-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

HISTORISCHE STUDIËN.

-ocr page 6-

iii?ffiKl;RS,TEIT utrecht

■ill 0580 5175

-ocr page 7-

VAN

DR. THEOD. JORISSEN,

in leven Hoogleeraar te A meter dam.

LAATSTE BUNDEL.

v\\ A

/

u-i im \\^\\

\\\' r!quot; f\':-\'!

. r^y

HAARLEM,

H. D. T.TEENK WILLINK. 1893.

J t

-ocr page 8-

SNELPERSDRUK VAN H. C. A. THIEM^ TE NIJMEGEN.

-ocr page 9-

INHOUD.

Biz.

EEN WOORD VOOKAF.................VII

1. LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK DER VEREENIGDE

NEDERLANDEN (1885) .............. 1

AANTEEKENINGEN...............223

n. DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND (1871). 259

Voorbericht van den Schrijver..........261

i. Koning Lodewijk............263

n. Walcheren...............280

m. Parijs.................307

iv. Het tractaat van 16 Maart 1810.....364

v. Napoleon Lodewijk...........399

AANTEEKENINGEN..................412

BIJLAGEN.....................433

-ocr page 10-
-ocr page 11-

EEN WOORD VOORAF.

Het Handelsblad van 1 Februari 1893 bevatte de volgende opmerking: „Bij het verschijnen der Historische Studiën van Jorissen bleek, dat er bij ons inderdaad groote belangstelling wordt gevonden in geschiedkundige zaken, indien deze slechts in een aangenamen vorm worden voorgedragen.quot;

De vijf bundels, die tot heden het licht zagen, hebben dat woord bevestigd ; zij verheugden zich alle in een bijzonder ruim debiet. Ik twijfel er niet aan, of ook deze zesde en laatste zal vele lezers trekken.

Eene nieuwe uitgave van Lord Chesterfield, vroeger bij vervolgen in de Gids verschenen, werd door den Schrijver zeiven steeds gewenscht. Ik heb er nog eenige bescheiden aan toegevoegd, die ik in zijne nalatenschap vond; kopieën van stukken uit het Rijksarchief in het Fransch, die zeer onregelmatig van spelling zijn. Daar ik geen gelegenheid had, de door Jorissen gemaakte afschriften met de origineelen te vergelijken, volgde ik daarbij die handschriften op den voet.

De verbinding van Lord Chesterfield en de Ondergang van het Koninkrijk Holland is geen vereeniging van het ongelijksoortige, gelijk men misschien oppervlakkig meenen zal. Ook in de eerste schets toch zien wij den staat ten ondergang neigen: de Republiek der Vereenigde Nederlanden kwijnt weg, zij verliest al haar luister en kracht. In

-ocr page 12-

beide studiën teekent ons Jorissen, als altijd met meesterhand, de donkerste dagen, die ooit voor ons vaderland aangebroken zijn en die zoo scherp afsteken bij de eeuw van glorie, welke daaraan voorafgegaan was. Toch ontbreekt het ook niet aan licht bij al de schaduwen. Zoo rust het oog, dat hier veel droevigs moet aanschouwen, in het eerste tafereel met groot welgevallenquot; op den voortreffelijken Simon van Slingelandt, den laatsten onzer staatslieden, die onze positie in Europa wist te handhaven ; en in het tweede op Elout, Krayenhoff en andere mannen van beginsel, die in den tijd der diepste vernedering hun plicht tegenover ons volk wisten te doen. Mannen, groot in bekwaamheid, talent en karakter, opwekkende figuren van het verleden, niet het minst door hun vaderlandsliefde. Konden zij al den val van den staat niet verhoeden, zij zorgden, dat de nationale eer onbevlekt bleef, en in de wederopstanding herleefde hun geest.

Zoo brengen deze schetsen eene welverdiende hulde aan hunne roemrijke nagedachtenis. Maar zij zijn te gelijk, met al hetgeen zij meer bevatten, een nieuw — en helaas ! nu allerlaatste — bewijs, dat Jorissen een zeldzaam geschiedschrijver geweest is.

J. C. Matthes.

Amsterdam, Juni 1893.

-ocr page 13-

LORD CHESTERFIELD.

-ocr page 14-
-ocr page 15-

LORD CHESTERFIELD

EN

DE REPUBLIEK DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

I

Chesterfield kent ieder: ten minste bij name. Staatsman, redenaar, hoveling, philosoof van de groote wereld, treedt hij bijkans op elk gebied van het Engelsche leven zijns tijds ons te gemoet. Hij was bekend en bevriend met Voltaire, Montesquieu, Pope, Swift, Bolingbroke en Addison; hij is onbeleefd geweest jegens Johnson, die het hem ruimschoots vergolden heeft. Hij heeft geschitterd in het parlement, zijn naam verbonden aan belangrijke politieke verbintenissen, en in dagen van beslissend gewicht Ierland in onderwerping aan Engeland gehouden. Ten spijt van dit alles dankt hij zijn bekendheid bij het nageslacht hoofdzakelijk, zoo niet uitsluitend, aan een hoopje brieven, zonder eenige berekening op roem, in de eenzaamheid van zijn binnenkamer geschreven.

Het zijn de Letters to his son, zijn eenig kind: een natuurlijken zoon, op wien hij alles, wat er aan liefde in zijn hart was, heet geconcentreerd te hebben. Wat hem ook vervult, welke politieke zorgen hem ook bezig houden, voor dat kind heeft hij altijd ruim den tijd. Om dien zoon tot een man, comme il faut, te maken, overstroomt hij hem met de vruchten van zijn kennis, overlaadt hem met raadgevingen van den meest uiteenloopenden aard, en stort hij de resultaten van

-ocr page 16-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

een in velerlei opzichten rijk leven voor hem uit. Zijn hoogste doel is, dezen jongen man in staat te stellen, om met behulp van vaders kennis en vaders ervaring een plaats in de wereld zich te veroveren, die de vaderlijke eerzucht, zoo zijne eigene al in gebreke blijft, voor hem wenscht.

Sedert Johnson zich op den schrijver wreekte door de uitspraak, dat de Letters to his son „de moraal van een gemeene deerne en de manieren van een dansmeester predikenquot;, zijn er voor en tegen vrij wat lansen gebroken. Het is volkomen juist, dat het cynisme, vooral ten aanzien der vrouw, ergerlijk is. Maar even waar is het, dat Chesterfield weinig anders deed dan de praktijk van den tijd in woorden brengen. In dagen, waarin een eerste minister van Engeland tot belooning van een landurige politieke werkzaamheid de verheffing in den adelstand van zijn natuurlijke dochter kon vragen en verkrijgen, was de gevoeligheid der publieke opinie noch fijn noch teer.

Chesterfield is in deze brieven de grootmeester van de hoofsche beschaving des tijds. Weinig ouders zouden genegen zijn, aan hun kinderen het onderwijs te schenken, dat hij aan zijn zoon gaf, maar dit geldt van tal van zaken, waarover de meeningen van vroeger dagen van de onze verschillen. De kwetsing onzer zedelijke begrippen maakt het. kenmerkende niet van Chesterfield\'s Letters uit. Afgescheiden van den lossen, vrijen vorm, ontleenen zij hun hooge en blijvende waarde aan de fijnheid van opmerking en den rijkdom van maatschappelijke ervaring, die hier is neergelegd. Er spreekt dikwerf weinig hart uit de feitelijk zoo bixtere ontleding ; de spelingen van zijn vernuft en de geestigheid van zijne opmerkingen wekken dikwerf het gevoel op, dat zij ongepast en misplaatst zijn, doch Chesterfield heeft er nooit aanspraak op gemaakt, als zedemeester te gelden; hij geeft zich niet beter, dan hij is. Hij legt als \'t ware aan zijn zoon een kleine biecht af, opdat deze er zijn voordeel mede doe, de misslagen vermijde, die hij begaan heeft, en daardoor het even ver, zoo niet verder brenge dan hij. Zijn zoon moet worden wat de vader is, de volmaakte man van de wereld :

4

-ocr page 17-

DEB VEREENIGDE NEDERLANDEN.

hij moet zich onderscheiden par les manieres, la tournure, les graces d\'un galant homme et d\'un homme de cour. Dat is het hoogste, gelijk de maatschappij, waarin Chesterfield zich beweegt, het voor het hoogste houdt. Alles, wat van een ideale levensopvatting getuigt, wordt hier als daar gemist.

De vader, die zijn zoon voor de maatschappij wil opleiden en opvoeden, leidt hem in \'t leven in. Hij rukt de bedek-selen af, die het wezen der dingen verbergen of vervalschen, en verschoont niets van de illusie, waarmede de jeugd, zoo zij niet door ontijdige rijpheid is bedorven, de maatschappij binnentreedt. Het is zeer gemakkelijk, hem ruw en cynisch te noemen — hoe menige fijne opmerking ook het tegendeel schijnt te bewijzen — omdat hij geen eerbied gehad heeft of voor den overmoed of voor het onvermogen, dat onbekendheid met de wezenlijk heerschende krachten pleegt te baren. Maar het verwijt moet minder hem, dan den tijd, dien hij beleefde en de maatschappij, waarin hij werkte, treffen. Hij was haar kind, niet zij het zijne. Hij maakte er geen de minste aanspraak op, beter te zijn dan zij.

Het tijdperk, waarin Chesterfield\'s leven valt, is de aanvang van de parlementaire regeering en van de Hannoversche dynastie in Engeland, Als elke periode, waarin de wortels van het oude zijn losgewoeld en afgescheurd, zonder dat het nieuwe zich heeft gezet en het aanzien verkregen, dat aan elke gevestigde orde van zaken wordt geschonken, vertoonen de eerste vijftig jaar der achttiende eeuw een onzeker en weifelend zwenken op het terrein van het publieke leven, dat voor alle karakters, niet gestaald door een onwrikbare overtuiging, gevaarlijk en verleidend was. Dat de loopbaan van Chesterfield al de politieke kleurschakeeringen van den tijd bloot legt, dat de heftige Whig van 1716 in later jaren de verdachte vriend van Bolingbroke was en de beschuldiging van volslagen politieke beginselloosheid ook tegen hem, evenals tegen de meesten zijner tijdgenooten wordt ingebracht, kan moeilijk verwondering wekken. De kleinzoon van Halifax, den trimmer, had met de moedermelk te veel twijfelzucht, te

-ocr page 18-

LOED CHESTERFIELD EN DE KEPUBLIEK

veel scherpheid van opmerking en bovenal te veel sarcasme ingezogen, om voor de eenzijdigheid van een vaste overtuiging vatbaar te zijn. Slechts weinige oogenblikken merken wij oogenschijnlijk in dit lange leven op, waarin van eenige geestdrift voor iets ideëels sprake is. Het is aan de Universiteit van Cambridge, als de klassieken hem bedwelmen en hij een korte wijle gelooft, dat zij alles schenken, wat nuttig en noo-dig en sierlijk is, en hij \'t modern gewaad zou willen afleggen, om de toga virilis aan te nemen. Maar de droom is spoedig voorbij en komt nimmer terug. In den jonge]mgsleeftijdT waaraan gewoonlijk opgewonden geestdrift voor wat waar, groot en edel is eigen wordt geacht, vinden wij hem zich vermakende met den ernst en het vuur van een heilige overtuiging, zooals zij zich uitspreken door den mond van een bejaard man. Hij wordt er niet door medegesleept: het is hem slechts een voorwerp van vermaak. En gelijk hier in het huis van den Engelschen gezant in den Haag, vertoont hij zich bij oppervlakkige beschouwing in zijn geheele leven. Toch is die indruk onjuist. Chesterfield\'s trouw en nauwgezetheid aan zijn ambtsplichten, zijn roemvol stadhouderschap in Ierland, zelfs zijn houding als secretaris van staat bewijzen, dat er meer ernst in hem leefde, meer plichtbesef en overtuiging, dan voor het uiterlijke zich deed gissen. Maar zijn snijdend en minachtend sarcasme, zelfs te midden van het goede dat hij tot stand brengt, bederft steeds den indruk. Hij persifleert niet minder zich zelf, dan anderen. Als hij de aanneming van den Gregoriaanschen kalender heeft weten te bewerken, glijdt zijn oog vol spot over de rijen der edele Lords, die in goeden gemoede meenen, dat hij hen van de deugdelijkheid van den maatregel heeft overtuigd. Hij heeft er niet aan gedacht: hij heeft er slechts naar gestreefd om hun te behagen, overtuigd, dat zij dan zijn voorstel zouden aannemen.

„Van der jeugd af was het mijn doel de mannen voor mij in te nemen, en de vrouwen op mij verliefd te maken,quot; — schreef hij in later dagen. — „Ik ben er dikv/erf in geslaagd.

6

-ocr page 19-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

7

maar hoe? Door groote moeite te doen.quot; Het is de waarheid. Hij heeft niets verzuimd, om door de gunst van mannen en vrouwen zijne kansen op de schitterende loopbaan te versterken, waarop zijn geboorte, zijn hooge maatschappelijke rang en zijn fortuin hem aanspraak schenen te geven. Toen hij kind was, las een bezoeker der grootmoederlijke woning, waar hij een groot deel zijner jonge jaren doorbracht, dé zucht tot onderscheiding, die in de glinsterende oogen van den knaap schitterde. Hij gaf hem een zeer eenvoudige levensles mede. ,Sta steeds vroeg op, opdat gij in de morgenuren den tijd voor u zeiven vindt, die uwe betrekkingen op den dag u ter wille van anderen rooven zullen.quot; Hij had de les opgevolgd en bleef er steeds getrouw aan. „Niemand heeft meer dan ik zich aan vermaken en uitspanningen overgegevenquot;, getuigde hij in later jaren, „maar ik verzeker u dat ik steeds den tijd voor ernstige studiën heb gevonden: wanneer ik ze langs geen anderen weg kon vinden, dan ontnam ik ze aan den slaap; hoe laat in den nacht ik ook naar bed ging, ik stond steeds vroeg op. Gedurende meer dan veertig jaren ben ik gewoonlijk, behalve wanneer ik ziek was, vóór acht uur op geweest.quot; Aan dat uitkoopen van den tijd heeft hij het gebruik gepaard. Toen hij Lord-Luitenant van Ierland werd. aanvaardde hij een betrekking, waarvan een zijner voorgangers had verklaard, dat zij juist bezigheid genoeg gaf om niet in slaap te vallen en niet genoeg om wakker te blijven. Van Chesterfield wordt gezegd, dat hij niets onafgedaan liet en niets aan anderen overliet. Toen hem eens gevraagd werd, hoe hij zoo velerlei zaken kon afdoen, was zijn antwoord: „omdat ik nooit tot morgen uitstel, wat ik heden kan doen.quot; En dit was geen vrucht van jarenlange oefening, maar kenmerkte hem steeds. „Ik zou weinig gelezen hebben, indien ik anders gehandeld had. Een boek is een refuge voor een verstandig mensch: niet die prullen, die dwaze en behoeftige schrijvers voor het amusement van dwaze en onkundige lezers in de wereld werpen ; gooi die weg. Certum pete finem : heb een bepaald doel voor die oogenblikken van vermaak.

-ocr page 20-

LORD CHESTEKFIELD EN DE REPUBLIEK

en jaag het na, tot gij het bereikt hebt. Zoolang ik in Cambridge vertoefde, was eloquentie mijn hoofdstudie. Als ik schoone stukken van welsprekendheid las, schreef ik de schitterendste passages af, en bracht ze zoo goed en schoon als ik \'t kon, in het Engelsch over; of, indien hetEngelsch was, in het Latijn. Dit heb ik verscheidene jaren achtereen gedaan; h\'et heeft niet alleen mijn stijl gevormd en verbeterd, maar in mijn geest en geheugen de beste gedachten van de beste schrijvers geprent.quot;

Eloquence and manners — de macht van het woord en de macht van de vormen — van die twee machten wachtte Chesterfield alles. Zij waren de toovernimfen, die hem de genegenheid der wereld en zijne heerschappij over haar zouden verschaffen. De eerste was door studie en oefening te verwerven ; de laatste de vrucht van volhardende inspanning en strijd. Door de eerste zou hij de mannen voor zich winnen, en zich de groote rol verzekeren, die hij in het parlementaire leven wilde spelen. Door de laatste zou hij de gunst der vrouwen verwerven, onmisbaar in het leven. Pour plaire aux hommes, il faut savoir plaire aux femmes. Van dien stelregel uitgaande, was niets kleins voor hem klein. Tot de geringste punten van het toilet toe werden voorwerpen van zorgvolle verpleging. Spotters beweerden, dat hij vier uren van den dag er aan wijdde. En welk een studie, welk een beljbid en overleg, om aan de eischen van het maatschappelijk verkeer te voldoen L. Welk een schat van levenswijsheid, die de kunst om zich beminnelijk en welaangenaam voor te doen, van menschen te ontzien en van menschen in te nemen, bijkans tot een wetenschap verhief. De volmaakte meester der wellevendheid en der welgemanierdheid overtrof, naar men verzekerde, toen hij het toppunt van zijn roem had bereikt, zelfs den onovertrefbaren Bolingbroke, tot wien hij in den aanvang met schaamte, zich zijner zwakheid ootmoe-diglijk bewust, had opgezien. Terwijl zijne vijanden — zooals Horace Walpole — aan zijne welsprekendheid hun hulde niet konden weigeren, was Chesterfield voor allen, die in de

8

-ocr page 21-

DEK VEKEENIGDE NEDERLANDEN.

vormen van het uiterlijke leven den hoogsten en dei; echten proefsteen van ware beschaving vonden, het model zonder weerga. Wie de moeite wilde nemen, uit zijn geschriften al die kostelijke voorschriften omtrent wellevendheid, den omgang met mannen en vrouwen, het geheim van bemirne-lijk te zijn, bijeen te garen ; en een klein man van nog niet middelmatige grootte, met schitterende, spotzieke oogen, onberispelijk toilet, rustigen, kalmen gang, zachte stem en hoffe-lijken glimlach zich voor te stellen, aan wiens lippen deze gulden lessen ontsnappen, hij zou eenigszins in staat zijn den edelen lord zich voor te stellen, zooals hij in de kringen zijns tijds optrad.

Doch niet volkomen. Want Chesterfield geeft zich beter, dan hij is, of juister gezegd, hij heeft zijn wijsheid niet altijd tot zijn beschikking gehad. Hij heeft ze verworven door ze te betalen.

Tot het erfdeel, dat hij van zijn vader had ontvangen, behoorde heftige hartstochtelijkheid. Hij had ze, verzekert hij ergens, bedwongen en het suaviter in modo, fortiter in re zich ten regel gesteld. Doch deze voorstelling is eenvoudig zelfbedrog. Chesterfield\'s hartstochtelijkheid openbaarde zich door zijn geheele leven heen in een groot gemis aan ingetogenheid op velerlei gebied. Slechts in enkele oogen-blikken en niet dan tijdelijk heeft hij zijn luimen en lusten bedwongen. Matigheid in spot en sarcasme heeft hij nooit beoefend. Te Cambridge, meenende, dat het tot een goede opvoeding behoorde, was hij een rooker en drinker geworden; ofschoon hij noch van wijn noch van tabak hield. Toen hij den eersten keer in den Haag was, als tourist, bij het verlaten van Cambridge, was hij in handen gevallen van een troep vreemdelingen, die hem hadden leeren spelen. Chesterfield was een hartstochtelijk speler geworden en is het steeds gebleven. Tijdens zijn bestuur van Ierland beheerschte hij zich, maar toen hij het secretarisschap van staat had neergelegd, was het eerste, wat hij te doen had, naar White\'s te ijlen, om aan zijn hartstocht bot te vieren. Voeg daarbij uit-

9

-ocr page 22-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

spattingen van sensueelen aard, evenmin — zijn dorst naar vermaak was steeds even groot als zijn eerzucht — hem ooit vreemd geworden, en het is volkomen duidelijk, dat deze gepassioneerde persoonlijkheid nog andere trekken heeft, dan het portret van zijn eigen hand ons bij voorkeur te zien geeft.

Lord Hervey, die hem bitter haatte en hem met slijk overstroomt, zegt ergens, dat hij geen oordeel had en slechts geest. Het getuigt niet voor Lord Hervey\'s oordeel en nog minder voor zijn geest, dat hij ons deze dwaasheid wil wijsmaken. De schrijver van de Letters to his son had meer verstand in zijn pink, dan de kwaadsappige Hervey in zijn hand.

„Leg alle boeken neer voor goed gezelschap; de wereld is het boek, dat gij steeds lezen moet,quot; ried Chesterfield zijn zoon. Doch de kunst van lezen moet ook geleerd worden; en veel, wat .Chesterfield later zelf in dat groote boek las, had hij er aanvankelijk niet in opgemerkt.

Vol jongensovermoed, als een absoluut pedant, gelijk hij zelf zegt, was hij van Cambridge gekomen. Om de school-sche vormen af te leggen en zijn eeuwig citeeren van Mar-tialis, Ovidius en Horatius af te leeren, was hij naar het continent gezonden. Den Haag, Parijs en Italië zouden den toekomstigen Lord Chesterfield de gemakkelijkheid leeren om in de wereld te verkeeren en een man van fatsoen te zijn. In den Haag werd hij door zijne nieuwe bekenden om zijn pedanterie en schoolgeleerdheid braaf uitgelachen en tot een speler gemaakt. In Parijs namen vriendelijke vrouwenhanden de taak zijner volmaking op zich. Hij vertelde later zelf hoe linksch, lomp, verlegen hij toen was, en hoe zijn jon-gensblooheid overwonnen en hij gefatsoeneerd werd. Tot zijn ongeluk stierf koningin Anne. Zijn vader was een Tory, werd zelfs verdacht Jacobiet te zijn. Zijn overige familieleden waren vurige Whigs. Hij was ook Whig en dankte den hemel voor den dood der oude vrouw, die juist bijtijds was gestorven, toen Engeland a deux doigts de l\'esclavage was. Hij werd lord of the bedchamber van den prins van Wales en kort daarop lid van het parlement.

10

-ocr page 23-

DER VEREEXIGDE NEDERLANDEN.

Het ware voor Lord Stanhope — want dien naam droeg hij nog tot 1726, toen zijn vader stierf — beter geweest, zoo hij zijn reis op het continent had voortgezet en niet om de troonsbeklimming van George had afgebroken. Hij zou in het groote boek der wereld nog eenige bladen hebben gelezen, wier inhoud hem zeer te stade ware gekomen. Thans, onervaren en overmoedig als een 24-jarige, had hij het ongeluk over personen en toestanden een oordeel te vellen, dat voorbarig en onjuist was en hem tot onvoorzichtigheden verleidde, die voor zijn geheel volgend leven rijk aan gevolgen zouden zijn. Hij wekte gevoeligheid en antipathie op juist daar, waar hij om de droomen zijner eerzucht te verwezenlijken, steun en sympathie behoefde.

Ofschoon zij te zamen naar Londen waren gekomen, waren George en zijn zoon, de prins van Wales, op weinig vriend-schappelijken voet mét elkander. De verwijdering, die reeds in Hannover gesmeuld had, barstte in Engeland in openlijke tweedracht uit. De twist tusschen vader en zoon, tusschen koning en kroonprins, sleepte de leden van beider hofhouding mede en bracht tweedracht in de gelederen der Whigs. Chesterfield was te jong en te heftig om zich, zelfs indien het mogelijk ware geweest, onzijdig te houden. De Lord of the bedchamber trok met warmte partij voor zijn meester. Ook in het parlement brachten beide partijen hun strijd over, en Chesterfield onderscheidde zich onder de tegenstanders van Robert Walpole, den minister des konings. Zoolang hij in het Lagerhuis vertoefde, maakte de bestudeerdheid zijner redevoeringen, die tot persiflage verlokte, weinig indruk; voor zijn welsprekendheid was het Hoogerhuis, dat hij in 1726 binnentrad, het eigenlijk tooneel. Daar inzonderheid troffen en wondden zijne spotternijen en zijne schimpscheuten, die te ruimer vloeiden, naarmate de tegenpartij krachtiger en onbuigzamer was. De koninklijke wil boog niet voor sarcasme. Met uitzondering van een korte periode, was Chesterfield gedurende de geheele regeering van George I in hooge ongenade bij het hof.

11

-ocr page 24-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

12

Geestigheid is een gevaarlijk wapen, dat niet zelden hen, die het hanteeren, scherper wondt dan de schijnbaar getroffenen. Chesterfield maakte zich veel vijanden onder de tegenstanders van den prins van quot;Wales en weinig vrienden onder de zijnen. Overgegeven aan zijn vermaken en zijn studie, waartusschen de tijd, die hem gelaten was, werd verdeeld; steunende op de vriendschap van het kleine, wonderlijke kereltje, dat straks de opvolger van George I zou zijn, meende hij onbezorgd voor de toekomst te mogen zijn. Als de oude koning het hoofd zou neerleggen, zou zijn ster opgaan. Om zeker te zijn van den toekomstigen George II, won bij de gunst van diens zonderlinge maitresse, mistress Howard. Het zal te allen tijde als een treffend bewijs van menschelijke kortzichtigheid gelden, dat de scherpzinnige hoveling, die het leven van het hof en de hoogere standen heeft gekend zooals weinigen, en de karakters der personen, in de hoogste rangen der maatschappij geplaatst, zooals zij onder den invloed van hun onderlinge verhoudingen zich ontwikkelen, met zoo fijne hand ontleed, zijn eigen politiek en maatschappelijk leven met een misslag heeft aangevangen zoo groot als de zijne. Als een gewoon oppervlakkig hoveling beeldde hij zich in, dat de maitresse, mistress Howard, den kroonprins beheerschte, invloed op hem had. Haar maakte hij het hof, terwijl hij de aanstaande koningin verwaarloosde. Robert Walpole peilde den prins van Wales, en zag, welk een diepen eerbied hij voor zijne begaafde en beleidvolle vrouw had, met wie hij nooit een andere, zelfs in gedachte, gelijk zou stellen, al nam hij voor de bluf een maitresse. Chesterfield, die dagelijks met hem omging, zag niets van dat alles. Hij meende de gunst \'Van Caroline van Brunswgfe^ zoo weinig noodig te hebben, dat de betrekkelijk weinig lompe gezegden, die van hem bekend zijn, toevallig juist alle aan haar gericht zijn. WTel heeft deze levenswijze man zijn kennis gekocht! Zoo het met het doel van dezen arbeid overeenkomstig ware, het zou noch onleerrijk noch onvermakelijk zijn, uit Chesterfield\'s geschriften de schuldbekentenissen saam te lezen, neergelegd niet in

-ocr page 25-

DER VEKEENIGDE NEDERLANDEN.

woorden, maar in raadgevingen. Hier ter plaatse moge de vingerwijzing volstaan.

In den zomer van 1727 werd George I op den weg van Delden naar Osnabruck door een beroerte getroffen. Slechts zijn lijk bereikte de stad. De prins van Wales was koning van Engeland.

Zijn vrienden en aanhangers juichten; thans was hun uur gekomen. Maar zij hadden gerekend buiten de talentvolle vrouw, die de kroon van Engeland met George dragen zou. Caroline van Brans wijk? hield Walpole staande. ^

Deze onverwachte loop der regeeringsverandering was een bittere teleurstelling voor allen, die op Walpole\'s val hun eigen grootheid hadden gebouwd. Niet het minst voor Chesterfield. Welk een haat hij in de omgeving der koningin zich had opgegaard, leeren de memoires van haar kamerheer, lord Hervey. „Chesterfield,quot; zegt hij, „was de geestigste tafelcauseur van den tijd. Zijn talent van belachelijk maken, waaraan hij met onuitputtelijke geestigheid en zonder verschooning bot vierde, maakte hem gezocht en gevreesd, gewild en toch niet geliefd door de meesten van zijn bekenden : geen sekse, geen verwantschap, geen stand, geen macht, geen aanzien, geen beroep, geen vriendschap, geen verplichting beschermde voor dat scherpe, schitterende wapen, dat schijnbaar slechts glinsterde voor de oogen van den toeschouwer, maar inderdaad diep wondde wien het aanraakte. Al zijne bekenden waren zonder onderscheid en beurtelings de voorwerpen van zijn spot en dienden tot voedsel voor dien onverzadelijken lust om alles te beschimpen wat op zijn weg kwam. Ik herinner mij twee regels uit een satire van Boileau, die volkomen op hem passen:

Mais c\'est un petit fou qui se croit tout permis,

Et qui pour un bon mot va perdre vingt amis.quot;

Welk een stroom van sarcasmen zal Chesterfield over hethoofd van dien Hervey hebben uitgestort, die zoo diep gewond was!

Toen na de regeeringsverandering de rollen werden ver-

13

-ocr page 26-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

deeld, en oude en nieuwe vrienden beloond, wilde George ook iets voor Chesterfield doen, die zoo trouw zijn partij had getrokken. Robert Walpole, zeer gewillig om den scherpen en geestigen vijand te verwijderen, nam er genoegen in, dat Townshend de ambassade naar Holland hem aanbood. Chesterfield, na zijn vijandige houding jegens Walpole, die zoo ongedacht en onverwacht in het volle bezit van zijn macht bleef, begreep, dat een tijdelijke verwijdering hem slechts baten kon. Zich te scharen onder de leiding van den staatsman, dien hij eenmaal verlaten had en vervolgd met zijn s\'cherpe aanvallen, lachte hem even weinig aan, als het voortzetten van den strijd. Reculer, pour mieux sauter.

Zoo werd Philip Dormer Stanhope, Earl of Chesterfield, buitengewoon ambassadeur in de republiek der Vereenigde Nederlanden. In Mei 1728 kwam hij in den Haag, „het schoonste dorp van de wereldquot;, aan.

II

De politieke hemel was in den zomer van 1728 donker en bewolkt.

De vrede van Utrecht^ in 1713 gesloten, om de worsteling tusschen de huizen van Bourbon en van Habsburg te doen eindigen, had slechts gedeeltelijk het doel bereikt. De krijg had opgehouden, maar geen verzoening was tot stand gekomen. De Duitsche keizer weigerde afstand van zijne aanspraken te doen en den Bourbon op den troon van Spanje te erkennen.

Moederlijke eerzucht deed eerlang de smeulende vlam op nieuw opflikkeren. Elisabeth van Parma, die aan de hartstochtelijkheid der vrouw de energie van den man paarde, maakte op den troon van Spanje den haat der Italiaansche en de eerzucht der vorstin tot leidende politieke gedachten. Bijgestaan door het genie van Alberoni, poogde zij haar nieuw vaderland uit den doodslaap op te richten, om voor haar eigen geslacht een grootsche vesting in Italië te verwerven. Te kwader ure liet zij zich door persoonlijke gevoeligheid ver-

14

-ocr page 27-

DEE VEEEENIGDE NEDERLANDEN.

leiden tot een voorbarigen strijd. Oostenrijk, door de groote mogendheden gesteund, werd niet overwonnen; Spanje werd op het oorlogsveld en in het kabinet geslagen. De triple en quadruple alliantie drukte door haar overmacht de herleving van het eertijds zoo machtige rijk neder.

Doch geen Europeesch verzet deed de hooge vrouw haar dynastieke plannen prijsgeven. Toen de Fransche regeering den Spaanschen trots, door de smadelijke terugzending der Infante, die, bestemd voor den jongen Lodewijk XV, in Frankrijk werd opgevoed, diep had gekwetst, en de keizer, door de oprichting der Compagnie van Ostende, den onwil der zeemogendheden had wakker geroepen, bood de Spaansche vorstin aan den Duitschen keizer de hand van verzoening en vriendschap. Te zamen zouden zij verwerven, wat ieder afzonderlijk tevergeefs had nagejaagd. Karei VI eischte en verkreeg het leeuwendeel. Spanje erkende zoowel de Compagnie van Ostende als de Pragmatieke Sanctie, door den keizer voor de opvolging zijner dochters in zijne erflanden vastgesteld. Voor zoo belangrijke concessiën was het een schamele vergoeding, dat de keizer afstand deed van zijne aanspraken op de staten van den Spaanschen koning, die hij niet had kunnen behouden «n nog minder, wist te veroveren. Voor het overige betaalde hij Spanje met uitzichten en toezeggingen. Aan den oudsten zoon van koningin Elisabeth, wien de opvolging in Toscane, Parma en Piacenza was toegezegd, werd het uitzicht geopend op de hand van Maria Theresia, de oudste dochter van Karei VI. Spanje en Oostenrijk verbonden zich tot weerzijdsche verde- . diging en hulp : de laatste staat beloofde zijne goede diensten, om de teruggave van Gibraltar en Minorca, nu in handen der Engelschen, te verkrijgen.

De tractaten van Weenen (1 Mei 1725) werden slechts gedeeltelijk bekend gemaakt. Des te sterker was de algemeene onrust, die zij wekten, vooral toen langzamerhand allerlei geheime bepalingen nopens het huwelijk van don Carlos, aangaande Gibraltar en Minorca enz. uitlekten, en het bestaan van nog andere werd gegist.

15

-ocr page 28-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPÜPLIEK

Geheel Europa kwam in beweging. Over de Spaansche successie was jarenlang onderhandeld en gestreden. Men ontzegde den keizer het recht, eigenmachtig de Oostenrijksche opvolging, voor het evenwicht der mogendheden van geen minder gewicht, te beslissen en teregelen. Het verbond van Wee-nen was een volslagen breuk met het oud systeem, op de samenwerking van Oostenrijk met de zeemogendheden gebouwd. Het scheen Europa met de herstelling van de Spaansch-Oos-tenrijksche suprematie te bedreigen, die in het Munstersch vredesverdrag, naar men meende, voor goed gebroken was. Gibraltar en Minorca waren zegeteekenen van den roemvol-len strijd, door het Engelsche volk tegen de wereldmonarchie van Lodéwijk XIV gevoerd. Hen prijs te geven, om de verzoening van Spanje en Oostenrijk te betalen, scheen een schending der nationale eer, een verloochening van den volksroem. De Compagnie van Ostende bedreigde het maritiem en mercantiel overwicht der zeemogendheden. De versterking der keizerlijke en katholieke macht was een gevaar voor de vrijheid en zelfstandigheid van de Protestantsche staten in Duitschland en voor de Protestantsche successie in Engeland.

Tegen zoo groote en zoovele gevaren scheen slechts één redmiddel: aaneensluiting der bedreigden. In de alliantie van Hannover (3 Sept. 1725) verbonden zich Frankrijk, Engeland, Pruisen en de Kepubliek tegen de geallieerden van Weenen.

Een Europeesche krijg dreigde. Beide groepen van verbondenen, die van Weenen en die van Hannover, zochten en vonden bondgenooten.

In Febr. 1727 trok Spanje het zwaard uit de scheede: het sloeg het beleg voor Gibraltar. Maar het voorbeeld verleidde niet tot navolging. De zeemogendheden schrikten voor een nieuwen krijg terug, en in Frankrijk regeerde Fleury, noch door leeftijd, noch door karakter oorlogzuchtig. „Quieta non moverequot; — de leus van Robert Walpole — scheen ook zijn politiek programma. Engeland nam de noodige maatregelen, om Spanje zijn overmoed te doen gevoelen en Gibraltar in staat van verdediging te stellen. Voor het overige wendden de

16

-ocr page 29-

DEE VEREENIGDE NEDERLANDEN.

verbondenen van Hannover alle krachten aan, om den keizer van deelneming aan den krijg af te schrikken. Toen het Duitsche rijk hem alle ondersteuning weigerde en ook zijne overige geallieerden ongeneigd bleken hem ter zijde te staan, moest Karei VI, om zijne Belgische provinciën te redden, het hoofd buigen. Bij de preliminairen te Parijs (31 Mei 1727) bewilligde hij in de schorsing van de Compagnie van Ostende en in de samenkomst van een congres, dat de hangende verschillen zou vereffenen.

De koningin van Spanje, ofschoon de keizer haar zijn diplomatieke ondersteuning op het aanstaande congres beloofde, was weinig geneigd de pas opgenomen wapenen neer te leggen. Toen in do Junimaand onverwachts koning George I overleed, hoopte zij op een opstand, zoo niet revolutie, in Engeland, die den Stuart zou herstellen en haar de gelegenheid verschalfen om, als prijs voor de verleende hulp, Gibraltar te verwerven. Maar George II besteeg den troon, zonder door opstand of revolutie belemmerd te worden. De vredelievende Fleury wist terzelfder tijd de gevoeligheid van het Spaansche hof, nog altijd om het gebeurde met de Infante bitter vertoornd, te verzoenen. Aan de beleedigde eer werd genoegdoening verschaft door de opoffering van een paar personen en door eenige officieele formaliteiten. De twee takken der Bourbons reikten elkander de hand. Onmiddellijk wendde rieury zijn invloed aan, om de koningin tot het congres te doen toetreden. Niettemin verliep de geheele winter, voordat zij toegaf. In Maart 1728 werd eindelijk de Conventie 2 getee-kend, die de deelneming van Spanje aan de diplomatieke samenkomst besliste. In Juni zouden de vertegenwoordigers der mogendheden te Soissons bijeenkomen, om zoo mogelijk den vrede te verzekeren, door de verschilpunten uit den weg te ruimen.

Het was in deze ernstige politieke omstandigheden, dat lord Chesterfield in de Republiek aankwam, om zijne diplomatieke loopbaan aan te vangen. Weinig kon hij in die dagen

2

17

-ocr page 30-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

voorzien, dat hij bij de beslissing der vragen, die Europa in twee kampen verdeeld hielden, eenige rol van beteekenis zou vervullen.

Op de onderhandelingen, die tot het congres van Soissons hadden geleid, had hij geen invloed geoefend. Sedert hem de ambassade in den Haag was toegedacht, mocht hij bekend zijn geworden met de stukken, die gewisseld werden, de beslissing was van zijn oordeel niet afhankelijk gesteld. Hij kwam in de Nederlanden als leerling en vriend van Towns-hend, zijn „patroonquot;. Deze beval hem in warme bewoordingen aan den raadpensionaris Simon van Slingelandt aan, als een gezant, goed gezind voor de samenwerking der beide Staten. In later jaren heeft Chesterfield zich steeds hoogst ongunstig over het tractaat van Hannover 3 uitgelaten en de buitenlandsche staatkunde van Engeland, door dit tractaat ingeleid, scherp afgekeurd. Hij lachte om de vrees voor het Spaansch-Oostenrijksch overwicht, en zag in de Hannoversche alliantie slechts de politiek van een Duitschen keurvorst, die zijn Engelsche kroon gebruikte en misbruikte, om zijn Duit-sche belangen te beschermen en te bevorderen. Al naar gelang Hannover het scheen te vereischon, werd het staatsroer van Engeland voor of tegen den keizer van Duitschland gericht.

Het is niet te betwijfelen, dat Cl\'esterfield in deze jaren nog niet zoo oordeelde. Anders ware de ambassade imde Republiek hem stellig niet door Townshend, ondanks diens vriendschappelijke gezindheid, toevertrouwd. De omkeer ...van zijn zienswijze is de vrucht van zijn verblijf in de Nederlanden geweest.

In 1728, toen Chesterfield naar de Republiek\'rkwam, scheen, ondanks den ernst der buitenlandsche verwikkelingen, de ambassade meer een post van persoonlijk vertrouwen dan van politiek gewicht. Dé ware diplomatieke onderhandelingen werden elders gevoerd; den Haag was er niet meer de zetel van. Een vertrouwd man, volkomen gezind, om de goede verstandhouding met de Republiek te bevorderen, zoodat de samenwerking van beide staten op politiek terrein niet verbroken werd, had Engeland in den Haag noodig. Een man,

18

-ocr page 31-

DER VEKEENIGDE NEDERLANDEN.

19

■dio in staat en genegen was, om kleine gevoeligheden te voorkomen en zoo noodig uit den weg te ruimen. De inzichten zijner regeering moest hij voorstaan bij een bondgenoot, uit den aard zijner geringer kracht gevoelig zelfs voor den schijn van veronachtzaming, maarvoordeHannoversche dynastie onmisbaar, omdat de Republiek eigenlijk de eenige bondgenoot was, op wien zij in alle omstandigheden kon rekenen. Hij moest de tusschenpersoon zijn tusschen zijne regeering en den raadpensionaris van Holland, die zeer zijne eigenaardigheden had, onder den invloed zijner wankelende gezondheid tot menige klacht over heftigheid en humeur rechtigde, maar niettemin de leider der buitenlandsche staatkunde en de vriend van Townshend was. De Engelsche staatssecretaris correspondeerde zelf met Slingelandt; en de gezant bezorgde de briefwisseling. Van zijn zelfstandig politiek inzicht werd door Townshend geen inspanning gevergd, voor zoover het de Europeesche staatkunde betrof. Een diplomatiek agent, tevreden met de bescheiden rol, die de omstandigheden hem aanwezen, niet belust om zelfstandig in te grijpen, of een richting te wijzen, maar genegen de richting te volgen, die hem gewezen werd: op een belangrijken post geplaatst, maar die hem vooreerst weinig kans op persoonlijken invloed gaf. Voor die rol was Chesterfield in 1728 de geschikte persoon. Bekend met de vriendschap van Townshend en Slingelandt, was voor hem het gewicht, dat aan Slin\'ge-landt\'s adviezen te Whitehall werd toegekend, een prikkel om al wat aan persoonlijke innemendheid te zijner beschikking stond aan te wenden, ten einde den staatsman voor zich te winnen, wiens hand de Republiek op het Europeesche staatstooneel leidde. Het kostte hem geen zelfoverwinning, omdat hij in Slingelandt en diens trouwen medewerker, den griffier Fagel, mannen vond, die beiden hem achting en eerbied inboezemden. Tegenover hen gevoelde de 33-jarige, anders niet zeer gewoon de meerderheid van anderen te erkennen, zich den mindere. Over hen komt geen enkel spottend woord, geen enkele geestige opmerking, zooals zij dikwerf ten aan-

-ocr page 32-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

zien van anderen hem ontsnappen, zelfs niet in zijne meest vertrouwelijke brieven voor. Niets dan woorden van hulde, die hij jaren later, nadat zij sedert lang van het staatstooneel en van het leven hadden afscheid genomen, hun brengt. In Fagel roemt hij de grondigste kennis en het gezondste oordeel, dat hij ooit heeft aangetroffen, maar hij mist in hem dien snellen blik, die als bij intuitie tot den grond der dingen doordringt. Dezen bezat Slingelandt. „Hij was de bekwaamste minister en de rechtschapenste man, dien ik ooit kende. Ik mag hem naar waarheid mijn vriend, mijn meester en mijn gids noemen; ik was nog jong in de politiek; hij leerde, beminde, vertrouwde mijquot; 4. Dat was het getuigenis, dat hij meer dan twintig jaar later aangaande hen aflegde.

Onmiddellijk na zijn komst in de Nederlanden z^ig hij voor allerlei belangen zijn hulp ingeroepen. De Oost-Indische Compagnie bepleitte bij hem haar rechten, opdat hij ze aan zijn regeering mocht aanbevelen. Eischen, uit het barrière-tractaat voortvloeiende, werden hem met gelijk doel voorgehouden. Gewillig beloofde hij zijn steun om de aanspraken, die de Republiek in Oost-Friesland deed gelden, aan de gevolmachtigden te Soissons op het hart te binden, al heeft hij waarschijnlijk van de voorspraak van Engeland bij den koning van Pruisen zich niet veel vruchten beloofd. Met meer instemming kon hij in andere opzichten zijne diensten bewijzen. Te Altona was een O. I. Compagnie opgericht, voor wier dreigende mededinging men in Engeland, naar hier te lande werd uitgestrooid, volkomen onverschillig was. De Engelsche gezant bewees de valschheid der beschuldiging, door zelf met een der Hoogmogenden de nota te stellen, die aan den resident van Denemarken voor de bedreigde belangen van Engelsche en Hollandsche kooplieden werd aangeboden5.

Doch deze werkzaamheden ontleenden hun beteekenis aan staatkundige verwikkelingen, waarvan hij weinig meer dan gewoon toeschouwer was Zij waren aanhangsels van onderhandelingen, waarop hij geen invloed oefende. De depêches, die hij voor deze en dergelijke zaken te stellen had, waren noch

20

-ocr page 33-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

inspannend, noch tijdroovend genoeg, om zijn aandacht van het eigenlijk terrein zijner volgende werkzaamheid af te trekken. Zij lieten hem integendeel ruim den tijd, om zich bekend te maken met den nieuwen kring zijner omgeving en met het vreemde land, waarin hij geplaatst was. Nauwkeurige bekendheid met de politieke toestanden in de Republiek mocht hij noch voor zijn persoon noch voor het doel zijner zending onverschillig achten.

Gedurende de drie eerste maanden van zijn verblijf voerden, als vóór zijn komst, Townshend en Slingelandt een vrij drukke briefwisseling, die door zijn handen ging. Zij schonk hem, ofschoon slechts tusschenpersoon, het voordeel, meer dan wellicht anders het geval zou geweest zijn, in persoonlijke aanraking met den raadpensionaris te komen. Zij dwong hem bovendien zich op de hoogte te stellen van onderwerpen, die tot dusver geen punten van zijne bijzondere belangstelling waren geweest.

Chesterfield vond in den Haag een reeds bejaard man, James Dayrolles, als resident van Engeland. Met hem, en inzonderheid met diens neef geraakte hij op vriendschappe-lijken voet, die hun geheele leven heeft voortgeduurd en den laatste zeer ten goede is gekomen. De oude Dayrolles, sedert jaren in de Republiek gevestigd, zal wel in staat zijn geweest den vreemdeling in de kronkelwegen van den repu-blikeinschen staatsvorm de eerste wegwijzing te geven. Maar Chesterfield, hier door zijn betrekking ook met staatsrechtelijke verhoudingen van het Duitsche rijk in aanraking gebracht, gevoelde behoefte aan meer wetenschappelijke voorlichting. Hij zocht een bevoegd persoon om hem in de geheimen van het jus publicum en het jus gentium in te leiden. De hand van Slingelandt zal in de aanwijzing wel herkend moeten worden, waar wij Chesterfield zich tot den Leidschen hoogleeraar Vitriarius, den ouden leermeester van den raadpensionaris, met het verzoek om zulk een gids zien wenden. Vitriarius wees hem iemand aan, die door den gezant in zijn woning werd opgenomen.

21

-ocr page 34-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

De naam van den persoon wordt nergens genoemd6; desniettemin is er grond tot twijfel of Chesterfield, ten minste wat het staatsrecht der Republiek betreft, veel aan hem te danken heeft. Wanneer wij hem aan zijn zoon hooren vertellen, dat volgens de constitutie dezer landen voor alle besluiten, in de stedelijke vroedschappen zoowel als in d^ staten der provinciën, unanimiteit werd vereischt, dan zijn wij zoo vrij te gelooven, dat dit de vrucht is öf van verkeerd begrijpen van Slingelandt\'s mededeelingen, öf van onjuiste inlichtingen, door een onbevoegde hem gegeven.

Doch al is de samenstelling en werking der staatsmachine hem niet in al hare deelen duidelijk geworden, vreemdeling op het gebied der Republiek is hij niet geweest. Ook hij heeft den wondervollen invloed ondervonden, dien de aanschouwing van een volk met een groot en rijk verleden,, zij het ook te midden van zijn verval, op den bezoeker uitoefent. De namen en daden van de mannen, aan wier werkzaamheid de verleden roem is te danken, wekken belangstelling ook bij den vreemde, hechten zich in \'t geheugen. Eigenaardigheden, die hen kenmerken en voor een meer of minder deel het geheim van hun beteekenis bevatten, worden vastgehouden. Van Johan de Witt7 vermeldt Chesterfield, als een zeker kenmerk van een superieuren geest, hoe hij door doelmatige verdeeling den tijd voor alles vond, zoodat hij, na den ganschen dag \' den last des bestuurs te hebben getorst, de avonduren aan gezellig verkeer en zijn avondbrood in vroo-lijk gezelschap nemen kon. Heinsius 8 wordt ten voorbeeld gesteld als de staatsman, die beter dan een der levenden, zijn hooge plaats zich bewust was en zijn waardigheid ophield.. „Altijd kalm, altijd rustig, las niemand in verandering van gelaat of houding den indruk der gebeurtenissen. Hij wist te-weigeren met meer gratie, dan waarmede anderen toestaan.. Zelfs zij, die hem verlieten, ontevreden met de zaak zelve, waren persoonlijk met hem ingenomen en eenigermate door zijn wijze van handelen verzoend.quot;

Tegenover de aantrekkelijkheid van het verleden was de

22

-ocr page 35-

DEE VEEEENIGDE NEDERLANDEN.

indruk te ongunstiger, dien de tegenwoordige toestand der Republiek op Chesterfield maken moest. Ook al ware hij niet gewoon geweest, uit karakter en uit berekening, scherp om zich te zien, zijn betrekking zelve dwong hem er toe. Enge-lands vertegenwoordiger had niet alleen te maken met de rol, die de Republiek op het tooneel der Europeesche staatkunde speelde: haar inwendige toestand moest een voorwerp van zijn belangstelling zijn. Niet alleen omdat toen, als steeds, de invloed van elke buitenlandsche mogendheid voor een aanzienlijk deel afhing van de meer of minder onbetwiste kracht, waarmede zij, die de teugels des bewinds voeren, weten te regeeren, maar ook om een bijzondere reden. In de Republiek was nevens het belang van den Engelschen staat dat der regeerende dynastie te behartigen.

Toen het Hannoversche vorstenhuis op den troon van Engeland werd geroepen, had het die verheffing aan zijn religie te danken. De Protestantsche dynastie was geroepen de traditie van 1688 voort te zetten, de uitsluiting der Stuarts en de onderwerping der Katholieke kerk aan den staat te bestendigen. Verloochening van dien grondslag van zijn bestaan, zou de trouw der natie hebben ondermijnd, de vastheid van den troon doen wankelen. Toen de hand van den jongen Lodewijk XV aan Anna van Hannover werd aangeboden, mits deze tot het katholiek geloof overging, werd daarom de voorslag afgewezen. Het aanbod kon niet worden aangenomen: het zou de dynastie ten val hebben gebracht.

Dezelfde politieke overwegingen, die het voorstel van Frankrijk deden afslaan, deden aan een voorstel van gelijke strekking bereidwillig het oor leenen, dat van andere zijde werd gedaan. Het opende voor de aanstaande koningsdochter een uitzicht, veel minder schitterend dan dat der Fransche kroon, maar strookte met de belangen van het Hannoversche huis. Het was de weduwe van Johan Willem Friso, den in 1711 verdronken stadhouder van Friesland, die aan koning George I de hand van zijn kleindochter Anne voor haar jeugdigen zoon,

23

-ocr page 36-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

Willem Karei Hendrik, vroeg. Do verbintenis met den onaan-zienlijken prins lachte èn George I èn George II toe, omdat hij een Oranje was. Het was een nieuwe schakel in den band, die hun huis aan 1688 verbond.

Reeds voordat Chesterfield in de Nederlanden kwam, had er over deze ontworpen huwelijksverbintenis gedachtenwisse-ling plaats gegrepen.

Het was in Februari 1728, te midden der besprekingen over het aanstaande Congres, dat lord Townshend, de Engel-scho staatssecretaris voor het noorden, in een particulier schrijven aan Simon van Slingelandt de zaak ter sprake bracht. Er liepen in de Republiek geruchten, alsof op dat oogenblik over zulk een huwelijk werd onderhandeld. De koning van Engeland had, naar men zeide, beloofd aan den jongen prins de orde van den Kouseband te schenken. Men wilde echter te Londen in deze zaak niet handelen, zonder het advies van de twee hoofden der Republiek te hebben vernomen. „Sa Majestéquot; — schreef Townshend aan den raadpensionaris9 — „Sa Majesté, qui se communique a V. E. sur toutes les affaires publiques de l\'Europe, a plus forte raison aura garde de manquer de vous faire part d\'une affaire aussi intéressante aux deux nations. C\'est pourquoy j\'ai ses ordres de donner a V. E. et a monsieur le Greffier des éclaircissements sur le véritable état de cette affaire.quot; Die inlichtingen luidden aldus:

Gelijk aan den raadpensionaris en den griffier bekend was, had de prinses van Nassau—Friesland nog bij het leven van den vorigen koning op dit huwelijk aangedrongen. Na de troonsbestijging van George II had zij haar aanzoeken vernieuwd en den Kouseband voor den jongen prins gevraagd. Z. M. was gunstig voor de zaak gestemd, maar had ze voorloopig uitgesteld. Meer dan dit was er niet geschied. „Vous savez que feu le Roy approuvait fort ce mariage, et Leurs Majestés d\'a présent sont a eet égard dans les mêmes sentiments, mais comme c\'est une chose tres délicate et oü vos senti-mens et ceux du Greffier leur peuvent étre tres utiles, j\'ay ordre de vous prier dans la dernière confidence de me faire

24

-ocr page 37-

DEE VEREENIGDE NEDERLANDEN.

savoir ce que vous en pensez, et si après la paix faite, et lorsque les affaires publiques seront solidement retablies, un tol mariage ne conviendrait pas au bien des deux nations. Je sais bien la situation oü vous et M. Ie Greffier êtes a l\'égard d\'une telle ouverture: mais comme le secret sera inviolable-ment gardé, et que vous ferez un grand plaisir au Roi en lui communiquant vos idees, je veux bien me flatter que j\'aurai la satisfaction de les recevoir: et vous ne sauriez douter que si vous souhaitez d\'avoir encore quelques éclaircissements de ce cote ici, je ne vous les donne avec toute la franchise et toute la sincérité possible.quot;

De raadpensionaris was in deze dagen ongesteld: zijn gewone kwaal, jicht, had hem weder nedergeworpen. Pas den 6ei1 April schreef hij zijn antwoord lu. Na korte vermelding der ongesteldheid komt hij tot de zaak. „La rechüte, dont a peine je suis remis, m\'a empêché de répondre plutót a la lettre de V. E. du 27 de fevrier v. s. Je m\'en acquite a présent en vous communiquant, Mylord, sous le sceau du secret, que des principaux membres de la province de Hollande m\'ont sondé dans le temps que j\'ai été choisi pensionaire, si je pensais, que Ton pouvait maintenir la forme présente du gouvernement, et que je leur ai répondu que je n\'en désespérois pas pourvu qu\'on voulüt se prêter aux moyens, que l\'on pourrait proposer et m\'assister cordialement, ce qui m\'ayant été promis et m\'étant laissé persuader a accepter Ie poste, je puis bien, en cas que je suis mal secondé, et que je trouve que mes efforts sont sans succes, demander ma demission, a moins que ceux a qui je me suis expliqué, conviennent avec moi de changer de plan ou de système pour le plus grand bien de l\'Etat, mais je ne crois pas que je puisse en conscience ni en honneur tenir la main a des choses, qui tendent naturelle-ment a changer la constitution présente.

„Outre que je m\'aperQois de plus en plus, et je dois en avertir V. E., que le soupQon, dont bien des gens sont imbus, que la Grande Bretagne favorise les vues de la maison de Nassau-Frise, et qu\'il y a un mariage entre Ie Prince de

25

-ocr page 38-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

Nassau et 1\'ainée des Princesses Royales sur le tapis, refroidit le penchant, que naturellement Ton devrait avoir pour la Grande Bretagne, et serait capable de les porter a se jetter sans trop de ménagement entre les bras de la France, s\'ils voyaient que ce qui jusqu\'a present n\'est qu\'un soupcjon, était une verite.quot;

.Het duidelijke antwoord maakte te Whitehall niet volkomen den indruk, dien Slingelandt wenschte. Hoe vleiend voor zijn persoon de bewoordingen ook luidden, waarin de Engelsche staatssecretaris hem dank betuigde, het plan werd volstrekt niet opgegeven. „Je ne peux différer plus longtemps a vous rendre graces, au nom de Sa Majesté même, de la grande confiance et franchise avec lesquelles vous avez bien voulu vous ouvrir, en m\'exposant d\'une manière si cordiale vos pensees les plus secretes au sujet du mariage en question.--

Le Roi est pleinement convaincu que dans l\'état oü se trou-vent les choses, il n\'y a rien au monde qui puisse conserver la forme présente du Gouvernement, en remédiant avec succes aux abus qui s\'y sont glissés, que la sagesse connue et la fermeté de V. E. et les expédiens judicieux, que Vous seul pourrez trouver pour y réussir. Et V. E. est trop persuadée des véritables intentions du Eoi a l\'égard de la Republiquer pour ne pas être convaincue que S. M. souhaite très-ardem-ment que ce grand ouvrage se puisse effectuer a la gloire de V. E. et au bien de l\'Etat. Cependant je croirais manquer a la confiance, dont la longue et intime amitié que j\'ai eue avec V. E. m\'autorise de me servir envers Elle et que celle même de V. E. envers moi dans cette occasion semble m\'exi-ger, si je ne prenais pas la liberté de lui dire, que tant le Roi lui même, que tous ceux, qui ont la moindre connais-sance de l\'état présent des Provinces Unies, se doutent beaucoup qu\'on puisse trouver des moyens capables d\'assu-rer le Repos, l\'Ordre et l\'Union dans la République, sans être obligé d\'avoir recours a un Stadhouder. Vous jugez bien, Monsieur, que ce n\'a été qu\'en suite de cette opinion que Sa Majesté a pu entretenir jusqu\'a la moindre idéé de ce mariage.

„Au reste je dois dire a V. E. que S. M. s\'est proposé

26

-ocr page 39-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

avant toutes choses dans le mariage des princesses ses filles, c\'est le bien et le soutien de la Heligion Protestante. Et qu\'il n\'y a eu que cette resolution de ne pas faire une chose qui y put apporter le moindre prejudice, qui ait empêché qu\'or; ne donnat les mains a une proposition qui eüt assure a la Prln-cesse Royale le meilleur parti de I\'Europe.

„Pour ce qui est des soupQons, que V. E. dit être répandus, je puis vous assurer, Monsieur, que les mêmes raisons, qui ont porté S. M. a demauder votre avis sur ce sujet, La por-teront toujours a n\'y rien faire saus vous consulter, et l\'enipècheront de se jeter d\'une manière précipitée dans des mesures, qui intéressent a un tel point la République, dont elle a résolu de cultiver l\'estime et de mériter l\'affection par toutes les preuves possibles d\'une amitié la plus distinguée\' n.

Deze briefwisseling was niet langs officieelen weg gevoerd, en ook niet, naar Townshend verzekerde, aan den toenma-ligen gezant Finch, noch aan diens aanstaanden opvolger Chesterfield medegedeeld. Toen de laatste, warm aanbevolen door Townshend, weinige weken later zijn betrekking aanvaardde, poogde Slingelandt van tijd tot tijd hem te polsen, door zich nu en dan over de loopende geruchten aangaande het huwelijk op weinig gunstige wijze uit te laten. Maar Chesterfield vermeed het onderwerp. Het duurde tot November w, voordat het punt ronduit tusschen hen ter sprake kwam.

Het was naar aanleiding van een courantenbericht, dat de jonge Prins den Kouseband zou krijgen. Is dat waar? vroeg Slingelandt aan den gezant. Deze antwoordde, dat hij het niet wist, maar zeer natuurlijk vond, omdat de meeste prinsen van Oranje het blauwe lint hadden gehad en de Koning veel achting voor dat vorstenhuis gevoelde. Als het gebeurde zou het een eenvoudige beleefdheid zijn. De raadpensionaris merkte op, dat het volk de zaak geheel anders zou beschouwen, en er verkeerde gevolgtrekkingen uit maken. „Reeds het

27

-ocr page 40-

LORD CHESTEKFIELD EN DE REPUBLIEK

gerucht, dat de jonge prins eerlang naar den Haag zou komen, had sensatie gemaakt; die indruk zou versterkt worden, indien hem zulk een hooge onderscheiding, een bewijs van \'s konings gunst, ten deel viel. Wat in den tegenwoordigen toestand dei-Republiek het meest gevaarlijk was, een stadhouder te hebben of niet, dat kon hij niet zeggen. Een stadhouder zou volkomen nutteloos zijn, indien hij niet voldoend gezag had om de misbruiken, waaronder de Republiek zuchtte, af te schaffen. Doch indien hij dat had, kon hij er zelf evenveel aan toevoegen. Maar het was nu de tijd niet, om over dergelijke punten te beslissen.quot;

Chesterfield, die met den raadpensionaris langzamerhand op minder officieelen voet geraakte, begreep zeer goed dat de ongewone openhartigheid van Slingelandt volstrekt niet zonder bedoeling was. Te meer, omdat hij zelf het gesprek had trachten af te leiden, door aan de gift van den Kouseband alle politieke beteekenis te ontzeggen en ze zeer onschuldig als een bloote daad van hoffelijkheid voor de Oranjes voor te stellen.

Er was één man in den Haag, met wien hij gewoon was ronduit de belangen van het Oranjehuis te bespreken. Het was de heer van Lynden, de burggraaf van Nijmegen, een der hoofden van de Oranjepartij; „een eerlijk en een bekwaam man, die den Prins even hartelijk genegen is, alsof het zijn eigen zoon is. Hij steltquot; — zegt de gezant — „het volste vertrouwen in mij en houdt mij op de hoogte van eiken stap, die in \'s Prinsen belang gedaan wordt.quot; Met hem ging hij de opmerkelijke openhartigheid van den raadpensionaris bespreken. Van Lynden was het volkomen met Slingelandt eens, schoon natuurlijk op andere gronden. Ook hij oordeelde dat het nu het geschikte oogenblik voor een opzienbarend eerbetoon niet was. Eerst moesten andere plannen, die in \'t geheim werden voorbereid, geslaagd zijn. De Kouseband zou den goeden uitslag tegenwerken door onrust wakker te roepen.

De overeenstemming dezer twee mannen, wier belang en poli-

28

-ocr page 41-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

tieke wenschen zoozeer uiteenliepen, deed het Chesterfield, die de geheime plannen van zijn hof kende, geraden oordeelen, er zijn regeering van in kennis te stellen. Hij meende, dat het ad vies van den raadpensionaris voor Townshend even nieuw en verrassend zou zijn, als voor hem.

Het schijnt, dat Slingelandt in Februari niet voldaan hacl aan Townshend\'s uitnoodiging, om ook den griffier Fagel met de zaak in kennis te stellen. Chesterfield kreeg nu, in antwoord op zijn depêche, hij een privaat schrijven van den staatscecretaris, last, om aan Fagel het plan van het huwelijk mede te deelen en hem tevens te polsen over den invloed, dien het vermoedelijk op de herstelling van het stadhouderschap hebben zou. Deze opdracht verbaasde Chesterfield 13: daar hij niet wist, wat voorafgegaan was, begreep hij niet, waarom men juist het oordeel van Fagel zoozeer op prijs stelde.

Er was intusschen in de verloopen dagen iets gebeurd, wat hem deed besluiten, niet onmiddellijk aan den last te voldoen, maar liever een poging te wagen, om zijn regeering van den „faux pasquot;, dien zij op \'t punt stond te begaan, terug te-houden.

Nadat Slingelandt eenmaal het ijs had gebroken, was het stadhouderschap herhaaldelijk tusschen hen besproken. De raadpensionaris liet zich onbewimpeld over den toestand der Republiek en de ellendige tegenwerking uit, die zijne plannen vonden. Een dier gesprekken vond Chesterfield zoo belangrijk, dat hij onmiddellijk, toen hij thuis was gekomen, den hoofdinhoud op \'t papier bracht14.

„De kanker der republiek,quot; had Slingelandt gezegd, „lag in de eenparigheid; die voor beslissing der hoogste belangen werd gevorderd. Dit zou de tegenwoordige staatsinrichting ten val brengen. Hij had bij zijn benoeming de verbintenis aangegaan, om noch rechtstreeks noch zijdelings tot eenige verandering in den vorm des bestuurs mede te werken. Hij zou aan die belofte getrouw blijven, maar hij voorzag, dat de gebreken en misbruiken ontwijfelbaar tot een stadhouder zouden leiden, die met geweld, door een opstand van \'t ge-

-ocr page 42-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

meen, als indertijd Willem III, zou worden opgedrongen.quot;

„Maar als dat gebeurtquot; — viel Chesterfield in — „dan zal die Stadhouder uw Koning worden.

„De raadpensionaris geloofde het ook. Hij had het aan de aanzienlijkste regenten en de vurigste republikeinen nadrukkelijk voorgehouden. Hij had een plan van hervorming ontworpen en hun voorgelegd als het eenige middel, om het gevaar af te wenden. De stadhouder was oorspronkelijk de spil, waarom het gouvernement draaide. Wilde men er geen hebben, dan moest men zorgen, dat hij overbodig was. Een stadhouder was onmisbaar, zoolang er unanimiteit voor staats-besluiten werd geëischt: zijn invloed alleen kon dan het regeeren mogelijk maken. De eisch van unanimiteit moest dus wegvallen. Maar bovendien moesten allerlei misbruiken worden afgeschaft, die in het krijgswezen waren zoo groot, dat zij alleen voldoende waren om een stadhouder in \'t leven te roepen. Het leger en de zeemacht moesten bruikbaar gemaakt worden, wat zij nu niet waren. Deze en dergelijke punten had hij aan de regenten voorgelegd, hopende, één van beiden te verkrijgen: of hervorming van de misbruiken, vooral afschaffing van de absurde eenparigheid^ waarvoor een meerderheid of hoogstens | der stemmen kon in de plaats treden, of een schikking met den Prins van Oranje en de opdracht aan hem van het stadhouderschap, onder strenge beperkingen van zijn gezag en krachtige waarborgen der vrijheid. Maar zij hadden noch van het een noch van het ander willen hooren. Het eerste streed met de bijzondere belangen van het meerendeel der aanzienlijken, wier macht en voordeel op de misbruiken steunde. Het tweede streed te zeer met de heftige hartstochten en vooroordeelen van de heeren van Obdam15, Boetselaar10, Halewijn,7. en van andere aanzienlijke hoofden der republikeinsche partij.quot;

Chesterfield merkte op, dat het duidelijk uit zijn eigen woorden bleek, niet alleen dat er weer een stadhouder zou komen, maar bovenal, dat hij dringend noodig was.

Slingelandt antwoordde op dit laatste niet, maar zei: „Zeker

30

-ocr page 43-

DEE VEEEENIGDE NEDERLANDEN.

zal er weer een komen, en gij zijt jong genoeg, om bet te beleven. Ik hoop, dat ik vóór dien tijd weg ben, maar als ik dan nog leef, zal ik wel uit mijn post zijn en het overschot van mijn leven in rust mogen doorbrengen. Ik wensch alleen, dat onze nieuwe meester, wanneer wij hem krijgen, ons zacht worde opgelegd. Mijn vriend, de griffier, acht een stadhouder volstrekt noodig, om de Republiek te redden. Zoo denk ik er ook over, wanneer zij het redmiddel, dat ik aan de hand doe, niet willen toepassen. Maar wij zijn in zeer verschillende positie: hij is door geen beloften gebonden, ik wel.quot;

Hij vroeg toen in vertrouwen aan Chesterfield^ of hij eenige instruction had, om de belangen van den Prins van Oranje te bevorderen.

„Neen,quot; antwoordde deze, „dat niet18, maar ik zal het toch doen, voor zoover ik kan, doch kalm en niet officieel. Gij hebt mij zelf overtuigd, dat het in het voordeel der Republiek is: bovendien zal zij dan licht voor Engeland een bondgenoot zijn, die eenige waarde heeft, wat nu niet het geval is.quot; De raadpensionaris sprak het niet tegen: „ik moet erkennen^ dat wij tegenwoordig noch kracht noch geheimhouding noch spoed kennen.quot; r

Lachende merkte in het verder gesprek Chesterfield aan, dat hij hem, Slingelandt, voor den grootsten vijand van den Prins van Oranje hield. De heftige en driftige tegenstanders waren eigenlijk diens beste vrienden, want zij beletten, dat hervormingsplannen worden aangenomen, die den prins alle kans zouden rooven. Slingelandt viel hem in de rede: „ne craignez rien. Milord, de ce cöté la: mon plan blesse trop l\'intérêt particulier, pour être repu a présent que l\'amour du public n\'existe plus.quot;

Het kon natuurlijk niet anders, of dergelijke gesprekken en de houding van den raadpensionaris moesten dikwerf een onderwerp van bespreking tusschen Chesterfield en de hoofden der Oranjepartij zijn. Slingelandt stak zijn meening niet onder stoelen of banken, en uitte ze menigmaal tegenover de regen-

31

i

-ocr page 44-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

ten op zeer krasse wijze. De Oranjepartij meende zijn tegenstand tegen hun wenschen te moeten verklaren uit de vrees, dat hij bij een verandering van bestuur zijn macht zou verliezen. Doch in dit oogenblik was zij het volkomen met hem eens: een stap van eenige beteekenis ten gunste van den Prins van Oranje was thans geheel ongeraden.

Toen Chesterfield, geheel onder den indruk van deze gesprekken en inlichtingen, den last van den koning ontving, om Fagel met het huwelijksplan bekend te maken en hem verder te polsen, zag hij onmiddellijk het verkeerde van den maatregel in. Het was onmogelijk te bereiken, wat men wenschte, en men zou verkrijgen, wat men niet begeerde, scherper tegenstand en verzet. Op de verhouding der beide staten kon de zaak invloed hebben. Bij een persoonlijkheid als George II, zoozeer gewoon zijn eigen belangen met die van Engeland te verbinden en te verwarren, waren de gevolgen moeilijk te voorzien, wanneer, zooals onvermijdelijk zeker was, de mede-deeling aan Fagel de oorzaak werd van een scherper optreden van Slingelandt.

Chesterfield beantwoordde daarom het private schrijven van den minister met een missive 19, waarin hij hem zijne bezwaren uiteenzette en hem zoowel als den koning het onvoorzichtige van de meciedeeling poogde te doen gevoelen. Het was onvoorzichtig, Fagel alleen in \'t gelieim te nemen en Simon van Slingelandt voorbij te gaan. „Ik acht het mogelijk, dat sommige dingen in vertrouwen aan den raadpensionaris worden medegedeeld, die hij niet vertellen zal aan den griffier. Maar het omgekeerde niet. Aan den griffier kan niets gezegd worden, wat hij niet dadelijk aan den raadpensionaris zal overbrengen. Uwe Lordschap kan daaruit zelf beoordeelen, of zulk een bijzonder bewijs van vertrouwen, den een geschonken, den ander, die het toch verneemt, niet verbitteren zal. De raadpensionaris is toch reeds zeer afkeerig van dit huwelijk en dit zal het hem nog meer maken. Hij zeide mij eeni-gen tijd geleden, dat hij nog liever dat van Don Carlos met de Oostenrijksche aartshertogin zag.quot;

32

-ocr page 45-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

De staatssecretaris, naar Chesterfield meende, leefde te veel in herinneringen van vroeger tijden. Toen was Slingelandt nog zooveel jonger en vuriger in zijn politieke overtuiging aangaande de onmisbaarheid van een stadhouderschap, dan thans. Daarom ver\\ jlgde Chesterfield: „Ik moet Uwe Lordschap daarbij doen opmerken, dat de gevoelens van den raadpensionaris en van den griffier op dit punt zeer gewijzigd zijn, sinds u hen het laatst hebt gezien. Toen was Slingelandt slechts thesaurier en werd in alles door den toenmaligen raadpensionaris tegengewerkt. Nu is hij zelf raadpensionaris,\' en de heeren van der Heim en van Hoven (beiden verwanten en creaturen van den griffier) zijn thesaurier en secretaris van staat. De raadpensionaris en de griffier hebben het geheele bestuur in handen *0, zij oordeelen, dat zij wel kunnen verliezen, maar niet winnen door een stadhouder. Diensvolgens, zoolang zij de zaken zonder een stadhouder kunnen drijven, zullen zij zoo sterk als iemand er tegen zijn. Ik ben overtuigd, dat, indien ik de zaak aan den griffier had medegedeeld, hij mij geen antwoord zou gegeven hebben, voordat hij den raadpensionaris had geraadpleegd. En even vast ben ik verzekerd, dat zij hun uiterste pogingen zouden aanwenden, om dit huwelijk, dat door iedereen, en terecht, als de zekere inleiding tot het stadhouderschap wordt beschouwd, te beletten.

„Laat ik uwe Lordschap mogen mededeelen, wat omstreeks een maand geleden tusschen den heer van Lynden en mij over dit onderwerp is besproken. Ik vroeg hem of er eenig uitzicht was, dat de prins van Oranje stadhouder van Holland werd.quot; „Zeker niet, dan na een jaar of twee, op zijn vroegst. Het kan niet beproefd worden, voordat hij zitting genomen heeft in den Raad van State, als stadhouder van Gelderland, wat niet vóór September kan geschieden, omdat hij nu nog te jong is.quot; Op mijn vraag of een huwelijk, als waarvan sprake was, gunstig of ongunstig op die verheffing zou werken, antwoordde hij: „zeker gunstig.\' Dit blijkt mij ook duidelijk uit de vrees, die de anti-stadhouderlijke partij voor het

3

33

-ocr page 46-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

huwelijk betoont; het zou zonder twijfel de vrienden van den prins zeer opwekken en bemoedigen, en de tegenpartij ontmoedigen.

„Bij een latere gelegenheid vertelde hij mij, dat er een plan bestond om den prins nog in eene andere provincie tot stadhouder te doen verkiezen; dit zou de meerderheid dei-zeven provinciën op zijn hand brengen en zijn verkiezing in Holland gemakkelijker maken. De slag moest in Maart geslagen worden, maar alles hing van geheimhouding af en van een weinig geld, te behoorlijker plaatse besteed. Ik gaf hem toen eenige hoop, doch geen stellige belofte, dat zij eenige ondersteuning van Engeland zouden krijgen.

„Uit alles, wat ik waarneem, en ik heb geen gelegenheid verzuimd om goede informatiën te bekomen, komt het mij ontwijfelbaar zeker voor, dat de prins eens stadhouder van deze provincie zijn zal; maar hoe spoedig, dat is onmogelijk te gissen. Van het leger is negen tiende voor hem: de lagere standen zijn het unaniem. Zijne grootste vijanden zijn de stad Amsterdam en de voornaamste burgemeesters van de andere steden, wier onderdrukking, plundering en afpersingen zoo schreeuwend en ondragelijk zijn en dagelijks zoozeer toenemen, dat zij, binnen een niet al te kort tijdsverloop, het fatsoenlijke en denkende deel der Republiek zullen verplichten, tot een stadhouder als het eenig redmiddel de toevlucht te nemen. Gebeurt dat niet, dan zullen de lagere standen, die zuchten onder den druk en de willekeur der magistraten, door een algemeenen opstand een stadhouder hun opleggen. Ik weet, dat een lid der regeering aan Sir Matthew Decker 21 heeft geschreven, dat, indien er eenige stappen ten gunste van den prins van Oranje gedaan worden, de stad Amsterdam met de edelen en elf andere steden der provincie onmiddellijk den Prins van Xassau-Siegen tot stadhouder zullen verklaren. Men behoeft er geen vrees voor te koesteren, het is een verzinseltje van mijnheer Buijs quot;, om de vrienden van den prins hier af te schrikken, iets voor hem te beproeven. Daarvoor is het ook naar Engeland geschreven.

34

-ocr page 47-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

„Het komt mij op grond van dit alles voor, dat, indien Z. M. besloten is, de koninklijke prinses aan den prins van Oranje te geven, het beter is, gelijktijdig aan den raadpensionaris en den griffier het huwelijk als zeker en beslist mede te deelen, maar het hun niet voor te stellen als een nog onzekere zaak. Want zij zullen minder beleedigd zijn, als het tot stand komt zonder, dan tegen hun goedkeuring.

„Ik onderwerp tevens aan Uwe Lordschap de vraag, of daarbij eenige melding van het stadhouderschap moet gemaakt worden ; ik ben zeker, het zal hen zeer stuiten. En, of er van gesproken wordt of niet, het stadhouderschap is toch zonder eenigen twijfel vroeger of later het gevolg van het huwelijk.quot;

Chesterfield had de voldoening, dat zijn advies te Londen niet alleen goed werd opgenomen, maar zoowel Townshend als den koning overtuigde. De staatssecretaris betuigde hem \'s konings tevredenheid, dat hij aan de gegeven bevelen niet voldaan had \'\'3. Beiden berustten in den staat van zaken. Zoowel de kennisgeving van het huwelijk, als de gift van den Kouseband werd uitgesteld.

De loop van zaken in de Republiek leverde ten overvloede spoedig het bewijs, dat Chesterfield goed had geoordeeld. De regentenaristocratie betoonde, waar \'t het behoud van haar invloed en macht gold, een wakkerheid, die alleszins heilzaam had kunnen werken, zoo zij ten dienste van den staat ware aangewend. In Slingelandt\'s denkbeelden van hervorming weigerde zij te treden, maar tegen de haar bedreigende herleving der stadhouderlijke partij waakte zij met kracht. Chesterfield was zoo bevreesd, dat zij zekerheid van de huwelijksplannen zou krijgen, dat hij zelfs zijn regeering opmerkzaam maakte op het gevaar, hetwelk in vertrouwelijkheid jegens sommige personen gelegen was. Gouvernante van de dochters van George It was lady Portland geweest. Zij was de weduwe van Willem Bentinck 34, den vriend en gunsteling van koning Willem III. Zoo eene, scheen deze vertrouwbaar; zij wel het allerlaatst zou een Oranje afvallen en diens belang schaden.

35

-ocr page 48-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

vooral waar het den wensch van haar pupil Anne gold. Maar zij verkeerde op een te vertrouwelijken voet met den heer van Wassenaar Obdam, dan dat zij tegenover hem zou hebben kunnen zwijgen. Toen zij in Febr. 1729 onverwachts uit Holland naar Engeland reisde, gaf Chesterfield den raad, dat men zorgvuldig voor haar de zaak verborgen zou houden.

Dit vertrek van de gewezen gouvernante der aanstaande prinses van Oranje trok te meer de algemeene opmerkzaamheid, omdat het juist plaats had op het oogenblik dat de prins van Oranje in den Haag verwacht werd. Reeds sedert maanden was de komst van den 17-jarigen prins, die te Utrecht studeerde, aangekondigd, doch steeds «was de reis uitgesteld. Eindelijk zou zij in Januari plaats hebben ; maar Slingelandt, dien de hoofden van den Oranje-aanhang steeds ontzagen, had te kennen gegeven, dat hij het liever in Maart had. Waarom, dit vond de groote minister niet noodig te zeggen. Om hem niet boos te maken, zou men hem te wille zijn geweest, doch een kleinigheid kwam tusschenbeide., Prins Willem van Hessen, oom van den jongen Frieschen stadhouder, berichtte aan Chesterfield, dat hij in de eerste week van Maart \'s Gravenhage met zijn tegenwoordigheid zou vereeren. Daar de verhouding tusschen oom en neef veel te wenschen overliet, besloot men de reis van den prinselijken student te vervroegen. Van Lynden nam op zich, er Slingelandt kennis van te geven en het besluit te verontschuldigen. Het laatste behoefde niet. Tot zijn groote verbazing was de raadpensionaris er volstrekt niet boos over, maar er integendeel zeer mede ingenomen. „Ik kan dit nergens anders aan toeschrijvenquot; — meldde Chesterfield26 — „dan hieraan: al zijn plannen stoo-ten op krachtige oppositie in de Staten van Holland, en voornamelijk van de zijde van Amsterdam en de anti-stadhouderlijke partij. Hij vindt het niet kwaad, den prins hier te hebben, om die heeren een beetje schrik aan te jagen.quot;

„Ik schreef Uwe Lordschap eenigen tijd geledenquot; — voegde hij er bij — „dat er maatregelen werden beraamd, om den prins nog in een andere provincie tot stadhouder te maken.

36

-ocr page 49-

DER VEREEN1GDE NEDERLANDEN.

Die provincie was Zeeland. Daar heeft onlangs in de magistraat van Vlissingen en Veere een geheele omkeering plaats gegrepen ten gunste der stadhouderlijke partij. Binnen twee maanden zal het, hoop ik, tot wat meer leiden.quot;

Begunstigd door dit winterzonnetje, kwam in den nacht van den 17aeu Februari de jonge prins aan. De Oranjepartij handelde, alsof zij Slingelandt\'s plannen wilde steunen. Vier weken lang was het in den Haag een aaneenschakeling van feesten en partijen ter eere van den jeugdigen pretendentstadhouder. Het was als \'t ware een groote wapenschouwing van den Oranjeaanhang. Het volk juichte, waar zij den drager van een geliefden naam, den representant van heilige volksherinneringen zag, en begroette in hem den aanstaanden verlosser uit den smaadvollen druk, waaronder het gebogen ging. De diplomaten vierden den jongen man, die wellicht, wie kon zeggen binnen hoe korten tijd, de houding der Republiek tegenover het buitenland zou bepalen. Chesterfield gaf feest op feest in de groote zaal, die hij dadelijk na zijn komst had doen bouwen. En niemand overtrof hem in weelde: nooit was in de Republiek een feest gevierd, zoo luisterrijk, zoo verkwistend, als het verjaarfeest van de koningin van Engeland, waarop Zijne Hoogheid verscheen met schouderlinten ter eere der Engelsche vorstin. Het was voor de Oranjepartij een schitterende voldoening, na zooveel jaren van vernedering zich te baden in de weelde van haar bestaan, te genieten van haar populariteit en haar tegenstanders te zien, gedwongen in uitwendig eerebetoon aan de eischen der wellevendheid en der maatschappelijke verhouding te voldoen. Te sterker was het gevoel van tevredenheid, omdat er eenige vrees had bestaan. Er hadden zoo vreemde geruchten geloo-pen: toen de ziekte van zijn gouverneur, van Lynden van de Park, de reis in Januari had belet, hadden zijne vijanden uitgestrooid, dat de prins niet durfde komen. Niet durven — een, deze Oranje zou niet durven! In de plaats van een link-schen, verlegen knaap zag den Haag een vrijmoedigen jongen man, wien het volstrekt niet aan zelfvertrouwen ontbrak,

37

-ocr page 50-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

optreden en zich bewegen in de scharen van voor- en tegenstanders, met de gemakkelijkheid van eenen, die zich volkomen zijn aanspraken bewust is en kalm de erkenning afwacht.

Reeds den volgenden morgen zond Chesterfield naar Londen bericht: „Ik bezocht den prins van Oranje. Voor zoover ik oordeelen kan nit een conversatie van een half uur, heeft hij heel goede vermogens. Hij is zeer goed opgevoed, is beleefd jegens iedereen en heeft een gemakkelijkheid en vrijmoedigheid, die men alleen krijgt door veel in de wereld te verkeeren. Zijn gelaat is schoon, maar zijn gestalte niet zoo gunstig, als men wenschen zou, ofschoon in \'t geheel zoo leelijk niet, als mij was voorgesteld. De toejuichingen van het volk waren luidruchtig en algemeen. Hij neemt geen de minste statigheid aan, maar is vriendelijk en innemend, zooals noodig is voor iemand, die zich in een gouvernement als dit wil verheffen.quot; 27 De nadere kennismaking bevestigde dien eersten gunstigen indruk : acht dagen later voegde Chesterfield er bij: „nu ik de eer heb gehad herhaaldelijk met den prins te praten, kan ik Uw Lordschap verzekeren,- dat hij beide talent en kennis heeft, niet alleen ver boven zijn leeftijd, maar zoo goed als ieder ander, en zonder u lastig te vallen met particulariteiten, durf ik wel zeggen, dat hij den grootsten zijner voorgangers zal evenaren in groote en goede eigenschappen, ik hoop ook in goed gelukquot;. 28

Aan de voorbereiding van dit laatste aarzelde Chesterfield niet, voor zoover hij kon, mede te werken. Met den jongen prins had hij vele gesprekken over zijne belangen. Sinds deze eerste kennismaking blijft hij met hem in betrekking, \'t zij rechtstreeks, \'t zij door tusschenkomst van anderen2a. Desniettemin was hij de man niet, om stoute plannen van den Oranje-aanhang te ondersteunen, die Slingelandt ten val zouden brengen. Met hem was hij, zoowel door zijn officieele betrekking, als voornamelijk na de breuk, die er tusschen Slingelandt en Townshend in Augustus 1728 plaats had, meer en meer op intiemen voet geraakt. Wat vroeger tusschen den Engelschen staatssecretaris en den Hollandschen raadpensio-

38

-ocr page 51-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

naris zeiven werd behandeld, zonder dat de gezant er als \'t ware iets mede te maken had dan dat hij de brieven over en weer bezorgen mocht, moest nu rechtstreeks tusschen hem en Slingelandt ter sprake komen. Zoo de laatste zijne denkbeelden bij Engeland wilde zien voorgesteld in het licht, dat hi] wenschte, in elk geval niet op die wijze, dat zij per se werden verworpen, moest hij Chesterfield voor zijne staatkundige inzichten winnen. Dat hij daarin, niet wat ieder onderdeel aangaat, maar wat de hoofdlijnen betreft, geslaagd is, getuigt de geheele politieke carrière van Chesterfield. In de Nederlanden gekomen als geestverwant en vriend van Towns-hend, is hij in zijn volgend leven de onverzoenlijke tegenstander van de Hannoversche staatkunde geweest, die in Towns-hend haar hoofd en in het tractaat van Hannover haar grootste zegepraal erkende. De vriendschappelijke voet, waarop Slingelandt hem behandelde, hechtte hem bovendien persoonlijk aan den staatsman, en deed hem zooveel hij vermocht mede waken, dat een groot man als Slingelandt niet door een volksbeweging, schoon hij de onvermijdelijkheid te eeniger tijd volkomen erkende, omvergeworpen werd.

Toen in Maart 1729 de jonge Willem den Haag had verlaten, bestond er onder zijne aanhangers een plan, om hem tijdens de Haagsche kermis te doen terugkomen. In dien tijd was de militie onder de wapenen en hadden gewoonlijk de exercitiën der troepen plaats. Van de geestdrift, die zijn tegenwoordigheid zou opwekken, hoopte men voor den een of anderen coup partij te trekken. Bij de opgewondenheid, die zijn pas geëindigd bezoek had gewekt, was hot volstrekt niet onmogelijk dat de berekening zou slagen. Indien het leger met de Haagsche bevolking gemeene zaak maakte, was de bestaande regeering verloren. Slingelandt was er zeer voor beducht; hij sprak er ernstig met Chesterfield over, en verzocht dat de Engelsche koning den prins mocht bewegen om niet tijdens de kermis naar den Haag te komen. De gezant gaf er lord Townshend kennis van en wees, tot ondersteuning, op de vurige begeerte der bevolking naar een stadhouder en de veelvul-

39

-ocr page 52-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

dige bewijzen van genegenheid en liefde, door haar aan den Frieschen prins geschonken.

Lord TWnshend, schoon gebrouilleerd met Slingelandt, was daarom niet genegen tot zijn val mede te werken. Daarvoor stond de Hollandsche staatsman te hoog in de oogen van het Engelsche kabinet. Koning George voldeed aan Slingelandt\'s verlangen, doch niet zonder dat Townshend de belangrijkheid van den dienst, dien hij bewees, nadrukkelijk deed gevoelen.

„Z. M.quot; — antwoordde Townshend aan Chesterfield30 — „beschouwt, evenals zijn vader, de Staten als den eenigen bondgenoot, op wiens vriendschap hij in alle omstandigheden veilig kan vertrouwen. Daarom laat hij zich nooit tegenover hen door iets leiden dan door de zorg voor hun welvaart en bloei; en moeten zijne ministers in Holland zich buiten alle fractiën en kabalen houden. De koning heeft, gelijk de raadpensionaris weet, aan den prins van Nassau grond gegeven om op een huwelijk met een zijner dochters te hopen. Hierin heeft Z. M. gehandeld als een waar vriend, niet alleen van den prins, maar ook van de Republiek, want hij is overtuigd dat de verwarde toestand in de Nederlanden tot een stadhouder zal leiden. Doch verder is de koning tot dusver niet gegaan, alleen uit deferentie voor den raadpensionaris en den griffier. Want, om precies de waarheid te zeggen, de staat van zaken in de Republiek schreeuwt om een redmiddel tegen al de wanorde. De tweedracht en het bederf zijn zoo hoog geklommen, dat de staat aan zijne vrienden geen diensten kan doen noch zijne vijanden vrees of ontzag kan inboezemen.

„Om echter den raadpensionaris het meest sprekend bewijs van het vertrouwen te geven, dat in hem gesteld wordt, en van het gewicht, dat aan zijne denkbeelden en gevoelens wordt gehecht door den koning, die er niet aan twijfelt, of hij zal in zijn post zijne hoogste pogingen aanwenden om de Republiek met Z. M. te doen samengaan in alle gepaste maatregelen ten dienste der Europeesche aangelegenheden (wat de eenige voldoening is, welke Z. M. hebben kan van den stap.

40

-ocr page 53-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

dien hij thans doet), heeft de koning besloten van zijn gedragslijn af te wijken, om zich niet te bemoeien met iets, wat betrekking heeft tot het gouvernement der Republiek. Z. M. wil den wensch van den raadpensionaris vervullen en den prins trachten te bewegen, om niet naar den Haag tijdens de kermis terug te keeren.

„Uwe Excellentie zal wel een middel vinden, om, in het diepst geheim, den prins of iemand, die zijn vertrouwen heeft, bekend te maken, dat Z. M. hem ernstig raadt rijpelijk te overwegen, in hoe verre het voor hem raadzaam is. op dat tijdstip naar den Haag te gaan, welk een indruk zijn verschijning daar maken kan, en de kwade gevolgen, die uit mogelijke onlusten niet alleen voor de Republiek, maar voor Europa in deze oogenblikken konden voortkomen.

„Dit is de eerste gelegenheid, dat Z. M. poogt eenigen invloed op de houding des prinsen uit te oefenen. Met niemand uit zijne omgeving bestaat eenige vertrouwelijke betrekking, van welken aard ook. Hoe dit dus tot Zijne Hoogheid moet gebracht worden, moeten wij geheel aan IJ. E. overlaten; gij zult wel met uw gewoon beleid en omzichtigheid handelen.quot;

Het zal Slingelandt niet onaangenaam geweest zijn, dat het afbreken van zijne briefwisseling met Townshend hem ontsloeg van de verplichting, om op dit schrijven te antwoorden. Doch, hoe hoog deze inmenging van Engeland ten gunste van hem alleen, door Townshend hem ook toegerekend werd, de vriendschap met Chesterfield, aan wiens tusschenkomst hij ze te danken had, werd er te sterker door.

Wij weten van deze ontwerpen der Oranjepartij van elders niets af, en kunnen dus niet beoordeelen, in hoe verre de latere Willem IV door dezen wenk van Engeland of in zijn plannen is gestuit of gesterkt in zijn natuurlijken afkeer van zelfstandig ingrijpen in den loop der zaken. Zoo hij wellicht, wat ik niet geloof, op zijn jeugdigen leeftijd meer lust tot initiatief heeft bezeten, dan hem later kenmerkte, zal de raad van koning George dien wel hebben bekoeld. Trouwens

41

-ocr page 54-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

de houding zijner tegenstanders was niet geschikt om ze aan te wakkeren, en niet te prikkelen bleek de voorzichtigste politiek. De beweging in Zeeland, waarvan zijne vrienden zooveel hadden gehoopt, leidde tot niets, dan tot versterking der tegenpartij. En in Augustus 1729 nam Holland het besluit, dat het den toegang tot den Eaad van State aan geen bijzonderen stadhouder zou vergunnen, dan na eenparige bewilliging van alle gewesten.

De bereidwilligheid van koning George om het bestaand bestuur in de Republiek te steunen, werd eerlang beloond, toen hij de hulp der Staten behoefde.

De koningen van Engeland en Pruisen waren zwagers, maar lagen steeds overhoop. George II haalde minachtend zijne schouders op over Friedrich Wilhelm, die onder den invloed van Oostenrijk zich aan het verbond van Hannover, waaraan hij aanvankelijk deel had genomen, onttrok; hem tegenwerkte in Mecklenburg; spotte met het congres van Soissons, waar hij zich niet vertegenwoordigen liet; en weigerde, wat Enge-lands koning meende dat zijn plicht was, zich vereerd te gevoelen met huwelijksplannen voor zijne kinderen, die hij met opoffering van zijne politieke inzichten en sympathieën zou moeten betalen. De prikkelbaarheid dezer zonderlinge zwagers, in persoonlijken wrok en in strijd van politieke belangen gegrond, leidde in den zomer van 1729 tot een uitbarsting, die, hoe belachelijk ook op zich zelve, ras een ernstig karakter aannam.

George II bezocht voor de eerste maal, nadat hij koning was geworden, zijn geliefd keurvorstendom. Daar vernam hij, dat „des Heiligen Römischen lleichs Erzsandstreuerquot;, gelijk hij Friedrich Wilhelm van Pruisen goedvond te noemen, zich veroorloofd had in Hannover lange soldaten, \'s mans lust en leven, niet alleen te werven, maar te stelen. Dit was in vroeger jaren ook wel eens geschied, maar toen was George nog geen koning. Nu liet deze onmiddellijk eenige Pruisische soldaten, die toevallig door zijne landen trokken, in hechtenis nemen.

42

-ocr page 55-

DER VEREEXIGDE NEDERLANDEN.

Bijna stom van verbazing vernam de Pruisische koning uit de couranten 31, wat „sein lieber Bruder, der Comoediant\' — zoo noemde hij gewoonlijk George —■ zich had vermeten. Hij gaf onmiddellijk last, een kamp aan de grenzen van het Hannoversche en een corps van 40,000 man in gereedheid te brengen, om de Duitsche landen van Z. M. van Groot-Brittanje te overstroomen. George wist niet beter zijn toorn te luchten, dan door zijn zwager tot een duel uit te dagen.

Voor de beslechting echter van den strijd waren andere wapenen noodig. George, in Herrenhausen, kon geen aanval afwachten, want troepen bezat hij niet. Hij riep daarom de tusschenkomst der geallieerden van Hannover in.

Het mocht twijfelachtig heeten, of dit een casus belli was, die hen tot hulp verplichtte. Maar niet, dat de oorlog tot eiken prijs moest voorkomen worden. Terwijl Oostenrijk te Soissons het tot stand komen van elke behoorlijke schikking belette, stookte het te Berlijn het twistvuur aan. De krijg, om welke nietige voorwendselen ook aangevangen, kon Europa in vuur en vlam zetten.

In het laatst van Augustus deed Chesterfield verslag van het gebeurde aan H. H. M. Gedeputeerden voor Buitenland-sche zaken, en verzocht dat de Republiek tusschenbeide zoude komen en tevens door militaire bewegingen den Prui-sischen vorst doen zien, „dat men in staat was, om van dezen kant een diversie te maken.quot; Al had geen staatkundig belang het geëischt, Slingelandt kon er niets tegen hebben, om op zijn beurt den Engelschen koning, die hem de eer had bewezen peter van zijn kleinzoon32 te zijn, een dienst te doen en hem uit de verlegen positie te redden, waarin zijn drift en onhandigheid hem hadden gebracht. De Staten verklaarden zich volkomen bereid, namen eenige militaire maatregelen, en richtten een zeer nadrukkelijke missive naar Berlijn om den koning tot vrede te vermanen. Zulk een twist kon geen object van een krijgsonderneming zijn, verklaarden zij, maar was een zaak voor arbitrage. Mocht hij anders oordeelen en geweld bezigen, zij zouden aan do gesloten tractaten

43

-ocr page 56-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

getrouw, „praesteeren hetgeen zij volgens hare engagementen verplicht waren33.quot; Na eenig heen en weerschrijven gaf Friedrich Wilhelm eindelijk toe, doch niet zonder zijn gevoeligheid over het gedrag en de taal der Staten uit te spreken. Het twistpunt werd aan arbiters onderworpen, die natuurlijk beslisten, dat beide vorsten ongelijk hadden en ieder hunner de gestolen of vastgehouden soldaten moest teruggeven.

Deze krachtige hulp der Eepubliek werd in Engeland aan Chesterfield\'s beleid dank geweten. Veelbeteekenend waren de woorden, waarin Townshend aan den gezant \'s konings tevredenheid uitdrukte: „ik wensch Uwe Excellentie geluk, niet alleen met het succes, maar bovenal met de gelegenheid, die zij gehad heeft, om aan Z. M. te toonen, van hoeveel belang het voor zijn dienst was, zulk een handig, waakzaam en ijverig minister als U in deze kritieke omstandigheden in den Haag te hebben 3i.quot;

Die lofspraak namens George H deed Chesterfield op de vervulling van geheime verwachtingen hopen.

Hij had de ambassade in den Haag aanvaard, in de hoop spoedig tot die te Parijs bevorderd te worden. Ook op een secretarisschap van staat hadden zijne vrienden reeds vroeger voor hem het oog gehad. Maar de invloed van Robert Walpole was na de troonsbestijging van George H versterkt, in plaats van verzwakt. Zelfs het lint van den Kouseband, ofschoon door den koning, toen hij nog prins van Wales was, aan Chesterfield toegezegd, en later door hem uitdrukkelijk gevraagd, was hem tot dusver ontgaan. Thans, nu de koning met hem ingenomen was, scheen zijn kans beter te staan. Townshend, die met zijn zwager Walpole meer en meer op gespannen voet verkeerde, wenschte, om zijn aanhang in het kabinet te versterken. Chesterfield tot zijn ambtgenoot en gaf hem een wenk. De gezant vroeg, onder voorwendsel dat zijne private belangen zijn tegenwoordigheid dringend eischten, verlof om naar Engeland te komen.

Negen maanden, October 1729—Augustus 1730, bracht hij in Engeland door. Zijn hoop op een plaats in het ministerie

44

-ocr page 57-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

werd niet vervuld, maar in andere opzichten vei\'kreeg hij zijne Wenschen. In Mei 1730 ontving hij den Kouseband, genoegzaam gelijktijdig met zijn benoeming tot Lord High Steward of the Household.

De hooge hofbetrekking mocht geen vergoeding zijn voor het staatsambt, dat hij gewenscht had, zij was belangrijk genoeg, om voorloopig te bevredigen. De grootmeester van \'s konings huis mocht hopen zijn doel, zij het ook op langoren weg, dan hij begeerde, te bereiken. De vijandschap der Walpole\'s zou wel eenmaal gedwongen zijn, met hem te rekenen.

Eigenlijk waren beide benoemingen reeds bewijzen, dat de tegenstand verminderde. Robert Walpole zou ze zeker belet hebben, indien hij Chesterfield niet noodig had gehad. Doch er hadden op het politiek tooneel gebeurtenissen plaats gegrepen, die den terugkeer van den vriend van den Hollandschen raadpensionaris noodzakelijk en zijn invloed in de Republiek onontbeerlijk deden achten.

III

Den 17den Juli 1727 werd Simon van Slingelandt tot raadpensionaris van Holland benoemd.

Sedert jaren behoorde hij tot de politieke hoofden der Republiek, die ook in het buitenland werden erkend. Als zijn voorganger vertrouwelijke mededeelingen van Engeland ontving, werd geheimhouding gevraagd, behalve voor hem en Fagel.

Dit aanzien dankte hij niet aan de hooge betrekkingen, door hem bekleed. Het was de vrucht van den diepen indruk, dien zijn karakter en bekwaamheid steeds hadden gemaakt.

Met velen der Engelsche staatslieden had hij in betrekking gestaan ; thans, in 1727, waren de meesten reeds van het tooneel afgetreden. Eén hunner was over: Townshend, secretaris van staat.

In den aanvang van zijn politieke loopbaan had de edele

45

-ocr page 58-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

lord den gezantschapspost in den Haag bekleed en was een warm vriend der Republiek geworden. Vooral aan zijn invloed had zij te danken gehad, dat Engeland in 1709 zich verbond, om haar de barrière te verzekeren. Met Simon van Slinge-landt, toen secretaris van den Raad van State, was een vriendschappelijke betrekking ontstaan, die beiden mannen de gelegenheid tot briefwisseling schonk, als staatkundig belang ze vorderde. „Mijn ouden en vertrouwden vriendquot; noemde Townshend den raadpensionaris van Holland.

Op het oogenblik dat Slingelandt zijn ambt aanvaardde, was het nog onzeker of George II, die weinige weken vroeger (21 Juni) zijn vader was opgevolgd, Townshend als secretaris van staat zou handhaven. Toen de beslissing gunstig was uitgevallen, wenschte de raadpensionaris zijn vriend en zich zeiven geluk. „J\'ai apprisquot; — schreef hij hem 33— „avec la joie la plus sensible, que le Roi vient de confirmer Votre Excellence dans son poste, et je ne vous célerai point, mylord, que l\'intérêt s\'y mêle, car je suis très-persuadé qu\'un des plus facheux contretemps qui eüt pu arriver dans mon nouveau ministère, eüt été de vous voir déplacer du vötre. Continuez-moi je vous en supplie votre confiance, et comptez sur mon attachement et sur mon zèle.quot;

In warme en hartelijke woorden dankte Townshend: „Comme vous connaissez depuis longtemps la veneration que j\'ai pour votre personne, vous ne doutiez pas, j\'espère, que je ne füsse très-sensiblement touché des marques, que vous m\'avez bien voulu donner, dans cette lettre, de votre estime et de votre amitié. Vous jugez bien combien je dois avoir le coeurpéné-tré de la bonté que le Roi a eue pour moi en daignant accepter la continuation de mes services, et je vous assure, que la grace que S. M. vient de me faire, m\'est d\'autant plus précieuse, en ce qu\'elle me met en état de cultiver la corres-pondance, dont V. E. m\'a Iwnoré depuis longues années, et que j\'estime au dela de ce que je ne saurais exprimer. V. E. peut compter, que j\'agirai toujours avec Elle avec la plus grande ouverture de coeur et que je n\'aurai rien de caché pour Elle.

46

-ocr page 59-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

Les intéréts du Roi mon maitre et ceux de la République sont inséparables: S. M. les regarde ainsi et Elle m\'a ordonné de vous assurer de sa part, qu\'Elle tachera par sa conduite de vous convaincre qu\'il n\'y a rien qu\'Elle souhaite plus ardem-ment, que de faire cause commune en tout ce qui regarde le service de L. H. P., et de vivre avec Elles dans l\'union la plus parfaite 3aquot;.

Hoe oprecht gemeend de persoonlijke verzekeringen van Townshend ook waren, Slingelandt was de man niet, om zich in het waar karakter van de politieke vriendschap van koning en minister te vergissen. Het tractaat van Hannover had Engeland, Frankrijk en de Republiek verbonden. Voor weinige weken had de keizer, zoo voor zich als voor Spanje, de pre-liminairen van Parijs geteekend en daarbij in de samenkomst van een congres bewilligd. Zoodra de Spaansche koningin, die voor \'t oogenblik niets dan hinderpalen opwierp, haar tegenstand zou laten varen, zou het congres plaats hebben, dat, naar Slingelandt hoopte, den vrede aan Europa zou teruggeven. Doch zouden de verbondenen van Hannover tegenover de hoven van Weenen en van Madrid dezelfde gedragslijn volgen? Waren hunne inzichten en belangen dezelfde?

De leiding der buitenlandsche aangelegenheden berustte in Engeland in handen van twee secretarissen van staat, lord Townshend en den hertog van Newcastle. De laatste, ofschoon reeds sedert 1720 in het ministerie, werd in de diplomatieke wereld als een figurant beschouwd: men rekende hem niet mede. Lord Townshend was, zooals de gezant van Oostenrijk aan zijn meester schreef, proprie auctor et anima negotiorum37. Hij was een heftig en onverzoenlijk tegenstander van Oostenrijk. Hij was de ware vader van de alliantie van Hannover, waardoor hij gelijktijdig aan zijn eigen antipathie en aan de keurvorstelijke lusten van den Engelschen koning had voldaan. Door zijn overredingskracht had hij den koning van Pruisen tot de toetreding bewogen, waarop deze, tot groote verbittering van koning George, spoedig was teruggekomen, om de vriendschap van Weenen boven die van Hannover te stel-

47

-ocr page 60-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

len. Geen der Engelsnhe staatslieden was zoo Hannoversch gezind als hij; geen zoo genegen om Engeland\'s invloed ten dienste van den Duitschen keurvorst te gebruiken.

In Slingelandt leefde nog de herinnering van het Groot Verbond, dat hij, bij den aanvang van zijn publiek leven, in volle kracht en werking had gezien. Al had hij, gelijk de Republiek. en zelfs het meerendeel van Townshend\'s ambtge-nooten, in de alliantie van Hannover berust, die de Engelsche staatsman genoegzaam alleen had tot stand gebracht en aan zijn land en de Republiek als een fait accompli opgelegd, in Slingelandt leefde geen onverzoenlijke wrok tegen Oostenrijk. Hij betreurde, niet het minst uit een religieus oogpunt, den druk, dien de keizer op het Duitsche rijk oefende, maar zag voor de Republiek en voor het Protestantisme een gevaarlijker vijand in Frankrijk. Aansluiting van de zeemogendheden aan Oostenrijk scheen hem beter waarborg voor den Europeeschen vrede dan de politiek van Hannover tot dusver was gebleken.

Dit groot verschil van politiek inzicht kon slechts langzamerhand zich openbaren. In 1727, toen beide staatslieden aan den aanvang hunner nieuwe ministerieele loopbaan stonden, hadden zij hetzelfde doel voor oogen: het tot stand brengen van het congres. Van de enkele brieven uit de eerste acht maanden, die wij kennen, is dat ééne punt de hoofdinhoud. Townshend raadpleegt den raadpensionaris over de bezwaren, die de Spaansche koningin oppert, en vraagt raad. Slingelandt poogt hem over te halen, dat hij ze slechts als kwestiën van vorm beschouwe. Engeland moet zich om de gros mots van de Spanjaarden niet bekommeren. Hij heeft het geluk te slagen: „Uwe Excellentie ziet, dat Zijne Majesteit uw advies heeft gevolgd,quot; schrijft hem Townshend38. Na maanden tobbens worden eindelijk alle belemmeringen uit den weg geruind. In het begin van Maart (1728) teekent de Spaansche regeering in het Pardo de overeenkomst, waarbij zij tot het congres toetreedt. Sinds wordt de correspondentie drukker en belangrijker. Het congres zelf, de regeling dei-punten, daar te behandelen, het doel, dat men voor oogen

48

-ocr page 61-

DER VEEEENIG DE NEDERLANDEN

te houden heeft, worden er de onderwerpen van. Nu is het onmogelijk, dat het verschil van staatkundig inzicht niet aan den dag zal komen. Het zal blijken, dat de twee oude vrienden, die wel geen strijdige, maar toch verschillende belangen voorstaan, het noch in uitgangspunt noch in einddoel eens zijn. Op hun persoonlijke verhouding zal het den meest noodlottigen invloed hebben. De oude vriendschap zal er onherstelbaar door geknakt worden.

In menig opzicht is de briefwisseling van Slingelandt en Townshend voor de personen kenmerkend. De Engelsche staatssecretaris is bij zijne ambtgenooten in Whitehall zeer weinig geliefd. Door zijn eigenmachtige handelingen, door zijn heersch-zucht en drift prikkelt en verbittert hij hen, zoodat zij eerlang tegen hem samenspannen, om hem ten val te brengen. Van die onvriendelijke eigenschappen is hier niets te bespeuren. Jegens den Hollandschen raadpensionaris is Lord Townshend hoffelijk, ja vleiend. Slingelandt is beleefd, maakt zich aan geen vergrijp tegen den vorm schuldig, maar evenmin aan bijzondere hoffelijkheid. Het is niet alleen, omdat zaken hem boven personen gaan, maar ook uit politieke omzichtigheid. In al zijne brieven aan Townshend komt slechts één plaats voor, die naar iets gelijkt, wat men een compliment noemt. In waarheid is het niets dan een vriendschapsuiting. In September 1727 wordt Townshend ernstig ziek, zoodat men voor zijn leven vreest. Hop, de gezant te Londen, zendt aan Slingelandt berichten, omdat hij „Tamitié particuliere, qui existe entre vous et luiquot;, kent. Als Slingelandt in \'t laatst van December voor de eerste maal sedert maanden een brief krijgt, door Townshend zeiven geteekend, spreekt hij zijn blijde verrassing uit en voegt er bij: „Dien soit béni qui vous a rendu aux voeux de toutes les honnétes gens, et je Le prie que ce soit dans le dessein, comme je l\'augure, do continuer de se servir de votre ministère pour le bien, non seulement de votre patrie, mais de toute la Chretienté, et en particulier de la République, que j\'ai 1\'honneur de servirquot;38. De wensch, in hoe bijzonderen vorm ook, van den hoogen raadpensiona-

4

49

-ocr page 62-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

ris is voor Townshend een verkwikking, en hij beantwoordt hem met een oprecht gemeende hulde. Ook Slingelandt is ongesteld geweest, weer podagreus, doch is nu beter. Dit geeft Townshend aanleiding om te schrijven: „Tous ceux, qui sont les véritables amis des deux nations, doivent souhaiter du fond de leur coeur, que le bon Dieu conserve V. E. pendant une longue suite d\'années: car, sans vous faire compliment, la perte d\'un ministre si consommé comme Test V. E. ne sauroit être reparée.quot;3\'1

Uitboezemingen van soortgelijken aard zijn by Slingelandt ongewoon, bij zijn correspondent komen zij aanhoudend voor. De raadpensionaris ontvangt ze, maar beantwoordt ze zelden en niet dan met algemeenheden. Hij neemt de ministeneele verzekeringen van het onbepaald vertrouwen, dat koning George in hem stelt, en van diens vast voornemen, om steeds bij alle gelegenheden hem zijne geheimste gedachten bloot te leggen10, zeer bedaard, als de meest natuurlijke zaak der wereld aan. Hij gevoelt zich volstrekt niet bijzonder geëerd, wanneer zijné adviezen door koning en minister worden geroemd als „l\'ou-vrage d\'un ministre qui pense toujours avec justesse et qui va au fond des chosesquot;41; of zijne gevoelens geprezen, als „les sentiments d\'un ministre, si zélé pour le bien public et qui fait voir tant de solidité et de netteté dans toutes ses pensees.quot;12 Hij leest dergelijke lofspraken, als niet lezende, totdat ze hem vervelen. Dan maakt hij er een eind aan. „J\'ai l\'honneur de recevoir — met deze woorden vangt een schrijven van Slingelandt van 8 Juni 1728 aan — „la lettre de V. E. du Urne Mai V. S. Le plaisir, qu\'elle m\'a donné eüt été encore plus grand, si elle ne m\'eüt fait faire de nouveau une observation, que déja plus d\'une fois je n\'ai pu m\'empêcher de faire sur vos lettres; savoir, que les louanges et les complimens y ont trop pris la place de cette franchise, que j\'ai toujours regar-dée comme un des principaux agrémens de notre correspon-dance; correspondance d\'ami plutót que de ministre d\'état. Continuons-la, Mylord, sur le vieux pied, je vous en supplie, et laissons les complimens aux courtisans de profession.quot;42

50

-ocr page 63-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

Wat Townshend van geen zijner ambtgenooten zou verdragen, verdraagt hij van Slingelandt. Hij betoont zelfs geen gevoeligheid over de onverbloemde terechtwijzing, waarin de raadpensionaris als in \'t voorbijgaan invlecht hoe hij hun briefwisseling wilde beschouwd hebben. In zijn antwoord meldt hij, dat hij Slingelandt\'s brieven aan Z. M. had medegedeeld, „mais je n\'oserais mander a V. E. ce que S. M. m\'a ordonné de lui dire la dessus, de peur de m\'attirer encore une fois des reproches, comme si je gatais la franchise de notre cor-respondance par trop de louanges et de compliments.quot; 43

Niettemin is de staatssecretaris volkomen te goeder trouw, als hij zijn „old and intimate friend\' het hof maakt. Hij ziet inderdaad tegen hem op: de vereering, waarmede hij zich teekent, openbaart zich niet vooral of uitsluitend in de lofspraken, zij spreekt zich uit in den doorgaanden toon zijner brieven, in de gemakkelijkheid, waarmede hij zich van sommige denkbeelden laat afbrengen en in de breedheid die de uiteenzetting van zijn meeningen en van Engeland\'s belangen kenmerkt. Townshend heeft Slingelandt noodig en hij rekent op hem.

Van het eerste oogenblik van zijn raadpensionarisschap af ondervindt Slingelandt dat. Hij heeft ternauwernood zijn betrekking aanvaard, of de Engelsche minister zendt hem namens zijn meester de meest vertrouwde stukken toe4\'. Koning George I had een testament nagelaten, dat zijn zoon zeer in zijn nadeel achtte en niet van plan was uit te voeren. Er hoorde nog een codicil bij, dat bij den hertog van Wol-fenbutteJ berustte. Om het dezen uit de hand te wringen, sloot George II een subsidietractaat met dezen vorst, zoo \'t heette, voor militaire doeleinden, in waarheid om hem tot overgave der oorspronkelijke bescheiden te bewegen. Een jaarlijksch subsidie van 25000 p. st. scheen noch George noch Townshend een te hooge prijs. Van beide \'stukken, testament en tractaat, werd aan Slingelandt mededeeling gedaan, opdat hij op de hoogte mocht zijn, als de keizer er soms misbruik van wilde maken. Slingelandt zond beide stukken.

51

-ocr page 64-

LORD CHESTEEFIELD EN DE EE PUBLIEK

gelijk hein verzocht was, terug, met de eenigszins ironische opmerking, dat hij het gesloten tractaat „une tres bonne affairequot; vond.45

Naarmate de samenkomst van het congres zekerder werd, namen de mededeelingen van den Engelschen minister toe. Breedvoerig ontwikkelt hij zijne denkbeelden en inzichten, en ontvouwt hij de rechtmatige eischen van den koning-keurvorst, die te Soissons met hulp der geallieerden moeten gehandhaafd worden. Van wat hij doet en schrijft, van wat hij meent dat gedaan en geschreven moet worden, houdt hij Slingelandt trouw op de hoogte. Evenzoo van de berichten, die hij krijgt. Belangrijke brieven van Horace Walpole, den Engelschen gezant te Parijs, worden voor den Raadpensionaris gekopieerd. De Hollandsche staatsman stelt die mededeelingen en toezendingen op hoogen prijs, maar volgt het voorbeeld niet. Hij is minder rijk met woorden en armer aan toezeggingen; hij vermijdt alle verklaringen, die hem de handen binden. Het is voor Townshend een prikkel om nog eens te herhalen, wat Engeland\'s eischen zijn, en de stellige verwachting uit te spreken, dat de bondgenooten stipt en onbepaald hem steunen zullen. Hij doet het zoo herhaaldelijk en met zoo veel aandrang, dat hij het vermoeden wekt, er niet volkomen zeker van te zijn. Hoe zeer Engeland en hij dien steun der Republiek behoeven, dat spreekt hij met meer naïeve openhartigheid uit, dan men van een diplomaat verwacht. Ronduit erkent hij, dat Engeland de Xederlandsche Republiek als den eenigen bondgenoot beschouwt, op wien het in alle omstandigheden kan rekenen. Onbewimpeld komt hij er voor uit, dat, zoo de geallieerden op het congres niet krachtig medewerken, om Spanje\'s eischen o. a. van de teruggave van Gibraltar af te wijzen, zijn ministerieel leven wordt bedreigd: „si les allies n\'aident pas le Roi et ses ministres de la manière qui peut plaire au Parlement et au public, nous nepouvons réussir a conduire la barque ici, et Elle (c. a. d. Son Excellence le C. Pensionaire) conviendra que sans cela toutes nos affaires tombe-ront par terre.\'40

52

-ocr page 65-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

53

De edele lord is een openhartig en welmeenend man. Een minister van buitenlandsche zaken, goed vertrouwend in eigen inzichten en lichtgeloovig in personen, zoolang zij zijn ijdel-heid ontzien. Voor hem is alles gewonnen, als Engeland\'s com-mercieele en politieke eischen, waarin hij ook de Duitsche aanspraken van den keurvorst van Hannover omvat, worden erkend en gehandhaafd. Hiervan hangt tevens zijn eigen positie tegenover koning en ambtgenooten af. Maar Slingelandt is een staatsman, die meer ziet dan de toevallige, tijdelijke botsingen der mogendheden. Zijn horizont is grooter en breeder, en omspant meer dan commercieele of keurvorstelijke en ministerieele belangen. Persoonlijke consideratiën wegen bij hem lichter, dan politieke overwegingen. Zelfs de rechten der Republiek, die hij te handhaven heeft, zijn ondergeschikt aan algemeene belangen, die geheel Europa betreffen. Het grillig lot begunstigt hem in deze oogenblikken: de behartiging der eerste gaat met de bevordering der laatste ten nauwste samen. Slechts de vrede van Europa kan aan de Republiek den waarborg harer belangen bieden. Van dit alles ziet Townshend, in politieke vooroordeelen en antipathie geketend, niets. Slingelandt wacht geduldig zijn tijd af. Heuschelijk ontvangt hij mededeelingen en vertoogen, maar glijdt in zijn antwoorden over het meeren» deel heen, en roert telkenmale slechts aan, wat hij in ieder oogenblik geraden oordeelt. Hij is sober in zijne verklaringen, vermijdt zorgvuldig zich tot iets te verbinden, en ontwijkt het telkenmale, tegenover den sterken aandrang van zijn Engel-schen vriend. Ieder woord is gewikt en afgewogen, en het verzwegene geldt even zwaar als het gesprokene. Als de drang te sterk is, heeft hij huismiddeltjes bij de hand, om zijn vriend tevreden te stellen. Herhaaldelijk o. a. verzoekt Townshend, dat aan den Hollandschen gezant te Parijs en aan de gevolmachtigden der Republiek op het congres bevelen zullen gezonden worden, om in alles, eenstemmig met Engeland te handelen en te spreken. „De constitutie van deze landen maakt dat onmogelijk,quot; antwoordt Slingelandt. „Lord Townshend, die den vorm van het gouvernement hier

-ocr page 66-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

kent, zal dat moeten toegeven. Bovendien zij, die aan het hoofd van een verbond staan, moeten, in menig politiek oogenblik, voorgaan, den grond peilen, de zaken voorbereiden, om ze daarna aan hunne verbondenen mede te deelen.quot; 47 En lord Townshend spreekt niet tegen, dat hij den vorm van het gouvernement hier kent, en komt niet tegen een weigering op, in een zoo beleefde erkenning van Engeland\'s hoo-geren rang ingekleed.

Er zijn voor deze houding van den staatsman der Republiek redenen. Wat zij van het aanstaande congres heeft te vragen, is weinig, in vergelijking van Engeland\'s eischen. Afschaffing van de Compagnie van Ostende, die de geheele opheffing insluit van den Zuid-Nederlandschen handel, en het behoud van haar garnizoen in Oost-Friesland, zoowel voor haar politieken invloed als voor haar militaire veiligheid ver-eischt. Het eerste punt is genoegzaam gewonnen. De raadpensionaris weet even goed als de keizerlijke gezant, en lang voordat deze het te Parijs heeft erkend \'s, dat de toegegeven schorsing geen herstel vergunt, en de inleiding tot de geheele opheffing is. Ten aanzien der Oostfriesche zaken mag de Republiek niet hopen haar wenschen te verkrijgen, dan door toegevendheid van den keizer. De onverzoenlijkheid, die den Hannoverschen bondgenoot tegen Oostenrijk bezielt, is aan de Republiek door de eerste eischen van voorzichtigheid en belang verboden.

Nog minder dan de Republiek, heeft Frankrijk van het congres te vragen. De vredelievende Fleuri vraagt niets. Heeft de eerste minister van Lodewijk XV geen wenschen? Ook geen geheime bedoelingen ? Heeft de staat van Lodewijk XIV geabdiceerd ? Geen aanspraken op de suprematie meer ? Horace Walpole, de Engelsche gezant te Parijs, heeft herhaaldelijk gesprekken met Fleuri. waarvan hij trouw verslag doet aan Townshend, die de brieven aan Slingelandt ter kennisneming toezendt. Het schijnt dat sedert de verzoening tusschen de Fransche en de Spaansche Bourbon\'s — Juni 1727 — deze geallieerde van Hannover meer en meer de rol van bemidde-

54

-ocr page 67-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

laar gaat spelen. De oude kardinaal laat zich weifelend en onzeker uit. Wantrouwend rust het oog van Slingelandt op dezen bondgenoot, die zich niet te allen tijde de alliantie schijnt te herinneren.

Maar Engeland! De vader van het verdrag van Hannover houdt den band streng vast, om allerlei belangen te handhaven. Gibraltar; het assiento-tractaat; de handel op de Spaansche koloniën; de teruggave van onrechtmatig geroofde schepen enz. Nevens deze zuiver Engelsche belangen gelden andere hij koning en minister even zwaar. Bremen en Verden, Mecklenburg, Holstein enz. vertegenwoordigen even zoo vele aanspraken, zoo niet rechten, van den keurvorst van Hannover, die, gesteund door het aanzien van zijn koninkrijk Engeland, zijn invloed in het Duitsche rijk steeds uitbreidt.

Zal de Republiek voor deze allen in de bres springen en bereid zijn het lot van het congres van de inwilliging afhankelijk te stellen? Dit is het, wat Townshend verwachten eischt, als hij voortdurend en herhaaldelijk op de onvoorwaardelijke samenwerking der Nederlandsche gevolmachtigden met die van Engeland aandringt. En juist dit is het, wat Slingelandt ongezind is te doen. Het aanstaande congres heeft in zijne oogen eene hoogere taak, dan het wegnemen van tijdelijke en ondergeschikte bezwaren. De verschilpunten moeten opgelost en weggeruimd worden op den eenigen weg, die tot een blijvende uitkomst leiden kan. Niet de vrede tusschen Weenen en Hannover, maar de vrede van Europa, die het oorlogsgevaar ook voor de volgende jaren wegneemt, moet de vrucht van het congres zijn.

Den 4dcn Maart 1728 trad Spanje, bij de conventie in het Pardo, tot het congres toe. Thans achtte Simon van Slingelandt het tijdstip gekomen om tusschenbeide te treden, en de Engelsche politiek, zoo mogelijk, in de richting te leiden, die hij de ware achtte. Aan aanleiding ontbrak het hem niet. Reeds herhaaldelijk en nog onlangs opnieuw had de staatssecreta-

55

-ocr page 68-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK.

ris, ook namens zijn meester, hem verzocht, hun zijn gedachten over het congres mede te deel en.49 Verschillende denkbeelden had Townshend van tijd tot tijd aan het oordeel van den raadpensionaris onderworpen. Zou het niet goed zijn, de geallieerden van Hannover door een nieuwe overeenkomst tot één zelfde gedragslijn te verbinden? Moet er niet een reglement worden vastgesteld, dat de orde van behandeling der verschillende punten op het congres regelt? Moet de duur van het congres niet vooraf worden bepaald, opdat Spanje en Oostenrijk de zaken niet slepende houden? Welke moet onze houding ten aanzien van het huwelijk van don Carlos en de aartshertogin zijn ? enz. Al deze vragen had Slingelandt tot dusver onbeantwoord gelaten. Thans, nu hij, schoon gemarteld door een nieuwen aanval van podagra, de pen opnam, om een memorie te schrijven ten dienste der Engelsche regeering, nam hij de denkbeelden van den Engelschen minister op, hetzij om ze te bespreken, hetzij om ze eenvoudig op zijde te schuiven.50 Zonder inleiding, komt hij dadelijk ter zake.51

„Nu de hinderpalen, die de samenkomst van het congres vertraagden, door de conventie, in Spanje geteekend, zijn uit den weg geruimd, doet zich de vraag voor, of het niet goed zou zijn, dat de verbondenen van Hannover zich door een nieuwe overeenkomst tot stipte samenwerking verbonden. Aanlokkelijk is het denkbeeld bij het eerste hooren, maar het is aan te veel bezwaren onderhevig. Het getuigt van onderling wantrouwen, wat op zich zelf schadelijk is. Het is zeer twijfelachtig, of alle verbondenen ertoe bereid zullen zijn. Doch ook indien dit het geval is, werpt men een belemmering te meer op, om met de tegenpartij tot vrede te komen.quot;

De voorslag om een reglement voor het congres te maken, wordt niet rechtstreeks bestreden, maar op zijde geschcven. „Het is onnoodig: Frankrijk, dat het meest buiten alle kwes-tien staat, zal vanzelf de rol van bemiddelaar op zich nemen, en voor de formeele dingen zorgen.

„De uitslag van het congres hangt niet van de methode af, waarop de zaken behandeld worden, maar van de goede

56

-ocr page 69-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

trouw en de vastheid, waarmede de bondgenooten elkar;dei-steunen. Natuurlijk zal het nuttig zijn, dat ieder hunner aan zijn gevolmachtigden eenige voorschriften geve, qui tendent a entretenir ensemble une parfaite communication et correspon-dance.quot;

Wat de opening en den duur van het congres betreft, Slin-gelandt verklaart zich daarmede niet te zullen ophouden.

„De hoofdkwestie, waarop alles aankomt, is deze:

„Wat is de taak van het congres?

„Twee opvattingen kunnen daaromtrent heerschen. Of het is bestemd, om over den handel op de Indien en dè andere punten, in de preliminairen vermeld, een regeling te treffen. Of het is geroepen, a concilier les droits et les intéréts réciproques des puissances, et a établir sur un pied solide une pacification générale.

„Beperkt men het congres binnen de eerste grenzen, dan zal het niet slagen. De verschillende mogendheden zullen niet geneigd zijn, recht te doen op de nu hangende verschilpunten, indien niettemin de staat van Europa even onzeker en dreigend blijft, als hij sedert het tractaat van Weenen is.

„Men moet beide opvattingen vereenigen. De vestiging van een algemeenen vrede moet het hoofddoel zijn. II faut poser pour principe, que de la pacification générale dépendra l\'ajus-tement des points particuliers.

„Welke weg moet daartoe ingeslagen worden?

„De vredesverdragen van Utrecht en van Rastatt, de Quadruple Alliantie bevatten de grondslagen, waarop de vrede van Europa is gevestigd.

„Die grondslagen zijn geschokt door de nauwer vereeniging van den keizer en Spanje, en door hunne overeenkomsten ten aanzien van de successie in de keizerlijke erflanden, en de vestiging van de Spaansche prinsen. De vereeniging der keizerlijke erfstaten met de Spaansche monarchie kan daarvan het gevolg zijn. Zij is niet minder te vreezen, dan het gevaar, dat door de verdragen van Utrecht en Rastatt is voorkomen.

.De eendracht tusschen Oostenrijk en Spanje te willen breken.

57

-ocr page 70-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

na de vergeefsche pogingen, daartoe aangewend, ne seroit appa-remment que vouloir perdre du temps. De keizer kan meer aan de Spaansclie koningin bieden, dan wij.

„Gibraltar, het assiento-verdrag enz., dont la cour d\'Espagne fait grand bruit, par politique, zijn eigenlijk haar volkomen onverschillig. Haar groote doel is de vestiging van don Carlos en van de rest van haar familie. Diensvolgens zou men de algemeene bevrediging nu niet bevorderen, zooals sommigen meenen, en portant la Grande Bretagne a un accommodement touchant Gibraltar.

„La veritablequot; — in deze woorden drukte de raadpensionaris de kern van zijn advies uit — „la veritable, et peutêtre la seule voie de parvenir a une pacification générale et solide, et par la a une determination raisonnable des points particuliers, compris dans les articles préliminaires, seroit, sauf meilleur avis, d\'examiner et peser inurement les précautions et limitations, sous lesquelles, s\'il y en a de telles, les alliés de Hanovre pourraient avec une süreté raisonnable conveniravecl\'Empereur et l\'Espagne touchant le règlement de la succession des Etats Héréditaires de l\'Empereur, en cas quïl décédat sans issue male, du moins par rapport au cas et aux circonstances présentes, et en même temps touchant l\'établissement de don Carlos et autres Princes d\'Espagne du second lit. Et que le cardinal prit en suite sur lui, de sonder l\'Empereur et l\'Espagne sur cette matière dans le dernier secret, pour étre ensuite discutée par les alliés.quot; Natuurlijk — dit voegt hij er nog ten slotte bij — moet de onvereenigbaarheid van de Oostenrijksche erflanden met de Spaansche monarchie vaststaan, uitgezonderd de Italiaansche landen, die in de dagen van Karei II tot Spanje behoord hebben.

Bij den anti-Oostenrijkschen geest, die den Engelschen minister en koning beheerschte, kon Slingelandt niet verwachten, dat zijn hoofddenkbeeld instemming te Whitehall zou vinden. Het standpunt, dat de raadpensionaris innam, was te weinig eenzijdig Engelsch; het strookte te weinig met de oogenblikkelijke

58

-ocr page 71-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

belangen van Engeland en de bijzondere inzichten van TWn-shend. Warmen lof bracht de Engelsche staatssecretaris ook namens zijn meester aan de memorie, en gaf verschillende zijner voorslagen willig prijs: zooals de nieuwe verbintenis der geallieerden, het reglement voor het congres enz. Trouwens, zonder Slingelandt\'s medewerking waren deze dingen toch niet tot stand te brengen. Hooge ingenomenheid ook werd betuigd met zijn uiteenzetting van het doel van het congres. De algemeene vrede was zeker zeer wenschelijk, maar Z. M. geloofde niet aan de mogelijkheid. Sedert het tractaat van quot;Weenen, is de toestand in Spanje zoo zeer veranderd, dat voor den keizer het huwelijk zijner dochter met don Carlos zeer weinig aantrekkelijkheid heeft: hij zal daarvoor geen concessiën aan de mogendheden doen. Het is diensvolgens nutteloos, hem met het oog op dit huwelijk over een garantie te polsen. Voor beide staten, Engeland en de Republiek, is het geraden zich voor het oogenblik met de vereffening der bestaande geschillen tevreden te stellen. Inmiddels zou men het denkbeeld van den raadpensionaris aan de koningin van Spanje kunnen inblazen en haar voorstellen, dat de bondgenooten niet onwillig zijn mede te werken aan haar wenschen, indien zij medewerken wil om hun de waarborgen te verschaffen, die zij voor hun toestemming vragen. Eén van beide zal daarvan het gevolg zijn. Brengt de koningin de zaak te Weenen ter sprake en weigert de keizer, dan zal de eendracht tusschen de geallieerden van Weenen ophouden, en hun gevaarlijke plannen gaan dan in rook op. Slaagt zij daarentegen bij den keizer, .alors nous le verrons venir, et nous pourrons par la pour-voir a tout, et la pacifiation peut devenir générale fort amiablement et a la satisfaction et süreté mutuelle d\'un chacun.quot; 5a

Stelde dit antwoord Slingelandt te leur ? Niet waarschijnlijk. Hij kende de stemming te Londen te goed, dan dat hij ook maar een enkel oogenblik de aanneming van zijn voorslag zou hebben verwacht. Zoo de keizer met de zeemogendheden

59

-ocr page 72-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

in onderhandeling trad, zou het van zijn zijde zeker niet zijn, om het huwelijk van don Carlos te verzekeren. Dit huwelijk was de wensch der Spaansche koningin, niet dè zijne. Maar de successie beschouwde hij als een huiselijke aangelegenheid, waarmede Europa niets te maken had. Zoo lang hij op dit standpunt staan bleef, was hi] gebonden aan Spanje, den eenigen staat, wiens belang het medebracht hem te steunen. Hij van zijn zijde zou, zoo ooit, slechts gedwongen de successievraag voor de mogendheden brengen. Doch die dwang bestond nog niet. Daarom kon het voorstel van Slingelandt, om nu den keizer te polsen, tot geen uitkomst leiden.

Dit alles wist Slingelandt even goed, zoo niet beter dan Townshend. En juist daarom had hij zijn voorstel gedaan. Engeland, dat niet wilde wat hij voorstelde, zou voorstellen, wat hij werkelijk wilde, al had het dat ook „waarschijnlijk tijdverliesquot; genoemd. Slechts door Spanje aan den invloed van Oostenrijk te onttrekken, zou de keizer gedwongen worden tot de zeemogendheden te naderen. Of Engeland, als het zoo ver gekomen was, genegen zou zijn, zijn wrok tegen keizer Karei het stilzwijgen op te leggen, dat mocht een kwestie van latei-zorg worden geacht. Voor het oogenblik had Slingelandt de noodzakelijkheid der garantie stellig uitgesproken, en de Engel-sche minister had zich aan geen tegenspraak gewaagd. Om dadelijke stappen, die tot verzoening met Weenen konden voeren, te voorkomen, deed Townshend, bij wijze van persoonlijke concessie aan den staatsman der Republiek, een stap in de richting, die Slingelandt wenschte. De raadpensionaris had reden tot tevredenheid.

Hij verklaarde dan ook in zijn antwoord, volkomen vrede te hebben met, zooals hij \'t noemde, „l\'am en dement du point capital,quot; maar gelijktijdig zette hij in korte, scherpe lijnen uiteen, wat de inhoud moest zijn van de voorstellingen aan koningin Elizabeth. „Men wilde haar niet aftrekken van het verbond met den keizer, voor zoover dit niet in strijd was met de bestaande tractaten en de rechten der geallieerden.

60

-ocr page 73-

DER VEEEENIGDE NEDERLANDEN.

Maar zij moest begrijpen, dat al de schitterende vooruitzichten, haar te Weenen geopend, eiken vasten grond misten, omdat en de geallieerden en de Duitsche vorsten, geen enkele uitgezonderd^ er zich tegen verzetten. Het aanstaande congres bood haar den meest zekeren weg, om haar doel te bereiken. De geallieerden zouden niet onwillig zijn tot de vervulling van haar wenschen mede te werken, mits de noo-dige waarborgen voor hun, veiligheid en het Europeesch evenwicht werden getroffen.\'

Opmerkelijk genoeg sprak hij geen woord over Tovvnshend\'s denkbeeld, dat de Spaansche koningin den keizer zou polsen. Hij verwachtte daarvan blijkbaar nu nog niets. Hij stelde ten slotte voor, dat Horace Walpole, de Engelsche gezant te Parijs, met den kardinaal Fleuri over de wijze van uitvoering van zijn voorstel zou spreken. Inmiddels moest men het congres openen en de bespreking der hangende verschilpunten aanvangen, in afwachting van den loop dien de geheime onderhandeling met de Spaansche koningin zou nemen. 53

De memorie van Slingelandt werd, volgens zijn wensch, naar Parijs gezonden, om Horace Walpole tot leiddraad te strekken bij zijne samensprekingen met den kardinaal. Deze was aanvankelijk met het denkbeeld ingenomen, doch bekoelde langzamerhand. Niettemin werd er tusschen hen een verklaring in overeenstemming met Slingelandts denkbeeld ontworpen, die Mr. Keene, de Engelsche minister te Madrid, namens de verbondenen van Hannover, aan koningin Elisabeth zou mogen afleggenquot;\'. Misschien werd langs dezen weg Spanje öf van Oostenrijk afgetrokken, öf ertoe gebracht om de regeling der Oostenrijksche successie op het congres ter tafel te brengen. Was eenmaal het vraagstuk, door de mogendheden die er vertegenwoordigd waren, erkend een Europeesch belang te zijn, dat niet door een enkele, zij het ook de meest belanghebbende, eigenmachtig kon beslist worden, dan mocht men hopen tot een regeling te komen, die ook voor de toekomst het dreigend gevaar van een algemeenen oorlog voorkwam. Slingelandt hield zich vast overtuigd, dat de keizer

61

-ocr page 74-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

zelf niet dan gedwongen de zaak op het congres zou brengen. Maar hij achtte dit geen overwegend bezwaar, omdat de verbondenen van Hannover gelijke redenen hadden om zich tegen de vereeniging van Spanje en Oostenrijk te verzetten, als de keizer met zijne verbondenen indertijd tegen die van Frankrijk en Spanje. Bovendien moest de Spaansche koningin toch wel begrijpen, dat al de beloften des keizers voor haar zonder waarde waren, als de zeemogendheden en Frankrijk ze niet waarborgden. 53

Den 14\'lon Juni 1728 werd het congres te Soissons geopend. De keizerlijke gevolmachtigde hield een toespraak, de Fran-sche minister antwoordde.

In de volgende weken werden eenige vergaderingen gehouden, ook nog in Augustus en September. Sinds kwam men maanden achtereen niet dan eens in de week, voor den vorm, bijeen. De ware onderhandelingen werden te Parijs en tusschen de verschillende kabinetten gevoerd.

Al zeer spoedig bleek het, dat het groot verschil van inzichten en belangen het tot stand komen van een afdoende regeling belette. De Republiek, geleid door Slingelandt, beschouwde een algemeenen vrede als het hoofddoel, waaraan alles ondergeschikt was. In Engeland werden de handelsbelangen en Gibraltar het voornaamste geacht. Spanje hechtte gelijke hooge waarde aan Gibraltar en de commercieele verschilpunten, en eischte van Engeland concession. De gevolmachtigden des keizers steunden krachtig Spanje en namen van den aanvang af de houding aan, dat de mogendheden niets te maken hadden met het vraagstuk der Oostenrijk-sche successie. Zij wilden er niet van hooren, dat het congres zich met deze zaak zou bemoeien. Gibraltar en Ostende, nevens de commercieele verschilpunten van Spanje met Engeland, werden de hoofdpunten, waaromtrent de verbondenen van Weenen elkander krachtig ondersteunden tegen Engeland en de Republiek.

Nog voordat het congres officieel was geopend, was er

62

-ocr page 75-

DEE VEREENIGDE NEDERLANDEN.

iets geschied, dat, bij den eersten aanblik, zeer bevorderlijk voor Slingelandt\'s plannen scheen. De keizerlijke en Spaan-sche gezanten deden aan Fleuri, namens hunne regeeringen, mededeeling van het huwelijksplan van Maria Theresia met don Carlos. Het was aan den kardinaal alleen en onder belofte van stipte geheimhouding, dat dit vertrouwen werd geschonken. Fleuri beloofde het stilzwijgen, dat van hem gevraagd werd, en liet zich eenige woorden ontvallen, waaruit goedkeuring kon worden afgeleid. Bij nader overleg echter begreep hij, het geheim niet te mogen bewaren tegenover zijne mede-verbondenen, en deelde het gebeurde aan de Engelsche en Hollandsche gevolmachtigden mede 56.

De bedoelingen van den keizer van Duitschland met deze vertrouwelijke mededeeling aan den Franschen premier waren volstrekt niet duister. Terwijl zij de Spaansche koningin omtrent den ernst, waarmede het huwelijksplan te Weenen werd beschouwd, gerust stelde, diende zij tevens om de stemming van Frankrijk en diens geallieerden te polsen. Dat dit vertrouwen bij voorkeur aan den Franschen minister werd geschonken, was natuurlijk. Men mocht hopen, dat de Fran-sche koning tegen dit huwelijk van een Spaanschen Bourbon geen bezwaren zou hebben, misschien zelfs, ter wille van de grootheid van zijn huis, bereid zou zijn, er toe mede te werken07. Toen Slingelandt het gebeurde vernam, zag hij dat alles onmiddellijk in. In bedekte termen gaf hij zijn wantrouwen aan Townshend te voelen, zonder rechtstreeks Fleuri aan te vallen. „Laat nu de kardinaal\' — stelde Slingelandt aan den Engelschen minister voor53—■quot; bij Spanje en Oostenrijk er op aandringen, dat ook aan ons gelijke opening gedaan worde, of, als zij weigeren, laat hij dan zelf, op last zijns konings, de zaak in het congres ter tafel brengen. On empêcherait apparemment par la les ministres de l\'empereur et de l\'Espagne de continuer leurs menées secretes, et, s\'ils ont l\'intention de négocier tout de bon sur cette affaire, on les obligerait a s\'expliquer sur les precautions ou les süretés et autres conditions, dont dépendrait le consente-

63

-ocr page 76-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

ment des allies: et, par une suite naturelle et nullement for-cée, on serait en état de tirer de la France une explication nette et precise sur les dites precautions et Ie reste.quot;

Het wantrouwen, dat in deze woorden ligt verscholen, wijst de ware bedoeling van Slingelandt aan.

De eerste minister van Frankrijk, Fleuri, was een oud man, die bij uitstek vredelievend en zonder eenige eerzucht scheen. Hij was door zijn hoogen leeftijd weifelend, schreef Horace Walpole, en liep daardoor gevaar aan invloeden toe te geven, die hem van zijne verbondenen wilden scheiden. Maar hij zelf meende het eerlijk en was oprecht aan de alliantie van Hanover gehecht.

