-ocr page 1-

() N Z E

VOLKSOPLEIDING,

D. D. BOS.

TK CiROXINdKN HIJ .1. li. WOLTKUS. IKK.

-ocr page 2-

Kast 198 PI- E N0.11

GESCHENK

VAN

-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

Sqd. I. //

O N Z E

TE GKüNlN(iBN BIJ J. B. WÜLTEKS, 18U8.

k

VOLKSOPLEIDING

Dquot;. D. BOS.

-ocr page 6-

*

STOOMDRUKKERIJ VAN J. B. WOLTERS.

-ocr page 7-

VOORREDE.

De volgende bladzijden bevatten eene poging om in groote trekken ons tegenwoordig opleidingsstelsel te schetsen en aan te wijzen de veranderingen, welke daarin noodzakelijk zijn. Geenszins is daarbij getracht naar de uiterste volledigheid, noch ook naar het doordringen in zoodanige bijzonderheden als alleen hehooren onder de beoordeeling van de onderwijzers in de verschillende takken of vakken van onderwijs. Waar evenwel de volksopleiding moet beschouwd ivorden als een zeer belangrijke economische factor, daar ligt het op den tv eg van ieder, die belang stelt in maatschappelijke verschijnselen en de pogingen om maatschappelijke toestanden te verbeteren, van de opleiding in haar geheel kennis te nemen.

Voor dezulken is dit werkje geschreven.

Over gebrek aan belangstelling in het onderwijs kan men trouivens in de laatste tijden niet klagen. Wel is door langduri-gen en heftig en partijstrijd het onderwijsgebied langzamerhand beschoimd als bezaaid met gevaarlijke voetangels en klemmen, maar toch, de noodzakelijkheid dringt het voortdurend iveer te betreden. En dat met vasten stap, gericht naar een scherp gezien doel. Wie op onderwijsgebied niet volkomen duidelijk zijn weg vóór zich ziet, laat zich verleiden tot allerlei, op het oog, kleine wijzigingen, die evenwel bij den verderen groei der maatschappij tot een voorheen ongedachte uitkomst voeren.

De verschillende deelen van de volksopleiding toch staan met

-ocr page 8-

elkaar in nmiio verhand en geen enkele wijziging wordt in het eene gedeelte aangebracht of de invloed doet zich langzamerhand overal gevoelen. Partieele herzieningen hebben dikwijls geen ander gevolg dan de grondgedachte van den \'wetgever te verminken zonder eene andere er voor in de plaats te stellen. Een goed inzicht in den samenhang de)- verschillend.e deelen is daarom voor ieder, die in de opleiding van het volk belang stelt, noodig.

In het volgende is getracht in de veelvuldige en veelsoortige onderwijsinstellingen steeds te doen zien het einddoel, de opleiding voor den rn a a tsch app e lijken werkkring, en tegelijkertijd te maken eene zoodanige rangschikking van de verschillende deelen der opleiding als met den aard van het onderwijs overeenkomt. Dat brengt van tijd tot tijd wel eens de minder aangename noodzakelijkheid mede in eenige herhaling te treden, maar kan bij de verwarring, die hij de onderscheiding der verschillende onderwijsgedeelten geheerscht heeft, niet als geheel onnoodig worden beschouwd.

Dat dit in het oogvatten van het einddoel der opleiding geenszins behoeft te leiden tot een nauwe vakafrichting, zal, hoop ik, uit het volgende blijken.

Sommige voorstellen tot verbetering van het opleidingsstelsel, in het volgende verdedigd, kunnen allerminst aanspraak maken op den gloed van het niemue. Een geheel nieuwe organisatie van ons onderwijs zou trouwens ook gemakkelijker zijn ineen te zetten dan wenschelijk geoordeelde verbeteringen in een goed geheel te doen passen.

Aan al degenen, die door bereidwillige toezending van programma\'s of ivaardevolle inlichtingen, mijn taak gemakkelijk hebben gemaakt, \'mijn hartelijken dank.

-ocr page 9-

HOOFDSTUK 1.

Gewoon lager onderwijs.

Het veel aangehaalde woord, dat de toekomst behoort aan het best onderwezen volk, mag wat overdreven klinken, het heeft niets van zijn geldigheid verloren wanneer men onder onderwijs verstaat: de voorbereiding voor de onderscheiden deelen van den maatschappelijken arbeid.

Wie kan er aan twijfelen dat de vooruitgang van deze eeuw te danken is aan de vruchtbaarheid, welke de wetenschap aan den arbeid heeft gegevenV Wie zou ontkennen, dat deugdelijke voorbereiding, die leert de krachten der natuur voor onze doeleinden naar eisch te doen samenwerken, de welvaart van de geheele maatschappij moet verhoogen?

Waar men voor theoretische beschouwingen op dit punt ontoegankelijk is, daar leert de uitslag van den wedloop der volken eiken dag, hoezeer de goed onderwezen volken als Zwitserland, Duitschland, Denemarken, een voorsprong hebben gekregen.

Telkens dan ook, wanneer de mededinging voor een volk of een deel van het volk, moeielijker wordt, zoekt het steeds weer vermeerdering van kracht in betere opleiding.

Toen in 1860 Frankrijk eene vrijzinnige handelspolitiek ging volgen, die de mededinging oproept, verrezen tal van inrichtingen voor vakonderwijs om achterlijke werklieden te brengen op de hoogte van buitenlandschei). En toen na de gebeurtenissen van 1870/71, het Fransche volk met energie zich herstelde van de nederlaag, was de gedachte, dat de Duitsche schoolmeester

1) Verg. o. a. het rapport over de inzendingen ten aanzien van het vakonderwijs op de Internationale ïontoonstclling te Parijs van 1880, van Paul Jacquemart. i)r. i). bos, Onzr Volksopleidinff. 1

-ocr page 10-

de eigenlijke overwinnaar was, zóó krachtig, dat de ijver tot verbetering van het schoolwezen werd verdubbeld, tot koortsachtige haast bijna oversloeg.

En nu in de laatste twintig jaren alle volken meer dan ooit elkander op handelsgebied beoorlogen, grijpt men overal weer naar de wapens van den geest en tracht zich door betere oefening krachtiger te maken voor den strijd.

Van daar ook in ons land in de laatste jaren een steeds sterker streven naar praktische opleiding, naar onderwijs, dat voor het leven, voor de maatschappij zelve, vormt.

Men gevoelt algemeen dat daaraan veel, zeer veel ontbreekt.

Jaarlijks gaan er duizenden jongelieden in de maatschappij hun plaats zoeken, die geene passende voorbereiding hebben gevonden. Toch zijn daaronder velen, die een groot aantal jaren op de schoolbanken hebben doorgebracht en heel wat examens in een groot aantal vakken , soms met klinkende namen , hebben afgelegd. Men hoort klachten in alle kringen over gebrekkige voorbereiding van werklieden, van kooplieden, landbouwers en industrieelen, ja zelfs de mannen der wetenschap komen dikwijls tot de ervaring dat hun een goede voorbereiding voor de praktijk ontbroken heeft.

Toch is hunne opleiding jarenlang voortgezet en daaraan alle zorg besteed.

De algemeene fout ligt hierin dat men te weinig de twee deelen, waaruit de opleiding van ieder mensch bestaan moet, heeft onderscheiden, n.1. het eerste gedeelte dat algemeene ontwikkeling, het tweede dat bijzondere vorming bedoelt.

Beide gedeelten van de geheele opleiding zijn van groot gewicht en vooral is het de goede verhouding dezer deelen.

Vormt men te vroeg voor de praktijk, dan kan men op een gegeven oogenblik inderdaad een beteren toestand verkrijgen maar men bederft de toekomst. Algemeene en harmonische ontwikkeling van de krachten van den mensch, zoowel naar lichaam als geest, is van hooge beteekenis. Vorming voor bepaalde beroepen is noodig, maar vooraf ga de vrije ontwikkeling der menschelijke vermogens, de algemeene oefening der zintuigen en van het oordeel.

-ocr page 11-

In ons land is de fout niet zoozeer dat het algemeen ontwikkelend onderwijs te ver is voortgeschreden, maar voornamelijk dat het te weinig gevolgd wordt door degelijke vorming voor de praktijk.

Nu spreekt het van zelf dat door onderwijs de jonge lieden geest en zintuig niet zullen ontwikkelen, zonder tegelijkertijd de beschikking te verkrijgen over kennis die in hun later bedrijf te pas kan komen. Evenmin vormt men iemand voor een bijzonder vak zonder zijne algemeene ontwikkeling te bevorderen.

Wat evenwel de beide gedeelten van het onderwijs onderscheidt is de hoofdbedoeling, die daarbij voorzit.

In overeenstemming met deze verdeeling kan men op het gebied der opleiding onderscheiden;

10. Het algemeen ontwikkelend onderwijs.

2°. Het vakonderwijs.

Beide moeten in elke opleiding aanwezig zijn en elkaar aanvullen, maar kunnen uit den aard der zaak beide in verschillende trappen voorkomen.

De gewone lagere school dient slechts te geven algemeen ontwikkelend onderwijs. Ze bedoelt dus ontwikkeling van de verstandelijke vermogens naast vorming van \'t gemoed, oefening van geest en zintuig naast die der lichaamskrachten.

Waar dit opvoedend karakter der volksschool op den voorgrond staat kan geen sprake zijn van verschillende eischen die reeds voor kinderen van verschillenden stand of geslacht kunnen gesteld worden.

Althans uit een oogpunt van algemeen belang, waarmede ten aanzien van het openbaar onderwijs alleen te rekenen is.

Vandaar dat de openbare lagere school, wat hare inrichting betreft, geen verschil moet maken tusschen kinderen van verschillenden stand noch van verschillende sekse, maar alle kinderen des volks een gelijk gewoon lager onderwijs moeten genieten in, ten aanzien van stand en geslacht, gemengde scholen.

Wie er prijs op stelt zijne kinderen een afzonderlijk onderwijs te doen geven, hetzij omdat in het opvoedend karakter der volksschool het godsdienstig of leerstellig element ontbreekt, hetzij omdat het geheel van verkrijgbare kennis niet groot

-ocr page 12-

4

genoeg wordt geoordeeld of teedere zorg aanraking met minder gegoeden of ander geslacht wil doen vermijden, wie deze bezwaren ernstig gevoelt , zoeke toevlucht tot het bijzonder onderwijs. Het gewicht van de bezwaren wordt over \'t geheel dan wel zoo sterk gevoeld, dat afzonderlijke geldelijke opofferingen van ouders kunnen verwacht worden.

Bijzondere scholen, die aan dezen maatregel hun aanzijn danken, zullen in den regel geen kerkelijke kleur hebben, maar door kinderen van bepaalde gegoede kringen zonder bepaalde afzonderlijke godsdienstige kleur, worden bezocht.

Ook thans is dit reeds het geval. Mocht de plaatsing van alle kinderen in dezelfde openbare scholen, in enkele steden misschien aanleiding zijn, dat sommige ouders, die thans nog van de voor hunne eischen ingerichte openbare scholen gebruik maken, aan bijzondere inrichtingen den voorkeur geven, groot zal het aantal wel niet zijn. Vooral niet omdat de bezwaren ten opzichte van het gehalte van \'t onderwijs niet van ernstigen aard zijn.

De vraag zal immers alleen moeten gesteld worden of het onderwijs op de volksschool door den bedoelden maatregel beter of minder aan zijn doel beantwoordt.

Nu is het niet te ontkennen, dat de mate van ontwikkeling-zeer uiteenloopt bij kinderen van verschillende maatschappelijke kringen, dat bij meer gegoeden de opvoeding in het gezin den arbeid van de school lichter zal ondersteunen.

Maar dit kan geen bezwaar zijn. Hoogstens zal men daardoor kinderen van meer gegoeden ook bij minderen aanlog evensnel zien voortgaan op de school als beter begaafden uit anderen kring; bezwaar tegen een gemeenschappelijk ontwikkelend onderwijs kan daarin niet bestaan. Ja zelfs zal ook voor de hoogere klassen der samenleving een groot voordeel in het gemeenschappelijk onderwijs gelegen zijn. Immers niet zelden ziet men het juist in scholen van meer gegoeden gebeuren dat veel te veel naar een vertoon van kennis wordt gestreefd en men het opvoedend en ontwikkelend karakter der school te veel uit het oog verliest.

Vooral ook omdat die kinderen thans allen na de lagere scholen, inrichtingen van middelbaar en hooger onderwijs zullen bezoeken en de eischen van deze inrichtingen aller verderfelijkst op de lagere terugwerken.

-ocr page 13-

Bij een gemeenschappelijke volksschool zal het opvoedend karakter meer voor den dag komen. Tevens zal zij door eene gelijke mate van ontwikkeling te geven aan alle kinderen des volks de kans op groote maatschappelijke ongelijkheid in de toekomst verminderen.

Er behoort geen dwang uitgeoefend te worden ten aanzien van de keuze der school; de staat moet niet de kinderen uit een oogpunt van bevordering der gelijkheid, in ééne school drijven. Degenen, die in het openbaar onderwijs bezwaar hebben, behooren zelfs bij hunne pogingen om onderricht te geven naar hunne wenschen, te worden gesteund. Maar de overheid mag er evenmin toe medewerken ongelijkheid van de staatsburgers in de toekomst te bevorderen, door voor verschillende standen een verschillend onderwijs in te richten reeds van den vroegsten tijd af.

Geen ongelijkheid is grooter en ergerlijker in den tegenwoor-digen tijd dan die van kennis, van de geestelijke wapens, die in den maatschappelijken strijd in deze eeuw van uitvindingen, zoo geducht zijn gebleken. Aanleg en maatschappelijke omstandigheden zullen die altijd doen blijven bestaan, maar door geheel verschillend onderwijs, van overheidswege gegeven, daartoe mede te werken, is zeker niet in het algemeen belang.

Waar ten slotte, op het platteland en in kleinere steden, dit gezamenlijk onderwijs van armen en rijken plaats vindt zonder dat de omgang der kinderen van verschillenden kring iemand hindert, waarom dan een scheiding gemaakt in de steden?

Overal zijn de schakeeringen in welstand zeer menigvuldig, de armste bewoners van het platteland komen toch zeker vrijwel overeen met die van de steden. Slechts de uiterste grens naar de andere zijde ligt in de steden verder dan op het platte land.

Is het gewettigd voor die weinigen een stelsel van standenscholen te handhaven dat niet meer van dezen tijd is?

Ook wat de seksen betreft is de scheiding op de scholen af te keuren.

Nergens ontmoet het gemeenschappelijk schoolgaan van meisjes en jongens bezwaren, noch op de lagere scholen, noch op gymnasia en hoogere burgerscholen, waarom bij het gewoon lager-onderwijs dan afzonderlijke meisjesscholen en dus voor een goed

-ocr page 14-

6

deel de vrouwelijke jeugd, geheel afgezonderd van de mannelijke, opgevoed ?

Voor den goeden omgang der seksen ook op lateren leeftijd is dit zeker niet goed te keuren, voor de karakter vorming van beide geslachten evenmin.

De vraag rijst: op welken leeftijd moet en kan dat algemeen ontwikkelend onderwijs der gewone lagere school, aanvangen? Tegenwoordig bestaat geenszins op dit punt eenheid.

Er zijn tal van lagere scholen, die de kinderen op zesjarigen leeftijd opnemen, maar ook eerder. Waar het voorbereidend onderwijs goed is geregeld en de kinderen daar behoorlijk hunne zintuigen oefenen en aan een ontwikkelend spel deelnemen, wordt het gewoon lager onderwijs, waarbij reeds lozen, schrijven en rekenen in de laagste klasse wordt onderwezen, liefst niet beneden 6 jaar gegeven. Waar, zooals in verschillende deelen van het platte land, goed ingerichte bewaarscholen ontbreken, zendt men de kinderen eerder naar de lagere school, soms beneden 5 jaar.

Een algemeene regeling bestaat niet.

Slechts om de deuren der openbare scholen door onwillige gemeentebesturen niet te doen sluiten voor kinderen, die nog kennis willen opdoen, is in de wet van 1889 voorgeschreven, dat de besluiten van den gemeenteraad over den leeftijd, welken de kinderen moeten bereikt hebben voor zij op de openbare school worden toegelaten en van dien, waarop zij die school moeten verlaten, aan de goedkeuring van gedeputeerde staten onderworpen is.

Eene wettelijke regeling hiervan is gewenscht, tegelijkertijd met die van het voorbereidend onderwijs van 4—6 jaar.

Wordt dit voorbereidend onderwijs goed geregeld, zoodat de kinderen hun zintuigen goed leeren gebruiken, leeren spreken en waarnemen, hunne handen oefenen en hunne jonge krachten , dan kan op zesjarigen leeftijd het gewone lager onderwijs aanvangen.

Het ligt in den aard der zaak, dat vooral op het platteland, het voorbereidend onderwijs dadelijk aan de gewone lagere school wordt verbonden, zooals reeds op sommige plaatsen het

-ocr page 15-

I

geval is. Bezwaren behoeven niet te bestaan tegen liet algemeen maken van dien maatregel. De leiding kan aan het hoofd der school verblijven, het onderwijs worden gegeven door onderwijzeressen, die of een afzonderlijke opleiding voor dat voorbereidend onderwijs hebben genoten, uf als gewone onderwijzeressen een afzonderlijken cursus voor dat speciaal onderwijs hebben gevolgd en daarvan bij hun examen de blijken geven.

Bij het toevoegen van dit voorbereidend onderwijs aan de lagere school, zal het peil van ontwikkeling op het zesde jaar heel wat minder verschillen tusschen kinderen van verschillenden maatschappelijken kring dan thans.

Over den aard en den omvang van het onderwijs der lagere school is in deze eeuw veel gestreden!).

In het begin dezer eeuw schreef de eerste schoolwet van 15 Juni 1801 voor in art. 4:

„Het onderwijs op de openbare of Gemeentelijke scholen zal zich bepalen tot het Lezen, Schrijven en de eerste beginselen der Rekenkunde.quot;

In het Reglement voor het openbaar Lager schoolwezen, binnen de Bataafsche Republiek, van 29 Juli 1803, zijn de leervakken voor de lagere school opgegeven als: Lezen, Schrijven, Rekenen en de Gronden der Nederlandsche taal, onverschillig-of daarnevens nog vreemde talen of hoogere wetenschappen worden onderwezen.

Het Reglement A voor het Lager schoolwezen en onderwijs binnen de Bataafsche Republiek, behoorende bij de wet van 3 April 1806, verstaat onder Lagere school die inrichting waar ,,de Jeugd van allerlei ouderdom en van beiderlei kunne hetzij gezamenlijk, hetzij ieder afzonderlijk, in de eerste begin-

!) Wij laten hier rusten het hoofdelement van den strijd, over het godsdienstig karakter van de school.

Algemeen wordt thans wel erkend, dat in de openbare lagere school de godsdienstige gevoelens van andersdenkenden moeten geeerhiedigd worden, de godsdienstleer niet in dat onderwijs tehuis behoort, al worden ook de schoolgebouwen voor dat doel aan de godsdienstleeraren beschikbaar gesteld.

Ook de vraag of het onderwijs vrij moet zijn, kunnen wij voorbijgaan. Bij behoud van de tegenwoordige grondwet heeft deze vraag geene praktische beteekenis.

-ocr page 16-

8

selen van kennis en beschaving, als Lezen, Schrijven, Rekenen en de Nederlandsche taal, of in derzelver verdere hulpmiddelen, als de Fransche en andere hedendaagsche of ook geleerde talen, de Aardrijks-, Geschiedkunde en dergelijke , onderwezen, of ook alleenlijk tot hoogere beschaafdheid gevormd wordt. Alleen de gewone Latijnsche scholen of zoogenaamde Gymnasiën zijn daarvan uitgezonderd.quot;

Veel vrijheid van beweging dus wanneer de eenvoudigste kundigheden slechts onderwezen werden.

Het gevolg van die vrijheid: een groote verscheidenheid van inrichtingen, waarbij zoowel de omvang van het onderwijs in ieder vak als het aantal vakken zeer verschillend was.

Toen de grondwet van 1848 herziening van de onderwijswet-geving noodzakelijk maakte en de additioneele artikelen zelfs geen uitstel gedoogden, lag het wel eenigszins voor de hand, dat bij de ontwerpen van wetgeving, met dien verschillenden aard van onderwijsinrichtingen zou worden rekening gehouden.

In dien geest handelde ook het ontwerp de Kempenaer van 3 Sept. 1849 over twee klassen van scholen, met gewoon en uitgebreid leerplan. Sommigen achtten het onderwijs in moderne talen, wiskunde enz., eigenlijk als te behooren niet meer tot gewoon lager maar tot het middelbaar onderwijs en zoo stelde dan ook de minister van Reenen, 22 Sept. 1854, een gelijktijdige regeling van het lager en middelbaar onderwijs voor, waarbij het eerste een beperkt aantal leervakken omvatte, het laatste met het latere meer uitgebreid lager onderwijs, was te vergelijken.

Deze ontwerpen werden geen wet.

In het ontwerp van 21 Februari 1857 was ook alleen sprake van gewoon lager onderwijs en waren als leervakken opgenomen: lezen, schrij ven, rekenen, de beginselen der vormleer, der Nederlandsche taal, der geschiedenis, der aardrijkskunde, der kennis van de natuur en der wiskunde.

De kamer evenwel kwam weer met de onderscheiding van twee soorten lagere scholen aandragen en veranderde art. 1, zoodat het lager onderwijs onderscheiden werd in gewoon en meer uitgebreid onderwijs. Voor het gewoon onderwijs nam zij het lijstje van de regeering, waaruit de wiskunde geschrapt en waaraan het zingen werd toegevoegd, terwijl tot het meer uitgebreid lager

-ocr page 17-

9

onderwijs werd gerekend dat in: de beginselen der kennis van de levende talen, de beginselen der wiskunde, der landbouwkunde , gymnastiek, teekenen en handwerken voor meisjes.

De lagere scholen konden dus hun leerplan desverkiezend uitbreiden met één of meer der laatstgenoemde vakken. De behoefte aan die uitbreiding werd geacht vooral in aanzienlijke gemeenten te bestaan; men meende dat het onderwijs daar uitgebreider behoorde te zijn dan in kleinere.

Het ligt voor de hand, dat in dien tijd, toen het middelbaar onderwijs nog niet bij de wet was geregeld, dit uitgebreid onderwijs inderdaad ook dikwijls voortzetting gaf van het onderwijs der gewone lagere school, maar ook in vele gevallen werd reeds vooral de Fransche taal aan de leervakken toegevoegd op jongeren leeftijd dan gewoonlijk met het beeindigen van het gewoon lager schoolonderwijs gelijkstaat.

Het onderwijs werd niet alleen in de lengte maar ook in de breedte uitgebreid.

De wet van 1878 had rekening te houden met een anderen toestand daar inmiddels de wet op het middelbaar onderwijs in werking was gekomen en algemeen ingevoerd. Zij liet dan ook zeer terecht de onderscheiding van het lager onderwijs in gewoon en meer uitgebreid in art. 2 der wet vervallen en schreef alleen voor een lijst van verplichte vakken naast andere in welke onderwijs kan gegeven worden.

Wat de leervakken voor het verplicht onderwijs betreft, veranderde de wet geschiedenis in vaderlandsche geschiedenis en voegde aan de lijst de nuttige handwerken voor meisjes toe.

Sedert heeft de wijziging van 1889 in deze lijst nog weer verandering aangebracht, door de vormleer te schrappen en daarentegen de eerste oefeningen van het handteekenen en de vrije en orde oefeningen der gymnastiek op te nemen1).

1

Art. 2 der wet op het Ij. O. luidt:

Onder lager onderwijs begrijpt deze wet liet onderwijs in:

a. het lezen; h. het schrijven; c. het rekenen; tl. de beginselen der Nederlandsche taal; c. die der Vaderlandsehe geschiedenis; ƒ. die der aardrijkskunde; (j. die: dei-kennis der natuur; h. het zingen; i. de eerste oefeningen van het handteekenen; j. de vrije en orde oefeningen der gymnastiek; k. de nuttige handwerken voor meisjes.

Aan lagere scholen kan bovendien onderwijs gegeven worden in:

-ocr page 18-

10

Ofschoon de wetgever in art. 2 niet meer spreekt van twee afzonderlijke categoriën van lagere scholen, komt dit beginsel weer in art. 16 voor den dag, waar het heet: ,,Het onderwijs omvat de vakken in art. 2 vermeld onder a—k en daar, waar genoegzame behoefte aan uitbreiding bestaat, een of meer of wel alle vakken, vermeld in dat artikel onder l—t.quot;

Die behoefte wordt aangenomen te bestaan in de grootere gemeenten waar men dan aan het gewoon onderwijs dikwijls het Fransch toevoegt.

De wetgever van 1889 heeft zelfs aan die scholen, waar behalve de vakken, ak tevens tenminste twee der vakken l, m, n en p worden onderwezen, een ruimere rijksuitkeering toegekend (art. 45 sub c).

In de praktijk en de wet zijn dus de scholen met uitgebreid leerplan blijven bestaan, zonder dat hierbij, het blijkt uit art. 16 der wet ten duidelijkste, van voortgezet onderwijs sprake is. De bedoelde facultatieve vakken kunnen niet afzonderlijk onderwezen worden maar als bijvoeging bij het onderwijs in de vakken a—k.

Wat in deze historische ontwikkeling wel de aandacht moet trekken is de voortdurende uitbreiding der leervakken voor het gewoon verplicht lager onderwijs.

Ten deele is die uitbreiding verklaarbaar. Aanvankelijk zijn geheel en al op den voorgrond gekomen die onontbeerlijke kundigheden als lezen, schrijven, rekenen, de gronden der moedertaal, die voor verdere opneming van kennis onmisbaar zijn.

De slechte inrichting van vele scholen, groote klassen en dikwijls zeer gebrekkig opgeleide onderwijzers, het ontbreken van behoorlijke onderwijsmethoden, maakte dat in tal van scholen, waar het schoolverzuim nog grooter was dan thans, die allernoodigste kennis nog met moeite werd verkregen.

Langzamerhand kwam daarin verandering, de methoden ondergingen belangrijke verbeteringen, zoodat niet alleen de

/. de beginselen der Fransche taal; m. die der Hoogduitsche taal; n. die der Engelsche taal; o. die der algemeene geschiedenis; jgt;. die der wiskunde. lt;/. het handtoekenen; r. de beginselen der landbouwkunde; de gymnastiek, f. de fraaie handwerken voor meisjes.

-ocr page 19-

11

ontwikkeling van den geest meer tot haar recht kwam , maar ook tijd werd gewonnen.

Hoe meer men nu het onderwijs verbeterde, de opleiding der onderwijzers regelde, de klassen kleiner maakte, hoe meer kon men van die vakken, die vroeger facultatief moesten blijven, onder het gewoon onderwijs opnemen.

Dit was nog zoo\'n groot euvel niet, wanneer men slechts goed voor oogen had gehouden het doel, dat met het lager onderwijs moet bereikt worden, het doel, dat van af de eerste sporen onzer nationale Schoolwetgeving duidelijk genoeg is uitgedrukt.

Heet het immers niet reeds in de Schoolwet van 1801: dat het lager onderwijs, door ontwikkeling van de verstandelijke vermogens der kinderen, geschikt zij, om hen tot redelijke wezens te vormen; en wijders om in hunne harten in te prenten de kennis en het gevoel van dat alles, wat zij aan het Opperwezen , aan de Maatschappij, aan hunne Ouderen, aan zich zelve, en aan hunne Medemenschen verschuldigd zijn.

Ook in de bepalingen van 1803 wordt dit voorschrift teruggevonden, terwijl de wet van 1806 uitdrukkelijk bepaalt:

,,Alle schooiondenvijs zal zoodanig moeten worden ingerigt, dat onder het aanleeren van gepaste en nuttige kundigheden, do verstandelijke vermogens der kinderen ontwikkeld, en zij zeiven opgeleid worden tot alle Maatschappelijke en Christelijke deugden.quot;

Sedert is in de wetten van 1857, 1878 en 1889 dit laatste artikel, dat de bedoeling van het lager onderwijs weergeeft, vrij wel onveranderd behouden.

Reeds in deze bepalingen lag opgesloten dat men onmogelijk kon eischen die vele leervakken als elementaire wetenschap te behandelen, maar veeleer het onderwijs in die vakken in de eerste plaats wilde dienstbaar maken aan de verstandelijke en zedelijke vorming.

Had men dit steeds voor oogen gehouden, men zou den tijd, die langzamerhand vrijkwam, waar het lezen, schrijven en rekenen, gemakkelijker werden aangeleerd, veel meer gebezigd hebben voor ontwikkeling van het verstand, vorming van het gemoed, oefening der zintuigen en ontwikkeling der lichaamskrachten.

Bij die opvatting is dan ook een groot aantal leervakken geen bezwaar.

-ocr page 20-

12

Wanneer men echter meent van natuurkennis, aardrijkskunde, vaderlandsche geschiedenis een wetenschappelijk geheel van kennis bij den leerling der lagere school te moeten aanbrengen, zij het nog zoo eenvoudig, dan is het aantal leervakken van de gewone lagere school reeds veel te groot.

Evenwel niet wanneer men aan verschillende wetenschappen slechts stof ontleent voor vorming van verstand en gemoed.

Het geldt hier niet een vraag van methode, maar van doel van onderwijs.

Natuurlijk kan men om een zekere mate van kennis b.v. in het vak kennis der natuur bij te brengen, verschillend te werk gaan. De eene methode zal meer ontwikkelend zijn dan de andere. Geheel iets anders evenwel is het of men het onderwijs in de kennis der natuur beschouwt als: oefening in de waarneming van de natuur, dan wel of men een bepaald geheel van kennis als einddoel stelt.

Zoo is het met geschiedenis en aardrijkskunde eveneens. Onderwijst men de geschiedenis, de lotgevallen van ons voorgeslacht\' op verschillend gebied, als middel voor zedelijke vorming, om vaderlandsliefde aan te kweeken zonder chauvinisme, om eerbied in te boezemen voor groote en goede mannen en daden, op welk gebied ook, dan is het vak uitnemend ontwikkelend en vormend. Maar hoe dikwijls is het geworden de door veelvuldige herhalingen bevestigde kennis van het relaas der gebeurtenissen sedert den vroegsten tijd en van de lotgevallen der regeerende personen.

Men heeft zeer dikwijls bij het opnemen van leervakken op de lagere school, aan het nuttigheids beginsel te veel geofferd, te veel gevraagd of het bezitten van verschillende kundigheden voor een beschaafd mensch niet zeer nuttig zoude zijn, zonder zich genoeg af te vragen, of de ontwikkelingsgang der kinderen dat doel niet langs een geheel anderen weg moest doen bereiken, dan door op de lagere school een uittreksel van een groot wetenschappelijk geheel mede te deelen.

Dit laatste is toch meermalen de behandeling van verschillende leervakken geworden in de praktijk.

Een fout ook van te weinige aandacht, die men aan den ontwikkelingsgang der kinderen heeft gewijd, is de verdere ophooping

-ocr page 21-

13

van vakken als het Fransch bij de leervakken der lagere school op een leeftijd beneden 12 jaren.

Vóór dat de moedertaal nog in den grond gekend wordt, vóór de jongelieden zich in hun eigen taal door en door goed bewegen, worden de beginselen van een vreemde taal aangeleerd.

Die tijd wordt ontnomen aan het algemeen ontwikkelend onderwijs. Er worden schoolwandelingen, er wordt ontwikkelende en voor de aesthetische vorming noodige lectuur om nagelaten of verminderd.

Wilde men toch aan de zedelijke vorming en verstandelijke ontwikkeling meer aandacht wijden, dan zou ook op de scholen met meer uitgebreid leerplan de tijd veel te kort schieten.

Zal het teekenonder wijs in de mate als behoort, dienstbaar worden gemaakt aan de oefening van oog en hand, waarnemen en opmerken door het waarnemen van de natuur worden geoefend, door vrije en orde oefeningen de lichamelijke krachten harmonisch ontwikkeld, de zedelijke vorming bij het lees en geschiedkundig onderwijs steeds worden betracht, zal het lezen in de moedertaal smaak ontwikkelen voorwat schoon is en welluidt en evenzoo de zang, zal het aardrijkskundig onderwijs van ervaring en aanschouwing uitgaan, dan waarlijk kan de best ingerichte lagere school, waar het schrijven tevens behoorlijk wordt onderwezen en in het rekenen vaardigheid wordt verkregen geen tijd meer voor Fransch of andere nieuwe talen beschikbaar houden.

Toch schijnt over \'t geheel dikwijls meer gestreefd te worden naar het bijbrengen van een zekere hoeveelheid elementaire kennis, dan naar het op den voorgrond brengen van het ontwikkelend karakter der lagere school.

Voor een deel zal de oorzaak daarvan moeten gezocht worden in de voorbereiding voor de middelbare en hoogere scholen, waar een bepaalde hoeveelheid kennis als eisch van toelating gewoonlijk wordt gesteld.

Althans over \'t algemeen wordt dit euvel wel ondervonden.

Op het Nationaal Congres van 1895 werd ten aanzien van de lagere school met groote meerderheid eene conclusie aangenomen , welker tweede alinea luidt:

,,De hedendaagsche school is te veel gericht op het «ombrengen van „kundighedenquot;, vaak totaal overbodige ,,kennisquot;, ter-

-ocr page 22-

14

wijl door do wijze, waarop die kennis wordt aangebracht, (als gevolg eener niet algemeene toepassing van het beginsel van „zelf-doenquot; door de leerlingen) de geestelijke vermogens der leerlingen niet voldoende worden geoefend en — als noodzakelijk algemeen gevolg daarvan — de oefening van oog en hand, in één woord, van alle lichamelijke vermogens, in bedenkelijke mate wordt verwaarloosd.quot;

Indien men aan deze uitspraak eenige beteekenis mag hechten, dan is het wel deze, dat eene breede vergadering van praktische mannen verklaart geen prijs te stellen op het vertoon van allerlei geleerdheid bij de kinderen van de lagere school, maar daarentegen verlangt jongelieden met geoefende zintuigen, met geoefend oog en hand en een gemoed open voor hetgeen goed is en schoon.

Houdt men het ontwikkelend karakter van de lagere school niet steeds voor oogen dan zal men het verschijnsel, dat in deze conclusie wordt geconstateerd, telkens weer waarnemen.

In plaats van de omgeving goed waar te nemen en niet angstvallig te vragen: behoort dit verschijnsel tehuis onder een plantkundige, dierkundige of natuurkundige les, maar voor alles de natuur in de omgeving goed te onderzoeken in haar geheel van verschijnselen, wordt dan dikwijls de natuurkennis, netjes geklassificeerd, in de kinderhoofdjes opgestapeld.

Wat bij een wetenschappelijke indeeling goed is, kan geheel verkeerd zijn voor de lagere school. Men kan nog zoo onderhoudend en systematisch vertellen van allerlei planten en dieren, de kinderen zelfs alleraangenaamst bezighouden, zonder veel tot de ontwikkeling en oefening van hun waarnemings vermogen te hebben bijgedragen.

Waar evenwel steeds gestreefd is naar het ontwikkelen der kinderen, daar zal het geheel van verworven kennis misschien in het oog van velen niet zoo fraai zijn als anders, niet zoo afgewerkt en afgerond, maar meer overeenkomstig natuur en waarheid.

Mag van die kennis wat vervliegen, de vormende waarde blijft behouden.

Laat men toch bovenal nooit vergeten , dat het kind op dezelfde wijze kennis opdoet als de volwassen mensch, door waarne-

-ocr page 23-

ming, ervaring, oordeelen, door gebruik te maken van zijne krachten naar geest en lichaam.

Zelf moet het zijn kennis vergaderen, de onderwijzer leidt het daarbij, zoodat zijne krachten geleidelijk ziel; ontwikkelen.

Uit dit oogpunt vooral, is het ook zoo wenschelijk dat de kinderen op de volksschool reeds hun handen leeren gebruiken.

Op het Nationaal Congres van 1895 werd in dien zin eeno conclusie aangenomen luidende:

„Tot de algemeene toepassing van het beginsel van ,,zelf-doenquot; door de leerlingen is de invoering van handenarbeid onontbeerlijk, en wel in de allereerste plaats als opvoedingsmiddel.quot;

Thans is arbeid met de handen volgens de wet van 1878 voorgeschreven voor meisjes. Het vak nuttige handwerken is verplichtend gesteld en algemeen ingevoerd.

Dit vak is geheel en al opgenomen om het nut, dat de meisjes, vooral in den werkenden stand, trekken van vaardigheid in handwerken.

Met dit doel was ook reeds in het begin van deze eeuw voorgesteld spinnen en weven naast het gewoon schoolonderwijs te laten geven.

Ook reeds in art. 4 der Schoolwet van 1801 wordt gesproken van inrichtingen, verbonden aan lagere scholen om kinderen nuttigen arbeid te doen verrichten, dit vooral ook om minvermogende ouders te bewegen hunne kinderen naar de school te zenden.

Het is niet gebleken dat deze bepaling trouw is nageleefd.

In verschillende landen heeft men in deze eeuw getracht, het handwerkonderwijs voor beide seksen in de scholen te brengen.

De pogingen van Clauson Kaas in Denemarken, van zoovele anderen in Zweden, Noorwegen, Frankrijk en Oostenrijk hebben reeds lang ook voor jongens handenarbeid op tal van scholen ingevoerd.

Voor een goed deel heeft bij deze pogingen voorgezeten het groote praktische nut, dat ook de mannelijke jeugd ten allen tijde trekt van vaardigheid in het gebruik van werktuigen, in het bewerken van de stof.

Niet te doen is het om een voorbereiding te verschaffen voor een bepaald handwerk, maar om de handen die oefening te geven,

-ocr page 24-

10,

dat zij voor een later handwerk geschikt zijn en om degenen, die met hun hoofd vooral zullen werken, toch over \'t geheel handiger te maken.

Maar, en dat komt bij een methodisch onderwijs in handen* arbeid spoedig aan het licht, die arbeid zelf heeft een hooge vormende waarde voor den geest. En niet alleen voor de ont* wikkeling van het verstand maar ook voor de zedelijke vorming.

Want de handenarbeid gelukt slecht wanneer netheid en nauwkeurigheid niet worden in acht genomen en het werk zelf toont den leerling beter de fouten aan, dan in eenigen anderen arbeid, van geestelijken aard, mogelijk is.

Zullen netheid en nauwkeurigheid, zin voor orde en arbeidzaamheid niet ontwikkeld worden ?

Zal geen uitnemend tegenwicht worden verschaft tegen dikwijls te groote geestelijke inspanning en niet een natuurlijke lichaamsbeweging de lichaamskrachten beter tot hun recht doen komen ?

Zoo komt naast de nuttigheid van de verkregen kennis de (jroote vormende waarde liet vak handenarbeid aanbevelen ook voor de lagere school.

Maar verder gaande ziet men dat dit onderwijs althans in zijn eenvoudigsten vorm belangrijken steun kan geven aan dat in andere leervakken, hoe het rekenonderwijs nut kan trekken van eenvoudigen arbeid, die als voortzetting van het Fröbel onderwijs der voorbereidende scholen is te beschouwen en ook teekenen, aardrijkskunde, kennis der natuur belangrijk door handenarbeid kunnen worden ondersteund. Men let dan op handenarbeid in dien zin als onderwijsmethode.

In laatstgenoemden zin kan ook thans reeds handenarbeid in de lagere school worden ingevoerd onder de tegenwoordige wettelijke bepalingen. Wil men er evenwel het volle voordeel van plukken in alle scholen, waar de voorwaarden ten opzichte van leerkrachten, leermiddelen en aantal leerlingen gunstig zijn, dan behoort handenarbeid als leervak (voorloopig facultatief) in de wet op het Lager Onderwijs te worden opgenomen.

Ook zou daardoor in de volksschool, voor beide geslachten bestemd, de lastige regeling vervallen, die thans noodzakelijk verbonden is aan het handwerkenonderwijs voor meisjes. Of deze

-ocr page 25-

17

krijgen dat onderwijs buiten de gewone schooluren der jongens en zitten dan veel te lang op de schoolbanken, of de klassen splitsen zich voor de handwerk lesuren en dan is het uurtje voor de jongens gewoonlijk vrijwel verloren.

Ook uit een sociaal oogpunt is de invoering van handenarbeid een groote verbetering voor ons onderwijs. Nog veel te veel zit ons in merg en been een overschatting van geestelijken en geringschatting van lichamelijken arbeid. Tot betere waardeering van de vermogens, die de mensch heeft gekregen en wier veelzijdige ontwikkeling hij dient na te streven, is invoering van het vak zeer gewenscht.

Men zal daarbij moeilijkheden ondervinden zoolang men nog niet over goed opgeleide onderwijzers zal kunnen beschikken.

Dit geldt zoowel voor dit vak als voor het teekenen en de kennis der natuur. In al deze vakken komt slechts de ontwikkelende waarde geheel tot haar recht, wanneer de onderwijzer over voldoende vaardigheid en ruime kennis kan beschikken.

Wil men het onderwijs over twintig jaren behoorlijk verbeterd hebben, dan mag men nu reeds wel met alle kracht werken aan de verbetering der opleiding van de onderwijzers.

Zonder deze loopt een maatregel, met de beste bedoelingen genomen, gewoonlijk op mislukking uit.

Ook ten aanzien van de grootte der klassen, benoodigde lokalen en leermiddelen zullen bezwaren worden ontmoet, die evenwel, de ervaring heeft liet reeds bewezen, met eenigen goeden wil wel zijn te boven te komen.

Waar het hier geldt een richting aan het onderwijs te geven, waardoor het in alle opzichten rijker vruchten belooft vooral door de school in ruimere mate voor de algemeene ontwikkeling-dienstbaar te maken, moge men dien goeden wil betoonen J).

3) Naar aanleiding van de pogingen door Clauson Kaas in liet werk gesteld, om handenarbeid vooral ter bevordering van huisvlijt te doen onderwijzen aan dejengd, werd do aandacht op dit onderwijs in ons land gevestigd door Mr. A. Kerdijk in 187(5. De vereeniging Volksonderwijs noodigde den heer II. Bonman in 1878 nit een onderzoek in te stellen in Zweden en Noorwegen. In 1879 werd onder leiding van den heer Groeneveld te Rotterdam, die het bedoelde onderwijs in ons land heeft ingevoerd, een cursus voor onderwijzers in het vak geopend.

Op verschillende plaatsen zijn vervolgens cursussen in huisvlijt, handenarbeid enz. lgt;r. d. bos. Onze Volksopleiding. 2

-ocr page 26-

IB

Menige klacht, die thans over cle lagere school wordt aange-^ heven, zou verstommen.

Men klaagt, en terecht, over het vervliegen van de kennis in de lagere school opgedaan.

In de school was het kind met verschillende zeer wetenswaardige zaken vrijwel op de hoogte, en zie, nauwelijks is het een paar maanden van de school, of weg is de kennis. Het is alsof het kind een hol vat is, waar de kennis door den onderwijzer ingepompt wordt. Aan liet eind der lagere school is het vat redelijk vol, maar nauwelijks houdt men met pompen op, of het lekt schrikbarend en is in weinig dagen leeg. Door herha-lingsonderwijs tracht men den kostbaren inhoud op de hoogte te houden, dikwijls te vergeefs.

verrezen die evenwel niet tlt;it grooten Woei zijn gekomen. Du inaat.srhappij tot Xut van \'t Algemeen heeft rkmr eene commissie, bestaande uit de heeren Dr. W. Pleyte, Dr. J. Zaaijer A/,n. en J. Bminwold Riedel een onderzoek doen instellen waaraan ten grondslag ligt de toestand der scholen en cursussen in 1891.

De commissie getuigt: „Kik wat wils — ziedaar de feitelijke toestand. Gebrek aan eenheid van regeling, methode, leerplan, ziedaar het kwaad.quot;

In dit rapport komen zeer helangrijke mededeelingen over doel en methode van handenarbeid voor van de heeren J. Stam, Groeneveld lt;gt;11 1\'. ï. van der Meiden, wier inzichten nog al uiteen liepen.

Belangrijk voor de lagere school is het werkje van P. T. van der Meulen en KL de Vries Szn.: Handenarbeid op de lagere school in praktijk gebracht (ISSMi). Vooral de iu Enschedé gevolgde handelwijze in eene lagere school voor gewoon onderwijs, zal velen belang inboezemen ook al is aan handenarbeid daar niet zulk een groot deel van den tijd ingeruimd als misschien later mogelijk is.

Vgl. verder het Tijdsclu-ijtt voor Onderwijs en Handenarbeid, orgaan der Ver. tot Bev. van \'t onderwijs in Ifandenarbcid.

Ken nuttig boekje ook gaf de maatschappij tot Xut van \'t Algemeen uit over Handenarbeid als Opvoedingsmiddel door J. Kranzcn.

In Frankrijk is de zaak van den handenarbeid voortdurend aan de orde.

Op het Congres van ISS\'.t werd de volgende conclusie aangenomen en op latere congressen bevestigd;

Le Congres...... reconnaissant que Ie travail nianuel doit faire partie intégrante

d\'un bon système d\'édncation générale puisqu\'il contribue ïl développer l\'activité, 1\'obscrvation, la perception et 1\'intuition, et aussi le goiit des occupations manuelles, émet ligt; voeu qu\'il soit introduit le plus tót possible dans celles des éeoles élemen-taires oh it ne 1\'a pas encore été.

Ook daar ontmoet men evenwel het bezwaar van niet in voldoend aantal aanwezige goede leerkrachten.

Vgl. het verhandelde op het 3e intern, congres van Bordeaux 1895.

-ocr page 27-

1!)

Altijd zal men dit verschijnsel van liet vervloeien der kennis waarnemen, wanneer niet de ervaring van eiken dag de toepassing der kennis noodig maakt. Met hoe weinig van hetgeen op de gewone lagere school wordt geleerd, kan dit voor de groote massa het geval zijn.

Daarentegen bestaat er elk oogenblik gelegenheid de handen, het oog en het verstand te gebruiken; de vaardigheid in de schooi verkregen wordt daarbij door de ervaring eiken dag versterkt.

Tegenover de meening, in het bovenstaande ontwikkeld, dat het gewone lager schoolonderwijs slechts algemeene ontwikkeling moet bedoelen en daarbij met de kundigheden, die de jongelieden in een later tijdperk van het leven noodig hebben , niet behoeft gerekend te worden, staat eene andere meening, welke voor velen praktischer schijnt hoewel ze \'t niet is.

Eveneens overtuigd, dat het gewone lager onderwijs niet geeft wat het moet geven, dringt men er op aan, de latere bestemming der kinderen in het oog te vatten. Men wil gelet hebben op het latere beroep der kinderen en hun kennis geven, zooals men zegt, waarvan ze in hun bedrijf nut zullen hebben.

Dat is ook voor sommigen de bijgedachte, waar zij onderwijs in handenarbeid voor de volksschool aanprijzen, dat men als het ware reeds een voorbereiding krijgt voor het handwerk. Men zou het voorbeeld willen volgen van België en ook in de lagere school overzichten van de nijverheid, bekendmaking met verschillende bewerkingen in werkplaatsen en fabrieken willen zien gebracht of wel de beginselen van landbouwkunde in de platte-landsschool zien onderwezen.

In dien zin b.v. adviseerde de Landbouwcommissie in haar uitnemend advies omtrent het landbouw onderwijs\'), waar zij schreef:

,,De commissie heeft de vraag overwogen of de opleiding der aanstaande landbouwers reeds op de gewone lagere school behoort aan te vangen. Zij meent deze vraag bevestigend te

!) Verzameiing van adviezen door de landbouwcommissie, ingesteld bij Koninklijk Boshut van 18 September 1880 no. 28 aan do Kegeering uitgebracht. Pag. 47.

-ocr page 28-

\'20

moeten beantwoorden. Reeds bij de opvoeding der kindereii dient in het oog te worden gehouden het beroep dat zij later uitoefenen.quot;

Op de bestrijding, welke deze conclusie reeds in den boezem der commissie ondervond, verduidelijkte zij hare meening nog aldus:

j,Het is geenszins de bedoeling dat op de lagere school reeds vakonderwijs wordt gegeven, maar dat bij het algemeen onderwijs zal worden acht geslagen op de omgeving, waarin de kinderen leven en op liet beroep, dat zij later zullen uitoefenen. De onderwijzer kan door de keuze van zijne leerboeken, zijne voorbeelden, verhalen, den geest der kinderen in bepaalde richting leiden en hun liefde inboezemen voor het landbouwbedrijf.quot;

Opmerkelijk is het, dat waar in België in den geest der commissie reeds jaren lang is gehandeld, de minister van binnen-landsche zaken en openbaar onderwijs in dat land, in eene circulaire, handelende over het onderwijs in landbouwkennis aan de openbare lagere scholen, voor eenigc jaren schreef: ,,het is niet voldoende, dat de onderwijzer nu en dan uit het ruime gebied der landbouwwetenschap een aantal punten kieze als onderwerp voor gemeenzame gesprekken, dictaten en leeslessen — volstrekt noodzakelijk is een opzettelijk onderwijs, minstens tweemaal per week gegeven.quot;

Ook hier dus een kennis, die niet beklijft.

Al wil de commissie dus het eigenlijk vak landbouwkunde niet, in haar advies liggen enkele vrij populaire meeningen, die o. i. verkeerd zijn.

Dat de onderwijzer let op de omgeving, waaruit zijne leerlingen voortkomen, is natuurlijk en oen eerste vereischte, maar niet om daardoor op de hoogte te komen van de bestemming der kinderen, maar om de goede aangrijpingspunten te vinden voor zijne inspanning, die moet leiden van het bekende naar het onbekende.

Indien men door leerboeken, verhalen, voorbeelden, meent speciale kennis te kunnen aanbrengen voor de latere praktijk, dan zal men ondervinden dat twee doeleinden moeilijk te gelijk zijn te bereiken en men in plaats daarvan wel eens beide mist.

-ocr page 29-

21

Die praktische kennis wordt dan op reis door liet leven meegegeven evenals een zorgvuldige moeder liaar jongen nog een paar boterhammen in de tasch stopt voor den tijd wanneer hij ze noodig zou zijn. Ongelukkig zijn de geestelijke boterhammen gewoonlijk spoorloos verdwenen op het oogenblik dat zij zoo goed te pas zouden komen.

De school moet de kinderen op hun twaalfde jaar niet de kennis geven, die ze op hun twintigste, maar die ze op hun twaalfde behooren te bezitten.

Hoofdzaak, verre overwegende hoofdzaak moet bij het volksonderwijs zijn en blijven de vorming van verstand en gemoed, de oefening van zintuigen en lichaamskrachten.

Het leven zelf blijft ten slotte de groote leerschool.

Maar wat iemand daar leert en hoe, hangt ten zeerste af van de eigenschappen van hoofd en hart.

Laat de lust tot onderzoek opgewekt zijn en de landbouwer doet dagelijks in zijn bedrijf een schat van ervaring op, laat de zucht tot weten zijn aangekweekt en men kan verzekerd zijn dat in het later leven veel nuttige kennis wordt verkregen. Laat de geest van orde, netheid en nauwkeurigheid zijn ontwikkeld en voor den aanstaanden werkman zoowel als den koopman zijn belangrijke voorwaarden voor welslagen aanwezig.

De volksschool moet niet zijn een kweekplaats van miniatuurboompjes, die geheel gereed afgeleverd worden, voorzien van rijpe, zij het miniatuurvruchtjes, veeleer moet zij krachtige, breed bewortelde stammen kweeken, die in den vruchtbaren bodem van liet leven overgeplant, voedingssappen tot verderen groei begeerig opzuigen.

Dit gewoon lager algemeen ontwikkelend onderwijs moet voor niemand eindonderwijs zijn. Op een leeftijd van ongeveer 12 jaren kan voor niemand de leertijd in de school reeds achter den rug liggen.

Aan de verdere inrichtingen van voortgezet lager dag- of avondonderwijs behoort het overgelaten te worden te zorgen voor de opleiding van liet groote meerendeel der jongelieden met het oog op hunne praktische bestemming.

Men kan nu van meening verschillen over de vraag of het

-ocr page 30-

22

algemeen ontwikkelend onderwijs voor allen gelijkelijk tot den twaalfjarigen of tot een hoogeren leeftijd moet voortgezet worden. Dit is een vraag van onderwijskundigen maar nog meer van maatschappelijken aard. Een vraag, die ten nauwste in verband staat met het peil van welvaart onder de verschillende klassen der samenleving.

Het ligt toch voor de hand, dat slechts bij eene ruime goederenproductie een groot gedeelte van de bevolking, in dit geval, de jeugd, geheel van arbeid kan vrijgesteld blijven en dit te langer naarmate de algemeene welvaart toeneemt.

Hoe langer de tijd is, die voor de opleiding van de jonge menschen in het geheel kan worden gebruikt, des te grooter kan ook het gedeelte zijn, dat gelieel voor de algemeene ontwikkeling kan worden beschikbaar gesteld. Let men op don vooruitgang, die in dit opzicht is bereikt in vergelijking met vroegere eeuwen, dan schijnt liet volstrekt geen onbereikbaar ideaal dat in de toekomst alle kinderen algemeen ontwikkelend en opvoedend onderwijs kunnen genieten tot het tijdstip waarop zij rijp zijn om zelfstandig hun beroepskeuze te doen en daarmede de keuze van de opzettelijke vorming voor dat beroep.

De vrijheid van beroepskeuze is een groote zegen geweest voor de maatschappelijke welvaart, de tijd toen ze niet mogelijk was, schijnt ons te liggen in een zeer ver verleden.

Toch is die vrijheid thans voor velen een ijdele klank. Eerst dan wanneer de mensch de krachten van geest en lichaam heeft kunnen ontwikkelen, zal hij in waarheid die vrijheid gekregen hebben, die hem het beroep doet kiezen, waarin zijne krachten, aangevuurd door ingenomenheid met den gekozen werkkring, den meesten arbeid verrichten.

Evenwel thans mag o. i. aangenomen worden in ons land, dat voor de groote massa van het volk het algemeen ontwikkelend onderwijs niet verder kan worden voortgezet dan tot hot voleindigd twaalfde jaar, overeenkomende met het doorloopen van eene gewone lagere school.

