gewenscht! Want, indien men dit niet door passende middelen tracht te voorkomen, bezit ook het uit die grondstof vervaardigde produkt nog de eigenschap om water op te nomen.

En water kan het voorwerp immer opnemen uit de omringende lucht, die nu eens meer dan eens minder met water bezwangerd is. Heeft hot hout water opgenomen uit lucht, die bijv. met water verzadigd was, dan zal het, zoo \'t water-gehalte daarin afneemt, de lucht dus droger wordt, ook weer water afstaan aan do lucht, enz. Dit geschiedt, niettegenstaande de kracht, waarmede het imbibitiowater wordt opgenomen , zeer groot is, want om al dit water aan een of ander houten voorwerp te onttrekken, is minstens een verhitting tot 1000 C. noodig.

Dewijl nu het opnemen van imbibitiowater door \'t hout immer met een volume-vermeerdering gepaard gaat, heeft het afnemen van het watergehalte der vezels oen volumevermindering ten gevolge. En daar de vochtigheidstoestand der lucht onophoudelijk afwisselt, zal ook hot volume van het voorwerp aanhoudend veranderen.

Maar bovendien. De imbibitie van don vezelwand is polair: d. w. z. ten gevolge van zijn moleculaire structuur neemt de vezelwand in de richting der lengte, breedte en dikte van

i) De nieuwste onderzoekingen op dit gebied brachten de onjuistheid van deze theorie aan \'t licht. Het watervervoer toch geschiedt niet door de wanden der vezels, zooals Sachs en zijn aanhangers beweerden, maar wel door de vezel- cn vatholten. Dit feit brengt evenwel in de volgende beschouwingen geen de minste verandering.

-ocr page 249-

22g

de vezel ongelijke hoeveelheden water op, waardoor die afmetingen in verschillende mate toenemen; en omgekeerd zullen bij een vermindering van \'t imbibitiewater, de afmetingen der vezels ook niet, in de zooeven genoemde richtingen, in gelijke mate afnemen.

Een gevolg daarvan is, dat het houten voorwerp door \'t toe-of afnemen van \'t imbibitiewater een gedaanteverandering-, een totale vervorming, zal ondergaan; en deze vervorming zal onophoudelijk plaats vinden, omdat de vochtigheidstoestand der lucht, zooals wij hierboven opmerkten, onophoudelijk verandert.

Dat de vormverandering nog veel aanzienlijker zal worden, wanneer \'t imbibitiewater in \'t voorwerp slechts plaatselijk vermeerdert of vermindert, behoeft geen betoog. Zeer dikwijls gaat de vormverandering dan gepaard met \'t verbreken van den samenhang der vezels, d. i. met een barsten en scheuren van het voorwerp.

Dit veranderen van volume en gedaante, ten gevolge van het imbibitievermogen der vezelwanden, noemt men in de nijverheid : het werken van \'t hout.

De vermindering van het imbibitiewater zal een vermindering der afmetingen van het houten voorwerp ten gevolge hebben, zeiden wij zooeven.

In de praktijk zegt men: het hout krimpt door verlies aan vocht.

Het behoeft geen betoog, dat de verschijnsels, die bij het krimpen optreden, van het hoogste gewicht zijn met het oog op de bewerking en de toepassing. van het hout. Die verschijnsels te verklaren is nu hoofdzakelijk ons doel; maar. opdat dit met vrucht zal kunnen geschieden, is het noodzakelijk vooraf het krimpen nader te beschouwen.

Het krimpen geschiedt in verschillende richtingen in zeer ongelijke mate. Het imbibitievermogen van hout toch is, zooals wij reeds zeiden, polair. De wand van elke vezel neemt daarom in de lengterichting andere quantiteiten water

-ocr page 250-

op dan in die dor breedte of dikte van de vezel, en omgekeerd staat hij, al naar de verschillende hoofdrichtingen, verschillende hoeveolheden water af.

De uitzetting en inkrimping- der vezehvanden zullen dus ook in alle richtingen niet even groot zijn. En daar de som der uitzettingen en inkrimpingen van alle vezehvanden, die in een bepaalde richting cn in een zelfde vlak gelegen zijn, de grootte der krimping of dor zwelling van \'t houten voorwerp in die richting bepaalt, zal dus ook de krimping, zoowel als do zwelling, van hout in axiale, radiale en tangentiale richting verschillen.

Is nu het krimpen en zwollen van een enkel vezelwandjc moeielijk waar te nomen, de som dezer inkrimpingen en zwellingen, m. a. w. de grootte van het krimpen of zwellen van een of andoro houtsoort, kan in verschillende richtingen gemakkelijk bepaald worden.

Daartoe verdeelt men bijv. sectorsgewijze een schijfje stamhout van circa één centimctor dikte, bevestigt, zooals in nevenstaande fig. 53 is voorgesteld, in een dezer doelen drie fijne

Gedaante van het stiftcn gt; a\' en a-en meet den afstand tusschen

houten schijfje ter he- a pn al en tussc]10n al en ^ eerst in den paling der radiale en

tangentiale krimping trroonen, daarna in den winddroeren toestand of zwelling.

van hot schijfje.

Een verschil in die afstanden, voor en na het drogen, zal dan door krimping in de richting der mergstralen (aa1, radiale krimping) en in die der jaarringen (a\'a-, tangentiale krimping) veroorzaakt zijn.

Voor de bepaling der krimping volgens den draad wordt oen houten staaf van ongeveer 1 Meter longte aan de einden van twee stiften voorzien, en ook nu weer don afstand tusschen boide, voor on na het drogen, bepaald.

Het zou dan reeds, wanneer men op dergelijke ruwe wijze de krimping van verschillende houtsoorten in de richting der vezels, in die der mergstralen en der jaarringen had onderzocht, blijken, dat zij:

-ocr page 251-

231

i0. in de draadrichting uiterst gering-, (zie de tabellen A en B op blz. 232);

2quot;. in radiale richting zeer aanzienlijk en 30. in tangentiale richting het grootst was.

Het is duidelijk, dat. daar het krimpen door verlies van water wordt veroorzaakt, het krimpen kleiner of grooter zal zijn al naarmate de hoeveelheid water, die uit het hout verdreven wordt, aanzienlijker is. Wanneer men dus groen hout in den luchtdrogen toestand brengt, zal de krimpmaat geringer zijn dan wanneer men het door verhitting tot 1 ooJ C. geheel watervrij maakt. Wij merken daarbij op, dat van \'t krimpen van \'t groene hout g-een sprake zal zijn, wanneer niet al \'t water uit de vat- en celholten verwijderd is; eerst daarna zullen de wanden der houtelementen hun water afgeven , eerst dan zal \'t krimpen beginnen. \')

Wil men de grootte der krimping van verschillende houtsoorten vergelijken, dan is men volgens \'t bovenstaande genoodzaakt bij het onderzoek uit te gaan van een zelfden toestand en ook te eindigen bij een zelfden toestand. Zijn die begin- en eindtoestanden bij verschillende onderzoekers niet dezelfde, dan zullen ook de resultaten hunner onderzoekingen, afgezien van andere redenen, moeten verschillen.

Een van de jongste onderzoekingen op dit gebied werd verricht door J. A. Frev te ^lünster i/d Jura, in opdracht van de Directie dor Domeinen en Bosschen van het kanton Bern -). Frey bepaalde de krimpmaat van het hout van twaalf der voornaamste woudboomen in de richting van den draad en in de richting der mergstralen; daarenboven ook de totale krimping.

1) Het in den zomer gevelde hout zal daarom niet meer krimpen dan dat, \'twelk in den winter geveld wordt; wel zal het eerste in den regel sneller krimpen. Het kern- en rijphout zal ook om dezelfde reden in den regel (beukenhout maakt een uitzondering) minder krimpen dan splint; van alle houtsoorten is het onderscheid tusschen het krimpen van splint- en kernhout bij eikenhout het aanzienlijkst.

2) Jahrcs Bericht über die Lcistungen der Chemise hen Technologie f\'ür das Jcihr 1883, blz. 1195, uit Mittheilungen des technologischen Gewerbe-museums in 11 \'ien. 1883, blz. 108.

-ocr page 252-

232

De proefstaven in den prismavorm waren vóór \'t drogen alle gedurende eenigen tijd op een zolder bewaard; van krimpen was op \'t oogonblik, dat zij voor de eerste maal gemeten werden, geen sprake. Ruim een jaar lang werden toen de blokjes in een kamer, waarin gedurende den winter goed gestookt werd, gedroogd, zoodat zij in een toestand waren, waarin hout ook gebracht kan worden, volgens Fkey, ten gevolge „des jahre-langen Liegens unter Dachquot;. Hoeveel do verschillende houtsoorten toen gekrompen waren, is hieronder in tabel A aangegeven. Maar ook werden deze proefstaafjes van al het imbibitiewater bevrijd, door ze daarna ongeveer twee maanden, en daarvan 41 dagen tot circa 100quot; C., te verhitten. Do krimping was toen natuurlijk veel aanzienlijker, zooals uit een beschouwing van tabel B ten duidelijkste blijkt.

Grootte der krimping in percenten.

A.

B.

Houtsoorten.

quot;rt cd

§

^ d .ü ÜS

1-. -o g

\'rt rt

-ë .1

O

•ë .1

■ë

. !_

S OJ

O

-

- quot; 1

-

_

Ahornhout. . . .

o.o-

i-7

3-4

0.0

4-5

8.9

Beuken „ .

0.0

4-3

8.4

0.0

7-5

I4.4

Dennen „ . . . .

0.0

2-3

4.6

0.4

5-7

II 4

Eiken „ ... .

0.0

31

6.1

0.2

6.8

Espen „ . . . .

0.4

3-8

00

o-3

6.1

12.1

Esschen „ . . . .

0.0

4-3

8.4

0.0

8.6

16.5

Grenen „ . . . .

0.0

3-4

6.7

0.2

6.9

13-5

IJpen „ . . . .

0*3

3-4

7.0

0.1

5-9

quot;•5

Linden „ .

0.0

5-7

I I.I

0.1

8.8

16.9

Lorken „ ... .

0.2

3-4

6.9

0.4

5-2

IO.5

Taxis „ . . . .

0.0

I.I

2.1

0-5

4-3

8.9

Vuren „ . . . .

0.0

3-1

6.1

0-3

5-7

quot;■S

Ook Nórdi.ixger \') en diens vader, j, Mörülinüer, hebben

1

i Die technhch\'ii Eigen.lt;ckaften , blz. 298 c. v.

-ocr page 253-

een groote reeks van proeven omtrent het krimpvermogen der houtsoorten verricht. Bij hun onderzoeking-en werd het hout van den groenen in den luchtdrogen toestand gebracht. De volgende resultaten werden door hen verkregen:

Het sterkst krimpen, (5—8quot;/0 van \'t oorspronkelijk volume) noteboomen-, linden (T. parf.)-, beu-ken-, haagboukon-, ahorn (A. dasy-carpum L.)-, ijpen (U. effusa Willd.)-, appelboomen-, berken- en elzenhout.

Matig krimpen, (3—50/o van \'t oorspronkelijk volume)

ahorn-, grenen-, populieren-, taxis-, ijpen (U. campestris L.)-, palm-, esschen-, plataan-, espen-, eiken (Q. sessil.)- en acaciahout (Rob. pseud.).

Weinig krimpen, (2—3% van \'t oorspronkelijk volume) weymouthspijn-, vuren-, lorken- en eikenhout (Q. pedunc.).

In \'t algemeen kan men aannemen, dat de zware houtsoorten van dichten bouw veel meer zullen krimpen dan de lichte soorten; dat loofhout meer krimpt dan naaldhout, enz.

Maar op dezen regel zijn, blijkens de hierboven opgesomde resultaten van eenige proefnemingen, zeer vele uitzonderingen , alleen dit is zeker, dat, bij een zelfde houtsoort, het zwaarste hout ook het meeste krimpt. De schrijnwerker verkiest daarom geen zwaar eikenhout voor grond- of blindhout, d. i. als materiaal voor artikelen, die gefineerd moeten worden, \'t welk dus zoo weinig mogelijk mag krimpen.

Uit de tabel van Fkey zien wij verder ten duidelijkste, dat de krimping van hout volgens de lengte der vezels zeer gering is; in de praktijk behoeft men dus op \'tkrimpen in de draadrichting geen acht te slaan, te meer, dewijl men bijv. bij bouwhout, waar dit slechts mogelijk is, van kernhout gebruik maakt. (Zie de noot op blz. 231). In radiale richting is de krimping veel aanzienlijker, en bedraagt, volgens Frey, bij lindenhout bijv. circa 6quot;/(1. Ifot sterkst krimpt het hout

-ocr page 254-

in do richting\' der jaarringen; zooals notcboomcnhout, volgens Nördlixger, 4—17.6quot;/». esschenhout 2.6ii.Squot;,,, enz.

Van dit verschil van inkrimping zijn , zooals reeds opgemerkt is, een menigte verschijnsels het gevolg; alvorens over te gaan tot \'t bespreken van die, welke zich bij de bewerking van \'t hout voordoen, wenschen wij de aandacht te vestigen op een paar verschijnsels, die men dikwijls bij boomen terstond na het vellen kan waarnemen.

Zooals wij weten, bestaat er bij gezond hout een hecht verband tusschen alle jaarringen; maar de kracht van samenhang tusschen verschillende ringen van denzelfden stamHs niet gelijk, ze verschilt zelfs langs den omtrek van een zelfden jaarring. Verschillende omstandigheden kunnen veroorzaken, dat de samenhang tusschen twee aaneengrenzende ringen zeer gering is; wordt bijv. een smalle jaarring door een zeer breede gevolgd, dan is gewoonlijk het verband, door geringer verdikking der vezels in \'t voorjaarshout van den breeden jaarring en door het optreden van tal van vaten in de nabijheid dier grens, veel geringer dan tusschen twee smalle

1) In enkele leerboeken wordt opgegeven . dat de krimping van groen hout bij het uitdrogen varieert:

in de draadrichting tusschen 0.2 en 0.8% van hut oorspronkelijk volume,

in de radiale richting „ 1.1 en 7.5% n « r r

in de tangentiale richting „ 1.5 en i2n/0 „ „ „ „

In „des Ingenieurs Taschenbuc/iquot; (HüTTE, Jaargang 1883) is, op blz. 845. de volgende tabel uit Engineering overgenomen :

Krimpen van het hout in percenten.

In de In radiale In tangentiale

1 loutsoort.

draadrichting. richting. richting.

Beukenhout. . .

0.20

0.60

7.65

F.iken .....

0.00

2.65

4-13

Esschen „ . . .

0.26

5-35

6.90

Grenen „ . . .

0.00

2.49

2.87

Linden „ . . .

o.ro

5-73

7.17

Vuren n . . .

0.00

2.08

2.62

-ocr page 255-

235

jaarringen. Is een jaarring door vorst beschadigd, nok dan zal de samenhang met den volgenden ring zeer gering zijn.

Wanneer nu de centrale deelen van een stam, met dergelijke zwak verbonden jaarringen, hun watergehalte voor een groot deel verliezen, zooals dit bij de vorming van kernhout bijv. geschiedt, en dientengevolge gaan krimpen, zal de spanning, die daardoor in de richting der spiegels, dus in radiale richting, ontstaat, zoo groot kunnen worden, dat zij den geringen samenhang tusschen twee of meer dezer ringen overwint. Dientengevolge kunnen zich bijv. de centrale houtlagen geheel of gedeeltelijk van de peripherische losscheuren. Op deze wijze moet waarschijnlijk het ontstaan verklaard worden van de zoogenaamde rinkehcheuren, die men op de grens van twee jaarringen, op grooter of kleiner afstanden van het hart bij pasgevelde populieren, wilgen en andere boomstammen zoo dikwijls kan aantreffen. Loopt de scheur langs den ganschen omtrok van een jaarring, dan ligt natuurlijk het gedeelte binnen de scheur soms over een groot deel van de lengte van den stam geheel vrij en afg-escheiden van het overige stamhout. Men noemt zulk hout loshartig; de waarde van een stam wordt door dergelijke scheuren natuurlijk zeer verminderd, want zware balken kan men uit het lichaam niet vervaardigen; men moet het dus aan speciale doeleinden dienstbaar maken.

Maar behalve deze rinkelscheuren kunnen ook nog andere scheuren, ten gevolge der uitdroging der centrale deelen , optreden.

In tangentiale richting, dus in de richting der jaarringgrenzen, is de inkrimping van het hout zeer aanzienlijk, en zij zal het grootst zijn in die jaarringen, die het sterkst aan uitdroging zijn blootgesteld. Bij het verminderen van het watergehalte in de centrale lagen van den stam , zal er dus ook in tangentiale richting groote spanning ontstaan, de jaarringen, die, zooals wij weten, door de spiegels of mergstralen doorsneden worden, bezitten ter plaatse waar zulks geschiedt, en vooral daar, waar dikke mergstralen optreden, geen zeer groote vastheid, wat waarschijnlijk aan de geringe verdikking der mergstraalcelwanden

-ocr page 256-

236

zal te wijten zijn. Daar zal dus do spanning, door krimping-veroorzaakt, de cohaesie tusschen de houtdeeltjes overwinnen en scheuren in de spiegelrichting kunnen doen ontstaan. Hoewel nu ringen in de nabijheid van den mergkoker meer uitgedroogd zijn, zullen die, welke zich op eenigen afstand daarvan bevinden, zich meer kunnen samentrekken, en dus de scheur daar ter plaatse een tamelijk aanzienlijke breedte bezitten; in de jaarringen, die aan \'t splint grenzen of in \'t splint gelegen zijn, zal de breedte der scheur weer verminderen, daar splint en schors als een knellende band de gescheurde deelen in hun nabijheid weer trachten saam te drukken \'). Men ziet dus ook in gevelde ijpen-, populieren-, kastanje- en beukenboomen, enz. soms tal van zoogenaamde hartscheuren (fig. 55), die op eenigen afstand van het hart het breedste zijn, en reeds, terwijl de boom op stam stond, werden gevormd.

Zeer dikwijls gebeurt het, dat de spanning, door het krimpen veroorzaakt, met de cohaesie in tangentiale richting in evenwicht blijft, zoolang de boom niet geveld, of na de veiling niet verdeeld wordt; tijdens deze bewerkingen wordt het evenwicht evenwel meestal verbroken, zoodat plotseling één of meer hartscheuren met groot geweld ontstaan.

1) Men kan zich door middel van een radiale zaagsnede in een schijf van een of ander nog niet uitgedroogd stammetje (fig. 54) gemakkelijk van deze werking van het splint overtuigen; de snede sluit zich aan den omtrek van \'t schijfje en verbreedt zich in de Fig. 54. nabijheid van \'t centrum. In dit gedeelte, dus in het oudste,

wordt nu aan het krimpen der ringen in tangentiale richting in quot;t geheel geen weerstand meer geboden, de ringen trekken zich dus te zamen. Maar in de buitenste, de jongere lagen zijn de vezelwanden door de groote hoeveelheid imbihitiewater zeer sterk gezwollen , zoodat zij in den stam op elkaar een sterke drukking door digt; «plint-rn kprnhoiit- jn tangentiale richting uitoefenden. Door de verwijdering van de

[«urn van t-.-n jrhijf;.- gxoi n J

«tamhout. vezels, op de plaats waar de zaagsnede werd aangebracht, wordt

die drukking opgeheven en kunnen zich dus nu de niet verwijderde vezels ongestoord uitzetten , natuurlijk gaat dit met een vernauwing der zaagsnede gepaard.

-ocr page 257-

237

Natuurlijk zullen deze scheuren (ook spiegel- en bosch-scheuren genoemd) vooral wanneer zij over de geheele lengte van den stam voorkomen en door reeds ontleed of ziek hout worden begrensd, hetgeen aan het worteleind van oude stammen dikwijls het geval is, als gebreken van den boom diens waarde zeer verminderen.

Heeft het hout tijdens den groei aan alle spanningen weerstand geboden, blijkt de stam direct na het vellen dus geheel en al vrij van hart- en rinkelscheuren te zijn, zoo kunnen toch, in meerder of minder mate afhankelijk van de verdere behandeling, ten gevolge van uitdrogen, scheuren in den gevelden stam ontstaan.

Moeielijk zullen de stammen scheuren bekomen, wanneer hun hout zeer gelijkmatig is gegroeid, de jaarringen nagenoeg alle dezelfde breedte hebben, en zij in de schors langzaam en gelijkmatig kunnen uitdrogen; wordt de schors evenwel terstond na \'t vellen verwijderd, dan kan van gelijkmatig drogen geen sprake meer zijn, en hoe gelijkmatig het hout ook gegroeid moge zijn \'), het scheurt dan toch, want aan de oppervlakte van den stam, zal nu, na de verwijdering der schors (§ 22) de waterverdamping het sterkst zijn, en zullen dientengevolge de vezels in den jongsten jaarring reeds een groot gedeelte van hun imbibitiewater verloren hebben. voordat de waterverdamping in andere en meer centrale lagen begint. De ring zal krimpen on, daar zijn omvang geringer wordt dan die der omsloten houtmassa, ook scheuren op hot zwakste deel van zijn omtrok, wanneer er geen samenhang bestond tusschen do jaarringen onderling. Daarna zou ook de volgende jaarring op zijn beurt door de samentrekking vaneen gereten worden, enz. Men zou dus, daar de

1) „Resonanzholzquot; dat zulk een gelijkmatigen bouw bezit, zal niet scheuren, wanneer het goed behandeld wordt.

-ocr page 258-

23«

grootte der inkrimping naar het centrum afneemt — wegens het geringer aantal krimpende vezels, naarmate men het hart nadert, in eiken jaarring — op het kopvlak van den stam hot krimpingsverschijnsel kunnen waarnemen, dat in fig. 56 is afgebeeld.

Nu evenwel tusschen de jaarringen onderling- een groo-ten samenhang bestaat, zal, door de vereenigde werking der ringen, ten gevolge van het uitdrogen en krimpen, aanvankelijk een enkele radiale scheur ontstaan, die, om de zooeven vermelde reden, aan den omtrek van den stam de grootste breedte vertoonen moet (fig. 57). Wordt door deze eerste scheur de spanning in de richting der jaarringen nog niet voldoende opgeheven , dan ontstaat er diametraal tegenover een tweede — of wel, er vormen zich meerdere scheuren op regelmatige afstan-, den van elkaar, indien dc ringen n.1. van gelijkmatigen bouw zijn (fig. 58). Is dit niet \'t geval, zijn de jaarringen zeer onregelmatig gebouwd of ligt bijv. de merg-kokor excentrisch . dan zullen de scheuren minder regelmatig langs den omtrek optreden, maar in de zwakste deelen der ringen worden gevormd.

Dergelijke scheuren, aan den omtrek ontstaan, loopen in den regel recht op het hart aan. Bij uitzondering, zooals bijv.

Fig. 38. bij oude dennen (Ab. peet. D. C.) en bij

vuren stammen, die hoog uit quot;t gebergte komen, loopen zij zigzagvormig; de scheuren wijken n.1. nu en dan uit in tangen-tiale richting op de grens van twee jaarringen, en vervolgen plotseling weer hun weg in radiale richting, enz.

Zeer dikwijls kunnen deze scheuren niet tot aan het hart van den stam doordringen. Dit is bijv. het geval, wanneer tusschen twee opeenvolgende jaarringen weinig of geen samenhang

-ocr page 259-

239

bestaat; waar dit plaats heeft eindigt de scheur; waarschijnlijk zullen nu ook wel in het meer binnenwaarts gelegen stamdeel scheuren ontstaan, maar geheel onafhankelijk van die in het periphorisch gedeelte, zoodat dan een stam op dwarsche doorsnede zich kan vertonnen als in fig. 59 is afgebeeld.

De genoemde krimpverschijnsels kan men bij rondhout zeer dikwijls waarnemen; meest altijd ziet men daar op de kop-vlakken talrijke radiale scheuren, vooral wanneer er een intensieve waterverdamping na \'t ontschorsen plaats heeft gehad (men verhindert dit somwijlen door het aanbrengen van een Fig. 39. verflaag, of door \'t plakken

van papier op den stam).

Laat het doel, waarvoor men een stam bestemd heeft, een verwijdering der centrale jaarringen toe (uitboren van \'thart), dan kunnen de overblijvende

een vierkant behaltterfstaml ^ ^ hct (loshartig). ongehinderd samen trekken,

en zullen er dus. hoogstens enkele, maar altijd zeer kleine

en smalle scheurtjes aan den omtrek ontstaan (fig. 60).

Wordt de stam door het hart gekloofd (wagenschot) of door een overlangsche zaagsnede in twee gelijke deelen verdeeld , en dus elke jaarring gehalveerd, ook dan kunnen deze zich meestal in voldoende mate bij het drogen samentrekken, en wordt de spanning aan den omtrek niet meer zoo groot, dat daardoor breede scheuren kunnen worden gevormd; daar evenwel de peripherische jaarringen het sterkst inkrimpen, zal dit, hoe gering de inkrimping ook zijn moge, ten gevolge hebben, dat het oorspronkelijk platte splijt- of zaagvlak gebogen wordt, en des te meer naarmate de uitdroging voortschrijdt (fig. 61).

Een verdeeling door twee haaksche, overlangsche zaagsneden, zal spanning aan den omtrek bijna geheel onmogelijk maken; dat de snijvlakken zich bij \'t uitdrogen der stukken zullen

-ocr page 260-

240

buig-en, zooals in fig. 62 is voorgesteld, zal na \'t voorgaande geen toelichting behoeven.

Hierboven hebben wij meegedeeld, dat de krimping der houtvezels in de richting der lengte uiterst gering is. Wordt de lengte van een stamdeel evenwel zeer aanzienlijk. dan treedt ook de krimping volgens die afmeting in het spel: men zal dus, omdat de jongere (buitenste) jaarringlagen veel meer krimpen dan de andere (binnenste), talrijke krimpingsverschijnsels dientengevolge kunnen waarnomen. Bij halfhout zullen de scheuren ontstaan, zooals in fig. 63 afgebeeld is; bij stukken, wier dikte aanzienlijk, maar toch veel geringer dan de breedte is, zooals bijv. bij platen, scheuren dikwijls de kopeinden dwars door midden (fitr. 64), enz., enz.

Voor-telling ■

van gescheurd Beslagen of behakt hout zal natuurlijk veel min-aanzieniijkcquot; der scheuren dan rondhout, dat zonder schors gedroogd is; meer evenwel dan in de schors gedroogde stammen. Door \'t beslaan toch verkrijgt men bijv. een balk van vierkante of rechthoekige dwarsche doorsnede; een groot gedeelte van het splint of van het rijphout, kortom veel jong hout. wordt daardoor aan den Stam ontnomen. Oe invloed van Schcur in het kopcind van een plaat.

-ocr page 261-

241

dit hout, die, zooals wij weten, nirt gering is \'), zal dus door het beslaan veel verminderen. Toch wordt de toestand niet zóó gunstig, dat scheuren in beslagen of behakt hout, ton gevolge van het uitdrogen niet meer kunnen optreden. In de fig. 65 en 66 zijn de kopvlakken afgebeeld van twee vierkant beslagen balken; bij den eersten ligt het hart middelpuntig, bij den tweeden uitmiddelpuntig. De balken zijn beide gescheurd. In fig. 65 zijn die scheuren op\'t midden der platte vlakken ontstaan, en hebben zij zich in de richting derspiegel-stralen voortgeplant; in fig. 66 zijn die scheuren evenwel niet

op zoo regelmatige afstanden van elkaar geplaatst. Wanneer men beide figuren, waarin ook het beloop der jaarringen is voorgesteld, aandachtig beschouwt, dan zal men na goed begrip van de voorgaande mededeelingen begrijpen, dat,

zoo er door te sterk uitdrogen reu-scheuren moesten ontstaan, die nergens anders gevormd konden worden dan ter plaatse als in de figuren is aangegeven. Daar toch ondervindt de spanning don minsten weerstand.

Bevindt zich de mergkokor in de onmiddellijke nabijheid van den kant van een balk, dan ontstaan er gewoonlijk

scheuren in de aan dien kant tegenovergestelde zijvlakken (zie fig. 67).

r) Kernhout krimpt in den regel niet zooveel als splint- on rijphout; kernhout van beuken , zegt men , maakt hierop een uitzondering.

-ocr page 262-

242

Is de balk zoodanig\' uit don stam gezaagd, dat de mergkoker er geheel buiten valt (fig. 68 en 6g) dan ontstaan er, óf scheuren in de oudste, of in de jongste lagen. Dit hangt af, zoowel van de mate van samenhang der vezels als van de omstandigheid of jongere (fig. 68) dan wol oudere lagen (fig. 69) in grooter aantal voorhanden zijn.

Zeer belangrijk zijn voor de praktijk der houtbewerking- de krimpingsverschijnsels, die men bij stukken hout waarneemt, wier dikte in vergelijking met lengte en breedte zeer gering is. Bij dergelijke stukken, bijv. planken, heeft men, ten gevolge van plaatselijke of ongelijkmatige vermindering van het im-bibitiewater minder scheuren, dan wol een krom- en scheef-trekken te vreezen.

Is de plank zoodanig uit den stam gesneden, dat de mergkoker of het hart van den boom zich in de plank bevindt (fig. 70) dan kunnen er scheuren ontstaan in het midden der kopvlakken \'). Maar zeker zal de oorspronkelijk rechthoekige dwarsdoorsnede geheel veranderen, omdat bij het drogen de splintlagen de grootste hoeveelheid water verliezen en dus ook hot sterkst zullen krimpen. In do figuur is deze vervorming duidelijk voorgesteld.

Fjir 7o Wordt uit de plank (fig. 70)

het hart weggezaagd dan zullen de beide smalle planken, die (ter weerszijde der vertikale stippellijnen) dan overblijven , niet kromtrekken. Spanningen toch, die daartoe

r b Hg. 7i.

aanleiding zouden geven, kunnen hier in gewone , as omstandigheden met optreden (hout voor klankbodems).

\\Iï

r) Men zie «1«; beschrijving bij fig. 64. Ten einde de relatief sterke krimping dor splintlagen volgens de lengteas van een balk in vergelijking met die der centrale lagen nóg duidelijker voor te stellen, wijst Nördlinger [Die techn. Ei^ensch. blz. 286) nog op vierendeelshout, dat, /.00 de schors niet verwijderd wordt, zelden scheurt, maar „sich gern aus einander kriimmtquot; (fiü- /\')•

-ocr page 263-

243

Wordt evenwel een stam verdeeld, zooals bijv. in fig-, 72 zichtbaar is, dan zullen de gfevormde planken bij \'t drogen

altijd moeten kromtrekken, al is ook do temperatuur en voch-tigheidstoestand der lucht aan beide zijden van elke plank dezelfde; en wel destemeer naarmate zij op grooter afstand van het hart uit den stam zijn gesneden.

Waarom dit het geval is, en waarom de convexe zijde der kromgetrokken planken zich aan de hartzijde zal bevinden, zijn vragen, waarvan wij na al \'t voorgaande de beantwoording veilig aan den lezer kunnen overlaten. Ook zal men licht inzien, dat, daar ook de krimping volg\'ens de lengte aan beide zijden der planken niet dezelfde is, deze ten gevolge van de samenwerking van al deze ongelijke werkingen •vindschcef zullen worden.

Natuurlijk zullen deze verschijnsels in meerder of minder mate gewijzigd worden, wanneer de plankon, uit ronde klossen afkomstig, gekantrecht, of uit half- en vierendeels-hout gesneden zijn, enz. Welke verandering\'en overigens optreden zullen bij het gelijkmatig drogen van houtstukken van anderen vorm als hierboven behandeld zijn (bijv. dunne schijven) en welke veranderingen van een plaatselijk ongelijkmatig uitdrogen het gevolg moeten zijn — dat alles hier nog te behandelen zou te veel plaatsruimte vorderen, en, naar wij hopen , ook overbodig zijn voor hen, die van hot voorgaande met vrucht kennis namen.

Wat nu ten slotte betreft do govolg\'en van het opnemen van water door betrekkelijk droog hout, zoo zij opgemerkt, dat daardoor verschijnsels verkregen worden tegenovergesteld aan die, welke wij met wateronttrekking\' gepaard zagen gaan. Het volume van het hout, dat in het laatste geval verminderde, neemt weer toe, wanneer hot hout water opneemt.

Scheuren, die zich in luchtdroog hout hebben gevormd, stuiten zich, wanneer dit met vochtige lucht in aanraking komt.

-ocr page 264-

244

Kromgetrokken planken nemen in een vochtige omgeving de gedaante weer aan, die zij vóór de uitdroging bezaten.

Natuurlijk zal ook dat hout het meest zwellen, waarvan de vezels zich het sterkst hebben saamgetrokken tijdens de vermindering van het watergehalte — dc afmetingen van het hout zullen in die richtingen het sterkst toenemen, waarin de krimping zich het meest heeft doen gelden, m. a. \\v. de zwelling in de richting der jaarringen zal het grootst, die in de vezelrichting het geringst zijn. Ten bewijze hiervan kan de volgende tabel dienen.

Zwellen in de richting

Houtsoorten. van ,|en van (jg van {\\c jaar.

draad; in %• spiegels; in %.ringen; in quot;/„•

Ahornhout.......

0.072

3-35

6-59

Berkenhout (Duitsch) . . .

0.222

3.86

9-3°

Beukenhout ......

0.200

5-03

S.06

(Haag-) . . .

0.400

6.66

IC.90

Cederhout (van Libanon). .

0.017

1.3°

3-38

Dennenhout ......

0.122

„ 300 jaar oud. .

0.086

4.82

8.13

Djatihout (O. Ind.) ....

0.220

1.12

3.2°

Ebbenhout (zwart) ....

O.OIO

2.13

4.07

Eikenhout (zomer- of winter-??)

0.400

3\'90

7-55

Elzenhout.......

0.369

2.91

S-°7

Esschenhout......

0.821

4-o5

6.56

Grenenhout ......

0.120

3-04

5-72

IJpenhout.......

0.124

2.94

6.22

Kastanjehout (wild). ...

0.0S8

1.84

M GO vn

Lindenhout......

0.208

7-79

11.50

Lorkenhout .......

0.075

2.17

6.32

Mahoniehout......

O.I 10

1.09

1.79

Noteboomenhout.....

0.223

3-53

6.25

I\'opuherenhout.....

0.125

2-59

6.40

Vurenhout.....

0.076

2.41

6.18

Weyraouthspijnhout. . . .

0.160

1.80

5.0°

Wilgenhout (gemeines?) . .

0.697

2.48

7-31

-ocr page 265-

2 4.5

Men vindt in de tabel de uitkomsten van een reeks onderzoekingen, die; door Laves werden verricht \'j.

Hoewel van ouden datum, worden deze proefnemingen nog altijd als de beste op dit gebied beschouwd, en de uitkomsten nog immer door de hedendaagsche technici aangehaald. Ten einde de zwelling in de lengterichting bij verschillende houtsoorten te kunnen vergelijken, g-ebruiktc hij korte staafjes van 157 mM. lengte, 8.7 mM. breedte en 1.6 mAI. dikte (6quot; X 4quot;\' X 7/quot;). Deze werden vooraf volkomen uitgedroogd en daarna met water verzadigd; de vermeerdering der lengte werd met behulp van een noniusapparaat gemeten. Hetzelfde geschiedde met de houten schijfjes, waarmede de zwelling in de richting der jaarringen en der mergstralen werd bepaald; deze schijfjes waren circa 1 mM. (\'/j\'quot;) dik.

Zoowel het verliezen als het opnemen van water veroorzaakt dus -werken van het hout.

Op welke wijze men in de praktijk dor houtbewerking in sommige gevallen van het imbibitievermogen der houtvezels partij trekt, en van welke middelen men zich daar bedient om zooveel mogelijk het werken van het hout te voorkomen, zal bij do beschrijving der voorbereiding dezer grondstof en bij die harer mechanische vervorming ter sprake moeten komen.

1) Volgens Nökdlingek: die tcchu. Eigensch. en deze volgens; Mittheilungcn des Hannoverschen Gewér bever eins, i2(lc afl., blz. 300 e. v.

-ocr page 266-

In het volgende Hoofdstuk zullen wij eindelijk de voornaamste houtsoorten, in het bijzonder die, welke in Nederland en aangrenzende landen als bouw- en werkhout worden gebruikt, aan een speciale beschouwing onderwerpen.

Vele van deze houtsoorten komen ook in ons vaderland voor.

Het zoogenaamde inlandsch hout is evenwel niet altijd uitstekend bouw- en werkhout; zeer dikwijls bezit het geringe afmetingen, enz., waardoor men dan genoodzaakt is zijn toevlucht tot buitenlandsch hout te nemen.

Het bouw- en werkhout, dat in de volgende bladzijden zal beschreven worden, is afkomstig van naald- en loofboomen. Dienovereenkomstig brengen wij het dan ook tot twee groote afdeelingen:

Afdeeling :(. naaldhout,

I», loofhout,

die achtereenvolgens in behandeling zullen komen.

In elke afdeeling zal de beschrijving der, naar onze meening, meest gewichtige soorten aan die van minder belangrijke voorafgaan.

Overigens zal getracht worden zoo nauwkeurig mogelijk, van elke houtsoort te; vermelden:

1. de afkomst,

2. het uiterlijk aanzien,

3. den elementairen bouw,

de verschillende technische eigenschappen en

5. de toepassing in de mechanische nijverheid.

-ocr page 267-

ZESDE HOOFDSTUK.

Bijzondere beschrijving van houtsoorten,

a. Naaldhout.

81. Do boomcn, die ons het naaldhout leveren, de naald-boomen of coniferen, stellen veel geringer eischen aan hun groeiplaats dan loofboomen. Ze zijn beter bestand tegen groote afwisselingen van koude en warmte en vorderen geen vetten bodem. Men treft ze dientengevolge zoowel in de vlakten als op de bergen der gematigde en koude luchtstreken tot hoog in het Noorden aan; in warme gewesten komen zij slechts aan de uiterste grenzen van den boomachtigen plantengroei voor.

Naaldboomen hebben verder meer geneigdheid tot een gezellig leven; zij groeien in een dichten stand en vormen meestal uitgestrekte wouden. Gewoonlijk zijn de stammen zeer recht; hun doorsnede neemt van den voet naar den top gelijkmatig af.

Het naaldhout bestaat sleclits uit tracheïden en lioutparen-chym; het onderscheidt zich voornamelijk van loofhout door het gemis aan vaten. Do kleur van het hout is wit, lichtbruin of roodachtig bruin.

In den regel riekt het harsachtig; is dit het geval, dan treft men reeds, bij nauwkeurig onderzoek met de loupe, de harsgangen in het hout aan; die gangen bevinden zich zoowel in de mergstralen (horizontaal) als in het herfsthout der jaarringen (vertikaal).

-ocr page 268-

248

De mcrgstralen bchooron tot de met het bloote oog onzichtbare soort; ze worden eerst met de loupe waargenomen.

Het microscopisch onderzoek leert, dat de mergstralen volgens de breedte meestal uit één cellenreeks, volgens de hoogte (in de draadrichting) uit een verschillend aantal celrijen bestaan — zelden bedraagt die hoogte meer dan 0.5 mM.

Daar de celwanden der mergstralen op verschillende wijze gestippeld zijn, hebben wij daarin een uitstekend middel om met het microscoop naaldhoutsoorten te onderscheiden (grenen-van dennen- en vurenhout).

De jaarringen zijn nu eens meer dan eens minder duidelijk waar te nemen; gewoonlijk is het herfsthout donkerder van kleur dan het voorjaarshout, en zijn ook de tracheïden in het herfsthout meer verdikt.

De wanden der tracheïden zijn met groote hofstippels bedekt, wier middellijn weinig geringer is dan de breedte der vezels (0.02—0.05 mM.); soms zijn de tracheïden ook nog spiraalvormig verdikt (taxishout).

Bij laatstgenoemde houtsoort ontbreekt houtparenchym (volgens Sanio) ; bij geen der andere naaldhoutsoorten is dit het geval.

Men treft onder het naaldhout zeer duurzame houtsoorten aan, die zelfs, wat deze eigenschap betreft, niet voor eikenhout onderdoen; het wordt weinig door den worm aangetast en is in den regel minder aan gebreken onderhevig dan loofhout.

Wij kunnen dit hout als bouwhout moeielijk ontberen; als werkhout wordt het in vergelijking mot dat der loofboomen minder gezocht.

Het naaldhout, hetwelk hier te lande gebruikt wordt, voert men hoofdzakelijk aan uit Duitschland, Scandinavië, Rusland en Amerika, omdat het inlandsche te gering is, niet alleen in qualiteit, maar ook wat de quantiteit betreft.

-ocr page 269-

-49

82. Grenenhout. Als bouw- en werkhout wordt heden ten dage ook in ons vaderland grenenhout gebruikt, dat van verschillende boomsoorten afkomstig is; deze boomsoorten be-hooren evenwel alle tot het coniferengeslacht Pinus.

In de praktijk verdeelt men \'t grenenhout, naar de landen van herkomst, in: gewoon (Europcesch) en Amerikaanseh grenenhout ; een verdeeling, die wij zullen overnemen, daar zij tegen een wetenschappelijke indeeling niet strijdt.

Wij behandelen nu achtereenvolgens deze beide hoofdsoorten.

Het gewone(Europeesclie) grenenhout, dat in ons vaderland gebruikt w-ordt stamt hoofdzakelijk af van den groveu den (Pinus sylvestris L.). Deze boom komt tegenwoordig voor in gansch Midden- en Noord-Europa en groeit voornamelijk in zandige vlakten of op bergen ■quot;•); in Zweden (provincie Norrland), in Noorwegen (voornamelijk in de Oostelijke dee-len, in de stiften Christiania en Trondhjem); in Rusland (gouvernement Grodno, Lijfland en de Poolsche provinciën) en in Duitschland (laagland oostelijk van de Elbe) komen uitgestrekte wouden van deze boomen voor.

In ons land werd de boom oorspronkelijk niet aangetroffen, maar is als cultuurplant ingevoerd (op hei- en zandgronden van Overijsel, Gelderland, enz.). Onze grove dennen bereiken evenwel hun wasdom niet; ze worden slechts een halve eeuw oud.

Het inlandsch hout heeft geringere afmetingen en is van minder hoedanigheid dan dat, hetwelk hier te lande gebruikt en uit de bovengenoemde landen ingevoerd wordt.

1) Het grenenhout, dat bijv. in Oostenrijk verwerkt wordt, is meerendeels afkomstigvan den zwarten den (Pinus Laricio var. austriaca Tratt.); dat, hetwelk in Italic, Spanje en Zuid-Frankrijk wordt gebruikt, zeer dikwijls van Pinus pinea L., en/.

2) Ook in de Spaansehe Pyreneën en in de centrale Spaansche hooggebergten treft men grove dennen aan in den gordel tusschen 974 en 1948 Meters boven \'t oppervlak der zee.

3) In Midden-en Noord-Europa vermijdt de grove den de bergen , terwijl hij in Zuid-Europa sleehts in de bergen voorkomt. Daar toch vindt hij de noodige drie maanden rust in den winter, geringe voehtigheid en weinig nevel.

-ocr page 270-

25°

In Gallicië bereikt de grove den dc grootste afmetingen, liet hout dezer dennen is bij uitstek fijn, taai, elastisch en vast; het aantal kwasten uiterst gering. Als Dantziger-grenen knmt dit hout in don Duitschen handel en is zeer gezocht; de kleur is tamelijk licht. Uit de Ukraine en Lijfland is het beste Russische hout afkomstig; het wordt van daar per vlot langs de Düna naar Riga gevoerd en is als Riga-grenen bekend. Dit hout heeft eveneens uitstekende eigenschappon en is zeer duurzaam; het is niet zoo vrij van kwasten als het Dantziger grenenhout.

Het grenenhout uit Zweden en Noorwegen \') heeft een donkerder kleur, is zeer harsrijk, en munt uit door groote vastheid en duurzaamheid; de houtvezel is fijn, terwijl dc breedte der jaarringen zeer weinig verschilt; het hout heeft dus een zeer gelijkmatigen bouw.

De stam is al naar den aard van den grond recht en tot een groote hoogte van takken bevrijd of laag en krom en reeds op geringen afstand boven den grond sterk vertakt.

In een gunstigen bodem. die weinig weerstand biedt aan \'t indringen van zijn paalwortel, een bodem, die niet te vochtig en niet te vet is, bereikt de grove den, in niet te dichten stand, een hoogte van 20—30 M. bij q—12 dM. diameter van den stam.

Al naar de gesteldheid van den bodem en andere omstandigheden , die op den groei van invloed zijn, kan de boom

i) In ons land hoort men nu en dan nog spreken van Koperwijkschgrenen- en vurenhout. Dit is zeer fijn hout, hetwelk uitstekende eigenschappen bezit. Of juister gezegd: bezat, want «cht Koperwijksch hout wordt hier te lande niet meer aangevoerd. Dc Heer F. li. Wkssklin\'lid der firma Bontkkoning en Aukes te Amsterdam, deelde ons n.1. dienaangaande mede, dat Copervick een klein plaatsje was, in de nabijheid van Drammen . in de golf van Christiania (Noorwegen) gelegen , van waar voorheen het fraaiste en fijnste hout Koperwijksch — naar Nederland werd gevoerd. Drammen was de uitvoerhaven. Nadat te Copervick al het l)este hout was geveld, voerde men evenwel van Drammen nog altijd grenen- en vurenhout uit en al dit hout behield den naam van Koperwijksch-hout. Langzaam geraakt deze benaming in onbruik; vooral ook , omdat men tegenwoordig uit Drammen en omstreken meestal geschaafde en geploegde deelen aanvoert.

-ocr page 271-

binnen korten of na lang-en tijd dc grootste hoeveelheid hout van dc boste qualitoit vormen \').

Dc houtvester laat daarom zoowel dennen van 40, als van 80 en 120 jaar vollen -).

De grove den is een kornhoutboom 3); zijn hout is grof en eonigszins glanzig\'. Het splint, dat zich over 25 tot 80 jaarringen uitbreidt, heeft, evenals het aangenaam riekende kernhout, korten tijd na de veiling een gele tot roodachtig witte kleur; het kernhout neemt tijdens het uitdrogen een bruinachtig roode kleur aan.

De jaarringen zijn zeer duidelijk waar te nemen, \'t geen aan den rijkdom aan hars van do cellen in \'t herfsthout toe to schrijven is, die zich dientengevolge door een bruine kleur duidelijk van het voorjaarshout onderscheiden. De jaarringen, die in de eerste helft van den groeitijd zijn gevormd, zijn broeder dan de later gevormde, daar de grove den in dc eerste periode van zijn leven veel sneller groeit; dikwijls zijn de ringen ook gegolfd.

De mergkoker heeft meestal een relatief groote doorsnede; de diameter varieert n.1. tusschen 1 on 4 mM.

Met de loupe ontdekt men, voornamelijk in do herfsthoutlaag der jaarringen, talrijke en wijde harskanalen; vervolgens ook de zeer talrijke en fijne mergstralen.

Bij microscopisch onderzoek blijkt hot hout te bestaan uit tracheïden en houtparenchym.

Op tangentiale doorsnede ziet men, dat de mergstralen ge-

r) VVenscht men zeer dikke grenen stammen, clan worden ze geteeld door enkele exemplaren uit den stand te laten doorgroeien , tenvijl alle andere geveld worden. Zoodoende bereikt een grove den somwijlen het dubbele van don gewonen leeftijd.

2) Dt; houthakkers beweren, dat. als de schors aan den voet van den groven den zwart gekleurd en van zeer diepe scheuren voorzien is en eerst hoog boven den grond lichter van kleur en glad begint te worden , het hout sponsachtig (met breede jaarringen) en dus van geringe qualiteit is; is daarentegen dc schors aan den voet lichter van kleur en meer geschilferd dan gescheurd, en wordt zij reeds op geringe hoogte hoven den grond glad, dan heeft hot hout smalle jaarringen en een vaste, goede textuur.

3) Eerst na circa 25 jarigen leeftijd vormt zicb kernhout in den stam.

-ocr page 272-

woonlijk één cel breed zijn; slechts die, welke harskanalen bezitten, bestaan iredeeltelijk uit twee rijen, daar dan aan beide zijden het kanaal door één rij cellen wórdt begrensd; boven en beneden den harsgang zijn de mergstralen weer één cel breed.

In de draadrichting bestaan de, tot 0.6 mM. honge, mergstralen uit een verschillend aantal celreeksen; de cellen, in die vertikaal boven elkaar geplaatste rijen, zijn van elkaar te onderscheiden door verschil in wandverdikking. Dit blijkt zeer

duidelijk uit een radiale doorsnede. Zooals in nevensstaande figuur (fig. 73) is aangegeven , zijn de wanden der cellen uit de bovenste en onderste lagen zeer eigenaardig verdikt niet alleen, maar ze bezitten ook kleine hofstippels; de wanden der cellen uit de centrale mergstraal-rijen zijn daarentegen met gewone, doch zeer groote stippels voorzien , die meestal de gansche hoogte der mergstraalcellen innemen.

Door dezen bouvi der mergstralen is het grenenhout ten did-dclijkste van vuren- en dennenhout te onderkennen.

Technische eigenschappen.

I. Specifiek gewicht. Luchtdroog - 0.310—0.828 (gem.

0.569), groen — 0.38 1.078.

11. Krimpen \'). A) In derichting van den draad = 0.008—0.201%;

c

r*

I

c

r

Mergstraal uit grenenhout (radiale doorsnede), h, h, h , kleine hofstippels in de onregelmatig, tandvor-

mig verdikte ctïlwanden der uiterste celrijen. s, s, s, groote stippels in de regelmatig verdikte cel-

wanden der centrale celrijen.

T, T, tracheïden met groote hofstippels.

Vergr. 400 maal.

B) dwarsdraads, a) in do spiegelrichting — 0.6—3.8quot;/,,, b) in die der jaarringen = 2—6.8quot;/„.

1) De waarden voor quot;t krimpen zijn voor \'t meerendeel door NöRDLINGER en zijn vader bepaald; zij gelden voor groen hout. dat in den luchtdrogen toestand is gebracht.