De raadpensionaris was minder vertrouwend en minder lichtgeloovig. Hij zag in de schijnbare besluiteloosheid van een oud man de politieke berekening van den staatsman, die onwillig was zich uit te laten. Slingelandt hield het er voor, dat Frankrijk en de kardinaal voor de huwelijksplannen der Spaansche Bourbon\'s waren gewonnen. Daarom wilde hij Fleuri dwingen, om zijn zonderlinge houding, vertrouwde van beide partijen te zijn ten koste van zijne geallieerden, te laten varen. Als de huwelijksplannen en de Oostenrijksche successie onderwerpen van bespreking en onderhandeling op het congres werden, zou Frankrijk gedwongen zijn, voor zijne ware bedoelingen uit te komen.

Maar de poging mislukte. De Fransche staatsman weigerde hardnekkig het punt ter sprake te brengen, en schuilde steeds achter de toegezegde geheimhouding weg. Slingelandt drong herhaaldelijk bij Townshend er op aan, dat hij den kardinaal niet zou loslaten. Maar ook hier slaagde hij niet. De Engel-sche staatssecretaris had zijne redenen, om het Fleuri niei lastig te maken. Onder zijn invloed legde dè Engelsche koning zich bij de weigering van den Franschen\'premier neder en berustte erin.59

Het persoonlijk belang van den Engelschen staatssecretaris bevatte het geheim van zijn groote inschikkelijkheid jegens Frankrijk.

64

-ocr page 77-

DEK VEREENIGDE NEDERLANDEN.

Lord Townshend was sedert jaren geweest en was in eigen oogen nog het eigenlijk hoofd van het kabinet. Yan George I was hij de boven alles vertrouwde minister geweest: de buitenlandsche aangelegenheden had hij met den koning genoegzaam alleen bestuurd. Toen George II den troon besteeg, veranderde de positie. Niet zijne verdiensten, maar die van Robert Walpole, den eersten lord van de schatkist, hadden de Whigs en hem aan \'t bestuur gehouden. De steun der koningin, die Walpole bij haar echtgenoot staande hield, was ook Townshend ten goede gekomen.

Van die verandering in zijn positie had de secretaris van staat zich geen rekenschap gegeven. Hooghartig en driftig, vergunde hij aan zijne ambtgenooten geen inmenging in de zaken van zijn departement; zelfs niet aan zijn jongeren ambtgenoot, den hertog van Newcastle, die officieel het beleid der buitenlandsche zaken met hem deelen moest. Jaren lang had Robert Walpole hem ongehinderd op zijn terrein laten heerschen, zeggende, dat hij van buitenlandsche politiek geen verstand had. Townshend was in tweede huwelijk gehuwd met de zuster der Walpole\'s. Zoolang deze vrouw leefde, stond zij als een verzoenende engel tusschen haar echtgenoot en haar broeder in, telkenmale bereid om de botsingen, die tusschen de beide heerschzuchtige mannen plaats grepen, te vereffenen. Doch zij stierf in 1726, en sinds werd elke vriendelijke bemiddeling gemist. In de eerste anderhalf jaar na haar dood bleef de verhouding, zonder intiem te zijn, redelijk. Het gemeenschappelijk gevaar waarmede de leeftijd van George I en de gevolgde troonsbestijging van George II hen bedreigde, hield hen verbonden. Toen Townshend in het najaar van 1727 gevaarlijk ziek werd, sprak Walpole met volle waardeering van zijn zwager en noemde diens gevreesden dood het grootste ongeluk, dat Engeland kon treffen.

Doch sinds was de verhouding ongunstiger geworden. De gewilligheid waarmede Townshend voortdurend de Hannover-

65

-ocr page 78-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

sche politiek des konings steunde, en niet terugschrikte om tractaten te sluiten, die Engeland tot hooge subsidiën verplichtten, ergerde Walpole, die het bovendien nooit verduwen kon, dat Townshend, zonder hem er in te kennen, de alliantie van Hannover had gesloten, die de eerste stap was geweest op den weg, die Engeland tot zoo groote financieele opofferingen dwong. Daarbij voegde zich bij den eersten lord van de schatkist het bewustzijn, dat hij, gesteund door koning en parlement, het eigenlijke hoofd van het kabinet was, en niet Townshend, wiens invloed bij beiden gering was. „Zoolang de firma was Townshend en Walpole, bestond de beste overeenstemming, maar toen zij Walpole en Townshend werd, gingen de zaken slecht en volgde scheiding.quot; In deze woorden sprak later Kobert Walpole het ware motief der verdeeldheid uit, die sedert het begin van 1728 de ambtgenooten en zwagers van elkander verwijderde en op steeds vijandelijker voet bracht. De eerste lord van de schatkist begon zich te bemoeien met de buitenlandsche aangelegenheden, en verzette zich tegen tractaten, die Townshend wilde sluiten. Hij vond daarbij hei-melijken steun bij hun beider ambtgenoot, den hertog van Newcastle, die, zijn onbeduidende rol moede en verbitterd over de eigenmachtigheid van Townshend, die ook hem buiten de zaken hield, in dezen drie-zwagers-strijd00 op zijn zwager en mede-secretaris Townshend zijn merkwaardig talent van intrigeeren oefende, dat hij gedurende een lange reeks van jaren tegen allen, die zijn eerzucht in den weg stonden, met zoo zeldzaam goed gevolg zou bezigen.

In deze moeielijke verhouding, in dezen geheimen kamp met ambtgenooten, die zich tegen hem en zijn overwicht verhieven, was het voor Townshend een zeer gewenschte zaak, zich door een diplomatieke zege te versterken. Indien het hem gelukte, op eenigerlei wijze de geschillen met het buitenland te vereffenen, een einde te maken aan Engeland\'s verwikkelingen en aan het dreigend oorlogsgevaar, mocht hij hopen ook den strijd met zijne mededingers zegevierend te zullen eindigen. Daartoe bood Fleuri hem de gelegenheid aan.

66

-ocr page 79-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

en daarom legde hij zich hij Fleuri\'s weigering rustig neder.

Doch hij zou de samenwerking met den Franschen kardinaal betalen. De breuk met Slingelandt was er de prijs van.

Onder de Fransche staatslieden, die het oor van den eersten minister hadden, was een partij, die de alliantie van Hannover met ongunstige oogen beschouwde. Geleid door Chau-velin, den grootzegelbewaarder, zocht zij den kardinaal voor het denkbeeld te winnen, om niet tot beslechting der bestaande geschillen mede te werken. Frankrijk moest de handen vrij houden, zich niet binden door eenige overeenkomst of belofte, opdat, als de keizer stierf, het zou kunnen handelen, zooals zijn belang het voorschreef. Deze raad kwam volkomen met de denkbeelden van Fleuri overeen, die, hoe vredelievend ook, in hooge mate eerzuchtig was en Frankrijk\'s suprematie over Europa langs diplomatieken wegalszijnhoogstedoel beschouwde. Dadelijk na de aanvaarding des bestuurs had hij de beide takken der Bourbons verzoend. Zijn vredelievende en verzoenende houding had hem tot den vertrouwde des keizers, in zake het huwelijk, gemaakt. Zijn invloed en weigering belette zijne medeverbondenen, de Oostenrijksche successie tot een punt van onderhandeling te maken, die tot een schikking kon leiden, waai-aan allen verbonden waren. Als hij er in slagen kon, de verschilpunten tusschen Engeland en Spanje tijdelijk van de baan te schuiven, zoodat do vrede verzekerd werd, dan behield Frankrijk zijn volle vrijheid van handelen voor het vervolg. Bij den dood des keizers zou het geen moeite kosten, zoo noodig, de twistpunten te doen herleven en Frankrijk tot den scheidsrechter, wiens diensten betaald moesten worden, tusschen Weenen en Hannover te maken.

Het kostte natuurlijk weinig moeite, „de onderhandelingen van Soissonsquot;, zooals men sprak, in die richting te leiden, dat een tijdelijke schikking de eenige mogelijke oplossing scheen aan hen, die naar een oplossing smachtten. Dit was met Townshend het geval, die voor niets meer bevreesd was, dan dat het congres slepende werd gehouden. De vredelievende Fleuri beval aan zijne bondgenooten het sluiten van

67

-ocr page 80-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

een voorloopig verdrag aan en bood hun zelfs een ontwerp 01 aan, waarbij voor een zeker getal jaren ieder zijne rechten en aanspraken behield, maar alle maatregelen van geweld ophielden. Niets anders bleef over, zeide hij. quot;De handelsgeschillen en Gibraltar lieten geen andere oplossing toe. Geen enkele Europeesche mogendheid verlangde naar oorlog; een vredesverdrag bleek onmogelijk. Zoo men dus den krijg wilde ontgaan, behoorde men zich met het bereikbare, een tijdelijken maatregel, tevreden te stellen.

Er was moeilijk iets te bedenken, dat meer met do inzichten van Simon van Slingelandt streod, dan deze voorslag. Voortdurend drong hij er op aan, in al zijn brieven, dat men de regeling van de Oostenrijksche successie als het hoofddoel van het congres zou beschouwen. Hij twijfelde er volstrekt niet aan, dat een der beide belanghebbenden, Spanje of Oostenrijk, de zaak ter tafel zou moeten brengen. Hij achtte het volstrekt niet onmogelijk, dat keizer Karei zelf genoodzaakt zou zijn het te doen. De toestand van Spanje was van dien aard, dat quot;hij er geen oogenblik op rekenen kon. Zonder subsidie en zonder bondgenooten kon hij geen oorlog voeren en zou dus wel gedwongen zijn, in onderhandeling te treden. Er was geen enkele grond voor overhaaste besluiten. Het voorloopig tractaat, door Fleuri aanbevolen, baatte niet.

Weinige weken te voren was Chesterfield als gezant in den Haag gekomen (Mei 1728). Wat tusschen hem en den raadpensionaris over deze zaak is gesproken, is volkomen duidelijk uit Slingelandt\'s brief aan lord Townshend. Hij had zijne bezwaren hem medegedeeld, maar de jonge diplomaat had er bij hem op aangedrongen, dat hij zelf den staatssecretaris schrijven zou C2. Hij was er blijkbaar niet zeer op gesteld, de overbrenger van denkbeelden te zijn, die, naar hij berekenen kon, Townshend zeer onaangenaam zouden zijn.

„ My lord Chesterfieldquot; — schreef de raadpensionaris62 — „a souhaité, même avec quelque empressement, que sans perte de temps j\'informasse V. E. de mes pensees sur eet important sujet. Je vais le faire, Mylord, mais a condition que vous ne

68

-ocr page 81-

DER VEEEENIGDE NEDERLANDEN.

preniez ce que je dirai que pour les pensees partieulières d\'un ami, qui ne tirent pas a consequence.

„Ei- is geen reden, om zoo haastig in een voorloopig verdrag te bewilligen, dat alleen waarde heeft voor den keizer, die er door verlost wordt van het gevaar van een oorlog, welken hij, bij gebreke van eigen geldmiddelen en het ophouden der Spaansche subsidiën, niet voeren kan. Hij verlaat dan het congres als overwinnaar, omdat hij heeft weten te verhinderen, dat de zaak van het huwelijk en de successie er geregeld werd. De Duitsche vorsten, die op de geallieerden van Hannover vertrouwden, zullen oordeelen, dat dezen er aan wanhopen, om met goeden uitslag zich tegen Madrid en Weenen te verzetten.

„De grond, waarom de kardinaal een vrede onmogelijk acht en een voorloopig verdrag voorstaat, is de stemming in Spanje en in Engeland over Gibraltar en de handelsgeschillen.

„Sur le commerce peut-être se trouverait-il des expedients, car le Roi est trop juste pour vouloir, ni souffrir même, que l\'abus du traité d\'Assiento fut la ruine du commerce des Espagnols et même de celui de ses allies et amis. Mais Gibraltar, étant devenu un point d\'honneur, pourrait étre I\'ecueil fatal, sur lequel la paix de l\'Europe échouera, pendant qu\'il sera pour la Grande Bretagne la source d\'une dépense infinie et d\'un trouble perpétuel de son commerce d\'Espagne et d\'Amérique.

„Est-il absolüment impossible, Mylord, de songer a des expedients pour sauver l\'honneur du Roi et de la nation britannique et procurer en même temps a celle-ci des avan-tages • plus réels? Je supplie V. E. d\'y penser mürement, et de refléchir en même temps sur la repugnance de vos alliés, c\'est a dire de la France pas moins que de la Répu-blique, si en vertu des traités il faudrait tirer l\'épée dans une guerre, dont Gibraltar serait la cause on le prétexte.quot;

Het is volkomen te begrijpen^ indien dit schrijven, inzonderheid de laatste woorden, Townshend zeer onaangenaam verrasten. Te meer, omdat in de hoofdzaak hij het met Slinge-

69

-ocr page 82-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

landt eigenlijk eens was. Hij hechtte zelf aan Gibraltar niet veel waarde: weinige weken te voren 03 had hij zich bitter beklaagd over den „bijgeloovigen ijver, waarmede alle partijen tegen elk plan tot teruggave van Gibraltar, op welke voorwaarden ook, gekant waren.quot; Het was de publieke opinie, de stemming in het parlement, die hem de handen bond. Niet alleen het ministerie, de dynastie werd bedreigd door deze kwestie. George I had indertijd een onvoorzichtigen brief geschreven, waarin hij aan Spanje het uitzicht op de teruggave van Gibraltar opende. Dien brief, waarop Spanje zich voortdurend beriep, hadden de ministers aan het parlement moeten overleggen. Hij had zulk een storm verwekt, dat elk rechtgeaard Engelschman het behoud van de rots van Gibraltar als een nationale \'eere- en levenskwestie beschouwde.

Doch om meer redenen nog moest het Townshend onaangenaam zijn, op dit punt door Slingelandt bestookt te worden. Het bleek, dat hij zijn ouden vriend niet had gekend noch gepeild. De Hollandsche gezant te Parijs, van Hoey, en ook Hop, de gevolmachtigde te Soissons, hadden zich herhaaldelijk over Gibraltar ongunstig uitgelaten. Townshend had dikwijls over hen geklaagd, maar nooit een bevredigend antwoord bekomen. Nu bleek het, dat hun houding niet in strijd was met de denkbeelden van den staatsman, die de buitenland-sche politiek der Republiek richtte.

Eindelijk: wat kon Townshend antwoorden? De persoonlijke redenen, die hem een voorloopig verdrag als een uitkomst deden beschouwen, kon hij niet opgeven. Daarvoor kende hij Slingelandt te goed, om niet te weten, dat zoodanige consideratiën bij hem zonder invloed waren.

Boos worden en boos schrijven bleef over. Maar daarvoor was het ontzag, dat de raadpensionaris hem inboezemde, nog te groot.

Hij beantwoordde Slingelandt\'s brief, maar vermeed de vraag, aan het slot gedaan. Breedvoerig besprak hij den toestand te Parijs, roemde zeer de eerlijkheid van den kardinaal, maar beklaagde zich over zijn zwakheid en den verkeerden invloed.

70

-ocr page 83-

DEK VEKEENIGDE NEDERLANDEN.

dien anderen op hem oefenden. Daar lag de moeielijkheid, niet in Gibraltar of in onzen handel. Men maakt hem hang, dat, zoo hij het huwelijk van don Carlos tot onderwerp van bespreking maakt, het congres eindeloos zal duren of tot een oorlog leiden. „Als onze gezanten krachtig samenwerken, kunnen wij hem misschien de oogen openen voor de zwakheid van Spanje en Oostenrijk. Zoo niet, dan moeten wij tevreden zijn met het bereikbare en een voorloopig verdrag, welk een slecht pis-aller het ook zij, zoo goed mogelijk trachten tot stand te brengen.quot; 64

Maar Slingelandt wilde niet tevreden zijn en was vast besloten, al het mogelijke te doen om Engeland van dit voorloopig verdrag te doen afzien. Had hij misschien nog iets anders op het oog? Kende hij wellicht de zwakheid van Towns-hend\'s positie?

Hoe dit zij — hij was onverbiddelijk en liet den staatssecretaris niet los.

„Après la lecture de la réponse de V. E. j\'étais surpris, je l\'avoue, que vous aviez passé sous silence ce que j\'avais écrit a la fin de ma lettrequot;, met deze woorden vangt een missive van den raadpensionaris05 aan, waarin hij dadelijk de vraag herhaalt: „comme la niatière est de grande consequence, je me sens oblige, Mylord, de répéter la prière, que je vous ai faite.quot; 06

Doch hij stelt zich daarmede niet tevreden. Tot dusver had hij steeds met veel omzichtigheid zich over Fleuri uitgelaten, zijn twijfel aan diens bedoelingen wel laten doorschemeren, maar niet rechtstreeks uitgesproken. Nu ging hij een stap verder. Townshend had de eerlijkheid van den kardinaal geroemd, en ook als \'s konings overtuiging uitgesproken, dat Fleuri niet voor het Spaansche huwelijk gewonnen was. De raadpensionaris nam de vrijheid van gevoelen te verschillen, en voerde verschillende gronden aan, die zijns inziens het tegendeel bewezen. De kardinaal was voor het huwelijk van den Spaanschen Bourbon en weigerde daarom, de zaak op het congres te brengen. Hij poogde door een voorloopig verdrag de samenkomst der

71

-ocr page 84-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

Europeesche mogendheden te doen eindigen, omdat, als het congres eenmaal uiteengegaan was, al de hinderpalen wegvielen, die het tegen het huwelijk kon opwerpen. Samenwerking was mogelijk, zoo lang zij te zamen waren. Was het congres eens gescheiden, dan was er niets, dat het huwelijk beletten kon.quot;

Ditmaal verkreeg Slingelandt wat hij vroeg, een beslist antwoord. Niettemin is het twijfelachtig, of hij zulk een antwoord gewenscht had. Onmiddellijk na de ontvangst van den brief van den raadpensionaris nam Townshend de pen op. Reeds het begin beloofde weinig goeds en getuigde van den toorn des schrijvers:

„Si vous avez été surpris que j\'ai touché si légèrement dans ma lettre du 12 Juillet les articles de Gibraltar et du commerce, je ne saurais m\'empêcher d\'avouer ingénuement a V. E. que mon étonnement a été des plus grands de voir relever encore ces deux points si délicats a notre égard dans votre lettre du 29 N. S.quot; Reeds door lord Chesterfield had hij hem doen mede.deelen „rimpossibilité oü le Roi est de toucher aucunement a cette corde de Gibraltar, s\'il veut se conserver 1\'amour de son peuple et continuer par la d\'être utile a ses amis et alliés.quot; Slingelandt zelf was volkomen in staat om dat te beoordeelen. „Je me remets a V. E. qui connait si bien la nature de ce gouvernement ici, si elle n\'est pas convaincue elle-même du tort infini, qu\'il ferait au Roi, si S. M. com-mencait son règne en rendant Gibraltar et en abandonnant les droits de commerce de ses sujets, et des grands préjudiees qui rejailliroient sur l\'état même, si S. M. affaiblissoit son crédit et ternissoit son honneur en sacrifiant ses possessions et les privileges de son peuple.quot;

Desniettemin had de raadpensionaris zijn vraag en aandrang herhaald. Daarom: „S. M. se trouve obligée de vous faire dire de sa part, qu\'Elle risquera tout avant que de rendre Gibraltar, et qu\'elle réclamera les engagements solemnels des États Généraux, pris par tant de traités faits et renouvelés, si Elle y est forcée par Fobstination déraisonnable de ses

72

-ocr page 85-

DER VEEEENIGDE NEDERLANDEN.

ennemis, et qu\'en cela Elle ne demand era point une grace de la République, mais seulement qu\'on lui fasse justice. A l\'égard du commerce, le Roi ne refusera pas de faire reformer tous les abus qui se trouveront y être commis: mais pour les droits et privileges, qui sont clairement acquis a son peuple par des traités solemnels, approuvés et garantis par ses allies, S. M. ne s\'en départira jamais. Et S. M. a tant de confiance dans la justice et dans l\'équité de Ia Eépublique, qu\'Elle se promet d\'en être soutenu efficacement, surtout lorsque le Roi appuie si cordialement de sou cóté tous les intéréts de l\'Etat.quot;07

Het driftig schrijven van den Engelschen staatssecretaris werd door Slingelandt eenige dagen ter zijde gelegd. Niet vóór den 13den Augustus zette hij zich ter beantwoording.

„De peine d\'être suspect de trop de vivacité j\'ai laissé passer plus d\'un ordinaire sans répondre a la lettre de votre Excellence, laquelle m\'a d\'autant plus mortifié que le Roi parait l\'approuver.

„A la vérité je ne pensais rien moins, Mylord, que de m\'attirer une lettre si forte par des instances, faites avec beaucoup de circonspection a un ministre, avec lequel j\'ai l\'honneur d\'être sur un pied de familiarité, simplement pour vouloir, en faveur d\'un objet, si souhaitable qu\'une pacification générale, songer a un expédient pour en écarter un des principaux obstacles. Et voici les raisons, pourquoi j\'étais fort éloigné de le penser; raisons, que je soumets sans scrupule a votre discrétion :

„De kardinaal beschouwt Gibraltar als de groote hinderpaal voor een definitief vredesverdrag. Daarom heeft hij, Slingelandt, de vraag gedaan, ofschoon hij het met den kardinaal niet eens is en Gibraltar een voorwendsel acht, mais un prétexte fort spécieux et fort populaire; en zich overtuigd houdt que par rapport au commerce les expédiants ne manqueront pas, dès que de part et d\'autre on voudra tout de bon venir a un accommodement.

„Daar U. Exc. zelve een voorloopig verdrag slechts een fort mauvais pis-aller acht, je pensais ne pas pêcher le

73

-ocr page 86-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

moins du monde, als ik U verzocht aan een hulpmiddel te denken, om het te voorkomen.

„Te meer, omdat ik meen recht te hebben, wanneer ik Gibraltar, in mijn brief van 16 Juli, een lastpost voor Engeland noemde, die ontzettend veel zal kosten en voortdurend moeielijkheden met Spanje geven, en van geen ander expedient gewaagde, dan die de eer des konings en der natie redde, en meer reëele voordeelen gaf.

„Betwist u deze beschouwing van Gibraltar, of meent u dat die plaats het afbreken van het congres of een provisioneel verdrag, met al zijne gevolgen waard is, je prendrai la liberté de dire que je ne fais que suivre le sentiment du Roi défunt de glorieuse mémoire, qui certainement n\'eüt jamais écrit la lettre, que les Espagnols produisent en preuve, s\'il avait eu de Gibraltar l\'idée qu\'on en a présentement chez vous, a moins qu\'on ne veuille donner a cette lettre une interpretation forcée et peu digne d\'un grand Roi.

„Daarbij komt, dat het vooroordeel van de hooge waarde van Gibraltar voor den handel zijn oorsprong dankt aan een partij, die oorspronkelijk meer krediet had in het Lagerhuis dan aan het hof: et qui depuis, comme il embarrassait alors le ministère par ce préjugé, a cru, depuis que les choses ont change, devoir entretenir un préjugé, auquel il a donné naissance.

„Komt het opnieuw tot moeielijkheden, dan zal Spanje niet verzuimen, op de onverzettelijkheid der Engelsche regeering in zake Gibraltar te wijzen, als de eenige schuld voor de stoornis en verliezen, die de Engelsche handel lijdt.

„Engeland zelf bovendien behoefde geen voorslag van een expedient te doen; zijne bondgenooten zouden volgaarne het op het tapijt gebracht hebben. Zijn eer bleef dus ongeschonden.

„Ik heb niet in twijfel getrokken, of Frankrijk en de Republiek verplicht zijn, Engeland in zake Gibraltar te ondersteunen. Rien n\'est plus clair. Mais avouons néanmoins, Mylord, que ce serait un morceau de dure digestion pour

74

-ocr page 87-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

nos provinces, si Gibraltar, après avoir été du temps de la Reine Anne la recompense de la dissolution de la Grande Alliance et d\'une paix telle que la paix d\'Utregt, fut pré-sentement la cause apparente d\'une guerre.quot;

Na dezen geeselslag te hebben toegebracht, eindigt do raadpensionaris met twee vragen aan lord Townshend te stellen:

„Devais-je après tout cela m\'attendre, Mylord, a tant de vivacité que vous montrez dans votre lettre, pour avoir demandé non au Cardinal de Fleuri, mais a Mylord Townshend, a qui je suis accoutumé de m\'ouvrir dans la dernière confidence, s\'il est ahsolument impossible de song er a des expedients pour sauver Vhonneur du Boi et de la nation brit-tannique, et procurer en inêtne temps a celle-ci des avanfages plus reels cpie Gibraltar? Et ne serai-je pas oblige d\'être a 1 avenir plus sur mes gardes, en écrivant a Votre Excellence, quoique cela rendra notre commerce moins utile?

„Je vous en laisse le juge, et j\'ai l\'honneur d\'etre avec toute la veneration et Tattachement possibles....quot;

Lord Townshend gaf het antwoord met de daad. Hij antwoordde niet en schreef niet meer aan Slingelandt. Wat hij hem wenschte te doen weten en waarover hij ook zijn raad wilde inwinnen, het ging voortaan alles door Chesterfield. De briefwisseling tusschen de oude vrienden hield geheel op.

Het is geen zeldzaamheid, dat de persoonlijke verhouding van staatslieden ook op die der staten, welke zij dienen, beslis-senden invloed heeft. Zoo de breuk tusschen Townshend en Slingelandt die gevolgen niet had, het was aan velerlei oorzaken te danken. De bitterheid, waartoe verschil van gevoelen bij dagelijksche persoonlijke aanraking zoo dikwerf leidt, bleef hier achterwege. De gewilligheid waarmede Engeland in Maart 1739 aan de wenschen van den raadpensionaris tegenover de Oranjepartij voldeed, bewees, dat de staatssecretaris er niet aan dacht, door het opwerpen van moeielijkhe-den zich op Slingelandt te wreken. Diens aftreden trouwens

-ocr page 88-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

zou slechts de bezwaren hebben vermeerderd, die hij te overwinnen had. Townshend was te weinig gelukkig in zijne ondernemingen, om niet voor nieuwe terug te schrikken. Zijne staatkundige inzichten werden door de uitkomst niet bekroond.

„Een provisioneel verdrag zal op geen minder moeie-lijkheden stuiten dan een definitieve vredequot;, had Slingelandt herhaaldelijk gewaarschuwd. De onderhandelingen, die er gevoerd werden, bewezen de juistheid van zijn inzicht. Tegen het ontwerp van den kardinaal Fleuri had Slingelandt zeer groote bezwaren. Hij vond, dat men de Duitsche belangen er in prijs gaf, en miste in de opsomming der vroegere tractaten, die bevestigd werden, dat van Westphalen. De termijn van schorsing van de Compagnie van Ostende, was zijns inziens te kort en noch in zaken van Oost-Friesland, noch ten aanzien van Mecklenburg of Gulik en Berg scheen hem het voorgestelde voldoende. Maar Townshend gleed over deze en dergelijke zaken eenvoudig heen. Geheel bevangen door vertrouwen in. den Franschen premier, steunde hij op diens mondelinge verzekeringen, en jaagde naar niets meer, dan om door een schikking, hoe onbevredigend ook voor het overige, een einde te maken aan de onrust in Europa en aan Engeland\'s financieele opofferingen, die zijne ambtgenoo-ten voorwendsel of reden gaven, om zich tegen zijne buiten-landsche staatkunde te verklaren.

Noch in het een noch in het ander slaagde hij. De winter van 1728 ging voorbij zonder eenige vrucht, dan tal van nota\'s en memoriën. Engeland wilde de commercieole voor-deelen, bij vroegere tractaten verworven, en de schepen, door de Spaansche kapers bemachtigd, niet prijsgeven. Ook Spanje was onbuigzaam en wilde van geen enkelen eisch afstand doen. De keizer steunde zijn bondgenoot en dreigde telkenmale het congres te verlaten, als er sprake was om het huwelijk of de successie ter tafel te brengen. Een hernieuwing van den krijg scheen in menig oogenblik dreigende.

Ook in een ander opzicht ondervond Townshend niets dan

76

-ocr page 89-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

teleurstellingen. Slingelandt\'s vermoeden, dat Fleuri meer aan de zijde van Spanje dan van zijn eigen geallieerden stond, werd steeds waarschijnlijker. Het was niet mogelijk, uit de schijnbaar weifelende houding van den premier op te maken, wat hij wilde of doen zou. Indien de krijg opnieuw uitbarstte, aan wiens zijde zou Frankrijk staan? De gevolmachtigden te Soissons werden steeds aangemaand, om de ware bedoelingen van Fleuri te ontdekken63. Maar elke poging was vruchteloos. De kardinaal der heilige Roomsche kerk glipte den diplomaten steeds uit de hand.

Een vol jaar verliep, zonder dat men een stap verder was gekomen. Men schreef Juni 1729 en had niets gewonnen.

Zulk een uitkomst van de politieke gedragslijn, door Towns-hend voorgestaan, was het ergste, wat hem overkomen kon. Zij ondermijnde het vertrouwen der kroon, en schonk aan de hem vijandige ambtgenooten het welkome wapen, om zich rechtstreeks tegen hem te keeren. De persoonlijke verwijdering, die toegenomen in plaats van verminderd was, deed de gelegenheid om hem te treffen gretig aangrijpen.

Zij bood zich in Mei 1729 aan, toen koning George met lord Townshend naar zijn geliefd Hannoyer vertrok. In zijne afwezigheid trad Caroline van feruiWwijl/ als regentesse op. Zij had langen tijd de breuk tusschen VValpole en Townshend trachten bij te leggen, maar toen alles onmogelijk bleek, kon zij in haar keus tusschen deze twee mannen niet aarzelen. De ministers stelden haar voor, dat een wending in de buitenlandsche politiek noodig was. „Er moet een einde aan den onhoudbaren toestand komen: indien wij in dezen zomer noch vrede noch oorlog krijgen, kan niemand voorzien, wat de winter zal brengen. Er is meer kans om met den keizer in schikking te komen, dan met Spanje. Dit is ook voordeeliger; dan zijn wij van al de Duitsche twisten en van de subsidiën af, en kunnen ons leger verminderen. Een oorlog met Spanje zal populair zijn, omdat het een strijd ter zee is.quot; Zoo spraken de ministers, die in Engeland waren achtergebleven en adviseerden te besluiten: indien Spanje niet binnen een te stellen

77

-ocr page 90-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

termijn het aangeboden tractaat aanneemt, vangt Engeland den oorlog aan. Om eiken terugkeer op het eens genomen besluit onmogelijk te maken, voegden zij er bij: den Engelsehen admiraal moet gelast worden, om, indien er onvoldoende antwoorden uit Madrid komen, onverwijld uit te zeilen en de krijgsoperatiën aan te vangen.

„Onze vriend in Hannoverquot; — schreef Newcastle, die dit advies van den ministerraad aan William Stanhope te Parijs berichtte\'®, — „verschilt in meening toto coelo.\'\' Het kon niet anders. Lord Townshend, die den koning in Hannover vergezelde, zag zijn politiek onvoorwaardelijk veroordeeld, en wat hij het strengst afkeurde, toenadering tot Oostenrijk als wenschelijk aangenomen. Een jaar lang had hij voor den vrede met Spanje gewerkt, en het einde was een oorlogsverklaring van Engeland, in zijn afwezigheid door den ministerraad besloten. In de afkeuring van de politiek werd de staatsman getroffen.

De koning, blijkbaar onder den invloed van koningin Caroline, die beslist de partij van Walpole had gekozen, vereenigde zich met het advies zijner ministers. Aan lord Townshend bleef niets over, dan de veroordeeling zijner eigen politiek te berichten.

Den lsten Juli70 zond hij aan Chesterfield bericht van \'s konings wil, en gelastte hem met Slingelandt en den griffier in het diepste geheim de zaak te bespreken. Z. M. rekende er op, dat zij bereid zouden zijn, om met hem samen te werken, en een termijn te bepalen, na welks afloop men de krijgsoperatiën zou aanvangen. Tevens moest de gezant van hen vernemen, of het geheele eskader der Republiek 1 in Europa zou medewerken, of dat ook een deel aan den oorlog in de West-Indiën zou deelnemen. Het Engelsche kabinet toch wilde gelijktijdig de haven van Cadix sluiten en in de West-Indiën opereeren. De raadpensionaris en de griffier zouden zeker, zeide Townshend, geen bezwaar in de zaak hebben, omdat, als er goede tijdingen uit Madrid kwamen, zij toch zonder gevolg bleef.

78

-ocr page 91-

DER VEEEENIGDE NEDERLANDEN.

In gelijken geest verklaarde hij naar Frankrijk geschreven te hebben.

Aan deze officieele depêche voegde lord Townshend een vertrouwelijk schrijven toe, waarin hij zijn eigen gevoelen uitsprak en den maatregel als ontijdig afkeurde. „Ik blijt bij mijne meening, dat wij tot eene schikking met Spanje moeten zien te komen. Ik vind den besloten stap op dit oogen-blik niet noodig. Maar nu die eenmaal is voorgesteld, zie ik niet in, dat onze vrienden in Holland iets wagen door toe te stemmen. Echter ben ik blij, dat deze zaak in de handen van u en van den raadpensionaris is, die wel zullen zorg dragen, dat er \'geen kwaad uit voortkomt7*.quot;

Sterker, dan deze schijnbaar kalme en gematigde woorden zouden doen vermoeden, trok Townshend zich de zaak aan.

Diep gevoelde hij den slag, dien Walpole en Newcastle hem toegebracht hadden. Hij sprak er van om zich terug te trekken en zijn ambt neer te leggen73. Maar hij kwam van het denkbeeld terug, vertrouwende, dat zijn invloed op deu koning hem in staat zou stellen, om nog over zijne vijanden te zegevieren.

Voor Slingelandt\'s ijdelheid, indien zij een rol speelde in zijne staatkundige overwegingen, was in den loop van zaken iets bevredigends. Een zeker gevoel van voldoening ware te begrijpen geweest. De af keuring, die de politiek van Townshend nu trof, was door hem het eerst, zij het ook op andere gronden, uitgesproken. Hij had de onvruchtbaarheid van Townshend\'s plannen voorspeld, welke thans aan diens ambt-genooten den grond of het voorwendsel tot hun vijandig optreden gaven.

Maar hij was te goed staatsman, om door zulke overwegingen zijn oordeel te laten leiden. Ditmaal stond hij geheel aan Townshend\'s zijde. Ook hij oordeelde, dat men te Whitehall te snel ging. Hij zelf had de zaak te Madrid ter hand genomen en aan der Staten gezant aldaar bevelen gezonden, om krachtig met Engeland op de koningin van Spanje te wer-

79

-ocr page 92-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

ken. Er was thans meer grond dan te voren, om zich met een goeden uitslag te vleien.

De gezondheidstoestand van den koning van Spanje was slecht en deed het ergste vreezen. Overleed hij, dan kwam de prins van Asturië aan de regeering, die met zijn stiefmoeder op slechten voet stond. De belangen van haar kinderen zouden dan ophouden voor Spaansche belangen te gelden en als zoodanig door de regeering te worden voorgestaan. Koningin Elisabeth had dus alle reden, om een spoedige beslissing te wenschen. Haar was het persoonlijk onverschillig, met wier hulp zij slaagde. Zij had tot dusver de zijde des keizers gehouden, omdat zij van hem het meeste verwachtte. Maar in de laatste maanden was er verkoeling ontstaan.

De keizer was ontevreden, omdat de Spaansche subsidiën niet of slechts ten deele, en dan nog te laat, werden betaald. De hoop, om met Spanje\'s geld zijn leger op grooten voet te brengen, was ijdel gebleken. Tegen Frankrijk, Engeland en Holland de Compagnie van Ostende staande te houden, was onuitvoerbaar. quot;Wat zou het hem baten, aan de wenschen der Spaansche koningin te voldoen, om haar voor goed aan Oostenrijk te hechten, indien de dood van den zwakken koning haar eerlang van alle macht en invloed beroofde?

Ook aan de zijde van Spanje werd de band losser. Bij de Weener tractaten was bepaald, dat twee der drie Oostenrijk-sche aartshertoginnen met twee infanten van Spanje in het hüwelijk zouden treden. Karei VI had dien vorm gekozen, om vrij te blijven ten aanzien der oudste, de erfgename zijner landen. Niettemin leefde men in Spanje in de stellige verwachting, dat Maria Theresia met don Carlos zou huwen. Op deze veronderstelling ook rustte hoofdzakelijk het Europeesch verzet tegen de alliantie van Weenen. De keizer zelf had de opvatting, op mondelinge toezeggingen steunende, nooit tegengesproken, veeleer begunstigd: nog in Juni 1728 was het plan van dit huwelijk van don Carlos aan Fleuri medegedeeld, zoowel om Spanje tevreden te stellen, als om de mogendheden door Frankrijk te polsen. Maar het keizerlijk hof achtte

80

-ocr page 93-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

zich desniettemin tot niets gebonden en begon meer en meer in te zien, dat deze verbintenis bij den toestand, waarin Spanje verkeerde, geen enkel politiek voordeel beloofde. Toen de jongste dochter van Karei VI in 1727 was overleden, konden de dubbelzinnige bewoordingen van het tractaat niet langer dienen om er desnoods achter weg te schuilen. In Februari 1728 drong daarom koningin Elisabeth er nadrukkelijk bij den keizer op aan, dat hij zijne beloften zou vervullen en zijne twee dochters aan haar zonen ten huwelijk geven.

Men had zich te Weenen niet met het antwoord gehaast, dat na zorgvuldig overleg pas in December 1728 het levenslicht aanschouwde74. Onder voorwendsel, dat Maria Theresia nog te jong was, de tegenstand der mogendheden te algemeen en te dreigend, de staat van zaken in Europa van dien aard, dat elke beslissing in dezen oogenblik onvoorzichtig zou zijn, verdaagde de keizer de geheele zaak tot later dagen.

De ware zin van dit antwoord was volkomen duidelijk. Ook te Madrid bedroog men er zich niet in. Niettemin bleef de Spaansche vorstin trouw aan het Weener verbond, tot, in den volgenden zomer (1729), nieuwe teleurstellingen volgden.

In Parma was in 1727 de hertog gestorven. Zijn broeder en opvolger, schoon gehuwd, was kinderloos. Koningin Elisabeth wenschte reeds thans, ten einde hare aanspraken erkend te zien, bezit te nemen van de landen, die aan haar zoon waren toegezegd. Zij begeerde, zoo in Parma als in Toscane, de vaste plaatsen met Spaansche troepen te bezetten. Het keizerlijk hof, dat de stoute en overmoedige vrouw vreesde, was niet geneigd haar wenschen in te willigen. „Het is haar eenige bedoeling,quot; meende Eugenius van Savoie, Bvasten voet in Italië te zetten en dan haar verdere getrouwheid aan de bestaande tractaten afhankelijk te maken van het huwelijk van don Carlos en Maria Theresia, of, zoo zij hierin niet slaagt, de Oostenrijksche bezittingen in Italië te bedreigenquot; \'5.

Het scheen daarom geraden ook in dit opzicht elke beslissing te verschuiven. De keizer antwoordde eenvoudig niet.

6

81

-ocr page 94-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

Het was duidelijk, koningin Elisabeth had niets van Weenen te hopen.

In dezen stand van zaken had Simon van Slingelandt geoordeeld, dat er uitzicht bestond, om eindelijk het lang beoogde doel te bereiken. Indien men aan de Spaansche koningin haar wrok, inzonderheid tegen Engeland, kon doen vergeten, zoo al niet afleggen, en haar overtuigen, dat zij meer van Hannover dan van Weenen had te hopen, mocht men zich vleien eindelijk het noodlottig verbond, dat sedert vier jaren den vrede uit Europa verbande, te verscheuren. Zoo ooit, scheen er thans, door de bejegening, die de Spaansche vorstin van den keizer ondervond, kans tot slagen.

In dit oogenblik kwam het besluit van den Engelschen ministerraad. Hoe dienstig het wellicht was, om een minister ten val te brengen, die met Robert Walpole en Newcastle in twist leetde, de belangen van Europa dreigde het meer te schaden dan te baten. Geen wonder, dat het niet alleen bij Townshend, maar bij allen, die op de hoogte der zaken waren, afkeuring ondervond. „De raadpensionaris en de griffierquot; — schreef Chesterfield 76 — „zijn evenals ik ten hoogste verbaasd over dit haastig besluit, genomen op een oogenblik, waarm wij alle redenen van de wereld hebben, om een bevredigend antwoord uit Spanje te verwachten; en te meer verbaast het, omdat men het nagelaten heeft op een tijdstip, waarin er geen enkele grond voor zulke goede verwachtingen was. Blijkt het noodig zulke maatregelen te nemen, dan denk ik wel, dat de Republiek ten laatste zal meegaan, maar natuurlijk niet zonder de gewone restrictiën en voorzorgen.quot;

Men behoefde er intusschen niet toe te komen. Koningin Elisabeth liet zich door de Engelsche en Nederlandsche gezanten te Madrid zoo verre overreden — trouwens wat bleef haar over? — dat zij de mogelijkheid begon aan te nemen, dat de geallieerden van Hannover werkelijk minder vijandig aan haar wenschen waren, dan zij meende. Zij liet den kardinaal de Fleuri polsen, die aanvankelijk, zonder de verbondenen te raadplegen, een ongunstig antwoord gaf: wat Slin-

82

-ocr page 95-

DER VEKEENIGDE NEDERLANDEN.

gelandt zeer in zijn wantrouwen tegen hem sterkte. Doch een tweede verklaring, na overleg gegeven, was gunstig. Engeland en Frankrijk stemden in het leggen van Spaansche garnizoenen in Italië toe71. Weinige dagen later verbond zich ook de Republiek, om „te accedeeren aan de engagementen, door Frankrijk en Groot-Brittannië aangegaan, om aan don Carlos de eventueele successie in Parma en Toscane te verzekeren 78.quot;

De eerste stap was in dezen, als gewoonlijk, de moeielijkste en de beslissende. Op een vrede met Spanje was te hopen, zoodra de Spaansche vorstin inzag, dat de geallieerden van Hannover bereid waren haar te schenken, wat haar bondgenoot te Weenen haar weigerde. Dan kon men verwachten, dat zij ter wille van haar persoonlijke wenschen bereid zou zijn de eischen van den staat prijs te geven. Gibraltar en de Engel-sche handelsbelangen zouden dan niet langer onoverkomelijke hinderpalen blijken.

William Stanhope, een der gevolmachtigden te Soissons, die herhaaldelijk gezant te Madrid was geweest, vertrok, om de onderhandelingen met Elisabeth van Parma te voeren. Alles beloofde een goeden uitslag, die den gelukkigen diplomaat de lang gewenschte verheffing tot pair van Engeland zou schenken. Den 20\',on September uit Parijs vertrokken kwam hij den 27sten October te Sevilla, waar het hof vertoefde, aan.

In diep geheim waren de onderhandelingen, die tot dezen aanvankelijken uitslag leidden, gevoerd. Maar het keizerlijk hof, dat de Spaansche koningin met argusoogen bespiedde, wist spoedig wat er gaande was. Met oprechten schrik werd het bericht te Weenen ontvangen. De keizer, die noch op Pruisen noch op Rusland noch op het Duitsche rijk kon rekenen, liep gevaar alleen tegenover vier mogendheden te staan. Zonder geld, om den krijg te voeren, zou hij elke voorwaarde moeten aannemen, die men hem wilde opleggen.

Wat Slingelandt steeds had voorspeld, geschiedde. Keizer Karei was gedwongen, de successiekwestie voor het congres te brengen. Hij liet te Soissons verklaren,, dat hij bereid was

83

-ocr page 96-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

over de opvolging in de Oostenrijksche monarchie met de mogendheden in overleg te treden. In algemeene termen vroeg hij garantie van de successie, door hem vastgesteld.

Het bericht van dien stap werd met groote koelheid ontvangen. Al stonden de tegenstanders van Townshend het denkbeeld van toenadering tot Oostenrijk voor, daarom waren zij niet gunstig voor Karei VI gestemd. Aan zijn houding weet men èn de onvruchtbaarheid tot dusver van het congres, èn de overmoedige onbuigzaamheid, door Spanje betoond. Men hield zich overtuigd, dat het hem alleen te doen was, om hinderpalen op te werpen, die een schikking met Spanje konden voorkomen. Fagel was, naar hij aan Chesterfield \'J zeide, zelfs bang, dat het onredelijk gedrag van den keizer de bondgenooten zou dwingen, hem slechter te behandelen, dan hun eigen belang voorschreef. Van Townshend was natuurlijk niets te verwachten, dan tegenwerking. Zijn haat tegen Oostenrijk was door het vijandige besluit van den ministerraad, dat toenadering aanbeval, meer versterkt dan verminderd\'. Op het oogenblik, dat de aangevangen onderhandelingen te Sevilla een goede uitkomst van zijn politiek beloofden, zou zijn invloed wellicht groot genoeg zijn, om den voorslag des keizers, zoo al niet rechtstreeks af te wijzen, dan toch en bagatelle te behandelen, en als ontijdig, buiten de orde,

ter zijde te schuiven.

Om dit te voorkomen, nam Slingelandt de pen op en schreef eene memorie, waarin hij het hoog belang der zaak uiteenzette en de houding aanwees, die zijns inziens moest aangenomen worden. Reeds vóór anderhalf jaar had hij het gevoelen voorgestaan, dat men moest trachten, met den keizer over de successie in overleg te treden. Townshend had er niet van willen hooren en slechts bewilligd in een nieuwe poging, om Spanje aan den invloed van Oostenrijk te onttrekken. Slingelandt had ze goedgekeurd, uit berekening dat, zoo zij slaagde, Karei VI gedwongen zou zijn in onderhandeling te treden. Thans, nu eindelijk die uitkomst verkregen was en de keizer diensvolgens, hoe schoorvoetend ook, een eersten stap tot

84

-ocr page 97-

DER VEEEENIGDE NEDERLANDEN.

gemeenschappelijk overleg deed, was hij niet genegen de half toegestoken hand terug te wijzen, en het verkregen voordeel los te laten.

„Sedert twee eeuwenquot; — met deze woorden ving de raadpensionaris zijn betoog811 aan — „strekken de Oostenrijksche erflanden voor de christenheid tot bolwerk tegen de Turksche macht; en tevens tot tegenwicht om tusschen de Europeesche mogendheden het staatkundig evenwicht te bewaren, waarvan aller veiligheid afhangt.

„Deze voordeelen, beide van gelijk belang, zouden verloren gaan, indien na den dood des keizers de Oostenrijksche erflanden door oorlogen van pretendenten, gesteund door buitenlandsche mogendheden, werden verscheurd en eindelijk verdeeld, gelijk de successie van de Spaansche Bourbons\' na den dood van Karei II.

„Tegen dit gevaar levert de garantie, die de keizer vraagt, het meest afdoende en natuurlijke voorbehoedmiddel.

„Het is onverschillig, dat de keizer, naar men gerustelijk mag aannemen, een geheel andere bedoeling met zijn voorslag heeft. Evenzeer, dat deze niet kan worden aangenomen, dan met vele wijzigingen en toelichtingen. De hoofdzaak is, dat het voorstel voordeelen aanbiedt, die niet te verwaarloozen zijn. De geallieerden van Hannover zouden zeer verkeerd doen, deze gelegenheid af te wijzen, om aan zich zeiven en aan geheel Europa rust en vrede te verschaffen.

„Bij Engeland en de Republiek kan tegen het beginsel van garantie geen bezwaar zijn, want het stemt overeen met Artikel 1 van het barrièretractaat, door hen gesloten, ten minste voor zoover de Duitsche landen betreft.

„Voor Frankrijk gelden niet dezelfde redenen. Maar daar deze staat van de maximen, die sedert Richelieu Europa verontrustten, teruggekomen, en de tegenwoordige koning vredelievend is, behoeft men niet te betwijfelen, of ook Frankrijk zal willen medewerken, om deze belangrijke zaak in orde te brengen. Ten minste, men behoeft niet te vreezen, dat het zich

85

-ocr page 98-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

verzetten zal, mits men zich tot niets verbindt, dat in strijd is met de verdragen, die tusschen de drie mogendheden bestaan: en de regeling der successie op die wijze geschiede, dat Frankrijk er zijn rekening bij vindt.

,Er zijn echter bezwaren, en wel drie zeer voorname,

die uit den weg moeten geruimd worden. ^

„De eerste is deze. Leenbepalingen, familieverdragen, reglementen, kunnen in de verschillende rijken en vorstendommen, die de Oostenrijksche erflanden vormen, de successie zoo verschillend hebben geregeld, dat een garantie, die zich over die geheele massa zou uitstrekken, er onvereenigbaar mede zou zijn.

„Maar dit bezwaar is op te heffen, wanneer de waarborg niet het recht van het bezit geldt. De weg in rechten blijft dan aan belanghebbenden open. De keizer zou zich waarschijnlijk wel tevreden stellen met een garantie, die aan zijne dochters het bezit der erflanden verzekerde, totdat zij of haar opvolgers door rechterlijke uitspraak, er van ontzet worden.

„Daar de keurvorst van Beieren en de koninklijke prms van Polen (Saksen) de eenigen zijn, die, naar het schijnt, aanspraken kunnen doen gelden, zou men den keizer kunnen aanraden, om aan deze twee prinsen, ten minste aan den eerste, eenige provincie of provinciën, grenzende aan Beieren en Saksen te beloven, ingeval hij zonder mannelijk oir sterft. Hij zou zelfs ten gunste van Beieren een bepaling kunnen maken, die hem het uitzicht op opvolging opent, indien de aartshertoginnen zonder mannelijke nakomelingschap sterven.

„Tevens zou men de beide prinsen, ten minste Beieren, kunnen opmerkzaam maken, dat zij hun aanspraken nooit kunnen doorzetten, zonder een oorlog, waarvan de uitslag steeds onzeker is, zoodat zij verstandig zullen handelen het zekere voor het onzekere te nemen en zich tevreden te stellen met wat de bondgenooten voor hen bedingen kunnen.

„De tweede moeielijkheid is deze. De garantie zal het

86

-ocr page 99-

DER VEEEENIGDE NEDERLANDEN.

despotisme van den keizer in het Duitsche rijk bestendigen, en de Duitsche vorsten afschrikken, die aanvingen er zich tegen te verzetten en genegen schenen om met de geallieerden van Hannover de onmatige keizerlijke macht binnen de grenzen van het verdrag van Westphalen te beperken.

„Doch dit bezwaar beteekent veel minder, dan het schijnt, indien men er in slaagt, den keurvorst van Beieren op de aangewezen wijze tevreden te stellen. Zijn belang, zou hem dan aansluiting aan de geallieerden voorschrijven, om zeker te zijn van de toegezegde voordeelen.

„Om de Duitsche vorsten, die niets te maken hebben met de Oostenrijksche successie, te ondersteunen in hun verdediging der Duitsche vrijheid, zou het .voldoende zijn, als de mogendheden aandrongen op de hernieuwing van de garantie, die Frankrijk en Zweden aan den vrede van Westphalen hebben geschonken. Onder bijvoeging niettemin, dat ook Engeland onder de garandeerende mogendheden moet worden opgenomen, omdat Zweden, waarop de protestantsche staten in het rijk niet minder gerekend hebben dan op Frankrijk, door het verlies van zoovele provinciën zeer veel van zijn beteekenis voor hen verloren heeft.

„Dat de koning van Engeland lid van het Rijk is, en als zoodanig niet bevoegd^ om als borg op te treden, kan niet worden tegengeworpen, omdat ditzelfde met den koning van Zweden indertijd het geval was.

„Het derde bezwaar is niet het minste in gewicht. De staten van den keizer zijn zeer aanzienlijk vermeerderd zoo door het laatste verdrag met de Porte, als door de aanwinst van vele rijken en landen, die vroeger aan Spanje behoorden. De prins, die met de Oostenrijksche aartshertogin zal huwen, of een zijner afstammelingen, zou daardoor in staat zijn, het evenwicht omver te werpen, waarop de rust van Europa en de veiligheid van iederen staat is gebouwd.

„Dit bezwaar is te gewichtiger, omdat het het voornaamste motief is voor de alliantie van Hannover. Hetzelfde middel, dat is aangewend om de vereeniging van de Fransche en

87

-ocr page 100-

LOED CHESTEEFIELD EN DE KEPUBLIEK

Spaansche monarchieën te beletten, kan hier baten. Men bepale slechts in de meest duidelijke bewoordingen en neme de meest strenge voorzorgen, dat nooit, in geen enkel denkbaar géval, de staten, wier opvolging thans wordt gewaarborgd, kunnen bezeten worden of geregeerd of zelfs bestuurd, onder welken titel ook, door de koningen of koninginnen van Frankrijk of Spanje, of hunne erfgenamen.

„Doch deze bepaling zou natuurlijk niet gelden ten aanzien van de landen in Italië, die bij den dood van Karei II aan Spanje behoorden. Deze uitzondering schijnt noodig, om de gevoeligheid van Spanje te verschoonen en den keizer te beletten, verkeerd gebruik van de bepaling te maken.

„Het zal bovendien noodig zijn, ter wille van Frankrijk, dat de acte van neutraliteit, indertijd aan den hertog van Lotharingen voor Lotharingen en Bar door den keizer en Frankrijk verleend, hernieuwd worde, opdat niet in geval van oorlog een der partijen, \'t zij defensief, \'t zij offensief, zich van die hertogdommen bediene.

„Meent men, dat deze oplossingen niet al de bezwaren wegnemen, die tegen de gevraagde garantie worden ingebracht, en dat er zelfs zijn, die hier niet worden besproken, men bedenke, dat al de moeielijkheden, die overblijven, niet te vergelijken zijn met de ernstige gevolgen, die weigering of vertraging van de onderhandelingen over de garantie zou na zich sleepen.

„De personen, voor wie deze memorie bestemd is, zijn te ^ scherpzinnig, om zelve die gevolgen niet in te zien. Sommige zijn zoo teer, dat men ze niet aan het papier kan toevertrouwen. Maar daarom zijn zij niet minder verontrustend.

„In elk geval zou het beleidvol zijn; om niet sterker te spreken, dat de geallieerden van Hannover, en inzonderheid Engeland en de Republiek, qui au bout du compte pensent un pen autrement que la France sur le sujet de la succession de l\'Empereur, de zaak zoo behandelen, dat, zoo zij mislukt, de geheele wereld overtuigd zij, dat niet aan hen, maar aan den keizer de schuld ligt.

88

-ocr page 101-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

„Hoe gewillig ook de mogendheden moeten zijn, om onder de vereischte voorzorgen aan \'s keizers wensch te voldoen, zij behoeven hun eigen belangen niet prijs te geven. De keizer behoort hun recht te doen, op alle punten, semel et simul, die op het congres zijn ter sprake gebracht. Hij moet toestemmen in de maatregelen, die met Spanje werden beraamd om de opvolging in Toscane en Panna aan don Carlos te verzekeren. Eindelijk moet hij met de geallieerden overeenkomen in zake Gulik en Berg, en de aanspraken van den koning van Pruisen. Een verdeeling tusschen den paltsgraaf en Pruisen schijnt daartoe de beste weg.

„Men is bij het stellen dezer memorie uitgegaan van de onderstelling, dat de onderhandeling met Spanje tot het begeerde doel leidt. Is de uitkomst een andere en blijft diensvolgens de band tusschen de Spaansche kroon en den keizer bestaan, dan kan er geen sprake zijn van eenigen waarborg, ten minste voor een tijd en totdat deze of gene gebeurtenis den stand der zaken opnieuw zal gewijzigd hebben.quot;

De Pensees impartiales werden aan Chesterfield ter hand gesteld en door dezen naar Townshend gezonden. Niet als in vroeger dagen richtte de raadpensionaris zich rechtstreeks tot den Engelschen staatssecretaris of zond zelf hem zijn advies toe. De oude vrienden keken als \'t ware elkander niet aan, maar wisselden van gedachten door tusschenkomst van Chesterfield.

Aan hem zond Townshend in antwoord een korte nota81 zonder hoofd en onderteekening.

„Ik ben het geheel met den raadpensionaris eens wat betreft de noodzakelijkheid, die er bij den dood des keizers zijn zal, om een verdeeling der Oostenrijksche landen te voorkomen. Ook, dat een waarborg van de voornaamste machten, aan de successie geschonken, het doelmatigste middel zou zijn om zulk een verdeeling te voorkomen. Maar het is nu de tijd niet, om van onze zijde die kwestie aan te roeren. Frankrijk zal nooit, dan uit noodzakelijkheid of uit vrees voor een oor-

89

-ocr page 102-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

log met de zeemogendheden, er in bewilligen. Een zoodanig voorstel, door Engeland en de Republiek te Parijs gedaan, zou ons daar alle vertrouwen doen verliezen. Het zou Frankrijk nog meer in het belang van Spanje stemmen. Indien de Franschen, door te weigeren, gevaar liepen om in krijg te geraken met den keizer, zonder op de hulp hunner geallieerden te kunnen rekenen, zouden zij er mischien door bewogen worden, om het huwelijk van don Carlos niet alleen goed te keuren, maar zelfs te bevorderen, uit overweging dat, zoo men toch tot een garantie komen moet, het beter is die te verleenen ten gunste van een prins uit het huis van Bourbon, dan van eenen uit een ander vorstengeslacht.

„De zaken met Spanje moeten eerst in orde zijn gebrachtr voordat wij de garantie in overweging kunnen nemen. Ik ben stellig van meening, dat wij van onze zijde zelfs dan deze zaak niet moeten ter sprake brengen, tenzij de keizer zelf aanbiedt om zich te vereenigen met de bepalingen, door ons met de koningin van Spanje ten gunste van don Carlos gemaakt; duidelijk verklaart, aan wien hij de hand der aartshertogin wil schenken; en niet alleen aan het Rijk, maar ook aan de mogendheden, die zijne naburen zijn, voldoende zekerheid geeftr dat noch hij noch zijn opvolger hen zal kwellen en plagen, zooals hij dat kortelings met zijn Reichshofrath deed. Want zoo die rechtspraak niet aan banden wordt gelegd, zal de keizer absoluut meester in Duitschland worden, en ook de staten, die grenzen aan het Duitsche rijk, zullen nooit rust of vrede hebben.quot;

Niettemin verwierp Townshend het voorstel, dat Slinge-landt juist met het oog op dien toestand van het Duitsche rijk had gedaan, als onpraktisch. „De katholieke vorsten in Duitschland zouden nooit in de garantie van Engeland bewilligen. Ik weet ook niet, voegde de staatssecretaris er bij, of het parlement zou goedkeuren, dat Z. M. zoo wijd strekkende verbintenissen aanging.

„Eindelijk : keizer Karei is nog niet oud, en heel gezond. De keizerin daarentegen is heel zwak en zal het wel niet

90

-ocr page 103-

DER VEEEENIGDE NEDERLANDEN. 91

lang maken. Dan zal Z. M. wel hertrouwen en hij kan dan een zoon krijgen. Er is dus geen haast bij. Komt Z. M. te sterven, dan zullen natuurlijk de mogendheden, die nu zoo goed gezind zijn voor de garantie, trachten de aartshertoginnen bij te staan en de Oostenrijksche erflanden onverdeeld te houden. De verdragen, die met den keizer bestaan, kun-r neu dan hun tusschenkomst rechtvaardigen.

„De drie bezwaren, in het geschrift van den raadpensionaris geopperd, zijn met groote kracht en helderheid uiteengezet, gelijk ook de oplossing. Het een en ander zal van groot nut zijn, als de zaak ter sprake komt. Maar zij is nog niet rijp genoeg, om een punt van onderhandeling uit te maken. Ons zorgen voor het huis van Oostenrijk, meer en vroeger dan dit zelf het noodig achtte voor zich te doen, heeft, vele jaren geleden, de zeemogendheden schatten gelds gekost en wij hebben niets dan ondank geoogst.quot;

Toen Chesterfield dit zonderlinge en bittere stuk ontving, stond hij gereed om de Republiek te verlaten en naar Enge-i land te gaan. Hij heeft, naar ik meen, nog even den tijd

gehad, de nota aan Slingelandt te overhandigen en diens eersten indruk te vernemen. Dat deze niet gunstig was, sprak vanzelf. Te meer, omdat, naar \'t schijnt, gelijktijdig aan Oostenrijk op de aanvrage om garantie een antwoord werd gegeven, dat door koelheid zeer geschikt was om van

alle verdere pogingen af te schrikken

*

De verdeeldheid in het Engelsche kabinet was de reden van Chesterfield\'s reis naar Londen. Hij hoopte een plaats in het ministerie te verkrijgen.

Lord Townshend had de vijandige houding zijner ambtge-nooten noch vergeven noch vergeten. Als gewoonlijk in derge-liïke gevallen keerde zich de toorn van den beleedigde tegen dien zijner vijanden, wien hij het gemakkelijkst te treffen achtte, ■i Walpole was te sterk door de gunst der koningin en den steun

van het parlement. De hertog van Newcastle, de jonge zwager, die de verzenen tegen hem ophief, zou voor de schuld

A

-ocr page 104-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

van allen boeten! Hij zou vallen. Sedert lang stond bij Townshend vast, wie de opvolger zou zijn.

Van zijn samenzijn met koning George in Hannover had de edele lord gebruik gemaakt, om den lof van den gezant in Holland te verkondigen. Het was in goede aarde gevallen, omdat Chesterfield door zijne handelingen in den Haag \'s konings gunst had gewonnen. Toen George in Augustus naar Londen terugkeerde, gaf Townshend aan Chesterfield ■een wenk. Deze kwam naar Hellevoetsluis, om Z. M. zijn opwachting te maken en werd zeer gracieuselijk ontvangen. Nu spoedde hij zich naar Engeland, hopende te slagen. Townshend begeerde zijn opneming in het kabinet, om van Newcastle ontslagen te zijn en zijn eigen partij te versterken.

Maar hij rekende buiten den premier. De eerste maal dat •Chesterfield aan het hof verscheen (24 October 1729), nam Walpole hem ter zijde en vroeg botweg: „Ik hoor, gij komt •om üefi secretaris van staat te worden?quot; — „Zoo hoog vlieg ik niet,quot; antwoordde Chesterfield, „ik houd van een gemakkelijker plaats. Ik leef maar voor mijn pleizier: het blauwe lint zal mij twee duim langer maken.quot; — „Zoo, dan zie ik hoe het staat,quot; bromde Walpole; „het is een intrigue van Townshend, maar het zal niet gelukken. Gij kunt geen secretaris van staat worden; en wat dien wensch van u betreft, de vervulling kunt gij aan niemand anders dan aan mij danken.quot; 83

Het plompe woord liet aan duidelijkheid niets te wenschen over. Trouwens, dat hij, die omhoog wil klimmen, zich niet moet vastklampen aan wankelende machten, was eeuwen vóór Talleyrand zoowel in theorie als in de praktijk reeds bekend. Aan Townshend had Chesterfield verplichting en hij was met hem bevriend. Maar zijn vertrouwen en sympathie voor de staatkundige denkbeelden van den eersten secretaris van staat waren in de Nederlanden zeer bekoeld. Hij had in den Hol-landschen raadpensionaris een staatsman leeren kennen, wiens inzichten in breedheid en diepte verre die van den Engelschen staatssecretaris overtroffen. Terwijl Townshend slechts voor

•92

-ocr page 105-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

handelsprivilegiën, het twijfelachtig voordeel van Gibraltar\'s bezit, voor de belangen van een keurvorst en bovenal voor het behoud van zijn eigen positie werkte, hield Slingelandt op de vestiging van een Europeeschen vrede het oog gericht.

Onbekommerd om het nadeel, dat de zwakheid der Republiek, die niemand beter kende dan hij, aan de kracht zijner betoogen toebracht, was Slingelandt voor geen breuk met den leider van Engeland\'s buitenlandsche staatkunde teruggedeinsd,, om hem van stappen te weerhouden, die dat groote einddoel konden verijdelen. Terwijl Townshend, ondanks de waarschuwingen van Slingelandt, zich verlokken liet door de ijdele hoop, om door een voorloopig verdrag een tijdelijke rust te verkrijgen, die geen de minste zekerheid voor de toekomst bood, waren al de voorspellingen van den Hollandschen staatsman verwezenlijkt. Met de kracht van een superieuren geest,, die alle persoonlijke gevoeligheid onderdrukt, was Slingelandt niettemin voortgegaan mede te werken. Na een jaar tobbens was Townshend geen stap verder gekomen, en het eenig resultaat, dat men eerlang hoopte te bereiken, was verkregen op den weg, dien de raadpensionaris had gewezen, en slechts, toen hij zelf er de hand aan sloeg. Tegenover den Engelschen staatssecretaris, die zijne politieke antipathieën niet te beheer-schen wist, maar ze koesterde als een persoonlijken wrok en er met het onverstand van den hartstocht aan toegaf, stond de koele en scherpziende staatsman der Republiek, onbeneveld en onbewogen door persoonlijke consideratiën, onwrikbaar op het hooge standpunt van het algemeen Europeesch belang.

Chesterfield had een te helder verstand en een te scherp oog voor afmetingen, om bij de vergelijking dezer mannen te aarzelen. Als de denkbeelden van Slingelandt ingang en bijval, om welke onzuivere redenen wellicht, bij Walpole en Newcastle vonden, en tegen lord Townshend werden gehandhaafd, kon hij dan de zijde van den laatste kiezen?

Het was weinige dagen na zijn komst te Londen, dat hij een breedvoerig schrijven van den raadpensionaris ontving. Het was een vervolg 84 op de Pensées impartiales, in de vorige

9S

-ocr page 106-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

maand geschreven. Een antwoord was het op de nota van lord Townshend, doch, zoo al voor hem in de eerste plaats, zeker niet, evenmin als het vroegere vertoog, uitsluitend voor hem bestemd, noch uitsluitend door hem gelezen.

Met geen enkel woord wordt de aanleiding vermeld; zelfs geen aanduiding, geen aanhaling doet ze gissen. Slingelandt bespreekt de argumenten van Townshend niet, hij laat ze aan hun eigen onwaarde over. Hij komt niet tegen de belachelijke hoogheid op, waarmede de Engelsche staatssecretaris van den keizer van Duitschland, als van een stouten jongen, in den vorm van een belofte van beterschap een schuldbekentenis vergt, voordat hij met hem spreken wil. Hij komt tegen het valsch beginsel op, waarvan Townshend uitgaat, en dringt daar tegenover zijn eigen gevoelen met kracht van redenen aan. Zij, die de nota van Townshend niet kenden, lazen in dit vervolg slechts de nadere uiteenzetting en ontwikkeling van een vroeger geuit denkbeeld; de staatssecretaris kon cr tevens de weerlegging van zijn standpunt in lezen. Zoowel hoogheid als omzichtigheid had de pen van den raadpensionaris bestuurd.

„Hoe meer men de gevolgen van den dood des keizers overweegt, des te meer springt de noodzakelijkheid in het oog, dat de opvolging in zijn staten door gemeen overleg tusschen hem en de geallieerden van Hannover worde geregeld, en dooide laatsten aan die regeling garantie geschonken.

„De Republiek wordt meer dan Frankrijk en Engeland door die mogelijke gevolgen bedreigd. Zij oordeelt daarom, dat de gelegenheid, die zich thans voordoet, niet mag worden verzuimd, om tot die regeling te komen en gelijktijdig tot een schikking der geschillen, die met Z. K. M. bestaan.

„De successie in de Oostenrijksche erflanden was de oorzaak van de bezorgdheid, die de alliantie van Hannover in het leven riep. De regeling van dit hoofdpunt scheen daarom de voorname taak van een congres, samengekomen om een alge-meenen vrede tot stand te brengen. Op het congres te Utrecht

94

-ocr page 107-

DER YEKEENIGDE NEDERLANDEN.

was evenzoo de regeling van de Spaansche successie het hoofdpunt.

„Zij, voor wie deze memorie is bestemd, weten, dat er bij de opening van het congres personen geweest zijn, die van de zijde der geallieerden dit punt ter tafel wilden brengen.

„Men zal zich onthouden de gevoelens of de houding te heoordeelen van hen, die toen anders dachten op grond van het verzet van het Weener hof. Maar nu dit hof, onverschillig waarom, zelf de hand er toe leent, eischt ontwijfelbaar het belang der geallieerden de gelegenheid aan te grijpen, om aan Europa een blijvenden vrede te schenken en tevens aan ieder van hen een behoorlijke genoegdoening.

„Dit is zoo duidelijk, dat men zelfs beweren durft: het is niet mogelijk anders te oordeelen, sans avoir d\'autres vues et même des vues bien suspectes.

„Niet al de geallieerden hebben een gelijk belang bij deze zaak. Daarom is het te vreezen, dat zij niet alleen verschillende, maar zelfs stellig opposiete wegen zullen inslaan, zoo zij het doel van het verbond van Hannover niet nauwgezet in het oog houden. Zoowel het verband, of lieve» de samenhang, die er bestaat tusschen de aanvraag des keizers en het doel van de alliantie en van het congres van Soissons, als het gevaar eener beschouwing, als had die keizerlijke aanvraag niets met de tegenwoordige onderhandelingen te maken, mag niet voorbijgezien worden.

„Ofschoon Engeland belang heeft bij het behoud van het Europeesch evenwicht en de algemeene rust, die er op gegrond is, wordt het, ten gevolge van zijn ligging, handel enz. minder dan de Nederlandsche Republiek door de verstoring van het evenwicht en andere mogelijke gevolgen van den dood des keizers bedreigd. Het kan daarom niet even warm voor deze zaak zijn en zou zelfs aan andere punten de voorkeur kunnen geven, zoo het niet nauwgezet het doel van het verbond van Hannover voor oogen hield.

95

-ocr page 108-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

„Erger zou het zijn zoo Frankrijk, dit doel uit het oog verliezende, het evenwicht zou willen verbreken, om in troebel water te visschen en zich uit te breiden ten koste zijner naburen, en daarom de garantie weigerde. Maar de houding van Frankrijk na Lodewijk XIV en de vredelievendheid van het tegenwoordig ministerie stellen ons gerust, dat het zulke eerzuchtige plannen niet koestert. Men mag integendeel van zijn voorzichtigheid verwachten, dat het de gelegenheid, die zich nu aanbiedt, zal aangrijpen om, zonder den dood des keizers af te wachten, zijn grens af te ronden en in zijn zwakke zijde te voorzien.

„Lotharingen en Luxemburg maken die zwakke zijde uit. De keizer is te zeer op de garantie gesteld en kent de waarde van Frankrijk\'s toetreding te goed, dan dat hij, indien de neutraliteit van Lotharingen en Bar onvoldoende is, niet bereid zou zijn om ze door andere opofferingen, zelfs door de slechting van de belangrijke vesting Luxemburg, te verwerven.

„De tegenzin van Frankrijk tegen de garantie mag dus niet onoverwinnelijk worden geacht. De Republiek, die, om niet volkomen afhankelijk te worden van zijn bondgenooten, groet belang heeft bij het behoud van het evenwicht en de vereffening zijner geschillen met den keizer, zou groot ongelijk hebben, indien zij niet al haar pogingen aanwendde, om den kardinaal te overtuigen, dat een garantie, geregeld op een der besproken wijzen, behoort tot het plan of het doel van de alliantie van Hannover, en dat zij ook met Frankrijks waar belang overeenkomt.

„Zeker is de garantie in strijd met de oogmerken van het Spaansche hof, dat de aangevangen onderhandelingen, hoe ver gevorderd ook, zou kunnen afbreken, zoo het vernam r dat de geallieerden geneigd waren om met den keizer te onderhandelen. Maar de aanvraag van keizer Karei behoeft nog zooveel toelichting, dat men hem zeer gemakkelijk door allerlei vragen in onzekerheid kan laten, tot de onderhandeling met Spanje is afgeloopen. Men kan bovendien Spanje wel doen

96

-ocr page 109-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEN. 97

begrijpen, dat de garantie voor de vervulling van zijn wen-schen zeer bevorderlijk is. x

„Indien Spanje, wat waarschijnlijk is; verdere plannen koestert en de geallieerden wil meesleepen in een krijg tegen den keizer, om de Quadruple Alliantie te vernietigen en te herwinnen, wat het diensvolgens heeft moeten afstaan, dan kunnen Engeland en Frankrijk volgens de daarbij aangegane verplichtingen niet anders, dan zich tegen Spanje verzetten. Zij hebben den keizer reeds zijn staten gewaarborgd. De garantie waarvan nu sprake is, legt hun in dit opzicht geen nieuwe verplichtingen op.

„Personen, voor wie de schrijver dezer memorie hooge achting gevoelt, hebben een ander middel bedacht, om uit de moeielijkheden te geraken.

„Zij zijn overtuigd, dat men, ten gevolge van Spanje\'s plannen, eerlang verplicht zal zijn te kiezen tusschen een oorlog in Italië en de hernieuwing der garantie, die Frankrijk en Engeland bij artikel 3 der Quadruple Alliantie aan den keizer gaven. Om nu het eerste te voorkomen en tevens Frankrijk te winnen, vragen zij, of de keizer niet tevreden zou zijn met een garantie van Italië door de geallieerden van Hannover, en voor zijn overige landen met de reeds bestaande garantiën.

„Er is geen twijfel aan, dat de keizer dit weigeren zal. Want dan vallen zijn erflanden en de Nederlanden, na zijn dood, ten prooi aan allerlei pretendenten. Die bestaande garantiën gelden wel voor den keizer en zijn erfgenamen en opvolgers, maar hebben geen betrekking op een reglement van successie. Bovendien, Italië zou dan in vrede blijven, maar Duitschland door oorlogen worden verscheurd. Het evenwicht van Europa zou toch verbroken zijn. De Spaansche koningin zou daarbij door zulk een garantie, rechtstreeks tegen haar gekeerd, meer verbitterd worden dan door eene algemeene, die zich over al de landen des keizers uitstrekt.

„Conclusiën:

„Zoo men de garantie aan den keizer weigert, gaat het congres uiteen, zonder eenig verdrag.

7

-ocr page 110-

LOED CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

„De keizer zal in zijn wanhoop tot allerlei maatregelen komen, fort extraordinaires et qui sont surtout a craindre d\'un Prince, qui a en main85 de quoi tenter et d\'ébranler la vertu et la constance même.

„Spanje is toch niet tevreden te stellen zonder een oorlog in Italië. Men behoort het dus niet verder te ontzien, dan door een voorzichtige leiding der onderhandeling.

„Om Frankrijk voor het denkbeeld der garantie te winnen, kan men op geen gunstiger omstandigheden, dan thans zijn, hopen.

„De Republiek zal bij weigering der garantie geen enkel zijner geschillen met den keizer vereffend zien. Voortdurend zal zij aan allerlei beleedigingen blootgesteld zijn, waartoe de Oostenrijksche Nederlanden en de barrière gelegenheid genoeg geven. Om niet te spreken van de moeielijkheden, waarin de keizer haar met Pruisen kan wikkelen. Zij zal dus verplicht zijn, wat haar rest aan krachten, op te teren, als in vollen oorlog, zonder op andere hulp dan die van Frankrijk te kunnen rekenen, omdat Engeland in vredestijd niet gewapend is, en noch Pruisen noch de keizer voel te duchten hebben van haar zeemacht. Zij kan door een plotselingen inval te gronde worden gericht, voordat Engeland haar te hulp kan komen.

„Om dit betoog niet langer te rekken, slechts een paar vragen.

„Zou het niet hard zijn voor de Republiek, de garantie aan den keizer te zien weigeren, of wat zachter klinkt, maar op \'t zelfde neerkomt, haar vreemd aan de tegenwoordige onderhandelingen te hooren verklaren?

„Niet, omdat de keizer weigert in schikkingen te treden, maar omdat Spanje den oorlog met den keizer wil, omdat Frankrijk de handen vrij wil houden, ten einde later van den dood des keizers partij te trekken, als het dit in zijn belang acht en omdat Groot-Brittanje alles vermijden wil wat zijn verzoening met Spanje kan vertragen of belemmeren.

„Zou het niet verstandiger politiek zijn, den keizer en sus-

98

-ocr page 111-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

pens te houden, tot het verdrag met Spanje gesloten is, dat, naar de berichten uit Sevilla luiden, niet lang meer duren zal?quot;

Wat beteekende dit betoog?

De raadpensionaris der Republiek weerlegde Townsher.d, •die de garantie verkoos af te scheiden van de tegenwoordige onderhandelingen, door hem nadrukkelijk aan de oorzaken en het doel van het Hannoversch verbond te herinneren.

Hij prikkelde Engeland\'s vrees om zijn bondgenoot op het vaste land te verliezen, door den aanwas van Frankrijk\'s invloed in de Republiek als noodzakelijk gevolg der weigering te doen doorschemeren.

Zijn wantrouwen in Frankrijk\'s bedoelingen in de toekomst, zoo het thans niet gewonnen werd; zijn onbewimpeld blootleggen van Spanje\'s eerzuchtige plannen, moesten de oogen openen voor het gevaar, dat in de anti-Oostenrijksche politiek van Townshend was gelegen.

Niettemin sprak Slingelandt zijn volle bedoeling niet uit. Dat Frankrijk in de garantie bewilligde, geloofde hij niet, al sprak hij van de mogelijkheid. Hij wilde Engeland bewegen om, ondanks Frankrijk, ze te geven. Hij bracht die slotsom niet in woorden, tevreden zoo hij tot die oplossing leidde. Engeland was in de laatste jaren zoo gewoon met Frankrijk samen te gaan, zijn politiek scheen zoo nauw verbonden aan die van Fleuri, dat er eenige tijd noodig was, om het denkbeeld van scheiding te doen zegevieren.

Van Townshend was geen medewerking te verwachten. Chesterfield had met hem een langdurig gesprek over de voorslagen van Slingelandt. De Engelsche minister verklaarde als altijd zich zeer voor een algemeenen vrede, maar weigerde stellig een enkele poging bij Fleuri te doen, om hem tot de garantie over te halen. Het zou de goede verstandhouding met Frankrijk slechts schaden, zonder eenig nut, want hij wist zeker, dat de kardinaal van geen garantie wilde weten. Om het* groot belang der zaak voor de Republiek keurde hij echter zeer goed, als deze zelve beproefde, wa^t zij op Fleuri vermocht s\'!.

99

-ocr page 112-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

Het was duidelijk: zoolang Townshend de leiding der bui-tenlandsche zaken in Engeland had, zou de raadpensionaris niet slagen.

In de laatste dagen van October was William Stanhope te Sevilla aangekomen, om de onderhandelingen met de Spaan-sche koningin te voeren. Zijn taak was een zeer gemakkelijke en in weinige dagen afgeloopen. Aan de persoonlijke belangen van de koningin werden die des lands opgeofferd. In het verdrag van Sevilla (9 Nov. 1729) gaf de Spaansche regeering de Compagnie van Ostende en Gibraltar prys en stond aan Engeland groote handelsvoordeelen toe. Daarvoor werd de opvolging in Parma en Piacenza aan don Carlos opnieuw verzekerd, en namen Engeland en Frankrijk, gelijk ook de Republiek, op wier toetreding gerekend werd, de verplichting op zich, om zes duizend man Spaansche troepen naar Italië over te voeren.

Een zegekreet ging in Engeland op, toen de diplomatieke overwinning bekend werd. Het monsterverbond van W eenen, dat\' sedert vier jaren den vrede van Europa verstoorde, was uiteengerafeld.

Niettemin was de geestdrift niet algemeen, al deden de afkeurende stemmen in den eersten oogenblik minder luid zich hooren. Chesterfield en velen met hem zagen in de dienstwilligheid, waarmede men zich tot het overvoeren der Spaansche troepen verbonden had, een nieuw bewijs van den Hannoverschen, antikeizerlijken geest, die Engeland\'s buitenlandsche staatkunde beheerschte.

Ook in de Republiek wekte die nieuwe bepaling, die een verrassing was, ernstig bezwaar. Wel voldeden de States, gebonden door hun vroeger besluit, aan de noodiging om toe te treden quot;, maar niet dan onder beperkende bepalingen, waarbij het bedrag van troepen en schepen, tot het dienstbetoon te leveren, werd vastgesteld. Het handelsbelang, dat de vernietiging van de Compagnie van Ostende eischte, was overwegend en deed de kansen op een krijg, die het tractaat nader bracht.

100

-ocr page 113-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEN\'.

quot;wel niet uit het oog verliezen, maar als ondergeschikt op den achtergrond schuiven.

Reeds spoedig bleek het, dat zij niet gering waren. Alles kwam op de houding des keizers aan. Zoo hij, hoe morrende ook, zich aan de bepalingen van Sevilla onderwierp, mocht men hopen, dat de wereldvrede niet verstoord zou worden. Maar keizer Karei dacht er niet aan. Hij protesteerde met woord en daad; beriep zich op vroegere tractaten, met wier inhoud dat van Sevilla strijdende was, en maakte zich gereed, met kracht van wapenen weerstand te bieden.

Tegen dit verzet riep de koningin van Spanje de mogendheden op, om aan de verplichtingen, te Sevilla aangegaan, te voldoen en den keizer tot toegeven te dwingen. Engeland, Frankrijk en de Republiek erkenden onverholen hun verplichting en verklaarden er getrouw aan te zullen zijn. Het uitbreken van den krijg scheen onvermijdelijk.

Doch toen het zwaard reeds halverwege de scheede scheen verlaten te hebben, brak tweedracht uit. Waar zou men den keizer aantasten?

Engeland en de Republiek wilden den krijg op Sicilië en tot Sicilië beperken. Spanje verlangde, dat de geallieerden in Italië zouden optreden. Frankrijk zag niet in, waarom men de Oostenrijksche Nederlanden en de Duitsche erflanden zou verschoonen. Terwijl Engeland en de Republiek ten aanzien der laatsten slechts defensief wilden handelen, verlangde Frankrijk juist hier een aanvallende houding te zien aangenomen, en weigerde aan andere aanslagen deel te nemen.

Zoo groot verschil van gevoelen aangaande het tooneel, deed een niet geringer aangaande het doel vermoeden. De zeemogendheden wenschten de politieke verhoudingen onaangetast te laten, slechts uitvoering te geven aan de besluiten van Sevilla, en de Spanjaarden in Parma en Piacenza te vestigen. De Spaansche koningin scheen het Europeesch evenwicht niet verstoord te achten, als geheel Italië voor haar kinderen werd veroverd. En Frankrijk? De kardinaal en zijne raadslieden spraken voor \'t oogenblik wel niet van een

101

-ocr page 114-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

herziening van de kaart van Europa, maar zij lieten zich zoo onzeker, zoo onbeslist uit, dat uitstellen en tijd winnen hun eenig doel scheen, om bij een mogelijken dood des keizers volkomen vrij van alle banden te zijn, en alsdan een groot deel van den buit voor zich te nemen. Noch voor oorlog noch voor vrede was op den kardinaal te rekenen.

Deze uitkomst van het tractaat van Sevilla, bestemd om Townshend\'s positie te redden, eindigde met hem ten val te brengen. Zijne politieke inzichten hadden volkomen schipbreuk geleden. In plaats dat het tractaat van Sevilla den toestand vereenvoudigde, vermeerderde het de verwarring. De noodlottige bepaling van het overvoeren der troepen bedreigde de geallieerden van Hannover met een krijg, die alleen door hun nieuwe verbondene, Spanje, werd gewenscht. Minder dan ooit was, zoo men de wapenen opnam, te voorzien, welk een omvang en ontwikkeling de strijd wellicht nemen zou. Frank-rijk\'s geheime plannen en de niet geheime eerzucht der Spaan-sche vorstin dreigden Engeland en de Republiek mede te sleepen in een krijg, waarvan niemand het einde of de mogelijke gevolgen berekenen kon.

In dezen verwarden stand van zaken wees het denkbeeld, door den raadpensionaris van Holland reeds in Maart 1728 aanbevolen, een uitweg aan. Herstel van den Europeeschen vrede, door garantie van de Oostenrijksche successie, was de leer, door hem sedert twee jaren gepredikt. Townshend had er niet van willen hooren, en alles, zelfs zijn vriendschap met den raadpensionaris, aan zijn goed vertrouwen in den sluwen kardinaal opgeofferd. Thans zag hij de inzichten van Slingelandt door de uitkomst gestaafd en in zijn eigen omgeving diens denkbeelden veld winnen.

Doch niet dan langzaam, stap voor stap, kwam het Engel-sche kabinet ertoe, den Hollandschen staatsman te volgen.

In de Suite des Pensees impartiales had Slingelandt het denkbeeld vermeld en bestreden, om aan den keizer de garantie zijner Italiaansche bezittingen aan te bieden.

Desniettemin werd in April 1730 door Engeland tot dien

102

-ocr page 115-

DER -VEKEENIGDE NEDERLANDEN.

stap besloten. De Engelsche gevolmachtigden te Soissons werden gelast om aan Fleuri het volgende voorstel te doen; de geallieerden zouden den keizer aanbieden, de Italiaansche bezittingen aan de aartshertoginnen te garandeeren, mits hij in de Spaansche garnizoenen in Parma en Piacenza bewilligde en ook de andere verschilpunten met hen regelde. Als \'t ware om de verantwoordelijkheid van deze daad van Engeland af te schuiven, schuilde Newcastle achter Slingelandt weg. „Daar de raadpensionarisquot; — schreef hij aan de gevolmachtigden — „het denkbeeld reeds voor eenigen tijd heeft geopperd, moeten Uwe Excellentiën de zaak zoo behandelen, dat de Spanjaarden niet meenen, dat het van Z. M. uitgaat, of dat Z. M. terugdeinst voor de vervulling van de met Spanje getroffen overeenkomst.quot;88

Dit beroep op Simon van Slingelandt was slechts ten deele juist. De voorwaarden, waarvan Engeland de beperkte garantie afhankelijk maakte, waren door hem voor het verleenen der algemeene gesteld. Engeland, een denkbeeld omhelzende, door den raadpensionaris afgekeurd, verbond het met conditiën, die de aanneming bijkans onmogelijk maakten.

Niettemin was zelfs de aanbieding van een beperkte garantie een stap van toenadering tot Oostenrijk: een eerste stap op den weg, dien Slingelandt steeds had aanbevolen.

Niemand moest dit besluit meer grieven dan Townshend. Het was een nieuwe afwijking van de politieke gedragslijn, door hem steeds aanbevolen. Het vijandige besluit van Juli 1729 was door de omstandigheden onuitgevoerd gebleven; het was niet openbaar geworden. Dit besluit kon niet geheim blijven. Te Parijs, in den Haag, te Weenen zou men het opvatten, gelijk het beteekende.

Reeds sedert eenige maanden83 was het zijn plan om af te treden. Hij was er niet in geslaagd, Newcastle ten val te brengen en door Chesterfield te vervangen. Bij den laatsten zelf had hij tegenstand ontmoet, zegt men. Chesterfield had geweigerd, op grond of onder voorwendsel dat de koningin tegen hem was. Hij kon geen den minsten lust gevoelen,

103

-ocr page 116-

LOKD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

zich te verbinden met zijn ouden vriend, wiens positie onhoudbaar was geworden. Townshend\'s verhouding tot Robert Wal-pole was thans van dien aard, dat zij niet langer in hetzelfde kabinet konden plaats nemen. Deze twee raadslieden der kroon hadden bij een twist —juist naar aanleiding van Chesterfield\'s benoeming, verhaalt men — zich zooverre vergeten, dat zij elkander in letterlijken zin naar de keel hadden gegrepen. Een van hen moest wijken. Wie het zijn zou, was niet twijfelachtig. Townshend, door zijn politiek bankroet gevonnisd, viel met de staatkunde die hij had voorgestaan.

Toen in April het besluit was genomen, dat geheel met zijne denkbeelden brak, nam hij zijn ontslag.

Sedert de scherpe briefwisseling in Augustus 1728 waren anderhalf jaar voorbijgegaan, waarin Slingelandt en Townshend elkander niet schreven. In Januari 1730 nam de eerste de pen op, om voor \'t eerst na zoo langen tijd zelf het woord tot zijn vriend te richten. Wij weten niet wat de aanleiding, evenmin wat de inhoud is geweest. De treurige toestand, waarin de papieren van den grooten raadpensionaris zich bevinden draagt ditmaal niet de schuld. Onder de door watervlekken onleesbaren komt die van 13 Jan. 1730 niet voor. Uit het antwoord van Townshend schijnt te blijken, dat de inhoud over financiëele aanspraken der Republiek liep. Het verlies is te betreuren, want het ware belangrijk geweest, te zien, hoe een man als Slingelandt een verbroken band weder aanknoopte.

Het antwoord van den Engelschen staatssecretaris was niet onvriendelijk, maar getuigde toch van een spijtig gevoel. „J?ai re9u la lettre que Votre Excellence m\'a fait l\'honneur de m\'écrire le 13 de ce mois N. S. Je puis vous assurer que je n\'aurais jamais acquiesce a rinterruption d\'une correspon-dance aussi agréable et aussi instructive pour moi, que la vótre, si je n\'eusse craint de mon coté de Vous être impor-tun; surtout après que mylord Chesterfield s\'était rendu a la Haye, qui ayant toute ma confiance et étant en même temps honoré des ouvertures les plus intimes de votre part, laissait devenir

104

-ocr page 117-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

moins nécessaire un commerce particulier de lettres entre nous deux.quot; 51

Er sprak gevoeligheid uit die geheel misplaatste aai;stipping van de intimiteit tusschen Slingelandt en Chesterfield. Dat zij niet de reden was van het staken der briefwisseling, wisten beide mannen maar al te goed. De verklaring van Townshend\'s woorden zal wel te vinden zijn in Chesterfield\'s weigering, om zijn lot aan het zijne te verbinden. De staatssecretaris zag in zijn vroegeren protégé een gewonnene voor de denkbeelden van Slingelandt.

Thans, drie maanden later, in Mei 1730 aftredende van het politiek tooneel, dat hij niet meer betreden zou, nam hij schriftelijk afscheid van zijne diplomatieke correspondenten en vrienden. Ook van Simon van Slingelandt. Hij verontschuldigde zich, dat hij, „après tant de marques que nous nous sommes donnés d\'une confiance réciproque dans le cours d\'une :si longue amitiéquot;, hem niet vroeger zijn besluit had bericht. „Les sentiments favorables que V. E. a toujours témoignés a mon égard, et la crainte d\'essuyer des reproches qu\'une pareille ouverture pourroit m\'attirer d\'un ami si partial envers moi ont été les seules raisons.quot; Dit was natuurlijk de waarheid niet. Toch was er in de wijze, waarin Townshend hier hun oude, vriendschappelijke verhouding vermeldde, iets, wat Slingelandt treffen moest. Un \'ami si partial — had de hooge staatsman ooit de lofspraak verdiend?

Slingelandt\'s antwoord is hartelijk. Hij, die ook de gebreken van den ouden dag ondervindt en door zijn wankelende gezondheid met het denkbeeld van aftreden meer en meer vertrouwd raakt, kan, ook zonder politieke nevengedachten, Townshend\'s besluit slechts goedkeuren : „je suis si éloigné de blamer le parti que V. E. a pris, que tout au contraire je l\'admire, et je serais tres porté a imiter votre exemple, si des personnes pour lesquelles j\'ai avec raison beaucoup de déférence, ne m\'en détournaient par la considération que, quelque peu utile que je suis dans mon poste, je ne puis le quitter pour le présent sans préjudice du pays, que je sers.quot;

105

-ocr page 118-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

Doch de gedachte aan zich zelf overheerschte niet. Towns-hend mocht de voldoening smaken, dat de staatsman, tegen wien hij steeds had opgezien en die ook hem niet al te zacht had behandeld, met de verzekering van zoo warme vriendschap van hem scheidde, als zeker slechts zelden uit Slingelandt\'s pen is gevloeid. „Tant que je vivrai, je penserai avec un plaisir extréme a un ami tel que vous: je vous sup-plie, Mylord, de songer quelques fois dans vótre heureuse retraite, que rien ne diminuera jamais le moins du monde la vivacité des sentimens d\'une veritable et tres parfaite estime et vénération, que j\'ai eu pour vous depuis le temps que mon bonheur m\'a concilie votre connaissance et votre amitié, et qui se sont fortifies et augmentés, a mesure que les affaires nous ont fourni les occasions de nous entretenir tant de bouche que par écrit.quot; 92

Was er een kleine schuldbekentenis in die laatste woorden verscholen?

Hoe het zij — bij \'t afscheid voor het leven drukten de oude vrienden elkander trouwhartig de hand, vergetende en vergevende wat achter hen lag.

Het voorstel van Engeland om aan keizer Karei de garantie aan te bieden van de schikkingen, door hem voor zijne Italiaansche bezittingen te maken, mits hij toestemde in de Spaansche garnizoenen en de andere geschilpunten regelde, was door Frankrijk en de Republiek aangenomen. Door beiden op denzelfden grond: noch Fleuri noch Slingelandt, om hoe uiteen-loopende redenen ook, wenschten of verwachtten de aanneming.

Den 27en Mei gaf Chauvelin, de Fransche grootzegelbewaarder, aan den graaf de Königsegg, een der Oosten-rijksche gevolmachtigden bij het Congres, kennis van den voorslag der geallieerden. Gelijk Engeland had voorgesteld, droeg het eenigszins den vorm van een ultimatum. Het was, schreef Chauvelin, Ie dernier effort que la France, l\'Angle-terre et les Etats Généraux font pour assurer une conci-lation généralequot;\'3.

106

-ocr page 119-

DER VEEEENIGDE NEDERLANDEN.

Oostenrijk werd er niet door verschrikt, en haastte zich niet te antwoorden. Toen in de tweede helft van Juli eindelijk het antwoord werd ontvangen, was het stellig weigerend. Keizer Karei wees den voorslag af, onder warme verzekering van zijn vredelievende gezindheid en nadrukkelijken aandrang op de garantie der geheele Oostenrijksche successie. Niet voor een deel, maar voor het geheel zijner landen wenschte hij zekerheid 01. De verbondenen, die reeds weinig dagen later met bun repliek gereed waren, stelden zich tevreden om in korte woorden hun teleurstelling uit te spreken, maar tevens bun stellig voornemen om alle middelen te hunner beschikking tot vervulling der overeenkomst van Sevilla te bezigenorgt;.

Zoo dergelijke zinsneden iets beteekenden, moesten zij voor een oorlogsverklaring gelden.

Robert Walpole en Newcastle hadden koning George II slechts met groote moeite tot opoffering van Townshend kunnen bewegen, en niet zonder in verschillende audiëntiën hem te verzekeren, dat zij niet minder Hannoverschgezind waren, dan de man, wiens verwijdering zij eischten. Zij zouden daarom bereidwillig geweest zijn, om Engeland in een krijg te wikkelen, zoo Fleuri hun de hand had geboden. Maar daarop was minder kans dan ooit. De aftreding van den Engelschen staatssecretaris, die sedert zoovele jaren de vriend van Frankrijk was geweest, had te Parijs een diepen indruk gemaakt. Wat men ook aanwendde om hem van het tegendeel te overtuigen, Fleuri verkoos ze als een verandering van politiek systeem, niet bloot van personen, aan te zien. Minder dan ooit was hij genegen, om zijn politiek van uitstellen, van afwachten, van niets beslissen, om vrij te zijn voor alle mogelijke gevallen, te laten varen ter wille van een bondgenoot op wien hij niet meer rekende. De kardinaal is vast besloten, schreef Horace Walpole den 12den Juli uit Parijs, dit jaar niets te doen.

Zeer was men te Londen over deze weigering verbitterd. Opvolger van Townshend was William Stanhope, na het trac-

107

-ocr page 120-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

taat van Sevilla tot lord Harrington verheven. „Ik ben jarenlangquot; — schreef hij 97 — „ooggetuige geweest van de jammerlijke politiek der Fransche regeering, en ik dacht, dat ik mij over niets meer verwonderen zou, maar deze houding brengt mij in verbazing, want zij schijnt even weinig gezond verstand als eerlijkheid te verraden.\'

Even weinig als op Frankrijk, was op de Republiek te rekenen. Ook al ware zij minder machteloos geweest, Slinge-landt, die steeds de garantie der Oostenrijksche successie had aanbevolen, zou nooit medewerken tot een krijg tegen den keizer. En wat vermocht Engeland in de Republiek zonder hem?

De eenige mogendheid, op wien men rekenen kon, was Spanje. Maar van haar krachteloosheid, welke zelfs die der Republiek overtrof, was geen hulp, die eenige waarde had, te verwachten.

In deze verlegenheid stonden slechts twee wegen open. Walpole en zij, die met hem Townshend hadden doen vallen, konden terugkeeren tot de politiek van den verjaagden staatssecretaris. Als hij, konden zij Engeland op het sleeptouw van Frankrijk voort laten gaan, geduldig afwachtende, tot de kardinaal eens zou goedvinden een besliste houding aan te nemen, en inmiddels, als Townshend, Engeland in allerlei kostbare verbintenissen wikkelen. Zoo zij dit niet verkozen, omdat juist die politiek van Townshend de grond of het voorwendsel was geweest, die hem had ten val gebracht, bleef hun slechts één uitweg over. Het was, toe te treden tot het denkbeeld, sedert Maart 1728 voorgestaan door den Hollandschfn raadpensionaris.

Het kon niet twijfelachtig zijn, welke keuze Walpole doen zou. Hij mocht noch wilde Townshend de kroon op \'t hoofd zetten.

De Engelsche gezant te Parijs, Horace Walpole, ofschoon gewoon voor de meerderheid van zijn broeder Robert te bukken, was in de buitenlandsche politiek een warm aanhanger van de staatkunde van Townshend, wiens aftreden hij als den val van een „groot manquot; betreurde. Trouwens, zijn brieven hadden zeer medegewerkt, om Townshend in zijn blind ver-

108

-ocr page 121-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

trouwen op den kardinaal te sterken. Hij begreep welk een wending nu te Whitehall voor de deur stond, en deed wat hij kon, om ze tegen te houden Men ging, zeide hij, veel te snel. Toenadering tot Oostenrijk was verkoeling met Frankrijk. Om ze te vertragen, gaf hij een raad, die bewees hoe weinig hij op de hoogte was, maar daarom niet minder betee-kenend is. „Het komt mij volstrekt noodig voor, dat Z. M. volkomen op de hoogte zij van de gevoelens der Staten. Hij moet weten, wat zij den meest geschikten weg achten, om een einde te maken aan den onzekeren staat van zaken, hetzij door te onderhandelen met den keizer, nu dit met eer kan beproefd worden, hetzij door een volgend jaar met kracht op te treden. Daarom meen ik, dat lord Chesterfield een uitstap naar Holland moet doen om rechtstreeks de gedachten van den raadpensionaris uit diens eigen mond te vernemen, zoowel wat de gezindheid der Staten, als wat de houding betreft, door Engeland en de Republiek in deze kritieke omstandigheden aan te nemen.quot; \'J9 Wat hij hoopte van die zending, verheelde hij niet. Indien de Staten een krachtige, oorlogzuchtige houding aannamen, zou Fleuri er door opgewekt worden, om stellige beloften voor een volgend jaar te doen: de onderhandelingen met Oostenrijk zouden dan voorkomen zijn. — „Ik hoopquot; voegde hij, veertien dagen later 100, aan zijn broeder er bij — „dat lord Chesterfield geen tijd zal verliezen, om zich naar Holland te spoeden. Hij geniet zoozeer het vertrouwen van den raadpensionaris, dat hij zonder eenigen twijfel in staat is om diens ware gevoelens te vernemen. En zijn oordeel is zoo goed, dat hij een goed gebruik van die kennis zal maken. Het is absoluut noodzakelijk voor de twee volken, dat zij volkomen samenwerken. Ik hoop, dat de edele lord den raadpensionaris dringend zal opwekken, om de Staten tot een krachtig en beslist handelen te bewegen.quot;

„Quantum mutatus ab illo!quot; had Chesterfield, als hij dezen brief had gelezen, kunnen uitroepen bij de herinnering, hoe deze zelfde schrijver, die hem thans lof toezwaaide en zijn hulp dringend noodig achtte, hem vroeger, toen er sprake was

10»

-ocr page 122-

110 LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

geweest om hem tot gezant te Parijs te benoemen, bitter had tegengewerkt. En met welk een ironischen glimlach zal Kobert Walpole de raadgevingen van den goeden broeder hebben ontvangen, die in Chesterfield en Slingelandt bondgenooten zijner politiek zag!quot;

Toch werd de raad van den gezant opgevolgd, maar niet met zijne bedoelingen. Duo cum faciunt idem, non est idem.

Chesterfield had den geheelen winter — sedert October 1729 — in Engeland vertoefd en de ministerieele crisis, in al hare phasen, aangezien. Hij was met Townshend op vriend-schappelijken voet gebleven, doch werd niet in zijn val medegesleept. Met Slingelandt had hij eenige briefwisseling gehouden, die, voor zoover leesbaar, weinig licht, verspreidt, deels omdat de diplomatieke omzichtigheid het bespreken van het belangrijkste verbood, deels omdat Slingelandt\'s brieven ontbreken. Het blijkt niet, dat hij op den gang van zaken eenigen invloed heeft pogen te oefenen. Zijn persoonlijke betrekking tot Townshend maakte dat ook moeielijk. Robert Walpole van zijn zijde was de man niet om aan •een Chesterfield raad te vragen. En de Hollandsche raadpensionaris was niet gewoon, de huldiging zijner inzichten door persoonlijken invloed te bevorderen. Hij kon wachten. De ontwikkeling der gebeurtenissen zelve zouden zijne denkbeelden •doen zegevieren.

Het was weinige dagen na de aftreding van Townshend, dat Chesterfield tot ridder van den Kouseband werd gekozen. Vier weken later — 19 Juni — werd hij tot Lord High Steward of the Household benoemd. Die opvolging van eerbewijzen, geschonken toen het antwoord van Oostenrijk nog onbekend was, bewijst, dat Walpole reeds de mogelijkheid voorzag, dat hij zijn ouden bestrijder zou noodig hebben. Hij zocht hem te winnen, omdat hij zyne hulp zou behoeven101. De gezant in de Republiek, die het vertrouwen van Simon van Slingelandt genoot, mocht geen tegenstander zijn op het oogenblik, dat men zich gereed maakte, de politieke leiding van den raadpensionaris van Holland te volgen.

-ocr page 123-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

Den IS4®quot; Juli werd het afwijzend antwoord van Oostenrijk ontvangen. Voor het einde der maand wist men, dat Frankrijk alle medewerking weigerde, om den keizer met geweld van wapenen tot onderwerping aan Sevilla te dwingen. Het oogen-blik was gekomen, waarin men beslissen moest.

In het begin der Augustusmaand werd te Whitehall het besluit genomen, om aan het keizerlijk hof officieel te berichten, dat Engeland bereid was de oude vriendschap met Oostenrijk te hernieuwen. Omstreeks 20 Augustus legde Robinson l0quot; te Weenen de verklaring af, die eerlang met tegen-verklaringen namens den keizer beantwoord 103 werd. De oude Eugenius van Savoie, die nooit warm Spaanschgezind was geweest, begroette met oprechte blijdschap het uitzicht, dat de oude vriendschap werd hersteld met de zeemogendheden, in en met wier legers hij, de oude degen, in de jaren van zijn jeugd en van zijn mannelijke kracht zijn lauweren had veroverd.

Om de volkomen verzoening voor te bereiden en de voorwaarden vast te stellen, keerde Chesterfield naar \'s Graven-hage terug. Den 20sten Augustus verliet hij Londen.

De instructiën, waarmede de Engelsche gezant in de Republiek wederkeerde, zijn onbekend. Niettemin blijkt van elders «en deel van zijn last. De raadpensionaris, die het eerst den weg had aangewezen, die nu ingeslagen werd, was de gids wien Engeland volgde. Zijn invloed en die van den griffier Fagel werden zoo beslissend geacht, dat hun goedkeuring van het te sluiten tractaat die van den Staat waarborgde. Met hen alleen had Chesterfield te onderhandelen; met hen alleen moest hij de artikelen opmaken. Alle depêches, waarin Robinson, de gevolmachtigde te Weenen, mededeeling deed van zijn besprekingen met het Oostenrijksche kabinet, werden aan Chesterfield, ter mededeeling aan den raadpensionaris, toegezonden. „Z. M.quot; —- verklaarde lord Harrington 104— „zal de Pragmatieke Sanctie niet garandeeren, voordat hij van den raadpensionaris en den griffier de bepaalde verzekering heeft.

111

-ocr page 124-

LOED CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

dat, ofschoon de vorm van hun gouvernement hun niet vergunt het tractaat gelijktijdig met ons te teekenen, Hij er stellig op rekenen kan, dat dit later zal geschieden.quot;

Niettemin bleven er hinderpalen genoeg over, die moesten opgeruimd worden, voordat de onderhandeling tot den begeerden uitslag kon leiden.

De toelating der 6000 Spanjaarden in Parma en Toscane was een der grootste bezwaren. In Weenen wilde men er niet van hooren; in Madrid weigerde men elke toegefelijkheid, in de hoop de onderhandelingen te verbreken. Slingelandt deed al het mogelijke, om dezen steen des aanstoots uit den weg te ruimen. Het keizerlijk hof zocht hij tot inschikkelijkheid te bewegen; hij stelde zelf een ontwerp op, dat de keizer aan de geallieerden van Hannover zou kunnen aanbieden quot;,5. Met minder verschooning behandelde hij Spanje. Ziende, dat in Engeland eenig gewicht aan het verzet van Spanje gehecht werd, weerlegde hij in een breedvoerige memorie de preten-siën der Spaansche koningin, om op grond van een enkel artikel Europa in een oorlog te wikkelen. Met grooten nadruk en op heftiger toon, dan hem gewoonlijk eigen was, wees hij op de zeer ernstige gevolgen, indien onder zulke voorwendselen de vrede van Europa werd verhinderd. Engeland en de Kepubliek moesten, zonder zich om Frankrijk en Spanje verder te bekommeren, aan den dreigenden staat van zaken een einde maken en door de garantie der Pragmatieke Sanctie de rust van Europa verzekeren l0(i.

Na weken arbeids en onderhandelingen mocht hij slagen. Engeland vereenigde zich met zijne inzichten en keerde aan de hand van den Hollandschen raadpensionaris tot het oud politiek systeem terug.

Over de mondelinge onderhandelingen van Slingelandt en Chesterfield met den Oostenrijkschen gezant, bij de vaststelling van hun ontwerp-verdrag, zijn geen bijzonderheden bekend. „Wij maakten met ons drieën het tractaat,quot; verklaarde Chesterfield in volgende dagen. Indien het verhaal, dat hij, naar men zegt, van zijn ambassade in de Nederlanden heeft

112

-ocr page 125-

DER VEIiEENIGDE NEDERLANDEN.

opgesteld, nog bestaat, kan het een belangrijke bijdrage voor het staatkundig leven en karakter van Simon van Slinge-landt zijn 107.

Bij liet ontwerp, door hen ontworpen Ul8, garandeerden Engeland en de Republiek de Pragmatieke Sanctie, terwijl de keizer de 6000 Spanjaarden toeliet en in de opheffing van de Compagnie van Ostende bewilligde. Slechts de hoofdpunten van het verschil waren hier geregeld; alle andere werden aan nadere besprekingen verwezen. Van de eischen, die George als keurvorst van Hannover te berde bracht, was geen melding gemaakt. De Engelsche koning was er zeer boos over, inzonderheid op den raadpensionaris. Chesterfield trok met warmte en scherpheid voor hem partij, en nam de schuld van het verzuim op zich. „Ik achtte het geheel ongepast, den raadpensionaris te verschrikken met een catalogus van pretensiën, die hem de geheele zaak als onuitvoerbaar zou doen beschouwen.quot;

Trouwens, te Whitehall zorgde men wel voor de keurvor-stelijke eischen. Toen het ontwerp, 15 Dec., naar Weenen werd gezonden, was het verrijkt met allerlei bijvoegselen, die Han-noversche belangen raakten. En Chesterfield en Slingelandt waren er zeer ontevreden over.

„De koning beschouwt de garantie als zulk een groote concessie, dat zij hem rechtigt alles te vragen,quot; merkte de gezant109 scherp aan.

„Het verdrag, voor zoover het Engeland en de Republiek betreft, is zoodanig, dat de keizer het moet aannemen. Maar in de keurvorstelijke eischen kan noch hij noch het Duitsche rijk ooit bewilligen.quot; Met grooten nadruk stond Chesterfield de inzichten van Slingelandt bij het Engelsche kabinet voor, en bepleitte ze met een kracht, die niet vrij van heftigheid was, schoon de vorm behoorlijk mocht heeten. „De raadpensionaris vreesde, ook zonder ze te kennen, dat de keurvorstelijke eischen bezwaren zouden geven. Hij hoopte, dat men ze naar een latere overeenkomst zou verwijzen. Wat zullen de gevolgen zijn, indien op deze punten, die noch Engeland noch de Republiek aangaan, de onderhandeling afbreekt?

8

113

-ocr page 126-

114 LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

Het wantrouwen en de verdeeldheid onder de geallieerden zal alle samenwerking in het vervolg ondermijnen; wij zullen verplicht zijn aan Frankrijk waarborgen van onze trouw in de toekomst te geven. Zoowel voor den koning als voor het ministerie en de natie zullen de gevolgen noodlottig zijn.quot;

Het werd eindelijk te Londen ingezien. Toen na twee maanden onderhandeling en na herhaalde herziening van het ontwerp, ondanks den invloed van een krachtige vredespartij te Weenen, aan wier hoofd Eugenius van Savoie stond, alles afstuitte op de keurvorstelijke eischen, besloot Walpole toe te geven. Het ministerie deinsde voor de verantwoordelijkheid quot;terug, om ter wille van Hannover den vrede aan Europa te weigeren. De koning moest buigen. De gezant te Weenen kreeg last, om, zoo de hoofdpunten waren toegegeven, den vrede te teekenen, zonder zich door de nevenbe-zwaren110 te laten weerhouden. Den 18dC11 Maart 1731 werd het tweede tractaat van Weenen gesloten.

Het was een groote staatkundige overwinning, door de geallieerden van Hannover behaald, die het verbond van Weenen eindelijk hadden verbroken. Maar inzonderheid was het een zege van den Hollandschen raadpensionaris. Met zelfvoldoening mocht Simon van Slingelandt op zijn werk terugzien.

Van den eersten dag, dat hij zijn betrekking had aanvaard, had hij voor deze uitkomst gearbeid. Stap voor stap had hij Frankrijk\'s invloed in Engeland tegengegaan, om het aan de bedwelmende vriendschap van Fleuri te ontscheuren. De kronkelwegen van den kardinaal had hij versmaad, maar eerlijk en oprecht steeds zijn hoofdbeginsel vastgehouden en gehandhaafd. Noch op de zelfzucht van een koning noch op het eigenbelang van een minister had hij zijn berekening „ebouwd. Het belang van Europa alleen had aan zijn betoo-gen kracht geschonken. Aan zijne hand keerden de zeemogendheden tot de oude staatkunde van Willem III, aansluiting van Oostenrijk, terug.

-ocr page 127-

DEE VEREENIGDE NEDERLANDEN.

Toen de moeielijkheden met het buitenland waren overwonnen, vingen die met het binnenland aan. Drie maanden waren aan de Republiek voor hare toetreding gesteld.

Yan den aanvang af deden zich tallooze bezwaren gelden. Betrekkelijk een der geringste werd door Slingelandt zeiven geopperd. In het tractaat was het verbod van allen kolonialen handel in de Oostenrijksche Nederlanden vastgekoppeld aan de bepaling van een nieuw handelstarief. Slingelandt eischte de zekerheid, dat het eerste niet van het laatste afhankelijk zou worden gesteld. Engelantl gaf bereidwillig de verklaring, door den raadpensionaris geëischt.

Ernstiger gevaar bood de tegenstand der regentenaristoera-tie. Frankrijk ving in deze dagen aan, den noodlottigen invloed in de Republiek uit te oefenen, die haar ten ondergang zou voeren. Met pamfletten zocht het de publieke opinie tegen het Weener tractaat op te zetten. De regenten verschrikte het door zijn weigering om de Pragmatieke Sanctie te waarborgen, en het uitzicht op een krijg, na korter of langer tijd, dat het daardoor opende. De staatspartij, die de Republiek beheerschte, wist dat een krijg haar ten val zou brengen en het stadhouderschap herstellen. Beperkingen der opgenomen verplichtingen werden daarom door de regenten geëischt. Doch ook hiermede alleen werd de toestemming niet verkregen. Ook particuliere belangen moesten bevredigd worden, voordat het staatsbelang kon wegen. Het eerzame stedeke den Briel veroorloofde zich zijn goedkeuring te doen afhangen van de aanstelling van een zijner inwoners tot luitenant-kolonel.

Met diepe minachting zag Chesterfield het aan, hoe een man als Slingelandt met den verachtelijksten tegenstand had te kampen. Voor zooveel hij kon, ondersteunde hij hem. Hij riep de hulp van den jongen stadhouder van Friesland in, om de toetreding van dat gewest te verzekeren.

„Het is onmogelijkquot; — schreef Chesterfield in Juni 1731 naar Engeland — „voor iemand, die niet goed bekend is met den vorm van bestuur, die hier bestaat, zich een voorstel-

115

-ocr page 128-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

ling te vormen van de zonderlinge vertragingen en absurde moeielijkheden. die bij deze onderhandeling zich hebben opgedaan, maar om er u een denkbeeld van te geven, wil u voorstellen een Engelsch minister, die de eene of andere zaak wil doorzetten op grond alleen van de verdienstelijkheid der zaak zelve, zonder zich van belooningen of stralfen te bedienen, in een Huis der Gemeenten, wat onze patriotten een onafhankelijk en onbevooroordeeld huis zouden noemen, d. i. in een vergadering van menschen, staande onder eiken invloed behalve dien van het hof, en oordeel dan, hoe spoedig en hoe gemakkelijk het gaan zou. Dit is het geval met den raadpensionaris en den griffier, behoudens dit verschil bovendien, dat hier unanimiteit wordt gevorderd. Zonder den steun van beloften of bedreigingen, moeten zij al hun kracht inspannen om een groote massa hoofden tot één te brengen, waarvan er velen ongeschikt zijn om te oordeelen, maar er toch hardnekkig aanspraak op maken; velen niet in staat om goed te oordeelen, maar koppig en verkeerd oordeelen; en anderen die altijd zulke politieke zaken aangrijpen, om voordeeltjes voor hun steden, zich zeiven en hun familie te verwerven. Het is inderdaad meer te verwonderen, dat hier nog iets tot stand komt, dan dat het lang duurt. Voor mijn part, als ik iemand de christelijke deugden van geduld, zelfbeheersching en lankmoedigheid wilde lee-ren, zou ik [hem hierheen zenden om een tractaat te sluitenquot;11

Het duurde bijkans een jaar, voordat een vorm werd gevonden, waarin de goedkeuring zonder gevaar scheen gegeven te worden. In Februari 1732 werd eindelijk het tractaat van Weenen door de Staten-Generaal112 goedgekeurd.

Het was^het sein voor Chesterfield om te vertrekken. Toen hij in Augustus 1730 naar Holland was gekomen, had hij gedacht. Kerstmis weer in Engeland te zullen vieren. Tot niets meer had hij zich verbonden. De vertraging, die de goedkeuring van het tractaat had ondervonden, had hem een jaar langer doen vertoeven. Hij nam afscheid met eene missive, die hij den

116

-ocr page 129-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

25sten februari 1732 aan Hunne Hoog Mogenden toezond. Hij had den Amsterdamschen leeraar Theodore Hnet verzocht den afscheidsbrief voor hem na te zien en te verbeteren 113. Diens redactie nam hij genoegzaam geheel over. Doch hij laschte er een zinsnede in, waarin hij den wensch uitsprak, dat „l\'Arbitre suprème des evènemensquot; mocht „suspendre le cours des infirmités humaines et étendre les hornes de la vie en faveur de ceux dont l\'expérience, les talents et les travaux peuvent contribuer a la süreté et a la gloire de la République.quot; Wat hij met die woorden bedoelde en wien hij op het oog had, lichtte hij aan den steller der missive toe. Het was een hulde aan Slingelandt en aan Fagel.

De waardeering was wederkeerig. Tusschen Slingelandt en Chesterfield was de officieele verhouding sedert lang een vriendschappelijke geworden. Was het alleen de overeenstemming hunner politieke inzichten, die den ouden man, ziekelijk en dikwijls lastig, maar niettemin altijd krachtig van geest en helder van hoofd, aan den zooveel jongeren boeide? Of was het de aantrekkelijkheid, die zelfbewustheid en jeugd, ook waar zij verbonden is met zooveel overmoed en lichtzinnigheid, als Chesterfield kenmerkte, steeds bezit, en dikwerf het meest voor hen, wier levenskracht wegvloeiende is? Voor een ernstig man, als Slingelandt, zijn hooge kracht zich bewust, maar tevens neergedrukt onder het gevoel van ziekelijkheid en van politieke onmacht, waartoe het meest schaamteloos eigenbelang ten koste van \'s lands welzijn hem doemde, moest het een afleiding en een verkwikking zijn, bij wijle den ver-frisschenden en opwekkenden invloed te ondergaan van een zelfvertrouwen, dat voor niets terugdeinsde en van een luchthartigheid, die in sarcasmen een uitweg voor zijn ergernissen zocht. Te meer, omdat deze jongere met zooveel ware reverentie zijn meerderheid erkende, en met zooveel oprechte eerlijkheid hem zijn dank voor de voorlichting zijner rijper ervaring en voor zijn vriendschap tevens betoonde.

Toen hij, in Oct. 1729 naar Londen vertrokken, van Slingelandt de Suite des pensees impartiales ontving, besprak Ches-

117

-ocr page 130-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

terfield in zijn antwoord — het was blijkbaar de eerste brief na zijn vertrek — het onderwerp niet, voordat hij deze regelen deed voorafgaan.

„Je crois qu\'il ne m\'est nullement nécessaire de dire a V. E. ce que je pense de tout ce qui vient de votre part, ni de vous assurer des sentiments de reconnaissance que j\'ai et que je conserverai toute ma vie des bontés et de l\'amitié, que vous m\'avez témoigné pendant mon séjour a la Haye, étant tres persuade de ce que V. E. me rend justice la des-sus\' !14. Diezelfde toon klinkt door al de brieven, die over zijn; geen enkele is er, die la parfaite veneration, waarmede Chesterfield gewoonlijk zich teekent, logenstraft. Ook na het nederleggen der ambassade en zijn vertrek voorgoed uit de Republiek verandert hij niet. Nauwelijks in Londen teruggekeerd, haast hij zich hem\' te schrijven : „V. E. voudra bien me permettre d\'employer les premiers momens de mon séjour ici, pour vous témoigner ma reconnaissance de toutes vos bontés pendant celui que j\'ai fait a la Haye.quot; 115 Slingelandt antwoordt en zendt hem een brief, waarin hij hulde brengt aan zijne begaafdheden. Chesterfield wijst de lofspraken af en verklaart er niets in te willen lezen, dan een nieuw bewijs van de „partialité en ma faveur que j\'ai si souvent expéri-menté pendant mon séjour a la Haye, et qui indépendamment de ces grandes qualités qui vous ont acquises le respect et la vénération de tout le monde, m\'oblige a vous considérer comme un ami et un protecteur, et (pardonnez moi le mot) a vous aimer et vous honorer comme un père.quot; 11(i

Aanvankelijk schijnt de briefwisseling te zijn voortgezet. Slingelandt merkte, na Chesterfield\'s vertrek, eenige verandering in den toon van Engeland op en vroeg inlichting, naar \'t schijnt. „Ik word buiten alles gehouden,quot; antwoordt Chesterfield; „de ministers laten mij geen enkelen brief zien; ils m\'ont caché méme avec soin ce qu\'ils ont communiqué avec indiscrétion aux autres.quot; 117 Dit moest storend op de correspondentie werken; politieke voorzichtigheid kon ze ongeraden doen achten. Vooral nadat Chesterfield als een der hoof-

118

-ocr page 131-

DER VEREENIGUE NEDERLANDEN.

den van de oppositie tegen Walpolc in het Hoogerhuis was opgetreden. Toch zien wij Chesterfield nog herhaalde malen aan Slingelandt schrijven, en steeds op hartelijken toon, en met opprijsstelling van zijn oordeel. Doch langzamerhand, als steeds, waar afstand en verschil van levenstaak scheidt, hield de vriendschappelijke aanraking op, en leefde alleen de herinnering voort. De woorden, twintig jaar later door Chesterfield ter eere van Slingelandt en Fagel geschreven, bewijzen, dat zij warm en blijvende is geweest.

IV

.Het zou mij zeer spijten, indien men mij bij mijn terugkomst met wantrouwen ontving, want ik verklaar plechtig dat ik zonder eenige booze bedoelingen kom. Ik wensch in vriendschap met allen te leven, die in\'s konings dienst zijn,\' schreef Chesterfield, eenige maanden vóór zijn terugkeer naar Engeland. Het verblijf in de Nederlanden, dat hem de ellende van een legale anarchie deed kennen, was zeer geschikt om hem de voordeelen van een krachtig bestuur, door een mannenhand gevoerd, te doen waardeeren. Onder den indruk van wat hij in de Republiek had aanschouwd, maakte hij zich de illusie, genoeg kalmte en lijdzaamheid te hebben verworven, om voortaan te verdragen wat hij afkeurde. „Ik kom terug, goed voorbereid, om met geduld te lijden, want ik ben hier in de school van geduld. Te moeten handelen met omstreeks tweehonderd personen van verschillend karakter en beroep is al even vermoeiend, als te handelen met een mooie vrouw, die minstens tweehonderd maal op een dag van humeur verandert.quot; 118

Doch de natuur is sterker dan de leer. De Earl of Chesterfield, die het verdrag van Weenen had helpen sluiten en de vertrouwde was geweest van den staatsman der Republiek, zag zich bij zijn terugkomst in Londen op den achtergrond geschoven. Het ministerie behandelde hem als een gewoon diplomatiek agent, te onbeduidend, dan dat zijn voorlichting

119

-ocr page 132-

LORD CHESTERFIELD EX DE REPUBLIEK

waarde kon hebben. Chesterfield werd buiten alle zaken gehouden. Als ware hij op het terrein der Republiek niet beter thuis dan de meeste Engelsche staatslieden, werd hij noch om raad gevraagd noch in vertrouwen genomen. Had Robert Walpole hem willen winnen, hij zou er waarschijnlijk in geslaagd zijn, want Chesterfield had eerzucht en bekwaamheid, en kon diensten bewijzen. Maar de eerste minister, die niemand nevens zich duldde, stiet hem door geringschatting en verwaarloozing van zich af. Chesterfield mocht Lord High Steward zijn, hij was de man niet, om in do formaliteit van een hofambt bevrediging van zijn eerzucht te vinden. En evenmin om, ter wille van dien post, zijn gevoeligheid over de minachtende bejegening te onderdrukkep of te verzwijgen. In de Nederlanden was zijn onwil tegen de Hannoversche politiek ontwikkeld: persoonlijke gevoeligheid scherpte, als steeds, het staatkundig inzicht. Beide verecnigd dreven hem in de rijen der oppositie terug, waartoe hij vóór zijn ambassade had behoord. Reeds na betrekkelijk korten tijd werd hij opnieuw tot de erkende tegenstanders van Walpole gerekend.

In het voorjaar van 1733 bracht de eerste minister de beroemde accijnsbill in \'t Parlement in. Deze voordracht schonk een krachtig wapen aan de oppositie, om het volk in beweging te brengen, onder de leus, dat zijn vrijheid dooide nieuwe belasting werd bedreigd. Als dikwerf waren liet meer de gebreken van den mensch, dan de misslagen van den staatsman, die de rijen van Wal pole\'s vijanden verbreedden. De wrok tegen den overmachtigen minister, die steeds zijn wil aan anderen oplegde, zonder eenige zelfstandigheid te dulden, herschiep zelfs vroegere volgelingen in onverzoenlijke vyanden. Zoo algemeen en dreigende werd het volksverzet, door de oppositie in \'t leven geroepen, dat de regeering het wetsvoorstel moest prijsgeven.

Walpole, die tot dusver, twaalf jaar achtereen, Engeland had geregeerd, zonder op eenigszins ernstigen tegenstand te stooten, vergaf de nederlaag niet. Hoofden of leden dei-oppositie, in of buiten het parlement, werden gestraft door

120

-ocr page 133-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.\'

het ontnemen hunner betrekkingen. Een van hen was Chesterfield. Zijne broeders hadden in het Lagerhuis tegen de wet gestemd; in dezen als in andere feiten werd zijn invloed erkend. Toen eenige dagen na de verdaging der tweede lezing de Lord High Steward of the Household in \'t koninklijk paleis kwam, werd hem namens Z. M. de witte staf, het teeken zijner waardigheid, afgeëischt. Chesterfield was ontslagen. Het was de straf voor zijn euvelmoed, zich tegen den eersten minister der kroon te verzetten.

Het jaar 1733 met de geschiedenis van den accijnsbill wijst het keerpunt in Walpole\'s politiek leven aan. Tot dusver de bijkans onbestreden meester van hof en parlement, had hij na 1733 met een steeds toenemenden stroom van tegenstanders te kampen. Jaren achtereen zag Engeland de worsteling tusschen dien éénen man, die het gezag lief had als zijn persoonlijk recht, en de oppositie, die, hoe dikwerf ook verslagen, onvermoeid voortging hem te vervolgen, af te matton, om hem te verslaan.

Het eigenlijke tooneel van den strijd was, als gewoonlijk, waar het een ministerieel leven geldt, het huis der Gemeenten. Pulteney was daar de voorname aanvoerder; Chesterfield en Carteret waren zijn bondgenooten in het Hoogerhuis. Ofschoon de regeeringsaanhang onder de Pairs nog grooter was dan in de Gemeenten, wist Chesterfield door zijn groote redenaarsgaven, zelfs te midden van een meerderheid, die zijn inzichten niet deelde, zich voor de regeering geducht te maken. Menige rede wordt geroemd door tijdgenooten, die persoonlijk onwil of wrok tegen hem koesterden. Onslow, de speaker, een aanhanger der quot;SValpole\'s, brengt, evenals de jongere Horace Walpolequot;9, zij het ook met onwillige stem, hulde aan zijn groot talent. Hij noemt hem den geestigsten man van zijn tijd en een sierlijk redenaar. „Door zijn ambassade in Holland had hij eenige kennis van zaken; hij zorgde bovendien goed op de hoogte van zijn onderwerp te zijn, als hij aan het debat deelnam. Niemands redevoeringen werden ooit meer bewonderd en trokken meer gehoor, dan de zijne. Voornamelijk waren

121

-ocr page 134-

122 LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

zij geliefd bij hen, die of van zijn geest genoten of er behagen in vonden, om de ministers aan de kaak te zien gesteld door zijn talent van ridiculiseeren, of de bitterheid van zijn ironie, een wapen, dat hij meesterlijk hanteerde en nooit naliet te bezigen. De ministers, die in het Hoogerhuis zitting hadden, waren bang voor zijne geestigheden. Maar bovenal was men bang voor zijn scherpe pen, want de scherpste stukken in eene der oppositiebladen wrden hem toegeschrevenquot; li!0.

Het komt niet met de strekking dezer studiën overeen,dien achtjarigen strijd in bijzonderheden na te gaan. Debatten over den zevenjarigen duur van het parlement, over staande legers, over het ontslag van officieren wegens afkeuring vanregeerings-voorstellen, over de emancipatie der kwakers en over meer dergelijke onderwerpen zijn zelfs voor de wordingsgeschiedenis der parlementaire regeering, tot wier barensweeën zij behooren, van ongelijke waarde. De oppositie tegen Walpole bovendien ontleende te veel scherpte aan persoonlijke grieven om het recht steeds op haar zijde te hebben. De tijdgenooten beheerschen, zoodat niemand zich ter zijde kan stellen, maar ook niemand zich verheffen, om of als mededinger of als opvolger te kunnen optreden, is de niet zeldzame misslag van staatslieden, die gewoon zijn meer op den weg, door hen persoonlijk afgelegd, te letten dan op dien, welken de volksontwikkeling voortaan heeft te gaan. Walpole plukte met ieder jaar in de toenemende kracht der oppositie er de wrange vruchten van.

In November 1733 trad Chesterfield in het huwelijk met Melusina van Schulemburg, in naam de nicht, volgens de publieke opinie de dochter van de hertogin van Kendal, de oude maitresse van George I. Hij herstelde door dit huwelijk eenigszins zijne financieele krachten, die door zijn schitterende levenswijze in de Republiek ernstig geleden hadden. Zijn verhouding tot het hof werd er niet beter door. George H had dit huwelijk lang tegengehouden op grond van Chesterfield\'s verslaafdheid aan het spel. De vroegere lord of the bedchamber kende den voormaligen prins van Wales te goed, om deteeder-

-ocr page 135-

DER VEREEN1GDE NEDERLANDEN.

heid van Z. M\'s. consciëntie niet op den waren prijs te stellen.

In deze positie vond de jonge Prins van Oranje, toen hij in het laatst van 1733 naar Engeland overkwam, om zijn huwelijk met Anna van Hannover te voltrekken, den nog vóór korten tijd zoo invloedrijken ambassadeur in de Republiek terug. Op vijandigen voet met de regeering121 en ia ongenade bij het hof, had niettemin Chesterfield invloed genoeg, om, met hulp van den bisschop van Londen, zijn vriend en vroegeren huiskapelaan in den Haag, Richard Chenevix, tot kapelaan van de prinses van Oranje te doen aanstellen, ondanks het verzet van den minister, die in hem slechts een beschermeling en een werktuig van Chesterfield\' zag l21.

De vijandige verhouding, die indertijd tusschen den tegen-woordigen koning als prins van Wales en diens vader George I had bestaan, herleefde tusschen George 11 en zijn zoon, zij het ook om geheel andere redenen. Ditmaal nam de verwijdering nog hatelijker karakter aan, omdat ook de moeder niet alleen er in werd betrokken, maar zelve heftig tegen haar zoon partij koos. Op haar sterfbed weigerde Caroline van Brandenburg zelfs zich met haar kind te verzoenen.

Gelijk onder den eersten George sloot de oppositie zich onder den tweeden aan den prins van Wales aan, en steunde deze haar door zijn hooge positie, zijn invloed en somtijds door zijn stem in het Hoogerhuis. Desniettemin slaagden de vijanden van Walpole er niet in, den gehaten tegenstander ten val te brengen, zoolang de buitenlandsche politiek de natie niet tegen den premier deed opstaan.

De onderwerping van Engeland aan de belangen van het Hannoversche keurvorstendom was de hoofdgrief, ook tegen Walpole\'s buitenlandsch beleid. Toen de Poolsche successieoorlog (1733—35) dreigde Europa in brand te ontsteken, nam de beschuldiging, die tot dusver een meer algemeene was en feitelijke bewijzen had gemist, het eerst, sedert het tractaat van Weenen, een stelligen, beslisten vorm aan. De Neder-landsche republiek, om den krijg te ontgaan, liet uit vrees voor de barrière, die Oostenrijk niet kon, Engeland niet

123

-ocr page 136-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

wilde voorzien, door Franschen invloed zich bewegen tot een tractaat, waarbij de Oostenrijksche Nederlanden door Frankrijk neutraal werden verklaard. De oppositie beschuldigde openlijk do regeering, dat zij de Staten-Generaal tot dien stap had gedwongen. Ter wille van Hannover had zij in het geheim met Frankrijk geheuld, en aan den keizer en de Nederlanden de hulp geweigerd, waartoe zij volgens het Weener tractaat verplicht was. De regeering van Walpole wierp de beschuldiging verre van zich, en noemde de passieve houding van Engeland het gevolg, niet de oorzaak van het neutraliteitsverdrag, door de Republiek gesloten.

Voor Chesterfield, die zich als een der vaders van het Weener tractaat beschouwde, dat de oude verstandhouding tusschen Oostenrijk en de zeemogendheden had hersteld, was het een bittere grief, dat Walpole\'s inschikkelijkheid voor Hannoversche belangen op de nauwe betrekking tot de Republiek ongunstig werkte. Maar nog had de regeering de meerderheid, ook bij verkiezingen, voor zich.

Doch aan den politieken horizont vertoonden zich eerlang zwaarder wolken. Engeland geraakte met Spanje in twist (1737) over commercieele belangen, en het recht van scheeps-onderzoek op zee, dat de Spaansche regeering zich toekende. De patriotten — de tegenstanders der Hannoversche, dynastieke politiek — beschuldigden den minister, dat hij onverschillig voor nationale eer en belangen was. De handelsgeest des volks verklaarde zich met heftigheid tegen Walpole en eischte oorlog met Spanje. In strijd met zijn eigen overtuiging liet hij zich tot een oorlogsverklaring aan Spanje verleiden.

Wat zijn vroeger verzet had aangevangen,, voltooide de ongelukkige loop van den krijg. De groote schade, die de handel leed, werd aan de krachteloosheid geweten, waarmede Walpole den krijg voerde. Een algemeene kreet ging tegen den minister op, die Engeland\'s eer niet handhaafde en den handel berooven liet. Bij deze eerste grief voegde zich eerlang een tweede. Keizer Karei VI stierf (29 Oct. 1740), zoodat Engeland geroepen werd om de rechten van Maria Theresia

124

-ocr page 137-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

volgens de opgenomen verplichtingen te verdedigen. Tot haar tegenstanders behoorde Frankrijk, als verbondene van Spanje en Beieren. Beducht voor een algemeenen Europeeschen oorlog zocht Walpole door subsidiën aan de Oostenrijksche vorstin aan Engeland\'s verplichtingen, en door onderhandelingen met haar bestrijders aan zijn persoonlijke zucht naar vrede te voldoen. Niettemin vertrok koning George, die zijn eigen bedoelingen had. naar Hannover, waar hij een legercorps zou bijeenbrengen, om Maria Theresia bij te staan. In waarheid zou het slechts dienen om Hannover te verdedigen, niet om oorlog te voeren, beweerde de oppositie. En de uitkomst scheen de juistheid der beschuldiging te bewijzen. Aangevallen door een Fransch legercorps, moest George in een verdrag (Sept. 1741) bewilligen, waarbij Hannover voor een jaar neutraal werd verklaard en beloofde geen ondersteuning aan de koningin van Hongarije te schenken.

Een kreet van ergernis ging tegen de regeering op, die noch Engeland tegen Spanje; noch Maria Theresia tegen haar vijanden wist te verdedigen. Al was Walpole aan het laatste verdrag volkomen onschuldig, het werd hem verweten. Van alle kanten namen de beschuldigingen en beschuldigers toe* terwijl de rijen zijner aanhangers en vrienden door vrees en verraad aanvingen te dunnen. Newcastle\'s toon, tot dusver onderworpen en volgzaam, werd hooger en aanmatigender,. naarmate hij het oogenblik zag naderen, waarop hij Walpole ten val kon brengen, gelijk hij Townshend gedaan had. Toen de verkiezingen van 1741 zich tegen den premier verklaarden en zijn meerderheid was weggesmolten, liet zich eindelijk Walpole bewegen om den ongelijken strijd op te geven en voor de macht zijner vijanden en het verraad zijner ambt-genooten het hoofd te bukken.

Een juichtoon ging op, toen de val van den gehaten minister (Jan. 1742) bekend werd. De vrijheid van Engeland scheen gered; niet langer zouden Engeland\'s belangen door die van een keurvorstendom worden beheerscht.

De oppositie, die jaren lang Robert Walpole had bestreden, \'

125

-ocr page 138-

LORD CHESTEEFIKLD EN DE REPUBLIEK

bestond uit de meest vreemdsoortige bestanddeelen, Jaeobie-ten, Tories, Whigs, Katholieken, Ieren, enz. Welke namen zij ook voerden, de haat tegen Walpole was hun eenige band van vereeniging geweest. Toen deze verbroken werd, dreigde zij uiteen te spatten. Om een krachtig bewind mogelijk te maken, scheen het daarom raadzaam een ministerie op den meest breeden grondslag zoo samen te stellen, dat alle partijen zouden vertegenwoordigd zijn en de regeering steunen.

Doch ditmaal vond het denkbeeld nog geen bijval. Het kabinet, dat optrad, is in de parlementaire geschiedenis onder den weinig vleienden bijnaam van „the drunken administrationquot; bekend. Het dankte dien aan een minder nobele eigenschap van den premier, lord Carteret. Hij is nooit nuchter, schreef een tijdgenoot Een begaafd en talentvol man, vol van stoute ontwerpen, slaagde Carteret er niet in, de partij, tot wier eminente hoofden hij jaren lang was gerekend, aan zijn ministerie te verbinden. Deze heftige leider der oppositie bleek als minister niet bestand tegen de bedwelming van de hoflucht. Hij boog het hoofd voor koning George en werd een der gewilligste dienaren der Hannoversche politiek. Newcastle, Hardwicke en de andere ambtgenooten van Walpole, die bij des meesters val als de ratten het zinkende schip hadden verlaten, om over te loopen op vijandelijken bodem, zouden desniettemin het hem niet euvel hebben geduid, indien de vorstelijke gunst, die hij verwierf, ook hun ten goede ware gekomen.

In de laatste jaren van Walpole had William Pitt, de toekomstige Earl of Chatham, zijn roemvolle politieke loopbaan aangevangen. Als lid der oppositie had hij zijn eerste lauweren behaald. Noch hem noch Chesterfield, dien Pitt in deze jaren ,,den eenigen man, die Engeland-kan redden,quot; noemde m, was een plaats in het ministerie aangeboden. Aanvankelijk vond niettemin de politiek van Carteret bij hen goedkeuring. Hij brak met de halve maatregelen van zijn voorganger en deed Engeland krachtig optreden. Maria Theresia werd niet alleen met subsidiën ondersteund, maar ook met een leger.

126

-ocr page 139-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

dat naar Vlaanderen werd gezonden. Om de Nederlandsche Republiek, die tot dusver een onzekere en weifelende houding had aangenomen, tot wakkere deelneming aan den krijg te verbinden, stak hij zelfs de zee over en bracht een bezoek aan den Haag.

Doch de aanvankelijk gunstige stemming veranderde spoedig.

De koningin van Hongarije werd, weinige maanden na Wal-pole\'s val, door Frederik II tot den vrede van Breslau (Juli 1742) gedwongen. Van dezen hoofdvijand bevrijd, richtte Maria Theresia al hare krachten tegen den keurvorst van Beieren, die zich veroorloofd had de Duitsche keizerskroon aan te nemen. Op den dag zijner kroning in Frankfort viel zijn hoofdstad in Oostenrijksche handen. Beieren, met zijne bondgenooten. Frankrijk, Spanje, waren bestemd om Oostenrijk vergoeding te verschaffen voor het verlies van Silezië. dat aan Frederik II was afgestaan.

Aan deze politiek van wraak en wraakoefening, de vrucht van het diep gekwetst gevoel der vrouw en der vorstin, leende zoowel George II als Carteret bereidwillig het oor. Even traag als Engeland in den aanvang van den oorlog de Oostenrijksche vorstin had ter zijde gestaan, even gewillig schenen koning en minister thans, om haar bij haar stoute plannen te steunen. George II, bij wien de lust ontwaakte, om den gehaten mededinger van Pruisen tot de oude onbeduidendheid van een markgraaf van Brandenburg terug te dringen, en hem van zijne landen te berooven, ten einde die bij Hannover te voegen, voelde zijn ijdel klein hoofd gloeien van eerzucht, om de krijgslauweren van een Willem III te verwerven. Met voller harte wierp hij zich in den krijg, om roem en buit te behalen.

Engeland sloot met verschillende Duitsche vorsten verdragen, waarbij het eenige duizenden hunner onderdanen tegen goede guineas huurde of kocht. Ook George H, keurvorst van Hannover, verhuurde aan zichzelf als koning van Engeland \' \'\' een 10.000 man, die de Engelsche regeering betaalde.