Tot dezen leeftijd behoort ook het schoolonderwijs in allen gevalle verplichtend te zijn, al kan de verplichting daarmede niet ophouden.

Onverantwoordelijk is het, dat nog zoovele ouders voor de

-ocr page 31-

23

bestaande gelegenheid tot het ontvangen van onderwijs door de kinderen, volstrekt onverschillig zijn.

Evenals en de publieke opinie èn ook de rechter de ouders zouden veroordeelen, die hunne kinderen het voedsel onthouden, noodig om lichamelijk zich te ontwikkelen, evenzeer veroordeelt langzamerhand de openbare meening en, laten wij hopen, ook spoedig de rechter, die ouders, die hunne kinderen het allernoodigste geestesvoedsel onthouden, het eerste ver-eischte om te worden tot zelfstandig denkende wezens.

Wij zijn op dit punt wel weder zeer achterlijk en ondervinden de ongelukkige gevolgen van onze nalatigheid.

Niet alleen dat een zeker aantal kinderen van alle onderwijs verstoken blijft, maar liet onderwijs voor de anderen draagt slechts zeer geringe vruchten. De school is een vrije uit- en inloop, willen de kinderen komen is het goed, willen zij wegblijven, ook goed.

Om nietigheden laten de ouders de kinderen te huis, niemand denkt er aan, hoe storend al deze verzuimen voor het onderwijs zijn.

Nooit kan een onderwijzer met dergelijke klassen flink vooruit komen. Gelukt het eens een poosje dan nadert, althans op het platteland, weldra een geheele periode, waarin het schoolverzuim soms tot 50 of 60 procent klimt, de school leegloopt evenals de hoofden der kinderen.

Leerplicht is in vele gevallen een eisch van orde in het belang niet alleen van de kinderen, die niet schoolgaan maar juist in dat van hen die wèl schoolgaan en den ongunstigen invloed der verzuimen ter dege gevoelen.

Het is een maatregel van bescherming voor de goeden tegenover de vele onverschilligen.

Dat men bij invoering van leerplicht bezwaren zal ontmoeten, wie zal het ontkennen? Degenen, die tegen vaccinatie ernstig bezwaar gevoelen, zullen van de verplichting vrijgesteld moeten blijven, eveneens zij, die bepaald gemoedsbezwaar hebben tegen de eenige voor hen bereikbare school.

Bovenal zal men rekening moeten houden met plattelands toestanden. Hoewel onverschilligheid dikwijls de oorzaak is van verzuim, de veldarbeid maakt thans nog voor velen onmo-

-ocr page 32-

24

gelijk een paar maanden in het jaar de kinderen in de school te zenden.

Niets zou meer demoraliseerend werken dan een wet op leerplicht met slappe hand in te voeren. Men zal de wet streng moeten handhaven maar van te voren een ruimen overgangstijd moeten stellen. Gedurende dezen kan elk jaar voor bepaalde vooraf aangewezen maanden vrijstelling van de plicht worden verleend en gaandeweg, als de bevolking aan de nieuwe bepalingen gewend is, de termijn worden ingekrompen.

Slechts wanneer leerplicht wordt ingevoerd, kan van duurzame verheffing van het onderwijs sprake zijn en eindelijk de kanker verdwijnen die nog altijd, vooral op het platteland, het geheele onderwijs aantast.

De leeftijd, waarover leerplicht moet gelden, ware m. i. het best te stellen van G—15 jaar. Voor de meeste jongelieden zou dit in zich sluiten zes jaren op de gewone lagere school en drie jaren op de voortgezette lagere dag- of avondschool tenzij eene andere onderwijsinrichting wordt bezocht.

Het voorbereidend lager onderwijs van 4—6 jaar verplichtend te stellen, zooals sommigen willen, schijnt te diep in te grijpen in het leven van het huisgezin. Een hoogeren leeftijdsgrens dan 15 aan te nemen, zou het onderwijs aan oudere jongelieden, zooals men in Duitschland dikwijls heeft ondervonden , veel onaangenamer maken. Het zijn dan toch niet meer de ouders, maar de kinderen, die soms tegen hun zin gedwongen worden en deze onwilligen storen dikwijls het onderwijs van werkelijk belangstellenden.

Vooral waar het hier een nieuwen ingrijpenden maatregel geldt is te veel eischen gewoonlijk hetzelfde als te weinig bereiken.

Op den grondslag van dit gewoon lager onderwijs verheffen zich verschillende afzonderlijke afdeelingen van voorbereiding. Daarbij zijn te onderscheiden die onderwijs inrichtingen, die algemeene voorbereiding geven voor verschillende groepen van bedrijven, die welke meer in het bijzonder voor bepaalde vakken opleiden, en die, welke in de eerste plaats het algemeen ontwikkelend onderwijs voortzetten.

-ocr page 33-

HOOFDSTUK II.

Voortgezet Lager Dagonderwijs.

Is het zoo noodig, dat voor de groote massa op de lagere school, met gewoon leerplan dus, nog verdere inrichtingen van onderwijs volgen? Is voor die vele ambachtslieden, fabrieks-en veldarbeiders, kleine neringdoenden en kleine industrieelen de daar verkregen kennis en ontwikkeling niet voldoende?

Het antwoord vindt men gemakkelijk door eens rond te zien op welke wijze de arbeid, welken die verschillende klassen van de maatschappij hebben te verrichten, wordt uitgevoerd.

Hoe groot niet is in elke plaats het aantal ambachtslieden, die hun vak in \'t geheel niet verstaan, laat staan nog dat zij die bedrevenheid hebben verkregen, welke den meester kenmerkt. En toch is het een oude waarheid, dat de arbeider zijn loon waard is en betrekkelijk zelden ziet men het gebeuren dat werkelijk bekwame werklieden, wanneer althans hun levensgedrag daartoe geen aanleiding geeft, lang werkeloos behoeven te zijn.

Juist de werkeloosheid tast het ergst aan die drommen van ongeleerde arbeiders, die niet meer het kapitaal als nuttigen steun bij de voortbrenging gebruiken, maar als het ware dikwijls onderdeden, aanhangsels der machines zijn geworden en ook steeds het best en het snelst door nieuw gevonden machines zijn te vervangen.

Waar daarentegen het vak door en door gekend wordt, waaide werkman een gedeelte van zich zelven, van zijn weten en smaak, in het voortgebrachte goed neerlegt, hoe zeer wint daar zijn werk in waarde, hoezeer is de werkman daar niet in waarheid onafhankelijk en kan tot welvaart komen.

-ocr page 34-

2G

Kennis maakt vrij.

Geldt dit niet in dezelfde mate van die vele kleinhandelaren, waaraan ons land zoo rijk is, die voor het groote meerendeel vormen de middenklasse, de krachtige kern van het volk ?

Hoe dikwijls ontbreekt niet totaal bij hen degelijke vakkennis en wordt daardoor weldra de kleinhandelaar een soort verkoops-automaat, die de goederen van den grossier, groothandelaar of fabrikant tegen vastgestelde prijzen overzet, slaaf van het publiek, karikatuur van den koopman. Of heeft deze niet tot eerste taak de waren te vergelijken, de behoeften van het publiek te leeren kennen om in deze op de beste en voordeeligste wijze te voorzien ?

Waar de koopman vakkennis mist, wordt de waarde van den dienst, dien hij aan de maatschappij bewijst, uiterst gering en wordt hij o zoo gemakkelijk vervangen óf door den bediende eener groot-kapitalistische onderneming óf door den beambte eener coöperatieve vereeniging.

Is daarentegen degelijke vakkennis aanwezig, dan aanvaardt ook de kleine koopman deze mededinging, dikwijls met goed gevolg.

Ook de industrieel, hetzij hij grootere of kleinere zaken drijft, zal bij de steeds toenemende mededinging over een veel grootere mate van kennis moeten beschikken, dan de gewone lagere school, hoe ook ingericht, mag geven. Evenzeer heeft de landbouwende stand verdere voorbereiding, ook met het oog op zijn bedrijf dringend noodig, de ondervinding in de jaren van crisis inzonderheid, heeft dat voldingend bewezen. Ja zelfs voor al degenen, die een ruwen en eentonigen arbeid hebben te verrichten, is de verdere ontwikkeling en voorbereiding een zegen, die hen volstrekt niet met minder, integendeel met meer tevredenheid, hun taak doet vervullen.

De behoefte aan meerder onderwijs heeft zich ook reeds van af het begin der eeuw steeds meer doen gevoelen. Vruchtelooze pogingen zijn beproefd om door eene wettelijke regeling verbetering op dit punt te krijgen, tot eindelijk in 1863 een belangrijke stap in de goede richting werd gedaan door Thorbecke, wiens wet op het Middelbaar onderwijs zooveel heeft bijgedragen tot de verhooging van het peil van ontwikkeling en kennis in ons land. Den wetgever is het blijkbaar te doen geweest om

-ocr page 35-

27

bepaalde instellingen, die hem voor den geest stonden, tot werkelijkheid te maken, zonder zich angstvallig af te vragen of hetgeen hij wilde wel, als een afzonderlijke tak van onderwijs, toch verband zon houden met de andere deelen van de organisatie.

Een goede omschrijving van het middelbaar onderwijs komt dan ook in de wet niet voor, de wetgever maakt zich er eenvoudig af door als middelbaar onderwijs in art. 1 te beschouwen het onderwijs in de scholen, waarover de wet handelt.

Beter is de bedoeling in de Memorie van Toelichting weergegeven waar het te regelen onderwijs werd bepaald als „omvattende de vorming van die talrijke burgerij, welke, het lager onderwijs te boven, naar algemeene kennis, beschaving en voorbereiding voor de onderscheidene bedrijven der nijvere maatschappij tracht.quot; Tweederlei bedoeling dus, die de minister nog aldus toelicht:

,,Wat het lager onderwijs voor het kind is, moet het middelbaar onderwijs in zijn eerste en algemeene bestemming voor den jongeling wezen; eveneens volksonderwijs maar hooger volksonderwijs.quot;

In het bijzonder werd daarmede bedoeld voortzetting van hetgeen, waarvan de lagere school het begin is, het oefenen van geest en zintuig, de verdere ontwikkeling van zien, kennen en denken. Uitdrukkelijk verklaarde de minister tevens dat de bedoelde voorbereiding voor de bedrijven der maatschappij te beschouwen was als alcjemeene voorbereiding tot eene groote verscheidenheid van maatschappelijke betrekking, beroep of dienst. ,,Het is de meening nietquot; verklaarde de minister, ,,voor eene bepaalde industrie af te richten, noch de scholen tot werkplaatsen te maken. Hetgeen de ondergeteekende voorstelt is niet de praktijk zelve in hare bijzonderheden te doen leeren maar geest en zintuig zoo te ontwikkelen, dat zij voor de praktijk bekwaam worden.quot;

Let men nu op de scholen, die door de wet werden in het leven geroepen, dan blijkt dat er twee goed onderscheiden categoriën zijn, nl. de burgerscholen, waarbij de voorbereiding voor de bedrijven der nijvere maatschappij op den voorgrond komt en de ho og er eburg er scholen, waarbij aan de algemeene kennis en beschaving grooter aandeel wordt gegeven.

-ocr page 36-

28

Dc eerste categorie, die der burgerscholen, komt ons voor ten onrechte onder het middelbaar onderwijs te zijn opgenomen maar daarentegen beter te passen als voortgezet lager onderwijs onder de organisatie van het Lager onderwijs.

Men zou zeggen dat dit weinig uitmaakt, als de scholen er slechts zijn. Evenwel zal het blijken vooral met het oog op methode en inrichting, toezicht en bevoegdheden niet van belang ontbloot te zijn.

In art. 13 der wet op het Middelbaar onderwijs wordt het karakter van het onderwijs aan de burgerscholen, die in dag en avondscholen verdeeld worden, aangewezen door de volgende leervakken, welke in een tweejarigen cursus onderwezen zouden worden. Ze zijn:

a. de wiskunde;

b. de eerste beginselen der theoretische en toegepaste mecha

nica en der kennis van werktuigen;

c. die der natuur en scheikunde;

d. die der natuurlijke historie;

e. die der technologie of der landbouwkunde;

f. de beginselen der aardrijkskunde;

(j. die der geschiedenis;

It. die der Nederlandsche taal;

i. de eerste gronden der staathuishoudkunde;

k. het hand en regtlijnig teekenen;

l. de gymnastiek;

Met het oog op den aard der streek, waar het onderwijs gegeven wordt, beslist de gemeenteraad of technologie dan wel landbouwkunde zal onderwezen worden.

Wanneer men nu bedenkt dat uit deze wetenschappen slechts enkele hoofdzaken in zoo korten tijd kunnen behandeld worden, dan is het duidelijk dat hierbij inzonderheid de volgende bestemming der jongelieden in het oog moet gevat worden , hetgeen de bepaling aangaande de landbouwkunde nader bevestigt als ook de aanhef van het artikel dat dit onderwijs meer in \'t bijzonder bestemt voor ambachtslieden en landbouwers.

Van verdere algemeene ontwikkeling, oefening van geest en zintuig is dus bij deze inrichtingen niet in de eerste plaats

-ocr page 37-

\'it)

sprake, zij vormen een schakel tusscheii de gewone lagere school niet haar algemeen opvoedend en ontwikkelend onderwijs cn de praktijk of de vakscholen. Zij zijn dus in werkelijkheid veeleer als een bekroning van het lager dan als een begin van het middelbaar onderwijs aan te zien, ook als men de omschrijving van den wetgever wil laten gelden dat het laatste hooger volksonderwijs moet zijn.

Men zal zeggen, maar de aard der vakken is immers ten deele een andere dan die in de lagere scholen, ook waar voortgezet onderwijs gegeven wordt, onderwezen worden.

Maar men vrage zich eens af, is dat programma van art. 13 niet veel te overladen? Zal men bij behandeling in een twee , stel driejarigen cursus die bij de gewone lagere school aansluit, iets anders bereiken dan een oppervlakkige bekendheid met allerlei zaken, een algemeene kennis van de minste soort, welke bij de jongelieden een hoog besef van eigen waarde te voorschijn roept, zonder dat de kennis eenigszins vast ligt en daarop gemakkelijk verder wordt gebouwd?

De wetgever heeft blijkbaar dat bezwaar ook gevoeld en ofschoon hij voorschrijft in art. 14, dat in elke gemeente boven tien duizend zielen een burger dag- en avondschool moet bestaan, van dat voorschrift vrijstelling mogelijk gemaakt voor de gemeenten, waar een avondschool in de behoefte voorzag. Deze burgeravondscholen hebben gewoonlijk eenvoudiger programma. Ook stond de wet, en in de praktijk is in den geest der wet gehandeld, inkrimping van het leerplan toe.

Met de ervaring van ruim dertig jaren, kan men moeilijk beweren dat de burger dag- en avondscholen tot bloei zijn gekomen. De laatste burgerdagschool te Leeuwarden, jaren lang de eenige, is opgeheven. Wat de burgeravondscholen betreft, men doorleze de korte verslagen, die in de „Verslagen van den Staat der Hooge, Middelbare en Lagere scholenquot; voorkomen over een tiental jaren en men vindt tal van klachten over onvoldoende en ongelijke voorbereiding waardoor het onderwijs niet goed gevolgd wordt naast plannen van reorganisatie.

Ook op het Nationaal Congres van 1895, maakte reorganisatie van het onderwijs aan burger avondscholen een punt van bespreking uit.

-ocr page 38-

30

Toch bestaat wel degelijk bij de groote niassa der bevolking, althans bij zeer velen, de behoefte aan algemeene voorbereiding voor de onderscheidene vakken, zonder dat daaraan meer dan twee of drie jaar kan worden opgeofferd. Men ziet het dan ook dikwijls, dat jongelieden, die volstrekt niet voornemens zijn do hoogere burgerschool of het gymnasium te bezoeken, nog een paar jaar een school voor voortgezet lager onderwijs bezoeken, soms in de hoogste klasse eener gewone lagere school blijven vertoeven, vóór zij in de praktijk van het gekozen beroep overgaan.

In werkelijkheid geschiedt daar dus eenigszins, wat Thor-becke als mogelijk, zelfs in vele gevallen gewenscht voorstelde, waar hij in de memorie van Toelichting schreef:

„Verbinding der burgerschool aan eene openbare lagere school kan te weeg brengen, dat de leerlingen, na het doorloopen der laatste, des te gemakkelijker in de burgerschool treden; zoodanige uitbreiding, voor beide soms heilzaam, kan daarenboven tot vereenvoudiging en besparing van kosten leiden.quot;

Later lichtte de minister deze bedoeling nader toe in de volgende woorden:

,,De verbinding der burgerschool stel ik mij voor op dezen voet. Bij de lagere school worden eenige klassen gevoegd, waarin volgens het leerplan van de burgerschool onderwezen wordt, zoodat de leerlingen van de lagere school, na de lessen van de hoogste klasse in die school te hebben doorloopen, in de eerste klasse of den eersten cursus van de burgerschool treden. De leiding van de middelbare school, verbonden met de lagere school, zal in handen zijn van den directeur der eerste, en het toezicht bij den inspecteur van middelbaar onderwijs.quot;

Terwijl de eerste zinsnede van deze toelichting zeer juist in het licht stelt op welke wijze dit onderwijs gemakkelijk bij de gewone lagere school kan aansluiten, geeft de laatste reeds dadelijk de reden, waarom van die aansluiting in de praktijk niets kon komen. In hetzelfde gebouw twee instellingen te vestigen, onder verschillende directeuren, en verschillend toezicht zal wel dikwijls bezwaren medebrengen.

Maar erger is het dat die aansluitende inrichting onder eene wet valt, die uit den aard der zaak andere eischen voor be-

-ocr page 39-

Voegdheid dei\' onderwijzers stelt. Wel is voor de burgersoholoil deze moeilijkheid verminderd doordat in enkele vakken de acte van hoofdonderwijzer bevoegdheid geeft, maar in andere vakken zal men vakleeraren moeten hebben.

Bij leerlingen van den leeftijd, die deze scholen bezoeken, is zeker het vakleeraren-stelsel weinig aanbevelenswaardig, maar nog te minder waar het hier , wat algemeene voorbereiding betreft, eindonderwijs is. Een paar jaren voor het beeindigen van dat onderwijs den klasseleeraar door vakleeraren te vervangen is niet aan te raden.

Vooral met het oog op do elementaire kundigheden, waarvan hier door den geringen beschikbaren tijd sprake kan zijn, zou het verreweg den voorkeur verdienen dat geheele onderwijs te stellen in handen van één bekwamen hoofdonderwijzer. Reeds nu zal men daarvoor alleszins geschikte personen kunnen krijgen en dat te meer wanneer de opleiding van den onderwijzer de hervorming ondergaat, die hoog noodig is en waarvan nog nader in het vervolg gesproken zal worden.

Waarom zal men dit onderwijs, maar dan met eenigszins ingekrompen leerplan, niet geheel onder het voortgezet lager onderwijs opnemen?

De burgerdagscholen zijn verdwenen en leveren geen beletsel, de burgeravondscholen eischen reeds nu reorganisatie, die ook met inkrimping van leerplan gepaard gaat en ze zonder twijfel geheel gelijk zou maken aan de inrichtingen, die uit het herhalingsonder wijs zullen voortkomen wanneer ook dit de broodnoodige reorganisatie heeft ondergaan.

Dat voortgezet lager dagonderwijs moet geheel en al missen de sporen van de oude bekende Fransche school. Het moet de algemeene voorbereiding geven voor de jongelieden, die in de praktijk zullen overgaan en kan en moet met den aard dier bestemming rekening houden.

Hier komt dus wel degelijk te pas wat de landbouwcommissie ten onrechte van het gewoon lager onderwijs eischte, nl. dat het in landbouwstreken van anderen aard en ander leerfdan zal zijn dan in streken en plaatsen, waar nijverheid en handel hoofdbronnen van bestaan zijn.

-ocr page 40-

Vakonderwijs behoort nog niet op deze scholen maar de vakken van onderwijs moeten daarvoor de voorbereiding geven.

In landbouwstreken b.v. zal bij het onderwijs in de kennis der natuur, vooral de aandacht worden gevestigd op de levende natuur, plant- en dierkunde een overheerschend aandeel in het onderwijs krijgen. Bovendien met het oog op het belang der scheikunde voor de landbouw wetenschap, zal men eenvoudige scheikundige verschijnselen doen waarnemen en verklaren. In nijverheidsstreken zal men meer de natuurkundige krachten en hare toepassing in werktuigen als onderwerp van beschouwing nemen en daar ook aan het teekenen moer tijd besteden.

Waar handel de hoofdzaak is en veel verkeer dus voorkomt, treedt het onderwijs in vreemde talen op den voorgrond, waarbij natuurlijk in de eerste plaats gelet wordt op de praktijk, die de kennis, noodig voor schriftelijk en mondeling verkeer , eischt.

Vooral zal èn op het platte land èn in de steden gelegenheid moeten gegeven worden bij het rekenkundig onderwijs in deze klassen, berekeningen te maken, die in de praktijk veelvuldig voorkomen en zullen de eerste beginselen van boekhouding en administratie moeten onderwezen worden. Men behoeft daarbij volstrekt niet voor oogen te hebben het boekhouden van de groote kantoren. Wie eenigszins van nabij bekend is met de wijze, waarop de groote massa van ambachtslieden, kooplieden en in \'t bijzonder landbouwers, boekhoudt, zal het van belang achten , dat betere voorbereiding op dit gewichtige punt niet langer achterwege blijft. Ook de beginselen der wiskunde, inzonderheid meetkunde, zijn hier op hun plaats.

Tevens zal het taalonderwijs kunnen dienen den stijl meer te oefenen, inzonderheid ook den briefstijl, terwijl het lezen zoowel voor het ontwikkelen van den smaak als het aankweeken van goede gevoelens en in dit onderwijs ook tot verkrijgen van meerdere algemeene kennis, kan worden dienstbaar gemaakt.

Bij de aardrijkskundige lessen kan dan voornamelijk gelet worden op het verband tusschen den bodem, de verkeerswegen, de ligging in \'t algemeen en de bronnen van bestaan, opdat reeds een helder denkbeeld ontstaat van de wijze, waarop ons volk in zijne behoeften voorziet. Het ligt voor de hand dat dit onderwijs in handelssteden allicht eenige meerdere uitbreiding krijgt.

-ocr page 41-

33

Geschiedenis behoort onderwezen te worden van die volken en tijdperken, die op onze geschiedenis van invloed zijn en zoodanig dat een duidelijk beeld ontstaat van de vorming van ons tegenwoordig staatswezen.

Ook schijnt ons, naast een praktisch teekenonderwijs, dat in handenarbeid zeer gewenscht voor dit voortgezet onderwijs. De groote opvoedkundige waarde van dit vak, de onmiskenbaar groote beteekenis uit een zedekundig oogpunt, het uitnemend tegenwicht, dat het biedt tegen eenzijdige geestelijke inspanning, moeten daartoe aansporen.

Zonder twijfel zou verplichte invoering verkeerd zijn, waar nog zoo weinig goede leerkrachten zijn gevormd en de inrichting van schoollokalen zoowel als de uitgaven, die de invoering van het vak medebrengt, voor sommige gemeenten een beletsel zouden zijn. Waar evenwel de omstandigheden gunstig zijn, drale men er niet mede.

Het lijdt geen twijfel dat zoodanige, op de praktijk gerichte, cursus van drie jaren volgende op de gewone lagere school, aan jongelieden van beiderlei kunne voor het verreweg groote meerendeel de gewenschte algemeene voorbereiding zal verschaffen.

Van beiderlei kunne. Inderdaad is ook bij het voortgezet onderwijs geen aanleiding tot splitsing. Het spreekt van zelf dat gelegenheid moet bestaan voor vrouwelijke handwerken liefst in den zelfden tijd als de andere sekse zich in handenarbeid oefent.

Het ligt in den geest van onzen tijd, dat de vrouw steeds meer naast den man in betrekkingen, ambten en beroepen optreedt. Slechts langzaam en schoorvoetend geschiedt dat in ons land, wat in België, Frankrijk en Zwitserland reeds jarenlang het geval is.

Men kan de noodzakelijkheid daarvan al of niet betreuren, zeker niet ontkennen. Maar zelfs waar de vrouw niet zelfstandig optreedt, is zij, vooral in burger- en arbeiderskringen, de zeer wezenlijke steun van den man in zijn bedrijf, van wier ijver en geschiktheid dikwijls het meest afhangt.

Gaat het nu aan haar de noodige voorbereiding te onthouden, waarvan ook het gezin later de vruchten zal plukken?

Geef aan het meisje dezelfde gelegenheid volop om hare

L)r. i). uos, Onze Volksopleiding. 3

-ocr page 42-

34

geesteskrachten te ontwikkelen en kennis op te doen evenals en naast het opgroeiend mannelijk geslacht, het zal blijken dat zeer wezenlijk tot verhooging van het peil der ontwikkeling en beschaving daardoor wordt bijgedragen.

Zal dit voortgezet lager dagonderwijs met driejarigen cursus op de praktijk des levens gericht blijven, meer algemeene voorbereiding geven voor onderscheidene bedrijven, dan dient een euvel te worden weggenomen, nl. dat het tevens gebruikt zou kunnen worden als voorbereidend onderwijs voor Hoogere Burgerschool en Gymnasium. Het voortgezet lager onderwijs moet zich vrij kunnen richten naar de praktijk, niet voor de school, die enkele leerlingen zouden wenschen te volgen, maar voor het leven, dat de groote meerderheid in gaat, moet het onderwijs dienen. Thans oefenen deze inrichtingen van Hooger en Middelbaar onderwijs een verderfelijken invloed uit op tal van scholen van uitgebreid of voortgezet lager onderwijs. Al zullen ook onderwijzers hun best doen zoo weinig mogelijk hun onderwijs te regelen naar de eischen van Hoogere Burgerschool en Gymnasium toch zal het geschieden veel meer dan gewenscht is, en deze hen althans terughouden van veranderingen en verbeteringen in de school, die de leerlingen werkelijk beter zouden voorbereiden voor de praktijk maar tegelijkertijd minder kennis doen verkrijgen van de zaken die de bedoelde inrichtingen op hun toelatingsexamen eischen.

Ja zelfs, waar onderwijzers de belangen van de velen zouden stellen boven die van de enkelen, die in de gelegenheid zijn langeren tijd voor de algemeene ontwikkeling te besteden, is het dikwijls niet mogelijk daaraan te voldoen zonder de verwijten op zich te laden van meer bemiddelde ouders, die dikwijls, in kleinere plaatsen althans, veel macht hebben, verwijtingen nl. dat hunne kinderen de aansluiting met hoogere onderwijsinrichtingen zouden missen.

En natuurlijk is het ook wel, dat de onderwijzer meer naar de hoogere inrichtingen kijkt dan wel wenschelijk is. Ieder onderwijzer wil toch gaarne de vruchten zien van zijn streven. Waar die dadelijk in het oog vallen als examens voor eenige inrichting van onderwijs worden afgelegd, blijven ze lang in

-ocr page 43-

35

het donker, waar ze moeten blijken uit het optreden en welslagen van jongelieden in de maatschappij. Hoevele invloeden toch kunnen daar niet mede en tegenwerken.

In het algemeen is het niet goed, dat het eindonderwijs voor den een, doorgangsonder wijs voor den ander is, de eischen van de aansluitende school komen dan gewoonlijk meer tot hun recht dan de behoeften van het praktische leven.

De Hoogere Burgerschool en het Gymnasium moeten dan ook niet aansluiten aan het voortgezet lager onderwijs maar aan de gewone lagere school. Zij moeten het werk van het algemeen ontwikkelend en opvoedend onderwijs onmiddelijk voortzetten in den geest als Thorbecke zoo juist heeft aangewezen nl. van zien, kennen en denken, oefening van geest en zintuig.

De aansluiting zal naar de hoogere inrichtingen overgebracht moeten worden; niet aan de lagere school moet een voortgezette maar aan de Hoogere Burgerschool behoort eene voorbereidende cursus gevoegd te worden. De voordeden daarvan ten opzichte van de vrije ontwikkeling van het lager onderwijs springen in het oog, wanneer de hoofden van scholen, die hunne leerlingen rijp achten en geschikt voor het middelbaar onderwijs, aan het eind der lagere school hen naar de voorbereidende klasse zonder examen kunnen doen overgaan. Wordt de druk, door de hoogere onderwijs inrichtingen uitgeoefend, weggenomen, dan kan de lagere school zich geheel en al ongestoord wijden aan haar opvoedend werk en zal het streven naar bijbrengen van veel kennis (examenkennis dikwijls) het werk der algemeene ontwikkeling niet doen achterstellen.

De hier bedoelde school voor voortgezet lager onderwijs, die van het 12u ongeveer tot het voleindigd 15\'-\' zal worden bezocht, is geheel iets anders dan de school met uitgebreid leerplan. Noodig toch is het volstrekt niet, dat in die jaren alle vakken der gewone lagere school nog met die van het bedoelde onderwijs te zamen worden gegeven.

Dit onderwijs staat in zekeren zin afzonderlijk en verdient afzonderlijke wettelijke regeling.

Thans kan men voor de organisatie gebruik maken van art. 17 der wet, welke handelt over het herhalings onderwijs en

O*

O

-ocr page 44-

36

voorschrijft: „liet herhalings onderwijs kan zich uitstrekken tot een of meer der vakken, vermeld in art. 2 onder l—t, al zijn die vakken niet begrepen geweest in het genoten gewoon schoolonderwijs.quot;

Er is dus geen noodzaak om al de vakken van de gewone lagere school in het herhalingsonderwijs op te nemen.

Een bezwaar bestaat hierbij, dat n.1. voor het herhalingsonderwijs geen vergoeding van staatswege wordt gegeven, zoodat men zich dikwijls zal gaan behelpen met het karakter van meer uitgebreid lager onderwijs aan de school te geven.

Afzonderlijke regeling van het voortgezet dag- en avondonderwijs blijft daarom gewenscht en wel in dien zin dat ook bij de financieele regeling de gemeente of bijzondere instelling, die dit onderwijs geeft, een behoorlijk percentage van de kosten van stichting en onderhoud vergoed krijgt.

Voor weelde in dit opzicht behoeft men niet te vreezen, de wet kan bovendien de eischen, waaraan het onderwijs moet voldoen, stellen.

Dit onderwijs zou zich behooren uit te strekken over de volgende vakken:

1. Nederlandsche taal.

2. Fransch, Duitsch of Engelsch.

3. Wiskunde.

4. Kennis der Natuur.

5. Aardrijkskunde.

6. Geschiedenis.

7. Teekenen (Hand en Lijnteekenen).

8. Zingen.

9. Boekhouden.

10. Handenarbeid.

Al naarmate van de behoeften der omgeving kan het onderwijs worden gewijzigd.

Hoofddoel moet zijn, in de verschillende vakken slechts die kennis te doen verwerven, die, helder bepaald, later van nuttige toepassing wordt.

Er behooren niet te veel vakken onderwezen te worden, maar deze goed.

Voor het platte land is ééne vreemde taal voldoende. Zoolang

-ocr page 45-

37

geen afzonderlijke wettelijke regeling bestaat, is het gewenscht onder de facultatieve leervakken van art. 2 op te nemen Handenarbeid , Lijnteekenen en Boekhouden.

Waar beginselen van Landbouwkunde volgens de wet op het L. O. onderwezen kunnen worden, is er zeker allerminfet bezwaar tegen boekhouden, dat veel eerder tot algemeene voorbereiding dient.

Wordt door het samenstellen van modelprogramma\'s voor dergelijke scholen duidelijk in het licht gesteld, dat bij het onderwijs in de verschillende vakken de praktische bestemming der leerlingen voortdurend in het oog moet gevat worden, dan is het opnemen van het vak Landbouwkunde overbodig, daalde voorbereidende kennis dan in het vak kennis der natuur ligt opgesloten.

Landbouwkunde als leervak behoort o. i. te huis onder het vakonderwijs.

Onder handenarbeid zal men in landbouwstreken en waar tuinbouw uitgeoefend wordt uit den aard der zaak ook b.v. tuinarbeid kunnen rangschikken.

-ocr page 46-

HOOFDSTUK III.

Voortgezet Lager Avond-Onderwijs.

Waar do levensomstandigheden de jongelieden toestaan hnn tijd geheel voor hot onderwijs beschikbaar te houden, de zorgen van hot loven nog niet dringen tot het regelmatig verrichten van arbeid in verschillende bedrijven, ligt hot voor do hand, dat hot onderwijs dos morgens on middags ontvangen moet worden. Do morgen toch is voor de vermeerdering van kennis de rechte tijd. Later op don dag is de geest daartoe niet meer zoo geschikt en zeker wel liet minst na een dag van inspanning in het bedrijf.

Wil men dan nog ontwikkelend werkzaam zijn dan moot men althans geen hooge oischon aan den voortgang van het onderwijs stellen. Wol kan goede wil en een goede methode voel doen, maar hóe ook het avondonderwijs ingericht zal zijn, men zal hot bezwaar ontmoeten, dat de geest, die kennis moot opnemen, niet meer frisch blijft aan hot eind van den dag.

Waar do gelegenheid gunstig is om aan jongelieden, die in bedrijven werkzaam zijn, des daags het aanvullend onderwijs te geven, late men toch vooral die gelegenheid niet voorbijgaan. Dezelfde tijd dan aan dat onderwijs gegeven, draagt voel meer vruchten.

Zoo zijn er thans reeds in ons land enkele fabrioksondorne-mingen, waar voortgezet lager onderwijs wordt gegeven door een onderwijzer, vanwege de directie dor fabriek, aan jongelieden gedurende do fabrieksuren. Dat is een uitstekende maatregel, die niet genoeg toegejuicht kan worden.

Het lijdt geen twijfel dat met eonigon goeden wil men op dozen weg wel moor kon bereiken ook waar de onderneming

-ocr page 47-

39

niet zóó groot is, dat zij alleen de kosten van het onderwijs kan betalen en een onderwijzer voldoend werk kan geven. In dat geval zouden immers gemakkelijk naburige fabrieken zich kunnen vereenigen tot dat doel.

En zalfs waar dit niet het geval is, zou bij medewerking van patroons het zeer wel mogelijk zijn tal van jongelieden, die thans des avonds vermoeid op do school komen, in de vroege morgenuren les te doen geven, evenals dat in Duitschland op verschillende plaatsen het geval is in de zoogenaamde Kauf-mannische Fortbildungs-schulen.

Maar medewerking van de werkgevers is hierbij noodzakelijk en deze ontbreekt zeer dikwijls, zooals ieder ondervonden heeft, die het tegenwoordige herhalingsonderwijs heeft willen opheffen. Waar dit nu reeds het geval is, nu patroons slechts kleine faciliteiten aan hun personeel hebben toe te staan, hoe moet het dan worden als de loop van het bedrijf meer invloed van het onderwijs, dat het personeel ontvangt, zal ondervinden. In een vijftal artikelen, verschenen in het Algemeen Handelsblad van 27, 28, 29, 30 Sept. en 1 Oct. 1897, heeft de heer Postma verzameld hetgeen in de verslagen van de fabrieks-inspecteurs over het onderwijs voorkomt. Bij alle lofwaardige pogingen, welke daarin vermeld worden, blijft toch de algemeene indruk, dat het bezoek van avondscholen door aankomende werklieden schaarsch is. Dat werkgevers veel kunnen doen, maar er helaas zeer weinig gedaan wordt.

Avondonderwijs zal dus wel lang nog noodzakelijk zijn ook als algemeene voorbereiding. Voor de jongelieden, die de gewone lagere school hebben doorloopen, zal, volgens art. 17 der wet op het lager onderwijs, voor zooveel doenlijk, overal gelegenheid gegeven worden tot het genieten van herhalingsonderwijs.

De wet van 1878 heeft dit onderwijs ingevoerd in de plaats van de bestaande avondschool, waar ieder, die wat wenschte te leeren nog kennis kon opdoen. Deze school trachtte de leemten aan te vullen, die door slecht bezoek van de dagschool waren ontstaan. Voor vele leerlingen der gewone lagere school was de avondschool eenvoudig een derde schooltijd.

De bedoeling van den wetgever met het herhalingsonderwijs was het vastleggen van de bij de algemeene ontwikkeling der

-ocr page 48-

40

vermogens aangeleerde gepaste en nuttige kundigheden door een onderwijs dat de leerstof op dit punt herhaalt.

Door lees-, schrijf- en rekenonderwijs moest gezorgd worden dat de vaardigheid niet weer te loor ging tegen den tijd, dat op volwassen leeftijd, ze het meest noodig zoude zijn. Eveneens, waar daartoe de gelegenheid bestond, konden de andere verkregen kundigheden bevestigd worden door herhaling.

Nieuw was het denkbeeld zeker niet. In Duitschland en Oostenrijk bestonden reeds zeer lang de herhalingsscholen en scholen voor voortgezet onderwijs. Voor een goed deel werd daar op Zon- en feestdagen onderwijs gegeven , terwijl leerplicht ook voor dit onderwijs bestond.

Trouwens dat de jongelieden, na de gewone lagere school bezocht te hebben, nog verder onderricht moesten genieten werd overal als vaststaande aangenomen.

Hoe komt het dan, dat het herhalingsonderwijs, reeds in 1878 geregeld, zoo weinige resultaten heeft opgeleverd en er overal klachten worden aangeheven? Zooals thans immers de herhalingsschool is, voldoet ze over het geheel niet aan de laagste eischen.

Welke de oorzaken zijn? Gedeeltelijk de ongelijke voorbereiding van de leerlingen, die met een zeer verschillende mate van kennis en ontwikkeling tot het herhalingsonderwijs worden toegelaten.

In vele plaatsen is de natuur sterker dan de leer en is men al heel blij, dat er ook bij te weinig ontwikkelde jongelieden de lust bestaat nog wat te leeren en laat men rijp en groen tot het herhalingsonderwijs toe.

Het spreekt van zelf dat op die wijze er al bitter weinig van het onderwijs terecht komt en dat daardoor dikwijls de goede elementen, die behoorlijke vóórontwikkeling gehad hebben, begrijpend dat er voor hen in de herhalingsschool zeer weinig te leeren valt, wegblijven.

Gedeeltelijk ook is de oorzaak geringe belangstelling en medewerking van patroons, van ouders en nog het minst van de leerlingen, die niet inzien, dat het gewoon lager onderwijs hun niet genoeg kan geven.

Die weinige belangstelling werkt terug op vele gemeentebestu-

-ocr page 49-

41

ren, die den plicht om herhalingsonderwijs te doen geven gevoelen als een last, waarvan zij zoo gemakkelijk mogelijk ontslagen wenschen te worden.

Slechts in weinige gevallen ziet men gemeentebesturen dat onderwijs organiseeren zóó dat het vruchten kan dragen en daarvoor zich geldelijke opofferingen van eenige beteekenis getroosten, de meeste zoeken zich met opoffering van zoo ■weinig mogelijk geld er af te maken al is dat weinige geld dan ook eenvoudig weggesmeten.

Hoe dikwijls toch komt het voor, dat gemeentebesturen voor het herhalingsonderwijs niet eens een afzonderlijke belooning uittrekken. Na zijn gewone dagtaak zal dan de onderwijzer voor dit onderwijs, dat veel inspanning eischt, als men eenige gevolgen van het werk wil zien, zijn moeite moeten doen zonder afzonderlijke belooning. Kan er dan van de onderwijzers wel veel belangstelling geeischt worden?

In sommige gemeenten, waar het geven van herhalingsonderwijs verplichtend is voor de onderwijzers en daarvoor geene vergoeding wordt gegeven, geeft het geheele personeel der school achtereenvolgens les aan dezelfde klasse, zoodat de leerlingen den eenen dag den eenen onderwijzer, den anderen dag weer den anderen voor oogen krijgen. Kan dat onderwijs nu iets opleveren ?

En gedurende welken tijd wordt het herhalingsonderwijs geregeld gevolgd? Meestal niet meer dan een paar wintermaanden, dikwijls niet langer dan van November tot Februari, den anderen tijd van het jaar wordt aan ontwikkeling en vermeerdering-van kennis niet gedacht.

Een doortastende hervorming van het herhalingsonderwijs is dringend noodig.

In de eerste plaats leerplicht.

Reeds leerplicht voor het gewone lager schoolonderwijs zal gunstig op de herhalingsschool terugwerken daar de ontwikkelingsgraad van de jongelieden meer gelijk zal zijn op den leeftijd, waarop zij de herhalingsschool bezoeken. Evenwel, voert men ook leerplicht niet in voor deze laatste, dan zal men steeds goede resultaten moeten missen door de voortdurende verzuimen, die hier inzonderheid aanzienlijk zullen zijn.

-ocr page 50-

42

Wel zal dit iets beter worden wanneer men dit onderwijs een eenigszins ander karakter geeft, waardoor het voor de praktijk meer waarde krijgt, en dus allicht meer op prijs zal worden gesteld, zoowel door patroons en ouders als door de leerlingen zelf, maar leerplicht alleen kan maken, dat op den leeftijd, dien de jongelieden in de school behooren door te brengen, de onverschilligen het werk ook voor de anderen niet bederven.

In naburige landen bestaat die verplichting voor den bedoelden leeftijd reeds lang en met een gunstig gevolg.

De verjilichting tot het volgen van herhalingsonderwijs en het geregeld bezoeken der scholen, zal moeten aanvangen onmid-delijk na het vertrek van de gewone lagere school op 12 a 13 jarigen leeftijd en o. i. drie achtereenvolgende jaren duren.

Voor de ijverigen kan in dien tijd een goed ingericht onderwijs veel bijbrengen tot hunne algemeone voorbereiding, voor do minder vlijtigen zal men althans veel beter resultaten krijgen dan thans.

Zal men het bedoelde onderwijs over het geheele land goed ingericht hebben dan behoort het ook in de wet eene betere regeling te krijgen. Hierbij zal gebroken moeten worden met de tegenwoordige voorstelling van eene herhaling van het vroeger genoten onderricht. Waar dit laatste ten doel heeft gehad alge-meene ontwikkeling te geven, is elk volgend onderwijs in zekeren zin altijd herhaling van het vroegere. Bedoelt men evenwel dat het onderwijs hoofdzakelijk zich moet bepalen tot het vastleggen van de kundigheden, op de gewone lagere school verkregen, dan miskent men geheel de eischen, die aan deze en tegelijk die aan de praktijk gesteld moeten worden.

Het herhalingsonderwijs moet algemeene voorbereiding geven voor de praktijk. Dit komt overeen met de eischen van den leeftijd en de behoeften van de jongelieden, die het moeten ontvangen.

Het moet voortgezet onderwijs zijn, waarbij leervakken voorop gesteld worden, die van belang zijn voor de uitoefening van de onderscheidene beroepen, die de jongelieden voor het mee-rendeel reeds hebben gekozen.

Het moet aanvullend onderwijs zijn, nuttige kundigheden bijbrengend, die des daags in het bedrijf niet geleerd kunnen worden.

-ocr page 51-

43

Dat onderwijs is voor het meer bijzonder vakschoolonderwijs zoowel als voor de vakopleiding in liet bedrijf, van groot gewicht en het is laakbare schrielheid wanneer gemeentebesturen niet alle pogingen in het werk stellen het goed interichten.

Wat de inrichting van de school betreft, zal ook bij leerplichtigheid, de ontwikkelingsgraad der jongelieden, die dit voortgezet onderwijs zullen volgen, nog ongelijk zijn. Het is daarom gewenscht dat aan het eigenlijke voortgezet avondonderwijs een voorbereidende cursus verbonden wordt voor die leerlingen, die niet op de hoogte staan van met vrucht genoten gewoon lager onderwijs, hetzij zij om verschillende redenen niet regelmatig onderwijs hebben genoten of achterlijk zijn door andere oorzaken.

Voor sommige burgeravondscholen heeft men thans reeds zulk een voorbereidende klasse ingericht.

In den voorbereidenden cursus zal men de jongelieden plaatsen, die de lagere school niet geheel hebben doorloopen. Onder werking van leerplicht zal hun aantal zeker afnemen, ofschoon niet geheel verdwijnen, thans bestaat de meerderheid van de kinderen, die zich voor het herhalingsonderwijs aangeven, in vele plaatsen juist uit deze gebrekkig onderwezenen.

Slechts zij, die den voorbereidenden cursus met goed gevolg hebben bezocht en voldoende kennis en ontwikkeling hebben verkregen, moeten met degenen, die liet gewoon lager onderwijs tot het eind met vrucht hebben genoten, geplaatst worden op de inrichting van voortgezet lager avondonderwijs. Het onderwijs moet, wat karakter en leervakken betreft, overeenkomen met het voortgezet dagonderwijs.

Rekening zal gehouden worden met de eischen der omgeving, zoodat ook in deze scholen het onderwijs een ander is in landbouwstreken dan waar nijverheid of handel hoofdbronnen van bestaan zijn.

Op sommige plaatsen is door de commissie voor onderwijs belangen, samengesteld door de Maatschappij tot Nut van \'t Algemeen en de vereeniging Volksonderwijs, reeds in dien zin gewerkt. Dat streven moet algemeen worden.

Welke leervakken onderwezen moeten worden, dient af te hangen van de plaatselijke omstandigheden. In landbouwstreken zal weer de kennis der natuur een hoofdzaak moeten zijn als

-ocr page 52-

44

voorbereiding voor het bedrijf dat zeer velen zullen uitoefenen. Indien dit vak door een onderwijzer met acte landbouwkunde, zooals er reeds velen zijn, wordt onderwezen, zal men reeds verschillende toepassingen kunnen bespreken voor het landbouwbedrijf. Zonder dus speciaal een gedeelte van het landbouw-vakonderwijs in aaneengesloten lessen te behandelen, wordt op deze wijze veel nuttige kennis opgedaan, die dagelijks in de omgeving door waarneming kan worden bevestigd.

Ook het rekenen moet geheel onderwezen worden met het oog op de praktijk, terwijl het teekenen in deze scholen ten platten lande wel niet op den voorgrond dient te komen maar toch niet geheel verwaarloosd mag worden. Lezen en taal zullen eveneens in dat onderwijs een plaats moeten innemen naast hoofdzaken van aardrijkskunde en geschiedenis. Deze laatste vooral met het oog op het begrip van onze tegenwoordige staatsregeling.

In steden zal men meer verscheidenheid in scholen kunnen hebben en verdient het aanbeveling buiten een kern van verplicht onderwijs gelegenheid te geven tot het leeren van de beginselen van verschillende vakken, speciaal vreemde talen In later te bespreken inrichtingen zou deze studie dan voortgezet kunnen worden. Evenwel ook voor dit lager avondonderwijs is het hoofdzaak een degelijk maar niet al te uitgebreid onderwijs te geven. Veel vakken te onderwijzen moet niet het doel zijn, wel eenige weinige van algemeen nut en deze degelijk.

In het bijzonder zal ook hier lezen en taal, praktisch rekenen en teekenen benevens natuurkennis in den zin van natuur- en werktuigkunde onderwezen moeten worden naast hoofdzaken van aardrijkskunde en geschiedenis. Zal dit onderwijs evenwel vruchten dragen dan moet voorgoed gebroken worden met de gewoonte op vele plaatsen om slechts eenige maanden onderwijs te doen geven. Van September tot Mei gedurende vijf dagen in de week, eiken avond 2 uur, zullen de jongelieden, die geen ander onderwijs volgen, deze scholen moeten bezoeken.

Slechts dan kan men verzekerd zijn op vijftien-, zestienjarigen leeftijd overal jongelieden te hebben, die zich kunnen redden in de maatschappij en nuttige kennis hebben verkregen, welke in de verschillende bedrijven toejjassing vindt.

Het eigenlijke vakonderwijs behoort voor de jongelieden, die

-ocr page 53-

45

deze algemeene voorbereiding genieten op dit onderwijs te volgen, daarvoor behooren, zooveel mogelijk in verschillende streken van het land inrichtingen te verrijzen, waar aan jonge personen van minstens 15 jaar vakonderwijs wordt gegeven.

Indien de herhalingsschool gereorganiseerd wordt als bovenbedoeld zal zij voor vele betrekkingen een goede algemeene voorbereiding geven. De vraag rijst of het noodig is op een leeftijd, waarvan hier sprake is nog een ander avondonderwijs te geven voor dengene, die als ambachtsman dan wel als kantoorbediende of winkelier zal optreden.

Naar onze meening moet met het eigenlijke vakonderwijs begonnen worden, voor degenen, die reeds na het verlaten der der gewone lagere school in bedrijven werkzaam zijn, op een hoogeren leeftijd, wanneer nl. de algemeene voorbereiding bij het voortgezet avondonderwijs achter den rug is. De ervaring leert het meermalen, dat jongelieden van rijperen leeftijd voor dat eigenlijke vakonderwijs meer vatbaar zijn, vooral ook omdat de praktijk van hun bedrijf dan zoovele aanknoopingspunten geeft voor bespreking der theorie.

Men haaste zich toch, wat den leeftijd betreft, met het speciale vakonderwijs niet te zeer, in vele bedrijven zal blijken dat van dit onderricht op later en leeftijd veel meer partij getrokken wordt.

Heeft men de gelegenheid om de praktijk in het bedrijf te vervangen van den aanvang reeds door een school, die de praktijk dadelijk methodisch met theoretische oefeningen verbindt, dan is dit natuurlijk aan te bevelen en te verkiezen, maar in hoe weinige gevallen bestaat daartoe de mogelijkheid. Is deze er niet, men vuile de ervaring in het bedrijf eerst aan met de algemeene voorbereiding, die met het oog op de praktijk in het algemeen wordt gegeven, en later met opzettelijk voor het gekozen vak geschikte speciale theoretische vakkennis. Vandaar komt het ons voor dat het bedoelde onderwijs aan de gereorganiseerde herhalingsschool evenzeer moet vervangen het tegenwoordige van de burgeravondschool. Ook op het Nationaal Congres is als een der conclusies uitgesproken de wensch dat het burgeravondschoolonderwijs gereorganiseerd zou worden om beter geschikt te zijn als voorbereiding voor de ambachtslieden.

-ocr page 54-

46

Uit het verhandelde kan men afleiden, wat ook de verslagen van het onderwijs steeds meer aan het licht brengen, dat n.1. over het geheel het onderwijs aan de burgeravondscholen nog te veel omvattend is, nog meer inkrimping en vereenvoudiging van de leerstof gewenscht is.

Komt men dan niet geheel in het kader van de inrichtingen als door ons geschetst ?

Bestaat er dan nog eenig kenmerkend verschil tusschen de burgeravondschool, die men wenscht en het voortgezet lager avondonderwijs, dat reeds in enkele plaatsen ook algemeene voorbereiding geeft en waarvan men deze dienst in steeds meerdere mate gaat verlangen? Men kan nu wel de burgeravondschool gaan vervormen in een vakschool, waar men na een enkel jaar van algemeene voorbereiding dadelijk voor afzonderlijke beroepen, afzonderlijk onderwijs geeft. Er wordt dan evenwel voor-uitgeloopen op een zeer gewenschte inrichting, maar die op lateren leeftijd moet bezocht worden J).

Ook gaat het niet aan een onderscheid tusschen burgeravond-schoolonderwijs als middelbaar en herhalings of voortgezet onderwijs als lager, te definieeren als algemeen voorbereidend in het eerste en algemeen ontwikkelend onderwijs in het laatste geval. De leeftijd en bestemming van de jongelieden bepaalt het karakter van het onderwijs en waar die in beide gevallen dezelfde is , zal men de daartoe strekkende inrichtingen niet meer kunnen doen verschillen.

In plaats dus van de burgeravondschool en de herhalingschool één enkele inrichting van voortgezet lager onderwijs, waar met uitzondering van eenige maanden steeds onderwijs gegeven wordt in betrekkelijk weinige vakken, die verplicht zijn en

1) Vgl. lt;le voorstellen dienaangaande van Dr. II. A. J. Meijer in «Ie verslagen van liet Nationaal Congres omtrent het vakonderwijs enz. De heer Meijer wil een avondschool van 3 uren per dag, gedurende 5 dagen per week.

Voor het eerste leerjaar wordt voorgesteld:

Rekenen \'2, Meetkunde 2, Natuur- en Werktuigkunde 1, Nederlandseh 3, Hand-teekenen 5 en Lijnteekenen 2 uur. In volgende jaren splitsen zich de bezoekers in schilders, timmerlieden enz. en ontvangen dien overeenkomstig verschillend onderwijs.

Wil men zoo lange avondlessen geven dan is het zeker noodig een ruim gedeelte van den tijd aan een weinig inspannend vak als teekeuen te wijden.

-ocr page 55-

47

andere welke facultatief gesteld worden. Deze vakken worden uitgekozen en onderwezen geheel met het oog op de eischen der omgeving, zonder nog tot eigenlijk vakonderwijs te komen.

Wat hierbij noodig is en toch te dikwijls verwaarloosd, is groote opgewektheid van den onderwijzer en groote aanschouwelijkheid bij het onderwijs. Vooral bij die jongelieden, die des daags drukke werkzaamheden hebben gehad, kan men geen hooge eischen stellen aan opmerkzaamheid, nog minder aai; ernstige geestesinspanning.

Men moge daarom wat meer voor oogen houden de voordeelen in de laatste jaren bij het onderwijs in avondcursussen zoowel in Frankrijk als Engeland verkregen van voorstellingen met groote platen, lichtbeelden enz.

Zoo zocht b.v. de Recreation Eveningschool-association steeds op deze wijze het onderwijs zoo aangenaam mogelijk te maken zoodat de lust voor onderzoek en studie wordt opgewekt. Tot dusver met zeer goede resultaten. Al kan men ook door leerplicht de jongelieden in de school krijgen men vergete toch nooit het onderwijs zóó aantrekkelijk te maken dat het voor de leerlingen een aangenaam uurtje wordt. Zonder groote onkosten kan dat zeer goed geschieden, wat althans de leermiddelen betreft.

Blijft evenwel dit voortgezet avondonderwijs de verschoppeling zooals thans, willen gemeentebesturen niet behoorlijk geld voor dezen arbeid ten koste leggen, dan is het te vreezen dat de vrucht van het lager onderwijs niet tot rijpheid komt.

Juist de jaren gedurende welke dit onderwijs genoten wordt, zijn voor de vorming van den jongen mensch gewichtig.