-ocr page 273-

TIL Zwellen. A) In de richting van den draad = o. 120V0 (Laves);

B) dwarsdraads, a) in de spiegelrichtingquot; = 3.04 quot;/„(1..)

b) in die der jaarringen = 5.72 u/i) (L-) Volgens Weissbach \') bedraagt:

de vermeerdering in volume = 4.8 %, „ „ „ gewicht = 102 quot;/o-

IV. Elasticiteit en vastheid (In kilogr. per mM\'-).

1. Rekkende krachten. A) In de richting van den draad.

Elasticitcits-grens = 1.72 (M.) \\ 1.633 (Ch. en W.) Elasticiteits-coëfficiënt = 1198.5 (M.), 1201 (T.), 564,1 (Ch. en W.).

Vastheids-coëfficiënt = 4.27 (M.), 7.20 (ï), 9.00 (splinth. B.), 2.60 (kernh. B.), 2.48 (Ch. en W.), 1.44- -11.88 (N.).

coëfficiënt.

x) Weissbach verzadigde hiehtdroog hout met water. Nadat \'t hout circa 2 maanden in \'t water had gelegen, was het zwellen reeds geëindigd; degewichtsvermcerdering duurde somwijlen 2 a 3 jaren voor zij het maximum had bereikt.

2) Volgens ^des Ingenieurs Taschcnbuch , herausgeg.v. d. V. ^Hüttequot;, zijn de gemiddelde waarden (Kg. per mM*.) der elasticiteits- en vastheidscoC-fficiënten voor grenenhout de volgende;

Vastheids-coëfficiënt voor Rekking. Drukking. Rekking. Drukking. Afschuiving. Buiging.

_ ^ I r i

Als vastheids-coöffic. voor afschuiving dwarsdraads wordt voor naaldhout 1.25 aangegeven. 3) M. - Micolaschek. ■gt;

Ch. en W. ~ Chevandier en Wf.rtheim. ( Deze onderzoekers zijn reeds N. — NöRDLINGER. 1 meermalen door ons aangehaald.

B. = Bauscihngek. j

T. ~ Tetmajer. Men zie;

Mitthcibmgen der Au stalt zitr Priifung von Bauvtateria li en am cidqcn. Polytechniknm in Zurich, Heft 2; Methoden und Resultate der Prüfung der Schweiz. Bauhölzer, Bcar-heitet von L. Tetmajer, Ingenieur. Prof. der Bauschule. Vorstand der Anstalt z. P. v. B. a. e. 1\'. etc. Zurich, Commisslonsverlag von Meijer amp; Zf.ller. 1884.

-ocr page 274-

254

B.) Dwarsdraads,

a) in do spicg-clrichtingquot;.

Elasticiteits-coëfficiënt = 97.9 (Ch. en W.). Vastheids-coëfficiënt = 0.2,50 (Ch. en W.).

b) in de richting\' der jaarring-en. Elasticiteits-coëfficiënt = 28.6 (Ch. en W.). Vastheids-coëfficiënt = o. 196 (Ch. en W.).

2. Drukkende krachten. In de richting- van den draad.

Elasticiteits-grens — 2.55 (M.), 1.46 (T.). Elasticiteits-coëfficiënt 661 (M.), 1188 (T.). Vastheids-coëfficiënt — 3.02 (M.), 4.38 (Pgt;.), 2.46 (T.j, 3.00—5.81 (N.).

3. Buigende krachten. In do richting van don draad.

Elasticiteits-grens = 0.80 (M.), 1.88 (T ). Elasticiteits-coëfficiënt = 617.40 (M.), 856.2 (T.). Vastheids-coëfficiënt -— 3.27 (M.), \'4.61 (B.), I.09 (T.), 4.71—5.97 (N.).

(. Afschuwende, krachtcn. A.) In de richting van don draad.

Vastheids-coëfficiënt 0.32 (M.), lt;gt;.61 (T.), 0.91 (B.).

B.) Dwarsdraads.

Vastheids-coëfficiënt — 2.14 (M ). 5. Wringende krachten.

Elasticiteits-grens = 0.33 (M.). Elasticiteits-coëfficiënt = 694-35 (^ )• Vastheids-coëfficiënt = 0.546 (M.).

V. Kloof baarheid. Het grenenhout wordt gemakkelijk gekloofd (splintert onder de bijl). Luchtdroge stukken, gevormd, zooals in figuur 52 (blz. 224) is aangegeven, spleten;

in de spiegelrichting, bij een belasting van 14.4 Kg. (N.),

in de richting der jaarringen, bij een belasting van 19.7 Kg. (N.).

VI. Duurzaamheid en gebruik. Grenenhout werkt en scheurt zeer weinig en wordt bij uitzondering door insecten

-ocr page 275-

255

aangetast. Het laat zich gemakkelijk en glad bewerken. De kwasten zijn niet zeer hard.

Het hout is iets minder dan eikenhout, maar beter dan vuren- en dennenhout tegen den afwisselenden invloed van lucht en water bestand; onder water is het zeer duurzaam en doet voor eikenhout weinig onder.

Het grenenhout is een uitmuntend bouwhout; zeer gezocht in den bruggen-, water- en mijnbouw, en overal, waar van \'t hout groote duurzaamheid, elasticiteit en vastheid wordt gevorderd. Door den scheepsbouwer is het grenenhout wegens de groote elasticiteit en vastheid zeer gezocht voor mast- en ra-hout. Het beste masthout komt uit het Noorden, voornamelijk uit de kustlanden der Oostzee, uit Noorwegen en Schotland. (Men zie de noot op blz. 184).

In den spoorwegbouw maakt men een groot gebruik van grenenhout voor dwarsliggers. In den huizenbouw ziet men het toegepast voor balken, trappen, kozijnen, raamhout, enz. ; daar het somwijlen zeer harsrijk is en op warme plaatsen veel hars uitzweet, wordt het binnenshuis dikwijls door andere naaldhoutsoorten vervangen.

Voor de vervaardiging van molenroeden werd dit hout vroeger veel gebruikt \'), terwijl voor het binnenwerk in molens zooveel mogelijk harsvrij grenenhout werd gebezigd.

In den laatsten tijd worden ook bestratingen van grenenhout vervaardigd (o. a. in de Champs Elysées te Parijs.)

83. Behalve het gewone grenenhout komt reeds sedert jaren grenenhout in den Europeeschen handel, dat van Ameri-kaanschen oorsprong is, en dat ook onder de Amerikaansche benamingen hier te lande en elders wordt gebruikt. Men

1) Hiervoor werd voorheen de beste qualiteit van grenenhout gebruikt. Men zocht bij voorkeur die stammen voor dit doel uit, die naar den top eon flauwe kromming vertoonden. Het gebruik van dit hout in den molenbouw is zeer verminderd, daar men bij ons te lande de roeden uit verschillende stukken leerde samenstellen en bovendien veel molens niet meer door wind maar door stoom worden bewogen.

-ocr page 276-

256

onderscheidt het hout n.1. als pitch-pine-, yellowpine-. red pine- en white pine-hout.

De boomen, waarvan deze houtsoorten afstammen, hchooren ook alle tot \'t geslacht Pinus. Van welke soorten ? Over deze vraag- zijn de verschillende technische schrijvers het nog tamelijk oneens.

Sommigen beweren, dat bijv. het pitch-pine en het yellowpine van denzelfden boom n.1. van den Pinus australis Michx. afkomstig zijn \'); in de zandstreken zou deze den zeer harsrijk zijn en pitch-pine genoemd worden; in een humusrijken bodem gegroeid, zou het harsgehalte gering, het hout minder bruin gekleurd zijn en dit veroorzaken, dat men, meer in \'t binnenland de pitch-pine der kuststreken mot den naam yellow-pine bestempelde 2).

Anderen zeggen, en o. i. meer terecht, dat yellow-pinehout en pitch-pinehout niet alleen van verschillende Pinussoorten afkomstig zijn, maar dat zelfs het yellow-pinehout niet van eenzelfde Pinussoort afstamt. Zoo bijv. hot gele grenenhout (yellow) uit de zuidelijke Amerikaansche staten van P. australis Michx., dat uit de centrale staten van P. mitis Michx., dat uit de westelijke staten van P. ponderosa Dougl. ^).

Laat ons nu de genoemde grenenhoutsoorten achtereenvolgens gaan behandelen.

i. Pitch-pine, Dit is het harsrijkste en meest gewilde van de Amerikaansche grenen soorten. Het hout is afkomstig van Pinus rigida Mill., die voornamelijk in \'t stroomgebied van den Beneden-Mississippi en in Florida voorkomt. De stam is tot zeer grooto hoogte van takken bevrijd, zoodat het roodachtig gele hout weinig kwasten bezit. Zeer duidelijk zijn de jaarringen bij dit hout waar te nemen door de opvallend bruine kleur van het herfsthout. Het is overigens zeer buigzaam en elastisch, het werkt niet, is zeer duurzaam en wordt

r) „Australisquot; wil zeggen „Zuidelijkquot; en niet „Australischquot;. Het geslacht Finns komt in Australië niet voor.

2) Haakmann\'s Zcitschrift für Bauhandwerker, r88o. blz. 26 e. v.

3) Bot, Centralblatt 1880. Semester, blz. 144.

-ocr page 277-

257

veelvuldig in den scheepsbouw g-ebmikt. Om dezelfde reden wordt het ook ten zeerste als bouwhout op prijs gesteld.; door schrijnwerkers en draaiers wordt \'t minder gebruikt.

Het spec, gewicht in drogen toestand, door ons opgegeven als 0.832 \'), blijkt volgens nadere onderzoekingen af te wisselen tusschen 0.635 erl 0.815.

Hot microscopisch onderzoek van doze houtsoort leert, dat de mergstralen eenigszins verschillen van die van hot gewone grenenhout. Wol zijn ook hier do wanden der merg-straalcellen, in de uiterste rijen geplaatst, sterk en zeer onregelmatig verdikt; de cellen in de centrale lagen zijn evenwel niet van één groote, ronde stippel, maar van 4 (zelden 2—6) onregelmatig gevormde stippels voorzien 2)

2. Yellow-pine. Het yellow-pinehout, dat naar Europa wordt uitgevoerd, is meestal van P. Australis Mill., somwijlen ook van P, mitis Michx. afkomstig. Dit grenenhout is niet zoo donker van kleur als het voorgaande, maar toch donkerder dan het Europeesch grenenhout. Ook zijn, evenals bij het pitch-pinehout, het voorjaars- en herfsthout van opvolgende jaarringen scherper gescheiden. De jaarringen zijn zeer smal, gelijkmatig en fijn gegolfd; de harsgangen, zeer groot en talrijk, kunnen reeds met \'tbloote oog worden waargenomen. Het hout is evenwel minder harsrijk dan pitch-pinehout en laat zich daardoor veel gemakkelijker bewerken. Het is ook sterker en meer veerkrachtig, maar minder bestand tegen vocht; onder water en in den grond is pitch-pine te verkiezen. Het spec, gewicht wisselt af tusschen 0.50 en 0.67.

De met het bloote oog onzichtbare :i) mergstralen blijken bij onderzoek met den microscoop ook één cel breed te zijn, evenals die in \'t gewone grenenhout, maar zij bestaan hier uit een grooter aantal rijen boven elkaar en zijn dus hooger. De tracheïden van dit en \'t Europeesch grenenhout hebben nage-

1} Zie blz. 170 en de noot sub 3.

2) Volgens SCUROEDER. Zie Weiss. Anatomie drr Pflanzcn , Wien 1878, blz. 507.

3) Zie blz. 49.

-ocr page 278-

nocg\' dezelfde middellijn; bij yellow-pine in herfsthoul 0.028—0.034 rnM., in voorjaarshout 0.057—0.068 mM., bij gewoon grenenhout 0.028 in herfsthoul en 0.048—0.057 in voorjaarshout. De dikte der vezehvanden is bij het yellow-pine iets grooter; yellow-pine 0.0057—0.0076 mM., gewoon grenenhout 0,0042 — 0.006 mM.

,5. Red-pine. Dit is \'thout van den Canadaschen of rooden den (Pinus resinosa Soland). De Engclschen noemen het, waarschijnlijk wegens de overeenkomst, ook Norway-pine.

De kleur van dit hout is geelachtig wit; overigens is het zeer taai, niet te hard en ook niet zwaar. Het spec, gewicht toch varieert tusschen 0.525—0.588.

4. White-pine noemen de Amerikanen het hout van den Weymouths-pijn 1 Pinus Strobus L ). Omstreeks het jaar 1765 werd deze kernhoutboom naar Europa overgebracht en is nu reeds een echte Duitsche woudboom geworden \'). Ook in ons vaderland wordt de boom veel aangetroffen, vooral in Gelderland.

Al naar de plaats van herkomst is het hout van meer of minder goede qualiteit. In Noord-Amerika, waar de boom in leemachtige, zandige vlakten en aan de rivieren groeit, en een hoogte van 33—50 M. bereikt, wordt het hout tot bouw- alsmede tot werkhout geschikt geacht. Het hout is grof en eenigszins glanzend. De kleur van het breede splint is geelachtig wit, die van het kernhout roodachtig geel tot bruinrood. De herfsthoutlaag der jaarringen is zeer smal en niet scherp van \'t voorjaarshout gescheiden. De harsgangen zijn groot en duidelijk waar te nemen.

Uit het microscopisch onderzoek blijkt, dat ook bij de mergstralen van dezen den de buitenste mergstraalcellen van de centrale verschillen. De wanden der eerste, n.l. (i 3 rijen),

1) Roszm.iszleh {der ll\'ald, i88r , blz. 319) zegt: „von (diesen Bautn existiren) hin und wieder /.. B. aul\'der Herrschaft Tetschen bei Rodcnbach in die Elbeieiten, desglei-chen im Braunschweigischen, und Uessauischen, in Nieder-Oesterreich , u. s. w. schon ganz umf.mgreiche Bestan dequot;.

-ocr page 279-

259

zijn niet zoodanig verdikt, dat zij zich als getand voordoen, maar geheel glad en van kleine hofstippels voorzien ; die der binnenste cellen bezitten, evenals dit bij het gewone grenenhout het geval is, één groote stippel.

Technische eigenschappen.

J. Specif. gewicht. In luchtdrogen toestand 0.31—0.56 (R. Hartig).

II. Krimpen. A. In de richting van den draad 0.04 0.08 % (N.) B. dwarsdraads: a) in do spiegel richting 0.1 - 0.2 % (X.)

b) in die der jaarringen 0,2—0.4 quot;/0 (N.)

III. Elasticiteit en vastheid.

1. Rekkende krachten. In de richting van den draad. Elasticiteits-coëfficiënt = 1283 (kernhout), 1014 (splint) (N.).

Vastheids-coëfficiënt = 8.42 (kernhout), 5.62 (splint) (N.).

2. Drukkende krachten.

Vastheids-coëfficiënt — 3.41 (N.)

3. Buigende krachten.

Elasticiteits-coëfficiënt 921.4 (N ). Vastheids-coëfficiënt 6.44 (N ).

IV. Kloof baarheid. Het hout kan zeer gemakkelijk gekloofd worden, l.uchtdroge stukken (vorm als in fig. 52) spleten, in radiale richting, bij een belasting van 14.46 Kg.; voor groen hout, in dezelfde richting, bedroeg de belasting 12.95 Kg.

V. Duurzaamheid en gebruik. Jonge boomen leveren een , minder duurzaam hout dan oudere exemplaren.

Zeer verschillend is de qualiteit van \'thout, die niet weinig afhangt van de groeiplaats. Het Europeesche Weymouths-pijnhout groeit sneller en vertoont daardoor breedere jaarringen en een minder gelijkvormigen bouw dan het Amerikaansche; het spec, gewicht van het laatste is, volgens Nördlingkr, evenwel geringer.

Dit hout kan het gewone grenenhout niet vervangen, daar het lichter en zeer bros is en geringer duurzaamheid

-ocr page 280-

26o

en vastheid vertoont. Het krimpt weinig, is bovendien zacht en licht en laat zich dus gemakkelijk bewerken; spijkers houden niet zeer goed.

In Noord-Amerika wordt het als scheeps- en hoog-bouwhout, door schrijnwerkers als blindeerhout, vervolgens ook voor de vervaardiging van vaten, enz. gebezigd; in Europa wordt quot;t door den timmerman, kistenmaker, enz. gebruikt \'). In ons vaderland dienen de stammen der Weymouths-pijnen zeer dikwijls ter vervaardiging van telegraafpalen.

84. Vurenhout. De fijne spar -) i Abies excelsa D. C.), do naaldboom, die in den regel de wouden in Midden- en Noord-Europa vormt, levert ons het vurenhout.

1) Gayer zegt met betrekking tot deze houtsoort; „Die Weymouthsfbhre (kommt) jetzt auch bei uns mehr und mehr als Bauholz in Frage. Bisher war dieselbe beim Hoehbau nur wenig beiiebt; man schrieb ihr eine nur sehr geringe Dauer und wenig Tragkraft zu. Wenn man indessen bedenkt, dass dieselbe in Nordamerika und als importirtes Bauholz seit langer Zeit auch in England ausgedehnte Bauholzverwendung findet, und beachten will, dass die grössere Menge des bei uns verwendeten einheimisehen Weymouthkiefer-Holzes nur junges Ilolz war, so dürfte diese Holzart, bei ihren im hciheren Alter oft sehr entwickelten harzreiehen Kern , für die Folge doch mehr Beachtung verdienen , als sie bisher gefunden hat. \' Die Forstbenutzung, von Dr. K. Gayer, Prof. der Forstwissenschaft an der Universitat München. Sechste Auflage. Berlin. Verlag van Paul Parev , 1883. blz. 98.

2) In verreweg de meeste N\'ederlandsche technische leerboeken en geschriften , waarin over naaldhout gehandeld wordt, heeft men tot heden immer grof gezondigd , wanneer de afkomst van grenen- en vurenhout ter sprake kwam niet alleen, maar ook, wanneer de beschrijving van deze houtsoorten volgde. Men verwart n.1. zoowel de afkomst als de eigenschappen dezer houtsoorten.

De reden daarvan is dikwijls niet ver te zoeken.

In Nederland put men veel technische geleerdheid uit boeken, die door onze buren, de Duitschers, in \'t licht zijn gezonden. Men put evenwel zeer dikwijls machinaal , d. w. z., men neemt bij het „vertalen uit het Duitschquot; niet de minste moeite om \'t geen men vertaalt, juist te vertalen, en zoo spreekt \'tdan van zelf, dat \'t Duitsche Fdhrenholz, als t Hollandsche vurenhout wordt aangenomen — de woorden klinken toch bijna precies hetzelfde! En toch is het Duitsche F hrenholz, blijkens het microscopisch onderzoek, identisch met het Hollandsche grenenhout.

De vertaler, die dus de eigenschappen van vurenhout en zijn afkomst meent te beschrijven , beschrijft inderdaad niets minder dan de eigenschappen en afkomst van grenenhout , en omgekeerd.

Tot bevestiging van deze woorden, wijzen wij slechts op een paar onzer technische boeken, die men als de meest wetenschappelijke beschouwt:

-ocr page 281-

26 I

Dc boom verlangt het liefst een frisschcii, lccmachtigen bodem, gedekt door een zorgvuldig\' onderhouden humuslaag. De boste standplaats heeft hij vervolgens in \'t g\'ebergte, waar. voornamelijk in de borgen van Midden-Europa, dc koelere noordelijke en noord-westelijke hellingen, voor den boom geschikt zijn. Dit is een gevolg van \'t feit, dat de fijne spar

iquot;. Mechanische Technologie, ten dienste van het Middelbaar Onderwijs, een leerboek voor fabrikanten en industriëelen en een leeshoek voor beschaafden, door D. Grotiie, Hoogleeraar a/d Polytcchn. school te Delft. Gorinchem, 1879. (Laatste uitgave.)

Men leest daar o. a. op blz, 194: „Het grenen-of greinenhout is van den zoogenaamden fijnen of rooden den afkomstig , enz.

Het vurenhout, van den gr oven den of pijnboom afkomstig, isquot;, enz.

2quot;. Handboek der Mechanische Technologie. Xaar den vijfden, pmgewerkten druk, uit het Hoogduitsch van Dr. Karl Kakmarsch , door G. Kuyper Hz., Oud Hoofdofficier der Genie. 1ste deel.

Hier leest men op blz. 728: ^Grenen- of greinenhout (Fichtenholz , Rothtannen) vanden fijnen, den (Fichte, Rothtanne), volgens Décandolle : Abies excelsa. Het (hout) is bleek roodachtig geel, enz.

Vurenhout [Föhrenholz, fCiefernholz) van den graven of gewonen den (Föhre, Kicfer, Pinas sylvestris). Het hout is geel roodachtig. Als zwaarder (?), harder (?) en harsrijker (?) dan de beide vorige soorten (dennenhout en grenenhout) is het ook duurzamer (?) in \'t nat en bij afwisseling van droogte en vochtigheidquot; (?), enz.

Dat men op de mededeelingen der buitenlandsche leveranciers niet kan vertrouwen, waar het de herkomst dezer beide houtsoorten betreft, zal een ieder na lezing van \'t volgende duidelijk zijn; Zooals men weet, komt het grootste gedeelte van het vuren- en grenenhout, dat hier te lande wordt verbruikt, uit de Russische Oostzee-provinciön en uit Skandinavie. Nu noemt men, bijv. in Noorwegen het hout van Abies excelsa, D. C., dus ons vurenhout\'. Gr an [Die Cu Itu rpfla n zen Norwegens von Dr. F. C. SdlüBELER , blz. 60) en dat van Pinus sylvestris L., dus ons grenenhout-. Fure.

En ook in de Russische Oostzee-provinciön heet vurenhout: Grane, een naam, die waarschijnlijk uit den tijd der Zweedsche overheersching dateert, want ook in Zweden, evenals in Noorwegen , noemt men dit hout gran.

In alle streken van N. Duitschland ten slotte, waar de zilverspar, die ons \'t gewone dennenhout (Abies pectinata D. C.) levert, ontbreekt, noemt men den Abies excelsa D. C. kortweg Tanne , dus \'t vurenhout ook Tannenholz.

Uit de mededeelingen der handelaars van genoemde landen , kan men dus stellig niet met zekerheid tot de houtsoort besluiten, indien men \'t onderscheid zoekt tusschen de afkomst van grenen- en vurenhout. Onze groote houthandelaars maken daarom een ander onderscheid, en zoeken dit in de kleur van \'thout, wanneer zij orders op deze houtsoorten geven ; het hout afkomstig van soorten van \'t geslacht Pinus noemen zij sapin rouge of bols rouge en dat van soorten van \'t geslacht Abies, sapin blanc of bois blanc. Ook de transche handelaars maken dit onderscheid.

-ocr page 282-

vooral geen droge lucht \') en daarbij niet te veel warmte kan uitstaan. Daarom vooral tiert hij welig in den Harz, in het Thüringerwoud, het Ertsgebergte, het Reuzengebergte, enz. Dit neemt niet weg, dat do boom ook groeit zoowel op een vetten, vochtigen als op een natten, moerassigen bodem, zooals de uitgestrekte wouden in de Russische Oost-zee-provinciën bewijzen; maar het hout is dan veel lichter en poreuzer en ook veel moer aan rotting onderhevig dan dat, \'t welk van de bergen en uit een koud klimaat afkomstig, van zeer goede qualiteit en oneindig duurzamer is -).

De stam is, vooral van in gesloten stand gegroeide boo-men, meestal kaarsrecht en neemt naar den top langzaam in dikte af. Ter borsthoogte kan hij een diameter van 1.5 M. bereiken; de hoogte bedraagt somwijlen 60 M. De stammen worden in den regel tusschen den 80 en 140 jarigen leeftijd geveld; heeft dit niet plaats dan kunnen zij ongeveer 300 jaar oud worden.

Het hout van den fijnen spar — een rijphoutboom - heeft in den regel een zeer licht gele kleur, soms is het zelfs witachtig; de herfstlagen zijn gewoonlijk bruinachtig gekleurd, en hoe meer dit \'t geval is, des te meer harsachtig is het hout. Het harsgehalte is evenwel hier geringer dan bij grenenhout en grooter dan bij dennenhout; dit is een dor redenen, waarom het aan de lucht duurzamer dan dennenhout en minder duurzaam dan grenenhout is.

De jaarringen zijn door do bruine kleur, vooral van de

1) Aan de zandachtige kusten der Oostzee komt de fijne spar zeer goed voort, \'tgeen slechts aan de vochtigheid der zeewinden kan geweten worden.

2) In de Russische en Pruisische Oostzee-provinctèn. zoo ook in Lijfland en Polen, is de fijne spar een boom van \'t laagland zoowel als van \'t heuvelachtige gedeelte. In Zweden en Noorwegen behoort de boom meer in de bergen te huis en in de stiften Christiania en Trondhjem vormt deze spar groote wouden. In \'t Z. gedeelte van Noorwegen groeit bij tot circa 900 a 950 M. boven t zeeoppervlak, in \'t N. gedeelte (beneden 66%quot; N. breedte) zelden hoogt r dan 250 M. (ScHüBEi.EK, die Cuiturpjlanzen Norwegens. blz. 61). In den Harz komt de spar voor tot 1237 M., inde Beiersche Alpen tot 1798 M., in de Noordel. Zwitsersche Alpen tot 1836 M. en in de Z. Tyroler Alpen tot 2075 M. boven het oppervlak der zee (RosZMaszi.ER: Der IVald, blz. 327).

-ocr page 283-

^3

uiterste lagen van \'t herfsthout, /ccr good zichtbaar, maar somwijlen zoo smal, dat men zo ter nauwemood tellen kan.

De talrijke mergstralen bohooren tot de met \'t bloote oog onzichtbare.

De mergkoker bereikt oen dikte van 5 m.M.

Mot de loupe beschouwd, kan hot hout, evenmin als met\'t bloote oog, somwijlen niet met zekerheid van dennenhout worden onderscheiden. Men ziet dan evenwel do fijne en talrijke mergstralen: in een dunne dwarscho doorsnede zijn dan ook de harsgangen duidelijk waar to nomen.

Met den microscoop onderzocht, blijkt het vurenhout uit tracheïdon te bestaan on uit houtparenchym, dat zich in de nabijheid der harsgangen bevindt. De tracheïden zijn niet zoo regelmatig in rijen geschikt als dit bij hout van den grovon don het geval is; ze hobbon ook een minder regolmatigen

vorm (op dwarscho doorsnede). Hun middellijn bedraagt in het voorjaarshout gemiddeld 0.036 m.M.; de wanddikte ongeveer 0.0027 m.M. In het herfsthout zijn de tracheïden dikwijls spiraalvormig verdikt (Wiesner).

Do mergstralen zijn één of moor cellen breed en in \'t laatste geval van harsgangen voorzien. De wanden dezer mergstraal-collen zijn zoor verdikt ; de wanddikte bedraagt gemiddeld verschillende wijze go-

0.0027 m.M. Vervolgens zijn ze op

-ocr page 284-

204

stippeld; die dor uiterste rijen namelijk (zoowel die aan de boven- als aan de beneden/.ijdc) zijn van hofstippels voorzien , de cehvanden der binnenste rijen zijn gewoon gestippeld (zie de figuur 74). Vooral duidelijk vonden wij deze hofstippels immer bij radiale sneden in de meer of minder vertikale cel-wanden ; ontbraken zij ook al in de horizontale wanden der cellen in de uiterste rijen, hier in deze, soms zeer schuin gestelde wanden (in de figuur, bij h en h\') konden wij zo immer opsporen-

O. i. is het dus onmogelijk om, onder den microscoop, vurenhout niet van grenenhout te onderkennen.

Technische eigenschappen.

I. Specifiek gewicht. Luchtdroog = 0.35—0.60 (gemidd. 0475) (N.), groen —■ 0.40—1.07 (N.).

II. Krimpen. A) In de richting van den draad — 0.0 c/0 (Frey \') en o 3 % (F.).

B) dwarsdraads, a) in de spiegelrichting — 1,1 — 2 % (J Ndl.), i—3% (N.), 3.1 % (F.) en 5.7 % (F-)-b) in die der jaarringen = 2.9—7.3quot;/» (J-Ndl.), ,3-50/„ (N.).

III. Zwellen, volgens Laves. A) In de richting van den draad = 0.076 quot;/„.

B) dwarsdraads, a) in de spiegelrichting = 2.41 %

b! in die der jaarringen = 6.18 quot;/o-De vermeerdering in volume — 4.4—8.6 % (Weissbach) „ „ „ gewicht = 70—166quot;/, (W.).

IV. Elasticiteit en vastheid \'1).

1, Rekkende krachten. In de richting van den draad.

1) Zie blz. 232.

2) Volgens des Ingenieurs Taschcnbuch, (Berlin, 1883) • \'\'-Ü11 ^ gemiddelde waarden (Kg. per mmv) der elasticiteits- en vastheidscoëfficiönten voor vurenhout de volgende:

Elasticiteits Elastic]leits-grens voor ; Vastheids-coPfficiènt voor

coiftieiint. Rekking. Drukking. Rekking. Drukking. Afsehuiving. Buiging.

1200 2.7 1.2 7.50 3.80 050 5.60

De afsehuiving geschiedt in de richting van den draad; loodrecht daarop bedraagt 1.25.

-ocr page 285-

-65

Elasticiteits-grens l .- i.oq (M.). Elasticiteits-coëfficiënt 905.80 (M.), 1291.1 (T.). Vastheids-coëfficiënt — 3.74 (M.), 6.02 (T.), 9.13 (splint B.) , 3.18 (rijpht. B.).

2. Drukkende krachten. In de richting van den draad.

Elasticiteits-grens — 1.83 (M.), 1.31 (T.). Elasticiteits-coëfficiënt = 1346.50 (M.), iio()(T.). Vastheids-coëfficiënt 2.97 (M.), 2.76 (T.),3.35 (B.). 2.9S—5.87 (jonghout N.), 2.82 3.18 (oudhoutN.).

3. Buigende krachten. In de richting van den draad.

Elasticiteits-grens = 1.29 (M.), 2.10 (T.). Elasticiteits-coëfficiënt 707.40 (M.), 863.40 (T.). Vastheids-coëfficiënt —4.25 (M.), 4.35 (T), 3.80(B.).

4. Afschuivende krachten. A) In de richting van den draad.

Vastheids-coëfficiënt = 0.5 1 (M.), 0.67 (T.),0.84 (B.).

B) Dwarsdraads.

Vastheids-coëfficiënt 2.59 (M.).

5. Wringende krachten.

Elasticiteits-grens = 0.30 (M.). Elasticiteits-coëfficiënt = 519.66 (M.). Vastheids-coëfficiënt = 0.53 (M.). V. Kloofbaarheid. Het vurenhout laat zich zeer gemakkelijk klooven; het splintert evenwel onder de bijl. In de gedaante gebracht van fig. 52 (blz. 224) splijt het droge hout:

in radiale richting bij een belasting van 16.23 Kg. (N.), „ tangcntiale „ „ „ „ „ 18.60 „ (N.). VI. Hardheid. Het hout behoort tot de zachtste soorten; als men den weerstand, dien de zaag- ontmoet bij \'t doorsnijden van beukenhout (loodrecht op den draad) = 1 stelt, dan wordt door vurenhout, onder dezelfde omstandigheden, een weerstand = 0.5—0.6 geboden. (Gaver). VU. Duurzaamheid en gebruik. Het vurenhout, zachter dan grenenhout, is weinig bestand tegen den invloed van wind en weer; voor binnenwerk in den huishouw, in \'t algemeen voor constructies, die niet aan vocht zijn

-ocr page 286-

266

blootgosteld is het uitermate geschikt. Het scheurt go-makkelijker dan grenenhout, is zeer aan werken onderhevig en wordt droog zijnde, vrij spoedig door den worm aangetast. Het laat zich gemakkelijk spijkeren, maar scheurt als grenen; overigens kan het goed en glad bewerkt worden.

Het vurenhout, dat hier te lande bewerkt en gebruikt wordt, is hoofdzakelijk uit de Oostzee-havens aangevoerd \').

Het is tegenwoordig vóór den hoog-, water-, bruggen-en wegenbouw een zeer geschatte grondstof; de stammen worden veel gebruikt voor heipalen, hoewel ze daarvoor minder voldoen dan die van dennen- en grenenhout. Zeer dikwijls (vooral \'t inlandsche) ook voor telegraafpalen.

Zelfs in den molen- en sluisbouw wordt \'t gebezigd, vervolgens voor de fabricage van scheepsmasten (alleen in Oostenrijk voor schepen der marine) en voornamelijk voor masten van zeilschepen op rivieren en binnenwateren. Gezaagd of gesneden, is de toepassing van dit hout als \'t ware zonder grenzen.

i) Wij vestigen hier de aandacht op een mededeeling van onzen consul-generaal O. W. C. Blanck . te Stockholm , in een Verslag over don Zvveedschen houthandel in 1883 , dat volgens een in Zweden, den 30 December 1880, verschenen wet van het begin van 1884 af, alle zaagblokken en balken vóór het vloiten geheel geschorst (ontschorst) worden. . . . „Wat vurenhout betreft. zoo lijdt het niet den minsten twijfel of dit wordt meer of minder door het schorsen bedorven , zoodat deze wet van bijzonder gewicht voor den Nederland-schen houthandel is. Het ware te wenschen, dat de wet op het vlotten ten opzichte van vurenhout werd gewijzigd, maar hierop bestaat weinig vooruitzicht, want een aan de Regeering gericht verzoek van wijziging der wet, respectievelijk om uitstel voor dit jaar (1884) is tot heden (Februari) nog niet toegestaan. Zoodra hierover nader beslist is geworden, zal ik niet in gebreke blijven daarover dadelijk te berichten, want het schorsen of niet schorsen van het voor „Noorschequot; balken bestemd hout zal natuurlijk van bijzonquot; deren invloed op den prijs zijn. Wordt de wet gehandhaafd, dan zullen de \\\'ederlandschc houthandelaren genoodzaakt rijn , zich na n- de Russische havens te wenden, om zich aldaar ran ongeschorst vurenhout te voorzienquot;, {l\'erzameling van consulaire en andere verslagen en berichten, enz. Jaargang 1884, all. x . blz. 24 e. v.)

In Jaargang 1885, afl. 1, blz. 12 van bovengenoemde verzameling, bericht de consul dan ook. dat aan een wijziging in de wet op \'tschorsen niet te denken valt, en dus prima qualiteit Hollandsche balken in de toekomst niet in Zweden te verkrijgen zijn.

-ocr page 287-

2Ö7

Waar vroeger eiken-, grenen- en lorkenhout gebruikt werden, komt tegenwoordig weg-ens de geringere kostbaarheid het vurenhout in toepassing \').

Wij zien \'t bijv. tot spoorwegliggers verwerkt; terwijl geïmpregneerd eikenhout circa 19.5—20 jaar voor dit doel duurt, moet \'t vurenhout na 6—10 jaar vervangen worden.

Ook voor den borgbouw staan, uit een oogpunt van duurzaamheid, lorken-, en harsrijk grenenhout bovenaan; intusschen wordt veel vurenhout gebruikt.

Voor den timmerman is \'t bijna de meest algemeene grondstof; waar hij fijn werk wil leveren, trekt hij natuurlijk het hout met smal|e jaarringen, dat dus langzaam en regelmatig gegroeid is, boven ander vurenhout voor. Ook de meubelmaker verwerkt dit hout veel; natuurlijk voor zeer eenvoudige meubels.

De pianofabrikant vervaardigt de klankbodems zijner instrumenten uit vurenhout; dit hout vindt hij in den handel recht- en langdradig, kwastvrij en harsarm en gelijkvormig in bouw, met smalle, volstrekt gelijkmatige jaarringen, zoodat het door zijn eenvoudige samenstel-ling (geen vaten, geen groote mergstralen) bijzonder geschikt is tot voortplanting der geluidsgolven. En daar, waar men \'tresonanzhout zaagt en snijdt, worden ook

1) Vurenhout is sterk in prijs gedaald. De reden daarvan is celegen in den sterken aanvoer van de Amerikaansehe mededingende houtsoort ^sprucequot;, die in \'tjaar 1883 goedkooper dan ooit aan de Europeesche markten werd verkocht. { Verzameling van consulaire en andere verslagen, enz. Jaargang 1884, 4lt;le afl. hl/.. 300. Verslag omtrent den houthandel in Noorwegen van den consul te Christian ia , g. Kien rr/..)

Wij voegen hieraan toe: Onder de Amerikaansehe vurenhoutsoorten zijn voornamelijk belangrijk: iquot;. de zwarte spar of black spruce en 2quot;. de witte of Canadasche spar, of white spruce. De laatste is minder voor bouwhout geschikt, daarentegen levert quot;t hout voortreffelijke planken; Canada en Nieuw-Brunswijk leveren groote quantiteiten van dit hout voor de Londensche markt.

De eerste soort daarentegen heeft met onzen fijnen spar veel overeenkomst; het hout is lieht, elastisch en zeer vast en wordt vooral als masthout gebezigd.

-ocr page 288-

268

de plankjes voor zonneblinden, wegens het geringe gewicht, uit dit hout vervaardigd. Ook voor de fabricage van den bodem en het deksel van violen, basviolen en violoncels wordt vurenhout gebezigd (voor zijwanden ahornhout).

Vergeten wij verder niet de toepassing van vurenhout in de galanterie- en etuiwerkerij; voor de vervaardiging van doozen en zeven (zeefranden), voor welk doel men \'t hout in den groenen toestand moet verwerken, daar dan de arbeid en vooral het buigen gemakkelijker is. Vervolgens de fabricage van houtdraad; n.1. de geribde, of ronde, meestal 2 m.M. dikke dradon, die 2.5 tot 10 M. lang zijn. en zoowel tot de vervaardiging van luciferhoutjes dienen, als tot die van de houten oprolbare tafelmatjes. Eindelijk worden ook de vele duizende kinderspeelgoedwaren, voor 60 a 70 %, uit vurenhout gesneden of gedraaid.

85. Dennenhout. Ook de boom, die ons het dennenhout levert, de zilverspar Abies pectinata DC.), komt oorspronkelijk niet in Nederland voor, maar is er als cultuurplant ingevoerd. Hetzelfde is het geval in Noorwegen en Zweden, alwaar men nok slechts aangeplante exemplaren vindt \').

De grootste wouden van dezen spar treft men, wat Europa betreft, in de Pyreneën aan, n.1. aan de zijde van Frankrijk en niet lager dan 650 M. boven \'t zeeoppervlak; vervolgens in de Cevennes en Apennijnen. In Duitschland komt do zilverspar het meest voor in het Frankenwald en het Schwarz-vvald, tot een hoogte van 970 M.; wel komt de boom ook in Noord-Duitschland voor. maar aangeplant, evenals in Koerland en zelfs in 1 .ijfland. Zeer rijk aan deze Abiessoort zijn vervolgens de hooggebergten van Zwitserland, waar de boom tot een hoogte van circa 1460 M nog wordt aangetroffen, en niet minder ook het Fichtelgebergte en het Bohemerwald.

1) Wij vermeiden dit, omdat velen meenen , dat al het naaldhout, hetwelk hier te lande als bouwhout wordt gebruikt, uit Scandinaviö stamt.

-ocr page 289-

26g

In \'t algemeen kan mon zeggen, dat de boom niot als woudboom wordt aangetroffen boven 540 N.B. Hij eischt als zoodanig, behalve een aan humus rijken bodem, een standplaats, waar de temperatuur in Juli niet beneden 13° C. en in Januari niet beneden 50 C. daalt.

In zijn eerste vijfentwintig levensjaren groeit deze spar zeer langzaam, langzamer dan de fijne spar, maar daarna ook veel sneller; en daar hij gemiddeld gedurende 140 jaren nieuwe jaarringen vormt, wordt de zilverspar ten slotte toch meestal dikker en hooger dan dc fijne spar.

Daar dc zilverspar zich ook reeds vroegtijdig van de laagste takken ontdoet, en dc wonden, die daardoor gevormd worden, door nieuwe houtlagcn worden bedekt, is hot hout, voor-zoover het van het benedeneind der stammen afkomstig is, meer dan ander naaldhout, vrij van kwasten.

Dc zilverspar is een rijphoutboom, die in den regel een brood splint bezit; de mergkoker is ongeveer 1.5 mM. dik. Zijn hout is arm aan hars en riekt dus niet harsachtig, zooals dat der beide voorgaande naaldhoutsoorten \').

De kleur van het hout wisselt af tusschen wit, geel- en roodachtig wit. De jaarringen zijn zeer goed zichtbaar, daar \'t herfsthout donkerder van kleur is dan het voorjaarshout.

Met de lotipe beschouwd, treft men zelden harsporiën in het hout aan; daarentegen komen nu de lange mergstralon zeer duidelijk voor den dag. Trouwens, wanneer men het hout op een radiaal vlak zeer glad bewerkt, zijn de mergstralon ook

1) Ecnigen lijd geleden deelde een bouwkundige ons mede, dat, volgens zijn meening, vuren- en dennenhout van dezelfde boomsoort stamden; alleen had men aan de exemplaren, die het dennenhout leveren, nog vóór \'tvellen, de hars onttrokken.

Wellicht deelen nog anderen deze meening, die, zooals wij zeker weten, geheel onjuist is. In Duitschland wordt in sommige streken aan den fijnen spar, die ons\'tvurenhout levert , hars ontnomen. Dit benadeelt het hout en zelfs het leven van den boom in geenen deele, als men slechts 70—90 jarige exemplaren aan deze bewerking blootstelt. Maar het hout blijft daarom toch vurenhout; de harsgangen zijn niet verdwenen, evenmin ontbreekt de harsreuk , noch een der andere kenmerken , waardoor zich vurenhout van dennenhout onderscheidt.

-ocr page 290-

zonder loupe zeer goed (ten minste door den schrijver) waar te nemen. Hetzelfde is bij de voorgaande houtsoorten het geval.

De microscoop doet ons zien, dat ook dit hout uit tracheïden en parenchym bestaat. De tracheïden, in het voorjaarshout, hebben een gemiddelde doorsnede van 0.03 mM. Slechts zeer weinig harsgangen en harscellen worden in \'t hout aangetroffen.

De wanden dor mergstraalcellcn zijn alle van gewone stippels voorzien, zooals in de nevenstaande figuur 75 \'), duidelijk zichtbaar is. Daardoor is het dennenhout reeds van vurenhout te onderscheiden. En nog duidelijker wordt het verschil, wanneer men tangentiale doorsneden van beide houtsoorten door den microscoop beschouwt. Ximmer toch treft

Gedeelte van een mergstraal uit dennenhout (Radiale ... .

doorsnede). \' in t dennenhout

T, tracheïden;

H, groote hofstippels op de wanden der tracheïden; t,- treil n a.in , UK\'

s, gewone stippels op de wanden der mergstraalcellen. p-edeelteliik twee Col-

Vergr. 300 maal, ö \' J

len breed zijn, zooals dit bij \'t vurenhout zeer dikwijls voorkomt; de mergstralen in \'t dennenhout bestaan in de breedte slechts uit een enkele cellenrij.

Een verwisseling van dennenhout met grenenhout, zoowel met als zonder behulp van den microscoop, komt ons onmogelijk voor.

r) De figuren 74 cn 75 zijn door ons geteckend naar doorsneden uit vuren- en dennenhout, dat in de werkplaats der l\'olyt. School voorhandenwas. De plaats van herkomst van het hout is onbekend.

-ocr page 291-

Technische eigenschappen.

I. Specifiek gewicht. Luchtdroog — 0.37—0.69 (N.), (gem.

0.48 volgens Gayer), groen = 0.77—1.23.

II. Krimpen. A) In de richting van den draad - 0.0 % (Frey),

0.086—0.122 quot;/„ (Karmarsch, volgens Laves e. a.);

B) dwarsdraads, a) in de spiegelrichting — 2.3 (F.), 1.7—4.82 % (K.);

b) in die der jaarringen — 4.1—8.i3quot;/o(K.).

III. Zwellen. A) In de richting van den draad = 0.122 quot;/0 CM; B) dwarsdraads, a) in de spiegelrichting = 4.82 quot;/0 (L.

oud hout);

b) in die der jaarringen — 8.13 quot; „ (L. oud hout).

Volgens Weisshach bedraagt:

de vermeerdering in volume = 3.6—7.2 „ „ „ gewicht = 83 —123 quot;/o-

IV. Elasticiteit en vastheid \').

1. Rekkende krachten. A) In de richting van den draad.

Elasticiteits-grens = 1.67 (M.), 2.153 (Ch. eri W.) Elasticiteits-coëfficiënt = 1396.5 (M.), 1 133.1 (T.), 1113.2 (Ch. en W.).

Vastheids-coëfficiënt = 7.13 (M.), 5.33 (T), 4.18 (Ch. en W.).

B). Dwarsdraads.

a) in de spiegelrichting.

Elasticiteits-coëfficiënt = 94.5 (Ch. en W.). Vastheids-coëfficiënt 0.220 (Ch. en W.).

-ocr page 292-

b) in de richting der jaarringen.

Elasticiteits-coëfficiënt = 34.1 (Ch. en W.). Vastheids-coëfficiënt = 0.297 (Ch. en AW).

2. Drukkende krachten. In de richting van don draad.

Elasticiteits-grens = 2.8 (M.), 1.15 (T.). Elasticiteits-coëfficiënt = 1723.5(M.), iooi.go(T.) Vastheids-coëfficiënt = 3.12 (M.), 2.83 (T.), 3.67—6.66 (N.).

3. Buigende krachten.

Elasticiteits-grens = 1.42 (M.), 2.24 (T.). Elasticiteits-coëfficiënt = 755.45 (M.), 855.40 (T.). Vastheids-coëfficiënt = 4.38 (M.), 4.39 (T.), 3.71—6.19 (Ch. en W.).

4. Afschuivende krachten. A.) In de richting van den draad.

Vastheids-coëfficiënt = 0.31 (M.), 0.63 (ï.).

Ji.) Dvvarsdraads.

Vastheids-coëfficiënt = 2.73 (M.).

5. Wringende krachten.

Elasticiteits-grens = 0.277 (M.). Elasticiteits-coëfficiënt = 47988 (M.). Vastheids-coëfficiënt = 0.46 (M.).

V. Hardheid. Deze is, evenals bij \'t grenen- en vurenhout = 0.5—0.6, indien de weerstand, dien een zaag bij het dwarsch doorsnijden van beukenhout ontmoet, = 1 g-e-steld wordt.

VI. Kloof baarheid, ilet hout is uiterst gemakkelijk en glad kloof baar, vooral in de radiale richting; dit is voornamelijk te danken aan de smalle mergstralen.

VII. Duurzaamheid ch gebruik. Ook is het in den regel recht- en langdradig en laat zich goed bewerken. Doodc, zeer harde, kwasten (blz. 66) doen zich hier dikwijls voor.

In enkele streken verkiest men dennenhout boven vurenhout, in andere stelt men \'t vurenhout hooger op prijs, daar het grooter vastheid bezit, duurzamer is en niet zoo sterk door den worm wordt aangetast.

-ocr page 293-

Zeer gering is de duurzaamheid, wanneer \'t hout aan den invloed van het weder is blootgesteld; onderwater en in een vochtigen grond is dennenhout daarentegen zeer duurzaam en wordt het daarom voor fundeerings-werken (heimasten) gebezigd In den huishouw wordt het ook veelvuldig gebruikt, doch, om reeds genoemde redenen, hoofdzakelijk voor binnenwerk; vloeren \'), balken en kappen (veerkrachtiger en lichter dan die van grenenhout) zien wij dikwijls van dennenhout vervaardigd. Het is een zeer belangrijk werkhout en wordt evenals vurenhout door den meubelmaker zeer op prijs gesteld, en als blind- of grondhout gebezigd. Daar het zoo goed kloof baar is, is het een uitstekende grondstof voor den fabrikant van doozen. Ook dit hout levert voortreffelijk „Resonanzholzquot;.

86. Lorkenhout De lorkenboom iLarix europaea D. C.j

komt ook weder in ons vaderland aangeplant voor. Het is een kernhoutboom, wiens groeiplaats van zeer grooten invloed is op de natuur van zijn hout. De lork levert namelijk hier te lande en in andere vlakke streken van Europa geenszins het hout, bedeeld met de eigenschappen, die men er algemeen aan toeschrijft; integ-endeel, zoo duurzaam, vast, taai en elastisch dit naaldhout is, wanneer het uit de Alpen van Zwitserland, Oostenrijk, Italië en Frankrijk afkomstig is, zoo bros en van geringen dtuir is \'t lorkenhout, dat in \'t laagland wordt gewonnen -). Ook zijn de stammen uit de bergen altijd recht, ten minste, wanneer ze geen gebrek aan licht en lucht hadden

1) Vloeren, die niet door kleoden of matten bedekt worden, maakt men liever van vurenhout. omdat planken van dit hout zeer lang hun witte kleur behouden ; dennenhouten planken worden spoedig grauw en sehilferen bij het gebruik.

2) \\ olgens RosZMaszLER {Jcr Watd) komt de lork ook aangeplant voorin Noorwegen en Zweden en zelfs in Rusland. daar hij koude evenzoo goed weerstaat als de fijne spar. In de Alpen groeit de boom tol een hoogte van ruim [800 Meter, in de Karpathen tot tuim 1500 Meter boven 1 zeeoppervlak.

IS

-ocr page 294-

27-4

tijdons don trrooi, torwijl die uit \'t vlakke land in don rog-el, aan \'t worteleind bochtig\' zijn.

Wanneer mon dus van hot „duurzamequot; lorkenhout spreekt, of. zooals bij ons hot geval kan zijn, van hot „beste grenenhoutquot;, dan wordt hiermede lorkonhout bedoeld, dat uit do Alpen afkomstig- is.

De kleur van \'t kernhout wisselt ook af mot de standplaats van den boom; in het laagland is het gfoelachtig bruin, in \'t g-eberg-te levert de boom kernhout, dat glanzend en roodbruin is. Het breede splint is geelachtig wit van kleur.

Hoewel de kleur van het herfsthout niet zooveel van die van \'t voorjaarshout verschilt, als dit bij de voorgaande naaldhoutsoorten het geval was, kan men toch, en vooral in het kernhout, zeer duidelijk do jaarringen waarnemen. Meestal bezitten de jaarringen een geringe golving. De mergkoker heeft hoogstens een diameter van i mM.