Deze politiek was het niet, die Carteret als hoofd der oppositie had voorgestaan. Tegen de vredelievendheid van Wal-

127

-ocr page 140-

128 LORD CHESTERFIELD EN DE ,REPUBLIEK

pole was gestreden, omdat het tractaat van Weenen Engeland verplichtte Maria Theresia bij te staan. Maar de ontwikkeling, nu aan den krijg gegeven, was door niemand geëischt of gewenscht. Alle rollen werden diensvolgens verwisseld. De oppositie, vroeger oorlogzuchtig, pleitte thans voor den vrede. Het ministerie, vroeger vredelievend, verdedigde thans den oorlog. Carteret deed in anderen vorm hetzelfde, wat aan zijn voorganger was verweten: hij schikte zich naar Hannover. Tegen hem, als tegen Walpole, keerde zich het verzet zijner vroegere medestanders, William Pitt bij de Gemeenten, Chesterfield in het Hoogerhuis. „Het is maar al te duidelijkquot; — riep de latere Chatham uit — „dat dit groote, dit machtige koninkrijk slechts als een provincie van een verachtelijk keurvorstendom wordt beschouwd.quot; Maar Carteret, die een meerderheid in het parlement had, bekommerde zich niet om vroegere tegenstanders, of om den onwil, waarmede sommige ministers hem volgden. „Op de menschenmarkt van Europaquot;, zooals Pitt sprak, huurde Engeland voortdurend troepen, om de eerzucht van den Hannoverschen koning en de stoute plannen van Maria Theresia te dienen. De publieke opinie verklaarde zich meer en meer tegen de oorlogzuchtigheid der regeering. „Geen Hannoversche koning!quot; was de dronk, die ook in royalistische kringen gehoord werd. Zelfs de overwinning, die George — de laatste der Engelsche koningen, die een leger aanvoerde —- in 1743 bij Dettingen behaalde, bracht geen verandering in de stemming der natie teweeg. Maar Carteret hield standvastig vol. Een verdrag, in \'t najaar van 1743 te Worms gesloten, verbond Engeland opnieuw aan Oostenrijk en Sardinië, en legde het nieuwe verplichtingen tot groote financieele opofferingen op.

Tot dusver hadden Frankrijk en Engeland slechts als bond-genooten, de eerste van Beieren en Spanje, de laatste van Oostenrijk, aan den oorlog deel genomen en elkander bestreden. In 1744 veranderde de toestand. Frankrijk zelf verklaarde aan Engeland den krijg. Sinds was de kans geringer dan ooit, dat de vredelievende politiek der oppositie zou zege-

-ocr page 141-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

vieren. Doch wat het politiek beginsel niet vermocht, scheen persoonlijk belang te zullen bewerken.

Lord Carteret, die in 1744 door den dood zijner moeder Earl of Granville werd en onder dezen naam meer bekend is dan onder den eerste, telde zijne vijanden niet alleen onder zijne tegenstanders, maar ook onder zijne ambtgenooten. Voornamelijk waren het de hertog van Newcastle en diens broeder Henry Pelham, eerste lord van de schatkist, die zich tegen zijn plannen verzetten. Het staatkundig verschil was bij Newcastle meer voorwendsel dan ernst. Do beleedigende overmoed, waarmede Carteret zijne ambtgenooten, inzonderheid hen, de Pelhams, bejegende, deed hen de hand reiken aan de oppositie, aan Pitt en Chesterfield, om ontslagen te worden van het drukkend overwicht van den premier, wiens hooge gunst bij den koning hen zeiven bedreigde. Een politieke intrige volgde, die Granville (Nov. 1744) ten val bracht.

„De ministers zijn de koningen van het landquot;, jammerde George II, toen hij gedwongen werd Carteret te ontslaan. Van een benoeming van Chesterfield en Pitt wilde hij niet weten. De eerste had hem diep gegriefd door een dier snijdende woorden, gelijk de edele lord dikwijls ten beste gaf. Eens, dat er sprake was van den pretendent, die met een inval dreigde, zeide Chesterfield spottende : „Het is heel gemakkelijk om met de Jacobieten vrede te sluiten. Laat Z. M. aan den pretendent Hannover afstaan. Engeland zal niet voor de tweede maal een koning van daar laten komen.quot; Bovendien had hij onlangs een legaat, door George I aan de hertogin van Kendal gemaakt, doch door George II niet uitbetaald, opgeëischt en Z. M. met een proces bedreigd. Desniettemin moest de koning toegeven. Bij de samenstelling van het kabinet, waarin thans allerlei elementen van de vroegere oppositie werden opgenomen — het dankte daaraan zijn naam: the broad-bottom administration —■ werd Chesterfield tot lord-luitenant van Ierland benoemd.

Hem werd echter een voorwaarde gesteld, om den koning, eenigszins met de verandering te verzoenen. Voordat hij

9

129

-ocr page 142-

LOKD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

zijn hoog ambt te Dublin zou aanvaarden, moest hij naaide Nederlanden gaan, om de Republiek tot krachtige deelneming aan den krijg op te wekken. George was zoo boos op hem, dat hij eerst weigerde hem een afscheidsaudientie te geven en, toen hij ook hierin bewilligen moest, de nieuwe ambassadeur geen ander woord van hem ontving, dan dit: „gij hebt uwe instructiën, mylord.quot; Chesterfield boog en ging.

Oogenschijnlijk was deze missie in onverzoenlijken strijd met de vredelievende inzichten, die Chesterfield tegen Carteret had voorgestaan. Hij heeft later zijn houding toegelicht op eene wijze, die volkomen bevestigd wordt door de sinds bekend geworden bescheiden. Toen hij in 1748 als secretaris van staat aftrad, zond hij een apologie van zijn gedrag127 in het licht en besprak daarin ook deze dagen.

De grondslag zijner vereeniging met de Pelhams was de zucht naar vrede. Do beide partijen — de ministerieele en de oppositie — kwamen overeen om, zoo spoedig als de omstandigheden het vergunden, den koning van de noodzakelijkheid te overtuigen, om een einde aan den krijg te maken, die niet voor de belangen van Engeland, maar voor die van Hannover gevoerd werd. De algemeene volksafkeer, de zware druk der subsidiën, die Engeland betaalde, en de onwil van Holland, om aan Frankrijk den oorlog te verklaren, zouden gronden genoeg aan de hand geven, om Z. M. tot verandering zijner politiek te dwingen. Chesterfield noemde het don-Quichotterie, aan Oostenrijk een vergoeding voor Silezië te willen bezorgen en ontkende, dat Engeland daartoe eenige de minste verplichting had.

Deze voorstelling, jaren later gegeven, wordt geheel bevestigd door een officieel staatsstuk128 uit de dagen zelve. De Pelhampartij in het ministerie bewerkte den val van Granville, door Z. M. de keus te laten tusschen het ontslag öf van hen zeiven, öf van den staatsman, die den oorlog a tort et a travers doorzette. Zij boden den koning eene memorie aan, waarin zij de politieke houding, die zij verdedigden, geheel afhankelijk stelden van de rol, die de Neder-

130

-ocr page 143-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

landsche republiek zou willen spelen. „De grond, waarop de maatregelen van Groot-Brittannië berusten, is het vertrouwen, dat de Staten-Generaal, volgens de bestaande trac-taten, cause commune met ons zouden maken. Daar Holland de eenige onzer bondgenooten is, die geen subsidie van ons krijgt, draagt Engeland den gebeelen last van den krijg alleen. Wij hebben geen verdrag met Holland, dat de verhouding der krachten, ter zee en te land, bepaalt, of de sommen vaststelt, door beide mogendheden voor den krijg te leveren. De gevolgen van dezen toestand zijn voor onze oogen. Onze oude, natuurlijke bondgenooten gaan hun eigen weg; zij kunnen ons loslaten, zoodra zij maar willen. Het is daarom noodig, dat de Republiek tot een oorlogsverklaring aan Frankrijk gebracht worde, en met Engeland een verdrag sluite, dat de samenwerking regelt. Een minister van hoogen stand en bekwaamheid moet onverwijld naar de Nederlanden gaan. Indien hij echter niet slaagt en onze oudste en voornaamste verbondenen weigeren, zich met ons te verbinden, dan doet zich ernstig de vraag voor, of wij niet in vereeniging met Holland naar een geschikt middel moeten uitzien, om tot een algemeenen vrede te komen.quot;

Op deze grondslagen berustte het coalitie-ministerie, waarin Chesterfield als lórd-luitenant van Ierland optrad. Natuurlijk kon het niet onmiddellijk een einde aan den krijg maken: de verbintenissen, die Engeland had aangegaan, en de krijg zelf, waarin men verkeerde, beletten elk overhaast besluit. Maar het vredelievend karakter van zijn politiek was openbaar. Pitt, die nog buitengesloten was, sprak het weinige weken later (Januari 1745) uit, toen het ministerie de middelen voor den krijg in Vlaanderen aanvroeg. Hoe ook gemarteld door jicht, die hem van zijn jeugd af vervolgde, trad hij op, om de aanvrage te ondersteunen. „Indien dit de laatste dag van mijn leven wasquot; — sprak hij — „wil ik hem in het huis der Gemeenten doorbrengen, omdat ik oordeel, dat de toestand van mijn land nog ellendiger is dan die van mijn gezondheid.quot; Nadrukkelijk wees hij er op, hoe de geldaanvrage nu een geheel ander karakter

131

-ocr page 144-

LOKD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

droeg dan in \'t vorige jaar. Toen overheersclite een noodlottige invloed in \'s konings raad; toen scheen het, dat men maar krijg op krijg, uitgave op uitgave stapelde, ten einde Oostenrijk in zijne avontuurlijke plannen, de herwinning der avulsa membra imperii, te steunen, zonder op het belang van Engeland te letten. „Nu daarentegen is het doel, om door een enge verbintenis met Holland, aan vrienden en vijanden een billijken vrede aan te bieden, zonder den krijg langer voort te zetten, dan onze eigen rechten en die onzer bondgenooten eischen.quot;

Zou de Ncderlandsche republiek tot deze enge verbintenis te bewegen zijn?

Er was geen grond om het te verwachten. Het ministerie hoopte het niet. Het wenschte integendeel, dat de staatslieden der Republiek zouden weigeren. Dan zou de koning moeten erkennen, dat Engeland, verlaten door zijne oude en natuurlijke bondgenooten, verplicht was om een einde aan den krijg te maken.

In de laatste dagen van Januari 1745 vertrok Chesterfield naar .den Haag. Hij moest de Republiek trachten te bewegen, om openlijk den oorlog aan Frankrijk te verklaren en over de krijgsoperatiën een overeenkomst met Engeland te treffen. Dit was de tweeledige taak, die hem was opgedragen. Slechts de voorstanders van den krijg hoopten, dat hij slagen zou. Hij niet.

De Republiek der Vereenigde Nederlanden had sedert het uitbreken van den Oostenrijkschen successie-oorlog gewankeld tusschen raad geven en niets doen. Gelijk Engeland was zij door het tractaat van Weenen verplicht, om de Pragmatieke Sanctie te handhaven. Niettemin had zij zich twee jaar lang tevreden gesteld met het aanbieden van bemiddeling en het verleenen van subsidiën. In 1740 en 1741 was wel tot eenige versterking van het leger, ten minste op het papier, besloten, maar het was de Oostenrijksche vorstin niet ten goede gekomen. Vrees voor Frankrijk en Pruisen en de weifelende

132

-ocr page 145-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEX. * 133

houding van Engeland werkten samen om de Republiek in een gedragslijn te sterken, die door de zwakheid van den staat en door den binnenlandschen toestand gebiedend scheen voorgeschreven. De heerschende oligarchie zag een oorlogsverklaring voor het einde van haar heerschappij aan, omdat zij tot de heistelling van het stadhouderschap en de verheffing van den prins van Oranje zou leiden. Eigenbelang en nationale zwakheid, wrange vrucht van de jarenlange ver-waarloozing van alle openbare belangen, scheen de onwaardige houding tot plicht te maken. De invloed van Frankrijk, sedert 1732 in de Republiek herlevende en stijgende, steunde krachtig de vredespartij. Toen, na Walpole\'s val, Carteret een leger naar de Oostenrijksche Nederlanden zond en de vestingen van Vlaanderen bezette, werd dit krachtsbetoon van den bondgenoot door Frankrijk als een wapen gebruikt, om de Eepubliek schrik aan te jagen en wantrouwen tegen de bedoelingen van Engeland te wekken. „Wij zijn er in geslaagd\' — verklaarde in 1743 de secretaris der Fransche ambassade — „Holland tot een non valeur dans les comptes de l\'Angleterre te maken.quot;

Desniettemin dreef de gisting in de Republiek, de invloed der stadhouderlijke partij en de aandrang van Engeland de Staten tot maatregelen, die, gelijk steeds elke bascule-politiek, de tegenstanders niet wonnen en de eigen aanhangers ontevreden maakten. Een commissie uit de Staten van Holland, aan welke in het najaar van 1742 een onderzoek der tractaten werd opgedragen, besliste, dat de Republiek verplicht was de koningin van Hongarije met troepen en niet als tot dusver met geld alleen bij te staan. Doch tot een krachtiger en waardiger houding leidde ook dit niet. Een leger van 20.000 man werd uitgerust, maar kwam te laat om aan den slag bij Dettingen (1743) deel te nemen, en keerde na eenige mar-schen op Duitschen bodem terug, zonder iets verricht te hebben. De leiders der Republiek wilden aan den oorlog slechts deelnemen als bondgenoot van Oostenrijk, maar niet als vijand van Frankrijk. Zij meenden door dit voorbehoud zich

-ocr page 146-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

voor de vijandschap van Lodewijk XV te vrijwaren en het oorlogsgevaar van de grenzen verwijderd te houden.

In het begin van 1743 stierf de kardinaal de Fleuri. Zijn dood effende de baan voor de oorlogspartij aan het Fransche hof, die voor het oogenblik Lodewijk XV medesleepte. In Maart des volgenden jaars verklaarde Frankrijk, dat tot dusver slechts als verbondene van Spanje en Beieren aan den krijg had deelgenomen, den oorlog aan Engeland en Oostenrijk. Wel verschoonde het nog de zwakke Republiek, maar blijkbaar alleen onder de stilzwijgende voorwaarde, dat zij als tot dusver zou voortgaan de speelbal van Frankrijk te zijn en niet wagen tegen te spartelen. Hoe ernstig elke daad, die van iets getuigde, wat men gewoon is zelfstandigheid van een volk te heeten, in Parijs werd opgenomen, bewees de ontevredenheid der Fransche regeering over het samenbrengen van een leger. Toen de Hollandsche troepen naar Duitschland vertrokken, vertrok ook de Fransche gezant de Fénélon119, de zaken der ambassade aan den secretaris, den abt de Laville opdragende.

Met de openlijke deelneming van Frankrijk aan den strijd, breidde zich niet alleen het oorlogstooneel uit, maar vermeerderden ook de moeielijkheden voor de regenten der Republiek. Nog vóór de oorlogsverklaring was Engeland met een inval van den Jacobietischen pretendent bedreigd, die met Fransche schepen zou worden overgevoerd. George II eischte van de Staten de hulp, door het tractaat van 1678 hun opgelegd. Twintig oorlogsschepen en zes duizend man hulptroepen, uit de barrière in de Oostenrijksche Nederlanden gelicht, werden naar Engeland gezonden, ondanks de memoriën, door den abt de Laville er tegen ingediend. Door ditmaal eenigermate trouw aan de opgenomen verplichtingen te zijn, meende de Republiek geen rechtmatigen grond van bezwaar aan Frankrijk te geven en tevens de gunst van Engeland, die men bij ernstig gevaar niet missen kon, zich te verzekeren. Doch hardnekkig weigerde zij den oorlog aan Frankrijk te verklaren, hoe sterk de drang van Engelsche zijde was

134

-ocr page 147-

DER VEEEENIGDE NEDERLANDEN.

en hoe krachtig ook de Oranjepartij zich voor een krijg uitsprak. Zelfs de kennisgeving van Lodowijk XV, dat de veldtocht van dit jaar zich naar de Oostenrijksche Nederlanden zou richten en ook de barrière niet langer verschoond kon worden, bracht geen verandering in het besluit teweeg, schoon de onrust groot en algemeen was, die het vooruitzicht wekte. Om het dreigend gevaar, zoo mogelijk, te bezweren en Frankrijk\'s vriendschap te behouden, besloten de Staten een buitengewoon gezant naar Parijs te zenden. Unico Willem graaf van Wassenaar vertrok, om voorslagen tot een algemee-nen vrede te doen. Do Republiek had, geheel buiten weten van Maria Theresia, preliminairen opgesteld, die aan Frankrijk werden aangeboden. Maar te Parijs dacht men evenmin als te Londen, waar Carteret nog regeerde, aan vrede; de voorslagen van Wassenaar werden geheel onaanneembaar verklaard l:lquot;.

Te Parijs wilde men den oorlog en de verovering der Oostenrijksche Nederlanden. Binnen het verloop van weinige weken werden de barrièresteden door de Franschen bezet, in hun bewegingen niet gehinderd of belemmerd door de troepen der verbondenen, \'wier aanvoerders, naar Willem van Haren schreef, „elkander noch achting noch eerbied toedroegen, en er alleen op gevat schenen, om malkanderen tegen te spreken.quot; ,;il Ware de Oostenrijksche aartshertog? Karei van Lotharingen niet onverwachts aan den Rijn verschenen, zoodat het Fransche leger grootendeels moest wegtrekken, om een inval van den vijand in Frankrijk zelf te voorkomen, reeds in dezen enkelen veldtocht van 1744 zou Maurits van Saksen de verovering der Oostenrijksche Nederlanden hebben voltooid.

Voor het oogenblik week het gevaar terug, doch het bleef dreigende. De regenten der Republiek konden voorzien, dat de legers van Frankrijk in een volgend jaar aan hare grenzen zouden staan, zoo niet nieuwe afleiding elders het voortzetten van den strijd in de Nederlanden belette of een vredesverdrag een einde aan den krijg maakte. De voorspoed

135

-ocr page 148-

LORD CHESTEKFIELD EN DE REPUBLIEK

der Fransche wapenen deed hen minder dan ooit tot een oorlogsverklaring neigen, die lien met een inval op eigen grondgebied en al de noodlottige gevolgen voor hun heerschappij bedreigde, welke de herinnering aan 1672 hun voor oogen stelde. Om dezen jammer te voorkomen, waren zij tot alles bereid. In den nazomer van 1744 nam Frederik de Groote, die Maria Theresia zich door verschillende verbonden steeds sterken zag, zoodat hij voor het behoud van Silezië begon te vreezen, in alliantie met Frankrijk en Beieren opnieuw de wapenen op. Om de rust in het Duitsche rijk, zoo het heette, tegen zijne verstoorders te handhaven, sloten Engeland, Saksen en Oostenrijk te Warschau een verdrag. Hieraan nam de Republiek, een paar weken vóór Chesterfield\'s komst, deel, en beloofde aanzienlijke sommen aan den keurvorst van Saksen voor de troepen die hij tegen den Pruisischen koning te velde zou brengen132. Tot geldelijke opofferingen was zij bereid, om de vijanden van Frankrijk te ondersteunen, en het krijgsgevaar zoo ver mogelijk te verwijderen.

In deze politieke omstandigheden bevond zich de Neder-landsche republiek, toen Chesterfield in het begin van Februari 1745 in den Haag aankwam.

Veel was er in de laatste jaren veranderd. Van de mannen, met wie hij gewerkt had, toen hij het tractaat van Weenen voorbereidde, waren slechts enkelen over. Simon van Slinge-landt was sedert jaren dood. Zijn zoon was ontvanger-generaal van Holland, maar oefende geen politieken invloed. De achtingswaardige Fagel leefde nog, maar had, des levens en des werkens moede, zijn post neergelegd en was als griffier door zijn neef opgevolgd. De politieke mannen van den tweeden en derden rang, die vóór veertien jaar reeds of nog niet de eerste schreden op den maatschappelijken ladder hadden gezet, waren omhoog geklommen, al\' naar gelang de convention onder de regenten hun stijgen meer of minder snel hadden vergund. De man, met wien hij ditmaal- voornamelijk zou te handelen hebben, was de raadpensionaris Anthony van der Heim. Chesterfield had hem in vroeger jaren

136

-ocr page 149-

DEE VEREENIGDE NEDERLANDEN.

zeker ook wel gekend, maar noch toen nocli nu schijnt de indruk dezer persoonlijkheid van dien aard geweest, dat hij hem eenige vermelding in brieven of elders heeft waardig gekeurd.

Als Engelsch gezant in den Haag vond hij Robert Trevor, die in 1739 als envoyé was opgevolgd aan zijn beschermer1:0 Horace Walpole, broeder van den vroegeren Engelschen premier, Robert Walpole. Sir Horace, die nooit van Chesterfield had gehouden en hem zijn bestrijding van zijn broeder niet vergaf, beval den Engelschen lord, toen diens zending naaide Nederlanden was besloten, op zeer eigenaardige wijze aan zijn protégé Trevor aan. „Ik hoopquot; — schreef hij ,3\' — „wanneer onze oude vrienden Chesterfield gelukwenschen dat hij in de regeering gekomen is, dat zij hem tevens beleefdelijk doen gevoelen, hoezeer zij zich verwonderen dat hij zoo lang in de oppositie is geweest; want hij is al dien tijd heel ijverig geweest om te verzekeren, dat onze familie geen krediet bij de Nederlanders had.quot; Dat Trevor aan dit vriendelijk verzoek heeft voldaan, is onwaarschijnlijk. Hij was gehuwd met Con-stantia Huybert, de dochter van den heer van Kruijningen, een oud vriend van Chesterfield. Indien de jongere Horace Walpole, de bekende briefschrijver, dezen Nederlandschen letterkundige gekend had, hij zou Chesterfield\'s vriendschap als een nieuw bewijs hebben aangevoerd, welk een bijzondere voorliefde de edele lord voor slechte auteurs had. Maar Trevor, later lord Trevor en viscount Hampden, heeft het zeker niet noodig gevonden, de goede verstandhouding met Chesterfield en den gezelligen omgang in het huis van zijn levenslustigen schoonvader te verstoren, door zich tot orgaan van de politieke gevoeligheid van een der Walpole\'s te maken. Wij vinden hem met Chesterfield samenwerken, zonder dat van eenige verwijdering blijkt. Trouwens, in hun politieke beschouwing schijnen zij het vrij wel eens geweest te zijn. En Chesterfield, hoe weinig hij zijn scherpe tong ook in toom wist te houden, legde, waar de politiek hem niet scherpte, zelden de hoffelijke innemendheid af, die, oorspronkelijk kunst, langzamerhand natuur was geworden.

137

-ocr page 150-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

In een secreet besogne van 8 Februari deed hij aan de Staten opening van den hem opgedragen last. Hij kwam, om een vast plan van samenwerking in de volgende campagne vast te stellen. Daartoe moest het getal troepen, door iedere mogendheid te leveren, de quantiteit artillerie, het aandeel in de kosten van den krijg worden afgesproken. Tevens wenschte Engeland de verhouding vast te stellen, waarin beide staten aan subsidiën, zoo zij noodig werden geacht, zouden deelnemen. De conventie, die deze punten zoude bevatten, zou tot grondslag dienen voor een alliantie met al de verbondenen, en tevens tot basis voor het plan der krijgsoperatiën. Eindelijk was Chesterfield gelast nadrukkelijk aan te dringen op een onverwijlde oorlogsverklaring van de Republiek aan Frankrijk ®

Niemand verwachtte, ook Chesterfield zelf niet, dat deze voorslagen voetstoots door de Republiek zouden worden aangenomen. Zij had tot dusver van geen concert van maatregelen willen hooren, en nog voor weinige maanden aan Trevor\'s vertoogen, om tot een openlijke vredebreuk met Frankrijk over te gaan, nadrukkelijk weerstand geboden. Chesterfield kende den toestand der Republiek te goed, om het verband van haar buitenlandsche politiek met den binnenlandschen partijstrijd niet in te zien.

Op het oogenblik, dat hij in den Haag kwam, hield een nieuwe kwestie de gemoederen bezig.

Eigenlijk was het een oude. In 1742 waren zes vreemdelingen tot generaals benoemd, en niet naast, maar onder hen de prins van Oranje, stadhouder van Friesland, in den lage-ren rang van luitenant-generaal. Op gekwetsten toon had de prins geweigerd de benoeming aan te nemen. Zijn aanhang rustte niet en bleef voortdurend op zijn benoeming aandringen. Friesland had zelfs in 1744 verklaard, alle consenten te zullen inhouden, zoolang zij niet tot stand was gekomen. Zijne vriénden en voorstanders, ofschoon deze scherpe houding van Friesland geenszins allen goedkeurende, waren steeds onvermoeid bezig om den weg te effenen, en onderhandelden met

138

-ocr page 151-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

invloedrijke leden van Holland, die niet allen onwillig schenen. Men vleide zich, in Februari 1745, den prins tot generaal van het voetvolk te zien aanstellen. Doch de .benoeming, voorgesteld door den graaf van Rechteren, bleef achterwege, ditmaal, naar het schijnt, voornamelijk ten gevolge van de weigering des prinsen, om onder den prins van Waldeck, die tot generaal en chef van het leger was aangesteld, te dienen.

Chesterfield keurde de onbuigzaamheid des prinsen zeer af. „De koninklijke prinses en de prins van Oranje kwamen van nacht in het huis in \'t Bosch aan, en ik maakte heden mijn opwachting bij hen,quot; —• schreef hij den 21 Febr. N. S.136. „De Staten-Generaal zullen hem spoedig tot generaal van het voetvolk benoemen en zijn commissie dateeren van den 2 Januari 1742, d. i. den dag van de aanstelling der vreemde generaals, wier benoeming zooveel beweging gemaakt heeft en Friesland de aanleiding geschonken (of misschien slechts het voorwendsel) om zich tegen alles te verzetten en niets te betalen. Ik hoop, dat de prins de commissie zal aannemen. Ik doe al mijn best, om er hem toe over te halen, maar ik twijfel er aan, of ik slagen zal. Ik durf zeggen, dat hij verkeerden raad volgt, als hij \'t weigert^ zoowel voor zijn persoonlijk als voor het algemeen belang 137.quot;

De aanstelling van Waldeck tot opperbevelhebber kwetste niet alleen den prins, maar vele anderen. „De benoeming van den prins van Waldeck heeft\' — voegde Chesterfield er bijl:iS — „velen van de oude generaals hier geërgerd; maar zij zijn van dat soort, dat het beter is hen te ergeren, dan te gebruiken. Door ieder ander wordt de keus goedgekeurd. Men heeft Waldeck gekozen als een wakker generaal, die in den volgenden veldtocht met kracht en energie zal optreden. Generaal Cronstrom zei vroeger, dat hij den dienst zou verlaten; nu bedelt hij, om gebruikt te worden. Ginkel spreekt op denzelfden toon, maar zal wel eveneens handelen. Alleen Pretorius zal, geloof ik, weggaan.\' Chesterfield gaf Waldeck den raad, geen moeite te doen, om Cronstrom en Ginkel te winnen: het was beter als hij ze kwijt was. Cronstrom was

139

-ocr page 152-

LOED CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

maar een boutefeu, een lawaaimaker, een pen-en-inkt man. en daarbij op het geld verzot. Ginkel was een beschroomd man.quot; 138

Dit partijtrekken van den Engelschen ambassadeur voor den staatsgezinden opperbevelhebber tegenover den schoonzoon des Engelschen konings werd hem in Engeland niet euvel geduid. Want Waldeck berustte in een regeling, die de prins van Oranje zeker niet spoedig zou hebben toegegeven.

De ongelukkige campagne van het vorige jaar was voor een groot deel aan de oneenigheid der generaals geweten. De Staten-Generaal hadden daarom reeds in Januari, vóór Chesterfield\'s komst, Maria Theresia verzocht, om Karei van Lotharingen aan het hoofd van de geallieerde legers in de Nederlanden te stellen. De koningin van Hongarije weigerde het, maar bood aan, om generaal Konigseck met het opperbevel te belasten. Chesterfield maakte er geen bezwaar tegen, offerde den meest impopulairen Engelschen generaal op 130, en wist daarvoor te verkrijgen, dat het „commandement honorair en titulairquot; over de geheele krijgsmacht aan den hertog van Cumberland, den zoon van George II, werd opgedragen, schoon de graaf van Konigseck als kommandant en chef ad latus het eigenlijke opperbevel zou voeren. Waldeck kwam dus onder de bevelen van den jongen Cumberland te staan, wat de prins van Oranje zeker stellig zou geweigerd hebben.

Weinige dagen voordat Chesterfield in den Haag kwam, hadden de Staten-Generaal een besluit genomen, dat een der hoofdpunten zijner onderhandeling werd. Van de twintig oorlogsschepen, die zij in 1744 naar Engeland hadden gezonden, riepen zij de helft terug. Te Whitehall weigerde men aanvankelijk hierin genoegen te nemen en beriep zich op het tractaat van 1678. Maar Chesterfield, ofschoon hij volgens zijn last bij de Staten opkwam tegen het gevallen besluit, geloofde niet, dat het iets baten zou. „Ik heb de nevensgaande memorie over de schepen aan de Staten-Generaal ingediend, maar ik zeg niet en verwacht niet, dat zij eenig goed zal doen. Want op alles wat ik zeg krijg ik ten antwoord: het is noodzakelijk.

140

-ocr page 153-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

Het is inderdaad waar, dat al hun admiraliteitscollegiën te zamen niet in staat zijn één enkel schip behoorlijk uit te rusten. Maar het is ook waar, dat het alles de vrucht is van hun langdurig slecht bestuur en van die ingekankerde misbruiken, die de Republiek bijna hebben vernield, en indien zij voortduren, gelijk ik meer waarschijnlijk acht dan dat zij zullen afgeschaft worden, haar geheel te gronde zullen richten.\'* Toen de Staten op hun besluit bleven staan, gelijk Chesterfield verwachtte, schreef hij naar Londen: „Zij dringen er op aan, om tien van hun schepen terug te hebben, om voor convooy van hun koopvaardijschepen te gebruiken. Ik vrees, dat Z. M. zal moeten toegeven, want anders loopt hij gevaar, dat hij ze alle verliest; zij zijn in staat om ze alle twintig terug te roepen, als de tien hun geweigerd worden. Daar zij deze schepen zeggen noodig te hebben om hun handel tegen de Franschen te beschermen, heb ik de gelegenheid te baat genomen, om hun eens te vragen, waarom zij toch den oorlog niet aan Frankrijk verklaren, daar Frankrijk feitelijk dien aan hen heeft verklaard? Wat konden zij nog verliezen, door hem te verklaren, daar Frankrijk toch hun handel belemmert? Maar argumenten hebben geen kracht in deze anarchie, en zonder er iets tegen in te brengen, antwoorden zij niets, dan dat zij niet kunnen, omdat zij niet kunnen: of, dat zij niet willen, omdat zij niet willen.quot; 110

Hadden de regenten der Nederlandsche republiek in het jaar onzes Heeren 1745 deze brieven kunnen lezen, het is niet waarschijnlijk, dat zij bijster met den Engelschen ambassadeur zouden ingenomen zijn geweest. De geringschatting, om niet het woord minachting te bezigen, die in de wijze der bespreking doorstraalt, is te groot, om niet onaangenaam aan te doen. In 1730 hadden Slingelandt en Fagel nog de eer der Republiek voor Europa opgehouden, maar thans was de tijd aangebroken, waarin het woord werd vervuld, door den gezant van Portugal bij den dood van den raadpensionaris gesproken: „De staat heeft zijn hoofd verloren; hij zal misschien, zoolang Fagel leeft, zich staande houden, maar als die sterft of zijn

141

-ocr page 154-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

invloed verliest, zal het niets anders zijn dan onrust en verwarring.quot;

Het was niets anders meer dan onrust en verwarring. Chesterfield, die het ten volle erkende, rekende er mede, en zonder hardnekkig na te jagen, wat hij begreep niet te kunnen verkrijgen en zelfs niet wenschte, stelde hij zich tevreden, te verwerven wat hij kon en moest, schoon hij het evenmin begeerde.

Op denzelfden dag, dat Chesterfield Londen had verlaten, was keizer Karei VII te Munchen overleden. Deze onverwachte gebeurtenis (20 Jan. 1745) veranderde den geheelen stand van zaken. Zij opende het uitzicht op een verzoening tusschen Beieren en Oostenrijk, daar het openvallen van de keizerskroon een der voornaamste redenen van Maria Theresia\'s onverzoenlijkheid wegnam. Oostenrijk, sedert eeuwen gewoon het hoofd zijner vorsten met de kroon van Duitsch-land gesierd te zien, mocht hopen ze voor Frans van Lotharingen, den echtgenoot der jonge vorstin, te winnen. De nieuwe keurvorst van Beieren smachtte naar vrede en zou aan Maria Theresia, wier overmacht zijn vader zoo zwaar had ondervonden, geen hinderpalen in den weg werpen. De verzoening tusschen Beieren en Oostenrijk kon een groote stap tot herstelling van den vrede in Europa zijn. Groot was daarom de teleurstelling, toen het bleek, dat de aangeknoopte onderhandelingen ernstig gevaar liepen tot niets te leiden, omdat de Oostenrijksche vorstin goed vond, zeer hooge eischen aan den nieuwen keurvorst te stellen. Chesterfield en Trevor brachten het ongunstig bericht aan de Staten, en stelden hun voor, gemeenschappelijk een ernstig schrijven tot Maria Theresia te richten: de geallieerden rieden hunne bondgenoote aan, wat minder veeleischend te zijn, en integendeel liever door een kleinen afstand van grondgebied zich den vrede met Beieren te verzekeren dan den krijg te doen voortduren. Volkomen bereidwillig traden de Staten tot het denkbeeld toe 1quot;. Het scheen ook hun een groot voordeel, toen de vrede van Füssen eindelijk de wapenen tusschen de twee hoofdvijanden deed rusten.

142

-ocr page 155-

DEK VEREENIGDE NEDERLANDEN.

Doch met dit vredesverdrag was de krijg niet ten einde. Het was slechts een eerste stap, die nog door vele andere moest gevolgd worden, voordat de ploeg van den landman weer de platgetreden velden zou doorklieven. Voor de Republiek inzonderheid was geen \'t minste uitzicht op vrede Frankrijk kwam onverholen voor zijn plannen tegen de Oos-tenrijksche Nederlanden uit, wier vermeestering het hoofddoel van den volgenden veldtocht zou zijn. Te Weenen bekommerde men zich niet om deze ver verwijderde gewesten, en dacht men er slechts aan, zich op Pruisen te wreken en vergoeding voor de geleden verliezen in Italië te zoeken. Maria Theresia liet de verdediging der jSTederlandsche provinciën aan Engeland en de Republiek over.

De zekerheid, dat de zuidelijke Nederlanden eerlang het tooneel van den strijd zouden zijn, dwong de regenten dei-Republiek, om in Engeland\'s voorslagen, voor een deel, te treden. Men mocht van Frankrijk\'s vredelievende verzekeringen gelooven wat men wilde, ook deze vriendschappelijke vijand kon, als hij aan de grenzen der Republiek verscheen, de stadhouderlooze regeering ten val brengen. Om deze grootste aller denkbare rampen te voorkomen, werd er een overeenkomst met Engeland gesloten. De Republiek verbond zich om 60.000 man, de garnizoenen er onder gerekend, uit te rusten en te onderhouden: Engeland zou 40.000 man te velde leveren. De Republiek kreeg tien van de twintig oorlogsschepen terug, onder voorwaarde, dat zij de blijvende te Portsmouth behoorlijk zou uitrusten, zoodat zij ten minste zee konden kiezen, wat nu zelfs niet het geval was. Ook omtrent de te leveren artillerie, de betaling van bele-geringskosten, zoo zij voorkwamen, enz. werden bepalingen vastgesteld. Ten aanzien van genoegzaam alle punten, aan Chesterfield ter behartiging opgedragen, kwam een overeenkomst 14i tot stand; slechts het hoofdpunt, de oorlogsverklaring aan Frankrijk, bleef onafgedaan. In een concert van maatregelen traden de leiders der Republiek; van een andere deelneming aan den krijg, dan als geallieerde van Oostenrijk en

143

-ocr page 156-

LORD CHESTERFIELD EX DE REPUBLIEK

Engeland, wilden zij niet weten. Frankrijk, hoopten zij, zou hun de vrijheid, die zij namen, niet euvel duiden. De struisvogel-politiek, die zich niet kwetsbaar acht, omdat zij het gevaar niet in het aangezicht durft zien, scheen dezen staatslieden voortdurend de hoogste wijsheid.

Bijzonderheden over de onderhandelingen, die tot deze schikkingen leidden, zijn geheel onbekend. Het is trouwens te vermoeden, dat zij weinig belangrijks zouden bevatten. De conventie van 30 Maart 1745 had weinig te beteekenen. De houding van de Republiek werd er niet waardiger, de troepen werden er niet beter door. De oneer, die de slag bij Fontenoi op hare wapenen wierp, verloor er niets door aan gewicht.

Lord Chesterfield scheen geen haast te hebben, om naar Engeland terug te keeren. Niet vóór den 20stun Mei verliet hij de Republiek. Wat deed hij in dien tijd?

Terwijl hij in den Haag onderhandelde, was de veldtocht aangehangen. Er was besloten, zegt men i43, dat als de vijand een vesting aangreep, het leger der geallieerden een slag zou wagen: daarop wachtte Chesterfield. Hij behoefde niet lang te wachten. In het laatst van April werd Doornik door de Franschen berend; den 10den Mei had de slag bij Fontenoi plaats. De verbondenen werden geslagen, voornamelijk, naar de Engelschen zeiden, door het schandelijk gedrag der Hollandsche troepen. Het verwonderde Chesterfield niet en kwam hem niet ongelegen.

Hij had in de Nederlanden iets meer gedaan, dan met de officieele leiders der Republiek te onderhandelen. Hij poogde de diplomatieke vertegenwoordigers der andere mogendheden van de vredelievendheid van het Engelsche kabinet te overtuigen en stappen tot een algemeenen vrede voor te bereiden. Aan den Pruisischen gezant moest hij echter bekennen, dat Engeland door het Warschau er verdrag de handen gebonden waren, zoodat hij aan zijn meester geen anderen raad kon geven, dan den krijg met kracht voort te zetten; slechts op het slagveld kon Frederik den vrede

144

-ocr page 157-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

vinden Docli geheel anders was de verhouding tot Frankrijk, dat wel de Oostenrijksche Nederlanden wilde veroveren, maar geen belang had om door een krijg met de Republiek de bestaande stadhouderlooze regeering ten val te brengen en zijn invloed in de waagschaal te stellen. Met den abt de Laville had Chesterfield kennis gemaakt en hij was met hem, ofschoon zijn diplomatiekeu vijand, op zoo vertrouwelijken voet geraakt, dat hij hem in later jaren „zijn ouden vriend\' noemde en niet schroomde op hun vriendschappelijke betrekking een beroep te doen. „Wij waren tegelijkertijd vrienden en vijanden, toen wij in don Haag waren,quot; — schreef Chesterfield 145 in 1749. — „Hot heeft niet aan ons gelegen, zoo wij niet reeds voor vier jaar vrede gehad hebben.\' Op derde plaatsen ontmoetten de gezanten der krijgvoerende mogendheden elkander, en bespraken wat ieder hunner, om hoe uiteenloopende redenen ook, wenschte.

De vrucht dier besprekingen bleek twee dagen na Chesterfield\'s vertrek. Den 22stcquot; Mei bracht de abt de Laville een bezoek aan den raadpensionaris van der Heim, om hem mondeling mede te deelen, dat do Fransche koning, ondanks de behaalde voordeelen, volkomen genegen bleef tot het aangaan van vrede op billijke voorwaarden. Deze opening werd in de volgende maand gevolgd door den voorslag van een vredescongres en van eenige punten, die tot preliminairen konden dienen. Door der Staten gezant in Londen werd aan het Engel-sche ministerie daarvan kennis gegeven, en het denkbeeld van een diplomatieke samenkomst aangedrongen, voornamelijk op grond, dat het voor beide staten zeer zwaar zou zijn, den tegenwoordigen, zeer drukkenden oorlog voort te zetten. Doch ondanks Chesterfield\'s stoun, zonder eenige vrucht.

De stemming te Whitehall was in zijn afwezigheid geheel veranderd.

De conventie van 30 Maart 1745 was in Engeland met groote blijdschap vernomen. Voor de pai\'tij, die het ministerie had gevormd en steunde, scheen het een belangrijk feit, dat zij had tot stand gebracht, wat zelfs Carteret niet had ver-

10

145

-ocr page 158-

LORD CHESTERFIELD EX DE REPUBLIEK

mocht. De Republiek had voor de eerste maal, sedert den aanvang van den oorlog, zich tot een stellige verbintenis laten bewegen. Chesterfield zag zich, om zijn groot diplomatiek beleid, met lofspraken overladen. Een lid van het parlement, die niet tot zijn vrienden behoorde, paste op hem de karakteristiek toe, die Clarendon van Hampden geeft: „oen hoofd, om groote dingen te bedenken; een tong, om er toe over te halen; een hand, om ze uit te voeren.\'

Men betreurde alleen, dat de overeenkomst slechts voor een enkel jaar, niet voor den geheelen duur van den oorlog was gesloten. „Ik ben overtuigdquot; — schreef Philip Yorke 143 aan den ouden Horace Walpole — „dat alles is verkregen, wat mogelijk was. De Staten waren zeker tot niets meer te brengen. Het is eigenlijk onbegrijpelijk, dat wij zooveel moeite hebben om hen tot iets te bewegen, wat voor hun eigen veiligheid en onafhankelijkheid volstrekt noodzakelijk is.quot;

Chesterfield zelf was bij uitstek kalm over die zoogenaamde diplomatieke overwinning. Toen hij in Engeland terugkwam, na, gelijk hij zeide, het weinige goed te hebben gedaan, wat in zijn vermogen was, wees hij zijne ambtgenooten nadrukkelijk op de keerzijde der medaille. In het hoofddoel zijner zending was hij volstrekt niet geslaagd, had hij stellig schipbreuk-geleden. De Republiek weigerde do oorlogsverklaring aan Frankrijk. Waar een man als hij, bekend en invloedrijk in de Republiek, zijn doel niet had kunnen bereiken, mocht men aannemen, dat een ander niet gelukkiger zou zijn. Het was thans de tijd, om, zooals bij de samenstelling van het kabinet was besloten, den koning op de noodzakelijkheid van den vrede te wijzen.

Doch, hoe nederig en bescheiden de gezant ook wees op zijn geleden nederlaag, de meerderheid der ministers volgde hem niet. De liefde tot den vrede was met den persoon van lord Granville geweken. De hertog van Newcastle zag geen ander middel om den wrok des konings te overwinnen, dan door blindelings, gelijk Carteret, de oorlogzuchtige politiek van George 11 te omhelzen. Chesterfield mocht praten, wat

146

-ocr page 159-

Igt;ER VEKEENIGDE NEDERLANDEX.

hij wilde, het baatte hem niet. Hij had het ongeluk ten deele geslaagd te zijn, waar hij volkomen schipbreuk had moeten lijden, indien zijn vredelievende inzichten zouden zegevieren. Minder dan ooit dachten zijne ambtgenooten er aan, door het voorstaan van vredesonderhandelingen, den steun des konings aan het wankelen te brongen. Engeland, zoowel als Frankrijk, bereidde in Juni 1745 zich tot een krachtiger krijgvoering voor. In Amerika was Cape Breton aan de Franschen ontnomen; een groote expeditie derwaarts werd beraamd. „Het scheenquot; — zoo spotte Chesterfield — „alsof twee deelen van den geest des gunstelings in de ministers waren gevaren.quot; Niet vrede, maar vernedering, „kleinmakingquot; van Frankrijk, was hun leus geworden.

Even strijdlustig scheen de vijand, de regeering te Parijs. Zij bedreigde Engeland met een inval en een aanslag, om de kroon van Groot-Brittannië aan de Hannoversche dynastie te ontnemen.

Te midden van het hernieuwd wapengekletter was geen plaats voor vredelievende stemmen. Op den laatsten dag van de Augustusmaand verliet lord Chesterfield Londen, om als lord-luitenant van Ierland het gezag van Engeland\'s koning en volk over „green Erinquot; te handhaven.

V

Het jaar 1745 is in de geschiedenis van den Engelschen staat van blijvende beteekenis.

Karei Eduard, de zoon van den pretendent, landde in Schotland, dat hem erkende. Gesteund door Frankrijk, drong hij tot in het hart van Engeland door. Een oogenblik waggelde de kroon op het hoofd van George H. Nooit heeft een volk krachtiger zijn trouw aan beginselen bewezen, dan de Engel-sche natie in deze dagen. Zij had de George\'s niet lief en achtte hen zelfs niet. Maar zij had de beginselen van 1688 lief en steunde daarom de dynastie, die op hen rustte, ondanks de onwaarde der personen. Karei Eduard had alles

147

-ocr page 160-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

in zijn voordeel, wat persoonlijk hechten kan, maar hij was de vertegenwoordiger van het regime der Stuart\'s, dat de natie na een eeuw van lijden had afgeschud. De voorliefde des volks voor politieke en religieuse vrijheid hield het Hannoversch vorstengeslacht staande.

Het was de laatste poging der Jacobietische partij, om op 1688 terug te komen, en het werk der groote omwenteling — revolutie zonder revolutionairen —te verstoren. Voor dit volksverdict boog de partij der Tories het hoofd. Van 1688 tot 1745 had zij geïntrigeerd met het verdreven geslacht. Na 1745 hield de verstandhouding op. De Tories, als de Whigs, omringden en steunden voortaan den troon, staatspartij slechts, niet meer de geheime bondgenoot van een vreemden pretendent en van een buitenlandsch kerkgezag.

Ook Chesterfield was dikwerf verdacht, met de Jacobieten te heulen. In 1741 had hij, zeide men, tegen Walpole hun steun ingeroepen. Zijn vriendschap met - Bolingbroke had de verdenking versterkt. Maar in 1745 werd hij niet gewantrouwd.

Weinige weken na den aanvang der worsteling was hij als lord-luitenant van Ierland opgetreden. Het is de roemvolste periode van zijn leven. Door rechtvaardigheid en vastberadenheid wist hij de bevolking, wier sympathieën uit geloofshaat voor den Stuart waren, in volkomen onderwerping te houden. Het Engelsch gezag werd geëerbiedigd, zooals het zelfs in gewone tijden niet altijd het geval is geweest. Ofschoon zich volkomen bewust, dat de Ieren, gelijk hij zeide, nog altijd vol van de oude vooroordeelen van 1689 waren, liet hij zich tot geen onvoorzichtige, gejaagde maatregelen verleiden. „Mijn hand zal zwaar als die van Cromwell zijn, indien er onlusten komenquot;, dreigde de lord-luitenant, en het volk geloofde en gehoorzaamde den kleinen man, die rustig en bedaard regeerde, en — eervolle uitzondering op voorgangers en opvolgers — voor zijn materieel welzijn groote belangstelling toonde. Toen de beweging in Schotland in bloed werd verstikt, had Ierland geen offers te brengen. Chesterfield\'s kloek-

148

-ocr page 161-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

heid en kalmte had het land voor de kroon, en de bevolking voor lijden bewaard.

Slechts zeven maanden bracht hij te Dublin door. Weinige weken nadat de slag bij Culloden de eindbeslissing der worsteling bracht, kwam hij (30 April 1746) te Londen terug. Het was zijn plan naar Ierland weder te keeren. Maar eerst een ernstige ongesteldheid, die hem naar Bath dreef, toen zijn optreden als secretaris van staat, deed zijn tijdelijk afscheid tot een blijvend worden.

De omstandigheden, waaronder hij een plaats in het ministerie innam, stonden in nauw verband met de gebeurtenissen van November 1744.

Slechts zeer onwillig had George II in het ontslag van Granville bewilligd. Den dwang, die hem aangedaan was, vergaf hij niet en weigerde hij te vergeten. Granville genoot bij voortduring zijn vertrouwen en bleef zijn geheime raadsman. Gretig zocht George II naar een gelegenheid, om zich van de Pel-hams te ontslaan.

In het najaar van 1745 was hij in Hannover, toen de Jaco-bietische opstand uitbrak. Hij kwam terug, met onverminderde wrok. Zelfs de inspanning van zijn kabinet, om den troon voor hem te behouden, verzoende hem niet, omdat hij, onder den invloed van Granville, niet aan den ernst van het gevaar geloofde. Zijn houding jegens zijne ministers was van dien aard, dat zij hun val voorzagen en besloten hem te voorkomen. Toen zij in Februari 1746 nieuwe subsidiën van het parlement moesten vragen, waren zij overtuigd, slechts het werk vóór Granville te doen. Als door hun invloed de gelden waren toegestaan, zou de koning hen wegzenden en zijn gunsteling terugroepen. Zij verrasten hem met een aanvraag om ontslag.

Het was midden in den strijd met Karei Eduard. Zoo ooit, nu had de Kroon een populair ministerie noodig. Toch waagde George aan Granville de opdracht van een nieuw kabinet te geven. Maar na drie dagen moest hij de opdracht terugnemen: noch ambtgenooten noch meerderheid in het Lagerhuis waren te vinden.

149

-ocr page 162-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

Voor de tweede maal was George geslagen en moest hij bukken voor zijn ministers. De Pelhams hernamen hunne zetels en William Pitt verkreeg een plaats in het ministerie.

Op niemand was George meer gebeten, dan op lord Harrington, die in 1730 aan Townshend als secretaris van staat was opgevolgd. Hij had er op gerekend, dat deze met Granville zou willen samenwerken. En juist deze — toeval of slim beleid van Newcastle — was de eerste geweest, die zijn ontslag had aangeboden. Hem verweet de koning snoode ondankbaarheid ; wat Harrington was en had, zijn fortuin en zijn carrière, hij had het alles aan hem te danken, zei George ^8. Sinds behandelde hij hem met beleedigende koelheid en kwetsende minachting.

Newcastle was de man niet,\' om voor een ambtgenoot, die \'s konings toorn had opgewekt, in de bres te springen. Daarbij veroorloofde zich Harrington, van hem in gevoelen te verschillen. Hij was een warm voorstander van den vrede. In November 1744 was ook hij, Newcastle, vredelievend geweest, maar dit was lang vergeten. Nu, na Februari 1746, toen \'s konings blijvende gehechtheid aan Granville was gebleken, werd hij, om George\'s gunst te winnen, even oorlogzuchtig als Z. M. Buiten de stralen van het hof kon hij, gehecht aan gezag en eer, niet leven. Hij aarzelde geen oogenblik zich tegen Harrington te verklaren, met hetzelfde gemak, waarmede hij steeds ambtgenooten den voet had gelicht. In October moest Harrington, door koning en ambtgenoot ondermijnd, de plaats ruimen. Hij was het zoenoffer, dat Newcastle aan George bood voor den dwang, waarmede hij zich zelf voortdurend als minister aan hem opdrong.

Terwijl George in den zomer van 1746 aan Harrington het leven ondragelijk maakte, was Chesterfield, vooral om de diensten in Ierland, in zijn gunst gerezen. Hij werd thans door hem aangewezen als opvolger van den gevallene. Newcastle had een ander ambtgenoot gewenscht, maar boog voorzichtig voor \',s konings wil. Zoo hij bezwaar maakte, zou George wellicht Granville benoemen.

150

-ocr page 163-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

De lord-luitenant van Ierland, die te Bath vertoefde, kwam over en nam het ministerie aan.

Bij de vorming van dit coalitie-ministerie was hij een der onderhandelaars geweest, en in Februari had hij trouw de zijde der Pelhams gehouden, schoon hij hun stap niet goedkeurde. 1 \'n Toch bestond er tusschen hen en hem groot verschil van gevoelen. Hij had de gewelddadige reactie in Schotland zeer afgekeurd en de oprichting van scholen, in plaats van schavotten, aanbevolen. Daarbij was hij een even warm en erkend voorstander van den vrede, als Harrington, wien hij opvolgde.

Waarom nam hij dan de benoeming aan?

Chesterfield heeft herhaaldelijk èn toen hij nog secretaris van staat was èn na zijn aftreding, verklaard, dat hij slechts onwillig, gedrongen door anderen, zijn veel nuttiger en voor-deeliger onderkoningschap voor het ministerie heeft prijsgegeven. Mijns inziens is hij bezweken voor de verleiding. Hij heeft, omdat hij door George zeiven gekozen was, zich verbeeld sterker te zijn tegen Newcastle,, dan zijn voorganger. Zoo hij er in slaagde den vrede tot stand te brengen, had hij den grondslag tot een groote staatkundige rol gelegd.

Geen wonder intusschen, dat zij, die zijne gevoelens kenden, zich verbaasden. Als steeds, waren de mannen, die het minst op beginselvastheid zich konden beroemen, het strengst in hun veroordeeling. De oude Fox schreef den 28sten October aan Sir Williams: „Chesterfield heeft zich meer open en vuriger dan iemand anders voor den vrede verklaard; hoe hij nu kan opvolgen aan iemand, die het niet houden kan, omdat hij tegen den oorlog is, dat verbaast menigeen, maar mij nietquot; l!gt;quot;.

Doch er is een ernstiger beschuldiger.

In een brief van Willem Bentinck aan den prins van Oranje den 4 Dec. 1746 noemt hij do benoeming van Chesterfield een reden van onrust voor de vredemakers quovis modo. „Chesterfield et Newcastle sont unis et s\'entendent. Tous deux sont dans le mémo système que le Roiquot;.151 Een half jaar later beschuldigt hij Chesterfield, zijn woord gebro-

151

-ocr page 164-

152 LORD CHESTERFIELD EK DE REPUBLIEK

*

ken te hebben en, na zes weken lang het spoor van Newcastle te hebben gevolgd, zich tegen den oorlog verklaard te hebben \'

Toen Bentinck dit laatste schreef, lag hij met Chesterfield bitter overhoop. De volgende bladen zullen het aanwijzen. Bentinck, als gewoonlijk opgewonden karakters, geloofde spoedig, wat met zijn sympathie of antipathie strookte. Het geheele praatje zou daarom als een verzinsel van Newcastle te verwerpen zijn, indien niet ééne zaak bewees, dat er iets bij de optreding van den nieuwen staatssecretaris is voorgevallen.

Tusschen de twee secretarissen van staat was het buitenland verdeeld. De een had het Noorden, d. i. de Nederlanden, Duitschland, Polen, Zweden enz., de ander het Zuiden, d. i. Frankrijk, Italië, Spanje.

Bij Chesterfield\'s benoeming was er sprake van verandering. Newcastle, die het Zuiden had, wilde het Noorden nemen, om de onderhandelingen over ooi-log of vrede te leiden. „De koning wenschte hetquot; — schrijft Henry Pelham aan Horace Walpole 153 — „maar om redenen, die ik later wel eens vertellen zal, blijft alles, zooals het is.quot;

Het komt mij voor, dat de reden zeer duidelijk is. Chesterfield wilde om dezelfde reden, waarom Newcastle het Noorden voor zich wenschte, het niet afstaan. Hij wilde niet verdreven worden van het terrein, waarop hij thuis was en zijn lauweren wilde behalen. Heeft hij het behoud van het Noorder departement met een politieke zinsverandering moeten betalen? Dit is niet waarschijnlijk. En zijn houding in 1745, tijdens en na de missie in de Nederlanden, èn zijn houding als secretaris van staat, toen hij het hoofd der vredespartij in het ministerie was, zijn er onvereenigbaar mede. Bovendien, indien hij voor de oorlogspolitiek bukken moest, ware de verandering van departement hem welkom geweest. Zij ontsloeg hem van de verantwoordelijkheid. Ook al slaat men zijn beginselvastheid niet hooger aan, dan van de meesten zijner tijdgenooten, zijn gehechtheid aan eigen meening was grooter. Chesterfield heeft naar mijn opvatting in concessiën

-ocr page 165-

DER VEREENIGDE NEDEliLANDEX.

bewilligd, als het ontslag van personen, die het gevolg waren van Harrington\'s optreden, en voorloopig toegegeven, om niet te reageeren tegen tijdelijke maatregelen, die de zegepraal van Newcastle noodzakelijk vergezelden. Dat hij zich niet verbonden heeft, de oorlogzuchtige politiek van zijn ambtgenoot te ondersteunen, blijkt ook uit de voorwaarde, die hij bedong. Het zou hem vrij staan, zich terug te trekken, als langer blijven in het kabinet hem nuttig noch wenschelijk scheen, zonder dat dit terugtrekken als beleediging of onwil mocht worden opgevat.

Deze opvatting sluit chronologisch met Bentinck\'s beschuldiging, omdat juist in December 1746, zes weken na zijn optreden, zich het eerste verschil met Newcastle openbaarde. Doch hoe dit zij — het zou hem blijken, dat hij zijne krachten en zijn invloed te hoog had aangeslagen, toen hij meende den sluwen Newcastle te kunnen verschalken. De staatkundige gedragslijn, die Newcastle met den koning voorstond, zou hem beletten om tot stand te brengen, wat hij wenschte, en zijn eigen positie onhoudbaar maken. Dat de uitkomst van den krijg zijn inzicht rechtvaardigde, zou de eenige en schamele voldoening zijn, die hem wachtte.

Om zijn rol te begrijpen en de beteekenis van zijn ministerschap voor de Republiek, moeten wij naar het strijdtoo-neel en de worsteling der partijen in de Nederlanden terug-keeren.

De veldtocht van ^^5 was met een nederlaag, die bij Fon-tenoi, aangevangen. ^ïêt dit begin was de verdere loop in overeenstemming. De geallieerden hadden noch den moed noch de kracht, om een nieuwen slag te wagen. Met zwakke verdediging van de aangevallen plaatsen stelden zij zich tevreden. Doornik, Gent, Brugge, Oudenaerden volgden, met kleine verscheidenheid in bijzonderheden, elkanders voorbeeld en gaven zich aan de Franschen over. In het najaar werd de toestand nog ongunstiger. Engeland, dat den opstand der Jacobietische partij onder Karei Eduard had te onderdrukken, riep zijn troe-

153

-ocr page 166-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

pen terug, en eischte van de Republiek een hulpcorps van 6000 man, dat moest geleverd worden. In September voltooiden de Fransclien door de inneming van Nieuwpoort de verovering van Vlaandoren.

De nadering der Fransche legers deed de verlegenheid en verwarring in de Republiek stijgen. De Oranjepartij eischte krachtige maatregelen, in de hoop dat de krijg tot de herstelling van het stadhouderschap zou leiden. De regentenaristocratie was tot niets minder genegen, dan om aan hare tegenstanders de baan te effenen en eigen val voor te bereiden. Zij smachtte naar het einde van den krijg, en zag begeerig op naar den olijftak, dien Frankrijk haar voorhield. Weinige dagen na den val van Nieuwpoort (5 Sept. 1745) hernieuwde de Fransche envoyé de Laville zijn voorslag om een vredescongres bijeen te roepen. In overleg met de voornaamste leden der Hollandsche., Staten zond de raadpensionaris van der Heim een zijner particuliere vrienden, een kolonel de Larrev. naar Parijs, om in het geheim met d\'Argenson over de grondslagen van, een algemeenen vrede te spreken. Gelijktijdig vertrok de heer van Boetzelaer naar Londen, om het Engelsche ministerie de noodzakelijkheid van den vrede voor te houden en aan te dringen, dat men inmiddels de Republiek niet_aH.een mat—de verdediging der Oostenrijksche Nederlanden zou belasten, maar trcTepen uit Engeland zenden. Ook naar Weenen werd met gelijken aandrang een eensluidend verzoek gericht.

De Republiek, door Engeland en Oostenrijk als het ware eenzaam op het slagveld achtergelaten, om weerstand te bieden aan een vijand, tegen wien zij slechts als geallieerde van haar verbondenen streed, riep de hulp van hen in, om wier wille zij het strijdperk had betreden. Doch zonder te slagen.

Engeland wees op den opstand, dien het te onderdrukken had, als voldoende verklaring voor zijn geringe ondersteuning. „De veiligheid der Zuidelijke Nederlandenquot; — voegde lord Harrington erbij 154 — „is voor de Republiek een binnenlandsche, maar voor Engeland een buitenlandsche, schoon belangrijke, aangelegenheid. De Republiek heeft geen oorlog aan Frank-

154

-ocr page 167-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

rijk verklaard, zij geniet al de voordeelen van een ongestoor-den handel, zij heeft dus ruim de middelen, om den krijg krachtig te voeren.quot;

Dit antwoord van het Engelsche kabinet droeg de goedkeuring van de beide partijen in zijn midden weg. Newcastle hoopte, dat het de Republiek tot een oorlogsverklaring zou \'brengen. Pelham en Harrington zagen in het prijsgeven der Republiek een middel om tot den vrede te komen. In den Haag maakte het natuurlijk een zeer ongunstigen indruk. Trevor, die het standpunt zijner regeering moest verdedigen^, had een moeielijke taak. Vooral de Oranjepartij was er verbitterd om. ^ij voorzag de_gevolgen.

Niet minder opmerkelijk was het antwoord van het keizerlijke hof. Zij was uitgeput, verklaarde Maria Theresia ; zij kon haar leger niet versterken. Niettemin was zij wel bereid nog, 21000 man te zenden, mits tegen behoorlijke subsidiën. Met lijne vorstelijke en vrouwelijke berekening op denkoop-mansgeest der Republiek, voegde de koningin van Hongarije er de verzekering bij, dat de heeren Staten nergens goedkooper zouden terecht komen, dan bij haar, omdat zij er niet aan wilde verdienen ,55.

Zulke antwoorden waren niet geschikt om te bemoedigen of de heerschende regentenaristocratie lust tot krachtige voortzetting van een strijd in te blazen, die haar dreigde ten val te brengen. Te minder, omdat de vijand van hunne geallieerden niet alleen den olijftak hun voorhield, maar ook het ont-bloote zwaard, welks scherpte zij maar al te goed kenden, dreigende tegen hen ophief. Het handelsverdrag van 1739 werd op den eersten Januari 1746 door Frankrijk ingetrokken. Het was een straf voor de ondersteuning van Frankrijk\'s vijanden, eri tevens een waarschuwing, die weinige dagen later op nadrukkelijke wijze werd verscherpt. De Fransche maarschalk Maurits van Saksen had zijn troepen wel de winterkwartieren laten betrekken, maar gunde noch hun noch zich zeiven rust. Plotseling, in het begin van Februari, verscheen hij met zijn leger voor Brussel en eischte de overgave. Na een beleg

-ocr page 168-

156 LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

van luttele weken moest de hoofdstad der Oostenrijksche Nederlanden hare poorten (20 Febr. 1746) voor hem openen, en do bezetting, een Hollandsch legercorps van meer dan 8000 man, zich krijgsgevangen geven.

Zulke feiten waren argumenten, door geen breede betoogen te ontzenuwen. Eje bondgenooten lieten de Republiek aan eigen krachteloosheid over. Redding te zoeken, als in 1672, in de nationale gehechtheicl aan het huis van Oranje, wenschte de Oranjepartij. Maar de regentenaristocratie wilde geen afstand van haar gezag doen. Met Frankrijk kon men tot vrede komen, zoo de Republiek ophield Engeland en Oostenrijk te steunen. Kon er aarzeling zijn?

Nog voor het beleg van Brussel was aangevangen, hadden H. H. M. een gewichtig besluit genomen. Reeds in December had Dordrecht in de Statenvergadering het voorstel gedaan, om officieel vredesonderhandelingen met Frankrijk aan te knoo-pen, ten einde de gevreesde oorlogsverklaring te voorkomen. Toen in Januari dej kolonel Larrey ir\'G onverrichterzake wederkeerde, werd den l8t™ Februari Unico Willem, heer van Wassenaar Twickel, die twee jaar vroeger ook een missie te Parijs had vervuld, tot buitengewoon gezant aan het Fransche liof benoemd. Juist twee dagen na den val van Brussel kwam hij te Parijs aan.

De hoofden der Oranjepartij hadden alle mogelijke moeite gedaan om de zending tegen te houden. „Holland heeft ze voorgesteld en doorgedreven, ik ben er geheel onschuldig aan, ik deed alles om ze te voorkomen,quot; schreef Willem Bentinck aan den prins van Oranje „Twickel zal alles doen wat hij kan om een onderhandeling aan te knoopen, waarvan ik vooruit zie, dat wij de dupe zullen zijn. Quelques ridicules et quelques déshonorantes que soient les propositions de la France, il y a ici des gens qui seront prêts a les accepter a belles baisemains et qui seront charmés de recevoir, quoi que ce soit qui aie seulement le nom de paix. Encore ceci est tout au mieux, car ce que j\'appréhende le plus, c\'est que si Bruxelles est perdu, on ne veuille envoyer carte blanche en France. Ce

-ocr page 169-

DEE VEEEENIGDE NEDERLANDEN.

qui seroit précisément le contraire de ce qu\'il faudroit faire....quot;

De warme aanhanger van het huis van Oranje zou zijn sombere beschouwingen niet gelogenstraft zien. De regentenaristocratie deinsde voor niets terug, om zich staande te houden.

Met het stijgen van den nood des lands stéeg de strijd der partijen. Zij worstelden om de teugels van het bewind: de regentenaristocratie, om ze in handen te houden ; de Oranjepartij, om ze aan den prins van Oranje over te geven. In Februari werden de generaals _yoor den volgenden_v£M= tocht benoemd. De prins van Waldeck werd als generaal van de infanterie aan het hoofd van het geheele leger, de prins van Birkenfeld over de cavalerie gesteld (18 Feb.). Een heftig protest van Friesland volgde \'r\'s. „In 1742 hadden vier van de zeven bondgenooten tot een promotie van generaals besloten, en daarbij zes vreemdelingen aangesteld. Holland\'s gedeputeerden hadden daartoe medegewerkt, ondanks dat Holland zelf den 25en April 1739 had verklaard, dat na de gronden van de Regeering de promotie van generaals niet dan met eenparigheid van alle bondgenooten kon geschieden. Nu had men opnieuw Waldeck en^Rirkenfeld benoemd, om in de aanstaande campagne te commandeeren. Het was een onrecht tegen de eigen generaals; het was een hasardeeren van de vrijheid en godsdienst des volks: van vrouwen en kinderen, huis en have.quot; Ten slotte stelde Friesland den eisch, dat de prins van Oranje tot generaal bij de infanterie werd aangesteld.

Het heftige woord maakte indruk. Al werd aan het verzoek niet voldaan, de Oranjepartij won grond. Het scheen dat ook bij H. H. M. en in den Raad van State sommigen aanvingen te weifelen.

Als gewoonlijk in stadhouderlooze tijden, was een Secreet Besogne met de leiding der buitenlandsche aangelegenheden belast. In de laatste dagen van Februari hield dit Besogne stormachtige zittingen. De berichten uit de Zuidelijke Neder-

157

-ocr page 170-

158 LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

landen on de rapporten van den prins van Waldeck omtrent het lot, dat de .Hollandsche bezettingen in de Belgische vestingen, zoo de vijand ze aanviel, wachtte, luidden zeer verontrustend. De aanhangers van Oranje wilden de geheimhouding, die de leden elkander hadden opgelegd, verbreken en opening van zaken aan de Generaliteit doen. De bedoeling was duidelijk. Gelijk men door pamfletten en gedichten de publieke opinie tegen de bestaande regeering in gisting bracht, wilde men haar openlijk, als het ware voor het oog der natie, de bekentenis laten afleggen, in welk gevaar haar wanbestuur den staat had gebracht. De verbittering des volks zou met onweerstaanbare kracht zich keeren tegen de heerschende aristocratie en de verheffing van den Frieschen stadhouder vorderen.

Te meer, wanneer men er gelijktijdig in slagen kon, den man, die haar beschermeling was, te treffen. In den prins van Waldeck hadden weinigen vertrouwen: het geloof in zijn militaire bekwaamheid was door de ongelukkige uitkomst van zijne campagnes in dienst van dezen staat, ondermijnd. Friesland en Groningen stelden daarom in het Besogne voor, dat men gedeputeerden van H. H. M. en den Raad van State naar Antwerpen zou zenden, om met Waldeck en de andere generaals te spreken en te overleggen. Ook de strekking van dit voorstel was duidelijk: die gecommitteerden „zouden meer bedacht wezen, óm steenen tegen dien vorst te rapen, en hem te doen rappelleeren, als om te overleggen, wat voor \'t gemeenebest zoude behooren te geschieden.

Slechts met moeite werden beide dreigende besluiten voor het oogenblik voorkomen. Aan de Generaliteit werd geen rapport over de Belgische vestingen gegeven, de geheimhouding-bleef gehandhaafd, geen buitengewone afgevaardigden te velde werden aan Waldeck toegevoegd.

Doch het gevaar bleef bestaan. De partij, die de regeering in handen had, moest, zoo zij staande wilde blijven, aan de tegenstanders de wapenen uit de handen slaan. Vrede, zij het ook een afzonderlijke, was het eenige redmiddel.

-ocr page 171-

DER VEREEN1GDE NEDERLANDEN.

„II n\'est bruit en villequot; — schreef Willem Bentinck, den 5 Maart 1746, aan den Prins100 — „que d\'une deputation extraordinaire d\'Amsterdam a I\'assemblee de Hollande, dont chacun raisonne a sa guise. lis n\'ont rien dit dans I\'assemblee touchant le sujet de leur mission; s\'ils travaillent, c\'est sous terre et a la sourdine. Je proteste que je ne suis pas de la confidence.quot; Het was de waarheid. De Amsterdamsche regenten, die op den laatsten Februaridag de gewone deputatie kwamen versterken, sloten Bentinck van hun vertrouwen uit. Toch kon hij na weinige dagen het raadsel oplossen; zij komen om een afzonderlijken vrede met Frankrijk te bewerken.

In de vergadering van Holland traden de nieuwe gedeputeerden van Amsterdam met geen voorstel op. Zij sloegen een anderen weg in : zij zochten door onderhandschen invloed hun doel te bereiken. Zii poogden den raadpensionaris van der Heim te bewegen om aan Wassenaer te schrijven, „ten einde hij in zijn negotiatie wel wat verder zoude kunnen gaan, als zijn instructie uiterlijk quam te melden,quot; maar van der Heim weigerde zoo groote verantwoordelijkheid op zich te nemen 101.

Doch zij gaven hunne pogingen niet op. Van der Heim, leerling van Slingelandt, was voor het verbond met Engeland. De Oranjepartij rekende eenigermate op hem en sprak vertrouwelijk en vrij uit met hem over het werken der „neutralistenquot;, zooals zij de tegenstanders van den oorlog noemde. Maar van der Heim was geen krachtig man, als zijn groote voorgangej^] Toen de Amsterdamsche heeren hem, om te bewijzen, zoo \'t heette, dat hunne denkbeelden bij de meerderheid van Holland sympathie vonden, voorstelden, met eenige andere leden der Staten te zijnen huize te beraadslagen, gaf hij zijn toestemming. Zoo vormde zich, als vanzelf, een „conju-ratie of conclavequot;, gelijk de leden zelve het noemden, dat bijeen kwam wanneer er iets bijzonders was ; in wier midden hij, de raadpensionaris, mededeeling deed van de onderhandelingen te Parijs en Londen, en besprak, welke maat-

159

-ocr page 172-

LOBD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

regelen genomen moesten worden. Dit conclave was in de volgende maanden het eigenlijk regeerend college. Het regeerde den raadpensionaris, en door hem Holland en den staat.

In het begin van Maart zond Wassenaer uit Parijs, als vrucht zijner onderhandelingen, een ontwerp voor een alge-meenen vrede. Het bevredigde niemand; de voorwaarden voor Engeland waren van dien aard, dat de verwerping buiten allen twijfel was. Trouwens, ook indien zij gunstiger waren geweest, kon men op de aanneming te Londen niet hopen. Maar ook hier te lande bestond geringe ingenomenheid. Het ontwerp stelde niet alleen te leur, maar bevatte „harde conditiën.quot; Het maakte den indruk, dat de conferen-tiën, die do graaf van Wassenaer met d\'Argenson had gehad, meest „hadden gediend om hem uit te lokken en daarmede zijn profijt te doen.quot; Men had Wassenaer voorslagen laten doen, zoodat de Republiek gebonden, maar Frankrijk vrij was. Hoe vurig aanhanger hij ook was van de bestaande orde van zaken, hoe bereid ook om tot het uiterste, een separaten vrede, te gaan, zijn beleid scheen niet evenredig aan zijn ijver. Hij praatte wat veel quot;\'\' en verpraatte zich. Wat in andere oogen-blikken onschuldig was, verhoogde thans het gevaar. Dit vredesontwerp kon men niet aannemen, en toch moest, zoo spoedig mogelijk, zoo al niet een definitieve vrede, dan toch door een voorloopig verdrag stilstand van wapenen worden verkregen. Anders stond men binnen weinige weken blootgesteld aan al de gevaren van een nieuwen veldtocht, die bij de zwakheid van den staat slechts een ongelukkigen loop kon hebben en ongetwijfeld tot een geheelen omkeer van zaken zou leiden.

Zij, die deze vrees koesterden, wisten zelve niet, hoe nabij het gevaar was. Indien de Friesche stadhouder aan de wenken en inblazingen van sommige zijner raadslieden en vrienden had gehoor gegeven, de beweging van 1747 ware reeds een jaar vroeger uitgebarsten. Willem Bentinck, die het nadeel van een afzonderlijken vrede voor de wenschen der Oranjepartij zeer goed inzag, schreef aan den prins van Oranje

160

-ocr page 173-

DER VEKEENIGDE NEDERLANDEN.

dat, naar hij meende, de aandrang van Amsterdam weinig kans tot slagen had. Bij Holland — zoo meldde hij, den 14 Maart103 — zijn verscheidene leden, zooals de Ridderschap en Leiden, die van geen negotiatie zonder Engeland willen weten. Frankrijk eischt de teruggave van Kaap Breton en zal anders noch Vlaanderen noch de Barrière loslaten. Maar het Engelsche ministerie zal daarin niet bewilligen. „Onze toestand is niet alleen jammerlijk en kritiek, maar in de hoogste mate buitengewoon: wij kunnen noch vrede sluiten noch oorlog voeren zooals het behoort.quot;

Doch ondanks deze schijnbare gerustheid, uitgesproken in een brief, die met de gewone post werd verzonden, richtte hij tot den prins andere woorden in andere missiven, wier onmiddellijke verbranding 101 hij verzocht. Wat hij schreef en wat hij wenschte, is blijkbaar uit \'s prinsen antwoord. „Wat bedoelt men toch — vroeg deze165 — met al die termen, qu\'il faut profiter des circonstances opportunes, que toute longueur est mortelle, que tout delai est funeste et sans retour? Wil men dat ik overkom, dat ik mij onder u vertoon? Quelqu\'éloigné que je sois de chercher mon avance-ment par une revolution causée par une révolte populaire, oü la moderation et la justice sont toujours mises de cóté et il arrive souvent que d\'innocentes victimes sont immolées a une passion effrénée qui ne sait dans son acharnement les distinguer des coupables — je ne me soustrairai cependant jamais a paraltre quand le bien de la patrie l\'exigera et ce ne sera point dans ce cas que la crainte me retiendra. Je ne pretends pas profiter des rumeurs publiques ni fomenter les émeutes populaires, et tant que ce ne seront que des pasquilles oü je serai nommé et des clameurs vagues de quelques bourgeois ou de quelque peuple qui m\'appelleront, je resterai tranquillement dans ma solitude; mais si un nombre de gens de poids et senses, pensant comme vous et du gouvernement avec vous, répondant a la voix du peuple, me désirent et m\'invitent, je n\'hésiterai point a me montrer et a leur faire connaitre que j\'ai toute la volonté du monde a

11

161

-ocr page 174-

162 LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

servir utilement ma patrie. Et si les talens me manquent, le courage d\'esprit avec l\'aide de Dieu ne me défaudra point pour tout entreprendre pour nous garantir des fers que la France nous destine. Et j\'espère qu\'en songeant a m\'employer ces mêmes hommes songeront a me mettre en état a trouver avec eux des moyens pour soutenir la guerre ou obtenir une paix raisonnable.quot;

En hierbij bleef hij. Bentinck mocht zijn aandrang eens, tweemaal herhalen, Willem bleef weigeren. „Je dois éviter qu\'en cas de nonréussite on me reproche de Tetourderie, en m\'embarquant dans une telle entreprise sans avoir aucun parti pour me soutenir ou du moins un nombre suffisant de gens en credit qui m\'aient voulu appuier.\' ,6(i

Deze weigering van den prins van Oranje, om den stoot tot een volksbeweging te geven, schonk aan de „conjuratiequot; ten huize van den raadpensionaris vergaderende, den rusti-gen tijd, om het terrein in te nemen. Het concept van Was-senaer was naar Engeland gezonden. Voordat het antwoord werd ontvangen, kon niets beslissends gedaan worden.

Niettemin werd de tijd goed besteed en de grond voorbereid. Telken male, als de achterraad bijeenkwam, poogden de leden, in wier midden Jacob Gilles, de tweede griffier van H. H. M., zich door krachtige ondersteuning van Amsterdam\'s inzichten onderscheidde, den raadpensionaris tot hun meeningen te bekeeren. Herhaaldelijk verklaarde van der Heim met heftigheid en warmte, dat ïiij weigerde mede te gaan methen, die zich van de bondgenooten wilden afscheiden ; dat hij zijn vrienden niet irriteeren wilde, door zich in de armen van Frankrijk te werpen ; dat hij aan Trevor stellig beloofd had, geen afzonderlijken vrede te zullen sluiten, en dat hij zijn woord zou houden enz. Maar met elke weigering scheen de kracht van zijn tegenstand te verzwakken en die zijner bestrijders te stijgen.

In de laatste dagen van Maart kwam het antwoord van Engeland. Het was zooals men verwacht had. Bij den raadpensionaris . van der Heim vergaderde167 het conclave. Amster-

-ocr page 175-

DER VEBEENIGDE NEDERLANDEN.

■dam had gezorgd, dat het ditmaal krachtig gesteund werd : de vergadering was grooter dan ooit te voren : zij telde 15 personen. Het was een stormachtige zitting, die door het twistpunt, al^emeene of particuliere jcede. werd beheerscht. Van der Heim verklaarde zich, voor het eerste, de vergadering voor het laatste.

Na lang en heftig dispuut, en herhaalde weigering van den raadpensionaris, werd er eindelijk een middenterm gevonden, waarbij hij zich neerlei. De generale vrede stondquot;daarbij op den voorgrond; het uitzicht van een particulier verdrag voor de Republiek werd geopend, doch ondergeschikt en afhankelijk, naar het scheen, van hoofdpunten, voor een alge-meenen vrede vast te stellen. Met den griffier Gilles en twee andere leden van het conclave, die hem werden toegevoegd, maakte van der Heim een voorstel op, dat, door zijn tusschen-komst bij de Ridderschap aangenomen, namens haar in de vergadering van Holland werd ingediend, om, hier goedgekeurd (8 April), in naam der machtige provincie twee dagen later aan H. H. M. Gedeputeerden tot de Buitenlandsche aangelegenheden te worden aanbevolen, die op hunne beurt er zich mede vereenigden. 108 Ten einde over een nieuw ontwerp van vrede te onderhandelen, werd Jacob Gilles, „als een man van een bijzondere capaciteitquot; benoemd, om den heer graaf van Wassenaer aan het Hof van Frankrijk te gaan assisteeren.

Onder de raadslieden der Fransche kroon bestond geen overeenstemming van inzicht ten aanzien der Nederlandsche republiek. D\' Ar^enson. de minister van buitenlandsche zaken, was het denkbeeld toegedaan, dat men haar zacht moest behandelen, om de herleving van het stadhouderschap en van den militairen geest, als in 1672, te voorkomen en den invloed van Frankrijk te versterken. De hofpartij, die hem bekampte -en ten val zocht te brengen, noemde de herhaalde onderhandelingen der Republiek, in 1744 en nu in 1746, even zoo vele pogingen der Republiek, in overleg met Engeland, om Frankrijk om den tuin te leiden, en zoo mogelijk me^^ijne gealli-

163

-ocr page 176-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

eerden in onmin te brengen. Een krachtig optreden tegen haar was het eenige middel, om haar uit nood tot een vrede te dwingen.

Deze strijd onder \'s konings raadslieden dwong d\'Argen-feon om zich met het plan van een particulieren vrede niet Idan met veel voorzichtigheid in te laten. Zoo het mislukte. Hou hij er door vallen. Gilles vond de stemming dan ook Vrij wat minder rooskleurig dan Wassenaer, die in zijn Opgewondenheid indertijd had geschreven, dat er van Z. M. tot de keukenmeid niemand in Frankrijk was, die niet den yrede verlangde.

Toen de griffier van H. H. M. den 18don April te Parijs aankwam, vond hij alles met de voorbereiding van den volgenden veldtocht bezig. Den tweeden Mei zou de koning naar de Nederlanden gaan. Gilles en Wassenaer vroegen en verkregen vergunning, om het hof te volgen, ten einde de onderhandelingen over een nieuw ontwerp-tractaat, zoo mogelijk, tot een goed einde te brengen, dat het dreigend gevaar van de Republiek kon afwenden. Bij de zwakheid van de geallieerde legers in de Oostenrijksche Nederlanden, was de uitkomst van de nieuwe campagne gemakkelijk te voorzien. En tevens, dat Frankrijk den bondgenoot van Engeland en Oostenrijk niet steeds zou ontzien. Trouwens, het werd aan de Hollandsche afgevaardigden duidelijk te kennen gegeven. Toen Gilles en Wassenaer hun hoop te kennen gaven, dat de Fransche legers toch „den bodem van den staatquot; niet zouden betreden, werd hun uitdrukkelijk geantwoord, dat het Z. M. „vrijstond, volgens het recht des oorlogs, om zijne vijanden daarop te vervolgen, indien de geallieerde armee zich daarop zou willen retireeren; maar dat de zaak anders zou zijn, indien de staat zoodanig een retirade aan \'s konings vijanden niet zou vergunnenquot; 100. Een verschooning, van zulk een voorwaarde afhankelijk gesteld, schonk geen de minste kans. Het was toch niet te verwachten, dat „de regenten, die in possessie waren van de principale directie van zakenquot; het wagen zouden, ook al waren zij in het

1G4

-ocr page 177-

DEK VEEEENIGDE NEDERLANDEN.

bezit van de militaire krachten, ertoe benoodigd, om een geslagen of vluchtend leger der geallieerden, grootendeels uit de troepen der Republiek zelve bestaande, van de grenzen te weren, ten einde een nominale onzijdigheid te handhaven.

Den 18dcquot; Mei legden de Hollandsche afgevaardigden te Brussel de laatste hand aan het nieuwe ontwerp van vrede, dat zij na veel onderhandelingen met d\'Argenson hadden opgemaakt. De bepalingen waren gunstiger voor de Republiek, dan die van het vorige. Ook Engeland kon, huns inziens, er genoegen in nemen. In elk geval scheen thans «en grondslag gevonden, die een stilstand van wapenen kon rechtvaardigen.

Toen het concept in Whitehall werd ontvangen, leidde het tot breedvoerige beraadslagingen. Dc... overwinning bj]\' Cnl-loden (17 April 1746), over den Stuart en Frankrijk behaald, had de regeering gesterkt en maakte Newcastle weinig genegen, in vredesvoorslagen te treden. De beide huizen van het Parlement hadden zich, bij de jongste aanvrage van gelden voor den oorlog in -de Nederlanden, zoo ongunstig over de houding der Republiek uitgelaten, dat men geen verzet van hen had te duchten. Wel drongen de voorstanders van een vrede, zijn eigen broeder Thomas Pelham en lord Harrington, er op aan, dat men de gelegenheid zou aangrijpen, omdat anders de Republiek tot een afzonderlijken vrede zoude komen, doch Newcastle wilde er niet van hooren. Dat Trevor, de gezant in den Haag, in gelijken geest schreef en nadrukkelijk op het gevaar van Holland\'s afval wees, liet hem koud. Noch dezen noch zijne ambtgenooten geloofde hij. Hij[ dreef door, dat men eenvoudig aan den raadpensionaris, die het ontwerp had toegezonden, mededeeling zou doen van de vele bezwaren, die men had, zonder zieh verder tot iets te verbinden. Zonder zich stellig tegen ver- •. dere onderhandeling te verklaren, verschoof men de beslis-„-^érrig. Koning George II steunde geheel de politiek van Newcastle. Met zijn eigen koninklijke hand wijzigde hij het

165

-ocr page 178-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

ontwerp-antwoord van Harrington en stelde in de plaats van uitdrukkingen, die hem al te toeschietelijk voorkwamen, anderen, die minder sprekend, minder belovend waren. Sterk door dezen steun des konings, ging Newcastle nog een stap verder. Zonder de toestemming der Republiek te vragenr zond hij de aangeboden vredesvoorslagen aan de hoven van Weenen en Turijn toe, wetende, dat hun oorlogzuchtigheid zich krachtig tegen het denkbeeld van een vrede zou verklaren\'

Deze houding van Engeland was voor de Republiek het ergste, wat haar overkomen kon. De onderhandelingen werden niet afgebroken, maar onbepaald verdaagd. En dat in oogenblikken, waarin iederen dag het gevaar vermeerderde en een dadelijke beslissing noodig scheen.

Terwijl Engeland naar de minst bindende zinsneden zocht,, om vrij te blijven, handelde Frankrijk. Den eersten Juni werd het kasteel van Antwerpen tot overgave gedwongen, onmiddellijk daarop het beleg voor Mons geslagen. Meenen, Athr Oudenacrden waren reeds ontmanteld. Yperen werd met een gelijk lot bedreigd. De barrièresteden waren niet alleen in handen van de FransclienTmaar werden door hen onbruikbaar gemaakt. Het was gemakkelijk te^ voorzien, dat als de Oos-tënrgksche Nederlanden geheel waren veroverd, de zwakke Republiek den vijand op haar grondgebied zou zien.

In deze zorgvolle dagen kwam het conclave herhaaldelijk bijeen. Van der Heim, zenuwachtig en prikkelbaar, zag het oogenblik komen, waarin hij den band met Engeland zou moeten loslaten. „Mijn oude vriend de raadpensionaris is een beste brave man, maar hij is noch een groot, noch een bekwaam minister\', zei de oude HoraceWalpole, 171 dieeven-min het een of het ander was. Van der Heim was in een zeer moeielijke positie. Hij had zich, waarschijnlijk hopende dien te kunnen beheerschen, een achterraad laten ter zij stellen, die hem medesleepte, waarheen hij niet wilde. En tochr kon hij weigeren te volgen ? Had Engeland de Republiek krachtig èn op militair èn op diplomatiek gebied ondersteund, hij zou zonder twijfel in zijn verzet tegen afzonderlijke vre-

16G

-ocr page 179-

DEK VEREENIGDE NEDERLANDEN.

desonderlmndelin^en^ hebben volhaiid. Bij de jongste besprekingen te Whitewall had Harrington een brief van hem overgelegd, waarin hij nadrukkelijk op het gevaar, dat men tct afzonderlijke onderhandeling zou moeten komen, opmerkzaam maakte. Newcastle had hem eenvoudig op zijde geschoven. Thans, na Engeland\'s antwoord, scheen er geen keus meer over. In het begin van Juni schreef van der Heim aan Boet-zelaer, dat hij steeds tegen een separaten vrede was geweest, maar het nu niet langer kon of wilde tegenhouden: de vijand stond aan de grenzen. „Ik houd de zaak voor beslistquot;; — meldde den 12den Juni Pelham aan Horace Walpole — „uit een briefje van Trevor zie ik, dat de raadpensionaris zich beklaagt, slecht door Engeland behandeld te zijn: hij zou gezegd hebben, dat hij niets meer met de secrete negotiatiën wilde te maken hebben, maar ze aan het Besogne overliet. Trevor leest in die woorden, dat van der Heim berust in een afzonderlijk vredesverdrag.quot; 172

De Engelsche gezant had juist geraden. Onwillig, tegenstre-vende, zenuwachtig, prikkelbaar, bukte de raadpensionaris onder den overweldigenden aandrang van personen en feiten.

Verwonderen kan het niet. Terwijl Engeland, om de Republiek tot een oorlogsverklaring te dwingen, haar aan haar lot overliet, steunde Frankrijk zijne aanbiedingen, die in het eigenbelang der regenten-aristocratie haar warmste aanbeveling vonden, met zijn zeldzaam krijgsgeluk, en met bedreigingen, waartegen Engeland geen bescherming gaf noch aanbood. En daarbij vermeerderde het zijne diplomatieke pogingen, om den laatsten tegenstand te breken. Den 7dcquot; Juni kwam de markies de Puysieux 173 in den Haag, door d\'Argenson gezonden, om van der Heim en wie met hem nog onwillig waren, te winnen. De raadpensionaris vond het zeer onaangenaam, maar kon toch niet weigeren, den markies, die niet heimelijk, maar openlijk optrad, te ontvangen en te hooren. En evenmin kon hij de kracht zijner argumenten zich ontveinzen, \'s Konings raad was verdeeld, de helft vredelievend jegens de Republiek i gezind, de andere helft verlangde den krijg. Zoo de laatste kans 1

167

-ocr page 180-

LOED CHESTERFIELD EN DE EEPUBLIEK

werd verzuimd, was liet niet twijfelachtig, wie zou zegevieren. Zoowel de vrees voor de opening der Schelde, die den handel der Republiek met een gevaarlijke mededinging bedreigde, als de beduchtheid voor can inval der Franschen deed zich gelden. Frankrijk was vast besloten tot het uiterste te gaan, om de Republiek van haar verbondenen af te trekken en tot een afzonderlijk verdrag te dwingen, indien haar bemiddeling niet bij machte bleek, om een algemeenen vrede te bewerken.

In gelijken geest,sprak de griffier Gilles, die door H. H. M. Gedeputeerden tot de Buitenlandsche Zaken, op voorstel van den raadpensionaris; volgens besluit van het conclave, uit Parijs naar den Haag was geroepen. Breedvoerig wees hij op de vredelievendheid der Fransche regeering, die uit allerlei zaken bleek, maar tevens op haar vast besluit tot oorlog, „tenzij de Republiek verklare, als Engeland blijft weigeren, alleen den vrede te willen teekenen.quot;

Reeds voor de overkomst van Gilles, onder den invloed reeds van de Puysieux\' voorstellingen, was het besluit genomen, om een nieuw, nadrukkelijk schrijven tot Engeland te richten, en op de zending van een „behoorlijk geïntentioneerd en volkomen op alles geauthoriseerdquot; minister aan te dringen. 174 Hoe na het water ook aan de lippen kwam, Amsterdam, dat het conclave leidde, ontveinsde zich de grootc bezwaren van een afzonderlijk vredesverdrag niet. Hoe zulk een vrede te sluiten, zonder de zaak in de provinciën of in de vroedschappen te brengen? Zoo Engeland medewerkte, behoefde men de Oranjepartij en haar verwijten over den vrede, schoon in strijd met haar berekeningen, niet te schromen. Doch daarop scheen geringe kans. En inmiddels drong de Puysieux, die spoedig wilde vertrekken, op antwoord aan.

Den 18lien Juni namen de burgemeesters van Amsterdam het besluit, „dat men niet langer zich door Engeland moest laten ophouden en zonder verder trainure met Frankrijk vrede trachten te sluiten. Aan de Puysieux zou men te verstaan geven, dat, indien Engeland bleef aarzelen, de Republiek besloten was, het buiten haar te doen.\' ,7\'\'

168

-ocr page 181-

\'OER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

Na ontvangst van dezen last drongen de Amsterdamsche gedeputeerden in het conclave er bij van der Heim op aan. dat Gilles naar Parijs mocht teruggezonden worden met zoo-danigen last, dat hij geen anderen zou behoeven. De raadpensionaris weigerde: .ket—was onmogelijk zulk een last te geven buiten machtiging en zonder kennis van Ridderschap. Steden en Provinciën.

Naarmate de beslissing naderde, nam de zenuwachtigheid van Van der Heim toe. Hij deinsde terug, om „Engeland af te snijden.quot; Eerst de Ridderschap, dan de Steden, dan de Provinciën voor een afzonderlijken vrede te winnen — „met veel ijverquot; verklaarde hij, dat „hij daartoe niet bekwaam was.quot; Een paar dagen was hij ziek. Maar toen de koorts hem verlaten had, werd de aandrang vernieuwd. En als altijd, bukte hij. Er werd een uitweg gevonden: het Secreet Besogne zou de machtiging verleenen.

Den eersten Juli verraste hij H. H. M. Gedeputeerden tot de Buitenlandsche Zaken met het voorstel, om aan Gilles en Wassenaer volmacht tot het teekenen van een vredesverdrag te geven. Ofschoon het er niet met zoovele woorden in stond, was het een volmacht tot het sluiten van een afzonderlijken vrede. Na vele en warme discussiën nam de meerderheid der negen leden het voorstel aan.176 Tevens werd besloten, van dit besluit aan Engeland kennis te geven, met verzoek om öf de gezanten van de Republiek te machtigen, of zelf een minister naar Frankrijk te zenden.

Den volgenden dag kwam er een kleine reactie. De vraag werd opgeworpen, hoe verre de griffier Gilles volgens de genomen resolutie zou mogen gaan? Er werd besloten, dat Gilles en Wassenaer nog bericht van Engeland zouden afwachten, binnen een postdag beloofd: voldeed Engeland aan het verzoek, om een minister te zenden, dan kon men gemeenschappelijk verder handelen. Voor het overige werd het genomen besluit gehandhaafd; het afbreken der onderhandeling mochten zij niet wagen; dan liever teekenen.

De meerderheid zag blijkbaar een weinig tegen de gevol-

169

-ocr page 182-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

gen op, schoon zij niet op haar stappen terugkwam. Zij waagde het niet, Engeland los te laten, dan in het uiterste geval, dat Frankrijk met het afbreken der onderhandeling dreigde. In elk geval meende men het doel nabij te zijn: met of zonder Engeland zou men vrede sluiten. „Hedenmorgenquot; — berichtten aan den avond van dien dag de Amsterdamsche gedeputeerden177 — „is met onderling genoegen hetgeen, waar \'t nu voornamelijk op aankwam, door den goeden-ijver en de bekwame directie van den raadpensionaris gearresteerd.quot;

Onmiddellijk na de samensprekingen met de Puysieux had Van der Heim dringende brieven naar Engeland gezonden. De berichten van Trevor, ofschoon door Newcastle niet geloofd, steunden zijne vertoogen. Harrington en Henry Pelham behaalden eindelijk een overwinning; zij verkregen, dat er een stap van toenadering werd gedaan. Den 20stei1 Juni verklaarde Engeland zich bereid een minister naar de Nederlanden te zenden, om met gevolmachtigden van Frankrijk in onderhan-ling te treden.1,8

In de eerste dagen van Juli,170 te midden van de spanning door de „afspraak,quot; gelijk de resolutie van 1 Juli werd geheeten, verwekt, kwam het bericht, dat Engeland had toegegeven en bereid was onderhandelingen aan te vangen. De voorstanders van een generalen vrede en zij, die in het afzonderlijk verdrag niet dan gedwongen en met innerlijk tegenstreven hadden bewilligd, waren gerustgesteld.

Voor van der Heim intusschen was de agitatie der laatste maanden te zwaar. Hij had zich door den invloed van Amsterdam en verlaten door Engeland, laten bewegen, een politiek voor te staan, waarmede hij eigenlijk geen vrede had of kon hebben. Toen hij den eersten Juli zijne medeleden van het Secreet Besogne, die niet in \'t geheim der afzonderlijke beraadslagingen waren, eensklaps verraste met zijn voorstel tot machtiging 180 van Wassenaer en Gilles, kon hij zich niet ontveinzen, dat hij in lijnrechten strijd handelde met zijn verleden en met de politiek, door Slingelandt en Fagel voorgestaan. Hoe kon hij zich verdedigen tegen de verwijten van

170

-ocr page 183-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

den heftigen Willem Bentinck,181 die hem wel niet zullen gespaard zijn ?

Toen in de zitting van den 2lt;len Juli het Secreet Besogne de onbepaalde volmacht van den vorigen dag niet had ingetrokken, maar tijdelijk beperkt, vroeg van der Heim in de vergadering van Holland verlof, om naar Spa te mogen gaan. Hij was ongesteld; zijn ziekte sproot voort, verklaarde de medische faculteit, „uyt te veel occupatie van de geesten, gepaard met te weinig exercitie van het lichaam.quot; Een verblijf te Spa gedurende vijf, zes weken zou herstelling geven.

Dat de raadpensionaris van Holland op zulk een kritiek oogenblik verlof vroeg en verkreeg, baarde verwondering.18-Maar \'t bleek spoedig, dat de ziekte niet voorgewend was. Van der Heim keerde niet meer terug, hij bereikte zelfs Spa niet. Den 17den Juli overleed hij onverwachts en plotseling te \'s Hertogenbosch. De stormen van den tijd hadden den zwakke neergeworpen.

Door de uitlegging, den tweeden Juli aan het besluit van den vorigen dag gegeven, en door Engeland\'s toetreding tot onderhandelingen, was voor het oogenblik de kans afgesneden, om bij afzonderlijken vrede het gevaar van Frankrijks inval te voorkomen. Al gaf Amsterdam zijn plan niet op, er hadden gebeurtenissen plaats, die de moeielijkheden zeer vermeerderden en genegen maakten om van een congres te vragen, wat men niet zelve had kunnen of durven tot stand brengen.

Toen de onderhandelingen met Frankrijk waren aangevangen, hadden de leden van het Secreet Besogne tot de Bui-tenlandsche Zaken elkander op den eed, bij den aanvang hun-. ner bediening gedaan, stipte geheimhouding opgelegd. Om de opvolging gemakkelijker en de schending moeielijker te maken, werd in de conferentiën nooit iets in geschrifte gebracht, dan de orders, aan de ministers buitenslands toe te zenden. Herhaaldelijk intusschen had de raadpensionaris vergunning

171

-ocr page 184-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

verzocht en verkregen, om aan de heeren van Holland een geheim verslag van den stand der zaken te doen. Aan de andere souvereine provinciën werd zorgvuldig alle mededeeling onthouden ; zelfs toen de eerste voorslagen van Frankrijk waren ingekomen, waren zij wel naar Engeland, maar niet naar de Staten der gewesten gezonden. 1Si

Zoolang het denkbeeld van een generalen vrede heerschte, schijnen de Gedeputeerden der provinciën geen bezwaar in de opgelegde geheimhouding te hebben gevonden. Doch toen meer en meer de partij domineerde, die op een separaten vrede drong, en vooral na het besluit van 1 Juli, veranderde de stemming. De „importantie van het geheimquot; en de overweging, dat de commissie „niet bekleed was met de autoriteit, om afzonderlijk en buiten het geven van communicatie aan de H. H. Staten, hare principalen, zaken van zoo groot een gewicht te behandelen,quot; deed de Gedeputeerden, inzonderheid der stadhouderlijke gewesten, besluiten de geheimhouding op te heffen. Zij achtten zich daartoe gerechtigd, op grond van de mededeelingen aan Holland geschied. De afgevaardigden van Friesland, Zeeland, Gelderland en Overijsel gaven van het gebeurde en het gevallen besluit aan de Staten zelven of aan de invloedrijkste leden bericht.

Wat verwacht kon worden geschiedde. Met heftigheid kwamen de provinciëjj- èr tegen op, dat het Secreet Besogne, of liever eenige weinige leden zich aanmatigden voor de geheele Unie negotiation te voeren, zonder advies of consent der bondgenooten. In Overijsel werd den afgevaardigden ter Generaliteit aangeschreven, alles wat nopens den vredehandel voorviel, aan een secrete commissie van Overijselsche regeerings-leden over te schrijven. De heer van Rechteren werd daarop door Holland eenvoudig uit de secrete besognes gesloten. Een gelijk lot viel aan tien gedeputeerde van Zeeland ten deel, toen zijne meesters ééne lijn met Overijsel trokken. Krachtig protesteerde Holland tegen de beoordeeling en de eischen der provinciën, en beriep zich op antecedenten, die de geheimhouding rechtvaardigden. De Staten-Generaal, waarin Holland\'s

172

-ocr page 185-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

invloed boven dreef, keurde de handelwijze van \'t Secreet Besogne goed, en verklaarde zicli tegen de gewesten. Le twist, door de „afspraakquot; van 1 Juli in \'t leven geroepen, duurde den geheelen winter voort, telkenmale aangewakkerd door de vrees, dat Holland eigenmachtig tot het teekenen van een afzonderlijken vrede komen zou. De strijd tusschen de regenten der Geünieerde Provinciën verzwakte de heer-schende oligarchie in haar worsteling met de Oranjepartij. Dat zij geheuld had met den vijand en de bondgenooten had willen verlaten, was een der voornaamste beschuldigingen, die het volk in het voorjaar van 1747 tegen haar te wapen riep. De eigenmachtige houding der Hollandsche regenten was een der hoofdredenen, waarom de aristocratie in de andere gewesten kalm het hoofd boog voor de volkseischen.

Doch\'in Augustus 1746 kon niemand dien loop van zaken voorzien. Engeland had zich bereid verklaard een ministerie zenden, om op een neutrale plaats met de Franschen in onderhandeling te treden. Na eenige besprekingen werd Breda als plaats van samenkomst vastgesteld. De Kepubliek zou vertegenwoordigd worden door Wassenaer en door Gilles, die, tot Ifipn voor de warmte, waarmede bij de Amsterdamsche politiek had omhelsd, tot opvolger van van der Heim als raadpensionaris van Holland was gekozen^ Frankrijk zond den markies de Puysieux, die met de tot dusver gevoerde onderhandelingen vertrouwd was. In Engeland had Newcastle, toen er het eerst van mogelijke onderhandelingen sprake was, aan Chesterfield gedacht, maar deze had de missie volstrekt en herhaald afgewezen.,s\' Aan den gezant in den Haag, Trevor, die de vredelievende inzichten van Harrington en van zijn broeder Henry Pelham deelde, dacht hij natuurlijk niet. Die man was voor hem niet bruikbaar. De keus viel op John Montigu lord Sandwich, een jong mensch. Waarom hij gekozen werd, vertelde Henry Pelham aan Horace Walpole\'s\'. „De koning schijnt zeer met hem ingenomen. Waarom, is mij heel duidelijk. Hij houdt hem voor een man, die kaap Breton niet zal opgeven, wafT do Franschen eischen, en zonder wat er

173

-ocr page 186-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

geen kans op vrede is. Hij is een jong man, geheel onervaren in zaken; dit is een geschikt voorwendsel om hem geen beslissende instructie te geven, zoodat alles ad referendum wordt gelaten. Z. M. heeft het dan altijd in zijn macht, om neen te zeggen, wanneer het met zijn belang of zijn luim overeenkomt. Ik hoop, dat ik mij vergis, maar ik vrees, dat mijn voorgevoel juist zal blijken: er komt niets van den vrede.quot;

De schrijver dezer woorden, de broeder van Newcastle, was Chancellor of the Exchequier, en dus in naam hoofd van het kabinet. Maar zijn broeder verschoonde hem even weinig als zijne andere ambtgenooten, en gedroeg zich ook tegenover hem, als ware hij zelf de eigenlijke premier. Henry Pelham zuchtte al even hard als de anderen onder den druk van Newcastle. Aanhoudende twisten en kibbelarijen kwamen voor. waarin de zachte en bescheiden Pelham gewoonlijk het onderspit dolf. Aan de toevallige omstandigheid, dat hij uit denzelfden vrouweschoot was geboren, had hij het te danken, dat hij niet, als zoo veel anderen, sedert lang overboord was geworpen. Hij zelf was de man niet, om door een kloek besluit zich aan de afhankelijkheid te onttrekken en zijn post neer te leggen. Hij boog en volgde, zij het ook morrende en afkeurende.

Zijn lijdzaamheid werd menigmaal op zware proef gesteld. Terwijl hij met Harrington de noodzakelijkheid van den vrede erkende, zag hij lord Sandwich tot gevolmachtigde op het congres van Breda benoemd, met een bedoeling, die, naar hij zeide. niemand, der zake kundig, belust op die zending zou maken. Doch het zou nog erger worden.

In de laatste dagen van September vingen de samenspre-kingen te Breda aan. Frankrijk en de Republiek waren in de meening, dat zij alleen met Engeland zouden onderhandelen. De vrede zou gemakkelijker tot stand komen, wanneer zij met hun drieën het op de hoofdpunten eens waren geworden, dan wanneer men met de vaak uiteenloopende eischen en belangen ook van Spanje, Oostenrijk, Sardinjë had te hande-

174

-ocr page 187-

DEK VEREENIGDE NEDERLANDEN.

len. Doch aanstonds bleek het, dat men buiten Engeland had gerekend. Newcastle had reeds in .luni. zonder zich te bekommeren om de door Frankrijk geëischte geheimhouding, de vredesvoorslagen te Turin en te Weenen medegedeeld, en eischte nu toelating van ministers van Oostenrijk en Sardinië. Bij de bekende oorlogzuchtige stemming van Maria Theresia was het volkomen duidelijk, wat deze eisch beteekende. Het was $en middel te meer, om aan het congres alle kans van slagen t.e ontnemen. Tot heftige tooneelen, bittere verwijten en groote verwarring leidde zij. Terwijl Frankrijk zich op hoogen toon beklaagde, misleid te zijn en op bedriegelijke wijze door de Republiek naar Breda gelokt, verklaarde Engeland slechts tot het congres te zijn toegetreden, onder beding dat Oostenrijk en Sardinië zouden deelnemen. De heeren van de Republiek wisten van dat beding niets, en legden de nota over, waarin Trevor in den Haag het besluit van zijn regeering van den 20en Juni had medegedeeld. Isu bleek het, dat de Engel-sche gezant, hetzij uit eigen vredelievendheid hetzij om van der Heim genoegen te doen, de hem gegeven orders een weinig gewijzigd had medegedeeld. Vandaar de verkeerde opvatting der Staten, als rekende Engeland zich vrij tot een alge-meenen vrede over te gaan, zonder dat gezanten van de bondgenooten op het congres waren toegelaten. ls,i

Toen de vergissing aan het licht was gekomen, stelde de. Republiek voor, om aan den eisch van Engeland te voldoep. Maar de Puysieux weigerde het en verklaarde zonder uieuwg bevelen uit Parijs niet verder te kunnen gaan. Lord Sandwich van zijn zijde weigerde over andere punten in onderhandeling te treden, voordat het hoofdpunt, de toelating der bondgenooten, was afgedaan.

Zoo was, weinige weken na de eerste samenkomst, in liet laatst van October, reeds het congres van Breda in zijn loop gestremd. Wat volgen zou, was gemakkelijk te voorzien. Hoe wëiïïïg vredelievend Oostenrijk gezind was, voor wiens toelating Engeland pleitte, bleek in deze zelfde dagen. De koerier, door de Puysieux naar Parijs gezonden, om nieuwe

175

-ocr page 188-

LORD CHESTKKFIELD EN DE REPUBLIEK

bevelen te vragen, werd bij Antwerpen door eenige Oosten-rijksche huzaren van al zijne papieren beroofd en gevangen genomen, hoewel hij een pas vertoonde, die geteekend was door den raadpensionaris Gilles te Breda. „De Fransche gevolmachtigde is woedendquot; — schreef Henry Pelham 187 — „en zweert, dat het een streek van ons is, en schreeuwt om schadevergoeding. De Heer weet, hoe dit eindigen zal, maar ik geloof niet, dat die geschiedenis te Breda lang duren zal.quot;

Lord Newcastle nam de dingen minder zwaar op, dan zijn ietwat zenuwachtige broeder. Bovendien, er was in den loop van zaken veel, dat hem aangenaam was. De misslag van Trevor was goud waard. Dat hij, na Sandwich\'s benoeming te Breda, niet gehandhaafd zou worden in den Haag, hadden zijne vrienden reeds dadelijk 188 begrepen. Maar nu was hij geheel onredbaar.

Hij zou echter niet alleen vallen.

-s Toen de vredesonderhandeling stokte, zette Newcastle zich, om alles voor een nieuwe campagne voor te bereiden. Hij ontwierp een plan, hoe groot het Engelsche leger zou zijn, hoeveel subsidiën Engeland zou betalen, enz. Hij deelde het aan den koning mede, die het dadelijk goedkeurde. Op diens last toonde hij het aan zijn broeder Thomas Pelham, aanzijn mede-secretaris, lord Harrington en aan den kanselier, lord Hardwicke. De laatste was het altycf met hem eens, de twee eersten waren vredelievend. /Thomas Pelham morde wel, maar bukte toch voor zijn broeder^Harrington nam de nonchalante manier, waarop hij en de anderen ook nu wederom door Newcastle behandeld waren, kwalijk op en toonde humeur. De stemming van passieve berusting, die een ambtgenoot van Newcastle voegde, was van hem geweken. Hij had een ontdekking gedaan, die daartoe medewerkte. Newcastle hield een geheime briefwisseling met Sandwich. De staatssecretaris van hetTSToór-den zag de ambtenaren, die van hem hun bevelen moesten ontvangen, in geheime correspondentie met zijn ambtgenoot. Hij was er bitter over ontstemd en toonde het. Toch meen-

176

-ocr page 189-

DER VEEEENIGDE NEDERLANDEN.

den zijne ambtgenooten, dat hij, die zeer aan zijn post was gehecht, ook dit, als zoo veel meer, zou verdragen.

Misschien ware dit het geval geweest, indien hem de tijd ware gelaten om volkomen tot kalmte te komen. Maar hij liep in de val. Een paar dagen later moest hij bij George II zijn, om hem eenige stukken mede te deelen. Die kans meende hij te moeten waarnemen, om zich over zijn ambtgenoot te beklagen. Hij meende grond te hebben, sprak hij, om te gelooven, dat lord Sandwich, ofschoon tot zijn departement behoorende, in het geheim correspondeerde met dgn hertog van Newcastle. De koning hield noch van den klager noch van den aangeklaagde, maar sedert het gebeurde in Januari had hij den grootsten hekel aan Harrington. Daarbij kwam, dat hij in deze dagen last van aambeien had, wat zijn humeur, nooit zeer beminnelijk, niet verbeterde. „Welnuquot; — duwde hij Harrington toe — „welnu, waarom mag ik niet correspondeeren met mijne ministers buitenslands, door wiens kanaal ik verkies?quot; Dit antwoord, waarbij George de verantwoordelijkheid van een particuliere correspondentie van Newcastle op zich nam, verbaasde Harrington; hij peilde onmiddellijk den grond en antwoordde: „Dus erkent U. M., dat het inderdaad waar is wat ik nog slechts vermoedde ?quot; George zweeg; maar toen de minister hervatte: „Meent U. M. dat ik in dit geval u nog langer met eer dienen kan?quot; gaf hij ten antwoord: „Neen, inderdaad, mylord, dat geloof ik niet.quot;

Harrington ging weg, zonder iets aan iemand te zeggen. ■] Toen Newcastle eenige oogenblikken later het kabinet (binnentrad, vernam hij het gebeurde. Op zijn vraag, wie Harrington moest opvolgen? antwoordde de koning; „Dat imoet, dunkt mij, lord Chesterfield zijn. Maar zal hij het aannemen?quot; Newcastle verklaarde het niet te weten ; eenigen tijd te voren was hij onwillig geweest. „Welnu, vraag hem,quot; zei George.

Chesterfield was te Bath, 189 toen deze dingen voorvielen. Hij kwam naar Londen en nam de benoeming aan. Door den

12

177

-ocr page 190-

178 LOKD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

koning zelf gewenscht, schijnt hij gemeend te hebben, dat hij meer kans van slagen had dan zijn voorganger. Natuurlijk kon hij niet dadelijk de ingeslagen richting wijzigen en moest hij berusten in veranderingen, die het onvermijdelijk gevolg van Harrington\'s aftreden waren. Trevor, de gezant in den Haag, die uit overmaat van vredelievenden ijver te ver was gegaan, werd teruggeroepen. Lord Sandwich volgde hem op.

In de Nederlanden werd het bericht van Chesterfield\'s optreden met groote blijdschap vernomen. Een brief 100 van Wassenaer, uit Breda, sprak de vreugde in opgewonden termen uit. „J\'ai vu avec la plus agréable surprise au bas des dépêches le nom de l\'homme du monde, que je respecte, que j\'admire, que j\'estime, et permettez-moi de trancher le mot, que j\'aime le plus, le nom de Chesterfield. II rn\'a fallu quelques momens pour me reconnoitre et débrouiller la confusion des idees, que eet événement a réveillées dans mon esprit. De quelque cóté que l\'envisage, je n\'y trouve que des sujets de joie et de satisfaction pour tout bon patriote An-glois et Hollandais. Vous possédez, Mylord, l\'estime et la confiance des uns et des autres. Que n\'avons nous point a espérer pour le bien des deux nations, et pour celui de toute 1quot; Europe!quot;

Niemand beter dan Chesterfield wist, hoe weinig hij vooreerst aan die opgewonden verwachtingen kon beantwoorden. De politieke gedragslijn, die Engeland te Breda volgde, was den gezant voorgeschreven, toen de nieuwe staatssecretaris zijn ambt aanvaardde. Het zoogenaamd congres leidde tot niets en mocht tot niets leiden. .Ik heb nooitquot; — had Pelham reeds den 25 October geschreven\'51 — -ik heb nooit eenige goede vrucht van Breda gewacht, nooit, sinds lord Sandwich daarheen ging; niet uit vooroordeel tegen hem of omdat ik zijn bekwaamheid gering schat, maar omdat ik wist, dat hij er heen ging met het plan, zich aangenaam te maken bij hen, die hem zonden. En hun bedoeling was meer, om het hof

-ocr page 191-

DER VEKEENIGDE NEDERLANDEN.

van Weenen te overtuigen, dat zij niets zonder zijn medeweten en toestemming zouden doen, dan Holland tevreden te stellen, door werkelijk en bona fide er naar te streven,_om aan dezen drukkenden, ongelijken en nutteloozen oorlog door een eervollen en betamelijken vrede een einde te maken.quot; Chesterfield oordeelde evenzoo. „Ik geloof nietquot;—antwoordde hij aan een Franschen correspondent—- „dat de gevolmachtigden te Breda zullen slagen om ons den vrede te schenken. Gij zult ons dwingen om de onderhandelingen toe te vertrouwen aan 140.000 gevolmachtigden in Vlaanderen en aan 60.000 anderen in Provence. Ik twijfel er volstrekt niet aan, of gij zult hun een gelijk getal van ministers te gemoet zenden, die gij even knap denkt als wij de onzen. Ik denk, dat het resultaat van hun samenkomst belangrijker en beslissender zal zijn, dan dat van de conferentiën te Breda.quot;,02

De^ eisch, door Engeland gedaan, dat vertegenwoordigers van de koningin van Hongarije en van den koning van Sardinië zouden worden toegelaten, was de eerste belemmering-voor alle vruchtbare werkzaamheid te Breda geweest. Hij bleef het al de maanden, dat het congres te zamen wasTTTe Frafi\'scfie gezant~de Puysieux bleef hardnekkig weigeren, waarschijnlijk met meer hardnekkigheid dan d\'Argenson wenschte, die hem uitdrukkelijk had voorgeschreven, wel vol te houden, maar in geen geval het congres onverrichter zake te laten uiteen gaan.153 Engeland bleef even hardnekkig vorderen. De Republiek, die voortdurend zocht te bemiddelen en snakte naar vrede, zag al haar pogingen falen. Na een paar maanden nutteloos samenspreken, besloot men de hoven van Turin en Weenen te verzoeken, dat zij er genoegen in zouden nemen, niet vertegenwoordigd te worden; men zou hunne ministers trouw op de hoogte houden. Beiden wezen natuurlijk den voorslag af, als in strijd met hun eer. Later schenen zij echter minder ongenegen te berusten in eene uitsluiting, die hun waardigheid hfei verbood goed te keuren.

* In Januari 1747 had er te Parijs een ministerieele veran-

179

-ocr page 192-

dering plaats, die niet zonder invloed op de vredesonderhandelingen bleef. D\'Argenson — la béte, zooals hij om zijn gebrekkige hoofsche vormen geheeten werd — had steeds het denkbeeld van verzoening met de Rupubliek voorgestaan en de Hollanders verdedigd tegen het verwijt, dat al hunne onderhandelingen slechts ten doel hadden, om Frankrijk om den tuin te leiden. De invloed van Madame de Pompadour en van de hofkliek, die haar steunde, bracht hem ten val.

De Puysieux, 194 die te Breda onderhandelde, dankte aan de gunst der koninklijke bijzit het ministerie, dat hij als haar gewillig werktuig zou innemen. Hij haastte zich niet om een opvolger op het congres te benoemen, zoodat er een paar maanden voorbij gingen, zonder dat Frankrijk vertegenwoordigd was. Om de verwarring nog te vermeerderen, zond Spanje een minister, die toegang eischte, op grond, dat het nooit Frankrijk had gemachtigd, om voor Spanje te handelen.

IK\'

In dezen stand van zaken was er voor Chesterfield\'s vredelievende plannen weinig kans tot slagen. Hoe onwillig ook, ij moest de lijn volgen, die voorgeschreven was, toen hij

ptrad. Even weinig als Newcastle de zelfstandigheid van zijn voorganger had verschoond, verschoonde hij de zijne. Ook Chesterfield moest zich veel laten welgevallen van den invloedrijken minister, die door den koning gesteund werd; veel, wat hij, evenzeer als Harrington, inbreuken op zijn terrein achtte. Newcastle leidde de buitenlandsche zaken, zonder, desnoods tegen hem. Niet het minst griefde en verbitterde het hem, dat de geheime correspondentie tusschen Newcastle en Sandwich 105 werd voortgezet. Heftig verweet | hij later openlijk den jongen ambassadeur, dat hij, die vroeger met hem, Chesterfield, een tegenstander van den oorlog i was geweest, en met meer warmte en in forscher termen dan eenig ander pair de oorlogzuchtige politiek had bestreden, thans louter uit ambitie van gevoelen was veranderd; „geen beginselen hechtten, geen vriendschap bond, geen gevoel van dankbaarheid bedwong dien man,quot; 183 verklaarde Chesterfield.

-ocr page 193-

LAv\' »

n- ^ . \'U - \\ -.o,

^ . DER VEEEENIGDE NEDERLANDEN. 181

l ■

In het najaar van 1746 werden, ten gevolge van Newcastle\'s plannen voor den volgenden veldtocht, nieuwe con-ventiën met de hondgenooten ontworpen en gesloten. Chesterfield, hoe onwillig ook, moest bewilligen in maatregelen, dio onverzoenlijk met zijne plannen streden. Maar hij had den troost, verzekert hij, dat hem de stellige toezegging werd gegeven, dat\' dit de laatste poging zou zijn, die aangewend werd. S.laagde men er ditmaal niet in om Frankrijk uit de Nederlanden terug te werpen, dan zou Engeland niet langer den vrede tegenhouden. Een leger van 140.000 man zou door Engeland, quot;ïïe Republiek en Maria Theresia worden bijeengebracht. De hertog van Cumberland, de zoon des \' konings, wien de overwinning van Culloden eenigen roem had geschonken, vertrok naar de Nederlanden, om weder het opperbevel te aanvaarden. Met de stoutste verwachtingen werd de nieuwe veldtocht te gemoet gezien.

Bitter was de teleurstelling. Het leger der verbonden mogendheden was het eerst in het veld, maar niet in staat krachtig te handelen. Tweedracht verlamde hen. Noch de troepen van Engeland, noch die van de Republiek en van Maria Theresia waren behoorlijk toegerust. „Zoo belachelijk zuinigquot; — schreef Chesterfield — „waren de gesloten leger-contracten, en zoo karig waren de magazijnen voorzien, dat dit leger, dat in April sterk genoeg heette om offensief te werk te gaan, niet in staat was iets te doen, voordat het te laat was.quot; Een flauwe beweging, die Cumberland tegen Antwerpen maakte, werd door den maarschalk van Saksen niet van genoeg belang gerekend, om er zich over te verontrusten. „Als mijn tegenstander zijn leger voldoende verzwakt heeftquot; — zoo had hij gezegd, naar men in Engeland vertelde —

„zal ik hem leeren, dat het de eerste plicht van een generaal is, voor het behoud van zijne troepen te zorgen.quot; Hij hield eerlang woord.

Den l7don April 1747 ontvingen de Staten-Generaal een . ? gt; kennisgeving van den Franschen gezant, dat Z. M. zich ver-plicht zag zijne troepen op het grondgebied der Republiek te / /

-ocr page 194-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

zenden, om de schadelijke gevolgen van de bescherming te voorkomen, die zij aan de troepen van Oostenrijk en Engeland verleenden. Bijkans terzelfder stonde rukten de Fransche troepen Staats-Vlaanderen binnen. De regenten-aristocratie, even onmachtig om oorlog te voeren als om vrede te sluiten, werd door het volk van de kussens geworpen. Als steeds, wanneer het vaderland in gevaar was, richtte de natie zich tot een prins van Oranje, om van hem redding uit den nood te vragen.

De verheffing van Willem IV, den schoonzoon van koning George, scheen een krachtige en energieke hernieuwing van den oorlog te waarborgen. Van hem, jong en populair, die steeds onverholen zijn gestrenge afkeuring over de krachte-looze houding van den Staat had uitgesproken, was de hoogste krachtsinspanning te verwachten. Hij zou de Republiek willen redden en zich zeiven met roem overladen, gelijk Willem III na 1672. Geen vredelievende politiek, maar een oorlogzuchtige zou hij voorstaan.

Het is\'te begrijpen, dat Chesterfield, met dit uitzicht voor oogen, de verheffing van Willem IV met weinig ingenomenheid begroette. Hij kende, beter dan eenig ander Engelsch minister, de innerlijke holheid en zwakheid der Republiek, en had de gelegenheid gehad, ook den prins van Oranje nader en beter te leeren kennen. Hij kon niet wenschen, ook indien hij het geloofde, dat Willem IV de man zou zijn om leven in de oude doodsbeenderen te wekken.197

In deze dagen — Mei 1747 — behaalde hij een kleine overwinning op zijn ambtgenoot, die voor hem groove waarde had. Met behulp van Pelham wist hij te bewerken, dat een zijner ineesk vertrouwde vrienden tot resident in den Haag werd benoemd. Het was Salomon Dayrolles, de neef van den ouden James Dayrolles, dien hij in 1728 in den Haag in gelijke betrekking had aangetroffen. Met dezen Salomon was hij zeer intiem geworden ; hij had hem indertijd mede naar Ierland genomen, en hem daar aan zijn hof als ceremonie-

182

-ocr page 195-

DEK VEREENIGDE NEDERLANDEN.

183

meester gebruikt.198 Dayrolles was een zeer vertrouwd man, dien hij ook in zijne particuliere zaken, de opvoeding van zijn zoon, raadpleegde. Geschikter persoon, om in den Haag een oog in \'t zeil te houden, kon hij moeilijk vinden. Dayrolles had nog van vroeger verschillende relatiën, die hem thans dienen konden. Met den graaf van Weideren in Gelderland was hij bevriend. De heer van Kruiningen, ofschoon hij eerlang na den dood zijner vrouw zich meer en meer isoleerde, ontving hem. Inzonderheid met John Duncan, een van \'s prinsen raden, die indertijd de huwelijksvoorwaarden van Willem en Anne te Londen had opgemaakt, wenschte Chesterfield dat hij op vertrouwelijken voet zou zijn. Maar Duncan\'s plaats aan het hof was niet meer de oude. Sedert Willem Bentinck het vertrouwen van Willem genoot, was Duncan op den achtergrond geschoven. De prinses hield niet van hem en Bentinck evenmin. Hij werd niet meer geraadpleegd, maar gewantrouwd. Hij voelde, dat zijn positie wankelbaar was, en wilde zijnen vijanden geen voet geven door een vertrouwelijk verkeer met Dayrolles, den vriend en beschermeling van Chesterfield. Hij stelde daarom aan den resident de voorwaarde, dat zij elkander slechts a la Nicodème, d. i. des nachts, zouden bezoeken, en dat in de briefwisseling tusschen Dayrolles en Chesterfield van hem slechts als van Vami sprake zou zijn, maar nooit zijn naam zou worden genoemd. Eenige weken later gaf hij om het gevaar, waarin de briefwisseling hem storten kon, ze geheel op. „De post was niet te vertrouwenquot; — zei hij — „de brieven werden geopend. Gedurende vele jaren was dit in Holland niet geschied, maar men had het onlangs weer aangevangen.quot; ,i)9 „Zeg onzen vriendquot;—antwoordde Chesterfield — „dat, als hij zoo beloerd wordt, ik stellig wil, dat hij mij een tijdlang niet schrijft. Preek hem, namens mij, maar geduld te hebben; zijn beurt zal wel weer eens komen. Als hij een kanaal had, om op de prinses te werken, dat zou, geloof ik, het zekerst zijn. Voor u beiden intusschen is het het best, elkander zoo weinig mogelijk te zien, tenzij dan in het grootst geheim.quot;

-ocr page 196-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

Politiekcn invloed door Dayrolles uit to oefenen zocht Chesterfield niet, ofschoon hij de gelegenheid niet versmaadde, om ook door zijn tusschenkomst den prins gunstig voor zich te stemmen. In de omgeving van Willem IV was men aanvankelijk van meening, dat Newcastle en Chesterfield ééne lijn trokken : „tous deux sont dans lo même système que le Roiquot; — schreef Bentinck nog in December 1746 ; en hij voegde er bij : „il est connu a V. A. S. comment Mylord Chesterfield a pensé sur votre sujet. II pense encore de même: Mylord Sandwich est l\'homme de Mylord Chesterfield et ce serait ici le dernier point sur lequel il se départirait de Chesterfield.quot; Men ziet, Bentinck was niet volkomen op de hoogte. Het duurde intus-schen niet lang, of hij was beter ingelicht. Want ook met hem was Newcastle in correspondentie. Chesterfield vermoedde het, nog voordat hij het zeker wist. Des te meer moest hij op prijs stellen, wanneer hij in de gelegenheid was den prins te overtuigen, dat hij volstrekt niet de bittere vijand was, zooals Newcastle c. s. hem teekenden. Indien zijn vredelievendheid kans zou hebben om te zegevieren, moest zij niet op persoonlijken wrok afstuiten bij den man, in wiens handen de leiding der buitenlandsche aangelegenheden der Republiek berustte. In de Junimaand was er sprake van, dat de zeemogendheden 30.000 Russen in soldij zouden nemen. De prins van Oranje schreef er herhaaldelijk over aan Chesterfield, die er zeer voor was, omdat hij meende dat het uitzicht op deze nieuwe vijanden Frankrijk vredelievender zou maken. Maar Newcastle wist het besluit te verschuiven tot het najaar, om inmiddels den loop der gebeurtenissen eens af te wachten. Chesterfield begreep, dat dit uitstel de kansen op ean nieuwen veldtocht vermeerderde, en was er zeer ontevreden over. Op zijn verzoek liet de resident Dayrolles aan Willem IV een confidcntieelen brief lozen, waarin hij onverholen zijn gevoelen uitsprak.

De inlichtingen, die Dayrolles hem van tijd tot tijd zond. versterkten Chesterfield in zijn beschouwing van den staat van zaken. De generaal Ligonier, een Franschman, die de

184

-ocr page 197-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

Engelsche cavalerie kommandeerde, had aan den resident bet een en ander over de Fransche troepen, hun sterkte en inrichting verteld. „Er blijkt uitquot; — antwoordde Chesterfield — „dat de Franschen werkelijk de overmacht hebben, die ik vreesde. Ik zie de zaken in Vlaanderen donker in, want ik kan niet gelooven, dat de Maarschalk van Saksen den koning in het leger zal hebben gebracht om parades bij te wonen; hij moet tegenwoordig zijn bij den een of anderen aanslag, waarbij de maarschalk rekent dat kans van slagen is.quot; \'\'quot;0

De edele lord had goed geraden. Weinige dagen later zette de 1 ransche maarschalk zich in beweging en voerde zijn leger naar Maastricht. De geallieerde troepen, die onder Cumberland, tot dusver weifelend en onzeker wat te doen, de bewegingen van den vijand hadden afgewacht, haastten zich hem te voorkomen en de bedreigde stad te dekken. Zij slaagden, maar raakten diensvolgens met den vijand handgemeen. Den 2dcn Juli werd het Engelsche leger, waarop voornamelijk de aanval en verdediging aankwam, bij Lafeld geslagen; de Oostenrijkers waren, zooals Lodewijk XV naar Parijs schreef, „welwillende toeschouwersquot; geweest; en de Nederlandsche troepen hadden 5F niet aan den strijd deel genomen, öf waren gevlucht. Oneenigheid onder de generaals, jaloezie op Waldeck, ongeschikt slagterrein, werden onder meer als de oorzaken van den ongelukkigen uitslag opgegeven. Doch wat de ware oorzaken ook waren, de gevolgen dreigden ernstig te zijn. Tien dagen later sloegen de Franschen het beleg voor Bergen op Zoom.

Groot was de indruk van dezen nieuwen tegenspoed. De herstelling van het stadhouderschap bleek de troepen der Republiek met geen nieuwen en beteren geest bezield te hebben: zij streden al even slecht als vroeger. De oneenigheid was evenmin verminderd. De bondgenooten lieten bij voortduring alles op Engeland aankomen. „Geef den Oostenrijkers alles wat ge verkiestquot; — oordeelde Chesterfield—„zij zullen altijd in gebreke zijn. De Hollanders mogen zulke krachtige resolutiën nemen als zij willen, zij hebben de middelen

185

-ocr page 198-

186 LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

niet, geloof ik, om ze uit te voeren. Ook onze hulpmiddelen schieten te kort en onze bekwaamheid nog meer. Nous ne sommes pas montés sur le ton de conquête.quot; 201 Zoo oordeelde hij, zoo oordeelden velen met hem. Ook in het Engelsche ministerie namen de stemmen toe, die op vrede drongen. Pelham, die meer en meer zich van de gevoelens van zijn broeder verwijderde, stond geheel aan Chesterfield\'s zijde. „Wij vechten en wij betalen, dat is de waarheid, maar wij worden geslagen en zullen bankroet gaan. Vijf campagnes hebben wij achter den rug, die wij verloren hebben. Verleden jaar hadden wij een béteren vrede kunnen bekomen dan nu, en nu kunnen wij nog een gunstiger krijgen, dan in het volgende jaar het geval zal zijn.quot; \'-quot;3 Zelfs de kanselier Hardwicke, die gewoonlijk Newcastle blind volgde en zich tot zijn wolzak bepaalde, zag in, dat de toestand onhoudbaar werd. Men zette den krijg voort, maar zonder de krachtsinspanning, die alleen tot een goed einde kou voeren. „Wat bij mij het meest afdoet, is ditquot; — schreef hij aan Newcastle zeiven \'\'03 — „ik zie niet, dat wij de middelen hebben, óf om den oorlog voort te zetten óf om onze positie te verbeteren. Ik wanhoop er aan, om een beter plan de campagne te hebben, dan wij nu hadden, vroeger den veldtocht aan te vangen, of meer troepen bijeen te brengen. Ja, eigenlijk gezegd, ik kan niet gelooven, dat wij ooit weer zulk een groot leger zullen hebben.quot; Zoo spraken en dachten de meeste, ja alle leden van het kabinet. Maar Newcastle liet hen praten. De koning wilde er niet van hooren, en Cumberland steunde met al zijn invloed den oorlog.

Eén oogenblik scheen het, dat de laatste wankelde, en uit persoonlijke overwegingen geneigd was tot vrede mede te werken.

In den slag bij Lafeld was de generaal Ligonier gevangen genomen. Door Lodewijk XV nog op het slagveld ontvangen, had deze hem eenige woorden toegesproken, waaruit zijn wensch naar vrede sprak. De Maarschalk van Saksen verzekerde hem, dat de koning en het Fransche ministerie

-ocr page 199-

DER VEEEENIG DE NEDERLANDEN.

zeer naar het einde van den krijg verlangden. Hij opperde zelfs het denkbeeld, of het niet mogelijk was, dat hij en Cumberland, de twee opperbevelhebbers, aan het hoofd van hunne legers den vrede zouden bemiddelen. Er volgde een briefwisseling, waarbij de maarschalk namens zijn regeering eenige voorslagen deed, die tot punt van uitgang konden dienen.

De hertog van Cumberland, hoe oorlogzuchtig ook, voelde zich verlokt door het grootsche uitzicht, dat het voorstel van den maarschalk opende. Aan zijne militaire lauweren die\' van den diplomaat toe te voegen, lachte hem aan. Ook George II scheen niet ongezind, den wensch van zijn lieve-Üngszoon te vervullen.

Maar het ministerie oordeelde anders.

Toen de hertog van Cumberland nog een kleine jongen was, was hij eens stout geweest. Zijn moeder — koningin Caroline — had hem naar zijn kamer gezonden. Toen hij terugkwam, vroeg zij wat hij gedaan had. „Ik heb gelezen,quot; was het antwoord. — „En wat hebt gij gelezen?quot; — „In den Bijbel,quot; zei de knaap. — „En wat hebt gij in den Bijbel gelezen?quot; — „Ik heb gelezen, dat Jezus tot Maria zei; vrouw, wat hebt gij met mij te doen.quot; m

Deze veelbelovende bengel was een man geworden. De vraag, die hij als kind had gedaan, bracht hij als man nog dikwijls in toepassing: wat had men met hem te doen ? Een heftig en driftig karakter, lag hij spoedig met ieder overhoop. Die zekere soort van eerlijkheid, die over ruwe drift een eigenaardig vernis werpt, kwam ook hem wel ten goede, maar zij kon toch niet beletten, dat „de slager van Cullodenquot;, zooals hij om de wreede reactie, die de onderdrukking van den Jacobietischen opstand in Schotland vergezelde, genoemd werd, nooit eigenlijk populair werd. En nog minder kon zij hem bewaren voor zoo menige moeielijkheid, als het gevolg van zijn onstuimigheid was.

Ook met zijn zwager, den stadhouder der Republiek, was hij spoedig in twist geraakt, en men zeide, dat hun twee-

187

-ocr page 200-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

dracht een zeer ongunstigen invloed op de militaire zaken had. Willem IV had niet, dan een paar malen als volontair, een campagne bijgewoond, maar hij achtte zich niettemin volkomen op de hoogte en bevoegd tot oordeelen, wat, ook indien hij het was, door Cumberland, die reeds aan zoo vele veldtochten had deelgenomen, natuurlijk niet werd toegegeven. Dat men een veldslag waagde, had Willem afgekeurd; de ongunstige uitslag van dien bij Lafeld versterkte hem slechts in zijn meening. „Je crois qu\'on s\'apercevra trop tard qu\'on aurait mieux fait de suivre mon avis qui était de rester dans notre poste avantageux et de renforcer la garnison do Maestrigtquot;, schreef hij aan zijne moeder. Uit den aard dei-zake had dit hun verhouding niet verbeterd. „Onze twee jonge helden kunnen het slecht samen vinden: de een is openhartig, oprecht, onverschrokken, misschien wat te haastig: de ander is aanmatigend, pedant, betoogend en koppigquot;, zei Pelham. 206 Al schonk de minister het leeuwendeel van deugden aan den zoon zijns konings, hij kon moeilijk medewerken om hem een diplomatieke missie toe te vertrouwen. Noch het haastig karakter van Cumberland, noch diens verhouding tot den stadhouder der Republiek maakte het voorzichtig, hem met de leiding van vredesonderhandelingen te belasten. In dit opzicht waren alle ministers het eens. Cumberland werd als diplomaat zachtkens ter zijde geschoven, en Newcastle kon dus bij voortduring op zijn steun bij zijn vader rekenen, die over alle dingen verstandig kon spreken, zoo-als Pelham eens schreef, behalve over den vrede. Naast Cumberland, zoo het heette, maar in waarheid in zijn plaats, werd lord Sandwich aangewezen, om met den Pranschen minister de Puysieux te spreken. In September zou hun samenkomst te Luik plaats hebben.

Sommige leden van het Engelsche kabinet waren zeer tevreden. Zij en met name Pelham meenden, dat Newcastle eindelijk tot hun gevoelen begon te naderen en minder onwillig werd, om tot den vrede mede te werken. Maar het zou hun spoedig blijken, hoe schromelijk zij zich vergisten.

188

-ocr page 201-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

Newcastle, ofschoon hij niet rechtstreeks en openlijk de onderhandeling tegenwerkte, nam indirect zijne maatregelen, om het slagen te voorkomen.207 Hij gaf de keizerin, den koning van Sardinië en den stadhouder der Republiek er kennis van, overtuigd dat hun geringe neiging tot vrede hem zou steunen, om den koning in zijn eigen meening en tegen den aandrang van Chesterfield en Pelham te sterken. De berekening slaagde; zoowel de keizerin als de koning van Sardinië verklaarden zich tegen den vrede, maar bovenal Holland.

In de Nederlandsche republiek werd het bericht met oprechten schrik en ergernis ontvangen. De „nieuwe bond-genooten,quot; zooals de nu heerschende partij zich noemde, waren door den jongsten tegenspoed volstrekt niet ontmoedigd, maar krijgslustiger dan ooit. De prins van Oranje werkte onvermoeid, en gunde zich rust noch lust, om alles voor een krachtiger krijgvoering voor te bereiden. „Sedert de Franschen voor Bergen op Zoom zijn, heb ik geen minuut voor mij zelf,quot; schreef Willem IV. „Zelfs heb ik Zondag en Woensdag niet naar de kerk kunnen gaan.quot; \'03 Bergen op Zoom hield hem voordurend bezig. „Bien que je n\'y sois pas de corps, a mon regret, je ne laisse pas d\'y travailler d\'esprit et de la plume continuellement.quot; — „Het zijn fatiguante dagen, vooral vandaagquot; — schreef hij den 5don Aug. — „van morgen om zeven uur kwam reeds een courier, dadelijk daarop had ik geheim militair besogne. Acht of negen depêches heb ik vandaag zelf geschreven. Niet voor tien uur kon ik eten. En toen kwam, om mij op te frisschen, de raadpensionaris over financiën spreken. Daarbij audiënties en tot half vier in de vergadering van de Staten van Holland, oü Ton a conclu l\'armement des sujets et Ia levée de dix-mille waertgelders.quot;

Zoo was het eigenlijk alle dagen. „Cette semainequot; — vertelde de prins aan zijne moeder, een paar dagen later — „j\'ai été trois jours de suite que je ne suis revenu des Etats d\'Hollande pour diner qu\'un quart avant cinq heures, mais

189

-ocr page 202-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

c\'était a cause que nous avons travaille a un projet de finances a rendre general sur toute l\'Union et qui pourra produire une trentaine ou quarantaine de millions qui pourront tous servir pour une campagne prochaine, si les Francais ue nous veulent pas accorder des conditions favorables ct aequitables.quot;

Te midden van al die toebereidselen om manschappen en geld te vinden, ten einde den krijg voort te zetten, kwam het bericht van Engeland, dat meu zou gaan onderhandelen. De Oranjepartij, die ternauwernood de teugels van het bestuur in handen had, kon niet zonder schrik aan een vrede denken, die haar beletten zou ten minste eenigermate aan de hooge verwachtingen te voldoen, die zij had opgewekt. Wat zou er van haar invloed worden, indien zij onmiddellijk gedwongen werd te doen, wat aan de gevallen partij tot verwijt was gerekend? Dat Engeland, en niet de Republiek, als tot dusverre, den draad der onderhandelingen in handen had, was al even weinig geschikt, om haar gunstig te stemmen. Welk een wapen voor de overwonnen partij, dat de eerste vrucht der zoo hoog geroemde revolutie deze was, dat, Engeland en niet meer de Republiek met Frankrijk onderhandelde?

„De prins van Oranje protesteert zeer heftig tegen de negotiatiequot; — meldde Pelham den 30ste11 Juli aan zijn vriend Walpole; ■0\' —- „hij heeft een heel boekdeel met pedante redeneeringen er tegen geschreven.quot;

Lord Sandwich, die een week of vier te Londen had doorgebracht, juist in de dagen, dat over de onderhandeling met Frankrijk werd beraadslaagd, kwam in de eerste dagen van Augustus in den Haag terug. Volamp;omen op de hoogte van den stand der partijen in den ministerraad en geheel door Newcastle gewonnen, die hem het uitzicht had geopend, om Chesterfield op te volgen, wat de couranten reeds hadden publiek gemaakt, was hij volkomen in staat, om èn gerust te stellen èn goeden raad te geven. Het gevolg was, dat tot de zending van Willem Bentinck naar Londen werd besloten.