Het is zonder twijfel gewenscht dat ook meisjes algemeen aan deze cursussen deelnemen. In verband met hare bestemming zal het geraden zijn aan een bepaalde kern van gemeenschappelijk onderwijs, speciale cursussen b.v. voor handwerken, en huishoudkunde in algemeenen zin te laten aansluiten.

Op deze wijze kan langs een regelmatigen weg, beginnende met het eenvoudigste voorbereidend onderwijs, voortgezet door het algemeen opvoedend en ontwikkelend onderwijs der gewone lagere school en bekroond met het voortgezet lager dag- of

-ocr page 56-

48

avondonderwijs een geheel gekregen worden van flinke ontwikkeling en degelijke, maar eenvoudige kennis.

Voor een bepaald vak is niemand bij het verlaten der inrichting gereed, ook diegenen , die reeds in een bedrijf werkzaam zijn en de laatste drie jaren het avondonderwijs hebben gevolgd, moeten nog veel van hun vak leeren voor zij den meestergraad verdienen.

Met dit geheel van lager onderwijs kan de praktijk het nog niet doen.

Tal van inrichtingen behooren er te zijn, waar de ontbrekende vakkennis wordt aangevuld. Maar ook degenen, die niet in de gelegenheid zijn deze inrichtingen te bezoeken zullen in een lager schoolwezen, op deze wijze ingericht, veel nuttige kennis hebben opgedaan juist in den tijd of kort voor den tijd, wanneer zij die kennis moeten toepassen terwijl hun geest en gemoed is gevormd in de kinderjaren toen van ernstigen arbeid nog geen sprake was of althans mocht zijn. Van het vervloeien der kennis, zal een dergelijk voortschrijdend onderwijs de schadelijke gevolgen doen voorkomen.

-ocr page 57-

HOOFDSTUK IV.

Vakonderwijs in \'t algemeen.

Men kan nog zoozeer overtuigd zijn van de noodzakelijkheid dat verbeteringen in ons lager onderwijs worden aangebracht, moeilijk kan men den grooten vooruitgang in de laatste halve eeuw op dat gebied ontkennen. Men moge het algemeen opvoedend en ontwikkelend karakter in de gewone lagere school en de algemeene voorbereiding in het voortgezet lager onderwijs meer tot hun recht willen doen komen, het is buiten twijfel dat de jongelieden bij den aanvang van hunne vakstudie beter zijn onderwezen dan vroeger.

Van waar dan tegenwoordig de vele klachten over achteruitgang in de uitoefening van onderscheidene bedrijven?

Een deel van die klachten mag men brengen op rekening van de tegenwoordig heerschende neiging om het verre verleden en zijne instellingen op te hemelen, ten einde het geslacht dat ons is voorgegaan verwijtingen te kunnen doen over al hetgeen het in blind doctrinarisme heeft bedorven. Men schijnt te meenen, dat de vakopleiding in vroegere eeuwen toch eens recht goed was. Men let op de schoone producten van het handwerk dier dagen, maar het middelmatige en slechte ziet men niet, evenmin als onze nakomelingen over een paar eeuwen van hetgeen in onzen arbeid gebrekkig is veel zullen bespeuren.

Het goede toch overleeft van zelf. Het zou een groote dwaling-zijn te meenen dat in vroegere tijden over het geheel genomen ieder man zijn vak in den grond kende. Integendeel gerust kan men volhouden dat over het geheel de voorbereiding voor de

verschillende bedrijven en de vakkennis thans beter is. Telkens

Ui\'. I). uus, Onze Vol knop Iciiliny. 4

-ocr page 58-

50

spreekt men van deze eeuw van machines en uitvindingen en terecht. Het aantal uitvindingen, zoo wel die eene omwenteling-brengen in takken van nijverheid, zelfs in ons geheel maatschappelijk leven, als die tallooze, die besparingen, gemakken, kleine verbeteringen geven, is ontzaglijk groot en neemt dagelijks toe. Komen die vindingen er van zelf?

Zelden heeft zich de menschelijke geest ontplooid zooals in deze veelgesmade, ook vroeger veelgeprezen negentiende eeuw. In elk bedrijf ondervindt men de gevolgen en ziet de voordeelen; zou men dan niet moeten denken aan een veel betere voorbereiding voor de taak dan vroeger ?

Maar de menschelijke geest heeft zich niet overal even sterk ontplooid. Er zijn tal van scherpzinnige, vlugbevattende naturen en inzonderheid krachtige karakters met vasten wil geweest, die wetenschap en kennis het meest en het eerst hebben weten toe te passen en het meeste voordeel wisten te trekken van allerlei vinding, niet alleen op het gebied van werktuigkunde maar van het geheele maatschappelijk verkeer. Zij zijn het hoofdzakelijk, die in deze eeuw tot groote macht en nog meer tot grooten rijkdom zijn gekomen. De ongelijkheid van kennis heeft ongelijkheid van macht gebaard.

Niets bevordert de gelijkheid tusschen de burgers van den staat meer, dan de algemeene verspreiding van goed onderwijs. Bij de erkenning van belangrijken vooruitgang ook op dat gebied, behoeft men geenszins het oog te sluiten voor het vele, dat nog ontbreekt, voor de talrijke fouten, welke onze tegenwoordige opleidingswijze voor de verschillende beroepen nog aankleven en die noodzakelijk verbeterd moeten worden. En dat zoowel uit een sociaal als nationaal oogpunt.

Ten slotte toch zal de waardeering der menschen grooten-deels afhangen van de wijze, waarop ieder zijn gedeelte van den maatschaj)pelijken arbeid verricht, en van de beteekenis van dien arbeid.

Hoe veel gunstiger moet daar de verhouding der menschen in de maatschappelijke samenleving worden waar allen zoo goed mogelijk voor hun arbeid zijn voorbereid en dien dus ook zoo goed mogelijk verrichten.

Uit een sociaal oogpunt ook om de rijkere vruchten die de

-ocr page 59-

51

beter verrichte arbeid afwerpt, de hoogere welstand die bereikt, de grootere welvaart, die algemeen verkregen wordt.

Elke verbetering in de productie brengt voordeden in veel ruimeren kring dan die der producenten.

Vermeerdering van de vaardigheid der geheele bevolkingstaat gelijk met het vinden van nieuwe schatten in den bodem.

De toeneming van de bestaansmiddelen bij een volk hangi voor een groot deel af van de ontwikkeling.

Zeer ter overweging waard zijn nog altijd de woorden van Mr. W. C. Mees1), waar deze schrijver ten aanzien van de bestaanmiddelen zegt: dat deze in eenig land, geen volstrekt en onvoorwaardelijk begrensd bedrag uitmaken.

„Zij zijn integendeel zeer veranderlijk, door hunne afhankelijkheid, zoo van de veranderlijke uitwendige omstandigheden, als vooral van de trap van ontwikkeling der inwoners. En deze laatste is ook in het beschaafdste land nog altijd voor veel vooruitgang vatbaar.

Er is wellicht geen land, hoe dicht bevolkt ook, waar niet, bij meerdere ontwikkeling zijner inwoners, een nog veel grooter zielental, dan thans aldaar een gebrekkig onderhoud vindt, in goeden welvaartstoestand zou kunnen leven.

In een volstrekten zin kan men dus wellicht nergens van bestaande overbevolking spreken. En al ware het mogelijk — iets dat zeer twijfelachtig mag genoemd worden — om opzettelijke maatregelen ter beteugeling der toeneming van bevolking te nemen, zonder daardoor in andere opzichten grooter kwaad te stichten, dan hetgeen men zou wenschen te bestrijden; zoodanige maatregelen zouden onnoodig zijn, indien het slechts mocht gelukken, de algemeene verstandelijke en zedelijke ontwikkeling vooruit te brengen.quot; En de bekende Engelsche Staathuishoudkundige Marshall verwacht van geen enkele verandering-zulk een snelle toeneming van stoffelijke welvaart als van een verbetering van de scholen2).

Al hebben deze opmerkingen vooral betrekking op de alge-

) Mr. W. C. Mees, Overzicht van eenige hoofdstukken der Staathuishoudkunde pag. 223.

) Alfred Marshall, Principles of Economics 3e ed. pag. 205.

4*

-ocr page 60-

52

meene ontwikkeling en voorbereiding, die o. a. verkregen wordt in de scholen, welke wij in de voorafgaande hoofdstukken bespraken , toch gelden zij voor een niet gering gedeelte evenzeer van het vakonderwijs, dat de bekroning van het algemeen voorbereidend onderwijs moet vormen. Zelfs verbeterde voorbereiding voor enkele bedrijven, bevordert reeds de algemeene welvaart.

Hoevele steden hebben eertijds roem en rijkdommen verworven door de technische vaardigheid van een gedeelte harer bewoners.

Hoezeer is de rijkdom van belangrijke volkeren ook thans nog nauw verbonden aan de technische vaardigheid van verschillende klassen. Evenals het voorkomen van waardevolle delfstoffen in een gedeelte van den bodem het geheele land in meerdere of mindere mate ten goede komt, evenzeer is dat het geval met de aanwezigheid van groote vaardigheid en bekwaamheid bij een gedeelte der bevolking.

Maar dringend noodzakelijk wordt die betere voorbereiding, gezien uit een oogpunt van volks, van nationaal belang. Immers alle volken dingen mede in den reusachtigen strijd dezer dagen, waarbij het soms nog meer schijnt te gaan om den ondergang van den tegenstander dan eigen voordeel. De regeeringen vuren overal de nijvere burgers aan, steunen en helpen hen, doen hun intelligentie ontwikkelen, zoeken allerlei voordeelen te behalen. In dezen strijd der natiën na te laten alle krachten in te spannen, beteekent ondergang.

Teren op ouden roem en vervlogen grootheid is nooit van minder nut geweest dan nu. Er moet gearbeid worden met alle krachten, het volk dat het best den arbeid verricht, overwint.

Mag men van verbetering van het gewoon lager, zoowel als het voortgezet dag- en avondonderwijs voor de uitoefening van de verschillende bedrijven ongetwijfeld veel goeds kunnen verwachten, bijzondere vakopleiding, waarbij theorie en praktijk elkaar aanvullen, is noodig om te komen tot steeds betere vakkennis.

Om ieder vak, ieder bedrijf, rangschikt zich een kring van kundigheden, welke als het ware de theorie van het bedrijf bevatten. Wij hebben hier te doen met toepassingen van zeer

-ocr page 61-

53

verschillende wetenschappen, een geheel van kennis gevormd uit zeer verschillende bestanddeelen, alleen daarin overeenkomende, dat ze van beteekenis zijn voor het bedoelde vak.

Waar in het algemeen ontwikkelend en voorbereidend onderwijs het gemeenschappelijke gezocht wordt in de eigenschappen van vele stoffen, zoekt men bij het vakonderwijs de gevolgen van die eigenschappen voor een bepaalde stof; bij het eerste: afleiding van krachten en werkingen uit de veelheid der verschijnselen , bij het laatste: onderzoek van de gevolgen dier krachten op een enkel bedrijf. Ook de jarenlange ervaring, de geschiedenis van het bedrijf, geeft een geheel van overgeleverde kennis, die onderwerp uitmaakt van bespreking en onderzoek.

Waar praktijk en theorie gepaard gaan, komt de grootste krachtsontwikkeling in elk vak voor den dag, waar de samenhang ontbreekt kwijnt de uitoefening van het bedrijf.

Het groote voordeel van een grondige kennis der theorie van elk vak is dat gemakkelijk verband wordt gelegd tusschen verschillende waarnemingen en kundigheden. De theorie eerst maakt de kennis van elk vak tot een geheel.

Welke schat van ervaringen is b.v. in den loop der jaren niet in het landbouwbedrijf, in zijn ruimsten omvang, opgedaan? lloevele bewerkingen waren niet in zwang gekomen omdat men bij ondervinding de gunstige gevolgen had leeren kennen ?

Maar al die ervaringen staan op zich zelve, totdat de landbouwwetenschap ontstaat, de theorie, die verband brengt tusschen de verschillende ervaringen en de algemeen bekende natuurkrachten of, zooals men gewoonlijk zegt, het hoe en waarom deed kennen.

Wie zal thans nog ontkennen, dat een grondige kennis der landbouwkunde een machtige factor is voor de vermeerdering der productie, vooral daarom, wijl zij de ervaringen van eiken dag beter weet in overeenstemming te brengen en te begrijpen en er de beste vruchten van te trekken. Evenzoo gaat het in den handel en de industrie.

Maar niet alleen dat de theoretische kennis van een bedrijf in zijn geheel genomen, de uitoefening der praktijk vruchtbaarder maakt, ook bij verandering der bestaansvoorwaarden is de degelijke kenner van het vak in de beste conditie.

-ocr page 62-

54

O

Voortdurend hebben veranderingen in de prriductie plaats, waardoor eenerzijds voordeelen, elders verliezen ontstaan.

De bakens moeten dan verzet worden, maar hoe langzaam gaat dat gewoonlijk.

De oorzaak daarvan is te weinig lenigheid van geest bij de groote meerderheid der producenten. Men is gewoon aan bepaalde cultures, aan een bepaalden handel, aan het vervaardigen van bepaalde goederen, en als de omstandigheden voor deze bedrijven ongunstig worden, mist men het vermogen om zijn bedrijf tijdig te wijzigen.

Do reden daarvan ligt gewoonlijk in te beperkte kennis.

Men heeft slechts één onderdeel geleerd, dikwijls door ervaring, en geen flauw besef van zeer aangrenzende vakken.

Daarentegen zal iemand, die een breeder vakkennis heeft, zich spoediger in een aangrenzend vak gemakkelijk bewegen.

Dit is een zeer belangrijk voordeel van deugdelijke vakopleiding dat gewoonlijk niet genoeg wordt gewaardeerd i).

Het ligt voor de hand, dat waar bij de uitoefening van elk vak, steeds theorie en praktijk elkander moeten steunen, dit ook bij de voorbereiding reeds het geval moet zijn. Wordt van den aanvang de praktijk van het vak te gelijk geleerd met de wetenschap, die de handelingen der praktijk in hun juisten samenhang doet kennen en de redenen geeft waarom zóó en niet anders wordt gehandeld, dan gewent zich de jeugdige beoefenaar van het vak aan de beste wijze om later het beroep uit te oefenen.

Het meest gewenscht zou het wel zijn dat ieder bij het leeren van een beroep in de leer ging bij een patroon, die de zaak volkomen, èn wat theorie èn wat praktijk betreft, meester is. Wordt hij daar niet, zooals thans veelal geschiedt, eenvoudig als werkkracht beschouwd en dikwijls slechts nog alleen voor een beperkt onderdeel, maar stelt de patroon zich ten doel het jonge mensch theoretisch en praktisch te vormen, dan is zeker het ideaal van opleiding verkregen.

Zeer terecht zegt Marshall: Just as a good cricketer soon learns to play tennis well, so a skilled artisan can often move into other trades without any great and lasting loss of efficiency.

-ocr page 63-

55

Maar waar een patroon te vinden, die aan de gestelde eischen voldoet ?

Hoe weinigen zullen er zijn, die in hun bedrijf de noodige theoretische kennis, gesteld, zij hebben ze bezeten, kunnen aanvullen naar den eisch en de vorderingen van den tijd?

Waar vindt men de patroons, die bij hun arbeid, noodig om zich te handhaven in hun vak, lust en tijd hebben zich in \'t bijzonder toe te leggen op de vorming der leerlingen, na te denken over de beste volgorde der oefeningen zoowel van prak-tischen als theoretischen aard.

Het is licht in te zien, dat dit bijna nergens te verkrijgen is en bij de tegenwoordige ontwikkeling van landbouw, handel en nijverheid hoe langer hoe minder. Welke pogingen men in het werk zal willen stellen, des noods door wettelijken dwang, de stroom der economische ontwikkeling is niet te keeren, en deze leidt niet tot vereeniging van de eigenschappen van den paedagoog en den nijvere in één persoon. Steeds meer zal de ondernemer, in welk bedrijf ook , de bijzondere eigenschappen moeten ontwikkelen , noodig om zelf in de maatschappij te slagen en onder die eigenschappen behoort niet het opleiden van jongelieden tot kundige, theoretisch en praktisch ontwikkelde beoefenaren van zijn vak.

Men zal dan meestal een anderen weg zoeken en de hulp inroepen van personen, die zich in \'t bijzonder tot die opleiding geroepen achten. Men krijgt dan bedrijven, die door subsidies van staat, gemeente of particulieren gesteund worden, en waarvan de ondernemer zich verbindt jongelieden praktische en theoretische vorming te geven. Vooral ten opzichte van de voorbereiding voor den landbouw heeft men deze handelwijze in verschillende landen in praktijk gebracht, met dikwijls zeer matig succes. Het bleek toch vaak dat öf het onderwijs van de leerlingen, öf de exploitatie der onderneming de dupe werd, soms beide i).

1) Van dieu aard zijn b.v. in Frankrijk de Fermes-éeoles, een landbouwbedrijf, waar de werkzaamheden worden verricht door leerlingen, die daarvoor belooning ontvangen, onder toezicht en leiding van een bekwamen directeur. Deze ontvangt rijks-subsidie voor eiken leerling en een salaris van staatswege. Hij exploiteert de

-ocr page 64-

56

In den loop dor jaren blijkt het dan ook meermalen, dat dergelijke ondernemingen hoe langer hoe meer de praktische opleiding van de jongelieden alleen beoogen en de theorie overlaten aan andere instellingen als aanvulling, of wel, dat zij somstijds hervormd worden tot inrichtingen waar het karakter van school geheel op den voorgrond en van exploitatie geheel op den achtergrond komt. Men bootst dan zoo veel mogelijk den werkelijken gang van het bedrijf in de praktijk na ten einde de jongelieden daarmede vertrouwd te maken, maar zorgt ondertusschen voor degelijke theoretische aanvulling van dat praktisch onderwijs.

Èn op het gebied van landbouw èn dat van handels of indu-striëel onderwijs zijn dergelijke instellingen in alle landen in toenemend aantal verrezen. Praktijk en theorie steunen ook hier elkander dagelijks, maar het bezwaar blijft, dat men zich niet bevindt in het werkelijke praktische leven maar in de schoolpraktijk.

In de school loopt alles van een leien dakje, goede werkmanier te krijgen is de hoofdzaak, kom ik er van daag niet, dan kom ik er zeker morgen. Het goede voorbeeld doet veel, maar het moeten in de praktijk nog meer.

Dat is niet te vermijden en waar jongelieden, die dergelijke vakscholen hebben bezocht, waar theorie en praktijk hand aan hand gaan, in de praktijk van het bedrijfsleven, dadelijk meenen gelijk te staan met hen, die daarin groot geworden zijn, maken zij soms een pover figuur en vervreemden praktische ondernemers wel eens van zich en zelfs van hunne opleidingswijze. Men ziet dan tegenover de alsvoren gevormde jongelieden andere

hoeve voor eigen risico, en geeft de leerlingen ook eenvoudige theoretische lessen en onderwijs in administratie.

Het rapport van de landbouwcoinmissie deelt op pag. 7(1 mede, dat de resultaten van deze inrichtingen geroemd worden. Opmerkelijk is het dat de Directeuren hoo-gere toelagen noodig achten zoodat de rentabiliteit der ondernemingen te wenschen schijnt over te laten.

De oude Ackerhauschulen in verschillende staten van Duitschland, die op den zelfden grondslag berusten, verdwijnen meer en meer juist om het moeilijk te vereenigen belang van het onderwijs en van den eigenaar der onderneming. Vgl. rapport pg. 82.

-ocr page 65-

57

stellen, die bij een goeden patroon worden opgeleid, bij mannen, die hart hebben voor hun personeel, en geen gelegenheid laten voorbijgaan van hun kennis mede te deelen en vaardigheid te bevorderen. Niet zelden hoort men dan de conclusie trekken dat een derde opleidingswijze beter is nl. dat de praktijk in de werkplaats, in den algemeensten zin genomen, en de theorie op de school wordt geleerd, zooveel mogelijk elkander aanvullend.

Tusschen de voorstanders van de vakopleiding op de school, waar praktijk en theorie met elkander in verband worden aangeleerd en die van de zoo juist genoemde richting, ontspint zich overal, waar zij elkander maar bestrijden kunnen, een dikwijls vrij scherpe discussie, die allerminst aan de vakopleiding ten goede komt.

Is de treurige geschiedenis van de eens bloeiende landhuishoudkundige school te Groningen, na het tot stand komen der wet op het M. O. niet voor een goed deel te wijten aan de oneenigheid van de deskundigen, waarvan een deel het praktische onderwijs aan de school wilde verbinden, terwijl anderen, en de meest invloedrijken, aan een eventueel op te richten rijkslandbouwschool slechts theoretisch onderwijs wilden!) ?

Ook de discussies op het Nationaal Congres van 1895 tusschen de voor en tegenstanders van ambachtsscholen, en trouwens die op bijna elk congres van vakopleiding in het buitenland, geven blijk van dezelfde groote verdeeldheid op dit punt ook voor andere bedrijven.

Dikwijls ziet men daarbij als argumenten gelden de ervaringen, die enkele personen met jongelieden gehad hebben, die de een of andere opleiding hadden genoten, alsof men daaruit reeds gevolgtrekkingen kan maken ten aanzien van de opleidings wijze. Hoe vaak toch mislukt niet de werking van bet onderwijs door de slecht gevormde leerkrachten, die de bedoelingen van den wetgever niet tot hun recht doen komen.

Wie nu gelijk heeft, zal de ondervinding zelve moeten leeren.

Vermoedelijk zal de ervaring uitwijzen, dat beiderlei inrichtingen in bestaande behoeften voorzien en in plaats van vijandelijk tegenover elkander te staan elkander dikwijls kunnen

!) Vgl. F. B. Löhnis, Landbouw en Regeering pg. 82.

-ocr page 66-

58

steunen. Waar de uitoefening van de bedrijven op een groote hoogte staat, zal men eerder tevreden zijn met uitsluitend theoretisch vakonderwijs, dat de in het bedrijf geleerde praktische kennis aanvult, terwijl in plaatsen en tijden wanneer de uitoefening veel te wenschen overlaat ook onderwijs in de praktijk voel meer op prijs gesteld zal worden en beslist noodig is.

Bij de bespreking van de verschillende onderdeelen van het vakonderwijs zullen wij meermalen gelegenheid hebben hierop de aandacht te vestigen.

Wanneer men nu vergelijkt hetgeen op het gebied der bijzondere vakopleiding moest zijn, met hetgeen thans is, dan valt het onderzoek in ons land bedroevend uit.

Van regeeringswege is slechts in den laatsten tijd iets gedaan en particulieren hebben zich nog betrekkelijk weinig aan deze hoogst belangrijke zaak laten gelegen liggen.

De regeering heeft hare medewerking jaren lang bepaald tot het algemeen voorbereidend onderwijs en de zorg voor bijzondere vakopleiding aan het particulier initiatief overgelaten.

Dit laatste heeft zich slechts onvolkomen en zwak doen bespeuren. Ons volk is eerst zeer ver bij andere ten achteren gekomen, vóór de uiterst slappe veer van het initiatief begon te werken.

En toch, hoe men over het bijzonder initiatief in het algemeen wil oordeelen, bij de voorbereiding voor de verschillende bedrijven kan het niet gemist worden. Juist daar zijn de behoeften oneindig verschillend en steeds veranderend en is minder dan ergens centralisatie voordeelig.

Daar geldt zonder twijfel het woord van Thorbecke, dat de burgerij zelve over veel rijker hulpmiddelen ter bevrediging van de verschillende behoeften kan beschikken dan de staat. Dat neemt evenwel volstrekt niet weg, dat staat, provincie en gemeente zeer belangrijke medewerking kunnen verleenen. Die medewerking is zelfs noodig om het particulier initiatief met kracht naar voren te roepen.

Zelfs zijn er eigenaardige belangrijke gedeelten van de vakopleiding , waar slechts de staat kan helpen, inzonderheid waar liet geldt de voorbereiding van de onderwijzers, die het vakonderwijs hebben te geven.

-ocr page 67-

59

Voor deze vorming is het moeilijk de bijzondere krachten op te roepen.

Ook kan bij achterlijkheid op dit gebied, en die bestaat thans nog in elk deel der vakopleiding, het stichten van een zeker aantal modelinrichtingen aanbevolen worden als steun en leiddraad voor de pogingen van bijzondere personen en instellingen

Bovendien de leiding van het geheel door deskundig toezicht, is een taak van regeering.

Er kome voor het vakonderwijs eene wettelijke regeling maar inzonderheid voor het vaststellen van de regelen, waaronder elke particuliere instelling subsidie kan verkrijgen en tot welk bedrag. Er behoeven slechts de noodige voorzorgen in de wet te worden opgenomen, dat geene gelden roekeloos worden aangevraagd en aangewend. Deze kunnen bestaan in het ver-leenen van Staatswege van een bepaald percentage, bv. 500/o ^der kosten van oprichting, uitbreiding zoowel als van onderhoud der instellingen. Het ontbrekende, aangevuld door provinciën, gemeenten en particulieren is wel zóó aanzienlijk dat men niet voor overdadige weelde behoeft te vreezen.

Maar men legge het vakonderwijs niet te veel aan banden. Onophoudelijk verandert de maatschappij in haar geheele samenstelling, ook de inrichtingen, die onmiddelijk voor die maatschappij voorbereiden, dienen in hun wezen overeenkomstige veranderingen, gemakkelijk en zonder, dikwijls moeilijk te verkrijgen, wetswijzigingen, te ondergaan.

-ocr page 68-

HOOFDSTUK V.

Lager Landbouwonderwijs.

Ten aanzien van het landbouwonderwijs heeft de staatscommissie, in 1886 benoemd, groote verdiensten gehad. Al mogen niet al haar voorstellen verwezenlijkt zijn, tegen enkele zelfs zeer gegronde bedenkingen zijn aan te voeren, haar advies over dit onderwerp van 23 April 1887 en inzonderheid dat van 23 April 1888, zal waarde blijven behouden door de wijze waarop het landbouw-vakonderwijs als een geheel is beschouwd.

De praktische wijze, waarop de commissie te werk ging, was oorzaak dat op het oogenblik, toen de regeering bereid was met kracht het lang verzuimde te herstellen, met ijver in te halen het groot eind weegs, dat andere landen op ons vooruit hadden, geene dwaalwegen meer werden ingeslagen, maar de organisatie zich geleidelijk en toch snel ontwikkelde. Wie aandachtig den groei van ons tegenwoordig landbouwonderwijs gadeslaat, zal moeten erkennen dat krachtig en methodisch wordt vooruit gestreefd. Voor een goed deel is dat te danken aan den grondslag door de commissie gelegd, wier advies, als dat van mannen der praktijk, althans van vele ervaring en kennis op landbouwgebied, zwaar moest wegen.

De crisis, welke in de laatste jaren in den landbouw heeft geheerscht, is bovendien in staat geweest velerlei bezwaren aan den kant te zetten, die anders telkens voor den dag komen.

Van lager landbouwonderwijs1) in den zin als wij dat bedoelen.

M Vgl. over ile geschiedenis van ons landbouwonderwijs liet boven aangehaalde werkje van den heer Löhnis. Jn de Verzameling van adviezen der Landbouw-coiiiniissie komen in de bijlagen tot het tweede advies over het landbouwonderwijs, mededelingen voor aangaande de organisatie in het buitenland.

-ocr page 69-

61

dat nl. het eigenlijk vakonderwijs aansluit bij de lagere school, was tot voor eenige jaren bijna geen sprake. Wel was de landbouwkunde opgenomen onder de vakken van art. 2 der wet op het lager onderwijs maar dat vak werd op de gewone lagere school niet, op de herhalingsschool slechts op enkele plaatsen onderwezen.

Inrichtingen voor theoretisch lager landbouwonderwijs dat de in het bedrijf zelf geleerde praktijk kon aanvullen, bestonden zoo goed als niet en evenmin de leerkrachten, die het zouden kunnen geven. Wel waren onderscheidene onderwijzers in het bezit van eene acte landbouwkunde, maar dat bezit waarborgde geenszins dat in dit vak, naar de nieuwere en hoogere vorderingen van de wetenschap, behoorlijk onderricht kon worden gegeven. Scholen, waar de praktijk van het vak kon geleerd worden door jongelieden, die alleen goed lager onderwijs hadden genoten, bestonden niet.

Het waren juist de pogingen, in het werk gesteld door het Hoofdbestuur van de Friesche maatschappij van Landbouw voor eene zuivelschool en van de Maatschappij van Weldadigheid tot subsidieering door den staat van een boschbouwschool, die in 1887 tot een advies van de Landbouwcommissie leidden om met kracht dit opkomend particulier initiatief te steunen.

Eerst na dien tijd zijn vakscholen, toegankelijk voor jongelieden , die slechts gewoon lager onderwijs hadden genoten, in ruimere mate opgericht.

Voor theoretisch en praktisch onderwijs te zamen was er alleen voldoende gelegenheid voor de hier bedoelde categorie van jongelieden aan de Rijkslandbouwschool te Wageningen, die in 1876 opgericht werd. Deze school bestond uit drie afdee-lingen, nl. eene hoogere burgerschool met driejarigen cursus, eene landbouw afdeeling A, eene landbouw afdeeling B, terwijl aan de laatste nog een cursus was verbonden voorbereidend voor technische ambtenaren bij het boschwezen.

Van deze inrichtingen sloot de afdeeling A, van driejarigen cursus, bij de gewone lagere school aan.

Toch was deze afdeeling geenszins alleen vakschool in dien zin dat praktijk en theorie gezamenlijk en in verband met elkaar werden onderwezen. Ook de beginselen van de wiskunde en der

-ocr page 70-

62

natuurwetenschappen, het Nederlandsch, Hoogduitsch en Fransch, of in plaats van het laatste het Engelsch, de vaderlandsche geschiedenis, de eenvoudigste begrippen van Staatsinrichting en Staathuishoudkunde, het teekenen en de gymnastiek werd er onderwezen.

Het onderwijs was dus van zeer gemengden aard, het algemeen ontwikkelend en het vakonderwijs waren er vereenigd, van een eigenlijk uitsluitend vakonderwijs dus geen sprake.

Over het geheel was het oordeel van de landbouwcommissie over deze inrichting niet zeer gunstig. Men erkende wel het goede dat deze school had verricht, zag toch voor een deel van het voortbestaan niet het noodzakelijke in, wanneer het lager landbouwonderwijs gereorganiseerd werd als door de commissie werd voorgesteld.

Evenwel in de nieuwe organisatie van het landbouwonderwijs is deze inrichting bewaard gebleven.

Welke voorstellen werden nu door de commissie gedaan, hoe zijn ze en voor hoever in praktijk gebracht?

In [de eerste plaats wenscht de commissie reeds in de gewone lagere school kundigheden te zien aangeleerd, die in het landbouwbedrijf te pas komen, althans bij het onderwijs gelet zien op de bestemming der kinderen. Tot dusver is dat niet geschied en wij hopen, dat dit ook in de toekomst niet het geval wordt.

Meer is er aan te voeren voor het denkbeeld om landbouwonderwijs te doen geven bij het tegenwoordige herhalingsonder-wijs, in het algemeen bij het voortgezet lager onder wijs in landbouwstreken. De ervaring is in die plaatsen, waar men geschikte onderwijzers heeft, niet ongunstig, men zou bovendien , vooral wanneer in de toekomst het herhalings (voortgezet) onderwijs verplichtend gesteld werd, de groote massa bereiken.

Toch schijnt ons de invoering van de eigenlijke landbouwkunde ook daar nog niet op haar plaats en dat vooral met het oog op den leeftijd der jongelieden, die deze scholen bezoeken.

Slechts dan zal theoretisch vakonderwijs geheel tot zijn recht komen, wanneer er vele aangrijpingspunten zijn in de ervaring-van de leerlingen, en deze zal op een leeftijd beneden 15 jaar zeker niet aanwezig zijn. Opmerkelijk is het dan ook in de verslagen van de verschillende inrichtingen van landbouw-vak-

-ocr page 71-

63

onderwijs te zien vermeld dat de oudere leerlingen het meeste nut van de lessen trokken. Het groote geldelijk belang, dat voor hen in een goede toepassing van het landbouwbedrijf is gelegen, werkt zeker mede, om op eenigszins rijperen leeftijd de lessen met nog meer belangstelling en inspanning te doen volgen i).

Wenschelijk blijft het evenwel, ja noodig, dat in het voortgezet lageronderwijs op het platte land, de natuurwetenschappen worden onderwezen door onderwijzers, die in het bezit zijn van eene acte landbouwkunde. Deze acte, thans gewoonlijk verkregen nadat een der bestaande cursussen is gevolgd, geeft tegenwoordig betere waarborgen dan vroeger, inzonderheid wanneer de onderwijzers een goede voorbereiding hebben gehad in de natuurkundige vakken.

Dergelijke onderwijzers, die dagelijks in de dorpen leven te midden van de landbouwers en de bijzonderheden van het bedrijf in de omgeving gemakkelijk kunnen waarnemen, zijn de aangewezen personen om het onderwijs in de kennis der natuur bij het voortgezet onderwijs zóó praktisch in te richten dat het voor de landbouwkunde in het algemeen waarde heeft.

Degenen, die dan verder geen onderwijs, ook geen vakonderwijs zullen ontvangen, zullen toch door beter waarnemen van de verschijnselen uit hunne omgeving in het algemeen meer geschikt zijn geworden voor de uitoefening van hun vak. De anderen, die aan het eigenlijke theoretische vakonderwijs zullen deelnemen, hebben door zoodanig natuurkundig onderricht een veel betere voorbereiding verkregen en zullen de theorie van hun vak veel beter begrijpen.

Het is daarom ook zeer aan te bevelen dat voor onderwijzers op het platte land aan het bezit der acte landbouwkunde voor-deelen worden verbonden, hetzij men voor het verkrijgen der acte een premie wil uitloven, hetgeen op den weg der provinciale besturen ligt, of eene bijzondere bezoldiging wil geven aan de onderwijzers die deze acte bezitten, hetgeen op den weg ligt van de gemeentebesturen.

!) Vgl. hierover de verschillende jaargangen van de Verzameling van Verslagen betrekking hebbende op het Landbouwonderwijs enz.

-ocr page 72-

64

Het aantal onderwijzers, in\'het bezit van de acte landbouwkunde, neemt jaarlijks sterk toe, is evenwel nog geenszins in overeenstemming met de sterke behoefte, die er zal bestaan zoodra men ernstig zoowel het herhalingsonder wijs reorganiseert als het vakonderwijs uitbreidt.

Dit laatste wordt nu, voorzoover van theoretischen aard, gegeven in de winter-cursussen, wier oprichting door de land-bouwcommissie ten zeerste is aanbevolen. „Theorie en praktijk,quot; zeide zij terecht, „dienen hand aan hand te gaan. Voor hen, die in hun jeugd eene behoorlijke landbouwkundige opleiding hebben genoten, zal het wenschelijk en nuttig zijn indien zij op de hoogte blijven van hun vak en voor hen, die niet in de gelegenheid waren, geregeld vakonderwijs te ontvangen , zal het eveneens welkom wezen, indien zij voor hun bedrijf nog het een en ander kunnen leeren. In den winter hebben de landbouwers tijd genoeg om eenig onderwijs te genieten.quot;

Nadat in het voorjaar 1888 dit advies gegeven werd, is in 1891 de eerste cursus opgericht en sedert door tal van andere gevolgd. In 1893—94 waren er 25, 1894—95, 34, 1895—9ü, 49, terwijl in den winter 1897—98 reeds aan 67 wintercursussen onderwijs in landbouwkunde zal worden verstrekt.

Het onderwijs is zeer eenvoudig en bevat volgens het „gewijzigd reglement voor een wintercursus in landbouwkundequot;, voor alles de beginselen der natuurwetenschappen, voor zoover die met den landbouw in verband staan: de beginselen der landbouwkunde en der veeteelt, daarbij rekening houdende met den aard der behoeften van het landbouwbedrijf in de omgeving.

De cursus duurt twee jaren, het onderwijs wordt gegeven gedurende zes achtereenvolgende maanden, tusschen 1 October en ultimo April, en wel zóó dat iedere klasse 6 uur onderwijs ontvangt.

De eischen van toelating zijn: eene schriftelijke verklaring van het Hoofd der lagere school, die door den aspirant bezocht is, dat voldoend lager onderwijs genoten is, of anders een met goed gevolg afgelegd toelatings-examen, terwijl geene leerlingen beneden 14 jaren worden toegelaten.

Uit het aangehaalde reglement alsmede uit de model-leerplan-

-ocr page 73-

nen blijkt dat naast het eigenlijke vakonderwijs ook onderwijs wordt verstrekt in hulpwetenschappen van de landbouwkunde.

Dit is volstrekt noodzakelijk waar eene goede voorbereiding op dat punt nog zoo goed als geheel ontbreekt, indien echter een beter ingericht herhalings (voortgezet) onderwijs in deze behoefte voorzag, zou de landbouw-wintercursus kunnen worden uitsluitend theoretisch vakonderricht en uit den aard der zaak dit aan hoogere eischen kunnen voldoen dan nu gesteld mogen worden. Ook zou dan de leeftijd van toelating hooger gesteld kunnen worden tot 15 a 16 jaar. De ervaring, thans reeds bij de wintercursussen opgedaan, wijst op het wenschelijke van eene verhooging van den aanvangs leeftijd, indien die verhooging een gevolg is van voortgezet algemeen voorbereidend onderwijs.

In het belang van den landbouw is het zeer zeker in de toekomst noodig dat dit lager landbouwonderwijs door het geheele land heen, voor alle jonge landbouwers verkrijgbaar is. Thans zijn wij evenwel nog verre van dat ideaal verwijderd en dat wel ten deele door het ontbreken van een voldoend aantal goede leerkrachten.

Op de onderwijzers toch komt het bij het vakonderwijs aan evenzeer als bij het algemeen ontwikkelend en voorbereidend onderwijs. De vakonderwijzer wordt bij zijn onderricht telkens gecontroleerd door de ouders zijner leerlingen, die heel gaarne het voordeel van het onderwijs willen erkennen, wanneer het met hunne ervaringen niet in strijd is, maar zeer spoedig afkeuren, wanneer er te veel schoolsche wijsheid wordt verteld, die geen toepassing vindt in de praktijk.

De vakonderwijzer behoort dus, zal hij succes hebben, naast theoretische ook praktische kennis van het bedrijf te bezitten en dat is slechts in weinige gevallen mogelijk.

Nu wordt thans aan de wintercursussen gewoonlijk onderwijs gegeven door één onderwijzer, die de acte landbouwkunde heeft en een ander, die deze niet bezit. Het spreekt dus van zelf, dat, wil men niet onder het peil van het tegenwoordig onderwijs dalen, het aantal onderwijzers met acte landbouwkunde grooter moet worden.

Maar beter nog zou het zijn, zoo de beide leerkrachten, die

Di\'. igt;. nos, Onze Volksoplcidinr/. ö

-ocr page 74-

66

gewoonlijk aan den wintercursus werken, de acte bezaten en het best wanneer één hunner voor deze werkzaamheid een bijzondere opleiding had genoten.

In de Vragen des Tijds is door Dr. Bruinsma voor korten tijd het denkbeeld ter sprake gebracht om in ons land vijftig districts landbouwonderwijzers aan te stellen, die naast verschillende andere werkzaamheden, ook met de directie en ten deele het onderwijs aan de wintercnrsussen in hun district zouden belast worden en een afzonderlijke opleiding zouden ontvangen.

Indien men rekening houdt met de groote afstanden en de slechte verkeerswegen op het platte land, zal men gemakkelijk inzien dat een aantal van 50 rijks landbouwonderwijzers bij lange niet voldoende zou zijn, wanneer, zooals de heer Bruinsma terecht wil, overal de gelegenheid zal bestaan voor jongelieden boven 16 jaar om lager landbouwonderwijs te ontvangen. Ofschoon later de aanstelling van een groot aantal opzettelijk voor dat doel opgeleide landbouwonderwijzers nuttig zal blijken, zou daardoor o. i. thans eene ongewenschte storing in de zich ontwikkelende organisatie gebracht worden, wanneer men althans ook met de financieële zijde van het vraagstuk der vakopleiding rekening wil houden.

Thans toch moet voorop staan het vestigen van wintercursus-sen, zooals zij thans reeds bestaan en werken, mogelijk te maken. Cursussen in landbouwkunde voor onderwijzers der lagere school moeten daarom in onderscheidene deelen des lands door bevoegde personen gegeven worden ten einde zoo spoedig mogelijk overal in het land geschikt personeel te krijgen. Immers ook de bekendheid van den onderwijzer der lagere school ten platten lande met de leerlingen en hunnen aanleg is een niet gering te schatten voordeel als aan hen het landbouwonderwijs wordt toevertrouwd. Bestaat bij hen kennis van en liefde voor de landbouwwetenschap, dan is de belangstelling voor wintercursussen weldra opgewekt en alom de oprichting mogelijk.

Daarmee evenwel zullen nog wel jaren gemoeid zijn, vooral omdat de rijkslandbouwleeraren, die uit den aard der zaak met deze vorming van onderwijs krachten voor een goed deel zijn belast, in nauwelijks toereikend aantal zijn aangesteld.

-ocr page 75-

67

De landbouw commissie heeft in haar advies in de eerste plaats aangedrongen op het benoemen van deze ambtenaren, ten einde ,,door eene bekwame leiding van deskundigen, het verband tusschen verschillende takken van het landbouwonderwijs gehandhaafd blijve.quot;

In verband ook met verdere werkzaamheden, waarvan later sprake zal zijn, werd door de commissie vooropgesteld: „de landbouwleeraar zal een ontwikkeld man moeten wezen, zoowel theoretisch als practisch in de landbouwkunde bekwaam. Men zal van hem kunnen vorderen, dat hij of het eindexamen van afd. B te Wageningen met goed gevolg hebbe afgelegd, of aan vereischten voldoet, die minstens daaraan gelijkstaan. Daarbij zal hij het bewijs moeten leveren, dat hij de practijk heeft uitgeoefend en daarin voldoende bekwaamheid heeft verkregen.quot;

Het ligt voor de hand, dat de regeering, waar zij deze eischen ook inderdaad stelde, eerst geleidelijk een zeker aantal personen kon vinden van voldoende geschiktheid. Geleidelijk is dan ook het aantal rijkslandbouwleeraren uitgebreid, zoodat thans bijna in elke provincie een is gevestigd.

Deze ambtenaren zijn in de eerste plaats aangewezen om op te treden als directeuren der Rijkslandbouw-winterscholen.

Van deze scholen, wier oprichting eveneens sterk door de landbouw commissie is aanbevolen, verwachtte deze zeer gunstige gevolgen voor de vakkennis van de aankomende landbouwers, meer dan van de vermeerdering van scholen zooals de afdeeling A der rijkslandbouwschool.

In verschillende (thans 6) provinciën zijn successievelijk deze winterscholen gevestigd, het ligt blijkbaar in het plan der regeering in elke provincie eene dergelijke school in het leven te roepen.

Volgens het reglement op de winterscholen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 10 Augustus 1893 no. 16, gewijzigd bij besluit van 21 Oct. 1896 no. 36, is het doel van dit onderwijs, dat in het winterhalfjaar wordt gegeven, om aankomende landbouwers in de gelegenheid te stellen, op weinig kostbare wijze de noodige theoretische kennis van het landbouw bedrijf te verkrijgen. Het onderwijs draagt in hoofdzaak den stempel van vakonderwijs, terwijl rekening zal worden gehouden met de behoeften van de provincie waar de school is gevestigd.

-ocr page 76-

68

Raadpleegt men de programma\'s van de bestaande winter-scholen, dan blijkt inderdaad aan deze laatste voorwaarden te zijn voldaan. Wel is waar wordt in de beide klassen, waarin de winterschool is verdeeld, nog een aanmerkelijk aantal uren gewijd aan meer algemeen voorbereidende vakken als natuurkunde, scheikunde, plantkunde, dierkunde, Nederlandsche taal en rekenen, maar dit is voor een goed deel te wijten aan het ontbreken van voldoend onderricht in onderscheidene dier vakken op het platte land.

Zoo wordt b.v. in het programma der winterschool te Groningen voor 1897/98 daarvoor uitgetrokken in de eerste klasse 13, in de tweede 7 uur van de 25.

Mocht over het geheel de voorbereiding beter worden, dan zouden deze algemeen voorbereidende vakken ook hier allicht inkrimping ondergaan en daardoor de winterschool nog meer dan thans vakschool worden. Voorloopig zal dat evenwel niet mogelijk zijn.

Thans nog moet men zich bij het toelatingsexamen voor de landbouwwinterschool vergenoegen met het eischen van de kennis, die na goed lager onderwijs verkregen wordt, terwijl tevens als vereischte wordt gesteld dat de aanstaande leerling in een opstel blijken geeft dat hij reeds in de praktijk van het bedrijf werkzaam is en daarmede niet meer onbekend zij.

Is het voortgezet onderwijs overal ten platte lande evenwel geregeld als in voorgaande hoofdstukken omschreven, dan zou men de eischen van toelating ook hier vrij wat hooger kunnen stellen. De minimum leeftijd van 16 jaren, welke volgens de laatste bepalingen (kon. besluit 21 Oct. 1896) is vastgesteld, laat voor het bezoek eener school van voortgezet lager onderwijs allen tijd.

Het ligt voor de hand, dat deze winterscholen hoofdzakelijk zullen bezocht worden door zonen van grootere landbouwers, althans jongelieden van eenige gegoedheid. Het onderwijs in de winterscholen zal goed en deugdelijk moeten zijn en vrij hooge eischen zullen er gesteld moeten worden aan gebouwen, leermiddelen enz. Niet waarschijnlijk is het, dat het aantal van deze scholen spoedig zóó groot zal worden, dat de landbouwers er aan kunnen ontkomen hunne zonen een paar jaren gedurende

-ocr page 77-

69

den winter van huis te zenden, wat natuurlijk nog al eenige kosten na zich sleept.

De groote massa trekt van deze scholen niet rechtstreeksch voordeel, toch komt ons de meening van Dr. Bruinsma, dat voorloopig geene meerdere moeten opgericht worden, niet gegrond voor. Het gaat immers niet aan, zooals die geachte schrijver doet, reeds bij zulk een jonge organisatie, waar de scholen nog niet eens hun volledig aantal leerlingen hebben, eene berekening te maken van de kosten van het onderwijs per leerling. Maar zelfs indien dit ooit een maatstaf kon zijn, ver-gete men niet, dat het van groot belang is voor de indirecte gevolgen van het onderwijs, welke maatschappelijke positie degenen zullen bekleeden, die het ontvangen.

Hier geldt het nu voornamelijk landbouwondernemers, die gemiddelde bedrijven exploiteeren. Het is niet te betwijfelen dat de goede opleiding en daardoor degelijke vakkennis van deze mannen ook in wijderen kring invloed doet ondervinden en hun voorbeeld van goede cultuur ook diegenen tot navolging brengt, die geen vakonderwijs hebben genoten, noch ook meer kunnen genieten.

Bij het groote nut, dat de winter scholen op deze wijze stichten ook in ruimeren kring, is daar ook eigenaardig de goede gelegenheid voor opleiding van de noodzakelijke leerkrachten voor de wintercursussen.

In den winter 1895/96 zijn voor de opleiding van onderwijzers, die de acte landbouwkunde lager onderwijs wenschen te behalen, onderscheidene cursussen gegeven, n.1. te Leeuwarden, Heerenveen, Zwolle, Enschedé, Groningen, Deventer, Naaldwijk, Goes, \'s Hertogenbosch, Hoorn en Middelharnis. In sommige gevallen werd het beoogde doel niet volledig bereikt ook door gemis aan behoorlijke leermiddelen. Het is duidelijk dat aan de winterscholen juist voor deze opleiding steeds het geschikte personeel en materieel zal worden gevonden.

Zorgen de wintercursussen en winterscholen voor uitsluitend theoretisch landbouwonderwijs, andere inrichtingen zijn in de laatste jaren verrezen, die de behoefte aan onderwijs in de praktijk van het landbouwbedrijf trachten te bevredigen.

-ocr page 78-

70

Evenwel ook hierbij kan van onderwijs in de praktijk alleen geen sprake zijn. Steeds moet de theorie daarmede in verband gebracht worden, zij het dan ook dat deze meer eenvoudig blijft en niet zoo diep in het theoretisch gedeelte wordt doorgedrongen.

Van dezen hoofdzakelijk praktischen aard zijn de vakcursussen en vakscholen.

Dat dit onderwijs in de praktijk van het landbouwbedrijf noodzakelijk is, zal wel niemand ontkennen, die kennis genomen heeft van het „Verslag over de uitkomsten van het onderzoek naar den toestand van den landbouw.quot;

Dit lijvige en hoogst belangwekkende werk, in 1890 in vier dikke deelen verschenen, bevat in het vierde deel de algemeene gevolgtrekkingen welke getrokken kunnen worden uit de beschrijvingen van een 95-tal type-gemeenten over \'t geheele land verdeeld, wier toestand op landbouw gebied door uitstekend deskundige personen was behandeld in uitvoerige rapporten. Men vindt onder die algemeene uitkomsten en gevolgtrekkingen tal van oorzaken voor den achteruitgang en kwijnenden toestand van den landbouw, gemis aan landbouwcrediet, verkeerde gewoonten en bepalingen ten opzichte van grondgebruik en verpachtingen, drukkende belastingen enz. maar welk een groot aandeel vindt men tevens toegekend aan het volharden in de oude sleur, het verwaarloozen van de uitkomsten der wetenschap , de geringe kennis van de landbouwende bevolking in verschillende deelen des lands.

Hoe weinig doorgedrongen was in vele streken een doelmatige toepassing van kunstmeststoffen, hoe vele waardevolle stoffen gingen voor den landbouwer door onkunde te loor, hoe menig stuk grond kon bij betere cultuur hoogere opbrengst geven.

Hoe zeer was bijna overal door bij de oude sleur te blijven de zuivel-industrie achteruitgegaan en een der belangrijkste uitvoerproducten van ons land, zeer tot schade van de algemeene welvaart, verre bij het product van andere landen ten achter gekomen.

Bij zoo groote gebreken helpt uitsluitend theoretisch onderricht eerst langzaam. In die gedeelten des lands waar de prak-

-ocr page 79-

71

tische uitoefening van het bedrijf reeds op vrij groote hoogte staat, is door betere theoretische kennis zeer spoedig het bedrijf geheel in zijn kracht te herstellen, niet waar de praktijk zelve veel te wenschen overlaat.

Bovendien kunnen er speciale vakken zijn, voor den ïand-bomv in bepaalde streken van zeer groot gewicht, waarop in het belang van de ontwikkeling dier streken de aandacht moet worden gevestigd en waarvan de vaardigheid moet worden geleerd. Daarvoor zijn dan bijzondere cursussen of scholen noodig waar de praktijk evenzeer als de theorie wordt onderwezen.

Wat nu deze cursussen van meer praktischen aard betreft, zijn in het jaar 1895,96 in de provincie Friesland cursussen gehouden in Paardenkennis, in het geheel aan 155 leerlingen in 9 dorpen tot afdeelingen van de de Friesche maatschappij van Landbouw behoorende.

In een 12-tal lessen van 2 uur werd eerst de theorie, later de praktijk behandeld.

Het oordeel van het hoofdbestuur der genoemde maatschappij is gunstig en vooral verwacht het, dat de leerlingen op deze cursussen opgewekt om de studiewerken op het gebied van paardenkennis ter hand te nemen, op den weg zijn goede kenners te worden.

Bedenkt men hoe groote voordeden juist uit goede paardenkennis voor tal van landbouwers voortvloeien, dan mag men de resultaten van deze pogingen niet te laag schatten.

Van denzelfden aard zijn ook de cursussen in hoefbeslag, die telken jare in verschillende deelen des lands worden gehouden en waarin ook zoowel het theoretische als praktische doel tot zijn recht komt, in bijenteelt enz.

Zoo ook is het vooral de praktische zijde van het onderwijs, die op den voorgrond komt bij de werkzaamheden van zuivel-consulenten, die in de verschillende dorpen, met behulp van de nieuwste en meest geschikte instrumenten een cursus houden, liefst in een of andere boerderij, voor de personen (meest meisjes) die de zuivelindustrie beoefenen. Praktisch wordt dan in eenige lessen aangewezen welke fouten in de gebruikelijke handelwijzen schuilen en hoe men door gebruik te maken, met

-ocr page 80-

72

oordeel, van hetgeen de wetenschap leert, beter fabrikaat op gemakkelijker wijze kan krijgen.

Blijkt het dan aan de leerlingen dat werkelijk het product beter is en hooger prijs opbrengt, dan is dat een groote prikkel voor het toepassen der verworven kundigheden.

Waar de voordeelen in klinkende munt worden neergelegd, zijn er weinigen, die hun ingewortelden afkeer van het nieuwe volhouden ofschoon enkele rapporten dergelijke vasthoudendheid aan oude overgeleverde gebruiken vernielden.

Indien die pogingen evenwel met goed gevolg bekroond worden komt er een oogenblik dat deze cursussen een ander karakter kunnen aannemen, dat n.1. de werkzaamheid van de consulenten voor een grooter deel er in kan bestaan de landbouwers van advies te dienen overal waar hen dit gevraagd wordt en bovendien als het ware ongevraagde adviezen te geven door landbouw-voordrachten.

Het nut van de laatste was ook reeds op uitstekende wijze door de landbouwcommissie betoogd met een beroep op hetgeen in het buitenland sinds jaar en dag met zoo goed gevolg door zoogenaamde wandelleeraren werd verricht.

Bij deze voordrachten is natuurlijk zoowel aantrekkelijke vorm, populaire inkleeding als degelijke inhoud, geheel passend voor de omgeving, waar ze gehouden worden, noodzakelijk. Voldoen ze aan deze vereischten, is de leeraar met goede hulpmiddelen voorzien om de zaak, die hij in het licht wil stellen met de grootste aanschouwelijkheid te behandelen, dan geven die voordrachten aanleiding tot vragen, opmerkingen, mededeelingen van de zijde der hoorders, die zeer nuttig zijn en leiden tot meerdere verbinding tusschen den leeraar en de landbouwende bevolking.