Met dc loupe neemt men behalve de mergstralen zoor duidelijk vele harsgangen waar; het hout riekt dan ook zeer harsachtig en schijnt daardoor en door de andere eigenschappen, bijv. de kleur, als het toevallig onder grenenhout voorkomt, bij ons als een „best grenenhoutquot; verwerkt te worden.

Onder dcu microscoop blijkt, dat het hout, wat den bouw betreft, uiterst veel met vurenhout overeenkomt. De mergstralen van beide houtsoorten bijv., verschillen zeer weinig. Ook hier vinden wij op radiale doorsnede /Ac fig. 74) in de uiterste celrijen de celwanden met hofstippels voorzien, terwijl do wanden der centrale cellen slechts gewone stippels bezitten. Op tangentiale doorsnede zijn dc mergstralen van lorkenhout, tengevolge van \'t voorkomen van met hars gevulde ruimten, dikwijls drie tot vier cellen breed; bij vurenhout bedraagt de breedte nooit meer dan twee cellen. Ook bezitten de tracheï-den uit het voorjaarshout van den lork, veel grooterdiameter (0.05 mM.) dan die uit \'t vurenhout (0.036 mM.). Onderscheidt zich hierdoor het lorkenhout reeds van \'t vurenhout, wanneer men bovendien let op quot;t aanzienlijk harsgehalte van eerstgenoemde houtsoort, on het veel grooter aantal harskanalen.

-ocr page 295-

ilcin wordt een verwisseling van beide houtsoorten onmogelijk \'). Technische eigenschappen.

I. Specifiek gewicht. Luchtdroog = 0.44—0.85 (gem. 0.645) (N.), groen = 0.52—1.00 (N.).

II. Krimpen. A) Inde richting van den draad = o.i quot;/„ (N.),

0.2 % (F.).

B) dwarsdraads, a) in de spiegelrichting = 2.3 % (N.), 3-4 % (F.).

b) in die der jaarringen = 4.3 % (N.), UI. Zivellen. A) In de richting van den draad = 0.075quot;/,, (L.). B) dwarsdraads, a) in de spiegelrichting = 2.17 0/0 (L.).

b) in die der jaarringen — 6.32 (L.). IV. Elasticiteit en vastheid.

1. Rekkende krachten. In de richting van den draad.

Elasticiteits-grens — 1.72 (M.), 3.97 (T.). Elasticiteits-coëfïiciënt = 1262 (M.), 1311.40 (\'I.). Vastheids-coëfficiënt = 5,878 (M.), 7.10 (T.) -).

2. Drukkende krachten. In de richting \\-an den draad.

Elasticiteits-grens = 2.43 (M.), 1.22 (T.). Elasticiteits-coëfficiënt = 434.45 (M.), 1144.50 (ï.). Vastheids-coëfficiënt - 3.172 (M.), 3.21 (T.).

3. Buigende krachten.

Elasticiteits-grens = 1.57 (M.), 2.06 (T.). Elasticiteits-coëfficiënt = 683.25 (M.), 1049.1 (ï.). Vastheids-coëfficiënt — 4.696 (M.), 5.34 (T.) , 6.50—9.95 (N.).

4. Afschuivende krachten. A) In de richting van den draad.

Vastheids-coëfficiënt = 0.43 (M.), 0.72 (T.).

B) Dwarsdraads.

Vastheids-coëfficiënt = 2.47 (M.).

1) Deze harskanalen hebben een geringer diameter on zijn hier niet zoo talrijk als in liet grenenhout,

2) De lorkenboom, waarvan \'t hout door Mfkolasciikk is onderzoeht, was op een vlak terrein, in een zandgrond gegroeid; die, welke door Tetmajkk onderzocht werden , kwamen uit \'tgebergte, gemiddeld van een hoogte van 1300 M. boven \'t zeeoppervlak.

-ocr page 296-

276

5- Wringende krachfcn.

Elasticiteits-gxens = 0.41 (M.).

Elasticiteits-coëfficiënt 572.75 (M.;.

Vastheids-coëfficiënt — 0.65 (Af.).

V. Kloof baarheid. Het lorkenhout kan gemakkelijk j^e-kloofd worden; het kloofvlak is zeer glanzig, maar niet plat, eerder gebogen.

Droge stukken , beproefd volgens de gewone methode (v. Nörw.ixger) , spleten in radiale richting bij een belastingquot; van 21.79 Kg. (X.), en in tangentiale richting bij een belasting van 26.60 Kg. (X.).

VI. Hardheid. Wanneer de weerstand van beukenhout bij het zagen (zie blz. 2ig) --- 1 wordt gesteld, bedraagt die van lorkenhout 0.75—o.q (Gayer).

Vil. Duurzaamheid eu gehrnik. Over de duurzaamheid van het tamelijk grove en glanzende hout is reeds \'t een en einder meegedeeld. Wij kunnen dus hier volstaan met te zeggen, dat de duurzaamheid van lorkenhout, uit de Alpen of uit het Noorden afkomstig, zeer groot is. Onder water is het, naar men zegt, onvergankelijk. Het wordt niet door den worm aangetast, scheurt niet en werkt zeer weinig.

Het vindt toepassing in den mijn-, water-, machine-en huishouw.

Voordat men algemeen van \'t voordeel der impregnee-ring overtuigd was, werden dwarsliggers (voor spoorwegen) vooral vervaardigd uit harsrijk lorkenhout met smalle jaarringen; deze liggers duurden minstens 10 jaren en deden dus voor die van eikenhout weinig of niet onder. Ook waterraderen voor molens, enz. werden veel uit lorkenhout gefabriceerd.

In den scheepsbouw, voornamelijk bij de Russische en Oostenrijksche marine, wordt lorkenhout als masthout en ter vervaardiging van dekplanken, kleine booten en scheepsmeubels gebezigd. (Volgens Gavkr leveren de wouden van den Ural prachtige lorkenboomen).

-ocr page 297-

De schrijnwerker gebruikt dit hout, dat zich glad cn goed laat bewerken; ook de meubelmaker; maar hoewel meubels uit lorkenhout fraai gepolitoerd kunnen worden, doet \'t toch veelal dienst als blindhout. Ook bij kuipers, houtsnijders, enz. vindt hot ruime toepassing.

87. Cederhout. Hot hout. dat onder dozen naam in den handel voorkomt, is van verschillende boomsoorten afkomstig.

Menigeen denkt bij het hooren van den naam dezer houtsoort aan „de ceders van den Libanonquot;, waarvan \'t hout in de oudheid zeer op prijs werd gesteld; men meene evenwel niet, dat het hout van dezen Libanon-ceder (Cedrus Libani Loudon! ook nu nog een handelsartikel is. Deze boom is n.1. op den Libanon (op eenige exemplaren na) uitgeroeid en komt aldaar nog slechts op een paar, bijna ontoegankelijke, groeiplaatsen, eenigszins zuidelijk van de zooeven genoemde, in een grootcr aantal voor.

Het cederhout, dat heden ten dage wel in don handel voorkomt, heeft met het „echtequot; niets gemeen als den naam en eenigermate den reuk. Van de verschillende soorten \') noemen on beschrijven wij alleen het roode van den Virginischen Jeneverboom en het witte cederhout van den zoogenaamden „Levensboomquot; afkomstig.

Het cederhout, dat ook hier te lande in groote hoeveelheden voor de fabricage van sigarenkisten wordt gebruikt, stamt van den West-Indischen Cedrela (Cedrela odorata L.) af. Het hout van dezen loofhoutboom zal evenwel eerst in do volgende afdeeling der houtsoorten worden beschreven.

Hier moesten wij ons bepalen tot een korte beschrijving van do bovengenoemde twee cederhoutsoorten; daar evenwel het hout van den Virginischen jeneverboom zeer met dat van den Europeeschen jeneverboom of jeneverstruik overeenkomt,

i) Ook het welriekende, lichte, zeer duurzame hout van den ceder-eypres (Cupressus\' liuijoicles Willd.) is in Amerika als „ White ccdarquot; bekend. Vervolgens komt ook het hout van den Bermud.i-Jenoverboom Juniperus Bermudiana L.) als „AW in den handel ,

dat van een Neetandra, uit Guyana en Brazilië, als T_:wart ccdcrhoutquot; , enz., enz.

-ocr page 298-

278

\'t welk ook in de mechanische industrie wordt gebruikt, en de boomen botanisch tot hetzelfde geslacht beboeren , vinden wij daarin aanleiding om hier ter plaatse de beschrijving van het hout van den jeneverstruik in te lasschen.

10. Hout van den Jeneverstruik (Juniperus communis L.). In onze duinen zoowel als op onze heidevelden (Veltuve) wordt deze Juniperus, als heester, zeer algemeen aangetroffen. In een goeden bodem en een geschikt klimaat, bijv. op de bergen van Zuid- en Midden-Europa, vervolgens in een goed gesloten stand, wordt de Juniperus boomachtig, bereikt een hoogte van ,3 7 M. en vertoont stamdikten van 0.15—0.3 M. Ook in \'t Noorden komt de jeneverboom voor; in Noorwegen bijv. tot in Finland; stammen van 0.6- 0.7 M middellijn zijn daar geen zeldzaamheid \'). De boom groeit uiterst langzaam en kan zeer oud worden.

De jeneverboom is een kernhoutboom. Zijn hout is dikwijls fraai geaderd, liet splint, uit 18 24 jaarringen bestaande, heeft een lichtgele kleur; het kernhout is fraai en soms zeer gelijkmatig geel tot bruinrood gekleurd,

IX\' grenzen der jaarringen zijn duidelijk waar te nemen; ze zijn meestal grof gegolfd en donkerbruin van kleur; hier en daar, langs gedeelten van den omtrek, bijna zwart.

Eerst met behulp van de luupe worden de talrijke merg-stralen op de dwarsche doorsnede zichtbaar, doordat hun kleur hier lichter is dan die van het omgevend houtweefsel; zeer duidelijk zichtbaar zijn ze niet, vooral niet in het splint; daarentegen zeer goed in een radiale doorsnede.

i larsgangen worden in dit hout niet aangetroffen. De rnerg-koker is uiterst klein.

Met den microsiuop onderzocht, blijkt het hout uit tracheïden en houtparenchym te bestaan. De eerste zijn gemiddeld slechts 0.017 niM. dik, dus onderscheiden zich daardoor van die uit het grenen- en lorkenhout. Spiraalvormig verdikte wanden bezitten de tracheïden zelfs in \'t herfsthout niet.

1) Die Culturpjiamen Sorwegcus , bl/. 54.

-ocr page 299-

De merg-stralon hebben een geringe hoogte (0.2 m.M. volgens Nöriji.inger) ; ze zijn tamelijk gelijkmatig door het houtlichaam verdeeld en uit cellen samengesteld, wier wanden alle op dezelfde wijze, namelijk gewoon gestippeld zijn ; alleen bezitten de cellen der bovenste en onderste rijen wanden, die iets rijkelijker gestippeld zijn dan de overige.

Technische eigenschappen en gebruik. 1 let hout is tamelijk hard, fijn, weinig glanzig, zeer dicht, vast, taai en moeielijk kloofbaar.

Luchtdroog. wisselt het specif, gewicht af tusschen 0.53 en 0.70 (gem. 0.615 N.).

Het hout bezit een eigenaardigen, niet zeer sterken en aan-genamen reuk; denzelfden, die ook aan de jeneverbessen eigen is. En deze reuk verdwijnt niet zeer snel; tafels, uit betrekkelijk dikke stammen van dit hout vervaardigd, hadden na 50-jarig gebruik nog den frisschen reuk bewaard.

Zoowel op droge als op vochtige plaatsen, vertoont het hout een buitengewoon groote duurzaamheid; het rot niet en wordt niet wormstekig.

Men gebruikt hot voor klein draaiers werk, (klein vaatwerk, pijpekoppen), voor inlegwerk en ter vervaardiging van ma-chinedeelen. Ook den meubelmaker is het van dienst. Fraaie wandelstokken (ook zweepstokken) maakt men van afgeschilde stammetjes, door ze met dubbel chroomzure kali te bijten en vervolgens te lakken.

2 , Rood cederhout. Er zijn een paar soorten van \'t geslacht Juniperus, die „roodquot; cederhout leveren \'); slechts dat van den Virginischen Jeneverboom Juniperus virginiana L. ) kan hier voor een nadere behandeling in aanmerking komen.

Deze kernhoutboom is in Amerika, in de staten Maine en Florida, inheemsch en bereikt daar een hoogte van ,50 M. en meer, bij een stamdikte (voor de borst) van ruim een halven meter. In Europa komt de boom in tuinen en plantsoenen aangekweekt voor.

1) Zie de noot op blz. 277.

-ocr page 300-

28l)

Het hout, dat onder den naam „Red-Cedarquot; uit Amerika in den handel wordt gebracht, \'t zij in blokken. \'t zij reeds bewerkt, bezit een zeer fraai rosarood tot bruinrood gekleurd kernhout; hot splint bezit een zeer lichtgele kleur. Het heeft een eigenaardigen reuk, die iedereen welbekend is, daar de houten omhulsels der „echtequot; Faber-potlooden uit dit „onechtequot; cederhout zijn vervaardigd.

De jaarringen, in den regel grof gegolfd, zijn zeer duidelijk waar te nemen. De mergkoker is uiterst klein.

Onder dc loupe bemerkt men talrijke mergstralen ; hun weefsel is dichter dan dat van \'t omringende hout, overigens zijn ze smal en bruin van kleur, zoodat ze goed zichtbaar zijn.

Onder dcu microscoop blijkt, dat het hout nagenoeg denzelfden bouw bezit als het voorgaande; alleen de diameter der tracheïden is grooter, n.1. 0.025 mM., terwijl de mergstralen gemiddeld slechts 0.13 mM. hoog zijn (volgens Nördlinger 0.5 mM,). De cellen der mergstralen zijn met een bloedrood hars, die van het houtparenchym met een bruinrood hars gevuld (Wiesner).

Technische eigenschappen en gebruik. Hot hout bezit een tamelijk fijn weefsel en eenigen glans; het is gemakkelijk kloof baar, zacht en daardoor gemakkelijk te snijden.

De duurzaamheid van het hout is zeer groot. Groen, heeft het een spec, gewicht = i.io, terwijl dit voor \'t luchtdroge hout afwisselt tusschen 0.4 en 0.6 (Nördlinger).

In Amerika wordt dit hout gebruikt tot vervaardiging van booten en voor kamerbetimmeringen; in Europa \') voornamelijk voor de fabricage van potloodhoutjes (men noemt daarom dit hout ook potloodhout), kastjes en fijn timmerwerk.

Wit cederhout. Het zoogenaamde „wittequot; cederhout is hoofdzakelijk van twee soorten van het geslacht Thuja afkomstig; wij zullen ons evenwel slechts met de belangrijkste van dezo twee bezighouden, n.1. met de Thuja occidentalis L.

i) Fa hek tr Stdn (bij Neurenberg) gebruikt jaarlijks 18000 kub. vl. (circa 6000 cenlenaar-i van dit tl nul voor dc fabricage vau dc potloodcn. die zijn naam dragen.

-ocr page 301-

28 I

of Levensboom \'). Deze kernhoutboom is in Noord-Amerika inheemsch en bereikt daar een hnogte van 13 —16 M.

Het kernhout is lichtbruin van kleur en het splint geel ach tig-wit. Dit splint is tot 12 jaarringen breed; deze zijn duidelijk zichtbaar en nu eens met grove dan weer met zeer fijne golvingen voorzien.

Het hout riekt kamferachtig. De mergkoker is zeer klein en heeft een vierhoekige doorsnede.

Met de loupe bemerkt men, dat het herfsthout een groot gedeelte der smalle jaarringen inneemt. Ook worden de mergstralen op dwarsche doorsnede goed zichtbaar, duidelijker dan bij den Juniperus; zij zijn niet hoog (Wlesner; volgens Nördlinger 0.5 mM.).

Met den microscoop onderzocht, blijkt ook dit hout, wat den elementairen bouw betreft, groote overeenkomst te bezitten met dat van den Europeeschen Jeneverstruik; ook in de afmetingen der cellen is weinig of geen verschil op te merken. Als kenmerk ter onderscheiding van beide houtsoorten onder den microscoop, wordt door Wiesner het volgende aangegeven: op een tangentiale doorsnede, komen per mM2. bij den Thuja gemiddeld 160 mergstraalcellen voor, bij den Juniperus daarentegen gemiddeld 230.

Technische eigenschappen en gebruik. Het hout is fijnen langdradig, niet gemakkelijk kloof baar, zeer buigbaar en zacht, liet vertoont onder alle omstandigheden, zoowel in de lucht als in het water, een groote duurzaamheid; het wordt niet door den worm aangetast. Het groene hout heeft een spec, gewicht = 0.47—1.07; in den luchtdrogen staat wisselt dit af tusschen 0.380 en 0.558 (N.).

Naar men zegt, doen de stammen van den witten ceder in Amerika ook dienst als heimasten; bij ons wordt het slechts ter vervaardiging van fijn timmerwerk en luxe-artikelen gebezigd. Het hout kan uitstekend gepolitoerd worden.

11 De tweede soort is Thuja orientalis / .. inhoctnsch in China en Japan en in Kuropa aangeplant.

-ocr page 302-

88. Taxishout. Dil hout igt; afkomstig van den Taxis 1 Taxus baccata L.), bij ons to lande een sterk vertakte heester, die niet zelden tusschon ander naaldhout gekweekt en bij Ubbergrn oen enkele maal in het wild gevonden werd \'). 1 Iet meest komt de taxis voor als boom, op de bergen van Midden- en Zuid-Europa, vooral in de Karpathen en in \'t voorgebergte der Oostenrijksche en Zwitsersche Alpen.

De taxis groeit zeer langzaam en neemt gedurende de eerste 150 levensjaren, per jaar gemiddeld slechts 2\'/, mM. toe in diameter; exemplaren van 200 jaren en meer hebben dikwijls een middellijn van niet meer dan 30 cM.

Het kernhout is fraai bruinrood. de smalle en ongelijkmatige splintlaag geelachtig wit.

De jaarringen zijn zeer duidelijk waar te nemen en meestal zeer scherp begrensd; smal en fijn gegolfd in de centrale deelen (17 ringen per cM. bijv.) zijn ze, meer naar het splint, breeder en grof gegolfd (5 en 7 ringen per cM.).

De 3—5 hoekige mergkoker heeft een diameter van 0.8 mM.

Met de hupc onderzocht, blijkt \'t hout geen harsgangen te bezitten. De merg-stralen. ongeveer 0.2 mM. hoog, zijn moeielijk zichtbaar, daar ze bijna dezelfde kleur hebben als het omringend höutweef-sel. De overgang van voorjaars- en zomer-hout in herfsthout is zeer regelmatig.

Spjr.i iivormigu verdikkin- | [et microscopisch onderzoek leert, dat mei nofstippels op den wand

«nertrachcïdenit urfshom. de tracheïden een zeer yerinsje middelliin

A. radi ile i , ^ . ,

li. 1 mgentialc i ■\'quot;S1\'-11 \',l\'\' bezitten en hun wanden, zelfs in \'t voor-

Vergr. 400 maal. . ,

Fig. 76.

•) :

u

jaarshout. sterk verdikt zijn. behalve van hofstippels zijn de wanden der tracheïden ook van een spiraalvormige verdikking voorzien (fig. 76). De mergstralen zijn

tl De Flora .\\\\ der land, door l)r. lt;A. J. A. ÖüDEM.VN.s , deel III, blz. 87.

-ocr page 303-

slechts één cel breed en de wanden hunner cellen alle g\'ewoon gestippeld.

Parenchymweefsel wordt in dit hout niet aangetroffen (Saxio).

Technische eigenschappen en gebruik. I\'.ixishout is fijn-dradig, zeer dicht, taai \') en elastisch. Het is een van de hardste Europcesche houtsoorten, liet spec, gewicht van het groene hout : 0.97- 1.10, en van het luchtdroge 0.74 o.c).) (gem. 0.84) (N.). De duurzaamheid is zeergroot, liet hout is zeer moeielijk kloofbaar en \\rertoont zelfs op de kloofvlakken weinig glans. Door velen wordt het bloemhout van den taxis boven mahoniehout verkozen. Het hout laat zich zeer fraai zwart bijten en is als zoodanig als „Duitsch ebbenhoutquot; bekend. In de Alpen gebruikt men het voor snijwerken; overigens wordt het voornamelijk door draaiers en instrumentmakers gebezigd. Veelal worden or vatkranen van vervaardigd, vooral in Oostenrijk. In Tyrol en Stiermarken maakte men de zolen van pantoffels uit taxishout, vandaar den naam „pantoffelhoutquot;, dien men aan dit hout gaf. Ook in den machinebouw maakt men van dit hout, voor de vervaardiging van enkele kleine machinedeelen somtijds gebruik. Het stamhout bezit dikwijls hart- en rinkelscheuren , waardoor het dan voor de nijverheid van weinig waarde meer is.

89. Cypressenhout. Wij kunnen niet nalaten om ten slotte in deze afdeeling nogquot; het een en ander mede te deolen omtrent het hout van den Virgiuisclien of moeras-Cypi es , (Taxodium distichum Richard\'; en dit niet zoozeer, omdat het cypressenhout nu reeds in ons land zulk een gewichtige plaats onder de verschillende houtsoorten inneemt, maar, omdat wij de meening zijn toegedaan, dat het eerlang\', ook in Nederland, tot een der belangrijkste soorten zal behooren, die in de praktijk toepassing vinden -).

1) In vroeger eeuwen werd het wapen van don boogschutter uit dit hout vervaardigd.

2) Men zie de Nota omtrent de houtsoorten tier l \'ereei/.:^ii,- Staten : an A\'cord-Amerika door den Heer de Lagkknk , Hoofdingenieur der bruggen en wege/i, in de vertalingen van het Tijdsehri/t ran het Kon. Instituut van Ingenieurs. (j.iargang 1880 - 81, blz. 171). \\ ert. uit de Annates des pouts et e/iaussécs, \'879. p. -3.

-ocr page 304-

284

Uit ilen naam is reeds af te leiden, dat deze cyprcs een vochtige standplaats verkiest. In Europa en ook in ons land komt de boom in plantsoenen aangekweekt vonr, maar Noord-Amerika is zijn vaderland. De talrijke zijtakken der rivieren, die den staat Louisiana doorsnijden (Mississippi, Sabine, enz.) zijn in de lage gedeelten door wouden van dezen cypres omzoomd.

En niet alleen in Louisiana, maar in de wouden van al de staten, die de Golf van Mexico omgeven, groeien de cypres-sen op de moerassige gronden De boomen bereiken kolossale afmetingen. Men treft lichtelijk stammen aan, die ruim 21 M. hoog zijn, met een diameter van circa 1.5 M. aan den voet en 1.1 M. aan den top. Bij uitzondering worden ook stammen aangetroffen van 50 M. hoogte.

Men treft van den cypres twee verscheidenheden aan, n 1. de Red- en Yellow-Cypress. Het hout van den eerstgenoemden is wel is waar zeer duurzaam, maar buitengewoon zwaar, zoodat het wegens het kostbare vervoer weinig wordt gebruikt. Ook het hout van den Yellow-Cypress, dat jaarlijks in groote hoeveelheden, per vlot langs den Mississippi te New-Orleans wordt aangevoerd en van daar vervolgens wordt uitgevoerd, is zeer zwaar. Maar een jaar voor het vellen wordt in den boom een diepe cirkelvormige insnijding gemaakt, waardoor veel vocht verwijderd wordt, zoodat de gevelde Yellow-Cypress na verloop van \'tjaar in water blijft drijven.

Het hout van den cypres is aanvankelijk geelachtig wit van kleur; aan de lucht wordt het roodachtig. Het bezit een scherpen, doordringenden geur, die afkomstig is van een, in het hout aanwezige. olieachtige stof.

Cypressenhout heeft wel eenige overeenkomst met grenenhout , waarvan de jaarringen zeer smal zijn. De jaarringen zijn ook hier duidelijk te onderscheiden, en eveneens de talrijke smalle mergstralen.

Technische eigenschappen en gebruik Het hout is recht-dradig, vast, taai en gemakkelijk te klooven; het werkt niet en is duurzamer dan pitch-pinehout (maar ook veel duur-

-ocr page 305-

-\'85

der); wanneer hot niet aan de werking dor lucht of van don paalworm wordt blootgesteld, is het onvergankelijk.

Kwasten treft men in dit hout bijna niet aan.

In Amerika is \'t hout zoor gewaardeerd voor fundeeringen van alle waterwerken. Hot is een uitstekend bouw- on werk-hout. Dwarsliggers, huisgereedschappen, vaten, masten, enz. worden er van vervaardigd. Men noemt het hout van den cypres als het kostbaarste van de Ver. Staten; ware het niet duurder dan het grenenhout, dan zou het bijna uitsluitend in den hoog- en waterbouw worden gebruikt. Aan delen gezaagd, is het een zeer gewichtig overzeesch handelsartikel.

Sedert eenige jaren vindt \'t hout ook toepassing in Noord-Duitschland; men schat het daar hooger dan yellow-pinehout on gebruikt hot met hot beste gevolg \').

r) Volgens Haakmann s Zeiischrift fiir Bauhand-werker (Jaargang .\'4 , blz. 28) werden in 1879 voor een kazerne te Berlijn cjoo kozijnen en 550 deuren uit dit hout vervaardigd.

-ocr page 306-

90 Meermalen werd do vraag tot ons gericht; Hoe knu men in (/r natuur etc naaldboovicn ondcrkeimcn, die het grenen-. (tennen- en vurenhout leveren\'- Waardoor mderscheiden zie// de grove den, de fijne en de. y.ilverspar van elkander?

I en einde het antwoord op die vraag zoo duidelijk mogelijk te doen zijn, hebben wij vooreerst de afbeeldingen der genoemde boomen, zooals die voorkomen in Rosz.müszi.kk\'s: der lla/il, vertoond en beschreven. Kopieën (op kleiner schaal) van deze afbeelding-en zijn in fig. 77 voorgesteld.

Aanhangsel.

-ocr page 307-

Do grove dcu, flic in do figuur door a wordt aangeduid, is een oud exemplaar, dat in vrijen stand is gegroeid; zijn blad-kroon komt bijna volkomen mot die van een loofboom overeen. Was de grove den in gesloten stand voortgekomen, dan zou hij zich, tot op groote hoogte van don stam, van takken gereinigd en slechts een korte, onbeduidende kroon behouden hebben, die veel minder dicht is dan die van den fijnen spar.

De fijne spar is de eenige dezer drie naaldboomen, die den piramidalen vorm der bladkroon, waardoor zij zich in hun jeugd allo karakteriseeren, hoeft bewaard (fig. 77, b).

Bij den zilvcrspar eindelijk ontwikkelen zich, vooral na hot i5de tot 2osle levensjaar, sommige takken meer dan andore, zoodat liet piramidale van de kroon spoedig verloren gaat. Bovendien kenmerken zich oude dennen door het ontbreken van een spitsen top; in don regel is deze, zooals dit ook in fig. 77, c is voorgesteld, waaiervormig uitgebreid.

Fig- 78.

c Naald van den zilverspar. e\' Dwarsche doorsnede (vergr.).

Vervolgens maakten wij ook altijd opmerkzaam op bot onderscheid tusschon de naalden dor genoemde boomon.

Die naalden zijn, olk mot oen dwarsche doorsnede, in fig. 78 voorgesteld; men ziot mot een oogopslag, dat er een groot onderscheid tusscnen deze naalden bestaat.

Be malden van den graven den, ongeveer 5 a 6 cM. lang, verschillen daarin van die der beide andore boomon, dat zij (van hot tweede levensjaar af) altijd paarsgewijze voorkomen.

-ocr page 308-

288

xooals dit ook in d« figuur bij a is aangegeven. Aan \'t eind, waarmede zij aan de takken bevestigd waren, zijn beide naalden door een aschgrauw, droog vliesje omgeven.

L)e randen der naalden zijn zeer fijn getand. Hun dwarsche doorsnede (a1) is halt-cirkelvormig.

De kleur der naalden is aan de bovenzijde of platte zijde lichtgroen, aan de gebogen zijde blauwachtig groen.

De naalden van den fijnen spar zijn niet zoo spits als die van den groven den. Hun dwarsche doorsnede (b\'j geeft een vierkant met afgeronde hoeken te aanschouwen.

13e kleur der naalden is aan elk der vier zijden dezelfde, n.1. donkergroen.

De naa/den van den z/hrrspar hebben een zeer eigenaardige gedaante, zooals uit de dwarsche doorsnede in de figuur bij c\' zichtbaar is. Aan hun onderzijde vertoont zich een mid-denrib en ter weerszijden daarvan een zilverwitte streep. die bij nadere beschouwing met de loupe uit een reeks harsdruppels blijkt te bestaan, die uit fijne openingen in de opperhuid der naald te voorschijn komen. Deze. strepen ontbreken aan de bovenzijde der naalden; dientengevolge is deze groen en de onderzijde zilverwit (ook bij de naalden van den fijnen spar vindt men dergelijke strepen, maar op elk der vier zijden, zoodat daar van geen boven- en onderzijde sprake kan zijn).

.Van hun topeind zijn de naalden van een inkerving voorzien.

In de vooronderstelling, dat er onder de lezers dezer bladzijden ook zijn, wien het onderscheid \') tusschen deze. voorde nijverheid zoo gewichtige, boomen tot heden onbekend bleef, en daaromtrent gaarne eenige inlichting verlangen, voegden wij dit „aanhangselquot; aan de beschrijving der houtsoorten toe.

1

Kr zijn nog vele andere kenmerken, waaraan men deze drie belangrijke naaldboomen herkennm en waardoor rnert ze ook onderscheiden kan. Den leek, op botanisch gebied, geloofden wij door \'t medegedeelde evenwel genoegzame middelen voor dat onderscheid aan de hand te hebben gedaan.

-ocr page 309-

Loofhout.

91. Zooals wij reods in het begin van dit Hoofdstuk opmerkten, stellen de boomcn, die ons het loofhout verschaffen, veel grooter eischen aan hun groeiplaats dan naaldboomen.

Daar de loofboom in den regel geen gesloten stand verdraagt, vormt hij zelden groote bosschen. Is dit evenwel het geval, dan zijn deze bosschen nooit zeer dicht, zoodat het licht doordringen kan tot den boschgrond en daardoor nog een tal van planten kunnen voorkomen op de vrije ruimten tusschen de woudboomen.

Dit heeft ten gevolge dat een bosch, uit loofboomen bestaande, een geheel anderen indruk op ons maakt dan een dennen- of sparrenbosch, waarin, wegens den gesloten stand, van plantengroei onder en tusschen de boomen in \'t geheel geen sprake kan zijn.

Bovendien treft men in het bosch van loofboomen in het zeldzaamste geval slechts een enkele boomsoort aan ; gewoonlijk zijn er verschillende loofboomsoorten in vertegenwoordigd \'). Bij de naaldbosschen is, zooals men weet, het omgekeerde regel.

Het meerendeel der loofboomen zijn bewoners der vlakten ; sommige, zooals de beuk, de berk, komen ook in \'t ge-

i) Beuken- en eikenbosschen, waarin geen andere loofhoomsoort wordt aangetrotlon . \'ijn evenwel geen zeldzaamheid.

Bij aanplantingen zorgt men er immer voor, dat verschillende loofboom soorten gemengd worden.

b.

19

-ocr page 310-

2QO

bergte, tot vrij aanzienlijke hoogte boven het zeeoppervlak, voor.

Het loofhout bestaat uit vezels, vaten en houtparenchym. De vezels zijn zoowel tracheïden als libriformvezels, die men beide in eenzelfde houtsoort kan aantreffen.

Welke elementen meer bepaald bij deze of gene loofhoutsoort voorkomen, en hoe zij ten opzichte van elkaar geplaatst zijn, zal hierachter bij elke soort in \'tbijzonder worden beschreven.

Natuurlijk bezit \'t loofhout ook mergstralen; deze zijn meestal zeer duidelijk met het bloote oog waar te nemen, en in den regel veel hooger dan de mergstralen in \'t naaldhout; ook volgens de breedte bestaan zij slechts in enkele gevallen uit één of twee cellenrijen zooals dit bij het naaldhout het geval is; meestal is dit aantal grooter.

Jaarringen zijn bij de meeste loofhoutsoorten op een dwarsche doorsnede duidelijk zichtbaar; de oorzaak hiervan is evenwel een andere, dan wij daarvoor bij het naaldhout meedeelden. Terwijl daar toch herfst- en voorjaarshout, door verschil in kleur en door verschil in verdikking en vorm der tracheïden. een verschillenden indruk op het oog maakten, wordt deze bij \'t loofhout in den regel te weeg gebracht door den rijkdom van groote vaten in \'t voorjaarshout en het ontbreken van deze vaten in \'t herfsthout.

Mochten de vaten, wat bij enkele loofhoutsoorten het geval is, gelijkmatig door \'t hout verdeeld, zeer gering van diameter en weinig in jretal zijn, dan zijn met het bloote oog meestal geen jaarringen zichtbaar. Neemt men evenwel zijn toevlucht tot het vergrootglas, dan bemerkt men weldra, dat jaarringen niet ontbreken; zij zijn nu waarneembaar, doordat de vezels in \'t herfsthout immer veel geringer diameter bezitten dan die in \'t voorjaarshout.

Het loofhout wordt voornamelijk als werkhout gebruikt. I let inlandsche is voor dat doel somwijlen bij uitstek geschikt; men roemt bijv. allerwege het Zeeuwsche ijpenhout.

Maar ook komt het voor. dat men voor bijzondere doelein-

-ocr page 311-

2()1

den, hot inlandsche hout minder oj) prijs stolt dan hot buiten-landsche; hot eikonhout haalden wij reeds meermalen als voorbeeld daarvan aan, en ook hot notenhout bijv., uit zuidelijke streken, wordt wegens de donkore kleur en de fraaie teekoning\' van het weefsel (bloem) door den meubelmaker ver boven het inlandsche notenhout verkozen,

92. Eikenhout. Het eikenhout, dat in Nederland en omliggende landen ter bewerking komt, is voornamelijk afkomstigquot; van den gesteelden of zomereik i Querens peduneulata Ehrh.) en den ongesteelden of wintereik \') (Q,uereus sessiliflora Sm.).

twee soorten van eikeboomen, die ook hier te lande in het wild, zoowel als aangekweekt, veelvuldig voorkomen.

Maar nog verschillende andere soorten van eikenhout komen in den Europeeschen handel voor en worden in do industrie gebezigquot;d. Evenwel in geringere quantiteiten. Toch zijn er onder deze soorten ook voor ons belangrijk genoeg om ze met een enkel woord te beschrijven.

Zoo bijv-, het hout van

den Franschen eik {ftuereus pubescens Willd.), dat van den Eourgondischen eik i ftuercus Cerris L.), en van den wintergroenen eik (Quercus liex L.),

boomsoorten, die in Nederland niet worden aangetroffen, maar meer in \'t zuiden en het oosten van Europa thuis behooren.

Ook Amerika voert in de laatste jaren in blokken en platen veel eikenhout naar Europa.

Dit stamt grootendeels van den Amerikaanschen witten eik (White oak — Q. alba L.) en den groenen eik (Live oak — O. sempervirens Ait). Wij zullen het Amerikaansche eikenhout echter met stilzwijgen voorbijgaan, omdat het in ons land de

ï) De zomereik ontwikkelt zich vroeger in t jaar en behoudt de bladeren ni.-t zoo lim!-als fit- lointerctk.

Do eerste wordt gesfeeld genoemd, omdat (!lt;■ .-ikels Idr vm.iit. n) aan l.Mii-.r -i.-l n !»•

vstigd zijn, die nog langer zijn dan de bladstelen l\'.ij dm , ■trihlen fik staan d. «•ikels op hoopjes en zijn zeer kort gestoeld.

-ocr page 312-

2t)2

concurrentie tegen de Europecsche soorten niet schijnt te kunnen volhouden en het aangevoerde met verlies verkocht of verzonden moet worden \').

Alvorens nu tot dc meer gedetailleerde beschrijving der andere, bovengenoemde eikenhoutsoorten over te gaan, mag een algemeene beschouwing van eikenhout -) hier een plaats vinden.

Eikenhout hoeft, zooals een ieder weet, een zeer eigenaardige textuur, die oorzaak is, dat men het gemakkelijk van alle andere houtsoorten onderscheidt.

Alle soorten kenmerken zich in de eerste plaats door de eigenaardige lichtbruine kleur van het houtweefsel, die vooral bij inwerking der lucht te voorschijn treedt. Maar vervolgens ook door de breede, handvormige \'), 0.3 tot 0.4 mM. breede mergstralen, die lichter (geelachtig) gekleurd zijn dan \'t omringend houtweefsel , en bovendien veel glans bezitten. Op een tangentiale doorsnede blijkt, dat deze mergstralen soms verscheidene centimeters hoog zijn.

Ook de jaarringen zijn zeer scherp begrensd, ten gevolge van de talrijke, zeer wijde vaten in \'t voorjaarshout.

De mergkoker is vijfhoekig en 1 4 mM. breed.

Mot (/lt;■ loupe beschouwd, bemerkt men ook fijne, lijn-jormige mergstralen in \'t eikenhout, die door de aanwezigheid der groote vaten herhaaldelijk genoodzaakt worden van richting te veranderen, en zich dientengevolge in den regel voordoen als sterk kronkelende lijnen.

Terwijl men nu met de loupe de wijde vaten in \'t voorjaarshout nog duidelijker waarneemt, zal men ook bij de meeste eikenhoutsoorten kleinere vaten in \'t herfsthout opmerken.

1) Volgens een mcdedeeling van de H.H. makelaars Overgaauw cn de Blaauw te Rotterdam, ia lt;Iit nii\'t zoozeer te wijten aan de quaüteit van het hout, dan wel aan het formaat, waarin het hier wordt aangevoerd. Men zendt óf gansche boomstammen óf platen, all.- van eenzelfde dikte. Dit wordt door den kooper niet gewenseht. Koopt liij l-\'uropeeseh eikenhout, clan heeft hij een ruime keuze in alle maten.

j) Dat van den wintergroenen eik blijft hier voorloopig buiten beschouwing.

V! /i\'- bl/.

-ocr page 313-

29.3

liet onderzoek met den microscoup leert, dat het eikenhout uit vaten, uit tracheïde- en libriform-vezels en uit houtparen-chym is opgebouwd.

De groote vaten hebben gemiddeld een diameter van 0.3 mM.; de wanden der vaten zijn met cirkelronde stippels voorzien en somwijlen nog spiraalvormig verdikt. Dikwijls treft men er thyllen aan \'). De tracheïden en houtparenchymcollen, die in \'t vooijaarshout een cirkelvormige, in \'thersthout een ellipsvormige doorsnede bezitten (wier lange as in de richting der jaarringen ligt), zijn circa 0.0108 mM. wijd; hun wanden hebben nagenoeg diezelfde dikte en zijn van spleetstippels 1) voorzien.

De wanden der libriformvezels, waarop ook spleetstippels voorkomen, zijn eenigszins dikker dan die der tracheïden, nl. ongeveer 0.0138 mM., maar de vezelholte heeft een diameter, die bijna vijfmaal geringer is, en circa 0.0024 mM. bedraagt. Wij ontmoeten dus hier vezels met zeer sterk verdikte wanden ; daar deze Hbriformvezels de grondmassa van het houtweefsel vormen, dankt het eikenhout aan hen voornamelijk zijn hardheid.

Op een zeer gladde, dwarsche doorsnede bemerkt men reeds met het bloote oog, dat in het houtweefsel, in eiken jaarring, naast donker gekleurde gedeelten talrijke lichtere plekken voorkomen. Met den microscoop wordt dit verschijnsel weldra opgehelderd. Het blijkt dan toch, dat het lichter gekleurde gedeelte van het houtweefsel do kleine vaten bevat, en overigens uit tracheïden en houtparenchymcellen bestaat. Het meer donker gekleurde gedeelte is daarentegen slechts uit de zooeven besproken libriformcellen samengesteld. En terwijl het eerstgenoemde weefsel (kleine vaten, houtparenchym en tracheïden) zich, al naar de eikenhoutsoort, nu eens in tangentiale dan weer in radiale richting uitbreidt, vormt het met de mergstraien als \'t ware een netwerk, welks

1

Zie blz. 7.

-ocr page 314-

294

mazen door het libriformvveefsel zijn opgevuld \'). (Men /ie fig. 79).

De, met \'tbloote oog zichtbare, handvormige mergstralen, die, zonals wij reeds opmerkten, circa 0.3 tot 0.4 mM. breed zijn, bestaan in deze richting uit ongeveer 30 en meer reeksen van cellen. De lijnvormige slechts uit 1 of 2 rijen. De mergstraalcellon zijn circa even hoog als breed, 0.0ig mM.; hun lengte bedraagt 0.072 mM. De wanden zijn niet sterk verdikt. Hun inhoud bestaat meestal uit hars- en looizuurkorrels.

Wij gaan nu over tot de bijzondere beschrijving der verschillende, boven reeds genoemde, eikenhoutsoorten; van hun technisch gebruik zal daarbij geen sprake zijn, omdat dit ten slotte in een algemeen overzicht zal worden behandeld.

1. Hout van den zoraereik iQuercus pedimculata Elirh.) De zomereik komt het best voort op effen of op heuvelachtige terreinen; voornamelijk vormt hij daar groote bosschen. 11 oewel hij ook in \'t gebergte wordt aangetroffen, soms zelfs tot een aanzienlijke hoogte, is daar toch minder zijn plaats dan wel die van den wintereik.

De zomereik verkiest vervolgens in de vlakten, vruchtbare, losse, diepe gronden en verdraagt overigens zoowel een tamelijk hooge als een buitengewoon lage temperatuur, zoodat hij over geheel Europa en oen groot deel van Westelijk- en Centraal-Azië is verspreid.

In Hongarije, in de landstreken aan den Donau, in Frankrijk, enz., treft men nog zeer groote wouden van deze eikensoort aan; in Duitschland komen ze, hoewel met andere boomen gemengd, vooral voor in de vruchtbare vlakten van Midden-Duitschland en aan den Boven-Rijn.

De zomereik, die niet zelden een hoogte van 40 tot 50 M. bereikt, heeft een meer of minder rechten stam, hetgeen af-

i) Wordt eikenhout oud en droog dan vertoont het talrijke kleine scheurtjes aan lx 1 oppervl ;k , die, /.ooals hij nader onderzoek blijkt, slechts in dit, uit houtparenchyin traeheïden • n kleine vaten samengestelde deel van het houtweefsel voorkomen en vooral in het tangenuial loopende weefsel, dus loodrécht op de richting der mergstralen, doen deze scheurtjes zich voor.

-ocr page 315-

hangt van de standplaats, don al dan niet gesloten stand, en/,.

Gewoonlijk wordt hij op 150-jarigcn leeftijd geveld.

Do hoedanigheid van het hout is zoer verschillend en wordt bijna geheel door den stand van den boom bepaald. Op de hoogvlakten en heuvels levert deze eik meestal oen hard en taai. uitstekend hout voor den scheepsbouw, dat zich moeilijk laat klooven. In de drassige vlakten van Slavonic, in de landstreek tusschen Drau en Sau daarentegen, groeit eikenhout, dat uitstekend voor duighout, maar minder geschikt is voor den scheepsbouw.

Do zomcreik is een kernhoutboom. Het rijpe kemhout en het splint zijn zeer gemakkelijk van elkaar te onderscheiden, terwijl het eerstgenoemde grauw of geelbruin van kleur is, heeft hot splint, dat zich over acht tot dertien jaarringen uitstrekken kan, een meer witte kleur. Onder zekere omstandigheden , bijv. bij een langdurig verblijf onder water, kan het kernhout bruinzwart worden.

Reeds vroeger is vermeld, dat mon bij \'t eikenhout, en dus ook bij deze soort, zeer gemakkelijk de jaarringen waarnemen kan, door de aanwezigheid der talrijke groote vaten in \'t voor-Fig. 79. jaarshout. Deze hebben gemiddeld

een middellijn van 0,325 mM. Do handvormige mergstralen doen zich op dwarsche doorsnede voor als heldere lijnen, die ongeveer 0.5 mM. breed en zeer glanzig zijn, zoodat hun hier den naam van „spiegelsquot; met recht toekomt.

Zijn de jaarringen zeer breed, dan kan men op een zeer glad bewerkte, dwarsche snede reeds met het bloote oog zeer duidelijk het radiale houtparenchymweefsel (waarin de traehoïden en kleine vaten) waarnemen en zelfs ook radiaal loopende banden of lijnen, die lichter gekleurd zijn dan het overige houtweefsel. Maar duidelijker komen zij te voorschijn bij een beschouwing met

-ocr page 316-

296

//■lt; loupe. Zooal^ ook in fig. 79 is voorgesteld . verheffen zich geen grooto vaten uit het voorjaarshout, maar zij vormen een scherp begrensde zone in den jaarring. De houtparenchym-cellen doorsnijden het weefsel van een jaarring, zoowel in radiale als in tangentiale richting; de banden hebben evenwel een geringe breedte, waardoor zij niet altijd even gemakkelijk kunnen worden waargenomen; met het bloote oog geschiedt dit het best in breede jaarringen.

De bandvormige mergstralen zijn ongeveer 2—5 mM. van elkaar verwijderd; zij banen zich een rechten weg tusschen de talrijke groote vaten. De fijne, lijnvormige mergstralen daarentegen, die zeer dicht naast elkander het houtweefsel doorsnijden, ontwijken deze vaten en hebben daardoor in \'t voorjaarshout een sterk kronkelenden loop.

Technische eigenschappen.

I. Specifiek geivicht. Luchtdroog = 0.69—1.03 (gem. 0.860)

(N.), groen = 0.93—1.28 (N.).

II. Krimpen \'). A) In de richting van den draad = 0.2—0.3

(K.), 0.288% (L.).

B) dwarsdraads, a) in de spiegelrichting = 3-2 3-3 \'J o (K-O\' 1 3 % (N.). b) in die der jaarringen = 0.8- 7.3 % (K.), 1-7 7„(N.).

li Fkey geeft niet aan, welke eikenhoutsoort hij op krimping onderzoekt. Volgens hem is de krimping van eikenhout :

luchtdroog. in de dnudriehting 0.0%, en na langdurige verhitting lot ioou — 0.2

„ in de spiegelrichting 3.1 %, en „ „ » •• ■, —6.8%

Ook voor het z-cellen vinden wij slechts opgaven met betrekking tot eikenhout; óf zomer- óf -wintereiken hout is onbekend. Zoo bijv. van Laves:

zwellen in de richting van den draad quot; 0.4quot;,,

dwarsdraads, in de spiegelrichting - 3.90%

in dit; der jaarringen - 7.55%-Van Weissbach vinden wij eveneens, met betrekking tot \'t zwellen, slechts cijfers voor eikenhout\'.

de vermeerdering van volume 5.5- 7.9 %

de vermeerdering van gewicht 60—9iquot;/o-

-ocr page 317-

297

lil. Elasticiteit cn •vastheid.

1. Rekkende krachten. In dc richting van den draad.

Elasticiteits-grens — 3.50 (M.) Elasticiteits-coëfficiënt = 1030.25 (M.), 977.B (Ch. en W.)

Vastheids-coëfficiënt = 6.845 (^I-),6.4g (Ch.en W.).

2. Drukkende krachten. In de richting van den draad*

Elasticiteits-grens = 2.22 (M.). Elasticiteits-coëfficiënt = 1250.65 (M.). Vastheids-coëfficiënt = 3.64 (M.), 4.73 (N.).

3. Buigende krachten.

Elasticiteits-grens = 2.71 (M.). Elasticiteits-coëfficiënt = 734.50 (M.). Vastheids-coëfficiënt = 6.18 (M.), 4.60—10.43 (Ch. en W.).

4. Afschuivende krachten. A) In de richting van den draad-

Vastheids-coëfficiënt = 0.92 (M.).

B) Dwarsdraads.

Vastheids-coëfficiënt = 3.49 (M.).

5. Wringende krachten.

Elasticiteits-grens = 0.53 (M.). Elasticiteits-coëfficiënt = 785.40 (M.). Vastheids-coëfficiënt — 0.97 (M.). IV. Kloofbaarheid. Indien dc zomereik gegroeid is in een vochtigen grond, dan kan het hout zeer gemakkelijk cn glad gekloofd worden. Men herinnere zich ook hetgeen reeds omtrent het hout uit dc Slavonische laagvlakten, en dat uit heuvelachtige streken is meegedeeld.

ÏSÏog zij gezegd, dat men opgemerkt heeft, dat het hout van den zomereik zeer kloofbaar is, wanneer de schors van den boom lange scheuren vertoont, en de bladeren in den herfst een groengele of geelbruine tint aannemen. Heeft de schors slechts korte scheuren, en wordt \'t loof in den herfst roodbruin, dan is de kloofbaarheid van \'t hout veel geringer.

-ocr page 318-

298

V. Hardheid. Met hout v£in den zomereik wordt door Nördlixgf.r tot do klasse der weinig harde houtsoorten gebracht \').

z. Hout van den wintereik iftuereus sessiliflora Sm.i.

De stam van den wintereik wordt in \'t algemeen minder hoog en dik dan die van den zomereik en is ook nimmer zoo recht. Men treft dezen eik meer in bergachtige -) dan in vlakke streken aan, voornamelijk tusschen 45 en 600 N.B.; hij groeit zelfs zeer goed in een rotsachtigen bodem.

In Duitschland komen, naar men wil, veel meer winter-dan zomereiken voor; in de Oostzee-provinciën ontbreken ze. Ook in do zuidelijke en westelijke gouvernementen van Rusland treedt voornamelijk deze eikensoort op.

De wintereik is ook een kernhoutboom. De kleur van zijn hout verschilt weinig van die van het zomereikenhout; ze is iets bruiner.

De handvormige mergstralen liggen in dit hout op eenigszins gTooteren afstand van elkander dan bij \'t vorige, nl. 5—10mM. Wat overigens omtrent de mergstralen bij den zomereik werd opgemerkt, geldt ook hier.

