-ocr page 1-

I WllKEN sa W1ISCHEI

?-

TEll BEVORDERING DER

Propaganda

VOOR UK

ARBEIDERS-BEWZSING.

8i8L!0THEEK d)Lf?

RIJKSUNI VERGi UTRECHT

i»0( )!gt;

E T

it. v. Z. KAKKiU

KortcZU\'lMUj ISO.quot;;

... ^-,T______________________s

sr. {,■ aV \\ oi.KsitnrKKERn- -Wm vrc a quot;vte ^

-ocr page 2-

L. oct.

t n c:

0 vJ •)

2375 837 2

-ocr page 3-

TTquot; oor txt- o o r d..

Langen lijd hch ik fjranrzrlcl . up hrl papier le zeilen, ivtil er zon dikivijls. vimritl in den latilslen lijd in mij omging, wanneer ik kun opmerken , dal er in de nrheidersheweging van onze dagen inderdaad hoe langer zoo meer spraakuenvarring onlslond, die len sin He lol allerlei persoonlij ke en andere kwesties aanleiding flquot;f■

Toch hch ik eindelijk bestolen in een hroehure uiteen te zetten de grieven en meuken in volgende hladzijden omschreven , mei de eenige en ernstige bedoeling , om duur door te bevorderen beter inzicht en meer eensgezindheid, dun uu helaas vult op le merken.

/onder te meenen . dat nun mijn persoon uls medearbeider uan het gebouw der toekomst zoo veel wuarde behoeft le worden gehecht :

zonder te denken dut ik de zaken zooveel beter zou inzien dun veie anderen :

zonder er uan mee te willen doen . om diegenen in de beweging, die ik in menig opzicht tot in het diepst vun mijn ziel hoog acht. met slijk te willen werpen , hoop ik slechts datgene te zeggen , waarin ik zoo vrij hen van meening met hen le verschillen . aan hen overlatende, of ze dit wenschen te waardeeren dan wel ver-dacht te maken.

Ik voor mij heb dat, wal ik voor het meest ware en het meest goede houd , te lief. dan dal ik op den duur zou kunnen zwijgen, waar er zoo veel plaats grijpt , dal daarmede in strijd is, veel minder nog , dat ik zou kunnen voortgaan met propagundeeren voor een zuak onder leuzen . welke niet met mijne gemoedsstemming en mijne opvulling vun de dingen zijn overeen te brengen.

Voor ik mij dan ook tot schrijven heb neergezet , heb ik mij zelf vele muien afgevraagd. of ook invloeden van verschillenden aard . wellicht onmerkbaur , maar dun toch overwegend, dusdunig op mij hudden ingewerkt . dut mijne opinie daardoor in verkeerde richting was gewijzigd.

Sommigen zullen wellicht lachen om zoo\'n eenvoud: doch ik hob moeite. veel moeite gedaan. om mijn gemoed te dwingen het dwungbuis uan te trekken . dat tk wellicht schijnbaar zou leeren gebruiken , om daarmee gekleed er zóo uit te zien , uls sommigen

BIBLIOTHEEK DER RIJKSUNIVERSITEIT

UTRECHT.

-ocr page 4-

{en wel zij. die getvnnn zij» den hoogsten loon te voeren) dat zouden verlangen.

Ik heh opgezien tegen de scheuring, welke er komen kon tnx-srhen mij en zoovelen , met wie ik in de drie en twintig jaren, dat ik het part jleven mede heli doorgemaakt, zon menigen kamp-slag in de gelederen van de strijdende arbeiderspartij heh meegestreden.

Ik heb gehuiverd bij het denkbeeld, dat men aan mijne oprechtheid zonde twijfelen en de openbaring van wal er in mij omgaat. zou toeschrijven aan lafhartige. ja misschien zelfs aan laaghartige bedoelingen.

Eindelijk echter heeft noch het een , noch het ander mij kunnen •weerhouden in toepassing le brengen, wat de dichter sprak: • Als U \'t gemoed tot spreken dwingt .

Zoo spreek!quot;

Voor alles toch ineen ik, dat wc moeten weten. wat we aan elkaar hebben, en in geen gevat zou het mij mogelijk zijn. mij anders voor le doen , dan ik inderdaad ben; buitendien ineen ik , mij altijd te hebben gegeven zooals ik was. .

Dat nu wil ik blijven doen . omdat ik bij de vrijheid, die ik anderen gun , ook mijn eigen vrijheid lief heb.

-ocr page 5-

Zóu of Zóó !

WENKEN EN OPM ER KINOEN INZAKE DE, TEGENWOORDIGE TACTIEK IN DE ARBEIDERS-BEWEGING.

1.

Algemeene Opmerkingen.