Het is deze belangrijke taak, die de landbouwcommissie ook de rijkslandbouwleeraren had toegedacht en dan ook door de regeering aan deze ambtenaren is opgedragen. Bladert men in de verzameling van verslagen, welke over landbouwonderwijs in den meest algemeenen omvang jaarlijks verschijnen, dan blijkt het dat deze voordrachten, adviezen en aanrakingen tusschen de mannen der wetenschap en de landbouwers, steeds toenemen en steeds meer vruchtbaar worden. Evenwel blijkt tevens dat de tegenwoordige ambtenaren met veel te veel bezigheden zijn

-ocr page 81-

73

belast om deze gewichtige taak thans naar behooren te volbrengen.

Wanneer men nagaat dat b.v. de rijkslandbouwleeraren ook onderwijs geven aan de winterscholen, waarvan zij de directie hebben, tevens toezicht hebben te houden op de wintercursussen in hun ressort, ten opzichte van de proefvelden met onderscheidene bezigheden zijn belast, onderricht geven aan onderwijzers in de voor dezen bestemde cursussen, dan blijft er niet veel gelegenheid over, de provincie in te gaan en voordrachten te houden.

Zeer terecht meent dan ook Dr. Bruinsma in zijn meer aangehaald artikel, dat het beter zou zijn wanneer deze voordrachten meer tot hun recht kwamen. Daartoe is noodig dat het aantal personen, belast met het houden van eenvoudige landbouw voordrachten, het geven van raad aan landbouwers overal waar dezen dit van noode hebben, worde uitgebreid, daar de werkkring van de rijkslandbouwleeraren daarvoor op den duur te omvattend zal blijken. In vele streken zouden deze ambtenaren zeer nuttig kunnen werken, vooral wanneer zij zoowel theoretisch als praktisch deugdelijk zijn gevormd zoodat zij vertrouwen krijgen onder de landelijke bevolking.

Uit den aard der zaak zal men deze personen eene goede bezoldiging moeten geven en de kosten van het landbouwonderwijs, die zeer sterk en snel klimmen, aanmerkelijk nog doen stijgen. Zeker is het wel aan te nemen, dat deze ambtenaren, dag in dag uit over een betrekkelijk niet groot gebied met de landbouwers in aanraking komende, meer invloed op hun bedrijf kunnen uitoefenen dan iemand die ééns in het jaar of om de paar jaren in het een of ander deel van de provincie een voordracht kan houden.

Voor het landbouwonderwijs in wintercursussen zal bij deze werkzaamheden van hen evenwel weinig verwacht kunnen worden zonder hun anderen nuttigen werkkring te schaden.

Langzamerhand eerst, naarmate de vruchten van beter landbouwonderwijs rijpen, zal men voor deze belangrijke betrekking geschikte personen kunnen krijgen, en dat is in de eerste plaats noodig.

Behalve deze vakcursussen en de lezingen en voordrachten,

-ocr page 82-

74

die als van zelve zich daarbij aansluiten, telt ons land thans nog slechts enkele instellingen, waar de praktijk in het landbouwbedrijf hoofdzaak is. Het zijn de zuivelschool te Bolsward en de Gerard Adriaan van Swieten scholen te Frederiksoord.

In de eerste school worden directeuren van zuivelfabrieken opgeleid, telkens in een half jarigen cursus 8. De praktische werkzaamheden worden door de leerlingen verricht, het product naar verschillende markten gezonden om de leerlingen met de eischen van verpakking en handel bekend te maken, maar te gelijkertijd, zoo goed het in zoo korten tijd gaat, de theorie duidelijk gemaakt en daarmede het inzicht in de bewerkingen.

De laatste scholen dienen voor boschbouw, land en tuinbouw, ook daar Avordt de praktijk door de leerlingen zeiven geoefend en hebben zij van hunne oefening de resultaten in een examen te toonen. Daarmede gepaard gaan ook weer theoretische lessen.

Ten slotte rest nog de gereorganiseerde afdeeling A van de landbouwschool te Wageningen, waar ook theorie en praktijk te samen gaan, de inrichting is evenwel van zóó bijzonderen aard, dat men niet uitsluitend van vakschool kan spreken en wordt deze inrichting daarom in een volgend hoofdstuk besproken.

Zonder opzettelijk onderwijs te ontvangen zal toch menigeen door nauwkeurig waarnemen van zijne omgeving, door te kijken naar den uitslag der pogingen van anderen, veel nuttige kennis kunnen opdoen. Laat een landbouwer een nieuwe varieteit aan-kweeken of eene andere meststof gebruiken, de landbouwers uit de omgeving letten er wat scherp op hoe de uitslag is van de proefneming.

Daarom is een uitstekend middel tot onderwijzing van de groote massa, het aanleggen van proefvelden aan druk bezochte wegen, waar de verschillende werking van meststoffen, van verschillende bewerking of de beplanting met verschillende gewassen, dag aan dag den voorbijganger voor oogen staan. Deze proefvelden behooren zeer wezenlijk tot het landbouwonderwijs, ook dan, wanneer geen onderwijzer de resultaten nog opzettelijk met de leerlingen beschouwt. Zooveel te meer nut doen ze natuurlijk waar dit wèl het het geval is.

Indien dan ook het aantal landbouwonderwijzers toeneemt,

-ocr page 83-

75

hetzij onderwijzers met acte landbouwkunde, die bijzonder zich op dit vak toeleggen, hetzij speciaal gevormde landbouwonder-wijzers, zal ook de demonstratie van de proefvelden een zeer nuttige werkzaamheid voor deze ambtenaren kunnen worden.

Bij al het vorenstaande is alleen sprake geweest van landbouw, niet van tuinbouw. Het is van algemeene bekendheid dat de tuinbouw, zulk een hoogst belangrijke tak van bestaan in verschillende deelen van het land, een geheel afzonderlijke voorbereiding en onderwijs eischt. Evenwel moge de leerstof zelve uit den aard der zaak een geheel andere zijn dan bij de eigenlijke landbouw en veeteelt, de inrichting van het onderwijs blijft dezelfde.

Ook voor tuinbouw wordt het theoretisch aanvullend onderricht gegeven in tuinbouw wintercursussen, ook bestaan reeds tuinbouwwinterscholen, en hebben praktische cursussen van een land en tuinbouw consulent plaats. Ook voor tuinbouw bestaat aan de rijkslandbouwschool een inrichting van denzelfden aard als de boven bedoelde afdeeling voor landbouw en zal met deze besproken worden, ook is reeds een rijkstuinbouwleeraar aan het werk en zullen meerdere volgen.

De inrichting van het onderwijs is dus geheel dezelfde.

Wanneer men bedenkt dat deze geheele organisatie in weinige jaren is ontstaan, de eerste gesubsidieerde wintercursus in 1891, de eerste winterschool 1893 werd opgericht, dan kan men niet anders dan de groote energie prijzen, waarmede voortgegaan wordt.

Evenwel op dezen tijd, waarin de nood van den landbouwer spreekwoordelijk is geworden, volgt wel een andere; de vraag rijst, is de organisatie van dien aard, dat op den duur het landbouwonderwijs zich krachtig zal blijven ontwikkelen.

Thans is de offervaardigheid van de Staten-Generaal vrij groot, ook al in het bewustzijn dat voor den landbouw te weinig gedaan is, zal dat zoo blijven?

Wie de geschiedenis nagaat van onzen landbouw gedurende deze eeuw, wordt met recht bevreesd, dat als de nood minder dringt, verschillende deelen van het landbouwonderwijs weer

-ocr page 84-

76

te niet gaan, evenals vroeger ook bloeiende scholen zijn ten onder gegaan.

Veel zal hierbij afhangen van de regeling der financiën.

Deze mag niet zoo blijven als thans. Wordt de geheele organisatie afhankelijk gesteld van de wisselende meeningen eener kamer meerderheid bij elke begrooting, dan is het te vreezen, dat het „kind van den noodquot; zooals de heer Van Houten het landbouwonderwijs noemde, wanneer de nood geweken is, niet verder zal groeien, misschien kwijnen. Wettelijke regeling zal in de plaats behooren te komen van de tegenwoordige willekeur. Het tijdstip is daarvoor gekomen nu men het geheele gebied van het landbouwonderwijs kan overzien en ervaring heeft opgedaan over verschillende instellingen, die voor een tiental jaren nog slechts met een beroep op het buitenland konden worden aanbevolen.

Bij deze wettelijke regeling behoort zooals in een vorig hoofdstuk is betoogd, veel ruimte te worden gelaten aan het particulier initiatief, terwijl, waar dit zich laat gelden, ook steun van de regeering bij de wet verzekerd moet zijn. Ook in dit opzicht schijnt ons de zienswijze van de landbouw commissie zeer juist. In haar advies van 23 April 1887 zegt zij o. a. zeer terecht:

,,Het doel, dat men met de vakscholen beoogt, zal alleen kunnen worden bereikt, wanneer de oprichting wordt overgelaten aan het particulier initiatief. Alleen zij, die goed bekend zijn met de locale omstandigheden, met den aard van, het bedrijf in een bepaalden streek, zullen in staat zijn inrichtingen in het leven te roepen, die aan werkelijke behoeften voldoen. Daarbij komt, dat hetgeen door particuliere krachten wordt tot stand gebracht, op blijvende belangstelling mag rekenen.quot; Evenwel ook de staat dient te helpen: „Dat echter particulieren of vereenigingen alleen de zaak tot een goed einde zouden kunnen brengen, haar alleen zouden kunnen bekostigen, mag worden betwijfeld. Wanneer de staat de door particulieren op te richten vakscholen subsidieert, behartigt hij een algemeen belang en maakt het particulier initiatief vruchtbaar.quot;

Deze overwegingen leidden de commissie o. i. volkomen terecht tot de volgende conclusie:

10. Aan alle inrichtingen van landbouw (vak)onderwijs, voor

-ocr page 85-

77

wier oprichting, onderhoud en exploitatie, (minstens) 50 pet. der kosten voldoende verzekerd zijn , wordt een subsidie verleend van staatswege van (ten hoogsten) 50 pet.

20. Het toezicht op deze scholen wordt opgedragen aan een of meer personen, daartoe door de regeering aan te wijzen.

3°. De regeering zal het subsidie intrekken wanneer haar, na ingewonnen advies van den persoon of de personen, door de regeering met het toezicht belast, en nadat het bestuur der school zal zijn gehoord, blijkt:

a. dat het onderwijzend personeel onvoldoende is wat betreft zedelijkheid of geschiktheid;

b. dat de inrichting in verhouding tot de verleende subsidiën niet voldoende bevordelijk is aan het landbouw (vak)onderwijs. De door ons tusschen haakjes geplaatste woorden moeten o. i. vervallen.

Van belang is het te weten voor ieder, die lust heeft het landbouwonderwijs te bevorderen op welk gedeelte van de kosten hij vast kan rekenen, er behoort een bepaald percentage genoemd te worden en schijnt ons daarvoor de helft van de kosten niet te veel.

De regeering heeft tot op zekere hoogte het advies van de commissie ook in dit opzicht opgevolgd en voor tal van cursussen en scholen subsidiën verleend. Terecht is evenwel begrepen, dat bij zulk een achterlijken toestand als in ons land werd aangetroffen in de eerste jaren krachtiger moest worden aangegrepen dan van het particulier initiatief verwacht kan worden en bovendien ook de noodige scholen moesten gesticht worden en ambtenaren aangesteld tot voorbeeld als het ware van particulieren en vereenigingen.

Zoo worden dan ook uit \'s Rijks schatkist geheel betaald de rijks-winterscholen. Zoodra daarvan een voldoend aantal bestaan, b.v. in elke provincie ééne, zou de oprichting van verdere winterscholen aan het initiatief van vereemgingen, gemeenten, provinciën met rijkssubsidie kunnen worden overgelaten. De voorbeelden liggen dan voor de hand, de ervaring aan de rijksscholen is aanwezig en te gebruiken, de inrichting volgens een bepaald model vast te stellen naar de behoeften van de

-ocr page 86-

78

omgeving. De moeilijkheden, aan de oprichting van nieuwe onderwijs inrichtingen verbonden, vallen dan grootendeels weg.

Ook worden door het Rijk, en terecht, geheel betaald de Inspecteurs van het Middelbaar Onderwijs, belast met het toezicht op het landbouwonderwijs alsmede de rijkslandbouwleeraren. Waar ook deze laatsten toezicht uitoefenen en ten deele met de directie van winterscholen zijn belast, ligt dit voor de hand.

Zal men evenwel zooals boven reeds is aangeduid, de landbouwvoordrachten vermeerderen, de aanstelling van landbouw-leeraren voor een kleiner ressort (districtslandbouwleeraren noemt Dr. Bruinsma ze) bevorderen, dan is o. i. hier weer subsidieering aangewezen.

Reeds nu worden verschillende zuivel en landbouw consulenten door groote landbouw maatschappijen aangesteld met rijkssubsidie. Kon op een vaste bijdrage van het rijk tot de helft van de kosten gerekend worden, dan zoude allicht van deze maatschappijen het initiatief uitgaan om personen aan te stellen, die over een kleiner gebied meer met de boeren in hun bedrijf in aanraking komen en veel raad kunnen geven juist bij de toepassing van de vindingen der wetenschap, welke in theoretische cursussen door onderwijzers zijn verklaard of in vergaderingen van landbouwers zijn medegedeeld.

Hoe dikwijls ziet men niet dat landbouwers zich de moeite geven aangeprezen middelen, b.v. kunstmeststoffen in praktijk te brengen en, terwijl zij meenen de voorschriften goed opgevolgd te hebben, teleurgesteld worden in de resultaten, wegens verkeerde keuze der aangewende stoffen of onoordeelkundige aanwending.

Het is zonder twijfel dat jaarlijks in de streken, waar deze nuttige producten door den landbouwer gebruikt worden, schatten geld nog worden vermorst door verkeerde handelwijzen: waar het werktuig meer volmaakt wordt moet ook degene, die het gebruikt, meer geoefend zijn, anders verricht hij den arbeid minder goed dan vroeger met het eenvoudige werktuig dat zijn hand kon besturen.

Zoo is \'t ook met den landbouw.

Voorlichting door voortdurende aanraking van den weten-schappelijken leeraar met de mannen der praktijk blijft steeds

-ocr page 87-

79

in de toekomst nooüg. Eerst dan evenwel zullen daarvan goede vruchten verwacht kunnen worden, wanneer die mannen der wetenschap niet allen van boven af worden gezonden, maar hunne aanstelling een gevolg is van den wil en den wensch der vereenigingen, die het best de locale toestanden kunnen beoor-deelen en zorgen zullen profijt te trekken van uitgaven, waartoe ook zij hebben bijgedragen.

Door krachtige subsidiën worden thans ook de wintercursussen, zoomede de verschillende vakscholen en vakcursussen gesteund. Zeker zal niemand ontkennen dat het, om een nog onbekende zaak als de wintercursussen populair te maken, zeer gewenscht was öf geheel van rijkswege öf met zeer krachtigen steun van het rijk cursussen op te richten.

De regeering heeft aan den laatsten maatregel den voorkeur gegeven, afdeelingen van landbouw vereenigingen richten den cursus op en deze ontvangt een subsidie van den staat ten bedrage van ongeveer een gulden voor ieder wekelijksch lesuur benevens eenige administratiekosten. Het subsidie per cursus is ongeveer 350 gl. De meeste curcussen, zoo niet alle, bestaan geheel op dat rijkssubsidie. Voor den aanvang is dat niet verkeerd maar als de wintercursussen op den duur alge-meene verspreiding zullen vinden, zooals noodig is, schijnt deze handelwijze niet aanbevelenswaardig en ook hier subsidieering tot de helft van deze kosten gewenscht. De bestaande cursussen zou men op den bestaanden voet kunnen blijven subsidieeren, wanneer eene wettelijke regeling wordt ingevoerd, maar voor alle nieuwe dezen maatregel treffen.

Evenzeer als het toe te juichen is, dat de regeering door krachtig optreden het landbouwonderwijs een zeer krachtigen stoot heeft gegeven, evenzeer moet het afgekeurd worden als op den duur voor de zorg van dit vakonderwijs geheel op den staat wordt geleund. Belangstelling moet er zijn en deze moet zich ten deele toonen in eenige opoffering, slechts daardoor blijft zij levendig.

Ook gemeenten, door verschaffing van hulpmiddelen, en provinciën door subsidie kunnen steunen. Maar er behoort een kern van particulieren of landbouwvereeniging te zijn, die in de zaak blijft belang stellen, als geldelijk belanghebbende.

-ocr page 88-

80

Slechts daardoor zal het mogelijk zijn niet alleen bij den aanvang te letten op den aard der omgeving bij de vaststelling van het leerplan van den cursus, maar daar ook gemakkelijker op te blijven letten, wanneer andere behoeften opkomen.

Bovendien wordt daardoor voorkomen dat onderwijs inrichtingen ontstaan waar nog de behoefte aan voorlichting niet genoegzaam wordt gevoeld. Het te niet gaan van inrichtingen van vakonderwijs staat gewoonlijk lange jaren het welslagen van nieuwe pogingen in den weg.

Hoezeer het te wenschen is dat overal door landbouwers en hunne arbeiders goed vakonderwijs wordt genoten, het onderwijs heeft alleen dan goede gevolgen, als het van den aanvang af op prijs wordt gesteld.

-ocr page 89-

HOOFDSTUK VI.

Lager Industrieel Onderwijs.

Is de verbetering van het landbouwonderwijs een gevolg van de crisis in den landbouw, veroorzaakt voor een groot deel ook door de groote veranderingen in het verkeer, ook de uitbreiding van het industrieel onderwijs is een gevolg van de gewichtige en ingrijpende veranderingen, welke onze eeuw heeft aanschouwd op het gebied van de nijverheid.

De Fransche revolutie had ook in ons land een einde doen maken aan het oude régime en banden verbroken die niet weer aangeknoopt kunnen worden. De oude organisatie van de gilden had opgehouden te bestaan, maar daarmede ook hetgeen daarin goeds voorkwam, de opleiding van den leerling tot gezel en meester.

De mannen van de revolutie voorzagen zeer goed de gevolgen van hun afbrekend werk en zij haastten zich een nieuw gebouw voor het oude in de plaats te zetten.

Reeds de Conventie achtte het aanleeren van een ambacht of bedrijf de plicht van een ieder bij weer vervulling de school een groote rol moest spelen. i

Zoo werd in 1794 het beroemde Conservatoire des Arts et Métiers te Parijs opgericht, de instelling van zooveel belang voor de geheele vakopleiding in Frankrijk.

Ook reeds onze schoolwet van 1806 droeg de gewestelijke en gemeentelijke besturen op het aanleggen van arbeids-of industrie scholen bij de openbare scholen en die in de Godshuizen aan te moedigen en uit te breiden.

Evenwel niet spoedig wordt eene nieuwe organisatie in de plaats gesteld van de oude, de voorbereiding voor de praktijk

liet integendeel steeds veel te wenschen over. Toch hing

Dr. d. bos, Onze Volksopleiding. (j

-ocr page 90-

daarvan steeds meer en meer het welslagen der ondernemingen en het bestaan der werklieden af.

Naarmate de uitvindingen van machines voortschreden en het verkeer gemakkelijker werd, vervielen velerlei beletselen voor den handel en werd de mededinging over de geheele wereld, althans over een zeer groot gebied, uitgestrekt.

Sommige bedrijven, die tot dusver met handkracht werden gedreven, ondergingen reeds spoedig ingrijpende verandering. Weverijen en spinnerijen eischten geheel andere eigenschappen dan tot dusver, van de werklieden zoowel als van de leiders der ondernemingen. De vooruitgang in productiewijze was door de toepassing van verbeterde machines zóó groot, dat de ondergang voor de deur stond van degenen, die zich niet aan de veranderde levensomstandigheden spoedig wisten aan te passen.

Zoo ziet men o.a. als een der gevolgen van deze omwenteling op industrieel gebied bij ons de bekende weefschool te Goor verrijzen, ten einde de vaderlandsche industrie op de hoogte te brengen van de vaardigheid en kennis, die in het buitenland reeds was verkregen.

Steeds verder gingen de vindingen in de nijverheid. Na den werkman het ruwe eenvormige werk gemakkelijker gemaakt te hebben, dachten de geniale industrieelen tal van werktuigen uit, die voor den oppervlakkigen beschouwer bijna schenen zelve met verstand te zijn begiftigd. Tal van werkzaamheden, waarvoor de smid, de schoenmaker, de timmerman en zooveel anderen dagen noodig hadden, werden in weinige oogenblikken door de machine onder leiding van een enkelen werkman verricht.

En dat somtijds zelfs veel beter dan de werkman met zijn oude werktuigen vermocht.

Van den ambachtsman eischte deze concurrentie steeds grooter krachtsinspanning, maar tevens grooter ontwikkeling en kennis om ook op zijn beurt van de wetenschap partij te trekken.

Waar door de verbeterde productie tal van stoffen, fabrikaten en halffabrikaten goedkooper werden geleverd, begon bij de algemeen vermeerderde welvaart meerdere behoefte te ontstaan aan al wat smaak en kunstgevoel kan bevredigen en de kunstnijverheid kwam weer meer en meer op den voorgrond. Maar ook hier bleek het welk een veel grootere kennis en diepere

-ocr page 91-

83

studie allengs noodzakelijk was geworden bij de steeds hooger stijgende eischen van den tijd.

In de geheele handwerksnijverheid dus, door deze eeuw heen, toenemende behoefte aan de kennis voor de goede uitoefening van het vak.

Over \'t algemeen heeft men in de eerste plaats het daarvoor noodige onderricht als algemeen voorbereidend onderwijs opgevat. De industriescholen, welke in overeenstemming met de wettelijke bepalingen zijn opgericht vóór en in het midden dezer eeuw, bedoelden hoofdzakelijk eenige theoretische kennis van wis- en werktuigkundige vakken bij te brengen.

De praktijk van de ambachten werd niet onderwezen.

Zoo schreef nog in 1839 de Maatschappij tot Nut van \'t Algemeen eene prijsvraag uit om te krijgen „eene beknopte en volledige beschrijving eener industrieschool, waarin het gewone „algemeen noodige schoolonderwijs met zulk eene onderrigting „en oefening in handenarbeid vereenigd wordt, als den kinderen ,,van beide seksen, in hun volgend leven, voor het huisselijk „welzijn of voor het leeren en beoefenen van ambachten, nuttig „kunnen zijn; met aanwijzing van de verdeeling der onderschei-„dene werkzaamheden voor beide seksen, en tevens met opgave „van de meest geschikte wegen en middelen, om aan de, in zulke „scholen gemaakte voortbrengselen het noodige vertier te geven „en de kosten der inrigting zooveel mogelijk goed te maken.quot;

Toch vindt men nog in 1860 dergelijke inrichtingen, waar ook de praktijk wordt onderwezen, niet in ons land.

Inzonderheid evenwel werd er terecht bij de bestaande industriescholen de nadruk gelegd op het teekenonder wijs, de onmisbare grondslag van alle technische opleiding. In die richting is men verder doorgegaan ook nadat de burgeravondscholen, als voorbereiding meer in \'t bijzonder voor den ambachtsman, in het leven waren geroepen.

Een rapport uitgebracht in 18601) omtrent den toestand en

i) Verslag omtrent den toestand en de inrigting der industriescholen in het buitenland en in Nederland, uitgebragt op de 9e algemeene vergadering der Verinniging tot bevordering van fabrieks- en handwerksnij verheid in Nederland, gehouden te Zwolle 15 en 10 Augustus 1860.

Dit rapport gaf aanleiding tot een zeer lezenswaardige brochure van den lateren

6*

-ocr page 92-

84.

de inrichting der industriescholen in het buitenland en in Nederland, geeft nog slechts enkele dier inrichtingen aan, die een eenigszins volledig onderwijs in de hulpwetenschappen van de nijverheid gaven. Het waren voornamelijk de avondcursussen van het te Leiden bestaande genootschap: Mathesis scientiarum genetrix, alsmede de industriescholen, die door de Maatschappij van Nijverheid gesteund werden te Middelburg, Haarlem, Assen, Groningen, Sneek en Zwolle, terwijl ook in het verslag melding wordt gemaakt van dergelijke inrichtingen te Rotterdam, Alkmaar en Dordrecht i).

Natuurlijk is deze lijst niet volledig, maar toch lijdt hetgeen twijfel dat in ons land eerst met het in werking treden van de wet op het Middelbaar Onderwijs aan den ambachtsman krachtig de gelegenheid is gegeven de hulpwetenschappen voor zijn vak, inzonderheid het teekenen, te leeren.

Thans bestaan in bijna alle plaatsen van eenige beteekenis, teekenscholen of burgeravondscholen waar door meer of min bevoegden onderwijs wordt gegeven in hand- en lijnteekenen en gewoonlijk ook bouwkundig teekenen.

Evenwel steeds meer bleek dat dit onderwijs nog niet genoeg gaf. Slechts dan toch wanneer theorie en praktijk elkander bij de opleiding steunen en aanvullen kan deze aan de eischen beantwoorden.

Bovendien hoe treurig was en is het nog met de opleiding-in de werkplaats gesteld?

De leerling is een jonge, onvoltooide werkkracht, die tegen laag loon, lange diensturen heeft te werken. Tal van jongelieden brengen de eerste jaren in de werkplaats door met het opdoen van verkeerde gewoonten door den omgang met het oudere, dikwijls ruwe, personeel. Zij worden gebezigd voor diensten, die geheel vreemd zijn aan het vak, dat zij wenschen te leeren, van het eigenlijke aanleeren van het vak komt weinig terecht.

hoogieeraar Bierens de Haan over liet Industrieel onderwijs (ISOl). Ook in deze brochure worden steeds algemeen voorbereidende inrichtingen bedoeld zooals de wet op het M. O. ze in het leven heeft geroepen.

\') Over de Technische school te Utrecht en de school van Dr. Sarphati wordt als inrichtingen van hoogeren aard, later gesproken.

-ocr page 93-

85

Mogen sommige jongelieden ook des avonds zich oefenen in teekenen en wis- en natuurkundige wetenschappen aan de burgeravondscholen of ambachts-teekenscholen, zij vormen slechts een klein gedeelte. De daar verkregen kennis is zeer zeker nuttig, maar zou veel meer kunnen helpen, wanneer het onderwijs gepaard ging en in overeenstemming was met onderwijs in de praktijk.

De maatschappij voor den werkenden stand is in ons land de eerste geweest om uitvoering te geven aan het denkbeeld, dat onderwijs in praktijk en theorie te zamen moet gegeven worden en de werkplaats ten aanzien van de praktijk niet in den aanvang de meest geschikte oefenplaats is voor de jeugdige werklieden. In 1861 opende zij de eerste ambachtsschool te Amsterdam J).

Sedert dien tijd is het aantal van die inrichtingen voortdurend

1) In Frankrijk dagteekent do eerste ambachtsschool reeds van 1788 toen de Graaf de Larochefoucault Liancourt op zijne hoeve La Montagne, vooral ten dienste van de kinderen der onderofficieren van zijn regiment, een school inrichtte voor het leeren van een ambacht.

Deze school, overgebracht naar Compiègne werd door Napoleon, als eerste consul, bezocht. De slechte voorbereiding van den werkman had hem getroffen. Bij zijn bezoek aan de school zeide hij; „Plus de latin, (on 1\'apprendra dans les Ivcées qui vont s\'organiser), mais les métiers avec la théorie nécessaire pour leur progrès.quot;

Sedert heeft Napoleon het technisch onderwijs krachtig gesteund.

In Engeland bestonden reeds voor het midden dezer eeuw zoogenaamde Industrial schools, armenscholen, waar de kinderen om niet voeding kregen, 3 uur daags lessen bijwoonden en 5 uur daags aan handenarbeid wijdden. De mechanic\'s institutions hebben reeds vroeg gezorgd voor technisch onderwijs, vooral in teekenen.

Ook in België vond men omstreeks het midden dezer eeuw tal van industrie scholen waar ook de praktijk werd geleerd, in Duitschland was over \'t geheel het onderwijs meer algemeen voorbereidend, al ontbrak het praktische element niet geheel. Later is dat ook in Duitschland meer tot zijn recht gekomen.

Vgl. naast het boven aangehaald rapport van 18(i0, het rapport van PaulJacque-mart 1891 , dat van L. (i. Pavette en Jules Steeg over de afdeeling Enseignemenl industriel et commercial op de wereldtentoonstelling te Chicago, 18il4. Verder

Compte Rendu des Travaux du Ille Congres International de 1\'Enseignement Technique Bordeaux 1896.

Zeer uitvoerige bibliographic komt voor in Dr. A. Petersilie, Das öffentliche Unterrichtsweseu im Deutschen Reiche und in den übrigen Europaisclien Kultur liindern 1897.

-ocr page 94-

86

toegenomen en dat in de eerste plaats door het particulier initiatief.

Wel zijn het rijk, de provincie en verschillende gemeenten niet onwillig gebleken, de pogingen der particulieren te steunen, maar krachtige inspanning van die zijde werd in de eerste plaats vereischt. Zoo is dan in 1897 het aantal praktische ambachtsscholen tot 20 gestegen, terwijl in verschillende plaatsen de oprichting van dergelijke scholen wordt voorbereid. Thans zijn er gevestigd in \'s Hertogenbosch, Breda, Arnhem, den Haag, Rotterdam, Dordrecht, Leiden, Gorinchem, Amsterdam twee, Haarlem, Alkmaar, Middelburg, Zierikzee, Goes, Utrecht, Leeuwarden, Groningen, Zwolle en Enschede. De laatste als ambachts-avondschool.

Ook wordt somtijds de zoogenaamde werkschool te Zutfen onder de ambachtsscholen gerekend.

Daaronder zijn er, die, zooals de Amsterdamsche reeds 36 jaren, andere die 25 jaren hebben bestaan, maar ook in de laatste jaren zijn nog steeds dergelijke scholen opgericht.

De ambachtsschool neemt gewoonlijk de jongelieden op na den 12jarigen leeftijd, en eischt dat goed lager onderwijs is genoten. De scholen geven gelegenheid zoowel voor praktisch als theoretisch onderwij s, zoodat nergens de werkplaatsen mogen ontbreken.

Dat theoretisch onderwijs, voorzoover het op het vak betrekking heeft, is voornamelijk het vakteekenen, bovendien somtijds wis en werktuigkunde, althans eenige deelen daarvan.

Toch bepaalt zich het onderwijs aan de meeste ambachtsscholen niet tot dit theoretisch en praktisch vakonderwijs maar worden eenige, soms tamelijk veel uren, gewijd aan lager onderwijs.

De reden daarvan is te zoeken in de onvoldoende voorbereiding van de leerlingen, die de school bezoeken. De eischen van toelating zijn dikwijls niet streng genoeg gehandhaafd en worden zoodoende jongelieden toegelaten, die niet in staat zijn het onderwijs, wat het theoretisch deel betreft, naar behooren te volgen.

Zeker zou het gewenscht zijn, in het belang der scholen, zoowel als in dat der leerlingen, dat de hand niet gelicht werd

-ocr page 95-

87

bij de toelating. Laat het aantal leerlingen daardoor somtijds wat zakken, de eisch dat goed lager onderwijs is genoten, moet o. i. gehandhaafd blijven.

Is dat het geval, dan kan het gewoon lager en ook voortgezet lager onderwijs van de ambachtsschool verdwijnen en deze geheei en al bestemd blijven voor theoretisch en praktisch vakonderwijs.

Daarmede is evenwel geenszins gezegd, dat de leerlingen dergelijk voortgezet onderwijs niet meer van noode zouden hebben. Integendeel, elke ambachtsschool behoort hare leerlingen de verplichting op te leggen geregeld deel te nemen aan het voortgezet lager avondonderwijs, waarvan in hoofdstuk III sprake was. Daar moet het onderwijs van de gewone lagere school voortgezet en voor de verdere algemeene ontwikkeling en voorbereiding worden gezorgd.

Thans wordt op verschillende ambachtsscholen een nauw verband gelegd tusschen het daar gegeven onderwijs en dat aan de burgeravondschool. Vooral waar eenzelfde directeur het onderwijs aan beide instellingen leidt, werkt dit zeer goed.

Het zal altijd geraden zijn dat er verband blijft tusschen de avondschool voor voortgezet onderwijs en het dagonderwijs van de ambachtsschool, evenwel zou het voor de verdere ontwikkeling van den ambachtsman niet wenschelijk zijn wanneer dit avondonderwijs, nog weer geheel het karakter van vakonderwijs aanneemt en zoodoende de algemeene ontwikkeling te weinig tot haar recht komt.

Wordt de avond gebruikt voor de algemeen voorbereidende vakken, dan kan des daags een grooter aantal aaneengesloten uren aan de praktijk worden gewijd, wat voor den aanstaanden werkman veel waard is.

De bedrijven, welke gewoonlijk aan de ambachtsscholen worden onderwezen, zijn zeer verschillende.

Aan alle wordt onderwijs gegeven in timmeren, aan alle op één na ook in smeden. Naarmate er een voldoend aantal leerlingen is, dat lessen in verschillende vakken kan volgen, ziet men het onderwijs zich uitstrekken en splitsen in meubelmaken, schilderen, koperslagen, houtdraaien, machinebankwerken enz., in Enschede b.v. meer in \'t bijzonder tot de takken van weefnijverheid.

In de werkplaatsen wordt het praktisch onderwijs gegeven

-ocr page 96-

88

door mannen, die in de praktijk werkzaam geweest zijn, terwijl dit onderwijs afwisselt met dat in de theoretische vakken.

Gewoonlijk is de cursus driejarig, in Amsterdam bestaat een vierjarige, in Enschede een zesjarige cursus; aan het eind heeft gewoonlijk een eindexamen plaats, waarbij aan de leerlingen, die daarop aanspraak kunnen maken, een getuigschrift wordt toegekend en veelal prijzen worden uitgereikt aan de besten.

Het zou haast overbodig zijn op te merken, dat van volledige vorming voor het ambacht in den driejarigen cursus geen sprake kan zijn, dat de jongeling, die de ambachtsschool verlaat, in het werkelijke leven nog zeer veel moet opdoen, voor hij geheel en al voor zijn vak bekwaam kan heeten. De ambachtsschool kan slechts beginselen geven, gronden leggen, in het bedrijf zelf moet daarop, zoo noodig met behulp van de school, verder worden voortgebouwd.

Het spreekt ook wel van zelf, dat, hetzij de opleiding in de school of in de werkplaats plaatsgrijpt, jongelieden van 15 a 16 jaar nog niet hun vak kennen.

Toch wordt dit soms door ondernemers verwacht, althans geven sommigen dezer meermalen hun misnoegen te kennen, wanneer het blijkt dat de oud-leerling der ambachtsschool nog heel wat in de praktijk te leeren heeft. In \'t bijzonder natuurlijk dat, wat de school moeilijk kan geven, het vlugge werken, het zich behelpen ook met mindere hulpmiddelen dan in de school worden gevonden.

Ziet men dan soms, dat de jongelieden wat hoog idee van zich zelf hebben en van hun wetenschap, niet voldoende doordrongen zijn van de waarheid, dat langdurige ervaring en opgewekte werkzaamheid bij het bedrijf ook zeer veel kunnen aanbrengen, dan gebeurt het dat patroons met zekere minachting op de resultaten der scholen neerzien, althans verklaren, dat er misschien wel goede opzichters, weinig goede ambachtslieden gevormd worden.

Van deze weinige ingenomenheid, welke bij velen nog bestaat met de resultaten der ambachtsscholen, gaven ook de besprekingen op het Nationaal Congres van Vakopleiding in 1895 blijk. In de verslagen van de ambachtsscholen over het laatste jaar kan men de beantwoording van de verwijten vinden.

-ocr page 97-

89

Het is met die verslagen in de hand, moeilijk vol te houden, dat de ambachtsschool slechts opzichters en dergelijke hooger geplaatsten aankweekt, maar waar cijfers gegeven worden, blijkt steeds dat het verreweg grootste gedeelte der oud-leerlingen bij het ambacht gebleven is.

Bovendien waar het blijkt dat er onder de aan ambachtsscholen opgeleide jongelieden zijn, die een hoogeren trap in het handwerk hebben bereikt, daar zal dat allerminst als een nadeel voor de school, eerder als een bewijs van de mindere opleiding elders te beschouwen zijn.

In enkele verslagen worden mededeelingen gedaan omtrent den verderen levensloop van onderscheidene leerlingen en soms over de loonen van de oud-leerlingen, wanneer zij de school eenige jaren verlaten hebben. Over het geheel zijn deze mededeelingen zeer gunstig.

Overal ziet men krachtige toeneming van het aantal leerlingen en waar men meermalen onderscheidene zonen uit hetzelfde gezin weder de ambachtsscholen ziet bezoeken, blijkt althans in de keuze van de belanghebbenden niets van ontevredenheid over het resultaat. Ja verschillende voorbeelden worden in den laatsten tijd aangehaald van patroons die werklieden vragen, bij voorkeur met diploma van een ambachtsschool; ook dat wijst op meerdere waardeering!).

Is het nu zoo vreemd dat eerst in den laatsten tijd het ambachtsonderwijs over \'t geheel ook door drukker bezoek, blijkt beter aan de behoeften te voldoen?

Als men bedenkt dat de pogingen, in de verschillende plaatsen aangewend, om ambachtsonderwijs in te richten, geheel op zich zelf stonden, dat geen leidende beginselen, zooals thans bij het landbouwonderwijs, van het begin af vast lagen, dan behoeft dit allerminst verwondering te wekken.

Vandaar heeft men in de meeste plaatsen dezelfde ervaringen moeten opdoen , en eerst overal tastende den weg moeten vinden.

Gedurende den cursus 85/80 waren er in ons land 8 ambachtsscholen met 84 leeraren en 1)19 leerlingen, in 95/90 20 ambachtsscholen met 207 leeraren en 2S73 leerlingen. Ook in België neemt de bevolking en het aantal van dergelijke scholen zeer sterk toe.

-ocr page 98-

90

Ziet men de praktische wijze, waarop de landbouwcommissie, na kennisneming van al hetgeen in het buitenland op het gebied van landbouwonderwijs te vermelden was, een geheel systeem van vakopleiding heeft inéén gezet, een leiddraad heeft gegeven, die met gerustheid gevolgd wordt, dan zou men wenschen dat ook eene commissie uit bevoegde practici en deskundigen een systeem voor het industriëel onderwijs had uitgedacht. Vele onaangename ervaringen waren dan zeker voorkomen.

Een der voornaamste oorzaken, die gewoonlijk de resultaten van een nieuwen tak of vak van onderwijs ver beneden de verwachting doen blijven, is het ontbreken van voldoende goed gevormde leerkrachten. Men kan zich nog zooveel schoone resultaten van het onderwijs voorstellen, wanneer de onderwijzer niet deugt, is van het onderwijs niets te verwachten. Men heeft gewoonlijk bij de hervormingen van ons onderwijs daarmede veel te weinig rekening gehouden, eerst de hervorming van het landbouwonderwijs is begonnen met de benoeming van geschikte personen, die anderen kunnen opleiden en onderrichten en is voortgezet geleidelijk naarmate goede leerkrachten beschikbaar werden.

Bij de invoering van het Middelbaar, bij de hervorming van het Gymnasiaal onderwijs is met deze eisch geen rekening gehouden. Evenmin met de herziening van de wet op het Lager onderwijs in 1878 of met invoering van nieuwe leervakken.

Vandaar dat men in zulke tijden wel een groote lotsverbetering krijgt van tal van personen, die het gelukkig treffen, dat zij voor de vele open plaatsen disponibel zijn, maar daarentegen dikwijls sommige personen zet op plaatsen, waar ze niet be-hooren en hun taak niet naar eisch vervullen. Jaren lang kan het dan duren voor betere leerkrachten in de plaats van de verkeerde komen, en hoeveel kan er dan bedorven zijn?

Is het nu niet te verwachten, dat deze fout ook bij het ambachtsonderwijs moest begaan worden?

De staat bemoeide zich er niet mede, liet de zaak aan het particulier initiatief over, zich alleen eenige rechten reservee-rende waar subsidiën werden verleend. De besturen der scholen moesten zelve hun leerkrachten leeren kennen en somtijds vormen.

-ocr page 99-

91

Vandaar in de ambachtsscholen dikwijls onderwijzers in de praktische vakken, die misschien flinke timmerlieden of smeden, maar heel ongeschikte onderwijzers bleken te zijn.

Die eigenschappen zijn niet gemakkelijk te vereenigen.

Het is heel iets anders iemand iets voor te doen dan het hem zelf te leeren doen. Werkstukken uit te denken, die in hunne opvolgende moeilijkheid geschikt zijn den aanstaanden werkman vlug en toch degelijk op de hoogte te brengen, is niet gemakkelijk, en misschien nog moeilijker een theoretischen cursus zóó in te richten, dat hij het praktisch onderwijs steunt en het onderwijs daarin niet te hoog wordt opgevoerd. Bij minder goed gevormde leerkrachten zal men steeds zien, dat zij te hooge eischen aan de leerlingen stellen, door gebrekkige kennis van de krachten der jongelieden, \'t Is immers bij alle goede onderwijzers, hoe laag of hoe hoog ook geplaatst, steeds waar te nemen, dat het onderwijs eenvoudig maar degelijk, voor verdere studie of ervaring vasten grond leggende is.

Slaat men de verslagen op van de verschillende ambachtsscholen in ons land, dan is het niet moeilijk de bewijzen te verzamelen, dat ook in ons land evenals elders de goede onderwijzers in de theoretische en praktische vakken, dikwijls ontbroken hebben. Daarmede in verband staat zonder twijfel de klacht, ook op het Nationaal Congres herhaald, dat somtijds aan de theorie te veel, aan de praktijk te weinig zorg werd besteed en de aandrang om de theoretische vakken zoo eenvoudig mogelijk te onderwijzen en de leerstof niet te uitgebreid te nemen.

Men behoort steeds meer te begrijpen en dit is ook inderdaad het geval, dat noch door de maatschappij noch door de onderwijzers mag verwacht worden dat onze ambachtsscholen van driejarigen cursus de kinderen van de lagere school tot volleerde werklieden kunnen vormen. Dat kunnen ze niet en mogen ze ook niet.

Had men dat doel voor oogen, dan zou men de jongelieden reeds bij hun komst op de school zoodanig moeten laten spe-cialiseeren bij hunne beroepskeuze, dat in drie jaren een groote mate van theoretische kennis en praktische vaardigheid wordt verkregen. Onmogelijk is het niet maar met het oog op den leeftijd zeer zeker niet gewenscht.

-ocr page 100-

92

Daartoe zou men reeds op de gewone lagere school met eene eigenlijke vakopleiding moeten aanvangen, althans het onderwijs reeds zoo inrichten, dat het eene bepaalde voorbereiding voor het ambachtsonderwijs geeft i).

Een der grootste kwalen van dezen tijd ontstaat uit het euvel, dat aan de voortgaande verdeeling van den arbeid is verbonden, dat nl. de werkman specialiteit wordt, slechts een bijzonder onderdeel van zijn vak kent en beoefent, al krijgt hij daarin ook een groote vaardigheid.

Op het Congres te Bordeaux van September 1895, deelde een schoenenfabrikant te Bordeaux mede, dat voor zijne leverantie van schoenen aan de Fransche marine, bij eiken schoen vijftien specialiteiten te pas kwamen, die weinig anders konden verrichten dan juist dat onderdeel van den arbeid, maar van hun vak als geheel weinig kenden.

Laat er verandering in zulk een bedrijf komen, tijdelijke of voortdurende vermindering van werk in een enkele fabriek of bepaalde plaats, waardoor verplaatsing van arbeidskrachten noodig wordt, dan heeft elke specialiteit slechts een uiterst gering gebied waar hij plaatsing kan vinden. Hij heeft als het ware veertien anderen noodig om weer in een bedrijf zijn kennis

!) In Frankrijk heeft men dit trachten te doen door van staatswege modelscholen op te richten, o. a. te Vierzon, eigenlijk een groep van scholen, bestaande uit een bewaarschool van 4 tot 7 jaar, gewone lagere school van 7 tot 12 en een school van voortgezet onderwijs van 12 tot 15 jaar. Het doel van deze school wordt door den Directeur de 1\'enseignement primaire, aldus geschetst:

„des groupes scolaires comprenant 1\'école maternelle, 1\'école primaire élémentaire, et a tons ces degrés, 1\'enseignement professionnel allant progressivement depuis les premières années ou il n\'est rien, jusqu\'au dernier semestre ou il est tout.quot;

,,des écoles de preparation générale a la vie ouvrière et industrielle; eiles condui-sent le jeune homme jusqu\'au seuil de 1\'usine ou de 1\'école d\'arts et métiers, mimi de toutes les connaissances générales et spéciales, de toutes les aptitudes, de toutes les habitudes do travail qui lui permettront de choisir une carrière spéciale et au besoin de passer de 1\'une dans 1\'autre, sur d\'etre partout, après quelques mois de pratique, un ouvrier d\'élite.quot;

Op deze wijze kan men zeer zeker werklieden opkweeken van groote handigheid en vaardigheid. Het is te vreezen, dat in dergelijke scholen de africhting voor het handwerk onwillekeurig veel te vroeg zal beginnen en de vaardigheid van de hand verkregen zal worden dikwijls ten koste van de algemeene verstandsontwikkeling en gemoedsvorming.

-ocr page 101-

93

en vaardigheid aan te wenden, terwijl diegene, die kennis van het geheele vak heeft, veel spoediger in een anderen tak daarvan zijn plaats zal vinden.

Juist de ambachtsschool moet zorgen, dat de werkman een goeden blik krijgt op het geheele vak, later komt de tijd van specialiseeren. Zal men op dit punt de ambachtsschool moeilijk een verwijt kunnen maken, iets anders is het of de vereenigingen of corporaties, die deze scholen hebben opgericht, wel voldoende de noodzakelijkheid van opleiding in de geheele handwerks-nijverheid hebben erkend en naar eisch bevorderd.

Het is toch eenigszins verwonderlijk dat de bouw en constructiebedrijven zoo alles overheerschend zijn op de ambachtsscholen en de bedrijven, die niet voor de woning en de inrichting daarvan hebben te zorgen, maar voor de even gewichtige dingen als kleeding en voeding, van de ambachtsscholen geheel verwijderd zijn gebleven, als ook de kunstnijverheid.

Zonder twijfel is het aantal timmerlieden, metselaars, steenhouwers , ververs, meubelmakers in ons land zeer groot, maar daar naast staan toch ook tal van andere bedrijven van hand-werksnij verheid.

Wel heeft de richting van het onderwijs in de eerste helft dei-eeuw medegewerkt de constructieve bedrijven bij het vakonderwijs voorop te zetten. Een der belangrijkste theoretische vakken, het teekenen, werd toch reeds geruimen tijd in verschillende scholen of academies onderwezen en ook daarbij het bouwkundig teekenen. Bij het inrichten van vakonderwijs was dus een groot gedeelte daarvan, het theoretisch vakonderwijs in hoofdzaak al aanwezig, in andere bedrijven was dat niet het geval.

Nu ziet men wel, naarmate de geldmiddelen het toelaten en er een voldoend aantal leerlingen gevonden wordt, de kring van ambachten op de ambachtsschool grooter worden, maar betrekkelijk zeer langzaam. De eene oorzaak is hiermede reeds genoemd, er zijn vakken, waarvoor in de meeste plaatsen, waar ambachtsscholen bestaan, niet genoeg leerlingen zich zouden aangeven, omdat het aantal, dat jaarlijks in het geheel in dat vak wordt opgeleid, te gering is. Voor deze bedrijven moet men een andere opleidingswijze volgen even goed als voor diegenen, waarvoor de school uit een technisch oogpunt zeer moeilijk

-ocr page 102-

94

praktisch onderricht kan verschaffen als steenhouwers en dergelijke bedrijven.

Dit mag evenwel geenszins een reden zijn om ten aanzien van de opleiding der werklieden in die vakken werkeloos te blijven.

Immers ook daarvoor kan op de ambachtsschool dikwijls veel nuttige kennis worden verkregen. Zoo ziet men op enkele plaatsen reeds dat de directeur der ambachtsschool in overleg treedt met den eigenaar eener steenhouwerswerkplaats om aan een leerling der school het praktisch onderwijs te geven waar de school de theorie, het teekenen en de materialen kennis bijbrengt. Bij samenwerking van school en werkplaats is op deze wijze zonder twijfel veel te bereiken.

Deze pogingen zijn dan ook voor uitbreiding zeer vatbaar. Is er in de laatste jaren zoowel in ons land als in andere landen steeds strijd geweest tusschen voorstanders van de werkplaats en van de school als opleidingswij ze, thans behoort die strijd plaats te maken voor samenwerking, die zeer vruchtbaar kan zijn en in zeer vele gevallen onmisbaar is.

Zeer zeker toch verdient de opleiding op de school in de eerste jaren, als de gewone lagere school pas is verlaten, den voorkeur, omdat van het begin af het hoe en waarom bij alles, wat het jongemensch verricht, voorop staat, omdat hij daardoor ook nog eenige jaren onttrokken wordt aan de werkplaats waarmede hij beter kennis maakt als zijn karakter meer gevormd is.

Toch zal deze opleiding steeds voor de kleine minderheid toegankelijk zijn. De meesten zullen de luttele verdiensten van die jaren nog niet kunnen missen. Voor hen kan de steun van particulieren en vereenigingen veel doen. Reeds nu wordt in verschillende plaatsen aan flinke maar behoeftige leerlingen eene ondersteuning gegeven waardoor het loon, dat de ouders in de eerste jaren moeten derven, eenigszins wordt vergoed.

Het spreekt van zelf, dat deze pogingen uit den aard der zaak beperkt zullen blijven. Bovendien in vele bedrijven, alsmede in vele kleinere plaatsen, zal het aantal leerlingen te gering blijven om een ambachtsschool te bevolken.

Hoe nu voor die groote meerderheid de opleiding voor het vak te verbeteren?

Pogingen worden in ons land daartoe aangewend o. a. door

-ocr page 103-

95

de vereeniging tot bevordering van het ambachtsonderwijs in Drenthe.

Deze provincie is ten aanzien van het ambachtsonderwijs in slechte conditie. Dun bevolkt, zonder groote middelpunten van verkeer, slecht voorzien van verkeerswegen, bestaat er voor de handwerkslieden weinig gelegenheid zich theoretisch en praktisch te bekwamen.

Onder die omstandigheden schrikten ook de hooge kosten van ambachtsscholen af, daar deze alleen dan veel nut zouden kunnen stichten, wanneer de leerlingen van alle zijden opkwamen en daaraan geen denken is bij de groote afstanden.

Men heeft toen van de betrekkelijk geringe geldmiddelen, waarover men beschikken kon, een ander gebruik gemaakt door een leerlingstelsel in te voeren. De bedoelde vereeniging telt in de verschillende plaatsen van Drenthe afdeelingen. Voor enkele vakken nu, welke door de vereeniging daarvoor worden aangewezen, worden patroons opgeroepen in de plaatsen, waar afdeelingen zijn gevestigd, om leerlingen op te leiden. Zij krijgen daarvoor gedurende de drie jaren van de opleiding eene jaarlijksche vergoeding terwijl de leerling een gering loon verdient.

Met de ouders van den leerling gaat het hoofdbestuur der vereeniging tevens een contract aan, waarbij deze zich verbinden den leerling drie jaren bij den patroon te laten, behoudens de artikelen van het contract, waarbij ontbinding der overeenkomst onder bepaalde omstandigheden is mogelijk gemaakt.

Eene commissie uit de vereeniging controleert de richtige naleving van het contract, terwijl de leerling telken jare een proefstuk moet leveren waaruit zijn bekwaamheid en vorderingen kunnen afgeleid worden.

Wat het praktisch onderricht betreft, is dus eene goede regeling getroffen al ligt het voor de hand dat de praktische bekwaamheid van een volgend geslacht op die wijze niet licht boven die van een voorgaand zal stijgen. Wanneer men evenwel bedenkt dat op het platte land en in kleine provinciesteden juist het specialiseeren niet zoozeer voorkomt en de patroons gewoonlijk nog geheel en al vakmenschen zijn en niet tot aannemers en ondernemers zijn geworden, dan zal die praktische opleiding dikwijls zoo slecht nog niet zijn als de patroon werkelijk

-ocr page 104-

96

zijn verplichtingen nakomt. Evenwel zal dikwijls de goede theoretische leiding ontbreken. Wel worden de leerlingen verplicht de herhalings- of teekenschool te bezoeken en zijn evenzeer de patroons verplicht vrijen tijd te geven tot het bezoeken daarvan, maar het eigenlijke theoretische vakonderwijs moet voor een goed deel ontbreken terwijl de aansluiting met de praktijk zal gemist worden.

Niettegenstaande deze bezwaren, is de vereeniging tot dusver over de verkregen resultaten zeer tevreden, al kan ook zij, wegens gebrek aan de benoodigde fondsen, haar vleugelen niet zoover uitslaan als zij zou wenschen.

Deze pogingen verdienen zeer zeker ondersteuning en aandacht in wijderen kring.

Door toch dergelijke leerlingcontracten meer algemeen te maken, worden vele jongelieden, volgens de bepalingen dier contracten, onttrokken aan allerlei werkzaamheden, die met hun vakopleiding niet in de minste betrekking staan, terwijl zij tevens geregeld, althans in de meeste gevallen, het avondonderwijs zullen bijwonen.

Zeer nuttig zou het zijn wanneer in de plaatsen waar daarvoor gelegenheid is, ook de ambachtsscholen hun diensten bewijzen, door het theoretisch onderwijs ook aan deze leerlingen te verstrekken. Daartoe zouden de patroons naast de uren voor het herhalings- of voortgezet avondonderwijs, die toch al gewoonlijk buiten den werktijd vallen, onder den werktijd een paar uren disponibel moeten stellen om hen de theoretische lessen aan de ambachtsschool te doen volgen.

Het zou dan zeer wel mogelijk zijn op de ambachtsscholen voor veel meer vakken dan nu gewoonlijk het geval is, het onderwijs te geven en ze te maken tot lagere industriescholen in den ruimsten omvang. Uit den aard der zaak ook is het theoretisch onderwijs lang niet zoo kostbaar als het praktisch en ver-eischt het niet zooveel uitgaven voor leermiddelen en localiteit.