Het houtparenchymweefsel (met tracheïden en kleine vaten) wordt in dit hout op een gladde dwarsche doorsnede, eveneens reeds met \'t bloote oog waargenomen. Maar eerst met behulp van de luupc bemerkt men duidelijk (zie fig. 80), dat nevens de radiale banden ook tangentiale voorkomen, en deze veel geringer breedte bezitten dan de radiale banden. De groote vaten gaan in deze radiale banden in de kleine vaten over;

1) Volgens Gayek is dc hardheid van eikenhout welke soort ?) \' 1-03, indien die v.in beukenhout door \'t getal 1 wordt voorgesteld.

2) In de bergen van Midden-Duitschl.md tot circa 970 M. boven het zeeoppervlak; in tie Alpen van Tyrol zelfs tot een hoogte van 1360 M.

-ocr page 319-

299

de eerste zijn dus aan de zijde van hel horfsthout niet zoo sterk begrensd als dit bij \'t zomereikenhout het geval is. In het herfsthout vertakken zich de radiale banden vorkvormig-. Technische eigenschappen.

I. Spccifick gcwichf. In den groenen toestand van het hout wisselt dit af van 0.87- 1.16 (gem. 1,01) (NV), en droog van 0.53—0.96 (gem. 0.74) (N.).

Wanneer men het specifiek gewicht van deze eikenhoutsoort en do vorige vergelijkt, blijkt, ? dat zij nagenoeg even zwaar zijn; de mecning, dat de win-tereik over \'t alycmeen een zwaarder hout levert dan de zomereik, wordt dan ook niet door ons gedeeld. II. Krimpen. A) In de richting van den draad = 0.03—

0.44.7„ (N.).

B) dwarsdraads, a) in de spiegelrichting- = 1—4 0/o (N.), b) in die der jaarringen = 3—1 i (N.),

III, Zipellen. (Zie de noot op blz. 296).

IV. Elasticiteit en vastheid.

1. Rekkende krachten A) In de richting van den draad.

Elasticiteits-grens = 2.82 (M.), 4.76 (ï.), 2.349 (Ch. en W.).

Elasticiteits-coëfficiënt 826.75 (M.), 1083 (T.), 921.3 (Ch. en W.).

Vastheids-coëfficiënt -= 4.66 (M.), 9.64 (T.), 5.66 (Ch. en W.).

B) Dwarsdraads.

a) in do spiegelrichting.

Elasticiteits-coëfficiënt = 188.7 (Ch. en W.). Vastheids-coëfficiënt — 0.582 (Ch. en W.)

b) in de richting der jaarringen. Elasticiteits-coëfficiënt 129.8 (Ch. en W.). Vastheids-coëfficiënt 0.406 (Ch. en W.).

2. Drukkende krachten. In de richting van den draad.

Elasticiteits-grens _ 2.09 (M.), 1.48 (T.). Elasticiteits-coëfficiënt — 933 (M.), 1027 (T.). Vastheids-coëfficiënt - 2.58 (M.), 3,43 (T.).

-ocr page 320-

3 00

,V Buigende krachten.

Elasticiteits-grens 1.77 (M.), 2.17 (T.).

Elasticiteits-coëfficiënt = 620 (M.), 994 (T.).

Vastheids-coëfficiënt — 4.54 (M.), 6.00 (T.),

4,60—10.55 (Ch. en W.).

4. Afschuivende krachten. A) In de richting\' van den draad.

Vastheids-coëfficiënt = 0.71 (M.), 0.75 (T.).

B) Dwarsdraads.

Vastheids-coëfficiënt 1.91 (JM.).

5. Wringende krachten.

Elasticiteits-grens = 0.40 (M.),

Elasticiteits-coëfficiënt = 339.20 (AL).

Vastheids-coëfficiënt 0.75 (AI.).

V. Kloof baarheid. Met hout van den wintercik is gemakkelijk kloof baar, maar niet in die mate als het hout van den zomereik uit moerassige streken.

VI. Hardheid. Zie blz. 298.

Hier zij nog opgemerkt, dat de mergstralen in deze en de vorige eikenhoutsoort harder zijn, dan het hen omringend houtweefsel.

,3. Hout van deu Franschen eik \'} (ftuercus pubeseens Willd,). Deze eik behoort in Zuid-Europa thuis. Zelden komt hij noordelijker voor, bijv. in Thuringen, Baden, Lotharingen, enz. Hij verkiest altijd zonnige standplaatsen op zuidelijke en zuid-westelijke berghellingen en bovendien een drogen, vooral kalkhoudenden grond.

Istrië en de provinciën van den voormaligen Kerkelijken Staat, de Marken en Umbrië, leveren voornamelijk dit hout voor den scheepsbouw (kromhout). Stammen van 5 a 6 AI. lengte en 0.5 a 0.9 AL diameter komen in Italië voor; het Oostenrijk-sche hout heeft veel geringer afmetingen.

Het hout heeft een lichtbruine kleur.

De jaarringen zijn, ten gevolge van den uiterst langzamen

ii Men noemt dozen eik ook ...uchthan^cquot; omdat de jonge takken en bladeren met een grauwachtig vilt bedekt zijn.

-ocr page 321-

3°\'

gToei, zeer smal, maar ook weer duidelijk te onderscheiden door de aanwezigheid van groote vaten in het voorjaarshout. De zone, waarin die vaten voorkomen, is ook hier scherp

De afstand tusschen de band-vormige mergstralen is niet zeer groot en bedraagt i — 4 mM. Reeds met het bloote oog, maar toch duidelijker met de loupe, bemerkt men een karakteristiek onderscheid tusschen het weefsel van dit hout en dat der beide vorige soorten. De lichter gekleurde houtparen-chymbanden toch, komen voornamelijk in radiale en uiterst zelden in tangentiale richting tusschen \'tmeer donkere libriformweefsel voor. Toch is ook tang\'cn-tiaal houtparenchym aanwezig, maar men bemerkt het eerst duidelijk bij gebruik van don microscoop, daar de banden in die richting een zeer geringe breedte bezitten. (Zie fig. 81.) Technische eigenschappen.

Het hout van dezen eik is dichter dan dat der genoemde soorten; wat hardheid en vastheid aanbelangt, overtreft het alle andere eikenhoutsoorten met uitzondering van dat van den wintergroenen eik.

4. Hout van den Bourgondischen eik (ftuercus Cerris L.). Deze eik komt bijna overal in Midden- en Zuid-Europa voor, en vooral in de gebergten van Spanje, Italië en Zuid-Frankrijk. In Duitschland groeit de boom niet in \'t wild; wel komen enkele exemplaren in Oostenrijk voor , gemengd met andere eikensoorten of beuken. Ook deze eik verkiest kalkhoudende gronden. Oude stammen zijn dikwijls zwaar gescheurd.

De kleur van het jonge kernhout is witachtig; het wordt roodachtig bruin bij toenemenden ouderdom; het splint heeft een hooggele kleur.

De talrijke en roodgekleurde handvormige mergstralen zijn

-ocr page 322-

in den regel iets breeder dan die van de vorige soorten en ongeveer 2 a 3 niM. van elkaar verwijderd.

Do groote vaten liggen in een breede, doch zeer scherp begrensde zone.

De mergkoker doet zich voor als die van den zomereik.

Met dc lotipc ziet men weinig en slechts uiterst kleine vaten in het herfsthout; de houtparenchym-banden komen alleen in tangen-tialo richting voor. een kenmerk, waardoor dit eikenhout zich van dc andere soorten duidelijk laat onderscheiden. (Zie fig. 82). Technische eigenschappen.

I. Specifiek gewicht. In den groenen toestand 1.02—1.17 (N.); droog 0.83—0.87 (N.).

II. Krimpen. Dwarsdraads.

a) in dc spiegelrichting = 2—4 quot;/„ (X.).

b) in die der jaarringen = 7- i40/o (N.).

III. ElasticiteH cn •vastheid. Het hout is niet zoo taai en vast als dat der andere eikenhoutsoorten.

IV. Kloofbaarheid. Volgens Nördlixgkr behoort het tot dc moeilijk kloofbare houtsoorten \').

5. Hout van den wintergroenen eik (Cluercus Ilex L.) Deze boom, zoo genoemd, omdat de kleine, stijve, glanzende blaadjes altijd een groene kleur vertoonen (donkergroen aan den bovenkant, matgroen en ruw van onderen) komt voornamelijk

1) Nördlingcr deelt ovenwei ook lu i volgende mede {Techn. Eigenschaften , bl. 250). „Nnch einer -Bemerkung des Hcrrn Ober- Studicnraths Riecke zu Hohenheim , welche mir .inch von andere Seite brstiitigt wird, ist das gewöhnliehe Brennholz zu I\'esth in rngnrn Zerrnchenholz [Qiwnn; Cerris /.). nnd dieses so spa Itb ar, dass man »iilt;\' znm Spalten bestimmlen Trümmer von 1 bis 2 Fuss f.-ngc nur in einen Rahmen stcllt nnd mil dem Beil kurze Hiebt; auf das Him fiïlirt, wotlurch die Scheitellen sich mit soldier Leiehtigkoi! klüftrn . dass lt;\'s drs R.ihmnis brdarf. urn sie zuriu-kzuhallen.

-ocr page 323-

in Zuid-Europa cn in Afrika voor. Hij bolioort niet tot de gezellig levende soorten.

De wintergroene eik groeit zeer langzaam en komt slechts in kleine, kromme, soms zeer dunne stammetjes in den handel\').

De elementaire bouw van zijn geelbruin hout, in Nederland ook azijn- of azijnenhout 1) genoemd, wijkt van dien der andere eikenboutsoorten zeer af. Bandvormige mergstralen en vaten van verschillende grootte, worden hier niet aangetroffen. Jaarringen zijn met het bloote oog niet zichtbaar.

Met de loupe bemerkt men ook in dit hout radiaal geplaatste banden, uit een weefsel bestaande, dat lichter van kleur is dan\' het omringende. In dit weefsel, opgebouwd uit tracheïden met zeer verdikte en gestippelde wanden, en doorsneden door tangentiaal gericht houtparenchym, bevinden zich kleine vaten, alle van dezelfde doorsnede. De overige houtmassa bestaat uit libriformvezels, wier wanden eveneens sterk verdikt en gehofstippeld zijn.

Jaarringen kan men evenmin met de loupe als met het bloote oog ontdekken; dat zij aanwezig zijn, blijkt bij onderzoek met den microscoop. In het herfsthout blijken nu ook de cellen of vezels, vooral die in de lichter gekleurde gedeelten van het hout, meer plat en samengedrukt te zijn dan in \'t voorjaarshout; met den microscoop kan men daardoor de jaarringen onderscheiden.

Technisclie eigenschappen.

Het spec, gewicht van het hout wisselt af van 0.905- 1.030. Zooals uit de beschrijving van den elémontairen bouw blijkt, is het zeer dicht; vervolgens is het ook zwaar, beenhard en van groote vastheid.

1

V,in waar dien nanm J Dit inkenhout werd (en wordt nog) voornamelijk uil Spanjr iii\'-r aangevoerd; liet heette in den handel „hots lt;/.• ihrnc.quot; De spraakimkrnde gfineont^ . die g»»en Kranseh verstaat, en dit hout „/\'«»\'\'/ d\'sjcuequot; rn raissehien ook wi l /,/ v/.///// hoorde noemen, maakte -t langzamerhand ^ozijuev\' «,-n „aztjnhoutquot; van.

-ocr page 324-

Duurzaamheid en gebruik van het eikenhout. Overal, waar men van hot hout, naast een buitengewone duurzaamheid groote hardheid en vastheid verlangt, wordt eikenhout ten zeerste geschat. Zijn duurzaamheid is n.1. niet alleen groot in een vochtige of in een drooge omgeving, maar zelfs tegen oen afwisseling van vochtigheid en droogte is het uitstekend bestand. Eikenhout is daarom bijv. een der beste houtsoorten voor den water- en bruggenbouw, voor den spoorwegbouw, voor don bergbouw, den machinenbouw, enz. enz. Toch moeten wij erkennen, dat het gebruik niet moor zoo groot is als voorheen, \'t Eikenhout n.1.. dat vroeger in enkele streken voor bepaalde bouwwerken onontbeerlijk werd geacht, is tengevolge van de stijgende prijzen en wegens andore omstandigheden door grenen-, vurenhout, enz. wel een weinig op den achtergrond gedrongen.

Men denke bijv. aan de dwarsliggers voor don spoorwegbouw. Voorheen geloofde men, dat alleen \'t eikenhout door zijn groote duurzaamheid (de liggers duurden 10—16 jaren), met lorkenhout (duur der liggers 10 jaren) en buitengewoon best grenenhout voor de fabricage der liggers konden dienen. Sedert men evenwel genoeg ervaring van \'t imprcgnceren heeft opgedaan, gebruikt men meer andere houtsoorten, waaronder bijv. zelfs vuren- en beukenhout. \')

Voor eiken liggers gebruikc men altijd jong eikenhout en geen oud stamhout of takhout van oude stammen; is toch het hout van geringe duurzaamheid, dan zullen ook de liggers niet van langen duur zijn.

Zeer gewichtig is het eikenhout voor don scheepsbouw. Maar ook daar is het een weinig teruggedrongen, n.1. door het gebruik van Djati- of Teakhout.

Niet alle eikenhout is in den scheepsbouw te gebruiken. De beste qualiteiton worden er verlangd. En deze herkent

i) I)lt;- duur van vurenhouten liggers, op verschillende wijzen geïmpregneerd, bedraagt gemiddeld 6.6-9.6 jaren, die van beukenhouten liggers gemiddeld 13 -17.8 jaren.

-ocr page 325-

305

men gereedelijk aan de breede, overal gelijkmatig gebouwde jaarringen (niet breeder evenwel dan 7 a 8 mM.) en smalle zonen van niet te groote vaten; de kleur van een verschen spaander mag niet te bruin en moet in elk geval gelijkmatig zijn. Het hout moet vervolgens langdradig en taai zijn, en ten slotte sterk naar looizuur rieken. Zijn de jaarringen smal, de vatringen breed, de vaten wijd, is het hout kortdradig en van donkere, ongelijkmatige kleur, en riekt het overigens duf, dan heeft men met een slechte qualiteit van eikenhout te doen.

Of zomer- dan wel wintereikenhout den voorrang als scheeps-bouwhout verdient, is niet uit te maken, alleen kan gezegd worden, dat het meeste hout voor dit doel door den zomereik geleverd wordt \'). In Noorwegen wordt bepaald wintereikenhout voor den scheepsbouw verkozen.

Het Duitsche eikenhout, dat ook hier te lande wordt ingevoerd, is boven al het andere te verkiezen, zoo het slechts uit een niet te guur klimaat en van oen krachtig-en bodem in een heuvel- of bergachtig terrein afkomstig is. Ook de Adriatische kustlanden leveren een goed hout, maar het Slavonische, Poolsche, Spessarter, enz. wordt voor den scheepsbouw weinig begeerd.

Bij de Oostenrijksche marine schat men het hout van den franschen eik zeer hoog.

Do schrijnwerker gebruikt het eikenhout niet voor fijn werk, omdat het zich wegens de vele groote vaten niet fraai laat politoeren en daarenboven ook geen fraai uiterlijk hoeft.

Voor parketvloeren, voor meubels van allerlei aard is het

gt;) Uier zij opgemerkt, dat men bij gepantserde schepen, waar men aelucr li.-t i n quot;f ijzeren pantser een veerkrachtige homlaag plaatst, die aan do vernielende werkinq • ! i projectielen moet weerstand bieden, deze hontl.ing steeds uit l)jati- en niet tii( eikenln.m vervaardigt. Dit geschiedt, omdat de ijzeren bonten, die den ijzeren landen houten roni|i zullen verbinden, in het eikenhout zeer sterk door het looizuur wordni aanjM\'tnst, lu-l^een bij het Djati-hout /// veel tuinder mate het gev.il is zoodat d- b-uten dan 2 a ^ mnal langer kunnen duren.

20

-ocr page 326-

306

overigens uitstekend geschikt \'). Wij herinneren er hier aan, dat de meubelmaker het eikenhout uit het Noorden verre verkiest boven dat uit Zuidelijke streken; liet eerste is n.1. zachter en dus gemakkelijker te bewerken. Een ruim gebruik wordt ook door den wagenmaker van eikenhout gemaakt; spaken voor wielen, rongen, enz. bestaan in den regel uit eikenhout.

Bij den bouw van spoorwegwagens wordt nog altijd, hoezeer daar ook door hot toepassen van ijzerconstructies het hout op den achtergrond is gebracht, tamelijk veel eikenhout gebezigd. Voor eiken, volgens de nieuwste constructies gebouwden , g\'esloten ijzeren goederenwagen is nog altijd ruim een eikenhout noodig.

Ook de kuiper, wiens voornaamsten arbeid in de vervaardiging van vaten bestaat, gebruikt eveneens voel eikenhout. Vooral wanneer die vaten moeten dienen voor het bewaren of verzenden van vloeibare, geestrijke stoffen, zooals wijn, bier, enz. De vaten voor droge waren, vervaardigt men uit dennen-, grenen-, vuren-, beukenhout, enz.; evenzoo emmers, kuipen, enz. Alleen voor haringtonnen wordt ook veel eikenhout, maar van geringe qualiteit, gebezigd.

Men gebruikt voor goede vaten alleen eikenhout, omdat dan beantwoord kan worden aan de eischen, die men aan een degelijk vat stelt. Hot moet duurzaam zijn en sterk, opdat het bij het transport stooten en drukking kan weerstaan. Vervolgens mag de inhoud weinig of niets verminderen, en deze dus niet in vloeibaren of gasvormigen toestand door poriën of scheuren uit \'t vat ontsnappen.

Het splint en het hout uit de nabijheid van het hart worden

i) I\'.ij «;ikcn meubelen verwerkt men ook inwendig wag en schot en geen klos hout. Onder ;i\\i*cnschot verstaat men eiken stamhout, dat na de velling door het hart gekloofd — tegenwoordig meer door liet hart gezaagd — is; in het inwendige van de platen, deelen en ribben, dn- vervolgens lt;loor zagen uit de gekloofde stamdeelen zijn verkregen, treft men dus jjeen hart aan. Daar door hei klooven inwendige gebreken van den stam zichtbaar worden, neemt men voor wagenschot stammen van de beste qualiteit. /Iet hout is overigens uitstekend, daar het na het klooven goed kan uitdrogen en weinig meer werkt. Het i beter, maar ook duurder dan het klos hout •, dit is gewaterd eikenhout, dat voor bepaalde mnstructies op nftnetingen gezaagd en in den handel gebracht wordt.

-ocr page 327-

3° 7

bij de vervaardiging van vatduigon niet gebruikt; alleen hot taaie, buigbare en kwastvrije kernhout. De eerste bewerking van het eikenhout tot duigen geschiedt meestal reeds in de bosschen. Het hout wórdt daartoe gekloofd in radiale richting, zoodat op de breede vlakken der duigen de mergstralen volgens hun lengte zichtbaar worden; wordt later een vat uit dergelijke duigen vervaardigd, dan vormen de breede duig-vlakken te zamen het binnen- en buiten-oppervlak van het vat; vloeistof zal dus door \'t hout moeten dringen in een richting loodrecht op die der mergstralen, hetgeen door de ons bekende samenstelling van \'t hout niet te verwachten is.

Hot Slavonische en Rijnsche is verreweg boven het Fonische en Spessarter eikenhout te verkiezen. Het Poolsche, dat in den handel der Xoord- en Oostzeehavens een belangrijke plaats inneemt, is minder sterk en deugdzaam, heeft veel splint en veel gebreken; overigens is het fijndradig en zacht en wordt daarom door den meubelmaker meer gewenscht. Het Spessarterhout is eveneens gemakkelijker te venverken, maar poreuser; het heeft smalle jaarringen, enz.

Ook voor raamhout en raamroeden verlangt men eikenhout van geen minder qualiteit dan dat, hetwelk door den kuiper wordt gebruikt. Het raamhout, dat met een quadratischc doorsnede van 75 tot 150 mM-. in den handel voorkomt, is gekloofd eikenhout (soms lorken- of vurenhout), hetwelk alleen genoeg waarborg geeft tegen scheuren on werken en genoeg-zamen weerstand biedt aan den invloed der atmosfeer.

In den machinebouw werd het eikenhout ook meer dan thans gebruikt, in \'t algemeen voor die werktuigen of machine-deelen, die aan groote wrijving waren blootgesteld, of waarmede men kracht moest uitoefenen; schroeven, stampers in oliemolens, heiblokken, enz.

Vervolgens fabriceert men uit eikenhout in sommige streken de zolen van lederen klompen, men maakt er wandelstokken van, enz., enz.

Het hout van den wintergroenen eik, het zoogenaamde azijn-hout, dat vaster en taaier is dan dat van de overige soorten,

-ocr page 328-

304

Duurzaamheid en gebruik van het eikenhout. Overal, waar mon van het hout, naast een buitengewone duurzaamheid) groote hardheid on vastheid verlangt, wordt eikenhout ten zeerste geschat. Zijn duurzaamheid is n.1. niet alleen groot in een vochtige of in een drooge omgeving, maar zelfs tegen een afwisseling van vochtigheid en droogte is het uitstekend bestand. Eikenhout is daarom bijv. een der beste houtsoorten voor den water- en bruggenbouw, voor den spoorwegbouw, voor den bergbuuw, den machinenbouw, enz. enz. Toch moeten wij erkennen, dat het gebruik niet meer zoo groot is als voorheen, \'t Eikenhout n.1., dat vroeger in enkele streken voor bepaalde bouwwerken onontbeerlijk werd geacht, is tengevolge van de stijgende prijzen en wegens andere omstandigheden door grenen-, vurenhout, enz. wel een weinig op den achtergrond gedrongen.

Men denke bijv. aan de dwarsliggers voor den spoorwegbouw. Voorheen geloofde men, dat alleen \'t eikenhout door zijn groote duurzaamheid (de liggers duurden 10—16 jaren), met lorkenhout (duur der liggers 10 jaren) en buitengewoon best grenenhout voor de fabricage der liggers konden dienen. Sedert men evenwel genoeg ervaring van \'t inipregneeren heeft opgedaan, gebruikt men meer andere houtsoorten, waaronder bijv. zelfs vuren- en beukenhout. \')

Voor eiken liggers gebruike men altijd jong eikenhout en geen oud stamhout of takhout van oude stammen; is toch het hout van geringe duurzaamheid, dan zullen ook de liggers niet van langen duur zijn.

Zeer gewichtig is het eikenhout voor den scheepsbouw. Maar ook daar is het een weinig teruggedrongen, n.1. door het gebruik van Djati- of Teakhout.

Niet alle eikenhout is in den scheepsbouw te gebruiken. De boste qualiteiten worden er verlangd. En deze herkent

x) De duur van vurenhouten liggers, op verschillende wijzen geïmpregneerd, berlmngt gemiddeld 6.6 9.6 jaren, die vin beukenhouten liggers gemiddeld 13—17.8 jan-n.

-ocr page 329-

305

men gereedolijk aan de breede, overal gelijkmatig gebouwde jaarringen (niet breeder evenwel dan 7 a 8 mM.) en smalle zonen van niet te groote vaten; de kleur van een verschen spaander mag niet te bruin en moet in elk geval gelijkmatig zijn. Het hout moet vervolgens langdradig en taai zijn, en ten slotte sterk naar looizuur rieken. Zijn de jaarringen smal, de vatringen breed, de vaten wijd, is liet hout kortdradig en van donkere, ongelijkmatige kleur, en riekt het overigens duf, dan heeft men met een slechte qualiteit van eikenhout te doen.

Of zomer- dan wel wintereikenhout den voorrang als scheeps-bouwhout verdient, is niet uit te maken, alleen kan gezegd worden, dat het meeste hout voor dit doel door den zomereik geleverd wordt \'). In Noorwegen wordt bepaald wintereikenhout voor den scheepsbouw verkozen.

Het Duitsche eikenhout, dat ook hier te lande wordt ing\'e-voerd, is boven al het andere te verkiezen, zoo hot slechts uit een niet te guur klimaat en van oen krachtigen bodem in een heuvel- of bergachtig terrein afkomstig is. Ook de Adriatische kustlanden leveren een goed hout, maar het Slavonische, Poolsche, Spessarter, enz. wordt voor den scheepsbouw weinig begeerd.

Bij de Oostenrijksche marine schat men het hout van den Franschen eik zeer hoog.

De schrijnwerker gebruikt het eikenhout niet voor fijn werk, omdat hot zich wegens de vele groote vaten niet fraai laat politoeren en daarenboven ook geen fraai uiterlijk heeft.

Voor parketvloeren, voor meubels van allerlei aard is liet

1) Hier zij opgemerkt, dat men bij gepantserde sehepen, waar men achter het st.i. n quot;f ijzeren pantser een veerkracht-ge hotitlaag plaatst, die aan de vernielende werking •In projectielen moet weerstand bieden, deze houtliag steeds uit 1 \'jati- en niet uit i-ikcnh\'-n: vervaardigt. Dit geschiedt, omdat de ijzeren bouten, die den ijz-ren aan d^n houten romp zullen verbinden , in het eikenhout zeer sterk door liet looizuur wordfn aangetast, hetgem bij het Djati-hout iv veel winder ;;/,///• het gcv.d is. zoodnt (!lt;• b lUten dan .■ a 3 ma il langer kunnen duren.

-ocr page 330-

306

overigens uitstekend geschikt \'). Wij herinneren er hier aan, dat de meubelmaker het eikenhout uit het Noorden verre verkiest boven dat uit Zuidelijke streken; het eerste is n.1. zachter en dus gemakkelijker te bewerken. Een ruim gebruik wordt ook door don wagenmaker van eikenhout gemaakt; spaken voor wielen, rongen, enz. bestaan in den regel uit eikenhout.

Bij den bouw van spoorwegwagens wordt nog altijd, hoezeer daar ook door het toepassen van ijzerconstructies het hout op den achtergrond is gebracht, tamelijk veel eikenhout gebezigd. Voor eiken, volgens de nieuwste constructies gebouwden , gesloten ijzeren goederenwagen is nog altijd ruim een M3 eikenhout noodig\'.

(Dok de kuiper, wiens voornaamsten arbeid in de vervaardiging van vaten bestaat, gebruikt eveneens veel eikenhout. Vooral wanneer die vaten moeten dienen voor het bewaren of verzenden van vloeibare, geestrijke stoffen , zooals wijn, bier, enz. De vaten voor droge waren, vervaardigt men uit dennen-, grenen-, vuren-, beukenhout, enz.; evenzoo emmers, kuipen, en/.. Alleen voor haringtonnen wordt ook veel eikenhout, maar van geringe qualiteit, gebezigd.

Men gebruikt voor goede vaten alleen eikenhout, omdat dan beantwoord kan worden aan de eischen, die men aan een degelijk vat stelt. Het moet duurzaam zijn en sterk, opdat het bij het transport stooten en drukking kan weerstaan. Vervolgens mag de inhoud weinig of niets verminderen, en deze dus niet in vloeibaren of gasvormigen toestand door poriën of scheuren uit \'t vat ontsnappen.

Het splint en het hout uit de nabijheid van het hart worden

r) Bij eiken meubelen verwerkt men ook inwendig wagenschot en geen kloshout. OncI(;r uuiqenschot verstaal men eiken starnhout, dat na de velling door het hart gekloofd — tegenwoordig meer door het hart gezaagd — is; in het inwendige van de platen , deelen •!i ribht-n . die v rvolgcns door zagen uit de gekloofde stamdeelen zijn verkregen, treft men dus geen hart aan. Daar door hel klooven inwendige gebreken van den stam zichtbaar worden, net.ml men voor wagenschot stammen van de beste qualiteit. /iet hout is overi-gens uitstekend, daar het na hel klooven goed kan uitdrogen en weinig meer werkt. Het is beter, maar ook duurder dan het kloshout; dit is gewaterd eikenhout, dat voor bepaalde constructies op afmetingen gezaigd en in den handel gebracht wordt.

-ocr page 331-

bij de vervaardiging van vatduigen niet gebruikt; alleen liet taaie, buigbare en kwastvrije kernhout. De eerste bewerking-van het eikenhout tot duigen geschiedt meestal reeds in de bosschen. Het hout wordt daartoe gekloofd in radiale richting, zoodat op de brcede vlakken der duigen de mergstralen volgens hun lengte zichtbaar worden; wordt later een vat uit dergelijke duigen vervaardigd, dan vormen de brecdo duig-vlakken te zamen het binnen- en buiten-oppervlak van het vat; vloeistof zal dus door \'t hout moeten dringen in een richting loodrecht op die dor mergstralen, hetgeen door de ons bekende samenstelling van \'t hout niet te verwachten is.

Het Slavonische en Rijnsche is verreweg boven het Pool-sche en Spessartcr eikenhout te verkiezen. Hot Poolsche, dat in den handel dor Noord- en Oostzeehavens een belangrijke plaats inneemt, is minder sterk en deugdzaam, heeft voel splint en veel gebreken; overigens is het fijndradig en zacht en wordt daarom door den meubelmaker moer gewenscht. Het Spessarterhout is eveneens gemakkelijker te verwerken, maar poreuscr; het hoeft smalle jaarringen, enz.

Ook voor raamhout en raamroeden verlangt men eikenhout van geen minder qualiteit dan dat, hetwelk door den kuiper wordt gebruikt. Het raamhout, dat met een quadratischc doorsnede van 75 tot 150 mM-. in den handel voorkomt, is gekloofd eikenhout (soms lorken- of vurenhout), hetwelk alleen genoeg waarborg geeft teg-en scheuren en werken en genoog-zamen weerstand biedt aan den invloed der atmosfeer.

In den machinebouw werd het eikenhout ook meer dan thans gebruikt, in \'t algemeen voor die werktuigen of machine-deelen, die aan groote wrijving waren blootgesteld, of waarmede men kracht moest uitoefenen: schroeven, stampers in oliemolens, heiblokken, enz.

Vervolgens fabriceert men uit eikenhout in sommige streken de zolen van lederen klompen, men maakt er wandelstokken van, enz., enz.

Het hout van den wintergroenen eik, het zoogenaamde azijn-hout, dat vaster en taaier is dan dat van de overige soorten,

-ocr page 332-

3oS

maar kromdradig en moeilijk te bewerken , dient ter vervaardiging\' van heften, houten hamers, kammen in raderen, enz.

Het eikenhout droogt zeer moeilijk en is, vochtig zijnde, zeer sterk aan kromtrekken onderhevig; laat men het dus langs don natuurlijken weg drogen, zoo zijn er jaren mede gemoeid voor men het op plaatsen gebruiken kan, waar kromtrekken schadelijk zou werken.

Het is ten slotte aan velerlei gebreken onderhevig; eiken stammen van middelbare afmetingen (0.6—1.2 M. dikte) bezitten gemeenlijk het beste en meest gezonde hout, vooral wanneer zij in een niet tc ruw klimaat en in vrijen stand zijn gegroeid. Men treft bij het eikenhout, loshartigheid (ook hol en rot), maanringen of dubbel splint, vlekken op dwarsche doorsnede (zwarte en bruine), witte en geelgepijpte kwasten, uileveeren, paardenpooten of bomslag \'), kortom allerlei gebreken aan, die grootendeels aan de vernielende werking der kleine woekerplantjos moeten worden toegeschreven.

93. Djati-hout iTeak-hout) -). De Djati-boom (Tectona grandis L. fil.), waarvan deze houtsoort afstamt, komt slechts voor tusschen den 73s,en en den i20st,\'n lengtegraad. Oostelijk van Greenwich, van den ioden tot don 26s,cn graad Noorderbreedte en van den 6\'lm tot den gdcn graad Zuiderbreedte.

I lij groeit slechts welig op plaatsen, waar een afwisseling van moessons hoerscht — overal elders zijn alle pogingen ter aanplanting tot heden zoor slecht geslaagd.

1) Bomslag is het gevolg van een beschadiging van den stam vóór de veiling.

Men zie overigens voor afbeelding en beschrijving dezer gebreken; Proeve over het • ikenhout bij bouxv \' m schepen iv gebruik. Uit het Deensch vertaald door 11. G.

Janskn. Amsterdam en \'sGravenhage bij Gebr. van Cleef. 1842.

21 Cokdf.s [de Djati-b:sschen op Java. hlz. 1) zegt: In den Oost-Indischen Archipel draagt de Djati-boom algemeen den naam Jati of Djati; zijn hout heet Kajoe jatie of K.ijoe djati In de Maleische en dt- Javaansche, en A7 djati in de Soendaneesche taal. De Kngelsche benaming leak of Tek, afgeleid van Tayk of Doda-Tayka, onder welken naam de inboorlingen van Malabar den boom kennen, is van veel meer algemeene bekendheid. In de Europeesche talen wordt dan ook steeds van Teak-tiruber, bois de Tek, Tek des Indes. Teak of Tekhoh gesproken. Ook het Djati-hout van Javn wordt dikwijls Java- Teak genoemd.

-ocr page 333-

309

Do boom wordt, gezelligquot; levend, voornamelijk in Voiir- en .Vchter-lndië iMalabar, Birma \') Siam) en in denOost-Indisclien Archipel op Java aangetroffen. Vooral het midden en oostelijk gedeelte van dit eiland is rijk aan Djati-bosschen, die zoowel oorspronkelijk zijn als aangekweekt (residenties Rembang, Madioen, Semarang, Soerakarta, enz.).

De Djati komt nog tot 600 M. boven \'t zeeoppervlak voor. Weligquot; tiert hij in een heuvelachtig droog terrein; zoowel in een aan humus rijken als in oen schralen kalkgrond.

In zijn jeugd ontwikkelt de boom zich zeer wel, vooral in do lengte, maar is toch eerst op 80 tot 100-jarigen leeftijd volwassen; volkomen gave stammen, meer dan 200 jaren oud, zijn evenwel geen zeldzaamheid. De hoogte van een volwassen Djati-boom op Java bedraagt 30 a 40 M.; de stamdikte, voor de borst gemeten, varieert van 0.4 tot 1.6 M.

Zelden zijn Djati-boomen zeer hoog en recht opgeschoten. Meestal hebben zij een bochtigon groei en dikwijls beg\'int de takverdooling reeds op goringen afstand van den grond. Door een gesloten stand kan men den lengtegroei bevorderen en de takverdeeling tot op een hoogte van 18 a 20 M. brengen.

De Djati-boom is een kernhoutboom. Het splint, in den regel niet zeer breed (8—12 jaarringen), heeft een helder geelachtig witte kleur; het kernhout van den pas gevelden boom is donker grauwbruin of zelfs groenachtigquot;. Zeer spoedig wordt deze kleur evenwel lichtbruin -).

De mergkoker heeft een breedte van 3—5 mM. en een vierhoekige doorsnede.

De jaarringen, ontstaan door den stilstand in den groei

1) De voornaamste uitvoer van Djati-hout naar Europa heeft plaats uit de twee hnven-plaatsen van Britsch-Birma: Moulmain en Rangoon.

2) In de Residentie Rembang onderscheiden de inlanders velschillende v.ni-\'iteiten v.tn Djati-boomen, (GorüES , de Djati-bosschen op Java , blz. 28) bijv.:

Djati soenggoeh (echte Djati) heeft een donker kastanjebruin hout;

,, minjak (olie Djati) heeft een gestreept en donkerder gekleurd hout, zeer vettig in

verschen toestand;

.. kapoer (kalk Djati) met een rijk en zichtbaar gehalte aan kalk, enz.

-ocr page 334-

.SI O

gedurende het droge jaargetijde (op Java van Juni tot October, in Britsch-Indië van December of Januari tot April of Mei), zijn zeer duidelijk waar te nemen, omdat, evenals bijv. in het eikenhout, een aantal groote vaten kringsgewijze in het voorjaarshout der jaarringen zijn geplaatst; ook is de kleur van het houtweefsel in dit gedeelte van den ring verschillend van die van het herfsthout.

Met het bloote oog zijn de zeer fijne en talrijke merg-stralen en hier en daar oncchte \') mergstralen duidelijk te hespeuren.

Met dc loupe, doen zich de mergstralen voor als lichte lijnen igt;p een donkeren grond; zij loopen kronkelend door \'t hout-vveefsel en zelfs in dealen, waar geon groote vaten hen daartoe noodzaken, zijn de stralen niet rechtlijnig. Do bandvormige mergstralen worden nu in een aantal fijnere mergstralen ont-leed, die elk voor zich voor \'t naakte oog onzichtbaar waren.

Microscopisch onderzocht, blijkt het hout veel overeenkomst met dat van den walnoot (Juglans regia L.) te hebben. Van eikenhout onderscheidt hot zich door de afwezigheid der radiale en tangentiale banden van houtparenchym, waaraan waarschijnlijk de grootere duurzaamheid van Djati- boven eikenhout moet worden toegeschreven, want overigens bestaat het Djatihout uit libriformvezels -) met sterk verdikte, gehofstippelde wanden, die ook de grondmassa van het eikenhout uitmaken. Natuurlijk zijn die vezelwanden in het gedeelte van de jaarringen, dat in den West-moesson in October, November en December werd gevormd, en dat met het voorjaarshout van onze Europeesche boomen te vergelijken is, minder dik dan in het hout, dat later tot aan de maand Juni gevormd wordt en met het herfsthout overeenkomt. Aan dit libriform-weefsel dankt het Djati-hout zijn harde, hoornachtige natuur en zijn-betrekkelijk hoog specifiek gewicht.

De vatwanden zijn bedekt met kleine hofstippels; alleen

l\'( 7\'v 1)1/. ji,

2) Zoowd enkclvuUiials gedeeld librifonn komt in het Djati-hout voor; zie blz. 40 en fig. 18.

-ocr page 335-

daar, waar zij aan mergstralen grenzen, komen groote, gewone stippels voor. De dwarsche wanden zijn door ronde openingen doorboord. De vaten zijn gevuld met thyllen. In de nabijheid der vaten komen slechts weinig parenchymccllen voor; deze zijn veel dunner van wand dan de libriformvezels.

De mergstralcn zijn slechts 2 a 4 cellen, zelden één eet breed; volgens do hoogte bestaan zij uit 6 tot 10 celrijen. Ook hun wanden zijn van hofstippels voorzien en, evenals die der houtvezels, met een bruingekleurdc, harsachtige stof bedekt.

Technische eigenschappen.

1. Specifiek gewichf. Het spec, gewicht van goed uitgedroogd Djati-hout is iets geringer dan dat van eikenhout.

Gem. waarde = 0.680 (volgens Nörulingkr, voor verschillende variëteiten van Djati) \').

Djati-hout van Java = 0.592—0.705 (Figf.e) -).

Djati-hout van Britsch-Indie — 0.540—0.788 (Figee).

II. Krimpen. Goed uitgedroogd Djati-hout krimpt en scheurt bijna niet. Daarom uitstekend voor dekplanken op schepen; deze behoeven bijna nooit gebreeuwd te worden.

III. Zwellen, totdat het hout met water verzadigd is.

A) in de draadrichting = 0.22 % („Ostindisches Teak-holzquot;) (L.).

B) dwarsdraads, a) in de spiegelriehting =1.12 quot;/„

(!..); 0.414 -1.155 quot;/„ (Kernquot; hout van Java-Djati) (N.). b) in die der jaarringen =3.20quot;/,, {]..); 0.471 -1.704% (Kern-hout van Java-Djati) (N.).

1) Der (Jivilingcnieur. Deel XXV , afl. 6 en 7.

2) Tijdschrift der Ned. Maatsch. t. b. v. Nijverheid, .(de reeks, deel I, blz. 416 e. v

-ocr page 336-

312

IV. Elasticiteit en vastheid.

1. Rekkende krachten. In de richting v:in den draad.

Elasticiteits-coëfficiënt = 873 (Java-Djati) ( volgens proeven op de marinewerf te Amsterdam in 1876); 1025 (Moulmain-ïeak) (volgens proeven op de marinewerf te Amst. in 1876). Vastheids-coëfficiënt = 13.16 (N.).

2. Drukkende krachten. Tn de richting van den draad.

Vastheids-coëfficiënt = 6.04 (X.).

3. Buigende krachten.

Gemiddelde statistische elasticiteits-coëfficiënt voor Teak en Djati-kapoor — 1183.96 (Fiuee) \'). Elasticiteits-coëfficiënt — 1063.35 (gemiddeld resultaat van verschillende waarnemers) 1). V, Hardheid van het Djati-hout is zeer groot. Dat uil de bergstreken is harder dan het hout uit de vlakten. Worden de stammen niet bijtijds geveld, maar blijven ze tot op een hoogen leeftijd staan, dan wordt het harde hout tevens bros.

VI. Kloof baarheid. Deze is tamelijk groot en doet niet onder voor die van elzenhout (X.).

VII. Dmirzaainheid en gebruik. Hot Djati-hout bezit een groote mate van duurzaamheid; het is volkomen bestand tegen afwisseling van vochtigheid en droogte. Ook onder water is het onvergankelijk, zoo het niet door den paalworm kan worden vernield.

Een zorgvuldige behandeling heeft op de duurzaamheid van Djati-hout een grooten invloed. Het krachtigste, sterkste hout is dat van middelbaren leeftijd, dat, in don Oost-moesson geveld, goed gewaterd en door en door droog is *).

1

Als boven.

-ocr page 337-

313

Goed uitgedroogd Djati-kernhout krimpt en scheurt bijna niet. Op het gevoel is het vettig, ten gevolge van dc harsachtige stoffen in het houtweefscl, die het tevens een eigenaardigen reuk vcrlecnen. Deze reuk beschermt het droge hout uitermate tegen de aanvallen van insecten; zelfs do witte mieren in Indië tasten het niet spoedig aan.

Vochtig hout wordt door zwammen aangetast en is op de stapelplaatsen zeer aan scheuren onderhevig.

Maar ook het goed behandelde hout is niet vrij van gebreken. Het is, evenals onze houtsoorten, aan ver-vuring onderhevig (gepijpte kwasten, uileveeren). Vervolgens bemerkt men zeer dikwijls kleine ronde gangen in het hout; deze zijn waarschijnlijk vóór de velling door kleine larven gegraven, die door den Javaan Olan-Olan Djat worden genoemd; men vreest die gangen in het hout niet zeer.

Meer is dit het geval met dc kalkaofemz, die somwijlen zoo talrijk zijn, dat het hout een witachtige kleur vertoont, of met de kalk;7«o-c«, die, zooals wij reeds op blz. 84 meedeelden, dikwijls een groot volume in hot stam-hout innemen \'). Een dergelijk stamhout bezit natuurlijk een zeer geringe waarde; hoogstens zijn enkele gedeelten er van voor klein werk te gebruiken. Hetzelfde

ringen , ten einde goed uitgedroogd hout te krijgen. Men hakt daartoe , tegen het invallen van het regenseizoen, dicht bij den grond, met eene bijl rondom in den stam eene diepe inkeep , die door schors en spint tot in het hout doorgaat, ter wijdte van minstens 5 Ned. duimen. Het voedingssap vloeit dan langs dien uitgekapten ring wegquot;.

Op blz. 51 lezen wij evenwel: „Het ringen der Djati-boomen vindt ook niet algemeen bijval. Velen zijn van gevoelen dat het beter is de stammen ongeringd te vellen en daarna in water te leggen , liefst in stroomend water waardoor de voedingssappen, die juist de verrotting, het bederf, de vervuring veroorzaken, beter zouden worden uitgedreven dan door het zoogenaamde doodbloeden op stam na het ringen geschiedt, zelfs al wordt het hout hierna ook nog in water gelegd, in welk geval toch de sappen reeds grootendeels in het hout zijn opgedroogd en moeilijker zullen verwijderd worden.

Ook in Britsch-Indië is men het omtrent de voor- en nadeelen van het ringen nog niet eensquot;.

«) Op blz. 89 is de chemische samenstelling eener witte kalkafzetting in Djati-hout meegedeeld.

-ocr page 338-

3i4

nadeel ondervindt men door de holstammigquot;heid der Djati-boomen; vele, welig opgeschoten , fraaie exemplaren, waaraan bij dc keuring op stam niets bemerkt werd, blijken na de velling slechts eenige weinige planken tc kunnen leveren.

Het Djatihout, dat, wat buigzaamheid en veerkracht betreft, bijv. bij ons grenenhout ten achter staat, is evenwel vaster dan alle Europeesche houtsoorten.

Het kan op alle mogelijke wijzen cn, niettegenstaande dc hardheid, zeer gemakkelijk worden bewerkt; enkele malen is het hout warrig en kortdradig en daardoor iets stug bij de bewerking. Het laat zich zeer goed snijden, draaien en politoeren (vooral dat van don Djati Kembang — bloem-TipXi wegens de geur — en het gevlamde hout van den Djati-doreng kan zeer fraai gepolitoerd worden).

In den scheepsbouw wordt het Djati-hout zeer op prijs gesteld en voornamelijk voor den bouw van marineschepen. Op \'s Rijks werf te Amsterdam, evenzeer op de marinewerven te Kiel, Cherbourg en Triest worden groote hoeveelheden Djati-hout gebruikt. Dat de harsachtige stof (olie ?) in de vezels het ijzer aantast en dus bij gecombineerde stelsels van scheepsbouw zeer nadeelig werkt, hoewel minder dan eikenhout, hebben wij reeds bij de beschrijving dezer houtsoort opgemerkt \').

Maar ook bij handelsschepen, die de keerkringszeeën bezoeken, maakt men ruimschoots gebruik van Djatihout voor binnenbetimmering, bovendek, enz. 1).

r) Enkele schrijvers en (l- ^kundigen met-nen , (Jat door do olieachtige stof in het Djatihout het er mede in aanraking zijnde ijzer voor oxydatie wordt beveiligd, l\'it verschillende feiten !\'lijkt evenwel, dat deze meening zeer onjuist is. In ons bezit zijn bijv. twee ijzeren bouten, uit \'Te Aruba, een schroefstoomscheepje 4\'J\'quot; kl., afkomstig Deze bouten komen uil de houten kiel. die daardoor aan de ijzeren kiel verbonden was. De houten kiel was van Djati-hout; voor zoover de bouten door het Djati-hout omgeven zijn geweest, zijn ze geducht aangevreten en is hun flikte tot op de helft gereduceerd.

2) Dc mailbooten der Stoomvaart-maatschappij Nederland , die in Schotland gebouwd

-ocr page 339-

Voor tien huishouw neemt het tfebruik van Djati-hout hier te lande al meer en meer toe (trappen, deuren, kozijnen). Ook voor meubelmakers en houtsnijders is het oen zeer goed materiaal.

Opmerking. Veel van \'t gfeen wij hierboven omtrent Djati-hout moedeelden is ontleend aan de reeds meermalen aangehaalde monographie van den Heer Inspecteur van het Bosch wezen in Ned. Indië, J. W. H. Cordes, over de Djah-hosschen op \'Java, enz.

Terwijl wij de kennismaking met dit belangrijk werk ten hoogste aanbevelen, in de eerste plaats aan verbruikers van Djati, wenschen wij ten slotte de aandacht te vestigen op de volg-ende, daarin op blz. 279 voorkomende, zinsneden:

„Aan weinigen is het bekend hoe het Djati-hout als bouw-„en timmerhout in \'t algemeen het beste eikenhout overtreft. „Daarbij heeft zich in Nederland de verkeerde meening gevestigd dat het Djati-hout in qualiteit voor het Moulmain-Teak „onderdoet. Het tegendeel is waar.

„Het Java-Djati-hout overtreft door zijne fijnere vezel dit „laatste nog in deugdzaamheid. Die minder goede naam van „het Djati-hout moet grootendeels worden geweten aan de „houtondememers op Java die facturen naar Nederland zenden. „Wat zij verzonden was meest zeer klein hout van zeer infe-„rieure qualiteit, benevens kromhouten die ook hier (in Indië) „onverkoopbaar waren. Dat uitschot kon dan ook slechts „tegen zeer lage prijzen van de hand gezet worden, wat nu „de ondernemers afschrikt proeven op groote schaal te wagen. „Het zou zeer te wenschen zijn, dat door het zenden van „betere facturen aan het Djati-hout in Nederland zijn goeden „naam werd teruggegeven en daar een uitweg gevonden werd „voor dit uitmuntend? timmerhout, waarvan op Java maar al „te spoedig de markt wordt overvoerd. Kan eenmaal in Ne-

zijn, hebben oen binnènbctimmering en bovendek van Djati-hout; ook de stoomschepen der Ned. Ind. S toom vaart-rnaatschappij. die eveneens op de Sebotsche werven zijn vervaardigd, gt;.ijn grootendeels uit Teakhout (uit Britseh-Indiö) gebouwd.

-ocr page 340-

3 \'6

„dèrland ecnc geregelde markt voor het Djati-hout van Java „geopend worden, en voorzien de Regeering en mogelijk ook „vreemde mogendheden zich daar van dit meer en meer on-„misbare hout \') eerst dan zal aan de exploitatie der Djati-„bosschen op Java eene uitbreiding kunnen gegeven worden, „die aan hunne uitgestrektheid en den jaarlijkschen bijgroei „van het hout geëvenredigd is.quot;

94. IJpenhout. Het ijpenhout uit den handel is, voor zoover het ons vaderland betreft afkomstig van den ge-meenen ijp 1 Ulmus campestris L. Spach) en variëteiten van dezen boom.

Deze ijp is over geheel Europa verspreid, voornamelijk over het Westelijk- en Middengedeelte en Noordelijk tot 66° Noorderbreedte. liij groeit in alle gronden; maar de zwaarste boomen, die tevens het beste hout leveren, komen van goede, vruchtbare (niet moerasachtige) kleigronden, waar de wortels flink in kunnen doordringen. Daar de boom bovendien betrekkelijk snol groeit en in ongeveer 70 jaren een hoogte bereikt van ruim 30 M., bij een stamdikte, voor de borst g-emeten, van 0.6-1 M., en zijn hout veel waarde bezit, kan het kweeken van ijpen in ons land met veel voordeel geschieden. Men vindt dezen ijp dan ook zoowel wild in de bosschen als overal langs wegen, kaden en polderdijken. Vooral de Zeeuwsche ijpen hebben een uitstekenden naam; hun rechtdradig stamhout.