Voor wie de beweging voor lotsverbetering onder den arbeidersstand waarneemt, is het niet onbekend, dat er ten opzichte van doel en middelen, die door de verschillende partijen worden aanbevolen, zeer uiteenloopende meeningen bestaan. Onder geen van deze partijen echter is zeer zeker in eigen boezem meer verschil dan onder die, welke de machtigste en meest energieke mag worden genoemd, n.1. de partij der Sociaal Democraten!

Wel tracht men dit te ontkennen, wel wil men het gaarne laten voorkomen, alsof dit niet het geval is, maar wie van naderbij dan als oppervlakkig toe-schouwer de beweging gadeslaat, weet maar al te goed , hoe inconsekwcnlies van allerlei aard en verschil van begrip op elk gebied het vereenigingsleven vermoorden, de partij inwendig verdeelen en haat en afgunst aankweeken, waardoor bijgevolg ook tus-schen de onzen de ware broederschap niet altijd meer wordt aangetroffen. Daardoor, en niet minder door het onophoudelijk twistgeschrijf, waartoe een dergelijke toestand aanleiding geeft, komt het, dat velen, die zich overigens wel tot het doel zouden voelen aangetrokken, worden afgestooten en anderen, die reeds bezig waren een handje mee te helpen, worden uitgedreven.

Is bedoeld verschijnsel op zich zelf te betreuren,— wanneer wij nagaan, hoe verschillende invloeden en zeer uiteenloopende oorzaken daarop hebben in-

-ocr page 6-

4

gewerkt, dan kan ons een dergelijk heden niet verwonderen ; maar worden wij ook tevens ons den plicht bewust, om te doen wat in ons vermogen is om de wakker geschudden tot eenheid te brengen, door zoo helder mogelijk uiteen te zetten, waarom en op welke wijze de strijd dient gevoerd te worden.

Dit laatste vooral laat veel te wenschen over, en de ongelukkige gewoonte bij sommigen, — die in velerlei opzicht verdienstelijke voorlichters zijn, — om een eens uitgesproken meening, tegen de beste weerlegging in, door dik en dun vol te houden, alsmede een misdadige neiging om overal en altijd te kritiseeren bij anderen, heeft in mijn oog reeds veel kwaad gebrouwen.

Zoo iemand, dan is het de Sociaal-Democraat, die karakter en standvastigheid in denkbeelden hoogacht, en kritiek als zeer noodzakelijk erkent, maar wie eigen ervaring raadpleegt weet tevens, hoe dikwijls het voorkomt, dat gebrek aan goed inzicht ons een verkeerd oordeel deed uitspreken , en dientengevolge de uitgeoefende kritiek juist het tegendeel bewerkte van wat wij er ons van hadden voorgesteld.

Zoo staat het bij mij vast, dat de menschen, in doorsnee genomen, beter zijn dan ze dikwijls schijnen, en dat de strijd, dien wij en de onzen tegen den maatschappelijken toestand van heden hebben aangebonden , sneller zou gaan in zijn voortgang en gemakkelijker in zijn oplossing, indien wij elkander in en buiten de beweging beter leei\'den verstaan, door duidelijker te doen uitkomen de kern van waarheid en oprechtheid, die in elke leer verscholen ligt-

Daarom vooral is het zoo noodig, dat de partij der onmondigen, de partij der verdrukten, in één woord onze partij, er op uit is zich goed te doen verstaan, opdat er in willen en werken eenheid van gedachten komt.

Doch helaas! wie de debatten op onze congressen nagaat en den venijnigen toon , die onze pers ontsiert , opmerkt, moet wel een zeer optimistisch mensch zijn, om te durven verklaren , dat dit nu reeds het

-ocr page 7-

geval is. Al de oude zonden, die het menschdom van af den vroegsten lijd tot op heden hebben ontsierd en ten verderve zijn geweest, vinden wij in al hare afkeurenswaardige schakeeringen daar terug. En dan nog te kunnen gelooven aan een plotselingen ommekeer ten goede, dadelijk na eene door geweld verkregen zegepraal, zooals velen schijnen te meenen , is toch wel wat al te gek, om op den duur te worden aangenomen.

Geen wonder dan ook, dat de reeds losgerafelde band, die de Parlementaire Evolutionairen en de Ultra-Revolutionairen schijnbaar beide nog te samen houdt, reeds zoo veel zwakke plaatsen vertoont, dat een onherstelbare breuk elk oogenblik te wachten is. Op zich zelf beschouwd is dat zeer te bejammeren, omdat bij humanere opvatting van den strijd niet had moeten worden vaneen gescheurd wat zoo hoogst-noodig eendrachtelijk bijeen had moeten blijven, maar voor dit laatste echter is het wellicht reeds te ver gekomen, en zal er dus ooit een einde worden gemaakt aan de onophoudelijke kibbelarij , ontsierd door onderlinge verdachtmaking en beleedigingen, dan dient nog te worden gedaan wat mogelijk is, om een breuk te voorkomen.