De Directeur dezer industrieschool zou de rechte man zijn om in overleg met de patroons in de verschillende vakken dat theoretisch onderwijs in te richten, dat daardoor zeer veel nut kan dragen.

Op deze wijze wordt dan ook reeds in enkele plaatsen, b.v.

-ocr page 105-

97

den Haag, gewerkt. Men krijgt dan eene verbinding van de ambachtsschool met het leerlingstelsel wat niet anders dan gunstig kan werken.

Aanbeveling zou het verdienen den weg in te slaan, welke in een enkele Fransche vereeniging, die op dezelfde wijze werkt als de Drentsche, wordt gevolgd, en waarbij den leerling gedurende den tijd van zijne opleiding een „toeziende voogdquot; zou men kunnen zeggen, wordt toegevoegd. Dit is iemand, gewoonlijk van eenige meer belangrijke maatschappelijke betrekking, die toezicht houdt op de vorderingen zoowel van zijn pupil, als op de nakoming van het contract van de zijde der patroons.

Wat dus de Drentsche vereeniging doet door eene commissie is daar voor iederen leerling aan een bepaald persoon opgedragen. Ons komt deze regeling in meer dan een opzicht aanbevelenswaardig voor. In vele gevallen zal de toegevoegde patroon, om hem zoo eens te noemen, uit anderen maatschap-pelijken kring, hart gaan gevoelen voor den leerling, vooral als die zich wat goed houdt. Er zal een reden te meer gevonden worden voor een band tusschen mannen van verschillenden kring, in vele gevallen zeer gunstig voor beide partijen. Bovendien zal de leermeester, gecontroleerd door mannen van eenigen invloed en positie, die de zorg voor zijn leerling hebben op zich genomen, althans daarvoor belangstelling gevoelen, allicht het contract stipt nakomen.

Evenwel zal het euvel, gebrek aan aansluiting tusschen het theoretische en praktische onderwijs, blijven bestaan daar waar het leerlingstelsel zich niet om een bestaande ambachtsschool groepeert. In dat geval ware bij vereenigingen ten platte lande, de aanstelling van een reizenden directeur, die het toezicht houdt op de vakopleiding van de verschillende leerlingen, uit een technisch oogpunt niet verwerpelijk.

Wettelijke regeling van het leerlingcontract is zeker niet ongewenscht. Evenwel verdient het den voorkeur eerst door het particulier initiatief de instelling van het leerlingwezen met deze contracten ingang te doen vinden vóór de staat regelend, soms dwingend, optreedt. Sommigen verwachten van die contracten zeer veel. Op het Nationaal Congres van 1895 werd

zelfs voorgesteld een contract van 5 jaren, waarbij de loonen

Dr. i). bos, Onze Volksopleiding. 7

-ocr page 106-

98

van den leerling zoodanig van te voren zouden worden vastgesteld , dat de patroon in het te laag loon, dat hij in de laatste jaren zou uitkeeren, een vergoeding zou vinden voor hetgeen hem voor de opleiding toekomt alsmede voor het loon dat hij in den aanvang misschien te veel betaalt.

Men kan op dergelijke contracten in theorie rekenen, in de praktijk zal men deerlijk teleurgesteld worden. In Frankrijk althans heeft men de ondervinding opgedaan dat vele leerlingen, die hun contract nog niet voleindigd hadden, maar elders meer konden verdienen, zich lieten wegzenden om dat hoogere loon machtig te worden. Hoe langer men het tijdvak van het leerlingschap uitstrekt, hoe grooter wordt dit bezwaar. Wanneer een werkman bijna volwassen is en weet dat zijn werk niet met de waarde betaald wordt door den patroon, dan is het moeilijk hem te doen bedenken, dat hij nog bezig is voor zijn opleiding te betalen. Staatsdwang zou dan noodig zijn maar zwaar gevoeld worden.

Naast de pogingen om door het sluiten van leerlingcontracten verbetering in de opleiding te krijgen, behoort veel krachtiger dan tot nu toe de oprichting en uitbreiding van ambachtsscholen, hieronder verstaan alle scholen, die voor de nijverheid, van welken aard ook tegelijk de praktische en theoretische opleiding geven, te worden bevorderd. Zal dat evenwel mogelijk zijn, dan moet beter dan nu de ondersteuning van het rijk, provincie en gemeente geregeld zijn en verleend worden.

Wel is waar wordt thans van rijkswege ongeveer 30 procent in de kosten van instandhouding bijgedragen en door de gemeenten en provincies ongeveer 50 procent, maar de onzekerheid van deze bijdragen, die telken jare vastgesteld moeten worden, belemmert de ontwikkeling i).

Thans moet men dikwijls het gevaar loopen dat een school

-ocr page 107-

99

wordt ingericht, wat met veel onkosten gepaard gaat, en dat men een of meer jaren zonder subsidie blijft. Wordt de schooi uitgebreid, dan moet steeds weer geld gevraagd worden, terwijl ieder jaar de subsidies moeten aangevraagd worden, zonder dat er zekerheid bestaat dat ze worden verleend. Zekerheid van de subsidies, gewaarborgd door de wet, zou ook hier de ontwikkelingen groei krachtig bevorderen. Van de bijdragen van particulieren mag men niet te veel eischen, daarvoor zijn de inrichtingen van onderwijs te kostbaar, en is de opofferings gezindheid van het publiek te weinig standvastig. Ook hier zou een rijkssubsidie van 50 procent in de kosten van stichting en onderhoud een machtigen prikkel geven. De voor de overige 50 procent noodige medewerking van provincie, gemeenten en particulieren, zou de regeering des rijks allen waarborg geven, dat de plaatselijke behoeften de oprichting der school eischen, terwijl inspectie van rijkswege de goede werking kan controleeren en verhoeden dat \'s rijks bijdrage verkeerd wordt aangewend.

Dat voor den bloei der bedoelde scholen de medewerking van staat, provincie en gemeente noodig is, zal wel niet betwist worden. Wel is somtijds de vraag gesteld of door dezen steun niet aan particuliere ondernemers eene schadelijke concurrentie wordt aangedaan door de scholen. Immers in sommige plaatsen heeft de verkoop van de producten der schoolwerkplaats van tijd tot tijd kwaad bloed gezet.

Wanneer men bedenkt dat de geheele opbrengst van afgeleverd werk ongeveer tien duizend gulden is, dan zal men hier moeilijk van eene doodende concurrentie kunnen spreken. Evenwel aanbeveling verdient het, dat de ambachtsschool zoo weinig mogelijk voor particulieren werkt, maar in verbinding blijve met de werkbazen, de ondernemers en zooveel mogelijk met dezen in overleg trede over de levering van werk. Verloting-van producten der werkplaatsen heeft gewoonlijk ook weinig-bezwaar , daar de kans gering is dat de producten juist in handen komen van diegenen, die ze anders zouden koopen.

Indien door subsidies het ambachtsonderwijs van overheidswege krachtig wordt gesteund, dan behoort dat evenzeer het geval te zijn met de pogingen der vereenigingen, die de opleiding-willen verbeteren op de wijze als in Drenthe geschiedt. Waar

7*

-ocr page 108-

100

de noodige waarborgen gegeven worden door de offervaardigheid van bijzondere personen zoowel als door staatsinspectie, behoort de wet ook daar de ondersteuning te waarborgen.

Evenwel mag zich tot geldelijken steun de hulp der regeering niet bepalen. Aan haar is in de eerste plaats de zorg voor de vorming der leerkrachten. Particuliere bijdragen zijn hierbij in \'t geheel niet te verwachten, evenmin van gemeenten of provincies, omdat het belang bij het aankweeken van goede leerkrachten niet plaatselijk is. Toch, er kan niet genoeg op gewezen worden, de opleiding van den onderwijzer is bij de regeling van het onderwijs de hoofdzaak.

Richt vrij werklocalen in met de uiterste vrijgevigheid en zorg, de middelmatige of slechte onderwijzer verkrijgt niet half zooveel resultaten als de goede met gebrekkige hulpmiddelen.

De opleiding voor leeraar aan eene ambachtsschool in de praktische en theoretische vakken moet aan eene rijksinstelling verkrijgbaar zijn; het afleggen van proeven van bekwaamheid om als onderwijzer op te treden is aanbevelenswaardig.

Het zal niet zoovele jaren meer duren, wanneer de verschillende besturen medewerken en de eischen van verbetering van het ambacht zoo worden gevoeld als thans, dat het aantal ambachtsscholen verdubbeld wordt en de onderwijzers bij honderden geteld worden.

Is het dan niet noodig dat die mannen eene opleiding vinden, waarbij zoowel door eene voortgezette werkzaamheid van eenige jaren in de praktijk van het ambacht, als door deugdelijke theoretische en praktische vorming voorliet ambachtsonderwijs, gezorgd wordt, dat de eigenschappen van den onderwijzer en den werkman vereenigd worden? Bovendien kan men dan personen krijgen, die het ambacht in verdere volkomenheid leeren , die een ruimen blik hebben over de eischen van den tijd, zoowel als over de vruchten van inspanning der vroegere tijden.

In verband hiermede zou de stichting van een centrale vakschool met museum van producten der nijverheid en van het ambacht, op den weg der regeering liggen.

Op deze wijze toch kon met onbekrompen hand als het ware een model vakschool worden opgericht, waar volop gelegenheid kan worden gegeven om in elk vak het beste en hoogste te

-ocr page 109-

101

loeren, wat het land op het gebied van handwerksnijverheid in den ruimsten zin kan verlangen.

Bovenal ook zou dergelijke vakschool de gelegenheid moeten openen in avondcursussen speciale vakken geheel en al theoretisch en praktisch te leeren. Dergelijke inrichtingen bestaan ook thans reeds in andere landen, waar aan de hand van een voorgeschreven reeks van oefeningen, zoowel theoretisch als praktisch in verschillende vakken, als horlogeniaken, bekleeden, schoen en kleermaken, juweliers arbeid, enz. in moeilijkheid opklimmende cursussen worden gegeven, waardoor men een vak grondig kan leeren.

Deze inrichtingen, in een groote plaats gevestigd, hebben dikwijls nog dit voordeel, dat het aan werklieden, die in een bepaalden tak van nijverheid werkzaam zijn, mogelijk wordt van vak te veranderen, wanneer hun de vooruitzichten niet te gunstig toe schijnen.

Ook aan de andere vakscholen zouden dergelijke avondcursussen moeten verbonden worden zooals thans reeds op eenige plaatsen met succes geschiedt. De jonge werklieden, onverschillig of zij de ambachtsschool hebben bezocht of dat ze in de werkplaats zijn opgeleid, behooren van hun 15e jaar tot minstens hun 18° jaar dergelijke cursussen te bezoeken, om in hun vak nog tot grooter volkomenheid te geraken of aan te vullen, wat bij hun eerste opleiding aan theoretisch onderwijs heeft ontbroken.

Deze cursussen zullen wel in de meeste plaatsen voor het grootste deel of uitsluitend van theoretischen aard zijn en zal vooral het teekenen, ook in artistieke richting voortgezet, beoefend worden. Evenwel zal men, waar de omstandigheden gunstig zijn, doordat een bepaalde nijverheid plaatselijk sterk is vertegenwoordigd, in de gelegenheid zijn ook voor de praktijk van sommige vakken cursussen in te richten.

Vooral zal dit voortgezet onderwijs noodzakelijk zijn voor degenen, die niet als werklieden maar als bazen of opzichters zullen optreden, voor hen moet een veel ruimer onderwijs beschikbaar zijn dan de gewone ambachtsschool kan geven, vooral ook de eischen van de kunstnijverheid zullen dergelijke jongelieden moeten leeren kennen.

Wat de beoefening der kunstnijverheid betreft, waarin ons

-ocr page 110-

102

land zulk eon hooge plaats vroeger heeft ingenomen, op dat gebied zijn wij thans erg achterlijk. Eerst in de laatste jaren wordt gestreefd naar verbetering van de opleiding ook in dit opzicht vooral door de school welke verbonden is aan het Museum van kunstnijverheid te Haarlem.

Do inrichting van vakcursussen voor volwassen werklieden is zeer zeker eveneens van belang, het onderscheid tusschen deze en de bovenbedoelde niet scherp te trekken. In \'t bijzonder is hot een zaak, de overweging van allen waard, die belang stellen in den toestand der werklieden, of het niet een uitstekend voorbehoedmiddel tegen latere werkeloosheid is, te zorgen, dat in den winter de tijdelijk werkeloozen in verschillende bedrijven een goed vakonderricht ontvangen. Het is bekend dat in Amsterdam in die richting sedert eenige jaren door een uitnemende philantropie stappen zijn gedaan. Zij behooren veelvuldiger te worden. In verschillende vakken is het onvermijdelijk, dat hot werk gedurende een gedeelte van het jaar minder ruim is. Als de werkman de gewoonte aanneemt en kan aannemen om in dien tijd zijn waarde als werkman te vermeerderen in plaats van door ledigheid te verminderen, zal dat zijn toestand op den duur moeten verbeteren.

Krachtige medewerking van velen is daarvoor noodig. Natuurlijk kan hierbij geen sprake zijn van een afgerond onderwijs, maar van cursussen in verschillende vakken, waarvan de keuze aan de hoorders vrijstaat en het onderwijs geheel hoofdelijk zal zijn. Welke de inrichting moet zijn, hangt geheel van plaatselijke omstandigheden af, in het buitenland, zoowel als ten opzichte van enkele vakken in het binnenland, zijn voorbeelden genoeg aanwezig.

Ook op het platte land zou dan dikwijls de kans bestaan weer evenals in vele streken van het buitenland de huisvlijt te bevorderen.

Natuurlijk zal de regeering ten opzichte van het vakonderwijs voor meisjes dezelfde houding dienen aan te nemen als tegenover dat van jongens. Eigenlijk moet het niet de kwestie zijn om jongens of meisjes op te leiden, maar om op te leiden voor

-ocr page 111-

103

bepaalde beroepen, welke opleiding dan voor beide geslachten moet openstaan. Dat er verschillende beroepen zijn, die uit den aard der zaak alleen door vrouwen en andere voornamelijk door mannen worden uitgeoefend, spreekt van zelf, mag evenwel in geenen deele van invloed zijn op de houding, welke de regeering tegenover de pogingen om ook voor vrouwen een goede opleiding te verkrijgen, moet aannemen.

Weinig zal men op dit punt regelen moeten, slechts de geldelijke ondersteuning moet voldoende zijn om de particuliere krachten op te wekken.

Het is te hopen, dat deze in ons land door de aanstaande tentoonstelling van Vrouwenarbeid wakker geschud zullen worden.

Overal elders ziet men krachtig het industrieel onderwijs voor meisjes ter hand nemen, wat geschiedt er van dien aard bij ons?

Kook- en huishoudscholen verrijzen in de laatste jaren hier en daar in ons land en enkele industriescholen, die toch nog slechts een beperkt gedeelte onderwijzen van do vakken, waarvoor de vrouwen een specialen aanleg hebben.

Het onderwijsverslag van 1895;9() vermeldt dergelijke scholen alleen voor Arnhem, \'s-Gravenhage, Rotterdam, Amsterdam, terwijl ook aan de school voor kunstnijverheid te Haarlem aan eene klasse onderwijs werd gegeven in kunstnaaldwerk. Deze klasse werd wegens gebrek aan ruimte opgeheven.

Wanneer men let op den reusachtigen vooruitgang, die zelfs in een land als Rusland door een goed ingericht technisch onderwijs verkregen is voor meisjes, in België, Denemarken en Frankrijk steeds meer de waarde van den vrouwenarbeid door goed technisch onderwijs ziet vermeerderen, dan twijfelt men niet langer aan onze groote achterlijkheid op dat gebied, die ernstige krachtsinspanning noodzakelijk maakt.

Het is te verwachten dat op de congressen, die tijdens bedoelde tentoonstelling zullen gehouden worden, de inrichting van het vakonderwijs in het buitenland uitvoerig zal worden besproken, te hopen is het dat daaruit een krachtig initiatief worde geboren, dat, gesteund door de medewerking van openbare besturen, den arbeid der vrouwen hooger waarde geeft.

Evenals in dit geval de particulieren de hand uit de mouw

-ocr page 112-

104

steken, kan het van tijd tot tijd nuttig zijn, dat de regeering krachtig ingrijpt wanneer een bepaalde tak van industrie in ons land kwijnt door onvoldoende voorbereiding en achterlijk is geworden. De geschiedenis deelt ons de voorbeelden mede van verlichte vorsten, die uit den vreemde de kundigste werklieden ontboden om de inlandsche nijveren een voorbeeld te geven en voor te lichten. In Frankrijk, Oostenrijk, Duitschland en ook in ons land is aldus met goed gevolg gehandeld.

Volken, naijverig op hun roem, zooals de Venetianen, straften zelfs de werklieden, die zich door dergelijke aanbiedingen uit het land lieten lokken, overtuigd dat het met hunne over-heersching op het punt van nijverheid dan gedaan zou zijn.

Is het gewenscht in dezen tijd, nu de vorsten een andere plaats innemen in het regeeringsstelsel, deze pogingen van overheidswege te staken om de bekwaamste werklieden in vakken , die wij niet goed genoeg verstaan, naar hier te lokken ?

Of ligt het niet op den weg der regeering, een open oog te houden voor de eischen en behoeften der industrie en juist op het punt van voorlichting en onderricht het noodige te verrichten ?

Bekwame Nederlandsche nijveren uit de verschillende kringen der bevolking door studiebeurzen in de gelegenheid stellen zich een grondige kennis te verwerven aangaande verschillende bedrijven, die ergens ter wereld beter uitgeoefend worden dan bij ons, hen verplichten van hunne ervaringen uitvoerige rapporten in te dienen en zoo mogelijk door mondelinge voordracht toe te lichten, uit andere landen kundige beoefenaars van sommige vakken laten overkomen, om zoo het noodig is, spoedig aan zeer velen eene verbetering in werkwijze duidelijk te maken, zie hier maatregelen, die geheel op den weg der regeering liggen, omdat zij genomen worden met rechtvaardigheid in het algemeen belang.

Wat den landbouw betreft zijn op verzoek van de groote landbouwmaatschappijen belangstellenden en belanghebbenden in de zuivelindustrie naar Denemarken gegaan om de productie wijze daar waar te nemen. Men zal niet ontkennen dat deze reizen rijke vruchten hebben gedragen.

Zoo ook zoude op het punt van ambachtsnijverheid zoowel in den gewonen zin als dien van kunstnijverheid, uitzending van

-ocr page 113-

105

bekwame personen, tot kennisneming van het hetgeen elders beter is dan bij ons, in ruime mate moeten plaats vinden.

De invoering van machines, in \'t algemeen van alle verbeteringen in de nijverheid, heeft ontegenzeggelijk voor velen steeds onaangename gevolgen.

Maar voor wie het meest?

Voor dengene, die het langst onkundig blijft van deze veranderingen.

Het is van het grootste belang, dat verbeteringen in productiewijze zoo snel mogelijk in alle belanghebbende kringen doordringen. Men zal zeggen, dit geschiedt reeds door tal van tijdschriften, die spoedig genoeg het nieuwe verspreiden en komt het dus slechts aan op het ontwikkelen van de lust tot lezen bij de nijvere bevolking.

Evenwel er is geen onderwijs zoo krachtig en doeltreffend dan dat door aanschouwing. Lees een artikel over een verbeterde werkwijze en zeer waarschijnlijk is het, dat nog eerst eens nadere bijzonderheden afgewacht worden vóór veranderingen , die geld kosten, worden aangebracht. Zie evenwel de nieuwe machine in werking, toegelicht door een bekwaam werkman, de voordeelen duidelijk gemaakt, en, wat het geschrift niet kon doen, vermag onmiddellijk de aanschouwing gepaard aan het levende woord.

Vandaar ook de groote beteekenis van elke tentoonstelling, hoeveel kwaads men somtijds geneigd is daarvan te spreken.

Maar deze zijn niet voldoende. Zij kunnen, wanneer zij internationaal zijn, soms duidelijk den vooruitgang van een geheel volk aanwijzen en de achterlijkheid van een ander, en op die wijze krachtig tot verbetering medewerken.

Maar wat men juist noodig heeft, is het verbeteren, niet bij schokken, maar geleidelijk van eiken tak van nijverheid, steeds te trachten die op de grootste hoogte te brengen, welke ergens maar gevonden wordt.

Daarom is het zulk een uitnemend denkbeeld van het Bestuur van \'t Museum van kunstnijverheid te Haarlem, om in enkele deelen van Friesland, waar vroeger het houtsnijwerk inheemsch was, eene verzameling ten toon te stellen van producten door houtsnijwerk versierd.

-ocr page 114-

106

Niet onmogelijk dat daardoor personen worden opgewekt om zicli weer aan de kunst te wijden. Maar wanneer zulk een tentoonstelling gepaard ging met een cursus b.v. gedurende eenen winter door een alleszins bekwaam werkman in dat vak? Zou dan liet resultaat nog niet veel krachtiger en grooter zijn?

Er zijn onderscheidene streken in ons land waar onder de bevolking eene bepaalde vaardigheid sluimert, waar vroeger werd geweven en gesponnen met voorliefde en smaak, waar kant-, knoop- of vlechtwerken inheemsch was, waar uurwerken werden gemaakt of pottebakkerswerk dat met roem bekend was. Men heeft die vaardigheid in vele gevallen bij de concurrentie van het machinale werk zien achteruitgaan omdat de arbeid niet meer voldoende beloond werd.

Maar zou het niet goed zijn door speciale cursussen in verschillende deelen van het land die vaardigheid weer op te wekken maar tot hooger peil dan vroeger door betere voorlichting? Zou op die wijze niet in vele plaatsen weer waardevol product gemaakt worden waar thans dikwijls des winters de handen rusten ? Er zijn voorbeelden waardoor die vraag reeds bevestigend is beantwoord. Welnu men handele op het gebied van de ambachten en handwerken, in \'t algemeen van de kleine nijverheid krachtig in dien zin.

Evenals bij den landbouw het onderwijs de volwassen personen opzoekt door consulenten en landbouwonderwijzers, moet dat op het gebied der nijverheid geschieden. Daarvoor is het noodig dat vereenigingen, die zich de veredeling en verbetering van het ambacht voor oogen stellen, pogingen in dien geest doen, waarvoor evenals voor elke goede poging om de vakkennis door onderwijs te verbeteren, steun van den staat, provincie en gemeente moet verleend worden.

In ons land worden de geesten wakker. Men streeft er reeds naar door het afleggen van proeven van bekwaamheid in verschillende ambachten den graad van gezel en meester weer tot een begeerlijken titel te maken.

Instellen van examens, waarbij scherp en duidelijk worden geformuleerd de eischen, welke in den tegenwoordigen tijd aan het handwerk moeten gesteld worden, kunnen zeer nuttig ja onmisbaar zijn om het peil van de beoefening spoedig te

-ocr page 115-

107

verhoogen. Maar de goede opleiding zal op den duur dat peil regelmatig hoog moeten houden. Het gevaar toch bestaat steeds bij examens, onder welken naam en vorm ook, dat zij leiden tot africhting, hetgeen overal en niet het minst daar waar de vrije werking van het scheppend vermogen in den mensch op den voorgrond moet komen, bedenkelijk is.

Voor een klein land als het onze, omringd door machtige naburen, op elkander en op ons steeds naijverig, steeds trachtend elkander in den strijd der volken te benadeelen, is thans groote inspanning noodig. Inspanning zoowel van de regeering, die over de organen beschikt voor informatie en ook voor uitvoering , zoowel als van particulieren, maar vooral van de nijveren, die bij de goede vakopleiding zoo groot wezenlijk belang hebben.

Vakvereenigingen van werklieden en patroons mogen toch

meer dan tot nog toe de zaak ter hand nemen en naast de

middelen om van de opbrengst van den arbeid het grootste

gedeelte machtig te worden, zoeken naar diegene, welke die

opbrengst in het geheel verhoogen en daarmede van zelf reeds i

ieders aandeel.

Hoevele voorwerpen van nijverheid worden jaarlijks in ons land ingevoerd , waarvan de grondstof slechts een uiterst gering percentage van de waarde uitmaakt, maar het verreweg grootste gedeelte van de waarde aan den intelligenten arbeid wordt uitgekeerd. En op de vraag, waarom maken onze handen dat werk niet, is gewoonlijk het antwoord: omdat wij het niet kunnen maken.

Dat te verhelpen is een zaak van groot algemeen belang, waarbij de regeering door betere vakopleiding met groote energie te bevorderen, de algemeene welvaart duurzaam zal doen verhoogen en in \'t bijzonder die van de werklieden.

-ocr page 116-

HOOFDSTUK VII.

Lager Handels Onderwijs.

Kan het lager landbouwonderwijs op een goede organisatie bogen, al is deze ook nog niet geheel tot haar recht gekomen, is bij het lager industrieel onderwijs, door de pogingen van particulieren reeds sedert geruimen tijd eenige vastheid in de inrichting der benoodigde scholen ontstaan, ten opzichte van de voorbereiding voor den handel staan de pogingen der particulieren nog geheel afzonderlijk en is van regeeringssteun zelfs in \'t geheel niets te bespeuren.

Wij bedoelen nu niet in de eerste plaats de opleiding van de hoofden der handelshuizen, van de voorbereiding der jongelieden, die den buitenlandschen handel en in \'t algemeen den groothandel zullen te drijven hebben, daarvan zal later sprake zijn. Maar waarop wij het oog vestigen, is die groote massa van handeldrijvenden, die in ons land overal verspreid worden gevonden en zoo veel tot de volkswelvaart bijbrengen.

Men moge zeggen wat men wil over het belang der verschillende takken van het volksbestaan, de ruiling en verspreiding van producten is in de tegenwoordige maatschappij een zeer gewichtige factor en de goede vervulling van de taak, aan de kooplieden opgedragen, van groot belang.

Maar niet alleen uit een economisch oogpunt, ook bezien van een nationaal standpunt is ontwikkeling en vakopleiding van de breede kringen der neringdoenden, zoowel als der handelsbedienden op grootere kantoren, een onafwijsbare plicht.

Geen land bijna is zóó voor den handel aangewezen als het onze, bij weinige volken is de handelsgeest zoozeer in alle lagen doorgedrongen.

-ocr page 117-

109

Industrie en landbouw, ze zijn zeer gewichtige factoren voor onze volkswelvaart, aan wier ontwikkeling en verbetering met kracht gewerkt moet worden, maar niet minder dan deze moet de handelsgeest en geschiktheid voor dat bedrijf groeien door doeltreffende maatregelen vooral op het terrein van onderwijs.

Voor hen, die geen ander dan lager onderwijs genieten, is er thans voor opzettelijk handelsonderwijs zeer weinig gelegenheid en heeft deze ook in deze geheele eeuw slechts in zeer geringe mate bestaan. Voor de meer gegoeden was er op een enkele kostschool of instituut gelegenheid het een en ander van boekhouden en handelscorrespondentie te leeren, van meer algemeenen aard en bereikbaar voor een grooteren kring bestonden slechts enkele inrichtingen, in het bijzonder:

1°. De inrichting voor onderwijs in koophandel en nijverheid, door Dr. S. Sarphati in 1846 te Amsterdam opgericht en hoofdzakelijk in stand gehouden. De school zelve had in haar karakter veel van de tegenwoordige hoogere burgerscholen. Het onderwijs omvatte naast de eigenlijke vakkundigheden: handelsusan-tiën, warenkunde, boekhouden, correspondentie in het Fransch, Duitsch en Engelsch, ook nog tal van vakken voor meer algemeene ontwikkeling als: reken, meet en stelkunde, schei, natuur en werktuigkunde, geschiedenis, aardrijkskunde, staathuishoudkunde, schoonschrijven, hand en rechtlijnig teekenen.

Wat evenwel in deze school van bijzonder belang is ten opzichte van het onderwijs, dat ons bezig houdt, is het bestaan van avondcursussen aan deze school voor hen, die de daglessen door hunne bezigheden niet konden volgen. Zelfs was er in deze cursussen gelegenheid tot het aanleeren der Deensclie, Spaansche en Italiaansche talen.

2°. De avondcursussen van het genootschap Mathesis Scien-tiarum Genetrix te Leiden, waarin ook handelsonderwijs werd gegeven.

Na het in werking treden van de wet op het middelbaar onderwijs is wel voor vele jongelieden de gelegenheid geopend op de hoogere burgerscholen onderwijs te genieten, dat voor den aanstaanden koopman van veel waarde is, evenwel van vakonderwijs, zooals dat in verschillende buitenlandsche scholen

-ocr page 118-

110

b.v. te Antwerpen, Leipzig, Weenen, Praag, Parijs enz. reeds sedert lang werd verstrekt, was daarbij geen sprake.

Toch heeft inzonderheid voor den handel het verbeterde lager, meer uitgebreid lager en middelbaar onderwijs zijn gunstigen invloed doen gevoelen omdat de kundigheden voor vele handelaren zoozeer gewenscht, deugdelijke kennis van de taal, zoo noodig vreemde talen, kennis van het rekenen en aardrijkskunde algemeener werden onder den handeldrijvenden stand.

Evenwel de eischen, die in alle kringen gesteld worden, zijn steeds stijgende en ook voor den koopman, waar hij moge gevestigd zijn en welke de omvang zijner zaken, is veel grooter kennis noodig, dan in het midden dezer eeuw. De Duitsche keizer heeft voor kort het kenmerk van onzen tijd gezocht in het reusachtig uitgebreid verkeerswezen en niet ten onrechte. De meest afgelegen deelen van de wereld zijn dichterbij gekomen, de kring, waarin ieder zich beweegt, wat zaken betreft, is veel wijder geworden.

Ieder koopman, ook de kleinste, ondervindt de mededinging van veel meer vakgenooten uit verwijderde plaatsen of streken, maar ook omgekeerd is hij in de gelegenheid zijn handelsgebied veel verder uit te strekken en in verafgelegen plaatsen zelf mede te dingen. Vandaar veel meer kennis benoodigd overal.

In de eerste plaats is zeker wel noodig een grondige kennis van de goederen, die immers het voorwerp van de ruiling zelve zijn. Èn voor den koopman èn voor de maatschappij is het noodig dat de eerste de waren kent, weet welke behoeften ze moeten bevredigen, aan welke eischen ze moeten voldoen.

Men zal zeggen, dat is een kennis, die slechts de praktijk in volle uitgebreidheid en grondigheid kan geven, en voor ieder afzonderlijk vak is dat even juist als dat het onmogelijk is alleen op de school een goed fabrikant of landbouwer te worden. De praktijk moet ook hier in de praktijk voor een groot deel geleerd worden.

Maar wat de school wèl kan geven, is kennis door aanschouwing en onderzoek van verschillende belangrijke groepen voortbrengselen, hun vervaardiging en eigenschappen, de verval-schingen, waaraan zij blootstaan en de middelen om deze zoo gemakkelijk mogelijk aan het licht te brengen. Niemand zal

-ocr page 119-

Ill

ontkennen dat deze wetenschap in den tegenwoordigen tijd voor een groote klasse van handeldr ij venden van groote beteekenis is.

Naast warenkennis behoort de koopman in eiken kring te weten hoe zijne zaken te administreeren. De wet schrijft het voor, maar de praktijk leert maar al te vaak, hoe slecht vele kooplieden boekhouden. Juist het ontbreken van deze kennis verhindert dikwijls menschen, die met ondernemingsgeest wel voorzien zijn, hun werkzaamheid uit te strekken zoover als anders mogelijk was, althans daarvan de beste vruchten te plukken. Boekhouden is dus een onmisbaar vak van het handelsonderwijs.

Waar goed deugdelijk en praktisch rekenonderwijs genoten is, zal dat in de meeste gevallen ook voor het vervolg wel voldoende zijn, evenwel zal ook voor verschillende bedrijven, inzonderheid voor handelsbedienden van groote kantoren, afzonderlijk rekenkundig onderwijs met het oog op den handel, het zoogenaamde handelsrekenenen, nuttig zijn. In het bijzonder is dat het geval waar handelstransacties met het buitenland rekening moeten doen houden met verschillende muntstelsels en met den loop der wisselkoersen of waar, zooals in den geldhandel of het verzekeringswezen berekeningen van meer inge-wikkelden aard voorkomen.

De tegenwoordige omstandigheden stellen nog verdere eischen aan de kennis van den koopman. Zoo zal hij niet onbekend mogen zijn met de groote verbeteringen, welke op het gebied van vervoer, verkeer, credietwezen zijn te verkrijgen. Het is dikwijls aan gebrekkige kennis te wijten dat, vooral in de kringen die dit het meest noodig hebben, de minste voordeden worden getrokken van het verbeterde geld en credietwezen.

Wanneer men ziet hoe langzaam inzonderheid in ons land de kleine handelsstand er toe overgaat een goed crediet en bank-stelsel voor zich in te richten of gebruik te maken van instellingen voor hun nut opgericht, dan kan moeilijk andere reden gevonden worden dan onkunde. Grove onkunde, die dikwijls duur crediet van leveranciers doet voortrekken boven het goedkoopere bij eene bankinstelling, van welken aard dan ook.

Zoo ook beschouwde men in de eerste jaren na de oprichting der Nederlandsche Bank het verdisconteeren van wissels als een laatste redmiddel in den nood, waarvoor men zich wel had te

-ocr page 120-

112

schamen, evenals thans vele kleinere kooplieden het gebruiken van liet crediet bij eene bank als een noodsprong beschouwen. Terwijl in het eerste geval de handel wel spoedig door de verkregen kennis van wat in Engeland en Schotland in het bijzonder gedaan werd, de voordeelen van het beter credietwezen wist te waardeeren, soms wel eens te overschatten, is de groote massa van den kleinhandel althans nog niet ver van het oude standpunt. Ook hier moet meerdere kennis van dat gedeelte der staathuishoudkunde, dat in rechtstreeksch verband staat met het ruilverkeer en het best handelseconomie kan genoemd worden, de krachten van een belangrijk gedeelte van de burgerij verhoogen.

Evenzeer is voor deze klasse van nijveren noodig eenige kennis van de wetgeving, voor zoover daarmede de handel voortdurend in aanraking komt, al is het volstrekt niet noodig dat wetenschappelijke kennis behoeft verworven te worden.

Naast deze wetenschappen behoort een plaats ingeruimd te worden aan de handels aardrijkskunde. Waar een goed voortgezet lager onderwijs is gegeven, zal dat vak voor de meeste doeleinden wel niet verder uitgestrekt behoeven te worden, in grootere plaatsen evenwel, waar het verkeer met den vreemde levendig is, wèl.

Eerst in de laatste plaats noemen wij die vakken, die thans bij het handelsonderwijs, voor zoover het in ons land als lager handelsonderwijs bestaat, gewoonlijk voorop staan, nl. de vreemde talen. Geenszins stellen wij ze achteraan omdat hunne kennis van weinig waarde is.

Integendeel, er zullen tal van jonge kooplieden en handelsbedienden zijn, die daaraan, en terecht, de grootste waarde hechten. Ons taalgebied is zeer klein, onze aanraking met de vreemde omliggende volken zeer menigvuldig en steeds toenemende. In de grootere plaatsen is er een levendig verkeer zoowel voor uitvoer als invoer met naburige landen, het ligt voor de hand dat kennis van een of meer vreemde talen daar onmisbaar is in verschillende bedrijven. Op vele groote kantoren is een staf van correspondenten en boekhouders, ook daar wordt voornamelijk aan de kennis, daarvoor noodig, groote waarde gehecht. Zelfs vakken als stenographic en machine schrijven,

-ocr page 121-

113

die moeilijk van algemeen belang reeds kunnen geacht worden, zullen daar vele beoefenaars vinden. Men verlieze evenwel, ook bij het handelsonderwijs, dat is ons land nog in de kindsheid is, nooit uit het oog, dat bij het vakonderwijs allereerst moet gevraagd worden: wat heb ik het meest noodig voor mijn vak, eerst dan kan de vraag te pas komen; wat kan nu ook nuttig voor mij zijn en allerlaatst: wat zou ik eens gaarne willen weten en bestudeeren.

Houdt men dezen stelregel vast, dan moet voor de groote massa kleinere kooplieden in ons land de noodzakelijkheid van de eerst vermelde vakken eerder worden aangenomen dan die van onderscheidene nieuwe talon en moet men, waar de gelegenheid niet bestaat aan alle mogelijke eischen te voldoen, in de eerste plaats letten op de voor eiken koopman onmisbare kennis.

Welke scholen moeten daarvoor in het leven worden geroepen?

Bij de beantwoording van die vraag zal men te letten hebben op hetgeen in ons land reeds uit vrije beweging is tot stand gebracht en tot zekere ontwikkeling gekomen. Daarin toch ligt een waarborg voor het bestaan, nog meer voor het levendig gevoelen van een behoefte, waarin het onderwijs moet voorzien en tevens een aanwijzing dat men in de goede richting zich beweegt.

Reeds hebben wij gewezen op avondcursussen voor handelsonderwijs, die vroeger hebben bestaan. De school van Dr. Sar-phati is evenwel in den loop des tijds verdwenen, de instelling-die later en ook nu nog dezelfde behoefte aan handelsonderwijs te Amsterdam bevredigt, bezit geen avondcursussen ofschoon pogingen daartoe reeds eenmaal zijn aangewend.

Geheel door particulier initiatief zijn in de laatste jaren eenige pogingen gedaan. Aan de bijzondere handelsschool van den heer Dirks te Amsterdam o.a. zijn avondcursussen voor kantoorbedienden verbonden, eveneens worden in het gebouw van den Werkenden Stand cursussen gegeven voor mannelijke en vrouwelijke leerlingen ter opleiding voor quot;examens in boekhouden, stenographic en correspondentie in moderne talen. Ook het handelsrecht en handelsrekenen wordt daarbij onderwezen.

Behalve verschillende bijzondere inrichtingen, waar eene

voorbereiding voor den handel vooral in den vorm van onder-

Dr. D. vos, Onze Volksopleiding. S

-ocr page 122-

114

richt in boekhouden, handelscorrespondentie, handelsrekenen en handelsaardrijkskunde, wordt gegeven, verdienen in het bijzonder de aandacht, de pogingen door handels- en kantoorbedienden aangewend om door beter onderwijs tot verheffing van hun stand te geraken.

De vereeniging van handelsbedienden, Mercurius, te Rotterdam, opgericht in 1882, heeft cursussen opgericht voor talen, correspondentie en boekhouden, terwijl in vergaderingen lezingen worden gehouden door bekende deskundigen op het gebied van handelsrecht, handelsaardrijkskunde enz.

De vereeniging van handels- en kantoorbedienden „Vooruitquot; te Amsterdam, opgericht in 1887, geeft ook cursussen in handelswetenschappen, moderne talen, stenographic enz.

Vervolgens is ook van andere zijde door de „vereeniging van leeraren in boekhoudenquot; te Amsterdam, opgericht in 1883, de gelegenheid geopend in cursussen onderwijs te krijgen in boekhouden, nieuwe talen, correspondentie en stenographic.

Ten slotte is op initiatief van „Vooruitquot; in 1896 een Nationale Bond van Handels- en Kantoorbedienden in Nederland opgericht, die zich o.a. ook ten doel stelt in verschillende plaatsen afdeelingen te vestigen en daar het inrichten van cursussen voor handelsonderwijs te bevorderen i).

Het eigenaardige van deze vereenigingen is, dat zij alle een examen hebben ingesteld, hetwelk, onder behoorlijke controle afgenomen, waarborgen geeft voor het bezit van eene bepaalde mate van kennis bij degenen, die het diploma verkrijgen.

Dit stelsel heeft zijn goede zijde wanneer men algemeen de aandacht wil vestigen op de kennis, die iemand voor een zeker vak behoort te bezitten. Zonder twijfel hebben de bedoelde examens tot dusver zeer veel goeds uitgewerkt en in het bijzonder verschillende jongelieden aangespoord zich de noodige kundigheden te verwerven en daarvoor hulp te zoeken. Ook een onderwijs per correspondentie, om het degenen gemakkelijk te maken, die moeilijk een onderwijzer kunnen bekostigen, is ingericht.

!) Voor de bijzonderheden over deze vereenigingen raadplege men de interessante brochure van den heer II. Ij. Ileykoop: Handelsonderwijs en handelsvereenl-glngen 1897.

-ocr page 123-

115

Men ziet evenwel licht in, dat op deze wijze de handelsopleiding gebrekkig moet blijven. Hoe welkom ook en hoe prijzenswaardig dit blijk van het initiatief der handels- en kantoorbedienden moge zijn, wil er van het onderwijs iets deugdelijks groeien dan moet het op vaster grondslag worden opgetrokken.

Dat daartoe deze gelukkige pogingen moeten dienstbaar worden gemaakt, ligt voor de hand, maar de geldelijke steun van rijk, provincie en gemeente moet maken dat de instellingen van handels-vakonder wijs veel meer kunnen bereiken dan thans ook slechts in de verte mogelijk is.

En waarom zouden deze hier hun steun achterwege laten, waar zij die aan het landbouwonderwijs zoo onbekrompen en ook aan het industrieel onderricht steeds meer en meer ver-leenen. Werd toch bij de oprichting van handelscursussen, zooals zij behooren te zijn, ook de regel getroffen, dat 50 o/0 van de kosten van oprichting en 50 0/o van de onderhoudskosten als rijkssubsidie wordt verleend, dan waren veel grootere resultaten te verkrijgen.

Het is te wenschen dat de bovenbedoelde Nationale Bond overal vertakkingen en afdeelingen krijgt. Dit zullen de aangewezen corporatiën zijn om het handelsonderwijs in te stellen. Waar zij evenwel niet bestaan en waar de gemeentebesturen zelve niet meenen in dezen belangrijken onderwijstak te moeten voorzien, daar ligt het op den weg der kamers van koophandel, vereenigingen van handelaren of dergelijke corporaties, de zaak ter hand te nemen. In het bijzonder zijn hier de kamers van koophandel aangewezen. Waar deze de belangen van den handel en de nijverheid hebben te bevorderen en voor te staan, daar zullen zij toch zeker hun aandacht niet kunnen onthouden aan de opleiding van jongelieden, die in de handelskantoren behulpzaam moeten zijn of die zelfstandig den handel hunner plaats zullen voeren en vooruit moeten brengen.

\'t Is verwonderlijk hoe weinig die corporaties zich tot dusver aan deze zaak hebben laten gelegen liggen en toch, wanneer men eens kijkt over de grenzen en ziet welk een ontwikkeling reeds sedert jaren de Kaufmannische Fortbildungsschulen in Oostenrijk, Hongarije, Duitschland en Zwitserland hebben gekregen, moot wel de gedachte opkomen dat ons handeldrijvend

8*

-ocr page 124-

116

volk bezig is zijn plicht op bedenkelijke wijze te verwaarloozen.

Verre zijn wij achter en al is ook niet alles wat onder den naam van Kaufmannische Fortbildungsschule bekend staat, te beschouwen als handelsonderwijs, zooals wij dit bedoelen en soms meer te vergelijken met het bovenbeschreven voortgezet lager onderwijs, toch bestaat op vele plaatsen reeds in het buitenland wat wij in ons land nog moeten ontberen !).

Wel komt er in ons land reeds meerdere belangstelling ook bij openbare besturen. Zoo heeft de gemeente Delft den 2 Augustus 1897 besloten tot oprichting van een handelscursus, die ten doel heeft ,,eene opleiding te verschaffen voor hen, die zich voor den handelsstand bekwamen willen, ongeacht of zij reeds al dan niet praktisch in die richting werkzaam zijn.quot;

Het onderwijsprogramma omvat: De beginselen der Neder-landsche, Fransche, Hoogduitsche en Engelsche talen met toepassing voor de handelscorrespondentie, het rekenen, de beginselen der handelswetenschappen, daaronder begrepen het handelsrecht, het boekhouden, het handelsrekenen, de handels-aardrijkskunde, de grondbeginselen der Staathuishoudkunde en de gronden van de Nederlandsche Staatsinstellingen.

Het is geoorloofd de lessen in slechts een der drie vreemde talen te volgen. De cursus is vierjarig, het aantal lesuren hoogstens 40 per week voor de vier klassen te zamen.

Daar de school geen grooter kennis eischt voor toelating dan aan het eind der gewone lagere school verkregen is, zal deze inrichting in haar aard meer overeenkomen met inrichtingen, die door ons als voortgezet lager avondonderwijs worden beschouwd, al zal de uitbreiding van den cursus tot vier jaren in het hoogste jaar meer vakonderwijs toelaten.

De ontwikkeling van ons handelsonderwijs in avondcursussen leidt er toe, dat in ons land eene organisatie waarschijnlijk is en moet worden nagestreefd als thans zoo voortreffelijk bestaat in Zwitserland.

1) Vgl. voor liet handelsonderwijs de meer aangehaalde Fransche rapporten alsmede F. Glasser, Das commercielle Bildungswesen in Osterreich-Ungarn 1893, Dr. Stegemann, Der gegenwartige Stand des kaïifinannischen Fortbildungs-Schul-wesens 189G. Verder, Les écoles de commerce et 1\'enseignement complémentaire commercial en Suisse 189G.

-ocr page 125-

117

Er is bijna geen volk, dat met zoo klaren blik de voordeelen van goed onderwijs beschouwt als het Zwitsersche. Ook zijn handelsonderwijs geeft daarvan de blijken.

Het onderwijs voor handelsbedienden nu, wordt daar bijna geheel gegeven door de Sociétés de jeunes commergants of Sociétés de commergants, die sedert 1863 in steeds grooteren getale zijn opgericht. Bijna allen behooren tot eene centrale ver-eeniging, de „Société Suisse des commergants.quot;

In 1895 bestonden er 42 vereenigingen te zamen tellende 5319 leden, die subsidie ontvingen van staatswege, van de kantons en de gemeenten. De cursussen werden door ongeveer 3000 leerlingen bezocht gedurende den cursus 1894/95.

Vakken van onderwijs zijn: boekhoiiden, handelsrekenen, warenkennis, handelscorrespondentie, handelsaardrijkskunde, handelsrecht, talen, schoonschrijven, stenographic en schrijven met de schrijfmachine.

Van de ervaring in Zwitserland en vooral ook in Duitschland opgedaan, zal men, lettende op de eigenaardige verhoudingen en behoeften van ons land, kunnen partij trekken.

Een dier ervaringen, welke ons belangrijk voorkomt, is, dat de inrichting van den handelscursus in een groote stad van anderen aard moet zijn dan in eene kleine, dat in het eerste geval zooveel mogelijk gelegenheid gegeven moet worden tot het geheel vrij volgen van verschillende onafhankelijke cursussen in onderscheidene vakken, terwijl in kleinere plaatsen het handelsonderwijs een geheel moet vormen, met weinig facultatieve vakken. Het is gewenscht hierop te letten.

Zooals uit het vorenstaande blijkt hebben wij met het handelsonderwijs jongelieden op het oog, die het voortgezet lager avond-of dagonderwijs reeds achter den rug hebben en nu op kantoren of in winkels of magazijnen geplaatst, de avonduren aan verdere vakopleiding kunnen besteden. Jongelieden van dien leeftijd kunnen gewoonlijk zelf heel goed beoordeelen welke vakken hun het best te pas komen en juist bij het vakonderwijs en den weinigen beschikbaren tijd voor de meeste jongelieden, zullen zij datgene kiezen wat hun past.

In groote steden maakt dit geen bezwaar, alle geannonceerde cursussen zullen gewoonlijk wel een voldoend aantal hoorders

-ocr page 126-

118

tellen. Bovendien, wanneer de leerplannen goed ingericht zijn, stipt worden gevolgd en vooraf worden bekend gemaakt, zullen de jongelieden op deze wijze toch een goed geheel van kennis kunnen verkrijgen.

In kleine plaatsen evenwel is dat anders, en is het geraden het handelsonderwijs als één geheel te geven, dat voor allen verplichtend is, die zich voor den cursus aangeven.

Natuurlijk moet men de gelegenheid openstellen met toestemming van den directeur van den cursus eenige lessen niet te laten volgen, terwijl zoo noodig de gelegenheid kan worden opengesteld voor jongelieden, om bij voldoende deelneming het een of ander vak buiten de eigenlijke kern van onderwijs te leeren.

Ook daar, waar men het handelsonderwijs laat bestaan uit verschillende cursussen, die de hoorders, naarmate van hun kennis en verder van hun voorkeur, kunnen volgen, is het toch raadzaam een bepaalde groep vakken aan te wijzen, die het eigenlijke, voor de meerderheid der jongelieden dienend, vakonderwijs vormen, al wordt deze kern van onderwijs ook niet verplichtend gesteld.

Bij deze groep vakken behoort in de eerste plaats warenkennis.

Zal dit vak goed tot zijn recht komen en al het nut doen dat er van verwacht kan worden, dan is de vorming van een klein handelsmuseum aan de school gewenscht. De onkosten daarvan behoeven niet hoog te loopen wanneer de kooplieden en fabrikanten van de plaats waar de school wordt opgericht, eenige belangstelling toonen.

Hoe gemakkelijk toch is het dan voor een ijverigen directeur om met behulp van deze kooplieden en fabrikanten, of wanneer deze niet voldoende zijn, met behulp hunner handelsvrienden, eene collectie aan te leggen van verschillende grondstoffen, halffabrikaten, fabrikaten, wijzen van verpakking enz. Een stelselmatige rangschikking, waarbij b.v. duidelijk voor den dag komen de achtereenvolgende veranderingen, welke de waren ondergaan vóór zij door den verbruiker worden gebezigd, kan zeer nuttig zijn niet alleen voor de leerlingen van den cursus maar voor de kooplieden van de plaats zelve.

Aan grootere handelsscholen bestaan dergelijke verzamelingen, met behulp van de inspanning van velen, zouden deze collec-

-ocr page 127-

119

ties, tot zeer groot nut voor het geheele onderwijs ook bijeen gebracht kunnen worden in plaatsen van minder beteekenis.

Het koloniaal museum te Haarlem is reeds vrijwillig in die richting met kracht werkzaam ten opzichte van de producten onzer koloniën.

Juist met het oog op de groote beteekenis van de vorming dezer handelsmusea is de medewerking en het initiatief van de kamers van koophandel van zoo groote waarde.

Het onderwijs in dit vak zal zeker niet gemakkelijk zijn. Zoolang geene speciale onderwijzers daarvoor in ons land worden gevormd, wat op den duur zeker zal moeten geschieden, zal de leeraar in scheikundige vakken gewoonlijk het gemakkelijkst het onderwerp tot zijn recht kunnen doen komen. Vooral ook wanneer er gewezen moet worden op de verschillende ver-valschingen en de middelen om ze te onderkennen.

Het lijdt geen twijfel dat bij een goede behandeling van deze onderwerpen, de patroons en de jongelieden zelve levendig belang in deze zaken zullen stellen.

Het komt ons voor dat deze handelscursus, volgende op het voortgezet lager dag of avondonderwijs, driejarig moet zijn. Wat de facultatieve vakken betreft zal natuurlijk de cursus ook meerjarig mogen zijn.

Het onderwijs zal rekening moeten houden met de plaatselijke omstandigheden, als verplichte onder wijsvakken zullen daarbij moeten worden aangenomen: warenkennis, boekhouden, han-delsrekenen, handelseconomie, correspondentie, handelsaard-rijkskunde, handelsrecht en eene vreemde taal, als facultatieve vakken zouden daarnaast voorkomen andere vreemde talen, voorzoover daarvoor voldoende deelneming bestaat en daarbij zoowel gelet worden op de correspondentie als op het mondeling verkeer. Verder stenographie, geschiedenis van den handel, afzonderlijke cursussen over bijzondere onderwerpen, als het verzekeringswezen of andere onderdeelen, die in bepaalde plaatsen de bijzondere aandacht trekken.

Evenals dat bij ambachtsscholen geschiedt, zal het gewenscht zijn, zooals in Zwitserland en ook reeds in ons land het geval is, een jaarlijksch examen af te doen nemen onder leiding zoowel van deskundige onderwijzers als van kooplieden.

-ocr page 128-

120

De diploma\'s kunnen behelzen de vakken, waarin geexami-neerd is en zullen zeker medewerken om de plaatsing van gediplomeerden gemakkelijker te maken.

Er is voor te waken dat het peil van het examen hoog genoeg wordt gehouden. Daarom is het zoo nuttig dat een nationale bond van handelsbedienden overal zijn vertakkingen heeft. Het ligt in het belang der vereeniging de eischen van het examen niet te doen dalen en over het geheele land gelijk te houden.

Ook hier zal het particulier initiatief voor dezen tak van onderwijs krachtig moeten optreden, de staat, provincie en gemeente moeten de pogingen aanwakkeren door subsidiën.

Wat de leerkrachten betreft, verkeert men in ons land niet in ongunstige omstandigheden. Aan de hoogere burgerscholen is reeds sedert lang in de onderscheidene vakken, die aan den handelscursus onderwezen moeten worden, genoegzaam bekwaam personeel aanwezig. Toch is het gewenscht dat leeraren gevormd worden, die èn de theorie van don handel èn ook de praktijk door do ervaring leeren kennen. Aan deze leeraren zou een grootcr aantal vakken opgedragen kunnen worden, dan thans aan verschillende specialiteiten kan geschieden. Het onderwijs zal daardoor meer één geheel vormen en dus praktischer zijn, terwijl de omstandigheid, dat de leeraren in den handel werkzaam geweest zijn, aan den praktischen zin van het onderwijs ten goede zal komen.

Deze handelsleeraren zijn de aangewezen mannen om ook aan voortgezet lagere scholen, zoomede bij het middelbaar onderwijs in handelsvakken te onderwijzen; hun opzettelijke vorming mag niet langer verzuimd worden. Ook in andere landen heeft men steeds de behoefte aan geschikte leerkrachten voor dat doel gevoeld. Heeft men een leeraar, die als directeur van een handelscursus kan optreden, en een ruimen blik heeft over de behoeften van den handel, dan werken de onderwijzers onder zijne leiding beter samen. Dan blijft de school ook door het intermediair van den directeur steeds in voeling met de praktische kooplieden, die vertrouwen schenken aan de school, wanneer het onderwijs geleid wordt door iemand, die, met goede theoretische vorming ook in de handelspraktijk zelve is werkzaam geweest. De vorming evenwel van deze ambtenaren behoort tot een hoogeren tak van het handelsonderwijs.