1

In het Ahr/ overzicht van den handel in fijne werkhouten over 1885, van dc makelaars Ovkkgaauvv en de Blaauw te Rotterdam , leest men

„Van Djati hout, Java Teak, kwamen hier aan de markt, direct van Java, 3466 blokken, inhoudende circa 1000 M2. De qualiteit dezer partij was zeer goed, doch liet wat de lengte en breedte aangaat, veel te wenschen over en dit was oorzaak, dat dc verkoop minder grif plaats vond dan het geval zou geweest zijn bij grooter lengte en breedte. Alleen lang, breed en gezond hout is voor den scheepsbouw een eerste behoefte en daarvoor wil men wel hooge prijzen betalen, terwijl kort, smal of defect, zelfs tot veel lager prijzen moeilijk is te verkoopenquot;.

2

L., verwerkt.

-ocr page 341-

317

dat gfemcenlijk in Holland gewaterd wordt, wordt als work-hout ten hoogste geschat \').

De ijp is een kern-rijphoutboom \'1). Het splint, gewoonlijk niet zeer breed (gemidd. 8 jaarringen volgens Nördlinger) heeft een witte, geelachtige kleur; het rijphout is licht vleesch-kleurig, het kernhout eindelijk meer of minder bruin. Vooral het hout van oude, dikke stammen vertoont bruinachtige vlammen en na gladde bewerking een fraai gewaterd uiterlijk.

De jaarringen zijn duidelijk zichtbaar; evenals bij het eikenhout is ook hier een ring van groote vaten in \'t voorjaarshout aanwezig. Op een gladde dwarsche doorsnede bemerkt men geen vaten in het overige deel der jaarringen, doch slechts lichtbruine, fijngegolfde strepen, die op eenigen afstand van elkaar en in tangentiale richting het meer donkerbruin gekleurde houtweefsel doorsnijden.

Op een radiale doorsnede zijn de groote vaten duidelijk zichtbaar; zij vormen daar in de draadrichting als \'t ware bijna onafgebroken banden.

Ook zijn met \'t bloote oog, in alle doorsneden, de talrijke, fijne mergstralen te bespeuren; op radiale doorsnede is het hout door de kleine mergstralen eigenaardig gestippeld en zeer glanzig.

De mergkokor heeft een afgerond, veelhoekige doorsnede van i a 2 mM.

Bij het onderzoek met de loupe komen op een dwarsche doorsnede ook talrijke kleine vaten te voorschijn in het overige gedeelte der jaarringen en het blijkt nu, dat de lichtbruin gekleurde strepen, waarvan wij zooeven melding maakten, hoofdzakelijk door deze kleine vaten gevormd worden. Evenals de groote vaten in een enkelen broeden ring in \'t voorjaarshout voorkomen, doorsnijden de kleine in verschillende parallelle ringen hot herfsthout.

1

Hel ijponhont , «lat mrn als , inlandsc/i qnalilifcert, - ii in ami. p- provim ilt;-n gegroeid is , is naar sommigen willen veelal rot op \'t hart.

-ocr page 342-

3i8

Microscopisch onderzocht, blijkt het hout uit libriform, hout-parenchym (gedeeld en ongedeeld) en tracheïden te bestaan, liet libriform vormt de grondmassa van het hout; het is het meer donkerbruin gekleurde gedeelte van het houtweefsel. In dit libriform bevinden zich geen vaten. De libriform vezels hebben gemiddeld een doorsnede van 0.014 niM.; de holte, die door de wanden wordt ingesloten, heeft slechts een diameter van 0.0072 mM., waaruit volgt, dat deze vezels zeer verdikte wanden bezitten en do grondmassa van het ijpenhout dus uit zeer vaste en sterke elementen bestaat.

Kleine groepen van houtparenchymcellen, meestal rondom do vaten, komen met een gering aantal tracheïden tusschen de grondmassa voor.

De vaten zijn, zooals wij trouwens reeds opmerkten , tweeërlei; groot in \'t voorjaarshout met een doorsnede van 0.158 mM. (dus kleiner dan die in \'t eikenhout) en kleine vaten met een doorsnede van 0.036 mM. en minder in het overige deel der jaarringen. Heide vatsoorten bezitten gestippelde wanden; die der kleine vaten zijn gemeenlijk ook nog van een spiraalvormige verdikking voorzien.

De mergstralen bestaan volgens de breedte uit 1 tot 6 celrijon; daar elke cel gemiddeld slechts 0.011 mM. breed is, is de breedte der mergstralen dus ook zeer gering en veel geringer dan de hoogte, die door het veel grooter aantal celrijen in die richting, afwisselend tusschen 6 en 50, ruim \'/, mM. bedragen kan. De wanden der mergstraalcellen zijn zeer dun. De cellen zelf bevatten zetmeel; ook bruine harskorrels worden er in aangetroffen.

Technische eigenschappen.

1. Specifiek gewicht. Luchtdroog 0.56—0.82 (X.), gem.

o.óy (N.), groen = 0.73—1.18 (N.).

II. Krimpen. A) In de richting van den draad = 1 —1.16 quot;/„ (N.), 0.3 % (F.) en o.t % (F.).

15) Dwarsdraads, a) in de spiegelrichting

1—4 % (N.), 3. 1 n/u (F.) en

-ocr page 343-

319

b) in die der jaarringen — 4-8 quot;/„ (N.).

III. /.wellen. A) In do richting van den draad = 0.124 quot;/u (L.) \')■

B) dwarsdraads, a) in de spiegelrichting = 2-94 % (L.).

b) in die dor jaarringen =

6,22 7,, (L.)-

De vermeerdering in volume = 9.7 quot;/„ (W.). „ „ „ gewicht = 102 % (W.).

IV. Elasticiteit en vastheid.

1. Rekkende krachten. A) In de richting van den draad.

Elasticiteits-grens = 1.47 (AL), 1.S42 (Ch. en W\'.). Elasticiteits-coëfficiënt = 1325 (M.), 1087.7 (Ch. on W.).

Vastheids-coëfficiënt = 4.5 (M.), 6.99 (Ch.enW.). B). Dwarsdraads.

a) in dc spiegelrichting.

Elasticiteits-coëfficiënt = 122.6 (Ch. en W.). Vastheids-coëfficiënt = 0.345 (Ch. en W\'.).

b) in die der jaarringen.

Elasticiteits-coëfficiënt = 63.4 (Ch. en W.). Vastheids-coëfficiënt = 0.366 (Ch. en

2. Drukkende krachten. In de richting van den draad.

Elasticiteits-grens = 1.55 (M.)-Elasticiteits-coëfficiënt 1034.1 (AL), 1242.9 (Ch. en W.).

Vastheids-coëfficiënt - 2.37 (M.), 3.99—5.37(N.).

3. Buigende krachten.

Elasticiteits-grens = 1.56 (M.). Elasticiteits-coëfficiënt = 647 (M.). Vastheids-coëfficiënt = 4.37 (M.), 9.9-11.73 (46-jarigen boom van kleigrond, volgens X.),

1) De getallen van Laves lu\'bbon betrekking op ,, Ulmetiholz . nnar alle waarschijnlijk h\'.;ifi hout van i\'. cam pestris /..

-ocr page 344-

4- Afschuivende kracJilcn. A.) In de richting- van don draad.

Vastheids-coëfficiënt = 0.61 (M.).

B) Dvvarsdraads.

Vastheids-coëfficiënt = 2.71 (M.). 5. Wringende krachten.

Elasticiteits-gTcns = 0.29 (M.).

Elasticiteits-coëfficiënt = 581 7 (M.).

Vastheids-coëfficiënt == 079 (M.).

Kloof baarheid. Het ijponhout behoort tot de zeer moeilijk kloofbare houtsoorten (klasse II van Nördlinger).

Luchtdroge stukken kernhout splijten;

in radiale richting bij een belasting van 33—\'50 Kg. in tangentiale- „ „ „ „ „ 48 Kg.

Hot kloofvlak is overigens tamelijk glad, maar gebogen, schelpachtig.

Oud cn uitgedroogd ijpenhout is aan splijten onderhevig. Duurzaamheid en gebruik. Het ijpenhout, dat tamelijk hard, langdradig, taai en, zooals uit de voorgaande tabel blijkt, zeer vast cn elastisch is, kan ook zeer duurzaam worden genoemd. Namelijk voor zoover zulks het rijphout en het kemhout betreft, daar het splint zeer spoedig door den worm wordt aangetast.

Het kernhout weerstaat tamelijk goed de afwisseling viin vochtigheid cn droogte; het werkt weinig en doet onder water en in den grond voor eikenhout niet onder.

Ijpenhout laat zich zeer goed snijden en beter spijkeren dan eikenhout, doch heeft met dit hout gemeen, dat het ook op harde gedeelten scheurt. Vooral het Zeeuwsche ijpenhout laat zich fraai bewerken.

Door zijn groote veerkracht is het uitstekend geschikt voor alle constructies, die veel aan schokken cn stooten zijn blootgesteld. Het is daarom voor den wagen- en rijtuigmaker een der belangrijkste houtsoorten. Naven en vollingen van wielen, assen en kromme dissels van boerenwagens, het geraamte van rijtuigbakken, die geolied worden, enz., enz., /ij worden alle in den regel

-ocr page 345-

van ijpenhout vervaardigd. Voor mangelrollen, hakblokken, houten hamers en in den laatsten tijd ook voor parketvloeren ziet men ijpenhout gebruiken Ook voor de fabricage van stoelen heeft het groote waarde.

Als bouwhout wordt het zelden gebezigd; in Engeland bij uitzondering in den scheepsbouw. Wortelhout wordt door draaiers gezocht.

Natuurlijk moet het ijpenhout, zal het als werkhout uitstekend dienst kunnen doen, gezond en volmaakt droog, niet warrig en niet geelachtig gekleurd zijn, hetgeen of een bewijs van te jong hout, óf van een begin van ontleding is. Men gebruikt het zelden ongewaterd , daar het in dat geval zeer sterk aan rotting onderhevig is.

95. Esschenhout Dit uitstekend werkhout wordt ons geleverd door den gemeenen esch (Fraxinus excelsior L.),

die in ons land algemeen langs wegen en in bosschen voorkomt en veel wordt aangekweekt. De esch treft men door geheel Europa aan; in Duitschland is hij algemeen verspreid. Noordelijk (in Noorwegen) komt hij zelfs tot 66quot; XB. voor: Oostwaarts tot aan de Kaspische Zee, Zuidelijk tot Opper-Italië en in Zuid-westelijke richting tot in het Noorden van Spanje en Portugal.

De esch groeit in alle, niet te schrale gronden , zoowel op de vlakte als in \'t gebergte; maar in een vruchtbaren, diepen en eenigszins vochtigen bodem in het laagland worden de stammen het zwaarst. Deze stammen zijn om hun hout ook het meest gewild. In verschillende provinciën van ons land , in Z.-Holland, Zeeland, Overijsel, Friesland, enz., leent de bodem zich uitstekend tot do teelt van esschenhout.

In zijn jeugd groeit de esch snel en weelderig. Hij kan een hoogen ouderdom, 150—200 jaren, bereiken. Doorziekten wordt de boom weinig of niet aangetast; de stammen zijn dan ook zelden kornrot.

In een tijdsverloop van 80 jaren ongeveer bereikt de esch

-ocr page 346-

4- Afschuivende krachten. A.) In de richting van den draad.

Vastheids-coëfficiënt = 0.61 (M.).

B) Dwarsdraads.

Vastheids-coëfficiënt — 2.71 (AL). 5. Wringende krachten.

Elasticiteits-grens = 0.29 (M.).

Elasticiteits-coëfficiënt = 581.7 (M.).

Vastheids-coëfficiënt — 0,79 (AL).

Kloof baarheid. Het ijpenhout behoort tot de zeer moeilijk kloofbare houtsoorten (klasse II van Xördlinger).

I-uchtdrog-e stukken kernhout splijten :

in radiale richting- bij een belasting van 33—\'50 Kg. in tangentiale- „ „ „ „ 48 Kg.

Het kloofvlak is overigens tamelijk glad, maar gebogen, schelpachtig.

Oud en uitgedroogd ijpenhout is aan splijten onderhevig.

. Duurzaamheid en gebruik. Het ijpenhout, dat tamelijk hard, langdradig, taai en, zooals uit de voorgaande tabel blijkt, zeer vast en elastisch is, kan ook zeer duurzaam worden genoemd. Namelijk voor zoover zulks het rijphout en het kernhout betreft, daar het splint zeer spoedig door den worm wordt aangetast.

Het kernhout weerstaat tamelijk goed de afwisseling van vochtigheid en droogte; het werkt weinig en doet onder water en in den grond voor eikenhout niet onder.

Ijpenhout laat zich zeer goed snijden en beter spijkeren dan eikenhout, doch heeft met dit hout gemeen, dat het ook op harde gedeelten scheurt. Vooral het Zeeuwsche ijpenhout laat zich fraai bewerken.

Door zijn groote veerkracht is het uitstekend geschikt voor alle constructies, die veel aan schokken en stooten zijn blootgesteld. Het is daarom voor den wagen- en rijtuigmaker een der belangrijkste houtsoorten. Naven en veilingen van wielen, assen en kromme dissels van boerenwagens, het geraamte van rijtuigbakken, die geolied worden, enz., enz., zij worden alle in den regel

-ocr page 347-

321

van ijpenhout vervaardigd. Voor mangelrollen, hakblokken , houten hamers en in den laatsten tijd ook voor parketvloeren ziet men ijpenhout gebruiken Ook voor de fabricage van stoelen heeft het groote waarde.

Als bouwhout wordt het zelden gebezigd: in Engeland bij uitzondering in den scheepsbouw. Wortelhout wordt door draaiers gezocht.

Natuurlijk moet het ijpenhout, zal het als werkhout uitstekend dienst kunnen doen, gezond en volmaakt droog, niet warrig en niet geelachtig gekleurd zijn, hetgeen óf een bewijs van te jong hout, óf van een begin van ontleding is. Men gebruikt het zelden ongewaterd, daar het in dat geval zeer sterk aan rotting onderhevig is.

95. Essehenhout. üit uitstekend werkhout wordt ons geleverd door den gemeenen eseh Fraxinus excelsior L.),

die in ons land algemeen langs wegen en in bosschen voorkomt en veel wordt aangekweekt. De esch treft men door geheel Europa aan; in Duitschland is hij algemeen verspreid. Noordelijk (in Noorwegen) komt hij zelfs tot 66quot; NB. voor; Oostwaarts tot aan de Kaspische Zee, Zuidelijk tot Opper-Italië en in Zuid-westelijke richting tot in het Noorden van Spanje en Portugal.

De esch groeit in alle, niet te schrale gronden, zoowel op de vlakte als in \'t gebergte; maar in een vruchtbaren, diepen en eenigszins vochtigen bodem in het laagland worden de stammen het zwaarst. Deze stammen zijn om hun hout ook het meest gewild. In verschillende provinciën van ons land, in Z.-Holland, Zeeland, Overijsel, Friesland, enz., leent de bodem zich uitstekend tot de teelt van essehenhout.

In zijn jeugd groeit de esch snel en weelderig. II ij kan een hoogen ouderdom, 150—200 jaren, bereiken. Doorziekten wordt de boom weinig of niet aangetast; de stammen zijn dan ook zelden kern rot.

In een tijdsverloop van 80 jaren ongeveer bereikt de esch

-ocr page 348-

een hoogte van 25 a 35 M,; de middellijn van den stam bedraagt dan ongeveer 0.6 M

Niet alle exemplaren dezer boomsoort zijn vruchtdragend; op sommige boomen komen n 1. in den bloeitijd slechts mannelijke bloemen voor, op andere alleen vrouwelijke en op een derde categorie zoowel mannelijke als vrouwelijke \'). De plantenkundigen onderscheiden daarom „geen vruchtdragendequot; (mannelijke) en „vruchtdragendequot; esschen (vrouwelijke en tweeslachtige); en ook in de nijverheid g\'eeft men acht op het geslacht, daar, volgens deskundigen, het „viannetjes-esschenhoutquot; en het „vrouwtjes-esschenhoutquot; (zooals men in de practijk zegt) zeer in hoedanigheid verschillen. Wij komen op dat verschil nog met een enkel woord terug.

De esch is een kern-rijphoutboom. Het splint, dat gemeenlijk zeer breed is, heeft op een dwarsche doorsnede van den stam een nagenoeg witte, op een doorsnede volgens den draad meer een stroogele kleur; het kernhout is lichtgeel en wordt in de richting van het splint naar den circa 5 mM. breeden mergkoker bruinachtig. Best esschenhout moet zoo blank mogelijk van kleur zijn.

De jaarringen zijn duidelijk waar te nemen, omdat ook in esschenhout een ring van groote vaten in het voorjaarshout optreedt. In het overige gedeelte der jaarringen bemerkt men met het bloote oog geen vaten (tenzij men een fijne dwarsche doorsnede tegen het licht beziet) maar wel kan men op een gladde dwarsche doorsnede allerwegen kleine puntjes of in tangentiale richting loopende streepjes waarnemen, die veel lichter zijn gekleurd dan het hen omringend hnutweefsel.

Alergstralen vindt men met het bloote oog op een dwarsch snijvlak niet; evenmin zijn ze op de andere doorsneden te ontdekken.

Met dc loupe komen de talrijke fijne mergstralen door hun witte kleur duidelijk te voorschijn. Terwijl zij in \'t overige

1) De esch bloeit in April. De mannelijke bloemen bestaan uit twee meeldraden, dc vrouwelijke slechts uit een stamper.

-ocr page 349-

g-edeelte der jaarringen het houtweefsel tamelijk recht doorsnijden, maken zij in het voorjaarshout, waar zij voor de groote vaten uitwijken , tal van kronkelingen.

Nu blijkt ook, dat de witte puntjes en streepjes in de jaarringen kleine vaten zijn, die, in groepjes van twee of drie, door een weefsel zijn omgeven, dat lichter van kleur is dan het omliggende.

Het microscopisch onderzoek leert, dat de hoofdmassa van het esschenhout uit libriform-vezels bestaat, en nevens groote en kleine vaten, ook houtparenchymcellen, zoowel gedeelde als ong-edeelde, worden aangetroffen Trachéïde-vezels ontbreken.

üe libriform-vezels zijn in het voorjaarshout wijder (0.028 mM. diameter) dan in het herfsthout en bezitten minder verdikte wanden (vezelholte 0.02 mM. diameter). Daar is de wandver-dikking dezer vezels zeer groot, de circa 0.012 mM. wijde vezels vertoonen er slechts een holte van 0.004 niM. diameter De vezelwanden zijn van zeer kleine stippels voorzien.

liet houtparenchym, dat in het esschenhout niet zoo verbreid is als in dat van den eik of den ijp, komt hot meest voor in de nabijheid der vaten en vormt ook de buitenste grens van het herfsthout; daar het houtparenchym lichter van kleur is dan het libriform, worden ook daardoor de jaarringen tevens duidelijk en scherp waargenomen. De wanden der houtparenchymcellen zijn eveneens van kleine stippels voorzien en sterk verdikt.

De groote vaten in het voorjaarshout bezitten gemiddeld een diameter van o. ij mM. De holten dezer vaten zijn dikwijls met thyllen aangevuld. 1 lun wanden zijn sterk verdikt en vertoonen dwarsche groefjes, doordat de spleten van stippels, die dicht bijeen zijn geplaatst, in elkaar vloeien.

De breedte der mergstralen is meestal zeer gering, met betrekking tot de hoogte; op een tangentiale snede blijken de mergstralen 1 4 cellen (1 — 2 volgens Cordks) breed en 2—40 cellen hoog te zijn (hun lengte is gemiddeld 0.068 mM., hun breedte 0.014 en hun hoogte 0.016 mM. De wanden dezer cellen zijn sterk verdikt en daar, waar zij aan vaten grenzen, van talrijke stippels voorzien.

-ocr page 350-

324

Technische eigenschappen.

I. Specifiek gewicht. Luchtdroog — 0.57—0.94 (geraidd.

quot;•755) (N.). groen 0.70—1.14 (K). II. Krimpen. A) In de richting van den draad 0.29 quot;/0 (N.), 0.0 % (F.).

B) dwarsdraads.

a) in de spiegelrichting = 3.4 0/0 (N.), 4.3 % en 8.6 % (F.).

b) in die der jaarringen = 3—11 quot;/„ (N.). [II. Zwellen. A) [n de richting van den draad -- 0.187 %

(L.) \') en 0.821 quot;/0 (j011? hout, L.). B) dwarsdraads.

a) in de spiegelrichting = 3.84 quot;/0 (oud hout, L.) en 4.05 % (jong hout, L.).

b) in tangentiale richting = 7.02 % (oudhout, L.) en 6.56 % (jong hout, L.).

Volgens Weissbach bedraagt, bij volkomen verzadiging met water:

de vermeerdering in volume = 7.5 %, „ gewicht = 70 %.

IV. Elasticiteit en vastheid.

1. Rekkende krachten. A) In de richting van den draad.

Elasticiteits-grens 2.029 (Ch. en W.), 1.726 (groen hout, Ch. en W.).

Elasticiteits-coëfficiënt ^ 1121.4 (Ch. en W.). Vastheids-coëfficiënt = 6.78 (Ch. en VV.). B) dwarsdraads.

a) in de spiegelrichting.

Elasticiteits-coëfficiënt — 111.3 (Ch. en quot;W.j. Vastheids-coëfficiënt — 0.2 iS (Ch. en W.).

b) in de richting der jaarringen. Elasticiteits-coëfficiënt 102.0 (Ch en W.). Vastheids-coëfficiënt — 0.408 (Ch. en \\\\ .).

1) Het esschenhout, dat Laves voor (lezlt;; proeven gebruikte, was gedeeltelijk zeer oud, n.l. „300 Jahre in einem Dachwerk bcfindlich gewesenquot;.

-ocr page 351-

2. Buigende krachten.

Elasticiteits-coëfficiënt 993-8 (Ch. on W.), 762—1294 (N.).

Vastheids-coëfficiënt ~ 8.548 (Barlow), 8.033 (hout van gemidd. qualiteit, Ebbels cn Tredgold).

V. Kloof baarheid. Esschenhout is moeilijk kloofbaar.

Het kloofvlak van esschenhout, uit de centrale deelen en uit den voet van den stam afkomstig, is minder glad en effen en meer schelpachtig en onregelmatig dan dat van hout uit de andere stamdeelen.

l.uchtdroge stukken, op de bekende wijze gevormd, scheurden:

in de spiegelrichting, bij een belasting van 51.84 70.09 Kg. (N.);

in de richting der jaarringen door een gewicht van 69.62—77.05 Kg. (N.).

VI. Hardheid. Het esschenhout behoort tot de tamelijk harde houtsoorten.

VIL Duurzaamheid en gebruik. Het zijachtig-glanzende en witte esschenhout, dat, wat taaiheid en elasticiteit \') betreft, boven de meeste houtsoorten, zelfs boven ijpen-en eikenhout uitmunt, dat bovendien niet werkt en niet aan scheuren onderhevig is, is van zeer middelmatigen duur, wanneer het aan den invloed van wind en weer wordt blootgesteld. Het kan wel tegen een weinig vochtigheid, maar altijd onder water of in den grond is de duurzaamheid zeer gering. In de droogte wordt het, naar men wil, al vaster en vaster. Het rot ook niet. maar, indien het van jonge stammen afkomstig is, wordt het door den worm aangetast. Onder een ijzeren beslag „verstiktquot; het.

Hierboven spraken wij van mannetjes- en vrouwtjes-esschenhout. Het eerstgenoemde is vaster en taaier, maar minder rechtdradig dan het vrouwtjes-esschen. Ook

I) Tegen den regel in is het grofdradige esschenhout. het beste, v.istste en taaiste.

-ocr page 352-

326

beweert men, dat de kleur van \'t hout verschilt; het mannetjes-esschen zou blanker zijn en de kleur van het vrouwtjes-esschen naar \'t gelo of rosa hellen. De invloed van den grond en de standplaats is evenwel o. i. te groot dan dat de kleur van \'t hout het geslacht van den boom zou bepalen. Boter onderscheidt men een mannetjes- en vrouw tjes-esschenboom en dus ook het hout aan de schors, daar die bij de mannelijke exemplaren gladder en moer donker van kleur is.

Over \'t algemeen laat esschenhout zich gemakkelijk en glad bewerken. Het spijkert moeilijk.

Uitgebreid is het gebruik, dat men van dit hout maakt. Jong hout (slieten) dient ter vervaardiging van schippershaken, polsstokken , wandelstokken, hoepels, enz. Van hooge waarde is het stamhout voor den wagenmaker. De vellingen van rijtuigwielen zijn in den regel van esschenhout, eveneens het lemoen, de lange boom, de spoorstokken of trekhouten, enz. Ook de wanden van spoorweg-waggons worden dikwijls uit esschenhout samengesteld. Vervolgens is het zeer gezocht voor de fabricage van allerlei houten toestellen, die bij de gymnastiek worden gebruikt (rekstok, brug, enz.). Verder dient het voor allerlei tuin- en landbouwgereedschap en landbouwwerktuigen; men maakt er gewoonlijk ladders of laddersporten, zweepstokken, stelen van hamers en bijlen en van andere werktuigen van. Ook draaiers maken er een ruim gebruik van; daar het hout dikwijls fraai gevlamd is en ook gepolitoerd kan worden, wordt het ook voor meubels, houtwerk van stoelen, voor muziekinstrumenten, enz. niet versmaad.

In den laatsten tijd wordt in ons land ook esschenhout uit Slavonië- ingevoerd. Hieromtrent werd ons het volgende medegedeeld \'):

i) Door den Heer R. Witte, Ingenieur van \'s Rijks Artillerie Stapel- t-n Constructie-Magazijnen te Delft.

-ocr page 353-

Deze soort is in het algemeen minder blank maar rosachtig van kleur en daarbij veel losser voor den kop en brosser dan ons gewone esschenhout, hetgeen duidelijk blijkt, als men er met een rits een krul aftrekt. Doch al is het ook blank en in verschen toestand vrij taai, zoo is het toch minder bruikbaar voor de vervaardiging van disselboomen, trekknuppels, enz,, omdat het op den duur bros wordt. Voor kleine houten voorwerpen is het echter te gebruiken. Het Slavonisch esschenhout is gemakkelijk kenbaar aan de losse en (soms 2 centimeters) dikke schors.

Meer aanbeveling verdient het hout van den Americaan-schen esch (Fraxinus amoricana Willd.), dat in circa 5 meter lange stammen hier te lande wordt aangevoerd. Dit hout is niet zoo blank als het inlandsch, iets grauwer en daarom misschien minder gewild. Het is evenwel zeer taai en behoeft zeker in deugdzaamheid niet voor het gewone esschenhout onder te doen. Dit esschenhout is tamelijk zacht. Mocht men g-ebrek krijgen aan inlandsch, dan zou deze soort het onze wellicht zeer goed kunnen vervangen.

96. Acaciahout. Het hout, dat men in onze industrie als acaciahout kent, is geenszins afkomstig van een boom, die tot het geslacht Acacia \') behoort. Wij hebben hier namelijk weer te doen met een houtsoort, die, evenals wij dit voor het cederhout uit den handel opmerkten, ten onrechte haar naam draagt. Dit hout wordt n.1. niet geleverd door plantensoorten uit het groote geslacht Acacia, maar door die uit het geslacht Robinia.

Robinia Pseudacacia 1), is de soortnaam van den boom,

1

Sommige schrijvers vermelden, dat Jean Robin den boom in quot;t begin der XVIIe eeuw-uit Canada naar zijn vaderland bracht en aan het geslacht zijn naam gaf. Anderen beweren, dat zekere Corhutus , Directeur van den Jardin des Plantes te Parijs, in 1626 onder Robin op bevel van Louis xm aangelegd, in 1635 een uitvoerige beschrijving van dien tuin gaf, en onder de Canadasche planten ook Robinia Pseudacacia beschreef. Cokkl \'I i s zou dus dien naam ingevoerd hebben ter gedachtenis aau en vereering van Robin.

-ocr page 354-

die ons voornamelijk \') het acaciahout verschaft: eerst in het midden der XVIIde eeuw uit Canada naar Frankrijk overgebracht, wordt hij toch heden ten dage allerwegen in Europa aangetroffen. De Robinia of onechte acacia komt vooral goed voort in hoogen en lichten, maar niet te vruchtbaren zandgrond; in Nederland treft men hem in de bosschen en langs wandelwegen aan, soms zelfs langs straatwegen, bijv. tusschen \'s Graveland en Hilversum, enz. Hij groeit zeer snel, zoodat een 25 tot ,30-jarige stam reeds tamelijk zwaar is en een hoogte van 15 tot 20 M. bereikt. De standplaats van den boom moet zoodanig zijn, dat hij tegen hevige winden beschut is; het takbout is n.l. zeer bros, zoodat het niet zeer hard behoeft te waaien, om deze boomen hun groote takken, en zelfs hun kronen te doen verliezen. Sommige schrijvers hebben hierin aanleiding gevonden om al het hout van den Robinia als bros te qualificeeron. Doch zeer ten onrechte, zooals uit \'t vervolg dezer beschrijving blijken zal.

De Robinia is een kernhoutboom. Het splint is zeer smal, en heeft een groenachtig gele kleur; het kérhhout is geelachtig bruin en dikwijls ook groenachtig. Op een radiale lengtesnede vertoont hot vooral een zijdeachtigen glans ; tevens neemt men in het groengele weefsel donker gekleurde evenwijdige strepen waar, die bij nauwkeurig onderzoek een tal van wijde vaten bevatten. Op dwarsche doorsnede komen die vaten duidelijk voor den dag; zij zijn ringsgewijze in het voorjaarshout der jaarringen verspreid.

Met het bloote oog ziet men duidelijk, dat deze vaten met een gele stof zijn gevuld. Door dezen broeden geelachtigen band van vaten in het voorjaarshout en de meer donkerbruin gekleurde herfsthoutlagen komen ook de jaarringen duidelijk te voorschijn. Zelfs op een zeer gladde dwarsche doorsnede zijn geen mergstralen te bespeuren.

In het herfsthoüt der jaarringen neemt men op een dwarsche

1) Men kweekt ook variëteiten van dezen boon».

-ocr page 355-

329

ancdc een groote hoeveelheid geelachtig- witte streepjes en stipjes waar.

Met behulp van dc loupc blijkt, dat in \'t centrum van deze zeer onregelmatig geplaatste stipjes en streepjes, 2 en meer vaten aanwezig zijn, wier holten, evenals die der groote vaten, met een gele stof zijn gevuld. Xu komen ook de fijne mergstralen te voorschijn; in \'t voorjaarshout, waar zij voor dc groote vaten uitwijken, zijn zij zeer gekronkeld, maar in het overige deel der jaarringen recht.

Het microscopisch onderzoek leert, dat het hout uit libriform, uit gedeeld en ongedeeld houtparenchym, uit tracheïden en, zooals wij reeds zagen, uit vaten bestaat.

Het libriform komt in \'t middengedeelte der jaarringen voor. Deze vezels zijn zeer verdikt. Hot houtparenchym treedt in \'t voorjaars- maar vooral in het herfsthout op; het omgeeft de vaten en vormt met hen de geelachtig witte stipjes en streepjes, die men met \'t bloote oog bij dit hout waarneemt. Ook de grens van het herfsthout bestaat uit dit weefsel; zijn cellen zijn evenwel zeer dunwandig. De tracheïden worden in de nabijheid der kleine vaten waargenomen, dus alleen in het buitenste deel der jaarringen.

De wanden der groote en kleine vaten zijn gestippeld; die der kleine vaten bovendien nog van een spiraalvormige verdikking voorzien. Bij het microscopisch onderzoek blijkt tevens, dat de gele stof, waarmede de vatholtcn zijn gevuld uit thyllen bestaat.

De mergstralen zijn niet zeer hoog, circa 1 mM., maar talrijk; volgens de breedte bestaan zij uit 1 a 4 celrijen. Technische eigenschappen.

I. Specifiek gewicht. Luchtdroog = 0.58—0.85 (gem. 0.715)

(N.), 0.717 (Ch. en W.); groen = 0.75- 1.00 (N.).

II. Krimpen. A) In de richting van den draad = 0.018 (N.

half kernhout, half splint). Bi dwarsdraads.

a) in de spiegelrichting = 3 - -5

b) in die der jaarringen = 3—9

-5 quot;/„ (N.). -9 % (N.).

(N.).

-ocr page 356-

111. /.-vellen. A) In dc richting van den draad - 0.035 % (L.). Bj dwarsdraads.

a) in dc spiegelrichting = 3.84 % (L.).

b) in die der jaarringen - 8.52 % (L.). I\\r. Elasticiteit en vastheid.

1. Rekkende krachten. A) In de richting van den draad.

Elasticiteits-grens = 3.188 (Ch. en W.) Elasticiteits-coëfficiënt = 1261.9 (Ch. en W.). Vastheids ■coëfficiënt = 7.927 (Ch. en W.) i 2.47 10.30 (N.).

B) dwarsdraads.

a) in de spiegelrichting,

Elasticiteits-coëfficiënt 170.3 (Ch. en AV.).

b) in de richting der jaarringen. Elasticiteits-coëfficiënt = 152.2 (Ch, en W.). Vastheids-coëfficiënt = 1.231 (Ch. en W.).

2. Drukkende krachten. In de richting van den draad.

Vastheids-coëfficiënt = 5.98 (N.).

3. Buigende krachten.

Elasticiteits-coëfficiënt 1010.7—1141.4 (Ch. on W.).

Vastheids-coëfficiënt = 10.21-13.15 (N.). V. Kloof baarheid. Het hout is zeer moeilijk kloof baar; de kloofvlakken zijn zeer glad en glanzig (zoowel radiaal als tangentiaal). Luchtdroge stukken, op de bekende wijze gevormd, scheurden in de spiegelrichting bij oen belasting van 55.32—56.60 Kg. (N.); het hout voor deze proef was ongeveer twee jaar in de schors in een dompige ruimte bewaard.

VI. Hardheid. Het hout is tamelijk hard.

VII. Duurzaamheid en gebruik. Hot acaciahout is onder alle omstandigheden zeer duurzaam. Palen van dit hout (20- 30 jarig) waren in den grond na tien jaren nog geheel onveranderd; zelfs het splint was niet door rotting aangetast. Bij gebruik van het hout in de vrije lucht, zonder dat men het mot een verflaag bedekt, is

-ocr page 357-

33\'

het wenschelijk, dat het splint vooraf verwijderd wordt. Het stamhout is somwijlen rot op \'t hart.

Het hout is tamelijk vrij van den worm.

Het takhout is, zooals wij opmerkten zeer bros. liet fijne, tamelijk harde stamhout evenwel is zeer vast en taai. De nauwkeurige onderzoekingen omtrent de eigenschappen van dit hout, door Chevandier en Wertheui , brengen duidelijk aan \'t licht, dat het volwassen acacia-stamhout in elk opzicht de voortreffelijkste eigenschappen bezit. Van alle, door hen onderzochte houtsoorten, waaronder eiken-, beuken-, ijpen- en esschenhout, enz. verkrijgt het acaciahout de hoogste waarden voor elastici-teits-coëfficiënt, elasticiteits-grens, absolute vastheid, enz.

Het hout kan glad bewerkt en fraai gepolitoerd worden, men vervaardigt er tafels en stoelen van, lessenaars, enz.; daar het bovendien rood- of bruinachtig gevlamd voorkomt, is het dikwijls een uitstekend materiaal voor den schrijnwerker. Ook door draaiers wordt het gezocht \'), en door wagenmakers om er spaken van te vervaardigen. Voor bijl- en hamerstelen, voor duigen, voor spoorwegiiggers, vervolgens voor palen, is het zeer aan te bevelen.

97. Beukenhout. In Nederland verstaat men onder beukenhout slechts het hout van den gemeenen beuk (Fagus sylvatica L.) In \'t buitenland daarentegen, bijv. in Duitsch-land, verwerkt men als beukenhout niet alleen het boven -genoemde hout, maar ook in geen geringe hoeveelheden, dat van den haagbeuk -) (Carpinus Betulus L.), die ook juk-of wielboom genoemd wordt; een boom, die dus niet tot het-

1) Mei inademen van het fijne stof van dit hout, oefent op soitunige werklieden een zeer nadeeligen invloed uit.

2) Men late zich niet door den naam haagbeuk misleidrn en meene , dal alle heuken-heggen in tuinen, enz., speciaal uil deze haagbeuken (Carp. Bet.) zijn gevormd. Wel leenen jonge haagbeuken zich daartoe, maar jonge exemplaren van den gewonen beuk (lagus sylv.) niet minder, zoodal deze in veel grooter getale daartoe worden gebruikt.

-ocr page 358-

zelfde geslacht als de gemeene beuk, maar alleen tot dezelfde familie (die der napjesdragende gewassen) bfhoort. Naar de kleur van het hout maakt men in Duitscliland onderscheid tusschen het gewone beukenhout en dat van den haagbeuk, en qualificeert het eerste als rood, het laatste als wit beukenhout.

Hier te lande is van een dergelijk onderscheid geen sprake. Toch komt de haagbeuk in ons vaderland voor; maar, naar \'t schijnt, niet zoo algemeen, dat zijn hout in onze industrie van grooto bekendheid is. Wij meenen evenwel, dat het hout om zijn eigenschappen belangrijk genoeg is om er hier eenige bladzijden aan te wijden, en zullen dus een beschrijving daarvan op die van het gewone beukenhout doen volgen.

iquot;. Hout van den gemeenen beuk. De gemeene beuk • if boek (FagUS sylvatica L.) komt allerwegen in Europa voor en verdraagt uiterlijk een gemiddelde jaarlijksche temperatuur van 51/.,0 C.. zoodat men hem Noordelijk niet boven 610 (in Noorwegen) en 570 X.B. (in Rusland) aantreft. In \'t Zuiden van Europa groeit de beuk hoofdzakelijk in \'t gebergte, bijv. in Spanje tusschen 650 en ijoo M., op Sicilië tusschen 1300 en 1950 M. boven \'t zeeoppervlak. Van het Oosten naar het Westen, van den Kaukasus tot aan de Noordzee en den Atlantischen Oceaan treft men, zoowel in de bergen als op de hoog- en in de laagvlakten, meer en minder groote beuken-bosschen aan. In ons land ontmoet men den beuk in het wild in de bosschen (Haarlemmerhout, Haagsche bosch) en aangekweekt langs wegen, op buitenplaatsen \'), enz. Hij groeit het liefst op een rotsachtigen, met zand en leem gemengden grond en op niet te zonnige kalkgronden van voorgebergten; in Nederland inzonderheid op een leemachtigen zandgrond, die dus niet te droog en nog tamelijk vruchtbaar is, en in sommige

1

Daar komen ook variéteiten van den gemeenen beuk voor. Zoo bijv. de zwarte of bruine beuk [Fa^us sylv. var. sanguin^a) zoo genoemd naar de bruine bladeren, de treurbeuk (/•\'/;\'. sylv. var. pendula) met takken als die van een treurwilg, de beuk met • ,trenblad [Fag. sylv. ;\\ir. i -plcnifolia), liet hout van den bruinen beuk is donkerder van kleur en losser dan dat van den gemeenen beuk: men beweert, dat het ook meer aan scheuren onderhevig is, naar urine riekt, enz., enz.

-ocr page 359-

333

streken, bijv. do omstreken van Arnhem bepaaldelijk locken-grond wordt genoemd. Op goede, voor N.O. stormen beschermde gronden in het gebergte, bereikt de beuk in een droge omgeving en in een gesloten stand, in 100 tot 200 jaren, een aanzienlijke hoogte (soms 25—30 M.) en dikte (tot o,g M.). In de zandgronden in de nabijheid der zeekusten groeit de beuk zelfs in gesloten stand minder slank; de stam wordt wel dik, maar bereikt in den regel de hoogte der bergbeuken niet. In vrijen stand worden beuken zelden hooger dan 16—20 M. Men zegt, dat deze boomen wel 300 jaren oud kunnen worden; ouder dan 150 jaren zijn de stammen evenwel dikwijls kemrot.

Gewoonlijk rangschikt men den beuk onder de rijphoutboomen. Jong- hout bezit geen kernhout, alleen bij \'t hout van oude stammen is dit waar te nemen. Het zeer breedc splint heeft een roodachtig witte, het rijphout een meer roodachtig bruine kleur; men merke evenwel op, dat het hout van jonge beuken \'), die tijdens den groei een vrije standplaats hadden, lichter van kleur is dan dat van in gesloten stand gegroeide of van oudere boomen.

Met het bloote oog zijn de grenzen der smalle jaarringen tamelijk duidelijk waar te nemen, doordat het herfsthout donkerder van kleur en vooral in de buitenste deelen veel minder vaatrijk is dan het voorjaarshout; van den eenen grooten mergstraal naar een volgenden beschrijven de buitenste jaarringen een kleine boog. Op dwarscho doorsneden bespeurt men geen vaten; op gladde lengtesneden is slechts even zichtbaar, dat vaten, door den ganschen jaarring verspreid, voorkomen.

De mergstralen zijn zeer talrijk in het beukenhout. Op dwarsche sneden doen ze zich als breede, glanzige banden en lijnen voor, wier kleur lichter is dan die van het omgevend weefsel, Op de lengtesneden is hun kleur donker bruin , waardoor ze

1) Het hout van jonge takken is, zoolang zij geen 3 ccntiin. doorsnede bezitten , groenachtig wit.

-ocr page 360-

334

bijv. op radiale snede als kortere en lang-ere, glanzige, rechthoekige vlekjes, zeer duidelijk te midden van \'t hout-weefsel uitkomen en hot hout een eigenaardig uiterlijk geven; ook op een tangentiale snede komen zij als vertikale streepjes, die in \'t midden dikker zijn dan aan do uiteinden, duidelijk voor den dag. De lengte dezer streepjes, m. a. w. de hoogte der mergstralen, bedraagt soms 4 a 5 m.M.

Met de. lonpc zijn de jaarringen scherp waar te nemen; beziet men een dun, dwars afgesneden houtschijfje met een goede loupe tegen het licht, dan komen ook de vaten duidelijk te voorschijn. Tusschen de mergstralen, die met \'t bloote oog zichtbaar waren, treden nu nog een aantal fijnere op; daar, waar de mergstralen op dwarsche doorsnede uit een jaarring in den volgendon overgaan, zijn zij altijd zwaluwstaartvormig\'verdikt.

Volgens het microscopisch onderzoek bestaat het beukenhout uit tracheïden, houtparenchym en vaten.

De tracheïden. die de grondmassa van het weefsel vormen, zijn op dwarsche doorsnede in het voorjaarshout zeshoekig en in het herfsthout meer plat door de samendrukking. Hun wanden zijn, behalve in de nabijheid der vaten, sterk verdikt (gem. diam. 0.01,5 m.M., vezelholte 0.007 m.M.). De lengte is zeer gering, circa 0.75 m.M., en vooral is dit het g\'eval, indien zij dicht bij vaten zijn g-eplaatst, daar dan de lengte tot op de helft ongeveer (0.39 m.M.) wordt gereduceerd. In het laatste geval zijn de uiteinden der tracheïden ook minder scherp gespitst. Volgens S.vxio komen op de wanden dezer tracheïden soms links gedraaide spiraalvormige spleten (evenals bij het libriform) voor; overigens zijn zij gehofstippeld. Menigmaal hebben de tracheïden een geslingerden loop, doordat zij door de groote mergstralen op zij worden gedrongen. Hout, waarin veel van deze vezels voorkomen, wordt veel moeilijker gekloofd dan dat met recht gestrekte vezels.

De vaten, die in alle lag-en der jaarringen vrij talrijk voorkomen , hebben een zeer geringen diameter, nagenoeg 0.06 m.M. Naar den buitenomtrek van den jaarring nomen ze eenigszins in aantal en grootte af.

-ocr page 361-

335

Hun dwarsche wanden zijn laddervormig doorboord of geheel verdwenen (ronde openingen), hun zijwanden zijn gehofstippeld. Evenals de vezels nemen ook de vaten dikwijls een gekron-kelden loop aan, ter plaatse, waar zij voor de dikke merg-stralen uitwijken

Het houtparenchym komt zoowel in de nabijheid der vaten voor, en omgeeft deze geheel of gedeeltelijk, als te midden der tracheïden, in korte banden, die in tangentiale richting het houtweefsel doorsnijden. Hun cellen komen nagenoeg\', wat vorm en inhoud betreft, met die der mergstralen overeen.

In het beukenhout komen zoowel handvormige als lijnvormige en met het bloote oog onzichtbare mergstralen voor. De eerstgenoemde bestaan volgens de breedte uit 10 a 15 rijen cellen, zoodat deze mergstralen, daar elke cel ongeveer 0.014 m.M. breed is, 0.1— 0.2 m.M breed zijn. De lijnvormige mergstralen zijn uit 3 6 rijen en die, welke eerst bij het onderzoek met de loupe te voorschijn komen, uit 12 celrijen samengesteld. De wanden dezer cellen zijn sterk verdikt; waar de mergstralen vaten begrenzen zijn de wanden der bovenste en onderste rijen cellen meestal van stippels voorzien. De mergstraalcellen bevatten zetmeel en harskorrels.

Technische eigenschappen.

1. Specifiek gewicht. T.uchtdroog 0.66 0.83 (gem. 0.74) (N.), 0.823 (Ch. en W.); groen 0.90—1.12 (gem. 1.01) (N.1.

Volgens Exner geldt voor het groene hout, afkomstig van beuken, die in gesloten stand zijn gegroeid, de regel, dat het spec. gew. te grooter is, naarmate het hout uit hoogere gedeelten van den stam afkomstig is; en voor droog beukenhout, dat het spec. gew. in den stam in de richting naar den top aanvankelijk geringer wordt, dat het ter hoogte van de bladkroon weer toeneemt en in den top een maximum bereikt. 11. Krimpen. A) In de richting van den draad 0.0 0/n (F.), en ook bij verhittingtot ioo0enz. 0.0 quot;/0 (F-)-

-ocr page 362-

336

B) dwarsdraads, a) in de spiegelrichting\'

4.4-6 % (J. N.). 4.3 % (F.) en 7.5 0/o (F.)-b) in die der jaarringen = 6.6—10.7 % (J. N.). Volgons Exxer krimpt beukenhout minder, naarmate het uit hoogere deelen van den boom afkomstig is.

III. Zivellen. A) In de richting van den draad = 0.2 quot;/o (L.).

B) dwarsdraads, a) in de spiegelrichting =

5.03 7o (L-)-

b) in die dor jaarringen — 8.06 % (L.).

Bij volkomen verzadiging met water bedraagt: de vermeerdering in volume = g.5—11.8 quot;/o (W.). „ „ „ gewicht = 63—99 % (W.).

IV. Elasticiteit en vastheid.

1. Rekkende kraehten. A) In de richting van den draad.

Elasticiteits-grens — 2.445 2-371 (Ch. en W.). Elasticiteits-coëfficiënt = 1408.2 (M.), 980.4 (Ch. en W.).

Vastheids-coëfficiënt = 3.64 (M.), 3.57 (Ch.enW.). B). dwarsdraads.

a) in de spiegolrichting.

Elasticiteits-coëfficiënt = 269.7 (Ch. en W.). Vastheids-coëfficiënt — 0.885 (Ch. en W.).

b) in die der jaarringen.

Elasticiteits-coëfficiënt = 159.3 (Ch. en W.). Vastheids-coëfficiënt = 0.752 (Ch. en W.).

2. Drukkende kraehten. In do richting van den draad.

Elasticiteits-grens = 2.49 (M.). Elasticiteits-coëfficiënt 1743 (M.). Vastheids-coëfficiënt 3.86 (AI.), 4.72— 7.07 (X.).

3. Buigende krachten.

Elasticiteits-grens = 1.98 (M.). Elasticiteits-coëfficiënt = 976.5 (M.). Vastheids-coëfficiënt = 7.09 (M.). 6.56—8.56 (X.l.

-ocr page 363-

337

4- Afschuivende krach ten. A.) In dc richting- van den draad.

Vastheids-coëfficiënt — 0.812 (M.).

B) dwarsdraads.

Vastheids-coëfficiënt — 3.g 1 (M.). 5. Wringende krachten.

Elasticiteits-grens = 0.402 (M.).

Elasticiteits-coëfficiënt — 821.5 (M.).

Vastheids-coëfficiënt — o.giS (M.).

V. De hardheid van groen beukenhout is, volg\'ens Gayer , slechts iets geringer dan die van eikenhout (verhouding = i ; 1.03). Nördldsger rangschikt dit hout onder do weinig harde soorten.

Beuken, die in vrijen stand zijn gegroeid, leveren harder hout dan die, welke een gesloten standplaats hadden. Ook oud beukenhout kan zeer hard zijn. Overigens laat het zich zelfs op een kopvlak gemakkelijk en glad bewerken.

VI. Kloof baarheid. Het hout kan in den regel tamelijk gemakkelijk gekloofd worden. Wij verwijzen overigens naar hetgeen op blz. 334 omtrent deze eigenschap is gezegd.

VII. Duurzaamheid en gebruik. Aan weer en wind blootgesteld, is beukenhout zeer weinig duurzaam. Voortdurend onder water wordt het evenwel als zeer duurzaam geroemd. Ook tegen de afwisseling van nat en droog is dit hout niet bestand. In dc droogte wordt het spoediger dan andere houtsoorten door den worm aangetast en daarbij ook bros.

Het is vervolgens, zoowel in don groenen staat als droog verwerkt, sterk aan werken en scheuren onderhevig.

Als bouwhout wordt hot, ten gevolge van dc genoemde eigenschappen, dus zelden gebruikt. Geïmpregneerd (bijv. met kreosoot) dient het tot vervaardiging van dwarsliggers; de eigenschap om te scheuren en te werken gaat evenwel door impregnatie niet verloren. Ook voor

22

-ocr page 364-

338

houten bestrating en voor dekplanken voor bruggen wordt het gebezigd, daar het minder vezelt en afschilfert dan eikenhout en naaldhout. Voor constructies, die veel weerstand zullen moeten bieden, en voor de vervaardiging van voorwerpen, die sterk aan slijting onderhevig zijn en waarbij minder op een fraai uiterlijk dan wel op vastheid en hardheid wordt gelet, wordt veelal beukenhout gebruikt; zooals door den machinebouwer als materiaal voor de pannen der ijzeren tappen van waterraderen, voor groote houten schroeven, voor stampers en stoot-troggen in molens, voor zaagramen, enz.