«Vóór alles toch, meen ik, moeten wij weten wat we aan elkaar hebben,quot; zeide ik boven reeds, en het is daarom, dat ik tot het uiteenzetten van de wenken en opmerkingen, die ik gaarne ten beste geef, overga, met geen andere bedoelingen dan die, welke naar mijn inzien bevorderlijk kunnen zijn aan beter inzicht en meer broederlijke eensgezindheid dan nu helaas valt waar te nemen.

-ocr page 8-

2.

De Loonskwestie!

Ieder, die buiten de beweging staat, zal natuurlijk. in de meening moeten vorkeeron, dat wij , als eerste middel tot lotsverbetering voor de onzen , er op bedacht zouden zijn, het loon, zoo lang hetloon-stelsel bestaat, zoo veel mogelijk op te voeren, om daardoor het peil van genot en van de bevrediging der allernoodzakelijkste behoeften althans eenigszins te verkrijgen.

En wie onder dezen er dan ook van hoort, hoe werkstakingen aan de orde van den dag zijn, en hoe er in dergelijke gevallen met bewonderenswaardige mildheid offers van allerlei aard worden gebracht op het altaar van broederlijke mededeelzaamheid, — moet het met dergelijke feiten voor oogen moeilijk kunnen rijmen , dal diegenen onder de werkgevers, die bij het bestaande stelsel nog wel het beste voor hunne werklieden zijn , het meeste worden bestookt.

De half en half ingewijde zal vermoedelijk denken , — omdat hij gaarne voor elke opgeworpen grief een reden wil vinden , — dat onze pers bij voorkeur tegen dezen uithaalt, opdat niet de meening ingang zal vinden, dat aldus gehandeld het loonstelsel nog zoo kwaad niet zou zijn, en deze meening bijgevolg van het hoofddoel: «afschaffing van dat stelselquot;, kan afleiden. Veel is daar dan ook vóór te zeggen, en iedereen, die bij eigen ervaring weet hoe gemakkelijk het gaat iemand, die met nieuwe denkbeelden pas heeft kennis gemaakt, door misleiding op zijpaden te helpen , zal toestemmen dat voor het laatste

gewaakt moet worden , — maar......het vestigen

van de aandacht daarop kan zeer verschillend gaan, en wanneer men dit dan ook zóó doet, dat het omgekeerde wordt vei\'kregen van wat men zich had voorgesteld, dan is dat een gevolg van de onhandigheid , waarmede de zaak is aangepakt geworden.

-ocr page 9-

7

Dat echter is van dusdanig optreden niet de eenige schaduwzijde, — immers, wanneer men op de eene plaats beweert een stelsel te bestrijden en op de andere \'personen en toestanden critiseert, alsof deze bestonden buiten dat stelsel, — dan helpt men aanvankelijke aanhangers in de war, terwijl overtuigde geestverwanten óf ons den rug toekeeren, óf ons gaan bestrijden.

Dit alles heeft ten opzichte van de loonskwestie zich reeds veelvuldig voorgedaan, en dat gebrek aan takt bij diegenen der onzen, die veeltijds, ondanks zich zeiven , voor leiders doorgaan , is oorzaak geworden van allerjammerlijkste gevolgen.

Niet omdat ik het om de personen noodig acht is het, dat ik een paar van deze wil aanhalen, — maar om te doen uitkomen, dat men met zoo te handelen een soort verbittering wekt tegen lieden, die dat toch in geen geval in de eerste plaats hebben verdiend , — en dan overdrijf ik niet, wanneer ik beweer, dat bij vele arbeiders naast Regout, — als het over uitzuigers en slavendrijvers gaat, — van Marken en Mansholt worden genoemd. Hoe dat komt, kan iedereen weten, die de arbeidende klassen van nabij kent, en niet gaarne zoude ik mij schuldig maken aan een uit te spreken vermoeden , dat wat wij daar waarnemen, in maatschappelijk hooger geplaatste kringen niet eveneens het geval zoude zijn. Ik bedoel n.1. dat men daar zoowel als elders, gewoon is na te praten wat door anderen wordt voorgezegd, en is het gelukkig waar, dat er, tengevolge de propaganda onder de onzen, in de laatste jaren een verbazend groot aantal is gekomen , dat zich een eigen en vrij gezond oordeel heeft weten te vormen, het is ook waar, dat er nog oneindig veel meer zijn , die , eenzijdig voorgelicht, wel goede strijdgenooten zijn zoolang er kan worden afgebroken , maar die voor organisatie en voor het sturen van de beweging in een aan den vooruitgang waarachtig bevorderlijke richting, ten eenen-male ongeschikt zijn. —

Daardoor komt het dat velen niet weten waaraan ze zich hebben te houden en gemakshalve de heele

-ocr page 10-

8

reeks van zwarigheden, die te doorworstelen zijn, in gedachten overstappen, voor rede en gezond verstand de oogen sluiten, en zich onverzoenlijk of anarchist noemen, al naar mate de te bewandelen weg de meeste aandacht trekt, of hot gemakkelijkst te begaan is.