-ocr page 129-

HOOFDSTUK VIII.

Algemeene Volksontwikkeling.

Nooit is de behoefte aan ontwikkeling krachtiger gevoeld dan in deze eeuw, nooit ook is verlichting en kennis in wijdere kringen uitgebreid. Maar bij de toenemende beschaving en kennis steekt een groote schaduw somber af. Hoe hooger de algemeene volksontwikkeling klimt des te meer treft de groote tegenstelling met de deerniswaardige lagen der maatschappelijke samenleving, waarin het licht der wetenschap niet doordringt, voor wie de vooruitgang in deze eeuw een holle klank is, die hen met bitterheid vervult.

Hoe meer de mensch meester wordt over de krachten der natuur en zijne wenschen, op nooit gedroomde wijze vervuld, tot steeds hooger stijgende behoeften worden, des te meer dringt de noodzakelijkheid tot verbreiding der kennis in de breede lagen des volks, in de werkende klasse, te lang als onwaardig althans minder waardig beschouwd.

Voor hen, die geestdriftvol in deze eeuw steeds meer verwerkelijkt zien de idee van gelijkheid door de Fransche revolutie in de wereld geslingerd om nooit weer uit de hoofden en harten te wijken, is het een eerste plicht de kinderen des volks te verheffen door betere ontwikkeling en vorming.

Niet neerhalen wat groot en hoog, maar opheffen wat onaanzienlijk en laag is, zij het doel, dat zoo vele en sterke krachten eischt.

En zij, die zich zoo gaarne zouden verzetten tegen den democratischen stroom dezer eeuw, die niet te stuiten, hoogstens te leiden is, zij behoorden te bedenken, dat slechts goed inzicht en oordeel bij de breede volksmassa het tegenwicht kan vormen

-ocr page 130-

122

voor gevoel en hartstocht, dat deugdelijke vorming het minst ontvankelijk maakt voor phrasen, het meest toegankelijk voor de argumenten van logische redeneering.

Een nationaal werk moet de verheffing zijn van het volk, een werk , dat nog slechts zeer ten deele, zeer onvolledig is verricht, wanneer de jeugd op betere wijze is opgeleid in de school, wanneer deze naar de eischen van den tijd is verbeterd.

Zal niet ieder, die in zedelijken en geestelijken zin een menschwaardig bestaan voert, geheel zijn leven lang zich ontwikkelen, kennis opnemen, zijn gemoed vormen, zijn geest beschaven? En is het dan niet een heerlijke taak voor al degenen, die daartoe de geschiktheid in zich gevoelen, om mede te werken tot dat goede werk ook voor die klassen der bevolking, die, gedrukt door de zorgen van het bestaan, zoo licht geneigd zijn op den weg van beschaving en ontwikkeling te blijven stilstaan?

Zeker is er bijna geen land, waar deze vraag zoo volmondig bevestigend is beantwoord door tal van geestdriftige mannen, als in ons vaderland. In welk opzicht andere landen en volken zich boven het onze mogen verheven achten, moeilijk zullen zij een zóó goed georganiseerden arbeid van meer dan een eeuw lang in den dienst der volksopvoeding kunnen aanwijzen, als die van de Maatschappij tot Nut van \'t Algemeen.

In onzen tijd, nu bij zoovelen de lust bestaat al wat jaren lang is gevestigd af te keuren en af te breken, omdat hot oud is en zijn gebreken heeft, kan de grootsche taak van deze maatschappij niet genoeg in het licht gesteld worden. Haar naam is onafscheidelijk verbonden aan het volksonderwijs en de volksontwikkeling in het algemeen. Wie licht verlangt over denkbeelden, welke thans in het buitenland tot uitvoering komen, zoo niet nog in discussie verkeeren, zoekt in de verhandelingen en handelingen der Maatschappij nooit vergeefs. Blijft zij met hart en ziel verbonden aan de groote zaak van volksbeschaving en volksverlichting, dan blijft zij eeuwig jong.

Er kunnen behoeften en nooden zijn, die na wettelijke regeling verdwijnen en de zorg van particulieren of vereenigingen niet meer vorderen. Maar nooit zal er een tijd komen, dat de taak om in alle kringen der samenleving kennis te verspreiden, wordt afgeweven. Elke verandering in de bestaansvoorwaarden der

-ocr page 131-

123

verschillende maatschappelijke klassen schept nieuwe eischen en nieuwe behoeften, de organisatie van de oude Maatschappij tot Nut van \'t Algemeen kan die nieuwe eischen telkens in het licht stellen, de nieuwe behoeften doen kennen naast de middelen tot verbetering.

Heeft ons land het voorrecht een organisatie te bezitten, die reeds zooveel goeds heeft tot stand gebracht, men verlieze niet uit het oog wat in het buitenland door ingespannen pogingen wordt gedaan om het peil der beschaving en ontwikkeling te verhoogen. Men trachte ook hier, met inachtneming van onze nationale gebruiken en van onzen volksaard, datgene in toepassing te brengen, wat elders reeds rijke vruchten draagt.

Wij zullen gelegenheid hebben op enkele pogingen in den loop dezer beschouwing terug te komen.

Waar men de middelen ter verspreiding van kennis bespreekt, vergete men niet den invloed der pers, niet als koningin der aarde, maar als onderwijzeres der volken.

De hoeveelheid litteratuur, die door de dag en weekbladen als door de tijdschriften onder het volk wordt gebracht, is verbazingwekkend toegenomen. Het goud en zilver, door de beste denkers en kunstenaars in boeken en tijdschriften neergelegd, wordt, om een bekend beeld te gebruiken, dagelijks in kleingeld omgezet, onder de menigte gebracht.

De dagbladen zijn van inhoud gaandeweg veranderd, de nieuwstijdingen zijn niet meer het allesoverheerschende in den inhoud. Naast de geschiedenis van de Staten toonen de kolommen den voortgang der beschavings geschiedenis, vorderingen van wetenschap, uitingen van kunst.

Waar de dagbladpers zich hare roeping bewust is, ook hare groote verantwoordelijkheid, door den invloed op de vorming van het volk, daar kan zij eene groote macht ten zegen zijn.

Toch, hoewel ons land zich over \'t geheel op dit punt niet te beklagen heeft, zou hier veel meer gedaan kunnen worden om de dagbladpers dienstbaar te maken aan de ontwikkeling en beschaving des volks. De groote bladen, zorgvuldig geleid, dikwijls door staatslieden, rechtsgeleerden, letterkundigen van beteekenis, voldoen aan hooge eischen, wanneer men ze verge-

-ocr page 132-

124

lijkt met buitenlandsehe dagbladlitteratuur. De kleine pers evenwel, die goedkoope bladen, die den werkmansstand bij massa\'s bereiken, die dag in, dag uit hun invloed in deze kringen doen gelden, beantwoorden slechts zeer ten deele aan den eisch, die men voor het onderrichten van het volk moet stellen.

Nog veel te veel zijn ze opgevuld met akelige, nietswaardige verhalen van moord en doodslag met griezelige bijzonderheden, nog veel te weinig vindt men er artistieke producten, aantrekkelijk van vorm, die smaak en gevoel ontwikkelen.

Men zal zeggen: waar de mannen te vinden, die zonder het budget der kleine bladen te bezwaren, de courant het karakter geven van een dagelijksche bode, die altijd wat nieuws en aantrekkelijks, altijd ook wat leerzaams in aangenamen vorm weet te geven.

Want dat is de hoofdzaak, een lichte, kan het, geestige vorm, die, op zich zelf aantrekt, die tot lezen dwingt. Een noodzakelijke eigenschap, die elke redevoering, elk letterkundig voortbrengsel moet bezitten, zal het eenigen indruk op de groote massa maken. Het komt ons voor, dat de mannen, die de volksverlichting in ons land ter harte nemen, nog niet genoeg het uitstekend middel, dat hun in de dagbladpers wordt geboden, gebruiken.

Wèl heeft de Maatschappij tot Nut van \'t Algemeen steeds oog gehad voor populaire volkslectuur en belangrijke sommen ten koste gelegd aan het uitgeven van populaire geschriften over verschillende onderwerpen. Over \'t geheel is het gevolg van deze geschriften evenwel zeer matig geweest, de groote massa wordt er niet door bereikt.

Ware het niet aan te bevelen, meerdere korte geschriftjes te laten verschijnen, die in aantrekkelijken vorm belangrijke zaken in kort bestek zoo populair mogelijk behandelen? Die in hun geheel overgenomen door tal van bladen, aan welke ze gezonden worden, een aantal lezers zouden verkrijgen, veel grooter dan thans mogelijk is?

Natuurlijk is hierbij geen sprake van geschriften, die een bepaalde politieke partij strekking hebben, slechts zoodanige, die over onderwerpen, waarin velen belang stellen, licht verspreiden en andere, die door aangenamen vorm of inhoud, den smaak ontwikkelen of het zedelijk gevoel veredelen.

-ocr page 133-

125

In Frankrijk ziet men in de laatste jaren telkens weer vereenigingen zich vormen, om de volksontwikkeling door verschillende middelen te bevorderen. Van dergelijke pogingen om voor een bepaald middel een afzonderlijke vereeniging op te richten, bespeurt men in ons land niets. Toch is ook hier verdeeling van den arbeid noodig, oprichting van eene vereeniging tot verschaffing van goede lectuur door de courant, zeker niet overbodig.

Nog sterker dan het geschrift, kan het levende woord werken, waar een goed spreker zijne gaven aanwendt, niet om de menschen en partijen tegen elkander op te zetten, maar te onderrichten, mede te deelen uit den grooten schat van kennis, die nog dagelijks vermeerderd wordt.

Duurzaam bestrijdt men slechts het kwade met goed gevolg, door al wat goed is, te versterken. Vele ondeugden zullen nimmer wijken, hoe hevig ze worden aangevallen, hoe afschuwwekkend de gevolgen worden voorgesteld. Slechts door goede gevoelens aan te kweeken en in kracht te doen toenemen wordt het kwaad vanzelf verstikt.

Zoo ook zal een machtig wapen tegen vele ondeugden, die thans nog zoovele offers eischen, gevonden worden in het aan-kweeken van belangstelling voor tal van zaken, waarvan het bestaan thans door zeer velen niet wordt vermoed.

Belangstelling is het eerste noodige. Is ze opgewekt, dan verliest de mensch zijne passieve houding, dan werkt zijn geest zelf mede. Vandaar ook dat allen, die de groote massa willen voorlichten deze groote waarheid voor oogen moeten houden, dat in den aanvang de inhoud bijzaak is evenals het dadelijk te bereiken resultaat, dat daarentegen zeer veel gewonnen is, wanneer de leergierigheid wordt opgewekt.

In Engeland heeft men dat in de laatste tijden ook begrepen door in de zoogenaamde recreative eveningschools, waar toch het onderrichten het doel is, in het begin met behulp van platen, muziek en in het bijzonder van lichtbeelden , de aandacht te trekken. Met dit doel is in 1885 opgericht de Recreative Evening Schools Association, die zich ten doel stelde de noodzakelijkheid aan te toonen van een aanvullend onderwijs door avondcursussen en het inrichten van scholen te bevorde-

-ocr page 134-

126

ren, die tegelijkertijd zoowel een ontspannend als praktisch karakter zouden dragen.

Door de regeering wordt sedert de Code van 1893 deze poging met geld gesteund. Wordt aan de eene zijde de belangstelling gaande gehouden doordat voornamelijk kennis wordt verbreid die van direct praktisch nut is en dus het onderwijs voor een goed deel het karakter van vakonderwijs draagt, aan de andere zijde wordt door tal van middelen gezocht het onderwijs een geheel ander karakter te geven dan dat van de dagschool en vooral door aanschouwing aangenaam te maken1). Ook in Frankrijk is men in de laatste jaren bij de cours d\'adultes of de populaire voorlezingen steeds meer gebruik gaan maken van projectietoestellen, door welke de oudere menschen niet minder steeds nog bekoord worden dan de jongeren door het prototype, de tooverlantaarn.

Het komt er aanvankelijk minder op aan waarvoor de belangstelling op deze wijze wordt verkregen. Wie meent bij de grootendeels onontwikkelde massa begrip of gehoor te krijgen voor zaken, die eenigszins ingespannen nadenken verlangen, zou zich zeer vergissen en het doel zeker niet bereiken. In Frankrijk haeft men bij de verschillende reeksen voorlezingen in de laatste jaren steeds de ervaring opgedaan, dat bepaalde onderwerpen bijzonder de aandacht trekken, inzonderheid b.v. de door lichtbeelden opgeluisterde reisbeschrijvingen van reizigers in ver gelegen streken, populaire natuurkundige voorlezingen en dergelijke. Ook ziet men daar steeds meer dit onderwijs de technische richting inslaan en het Engelsche voorbeeld volgen, om het in te richten zoodat de bezoekers er dadelijk praktisch nut van trekken in hun bedrijf.

Het is gewenscht, dat op dit gebied in ons land ook veel krachtiger de hand aan het werk wordt geslagen.

In enkele plaatsen, waar Toynbee vereenigingen met eenig succes werken, waar b.v. instellingen bestaan als Ons Huis te Amsterdam, begint men in deze richting werkzaam te zijn.

!) Vgl. F. Buissoa, L\'Education populaire des adultcs en Angleterre, notices sulles principales institutions par des membres de leurs comités (189G), waarin een helder beeld wordt gegeven van alles wat tlians in Engeland tot verheffing door onderwijs wordt gedaan.

-ocr page 135-

127

Evenwel kon bij goede organisatie over het geheele land voel meer gedaan worden, en deze is zeer wel mogelijk.

Een groote fout, die men bijna altijd begaat, waar ontwikkeling van het volk wordt beoogd, is, dat te hooge verwachting bestaat bij de sprekers ten aanzien van den ontwikkelingsgraad van zijn gehoor, althans onbekendheid daarmede. Dat is een der oorzaken waarom voorlezingen en redevoeringen dikwijls zoo weinig worden genoten en zoo weinig daarvan wordt medegenomen.

Een tweede fout is, dat vele onderwerpen een rustige behandeling vorderen, verdeeld liefst over eenige voordrachten , terwijl dan in het bestek van ééne redevoering te veel wordt opgehoopt dat niet verwerkt kan worden.

Deze beide fouten kan men vermijden door meer te handelen in den geest van de Fransche Société Nationale pour les Conférences populaires. De werkwijze is zeer eenvoudig.

Terecht begrijpende dat de onderwijzers der volkschool de aangewezen mannen zijn, om den populairen toon te treffen, die noodig is om de kringen, voor welke de voorlezingen bestemd zijn, te boeien, heeft de bedoelde vereeniging zich de medewerking verzekerd van een zeer groot aantal onderwijzers in de verschillende deelen van Frankrijk. Men kan evenwel niet verwachten, dat een zoo groot aantal personen als voor dit doel noodig is, zoo groote kennis van verschillende belangrijke wetenschappen zal bezitten om in den goeden zin des woords populair te zijn. Immers slechts degene, die uit een zeer rijken voorraad kennis kan putten, is in staat juist op die dingen den nadruk te leggen, die werkelijk belangrijk zijn en om de noodige aanknoopingspunten te vinden. De oppervlakkige spreker verwart door geheel zijn troebele massa van denken, de diepe denker vergenoegt zich slechts afgescheiden kristallen te laten zien. De vereeniging heeft daarom de mannen der wetenschap, de sprekers van beteekenis bij voorkeur, te hulp geroepen. Hunne redevoeringen, gestenografeerd, worden vervolgens gedrukt en met al het benoodigd materiaal toegezonden aan de onderwijzers, die de lezing houden, en doorproeven, lichtbeelden enz. toelichten.

Het succes is tot dusver zeer groot.

-ocr page 136-

128

Het ligt voor de hand, dat aan deze handelwijze groote voordeelen verbonden zijn. Waar hoogst bekwame mannen den vorm en inhoud hebben bepaald, kan men verzekerd zijn, dat deze weinig of niets zal te wenschen overlaten. Tevens ligt in de bekendheid van den spreker met den ontwikkelingsgraad van zijn gehoor de grond, dat het gehoorde gemakkelijker begrepen zal worden en, wat ook van veel belang is, gemakkelijker door gesprekken verder is vast te leggen. Ten slotte, wat niet uit het oog mag worden verloren, is deze handelwijze weinig kostbaar. In Frankrijk hebben zich drieduizend onderwijzers geheel vrijwillig, zonder betaling te ontvangen, beschikbaar gesteld. Het ligt evenwel voor de hand, dat men op den duur deze diensten niet regelmatig kosteloos zal kunnen doen verrichten. Men zal evenwel noch reis en verblijfkosten noch de hoogere honoraria van tegenwoordige sprekers behoeven te geven en dus zonder groote kosten het werk ver kunnen uitstrekken.

Nog een belangrijk voordeel wordt op die wijze verkregen, dat onderwerpen van meerderen omvang kunnen behandeld worden in eenige opvolgende lezingen, die over een bepaald belangrijk onderwerp een cursus vormen. Een korte gedrukte mededeeling van de hoofdzaken, die de hoorders als het ware een leiddraad geeft en in hun bezit blijft, is daarbij aan te bevelen.

Het lijdt geen twijfel dat men door deze regeling een veel grooteren kring van hoorders zal bereiken dan tot nu het geval is. Zonder eenigszins te willen afdingen op de groote bekwaamheid en helderheid van de sprekers, die van wege de maatschappij tot Nut van \'t Algemeen de volksvoordrachten houden, gelooven wij niet, dat zij over het geheel wel zoo groot nut stichten in verhouding tot de kosten.

Blijft men deze wijze van het houden der volksvoordrachten volgen, dan krijgt men een gehoor van burgers, niet van werklieden , voor wie zij in de eerste plaats moeten bestemd zijn. De maatschappij tot Nut van \'t Algemeen, die reeds populaire geschriften doet samenstellen en lezingen doet houden, kan o. i. door combinatie in den trant van het stelsel der Association Nationale des Conférences populair es een grooter werk verrichten dan tot nu het geval is. Nam het werk groeten opgang en kregen dus de bemoeiingen veel omvang, dan ware het misschien

-ocr page 137-

129

wenschelijk eene afzonderlijke vereeniging in den geest der bedoelde Fransche te stichten i).

Het bestuur toch van dergelijke vereeniging heeft vele werkzaamheden te verrichten. Er moet gezorgd worden voor een zeer groot aantal lezingen op verschillend gebied, opdat de onderwijzers, die zich met het werk belasten, ruime keuze hebben. Aan verschillende sprekers moeten projectietoestellen met de noodige photografiën voor lichtbeelden worden gezonden verder de platen en instrumenten die bij een lezing behooren.

Hot spreekt van zelf, dat de regeling der voordrachten zoodanig moet zijn, dat met het geringst mogelijk aantal toestellen kan worden volstaan, krijgt het werk veel omvang, dan is aan de goede regeling veel administratie verbonden en moet over behoorlijke fondsen beschikt kunnen worden.

Centralisatie is in dezen voordeelig, met hetzelfde materieel kan op deze wijze grooter nut gedaan worden dan wanneer in elke plaats zelfstandig wordt gearbeid. Verschillende vereeni-gingen zijn in Frankrijk werkzaam om door groote gelijktijdige aankoopen van projectietoestellen deze goedkoop te leveren aan allen, die ze voor avondcursussen of volksvoordrachten noodig hebben. De prijs van goede projectietoestellen kan daar door zoodanig verminderd worden dat zij in herhalingsscholen zelfs niet meer zouden behoeven te ontbreken.

Mocht ook de Maatschappij tot Nut van \'t Algemeen deze taak niet in dien omvang op zich kunnen of willen nemen, dan wafe van die zijde toch een krachtige stoot tot in werking stellen van eene vereeniging als hier bedoeld, gewenscht.

1) De volgende mededeelingen doet Edonard Petit in zijn hoogst belangwekkend werk, Autour de IVdueation populaire, over de werkzaamheden dezer vereeniging:

Mouvement des conférences;

„Du 1quot; novembre 1895 au lcr mars 189ö, la Société a aeheté pour prêter et pour céder, 399 appareils a projections luniineuses.

Du 13 novembre (début du service) au 1quot; mars, la Société a prêté 892 collections de 20 vues, soit; 17.840 vues.

Du lquot; novembre 1895 au lor mars 189G, la Société a communiqué 9.972 pieces de la bibliothèque circulante.

Enfin du 1quot; novembre 1895 au lquot; raars 189G, la Société a envoyé 22.000 conférences imprimées.

Tous ces prêts et ces envois sont faits (jratnitcmcnl aux instituteurs conférenciers.

Dr. igt;. bos, Onze Volksojjlciditig. !)

-ocr page 138-

130

De intellectueele krachten in ons land zijn vele, die buiten den kring van hunne betrekking weinig van zich doen gevoelen en toch opgeroepen moeten en kunnen worden.

De hoeveelheid geestelijk kapitaal, dat jaarlijks wordt gevormd met groote financieele opofferingen van den staat, is zeer groot, het voordeel voor de geheele maatschappij niet gering, wanneer het meer rentegevend wordt gemaakt.

Wanneer men denkt aan die talrijke schare van hoog ontwikkelde geleerden, die in onze academiesteden zich aan de wetenschap kunnen wijden, kan men slechts betreuren dat in ons land de mannen der wetenschap zich zoo moeilijk in verkeer stellen met het volk. Eerst in de allerlaatste jaren, op het voetspoor en in navolging van de University Extension in Engeland, worden op een enkel gebied zeer bescheiden stappen gedaan in de goede richting.

Waar het volk niet naar de universiteit kan gaan, ga de universiteit tot het volk, is de hoofdgedachte bij de samengestelde beweging der Extension. Geleerden van gevestigden naam geven in verschillende plaatsen, met tusschenpoozen van een of twee maanden, eene reeks colleges over een belangrijk onderwerp , maken hun gehoor de studiën van dat onderwerp gemakkelijk en geven leiding ook door de beoordeeling van het schriftelijk werk dat kan ingeleverd worden.

Op die wijze worden tal van burgers, onderwijzers, de meest ontwikkelde werklieden, er toe gebracht hun geest op hooger ideaal te richten, opgewekt als zij worden tot eene geheel vrije studie, die geen andere belooning in het vooruitzicht stelt dan het genot aan het onderzoeken der waarheid verbonden.

Zeker zal dat land het meest krachtig staan in de rij dei-naties, waar het volk de wetenschap, maar ook evenzeer de wetenschap het volk verheft.

Er is nog een groot werk te verrichten voor allen, die hooger staan dan de menigte in wetenschap en kunst. Eerst wanneer de beteekenis van dat werk door allen wordt ingezien, zal de volksontwikkeling met reuzenschreden vooruitgaan tot nut van de stoffelijke welvaart, tot heil van het geestelijk welzijn.

Laten onze mannen van nijverheid en handel, zoo zij rijkdommen hebben vergaderd, het voorbeeld volgen van die

-ocr page 139-

131

nobele vrienden des volks, die gelukkig ook in ons land gevonden worden, met milde hand de instellingen begiftigend, die de volksontwikkeling bevorderen.

Welke heerlijke scheppingen zijn niet in den laatsten tijd verrezen, vooral in Londen, door de offervaardigheid der rijken. Openbare bibliotheken waar ieder kan binnentreden om eenige uren kosteloos te genieten van de scheppingen der dichters en schrijvers of om nuttig onderricht en kennis op te doen.

Paleizen niet voor de vorsten maar voor het geheele volk,, somtijds te midden van eene sombere, neerdrukkende omgeving, waar de behoeftige dikwijls de gelegenheid vindt de krachten, noodig voor den levensstrijd, te versterken, zijn weerstandsvermogen te vergrooten.

Een heerlijke taak is het mede te werken tot de ontwikkeling en beschaving des volks. Geen grooter schat kunnen de ouders hunne kinderen nalaten dan een goede opvoeding. En zoo ook kan geene maatschappij hare taak beter vervullen dan de opvoeding des volks in al zijn lagen, tot de grootste volkomenheid te brengen.

Daaraan hapert in ons land nog veel. Of worden ten onzent b.v. de musea, die in verschillende plaatsen met zoovele schatten zijn voorzien, wel over het geheel ingericht en opengesteld tot opvoeding en onderwijzing van de massa?

Wordt wel altijd in het oog gehouden dat een museum niet alleen is een verzameling van merkwaardigheden of een plaats van onderzoek voor den geleerde, maar kan zijn bij goede rangschikking en door niet te verwarren door massa\'s bijzonderheden, een uitnemend middel tot onderwijs?

Onze indruk is dikwijls geweest dat in dit opzicht het onderwijs door aanschouwing in ons land veel te wenschen overlaat.

-ocr page 140-

HOOFDSTUK IX.

Middelbaar Onderwijs.

In de voorgaande hoofdstukken hebben wij getracht een beeld te geven van do opleiding der groote massa, zooals die is en in de eerste tijden met betrekkelijk weinige ingrijpende wijzigingen kan worden. Aan de algemeene vorming van verstand en gemoed, wordt daarbij geen ander opzettelijk onderwijs dienstbaar gemaakt dan het gewone lager onderwijs. Reeds de voortzetting daarvan in voortgezet lager dag en avondonderwijs moet rekening houden met de aanstaande bestemming der jongelieden en geeft, zonder vakonderwijs te zijn, voorbereiding voor onderscheidene vakken en beroepen.

Evenwel zijn er velen, die eene opleiding verlangen voor beroepen, welke eene langdurige voorbereiding eischen en die in het bijzonder een veel hoogere mate van algemeene ontwikkeling noodig maken, dan in de lagere school alleen te verwerven is. Zij kunnen een langeren tijd daaraan wijden en vooral, hun aanleg maakt hen geschikt een hooger opgevoerd onderwijs van meer wetenschappelijken aard te volgen.

Dit is zeer zeker van veel belang.

Immers op de middelbare school, zooals wij ons die voorstellen, zal het algemeen ontwikkelend onderwijs hoofdzaak zijn en zullen daarbij wederom moeten aansluiten, inrichtingen van vakonderwijs om de bijzondere voorbereiding voor onderscheidene beroepen te geven.

Wie nu den aanleg missen, ook waar de financiëele krachten het zouden toelaten, om deze langdurige studie, die toch al minstens zes jaren zal duren en uit den aard der zaak hooge eischen aan de jongelieden stelt, tot een goed einde te brengen, doen verkeerd den eersten stap op de middelbare school te doen.

-ocr page 141-

133

Zij zullen na vruchtelooze pogingen blijven steken, zooals immers nu reeds zooveel op de hoogere burgerscholen geschiedt, en bekomen daardoor een veel minder volledige en afgeronde opleiding dan wanneer zij den weg gevolgd hadden, die in de voorafgaande hoofdstukken is aangeduid.

Ook met het oog op de goede inrichting van het algemeen ontwikkelend middelbaar onderwijs is het daarom van zoo groot belang, dat het voortgezet lager dagonderwijs een goede wettelijke regeling verkrijgt.

Is toch voor iedereen langs dien weg een goede voortgaande opleiding gewaarborgd, dan kan men voor het algemeen ontwikkelend middelbaar onderwijs hoogere eischen stellen, wat den aanleg der adspiranten betreft. Niet in de eerste plaats op het bezitten van eenige kundigheden, waarvoor gedrild kan worden, komt het aan, maar op het toonen van den aanleg en de vatbaarheid om een voortschrijdend wetenschappelijk onderwijs te volgen. Daarop behoort het onderzoek bij de toelating zich te richten.

Wel verre van het voorbeeld te volgen van de eerste uitvoerders der wet op het middelbaar onderwijs om iedereen, desnoods zonder eenig examen, tot die scholen toe te laten, mits hij slechts schoolgeld betaalt, zou men slechts hen moeten toelaten, die voldoenden aanleg toonen het onderwijs tot het einde te volgen en deze ook dan wanneer zij het schoolgeld niet kunnen bekostigen.

In Hoofdstuk II hebben wij aangetoond hoe noodzakelijk het is voor de goede regeling van het voortgezet lager onderwijs om de voorbereiding voor hoogere burgerscholen en gymnasia geheel van de lagere school af te nemen en over te brengen naar de hoogere inrichtingen, speciaal de hoogere burgerschool. Deze laatste behoort dan een voorbereidende klasse te bezitten, waarin de jongelieden kunnen geplaatst worden, die de gewone lagere school met vrucht hebben doorloopen. In dezen voorbereidenden cursus zal men dus in het algemeen zonder toelatingsexamen kunnen opgenomen worden met de verklaring van het hoofd eener gewone lagere school dat de leerling het gewoon lager schoolonderwijs met vrucht genoten heeft en volgens zijne meening den aanleg bezit om middelbaar onderwijs met goed gevolg te ontvangen. Deze voorbereidende klasse

-ocr page 142-

134

moet staan onder de directie van den directeur der Hoogere Burgerschool en het onderwijs worden opgedragen aan één onderwijzer met acte van hoofdonderwijzer en in het bezit van eene acte voor de Fransche taal L. O.

Het lijdt geen twijfel dat op deze wijze de aansluiting met de hoogere burgerschool op de beste wijze wordt verkregen. Men heeft te doen met leerlingen, die allen een zelfde doel hebben en wordt dus niet opgehouden door tal van jongelieden die het onderwijs met geheel andere voornemens voor de toekomst volgen. De onderwijzer komt voortdurend in aanraking met het overige personeel der burgerschool, dat met hem voortdurend van gedachten wisselt over voortgang en inrichting van het onderwijs. Dagelijks verneemt hij de ervaringen van de docenten over de leerlingen, die de voorbereidende klasse hebben verlaten, en zal daardoor steeds beter de aansluiting kunnen tot stand brengen.

Ook de leeraren, die in de eerste klasse van de hoogere burgerschool les geven, zullen zich allicht eenige maanden vóór den overgang vergewissen van de vorderingen der leerlingen en in overleg met den onderwijzer der voorbereidende klasse de toelating tot de eigenlijke hoogere burgerschool kunnen regelen zonder dat een ander examen plaats vindt dan bij den gewonen overgang van de eene tot de andere klasse.

De ervaring, gedurende dat eene jaar opgedaan, zal voldoende zijn om te beslissen of de jongelieden den aanleg bezitten om het middelbaar onderwijs met vrucht te volgen, hetzij dadelijk, hetzij, wanneer het gewone lager onderwijs wat gebrekkig was, na een jaar. De directeur zou in vele gevallen de ouders dan een goeden raad kunnen geven en menig jongmensch dadelijk een andere loopbaan zoeken, dan die hij nu dikwijls na vele vruchtelooze pogingen en veel tijdverlies toch moet vaarwel zeggen.

Zoolang de gymnasia in hun tegenwoorden toestand blijven bestaan, zouden de jongelieden, tot de hoogere burgerschool toegelaten, allicht ook dadelijk op de gymnasia kunnen geplaatst worden.

Het komt ons voor dat deze regeling èn voor de lagere school, die den druk van gymnasium en hoogere burgerschool

-ocr page 143-

135

niet meer zal ondervinden, èn voor deze laatste inrichtingen zelve en in het bijzonder voor de jongelieden, verreweg den voorkeur verdient boven de tegenwoordige.

In deze voorbereidende klasse behoort o. i. eerst het onderwijs in eene vreemde taal aan te vangen en dat ook met kracht. Wel is waar bestaat thans op vele scholen het gebruik kinderen Fransch te leeren, vóór zij behoorlijk hun eigen taal kennen, maar wij hebben hier te doen met overblijfselen van verkeerde hebbelijkheden, die hoe eer hoe beter moesten verdwijnen.

Onze ongelukkige aanbidding van hetgeen uit vreemde landen komt en inzonderheid uit Frankrijk, heeft ons al wat parten gespeeld en doet dat nog dagelijks, waar zij er prijs op doet stellen, dat onze kinderen een mondje vol Fransch spreken vóór ze behoorlijk in hun eigen taal denken. Eerst moet in allen gevalle de moedertaal en hare schoonheid gewaardeerd kunnen worden vóór een nieuw gebied van talenkennis wordt geopend. Bovendien, die vroeg verworven kennis van de vreemde taal, vooral wanneer de moedertaal nog niet goed genoeg gekend wordt, geeft meer last dan lust aan den leeraar, die later op den gelegden grondslag heeft voort te bouwen.

Het zou aanbeveling verdienen dat de leeraar, die het Fransch aan de hoogere burgerschool onderwijst, ook reeds de leerlingen van de voorbereidende klasse van den aanvang af opleidde. Evenwel zal men hier somtijds door praktische bezwaren worden verhinderd en dan weldoen den onderwijzer der voorbereidende klasse ook in dat vak te doen onderwijs geven.

De taak van dezen onderwijzer zal niet gemakkelijk zijn. De methode van de lagere school is zoo geheel anders dan van de hoogere burgerschool, waar bovendien elk vak een eigen leeraar heeft, hetgeen voor jonge leerlingen in den aanvang eigenaardige bezwaren heeft. De voorbereidende klasse zal dus meer nog dan nieuwe kennis in de andere vakken, behalve de vreemde taal, bij te brengen, er toe moeten dienen de jongelieden te gewennen aan een andere methode van onderricht, waarbij minder van de aanschouwing en meer van de voorstelling en de logische afleiding geeischt wordt.

Zoo zal het b.v. van meer beteekenis zijn dat de leerling in die voorbereidende klasse door de eerste beginselen van de

-ocr page 144-

136

theorie der rekenkunde en meetkunde wetenschappelijk te behandelen, inzicht krijgt in het wiskundige bewijs, dan dat hij geoefend wordt in het maken van moeilijke vraagstukken, die op het toelatingsexamen kunnen opgegeven worden. De docent in wiskunde zal dan heel wat gemakkelijker met zijn onderwijs kunnen voortgaan dan thans gewoonlijk het geval is.

Voor andere vakken geldt hetzelfde, de voorbereidende cursus geve inleiding voor de verschillende op de hoogere burger school onderwezen wetenschappen.

Men heeft wel eens voorgesteld, de hoogere burgerschool dadelijk bij het gewoon lager onderwijs te laten aansluiten en den cursus dan met een jaar uit te breiden. Evenwel komt ons de bovenstaande regeling, die hoofdzakelijk hetzelfde bedoelt, praktischer voor, omdat dit onderwijs van eenigszins anderen aard is dan hetgeen op de hoogere burgerschool wordt gegeven. Van het stelsel van vakleeraren zal men daar geen afstand kunnen doen, het schijnt gewenscht, dat niet dadelijk de leerlingen, die de gewone lagere school zoo juist hebben verlaten, met een groot aantal vakleeraren in aanraking komen, die dikwijls de lagere school zelve niet kennen.

Met de minste verandering van tegenwoordig geldende bepalingen, zou de door ons voorgestane maatregel zijn in te voeren, wat niet het geval is bij verlenging van den gewonen cursus der hoogere burgerscholen, wier duur wettelijk vastgesteld is.

Een groote beteekenis hebben in ons land de hoogere burger scholen met drie en vijfjarigen cursus gekregen. Deze schepping van Thorbecke heeft de algemeene ontwikkeling en de kennis in uitgebreide lagen der bevolking in de laatste dertig jaren zeer doen toenemen.

De bedoeling om van de hoogere burgerscholen te maken volksonderwijs, maar hooger volksonderwijs, is bereikt. De ontwikkeling van geest en zintuig is steeds meer, naarmate men over betere leerkrachten kon beschikken, tot haar recht gekomen.

In dit opzicht valt er veel te prijzen, de hoogere burgerschool heeft burgerrecht gekregen in ons onderwijsstelsel.

Toch ligt het voor de hand, dat eene zoo groote verandering als onze maatschappij in de laatste veertig jaren heeft ondergaan,

-ocr page 145-

137

niet zonder invloed kan blijven op de voorbereiding voor het maatschappelijk leven. Op zoo velerlei gebied zijn gewichtige veranderingen voorgevallen, dat het haast ondenkbaar is, dat de instellingen van 1863 nog geheel aan de behoeften voldoen.

Het gebrek aan algemeene ontwikkeling, waarvan Thorbeeke onze nijveren kon beschuldigen, bestaat, althans in de kringen van eenige gegoedheid, niet meer. Een ander gebrek evenwel treedt ook bij dezen steeds meer en meer in het licht, dat van onze jongelieden, als zij in de praktijk overgaan, gezegd kan worden: gij weet zeer veel, maar kunt niets.

Wordt het kunnen in de praktijk van de bedrijven spoedig geleerd, nooit zóó goed en zóó volledig als wanneer eene speciale vakopleiding in de school is genoten. En dat te minder, waar juist in de laatste veertig jaren elke tak van bedrijf hoogere eischen stelt, vooral ook aan de ondernemers, dan vroeger.

Op de noodzakelijkheid van verdere bijzondere vakopleiding voor handel en nijverheid, is bij de wet op het middelbaar onderwijs zeer weinig gerekend. Voor den landbouw werden scholen in het vooruitzicht gesteld, voor handel en nijverheid meende men in de hoogere burgerscholen genoeg te bezitten, al werd gelegenheid gegeven eene handelsafdeeling te vormen.

Slechts zij, die als ingenieurs of technologen eene hoogere, meer wetenschappelijke vorming noodig hadden, vonden in Delft aan de Polytechnische school een geeigend onderwijs. Langzamerhand heeft de ervaring geleerd, dat dit niet goed gezien was. Inzonderheid het voorbeeld van Duitschland, Oostenrijk, Hongarije, Zwitserland, ten deele ook Frankrijk en België, waar tal van scholen in de steeds stijgende behoeften van nijverheid en handel trachtten te voorzien, wekte tot navolging. Meer nog, zij deden de vraag rijzen of eene algemeene ontwikkeling van geest en zintuig, waarbij geene voorbereiding voor een bepaald vak plaats vindt, niet te ver wordt uitgestrekt, wanneer daaraan vijf jaren op eene hoogere burgerschool worden gewijd.

De hervorming dezer school met vijfjarigen cursus wordt dan ook met steeds meer aandrang noodzakelijk geacht.

Deze school vormt niet de hoofdgedachte van het plan dat Thorbeeke met de hoogere burgerscholen trachtte uit te voeren.

-ocr page 146-

138

Bij den wetgever was de hoogere burgerschool met driejarigen cursus de hoofdzaak, de school, die aan de burgerij de verlangde algemeene ontwikkeling zou geven, in enkele groote steden verwachtte hij slechts scholen met vijfjarigen cursus.

Meer nog, de wetgever stelde zich voor, dat de eerste drie jaren van den vijfjarigen cursus zoowel een afgerond geheel zouden vormen als het onderwijs aan een driejarigen cursus, hetgeen in de praktijk geenszins het geval is geworden.

Het schijnt ons gewenscht tot de grondgedachte van den wetgever terug te keeren en als type van de hoogere burgerschool, het algemeen ontwikkelend middelbaar onderwijs, te nemen de hoogere burgerschool met driejarigen cursus. Evenals de gewone lagere school de algemeene ontwikkeling geeft, die aangevuld met een meer praktische vakopleiding, de groote massa der ambachtslieden, kleine neringdoenden, kleine indu-strieelen, landbouwers, voorbereidt, moet het hooger burger school onderwijs de basis zijn voor de verdere opleiding van alle andere kringen der maatschappij. En dat zoowel voor hen, die eene geleerde vorming verlangen als voor hen, die in handel of nijverheid eene hoogere positie nastreven en de daarvoor noodzakelijke uitgebreide kennis. Zoowel voor degenen, aan wie het onderwijs, ook in de volksschool, wordt toevertrouwd, als ook voor de talrijke hoogere ambtenaren in burgerlijken en militairen dienst.

Deugdelijke kennis der beginselen van de verschillende belangrijke moderne talen, waardoor het verkeer met millioenen menschen mogelijk wordt en de rijke schat van hun kennis, hun denken en gevoelen wordt opengesloten, is voor ieder, die zich boven de eenvoudige elementen van kennis wil verheffen, gewenscht. Grondige beoefening der wis en natuurkundige vakken , van zoo groote beteekenis door hun invloed op onze tegenwoordige maatschappij, kan door breed ontwikkelde menschen niet ontbeerd worden. Nauwkeurige kennis van landen en volken , verschillend in plaats en tijd, oefening van waarneming en oordeel door een opvoedend onderwijs in al deze wetenschappen is noodig. Oefening ook van hand en oog, ontwikkeling van het aesthetisch geval, ziedaar onmisbare bestanddeelen van het onderwijs dat aan jongelieden met eenigen aanleg

-ocr page 147-

139

en bestemd voor belangrijke beroepen, moet gegeven worden.

Het geheel van leervakken, dat tegenwoordig de hoogere burgerschool met driejarigen cursus geeft, is daarvoor, behoudens enkele wijzigingen, voldoende. Langeren tijd aan de algemeene ontwikkeling te wijden zonder te letten op de vakopleiding , is niet noodig en zou vele jongelieden bij voortgezette vakstudie op te hoogen leeftijd in het bedrijf brengen.

Een enkele opmerking van algemeenen aard is evenwel ie maken. Thans beschouwt men voor vele jongelieden het onderwijs van de hoogere burgerschool met driejarigen cursus als eindonderwijs en richt het daarnaar in. In die zienswijze past in die school het onderwijs in boekhouden en een vrij uitgebreid, vooral op de praktijk gericht, wiskundig onderwijs. Toch kan o. i. het boekhouden als leervak op de hoogere burgerschool met driejarigen cursus vervallen en evenzeer met eenige uitbreiding van het talen onderwijs het wiskundig gedeelte iets ingekrompen worden.

In onzen gedachtengang toch zullen jongelieden, die op hun vijftiende of zestiende jaar de praktijk in willen, niet deze middelbare school maar de voortgezet lagere dagschool van driejarigen cursus doorloopen. Daar vinden zij de verschillende vakken, die, terwijl ze hun algemeene kennis en ontwikkeling vergrooten, meer verband houden met hun bestemming. Boekhouden, handelsrekenen, een enkele vreemde taal is daar op zijn plaats. De hoogere burgerschool met driejarigen cursus moet o. i. niet ingericht worden voor eindonderwijs. Degenen, die deze school bezoeken, moeten er op rekenen, dit laatste te genieten in verschillende inrichtingen van bijzonderen aard voor handel, nijverheid, militaire betrekkingen, landbouw, onderwijs, hoogere wetenschappelijke vorming, waarvan verder sprake zal zijn. Houdt men het oog op deze eigenschap van het hoogere burgerschool onderwijs, dan zal het wel een goed gesloten geheel van kennis moeten verkrijgbaar stellen, maar tevens er op gerekend moeten worden, dat gemakkelijk op de verkregen grondslagen verder wordt gebouwd.

Te verwachten dat de kennis van drie moderne talen b.v. zoo ver is gevorderd, dat correspondentie of mondeling verkeer in die talen tamelijk vlot zou kunnen plaats hebben, zou ver-

-ocr page 148-

140

keerd zijn. Maar waar, volgens de voorgaande hoofdstukken, naar onze meening weldra cursussen zullen opgericht moeten worden, die jonge, aankomende kooplieden en fabrikanten vakkennis bijbrengen en daaronder ook gelegenheid geven talencursussen te volgen, zal op de aanvangen gemakkelijk voortgewerkt worden, ook door hen, die de inrichtingen, welke wij verder zullen beschrijven, niet bezoeken.

Inkrimping van het talenonderwijs zou niet gewenscht zijn; de drie volken, het Fransche, Engelsche en Duitsche komen door den aard van onze ligging zóó veelvuldig met ons in aanraking, elk dier talen heeft zóó groote beteekenis, dat moeilijk één daarvan facultatief ware te stellen. Voor het voortgezet lager onderwijs is dat iets anders.

De natuurwetenschappen moeten een elementairen goed afge-ronden cursus vormen, waarbij plant en dierkunde de hoofdrol vervullen naast natuurkunde en uit den aard der zaak aan scheikunde een bescheiden rol wordt toebedeeld. Ook het teekenen en, waar het in aansluitende cursussen gegeven kan worden, ook slöjd is hier op zijn plaats. Tot dusver is het onderwijs in handenarbeid voor jongelieden van bedoelden leeftijd gewoonlijk alleen in privaatcursussen gegeven. Ofschoon men hen althans in de eerste jaren de vrijheid moet laten er al of niet aan deel te nemen, schijnt het ons toch zeer gewenscht met het oog op de groote waarde van het vak uit een oogpunt van algemeene lichaamsontwikkeling, het aan de hoo-gere burgerscholen te verbinden. De zedelijke waarde, hierin gelegen, dat niets zoozeer de waardeering voor den handenarbeid verhoogt, als de handenarbeid zelf en bovendien de opgewekte neiging om bezig te zijn, zou in deze scholen zeker groote beteekenis hebben.

Waar men ziet hoe vele jongelieden, en dat zeker niet de minsten der broederen, lust hebben voor handenarbeid, die thans dikwijls verloopt in knutselen, hoe zij somtijds te huis een klein laboratorium inrichten uit zucht om iets anders te doen dan uitsluitend geestelijke verrichtingen, behoeft aan de belangstelling voor dergelijke bezigheid niet te twijfelen. Evenmin aan het praktische nut voor het geheel later leven, voor al de cate-goriën van personen, die de hoogere burgerschool zullen bezoeken.

-ocr page 149-

141

Ook zouden wij het zangonderwijs, dat in de lagex\'e school zoo methodisch begonnen wordt, hier willen doen voortzetten. Men schatte de opvoedende waarde van de muziek niet te gering. Men legt op die wijze den grond voor de vorming van tal van vereeni-gingen, die den zang met meer gevolg dan thans kunnen beoefenen.

Algemeen opvoedend onderwijs, maar van veel rijkeren inhoud en wetenschappelijken aard dan de lagere school moet de hoogere burgerschool geven. Aan de aansluitende inrichtingen moet zij geheel de vakvorming overlaten.

In deze organisatie zal de hoogere burgerschool met vijfjarigen cursus niet passen. Hare eerste drie klassen zullen moeten vormen het bovenbedoeld afgerond algemeen ontwikkelend onderwijs, de hoogere klassen veranderd moeten worden in een of meer scholen van vakopleiding.

Zonder iets te kort te doen aan de vele verdiensten, welke deze scholen gehad hebben en nog hebben, meenen wij als vaststaande te kunnen beschouwen, dat zij voor handel en nijverheid niet de meest geschikte opleiding geven. Een gering aantal dergenen, die het eindexamen hebben afgelegd, wijden zich dan ook aan handel, landbouw en nijverheid. Het grootste gedeelte gaat naar de universiteit of de polytechnische school of wordt opgeleid voor officier of een of andere ambtenaarsbetrekking in Oost-Indie of hier te lande.

De vraag rijst of voor deze categoriën, de hoogere burgerschool met vijfjarigen cursus in den tegenwoordigen vorm moet behouden blijven.

Deze vraag kan slechts beantwoord worden door in het oog te vatten de inrichtingen, welke voor de hoogste twee klassen der tegenwoordige hoogere burgerschool in de plaats zouden komen.

In \'t bijzonder heeft deze vraag beteekenis ten aanzien van de voorbereiding voor de universitaire studiën, waaraan een volgend hoofdstuk wordt gewijd.

Achtereenvolgens wenschen wij evenwel in de eerste plaats te bespreken de inrichtingen van vakonderwijs, die bij de hoogere burgerschool met driejarigen cursus kunnen aansluiten en wel voor landbouw, industrie en handel.

-ocr page 150-

142

Van den kring onzer beschouwingen sluiten wij uit de meer speciale opleiding voor de zeevaart of den militairen dienst. Ook aan het hoogst gewichtig vraagstuk van de opleiding der onderwijzers kunnen wij slechts binnen het bestek van dit werk, eene korte beschouwing wijden. Deze vraag is van te groot gewicht om niet een afzonderlijk onderzoek te verlangen.\'

Wèl meenen wij dat ook voor onderwijzers de opleiding moet beginnen met het doorloopen van een hoogere burgerschool met driejarigen cursus en eerst daarop de vakschool (kweekschool) of vak (normaal) cursussen moeten volgen. Daarbij zal dan een vierjarige vakopleiding niet te lang zijn al zal de onderwijzer daardoor ook een paar jaar later in de school komen.

Dit is een groot voordeel, het opvoedend element in de school zal meer tot zijn recht komen als de onderwijzers breed ontwikkelde mannen zijn van groote paedagogische kennis.

Het langdurig voortgezet studeeren om een acte te behalen, dikwijls onder ongunstige omstandigheden, wat opleiding en voorlichting betreft, zou zeer verminderd worden tot voordeel van het onderwijs en in allen gevalle na zoo deugdelijke voorbereiding sneller en beter tot het doel voeren.

En in \'t bijzonder deze opleidingswijze zou verschillende jongelieden een andere loopbaan doen zoeken die meer overeenkomstig is met den aanleg, terwijl thans voor menigeen met minder dan middelmatigen aanleg, de acte is te behalen.

Door een dergelijke aanvankelijke voorbereiding aan de hoogere burgerschool met driejarigen cursus noodzakelijk te maken, zouden de normaalscholen een anderen aard kunnen verkrijgen en daardoor meer nut kunnen stichten dan thans. De groote kosten zullen het wel in lange jaren niet mogelijk maken dat alle onderwijzers aan kweekscholen worden opgeleid, waar nu evenwel reeds op de hoogere burgerschool een goede grond van alge-meene wetenschappelijke ontwikkeling zou gelegd zijn, zou de normaalcursus veel meer vakcursus worden, juist den nadruk leggen op die kennis , welke door de daarbij werkzame praktische onderwijsmannen, dagelijks in de school moet worden toegepast en daardoor meer nut stichten dan thans nu ook meer theoretische en algemeen wetenschappelijke kennis wordt aangebracht.

-ocr page 151-

HOOFDSTUK X.

Middelbaar en Hooger Landbouwonderwijs.

In hoofdstuk V hebben wij de verschillende inrichtingen van onderwijs beschreven, die den aankomenden landbouwer de vakkennis vooral van theoretischen maar ook van praktischen aard kunnen geven, althans aanvullen, wat de praktijk in het bedrijf dagelijks leert.

Voor de grootere ondernemers is het evenwel, vooral in dezen tijd, niet genoeg slechts datgene te weten wat op winter cursus of winterschool of andere vakcursussen geleerd kan worden.

Dit is ook in ons land al lang ingezien al heeft dat inzicht r eerst zeer langzaam tot nuttige daden gevoe/d.

Aanvankelijk heeft men in de behoefte aan onderwijs voor de hier bedoelde klasse van personen trachten te voorzien door de aanstelling van hoogleeraren aan de rijksuniversiteiten, te Utrecht, Groningen en Leiden (1816) , De colleges hadden zeer weinig resultaat. Later (1840) werden cursussen in landbouwkunde geopend voor niet-studeerenden. Vervolgens werden daarbij gevoegd in Groningen (1842) cursussen in natuur- en scheikunde, werktuigkunde, plant- en dierkunde en ontstond door deze vereeniging van vakken het onderwijs van de landhuishoudkundige school te Groningen. De lessen werden des winters aan de hoogeschool, des zomers als praktisch onderwijs te Haren gegeven, waar ook eene boerderij werd geexploiteerd. Deze school breidde zich gaandeweg uit totdat de wet op het Middelbaar onderwijs daaraan een einde maakte.

Deze wet toch schreef het onderwijs, dat aan eene landbouwschool moest gegeven worden, voor en maakte dus wijzigingen in het onderwijs van de Groningsche school noodzakelijk. Over

-ocr page 152-

144

die veranderingen kon men het niet eens worden; zooals reeds vroeger is opgemerkt, gaf het onderwijs in de praktijk aanleiding tot verschil van meening.

Had men zich bepaald tot het subsidieeren, zondermeer, van do school te Groningen, dan had men kunnen afwachten in welken zin de praktijk zelve uitspraak zou doen, nu evenwel werd zoolang veranderd en gewijzigd van hoogerhand, dat het landbouwonderwijs gaandeweg in den allertreurigsten toestand geraakte. Men poogde eerst provinciale landbouwscholen te verkrijgen door zoowel de school te Haren te hervormen, als door het verbinden van een landbouwafdeeling aan de hoogere burgerscholen te Warfum en te Wageningen, maar ook deze pogingen hadden geen levensvatbaarheid en gingen de drie inrichtingen successievelijk te niet. De laatste maakte plaats voor de Rijkslandbouwschool die in 187G tot stand kwam i).

In 1895 onderging de school onder den invloed van de gewijzigde begrippen aangaande den omvang en den aard van het bedoelde onderwijs een ingrijpende verandering waardoor de inrichting een samenstel is geworden van onderscheidene scholen, die in verschillende behoeften trachten te voorzien.

Deze scholen hebben zeer verschillend karakter.

In de eerste plaats is er eene afdeeling „Landbouwschool.quot; Het onderwijs sluit zich volgens het programma aan bij liet uitgebreid lager onderwijs. Evenwel zij hierbij dadelijk opgemerkt dat dit dan anders moet ingericht zijn dan thans in do meeste scholen van dien aard wordt gegeven, daar de eischen van toelating zoowel eenige kennis van Stelkunde, Meetkunde als van Fransch en Duitsch bevatten. Men heeft, zeker om betere aansluiting met de lagere school te krijgen, aan deze landbouwschool eene voorbereidende klasse verbonden, waarin jongelieden geplaatst kunnen worden, die een examen afleggen, dat getuigenis aflegt van een met vrucht gevolgd degelijk lager onderwijs.

Daar eenige kennis van het Fransch wenschelijk, alhoewel niet noodzakelijk wordt geacht, komt het ons voor dat jonge-

1) Vgl. F. 15. Löhnis, Landbouw en Kegeering. ISOü.

-ocr page 153-

145

lieden, die deze voorbeidende klasse willen bezoeken en niet opzettelijk zijn voorbereid, de lagere school op het platte land een jaar langer, liefst in een cursus van voortgezet onderwijs, moeten bezoeken.

In deze voorbereidende klasse wordt onderwijs gegeven in Wiskunde, Natuurkennis, Aardrijkskunde, Geschiedenis, Nader-landsch, Fransch, Hoogduitsch, Teekenen, Schoonschrijven en Gymnastiek.