Meubelmakers en schrijnwerkers gebruiken beukenhout als grondstof ter vervaardiging van eenvoudige meubels, die niet gepolitoerd behoeven te worden, als stoelen, tafels, ledikanten. Een groot gebruik van dit hout wordt in de schrijnwerkerij niet gemaakt, niet alleen, omdat de kleur niet bijzonder gewenscht is, maar ook, omdat het zoo sterk werkt \').

Na verschillende proeven is door Thoxet het beukenhout het meest geschikt geacht ter fabricage van gebogen meubels, waarvoor dan nog slechts gave, kwastvrije en rechtdradige stukken van 1.5 — 3.5 M. lengte in aanmerking komen -). Ook de fabrikanten van rijtuigen en piano\'s verlangen beukenhout; de laatsten geven de voorkeur aan 7 c.M. dikke deelen van rechtdradig kernhout met glanzige spiegels, omdat dit, naar zij beweren, minder werkt.

Het hout wordt ook gebeten n.1. bruin voor sigarenkisten en zwart voor meubels.

1) Door uitloogen en uitstoomen onder con druk van 3 a 3% atmosfeer en daarna drogt n aan de lucht, mankt men tegenwoordig beukenhout volkomen droog en bevrijdt het van de lastige eigenschap om te scheuren en te werken. Ook de kleur verandert door deze operatie en wordt donkerbruin.

2) Uitvoerig n deze fabricage beschreven in een werkje getiteld; Das Bicgen des Holtes, mit besondcrer Rücksichtnamc avf die Thonet\'sche Industrie door Prof. \\V. F. Exnek. Weimar, 1876, B. F. VoiGT.

-ocr page 365-

339

Veel beukenhout wordt gebruikt voor de vervaardiging van bodems van wikkelvormen voor sigaren (deksels van vurenhout), voor borstelhouten, mangelrollen, spinnewielen , zelfs voor een gering soort geweerladen, enz.

Voor olie- en petroleumvaten en, in N.-Duitschland en Oostenrijk, voor de vaten ter verzending- van meel-en botersoorten, wordt beukenhout gebezigd; vervolgens voor allerlei artikelen, die van gesneden hout worden vervaardigd, bijv. schotels, borden, hak- en trancheerplanken, koren- en meelschoppen, pot- en eetlepels, enz.

Ook knoopen of houten inlegsels voor knoopen worden uit beukenhout gedraaid. Uit dunne beukenhouten plaatjes worden kistjes, doozen en zeefranden gemaakt; ook de boekbinder en étuiwerker gebruiken beukenhouten spanen.

Dikwijls ziet men ook de heften van gereedschappen van dit hout vervaardigd; deze toepassing is evenwel af te raden, omdat het beukenhout een brandend gevoel in dc hand veroorzaakt.

2°. Het hout van den liaagbeuk. De groeiplaats van don haagbeuk \') (Carpinus Betulus L.) wordt in \'t Zuiden door Griekenland en Zuid-Italië, in \'t Zuid-Westen door de Pyreneën, in \'t Noorden (in Zweden) door den 57s,,n graad noorderbreedte en in \'t Oosten door Koerland en Zuid-Rusland begrensd. Hij komt het best voort in Midden-Europa en verkiest in het gebergte een standplaats op het Noorden en het Westen; overigens een bodem als die van den gemeenen beuk. In het voorgebergte komt de haagbeuk dan ook met don gemeenen beuk gemengd voor, in Duitschland niet hooger dan circa 650 M., in de Alpen zelfs tot 1150 M. boven het zeeoppervlak. In Nederland wordt de haagbeuk voornamelijk gekweekt voor heggen, doch ook in \'t wild aangetroffen, bijv. in \'t Haagsche bosch, aan den Oorsprong bij Oosterbeek,

1) De haagbeuk wordt ook juk- en ivielboom genoemd. Deze namen herinneren aan het speciaal gebruik dat men , voorheen meer dan thans. hier te lande van zijn hout maakte.

-ocr page 366-

34°

bij Zeist, prachtige exemplaren op \'t landgoed Oranje-Kassau-oord bij Renkum, belioorende aan Z. M. den Koning, enz.

De haagbeuk groeit zeer langzaam en bereikt in 120—150 jaren een hoogte van 9—12 ja, van 20—25 M. Op een gunstige standplaats, als boven aangegeven, kan de boom zelfs 300—400 jaren oud worden; op een droge en warme standplaats daarentegen sterft hij reeds tusschen het 8oste en ioostc levensjaar.

De stam doet weinig aan dien van een benk denken; terwijl deze tot op aanzienlijke hoogte boven den grond eenzelfde nagenoeg cirkelvormige doorsnede vertoont, recht en onvertakt is, vertakt de haagbeuk reeds bij 2 en 3 M., hoogstens bij 7 M. boven den grond, is zijn dwarsche doorsnede zoo onregelmatig mogelijk, de stam dikwijls gebogen en neemt diens dikte zeer snel met do hoogte af.

De haagbeuk is een splintboom. De kleur van het hout, dat zeer fijn van draad en iets glanzig is, is op radiale en tangentiale sneden wit, op dwarsche doorsnede eenigszins geelachtig. Het hout, van vochtige gronden afkomstig, is witter en tevens meer rechtdradig, dan dat van droge gronden, maar ook minder vast en niet zoo duurzaam.

De bruine mergkoker is vijfhoekig en heeft circa s/4 m.M. doorsnede.

De smalle jaarringen komen duidelijk voor den dag , doordat het herfsthout eenigszins donkerder gekleurd dan het voorjaarshout en dichter is door minder rijkdom aan vaten; de loop der jaarringen is sterk golvend.

Slechts wanneer een dunne, dwarsche doorsnede tegen het licht gehouden wordt, bemerkt men met het bloote oog een menigte vaten van zeer geringe doorsnede, die tamelijk gelijkmatig door de jaarringen verspreid zijn ; van daar een groote gelijkmatigheid van het houtweefsel.

Ook het aantal mergstralen is niet gering; op dwarsche doorsnede zijn zij lichter gekleurd dan het omgevend weefsel. Behalve breede. handvormige mergstralen treft men ook lijnvormige aan.

-ocr page 367-

34i

Bij nauwkeurig- onderzoek bespeurt men op zeer gladde dwarsche sneden ook veel witte vlekjes.

Beschouwt men het hout met de loupc, dan schijnen de breede mergstralen overlangs gestreept te zijn; daar dit bij echte handvormige mergstralen niet voorkomt, heeft men hier vermoedelijk met onechte mergstralen te doen. Tusschen do witte vlekjes, die nu duidelijker te zien zijn, komen fijne witte lijnen, die in tangentiale richting- loopen, te voorschijn.

De vaten worden, zelfs op een kopvlak, nog niet duidelijk waargenomen.

Mot den microscoop onderzocht, blijkt het hout te bestaan uit libriform, tracheïden, houtparonchym en vaten.

De tracheïden komen in \'t buitenste deel der jaarringen voor; hun wanden zijn even sterk verdikt als die van het libriform in de overige deelen der jaarringen. De libriform-wanden zijn met hofstippels bedekt en, vooral in de herfst-grens, zeer verdikt. De vaten zijn tweeërlei; er zijn n.1. groote^ verstrooid door de jaarringen en kleinere, die groepsgewijze in het herfsthout worden aangetroffen; de laatste vormen de witte vlekjes, die men met \'t bloote oog op een dwarsche doorsnede ontwaart. De vaten in \'t voorjaarshout zijn meestal tangentiaal, die in de overige deelen van den jaarring radiaal gegroepeerd.

In de dwarsche wanden der vaten zijn langwerpige openingen aanwezig; de overige wanden der groote vaten, die aan libriform grenzen, zijn met rechtsloopcnde spiralen en kleine hofstippels voorzien, terwijl de wanden der aan elkaar grenzende groote vaten alleen hofstippels vertoonen. Ook zijn de wanden der kleine vaten gestippeld en bezitten zij spiraalvormige verdikkingen.

De fijne lijnen, die, in tangentiale richting loopend, met de loupe worden waargenomen zijn houtparenchymgroepen.

De mergstralen zijn i -4 cellen breed en behooren tot de met het bloote oog zichtbare (4 cellen broed) en onzichtbare (1 a 2 cellcn breed). Nu eens zijn zij ver van elkaar verwijderd, door vaten en vatgroepen gescheidcn, dan

-ocr page 368-

342

weer zeer dicht bijeen geplaatst; in \'t laatste geval vormen zij de breede onechtc mergfstralen. die op \'t ongewapend oog den indruk van echte handvormige mergstralen maken. Hun wand is gestippeld en eigenaardig sterk verdikt, zoodat zij op een dwarsche doorsnede gekarteld schijnen.

Technische eigenschappen,

I. Spccifiek gewichf. Luchtdroog = 0.62—0.82, g-eni. 0.72 (N.),

groen = 0.92—[.25, gem. 1.085 (N.). II. Krimpen. A) In de richting van den draad = 0.21 —1.5 quot;/„(K). B) dwarsdraads.

a) in de spiegelrichting — 4—7 nja (N.).

b) in die der jaarringen = 7—11 0/o (N.).

III. Zwellen. A) In de richting van den draad = 0.4 % (L.).

B) dwarsdraads.

a) in de spiegelrichting — 6.66 0/o (L.).

b) in die der jaarringen = 10.9 % (!-•)• Vermeerdering in volume = 12.9 % (W.), en vermeerdering in gewicht (door het hout met

water te verzadigen) — 60 quot;/o (W.).

IV. Elastieifeit cn vastheid.

1. Rekkende krach/en. A) In de richting van den draad. Elasticiteits-grens = 2.08 (M.), 1.282 (voor groen hout, Ch. en W.).

Elasticiteits-coëfhciënt = 980 (M.), 1085.7 (Ch. en W.). Vastheids-coëfficiënt—- 6.17 (M.), 2.99 (Ch. en W.). B) dwarsdraads.

a) in de spiegelrichting.

Elasticiteits-coëfficiënt — 208.4 (Ch. en W.). Vastheids-coëfficiënt — 1.007 (Ch. en W.).

b) in die der jaarringen.

Klasticiteits-coëfficiënt 103.4 (Ch. en W.). Vastheids-coëfficiënt 0.608 (Ch. en W.). 2. Drukkende krachten. In de draadrichting. Elasticiteits-grens = 1.45 (M.).

-ocr page 369-

Elasticiteits-coëfficiënt = 1139 (M.).

Vastheids-coëfficiënt = 2.72 (M.), 3.97—5.43 (N.).

3. Buigende krachten.

Elasticiteits-grcns = 2.53 (M.).

Elasticiteits-coëfficiënt = 654.5 (M.).

Vastheids-coëfficiënt = 5.65 (M.).

4. Afschuivende krachten. A) In de richting van den draad,

Vastheids-coëfficiënt = 0.72 (M.).

B) dwarsdraads.

Vastheids-coëfficiënt = 3.10 (M.).

5. Wringende krachten.

Elasticiteits-grens = 0.33 (M.).

Elasticiteits-coëfficiënt = 1032 (M.).

Vastheids-coëfficiënt =1.16 (M.).

V. Hardheid. Het hout wordt om zijn hardheid geroemd. Wanneer de hardheid van gewoon beukenhout = 1 is die van haagbeukenhout, volgens gayer = 1.8.

Nördlinger rangschikt het onder de harde houtsoorten (klasse IV).

VI. Kloof baarheid. Haagbeukenhout is zeer moeilijk kloof-baar. Vooral als het van een drogen bodem stamt, waardoor de vezels dikwijls sterk gedraaid en niet recht gestrekt zijn.

VU. Duurzaamheid en gebruik. Bij afwisseling van vochtigheid en droogte is de duurzaamheid uiterst gering; in een droge omgeving is het zeer duurzaam; daar heeft het evenwel veel van den worm te lijden. Daar het zelden in zware afmetingen voorkomt, dikwijls groote neiging vertoont tot trekken, bovendien slecht droogt en onder de schaaf splintert, wordt het noch als boiuv-hout noch ais werkhout gekozen. Wegens zijn taaiheid en hardheid, bij matig gewicht, wordt het in de wagenmakerij en in de machinefabriek zeer op prijs gestold. Men fabriceert van haagbeukenhout, bijv. tanden van eggen, dorschvlegels, kromhouten voor sleden, wielspaken, bijlstelen, handvatsels voor gereed-

-ocr page 370-

344

schap, tappanncn van waterraderen, groote houten schroeven voor persen, kammen voor tandraderen, wiggen, schaafblokken, ook schoenleesten en de houten schoenmakerspennetjes.

98. Noteboomenliout. Het hout, dat hier te lande, in onze industrie, bepaaldelijk noteboomenliout genoemd wordt, is niet alleen van Europeeschen, maar ook van Amerikaanschen oorsprong. Twee verschillende boomsoorten van het geslacht Juglans (familie der Juglandaceae) leveren voornamelijk dit hout: de gewone okker- of walnoteboom, het Europeesche, en de zwarte noteboom, het Amerikaansche. Daar ook dit in geen geringe hoeveelheden hier te lande wordt aangevoerd en verwerkt. zal hier een korte beschrijving van het Amerikaansche noteboomenliout niet misplaatst zijn.

iquot;. Het gewone (Europeesche) noteboomenliout stamt, zooals reeds gezegd is, af van den gewonen okker- of walnoteboom (Juglans regia L.). Evenals vele onzer ooft-boomen is deze boom uit West-Azië afkomstig; eeuwen voor het begin onzer jaartelling werd hij evenwel reeds in Griekenland en Italië gekweekt \'), en heeft zich van daar over Europa verspreid.

Een zeer koud klimaat kan de boom niet verdragen; hij verkiest verder een vrije standplaats en een lichten, goeden, met kalk en mergel gemengden grond, maar is evenwel met eiken anderen grond tevreden.

Een betere groeiplaats dan in de vlakten vindt de boom in onze meer Xoordelijke streken op kleine hoogten en in het voorgebergte; daar vooral op de zuidelijke hellingen. In Nederland groeit de walnoot uitstekend langs de dijken der groote rivieren, maar daar, zoowel als in tuinen, op boerenerven, enz. is hij aangekweekt. In koude winters heeft de boom in ons klimaat veel te lijden.

i) Van\' Hall [Landhuishoudkundige Flora, h\\/.. 199) zegt, dat watnoten afgeleid is van IVc/scM.md. Zooals men weet, werden in Duitschland voorheen do Italiaansche landen met dezen naam betiteld.

-ocr page 371-

345

De walnoot is een statige boom; zijn stam bereikt een hoogte van 15 -25 M.

Het is een kernhoutboom; de breedte van het splint wisselt af tusschen 7 cn 30 jaarringen.

Het breede splint is, evenals het hout van jong-e stammen, grauwachtig wit en wordt in de richting van het kernhout eenigszins donkerder van kleur. Het kemhout van oude stammen heeft meestal een zeer donkerbruine kleur en is fraai gevlamd en geaderd. Hoe donkerder het hout gekleurd is, des te meer wordt het op prijs gesteld; hout uit het onderste gedeelte van den stam is ook altijd donkerder dan dat uit hoogere lagen.

De kleur van het hout uit Noordelijke streken, dus ook het inlandsche. staat om de meer witte kleur van het kemhout ver ten achter bij het fraai gevlamde, soms donkerbruine hout uit Zuidelijke landen, bijv. uit Italië en Turkije; het ïurksche notenhout is meestal zeer schoon g-emazeld.

Vertoont het notenhout een groenachtige tint, dan is de boom, waarvan het afkomstig is, waarschijnlijk doodgevroren.

Met het bloote oog worden de ietwat golvende jaarringen duidelijk waargenomen, omdat de buitenste grens van het herfsthout donkerder gekleurd is dan het overige gedeelte van den jaarring en do vaten bovendien in deze houtlaag zeer dikwijls minder wijd en geringer in aantal zijn. De vaten vormen evenwel geen ring in \'t voorjaarshout, maar zijn in den regel paarsgewijze of in kleine radiaal geplaatste groepjes door den ganschen jaarring verspreid. Mergstralen zijn met het bloote oog onzichtbaar; als fijne streepjes, lichter gekleurd dan \'t overige houtweefsel, komen zij te voorschijn als men een glad afgewerkt kopvlak een weinig bevochtigt.

De mergkoker heeft een diameter van 2 — 5 m.M. en is aan de hoeken afgerond.

Mot behulp van de loupe ziet men de talrijke mergstralen duidelijk tusschen de vaten doorkronkelen; zij zijn nagenoeg alle even breed en circa 0.5 m.M. hoog. Eveneens blijkt

-ocr page 372-

346

ook nu dat de diameter en het aantal der vaten in de richting van het herfsthout, wel geringer worden, maar deze vermindering, vooral wat het aantal vaten betreft, uiterst gering is.

Zeer fijne, evenals do mcrgstralen lichtgekleurde, maar tangentiaal gerichte streepjes, wijzen op houtparenchym-grocpen. Vooral in de buitenste jaarringen zijn zij duidelijk zichtbaar.

Hot microscopisch onderzoek leert, dat het houtweefsel is opgebouwd uit houtparenchym, zoowel gedeeld als ongedeeld \'), libriform, tracheïden en vaten.

Het gewoonlijk voorkomende, gedeelde parenchym wTordt in alle dealen van de jaarringen aangetroffen, zoowel naast vaten als tusschen het libriform; het ongedeelde parenchym daarentegen slechts in de buitenste grens van het herfsthout. De houtparenchymvezels zijn circa 0.022 m.M. wijd en hebben betrekkelijk dunne wanden, die mot groote stippels zijn bedekt, voor zoover zij aan vaten grenzen. Zij bevatten een bruinachtige stof.

De libriform vezels hebben ongeveer dezelfde doorsnede als de houtparench3\'mvezels, maar de gehofstippelde w-anden zijn zeer sterk verdikt, zoodat de holte slechts een diameter heeft van o.ooq m.M.

De tracheïden bevinden zich slechts in de buitenste grens van \'t herfsthout.

De vaten hebben in \'t voorjaarshout een gemiddelde doorsnede Van 0.22 m.M.; in \'t herfsthout is deze circa zesmaal kleiner (0.036 m.M.). De wanden der vaten bezitten geen spiralen maar wel hofstippels (met tamelijk groot hofje en eng stippelkanaal) daar, waar ze aan houtparenchym- of mergstraalcellen grenzen. Hun dwarsche wanden zijn van een ronde opening voorzien. Tn de vaten van \'t noteboomen-hout vindt men meestal thyllen; soms vullen zij de vatholten geheel en al.

1) Zie bladz. 14.

-ocr page 373-

347

De mcrgstralen bestaan uit i tot 4 cclrijen volgens de breedte en zijn 10 en meer celrijen hoog. De wanden hunner cellen zijn, evenals die van \'t houtparenchym, gehofstippeld, indien ze aan vaten grenzen. Ook de inhoud der merg-straalcellen bestaat uit een bruine stof.

Technische eigenschappen.

I. Specifiek gewicht. Luchtdroog — 0.65—0.71 (N.), 0.647

(Duhamel) ,

groen = 9.91 —o.qz (N.), 0.814 (Duhamel).

II. Krimpen. A) In de richting van den draad = 0.223 % (K-).

B) dwarsdraads.

a) in de spiegelrichting = 3—6 quot;/» (N.).

b) in die der jaarringen = 4—18 0/o (N.).

III. Zittellen. A) In do richting van den draad — 0.223 % (L.).

B) dwarsdraads.

a) in de spiegelrichting = 3.53 0/o (L.).

b) in die der jaarringen = 6.25 0/o (L.).

IV. Elasticiteit cn vastheid.

1. Rekkende krachten. A) In de richting van den draad.

Vastheids-coëfficiënt = g.69 (L.).

2. Buigende krachten. Elasticiteits-coëfficiënt = 1106

(Ebhels en Tredgold) \'). V. Hardheid. Nördlixger rangschikt het hout onder de weinig harde soorten. Het splint en \'t hout van jonge stammen is vrij zacht.

VI. Kloof baarheid. Het hout is tamelijk gemakkelijk kloof-baar. Nördlinger merkt op, dat zich bij het hout van alle Juglans-soortcn, tengevolge van het krimpen op de kloofvlakken een reeks van hol gebogen vlakken vormen.

VII. Dnnrzaamheid cn gebruik. In een droge omgeving is

1) Voor noteboomenhout mot groene kleur vonden E. en T. de volgende waarden: Elasticileits-coöfficiënt — 492.

Vasilu-ids-cocffictènt - 6.161.

-ocr page 374-

34S

dit hout zeer duurzaam. Het is evenwel aan wormstckigf-heid onderworpen. Ook onder water vertoont het hout een groote duurzaamheid en wordt daar beenhard. Vóór het gfebruik wordt het wateren en flink drogen van \'t hout aanbevolen. Over de kleur van het note-boomenhout, dat in bewerking komt, hebben wij hierboven reeds \'t een en ander meegedeeld. Inlandsch (Zeelandsch) hout vertoont dikwijls groene strepen en zwarte stippels; het Italiaansche wordt om de aangename kleur zeer op prijs gesteld en het Turksche \') vooral om het fraaie mazelhout (gemazeld wortelhout). Het wortelhout levert mazelhout, waaruit de fijnste fineerplaten worden vervaardigd.

In oude tijden werd dit hout als bouwhout gebruikt 2), heden ten dage is het slechts als een uitstekend en kostbaar werkhout bekend; het laat zich gemakkelijk bewerken.

In de eerste plaats verwerkt de meubelmaker veel van dit fraaie hout (Italiaansch), dat uitstekend gepolitoerd kan worden; de fijnste meubels worden er van vervaardigd. Het mazelhout van noteboomen levert het meubelfineer, dat tegenwoordig het meest gebruikt wordt. Voor draaierswerk wordt het geroemd en ook voor beeldsnijders is het een niet te verwerpen grondstof, daar men het uitstekend snijden kan.

Vervolgens worden er laden voor geweren van vervaardigd. In \'s Rijks geweerwinkel te Delft gebruikt

x) Sommigen beweren, dat dit Turksche noteboomenhout niet uit Turkije afkomstig is.

2) Door den scheepsbouwer wordt dit hout ook nu nog voor betimmering van kajuiten gebruikt. Vergissen wij ons niet dan is bijv. het raderstoomschip Holland, dat den veerdienst tusschen Stavoren en Enkhuizen waarneemt, van deze betimmering voorzien. Volgens Bi.ummer (Technologie mid Terminologie der Gèwerbe und K\'nnste bei Griechcn und Romern, Deel II, blz. 293^ gebruikten Grieken en Romeinen het hout slechts als bouwhout, zoo\'vel onder als boven den grond. Als werkhout werd het niet gebruikt. In Zwitserlind treft men in oude kerken nog binten van noteboomenhout aan.

3) Aan de lade van een geweer onderscheidt men in. de kolf, 2quot;. de greep, 30. de versterking en 4quot;. de voorlade.

-ocr page 375-

349

men daarvoor meestal hout uit X.-Brabant, Limburg\' en Bclg-ië; het is natuurlijk niet zoo fraai als het Italiaansche, maar vaster en voor het doel uitnemend g\'eschikt.

Paneelen van dit hout worden door den rijtuigfabrikant gebruikt. Eindelijk worden er ook katrollen, heften van messen, schoenleesten en houten zolen voor zoogenaamde „lederenquot; klompen van gefabriceerd. 2°. Amerikaansch noteboomenhout. Het hout van den zwarten walnoteboom ( Jnglans nigra L.i is oen van de kostbaarste houtsoorten van N.-Amerika. Het komt overvloedig\' in Alabama voor, maar ook noordelijker, in Canada, enz.

De boom bereikt aanzienlijke afmetingen, zoodat het hout in veel breeder afmetingen dan het Italiaansche in den handel komt \'). Het hout vertoont een fraaien, zijdeachtigen glans en een naar \'t grauw hellende bruine kleur, die bij oud stamhout bijna zwartviolet wordt. D\'kwijls is het fraai gevlamd en met lichte en donkere aderen geteekend.

In den bouw gelijkt het veel op dat van den gemeonen walnoot; het is grover dan het Italiaansche en brozer; de vaten zijn wijder en de mergstralen op een glad kopvlak voor het bloote oog duidelijk zichtbaar. Ook de jaarringen kan men duidelijk onderscheiden, omdat het aantal en de wijdte der vaten in het voorjaarshout eenig\'szins verschilt met die in de overige deelen van den jaarring. Bij vele monsters van dit hout werd door ons een donkere kleur van het voorjaarshout waargenomen, die gelijkmatig in de richting van het herfsthout afnam.

i) In het Verslag over aanvoer, verkoop, voorraad, enz. van fijne werkhouten gedurende de maand December 1885 tc Rotterdam van do Makelaars Overgaauw en OK Blaauvv wordt o. a. als voorraad vermeld:

van Amerikaansch noten. 6 blokken, breed 51/65 c.M. en 4826 cub. d.M. inhoud.

n „ 6 „ „ 48/60 „ „ 6288 r r n

van Italiaanseh noten , 10 platen , breed 36/61 „ dik 19/32 c.M. r r 10 „ „ 35\'37 „ ,, 1526 r

-ocr page 376-

35°

Technische eigenschappen.

1. Specifiek gewicht. Luchtdroog = 0.46—0.53 {gem. 0.49) (N.).

Groen = 0.76—0.87) (gem. 0.81) (N.).

I-I. Krimpen. Dwarsdraads.

a) in de spicgelrichting — 2—5 % (N.).

b) in die der jaarringen = 4—10 0/o (N.).

III. Elasticiteit en vastheid.

1. Buigende krachten. Elasticiteits-coëfficiënt = 1073 (N.).

Vastheids-coëfficiënt = 6.92 (N.).

IV. Hardheid. A\'olgens Nördlinger is het iets harder dan \'t gewone noteboomenhout. Terwijl dit laatste in klasse VI onder de weinig harde houtsoorten wordt gerangschikt, vindt men het Amerikaansche tot klasse V gebracht, die der „tamelijk hardequot; houtsoorten.

V. Kloofbaarheid. Nagenoeg als die van hout van den gemeenen walnoot.

Droge stukken, beproefd volgens de gewone methode van Nördlixger , spleten

in radiale richting bij een belasting van 18.33 en 35.66 Kg. (N.),

in tangentiale richting bij een belasting van 28.92 Kg. (N.).

VI. Duurzaamheid en gebruik. In de droogte is het hout niet minder duurzaam dan onder water. Zelfs het splint wordt weinig door den wrorm aangetast.

Het hout uit de Noordelijke staten wordt door den schrijnwerker bij voorkeur gebezigd, omdat het veel zachter is dan dat uit het Zuiden. Dit laatste verdient de voorkeur voor rivierwerken en voor die, welke groote duurzaamheid en groot weerstandsvermogen vereischen.

In den regel is de kleur van het Amerikaansche hout voor den meubelmaker te gelijkmatig bruin; zoodat, na \'t politoeren. geen aangename kleurschakeeringen, zoo^lls bij \'t Italiaansche hout, ons oog treffen \').

i) In het Kort overzicht ~\\in den handel in fijne icerkhouten in 1882 van de firma O. fn dk B. lec.st men met betrekking tot het Amerik. noteboomenhout: Deze werkelijk

-ocr page 377-

35\'

Nog- gemakkelijker dan liet Europeescho laat zich het Amerikaansche noteboomenhout bewerken; alleen klaagt men over snel bot worden der beitels en schrijft dit toe aan de aanwezig-hoid van zand. Zeer waarschijnlijk hebben de menigte gedroogde thyllen, die in de vaten van dit hout voorkomen en daar op overlangsche sneden duidelijk als schitterende punten worden waargenomen, tot deze meening gevoerd \').

99. Hickoryhout. Tot de familie der Juglandaceae behoort ook het geslacht Carya. In dit geslacht, in Noord-Amerika inheemsch, komen ook boomsoorten voor, wier ruim 20 M. hooge stammen een uitstekend hout aan de industrie leveren. Reeds sedert tal van jaren wordt het naar Europa geëxporteerd en ook in ons land wordt het veelvuldig toegepast. Het meest algemeen komt, onder den naam van hickory, in den handel het hout voor van Carya alba Nutt. 2); wij zullen ons in de volgende beschrijving ook slechts tot hot hout van dezen boom bepalen.

Het breede splint van dezen kernhoutboom heeft een geelachtige kleur; het bruinachtig witte kernhout wordt aan de lucht donkerder van kleur. De grenzen der jaarringen zijn duidelijk waar te nemen, omdat, evenals bij eiken-, ijpen-hout, enz., een ring van groote vaten in het voorjaarshout wordt aangetroffen; ook is het voorjaarshout en de buitengrens van het herfsthout veel lichter van kleur dan het overig gedeelte van den jaarring. Met \'t bloote oog bemerkt men geen morgstralen, noch vaten in het herfsthout; slechts in breede

jaarringen neemt men daar kleine witte vlekjes waar.

__

.

fijne en mooie hoxitsoort, die bij het meubelmakersvak tegenwoordig zoo gezocht wordt en het ook ten volle verdient, is voor het mahoniehout, vooral in de fijne ameublementen, een geduchte concurrent geworden en blijft steeds gezocht; vooral voor Duitschc markten had daarin een geregelde vraag en omzet plaats.

• ) Ook het splint vezelt en is bij \'t draaien niet zuiver glad te krijgen.

2) O. a. wordt nog gebruikt: het hout van C. porei na Nutt., van C. tomentosa Nutt., van C amara Michx. enz.

-ocr page 378-

Eerst met behulp van dc luiipc worden in \'t herfsthout vaten zichtbaar, meestal paarsgewijze of in groepjes van drie; met het bloote oog doden deze zich voor als witte vlekjes. Ook talrijke fijne mergstralen, lichter gekleurd dan het omgevend weefsel, merkt men nu op, zoowel als zeer smalle, in tangentiale richting loopende, parenchymbanden, die als \'t ware met de mergstralen een net vormen, in welks fijne mazen hier en daar kleine vatan worden aangetroffen. De vele schitterende kleine plekjes in de vaten wijzen op een groot aantal verdroogde thyllen.

Het microscopisch onderzoek leert, dat de libriformvezels zeer sterk verdikte wanden bezitten; terwijl hun diameter 0.017 m.M. bedraagt, heeft de open holte zelden een grooter wijdte dan 0.004 m.M.

Dc wanden der houtparenchymcellen (0.018 m.M. diameter), zijn niet verdikt De vaten, die ringsgewijze in \'t voorjaarshout optreden, hebben gemiddeld een middellijn van 0.248 m.M., terwijl die, in de overige deelen van den jaarring circa tienmaal kleiner zijn.

De mergstralen bestaan volgens de breedte meestal uit 1 tot 2, somwijlen ook uit 3 cellen; volgens de hoogte varieert dit aantal van 5 tot 25 cellen. Evenals de cellen van \'t hout-parenchym zijn zij met een bruinachtige stof gevuld; vooral op een tangentiale doorsnede zijn zij daardoor duidelijk waar te nemen.

Technische eigenschappen.

I. Specifiek gewicht. Euchtdroog = 0.772—1.000 (gem.

0.8S6) (N.), 0.93 (Wiesner).

II. Elasticiteit en vastheid.

1. Drukkende krachten.

Vastheids-coëfficiënt z= 5.94 (N.) \').

III. Hardheid. De hardheid van dit hout is zeer aanzienlijk.

I V. Kloof baarheid. Zeer gemakkelijk kloofbaar.

V. Duurzaamheid en gebruik. Dit taaie, harde hout is ook

t» Centralbl. f. d. gesammto Forstwcsen , r882. bl. 301.

-ocr page 379-

353

zeer duurzaam. Het bezit weinig g-lans en is veel minder fijn dan het notoboomenhout. Het klimaat en de bodom, waarin het hout is gegroeid, oefenen zeer grooten invloed op de eigenschappen uit \'). In Amerika wordt hickory vooral door den rijtuig-fabrikant gebruikt; zeer lichte, tweewielige wagentjes, die als \'t ware onvergankelijk zijn, worden bijv. grootendeels uit dit hout vervaardigd.

Hier te lande wordt het vooral voor de constructie van velgen en spaken gebezigd -), ook voor stelen van bijlen en hamers komt het al meer en meer in zwang.

100. Eschdoornhout. Van de verschillende soorten van het geslacht Eschdoorn of Ahorn (Acer) 1), waarvan het hout in de industrie toepassing vindt, komen er slechts twee in Nederland voor, n.1. de gemeene eschdoorn of ahorn (Acer Pseudoplatanus L.) en de kleine eschdoorn of ahorn Acer Campestre L.)

Daar het hout van eerstgenoemde soort voor ons het belangrijkste is en er bovendien weinig verschil bestaat in den bouw dor beide genoemde soorten, zullen wij ons tot de beschrijving van het hout van den gemeenen eschdoorn bepalen.

23

1

Tot het geslacht Acer behooren bijv. behalve de reeds bovengenoemde soorten ; Noordsche Eschdoorn (Acer Platanoides L.), Roode Eschdoorn (Acer Rubrum L.), Suiker-Eschdoorn (Acer Saccharinum L.), enz. De beide laatste soorten zijn in Amerika inheemsch.

-ocr page 380-

352

Eerst met behulp van de loupe worden in \'t herfsthout vaten zichtbaar, meestal paarsgewijze of in groepjes van drie; met het bloote oog deden deze zich voor als witte vlekjes. Ook talrijke fijne mergstralen, lichter gekleurd dan het omgevend weefsel, merkt men nu op, zoowel als zeer smalle, in tangentiale richting loopende, parenchymbanden, die als \'t ware met de mergstralen een net vormen, in w\'elks fijne mazen hier en daar kleine vatsn worden aangetroffen. De vele schitterende kleine plekjes in de vaten wijzen op een groot aantal verdroogde thyllen.

Het microscopisch onderzoek leert, dat de libriformvezels zeer sterk verdikte wanden bezitten; terwijl hun diameter 0.017 m.M. bedraagt, heeft de open holte zelden een grooter wijdte dan 0.004 m.M.

Do wanden der houtparenchymcellen (0.018 m.M. diameter), zijn niet verdikt De vaten, die ringsgewijze in \'t voorjaarshout optreden, hebben gemiddeld een middellijn van 0.248 m.M., terwijl die, in de overige deelen van den jaarring circa tienmaal kleiner zijn.

De mergstralen bestaan volgens de breedte meestal uit 1 tot 2, somwijlen ook uit 3 cellen; volgens de hoogte varieert dit aantal van 5 tot 25 cellen. Evenals de cellen van \'t hout-parenchym zijn zij met een bruinachtige stof gevuld; vooral op een tangentiale doorsnede zijn zij daardoor duidelijk waar te nemen.

Technische eigenschappen.

I. Specifiek geniicht. Luchtdroog = 0.772—1.000 (gem.

0.886) (N.), 0.93 (WIESNER).

II. Elasticiteit en ■vastheid.

1. Drukkende krachten.

Vastheids-coëfficiënt — 5.94 (N.) \').

III. Hardheid. De hardheid van dit hout is zeer aanzienlijk.

IV. Kloot baarheid. Zeer gemakkelijk kloof baar.

V. Dmirzaamhctd en gebruik. Dit taaie, harde hout is ook

1) Ccntralbl. f, rl. ^csammtc Forstwesen. 1882. hl. 301.

-ocr page 381-

353

zeer duurzaam. Hot bezit weinig- glans en is veel minder fijn dan het noteboomenhout. Het klimaat en de bodem, waarin het hout is gegroeid, oefenen zeer grooten invloed op de eigenschappen uit \'). In Amerika wordt hickory vooral door den rijtuig-fabrikant gebruikt; zeer lichte, tweewielige wagentjes, die als \'t ware onvergankelijk zijn, worden bijv. grootendeels uit dit hout vervaardig-d.

Hier te lande wordt het vooral voor de constructie van velgen en spaken gebezigd 1), ook voor stelen van bijlen en hamers komt hot al meer en meer in zwang\'.

100. Eschdoornhout. Van de verschillende soorten van het geslacht Eschdoorn of Ahorn (Acer) *), waarvan het hout in de industrie toepassing- vindt, komen er slechts twee in Xedcrland voor, n.1. de gemeene eschdoorn of ahorn (Acer Pseudoplatanus L.) en de kleine eschdoorn of ahorn Acer Campestre L.)

Daar het hout van eerstgenoemde soort voor ons het be-langfrijkstc is en er bovendien weinig verschil bestaat in den bouw dor beide genoemde soorten, zullen wij ons tot de beschrijving van het hout van den gomeonen eschdoorn bepalen.

1

Hickory spaken ongeveer 45 mM. breed, uit Lambertville in New-Yersey (Lambert-ville spoke Manufact. Co.) kosten hier te lande, inclusief vracht, circa 45 cents en zijn naar het oordeel van deskundigen veel beter dan de spaken , die uit hier geïmporteerde hickoryblokken (70 a 90 gld. de M2.) worden vervaardigd.

2

Tot het geslacht Acer behooren bijv. behalve de reeds bovengenoemde soorten ; Noordsche Eschdoorn (Acer Platanoides L.), Roode Eschdoorn (Acer Rubrum L.), Suiker-Eschdoorn (Acer Saccharinum L.), enz. De beide laatste soorten zijn in Amerika inheemsch.

23

-ocr page 382-

De g-emeene eschdoorn komt overal in Europa voor tot aan den sS51™ graad N.B., daar de boom geen groote koude verdragen kan. In Zuid-Duitsclüand, in Oostenrijk en in geheel Zuid-Europa groeit hij voornamelijk in quot;t gebergte; zoo bijv. in Beieren van 324—1318 en in de Alpen van 700—1690 M. boven het zeeoppervlak.

In Nederland wordt deze eschdoorn in den Haarlemmer- en Alkmaarder-Hout, in \'t Haagsche boscli, bij Nijmegen, onz. in \'t wild aangetroffen; maar ook aangekweekt komt hij veel voor. De boom groeit op alle gronden. in ons land zeer goed op droge en beschaduwde plaatsen: maar liet best tiert hij in een niet te vasten grond, die rijk is aan minerale voedingsstoffen, op schaduwrijke, westelijke berghellingen \').

De eschdoorn kan een zeer hoogen ouderdom bereiken; na 80 —100 jaren groeit de boom evenwel niet meer in de hoogte, die tusschen 20 en 30 M. kan afwisselen; ook de dikte is soms vrij aanzienlijk.

In den regel heeft de stam een cilindervormige doorsnede, die met de hoogte zeer langzaam afneemt, maar dikwijls ook is hij aan een zijde ingedrukt, /eer hoog reinigt hij zich van takken.

De eschdoorn behoort tot de splintboomen. De kleur van hot hout is witachtig, op dwarsche doorsnede bruinachtig wit. Vooral op radiale sneden is het zeer wit en dan ook zeer glanzend (zijdeglans). Aan de lucht wordt hot donkerder van kleur en geelachtig. De mergkokcr is rond en heeft een witte kleur.

Met het bloote oog kan men op dwarsche snede de jaarringen zeer duidelijk onderscheiden, doordat in tegenover-stolling van hetgeen bij andere houtsoorten het geval is -hot voorjaarshout bij opvallend licht donkerder gekleurd is dan het overige gedeelte van den jaarring. De breedte dezer donkere laag is evenwel zeer gering. Houdt men echter

t) Do ^cmrrn,- hilwru in Duitschland als Berg.iborn bekend.

-ocr page 383-

eon dunne snede tegen het licht, dan bemerkt men dat de kleuring van den jaarring normaal is, d. w. z. dat toch de uiterste herfsthoutlaag het donkerste deel van den jaarring is.

Fijne, lichter dan het omgevend houtweefsel g-ekleurde mergstralen worden in groot aantal waargenomen. Van vaten bemerkt men geen spoor; ze komen ter nauwernood te voorschijn , wanneer men dunne sneden tegen het licht beziet.

Met de loupe wordt de zooeven aangehaalde donkere kleur van het voorjaarsliout nogquot; duidelijker zichtbaar, de grens der jaarringen wordt nu scherp aangegeven door een zeer fijne lijn van dezelfde kleur als die der mergstralen.

Het aantal dezer merg\'stralen neemt onder de loupe ook toe, en duidelijk worden tusschen de reeds zoo fijne mergstralen nog fijnere bespeurd.

Vaten zijn ook nu nog niet zichtbaar.

Volgens onderzoek met den microscoop bestaat dit hout uit vaten, libriform , tracheïden en houtparenchym.

De vaten zijn alle nagenoeg even groot en tamelijk regelmatig in den jaarringquot; verspreid. Nu eens staan zij alleen, dan weer paarsgewijze of in groepjes van 3—4 bij elkander; in \'t laatste geval zoo dicht, dat de gemeenschappelijke vlakken geheel plat zijn gedrukt. Grenzen de vaten niet aan mergstralen en houtparenchym, dan zijn hun wanden, behalve van stippels, ook van fijne spiraalbanden voorzien; de dwarsehe wanden bezitten een ronde opening.

Het libriform is enkelvoudig of gedeeld en heeft slechts gering verdikte, gewoon gestippelde wanden. De tracheïden komen slechts in de uiterste grens van het berfsthout voor. Houtparenchymcellon worden zeer verspreid aangetroffen.

De mergstralen bestaan volgens de breedte uit 1 — 2 ook uit 3 en 4 cellen, wier wanden gekarteld zijn; hun inhoud bestaat voornamelijk uit zetmeel.

Technische eigenschappen.

I. Specifiek geiuicht. Lucht droog 0.53—o.yq, (gem-

0.66) (M.);

groen 0.83 \' 04, (gem. 0.935)

-ocr page 384-

356

II. Krimpen. A) In de richting van den draad = o.o 0/0 (F) \'),

0.06 % (Nj.

B) dwarsdraads.

a) in de spiegelrichting - - 1.7 en 4.5 quot;/0 (^)-

2-3 % (J- N.), 2-3 7o (N.).

b) in die der jaarringen 4.3 0/0 (J. N.) 4 7 % (N.).

III. Z\'vellen. A) In de richting van den draad — 0.072 0/u (L.) \').

B) dwarsdraads.

a) in de spiegelrichting — 3.35 % (L.).

b) in die der jaarringen = 6.59 % (L.). Vermeerdering in volume 7.1—9.8 % (W.),

» gewicht — 71—79 0/o (w-)-

IV. Elasticiteit en vastheid.

1. Rekkende kracJUen. A) In de richting van den draad.

Elasticiteits-grens = 2-789 (M.), 2.715 (Ch. en \\V.) \'). Elasticiteits-coëfficiënt = 962.3 (M.), 1021.4 (Ch. en W.). Vastheids-coëfficiënt = 5.39 (M.), 3.58 (Ch. en W.).

B) dwarsdraads.

d) in de spiegelrichting.

Elasticiteits-coëfficiënt - i,57\'i (Ch. en W.). Vastheids-coëfficiënt : 0.716 (Ch. en W.). ^ in die der jaarringen.

Elasticiteits-coëfficiënt = 72.7 (Ch. en W.). Vastheids-coëfficiënt — 0.371 (Ch. en W.).

2. Drukkende krachten. In de richting van den draad.

Elasticiteits-grens = 1.949 (M.). Elasticiteits-coëfficiënt = 822.1 (M.). Vastheids-coëfficiënt -= 2.685 (M.).

3. Buigende krachten.

Elasticiteits-grens = 1.803 (M.).

1) Frey noemt slechts Ahornholz. Voor welken eschdoorn dus deze cijfers gelden is ons onbekend.

2) Ook de opgaven van Laves hebben betrekking op Ahornholz.

3) De cijfers van Chevandiek en Wertheim zijn ook van proeven , met hout van een Ahorn, afkomstig.

-ocr page 385-

Elasticiteits-coëfficiönt - 688.2 (M.).

Vastheids-coëfficiënt 5 413 (M-)gt; 10.26 (N.).

4. A/schuivende krachten. A) In dc richting van den draad.

Vastheids-coëfficiënt 0.732 (M.).

B) dwarsdraads.

Vastheids-coëfficiënt = 3.03 (M.).

5. Wringende krachten.

Elasticiteits-grens 0.535 (M.).

Elasticiteits-coëfficiënt 666.8 (AL).

Vastheids-coëfficiënt ==; 1.00 (M.).

V. Hardheid. Niet alleen de gemeene, maar ook alle andere eschdoorns leveren een hard hout. Volg-ens Gayer varieert de hardheid tusschen 0.75 en 0.9, wanneer die van beukenhout 1 wordt gesteld.

VI. Kloof baarheid. Meest alle soorten van eschdoomhout klooven moeilijk. De kloofvlakken zijn gewoonlijk glad; bij hout van den gemecnen eschdoorn vertoonen zich schubachtige kloofvlakken.

Een luchtdroog stuk splinthout spleet in radiale richting bij een belasting van 53.7 Kg. (N.).

VII. Duurzaamheid en gebruik. Zoo uitstekend het eschdoomhout als werkhout is, zoo slecht is het als bouvvhout; het kan n.1. geen afwisseling van nat en droog verdragen. Altijd in een droge omgeving is het evenwel zeer duurzaam.

In den handel komt eschdoomhout voor zoowel van Duitsche als van Zwitsersche afkomst; het laatstgenoemde acht men het best voor paneelen, daar het zich zeer gemakkelijk laat buig\'cn.

Zeer gewild is tegenwoordig ook eschdoomhout, dat aan knopvorming (zie blz. 155) do aanwezigheid der zoogenaamde „Bird-eyesquot; of „ Vogelaugenquot; dankt \').

1) Van dek Trappen {Herbarium vivum, Deel li, hlz. 183. Uitgegeven te Haarlem Wi de Erven Loosjes door de Ned. Maatsch. t. b. v. Nijverheid in 1843) /egt, dat eschdoomhout, wanneer het vele kwasten heeft, den naam van Pamornstaarten-hout draagt.

-ocr page 386-

358

Het harde, taaie cn fijne hout van den gemccnen eschdoorn kan zeer glad bewerkt en uitstekend gepolitoerd worden; het verkrijgt daardoor een fraaien zijde-achtigen glans. Door schrijnwerkers wordt het wegens de witte kleur zoowel gebruikt ter vervaardiging van voorwerpen , die niet gepolitoerd of geschilderd worden, als voor andere, die deze bewerkingen wel moeten ondergaan; het neemt toch uitstekend verf aan en wordt gebruikt ter imitatie van notenhout, ebbenhout, enz.

Dc schrijnwerker vervaardigt van dit hout zoowel massieve als gefourneerde voorwerpen, parketvloeren, enz. Door kunstdraaiers is het zeer gezocht en niet minder door kunstsnijders, bijv. voor dc vervaardiging van allerlei dischartikels als borden, schotels, kook- en eetlepels, vervolgens van tandenstokers, kleine schoen-makerspennen, enz.

Voor zaagwerkjes, alsmede voor het fabriceeren van gevlochten stelen van zweepen, van biljart- cn wandelstokken bedient men zich zeer dikwijls van eschdoomhout.

Ook de fabrikanten van muziekinstrumenten gebruiken het in groote hoeveelheden, bijv. ter vervaardiging van dc zijwanden van violen en violoncels, dan voor fluiten, klarinetten en fagotten \').

101. Lindenhout. Van twee soorten van het geslacht Linde [Tilid] is het lindenhout afkomstig, dat in onze nijverheid wordt gebruikt -). liet zijn de grootbladige (Tilia gran-difolia Ehrh.) en de kleinbladige linde (Tilia parvifolia Ehrh.)

Hun vaderland is Midden- en Zuid-Rusland, waar zij nog heden ten dage, vooral in de Ukraine, alleen of met eiken

i) Hoewel vooral het minder fijne cn iets bruiner gekleurde hout van den kleinen eschdoorn voor de vervaardiging van fluiten, klarinetten, enz. dient, noemt men toeh den gewonen eschdoorn: luitenboom en violenbooin. (Zié bijv. Flora van Nederland] Deel i . blz, 436.

In Amerika wordt het hout van andere lindcnsoorten gebezigd.

-ocr page 387-

359

g-emengd, groote bosschcn vormen. De boomon zijn nu nagenoeg\' over geheel Europa verspreid, maar terwijl in Noord-Duitschland bijv. de kleinbladige linde verreweg do overhand heeft, is dit in Zuid-Duitschland en ook in Nederland mot de grootbladige het geval. De linden in onze bosschon (Spanjaardslaan in den Haarlemmerhout), langs pleinen en wandelplaatsen (Maliebaan te Utrecht), en die, welke langs de wegen voorkomen, bestaan voornamelijk uit de grootbladige soort. Prachtige exemplaren van de kleinbladige linde vindt men o. a. aan de Vuursche.

De linde groeit gaarne in een goeden vetten grond van leemachtigen aard of in een diepen, vruchtbaren, quot;eenigszins vochtigen bodem, uit zand en klei bestaande. Hij groeit tevens snel en kan een zeer hoogen ouderdom bereiken; de boom heeft weinig vijanden en wordt zelden door ziekten aangetast, zoodat, hoewel oude hoornen dikwijls kernrot zijn, er toch ook menigmaal geheel gave 300-jarige linden voorkomen.

De stam van den grootbladigen lindeboom is slanker en heeft een gladder schors dan die van den kleinbladigen. Zijn hout is geelachtig wit, terwijl dat van de kleinbladige linde meer bruin achtig wit gekleurd is. Het hout dezer laatste soort heeft evenwel de voorkeur in de nijverheid, omdat het minder zacht en taaier is. Voornamelijk zal in do volgende regels dan ook het hout van de kleinbladige linde worden beschreven; hoewel de anatomische samenstelling van \'t hout der beide linden weinig of niet verschilt, zal, waar dit overigens noodig mocht blijken, op het onderscheid tusschen beide lindenhoutsoorten worden gewezen.

1) De grootbladige linde wordt ook zomer linde genoemd. omdat hij iets vroeger bloeit dan de kleinbladige, die in tegenoverstelling ook als winter linde bekend is. Men onderscheidt beide linden zeer gemakkelijk aan de bladen.