Daaraan nu hebben in mijn oog de toongevers in de beweging, — dat zijn onze woordvoerders en onze mannen van de pers, — veel schuld. Schuld in dien zin, dat ze zich te veel bewegen tusschen aanhangers en te weinig tusschen onverscliilligen en tegenstanders van volksontvoogding.

Geschiedde meer het tegendeel, dan kan het niet anders of bun oordeel zou ook in zake de loons-kwestie dikwijls worden gewijzigd.

Waarom toch, heb ik mij dikwijls afgevraagd, waarom een Van Marken, — zijne instelling moge een kapitalistische zijn, — het eerst en het meest aangevallen ? Waarom een Mansholt onnoodig en onverdiend aan de kaak gesteld ? Heeft men dan tusschen kunnen en willen nog maar zoo weinig onderscheid weten te maken, dat men niet eens beseft hoe het ook zelfs de besten der onzen onmogelijk is op de gangbare regeling groote uitzonderingen te maken ?

Ik herinner mij wel, dat het onverkwikkelijke, wat wij ten dien opzichte hebben beleefd, reeds lang achter den rug is, doch omdat het in mijn bestek te pas komt, maar vooral omdat in hoofdzaak de verkeerde voorstelling van de zaak is blijven voortwoekeren , wil ik deze kwestie, die geen kwestie had behoeven te zijn, even aanstippen.

En wie herinnert zich dan nog niet, dat in hetzelfde No. van een onzer beste bladen, indertijd Mansholt aan de kaak werd gesteld, omdat hij zijn werkvolk minder goed zoude hebben behandeld dan anderen het hunne, en de Apostel voor Zeeland Van Marken beschimpte, omdat deze met meer te doen dan anderen zijn arbeiders zou paaien, om hen van revolutionaire begeesteringen af te honden?

Of meer loon en beter behandelingen dan de

-ocr page 11-

9

gangbare, zijn in het voordeel der onzen, en dan verdient hij of zij , die zulks beoogt en in praktijk brengt, zelfs in zekere mate onze waardeering daarvoor, — of het tegendeel is het geval, maar dan gaat het niet op beiden te bestrijden, zonder ons bespottelijk te maken.

Buitendien, de loonskwestie is een kwestie die met ons kapitalistisch stelsel zoo nauw is saamge-weven, dat de ondernemer, zoo min als de arbeider, op zich zelf daaraan veel kan veranderen.

Zoo min het de enkeling van de eersten, ook met den besten wil ter wereld gelukken zal, — welke tak van nijverheid men ook uitdenkt, — daarin noemenswaardige verbeteringen aan te brengen, evenmin zal de beste arbeider in staat zijn te dezen opzichte veel voor zijne makkers te doen.

Bij buitengewone begaafdheden zal het regel zijn dat de eerste , als de fortuin hem gunstig is, rijk wordt en de laatste, in het zelfde geval, een zekere positie verovert, die hem stijgen doet boven zijn voormalige klassegenooten. Voor wat beiden , elk op hunne wijze , uit onbaatzuchtigheid voor anderen doen hebben dezen daarvoor in de gegeven omstandigheden dankbaar te zijn.

Zoolang toch de wet van vraag en aanbod de markt beheerscht, zoolang geen edeler drijfveeren dan de zucht naar winst den menschen tot handelen prikkelen ; — zoolang de concurrentie, zooals wij die beleven, telkens op nieuwe middelen zint om zelfs gevestigde ondernemingen op alle mogelijke wijzen afbreuk te doen, zoolang zal het regel zijn dat iedereen, daarin betrokken, — verplicht wordt willens of niet dingen te doen, welke hij , indien hij inderdaad mensch is, diep veracht, maar toch genoodzaakt is uit te voeren, wil hij niet met eigen ondergang\' bedreigd worden.

Onder de werkgevers in \'t algemeen, — zoowel als onder de arbeiders, — kan ik in dat opzicht slechts dit onderscheid zien, dat de een dit stelsel van exploitatie en uitzuiging, — van onderkruiping en dagdieverij, — veracht en er dus gaarne mee

-ocr page 12-

10

zou uitscheiden, zoo er maar een betere regeling in practijk was te brengen, — terwijl de ander het goed keurt, omdat hij voor zich ei\' wel bij vaart, — onbesproken gelaten de groote massa, die nog te dom en te onverschillig is om, hetzij voor zich zelf, hetzij voor anderen, er een voet voor te willen dwars zetten.