Raadpleegt men het leerplan, dan blijkt reeds het onderwijs in de voorbereidende klasse een snelleren gang te krijgen en op de praktijk gericht te worden, zoodat het o. i. beter geweest was, deze klasse in de organisatie van de school op te nemen. Men zal een zeer speciale voorbereiding aan een uitgebreid lagere school moeten verkrijgen om op de eerste klasse der landbouwschool geplaatst te kunnen worden.

Het eigenaardige van de afdeeling landbouwschool is dat een zeer groot gedeelte van den tijd wordt gewijd aan algemeen ontwikkelende en voorbereidende vakken, terwijl betrekkelijk geringe tijd voor de praktijk van den landbouw overblijft.

In de eerste klasse wordt van de 32 lesuren, voor de eigenlijke praktische vakken, akker en weidebouw, veeteelt en zuivelbereiding, bedrijfsleer en boekhouden, ooftboomteelt en warmoe-zerij slechts uitgetrokken 9 uren, waarvan 1 uur eerst na Paschen, terwijl dan nog bovendien twee uur praktische oefeningen in het laatstgenoemde vak worden gehouden. Bovendien hebben de leerlingen nog praktische oefeningen in het landbouw- en scheikundig laboratorium mede te maken. In de tweede klasse bedraagt het aantal uren voor de^ praktische vakken 13 vóór Paschen en 16 na Paschen.

Het blijkt hieruit dat de bedoeling is zoowel voor de alge-meene ontwikkeling van den aanstaanden landbouwer als zijne theoretische en praktische vakvorming te zorgen in dezelfde inrichting. De algemeen ontwikkelende vakken worden iets ingekrompen in vergelijking met het gewoon hooger burgerschool onderwijs, de leerstof houdt steeds verband met de praktische bestemming der jongelieden.

De tijd zal leeren of deze inrichting levensvatbaarheid heeft,

wanneer eenerzijds het voortgezet lager onderwijs ten platten

Dr. d. bos, Onze Volksopleiding. iq

-ocr page 154-

146

lande werd ingericht met het oog op de aanstaande bestemming der jongelieden, anderzijds winterscholen voor deugdelijke theoretische kennis in twee winterhalfjaren zorgen en verder de praktische kennis in het bedrijf wordt geleerd. Het komt ons voor dat vele ouders dan liever, ook om de kinderen niet te vroeg van huis te zenden, den laatsten weg zullen verkiezen. Ook in het buitenland, vooral die streken van Duitschland, die met onze landbouwstreken nog al overeenkomen, ziet men deze gemengde scholen voor praktijk, theorie en algemeene ontwikkeling niet vooruitgaan. Voorloopig is het bezoek zeer voldoende, de bevolking bedroeg met inbegrip van de voorbereidende klasse, bij het begin van het schooljaar 1896/97, 65.

Aan deze school is nog als voortzetting verbonden eene klasse voor degenen, die opgeleid willen worden voor den Indischen landbouw, welke immers met het oog op ons koloniaal bezit van zoo groot belang is.

De cursus duurt één jaar en omvat de land en volkenkunde en de staatsinstellingen van Nederlandsch Indië, het Javaansch, de Maleische spreektaal, de hoog en laagland culturen, plant, dier en aardkunde, natuurkunde en meteorologie, werktuigkunde en kennis van werktuigen, scheikunde, Engelsche of Duitsche handelscorrespondentie, teekenen van onderdeelen van werktuigen en gebouwen, wiskunde, landmeten en waterpassen, ooftboomteelt en warmoezerij, benevens praktische oefeningen.

Het programma schijnt wel wat omvangrijk voor één jaar. De cursus begon in deze klasse in 1896 met 3 leerlingen.

Van denzelfden aard als de afdeeling Landbouwschool, is de afdeeling Tuinbouwschool. De eischen van toelating voor beide zijn dezelfde, zoodat de leerlingen eerst, na de voorbereidende klasse te hebben doorloopen, behoeven te kiezen. Ook in deze afdeeling wordt onderwijs gegeven in Fransch, Duitsch en Engelsch. Terwijl in de landbouwschool tusschen Fransch en Duitsch een keuze gedaan moet worden, zijn deze drie talen hier verplichtend, zij worden onderwezen alleen met het doel de leerlingen zich gemakkelijk in een vreemd land te doen bewegen en vreemde tijdschriften te lezen. Met eenzelfde praktisch doel wordt Latijn onderwezen gedurende één jaar.

-ocr page 155-

147

met het oog op en naar aanleiding van de terminologie der planten.

Verder wordt aan de praktische vakken een grootere ruimte toegestaan dan aan de landbouwschool, zoodat van October tot Paschen 14 uur van de 41, van Paschen tot 1 Juli 20 van 48, van 1 Juli tot het einde van den cursus 24 van 48 uren wordt gewijd aan de praktijk. De school is bestemd om op wetenschap-pelijken grondslag te vormen, aanstaande bloemkweekers, boomkweekers en warmoezeniers, alsmede adjunct hortulani. De praktische werkzaamheden worden verricht op de 5 H. A. groote terreinen der afdeeling. Naast de plantkunde en de eigenlijke tuinbouwvakken, wordt ook onderwijs gegeven in de wis en natuurkundige wetenschappen , voor zooverre die betrekking hebben op den tuinbouw.

Degenen, die deze afdeeling gevolgd hebben, kunnen verder in de Indische klasse van de afdeeling Landbouwschool overgaan. Tevens wordt aan de afdeeling tuinbouwschool nog een verder voortgezette tweejarige meer wetenschappelijke cursus verbonden zoodra daaraan behoefte bestaat.

Met het oog op de ligging zullen voor de groote massa deze scholen niet toegankelijk zijn en meer bezocht worden door jongelieden van gegoede ouders en door hen, die niet in landelijken kring opgevoed worden en dus de praktische ervaringen van den land- en tuinbouw in hunne omgeving niet zoo gemakkelijk zich kunnen ten nutte maken.

Het is niet waarschijnlijk, dat deze inrichtingen spoedig in dergelijke gedaante in andere deelen des lands zullen verrijzen; de regeering heeft blijkbaar begrepen, dat ééne inrichting van dien aard genoeg is en bevordert verder zoo krachtig mogelijk de oprichting van de land en tuinbouw-winterscholen.

Van hoogere wetenschappelijke beteekenis is een andere gedeelte der Rijkslandbouwschool n.1. bestaande uit:

a. Eene hoogere burgerschool met vierjarigen cursus. h. Daarbij aansluitend: de Hoogere Landbouw- en Boschbouw-school met tweejarigen cursus zoowel voor den Nederlandschen als een tweejarigen cursus voor den Indischen landbouw. Bij den laatsten sluit zich nog weer aan een speciale cursus voor technische ambtenaren bij het boschwezen in Ned. Indië.

10*

-ocr page 156-

148

Het onderwijs aan de hoogere burgerschool komt in hoofdzaak overeen met dat van de vier eerste klassen eener hoogere burgerschool met vijfjarigen cursus. Evenwel niet geheel, zoodat de overgang uit de andere hoogere burgerscholen niet gemakkelijk is. Slechts op de eerste en tweede klasse kunnen de leerlingen van de gelijknamige klasse van andere hoogere burger scholen overgeplaatst worden.

Na het verlaten van deze hoogere burgerschool met vierjarigen cursus kan de Hoogere Land- en Boschbouwschool bezocht worden, bestemd voor landbouwers, die eene meer wetenschappelijke opleiding verlangen, voor toekomstige administrateurs in Nederland en in Indië enz.

Tot deze zelfde school worden ook toegelaten de leerlingen der hoogere burgerscholen met vijfjarigen cursus die met goed gevolg het eindexamen hebben afgelegd.

Uit het bovenstaande volgt, dat degenen, die de hoogere Land- en Boschbouwschool willen bezoeken vrijwel genoodzaakt zijn, willen zij geen tijd verliezen, eerst de hoogere burgerschool te Wageningen te bezoeken.

Het schijnt ons toe, dat de regeering beter had gedaan inzooverre de vroegere regeling te behouden dat n.1. eene hoogere burgerschool met tZWejarigen cursus eerst moest worden door-loopen. Men had dan immers de Hoogere Land- en Boschbouwschool een driejarigen cursus kunnen geven en had het voordeel behouden in overeenstemming te blijven met de organisatie van het hooger burgerschool onderwijs in de andere deelen des lands. Dat daaraan bezwaren waren verbonden kunnen wij, ook met het oog op het leerplan, niet inzien. Betere aansluiting bij de andere hoogere burgerscholen is ook thans nog gewenscht.

Het schijnt dat het idee om van de af deeling Hoogere Landen Boschbouwschool een Landbouw-polytechnicum te maken van denzelfden rang als de Polytechnische school te Delft, van invloed is geweest. Evenwel had dan immers ook de hoogere burgerschool te Wageningen vijfjarigen cursus moeten hebben. Bovendien is het toch beter het vakonderwijs, naar de eischen van verschillende bedrijven zóó verschillend, te laten aansluiten aan een zelfde algemeen ontwikkelend en voorbereidend onder-

-ocr page 157-

149

wijs, dan dit laatste veranderingen te doen ondergaan onder den invloed der volgende vakopleiding.

Het onderwijs aan de Land- en Boschbouwschool omvat de volgende vakken:

Natuurkunde, Meteorologie, Scheikunde (theoretisch onpraktisch) , Plantkunde, Anatomie en Physiologie der huisdieren, Nuttige en schadelijke dieren, Mineralogie en Geologie, Staathuishoudkunde , Teekenen, Plantenteelt, kennis van den Neder-landschen bouwgrond, Grondbewerking, Grondverbetering, Landmeten en Waterpassen, Landbouwwerktuigen, Landbouw-scheikunde. Technologie, Veeteelt, Zuivelbereiding, Ziekten en geneesleer der huisdieren, Boekhouden, Bedrijfsleer, Ooft-boomteelt en Warmoezerij, Houtteelt. De leerlingen, die den tweejarigen cursus met goed gevolg hebben doorloopen, kunnen een staatsexamen afleggen, waardoor zij den titel van landbouwkundige kunnen verkrijgen. Zij krijgen daardoor het recht hunne studiën voort te zetten aan een der instellingen tot opleiding van Indische ambtenaren.

Ofschoon de studie aan de Nederlandsche afdeeling der Hoo-gere Land- en Boschbouwschool voor alle leerlingen dier afdeeling de landbouwkunde in haar geheelen omvang omvat, is het programma zóó ingericht, dat de leerlingen gelegenheid hebben zich, hetzij meer op den akkerbouw, hetzij meer op de veeteelt toe te leggen.

De Indische afdeeling der Hoogere Land en Boschbouwschool is eveneens tweejarig. De lessen zijn gedeeltelijk gemeenschappelijk met de Nederlandsche afdeeling, gedeeltelijk verschillend. De afzonderlijke lessen loopen over: Plantkunde (gedeeltelijk). Anatomie en Physiologie, Nuttige en schadelijke dieren, Mineralogie en Geologie, Handelsrecht, Staatsinstellingen van Ned. Indie, Land en Volkenkunde, Javaansch en de Maleische spreektaal, Maleisch, Landmeten en Waterpassen, Landbouwwerktuigen, Boomteelt, Hoog en Laaglandculturen, Technologie, Veeteelt, Ziekten en geneesleer der huisdieren. Boekhouden.

De lessen in de andere vakken: Natuur en Scheikunde, Meteorologie , Staathuishoudkunde, Teekenen, Algemeene plantenteelt,

-ocr page 158-

150

Grondbewerking , Grondverbetering, Landbouwscheikunde, zijn gemeensch appelij k.

De leerlingen, die de Indische afdeeling met goed gevolg hebben doorloopen, kunnen deelnemen aan een vergelijkend examen voor rijksalumnus tot den cursus voor de opleiding van Technische ambtenaren bij het Boschwezen in Ned. Indië.

Zonder twijfel is het peil van wetenschappelijke vorming, dat in ons land bereikbaar is gesteld, door de reorganisatie van de rijkslandbouwschool, aanzienlijk verhoogd, evenwel zelfs de naam Hoogere Land en Boschbouwschool kan o. i. van deze inrichtingen niet anders maken dan vormen van middelbaar landbouwonderwijs. Het Hooger landbouwonderwijs blijft ook nu nog ontbreken.

De wenschelijkheid daarvan is door de landbouwcommissie op o. i. overtiiigende gronden in het licht gesteld, wij meenen de motieven hier nog te kunnen laten volgen.

In de eerste plaats achtte de commissie een hoogere wetenschappelijke opleiding gewenscht voor de leeraren landbouwkunde M. O. verder voor zoons van groote landeigenaren. Maar vooral omdat dan de landbouwkunde, meer dan thans mogelijk is, zal worden bestudeerd in eene richting, welke voor de geheele ontwikkeling van den landbouw van onberekenbaar nut zou zijn.

De commissie wees er op dat er nog zoo tal van vragen zijn *), die op eene wetenschappelijke behandeling en onderzoek wachten, en meende dat alleen door degelijk hooger onderwijs de mannen gevormd worden, die genegen en bekwaam zijn, om zich aan de oplossing van dergelijke vraagstukken te wijden. Daarom stelden zij voor, het Hooger Landbouwonderwijs een onderdeel te doen uitmaken van het onderwijs aan een der Universiteiten. De colleges, welke de landbouwkundige zou moeten volgen, zouden aan de philosophische , medische, juridische, faculteiten gegeven worden, terwijl voor onderzoek voldoende gelegenheid in de onderscheidene laboratoria zou bestaan.

De toelating tot die studie meende de commissie slechts open

!) Verzameling van adviezen pag. 43.

-ocr page 159-

151

te moeten stellen voor de leerlingen, die de afdeeling B der oude landbouwschool, met succes hadden doorloopen. Voor dezen moest een landbouw doctoraat bereikbaar zijn.

Ook nu de Rijkslandbouwschool gereorganiseerd is, komt het ons toch gewenscht voor, dat voor degenen, die zich aan het wetenschappelijk onderzoek op het gebied van den landbouw wijden, een landbouwdoctoraat verkrijgbaar zij. Werd daarvoor aan een der universiteiten een cursus geopend, die gevolgd kon worden door de oud-leerlingen der hoogere Land en Bosch-bouwschool, die den titel landbouwkundige hebben verworven, dan zouden dezen het landbouwdoctoraat moeten kunnen verkrijgen. Tevens zou dit de geschikte vorming zijn voor de rijks land en tuinbouwleeraren en de leeraren aan de rijkslandbouwschool.

Dit onderwijs zou dan het hooger landbouwonderwijs uitmaken en het belangrijk karakter van het eigenlijk Universitair onderwijs, oefening in zelfstandig wetenschappelijk onderzoek, bezitten. Voor de toekomstige ontwikkeling van onzen landbouw is het scheppen van dit hooger landbouwonderwijs, gewenscht.

Van bijzonderen aard is nog het theoretisch en praktisch onderwijs, dat gegeven wordt aan de Rijks-veeartsenijkundige-school te Utrecht.

De cursus is vierjarig, minimum leeftijd der leerlingen, 17 jaar. Het met goed gevolg afgelegd eindexamen der hoogere burgerscholen met vijfjarigen cursus stelt van het toelatingsexamen vrij, dat evenwel niet zoo hooge eischen stelt.

-ocr page 160-

HOOFDSTUK XI.

Middelbaar en Hooger Industrieel Onderwijs.

De commissie, die in 1860 verslag uitbracht omtrent den toestand en de inrichting der industriescholen in het buitenland en in Nederland, kon ten opzichte van het industriëel onderwijs in ons land niet veel gunstigs getuigen. Wel werden op verschillende plaatsen industriescholen opgericht, maar een blik in het programma dier scholen leert al spoedig, dat men te doen heeft met eenvoudige inrichtingen, die dikwijls nog meer met het voortgezet lager onderwijs overeenkomen, dan met de tegenwoordige hoogere burgerscholen en als vakscholen in den zin, dien wij daaraan gewoonlijk hechten, niet beschouwd kunnen worden.

Slechts maakte daarop eene uitzondering de Technische school te Utrecht, die in 1850 door particulier initiatief werd opgericht. Het onderwijs omvatte hetgeen tegenwoordig op eene hoogere burgerschool met vijfjarigen cursus wordt onderwezen, benevens handels aardrijkskunde, ornament en bouwkundig teekenen. Als een bewijs van de goede vruchten van dat onderwijs haalt de bovengenoemde commissie aan, dat een groot aantal leerlingen, na den cursus aan de technische school te hebben doorloopen, tot de lessen in het tweede studiejaar aan de academie te Delft werden toegelaten.

Deze „Koninklijke Akademie ter opleiding van Burgerlijke Ingenieurs enz., vormde de gelegenheid voor het ontvangen van hooger industriëel onderwijs, ofschoon zij voornamelijk bestemd was voor ambtenaren voor den waterstaat enz., ze was eene rijksinstelling.

Gerust mag men met de bovenbedoelde commissie zeggen, dat,

-ocr page 161-

153

waar de behoefte aan degelijk industriëel onderwijs levendig werd gevoeld, er zeer weinig tot stand kwam om in die behoeften te voorzien en dat nog meest door particulieren.

Immers ook in Twente, waar met het oog op de nijverheid, gestreefd werd naar beter onderwijs en in Amsterdam, waar Dr. Sarphati meer het oog had op koophandel dan op nijverheid, ofschoon de scholen in Enschedé en Amsterdam beiden voor beide takken heetten op te leiden, was alles het werk van particulieren.

Algemeen verwachtte men in dien tijd van de ophanden zijnde wet op het middelbaar onderwijs heil.

In de vroeger aangehaalde brochure van den heer Bierens de Haan was o. a. een onderzoek ingesteld naar de wijze, waarop in Duitschland de voorbereiding voor de nijverheid werd gevonden en aangedrongen op de oprichting van reaalscholen als in Duitschland, en om deze als voorbereiding te nemen voor een gereorganiseerd hooger instituut, eene Polytechnische school, te Delft. In overeenstemming daarmede is gehandeld toen de wet op het middelbaar onderwijs zoowel de hoogere burgerscholen met vijfjarigen cursus bracht, hoofdzakelijk in navolging van de Duitsche reaalschool, en de academie te Delft in Polytechnische school werd veranderd.

Afgezien nu van de wijze, waarop sedert dien tijd (1863) aan de Polytechnische school de hoogere vorming wordt gegeven aan de technologen, hoofden van industriëele ondernemingen en dergelijke, springt in het oog, dat in het geheele industriëel onderwijs een leemte moest overblijven.

De ambachtsscholen, die langzamerhand werden opgericht, sloten bij de lagere school aan en gaven voorbereiding voor handwerkslieden, kleine industriëelen en werkbazen, de polytechnische school gaf de hoogste voorbereiding voor directeuren van groote ondernemingen en daarmede gelijkstaande wetenschappelijke mannen. De vele ondernemers evenwel, die in deze eeuw van sterk toenemende nijverheid op jongeren leeftijd dan de laatsten en met ruimer kennis van de industrie dan de eersten, in de praktijk moesten treden, vonden geene geeigende opleiding.

Voor hen was voorbereiding aan de hoogere burgerscholen.

-ocr page 162-

154

noch met drie, noch met vijfjarigen cursus voldoende, zij misten juist de aansluiting met de praktijk door een goed vakonderwijs.

Daarin kan worden voorzien door in de plaatsen, die daarvoor in aanmerking komen, de hoogste twee klassen der hoogere burgerschool met vijfjarigen cursus te vervangen door eene twee of driejarige industrieschool. Modellen van dergelijke inrichting zijn in ons land aanwezig in de Nederlandsche school voor nijverheid en handel te Enschedé en de kweekschool voor machinisten, afdeeling technici te Amsterdam. Beide scholen mogen zich in een druk bezoek verheugen en voldoen aan billijke eischen.

Bij deze industriescholen zal men, evenals bij de bestaande voorbeelden, te rade moeten gaan met de eischen van de omgeving. Evenals de school in Enschedé, naast meer alge-meene opleiding voor de nijverheid, hoofdzakelijk de textiele industrie voor oogen heeft, dient de afdeeling technici te Amsterdam ook in het bijzonder voor technici in suikerfabrieken.

Bij oprichting van meerdere scholen zal men meerdere verscheidenheid verkrijgen, een industrieschool in Tilburg zal meer het oog moeten houden op de daar krachtige nijverheid en weer een geheel andere moeten zijn dan in Maastricht of in de provincie Groningen.

Men zal met de behoeften rekening moeten houden om te beoordeelen of de industrieschool, die bij de driejarige burgerschool zal aansluiten, twee of driejarigen cursus moet hebben. Na een jaar van meer algemeene vorming, met het oog op fabrieks en handelswezen in het algemeen, zal de speciale vak-vorming volgen en deze kan voor verschillende bedrijven verschillenden duur hebben.

Nadrukkelijk moet er wel op gewezen worden, om deze industriescholen niet in elke plaats voor alle mogelijke industriën dienstbaar te willen maken, maar voor eenige weinige en dan goed. Voor degenen, die de positie in de maatschappij zullen innemen, welke deze voorbereiding vereischt, zal het gewoonlijk geen overwegend bezwaar zijn, de jongelieden van huis te zenden wanneer zij bij geval opgeleid worden in een andere industrie dan waarvoor de in de buurt bestaande industrieschool hoofdzakelijk vormt.

-ocr page 163-

155

Hat karakter van de door ons bedoelde scholen is nog nader vast te stellen, door meer in bijzonderheden het onderwijs in oogenschouw te nemen van de scholen te Enschedé en Amsterdam.

De Nederlandsche school voor nijverheid en handel te Enschedé, bestaat uit eene gewone hoogere burgerschool met driejarigen cursus, benevens twee afdeelingen daarbij aansluitende, 1°. voor den handel van één jaar, en 20. voor de nijverheid drie jaren. Deze laatste afdeeling zal ons in dit verband eerst bezig houden.

Volgens het programma der school wordt het eerste jaar van den Sjarigen nijverheidscursus besteed om handelsonderwijs te geven, wat immers ieder industriëel evenzeer als de koopman van noode is, en verder om de wiskundige kennis bij te brengen, onmisbaar voor de verdere beoefening van werktuigkunde en spinnen. Bovendien wordt het onderwijs in natuurkunde voortgezet en een algemeen overzicht van scheikunde gegeven.

Wij hebben hier dus te doen met een jaar algemeene voorbereiding, maar waarbij de aanstaande bedrijfstak van den leerling reeds in aanmerking genomen wordt. Het onderwijs is dus geenszins te vergelijken met het vierde jaar der hoogere burgerschool. De 2e en 3® klasse der nijverheids afdeeling dienen ter opleiding:

1°. van fabrieksdirecteuren en fabrikanten voor de textiele industrie;

2°. van grossiers, agenten en handelaars in manufacturen — in het algemeen van allen, die eene nauwkeurige kennis behoeven van geweven stoffen, hare vervaardiging en hare wijze van bewerking; en

3°. van toekomstige industrieelen, voor wie kennis in werktuigkunde, scheikunde, teekenen enz. noodzakelijk is.

De vakken van het eerste jaar der nijverheids afdeeling zijn: Fransch, Duitsch, Engelsch, Boekhouden, Staathuishoudkunde, Wiskunde, Natuurkunde, Scheikunde, Teekenen, Schetsen van machinedeelen.

Bij de talen wordt hoofdzakelijk bevorderd de handelscorrespondentie, spreekoefeningen over handelsonderwerpen, terwijl ook de nieuwere schrijvers en hunne geestesproducten niet verwaarloosd worden. Natuurkunde en het vrij uitvoerig onderwezen

-ocr page 164-

156

vak scheikunde, houden meer rekening met de verdere toepassingen in de industrie, de wiskunde wordt geheel onderwezen als inleiding Voor de werktuigkunde. Bij het teekenen vindt ook het schetsen van eenvoudige machineonderdeelen en gebouwen plaats.

Het is duidelijk dat dit onderwijs reeds een bepaalde richting heeft ofschoon van eigenlijk vakonderwijs voor een bepaalden tak van industrie nog geen sprake is.

Dit begint in de tweede en wordt voortgezet in de derde klasse. Een overzicht van de vakken duidt reeds het karakter van het onderwijs aan. Werktuigkunde, Hout en Metaaldraaien, Natuurkunde, Scheikunde, Analytische scheikunde, theoretisch en praktisch, Chemische technologie, Praktisch verven en bleeken, Mechanische technologie, kennis van de Spinvezels, Spinnen, Teekenen en Schetsen van machinedeelen, benevens praktische oefeningen in de laboratoria en weefzalen, waar ook de weefvakken worden onderwezen.

Praktijk en theorie gaan dus in de laatste twee jaren hand in hand. De school zelve bezit de werkplaatsen en machines, die in de nijverheid van dezen aard gebruikt worden en waarvan het gebruik den leerlingen door praktische oefeningen wordt eigen gemaakt.

Ten einde van de leerkrachten en leermiddelen alle partij te trekken, wordt ook gelegenheid gegeven aan jongelieden of ook ouderen om in de nijverheidsafdeeling zich voor den een of anderen specialen tak te bekwamen. Zij behoeven geen toelatingsexamen af te leggen en ontvangen bij het verlaten der school ook geen getuigschrift. Het doel is om flinke personen van onvoldoende theoretische en algemeen ontwikkelende voorbereiding toch gelegenheid te geven zich in hun vak theoretisch en praktisch te bekwamen.

De afdeeling Technici van de kweekschool voor Machinisten biedt ons weer een geheel ander beeld ofschoon de grondgedachte dezelfde is. De toelating is zóó geregeld dat aan de eischen kan voldaan worden door de leerlingen, die de hoogere burgerschool met driejarigen cursus met vrucht hebben door-loopen. Ook hier is de cursus driejai\'ig.

-ocr page 165-

157

Terwijl evenwel in Enschedé het specialiseeren voor verschillende vakken met het tweede studiejaar begint, geschiedt dit hier eerst met het derde. De reden daarvan ligt misschien hierin dat Enschedé tegelijk ook handelsschool is.

Een tweede verschil ligt in de indeeling der school die te Amsterdam gesplitst is in zes halfjaarlijksche afdeelingen.

In het eerste studiejaar zijn de onderwijsvakken: Rekenen en Algebra, Planimetrie, Stereometrie, Goniometrie, Natuurkunde, Scheikunde, Werktuigkunde, Stoomwerktuigkunde, Boekhouden, Nederlandsche taal, Engelsch, Hoogduitsch, Handteekenen, Lijnteekenen en praktijk (smeden, bankwerken, draaien en machine drijven).

Het tweede studiejaar omvat Algebra, Stereometrie, Vlakke Driehoeksmeting, Beschrijvende Meetkunde, Analytische Meetkunde, Natuurkunde, Scheikunde, Werktuigkunde, Stoomwerktuigkunde, Technologie, Boekhouden, Engelsch en Hoogduitsch, Lijnteekenen en eveneens praktijk als in \'t eerste leerjaar.

Het derde studiejaar omvat: Beschrijvende en Analytische meetkunde, beginselen der Differentiaal en Integraal rekening, Natuurkunde met een specialen cursus over de Mechanische warmtetheorie, Electrotechniek en Electrochemie, Scheikunde, Werktuigkunde met specialen cursus over Elasticiteitstheorie en Graphostatiek , Werktuigenkennis, Werktuigleer, Werktuigbouw, Technologie, Engelsch, Hoogduitsch en Lijnteekenen.

Uit de lijst der vermelde vakken blijkt dat in de opleiding aan mathesis en natuur en werktuigkunde, maar eveneens aan de praktische vakken veel tijd wordt besteed, de leerlingen dus ook de handen leeren gebruiken.

Voor technici in suikerfabrieken worden nog afzonderlijke cursussen gegeven, waartegen zij enkele andere vakken kunnen missen.

Het zijn dergelijke, naar den aard der omgeving onderscheidene, industrie scholen, die naar onze meening de hoogste klassen der hoogere burgerscholen met vijfjarigen cursus moeten vervangen.

Natuurlijk zal men met geringer aantal van deze scholen kunnen volstaan dan nu met hoogere burgerscholen van vijfjarigen cursus. Ook de kosten zullen noodzakelijk maken, om aan elke

-ocr page 166-

158

afzonderlijke industrieschool slechts voor enkele deelen der nijverheid op te leiden.

Andere hoogere burgerscholen, die niet de hoogste studiejaren in industriescholen kunnen omvormen, zouden er van kunnen maken handelsscholen, waarvan in het volgend hoofdstuk sprake zal zijn.

In den tegenwoordigen tijd, nu de industrie met reuzenschreden vooruitgaat, is de oprichting der bedoelde scholen niet langer uit te stellen. Ons volk ontwaakt eerst langzaam uit zijn langen slaap. Laten toch de scholen niet langer de jongelieden mee helpen drijven tot het najagen van ambtenaarsbetrekkingen. Laat toch het onderwijs zelf reeds aansporen vlug de wereld in te gaan met goede algemeene en flinke vakkennis en dat op een leeftijd als de zucht tot avonturen bij bijna allen levendig is en nog geene sterke banden aan het verblijf in \'t vaderland binden.

Onze jongelieden moeten er uit, in de wereld rondzien, ons volk moet zijn vroegere expansieve kracht weer toonen en waarin kan het dat beter dan in nijverheid en handel?

Het is volstrekt niet noodig deze twee of driejarige industriescholen onder afzonderlijke leiding te stellen. Aan vele hoogere burgerscholen met vijfjarigen cursus zal men betrekkelijk weinige veranderingen behoeven aan te brengen om ze voor het doel geschikt te maken en dan is het zeker beter dat de directeur van de eene inrichting ook is de directeur der andere. Het leeraren personeel zal ook ten deele het zelfde kunnen zijn aan de hoogere burgerschool met driejarigen cursus.

De vraag kan nu evenwel rijzen: indien de industrieschool in de plaats komt van de hoogste klassen der hoogere burgerschool met vijfjarigen cursus, hoe wordt het dan met de voorbereiding voor de polytechnische school?

Ons inziens zouden de eerste twee jaren van een industrieschool als die te Amsterdam deze voorbereiding ook kunnen geven, anders evenwel zou het gewenscht zijn aan de hoogere burgerschool te Delft een speciale voorbereidingsschool voor de polytechnische school te behouden of, indien noodig, in eenige plaatsen, waar de hoogste twee jaren niet in industrie of handelsschool veranderd worden.

-ocr page 167-

159

Als middelbaar industrieel onderwijs zou ook te beschouwen zijn de opzettelijke voorbereiding voor de ten onzent zoo lange jaren schromelijk verwaarloosde kunstnijverheid. Ten gevolge daarvan moest eene commissie in 1877 getuigen dat eene gren-zenlooze onverschilligheid het publiek beheerschte en de toestand der hedendaagsche Nederlandsche kunstnijverheid bedroevend was. In 1881 is toen gevolgd van rijkswege de oprichting van de school voor kunstnijverheid te Amsterdam waar volgens het bij de oprichting vastgestelde programma onderwijs zou worden gegeven in: rechtlijnig teekenen, handteekenen, stijl en orna-mentleer, geschiedenis der kunsten en ambachten, kleurenleer, kennis der materialen, ontleedkunde en proportieleer van den mensch en van de dieren, beginselen der beschrijvende meetkunde en doorzichtkunde.

Meerdere werkzaamheid in deze richting is zeer noodig, uit den aard der zaak zal het onderwijs het gemakkelijkst in opvolgende cursussen bij het ambachtsonderwijs aansluiten ofschoon afzonderlijke scholen voor oud-leerlingen der hoogere burgerscholen, met ruime algemeene ontwikkeling dus, zeer gewenscht blijven.

Wat de Polytechnische school aangaat, de regeering be-seffe wat meer dan tot nu toe de groote beteekenis van eene dergelijke inrichting voor onze nationale nijverheid. In den laatsten tijd neemt het aantal technologen, die in Delft hun opleiding zoeken, steeds toe. Laat men nu ook aan de Polytechnische school, die het hooger industrieel onderwijs geeft voor degenen, die de eerste plaatsen in onze nijverheid moeten innemen, de groote geldsommen ten koste leggen, welke men de universiteiten niet onthoudt.

Voor ons land, dat voor industrie in \'t geheel niet ongunstig ligt, dat bovendien koloniën en bezittingen heeft, met een onmetelijk veld voor industrieele werkzaamheid, zal het bezit van een model instituut voor hooger industrieel onderwijs, voor de beoefening van alle vakken van heilzamen invloed zijn. Inzonderheid ook omdat daar de mannen kunnen gevormd worden, die geroepen zijn in de verschillende industrie scholen, welke wij in ons land wenschen, de leiding der studiën op zich te nemen.

-ocr page 168-

HOOFDSTUK XII.

Middelbaar en Hooger Handelsonderwijs.

De andere inrichting, welke wij voor de twee hoogste klassen der hoogere burgerschool met vijfjarigen cursus in de plaats zouden wenschen, is de tweejarige handelsschool.

Dat de tegenwoordige hoogere burgerschool de goede voorbereiding niet geeft voor den koopman, zal moeilijk betwist kunnen worden.

Ook de handel eischt van de hoofden der ondernemingen en verantwoordelijke personen in de handelsbedrijven in \'t algemeen veel meer dan vroeger. Algemeene ontwikkeling behoort de koopman te hebben, maar veel meer dan dat.

Verkeer en vervoer, geld en credietwezen, handelspolitiek der volken met hunne algemeene en bijzondere tarieven, assurantiewezen in zijn geheele machtige ontwikkeling vormen belangrijke wetenschappen, die althans de grootere koopman niet kan ontberen. Kennis van handelsrecht, vooral het zeerecht, is voor vele kooplieden van groote beteekenis en evenzeer moet de handelsaardrijkskunde en handelsgeschiedenis benevens de administratie, en handelsrekenen geleerd worden.

Ook immers warenkennis dient te worden opgedaan in alge-meenen zin met de middelen van onderzoek. Overbodig te zeggen dat degelijke talenkennis noodzakelijk is.

Een groot geheel dus van verschillende wetenschappen, wier studie te zamen den algemeen ontwikkelden, kundigen handelsbediende vormt, die in de praktijk spoedig een zelfstandigwerkend koopman kan worden.

Evenals aan knappe industrieelen heeft ons land aan jeugdige, energieke maar evenzeer kundige kooplieden behoefte.

-ocr page 169-

161

Hoeveel niet kan een intelligente handel de industrie en landbouw steunen, op nieuwfe wegen leiden, waar veel grooter voordeelen te bereiken zijn. Men onderzoeke hoezeer de Zwitser-sche industrie evenzeer als die van Duitschland door deze ge-heele eeuw heen, den machtigen steun gehad heeft van een hoog ontwikkelden handelsstand, over de geheele wereld verbreid, en men zal zich niet meer verwonderen over de groote opofferingen , welke men in Zwitserland i) b.v. voor het handelsonderwijs over heeft. Ook op dat punt is ons land achterlijk, schrikbarend achterlijk.

Naast de vroeger genoemde inrichtingen bestond er ongeveer 1860 slechts een handelscursus aan het Athenaeum te Maastricht en verder voor eenigszins gevorderden niets anders dan wat op particuliere instituten werd onderwezen.

Heeft in dat opzicht de wet op het Middelbaar onderwijs verbetering gebracht? Zeer weinig voor het eigenlijke vakonderwijs; aan een enkele hoogere burgerschool werd eene handels-afdeeling geopend, zonder veel resultaat.

Verbetering is eerst gekomen door de oprichting in 1867 van de Amsterdamsche handelsschool, die, na eenige vruchtelooze pogingen, ten slotte tot bloei kwam als tweejarige cursus aansluitende bij een driejarige hoogere burgerschool. Behalve deze inrichting zijn er nog de éénjarige cursus te Enschedé en een éénjarige cursus te Rotterdam, beiden volgende op een driejarigen cursus eener hoogere burgerschool, die de opleiding van ons handeldrijvend volk voor den handel verzorgen.

Van deze inrichtingen is de openbare handelsschool met tweejarigen cursus te Amsterdam de belangrijkste en uit den aard der zaak de uitgebreidste. Pogingen worden aangewend om ook de handelsafdeeling van de Nederlandsche school voor Nijverheid

!) In Zwitserland, met eene bevolking van nog geen drie millioen, bestonden op 1 Januari 189G, 14 uitstekend ingerichte mtndelsscholen met een totaal van 728 leerlingen. Aan gebouwen en leermiddelen worden geene kosten gespaard, in 1895 bedroegen de uitgaven 244!)Ü3 francs, terwijl 153 onderwijzers aan deze scholen waren verbonden. Vgl. het in vele opzichten hoogstbelangwekkend rapport over de Zwitsersche handelsscholen voor de nationale tentoonstelling te Genève van 1890 vervaardigd.

Dr. D. uos, Onze Volksopleiding. 11

-ocr page 170-

1C2

en Handel te Enschedé een tweejarigen cursus te geven, hetgeen zeer aan te bevelen zou zijn.

Immers de ervaring, aan de school te Amsterdam opgedaan, heeft wel reeds geleerd, dat het geheel van kennis daar verkregen , voor de groote meerderheid van kooplieden als voldoende voorbereiding is te beschouwen en deze school dus mag worden genomen als type voor de tweejarige handelsschool, die wij in verschillende deelen des lands op de driejarige hoogere burgerschool gaarne zagen volgen. Gerust kunnen de leerlingen, die deze opleiding hebben genoten, zich vergelijken in kennis met die van buitenlandsche handelsscholen of handelsacademies.

Hoofdzakelijk is op de handelsschool te Amsterdam gestreefd naar een geheel van theoretische en praktische kundigheden, die, vereenigd met hetgeen de praktijk zelf moet leeren, een deugdelijk geheel van kennis vormen, en die praktijk veel sneller doen kennen, dan alleen met een algemeen ontwikkelende opleiding mogelijk is.

Men heeft niet het koopmanspelen op de school gebracht zooals b.v. zeer sterk geschiedt in de Amerikaansche Bussiness-schools of aan de Fransche handelsscholen in het bureau commercial. Ten einde de leerlingen vertrouwd te maken met de handelsoperaties worden, hoofdzakelijk in de eerstgenoemde scholen, allerlei transacties verricht met goederen die door uitgeknipte stalen worden voorgesteld. Verder wordt dan een expeditiekantoor , een bank en wisselkantoor nagemaakt en is ieder leerling eenige maanden in elke branche werkzaam. De school bootst dus de geheele handeldrijvende wereld in hare hoofdtakken na.

Ojj andere plaatsen, b.v. in de Zwitsersche handelsscholen correspondeeren de leerlingen der verschillende scholen teneinde oefening te krijgen in de handelscorrespondentie. In dat land is de toestand, met de zoo verschillende talen sprekende bevolking , voor dat doel zeer geschikt. Het komt ons voor dat de keuze te Amsterdam goed is geweest om deze nagebootste praktijk niet op de school te brengen.

Gaat het om voorbereiding voor een bepaalde industrie, dan kan het gebruik der werktuigen, het verloop van het proces der bewerking op de school gebracht worden, al zal de praktijk

-ocr page 171-

163

dan ook belangrijk anders zijn en al heeft men op de school niet te doen met tal van factoren waarmede in de praktijk rekening te houden is.

Maar den handel zelf, het ruilverkeer in praktijk, op de school te brengen schijnt ons niet overeenkomstig den aard van dezen tak van bestaan.

Misschien is daarvoor nog eenige grond in de Amerikaansche bussiness-schools, waar iemand, volslagen onbekend met den handel, in een minimum van tijd in het geheele handelssysteem wordt ingewijd, in ons land, waar een regelmatige opleidingswij ze is te verkrijgen, schijnt dit vrijwel overbodig.

De vakken, welke aan de Openbare Handelsschool worden onderwezen, zijn: Nederlandsch, Fransch, Duitsch, Engelsch, Handelsaardrijkskunde, Handelsgeschiedenis, Handelsrekenen en Wiskunde\', Warenkennis en Handelsscheikunde, Staathuishoudkunde, Handelsrecht, Boekhouden en Schoonschrijven. Tevens wordt gelegenheid gegeven tot het aanleeren der Itali-aansche, Spaansche, Zweedsche en Maleische taal, alsmede van de Stenografie.

Bij het onderwijs in de moedertaal en de vreemde moderne talen, wordt de litteratuur niet verwaarloosd maar toch de nadruk gelegd op hetgeen in het schriftelijk en mondeling verkeer hoofdzaak is, vooral in den handel. De andere vakken duiden reeds van zelve den aard van het bedoelde onderwijs aan.

Komen deze tweejarige handelsscholen in de plaats van de vierde en vijfde klasse der gewone hoogere burgerscholen, dan zal men bij de inrichting van het onderwijs eenigszins te rade kunnen gaan met de eischen van den handel in de verschillende deelen des lands.

In dat opzicht toch hebben plaatsen als Groningen, Deventer, Arnhem, weer andere eischen dan Amsterdam of Rotterdam en deze weer andere dan Utrecht, \'s Hertogenbosch of Leeuwarden.

In plaatsen waar èn een industrieschool èn een handelsschool levensvatbaarheid zouden hebben, konden deze te samen opgericht worden in den geest van de tegenwoordige school te Enschedé.

De tweejarige handelsschool zal niet alleen aan de behoeften

11*

-ocr page 172-

164

van den handelsstand voor het groote meerendeel voldoen, maar ook kan deze school met goed gevolg bezocht worden door personen, die zonder zelf in den handel te gaan, toch met dezen dikwijls in aanraking komen of daarvoor noodige kundigheden behooren te bezitten.

Het zou zeker voor de hoogere ambtenaren der belastingen, evenals voor degenen, die later, na een speciale opleiding te Delft, werkzaam zullen zijn als ambtenaar in Oost-Indië, niet kwaad zijn als een voorafgaand onderwijs aan deze handelsscholen was genoten, wij zouden althans die opleiding voor deze categoriën verre verkiezen boven de opleiding aan de tegenwoordige hoogere burgerschool met vijfjarigen cursus.

Men zou kunnen vragen: Zullen de kosten van deze verandering der hoogere burgerscholen niet veel te hoog loopen?

Immers, zal het onderwijs aan eene Industrieschool goed zijn, dan moeten er naarmate van den tak van nijverheid, voor welken men meer speciaal wil opleiden, werktuigen en modellen aangeschaft worden, er moeten werkplaatsen zijn en laboratoria. Eveneens zal een handelsschool weinig nut stichten ten opzichte van warenkennis, wanneer niet een uitgebreid handelsmuseum wordt aangelegd van de grondstoffen en hunne afgeleide producten , hoofdproducten van den handel, die in de plaats voornamelijk wordt gedreven, met wijze van verpakking enz., wanneer niet tevens een laboratorium aanwezig is om praktische oefeningen te houden. Dat overigens de stichting van een handelsmuseum bij de bedoelde handelsscholen ook van wijder beteekenis zou zijn dan alleen voor het onderwijs aan de bedoelde school, behoeft geen betoog, vooral wanneer alles zoo goed is ingericht als b.v. in het handelsmuseum te Brussel, waar ook eene uitgebreide verzameling van voor den handel belangrijke periodieke werken aanwezig is.

De handelsstand der plaats zelve profiteert van dergelijke inrichting, waar inlichtingen van allerlei aard kunnen ingewonnen worden, zeer.

Het komt ons evenwel voor, dat de kosten van het onderwijs niet veel hooger zullen zijn dan thans wanneer men slechts niet op elke plaats, waar thans een hoogere burgerschool met vijfjari-

-ocr page 173-

165

gen cursus is, een inrichting zoowel voor handel als voor nijverheid wil hebben en wanneer men zich in het laatste geval specialiseert.

Integendeel gelooven wij zelfs dat door algemeen de hoogere burgerschool met driejarigen cursus als gemeenschappelijke school voor algemeen ontwikkelend onderwijs te nemen, besparingen van vrij aanzienlijk bedrag kunnen gevonden werden, waaruit de meerdere kosten kunnen worden bestreden.

Het bedoeld handelsonderwijs in een tweejarigen cursus kan als middelbaar handelsonderwijs worden aangemerkt. Een hoogere vorm dus dan die der in hoofdstuk VII besproken handelscursussen, welke toegankelijk zijn voor hen, die met goed gevolg het voortgezet lager onderwijs hebben genoten. Evenwel zou het verkeerd zijn de handelsschool niet tevens voor de handelscursussen dienstbaar te maken, in dien zin, dat het gebouw der school de aangewezen plaats is, oin ook de handelscursussen te houden, terwijl onder de leeraren aan de handelsschool geschikte leerkrachten voor de cursussen gevonden zullen worden.

De onkosten, aan het inrichten van handelscursussen verbonden , zullen dus bij het bestaan van eene tweejarige handelsschool in dezelfde plaats van betrekkelijk zeer geringe beteekenis zijn.

Evenals voorgesteld is bij andere deelen van het vakonderwijs, komt ons stichting van rijkswege van eenige model handelscursussen niet ongewenscht voor. Daarvoor zou gelegenheid bestaan in plaatsen waar rijks hoogere burgerscholen met vijfjarigen cursus zijn gevestigd.

Moet nu het middelbaar handelsonderwijs beschouwd worden als de hoogste vorm, die voor den aanstaanden koopman bereikbaar is of zullen de behoeften evenals bij het landbouw- en industrieel onderwijs, ook hier wijzen op een hoog er handelsonderwijs? Het kan en zal ook wel voorkomen, dat jongelieden, die de tweejarige handelsschool hebben bezocht voor uitbreiding hunner kundigheden nog een derde jaar wenschen te gebruiken.

Nemen wij b.v. het vak verzekering, dat in ons land evenals overal elders hoe langer hoe meer omvang neemt. liet onderwijs daarin behoort eigenaardig op de handelsschool te huis, maar slechts in betrekkelijk beperkten omvang. Er kan geen sprake

-ocr page 174-

166

van zijn de wiskundige grondslagen nauwkeurig te onderzoeken, nog minder in veel details te treden.

Maar het zal toch nuttig zijn wanneer de gelegenheid bestond meer kennis op te doen in dergelijke onderdeelen. In sommige gevallen zou aan de een of andere handelsschool, uit den aard der zaak in een groote stad, een derde studiejaar voor speciale doeleinden kunnen worden verbonden. Dit derde jaar evenwel onder de vaste organisatie van de handelsschool op te nemen, schijnt niet raadzaam. Behoeften en eischen der praktijk zullen zeer verschillend zijn van de eene tot de andere plaats niet alleen maar zelfs van het eene tot het andere jaar.

Behalve deze speciale cursussen zou het gewenscht zijn in een der hoofdsteden des lands gt; een hoogeren vorm van handelsonderwijs in te richten. Amsterdam als groote handels-, tevens universiteitsstad is daarvoor de aangewezen plaats.

De behoefte aan dat hooger handelsonderwijs doet zich reeds gevoelen.

Wij herinneren aan de oprichting van het „Nederlandsch Instituut van Accountantsquot; en de instelling van de examens door deze vereeniging.

Het instituut is den 1 Januari 1895 opgericht, nadat den 15 December 1894 op initiatief van het te Rotterdam gevestigde Bureel van Boekhouding „Confidentiaquot; een twintigtal bekende administratieve experts te Rotterdam waren samengekomen.

De oprichting van het instituut is een noodzakelijk gevolg van de ontwikkeling van handel en nijverheid in deze eeuw. Immers reeds lang is gebleken, dat voor tal van ondernemingen de vereeniging van vele kleine kapitalen tot een groot maatschappelijk kapitaal een vereischte is. Dat geldt voor de maatschappijen , die reusachtige kapitalen moeten vastleggen in middelen van vervoer, het geldt voor handelsondernemingen vooral in overzeesche gewesten, het geldt inzonderheid ook voor de instellingen, die een groot vertrouwen van het publiek noodig hebben voor hun bedrijf, de onderscheidene instellingen van crediet.

De associatie van kapitalen heeft dan ook in dezen tijd van groote ontwikkeling een zeer groote vlucht genomen vooral in het land dat bovenaan staat in deze eeuw, Engeland. De ,,een

-ocr page 175-

167

pondsquot; aandeelen hebben bijna het geheele Engelsche volk geïnteresseerd bij tal van ondernemingen.

Maar daarmede ontstaat een groot gevaar. De verschillende aandeelhouders kunnen geen toezicht houden op de wijze, waarop hun kapitaal wordt aangewend. Wel is waar kunnen commissarissen, die de directies der maatschappijen controleeren, die taak waarnemen, maar dikwijls zijn zij daartoe niet bij machte, omdat hun de tijd en somtijds de kennis ontbreekt.

Komt daar nog bij, dat men te doen heeft met onbetrouwbare directeuren, dan ligt het voor de hand, dat een ruïne voor de aandeelhouders het gevolg kan zijn, vooral wanneer, zooals vroeger in Engeland veelal het geval was, de vorm der vennootschap geheele aansprakelijkheid van de aandeelhouders medebrengt of slechts het kapitaal gedeeltelijk is gestort.

Vandaar de behoefte aan personen, die een hooge mate van kennis in de verschillende gedeelten van het uitgebreide handelsgebied, paren aan onkreukbare eerlijkheid. Mannen, die het volle vertrouwen van het publiek verdienen en wier oordeel over den innerlijken toestand eener onderneming, gegrond op een nauwkeurig onderzoek, wordt vertrouwd.

Deze accountants hebben evenwel ook een andere taak dan controleeren of bij de liquidatie van vennootschappen de zaken mede af te wikkelen. Zij kunnen ook den koopman raad geven omtrent de beste wijze van boekhouding voor handelsonderneming , fabriek of vennootschap en zijn daarbij natuurlijk verplicht tot geheimhouding van hetgeen hun omtrent verschillende handelsondernemingen ter ooren komt.

Uit het vorenstaande volgt dat de mannen, die deze hoogst nuttige functie in de maatschappij zullen uitoefenen, in handelskennis , althans kennis van handelsondernemingen, verre boven de meerderheid der kooplieden moeten staan en voor hen do gewone opleiding aan de tweejarige handelsschool niet voldoende is.

Er behoeft dan nog in het geheel geen sprake te zijn van het onderzoek, dat bij levensverzekering maatschappijen uit den aard der zaak aan wiskundigen wordt opgedragen, om bij tal van ondernemingen slechts aan uiterst bekwame mannen het onderzoek te\'kunnen opdragen zóó dat zij ook de geheele zaak helder voor oogen hebben.

-ocr page 176-

168

In de „Accountantquot;, orgaan van het Nederlandsch Instituut van Accountants, worden de eischen meedegedeeld, welke gesteld worden, zoowel aan algemeene ontwikkeling als aan vakkennis, om, behoudens een onderzoek naar de moraliteit van den candi-daat, te worden opgenomen in het Instituut. De eischen zijn zwaar en zal daaraan voldaan kunnen worden door hen, die naeene tweejarige handelsschool bezocht te hebben, nog een paar jaren zich aan de studie der handelswetenschappen en verwante vakken kunnen wijden.

Het zal niet voldoende zijn een examen in te stellen voor dit ambt, men zal tevens do gelegenheid moeten openen de kennis to verkrijgen, die voor de goede uitoefening vereischt wordt, en daarvoor zal bij eene tweejarige handelsschool nog een voortgezette meer wetenschappelijke cursus moeten aansluiten , waarin dieper in de verschillende onderwijsvakken wordt doorgedrongen en vooral ook de administratieve, rechts- en economische kennis aanzienlijk wordt uitgebreid.

Vooral ook is dat gewenscht met het oog op de vertegenwoordiging van den handel in het buitenland.

Met alle waardeering voor de Nederlandsche consuls, die in het buitenland den Nederlandschen handel, industrie en landbouw bevorderen, zal wel niet ontkend worden, dat deze dienst nog volstrekt niet zóó geregeld is als het meest gewenscht is voor een volk als het onze. Wie de consulaire verslagen leest, vindt daarin dikwijls uitnemende opstellen en praktische voorslagen van actieve consuls, maar ook dikwijls berichten van personen, wier belangstelling in onzen handel uit den aard der zaak als buitenlanders zeer gering is en die dan ook daar voor geen oog hebben.

Een goede regeling van het consulaatswezen is voor de betrekkingen van ons land zeer noodig, nog meer evenwel een flinke, duidelijk aangewezen, opleidingswijze voor het ambt van beroepsconsul.

Aan die verschillende eischen zal dus een hooger handelsonderwijs moeten voldoen, dat dan te gelijkertijd ook degewenschte opleiding zou verschaffen aan tal van directeuren van handelsondernemingen van grooten omvang, zooals toch ons land er nog telt en nog meer tellen kon, wanneer de veerkracht in onze

-ocr page 177-

169

groote handelssteden voortgaat zich steeds sterker te uiten, dat tevens ook de voorbereiding zou geven aan de handels-leeraren, die in handelsscholen of handelscursussen hebben te onderwijzen.

In verband met dit hooger handelsonderwijs is het gepast te wijzen op hetgeen aan de handelsscholen in het algemeen moet verbonden blijven, de gelegenheid nl. om jonge kooplieden, die na een zorgvuldige opleiding aan de school een paar jaar in de praktijk zijn geweest, naar het buitenland te zenden om handelsrelaties aan te knoopen en zoo mogelijk zich daar te vestigen.

En in Frankrijk èn in België en Zwitserland worden ondersteuningen voor een vrij groot bedrag verleend gedurende een paar jaren, gewoonlijk drie, aan oudleerlingen van handelsscholen die de geschiktheid bezitten en daarvoor in aanmerking komen. Zij nemen daarvoor de verplichting op zich telken jare een verslag uit te brengen dat beslist over de voortzetting van de ondersteuning. In ons land is de vereeniging ,,Het buitenlandquot;, ondersteund door een rijkssubsidie van ƒ5000, op dezelfde wijze werkzaam. Het ware te wenschen dat de lust van jongelieden om eens buiten de grenzen van het vaderland te kijken alge-meener werd en daardoor de werking dezer nuttige vereeniging nog verder kon worden uitgebreid.

Zonder twijfel zeker zou dat aantal grooter worden wanneer de Nederlandsche ouders eens ophielden hunne kinderen liefst de ambtenaars loopbaan in te drijven, waar hoog ontwikkelde mannen na een kapitaal verstudeerd te hebben en werkeloos rond te loopen op een leeftijd als de mannen van nijverheid en handel reeds lang een gevestigde en eervolle plaats in de maatschappij innemen, eindelijk blij zijn met een baantje waarvoor tientallen zich verdringen.