Die van Tilia grandifolia zijn grooter en aan den voel veel schever dan die van Tilia parvifolia, ook zijn zij aan dc onderzijde wit behaard. De kleinere, meer spitse bladen van Tilia parvif. vertoonen daar alleen eenigf bruine haarbundeltjes in de oksels der hoofd-aderen , en een lichtgroene kleur, terwijl zij aan de bovenzijde donkergroen zijn. Dit kleurverschil wordt bij Tilia grandif. niet waargenomen.

J

-ocr page 388-

* 360

De linde is een rijphoutboom. Tusschen de kleur van het brecde splint en het rijphout bestaat weinig verschil (zie hierboven). Met het bloote oog worden de brecde jaarringen zeer duidelijk zichtbaar; do grens wordt namelijk door een uiterst smal houtlaagje aangegeven, waarvan de kleur veel witter is dan die dor overige deelen van den jaarring. I lij do grootbladige linde is de afscheiding der jaarringen minder scherp.

Door hetzelfde verschil in kleur, als waarvan zoo even sprake was, worden de fijne mergstralen zichtbaar. Van vaten bemerkt men geen spoor; slechts wanneer men een dunne dwarsche doorsnede togen het licht beziet, bespeurt men ook talrijke kleine openingen, die zeer regelmatig door de jaarringen zijn verspreid.

Op een radiale longtesnede vertoont \'t lindenhout tamelijk veel glans. De mergkoker is ongeveer 2 mM. breed en 3— -5 hoekig; de hoeken zijn afgerond.

Met dc loupe worden niet alleen jaarringen en mergstralen duidelijk zichtbaar, maar ook talrijke witte vlekjes waargenomen.

Uit het onderzoek met den microseoup blijkt, dat het weefsel, behalve uit vaten, uit gedeeld en ongedeeld houtparenchym , libriform en trachcïden bestaat.

De vaten zijn talrijk en tamelijk regelmatig in don jaarring verspreid; meestal in groepjes van 1 —3 of meer. Op een dwarsche snede blijkt, uit hun langwerpigen , nagenoeg eironden vorm, dat zij in de groepjes dicht aaneensluiten. De wanden der vaten zijn gehofstippeld en alle met sterk ontwikkelde schroefvormige verdikkingslijsten voorzien, waardoor dit hout met den microscoop zeer gemakkelijk te kennen is. De dwarswanden zijn bijna geheel verdwenen en vertoonen daardoor een ronde opening.

De doorsnede der vaten is door don ganschen jaarring nagenoeg dezelfde; volgens Wiesner hebben zij in\'t voorjaarshout 0.06 m.M. en in \'t midden van den ring 0.024 mM. diameter.

De libriformvezels hebben een veelhoekige gedaante en gemiddeld een doorsnede van 0.02 mM.; de holte is circa

-ocr page 389-

JÓI

o.o 12 mM. wijd. Zij zijn dus, in vergelijking met de vaten, zeer wijd, maar daarenboven dunwandig. De wanden zijn met zeer kleine hofstippols voorzien. Reeds op blz. 41 is opgemerkt, dat de IHsriformvezels van lindenhout een eigenaardige gedaante hebben; ze zijn zeer breed en, terwijl.deze breedte over het giootste deel der lengte dezelfde blijft, trekken de wanden zich aan de einden plotseling spits samen (volgens Saxio bedraagt de lengte 0.46 mM.).

Het ongedeeld parenchym en de tracheïden bevinden zich in de buitenste g\'rens van het herfsthout. Het gewone houl-parenchym komt door den ganschen jaarring voor, zoowel naast libriform als naast vaten. De dunne wanden zijn met stippels voorzien, die ongeveer even groot zijn als de hofjes der vaatstippels. Het houtparenchym is dikwijls bruinachtig geel gekleurd \'); de cellen bevatten zetmeel.

De mergstralen zijn, 1 tot 4, enkele malen 5 cellen breed. In de draadrichting is hun aantal zeer verschillend. Maar ook de grootte der cellen loopt zeer uiteen. Zij bevatten minder zetmeel dan de houtparenchymcellen. De mergstralen zijn altijd eenigszins bruin van kleur, zooals op een tangentiale snede het beste blijkt.

Technische eigenschappen.

I. Specifiek gewicht. Luehtdroog = 0.32 0.59 (gem. 0.455)

(N.), groen = 0.61 0.87 (gem. 0.74) (N.).

II. Krimpen. A) In de richting van den draad = o. 12 (N.),

0.0 0/o en o-1 % (Tilia grandifolia, F.) -).

B) dwarsdraads.

a) in de spiegelrichting = 1--7 % (N.), 5.7 % en 8.8 0/o (T. grandif. F.).

b) in die der jaarringen — 8—10 % (N.).

/

1) In zeer blanke lindenhouln.onsters werd door ons geen gekleurd houtparenchym waargenomen; waar dit bij andere monsters wel het geval was, waren ook hier cn daar de vaten door een bruinachtige stof gekleurd.

2) Fkey geeft niet aan, op welk lindenhout zijn cijfers betrekking hebben. Met eenigc zekerheid kunnen wij evenwel aannemen dat Tilia grandifolia door htm is onderzocht, daar in Zuid Duitschland, Zwitserland en Zuid Europa deze soort verreweg het meest voorkomt.

-ocr page 390-

362

lil. Zwellen. A) In de richting van den draad = 0.208quot;/,, (L.) i).

B) dwarsdraads.

a) in dc spicgfclrichting- = 7.79 % (L.).

b) in tangentiale richting 11.5 quot; „ (L.). Volgens Weissdach bedraagt, bij volkomen

verzadiging met water:

de vermeerdering in volume = 11.3%, „ gewicht - 113 %•

IV. Elasticiteit en vastheid.

1. Rekkende krach/en. In de richting van den draad.

Elasticiteits-grens — 1-46 (M.). Elasticiteits-coëfficiënt = 1008.00 (M.). Vastheids-coëfficiënt = 3.08 (M.).

2. Drukkende krachten. In de richting van den draad.

Elasticiteits-grens = 1.87 (M.). Elasticiteits-coëfficiënt 600.00 »(M.). Vastheids-coëfficiënt 2.01 -) cn 2.44 (M.), 3.00—4.61 (N.).

3. Buigende krachte7i.

Elasticiteits-grcns — 0.95 (M.). Elasticiteits-coëfficiënt = 679.50 (M.). Vasthcids-coëfficiënt ~ 3.58 (M.).

4. Afschuivende krachlen. A) In de richting van den draad.

Vastheids-coëfficiënt — 0.41 (M.).

B) Dwarsdraads.

Vasthcids-coëfficiënt 2.37 (M.).

5. J Vringendc krachten.

Elasticiteits-grens — 0.23 (M.). Elasticiteits-coëfficiënt 617.81 (M.). Vastheids-coëfficiënt 0.76 (M.).

1) Daar dc resultaten der onderzoekingen van Laves, in it t hei hingen des llannöver-schen Gewerbcvcrein quot; zijn verschenen , dus in X. Duitschland . vooronderstellen %\\ij, dal zij op 7\'. pan-ifolia betrekking hebben, zie blz. 244.

2) In de tabel op blz. 198 is een drukfout ingeslopen. Men gelieve voor de coëfficiënten van lindenhout, door Mikolasciikk bepaald, 2.01 tn 2.44 te lezen.

-ocr page 391-

3fgt;3

V. Hardheid. Uit den relatief grooten diameter der vezels en de geringe verdikking- hunner wanden volgt, dat het lindenhout tot de zachtste soorten behoort.

Wordt de graad van hardheid door middel van de zaag bepaald, dan is deze, de hardheid van beukenhout i.oo stellende, voor lindenhout = 1.80 (Gaver).

VI. Kloof baarheid. I f et hout klooft gemakkelijk, maar niet glad.

VII. Dnurzaamheid en gebruik. Het zachte, buigbare en ook taaie lindenhout kan geen vochtigheid verdragen; in de lucht cn droog gehouden is het vrij duurzaam; het heeft weinig van den worm te lijden; als bouwhout wordt het dus niet gebezigd. Het laat zich zeer goed bewerken — in alle richtingen is het even goed te snijden als te draaien. Het werkt bovendien uiterst weinig.

Voor beeldsnijders, die slechts zachte, fijne houtsoorten bewerken, van gelijkmatigen bouw, wier mergstralen en jaarringen niet scherp to voorschijn treden, is lindenhout de grondstof par excellenee. Behalve beelden worden ook ornamenten, die verguld of gelakt worden, zooals spiegellijsten, ja, gcheele luxe-meubels enz. van lindenhout gesneden; ook voor een groot gedeelte der kleine snijwerkjes, zooals servetringen, photographie-lijstjes, houten gemsjes, enz. wordt in enkele Zwitsersche kantons lindenhout gebezigd. Ook de hoedvormen zijn voornamelijk van lindenhout. Vervolgens dient het tot de fabricage van lichte voorwerpen, zooals kistjes voor zeep en parfumerieën, voor zeefranden , gewone stoelen. Daar het weinig trekt, gebruikt de meubelmaker lindenhout als grond- of blindhout voor meubels, die g\'efineerd moeten worden, en als grondstof voor lichte schuifladen; om dezelfde reden worden er gietmodellcn, schoenleesten, teekenplanken en meettafels voor landmeters van vervaardigd. In de bedrijven, waar men leder door snijden verdeelt, bijv. bij den zadelmaker, bestaat de snijplank, waarop dit geschiedt, uit het zachte lindenhout. Houtjes van gewone potlooden zijn ook dikwijls uit lindenhout

-ocr page 392-

3^4

vervaardigd. Eindelijk maakt men er ook de brillen van privaten van, die ongeschilderd blijven \').

Het laat zich zeer goed bijten.

102. Pereboomenhout. Dit hout is afkomstig van een boomsoort van het geslacht Pyrtts n. I. Pyrus communis L. , die ons als pereboom welbekend is.

Wel leveren ook andere Pyrussöbrten, bijv. de appelboom (Pyrus Malus L.hout, dat in de industrie wordt gebezigd, maar dit gebruik staat bij dat van pereboomenhout ver ten achter, reden, waarom wij ons hoofdzakelijk tot laatstgenoemde houtsoort zullen bepalen.

Als het vaderland van den pereboom noemt men Westelijk-Azië (Kaukasus en aangrenzende landen); tegenwoordig zijn evenwel zoowel de zoogenaamde „wildequot; pcre-als „wildequot; appelboom over geheel Europa verspreid, en ook in ons land worden verwilderde exemplaren in bosschen en duinen aangetroffen.

De pereboom eischt dieper bodem dan do appelboom; de grond behoeft evenwel niet zeer vruchtbaar te zijn. Zoowel in den gekvveekten als in den verwilderden staat wordt de pereboom hooger en dikker dan de appelboom.

Het hout van den verwilderden pereboom wordt boven dat van den gekweekten verkozen, daar het vaster en duurzamer en ook meestal in langer en rechter stammen te verkrijgen is.

De pereboom is een rijphoutboom met zeer breed splint. Bij oude stammen kan dikwijls een kern worden waargenomen, die dan evenwel als een „ongezondequot; kern (zie blz. 62) moet worden aangemerkt. Rijphout zoowel als spint zijn bruinachtig rood. Hout van jonge hoornen is nagenoeg wit van kleur.

Met het bloote oog kan men door de meer donkere kleur van de uiterste herfsthoutlaag, de grens der jaarringen duidelijk waarnemen; op radiale sneden zijn deze grenzen vooral zeer duidelijk. Nog ziet men, bij zeer nauwkeurige beschouwing,

1) Niet alleen omdat hot hout zacht is, maar ook, omdat men meent, dat het altijd warmer is dan ander hout.

-ocr page 393-

3^5

de fijne mergstalen lichter gfekleurd dan het hen omyevend houtweefsel Daar men ook g-eon vaten bespeurt, maakt pereboomenhout den indruk van een fijne, zeer gelijkmatige houtsoort.

Met behulp van de loupe treden de merg.stralen duidelijker op, maar de vaten zijn nog zeer moeilijk te bespeuren. Dunne schijfjes (dwarsche snede) tegen het licht met de loupe beschouwd, laten ons evenwel zien, dat de vaten in de oudste lagen van het voorjaarshout iets meer in aantal zijn dan in de overige deelen der jaarringen; uiterst langzaam neemt dit aantal naar de herfsthoutlag\'en af.

De microscoop leert, dat de vaten nagenoeg alle even groot, of beter, alle even klein zijn (gem. diam. 0.04 mM.) en op zich zelf staan, dat wil zeggen, niet in groepjes van 2 of meer voorkomen. Hun wanden zijn gestippeld; de dwarsche wanden zijn van een ronde opening voorzien. Doordat het aantal en de wijdte der vaten in het herfsthout slechts weinig geringer zijn dan in het voorjaarshout, kan men onder den microscoop de jaarringgrenzen slechts waarnemen door de saamgedrukte en dikwandige cellen in het herfsthout; maar ook daardoor nog- betrekkelijk moeilijk, omdat het aantal samengedrukte herfsthoutlagen zeer gering is.

Behalve uit vaten bestaat dit hout uit tracheïden en hout-parenchym. Libriform ontbreekt hier, zoodat de grondmassa van het hout door tracheïden wordt gevormd; deze hebben dientengevolge ook een vezelachtige gedaante, zij zijn bijv. aan do einden gespitst en hun wanden aanzienlijk verdikt.

De cellen van het houtparenchym, dat hieri en daar verstrooid voorkomt, hebben een zeer geringe doorsnede.

De zeer talrijke mergstralen zijn op de overlangsche sneden bruin gekleurd en daardoor zeer goed waar te nemen. Zij bestaan in tang-entiale richting, dus volgens de breedte, uit 1 tot 3 rijen cellen; volgens de hoogte tot circa 0.5 mM. is dit aantal verschillend.

De ronde mergkoker heeft oen doorsnede van 1 2 mM.

-ocr page 394-

366

Technische eigenschappen.

I. Specifiekgemicht. Luchtdroog --- 0.71-0.73 (gem. 0.72)

(N.), 0.646 (Barlow); groen -- 0.96— 1.07 (gem. 1.015) (N.).

II. Krimpen. Dwarsdraads.

a) in de spiegelrichting quot; 3 0/o (N.).

b) in die der jaarringen quot; 5—6 quot;/o (N.).

III. Zwellen. A.) In de richting van den draad - 0.228 (L.).

B) dwarsdraads.

a) in de spiegelrichting - 3.94 % ?-•)•

b) in die der jaarringen - 12.7quot;/,, (\'-•)• J)c vermeerdering in volume 8.6 quot;/„ (A\\ .),

en in gewiebt — gi %• {^r)-

IV. Elasticiteit en vastheid.

1. Rekkende krachten. A) In de richting van den draad.

Vastheids-coëfficiënt 6.91—7.58 (L.).

2. Buigende krachten.

Vastheids-coëfficiënt 6.905 (Barlow). V. Hardheid. De hardheid van pereboomenhout is gering. Nördlinger rangschikt bet onder de „weimg hardequot; soorten.

VJ. Kloof baarheid. Het is moeilijk kloofbaar. Vil. Duurzaaniheid en gebruik. Het bout moet zeer droog zijn, voor men \'t gebruikt. Niet alleen omdat \'t dan bijna niet meer trekt, maar omdat \'t dan. voornamelijk in een droge omgeving, zeer duurzaam is. Hout van verwilderde boomen is vaster en duurzamer dan dat van aangekweekte.

Oude boomen zijn dikwijls kornrot.

Wegens de gelijkmatige textuur en omdat bet in alle richtingen even goed snijdbaar is, is bet een voortreffelijk materiaal voor houtsnijdr gt; s; voor grof werk vervangt de houtgraveur het palmhout door pereboomenhout.

Ook de drukvormen voor katoen en behangselpapier worden er van vervaardigd. Door draaiers wordt bet eveneens veel bewerkt (knoopen, passement-waren , en/.)

-ocr page 395-

367

Het dient ook ter fabricag\'e van groote houten schroeven , van kegels, pijperoeren , schaaf blokken , heften van allerlei gereedschappen, enz.

Evenals lindenhout kan men het uitstekend zwart bijten en zich zoodoende een surrogaat voor ebbenhout verschaffen.

103. Kastanjehout. De boom, waarvan dit hout afkomstig is, n. 1. de geraeene wilde of paarden-kastanje \') (Aesculus Hippocastanum L.) werd eerst omstreeks het eind der X Vrdn eeuw uit Turkije naar ons vaderland overgebracht Van hier heeft hij zich verder over geheel Westelijk Europa, verspreid.

In Nederland komt de kastanjeboom nu zeer algemeen voor; hij wordt veel aangekweekt en zoo vindt men hem dan ook langs wegen, stadsgrachten, openbare wandelplaatsen, op buitenplaatsen, enz.

Het is een sierlijke boom, die tot 15 a 20 M. hoog en 0.6— 0.9 M. dik wordt; do stam is meestal eenigszins gedraaid.

De kastanje is een splintboom; zijn hout vertoont op een gladde dwarsche doorsnede de eigenaardig geelwitte kleur van ivoor; in de richting van den mergkoker wordt de kleur iets donkerder. Op radiale snede is het hout ook glanzend en de kleur zeer wit.

-ocr page 396-

368

Met het bloote oog ziet men do jaarringen door de aanwezigheid van zeer fijne wit gekleurde grenslijnon; ook wordt de kleur van het houtweefsel in de richting van het herfsthout iets donkerder dan die in het voorjaarshout.

Ui- talrijke mergstralcn zijn op zeer gladde dwarsche sneden nauwelijks zichtbaar, en de vaten zelfs dan niet. wanneer men dunne sneden tegen het licht beziet.

Met de loupe komen de jaarringen en ook do mergstralen zeer duidelijk te voorschijn En eerst bij zeer nauwkeurige beschouwing van dunne dwarsche sneden tegen het licht bemerkt men een groot aantal vaten; in \'t voorjaarshout zijn er betrekkelijk weinig meer dan in \'t herfsthout.

Volgens het microscopisch onderzoek bestaat het hout uit vaten, libriform, trachoïden, gedeeld en ongedeeld hout-parenchym.

De vaten zijn in \'t voorjaarshout iets grooter dan in \'t overige deel der jaarringen; zij staan alleen, paarsgewijze of in groepjes van 3—5 (soms 6 en 7); de gemeenschappelijke wanden der vaten zijn platte vlakken.

Grenzen de vaten aan libriform. dan zijn hun wanden van spiraalvormige verdikkingslijsten voorzien en weinig gestippeld ; de wanden van vaten, die aan elkaar, aan mergstralcn of houtparenchym cellen grenzen, zijn daarentegen sterk gestippeld, maar missen de spiraalvormige lijsten.

Het libriform is -regelmatig in radiale rijen geplaatst; de wanden zijn, evenals die der vaten, gewoon gestippeld en iets meer verdikt dan die van het libriform in lindenhout. Hot ongedeelde houtparenchym en de tracheïden bevinden zich in de uiterste herfstgrenzen; het gedeelde houtparenchym is in alle doelen van den jajirring aanwezig, maar slechts als verstrooide reeksen cellen. De wanden van deze elementen zijn gestippeld.

De mergstralen zijn alle één cel breed.

De mergkoker is sterk ontwikkeld, 2—4 mM. dik en licht bruin gekleurd.

-ocr page 397-

369

Technische eigenschappen.

I. Specifiek gewicht. Luchtdroog = 0.52—0.63 (gom. 0.575)

(N.), groen — 0.76—1.04 (gem. 0.93) (N.).

II. Krimpen. Dwarsdraads.

a) in de spicgelrichting — 2—3 quot;/0 (N.).

b) in die der jaarringen = 6—8 % (N.).

III. Zivelleu. A) In de richting van den draad — 0.088 quot; „ (L.).

Bi Dwarsdraads.

a) in de spicgelrichting = 1.84 % (L.).

b) in die der jaarringen = 5.82 % (L.).

IV. Hardheid. Het hout is zacht; wegens do sterker verdikte wanden van het libriform is het iets harder dan lindenhout.

V. Kloofbaarheid. Kastanjehout is gemakkelijk kloofbaar.

VI. Duurzaamheid en gebruik. Het hout bevat dikwijls hartscheuren en is weinig geschikt voor timmerwerk. Aan wind en weder blootgesteld of in een vochtige omgeving is het van geringen duur. Voor vochtigheid bewaard, wil men, dat het duurzamer is dan andere zachte houtsoorten; volgens anderen rot het gemakkelijk.

Men maakt van dit kastanjehout \') nagenoeg hetzelfde gebruik als van lindenhout. Hoewel het op \'t uiterlijk een zeer fijn weefsel vertoont, gebruikt men \'t zelden en dan nog slechts voor grof snijwerk; voor inlegwerk is \'t een uitstekend materiaal en ook voor de vervaardiging van pakkisten, enz.

104. Populierenhout. Van de vele soorten van populieren -),

1) Met hout van den t a nun en kastanje bezit den bouw van harde houtsoorten. De kleur is geelbruin, het hout overigens hard en vast. Het gelijkt op eikenhout; de kleur is evenwel lichter en de breede mergstralen ontbreken. In Zuid-Europa wordt het bijna evenzeer op prijs gesteld als eikenhout. De duurzaamheid i.s niet groot.

2) In ons land komen volgens Oudemans (Flora v. Ned. Dl. III. biz. 76) behalve de ratel populier, nog voor;

wild: de witte populier {F. alba /..) in de duinen.

„ zwarte „ (/\'. nigra L.) „ „ „

aavge.plant: dc Canadasche populier [P. monilifera A it.)

r /taliaansche „ (P. dilatata Ait.)

-ocr page 398-

37°

die in ons vaderland worden aangetroffen, komen er slechts enkele en daaronder de ratelpopulier \') of espenboom Popu-lus tremula L.) in wilden toestand voor. Met dezen zullen wij ons hoofdzakelijk bezighouden, omdat velen aan zijn hout, wegens meerdere taaiheid en gelijkvormigen bouw, boven alle andere populierenhout de voorkeur geven.

De boom is over geheel Europa verspreid, van 70° N. B. tot in Italië, Griekenland, Spanje enz.; hij verlangt\'t liefst koele , vochtige gronden, cn groeit zoowel in vlakke streken als op bergen (in de Alpen bijv. tot ruim 1300 M. boven de oppervlakte der zee), hier te lande in boschachtige streken, op zand- en veengrond. Eigenlijk is het een boom. die in het Noorden of juister in het Noord-Oosten van Europa te huis behoort, want terwijl hij bijna overal met andere boomen gemengd voorkomt, vormt hij in Oost-Pruisen, in de Oostzeeprovincies en waarschijnlijk ook in Rusland (volgens Willkomm) somwijlen groote bosschen, die den indruk van beukenbosschon maken 2). In onze streken en in Duitschland wordt do esp zelden ouder dan 60—80 jaar; hij bereikt daïirbij een hoogte van 20 M. en meer, en wordt 0.4—0.6 M. dik. De stam is recht, nagenoeg cilindervormig, en reinigt zich zeer hoog boven den grond van takken.

Deze populier behoort tot de splintboomen; indien er kernhout aanwezig is, moet dit als „ongezondquot; worden aangemerkt. De kleur van het hout is geelachtig wit. De mergkoker is circa 1 m M. dik, wit of groenachtig van kleur en heeft een vijfhoekige (afgeronde) doorsnede.

de abeel of gratnvc populier (P. canescens Smith.)

„ balsempcruboom {P caudicans.) meer zeldzaam.

„ balsem populier [P. balsamifera.) „ „

„ Virginische populier [V.virginica.) „ „

1) Niet alleen de bladeren van dezen boom , maar ook die van enkele andere populieren komen , u n gevolge van de lengte en den bijzonderen vorm cn de buigzaamheid der bladstelen, zelfs bij de minste beweging der luehl in beweging en klapperen of ratelen tegen elkaar. Van daar de naam rlt;z/lt;/populicr.

2) In genoemde landstreken wordt populierenhout dan ook zelfs voor de constructie van kappen en van sloepen gebezigd.

-ocr page 399-

371

De jaarringen zijn tamelijk breed en kunnen met het bloote oog\' worden waargenomen, wegens de bruine kleur van do uiterste herfstgrens. Merg-stralen en vaten blijven onzichtbaar.

Zelfs met de loupe bespeurt men de mergstralen nog tc-nauwernood. Beziet men evenwel dunne dwarsche doorsneden door de loupe tegen het licht, dan komen de mergstralen beter te voorschijn; ook ziet men nu vaten door den ganschen jaarring verspreid.

Met den microscoop onderzocht, blijkt hot hout te bestaan uit gedeeld en ongedeeld houtparenchym, uit tracheïden, libriform en vaten.

Het gewone (gedeelde) houtparenchym komt zeer weinigvoor en dan slechts in de nabijheid der vaten; de cellen bevatten dikwijls kristallen van zuringzure kalk. Met ongedeelde houtparenchym en de tracheïden bevinden zich .slechts in de buitenste herfstgrenzen. De wanden der libriformvezels, met gewone stippels,\'zijn weinig verdikt; hun diameter is ongeveer 0.016 mM., de inwendige holte circa 0.008 mM. wijd. (Wiesnkr.)

De vaten zijn alleenstaand of radiaal gegroepeerd (2 a 3.) Zeer dikwijls zijn zij veelhoekig. In \'t voorjaarshout zijn zij iets meer in aantal en weinig gTooter dan in het herfsthout; hun diameter varieert tusschen 0.024 en 0.035 mM. (Wiesnkr). De dwarsche wanden bezitten ronde openingen; de andere zijn wel gewoon gestippeld maar vertooncn geen spiralen.

De mergstralen zijn slechts één cel breed. Voor zoover zij aan vaten grenzen, zijn meestal, zooals op een radiale doorsnede blijkt, de cellen der buitenste (hoogste en laagste) celrijen gestippeld.

De grens der jaarringen is onder den microscoop aan hoogstens drie a vier rijen meer verdikte cellen kenbaar. Do herfsthoutzone is dus zeer smal.

Technische eigenschappen.

I. Specifiek gewicht. Luchtdroog o.43 0.56 (gem. 0.495) (N.), groen = 0.610.99 (gem. 0.80) (N.).

TI. Krimpen. A) In de richting van den draad — 0.02 0-53 % (N.), 0.4 en 0.3 (F.).

-ocr page 400-

372

B) dwarsdraads.

a) in de spiegelrichting = 2—3 quot;/0 (N-)\' 3-8 en 6.1 quot;/„ (F.).

b) in die der jaarringen = 6—8 % (N.).

III. /.wellen. A) In de draadrichting = 0.125 (l..).

B) Dwarsdraads.

a) in de spiegelrichting = 2.59 % (L.).

b) in die der jaarringen = 6.40 % (L.).

IV. Elasticiteit en vastheid.

1. Rekkende krachten. A) In de richting van den draad.

Elasticiteits-grens — 3.0S2 (Ch. en A\\ .). Elasticiteits-coëfficiënt = 1075.9 (Ch. en W .). Vastheids-coëfficiënt = 7.2 (Ch. en W.), 2 8j (M.). B) dwarsdraads.

a) in de spiegelrichting.

Elasticiteits-coëfficiënt 107.6 (Ch. en W.). Vastheids-coëfficiënt = 0.171 (Ch. en W.).

b) in die der jaarringen.

Elasticiteits-coëfficiënt = 43.7 (Ch. en W.). Vastheids-coëfficiënt = 0.414 (Ch. en W.).

2. Drukkende krachten.

Vastheids-coëfficiënt - : 2.10 (M.)

3. Buigende krachten.

Vastheids-coëfficiënt — 7.76—8.66 (N.).

4. Afschuivende krachten.

Vastheids-coëfficiënt = 0.36 INI.

V. Hardheid. Het hout is zeer zacht. Daar de vezels van het groene hout taai zijn en het weefsel bovendien niet zeer vast is, vindt Ctavkr een hardheid, indien deze bepaald wordt door den weerstand, dien een zaag bij \'t dwarsdoorsnijden van een stam ondervindt, gelijk aan [.3—i-4t wanneer die voor beukenhout = 1 wordt aangenomen.

1) Dczr wannlen voor \'t zwellen grld\'-n voor ^P.tppcl/ioh.quot; Zir: Tech». Eigensch. der II. /:,r. lil/. 137 .-n 339.

-ocr page 401-

373

VI. Kloof baarheid. Espenhout laat zich gemakkelijk cn glad klooven.

Luchtdrogc stukken splint (blz. 224) splijten in radiale richting bij een belasting van i6.8—20.47 Kg- (N.).

VIL Duurzaamheid en gebruik. Tegen vocht is het hout niet bestand; op droge plaatsen is het tamelijk duurzaam ; het werkt weinig. Men gebruikt het als blind-hout in clc meubclfabricage, ook voor kamerbetimmering, parketvloeren, tafelbladen, ter vervaardiging van vlechten snijwerk, van kleine kisten voor geringe sigaren-soorten, voor verzendingen van ga\'anteriën cn parfu-meriën en van grootcrc kisten voor droge waren, van goedkoopc klompen, enz. Ook is hot een voornaam materiaal voor de fabricage van lucifers; de houtjes der Zweedsche lucifers en hun vierkante doosjes o. a. zijn van espenhout gemaakt.

In den vorm van Iwutslof is het een zeer gewichtige grondstof voor de papierindustrie \').

105. Elzenhout. De elzeboom is over geheel Europa tot ongeveer 6^° N. 15. verspreid. Bij ons te lande worden er twee-soorten aangetroffen, waarvan de eene, de gemeene of kleverige els ( Alnus glutinosa Gürtn.) in vochtige hei- en veen-streken voorkomt (als hakJiout gecultiveerd) terwijl de andere, de grijswitte -) els (Alnus incana Willd.) meer tot de zeldzame boomsoorten behoort.

liet hout van don gemeenen els zal daarom het onderwerp der volgende beschrijving uitmaken.

Slechts in zijn jeugd groeit deze els zeer snel; toch kan hij op een goede standplaats in ongeveer 80 tot 100 jaren een

.

rgt; Het hout van den Italiaanschen populier is tegenwoordig zeer gezocht voor de vervaardiging der remblokken aan spoorwegwaggons.

2) De bladen van den gemeenen els zijn kleverig in hun jeugd; die van den grijs-witten els zijn aan hun onderzijde grijsachtig.

quot;

-ocr page 402-

374

boom worden van circa i Meter diameter en ruim 25 Meter hoogte. De stam is dan in den regel zeer recht.

Do els is eon splintboom. Het hout heeft een geelachtig-bruinroode kleur; versch aangesneden vertoont het een helder roode kleur, een eigenschap, waardoor men hot groene of vochtige elzenhout spoedig tusschen andere houtsoorten kan onderkennen.

De mergkoker is 1 tot 2 mM. dik en driehoekig.

Met het bloote oog kan men de tamelijk breede jaarringen zeer gemakkelijk waarnemen door de meer donkerbruine kleur dor herfsthoutlag\'en; ook zijn er op dwarschc doorsnede duidelijk morgstralen te zien. Vaten evenwel bemerkt men niet.

Bij het onderzoek mot de loupc lossen de breede mergstralen zich op een zeer glad snijvlak in een aantal fijnere op, zoodat\' wij hier, evenals bij hot haagbeukenhout, met onechte mergstralen te doen hebben. Tusschen deze mergstraalgroepen komt nu een groot aantal, met het bloote oog onzichtbare mergstralen te voorschijn. Vaten zijn ook nuAiog niet zeer duidelijk waar to nemen. quot; -

Onderzoek met den microscoop doet het hout kennen als samengesteld uit gedeeld en ongedeeld houtparenchym, trachoï-den, libriform en vaten. Het ongedeelde houtparenchym en do trachoïden, wier wanden evenals die der vaten g\'ehofstippeld zijn, komen op de buitenste herfstgrens voor.

Het gewone houtparenchym, met zeer fijn gestippelde wanden, treedt in rijen op, zoowel tusschen het libriform als naast vaten, in alle doelen van den jaarring. De cellen bevatten oen bruinroode stof, waardoor zij op een radiale lengte-snede tusschen het ongekleurde libriform gemakkelijk zijn te ontdekken.

De libriform-vezels zijn betrekkelijk zeer wijd (gem. circa 0.025 : lquot;11quot;1 wanden zijn weinig verdikt (de holte heeft

gem. een diameter 0.016 mM.) maar ook gehofstippeld. De vaten zijn zeer talrijk en tamelijk gelijkmatig door den ganschen jaarring verspreid. Xu eens staan zij alleen of paarsgewijze , dan weer vormen ze radiaal geplaatste groepen van

-ocr page 403-

3—6 en meer vaten. Hun dwarsche, zeer schuin geplaatste wanden , zijn van langwerpige openingen voorzien (laddervormig geperforeerd). De vertikale wanden zijn gchofstippeld, vooral in de nabijheid van deze dwarswanden on van mergstralen.

De mergstralen zijn slechts één cel breed; maar volgons de hoogte kan hun aantal zeer groot zijn (de totale hoogto der mergstralen bedraagt soms 160 mM en meer). Ook deze cellen bevatten een bruine harsachtige stof. Zeer dikwijls vindt men in het houtweefsel tusschen eenige dicht naast elkaar liggende mergstralen geen vaten — deze vormen dan te zamen een zoogenaamden „onechtenquot; morgstraal. Herhaaldelijk wijken de mergstralen voor de vaten uit. Het aantal rijen van sterk verdikte cellen op de jaarringgrenzen bedraagt slechts 4 a 5.

Technische eigenschappen.

I. Specifiek gewicht. Luchtdroog = 0.42—0.64 (gem. 0.53) (X.) groen = 0,63 — 1.01 (gem 0.82) (N.).

11. Krimpen. Dwarsdraads.

a) in de spiegelrichting — 2—7 quot;/„ (N.).

b) in tangentiale richting == 3— 1 o 7„ (N.).

HL Zwellen. A) In de richting van den draad = 0.369 % (L.).

B) Dwarsdraads.

a) in de spiegelrichting = 2.91 0/0 (L.).

b) in die der jaarringen — 5.07 % (L.).

Volgons Weisskach bedraagt, bij volkomen verzadiging met water:

de vermeerdering in volume 5.8—6.8 % (W.).

„ „ „ gewicht— 136—i63 0/u(\\V.).

IV. Elasticiteit en vastheid.

1. Rekkende krachten. A) In de richting van den draad.

Elasticiteits-grens ; 1.809 (Ch. en W.), 1.449 (groen hout, Ch. en W.), 1.16 (M.).

Elasticiteits-coëfficiënt = 1108.1 (Ch. en W.), 981.00 (AI.).

Vastheids-coëfficiënt = 4.54(Ch.cn W.), 3.70(^1).

-ocr page 404-

376

B) Dwarsdraads.

a) in de spiegel richting.

Elasticiteits-coëfficiënt = (gt;8.3 (Ch. en W.). Vastheids-coëfficiënt = 0.329 (Ch. en W.).

b) in de richting der jaarringen. Elasticiteits-coëfficiënt --- 59.4 (Ch, en W.) Vastheids-coëfficiënt = 0.175 (Ch. en W.)

2. Drukkende krach/en. In de richting van den draad

Elasticiteits-grens = 1.24 (Af.). Elasticiteits-coëfficiënt = 823.00 (Ch. en W.). Vastheids-coëfficiënt — 1.94 (M.).

3. Buigende krachf01.

Elasticiteits-grens 1.21 (M.). Elasticiteits-coëfficiënt = 613.90 (M.). Vastheids-coëfficiënt = 3.72 (M.).

4. Afschuivende krachten. A) In de richting van den draad.

Vastheids-coëfficiënt = 0.57 (M.). B) Dwarsdraads.

Vastheids-coëfficiënt = 2.29 (M.). ,s. II \'ringende kracht01.

Elasticiteits-grens = 0.27 (M.). Elasticiteit-coüfficiënt -- 728.53 (M.). Vastheids-coëfficiënt - ■ 0.62 (M.). \\\', Hardheid. Nökdi.inger rangschikt het onder de zachte houtsoorten. Stelt men den weerstand, dien de zaag ontmoet bij beukenhout = 1, dan varieert die, volgens Gaykr, bij elzenhout tusschen 0.75 en 0.90.

VI. Kloof baarheid. Het elzenhout laat zich gemakkelijk klooven. Euchtdroge stukken van den grijswitten els splijten:

in de spiegelrichting bij een belasting van 25.41 — 28.9 K.(t. (N.);

in de richting der jaarringen bij_ een belasting van 42.89 K G. (N ).

VII. Duurzaamheid en gebruik. Aan wind en weder blootgesteld, heeft elzenhout slechts een geringe mate van

-ocr page 405-

377

duurzaamheid; in den grond is het vrij duurzaam , en onder ■water doet het voor eikenhout niet onder, liet is daarom zeer geschikt voor palen in den grond on onder water, en voor krib- en pakwerk zoo goed als eenig ander hout. De levende boom heeft echter een grooten vijand in den elzenhout-snuitkevor (Curculio Lapathi L), die zijn gangen boort zoowel in het splint als onder de schors; andere insecten, die den els tot woonplaats kiezen, doen hem weinig schade.

Wat het gebruik betreft, wordt het elzenhout voor sommige doeleinden nog altijd tot de beste houtsoorten gerekend. Wegens zijn duurzaamheid in den grond en onder water wordt het aangewend tot heipalen , buizen van waterleidingen , bruggenhoofden, wal-beschoeiïngen, putbuizen, kortom tot allerlei constructies, die aan vocht zijn blootgesteld.

Van de Europeesche houtsoorten dient hoofdzakelijk elzenhout voor de fabricage van sigarenkisten; verder maakt men er klompen van, zadelbogen, houten nappen en ander keukengereedschap, en in den laatsten tijd ook haringtonnen, terwijl de draaier van het geaderd wortelhout allerlei voorwerpen vervaardigt, in \'t bijzonder pijpekoppen; ook wordt het gebruikt ter imitatie van noteboom- en palissanderhout. Eindelijk bezigt de pannenbakker het jonge elzenhout, ten einde do blauwe kleur aan de pannen te geven, waartoe hij een taosch groene Uikken laat verkolen.

-ocr page 406-

Dc leesboeken over plantenkunde, op bladzijde 31 bedoeld, zijn de volgende :

Leerboek der Plantenkunde, ten gebruike bij het Hooger Onderwijs. 2e druk.

Eerste deel. Leerboek der Plantenphysiologie door Hugo de Vries.

Tweede deel. Vormleer en Rangschikking der planten door C. A. J. A. Oudemans. Zalt-Bonirael, Joh. Noman amp; Zoon.

Handbuch der physiologischen Botanik. In Verbindung mit A. de Bary und J. Sachs, hrsg. von Wilh. Hokmbister.

Hand III. A. de Bary, Vergleichende Anatomie der Vegetations-organe der Phanerogamen und Farne. 1877.

Band IV. Jul. Sachs, Handbuch der Experiraental-Pliysiologie der Pflanzen, 1S65.

Cf. A. Weiss, Anatomie der Pflanzen, 1878. Wien, Wilh. Brau.ml\'ller.

Botanische Zeitung. Band 20, 21.

-ocr page 407-

ZAAKREGISTER.

A.

Amarantbout (Copaifcra braetenta

Bcntb.).........

45,

152.

Abeelenhout.....

37.

Ammoniak.......

82.

Abies Excclsa 1). C. .

260, 286.

Anatomie.......

5.

Abies Escelsa L. . .

. 76,

104,

151.

Aniline (zwavelzure) . . .

. 34, 95.

Abies pectinata 1). C

39,

76,

104,

Anobium domesticum Four.

128.

151, 157, 192,

238,

268,

286.

Anorganische stoffen. . . 1

, 28,

213.

Abrikozeboomen . . .

9.

Anorganische verbindingen

82.

Acacia.....\'JG,

155,

175.

327.

Anorganische zuren. . . . .

85.

Acaciahont 19, 37, 41, |:

i, 46

49,

Appelboom 60, 127, 169,172

, 227,

364.

1?,G, 138, 114, 151

161,

167,

169,

Appelboom (wilde) . . . .

364.

175 , 177, 184, 191, 192,

195 ,

216,

Arabische gom.....

96

222, 225, 327,

328, 330,

331.

Arbeidseigenschappen. . .

148.

Acacia-stamhout . . .

331.

Ascb......... 80, 83,

220.

Acacia Verck.....

96

Aschgchalte........

81,

220.

Acer campestre L. . .

157 ,

353.

Atropospulsatonus ....

128.

Acer dasycorpnm L. .

195.

Acer platonoides L. .

353.

Acer pseudoplatamis Ij

157

192

353.

Azijnhout. . . . 37, 42,

303,

307.

Azijnhoulen landen . . .

217.

Acer safcliariiiiiiii L..

98,

353.

Aescnlus llippocastanuni L.

151,

367.

B.

Afschuivingsvastbcid .

205.

Bacteriën.....102,

112,

120.

Afvalpiautcn.....

111.

Balken....... 255,

266,

273.

Ahorn . 1] , 60, 138,

191,

353,

356.

104.

Ahornholz.....

356.

Ahornhout 11, 35, 50

51,

162,

163,

169, 175,

177,

220, 225.

Banden 296,298,299,301,303,310,317.

Ailanthus glandulosa.

157 ,

195.

Basische raetaaloxyden. .

82.

Alnus glutiuosa Gartnf

r. .

152 ,

373.

Bastbnndcl........

16, 17.

-ocr page 408-

380

Bastkevcr (Bouten Esscheu-) . . 127.

Bastvezel...........17.

Basviolen...........2G8.

Bederven...........100.

Bedrijfseigenscliappen......118.

Beelden...........3G3.

Beeldsnijders......IMS , 303.

Beenhard........222 , 318.

Bereidingswijzen........ 202.

Bergahorn...........354.

Bergbeuken.......... 333.

Bergbouw........ 207 , 30*1.

Berk . 53, GO, 09, 98, 120, 215, 289.

Berkenhout 31, 38, 43, 15, 50, 120, 142, 143, 114,151,101, 103,109, 172, 175, 177, 181, 199, 215, 219, 220, 227.

Berkensplintkever.......124.

Berkenlakken.........210.

Bermuda-jeneverboom..... 277.

Bestrating.......... 338.

Bestratingen.......... 255.

Betula alba L.........151.

Beuk 20, 22, 00, 93, 127, 289, 333, 340.

„ (bruine)......... 332.

„ (gemeene)..... 331 , 332.

„ met varenblad...... 332.

„ (treur-)......... 332.

,, % (zwarte)......... 332.

Beuken.....110, 333, 335, 337.

Beukenboomen......... 230.

Beukenbosschen..... 332 , 370.

Beukenheggen.........331.

Beukenhout 10, 11, 35, 43, 48,51, 08, 78, 79, 80, 92, 94, 102, 138, 139, 140, 142, 143, 144, 151 , 101, 103, 104, 167, 109, 175, 170, 177, 183, 184, 191, 192, 203, 212, 214, 219, 220, 231, 232, 205, 270, 304, 300, 331, 332, 334, 335, 337, 338, 339, 343, 357, 363, 372, 370.

Beukenhout (rood)....... 332.

Beukenhout (wit)....... 332.

Bijlen......... 320, 353.

Bijlstelen........ 331, 343.

Biljartstokken......... 358.

Bindwilg...........216.

Biunenljctiinmcring. . . . 311, 315.

Bird\'s-eyes....... 155 , 357.

Bitterstoffen..........105.

Bladen............15.

Blastophagus minor Hrtg. . . . 125.

Blauwhout........ 104,159.

Bliudeerhout......... 200.

Blindhout . 233, 273, 277, 363, 373.

Bloem............291.

Bloemen...........154.

„ (Monto-Christo-) . . . 150. ., (St. Domingo-) . . . .150.

Bloem-Djati..........314.

Bloemhout.......... 283.

Boek............ 332.

Bbekengrond......... 333.

Bois de Clicne........ 303.

Bois do Tok......... 308.

Boktorren..........130.

Bomslag...........30S.

Boomheidc..........150.

Boorgat...........124.

Boorsehelpdiero n.......133.

Booten.........\'270, 280.

Borden......... 339, 358.

Borstelhouten......... 339.

Bosehseheuren........ 237.

Bostrichus Bidens F......125.

Bouw............ 2.

Bouwhout 246, 24S, 249, 257, 258, 208, 285, 315, 321, 337, 343,348, 357, 303.

Bovendek........314, 315.

Brasiline...........104.

Brillen............ 304.

Broos............213.

Broosheid..........211.

Brug............ 320.

Bruggen........... 338.

Bruggehoofden........ 377.

Bruggenbouw. . . . 255, 200, 304.

Bruyère...... 150, 109, 221.

„ (tabakspijpen van) . . . 150. Buigbaarheid 2, 211, 212, 213, 214, 215. Buizen voor waterleidingen. . . 377.

Buitenlandseh hout...... 240.

Buks.......... 53, 00.

Bukshout 37, 38, 42, 48, 51, 55, 92, 100, 101, 170.


-ocr page 409-

381

206. 296.

212. 204.

198. 208, 209. 296. 236. 247. 219.

99. 159. 159. 152. 104. 159. 159. 132. 1. 159. 277. 377. 285. 2S3-284.

83. 101. 171. 83. 15. 23. 159. 331. 351. 351. 307. 45. 277. 12. 277. 281. 327. 279.

. 0

15

280. 277. 159. 277. 277. 375. 203, 283, 317, 375. 248.

270. 290. 213.

91. 252. 335. 371.

90. , 10.

271. 1 12.

84. 39. 221. 192. 205.

C.

Calcium......

Caesalpiua echiuata . Caïlccdrahout ....

Calciuuioxyd .... Cambilbrracelleu . . .

Cambium......1G, 18, 20,

Campeche-hout 50, 99, 104, 152, Carpinus Bciulus L. . 151, 193,

Carya............

Carya alba Nutt........

Castanea Vcsca Giirtu......

Casuarina equisetifolia L. fil. . .

Cedar (VVhite) . .......

Ceder............

„ Cypres.........

„ (witie).........

(\'ederhout. . . . 15\'.), 170, 277,

„ (rood).......

., (wit)..... 277 ,

(zwart). . . . 157,

Cedrela ()dorata......12,

L.......

Cedrus Libani Loudon.....

Cel 0, 252, 283, 311, 318, 308, 371, Cellen 5, 8, 10, 251, 252, 257, 259, 261, 270, 271, 279, 280, 281, 303, 311, 318, 323, 329, 335, 352, 355, 301, 365, 368, 371, 371,

Cellciireeks.........

Cellen rij...........

Celleurijeu..........

Cellulose ... 8, 90, 92, 111,

„ (hydro-).......

Celreekseu...........

Celrijeu 218, 252, 271, 311, 318, 317,

Celstot\'............

Celwand..........6,

Celwaudeu . 105, 21-8, 252, 201,

Chain pignon..........

Clilorophyl..........

Cipres ............

Coeohout............

Coëflieiëntcn van absolute vastheid „ afsehuiviiiirsvasth.

Coëftlciëiiten van afschuiving van

luchtdroog hout.......

Coëfficiënten van krimping . . . „ der rekbaarheid van

houtsoortcu.........

Coëfficiënten van relatieve vastheid „ „ terugwerkende

vastheid.......193,

Coëfliciënten van w ringings vastheid

Coëfficiënten van zwelling 241

Cohacsie........185 .

Coniferen.....4, 13, 104

„ geslacht.......

Coniferine..........

Convolvulus tloridus L,

„ scoparius Ij.

Copaifera bracteata lientli.

Copaivabalsem........

Cordia Gerascanthus li.....

Cordia Scbestina L.......

Cossus Lignipcrda Pab.....

Cryptogaracu.........

Cumarine...........

Cupressus thujoïdes Willd . . .

Curculio Lapathi L......

Cypres......... 284,

„ (Virginische- of moeras-). Cypresscnhout .... 39, 283,

Dantziger Grenenhout..... 250.

Dcelcn............ 250.

Deelen (zich).........13.

Deelingsvcrmogcu.......IS.

Dek planken....... 276 , 338.

Delen............ 285.

Don (grove) 30, 50, 60, 07, 70, SI 163, 168, 191, 197, 249, 250, 251 203, 286, 287.

Den (zwarte)......... 249.

Dennen...... 120, 132, 238.

Denncnbastkever (kleine). . . . 125. Dennenhout 10, 39, 45, 57, 00, 70,78 S3, 92, 102, 101, 110, 144, 151, 103 107, 172, 175, 170, 179, 183, 192

-ocr page 410-

382

]U5, 197, 203,

211, 219, 248,

252,

E.

255, 202, 203,

200, 208, 209,

270,

272, 273, 2S0,

300.

Ebbenbout 38, 51, 99, 152,

170, 1S1 ,

184, 213, 220,

358. 307.

Dcimeiischorskevn

125.

Ebbenhout (Dniiscli) . . .

. . 283.

Deuren.....

315.

Eccoptogaster scolylus F. Kaizb. 124.

Dicotylen ....

. . 4. 10. 18

02

Eeuzaadlobbigon......

. . 4.

Diktegrooi. . . .

.... 14, 21

23.

Eetlepels........

139 , 358.

Diospyros Ebenum lid7......

152.

Eggen......- \'

. . 343.

Diplitciix odorata

Willd. . . .■ .

159.

Eigenschappen farbeids-) . .

. . 148.

Uiplitcrix oppositifolia Willd. . .

159.

„ (bedrijfs-) . .

. . 148.

Disselboomcu . .

327.

„ (technische)

14S, 279.

Dissels (kromme)

280, 281, 283, 284, 301,

303, 311,

Djati......

30S, 309, 311.

315.

318, 324, 329, 335, 342

347, 350,

309.

352. 355. 301, 300, 309,

37], 375.

Diati-boomon . .

309, 312, 313,

314.

Kik 00, 02, 09, 83, 93, 132,

215, 295,

„ bossclieu . 84, 87, 308, 30\'.),

310.

298, 300,

301, 323.

„ -doreug . .

314.

Eik (Amerik. witte) . . . .

. .291.

iiout -li, 42,

45, 40, 51, 81, 84, 87,

., (Bourgondischo). . 40.

291, 301.

88,171, 304, 305, 308, 309, 310,

311.

„ (Fransche) . 40, 291,

300, 305.

312, 314, 315,

310.

„ (Gestcehlcii of zomer-) .

. . 291.

Djati-kapoor. . .

.... 309,

312.

„ (ongesteeldeu of winter-). . 291.