Daarom en daardoor is het voor den werkgever in \'t algemeen vooralsnog evenzoo moeilijk de positie zijner onderhoorigen te verbeteren, als het deze laatsten mogelijk is het zelf te doen; — beider pogingen stuiten af op onmacht door isolement.

Wij zien dat in eigen beweging op klaarblijkelijke wijze bevestigd in de exploitatie van onze drukkerij. (1)

Wij wijzen met zekere mate van trots op de betere voorwaarden, waaronder het personeel van de drukkerij Excelsior werkt, in vergelijking met andere drukkerijen; maar heeft dit niet tengevolge, dat het geleverde werk van Excelcior duurder is dan dat van andere inrichtingen en daarom vele vereenigingen dat duurdere trachten te vermijden door op andere drukkerijen hun werk te laten doen?

Is het belangrijk jaarlijksch te kort op E. v . A. niet voor een groot deel aan deze omstandigheid te wijten ?

En wanneer dit tekort door de Afdeelingen wordt bijgepast, is dat dan eigenlijk veel anders dan liefdadigheid door de vereenigde arbeiders aan het personeel van Excelcior bewezen?

Hebben wij op die inrichting geen administrateur? Zeker! dat hebben wij !

Dien zijn we noodig, evenals elk ander ondernemer, indien hij als zoodanig niet zelf optreedt.

Ik voor mij heb het dan ook nooit kunnen goedkeuren, dat men de z.g.n. werkgevers (arbeidnemers) over één kam scheert, — of, zooals in het bovenstaande geval, nog erger gaat doen , — omdat ik er vele ken,

(1) ttc lezer houdc in hel oog, dal de copie voor deze brochure reeds eenige maanden geleden geschreven is, doch de uilgave door allerlei verhinderingen is verlraagd geworden; daardoor komt het dat sommige feilen niet precies kloppen met de toestanden van het oogenhlik, doch omdat dil alles aan de moraal als zoodanig niets al of loc doet, heb ik ze onveranderd lalen staan, zooals ze oorspronkelijk door mij zijn opgeschreven.

-ocr page 13-

u

die met ontzettende inspanning slechts het hoofd boven water houden en die tocli met en door hunne administratie dikwijls evenveel in onze maatschappij onontbeerlijken arbeid leveren, als de arbeider in algemeenen zin.

Wat voeding, woning, kleeding enz. aangaat, pro-liteeren ze van een hoogeren levensstandaard, — doch veeltijds niet zoo veel, of ik voor mij zou het gaarne iedereen zoo gunnen.

Niet de z.g.n. werkgever alleen is het, die altijd zoozeer teert op de opbrengst van den arbeid van anderen , maar dat leger van tusschenpersonen, dat leeft van den handel, — van den opbrengst van zware belastingen , — van eigendommen , — van geloof en jenerer, kortom van al datgene, waarvan niemand zou moeten kunnen leven in een goed geordende maatschappij.

Deze menschen zijn het, die onze spoortreinen vullen , onze koffiehuizen bevolken en de straten van onze groote steden dikwijls meer onveilig maken voor de vrouwelijke kunne , dan onze uitgehongerde arbeiders in de veenstreken dit doen voor den bewoner van de eenzame pachthoeve, inzake inbraak en diefstal, wat niet veel erger is.

Bovenstaande maatstaf van beoordeeling dan ook heeft bij mij voorgezeten inzake de kwestie Mans-holt en anderen.

Voor alles had men de vraag moeten stellen, of Mansholt rijk was en hoe rijk.

Zat het er inderdaad bij hem aan, — had hij zooveel kapitaal, of wierp zijne boerderij zooveel voordeel af, dat hij zijn werkvolk beter kon behandelen dan hij deed, zonder zeiven tot den stand van arbeider af te dalen ?

Zoo ja, dan — natuurlijk — mocht men van hem, die ik meen, dat onze beweging zoo dikwijls en belangrijk heeft gesteund, verwachten, dat hij tegenover zijne arbeiders nog beter zoude zijn dan hij dat in zijn brochure heeft aangetoond te wezen.

Waar deze vraag echter niet eens is opgeworpen

-ocr page 14-

12

en men zonder dat is doorgegaan met hem indertijd af te maken op oen wijze, zooals men ook mij en anderen zou kunnen doen, wanneer ik door het aannemen van een klein werkje eens een twee- of drietal knechts in het werk heb en die moet loonen naar den gewonen maatstaf, — nu te meer acht ik mij verplicht tegen dergelijke handelwijze te protesteeren.

Dat opzetten van de werklieden tegen de werkgevers, door de verhouding voor te stellen, als die van het roofdier en zijn prooi, heeft buitendien, meen ik, meer kwaad gesticlit dan goed.