Scharen van jonge juristen wachten jarenlang geduldig op een slecht bezoldigde betrekking, die dikwijls nog weinig gelegenheid geeft hun gaven en kennis tot hun recht te doen komen. Hoelang wachten niet doctoren in oude letteren vóór zij een leeraarsbetrekking kunnen krijgen. De statistiek van het aantal studenten aan de universiteiten is hoogst ongunstig voor de belooning van den arbeid der wetenschappelijke personen.

Onder deze omstandigheden zouden wij het nog te meer betreu-

-ocr page 178-

170

ren, wanneer de weg, die leidt naar eene krachtige uitoefening van handel en nijverheid voor jongelieden niet gemakkelijker werd gemaakt. Al zal daardoor een der wegen, die thans nog vooral door medici wordt gebruikt om toegang te krijgen tot de universiteit, versperd raken.

Maar deze vraag, de opleiding van hen, die eene wetenschappelijke vorming noodig hebben, eischt eene afzonderlijke bespreking.

-ocr page 179-

HOOFDSTUK XIII.

Voorbereiding voor de Universiteit

De ontwikkeling en vorming van de groote schare, die, hetzij als ondernemer of als ondergeschikte in landbouw, handel en nijverheid, zal werkzaam zijn, is van groot algemeen belang. De inspanning van zeer velen zal noodig zijn om den toestand van het onderwijs in al zijn deelen met dit groote belang in overeenstemming te brengen. Niet minder beteekenis komt evenwel toe aan de opleiding van de betrekkelijk zeer weinigen, die uit innerlijken aandrang zich wenschen te wijden aan het wetenschappelijk onderzoek of zich willen bekwamen voor verschillende betrekkingen, waarvoor de vorming tot wetenschappelijk onderzoeker eene onmisbare vereischte is.

Het aantal mannen der wetenschap is niet groot. Maar hoe groot kan hun invloed zijn in de maatschappij.

De diensten van het wetenschappelijk onderzoek en de breede vorming van de geneeskundigen, leeraren, rechtsgeleerden, godgeleerden, wijsgeeren, kunnen moeilijk hoog genoeg gewaardeerd worden.

Zelfs niet indien men uitsluitend redeneert van het standpunt van den practicus. Of is de gang van de ontwikkeling dei-nijverheid in deze eeuw niet dikwijls deze geweest, dat hetgeen de wetenschappelijke onderzoeker vond bij zijn naspeuren der wetten in de menigte der verschijnselen, gretig werd aangegrepen door de practici om daarvan gebruik te maken in landbouw, handel en nijverheid?

Is niet de reusachtige ontwikkeling van de scheepvaart alleen mogelijk geworden door de resultaten van het wetenschappelijk onderzoek, dat de verschijnselen aan den hemel in meeste nauwkeurigheid kenbaar makend, daardoor dienstbaar werd

-ocr page 180-

172

aan de plaatsbepaling op aarde? Zijn de vindingen van de telegraaf en zoovele andere, die in den laatsten tijd nog zooveel gerucht hebben gemaakt, niet toepassingen van hetgeen de geleerde in zijn onderzoek naar waarheid ontdekt, dikwijls zonder dadelijk de groote beteekenis voor de praktijk te bevroeden? Is niet ook de verbetering van den landbouw, de doelmatige cultuur, voor een goed deel te danken aan zuiver wetenschappelijke onderzoekingen, veeleer ondernomen om de wetten van het plantenleven na te sporen, dan om daarvan praktisch nut te trekken ?

Waarlijk voor de geheele nijvere wereld is de vorming van de mannen, die aan het wetenschappelijk onderzoek deelnemen, van zóó groot belang, dat volkomen de groote uitgaven worden gewettigd, welke daarvoor gedaan worden.

Zeer zou het te betreuren zijn, wanneer de meening algemeen werd, dat de universiteiten eigenlijk de scholen zijn van de hoogste standen in de maatschappij, wier kostbaarheid in schrille tegenstelling staat met de zooveel mindere van de overige onderwijstakken. Niets zou meer schadelijk zijn voor de toekomst van ons volk dan wanneer men, opsommende hoeveel iedere wetenschappelijke onderzoeker of wetenschappelijk gevormde in \'t algemeen aan den staat kost, uit dien hoofde tot inkrimping van dat onderwijs overging.

Het is volkomen waar, dat de universiteit door zeer velen bezocht wordt, geenszins uit edelen aandrang tot wetenschap, maar uitsluitend om den graad, zoo mogelijk ook de bekwaamheid, te erlangen verschillende ambten te kunnen bekleeden.

Toch zou het zeer verkeerd zijn nu ook de universiteiten te gaan beschouwen als een hoogeren vorm van vakschool, die voor de verschillende beroepen voorbereidt.

De vorming voor wetenschappelijk onderzoek moet de overwegende hoofdzaak zijn, ook voor hem, die daaraan later niet meer kan deelnemen, maar in betrekking of ambt van deze breede en diepe vorming den invloed zal ondervinden. De voorbereiding voor de praktijk behoort zich Wederom daarbij aan te sluiten in cursussen, waarvan het natuurlijk volstrekt niet uitgesloten is, dat zij ook in dezelfde gebouwen door dezelfde personen gegeven worden.

-ocr page 181-

173

In onzen zoogenaamd praktischen tijd, die zeer onpraktisch zou blijken te zijn, wanneer de eischen van de wetenschappelijke vorming miskend werden, is het misschien niet ondienstig te herinneren aan de discussie, die bij de behandeling van de wet op het middelbaar onderwijs over de eigenaardige betee-kenis van het universitair onderwijs is gevoerd. Ook toen reeds werd gewezen op de bedoeling, die menig student heeft wanneer hij naar de universiteit vertrekt en welke dikwijls geen andere is dan zoo spoedig mogelijk een bepaald ambt te hekleeden.

De minister zeide dienaangaande:

,,Maar is het de vraag, waarom het hen, die aan de hooge-scholen studeren, individueel te doen zij ? Of wat het karakter van het universitair onderwijs moet zijn ? En is daarvan niet opleiding tot zelfstandige oefening der wetenschap als wetenschap de grondslag? Mag men niet nog aannemen, dat het universitair onderwijs bestemd is, niet om den advocaat tot advocaat, maar om den regtsgeleerde te vormen?quot;

En verder:

„Gunt men mij een ander voorbeeld? Ik neem het begrip van kracht, zwaarte, magnetische, electrische kracht. Wanneer het een kenmerk is van academisch onderwijs, in het wezen der wetten van die kracht te dringen, en het bij eene polytechnische school de hoofdvraag is, welk gebruik hebben wij voor deze of gene bepaalde behoefte van die kracht te maken ? duidt men dan daarmede niet een wezenlijk onderscheid aan van karakter der opleiding bij de universiteit en bij de Polytechnische school.quot;

Wat in dezen betreft de beschrijving van het karakter, dat het onderwijs aan de universiteit moet dragen, schijnen deze woorden nog alle aandacht te verdienen.

Ten aanzien van dit gewichtig onderwerp kan men, buiten bespreking latende de tegenwoordige inrichting van het onderwijs aan de universiteiten , de vragen stellen :

Hoe moet de voorbereiding zijn voor universitair onderwijs?

Op welke wijze dient dit laatste bij de praktijk des levens aan te sluiten?

De eerste vraag biedt voor de beantwoording zeer eigenaardige moeilijkheden. De discussie daarover, die in verschillende

-ocr page 182-

174

tijdperken van deze eeuw op den voorgrond kwam, is dikwijls zeer bitter, somtijds heftig. En dat niet alleen in ons land maar men mag zeggen in de geheele beschaafde wereld.

De vraag toch, welke voorbereiding past den jongeling, die aan de universiteit zich tot wetenschappelijk onderzoek verder wil bekwamen, geeft dadelijk aanleiding tot eene gewoonlijk scherpe discussie over de beteekenis van de klassieke vorming door onderwijs in Latijn en Grieksch. Aan de eene zijde wordt dan gewezen op de groote vormende waarde, welke de studie van de oude talen toekomt, de eigenaardige moeilijkheden, die te overwinnen zijn en den geest oefenen en versterken, aan de andere zijde wijst men op de uiterst geringe praktische waarde en op de mogelijkheid om door wis- en natuurkundige studiën, gepaard met die van de moderne talen, dezelfde voordeelen ten opzichte van de vormende waarde te krijgen tegelijk met het verwerven van veel meer praktisch toe te passen kundigheden.

De invloed van de oudheid op onze tegenwoordige maatschappij uit een oogpunt van recht zoowel als dat van kunst wordt eenerzijds aangevoerd, de eischen van den nieuwen tijd en de nieuwe begrippen, de mogelijkheid ook van aesthetische vorming door nieuwe litteratuur en kennismaking met de oudheid door goede vertalingen, aan de andere zijde opgeworpen.

In alle landen vindt men denzelfden strijd; bij ons doet hij zich thans veelal voor in den vorm van wenschen, door medici en wis- en natuurkundigen geuit, om het eindexamen der hoo-gere burgerscholen met vijfjarigen cursus ten opzichte van hunne studiën hetzelfde recht te geven als dat der gymnasia. Van juridische zijde wordt nog een ander standpunt ingenomen, wijl men daar niet de aanvallen richt tegen de geheele klassieke vorming maar slechts de studie van het Grieksch wil afschaffen of, wat hetzelfde is, facultatief stellen.

Een van de sterkste argumenten voor de stelling, dat de hoogere burgerschool met vijfjarigen cursus de geeigende voorbereiding geeft voor de universitaire studiën in Geneeskunde en Wis- en Natuurkunde, bestaat hierin, dat reeds zoovele harer leerlingen naar de universiteiten zijn vertrokken, hetzij met, hetzij zonder, aanvullende studie in de oude talen. Van aesthetische of andere vorming is bij dergelijke aanvulling zeker

-ocr page 183-

175

geen sprake. Toch zijn tal van mannen, die aan de burgerscholen hunne eerste opleiding hebben gehad, thans met roem bekend als wetenschappelijke onderzoekers en hebben eene hooge en eervolle positie ingenomen.

Ja, om sterker dit argument aan te dringen, vergelijkt men somtijds de loopbaan der vroegere leerlingen der Gymnasia met die, afkomstig van de hoogere burgerscholen en stelt een vergelijkend onderzoek in naar den duur der studie aan de universiteit speciaal voor de geneeskundigen.

Men hoede zich evenwel hier voor eene overdrijving en overschatting der uitkomsten van dergelijke onderzoekingen.

Wil men de waarde van vakscholen voor ambachten afmeten naar het loon, dat oud-leerlingen na zekeren tijd verdienen, dat heeft nog eenigen grond, maar het optreden van oud-leerlingen der hoogere burgerscholen als professoren, leeraren, advocaten zelfs van grooten naam, kan op zich zelf niets bewijzen voor de geschiktheid van de hoogere burgerscholen als voorbereiding voor de universiteit.

Wel dat het onderwijs vooral in natuurkundige vakken aan de hoogere burgerscholen geruimen tijd veel beter is geweest dan dal der gymnasia en in het algemeen deze laatste jarenlang treurig ingericht zijn geweest.

Over de waarde van klassieke vorming verspreiden deze statistieken en gegevens weinig licht, nog minder over de vraag of wel werkelijk de voorbereiding voor handel en bedrijf in het algemeen tot de universiteit te zamen moet gaan met de voorbereiding voor den aanstaanden geleerde.

Wanneer men nu de geschiedenis van de voorbereiding voor de universitaire studiën in deze eeuw nagaat, dan is het niet te verwonderen, dat een eenigszins goed ingericht middelbaar onderwijs, zooals de wet van 1863 bracht, daarbij zeer gunstig zou afsteken.

De Latijnsche school was de aanvankelijke grondslag voor de universiteit vooral in den tijd toen ieder, die eenigszins hoogere beschaving wilde deelachtig worden, de universiteit bezocht. Geenszins kon men bij die latijnsche scholen toen spreken van een voortzetting van lager onderwijs, de kinderen werden

-ocr page 184-

176

er aanvankelijk op lagen leeftijd opgenomen en moesten de elementaire kundigheden, die thans op de gewone lagere school geleerd worden, in de Latijnsche school opdoen.

Het Latijn, later ook Grieksch was hoofdzaak, Avaarnaast wiskunde, aardrijkskunde en geschiedenis en zelfs in veel lateren tijd nog de moderne talen een kommervol bestaan leidden.

Toch was ook dikwijls het onderwijs in de oude talen zelf gebrekkig, vooral door do treurige leerkrachten, waarvoor men dikwijls verloopen candidaten in de theologie of daarmee gelijkstaanden aanstelde. De slechte belooning was daarvan, zooals Van Heusde nog in 1829 klaagde, de hoofdoorzaak.

Zoo treurig zag het er in dien tijd niet dit onderwijs uit, dat als hooger onderwijs werd beschouwd, dat bij koninklijk besluit van 13 April 1828 een staatscommissie werd ingesteld, die onderzoek had in te stellen over de Gymnasiën, de Hooge scholen, de Academische studiën en graden, de Professoren en Studenten enz. en dat met het oog op den jammerlijken toestand waarin die geheele onderwijstak was geraakt. Wel was het onderwijs aan de hoogere scholen bij koninklijk besluit van 2 Augustus 1815 geregeld en door de instelling van een admissie-examen aan de universiteiten althans een minimum van kennis gewaarborgd voor de a.s. studenten, maar dit examen werd slechts afgenomen van degenen, die niet waren voorbereid aan Latijnsche scholen of gymnasiën, die het jus promovendi bezaten.

Het onderwijs aan deze inrichtingen evenwel was steeds terug gaande, zoodat in en na 1825 de klachten steeds hooger rezen en de hoogleeraren aan de universiteiten nog onderwijs moesten geven in elementaire kundigheden en de studenten moesten aanmanen tot grammaticale studie.

Het rapport van de bedoelde staatscommissie, waarin voornamelijk werd aangedrongen op het instellen van een staatsexamen, dat bepaalde, duidelijk omschreven eischen zou stellen, had in de troebele jaren van 1830 tot 1840, geen uitwerking. Er kwam geene verandering, allerminst verbetering, zoodat dan ook niemand minder dan Prof. Opzoomer de verzuchting slaakte dat er aan de hoogescholen slecht werd gestudeerd en slecht werd geleefd.

-ocr page 185-

177

^Inderdaad weinig anders was te verwachten, waar jongelieden, die in \'t geheel niet den noodigen aanleg of kennis bezaten, de universiteiten bezochten.

Eindelijk kwam er in 1845 eenige verandering door de instelling van het staatsexamen dat, telken jare in een andereplaats afgenomen door eene commissie buiten de hoogleeraren, eenige vastheid gaf aan de eischen van toelating voor de academische studiën.

Hoewel het examen wel gunstig scheen te werken op de latijnsche scholen en gymnasiën, werd het na eenige jaren weer afgeschaft omdat eene meer liberale richting baanbrak, die de universiteiten zooveel mogelijk voor iedereen wilde openstellen en tevens omdat er reeds spoedig weer voor het examen werd afgericht.

In 1860 .was de toestand van de latijnsche scholen en de gymnasia weer diep treurig. Dr. A. J. Vitringa i) deelt mede dat het aantal scholen groot en de bevolking klein was en een zeer ontoereikend aantal leeraren in de scholen werd aangetroffen.

Er waren 5 scholen met meer dan vijftig latinisten, drie met 31 tot 40, vijftien met 21 tot 30, vijftien met 11 tot 20, veertien met 6 tot 10 en elf met vijf leerlingen en minder.

Dringend noodig was de verbetering van het gymnasiaal onderwijs, maar, ofschoon reeds in Januari 1849 een tweede staatscommissie was benoemd voor het hooger onderwijs, bleef de zaak bij het oude. Te vergeefs poogde Mr. Wintgens de hervorming van het gymnasiaal onderwijs aan de wet op het Middelbaar onderwijs vast te koppelen. Eerst in 1876, nadat de minister Geertsema reeds in een vorige zitting een ontwerp hooger onderwijs wet had ingediend, kwam de tegenwoordige wet tot stand die ook het gymnasiaal onderwijs op betere grondslagen vestigde.

Is het met het oog op deze geschiedenis te verwonderen dat onder de werking van de wet op het Middelbaar onderwijs, de hoogere burgerscholen met vijfjarigen cursus voor bijna eiken tak van wetenschap, kan men gerust zeggen, beter voorbereidend

1) Dr. A. J. Vitringa, Tegenwoordige toestand en plan tot hervorming van het Middelbare onderwijs 1860.

I)r. i). bos, Onze Volksopleiding. 12

-ocr page 186-

178

onderwijs aanboden dan de gymnasia? Eerst in de jaren tusschen \'80 en \'90 kon men de eerste resultaten van de verbeterde gymnasia waarnemen en men zal zeker moeilijk kunnen ontkennen, dat deze oneindig veel beter zijn dan vroeger en de jongelieden beter voorbereid aan de universiteit komen.

Is nu het gymnasium ingericht zooals behoort om de jongelieden, die de verschillende wetenschappen zullen gaan beoefenen, de goede vorming te geven?

Naar onze meening niet.

Een groote fout komt het ons voor te zijn, dat reeds bij het verlaten van een school, die voor het middelbaar onderwijs voorbereidt, de jongelieden hun keuze moeten doen, of zij voor het nijvere leven dan wel voor wetenschappelijke vorming en onderzoek willen opgeleid worden.

Een leeftijd van 12 of 13 jaar is daarvoor zeker te jong.

Eerst wanneer in een algemeen ontwikkelend onderwijs als van de hoogere burgerscholen met driejarigen cursus, ruimschoots de gelegenheid heeft bestaan den aanleg der jongelieden aan het licht te doen treden, is op een leeftijd van ongeveer 16 jaar de keuze gemakkelijk of men nog ettelijke jaren aan wetenschappelijke studie zal besteden dan wel na eene kortere vakopleiding in het nijvere leven zal treden.

Neemt men den leeftijd van scheiding te vroeg, zooals nu o.i. het geval is, dan is niet te vermijden dat ongeschikten naar de universiteit gaan en voor geschikten de weg daarheen moeilijk wordt. Zelfs wanneer een jarenlange bijzondere voorafgaande vorming als thans aan de gymnasia gedurende 6 jaren gegeven wordt, voor de latere beoefening der wetenschap voordeden aanbood, zou dit voordeel ruimschoots worden opgewogen door het nadeel, dat men dikwijls jongelieden mede moet opleiden, die de eigenlijke geschiktheid en lust niet bezitten.

De tegenwoordige gymnasia berusten nog voor een groot deel op de vorming door het onderwijs in oude taleu. Evenwel thans hebben vakken als wiskunde, plant en dierkunde, natuurkunde, aardrijkskunde en geschiedenis, Nederlandsch, Fransch, Duitsch en Engelsch, grooter beteekenis in het onderwijs dan vroeger. En dat niet alleen voor de afzonderlijke afdeelingen, waarin zich het gymnasium na de 4e klasse splitst, maar voor het geheel.

-ocr page 187-

179

Het komt ons voor, dat waar men de bovengenoemde vakken in het onderwijs aan de gymnasia heeft opgenomen, het rationeel is niet alleen, maar ook met het oog op den goeden gang van het onderwijs noodzakelijk, dat deze vakken, die grooten-deels het hoogere burgerschoolonderwijs kunnen vormen, naar de laagste klassen worden verschoven.

Zelfs indien men het totaal aantal uren voor de verschillende vakken gelijk wou laten verdient het toch aanbeveling ze anders te verdeelen. Of is het niet uiterst zonderling, dat de jongelieden in de 5e of 6e klasse, als zij hun toekomstig studievak voor de groote meerderheid reeds gekozen hebben, te zamen nog wat beginselen der natuurkunde leeren, terwijl de plant en dierkunde tot het le en 2e jaar beperkt blijven voor het onverdeelde gymnasium. Is het niet zonderling dat in het 6e jaar een enkel uur gewijd wordt aan de wis- en natuurkundige aardrijkskunde zonder eenig verband met het gewoon aardrijkskundig onderwijs dat reeds in het 3e jaar eindigt?

Kan men eenigszins belangrijke resultaten verwachten van het wiskundig onderwijs in de hoogste twee klassen voor de aanstaande litteratoren enz. en eveneens van het onderwijs in Grieksch en Latijn aldaar voor de wis- en natuurkundigen en medici?

Dit alles wijst op het noodzakelijke van een verschuiving van de meer algemeen ontwikkelende vakken naar de eerste jaren en op een meer doorgaande splitsing in de hoogere klassen.

Zooals thans de gymnasia zijn ingericht is er noch van klassieke noch van moderne of realistische vorming sprake. In geen enkel deel van het onderwijsgebied is het ,,van alles wat en van \'t geheel nietsquot; zóó verderfelijk als bij de voorbereiding voor de universiteit. Verbreiding van de aandacht over vele vakken kan niet gepaard gaan met eene diepe vorming van den geest.

Wij zijn van meening dat het gymnasium moet verschaffen: een algemeen ontwikkelend onderwijs in de laagste drie klassen gelijk aan dat in eene hoogere burgerschool met driejarigen cursus en gevolgd door twee afdeelingen; a. voor letteren, wijsbegeerte, rechten en godgeleerdheid; h. voor wis- en natuurkunde en geneeskunde.

12*

-ocr page 188-

180

In deze laatste afdeelingen, die ook van driejarigen cursus behooren te zijn, zou het onderwijs in de moderne talen gemeenschappelijk kunnen zijn, al het andere verschillend.

Daargelaten of Grieksch en Latijn voor de vorming van den geleerde noodzakelijk zijn, op welk gebied deze ook zijn wetenschappelijk onderzoek wil instellen, schijnt ons onweerlegbaar dat de aanvang van die opzettelijke vorming niet eerder mag gesteld worden dan aan het eind van een driejarige burgerschool. Maar tevens ook, dat dan eene radicale splitsing moet komen tusschen de jongelieden die voor handel en industrie en die voor wetenschappelijk onderzoek zullen gevormd worden.

Want wat beoogt men met die vorming? Voornamelijk het verkrijgen van geestes eigenschappen, die bij den wetenschap-pelijken onderzoeker andere zijn, dan bij een kundig, ontwikkeld man van de praktijk noodig is. Het opsporen van wetenschappelijke waarheden is geheel iets anders dan het gebruikmaken daarvan.

Den keten van oorzaken en gevolgen, hoe ook onder eene verwarrende menigte van verschijnselen verborgen, weder te vinden en tot het einde te volgen, met ijzeren logica te redeneeren van het gegeven bekende tot het onbekende, het zijn de groote geesten op wetenschappelijk gebied die daar in uitmunten. Hunne methode en de eigenschappen, die hen tot zoo groote hoogte brachten, moeten gevolgd en geoefend worden.

Voor den man der praktijk daarentegen omvangrijke kennis op velerlei gebied van menschelijk weten, groote vaardigheid om zich gemakkelijk van allerlei zaken, wier kennis nuttig kan zijn, spoedig op de hoogte te stellen, vlugheid in het nemen van beslissing, eigenschappen waaraan de koopman, industrieel of landbouwer zijn welslagen in hooge mate te danken heeft.

Bij den geleerde voldoende kennis der levende talen om zich op de hoogte te stellen van hetgeen op gebied van wetenschap en kunst in andere landen wordt gedacht en geschreven, bij den practicus, vooral koopman en industrieel, een grootere, deels andere talenkennis om aan het verkeer geregeld en gemakkelijk deel te nemen.

Er zal dus voor het een of het ander zeer verschillende oplei-

-ocr page 189-

181

ding moeten bestaan, maar voor allen gemeenschappelijk staat toch wel een geheel van algemeene kennis, dat thans in het bezit is van bijna het geheele jongere geslacht dat eenigszins belangrijke beroepen of bedrijven in de maatschappij uitoefent.

Dat geheel kan als het voor allen noodige beschouwd worden.

Men kan nu meenen op de tegenwoordig gevolgde wijze dat doel ook te bereiken, de verschillende aan de Gymnasia onderwezen vakken zouden slechts weinige uitbreiding behoeven te ondergaan om tot hetzelfde urental te komen als op de hoogere burgerschool met driejarigen cursus in het geheel daaraan wordt gewijd. Vooral wanneer ook het teekenen op de Gymnasia werd ingevoerd, waarop in den laatsten tijd, en terecht, is aangedrongen. Aan de Gymnasia evenwel worden deze vakken over een zesjarigen cursus uitgerekt, wat o. i. niet oordeelkundig is.

Gewoonlijk toch is het beter gedurende weinige jaren aan enkele vakken veel dan gedurende vele jaren weinige uren te geven. Dit geldt zoowel waar vorming als waar de verkregen kennis hoofdzaak is. Daarom zal men o. i. moeten kiezen en öf de oude talen in de lagere klassen van het gymnasium veel grooter aandeel nog te geven dan thans en de splitsing der afdeelingen radicaal te maken na de 3e klasse öf het laatste te doen maar dan, met uitsluiting der oude talen, alleen algemeen ontwikkelend onderwijs in de eerste drie klassen te geven, zooals boven is aangegeven.

Het laatste komt ons ook daarom veel verkieslijker voor, wijl voor aanstaande geneeskundigen en wis- en natuurkundigen de kennis der oude talen weinig praktische waarde heeft en het nut dus uitsluitend in de vormende waarde moet gezocht worden, terwijl deze vorming ook voor hen buiten het onderwijs in oude talen bereikbaar is. De kennis daarentegen van de moderne talen, de algemeene ontwikkeling, die het wetenschappelijk onderwijs in aardrijkskunde, geschiedenis, natuurkunde, plant- en dierkunde geeft, zijn ook voor den oud-litterator, jurist of theoloog van waarde. Hetgeen de medicus of wis- en natuurkundige tot het begrijpen van vaktermen strikt noodig heeft, kan desnoods op dezelfde wijze als aan de afdeeling tuinbouwschool der rijks landbouwschool in betrekkelijk korten tijd onderwezen worden.

-ocr page 190-

182

Evenwel schijnt ons onjuist de nieening van degenen, die hot onderwijs van de hoogste klassen eener hoogere burgerschool de geeigende opleiding achten voor den aanstaanden wis- en natuurkundige en geneeskundige. Acht men ook voor hen een omvattend onderwijs in Latijn en Grieksch niet noodig, toch zal men niet mogen voorbijzien dat wel degelijk een zeer bijzondere vorming voor den aanstaanden student noodig is, die de hoogere burgerschool niet kan en mag geven. Zelfs wanneer geen verschillende studievakken in beide inrichtingen, gymnasium en hoogere burgerschool, worden onderwezen, moet de aard van het onderwijs zeer verschillend zijn met het oog op het doel dat men er mede beoogt.

Niet altijd wordt deze waarheid voldoende in het oog gehouden en ziet men dikwijls aan gymnasium en hoogere burgerschool een zelfde vak op vrijwel dezelfde wijze onderwezen. Toch zijn terecht bij de meer aangehaalde discussiën over de wet op het middelbaar onderwijs de verschillende karaktertrekken van de voorbereidende studie voor wetenschappelijk onderzoek en voor het praktische leven, in het licht gesteld.

Zoo zeide o. a. Kappeyne bij de verdediging van een door hem voorgestelde definitie van middelbaar onderwijs:

,,De wis- en natuurkunde behoort èn tot het middelbaar en tot het hooger onderwijs. Zij behoort echter tot het een volgens eene andere methode als tot het andere. De wis- en natuurkunde als onderdeel van het hooger onderwijs is logica, daarentegen is zij, als middelbaar en lager onderwijs, kennis van de waarheden.quot;

Ook Thorbeeke liet het licht vallen op de eigenaardige vorming, die den aanstaanden geleerde moet onderscheiden van den man der praktijk. Hij zeide o. a.

„Niemand, dunkt mij, zal miskennen, dat er een groot, een wezenlijk onderscheid is tusschen het onderwijs, waardoor iemand moet worden opgeleid, die hoopt doctor in de wis- en natuurkundige wetenschappen te worden en de opleiding van den ingenieur. Daarin ligt niet eene hoogere schatting van het eene of lagere schatting van het andere, maar het is iets anders, zich te vormen geheel en al voor behoeften van den tegenwoor-digen tijd, voor diensten aan de tegenwoordige maatschappij te bewijzen in technische of economische vakken, of zich te vormen

-ocr page 191-

183

gelijk men gevormd moet worden, om er later welke partij dan ook van te trekken, aan de universiteit.quot;

Welke zijn de eigenschappen, die men verlangt in den student, die in eenig vak van wetenschap aan de universiteit wil opgeleid worden?

In de eerste plaats lust tot wetenschappelijk onderzoek en eenige oefening in de methode van onderzoek. Slechts daardoor zal het universitair onderwijs tot zijn volle recht moeten komen. Nog meer evenwel wanneer tevens het voorbereidend universitair onderwijs heeft bewerkt dat de student tot zelfstandigen arbeid, zij het van eenvoudigen aard, in staat zij.

Leunt hij nog steeds op zijn docenten, die hem van stap tot stap helpen, dan zal hij dezen steun ook aan de universiteit niet kunnen ontberen en de examenstudie aan de hand van repetitoren, karikatuur van het eigenlijk universitair onderwijs, nog hand over hand toenemen.

Nu is deze vorming, welke naast de algemeene ontwikkeling van beschaafde jongelieden, eigendom moet zijn van den aankomenden wetenschappelijken onderzoeker, volstrekt niet aan een bepaald vak van studie verbonden. De ynethode van onderwijs is daarbij van zeer groote beteekenis, een enkel vak op zich zelf heeft geen vormende waarde en men kan redelijk wat Latijn of Grieksch of wiskunde leeren zonder van die bijzondere vorming veel te bespeuren. Slechts wanneer het onderwijs geleid wordt met het doel van vorming voor oogen, verkrijgen deze vakken waarde en grootere waarde dan in het algemeen er aan wordt toegekend.

Het is volkomen waar, wat Dr. Vitringa zegt: „Dat wij eenige kundigheden bezitten, en hoe wij die verkregen hebben, kunnen wij ons vaak zeer goed herinneren, maar hoe de vermogens van onzen geest, vooral het denken zich ontwikkeld heeft, dat kunnen wij niet ligt nasporen. Zoo valt het ons niet moeijelijk om te weten of ons ligchaam misvormd of schoon is, aan welke ligchaamsdeelen wij sterk of zwak zijn, wij kunnen zelfs de oorzaken van die eigenschappen vaak heel goed nagaan — maar hoe ons ligchaam langzamerhand zich ontwikkeld heeft, welk voedsel het meest tot die ontwikkeling heeft bijgedragen, en vooral hoe dat voedsel zijn weldadige werking op den groei

-ocr page 192-

184

van het ligchaam uitoefende, dat zal voor de meesten wel een geheim blijven, of liever iets, waaraan zij nooit denken.quot;

Is voor de vorming van den onderzoeker studie der oude talen noodzakelijk ?

Ons inziens voor de geneeskundigen en wis- en natuurkundigen niet. Wanneer de methode van het onderwijs in alle wetenschappen, die voor den student in die vakken noodig zijn, goed verband houdt met de bestemming der jongelieden dan is ook de vormende waarde van dat onderwijs groot. De voorbereiding voor het wetenschappelijk onderzoek en zijne methode kan stelselmatig met veel praktische oefeningen plaats vinden. Natuur- en scheikunde, plant- en dierkunde zullen zoodanig onderwezen moeten worden, dat stap voor stap vergezeld gaat met eigen onderzoek zoodat de natuurwetten als het ware door den leerling zelf ontdekt worden. De moeilijkheden, welke achtereenvolgende geslachten van onderzoekers gaandeweg hebben ontmoet en zijn te boven gekomen, moeten ook door den leerling worden ervaren en door eigen geestesarbeid, geleid door den leeraar, worden overwonnen.

Hoe geheel anders zal dit onderwijs zijn dan waar men voorbereiding voor de talrijke bedrijven der nijvere maatschappij of alleen algemeene ontwikkeling beoogt. Den aanstaanden practicus zal men, zooveel mogelijk proefondervindelijk, bekend maken met den aard der verschijnselen, b.v. de werking eener natuurkracht, met de beste wijze om de kracht te meten en de toepassingen in de praktijk. Zooveel mogelijk het nieuwste en meest volkomene past in dat onderwijs.

Daarentegen zal juist de aanstaande natuurkundige den ge-\' heelen ontwikkelingsgang der wetenschap moeten meemaken, steeds de fouten der oude methoden van waarneming en meting leeren opmerken, zoeken te verbeteren of in rekening te brengen. Door vele eigen oefeningen kan men daardoor trachten den aanstaanden student een diep inzicht te geven in het verband der natuurverschijnselen en het wezen der werkende krachten. Ook in andere vakken zal men meer historisch te werk kunnen gaan en zou een degelijk, niet in te veel bijzonderheden tredend, onderwijs in de geschiedenis der wetenschappen in de hoogste klasse nuttig zijn. Het zou de pogingen in het licht stellen van de

-ocr page 193-

185

groote mannen van alle tijden om verklaring te zoeken van de verschijnselen der natuur, de geschiedenis dikwijls van einde-looze dwalingen, die toch telkens het onderzoek der waarheid bevorderden.

Een nuttige studie, ons overtuigend van de betrekkelijke waarde onzer kennis, vooral nuttig, waar zij leert hoe de algemeen aangenomen waarheid van het eene tijdperk voor het volgende een dwaling is. Voor den onderzoeker een overtuiging, die hem doet ontkomen aan de sleur en hem gemakkelijker ontvankelijk maakt voor het onpartijdig overwegen van nieuwe meeningen, die dikwijls zoo moeilijk baanbreken.

Ook een meer historische beschouwing van de wiskunde ware in deze afdeeling op hare plaats en zeker ware het daardoor mogelijk, bij uitbreiding van het onderwijs in Meetkunde, beter inzicht te krijgen in de schoonste eigenschappen van den ouden Helleenschen geest dan de gebrekkige kennis van het Grieksch thans bij vele wis- en natuurkundigen en geneeskundigen bevordert.

Evenals dit geschiedt aan Duitsche, Oostenrijksche en Hon-gaarsche gymnasia zou zoowel in deze afdeeling als in die der letterkundigen, maar in ieder afzonderlijk, in de hoogste klasse de inleiding tot de wijsbegeerte onderwezen moeten worden, welke wetenschap met minachting tegenwoordig dikwijls behandeld, toch zoo diepen en vèrstrekkenden invloed uitoefent. De aanvang dezer wetenschap mag niet verborgen blijven noch voor hen, die de verklaring zoeken van de verschijnselen der natuur, noch voor degenen, die den zieken en gezonden mensch , zoowel naar geest en lichaam tot onderwerp van hunne studie maken, noch voor hen, die over de theologie en zedeleer, over de beschaving van Grieken en Romeinen, zoomin als over een der hoogste begrippen der menschelijke rede, het recht, hebben na te denken.

Indien men dit beeld van de geleerde vorming voor aanstaande studenten voor oogen houdt, behoeft het geen verder betoog, dat de hoogere burgerschool met vijfjarigen cursus niet op den duur die voorbereiding kan geven.

Het zou o. i. èn de wenschelijke hervorming der gymnasia èn die der hoogere burgerscholen in den weg staan als men de

-ocr page 194-

186

laatste nog meer dan thans stempelde tot voorbereiding voor de studeerende jeugd.

Het komt ons voor dat zóó ingericht, radicaal gescheiden van elkander, de letterkundige en wis- en natuurkundige afdeeling der gymnasia, beide veel beter resultaten zouden verkrijgen.

In elk der afdeelingen krijgt men een betrekkelijk gering aantal leerlingen, die allen in dezelfde richting hun aanleg vinden en niet opgehouden worden door anderen die verschillende lessen thans met tegenzin volgen. De leerlingen worden geheel en al verplaatst in den kring van de wetenschappen, waarin zij zich aan de universiteit zullen bewegen, uitgenomen natuurlijk een enkel uur, dat aan litteratuur van moderne schrijvers gezamenlijk wordt gewijd.

Dat de kennis van Grieksch en Latijn bij de letterkundige afdeeling op deze wijze aan het eind van den driejarigen afzonlijken cursus kleiner zou zijn dan thans, is niet aan te nemen bij de groote kracht, waarmede in dien tijd de oude talen benevens die vakken, welke betrekking hebben op de beschaving en historie der Grieken en Romeinen, worden beoefend.

De inwijding in den geest der oudheid zou meer volkomen zijn als alle vakken van onderwijs gedurende drie jaren voor één doel samenwerken, terwijl het genoten teekenonder wijs voor de waardeering van oude kunst zeker waarde zou hebben.

Wat de facultatief stelling van het Grieksch voor aanstaande juristen betreft: zonder verdere, diepingrijpende wijziging van het gymnasiaal onderwijs, zou dergelijke maatregel, gepaard met de overbrenging van de voorbereiding der wis- en natuurkundigen en medici naar de hoogere burgerscholen, de geheele vorming voor de universiteit desorganiseeren. Voor niemand is o. i. eene vorming van den geest, als door klassieke vorming wordt verkregen, zulk een noodzakelijk bestanddeel als voor den rechtsgeleerde, voor wien het verstaan der bedoelingen van schrijvers en de nauwkeurige uiteenzetting van eigen meening 7neer dan voor iemand anders noodig is. In de hoogste klasse van het door ons gedachte gymnasium zou een gedeelte van het Grieksch door diepere studie der historie, vooral der economische geschiedenis kunnen vervangen worden voor juristen.

De bedoelde regeling zou ook financieele voordeden mede-

-ocr page 195-

187

brengen, in zooverre het altijd voordeeliger is dat een enkele inrichting van middelbaar onderwijs met driejarigen cursus in het algemeen ontwikkelend onderwijs ook van gymnasiasten zou voorzien. Evenwel zal een zoodanige verandering wel niet gemakkelijk ingang vinden en men eerder met behoud van den zesjarigen cursus der gymnasiën de eerste drie klassen in overeenstemming brengen met het onderwijs aan de hoogere burgerschool dan gymnasiën tot driejarige, van den aanvang in twee afdeelingen gesplitste, cursussen te maken.

De tweede vraag, die wij naar aanleiding van het hooger onderwijs wenschten te stellen, geldt de aansluiting van dat onderwijs bij de praktijk van het leven. Men kan de wetenschappelijke vorming aan de universiteiten nog zoo hoog stellen en het doel van het universitair onderwijs daarin erkennen, men dient toch niet te vergeten dat die wetenschappelijke mannen in verschillende belangrijke ambten zullen werkzaam zijn. De vraag is meermalen gesteld: is voor de aansluiting van de universitaire opleiding aan de praktijk wel voldoende gezorgd ?

Het antwoord moet voor verschillende gewichtige betrekkingen ontkennend luiden.

De geneeskundigen ontvangen, behalve het onderwijs dat be-noodigd is om de doctorale waardigheid te verkrijgen, nog een afzonderlijk onderwijs met het oog op hun optreden in de praktijk. De staat zorgt door de instelling van zware examens dat de wetenschappelijke mannen in deze verantwoordelijke betrekking-voldoende praktische kennis bezitten.

Theologen ontvangen behalve het onderwijs, dat leidt tot het doctoraat in de godgeleerdheid, een afzonderlijke opleiding met het oog op hunne praktische werkzaamheid als predikanten.

Aan rechtsgeleerden, wis- en natuurkundigen, litteratoren ontbreekt alle voorbereiding voor de praktijk.

Men heeft den doctoralen graad in de rechtsgeleerdheid behaald, thans zelfs zonder ooit de bewijzen gegeven te hebben een zelfstandigen arbeid te kunnen verrichten en men heeft do bevoegdheid erlangd na benoeming recht te spreken en als raadsman op te treden in de meest ingewikkelde zaak. Praktisch bezwaar is er thans niet zoozeer omdat de jonge advocaten van

-ocr page 196-

188

to vlugge benoeming geen last hebben en nog minder van de stroomen cliënten, maar ongezond is de toestand toch.

Ware hier niet dringend noodig, zooals trouwens meermalen is betoogd, een stage voor de jonge advocaten of anders een aanvullend, geheel op de praktijk gericht, onderwijs.

De wis- en natuurkundige, de litterator verkrijgt met zijn graad, met de erkenning, dat hij de bekwaamheid bezit voor zelfstandig onderzoek, tevens het brevet van bekwaamheid, althans bevoegdheid, in de kunst van onderwijzen. Geen verdere studie schijnt daarvoor noodig. Voor den onderwijzer in de lagere school, acht men kennis van die school, benevens van onderwijs methoden en de gronden der opvoedkunde noodig, de leeraar van gymnasium of hoogere burgerschool wordt geacht de overeenkomstige kennis, noodig voor het onderwijs aan de bedoelde inrichtingen, van zelf wel te krijgen.

En Avat valt dat tegen in de praktijk.

Hoeveel leeraren verkrijgen met hun onderwijs geen resultaat doordat er geen orde in de klasse is of doordat hunne methode geen rekening houdt met het doel en wezen der school. Soms zelfs wordt er in dagbladen op aangedrongen, dat er nog een buitengewoon ordehouder in de klasse van sommige, wetenschappelijk zoo hoog ontwikkelde, docenten worde geplaatst.

Zou niet dikwijls het euvel, dat zoo vaak wordt aangetroffen, geweten moeten worden aan de gebrekkige voorbereiding van den docent juist voor de eigenaardige taak, die hem wacht?

Men praat dan zooveel over tact, die niet te leeren zou zijn.

Maar is niet veelal dat gemis aan tact een woord, maar de daad een weinig aantrekkelijk onderwijs, gebrek aan helderheid, weinige opwekking van belangstelling en van de werkzaamheid der leerlingen, onoordeelkundige straffen enz.?

De opleiding van den onderwijzer, hij moge docent zijn aan gymnasium of burgerschool, hij moge in handels- of industrieschool of wel bij het lager onderwijs werkzaam zijn, ze is steeds van het grootste belang voor het onderwijs.

Voor elk gedeelte van het groot geheel van onderwijs en opleiding in de kunst van onderwijzen eene andere, welke geleerd moet worden en wel, evenals elke andere kunst, door praktijk en theoretische studie.

-ocr page 197-

189

Thans worden voor middelbaar en hooger onderwijs de onderwijskrachten niet goed opgeleid. En daarvan komt het dat van de groote kennis van zoovele jonge Nederlandsche geleerden voor ons onderwijs niet zooveel nut getrokken wordt als mogelijk is.

Dit behoort anders te worden.

Een op de praktijk van het leeraarsambt gericht onderwijs, gepaard aan praktische oefeningen in de school, behoort toegevoegd te worden aan het onderwijs voor den wetenschappelijken onderzoeker. Slechts voorzien van de vereischte bekwaamheden in deze speciale vakkennis behoort de candidaat, doctorandus of doctor de bevoegdheid tot het geven van onderwijs te erlangen.

-ocr page 198-

HOOFDSTUK XIV.

Slotbeschouwingen.

Ons stelsel van opleiding en onderwijs is evenals overal elders gaandeweg gegroeid en vertoont van zijn eigenaardigen groei de onmiskenbare teekenen. Het is historisch geworden en onze volksaard weerspiegelt zich er evenzeer in als dat het geval is bij onze naburen.

Daarmede zal ieder rekening hebben te houden, die naar verbetering streeft in onderwijs en opleiding. Veel is voortreffelijk in de Duitsche, Fransche of Engelsche organisatie en zou voor ons land totaal ongeschikt zijn. Verschillende volken voorzien op zeer verschillende wijze in dezelfde behoeften, het is noodig daarvan steeds op de hoogte te blijven maar nooit uit het oog te verliezen onze eigen historische ontwikkeling en steeds daarmede in overstemming te blijven.

Wanneer men deze historische ontwikkeling in het oog vat, dan blijkt dat aanvankelijk niet de opleiding voor maatschap-pelijken werkkring vooropstaat, maar van het individu uitgaande, onderwijzing en beschaving van verschillende standen en seksen.

Men onderscheidde b.v. in het midden dezer eeuw !): Armen-bewaarschool en Burgerbewaarschool, Arm- en Diaconiescholen, ïusschenscholen tegen geringe betaling. Burgerscholen tegen ruimere betaling, Fransche scholen (hoogere burgerscholen), respectievelijk bestemd voor armen, bedeelden; minvermogen-

M J. C. Neimlenbi\'rg. Wenken over Lager en Middelbaar onderwijs. IS\'iO.

-ocr page 199-

191

den, vooral uit den handwerksstand, meer gegoede burgers, kleine winkeliers, beambten, enz.; deftige burgerstand.

Zelfs industriescholen werden onderscheiden in die voor min-gegoede en hoogere standen, terwijl de latijnsche scholen en universiteiten de scholen der aanzienlijken waren.

In deze beschouwingswijze komt langzamerhand een groote verandering, welke nog veel verder moet doordringen in de denkwijze der burgerij en moet leiden tot de beschouwing van het onderwijs als voorbereiding voor de verschillende maatschappelijke betrekkingen naarmate van ieders aanleg.

Zoowel voor het geluk van ieder afzonderlijk als voor de algemeene welvaart is het wenschelijk, dat ieder de werkzaamheden verricht zooveel mogelijk overeenkomstig zijn aanleg. Juist doordat dit thans in alle kringen zoo weinig het geval is, wordt bij menigeen ontevredenheid en geringe inspanning van krachten gevonden.

Maar wat staan nog steeds voor het bereiken van het ideaal op dit punt, tal van moeilijkheden en vooroordeelen in den weg. Wat kost het denkbeeld om de beide seksen in gemeenschappelijke scholen op te leiden voorliet leven, nog verbazend veel moeite om door te dringen. Welke massa van stands vooroordeelen beletten tal van gegoede ouders de kinderen een opleiding te geven naar hun geestesgaven, en tevens om kinderen van mingegoeden in de gelegenheid te stellen bij gunstigen aanleg den weg te bewandelen, die anders mogelijk ware.

Hoe uiterst gering zijn de pogingen van corporaties of openbare besturen om door het toekennen van beurzen, mingegoeden de gelegenheid tot verdere ontwikkeling te openen. En particulieren? hoezeer blijven zij in ons land in dit opzicht bij Engeland ten achteren.

Dringend noodig is een geheel andere denkwijze op dit punt, maar zeer langzaam slechts dringt zij zich op den voorgrond.

Een tweede verandering, die eveneens langzaam intreedt, is de voortdurend sterkere neiging tot meerdere uniformiteit in het onderwijs. In vroegere tijden met een stabiele, zich weinig-verplaatsende bevolking, ontwikkelt het onderwijs zich in elke gemeente ongestoord, zonder dat dit hinder of last oplevert.

-ocr page 200-

192

Langzamerhand wordt dat bij de verbeterde verkeersmiddelen en toenemende verplaatsing der bevolking anders.

Bij het hoogere burgerschool- en gymnasiaal onderwijs is de eenvormigheid vrijwel bewaard, voor de lagere school wordt dit ook met steeds meer aandrang geeischt.

Evenwel waar de school voor de maatschappij zal opleiden, is bij steeds wisselende eischen, geen enge reglementeering gewenscht, zal de school de noodige elasticiteit in het onderwijs bezitten. Dit geldt evenwel juist voor dat gedeelte dat onmid-delijk voor de praktijk voorbereidt. De organisatie moet dus aan verschillende eischen voldoen, bij het algemeen ontwikkelend ondsrwijs centralisatie en eenvormigheid, bij het vakonderwijs decentralisatie en verscheidenheid.

Rijksverzorging zou bij het eerste onderwijs geene bezwaren ontmoeten, daarentegen bij het vakonderwijs op den duur den groei belemmeren.

Terwijl van het eerste bij den stand der politieke partijen wel geen sprake zal zijn, ziet men betrekkelijk weinigen oppo-neeren wanneer de staat het vakonderwijs als rijkszaak zou willen organiseeren. Dit is een gevolg van eene meening, die vrij algemeen verbreid is, dat de taak van het vakonderwijs is onze verschillende klassen van voortbrengers weer op de hoogte van den tijd te brengen, en dan de zaak wel weer aan het goede inzicht van de producenten kan overgelaten worden, een tijdelijke maatregel dus.

Naar onze meening moet niets sterker bestreden worden dan deze zienswijze, die er toe zou kunnen leiden op een inspanning van de eerste twintig jaren een periode van verflauwing te laten volgen. Juist ons opleidingsstelsel moet de onmiddelijke voorbereiding voor de praktijk als een integreerend bestanddeel opnemen, dat onverbrekelijk met de andere deelen samenhangt.

Tot zeer veel discussie op onderwijsgebied heeft steeds de vraag aanleiding gegeven, wat is lager, middelbaar en hooger onderwijs? Wat wij thans in ons land op het gebied van vakonderwijs bezitten is steeds onder het middelbaar gerangschikt. De inspecteur der landbouwscholen is inspecteur van middelbaar onderwijs.

-ocr page 201-

lo;3

Het tijdstip is o. i. gekomen een andere onderscheiding te maken, die in het voorgaande reeds is aangeduid en in toepassing gebracht; nl. in de eerste plaats de groote deelen algemeen ontwikkelend en vakonderwijs te scheiden. Het eerste, waajrij vorming voor een bepaald beroep, niet, het laatste waarbij dit ivel in het oog wordt gevat. Dit laatste wordt dan weer verdeeld naar den aard der beroepen in landbouw-, industrieel- en handelsonderwijs, afgezien van bijzondere instellingen ; in elk dezer afdeelingen, evenals in het algemeen ontwikkelend onderwijs, kunnen drie trappen voorkomen als lager, middelbaar en hooger. De beste regel, daarbij te volgen, zal zijn, dat men let op het algemeen ontwikkelend onderwijs, dat vooraf gaat, bij de onderscheiding tusschen de trappen lager , middelbaar of hooger vakonderwijs. Zoo hebben wij lager vakonderwijs genoemd datgene, waarbij geen andere voorbereiding strikt noodig is dan die in de lagere school verkregen is, middelbaar vakonderwijs dat, waarbij de inrichting van algemeen ontwikkelend middelbaar onderwijs eerst doorloopen moet worden of eene inrichting van lager vakonderwijs.

In denzelfden gedachtengang noemen wij hooger vakonderwijs dat, waarbij eerst het voorbereidend universitair onderwijs is gevolgd, of, hetgeen in dezen waarschijnlijker zal zijn, eene inrichting van middelbaar vakonderwijs moet zijn doorloopen.

De grenzen tusschen het middelbaar en hooger in het algemeen ontwikkelend onderwijs zijn volgens het in de vorige bladzijden ontwikkelde, niet moeilijk te trekken, daar het laatste te beschouwen is als voortzetting van het eerste maar gericht op vorming voor zelfstandige beoefening der wetenschappen.

Het verschillend karakter van het lager en middelbaar onderwijs maakt onderscheiding ook hier gemakkelijk, in het laatste geval hebben wij wetenschappelijk onderwijs maar niet voorbereidend voor eene groep vakken, ter onderscheiding van het voortgezet lager, terwijl aanvangsleeftijd en karakter voldoende onderscheiding vormen van het gewoon lager onderwijs.

Dat van goede inspectie bij het onderwijs zeer veel afhangt is door de geschiedenis van ons onderwijs duidelijk bevestigd.

Bij de regeling van deze gewichtige zaak heeft men in ons

Dr. d. bos , Onze Volksopleiding. 13

-ocr page 202-

194

land dikwijls de fout begaan de mannen, die met de eigenlijke technische leiding zijn belast en moeten zorgen de gedachte van den wetgever tot haar recht te doen komen, met veel te veel administratieve bezigheden te belasten. Dat deze bij de uitvoering van wetten en verordeningen vele zijn, springt in het oog, evenwel zullen zij zooveel mogelijk op andere personen moeten rusten dan op degenen, die steeds kennis nemende van hetgeen hier en elders ter verbetering van het onderwijs wordt aangewend , moeten trachten deze ook hier van toepassing te brengen en de leerkrachten, zoowel als de corporaties, die de kosten moeten betalen, daartoe op te wekken. Ofschoon eene andere regeling van het schooltoezicht bij het lager onderwijs zeer zeker gewenscht is, zou men ook daar reeds tot eene betere regeling komen wanneer die onderscheidene arbeid beter werd verdeeld.

Van het schooltoezicht moet steeds een reformatorische werking-uitgaan evenals in het begin dezer eeuw toen de schoolopzieners in de eerste plaats waren schoolverbeteraars. Dit zelfde geldt voor andere deelen der inspectie. Het vakonderwijs behoort zijn afzonderlijke inspecteurs te hebben, evenals voor landbouwonderwijs behoort er één inspecteur of meer te komen voor industrieel- en handelsonderwijs, in de eerste plaats om op dat gebied organiseerend te werk te gaan.

Ten slotte wenschen wij, afgezien van den aard van het onderwijs en zijne organisatie, nog eens den vollen nadruk te leggen op de dringende noodzakelijkheid om met alle kracht het onderwijs van de jongelieden van 12 tot 18 jaar ter hand te nemen. In verschillende landen worden hiervoor reusachtige pogingen aangewend, zij het op zeer verschillende wijze. Wij zijn daarin zeer zeker niet op de hoogte van onzen tijd. Nog daargelaten dat tal van kinderen geheel en al van onderwijs verstoken blijven en de lagere scholen zeer onregelmatig en gebrekkig worden bezocht, wordt aan de ouderen bijna in \'t geheel geen verdere opleiding gegeven.

Het aantal jongelieden tusschen 12 en 18 jaren zal niet veel van 570000 verschillen. Daarvan bezoeken ongeveer 100000 nog de lagere school en hoogstens 40000 allerlei andere inrichtingen

-ocr page 203-

195

van onderwijs, het herhalingsonderwijs incluis, zoodat zeker 430000 jongelieden van alle schoolonderwijs verstoken blijven in dit gewichtigste deel hunner ontwikkelingsperiode.

Dat is een groot euvel.

Men ruimt dat niet uit den weg met eene enkele wetsbepaling, slechts door een in alle kringen der bevolking doordringend besef van de noodzakelijkheid eener deugdelijke schoolopleiding.

Daartoe mede te werken blijft onder alle omstandigheden nuttig en noodig.

-ocr page 204-

K R R A ï A.

PK-

:gt;(} regel \') van boven somstijds moet zijn somtijds

» 78 »

4

Inspecteurs »

» Inspecteur

gt; 105 »

10

dan

als

»\' 127 »

0

» zijn

■gt; hun

» 138 »

2

onderen geval »

» gevoel

» 150 »

7

» » stelden

» stelde.

-ocr page 205-
-ocr page 206-
-ocr page 207-
-ocr page 208-