-kembaug

„ (Wintergroene) . 291,

303, 307.

„ -kernhout .

291.

„ -miujak . .

309.

Eiken . . .23, 51, 53, 58, 77, 138.

,, -soenggoeb .

Eikenbalken.......

201.

Doda-Tayka. . .

308.

Eikenhout\'0, 10, 37, 41, 12, 44, 40,

48, 49, 58. 04, 75, 78, 80,

88, 92, 99,

Doozen.....

210, 208, 273,

339.

100, 101, 110, 117, 127,

130, 135,

Dorspbvlcgcls . .

343.

130, 137, 140, 141, 143, 144, 147,

Draadzwamraou .

.... 112,

120.

153, 153, 101,102,163,10

quot;,170, 172,

Draagmodulus. .

■-gt;11

175, 170, 177, 181, 182

183, 184,

Draaiers werk . .

318.

188, 192, 203, 208, 214,

215, 219,

Drcnking , , .

77.

220, 225, 231, 248, 255

207, 270,

Drijfassen . . .

207.

2S1, 292, 293, 294, 295,

290, 298,

Druivensuiker .

. . 28. 89. 90. 98.

302, 303, 304, 305, 300

307, 308,

310, 311, 314, 315, 317

31S, 320,

Duigen.....

.... 307,

331.

325, 331, 337, 338, 351, 309, 377.

„ (Enropeesch) .

Qlt;)-gt;

Duivelsbrood

110

„ (Noordsch) . .

. . 221.

Duurzaamliekl 13

5, 254, 255, 259

205,

„ (Poolsch). . .

305 , 307.

272, 273, 278,

283, 304, 312,

320,

„ (Rijnsch). . .

. .307.

325, 330, 337,

343, 347, 350,

352,

(Slavonisch . .

305, 307.

357, 30:

, 300, 309, 373,

370.

„ (Spessarler). .

305, 307.

L)\\vursiigi;ers 25\'

, 270, 285, 304,

337.

„ (Winter-) . .

40, 88.

,, (Zomer-) 42, 43, 40, 5

1,101,294.

-ocr page 411-

383

Eikeiihoutschorskevcr.....127.

Eiudknop................5ü.

Eiwit..........10, 28.

Eiwitstoffen......15, 101, 137.

Elasticiteit 2, 173, 213, 225, 220, 253, 355, 259, 2ül-, 271, 275, 207, 2(.)(J, 302, 312, 319, 324, 330, 330, 302, 300, 372, 375.

Elasticiteits-coëfficiëiit 170,178, ISO, 181, 193, 210, 204;, 205, 271,quot; 272, 275, 270, 207, 299, 300, 310, 320, 324, 325, 330, 330, 337, 342, 343, 347, 350, 352, 350, 357, 302, 372, 375, 370.

Elasticiteitsgrens 173, 170, 200, 211, 212, 213.

Els...... 00, 127, 374, 377.

„ (gemceno ol\' kleverige) . . .373. „ (grijswitte)..... 373, 370.

Elzeboom........... 373.

Elzenhout 11, 34, 37, 3S, 45, 40, 51, 50, 78, 92, 99, 140, 142, 143, 144, 152, 153, 101, 170, 172, 175, 183,184,195, 199, 208, 219, 312, 373, 374, 370, 377.

Elzenhout-suuitkevor...... 377.

Elzeustam...........219.

Elzeutakhout.........08.

Emmers............ 300.

Erica Arborea Jj........150.

Esch . 53, 58, 00, 93, 127, 321, 322.

„ (Amerikaanselie)..... 327.

„ (gemeciie)........321.

Esclidoorn. . 353, 354, 350, 357, 358. „ (A. Platanoïdes L.). . 101. „ (geraeene) 353,354,357,358. „ (gewone) . . 98, 157, 358. „ (kleine). . .157, 353, 358.

„ (Noordsche)..... 353.

„ (roode)..... 98 , 353.

„ (suiker-)...... 353.

Esclidoornhout 35, 43, 127, 141, 151, 155, 170, 184, 192, 195, 219, 227, 353, 357 358.

Esp............. 370.

Espenbalken..........201.

Espenboom.......... 370.

Espenhont 37, 43, 08, 210, 219, 220, 225, 373.

Esschen (mannelijke)..... 322.

„ (vrouwelijke)..... 322.

Essclienbastkever.......127.

Esschenhout 11, 35, 30, 37, 38, 42, 40, 48, 77, 110, 137, 138, 141, 143, 144, 151, 150, 107, 170, 175, 170, 177, 184, 192, 210, 321, 322, 323, 324, 320, 327, 331.

Esschcnsplintkever......124.

Essclientakken........210.

Etuiwerkerij......... 208.

Excentrisch......... 238.

F.

Eabcr-potlooden..... 159, 280.

Fagotten........... 358.

Eagns S^\'Ivatica L. 151, 192, 331, 332. „ „ var. aspleniiblia 332.

„ „ „ pendula . . 332.

„ „ „ sanguinca . 332.

Fernambukhout........104.

Eijnheid...........159.

Fineerpiaatjcs.........09.

Fineerplaten...... 154, 348.

Fluiten........... 358.

Föhrcnholz.......... 200.

Fraxinus Americana Willd.. . . 327.

Excelsior L. 151, 192, 321. F undeerin^s werken...... 273.

2GS. 270. 320, 352, 370. 345. 303. 157. 317. 330. 100. 102. 155. 303.

270, 312, , 350, 373,

150,

G.

G alantcrie werke rij.....

Gebruik 254, 250, 205, 272, 280, 281, 283, 284, 304; 325, 330, 337, 343, 34 357, 303, 300, 300,

Gemazeld.........

Gemsjcs.........

Geur.........

Gewaterd.........

Gcwecrladen.......

Gewicht (absoluut).....

„ (soortelijk) . . . .

Gezwellen........

Giet modellen.......


-ocr page 412-

384

191, 339. 78, 184, 343. 210. 104. 104, 152. 321. 373. 339. 243. 353. 331. 314. 343.

240, 320,

220, 300, 337.

221, 301, 313,

222, 304, 347,

Gisting ...........110.

Gistz wammen.........112.

Claus 150, 157, 349, \'353, 358, 3G0.

Glans (messing-)........157.

„ (vet-).........157.

„ (zijde-).........157.

„ (zilver).........157.

Glanzend...........35 k

Gom............9, 95.

Grenenhout 30, 31), 52, 50, 57, GO, 70, 78, SI, (J2, 102, 104, 130, 140, 142, 143, 144, 101, 103, 108, 170, 172, 175, IS3, 184, 187, 189, 1(.)2, 195, 190, 198, 204, 205, 200, 208, 210, 212, 214, 219, 227, 232, 233, 234, 244, 249, 252, 254, 255, 259, 273, 2S0, (irenouliout (Amerikaanscli) 104, 249, „ (Enropeescli). . . . 249.

„ (geel).......\'250.

Grenciistuminen........190.

Grondliout..... 233, 273, 303,

Grondstof...........148.

Guajae-liars..........104.

Guajacum Ofïieiualo . . . 104. 152.

H.

llaagbeuk 00, 09, 98, 120, 155, 225, 331,

1 [aagbeukenhout 34, 37, 43, 49. 99, 110, 151, 101, 102, 183, 193, 195, 219, 222,

Haagbeukeutakkeu.......

llaeraatoxyline.........

Haetnatoxyliu Campechianum L.

Hakblokken......

ILakhont.......

Hakplajiken .....

Ualflioui.......

Hamers........

Hamersteleu......

Handelssclicpen . . . .

llandvatsels......

Ifardheid 210, 218, 219,

205, 272, 270, 298.

312, 311, 325, 330,

350, 352, 357, 302, 360, 308, 093.

372, 370.

Hardheid (relatieve)......217.

Haringtonnon......30G , 377.

Hars 12, 13, 103, 104, 110, 195, 190, 251, 255, 2G9 280.

Harscellen.......... 270.

Harsgang.......... 252.

llarsgaogen 12, 33, 39, 247, 257, 258, 203, 270, 274, 278, 282. Harsgehalte 210, 220, 250, 202, 274. Harskanalen .... 251, 252, 274. Harskorrols . . 14, 294, 318, 335.

Harsporiën.......... 209.

Harsrijk .... 104, 250, 255, 257. Hart 117, 190, 235, 230, 241, 242.

243, 300. 317, 331. nartscheuren . . 230, 237, 283, 309.

Hazelaar.........60, 215.

Hazelaarshout 11, 34, 51, 161, 170.

„ takken........210.

Heften....... 308, 349, 307.

j Heiblokken.......... 307.

i Heiniasten........ 273, 281.

i Heipalen......... 260, 377.

| Herfstgrens.......371, 374.

; Herfst hout 19, 30, 217, 248, 251, 250, 257, 258, 203, 209, 274, 278, 281, 282, 290, 293, 299, 302, 303, 310, 317, 323, 32S, 339, 333. 331, 340, 341, 345, 34«, 349, 351, 352, 355, 361. 305, 3(i8, 371. j Uerfsthoutluag ... 251, 354, 364.

I Herlsthoutlagen........ 374.

Herfsthoutzone........371.

| Hiekory....... 38, 351, 353.

Hiekory blokken........ 353.

Hiekoryhout 38, 45, 51, 170, 172, 193, 210, 221, 351, 353.

; Hoed vormen......... 303.

i Hoepels........ 210, 320.

: Hoephout..........210.

Hofjes............301.

; Hopst ippels 7, 11, 30, 34, 248, 252, 259, 263, 204, 274, 282, 310, 311, 341, 340, 301.

; Hol............. 308.

-ocr page 413-

3^5

Holstammigheid........

314.

Houtwormen ....

106.

Holzgurami.........

92,

Huishouw. . . . 205,

273,

270

315.

Hoogbouw.......20(5

285.

Huisgcreedschappen .

2S5.

lloogbouwhout........

260.

Hout........5,18, IGl

177.

i Huidmondjes ....

22.

1 Mout vau den gemeeucii beuk. .

332.

Huiszwam.....

110,

j J -2

142.

1 „ „ „ Boiirgóndischen eik 301.

Huizenbouw.....

255.

1 Hout van dcu Franschen eik . .

300.

Hulsthout......

170.

; „ „ „ Jeneverstruik. . .

278.

Hydro-Cellulose . . .

91.

„ „ „ Wintereik . . . .

298.

Hylotmpns bajulus L.

130.

„ „ „ wintergroenen eik.

302.

lloutaseh.........79

, 83.

I.

(beuken-)......

83.

„ (eiken-).......

83.

Up.......37

60,

101,

323.

Houtbedervers.........

104.

„ (gemeene) . . . .

316.

i 1 Eoutboorders.........

127.

Upen . . 23, 58, 77,

132,

137,

138.

| Houtbundel.......15, 1

, 23.

IJpenboomen ....

62 ,

236.

i 1 lontdoorsiiëden........

36.

„ hout 11, 35, 37,

41, 46, 50, 51,

Houtdraad..........

268.

J 10, 142, 143, 144,

161,

102

163,

Houtgangeu (laddervormige). . .

127.

170, 175, 176, 183,

184,

193

208,

Houtgora...........

92.

2Ö9, 221, 225, 316,

318,

320

321

J Eoutgraveur.........

366.

325, 331,

351.

Houten hamers.....30S ,

321.

Upenhout (Inlaudseli)

317.

Houtkleurstoffcn........

104.

l.fpenliout (Zeeuwseli

166,

290, 320.

Jloutpareneliym 11, 14, 50, 217,

248,

IJpensjilintkever (groote)

124.

251, 2(53, 278, 280, 21)0, 293,

294,

„ „ (kleine)

124.

301, 303, 310, 31S, 323, 329,

334,

Upentakken.....

216.

335, 341, 346, 317, 352, 355,

360,

84,

314.

361, 3G5, 368, \'571.

374.

172. 1

Houtparenchymbanden . . 301 ,

302.

84.

i „ „ „ cellen 33, 293, 296,

318,

Imbibitie......

20,

228.

323, 346, 352, 355,

368.

„ -vermogen 227

, 228

229

245.

Iloutparenchymgroepen. . 341,

346.

„ -water 27, 28

75,

22S,

229,

232,

236,

237,

242. *

„ „ „ weefsel . . 205 ,

29S.

337.

1 Eoutreuk..........

157.

Impregneereu.....

304.

Houtechorskover (gestreepte) . .

126.

Impregneering . . . .

276. j

1 loutsnijders..........

Inga vera Willd . . .

221 .

1 [ontstof . 9, 34, 93, ! 16, 138,

373.

Inkrimping......

30,

235.

11 out val en......10, 33,

339.

Inkrimpingen.....

230.

1 loutvezel...........

250.

lulaudseh hout . . . .

246.

Houtvezels 5, 14, 40, 213, 228,

210,

Inlegwerk......

79,

369.

245,

311.

Insecten . . 107, 121,

125,

138,

313.

Houtwcefsel 9, 36, 139, 195, 225,

318.

Intensieve......

239.

1 fouj, wespen.......

1 iitereellulaire rninitcn .

M

92. $

„ (dennen-).....

131. 1

., slof . .

0

25

i

-ocr page 414-

386

U, *213. . . 367.

J voor.

Jaarring ij\'.), 231, 235, 238, 293, 200, 331, 315, 319, 351, 352, 351, 355, 3üü, 361, 308, 371;. Jaarriugcii 19, 43, 53, 224,226,231, 235, 230, 237, 238, 215, 247, 248, 250, 251, 25ü, 257, 25S, 262, 207, 209, 27 1, 270, 278, 280, 281, 282, 284, 290, 292, 295, 296, 300, 303, 307, 309, 310, 311, 317, 318, 322, 323, 324, 325, 328, 329, 333, 334, 310. 311, 312, 315, 346, 347, 349, 350, 351, 301, 303, 304, 305, 366, 308, 309, 371, 372, 374, 370.

Jaarriuglagcn......... 240.

Jati.............308

Java Djati..........Sll.

Java Djati hout........315.

„ Teak....... 308, 310.

Jeaeverboom (Virginische). 277 , 279.

Jeneverboom hout.....101, 170.

Jeneverstruik....... 53 , 277.

„ „ (Europeeselie). . . 281. „ „ (Virginische) . . - 159. Jeneverstruikhout . 39, 53, 151, 278.

Juglandaceae......314, 351.

Juglans............344.

Juglans nigra L........ 349.

„ regia L. . . 151, 310, 344.

Jukboom........ 331, 339.

Juuiperus........ 278 , 281.

„ Bermudiana L . . . . 277. „ Communis L. . 151 , 278. Vmmiiana L. . 159, 279.

207. 308. 308. 348. 82. 2S.

Kaapstander. . . . Kajoe-Djati . . . . „ Jalic . . . .

Kajuiten.....

Kali.......

,, \'phosphor/urt*

lutussusccpüc

Kali (zwavelzure).......28.

Kalinmoxyd..........82.

Kalk. ...... 28, 83, 309, 344.

„ (Zuringzure). . . 19, 40, 371.

K alkaderen..........313.

Kalkringen..........313.

Kamerbetimmering....... 373.

Kamerbeümmcrmgeu..... 280.

Kamliorenkever........127.

Kammen........30S , 344.

Kappen........ 273 , 370.

Karpetvloeren........ 373.

Kastanje........... 367.

„ (gemeene wilde of paarden-) 367.

Kastanje (tamme) . . . 37, 43, 101. „ ( „ of eetbare) . . 307. (wilde) .... 35, 40, 00.

Kastanjeboom......... 367.

Kastanjeboomen 04, 127, 138, 230. Kastanjehout 34, 37, 40, 99, 170, 172, 225, 307, 309.

Kastanjehout (wilde-).....45.

Kaslanjestam.........95.

Katrollen.......... 349.

Kegelballen.........172.

Kegels............ 307.

Kern............ 364.

Kernhout 27, 59, 93, .138, 181, 193, 195, 197, 215, 220, 221, 225, 231, 235, 241, 251, 258, 274, 278, 280, 281, 282, 295, 301, 307, 309, 313, 317, 320, 322, 32S, 329, 333, 338, 345, 351, 370.

Kemhout .\'\'gezoud)......62.

„ (ongezond).....62.

Kernhouthoom 251, 258, 273, 278, 281, 295, 298, 309, 328, 345, 351. Kemhoutboomen . . . 00, 62, 191. Kern-rijphoutboom . . . 317 , 322. Kern-rijphoutboomen . ... 00, 03. Kernrot . . . . 321, 333, 359, 300.

Kerseboom..... 9, 04, 93, 171.

Kevers............122.

Khaya Seuegalensis G. amp; P. . . 154.

Ki-Djati........... 308.

Kiel.............311.


-ocr page 415-

087

iviezelzuur . . .

9?n

Kromhouteu ....

315

343

Kinderspeelgoed xvaren

268.

! Kromtrekken ....

242

243

308

Kisten.....

373

j Kuipen......

306

Kistjes.....

Kuiper.......

307

Klankbodems . .

101

212

207.

! Kunstdraaiers . . .

358

Klarinetten . .

35S.

Kuustsnljders....

35 S

Kleur.....

150

221.

Kurkeik.......

995

Kleurstofkorrels .

14.

K urkliuid.....

22.

Kloof baarheid 2,

210,

222, 223

224,

Kurklaag......

22.

220, 227, 251,

259,

205,

272,

270,

i Kurkstof......

21)7, 800, 302,

312,

320,

325

330,

! Kwasten 66, 181, 195,

250, 255

25(3

337, 343, 347,

350,

352,

357,

303,

272

285,

357.

306,

369,

373,

37G.

Kwasten {bruiuc) . .

07.

Klompen ....

307,

373,

377.

„ (doodo) . .

06.

Klooven ....

222,

325.

(geelgepijpte)

308.

Klopkever . . .

127.

(gepijpte) .

07 ,

313.

i) (huis-)

128.

„ (gezonde) .

07.

Kloshout ....

300.

„ (uilige) . .

07.

„ (witte) . .

308.

Knoppen ....

05.

Kwastig......

220.

Knotpopulier . .

150.

Knotwilg ....

li.

Kooklepels . . .

358.

Koolstof ....

. S

, 28,

,79.

Ladders......

326.

Koolzuur ....

98

Laddersporten . . .

326.

Koperwijks Grenenhout

250.

„ Vurenhout

250.

Landbouwgereedschap

326.

Kopvlak . . IS,

221,

237,

238,

230.

Land bo u w werk t uige u

326.

Korenschoppen .

339.

Langdradig ....

102.

Kortdradig . . .

162,

314

Lange bootn ....

320

Kozijnen ....

255 ,

315.

Largo.......

13.

Kribwerk ....

377.

„ europaea D. C.

13,

151,

273.

Kribwerken . . .

210.

Larve.......

121 ,

126.

Kriek (wilde) . .

171

Krimpen 79, 229,

231,

232,

233,

235,

Larvengaugen . . .

124.

23ü, 238, 252,

259,

264,

271,

275,

Larvenkamcr ....

125.

296, 29\'.), 302,

311,

3 IS,

324,

329,

Ledikanten.....

338.

335, 312, 317,

350,

350,

361,

306,

Lemoen......

309,

371

375.

Lentieellen.....

■)■gt;

Krimping 230, 232, 234

235,

240, 243,

Lessenaars.....

331.

243,

244.

Levensboom ....

277 ,

2S1.

Krimpmaat . . .

231.

Levulose......

98.

Krimpverniogen .

233.

Libanon-eeder. . . .

277.

Kriiupversehijnsels

sas.

240,

212.

Librifonn 318, 323, 32

334

, 341

340.

355, 360, 301, 305

30S,

369,

371,

Kromhout . .

300.

374.

-ocr page 416-

388

Libriform (enkelvoudig) .... 310.

„ (gedeeld)......310.

-cellen........21)3.

-vezels 8 , 33, 31, 40, 42, 293, ^03, 310, 311, 318, 323, 340, 352, 300, 3()1, 371, 374. Lilmform-weefsel .... 301, 310.

Jjieve-vrouwenbedstroo.....lö(J.

Liggers............ 304.

Lignine...........93.

Linde 20, 00, \'.)!gt;, 132, 151, 101, 215, 358. 359, 300. Linde (grootbladige) 53, 35S, 350, 300. „ (kleinbladige) . . . 358, 359.

Linden......... 138 , 359.

Lindenhnnt 5, 11, 34, 35, 38, 4!, 45, 49, 92, 130, 144, 157, 103, 17i, 172, 182, 183, 181, 193, 198, 199, 219. 233, 358, 300, 3G1, 303, 307, 30S, 309.

Lindestam..........95.

Live oak...........291.

Loofboomen 10, 29, 33, 130, 138, 190, 240, 247, 248. Loofhout 33, 220, 233, 240, 247, 248, 289, 290.

Loofhoutboom......... 277.

Looistoften........14 , 99.

Looistof (eiken-)........100.

„ (elzen-)........100.

„ (ossehen.-).......100.

„ (wilgen-).......100.

Looizuren...........100.

Looizuur........... 305.

Looizuurkorrels........ 294.

Lork. . 50, 00, 164, 108, 196, 273.

Lorkenboom...... 13, 73, 273.

liorkeuhout 53, 140, 142, 143, 144, 151, 154, 171, 183, 184, 195, 220, 221, 232, 207, 273, 271, 276, 277, 278, 304. 307.

Loshartig........ 235 , 239.

Loshartighoid........ 308.

Luehtdroog.........74.

Lnehtgangon.........124.

Lnehtvaleu..........10.

Luciferhoutjos......... 208.

Lucifers........... 373.

Luitenboom.......... 358.

Luxe-meubels........ 363.

Lymexylon navale L......129.

M.

Maanring........03, 117.

Maanringen..... 110, 308.

Machinebouw. . 270, 283, 301, 307. Machinedeelen . . . 279, 283, 307.

Machinefabriek........ 343.

Magnesia........ 28, 84 .

Magnesiumoxyd........84.

Mahoniehout 92, 99, 153, 154, 157, 161, 103, 171, 172, 283. Mahoniehout (St. Anna) . . . .154.

„ (Arenas).....154.

„ (Cuba)......154.

„ (Domingo) .... 154. „ (Gebloemd) .... 15(5. „ (Madeira) . 154, 171. ., (Tabasco) . . . . 154.

| Manden...........21G.

: Mangaan...........84.

Mangaanoxyd (rood).....84.

Mangelrollen...... 321, 339.

Mannetjes essehenboom .... 320.

„ hout 322, 325, 326.

Marineschepen........314.

Masker...........121.

Masten...........285.

Masthout..... 255, 207, 270.

Mazelhout.......... 348.

Meeldraden......... 322.

Meelseh oppen........ 339.

Meettafels.......... 303.

Meidoornhout.........171.

Merg............17.

Mergel........... 344.

Mergkoker 20, 34, 48, 52, 50, 09, 230, 238, 241, 242, 251, 203, 209, 274, 278, 280, 281, 282, 292, 302, 309, 317, 340, 345, 354, 365, 307, 370, 371, 374.

Mergstraal....... 252, 333.

Mergstraalcellen 33, 47, 51, 252, 257, 258, 203, 270, 281, 294, 318, 335, 310, 347.


-ocr page 417-

38\')

Morgstraalgroepen.......37-1.

Mèrgskaalhoogte.......51.

Mcrgstraleu 20, 45, 47, 49, 51, 99,150, 191, 223, 224, 225, 230, 235, 245, 247, 24S, 251, 252, 257, 25S, 2ü3, 2G7, 209, 270, 274, 278, 279, 280, 281, 282, 284, 290, 292, 294, 295, 296, 298, 300, 301, 303, 307, 310, 311, 317, 318, 322, 323, 32S, 329, 334, 335, 340, 341, 315, 31-6, 347, 349, 351, 352, 355, 360, 361, 363, 365, 308, 369, 371, 374, 375.

Merg verbindingen.....17 , 20,

Mcrulius Lacrymans Schuin. 112, 142. Metaaloxyden (Basiselie) .... 82.

Metalen........... 1.

Menbels 277, 305, 320, 338, 348, 303. „ (gebogen).... 214 , 338.

Menbelfabrikage........ 373.

MenbelQneer......... 348.

Mieren (witte).........313.

Mijnbouw........ 255 , 270.

Mieroskopiseli onderzoek 257, 25S, 300,

308.

Moedergangen.........124.

„ (eenarmige) ... 121.

„ (tweearraige). . . 125.

Moerasgas..........121.

Moerbeibooniliont .... 37, 43, 57.

Molenbonw....... 255 , 200.

Moloeulaire structuur..... 228.

Molenroeden......... 255.

Molens......... 270 , 338.

Molm............109.

Monoeotylen.....4, 10, 16, 18.

Moulmain Teak.....312 . 315.

Muziekinstrumenten . . . 320, 358. Mycelium........112, 110.

N.

Naald............ 287.

Naaldboom.......... 200.

Naaldboomen 4, 10, 12, 29, 33. IS, 00, 138, 190, 197, 240, 217, 280, 289.

Naaldbossellen......... 289.

Naalden............ 288.

Naai den paar......... 287.

Naaldhout 12, 33, 12, 49, 105, 135, 137, 194, 199, 226, 233, 246, 247, 248, 260, 268, 209, 273, 282, 290, 338. Naaldhout (Tvoordsch) . ... 221.

; Naaldhoutsoorten....... 248.

i Naaktzadigen......... 4.

1 Napjesdragende gewassen . . . 332.

Xagnen........... 377.

I Naven............320.

i Xetcellen...........8.

j Noniusapparaat........ 245.

Norway-pine......... 258.

Noteboom (zwarte)...... 344.

Noteboomcn 53, 60, 64, 105, 127, 348. Noteboomcnhout 34, 38, 43, 45, 47, 49, 51, 64, 100, 171, 344,340, 347, 348, 350, 353.

Xoteboomeuhout (Amerikaanseh) 344.

349, 350, 351. Noteboomcnhout (hairopeesch) 344, 351. „ „ (gewoon) . . . 344. „ „ (Inlandscli) . . 348. „ „ (Italiaanscli). . 105. „ „ (Turksche) . . 348. „ „ (Zeeuwsch) . . 34S.

Noteboombout........ 377.

Notenhout 154, 101, 184, 291, 345,358. „ (Inlandscli) .... 291. (Turksch)..... 345.

O.

Okkernoteboom........ 344.

Oksels........................359.

Olan Olan Djat........313.

Olie.............314.

Oliemolens....................307.

Oliën (Aethcrische)......103.

Olievaten....................339.

Olijfhout...........48.

Olm (roode).........109.

Olmenhout, zie: Upenhouf.

Ontschorsen..................239.

Ooitboomen..................344.

Opperhuid.........22.

Organische beslanddeclen . 79, 89.


-ocr page 418-

39°

Orgauische stolïcu..........

„ verbindingen......SO.

„ zuren ......... 98.

Oxydatie............99, 314.

P.

Paalworm..............285, 312.

Paahvortc.............. 250.

Paardekastanjehout 10, 1\'2, 151, 161,

170.

Paardenkastanje........... 307.

Paardenpooten............ 308.

Paddestoelen.............110.

Pakkisten.............. 309.

Pak werk............... 377.

Palen.................331.

Palissander............ . lol.

Palissanderhout..... 171, 172, 377.

Palmen................4.

Palmhout 37, 55, 100, 170, 171, 181, 221, 300.

Paneelen........... . 319, 357.

Pannen................ 338.

Pannenbakker........... 374.

Pantoffelhout............. 283.

Papierindustrie........... 373.

Parenehym 13, 11, 20, 1quot;), 10, 57, 270, 316, 361.

Parenehyiu banden.......... 352.

„ cellen...... . 46, 311.

weefsel..... 20, 45, 283.

Paringskamer............124.

Parketvloeren...... 305, 321, 358.

Passement-waren..........3(50.

Pauwenstaartenhout........ 357.

Pereboom......... 00, 127, 364.

„ (wilde).......... 304.

Perebooruenhout: 37, 38, 49, 152, 101, 102, 171, 220, 304, 305, 306.

Peripheriseh.......... 00, 239.

Perubalsem.............104.

Petroleumvaten........... 339.

Phaucrogamen.........1, 4, 15.

Phellogeenlaag.......... 22, 23.

Phloroglucine............ 95.

Phosphor...............101.

Phosphoreseentie..........

Phosphorzuur......... 87,

P1 lotograp lï ielij stj es.........

Physiologie............5.

Physoealymna floribundum Pohl.

Piano\'s...............

Pijnhars...............

Pijpekoppen.......... 279,

Pijpen................

Pijperoereu.............

Pinus.......... 104, 249,

„ Australis Miehx. 104, 211,

Mill........

Larieia Var. Austr. Tratt.

„ mitis ^lichx...... 256,

„ picca L...........

pinca L............

,, ponderpra Dougl......

„ resinosa Soland.......

„ rigida ^lill..........

„ Strobus L..........

„ Sylvestris L. 52, 70, 81, 151, 192, 208, 249,

Pinussoorten............

Pitch-pine. . 104, 170, 172, 250,

„ „ hout........ 250,

Planteneiwit..........28,

Plataan........ 23, 34, 63,

„ (Araerikaansehe).....

,, hout 37, 03, 171, 175, 177,

Platanus Oecidentalis Ij......

Platen .... ...........

Pokhout. 51, 99, 104, 152, 17J, 172.

Polair............. 228, 229.

Polstokken............. 320.

Polyporus Aunosus Fries . . 113, 140. „ igoiarius Fries. . 110, 147.

Pop.................122.

Poppelholz............. 372.

Poppenwieg.............125.

Populier............... 370.

„ (Cauadasehe)..... 03, 309.

„ (grauwe)........ . 370.

„ (Italiaansehe). . . . 309, 373.

„ (Virginisehe)....... 370.

„ (witte).......... 309.

„ (zwarte)......... 300.

120. 102. 303.

159. 338. 104. 377. 221. 367. 250. 250. 257. 249.

257. 13.

249.

256.

258.

250. 258. 104, 280. 250.

257. 284.

31. 144. 157. 195. 157. 210.


-ocr page 419-

391

Populierboktor (grootej......130.

„ „ klciuo).......130.

Populieren.....11G, 132, 105, 235.

Populierenboomen..........230.

Populierenliout (gebloemd) 37, 40, 08, 127, 130, Ml, 142, 143, 151, 150, 101, 103, 171, 198, 219, 220, 370

PopuliercnhoTit (zilver)....... 225.

Populierenstam........... 95.

Populus alba L........... 309.

„ balsamifera........ 370.

„ candieans......... 370.

„ eaneseens Smith..... 370.

„ dilitata Ait........ 309.

monilifera Ait...... 309.

„ nigra Ij.......... 369.

„ tremula L. . . 151, 193, 370. „ Virginiea.........370.

Poriën...... 10, 30, 38, 221, 300.

Potasebfabrikatic.......... 83.

Potlepels............... 339.

Potloodhont............. 280.

Potloodhoutjes........ 280, 303.

Protoplast.......... 0, 10, 14.

Pruimeboomen......... 9, 00.

Pruimeboouienhont......51, 171.

Prunus Mahaleb L.........158.

Pteroearpas iudicus Willd .... 150.

Putbnizen.............. 377.

Pyrus ................ 304.

„ Communis L. . . 152, 171, 364.

„ Malus li........ 109, 304.

Q

Quereus alba Ij...........291.

„ eerris L. ... 46, 291, 301.

Ilex Jj........ 291, 302.

„ peduuculata Ehrh.. 40, 291. „ pubescens quot;Willd. 40, 291, 300. j

„ Rubra L..........195.

„ Sempervirens Ait . . . . 291.

SessilifloraSm 10,192,291,298.

R.

llaamhout........... 255, 307. i

Raamroeden............. 307. i

| Raderen.............. 308.

1 Radiaalvlak............48.

i Radiale krimping......... 230.

\' Radvellingen............ 38.

, Ra-hout............... 255.

1 Ratelpopulier......... 309, 370.

Red-Cedar........... 277, 280.

„ Cypress............ 284.

„ pine........ 104, 250, 258.

Rekbaarheid.........1, 213.

Rekstok............... 820.

Remblokkeii............ 373.

Resonanzholz...... 179, 237, 273.

Ilesonanzhóut............ 207.

Reuk................]57.

Ricinus Communis......... 10.

Rietsuiker.............. 98.

Riga-greneu.............250.

Rijphout 60, 231, 240, 241, 317, 320, 333, 300, 304. Rijphoutboom. . . 2C2, 209, 300, 304.

Rijphoutboomcn....... 00, 333.

Rijphoutlagen............ 00.

Rijswaard..............210.

Rijtuigbakkeu............ 320. t

H ijtuigfabrikant........ 349, 353.

Rij tuigwielen............ 320.

Ring..............317, 322.

Ringeellen...............8.

Ringen............251, 313.

Rinkelseheuren..... 235, 237, 283.

Robinia............ 327, 328.

„ pseudoacacia....... 327.

Robina pseudoacacia L . . . 151, 192.

Rondhout........... 239, 240.

Rongen............... 300.

Roodhout..............104.

Rot..... 70, 308, 317, 331, 309.

Rotting......... 262, 321, 330.

„ (droge)....... 100, 109.

„ (natte)........ 100, 109.

Rozenhout..............159.

,, (Braziliaansch) .... 159.

„ (West-indiseh).....159.

Rups.................137.


-ocr page 420-

392

S.

Salix alba L. var. vitellina .... ,, ainygdaliua L. var. coucolor „ „ „ „ discolor

„ caprea L. 15), 103. 205,

„ Virmmalis L.........

Salpeterzure zouteu.......^S.

Sandelhout. . ...........

Sappen................

Schaaf blokken.........31:4,

Scheepsbouw \'257. 27(5. 295, 300, 305, 314,

Scheepsbouw hou lt;...... 200.

Scheepsmasten...........

Scheepsmcubels...........

Schelpdieren.............

„ (boor-)........

Scheuren 235, 23(5, 230, 240, 241. 300, 307, 313, 325, 332, 337.

Schildvlengeligen.......122,

Schimmels..............

Schippershakcn...........

Schoenleesten...... 344, 349,

Schoenmakerspennctjes .... 341, Schors 9, 10, 12, 17, IS, 21, 56, 230, 330,

Schorsen...............

Schorskevers.............

„ (Berkenhout-)....

,, (Bultige eikenhout-)

„ (l)cnncn-)......

„ (Gestreepte hout-)l 24, ,, (Loofliöut-i . . 124,

Schotels............ 339,

Schrijnwerkers......... 350,

Schroeven...... 307, 338, 344,

Schubvlcu^eligen.......122.

Schuifladen.............

Senegalgom.............

Seringeboomenhout.........

Servetringen. . . ........

Sigarenkisten...... 277, 33S,

Sint Domingo-bloem........

Sirex gigas Ij...........

„ Juveneus L........ .

Slapen ...............

210. 210. 210. 210. 210. 82. 14. 71. 307. 804, 321. 305 2(50. 270. 133. 133.

213. 338. 123. 120. 320. 303.

358. 190,

359. 200.

123.

124. 127. 124. 120. 127. 358. 358. 307. 132. 303.

90. 35. 363. 377. 150). 132. 131. 110.

j Sleden................ 343.

| Slieten,............... 320.

1 Slijmzwainmcn...........112.

! Sloepen............... 370.

I Sluisbouw.............. 200.

Smeltbaarheid.......... 1.

Smetstof,............... 9.

| Snijplank..............

Snijwerk...........3(59 ,

Spaken. . . . 38, 210, 300. 331, ■ Spar (fijne) 12 , 53 , 57, (50, 67 , 70, 164. 108, 197. 200, 202, 207, 273, 280, 287,

Spar (witte of Canadasche) . . .

„ (zwarte)...........

Sparren............120,

Specilick gewicht 1, 72, 219, 220, 257, 258, 259, 204, 271. 275, 280, 283, 290, 299, 302, 303, 311, 318, 324,329,335,342, 347 352, 355, 301, 360, 309. 371,

Spessarterhout...........

Spiegels 51, 224, 225, 235. 295,

Spiegellijsten............

Spiegclrichting...........

Spiegelseheuren ....... 230.

Spiegelstralen...........

Spiegelvlak.......... . 48

Spinnewielen............

Spiraalbanden...........

Spiraalccllcn............

Spiraalvormig...........

Spiralen.......... 35, 340,

Spleetstippels...... 7. 34, 35,

Spleten...............

Splijtbaarheid...........

Splijten................

Splijtvlak...........230,

Splijtzwammen........112,

Splint 27, 59, 01. 138, 103, 196. 220, 220. 231. 230. 210, 251. 209, 274, 278. 280, 281. 282 301, 300, 307. 309, 313, 317, 322. 328, 329, 330. 331. 333, 347, 350, 351. 300, 364, 373,

Splint (dubbel)..... 03, 117,

., (valseh)...........

303. 373. 353. 113. 209, 288. 207. 207. 132. . 252, 279, 310, , 350, 375.

307.

338. 303. 230. 237. 241 . , 51.

339. 355.

8. 248. 371. 293. 334. 1. 222. 240. 120. 215, 258, 295, 320, 345, 377.

308. 03.


-ocr page 421-

393

Spint boom.......340, 3(57,

„ boornea.....GO, 354,

„ hout..........21\'1.

„ laag.......

„ lagen.......

Spoorwegbouw.....

„ wagens . . .

Spoor weg waggous. . . .

„ liggers.....

Spoorstokken......

Sporen..........

Spruce ..........

„ (black)......

„ (white)......

Stainhoat 50, 85,161, 207 2^0. 2S3, 304, 313,

Stamhont (berken) . . . „ (beukeu). . . „ (eiken).... ., (van den Gjucu spar) S5, (van den zilverspar) . .

. 85,

. 307, 326, 353,

. . 257, 293,311. 335, 316, 203, 270, 331. 338,

Stamper Stampers. Stelen. . . Stengel. . Stergang .

Stikstof.........

Stippel..........

Stippels 7, 11, 252, 271.

Stippels (gewone). . . . Stoelen. . . . 321, 320,

Stoottroggeu......

Snikerahorn.......

Swietenia Maliagony Ij.

„ Multijuga Sehiedc. .

T.

Taaiheid.....2. 211. 215. 216, 343.

Tabakspijpen............150.

Tafelbladen.......... . 373.

Tafelmatjes............. 268.

Tafels............. 331. 338.

I^k.................. 65.

Takbout OS. 16t, 17S, 201. 206. 215.

301, 328, 331.

371.

370.

357. 282. 212. 301. 300. 326. 331. 320.

1. 207. 267. 267. 220. 331. 85. 85. 306. 207. 85.

322. 33S.

358. 1 5.

135. 28. 259.

323. 355.

371. 303. 338.

98. 151 154.

207,

215,221, 310, 326,

Tanden van eggen........ 343.

Tandenstokers........... 358.

Tandraderen............341.

Tangentiaalvlak........... 48.

Tangentiale krimping....... 230.

„ richting........ 230.

Tappannen.............314.

Tappen............... 338.

Taxis..... 60, 02, 172, 282, 283.

Taxishout 39, 42. 43, 161. 171, 218, 2S2, 283.

Taxodium distichnm llichard , . 2S3.

Taxus baccata L.......... 282.

Tayk................ 308.

Teak............. 308, 312.

Teak-holz (Ostindisehes).....311.

Teak-hout 12, 38, 40, 41, 51, 84, 87, 88, 89, 99, 171. 172. 181, 181, 301, 308. 315.

Teak-timber............30S.

Teetona grandis L. fil. . . . 87, 308.

Teekenplanken........... 303.

Teenen...............216.

Tek................ 308.

Tek des Indes....... . . . . 308.

Tekholz...............80S.

Telegraafpalen........ 260, 206.

Teredo navalis L..........133.

Terpentijn....... 13. 101, 116.

Terpentijnolie...........101.

Textuur......... 251, 202. 366.

Thuja.............2SO. 281.

„ occidentalis L..... 280, 281,

Thy Hen 29. 17, 293, 311,323,329.316, 351, 352.

Tilia................ 358.

Tilia grandifolia Ehrh.......35S.

Tilia grandifolia F.........361.

Tilia parvifolia Ehrh.. 151, 157, 35S.

Tilia parvifolia L..........193.

Timmerhout ............315.

Tolubalsem.............101.

Tonkaboontjcs...........159.

Teredo navalis L.

Torren...............122.

Torsievastheid....... 207, 209.

Traeheïden 217. 218, 251, 252, 257.


-ocr page 422-

394

263, 270, 274, 278

2 S0.

282, 290,

293, 294, 295, 298

303,

318, 320,

334, 335, 341, 346

355,

3 GO, 301,

365,

36S,

371, 374.

Traeheïde-vezels 8, 33,

iO. 42

, 293, 323.

Trappen........

255.

315, 33S.

. . 320.

. . . 327.

Treurwilg.......

. . . 332.

Tuingereedschap . . . .

. . . 320.

Tulip wood.......

... 150.

Tussehenschotten . . . .

. 10, 34.

Tweezaadlobbige . . .

.... 4.

U.

Uilevceren .......

109, 308, 313.

. . . 319.

Ulmus Campestris L.

193, 319.

„ „ „ Spaeh.

. . . 316.

V.

13. 1 t

„ (collaterale) . 15, 16, 17.

., (radiale)

... 23.

Vaatwerk.......

. . . 279.

Vastheid 1, 5. 162, IS5

. 103

213.217,

253, 255, 259, 264.

271,

275, 297,

299, 301, 302, 301.

312.

319. 324.

330. 336, 342. 347,

350,

352, 350,

362

30(1,

372, 375.

Vastheid (relatieve). .

200,

301, 203.

„ (terugwerkendo). .

. . . 193.

(wringings-)

. . . 207.

Vastheids coeflioicutcn 1 \'lli. 210.201.271.

Vlammen . .

Vat................. 307.

Vatduigeu.............. 307.

Vaten (houtvateu) 10, 33, 3S, 213. 221, 217, 290. 292, 293, 294, 295. 29o! 298, 301, 302. 303, 305. 310, 311, 317, 318, 322, 323, 328, 329. 333, 334, 335. 340. 341, 345, 346, 347. 349, 351, 352, 355, 360, 361, 365, 368, 371, 374, 375. Vaten (werktuigen) 260, 285, 306, 330.

Vatkraneu............. 283.

Vatringen.............. 305.

Vatwauden .... 34, 213, 220, 310.

Vatwijdte.............. 38.

Veerkracht.............173.

Velgen................353.

Veilingen .......... 320, 326.

1 Verdamping........... 25, 29.

Verfhouten............. 60.

Vermolmd..............110.

Verrotten...........106, 10S.

Verstikken.............110.

Verstikking.............106.

Verstikt............... 325.

Vertakken............. 65.

Vervuring........ 106, 109, 313.

Verweerd..............110,

Vezel........... 229, 230, 315.

Vezels 8, 193, 225, 226. 228, 229,234, 236. 238, 244. 24S, 290, 293, 303. 314, 318, 329, 334, 335, 343, 363. Vezels (libriform-) zie: Lihnform-vezeh. „ (tracheïde-) zie: Trachéide-vezels.

Vezelwand............. 228.

Vezehvanden 9, 34, 72. 139, 213, 220, 22S. 229, 230, 236, 258, 310, 323. Vierendeelshont .... 240, 242, 243.

Violen............. 268, 358.

Violenboom............. 358.

.....154. 317.

Vlekken............... 308.

Vlierhout..............171.

Vliesvlengeligen.......122, 131.

Vlinders..............132.

-ocr page 423-

395

132.

276,

338

273.

8

quot;39

22S.

quot;6

22S.

Vooijaarshout 19, 30, 70, KM, 234,

248,

Waterwerken......

251,257, 258,263, 2G9

,270

27-1,

2S2,

2(.)0, 292, 293, 295,

29G.

301,

303,

13

310. 317, 318, 322.

323,

328,

329,

333. 334, 341, 345,

346,

351.

352.

Wegenbouw......

366.

354. 355. 300.

3G5,

368,

371.

Weiehselhout......

159

Vorst...........

137,

220.

Werf kever.......

129.

Vrouwtjesesschcnboom .

Werken 202, 229, 245

266

307

337

Vrouwtjesesschcnhout. .

322

325.

326.

338.

Vurenhout 10, 12, 5ó

, 57

fiO

76,

Work hout 2 40. 248, 249, 25

8, 27:i

,285

78, 104, 110, 140

, 142,

143 ,

290, 317, 321,

343.

348,

357.

144, 140. 151, 153,

161,

171, 172.

Wespen.........

123.

170. 179, 1S2, 183.

184, 187,

188.

Weymouthspijn . . , .

.73,

195,

258.

189. 193, 190. 197,

198,

199. 203.

Wcyinouthspijnen . . .

260.

200. 208, 214, 219,

221, 248,

250.

Woymouthspijnliout . .

171,

220,

250.

252. 255, 200. 203.

204,

265,

266,

White oak......

291.

267, 208, 209, 270,

272,

273,

274.

„ piuehout . . . .

256,

258.

280. 304,

300,

307.

339.

Wielboom........

193,

190,

238.

Wielen.......

snp, aan

W.

Wiélvollingon......

216.

Waardenhout......

216.

99

Wijnstok........

40

Wagonschot.......

239.

306.

Wikkelvormen.....

Wilg.........

60

quot;15

Walnoot . . . 47, 151,

310.

311.

315.

„ (amaudelbladige)

216.

„ (gemeene). . .

349.

350.

., (bind)......

316.

(driehelinige) . .

316.

„ (zwarte).

349.

.. (gele).......

316.

171. 171.

Wandelstokken 210. 279,307

. 326

358.

(witte)......

Wandverdikking ....

Wilgen .... 63, 116,

132,

13S,

235.

Warrel dradig......

68.

Wilgenhout 37, 92, 141, 142,143

151

161. 171, 172, 183,

193.

219.

220.

Water..........

. 72,

243.

342.

Waterbouw . 255, 200.

270,

2S5-

301.

207.

Wateren.........

139,

348.

Winddroog.......

. 74

75.

Watergehalte 9, 74, 213,

230.

228.

Windscheef.......

243.

235,

244.

Wintcreik . . 88, 291,

294.

298, 299.

Wa torent trekking. . . .

quot;43

Wiutereikeuliout....

996

305.

-ocr page 424-

396

Wiaterlinde............

Woekerplanten...........

Woekerplantjes...........

Worm 106, 123, 218, 260, 272, 281, 320, 325, 331, 337, 343,

Wormstekig...... ......

Wormstekigheid...........

Wortelhout 24, OS, löO, 103,215, 321,

Wortelhout (Amboina). „ (geaderd) . „ (gemazeld).

Wortels.........

Woudboom......

1, 23; . 258,

X.

Xvloterus liueatus 01.......120.

Y.

Yellow................ 250. |

-cypress.......! . . . 284. :

-pine 101, 170, 211, 257, 258.

„ -pineliout....... 250, 285. :

. . . 260. :

. . . 338. |

239, 210.

. . . 358. I

. . . 300. i

. . . 377. \' 1. i

Zaagblokken. . Zaagramen. . . , Zaagvlak . . . . Zaagwerkjes. . . Zaehtharige eik . Zadelbogen . . , Zaden ......

Zeef bundel........4, 15, 17, 23.

Zeefranden.....210, 268, 339, 303.

359. 111. 308. 276. 350, 303. 123. 348. 220, 348. 156. 377. 348. 28. 209.

Zeefvaten.............. 10.

Zekerhcidsraodulus.........211.

Zetmeel 14, 28, 31, 47, 90, 103, 318, 335, 301.

Zeven................ 208.

Zijdeglans.............. 354.

Zijknop..............05.

Zilverspar 13, 57, 00, 07, 70, 83, 157, 104, 208, 269, 288.

Zolen................ 307.

„ voor klompen........ 349.

van pantoffels........ 283.

Zomereik 291, 294, 295, 297, 298. 299, 302, 305.

Zomereikenhout 38, 290, 298, 299,305.

Zomerhout............. 282.

Zomerlimlo............. 359.

Zone.............. 290, 301.

Zonen................ 305.

Zonneblinden............ 208.

Zouten............... 9.

„ (salpeterzure)..... 28, 82.

Zuren (anorganische)....... 85 .

Zuren (organische)......... 98.

Zuringzure kalk........19, 40.

Zuringzuur........... 83, 99.

Zuurstof........... 8, 27, 120.

Zwammen..... 102, 111, 137, 313.

(ware)......112, 119.

Zwamsporen.............111.

Zwavel............... 28.

Zwavelzuur............. 89.

Zweepen............... 358.

Zweepstokken...... 210, 279, 320.

Zwellen 70. 244, 253, 204, 271, 275, 299, 311, 319, 324, 330, 330, 342, 347, 356, 302, 300, 309, 372, 375. Zwolling......... 230, 244, 245.


-ocr page 425-

L. S.

Dat de onderafdeeling: Het Heul, van het werk: Mechanische Technologie, in 1883 begonnen, eerst heden werd voltooid, is noch te wijten aan den schrijver, noch aan de uitgevers. De eerste toch was ten gevolge zijner zwakke gezondheid telkens genoodzaakt den arbeid te staken, en niettemin heeft hij gedaan wat hij kon, zoodat hij eenige weken vóór zijn dood met dit gedeelte gereed was.

Wij betreuren het, dat hij de taak, die hij zoo breed had opgevat, en waaraan hij zoo moedig was begonnen, niet mocht ten einde brengen.

Toch is zijn werken niet vergeefsch geweest.

Het Hout vormt een afgerond geheel, is eenig in onze taal, en zal volgens getuigenis van deskundigen, menigeen uitnemend van dienst zijn.

DE UITGEVERS.

Utrecht , December 1887.

-ocr page 426-
-ocr page 427-

INHOUD.

Bladz.

INLEIDING................... i

HOOFDSTUK I. Anatomie en Physiologie.

a. Anatomie................ 5

b. Physiologie...............25

HOOFDSTUK II. Vergelijking van den bouw tier houtsoorten . 33

HOOFDSTUK III. Scheikundige samenstelling.......71

HOOFDSTUK IV. Ontleding of bederf.........107

HOOFDSTUK V. Technische eigenschappen.......[49

HOOFDSTUK VI. Bijzondere beschrijving der houtsoorten.

a. Naaldhout...............247

\'AANHANGSEL...............286

b. Loofhout................289

ZAAKREGISTER.................379

-ocr page 428-
-ocr page 429-
-ocr page 430-
-ocr page 431-