Het is bij mij vooralsnog een uitgemaakte zaak, dat, al zijn met de tegenwoordige regeling van ex-ploiteerders en geéxploiteerden de belangen dezelfde niet, — dat toch door inrichtingen op den grondslag als die van de Fabriek van Van Marken, meer toenadering zal komen en meer wederzijdsche waardeering kan worden gekweekt, ook al is die inrichting niet zoo, als wij die zouden wenschen , dan dat op vele andere fabrieken het geval kan zijn.

Bovendien, de overgang in gemeenschappelijk bezit in de verre toekomst zal gemakkelijker, de verhoudingen minder gespannen, de dan nog te bestrijden tegenstribbelende ego\'isten zullen minder talrijk zijn, dan dat met het tegenwoordige kleinbedrijf en de toenemende schrillere verhoudingen het geval kan zijn.

In de streken mijner omgeving toch, een oord , waar in verhouding tot andere gedeelten\' van ons land zeer zeker verreweg de meeste werkstakingen plaats hebben — hier, waar werkgever en arbeider elkaar inderdaad , vooral ten opzichte der werkzaamheden in de venen en bosschen, in den landbouw en de veeteelt, als vijanden beschouwen en dan ook op dien voet tegenover elkander staan , — hier zou reeds veel leed verzacht zijn en veel ellende kunnen worden weggenomen door eene betere wederzijdsche verstandhouding en een beter inzicht van zaken aan beide zijden.

Of hier de werkgever zich dan niet verrijkt? Ja,

-ocr page 15-

43

en neen! Van verreweg de meesten moet het laatste worden getuigd.

Wanneer ik toch zeg, dat van lieverlede meer dan de helft van onze geheele gemeente in handen is gekomen van slechts weinige grootkapitalisten, — menschen , waarvan enkelen al hunne bezittingen in hun geheele leven niet komen te zien, — die voor de verbetering en exploitatie daarvan nooit een hand hebben uitgestoken, geen vinger hebben verroerd, dan voor het innen van de pacht en het opstrijken der koopsommen van datgene, wat die bezittingen opleveren , — dan beseft men reeds , dat in zulk een streek anderen worden gevonden, die de exploitatie voor een zeker bedrag van hen overnemen, hetzij als kooper, \'t zij als huurder, of in anderen vorm.

Zij treden op onder de benamingen van veenbaas, houtbaas, boer of anderszins — en zijn bijna zonder onderscheid op voortdurenden voet van oorlog met alles, wat van hen athankelijk is, — zonder te verzuimen deemoedige hoofdknikjes te geven en kruiperige beleefdheidsvormen in acht te nemen tegenover den almach-tigen eigenaar, die hen uitzuigt met niet minder beleid en overleg, dan zij het op hun beurt de arbeiders en de vrouwen en kinderen van deze laatsten doen.

Was nu een dergelijke toestand niet spoedig te verhelpen door ook de werkgevers , in plaats van ze uit te schelden , door uiteenzetting van het bestaande onrecht eenerzijds, en door aantrekking door goede voorbeelden anderzijds, tot samenwerking over te halen 9

Ik voor mij geloof dat! Velen doen dat, en het succes blijft niet uit.

En niettegenstaande ik in mijn veel-jarige toewijding aan de arbeiderszaak reeds menige teleurstelling in deze heb opgedaan , — heb ik toch ook dikwijls van achteren ingezien, dat wij zelf daarvan voor een groot deel de schuld kunnen zijn.

Het staat bij mij vast, dat onkunde vooral, zoowel bij den middelstand als bij de arbeiders, het moeilijkst weg te ruimen struikelblok is, waarover

-ocr page 16-

14

reeds vele goede voornemens en uit te voeren verbeteringen zijn verongelukt.

Met onze medewerklieden de zaken zoo voor oogen te stellen, alsof de werkgever — en deze in hoofdzaak — de uitbuiter is, begaan wij een tactische fout, waarvan de gevolgen niet achterwege kunnen blijven.

Met de gemeente miiner inwoning springt dat duidelijk in het oog.

Dat voorbeeld heb ik, waar ik als spreker optrad, reeds dikwijls aangehaald, doch niettegenstaande dat, kan ik de verzoeking niet weerstaan, om ook in deze bladzijden enkele in \'t oogloopende feiten aan te stippen.

Genoeg zij het hier, wanneer ik mededeel, wat ik straks ook terloops aanhaalde, — dat in de gemeente Opsterland, een der grootste gemeenten des lands, — meer dan de helft van don bodem behoort aan slechts enkele groot-grondbezitters, die bijgevolg in den vorm van pacht- en verkoopsommen, van rente en hypotheken een ontzettend groot deel van de opbrengst tot zich nemen.