190

-ocr page 203-

DER VEliEENIGDE NEDERLANDEN.

De trouwe en opgewonden aanhanger van het Oranjehuis vond den toestand, zooals hij verwachtte. Er was een krachtige partij voor den vrede, waarvan Chesterfield de ziel was. Pelham vond hij vreesachtig en vol bezwaren, terugschrikkende voor de groote oorlogskosten; hij was door Chesterfield tegen de Republiek ingenomen.210 De staatssecretaris zelf was overrijk in bedenkingen en tegenwerpingen. „Spot is zijn liefste wapen en hij weet er zich goed van te bedienenquot; — schreef Bentinck aan den prins. — „Al bad ik niets anders gedaan, dan aan de rest van het ministerie de argumenten aan te geven, om hem te antwoorden, dan nog zou ik mee-nen, dat ik mijn tijd goed besteed heb.quot;

Het was voornamelijk met de beide staatssecretarissen en met Pelham, den premier in naam, dat Bentinck te handelen had.

Menig warm woord viel er in die samenkomsten. „Ik bemoei mij weinig met de dingen; ik voer de orders uit, die ik krijg, en geef zelfs geen raad. Dat zij, die ons in de verlegenheid hebben gebracht, er ons uit helpen, zoo zij kunnen. Op deze wijze win ik iederen dag aan invloed.quot; had Chesterfield eenige weken te voren aan Dayrolles geschreven. Dit mag vroeger en later zijn houding zijn geweest, tijdens Ben-tinck\'s bezoek was hij minder passief. Diens brieven bewijzen het. Trouwens scherpe personen verbeelden zich wel eens meer dat zij niets zeggen, als zij het meest snijdend zijn. De houding van Newcastle, die voortdurend het air aannam te aarzelen, niet te weten, wat hij wilde, zoodat zelfs zijn eigen broeder dupe van hem werd, en de toon, dien Bentinck aansloeg, waren wel geschikt om iemand uit te lokken, die de kunst van zelf-beheersching wel zeer bewonderde, maar nooit getoond had te beoefenen.

Het doel van Bentinck was zeer eenvoudig. Hij kwam, om te beletten dat de vredesonderhandelingen, zoo hij ze al niet meer voorkomen kon, tot iets zouden leiden. Daarom zocht hij Engeland tot nieuwe krijgstoerustingen te bewegen, door namens de Republiek gouden bergen van medewerking en hulp

191

-ocr page 204-

192 LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

te beloven. Chesterfield weerstond hem krachtig, en sprak al zijne groote beloften tegen. „De hulpmiddelen van de Republiek zijn uitgeput; zij kan zelfs nu den krijg niet meer voortzetten, nog veel minder een volgend jaar. Als Bergen op Zoom zal gevallen zijn, dan kunnen noch de stadhouder noch zijne vrienden tegenhouden, dat zij hollende een vrede sluit. De denkbeelden van den prins zijn heel mooi, maar onpractisch en gelden niet meer in dezen tijd; het is don Quichotfcerie te meenen, dat alles te herwinnen is. Er blijft niets anders over, dan zoo goed mogelijk vrede te sluiten; .anders zullen wij er later een moeten aannemen, die veel ongunstiger is.quot; 213 Bentinck wilde er niets van hooren, en ontkende alles. „Geld? Wij zullen het hebben; wij zullen eerstdaags een zware kapitaalbelasting heffen, en de staat zal de posterijen zelve gaan besturen. Dat zal ons vele millioenen ponden sterling opbrengen. Bergen op Zoom ? Men behoeft niet ongerust te zijn.214 In het ergste geval, als wij het verliezen, dan zullen wij het leger terugtrekken op het eiland van Tholen, en ons door de rivier en door inundatiën verdedigen, tot de hertog van Cumberland ons te hulp komt.quot;815 Ook de oneenigheid tusschen den stadhouder en zijn zwager sprak hij stellig tegen. quot;\'6 Meer bezwaar had het in, op andere punten Chesterfield en de zijnen tevreden te stellen. „De prins van Oranje was zoo zwak, dat hij zijne aanhangers, personen, die warm tot zijn verheffing hadden bijgedragen, liet vervolgen door zijne vijanden in de Republiek.quot; Eigenlijk was Bentinck het geheel eens met hen, die deze aanmerking maakten; maar om de gevolgtrekking, die zij over de geringheid van \'s prinsen invloed er uit zouden trekken, verdedigde hij zijn meester met veel vuur en warmte 217. „Zwak?quot; riep Bentinck uit, „volstrekt niet, dat is nu juist ware politieke wijsheid. De geest van het volk is zoo gematigd; de prins wil zich niet van zijn volle gezag bedienen; hij gaat langzaam, maar zeker zijn weg, en bereikt daardoor zijn doel veel zekerder, dan wanneer hij anders handelde.quot;

Natuurlijk overtuigde Bentinck hen, wier politiek het mede-

-ocr page 205-

DER VEKEENIGDE NEDERLANDEN.

bracht overtuigd te worden. Pelham, al stond hij volkomen sceptisch tegenover al die verzekeringen, had geen ongunstigen indruk van zijn persoon. „Hij schijnt een heel eerlijk man te zijn en goed geïntentionneerd; maar een vreeselijk enthousiast op zijn stokpaardje. En uit politieke overtuiging èn uit genegenheid is hij zeer gehecht aan den stadhouder, en beschouwt alle dingen, goed of slecht, practisch of onpractisch, uit het oogpunt van dat bijzonder belang,quot;2,8 schreef hij aan Cumberland. Van de geruststellingen aangaande Bergen op Zoom geloofde hij noch Chesterfield een enkel woord: „ Cronström zelf heeft gezegd, dat de stad niet gered kan worden, dan door hulp van buiten, maar wij hebben geen troepen om er heen te zenden, ten minste niet genoeg, om iets te kunnen. Het leger van den hertog, dat al eens geslagen is in dit jaar, en veel zwakker dan dat van den vijand, kan er niet aan denken, opnieuw een slag te wagen, om Bergen op Zoom te redden, en nog veel minder om het te heroveren, als het verloren is.quot;2:9 Even ongunstig oordeelde Chesterfield. „Ik geloof, als gij, dat de stad vallen zal, en wel spoedig. Het is onmogelijk, dat het leger oprukt om ze te redden, ten minste, de hertog van Cumberland is daarvan overtuigd, maar de prins is van een andere meening. Het is trouwens niet het eenige punt, waarin zij verschillen,quot; schreef hij aan Dayrolles en voegde er bij: „ik zie, dat de belasting van 2 pCt. nog niet is aangenomen, ik twijfel, of de Staten het zullen doen, en dan nog, of zij haar heffen kunnen,quot;

Dien twijfel sprak hij ook in de ministerieele kringen openlijk uit. Krachtig drong Bentinck er bij den prins van Oranje op aan, dat het financieele plan toch\' zou worden aangenomen. „II faut que le projet des 2 p.ct. passé quovis modo. Votre honneur y est engage. Si cela manque, tout votre credit tombera ici.quot; Willem IV begreep het wel en wendde al zijn invloed aan. Bentinck juichte, toen de beslissing gevallen was. De indruk was diep aan het hof en Chesterfield zeer in zijn wiek geschoten, schreef hij den prins. quot;* In één opzicht slaagde Bentinck\'s zending goed en snel.

13

103

-ocr page 206-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

Het denkbeeld, om 30.000 Russen voor gemeenschappelijke rekening in dienst te nemen, zag hij door het ministerie omhelsd. Chesterfield en de voorstanders van den vrede ver-eenigden zich ermede, gelijk zij het voorstel vóór eenige weken hadden gesteund, omdat zij rekenden, dat deze versterking van macht de vredesonderhandeling zou bevorderen. Bentinck had ook in last te bewerken, dat Cumberland bevel kreeg, zijn leger tot het ontzet van Bergen op Zoom te gebruiken. Maar hierin slaagde hij niet; men geloofde, waar het de mogelijkheid der onderneming gold, meer den zoon, dan den schoonzoon des konings. Men zond Cumberland geen bevelen toe, maar gaf hem alleen in overweging of hij niet volgens den wensch van Cronström met zijn leger Bergen op Zoom te hulp kon komen. Nog minder gelukkig scheen Bentinck te zullen zijn, toen hij zich officieel tot de\' regeering wendde, om inlichtingen over de zending van lord Sandwich te bekomen en de samenwerking van Engeland met de Republiek bij de onderhandeling naar zijn wensch te regelen. De memorie, die hij daartoe den 27stcn Augustus \'® indiende, werd op een wijze beantwoord, die hem niet tevreden stelde.

Op het eerste punt verwees men hem naar de mededeelingen, die lord Sandwich reeds aan den prins van Oranje had gedaan; op het tweede kreeg hij ten antwoord, dat de minister, die met den Franschen gevolmachtigde zou spreken, trouw aan al de bondgenooten, dus ook aan de Republiek, rapport zou doen. „Vous y remarquerezquot; — schreef Bentinck ■\' bij de toezending aan den prins van Oranje — „un stile tourmllé et néologique, dont Mylord Chesterfield a orné cette piece, d\'ail-leurs trés confuse et trés pen methodique.quot; Hij oordeelde het noodzakelijk, nadere inlichtingen te vragen, om Engeland tot beslissender verklaringen te nopen.

„De prins van Oranje eischt hulp op den toon van een veroveraar,quot; schreef Pelham in deze dagen. quot;quot; Diezelfde hooge toon viel ook in Bentinck\'s smaak. Hij diende den 8stcn September een tweede memorie in, waarin hij er voornamelijk op aandrong, dat Engeland niet eerst met Frankrijk en dan met zijne bond-

194

-ocr page 207-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

genooten, maar omgekeerd, eerst met de Republiek en zijne geallieerden zou spreken en met hen de voorwaarden vaststellen, om daarna met Frankrijk in onderhandeling te treden. „Zoo Engeland anders handelde, zou het meer de rol van bemiddelaar spelen, dan als oorlogvoerende mogendheid optreden.quot; Met grooten nadruk bepleitte hij, dat men zich krachtig tot een nieuwe campagne zou voorbereiden, als ware de voortzetting van den krijg stellig en ontwijfelbaar. Dit was het eenige middel, om van Frankrijk een zekeren vrede te krijgen. „Men begrijpt in de Republiek volstrekt niet, hoe men een oogenblik kan laten verloren gaan, zonder een plan èn voor den veldtocht en voor een vrede vast te stellen, zoo men ten minste in het een of het ander wil slagen .... De Republiek heeft bij haar verbazende krachtsinspanning even zoo goed het behoud en de verdediging van de tegenwoordige ■constitutie van Engeland2\'7 als haar eigen behoud op het oog. De ondergeteekende wenscht daarom te weten, wat hij in Holland moet zeggen op de vraag, of Engeland de pogingen van de Republiek in alles zal ondersteunen?quot;

Zulk een toon, gevoerd namens den stadhouder van een Republiek, die aan den rand van haar ondergang waggelde, zou in andere oogenblikken door Engeland op nog hooger toon zijn beantwoord. „De heer Bentinck is hier gekomenquot; —-spotte Chesterfield in deze dagen, naar Bentinck zelf vertelt \'quot;28 — „pour dicter et donner la loi au Roi de la part du Prince Stadhouder.quot; Hij stelde een antwoord op, dat zeer koel was. Maar Newcastle vereenigde er zich niet mede en veranderde het concept. Ook do koning voegde er wat aan toe.220 Zoo kwam eindelijk een redactie tot stand, waarmede Bentinck genoegen moest nemen. Juist de zorg, die er aan besteed was, gaf er te meer kleur aan, en werkte mede, om Bentinck tot berusting te stemmen, hoe weinig hij er ook mede ingenomen kon zijn. Na allerlei algemeene verzekeringen van \'s konings vriendschappelijke gevoelens werd Ben-tinck\'s verzoek om voorafgaande samenspreking afgewezen door de verklaring, dat lord Sandwich niet belast was om

195

-ocr page 208-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

\\/ oorstellen te doen, alleen om ze aan te hooren Wat de oorlogstoerustingen betrof, werden de vroegere verzekeringen van bereidwilligheid herhaald, op de reeds gegeven bewijzen gewezen. maar tevens werd nadrukkelijk de stellige verwachting

uitgesproken, dat de Republiek niet alleen haar uiterste krachtenquot; zou inspannen, maar ook niet langer vertragen, om aan haar stellige verplichtingen te voldoen en den oorlog aan

Frankriik te verklaren. 230 , ,

Bentinck, die maar al te goed wist, dat Willem IV volstrekt

niet bij machte was om de Staten hiertoe te bewegen, vond

het geraden met het verkregene tevreden te zijn.

Trouwens hij had er reden toe.

Het werpt een eigenaardig licht op de zonderlinge toestanden in Engeland, dat de afgezant van den stadhouder der Republiek al zijne officieele stappen in geheim overleg met Z. M. George II deed. Toen hij zijn eerste memorie indiende, schreet hij aan den prins: „Ik heb van morgen in eene particuliere audiëntie deze memorie aan Z. M. voorgelezen; de koning zei dat zij heel goed was. Ik heb hem toen verzocht, met aan zijne ministers te zeggen, dat ik hem die heb later, zien: hii heeft het mij beloofd.quot; Ook de tweede memorie las hg vóór de toezending aan George voor. De koning voelde zich door den hoogen toon volstrekt met gekwetst: „Z. M. zei,

dat ik tevreden zou zijn.quot; t, i.- i

Bii een zoodanige houding des komngs behoefde Bentinck zich niet bijzonder over de vredesonderhandeling te verontrusten Reeds bi] de eerste audiëntiën had George hem gezegd, dat lord Sandwich slechts last had, om de voorslagen van Frankriik aan te hooren, maar volstrekt mets besluiten mocht. Herhaaldelijk verzekerde hij hem, dat alles de concert met den prins zou behandeld worden. Bentinck was dan ook geen oogenblik bevreesd, dat Engeland een afzonderlijke negotiatie zou voeren of vrede sluiten. Wat er dus ook aan de officieele verklaringen ontbreken mocht, het werd door de officieuse voldoende aangevuld. Chesterfield was de voorname tegen-werker, omdat hij niet geloofde aan den ernst en aan de

196

-ocr page 209-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

krachten van de Republiek. Hij maakte, zegt Bentinek, daarbij misbruik van een brief, dien de prins hem geschreven had. 233 Maar zijn invloed werd ruimschoots opgewogen door dien van Newcastle, die, \'s konings geheimen wensch kennende, onder allen schijn van weifeling en onzekerheid, alle vredelievende plannen in den grond boorde, en in het geheim met den koning de buitenlandsche aangelegenheden leidde, zonder Chesterfield in meer dan strikt noodig was te kennen. „Newcastle is het geheel met ons eens ten aanzien van de noodzakelijkheid, om voor een nieuwen veldtocht voorbereidingen te treffen,quot; verzekerde hij aan den prins. 214 En weinige dagen later kon hij een stellig bewijs leveren, hoe weinig men aan vrede dacht. „Het geheim comité voor de Indische zaken heeft een aanslag in. de Indien op het oog. Hiernevens het plan, mij onder stipte geheimhouding medegedeeld. Ik heb hun geantwoord, dat niemand er iets van weten zou, behalve Uwe Hoogheid, de raadpensionaris, de griffier en ik, benevens de leden van het geheim Comité in Holland, die ik hun heb opgegeven, namelijk de heeren Six, Vredenburg, Haak, van Citters en de advocaat Hartmann. Afgescheiden van het gewicht der zaak zelve, is mijn eer bij de strenge geheimhouding ten nauwste betrokken. Het komt mij dringend noodig voor, dat men de Engelschen die expeditie niet alleen laat doen, zonder ons; te meer, omdat, naar ik hoor, men van plan is de keur van de Engelsche zeemacht, zoowel in manschappen als in schepen, te zenden. Als die onderneming slaagt, gelijk zeer waarschijnlijk is, dan is het van het hoogste belang, dat de Republiek deel heeft aan hetgeen in die streken geschiedt.quot; ■33

Ofschoon het doel zijner zending, naar het scheen, door de belofte van de meest nauwe samenwerking bereikt was, bleef Bentinek nog eenige dagen langer te Londen, om de berichten aangaande Sandwich\'s onderhandelingen te Luik af te wachten.

Den llden September dineerde deze daar in een klooster met den Franschen minister de Puysieux. Het Engelsche ministerie had voor hem een lastgeving opgemaakt, die aan

197

-ocr page 210-

LORD CHESTEIiFIELD EN DE REPUBLIEK

beiden, Pelham en Chesterfield, de overtuiging schonk, dat het hoofddoel was, tot geen resultaat te komen. Dat doel werd uitnemend bereikt. Sandwich verklaarde onmiddellijk, dat Engeland niet zonder zijne bondgenooten zou handelen, maar dat-het daarom niet onwillig was over hoofdpunten, Frankrijk en Engeland betreffende, te spreken. Hij wierp daarop tegen alle voorslagen van de Puysieux bezwaren op, om eindelijk,, als een conditio sine qua non, de uitsluiting buiten Frankrijk niet alleen van den Jacobietischen pretendent, maar ook van zijn nakomelingschap in beide lijnen te vorderen. „Cela est pourtant bien fort et bien humiliant pour le Roi!quot; riep de Franschman uit. Maar lord Sandwich, zijn voorschriften en de geheime bedoelingen getrouw, was onverzettelijk. De-Puysieux begi\'eep, zooals hij zeide, dat „de vrucht nog niet rijp was; er was geen neiging tot vrede ;quot; om intusschen niet zonder eenig resultaat te scheiden, en eenige, zij het ook geringe, voldoening te geven aan de stemmen, die allervvege om vrede riepen, stelde Sandwich een congres voor, waarbij alle mogendheden zouden vertegenwoordigd worden. Engeland toch zou nooit buiten zijne verbondenen om vrede sluiten. 18

Met hetzelfde wapen, waarmede Newcastle de Bredasche onderhandelingen had gestremd, had hij ook deze Luiksche-besprekingen onvruchtbaar gemaakt.

Bentinck kon onbezorgd naar den Haag wederkeeren; de zoo gevreesde onderhandeling had tot niets geleid, dan tot den voorslag van een congres; een uitnemend middel, zooals de Fransche^minister had opgemerkt, om de dingen op de lange baan te schuiven.

Doch genoegzaam gelijktijdig met de berichten uit Luikr werden andere in Londen ontvangen, die hem nog eenige weken deden vertoeven.

Sedert het midden van de Julimaand werd Bergen op Zoom door de Franschen belegerd. Den 16dequot; September namen zij de stad bij overrompeling in. Ofschoon deze ongunstige afloop voor hen, die den waren toestand in de Republiek kenden.

198

-ocr page 211-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

niet onverwacht kwam, was de indruk diep. De ontsteltenis was èn in de Republiek èn in Engeland groot. De voorbeel-delooze zorgeloosheid, waarvan de overrompeling der vesting getuigde, stelde het onvermogen van het „nieuw bestuurquot; in het helderste licht. Nu — zoo sprak men te Londen — bleek het, wat de .groote woorden en ijdele verzekeringen van den prins van Oranje,quot; 239 wat de „stellige verklaringen van Bentinck, dat Bergen op Zoom door wijze en onfeilbare maatregelen onneembaar was gemaakt, 240 te beteekenon hadden.quot;

Chesterfield en zij, die eenstemmig met hem dachten, hadden niet anders verwacht. „Ik schrik om mijne brieven uit Holland te openen,quot; had hij reeds in het.begin van Augustus geschreven. „Waarom zendt men toch Waldeck niet binnen de liniën van Bergen op Zoom? Als hij zijn eigen leger vereenigt met de troepen, die daar zijn, is er een legermacht, sterk genoeg om de stad te redden; ieder corps afzonderlijk is daartoe veel te zwak.quot; 241 De Engelsche staatssecretaris had volkomen recht: hij wist toen nog niet, dat de stadhouder juist in de oogenblikken, dat Waldeck eenig nut kon doen, hem had weggejaagd. De meest ongunstige berichten liepen er nopens het lot der Engelsche troepen; zij waren allen in de pan gehakt. Gelukkig bleken spoedig deze eerste tijdingen zeer overdreven, doch dit verzwakte den ongunstigen indruk zeer weinig.

Willem Bentinck liet er zich niet door uit het veld slaan. De prins had hem onmiddellijk na het gebeurde zijn broeder Charles toegezonden, met een brief, waarin hij den noodlot-tigen afloop voornamelijk aan eenige officieren weet, die niet waakzaam waren geweest. Nadrukkelijk had hij hem op het hart gebonden te waken, dat de gezindheid in Engeland goed bleef. In de Republiek zou men volharden. Ook in 1702 was men aanvankelijk ongelukkig geweest: „On débuta par Nimègue.quot;245

Bentinck behoefde deze herinnering zeer weinig. Zijn toon daalde volstrekt niet. „Bergen op Zoom was eigenlijk geen

199

-ocr page 212-

200 LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

verlies, eerder een voordeel, want het zou de natie prikkelen tot nog hooger krachtsinspanning. Al ging het nog erger, dit was slechts schijnbaar: al werd er nog éen, zelfs twee provinciën verloren, het kwam er niet op aan : met woeker zou men ze in het volgende jaar herwinnen.quot;243 De ministers vreesden, dat de Franschen hun overwinning zouden voortzetten en bijv. Breda aanvallen. Bentinck verzekerde op den meest stelligen toon der wereld, dat, als zij dit waagden, generaal Chanclos hen wel zou terugslaan: „Breda was in zeer goeden staat van verdediging. Men moest wel in \'t oog houden, dat Breda niet onder de Generaliteit stond, maar rechtstreeks behoorde aan den prins van Oranje.quot; 214

Met deze geruststellingen strookte intusschen zeer weinig het bevel, dat, onder den eei-sten indruk van Bergen\'s verlies, H. H. M. aan den gezant Hop hadden toegezonden. Hij moest van Engeland „un prompt et efficace secoursquot; vragen. Natuurlijk voldeed Hop aan zijn last. Maar Bentinck duidde het hem zeer euvel, klaagde over hem bij den stadhouder \'2,,gt; en bestrafte hem zeer nadrukkelijk, dat hij het gewaagd had te gehoorzamen! Nu ja, zei Bentinck, H. H. M. vroegen hulp ; maar dit was niet voor nu, het gold voor het volgende jaar. De Kepubliek had volstrekt geen hulp noodig, want zij was voldoende van troepen en geld voorzien.

„De Republiekquot; — schreef Chesterfield — „spreekt op stouten en hoogen toon, maar ik vrees dat de daden er weinig mede zullen strooken. En, hoe zij de gevaren van dit jaar willen afweren met de krachten van het volgende, dat verklaar ik niet te begrijpen.quot; Ook Pelham was niet wijzer. „Het is mij een raadsel, zeide hij, hoe een land, vol van partijstrijd, terwijl het grootste deel van zijne grenzen door een machtigen vijand bezet is en een ander aanzienlijk deel van zijn grond onder water staat, in staat is, millioenen gelds op te brengen, en daarbij 30.000 nieuwe troepen te lichten.\' Doch niet alleen hierin, ook in hun oordeel over Bentinck waren Chesterfield en Pelham het eens. „Hij spreekt over deze dingen (zei de laatste) zooals hij over alles doet. Hij oordeelt over alles, vol-

-ocr page 213-

DER VEREEN IGDE NEDERLANDEN.

gens zijne wenschen, zonder behoorlijk te onderzoeken, en zonder te letten op de krachten van zijn land.quot; quot;\'6 Chesterfield dacht er juist zoo over: „Er is met dien man niette praten. Sympathie of antipathie is zijn eenige maatstaf; hij luis-tert naar geen feiten of redeneeringen, die er mede strijden. Hij heeft wel eenige talenten, maar er is geen fonds in. Als de dingen tegen zijn wensch loopen, roept hij uit : dan moeten wij maar ondergaan ! en zulke klassieke phrases meer, die heel goed passen in Thucydides, maar eenvoudig ongerijmd zijn.quot;

Geen wonder, dat, wanneer Bentinck eens een enkele maal — gewoonlijk besprak hij alles met Newcastle alleen — Chesterfield moest spreken of toevallig met hem in aanraking kwam, er iets gespannens, iets geprikkelds in hun conversatie was. Zij konden elkander niet velen en nog minder samenwerken.

De Bentinck\'s keerden in het laatst van October naar den Haag terug. Weinige weken later deed de Ridderschap van Holland in de Statenvergadering het voorstel, daar de treurige gesteldheid des lands de onmisbaarheid van een eminent hoofd bewees, om het stadhouderschap erfelijk te verklaren in de mannelijke en in de vrouwelijke lijn. Het bericht maakte in Engeland een zeer onderscheiden indruk. Het hof was er mede ingenomen, omdat het het huis van Oranje een stap nader bracht tot de vestiging van een dynastie en de koninklijke prinses voor zoo vele vernederende bejegeningen, als zij sedert haar komst in de Republiek had moeten verduren, in het vervolg scheen te vrijwaren. Maar de voorstanders van den vrede zagen in het voorstel de verklaring van de houding der Oranjepartij ; „het verlies van Bergen op Zoom diende tot voorwendsel, om het stadhouderschap in de vrouwelijke lijn te bevestigen, de stedelijke regeeringen te veranderen en hun de beschikking over de posterijen te ontnemen.quot; De prins van Oranje vond den oorlog het geschiktste middel, om zijn autoriteit uit te breiden, zei Chesterfield. \'quot;47 „Men schijnt daar aan den overkantquot; — merkte Pelham aan — „meer te denken, wie en wat

201

-ocr page 214-

202 LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

de regeerders zullen zijn, dan aan het land en volk, dat te regeeren is.quot; \'\',8

Indien de particuliere brieven van den resident Dayrolles aan den staatssecretaris bekend waren, zouden wij, naar de enkele uittreksels te oordoelen, een hoogst belangrijke bijdrage voor de kennis dezer jaren hebben. De antwoorden van Chesterfield bewijzen, dat hij geen enkel oogenblik door de uiterlijke machtsvermeerdering van den prins van Oranje werd misleid. Hij zag vooruit, dat er een reactie volgen zou. „Het karretje van den stadhouder loopt nu zoetjes op een zandweg, maar ik vrees, dat het niet lang duren zal. De hoofden, die nu het roer in handen hebben, zijn te heet voor de ouden, die moeten gehoorzamen: de lijn zal zoo sterk gespannen worden, dat zij breekt. Ik voorzie groote ontevredenheid en twist in de Republiek, en dit zal hun den volgenden veldtocht de kracht rooven, die zij ons toezeiden en die wij zwak genoeg waren te verwachten. Uw politiek is geheel boven mijn bevatting, evenzeer als de onze. Wij hollen ons verderf te gemoet, door allerlei hersenschimmige en onbereikbare plannen na te jagen. Drift, vooroordeel en koppigheid drijft u in Holland voort: ons leidt, of liever misleidt onbekwaamheid.quot; Hij had van Dayrolles opgave gevraagd van het leger der Republiek, van de troepen in haar dienst voor en na de verheffing des prinsen. „Alles wat gij mij schrijft van de krachteloosheid der regeering is waar: het wordt mij van verschillende kanten bevestigd. Veel praten en zeer weinig doen; dwaze overmoed zonder kracht; koppigheid zonder oordeel.quot; *40

Het verwonderde hem dan ook volstrekt niet, toen zijn correspondent hem in het begin van het nieuwe jaar (1(48) schreef, dat Bentinck, blijkbaar naar aanleiding van het ontslag van den raadpensionaris Gilles, in moeilijkheid geraakte. „Beiden Z. H. en de griffierquot; — schreef Dayrolles — „zijn zeer ontstemd over Bentinck\'s uitvallen en beslissende manier van spreken; zijn gewone uitdrukking is, dat „als men den weg niet volgen wil, dien hij wijst, hij er zich niet meer mede

-ocr page 215-

DER VEBEEN1GDE NEDERLANDEN.

bemoeit.quot; Chesterfield, die zijn wrok tegen Bentinck nog niet vergeten is, trekt eenigermate, zij het ook niet op de meest vleiende wijze,\' partij voor Gilles. „Wat gij van Bentinck schrijft, heb ik lang voorzien, daar ik zijn heftig karakter ken. De raadpensionaris is tienmaal meer man van zaken en meegaande genoeg. Hare Koninklijke Hoogheid zal zeker den meest meegaande verkiezen. Of dat hof voor vrede of oorlog is, is alleen een kwestie van tijd; want vrede moet er komen. Hoe spoediger des te beter. Want zoo men dien uit dwaze opwinding uitstelt, zal de nood dien opleggen. En dan zal het een duivelsch slechte zijn.quot;

De plaats, die lord Chesterfield in het kabinet innam, wasr hoe aanzienlijk ook voor het uiterlijke, geheel onbeteekenend. Hij oefende geen den minsten invloed uit. Newcastle had hem geheel in de schaduw gesteld en leidde met den koning de buitenlandsche zaken. Chesterfield erkende het volmondig, zoowel aan zichzelven als aan anderen. Hij was weinig meer dan „een commies.quot; Hij verdroeg de inbreuken van zijn ambtgenoot op zijn departement, tevreden, naar het scheen, dat de alge-meene bekendheid hunner verhouding hem van alle verantwoordelijkheid voor maatregelen ontsloeg, die hij onverholen afkeurde. Toch was het geen onmatige gehechtheid aan zijn hoogen post, die hem deed volhouden. Hij rekende er op, dat het eerlang zou blijken „wie goed, wie verkeerd zag.\' „De eenige persoon, die zwak en onwetend genoeg was om de wilde plannen van het stadhouderlijk bestuur in Holland te steunen,quot; zou door de uitkomst worden beschaamd. „Velen denken, dat mijn broeder collega mijn geduld zal uitputten, zooals hij dat van bijna iedereen doet. Men vergist zich: ik heb een grooten voorraad; bovendien — het kan verkee-ren.quot; Nog in Augustus zag hij de toekomst voor zich niet donker in. „Lord Sandwich heeft zijn keus gedaan tusschen den hertog en mij. Hij meent goed gekozen te hebben. Het kan wel eens blijken, dat hij zich vergist heeft.quot;350

-ocr page 216-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

Er was grond voor dat vertrouwen. Al scheen het oogen-blik nog verre verwijderd, waarvan Pelham eens had gesproken, dat „sommige menschen tot hun verstand zouden komen, of het verstand tot hen kwam,quot; er werden ernstige pogingen aangewend, om het te bespoedigen.

Onder de ministers was Newcastle de eenige, die voortging oorlogzuchtig te zijn. Al de anderen zagen de noodzakelijkheid van den vrede in, al bukten zij voor hem. De ambtgenoot van Chesterfield als staatssecretaris kon niet ademen, niet leven zonder de koninklijke gunst. De koning was voor den krijg, omdat hij voortdurend Oostenrijkschgezind was, Cumberland als militair.

Het verschilpunt echter kreeg in 1747 nog eene andere kleur. De coalitie der drie mogendheden — Engeland, de Republiek, Oostenrijk — was machteloos tegenover Frankrijk. Wilde men den krijg voortzetten, dan moest men een bondgenoot winnen, tegen Frankrijk bestand. Het was Pruisen. Of vrede, óf oorlog in verbond met Frederik den Groote. Dit alternatief stonden Chesterfield en Pelham voor. Maar koning ■George wilde er niet van hooren,251 omdat hij den koning van Pruisen haatte, die Silezië aan Maria Theresia had ontroofd. Het oude systeem moest behouden blijven. Met den parvenu onder de groote mogendheden van Europa wilden noch George noch zijn schoonzoon, de stadhouder der Republiek, samengaan. Zij bleven de oude leer getrouw.

Tot de oude dienaren van de kroon behoorde Horace Wal-pole, de broeder van sir Robert. Hij was nu bijkans een zeventiger en genoot het aanzien, dat der grijsheid toekomt. Met Pelham bevriend, ondersteunde hij vurig, bijkans heftig diens pogingen. Zoo men er in slaagde, Cumberland voor den vrede te winnen, zou diens invloed op zijn vader veel vermogen. Pelham èn Walpole deden herhaaldelijk pogingen, èn mondeling en schriftelijk, om den koningszoon tot hun denkbeelden over te halen. Geen lof werd hem gespaard, geen betoog, dat dienen kon, onthouden. De onmogelijkheid, om zonder Pruisen den krijg voort te zetten, de jammer, dien de oor-

■204

-ocr page 217-

DER VEItEENIGDE NEDERLANDEN.

log over het uitgeputte Engeland uitstortte, het gering vertrouwen, dat op de Republiek was te stellen, werden hem breedvoerig voorgehouden.. Op zijn geringe sympathie voor den prins van Oranje werd gerekend, om zijn eerzucht elders dan op militair terrein bevrediging te verschaffen. „Ik heb-de eer\' — schreef hem de oude Walpole \'i:\'\' —„den prins van Oranje te kennen ; ik eerbiedig en vereer hem; zijne talenten,, zijn ijver en zijn eerzucht zijn groot; en welke zijne inzichten ook zijn, hij zal ze altijd met krachtige en breedvoerige redeneeringen schragen. Maar zijne plannen zijn te grootschr te wijdvliegend, te veel omvattend, om verwezenlijkt te kunnen worden. De Republiek kan in haar tegenwoordigen toestand geen tred houden met zijn levendige en vurige verbeelding ; zij kan hem niet de middelen verschaffen om zijne vurige wenschen, die hij met zooveel ernst en welsprekendheid getrouw blijft, te verwerkelijken. De verstandige, bedaarde en welgezinde patriotten mogen zich rustig houden, maar zij weten dit alles wel. Zij kennen den ongunstigen staat der financiën en het gevaar, dat hun land bedreigt. En zij zullen gaarne bereid zijn. om onder de voorzichtige leiding van Uwe Hoogheid een plan van pacificatie te bevorderen. Het hoog gezag van Zijne Majesteit zal, als het noodig mocht zijn, bemiddelend tusschenbeide kunnen komen, om elk verschil van meening te beslissen en te vereffenen, dat een edele wedijver naar roem tusschen twee jonge helden zou kunnen in het leven roepen.\'

Waar de lijken vallen, scholen de roofvogels samen. De staatslieden der groote mogendheden zagen de toekomst vóór zich, waarin de Republiek, door tweespalt ontbonden, de kampplaats hunner intriges zou worden.

Maar Cumberland was de man niet, om de rol, door Wal-pole\'s fantasie — levendiger in dezen oude van dagen, dan bij menig jongere van jaren — hem toegedacht, op zich te nemen. Hij hoorde hem aan, las zijne brieven en bleef voorstander van den krijg, ook zonder Pruisen.

Thans richtte Walpole zich tot Newcastle zeiven, hoe wei-

205-

-ocr page 218-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK.

nig bevriend hij ook met dezen, den verrader zijns broeders, ■\\vas. Hij zond hem de brieven toe, die hij aan Cumberland had geschreven, zelfs zonder de uitdrukkingen weg te laten, die de hertog met recht weinig vleiend voor zich mocht achten. \'Toen Newcastle over een der uitdrukkingen zich gevoelig toonde en zijn politieke gedragslijn kortelijk verdedigde, nam de oude Walpole de pen op en wierp hem heftig voor do voeten, „hoe hij, om Granville te verwijderen, over oorlog «n vrede een politiek had bestreden, waarvan hij, nadat het doel bereikt was, de groote voorstander was geworden. En wat de aansluiting aan Pruisen betrof, om tot vrede te komen, Newcastle kon verzekerd zijn, dat al zijne ambtgenooten zich met hem zouden vereenigen, indien hij werkelijk het plan voorstond. De eenige reden toch, dat zij zich ter zijde hielden, was beduchtheid voor zijn macht, vrees om het lot van lord Harrington te deelen.quot; lr,:!

Wij weten niet, of Walpole van deze juist niet zachtzinnige correspondentie aan Chesterfield mededeeling heeft gedaan. Het feit, dat ook deze tot de oude bestrijders van Sir Robert behoorde, maakt het onwaarschijnlijk. Maar zeker heeft de staatssecretaris al deze pogingen gekend, en kon haar onvruchtbaarheid niet anders dan hem versterken in het voornemen, dat langzamerhand bij hem ontwaakte.

Met het verlies van Bergen op Zoom was de veldtocht van 1747 gesloten. De Franschen betrokken de winterkwartieren, en de Hollandsche troepen zouden, zoo werd bepaald, in de omstreken van Breda zich legeren. De tijdelijke stilstand der wapenen en het ophouden van elk oogenblikkelijk gevaar oefenden hun gewonen noodlottigen invloed uit. „\'s Zomers worden onze legers geslagenquot;1 — zoo teekende snijdend do oude Walpole den toestand — „zoodat het dwaasheid is, ons dan met de hoop op redelijke vredesvoorwaarden van den vijand te vleien, \'s Winters, in het eigenlijk seizoen voor onderhandeling, als het volk gereedelijk groote sommen opbrengt, en het parlement ze toestaat, dan zijn onze verwachtingen hoog gespannen en zijn wij vol frisschen moed.

206

-ocr page 219-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

Op het papier maken wij dan allerlei groote plannen voor de vermeerdering onzer troepen en voor stoute, gelukkige operaties. Dan heet het onnoodig, ja verachtelijk, met een vijand te onderhandelen, die binnen kort aan onze genade zal overgeleverd zijn. Maar helaas! in den veldtocht, die volgt, spatten al onze grootsche verwachtingen als een waterbel uiteen. Zoo is het nu, jaar in jaar uit, gegaan. De Franschen breiden telken jare hunne veroveringen uit, en telken jare vermindert de waarschijnlijkheid, dat wij in staat zullen zijn, hun voortgang te stuiten. Zij worden steeds meer de meesters van het continent, en met schrik denk ik aan de noodlottige gevolgen voor ons land.quot;

Het najaar van 1747 logenstrafte de teekening niet. De vredesaanbiedingen, door den Franschen koning op het slagveld van Lafeld gedaan, hadden tot de samenkomst te Luik geleid, waar Engeland de kansen op den vrede in den grond boorde. De eenige vrucht was het voorstel van een vredescongres te Aken. Maar de traagheid der voorbereiding en de bezwaren, die opgeworpen werden, overtuigden Chesterfield, dat Aken bestemd was slechts een pendant van Breda te worden. Lord Sandwich zou er heengaan, niet, naar Chesterfield zeide, om den vrede te bevorderen, maar de onderhandeling te doen eindigen. En hetzelfde was blijkbaar het doel van het stadhouderlijk Bestuur. Eerst werd Bentinck, cn daarna nog een tweetal, op diens aanwijzing, benoemd om in gelijken geest als Sandwich werkzaam te zijn. „Zij zullen\'\' — spotte hij — „even hard medewerken tot een generale pacificatie, als de maarschalk van Saksen tot de verdediging van Zeeland !quot;

Ook met Spanje was onderhandeld, naar het scheen, met ernstiger bedoeling. „Het zou de grootste diplomatieke zegepraal zijn, die te behalen was, indien men Spanje van Frankrijk kon scheiden,quot; zoo sprak Newcastle, zoolang er geen kans op slagen was; maar toen het hof van Madrid aanneembare voorslagen deed, heette het, dat men niet zonder de bondgenooten vrede kon sluiten. \'aquot;

207

-ocr page 220-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

Men wilde oorlog en geen vrede. Chesterfield zag het oogenblik naderen, waarin hij niet langer met toezien en berusten zich kon vergenoegen, maar opnieuw zou moeten toestemmen in maatregelen, die hij afkeurde. Reeds in September begon hij er daarom van te spreken, dat hij met genoegen in het ambtelooze leven zou wederkeeren; en in October antwoordde hij quot;^7 aan Dayrolles, die hem schreef, dat het gerucht van zijn aftreden liep; „Dat is van hiernaar uw kleine hof geschreven. Men wenscht, dat het waarheid is, en wellicht wenscht niemand het meer dan ik. Maar toch is het in niemands macht dan de mijne, om het waar te maken. Hoe spoedig ik daartoe kom, kan ik nog niet bepalen. Het is zeer onaangenaam te moeten roeien met iemand, die het roeien niet kent en het u belet. Ik geloof, dat ik reeds veel geduld gehad heb, en hoe lang ik het nog zal uithouden, weet God. Ik kan veel verdragen, als ik iets goeds kan doen, maar wanneer ik bevind, dat dit onmogelijk is en dat wij door onbekwaamheid te gronde worden gericht, dan acht ik mij niet verplicht mijn deel te dragen in verwijten, waarvan ik weet, dat zij mij onschuldig zullen treffen.quot;

De eigenlijke reden van zijn volharding sprak hij ook voor Dayrolles niet uit.

Toen Caroline van Brunswijk? op haar sterfbed lag, had zij George geraden, dat hij hertrouwen zou. „Neen, ik zal maitressen nemen,quot; had de zielsbedroefde echtgenoot gesnikt.

Eene dezer. Lady Yarmouth uit Hannover, was in 1739 op verzoek van de ministers zelve, die een heerschappij van een der dochters - duchtten, naar Engeland gekomen. Zij was, afgezien van haar betrekking tot George, een zeer cnschul-dige vrouw, die aan de ministers veel diensten bewees en menige booze luim van Z. M. voorkwam of van zijn dienaren afweerde, door de staatstukken hem op het meest geschikte oogenblik onder de oogen te brengen. Chesterfield had haar van het eerste oogenblik dat hij staatssecretaris was, zeer het hof gemaakt, en hoopte door haar invloed den koning langzamerhand voor zijne staatkundige inzichten te winnen.

208

-ocr page 221-

DEE VEKEENIGDE NEDERLANDEN.

Maar de sluwe Newcastle, die ras het doel van Chestei field\'s vele bezoeken, waarover deze nooit sprak, had begrepen, wist de achterdocht van George op te wekken. De nog altijd sluimerende tegenzin ontwaakte in de koninklijke borst tegen den edelen lord, die, in plaats dat hij zijn invloed zag stijgen, hem eiken dag, zoo mogelijk, meer dalen zag. Toen — in October \'■■gt;u — de koning aan een zijner bloedverwanten, een verdienstelijk militair, maar die zich ongunstig over \'s konings beleid bij Dettingen had uitgelaten, een gewoon gunstbewijs, het verleenen van een regiment, weigerde, begreep hij dat de hulp der gunstelinge hem voor zijne politieke plannen niet baten zou.

De kans op hunne verwezenlijking werd met iederen dag geringer. Tegen het einde des jaars scheen alle uitzicht verloren. Terwijl men hardnekkig bleef weigeren om Pruisen te winnen, vertrouwde het Engelsche Kabinet uitsluitend en onbepaald op de Republiek en de groote beloften van den prins van Oranje. Er werd een nieuwe conventie ontworpen, die een nog aanzienlijker legermacht op het krijgstooneel zou vereenigen, dan in den laatsten veldtocht. De keizerin zou 60.000, Engeland 40.000 en de prins van Oranje 66.000 man te velde brengen, behalve de garnizoenen in de vestingen. Bovendien nam de Republiek haar aandeel in de betaling van 30.000 Russen, die keizerin Elisabeth zou leveren, op zich. Tevergeefs protesteerde Chesterfield tegen den nieuwen veldtocht en herinnerde aan de beloften, hem bij de aanvaarding van zijn ambt gedaan. Toen de conventie gesloten was, stond zijn besluit vast. Hij weigerde langer als kommies van Newcastle zijn hand te zetten onder maatregelen, die hij afkeurde, of te deelen in de schande van een ongunstigen vrede na een nadeeligen oorlog. Van Oostenrijk noch van de Republiek verwachtte hij iets. Cumberland schold de troepen der Staten „veritable canaille;quot; dat niet vechten wou en door hun slecht voorbeeld de Engelschen bedierf. Hij vertrouwde alleen op de Russen, die, naar de prins van Oranje hem had verzekerd, reeds in Februari in Vlaanderen konden

14

209

-ocr page 222-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

zijn.261 Chesterfield vertrouwde noch op de Republiek noch op de Russen. Want zoo de laatsten al kwamen, de beslissing zou vóór hun komst zijn gevallen. „Wij kunnenquot;—verklaarde hij \'\'0- den 12den Januari 1748 — „geen behoorlijke krijgsmacht hebben om de Franschen weerstand te bieden, vóór het midden der volgende campagne. Maar vóór dien tijd zullen de Franschen hun slag geslagen hebben, en de Republiek zal bedelen om vrede, in plaats van dien te weigeren.\'

Met dit ongunstig vooruitzicht voor oogen bood Chesterfield den 6dcn Februari aan Z. M. zijn ontslag aan. Koning George was uitermate beleefd, verklaarde dat het hem zeer speet, maar was innerlijk zeer verheugd. De lastige tegenstander van den krijg ruimde het veld.

Slechts weinige weken waren verloopen, toen de profetie van Chesterfield letterlijk in vervulling ging.

Met blijde verwachting werd de veldtocht van 1748 te gemoet gezien. Het leger der verbonden mogendheden zou sterker zijn dan in 1747; zoodra de Russen zich met hen vereenigd hadden, zouden zij gemakkelijk de Franschen terugslaan. Als opvolger van Chesterfield had de hertog van Newcastle lord Sandwich gewenscht; maar deze was naar Aken, naar het congres vertrokken. In zijn plaats trad de hertog van Bedford op, van wien Newcastle niets duchtte. Om alle nieuwe moeilijkheden te voorkomen, nam hij thans het departement van het Noorden voor zich. De diplomatieke draden rustten dus ook wettelijk in zijne handen. Wat ook de strijd in Italië, grootendeels van Oostenrijk en Sardinië afhankelijk, zou opleveren, in de Nederlanden vleide men zich met schitterende resultaten. De prins van Oranje was, zij het ook met moeite, bewogen om in het oppercommando des hertogs van Cumberland te berusten. De overeenstemming tusscheu het diplomatiek en het militair hoofd, en de krachtige steun der Republiek zou vruchten dragen, voor de voorstanders van den vrede beschamend.

In het laatst van Februari verliet Cumberland Londen,

210

-ocr page 223-

DEK VEREENIGDE NEDERLANDEN.

om naar de Nederlanden te gaan, waar hij nieuwe lauweren zou plukken. Reeds had hij de reis tot Harwich voortgezet, toen hij een tijding ontving, hem door het Engelsche gouvernement nagezonden.

Charles Bentinck, die in het vorige jaar na het verlies van Bergen op Zoom te Londen was verschenen, om den oorlogsmoed van het Britsche kabinet wakker te houden, was er thans opnieuw verschenen, doch met eene andere boodschap belast. Zij luidde aldus : „Nooit sedert haar ontstaan had de Republiek zich in een toestand bevonden, als thans. Nooit had zij meer gevaar geloopen, dan nu, om overweldigd te worden. Tallooze omstandigheden binnenslands verhoogden het gevaar van buiten. De duurte der levensmiddelen, liet verval van de meeste takken van handel, de plunderingen en beroovingen van den vijand en van bevriende zeeroo-vers enz. werkten mede. De Republiek was uitgeput en machteloos om aan haar verplichtingen te voldoen ; zij kon den krijg niet voeren en vreesde zelfs haar aandeel in de huur der Russen niet te kunnen betalen. Ofschoon de liberale gift meer opbracht, dan verwacht was; schoon men in Holland door een loterij nog acht millioen buitengewoon had geheven, toch waren de kassen ledig. De Republiek smeekte om een spoedigen vrede, die alleen haar redden kon en voorkomen, dat zij voor altijd onnut voor zich zelve en dus ook voor haar natuurlijke bondgenooten zou zijn. Daar het geldgebrek zoo groot was, verzocht men van de vriendschap van Z. M. van Engeland een leening van elf, twaalf of dertien honderdduizend pond sterling. Hollandsche particulieren hadden zoo menigmaal en zoo ruim aan Engelsche leeningen deel genomen, dat men niet twijfelde ze te zullen ontvangen quot; 203 ....

Het was een treurige, schaamtevolle bekentenis.

Verpletterend was de indruk. Wat Newcastle en Cumberland, onder voortdurend beroep op de mondelinge en schriftelijke verzekeringen van de leiders der Republiek, steeds aan den koning hadden voorgehouden, het bleek alles logen en

211

-ocr page 224-

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

onwaarheid te zijn. De Republiek was machteloos en op het punt bankroet te gaan. Zoo nijpend was zelfs het geldgebrek van den staat, dat de vraag om een millioen pond sterling werd verminderd tot 300.000, zoo er ten minste honderdduizend onmiddellijk werden gegeven.

„De hertog van Newcastle is de eenige man in het kabinet, die tegen den vrede is.quot; Dit unaniem getuigenis van Pelham, Chesterfield, Fox en Marchmont teekent de moeielijkheid van zijn positie in de oogenblikken, toen het bewijs voor hen lag, dat zij recht hadden en hij onrecht. In zijn nieuwen ambtgenoot zou hij geen steun vinden, zoo hij volharden wilde. Toen hij de memorie, door Bentinck ingeleverd, had gelezen, schreef de hertog van Bedford 2\'j/\' aan Pelham een briefje, welks geheele toon bewijst, dat Newcastle in dezen broeder-secretaris niet een passieven tegenstander, als Chesterfield, maar een beslist actieven zou vinden: „De geheele strekking van deze memorie, in lijnrechten strijd met al de vroegere, is, om ons van den wanhopigen toestand der Republiek, zoowel inwendig als uitwendig, te overtuigen. Zij schijnt op ons de schuld te willen werpen, ingeval aan den krijg niet dadelijk een eind wordt gemaakt, door duidelijk het absoluut onvermogen der Republiek uit te spreken, om zelfs aan de opgenomen verplichtingen te voldoen, tenzij wij haar een millioen pond sterling leenen, wat iedereen weet, dat onmogelijk is. En dat, terwijl zij terzelfder tijd, door denzelfden minister, die in last heeft ons dit te zeggen, ons poogt over te halen om, in vereeniging met haar, nieuwe engagementen met den keurvorst van Keulen over de Munstersche troepen te sluiten ! Mij dunkt, wij kunnen er een nuttig gebruik van maken, om allen, die niet zoo goed voor vredelievende maatregelen zijn gestemd als gij en ik, te overtuigen en tot ons inzicht te brengen, dat, daar Holland (ik meen; de stadhouder en zijn partij) het eerst begonnen is om vrede te roepen, Engeland, welks toestand weinig beter is dan die van Holland, verplicht is een niet minder vredelievenden toon aan te slaan. Daar wij in het begin van de volgende week te zamen komen, om

212

-ocr page 225-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

over deze memorie te spreken, wilde ik u dit vooraf mede-deelen. Ik verheug mij u te kunnen overtuigen, dat, wat men in de wereld ook van mij zegt, ik vast besloten ben, alles te doen, om een einde aan den oorlog te maken.quot;

Wij hebben — het is jammer — geen verslag van den ministerraad, waarin eindelijk de groote kwestie werd beslist. Maar menige schimpscheut van Newcastle bewijst, hoenoode hij het droeg, door de uitkomst te zijn gelogenstraft. Toen aan koning George de memorie van Bentinek en het advies van zijne ministers werd medegedeeld, merkte hij kalmpjes aan: „Chesterfield zei mij, zes maanden geleden, dat dit gebeuren zou.\'

Als altijd sloeg het overgroot vertrouwen in overgroot wantrouwen over. Wie, in geldverlegenheid verkeerende, hulp inroept zegt zelden op eens de volle waarheid. Dat wist Cumberland ook wel, toen hij Newcastle na de eerste kennisgeving dezer memorie schreef: quot;G5 „ik vrees, dat wij uit het schandelijk stuk, dat Bentinek heeft overgebracht, ons al even weinig een zuiver beeld kunnen vormen van de ware kracht en stemming des prinsen van Oranje, als uit den oorlogzuch-tigen brief aan den koning, eenige maanden geleden.quot;

Veel geneigdheid, om aan het geldelijk verzoek te voldoen, bestond bij Newcastle niet, te minder, omdat hij er geen middel toe wist. „Zij schijnen daar in Hollandquot; — schreef hij 206 aan Cumberland — „geen goed begrip te hebben van onze constitutie. Zij vragen, dat Z. M. die gelden zal voorschieten uit de toegestane middelen. Het is niet in onze macht ze voor een ander doel te bezigen, dan waarvoor hot parlement ze toestond. De eenige weg voor een vreemde regeering om hier geld te leenen is, te onderhandelen met particulieren, mits dat men behoorlijke zekerheid geeft en hooge rente betaalt. Zij bieden zelfs in het geheel geen waarborgen en slechts een interest van 4 percent, wat nog een percent minder is, dan het publiek hier geeft. De prins wil bovendien niet handelen met particulieren, joden enz. Indien het hier bekend wordt, dat de Republiek in zulk een verlegenheid is om een sommetje van 100.000 p. st., dan zal het haar en

213

-ocr page 226-

LOKD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

de geheele alliantie in zulk een discrediet brengen, dat de ergste gevolgen te voorzien zijn. Reeds nu is het doel van Bentinck\'s commissie en de leening, in de eerste memorie voorgesteld, geen geheim meer. Het is duidelijk, dat het uit Holland geschreven is. U. K. H. kan daaruit zien, in wat handen de prins van Oranje is en hoe zijne geheimen worden bewaard.

„Zou TT. K. H. de goedheid willen hebben eens ernstig met den prins en den griffier, te spreken en hun uit te leggen, hoe onvereenigbaar het met onze constitutie is, om aan hun verzoek te voldoen; maar tevens hun te doen gevoelen, welk een schande het voor de Republiek zou zijn, indien zij niet het geld konden opbrengen voor de betaling van troepen, waartoe zij zich met Z. M. verbonden hebben, en dat nog wel een maatregel is, oorspronkelijk door hen zeiven voorgesteld en ernstig aangedrongen. Welk denkbeeld moet dit geven van de zwakheid van de Republiek, en — ik durf het er bij voegen — van de onvoorzichtigheid, om zich tot zulke kostbare ondernemingen te verbinden, als de Republiek in het laatste jaar deed, wanneer zij zelfs niet in staat is om een zoo onbeduidend gedeelte te betalen. Uwe Hoogheid moge al haar invloed aanwenden, dat de Republiek, nu zij hier het geld niet kan vinden, het elders beproeve, want anders zullen de Russische troepen hun marsch niet voortzetten, of Engeland zal verplicht zijn, volgens de bepalingen der overeenkomst, alles te betalen.quot;

Tot dusver had Newcastle geschreven, als het ware ter inleiding, maar het groote woord moest er eindelijk uit. „Verlaten door de Republiek, in strijd met haar herhaalde verzekeringen, verzoekt Z. M. Uwe Kon. Hoogheid met den stadhouder te overleggen, welke instructiën aan de ministers te Aken kunnen gezonden worden, om een redelijk einde aan den oorlog te maken.quot;

De hertog van Cumberland zou geen tegenstand meer bieden. Ook hij boog het hoofd voor de noodzakelijkheid. De staat van zaken in de Republiek was van dien aard, dat

214

-ocr page 227-

DER YEBEENIGDE NEDERLANDEN.

voor vertoogen geen plaats meer was. Vermoedelijk uit vaderlandsliefde zwijgt hij in zijne brieven over den toestand der Engelsche troepen, maar wat hij van de Republiek mededeelt werpt een treurig licht op haar. „Hiernevens de lijst van de troepen, die het contingent van de Republiek moeten vormen. Ik wou dat ik er kon bijvoegen, dat ze werkelijk bestaan; maar de kennis, die ik van sommige corpsen heb, doet mij vreezen, dat zij alleen op het papier leven. In de weinige dagen, dat ik hier ben, hebben wij eenige voorzorgen genomen, dat Breda niet bij verrassing genomen worde, maar ik vrees voor de veiligheid van Maastricht. In onzen jammerlijken toestand kan ik daar niet voor instaamp;n. Ons leger, voor de operatiën aan de Maas bestemd, is te veel verzwakt door de hulp, die wij hier moeten bieden; elf Britsche en acht keizerlijke bataljons moeten bij Breda blijven, tot de Hollandsche troepen uit alle deelen van de Republiek zijn aangekomenquot;. 207 Een paar dagen later — hij was inmiddels ziek geweest — zond hij uit den Haag breeder inlichtingen aan lord Sandwich te Aken toe:

„Sedert ik hier kwam, en zelfs, terwijl ik ziek was, heb ik niet nagelaten, den prins van Oranje en ieder lid van het gouvernement, dien ik te spreken kon krijgen, het dringend gevaar voor te houden en de noodzakelijkheid, om het met inspanning van alle krachten af te weren. Ik zal niet beweren, dat zij niet naar mij luisteren, maar ik schaam mij toch te moeten zeggen, dat al die sterke betoogen geen het minste effect hebben. Als ik er op aandring, dat zij hunne generaals naar hunne posten zullen zenden, dan beloven zij het; maar als die generaals om bevelen vragen; stellen zij het tot den ISquot;1011 dezer maand uit, in plaats van ze dadelijk weg te zenden. En dat, terwijl de vijand gereed staat om aan te vallen. Gij herinnert u hoe bij het einde der laatste campagne was afgesproken, dat de Hollandsche troepen onder den prins van Oranje bij Breda zich zouden vereenigen. In die afspraak is nooit verandering gemaakt. Desniettegenstaande en ondanks hunne constante verzekeringen, in den

215

-ocr page 228-

LOED CHESTERFIELD EN DE EEPUBLIEK

loop van den winter, verzekeringen, waarop onze maatregelen, om den oorlog nog een veldtocht voort te zetten, alle zijn gebouwd, is er geen enkele maatregel genomen, om de troepen, indien zij er hebben, binnen een behoorlijken tijd te zamen te brengen. Integendeel, nog op ditzelfde oogenblik kunnen zij mij niet de mogelijkheid bewijzen, dat zij in staat zijn 10.000 mannen binnen drie weken bij Breda te vereenigen. Tot dusverre zijn er slechts drie bataljons aangekomen en de debri\'s van Hirtzel, 208 die in Geertruidenberg liggen; zij zijn zonder wapenen, kleeding, uitrusting en recruten. Dientengevolge kan ik mijn plan, om een behoorlijke macht aan de Maas, tot bescherming van Maastricht, te vereenigen, niet uitvoeren, zoodat die plaats in groot gevaar is.

„Ik wenschte, dat de prins van Oranje even diep van dit alles doordrongen was, als ik. Gisteren zond ik den prins van Wolfenbuttel en generaal Ligonier naar hem toe, om hem in mijn naam nog eens alles in de scherpste kleuren voor oogen te houden. De bewegingen van den vijand aan alle kanten moesten er kracht aan bijzetten; vooral nu de generaal Löwendahl met 25.000 man van Antwerpen naar Bergen op Zoom op marsch is, vermoedelijk met geheel andere bedoelingen dan om alleen een convooi naar deze stad te brengen. Maar alles, wat die twee generaals zeiden, maakte geen den minsten indruk.

„Ik moet bekennen, dat de vrede volstrekt noodig is. Wij hebben van onzen kant alles gedaan, wat wij konden. Dit volk van zijn zijde blijft in gebreke; wij moeten ons uit de klem, waarin wij geraakt zijn, trachten te redden. Maar ik ben overtuigd, dat wanneer eenmaal de vijand zijne operatiën begint en hij bemerkt, hoe zwak dit gouvernement is, en hoe weinig wij in staat zijn om weerstand te bieden, hij zijne eischen zal verhoogen en ons dwingen een vrede aan te nemen op elke voorwaarde, die hij goedvindt ons voor te schrijven.quot;

Cumberland zond een kopie van dezen brief naar Londen en

216

-ocr page 229-

DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

voegde er een paar woorden bij, waarin hij nog meldde, -69 dat de griffier Fagel de eenige verstandige man was, die handelde en zich helder rekenschap gaf van den gevaarlijken toestand.

Zulke berichten waren weinig geschikt om de gemoederen in Engeland gunstiger te stemmen. Inzonderheid Newcastle, die slechts onwillig, gedwongen en met loome schreden tot den vrede kwam, en nog altijd zich gevleid had er eenig voordeel bij te behalen, al ware het maar alleen Ostende,270 dat hij hoopte voor Engeland te winnen, was diep geërgerd en gegriefd. Aan harde verwijten jegens de hoofden der Republiek ontbrak het niet. Zij, die vroeger het warmst tegen Chesterfield en diens geestverwanten voor hen partij hadden getrokken, waren nu het felst in hun veroordeeling. .Lord Sandwichquot; — berichtte Chesterfield aan zijn vriend Dayrolles271— „werpt al de schuld, waarmede het publiek hem belaadt, van zich af en op den prins van Oranje. Hij verzekert, dat al de berichten, die hij naar hier zond, van de immense sommen gelds en het ongeloofelijk aantal troepen, dat de Kopubliek voor deze campagne zou lichten, even zoovele stellige verzekeringen van den prins van Oranje waren; en dat ze ook volkomen zouden uitgekomen zijn, indien de prins van Oranje den tijd, dien hij verknoeide met praten, gebruikt had om te handelen, en niet geluisterd had naar de raadgevingen en inblazingen van de vijanden van beide landen, den raadpensionaris Gilles en zijn partij. Dienzelfden toon slaat de hertog van Newcastle aan en verontschuldigt daarmede zijn eigen gedrag, toen hij in den laatsten winter alle voorslagen van vrede verwierp. De hertog van Cumberland stemt met hen in, en werpt alle schuld op zijn schoonbroeder, met wien hij op heel slechten voet is. De koning, die, in het voorbijgaan gezegd, nooit van den prins van Oranje heeft gehouden, neemt heel gemakkelijk die voorstelling aan en houdt er hardnekkig aan vast. Dit is onlangs duidelijk gebleken uit de wijze, waarop hij de koninklijke prinses te Maasland-sluis en den stadhouder te Utrecht ontving. Maar wat meer

217

-ocr page 230-

218 LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK

verbazing wekt, is dit: ook de Bentinck\'s slaan dien toon aan en klagen, dat de prins van Oranje hun zijn gunst en vertrouwen goeddeels onttrokken en aan den raadpensionaris en de republikeinsche partij geschonken heeft.quot;

Het was volkomen waar wat Chesterfield schreef. Er ligt een brief voor ons van Cumberland aan Pelham, half April geschreven. ^ Hij verontschuldigt zich daarin tegenover den minister, wien hij niet had willen gelooven, door te wijzen op de vleiende beloften van den stadhouder en van hen, die-de leiders schenen der Republiek. „Er was toch waarlijk wel reden om te gelooven, dat er iets van hun grootspraak aan zou zijn!quot; Maar de volle bitterheid der teleurstelling spreekt zich, als in geen ander schrijven, in een klaagbrief van Newcastle 2\'3 aan den zoon des koningsuit: „Het is krenkend voor mij eiken dag te moeten hooren, dat de profetieën van hen vervuld worden, die, naar ik meende, door hun hartstochten en persoonlijke inzichten bevooroordeeld waren; te moeten zien, hoe maatregelen, eerlijk en oprechtelijk aangeraden, worden afgekeurd en belasterd, als wild, bewijzen van onkunde en uit zelfzuchtige berekening alleen aangeraden. Mylord Chesterfield heeft het geluk, dat hij nu beschouwd wordt als de man, die alles voorzien heeft en ook alles had willen voorkomen, indien men er hem de macht toe gelaten had. Wat dat voorzien betreft, dit hing alleen van de inlichtingen af, die hij kreeg en van zijne neiging, om te gelooven wat hij wenschte; en wat zijn wil aangaat, om dit alles te voorkomen, dien men wel zoo goed is van aan te nemen, indien die werkelijk bestaan heeft, dan heeft hij niet den moed gehad om vol te houden, zooals hij moest. Nooit werd ongetwijfeld iemand ter wereld zoo om den tuin geleid en bedrogen, als wij door den prins van Oranje en door de ijveraars van zijn partij. Maar in de omstandigheden, waarin wij waren, hadden wij behoorlijken grond voor hetgeen wij deden.quot;

De man, wiens herinnering zoo zwaar, als een nachtmerrie op helderen dag, de borst van den edelen hertog van New-

-ocr page 231-

DER VEKEENIGDE NEDERLANDEN.

castle drukte, was dadelijk, in Februari, na het neerleggen van zijn post, naar de baden te Bath vertrokken. Toen Chesterfield ruim een maand later te Londen terugkwam, vernam hij het gebeurde. Van verwondering kon natuurlijk geen sprake zijn bij hem, die deze uitkomst had verwacht en voorzegd. Koud is zijn toon: „Charles Bentinck is hier gekomen, om elk woord tegen te spreken, dat zijn oudere broeder hier voor zes maanden sprak. Hij belijdt het onvermogen der Republiek, erkent, dat zij teleurgesteld zijn in hun lichtingen en vraagt 1 200.000 of ten minste een millioen p. st. te leen, omdat anders de Republiek onvermijdelijk verloren is. Ten laatste bedelt hij om Gods wil, dat wij do geheele kosten van de Russen op ons nemen, daar de Republiek niet bij machte is haar aandeel te betalen. Welk antwoord hij gekregen heeft, weet ik nog niet. Geld was nooit zoo schaarsch en de renten waren nooit zoo hoog, zelfs niet tijdens den opstand, als nu. Twaalf percent wordt voor geld geboden, en dan kan men het nog niet krijgen. Indien er binnen drie of hoogstens vier maanden geen zekerheid van vrede komt, verwacht men een stagnatie van alle krediet, zoo niet een bankroet.quot; Hij ergerde zich, dat men in de benarde omstandigheden, waarin de Republiek verkeerde, nog feest kon vieren. „De pracht en verkwisting bij den doop van den jonggeboren prins van Oranje zijn nu zeker al heel misplaatst. Ten minste zoo oordeelt men hier. Doch misschien heeft men besloten, om maar vroo-lijk te sterven. Want uw einde is toch nabij. — Al mijne voorspellingen zijn maar al te spoedig vervuld, gelijk van den anderen kant al de beweringen van den oudsten Bentinck hier en van lord Sandwich in den Haag volstrekt valsch zijn gebleken. Ons leger, dat volgens hun berekening 192.000 man zou tellen, is zwakker dan het verleden jaar was, en de vrede, dien de Republiek binnen weinige weken op den trommel zal moeten teekenen, zal bewijzen, hoe zeer zij gelijk hadden, die verleden jaar op de voorslagen van den Maarschalk van Saksen wilden onderhandelen.quot;273

Wat er aan de bewijskracht der nu erkende feiten nog

219

-ocr page 232-

LOED CHESTERFIELD EN DE EEPUBLIEK

ontbreken mocht, nam de vijand op zich aan te vullen. Mau-rits van Saksen bracht zijn leger in beweging en sloeg, half April, het beleg voor Maastricht. Na weinige dagen was de afloop te voorzien: het leger der geallieerden was niet bij machte een poging tot ontzet te wagen, de vesting zou zich moeten overgeven. En dan?

„Als Maastricht is gevallenquot; ^— schreef de oude Horace Walpole — „kunnen de Franschen in drie weken meester zijn van al de zeventien provinciën in de Nederlanden. Al de zeehavens en het vasteland van Texel tot Bayonne zijn dan in hunne handen. Zij kunnen in den Haag of te Amsterdam, waar zij verkiezen, den vrede, naar het bon plaisir van hun oppermachtigen koning, dicteeren.quot; 270

De vijand wist hot ook wel. „De vrede ligt in Maastricht,quot; had de maarschalk van Saksen aan Lodewijk XV 277 gezegd.

In Maart waren de onderhandelingen te Aken aangevangen. Hier, op het diplomatiek gebied, als op het militair, bewees Frankrijk zijn meerderheid. De bondgenooten werden verdeeld en hun belangen gescheiden, de band tusschen Oostenrijk en de zeemogendheden werd verbroken. Niet als koopman, maar als koning — naar hij verklaard had — wilde Lodewijk XV den vrede sluiten. Hij verlangde geen voordeelen voor zich. Niettemin waren de aangeboden vredespreliminai-ren ongunstiger, dan die in het vorige jaar waren verworpen. Toen Maastricht op het punt was verloren te gaan, ontving lord Sandwich last aan te nemen, wat hij verkrijgen kon, en te teekenen. Met kloppend 278 hart gehoorzaamde hij.

Zoo een veroveraar de kroon van Frankrijk had gedragen, loodzwaar zou zijn hand op de overwonnenen hebben gedrukt. Maar de/kleinzoon van Lodewijk XIV smachtte naar rust, om in de armen van Madame de Pompadour of van zijne slachtoffers in het Pare aux Cerfs vergoeding te zoeken voor de ontberingen van het legerkamp.

„Ik wensch u en mij zelf hartelijk geluk,\' — schreef Chesterfield aan Dayrolles. — „Had Frankrijk van zijne voordeelen partij willen trekken, wij waren verloren geweest.

220

-ocr page 233-

DEE VEEEKNIGDE NEDERLANDEN.

Onze ontsnapping is in het algemeen groot, maar inzonderheid van vier personen. De hertog van Cumberland is ontsnapt aan nederlaag en ongenade. De prins van Oranje aan afzetting. De hertog van Newcastle en lord Sandwich aan .... -79. Ik verwonder mij dan ook niet over de algemeene blijdschap, die, naar gij schrijft, door ieder in den Haag is betoond, var; de prinses en den baron tot den visscher in Scheveningen. De Republiek is gered van geheelen ondergang, Engeland van staatsbankroet.quot;

VI

Met de aftreding van Chesterfield als staatssecretaris eindigt zijn staatkundig leven. Hij zet zich voortaan onder de toeschouwers neer. Een enkele maal treedt hij nog in het Hoogerhuis op, maar zijn staatkundige werkzaamheid is ten einde.

Dit was niet zijn bedoeling, maar werd zijn lot. Doofheid dwong hem er toe. Wel werd hem nog eenmaal het staatssecretarisschap aangeboden, maar hij weigerde. Zijn kwaal maakte hem ongeschikt.

Met het einde van zijn ministerieele en politieke loopbaan eindigt ook onze beschouwing. Het was mijn doel, den draad van zijn politieke loopbaan volgende, als de goudzoeker de wichelroede, in eenige braak liggende akkers onzer volkshistorie de eerste spade te steken.

Wie de volgende jaren der Republiek zal willen kennen, zal goed doen Chesterfield\'s brieven niet ongelezen te laten. Het zijn antwoorden of particuliere missiven van den resident Dayrolles, blijkbaar vol bijzonderheden. Zoo wij deze bezaten en daarbij \'smans officieele correspondentie, waarop reeds voor een halve eeuw Friedrich von Raumer opmerkzaam maakte 280, wij zouden een belangrijke bron voor de kennis van duistere tijden bezitten.

Aan de Republiek, waaraan hij van zijn eersten stap op het politiek terrein was verbonden, is Chesterfield nooit vreemd

221

-ocr page 234-

222 LORD CHESTERFIELD EN DE NEDEELANDSCHE REPUBLIEK.

geworden. Met belangstelling heeft hij steeds op dit land gestaard. En onder de weinige illusiën, die hij heeft liefgehad, heeft ook deze behoord: de noordelijke en zuidelijke Nederlanden mochten nog eenmaal worden vereenigd, als in de Bourgondische tijden.

De monarchie heeft het droombeeld verwezenlijkt gezien en betaald.

-ocr page 235-

AANTEEKENINGEN

OP

LORD CHESTERFIELD EN DE REPUBLIEK DER VEREENIGDE NEDERLANDEN.

1) Er zijn verschillende uitgaven van Chesterfield\'s werken. Vooral van de brieven aan zijn zoon zijn verschillende edition. In 1777 gaf Dr. Maty in twee deelen 4° Miscellaneous Works, voorafgegaan door eene hiographie, de eenige, die tot dusver bestaat. Zij heeft nog waarde, al is zij grootendeels een lofrede. Veel meer bevat de uitgave van Lord Mahon, in vijf deelen: Letters and Works 1847—53. Zij is, zonder volledig te zijn, de volledigste. De eerste uitgave wordt in de schets geciteerd als Dr. Maty, de laatste eenvoudig als Letters and Works. Het is, gelijk blijken zal, zeer te betreuren, dat Lord Mahon, om den omvang, een paar belangrijke politieke pamfletten niet heeft opgenomen.

2) Convention du Pardo, — 4 Maart 1728 Recueil de Rousset, IV, 2 45. III, 399.

3) ,Hanover rode triumphant on the shoulders of England,quot; schreef hij later. Verg. den brief aan zijn zoon van 30 Aug. 1848. — Letters and Works, I, 173.

4) Letters and Works, II, 382.

5) Resolution van H. II. M. 11 Mei, 1 Juni 1728. — Recueil de Rousset, V. 37.

6) Mati/ I, 50, 287. Misschien is het Charles Holtzendorf geweest, die reeds bij een der vroegere Engelsche gezanten als secretaris had dienst gedaan en, blijkens olficiëel door hem geteekende stukken in het Rijksarchief, tijdens Chesterfield\'s afwezigheid, ook in zijn dienst is geweest. Is John Stanhope, de broeder van Chesterfield, die hem als secretaris bij zijn komst vergezelde, zoo spoedig vertrokken?

In een der brieven van P. A. de Huybert, heer van Kruiningen, uit

-ocr page 236-

AANTEEKENINGEN.

het voorjaar van 1756, wordt liet volgende aangaande dezen Holtzendorf vermeld: „Holtzendorf, dien U. H. W. als secretaris bij den Lord Chesterfield zal gekend hebben, is te Parijs in de Bastille gezet, waarschijnlijk over onvoorzichtige discoursen dans co pays de despotisme of voor \'t schrijven van brieven naar Engeland. Ik heb uit goedhartige, oude vriendschap voor hem geïntercedeert bij den marquis de Bonac, die met veel beleeftheit aangenomen heeft favorabel daer over aen den Heere Rouillé te schrijven, niet zonder hoop van succes.quot; De brief is aan Willem van Haren, Provinciaal Archief van Friesland.

7) To his son. Letters and Works I, 6G.

8) To his son. Letters and Works I, 22.

9) 27 Février 1728. Rijksarchief. Het P. S. luidde: ,Monsieur de l\'Hermitage qui aura Fhonneur do vous faire tenir cette lettre ne S9ait rien du contenu.quot; Deze l\'Hermitage was een resident der Republiek te Londen. Hij stierf in 1729.

10) A Mylord Townshend, le 6 d\'Avril 1728. — Rijksarchief.

11) de Whitehall le 12 d\'Avril 1728. — Rijksarchief.

12) To lord Townshend, 30 Nov. N. S. 1728. — Letters and Works III. 36.

13) De brief van Chesterfield, waarin hij lord Townshend het gesprek met Slingelandt verhaalt, is van 30 Nov. N. S. Het antwoord van den staatssecretaris van 29 Nov. O. S. Het besluit, om Fagel\'s advies te vragen is dus genomen na ontvangst van Chesterfield\'s schrijven. Zie Letters and Works 111, 39.

14) Opgenomen in: Some account of the government of the Republic of the seven united provinces, geschreven voor zijn zoon. Letters and Works II, 879.

15) Joan Hendrik, heer van Wassenaar en Obdam, na Slingelaudt\'s dood een tijdlang met het raadpensionarisschap belast. Hij was een ouder broeder van Unico Willem, die later in deze bladen zal voorkomen.

16) Jacob Godefroy, baron van Boetselaar, heer van Nieuwveen, Groot Zegelbewaarder van Holland. Hij stierf weinige dagen na Slingelandt, en werd in de laatste betrekking opgevolgd door den heer van Wassenaar, in de vorige noot voorkomende.

17) Francois Teresteyn van Halewijn, heer van Abbenbroek, pensionaris van- Dordrecht. Hij was een zoon van Mr. Simon van Halewijn, burgemeester van Dordrecht, in 1693 tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld, doch ontsnapt en naar Suriname vertrokken. Deze Francois was een achterneef van Slingelandt.

18) Deze verklaring, die na de ontvangst van Townshend\'s schrijven van 29 Nov. O. S. niet kon gegeven worden, en slechts in de eerste maanden van Chesterfield\'s verblijf te pas komt, bewijst dat dit gesprek

224

-ocr page 237-

AANTEEKENDfGEN.

in \'t begin van December 1728 valt. In de missive van Slingelandt van 14 December vindt men den weerklank zoowel van de woorden van den raadpensionaris als van den heer van Lynden. Beider gevoelens vlecht Chesterfield ineen.

19) To lord Townshend, 14 Dec. N. S. 1728. — Letters and Work?. III, 38.

20) Slingelandt en Fagel waren zwagers. Fagel was in Augustus 1G93 gehuwd met Elisabeth van Slingelandt (geboren Juni 1671). Hoewel zij reeds anderhalf jaar later, 7 Februari 1695, overleed, oefende dit op de verhouding der zwagers geen invloed uit. Slingelandt en Fagel gaven een in die dagen zeer merkwaardig voorbeeld van broederlijke samenwerking, jaren achtereen.

21) Sir Matthew Decker, van afkomst, zoo niet van geboorte Hollander, was koopman en bankier te Londen en directeur van de Engelsch Oost-Indische Compagnie. Hij stond bij het hof in groote gunst en was een warm aanhanger der Whigs en der regeeringspartij. Het is mij gebleken, dat Willem IV in deze jaren door zijn tusschenkomst soms brieven aan zijn schoonvader toezond. Macknight vertelt in zijn Life of Boling-hroke p. 548, hoe Decker het Bolingbroke eens moeielijk maakte, om geld uit Engeland, tijdens diens ballingschap, te bekomen, zoodat de vrouw van Bolingbroke zelve uit Frankrijk moest overkomen, om do bezwaren weg te ruimen. Hij komt in de correspondentiën dier dagen veel voor. Hoe hij tot alles bekwaam werd geacht, leert ons de jongere Horace Walpole, waar hij ons het volgende vertelt. Sir John Germaine maakte aan Decker een legaat van £ 200 om onder arme Hollanders te verdee-len, omdat hij in \'t zekere onderricht was, dat Sir Matthew de schrijver was van — het evangelie van Mattheus (!) en sinds den diepsten eerbied voor zijn vroomheid had. Horace Walpole\'s lettern VIII, 58.

22) Willem Buijs, pensionaris van Amsterdam, een der eerste diplomaten van de Republiek in die dagen. Door zijn herhaald verblijf te Londen had hij relatiën met de Whigs, die hij thans tegen den Prins poogde te gebruiken.

23) Townshend to lord Chesterfield, 6 Dec. O. S. 1728. — Letters and Works III, 43.

24) De weduwe van Willem Bentinck was Jane Temple, vroeger gehuwd met John Lord Berkeley of Strutton. Zij was een dochter van Sir John Temple, Solicitor en Attorney General, een jongeren broeder van den bekenden diplomaat William Temple. Zie Courtenay. Sir William Temple. Verg. Memoirs of Hervey I, 547.

25) To lord Townshend. 15 Febr. N. S. 1729. Letters and Works. Ill, 46.

26) Chesterfield to lord Townshend. 15 Febr. N. S. 1729. — Letters and Works. Ill 48.

225

15

-ocr page 238-

AANTEEKENINGEN.

27) Chesterfield to lord Townshend 18 Februari 1729. — Letters and Works. Ill, 48.

28) 25 Febr. 1729. Lord Mahon heeft den laatsten brief voorbijgezien en alleen den eersten opgenomen. Maty I, 294.

29) Vooral met John Duncan schijnt Chesterfield in betrekking gestaan te hebben. Toen Duncan later naar Engeland werd gezonden, om over de huwelijksvoorwaarden te onderhandelen, was het op raad van Chesterfield, gelijk Willem IV aan zijn moeder schreef. -- Koninklijk Huisarchief.

30) To the Earl of Chesterfield, 18 Maart 1729. Rijksarchief. Dat van deze officieele depêche kopie, very secret, onder de papieren van Slinge-landt wordt aangetroffen, is niet te verwonderen. Townshend heeft ze blijkbaar gesteld met het oog op mededeeling aan den raadpensionaris. Chesterfield had den 15 Maart geschreven; dadelijk na de ontvangst, den 18en, antwoordde Townshend; een bewijs van het gewicht, dat aan de zaak gehecht werd. De depêche van Chesterfield komt noch in de Letters and Works noch elders voor.

31) Volgens Forster.

32) De raadpensionaris had bij zijn eerste vrouw, Susanna de Wildt, zes kinderen gehad, waarvan slechts twee den volwassen leeftijd bereikten.

I. Mr. Govert van Slingelandt, geb. 1694, nu (in 1729) Ontfanger-Goneraal van Holland en West-Friesland, in 1719 gehuwd met Ernestina Geertruida van Beveren. Hij had haar reeds in 1722 verloren en was hertrouwd in 1724 met Agatha Huijdecoper van Maarseveen.

2. Susanna van Slingelandt, geb. 1700, gehuwd in 1721 met Rudolff Ulrich Baron von Sporcken, kamerheer en envoyé extraordinaris van S M. van Groot-Britfannië als Keurvorst van Brunswijk-Luneburg. Van den oudsten zoon, uit hun huwelijk geboren, was George I, van den tweeden George H peter.

De raadpensionaris had in 1722 Susanna de Wildt verloren en was vier jaar later hertrouwd met Johanna van Coesveldt. MS. Genealogie van het geslacht Slingelandt, in het bezit van Jhr. J. van Tets te\'s Gravenhage.

Bilderdijk zegt, dat deze Johanna van Coesveldt zijn dienstmeid was. Of hij het weet, weet ik niet.

33) Eesoluti\'cn van 11. TI. M. 29 Aug., 7 Sept., 10 Sept. 1729.

34) Townshend to lord Chesterfield, 6 Sept. 1729. — Dr. Maty 1,287.

35) 12 Aug. 1727, uitgegeven bij Vkeede, Voorouderlijke wijsheid in hachelijke tijden, bl. 100.

36) 11 Aug. 1727, bij Vreede, t. a. p., bl. 99.

37) Count Palm to the Emperor. — Coxe, Memoirs of Robert Walpole,

II, 504.

38) 26 Jan. 1728. — Rijksarchief.

39) Vkeede, a. w., bl. 101, 102.

40) a M. Ie C. Pensionnaire 11 Juillet 1727. — 26 Janvier 1728.

226

-ocr page 239-

AANTEEKENINGEN.

41) 29 Mars: 14 May 1728. — Rijksarchief.

42) A Mylord Townshend, le 8 du Juin 1728. — Rijksarchief.

43) A S. E. le Pensionnaire, lo 7 du Juin 1728. — Rijksarchief.

44) 11 Juillet 1727. — Rijksarchief.

45) Men weet, dat George II het testament zijns vaders eenvoudig vernietigd heeft, zonder het uit te voeren. George 11 verdedigde zich met de bewering, dat zijn vader hetzelfde gedaan had.

46) A S. E. le C. Pensionnaire, Ie 24 Mai 1728. — Rijksarchief.

47) A Lord Townshend, Ie 8 Juin 1728. — Rijksarchief.

48) Horace Walpole to the Duke of Newcastle, 9 March 1728. — Rijksarchief.

49) To the pensionary, 15 March 1728. — Rijksarchief.

50) Mémoire, on considerations au sujet du futur congres, fait le der-nier de Mars 1728. — Rijksarchief.

51) De Mémoire luidt in haar geheel als volgt:

Mémoire, ou considérations au sujet du futur Congres, fait le dernier de Mars 1728.

La convention, signée en Espagne Ie 6 du present mois de Mars 1728, ayant levé les obstacles, qui retardoient I\'ouverture du congres, I\'on demande, si il ne convient pas que les allies de Hanovre forment ensemble, avant I\'ouvorture du congres, un plan de leur conduite, en renouvellant les engagemens, qu\'ils ont pris par Falliance de Hanovre, en trawant le plan d\'un traitté, au quel on tachera de conduire la negotiation, et en se donnant les assurances les plus fortes de nc pas s\'en ecarter que d\'un commun accord.

Cette idee paroit d\'abord fort plausible, pujsqu\'en memo temps qu\'elle sert a entretenir Ia confiance, si necessaire pour Ia reussite do la negotiation, olie sert a fermer Taccès aux tentatives, et a rendre instructueus les artifices des alliez du traitté de Vienne. Mais cela n\'empechc pas que cette idee ne soit sujette ïi de grands inconveniens.

far, a quoi bon, dira-t-on, de retracer et de renouveller des engagemens, clairement enoncez dans des traittez solennels et de fraiche date\'?

Ce renouvellement n\'insinue-t-il pas que ceux, qui le proposent, ont pris ombrage de certaines choses, qui se sont passées depuis le traitté do Hanovre? A cette nouvelle precaution augmentera \'t elle la confiance ou produira \'t elle plus tót un effet tout contraire ?

Du nioins, si par malheur ce renouvellement elimine, comme il est tres possible, les alliez de Vienne n\'en profiteront ils pas adroitement peur semer de Ia jalousie?

Ou, si cela n\'est pas a craindre, a cause de la parfaite harmonie qui malgré Ie passé continue parmi les alliez de Hanovre, n\'eiïarouchera \'t il pas tellement, si non tout I\'autre parti, du moins l\'Espagne qu\'on raettra par lil un obstacle, tres difficile ïi surmonter, a la pacification ?

227

-ocr page 240-

AANTEEKENINGEN.

Et ne peut on pas inférer de ces considerations aux quelles on pom-roit en ajouter d\'autres, qu\'il est de la prudence de laisser tomber ce qui pourroit avoir été insinué sur ce sujet, et, en supposant comrae chose indubitable que les Alliez observeront religieusement leurs enga-gemens, travailler a un plan ou reglement, comment les matieres a, trait-ter au congres, y seront portées et comment elles y seront traitées, et celles en particulier, qui suivant les articles preliminaires doivent y étre decidées.

Ce plan aura ses difficultés et pourra retarder long temps les conférences, et empecher d\'entrer en matiere, s\'il n\'est pas fait, ou du moins s\'il n\'est pas ebauché et préparé avant Fouverture du congres. D\'ailleurs il demande la concurrence de tous les partis.

Cost pourquoi il semble qu\'il est nécessaire que ce plan soit formé ou du moins projetté a Paris entre les ministres des puissances interessées. qui s\'y trouvent, parmi lesquels il y en a plusieurs destinez pour le congres.

Cependant ce plan de methode, quelque difficile qu\'il paroisse, tant par rapport a la diversité des matieres, dont quelques unes regardent le corps des alliés en commun, d\'autres seulement quelques membres de l\'alliance, que par rapport au defaut de mediateur, ne paroit pas pourtant mériter de longues contestations, puisque l\'on peut seulement faire les deux suppositions suivantes:

La premiere, que la France etant la puissance la moins directement interessée dans les matieres, qui seront traittées au congres, et de ce cöté la la plus impartiale, et etant d\'ailleurs de toutes les puissances, qui formeront le congres, celle, pour la quelle toutes les autres sans exception ent le plus d\'eguards, ne manquera pas de faire l\'office de mediatrice pour le fonds des choses, quoi que non pour la forme, ou pour la methode de les traitter, quelque plan de negotier que l\'on etablisse.

La seconde, que le succes du congres ne dependra pas de la methode, dont les alliés conviendront, tant entre eux, qu\'avec les alliés de Vienne. 11 dependra entierement de la bonne foi, de la conflance, et de la fer-meté, avec lesquelles les Alliés se soutiendront mutuellement; et ces dispositions ne manqueront pas dans les occasions delicates et impor-tantes, de faire trouver a d\'habiles ministres la methode ou le chemin le plus propre pour parvenir a leur but.

Ce qui neanmoins n\'empeche pas, qu\'il ne soit tres utile, que les alliez prescrivent conjointement a leurs plenipotentiaires de certaines regies de conduite, qui tendent a entretenir ensemble uno parfaite communication et correspondance.

L\'on ne s\'embarassera pas, dans ce memoire, des circonstances du congres, par exemple du jour de l\'ouverture, qui sans doute sera reglé a Paris avec les plenipotentiaires de l\'Empereur et de l\'Espagne; ni de l\'invitation, qui apparemment est deja faite par la France et par la Grande

228

-ocr page 241-

A A N TEEK E N INGE ,\\.

Bretagne, autant qu\'elle regarde les alliez do Hanovre; ni de ce qui peut etre statue toucliant la durée du congres par les articles 6 et 8 des preliminaires, pour passer a la consideration des matières, qui doiveut y ctre traittées.

A eet eguard, l\'on peut regarder lo Congres sous deux faces fort dif-ferentes, e\'est a dire, ou simplement, comme un congres destine pour ■examiner et terminer les differens, survecus touchant la navigation des Pays Bas Autrichiens aux Indes, et touchant quelques autres points des articles preliminaires, ou bien comme un congres, destine a concilier lex droits et los interests reciproques des puissances et a étahlir sur un pied solide une pacification generale, conformement a l\'idée de l\'articlo 6 des preliminaires.

Et Ton presume de dire quo ceux, qui ne regardent le congres que sous la premiere face, et qui neanmoins se fiattent, que les allies de Hanovre viendront a bout d\'y faire terminer les differends, qui alors toutes seules y devront étre traitées, connoissent peu le genie et les maximes des puissances souveraines, ny ayant nulle apparence qu\'elles se prêteront ii rendre justice sur les points en question, si elles voyent que, non obstant cela, les aft\'aires generales resteront dans l\'état, ou nous les voyons depuis l\'ombrage qu\'a cause le traité de Vienne.

Et Ton presume d\'ajouter que, pour concevoir la moindre esperance d\'un heureux succes du congres, il faut non seulement combiner les deux faces, sous lesquelles on vient do le representor, mais meme, qu\'il faut considerer la seconde face comme la principale, ou ce qui revient a la menie chose, il faut poser pour principe que de la pacification generale dependra l\'ajustement des points particuliers.

Suivant ce principe il semble que Ton doit donner toute son application a la recherche de la voye la plus apparente pour parvenir a la pacification generale.

Tout le monde est pleinoment instruit des fondemens, sur lesquels l\'on a retabli et Ton a taché d\'aftermir la tranquillité et le repos de l\'Europe. lis sont clairement détaillés dans les traittés d\'Utregt et de Radstat, et dans la Quadruple Alliance, sans parler des traités, qui ont pacifié le Nord.

Ces fondemens ont été ebranlés, si non renversés, par l\'étroite union entre l\'Empereur et l\'Espagne, et par les soup^ons, si justement con-cus des mesures, prises entre ces deux puissances touchant la succession des Etats liereditaires de l\'Empereur, soit en tout ou en partie, et touchant Fetablissement des princes d\'Espagne du second lit, dont pourroit meme résulter la jonction des Etats Hereditaires de l\'Empereur avec ceux de la monarchie d\'Espagne, jonction, non moins a craindre pour le reste de l\'Europe que colle, que l\'on a si sagement prevenue par les traittés d\'Utregt et de Baden.

De vouloir rompre, sans quelque evenement imprévu, l\'union presente

229

-ocr page 242-

AANTEEKENINGEN.

entre l\'Empereur et l\'Espagne, après les peines inutiles, qui ont été prises pour eet effet, ne seroit apparemment que vouloir perdre du temps, l\'Empereur qui n\'a point d\' enfans males, se trouvant par la dans une situation de pouvoir promettre a la Reine d\'Espjgne des avantages incomparablement plus grands, que ne peuvent promettre les Alliez de Hanovre, et sentant trop. combien il lui importe dans la conjoincture présente qu\'on ne lui enleve l\'Espagne et la Princesse, qui la gouverne avec un pouvoir absolu, pour ne pas se l\'attaclier par des liens indisso-lubles.

Gibraltar, l\'assiente des negres, et pareilles choses, dont la cour d\'Es-pagne fait grand bruit par politique, comme etant d\' un cOté des choses fort populaires, et de l\'auire propres ii donner de la jalousie aux Francois et aux Hollandois. par rapport au commerce, sont dans le fond trés indifFerentes a la Reine d\'Espagne, puisqu\'elles n\'ont nul rapport :i son grand but qui est l\'etablissement de don Carlos et du reste de sa familie: et par consequent il senible qu\'on n\'avancerait pas beaucoup la pacification generale en portant la Grande Bretagne a un accommodement toucbant Gibraltar et le reste, comme bien des gens se l\'imaginent.

La veritable et peut être la seule voye de parvenir a une pacification generale et solide, et par lil a une determination raisonnable des points-particuliere, compris dans les articles préliminaires, seroit, sauf meilleur avis, d\'examiner et peser meureraent les precautions et limitations, sous les quelles, s\'il y en a de telles, les alliez de Hanovre pourroient avec une seureté raisonnable convenir avec l\'Empereur et l\'Espagne toucbant le reglement de la succession des Etats Hereditaires de l\'Empereur, en cas qu\'il decedat sans issue male, du moins par rapport au cas et aux circon-stances presentes, et en meme temps toucbant l\'etablissement de don Carlos et autres Princes d\'Espagne du second lit: et que le cardinal prit en suite sur lui, de sonder l\'Empereur et l\'Espagne sur cette mntiere dans le dernier secret, pour etre ensuite discutée par les Alliez.

Quoi que ce point absorbe en quelque maniere toute la negociation, et en aplanit les principales difficultés, et que par consequent on pourroit finir par la ce memoire, l\'on toucbera néanmoins du bout de doigt encore deux ou trois autres articles, qui entrent naturellement dans le plan d\'une pacification generale, puisque sans etre réglées elles sont capables de troubler le repos publiq, dont Ia premiere, et qui a une etroite connexion avec le grand point, dont on vient de parler, est la separation eventuelle de la Monarchie d\'Espagne d\'avec les Etats Hereditaires de l\'Empereur. ii la reserve des Etats d\'Italie, que l\'Espagne a possedés du vivant de Charles Second: la destinée des Pais Bas Autrichiens etant reglée par le traitté de barriers.

Get article etant fondé sur des termes clairs et incontestables des traités, conclus par l\'Espagne a Utregt, no souffre point de difficulté.

230

-ocr page 243-

AANTEEKENINGEN.

\' La succession de Juliers et de Berg merite encor une attention particuliere par rapport au but d\'uiie pacification generale, etant capable de causer de pareilles troubles a celles, qu\'elle causa au commencement du siècle passé, lorsqu\'elle estoit sur le point de r\'allumer le feu d\'une guerre a peine eteint par la fameuse trève, si Ton ne prend pas les preeautior.s necessaires pour prevenir un pareil accident.

Le retablissement du repos en Ostfrise, et les garnisons, que les Etats Generaux ont depuis plus d\'un siecle ii Embden, et ii Lieroort, tant pour leur seureté propre, que pour maintenir la tranquillité d\'un pais voisin en consequence des garanties successivement promises, sont d\'une telle importance pour la republique, et, on peut dire, pour tous les princes, qui s\'interessent veritablement dans la tranquillité de la basse Allemagne, qu\'il semble quo cette affaire mérite toute l\'attention des alliez, et d\'etre portée par eux au Congres, du moins par rapport aux troubles, qu\'elle pourroit causer, en cas qu\'on s\'avisat de contester a la Republique une possession paisible et non imterrompue de plus de cent ans, ou, qu\'on refusat plus lontemps de s\'expliquer d\'une maniere, qui fasse cesser les justes soupijons, que la conduite de la cour de Vienne dans cette importante affaire a fait concevoir.

D\'autant plus, quïl n\'a paru que trop manifestement depuis ces dernie-res brouilleries en Ostfrise que la politique s\'en mêle et que la cour de Vienne s\'en sert comme d\'un moyen tout propre d\'inquiéter et d\'ar 1 armer la republique et de parvenir par lil a d\'autres fins.

Voila les idéés indigestes qu\'on soumet aux lumieres superieures des personnes, aux quelles ce memoire sera communiqué.

52) Townshend a S. E. le Conseiller Pensionaire, Whitehall le 29 Mars 1728. -— Rijksarchief.

53) A Mylord Townshend, le 16 Avril 1728. — Rijksarchief.

54) Horace Walpole to lord Newcastle, 14 April, 19 April 1728. — Rijksarchief.

55) A Mylord Townshend; 20 Mai 1728. — Rijksarchief.

56) Lord Townshend a S. E. le C. Pensionaire. Whitehall, 14 Juni 1728. — Rijksarchief.

57) Verg. den brief van Eugenius van Savoye aan den Prins de la Paz, van 19 Dec. 1728, gedeeltelijk medegedeeld bij Aeneth, Prinz Eugen eon Savoyen, III, 562.

58) A Mylord Townshend, le 29 Juin 1728. — Rijksarchief.

59) Lord Townshend to lord Chesterfield, 13 Aug. 1728. — Rijksarchief.

60) De eerste vrouw van Townshend was Elisabetli Pelham geweest, een halve zuster van Thomas Pelham, hertog van Newcastle, en van Pelham, dien wij later leeren kennen. Na haar dood was Townshend gehuwd met Dorothy Walpole, de zuster van Sir Robert Walpole, den eersten lord van de schatkist, en van Horace Walpole, den gezant te Parijs.

231

-ocr page 244-

A ANTEEKEN 1 NOEN.

61) Idees générales sur la formation d\'un traité. — Rijksarchief.

62) A Mylord Townsliend, le 16 de Juillot 1728. — Rijksarchief.

63) In een brief aan Stephen Poyntz, een der Engelsche gevolmachtigden te Soissons, 14 Juni 1728, uitgegeven door Coxe, Memoirs of Robert Walpole, II, 630.

64) Au C. Pensionaire, Ie 12 Juillet 1728. — Rijksarchief.

65) A lord Townsliend, 29 Juli 1728. — Rijksarchief.

66) T. a. p.

67) De Hamptoncourt, ce 23 Juillet 1728. — Rijksarchief.

68) Verg. de brieven van Townsliend, bij Coxe a. w. II, 138 sqq.

69) 2 Juni en 23 Juni 1729 N. S., bij Coxe a. w. II, 641, 648. In den laatsten brief stelt Newcastle de besluiten als waarschijnlijk voor. Uit vergelijking der data blijkt echter, dat zij reeds genomen waren of dienzelfden dag genomen werden. Newcastle toch deelde ze aan Townsliend mede, bij depêche van 13 Juni O. S. Dit is 24 Juni N. S.

70) Hannover 20 Juni (1 Juli) 1729. — Rijksarchief.

71) Den 3den Juni was het besluit genomen, een eskader van 12 oorlogschepen, gekommandoerd door den Vice-Admiraal van Aarssen van Sommelsdijk, naar Portsmouth te zenden. — Resolutiïn van II. II. M. 3 Juni 1729.

72) Lord Townsliend to the Earl of Chesterfield, Hannover 1 Juli 1729 — bij Coxe a. w. H, 645.

78) Verg. Coxe a. w. I, 335, en de brieven van Chesterfield en den Bisschop van Londen onder de bijlagen II, 646.

74) Eugen an den Prinz de la Paz, Wien, 18 Deo. 1728, gedeeltelijk uitgegeven door Akneth, Prinz Eugen von Savoyen, lil, 563. Verg. p. 287. Verg. de hiervan afwijkende voorstelling van Robinson aan lord Harrington, in 1784 gegeven, bij Coxe, a. w. Ill, 161.

75) Arneth, a. w. III, 238.

76) To lord Townshend, 7 Juli 1729, — bij Coxe II, 646.

77) The earl of Chesterfield to the plenipotentiaries, Hague 24 Juli 1729. — bij Coxe II, 647. Ook dezen hoogst belangrijken briei\' heeft lord Mahon bij zijne uitgave geheel over het hoofd gezien. Verg. de Mémoires de Villars, III, 888, 893.

78) Secreete Resolutie van 29 Juli 1729 — hernieuwd den 25 October 1729.

79) Lord Chesterfield to the plenipotentiaires, 24 Juli 1729, bij Coxe a. w. II, 647.

80) Pensees impartiales et pacifiques sur la garantie que l\'Empereur demande aux alliez de Hanovre comme une condition sine qua non de la reconciliation générale, ou de Vaccommodement, auquel lea puissances principales de VEurope iravaillent au congres de Soissons. Le 28 dc Septembre 1729. (Rijksarchief). Wij lezen daar:

232

-ocr page 245-

AANTEEKENINGEN.

Depuis deux siecles les etats hereditaires de oette branche de la n.aison d\'Autriche, qui occupe encor actuellement le trone imperial, servent de boulevart ou de barriere a la chretienté contre la puissauce ottomane, et en menie temps de contrepoids pour conserver l\'equilibre entre !es prinoipales puissances de l\'Europe, dont depend leur seureté mutuelle.

La Chretienté et l\'Europe perdroient ces deux avantages, égalemant importans, si l\'Empereur, le dernier male de sa maison, et qui n\'a jus-ques a présent que des fllles et des nieces qui peuvent pretendre a sa succession, venant a manquer, elle estoit dechirée par des guerres contre les pretendans, formentées par des puissances etrangeres, qui pour-roient se partager a cette occasion suivant leurs differentes vues, ou differens interets, et finalement partagée, a l\'exemple de la succession de l\'autre branche de la maison d\'Autriche, qui le fut aprez la mort de Charles second Roi d\'Espagne.

Pour prevenir ce coup, et les suites, qui sont inséparables humaine-mant parlant, et dont la premiere selon toutes les apparences seroit une guerre non moins ruineuse a l\'Europe en general que celle qui doit la naissance a la mort de Charles second, il semble qu\'il n\'y a point do remede plus efficace ni plus propre, que la guarantie, que l\'Empereur demande.

Quoi qu\'on avoue qu\'il est tres probable, pour ne pas dire qu\'il est visible, que ce n\'est pas uniquement, ni peut etre principalement, dans cette vue que l\'Empereur la demande dans les circonstances presentes. qu\'il en fait une conditio sine qua non du succez d\'un congrez, avec lequel il a soutenu hautomant que sa succession n\'avoit rien de commun, tant que subsistoit cette etroite intelligence entre lui et l\'Espagne, qui a causé au reste de l\'Europe des inquietudes qu\'il estoit facile ii l\'Empereur de guerir par des explications et des mesuves au sujet de la succession de ses Etats Hereditaires.

Et quoiqu\'en second lieu la demande, telle que les ministers de l\'Empereur viennent de la proposer, soit si generale, qu\'il est impossible de la pouvoir accorder sans plusieurs eclaircissemans, et modifications, dont il sera parlé daas la suite de ce memoire.

Mais, ii prendre la demande de l\'Empereur en gros, et a l\'envisager du coté des avantages, qu\'elle offre, et des malheurs et inconveniens. aux quelles elle apporte un remede specifique, il semble que les alliez de Hanovre auorient tort de no pas s\'en saisir pour se procurer a eux mêmes, et au reste de l\'Europe, en la rectifiant par la voye de la negotiation, une paix et un repos, dont on ne peut pas se flatter si l\'Empereur vient a manquer sans que sa succession soit fixée par un concert avec les principales puissances de l\'Europe: a quoi il semble que l\'Empereur se prete par la demande de la garantie, ne pouvant pas attendre qu\'elle soit accordée puremant et simplemant, sur une demande aussi vague et aussi generale, que celle que ses ministres viennent de faire.

233

-ocr page 246-

A ANTEEKENINGEN.

La Grande Bretagne et l\'Etat des Provinces Unies peuvent faire d\'autant moins de scrupule d\'accorder la demande prise en gros, ou avec les modifications, dont il sera parlé plus bas, qu\'elle est conforme a 1\'article premier du traitté de barriere, dont FEmpereur, la Grande Bretagne et la Republique sont les parties contractantes: du moins par rapport aux Etats, qui sont nommez dans cet article les Etats en Allemagne pour les distinguer des nouvelles acquisitions en Italie.

La France n\'a pas les memes raisons. Mais, revenue comme elle est de certaines maximes, qui depuis le ministere du Cardinal de Richelieu ont alarmé les autres puissances de l\'Europe, et etant gouvernée par un prince, qui, contant de n\'avoir rien a craindre de ses voisins, trouve sa grandeur dans le bonheur de ses peuples et dans le maintien de la tranquillité de l\'Europe, 1\'on ne peut nullemant douter, qu\'elle ne con-courre avec la Grande Bretagne et avec l\'Etat, a I\'ajustement de cette importante affaire. Du moins on ne doit pas craindre qu\'elle s\'y oppose, pourvu qu\'on ne s\'engage a rien, qui soit contraire aux traittez entre les trois Puissances et a ses maximes présentes, et que la garantie soit expliquée et modifiée d\'une maniere, qui, bien loin de lui etre prejudi-ciable, lui fasse trouver son compte avec le reste de l\'Europe.

Mais pour venir au noeu de la question ou aux difficultez, du denoue-mant desquelles depend l\'apparance de faire reussir une affaire, dont on n\'a montré que le bon coté dans ce que Ton vient de dire, trois d.fïicul-tez capitales la rendent presque desesperée, et demandent par conse-qnant une discussion aussi exacte qu\'impartiale.

La premiere, que la nature des fiefs, des pactes de familie, des regie-mans de succession anciens ou nouveaux, et d\'autres titres inconnus aux alliez de Hanovre peuvent avoir statué sur la succession des royaumes, principautez et autres etats, qui composent la masse ou la totalité des Etats Hereditaires, d\'une maniere incompatible avec la garantie, qui s\'etendroit sur cette masse, ou sur cette totalité, indistinctement et sans examen.

La seconde, que cette garantie achevera d\'etablir le despotisme de l\'Empire en Allemagne, en decourageant et en dégoutant meme les Elec-teurs et les Princes, qui commencoient a s\'y opposer, et qui montroient du penchant a prendre, tant entre eux, qu\'avec les alliez de Hanovre, les engagemens et les mesmes necessaires pour reduire l\'autorité exorbitante de 1\'Empereur dans les hornes du traité de Westphalie et de sa capitulation.

La troisieme, que les Etats de l\'Empereur etant considerableinant aug-mentez tant par le dernier traitté avec la Porte que par 1\'acquisition de plusieurs Royaumes et Provinces, qui ont appartenu ci de van; a l\'Es-pagne, le prince, auquel une archiduchesse les portera en marriage, pour-roit, lui ou ga posterité, se voir par la en etat de renverser l\'équilibre

234

-ocr page 247-

AANTEEKENINGEN.

qui fait le fondemant du repos de l\'Europe, et de la seureté de chaque Etat en particulier.

On leverait peut etre la première difficulté en y applicant la rernarquo judicieuse d\'un ancien, que omne magnum e.remplum hahet aliquid ex iniquo, quod utiïifate puhlica compensatur, et la maxime des jurisconsultes. que les regies du droit commun n\'ont point lieu dans la succession des souverainetez, composées ordinairemant de plusieurs morceaux, lesquels avoient chacun leur droit ou coutume de succeder, pendant qu\'ils estoient separez, mais qui depuis qu\'ils sont reunis en un corps, ne suivent qu\'unc regie commune, temoin los monarchies fran^oise, Espagnolle et autres. Mais il semble que pour lover cette premiere difficulté il suffit de ne pas garantir le droit, ni de fermer la voye de la justice aux parties interessées. L\'empereur se contenteroit probablement d\'une garantie, qui n\'assureroit aux Arcliiduchesses ses fllles que la possession de ses Etats, jusques a ce qu\'elles ou lours successeurs en seroient privez par voye de justice.

Et puisque l\'Electeur de Baviere et le Prince Royal de Pologne sont les seuls, qui suivant toutes les apparances pourroient disputer la disposition de l\'Empereur, et centre qui par consequent l\'Empereur songe ii se precautionner par la garantie qu\'il demande, on donne a considerer. s\'il ne seroit pas a propos de sonder d\'un coté l\'Empereur s\'il ne juge-roit pas de lïnterest des Arcliiduchesses ses filles de promettre en cas qu\'il mourut sans issue male, a ces deux princes, au du moins au premier, ou aux enfans, nez ou a naitre de leurs mariages avec les Arcliiduchesses Josephines, quelque province ou provinces, contiguës aux Electorats de Bavière et de Saxe; ce qui semble devoir faire d\'autant moins de peine a l\'Empereur, que ses Etats héréditaires sont bien plus considerables a present qu\'ils n\'étoient du temps de l\'Empereur Leopold son pere.

L\'empereur pourroit meme ajouter a ce demembremant une substitution en faveur de la maison de Baviere, en cas que les Arcliiduchesses ses filles ne laissassent après Elles des successeurs males.

De l\'autre coté on pourroit insinuer a ces deux princes, ou du moins a l\'Electeur de Baviere, qu\'ils ne peuvent faire valoir leurs pretensions, bien ou mal fondées, que par une guerre, dont le succez est incertain. et qui peut leur etre ruineuse: et que par consequent il est de leur interest de preferer le certain et le solide a des esperances vagues, et de se con-tenter de ce que les Alliez pourront obtenir pour eux par un accommodemant.

La seconde difficulté seroit beaucoup moins considerable qu\'elle ne pa-roit être, si Ton pourroit contenter l\'Electeur de Baviere de Ia maniere, qu\'on vient de le projetter, puisque pour être seur de l\'efïet de ce qui seroit stipulé en sa faveur, il seroit interessé a demeurer attaché aux Alliez.

Et pour ce qui est des Electeurs et princes de l\'Empire, qui n\'ont rien

235

-ocr page 248-

AANTEEKENINGEN.

ii pretendre a la succession do la maison d\'Autriche, il somble quo pour les encourager a soutenir la liberie germanique et leurs propres droits et prerogatives contre les usurpations de TEmpereur et de sa cour antique, il suliiroit qu\' ii l\'occasion de la garantie de la succession de TEmpereur les alliez de Hanovre insistassent sur le renouvellement de la garantie du ïraitté de Westphalie par la France et la Suede, en ajoutant que puisque la garantie de la derniere, sur laquelle le parti protestant dans l\'Empire n\'a pas moins compté que sur celle de la France, a perdu beaucoup de son poix par la perte de tant de provinces dans l\'Empire, et du coté de la Russie, Ton demande que la garantie de la Grande Bretagne soit jointe a celle de la Suede.

Sans que Ton puisse objector, que le Roi de la Grande Bretagne est Prince de l\'Empire, et en cette qualité incapable d\'etre garand: puisque le Roi de Suede n\'estoit pas moins Prince de l\'Empire lors que sa garantie fut acceptée, qu\'il Test a present.

La troisième difficulté est d\'autant plus grande, qu\'on la peut regarder comme le principal motif de 1\'alliance de Hanovre: inais, comme la crainte de la conjonction ou reunion des monarchies de France et d\'Es-pagne a été le motif de la derniere guerre, il semble qu\'il faut appliquer au cas present le remede, auquel on eut recours pour la terminer aprez bien du sang repandu et des tresors prodiguez, en stipulant dans les termes les plus clairs et en prenant les precautions les plus fortes que jamais, et dans nul cas les Etats. dont la succession seroit presen-tement garantie, ne pourront etre possedez, soit en propre, ou de quelle autre maniere que ce puisse etre, ni meme administrez, ou gouvernez, directement ou iildirectement par les Rois, ou Reines, do France ou d\'Espagne, ou par les heritiers ou heritieres, immediats, et présumtifs, de l\'une ou de l\'autre de ces deux couronnes.

Bien entendu neanmoins, que cette stipulation ne regarderoit point les Etats d\'Italie, qui au temps de la mort de Charles Second estoient sous la domination d\'Espagne, et qui en ont été demembrez par des traittez posterieurs: exception, qui paroit nécessaire pour menager la delicatesse de l\'Espagne, et pour prevenir le mauvais usage que l\'Evnpereur pourroit faire de la susdite stipulation au prejudice des Alliez.

Outre cette stipulation, sans la quelle la troisieme difficuhó paroit absolument insurmontable, il seroit necessaire de stipuler en faveur de la France la confirmation pour tousjours, de l\'acte do neutra-lité, accordé par 1\'Empereur et par la France au feu Due de Lorraine, pour ses duchez de Lorraine et de Bar en cas de guerre contre l\'Empe-reur, sans ou avec l\'Empire et la France: ou un autre acte, ou article equivalent, pour prevenir efficacemeut que de part et d\'autre on ne pourroit ni passer par ces deux Duchez, ni s\'en servir en maniere quelcon-que, soit offensive ou defensive, pour se faire mutuellement la guerre.

236

-ocr page 249-

AANTEEKENINGEN.

Si ces solutions, ou plustGt ces expedians, ne levent pas tout a fait les difficultez qui se rencontrent dans la garantie, que l\'Empereur de-mande comme une condition sine qua non des facilitez, qu\'il offre d\'ap-porter a finir le congrez au contentement des alliez de Hanovre, et s\'il y a memo des difficultez, qu\'on n\'a pas touchées dans ce memoire, et sur lesquels les expediens proposez ne portent pas. Ton espere, que les personnes impartiales et qui voudront se donner la peine de considerer avec attention les differentes faces, ou les differens cotez de cette importante déliberation, avoueront, que les difficultez, qui restent, ne sont pas comparables aux suites, soit d\'un refus d\'entrer en negotiation sur la demande de l\'Empereur, ou des delais, et les incidens affectez que l\'Empereur auroit lieu de prendre pour un refus.

II n\'est pas necessaire de specifier ici ces suites. Les personnes, pour lesquelles ce memoire est fait, sont trop clairvoyantes pour ne le pas developper sans peine et trop bien intentionnées pour ne pas en etre frappées autant qu\'elles le meritent. D\'ailleurs quelques unes de ces suites, et peut etre les principales, sont d\'une trop grande delicatesse pour les fier au papier, mais elles ne laissent pas pour cela d\'inquieter non settlement les speculatifs, mais tout homme, qui compare sans passion 1\'experience Ju passé avec la possibilité de l\'avenir.

Du moins seroit il de la prudence, pour ne rien dire de plus fort, quelque puisse etre le succes de cette affaire, de la manier de la part des alliez de Hanovre, et sur tout de la part de la Grande Bretagne et de la Repu-blique, qui au bout du compte pensent un peu autrement que la France sur le sujet de la succession de l\'Empereur, d\'une maniere capable de con-vaincre le monde que, si elle echoue, ce n\'est pas par la faute des alliez de Hanovre, mais uniquement par celle de l\'Empereur.

Cependant, quelque facilité qu\'il semble que les Alliez doivent appor-ter a cette affaire. Ton ne pretend pas qu\'ils negligent leurs propres interets. Au contraire, en accordant a l\'Empereur une garantie, qui lui est si importante et qu\'il doit avoir extrememant a coeur, quand ce no seroit que pour le repos de sa familie, ils ne peuvent qu\'insister, en premier lieu, que l\'Empereur leur rende justice, en meme temps, et comme Ton dit, simul et semel, sur les points portez au Congres: qu\'il se prete en second lieu aux mesures prises, ou a prendre avec I\'Espagne, pour la seurté de la succession de don Carlos aux duchez de Toscane et de Parme, do la maniere projettée dans les reponses, envoyées der-nieremant en Espagne, et dans les instructions des ministres, qui doivent negotier cette affaire auprez de l\'Empereur et auprez du Grand Due, et flnalement, qu\'il convienne avec les alliez touchant la methode la plus propre de prevenir, que le repos publicq ne puisse etre trouble par les pretentions du Roi de Prusse sur les duchez de Juliers et de Berg, mais que la Maison Palatine en garde la possession, jusques

237

-ocr page 250-

AA.NTEEKENINGEN.

a ce que suivant les ti-aittez anterieurs et les loix de I\'Empire le different soit terminé par voye de justice, ou par un accommodemant, auquel 11 semble qu\'il seroit bon de travailler conjointement des u present, at sans perte de temps, ii cause de l\'age avancé et des infir-mitez de I\'Eleoteur palatine, en fesant coraprendre aux deux parties, que, quelques mesures que Ton prenne, il seroit tres difficile, que sans des grandes troubles, et peut etre sans une guerre d\'un succez tres in-certain, et en tout cas ruineuse a ces ducliez, ils parviennent Tun ou Vautre a en obtenir et conserver la possession possible et tranquille: et qu\'ils ne peuvent mieux faire par consequent que de finir au plustot le differant par un partage, qui seroit garanti par I\'Empereur et par les alliez de Hanovre.

L\'on a supposé en composant ce memoire que la negotiation avecl\'Es-pagne, qui est sur pied, finira au contentement des alliez persuade que, s\'il en arrive aütrement, et- que la liaison de cette Couronne avec I\'Empereur subsiste, il ne sera pas question de la garantie, du moins pour un temps et jusques a ce que quelqu\' evenement ait changé de nouveau la face des affaires.

81) Whitehall 7th October 1729, O. S. — Rijksarchief.

82) Ik heb dit antwoord nergens kunnen vinden, maar vind het vermeld in een memorie van Slingelandt van 19 Sept. 1730.

83) Dr. Maty, I, 61, 291.

84) Suite des pensees impartiales et pacifiqucs sur la garantie que I\'Empereur a demandé aux allies de Hanovre. —- Le 25 d\'Octobre 1729. (Rijksarchief.) Het stuk luidt aldus:

Plus on envisage les suites de la mort de I\'Empereur sans issue male plus on sent la necessité du reglement de la succession de ses etats en ce cas desesperé par un concert entre lui et les alliez de Hanovre et d\'une garantie de ce reglement, qui tende a prevenir les brouilleries capa-bles de mettre toute l\'Europe en combustion et a maintenir 1\'equilibre.

Les suites de la mort de I\'Empereur menacent sans contredit beaucoup plus et plus immediatement la Republique que ni la France ni la Grande Bretagne, et par consequent les alliez ne peuvent pas etre surpris et moins encor trouver mauvais, si elle juge qu\'il ne seroit nullemant a propos de laisser echapper une occasion aussi favorable que celle, qui se presente, de venir de concert a un reglement de la succession de l\'Empe-reur, qui reponde aux vues \' susmentionnées, et en meme temps a un accommodemant equitable de nos differens avec Sa Majesté Imperiale, comme devant marcher de pair avec la garantie do ce reglement, et en faire une condition expresse.

La succession de I\'Empereur ayant été le principal objet qui a cause les inquietudes, les quelles ont donné naissance a 1\'alliance de Hanovre, il semble que le grand point, a discuter par un congres, assemble prin-

238

-ocr page 251-

AANTEEKENINGEN.

cipalemant pour travailler a une pacification generale, estoit le reglemant de cette succession, tout comnie le reglemant de celle de Charles Second d\'Espagne etoit le principal oljjet du Congres d\'Utregt, et des negotiations posterieures de l\'Empereur tant avec la France qu\'avec la Grande Bretagne.

Aussi eeux pour qui ce memoire est destine savent qu\'a l\'ouverture du congres il y a eu des personnes, qui travailloient a faire porter do la part des Alliez cette importante matière devant le Congrez.

L\'on ne pretend pas taxer le sentiment ni la conduite de ceux, qui pensoient alors autrement, alleguant pour principale raison les dispositions, dans lesquelles estoit la Cour de Vienne, qui eut plustót rompu le Congrez que d\'entrer en discussion avec les Alliez touchant le reglement de la succession de ses Etats.

Mais a present, qu\'elle s\'y prête elle nieme, n\'importe par quel principe, ni dans quel dessein, il paroit incontestable qu\'il est de l\'interest des alliez de proflter de cette occasion pour procurer, s\'il est possible, une paix et tranquillité durables a l\'Europe, et a chacun d\'eux en particulier une juste satisfaction.

L\'on ose meme avancer que ceci est si clair qu\'il n\'est pas possible, de penser autrement sans avoir d\'autres vues, et même des vues tres suspectes.

Et quoi que Ton avoue, que les Alliez ne sont pas egaleraent interesses dans le reglement de la succession de l\'Empereur, et qu\'il est naturel

qu\'ils ne.......1 chacun leur einpressemant a leur interest.

autant que cela est compatible avec le grand but de l\'alliance, cependant tela n\'empeche pas que cette inegalité d\'interest donne lieu de craindre. que les Alliez, s\'ils ne s\'attachent pas religieusement ii ce but, pourroient dans cette importante matiere suivre des routes non seulement differan-tes, mais tout a fait opposées:

Et que par consequent elle fasse sentir d\'un cotó la nécessité de ne pas perdre de vue le rapport, on plustót la liaison entre la demande de l\'Empereur et le grand but de l\'alliance de Hanovre et du congrez de Soissons, et de l\'autre coté le danger de regarder la demande de l\'Empereur comme etrangere aux negociations presentes.

En effet, quoi que la Grande Bretagne soit interessée aussi bien que la Republique dans la conservation de l\'equilibre, et de la tranquillité generale, qui en depend, il s\'en faut néanmoins beaucoup qu\'elle souffri-roit autant que la Republique du renversement de l\'equilibre, et des autres suites de la mort de l\'Empereur sans enfans males. Elle ne lais-seroit pas par sa situation heureuse et par le fond de subsistence et d\'un grand commerce qu\'elle trouve dans son isle et dans ses riches et nombreuses colonies, d\'etre respectable a toutes les puissances de

239

1

Onleesbaar-

-ocr page 252-

AANTEEKENINGEN.

1\'Europe, et meme de faire rechercher son alliance: et par consequent elle peut ne pas avoir le même empressement que la Republique pour convenir avec l\'empereur touchant le reglement de sa succession, et pour lui en accorder la garantie, et elle pourroit meme, si elle ne s\'at-tachoit pas scrupuleusemant au grand but tant de l\'alliance de Hanovre que du Congres de Soissons, preferer pour le présent d\'autres objets a celui ci, tout important qu\'il est.

Mais le mal seroit bien plus grand si la France oubliant le grand but de l\'alliance et du Congrez avoit dessein de renverser l\'equilibre, et de s\'a-grandir aux depens de ses voisins, en pêchant en eau trouble, et si en\' consequence d\'un tel dessein, au lieu de se prêter a un concert avec l\'Empereur touchant la succession de ses Etats, elle refusoit la garantie, qu\'il demande, quelles qu\'en pussent etre les suites pour les alliez de la France et pour le reste de 1\'Europe.

Mais a en juger par la conduite invariable que la France a tenue de-puis la mort de Louis Quatorze, et par les dispositions du present minis-tere, on a lieu d\'etre entierement persuade que la France n\'a pas ce dessein ambitieux, et qu\'au contraire, contente de sa grandeur elle ne songe qu\'a sa seureté contre tout accident; et par consequent on peut attendre de sa prudence, qu\'elle jugera, qu\'engagemant apart, il est de son propre interest de saisir 1\'occasion presente sans attendre la mort de l\'Empereur sans enfans males, evenement incertain, tant en lui meme, que par rapport au temps et a une infinité d\'autres circonstances, pour arrondir sa frontiere et pour remedier comme on dit, au defaut de la cuirasse.

Personne n\'ignore, que ce defaut se trouve du coté de la Lorraine et du Luxembourg. L\'empereur sait si bien, de quelle consequence lui est la concurrence de la France dans la garantie qu\'il demande, el il a cette garantie tellement a coeur, que si la neutralité perpetuelle des Duchez de Lorraine et de Bar, dont il a été parlé dans les Pensees impartiales et pacifiqaes ne suffit pas a remedier a ce defaut, il n\'y a nu) doute qu\'il ne consents a d\'autres expediens touchant ces deux Duchez et a raser même l\'importante forteresse de Luxembourg, plustot que de ne pas acheter a ce prix la garantie de la France.

Et par conséquent il semble, que Ton est en droit de conclure, que la repugnance que la France montre contre la garantie n\'est rien moins qu\'invincible, et que les ministres de la Republique, qui a un si grand interest a la conservation de l\'equilibre et de la paix, a finir ses differans avec l\'Empereur, et a ne pas tomber dans une dependance totale de ses alliez: extremité, a laquelle elle sera reduite des le moment que l\'Empereur aura perdu toute espérance d\'obtenir la garantie, auroient grand tort de ne pas faire tout l\'usage possible de Tacoez qu\'ils ont auprez le cardinal, pour faire sentir a son Eminence que la garantie modi-üée de la maniere qu\'il est expliqué dans les Pensees impartiales et pad-

240

-ocr page 253-

AANTEEKENINGEN.

fiques, ou de telle autre maniere que sa prudence et son amour de la paix lui suggereront, entre naturellement dans le plan, ou dans le but de l\'aliiance de Hanovre, et du congres de Soisons, et qu\' elle n\'est pas seulemant absolumant necessaire ii toute l\'Europe, et nomméniant a la Republique pour la quelle il montre tant de tendresse, mais qu\'elle est aussi tres conforme au veritable interest de Ia France.

Et puisque la principale et la plus specieuse objection contre la garantie est, que l\'Empereur n\'en fait la demande que pour traverser la negotiation avec l\'Espagne, et qu\'en effet la garantie est si directement opposée aux vues de cette cour, qu\'elle pourroit rompre la negotiation, quelque\'avancée qu\'elle soit, si e!le apprenoit que les alliez d\'Hanovre montrent la moindre envie d\'entrer en negotiation avec l\'empereur sur Ia garantie, il est bon et conforme au but de ce memoire d\'eclaircir cette objection par les observations suivantes:

Premierement, que la demande de la garantie a été faite en termes si génerales et si vagues, et a besoin par sa nature de tant d\'eclaircissemans avant qu\'on puisse la mettre en negotiation, qu\'il est aise de tenir l\'Em-pereur en suspens par des questions, sans s\'expliquer positivement si on veut entrer en negotiation avec ses ministres sur Ia garantie ou non, jusques a ce qu\'on ait fini celle avec l\'Espagne.

En second lieu que, si l\'Espagne se contente de bonne foi d\'obtenir ce qu\'elle demande pour Don Carlos, ou de I\'introduction effective de six mille Espagnols dans les Duchez de Toscane et de Parme, il ne sera pas difficile de lui faire comprendre, que la demande de Ia garantie est une circonstance, qui doit cooperer efficacement a son but, puisque l\'Empereur a si fort cette garantie a coeur que Ton peut supposer, que S. M. Imp., sachant qu\'il ne peut l\'obtenir, comme effectivemant il n\'y a nulle apparence qu\'il I\'obtienne, a moins de consentir au traitté, qui se negotie avec l\'Espagne, y consentira en faveur de Ia garantie.

En troisieme lieu, qu \'au cas que l\'Espagne porte sa vue plus loin, ce que son dessein est d\'engager les alliez dans une guerre contre l\'Empereur pour anmiUer par ce moyen la quadruple Alliance, et ratrapper ce qu\'elle a cedé a l\'Empereur de son ancien patrimoine en consequence de cette alliance, ce qui n\'est que trop vraisemblable, Ia France et Ia Grande Bretagne, les quelles ont formellemant garanti a l\'Empereur, et a ses heritiers et successeurs, par l\'article 3 de la quadruple alliance ses etats d\'Italie, aussi bien que ceux d\'AHemagne et les Pais Bas, ne peuvent en ce cas que s\'opposer a l\'Espagne et que par consequent il n\'est pas besoin de Ia garantie en question pour mettre un obstacle invincible a ce dessein de l\'Espagne.

Ces considerations montrent, comme il semble, suffisamment la faiblesse de I\'objection, tiree du mauvais effet, que la garantie feroit en Espagne.

Au reste I\'impossibilité de se confonner aux vues de cette Couronne,

241

16

-ocr page 254-

AANTEEKEN1NGEN.

la neccssité, on on se trouvera dans pou d\'opter entre une guerre en Italie on le renouvellement de la garantie, dont la France et la Grande Bretagne se sont chargées par I\'article 3 de la Quadruple Alliance, I\'ente-tement de I\'Empereur pour ses Etats d\'ltalie, qui semblent lui tenir plus a coeur que le reste de ses domaines, et le desir de trouver un expediant pour faire entrer la France dans la garantie, que I\'Empereur deraande. ont suggeré a des personnes, dont l\'auteur de ce memoire revère les lumieres autant que les bonnes intentions, une idee, qui merite d\'etre inserée ici, afin que ceux, pour qui ce memoire est destine, puissent en juger, et en faire 1\'usage convenable, savoir, qu on pouvoit sonder I\'Empereur s\'ü ne se contenteroit pas de la garantie de ses Etats d\'ltalie par ies alliez de Hanovre, et pour ses autres etats des garanties precedentes, plustot que de kasarder les dangers dans lesquels le plongeroit line guerre avec les quatre Puissances.

Mais seroit on trop positif, en disant par avance qu\'il ny a nulle apparence, que I\'Empereur accepte cette espece de garantie? En cfi\'et peut on espérer, qu\'il consente a laisser aprez sa mort tout son ancien patrimoine avec les Pais Bas en proye aux divers pretendans a sa succession, soutenus par des puissances etrangeres, suivant leurs differantes vues, ou differans engagemens: sans que I\'arcliiduchesse ou archiduchesses, aux quelles il destine sa succession, puissent tirer la moindre utilité des garanties anterieures, quelques fortes qu\'elles pourroient etre, puisqu\'elles sont passées en faveur de I\'Empereur, et de ses heritiers et successeurs, en general, et ne sont nullement relatives a aucun reglemant de succession et que, pour ce qui regarde en particulier les Pais Bas, i\'article second du traitté de la barriere ne contient qu\'un engagement du coté de I\'Empereur, mais rien moins qu\'une garantie de la part de la Grande Bretagne et de la Republique ?

D\'ailleurs, est il de l\'interest du reste de l\'Europe, excepté la France, si elle retournoit malheureusement a ses vieilles maximes, que pendant que I\'ltalie sera tranquille a.l\'abri de la garantie projettée, rAllemagnc sera dechirée par des guerres, et l\'equilibre de l\'Europe renversé, ni plus ni moins que s\'il n\'y eut pas éte de garantie pour les Etats de I\'Empereur en Italie?

Outre qu\'une telle garantie seroit incomparablement plus propre pour effaroucher 1\'Espagne, et pour la picquer au vif, qu\'une garantie plus generale.

Pour conclusion: ceux qui pourront lire ce memoire et le precedant sont priez de ne pas se determiner, sans avoir fait les reflexions suivantes.

Que si on refuse a I\'Empereur la garantie de sa succession, bien cntendu avec des explications, et restrictions raisonnables, et qui sont materia tractandi, le congres finira sans aucun traitté avec I\'Empereur, soit provisionel soit definitif.

242

-ocr page 255-

AANTEEKENINGEN.

Quo Ie désespoir pourra porter l\'Empereur a des resolutions et a des mesures, fort extraordinaires, et qui sont sur tout a oraindre d\'un Prince, qui a en main de quoi tenter et d\'ebranler la vertu et la constance meme.

Qu\'il y a tres peu d\' apparence, quoi que les Alliez fassent, de eon-tenter I\'Espagne sans une guerre laquelle elle envisage comme le seul moyen de casser la garantie des etats d\'ltalie, dont la France et !a Grande Bretagne se sont chargées en faveur de l\'Empereur par la quadruple alliance et que par consequent le menagement pour I\'Espagne dans cette matiere ne doit et ne peut consister que dans une prudente conduite dans le manimant de la negotiation.

Qu\'on ne pent esperer de conjoncture plus favorable pour obtenir la concurrence de la France au reglemant et a la garantie de la succession de l\'Empereur, que sous le present ministere, et en faveur de la pacification generale, et que de laisser passer cette occasion sans faire sur la France tons les efforts possibles, en se flattant que la France sera plus facile sur co sujet aprez la rupture des negotiations du Congres, seroit e\'abuser de gayeté de coeur.

Que la Republique non seulemant ne finira aucun de ses demelez avec l\'Empereur, si la garantie lui est refusée, mais sera exposée a des avanies et des chicanes perpetuelles, a quoi le voisinage des Pais Bas Autrichiens, et le traitté de barriere meme fourniront abondante matiere.

Sans parler des brouilleries, que l\'Empereur peut susciter a la Republique avec le Roi de Prusse, dont les forces, l\'avidité et les boutades le rendent un tres dangereux voisin. Que parmi ces inquietudes perpetuelles, ia Republique sera contrainte de consumer ce qui lui reste de forces, comme en pleine guerre, sans pouvoir compter sur d\'autre assistence que sur celle de la France, la Grande Bretagne n\'estant pas armee en temps de paix, et l\'Empereur et son allié le Roi de Prusse n\'apprehendant pas beaucoup ses forces navales. Si bien, que la Republique pourroit etre abimée par une invasion soudaine avant de pouvoir etre secourue par la Grande Bretagne.

L\'on pourroit pousser plus loin les reflexions, et en tirer des consequences tres faclieuses. On aime mieux de les linir en donnant a considerer, si aprez ces reflexions il ne seroit pas rude pour la Republique de voir regetter la garantie, que l\'Empereur demande, ou, pour s\'exprimer en termes plus doux, mais dont le sens revient a la meme chose, de la voir declarer etrangire aux negotiations presenter.

Non a cause que l\'Empereur refuse d\'entrer en des explications et restrictions raisonnables ou d\'accorder de son coté ce que les Alliez peuvent lui demander avec justice.

Mais a cause que I\'Espagne veut la guerre avec l\'Empereur, que la France veut garder les mains libres, pour pouvoir profiter de la mort de ce Prince, si elle le trouve a propos, et que la Grande Bretagne veut

243

-ocr page 256-

aanteekeningen.

dans ces circonstances presentes eviter tout ce qui pourroit rctarder son accommodemant avec l\'Espagne, ou y apporter lo moindre obstacle.

Et si le bon parti ne seroit pas de tenir l\'Empereur en suspens, comme il est aisé de faire par la nature meme de sa demande, jusques a ce que le traitté avec l\'Espagne estant conclu, ce qui ne paroit pas eloigné suivant les derniers avis de Seville, on pourra parler clair avec ses ministres.

Le 25 d\'Octobre 1729.

85) Maria Theresia? Kurieus compliment van den ouden staatsman.

86) Chesterfield a M. de Slingelandt, Londres 28 Oct. 1729. — Rijksarchief.

87) Het heette, dat de Republiek niet als contracteerende partij het tractaat had kunnen sluiten, omdat zij niet tot de Quadrupel Alliantie was toegetreden. Engeland erkende, dat de goede uitslag der Spaansche onderhandeling voornamelijk te danken was aan de eendracht van Engeland en de Republiek.

88) The duke of Newcastle to lord Harrington and Stephen Poynts, 4 April 1730. N. S., by Coxe a. w. II, 682.

89) Horace Walpole to Stephen Poynts. London 22 Jan. 1730. Coxe a. w. II, 667.

90) Zie wat Dr. R. C. Bakhuizen van den Brink daarover heeft medegedeeld in zijn Studiën en Schetsen, IV, 304.

91) Whitehall, 9 Janvier 1729/30. — Rijksarchief.

92) De brieven van Townshend en van Slingelandt zijn op het Rijksarchief. Coxe deelt ze mede II, 699. De brief van den eerste is zonder datum; die van den laatste van 23 Mei 1730. — Rijksarchief.

93) Idéés communiquées a M. le Comte de Konigsegg et redigées de concert entre la France et l\'Angleterre et les Etats Généraux, le 27 Mai 1730. — Rijksarchief.

94) Réponse des Plénipotentiaires Impériaux aux idees ou propositions des allies du 27 Mai 1730. Re^u 18 Juillet 1730. — Rijksarchief.

95) Declaration des allies de Sevilla sur la réponse des ministres impériaux aux idees ou propositions du 27 Mai 1730.

96) To Sir Robert Walpole. — Bij Coxe III, 6, 7.

97) To Horace Walpole. 13/24 Juli 1730. — Bij Coxe III, 9.

98) Zie verschillende brieven van hem, bij Coxe, III. — Het schijnt, dat Robert Walpole hem bij een schrijven van 10 Juli breedvoerig de wending zijner politiek heeft uiteengezet. Waarom deelt Coxe wel het antwoord (bl. 10) mede, maar niet het schrijven van den premier zelf?

99) Horace Walpole to Sir Rob. Walpole, 2 Aug. 1730, bij Coxe, III, 13.

100) Horace Walpole to Sir Rob. Walpole, 16 Aug. 1730, bij Coxe IH, 19.

101) Volgens lord Hervey was de verhouding juist omgekeerd. Lord Chesterfield werd Lord High Steward, zegt hij, en vervolgt: „bij deze gelegenheid overlaadde Chesterfield Sir Robert Walpole met de warmst mogelijke betuigingen, erkennende, dat zijn vriendschap en aansluiting

244

-ocr page 257-

AANTEEKENINGEN.

aan Townslicnd in dezen winter hem geen het minste recht had gegeven, om deze gunst te verwachten, en hij besloot met té zeggen; ik had het spel verloren, maar gij hebt mijn kaarten in uw handen genomen en het herwonnen.quot; (Lord Hervey\'s Memoirs I, 142).

Het is zeer mogelijk, dat Chesterfield, die even gul met complimenten als met sarcasmen was, soortgelijke woorden tot Walpole heeft gezegd. Maar het is niet waarschijnlijk, dat hij zich heeft verontschuldigd ovei zijn verhouding tot Townshend, die niet alleen zijn vriend was, maar ook zijn superieur. De gezant in de Nederlanden kon toch moeilijk den rug toedraaien aan een ouden vriend, den secretaris van het noorden, eenvoudig omdat deze met Walpole overhoop lag. Veel minder, omdat zijn verhouding tot Townshend volstrekt niet het karakter droeg van politieke samenwerking. Even onwaarschijnlijk is het, dat Walpole het compliment van Chesterfield, wanneer het werkelijk gesproken is, als ernst heeft opgevat, zooals Hervey in zijn bitterheid tegen Chesterfield doet. Slechts zijn volslagen onbekendheid met de buitenlandsche politiek maakt dit begrijpelijk. Walpole wist niet alleen, waarom hij Chesterfield zocht te winnen, maar tevens, dat de gezant het even goed wist als hij. Niet Chesterfield had het spel verloren. Hij heeft zich nooit, en met volle recht, voor deze benoemingen ook maar eenigermate aan den premier verplicht gevoeld. Hem, niet aan Sir Robert, speelden de politieke verwikkelingen op dit oogenblik de troeven in de hand.

102) Verg. Arneth, Eugen von Saroycn, Hl, 284.

103) Declaration de la cour de Vienne, envoyée le 30 d\'Aoüt 1730; communiquée par le comte de Zintsendorf au Conseiller Pensionnaire le 9 de Sept. 1730. — Rijksarchief.

104) Verbaal van Hop. — Rijksarchief.

105) Lord Harrington to Thomas Robinson, 15 Dec. 1730, bij Coxe, IH, 39.

106) Projet d\'accommodement a proposer par S. M. I. aux allies de Seville. Le 28 d\'Aoüt 1730. — Rijksarchief.

107) Mémoire contenant des reflexions sur l\'état présent des différents entre l\'Empereur et alliés de Hanovre et de Seville, et sur la manière de les accommoder, ébauché le 19 de Septembre 1730 et soumis a l\'exa-men de N. N. — Rijksarchief.

108) De kansen erop zijn gering. Reeds Dr. Maty betreurde in 1777, dat het waarschijnlijk nooit het licht zou zien. Waarom zegt hij niet. I, 293.

De onderhandelingen van het traktaat werden nog bijgewoond door een ander gezant. Chesterfield vertelde in 1744 aan Marchmont het volgende:

Een van de eischen van den Keurvorst van Hanover was, dat de Duitsche bezittingen tot een vrouwelijk leen zouden worden verklaard. De keizer weigerde dit, omdat hij het zonder het Rijk niet kon doen.

245

-ocr page 258-

AANTEEKENINGEN.

Hij — Chesterfield — had bij de onderhandelingen in den Haag zorgvuldig verméden, zich met de belangen van Hanover in te laten. Daarom had hij aan het Engelsche ministerie voorgesteld, dat de Hanoversche minister in den Haag, een zekere Sporken (zie Gids, Maart 1884, bladz. öBö) een stomme vent, die de dochter van den Raadpensionaris gehuwd had, de conferentiën zou hijwonen, daar hij anders zich maar beleedigd zou gevoelen, en dit wellicht invloed kon hebben op den Raadpensionaris. Het Engelsche ministerie had het goedgekeurd. Chesterfield had ronduit aan Slingelandt gezegd, hoe de zaak in elkaar zat. En deze had geantwoord, dat het heel goed was, want zijn benêt de fils zou geen kwaad doen. Diary of Manhmont 13 October 1744.

108) Plan d\'un traité, Dec. 1730. — Rijksarchief.

109) Letters and Works 111, 60 passim.

110) „Collateral difficulties.quot; George Tilson, undersecretary of state, to Thomas Robinson. — 8 Februari 1730. — Zie de geheele hoogstbelang-rijke correspondentie van Robinson, bij Coxe, III, 54—102.

111) Chesterfield to Geo Tilson, 27 Juli 1731. — Letters and Works. HI, 38.

112) Acte de concurrence des Etats Généraux, bij liousset. VI. 442.

113) Zie Chesterfield\'s brief aan Theodore Huet, uitgegeven door Bus-ken Huet, in zijn Jacques Saurin en Theodore Huet, hi. 12.

114) Londres 28 Oct. 1729. — Rijksarchief.