De nijvere bevolking, in hoofdzaak bestaande uit bovengenoemde categoriën van personen, plus een kleine groep handeldrijvende burgers en handwerkslieden , benevens een enorm getal arbeiders, moet die voordeelen der bezitters bijeenscharrelen; — allen groepen van menschen, onder welke wij slechts ach • teruitgang kunnen waarnemen op elk gebied.

Vele aanzienlijke burger- en boerenfamilién heb ik in den tijd, dat dergelijke verschijnselen mijn aandacht trokken, in den worstelstrijd om te blijven wat ze waren, zien ondergaan en nog grooter aantal arbeidersgezinnen zien afdalen tot den bedelstaf.

In dezelfde verhouding als de enkele groot-grondbezitters hunne schatten hebben zien ophoopen en hunne eigendommen zion uitbreiden, zijn dc werkbijen , zoowel zij, die \'s Zondags een hoed dragen als de anderen, die hun versleten petten en dito plunje met het aftreksel van een pakje borstelverf een ietwat Zondags tintje trachten te geven, — naar

-ocr page 17-

15

den kelder gegaan, d. w. z. naar de armvoogden, die reeds bezoldigingen genieten, omdat het hoe langer zoo moeilijker valt voor dergelijk beulenbedrijf menschen te vinden.

Wanneer ik hier mededeel, dat onze Raad het er met moeite heeft doorgekregen , dat een inkomen van f 4G0 \'s jaars voortaan niet meer belast zou worden, met moeite, omdat de belastingschuldigen reeds bijna den tienden penning betalen , enkel aan Gemeentebelasting , — dat het aantal vaste bedeelden in onze gemeente is toegenomen van 430 in 1880 tot 012 in 4800 en het aantal losse bedeelden (dat zijn voor een groot deel werkeloozen, steeds in aantal toenemende door bovengenoemden achteruitgang in andere standen) — in denzelfden tijd van 487 tot 1068, — dan meen ik, dat het nog zulk heksenwerk niet behoefde te zijn, om allen te samen, de z.g.n. werkgevers zoowel als de arbeiders, de oogen te openen voor het verderfelijke en met totalen ondergang dreigende stelsel.

Doch , wanneer men nu voortbouwende op onware gegevens als deze, dat de veenbazen f 00 per dag zouden verdienen enz., — dezen, waarvan ik vele ken, die óf zich zeiven, óf hunne kinderen zien ondergaan, — van onze propaganda af keerig maakt, dan is dat onze schuld, daar zij , die dergelijke onwaarheid verspreiden, verkeerd zijn ingelicht en meestal halstarrig vasthouden aan de eens door hen gedane uitspraak , al kunnen zij de overtuiging verkrijgen, gedwaald te hebben.

Of ik voor mij dan met die «achteruitgaandequot; boeren , burgers en veenbazen medelijden gevoel en of ik zou willen beweren, dat sommige hunner het niet tot zeker vermogen hebben gebracht?

Alweer, ja en neen! Zeker, ik heb medelijden met de zelfverblinding en den grootheidswaanzin, waaraan velen hunner lijdende zijn, — zoowel als met de arbeiders, die door armoede en afbeuling gevoelloos worden voor het leed, dat hen knelt; — doch dat maakt het ons tot plicht, om én arbeider én werkgever op te wekken uit de doodende rust,

-ocr page 18-

46

waar invloeden van eeuwen lang onrecht en ellende, hen hebben gebracht helaas.

En rijk worden? .Ta, twee of drie van die aangeduide veenbazen hebben, —voor zoover mij bekend is, — zooveel bij het bestaande stelsel naar zich toe weten te halen, dat zij bij hun dood nagenoeg een ton hebben nagelaten.

Dezen hadden dus een weinig loon meer kuuneu betalen; doch wanneer men dit kapitaal eens oversloeg over de vele honderden arbeiders, die deze verveners aan hun kapitaal hielpen, wellicht dat elke arbeiders-familie nog geen f2 te ontvangen had.

Uit dergelijke uiteenzetting blijkt naar mijn inzien , dat het zoo duidelijk is als de zon, die aan den hemel staat, — dat (eenige uitzonderingen daargelaten) het niet juist de werkgever is, die zoo voor en boven alles voor al wat leelijk is behoort te worden uitgemaakt, maar dat de gemeenschappelijke vijand in verreweg de meeste gevallen is de alles beheerschende bezitter, beter gezegd: het tegenwoordig onbeperkt heerschend stelsel van privaat bezit, een vijand, die dus ook gemeenschappelijk behoort bestreden te worden.

Werkt nu de bovenaangeduide verarming de propaganda in de hand? In zeker opzicht, ja! Wij hebben gezien, dat het alleen in deze streken (kies-distrikt Schoterland) mogelijk is geweest in 4888 een der onzen voor de Tweede kamer af te vaardigen.