115) Londres 7 Mars 1732. — Rijksarchief.

116) Londres 10 Mars 1732. — Rijksarchief.

117) 22 Maart. — Rijksarchief.

118) Letters and Works, HI. 70, 82.

119) Zoon van Sir Robert.

120) Speaker Onslow\'s Eemarks, bij Coxe, Sir Robert Walpole, 11,551 sqq. Verg. Letters of Horace Walpole passim.

121) Als oudste van de commissie moest Chesterfield koningin Caroline toespreken, toen het Hoogerhuis haar deed gelukwenschen. Zie de scène bij lord Hervey, I, 314 enz.

122) Chenevix deed later een huwelijk, dat hem aan het hof krachtigen steun scheen te beloven. Een bekende figuur aan het hof van George II was Mrs. Clayton, lady Sundon. Zij was lady of the bedchamber van de koningin, op wie zij zoo grooten invloed had, dat zelfs Walpole dien niet aan \'t wankelen kon brengen. Zij had het geheim ontdekt van koningin Caroline\'s kwaal, dat deze zorgvuldig voor allen, ook voor den koning, verzweeg. Daarop, zegt men, berustte haar groote invloed. Deze Lady Sundon wist te bewerken, dat bij het huwelijk van prinses Anna, eene harer nichten, Miss Dorothy Dijves, bij de prinses van Oranje als maid of honour werd geplaatst. De kapelaan der prinses, Chenevix, won de nicht der invloedrijke tante voor zich en vroeg Dorothy Dijves ten huwelijk. Ofschoon

246

-ocr page 259-

AANTEEKEXINGEN.

aanvankelijk zeer gebelgd over de vermetelheid van den jongen man, die zoo hoog zijne oogen durfde opslaan, gaf Lady Sundon later toe. Ik geloof echter niet, dat Chenevix er veel voordeel van gehad heeft. Hij werd in 1745 bisschop van Killaloe, later van Waterford, maar had dit aan Chesterfield, niet aan haar, te danken. Hij bleef met Chesterfield steeds zeer bevriend. Verg. Letter* and Works, III, 158 passim; Letter» of Horace Walpole, I, CXXX, CXXXII, CXII, 114.

123) Horace Walpole to Sir Horace Mann, 30 Nov. 1743. Letters of Horace Walpole, I, 279.

124) Correspondence of William Pitt, earl of Chatham, I, 2.

125) Het was naar aanleiding van dit beruchte verdrag, dat Chester-lield met Waller het uitgebreide politiek pamflet bewerkte: The case of the Hanover forces, waaruit ik in den tekst de beschuldiging aangaande de neutraliteit der Republiek heb medegedeeld. Daar lord Mahon het niet heeft opgenomen, en ik het tevergeefs hier te lande gezocht heb, stond mij slechts het uittreksel van Dr. Maty ten dienste. Verg. Letters and Works V, Preface.

126) Verg. o. a. de bescheiden, tot deze intrigue betrekkelijk, medegedeeld bij Coxe, The Pelham administration I, 176. — Diary of Marchniont 6 Nov. 1744 sqq.

127) An apology for a late resignation. — Letters and Works V, 59.

128) Zie het ministerieel Memorial van 1 Nov. 1744, bij Coxe, The Pelham administration I, 177.

129) Het was in de laatste maand (Augustus 1743) van zijn verblijf, dat hij Voltaire als geheim agent der Fransche regeering in den Haag zag verschijnen. Verg. de Etudes diplomatiques van de Beoglie, la première latte de Frederic II et Marie-Thérèse, in de Revue des Deux Mondes, 1 Avril 1884, waar vele nieuwe bijzonderheden, aan het archief van het ministère des affaires étrangères ontleend, aanvullen wat in de Corres-pondance générale de Voltaire (Oeuvres complètes LII1, p. 450 sqq.) voorkomt, daaruit door Jhr. C. A. van Sypestein, in zijne Historische herinneringen uit de XVIIIe eeuw, bl. 55 enz., gedeeltelijk medegedeeld.

De marquis Je Fénélon werd in \'t begin van 1744 tot luitenant-generaal bij het leger in Vlaanderen benoemd. Hij kwam in Maart nog even in Holland, om de oorlogsverklaring aan de Staten te berichten en afscheid te nemen. Hij was bijna twintig jaar in den Haag gezant geweest. Hij sneuvelde in deu slag bij Rocoux. October 1746. Journal de Barbier IV, 192.

De abt de Laville was eerst gouverneur bij de Fénélon\'s kinderen, maar werd later secretaris van den gezant en een uitnemend medewerker om den Franschen invloed in de Republiek te versterken.

130) Verg. Mr. J. K. J. de Jonge, De diplomatie gedurende den Oosten-rjkschen successieoorlog, bl. 75. — Dr. A. Beer, Holland und der Oes-

247

-ocr page 260-

AANTEEKENINGEN.

terreichische Erbfolge-krieg, s. 33. — Mémoires d\'Argenson IV, 336.

181) Verslag aan de Staten van Friesland, in 1745: uitgegeven door Dr. J. van Vloten, in Leven en Werken van W. en O. Z. van Haren, bl. 163. Het was vooral de Engelsche Generaal Wade, op wien de schuld der verdeeldheid werd geworpen.

132) Januari 1745. — De keurvorst van Saksen heeft aan de opgenomen verplichtingen rïiet voldaan, maar integendeel in het volgend jaar een gelijk getal troepen aan Frankrijk overgegeven. Voor die handelwijze waren verschillende redenen, die ik hier niet ontwikkelen kan. Maar de Engelsche gezant te Dresden, Sir Charles Hanbury Williams, vermeldt in een zijner brieven eens bijzonderheid nopens den Hollandschen gezant Calkoen, die ik even bespreken wil. „De ware oorzaak, (zegt hij) waardoor de geallieerden dit hof (van Dresden) verloren hebben, en liet in de armen van Frankrijk gedreven, is deze. Mr. Calkoen, minister van Holland, had last om over het in dienst nemen van Saksische troepen te onderhandelen. Hij deed inderdaad het voorstel; maar gelijktijdig voorkwam hij de aanneming, door aan graaf Brühl te vertellen, dat, ofschoon hij in officieele qualiteit verplicht was Saksische troepen te vragen, hij, als vriend van het hof van Dresden, niet kon nalaten te zeggen, dat hij zeer betwijfelde, of zij wel of ook maar geregeld betaald zouden worden. Zoo sprak die perfide Hollander; en hij bewoog natuurlijk graaf Brühl, die slechts aan het geld dacht, om de troepen te weigeren.quot;

Indien dit verhaal waar is, dan blijkt er duidelijk uit, hoe de regenten der Republiek — want Calkoen heeft natuurlijk niet zonder medeweten zijner zenders gehandeld — èn de natie èn hunne bondgenooten bedrogen. Dit is intusschen op zich zelf geen bewijs tegen de waarheid.

Maar de persoon van Sir Williams is mij niet geloofwaardig. Een man van geest, die zich door groote eerzucht en zeer sterke passiën regeeren liet, die krankzinnig stierf en zelfs, voordat dit ongeluk hem trof, vreemd en zonderling wordt genoemd, verdient bij een dergelijke beschuldiging niet op zijn woord alleen geloofd te worden. Daarbij komt, dat toen hij in Dresden dit verhaal van Brühl vernam, de Saksische politiek reeds den omkeer had gemaakt, waarvoor deze beschuldiging tot excuus moest dienen. Het was in Aug. 1747. De brief is medegedeeld bij Walpole, Memoirs of the Reign of George II, tome II. p. 396. Het jaartal 1743 is een drukfout voor 1747. Vergelijk bl. 409, note.

Over Sir Ch. Hanbury Williams, zie Letters of Horace Walpole II, 98. Ill, 130, 132 passim. — Letters and Works I, 140. IV, 264 sqq.

133) Sir Horace Walpole had, na het tractaat van Weenen, zijn ontslag als ambassadeur te Parijs gevraagd en bekomen. In 1735 kwam hij in dezelfde betrekking naar de Nederlanden, waar hij tot 1739 bleef.

134) Coxe, Memoirs of Horatio Walpole, p. 281.

135) lo. Pour concerter et constater Ie nombre des troupes, que cha-

248

-ocr page 261-

AANTEEKENINGEN.

cunc des deux puissances fourniroit pour le service de la cause commune dans la campagne prochaine.

2°. pour convenir de la quantité d\'artillerie que chacune des deux puissances s\'engageroit ii fournir respectivement.

So. pour règler la quote part de chaque puissance par rapport aux fraix casuels de la guerre.

4°. pour règler les proportions dans lesquelles les deux puissances fourniront aux subsides futurs, dont elles pourront juger a propos de se charger a I\'avenir.

5o. pour rediger l\'accord qu\'on pourroit faire sur les points susmenti-onnes en forme de Convention entre les deux puissances.

6°. pour en suite d\'une pareille Convention conclure une alliance générale avec toutes les autres puissances, qui ont déja pris ou qui voudroient prendre part ii la defense de la cause commune, aussi bien que pour règler le plan général des opérations de la guerre.

7°. et finalement pour réiterer la réquisition formelle do Sa Majesté a L. H. P. de déclaror immédiatement la guerre a la France, en consé-quencc des stipulations expresses et solennelles du Traitté de 1678, le cas du dit Traitté existant incontestablement, et la République s\'étant toujours jusqu\'ici distinguée par une obervation religieuse de tous ses engagemens. Seer. Res. van H. H. M. 8 Feb. 1745.

136) To the Earl of Harrington. Letters and Works. Ill, 151.

137) Letters and Works, III, 152.

138) Diary of Marchmont, 17 Sept. 1747.

139) De generaal Wade, die als zondebok werd opgeofferd, vertrok naar Engeland. Bij den inval van den Pretendent, eenige maanden later, voerde hij een kommando, en bewaarde zijn naam voor geheele vergetelheid door den aanleg van de eerste militaire wegen in Schotland.

140) Letters and Works, III, 153, 154.

141) Resolutiën S. G. 12 Maart 1745. Dr. A. Beer, in zijn aangehaald geschrift p. 33, plaatst dit besluit op 12 Mei, dus drie weken nadat de vrede (22 April) gesloten was. Het is een der tallooze slordigheden, waarvan dit boekje wemelt, en die het bijkans onbruikbaar maken, zonder correctie.

142) Itésultat des conférences entre Mr. Le Comte de Chesterfield et Mr. Trevor et Mr. les Deputes.

143) Dr. Maty, I. 145, 317.

144) Mémoires de Frédéric II. Histoire de mon temps (ed. Boutaric ct Campardon), I, 276.

145) A Madame la Marquise de Monconseil, 12 Maart 1749. — Letters and Works, III, 331. Verg. II, 125, 297. Ill, 418.

146) Zie zijn brief bij Lord Mahon, History of England, III. Appendix, p. 434. Verg. p. 343.

147) An Apology for a late resignation. — Letters and Works, V, 65.

249

-ocr page 262-

AANTEEKENINGEN.

148) Diary of lord March mant, 30 Aug. 1747.

149) Diary of Marchmont, 30 Aug. 1747. — An apology for a late resignation. — Letters and Works. V, 72.

150) Dat mij niet moest heel sterk klinken: voor de historie klinkt het als zelfbespotting. Coxe, Memoirs of Henry Pelham, I, 341.

151) Koninklijk Huisarchief.

152) Beek, Holland und der Oesterreichische Erbfolgekrieg, S. 96.

153) Coxe. Memoirs of Henri Pelham, 1, 342.

154) Lord Harrington aan Boetselaev en Hop, 3 Jan. 1746. — Coxe, Memoirs of Henry Pelham, 1, 285.

155) „L. H. P. n\'en trouveront nulle part a meilleur marché, S. M. Imp. n\'y cherchant pas a profiter,quot; 18 Jan. 1746. — bij BEER, .a. w. 46.

156) De zending van Larrey duurde van November 1745 tot Januari 1746. De eenige, die er ons iets van vertelt, is de heer de Jonge, a. w. 115 sqq. Hij heeft Larrey\'s papieren, in het bezit van Jhr. Mr. H. J. van der Heira, die het archief van den Raadpensionaris van der Heim onder zich heeft, gebruikt. Maar wat hij mededeelt, is onbeduidend. Dit kon ook niet anders, omdat de brieven van de Larrey aan van der Heim niet onder de papieren van den laatste zijn, maar aan den griffier Fagel zijn overgegeven.

Ik geloof intusschen niet, dat wij er veel bij verliezen. d\'Argenson zegt in zijn Mémoires, IV, 333, dat de Larrey, quoiqu\'il eüt peu de talents et parlat assez mal francais, evengoed als een ander geslaagd zou zijn om onderhandelingen aan te knoopen, indien de Schotsche opstand en de inoeielijke kwestie van het ondersteunen of loslaten van den Pretendent het niet belet had. d\'Argenson schreef, gelijk hij zegt, aan van der Heim, „qu\'il fallait laisser passer eet orage de fa^on ou d\'autre. et que cela n\'irait peut-étre pas a deux mois.quot;

157) 16 Février 1746. — Koninklijk Huisarchief.

158) Aanteekening van Friesland op de Resolutie van H. H. M. van 18 Febr. 1746. — Secreete Resolution ran Holland, 21 Febr. 1746.

159) Missive van Gedeputeerden ter dagvaart, 25 Febr. 1746. — Stadsarchief van Amsterdam. — Groningen heeft later het voorste\', in het Besogne verworpen, bij H. H. M. ingediend; doch zonder goed gevolg.

— Secreete Resolution ran Holland, 4 Maart 1746.

160) Koninklijk Huisarchief.

161) Missive van Gedeputeerden ter dagvaart, 4 Maart, 17 Mf art 1746.

— Stadsarchief van Amsterdam.

162) Zie de uitnemende karakteristiek, die d\'Argenson van Wassenaer geeft. Mémoires, IV, 338.

163) Afgedrukt bij Beek, a. w., S. 91.

164) De Prins van Oranje aan Bentinck, Oranjewoud 18 Juni 1746. — Koninklijk Huisarchief.

250

-ocr page 263-

AANTEEKEN1NGEN.

165) Leeuwarden 19 Mars 1746. Slechts in een slecht geschreven, minuut aanwezig. — K. H.

166) Aan Bentinok, 23 Maart 1746. — Koninklijk Huisarchief.

167) Missiven van Gedeputeerden ter dagvaart, 21 Maart, 30 Matrt 1746. — Stadsarchief van Amsterdam.

168) Het kader van dezen arbeid vergunt mij niet. hier van deze zaak meer dan de hoofdlijnen mede te deelen. Ik hoop eerlang elders den sluier, zoo al niet geheel, dan toch verder op te lichten.

169) Missive van Gedeputeerden ter dagvaart, 17 Mei 1736. — Sfcids-archief van Amsterdam.

170) The duke of Newcastle to the lord Chancellor, 21 May 1746. Coxe, Memoirs of Thomas PeJhain I, 487 sqq. Verg. p. 324. — Beei: a. w. s. 55.

171) Horace Walpole to Trevor, bij Coxe, Memoirs of Horace Wat-pole, p. 302.

172) Pelham to Horace Walpole, bij Coxe, Memoirs of Henri/ 1\'d-ham, I, 329.

173) De Paysieux was bestemd, om, zoo do vrede behouden bleef, gezant in den Haag te worden. Zie de Mémoires d\'ArQenson, IV, 346.

174) Missive van de Gedeputeerden ter dagvaart, 16 Juni 1746. — Stadsarchief van Amsterdam.

175) Missive van de Gedeputeerden ter dagvaart, 18 Juni 1746. — Stadsarchief van Amsterdam.

176) Secreete Eesoluti\'én van H. 11. M., 1 Juli 1746. Willem vak Haren, verslag aan de Staten van Friesland, in van Vloten\'s Leren en-Werken van O. Z. en W. van Haren, p. 172.

177) Missive van de Gedeputeerden ter dagvaart, 2 Juli 1746. — Stads-archief van Amsterdam.

178) Hoe ontevreden Newcastle erover was, bewijst zijn brief aan den hertog van Cumberland, van 3 Juli, bij Coxe, Memoirs of Henrif Pelham, 1, 326.

179) Ni fallor, den 5cn, zegt Willem van Haren.

180) Verg. het Verslag van Willem van Haren aan de Staten van Friesland, bij v. Vloten, Leven en Werken van W. en O. Z. van Haren, bladz. 172.

181) Bentinck schrijft aan den Prins van Oranje, in een niet geda-teerden brief, maar zeker uit Juli: „Vous aurez a présent compris par-faitement, Monseigneur, pourquoi j\'ai témoigné être mécontent de la conduite du Pensionaire défunt, et j\'en ai plus de raison que personne n\'a jamais su. II n\'a pas eu le courage et la resolution de soutenir jus-qu\'au bout le parti qu\'il avait pris, et il a succombé sous le poids de l\'opposition.quot; — Koninklijk Huisarchief.

182) Verg. Horace Walpole to Mr. Trevor, 2 Juli 1746, bij Coxe, Memoirs of Horace Walpole, p. 301.

251

-ocr page 264-

AANTEEKENINGEN.

X83) Van Haren, Verslag aan de Staten van Friesland, 19 Juli 1746. t. a. p. W. 170 sqq. Het is jammer, dat deze belangrijke brieven in een bloot literarische uitgave, als de werken der van Haren\'s, liggen verscholen, — De Jonge a. w. 129, 130.

184) Newcastle to the lord Chancellor, 21 May 1745, bij Coxe, Memoirs of Henry Pelham, I. 489.

185) Coxe, Memoirs of Henry Pelham, I. 332. - Horace Walpole haalde evenzeer zijn schouders over Sandwich op. Zie zijn brief aan Yorke, bij Coxe, Memoirs of Horatio Walpole, 325.

186) Deze zonderlinge geschiedenis van Trevor\'s onjuiste of onvolledige nota wordt verhaald in een brief van Bentinck aan den prins van Oranje, 24 Sept. 1746 bij Beer a. w. 98. Ik moet intusschen bekennen, dat de voorstelling, daar gegeven, niet door duidelijkheid uitmunt. Eén ding is echter zeker: de voorstelling van Beek bladz. 62, noot 4, is juist het tegenovergestelde van wat Bentinck verhaalt. Verg. de Jonge, 128. Hoe verbitterd d\'Argenson was, ondanks al zijn welwillendheid voor de Republiek, blijkt uit zijn Mémoires, waar hij van de friponnerie van van der Heim spreekt. Hij meende, dat het een doorgestoken kaart van Holland met Engeland was.

187) To Mr. Walpole, 4 Oct. 1746. — Coxe, Memoirs of Henry Pelham, I, 337.

188) „He is undone as a foreign minister,quot; schrijft reeds 23 Aug. Henry Pelham aan Walpole, Coxe, a. w., I, 334.

189) Dit blijkt uit de brieven van Pelham, bij Coxe, I, 340. Daaruit volgt, dat het verhaal van Chesterfield, alsof hij toevallig, juist na de scène, in de antichambre was gekomen en daar tot zijn groote verbazing als secretaris van staat gefeliciteerd, niets is dan een verzinsel, om de tragikomoedie van Harrington\'s val tot een goed einde te brengen. Diary of Marchmont, 30 Aug. 1747.

190) Lettre du compte de Wassenaer, 20 Nov. 1746. — Letters and Works, V. 422.

191) To Mr. Walpole, 25 Oct. 1746. — Coxe, Memoirs of Henry Pelham, J. 338.

192) A Madame la Marquise de Monconseil, 2 Dec. 1746. — Letters and Works, V. 186.

193) Mémoires Aryenson. IV.

194) d\'Argenson, die de bereidwilligheid van de Puysieux cm mede te werken tot zijn val en hem op te volgen als verraad en zwarten ondank beschouwde, heeft hem daarvoor met eenige geeselslagen afgestraft. Zie zijn Mémoires, IV. Verg. de Mémoires du Cardinal de Bernis en het Journal de Barbier passim. Beiden oordeelen natuurlijk gunstiger dan d\'Argenson, maar erkennen, dat hij niets meer dan een hoveling en een middelmatigheid was.

252

-ocr page 265-

AANTEEKENINGEN.

195) An apology for a late resignation. Letters and Works, V. 73.

196) Lord Sandwich was bij de vorming van het coalitie-ministerie lord of the Admiralty geworden. Zie de lijst in de Letters of Horace Walpole, I, 334.

197) Bentinck schreef later aan den Prins van Oranje, dat Chesterfield zoo ontsteld was over Willem\'s verheffing, dat hij het maar niet wilde gelooven. Dit is natuurlijk een verzinsel van Newcastle. Chesterfield was zijn gesprekken met Slingelandt volstrekt niet vergeten. Daarop juist steunde zijn ongunstige beoordeeling van de Republiek. Zie Bentinck\'s brief aan den Prins, 14 Aug. 1747, bij Beer a. w. 96.

198) Dr. Maty, I. 175, 326. — Letters and Works, 111, 198. Verg. de Letters of Horace Walpole, II, 84.

199) Letters and Works, III. 201, 213. Dat onlangs was echter zeer rekbaar, want reeds in Maart 1746 waarschuwt Bentinck herhaaldelijk den Prins van Oranje, dat de post niet te vertrouwen is. „On ne peut absolument se fier a la poste. Car les lettres passent par les mains des. Dedels et des Assendelft, dont on connait les relations.quot;

200) To Salomon Dayrolles, 9 Juni 1747. — Letters and Works, 111, 202. — Zie over Ligonier o. a. de Memoires van Walpole, passim.

201) To S. Dairolles. — Letters and Works, III. 112.

202) To Hor. Walpole, 30 Juli 1747. — Coxe, Memoirs of Horace Walpole, p. 327 sqq.

203) 26 Juli 1747, bij Coxe, Memoirs of Henry Pelham, I, 367.

204) Reminiscences of Horace Walpole.

205) Willem IV aan Marie Louise, 4 Juli 1747. — Koninklijk Huisarchief.

206) To Mr. Walpole, 14 Aug. 1747. — Coxe, Memoirs of Henry Pelham, I, 372.

207) Diary of lord Marchmont, 3 Sept. 1747.

208) Aan Marie Louise, 15 Juli, 5 Aug. 1747. — Koninklijk Huisarchief.

209) Coxe, Memoirs of Henry Pelham, I, 369.

210) Bentinck aan den Prins van Oranje, 14 Aug. 1747. — Koninklijk Huisarchief.

211) Uitgelaten bij Beek, a. w. 96, sqq.

212) Letters and Works, III, 211.

213) Bentinck aan den prins van Oranje, 14/25 Aug. 1747, bij Beeu a. w. p. 97. Het is zeer te betreuren, dat Beeb de brieven van Bentinck zoo onvolledig heeft medegedeeld.

214) In het gedeelte van den brief van 14/25 Aug., door Beer ter zijde gelaten, zegt hij, dat vooral de kanselier zeer ongerust was over Bergen op Zoom, maar dat hij hem gerustgesteld had.

215) Mr. Pelham to Mr. Walpole, 14 Aug. 1747. — Coxe.

253

-ocr page 266-

aanteekeningïn.

quot;216) Dit schrijft hij aan den prins, maar hij schijnt tegenover Pelham minder beslist zich uitgelaten te hebben. Trouwens men had inlichtingen ■ook van andere zijde. Zie diens brief van 14 Aug.

217) Au Prince d\'Orange. — 14/25 Aóut 1747. — Koninklijk Huisarchief.

218) To the duke of Cumberland, 8 Sept. 1747. — Coxe, Memoirs of Henri/ Pelham, I, 370.

219) To Mr. Walpole, 14 Aug. 1747. — Coxe, Memoirs of Henry Pelham, I, 370.

220) Letters and Works, 111. 219.

221) „Chesterfield n\'a pas été peu deconcerté par toutes les reflexions qui se sont faites en sa presence par le Roi et par d\'autres: car il a toujours cru ou fait semblant de croire que cette affaire ne passera pas.quot; Londres 1/12 Sept. 1747. — Koninklijk Huisarchief.

222) Letters and Works, 111, 220.

223) Beer, a. w., S. 99.

224) Copie d\'un papier qui a été remis a Bentinck dans une conférence ■chez le due de Newcastle, le 25 Aoüt —• 5 Sept. 1747. — Beee, a. w., 102.

225) 8 Sept. — Koninklijk Huisarchief. — De hier aangehaalde woorden komen voor in den brief, waarvan Beer p. 105 slechts het begin heeft geplaatst. Zij dienden tot begeleiding van zijn 2e Memoire, dienselfden dag ingediend, medegedeeld door Beek, 106—108.

226) To Walpole, bij Coxe, Memoirs of Henry Pelham, I, 370.

227) In de eerste memorie had hij ook reeds gezegd : „de Republiek beschouwt zich als de barrière van Engeland, en zij vertrouwt, dat de koning dit ook inziet.\'

228) Aan den Prins van Oranje, 25 Aug. — K. H. — Ook van dezen brief heeft Beer slechts enkele stukken gegeven, a. w., S. 96, sqq.

229) „La pièce que j\'envoye est de trois mains. Mylord Chesterfield piqué de ce que je n\'avois pas été content de son premier papier, l\'avoit dressée fort sèche; mais sentant qu\'il n\'en seroit pas le maltre seul, il l\'a envoyée au Due de Newcastle, qui a fait des additions dont je donnerai la specification a V. A. S. de bouche. Après cela la pièce a été remise •au Roi, qui y a encore ajouté quelque chose, dont je vous iuformera aussi. Mylord Chesterfield est aussi mal disposé a l\'égard de la Republique •et a l\'égard de V. A. S. que l\'a jamais été Walpole,quot; schreef Bentinck den 15 Sept. secretissime aan den Prins. Koninklijk Huisarchief. Verg. den anderen brief van denzelfden datum, medegedeeld bij Beek, a. w., S. 112.

230) Zie het antwoord bij Beek, a. w., S. 110.

231) Beer, a. w., S. 86 schrijft: „die Mission Bentinck\'s war geschei-tert.quot; Dit oordeel is volkomen te begrijpen, omdat Beer niet de moeite genomen heeft zich van den politieken toestand in Engeland op de hoogte te stellen. Hij heeft zelfs geen enkele Engelsche bron geraadpleegd en zijn boekje alleen samengesteld met de Secreete Resolutiën en de brieven

254

-ocr page 267-

A A N TEEK ENlNCrEK.

van lientinck. Vandaar dat hij uitsluitend aan de officieelc corrospon-dentic hecht en geheel de waarde van vele mededeelingen van Bentinck in zijne brieven over hot hoofd ziet, die hij dan ook zeer onvolledig mededeelt Indien hij de worsteling tusschen Chesterfield en Newcastle had gekend, zou hij tot andere resultaten gekomen zijn. Doch daarom behoefde deze uitgave, hoe onvolledig ook, niet zulk een treurige kakographie te zijn. Prof. Brill heeft indertijd gevraagd, of Beer wel Fransch kende. Ik geloof niet, dat daar de schuld ligt. Beer is voorbeeldeloos slordig. De fouten, die ik boven een enkele maal in den tekst van zijn geschrift aanwees en die gemakkelijk met meer voorbeelden zouden te vermeerderen zijn, bewijzen dat niet onkunde, maar onachtzaamheid de schuld moet dragen.

23quot;2) 2!) Aug. en 8 Sept. 1747.

233) Bentinck aan den Prins van Oranje 15 Sept. 1747. ,11 n\'y a Jamais eu rien de plus malheureux par I\'événement que la lettre que V. A. S. a écrite Ie 12 Juillet et envoyée par le Blanc. Chesterfield en a terriblement abuse.quot; Dit is blijkbaar de brief, waarvan Chesterfield in gesprek met Marchmont gewaagde: „De stadhouder was voor oorlog, omdat zijne tegenstanders voor vrede waren. Hij had deze reden zelf te kennen gegeven in een brief aan hem.1 Diary of\' Lord Marchmont, 3 •Sept. 1747.

234) Londen, 14/25 Aug. 1747. — Kon. Huisarchief.

.235) Aan den Prins, S Sept. 1747. — Koninklijk Huisarchief.

236) Bij Beek, a.w., S. 114.

287) Coxe, Memoirs of Henry Pelham, I, 370. — Diary of lord Marchmont, 3 Sept. en 16 Sept. 1747.

238) Sandwich to lord Chesterfield, 11 Sept. 1747, bij Beer, a.w., S 117. De Flassan, Diplomatie Framjaise, V. 386. De opgewonden en driftige, maar eerlijke Bentinck kon zijn verbazing niet verbergen over dien eisch aangaande den Pretendent: „Je lui (Newcastle) témoignai ma surprise sur l\'article du Pretendant surtout. II en était lui-même embarrassé; Ie ministère, quoique moins embarrassé que lui, le sera pourtant beaucoup.\'

239) Pelham to Mr. Walpole, 10 Aug. 1747. — Coxe, Memoirs of Henry Pelham, I, 368.

240) To Dayrolles, 2 Oct. — Letters and Works. III. 226.

241) Letters and Works, 111. 213, 216.

242) Do Prins van Oranje aan Willem Bentinck, 17 Sept. 1747. — Ko ninklijk Hu isarch ief.

243) Chesterfield to Dayrolles, 13 Sept., 2 Oct. 1747. — Letters and Works, III, 223, 224, 226.

244) Pelham to the Duke Cumberland, 8 Sept. 1747. — Coxe, Memoirs of Henry Pelham, I. 374. sqq. Verg. Diary of Marchmont, 13 Sept. 1747.

245) Chesterfield vermoedde, dat zij twist zochten met Hop, om hem te doen terugroepen en Charles Bentinck in zijn plaats te doen benoemen.

-ocr page 268-

AANTEEKENINGEN.

Letters and Works, III. 226. Zeker is het, dat dit denkbeeld hem later zeer aanlachte. In December drong Bentinck in zijne brieven er op aan.

246) Coxe, Memoirs of Henry Pelham, I, 374. — Diary of Marchmont, 13 Sept. — 29 Nov. 1747.

247) Dr. Maty, a. w., I, 177. — Diary of Marchmont, 16 Sept. 1747.

248) Pelham to Mr. Walpole, 15 Oct. 1747. — Coxe, Memoirs nf Henry Pelham I. 377.

249) To Dayrolles, 2, 16 Oct.; 17 Nov.; 14 Deo. 1747; 12 Jan. 1748. — Letters and Works, III.

250) Letters and Works, III, 220, 224, 226.

251) „Hij is een schurk en ik wou dat hij khan van Tartarije was,quot; zei George eens. Chesterfield had er niets tegen, maar meende dat men inmiddels, zoo lang Frederik nog koning van Pruisen was, met hem te rekenen had.

252) To the duke of Cumberland. 20 Aug. 1747. — Coxe, Memoirs nf Horatio Walpole, p. 336. sqq.

253) To the duke of Newcastle, 28 Dec. 1747. — Coxe, Memoirs of Horace Walpole, p! 354.

254) Coxe, Memoirs of Horace Walpole, I, 341.

255) Letters and Works, II. 224, 230. De twee door Chesterfield bedoeld, zullen O. Z. van Haren en Wassenaar zijn. Wat den laatsten betreft, bedroog hij zich zeker. Wat van Haren in Sept. 1747 wenschte, weet ik niet.

256) An apology for a late resignation, in de Letters and Works, V, p. 80 sqq.

257) 23 Oct. 1747. — Letters and Works, III. 229.

258) Verg. mijn studie: Het ouderlijk huis van Anne van Hannover. [Hist. Bladen lstc uitgave II, 217—260 ; 3lt;lc uitgave IV, 63—112].

259) Diary of lord Marchmont, 27 October, 1747.

260) Zie zijn breedvoerig gesprek met lord Marchmont reeds in December gehouden, in diens Diary. — Verg. zijne brieven aan Dayrolles, 26 Jan. 1748, in de Letters and Works, Hl.

261) Diary of lord Marchmont, 24 Nov. 1747.

262) To Dayrolles, 12 Jan. 1748. — Letters and Works, UI, 235.

263) Koninklijk Huisarchief.

264) 27 Febr. 1748. — Coxe, Memoirs of Henry Felham, I, 402.

265) Coxe, Memoirs of Henry Pelham, I. 397. Harwich 26 Fehr. 1748 O. S.

266) 15 Maart (O. S.) 1748. — Coxe, Memoirs of Henry Pelham, 1,391.

267) To the Duke of Newcastle, 29 April; to Lord Sandwich, 2 April, bij Coxe, Memoirs of Henry Pelham, I, 405, 407 sqq.

268) Dit zal de luitenant-generaal Hertel zijn, die in Bergen op Zoom was geweest.

256

-ocr page 269-

AANTEEKENINGEN.

269) To the duke of Newcastle, 2 April 1748. — Coxe, Memoirs of Henry Pelham, I, 410.

270) Lord Newcastle to the duke of Cumberland, 18 March 1748. — Coxe, Memoirs of Henry Pelham, I, 400.

271) 30 May 1748, Letters and Works, III. 267. Verg. 236.

272) 12/23 April 1748. — Coxe, Memoirs of Henry Pelham, I, 418.

273) To Cumberland, 1 April 1748. — Coxe, id. I. 406.

274) To Dayrolles, 22 Marcli 1748. — Letters and Worhs. Ill, 250.

275) To Dayrolles, 8 April 1748. — Letters and Works, III, 252.

276) Coxe, Memoirs of Hor. Walpole, p. 358.

277) Voltaiee, Siècle de Louis XV, 94.

278) Zie zijn brief aan Newcastle, 1 May 1748, bij Coxe, Memoirs of Henry Pelham, I. 496. — Verg. Beeh, Zur Geschichte des Friedens von Aachen, S. 28 sqq.

279) Oningevuld in \'t handschrift. — 3 Mei 1748. Letters and Works, III. 261 sqq.

280) Beitrlige sur neueren Geschichte, II, 240 sqq.

257

17

-ocr page 270-
-ocr page 271-

11.

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

-ocr page 272-

Dan — als de najaarsstormen loeijen En de Oceaan houdt hoog gerigt,

Zijn steile golven strandwaarts vloeijen,

Uw wal voor zijne woede zwicht ;

Als hij den grond keert in moerassen,

Uwe akkers dekt met wijde plassen

En drenkelingen spoelt aan t strand,

Dan zal de zeeman, op die baren.

Door uw gezonken steden varen,

En vragen: waar was Nederland\'?

Simoks. Aan mijne landgenootcn, in IS 10.

-ocr page 273-

VOORBERICHT VAN DEN SCHRIJVER.

Weinig dacht ik, toen ik in de zoogenaamde groote vacan-tie van 1869 de volgende bladen, op een paar der laatste na, schreef, dat er meer dan een jaar verloopen zou, voordat zij het licht zouden zien. Het ongeval, dat mij in November daaraanvolgende trof, en mij iedere andere inspanning, dan de dagelijksche behoefte eischte, verbood, is er de oorzaak van. De arbeid moest blijven liggen, tot herstel van krachten mij vergunde ook deze taak te voltooien. Dit uitstel had de geheele uitgaaf overbodig kunnen maken, indien inmiddels het laatste jaar van Lodewijks regeering het onderwerp van eenig wetenschappelijk onderzoek ware geweest. De belangrijke bescheiden toch, door den heer Elout van Soeterwoude te mijner beschikking gesteld, werden door hem in het najaar van 1869 aan het Rijksarchief ten geschenke gegeven.

Mijne lezers kunnen zelve het ge-wicht van de gift des hee-ren Elout beoordeelen, uit de Bijlagen B. C. D. en E 1. Zeker zullen de meesten vooral de tweede Bijlage met genot leeren kennen, als een verblijdend bewijs, dat eene waardige en krachtige houding van den zwakke tegenover ruw geweld niet altijd in ons land onverstandig en dwaas is geacht. Want zoo ooit, in 1810 werd de leer van den dag. dat macht boven

-ocr page 274-

VOORBERICHT VAN DEN SCHRIJVER.

recht gaat, in praktijk gebracht. Het is eene verkwikking,, zulk een taal, als Elout in zijne missiven aan Oudinot voerde, te hooren.

De ondergang van het koninkrijk Holland werd oorspronkelijk door mij geschreven als inleiding op de toegezegde studiën over het Fransch bestuur. Ik dacht er aanvankelijk niet aan, ze afzonderlijk het licht te doen zien. Maar het telkens stooten op bezwaren bij het, natuurlijk hernieuwd, onderzoek der bronnen, dwong tot nieuwe nasporingen. En de resultaten van deze verspreidden, mijns inziens, in vele opzichten te veel licht, dan dat eene afzonderlijke uitgaaf, vooral bij den omvang, dien deze studie had verkregen, niet wenschelijk zou zijn. Dat er thans niets meer over deze dagen te ontdekken valt, zal ik juist niet beweren. Van niets integendeel ben ik sterker overtuigd geworden, dan dat er nog een stroom van bijzonderheden ons onbekend is, die op de beoordeeling van personen en toestanden invloed zullen uitoefenen. Het geslacht uit het begin dezer eeuw is niet gul geweest met zijn mededeelingen, en slechts langzamerhand wordt de sluier over veler houding en handelingen opgelicht.

Ten slotte betaamt het mij, mijn dank te betuigen aan de heeren J. P. Elout van Soeterwoude en L. J. Toulon van der Koog voor hunne ondersteuning, mij zoo welwillend verleend. Dat ik aan het Rijksarchief ook ditmaal veel te danken heb, heb ik reeds aangeduid, en behoefde ik trouwens wel niette verzekeren. Geen arbeid op historisch gebied kan iets betee-kenen, zoo daar niet is gezocht en gesnuffeld. Inzonderheid heeft de heer Hingman mij aan zich verplicht, door bij dit zoeken en snuffelen mij met groote welwillendheid bij te staan en voor te lichten.

AMSTERDAM.

Eerste Kerstdag 1870.

262

-ocr page 275-

I

KONING LODEWIJK.

Het monarchaal bestuur, dat in 1806 in Noord-Nederland optrad, werd door overmacht van buiten aan de natie opgedrongen, niet uit vrije keuze door haar aangenomen. Geen staatsvorm was minder dan deze met haar verleden in overeenstemming. De roemrijkste bladzijden van haar historie dankte zij aan den tegenstand tegen de eenhoofdige macht, die de vrijheid van Europa, de religieuse zoowel als de staatkundige, aan banden had pogen te leggen. In haar binnen-landsche twisten was de al of niet noodzakelijkheid van een boven de provinciale souvereinen verheven gezag het shibboleth der politieke partijen geweest. Toen de revolutie van 1795 het Oranjehuis had ten val gebracht, was met de vlucht des Erfstadhouders de zon der ware republikeinsche vrijheid opgegaan.

Maar al te spoedig ging zij onder en werden de juichtonen der vrijheid door de klachten der afhankelijkheid vervangen. De Fransche broeders, die den Oranjedespoot hadden verdreven, hadden tevens de zelfstandigheid der natie geroofd. De zegepraal van het republikeinsch beginsel, verkregen door buitenlandsche wapenen, leidde tot uitkomsten, verre verwijderd van wat de bewerkers der revolutie zich zeiven en anderen hadden voorgespiegeld. Voor den, na 1787 overwegenden, invloed van het stadhouderlijk gezag, gelijktijdig met de republiek opgegroeid, werd de afhankelijkheid van eene vreemde

-ocr page 276-

264 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

macht, gesteund door ruw geweld en matelooze aanmatiging, verkregen. Naarmate de republikeinsche regeering in Frankrijk krachtiger naar binnen en zegevierender tegenover het buitenland werd, nam haar invloed ook hier te lande toe. Gedwongen het spoor van Frankrijk te volgen boette de Bataafsche republiek ieder jaar meer aan aanzien naar buiten, aan kracht naar binnen in. De koloniën gingen verloren, en niets bestendigs in wetgeving of bestuur kwam tot stand. Op den wenk van Parijs ontstonden en vielen besturen. Toen de krachtige hand van Napoleon de teugels van het bewind had opgenomen, werd de zwaarte van den druk vermeerderd en, zoo mogelijk, de verschooning nog verminderd. Het krachte-looze Staatsbewind, op zijn bevel in \'t leven geroepen, zonk in het niet terug, omdat de meester zooveel zwakheid, met hoeveel volgzaamheid ook gepaard, zelfs niet als ondergeschikt in het raderwerk zijner politieke machine bruikbaar achtte-Het raadpensionarisschap van Schimmelpenninck was de eerste poging, om in de republiek een eenhoofdig gezag te vestigen, dat de krachten der Nederlandsche natie vollediger tot beschikking des Franschen keizers zou stellen. /

Zulk een ervaring was doodelijk voor de volkssympathie en de kracht der herinneringen. De republikeinsche staatsvorm had voor deze onheilen niet beveiligd. Waartoe dan een verzet tegen de monarchie, dat toch niet baten kon ? De natie was moede en afgemat, beide van illusiën en teleurstellingen. Iedere nieuwe verandering was met toenemende onverschilligheid ontvangen en ondergaan. Schimmelpenninck\'s optreden alleen had nog eenige blijdschap gewekt, omdat hij, Nederlander van hart en afkomst, „het simulacre van een nationale existentiequot; te redden scheen. Maar toen ook deze schijn niet langer mocht behouden blijven, doch hij de plaats moest ruimen voor een opvolger, vreemdeling als de Fransche meester, werd de diepte der volksvernedering wel gevoeld, maar onderwierp men zich met de gelatenheid der hopeloozen, voor wie de angel dei-smart zijn scherpte heeft verloren. Kemper\'s protest wekte bewondering, doch de verwondering was nog grooter; en de

-ocr page 277-

DE ONDEEGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 265

denkbeelden, door Maurits Cornelis van Hall in zijn adres tegen de vestiging der monarchie uitgesproken, werden zeker door talloos velen gedeeld, maar bitter klein was het getal van hen, die ze door onderteekening voor de hunne durfden «rkennen. Tevreden, dat het dreigend gevaar van inlijving in het Fransche keizerrijk nog voor ditmaal was voorbijgegaan: zonder ingenomenheid en zonder grooten afkeer, moe en mat van hopen en vreezen, ontving de natie haren eersten vorst.

Voor den man, die bij deze stemming der gemoederen den troon van Holland besteeg, was in haar iets geruststellends gelegen. De natie verwachtte niet veel van hem: de teleurstelling zou dus niet groot zijn. De geringheid harer eischen maakte het hem te gemakkelijker om aan de eischen van zijn zender te voldoen. Bestendiging toch van zijn koningschap hing in dit geval niet van de genegenheid zijner onderdanen af, maar van het welbehagen des meesters, die hem aan hun hoofd had gesteld. De levensvoorwaarde voor zijn rijk en zijn rang was blinde gehoorzaamheid aan den wil des keizers.

Wie Lodewjjk Napoleon in vroeger dagen had gekend, kon niet anders meenen, dan dat het voldoen aan deze voorwaarde van hem mocht worden verwacht. De jongste broeder des keizers had in vorige jaren wel getoond, den geest van mur-mureeren en tegenstreven, die \'s keizers broeders kenmerkte, niet te missen, maar tevens, dat standvastigheid en volharding niet de hoofdeigenschappen van zijn karakter waren. De belangrijkste gebeurtenis van zijn leven was zijn huwelijk geweest. De vrouw, aan wie hij zijn naam schonk, droeg hij even weinig achting toe als zij hem liefhad. Tot de deelge-noote van zijn leven had hij ze niet begeerd, maar, hoe onwillig ook, haar aangenomen uit de handen van zijn broeder. Zoo was het steeds, zoo ook thans gegaan. Buiten hem om was alles in orde gebracht, en toen de nieuwe constitutie en het verdrag met Holland gereed waren, had Talleyrand de beleefdheid gehad ze hem eens te komen voorlezen. De minister dacht er over als de meester: een onderdaan mag

-ocr page 278-

266 DE ONDERGANG VAN HET KONINKKIJK HOLLAND.

geen gehoorzaamheid weigeren Lodewijk had zich een korte poos verzet, maar was als altijd geëindigd met gehoorzamen.

Voor de snelheid van zijn toegeven waren ditmaal verschillende redenen. Ambitie, in den gewonen zin des woords, de zucht om eer en roem te verwerven door groote daden, heeft Lodewijk Napoleon zich zelf met volle recht ontzegd. Des te sterker was zijn gesteldheid op uiterlijken glans. Bevrediging van deze beloofde hem de troon van Holland. Bovendien scheen de kroon hem eene mate van persoonlijke vrijheid te waarborgen, waarop hij in de onmiddellijke nabijheid des keizers niet hopen kon. De ledigheid zijns levens eindigde op eervolle wijze, hij waande nuttig te kunnen zijn voor anderen. Ook bracht zijn verheffing in de samenstelling en inrichting van zijn hofgezin een geheele wijziging mede, die hem om velerlei redenen hoogst welkom was. Dit alles — en meer — deed hem spoedig over het weinig gratieuse der vormen, waarin hem een kroon werd aangeboden, henenzien, en berusten in de nieuwe verplichtingen, die hem werden opgelegd, al wist hij ook niet juist, welke zij waren, of hoe ze te volbrengen zouden zijn.

Doch al was hij met de bijzonderheden der keizerlijke eischen, toen hij de regeering aanvaardde, onbekend, het karakter zijner verhouding als koning van Holland tegenover Frankrijk behoefde hij niet meer te vernemen. Hij kende zijn broeder te goed om in dit opzicht te dwalen. En zoo al wellicht de schittering der kroon een oogwenk de helderheid van zijn inzicht had beneveld, de keizer liet hem niet zonder duidelijke voorlichting gaan. „Houd nooit op Franschman te zijn. De waardigheid van ConnétaMe des rijks wordt door u en uwe afstammelingen behouden; zij zal u de plichten voor den geest roepen, die gij jegens mij te vervullen hebt, en u het gewicht doen inzien, dat ik hecht aan de bewaring der vestingen, die het noorden mijner staten dekken, en die ik aan u toevertrouw. Onderhoud in uwe onderdanen den geest van eenigheid en van liefde voor Frankrijk.quot;2 Zulke woorden,

-ocr page 279-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 267

hem in tegenwoordigheid der Hollandsche commissie toegesproken, lieten geen verschillende opvatting toe. En wat duisters een vrijwillig blinde erin mocht vinden, de keizer droeg zorg, in zijn antwoord aan Verhuell helder en duidelijk te doen uitkomen, dat de nieuwe koning door geen enkele overweging tot eenig gevoel van dank, en dus van verschooning, jegens de natie was verplicht. De kroon, die Lodewijk in Holland droeg, was een keizerlijke genadegifte voor alle partijen, voor den nieuwen vorst en zijne onderdanen heide. „Frankrijkquot; — herinnerde de keizer aan de Nederlandsche commissie, die prins Louis als koning van hem afsmeekte — „is edelmoedig genoeg geweest om afstand te doen van al de rechten, die de loop van den krijg het op u gegeven hebben. Maar ik kan de vestingen, die mijne noordelijke grenzen dekken, niet aan een ontrouwe of twijfelachtige hand vertrouwenquot;. Een trouwe en niet weifelende grensbewaker van het noorden te zijn, gesierd met den koningstitel, dit was de roeping van den nieuwen vorst. Lodewijk begreep het ook niet anders. „J\'irai regner en Hollande, puisque V. M. rordonne,quot; was zijn antwoord.

Indien hij aanstonds had ingezien, hoe onvereenigbaar deze zijne roeping met de bevordering van het volksgeluk was, men kan gissen, dat hij den troon niet zou hebben aanvaard, zonder eenige voorwaarden te bedingen. Maar hij misleidde zich zelf, en, door zich geen rekenschap van opkomende twijfelingen te geven, vormde hij zich de illusie, dat hij aan de verwachtingen zijns broeders zou kunnen voldoen, zonder het geluk en de welvaart zijner nieuwe onderdanen te vernietigen.

Doch deze illusie, als de meeste harer zusteren, heeft een kort leven gehad. Reeds de eerste pogingen om zijn volk te baten, zag hij afstuiten op Frankrijks onwil. Bijkans onmiddellijk na de troonsbestijging werd de betaling der door Frankrijk aan Holland verschuldigde gelden geweigerd, en de beproefde vermindering der marine-uitgaven nadrukkelijk belet3.

-ocr page 280-

268 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

Trouwens, ni^ts kon meer dan deze voorslagen en plannen in strijd met Frankrijks belangen worden geacht. Een zwakkelijk koninkrijk, zonder marine of krachtig leger, miste voor vriend en vijand alle beteekenis en waarde. Lang genoeg was Holland zwak en daardoor niet productief genoeg voor het keizerrijk geweest. Het koninkrijk was opgericht om een einde aan die zwakheid te maken; zoo de monarchie thans strekte om ze te voltooien en te bestendigen, welken grond van bestaan had zij dan ?

Zoo kwam reeds in de eerste levensdagen Napoleon\'s schepping met hem in strijd. De Fransche keizer wilde juist het tegendeel van hetgeen zijn broeder voor Holland noodig keurde. Waar de laatste van vermindering der uitgaven sprak, wilde de eerste slechts van verhooging hooren. Waar de koning eerbiediging van de staatsschuld natuurlijk achtte, vond de keizer niets natuurlijker dan een staatsbankroet. Waar Lodewijk zijn rijk de voordeelen der neutraliteit wilde verzekeren, vorderde Napoleon, dat de Hollanders, door de trouwe opvolging zijner verbodsbepalingen op hun kusten, in de eerste gelederen aan zijn worsteling tegen Engeland zouden deelnemen.

Wil men uit de verspreide trekken zich een heldere voorstelling vormen van de plaats, die aan Holland in de politieke plannen des keizers was toegedacht, de volgende hoofdlijnen is het geoorloofd vast te stellen.

Het koninkrijk Holland, indien aan Napoleon\'s eischen wierd voldaan, zou voor het noorden van het Fransche keizerrijk een sterke schutsmuur zijn tegen de vijandelijke stemming en mogelijke daden van Duitschland. Een krachtig leger, goed geoefend en behoorlijk onderhouden, zou Duitschland in toom houden en Napoleon de vrije beschikking laten over eigen krachten, terwijl het hem tevens de zekerheid gaf, om in dit leger, zoo noodig, aanvulling voor het zijne te vinden. Doch de eigenaardigheid des Neder]andschen volks, kustbewoner en zeevaarder, wekte als vanzelf nog grootere verwachtingen op. De oude mededinger der Engelschen moest de loods zijn om

-ocr page 281-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 269

aan het keizerrijk de heerschappij over de zee, als over het vaste land, te bezorgen. Zijne wakkere matrozen en geoefende zeelieden moesten den weg wijzen aan de Fransche, wanneer de keizer zijn lang gekoesterd plan zou volvoeren en een landing in Engeland wagen. Voor de verwezenlijking van zulke denkbeelden was de uitrusting en bemanning van een vrij aanzienlijke flotille noodig. Door de invoering der conscriptie moest het benoodigd getal personen voor leger en marine worden gevonden. Wat de financieele zijde der kwestie aanging, de rijke Hollandsche natie, die de geldschieter van geheel Europa was, kon de onkosten gemakkelijk dragen. In den voor \'t oogenblik zoo ongunstigen financieelen toestand moest een geheel of gedeeltelijk staatsbankroet verbetering aanbrengen, en de natie, door vernietiging der oude schulden, tot het opbrengen der vereischte sommen in staat worden gesteld.

Bijkans elk deel van dit programma was in strijd met Lodewijk\'s denkbeelden, zoo al niet met zijn beloften, bij de troonsbestijging afgelegd. De eerbiediging van de staatsschuld had hij uitdrukkelijk toegezegd \'. De conscriptie achtte hij noodlottig voor een landbouwend en zeevarend volk, dat van zijn krachtige jeugd niet beroofd kon worden, zonder in diep verval te geraken. De rol, die aan Holland werd toegedacht, strekte in zijne oogen alleen om het volk arm en ongelukkig te maken. Daartoe mede te werken, opzettelijk, met volle bewustheid — het streed hem tegen de borst. Te meer, omdat hij de politieke inzichten des keizers niet deelde. Toen kort na zijne troonsbestijging de reeks van decreten, die het continentaal stelsel vormen, aanving, achtte hij de poging des keizers eene onnatuurlijke en onmogelijke. Te beproeven, Engeland van alle gemeenschap met het vasteland uit te sluiten, stelde hij gelijk met zelfmoord: het uitwasemen der huid is niet te beletten. Niet Engeland, maar de staten van het vasteland zouden door deze kunstmatige inpersing doodelijk worden getroffen. Hoe kon men in billijkheid van een volk als het Hollandsche, dat in handel en zeevaart

-ocr page 282-

270 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

de bron van zijn bestaan vond, vorderen, dat het zijn vertrouwen op de geldmarkt van Europa vernielde door een bankroet; dat het om de invoering der conscriptie zich van de zoo onmisbare armen voor den landbouw en de zeevaart zou berooven; dat het alles, eigen welvaart en welzijn, zou opofferen in de onzinnige poging, om het machtige Engeland, dat de wereldzee van alle vijandige vlaggen had schoongeveegd, alle gemeenschap met het vasteland van Europa te beletten ? Hoe kon men van de Hollandsche natie vergen, dat zij zelve alle bronnen van bestaan zou stoppen en tevens haar opge-gaarde schatten prijsgeven voor een leger en marine, alleen bestemd om Frankrijks opperheerschappij te bestendigen en uit te breiden?

Koning Lodewijk wilde het werktuig van zulk eene politiek niet zijn: te minder, omdat hij de overtuiging miste, dat het hem of de natie iets baten zou. Zeker, ook indien aan al deze eischen van Frankrijk wierd toegegeven, kon een afzonderlijk bestuur voor Lodewijk\'s onderdanen waarde hebben. Maar de broeder des keizers geloofde niet, dat blinde volgzaamheid hem voor den troon of den troon voor hem zou redden.

De eerste twijfel aan de oprechtheid van \'s keizers bedoelingen werd nog in 1806, voordat zijn koningschap zes maanden oud was, in het hart van Lodewijk gewekt. De vroegere Dupont Chaumont, met den koning van Cassel naar Holland reizende, schijnt geen aangenamer en kiescher onderwerp van gesprek dan dit te hebben geweten. Hij was het, die aan Lodewijk verzekerde, dat de vestiging van de monarchie in Holland volstrekt niet als eene definitieve maatregel dooide keizerlijke regeering werd beschouwd.

Toen eenmaal het wantrouwen was ontwaakt, werden de bewijzen voor de juistheid gemakkelijk gevonden. De voortdurende aanwezigheid zelve van Dupont Chaumont kon daarvoor gelden. Hij, minister bij het vorige gouvernement, nam de ambassade slechts waar. De keizer scheen het niet de moeite waard te vinden een ambassadeur aan het hof zijns

-ocr page 283-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 271

broeders te benoemen. Dupont Chaumont, die Lodewijk de oogen had geopend, moest reeds daarom hem hinderlijk zijn. Maar hatelijk werd hem deze oud-revolutionair, toen hij, in September 1807 te Parijs zijnde, het aan diens klachten moest wijten, dat de keizer de zelfstandigheid van zijn rijk openlijk schond, door douaniers op Hollands grondgebied te zenden om de smokkelaars gevangen te nemen. Geen wonder, dat de koning, in den Haag wedergekeerd, schimpende op den demagoog van 1793 5, dien zijn broeder het niet beneden zich achtte te gebruiken, op de terugroeping van dezen „Generaal der Conventiequot; aandrong.

Niet voor Februari 1808 echter benoemde keizer Napoleon een ambassadeur aan het hof van Holland. De keuze van den persoon getuigde van geringe welwillendheid van de zijde des zenders. Alexander de la Rochefoucauld, een bloedverwant van koningin Hortense, was geen zeer innemend man. Hij achtte zich volstrekt niet tot het betoonen van eenige inschikkelijkheid verplicht, maar wel bevoegd om den koning op koelen, minachtenden toon te behandelen G. Reeds na weinige maanden was de verhouding tusschen koning en gezant zoo gespannen, dat Lodewijk, schoon tevergeefs, ook zijn terugroeping verzocht. 7 La Rochefoucauld bleef, een houding aannemende, die algemeen het denkbeeld wekte, dat het zijn doel was, het voortbestaan van het koninkrijk door het vermeerderen der verwikkelingen onmogelijk te maken en de inlijving voor te bereiden.

Ware de toezending en handhaving van zulk een ambassadeur de eerste proeve van ongenegenheid van de zijde des keizers geweest, zij zou niet aanstonds die beteekeuis gehad hebben, die Lodewijk na al het voorafgegane er aan leenen moest. Doch in de anderhalf jaar, die sinds Lodewijks komst waren verloopen, had het aan onaangenaamheden van allerlei aard niet ontbroken. De instelling van de orde der Unie was op kwetsenden toon gelaakt; de keizer had kortaf verklaard, dat hij zelf die orde niet verkoos te dragen, noch ze in zijn omgeving zou dulden. Nog strenger afkeuring had de

-ocr page 284-

272 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

benoeming van maarschalken getroffen. Onvoorzichtig en belachelijk had Napoleon ze genoemd. „Gij deelt belooningen uit, voordat men u gediend heeft: wat zult gij geven als men u diensten bewijst?quot; De juistheid dezer verwijten kon Lodewijk niet erkennen, die zelve te veel behoefte had aan vertooning en praal, om den invloed van onderscheiding en eer op anderen gering te schatten. Herhaalde malen was er sprake van geweest en Lodewijk had er ernstig op aangedrongen, dat zijne kroning als koning van Holland eindelijk zou plaats hebben. Maar de keizer had er niets van willen hoo-ren. Was het wonder, dat Lodewijk in deze en dergelijke zaken het streven meende op te merken, om alles wat zijn koningschap kon bevestigen en illustreeren te verhinderen ?

In deze gemoedsgesteldheid, met wantrouwen jegens den keizer bezield, was het te begrijpen dat de Connétable van Frankrijk, onder den titel van koning aan het hoofd der Noord-Nederlanders geplaatst om de hulpbronnen en bezittingen des lands voor Frankrijk te ontginnen, niet dan schoorvoetend en gedwongen de gedragslijn, hem voorgeschreven, volgde. Overtuigd van de verkeerdheid van het continentaal stelsel, de rampen voor oogen ziende, die de afsluiting der zee over de natie uitstortte, nam hij nooit gewillig en onmiddellijk de nieuwe keizerlijke decreten over, maar moest hij telkens door nieuwe bevelen en bedreigingen tot navolgen gedwongen worden. En nog was de gehoorzaamheid slechts eene halve, en werd de communicatie met Engeland oogluikend toegelaten. De landmacht, die. volgens Napoleon\'s eisch, tot 40 a 50,000 man moest worden opgevoerd, kon door de niet-invoering der conscriptie dat cijfer niet bereiken. Voor de marine golden dezelfde klachten; de hulp, die de keizer voor de Fransche marine uit Noord-Nederland had gehoopt te ontvangen, bleef verre beneden zijne verwachting. Van geene vermindering der rentebetaling wilde Lodewijk weten. Tegen den voortdurenden aandrang streed hij met passieven tegenstand, en met breede uiteenzetting van zijn gehechtheid aan Frankrijk, de deugdelijkheid van zijn begin-

-ocr page 285-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 273

selen, de liefde tot zijn arm volk, en met het dikwerf herhaald, slechts zelden ernstig gemeende, aanbod van nederlegging zijner waardigheid. Voor een karakter als dat des keizers, die alles wat naar ideologie zweemde, met onverzoenlijken haat haatte, was de gemoedelijkheid, die Lodewjk op zijne klachten ten toon spreidde, een ware ergernis. Ontzag, niet liefde moet het gevoel zijn, dat een koning inboezemt. „Quand on dit d\'un roi que c\'est un bon homme, c\'est un règne manquéquot;, snauwde hij hem toe.

Doch geen verwijten of vermaningen, op zachten of strengen toon geuit, deden Lodewijk terugkeeren op den weg dien hij had ingeslagen. Overtuigd, dat van de zijde van Frankrijk slechts zijn ondergang en de inlijving van zijn land werd beoogd, sloot hij zich zoo veel hij kon aan de natie aan, die hij niet ongelukkig wilde maken. Hij zocht vóór alles Hollander te worden, en hij werd het door de standvastigheid, waarmede hij het kwaad, dat de keizer eischte, trachtte af te weren. Zijn afkeer van het continentaalstelsel. van conscriptie en staatsbankroet, was een algemeen bekende zaak en won hem de genegenheid van een volk, dat hem met koelheid had zien komen en nu met blijde verrassing in den vreemdeling een voorspraak zijner belangen ontdekte. Zijn innemendheid in het gewone leven, wanneer geen tegenspoed of tegenspraak zijn prikkelbaar gemoed ontstemde; zijn goedhartigheid, die hom altijd tot helpen bereid deed zijn, dikwijls buiten de grenzen door overleg en beleid gesteld; zijn deelneming in alle publieke rampen, die hem ondanks zijn slechte gezondheid naar de plaats des onheils deed snellen; zijn vertooning van zuinigheid en zijn praatlievendheid zelfs werkten mede, om hem langzamerhand de welwillende toegenegenheid van een groot deel der natie te verwerven.

Onder hen, die in dagelijksche aanraking met hem kwamen, zijne ministers en ambtenaren, waren er velen, die niet zonder eenig voorbehoud in de algemeene ingenomenheid deelden. De schaduwzijden van zijn karakter vielen hun scherper in quot;t oog, dan aan de groote menigte. Niet weini-

18

-ocr page 286-

274 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

gen waren er, die Lodewijk\'s gedrag tegenover Frankrijk niet goedkeurden: die oordeelden, dat door\' meer voorzichtigheid, meer toegeeflijkheid, meer in acht nemen der vormen veel, dat thans tot botsing aanleiding gaf, kon voorkomen worden; dat een gewilliger hukken voor het onvermijdelijke, hoe zwaar en hard ook, doeltreffender middel was om de gevreesde opheffing der monarchie te voorkomen, dan deze tartende onwil en dit onwillig volgen. Op de mannen, die, in welke betrekking ook, \'s konings omgeving vormden, maakte niet alles, wat de groote menigte bewonderde en innam, een gunstigen indruk. Zij konden het zich niet ontveinzen, dat Lodewijk\'s aandrang tot bezuiniging niet door zijn eigen voorbeeld werd gesteund. Koning Lodewijk was verkwistend op reizen, in feesten en giften, maar al te dikwerf zonder eenig nut voor den lande, naar luim en toeval. De herhaalde verandering van woonplaats joeg ieder hunner, even als het land, op groote onkosten, die niet in goeden ernst konden goedgemaakt of gerechtvaardigd worden door te wijzen op het voordeel, dat voor het aanzien en de waardigheid des lands uit de verhuizing naar Utrecht, later naar Amsterdam werd verkregen. En hoe innemend Lodewijk, als hij wilde, kon zijn, het sterk gevoel van zijn vorstelijke waardigheid, dat hem den aandrang zijns broeders zoo ondragelijk maakte, was even dikwerf eene belemmering voor zijne raadslieden, om hem van verkeerde stappen te weerhouden. Zwak van gezondheid, oefende zijn lichaamskwaal soms een hoogst ongunsti-gen invloed op zijn humeur uit. Haastig en willekeurig, was hij wispelturig en veranderlijk. Zijne raadslieden konden niet op hem rekenen. De eerste indruk werd soms opgevolgd, zonder de beste te zijn. Zijn achterdocht, die toenam met de jaren van zijn koningschap, maakte hem wantrouwend jegens allen, die aan zijne denkbeelden en inzichten niet hun onverdeelde goedkeuring gaven. Vandaar dat zij, die zijn gebreken en zwakheden kenden, niet instemden met de volksopinie, die „den lammen koningquot;, zooals de menigte met goedaardig, ietwat kleinachtend, mededoogen den vorst heette, volkomen

-ocr page 287-

DB ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 275

van alle schuld vrijsprak om uitsluitend den keizer te bezwaren. Maar in de hooge waardeering zijner goede bedoelingen deden zij voor niemand onder. Want al oordeelden zij ook dat de gedragslijn, die Lodewijk volgde, het gevaar uitlokte in plaats van te bezweren, het was noch in de eerste noch in de hoogste plaats eigenbelang, dat hem deed handeien. Vreemdeling en \'s keizers broeder, die een onbezorgd en weelderig leven als Jeróme van Westfalen had kunnen leiden, indien hij er zich niet om bekommerd had of zijn volk ongelukkig was of niet, had hij een leven vol bezwaren en onaangenaamheden verkozen, om de natie voor de vernietiging van haar welvaart en geluk te vrijwaren.

Zulk een uitkomst van de stichting der monarchie mocht voor de natie een verrassing zijn, voor keizer Napoleon was zij eene teleurstelling, te meer ergerlijk, omdat de instelling van het koningschap eene concessie was geweest, die reeds na weinige maanden geheel overbodig bleek. Het denkbeeld der inlijving van Holland was door Napoleon, gelijk hij in 1810 verklaarde, alleen verlaten om de stellige verklaring van Pruisen, liever den laatsten man der armee te zullen wagen, dan lijdelijk deze reünie toezien. In schijn had de keizer toegegeven en het zelfstandig bestaan der Nederland-sche natie geëerbiedigd, ja zelfs bestendigd. In het wezen der zaak was de nieuwe staatsvorm, dien hij aan Holland schonk, in zijne oogen slechts een schitterend kleed geweest om de afhankelijkheid te bedekken. „A la paix de Pres-bourg j\'aurais voulu réunir Ia Hollande,quot; verklaarde hij later, „je ne pouvais pas: la Prusse s\'y opposait, elle était alors une grande puissance. Je la réunis cependant de fait, c\'est-a-dire j\'y envoyai mon frèrequot;8.

Vier maanden was het koninkrijk Holland oud, toen op het slagveld van Jena de grootmacht Pruisen tot eene mogendheid van den tweeden rang werd vernederd. Maar wat het ontzag voor den Pruisischen naam had in het leven geroepen, bleef voorloopig bestaan, zonder eenige bescherming

-ocr page 288-

276 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

aan de luimen en den wil van den overwinnaar prijs gegeven.

Het is een moeilijk vraagstuk, of keizer Napoleon ooit ernstig liet voornemen heeft gehad, het koninkrijk Holland te laten voortbestaan. Zoo dit het geval is geweest, heeft dit plan zeker niet lang geleefd. Het blijkt echter niet, dat reeds in het eerste jaar de bevestiging van Lodewijk\'s gezag in stelligen strijd was met zijne inzichten. Wel ontbreken heftige uitvallen en lompe verwijten in dit eerste twaalftal maanden volstrekt niet, maar zij verraden meer ongeloof aan de kennis en het beleid van Lodewijk, dan twijfel aan zijne bedoelingen. Napoleon sprak over zijn broeder als over een onervaren jongmensch, die te ijdel en te voortvarend was, die allerlei dwaasheden beging, zonder over de gevolgen na te denken. „Vous allez comme un étourdi, sans ehvisager les consequences des choses,quot; schreef hij hem zeiven. Ook te midden van den krijg met Pruisen en Rusland, die hem de laatste maanden van 1806 en de eerste helft van 1807 bezig-liield, bleef hij met Lodewijk in briefwisseling. De toon was niet altijd zacht, de verwijten zijn dikwerf ruw en bitter, de beschuldigingen over zijne krachteloozo regeeringswijze soms bij uitstek heftig, maar toch aan de mogelijkheid van het voortbestaan der jonge monarchie wordt door den keizerlijken schrijver, voor zoover zich uit de woorden laat opmaken, nog niet volstrekt getwijfeld. Al gelooft hij blijkbaar niet aan Lodewijk\'s kracht, om de opgedragen kroon waardig, d. i. naar Frankrijks bedoeling, te dragen, hij geloofde nog niet aan zijn stelligen onwil om zich naar Frankrijks voorgang te schikken. Napoleon zag nog slechts zwakheid, waar afkeer leidde.

De inlichtingen, die hij in Sept. 1807 van Dupont Chau-mont ontving, brachten een groote verandering teweeg. Zij overtuigden hem, dat het Hollandsch gouvernement Engelsch-gezind was, en dat zijn broeder zoowel de kracht als de gezindheid miste, om een andere richting aan het bestuur te geven. Sinds keerde de keizer tot zijn vroeger denkbeeld van inlijving terug. Ook als zegeteeken van zijn toegenomen

-ocr page 289-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 277

macht moest het hem toelachen deze koningsschepping, en daarmede de herinnering aan zijn vroegere zwakheid, uit te wisschen. De broederlijke betrekking, waarin de vorst tot hem stond, kon het uitstel verlengen, bij volharding in zijn onwil mocht Lodewijk niet verwachten anders dan als een ongehoorzame Connétable van Frankrijk te worden bejegend. Alleen wanneer hij de nutteloosheid van zijn tegenstand inzag en zijn gedrag wijzigde, was misschien redding mogelijk. Op vergoelijking en verschooning van de zijde des keizers mocht hij niet meer rekenen.

Nog minder natuurlijk kon er van hulp en ondersteuning sprake zijn, die Lodewijk de geëischte aansluiting aan Frank-rijks politiek gemakkelijker deed vallen. Het koninkrijk Holland had, volgens Gogcl\'s verklaring, om het overwicht der drukkende belastingen te dragen en verlost te worden van het schrikbeeld van het staatsbankroet, behoefte aan een vrij aanzienlijke uitbreiding van grondgebied. „Ce n^est pas peu qu\'il faut: deux ou trois départements comme l\'Ost-Frise ne suffiront pasquot; 9. Dat de Fransche keizer aan zulke omvangrijke aanzoeken weerstand bood, was te begrijpen. Maar volkomen onbillijk was het, dat hij, Oost-Friesland bij het verdrag van Fontainebleau met Holland vereenigende, de inkomsten beperkte door de opbrengsten van zeer aanzienlijke domeingoederen voor zich te behouden, en daarenboven Vlissingen aan Holland ontnam. Het was de verdeeling van den leeuw. Een land, arm aan inkomsten, rijk aan kusten, bij uitstek geschikt voor den smokkelhandel in, en dus een onuitputtelijke bron van klachten, schonk hij aan zijn broeder, terwijl hij zich zeiven verrijkte met eene vesting, die hem de heerschappij over de Westerschelde en Walcheren schonk. Door eene zoodanige handelwijze vermeerderde hij de bezwaren, die zijn broeder aanvoeren kon om zijne trage volgzaamheid te verklaren, en schonk hij tevens zich zeiven een tal van aanleidingen en gelegenheden, om over Lodewijk\'s onwil en tegenstand te klagen. Onder schijn van begunstiging verzwaarde hij den last, dien Holland te dragen had.

-ocr page 290-

278 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

Bij deze onverholen vijandige gezindheid des ouderen en machtigen broeders ware het voor den jongere en zwakkere raadzaam geweest in stilte de hittere bejegening te dulden en zooveel mogelijk rechtmatige grieven te voorkomen, om tijd te winnen. Doch Lodewijk\'s karakter vergunde hem niet, zwijgend te ondergaan, wat hij niet afwenden kon. Zijne persoonlijke gevoeligheid, die over alles wat hem kwetste zich in woorden en daden van onvoorzichtige wraakneming deed uiten, maakte de kloof tusschen hem en den keizer steeds wijder. Prikkelbaar van gestel en door ergernis stortte Lode-wijk zijn toorn over ieder in zijn omgeving uit, die om welke reden ook het voorwerp van zijn achterdocht werd. Aan de; Franschen, die in 1806 hem naar Holland gevolgd hadden, onttrok hij steeds meer zijn vertrouwen, nadat een hunner zijne oogluiking jegens Zweedsche schepen naar Parijs had verraden en hij dientengevolge door keizerlijk bevel was genoodzaakt den oorlog aan Zweden te verklaren. Caulaincourt was een der eersten, die hem verliet en in Franschen dienst wederkeerde. Evenmin als zijne landgenooten, ontsnapten de Hollanders, die partij voor den keizer tegen hem schenen te trekken, aan zijn wantrouwen. Verhuell en Dirk van Hogen-dorp werden door hem als ministers ontslagen, en in eervolle ballingschap als ambassadeurs naar het buitenland gezonden. Lodewijk\'s verbittering tegen zijn broeder deed hem in ieder, die niet volkomen in zijne inzichten deelde, een verrader van zijn vaderland en een spion van Frankrijk zien quot;.

Vermeerderde de ongelukkige koning, door dit onberaden toegeven aan de bitterheid van zijn gemoed, zijn eigen lijden zonder noodzaak, erger was het, dat hij door deze handelwijze den keizer, die de door hem ontslagenen en verbannenen in bescherming en in dienst nam, eenigermate rechtvaardigde in de hevigheid van zijne beschuldigingen. Napoleon werd meer en meer versterkt in de overtuiging, dat de persoonlijkheid van zijn broeder niet minder dan zijn afwijkende gezindheid het behoud van het koninkrijk Holland onmogelijk maakte. Toen de afdanking van Karei IV van Spanje, in het voorjaar

-ocr page 291-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 279

van 1808, hem opnieuw een troon, naar hij meende, ter beschikking stelde, bood hij dien als eervolle retraite aan Lodewijk aan, onder de uitdrukkelijke verklaring dat Holland te diep vervallen was, om staande te kunnen blijven l!. De aanneming van dit voorstel zou de kwestie van Hollands lot op vreedzame wijze, zonder de weerzijdsche verbittering in openlijke vijandschap te doen uitbarsten, opgelost hebben. Door Lodewijk\'s afwijzing werd het. bij de ongelijke verhouding der krachten, onvermijdelijk, dat de bestaande verwijdering zich in daden van openbare vijandelijkheid betoonde.

Ware de overmacht des keizers minder groot geweest, zoodat. er in ernst aan een worsteling kon gedacht worden, de schroom, die strijders van gelijke krachten langen tijd van den aanval weerhoudt, zou ook hier nog gedurende maanden zich hebben doen gelden. Maar tusschen Napoleon en Lodewijk kon daarvan geen sprake zijn. In September 1808 verbood Napoleon den invoer in zijn rijk van koloniale waren uit Holland 13 en voegde kort daarop er de bedreiging bij, dat hij den Rijn en de Schelde voor Holland zou sluiten, zoo de blokkade niet beter gehandhaafd werd quot;. Tevergeefs nam koning Lodewijk een zeer streng decreet, waarbij hij de Hollandsche havens voor alle schepen (27 Nov. 1808) sloot lr\'. Het verbod van den invoer der koloniale waren, dat met een geheele staking der handelsbetrekkingen gelijk stond, bleef van kracht.

Niet vóór den 4den Juni 1809 herstelde keizer Napoleon de commercieele betrekkingen van Frankrijk met Holland. Waarschijnlijk was het een belooning voor de gewilligheid, Avaarmede zijn broeder door financieele operation hem tegen Oostenrijk had gesteund. Natuurlijk dacht de keizer er niet aan, om Holland van de onvoorwaardelijke opvolging zijner decreten tegen Engeland te ontslaan. Hij achtte blijkbaar Lodewijk\'s decreet van 27 November 1808 nog van gelding, en oordeelde alleen de harde les voor het oogenblik te kunnen eindigen. Doch het bleek hem spoedig, dat hij zich vergist had. Even volhardend als de keizer in zijn eischen, was Lodewijk in het ontduiken : en telkenmale, als de tijdsomstandig-

-ocr page 292-

280 DE ONDEEGAKG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

heden hem hoop gaven op straffeloosheid, zocht hij aan de harde hand te ontsnappen, die hem en zijn land gedrukt hield. Den 31sten Maart 1809 was de termijn voorbij, waarop het strenge decreet, in November te voren door Lodewijk gegeven, gold. Gebruik makende van de omstandigheid, dat Napoleon met de drukten en toebereidselen van den naderenden krijg tegen Oostenrijk geheel bezig was, trok Lodewijk het decreet niet alleen in, maar vergunde ook den uit- en invoer van een aantal handelsartikelen, wier lijst hij, bij een nader besluit van Mei, nog uitbreidde. In de eerste weken bleven deze besluiten onopgemerkt. Maar toen Napoleon, na den slag bij Wagram, rustig te Schönbrunn gezeten (17 Juli 1809) ze naging, ontbrandde zijn drift over deze handelwijze in hooge mate. Hij vorderde niet alleen de onmiddellijke intrekking, maar liet ook zijn gezant verklaren dat in geval van weigering de vrede tusschen Frankrijk en Holland ernstig gevaar liep 16. Gelijktijdig werden de handelsbetrekkingen met Holland opnieuw afgebroken en de lijn van douane hersteld.

Het was in dit oogenblik, dat de onderneming van Engeland tegen Walcheren en Antwerpen plaats had. Gelijk de enkele droppel den vollen beker doet overloopen, besliste de Engelsche expeditie het lot van het koninkrijk Holland.

H

WALCHEREN.

De jarenlange kamp tusschen Frankrijk en Engeland had aan het eerste de heerschappij over het vasteland, aan het laatste die der zee toegewezen. De verdeeling, natuurlijk gevolg der eigenaardige krachten, waarover elk der worstelaars beschikte, was geen uitkomst, waarbij zij zich nederleg-den. Beiden rekenden op het onvermogen van den tegenstan-

-ocr page 293-

DE ONDERGANG VAN HEÏ KONINKRIJK HOLLAND. 281

der om den strijd vol te houden, die hem tot onderwerping moest brengen.

Toen de onderhandelingen tusschen Engeland en Frankrijk in November 1808 waren afgebroken, verwachtte het Engeische ministerie, dat spoedig een nieuwe oorlog tegen Napoleon op het vasteland zou uitbreken. Zijn goud en invloed hadden Oostenrijk tot het opnemen der wapenen bewogen. Keizer Frans liet zich medesleepen door zijn omgeving, die hem den steun van den weifelenden Pruisischen koning als genoegzaam zeker voorstelde. Engeland had, naar men meent, ook een onderneming toegezegd op. de kusten van Frankrijk of van Duitschland, om de krachten des keizerrijks van Oostenrijk af te leiden en te verdeelen. 17

Den ongunstigen loop van dezen noodlottigen krijg behoeven wij niet te herinneren. Oostenrijk, teleurgesteld in al zijne verwachtingen, door niemand gesteund, viel, van allen verlaten. De overwinning bij Aspern bleef zonder vrucht; de neerlaag bij Wagram dwong tot onderteekening van den wapenstilstand van Znaim (12 Juli 1809).

Nauwelijks drie maanden waren verloopen sinds de strijd aanving. In Noord-Duitschland had de Pruisische koning een houding aangenomen, sprekend genoeg om hem strafbaar te doen zijn in de oogen van Napoleon, krachteloos en onvruchtbaar voor Oostenrijk. Enkele geheel geïsoleerde pogingen tot opstand waren er aangewend, maar mislukt. Engeland was onbewegelijk gebleven. Terwijl in Noord-Duitschland, aan den Weser en de Elbe, zijne schepen en sloepen met smachtend verlangen werden te gemoet gezien,18 had Castlereagh beraadslaagd over de mogelijkheid om eene landing op Walcheren, met het oog op de werven van Antwerpen, te beproeven; doch, schoon reeds in Maart de adviezen waren ingewonnen, de uitvoering deed lang op zich wachten. Niet voordat in het midden der Meimaand de Oostenrijksche gezant prins Stah-remberg, na in bijkans onherkenbare vermomming de Nederlanden te zijn doorgereisd, te Londen was aangekomen, en met nadruk op de beloofde afleiding aandrong, werd een aan-

-ocr page 294-

282 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

vang gemaakt, om de uitvoering voor te bereiden. 19 Tegen half Juli begon de inscheping der troepen. Oostenrijk, schoon reeds gedwongen tot de preliminairen van Znaim, bleef op een expeditie, welke ook, aandringen, hopende, dat het geluk der Engelsche wapenen öf de hervatting van den strijd met kans van goeden uitslag mogelijk zou maken, öf ten minste een verzachtenden invloed hebben op de strengheid der vredesconditiën, die de overwinnaar van Wagram aan Oostenrijk wilde opleggen.

Zoodanige overleggingen, indien zij iets gegolden hebben, waren het niet, die de Engelsche ministers bij de keus der landingsplaats leidden. De aanslag op Walcheren en Antwerpen had geen ander dan een zuiver Engelsch doel: handhaving van Engelands overwicht ter zee door vernietiging zelfs der kiemen van Frankrijks herlevende marine. Eene ondersteuning van de gistende elementen in Duitschland had wellicht nog in de laatste dagen van Juli, toen de vloot op Walcheren landde, een nationalen strijd kunnen doen ontbranden en aan Oostenrijk, door uitbreiding van het krijgstooneel, de gelegenheid geschonken om zijn krachten te herstellen en den kamp te hervatten; maar voor Engeland beloofde eene landing in Noord-Duitschland niet dat voordeel, hetwelk Castlereagh van eene landing op Walcheren en een aanslag op Antwerpen zich voorstelde. Niet om de verlossing van het continent van het Fransche juk, maar om eigen redding tegen een mogelijk gevaar in de toekomst 20 was het te doen. Eene landing op de Engelsche kust, die sinds jaren dreigde en door Napoleon nog volstrekt niet opgegeven scheen, moest onmogelijk worden gemaakt door de vernietiging der Fransche marine, op het oogenblik dat de Fransche troepen in verwijderde streken werden bezig gehouden.

Het bedreigde Antwerpen was door Napoleon bestemd, om een marinestation van groote beteekenis te worden. Toen hij bij den vrede van Tilsit den strijd op het vaste land geëindigd achtte, had hij besloten alle krachten/op de worsteling.ter

-ocr page 295-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 283

zee aan te wenden. De sleutels der wereldheerschappij, hij gevoelde liet, dobberden op de golven van den Atlantischen Oceaan. Doch de ontwikkeling der Fransche marine, die ze hem in handen moest leveren, was belemmerd door politieke gebeurtenissen. Nieuwe verwikkelingen, de Spaansche opstand en de krijg tegen Oostenrijk, dien hij thans voerde, hadden hem noch den tijd noch de rust geschonken om zijne ontwerpen uit te voeren. In het groote plan, dat hij in Mei 1808 had ontworpen, nam Antwerpen een aanzienlijke plaats in. 21 Ware het uitgevoerd, twintig oorlogsschepen op de Schelde, gesteund door een kamp van 25,000 man bij Antwerpen, zouden in September 1809 eiken aanval hebben afgeslagen.

Doch tusschen den raad en de daad ligt een breede klove. Nog in Augustus 1809 bedroeg de Fransche zeemacht bij Antwerpen niet meer dan elf schepen en het kamp bestond niet. Antwerpen was een vesting, maar op vele punten vervallen. De bezetting bedroeg hoogstens 2000 man. Geen enkel kanon was op de wallen. Bij de overheid heerschte evenveel verwarring-als kwade gezindheid bij de bevolking 23. Wat den toegang tot Antwerpen betrof, op de Oosterschelde lagen eenige Hol-landsche kanoneerbooten, op de Westerschelde eenige Fransche schepen. De forten Lillo en Liefkenshoek waren vervallen en moesten door onderwaterzettingen worden gedekt. Het zoogenaamd Zeeuwsche legioen, een deel van het Hollandsche leger, onder kommando van den luit. generaal Bruce op Walcheren en Zuid-Beveland gelegerd, telde, de zieken er afgerekend, een 5 a 600 man. In Vlissingen voerde de Fransche generaal Monnet het bevel over ruim 4000 man, later met 2000 man van Breskens vermeerderd 24. In Brabant waren Bergen op Zoom, Willemstad, Breda enz. slecht bezet en versterkt. In het land van Kadzand, waarin het fort Breskens \'de Westerschelde bestreek, gelijk aan de overzijde Vlissingen, beschikte de generaal Rousseau over een paar duizend man, om landingen der Engelschen te beletten.

Bij een dergelijken jammerlijken toestand der verdedigingsmiddelen, mocht men verwachten, dat een Engelsch leger

-ocr page 296-

284 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

van circa 40,000 man onder eeno eenigszins krachtige leiding groote resultaten zou verkrijgen. Aanvankelijk scheen alles den meest gunstigen uitslag te beloven. Op den 30sten Juli landde de vloot op Walcheren, en onmiddellijk trokken de Hollandsche en Fransche troepen terug. Reeds den volgenden dag kapituleerde Middelburg, den lsten Augustus Veere. De generaal Bruce retireerde zich met zijne troepen naar Zuid-Beveland, met hot plan, naar het scheen, om het fort Bath hardnekkig te verdedigen. Doch reeds den 2dcn Augustus ontruimde hij, zonder een schot gelost te hebben het fort en vlood naar Brabant. Zoo, binnen vier dagen, na op Walcheren te zijn geland, stond de vijand op den uitersten hoek van Zuid-Beveland, door een zeer smal vaarwater, in sommige oogenblikken gemakkelijk doorwaadbaar, van Zandvliet gescheiden. Indien een veldheer als Napoleon, in wien de snelheid van uitvoering gelijken tred hield met de stoutheid van conceptie, het Engelsche landingsleger had aangevoerd, geen twijfel, of het keizerlijk gouvernement zou de verwaarloozing van zijn noordelijke verdedigingslijn duur hebben betaald.

Op snelheid van uitvoering kwam alles aan. De verraste vijand moest den tijd niet hebben om het gevaar af te weren. Castlereagh 25 had het lord Chatham nadrukkelijk ingescherpt, dat zulk een groot getal troepen juist daarom tot zijn beschikking werd gesteld, opdat hij gelijktijdig Vlissingen en Antwerpen zou kunnen aanvallen. Maar lord Chatham scheen de aanbeveling geheel vergeten. Om den vijand te verrassen, moest hij, gelijk het spreekwoord zegt, vroeg opstaan; en juist dit was zijn zwak niet.20 Verschrikt, naar \'t schijnt, door den tegenstand, dien de Engelschen bij een poging tot landing op Kadzand vonden, waar zij. gelijk het verhaal luidt, 12 of 1300 man voor 3000 of 4000 aanzagen, meende hij eerst Vlissingen te moetén onderwerpen, voordat hij zich tegen Antwerpen richtte. In Vlissingen voerde de generaal Monnet het bevel, die, ofschoon volstrekt niet toegerust om een ernstig beleg te weerstaan, de overgave der stad wei-

-ocr page 297-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 285

gerde, en daardoor het Hollandsch en Frarsch gouvernement den tijd schonk om Antwerpen te hulp te komen. Vijftien dagen hield Vlissingen de Engelschen op, na een bombardement van twee dagen werd het den lö\'16\'1 Augustus door Mon-net overgegeven. Maar in dien tusschentijd waren Antwerpen en Brabant in staat van tegenweer gebracht.

Toen het bericht van de nadering der Engelsche landings-vloot te Amsterdam aankwam, bevond koning Lodewijk zich te Aken, waarheen hij van het Loo, buiten weten zijner ministers, naar \'t schijnt, was vertrokken. De minister van oorlog Kraijenhoff nam aanstonds de meest dringende maatregelen, en bewoog ook den generaal Tarayre, die \'s konings garde kommandeerde, om, zonder Lodewijk\'s toestemming af te wachten, die troepen naar Brabant te voeren. Toen de koning in de eerste dagen van Augustus was wedergekeerd, keurde hij het reeds verordende goed en schreef een aantal nieuwe maatregelen voor. Een vierde deel der Hollandsche armee bevond zich in den vreemde, in Spanje en in Duitsch-land. Om de 3000, onder Chassé in Spanje strijdende, te ontbieden, mocht nutteloos heeten. De hulptroepen echter, in dienst van Jerome, ten getale van ruim 5500 man, ontbood hij onmiddellijk terug % doch zij kwamen niet vóór de laatste dagen der maand aan. De geringe macht, die in het vaderland en beschikbaar was, concentreerde hij om de bedreigde punten. De Brabantsche steden Willemstad, Steenbergen, Bergen op Zoom, Breda werden bezet en zoo goed mogelijk versterkt. Met de 6000 man, die op den 12dcn Aug. het Hollandsch leger uitmaakten werden de grenzen van Brabant tot Antwerpen zoo goed mogelijk gedekt. Door het verlaten van het fort Bath, welks opperbevelhebber, de generaal Bruce, den toorn van koning Lodewijk op strenge wijze ondervond was de defensie der Oosterschelde dubbel moeielijk geworden, omdat ook de Fransche flotilla zich achter de forten Lillo en Liefkenshoek had teruggetrokken. Vijftig Hollandsche kanonneerbooten bezetten het gat van Tholen en beschermden

-ocr page 298-

286 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

den mond van de Eendragt. Bij de Willemstad lag een andere afdeeling der kleine Hollandsche zeemacht, eerst onder den schout bij nacht Lemmers, later, een korten tijd, onder Verhuell :!0. Met grooten ijver en werkzaamheid, volgens het getuigenis van Kraijenhoff, zocht koning Lodewijk langs allerlei wegen in de behoeften der verdediging te voorzien en zijn kleine macht te vergrooten. Douaniers, grensjagers, dijkwerkers, weesjongens enz. werden tot dienstneming uitge-noodigd; uit alle oorden des lands volontairen gevraagd, veteranen aangenomen; de gewapende burgermacht zoo snel mogelijk onder de wapenen geroepen. Met hoe goeden uitslag deze buitengewone inspanning werd beloond, blijkt uit de omstandigheid, dat het leger in het begin van September met circa 10,000 man, deels nationale garden, veliten, deels veteranen, vrijwilligers enz. was vermeerderd.

Dat intusschen zulk een leger, uit allerlei elementen samengesteld, zeer uiteenloopende in militaire oefening, in staat zou geweest zijn aan een ernstigen aanval des vijands voortdurend met goeden uitslag weerstand te bieden, mag betwijfeld worden. Maar niettemin hadden Lodewijk\'s maatregelen doel getroffen. De Engelschen, toen zij Vlissingen den 15°quot; Augustus hadden bezet, rekenden er op, dat zij aan de Hollandsche kusten een hardnekkigen strijd te gemoet gingen. De snelle bevestiging der Brabantsche vestingen deed hen dit verwachten. Waren zij goed aangevoerd geworden, de aanval zou daarom niet zijn achterwege gebleven. Doch lord Chatham zag buitendien te veel bezwaren, om door te tasten. Het klimaat van Zeeland had zich met de inboorlingen tegen den vijand verbonden. De Zeeuwsche koortsen, in de warme zomermaanden vooral op Walcheren zeer hevig, hadden de rijen der strijdbare Engelschen zeer gedund en het zelfvertrouwen van het leger gebroken. In het begin van September, dus na verloop van nauwelijks vier weken, bedroeg het getal zieken en gewonden bij de 12,000 man 31. Lord Chatham en de luit.-generaals van zijn leger oordeelden reeds den 27 Augustus, dat het hoogst ongeraden was, niet alleen om het beleg

-ocr page 299-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKET.JK HOLLAND. 287

van Antwerpen te ondernemen, maar zelfs om eenige andere onderneming van belang aan te vangen 32. Dit advies, onmiddellijk naar Engeland gezonden, bewoog George III, op \'voorstel van Castlereagh, den 2don September de terugroeping der expeditie te teekenen ^3.

Deze staking der onderneming, op het oogenblik dat én te Antwerpen én in Brabant het gevaar pas naderende werd geacht :i1, leerden de Franschen en Hollanders het eerst uit de maatregelen der Engelschen kennen. Aanvankelijk meenden zij aan eene verplaatsing van het punt van aanval, niet aan een geheel opgeven der onderneming te moeten gelooven. In Holland vreesde men de vijandelijke vloot voor Texel of op een ander punt der kust te zien verschijnen, en nam daarnaar zijne maatregelen. Koning Lodewijk wees aanzienlijke sommen voor de versterking van Amsterdam aan. Doch Engeland had zulke plannen niet. Het hield voor-loopig Walcheren, ondanks de ongezondheid, bezet, om aan Oostenrijk de gelegenheid te geven, door het wijzen op de Engelsche vlag, zoo nabij het Fransche grondgebied en in een Fransche vesting wapperende, betere voorwaarden te bedingen. Tevens bediende het zich van Walcheren, als gewoonlijk van Helgoland, als smokkelstation voor den Engelschen handel Eerst toen beide doeleinden bereikt schenen, en de vrede van Weenen (4 Oct. 1809) de Fransche legerbenden, tot dusver in Oostenrijk bezig gehouden, geheel ter beschikking des keizers stelde, zoodat de expeditie in Walcheren vreezen moest door overmacht te worden aangevallen, besloot het Engelsche ministerie het eiland te ontruimen. Zonder overhaasting trokken de troepen terug; het was den 243tcn December, dat de laatste vijand Walcheren voorgoed, doch vrijwillig verliet.

Tot de uitkomst dezer onderneming had het keizerlijk gouvernement slechts in zeer geringe mate bijgedragen. Antwerpen was in het begin van Augustus gelijk wij zagen, genoegzaam

-ocr page 300-

288 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

onverdedigbaar; en de Fransche troepen op deze noordelijke grens van het keizerrijk, al ware het alleen door geringheid van getal, onvoldoende ora de Engelschen af te weren. Frankrijks legers waren in Oostenrijk en in Spanje. In dezen nood ontwikkelde Fouché, belust om door bedrijvigheid zich in de wankelende gunst zijns meesters te bevestigen, een buitengewone werkzaamheid. Nationale garden werden er in grooten getale opgeroepen en een noorderleger gevormd. Naar gelang de bataillons gereed waren, werden zij naar Vlaanderen en Brabant gezonden, om de bedreigde punten te dekken. Het meerendeel echter dezer ongeoefende troepen kwam niet vóór het laatst der Augustusmaand in Brabant aan.

Onder den eersten indruk van het gevaar en tevens van de activiteit door koning Lodewijk ontwikkeld, hadden Cam-bacérès en Clarke, minister van oorlog, aan Lodewijk het opperkommando over het vereenigde leger aangeboden. Zij achtten hem, wien in 1805 door den keizer zei ven een kom-mando was opgedragen, thans, nu de strijd een deel zijns rijks gold, boven anderen daartoe bevoegd. Lodewijk. die eerst de vergunning des keizers had gewenscht, gaf eindelijk aan de herhaalde uitnoodiging gehoor en aanvaardde het opperbevel:!B.

Toen keizer Napoleon te Weenen het bericht van deze maatregelen ontving, keurde hij de eerste goed, de laatste af. „30,000 nationale garden uit aangewezen departementen moesten onder de wapenen komen, opdat Engeland uit de imposante houding des keizerrijks de verontwaardiging des volks over de vermetele aanranding van zijn grondgebied zou leeren kennen.quot; Wat koning Lodewijk betrof, voor diens keuze had hij niets dan afkeuring. Hem het kommando op te dragen, was het meest absurde, wat men had kunnen doen. „Le roi de Hol lande pensera a couvrir Amsterdam, ec vous laissera prendre dans votre lit a Paris,quot; schreef Napoleon aan den aartskanselier \'s\'. Zijn reeds vroeger gegeven bevel om het opperbevel aan Bernadotte te geven werd herhaald en ditmaal volbracht. De prins van Ponte Corvo vertrok met den minister van oorlog naar het leger, waar hij den ie11011 Augustus naar

-ocr page 301-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 289

eisch, maar met groote koelheid, door de hoofdpersonen werd ontvangen. Vol verbittering over de schimpende bejegening, verliet koning Lodewijk het hoofdkwartier en keerde naar Amsterdam terug. Zijn leger stelde hij onder de bevelen van den maarschalk Dumonceau, terwijl hij zijn lijfwacht onder Tarayre terug ontbood.

Beleedigender nog dan het ontslag was eene plechtigheid, die weinige dagen later te Parijs plaats had. Op uitdrukkelijk bevel van Napoleon moest Cambacérès, de aartskanselier van het keizerrijk, de ministers te zamen roepen en hun verklaren, dat de minister van oorlog uit volstrekte onkunde der staatsinstellingen had gemeend, dat de waardigheid van con-nétable het recht verleende om \'s keizers legers aan te voeren. Dit, moest hij zeggen, was een dwaling van 600 jaar geleden; „prinsen en groot-dignitarissen toch zijn volstrekt niets (ne sont rien) ; de connétable is niet als vroeger een oud soldaat, hoofd des legers: zijn betrekking is een bloot civiele. De connétable heeft evenmin het recht om \'s keizers legers aan te voeren, als de groot-admiraal de vloten. Zelfs de wacht aan de poort van zijn paleis staat niet onder zijne bevelen.quot; 38

Zulk een handeling, bij uitstek kwetsend voor het aanzien en den persoon van Lodewijk, werd niet vergoed door de enkele woorden, die de Senaat in zijn adres aan den keizer op Napoleonsdag over Holland had opgenomen: „la nation hollandaise dont le territoire est attaqué, léve avec fierté les antiques bannières; qui rappellent tant de hauts faits des valeureux Bataves, et celui de vos augustes frères, qui règne sur eux, est a leur tête Hoogstens konden deze simpele woorden, geschreven en gesproken toen Bernadotte naar Antwerpen was vertrokken (15 Aug.), voor eene zwakke poging gelden om een bewijs van sympathie, doch niet al te sterk, aan den ontslagen opperbevelhebber der Fransche armee te geven.

Een dergelijke bejegening van de zijde van keizer Napoleon zou voor Lodewijk geheel onverklaarbaar zijn geweest, zoo hij niet uit zijne briefwisseling van weinige weken vroeger

19

-ocr page 302-

290 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

diens toorn had gekend over zijne vrijlatingen jegens den Engelschen handel. De keizer, die den 17den Juli had verklaard zich in oorlog met hem te beschouwen, kon hem den 15den Augustus toch niet aan het hoofd zijns legers plaatsen. Maar buitendien waren er verschillende andere redenen, die den keizer zijn gedragslijn voorschreven.

Den aanval op Walcheren had hij sedert jaren aan Lode-wijk voorspeld. Zoolang het koninkrijk Holland bestond, was hij telkens op de waarschijnlijkheid teruggekomen, dat Engeland te eeniger tijde zulk een aanslag zou wagen. Steeds, als politieke en militaire verwikkelingen de krachten van het keizerrijk van de grenzen van Holland verwijderden, had hij er Lodowijk opmerkzaam op gemaakt, dat Engeland van de gelegenheid zou kunnen gebruik maken. Toen de krijg met Oostenrijk op het punt van uitbreken stond, had hij opnieuw en herhaaldelijk de aandacht zijns broeders op het dreigend gevaar gevestigd. In Maart had hij hem aangeschreven om te zoï-gen, dat hij minstens 20,000 man onder de wapenen zou hebben, om eiken inval te kunnen afweren \'10. Een week later herhaalde hij zijne vermaningen, ditmaal er met nadruk op wijzende, hoe de zwakheid van Holland het noodlottig gevolg van Lodewijks verkeerde maatregelen was.41 Gereed staande om naar het leger te vertrekken, had de keizer nogmaals aan Lodewijk een waarschuwing gezonden: „Levez des hommes, organisez vos gardes Rationales et vos troupes pour vous défendre. II y a longtemps que je ne cesse de vous dire cela. II ne sera plus temps s\'il vous arrive des malheurs4\'2.quot; Nu, na zoo voort-durenden aandrang tegenover het fait accompli staande, stelde Napoleon daarvoor zijn broeder verantwoordelijk. Hij had hem tot koning van Holland verheven, om de vestingen, die het noorden van het keizerrijk beschermden, te verdedigen. En wat waren de vruchten? Lodewijk had niets gedaan. Noch leger noch marine was in behoorlijken staat. Zoolang de gevolgen dezer verwaarloozing verborgen bleven, had de keizer, vertrouwende op eigen macht, hoe ontevreden ook,

-ocr page 303-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 291

zijns broeders onwil kunnen minachten. Maar de aanslag op Walcheren en Antwerpen had aan het licht gebracht, dat Lodewijk\'s bestuur niet alleen zwak en kinderachtig, gelijk Napoleon het eens noemde, maar ook gevaarlijk was. Niet alleen, dat Frankrijk veel minder steun en voordeel uit het koninkrijk Holland trok, dan van de Bataafsche republiek, Lodewijks hardnekkigheid stelde het keizerrijk zelf aan gevaar bloot. Indien Lodewijk\'s leger, zoo oordeelde de keizer, in orde ware geweest, de Engelschen zouden zich niet op Walcheren hebben genesteld. Indien, gelijk betamelijk, de Hol-landsche generaal aanstonds onder de bevelen van den Franschen gesteld ware, de generaal Monnet zoude Vlissingen langer hebben kunnen verdedigen. Er kwam meer bij. Deze inval had plaats op een oogenblik, dat het Fransche leger, in een gevaarlijke positie in Oostenrijk geplaatst, onmogelijk een deel der troepen tegen Walcheren kon afzonderen. Vandaar de noodzakelijkheid, om in Fouché\'s voorslag, het te wapen roepen der nationale garden, te berusten: een maatregel, die wel onder schoonklinkende redenen hoogelijk geprezen, maar eigenlijk den keizer hoogst onwelkom was, en te meer werd, naarmate de roerigheid van Fouché het geheele rijk tot de stille valleien van Savoie toe, in beweging bracht, als ware de keizerlijke schepping op het punt van vergaan. En de schuld van dit alles was koning Lodewijk. Had deze aan zijne verplichtingen voldaan, in 1806 hem opgelegd, de rust ware niet verstoord, het publieke vertrouwen niet geschokt, als thans. Nooit te voren was de zwakheid en onverdedigbaarheid van de noordelijke grenzen des rijks, welks keizer zijn wil te Schönbrunn als oppermachtig overwinnaar den ovenvonnene oplegde i3, zoo in het licht getreden. Wat betee-kende eene heerschappij, die wel zegepralen in de verte te behalen, maar de eigen grenzen niet te verdedigen wist ? Zoo oordeelde en sprak men te Parijs, en zoo oordeelde keizer Napoleon zelf. „L\'événement fait voirquot;, schreef hij aan Clarke, „que nous n\'avons pas les armes proportionnellement a l\'étendue du territoire et a lïmportance de nos arsenaux\' 44.

-ocr page 304-

292 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

Op het oogenblik, dat de keizer te Schönbrunn het bericht der expeditie ontving, mocht dit alles hem niet even helder voor oogen staan als later,* toen de berichten van Parijs hem het gevaar deden inzien, de spanning, die er toen reeds tusschen hem en Lodewijk bestond, was te groot, dan dat hij niet onmiddellijk zou besloten hebben, van het gebeurde partij te trekken. In zijne brieven nam hij den schijn aan, alsof hij vast overtuigd ware, dat de expeditie op niets zou uitloopen. Zelfs Vlissingen zouden de Engelschen niet kunnen nemen. Om deze stoute bewering te staven, maakte hij gebruik van zijn gewoon hulpmiddel: de krachten der verdediging op het papier veel hooger aan te slaan, dan zij in werkelijkheid waren. De overdrijving had ten doel, om zijne klachten en tevens zijne vorderingen te rechtvaardigen. De aanval van Engeland was hem een welkome gelegenheid, om de kusten van Holland met Fransche troepen te bezetten. Hij was besloten een noor-derleger te vormen, dat hem bij zijne verdere ondernemingen van dienst kon zijn4r\'. Naarmate de onzekerheid, of de oorlog met Oostenrijk hervat zou worden of dat de wapenstilstand tot een vrede zou leiden, begon te wijken, hield hij zich meer met de Engelsche expeditie, met Antwerpen en Walcheren bezig. Het gevaar, dat de hoofdstad van Brabant en zijn marine geloopen hadden, had hem de oogen geopend voor de beteekenis van Antwerpen. „Le secret de TEscautquot;, gelijk hij zelf het noemdequot;\', hadden de Engelschen hem geleerd. Daarheen zou hij zijn geheele flotilla overbrengen, Antwerpen moest het hoofdarsenaal van zijn marine worden. Overtuigd dat, om het belang der plaats, Engeland zijn vernielingspoging zou herhalen, besloot hij alles aan te wenden, om het in goeden staat van verdediging te brengen. Den 253ten September zond hij aan den minister van oorlog een breedvoerige nota over de werken, die moesten aangelegd worden. In de plannen, hier ontwikkeld, werd zonder omslag beschikt over verschillende deelen van het Hollandsch grondgebied ; over Walcheren, Zuid-Beveland en sommige Brabantsche steden gesproken, als behoorden zij reeds tot zijn rijk.47 Van Walcheren werd uitdrukkelijk gezegd : het

-ocr page 305-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

moet in onze macht komen. Of koning Lodewijk zich ge villig tot afstand van grondgebied zou leenen of niet, daarom bekreunde hij zich weinig. Op nadrukkelijke wijze liet hij zijn broedergevoelen, dat zijn geduld geëindigd en de tijd van verschooning voorbij was. Na de afzetting als opperbevelhebber der vereenigde Fransch-Hollandsche armee volgde de eene openbare kreuking de andere. Toen Lodewijk het leger verlaten had, had hij zijne troepen onder den Hollandschen maarschalk Dumon-ceau gesteld. Hij wilde ze geheel onafhankelijk van de Fransche houden, en had in dien geest zijne bevelen gegeven. Keizer Napoleon intusschen wilde van die zelfstandigheid niets weten, en deelde de Hollandsche armee eenvoudig als een derde legerkorps bij het leger van Antwerpen, dat hij den 5c,en September organiseerde, in. De moeielijkheden, die zoo gemakkelijk uit deze lastige verhouding hadden kunnen ontstaan, werden door den tact van Dumonceau, die het met den prins van Ponte Corvo goed wist te vinden, grootendeels voorkomen. 48 En hierbij bleef het niet. Zonder zich om Lodewijk\'s bevelen te bekommeren, beschikte de keizer eigenmachtig over de krijgsmaterialen, die in de Brabantsche vestingen werden aangetroffen. Koning Lodewijk bijv. had opzettelijk en uitdrukkelijk verboden, dat men Bergen op Zoom of de andere plaatsen berooven zou \'9. Het baatte hem niets. Ook het onderhoud en de bezoldiging der Fransche troepen, die het Hollandsch grondgebied betraden, werd aan Holland opgelegd. Indien Lodewijk, betoogde de keizer, zijne troepen niet had afgedankt, maar 40,000 man, gelijk de vroegere tractaten bepaalden, onder de wapenen had, niets van het gebeurde ware geschiedr\'0.

Werd door deze en dergelijke handelingen de onafhankelijkheid van het koninkrijk Holland zelfs voor het uiterlijke niet meer geëerbiedigd, in het geheim, in de meer nauwere aanraking der kabinetten en der personen zelve werd nog minder verschooning gebezigd. Uit Napoleon\'s correspondentie, voor zoover zij bekend is, en uit de getuigenissen van Louis zei ven kan men eenigszins den vijandigen toon van Napoleon\'s

293

-ocr page 306-

294 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

missiven leeren kennen. De klachten, die de maatregelen des keizers aan Lode wijk ontlokten, werden beantwoord met verwijten, waartoe altijd overvloedige stof gevonden werd. De hoofdgrief bleef \'s konings onwil om de bevelen uit Parijs op te volgen; hij plukte er thans de vruchten van. Toen de keizer het eerste bericht van de expeditie ontving, had hij geschreven: „Lodewijk heeft zeker 6 a 7000 man gereed\'. Dit minimum der eerste oogenblikken steeg in korten tijd wonderbaarlijk. Drie dagen later (9 Aug.) stelde Napoleon vast, dat de macht zijns broeders reeds tot 10 a 12,000 man was geklommen. Nog drie dagen, en bij de 12,000 geregelde troepen werden 15 a 20,000 nationale garden gevoegd. Intusschen, zelfs deze macht op het papier was onvoldoende. „L\'économie d\'un roi n\'est pas celle d\'un prieur de conventquot;, schreef Napoleon. „Si vous aviez aujourd\'hui les 2,000 Francais de votre garde que par économie vous avez licenciés, si vous aviez l\'armée que par économie vous avez réduite, votre pays ne serait pas envahi. Par nos conventions la Hollande doit avoir 40,000 hommes sur pied.quot; 5L Dit was het thema, dat voortdurend ontwikkeld werd. Aan stof tot toelichting ontbrak het niet. Het „verraadquot; van „Brucequot; en de overgaaf van Vlissingen door Monnet waren zeer bruikbare voorbeelden. De zwakke defensie van Zeeland werd zelfs aan de rivaliteit tusschen den Franschen en den Hollandschen kom-mandant op Walcheren geweten.

Gedurende de Augustus- en Septembermaanden bepaalde zich de keizerlijke regeering tot verwijten. Bepaalde eischen werden nog niet gesteld, naar het schijnt. Maar toen de keizer in October door den vrede met Oostenrijk (14 Oct.) de vrije beschikking kreeg over zijne troepen, en den vollen tijd om zich met de Hollandsche zaken bezig te houden, werden alle snaren gelijktijdig aangespannen om do beslissing te bespoedigen.

De Fransche gezant, la Rochefoucauld, die èn om den toon, dien hij voerde, èn om de warmte, waarmede hij voor koningin

-ocr page 307-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 295

Hortense tegen Lodewijk partij trok hoogst onaangenaam was, begon in de Octobermaand een reeks van klachten in te dienen, die den prikkelbaren vorst diep griefden en luide deden klagen over de voogdijschap, waaraan men hem wilde onderwerpen. Reeds vroeger was de gezant gelast geworden om satisfactie te vorderen voor een beleediging, der Fransche vlag in den persoon van een kaper aangedaan. De zaak was deze: op grond, dat de kaper matrozen zonder autorisatie van het Hollandsche gouvernement had aangeworven, waren de manschappen van boord weggehaald M. In het laatst van September ontving de ambassadeur het bevel, de grieven van zijn gouvernement luider te doen klinken, maar volstrekt niet de hand te leenen tot eenige schikking, die ze uit den weg kon ruimen. Hij mocht niets ten einde brengen, maar moest alles hangende houden55. Aan bedreigingen behoefde hij het niet te laten ontbreken. De keizer schreef aan Champagny, naar aanleiding van het toelaten van Amerikaansche schepen, die aan zijne decreten niet voldaan hadden: „Sil\'onneprend pas des mesures efficaces pour réprimer la contrebande, non seulement je ferai occuper les passes par mes troupes, mais j\'cnverrai des colonnes mobiles saisir les marchandises anglaises jusque dans Amsterdam. Ce n\'est pas la une plaisanterie. La Hollande trahit la cause commune: il serait preferable de la voir l\'alliée de l\'Angleterre, que favorisant sourdement son commerce et la guerre qu\' elle fait centre nous. Le résultat des menées des ministres hollandais sera de perdre leur existence *

Weinige dagen later deed la Rochefoucauld een belangrijken eisch aan het Hollandsche gouvernement. Den llt,en October werd hij gelast te vorderen, dat de Hollandsche divisie op Zuid-Beveland van drie op 16.000 man zou worden gebracht en dat, afgescheiden van deze machtsvermeerdering. Holland tweehonderd kanonneerbooten in de Zeeuwsche wateren zou stellen De onmogelijkheid om aan zulke uitputtende vorderingen te voldoen, kende Napoleon even goed als ieder ander. Maar wie het hoogste eischt, geeft zich zeiven recht om over

-ocr page 308-

296 DE ONDERGANG TAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

het mindere te klagen. De keizer wilde door deze klachten en eischen Lodewijk tot onderwerping gewilliger maken. „Nooit, zelfs niet in de dagen der republiek, was Holland zoo zwak en zoo onbeduidend geweest.quot; 58 Zulke uitdrukkingen moesten het Hollandsche gouvernement toegevend maken.

Het mag aangenomen worden, dat keizer Napoleon de diplomatieke vorderingen in zijn bijzondere correspondentie met den koning krachtig heeft ondersteund. De brieven zelve zijn nog onbekend. De geschiedschrijver van het keizerrijk, die ze gelezen heeft, zegt, dat hij van Holland den afstand vorderde van het gebied tusschen Schelde en Rijn, van Antwerpen tot Breda, en er de bedreiging bijvoegde, geheel Holland te zullen nemen, indien de smokkelhandel voortduurde Wij weten, hoezeer deze eisch in verband stond met zijne plannen omtrent Antwerpen. Koning Lodewijk heeft in zijne Documents historiques60 slechts van één schrijven, dat hem bijzonder schijnt getroffen te hebben, melding gemaakt. Dat intuaschen meer brieven van dien aard door hem ontvangen zijn, is zeker. Uit een antwoord van Lodewijk, gedateerd 4 November, leeren wij den heftigen inhoud van een later schrijven des keizers kennen. Napoleon verklaarde daarin, dat hij zijn broeder niet meer als koning van Holland erkende en hem slechts als den „rempla^ant van Schimmelpenninckquot; beschouwde. 61 Zulk een uitdrukking, niet zonder opzet gekozen, was bij uitstek geschikt om hem het lot voor oogen te stellen, dat hem boven het hoofd hing, indien hij, de remplac-ant, zich boven den conscrit verheven achtende, op meerder deernis en verschooning durfde rekenen en daarom minder buigzaamheid mocht betoonen. En meer buigzaamheid had hij noodig. Want nevens den eisch van afstand van grondgebied schijnen thans de oude vorderingen gezamenlijk herhaald te zijn. In de nota van 25 Nov., door den minister Röell geschreven. vinden wij de vier volgende punten als door Napoleon gevorderd, opgegeven: „la conscription, la banqueroute, la parité de douanes, le retour sur tout ce qui a été fait en contradiction avec les loix franpaisesc2quot;.

-ocr page 309-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 297

Maar geene bedreigingen of eischen, hoe ook aangedrongen, langs diplomatieken weg en door persoonlijken invloed, baatten. Koning Lodewijk bleef onbuigzaam en wilde van geen toegeven weten. „Je ne puis jamais consentir aux demandes qu\'on me fait, d\'autant plus qu\'on n\'a nul besoin de moi pour faire par la force, ce qui est non seulement nuisible, mais funeste pour cette nation et contraire a mon premier devoirquot;.

Op dit antwoord, den 9den November gegeven, bleef den keizer niets over dan gebruik te maken van de macht, waartoe zijn broeder hem verwees. In het begin der Octobermaand had hij Bessières, hertog van Istrië, in de plaats van Bernadotte, aan het hoofd van d\'Armee du Nord geplaatst. Bessières was een zijner meest vertrouwde veldheeren en werd juist daarom, naar men in die dagen gistec3, aan den minder volgzamen prins van Ponte-Corvo voorgetrokken. De geheime bevelen, die hij hem gaf, zijn onbekend, maar uit de bekende, van 8 October gedateerd, blijkt niet anders, dan dat hem de versterking van Antwerpen en de herneming van Walcheren is opgedragen geweest. Daartoe werden alle troepen en krijgs-materialen, ook de Hollandsche, tot zijne beschikking gesteld. „Les Hollandais sont sous vos ordres: allez done visiter File de Sud-Beveland, et ordonnez qu\'on tire de Berg-op-Zoom et des autres places l\'artillerie nécessaire pour établir des redoutes et des batteries devant l\'ile de Walcheren. J\'attendrai avec impatience le résultat de cette visite.quot; quot;f Dat Bessières even vlug zijn bezoek heeft afgelegd, als de laatste woorden doen verwachten, blijkt niet. Wel weten wij, dat zijne eischen ten aanzien van Bergen-op-Zoom een levendige onrust verwekten. Tot dusver had het Fransche leger zich beperkt binnen de eigen grenzen en tot de verdediging van den Vlaamschen oever der Schelde. Offensief had het niets gedaan. De achtereenvolgens verlaten punten op Zuid-Beveland waren door de Hollanders bezet; reeds den 4 Sept. had door den moed en het beleid van den generaal Cort Heyligers de Hollandsche vlag van het fort Bath gewaaidC3. Thans, in het laatst van October en het begin van November, zag men het Fransche

-ocr page 310-

298 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

legei- toebereidselen maken, om zich over een gedeelte van het Hollandsch grondgebied uit te breiden. Koning Lodewijk vreesde zelfs, dat Bessières, zonder zich om hem te bekommeren, sommige vestingen en wel in \'t bijzonder Bergen-op-Zoom met Fransche troepen zou bezetten. Dit intusschen werd, naar \'t schijnt door invloed van den maarschalk Dumon-ceau, nog voorkomen.60 Doch het voordeel was gering, want wat hier niet geschiedde, had elders plaats. Den 13dei1 November werd het fort Bath, door de Hollandsche regeering na het vertrek der Engelschen met nieuwe werken aanzienlijk versterkt, ondanks de daarin gelegen Hollandsche troepen, door twee compagnieën Fransche artillerie in bezit genomen. En deze eersten werden later door anderen, die zich over Zuid-Beveland verspreidden, opgevolgd.67

Zoo werd in het midden van den vrede, vier dagen na de weigering van Lodewijk, een deel van het Hollandsch grondgebied bezet. Voor de natie, die het gebeurde zeker niet dan veel later vernam, daar de Koninklijke Courant en op haar voorbeeld08 de andere journalen het onvermeld lieten, kon het verklaard worden als een dood eenvoudige maatregel, vereischt door de plannen tegen Walcheren, \'s Konings omgeving moest er anders over oordeelen. Zij wist, dat de Engelschen reeds aanstalten maakten om Walcheren te ontruimen, en alle gevaar voor de hervatting der vijandelijkheden volkomen geweken was M. Koning Lodewijk en zijne staatslieden, de vrienden en de vijanden beiden van zijn bestuur, achtten het het begin van het einde. Toen de vrede met Oostenrijk was gesloten, had de keizer, naar Lodewijk had vernomen, zich de woorden laten ontvallen: „ici tout est fini, maintenant il faut marcher contre l\'Espagne et surtout contre la Hollande.quot; De zin dier woorden werd toegelicht door de jongste houding, klachten en eischen, van het keizerlijk gouvernement. Het koningschap van Lodewijk Napoleon waggelde aan den rand van een afgrond: was er nog redding mogelijk?

Den eersten October was de koning /an Holland naar

-ocr page 311-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 299

liet Loo gegaan. De geheele maand had hij er doorgebracht. Den 16en November verliet hij de stille wijkplaats, waarheen des keizers brieven hem hadden vervolgd, en keerde naar zijn hoofdstad weer. In den avond kwam hij te Amsterdam aan, waai het Wetgevend Lichaam, door hem te zamen geroepen, dien dag zijn eerste vergadering had gehouden.

De stemming, waarin hij zijne residentie wederzag, is niet twijfelachtig. Hij zelf heeft ze rondweg uitgesproken. Ook voor hem was de crisis aangebroken, of liever, hij had die reeds doorleefd. De banden des bloeds, die zoo weinig bij den keizer schenen te vermogen, hadden ook voor hem hun kracht verloren. Zoo de natie wilde, hij zou bereid zijn aan haar hoofd geweld met geweld te keeren. Bij de geringheid der krachten was het onvermijdelijk, hulp van buiten in te roepen, en van niemand dan van Engeland was zij te verwachten. Voor een broeder des keizers, die de kroon aan hem dankte, moest dit bezwaar bijkans onoverkomelijk zijn. Maar Lodewijk, die sinds lang de onvermijdelijkheid van aansluiting aan Engeland had gevoeld \'0, was met het denkbeeld verzoend. Alles liever dan blinde onderwerping aan de eischen van Frankrijk 71.

Met deze denkbeelden te Amsterdam gekomen, hoopte hij bijval en steun bij de hoofden der natie zelve te vinden. Hij zag zich teleurgesteld. Hij zelf verhaalt, dat alleen Kraijen-hoff en de admiraal Lammers zijn inzicht deelden. De eerste oordeelde, daar de eischen des keizers voortdurend toenamen, dat het voor de eer des konings en der natie beter was de onafhankelijkheid door een rechtvaardige defensie te beschermen, dan zonder verdediging onder te gaan. 72 Met uitzondering van eenige officieren van het leger en de marine waren alle anderen, die Lodewijk raadpleegde, er tegen. De ambassadeur Verhuell drong schriftelijk, als vroeger mondeling, er op aan, dat hij den toorn des keizers door een bezoek te Parijs zou bezweren \'3. Een bitse en scherpe weigering was het antwoord. Maar onder Lodewijk\'s vertrouwdste raadslieden waren er, die het denkbeeld van Verhuell deelden en ondersteunden. Röell,

-ocr page 312-

300 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

de minister van buitenlandsche zaken, beval de samenspre-king van Lodewijk met zijn broeder als het eenige middel aan, om op de hoogte, waartoe de verwijdering gestegen was, tot een billijk en duurzaam vergelijk te geraken.74 Maar de koning wilde er niets van hooren, en beantwoordde eiken aandrang met de herinnering aan het gebeurde in 1807. Toen was hij, om bezwaren uit den weg te ruimen, van de Pyreneeën naar Parijs gegaan. En wat was de vrucht geweest? De eerste inbreuk op de onafhankelijkheid van zijn rijk, en de willekeurige gevangenneming van eenige zijner onderdanen.

In deze oogenblikken van pijnlijke onzekerheid wat er geschieden moest, terwijl telkens het bericht van het voortrukken der Fransche troepen werd verwacht, misschien wel, om, gelijk de driftige bedreiging had geluid, in de hoofdstad zelve de smokkelaars te vatten, kwam de maarschalk Verhuell uit zich zelf, zonder verlof te hebben gevraagd of verkregen, te Amsterdam aan (20 of 21 Nov.).

Slechts belangstelling in het lot van zijn vaderland en koning scheen hem te drijven. Spoedig echter bleek het, dat hij de overbrenger was van een uitnoodiging des keizers aan Lodewijk, om te Parijs te verschijnen. Niets eenvoudiger en natuurlijker in schijn: al de afhankelijke vasallen, met kronen getooid, spoedden zich nevens de sidderende bondgenooten van den Franschen imperator naar de hoofdstad van Europa, om hem hun nederige hulde te brengen en zijn triomftocht met hun koningsmantels op te sieren. Mocht in dien schitterenden stoet Lodewijk ontbreken, voor wien hij als voor Jeróme en Murat de kroon had gesmeed? Niets natuurlijker en eenvoudiger in schijn; niets dreigender, in waarheid, dan deze noo-diging. De broeder, dien Napoleon had geweigerd langer als koning van Holland te erkennen, moest, als de rempla^ant van Schimmelpenninck en als diens opvolger eerlang in den onwilligen afstand, bij de feesten ter verjaring van de kroning des keizers verschijnen.

Lodewijk begreep het en bleef, ondanks de lange gesprekken, waarin Verhuell hem zocht te overreden, onwillig. Doch

-ocr page 313-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 301

hij begreep tevens, dat een keizerlijke uitnoodiging, zij het ook op officieuse wijze gedaan, zich niet als de raad van dezen of genen minister kortweg liet afwijzen. Eene weigering kon het lot van Holland beslissen. Niet alleen Lodewijk\'s toekomst, die der natie kon er van afhangen. Overtuigd van het gewicht der te nemen besluiten, riep koning Lodewijk zijne ministers Vrijdag den 24sten November te zamen.

Bij den aanvang der merkwaardige vergadering herinnerde de koning de leden aan de verwijdering tusschen hem en zijn broeder. Om de hoogte, waartoe zij gestegen was, te doen uitkomen, gaf hij opening van de gevoerde briefwisseling. Hij deelde de uitnoodiging des keizers, hem door Verhuell overgebracht, mede, en verlangde hunne consideratiën daarover te vernemen. Zijne raadslieden behoorden hun gevoelen met die openheid en cordaatheid uit te spreken, welke het belang dei-zaak vorderde.

Het oordeel van den ministerraad was, dat de koning aan de uitnoodiging gehoor moest geven. Het misnoegen des keizers was zoo hoog gestegen, gelijk uit de correspondentie en de herhaalde klachten en eischen bleek, dat een poging, om het voor goed uit den weg te ruimen, hoog noodig was. De onderwerpen waren van zoo teederen aard, dat niemand dan de koning zelf er afdoende over spreken kon; hij was de beste advocaat in eigen zaak. Eene weigering bovendien zou een hoogst ongunstigen indruk maken op Napoleon, die zoo nadrukkelijk zijn wil had te kennen gegeven. Op deze gronden werd het vertrek des konings naar Parijs noodzakelijk geoordeeld.

Dit was het eenstemmig gevoelen van al de ministers, ook van Kraijenhoff, die niettemin er bijvoegde, dat men behoorde voort te gaan 7(1 om Amsterdam in een geduchten staat van tegenweer te brengen; iets, wat zijne ambtgenootenniet weerspraken en de koning goedkeurde.77 Doch hoe eenstemmig ook hun oordeel was, Lodewijk was door hunne gronden niet overtuigd. Hij wierp de onrust, die zijn vertrek bij de natie zou veroorzaken, als een bezwaar tegen. Van meer gewicht

-ocr page 314-

302 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

was de bedenking, dat hij te Parijs zijnde, indien de keizer het land door Fransche troepen zou willen bezetten, hetgeen hij, Lodewijk, nimmer zou kunnen dulden, „de uitvoering van het een en ander niet zou kunnen beletten. Bleef hij daarentegen in de hoofdstad, alle aanzoeken zou hij met fermeteit kunnen afslaan en een tegenstand bieden, welke voor alle gevolgen kon waarborgen, tenzij men tegen den koning en zijne hoofdstad tot maatregelen mocht willen overgaan, die zoodanig met alle delicatesse zouden strijden, dat hot ondernemen derzelve Z. M. hoogst onwaarschijnlijk voorkwam.quot;

Dit laatste argument des konings doet zien, wat hij verwachtte, en tevens, welk voornemen in zijn ziel had post gevat. Het was moeielijk voor hen, die het plan van gewelddadig verzet afkeurden, dit bezwaar te ontzenuwen. Wat de onrust betrof, die het vertrek bij de natie zou opwekken, zij antwoordden, dat de natie zich over de reize niet verwonderen kon noch zou, omdat zij wist, dat reeds andere vorsten met een gelijk doel, om den keizer te begroeten, naar Parijs waren vertrokken. Het tweede punt, de onmogelijkheid om weerstand te bieden, wanneer Lodewijk te Parijs was, en de mogelijkheid, dat zij minder fermeteit dan hij zouden bezitten, dit werd volmondig erkend. Maar de beteekenis van deze erkenning werd onmiddellijk verzwTakt door de overname en uitwerking van zijn eigen woord, dat men zulke dingen van den keizer niet verwachten kon. Hij zou te Parijs toch niet slechts als Soeverein tegenover Soeverein, maar ook als Broeder tegenover Broeder staan. En, als het ware om het zelfvertrouwen van Lodewijk tot bondgenoot tegen zijn onwil te bezigen, werd er met nadruk op gewezen, hoe \'s konings „overredende toonquot; nog de eenige kans op redding voor Holland was. Niemand bovendien kende zoo goed als hij alles, wat was voorgevallen. Aan onaangenaamheden, arrestatie wellicht, stelde hij zich bloot, maar welk een rijk loon zou hij niet vinden in de vermeerderde volksliefde voor een stap, zoo onwillig, alleen tot redding van het vaderland gedaan !

IJdelheid en zelfvertrouwen waren in koning Lodewijk in

-ocr page 315-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 303

geen geringer mate, dan gewoonlijk in ieder ander menschen-kind, gekroond of ongekroond, ontwikkeld. Doch in oogen-blikken van waarachtig gevaar zijn zij niet bij machte, de stem van het gezond verstand te smoren. Loftuitingen, die op een ander tijdstip hem welkom zouden geweest zijn, lieten hem thans koel. Koning Lodewijk liet zich niet overtuigen, dat hij door zijn „overredenden toonquot; iets zou vermogen, maar bleef bij zijn gevoelen, dat het verkieselijker ware zich beleefdelijk aan de reis te onttrekken. Doch dit gevoelen bleef alleen het zijne, en daarom hem niets over, dan toegeven. Zonder den steun toch zijner ministers was aan geen verzet te denken. Hij noodigde zijne raadslieden uit, hun mondeling uitgesproken advies op het papier te stellen78, en verklaarde zich bereid aan hun eenstemmig gevoelen zich te onderwerpen, schoon hij het de slechtste partij achtte, die hij kiezen kon. Doch hij stelde eéne voorwaarde: hij wilde niet gaan zonder eene nadere, directe uitnoodiging te hebben ontvangen. Hij zou daarom Verhuell onmiddellijk terugzenden, om die van den keizer te vragen.

Indien ook al deze conditie als een laatste, wanhopige poging te beschouwen is, om aan zijn noodlot wellicht nog te ontsnappen, de maatregelen, die hij in dezen avond nam, bewijzen, dat hij voor zich de overtuiging koesterde, dat de teerling geworpen was. Hij droeg aan Röell en Appelius op^ om eene regeling van het bestuur des rijks gedurende zijne afwezigheid en eene instructie voor den raad van ministers te ontwerpen.

Den volgenden dag — Zaterdag 25 November — vertrok de koning naar het paviljoen te Haarlem. Het plan was, er tot \'s Maandags te blijven en de verlangde uitnoodiging des keizers daar af te wachten.

Doch na eenmaal het hoofdpunt te hebben toegegeven, scheen het verkieselijker de reis om geen formaliteit te vertragen. Het gelukte, Lodewijk van de nutteloosheid van langer vertoef te overtuigen, dat wellicht een verkeerden indruk kon maken. Zoo hij spoedig vertrok, zou hij het kronings-

-ocr page 316-

304 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

feest zijns broeders nog kunnen bijwonen. Te midden der feestvreugde ware misschien iets te winnen. Bovendien, de reis was door dit voorgewend doel nog beter dan anders verklaard. Des avonds keerde Lodewijk naar Amsterdam terug, waar toch reeds tegen den volgenden morgen de plechtige audientie, aan het Wetgevend Lichaam te verleenen, was bepaald \'0.

Een vorstelijke audientie is gewoonlijk een dier officieele plechtigheden, waarbij de sprekers zich geroepen achten de juistheid van Talleyrand\'s bitter woord te bewijzen, dat de taal den menschen is gegeven om de gezindheid te. verbergen. Zoo er echter bij dit gehoor van 26 November iets op te merken viel, het was de toon van hartelijkheid en genegenheid, die in de weerzijdsche toespraken doorstraalde. Koning Lodewijk, persoonlijk bemind, boezemde medelijden in om de warmte van zijn deelneming in het lot der natie. Slechts enkelen waren gunstig voor de uiterste maatregelen gestemd, waartoe hij gezind was. Maar dat hij tot zulke plannen overhelde en ze voorstond, was een aanspraak op de dankbare genegenheid ook van hen, die niet gezind waren zoo verre als hij te gaan. De ernst van het oogenblik verhoogde de warmte der gevoelens. Volkomen gemeend waren de woorden, door Mr. J. van de Poll, president van het Wetgevend Lichaam, den koning toegesproken: „De Voorzienigheid, die het land zoo dikwerf weldeed, zegene de pogingen, die door Uwe Majesteit worden aangewend. Zij doe U eenmaal getuige zijn van dien voorspoed, dien Uw edel hart zoo innig wenscht daarin te vestigen. Zij geleide (en hier, Sire, vereenigen zich de hartelijkste wenschen van ons en van geheel uw volk) Zij geleide spoedig in ons midden terug een monarch, dien wij als onzen Koning eerbiedigen en als onzen Vader beminnen.quot;

De audientie had voornamelijk ten doel het aanstaand vertrek van Lodewijk officieel bekend te maken. Beiden, de president en de koning, lieten het duidelijk uitkomen, dat de reis alleen ondernomen werd, om aan de uitdrukkelijke begeerte des keizers, die zijn broeder had uitgenoodigd, te voldoen.

-ocr page 317-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 305

Na afloop der plechtigheid was het overige van den dag gewijd aan het beramen en vaststellen van de noodige maat-legelen van bestuur gedurende \'s konings afwezigheid. Het dagelijksch bewind werd opgedragen aan den Raad van Ministers, onder presidium van Van der Heim. De beslissing van eenige hoofdpunten hield de koning aan zich: de benoemingen, de ontzettingen, het zenden van troepen naar het buitenland, het toelaten van vreemde troepen buiten de thans reeds door hen bezette streken. Bij eene geheime instructie, die onder den minister-president moest blijven berusten, werd het laatste punt nader bepaald. Daarin werd uitdrukkelijk verboden, vreemde troepen te admitteeren buiten Zeeland en die streken, welke tot het hernemen van Walcheren door de Franschen reeds waren in bezit genomen. Tegen verdere uitbreiding moest de Raad met nadruk protesteeren. De vestingen moesten gesloten blijven, doch alle hostiele maatregelen vermeden worden. Zoo de hoofdstad wierd bedreigd, moest de raad zich op de sterkste wijze daartegen verzetten, doch vooraf aandringen om orders te mogen vragen. Voor alle bevelen of decreten des konings, dit punt rakende, werd vastgesteld, dat geen enkel van kracht mocht geacht worden, ook al droeg het de koninklijke handteekening, zoo hij zelf niet eigenhandig er de woorden had bijgevoegd: doe ivel en zie niet om.

Met deze strenge bevelen, die de vrees bewijzen, waarmede de stappen van het Fransche leger werden gadegeslagen en de- plannen, die men den keizer toeschreef, gingen eenige maatregelen gepaard, die de uitvoering moesten gemakkelijk maken. De generaal Kraijenhofï werd aan het hoofd der militaire macht van Amsterdam geplaatst, de zeemacht onder de bevelen van Verdoren, onder zijne orders gesteld. Geen andere dan Hollandsche bevelhebbers, aan wier trouw niet te twijfelen was, mochten in Amsterdam blijven. De generaal Tarayre, kommandant van de koninklijke garde, werd uit de hoofdstad naar Zeeland verplaatst en onder den Hollandschen maarschalk Dumonceau gesteld. Ook andere

, 20

-ocr page 318-

306 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

Fransche hoofdofficieren werden door bijzondere commissiën verwijderd. De minister van oorlog, Kraijenhoff, was het voornamelijk, op wien de konipg rekende. Hem droeg hij èn schriftelijk èn bij een laatste samenkomst de volle verantwoordelijkheid op van de maatregelen, die voor de verdediging des lands, inzonderheid der hoofdstad, vereischt zouden worden. De geheele armee stond onder zijn kommando, om daarover naar gelang der omstandigheden te beschikken, zonder aan iemand, wie het ook zijn mocht, deswegens verantwoording schuldig te zijn, dan aan den koning bij zijne terugkomst80.

Voor \'t overige werd deze dag, de voormiddag en de avond, doorgebracht met gesprekken over de vermoedelijke gevolgen van de reis. Ook la Rochefoucauld, de weinig aangename gezant, verscheen en had een langdurig onderhoud met Lode-wijk81. De reis keurde hij goed, maar niet dat Röell, de minister van buitenlandsche zaken, den koning vergezellen zou. Hij meende, dat deze als te Engelschgezind bekend stond, om welkom aan den keizer te zijn. Met verschillende personen onderhield zich Lodewijk op dezen laatsten c.ag van zijn verblijf. Zijne vreeze voor den ongunstigen afloop, die hij op aandoenlijke wijze uitte, zich zeiven als het onredbaar offer voor het welzijn der natie voorstellende, wierp een diep weemoedige tint over deze afscheidsuren. Zou hij waarlijk voor de laatste maal zijns levens met hen hier te zamen zijn, en het hem niet vergund worden weder te keeren? Des nachts om twaalf uur verlieten de ministers, het paleis, diep bewogen met den ongelukkigen vorst, van wien zij scheidden. Het grillig lot had dien man slechts zoo hoog verheven, om hem te smadelijker neer te ploffen.

-ocr page 319-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 307

III

P A R IJ S.

In den vroegen morgen van Maandag 27 November verliet koning Lodewijk Amsterdam, van een klein gevolg vergezeld. De sombere tocht, waarop hij, geslingerd door hoop en vrees, tevergeefs bemoediging en troost zocht bij zijne reisgenooten, duurde vier dagen. Den lston December bereikte hij Parijs. In strijd met het verlangen zijns broeders, nam hij zijn intrek in het hotel zijner moeder, en niet bij koningin Hortense.

Het eerste bezoek aan Napoleon gebracht scheen niet ongunstig : de keizer ontving hem met eenige hartelijkheid en sprak kalm over de geschillen. Maar deze zachte stemming duurde kort. Reeds de volgende maal werd Lodewijk met verwijten overladen en Holland „une colonic Anglaise et plus ennemie de la France que l\'Anglcterre mêmequot; genoemd. Hoe weinig goeds hij te wachten had, bleek uit de bijgevoegde bedreiging: ,,je veux manger la Hollandequot;. Bij de opening van het Wetgevend Lichaam (3 Dec.), kondigde de keizer aan, dat de veiligheid der Fransche grenzen en het welbegrepen belang der beide landen veranderingen in Holland dringend noodzakelijk maakten. Genoeg voor koning Lodewijk, om na enkele dagen van zijn verblijf de juistheid in te zien van het oordeel der Spaansche koningin, die hem zeide: „als gij de inlijving vreest, hebt gij zeer verkeerd gedaan om hier te komen.quot;

Napoleon scheen aan geen andere oplossing te denken. In den beginne werd de inlijving wel niet rechtstreeks en bepaaldelijk door hem gevorderd, maar de wijze waarop hij de Hol-landsche zaken besprak, liet geen anderen afloop toe. Nu eens was het, dat hij Holland alleen beheerschen wilde. Dan, dat koning Lodewijk bij gelegenheid een ander rijk

-ocr page 320-

308 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

in Duitschland kon bekomen; of hij mocht, zoo hij dit liever deed, rustig als Fransch prins zijne dagen eindigen. Bij vreedzame overgave van Holland zouden er nog eenige goede conditiën te bedingen zijn; zoo echter eene oorlogsverklaring noodig ware, achtte de keizer zich van alle verschooning ontslagen.

Tegenover deze ontmoedigende verklaringen kon het als een gunstig teeken gelden, dat de hertog van Cadore, minister van buitenlandsche zaken, den koning een bezoek bracht en aanmoedigde, om door billijke voorslagen den toorn zijns broeders te verzoenen. In de hoop, het ijzer te smeden terwijl het heet was, werden daarop van skonings zijde eenige aanbiedingen gedaan. Zij werden aanstonds als geheel onvoldoende verworpen, maar Napoleon verklaarde toch in zijn antwoord niet ongenegen te zijn om in schikking te komen.

Zoo scheen ten minste één stap, en wel de meest belangrijke, gewonnen. Indien er onderhandeling werd toegestaan, trad het denkbeeld der inlijving op den achtergrond. Doen de toegeeflijkheid was van korten duur. Toen Lodewijk eenige voorslagen, door den Franschen minister opgesteld, op zijne beurt verwierp, scheen de keizer onmiddellijk tot zijn vroeger denkbeeld terug te keeren en verklaarde hij, dat de vereeniging der beide landen verreweg verkieselijker was; zij moest toch eenmaal geschieden.

Deze bedreiging, vroeger en later steeds herhaald, als het noodig scheen schrik aan te jagen, begon door de herhaling haar kracht te verliezen. Lodewijk antwoordde, dat er dan ook van geene onderhandeling of conditiën sprake kon zijn, daar eene vereeniging natuurlijk eene gelijkstelling met zich bracht. Hetzelfde liet hij door Röell aan den hertog van Cadore verklaren, met bijvoeging, dat hij zelfs den schijn van instemming of goedkeuring der reünie wilde vermijden. Ook, indien er slechts van afstand van grondgebied sprake zou zijn, zonder dat aan Holland schadeloosstelling wierd verleend, wilde hij om dezelfde reden in geen onderhandeling treden.

-ocr page 321-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 309

Het was in deze discussiën een groot bezwaar voor den koning van Holland, dat hij de ware bedoelingen des keizers niet kende. Iedere samenkomst der broeders leverde een treurig tooneel op. Napoleon deed allerlei verwijten en bedreigingen, maar onthield zich van het stellen van bepaalde eischen. Ook de Fransche minister van buitenlandsche zaken verzekerde voortdurend \'s keizers plannen niet te kennen. Hij meende echter, dat de inlijving van Holland niet bepaald gewenscht werd. Napoleon daarentegen noemde steeds de reünie de natuurlijkste oplossing. In het verslag van den staat des kei-zerrijks, dat aan het Wetgevend Lichaam werd ingediend, liet hij nopens Holland schrijven: „Holland is eigenlijk niets dan een deel van Frankrijk. Men noemt het bij zijn juisten naam, wanneer men het een aanslibbing noemt van den Rijn, de Maas en de Schelde, die groote slagaderen van het Fransche rijk. De nietigheid van zijne tolkantoren, de ongunstige stemming van zijne beambten en de denkwijze van zijne bewoners, die voortdurend naar sluikhandel met Engeland streven, leggen aan Frankrijk den plicht op om aan hetzelve den handel op den Rijn en de Wezer te verbieden. Voortdurend heen en weer geslingerd tusschen Frankrijk en Engeland, mist Holland de voordeelen, die in strijd zijn met Frankrijks stelsel, en tevens die, welke het anders kon genieten. Het is tijd, dat dit alles tot zijn natuurlijke orde wederkeere.quot; Welke echter die natuurlijke orde was, liet hij hier onbeslist. In zijn gesprekken met Lodewijk kwam hij altijd op de inlijving terug: „Ik kan u nooit met rust laten. Vroeg of laat moet de vereeniging geschieden. Ik heb behoefte, in den oorlog met Engeland, aan uitgestrekte kusten. Het is daarom beter, dat het nu maar geschiede.quot;

Het is onnoodig den stroom van gewaarwordingen te teekenen, die de zoo strijdige houding van keizer en minister bij Lodewijk opwekte. Bijna drie weken verliepen, zonder licht te geven. Wat eigenlijk het keizerlijk gouvernement wilde, was niet op te maken. Koning Lodewijk noch Röell of Verhuell wist, waaraan zich te houden. Voor ons, die later

-ocr page 322-

310 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

levende het geheel overzien en het verhand der feiten nagaan,, is het duidelijk, dat de keizer Lodewijk heeft willen schi\'ik aanjagen, om hem tot vrijwillig aftreden te brengen. Op die wijze bespaarde hij zich zeiven de moeielijkheden, die hij bij het bezigen van geweld te overwinnen had. Een der crootste bezwaren ontstond uit de ietwat vreemde verhou-ding, waarop hij in de laatste maanden dezes jaars tot de groote mogendheden van Europa stond. De parvenu onder de vorsten zocht een verbintenis met een der oudere dynastieën aan te gaan. Hij verbrak zijn eerste huwelijk, verstiet de vrouw, die den langen weg van de revolutie tot den keizerstroon met hem had afgelegd, en meende zijne dynastie te bevestigen, door de dochter van een oud vorstengeslacht in zijn huwelijksbed te ontvangen. Op dit oogenblik zou de opheffing van het zelfstandig bestaan der Hollandsche natie, om de herinneringen die zij wakker riep, de publieke opinie als een nieuw bewijs van zijn revolutionaire willekeur schokken en verbitteren. Het kwam hem daarom voorzichtiger en\' raadzamer voor, deze nieuwe gewelddadigheid, hoe onvermijdelijk hij ze ook oordeelde, langzaam voor te bereiden, dan haar thans uit te voeren.

Na drie weken, den 2lsten December, schreef keizer Napoleon een uitvoerigen brief aan zijn broeder, waarin hij den geheim-zinnigen sluier, die zijne bedoelingen bedekte, scheen op te heffen. Voor de eerste maal stelde de keizer zelf zijne eischen, die echter duidelijk bewezen, dat de onafhankelijkheid, die hij wilde toegeven, slechts in schijn zou bestaan. Trouwens, Napoleon kwam er rond voor uit, dat hij de onmogelijkheid der aanneming inzag, maar ze juist daarom had gesteld. Afstand van een aanzienlijk en vruchtbaar deel van het koninkrijk zonder schadeloosstelling; onderhoud van een aanzienlijk leger en een uitgebreide vloot; staking van allo gemeenschap met Engeland, dit waren de hoofdpunten. De last, door Holland te dragen, werd boven vermogen verzwaard; en gelijktijdig werden de krachten verminderd door de ontneming van twee der aanzienlijkste provinciën (Brabant en Zeeland)

-ocr page 323-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 311

Het was duidelijk, dat de keizer, om politieke redenen aarzelende te doen, wat hij het liefste wilde, niet dan onwillig voor de macht der omstandigheden, die de dadelijke inlijving ongeraden deed zijn, bukte.

Aan koning Lodewijk intusschen, ofschoon volkomen de verre strekking der keizerlijke vorderingen inziende, bleef niets over dan op den grondslag van dezen brief de onderhandelingen aan te vangen. Van zijne zijde werden, in antwoord op Napoleon\'s eischen, aanbiedingen gedaan, die onmiddellijk als volstrekt onvoldoende werden verworpen. Doch te midden der aangevangen onderhandelingen werden ze op eenmaal afgebroken. De keizer weigerde voort te gaan, zoo de koning niet eerst ten aanzien van twee punten hem tevreden stelde. Lodewijk moest den officier, die zich, naar het heette, tegenover den Franschen kaper had vergrepen, doen arresteeren, en tevens toestaan, dat Pruisen in Holland eene leening sloot, waarvan het bedrag gedeeltelijk, daar het tot betaling van oorlogskosten moest strekken, in de kas van Frankrijk zou vloeien.

Na het toegeven van deze eischen meende de koning, dat niets meer den rustigen gang der onderhandelingen zou belemmeren. Hij vleide zich zelfs met een goeden uitslag. Doch dit aangenaam vertrouwen week spoedig. De hertog van Cadore, die tot dusver het denkbeeld der inlijving als onwaarschijnlijk had verworpen, begon nu op zijne beurt van reünie te spreken. Sterker dan te voren werd, ook in den Moni-teur, met de vereeniging gedreigd. Ongunstige geruchten nopens de bewegingen der Fransche troepen in Brabant verspreidden zich. Den 7(k,n Januari 1810 vernam de koning, dat Oudinot, hertog van Reggio, het bevel had ontvangen, om zich ten spoedigste aan het hoofd van het Noorderleger te stellen. Dat de maatregel een anderen vijand dan de Engelschen gold, was duidelijk. Deze toch hadden reeds sedert veertien dagen geheel Zeeland verlaten. Geen wonder, dat deze verschijnselen te zamen Lodewijk\'s onrust verlevendigden. Hij moest vreezen, dat terwijl hij te Parijs werd beziggehouden.

-ocr page 324-

312 DE ONDERGANG VAN HET KONINKEIJK HOLLAND.

in Holland alles wierd voorbereid, om hem eerlang tegenover een fait accompli te plaatsen, dat hem geen andere keus dan afdanking zou overlaten. Buiten zijn rijk gelokt zou hij, wie weet hoe spoedig, koning zonder land zijn.

Een gesprek, dat Lodewijk na het ontvangen dezer onrustbarende tijdingen met zijn broeder had (8 Jan.), strekte maar al te zeer om zijne vrees te versterken. De keizer, die zich met groote heftigheid uitliet en Lodewijk een hypocriet schold, ging geheel van zijn brief van 21 December af. Zonder zich om de daar gestelde vorderingen te bekreunen, eischte hij thans, dat de koning zijn demissie zou nemen — het woord abdiceer en scheen te verheven ■— of een vergadering van notabelen naar Parijs ontbieden, om hen te raadplegen. Onder den drang van het oogenblik nam Lodewijk dezen laatsten voorslag, waarvan hij de strekking niet dadelijk inzag, aan.

Zoo dreigde het koninkrijk Holland onder te gaan, als de Bourbonsche monarchie in Spanje. De notabelen der natie, onder den druk van \'s keizers ijzeren hand, zouden te Parijs, als de Spaansche grandes te Bayonne, tegen eigen zin en wil den ondergang van hun volk besluiten. Doch de minister, die Lodewijk ter zijde stond, was koeler van beraad en scherper van doorzicht dan hij. Röell zag de gevaarlijke strekking dei-propositie onmiddellijk in en schilderde aan Lodewijk het gevaar van de samenroeping der notabelen met zulke levendige kleuren af, dat deze den toorn des keizers, hoe hevig hij ook door een intrekking der gegeven toestemming mocht ontbranden, geringer dan het gevaar der bijeenkomst achtte. Onder den vorm van uitstel te vragen, stelde de koning de oproeping zijner onderdanen ter zijde.

Er is geen twijfel aan, dat de keizer, indien zijne wankelende en kronkelende gedragslijn jegens Holland hem niet door andere consideratiën ware voorgeschreven, thans aan zijn telkens herhaalde bedreiging van inleving zou gevolg gegeven hebben. Maar én zijn naderend huwelijk met Maria Louise, dat hem alle openlijke daden van geweld in dit oogenblik ongeraden maakte, én de financieele moeilijkheden, waarin

-ocr page 325-

DE ONDEEGAKG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 313

hij door den kostbaren Spaanschen krijg verkeerde, deden hem de voorkeur geven aan het inslaan van een nieuwen weg. Hij wilde beproeven, of het lot, waarmede hij Holland bedreigde, misschien Engeland tot toegeeflijkheid zou stemmen. Vrede met den hardnekkigen Brit zou de inlijving van Holland onnoodig maken, den Franschen handel van de drukkende kluisters bevrijden, die hij zelf hem had aangelegd, en tevens zijn heerschappij in Europa en zijn dynastie op den Franschen troon bevestigen.

Den voorslag van Lodewijk, om de oproeping der notabelen uit te stellen, nam hij daarom bereidwillig aan, onder voorwaarde, dat van de zijde van Holland eene poging wierd aangewend om Engeland voor den vrede te winnen. Hij wilde, dat het Hollandsch gouvernement het gevaar van inlijving, dat het land bedreigde, als een lokaas zou bezigen om Engeland tot nieuwe vredesonderhandelingen met het keizerlijk bestuur, dat van geen enkelen zijner vroegere eischen afstand deed, te bewegen.

Het was over dit plan, dat aanhoudend van gedaante veranderde, over den persoon, aan wien de zending zou worden opgedragen, de instructie, hem mede te geven, en dergelijke zaken, dat gedurende het overige van deze Januarimaand voortdurend werd onderhandeld. De keizer, die het eerst het denkbeeld der missie had geopperd, wilde later, dat de zaak geheel buiten hem om zou gaan; en zoo geschiedde het. In het laatst der maand werd de belangrijke taak aan den heer Labouchère, gérant en chef van het huis Hope amp; comp., toevertrouwd. Het lot van Holland scheen thans in Engelands handen nedergelegd.

Doch terwijl koning Lodewijk al het mogelijke deed om de inlijving te voorkomen, had de loop der gebeurtenissen in het vaderland hem tot zeer belangrijke concessiën gedrongen. In de twee eerste maanden van zijn verblijf te Parijs was zijn stelling tegenover het keizerlijk gouvernement reeds zoozeer verzwakt, dat ook bij het hervatten der onderhandelingen geen goede uitslag verwacht kon worden.

-ocr page 326-

314 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

Onmiddellijk na het vertrek des konings naar Parijs had de hertog van Istrië Zuid-Beveland in staat van beleg verklaard en de sequestratie gevorderd van de magazijnen van koloniale producten of Engelsche waren in Noord- en Zuid-Beveland en in Wolfaartsdijk aanwezig (28 Nov.)83. Op verzoek van Dumonceau werd de uitvoering verschoven, totdat de koning zou geraadpleegd zijn 8l. Lodewijk weigerde zijne toestemming en Bessières scheen de zaak te laten loopen.

Doch het mindere werd slechts prijsgegeven, om het meerdere te verkrijgen. Toen de Engelschen den 24sten December Walcheren verlieten, werd het eiland door de Hollanders onder den generaal-majoor Gort Heyligers bezet. De Fransche troepen volgden hen op den voet. De generaal Gilly vestigde zich, op last van Bessières, te Middelburg en vaardigde aldaar den 27sten Decembf r eene proclamatie aan de inwoners van Walcheren uit, waarbij hun kennis werd gegeven, dat het eiland in het Fransche keizerrijk was ingelijfd 35. Den 4lt;,en Januari moesten de Holland-sche troepen het eiland ontruimen, dat door den keizer geheel eigenmachtig van het koninkrijk Holland was afgescheurd.

Zulk een ongehoorde daad van willekeur baarde algemeen opzien en onrust. Niet het minst bij \'s konings ministers, in wier handen hij het bestuur der zaken had overgegeven en die zijne geheime bevelen hadden ontvangen. In de eerste dagen en weken na Lodewijk\'s afreize had er, naar \'t schijnt, in den ministerraad eensgezindheid geheerscht, om de onafhankelijkheid des lands, zoo het noodig mocht worden, desnoods met geweld te handhaven. Den 19den December waren er nog bevelen tot verdediging gegeven 80. Langzamerhand echter, naarmate het gevaar nader kwam, begon er verdeeldheid te ontstaan. De meesten aarzelden om op den ingeslagen weg voort te gaan: met Kraijenhoff schijnen alleen Capellen en Appelius87 standvastig gebleven te zijn. De weifelenden werden in hun aarzeling versterkt door de houding, die la Rochefoucauld na \'s konings vertrek aannam. Nog vóór de laatste proclamatie, die Walcheren bij Frankrijk inlijfde, had hij zich een daad veroorloofd, die door de stoutheid zelve

-ocr page 327-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 315

zeer geschikt was om de vrees te vermeerderen. De gezant noodigde velen der notabelste ingezetenen van Amsterdam bij zich om met hen, als ware het land zonder hoofd of regeering, den toestand te bespreken en hunne denkbeelden te vernemen8S. Een gelijken stap deed hij bij den heer Mollerus, tijdelijk met het ministerie van buitenlandsche zaken belast. Mollerus had de groote beleefdheid aan de uitnoodiging gehoor te geven. In een langdurig gesprek gaf la Kochefoucauld breed van \'s keizers goede bedoelingen met Holland op en polste tevens, wat de hoofdbedoeling schijnt geweest te zijn, den Hollandschon minister over verschillende punten, den afstand van grondgebied, het bankroet, den terugkeer van Hortense en andere dergelijke zaken89.

Zulk een inmenging van een diplomatiek agent in het binnenlandsch bestuur van een onafhankelijk volk, op het oogenblik dat de koning zelf te Parijs onderhandelde, kon niet nalaten een zeer ongunstigen indruk te maken. Niemand geloofde, dat de gezant uit zich zelf zulk een stap zich veroorloofd zou hebben, hoe hoog men zijn zelfvertrouwen en aanmatiging ook aansloeg. Koning Lodewijk was ernstig boos over de eerbiedige toegeeflijkheid, die men hem betoond had, maar niet minder over la Rochefoucauld\'s vermetelheid zelve. Hij liet door Roell bij den hertog van Cadore over de aanmatiging van den ambassadeur klagen; maar zonder eenige vrucht. De minister verdedigde de handelwijze, zoo goed hij kon, en hiermede liep de zaak af. Trouwens hij kon moeie-lijk eene daad afkeuren, die bij den keizer op goedkeuring hopen mocht. Napoleon had den gezant gelast, hem den indruk mede te deelen, dien zijne toespraak tot het Wetgevend Lichaam in Holland had gemaakt. En wat had la Rochefoucauld anders gedaan, dan zich daarvan op de meest zekere wijze vergewissen ?30

Was de handeling van den ambassadeur verontrustend, — de bevelen, die koning Lodewijk aan zijne ministers toezond, bewezen dat de vrees, in Holland door hem gekoesterd, te Parijs niet ijdel was bevonden. Den 15den December gaf Lode-

-ocr page 328-

316 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

wijk last, om twee compagnieën van zijne garde, die geheel uit Fransehen bestonden, van het vermoedelijk tooneel van den strijd te verwijderen en naar Noord-Beveland te zenden. De Fransche generaal Ferrières werd naar Schouwen verplaatst

Weinige dagen later (27 Dec.) schreef hij zijnen ministers enkele maatregelen van voorzorg voor, opdat zij niet door het voortrukken der Fransche troepen zouden verrast worden. Eenige hoofdofficieren moesten naar de grenzen worden gezonden, om de bewegingen der Franschen gade te slaan ; wanneer dezen het Hollandsch grondgebied wilden betreden, moesten zij door hunne vertoogen zoo lang mogelijk het voortrukken trachten tegen te houden, opdat inmiddels de wil des konings zoude kunnen gevraagd worden9\'.

Zoodanige bevelen bewezen, dat de toestand verergerde. Kraijenhoff zag er tevens het bewijs, in, dat Lodewijk bij zijn vroegeren last, hem met zooveel nadruk op \'t hart gebonden, volhardde. Hij zelf was de man niet, om zich eigenmachtig van de verplichting, die de eer des lands, naar zijne overtuiging, zoowel als het koninklijk bevel hem oplegde, te ontslaan. Hij ging voort, ondanks de afkeuring van sommigen zijner ambtgenooten, alles tot het bieden van tegenstand voor te bereiden. Van de bezetting van Walcheren door de Franschen zocht hij gebruik te maken, om de Hollandsche troepen, die onder Dumonceau in Zeeland lagen, tot zijne beschikking te krijgen. Door den Hollandschen maarschalk poogde hij te bewerken, dat de hertog van Istrië vergunde, deze troepen van de eilanden naar het vaste land (Brabant) te verplaatsen. Doch Bessières weigerde de toestemming, evenzeer als zijn opvolger, de hertog van Reggio. Het legercorps van Dumonceau werd tot 15 April 1810 in Zeeland vastgehouden, waardoor zeer bruikbare krachten, indien het tot een strijd ware gekomen, aan Kraijenhoff zouden onttrokken zijn

In dezen stand van zaken kou de proclamatie, waarbij de generaal Gilly Walcheren tot een deel des keizerrijks verklaarde, niet nalaten een grooten schrik te verwekken. De ministerraad besloot, bij het blijkbaar naderen van het gevaar,

-ocr page 329-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 317

meer stellige bevelen te vragen. De defensie van de hoofdstad was tot dusver in de verschillende voorschriften des konings wel als onvermijdelijk aangenomen, maarniet stellig voorgeschreven. Bovendien was het mogelijk, dat de onderhandelingen te Parijs Lodewijks inzichten op dit punt hadden gewijzigd.

Deze aanvraag van het ministerie kwam Lodewijk hoogst ongelegen. Hij vond het zeer onaangenaam, tot stellige bevelen gedwongen te worden. Het verzoek maakte hem knorrig en gemelijk. „C\'est a euxquot; — zei hij tegen Röell — „de savoir ce qu\'il faut faire. C\'est a présent le moment de prouver, que les Hollandais ne sont pas encore dégénérés de leurs ancétres.quot; Het was schoon gezegd en getuigde van veel achting voor de natie, maar gaf weinig licht over zijne bedoelingen. Hoe onwillig ook, hij moest antwoorden. Eene beslissing van hem alleen kon een einde maken aan het verschil van gevoelen, dat in den ministerraad heerschte.

Het antwoord, dat, door hem zeiven gesteld en van den 5den Januari gedateerd, naar Holland werd gezonden, muntte niet uit door duidelijkheid. Iedere partij vond er bevestiging van haar gevoelen in. Demeerderheidechtermeendehetschrijven des konings in dien zin te moeten opvatten, dat in geen geval vreemde troepen binnen de hoofdstad mochten toegelaten worden ■

Het was juist in deze dagen (Jan. 1810), dat het opperbevel des Franschen legers uit de handen van Bessières in die van een opvolger overging. De hertog van Istrië keerde naar Parijs terug, om met een deel der keizerlijke lijfwacht Spanje binnen te rukken05. In zijne plaats trad Oudinot, hertog van Reggio, aan het hoofd van het Noorderleger op. Met angst werd zijne benoeming vernomen. Het gerucht toch verspreidde zich, dat hij strengere bevelen dan zijn voorganger had. Dumonceau, die . met Bessières steeds op goeden voet was geweest, kwam met Oudinot spoedig in moeielijkheden. De bewegingen die, aanstonds na Oudinot\'s optreden, bij de Fransche troepen werden waargenomen, deden de handelingen van den nieuwen opperbevelhebber met zorg en vreeze te gemoet zien. Den 15dcn Januari ontving Kraijenhoff bericht, dat

-ocr page 330-

318 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

een deel des Franschen legers Bergen-op-Zoom was genaderd en geëischt had, de vesting in naam des keizers in bezit te nemen. Hetzelfde geschiedde te Breda en te \'s Hertogenbosch. In de drie plaatsen weigerden de Hollandsche bevelhebbers, volgens de hun gegeven instructie, de troepen binnen te laten Oudinot trok zijne brigades in de kantonnementen terug en zond, gelijk ook Kraijenhoff deed, bericht van het gebeurde naar Parijs.

In den nacht tusschen 16 en 17 Januari kwam de jobsbode bij den ambassadeur Verhuell aan 97. Koning Lodewijk, die dergelijke maatregelen het minst verwachtte in dagen, dat hij met het keizerlijk gouvernement over de zending naar Engeland onderhandelde, gevoelde zich diep gekrenkt en liet door zijn minister en zijn ambassadeur bij den hertog van Cadore tegen deze handelwijze van Oudinot vertoogen indienen. Eene behoorlijke verklaring verkregen zij niet. Nu «ens was het bezetten dier vestingen en van geheel Brabant een gevolg van den „voet van oorlogquot;, waarop Frankrijk tegenover Holland stond; dan eens een maatregel, die geen andere strekking had dan om Engeland tot het spoedig aanknoopen van onderhandelingen, ten einde Holland nog te redden, te bewegen. 98 Zulke explication gaf de hertog van Cadore; en wat Röell of Verhuell er ook tegen inbracht, het baatte niets. Nog minder was er sprake van het intrekken van Oudinot\'s bevelen. Toen de keizer vernomen had, dat de gouverneurs der vestingen tegenstand hadden geboden, kwam zelfs de Fransche minister van oorlog tot koning Lodewijk, om met nadruk in \'s keizers naam over hun verzet als beleedigend voor Frankrijk te klagen en te vorderen, dat de koning hun onmiddellijk liet aanschrijven aan de bevelen van Oudinot te voldoen. „Rendez-vous chez le roiquot; — had de keizer aan Clarke, den minister van oorlog, gelast — „rendez-vous chez le roi pour lui faire connaitre que, s\'il ne remedie pas a l\'affront qui a été fait a mes troupes, je les ferai marcher sur Amsterdam, et que je déclarerai la reunion de la Hollande a la France. Vous lui direz que mes troupes venaient occuper militairement ces places, et que je

-ocr page 331-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 319

suis le maitre de les faire entrer dans Berg-op-Zoom et Breda, qui ont toujours été dans les mains de mes armées; que c\'est a lui a prescrire des mesures, sans quoi il sera responsable du sang qui couleraquot;.09

Men ziet, de beleediger nam het voorkomen aan de belee-digde te zijn. Eene taktiek, die, zoo ze door overmacht gesteund wordt, een dubbel voordeel geeft: zij maakt zelfverdediging onnoodig en schenkt de gelegenheid, nieuwe eischen te stellen. Keizer Napoleon maakte ruimschoots van deze voordee-len gebruik. Van verdediging zijner handelwijze was geen sprake: aan Lodewijk was het zich te verdedigen, en tevens om zich aan \'s keizers wil te onderwerpen.

Toen het bericht van het gebeurde te Parijs aankwam, hield de koning zich met de toebereidselen tot zijn aanstaand vertrek bezig. Het plan van onderhandeling mot Engeland had hem overtuigd, dat een langer vertoef noodeloos was. Hij wenschte, met het oog op mogelijke gebeurtenissen, in Holland terug te zijn. Röell, zijn minister van buitenlandsche zaken, zou achterblijven, om bij tijd en wijle de onderhandelingen met het keizerlijk gouvernement te hervatten. Dubbel onaangenaam was hem het bericht van Bergen-op-Zoom en Breda, omdat hij vreezen moest de vergunning tot vertrek nu niet te zullen erlangen. En werkelijk weigerde de keizer hem den terugkeer toe te staan. „Du moment que le roi part, je réunis la Hollandequot;, liet hij hem twee dagen later aanzeggen.

Reeds vóór deze stellige verklaring had Lodewijk de ergernis, uit de jongste botsing voor de vestingen genomen, uit den weg trachten te ruimen. De twee officieren, die hem door de gouverneurs der beide plaatsen waren toegezonden, waren aanstonds weer vertrokken met last, om de Fransche troepen in de vestingen te ontvangen met al de zorg, welke men aan troepen van eene bevriende en geallieerde mogendheid schuldig is.

Doch deze inwilliging, wel verre van den keizer te verzoenen, deed zijne eischen stijgen. Napoleon liet zijn broeder

-ocr page 332-

320 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

kennis geven van nieuwe bevelen, door hem aan Oudinot toegezonden : de landen tusschen Schelde en Maas moesten bezet, en wie met de wapenen in de hand gevat werd, moest over de kling worden gejaagd. 100 Toestemming tot deze bezetting werd eigenlijk niet gevraagd van den koning van Holland: hij mocht toezien. En wat anders dan toezien bleef hem over, zoo hij eene botsing vermijden wilde, die den ondergang van zijn rijk zou verhaasten?

Plet eenige middel, om de bezetting der vestingen en van Brabant in de gevolgen zoo onschadelijk mogelijk te maken, was, haar als een bloot militaire operatie aan te nemen. Hij schreef daarom zijnen ministers uitdrukkelijk voor, dat deze bezetting niet anders dan als kantonnement en volstrekt niet als inbezitneming des lands door hen mocht erkend worden I01. Eene bezitneming toch kon niet geschieden, dan krachtens een tractaat van afstand, door het Wetgevend Lichaam geratificeerd en gepubliceerd 10i. Door deze onderscheiding scherp uit te spreken en aan te bevelen, wilde hij aan het bezetten van Brabant den schijn geven, als gold het alleen een militaire, en niet een politieke daad. Tot geruststelling van het publiek kon deze distinctie misschien eenigszins bijdragen ; doch zeker niet langer dan zij door de Fransche troepen zelve werd in het oog gehouden. Bij den bekenden wil des keizers, om zoo niet geheel, dan toch een deel van het Hollandsche rijk, dat hij voor de versterking van Antwerpen behoefde, in te lijven, was het niet te verwachten, dat de hertog van Reggio zich langen tijd van inmenging in het civiel bestuur zou onthouden. De bezetting van Brabant, Lodewijk kon het voorzien, zcu spoedig blijken het eenvoudige middel te zijn, om dit gewest tot een deel van Frankrijk te maken. Met dit vooruitzicht voor oogen, was het toelaten der Fransche troepen in de vestingen eene inwilliging van gewicht. Van weigeren kon trouwens geen sprake zijn; Lodewijk, te Parijs vastgehouden, was machteloos tot verzet.

Nadat zijne bevelen in Holland waren aangekomen, wer-

-ocr page 333-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 321

den den 24attquot; Januari Bergen op Zoom en Breda door Fransche brigades bezet103. Onmiddellijk bleek het, dat de hertog van Reggio geene bevelen had ontvangen, die hem dwongen Lode-wijk\'s voorwaarde te eerbiedigen. Hij wist integendeel van den minister van oorlog, dat het \'s keizers plan was het land tusschen Maas en Schelde bij het rijk in te lijven.quot;quot; De krijgs-materialen, in de vestingen aanwezig, werden in beslag genomen ; de magazijnen, op de weigering der Hollandsche ambtenaren om de sleutels over te geven, met geweld geopend en bezet; de Hollandsche gouverneurs afgezet en getrouwheid aan den keizer den ambtenaren voorgeschreven.

Toen de ministerraad te Amsterdam van deze maatregelen in Brabant bericht ontving, begreep hij een poging te moeten doen om de conditie van Lodewijk\'s toestemming te handhaven. De staatsraad Elout begaf zich naar Breda, om bij Oudi-not op ernstige wijze tegen elke inbreuk van het militair op het civiel bestuur te protesteeren en hem te herinneren, dat de bezetting slechts kantonnement mocht zijn. De hertog van Reggio ontving Elout met veel heuschheid, maar beriep zich op zijne instructiën, waarvan hij niet mocht afwijken. Als militair kon hij geen andere dan militaire consideratiën doen gelden, en was hij aan de ontvangen bevelen gebonden. Hij beloofde echter zijn last met zachtheid en bescheidenheid te zullen uitvoeren, en deze ook aan zijne ondergeschikten aan te bevelen.105 Onverrichter zake, wat het hoofdpunt betrof, keerde Elout naar Amsterdam weder.

Met de bezetting van het land tusschen Maas en Schelde, bij keizerlijk decreet van 20 Januari tot territoir verklaard van het Leger van Brabant, gelijk thans het Noorderleger werd herdoopt, deed zich al dadelijk een nieuwe kwestie op. In deze streken bevonden zich Hollandsche troepen. Reden tot langer vertoef, nadat Brabant door Oudinot\'s leger was bezet, bestond er voor hen niet; hun terugkeer naar de noordelijke provinciën mocht wenschelijk heeten met het oog op de plannen rakende Amsterdam. Doch de keizer, die niets over het hoofd zag, had ook hieraan gedacht, en vorderde dat zijn

21

-ocr page 334-

322 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

broeder deze Hollandsche troepen onder de bevelen van den Franschen maarschalk zou stellen. Deze nieuwe eisch werd, hoe onbegrijpelijk het schijne, zonder eenigen tegenstand ingewilligd. Zoo ooit, dan was thans het oogenblik voor Lodewijk gekomen, om de onafhankelijkheid zijns rijks in de vrije beschikking over zijne troepen te handhaven. Doch het blijkt niet, dat eenig verzet zelfs beproefd is. Lodewijk gehoorzaamde onmiddellijk.

„Een maatregelquot; —schreef den 29e11 Januari de minister llöell aan Van der Heim — „door den koning, ten gevolge van het uitdrukkelijk verlangen des keizers genomen, is het stellen der Hollandsche troepen, welke zich in het arrondissement tusschen Schelde en Maas bevinden, onder de bevelen van den hertog van Reggio.quot; Zoo waren ook deze troepen, als die van Dumonceau, voor de verdediging des lands verloren en Brabant en Zeeland, met \'s konings toestemming, tot de gehoorzaamheid aan Oudinot verplicht.

Doch hoe groot het voordeel ook was, door dit bevel aan het leger in Brabant verkregen, de keizerlijke regeering verlangde nog meer. Bij gelegenheid van een bezoek, door Lodewijk aan zijn broeder gebracht, barstte Napoleon in verwijten los over de benoeming van maarschalken en de instelling van den constitutioneelen adel. Beide zaken waren oude ergernissen, die zonder schade voor het wezenlijk belang der natie uit den weg te ruimen waren. Doch de wegneming had behoo-ren te geschieden, vroeger of later, op een oogenblik, dat zij geen nadeel toebracht aan den koning zeiven. Thans, nu het leger op zijn bevel samengetrokken werd, om wellicht den ongelijken kamp tegen Frankrijk op te nemen, de hoofden op \'s keizers last van den geschonken titel te berooven, was niets anders dan een openlijk bewijs aan het leger leveren van zijne zwakheid, die zelfs hen opofferde, welke hun leven voor hem wilden wagen. Toch was een heftige uitval des keizers ook ditmaal voldoende, om Lodewijk, zelfs zonder dat het blijkt dat hij het gewicht van zijn besluit juist in deze oogenblikken heeft ingezien, zonder eenig tegenstreven te

-ocr page 335-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 323

doen toegeven. Het decreet tot afdanking der maarschalken werd opgemaakt, en eene voordracht tot intrekking van de wet op den adel aan het Wetgevend Lichaam ingediend. 107

Zulk eene houding des konings, voor iederen drang te Parijs wijkende, was niet geschikt om den moed der achtergeblevenen te Amsterdam te versterken. In twee maanden tijds hadden zij twee provinciën zien afscheuren van het rijk, en de daarin aanwezige troepen voor de verdediging verloren gaan, zonder dat de inwilligingen van koning Lodewijk zelfs een schamele vergoeding vonden in aangevangen onderhandelingen. Wat zou dit eindeloos toegeven baten, indien Labouchère\'s zending mislukte ? Zou er, als Engeland weigerde en inmiddels de Franschen waren voortgetrokken, nog wel over iets te onderhandelen vallen ? En zoo ja — voor wien moest men zich opofferen?

Geen wonder, dat zulke vragen in het begin derFebruari-maand bij velen opkwamen. Want, hoeveel gewicht men ook leende aan Napoleon\'s ijzeren hand, die Lodewijk\'s buigzaam karakter, thans door ernstige ongesteldheid nog krachteloozer dan ooit, kneedde als was, het was toch in billijkheid van de natie niet te vergen, dat zij het weinige, wat haar overbleef, opofferde om Lodewijk\'s wil. Wie zich zelf verlaat, heeft het recht niet over de wankelende trouw van anderen te klagen. Lodewijk\'s inschikkelijkheid mocht begrijpelijk zijn voor hen, die de karakters der strijdende broeders en de omstandigheden nauwkeurig kenden, even begrijpelijk was het ook, dat de ministers in den loop der zaken een grond te meer tegen elk denkbeeld van verzet vonden.

Voor geen van hen was Lodewijk\'s aanhoudend toegeven onaangenamer dan voor Krayenhoff, den minister van oorlog. Schoon de door Lodewijk zeiven begeerde en bevolen defensie van Amsterdam zeer bemoeilijkt was, was hij vastberaden voortgegaan alles daartoe voor te bereiden. Voor zeer aanzienlijke sommen waren benoodigde werken aanbesteed.los Zoo veel mogelijk concentreerde hij in Holland de troepen, waar-

-ocr page 336-

324 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

over hij beschikken kon. Geheime bevelen zond hij aan de aanvoerders van anderen, om op het eerste sein hunne manschappen binnen de linie van Amsterdam te voeren. De minister van marine zeide zijne ondersteuning toe. Veel vooral was er Krayenhoff \'aan gelegen, dat zijn ambtgenoot zorg droeg, dat niet van de zijde van Haarlem en Haarlemmermeer de vijand de defensielijn zou kunnen doorbreken of omtrekken. Doch de maritieme defensie werd zeer verzwakt door het vertrek der vloot, die door den admiraal de Winter, ondanks den ontvangen last om haar naar Amsterdam te voeren, naar Antwerpen werd gebracht l0!,.

De Fransche maarschalk daarentegen zag de krachten, waarover hij beschikken kon, steeds toenemen. De keizer bracht op de grenzen van Holland een veel grooter getal troepen, dan voor de bezetting van Zeeland en Brabant noodig was, bijeen. In het begin van Februari werden uit West-falen vier regimenten infanterie en twee regimenten cavalerie ontboden en ter beschikking van Oudinot gesteld. De generaal Vandamme had reeds eenige dagen te voren bevel ontvangen, zich naar Bergen op Zoom te begeven en onder Oudinot te stellen. 110 Bij de Franschen zoowel als bij de Hollanders heerschte de overtuiging, dat de beslissing niet vene afwas.

Een klein volk den strijd met de overmacht tot behoud van zijn onafhankelijkheid te zien opnemen, is een tooneel, dat te allen tijde sympathie en bewondering wekt. Het verloop van tijd, dat de kleine motieven in de schaduw stelt en alleen de hoofdlijnen verlicht, werpt er den breeden lichtglans der poëzie over. Doch in de dagen zelve oordeelen de tijd-genooten anders. De waarschijnlijkheid van den vermoede-lijken uitslag doet aan de ongelijkheid der krachten meer gewicht hechten, dan in volgende tijden dikwerf geschiedt. Persoonlijke consideratiën, die later niet dan met groote moeite worden begrepen en geschat, oefenen een verborgen, maar diep ingrijpenden invloed uit. Een geslacht, als dat van 1810, dat het geloof aan de bestendigheid der aardsche zaken sedert lang had afgezworen en geleerd, dat overmacht de

-ocr page 337-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 325

wereld beheerscht, kon moeielijk zich verzoenen met het denkbeeld, ter wille van een vreemdeling zich prijs te geven aan de wraak van den Franschen keizer, voor wien geheel Europa boog. Trouwens, het egoïsme der menschelijke natuur duldt niet, alles in de waagschaal te stellen, om alles te verliezen. Slechts die worstelingen van kleine volken tegen groote natiën hebben duurzame levenskracht gevonden in de blijvende zelfverloochening des volks, die nevens een politiek een religieus beginsel verdedigden. Waar meer dan dit aardsche leven te winnen wordt geacht, bezitten de natiën de kracht tot volharden. Waar niets dan het tegenwoordig bestaan wordt verdedigd, volgt de ontmoediging en de gereedheid om het onvermijdbare te ondergaan, de eerste bezieling en opgewektheid op den voet.

Het baart dan ook geen verwondering, dat, naarmate de worsteling met Frankrijk meer nabij scheen, de tegenstanders van Krayenhoff\'s strijdlust minder dan ooit geneigd werden hem te volgen. Zijne andersgezinde ambtgenooten zagen met bezorgdheid de maatregelen, die de minister van oorlog nam, aan. Zoolang de toestand dezelfde was gebleven, had men, zich beroepende op \'s konings schrijven van 27 December, in de groote uitgaven berust. Doch toen in \'t laatst van Januari koning Lodewijk zelf Brabant en Zeeland voor de Franschen geopend en zijn leger onder de bevelen van Oudinot gesteld had, begon er meer spanning te komen. De aandrang der Fransche troepen, in verband met de heftige taal, die in deze dagen over Holland door den Moniteur werd gevoerd, deed het voortrukken der Fransche legers verwachten. Moest men een strijd aanvangen, die tot niets leiden kon, dan om den jammerstroom, die over het vaderland werd uitgegoten, te verbroeden?

Toen de Februari-maand was aangevangen, ontving de minister van oorlog telken dage meer verontrustende berichten. De Fransche troepen waren in beweging en werden voortdurend versterkt. Oost-Friesland werd bedreigd door 3500 man, en een Fransch legercorps verzamelde zich aan den kant van Kleef, om op Nijmegen en Grave los te gaan; een ander

-ocr page 338-

326 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

corps bovendien stond gereed om de Bommelerwaard in te trekken. Krayenhoff zeil\' begreep dat het oogenblik gekomen was, om door doeltreffende maatregelen tegen onverhoedsche aanvallen op de hoofdstad te waken.114 Met langzamen, maar zekeren stap toch schreed de keizerlijke veldheer voorwaarts. Den

10 of llde11 Februari liet hij Dordrecht door zijne troepen bezetten.

Krayenhoff, die herhaaldelijk in de laatste weken den koning

had geraadpleegd, of hij bij zijne vroegere bevelen volhardde, en steeds den mondelingen last ontvangen, om de bezetting der hoofdstad met geweld te keeren, begreep de goedkeuring van den ministerraad op de verdere maatregelen te moeten vragen. Hij legde den ISquot;1®quot; Februari het door hem verrichte bloot en verzocht autorisatie tot de defensie der hoofdstad^ en om, zoodra de Franschen zouden beproeven de rivieren over te trekken, tot het stellen der inundatiën over te gaan. Een groot deel zijner ambtgenooten verzette zich tegen dit voorstel en beriep zich op eene missive des konings, den 27equot; Januari geschreven 113. „Dans ma lettrequot; —werd in dit schrijven gelezen — „dans ma lettre du 27 Decembre, qui était générale, et qui ne faisait aucune distinction entre Amsterdam et le reste du royaume, il était dit positivement qu\'en cas que tous les moyens de persuasion deviendraient inutiles, on ne s\'opposerait point de vive force contre l\'entrée éventuelle des troupes francaises, mais qu\'on se bornerait a protester formellement contre toute prise de possession, et qu\'on aurait soin surtout, que nulle part

11 ne fut tiré un seul coup de fusil, lequel pourrait être le signal du désordre et du pillage.quot; Was het niet duidelijk, vroegen Mol-lerus 114 en wie met hem elk verzet afkeurden, dat de koning de defensie der hoofdstad niet verlangde ? Doch Krayenoff beriep zich op een lateren last. door Z. M. gegeven. Den 8en Februari had koning Lodewijk de laatste bevelen ingetrokken in deze woorden: „Gijl. zult uit den Moniteur gezien hebben, dat de intentie is, om Fransche troepen langs de kusten en in de zeehavens te leggen. Het schijnt dus onzeker, of zulks ook de intentie omtrent de hoofdstad zij. Indien dit onverhoopt het geval mocht worden, heb ik er niets tegen, dat zulks door alle mogelijke

-ocr page 339-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 327

middelen worde voorgekomen. Ik laat volkomen aan uheden over, om daaromtrent te handelen, zooals ulieden zal geraden schijnen, en kome in zooverre terug op de laatste stellige orders, welke ik tot het tegendeel gegeven had.\'

Zoo had elke partij eene verklaring des konings, waarop zij zich beroepen kon. Maar Krayenhoff werd bovendien gesteund door het getuigenis van den kolonel graaf Karei van Bylandt, die, door hem naar Parijs gezonden, terug was gekomen (28 Deo.) met het mondeling bevel des konings, om alles tot de verdediging der hoofdstad voor te bereiden,I0. Ook hoopte de minister van oorlog eerlang een stellige en definitieve verklaring van Z. M. te ontvangen, daar hij den 12en Februari den generaal-majoor Suden naar Parijs had gezonden, om die te vragen.117

Bij zulk een groot verschil van gevoelen tusschen de leden der vergadering was een krachtig en doortastend besluit in den geest van Krayenhoff niet te verwachten. Zijn voorstel, dat de verantwoordelijkheid der defensie op den ministerraad dreigde over te brengen, gaf tot langdurige en hevige discussiën aanleiding. Mollerus wilde, dat men bij den bestaanden twijfel omtrent \'s konings wil stellige orders zou afwachten; bleven die uit, dan moest er, zijns inziens, aan geen defensie gedacht worden. Zulk een advies, geheel in strijd met zijn wensch en meening, maakte de drift van Krayenhoff gaande, zoodat „het zeer moeielijk wasquot; —naar Mollerus verzekert quot;\'s — „om bedaard te blijvenquot;; of het hem gelukt is, heeft hij niet opgeteekend.

Het besluit, dat de ministerraad den 17cquot; Februari nam, sloeg, gelijk niet anders te verwachten was, een middenweg in. Het hoofdbeginsel, de defensie der hoofdstad, werd aangenomen en de generaal diensvolgens „geautoriseerd, om den toegang tot de hoofdstad aan alle vreemde troepen, zonder onderscheid, door alle mogelijke middelen te betwisten en krachtdadig te beletten.quot; 119 Doch deze machtiging verloor alle beteekenis door de beperking, die eraan werd toegevoegd. Krayenhoff had in zijn voorstel er nadrukkelijk op gewezen,

-ocr page 340-

828 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

dat met het prepareeren en stellen der inundatiën geenszins kon worden gewacht, totdat de vreemde troepen werkelijk aanstalten maakten om de rivieren te passeeren, naardien hij minstens tweemaal 24 uur noodig had, om de uitgestrekte velden te doen beloopen. Desniettemin werd hij door den ministerraad stellig gelast, „de noodige inundatiën niet testellen noch verderen aanmarsch van troepen te laten effectueeren. voordat de overtocht over de Waal, Merwede of Maas door de Fransche troepen dadelijk werd ondernomen.quot; Eerst dan was hij gemachtigd, het karakter van Kommandant Supérieur van de hoofdstad en derzelver liniën te deploy-eeren ; doch ook dan had hij in \'t oog te houden, „om zoo lang mogelijk zich van het doen van het eerste schot te onthouden, en tot geene middelen van geweld over te gaan, dan wanneer hij daartoe door eenigen aanval van buiten werd gedwongen.quot;

Dat zulke bevelen Krayenhoff weinig aangenaam waren, spreekt vanzelf. Hij werd er feitelijk door verlamd. Wat zou, als de vijand de Merwede of Maas of Waal was overgetrokken en dus ten hoogste twee dagmarschen van de hoofdstad stond, het stellen der inundatiën baten ? Een enkele stoute tocht kon Amsterdam hem in handen leveren, voordat de overstrooming, zoo al aangevangen, hoog genoeg gestegen was, om den toegang af te sluiten.Het scheen, klaagde hij in later jaren, dat men den generaal Krayenhoff geheel aan zich zeiven wilde overlaten. Hij had de verantwoordelijkheid van Amsterdams verdediging ook door zijne ambtgenooten willen zien op zich nemen, maar deze waren er niet toe gezind.

Het blijkt duidelijk uit het verslag dezer vergadering, dat een geheel verbod der defensie alleen voorkomen werd door de bevelen des konings, in zijn brief van 8 Februari gegeven. Uitdrukkelijk toch werd door de vergadering uitgesproken, dat de kommandant der hoofdstad door haar verantwoordelijk werd gesteld voor al het onnoodige bloed, dat door eenigen overhaasten stap zoude worden gestort. En hierbij bleef het niet. Al vergunde de ministerraad, gebonden door \'s koning bevelen,

r

-ocr page 341-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 329

den minister van oorlog de noodige maatregelen tot verdediging te nemen, wanneer de vreemde troepen Maas, Merwede of Waal zouden overtrekken, hij nam tevens alle mogelijke voorzorgen, ten einde ook nog in dat geval elke botsing te voorkomen. De heeren Elout. Nederburgh en van Wickevoirt Crommelin werden onder stipte geheimhouding verzocht zich gereed te houden, ten einde, als de overtocht zeker zou zijn, zich zonder verwijl tot den hertog van Reggio of diens plaatsvervanger te begeven. Zij werden belast hem, in de meest gepaste uitdrukkingen, den waren stand van zaken voor oogen te stellen, en af te vragen, welke de oogmerken en de grenzen van zijn tocht waren. Zij moesten eene stellige belofte van hem trachten te verkrijgen, dat hij geen man van zijn onderhebbende macht binnen de hoofdstad of derzelver liniën zou doen trekken, alvorens daartoe uitdrukkelijk bevelen van den koning yan Holland waren ontvangen. Zij moesten hem voorhouden, dat de troepen van den keizer overal waren binnengelaten, dat de hoofdstad alleen daarvan uitgezonderd werd en dat men eenige maatregelen had moeten nemen, om den inmarsch binnen Amsterdam te voorkomen, totdat de uitdrukkelijke toestemming van koning Lodewijk daartoe zou zijn ontvangen. Niettemin mochten zij den Franschen bevelhebber de stellige belofte geven, dat van Hollands zijde geen schot zou geschieden, tenzij hij den doortocht naar Amsterdam zou willen forceeren, voordat \'s konings toestemming zou zijn aangekomen.

De zin dezer bevelen was duidelijk: ook als de vijand als \'t ware voor de poorten stond, wilde de ministerraad eiken strijd voorkomen, zich overtuigd houdende dat Lodewijk, als altijd, ook in dat geval voor het voldongen feit zou bukken. Zoo zegevierde in het uur van het gevaar de partij, die elke defensie afkeurde. Zij bediende zich van de weifeling en tegenstrijdigheid, die er in de verschillende bevelen van Lodewijk gelegen was, om tegen zijn geheimen wensch te handelen. De koning, die zelf zoo weinig standvastigheid betoonde en steeds terugschrikte, om openlijk de verantwoordelijkheid der

-ocr page 342-

330 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

defensie op zich te nemen, had niet het recht, zich te beklagen, dat men zijne wapenen tegen hem keerde.

Door de denkbeelden, die in den ministerraad hadden gezegevierd, was Krayenhoff genoegzaam machteloos geworden. Zijne ambtgenooten steunden hem niet, en gebruikten integendeel hun macht om hem de handen te binden. In dezen nood zag hij met dubbel verlangen naar bericht van Parijs uit: de koning, mocht hij hopen, zou hem niet afvallen, maar allen tegenstand door een stellig bevel verlammen.

Het was den volgenden dag, dat hij antwoord van den generaal Suden ontving. Wetende, dat de boden deskonings reeds een en andermaal door de politie te Parijs waren opgevangen en van hun brieven beroofd, had hij met hem afgesproken, dat, wanneer Lodewijk de verdediging van Amsterdam stellig gebood, de generaal zich in zijn rapport aan den minister bedienen zou van deze woorden: Zijne Majesteit gelast den kolonel van Meden (die in Spanje was) terug te komen. Den 18(lenFebr. kwam Suden\'s brief aan, die de woorden bevatte: Z. M. heeft niets daar tegen, dat de kolonel van Merleii terugkome en laat alles daaromtrent aan Uwe Excellentie over. Wat Krayenhoff\' gevoelde, bij het lezen der weifelende woorden, heeft hij zelf ons gezegd: „ziedaar de minister van oorlog wederom in vertwijfeling gebracht! en alleen verantwoordelijk gesteld voor de al of niet verdediging der hoofdstad.quot; \'\'\':i

Doch de wakkere man liet den moed niet zinken. De verplichting, om „de eer van den Hollandschen naam te midden van Hollands onverdiende rampen te reddenquot; 144 drukte hem te zwaai\'. Hij deed het Aveinige, wat hem vergund was. Voor zijne ambtgenooten den brief van Suden geheim houdende, nam hij de noodige maatregelen om, wanneer de Franschen de rivieren zouden overtrekken, zoo spoedig mogelijk de troepen te vereenigen en Amsterdam in staat van tegenweer te brengen. Krayenhoff wist toch, dat de verdediging dei-hoofdstad door den koning gewild werd, al aarzelde hij nu ook, om schriftelijk er voor uit te komen. In den avond van den 19den kwam Suden uit Parijs terug, en bracht, als vroeger

-ocr page 343-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 331

Bylandt, den mondelingen last over, om Amsterdam tot het uiterste te verdedigen.

Zoo scheen, ook voor de ambtgenooten van den minister van oorlog, het vraagstuk beslist: de koning steunde Krayen-hoff. Niet lang zoude het duren, of de ministerraad, hoe onwillig ook, zou zich aan het hoofd bevinden, door \'s konings welbehagen, van een strijd tegen het machtige keizerrijk, dat geheel Europa deed sidderen. Zijne legers naderden langzaam, maar zeker; reeds voor drie dagen (16 Febr.) was de stad Bommel endeBommelerwaarddoordeFranschenbezet\'quot; \'. Aan de overzijde van de Waai stond de vijand. Zou de kamp morgen, overmorgen, of misschien heden nog aanvangen?

In dezen oogenblik, waarin de tegenstanders der verdediging met schrik de naderende botsing te gemoet zagen, kwam de Fransche gezant als een reddende engel hun te hulp.

La Rochefoucauld had na het vertrek van koning Lodewijk naar Parijs zijne belangstelling en zorg verdubbeld. Hoe hij in de Decembermaand eenige notabelen te Amsterdam bijeen riep en den Hollandschen minister Mollerus tot zich ontbood, om met hem de zaken des lands te bespreken, zagen wij reeds vroeger. Zijne deelneming was zelfs zoo groot, dat de ministerraad het niet ongeraden oordeelde een oog op zijne gangen te houden. De minister van politie, Hugenpoth van Aerdt, gelastte een zijner ambtenaren, B. A. Fallée, om hem na te gaan. Een huisbediende van den gezant werd omgekocht, om aan Fallée dagelijks rapport te geven van alles wat de gezant deed, en van de bezoeken die hij bracht. Doch de politie van la Rochefoucauld deed niet onder voor die van den Hollandschen minister. De betrekking, door Fallée in het hotel aangeknoopt, werd ontdekt, en de gezant diende een vrij ernstige nota aan het ministerie in, die men het best oordeelde niet te beantwoorden Trouwens, la Rochefoucauld had met groot vertoon van edelaardigheid verklaard, dat hij niets tot herstel van eer verlangde, maar slechts tegen herhaling van dergelijke domheden waarschuwde.

-ocr page 344-

332 de ondergang van het koninkrijk holland.

Voor deze schijnbare gematigdheid bestonden goede redenen. Hij zelf was in veel grooter mate dan iemand schuldig aan hetgeen hij den Hollandschen minister van politie voor de voeten wierp. Zekere J. W. van Blommestein, commies bij het ministerie van oorlog, was door hem overgehaald, om de minuten van Krayenhoffs bevelen te lichten en hem ter hand te stellen.1\'7 \'sMans edele verontwaardiging betrof dus meer de domheid, die zich aan ontdekking blootstelde, dan wel de onzedelijkheid der handeling zelve.

Een tijdlang zag la Rochefoucauld de maatregelen van Krayenhoff kalmpjes aan. Maar in het laatst der Januarimaand deed hij een eersten stap. Hij zond den minister van buiten-landsche zaken de volgende missive toe:

Monsieur,

Le mouvement de troupes qui a lieu dans cette capitale depuis plusieurs jours, et qui, en occupant tous les esprits, fait tenir mille propos plus inconséquents les uns que les autres, m\'oblige de prier Votre Excellence de vouloir bien avoir la complaisance de me mander les raisons de ces mou-vements et la destination de ces militaires. — J\'ai cru dans les circonstances présentes ne pas devoir en informer ma cour avant de pouvoir mander a l\'Empereur la véritable raison de ces changements et de ces rassemblemens. J\'espère done que Votre Excellence me mettra a même en rendant compte des faits d\'en indiquer les motifs. Je la prie aussi de recevoir I\'assurance de ma haute consideration.

Amsterdam, ce 26 Jan. 1810.

Cte . de la Rochefoucauld. \'i8

S. E. Mr. Mollerus.

Na overleg met zijne ambgenooten, antwoordde Mollerus den volgenden dag:

A Son Excellence Monsieur le Comte de la Rochefoucauld, ambassadeur de France.

-ocr page 345-

DE ONDEKGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 333

Amsterdam, le 27 Jan. 1810.

Monsieur,

Je m\'empresse de répondre a la lettre de Votre Excellence d\'hier.

Le mouvement de troupes qui en fait l\'objet, et dont Votre Excellence dësire connaitre les raisons, n\'a consisté que dans la rentree d un bataillon de gardes, a la suite du changement de garnison d\'un seul régiment. Un bataillon de ce régiment a son passage par Amsterdam s\'y est reposé pendant un jour.

Ces informations pourraient paraitre suffisantes pour faire voir a Votre Excellence, qu\'une mésure aussi simple ne devait pas être envisagée comme un mouvement extraordinaire, ni comme un rassemblement de troupes, digne de fixer l\'attention de Votre Excellence: et que c\'est bien a tort si cette mésure a occupé les esprits de la capitale et donné lieu a des propos inconséquens.

J\'ai exposé les faits; je n\'hésite pas a faire connaitre les motifs de ces changemens militaires, pour mettre Votre Excellence a même de prévenir toute interprétation erro-née, si Elle jugerait encore nécessaire d\'en rendrie compte a sa cour.

Pénétré de la dilficulté de pourvoir aux besons actuels des troupes qui se trouvent depuis longtemps en Zelande, et de la nécessité de leur procurer l\'occasion de se remettre des fatigues et des maladies qu\'elles ont essuyées, le ministère de la guerre projette des arrangemens pour les placer dans d\'autres garrisons, et ces arrangemens devaient naturelle-ment être procédés par quelques dislocations parmi les troupes.

Je prie Votre Excellence de recevoir l\'assurance ce ma haute considération.

Le Grand Chancelier etc.

Na deze eerste bespreking van het teere punt verliepen eenige weken, waarin la Rochefoucauld niets van zich deed

-ocr page 346-

334 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

hooren. Zoo het scheen, had hij zich met de ontvangen inlichtingen tevreden gesteld. Zonder zich te overhaasten, sloeg hij rustig de verwikkeling der gebeurtenissen gade. Zijn tijd zou komen. Hij kende de maatregelen ter verdediging, die genomen werden, maar wist ook de spanning, die er in den lande, en vooral te Amsterdam, heerschte. De lagere standen dei-bevolking waren zeer opgewonden en vijandig gestemd; de Franschen beweerden later zelfs, dat de nabijheid van hun leger de eenige oorzaak was geweest, dat onlusten achterwege waren gebleven. In de fatsoenlijke kringen heerschte onrust; zij waren niet ingenomen met het denkbeeld van verzet, en vreesden voor de noodlottige gevolgen. Vele hoofden van handelshuizen spraken er van, om hunne zaken te staken, of ook wel, om ze naar het buitenland over te brengen. Een oogenblik, toen het huwelijk van keizer Napoleon met Maria Louise algemeen bekend werd, scheen de publieke opinie er een reden van geruststelling in te vinden. Het gerucht verspreidde zich, dat er een schikking tusschen de broeders was tot stand gekomen, en dat Lodewijk eerlang zou wederkeeren. Het vertrouwen flikkerde op en de fondsen rezen. 139 Maar spoedig was de gunstige indruk voorbij en werd de spanning even algemeen als vroeger.

In dit troebel water oordeelde de Fransche gezant met goed gevolg te kunnen visschen. Hij begon onder de hand bij eenige aanzienlijke personen aan te kloppen, om hen tot een tocht naar Parijs te bewegen. Leden van de eerste staatslichamen wekte hij op, om, zonder door Lodewijk geroepen te zijn, naar Parijs te vertrekken. Waartoe hun komst aldaar zou moeten dienen, is duidelijk. Gelijk hij aan den hertog van Cadore schreef, waren vele heeren niet ongenegen om den ontvangen wenk op te volgen. Doch de vrees, om zich het ongenoegen des konings op den hals te halen, weerhield hen 130. Twee heeren te dienen is een gevaarlijk werk.

Toen deze poging, om zijn meester de stof tot een junta van Bayonne te Parijs te verschaffen, mislukt was, ging hij

-ocr page 347-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 335

tot een rechtstreekschen stap tegen den minister van oorlog over, die de ziel van den tegenstand was. Den 27en Februari — tien dagen nadat de Bommelerwaard door de Franschen was bezet; acht, nadat Suden den mondelingen last tot verdediging had overgebracht — leverde la Rochefoucauld bij het Hollandsche ministerie eene tweede nota in.

Hij ving aan met de herinnering aan zijn vroeger schrijven, van 26 Januari, en het antwoord van den minister, waarin hij gemeend had te kunnen berusten. Doch het bericht, dat men van Delft artillerie en munitie deed komen, verplichtte hem thans zijn stilzwijgen af te breken, daar hij beletten moest dat eenige dolkoppen Holland in een geheelen ondergang zouden medesleepen. Hij was onderricht dat men sprak van verdediging van Amsterdam, en wist, dat verschillende troepenbewegingen door den minister van oorlog waren voorgeschreven, dat des nachts aan verschillende fortificatiën gearbeid werd, dat eenige maatregelen van het ministerie van marine daarmede schenen overeen te komen. Hij vorderde diensvolgens, dat al de werklieden weggezonden, alle werk gestaakt, het garnizoen der hoofdstad niet vermeerderd, alle aanvoer teruggezonden en alle koopen zouden vernietigd worden. De minister van Buitenlandsche Zaken moest bovendien schriftelijk hem de geruchten van verdediging logenstraffen, met verzekering, dat alle maatregelen door het gouvernement zouden genomen worden, om aan zijn eischen te voldoen. Deze eischen konden geen bezwaar opleveren, want hij vroeg niets, dan hetgeen alle eerlijke lieden wenschten. ,Le devoir du ministère hollandais est de faire cesser tout ce qui entretient l\'inquiétude, de tranquilliser tous les honnêtes gens, et de rassurer un public loyal, industrieux et bon, qui craint pour son existence, pour ses propriétés, si un projet aussi insensé, venant aux oreilles de Sa Majesté l\'Empereur, indisposait Sa Majesté Impériale et Royale contre une ville, qui mérite les plus grands ménagemens.quot; Door deze vordering voldeed hij aan de bedoelingen van zijn hof, en smaakte tevens het genoegen, „de sauver une nation que je fais gloire d\'aimer.

-ocr page 348-

336 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

et que j\'ai toujours presentee comme méritant bonté et indulgence. Je terminerai cette lettre, en prévenant Votre Excellence, que, dans le cas oü le Conseil des Ministres n\'auroit pas égard a mes reclamations, je le rends individuellement et collectivement responsable de toutes les suites, que cette conduite pourroit avoir, ainsi que des malheurs, dont la Hollando seroit inévitablement victime 131

Men behoefde nog niet bijzonder teergevoelig te zijn, om aan zulk een aanmatigende taal zich te ergeren. Maar la Rochefoucauld maakte de zaak nog erger door de maatregelen, die hij nam, om den ministerraad door invloed van derden te dwingen.

Onder de warme tegenstanders van het plan der defensie nam de burgemeester van Amsterdam, Wolters van de Poll. een eerste plaats in. La Rochefoucauld haastte zich zijne nota aan den burgemeester te gaan voorlezen. De steun van den door stand, familie en betrekking invloedrijken burgervader was hem natuurlijk niet onverschillig, maar de gezant hoopte bovendien op meer. Hij gaf aan Van de Poll in bedenking, om eene commissie uit de stadsregeering aan den koning te zenden, met verzoek, dat deze orders mocht stellen, dat geene defensie van de hoofdstad door geweld zou geschieden, opdat aan de stad en de ingezetenen die rampen bespaard mochten worden, welke haar anders ten gevolge der aangewende middelen zouden overkomen.13\' Ook aan den heer van Heeckeren, kommandant van de gewapende burgermacht, werd van zijne nota door den gezant mededeeling gedaan. Het was zeker de bedoeling niet, den bevelhebber der burgermacht te versterken in de gehoorzaamheid aan Krayenhoff.

Deze nota werd door la Rochefoucauld, naar het schijnt, persoonlijk aan Mollerus overgegeven en bij die gelegenheid de verklaring er bij gevoegd, dat hij alle bevelen kende, die aan de ministers gegeven waren, maar dat hij, wanneer het ministerie hem een order des konings tot de defensie zou durven vertoonen, de handteekening als nagemaakt of afgedwongen zou beschouwen ,;£!.

-ocr page 349-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 337

Onmiddellijk des avonds, Woensdag 27 Februari, werd er een raad van ministers gehouden. De hooge toon van den ambassadeur en de beleedigende taal, waarbij de voorstanders der defensie dolkoppen en de tegenstanders onder de bevolking eerlijke lieden werden geheeten, kon niet nalaten te kwetsen.

Maar het baatte niets om de partijen tot overeenstemming te brengen. Zij stonden scherper dan vroeger tegen elkander over.

Mollerus bestreed het denkbeeld der verdediging op grond van de situatie van zaken en van de stemming der ingezetenen. Hij verlangde, dat men alle preparation zou staken en den koning de nota toezenden, het besluit van schorsing mededeelen, de defensie afraden en definitieve bevelen vragen. Aan la Rochefoucauld wilde hij evasief antwoorden: de maatregelen voorstellen als gevolgen van sedert lang vastgestelde plannen omtrent de hoofdstad, en hem de verzekering geven, dat dadelijk „orders zouden gesteld worden om alle de maatregelen, welke het object der ombrage uitmaken, te doen staken, totdat \'s ko-nings wil zou zijn ontvangen.quot; 134

Met dit denkbeeld kon de meerderheid zich volstrekt niet vereenigen. Men behoorde de genomen maatregelen evenmin als het doel aan den gezant te ontveinzen, en nog veel minder toe te geven „aan de insinuatie om alles te staken.quot;

Tegen dit advies, dat de meeste stemmen verwierf, verzette Mollerus zich tevergeefs. Toen het was aangenomen, verklaarde hij, dat hij geen antwoord aan la Rochefoucauld in dien zin kon concipieeren, daar hij geheel van opinie verschilde. Een der andere heeren nam op zich de concept-missive, in den geest der meerderheid, te ontwerpen en in de vergadering van den volgenden dag mede te brengen.

Dit ontwerp was van den volgenden inhoud :

22

-ocr page 350-

338 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

„Monsieur Tambassadeur,

Je me suis empressé de communiquer des hier au soir au Conseil des Ministres la note que V. E. m\'a fait l\'honneur de m\'adresser relativement aux bruits qui lui étoient parvenus sur la defense de la capitale, et Fintimation qu\'Elle croyoit devoir faire a ce sujet au Conseil.

Profondément affecté de l\'impression que des bruits exagérés sans doute doivent avoir fait sur l\'esprit de V. E. et des maux qu\'Elle paroit craindre pour la Hollande, a moins qu\'il ne soit satisfait ponctuellement aux demandes qu\'Elle nous addresse, le Conseil qui ne connoit d\'autres sentimens que celui de son dévouement envers son Roi et de son amour pour la nation, m\'a chargé de lui développer les principes et les détails de sa conduite avee la loyauté et la franchise que V. E. veut bien reconnoitre dans le caractère hollandais, et avec la confiance que doivent lui inspirer l\'ambassadeur de l\'auguste Frère de son Souverain, et le désir qu\'il vient de manifester d\'une manière si prononcée pour prévenir les malheurs, dont ce bon peuple paroit étre menace.

Le projet de vouloir défendre sériensement la capitale con-tre une attaque formelle de l\'armée franpaise repose sur des suppositions tellement déraisonnables que le conseil a de la peine a se persuader qu\'on ait pu réussir a la présenter a V. E. d\'une manière plausible, et qu\'il convient avec Elle, que ce projet mériteroit a juste titre la dénomination d\'insensé qu\'Elle lui donne.

En effet. Monsieur l\'ambassadeur, l\'inutilité d\'une résistance contré les armes triomphantes du plus puissant des monarques, la nullité presque absolue des moyens, auxquels la Hollande est réduite de plus en plus, et l\'intérét d\'une grande et intéressante population, qui pourroit se voir exposée ainsi aux plus grands maux, sont tous autant de motifs qui détruisent déja le projet qu\'on paroit vouloir nous préter; mais ce qui le détruit bien plus complettement encore, c\'est la nature des liaisons de la Hollande avec l\'Empire Francais, celle des relations entre notre Roi et S. M. l\'Empereur, et la conduite

-ocr page 351-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 339

qui a été tenue jusqu\'ici a l\'égard des armées franQaises.

Le conseil s\'assure que V. E. ne doute pas de sa ponctua-lité a satistaire aux ordres du Roi, des que ceux-ci porteront une autorisation d\'ouvrir les portes d\'Amsterdam aux troupes frangaises. Elle peut en douter d\'autant moins, que nous ne pouvons voir en elies que des troupes amies et alliées, et qu\'elles ont été revues sur ce pied dans toutes les parties du royaume qu\'elles occupent déja, et que, par conséquent, elles ne pourroient entrer dans la capitale que sur le même pied; et dans la persuasion oü Elle doit être, que le Roi ne pourra jamais refuser cette entree, mais qu\'elle sera le résul-tat d\'un accord parfait de nos deux Souverains, et oü nous sommes d\'autant plus, que nous avons la conviction complette du désir de S. M. le Roi de Hollande de ne rien négliger pour le salut de la patrie et la satisfaction complette de S. M. l\'Empereur, le Conseil regarde le cas d\'une défense absolument impossible.

II faut supposer en effet pour que ce cas puisse jamais se réaliser que, tandis que le Roi se trouve prés de son auguste frère et qu\'il traite a Paris des grands intéréts de son peuple, S. M. l\'Empereur puisse vouloir donner a son insu l\'ordre d\'occuper la capitale du royaume, mais dans ce cas, qui seroit celui d\'une disparité complette entre les ordres de l\'Empereur et ceux du Roi, cas au reste que la générosité du grand Napoléon, l\'intimité de ses relations avec notre Roi, et les sentimens de celui-ci nous font regarder comme impossible, quelle seroit la conduite que le conseil devroit tenir? La fidélité, que les Mninistres doivent au Roi, ne leur prescriroit-elle pas la marche qu\'ils doivent suivre? Leur permettroit-elle de s\'arrêter a aucune autre consideration que celle du serment qu\'ils ont prêté, et prêté en hommes d\'honneur? Le Conseil ose s\'en rapporter a votre décision, Monsieur l\'ambas-sadeur, ou plutót il la trouve déja dans la note que vous m\'avez remise, et dans laquelle V. E. accroche les demandes qu\'Elle fait a cette clause si naturelle, jusqu\' a ce que le Roi nous ait donné de nouveaux ordres, qu\'Elle regarde par

-ocr page 352-

340 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

conséquent comme la seule règle de conduite pour le Conseil.

Le Conseil pourroit se dispenser peut-être après ces reflexions de tout éclaircissement ultérieur, puisqu\'il lui est demon-tré qu\'une défense de la capitals ne pourroit avoir lieu que dans un cas, qui lui paroit impossible. Les préparatifs, qu\'on pourroit faire, ne doivent ni ne peuvent jamais la faire crain-dre a V. E., et par conséquent il ne sauroit y avoir de fondement pour les inquietudes qu\'Elle a bien voulu manifester. Cependant il doit a 1\'ambassadeur de France d\'aller plus loin. II convient, qu\'il se fait des préparatifs; et c\'est sur leur but qu\'il se propose de l\'entretenir.

Le Roi a son départ n\'avoit pas donné au Conseil I\'ordre d\'admettre des troupes frangaises dans les places fortes du Braband. On a fait difficulté de les y faire rentrer jusqu\'a ce que S. M. en a accordé la permission, donnée aussitót qu\'Elle a eu connoissance des intentions de S. M. l\'Empereur. La conduite du Conseil et des commandans de ces places était certainement conforme a leur devoir, et a obtenu l\'ap-probation de leur Souverain.

Le Conseil n\'a regu aucune autorisation d\'admettre des troupes fran(jaises dans Ia capitals. II ne Ie peut pas sans cette autorisation, et en supposant qu\'on voulut l\'exiger, il peut et doit réclamer la permission d\'envoyer un courier a son Souverain pour prendre ses ordres, et il est clair, qu\'en attendant il se voit les mains liées, et qu\'il est indispensable qu\'il soit dans le cas de pouvoir fermer les portes jusqu\'a ce que ces ordres soyent recjus.

Le Conseil ne s\'est déterminé au reste a ces mesures que lorsqu\'il a vu les troupes frangaises, en occupant Nimègue et le Bommelerwaard, franchir la ligne que le décret de S. M. l\'Empereur et Roi du 20 Janvier dr, Ie seul dont il aye connoissance, paroissoit avoir prescrit au territoire de l\'armée du Braband.

C\'est alors, c\'est le 17 de ce mois qu\'il a résolu a l\'un-animité des suffrages d\'autoriser le Ministro de la guerre de faire les préparatifs nécessaires pour couvrir la ville.

-ocr page 353-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 341

et qu\'il a résolu en même terns, a une pareille unanimité, que dans le cas que les troupes fran9aises voulussent, contre toute attente, passer Ie Waal, sans qu\'il eut re9u des ordres de son Souverain, d\'envoyer une deputation au Maréchal due de Reggio, pour le prier de donner l\'assurance que la capitale ne. seroit pas occupée avant d\'avoir pü connoitre les- intentions du Roi, en Lui declarant que le Conseil, qui ne pouvoit voir dans les Francais que des troupes amies et alliées, ne pouvoit avoir aucun motif d\'une provocation inutile et funeste, mais qu\'il se verroit oblige de refuser l\'entrée aux troupes jusqu\'a ce que ces ordres pussent être recjus; declaration dont le conseil avoit résolu en même tems de donner une communication franche et loyale a V. E., comme la marche la plus propre a écarter les propos de la malveil-lance et a développer les motifs d\'une conduite que V. E. ne peut certainement qu\'approuver.

Le Conseil a expédié le même jour une copie de ces dispositions a S. M. II peut recevoir ses ordres d\'un instant a l\'autre, et il n\'y a pas de doute qu\'il ne se voie muni bien-tót d\'une declaration positive des intentions du Roi. II vient au reste d\'expédier a S. M. la copie de la note de V. E. et de Ia reponse qu\'il s\'est vu oblige de Lui faire, et il attend avec rimpatience la plus vive les derniers ordres de son Souverain.

Le Conseil auroit pu peut-être chercher et trouver des motifs plausibles pour les préparatifs, dont on a fait a V. E. un rapport aussi exageré, mais il est trop sür de la pureté de ses motifs, trop rassuré par les sentiments de bienveil-lance qu\'Eile vient d\'exprimer si fortemont pour la Hol lande, pour ne pas Lui donner des explications, qu\'il avoit compté réserver pour le cas auquel les troupes fran^aises auroient passé le Waal, sans que sa conduite put être guidée par des ordres du Roi, ou plustót qu\'il comptoit ne jamais devoir donner dans la persuasion oü il était que ce cas étoit presqu\' impossible sans un mal entendu que la loyauté du commandant de I\'armée francjaise se seroit sans doute fait un devoir de dissiper.

-ocr page 354-

342 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

Après s\'être expliqué ainsi sans aucune réserve, le Con-seil s\'assure, Monsieur l\'Ambassadeur, que V. E. sera égale-ment convaincue, et ses régistres en font foi, que son intention n\'a été ni ne pouvoit être de provoquer de la moindre manière le ressentiment de S. M. l\'Empereur par des demonstrations mal placées, et qu\'il vouloit bien plutót agir a tous égards avec la plus grande réserve, et qu\'en tout cas elle ne voudra pas rendre le Conseil responsable des propos sou-verainement ridicules que des subalternes auroient pu tenir, et dont le tems lui a permis d\'autant moins de prendre con-noissance, que le Ministre de la guerre, que 1\'affaire concerne principalement, a été empéché par indisposition d\'assister a ces délibérations.

Le conseil proteste solemnellement qu\'il doit regarder comme exagérés les rapports faits a V. E. et il ne fait aucune difïiculté de les désavouer. II avoit au reste pour motifs de sa réserve, outre les menagemens qu\'il devoit tant a son souverain qu\'a S. M. l\'Empereur et Roi, Ia considération bien puissante de la tranquillité de la capitale et des sensations diverses que devoit produire une publicité inutile; et ce seroit a regret, qu\'il s\'écarte de ce système, que tant d\'intérêts lui commandoient, s\'il ne se reposoit entièrement sur la discretion de V. E.

Au reste, Monsieur l\'Ambassr, le Conseil tont en se flat-tant d\'avoir dissipé les impressions désavantageuses que V. E. paroit avoir concjues, me charge de lui declarer qu\'il vient de donner des ordres positifs pour surseoir a tout ce qui est relatif a la défense maritime, et pour éviter toutes prépara-tions ostensibles et inquiétantes, il y ajoute l\'assurance positive que ce sursis durera, et qu\'aucune troupe n\'entrera dans la capitale sans un ordre formel du Roi, ou a moins que le passage du Waal et la direction des troupes frantjaises sur la capitale n\'oblige le Conseil d\'y faire retirer les troupes hollandoises qu\'elles pourroient rencontrer et le mettre en état d\'attendre avec calme les intentions de son maitre.

Le Conseil augure trop bien des sentimens de V. E. et de

-ocr page 355-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 343

la génerosité de son auguste souverain pour pouvoir craindre que les mesures qu\'il vient de développer, et dont les minis-tres seuls peuvent être responsables et responsables au Roi, puissent jamais tourner au désavantage d\'un public loyal, industrieux et bon, et d\'une nation que V. E. voudroit voir heureuse, et pour laquelle Elle professe son esthne d\'une manière si prononcée et si rassurante. II ose se flatter au contraire que V. E. voudra bien se joindre a lui pour ras-surer cette nation et qu\'elle employera tout son influence pour diriger les événemens de manière, a ce que le Conseil puisse attendre et recevoir paisiblement les ordres du Roi, qu\'il vient de demander avec instance, et qu\'ainsi ce public puisse attendre sans crainte un denouement conforme au bon-heur de la Hollande, bonheur qui fait le principal objet des sollicitudes du Conseil, et avec l\'obéissance qu\'il doit a son Souverain, le premier de ses devoirs.

J\'ai etc.quot;

Toen de steller van deze missive den volgenden dag den ministerraad binnentrad, ontving de voorzitter hem, even als zijne andere ambtgenooten, met een bericht dat hem onmiddellijk de nutteloosheid van de genomen moeite deed inzien. In den afgeloopen nacht was er een brief des konings aangekomen. Lodewijk, die hen reeds vroeger op zijne onderwerping aan \'s keizers wil had voorbereid, schroef hun nu, dat het einde der onderhandeling naderde. I3j „On en est aux termes de négociation, et je suis determine a tous les sacrifices, aux-quels je pourrai consentir sans avoir d\'avance la certitude, qu\'il me sera impossible de tenir mes engagemens.quot;

Deze woorden beslisten de zaak. Over het al of niet intrekken der gegeven bevelen kon thans geen verschil van gevoelen meer zijn : als de koning te Parijs toegaf, kon noch mocht er te Amsterdam sprake van verzet zijn. In dit opzicht heerschte eenstemmigheid.

Niet zoo spoedig echter waren de ministers het eens over het aan den gezant te geven antwoord. Do gevoeligheid der

-ocr page 356-

344 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

meesten over zijn beleedigende taal was te groot, dan dat men ze onderdrukken wilde. Het einde van alle verdedigingsmaatregelen mocht niet het karakter van toegeeflijkheid aan hem dragen. Die voldoening wilde men hem niet schenken. Uitdrukkelijk verlangde de meerderheid, dat la Rochefoucauld in het antwoord zou kunnen lezen, hoe men de defensie volstrekt niet om ziju bedreigingen staakte, maar alleen ten gevolge van de pas ontvangen berichten. Mollerus was er tegen. Hij wilde den gezant des keizers ontzien en eenvoudig hem te kennen geven, gelijk hij den vorigen dag reeds had voorgesteld, dat alle maatregelen, die het object der ombrage uitmaakten, zouden gestaakt worden. Hij achtte het niet raadzaam de pas ontvangen „tijding tot een grondslag der staking te leggen, en daardoor in de daad te kennen te geven, dat men, zonder dat, zoude zijn voortgegaan met het prepareeren der middelen van defensiequot;.

De voorzichtige diplomaat kon echter deze beschouwing geen ingang doen vinden. De meerderheid was te boos op den gezant, om hem met zooveel ontzag te bejegenen. Niemand trouwens schijnt er aan gedacht te hebben, dat er in de bekentenis zelve iets gevaarlijks gelegen was. Mollerus onderwierp zich.

Het antwoord, dat met zooveel moeite het levenslicht aanschouwde, muntte door kortheid boven het vroegere ontwerp uit. Maar dit was ook het eenige, dat het er op vooruit had. Het kwetste den gezant, door zijne persoonlijke ijdel-heid te wonden, en gaf hem gelijktijdig het middel in de hand,-om zich te wreken.

Het ving aan met de vermelding dat, bijkans gelijktijdig met de nota van den gezant, de Raad van ministers van den koning berichten had ontvangen, „qui, en annor.Qant qu\'on est au terme des négociations, donnent l\'espoir, que l\'existence de la Hollande pourra rester assurée, au moyen des sacrifices, que le Roi est disposé a faire pour le bien de son peuple.quot; De raad had zich door dit schrijven bevestigd gevonden in het denkbeeld, dat bij de intieme betrekking tusschen de natiën

-ocr page 357-

DE ONDEEGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 345

en de souvereinen, „le projet de defense de la capitale repo-sait sur un cas impossible a supposer, et qu\'il n\'a pu inspi-rer a Votre Excellence des inquiétudes, que par des rapports exagérés.quot; Deze wending was niet bij uitstek vleiend noch bijzonder logisch: want waarom de gezant zich niet had mogen verontrusten over plannen en maatregelen tot verdediging, alleen gestaakt op grond van inlichtingen, uit Parijs door den ministerraad ontvangen, nadat hij zijne nota had ingediend, was zeker al zeer moeielijk te begrijpen. Doch de persoonlijke antipathie deed meer letten op de scherpheid dan op de juistheid der woorden. Na alzoo elk denkbeeld te hebben verwijderd, dat men handelde uit volgzaamheid aan hem, deelde de ministerraad hem mede, dat, om alle misverstand en elk wantrouwen te voorkomen, de stelligste bevelen waren gegeven, om, in afwachting van \'s konings verderen last, te doen ophouden „tous les travaux et toutes les mesures de defense de la capitale.quot; Met bijtenden weerslag op zijn eigen woorden klonk het slot: „le conseil est d\'autant plus charmé d\'avoir cette communication a faire a Votre Excellence, qu\'elle (la communication) doit dissiper entièrement les soupgons qu\'Elle (l\'Excellence) paraissait avoir congu, et les craintes, qu\'Elle a exprimé pour un public loyal, industrieux et bon, et pour une nation qu\'Elle voudrait voir heureuse, et pour laquelle Elle vient de prononcer son estime d\'une manière si positive.quot;

Het onvoorzichtig antwoord werd la Rochefoucauld toegezonden. In de eerste dagen vernamen de ministers niets van den gezant. Getrouw aan hun woord hadden zij den minister van marine en dien van oorlog aangeschreven, om alle maatregelen te staken en geen troepen meer te doen marcheeren. In hunne oogen was de zaak beslist. Met groote bevreemding daarom ontvingen zij den 2den Maart een nieuwe nota van den ambassadeur, waarin hij zijn vermoeden uitsprak, dat, ondanks de gegeven bevelen, met de voorbereiding der defensie werd voortgegaan. Onheilspellend waren de laatste woorden : „J\'ai fait passer a mon Gouvernement la lettre, que j\'eus rhonneur de vous adresser le 27 du mois dernier, ainsi

-ocr page 358-

346 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

que la réponse que vous crutes devoir y faire. J\'y vois avec plaisir, que mon style vous a paru assez bon a imiter, pour vous engager a adopter les mêmes expressions, dont je me suis servi.quot; 136

De ministerraad, over deze nieuwe nota te zamen geroepen, liet Kraijenhoff, die ongesteld en te huis was, inlichtingen vragen. Na ze ontvangen te hebben, belastte Mollerus zich met de taak, den gezant tot bedaren te brengen. De contra-orders hadden of nog niet op alle bevelen kunnen gegeven worden of waren niet overal aangekomen. La Rochefoucauld werd tevens uitgenoodigd, als hij nieuwe klachten had, de pointen gespecificeerd op te geven. :t Schijnt, dat de gezant meer door oogenblikkelijken toorn tot het schrijven dezer nota was gedreven, dan dat hij bepaalde feiten had. Hij maakte er ten minste eenigszins zijn verontschuldiging over, zeggende, „dat hij deze nota alleen wilde aangezien hebben als eene kennisgeving, of waarschuwing, ten einde niet in de noodzakelijkheid te geraken, verdere klachten of demarches te doen, waarvan hij anderszins zoude vermeenen zich niet te kunnen dispenseeren.quot;

Doch al onthield hij zich voor het oogenblik van openbare stappen, in het geheim ging hij voort als tot dusver. Aan den hertog van Cadore schreef hij, dat het ministerie wel zijn best scheen te doen, om de gemoederen te bedaren, maar dat het toch zeer anti-franschgezind was. Als bewijs daarvan voerde hij het volgende aan. De ministers gaven duidelijk te kennen, dat het den koning onaangenaam zou zijn, bijaldien eenige blijken van genegenheid voor den keizer werden aan den dag gelegd. Zij hadden tot dusver weten te beletten, dat eenige bezending uit de eerste lichamen van staat zich naar Parijs begaf: iets, waartoe bij velen groote neiging bestond. Dit verwijt doet zien, wat hij bij voortduring beoogde. Ofschoon ten stelligste onderricht dat het einde der onderhandelingen naderde, zocht hij nog in deze laatste dagen den keizer te Parijs de gelegenheid te verschaffen, om met een schijnver-tegenwoordiging in de hand den koning af te zetten. Dat hij

-ocr page 359-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 347

in den geest van Napoleon handelde, kan niet betwijfeld worden. Den 9den Maart, weinige dagen vóór de teekening van het traktaat, sprak de hertog van Cadore er met den Hollandschen ambassadeur over en voerde het als een grief tegen de ministers te Amsterdam aan, dat zij zich tegen la Rochefoucauld\'s inblazingen verzetten. Maar, vroeg Verhuell, is de keizer er dan op gesteld, dat op dit oogenblik dergelijke bezendingen herwaarts komen? Bevestigend durfde de minister hierop niet antwoorden.

Men ziet, wat de keizer eigenlijk wilde en met behulp van dit bruikbaar adellijk werktuig zocht te bewerken. De loop der gebeurtenissen, hoe gunstig ook, voldeed nog niet aan zijn wenschen. Zijn broeder, de koning van Holland, was tot alles te bewegen, maar niet om vrijwillig heen te gaan. De bevolking liet zich elk juk opleggen, maar haar vertegenwoordigers kwamen niet naar Parijs, om daar als zijn gehoorzame dienaren koning Lodewijk\'s eervol ontslag te verzoeken en om de zegeningen zijner regeering te smeeken. Langs zijpaden en met zachte middelen kon hij zijn doel niet bereiken, en zijn gewoon hulpmiddel, ruw geweld, was om den politieken toestand van Europa en zijn persoonlijke verhouding tot Oostenrijk ditmaal niet te gebruiken. In de bruidskorf van Maria Louise kon hij den roof van Holland toch niet neder-leggen!

In zulk een toestand had de machtige keizer zich niet dikwerf bevonden. De arme Lodewijk oogstte er de wrange vruchten van in al de verwijten en scheldwoorden, die de driftige Napoleon, gemelijk door het gevoel van zijn momentaneele onmacht, tegen den machteloozen broeder uitstiet. Zijn gemelijke drift werd natuurlijk zeer geprikkeld, als hij nu daden vernam, die in andere oogenblikken aanstonds met geweld door hem zouden beantwoord zijn, maar waarvoor hij zich ditmaal met geringe vergoeding moest tevreden stellen.

De ambassadeur la Rochefoucauld had zijn nota en het antwoord van den 28sten Februari naar Parijs gezonden. Den

-ocr page 360-

348 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

3den Maart werden zij door den hertog van Cadore ontvangen en onmiddellijk onder het oog des keizers gebracht.

Gelijk te verwachten was, bracht de onvoorzichtige bekentenis, dat er maatregelen tot verdediging van Amsterdam waren genomen, den keizer in heftigen toorn. Koning Lode-wijk, met het gebeurde onbekend, bezocht juist op dezen avond zijn broeder en ondervond daardoor aanstonds de volle uitstorting van diens drift. In de heftigste bewoordingen bedreigde Napoleon hem met een onmiddellijke inlijving, waartoe hij zich gerechtigd verklaarde, daar Engeland kort te voren, gelijk Labouchère had bericht, alle onderhandeling weigerde. De ongelukkige koning, geen moed genoeg bezittende om zijn geheime plannen vol te houden, durfde er zelfs niet voor uitkomen, dat alles op zijn last was geschied. Op de vraag, of hij de verdediging had bevolen, ja dan neen, gaf hij een ontwijkend antwoord. Hij verklaarde, dat hij het bestuur in zijn afwezigheid aan zijne ministers had overgegeven en hun ook ten aanzien van de eventueele verdediging der hoofdstad volkomen vrijheid gelaten. Dit antwoord gaf Lodewijk blindelings in handen van den keizer over. Diens eisch, dat de twee ministers, die van oorlog en van buitenlandsche zaken, die het meest in de zaak betrokken schenen, onmiddellijk door hem zouden worden ontslagen, kon hij, na hun handelingen te hebben verloochend, niet afwijzen. De onder-inspecteur der posterijen IJsseldijk werd naar Holland gezonden, om het ontslag den beiden heeren aan te kondigen. Mondeling werd hij door den koning met de boodschap belast, dat de twee ministers, thans door politiek belang opgeofferd, voortdurend zijn gunst zouden genieten. Een particuliere brief des konings, onder de pruik van den koerier overgebracht en daardoor bijna versleten en onleesbaar geworden, moest inzonderheid Kraijenhoff daarvan de verzekering overbrengen. Met het ontslag van den minister, die het standvastigst de defensie had vastgehouden, viel elk denkbeeld van verzet weg. Lodewijk zelf, schreef den Raad aan, niet zonder de onvoorzichtige bewoordingen in hun antwoord te laken, om tot den

-ocr page 361-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 349

schijn van wapening toe te vermijden. Het geheele rijk werd voor de keizerlijke troepen opengesteld, ook zonder dat nieuwe bevelen van zijne hand daartoe noodig waren. „Je sais et je sens tout le fardeau qui pèse sur Ie Pays: mais la destinée de la Hollande va bientót se decider/

Den 6en Maart kwamen Lodewijk\'s bevelen te Amsterdam aan. In de zitting van den ministerraad van den volgenden dag deelde de president den brief en het besluit tot ontslag van Kraijenhoff en MoIIerus mede. Onmiddellijk werd aan den last voldaan, en werden de vereischte maatregelen genomen. De commissie, den 17en Februari aan Elout, Nederburgh en Crommelin opgedragen, werd als door de omstandigheden vervallen, ingetrokken.

Zoo trad de wakkere minister van oorlog af, na aan zijn eed en belofte tot het einde toe te zijn trouw gebleven. De defensie van Amsterdam, gevorderd wellicht door dien eed, werd niet geëischt door het belang der natie. Maar de waardige houding van Kraijenhoff heeft toen en later, bij voor-en tegenstanders van zijn stoutmoedig plan, welverdiende erkenning en sympathie gevonden. Napoleon zelf heeft hem na de inlijving recht gedaan. Niet gewanhoopt te hebben aan het vaderland, was reeds in 1810 eene verdienste.

Een eervol getuigenis bij zijn aftreden schonk hem Van der Heim, die zijn geheele werkzaamheid en zijn wijze van optreden in den ministerraad kon beoordeelen. In een briefje, om hem zijn deelneming te betuigen, verklaarde de ministerpresident : „ik mag niet nalaten Uwe Exc. te bedanken voor de veelvuldige blijken van inschikkelijkheid en deference, welke het haar behaagd heeft mij te betoonen gedurende al den tijd van onze werkzaamheid, en voor de openhartige, ronde en cordate wijze, op welke Uwe Exc. de zaken hebt helpen ten einde brengen.quot; Deze lofspraak op de openhartige rondheid en cordaatheid van Kraijenhoff werpt een verzachtend licht op de beschuldiging van groote drift, door Mollerus tegen zijn ambtgenoot in den ministerraad ingebracht.

Het was een zonderling spel van het lot, dat deze gelijk-

-ocr page 362-

350 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

tijdig en om dezelfde zaak als zijn ambtgenoot van oorlog de portefeuille moest nederleggen. Mollerus had zich altiid tegen de defensie verzet en was niet dan schoorvoetende tot het antwoord van 28 Februari toegetreden. Hij, meer dan een zijner ambtgenooten, was geheel onschuldig aan wat Napoleon\'s toorn had gaande gemaakt. Ad interim met de portefeuille belast, was ook zijne aftreding door den keizer gevorderd. En niet eenmaal genoot hij als Eraijenhoff de voldoening, voortdurend het vertrouwen en de gunst des konings te behouden. Bij zijn aftreden als minister was hij tot zijn gewone werkzaamheid als kanselier der titels weergekeerd, waartoe Lodewijk zelf hem in een brief van den 14den Maart had uit-genoodigd. Doch weinige dagen later ontving hij van den heer Cambier, minister vice-president van den Raad van State, bericht van het koninklijk bevel, dat hij zich provisioneel ook van deze functiën had te onthouden.

Naar de reden van deze ongenade is dikwerf gegist. Mollerus zelf heeft gemeend 137 den grond in \'s keizers voortdurend ongenoegen te moeten zoeken. Doch elk spoor ontbreekt, dat Napoleon zich na het gegeven ontslag nog met hem heeft bezig gehouden. Röell meende, dat Lodewijk\'s ontevredenheid over Mollerus\' verzet tegen de verdediging de oorzaak was. Ten gunste dezer verklaring zou men kunnen aanvoeren, dat Mollerus meer en langduriger dan anderen aan KraijenhofP Aveerstand heeft geboden. Nog den lsten Maart, toen de ministerraad reeds alle bevelen tot verdediging had ingetrokken, richtte Mollerus eene particuliere missive aan Lodewijk138, om hem ten sterkste de defensie te ontraden. De nadruk, door den schrijver op de impopulariteit der genomen maatregelen gelegd, kan evenmin als de raad zelve Lodewijk gunstig voor zijn persoon hebben gestemd: te minder, omdat deze missive te Parijs moet aangekomen zijn, toen de koning reeds gedwongen was geworden, elk denkbeeld van verzet te laten varen. Niettemin pleiten tegen deze verklaring andere omstandigheden. Den 14en Maart, toen Lodewijk Mollerus aanschreef zich met het werk van den adel bezig te houden, was die

-ocr page 363-

DE ONDERGAKG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 351

brief van 1 Maart hem siïids lang bekend. Waarom, indien Lodevvijk zoo boos was over dat schrijven, heeft hij hem toen nog die werkzaamheid aanbevolen?

Er moet dus een andere reden zijn geweest. Sedert jaren is eene bijzonderheid bekend en nooit tegengesproken, die den sleutel tot \'s konings ongenade schijnt te bevatten. De graaf de Caraman, toenmaals attaché d\'ambassade, verhaalt in zijne belangrijke herinneringen uit deze dagen, dat Molle-rus, na zijn ontslag als minister, aan la Rochefoucauld schriftelijk kennis gaf, dat in alle stukken, van den ministerraad uitgegaan, die de afkeuring van den ambassadeur hadden ondervonden, hij slechts de rol van officieel persoon had vervuld, maar dat zijn private opinie verschilde van de denkbeelden, die hij officieel had moeten formuleeren l:i9. Zulk een ontrouw aan koning en ambtgenooten rechtvaardigt de ongenade van Lodewijk ten volle.

Het was, gelijk wij zagen, een brief van koning Lodewijk die, in den nacht van 27 op 28 Februari aangekomen, den ministerraad het besluit deed nemen, alle praeparatiën tot verdediging der hoofdstad te staken. Lodewijk bereidde in dit schrijven zijne ministers op de tijding voor, dat hij om iets te redden in aanzienlijke opofferingen had berust.

Geheel onvoorbereid echter waren zij niet.

Sedert het begin der maand was er voortdurend onderhandeld. Toen Kapoleon alle pogingen had zien mislukken, om Lodewijk tot vrijwilligen afstand te bewegen^ had hij door Touché, die in deze dagen de rol van boodschaplooper vervulde, zijn broeder het eenige redmiddel aan de hand laten doen. Alles, wat op den linker Rijn-oever was gelegen, moest aan het keizerrijk worden afgestaan, en de keizer waarborgen ontvangen voor de trouwe opvolging zijner decreten tegen Engeland. Een nota, door Fouché gesteld en den 4en Februari den koning overgegeven, was de leiddraad der onderhandelingen geworden. Het grootste bezwaar lag in de eischen, die de keizer deed, om tegen iedere verdere ontduiking der blok-

-ocr page 364-

352 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

kade-maatregelen verzekerd te zijn. Hij vorderde, dat hij zijne douanes en troepen op alle kusten, waar de Engelschen smokkelhandel dreven, zonder nader overleg, met bloote kennisgeving zou kunnen plaatsen. Dit punt werd de voorname steen des aanstoots, daar Röell en Verhuell den koning overtuigden, dat zulk een openstelling van het geheele land voor douaniers en soldaten niet kon toegegeven worden. Zij oordeelden, dat zij alleen desnoods in Oost-Friesland konden worden toegelaten, en achtten het overigens voldoende, dat aan een Fran-schen Directeur General du Blocns in Holland alle middelen ter beschikking zouden worden gesteld, om het blokkade-systeem te handhaven.

Het groot gewicht der definitieve schikkingen voor Holland deed koning Lodewijk besluiten, ook het gevoelen van zijne ministers te Amsterdam en van eenige notabelen over de hem gestelde voorwaarden in te winnen. Den 8sten Febr. 1810 zond hij hun de stukken toe m, en gelastte hun eene vergadering te beleggen, tot wier bijwoning zij ook de drie presidenten van den Staatsraad, den directeur der publieke schatkist, dien van de publieke schuld, en die leden van het Wetgevend Lichaam, welke gedurende zijne regeering presidenten dier vergadering waren geweest, zouden uitnoodigen. „Doet mij de opinie van die commissie ten spoedigste mogelijk geworden en maakt, dat ieder lid van dezelve zich met eenen eed verbinde, om er het geheim ten strengste van te bewaren.quot;

Het advies dezer commissie, den 14den Februari opgesteld, was weinig geschikt om den koning te bemoedigen of zijne kracht te versterken door het bewustzijn, dat de goedkeuring dei-natie hem in zijn verzet steunde. Wat Lodewijk steeds onwillig, door vrees gedrongen en tegenstribbelende deed, werd in dit stuk door „de kalmte der redequot; hem aangeraden.

Na warme betuiging 141 van dankbaarheid en sympathie voor den koning, sprak de commissie haar diepe ontroering over de groote opofferingen uit, die gevorderd werden om Hollands onafhankelijkheid te bewaren. Zij deelde in dit opzicht de aandoeningen, die Lodewijk bezielden, maar achtte

-ocr page 365-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 353

zich verplicht, „die, voor eenige oogenblikken, te doen plaats maken voor de kalmte der rede en een rijpe overweging, wat het belang der natie in dit hachelijk tijdsgewricht medebrengt.quot;

De omstandigheden, waarin Holland thans tegenover Frankrijk verkeerde, waren zeer neerdrukkend. De nota des keizeis bewees, dat hij zonder de daarbij voorgeslagen middelen niet te bevredigen zou zijn. Met het oog op het reeds bezette deel des rijks moest men aannemen, dat „de gewone beginselen van onderhandelingen tusschen Mogendheden hier niet in aanmerking konden komen: alle discussie, wat met recht en billijkheid zoude overeenkomen, wordt overbodig; en krachtdadige tegenstand! wie zoude verbijsterd genoeg kunnen zijn, om de krachten van een volk, dat tegen het woeden der orkanen een schuilplaats had gezocht in de schaduw van het vermogen van den grooten Napoleon, te willen beproeven tegen de onverwinnelijke heirlegers, waarmede hij Europa bedekt?quot;

Onkiescher herinnering aan Lode wijk, die in dezelfde missive van 8 Februari, waarin hij de samenroeping dezer heeren had gelast, de defensie der hoofdstad als met zoo vele woorden had voorgeschreven 142, was moeilijk te bedenken. En opdat de koning hun oordeel over de verdediging, hier beleefdheidshalve aan „verbijsteringquot; toegeschreven, duidelijk zou begrijpen, ging de commissie voort het bukken voor de macht der omstandigheden als godsdienstige verplichting hem voor te stellen. „Neen! in zulk een stand van zaken schiet er niets anders over, dan zich te onderwerpen aan den weg der Voorzienigheid en te vertrouwen dat edelmoedigheid de deugd is, waardoor dezelve (de Voorzienigheid) vaak zulke onmetelijke krachten tempert, en maakt, dat zij, die in hare hand de beschikkers zijn van de lotgevallen der volken, er tevens de weldoeners van kunnen zijn; dan tot die edelmoedigheid toevlugt te nemen en zich daarop te verlaten.quot;

Van dit standpunt van gelaten berusting en onderwerping kon het oordeel over de grondslagen van onderhandeling niet

23

-ocr page 366-

354 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

twijfelachtig zijn. „Door dezen stand van zaken achten wij dan ook Uwe Majesteit volkomen gerechtigd, om een gedeelte van het gebied des Rijks te vervreemden of te verruilen, als een onvermijdbare maatregel, om het overige te behouden.quot; Tot de bijzondere punten overgaande, sprak de commissie haar hoop uit, dat het land van Altena kon behouden blijven. In den afstand van Schouwen, waartegen Lodewijk bezwaar had geopperd, meende zij te kunnen berusten, omdat dit toch vroeg of laat tot verwikkeling zou aanleiding geven. Liever weuschte zij het land tusschen Maas en Waal met Nijmegen uitgezonderd te zien. Doch alle schikkingen over het grondgebied zouden, naar zij oordeelde, geleid moeten v/orden door het streven om het bezetten van „eenige territoiren, verder dan die, welke reeds door de Fransche troepen bezet zijn,quot; te voorkomen. Ook zij achtte de benoeming van een Directeur du blocAis verre verkieselijk boven verdere bezetting: het liefst zelfs met Fransche geëmployeerden, alleen aan den keizer, niet aan Lodewijk onderworpen. Ook de beoordeeling der prijzen, door Fransche kapers genomen, uitsïuitend aan den prijsraad te Parijs over te laten, scheen haar wenschelijk toe. Na korte bespreking van enkele andere punten, den waterstaat, de achterstallige revenuen enz., herhaalde zij nogmaals haar overtuiging, dat de natie zich in den vol-sten zin behoorde te schikken naar het groot systema van den keizer.

De heer Röell, die het belangrijk advies mededeelt, heeft zijn oordeel over dit staatsstuk gelijk dat van Lodewijk verzwegen. Al kan het niet ontkend worden, dat het een eervol getuigenis aflegt van den praktischen zin der stellers, het is evenmin te ontveinzen, dat de koning zich nu volkomen tegenover de natie gedekt kon achten, welke ongunstige voorwaarden hij ook onderteekende.

Intusschen, nog vóór de ontvangst was de staat van zaken te Parijs eenigszins veranderd. Keizer Napoleon had den 12dcquot; aan zijn minister van buitenlandsche zaken een zeer belangrijken last opgedragen. 143 De eischen des keizers stegen.

-ocr page 367-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 355

Cadore moest den HoJlandschen minister de volgende eischen stellen: 1. afstand van den linkeroever van den Rijn; 2. het ophouden van alle gemeenschap met Engeland en het niet toelaten der scheepvaart zonder vrijbrieven des keizers; 3. het overlaten aan \'s keizers rechtspraak van alle prijzen, door Fransche oorlogsschepen of kapers in de Hollandsche wateren gemaakt; 4. het bewaken van de monden der rivieren en der Hollandsche kusten door Fransche douaniers en door een corps van Fransche troepen, totdat de Engelsche orders van 1807 zouden ingetrokken zijn; 5. het onderhoud van een eskader, gereed zee te bouwen, te Texel; 6. het brengen van samenwerking en stabiliteit in de Hollandsche administratie.

Een kleine mededeeling moest de hertog van Cadore er aan toevoegen: „Vous demanderez au ministre sïl sait que ce sont la les intentions du Roi et s\'il est autorisé a traiter sur ces bases. Tous lui direz que le Maréchal Oudinot, indépendam-ment de 20,000 hommes de troupes de ligne, a 30,000 hommes de gardes nationales, qui me coütent énormément; que le 4C corps, fort de 2Ü/J00 hommes de cavalerie et d\'infan-terie, doit arriver sous peu de jours a Nimègue; que tous ces mouvemens m\'occasionnent de grandes dépenses; qu\'il est temps de faire cesser cette incertitude, et que si l\'on veut entrer en arrangement, il n\'y a pas un moment a perdre: mais que je ne puis me départir d\'aucune des conditions cidessus.quot; 144

Koning Lodewijk was ernstig ongesteld, toen hij den 15°quot; Februari van Röell het bericht van deze eischen zijns broeders ontving. Hij machtigde zijn minister, de onderhandelingen aan te vangen op de voorwaarden, vroeger door hem aangeboden. n\'\' Twee dagen later had diensvolgens de eerste samenkomst tusschen Röell en Champagny plaats. Het gesprek was heftig, maar onvruchtbaar. De Fransche minister wilde van geen vermindering weten en herhaalde zijn vroegere verklaring, dat de keizer zich in staat van oorlog met Holland beschouwde en dus de vredesvoorwaarden al bijzonder gunstig waren uitgevallen. Over dergelijke beweringen kon men zich boos maken: macht gaat boven recht.

-ocr page 368-

356 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

In dezen oogenblik (18 Febr.) kwam te Parijs het advies van den Grooten Raad aan. De weinig bemoedigende toon van het stuk maakte indruk. Koning Lodewijk, die zich niet gesteund vond door de ministers te Amsterdam, begon te wankelen. Hij liet den hertog van Cadore verzoeken, hem een volledige opgave van de artikelen, zooals de keizer die verlangde, te doen toekomen. Röell zag, dat de stemming des konings zoo neergedrukt was, dat hij tot opoffering van al wat men vroeg genegen scheen. „Nous sommes ici dans une coupe-gorgequot; — jammerde de arme vorst — „il faut sortir a tout prix; quand une fois je serai sorti, on ne m\'attrapera pas une seconde fois.quot;

In twee hoofdpunten liepen de voorslagen des konings en de vorderingen des keizers uiteen. De eerste wenschte het grondgebied, dat afgestaan moest worden, te beperken tot Brabant, Zeeland, het land tusschen Maas en Waal, Nijmegen ingesloten, doch met uitzondering van Schouwen, de Bomme-lerwaard en het land van Altena, voor den waterstaat van zooveel aanbelang. De keizer wilde den geheelen linker-Rijn-oever, en alleen Voorne vrij laten. Lodewijk verlangde verschoond te blijven van de verplichting, om een Fransch leger op zijn grondgebied toe te laten en te onderhouden. Röell verklaarde uitdrukkelijk, dat zulk een bezetting volstrekt onmogelijk was en de krachten van het rijk, inzonderheid na den afstand van zulk een aanzienlijk deel, te boven ging. Maar de keizer bleef er op staan.

Het was te voorzien, dat koning Lodewijk niet lang tegenstand zou bieden. Röell mocht afraden, het advies van den Grooten Raad — gelijk de commissie van 14 Februari wordt betiteld — had invloed. Lodewijk zag de dwaasheid van verder verzet en de noodzakelijkheid van onderwerping in. Den 20en Februari gaf hij daarvan aan den Franschen minister kennis 110: „je suis entièrement et aveuglement soumis a tout ce que l\'Empereur me prescrira, pour peu que la chose soit possible.quot; Wat al of niet mogelijk was, werd thans de laatste grond van verschil. In twee punten verzocht hij, dat het kei-

-ocr page 369-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKBIJK HOLLAND. 357

zerlijk gouvernement zou toegeven, gelijk hij in de hoofdzaak. Het eerste was : „je consens a ce que 1\'Empereur place des troupes, oü il voudra, a l\'exception du lieu de la residence du gouvernement: mais il m\'est impossible de les nourrir et de les entretenir, principalement après les cessions.quot; Het tweede gold de grensscheiding. De koning sloeg eene zoodanige voor, waardoor ten minste de Bommelerwaard in zijn bezit zou blijven ,47. Opmerkelijk is de grond, dien hij hiervoor aangeeft. Indien de keizer in deze schikking genoegen neemt, „il sera possible de ramener et de retenir les Hol-landais dans le reste de leur patrie, dans Tespérance que les cir-constances s\'amélioreront tout-a-fait: mais si au contraire Ton voit que l\'Empereur dépasse cette rive gauche, il sera impossible d\'empêcher les emigrations et la méfiance.quot;

Na deze voorslagen achtte de koning, zelve gevoelende, dat hij zijn vroeger standpunt had verlaten en den eersten stap tot geheel toegeven had gedaan, zich verplicht, om de natie op den afloop voor te bereiden, en zijne Hollandsche raadsleden mede te deelen, dat hun raad door hem was opgevolgd. Den 21cn Februari zond hij aan den Staatsraad, die daartoe met de ministers moest te zamen worden geroepen, een open brief, waarin hij zijn onderwerping aan den keizerlijken wil aankondigde en zijn vertrouwen uitsprak dat de edelmoedigheid des keizers Holland later voor den afstand, die thans gevorderd werd, zou schadeloos stellen. De leden van den Staatsraad werden diensvolgens uitgenoodigd al hun invloed aan te wenden, om uitwijkingen en alle uitbarstingen van wanhoop voor te komen en het algemeen vertrouwen te sterken. Ten einde dit doel te beter te bereiken, moest deze missive in de Koninklijke Courant worden geplaatst, gelijk ook een brief des konings, den lsten Februari aan het Wetgevend Lichaam gericht. 148

Bereidde alzoo koning Lodewijk zelf de natie op een uitslag, rijk aan opoffering, voor, het keizerlijk gouvernement deed van zijne zijde alles, om de pressie op Lodewijk en Holland te vermeerderen. In de vorige maand, toen tot de zen-

-ocr page 370-

358 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

ding van Labouchère naar Engeland was besloten, had de\' Fransche minister van buitenlandsche zaken eene nota aan Röell gericht, om de gronden te ontwikkelen, waarop de keizer de inlijving voor onvermijdelijk hield, tenzij men in Engeland tot een spoedigen vrede of tot wijziging van het blokkadesysteem besloot. Deze nota, toen voorgesteld als alleen bestemd om den meest krachtigen aandrang bij het Engelsche ministerie te gebruiken, werd thans „geheel onverwachtquot; in den Moniteur van 22 Februari gepubliceerd. De koning en zijn omgeving ergerden en verontrustten zich over deze handelwijze. Wat beteekende in dit oogenblik de uitgave van een stuk, vol van heftige uitvallen, verwijten en bedreigingen ? Indien het Engelsch ministerie, — zoo toch luidde het slot — zijne orders niet herroept, was de hertog van Ca-dore verplicht aan de Hollandsche ministers en natie mede te deelen, dat de keizer o. a. zich voorstelde den prins van den bloede, dien hij op den troon van Holland had geplaatst, terug te roepen.

Waartoe herhaling dezer bedreiging, op een tijdstip, waarin Lodewijk, van alle kanten tot toegeven gedwongen, stap voor stap terugweek en steeds toegevender werd?

Het raadsel werd den volgenden dag, 23 Februari, opgelost. Het bleek als hefboom te moeten strekken, om Lodewijk tot onmiddellijke inwilliging te bewegen. Vóór \'s avonds zes uur, verklaarde Champagny, moest hij de gestelde grondslagen aannemen. Na herhaald overleg en groote slingering onderwierp zich de koning.

Nadat alzoo de hoofdpunten waren aangenomen, kon men den spoedigen afloop der zaak verwachten. Eenige dagen later gaf de hertog van Cadore het concept-tractaat over, zooals de keizer verlangde, dat het zou worden geteekend. Het bleek nu, dat een reeks bezwarende conditiën in dit ontwerp aan Holland werden opgelegd, zoodat Röell en zelfs Verhuell stellig tot de weigering rieden. Een Fransche maarschalk in Holland, een legercorps aanvoerende, voor het grootste deel uit Hollanders bestaande; een Hollandsch leger van 12,000.

-ocr page 371-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 359

nevens de 6,000 Franschen te onderhouden; onzekerheid over de schulden van het af te staan grondgebied; een eskader, welks onderhoud wegens den gevorderden omvang en den staat der financiën een onmogelijkheid scheen; verbod en vogelvrijverklaring van alle waren, uit Engelsehe fabrieken of uit Engelsehe koloniën afkomstig — deze en dergelijke punten gaven aan Röell een reeks van gewichtige bedenkingen in de pen. Voor het meerendeel door den koning overgenomen, werden zij in zijn naam door den ambassadeur Verhuell aan den hertog van Cadore aangeboden. Op de weigering van den minister, om deze aanmerkingen onder het oog des keizers te brengen, zond Lodewijk zelf ze aan zijn broeder toe.

Terwijl op deze wijze te Parijs het einde der langdurige onderhandelingen scheen te naderen, werd de rustige voortgang door het gebeurde in Holland bedreigd. Den 273t0,1 Februari / had la Rochefoucauld zijn nota over de defensie van Amsterdam overgegeven en den volgenden dag het antwoord van den ministerraad ontvangen, waarin de wapening erkend werd. Toen de koerier van den Franschen gezant deze stukken naar Parijs had overgebracht, ontstak de onvoorzichtige erkenning den keizer in heftigen toorn. Slechts het ontslag van Krayen-hoff en Mollerus voorkwam de staking der onderhandelingen.

Van ernstig verzet tegen \'s keizers wil kon er, nadat dit intermezzo de verhouding verergerd had, moeielijk sprake zijn. Wie voor Holland een schijn van zelfstandigheid boven dadelijke inlijving verkoos, wist in dezen oogenblik niets anders dan toegeven aan te raden, ondanks dat de keizer de voorgeslagen wijzigingen weigerde in te willigen (6 Maart). Zelfs scheen een haastig toetreden tot \'s keizers eischen door het belang des lands gevorderd te worden. Engeland had, gelijk weinige dagen geleden bekend was geworden (28 Febr.), geweigerd opnieuw in onderhandeling te treden. De wapening in Holland was thans, op ?s konings eigen last, gestaakt. De Fransche troepen drongen telken dage verder in zijn rijk.

Aan den vooravond van zijn huwelijk met Maria Louise

-ocr page 372-

360 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

wenschte ook Napoleon den twist geëindigd te zien. „II faut que cette farce finisse,quot; schreef hij aan Lodewijk, die in deze beschouwingswijze juist geen sterken grond van geruststelling voor het vervolg kon vinden.

Den 16den Maart werd door den ambassadeur Verhuellhet tractaat namens den koning onderteekend.

„Voor de eerste maal, mijn broederquot; — schreef keizer Napoleon — „heb ik mijn politiek doen buigen om u aangenaam te zijn.quot; Niemand, die het gesloten tractaat las, zou dit hebben vermoed, want hard en drukkend waren de bepalingen. Al wat ten zuiden van de Waal lag, dus ook de Bommelerwaard en hot land van Altena, die koning Lodewijk tevergeefs had trachten te redden, werd nevens geheel Zeeland aan Frankrijk afgestaan. Het verlies in inkomsten werd op 16 millioen aangeslagen. Niettemin moesten 18000 man, waaronder 6000 Franschen, aan de mondingen der rivieren geplaatst, door Holland gevoed, gekleed en betaald worden ; alleen de bepaling nopens het opperbevel van een Franschen maarschalk scheen weggevallen. Een eskader van negen schepen, zes fregatten nevens honderd kanoneerbooten, moest worden uitgerust en steeds tot \'s keizers dienst gereed zijn. Alle handel met Engeland bleef verboden, totdat de Engelsche orders van 1807 zouden zijn ingetrokken. Alleen de vrijpassen. door den keizer afgeleverd, zouden geldon. Alle koopwaren, door Amerikaansche schepen sedert Januari 1809 aangevoerd, zouden in beslag genomen worden; alle waren van Engelsch fabrikaat waren verboden. Verschillen over de prijzen, door Fransche oorlogsschepenof kapers op de Hollandsche kust gemaakt, bleven ter beoordeeling van Frankrijk.

Dit waren de bepalingen, waarvoor Holland den onzekeren waarborg van de integriteit van het overblijvende deel verkreeg. Beroofd van een aanzienlijk deel van zijn gebied, kon koning Lodewijk zich niet ontveinzen, dat de nakoming bijkans onmogelijk was. Zoo al de financieele krachten toereikend waren, om de groote opofferingen te bestrijken, de aanwezigheid van een aanzienlijk corps Fransche troepen dreigde een

-ocr page 373-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 361

voortdurende aanleiding tot onaangenaamheden te zijn. Röell had het tractaat ronduit onuitvoerbaar verklaard en weigerde standvastig het te onderteekenen 149. Verhuell was inschikkelijker, ofschoon hij het met geen gunstiger oog dan de minister van buitenlandsche zaken beschouwde.

Het zesde artikel van het verdrag bevatte de bepaling ■over den afstand van grondgebied. Daarin komt als considerans voor: „les chantiers d\'Anvers étant découverts et exposés par la situation actuelle des limites des deux états.quot; Deze woorden leiden als vanzelf terug tot de Augustusmaand van het vorige jaar, toen de inval der Engelschen don keizer het gewicht van Antwerpen duidelijker had doen inzien en hij het plan beraamde om elke herhaling te voorkomen, door Antwerpen van alle zijden onaantastbaar te maken. Ook de bezetting der Hollandsche kusten door Fransche troepen was toen reeds door hem uitgesproken. Deze overeenstemming van den uitslag der onderhandelingen met het plan bij den aanvang doet zien, hoe hardnekkig de keizer aan zijn programma had vastgehouden.

Intusschen, wat hij thans verkreeg, was een minimum, waarmede hij in November en December waarschijnlijk niet gemeend heeft zich te zullen tevreden stellen. De voortdurende aandrang op abdicatie, het uitstel en de langzaamheid der onderhandelingen bewijzen duidelijk, dat Lodewijk met geheel andere plannen naar Parijs is gelokt. Men heeft gehoopt, hem door schrik en vrees tot vrij willigen afstand te bewegen. Voortdurend werd er op teruggekomen. Politieke overwegingen, de vrucht van Napoleon\'s huwelijk, en wellicht ook de tusschenkomst van familieleden heeft den keizer zich tevreden doen stellen met een verdrag, dat, in zijne oogen een minimum, in de oogen van Lodewijk en zijn volk elk billijk maximum te boven ging. Slechts deze opvatting van Napoleon\'s standpunt maakt het begrijpelijk, dat hij dit drukkende tractaat nog als een daad van toegeeflijkheid voorstelde, om zijn broeder welgevallig te zijn, en er over

-ocr page 374-

362 DE ONDERGANG VAX HET KONINKRIJK HOLLAND.

sprak, als ware Lodewijk hem een schat van dankbaarheid schuldig. Het zelfbedrog des menschen, dat de eigen begeerte als maatstaf van het verkregene bezigt, maakt die houding verklaarbaar. Koning Lodewijk echter lette uitsluitend opliet verlorene en minder op het evenzeer bedreigde, maar voor-loopig nog geredde. Hij oordeelde als de man, die, om eene beeldspraak van Fouché te bezigen, zich de helft van zijn kleed ziet ontnomen en te veel wrok over het verlies gevoelt, dan dat hij dankbaar kan zijn voor de rest, die hem gelaten is.

Onmiddellijk na de onderteekening zond de koning het tractaat met begeleidend schrijven aan den Staatsraad en aan het Wetgevend Lichaam. De brief was op somberen, maar waardigen toon gesteld. Lodewijk sprak zijn leedwezen uit, dat zulke ongunstige voorwaarden door den dwang der noodzakelijkheid hem waren opgelegd. De wijziging der artikelen, die hij tevergeefs had trachten te verkrijgen, had het sluiten vertraagd: maar een langere vertraging zoude ongetwijfeld het verlies der onafhankelijkheid ten gevolge gehad hebben. Geen treffender bewijs, hoe diep de koning terneergebogen was, dan de wensch, dien hij uitsprak. Hij, vroeger zoo jaloersch op zijn gezag, gevoelde behoefte om als het ware een bill van indemniteit van zijne raadslieden en de vertegenwoordiging der natie te ontvangen. „Mijn oogmerkquot; — schreef hij — „met ulieden het tractaat te zenden, is,, dat gijlieden mijn gedrag in de gegevene omstandigheden tot een onderwerp van ulieder onderzoek maakt, ten einde ik de verzekering heb, dat hetzelve met uwe gevoelens strookende is, en er, te dien opzigte, een geheele eenstemmigheid plaats heeft. Ik wacht met ongeduld den uitslag van ulieder onderzoek, na voorafgaande rijpe en onpartijdige overweging.quot;

Den 20stequot; Maart werd de vergadering van den Staatsraad gehouden. Tot de bijwoning werden, volgens later ontvangen bevel des konings, ook uitgenoodigd al de ministers, de directeurs-generaal, die bij de deliberatiën van den Grooten Raad

-ocr page 375-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 363

waren tegenwoordig geweest, de waarnemende minister van buitenlandsche zaken, de voorzitter van het hof van rekeningen en de controleur-generaal der publieke uitgaven. Voor verreweg de meerderheid bestond dus deze vergadering uit dezelfde personen, die het advies van 14 Februari hadden uitgebracht. Geheel in overeenstemming daarmede was hun uitspraak. Zonder de bezwaren te ontkennen ir\'0, maar tevens met erkenning van \'s konings pogingen, verklaarden zij volkomen met zijne gevoelens in te stemmen. „Er was geen andere keuze over dan dit tractaat te sluiten, of het geheele bestaan van het land op te offeren, en hetzelve uit den rang der staten te zien uitgewischt; en wie onzer zoude dan kunnen aarzelen, om Uwe Majesteit zijne eerbiedige en warme dankbaarheid te betuigen voor hetgene door Hoogstdezelve in dezen tot welzijn, en uit liefde voor haar volk is verricht, daar wij gevoelen, dat het alleen aan den invloed en de vaderlijke zorgen van Uwe Majesteit is, dat wij het overblijvende gedeelte van ons bestaan te danken hebben?quot;

Geheel anders luidde het antwoord van het Wetgevend Lichaam. Het verklaarde overtuigd te zijn, ofschoon niet bekend met de bijzonderheden der onderhandeling, dat de toegevendheid en onderwerping des konings alleen toe te schrijven was aan den drang der omstandigheden. Doch dit verzachtte het oordeel over het gesloten tractaat geenszins. „Wij gelooven gaarne dat zonder vele en groote opofferingen het eigen bestaan van het Rijk in de waagschaal zou zijn gebracht, maar ook dit blijven bestaan levert ons een akelig verschiet op, daar wij de voortduring van hetzelve voor hoogst bezwaarlijk, zoo niet onmogelijk houden, na een zoo aanmerkelijk verlies in land en inkomsten, en belemmering in, zoo niet berooving van het voornaamste middel van ons bestaan.quot; Behelsden deze woorden een bewimpelde afkeuring, in andere deelen der missive werd duidelijker gesproken. Herhaaldelijk werd verklaard, dat het land thans tot een bijkans hopeloozen staat was gebracht, en zij, leden van het Wetgevend Lichaam, geen heil in de toekomst zagen. Terwijl elke

-ocr page 376-

364 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

uitdrukking vermeden werd, waaruit de koning kon afleiden, dat zij, als hij, van de noodzakelijkheid der groote opoffering overtuigd waren, spraken zij de hoop uit, wier ijdelheid zij evengoed als Lodewijk kenden, dat het hem nog gelukken mocht de toegevendheid des keizers, ten aanzien van sommige der meest bezwarende artikelen, te verwerven.

Veel werd er in dit stuk gezegd, dat ten volle waar was. Maar hèt behoorde tot die waarheden, wier verzwijging in sommige oogenblikken plicht is. De weinig meegaande toon, die hier werd aangeslagen, was voor Lodewijk te kwetsender, omdat hij berekenen kon dat het meerendeel der leden met het gebeurde te Parijs zeer goed bekend was. De voorzitter dezer vergadering was de heer Jarges, die nevens andere leden deel genomen had aan den Grooten Raad, die in zijn advies van 14 Februari den koning toegeven uitdrukkelijk had aangeraden en het bieden van tegenstand als een ongerijmdheid veroordeeld. Tegenover de Avaardige en hartelijke taal, door Lodewijk aangeslagen, die, zonder door de constitutie er toe verplicht te zijn, maar gedreven door de behoefte van zijn hart, geruststelling voor zich vroeg, dat zijn volk zijne pogingen, hoe vruchteloos ook, waardeerde, maakt dit schrijven een zeer onaangenamen indruk.

Gelijk te verwachten was, gevoelde Lodewijk zich zeer gebelgd over het stuk. Het is te betreuren, dat de brief aan Röell, waarin hij deze gevoelens lucht gaf, verloren schijnt.

Het tractaat van 16 Maart werd reeds drie dagen latei-door den keizer geratificeerd. De ratificatie van koning Lodewijk had niet vóór 31 Maart plaats. Bij de belofte van nakoming voegde hij 151 de beperkende woorden: par tons les moyens en not re po u voir.

IV

HET TRACTAAT VAN 16 MAART 1810.

Met een verbitterd en wrokkend gemoed keerde in den

-ocr page 377-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 365

vroegen morgen van 11 April koning Lodewijk in zijne hoofdstad weder. Slechts het lossen van het geschut gaf van zijn terugkeer aan de bevolking blijk. Elk teeken van blijdschap, elke demonstratie of feestviering had hij verboden. Te juichen over het gesloten verdrag, dat hij als een opgedrongen capitulatie beschouwde, was hem niet mogelijk. En waartoe den schijn ervan aannemen voor de natie? Niemand zou er door misleid worden. En zoo het al mogelijk ware, Lodewijk begeerde het niet. Want het verminderde zijne kansen om de natie bereid te vinden tot die opofferingen, die hij van haar vragen wilde. Eerlijkheid en politiek belang stemden overeen, om rond voor de ware gevoelens uit te komen.

Op den eersten Zondag (15 April) na zijn terugkomst ontving Lodewijk den Staatsraad en het Wetgevend Lichaam. De toespraken van de twee presidenten waren in overeenstemming met de rol, die deze collegiën in de afgeloopen maanden hadden gespeeld. Hartelijk en vertrouwend was de toon van den Staatsraad. Duidelijk en onverholen werd instemming betuigd in de politiek des konings, die een deel had opgeofferd om de zelfstandigheid van het overige te redden 152.

Moeielijk was het, na de aangenomen houding, voor het Wetgevend Lichaam, om den koning te begroeten. Er sprak verlegenheid uit de toespraak des voorzitters. Hij verklaarde, dat het Wetgevend Lichaam, terwijl \'s konings terugkomst een reden van verheuging was voor Lodewijk\'s getrouwe onderdanen, zich niet dan haasten kon om hem „niet dubbelzinnige blijkenquot; van zijn vreugde te geven. Als zoodanig bood hij in naam der vergadering hem de hernieuwde verzekering van liefde en trouw aan. Ook nu nog weigerde het Wetgevend Lichaam een woord te spreken, dat van instemming in Lodewijk\'s handelwijze of goedkeuring van het tractaat getuigde. Onder complimenten voor den persoon werd de afkeuring van de handeling verzwegen. Gedurende \'s konings lange afwezigheid, verklaarde de voorzitter, had alleen de intieme overtuiging, dat zijn streven altijd was het welzijn van het volk te bevorderen, hun rust en troost gegeven. 153 Hij wenschte

-ocr page 378-

3(56 DE ONDEKGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

den koning toe, dat de hemel hem in staat mocht stellen, de diepe wonden te genezen, achtereenvolgens aan het vaderland toegebracht, en tevens, dat hij, stervende na een lange en gelukkige regeering, door de verste nakomelingschap voor de geschonken weldaden mocht gezegend worden.

Men ziet — de rook moest het gemis van vuur verbergen. Dat koning Lodewijk door deze holle klanken misleid is geworden, is niet zeer waarschijnlijk. Zijn gemoedsstemming en de vroegere houding dezer vergadering werkten niet gunstig daartoe samen.

Toch schijnt hij in zijn officieel antwoord zich tot algemeenheden bepaald te hebben. Hij sprak zijn blijdschap over zijn terugkeer uit én gaf kennis van de aanstaande komst van koningin Hortense: „hij had zijn geheele gezin in Holland vereenigd, om, zoo mogelijk, de banden, die hem aan dit land hechtten, nog te versterken.quot; Overigens rekende hij op de medewerking der hoogste staatslichamen om het tractaat uit te voeren, en verwachtte alles van Frankrijk en den keizer, daar nu alle reden van beklag was weggenomen.

De hereeniging van zijn gezin in Holland, door Lodewijk aangekondigd, bestond in den terugkeer van Hortense Beau-harnais en den oudsten zoon, den kroonprins. Ook in dit opzicht had de tocht naar Parijs hem een teleurstelling gebaard. Hij had gehoopt zijn huwelijk aldaar ontbonden te zien. Maar het ongelig Avilde, dat zijn aanzoek samenviel met \'s keizers scheidingsplannen, zoodat de familieraad reeds daarom weigerde: het kon voor de keizerlijke dynastie niet wenschelijk zijn, om de ontbinding van het keizerlijk huwelijk door een tweede te doen volgen.

Bovendien was de keizer uit persoonlijk belang tegen de scheiding. Holland was eene uitnemende wijkplaats voor de dochter van Josephine, die hij verstiet; dat Hortense naar Holland ging, terwijl hij aan haar moeder eene opvolgster gaf, behoefde de opmerkzaamheid niet te trekken. Het plan, om haar te doen vertrekken, was reeds in December, toen Lodewijk de scheiding vroeg, te Parijs gekoesterd. Bij het onder-

-ocr page 379-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 367

houd, waartoe la Rochefoucauld den minister Mollerus had uitgenoodigd, was de terugkeer van Hortense als mogelijk voorgesteld en daarover het oordeel des ministers gevraagd irgt;i.

Door tusschenkomst van Eugène Beauharnais, onderkoning van Italië, en van Verhuell had er, ten huize van de moeder der Napoleons, 155 eene verzoening plaats gehad. Dat de verhouding intusschen weinig meer dan een officieele werd, blijkt uit het enkele feit, dat ieder der echtgenooten de reis van Parijs naar Holland, waar zij voortaan te zamen zouden leven, afzonderlijk deed. Terwijl de koning den Hi]ül1 April te Amsterdam aankwam, naderde langzaam Hortense. Drie dagen na zijn terugkeer was zij te Utrecht (14 April). Lode-wijk had haar zijn opperjagermeester van Heeckeren te gemoet gezonden, en ging zelf een paar dagen later derwaarts, om de week vóór Paschen met haar door te brengen. Twee der ministers, Appelius en Hugenpoth van Aerdt, brachten haatte Utrecht een bezoek, maar het eigenlijke hofleven zou slechts, na het einde der stille week en de kerkelijke feestdagen, te Amsterdam een aanvang nemen. Den 23stcn, Paasch-maandag, vertrok het koninklijk paar naar de hoofdstad. Zelfs deze korte tocht was hun te lang, om hem gemeenschappelijk af te leggen. Ieder reisde afzonderlijk met zijn gevolg: de koningin kwam om half drie Amsterdam binnen en vertoonde zich onmiddellijk met den kroonprins op het balkon van het stadhuis. De koning volgde denzelfden middag om 6 uur. Wilde Lodewijk niet, als de overwonnene, aan hare zijde zijn intocht in de hoofdstad doen ?

Hoe dit zij, de personen, die in den hofkring leefden en achter het blanketsel de ware kleur der dingen zagen, wisten spoedig, dat alles ontbrak, wat tot een goede verstandhouding noodig en onmisbaar is. Een jonge, schoone, levenslustige vrouw was gekluisterd aan een zieken, achterdochtigen man, die, met de beste bedoelingen van de wereld vervuld, zonder physieke en geestelijke kracht was om haar door zijn mannelijk overwicht ontzag in te boezemen en zelfbeheer-sching in te prenten. Achterdocht aan de eene, onvoorzichtigheid

»

-ocr page 380-

368 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

aan de andere zijde zijn slechte schakels om de huwelijksketen onbreekbaar te doen zijn. Hortense bovendien — het mag niet vergeten worden — deelde Lodewijks politieke gevoelens en oordeel over den keizer niet. De hereeniging dezer echtelingen was een door politieken nooddwang aan beiden opgelegd kwaad; een bevestiging van dat groote euvel, op den dag van hun huwelijksvereeniging hun aangedaan. En in plaats dat hunne hereeniging hen nader bracht, was zij slechts het middel tot nieuwe verwijdering. Op niets was koning Lodewijk zoo gesteld, als op zijn rang en de volksgunst ; trouwens, populariteit was het eenige, wat hem restte. Tot dusver het hoofd van den hofkring, het middenpunt, waarom alles zich bewoog, zag hij deze schitterende vrouw, die de zijne was door den wil van een derde, hem overschaduwen en op de hoffeesten gevierd als de koningin, die hem in alles wat populariteit geeft overtrof. Zij roofde hem hier de harten, zou zij het daarbuiten niet doen ?

Maar meer dan dit was er, dat den koning de meerdere levendigheid van het hof onverdragelijk deed zijn. De Fransche gezant, die sinds zijn komst in Holland weinig anders had gedaan dan Lodewijk, ook door partij trekken voor Hortense, te ergeren en te kwetsen, vond goed de eer der verzoening, in zijn afwezen te Parijs tot stand gekomen, voor zich te vragen. Hij begon eene beschermende houding aan te nemen. De koning werd zeer door hem geprezen en de eerste familiën, op welke hij invloed had, werden tot een bezoek aan het hof aangemoedigd. Zulk een gedrag van den gehaten gszant was voor Lodewijk ondragelijk en verergerde zijn verhouding tot Hortense. Het duurde slechts korten tijd, of de tweedracht tusschen man en vrouw was grooter en meer open-lijk dan ooit te voren. 156 Het wekte niemands verwondering, toen Hortense in het laatst van Mei Amsterdam verliet, om naar het Loo en vandaar naar Plombières te vertrekken.

Sprak uit deze nieuwe breuk der echtelingen meer persoon-

-ocr page 381-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 369

lijke gevoeligheid dan politieke wrok, het was niet te verwachten dat Lodewijk, waar beide zaken samenwerkten, krachtiger tegen zich zelf zou zijn. Het woord zelfbeheer-sching was minder dan ooit in zijn woordenboek geschreven; het gevoel van verbittering vond te ruim voedsel in het vernederend bewustzijn van zijn politieke machteloosheid, dan dat hij zich de kleine wraaknemingen, die hij zich veroorloven kon, wist te ontzeggen. Zoo bijv. ontving de groot-kamerheer, die op den dag van \'s keizers huwelijk met Maria Louise een Te Deum in de koninklijke kapel had doen zingen, een ernstige vermaning. 157

Nog vóór zijn terugkomst had Lodewijk een besluit genomen, dat om den persoon, dien het gold en de omstandigheden, die het vergezelden, een feit van politieke beteekenis werd.

Burgemeester van Amsterdam was de heer Wolters van de Poll. In het laatst van het vorige jaar had hij zijn ontslag gevraagd, doch zich laten bewegen de betrekking waar te nemen tot het einde van \'s konings onderhandelingen. 158 In dien tusschentijd viel alles voor, wat de defensie van Amsterdam betrof. Van de Poll was een der tegenstanders van Krayenhoff, die hem beschuldigt, dat hij een ijverig agent van den Franschen ambassadeur is geweest en getracht heeft, een aanhang tegen de verdediging van de hoofdstad te vormen.

Deze beschuldiging wordt meer bevestigd dan weersproken door de mededeelingen van Mollerus, die ook geen vriend van Krayenhoff was. Mollerus, die zooveel moeite had gehad om bedaard te blijven, als Krayenhoff driftig zich uitliet over zijne bezwaren tegen Amsterdams verdediging, verhaalt ons, dat la Rochefoucauld zijne nota van 26 Februari, in strijd met alle diplomatieke usantiën, ook aan burgemeester Van de Poll heeft voorgelezen. 150 Op hoe intiemen voet beide heeren waren blijkt hieruit, dat de Fransche ambassadeur den burgemeester van de hoofdstad in bedenking gaf, eene commissie uit de stadsregeering aan Lodewijk te zenden, ten einde tegen de verdediging van Amsterdam te protesteeren.

24

-ocr page 382-

370 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

Deze samenwerking met den Franschen gezant haalde, gelijk alleszins natuurlijk was, aan Van de Poll \'skonings ongenoegen op den hals. Nog te Parijs, in de eerste dagen van April, zond Lodewijk hem zijn ontslag toe. Hij had het recht te handelen gelijk hij deed; want Van de Poll had ontslag gevraagd, en de onderhandelingen met Frankrijk waren nu afgeloopen. Maar èn het oogenblik èn de termen, kwetsend door koelheid en kortheid, waren hoogst onvoorzichtig. 100 Als een der eerste regeeringsdaden na het sluiten van het tractaat den burgemeester der hoofdstad, aanhanger van la Rochefoucauld, tegenstander van Krayenhoff, te ontslaan, gaf aan Frankrijk recht er een strafoefening op een zijner vrienden in te zien. Dat de anders zoo redenrijke Lodewijk bij deze gelegenheid ook geen enkel woord kon vinden, om den ontslagen burgemeester een heuschen dank te brengen, was zeer geschikt om bevreemding te wekken, maar niet minder ergernis.

Een gelijke ongunstige beteekenis kon evenmin worden ontzegd aan een ander ontslag, dat hij in de Aprilmaand verleende. De generaal Vichery, een der weinige Franschen, aan wien Lodewijk zijn vertrouwen had blijven schenken, was in Augustus 1809, toen Dumonceau naar het hoofdkwartier te Rozendaal vertrok, met het bevel over de hoofdstad belast. Zeer waarschijnlijk heeft ook hij tot de tegenstanders dei-defensie behoord. Nu, na Lodewijks terugkomst, werd hij ontslagen. In zijn commandement volgde hem provisioneel de generaal-majoor Suden op.101

Deed de koning op die wijze aan Franschen en Fransch-gezinden zijn ongenade gevoelen, omgekeerd zocht hij hun, die hem trouw waren gebleven en onder \'s keizers eischen hadden geleden, het verlorene te vergoeden. Krayenhoff, die onmiddellijk na zijn ontslag tot zijne geodesische en astronomische operation, vereischt voor de nieuwe kaart van Holland, was wedergekeerd, had nauwelijks Lodewyk\'s terugkomst vernomen, of hij spoedde zich naar Amsterdam. De koning bood hem het gouverneurschap der hoofdstad aan; maar

-ocr page 383-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 371

KrayenhofF, kalmer dan zijn meester, begreep welk een indruk zijn aanstelling te Parijs zou maken en hield hem ervan terug. Maar hij liet zich niet weerhouden van het geven van andere schadeloosstellingen. Reeds bij het intrekken van den maamp;r-schalkstitel was aan de getroffenen kennis gegeven, dat de koning het plan had hun den eersten stand van adeldom te verleenen.162 Aan dit plan werd, na Lodewijk\'s terugkomst, gevolg gegeven. Den 13\'lcn April zag zich Dumonceau tot Graaf van Bergerduin benoemd. De overige beroofden kwamen achtereenvolgens aan de beurt.

Daden, die ieder op zich zelf minder sprekend zijn, krijgen vereenigd en in verband tot elkander een groot gewicht. Alles bewees een streven om zich, zoo al niet te wreken, dan toch zelfstandig te toonen tegenover de macht, die hem de handen gebonden had om meer beteekenende bewijzen van onafhankelijkheid te geven. De onwil tegen het keizerlijk gouvernement uitte zich vooral in de houding, die Lodewijk tegenover la Rochefoucauld aannam. Toen de koning te Amsterdam was aangekomen, liet hij niet alleen den gezant links liggen, maar sprak zelfs openlijk zijn afkeer van hem uit, en beschuldigde hem bij zijn omgeving, dat hij Napoleon tegen hem had opgestookt. 110

In de eerste weken, toen Hortense nog in de hoofdstad was, had la Rochefoucauld ook den koning in zijn genadige gunst opgenomen en goed van hem gesproken. Maar spoedig keerde het blaadje. Toen de verhouding der echtgenooten veranderde, ham de gezant zijn ouden hoogen toon weer aan en liet, even openlijk als Lodewijk, zich tegen hem met allerlei bedreigingen uit. 164

Aan het hof volgde men natuurlijk \'s konings voorbeeld. De hovelingen ontweken den ambassadeur zooveel doenlijk.165 Sommigen, door dienstijver of gunstbejag gedreven, gingen zelfs verder; en zonder in te.zien, dat zij de spanning door hun onberadenheid vermeerderden, ontzagen zij zich niet, den gezant zelfs persoonlijke beleedigingen aan te doen.106

Een dergelijk gedrag van koning en hofhouding was bij

-ocr page 384-

372 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

uitstek onvoorzichtig. La Rochefoucauld was de man niet om te vergeven, veelmin te vergeten. Met hem, als ambassadeur, had men dikwerf te handelen. Zijne rapporten aan den Franschen minister konden den toestand verergeren. Lodewijk wist, dat hij het oor des keizers had. Steeds was het gevaarlijk hem tegen zich te hebben, maar inzonderheid in dagen als deze, waarin men voor de uitvoering van het tractaat van 16 Maart toegevendheid behoefde en vroeg.

Den 14den April had koning Lodewijk eene commissie benoemd voor de overdracht der afgestane landen aan Frankrijk. Zij bestond uit de staatsraden Elout, Hultmann en van Lijnden. Drie dagen later kwamen zij te Utrecht bijeen. Onmiddellijk deed zich een bezwaar op. De landdrost van Brabant, die zich op Elout\'s verzoek naar den hertog van Reggio had begeven, om te vernemen, of ook het keizerlijk gouvernement reeds commissarissen had aangewezen, zond bericht, dat niet de keizer, maar Oudinot één persoon, den generaal Pannetier, tot overname der gecedeerde landen had benoemd. Elout en Hultman keerden naar Amsterdam terug om deze vreemde handelwijze aan Lodewijk te berichten. De koning, schoon hem de onachtzame bejegening des keizers hinderde, gaf toe, onder voorwendsel dat Oudinot tot deze benoeming was geautoriseerd. De Fransche generaal van zijn zijde had nauwelijks de grieve vernomen, of hij trachtte ze uit den weg te ruimen, voor zooveel hij vermocht. Hij benoemde eene commissie, meer in rang en getal gelijk staande met de onderhandelaars namens Holland. Puthod, divisie-generaal, werd aan het hoofd gesteld, hem ter zijde Boerio, commissaire, en Pannetier, brigade-generaal.

Op het huis van het Landdrostambt in den Bosch vergaderden de twee commissiën den 21sten April voor de eerste maal. De Hollandsche commissarissen hadden verschillende punten in last.,67 Zij moesten o. a. het recht der koninklijke regeering handhaven op de belastingen in Walcheren tot 1 April, die door de Fransche administratie met dwang-

-ocr page 385-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 373

maatregelen werden ingevorderd. 168 Ook over de domeinen in de afgestane gewesten moesten zij spreken. De koning wenschte, dat in het tractaat uitdrukkelijk zou gemeld worden, dat deze niet onder de afgestane goederen behoorden. Blijkens een schrijven, van den eersten kabinetssecretaris van Z. M. ontvangen, was op dit verlangen des konings geantwoord, „dat dit vanzelve sprak en zulk een uitdrukkelijke bepaling dus overtollig was.quot;

Toen de Hollandsche commissarissen in deze eerste zitting deze en andere punten aan de orde wilden stellen, verklaarden de Franschen onmiddellijk tot de behandeling van dergelijke zaken ongelast te zijn. Zij zeiden, dat hunne taak zeer eenvoudig was, en dat alles zich bepaalde tot een zuivere over-gifte aan den eenen en overneming aan den anderen kant van de afgestane landen, volgens art. 6. van het tractaat. Alle andere kwestiën konden behandeld en geregeld worden na de overgifte met zoodanige commissarissen, als door het Fransche gouvernement tot organisatie dezer landen zouden worden gezonden, of wel met den aan te stellen prefect.

Daar geen der beide partijen mocht toegeven, ging de commissie uiteen. Elout zou nadere instructiën vragen. Te meer waren zij noodig, omdat de Fransche commissarissen als* in \'t voorbijgaan hadden medegedeeld, dat zij stellig gelast waren geen andere grensscheiding aan te nemen, dan die door de West- of Groote Kil in het Biesbosch liep.

Het vraagstuk der grenzen was niet nieuw. Toen in Februari koning Lodewijk op het concept-tractaat, zooals het hem te Parijs was voorgelegd, aanmerkingen had gemaakt, had hij reeds voorgesteld om in plaats van de algemeene bepalingen van de Biesbosch, de nadere van de Groote Kil aan te nemen. 160 Doch het was met deze als met de meeste andere aanmerkingen gegaan: zij was verworpen. In het traktaat van 16 Maart was in \'t algemeen de Biesbosch aangenomen, no zonder nadere bepaling.

Het scheen, achterna beschouwd, zeer gelukkig, dat de koning in dit opzicht zijn wensch niet had verkregen. Want

-ocr page 386-

\\-\'l DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

de Groote of Westkil, die hij te Parijs had voorgesteld, was juist de grens, die hij nu, in Holland teruggekomen en beter ingelicht, boven alles zocht te vermijden. In de plaats daarvan wilde het Hollandsch gouvernement het Steurgat als scheiding aangewezen zien.

De hoofdreden was deze. Tusschen het Steurgat en de Westkil lagen voor een groote waarde onverkochte domeinen. Werd het Steurgat de grens, dan bleven zij aan Holland; werd de Westkil aangenomen, het zou een nieuw verlies zijn. Om de commissie goed op de hoogte te stellen van de beteekenis van het verschil, werd hun de volgende opgaaf gedaan 171:

„Indien door het Steurgat de scheiding loopt, zou maar circa voor /quot;40 a 42,000 waarde dier Domeinen onder het Fransche rijk komen.

„Zoo de Westkil, die onbevaarbaar is, tot scheiding zou moeten verstrekken, moet de geheele massa overgaan. De presumtieve waarde der nog onverkochte Domeinen is deze;

„die, aan de zijde van het vasteland bezuiden de Bakkerskille, hebben een pres. waarde van . ... f 5.400.— die tusschen de Bakkers- en Bruine kil . . . - 80.850.— die tusschen de Bruine kil en het Steurgat. . - 5.600.— die tusschen het Steurgat en de Westkil. . . - 490.250.—

Geen wonder, dat om een dergelijk verlies te vermijden alle kracht werd ingespannen, en de commissie van allerlei argumenten voorzien, die men hoopte dat de Fransche commissarissen tot toegeven zouden nopen. Het Steurgat verdiende verre de voorkeur, als grens van een militaire mogendheid, boven de West- of Groote Kil, omdat de eerste steeds bevaarbaar was en de laatste niet. „Het Steurgat\'\' — schreef de inspecteur van den Waterstaat Blanken aan den president der commissie Elout I7\'2 — „is de eenige westelijke strang van de Merwede naar den Biesbosch, die er bestaat, als vaarwater beschouwd gelijk als vermogende derivatie. — De Westkil, bijgenaamd de Groote Kil, is dat in geenerlei opzichte. Dezelve is waadbaar bij laag water op onderscheidene plaat-

-ocr page 387-

DE OMDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 375

sen, en ligt droog, heeft eigenlijk geen bepaald issue op den Biesbosch, zooals het Stenrgat en de Bakkerskil, nog meer oostelijk gelegen. De Westkil kan hydraulisch beschouwd nimmer zulk een vaarwater worden, als het Steurgat of de Bakkerskil reeds zijn en door den natuurlijken loop der stroomen onderhouden worden, daar de zoogenaamde Groote West-kil verlamd is en hydraulisch verlammen moet. Met één woord, er zijn alle gegronde redenen en argumenten aan te voeren, dat de Westkil de strang of derivatie niet zijn kan, die in het tractaat beschreven staat, maar dat zulks öf de Bakkerskil öf het Steurgat zijn moet. De zaak is van het uiterste aanbelang voor den physiquen staat van dit rijk.quot;

Met dit groote belang voor oogen verzocht dan ook de Hollandsche commissie, dat het ministerie Oudinot mocht bewegen, om meer ampele instructiën aan zijne commissarissen te geven, opdat zij niet, als in de zitting van den 218ten April, steeds op het bezwaar van hun onbevoegdheid zouden stuiten.

Maar de koninklijke regeering gevoelde zich te zeer verlamd, om een ernstige poging tot verzet te wagen. Het antwoord, dat Elout verkreeg, bewees dat men te Amsterdam alles prijs gaf. Het kabinetsschrijven van den 22ste,1 April gelastte, dat „de limietscheiding zou geschieden op zoodanige der killen, als de Fransche commissarissen zouden verlangen.quot; De commissie kon onmiddellijk tot de overgave overgaan en dezelve finaal doen plaats hebben. De bedreigde domeinen trachtte Lodewijk te redden, door er dit voorschrift bij te voegen : „de commissie moest uitdrukkelijk reserveeren de reclame van de voorname pointen in de instructie vermeld, en (hetgeen vanzelve sprak) dat de domeinen onder den afstand niet begrepen waren.quot;

Concedeerde alzoo koning Lodewijk op het punt der grensscheiding, de commissie moest daarvoor iets anders trachten te behouden.

Bij hetzelfde kabinetschrijven werd hun bericht : „al hetgeen aan geschut, voorraad, mond- en krijgsamunitie in de

-ocr page 388-

376 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

vestingen is, alleen uitgezonderd wat eigenlijk tot de wapening en approvisionnement dier vestingen behoort, moet weder in het Rijk worden gebracht. Dit alles is door Z. E. den maarschalk hertog van Reggio aan Z. M. den koning toegezegd, als geen zwarigheid in de uitvoering zullende ontmoeten.quot; Hetzelfde meldde de minister van oorlog, Cambier, in een particulieren brief aan Elout; hij schreef „in confidentie, alzoo de maarschalk er door zou kunnen gecompromitteerd worden, dat hij (Oudinot) aan den generaal Vichery zijne verwondering heeft te kennen gegeven dat men geene aanstalten maakte tot vervoer van datgene, \'t welk niet tot de geoccupeerde vestingen behoorde, en dat hij geen reden wist, waarom men zig daartegen zou kunnen verzetten, indien dit maar geschiedde vóór den lsten Mei of voordat de over-gifte van alles gedaan was, alzoo het zeeker was, dat zoodra die had plaats gehad, wij niets terug kregen.quot; Cambier zelf had reeds pogingen gedaan, doch overal op verzet gestoo-ten. 17:1 De commissie zou misschien gelukkiger zijn.

Doch de commissie was in deze noch in eenige zaak gelukkiger. De Fransche commissarissen verklaarden, „dat zij niet alleen geen last hadden om ietwat aangaande eene uitzondering der domeinen te bepalen, maar zelfs dat uitdrukkelijk aan hen verboden was, iets daaromtrent in hunne onderhandelingen aan te roeren.quot; Opnieuw werd \'s konings wil gevraagd. Koning Lodewijk berustte in de weigering, maar stelde in het ontwerp van het proces-verbaal der overgave eene wijziging voor, waarin de noodzakelijkheid van een nadere regeling der thans onafgedane punten zou erkend worden. 174 Mocht echter ook hiertegen bezwaar worden geopperd, dan kon de commissie zich beschouwen als „volkomen geautoriseerd om het proces-verbaal zonder eenige bijvoeging te teekenen.quot;

En zoo geschiedde het. Zelfs de kleine genoegdoening, die de koning van Holland had gevraagd, werd geweigerd, en het proces-verbaal, zonder eenige vermelding van nadere regeling, den 27stcquot; April opgemaakt, gearresteerd en geteekend.

-ocr page 389-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 377

Als met de domeinen was het inmiddels gegaan met het geschut en de krijgsammunitie in de vestingen. Ook de commissie kon de teruggave niet verkrijgen: zij gingen verloren. Ten aanzien der aanzienlijke sommen, die de Fransche administratie uit de kassen van Walcheren tegen recht had weggenomen, was het Hollandsche gouvernement even ongelukkig. Verhuell bracht te Parijs zijne klachten bij den hertog van Cadore in, maar de loop der volgende gebeurtenissen deed ze alle uitwerking missen.

Wel was het eene schamele vergoeding voor de treurige taak, die Elout, Hultmann en van Lijnden hadden vervuld n5, dat hun gesprekken met de Fransche commissarissen zelve het bewijs hun schonken, hoe de reuzenmacht, waarmede zij worstelden, in de oogen harer eigen dienaren wankelde. „Boerio, een Italiaan, voorspelde ons den aanstaanden val van het keizerrijk, dat door eigen zwaarte zou moeten instorten,quot; verhaalde van Lijnden vele jaren later.17,3

Het militaire standpunt, dat de Fransche commissarissen hadden ingenomen op last hunner regeering, deed een helder licht opgaan over de wijze, waarop het keizerlijk gouvernement zijn verhouding tot Holland na 16 Maart beschouwde. Het militair belang beheerschte en regelde alles.

Bij het gesloten tractaat was bepaald, dat een korps van 18000 man; waarvan een derde uit Franschen zou bestaan, met Fransche douaniers de monden der rivieren zou bezetten, om allen smokkelhandel te beletten.

Twee punten intusschen waren onbepaald gebleven: wat men onder monden der rivieren te verstaan had, en onder wiens bevelen zij staan zouden. In het ontwerp van Februari was voorgesteld, dat een Fransch maarschalk ze zou aanvoeren. Hiertegen had Lodewijk ernstige bedenkingen ingebracht en het in strijd met -zijn eer verklaard. 177 Toon de keizer onwillig bleef om het te veranderen, had de koning hem in een particulier- schrijven verzocht, dat dan ten minste in het open tractaat niets van dit opperbevel van een Fran-

-ocr page 390-

378 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

schen maarschalk in zijn land mocht gevonden worden: het kon wel de inhoud zijn van een geheim artikel.

In het gepubliceerde tractaat staat ook werkelijk niets van dezen maarschalk te lezen. Of de zaak in een geheim artikel is bepaald, is onbekend. Er is echter grond om het aan te nemen. Lodewijk heeft zich in zijne Documents Historiques volstrekt niet over de benoeming beklaagd, \'t geen hij zeker niet zou nagelaten hebben, als zij tegen de afspraak was geschied.178

In de laatste dagen der Aprilmaand werd het legerkorps, dat Holland zou bezetten, onder het bevel van Oudinot, hertog van Reggio, gesteld. Zijn commandement zou eindigen bij de Fransche grenzen. De staf van dit leger, dat den naam zou dragen van Observatiekorps van Holland, zou te Utrecht gevestigd zijn.

Den 25sten April kwam Oudinot met zijn staf in zijn residentie aan. Hij had blijkbaar met kieschheid gewacht, tot koning Lodewijk en Hortense de stad, bij het einde der stille week, hadden verlaten.

Even ongunstig als alle andere vraagstukken werd ook dat der mondingen beslist. Alle plaatsen, van waar de gemeenschap met de zee mogelijk was, werden bezet. Dordrecht had sedert lang Fransche troepen moeten innemen. Den 20sten April volgden \'s Gravenhage en Leiden. Vijf dagen later rukten twee esquadrons huzaren en een gedeelte van een bataillon infanterie Rotterdam binnen. Gelijktijdig werd Oost-Friesland door eenige duizenden Fransche soldaten onder bevel van den generaal Barde de Bourdesolte bezet. 1,9

Zoo zag de koning, weinige weken na zijn terugkeer, zijn land van alle kanten door Fransche troepen overstroomd. Slechts weinige plaatsen waren nog verschoond en deze weinige zouden het lot der andere, na korter of langer tijd,, niet ontgaan. Wat Lodewijk gevoelde, kan men begrijpen. Hij heette koning over een land, waarin hij eigenlijk niets te zeggen had. De keizer der Franschen beheerschte zijn rijk en hem was weinig meer dan een ijdele titel gebleven. Waar

-ocr page 391-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

hij zich keerde, ontmoette hij de troepen van zijn broeder. Duidelijker nog dan te Parijs zag hij in, dat de opoffering volstrekt nutteloos was- geweest. Onder een vorstelijken titel was hem niets dan het administratief gezag van een prefect gelaten. Geen wonder, dat hij in deze uitvoering van het tractaat een verraderlijke handelwijs zag en dat zijn verbittering met ieder nieuw bericht van bezette plaatsen steeg.

Den 13den April had hij een geheim besluit geteekend 130, dat „een groote provisioneele commissie\'\' in \'t leven riep. Zij moest, gelijk het heette, „de zaken, welke binnen den loop van dit jaar door het Wetgevend Lichaam moeten afgedaan worden, voorbereiden.quot; Lodewijk wilde blijkbaar een kern van vertrouwde mannen hebben, met wie hij zonder omwegen over de te nemen maatregelen kon raadplegen. Het getal leden werd op elf bepaald: zes door het Wetgevend Lichaam, vijf, uit de ministers en staatsraden, door hem zeiven te benoemen. Ieder lid moest den eed afleggen, om het diepste geheim over de te verhandelen zaken te houden. Ieder minister moest aan deze commissie alle stukken, die zij verlangde, doen toekomen.

Door den koning werden tot leden benoemd de minister van binnenlandsche zaken, die van financiën, en de staatsraden Reuvens, Nederburgh en van der Houte. Door het Wetgevend Lichaam werden, nog op denzelfden 13 April, aangewezen, F. S. van Bylandt Halt, H. de Vos van Steenwijk tot den Hogenhof, L. J. J. Rengers, J. van de Poll, G. J. H. van der Heim en A. Pompe van Meerdervoort.

De taak, die koning Lodewijk aan deze commissie opdroeg, ontwikkelde hij in de geheime instructie, die hij haar gaf. 181 Zij moest nagaan, wat het waar belang van het vaderland vorderde. Hij had het tractaat van 16 Maart geteekend, ofschoon overtuigd dat het hem in de publieke opinie zeer schaden zou. Doch hij meende dat het behoud van een deel zelfstandigheid beter was dan het verlies van het geheel. Maar misschien had hij zich bedrogen, en gaf de natie de voorkeur aan een zekeren staat van zaken boven den onzekeren van

379

-ocr page 392-

380 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

het tegenwoordig oogenblik, waarin men aan allerlei rampen blootgesteld was. Het kon zijn, dat zij liever de inlijving dadelijk wenschte, dan het langer voortzetten der marteling.

Wat hem betrof, hoe gehecht aan zijn rang hij ook erkende te zijn, hij had nooit iets anders gewenscht dan het geluk des volks, en verlangde ook nu niet, dat het land opgeofferd zou worden aan zijn belang. De commissie moest de vragen beoordeelen, geheel afgescheiden van hem of van zijn familie.

Drie vragen onderwierp hij aan haar oordeel:

1. „Is de tegenwoordige toestand houdbaar? — wel te verstaan, als wij het tractaat slechts zooveel mogelijk uitvoeren?

2. „Indien de uitvoering ondenkbaar is voor de natie en vernederend voor den koning; indien de publieke opinie tegen dit rampzalig bestaan is, welk middel kent de commissie om er aan te ontsnappen ? Dat zij het rondweg uitspreke.

3. „Wordt echter het voortbestaan met dit tractaat mogelijk geacht, dan moet de commissie de middelen aanwijzen, om de zaken in stand te houden en het mij mogelijk te maken op den troon te blijven, zonder ontrouw te worden aan de plechtige beloften, die ik herhaaldelijk heb afgelegd, en zonder dat ik nutteloos voor de natie zij en verplicht als lijdelijk toeschouwer de rampen aan te zien, die haar treffen, zonder ze te kunnen afweren.

„Alle voorlichtingen, die de hoofden der departementen kunnen geven, moeten zij aan de commissie geven. Want zij moet bij het uitspreken van haar oordeel het geneesmiddel nevens het kwaad aanwijzen en in bijzonderheden aantoonen, dat de schikkingen die zij voorslaat mogelijk zijn.quot;

Het rapport, door deze commissie uitgebracht, is volstrekt onbekend. Eéne zaak intusschen mag men aannemen; zij heeft niet geadviseerd tot onmiddellijke abdicatie. Of zij voorslagen heeft gedaan tot uitvoering van het tractaat, en welke, het ligt alles nog in het duister. Maar de instelling dezer

-ocr page 393-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 381

commissie is een schoone bladzijde in de geschiedenis van den ongelukkigen koning. Hij liet volkomen vrijwillig de keus van haar lot aan de natie, bij monde van hare vertegenwoordigers, over. Het Wetgevend Lichaam, dat hem vroeger zoo onheusch had bejegend, zag zich thans in de gelegenheid gesteld, zijne beschouwing van den toestand door kracht van argumenten in deze commissie te doen zegevieren. Hebben zijne vertegenwoordigers het beproefd? Wij weten het niet.

Hetzelfde denkbeeld, dat koning Lodewijk den 13den April de Provisioneele Commissie had doen benoemen en raadplegen, bewoog hem, na den terugkeer uit Utrecht, eene andere con-sulta bijeen te roepen. Zij bestond uit al de ministers, de presidenten van de afdeelingen van den Staatsraad en die leden van het Wetgevend Lichaam, die in den loop van Lodewijk\'s regeering presidenten van die vergadering waren geweest. Op een paar personen na waren het dezelfde leden, die, op zijn last vereenigd, hem het bekende advies over het ontwerp-tractaat hadden gegeven. Aan hen onderwierp hij een gelijke vraag, maar duidelijker en scherper afgescheiden van alle andere overwegingen. Hij had het tractaat van 16 Maart geteekend, verklaarde hij bij de opening der zitting, om, in zijn hoofdstad wedergekeerd, vrijwillig te abdiqueeren, zoo \'t noodig was. Aan de vrije beraadslaging van deze vergadering onderwierp hij thans de vraag: is het oogenblik daartoe gekomen ?

Men ziet, sedert den IS116quot; April, toen hij de Provisioneele Commissie benoemde, was er verandering in den toestand gekomen. De afloop van do missie van Elout c. s. , en het inrukken der Fransche troepen vereenvoudigden den staat van zaken. Thans was het niet meer de vraag, of abdicatie noodig en wenschelijk was, maar of het oogenblik reeds gekomen scheen ?

Met algemeene stemmen besloot de consulta, 183 dat het oogenblik, hoe kritiek ook, nog eenige goede kansen vertoonde, die- door de abdicatie konden verloren gaan. De

-ocr page 394-

382 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

koning had de vergadering verlaten, om de vrijheid dei-discussie te verzekeren. Teruggeroepen, ontving hij van Van der Heim mededeeling van het eenstemmig oordeel dei-aanwezigen. Hij onderwierp zich aan zijn raadgevers. De zaak werd uitgesteld.

Op den laatsten dag der Grasmaand, die koning Lodewijk zoo herhaaldelijk zijne vertrouwde raadslieden had zien polsen over de noodzakelijkheid van zijn troonsafstand, had er in de nieuw aangeworven gewesten van Frankrijk een gebeurtenis plaats, die voor Holland geheel onvoorziene gevolgen had. Den ir,cn Maart was te Weenen het huwelijk gesloten tusschen keizer Napoleon en Maria Louise. La vierge d\' Autriche fut livrée au Minoiauve, gelijk Lady Castlereagh zeide. Den 2lt;,en April deed zij haar intrede in Parijs; in het laatst der maand vertrokken de jonggehuwden om door België en de Brabantsche gewesten een tour de noce bij wijze van inspec-tiereize te doen. Den laatsten dag der maand ontving Antwerpen den geduchten keizer en zijn jonge gade binnen zijne muren.

Koning Lodewijk, nadat het aftreden van den troon door zijn raadslieden voor het oogenblik ongeraden was geoordeeld, kon zich niet onttrekken aan de verplichting om den broeder, die op de grenzen van zijn rijk vertoefde, te complimenteeren. Den vierden Mei vertrok hij naar Antwerpen, waar hij den volgenden dag aankwam. Zijn bezoek duurde zeer kort: slechts een 24 uur; het was ook niets dan een onwillige plichtpleging. De ontvangst schijnt gunstiger geweest te zijn dan hij verwachtte: ten minste Lodewijk was tevreden.

„Regt ben ik in mijn schikquot; — schreef Hultmann aan Elout183 — „dat de koning over zijne reize tevreden is, en God geve er nog iets kome, \'t geen de geheel ter neer geslagene gemoederen van onze medeburgers opbeure.quot;

Tot allerlei geruchten, deels van verontrustenden deels van onverschilligen aard, gaf dit verblijf des keizers aan de grenzen aanleiding. „Gisteren werd mij verhaaldquot; — schreef

-ocr page 395-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKEIJK HOLLAND. 383

■van Lynden, uit Utrecht, aan Elout\'81 — „dat de keizer zich nader bedacht had, dat het eiland van Dordrecht eigentlijk ook behoorde gecedeert te worden, en dat hij dit nu in eigen persoon nog eens wilde opnemen; dog ik wil hopen dat het slechts eene vertelling is. Dit zou voorzeker niet onder de gevolgen kunnen gerekend worden, die men van de visite van den Koning hopen mogt.quot; — „Onder de vertellingen van den dag behoort, dat de Keizer geheel incognito zou hier komen, en niet in \'t Paleis, maar in \'t Paushuizen bij den hertog van Eeggio logeeren.quot; In den Haag liep het praatje, gelijk Hult-mann schreef, dat de keizer en de keizerin beiden Amsterdam zouden bezoeken.

Doch terwijl het publiek op die wijze zich bezig hield met den gevreesden keizer en in allerlei praatjes bevrediging zocht voor zijn nieuwsgierigheid, hield Napoleon te Antwerpen en op zijne reize door Zeeland zich met Holland op nog minder vreedzame wijze bezig dan iemand vermoedde.

In de laatste dagen van April had la Rochefoucauld, verbitterd over de bejegening, die hem te beurt viel, zijn attaché de Caraman met depêches naar Parijs gezonden. Hij vroeg verlof om zich uit Holland te verwijderen. Napo-leen, die inmiddels te Antwerpen was aangekomen, verleende het onmiddellijk en bepaalde dat voortaan slechts een chargé d\'affaires in den Haag zou blijven, gelijk hij zelf geen diplomatiek agent van hooger rang in Parijs zou dulden !85. Toen de Caraman met dit congé te Amsterdam wederkeerde, vond hij la Rochefoucauld niet. De gezant was door den keizer opontboden, met groote beleefdheid ontvangen en uitgenoodigd Z. M. op den tocht door Zeeland te vergezellen. Dat de inlichtingen, die de ambassadeur gaf, niet strekten om den keizer gunstig over Lodewijk\'s bestuur te doen denken, is niet twijfelachtig. De bewijzen trouwens zijn aanwezig. Napoleon zond den 12den Mei uit Middelburg twee missiven aan zijne ministers, die beide handelden over Holland. Eene daarvan 186 bevatte de instructie, die aan la Rochefoucauld moest gegeven worden: „Le comte de la Rochefoucauld

-ocr page 396-

384 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

retournera en Hollande. II remettra au ministère hollandais une note ayant pour but de demander que les vingt et un batiments américains et leur cargaison me soient remis en execution du traité. II portera des plaintes sur le non-arme-ment des vaisseaux. II demandera que tout commerce interlope en Hollande soit iuterdit: que la dette zélandaise soit payée comme dette nationale, et que les intéréts de cette dette qui n\'ont pas été payés le soient comme ils l\'ont été en Hollande. Huit jours après son retour il fera connaitre qu\'il va en congé a Paris, et présentera son sécrétaire de légation comme chargé d\'affaires.quot;

Volgens getuigenis van de Caraman 187 was de geheimhouding gedurende acht dagen, die hier werd voorgeschreven, de vrucht van de gesprekken, die de ambassadeur met Napoleon had gehouden.

Zoo keerde la Rochefoucauld te Amsterdam terug, met zijn terugroeping in den zak, waarvan Lodewijk niets wist. Gedurende acht dagen moest de gedreigde slag —de opheffing der ambassade — hem boven het hoofd hangen en had de gezant den tijd zijn wrok te koelen. Hij had in zijn gesprekken met den keizer het een en ander vernomen, dat hij zich voorbehield bij deze gelegenheid den armen Lodewijk, met al de vermetelheid, die het gevoel van straffeloosheid geeft, voor te houden.

Het grillig noodlot had den gezant in zijn afwezigheid even goed gediend, als bij den keizer. Toen hij den I4den Mei188 in Amsterdam wederkeerde, vernam hij, dat de reeks van grieven, die hij deed klinken, met een zeer belangrijke was vermeerderd. Geen tijding zoo welkom als deze kon hij in dit oogenblik ontvangen.

Zondag (13 Mei) was zijn koetsier, gesierd mat de Fran-sche liverei, uit de mis komende, op den Dam in twist geraakt met eenigen uit het volk en had hij slagen bekomen. Nog denzelfden avond had de secretaris van legatie, Serrurier, den Hollandschen minister van buitenlandsche zaken een nota toe-gezonden; om een schitterende satisfactie te vragen.

-ocr page 397-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 385

Nooit kon eenige beuzeling la Rochefoucauld meer gelegen komen. Opgeschroefd tot een ergerlijke beleediging moest zij de kroon zetten op zijne schildering van den onwil en afkeer, die zich in Holland tegen al wat Fransch was openbaarde. Schitterender rechtvaardiging van zijne klachten over den geest, die het Hollandsche gouvernement bezielde, was op gelegener tijd moeilijk te bekomen. Zoo gehaat was de Fransche naam in Holland, dat de liverei van den ambassadeur zelfs een onbekende, zelf Hollander, blootstelde aan de woede van het volk. Zorgvuldig toch had het gemeen, voordat het den koetsier zijn nationale kastijding toediende, zich geïnformeerd of het wel de Fransche liverei was, die hij droeg. Zoo werd de zaak in de nota van Surru-rier voorgesteld. En de politie was niet alleen niet tusschen-beide gekomen, maar had zelfs de misdadigers laten ontsnappen.

Kostelijk kwam deze kostbare zaak den achtingswaardige!! ambassadeur gelegen. De schimp, aan de Fransche ambassade aangedaan, werd onmiddellijk in de zwartste kleuren naar Parijs gemeld en het Hollandsche gouvernement met klacht op klacht bezwaard I80.

Belast met de officieele kennisgeving van \'s keizers huwelijk, verzocht la Rochefoucauld onmiddellijk na zijn komst te Amsterdam audiëntie bij den koning. Den IS3611 werd hij door Lodewijk ontvangen, die bij deze gelegenheid bloot stond aan de lompe beleediging van een man, die in het gevoel van zijn straffeloosheid zich niet ontzag hem met de uiterste minachting te behandelen. De koning schijnt onder de grieven, die hij bij zijn broeder tegen den gezant had ingebracht, ook opgegeven te hebben, dat deze zich schuldig maakte aan beursspel. De keizer had het aan la Rochefoucauld oververteld, die er nu Lodewijk zeer hard over viel. Den toon van zijn gesprek heeft een onverdacht getuige, de attaché de Caraman, geteekend. „Ce que j\'ai pu dire a l\'Empereur était pour lui seulquot;, repondit le Roi. — „Sire, reprit l\'ambassa-deur, quand on a des vérités a exprimer, on ne doit pas craindre de le faire hautement: mon langage en est la

-ocr page 398-

386 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

preuve.quot; Et l\'audience se termina ainsi, assez brusquement

Was het wonder, dat Lodewijk bitter werd tegen den broeder, die zelfs vertrouwelijke gesprekken verried en hem aan een dergelijke bejegening blootstelde?

De termijn van acht dagen, door Napoleon gesteld, was den 22stcn voorbij. Reeds juichte de gezant over de vernedering, die de aanzegging van zijn vertrek, zonder dat hij een opvolger zou bekomen, Lodewijk zou aandoen, toen hij ter elfder ure het bericht ontving, dat de keizer zijn besluit had gewijzigd en Surrurier aan de Hollandsche regeering de benoeming van een opvolger kon toezeggen. Blijkbaar was de koning onder de hand van het gebeurde onderricht geworden en het hem gelukt den keizer van inzicht te doen veranderen. La Rochefoucauld was er zeer door ontstemd, omdat zijn vertrek nu de opspraak zou missen, waarop hij gerekend had

Maar in dit oogenblik ontving de keizer de opgeschroefde berichten van den aanslag op den koetsier. In de eerste heftige opwelling van zijn toorn trok hij aanstonds het zoo even toegestane in en keerde tot de volle strengheid zijner vroegere besluiten terug. La Rochefoucauld verliet den 29stcn Amsterdam, met de genoegdoening dat hij de laatste ambassadeur van Frankrijk bij het koninkrijk Holland was geweest en dat de broeders voor altijd waren gescheiden. Hij mocht zich de verdienste toekennen, al wat in zijn vermogen was te hebben toegebracht om den echtgenoot van Hortense in het ongeluk te storten. De verbitterde keizer brak alle gemeenschap met Lodewijk af en verklaarde aan het slot van een brief vol schimp en verwijt: „dit is de laatste brief, dien gij in uw leven van mij ontvangen zult.quot; 192

Met het vertrek van den gezant en het afbreken van alle persoonlijke relation tusschen de broeders ving de laatste levensperiode van het koninkrijk Holland aan. De eenige betrekking, die overgebleven was, was van militairen aard. Tot handhaving van het continentaal systeem was Holland door Fransche troepen onder een Franschen maarschalk bezet.

-ocr page 399-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 387

Kon, bij de bestaande verwijdering tusschen de vorsten en bij Lodewijk\'s afkeer van Frankrijks politiek, eene botsing uitblijven ? Memand geloofde het; en zij, die de broeders het best van allen kende, bewees metterdaad, dat zij het einde nabij achtte. Hortense Beauharnais verliet het zinkende schip en keerde naar Frankrijk weder.

De geringe kansen op behoud van een goede verstandhouding waren in de laatste dagen nog zeer verminderd. Op denzelfden 12den Mei, waarop de keizer de instructie voor den hem verlatenden la Rochefoucauld vaststelde, had hij ook aan Oudinot nieuwe bevelen doen toekomen. „Faites connai-trequot; — gelastte hij aan den prins van Wagram 193 — „au maréchal Oudinot, par la voie de l\'officier d\'ordonnance que j\'expédie au roi de Hollande, qu\'il ne doit rendre aucun compte de mes troupes au Roi ni au ministère hollandais; que les corsaires doivent lui faire des rapports de tont ce qui vient a leur connoissance; que les marchandises anglaises doivent être poursuivies et saisies partout, même dans les rades; que je ne veux soufïrir aucun commerce de la Hollande avec l\'Angleterre. Le maréchal Oudinot doit, dans tou-tes les occasions, s\'en expliquer dans ce sens, et répéter dans la conversation que, si la Hollande n\'arme pas au plus tót les neuf vaisseaux qu\'elle doit fournir par le traité, elle rendra le traité nul. Enfin recommandez lui d\'écrire au ministro de la guerre tous les jours sur tout ce qui parviendra a sa connaissance. Dites-lui que toute prise qui serait faite par mes corsaires ou mes douanes ne doit être relachée que par mon ordre, et que la decision doit être soumise a mon jugement; que l\'expérience a prouvé qu\'on ne peut rien faire par de bons procédés avec le gouvernement hollandais, et que ce n\'est qu\'avec des ménaces qu\'on peut le faire marcher.quot;

Zulke bevelen, op zulk een toon gegeven, doen zien, wat Napoleon beoogde, en in welk een stemming la Rochefoucauld hem had gebracht. Hoe gemakkelijk moest het Lodewijk\'s vijanden niet vallen op dezen grondslag voort te bou-wen, toen de scène met den koetsier voorviel!

-ocr page 400-

388 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

Oudinot, welke ook zijne persoonlijke gevoelens over de politiek des keizers en koning Lodewijk zijn mochten, zag zich eene vriendschappelijke verhouding tot het Hollandsch gouvernement door deze kategorische bevelen genoegzaam onmogelijk gemaakt. De onderdrukking van den smokkelhandel werd hem met nadruk opgelegd en hij geheel zelfstandig en onafhankelijk verklaard van den vorst, wiens land hij bezet hield. Om aan de ontvangen instructiën te voldoen, stelde Oudinot in het laatst van Mei een aantal bepalingen vast. Alle smokkelhandel viel voortaan onder de militaire rechtspleging; de douaniers stonden onder kommando van den (in het arrondissement) bevelvoerenden officier; de Hol-landsche troepen, aan wie slechts in de tweede lijn het bewaken der verdachte punten werd toevertrouwd, zouden de Franschen steunen. De schepen, met koopwaren bevracht, mochten, zonder gevisiteerd te worden, opvaren tot Rotterdam, Leiden, Dordrecht en andere havens, meer binnenwaarts gelegen. Eerst daar zouden zij onderzocht worden door de douaniers, die dus noodzakelijk in iedere handelsstad, hoe ver van de kust ook gelegen, zich vestigen moesten 1M.

Deze voorschriften, de vrucht der keizerlijke aanschrijving, werden door den hertog van Reggio uitgevaardigd, gelijk hem gelast\' was, zonder Lodewijk er in te kennen. De koning, die zich geheel in zijn rijk op zijde geschoven en een vreemden maarschalk bevelen en heerschen zag, als ware het in zijns meesters gebied, beschouwde het als een inbreuk op zijn gezag, en vaardigde, naar hij verhaalt, een bevel uit, dat „geen Hollander aan eenige andere autoriteit had te gehoorzamen, dan aan hem en zijne magistraten.quot;

Zoo openbaarden zich in de uitvoering van het tractaat de noodlottige gevolgen van de bezetting des lands. Hoe kon het anders? De militaire autoriteit, die den smokkelhandel moest vernietigen, moest noodzakelijk vroeg of laat zich mengen in het administratief bestuur. Waar twee meesters gelijktijdig heerschen, wordt slechts de sterkste gehoorzaamd, en de zwakste geminacht, hoogstens beklaagd. Niets

-ocr page 401-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 389

was voor Lodewijk grievender, dan het bewustzijn /an zijn machteloosheid. Oudinot, die in deze moeielijke dagen met veel kieschheid en verschooning te werk ging, stelde den koning eene samenkomst tusschen Amsterdam en Utrecht voor. Maar Lodewijk was te wantrouwend in de bedoelingen zijns broeders, om zich aan den hertog van Reggio in handen te stellen. Hij weigerde met de verklaring, dat hij altijd bereid was den maarschalk bij zich te ontvangen. Of er werkelijk grond heeft bestaan voor de vrees des konings, weet men niet.

Vóór en na het kort bezoek door koning Lodewijk aan den keizer te Antwerpen gebracht, had hij verschillende besluiten genomen, om aan de verplichtingen van het trac-taat te voldoen. Hij had de eskaders vastgesteld, die zijn kleine vloot zouden uitmaken. 195 Naar de berichten te oor-deelen, die in verschillende bladen werden medegedeeld, werd met ijver aan de schepen gewerkt, om ze op den bepaalden tijd gereed te hebben. La Rochefoucauld\'s inlichtingen hadden, gelijk wij zagen, den keizer overtuigd, dat het geen ernst was met Lodewijk\'s streven om het tractaat uit te voeren.

Op deze zaak sloeg Napoleon\'s derde schrijven van 12 Mei over de Hollandsche zaken. Het was aan zijn broeder gericht en verdient opmerking nog uit een ander oogpunt. Wij zien er uit, dat de afsluiting van de Hollandsche grenzen aan Frankrijks zijde, die sedert Juli 1809 bestond, zelfs nu, na den 16dcn Maart, nog niet was opgeheven. En tevens, dat de keizer er niet aan dacht om vooreerst eenige verandering in dien toestand te brengen. „Je voudrais bien lever les prohibitions qui existent sur le commerce de Hollande avec la France; mais il faut que vous exécutiez le traité que vous avez fait avec moi, que les vingt et un batiments americains me soient remis avec les marchandises qu\'ils portaient, et que vous vous mettiez en mouvement pour me fournir neuf vaisseaux en Juillet. Songez que je compte sur ces neuf vais-seaux et que eet article du traité est de rigueurquot;.,!Hi

-ocr page 402-

390 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

Het ongeloof in Lodewijk\'s ernstige gezindheid om het trac-taat uit te voeren werd natuurlijk versterkt door het gebeurde met den koetsier van la Kochefoucauld. Het niet straffen van den schuldige, dien men niet vinden kon, was in \'s keizers oogen geen minder vergrijp dan de daad zelf. Het weigeren der eereherstelling, die even snel als schitterend had moeten gegeven zijn, toonde wat in \'s konings hart omging. Hij vervolgde allen, die het waar belang des lands begrepen en dus Franschgezind waren. Had hij niet den burgemeester van Amsterdam, Krayenhoffs tegenstander, Wolters van de Poll ontslagen ? Zoo deze nog aan het hoofd der stad ware geweest, zulk een schandelijke beleediging van de Fransche kleedij ware onmogelijk geschied.

In vollen ernst werd deze bewering in de laatste dagen van Mei door het Fransche gouvernement staande gehouden, en geëischt, dat de heer Van de Poll, 3 April ontslagen, in zijne betrekking zou hersteld worden. Deze vordering ging gepaard met een tweede, waaraan moeilijker te voldoen was. Zij, die deel genomen hadden aan den volksoploop tegen den koetsier, moesten niet maar gestraft, doch uitgeleverd worden. Zulke gevolgen zouden het volk in toom houden.

Wat dit doel betrof, had keizer Napoleon niet geheel ongelijk. De publieke opinie was zeer tegen Frankrijk. De natie gevoelde sympathie voor Lodewijk, omdat hij, ten koste van zijn eigen levensgeluk, haar belang voorstond. De hoogere standen der maatschappij erkenden de onvermijdbaarheid van een beslissing, die tot een inlijving zou leiden. Eigenlijk gevoelden alle rangen der maatschappij, dat hat zoo niet duren kon, en dat er een einde moest komen aan deze periode van spanning. Maar terwijl do vermogenden meer met het denkbeeld vertrouwd raakten, om de hulde hunner vereei\'ing den keizerlijken heros te brengen, gistte de storm in de lagere standen der maatschappij. Deze, te allen tijde gewoon voor groote beginselen het weinige prijs te geven wat zij bezitten, omdat zij de ideale goederen van waarheid en van recht van hooger en blijvender waarde achten, dan de schamele genie-

-ocr page 403-

DB ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 391

tingen, die het leven schenkt, waren ook thans bereid voor de onafhankelijkheid te strijden. In verschillende plaatsen barstte de onwil van tijd tot tijd in kleine volksbewegingen uit, die meer gewicht hadden als openbaringen van den heer-schenden geest dan als zware misdrijven. Zoo bijv. had er in de laatste week van Mei te Rotterdam een voorval plaats, dat veel sensatie verwekte.

Bij gelegenheid van een avond-inspectie op de Groote Markt, ontstond er een botsing tusschen de Fransche militairen, sedert een maand hier in garnizoen, en de toeziende menigte. De eersten trokken de sabel en de laatste wierp met stee-nen. Of er van het volk veel gekwetst werden, vermeldt de historie niet; wel, dat een Fransch officier door een steen werd getroffen.

Dit waardig pendant van de koetsiersgeschiedenis op den Dam te Amsterdam werd door de Fransche bevelhebbers op zeer ernstige wijze behandeld. Het gemeentebestuur moest f 1000 uitloven voor hem, die den schuldige wist aan te wijzen, en werd bovendien bedreigd met een zoo talrijke vermeerdering van het garnizoen, dat er geen stallen, kazernen of fournituren voor te vinden waren. Werkelijk verscheen dit groote personeel, doch gelukkig voor slechts weinige dagen. De tusschenkomst van den minister van oorlog bij Oudinot was voldoende, om den opperbevelhebber tot kalme waardeering van de overdreven rapporten zijner ondergeschikte bevelhebbers te brengen. Niettemin moest de regeering ook hier de beleedigde liverei verzoenen. Zoowel de hoofdofficier als de burgemeester van Rotterdam ontving in de eerste dagen van Juni zijn ontslag. 107

Zulke voorvallen, die niet geheel op zich zelf stonden, maar ook elders, bijv. te \'s Hage, zich voordeden, gaven den Franschen, die geen militairen waren, een gevoel van onveiligheid, zooals een overheerschend volk in een veroverd land heeft. De ambassade te Amsterdam was er volstrekt niet zeker van, dat de regeering haar tegen den een of anderen aanval van het gemeen zou willen of kunnen beschermen.

-ocr page 404-

392 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

Sérurier, die secretaris van ambassade was, gevoelde zich in de hoofdstad van zijns keizers broeder zoo weinig op zijn gemak, dat de hertog van Reggio hem voor zijn persoonlijke veiligheid eenige verkleede gendarmes toezond. Als het volk, was het hof. Als hij daar, zelfs bij een diplomatieke audiëntie, verscheen, werd hij met groote koelheid door Lodewijk bejegend, zoodat de keizer hem in het midden der Junimaand beval, 108 er niet meer heen te gaan; alleen als hij door koning Lodewijk ontboden werd, moest hij gehoorzamen.

Door dit bevel echter hield de diplomatieke aanraking dei-kabinetten niet op. Napoleon liet de Hollandsche regeering geen rust, maar vervolgde ze onverbiddelijk met zijne eischen. Nu eens golden zij den beleediger der Fransche liverei, dan de herstelling van Van de Poll. Lodewijk, die sinds zijn terugkeer in voortdurende spanning verkeerde en van diepe neerslachtigheid tot vlagen van overmoed verviel, zag den onvermijdelijken afloop voor oogen, maar kon er zich niet mede verzoenen. Zijn land was met Fransche troepen overstroomd; de handelsgemeenschap met het keizerrijk geheel afgebroken; aan de kusten en in de steden heerschten de douaniers en de militairen, deden verbeurdverklaringen en vingen vervolgingen aan; zelfs de communicatie in het binnenland werd belemmerd.199 Lodewijk wist, dat er niet in ernst sprake van weerstand bieden zijn kon, maar toch ergerde hij zich, toen allen, met wie hij er over sprak, hem dien ontrieden. 200

Reeds in het laatst van Mei liepen er geruchten, dat do keizer ook Amsterdam door zijne troepen wilde bezetten. Zelfs dit vooruitzicht werkte niet uit, wat Lodewijk wenschte. Gewelddadig verzet werd voortdurend door zijne ministers veroordeeld. Lodewijk kon zijn ergernis en zijne verbittering niet bedwingen, en had de onvoorzichtigheid, zich tegenover ieder uit te laten. Zoo bijv. vernam een der adjudanten van den hertog van Reggio uit zijn mond: „qu\'il était instruit de ce qui se rapporterait a la pensee d\'en venir a une occupation militaire de sa capitale; mais que, dans ce cas, il ne gar-

-ocr page 405-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 393

derait plus de mesure, et qu\'il repousserait la force par la force.quot; Toen hij weinige dagen daarna bij een parade verscheen, hield hij den kleinen koninklijken prins aan de hand en beval op zeer in het oog loopende wijze den knaap aau de trouw der garde aan. 201

Deze uitstortingen van het overkropt gemoed wekken geen verwondering. De beklagenswaardige man, die steeds het goede had gewild en nooit iets goeds voor zijn volk had quot; kunnen doen, zag zich de machtelooze speelbal van de omstandigheden. Tot toorn en verbittering alleen was hem .de vrijheid gebleven. Verder vermocht hij niets. Een paar schijnbewegingen met zijn garde en een militaire promenade was •alles wat hem restte. Hij wist het evengoed als ieder ander en maakte zich, als zijn verbitterdheid hem kalm nadenken vergunde, volstrekt geen illusiën. In het begin van •Juni liet hij den Franschen secretaris van legatie, Sérurier, tot zich komen, en had met hem een langdurig gesprek. Hij verklaarde volstrekt ongezind te zijn een bureau van douanen aan de poorten van Amsterdam toe te laten, dat slechts bij lt;le monden der rivieren behoorde. Het tractaat van lö Maart verplichtte hem ook niet om het te dulden. Wilde de keizer een nieuw verdrag, hij zou bereid zijn zich te onderwerpen, zoo Wj slechts voor Holland eene afzonderlijke administratie kon behouden.

Armzaliger minimum van zelfstandigheid was zeker niet denkbaar. Toch maakte de voorslag eene schikking mogelijk, waardoor de gespannen verhouding van het oogenblik ophield. Sérurier zond onmiddellijk bericht van dit gesprek naar Parijs, en zijn attaché de Caraman naar Utrecht, om het bericht aan •Oudinot mede te deelen.

Maar de keizer nam er geen de minste notitie van en liet integendeel ~0i Sérurier met nadruk voorhouden, dat hij volstrekt „aan niemand eenig verslag mocht doen van wat in Holland plaats had, en dat het van hem een kapitale fout zou zijn, indien hij eenige de minste correspondentie onderhield.quot; Zoo weinig wilde Napoleon van eenige schikking meer

-ocr page 406-

394 DE ONDEKGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

weten, dat hij zelfs door geen ontijdige ruchtbaarheid van Lodewijk\'s voorstellen zich in zijne plannen wilde belemmerd zien.

Koning Lodewijk, van zijne zijde, was even spoedig uit de neerslachtige en verslagen stemming, waarin hij het gesprek met Sérurier had gevoerd, tot die van wrok en verbittering teruggekeerd. Hij kon zich maar niet verzoenen met het denkbeeld om zonder krijgseer te vallen, en wilde volstrekt weerstand bieden. Vooral toen zijns ondanks en tot zijn groote ergernis douaniers zich bij Amsterdam vestigden, die zelfs in de volgende dagen beproefden binnen de hoofdstad te komen en een kantoor aan de Zuiderzee op te richten. Koning Lodewijk zag rond in zijn omgeving, maar bemerkte zeer goed,, dat er niemand was, die hem durfde aanraden om tegenstand te bieden. Hij moest toegeven. Voor de tweede maal in drie dagen (8 Juni) ontbood hij Sérurier, schoon hij nog geen antwoord op zijne vroegere voorslagen had. Hij gaf hem 303 in last, den keizer thans te verwittigen „de sa determination prise de consentir a tout, sauf a l\'occupation militaire d\'Amsterdam; qu\'ainsi les portes en resteraient d\'abord fermées, si les troupes du maréchal devaient se présenter; mais que la resistance n\'irait pas plus loin et que jamais il ne permet-trait que l\'on tirat sur des Francais.quot;

Zoo scheen ook het laatste denkbeeld van verzet bij den koning gevallen. Sérurier zond aanstonds zijn attaché de Cara-man met het belangrijk bericht naar Parijs. In diens afwezigheid richtte Röell een schrijven aan den Franschen zaakgelastigde, om officieel de plannen des keizers nopens Amsterdam te vernemen. In de nota, die de Hollandsche minister ten antwoord ontving (16 Juni), verklaarde — zonderling genoeg — Sérurier, dat de keizer hom gemachtigd had het plan te desavoueeren, maar tevens, dat elke vijandige houding door Frankrijk als een oorlogsverklaring zou beschouwd worden.

De koninklijke regeering was gerust op deze verzekering. Maar juist in die dagen, toen zij gevraagd en gegeven werd,, viel er iets voor, dat haar van alle kracht beroofde. Haarlem,,

-ocr page 407-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 395

waar de koning op het Paviljoen vertoefde, was, evenals Amsterdam, nog niet door Franschen bezet. Een afdeeling der keizerlijke troepen vertoonde zich voor de stad, hetzij om ze te bezetten, hetzij om ze door te trekken, — dit is niet duidelijk —, en zag zich den toegang geweigerd.

Deze nieuwe beleediging van de keizerlijke vanen bracht te Parijs dieper indruk teweeg, dan men hier te lande, waar men er zelfs geen acht op schijnt geslagen te hebben, had verwacht. De Caraman werd zonder depêches teruggezonden, ■04 en de hertog van Reggio ontving den last om zijne troepen samen te trekken en Amsterdam te bezetten. „ Aussitöt qu\'il aura réuni assez de troupes a Utrecht pour marcher sur Amsterdam, il écrira a mon chargé d\'affaires que les troupes fran9aises ont été insultées; qu\'on leur a fermé les portes de Haarlem; qu\'il demande reparation de cette offense; que les aigles frangaises peuvent aller dans tous les pays allies et amis; que, depuis quinze ans, constamment les troupesfran-gaises ont été dans toutes les parties de la Hollande; que le traité ne fait exception d\'aucun point; que c\'est done un outrage gratuit que la Hollande a fait aux troupes frangaises; que l\'Empereur y a été très-sensible et a ordonné que de nouvelles forces entrassent en Hollande; que ses instructions ne lui prescrivoient pas d\'entrer a Amsterdam, vu qu\'il n\'avait rien a y faire; mais que le défi qui a été porté aux troupes fran9aises en leur formant les portes, et les intrigues anglai-ses tendant a armer les Hollandais contre les Francais, ont provoqué l\'ordre qu\'il a regu de se présenter devant Amsterdam ; que c\'est aux Hollandais a voir s\'ils veulent nous traiter en alliés et amis ou en ennemis, et s\'ils veulent se livrer aux conseils perfides qui s\'agitent autour du Roi pour perdre la Hollande. 205 Le due de Reggio s\'arrangera pour étre devant Amsterdam deux jours après l\'envoi de cette lettre. — — — —

— — — —^11 n\'y a qu\'un moyen pour prévenir tout embarras, c\'est que la ville d\'Amsterdam receive en triomphe mes troupes et leur donne une fête qui fasse disparaitre toute acrimonie: car, dans aucun pays, je ne souffrirai qu\'on

-ocr page 408-

396 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. .

ait l\'air de repousser et d\'insulter les troupes frangaises.quot;

Dit waren de keizerlijke bevelen (24 Juni), waarvan onmiddellijk bericht werd gegeven aan Sérurier, opdat hij het Hol-landsche gouvernement van het een en ander in kennis zou stellen. Het denkbeeld van de schitterende ontvangst werd in de instructiën voor den zaakgelastigde breeder uitgewerkt en de rol aangewezen, die de koning zelf daarbij te vervullen had. Als eenig middel om de beleediging, den Franschen adelaar te Haarlem aangedaan, te verzoenen, moesten de Fransche troepen in triomf te Amsterdam worden ontvangen, „et que le Roi et la cour donnent l\'exemple des prevenances et des égards envers la France.quot;

Den 28stcquot; Juni kwam de koerier, die deze noodlottige bevelen overbracht, te Amsterdam aan. Zij verwonderden Sérurier niet: hij was den vorigen dag te Utrecht geweest en had van Oudinot vernomen, dat deze eiken dag het bevel wachtte om Amsterdam te bezetten. Thans moest hij het beslissend bericht en den keizerlijken eisch aan den Holland-schen minister van buitenlandsche zaken mededeelen. Van der Heim, wien in Röell\'s afwezigheid 200 diens portefeuille was toevertrouwd, zeide den koning de droeve tijding aan.

Lodewijk had te lang dit bericht verwacht, dan dat het hem verrassen kon. Maar ieder kwaad, hoe lang ook voorzien, heeft zijn eigonaardigen prikkel, als het werkelijk treft. Hij voelde zich terneergeworpen maar weifelde niet. Zijn besluit was genomen; hij zou geen achting voor zich zelf meer kunnen koesteren, indien hij op den dag, dat Amsterdam werd bezet, in de hoofdstad was en het geëiscnte feest door zijn tegenwoordigheid opsierde. „Den 4c,cn Juli,r — dit was de dag, voor de bezetting bepaald .— „zal ik opgehouden hebben te regeeren.quot;

Voor de laatste maal kwam het denkbeeld van verzet in hem op. Zijne ministers, op het Paviljoen te Haarlem samengeroepen (29 Juni), verklaarden zich unaniem ertegen. Reuvens wilde zelfs dat de koning, ook na het bezetten van Amsterdam, er blijven zou. Gelijk de burgerlijke, oordeelden de mili-

-ocr page 409-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 397

taire autoriteiten. Hoe volgzaam misschien tal van officieren zouden geweest zijn, als Lodewijk het sein had gegeven, en hoe genegen de lagere standen der hoofdstad, geen man van nadenken en verstand steunde Lodewijk. Wat vóór vier maanden wellicht nog een daad van verdedigbare stoutheid ware geweest, zou thans een misdaad zijn. Voor de eer en het geluk van één mensch mag geen volk worden opgeofferd. Dumonceau en de Winter, de bevelhebbers van land- en zeemacht, die te Amsterdam waren, verklaarden in eerbiedige doch stellige bewoordingen, dat eene verdediging van de hoofdstad nutteloos en slechts van korten duur zou zijn. ~07 Lodewijk was teleurgesteld, wierp hun een hard en bitter woord naar het hoofd, maar moest zich onderwerpen.

Doch zijne onderwerping gold slechts het verzet, niet zijn eigen gedragslijn. Hij voor zich was besloten: noch te Amsterdam noch in het vaderland zou hij zijn, als de hoofdstad van zijn rijk bezet werd. De eer, de Fransche troepen in Amsterdam te ontvangen, schonk hij aan Wolters van de Poll, wiens herbenoeming als burgemeester hij nu teekende.

Den lBten Juli stelde en onderteekende hij de akte van afstand, en regelde het regentschap. De proclamatie aan het volk, de koninklijke boodschap aan het Wetgevend Lichaam enz. werden gelijktijdig gereed gemaakt.

Maar te midden dezer noodlottige toebereidselen kwam op eenmaal, als een laatste straal van hoop, de gedachte op: „misschien zou de keizer nog tot herroeping te bewegen zijn.quot; Aan dezen stroohalm klemde zich de vorstelijke drenkeling vast. Op zijn last schreef de minister van oorlog, Cambier aan den hertog van Reggio:

„dat de koning ten sterkste aangedaan over alle de tegenwoordige gebeurtenissen en de ongelukken, welke het rijk drukken, vermeent, dat — indien Zijne Keizerlijke en K. Maj. nauwkeurig was geinformeerd, dat er geen tegenstand hoegenaamd tegen het binnentrekken van Fransche troupes in de hoofdstad zal geschieden; dat men alles, tot zelfs de schildwachten heeft ingetrokken; dat men bereid is de lignes

-ocr page 410-

398 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

en batterijen der hoofdstad te ontwapenen, en deze zelfs desnoods over te geven, en dat de koning tot alles bereid is hetgene bevorderlijk zoude kunnen zijn om zich de vriendschap en welwillendheid van H. deszelfs broeder te verzekeren; — Z. Keiz. en Kon. M. terug zou kunnen komen van de aan Z. Exc. den Maarsch. hertog van Reggio gegevene bevelen, om de hoofdstad met een corps troupes onder des-zelfs orders te bezetten;

„dat Z. M. de koning om de bovengemelde redenen zoude verlangen, dat Z. Exc. de hertog van Reggio hetzij den aide de Camp, welke deszelfs laatste dépêche heeft overgebracht, hetzij eenig ander officier van deszelfs generalen staf naar Parijs afzond, ten einde aan Z. M. den waren staat van zaken voor te dragen, in de hoop van genoegzame modificatie te erlangen, om dit ongelukkig land uit den verschrik-kelijken toestand te redden, waarin het zich op dit oogen-blik bevindt, en hetzelve voor een totalen ondergang te behoeden;

„dat de Koning hem, Minister van Oorlog, gelast hebbende den vorengemelden voorslag aan den Heer Maarschalk hertog van Reggio te doen, aan denzelven tot waarborg der opregtheid van Z. M\'s gezindheden en gevoelens aanbiedt om de lignes der hoofdstad door de troupes, onder Z. Ex. bevelen, te doen bezetten, in de verwachting, dat de Maarschalk hertog van Reggio deszelfs intrede binnen de hoofdstad, tot na de ontvangst van het antwoord van Z. M. den keizer en koning, wel zal willen uitstellen.quot;

Oudinot kon het verzoek niet toestaan : zijne bevelen waren onverbiddelijk.

Met de meeste verschooning was het weigerend antwoord gesteld:

Utrecht le 2 Juillet 1810.

Monseigneur,

II m\'est impossible de ne pas entrer a Amsterdam le 4 de ce mois, jour fixé. Si j\'agissais autrement, je frauderais les

-ocr page 411-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 399

volontés de TEmpereur, et manquerais a mes obligations. Mais arrivé la j\'aim er ai a tomber d\'accord avec Votre Excellence pour tout ce qu\'il plaira au Roi de vouloir.

J\'ai remis a Mr. Ie Général de Vichery une lettre pour S. Exc. Ie Ministre de la Guerre par laquelle je fais con-naitre a 1 Empereur les dispositions pacifiques et les bonnes intentions du Roi.

Je ne doute pas du bon effet, que cette nouvelle occa-sionnera. Enfin je ne négligerai rien pour rendre ma conduite conforme a la confiance dont S. M. Ie Roi m\'honore.

Je prie V. E. d\'agréer etc.

Zoo was ook deze laatste hoop verdwenen. Met de zekerheid van het bezetten der hoofdstad was alles beslist.

In den donkeren nacht van twee op drie Juli wachtte zijn reiskoets koning Lodewijk bij het Paviljoen te Haarlem. Een laatste kus op de wangen van zijn kind, en hij liet zoon en land achter. De eerste van Hollands koningen vluchtte uit zijn rijk, om als balling een veilige schuilplaats aan den vijandelijken haard te vragen.

V

NAPOLEON LODEWIJK.

De tweede Napoleon, die, door den afstand zijns vaders, koning van Holland werd, was een knaap van zes jaar. \'ws

Reeds den 25sten Maart 1808 had Koning Lodewijk een raad van regentschap ingesteld en de akte in den Staatsraad gedeponeerd. De doos, waarin het staatstuk was nedergelegd, was met drie sleutels gesloten, die ter bewaring waren overgegeven aan de heeren Cambier, destijds minister vice-president, van Leiden van Westbarendrecht, president van de tweede, en de Mist, president van de vierde sectie uit den Staatsraad.

-ocr page 412-

400 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

Op den eersten Juli 1810 vernietigde koning Lodewijk dit ingestelde regentschap en bepaalde, dat de akte, in tegenwoordigheid van den Staatsraad, uit de doos moest genomen en ongelezen verbrand worden. Den 10den Juli had de plechtigheid plaats.209

De nieuwe raad van regentschap, die op denzelfden eersteling der Hooimaand werd benoemd, bestond uit de ministers, aan wie de koning de zorg voor den minderjarigen koning opdroeg tot de komst van de koningin, regentesse krachtens de constitutie. De ministerraad was samengesteld uit de hee-ren Röell, van der Heim, Cambier, Appelius, van der Capellenr van Hugenpoth, en Reuvens.

In den morgen van 2 Juli kwam deze raad op \'s konings last bijeen om zich te constitueeren. Zij nam den naam van Provisioneele Raad van Regentschap aan. Van der Heim,. die bij afwezigheid van Röell presideerde, deed mededeeling van de verschillende koninklijke besluiten, den afstand betreffende. De vastgestelde proclamatie aan de natie, de boodschap aan het Wetgevend Lichaam werden nevens den last, om van den afstand des konings aan Hortense en den keizer te berichten, voorgelezen. In de instructie voor den raad werd uitdrukkelijk Verhuell, graaf van Sevenaer, aangewezen, om den keizer het bericht van het gebeurde over te brengen. Den keizer welgevalliger persoon kon Lodewijk niet bedenken. Voor de ontvangst van Oudinot en zijne troepen had hij bepaald: „le conseil mettra tous ses soins a ce que les troupes soient revues, le mieux possible, avec le plus d\'éclat et de témoignages d\'amitié propres a dissiper les calomnies de la malveillance et des ennemis de la Hollande.quot;

Verschillende besluiten, om uitvoering te geven aan onderscheidene deelen van \'s konings last, werden in deze eerste bijeenkomst genomen.

De staatsraad Elout zou nitgenoodigd worden om naar koningin Hortense te gaan. Hij zou een eigenhandige en gecacheteerde missive van Lodewijk, die deze aan van der Heim had ter hand gesteld, haar overbrengen. De brief namens

-ocr page 413-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 401

dezen Provisioneelen Raad van Regentschap haar aan te bieden, werd ontworpen. Ook werd de missive gearresteerd, waarmede de graaf van Sevenaer naar keizer Napoleor; zon vertrekken. Het programma voor de ontvangst van den hertog van Reggio, gelijk het geconcipieerd was door den minister van oorlog, werd goedgekeurd.

In den middag van denzelfden dag vereenigden zich de leden voor de tweede maal. Cambier deed mededeeling van de laatste poging, door Lodev/ijk, die inmiddels op het Paviljoen te Haarlem vertoefde, bij den hertog van Reggio aangewend. Het ongunstig antwoord van Oudinot werd voorgelezen. Appelius en van Hugenpoth vertelden, dat zij in den middag bij den koning waren geweest en dat hij, na de brieven hun te hebben laten lezen, had verklaard dat er, bij de zekerheid dat overmorgen, 4 Juli, de intocht der Fransche troepen in Amsterdam zou plaats hebben, van geen verandering in zijne besluiten ^11 sprake kon zijn.

De nacht van \'s konings vertrek ging voorbij. Den 3dequot; Juli trad de Raad van Regentschap openlijk op. Tegen twaalf ure in den middag was het Wetgevend Lichaam bijeengeroepen. De ministers traden de vergaderzaal binnen en deden mededeeling der koninklijke besluiten.

Na afloop kwamen zij te zamen. Men besloot, aan Röell het gebeurde, met toezending der stukken, te berichten en op zijn terugkeer aan te dringen.

Thans was het oogenblik gekomen voor de zendingen naar Hortense en Napoleon. Elout, die voor de eerste was bestemd, had bericht gezonden, dat hij zich van deze missie excuseerde. Een opvolger werd gezocht en gevonden in Van Spaen van Biljoen. De brief, dien hij uit naam van den Raad aan de koningin zou overgeven, luidde :

Madame,

Monsieur le Commandeur de Spaen de Billjoen, membro du Corps Législatif, est chargé de présenter a Votre Majesté les pieces qui constatent l\'abdication du Roi Louis Napoléon

20

-ocr page 414-

402 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

on faveur du Prince Napoléon Louis, son fils ainé. Cct événement douloureux autant qu\'imprévu et l\'absence de Votre Majesté qui aux termes de la constutition se trouve pendant la minorité du Roi régente du Royaume, ont rendu nécessaire l\'établissement d\'un Conseil de Régence provisoire, auquel nous avons été appellés comme Ministres du Roi par Ie Décret ci-joint, et qui vient d\'entrer en fonction sous la présidence du plus ancien d\'entre nous.

Votre Majesté nous permettra d\'ajouter a la communication, que nous nous empressons de lui en faire, 1\'assurance de notre entièro obéissance aux ordres qu\'Elle daignera nous faire parvenir et du zèle constant que nous mettrons a main-tenir la tranquillité publique.

Cependant dans la situation actuelle des affaires rien ne seroit plus avantageux au bien du Royaume que le prompt retour de Votre Majesté et nous nous flattens d\'etre les orga-nes de toute la nation Hollandaise en vous suppliant, Madame, d\'accélérer autant que possible l\'époque oü vous prendrez vous mémes les rènes du Gouvernement.

Aussi nous apprendrons avec une double joye que l\'état de votre santé ne s\'oppose point a raccomplissement des voeux que nous osons former, et que Votre Majesté partagera sans doute puisquïls se rapportent aux intéréts les plus chers du Roi son fils.

Nous sommes avec le plus profond respect et avec un attachement inviolable Madame

De Votre Majesté les trés humbles et trés obéissans serviteurs et tidèles sujets,

Amsterdam, Le Conseil provisoire de Régence

ce 3 Juillet 1810. du Royaume de Hollande.

Voor de zending tot den keizer was door koning Lodewijk zei ven Verhuell, de graaf van Sevenaer, aangewezen. Doch deze had er geen lust in: hij gaf voor, ziek te zijn. De generaal Janssens was gezond en nam de zending aan. De

-ocr page 415-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

brief, hem toevertrouwd, was van den volgenden inhoud: Sire,

Le Lieutenant Général Janssens, Conseiller d\'État, aura rhonneur de faire connaitre l\'affligeante determination qui vient d\'etre prise par le Roi Louis Napoléon. Sa Majesté ayant appelé ses ministres a former provisoirement le Con-seil de Régence, nous croyons remplir un de nos premiers devoirs en communiquant a Votre Majesté Impériale et Royale que ce Conseil est entré en fonction, sous la présidence du plus ancien d\'entre nous, et que la Régence durant la mino-rité du Roi Napoleon Louis étant aux termes de la constitution dévolue a Sa Majesté la Reine, nous nous sommes empressés d\'écrire a cette princesse, en la suppliant d\'accé-lérer autant que possible I\'époque de son retour dans le Royaume et le moment oil Elle pourra prendre Elle-méme les rènes du Gouvernement.

Nous espérons que Votre Majesté Impériale et Royale daignera approuver cette démarche et en attendant nous nous permettons de recommander le Roi et la Nation Hollandaise a Son Auguste bienveillance et a sa puissante protection, et de lui exprimer notre entière et inalterable soumission et trés profond respect.

Nous sommes

Sire,

de Votre Maj. Imp. et R. les tres humbles et tres obéissans serviteurs, Amsterdam, Le Conseil provisoire de Régence

ce 8 Juillet 1810. du Royaume de Hollande.

De troonsverandering werd door den Raad van Regentschap aan liet corps diplomatiek, aan de gewestelijke en rechterlijke autoriteiten officieel bericht.

In een enkel gewest, in Oost-Friesland, werd de nieuwe regeering aanstonds als erkend en gevestigd beschouwd. Zij,

403

-ocr page 416-

404 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

die op den 10d™ Juli de godsdienstoefening bezochten, hoorden van den predikstoel den zegen Gods over den jongen vorst afsmeeken met de voorgeschreven formule: „wij bidden voor onzen jongen koning Napoleon Lodewijk en voor de koninginne Regentesse van dit koninkrijk.quot; 213

Het was de eerste en de laatste maal.

Op het Paviljoen te Haarlem speelde de jonge koning. Twent, graaf van Sevenaer, Appelius en Reuvens werden gecommitteerd om hem met zijne komst op den troon geluk te wenschen.

De drie ministers vertrokken naar Haarlem. In de tegenwoordigheid van den jongen vorst toegelaten, hield de graaf van Rosenburg deze toespraak :

Sire,

„Co n\'est qu\'avec Ia plus vive emotion que Nous Nous acquittons de I\'lionorable commission dont le Conseil provisoire de la Régence nous a chargés, de complimenter Votre Majesté sur son avénement au Tróne.

L\'abdication de Votre Illustre Père est pom les habitans un sujet de grande tristesse; la bonne volonté, le zèle, que Sa Majesté a montré si évidemment en toute occasion pour le bonheur de ses sujets, a érigé dans leurs coeurs un monument de reconnoissance, qui ne s\'effacera jamais, et qui est augmenté encore par le sacrifice glorieux que Sa Majesté vient de faire pour le bonheur de la Hollande et pour celui de son augnste Familie.

Puisse Votre Majesté en recueillir le fruit:! Puisse-t-elle sous les auspices- du Grand Napoléon, sontrès Illustre oncle, de qui le sort de Votre Majesté et celui de la Patrie dépend, sous la direction de la Divine providence, jouir d\'un Règne long et heureux! Puisse-t-elle rendre le bonheur a ses sujets. et répondre par ia aux voeux de son Auguste Père; et en profitant d\'une éducation sage, apprendre ainsi a remplir les grands devoirs auxquels Elle est appelée! Puisse-t-elle avoir toujours une santé ferme! Puisse-t-elle se réjouir du bonheur public et trouver sa recompense dans l\'amour de ses sujets.

-ocr page 417-

DE ONDERGAKG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND. 405

•et dans la prospérité et la grandeur de sa familie, et se voir comblée a tous égards des plus précieuses benedictions divines!quot;

De knaap antwoordde:

„Messieurs, Je suis tres touché de ce que vous me dites, et je vous en remercie bien.quot;

Zoo waren alle formaliteiten, vereischt bij de troonsbestijging van een minderjarigen koning, volbracht. Andere en ernstiger beslommeringen en zorgen zouden volgen.

Het was Woensdag 4 Juli. Te Amsterdam waren tegen den middag een groot deel der bevolking en alle civiele en militaire autoriteiten in beweging. Het garnizoen stond langs de straten en grachten, die van de Muiderpoort naar het hotel leidden, geschaard. Eindelijk — het was twee uur — verkondigde de donder van het geschut, dat de lang verwachte verscheen. De hertog van Reggio deed zijne intrede in de hoofdstad.

Aan de Diemermeer was hij door den luitenant-generaal Bruno, opperstalmeester des konings, met den gouverneur en zijn staf opgewacht. De burgemeester Wolters van de Poll begroette hem aan de stadspoort. In zijn hotel verschenen de ministers. Cambier kon zijn aandoening niet bedwingen: de tranen rolden hem over de wangen.

„Voyons, M. Cambier, ne pleurez pas ainsiquot; — troostte de hertog — „car, par ma foi, j\'en ferais autant, et nous serions ridicules tous les deux.quot;

Oudinot te Amsterdam. Wat zou er van het jonge koningschap worden?

Oudinot had geen geruststellende berichten kunnen geven. Toen de Kaad van Regentschap na de plechtigheid bijeen kwam, hadden zij genoeg vernomen, om te besluiten, dat voorloopig geene kennisgeving van de troonsbestiiging van Napoleon Lodewijk aan land- en zeemacht zou geschieden. Ieder minister zou zorg dragen, voor zooveel zijn departe-

-ocr page 418-

406 DE OKDERGAXG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

ment betrof, dat geene commissiën om hem te coraplimen-teeren, wierden benoemd. Toen het Wetgevend Lichaam reeds eene commissie tot dit doel had aangewezen, bracht de president den 6lt;lequot; Juli aan de vergadering het bericht, dat de minister van binnenlandsche zaken hem op zeer delicate wijze had kennis gegeven, dat provisioneel geene commissiën bij den jongen koning zouden ontvangen worden.

Trouwens, de beschikking over den achtergelaten knaap r die als koning van Holland was erkend, werd niet meer aan den Raad van Regentschap overgelaten. Oudinot bezocht hem op het Paviljoen te Haarlem en regelde alles, zonder zich om Lodewijk\'s voorschriften te bekreunen. De koning zou voorloopig daar blijven; een compagnie Fransche cavalerie werd onder bevel van den generaal Bruno gesteld; een stafofficier van den hertog van Reggio zou dagelijks bij den jongen vorst vertoeven, om Oudinot op de hoogte te houden. De Raad van Regentschap zag zich verdrongen door den nieuwen meester, die het Fransche leger kommandeerde. Een oogenblik poogde hij zijne rechten te handhaven. Toen de groot-maarschalk van de kroon, ondanks Lodewijk\'s bevelen, onwillig zich betoonde om dagelijks rapport over den gezondheidstoestand van den minderjarige aan den minister-president te zenden, werd er den 12den Juli eene ernstige missive ontworpen, om hem aan \'s konings voorschrift te herinneren. Maar de brief werd niet verzonden. Eenig uren later kwam het bericht, dat het koninkrijk Holland opgehouden had te bestaan.

Keizer Napoleon was te Rambouillet, toen de afstand van Lodewijk bekend werd. Door den handel was de eerste tijding te Parijs gekomen.

De generaal Janssens bracht den keizer het officieel bericht, den brief van den Raad van Regentschap.

Napoleon was zeer verstoord, toen hij het gebeurde vernam. Zulk een hardnekkigheid had hij niet verwacht. En dat van een broeder, die alles aan hem te danken had. „Croyez

-ocr page 419-

de ondergang van het koninkrijk holland. 407

tous une malveillance aussi noire du frère, qui mt doit le plus ? Quand j\'étais lieutenant d\'artillerie, je l\'élevai sur ma solde: je partageai avec lui le pain que j\'avais, et voila ee qu\'il m\'a fait.quot; Maar nevens deze gemoedelijke uitboezeming ontlokte zijns broeders handeling hem ook andere uitdrukkingen, die van zijn ernstige ontevredenheid getuigden. 2ir\'

Het moet erkend worden, de abdicatie van Lodewijk kon om de wijze, waarop zij plaats had, hem niet dan onwelkom zijn. Rustig en kalm had de keizer alles voorbereid, om Holland in te lijven : het laatste tractaat was het voorwendsel geweest om het land te bezetten. Had Lodewijk afstand gedaan, verklarende, dat het politiek systema zijns broeders beter en door krachtiger handen dan de zijne moest worden uitgevoerd, de keizer zou het nu evenmin als in December hebben afgekeurd. In de waarschijnlijkheid van dezen afloop had hij zich reeds zoo zeer ingedacht, dat het besluit van Hollands inlijving gereed lag. Maar de afstand, die dan slechts een minlijke schikking had geschenen, was thans een daad van verzet, voorafgegaan door een vlucht en begeleid door een protest. Nu zouden er wellicht troebelen in Holland ontstaan, als hij de rijpe vrucht, die wat al te vroeg van den stam was gevallen, wilde grijpen.

Doch welke de indruk en uitwerking in Holland en Europa ook zijn mocht, Napoleon kon niet aarzelen. Het koningschap van den kleinen neef was eene belachelijkheid, en kon eene belemmering worden.

Op den middag van 12 Juli, nadat de morgenzitting van den Raad van Regentschap was afgeloopen, ontving van der Heim het antwoord 2quot;: des keizers.

Rambouillet, 9 Juillet 1810.

Monsieur le Président de la commission de gouvernement, j ai re9u la lettre que le conseil m\'a écrite. J\'ai vu avec peine ce qui s\'est passé. Je ne puis donner mon assentiment a ce que le Grand-Duc de Berg, mon neveu et pupille, soit Roi de Hollande. Le rapport de mon ministre des Relations

-ocr page 420-

•408 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

Extérieures et le décret que j\'ai cru devoir rendre vous feront connaitre toute ma pensee et mes definitives resolutions.

Je desire que vous les cominuniquiez sur le champ au Corps Législatif, afin qu\'il nomme la deputation qui doit se rendre a Paris, et que je sois éclairé sur tout ce qu\'il sera possible de faire pour lïntérêt du Pays. Faites aussi connaitre par une proclamation aux habitans de la Hollande que les circonstances de l\'Europe, leur situation géographique et les pretentions de nos ennemis communs; tout m\'a fait un devoir de mettre un terme aux gouvernements provisoires qui, depuis seize ans, ont tourmenté cette partie de l\'Empire. Les habitans de la Hollande seront l\'objet de ma sollicitude. Je me rtjouirai de leur prospérité commc de celle de ma bonne ville de Paris. Le vaste champ que j\'ouvre a leur industrie, depuis Amsterdam jusqu\'a Rome, leur permet d\'at-tendre le temps marqué par les destinées pour rouvrir au commerce de mes sujets les contrées qui ont illustré vos ancêtres et qui ont vu porter si haut 1\'honneur des noms Bataves et Hollandais.

Je desire que la deputation soit composée d\'hommes choi-sis et pris parmi ceux qui se distinguent par leurs lumiéres et leur intégrité.

Cette lettre n\'étant a autre fin, je prie Dieu qu\'il vous ait. monsieur le Président de la Commission de Gouvernement, en sa sainte et digne garde217.

Ecrit a Kambouillet le 9 Juillet 1810.

Napoléon.

Bij deze missive was het rapport van den hertog van Cadore en het keizerlijk decreet \'quot;IS van inlijving, geteekend 9 Juli, gevoegd.

Vrijdag den 13dcn- Juli kwam ten twaalf ure het Wetgevend Lichaam bijeen. Van der Heim had de treurige eer, den ondergang van zijn vaderland aan ?s lands vertegenwoordiging mede te deelen.

-ocr page 421-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

Nog vóór de teekcning van het besluit dei- unie, had keizer Napoleon aan het nieuw bestuur gedacht en zijn plaatsvervanger in Holland aangewezen. Het was zijn oude ambtgenoot in het consulaat, le Brun, thans prince et architréso-rier de l\'Empire, als zoodanig cousin des keizers.

Den vorigen dag had hij hem het volgende korte briefje geschreven:

Rambouillet 8 Juillet 1810,

Mon Cousin, j\'ai besoin de vos services en Hollande. Faites preparer vos équipages de voyage, et rendez-vous le plus tót possible a Rambouillet pour y prendre vos instructions. II est indispensable que vous partiez de Paris demain soir pour vous rendre a Amsterdam.

De 72jarige had gaarne de laatste dagen, die hem restten, in zijn vaderland doorgebracht. Maar Frankrijks meester kende geen rust voor zich zelf, en vergunde ze ook aan anderen niet.

De luitenant-generaal van den keizer in Holland kwam den 14(iequot; Juli te Amsterdam aan. De minister van oorlog had met den hertog van Keggio de militaire honneurs vastgesteld, waarmede hij ontvangen werd. Buiten de poort van Amsterdam ontvangen door den landdrost van Amstelland, aan de Diemerbrug door Burgemeester en Wethouders der hoofdstad, werd hij door eene commissie van staatsraden onder het gedonder van het geschut naar het koninklijk paleis geleid. Daar, in de Mozeszaal, wachtten hem de ministers.

Zij zouden voorloopig werkzaam blijven, na, als alle ambtenaren, den eed van trouw aan het keizerlijk gouvernement te hebben afgelegd.

Het Wetgevend Lichaam mocht uiteengaan, na aan den eersten last van den nieuwen meester te hebben voldaan. Den 18de11 liet de hertog van Plaisance den voorzitter tot zich komen, en vermaande hem, dat de commissie, wier benoeming Napoleon had bevolen, den volgenden dag moest wor-

409

-ocr page 422-

410 DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

den aangewezen. Goedhartig en welwillend voegde hij er bij, dat de vergadering zich niet tot zich zelve behoefde te bepalen, maar kiezen kon. ook buiten haar eigen kring, „de beste, braafste, kundigste, eerlijkste en verlichtste mannen van de geheele natie. De commissie moest bestaan uit mannen, die niet alleen het meeste voordeel aan de natie zou kunnen toebrengen, maar ook de meeste eer aan dezelve aandoen.quot;

Het Wetgevend Lichaam had zich met de zaak reeds bezig gehouden, en aan eenigen uit zijn midden opgedragen, een lijst van geschikte personen samen te stellen. Deze lijst, een dertigtal namen bevattende, werd in de morgenzitting van den volgenden dag ter tafel gebracht en door de vergadering, onder protest van Van Westreenen van Themaat, overgenomen. Des middags, te één uur, werden in eene gecontinueerde Vergadering de leden der commissie van Reünie benoemd. Het waren:

C. T. Elout,

Generaal Janssens,

C. F. van Maanen,

W. J. van Brienen, Staatsraad, Wethouder van Amsterdam.

J. H. van Lijnden van Lunenburg, Landdrost van Utrecht.

Van den Bosch van Terwolde, Staatsraad, Assessor in Gelderland.

J. van der Houte, Staatsraad, Directeur van den Waterstaat.

J. llepelaer. Staatsraad, quartierdrost van Maasland.

W. f. van Hemert, Assessor in Overijssel.

J. van Burmania, Burgemeester van Leeuwarden.

Van Leyden van West-Barendrecht, Oud-Minister van Bin-nenl. Zaken.

J. H. Mollerus, Groot-Kanselier der titels.

Van Bernuth, Directeur der Domeinen.

Van Gennep, Staatsraad.

ImhofT, Staatsraad. 220

Nog denzelfden avond deelde de president Jarges den uitslag der stemming aan den prins mede, die „tevreden scheen;

-ocr page 423-

DE ONDERGANG VAN HET KONINKKIJK HOLLAND. 411

tevens opmerkende het desinteressement, \'twclk de vergadering aan den dag lag, door geen leden uit haar midden te benoemen.quot;

Nog eenige dagen bleef het Wetgevend Lichaam bijeen. Den 27den Juli communiceerde Jarges aan zijne medeleden, dat hij zich op hun verzoek naar den prins van Plai-sance had begeven, om te vragen, of een langer samenzijn werd vereischt. De prins had geantwoord, dat zij konden uiteengaan en naar hunne woningen vertrekken, tot tijd en wijle zij door hem weer zouden worden geconvoceerd.

„Zijnde diensvolgens de vergadering door den president gescheiden.quot;

-ocr page 424-

A A NT E E K E NINGEN

OP

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

1) ,11 ost cxactement vrai que le prince Louis ne s\'en souciait paslc moiiis du monde; on fut oblige de faire violence a ses gouts de retraite, pour la (la couronne) lui faire accepter.\' Mémoires du Due de Bovigo II. 256. Verg. Documents Historiqiies sur la llollaudc. I. 125.

2) Documents Historiques I. 129. 130.

3) Hoe weinig juist de voorstelling is in de Documents Historiques. t. I 212—215, is na de uitgave van do Cor res pond ance de Napoléon J. tome XIII en XIV, en de brieven van Koning Lodewijk in mijn Napoléon I et le Hoi de Hollande, p. 4—21 niet meer twijfelachtig. De verhouding is van den beginne af veel minder gunstig geweest, dan Lodewijk het hier doet voorkomen. Dat Napoleon gunstig voor zijn bezuinigingsplannen was gestemd, gelijk Louis (p. 215) te verstaan geeft, is stellig onjuist.

4) „Lïndépendance du royaume est garantie par l\'enipereur notre frère: les lois constitutionelles garantissent également ii chacun ses créances sur I\'état, sa liberté personnelle et sa liberté de conscience.quot; Proclamation du 9 Juin 1806.

5) Verg. Napoléon I et le Hoi de Hollande p. 29, 39.

6) Leren van C. II. Graaf Verhuell, D. II. bi. 115, 141, 159. — JVr-slng ran Röell bl. 29. — Mémoires sur la cour de L. N p. 39. — Lquot; cour de Hollande, par un auditeur p. 99.

7) „Mon Frère, j\'ai re^u vos lettres. J\'ai change le general Dupont-Chaumont sur votre demande. Je ne puis changer le sieur la Rochefou-cault. Je n\'ai pas d\'Anglais ii mon service, et un Anglais de la faction de Windham pomrait seul étre bien accueilli en Hollande.\' 12 Oct. 1S0S Correspondance de Napoléon I, tome XVII. p. 348.

-ocr page 425-

AANTEEKENINGEN.

8) Vreeile, Geschiedenis der Diplomatie van de Bataafsche lie/jablielc. II. 2. bl. 187.

9) Mr. J. A. Sillem, De politieke en staathuishoudkiindige werkzaamheid van J. J. A. Gogel, Arast. 1864, bl. 67.

10) „Die Hollander batten wabrend des Krieges mit England, boi dor Neutralitiit Preuszons, die ihnen benachbarten Ostfriesischen Hiifen immer als Scblupfwinkel zu ihrem Sobleicbhandel genutzt. Es scheint daber der allgemeine Wunscb der Hollandischen Kaufmannscbaft gewezen zu seyn, dasz Ostfriesland in dom 13esitz einer fremden Macht verbleiben möcbte, um bei einem wieder ausbrecbenden Seokriege ibren nun geliihinten Handel unter Ostfriesiscber Maske und über Ostfriesland in Gang zu erhalten.quot; Wiarda, Neueste Ostfriesische Geschichte II S. 428.

11) Lode wijk scbijnt Caulaincourt op betoog te bebben, waar hij zegt, dat een der groot-officieren van zijn huis, die veel verplichting aan hem had, zijne oogluiking jegens Zweedsche schepen aan den keizer heeft verraden. Doc. Hist. II. 09, 180. Verg. Leven van Verhuell II. 114. Zeker intusschen is hot, dat een geheel ander en minder opgemerkt man een groote rol in deze dagen gespeeld heeft. Gohier, do president van het Directoire op den IS\'\'011 Brumaire, was in bet jaar 10 consul-generaal van Frankrijk te Amsterdam geworden. De man, wien de generaal Bonaparte bij zijn terugkomst uit Egypte als hoofd van het Fransche gouvernement had begroet, was thans een van diens ondergeschikte ambtenaren, „le sieur Gohier.quot; Hem werd, in Jan. 1808, ten gevolge van een zijner dépêches, gelast, do arrestatie der Zweden en do confiscatie der goederen van de Hollandscho regeering te eiscben. Cnrrespondance de Napoléon I. tome XVI. p. 248. Cf. p. 63. — Zonderling spel van \'tlot! Do koning Louis Bonaparte was dezelfde prins Louis, die aan dezen president van het Directoire, in hechtenis genomen op den IS^011 Brumaire, do vrijheid had aangekondigd. Gohier deelt in zijne mémoires het toen met Louis gevoerde gesprek over den generaal Bonaparte mede. Mémoires de Gohier I. 344. Koning Lodewijk moet, het kan niet anders, niet hem verscheidene malen in aanraking zijn geweest. Des te meer opmerking verdient het, dat hij zijn naam niet noemt, zelfs niet, waar hij het gebeurde op den 1811™ Brumaire vermeldt {Documents Historiques, I. 101). Ook Gohier, die een paar maal zijn verblijf in Holland vermeldt (Mémoires 11. 95, 334), noemt Lodewijk\'s naam niet.

12) „Le climat de la Hollande ne vous convient pas. D\'ailleurs la Hollande ne sanrait sortir de ses ruines. Dans ce tourbillon du monde, que la paix ait lieu ou non, il n\'y a pas de moyen pour qu\'elle se sou-tienne. Dans cette situation des choses, je pense a vcus pour le trone d\'Espagne.quot; Correspondance de Napoléon I, tome XVI. p. 500.

13)- Lodewijk beweert in zijne Documents II. 311, dat het edikt van 1 Oct. den keizer zoo zeer bevredigd heeft, dat hij de orders van 16 Sept.

413

-ocr page 426-

AANTEEKEN1NGEN.

introk. Hoe onjuist dit is, en tevens, hoe grooten omvang en beteekenis het decreet van 16 Sept. in de toepassing heeft verkregen, bewijzen de bewoordingen, waarmede in de Koninklijke Courant van 19 Juni 1809 de intrekking van 4 Juni werd ingeleid: ,Een buitengewoon courier heeft aan Z. M. de gewichtige tijding overgebracht, dat de commercieele betrekkingen tusschen Holland en Frankrijk wederom op den ouden voet hersteld zijn; keizer Napoleon heeft door het decreet, waarvan wij de vertaling doen volgen, dat van den IG\'len van Herfstmaand, tegen den Hollandschen koophandel uitgevaardigd, herroepen.*

14) Napoleon schrijft den Oct. 1808 aan Louis: , Aucune des lois du blocus n\'est observée; plus de cent batimens passent par mois de Hollande en Angleterre; tous les jours des particuliers en reviennent. 11 n\'est done pas extraordinaire que le Conseil d\'État ait rédigé un decret pour gêner les communications de la Hollande avec la France. Votre pays sera bien malheureux si ce système s\'accroit, et que le Rhin et l\'Escaut soient fermés a la Hollande. Vous êtes trop raisonnable pour laisser venir les choses a ce point, et pour ne pas prendre les mesmes nécessaires pour rétablir le blocus de l\'Angleterre comme par le passé.quot; Correspon-dance de Napoleon I. tome XVII, p. 548.

15) Sautyn Kluit, Geschiedenis van het continentaal stelsel, bl. 97.

16) Deze botsing in Juli 1809 is tot dusver onopgemerkt gebleven.

Ziehier het briefje van Napoleon, te Schönbrunn, 17 Juillet 1819, aan

den Minister van Buitenlandsche Zaken: „Monsieur de Champagny. vous trouverez ci-joint un décret du roi de Hollande. Ecrivez ii M. la Rochefoucauld pour qu\'il demande que ce décret soit sur-le-champ rapporté, et pour qu\'il fasse connaltre que la Hollande doit partager b-sort de la France, sa bonne ou sa mauvaise fortune; que, si elle sépare sa cause de celle du continent, je me séparerai d\'elle. Le sieur la Rochefoucauld doit parler avec Ia plus grande force, et si Ia Hollande ne se remet pas sur le même pied que la France et ne rentre pas tout-a-fait dans son système, il doit déclarer qu\'il ne peut pas garantir l\'état de paix.\' Correspondance de Napoléon, tome XIX, p. 261.

Het decreet, door den keizer bedoeld, wordt noch door hem, noch dooide uitgevers zijner correspondentie aangeduid. Wanneer wij de Besluite» van Koning Lodewijk in 1809 nagaan, vinden wij slechts een tweetal, dat voor de onderscheiding, zulk een ergernis bij Napoleon te hebben opgewekt, misschien in aanmerking kan komen. Het is het decreet van 31 Maart, door ons in den tekst vermeld, en dat van den 22stcn van Grasmaand, inhoudende de Grondwet op den constitutionelcn adel van het koningrijk Holland. Dat Lodewijks adellijke liefhebberijen den keizer een ergernis waren, is zeker; en blijkt ook uit de herroeping van dit decreet, die later op Napoleon\'s last plaats had. Doch dit decreet wordt blijkbaar niet aangeduid met de woorden: ,1a Hollande doit partager le sort de Ia France,

414

-ocr page 427-

AANTEEKENINGEN.

sa bonne ou sa mauvaise fortune enz.quot; Bovendiei;, indien de keizer dit adelsdecreet heeft bedoeld, zou Lodewijk, ook al weigerde hij de intrekking, toch zeker den moed niet gehad hebben den Isteu October de Statuten het rekkelijk den adel van het koningrijk Holland uit te vaardigen. Eindelijk — om dezen constitutioneelen adel zou de keizer toch wel nitt met oorlog hebben gedreigd.

Er kan wel geen twijfel bestaan, dat de keizer het decreet van 31 Maart met de latere uitbreiding van den 20stt\'11 Mei, heeft op het oog gehad. Het eenige bezwaar, dat hiertegen kan worden ingebracht, is dit: .Het decreet is van 31 Maart en het keizerlijk schrijven van 17 Juli. Kan men aannemen, dat gedurende zulk een lang verloop van tijd Lodewijk\'s besluit aan zijn broeder onbekend is gebleven? Neen, want Lodewijk\'s decreet van 31 Maart is in den Moniteur van 11 April opgenomen.quot; Dit bezwaar echter weegt in werkelijkheid minder, dan het schijnt. Wanneer men bedenkt, dat keizer Napoleon den 13lt;i™ April Parijs verliet om den vierden coalitiekrijg aan te vangen, is het zeer begrijpelijk, dat het bericht van den Moniteur hem, vervuld van krijgszorgen, niet van de hoofdzaak heeft afgeleid. De hachelijke strijd, door de overwinning bij Wagram ten gunste van Frankrijk beslist, leidde tot den wapenstilstand van Znaym (12 Juli). Wie de correspondentie van Napoleon van Maart—12 Juli nagaat, ziet dat hij zich in deze maanden met weinig anders dan militaire zaken heeft bemoeid. De uitbreiding, door Lodewijk den 20stuu Mei aan het decreet van 31 Maart gegeven, heeft blijkbaar de aandacht des keizers wakker geroepen.

Eenige maanden later, in December, toen koning Lodewijk te Parijs was, somde Napoleon hem in een langen epistel zijne grieven en eisclien op. Deze brief behoort tot de vele, die de uitgevers van de Correspondam-e de Napoléon I het oorbaar hebben geacht, niet op te nemen. Jammer intusschen, dat hij zoowel in Fransche als Hollandsche bronnen voor ieder toegankelijk is. Koning Lodewijk zelf heeft het broederlijk schrijven een plaatsje in zijne Documents Historiques (111. 208), waardig gekeurd. Ook Röell in zijn bekend Verslag, Bijlage 16. De onbekende auteur van de Memoires sar la cour de Louis Napoléon et sur la Hollande heeft den brief ook opgenomen (bl. 348), doch bij vergissing op het jaar 1S08. In dit schrijven nu leest men: „Votre majesté a profité du moment oii j\'avais des embarras sur le continent pour laisser renouer les relations de la Hollande avec l\'Angleterre, violer les lois du blocus, seul moyen de nuire efficacement a cette puissance. Je lui ai témoigné mon mécon-tentement de cette conduite en lui interdisant la France [decreet van 16 Sept. 1808], et je lui ai fait sentir que, sans le secours de mes armées, en fermant le Rhin, le Weser, l\'Escaut et la Meuse a la Hollande, je la mettais dans une position plus critique que si je lui eusse declare la guerre, ■et je l\'isolais de manière ;i l\'anéantir. Co coup a retenti en Hollande.

415

-ocr page 428-

AANTEEKENINGEN.

Votre Majesté a imploré ma généi-osité, et en a appelé ii mes sentiments, de frère, a premis de clianger de conduite, j\'ai pensé que eet avertis-sement serait suffisant. J\'ai levé la prohibition de mes douanes, mais votre Majesté est revenue a son premier système. II est vrai qu\'alors jetais a Vienne, et que fat-ais une pesante guerre sur les bras. Tons les batiraens américains qui se présentaient dans les ports de Hollande, tandis qu\'ils étaient repoussés de ceux de France, votre Majesté les a recus. J\'ai été obligé une seconde fois de fermer mes douanes au commerce hollandais: certes il était difficile de faire une déclaration de guerre plus authentique. Dans eet état de choses, nous pouvions nous rogarder réellement en guerre.quot;

17) De Garden, Histoire des traités, tome XII. p. 79.

18) Hüusser, Deutsche Geschichte III. 439. Pertz. Leben des Freih, ron Stein. II. 380, 309. Blijkens de brieven door von Gentz, Stein en den Prins van Oranje in deze dagen gewisseld, beschouwde geen hunner den aanval op Walcheren als een poging om Holland te bevrijden of Oranje te horstellen. Het hoogste, dat zij er van verwachtten, was dat de expeditie, na Antwerpen te hebben vernield, een landing in Noord-Duitschland zou beproeven. In dat geval wilden Stein en Gentz den Prins aan het hoofd van de beweging stellen.

19) Men weet, dar, deze doorreize van Stahremberg door Holland een der grieven was van keizer Napoleon tegen Lodewijk. {Documents His-toriques Hf. 117). Wanneer en in welke vermomming hij te Londen aankwam, leert ons Miss Berry, in haar Journal and Correspondence, II. 379. „Wednesday, May 10th — Called at Lady Donegall\'s. Soon after Agnes arrived, saying that there was a Mr. Long who wished to speak to me upon business, and that she had brought him with her. I went to the door to see who it was and found it was Prince Stahremberg, but so disguised, that he could hardly bo recognised. Ho had rather a long beard below his, chin and a black wig. In this disguise he had crossed Holland, and had come over in a fishing-boat, which brought him to Aldborough in Suffolk, where he landed between one and two o\'clock this morning and he was with us between two and three o\'clock in the afternoon. Ho stayed till four o\'clock, when he was to see Mr. Canning. In the evening he returned, after having dined with Mr. Canning, in the same travelling costume.quot;

In eene nota, 18 Mei overgegeven, drong hij met nadruk op een afleiding aan en het liefst in Noord-Duitschland. Doch, wat ook mocht besloten worden, ééne zaak was onmisbaar: ,11 faut que Texécution suive immédiatement la determinationquot;. Expedition de l\'Escaut, p. 83. Volgens getuigenis van Sir David Dundas, later in de parlementaire enquête afgelegd, werd daarop den 20 Mei de order gegeven „pour Ia reunion de 23.000 hommesquot;, id. p. 127, 213 etc. Dat toen het besluit van de

41(J

-ocr page 429-

A ANTEEKEN INGEX.

Onderneming tegen Walcheren nog niet stellig vaststond, Wijkt uit den brief van Castlereagli, in de volgende noot mede te deelen.

20) Castlereagli schrijft 29 Mei 1809 aan Sir David Dundas: „l\'éta-Llissement maritime que l\'ennemi a organise dans l\'Escaut ne s est pas élevé jusqu\'ici ii moins do vingt vaisseaux de ligne de divers rargs, et promet de recevoir sous pen une extension encore plus grande, soit sous le point de vue du nomhre de vaisseaux et de leur force, soit sous celui de la defense: ce qui rendra eet établissement (considéré comme position maritime), non seulement très-redoutable ii la tranquillité de la Grande-Bretagne. mais encore beaucoup plus difficile ii attaquer. Ces considerations ont fixé l\'attention particuliere des ministres de S. M.; ils croient done de leur devoir de rechercher avec soin jusqu\'a quel point il est encore possible de porter un coup mortel ii la puissance maritime de l\'ennerai, en détruisant ii la fois et son arsenal a Anvers et les vaisseaux statiun-nés sur les divers points de l\'Escaut, eiitre Anvers et Flessingue.\' Expedition de l\'Escaut p. 120.

En, als \'t ware bij den aanvang zeiven der onderneming, ontwikkelde Castlereagh dit denkbeeld nogmaals aan den Kail of Chatham als het hoofddoel van den tocht.

„Although the effect that may be expected to be produced on the general scale of the war, by the employment of a large British army of not less than 40.000 men, in a quarter where the enemy has so many and such important interests at stake, has had a principal share in determining his Majesty\'s Government to undertake the present enterprise, your lordship will consider the operation in question as, in its execution, more immediately directed against the fleet and arsenals of France in the Scheldt.

„The complete success of the operation would include the capture or destruction of the whole of the enemy\'s ships, either building at Antwerp or afloat in the Scheldt, the entire destruction of their yards and arsenals at Antwerp, Terneuse, and Flushing, and the rendering, if possible, the Scheldt no longer navigable for ships of war.quot; Correspondence of Castlereagh, VI, 291. Downing Street, Juli 1S09.

21) Correspondance de Napoléon I. tome XVII, p. 219.

2i) Correspondance de Xap. I. tome XIX, p. 362: „Un billet qui m\'a été adressé par le ministre de la guerre m\'indique le lieu oil est mon escadre: trois vaisseaux sont prés de Lillo et buit plus prés d\'Anversquot; (18 Aout) — I. c. p. 511. ..1\'ai aujourd\'hui dix vaisseaux ii Anvers (25 Sept.).quot; —

23) Mertens en Torfs, Geschiedenis ran Antwerpen, VII, 70.

24) Van Hoek, Geschiedenis der landing, hl. 53, 55. — Castlerer Correspondence VI, 328.

In Le Spectateur Militaire, année 183G, p. 258 komt een /

417

-ocr page 430-

AANTEEKENINGEN.

circonstancié de cc qui s\'est passé dans l\'ile dc Walcheren etc. van do hand des Generaals Osten voor. Het rapport is zeer ongunstig voor Bruce, maar legt ook van de krijgstucht der Fransche troepen een hoogst nadeolig getuigenis af. Osten geeft liet bedrag van 6,783 man op. Bij do overgave van Vlissingen waren er nog strijdbaar 3,773. De overigen waren of gedood of ziek.

25) Castlereagh, Correspondence VI, 291. Verg. Correspondance dc Napoléon I, tome XIX, p. 363.

26) „Die üfl\'entliche Meinung ist Lord Chatham nicht gunstig, nio brauchto ihn sein Bruder. Man nennt ihn wegen seines spaten Auf-stohens the late Lord Chathamquot;. Stein aan Pertz, in Pertz, Lchcn van Stein II. S. 389.

27) Mémoires et Correspondance du roi Jérome, tome IV, p. 279, 263. — Krayenhoff, Bijdragen enz. blz. 132, 82, 98.

28) Krayenhoff, a. w. Bijlage No. 3.

29) Krayenhoff, a. w. Bijlage No. 2. — Notes Historiques d\'Alex. Baron de Hugenpoth d\'Aerdt, p. 19.

30) Leven ran Verhit ell II, 148. — Krayenhoff, a. w. bl. 152, 133.

31) Expedition de l\'Escaut, p. 5.

32) Expédition de l\'Escaut, p. 426.

33) Castlereagh, Correspondence VI, 319.

34) Opmerkelijk is het oordeel van Generaal Mennet: „General Mon-net told me, in plain terms, what the real situation of Flushing and Walcheren was: that if the British troops had immediately attacked Antwerp, they must have succeeded in taking that place, and in the destruction of the French fleet. They sent him, he said, to Flushing 3000 men from Antwerp of such troops as they had, the same as his garrison was composed of, men of all nations, who would not obey his orders, and who had fired on him and his officers.

He told me that men of the city of Antwerp, and all the neighbourhood, they collected from report, might have amounted to 35,000 men; that was the most: few, if any of them, had seen service and they had no officers to command them. He said. Lord Chatham had been led by his spies into error as to their discipline, number and strength: for he might, at any time, from the appearance at our fleet on the coast to the hour of his departure from Flushing, have taken Antwerp.quot; Castlereagh, Correspondence VI, 828.

35) Dépêche du comto de Liverpool au lieut.-gen. Don, datée du 27 Oct. 1809. Expédition de l\'Escaut p. 35 en 106—115. cf. Correspondance de Napoléon I, XIX, p. 402, 448.

36) Documents Historiques. 111. 132. Thiers zegt, in zijn 363to boek, dat Clarke aan Louis schreef: „pour lui insinuer que s\'il voulait le com-mandement, il ne tenait qu\'a lui de le prendre en qualité de connétablequot;.

418

-ocr page 431-

AANTEEKENINGEN.

Uit het briefje van 12 Aug. blijkt, dat Lodewijk gelijk heeft en ook Cambacérès hem het kommando had opgedragen.

37) Thiers, Histoire du Comulat et de VEmpire, (Ed. Meline, III, p. 546). A I\'archicancelier, 12 Aug. 1809. — Dit briefje, door Thiers uitgegeven, is in de Correspondance dc Xapoléon voorbijgegaan.

38) Correspondance de Napoléon I, tome XIX, p. 349.

39) Lc Moniteur Universel, 16 Aoüt 1809.

40) Correspondance de Xapoléon I, tome XVIII, p. 344.

41) „Ce que vous aviez de mieux a faire est de réunir le plus de troupes possible, afin de pouvoir défendre votre pays, et d\'etre de quelque utilité ii la cause commune. C\'est la première fois que vous me demandez mon avis. Si vous me l\'eussiez demandé plus tót, je ne vous aurais point conseillé de licencier vos troupes; je vous aurais i\'épété que rien n\'était fini en Europe, et que, tandis que vous désarmiez, je levais de nouvelles conscriptions et renfor^ais mes armées de 150,000 hommes. Vous sontirez facilement l\'imprudence des mesures que vous avez prises et les résultats dangereux qu\'elles peuvent avoir pour votre pays et pour tout le monde.quot; 21 Mars. Correspondance de Napoléon, tome XVIII, p. 379.

42) Correspondance de Napoléon I, tome XVIII, p. 468.

43) In de brieven, die Fievée in deze dagen tot den keizer richtte, wordt met groote scherpzinnigheid en openhartigheid over den inval der Engelschen en de maatregelen van het gouvernement kritiek geoefend. „J\'ai vécu au milieu de la Revolution et je n\'ai jamais entendu de railleries si amères, de menaces aussi hautement exprimées,quot; en elders; „L\'empereur, qui doit connaltre mieux que personne l\'esprit des hommes auxquels il délègue une partie do son pouvoir, ne peut-il pas appréhender que quelques-uns d\'entre eux, dupes les premiers d\'un enthousiasme qu\'ils se donnent et croient communiquer, ne se laissent entrainer jusqu\'a oublier que ce qui sauve les républiques peut souvent nêtre qu\'une combinaison propre ii perdre les monarchies ?quot; Correspondance et relations de Fievée avec Bonaparte II. 384, 388. Wanneer men de twee brieven, waaruit deze citaten als proeven zijn genomen, nauwlettend leest, en zich voorstelt, dat zulke woorden door Napoleon moesten aangehoord worden, ten gevolge, gelijk hij oordeelde, van den onwil van Lodewijk, dan is zijn bitterheid en zijn vijandige stemming jegens dezen beter te begrijpen, dan wanneer men alleen op zijn eigen uitlatingen let. Hoezeer keizer Napoleon de beschouwing van Fievée deelde, bewijzen zijne brieven aan Fauché, Correspondance de N. I, tome XIX, 506, 520. „Le peuple prend de l\'incerti-tude sur le gouvernement, les esprits travaillent: le moindre incident peu-faire naitre une crisequot;.

44) Correspondance de Napoléon I, tome XIX, p. 415.

45) „11 est nécessaire pour les negociations entamées ici, pour l\'exem-ple de l\'avenir, et pour mes vues ultérieures, d\'avoir une armee dans le

419

-ocr page 432-

AANTEEKENIN6EN.

Nord. II est trop heureux que les Anglais nous donnent le prétexte de la former. — — A vous parler confidentiellement, il est possible que, lorsque ceci sera terminé, je fasse occuper les cOtes de Hollande pour fermer les ports de Hollande aux Anglais. lis sentiront le résultat d\'une cloture en règle des débouchés de l\'Ost-Frise, de l\'Elbe, et de la Zélande. Jusqu\'a cette heure, ils vont et viennent en Hollande comme ils veulent.quot; Au General Clarke, 9 Aoüt 1809. Correspondance de Napoléon I, XIX, 322.

46) 20 Sept. Au ministre de la marine. Correspondance de N. I, XIX, 482-, „ An vers vient d\'acquérir a mes yeux una importance qu\'il n\'avait pa* XIX, 469. 14 Sept. Au ministre de la guerre.

V. 47) Zoo werd bijv. om den aanval op Antwerpen van de rechterzijde te beletten, het volgende als noodig aangewezen : „établir par des forts une communication assurée entre l\'ile de Walcheren et 1\'ile de Sud-Beve-land; faire uno téte de pont a Berg-op-Zoom, dans l\'ile de Sud-Beveland; établir des forts pour assurer la cummunication du fort de Bath avec le continent.quot; Correspondance de Napoléon I, XIX, 514.

48) Krayenhoff, Bijdragen enz. bl. 141. — van Sypestein, Leven van Dumonceau, bl. 66, 67, Aanteekeningen. — Correspondance de Napoléon I, tome XIX, p. 428.

49) „Au reste, le General en chef de l\'armée Fran(;aise du Nord, étant le maitre de prendre les dispositions qui lui conviennent, le Maréchal Dumonceau doit le seconder de tous ses moyens, mais je defends qu\'on dégarnisse ni Bath, ni Bergen-op-Zoom, ni aucune place etc.quot; Aan den Minister van Oorlog, 27 Sept. Krayenhoff, Bijdragen enz. bl. 151.

50) Correspondance de N. I, tome XIX, p. 470. — Krayenhoff, Bijdragen enz. bl. 165.

51) Correspondance de Napoléon I, tome XIX, 314, 322, 337, 470, 419.

52) Leven van Verhuell, 11. 159.

53) De Caraman, Quelques mots sur les affaires de Hollande en 1810, p. 9.

54) Correspondance de Napoléon I, XIX, p. 368. — Verslag tan liüell, bl. 57.

55) Au comte de Champagny: 23 Sept. „Ecrivez au sieur la Rochefoucauld, qu\'il ne doit rien conclure, rien signer, qu\'il doit seulement discuter le sujet de plainte, que j\'ai centre la Hollande, et laisser fout pendant. Correspondance de Napoléon I, tome XIX, p. 496.

56) Bignon, IHstoire de France sous Napoléon, IT, p. 384. Ook deze nota is in de Correspondance niet opgenomen.

57) Correspondance de Napoléon I, tome XIX, p. 571.

58) Correspondance de Napoléon I, tome XX, p. 25.

59) Thiers 1. c. (ed. Melines, livre XXXVII), III, quot;p. 268.

60) Tome III, p. 148.

61) Napoléon I et le roi de Hollande, p. 63.

420

-ocr page 433-

AANTEEKENINGEN.

62) Verslag van Böell, Bijlage I, bl. 199.

63) v. Sypestein, Leven van Dumonceau, bl. 70.

64) Correspondance de Napoléon I, tome XIX, p. 560. Het hoogst ongunstig rapport van Bessières over de onmogelijkheid om Vlissingen te hernemen (XX, 10, 11), dat Napoleon zoo weinig smaakte, schijnt de oorzaak der Fransche werkeloosheid geweest te zijn.

65) Krayenhoff, Bijdragen, bl. 136.

66) Krayenhoff, bl. 164. — v. Sypestein, Leven ran Dumonceau, bl. 72.

67) Krayenhoff, bl. 154, 162.

68) Dat er in 1809 geen vrijheid van drukpers bestond, behoef ik niet aan te stippen. Een kurieus proefje, hoe ver het toezicht zich uitstrekte, heb ik medegedeeld in De oude Tijd 1869, bl. 357. Verg. mijn artikel, Iets over Amsterdamsche Couranten in 1809, in de Nederlandsehe Spectator 1869, bl. 382.

69) Verslag van Röell, bl. 199.—Levensbijzonderheden van Krayenhoff, bl. 67.

70) Verg. hot boven aangehaalde artikel in de Nederlandsche Spectator van 1869.

71) Documents Historiques, III, 157. „II fallait s\'allier ii l\'Angleterre «t jouer en désespéréquot;. 171, 157.

72) Levensbijzonderheden van C. li. T. Krayenhoff, bl. 66.

73) Leven van Verhuell, II, 158.

74) „Depuis longtemps j\'ai répété, qu\'au point, oil les choses en sont venues, il n\'y a que ce seul moyen pour parvenir a un raccommodement solide et durable.quot; — Verslag van Röell, bl. 199.

75) Zie Documents Historiques III. 155 en hierachter Bijlage A.

76) Na den 15den Aug., toen de koning naar Holland was teruggekeerd, en men eene landing der Engelschen noordelijker dan in Zeeland schoen te vreezen, was er met de defensie van Amsterdam reeds een krach-. tige aanvang gemaakt. Den 20sten Aug. was er voor dat doel een som van /■800,000 disponibel gesteld — {Rijksarchief Secrete stukken over 1810—18).

77) Levensbijzonderheden van C. B. T. Krayenhoff, bl. 68.

78) „L\'opportunité d\'un voyage a Paris fut discutée et affirméo ii I\'unanimité par tous los Ministres. Le Roi n\'adhéra a eet avis unanime, qu\'après que chaoun des Ministres Teut donné par écrit.quot; Notes Historiques du Baron de Hugenpoth d\'Aerdt. p. 20. Het eenige dier schriftelijke adviezen, dat tot dusver bekend is, is dat van Köell. Verslag van liöell, bl. 200, Bijlage I.

79) In de Koninklijke Courant van den 23sten komt reeds het bericht voor, dat de koning het W. L. Zondag daarop ontvangen zou.

80) Krayenhoff, Bijdragen enz. bl. 185. — Mr. 6. W. Vreede heeft in zijne belangrijke Geschiedenis der Diplomatie van de Bataafsche Republiek uit de MS. autobiografie van D. van Hogendorp medegedeeld, dat bij de

421

-ocr page 434-

AANTEEKENINGEN.

landing der Engelschen de Generaal Tarayre scliriftelijk zijn ontslag aan Lodewijk had verzocht, omdat hij het zwaard niet tegen zijn vaderland wilde trekken. De koning zou daarop hem op staandeu voet zijn ontslag, zonder behoud van pensioen of rang, hebben toegezonden.

Dat een dergelijke botsing plaats heeft gehad bij de landing, acht ik hoogst onwaarschijnlijk. De gunst, waarin Tarayre bij Lodewijk voortdurend stond, blijkt uit de bijzonderheid, dat hij met de garde op \'s konings bevel naar Amsterdam terug is gegaan, toen Bernadotte hot kommando van Lodewijk overnam. Geen spoor van wantrouwen in hem is mij, voor dit besluit van 26 Nov. (Krayenhoff, Bijdragen bl. 185), voorgekomen. Van een ontslag, en dat wel zonder behoud van pensioen of rang, is mij mede niets gebleken.

81) Levensbijzonderheden van Krayenhoff, bl. 70.

82) Verslag van litieU, bl. 226.

83) Krayenhoff, Bijdragen enz. bl. 186, 187.

84) Sypestein, Leven van Dumonceau, bl. 73 en Aanteek. bl. 66.

85) Zie de proclamatie in het vervolg op de Beschrijving van Zeeland, door Mr. Z. Paspoort, bl. 94.

86) Krayenhoff, a. w. bl. 200.

87) In de Levensbijzonderheden van Krayenhoff, bl. 71, wordt alben Capellen genoemd. Capellen in zijne memoires noemt ook Appelius. Hoe weinig men overigens op deze uitgave aan kan, is genoeg bekend. Zie Souvenirs du Comte van der Duyn van Maasdam et du Baron de Capellen, St. Germain en Laye 1852. p. 415.

88) Het eenig bericht, dat wij van deze samenkomst met notabelen hebben, danken wij aan Röell. Verslag, bl. 30.

89) Verslag van Röell, bl. 30. Bijl. 10.

90) Den 13en Dec. schreef Napoleon aan den hertog van Cadore: „écrivez au sieur la Rochefoucauld pour connaltre l\'effet qu\'a produit en Hollande mon discours, et quelle sorte d\'opposition on trouvera a la reunion.quot; Correspondance de N. I, tome XX, p. 60. De uitnoodiging van la Rochefoucauld en de samenkomst met Mollerus had den lOden Eec. plaats. De ambassadeur was dus den wensch des keizers voorgekomen Doch dit zal hem wel niet euvel zijn geduid.

91) Verslag van Röell, bl. 223.

92) Krayenhoff, Bijdragen enz. bl. 202 verv.

93) v. Sypestein, a. w. bl. 74 verv. Aant. bl. 67.

94) Verslag van Röell, bl. 53, 244. Verg. de aanteekening van Mollerus, bl. 247.

95) Correspondance de N. I, t. XX, p. 52.

96) Krayenhoff, Bijdragen enz. bl. 218 verv. — Levensbijzonderheden van C. li. T. Krayenhoff, bl. 72.

97) Verslag van Röell, bl. 90.

422

-ocr page 435-

AANTEEKENINGEN.

98) Verslag van Itüell, bl. 91 verv.

99) Con-espondance de Napoléon I. t. XX, p. 130. — Verslaq van lükll, bl. 97.

100) Verslag van Eöcll, bl. 118. Zie don brief dos keizers van 27 Jan. aan den generaal Clarke in de Correspondanee de Napoléon 1.1. XX, p. 145.

101) Verslag van H\'uell bl. 98, 255. — Krayenlioff, Bijdragen eïiz. bl. 241.

102) Krayenlioff, Bijdragen enz. bl. 241.

103) Levensbijzonderheden van Krayenlioff\', bl. 74.

104) Correspondanee de Napoléon 1, XX, p. 145. — „Vous ferez connaltro secrètement au Marécbal Oudinot que inon intention est en réalité de faire prendre possession militaire, et après possession civile; niais que Ton ne doit pas prendre possession civile avant mon ordre; que j\'ai irrévocablement arrêté dans ma pensee la reunion du pays entre la Meuse et I\'Escaut; mais que, jusqu\' a cette heure, il doit se borner a en prendre possession militaire, entière et absolue;. ... ne jamais parlor do reunion, mais do prise do possession militaire.quot; Au general Clarke. 27 Jan. 1810.

105) Rapport en bijlagen van deze missie zijn te interessant en te kenmerkend voor den toestand, dan dat ik zo niet in do bijlagen zou bobben opgenomen. Ik heb mij daarom in den tekst met de korte vermelding der zending tevreden gesteld en venvijs den lezer naar Bijlage B.

106) Verslag van liöell. bl. 126, 290. — Krayenlioff, Bijdragen enz. bl. 317, 326.

107) Verslag van Rüell, bl. 129. Bij geheim besluit van 7 Fobr. bepaalde Lodowijk, dat zij, die den titel van Maarschalk verloren, niettemin gedurende hun leven het traktement en andere voorrechten, aan dien rang verbonden, zouden behouden (Rijksarchief. Secrete stukken over 1810—18).

108) Tot betaling van de aannemers der reeds aanbestede buiteuge-wone defensiewerken werd den 5cn Jan. 1810 oene som van f 640,000 toegestaan; zoodat op dien datum de kosten der extra-ordinaire maatregelen reeds de som van /quot;940,000 beliepen. (Rijksarchief. Secrete stukken over 1810—18).

109) Levensbijzonderheden van Krayenlioff, bl. 71.

110) Correspondanee de Napoléon I. tome XX, p. 173, 146.

111) Verslag van Röell, bl. 291.

112) Krayenlioff, Bijdragen enz. bl. 329, 356.

113) Verslag van Röell, bl. 117, 118, 272, 417.

114) Verslag van Röell, bl. 446. Nota, opgesteld door Mollerus. — Hoi gevoelen van Mr. H. W. Tydoman, dat de geheele Appendix, Opgave van stukken enz. achter Roell\'s verslag, bl. 415—455 voorkomende, van don heer Mollerus zeiven afkomstig is, acht ik volkomen onjuist. Lerensbijzonderheden van Krayenlioff, bl. 487.

423

-ocr page 436-

AANTEEKENINGEN.

115) Ver slay van Röell, bl. 320. — Krayenhoff, Bijdragen bl. 352.

116) Documents Historiques III, 184 — Verslag van Röell, bl. 51. — Krayenhoff, Bijdragen, bl. 352.

117) In do Levensbijzonderheden v(in K. stolt do schrijvor do reis van Suden van den 30 Jan. tot den 7^on Febr. Dat zijn geheugen hem hier bedroog, blijkt uit de tijdsbepaling, die hij zelf vroeger had opgegeven in zijne Bijdragen bl. 358 en 368. Do laatste opgave komt overeen met die van koning Lodewijk in de Documents Historiques III. 200.

118) Verslag ran Röell, Appendix, bl. 548.

119) Krayenhoff, Bijdragen bl. 967, p.

120) Krayenhoff, Bijdragen bl. 363. Verg. bl. 372. — Verslag van Röell, Appendix, bl. 430.

121) Krayenhoff doet het bl. 866 van zijn Bijdragen voorkomen, alsof dit besluit hem niet geheel en al onaangenaam was; maar het oordeel bl. 371 en in do Levensbijzonderheden bl. 77 er over uitgesproken, bewijst het tegendeel.

122) Zie Bijlage C.

123) Krayenhoff, Bijdragen enz. bl. 357, 369.

124) Woorden uit zijn rapport aan den ministerraad, van 15 Febr.

125) Krayenhoff, Bijdragen, bl. 371.

126) Notes historiques de Hugcnpoth d\'Aerdt, p. 21.

127) Krayenhoff, Bijdragen, bl. 412. Toen het verraad ontdekt werd, joeg Krayenhoff hom weg. In 1830 was Blommestein niettemin, naar K. verhaalt. Procureur bij den Raad van Justitie te Semarang.

128) Rijksarchief. — Min. van Buit. ZaVen.

129) Dit bericht van Caraman wordt bevestigd door de fondsenlijsten in de Koninklijke Courant.

130) Verslag van Röell, bl. 159.

131) Verslag van Röell, Bijlage 76, bl. 386 —Krayenhoff, Bijdragen, bl. 447-

132) Bericht van Mollerus aan den Koning, opgenomen in het Appendix bij Röell, bl. 451. — Caraman, 1. c. p. 14.

133) Caraman, 1. c., p. 14, melding makende van do maatregelen ter verdediging, zegt: „rambassadeur dut demander a eet égard des explications, declarant que si le ministère osait produire un ordro du Roi :|ui l\'autorisat a en agir ainsi, il regarderait, dans co cas, la signature du frère de l\'Empereur, si elle lui était présentée. comme ayant étó surprise ou contrefaito.quot; Het is duidelijk, dat de gezant de handteekening niet verkoos te erkennen, omdat zij hem zou beletten zoo krachtig en vrijmoedig, als hij verlangde, togen het ministerie op te treden. Doch ieze woorden komen niet yoor in den brief. De verklaring is dus mondeling gegeven.

134«) blz. 337 regel 15 v. o. Eigen woorden van Mollerus in de nota, die hij den volgenden dag als zijn uitgebracht advies in de Notulen deed

424

-ocr page 437-

AANTEEKENINGEN.

opnemen. Verslag van Itöell. Bijl. H, blz. 441. Verg. zijn verhaal van deze avondzitting, Bijl. H**, bl. 442.

134ft) blz. 337 regel 1 v. o. De staatsraad Mr. L. van Toulon, heeft een uitgebreid MS. nagelaten, waarvan de tekst, in onze Bijlage A medegedeeld, gevolgd wordt door tal van bescheiden. De meeste dier stukken zijn in het verslag van Röell uitgegeven, maar dit concept-antwoord maakt, met enkele anderen, daarop een uitzondering. Verkeerdelijk wordt in het Appendix van Mollcrus, achter het Verslag van Röell, bl. 445, verwezen naar Bijl. 77, als het „door een der leden geconcipieerde antwoordquot; bevattende. Do daar voorkomende missive is de brief, die werkelijk verzonden is. Dit concept is onuitgegeven, hoe belangrijk ook om do gezindheid der meerderheid te leeren kennen.

135) Verslag van Röell, App. p. 444 en 438. Bijl. H* en G.

136) „ „ , bl. 452. — Krayenhoff, Bijdragen, bl. 420.

137) Zie het Appendix van Mollerus, achter het Verslag van Röell bl. 413.

138) Zie dit schrijven, in het Appendix bij Röell bladz. 449. Dat de datum, 4 Maart, daar voorkomende, onjuist is en verbeterd moet worden in 1 Maart, blijkt uit bladz. 448 en 452.

139) „M. Crommelin remplacuit provisoirement M. Mollerus, qui écri-vit a M de la Rochefoucauld, a FefFet d\'établir que dans toutes les communications émanées du conseil, dont il avait du 6tre Fintermédiaire et qui avaient pu encourir le blame de l\'ambassadeur, son opinion personelle avait toujours été distincte do celles, qui se trouvaient ainsi officiellement formuleés.quot; De Caraman, p. 17.

140) Verslag van Röell, bl. 141, 319. Bijl. 55.

141) , , bl. 827. Bijl. 60.

142) Zie boven blz. 326.

143) Correspondancc de Napoléon 1, t. XX, p. 203.

144) Als regel voor zijne onderhandelingen had de keizer er bij gevoegd : „Vous porterez d\'abord la force du corps francais qui doit garder les cótes et les rivières a 18,000 hommes. Cost ainsi, qu\'elle était reglée avant Fétablissement du royaume de Hollande : mais, dans la négociation vous pourrez réduire co nombre jusqu\' ii 6000.quot;

145) Zio boven bl. 351.

146) Verslag van Röell, bl. 345.

147) „Je prie l\'Empereur d\'adoptor la limite du Waal jusqu\'ii St André : de lii la nouvelle branche sud du Waal jusqu\'a St. Geertruyden-berg et ensuite le Biesbos.quot; Men moet in \'t oog houden, dat in 1810 de Maas en Waal zich nog bij het fort St. Andries vereenigden. Wat Bodewijk hier noemt „la nouvelle branche sud du Waalquot; is niets dan de Maas cn het kleine Maasje, van Heusden naar Geertruidenberg loopende. Dit laatste stroompje beloofde hij binnen een jaar in dien staat te brengen, dat de grootste schepen van Keulen, door dezen waterweg, van Heusden

425

-ocr page 438-

AANTEEKEXINGEN.

naar Geertruidenberg konden doorvaren. Op deze wijze Ijeliield hij èn de Bommelerwaard èn het land van Altena bij Holland.

148) Verslag van Roïll. App. 435. — bl. 348.

149) Met groote bevreemding leest men in de Documents Historiqiies: „Rüell jugeait fort bien de l\'état des choses: il pouvait d\'un seul mot erapêcher le roi de signer le morcellement de la Hollande: mais il ne fit pas assez pour l\'en détourner, quoiqu\'il en fut profondément affligé.quot; Wie het verslag van Rtioll gelezen heeft, weet hoe onbillijk dit verwijt is. Wat is er in de laatste dagen van Lodewijks verblijf in Holland tus-schen hem en Rüell voorgevallen? Dit schijnt de sleutel voor deze onbillijkheid te bevatten.

150) Verg. de bijzonderheden in Bijlage D.

151) In de Documents Historiques III, 227 zegt de koning, dat de ratificatie slechts voorwaardelijk was door de bijvoeging der woorden: autant que possible. Deze woorden echter komen niet voor in den afdruk,, in het Verslag van Röell, Bijlage 84 B. (bl. 404) noch in het oorspronke-lijko, op het Rijksarchief.

153) ,11 est vrai, Sire, divers événemens ont fait souffrir notre Patrie. Mais graces aux soins de Votre Majesté, et aux liens qui l\'iinissenr, au grand Empereur des Francais, l\'existence politique de la Nation Hol-landaise n\'est pas encore effacée du tableau des nations. Elle a conserve ses lois, ses moeurs et son gouvernement particulier, avec tout ce qu\'elle a de plus cher. Elle conserve l\'espoir de voir un jour sa prospérite rétablie, ses pertes compensées et sou bonheur établi sur des bases solides.\' Journal de Lelde, 20 Avril 1810.

153) „Pendant le long espace de tems que V. M. a été obligée de s\'é-loigner de nous, la conviction intime que ses soins tiendroient toujours a l\'avancement du bien-étre d\'un peuple qui aime V. M., qui ii son tour est aimé de vous, Sire, et au sort duquel V. M. a daigné si généreu-sement associer le sien, a pu seule nous tranquilliser et nous consoler.quot; Journal de Joelde du 20 Avril.

154) Verslag van liiiell, bl. 217. Bijl. X.

155) Leven v. Verhuell. 11, 173.

156) Verg. Vreede, Geseh. der Diplomatie 11, 2. bl. 429. — Mémoires sur la cour de Hollande p. 70. — Leven van Verhuell I, bl. 176.

157) Caraman, Quelques mots etc. p. 20.

158) Zie mijn Napoléon I et le Hoi de Hollande. p. 97, 147.

159) Krayenhoff, Bijdragen, bl. 147. — Verslag van Rüell, bl, 448. 451.

160) Ziehier de bewoordingen:

„Aan den heer Wolters van de Poll, Grootkruis der Koninklijke Orde van de Unie, wordt op zijn gedaan verzoek als Burgemeester der hoofdstad honorabel ontslag gegeven.

Gegeven te Parijs den 3en April 1810.quot;

426

-ocr page 439-

AANTEEKENINGEN.

Den 9en ontving van de Poll het besluit en droeg dadelijk zijn ambt aan den eersten Wethouder, van Brienen van de Groote Lindt, over.

Verhaal van het verhandelde bij den Burgemeester van Amsterdam 1810. fol. 156.

161) 6 Mei. Zie het aangehaalde Verhaal fol. 202.

162) Sypestein, Leven van Dumonceau, bl. 71.

163) De Caraman, 1. o. p. 21.

164) Leven van Verhuell, II, bl. 176, 177.

165) De Caraman, 1. c. p. 22.

166) Zie een proeve bij Vreede a. w. II, 2 bl. 438.

167) Zie de instructie in Bijlage E.

168) „Bij eeno annonce van den sous-prefect van Walcheren, in dd. 21 Maart, werden al de ingezetenen van W. opgeroepen, om binnen 10 dagen in handen van de ontvangers, door hem genomineerd, in plaats van H. M. \'s ontvangers van de Verponding en Beschreeven Middelen, te komen betalen de lasten over 1809 gearriereerd, op poene van militaire executie.quot; Brief van Appelius aan den honing, in dd. 16 April.

169) Verslag van Jiöell, bl. 163, 165, 361, 871.

170) „Ensuite la derivation principale de la-Merwede qui se jette dans le Biesbosch que la limite traversera.\' Art. 6.

171) Brief van den Heer C. Scheffer aan den heer Elout, 24 April.

172) Brief van 15 April.

173) Brief van 23 April 1810.

174) Het concept van het proces-verbaal, door Elout aan den koning opgezonden, eindigde met deze woorden: „M. M. les commissaires Fran-(jais ont declare d\'accepter la cession pure et simple des pays décrits, mais ne pas se trouver autorisés a s\'expliquer sur d\'autres öbjets queleonques.1quot;

Lodewijk wilde voor de laatste woorden lezen: „sauf les arrangemens a régler entre les deux Gouvernemens sur les objets metionnés, sur lesquels eux de leur cGté ne se trouvent pas autorisés ii s\'expliquer.quot; Noch de woorden, door de Hollandsche commissie, noch die, door Lodewijk voorgesteld, vonden genade. Zie het Procès-Verhal in het Journal de Leidc 11 May 1810. Supplément.

175) Zie hun rapport in Bijlage E.

176) Toespraak van J. II. Baron van Lijnden van Lunenburg, 1848, bl. 21. (Niet in den handel).

177) Verslag van Böell, bl. 163, 180, 360, 364, 370. De Garden in zijne Hist aire des Traités, tome XII, geeft geen licht, wat volstrekt geen verl wondering wekt, als men van hem zeiven verneemt, dat hij in het geheele gedeelte over Lodewijk slechts de Documents Historiques volgt.

178) Vermoedelijk slaat op deze zaak de brief des keizers aan Lodewijk, in de Correspondance de Napoléon I. t XX, p. 299; 303.

179) Wiarda, Xeueste Ostfriesische Geschichte, s. 604.

427

-ocr page 440-

AANTEEKEXINGEN.

180) Rijksarchief. — Secreete Stukken over 1810—18.

181) Instruction sêcrète pour la grand commission provisoire, is de titel van het belangrijke stuk, door mij bekend gemaakt in mijn Napoleon I et le Hoi de Hollandc p. 91.

182) Notes historiques du Baron de Hugenpoth d\'Aerdl, p. 23.

183) Brief van 11 Mei.

184) Brief van 9 Mei.

185) Correspondancc de Napoleon 1, t. XX, p. 324. De brief is van 4 Mei — dus was dit besluit genomen, voordat la Rochefoucauld bij den keizer kwam. Het opontbod is vermoedelijk het gevolg van zijne depêches geweest.

186) Correspondancc de N. I, t. XX, p. 347.

187) „11 avait été convenu, a la suite d\'entretiens renouvelés, que ce rappel demeurerait quelque temps secret; qu\'il ne serait question que de congé accordé, et que ce serait seulement après que M. de la Rochefoucauld aurait quittd la Hollande que M. Sérurier, restant chargé d\'affaires, notiflerait ottieicllement au gouvernement hollandais la résolution prise par 1\'Empereur dc n\'avoir plus d\'ambassadeur en Hollandc et de n\'en plus admettre de la part de son frere k Paris.quot; de Caraman 1. c. p. 23.

188) Dit moet in don avond van den 13el1 of op den 14011 Mei zijn geweest, daar Caraman hem den te Rosendaal, bij Bergen op Zoom aantrof. De Caraman p. 28.

189j Over deze kwestie heb ik oen aantal nieuwe bescheiden medegedeeld in mijn Napoléon I et le Hoi de Hollandc, p. 137. Ik mag mij daarom ontslagen rekenen van de verplichting om verder over deze ellendige zaak woorden te verspillen.

190) De Caraman, p. 24.

191) „Ce qui contraria assez M. de la Rochefoucauld, en ótant a ce depart l\'éclat sur lequel il devait compter.quot; Caraman, 1, c. p. 25.

192) Brief van 23 Mei opgenomen in de Documents Historiques III, p. 265. Niet in de Correspondancc de Napoléon I.

193) Correspondancc de Napoléon J, tome XX, p. 348.

194) Documents Historiques, tome III, p. 252. Zij werden uit Amsterdam, 29 Mei, medegedeeld in le Moniteur Universel, 12 Juin. Noch de Koninklijke, noch de Leidsche Courant hebben ze opgenomen. Waarom niet, is duidelijk. Het Journal dc Leidc was in Sept. 1809 aangekocht door de regeering. Zie de verhandeling van Mr. W. P. Sautyn Kluit, in de Handelingen en Mededeelingen Tan de Maatschappij der Ned. Letterkunde orev 1870, bl. 3 verv. De volgende bijzonderheden, den schrijver onbekend gebleven, kunnen tot aanvulling dienen.

Den 0\'-11 Mei 1810 benoemde koning Lodewijk don heer de Flines, ambtenaar bij marine en koloniën, tot redacteur van het Journ. de Leidc. .11 jouira d\'un traitement dc 1600 liorins avec Ie rang de

428

-ocr page 441-

AANTEEKENINGEN.

premier redacteur du Journal officie).\' De directeur der douanen werd aangeschreven voort te gaan met het plaatsen zijner annonces in deze courant. De „directeur de Journal officielquot; werd belast „de régler tout ce qui concerne le comptahilité du Journal Politique et 1\'organisation intérieure de tout ce qui sera réquis pour ce Journal.quot; Zelfs mocht hij uit de kas der Koninklijke Courant voorschotten doen aan het Leidsche Journal et het deficit, dat misschien bestond, dekken.

Dit besluit was uitgelokt door een adres van Mr. J. D. Meyer, directeur van de Koninklijke Courant. Hij had moeielijkheden met Texier Westmuller, die bij den verkoop redacteur was gebleven, op een tracte-ment van f 2500, maar er niet veel aan deed en er waarschijnlijk wel af wilde, daar hij zich een pensioen van /\' 2000 had verzekerd, voor zijn aandeel in de verkochte Courant. Westmuller werd gepensioneerd, gelijk Meyer voorstelde, en de Flines in zijn plaats benoemd. Uit dit adres blijkt, dat de courant sinds den aankoop door het gouvernement minstens een derde van zijne abonnonten had verloren, en de noodige uitgaven in het begin van Mei 1810 de inkomsten met f 1500 te boven gingen. (R. Secrete stukken over 1810—1818).

195) Koninklijke Courant 7 Mei 1810.

196) Correspondance de Napoléon I t. XX, p. 348.

197) Verg. mijn artikel Een steenworp in Mei 1810. Hist, en Litter. Studiën blz. 143 vgg. Ik heb daar het geheele verloop van dit voorval, met mededeeling der vereischte bescheiden, in het licht gesteld.

198) Correspondance de Napoléon I, XX, p. 401.

199) Sautyn Kluit, a. w. bl. 120.

200) Tot toelichting van de kwellingen, waaraan de binnenlandsche handel blootstond, deel ik eene missive mede van den minister van buitenlandsche zaken aan Verhuell te Parijs.

Amst. den 28sten van Bloeim. 1810.

Aan Z. E. den Hr. Verhuell, Graaf van Sevenaer, Amb. van Z. M. te Parijs.

HoogEdelGest. Heer,

Bij Art. 1 van het Traktaat van den 16den van Lentem. j. 1. heeft de Fr. keizer bedongen, dat alle handel tusschen Holland en Engeland zoude verboden zijn, en tot verzekering van de uitvoering van dit beding bij het volgend artikel bepaald, dat een corps van 18000 man troepen, benevens eenige geëmployeerden van de Fr. douane aan alle de mondingen dei-rivieren zouden geplaatst worden.

Het is allerduidelijkst, dat deze stipulation geen ander oogmerk gehad kunnen hebben, dan den invoer te beletten van alle Engelsche manufacturen of van zoodanige waren als uit de koloniën van dat Rijk zouden kunnen voortkomen.

Ondertusschon geven de Douaniers daaraan een geheel anderen uitleg

429

-ocr page 442-

AANTEEKENINGEN.

en ooidcelen zich bevoegd, om den Binnenlandschen vervoer van koloniale waren van de eene stad of plaats naar de andere, zelfs in geringe partijen voor de winkeliers of partikulieren verzonden wordende, te verhinderen: niettegenstaande noch de letter noch de geest van het tractaat daartoe eonigen den minsten grond oplevert.

Ja, dit gaat zoo verre, dat zij de turfschippers in Oost-Friesland noodzaken om hunne vaartuigen te lossen, ten einde zich te verzekeren, dat door dezelve geene diergelijke waren worden overgebragt.

Z. M. begeert dien ten gevolge, dat Uwe Exc. den hertog van Cadore over deze van het gesloten tractaat zoo zeer afwijkende handelwijze, welke bovendien tot veelvuldige verwarringen en allezins gegronde klagten, ja zelfs tot de ruyne van veele duizende van \'s konings onderdanen aanleiding geven kan, zonder aan den vijand eenig nadeel toe te brengen, ten spoedigste onderhoudt en aan Z. E. de noodzakelijkheid aantoont, dat daarin ten spoedigste door het Fransche Gouvernement worde voorzien, opdat do Douaniers zich in \'t vervolg voor diergelijke uitleggingen mogen wachten, en de binnenlandsche vervoer van goederen, van welken aard ook, niet verder door hen gestremd worde.

Ontvang, mijnheer de Graaf, de verzekering mijner bijzondere hoogachting.

201) De Caraman, 1. c. p. 29.

202) Dit opmerkelijk antwoord is van 9 Juni Corrcspondance de Na-poléon I, tome XX, p. 401. — De samenkomst van Sérurier met Lodewijk had 5 Juni plaats gehad.

203) Do Caraman, 1. c. p. 36.

204) De Caraman, 1. c. p. 38.

205) Corrcspondance de Napoléon I, tome XX, p. 429.

206) Röell vertrok in de laatste dagen van Juni naar de baden. Lodewijk Iaat zich over dit vertrek, juist in deze oogenblikken, vrij bitter in de Documents llistoriques uit. Wat de ware reden geweest is, dat de minister van Buitenlandsche Zaken in zulk een kritiek moment den koning verliet, is tot dusver onbekend. Maar de volgende brief, door den Provi-sioneelen Baad ran Ilegentschap den 8on Juli ontvangen, bewijst, dat zijne reis niet geheel vreemd is geweest aan de geschillen.

Sire,

J\'ai eu la conférence au sujet de la convention sur les six mille hommes, provisoirement avec le Due de Feltre et ensuite avec le chevalier Provost, qui avoit traité cette affaire directement avec Monsieur Regnault.

Comme il est tout a fait incertain, quand S. M. I. qui avoit déja ratifié la convention, s\'expliquera définitivement sur les changemens proposés, je n\'ai pas differé mon depart plus longtems, ce qui aussi étoit entièrement inutile, puisque j\'avois eu toutes les explications nécessaires. Après avoir attendu deux jours la réponse, j\'ai donné a Monsieur Regnault les instruc-

430

-ocr page 443-

AANTEEKENINGEN.

tions requises sur sa conduite ulterieuro dans cotto affaire, et je Fai chargé de porter en personne la convention en Hollande, lorsqu\'elle seroit signée.

II parait, Sire, que Monsieur Valckenaer no fait aucun secret de la commission dont il est chargé, pas raême des détails, car il m\'est déja revenu de plus d\'une part, qu\'il est chargé entr\'autres des deux mémoires sur les dettes et les domaines, et que V. M. l\'a autorisé d\'y faire tous les changomens qu\'il jugera ;i propos. Je ne sais pas, si pareille publicité entro dans les vues des Votre Majesté.

Je suis avec le plus profond respect

Sire, de votre Majesté etc.

Röcll.

Paris 4 Juillet 1810.

Volgens de aanteekening van Hugenpoth van Aerdt was bij deze missive kopij van een brief van den hertog van Cadore gevoegd. Ik heb ze niet gevonden.

Over de commissie door Lodewijk aan Valckenaar gegeven, die den 21cn Juni voor Pruisische belangen naar Parijs ging, zie Vreede a. w. II, 2. bl. 450.

207) v. Sypestein, Leven van Dumonceau bl. 77.

208) „Nous avons resolu d\'abdiquer en faveur do Notre bien aimé fils Napoleon Louis, et a son défaut, en faveur de son frère Charles Louis Napoléon. — Besluit van 1 Juli (Considérant etc.) in liet Journal dc Lcide, van 6 Juli 1810.

209) Verhaal van de opening der doos, waarin op den 2oen van Lentemaand 1808 ivas gedeponeerd de acte. van benoeming van leden voor den Raad van Regentschap. Rijksarchief.

210) Zie blz. 398 vg.

211) „Le 2 Juillet M. Appelius et moi nous nous rendimes au Pavilion •d\'Harlem, pour rendre une dernière visite au Roi. Nous rencontrames S. M. se promenant dans le Pare. Le Roi nous dit après quelques paroles affectueuses: „J\'ai la tête froide!quot; M. Appelius repartit: „Sire! mais votre Majesté n\'a pas le coeur froid.quot; Nous eümes 1\'honneur d\'accompagner S. M. dans sa promenade et de diner avec elle. A notre départ le Roi nous embrassa affectueusement. J\'en fus touché jusqu\'aux larmes.quot;

Notes Historiques de Hugenpoth d\'Aerdt, p. 26.

212) Het was onjuist. Zie Leven van Verhuell II, bl. 204. Verhuell weigerde de zending, omdat hij de abdicatie afkeurde. — Men moet erkennen, zij was voor den keizer lastig.

213) Wiarda, Neueste Ostfriesische Geschichte, II, S. 609.

214) AI het medegedeelde over den Raad van Regentschap is ontleend aan hot Register der besluiten van den Provisionelen Baad van Regentschap, op het Rijksarchief.

431

-ocr page 444-

AASTEEKENINGEN.

215) Mémoires du Due de liorigo, t. iv. p. 262. — Leven van Verhuell.

216) Deze brief, voor de eerste maal, naar ik meen, in 1866 in de Correspondance de Napoléon I, t. XX, p. 453, naar een kopij, door den koning der Nederlanden verstrekt, uitgegeven, wordt hier opgenomen,, ook omdat hij in geen der Hollandsche bronnen voorkomt en de Correspondance niet in ieders handen is. Ik heb overigens de uitgaaf met het oorspronkelijke stuk op het Rijksarchief vergeleken.

Daar komen ook een paar briefjes voor van Hortense, die haar door den keizer waren voorgeschreven.

217) De laatste zinsnede is in de Correspondance weggelaten.

218) Journal de Lelde, 17 Juin 1810. Supplément.

219) Correspondance de Napoléon I, t. XX, p. 450.

In de Mémoires sur le prince le Brun, van Du Mesnil, p. 307 wordt een toespraak des keizers vermeld: „mon cousin, lui dit-il, la Hollande a perdu son roi: je compte sur vous: partez sans délai; allez consoler les Hollandais en gémissant avec eux.quot; Dit is wel wat al te sentimenteel.

220) Alleen over van Gennep en van Imhoff was herstemming noodig. De benoemden staan hier naar de volgorde der verkregen stemmen, die bij gelijk getal stemmen door het lot werd bepaald. Op de laatsten na werden allen bij de eerste stemming benoemd. Minutcele Notulen van 11. Hoog Moy. van 19 Juli 1810.

432

-ocr page 445-

B IJ L A G E N

op

DE ONDERGANG VAN HET KONINKRIJK HOLLAND.

BIJLAGE A.

(BI. 300).

AanteeTceningen van den Staatsraad Mr. L. van Toulon, betrekkelijk de reis door den koning van Holland in Slagtin. 1809 naar Parijs ondernomen en de verdere gevolgen van deze reize voor het Rijk.

Nadat het ongenoegen van den keizer der Franschen op den koning en de administratie van zaken in Holland algemeen was Lekend geworden, en een ieder der zake eenigszins kundig zich met vrij veel zekerheid konde voorstellen, dat dit ongenoegen zich eenigszins meer of min in de gevolgen zoude doen gevoelen, en dat de toenmalige maarschalk en ambassadeur Verhuell omstreeks den 20en of 21en van Slagtmaand van Parijs naar Amsterdam was gekomen en zeer lange gesprekken met den koning gehad had, beriep Z. M. op Vrijdag den 24en van diezelfde maand ecne vergadering van deszelfs ministers, bestaande het ministerie uit de navolgende heeren: W. F. Eöell, Minister van Buitenl. Zaken, van der Jleim, Minister van Marine en Colonien, J. J. Camhier, Minister Vice-pres. van den Staatsraad, A. S. Twent, Minister van den Waterstaat, ./. H. Appelius, Minister van Financien, A. G. G. P. van der Caipellen, Minister van Eeredienst en Binnenlandsche Zaken, Krayenhoff, Minister van Oorlog en A. van llngenpoth tot Aerdt, Minister van Justitie en Politie.

Voorzegde raad van ministers bij elkander gekomen zijnde, deelde de koning aan denzelven in substantie mede, dat het aan alle de ministers bekend was, dat over onderscheidene onderwerpen verschillen tusschen Z. M. en Hoogstdeszelfs Broeder den keizer van Frankrijk waren gerezen,

28

-ocr page 446-

BIJLAGEN.

en dat de keizer zijn misnoegen had betoond omtrent de oogluiking, welke Z. M. zich verbeeldde in \'s konings gedragingen ten aanzien van den sluikhandel met Engeland te bespeuren, waarover en over het gedrag en de beoordeeling van de Fransche kapers en de door hen opgebrachte prijzen herhaalde vertoogen waren gedaan, zonder dat deze zaken tot onderling genoegen hadden kunnen worden vereffend; dat \'s konings ambassadeur te Parijs, de maarschalk Verhuell eene opzettelijke reize vandaar herwaarts had gedaan, om aan Z. M. te berichten, dat \'s keizers ongenoegen thans ten hoogsten top was geklommen, en dat de gevolgen daarvan voor Holland wellicht onberekenbaar nadeelig zouden zijn; dat de keizer echter tevens verlangd had, dat Hoogstd. Broeder bij hem te Parijs mocht komen, ten einde over de punten van verschil mondeling te kunnen confereeren, en hem, ambassadeur,- gelast had, dit een en ander onverwijld aan Z. M. te berichten; terwijl do ambassadeur zich verzekerd hield, dat \'s konings onverwijld vertrek naar Parijs wellicht nog het eenige middel zijn zoude om de gevreesde onheilen voor te komen of te verminderen, en dat Z. M. dan ook verlangde omtrent dit zoo gewichtig onderwerp de consideration van Hoogstd. ministers in te nemen, met vermaning om daaromtrent met al die cordaatheid te spreken, welke het belang der zaak en hunne verplichtingen jegens hunnen koning en hun vaderland zoo gebiedend vorderden.

Het gevoelen der ministers op dit punt was eenstemmig, en kwam daarop neder, dat de koning zich naar Parijs moest begeven en aldaar aan \'s keizers verlangen voldoen. De gronden voor dit gevoelen waren aan de eene zijde de grootheid van \'s keizers misnoegen, bevestigd uit de verkoeling in de correspondentie tusschen de beide souvereinen, waarvan de koning had opening gegeven door de menigvuldige klachten en vorderingen van de Fransche zijde ingebracht en gedaan, en door de onmogelijkheid, welke er tot nu toe geweest was om door toegeeflijkheid eenmaal een einde aan dezelve te maken, en eindelijk door de stellige betuigingen, welke de maarschalk Verhuell dezen aangaande had gedaan, en \'s keizers wilsverklaring door denzelven overgebracht, en aan de andere zijde door de teederheid der onderwerpen, welke te behandelen vielen, en die zoo groot was, dat de koning zich moeielijk op iemand anders, hoe kundig en beproefd ook, met genoegzame gerustheid zoude kunnen verlaten; terwijl het eindelijk door den keizer ten kwade zoude kunnen worden geduid, dat de koning, de beste advokaat in zijne eigene zaak, zoude geaarzeld hebben, om de reize naar Parijs op uitdrukkelijk verlangen van Hoogstd. Broeder te ondernemen.

Na het hooren van deze consideratiën heeft Z. M. verklaard van een tegenovergesteld begrip van deszelfs ministers te zijn, daartoe zeer in het breede voordragende : 1° dat Hoogstd. reize op een belangrijk tijdstip, in hetwelk velerlei onderwerpen, in het bijzonder ook betrekkelijk \'s Rijks

434

-ocr page 447-

BIJLAGEN.

finantien, te vereffenen vielen en het Wetgevend Lichaam eerst kortelings was bijeengekomen, een groeten indruk bij de natie zoude maken en velerlei onrust verwekken, en 2° dat bijaldien de keizer ongunstige voornemens omtrent Holland mocht koesteren, en vooral ook bijaldien Hoogstd. het land door Fransche troepen mocht willen bezetten, hetgeen de koning nimmer zoude kunnen dulden, de uitvoering van het een en ander alsdan vrij gemakkelijker zoude zijn, wanneer de koning zich in Parijs mocht bevinden en \'s lands bestuur aan de ministers was overgegeven, dan bijaldien dezelve in de hoofdstad bleef, en daardoor alle aanzoeken met gepaste fermeteit kon afslaan en eenen tegenstand bieden, welke voor alle gevolgen konde waarborgen, ten ware men tegen den koning en zijne hoofdstad tot maatregelen mocht willen overgaan, die zoodanig met alle delicatesse zouden strijden, dat het ondernemen derzelve Z. M. hoogst onwaarschijnlijk voorkwam.

Deze argumenten zijn echter door alle de ministers opgenomen, die met volkomene eenstemmigheid hebben verklaard, dat zij niet beducht waren voor den indruk, welken \'s konings reize bij de natie zoude mogen doen ontstaan en zulks te minder, omdat men de koningen van Westfalen en Napels en den onderkoning van Italië reeds naar Parijs had zien vertrekken om den keizer te begroeten, en dat ook vele andere Duitsche vorsten zich derwaarts hadden op weg begeven, en dat de natie zich over \'s konings vertrek te minder zoude verwonderen, daar het gevoelen vrij algemeen was, dat het belang van Holland vorderde, dat Z. M. zich bij zoovele andere vorsten voegde, om den keizer met Hoogstd. overwinningen en den gesloten vrede in persoon geluk te wenschen; ten aanzien van de tweede bedenking, door den koning in het midden gebracht, hebben de ministers de gegrondheid derzelve niet tegengesproken, bijaldien het door den koning bedoeld geval immer mocht kunnen plaats hebben; zij hébben zelfs erkend, dat Z. M. zich alsdan aan vele personeele onaangenaamheden, als arrestatie en dergelijken, zoude kunnen blootstellen, en dat, hoezeer de ministers het zich tot een eersten plicht zouden rekenen, de hun gegeven voorschriften onwrikbaar te volgen, bij hen inderdaad minder fermeteit dan bij den honing zeiven moest -worden verondersteld; dat zij hiertegen echter moesten inbrengen, dat de betrekkingen van den koning tot den keizer niet slechts waren die van souverein tot souverein, maar ook die van broeder tot broeder, en dat deze laatsten van dien aard waren, dat zich nimmer kon laten veronderstellen, dat de keizer dezelve ooit uit het oog zoude verliezen en een prins van zijn huis aan verregaande onaangenaamheden zoude willen blootstellen, hierbij voegende, dat juist deze relatie den koning in de gelegenheid zoude stellen Hoogstd. belangen beter dan ieder ander vorst aan den keizer voor te dragen, en dat Z. M.\'s kennis van al hetgeen was voorgevallen en bekende indringende en overredende toon nog de eenige hoop overliet, dat de kei-

435

-ocr page 448-

BIJLAGEN.

zer ten aanzien van Holland zoude kunnen worden teruggebracht en deze reize tot \'s Rijks wezenlijk heil strekken; terwijl de onaangenaamheden, waaraan de koning zich eventueel zoude blootstellen en het ondernemen der reize, ondanks dezelven, het meest doorslaand bewijs zoude opleveren van Z. M. liefde tot zijn volk en zucht om het zoo diep gezonken vaderland te redden, en dat zij dan ook hierin een zeer krachtige beweegreden vonden om den koning een stap aan te raden, die bij de natie bekend en goed beoordeeld, aan Hoogstd. de algemeene volksliefde hoe langer hoe meer moest verzekeren. Eindelijk is het verlangen des keizers door al de ministers als eene onweerstaanbare reden voor hun advies bijgebracht, daar de weigering, om aan deze uitnoodiging te voldoen, ongetwijfeld ten kwade zoude geduid en als een grond voor onaangename maatregelen ten aanzien van Holland zoude kunnen gebruikt worden, en den koning altijd het bedroevend denkbeeld overlaten, dat deze maatregelen door de reis naar Parijs zouden hebben kunnen worden voorgekomen, terwijl Z. M. daarentegen aan des keizers uitnoodiging voldoende, de aangename bewustheid zoude hebben, dat niets onbeproefd was gebleven, om het gevreesde onheil af te wenden; en dat zulks dan ook den grond opleverde, om de kans te wagen, welke ook de uitslag eener poging zijn moest, die als de laatste moest worden beschouwd tot redding van het vaderland.

Nadat dit onderwerp gedurende verscheidene uren was behandeld en zeer in het breede besproken, is de koning personeel bij Hoogstdesz. gevoelen gebleven, dat het verkieselijker was zich beleefdelijk van het ondernemen der Parijsche reize te verontschuldigen, doch heeft Z. M. echter tevens verklaard, door geene consideratiën van personeel gevaar of onaangenaamheden te worden teruggehouden en dus te willen toegeven aan de eenstemmigheid van gevoelen van alle deszelfs ministers; mits echter dat eene nadere, directe uitnoodiging van den keizer voorafging; zullende de maarschalk Verhuell dan ook dadelijk naar Parijs worden teruggezonden met last, om aan Z. M. den keizer te verklaren, dat de koning bereid was om de reize derwaarts aan te nemen, mits Hoogstdez. daartoe vooraf nader onmiddellijk door den keizer wierd uitgenoodigd, en welk nader aanzoek dan ook zoude behooren te worden afgewacht. En heeft de koning voorts in den avond van dien dag de ministers Eöell en Appélius den last opgedragen, om na te gaan, welke maatregelen omtrent het bestuur van \'s Rijks zaken gedurende Z. M. afwezigheid zouden behooren te worden genomen en om het ontwerp eener instructie deswegens aan Hoogstdenz. voor te dragen.

Des Zaterdags scheen Z. M. nog altijd voornemens eene nadere uitnoodiging af te wachten, voordat Hoogstd. de reis naar Parijs aannam. Dien dag toch vertrok de koning naar het Paviljoen te Haarlem, met voornemen, om er tot \'s Maandags te blijven en gelastte den ministers

436

-ocr page 449-

BIJL A.GKN.

Röell en Appelius des Zondags voorraiddags aldaar te komen, om nader over de zoo even gem. instructie met denzelven te confereren. In den namiddag of avond van dien dag is de koning echter van besluit veranderd uit aanmerking, dat, daar Z. M. zich toch voorstelde aan het verlangen van den keizer te voldoen, het dan ook verkieselijk was, de uitvoering van dit voornemen f.an geene formaliteiten te hechten, welke voor eene verkeerde uitlegging vatbaar konden geoordeeld worden, en dat daarentegen aan \'s keizers wensch met de meeste gratie behoorde voldaan te worden, waarbij nog moest worden gevoegd, dat de koning spoedig vertrekkende nog vóór het feest der verjaring van \'s keizers krooning te Parijs konde zijn, hetgeen zelfs uit het oogpunt der publieke opinie geschikt was, om zoo in Frankrijk als in Holland zeer goede indrukken te geven.

Ten gevolge van deze verandering werd \'s konings vertrek op den volgenden Maandag bepaald en des Zondags eene plechtige gehoorgeving aan het Wetgevend Lichaam voor den troon aangezegd, in het bijzonder ook bestemd om het aanstaand vertrek aan deze vergadering bekend te maken.

Na den afloop dezer plechtigheid werd eene nadere vergadering van ministers belegd, in welke de koning hij afwisseling in den voormiddag en avond verscheidene uren doorbracht en zeer in het breede werd geraadpleegd over al hetgeen gedurende \'s konings afwezen zoude kunnen .gebeuren, en het gedrag, hetgeen door de ministers zoude behooren te worden gehouden. Een der meest tedere en moeilijke punten was het te houden gedrag, bijaldien onverhoopt Fransche troepen het rijk of een gedeelte van dien mochten willen bezetten, en het waarborgen der ministers voor de echtheid en het vrijwillige van de bevelen, welke hun van wege den koning mochten gegeven worden ; twee punten in welke Z. M. het allergrootste belang stelde.

Het gevolg van deze raadplegingen was :

1°. dat gedurende de afwezigheid van den koning het dagelijksch bestuur van de Rijkszaken aan een Raad van gezamenlijke ministers zoude worden opgedragen;

2°. is in de gewone behandeling van zaken voorzien bij eene Instructie, welke geenerlei bijzondere bepalingen inhield: het eenige artikel, dat opmerking verdiende, was het 8ste, waarbij in het 4,le lid bepaald werd, dat geene vreemde troepen zonder \'s konings bewilliging in het Rijk zouden kunnen worden toegelaten;

437

3°. dat artikel ontving echter deszelfs uitbreiding in eene zeer secreete instructie, die onder den Minister President van den Raad moest blijven berusten en zich bij de bijlagen bevindt onder N0. 30 hoofdzakelijk behelzende het verbod, om vreemde troepen te admitteeren buiten Zee-

1 Verslag ran Röell, bl. 204. Bijlage 3.

-ocr page 450-

BIJLAGEN.

land en de streken, welke hetzelve reeds tot het hernemen van Walcheren bezet hielden, met last, 1°. om tegen alle verdere uitbreiding te protesteeren, 2°. om de vestingen te sluiten, doch geene verdere vijandelijkheden te plegen, 3°. om de intrede in de hoofdstad desnoods met geweld tegen te gaan, doch vooraf aan te dringen om orders te mogen vragen,, als houdende een verkenningsteeken voor \'s konings orders ;

4°. werd door den koning een zeer geheime last bij kabinetsbrief aan den minister van der Heim over hetzelfde onderwerp en nagenoeg overeenstemmende met de zoo even geheime Instructie, zijnde deze cabinets-order te vinden onder de bijlagen N». 31 1;

5°. de benoeming van den zoo even gem. minister van der Heim tot president van den raad der ministers, van den min. Röell, om den koning naar Parijs te vergezellen, en van den oud-minister Mollerus, groot-kanselier der titels, om gedurende \'s konings afwezigheid met de portefeuille van Buitenlandsche Zaken belast te zijn.

Voorts werd deze dag grootendeels doorgebracht met gesprekken over \'s koning reize en hare waarschijnlijke gevolgen, zoo voor Z. M. als voor het Rijk, waarbij het opmerkelijk was, dat de koning, ondanks het eenstemmig gevoelen van alle de ministers, bestendig van gevoelen bleef, dat de reize niet dan slechte gevolgen zoude hebben, dat het verkieselijk waamp; den uitslag der gebeurtenissen in de hoofdstad af te wachten, en dat Z. M. zich beschouwde als een noodzakelijk geoordeeld slachtoffer voor het welzijn der natie. Een denkbeeld, hetgeen Hoogstd. op zeer aandoene-lijke wijze ontwikkelde, zoo bij alle de ministers als bij dezen en genen onder hen, met wien hij zich in het bijzonder, en op den meest vertrou-welijken toon onderhield.

Eerst \'s nachts om twaalf ure verlieten de ministers het paleis, diep bewogen over de gebeurtenissen van dien dag en over het lot, hetgeen den koning over het hoofd konde hangen, dien zij welligt voor het laatst hadden gezien, en welke aandoenelijkheid nog door Zijner Maj. zeer sterk uitgedrukten tegenzin tegen de reize werd vermeerderd, die des Maandags den 27 van Slachtmaand des morgens om 7 uur werd ondernomen.

BIJLAGE B.

(BI. 321).

Zending can Staatsraad Elout hij den maarschalk, hertog van Reggio, in Febr. 1810.

438

Op den 30en van Louwmaand 1810 wierd ik door den heer Verheyen, Eersten Kabinets Secretaris van Z. M., bij billet van wege den heer van

\') Verslag van USell, bl. 207. Bijlage 4.

-ocr page 451-

BIJLAGEN.

439

der Heim verzocht, om zoo spoedig mogelijk in den toen vergaderder; Raad van Ministers te willen compareren. Daar gekomen zijnde wierd mij te kennen gegeven, dat het voorgevallene in de steden Breda en Bergen op Zoom den Raad had doen besluiten, om deswegens aan den Hertog van Reggio op eene plegtige wijze een vertoog in te leveren, en dat men eenstemmig besloten had mij voor te stellen, of ik genegen zijn zoude mij met eene zending bij dien hertog te willen belasten, in welk geval men mij nadere opening geven zou. Ik betuigde zeer gevoelig te zijn over het vertrouwen hetwelk de Raad in mij stelde, maar merkte tevens aan, dat deze commissie was van zulk een belangrijken en tederen aard, dat ik mij niet dadelijk bepalen kon, maar vooraf eenige ophelderingen noodig had omtrent den tegenwoordigen staat der zaken, den meer bijzonderen toestand\' des konings en do magt door Z. M. aan den Raad opgedragen, maar dat ik voor het overige mij niet onttrekken zoude aan hetgeen ik nog ten nutte van het land zou mogen kunnen doen. Men voldeed aan mijn verlangen in het algemeen, en op eene wijze, welke mij den benarden toestand van alles en allen van meer nabij leerde kennen. Ik verklaarde dan ook (gelijk ik in gemoede meende verpligt te zijn) mij de zending te zullen laten welgevallen. Ik meende echter eenige bedenkingen te moeten in het midden brengen, ontleend uit het voorgevallene in Zeeland, en het eenigzins verschillend gedrag door het Hollandsch gouvernement te dien opzichte gehouden. — Ik gaf nog in overweging, of het wel gevoegelijk zou zijn tegen iets, hetgeen tot het militaire wezen betrekking had, te remonstreren, daar toch Z. M. zelve bevolen had de Fransche troupes in cantonnement toe te laten, en men derhalve zou kunnen beweren, dat nu weder revivisceerde het regt of de gewoonte, dat het commando met alle de daaraan gewoonlijk verbonden magt door Fransche Bevelhebbers geoefend wierd. Men gaf mij eenige redenen van onderscheid op tusschen de behandeling, in Zeeland gehouden, en die, welke men ten aanzien van Braband houden wilde, en rekende ook mijne bedenkingen omtrent het militaire van geen genoegzaam gewigt, om van den voorgenomen maatregel, of deszelfs wijziging, af te zien: men merkte daarbij nog op, dat eigenlijk ook de overweging van dat alles de taak van den Raad uitmaakte. — Ik antwoorde daarvan geheel overtuigd te zijn ; dat ik ook geenszins wilde verdacht gehouden worden van eene ontijdige nieuwsgierigheid of van eene zucht om mij te mengen in hetgeen niet tot mijne kennisneming behoorde, maar dat men het mij, die zich met deze commissie wel wilde belasten, niet ten kwade kon duiden, wanneer ik de zaak eenigzins in het hart aantastte, opdat ik ten minste bij eene eventueele conversatie met den Hertog in staat zou kunnen zijn gepaste antwoorden te geven, daar ik zeer wel wist, hoe weinig ik opgewassen was tegen de sluwheid, met welke de Franschen alles wisten te behandelen. — Na eenige woordenwisselingen wierd mij bepaaldelijk onder het oog gebracht, dat het

-ocr page 452-

BIJLAGEN.

oogmerk der zending was, om op eene beleefde wijze een blijk daar te stellen, hetwelk de onwettigheid der Fransche handelwijze constateerde. Men maakte mij wijders nog met een en andere stukken bekend. — Ik ontving daarop mijn lastbrief vervat in een aanschrijving van den Eersten Kabinetssecretaris, gedagteekend den 30sten van Louwmaand 1810. (\')

Ik vervoegde mij op dienzelfden avond bij den heere van der Helm, ten einde met hem nog een nadere conferentie te houden. Gedurende ons gesprek ontving hij eene dépeche van Z. M., welke hij van dien aard beschouwde, dat hij mij verzocht niet te vertrekken, dan na den afloop van de vergadering der ministers, welke hij dos anderen daags ten \'/a 10 ure zou doen beleggen. Op dien dag, bij billet van den heer Verheijen in den Raad geroepen, werd mij de brief des koning medegedeeld, en tevens gezegd, dat de Raad alsnu gemeend had mijn last nader te moeten bepalen, als geschiedde, in een aanschrijving van den kabinetssecretaris, gedagtee-teekend den 31equot; van Louwmaand 1810 (il). In deze werd voldaan aan eene bedenking, door mij aan den heer van der Heim geopperd: wat te doen, indien de hertog zich niet op Hollandsch grondgebied bevinden mocht? en evenzeer aan de meer gewichtige aanmerking, welke ik op den vorigen dag aangaande de militaire maatregelen had gemaakt.

Ik las aan den Raad voor eene nota, door mij den vorigen avond ontworpen, welke geene aanmerking onderging, dan dat zij te beleefd was. Ik heb dus daarna eenige uitdrukkingen veranderd, en het stuk zelve gewijzigd naar den naderen last.

Vergezeld van den koninklijken auditeur Sibergh en eenen bode, vertrok ik dadelijk naar Utrecht; vandaar den volgenden dag over Gorinchcm tot Dongen en kwam den 2un van Sprokkelmaand \'s ochtends te Breda aan. Vernemende, dat de Hertog van Reggio zich te Antwerpen bevond, belastte ik den heer Sibergh met de overbrenging van een brief aan zijne Excellentie. (3) Ik had dien dag verscheiden gesprekken zoo met den generaal en gouverneur Anthing, wiens bedaarde standvastigheid allen lof verdient, met den kwartierdrost F. H. Verheyen, die zijnen post ook in de neteligste omstandigheden steeds met cordaatheid, ijver en voorzigtigheid heeft waargenomen, als met vele andere personen, en wierd alzoo eenigzins bekend met de gesteldheid der zaken, van welke ik aan den heer van der Heim bij de confidentiele brieven van den 2quot;quot; en 3«quot; kennis gaf (*).

Inmiddels ontving ik eenen brief van den heer Sibergh, bij welke hij mij des hertogs vertrek naar Mechelen meldde. (3J Hij bracht mij echter op den 4ell..het antwoord van zijne Excellentie (6) en deelde mij tevens mede den zakelijken inhoud van het gesprek, hetwelk hij met hem gehouden had. C) Ik schreef daarop een naderen brief aan den hertog (8) en verzocht den heer Silbergh de bezorging daarvan op te dragen aan den heer Thuret, Consul van Z. M. te Antwerpen, welke hem daarna van de ontvangst en de overgave van den brief verwittigde.

440

-ocr page 453-

BIJLAGEN.

Op denzelfden 4™ Febr. gaf ik van de correspondentie tusschen den hertog en mij kennis aan den raad der ministers, bij een officieelen brief (9) en voegde daarbij tevens eenen confldentielen aan den heer van der Heim. ^10) Ik ontving gedurende de volgende dagen verschillende berig-ten van hetgeen er gebeurde. Op den 7™ wierd mij ter hand gesteld eene missive van den minister van der Heim- C1), ten bijlage hebbende eene offlcieele aanschrijving van den eersten kabinetssecretaris van den 63°, secreet B. (I2)

De hertog kwam in den avond van den 8en te Breda aan, en vernemende, dat hij mogelijk reeds den volgenden dag naar\'s Bosch vertrekken zoude, verzocht ik den hr. Sibergh, om nog tegen dien avond belet te vragen: welke mij ten antwoord bracht, dat de hertog den geheelen volgenden ochtend tot mijne dienst zijn zoude. Na op vrijdag den 9equot; nogmaals belet gevraagd te hebben, begaf ik mij ten \'/a 12 uren naar des hertogs verblijfplaats en wierd door een aide-de-camp bij het uitgaan dei-koets opgewacht en binnengeleid. De hertog vervoegde zich dadelijk bij mij, en wij hielden het gesprek, waarvan ik den zakelijken inhoud heb opgegeven in het officieel rapport door mij, op den 12™ van Sprokkelmaand 1810, bij den raad der ministers ingeleverd. (,3) Ik voeg hier nog de volgende bijzonderheden van dat gesprek bij ; — ten aanzien der kassen zeide de hertog: men zou er niet aanraken; het sprak van zelve, dat zij aan den koning zouden worden teruggegeven; hij had reeds nadere orders gevraagd; het kon ons weinig belemmeren; er was maar ongeveer 200/m in gevonden. — Ten aanzien van den algemeenen staat van zaken was zijne opinie (doch die hij alleen als particulier, en zonder de minste zekerheid opgaf), dat het met de bezitneming van het land tusschen de Schelde en Maas zou ophouden, en dat wij aan den anderen kant zouden schadeloos gesteld worden. En dan, dacht hij, dat het verlies voor ons niet zeer groot was. Ik merkte op, dat het verlies voor ons was knellende, dat wij het beste gedeelte van ons land kwijt raakten, dat juist onze korenschuur in die streken was; dat onze binnenlandsche handel en vertier, met alle de gevolgen, verloren raakte; dat wij onze betrekkingen gescheurd zagen. De hertog hervatte, dat wij toch havens hadden, en dat de vestingen ons te kostbaar waren. Ik antwoordde, dat wij in den tegenwoordigen staat van Europa voor de vestingen niet behoefden te zorgen, en dat onze havens ons door de geweldige stremming der zeevaart van gering nut waren, althans het andere gemis niet vergoedden. Hij zeide, dat hij van het vervolg sprak, want dat zekerlijk Frankrijk nu geene zeevaart kon of -wilde gedogen, hetgeen ik beantwoordde met de aanmerking, dat wij intusschen te gronde gingen. De hertog, hoezeer in alles getrouw aan de vasthouding van de hem voorgeschreven beginselen, scheen toch onzen iikeligen toestand te gevoelen. Hij zeide mij, dat de koning ons wel op de proef zette, met ons zoo lang in het onzekere te laten; dat, hoe aan-

441

-ocr page 454-

BIJLAGEN.

genaam het hem wezen moest zoo veel liefde en getrouwheid te ondervinden, hij toch bij zich zeiven eene onaangename gewaarwording moest gevoelen, van ons zoo geheel aan ons zeiven over te laten. De keizer had gedacht tegenstand te vinden, maar hij had gerapporteerd, dat hij alles rustig en alle menschen wel gevonden had. Hij wist niet of men hem geloven zoude, maar hij was gerust alles naar waarheid te hebben opgegeven. Over het verblijf der troupes sprekende, verzekerde de hertog mij van zijn vast besluit, om de strengste discipline te houden: „dat hij altijd het ongelijk aan hun kant zou onderstellen.quot; Ik zeide, dat zij zich in \'t algemeen wel gedroegen, dat echter hier en daar, o. a. te Bergen op Zoom, knevelarijen plaats hadden. Hij zeide mij, zulks nauwelijks te kunnen geloven, daar de aldaar commandeerende Generaal Maison van de beste zijde bekend stond; dat hij echter het zou onderzoeken en de schuldigen doen straffen, indien ik hem mijn informatien wilde mededeelen. Ik voldeed daaraan gaarne, en ik heb naderhand vernomen, dat inderdaad de hertog zijne belofte gestand gedaan heeft. Wij namen voorts een vriendelijk afscheid.

Ik vertrok des Zaterdags en kwam Maandag 12 Febr. terug in Amsterdam. Ik deed mondeling rapport aan den mimister van der Heim, schriftelijk aan den Raad der ministers. Bij secreete aanschrijving (quot;] van den 12en van Sprokkelmaand 1810 ontving ik de approbatie op het verrichte.

(1.) Instructie voor den heer Elout.

Amsterdam den 30 van Louwmaand 1810.

Secreet.

De Eerste Secretaris van het kabinet des konings, daartoe geautoriseerd bij Secreet besluit van den 30 van Louwmaand 1810 No. 1, brengt hiermede ter kennisse van den ridder Elout, Staatsraad des konings, dat hij wordt geautoriseerd zich ten spoedigste te vervoegen bij den heer maarschalk hertog van Reggio, hetzij te Breda of daar zich zijne Excellentie zoude mogen bevinden: en aan denzelven te vertoonen, dat Zijne Excellentie na een weigerend antwoord te hebben bekomen op hare sommatie tot het in bezit nemen der vesting, op deszelfs verzoek om binnen dezelve te mogen kantonneeren, met de troepen onder zijn bevel,, als vriend en bondgenoot, binnen de vestingen van Bergen op Zoom en Breda ontvangen zijnde, op de orders van Z. M. den koning van Holland, welke hem. Hertog, te voren is bekend geweest, en van deze zijde als de eenige richtsnoer van onze daden, moet worden gehouden; dat men, zich dus met de volkomene lidutie verlatende op het woord van Zijne Excellentie, dat hij verlangde op dien voet te worden binnengelaten, dat de plaatsen onder het bevel van hunne respective gouverneurs zoude»

442

-ocr page 455-

BIJLAGEN.

blijven, dat hij zich in geenen deele niet ds civiele administratie zoude bemoeien, niet dan met de grootste verwondering verneemt, dat Zijne Excellentie den gouverneur van Bergen op Zoom heeft gedestitueerd; en den brigade-generaal Maison in deszelfs plaats heeft benoemd, met dat gevolg, dat men zich aanstonds met geweld heeft meester gemaakt van alle de arsenalen, zoo van munitiën als mondbehoeften, aan den Koning van Holland toebehoorende, als mede van \'s rijks kassen, en de stad Bergen op Zoom dadelijk in naam van den keizer is in bezit genomen, van de leden der Regeering is gevergd zich als onderdanen van den Keizer te beschouwen, en hun is verboden, in naam van hunnen Koning en wettigen Opperste regt te spreken; dat Zijne Excellentie, te wel bekend met het gevoel en de pligten van lieden van eer, volkomen doordrongen moet zijn van de onmogelijkheid om aan deze en dergelijke vergingen gehoor te geven, ten ware tot het inwilligen derzelve vooraf door Zijne Majesteit den koning worde toegestemd; dat men diensvolgende zich belooft en zooveel nodig verzoekt, dat Zijne Excellentie, zich gedragende aan de voorwaarden, door hem zelve voorgeslagen, niet zal vergen van eerlijke en getrouwe dienaars van hunnen koning, wien hun eer zoo dierbaar is als het leven, hetgeen met hunne pligten en duur gezworen eed strijdig is; en hetgeen, door hun ingewilligd wordende, hen zelfs in de oogen van hem. Maarschalk, verachtelijk zoude maken, en bijzonder van zijne wapenbroeders geene daden zal verwagten, strijdig tegen hetgeen hun pligt en de schuldige gehoorzaamheid aan de bevelen van hunnen Koning hun kan toelaten; en, daar niemand meer als hij Maarschalk zelf bekend kan zijn met de pligten van een braaf en trouw militair, aan dezelve, alvorens van hun eenige vergingen te doen, zal vrijlaten vooraf de bevelen van den koning te vragen, opdat de uitwerkselen van eer en pligt aan geen verkeerde oogmerken mogen worden toegeschreven, en dusdoende in plaats van de zoo wenschelijke harmonie verwijdering en tegenzin worde geboren;

Dat hij. Staatsraad Elout, deze en dergelijke representatien op de beleefdste en meest geschikte wijze zal doen; en in geschrifte aan den heer Hertog overgeven, en voorts op allerlei wijze zal tragten te bevorderen het groote oogmerk zijner zending, om den gemelden hertog over te halen van alle maatregelen af te zien, welke tegen de uitdrukkelijke beveelen van den koning zouden mogen strijden.

De Eerste Secretaris voornoemd, A. J. J. H. Verheijen.

(2.) Wijziging der instructie van 30 Jan. 1810.

Amsterdam den Sisten van Louwm. 1810.

Secreet.

De Eerste Secretaris enz. brengt ter kennise van den heer Staatsraad

445

-ocr page 456-

BIJLAGEN.

Elout, dat op eene nadere van Z. M. den Koning ontvangene missive de aanschrijving van den 30sten dezer — — in zooverre wordt gealtereerd, dat

1°. de heer Staatsraad Elout, ingeval de Maarschalk hertog van Reggio zich op dit oogenblik buiten het koninkrijk mogt bevinden, en niemand binnen hetzelve het generaal commando namens den Hertog mogt voeren, wordt geautoriseerd om aan gem. Maarschalk Hertog van Reggio te schrijven;

2°. dat door hem. Staatsraad Elout, naar aanleiding van de, op heden van Z. M. den koning nader ontvangene en aan hem gecommuniceerde bevelen, aan den Maarschalk hertog van Reggio zal worden gerepresenteerd, dat, volgens de bekende oogmerken van Z. M. den keizer, zoo wel als overeenkomstig de stellige orders van den koning, geene bedenking kan wezen over — en bij hem. Maarschalk hertog van Reggio zei-ven wel en te regt is begrepen — de voet van den inmarsch der Fransche Troupes als vrienden en bondgenooten, en geenszins als een dadelijk in bezit nemen van wegens den keizer, en dat zich diervolgends niemand der ingezetenen als onderdanen van den keizer kan of mag beschouwen; en een ieder hunner zich alleen aan de bevelen van of uit naam van den koning van Holland, hem op eene wettige en gewoone wijze toekomende, moet gedragen; dat speciaal de gemelde orders omtrent de kassen der ontvangers-generaal, als zijnde penningen tot den dienst van het Rijk in het algemeen behoorende, eene dadelijke stagnatie in den loop der zaken moeten naar zich slepen, en hem, Maarschalk, hertog van Reggio, dienvolgends verzogt alle orders, welke verders zouden gaan dan een gewoon kantonnement, te willen sureheren.

De Eerste Secretaris voornoemd, A. J. J. H. Verheijen.

(3.) Brief van den staatsraad Elout aan den hertog van Reggio.

Le chevalier Elout, Conseiller d\'Etat de

S. M. le Roi de Hollande a S. E. M. le Maréchal Due da Reggio, Commandant en chef de 1\'Armee du Braband, a Anvei\'s.

Monsieur le Due,

Chargé d\'une mission auprès de V. E. j\'ai appris avec regret que V. E. se trouvait a Anvers. Privé de l\'avantage d\'un entretien, que j\'aurais désiró vivement, il est toutefois de mon devoir de faire connaitre a V. E. l\'objet spécial de la mission, qui vient de m\'être déférée, ce dont j\'ai l\'hon-neur de m\'acquitter par celle-ci. Je n\'ai pas besoin d\'entrer en beaucoup de détails, mais je dois cependant prendre la liberté de rappeler a V. E. que, quoiqu\'on n\'aie pas cru pouvoir accéder a sa demande d\'etre mise

444

-ocr page 457-

BIJLAGEN.

en possession d\'une partie du territoire hollandais, on n\'a pas hésité un moment, lorsque V. E. a témoigné son désir d\'y mettre les troupes de S. M. l\'Empereur et Roi en cantonnement, a recevoir ces troupes dans les places fortes de Breda et de Bergen op den Zoom, comme celles d\'une puissance amie et alliée, ainsi que le dictaient les ordres du Roi, mon Maltre, qui étaient connus d\'avance a V. E., et qui doivent être la seule regie de conduite pour tout fonctionnaire hollandais. Le Gouvernement hollandais se reposait ainsi avec toute la conflance possible sur les assurances données par V. E. que V. E. desira.it d\'y être admise sur ce jiied, que les places resteraient sous les ordres de leurs Gouverneurs res-pectifs et que V administration civile rest emit intacte. 11 vous sera done facile. Monsieur le Maréchal, de sentir la vive douleur, qu\'a du éprouver mon gouvernement, lorsqu\'il a été informé qu\'on avait pris possession de la ville de Bergen op den Zoom et de son territoire au nom de S. M. l\'Empereur Napoléon; qu\'il avait été exigé des autorités constituées de se considérer comme sujets de ce Monarque; qu\'il avait été interdit d\' administrer la justice au nom du Roi leur souverain legitime; qu\'on avait enfin donné aux receveurs les ordres les plus précis de ne pas disposer des deniers publics sans un ordre du gouvernement francais: douleur que est accrue par ce qui est arrivé ensuite a Breda. La gloire de bien servir son Maitre est si naturelle et tellement inhérente a tout Francais, que je croirais manquer a V. E. d\' en presser le devoir: que V. E. jugedonc si les sentimens de tout homme d\' honneur ne doivent pas s\'accorder avec ce devoir même, qu\' ainsi il lui est impossible de se départir de la fidélité, qu\'il doit ii son souverain, dont ce souverain seul peut le dégager.

V. E. sent profondément (j\'en ai la conviction intime) l\'état cruel et pénible, oü se trouvent tous les bons et fidèles serviteurs du Roi, en se voyant pressés de violer leurs serments et de manquer ainsi a leurs devoirs les plus chers et les plus sacrés, se rendre par la méprisables aux yeux de tout homme de bien: sentiment de mépris que partagerait V. E. elle même, qui est trop penétrée sans doute de la noblesse des sentimens d\'amour et de fidélité, que je viens de professer, pour vouloir attribuer les difficultés, qu\' elle aurait pu rencontrer de la part de ces individus a d\'autres causes, qu\' a ces sentimens. Je crois pouvoir ajouter encore avec confiance que, d\'après les intentions manifestés par l\'Empereur lui-même et les ordres les plus positifs du Roi, que V. E. a prouvé par sa conduite antérieure connaitre a fond, que l\'entrée des troupes frangaises sur le territoire hollandais ne peut être considérée que sous un point de vue militaire, mais jamais comme devant signifier la prise de possession au nom de S. M. l\'Empereur et Roi, et qu\'encore pour cette raisen aucun habitant ne doit ni ne peut se considérer comme sujet de S. M. l\'Empereur Mapoléon, mais que tous sans exception ne doivent respecter que les

445

-ocr page 458-

BIJLAGEN.

ordres, qui leur serout donnés de la part de S. M. Ie Roi de Hollande dans les formes usitées et légales.

Je dois insister plus spécialement encore sur ce qui regarde Fadmini-stration des finances. V. E. doit sentir le grand embarras et la stagnation funeste, que doivent faire naitre les ordres donnés a ce sujet, ce dont les suites sont incalculables pour ce Royaume. J\'ose done prier V. E. qu\'elle veuille se rendre aux réprésentations que j\'ai l\'honneur de lui faire d\'après mes instructions, et donner les ordres pour que les conditions posées en principe par V. E. elle même soient respectées et qu\'il ne soit rien exigé d\'un sujet Hollandais, qui serait contraire a son devoir, mais qu\'il lui soit permis sur toute chose d\'attendre les ordres de son Souverain, et que V. E. veuille faire révoquer au plustöt possible les ordres donnés aux Receveurs Généraux, en un mot, que tout ordre qui n\'émane pas des principes militaires rélativement au cantonnement soit révoqué et mis hors d\'effet.

Je viens d\'exposer l\'objet de ma mission. Monsieur le Duo, et me fondant sur votre caractère personnel autant que sur la haute qualité dont V. E. est investie, j\'ose espérer que le Gouvernement Hollandais ne se sera pas flatté en vain, que V. E. se rendrait a une demande juste dans sa nature, intéressante dans ses conséquences et peu faite sans doate pour inspirer la moindre appréhension.

Je prie V. E. de vouloir m\'en donner l\'assurance, afin que je puisse communiquer a mon Gouvernement un résultat, qu\'il attend avec con-fiance et qui sera propre a conserver et a augmenter la bonne harmonie entre les individus de deux Nations si intimement liées.

J\'ai chargé M. Siberg, auditeur du Roi de remettre a V. E. cette dépêche et de me rapporter la réponse qui V. E. voudra me faire parvenir.

Agréez, M. etc ....

Breda ce 2 Fevr. IS 10. (Signé) Elout.

(4.) Missiven aan den heer ran der Heim.

Aan zijne Exc., den Heere Minister van der Heim.

Hoog Edele Gestrenge Heer!

Heden ochtend ten 8 uren ben ik hier aangekomen, doch heb den Heer Maarschalk Hertog van Reggio niet aangetroffen, daar Z. E. reeds voor eenige dagen naar Antwerpen vertrokken was. Mij is ook voorgekomen dat niemand binnen dit Rijk het generaal commando namens den Hertog voerde, waartoe ik te meer aanleiding gekregen heb door de proclamatie, welke dezen dag op eene militaire wijze is afgekondigd. Ik bevinde mij dus in het geval, bij mijne instructie bedoeld, in hetwelk ik gelast ben aan den Hertog te schrijven, waaraan ik heb voldaan; ter bespoediging

446

-ocr page 459-

BIJLAGEN.

«n meerdere zekerheid heb ik gemeend best te doen den auditeur Siberg met de bezorging van den brief te belasten: hij vertrekt morgen ochtend met het opengaan der poort.

Ik zende aan Uwe Exo. hierbij kopij van een stuk, hetwelk de vorm eener aanschrijving heeft, en aan de Stadsregering, zoowel als aan de Ingezetenen gerigt is — het is mij door den Hr. Burgemeester gezonden. Eene bijna gelijkluidende proclamatie is van wege den Franschen bevelhebber gepubliceerd: 1 men heeft do afkondiging van den magistraat gevorderd, doch vruchteloos. In het algemeen schijnt men zich ferm te gedragen : ik heb onder anderen van den ontvanger der verponding van Tets ontfangen den bijgaanden brief aan de Hoofdcommissie der verponding, welken ik op zijn verzoek aangenomen heb te verzenden, vooral daar Uwe Exc. alzoo de gelegenheid bekomt, om bepaaldelijk onderrigt te worden op welke wijze men te werk gaat. De hr. kwartierdrost Ver-heyen, die heden avond van Bergen op Zoom is teruggekomen, heeft mij berigt, dat reeds gisteren aan den Landdrost van Braband was kennis gegeven van de geweldige dwangmiddelen zelfs van arrest, welke men in het werk gesteld had, om den Burgemeester van zijnen pligt af te trekken. De Landdrost zal zekerlijk van dit en al het verder voorgevallene aan Z. Ex. den Minister van Binnenlandsche zaken kennis gegeven hebben.

Men heeft ook hier bij den ontfanger Blondel aanvrage gedaan tot opgave van den staat van zijn kantoor, en deze (zoo ik geinformeerd ben) heeft daaraan niet voldaan, dan nadat men hem gedreigd had hem met geweld daartoe te zullen noodzaken.

Ik voeg hierbij nog een afschrift van een stuk, hetwelk aan Uwe Exc. zal doen zien, hoe men zelfs met de domeinen meent te mogen handelen: het was dezen avond te laat, maar morgen zal daarvan aan den Directeur der Domeinen kennis gegeven worden. De administrateurs hebben gedacht

447

1

£n conséqnence des ordres de sa Majesté 1\'Empereur Napoléon Rol d\'Italio, transmis par son Excellence Mr. Ie Maréehal Dnc do Eoggio, la ville de Breda est déclarée en état de siége.

Habitans de Breda, en me chargeant du Gouvernement de votre ville et de son territoire, M. Ie Mar. Dne de Eeggio m\'a ordonné de faire respecter vos personnes et vos propriétés. Jusqu\'a présent je n\'ai que des éloges a donner a votre conduite et vous devez aux troupes sous mes ordres la justice de conve-nir qu\'elles ont observé la plus exacte discipline. Continuez, par un aceueil hospitalier, a traiter les soldats francais comme des frères et vous trouverez toujonrs en moi protection et süreté.

Teut individu qui par ses actions ou ses propos chercherait a troabler la tranquillité publique sera arrété, traduit a une commission militaire et jugé .suivant toute la rigueur des loix.

Le Général Gouverneur de Breda et arrondissement

Larouze.

-ocr page 460-

BIJLAGEX.

op zulk eene wijze best alle visitatie te kunnen tegengaan: de nadere omstandigheden zullen wel aan den Directeur kenbaar zijn geworden.

Zoodra ik antwoord van den Hertog zal hebben ontvangen, zal ik Uwe Exc. hiervan verwittigen, en hetzelve, zoowel als den brief door mij geschreven, officieel ter kennis van den Raad brengen.

Ik heb de eer etc.

(get.) Elout.

Breda, 2 Febr. 1810.

Men zegt, dat morgen 6 bataillons naar \'s Bosch marcheren, en dat reeds van Bergen op Zoom troepen naar Tholen gezonden zijn.

Kopy.

Den Heere Min. van der Heim.

HoogEdeleGestrenge Heer!

448

Terwijl ik ten aanzien van het hoofddoel mijner commissie werkeloos wezen moet, totdat ik het antwoord van den Hertog van Reggio zal ontvangen hebben, kan ik zonder verzuim ligtelijk aan Uwe Exc. mededeelen, hetgeen in deze streken voorvalt of verhaald wordt. Om met het laatste te beginnen, zoo wierd mij al zeer spoedig na mijne aankomst alhier voor zeker opgedischt, dat er werkelijk tusschen de beide vorsten een tractaat was gesloten, bij hetwelk de landen tusschen de Schelde en Maas aan Frankrijk waren afgestaan en dat daarvan zeer spoedig eene proclamatie zoude gedaan worden. Intusschen heeft de proclamatie, welke hier is aangeplakt, doch niet afgekondigd, bewezen, dat er van geen afstand, maar van eene militaire occupatie quaestie is. Dit ook blijkt uit het decreet des keizers — beide stukken zijn welligt aan Uwe Exc. bekend, maar ten overvloede zend ik dezelve hierbij. — Het 2de artikel van het decreet van 20 Januarij 1 zal aan Uwe Exc. waarschijnlijk, even als mij, vatbaar toeschijnen voor eene twee of meerledige explicatie, waarvan die, welke in verband schijnt te staan met de noot op het discours van den Koning van Engeland in den Moniteur geplaatst, niet de gunstigste, maar ook ongelukkiglijk niet de onwaarschijnlijkste is. Wat echter daarvan min of meer waarschijnlijk wezen moge, mij komt voor, dat, zoo als de zaken uiterlijk nog staan, dit geene verandering te wege brengt in den geest en de bedoeling van mijne zending, en meen het meest aan de oogmerken van den Raad te zullen beantwoorden, wanneer ik vasthoude, dat eene militaire occupatie noch aanleiding noch recht geeft tot eene menging in de huishoudelijke burgerlijke administratie of bestiering der zaken, vooral bij eene vriendschappelijke en geallieerde mogendheid, daar zoodanige occupatie alleenlijk ten nadeele van den gemeenen vijand, niet van vrienden werken kan, of moet. En ik zal dan ook, voor zoo verre ik uit het antwoord des Hertogs daartoe aanleiding kan nemen, in dien zin

1

Bij Krayenhoff, Bijdragen enz., lil. 321.

-ocr page 461-

BIJLAGEN.

rescriberen, tot dat ik van het gouvernement nadere orders zal ontfangen hebben.

De aankondiging van mijn vertrek naar herwaards in de Koninklijke Courant heeft mij vele bezoeken bezorgd, daar vele ambtenaren van mij verlangden of verwachtten, eenig rigtsnoer voor hun gedrag te erlangen. Ik heb aan allen gezegd, niet in last te hebben hun eenige regelen van gedrag voor te schrijven, maar dat de aard der zake leerde, en des konings wil geen andere wezen konde, dan dat elk zich hield verbonden aan de bevelen, hem door of van wege Z. M. gegeven, en aan geene anderen gehoorzamen moest. Voor zooverre mijn eigen ondervinding en de berigten, die ik krijg, mij leren, schijnt mij dan ook overal een goede geest te heerschen. Dan wat baat dit alles tegen geweld ? —

De hier gestelde Fransche Gouverneur schijnt tot nog toe redelijk; die te Bergen op Zoom schijnt minder geschikt; — de staat van beleg heeft hier op don stand der zaken nog geen wezenlijken invloed gehad. De gevolgen echter zouden gewigtig kunnen zijn, daar toch volgens de gewone principes alle civile autoriteit in zulk een geval ophoudt, en zelfs de justitie op eene militaire wijze, ten minste facto, kan geadministreerd worden, en wat dan ? Mij dunkt, zoolang Z. M. als Soeverain van dit land daarin niet bewilligd heeft, zijn er gronden tot repraesentatie. Zoo dit dan ook gedurende mijn verblijf alhier het geval mogt zijn, zal ik (zoo daartoe nog termen zijn) remonstrantiën bij den Hertog van Reggia inleveren, en tot dezen bepaalt zich mijn last.

Ik heb de eer etc.

Breda, 3 Febr. 1810.

(C-iet.) Elout.

(5.) Brief van den auditeur Siberg aan den staatsraad Elout.

Monsieur,

Je m\'étais flatté de trouver S. E. M. Ie Maréchal Due de Reggio a mon arrivée dans cette ville, mais S. E. étant allé faire un tour a Malines, je ne pourrai lui remettre la lettre, dont vous m\'avez fait l\'honneur de me charger, qu\'a 5 heures ce soir, quand S. E. retourne en ville. C\'est pour satisfaire aux ordres que vous m\'avez donnés de vous écrire, que je vous adresse ces peu de lignes. II ne me reste, qu\'a vous assurer, que je m\'empresserai de retourner a Breda, après avoir ref;u Ia rëponse du Due, qui, a ce qu\' on débite, part demain ou après demain peur Bergen op Zoom avec son quartier général.

J\'ai profité d\'un moment de loisir pour aller voir M. Thuret, notre consul a Anvers, qui m\'a assure que les nouvelles arrivées ce matin de Paris, n\'annoncent rien de positif rélativement au sort de la Hollande —

449

29

-ocr page 462-

BIJLAGEN.

ni au depart du Roi. Le courier partant dans le moment même, je sai-sis cette occasion de vous assurer de ma plus haute consideration, avec laqucllc j\'ai l\'honneur d\'etre

Monsieur Votre trés humble et trés obéiss. serviteur

Anvers amp; S\'/a aprës midi Siberg.

ce 3 Fev. 1810.

(6.) Brief van den hertog van Tteggio aan den Staatsraad Elout.

Anvers oe 3 Fevrier 1810.

Monsieur 1c Conseiller d\'Etat,

N\'ayant cn rien outre-passé les instructions que m\'a donnés l\'Empereur mon Maltre, je ne puis qu\'assurer votre Excellence de la peine oü je suis qu\'elle n\'en admette pas absolument la marche. Mais on aura trompé, Votre Excellence, si on lui a dit que j\'avais exigé des serments au nom de sa Majesté l\'Empereur Napoléon. J\'ai seulement du signifier a Breda d\'exercer au nom de ce dernier quand j\'ai remarqué l\'opposition manifeste qu\'a voulu introduire le Bourguemestre. Mais dans aucune ville du terri-toire hollandais je n\'ai dépossédé les autorités civiles et je m\'en suis tenu a leur faire savoir que jusqu\'a ce qu\'elles soient relevées de leur position par sa Majesté le Roi de Hollande, je n\'exercerais chez elles que militairement. Vous pouvez done rassurer le conseil d\'Etat de cette nation alliée et amie de la nótre sur mon opération et chercher a la bien persuader que je suis incapable d\'un acte qui puisse faire accuser mes principes et mon opération.

Je regrette comme vous. Monsieur le conseiller d\'Etat, de n\'avoir pu m\'en entendre avec votre Excellence et d\'etre privé de l\'honneur de vous assurer verbalement de la haute considération avec laquelle j\'ai l\'honneur d\'etre.

Votre bien humble serviteur (signé) Le Mar. Due de Reggio.

(7.) „La lecture de la dépêche étant terminée, Monsieur le Due m\'a dit:

„que les troupes sont entrées a Breda et a Bergen op Zoom dans l\'intention d\'y cantonner, mais que l\'Empereur lui avait donné l\'ordre de se mettre en possession de ces deux villes, ainsi que du pays situé sur la rive gauche de la Meuse, qui avaient été cédés a la France par S. M. le Roi; qu\'il n\'avait pas exigé des sermens des autorités civiles, mais qu\'il leur avait fait signifier l\'ordre d\'administrer au nom de l\'Empereur; qu\'il n\'agissait que d\'après les ordres de son souverain qui étaient irrévocables.quot;

450

-ocr page 463-

BIJLAGEN.

(8.) Mis-sire ran flen heer Eloitt aan den hertog ran Eeggio.

Breda ce 4 Fev. 1810.

Monsieur le Due,

Je suis trés sensible de ce que V. E. a eu la bonté de me faire parvenir •une réponse aussi prompte ii la lettre, que j\'ai eu 1\'honneur de lui adres-ser. Mais cette réponse même me fait regretter de plus en plus, que je n\'ai pu avoir l\'avantage d\'entrer avec V. E. en conversation sur cette matière, puisque comme 1\'indique bien V. E. je me flatte que nous aurions pu nous entendre. L\'affaire est cependant trop importante pour les intéréts du Roi mon Maltre, pour que je ne doive insister encore sur les representations, que j\'ai ordre de faire a V. E. et rectifier les erreurs auxquel-les peut être ma lettre a donné lieu.

Je ne crois pas avoir dit, que V. E. avait exigé des serments au nom de S. M. L\'Empereur Napoleon; mais j\'ai dit qu\'on avait exigé des autorités constituées de se considérer comme sujets de S. M. l\'Empereur et Roi, et qu\'ainsi ils se trouvaient dans l\'état cruel et pénible, d\'etre pressés de violer leurs serments, et de manquer a leurs devoirs les plus chers et les plus sacrés, puisque il est tout naturel, que, quand on se regarde et qu\'on se conduit comme sujet de l\'Empereur, on viole la foi, qu\'on a jurée au Roi de Hollande, et c\'est cependant ce qui a été fait.

Le Général Maison écrit positivement dans sa lettre 1 du 28 Janvier

451

1

Messieurs le Bourgnemestre et Magistrats.

Je suis chargé par S. Exc. M. le Due de Reggio de prendre possession de Berg op Zoom et territoire pour S. M. l\'Empereur Napoléon, mon Maitre. L\'in-tention de S. M. est que toutes les autorités eiviles restent organisées comme précédemment et eontinuent a exercer leurs fonctious.

Votre ville appartenant maintenant a S. M. l\'Empereur vous ne devez exécuter que les ordres qui vous seront donnés en son nom.

Les contributions et impóts de toutes espèces eontinueront a être pergus et leur produit rentrera dans les eaisses des receveurs jusqu\'a nouvel ordre. Je les rends personnellement responsables des déniers qu\'ils recevront, et dont ils ne pourront disposer sans un ordre de mon gouvernement. Sont cependant excepté de cette mesure les fonds que les receveurs percoivent pour les dépen-ses ordinaires de la ville, et qui seront comme par le passé a la disposition de M. le Bourgnemestre.

Je ne saurais trop vous recommander la stricte exécution des dispositions préscrites ci dessus et une soumission absolue aux ordres de sa Majesté l\'Empereur. Par Ja vous mériterez Ia bienveillance du plus grand des monarques et vous éviterez a, votre ville tons les maux qu\'une conduite contraire attirerait nécessairement sur elle. Yous me trouverez toujours empressé a tout faire pour le soulagement de Ia ville et Ie bonheur de ses habitans.

Eecevez Messieurs Le Général, Baron d\'Empire, Gou

verneur de Berg op Zoom, (Signé) J. Maison.

-ocr page 464-

BIJLAGEN.

dernier aux Bourguemestre et Magistrats de la villa de Bergen op Zoom,, „votre ville appartenant maintenant a S. M. l\'Empereur vous ne devez „exécuter que les ordres, qui vous seront donnés en son nom.quot; — Cet ordre (si je ne me trompe) exprime bien de la manière la plus positive, qu\'il leur est interdit d\'obéir aux ordres du Roi mon Maltre, et je ne crains pas de faire connaitre a V. E. mes sentimens sur ce point, qui suis convaincu que celui, qui sans être dégagé du serment fait a son souverain, se dit sujet d\'un Autre et se considère comme tel,, trahit le sien : que celui, qui exige une soumission absolue (comme l\'a dit encore le Géneral Maison) aux ordres de l\'Empereur, engage les habitans a se soustraire a leur Souverain légitime, et comme V. E. m\'a fait l\'honneur de m\'écrire, qu\'elle avait fait savoir aux autorités civiles, que jusqu\'a ce qu\'elles soient relevées de leur position par S. M. le Roi de Hollande, V. E. n\'exercerait chez elles que militairement, je dois conclure de tout ce qui s\'est passé, qu\'on a outrepassé les ordres de V. E. même et je me flatte, que d\'après cette explication V. E. voudra bien encore accéder a la demande qui j\'ai eu rhonneur de lui faire.

Je crois encore être en droit de faire Fapplication de mes remarques sur les ordres donnés aux Receveurs Généraux. On ne s\'est pas, il est vrai, emparé des fonds résidans dans leurs caisses (autant qu\'il estporté a ma connaissance) mais cependant ils sont tellement génés dans leurs operations, qu\'ils ne sauraient obéir aux ordres du Gouvernement Hollandais, pour verser les fonds dans quelques caisses publiques, s\'ils porvaient être supposés de devoir obéir aux ordres du Gouvernement Francais. Je ne puis parler que dans l\'intention et l\'esprit de mon gouvernement. Monsieur le Maréchal, mais qu\'il me soit permis cependant de faire observer a V. E. que le décret de l\'Empereur du 20 Janv. 1810 n\'a parlé que d\'une occupation militaire, et je crois volontiers que le Roi, mon maitre, est convemi sur ce point avec l\'Empereur, mais une telle occupation militaire est tout a fait étrangère a ce qui regarde l\'administration civile et finan-tielle. V. E. voudra done bien me faire la justice, que je ne puis qu\'in-sister sur la demande, que j\'ai faite dans ma précédente. J\'y ajoute pour appuier mes reclamations une vérité affreuse, mais exacte, que tout ce qui tient aux finances est du plus grand intérét pour mon malheureux pays, au point que le moindre délai, le moindre embarras dans l\'administration doit causer les suites les plus funestes. Que je serais heureux, M. le Due, si je pouvais réussir auprès de V. E.! L\'assurance que V. E. me charge de faire a mon gouvernement et que je lui transmettrai avec joie, m\'en donne le plus grand espoir.

J\'aurai l\'honneur d\'attendre la réponse de V. E. dans cette ville, et je saisis cette occasion d\'assurer V. E. de ma plus haute consideration.

Csigné) Elout.

452

-ocr page 465-

BIJLAGEN.

{9.) M. Elout aan (Jen Hand ran ministers.

Mr. C. T. Elout, Staatsraad van Z. M. aan den Raad der Ministers.

Hoog Edele Gestrenge Heeren !

Bij mijne aankomst alhier op eergisteren wierd ik ondorrigt, dat Z. E. -de Hertog van Reggio reeds voor eenige dagen naar Antwerpen vertrokken was, en dat niemand binnen dit Rijk het generaal commando namens den Hertog voerde; mij dus volgens het l9te lid van de aanschrijving door den eersten Secretaris van het Kabinet des konings, op 31 van Louwmaand 11. gezonden, verpligt vindende aan den gemelden Heere Maarschalk schriftelijk te zenden de vertogen in de aanschrijving van den 30 van Louwmaand te voren vervat en bij de eerstgemelde met eenige verandering nader aangedrongen, heb ik gemeend te moeten schrijven den brief, van welken ik de eer heb kopij aan UWE. Exellentien bij dezen te zenden. Ik heb den Auditeur Siberg, dien ik tot mijne hulp verzocht had mij te vergezellen, gelast dien brief van mijnentwege aan den Hertog te overhandigen, ten welken einde hij op gisteren vroegtijdig naar Antwerpen vertrokken is, vanwaar hij, heden terug gekomen zijnde, mij heeft medegebracht het antwoord, hetwelk ik de eer heb kopijelijk hier bij to voegen. Daaruit zal aan uwe Excellentien blijken, dat de Heer Maarschalk niet zeer diep getreden is in de behandeling der pointen, waarvan ik in mijn brief had gewag gemaakt, en vooral dat daarin niet het minste doorstraalt, wat des Hertogs oogmerk in het vervolg zij ten aanzien dei-gelegde belemmeringen in de civile en financiele administratie, hoezeer ik niet dan met genoegen uwe Excellentien kan opmerkzaam maken op de geruststellende verzekering, welke de Hertog mij verzoekt Uwe Excellentien ten aanzien van zijn gedrag en gevoelens te geven.

Ik meende voorts dat het belangrijk was sommige van mijne gezegdens, door Z. E. verkeerdelijk opgevat, nader uit te leggen. Ik kon dan ook naar mijn oordeel geen genoegen nemen met dit antwoord, zoo ik voldoen wilde aan het oogmerk van mijne zending, om den Hertog over te halen van alle maatregelen af te zien, welke tegen de uitdrukkelijke bevelen van den Koning zouden mogen strijden.

Dit heeft mij dan ook doen besluiten om bij Z. E. nader aan te dringen op de voldoening aan mijne eerste representatiën, en ik heb gemeend te dien einde aan Z. E. te moeten schrijven het weder antwoord, waarvan ik al meede de kopij bij deze voege.

Ik hoop dat mijn gedrag de goedkeuring van uwe Excellentien zal ondervinden.

Ik zal dan ook nog hier blijven, tot dat ik de nadere rescriptie van den Hertog zal hebben ontvangen, en daarvan dadelijk aan uwe Excellentien kennis geeven, maar ik hoop tevens uwer Excellentien nadere

453

-ocr page 466-

BIJLAGEN.

bevelen te ontvangen, hoe dan verder te handelen, daar ik maar al te seer vreese dat dezen tweeden brief geen beter lot zal te beurt vallen, dan den eersten.

Breda den 4 Febr. 1810.

(10.) Missive can den heer Elout aan den heer van der Heim.

Kopij.

Aan den Heere Minister van der Heim.

HoogEd. Gestrenge Heer,

Ik heb de eer hierbij aan Uwe Excellentie toe te zenden den officielea brief door mij aan den Raad der Ministers geschreven, tot bijlagen hebbende 1° mijn brief aan den Hertog van Reggio, 2° deszelfs antwoord, 3° mijn wederantwoord aan Z. E. — Uwe Exc. zal zien, dat wij niet verre gevorderd zijn, en ik vrees, dat eene tweede rescriptie van den Hertog even weinig zal afdoen; dus verlang ik zeer te weten, hoe mij dan verder te gedragen. Confidentieel kan ik Uwe Exc. melden, dat de Hertog, op de eerste lezing van den brief niet al te zeer te vrede was; intusschen is de eerste opwelling nog al merkelijk bedaard, maar de schering en inslag van het gesprek was steeds, dat hij met niemand iets te maken had, dan met den Keizer, dat hij diens bevelen opvolgde, en niet verzwaarde ; dat hij niets anders doen kon of zoude. De troepen waren wel ingekomen, om te kantonneeren, maar daarna waren (NB) nadere orders gekomen; het scheen zelfs, als had hij orders dit land, welligt dit gedeelte van hetzelve, als Fransch te beschouwen. Hij erkende echter, dat het Hollandsch gouvernement deszelfs pligt deed, gelijk hij de zijne, waarvan hij nooit zou afgaan, en die hij zoo wel kende, dat niemand hem die behoefde te leeren. Men dacht almede, dat het land tot aan de Maas reeds was afgestaan; op welken grond was twijfelachtig. — Intusschen schijnt het met dit nog niet te zullen ophouden: zoo de information echt zijn, gelijk bijna niet kan worden in twijfel getrokken, zoude het 4de corps d\'Armee, thans onder bevel van Massena staande, den 14l,lt;;n dezer bij Dusseldorf den Rhijn overtrekken, en zoo naar het andere gedeelte van ons land, bepaaldelijk Nijmegen invaseren. — Het voegt mij niet eenigen raad te geven,, maar het doet zien, hoe belangrijk het is, om alle kassen toch in zekerheid te stellen, want, hoezeer men wel afgeeft, dat men zich niet van de kassen meester maakt, maar alleenlijk derzelver staat verifieert, zoo\' denk ik steeds om het zoo bekend als achtervolgd spreekwoord: ce qui est bon ii prendre, est bien a garder.

Men zegt nog steeds, dat de Hertog zijn hoofdkwartier in deze streken nemen zal, en onder zijne Exc. zou een divisiegeneraal het commando voeren. Mij is als zeker verhaald, dat de Burgemeester van Bergen op

454

-ocr page 467-

BIJLAGEN.

Zoom gisteren door den Franschen gouverneur is gedestitueerd, maar ik weet nog geene omstandigheden genoeg.

Ik vertrouw, dat Uwe Exc. mijne twee vorige brieven zal hebben ontvangen.

Ik heb de eer etc.

(get.) Elout.

Breda, 4 Febr. 1810.

Welligt zou bij de lezing van den brief des Hertogs aan Uwe Exc. kannen toeschijnen, dat er eene uitlating was in de periode: J\'ai seule-ment du signifier a Breda d\'exercer au nom de ce dernier etc.quot; (boven blz. 450]: maar de duisterheid is niet gelegen in de kopij, doch in het origineel, hetwelk geheel, vooral aan het einde, niet zeer verstaanbaar is.

(11.) M. van der Heim aan M. Elout.

Amsterdam den 5quot;\' van Sprokkelmaand 1810, na posttijd.

Hoog Edele Gestrenge Heer!

Het was mij aangenaam uit UwHoogEDGestrs. beide brieven van den 2(Jen en 3den dezer Uwe behouden aankomst te Breda te vernemen. De bij de tweede overgezondene stukken zijn door dezelve het eerst tot mijne kennis gekomen. Het antwoord van den Hertog van Reggio zie ik met verlangen te gemoet. Het stellen in staat van beleg der Brabandsche steden, gepaard met de noot in den Moniteur, moet \'skonings beambten ten sterkste aanzetten, om de nodige omzigtigheid met de getrouwheid aan hun Koning te paaren. Zoo weinig doch als men in het betragten van zijn pligt moet omzien, even dwaas is het naar den martelkroon te streven : en onder veelerley bekommeringen is het geen der minste, buiten staat te zijn brave lieden te kunnen beschermen en de nodige bijstand verleenon, hetgeen echter volkomen ons geval is, en geen keuze overlaat dan om met houding voor geweld te zwigten. Het -S1\'6 articul van liet Keijserlijk Decreet baart bij mij het meeste opzien. In den stand der zaa-ken zelf is geen verandering gekomen en uit Parijs hebben wij niets nader. In Walcheren is de Fransche Wet op het stuk der Douane in volle werking. Ik heb de eer met de meeste hoogachting te zijn Hoog Edele Gestrenge Heer

Aan den hr. Staatsraad Uw Hoog ED. Gest.

Elout, te Breda. ootmoed, dien.

Van der Heim.

P. S. Die van UwHoogEDG. van den 4l3en deezer is mij van de nagt

455

-ocr page 468-

BIJLAGEN.

geworden ; uit de officieele zal UwHoogED. de approbatie van den Raad ontwaren en het verlangen om geene geprotraheerde correspondentie in de wereld te brengen, waarvan men zich toch weinig of niets kan beloven.

(12.) Aanschrijving ran 6 Febr. 1810. Secreet B.

Amsterdam den 6dcii van Sprokkelmaand 1810.

De Eerste Secretaris van het Kabinet des konings, daartoe geautoriseerd bij secreet Besluit van den 6d™ van Sprokkelmaand 1810, No. 2, brengt bij dezen ter kennis van den Heer Staatsraad Elout, zich thans in Commissie te Breda bevindende, dat volkomen is geapprobeerd derzelfs ver-rigte, zoo als dit is gedetailleerd bij deszelfs aan den Raad der Ministers geaddresseerde Missive, geschreven te Breda, den 4Cquot; dezer loopende maand, en dat hij, Staatsraad Elout, is geautoriseerd, om, indien hij, na te hebben ontfangen het antwoord van den Maarschalk hertog van Reggio, op deszelfs laatste aan dien Maarschalk hertog afgevaardigde missive, gedagteeker.d Breda 4 Sprokkelmaand 1810, tot bevordering van het oogmerk zijner commissie niet meer noodzakelijk mocht oordeelen te Breda langer te verblijven, naar de hoofdstad te mogen terugkeeren, en c\'e aan hem opgedragene commissie te houden voor getermineerd.

De Eerste Secretaris Voorn.

Verheijen.

(13.) Officieel Rapport van den heer Elout aan den Raad der Ministers.

Mr. C. T. Elout, staatsraad van zijne Majesteit aan den Raad der Ministers.

Hoog Edele Gestrenge Heeren!

Ik had de eer Uwe Excellentien bij mijnen brief van don 4|lel dezer te kennen te geven, dat ik gemeend had den brief, mij door den Heer Maarschalk Hertog van Reggio geschreven, niet onbeantwoord te kunnen laten, maar nader te moeten aandringen op de voldoening aan mijne eerste representatiën, gelijk ik deed bij den brief van welken ik tevens kopy overzond.

Reeds op den volgenden dag wierd met zekerheid opgegeven, dat de Hertog zijn hoofdkwartier naar Breda verplaatsen zou, en dus eerstdaags stond aan te komen; zijne komst echter had niet vóór den 8ston in den namiddag plaats.

456

-ocr page 469-

BIJLAGEN.

Daar ik nu geene tijding had ontvangen en het gerucht liep, dat zijne Excellentie reeds daags daaraan naar \'s Hertogenbosch vertrekken zou, achtte ik geen tijd te mogen verzuimen, maar van mijne zijde te moeten werkzaam zijn, om des Hertogs antwoord, ware het mogelijk, te verkrijgen : en ik verzocht den Heer Auditeur Siherg zich bij zijne Excellentie te vervoegen, ten einde te vernemen, wat er van ware, en of ik ook de eer zou kunnen hebben met denzelven een mondgesprek te houden, waarop ik ten antwoord ontfing, dat zijne Excellentie den volgenden ochtend op het uur, mij best gelegen, mij zoude afwachten.

Mij dien ten gevolge op Vrijdag ochtend ten half 12 uren naar des Hertogs verblijfplaats begeven hebbende, wierd ik op eene gedistingueerde wijze ontfangen en binnengeleid in een vertrok, alwaar de Hertog zich dadelijk vervoegde en mij op eene allerbeleefdste wijze behandelde.

De Hertog begon het gesprek met mij verschooning te vragen, dat hij mijn laatsten brief niet had beantwoord, en zeide, dat hij gemeend had reeds vroeger naar Breda te komen, en alzoo gelegenheid te hebben mondeling te herhalen, hetgeen hij mij reeds schriftelijk had te kennen gegeven, dat hij bepaalde bevelen van den keizer, zijnen meester, ontfangen hebbende, niet bij magte was eenige verandering te wege te brengen in de maatregelen, krachtens die bevelen in het werk gesteld, •en welke hij meende, (immers dit was zijne vaste gezindheid), dat met moderatie wierden uitgevoerd.

Daarop het woord nemende zeide ik. dat hij ligtelijk zou gevoelen, hoe beklemd mijn hart op dit oogenblik zijn moest; daar ik, uit hetgeen hij geschreven en gezegd had, mij zoo weinig vrucht voorspellen kon van de zending, waarmede ik de eer had belast te zijn, maar integendeel moest wachten, dat de knellende toestand, waarin mijn ongelukkig vaderland in Let algemeen en een groot gedeelte van mijne landgenooten in het bijzonder zich thans bevond, bij voortduring zou blijven bestaan, en welligt nog verergerd worden; dat ik mij echter gedrongen vond hem nader onder het oog te brengen het verschrikkelijke der behandeling, welke dit Rijk zoo onverdiend ondervond; dat ik met allen eerbied, doch ronduit durfde te zeggen, dat men den keizer bedrogen had, wanneer men aan zijne Z. M. onze trouw aan de gemeene zaak had willen verdacht maken; dat ik aan hem Maarschalk wel rondelijk durfde te vragen, of hij in zijne militaire loopbaan niet persoonlijk of bij goede berigten den moed en getrouwheid onzer krijgsbenden had leren kennen of horen waarderen; of wij zelfs niet in Spanje ons bloed vergoten hadden voor eene zaak, uie zeker niet geheel onze eigen was, alleenlijk ter getrouwe naleving van aangegane verbindtenissen; en hoe hard het dus ware niet alleenlijk ons met woorden van verraad beschuldigd te zien. maar ook te ondervinden, dat een gedeelte van ons Land op zoodanige wijze, als nu plaats had, wierd bezet en behandeld, en zulks zonder dat het gouvernement

457

-ocr page 470-

BIJLAGEN.

in iets gekend wierd, zonder dat de ingezetenen in staat waren te overdenken, hoe zij zich gedragen moesten, om niet af te wijken van de trouw, welke zij aan hunnen koning gezworen hadden, en van de liefde, welke zij hem zoo van harte toedroegen ; dat ik hij dit alles nog voegen moest deze vraag: wat de keizer zelve toch denken en van zijne ingezetenen verwachten zou, wanneer (hetgeen nu wel geheel onmogelijk was, maar met der tijd toch in aanmerking van de verbazende uitgestrektheid van zijn Rijk in eenig gedeelte mogelijk zou kunnen worden) eene andere Mogendheid zulk een gedrag zich veroorloofde.

De Hertog voerde op dit alles aan, dat zeker onze toestand geheel onaangenaam was, dat de liefde voor onzen koning zeer uitblonk, dat wij zeker in den oorlog ons zeer wel gekweten hadden, maar dat men zich daarop niet als eene groote verdienste beroemen kou, daar toch elke verbonden mogendheid zijn contingent leveren moest; dat wijders hij nu geene sporen van eenigen kwaden geest ontdekt had, gelijk hij dan ook aan den keizer had te kennen gegeven, dat echter voor het overige de handelwijze, die gehouden wierd, hem voorkwam niet zoo belemmerende te zijn als ik meende; dat hij geene eeden vergde; dat hij de burgerlijke machten had laten voortwerken; dat zijne troepen zich geregeld gedroegen ; dat hij de openbare kassen niet had naar zich genomen, integendeel, dat hij ten stelligste verboden had daaraan te raken; dat hij deizelver staat alleenlijk had doen opnemen; en dat zulks niets was dan een provisionele maatregel, waaromtrent hij reeds nadere orders verzocht bad en verwachtte; dat hij ook niet gevoelen kon, hoe deze maatregel eens zoo groote belemmering te wege zou brengen, als ik had te kennen gegeven, vooral, daar de gevonden sommen niet zeer groot waren.

Ik zeide ter wederlegging hiervan mij te gedragen tot hetgeen ik in mijne brieven had geschreven, en merkte nog in het bijzonder aan, dat inderdaad het maar waar was, en ik hem in de beste trouw kon verzekeren, dat de stuiting in de beheering der geldmiddelen doodelijk was; dat wij ons met kleine berekeningen moesten ophouden; dat ik geene zwarigheid maakte hem in vertrouwen te verklaren, dat men, om te gemoet te komen in den dringenden nood van \'s Rijks kasse, had noeten toevlugt nemen tot een middel, hetwelk door deze stremming geheel verviel; dat, hoe gering de nu voorhanden zijnde penningen mogten zijn, de ontfangst toch voortging; dat de landen, over welke de maatregelen wierd uitgestrekt, vooral voor het middel van de verponding van het hoogste belang waren, alzoo de weinige landelijke voortbrengselen, welke ons kleine land opgaf, voor een zeer groot gedeelte in die streken opgezameld wierden, en dat aldus onze toestand allerakeligst was.

Deze aanmerkingen gaven van tijd tot tijd aanleiding tot oen meer algemeen gesprek, bij hetwelk ik niet verzuimd heb het ongelukkig lot van ons vaderland naar waarheid voor te stellen, en alle redeneringen,

458

-ocr page 471-

BIJLAGEN.

welke ik naar mijne geringe bevatting tot het oogmerk meende dienstig te zijn, bij te brengen; dan alle mijne pogingen waren vruchteloos, en de Hertog zeide op alles, dat ik ligtelijk konde nagaan, dat Lij bepaalde instructiën had, aan welke hij letterlijk gebonden was, maar dat hij steeds in alles met de meeste bescheidenheid zou te werk gaan, en zijne onderhebbende manschappen de strengste krijgstucht doen oefenen.

Ik nam afscheid met te zeggen, dat met hoeveel genoegen ook ik de persoonlijke kennis van zijne Exc. gemaakt had, ik hartelijk wenschte, dat mij zulks had mogen gebeuren op een tijdstip en onder omstandigheden, niet zoo verderfelijk voor mijn geliefd vaderland ; dat het mij intus-sehen hoogst aangenaam was uit het gesprek met Z. Exc. te hebben kunnen ontwaren, dat de uitvoering van des keizers bevelen was toebetrouwd aan een militairen chef, op wiens billijkheid en bescheidenheid ik meende te kunnen staat maken en dat ik mij dan ook beloofde, dat mijne land-genooten in de bezette streken steeds in hem eenen beschermer zouden vinden tegen alle mogelijke kwellingen. Hierop gaf Z. E. mij ten antwoord, dat hij ook wel gewenscht had, dat alles reeds te voren door een vergelijk tusschen de beide vorsten had kunnen afgedaan worden; dat zulks ons veel kommer, hem veel moeite zou gespaard hebben; en dat het voorts geheel overeenkomstig de meening en gevoelens van zijn hart was, om hnn, die ik mijne landgenooten ijeliefde te noemen, tegen allen ongeoorloofden dwang en kwellingen te beschermen.

De Hertog deed mij daarop uitgeleide en vervoegde zich na eenigen tijd ten mijnent, ten einde mij te bezoeken, doch vond mij niet te huis. Ik heb in den namiddag aan Z. E. een blijk van mijn tegenbezoek doen afgeeven, en mij tevens geêxuseerd van de bijwoning van het middagmaal tegen den volgenden dag, waarop Z. E. mij had genodigd.

Alzoo heb ik aan Uwe Excellentien omstandiglijk en getrouwlijk (voor zoo verre ik op mijn geheugen kan staat makenj voorgedragen het hoofdzakelijke van het mondgesprek, hetwelk ik met den Hertog hield. Zijne zegs- en handelwijze jegens mij was, gelijk ik zeide, bescheiden en beleefd, maar de zakelijke inhoud zijner redenen, op hoogere bevelen gegrond, heeft mijn hart geweldig aangedaan. Alles toch liep op één punt uit: het bederf van ons dierbaar vaderland, hetwelk door den liefderijksten ijver van onzen koning, in wiens toestand ik zulk een hartelijk deel neem, naauwelijk schijnt te kunnen worden afgeweerd. Mogt het der goede Voorzienigheid behagen betere dagen te voorschijn te roepen : mogten wij de middelen kennen, welke daartoe leiden, hoe bereid zouden wij dan niet zijn, onder opzien tot zijne Goddelijke Almacht, die met alle kracht aan te wenden.

Daar ik nu mijn verder verblijf als geheel onnut ter bevordering van het oogmerk mijner commissie beschouwde, heb ik gebruik gemaakt van de vrijheid mij gegeven bij de aanschrijving van den Eersten Secretaris

45 amp;

-ocr page 472-

BIJLAGEN.

van het Kabinet des Konings van den dezer, en ben alzoo in deze Hoofdstad teruggekeerd.

Ik onderwerp dit mijn verrigte aan de beoordeeling van Uwe Exc. en heb de eer etc.

(get.) Elout.

Amsterdam den 12deii van Sprokkelmaand 1810.

(14.) Aanschrijving van 12 Fehr. 1810.

\'Secreet B. Amsterdam den van

Sprokkelmaand 1810.

De Eerste Secretaris van het Kabinet des Konings, daartoe geautoriseerd bij Besluit van den 12\'ie|i van Sprokkelmaand 1810. Nquot;. 2. Secreet B. brengt hiermede ter kennis van den Staatsraad Elout, dat wordt geapprobeerd deszelfs verrichte in het volbrengen der Commissie, met welke hij jegens den Maarschalk Hertog van Reggio is gechargeerd geweest.

De Eerste Secretaris voornoemd, A. J. J. H. Verheijen.

BIJLAGE C.

(BI. 329 en 424)

De Commissie van 17 Fehr. 1810.

„Op den 17tIen Febr. wierd mij te Haarlem per expresse bezorgd een brief, waarbij de heer van der Heim te kennen gaf, dat hij verlangde mij te spreken. Ik vertrok dadelijk naar Amsterdam en vernam, dat men mij opnieuw tot eene commissie benoemd had gezamenlijk met de Heeren S. C. Nederburgh en J. P. van Wickevoirt Crommelin. Toen mij de aard dier commissie was medegedeeld, merkte ik aan, dat ik onkundig was van do ware gesteldheid der zaken, welke welligt na mijne vorige commissie merkelijk veranderd zou zijn, dat ik ten minste had hooren spreken van geheime vergaderingen, ook door een gedeelte van den Staatsraad bijgewoond, en dat ik van niets wist: dat ik dus zeer ongeschikt en weinig genegen was zonder kennis van zaken mij te laten gebruiken ; dat ik ook die kennis niet verlangde, maar dat men beter gedaan had iemand uit het midden den Groote Vergadering te nemen. De heer van der Heim antwoordde, dat de heer Nederburgh lid van de Groote Ver-

460

-ocr page 473-

BIJLAGEN.

gadering geweest was; dat hij in staat was te beoordeelen, of hetgeen wij zouden venneenen te moeten doen in verband stond en in welk met het daar bekend gemaakte en verhandelde, en dat men daarom ook hem gekozen had. Na eenige woordenwisselingen vroeg ik, of\' die Heer dan order of vrijheid had ons casu quo daarmede bekend te maken. De heer van der Heim antwoordde neen, want dat elk lid zich tot geheimhouding bij solemneelen eede verbonden had ; dat dit een en ander ook niet in onmiddellijk verband stond. Ik zeide: dit verband mag meer of min onmiddellijk zijn, maar (hoezeer ik protesteer nergens van te weten) heb ik moeite om mij te overtuigen, dat er geen groot verband zijn zou: de beoordeeling van het meerdere of mindere kan bij elk, die er van weet, zeer onderscheiden zijn; die met zulk eene commissie belast wordt, moet vertrouwen hebben; dat, zoo de hr. Nederburgh niets mogt zeggen en echter in de commissie geplaatst was, omdat hij er van wist, de overige beide leden der commissie gehouden zouden zijn eenvoudiglijk te berusten in zijn bedenkingen, gelijk ik voor mij betuigde steeds te zullen doen, daar ik geen regt had te vragen en dus niet kon beoordeelen, wat eigenlijk te doen; maar dat ook deze bedenking mij weinig lust inboezemde tot eene zoo delicate en welligt hagchelijke commissie.

Do heer van der Heim meende, dat ik zoo huiverig niet wezen moest; dat de zaak zelve was ter verantwoording van het Gouvernement, van den Raad der Ministers, en niet ter mijner; dat het hun taak was te beoordeelen, wat er gedaan moest worden. Mijn antwoord was, dat mij dit nu ten tweeden male wierd toegevoegd, maar dat ik mij daarmede niet kon vergenoegen; dat zulks waar zijn zou, wanneer de koning mij eene commissie opdroeg, niet, wanneer de Raad der Ministers die gaf, welke zeker niet aangesteld was cum plena: — dat niemand, ja zelfs de Staatsraad niet legaal wist, dat en dusdanig een Gouvernement in naam des konings bestond; dat hij, die zich dus wilde laten employeeren, regt had en te zijner verantwoording verpligt was meer kennis te vorderen;, dat ik mij niet wilde indringen; dat mijn gedrag bewees, hoe zeer zulks met mijn caracter streed, maar dat ik met weerzin er in geroepen wierd.

De hr. van der Heim repliceerde, dat toch niemand zoo geschikt was, onder anderen uit hoofde mijner vorige commissie etc. en verzocht mij, daar de courier naar de depeches wachtte, over een uur weerom te komen.

In dien tusschentijd overdacht ik de zaak en kwam \'s avonds ten half 10 uren terug. De hr. van der Heim begon het gesprek met mijne te voren gemaakte aanmerkingen te weerleggen. Ik vatte het woord op en zeide, dat zijne wederlegging mij voorkwam niet zeer concludent te zijn, maar dat wij daarover lang zouden kunnen twisten; maar dat ik hem kortelijk mijn besluit zou mededeelen, dat ik de commissie zou aanvaar-

461

-ocr page 474-

BIJLAGEN.

den, bepaaldelijk omdat alles bij den Raad der Ministers was afgedaan en daarvan kennis aan Z. M. gegeven; dat dus eene weigering van mijne zijde wellicht tot verkeerde gevolgtrekkingen zou kunnen aanleiding geven; dat ik voor liet overige nog inhaereerde alle mijne vorige reflec-tiën ; dat het mij onaangenaam was te moeten paraisseeren in eene commissie van zulk een tederen aard en onder zulke moeijelijke omstandigheden, zonder bekend gemaakt te worden met de ware en algeheele gesteldheid der zaken; dat ik dan ook zeer veel op den hr. Nederburgh liet aankomen; en dat men uit deze aanneming niet besluiten moest, alsof ik voornemens was mij in al hetgeen een meer of minder onmid-delijk gevolg van deze commissie mogt geacht worden, te doen emplo-yeeren, zijnde daartoe in geenen deele gezind, dat ik verzocht zulks ernstig aan den Raad te verklaren.

Op den ISden ontving ik eene secreete aanschrijving van den eersten Secretaris van het kabinet, houdende instructie voor de commissie. 1Daar welligt ons vertrek zeer verhaast kon zijn, ontwierp ik eene nota. -

Op den 19\'\'™ Febr. compareerde ik met mijne medegecommitteerden, waarin ik opening van zaken gaf. en tevens de door mij ontworpen nota voorlas, welke met eene zeer geringe verandering, waarin ik van ganscher harte toestemde, wierd goedgekeurd, terwijl dadelijk bleek, dat wij allen zeer eenstemmig over de zaak zelve dachten, en ons met het denkbeeld van verdediging weinig vereenigden, als eene allergevaarlijkste en weinig voorzigtige onderneming. Ik communiceerde, dat de heer van der Heim mij verzocht had hem de nota te willen suppediteren, ten einde dezelve door den Raad der Ministers zou kunnen worden geexamineerd. Wij vonden wijders goed voor te dragen, of het niet nuttig en decent zou zijn, dat de gecommitteerden met opene brieven van commissie werden gemu-nieerd en om nog in bedenking te geven, of men bij de conferentie met den Heer Hertog van Reggio niet eenige latitude zou geven omtrent de bepaling van den afstand van 4 uren. Voorts werd bepaald, den heer Siberg, auditeur des konings, (casu quo) tot adsistentie mede te nemen. Op den avond van dien dag gaf ik den heer van der Heim kennis van het afloopen der eerste conferentie, overhandigde hem de nota en deelde hem de bedenkingen der commissie mede; verder nog, dat wij gaarne bepaaldelijk wenschten onderrigt te worden van de uitgestrektheid en «trekking der linie.

Op den 22sten ontfing ik twee aanschrijvingen, lo houdende nadere

462

1

De inhoud der instroctie is letterlijk opgenomen in de Notulen van den Ministerraad van 17 Febr., bij Röell, Verslag enz. bi. 432—433 aanvangende „om zonder verwijl zich- te begeven — hoofdstad zullen verwijderd houden.quot;

-ocr page 475-

BIJLAGEN.

bepalingen omtrent den afstand van 4 uren 1; 2° autorisatie op de.i Minister van Oorlog, om de commissie met de strekking en uitgebreidheid der linie bekend te maken: beide van den 203tequot;.

In eene conferentie, op den avond van dien dag gehouden, werd besloten bij den Minister van Oorlog belet te vragen, bij wien wij den 2Bsten \'s ochtends wierden afgewacht. Z. E. gaf ons de noodige ophelderingen en overhandigde ons een topografische kaart van Amsterdam, op welke de cirkel van den afstand getrokken was. Ik ontving dien dag van den heer van der Heim terug de door ons geconcipieerde nota tevens met eene concept-nota, om casu-quo te worden gepresenteerd door den Minister van Buitenlandsche Zaken aan den Franschen Ambassadeur, welke nota aan de commissie wierd medegedeeld, ten einde den hare daarmede in overeenstemming te brengen.

Op den 24s,:ei1 besoigneerden wij over den inhoud, en wierd besloten eenige consideratien op het papier te brengen en aan den heer van der Heim mede te deelen met verzoek, om daarover met den Raad der Ministers of eene personeele commissie te mogen confereeren. Ik ontwierp dezelve den volgenden dag, en zij wierden door mijne mede-gecommitteerden goedgekeurd.

463

De verzochte conferentie had plaats op den 27sten met de Heeren van der Heim en Mollerus. Na het voorstel onzer consideratiën stemde men in \'t algemeen met dezelve in, maar de heer Mollerus meende nog, dat de plaatsing in den Moniteur van de Nota, door den hertog van Cadore op den 24sten Jan. aan den heer Röell overgegeven, welligt eenige verandering in de extensie zou dienen te weeg te brengen. Dit gaf gelegenheid tot eene nadere pourparler, in hetwelk door de H.H. Nederburgh, Crommelin en mij eenstemmig de twijfeling geopperd wierd, of de geheele mesure wel raadzaam was, en of men eenig goed succes van een defensie of vertooning daarvan zou kunnen wachten; dat de koning zich in allen geval duidelijk zou behoren te expliceren ; dat Z. M\'s. stilzwijgendheid zonderling moest voorkomen; en dat er geen reden was, om

1

Het stellig voorschrift omtrent dezen afstand, in de instructie van 17 Febr. vervat, werd eenigszins gewijzigd en verklaard, „dat de hoofdbedoeling in dezen voornamelijk daarin bestaat, dat de eantonnerende Fransche troupes stellig be-hooren verwijderd te blijven buiten de linien der hoofdstad, en dat binnen die linien zonder voorafgaande toestemming van Z. M. den Koning geen enkel man van de voorsz. eantonnerende troupes wordt geatmitteerd; kunnende diens volgens, ingevalle zulks bij eenen onverhoopten aanmarseh derzelve troupes meer convenabel zoude kunnen zijn, dat gemelde troupes binnen het voorschreven rayon zouden moeten passeren, daaromtrent toegevendheid gebruiken — mits maar dezelve stellig en bepaald op eene voldoende en wel de meest mogelijke afstand van dezelve linien verwijderd blijven, en in allen gevnile binnen den omtrek van een uur van alle de punten der linien geen vast cantonnement nemen.

-ocr page 476-

BIJLAGEN,

Amsterdam in gevaar te brengen, zonder dat het aan de groote zaak eenig goed kon toebrengen; dat men, toen men defensie in den zin had, veel vroeger, en wel vóór het inrukken der troepen in Breda en ommestreken daaraan had moeten werken; dat de toon van den keizer zoodanig was, dat men gevaar liep om als rebellen behandeld te worden; dat het hier niet alleenlijk aankwam op regt, maar op de magt, om het regt te verdedigen en vol te houden etc. etc. Deze conversatie scheen invloed te hebben: ik merkte vooral in den heer Mollerus eene vrij groote overeenstemming met ons gevoelen, en beide heeren Ministers waren niet vreemd, van de gedachten, dat er in de commissie verandering komen kon. De afspraak was, dat wij nadere informatien zouden erlangen. Wij ontflngen dan ook eene nadere aanschrijving van den 2llon Maart, waarin bepaald werd, dat de commissie bleef voortduren, maar met eenige verandering. 1

464

1

Extract uit het Verbaal van den Raad der Ministers van 2 Lentemaand 1810, Secreet B. No. 1.

„De Minister President heeft ter vergadering ouverture gegeven opgewacht te zijn door den heer Staatsraad Elout, eerstbenoemde in de personele Commissie van den ITen van Sprokkelmaand 1810---— —--— —--

hebbende hij Staatsraad Eloet verzocht te mogen worden geinformeerd of na de ontvangst van den brief zijner Majesteit in de Kon. Courant van den Isten van Lentemaand geplaatst en aan den Staatsraad geadresseerd ook eenige verandering was gekomen zoo in de despectie van de voorm. personele Commissie zelve, als in den last haar bij het voormeld Secreet besluit van deu 17de van Sprokkelmaand 1. 1. No. 1 opgedragen.

En is de eerste Secretaris — geautoriseerd tot het doen van de navolgende aanschrijving:

De Eerste Secretaris enz. brengt ter kennisse van de personele Commissie--,

dat het oogmerk van het despecieren derzelve Commissie alsnog blijft voortduren, voor zoo veel zulks aangaat de mogelijkheid, dat de cantonnerende Fransche troupes binnen het koningrijk de overtogt over de Waal, Merwede of Maas zouden mogen bewerkstelligen, zullende dezelve personele Commissie, zoodra deze overtogt als zeker zal worden gehouden, zich zonder verwijl begeven naar den Maarschalk Hertog van Pveggio — — en door alle gepaste en met den meesten aandrang voorgedragene redenen en middelen van persuasie trachten te bewerken, dat dezelve Fransche troupes niet verder doordringen en speciaal niet trekken dan op een convenabelen afstand van de linien van de hoofdstad, zonder binnen dezelve te marcheren, voor en aleer de Baad der Ministers in de gelegenheid zal zijn geweest om deswege de stellige orders van den Koning te vragen met eventueele qualificatien op dezelve personele Commissie om zonder verwijl de Baad van ministers te informeren aangaande den uitslag harer pogingen, en tevens om een der leden van derzelver commissie of wel een ander bekwaam en geschikt persoon naar Parijs af te zenden, ten einde Z. M. den Koning aangaande den staat der zaken narigt te geven, en Hoogstdeszelfs bevelen te vragen.quot;

-ocr page 477-

BIJLAGEN.

Ik had met mijne medegecominitteerden eene nadere conferentie op den 7 Maart 1810; wij besloten nader met den heer Mollerns te spreken. Met den hr. Croramelin denzelven opzoekende vonden wij hem niet en op een briefje, hetwelk ik hem schreef met verzoek van eene conferentie, ontfing ik het antwoord, dat hij door Z. M. ontslagen was van de portefeuille der Buitenlandsche Zaken, welke aan den hr. Crommelin was toebetrouwd, zoodat hij geene qualiteit meer bezat om met ons te aboiicheren. Dit ontslag was een gevolg van de veranderde meening van den koning, gelijk dan ook bij aanschrijving van 7 Maart de commissie, op ons gedecerneerd, wierd ingetrokken en gesteld bniten effect.quot;

B IJ L A GE IX (BI. 363 en 42C).

De. missive van den Staatsraad van 22 Maart 1810.

„Op den 20sten Maart 1810 wierd gehouden vergadering van den Staatsraad, in welke tegenwoordig waren de Ministers, benevens de Heeren de Mist, van Wickevoirt Crommelin, C. C. Six en Nederburgh. In deze vergadering werd lecture gedaan van eene missive, door Z. M. aan den Staatsraad geschreven ter geleide van het traktaat tusschen Hoogstdezelve en Z. M. den keizer der Franschen aangegaan, zijnde door de heeren Verhuell en Champagny als wederzijdsche gevolmagtigden getekend. Daarbij was nog gevoegd een concept tractaat, bij hetwelk in margine waren aangeteekend de bedenkingen, door Z. M. den koning daarop ingebragt, meldende Z. M. echter, dat hij niets had kunnen verkrijgen; dat die aanmerkingen de teekening van het tractaat vertraagd hadden en dat alle verdere vertraging de independentie van het land zou hebben gecompromitteerd; merkende voorts Z. M. aan, dat de voorwaarden drukkende waren; dan dat er geen alternatief bestond en betuigende voorts zijn verlangen, dat door den Staatsraad Hoogstdeszelfs gedrag ernstig onderzocht en beoordeeld wierd, ten einde Z. M. de verzekering had, dat hetzelve met de gevoelens van den Staatsraad strokende was.

Do Pres. Reuvens stelde voor dezelve stukken aan eenige leden commissoriaal te maken, en daartoe wierden benoemd de Heeren Appelius, Reuvens, van Gennep, Cuijpers, Nederburgh en p]loiit.

Gemelde commissie vergaderde des avonds ten 9 uren in bet hotel van den Minister van Financien, Appelius. De conferentien geopend zijnde werd door een der heeren geremarqueerd, dat het den Staatsraad niet voegde \'s konings gedrag te beoordeelen; dat het was een res acta en dat men ten volle overtuigd was, dat Z. M. alles gedaan had, wat in zijn

465

30

-ocr page 478-

BIJLAGEN.

vermogen was; dat, zoo hot traotaat niet getekend was, men nog zoude kunnen vragen, wat het beste was; dat nu de tekening oenig recht had gegeven; dat het zeker onmogelijk scheen het tractaat in alle deelen te vervullen; dat de zaak was drukkende, vol zwarigheden, duisterheden en onzekerheid in het vervolg; hij noemt eenige derzelve op, doorloopt die artikelen, en eindigde na de voorlezing als zijn gevoelen voor te dragen, dat men dat alles zou moeten aanvoeren, en insteren, dat nog voor \'s konings vertrek uit Parijs hot een en ander moer verduidelijkt en geap-planeerd wierd — en dat men voor het overige zich zou moeten verlaten op de edelmoedigheid van Napoleon.

Een ander lid zegt onder eenige modifleatien met don vorigen spreker in te stemmen; dat hij ook wel van begrip was, dat men \'s konings gedrag niet kon onderzoeken en beoordeelen, maar dat echter Z. M. gaarne (zoo het scheen) verlangde, dat de Staatsraad zich prononceerde daarover, dat hij in do gegeven omstandigheden niet anders had kunnen doen. Het tractaat is (vervolgde hetzelve lid) hard en van allo kanten bedenkelijk; maar het is best niet in de details te treden, uit vrees dat zulks welligt aanleiding zou kunnen geven tot vertraging of terugkeering van den kant Zijner Maj. — men doet wel te behouden, wat men kan, al is het dan op harde voorwaarden.

Een derde lid meent insgelijks, dat men in geen details moest treden, maar ziet echter hot traotaat als zoo drukkende aan, dat hij niet durfde te beslissen, wat bost geweest waro — hij gelooft echter gaarne, dat Z. M. niets anders heeft kunnon doen.

De volgende spreker zegt, dat de koning alles gedaan had, wat hij kon; dat hij zich zeiven verloochend had; dat hij alles ten nutte van het volk gedaan had; dat hij persoonlijk zich wel had kunnen redden — dat wij hem dus grooten dank te betoenen hadden, en dat voor het overige het moeijelijk was in details to treden; — dat de conditiën hard waren, maar dat er geene keus was; welligt zou men kunnen opprimeren (?) hot toekomend lot van den ingezetenen der gecedeerde landen, op welke de koning zulk een grooten prijs schijnt te \'stellen.

Een ander lid, het woord opvattende, beschouwt het tractaat a.s aller-drukkendst en onmogelijk te executeeren. De koning echter had zekerlijk alles gedaan wat hij konde en er scheen geen andere uitkomst mogelijk. Dat men dit een en ander zou moeten te kennen geven en voarts verklaren, dat men alles zou doen, wat in hot vermogen was en dat men voor het overige zich op de genade van den alvermogenden Franschen keizer verlaten moest.

Het nog overschietende lid is ook van begrip, dat men niet zeer bevoegd was, om \'s konings gedrag te beoordeelen, maar meent daarenboven, dat men buiten magtc hiertoe is, daar men de omstandigheden niet genoeg kent; hoezeer hij zich met de andere Hoeren verzekerd houdt, dat Z. M.

466

-ocr page 479-

BIJLAGEN.

zijne beste pogingen had aangewend. Hij beschouwt het tractaat als hoogst drukkend, maar meent, dat men niet terug kan, daar het gesloten en getekend is mot overleg van Z. M. Hij meende echter twee aanmerkingen te moeten maken, discursive. Hij begreep namelijk dat voor zooverre dt ongelukken ons zeiven drukten of de vervulling van ons zeiven kon afhangen, wij lijdelijk moesten zijn, maar het scheen bovenmate zonderling:

1°. dat ons lot afhing van eene vreemde en vijandelijke mogendheid;

2°. dat wij do independentie, welke ons nog overbleef, moesten kopen ook voor een prijs, dieu wij niet zouden betalen, maar de Amerikanen; hetwelk hem voorkwam van onregtvaardigheid niet te kunnen worden vrijgepleit. Dat voor het overige hij in de beschouwing der zaak en van hetgeen nu zoude moeten gedaan worden van de overige Heeren niet zeer verschilde, maar vooral zich met den eersten adviseur vereenigde; doch dat alles afhing van de wijze, op welke de brief, welke ten antwoord aan Z. M. zou gezonden worden, gesteld wierd.

Na eenige pourparlers wierd besloten, om als het gevoelen der Commissie in den Staatsraad voor te dragen, dat aan Z. M. zou dienen te kennen gegeven (worden), dat men overtuigd was. dat Z. M. niet anders had kunnen handelen, dan hij gedaan had; — dat men Hoogstd. dank betuigde voor zijne onvermoeide pogingen; dat men voor het overige zich ■de zaak zelve, hoe hard ook, moest getroosten.

De H.H. R. en N. zich van het stellen des briefs-excuserende. is zulks door den hr. v. G. 1 aangenomen.

Op den 21sten Maart wierd in een nadere besoigne de concept-missive geproduceerd en daarover gesproken.

Het eerst adviserende lid meende, dat men de donkere trekken meer zou dienen te doen uitkomen.

De volgende spreker conformeert zich met het project.

Een dorde conformeert zich mede, maar wilde er in lasschen, dat, zoo de koning te Parijs geen nut meer kon stigten, men hartelijk de terugkomst van Z. M. te gemoet zag.

Een vierde conformeert zich met het concept, terwijl de vijfde het gevoelen van den eersten spreker omhelst.

467

Op den 22stequot; Maart wierd de Vergadering van den Staatsraad gehouden, in welke de concept-missive werd voorgelezen. Een der leden, welke in de commissie de eerste gestemd had, was voor de approbatie van den brief in den tegenwoordigen stand van zaken. Een der andere heeren wilde bepaaldelijk aangedrongen hebben de onmogelijkheid van het bepaalde omtrent den staat der zeemagt, zich voor het overige met den concept-brief vereenigende.

1

Beuvens, Nederburgh, van Gennep.

-ocr page 480-

BIJLAGEN.

Hierop wierd door het lid, die in de commissie de laatste spreker geweest was, aangemerkt, dat. naar zijn oordeel de Raad zich eerst zou moeten prononceeren over den geest des briefs, maar niet over de zoo even geopperde- bedenking afzonderlijk, want zoo het aangehaalde artikel den vorigen spreker frappeerde wegens de physique onmogelijkheid der nakoming, hij op een ander artikel gelijke aanmerking zou kunnen trekken uit de zedelijke onmogelijkheid. En toen op deze zijne aanmerking weder door een ander lid wierd aangevoerd, dat de zedelijke onmogelijkheid in elks hand was, de physique niet, repliceerde hij, dat, zoo het te boven komen der zedelijke onmogelijkheid in elks handen was, de gedachte daarvan niet behoorde zich te vestigen in het hart, en dat zij voot een eerlijk man niet minder was dan de physique: dat hij voor het overige best vond de missive in dezen stand van zaken te approberen.

De groote meerderheid expliceert zich voor het approberen van den concept brief, voornamelijk op grond, dat er na het tekenen van het project-tractaat geene andere keuze over bleef, dan hetzelve te ratificeren.\'\'

BIJLAGE E.

De commissie van li April 1810.

I.

ixstkrctie.

(BI. 372 en 427.)

SECREET den 14 van Grasmaand 1810.

Litt. M.

LODEWIJK NAPOLEON, door de Giïatie Sods ex de Constitutie des Koxingkijks, Koning van Holland, Connetaele van Fbankrijk.

Wij hebben besloten en besluiten :

I.

Te arresteren zoo als gearresteerd wordt bij dezen, de navolgende Instructie, volgens welke de overgave der landen door ons gecedeerd bij Tractaat van den 16 van Lentemaand 1810, zal geschieden, door onze Commissai-issen ten dien einde bij ons besluit van heden No. 1 benoemd

Art. 1.

Wij zullen met de Commissarissen van wege Zijne Majesteit den Keizer van Frankrijk, Koning van Italien, tot de overneming der voorschreven

468

-ocr page 481-

BIJLAGEN.

Landen benoemd of te benoemen, overgaan ter gezamentlijke executie en volvoering van datgeen, hetwelk ten gevolge der bepalingen, bij let opgemeld tractaat ten opzigte der daarbij afgestaane Landen gemaakt, behoort te geschieden.

Art. 2.

Zij zullen mitsdien verrigten of zorgen dat verrigt worde, al hetgeen waartoe zijne Majesteit de Koning zich ten opzigte van bovengemelde Landen bij hetzelve heeft verbonden en hetgeen ten gevolge van hetzelve aan de zijde van gedagte Zijne Majesteit als nog behoort te geschieden.

Art. 3.

Daar ten opzigte der nieuwe grensscheidingen tusschen het Fransch Keizerrijk en Koningrijk Holland bij art. 6 van bovengemeld Tractaat bepaald, geenerlei twijffelingen kunnen ontstaan, dan alleen met betrekking tot de voornaamste Strang der Merwede, zullen gedagte onze Commissarissen met de Commissarissen van Zijne Keizerlijke en Koninglijke Majesteit de Grensscheiding op dat punt regelen en tragten te bewerken dat het zoogenaamde Steurgat en niet de West of Groote kil voor Limietscheiding gehouden worde.

Art. 4.

Zij zullen ter gedeeltelijke uitvoering van art. 9 van meer gemeld Tractaat met de Commissarissen Zijner Keizerlijke Koninklijke Majesteit overeenkomen, dat Zijne Majesteit de Koning een of meerdere Personen zal kunnen benoemen hetzij uit de ingezetenen der afgestane, hetzij uit die der niet afgestane gedeelten van het Koningrijk, aan wien alle particuliere Ambtenaren, plaatselijke Besturen en Collegien binnen eenen nader te bepalen tijd zullen behoren op te geven hunne pretention ten lasten van het Koningrijk Holland tot den 311-\' van Lentemaand 1810, die voorts belast zullen zijn, met het doen invorderen, van alle praetentien van het Koningrijk Holland, ten laste der Ingezetenen, van de afgestane Landen, en met zoodanige werkzaamheden, de belangen van het Hollandsch Gouvernement in de afgestane Landen betreffende, als wij hun zullen opdragen.

Art. 5.

Voornoemde Commissarissen zullen aan de Commissarissen van Zijne Keizerlijke Koninklijke Majesteit overgeven alle de \'s Lands gebouwen volgens de Lijsten, die aan hun door onze respectieve Ministers zullen worden gegeven.

Art. 6.

Zij zullen doen constateren al hetgeen bij de respectieve Ontvangers van de beschrevene en onbeschrevene middelen, mitsgaders bij de Ont-

469

-ocr page 482-

BIJLAGEN.

vangers en Coramisen en Collecteurs der Middelen te Water, na den laat-sten van Lentemaand dezes jaars mogt zijn ontvangen, en zorgen dat al hetzelve met de daartoe behoorende aanteekeningen en Registers aan de Fransche Autoriteit worde overgegeven.

Art. 7.

Zij zullen ten sterksten aandringen, dat alles in liet Eiland Walcheren op gelijken voet worde gebragt als in de overige streken der afgestane Landen, welke door de Fransche Troepen zijn bezet geweest, en dat mits dien overeenkomstig de duidelijke Letter van art. 9 van het tractaat alle de revenuen tot en met den 31° van Lentemaand ter dispositie van het Rijk worde gesteld, en zulks ten dien effecte, —

a. dat ten behoeve van \'s Rijks schatkist worden gesteld alle de penningen zonder onderscheid, welke uit de \'s Lands Kantoren zijn geligt tot op den dag, dat de administratie aan de Hollandsche Beampten is ontnomen..

b. Dat almede in \'s Rijks schatkist worde overgestort, hetgeen na dien tijd tot en met den 81°quot; van Lentemaand op alle de Kantoren zonder onderscheid mogt zijn ontvangen.

c. Dat almede ter dispositie van het Hollandsche Gouvernement worden gesteld of verantwoord de collectiven en andere zegels, welke op de Kantoren bij het depossederen der Hollandsche Ambtenaren voorhanden waren, mitsgaders alle de boeken en registers betrekkelijk de administratie der financien tot evengemelde 31e Lentemaand, en

d. Dat van de Fransche zijde worde afgezien van alle maatregelen, betrekkelijk het invorderen der achterstanden en alle rigoureuse maatregelen, waartoe aanleiding mogt genomen zijn, uit het overmaken van Penningen op welke het Hollandsche Gouvernement een onwederspreke-lijk regt heeft; wordende in handen van hun, Commissarissen, ter hunner informatie gesteld twee rapporten over dit onderwerp op den lle dezer, door Onzen Minister van Finantien, aan ons uitgebragt.

Art. 8.

Zij zullen de nodige stipulatien maken, ten einde het verschuldigde in het regt van successie wegens alle gevallen boedels, tot en met middernacht van den 31e van Lentemaand volgens de Hollandsche Wetten kunnen worden opgemaakt en ingevorderd.

Art. 9.

Ten aanzien van het Middel van Verponding, zullen zij, Commissarissen, aannemen, de registers tot dat middel betrekkelijk aan de Fransche autoriteiten te zullen doen overgeven, zoodra de restanten over den jare 1809 ingevorderd en de liquidatie wegens de gebouwen over de Jaren 1806, 1807 en 1808 zal zijn afgelopen.

470

-ocr page 483-

■BIJLAGEN.

Art. 10.

Er wordt wel expressclijk oan de prudentie van hun Commissarissen aanbevolen, de Commissarissen van zijne Keizerlijke en Koninklijke Majesteit te doen gevoelen, dat liet Hollandsch Gouvernement ten aanzien van de verponding op de Landerijen en Trafieken, welke over de jaren 1806, 1807, 1808 en 1809, slechts bij anticipatie is betaald, ontegenzeggelijk het recht heeft de Quohieren te doen pcrfectceren en het verschuldigde te doen aanzuiveren, met last en authorisatie aan hun Commissarissen om in schikkingen te treden, omtrent hetgeen deswegens zoude kunnen te vorderen zijn en om voor zooverre men van de Fransche zijde dit point als aliëen van de overgave mogt beschouwen, hetzelve te reserveren als een object van schikking tusschen do beide Gouvernementen.

Art. 11.

Voorschrevene Commissarissen zullen almede aandringen op het recht van het Hollandsche Gouvernement op het innen van de Verponding en verdere beschrevene Middelen, over de 3 eerste Maanden van dit Jaar; met last en autorisatie om de nodige schikkingen en bepalingen te maken. Zoo wegens de inning van dit verschuldigde als wegens andere stipulation, waardoor hetzelve aan het Fransche Gouvernement zoude k nnen worden gelaten, en dit gemis op eene redelijke wijze worden vergoed, worden de demarches in deze te houden aan de Prudentie van hun Commissarissen almede overgelaten.

Art. 12.

Onze voornoemde Commissarissen zullen al verder behoren te bedingen ; dat aan de Hollandsche persoon of personen, welke met de afdoening der oude zaken, speciaal in het financieele in de afgestaane landen, zullen worden benoemd, alle nodige faciliteit worde gegeven in het innen van de achterstanden, zoo op de middelen in het algemeen, als op de verponding in het bijzonder; met verder beding, dat tergiverserende debiteuren, gelijk zulks altoos in Holland gebruikelijk is geweest, buiten de gewone form van Proces, bij parate executie tot de oplegging van hun verschuldigde zullen kunnen worden geconstringeerd, en tevens de verzekering bedingen, dat het Hollandsche Gouvernement insgelijks op zijn tijd onbelemmerd kunne invorderen de voorschotten, door hetzelve aan Polders of andere Corporatien gedaan.

Art. 13.

Zij zullen al verder en voor zoo veel des noods bedingen, dat de invordering der Dominiale revenuen bij voortduring en onbelemmerd op den thans gebruikelijken voet kunnen continueeren.

Art. 14.

Zij zullen aanneemen de Registers van dat gedeelte der schuld, hetwelk

471

-ocr page 484-

BIJLAGEN.

volgons art 7 van het Tractaat op Frankrijk overgaat, ter dispositie van het J- ransch Gouvernement te stellen, zoodra de renten tot op don 31° van Lentemaand of don dag der ratification zullen hebben kunnen worden aangezuiverd, en voorloopig behoorlijk bij proces-Verbaal constateren den aard en de hoegrootheid der schulden, welke in voege voorschreven moeten overgaan en zulks tot dat de extraditie der Registers zelve effectivelijk kunne plaats hebben.

Art. 15.

/ij zullen trachten te bewerken, dat ten aanzien van de proceduren nog hangende voor het Hoog Nationaal Geregtshof, Raad van Judicatuur of zoodanige andere Geregtshoven en regtbanken, als over de gecedeerde Landen hebben regt gesproken, do noodige schikkingen gemaakt worden, waardoor en aan het Hollandsche Gouvernement en aan de daarbij gecon-comoerde particulieren hun Regt ongepraejudicieerd blijft.

Art. 16.

Zij zullen trachten te bewerken, dat naar deze zijde der Fransche Grenzen worden overgebragt,

c. Allo do behoeften van Oorlog, do Artillerie en Genie regardeorende, hetzij die in Batterij zijn gemonteerd, hetzij die in Arsenalen en Magazijnen zijn opgelegd, hetzij die onder do bijzondere surveillance van Ofli-cieren dor Artillerie en Genie staan, of wol reeds naar elders zijn vervoerd.

h. Do approvisionnomenten van Vivres, Fourages en Brand in do ^ estingon Bergen op Zoom, Breda, Willemstad, Steenbergen en het Fort Bath opgelegd.

c. De Fournituren en Utensilia in de Garnizoens Hospitalen te Breda, te Bergen op Zoom, en in de Willemstad voorhanden, mitsgaders do Approvisionnemonton in dezelve.

d. De goederen tot de Casorneering betrekkelijk, en berustende bij de Agenten van het Ministerie van Oorlog J. Gradman te Middelburg, Hop-penhrouwers te Breda en Hejermans op het Fort Bath.

c. De Campemonts Effecten onder den Employe M. Struman te liergen op Zoom berustende.

f. Allo de Rijksgoederen in gebruik bij do geweldige Provoosten in don Bosch, Breda, Bergen op Zoom, Middelburg en Ziorikzee.

g. Alle goederen op het Fort Loovestein voorhanden, ten gebruike dor Engolsche krijgsgevangenen, onder do Administratie van don Luitenant Techtcrs te Gorinchem.

Art. 17.

In gevalle men hierin niet zou kunnen of willen komen, zullen zij er op insteren, dat ton minsten teruggegeven worden allo Artillerie, Munitiën, Goederen, Campemonts Effecten amp; ca. welke oorspronkelijk niet tot do

472

-ocr page 485-

BIJLAGEN. 473

Magazijnen der thans gecedeerde Landen hehooren. maar derwaarts sedert den I» van Oogstmaand jl. uit andere gedeelten van het Rijk zijn aangevoerd, om de vijandelijke invasie te keer te gaan.

Bijaldien evenwel ook hierin zwarigheid mogt worden gemaakt, zullen zij\' trachten te zorgen, dat alle de voorschreve behoeften ■worden gein-ventariseerd en geestimeerd, even als zulks te Vlissingen heeft plaats gehad door Commissarissen van wege het Fransche Keizerrijk en dit Koningrijk.

Eindelijk wanneer ook het estimeeren dezer verschillende objecten volstrektelijk werd geweigerd, zullen zij ten minsten alle pogingen aanwenden, dat, alles, wat aan Frankrijk zal moeten worden overgegeven, behoorlijk door wederzijdsche Commissarissen, worde opgenomen en gein-ventariseerd, als zijnde deze operatie onvermijdelijk noodzakelijk, voor de verantwoording der respective Magazijnmeesters.

Art. 18.

Zoo zij nogtans in hunne instantien in zoo verre mogten slagen, dat wel niet het transport naar deze zijde der fransche grenzen werd geaccordeerd van alle de bij art. 16 vermelde objecten, maar dat alleen het bij art. 17 bedoelde werd erkend, als bij voortduring het eigendom van het Koninkrijk uittemaken, zullen zij al verder te kennen geven, dat hiertoe zonder eenige bedenking behoort te worden gebracht:

«. Het veldgeschut en daarbij belioorende voertuigen, de geweren, ■carabijnen en pistolen van het Rijk, mede tot het een en ander belioorende, Munitiën, Lood enz.

b. Het onvoltooide constructiewerk en handwerkgereedschappen, welke in Oogstmaand 1.1. bij de Landing der Engelschen. uit Delft naar de Brabandsche vestingen zijn gezonden.

c. Het Oud Ijzer, hetzij de defecte kanons, kogels en Bomben, hetzij stukken herkomstig van gesloopte behoeften, aan hetwelk een groot gebrek lieerscht bij de Marine, tot ballast der schepen van Oorlog, die ten gevolge van het gesloten Tractaat moeten gereed gemaakt worden.

lt;/. de behoeften van Oorlog te Woudrichem gedeponeerd, en welke daar alleenlijk zijn overgebragt, uit gebrek aan bergplaats te Gorinchem tot welke vesting zij eigenlijk behooren.

c. de Fournituren, Utensilia on approvisionnementen in de Garnizoenshospitalen te Breda, Bergen op Zoom en in de Willemstad voorhanden.

/\'. De Campements Effecten ouder den Etnployé M. Struman te Bergen ■op Zoom berustende.

Art. 19.

Zij zullen mede de noodige demarches doen, dat in allen gevalle zoodanige oude geweren. Hout en Ijzerwaren, welke in de Arsenalen van den Bosch, Breda en Bergen op Zoom mogten gevonden worden; doch

-ocr page 486-

BIJLAGEN.

welke in eigendom aan Partikuliere ingezetenen van het koningrijk behoren, aan dezelven worden teruggegeven of aan \'s Rijks Geëmployeerden uitgereikt, ten einde die aan de Eigenaren te kunnen doen restitueeren.

Art. 20.

Zij zullen al verder zien te tenteeren, of niet een gedeelte der in de vestingen geconfineerde Militairen, voor zoo verre deze vreemdelingen zijn, of Inboorlingen van de afgestane Departementen, door de Fransche Autoriteiten, hetzij dan onder de Folate te Antwerpen, hetzij onder eenig Coloniaal corps, zouden kunnen worden ingestoken.

Art. 21.

Zij zullen er op behooren bedacht te wezen, om nopens het transport der Geconfineerden, welke naar deze zijde der Fransche grenzen mochten komen, zoowel als over dat van de Engelsche krijgsgevangenen te Loeceu-stein, een behoorlijk arrangement te maken.

Art. 22.

Zij zullen ook trachten te effectueeren dat alle C\'hartres en papieren, de Departementale zoo politieke als finantieele Administratie specteerende, worden geschift in de zoodanige, die tot de loopende zaaken behoren, en dezulke, welke behoren tot het tijdvak anterieur aan de Constitutie van 1798, als wanneer de Provinciale Souverainiteit finaal heeft opgehouden. De laatste zullen aan het Koningi-ijk Holland worden gecedeerd, de eerste aan Frankrijk overgaan.

Art. 23.

Zij zullen met de fransche Commissarissen overeen komen, dat de wederzijdsche Gouvernementen zich wederkeerig zullen geven, visie, communicatie of kopy van alle zoodanige stukken, onder de overgegeevene Archieven, welke voor een derzelve van eenig belang mogten zijn; en meer bijzonderlijk, dat aan de persoonen, welke door het Hollandsche Gouvernement met de afdoening der oude zaken in de gecedeerds Landen zullen worden belast, het acces tot en gebruik van alle zoodanige stukken en papieren, anterieur aan lc Grasmaand dezes Jaars. worde gegeven, welke dezelve tot de volbrenging hunner werkzaamheden mogten noodig hebben.

\' Art. 24.

Onze Commissarissen zullen aan de fransche Commissarissen overleggen eene behoorlijke geauthentiseerde Lijst bevattende alle vaste Objecten van betalingen, speciaal de tractementen zoo van Burgerlijke als Kerkelijke Ambtenaren, tot dusverre uit \'s Rijks schatkist betaald. Zij zullen hunne goede oificien aanwenden, dat met deze betalingen ten minsten

474

-ocr page 487-

BIJLAGEN.

provisioneel en tot nader daarin zal zijn voorzien, op den ouden voet worde gecontinueerd.

Art. 25.

Eindelijk zullen zij na den afloop der pointen van Instructie in voorgemelde Artikelen vermeld, aan de Commissarissen, door Zijne Majesteit den Keizer en Koning benoemd, de plegtige afstand en overgave voor ons en in onzen naam doen van alle de Landen, gecedeert bij het tractaat op den 16quot; van Lentemaand te Parijs gesloten.

Art. 25.

Zij zullen geduurende liaare commissie met onze Ministers kunnen corresponderen over de vakken hunner respective Ministerien concernee-rende, en bovendien van alle Ambtenaren in de gecedeerde Landen, alle zoodanige inligtingen en information kunnen vragen, als zij tot rigtige uitvoering hunner Commissie zullen vermeencn te behooren ; voorts zullen zij na den afloop hunner Commissie daarvan aan ons zelve een schriftelijk verslag aanbieden.

Art. 27.

Zij zullen ieder gedurende hunne Commissie mogen in rekening brengen een daggeld van ƒ 16: —: — voor de dagen dat zij niet op reis zijn; geduurende de dagen der reis zullen zij zich regelen naar het geene in ons Besluit van den 31e Bloeimaand 1808 No. 3 voor de reiskosten der Staatsraden is geregeld.

II.

Onze Ministers zijn ieder voor zoo veel hun aangaat met de uitvoering van dit besluit belast, zullende het laatste Artikel der voorgemelde Instructie ook ter kennis van het Hof van Rekeningen worden gebragt.

Gegeven in ons Koninglijk Paleis te Amsterdam, den 14® van Grasmaand van het jaar 1810 en van onze Regering het Vijfde.

{(jet.) Lodewijk.

II.

KAPPOKT AAN DEX KONING.

(BI. 377 en 427.)

Sire!

Door Uwe Majesteit bij besluit van den 14tlen van Grasmaand No. 1 benoemd tot Commissarissen voor de overgave der bij het tractaat van den IG^» van Lentemaand dezes jaars te Parijs aan het Fransche Keizerrijk gecedeerde landen, hebben wij ons dadelijk gereed gemaakt tot onze

475

-ocr page 488-

476 BIJLAGEN.

afreise naar \'s Hertogenbosch, en zijn, nadat twee onzer de oor hadden bij Uwe Majesteit ter audientie te worden toegelaaten, werkelijk derwaarts vertrokken, ten einde de onderhandelingen met de Fransche Commissarissen aan te vangen.

Wij vonden ons echter reeds in de eerste bijeenkomst bevestigd in de vreese, dat de Commissarissen door den Maarschalk Hertog van Reggio benoemd tot overneming der afgestane Landen welligt niet zouden zijn gemagtigd tot het aanvangen en ten einde brengen der onderhandelingen, welke tot eene regelmatige en gcheele toepassing en volvoering van het tractaat zoo zeer vereischt wierden, en wij hadden de eer bij den brief van Uwe Majesteit op den 21sten dezer, uit \'s Hertogenbosch geschreeven, te kennen te geven het verlangen van dezelve Commissarissen, dat wij zouden overgaan tot een zuiveren en gaven afstand en overgifte dei-landen, zonder dat zij hadden gewild te treden in onderhandeling over eenige andere punten hoegenaamd, als daartoe in geenen deele gemagtigd zijnde.

Wij berichteden tevens aan Uwe Majesteit, dat wij zwarigheid gemaakt hadden daartoe over te gaan, alzoo bij de Instructie ons gegeeven uitdrukkelijk was bepaald, dat eerst en vooral de verschillende daarbij opgegeven zaken moesten worden geregeld. Wij voegden er echter bij, dat wij niet konden nagaan, of er bij Uwe Majesteit ook redenen mogten bestaan, om dadelijk tot de overgifte der landen over te gaan, met voorbehcuding van de bedoelde zaaken nader te regelen, hoe zeer zulks ons voorkwam omslagtiger en minder regelmatig te zijn.

Wij namen voorts de vrijheid aan Uwe Majesteit eerbiediglijk onder het oog te brengen, hoe belangrijk het zijn zoude, ingeval Uwe Majesteit ons gelastte het voornaam punt, do overgifte zelve, af te doen, dat de Hertog van Reggio aan do Commissarissen door hem benoemd eene uitgestrekter magt gaf, of wel dat bij het Fransch Gouvernement wierd aangedrongen op de benoeming van Commissarissen onmiddelijk door het zelve te doen.

Wij gaaven wijders te kennen, dat, hoezeer wij in geene dadelijke onderhandelingen hadden kunnen treden, wij echter vaststelden, dat er ten aanzien van de bepaling der grenzen verschil was: alzoo de Fransche Coinmissarissen zich geuit hadden, stellig gelast te zijn, om do grensscheiding te bepalen bij de Groote of West kil, en Uwe Majesteit gewild had dat de grensscheiding zoude gesteld worden bij het Steurgat \',

1 Onder het afdrukken dezer bladen (1ste uitg,) heeft de commissie, benoemd bij Koninklijk Besluit van 13 Febr. 1869 om over de werken tot vorming der Nieuwe Merwede te rapporteeren, haar verslag uitgebracht. Eij dit verslag is een plan van het Bergsehe Veld gevoegd, op een schaal van 1 a 50,000. De redactie van de Ncderlandsche Stoowpost (quot;s Grav. van Langenhuisen) voegde, om het gewicht der zaak, een afdruk van deze kaart bij No. 47. Hierop zijn de besproken

-ocr page 489-

BIJLAGEN.

Wij verzochten om allo deze redenen, dat Uwe Majesteit ons wilde doen toekomen Hoogstdeszelfs bepaalde en stellige orders ten dezen aanzien, ten einde alle verdere woordenwisselingen zouden kunnen agterblijven over een punt, van hetwelk de Fransche Commissarissen verklaard hadden, nimmer te willen afgaan, aangezien het Fransch gouvernement daaromtrent de stelligste orders gegeven had. Wij hechtten aan dezen brief ten bijlaage eene kopy van hot procesverbaal tusschen de Fransche Commissarissen en ons, ten aanzien van het verhandelde gesloten, terwijl wij thans de eer hebben liet oorspronkelijke stuk hierbij over te leggen.

Het behaagde Uwe Majesteit ons door Hoogstdeszelfs eersten Cabinets Secretaris op den \'22equot; te doen berigten, voornamelijk „dat de limiet-,scheiding zoude geschieden op zoodanige der Killen, als de Fransche „Commissarissen verlangen zouden, verders dat wij onmiddelijk tot de „overgave konden overgaan, en dezelve finaal doen plaats hebben, onder „deze bepaling nogthans, dat wij uitdrukkelijk aan Uwe Majesteit reserveer-„den de reclame van de voorname pointen in onze instructie vermeld, en „dat (hetgeen van zelve sprak) de domeinen onder dezen afstand niet „begrepen waren.quot;

Na de ontvangst van dezen brief ontwierpen wij eene acte van afstand, ten einde dezelve zoude kunnen dienen tot het ontwerp van nadere onderhandelingen, maar wij vorderden even weinig, gelijk wij de eer hadden bij ons berigt van den 24\'« ter kennis van Uwe Majesteit te brengen; bepaaldelijk deeden wij daarbij opmerken, dat de Fransche commissarissen verklaard hadden, tot niets gemagtigd te zijn, dan tot eene gave en eenvoudige aanneming der afgestane landen ; dat zij ingevolge de bevelen van den Maarschalk Hertog van Reggio in geene onderhandeling, hoe ook genaamd, zouden treden, over eenig ander onderwerp, welke hetzelve dan ook zoude mogen zijn; dat zij bepaaldelijk niet konden toegeven, dat in de acte van afstand eenige melding, hoe ook genaamd, werde gemaakt van de Domeinen, daar deze zaak niet behoorde tot hunnen last, maar diende behandeld te worden tusschen de twee Gouvernementen; dat zij ten hoogsten daartoe konden komen, om de acte te tekenen,, met de voorbehouding aan onze zijde ten aanzien der regeling van sommige

killen duidelijk te zien: alleen de West- of Groote Kil schijnt tegenwoordig een anderen naam te dragen.

Misschien is deze met haar ouden naam weer te vinden op de kaarten, die bij het Verslag nan den Koning over de openbare werken in 1S55 en 1850 moeten gevoegd zijn. Doch het is mij niet gehikt deze te zien te krijgen. De belangrijke kaarten, door den heer J. J. van Kerkwijk in het Air/. Verslag van het Kon. Instituut van Ingenieurs 1365, bl. 01, Bijl. 4, gegeven, verspreiden geen licht en hebben alleen betrekking op de doorbraak van den Zuid-Holland-sehen Waard in 1421.

477

-ocr page 490-

BIJLAGEN.

puncton, als van justitie, oorlog en finantien, tot de eindelijke volvoering van het tractaat noodig, maar dat zelfs, in gevalle wij ons niet bevoegd rekenden, op dien voet de zaak ten einde te brengen, zij het van hunnen kant als pligt beschouwden ook die voorbehouding niet toe te staan, maar te blijven aandringen op eenen eenvoudigen en gaven afstand.

Daar nu de uitdrukkingen van Uwer Majesteits eersten Cabinets secretaris te duidelijk en te stellig waren, dan dat wij ons durfden veroorloven als thans ten aanzien der domeinen daarvan af te wijken zonder do uitdrukkelijke toestemming van Uwe Majesteit, namen wij de vrijheid Uwer Majesteits nadere bevelen dien aangaande te vragen, daarbij te gelijk voegende, dat naar ons inzien men van de Fransche zijde van het alzoo verklaarde begrip niet zou afgaan.

Wij verklaarden tevens, dat naar ons begrip de bedoelde voorbehouding van te weinig gewigt was om zich daardoor te laten wegslepen, daar toch de artikelen van het tractaat zelve zonder nadere regeling niet konden werken en wij nu gebragt waren tot het punt van alleenlijk te handelen krachtens het 6e artikel op zich zeiven. Wij verzochten daarom Uwer Majesteits stelligen last, ten einde te weten, of wij konden overgaan tot het verlijden en tekenen van de acte van afstand, zonder eenige voorbehouding, dan wel of Uwe Majesteit ons zoude gelieven voor te schrijven, op welke wijze Hoogstdezelve wilde, dat do acte zoude worden gesteld. — Uwe Majesteit vond daarop goed ons door den Minister van Binnenlandsche Zaken op den 25eii te doen toezenden deszelfs bevelen, behelzende „dat Hoogstdezelve na rijpe overweging van den inhoud onzer Missive verkiesselijk had gevonden het gevoelen der Commissarissen van het Fransch Gouvernement te admitteeren en ons te magtigen, om het concept verbaal door ons overgezonden, in diervoege veranderd, te onderteekenen, met eene door Uwe Majesteit voorgeslagen verandering in zekere woorden op het slot van dezelve: observerende de Minister echter daarbij, dat hoe zeer Uwe Majesteit verlangde die phrase daarbij te hebben gevoegd, en wij dus zekerlijk niet zouden nalaaten daarop ten sterkste te insteren, wij echter, ingeval de Fransche Commissarissen volstrekt niet mogten te permoveeren zijn, om daar toe te komen, ons daardoor niet moesten laten verhinderen tot de finaale overgave der gecedeerde landen over te gaan, maar ons in dat geval konden beschouwen volkomen geautoriseerd te zijn, om het bovengemelde procesverbaal gaaf en zonder eenige bijvoeging te teekenen.

Zoodra wij dezen Uwer Majesteits naderen last ontvangen hadden, noo-digden wij de Fransche Commissarissen uit tot eene nadere bijeenkomst, welke op den 27sten plaats had.

Wij hebben daarin aangedrongen op de plaatsing der voorbehouding, welke Uwe Majesteit ons had opgegeven, dan vrugteloos; dezelve commissarissen verklaarden ons dadelijk en bij herhaling, dat zij, naar aanleiding

478

-ocr page 491-

BIJLAGEN.

van hunnen brief aan den Hertog van Reggio, van wicn zij ook geene nadere bevelen wachtende waren, goene bepaling, voorwaarde of voorbehouding konden toegeven.

Wij hadden dit antwoord verwacht, Sire! en dus reeds te voren bepaald, dat wij in dat geval ten gevolgen van Uwer Majesteits last tot den gaven en zuiveren afstand zouden overgaan. Wij hebben begreepen, dat daarbij (gelijk wij reeds in den brief van den 24s,:en te kennen gaven) niets verloren was, alzoo men toch altijd noodzakelijk tot nadere schikkingen zou moeten overgaan, ja zelfs, dat ook even daardoor de belangrijke zaak der domeinen alzoo het meest in haar geheel bewaard bleef, aangezien deze acte van afstand niet anders konde -beschouwd worden, dan als een enkele toepassing van het ö110 artikel van het tractaat, bepaaldelijk dienende ten einde de uitdrukking, welke in dat artikel nopens de voornaamste streng der Merwede voorkomt, meer duidelijk te bepalen, en alzoo de waare grensscheiding van dat gedeelte der afgestane landen te regelen, en het Fransch gouvernement te stellen in het wettelijk bezit derzelven: het natuurlijk gevolg derhal ven van het teekenen van dezen afstand is dan eerstelijk, dat alle andere onderwerpen geheel zijn onaangeroerd en nader tusschen de beide Gouvernementon moeten worden geregeld, en dat ten anderen en vooral ook dezelve acte niets meer in zich bevat dan het B110 artikel van het tractaat zelve, en dat alzoo de domeinen even min in dezen afstand, als in het tractaat zijn begrepen. En het is bijzonderlijk op grond dezer bedenkingen, dat wij geene zwaarigheid gevonden hebben, om over te gaan tot het verlijden en teekenen der acte van afstand en proces-verbaal, hetwelk wij de eer hebben in originali bij dezen aan Uwe Majesteit over te leggen, en bij het welk gevoegd is eene schets der geheele grensscheiding, zoo als dezelve van de Fransche zijde is voorgesteld, en door ons op voorafgaande goedkeuring van Uwe Majesteit aangenomen.

Wij vertrouwen dat alzoo aan Uwe Majesteit is gebleeken, dat wij in de onmogelijkheid geweest zijn, om te voldoen aan den zoo belangrijken en omstandigen last door Hoogstdenzelven aan ons gegeven, daar de bepaalde magt, met welke de Fransche commissarissen bekleed waren, ons verhinderd heeft in eenige onderhandeling, van welken aard ook, te treden, en wij zelfs geen den minsten vrugt hebben mogen trekken van de onderhandsche gesprekken met hun gevoerd.

Wij hebben evenmin kunnen voldoen aan de verschillende aanschrijvingen, ons door de respectieve Ministers en Directeurs-Generaal gezonden, als tot het eenige punt, hetwelk wij te behandelen hadden, in geene betrekking staande. Wij hebben voorts gemeend, dat het met Uwer Majesteits oog-nierken overeenkomstig zoude zijn, indien wij ons naar herwaards begaven ten einde aan uwe Majesteit mondeling alle die ophelderingen te geven, welke Hoogstdezelve zoude verlangen en teevens dit ons verslag aan te bieden.

479

-ocr page 492-

BIJLAGEN.

Wij moeten echter eerbiediglijk de vrijheid neemen aan Uwe Majesteit in bedenking te geven, of het ook belangrijk zoude kunnen zijn, dat do verschillende punten, waarop het nog aankomt, wierden behandeld door Uwer Majesteits Ambassadeur te Parijs, in welk geval de Minister van Buitenlandsche Zaken zoude kunnen gelast worden. Uwer Majesteits oogmerken en bevelen ter kennissen van denzelven te brengen, terwijl daar-enteegen, indien Uwer Majesteits meening mogt blijven, deze zaak door afzonderlijke commissarissen te doen ten einde brengen, zou dienon afgewacht te worden de overkomst der Fransche commissarissen, wanneer de onderhandelingen zouden kunnen aangevangen worden door zoodanige personen, als Uwe Majesteit daartoe zoude verkiezen te benoemen, en aan welke wij gaarne de bij ons ingekomen stukken zullen mededeelen.

Het is ons een smertelijk gevoel, Sire ! dat wij zoo weinig zijn geslaagd in het beantwoorden aan de heilzame oogmerken, welke Uwe Majesteit bij onze benoeming bezield hebben, vooral, daar wij nu bij ondervinding hebben leeren kennen de hooge noodzakelijkheid, die er is en voor Uwe Majesteit en voor het Fransch Gouvernement en voor de afgestane landen en voor de betrekkingen tusschen dezelve en dit Rijk, dat alle onzeker-heeden worden uit den weg genomen, alle twijlfelingen opgehelderd, alle zaken geregeld, ten einde de verwarring en stilstand, die. nu heerschen, zouden kunnen plaats maaken voor eene geregelde werkzaamheid.

Wij durven echter hopen, dat Uwe Majesteit de mislukking onzer pogingen niet aan flaauwheid of weinigen ijver zal toeschrijven, maar dat Hoogstdezelve wel zal willen geloven, dat wij niet nagelaten hebben bij herhaaling alle dwangredenen aan te voeren, welke naar ons inzien geschikt konden zijn om de Fransche commissarissen tot eene algeheele afdoening over te halen en ook te overtuigen van de billijkheid en regt-vaardigheid der door ons voorgedragene bedenkingen.

Wij vleien ons dan ook, dat Uwe Majesteit ons verrigte met Hoogst, deszelfs goedkeuring zal willen vereeren.

Wij zijn met den diepsten eerbied

Sire,

Van Uwe Majesteit de zeer onderdanige Dienaren en getrouwe Onderdanen

Elout.

Hultman.

J. H. van Lijnden.

Amsterdam,

480

den 29 van Grasmaand 1810.

of.

-ocr page 493-
-ocr page 494-
-ocr page 495-