De stemmen, daarvoor noodig, moesten natuurlijkerwijze bij ons beperkt kiesrecht komen, niet van de arbeiders, die in hoofdzaak dat kiesrecht niet hebben, — maar van de verschillende werkgevers en enkele andere kleine burgers , die voor een oogenblik de schillen van de oogen schenen te vallen.

Doch toen — in mijn oog althans — door velerlei onhandige en de beweging nadeelige practijken, het zoo ferm en manmoedig optreden van onzen pleitbezorger in de Tweede kamer werd verdonkerd, heeft dit tengevolge gehad, dat velen hunner weer zijn ingedommeld en anderen de beweging vijandig

-ocr page 19-

17

werden en wel in die mate, dat liet Treub gelukte, met eenige welgekozen stooten Dotnela Nieuwenhuis van den kamerzetel te dringen.

Kon dit anders? Neen! en nogmaals neen! Wanneer wij alles wat niet bepaald handenarbeider is van ons stooten; door die allen te betitelen met namen als: «uitzuigersquot; en «dievenquot;, — wanneer wij niet in- en voorlichten, niet aantrekken en opbouwen , — wanneer wij enkel kritiseeren, zonder duidelijk en bevattelijk uiteen te zetten , hoe het net, waarin wij allen te zamen zijn verward geraakt. ons over het hoofd is geworpen, — als we niet aantoo-nen, dat in streken als de bovengeschetste eigenlijk allen arbeiders zijn, voor zooverre zij niet tot de groot-kapitalisten behooren, en dus allen hetzij direct, hetzij indirect belanghebbenden zijn bij een betere regeling dan de tegenwoordige, — zoolang zal de verarming onder den middelstand geen genoegzaam sterke prikkel blijken, om met ons de handen aan den ploeg te slaan.

En vraagt men nu, wat wij hebben aan dat steeds vermeerderend lornpenproletariaat ?

Niets , totaal niets !

Dagelijks heb ik de gelegenheid om waar te nemen , dat de arbeiders ook te arm kunnen zijn.

Armoede in haar schrilste schakeeringen toch is de vreeselijkste van alle plagen , die de menschheid teisteren kunnen.

Ik ontmoet er velen. bij wie reeds alle energie, alle geestdrift is uitgedoofd.

Slechts bij het zien van voedsel flikkeren hunne fletse oogen , en als ze door het een of ander toeval den sterken drank machtig kunnen worden en dit vocht hun weinigje verstand, dat nog is overgebleven , heeft beneveld, dan zijn ze nauwelijks te onderscheiden van zekere «Wilden\'\', die met oen rondedans hun hoogtijd vieren bij een gebraad van menschenvleesch. Dan komen de messen voor den dag en hun geheele uilerlijk teekent onverstand, woestheid, dierlijkheid.

Daarom meen ik — men mag dat lapmiddelen noe-

2.

-ocr page 20-

18

men of niet, dat, wanneer het ons ooit mocht gelukken het met de propaganda daarheen te sturen, flat in den vorm van verhoogd loon, of door landnationalisatie , (wat mij daarvoor een practisch middel toeschijnt) — de bestaande , zoowel als de toekomstige rijkdom meer komt onder de arbeiders, die daardoor hun levensstandaard zouden kunnen ver-hoogen, — dat het dan eerst en dan alleen met de verspreiding der Socialistische, zoowel als met de Communistische denkbeelden snel zou vooruitgaan.

Evenals elke andere zaak moet ook het vereeni-gingsleven geld kosten. Om dat te verkrijgen moet de arbeider er op bedacht zijn , dat hij zich den door hem verrichten arbeid zóó laat betalen, dat het te ontvangen loon niet alleen toereikend is voor den aankoop van de noodige levensbehoeften, als : voedsel , woning, kleeding enz., maar dat hij bovendien het noodige voor contributiën en abonnementsgelden, voor couranten en andere lectuur, alsmede een zeker bedrag voor noodzakelijke weerstandskassen kan bestrijden.

Zoolang de onzen dat alles ontbreekt, — zoolang het leven bij velen zoo ellendig is, als ik dat bij een onnoemelijk aantal ken, — zoo lang blijft het gemakkelijk werk voor soldaten en zielenronselaars van allerlei slag, in blauw en in zwart, om het volk te exploiteeren en te demoraliseeren.

Met te veel te praten over den beteren toekomststaat streven wij het doel voorbij en verzuimen wij bij gevolg het beploegen van den akker, wTaardoor Veel van het uitgestrooide zaad verloren raakt en de hoop op een voldoenden oogst, vrees ik, een hersenschim zal blijken.

De concurrentie onder de werkgevers, zooals wij die aanschouwen, is zoowel een vloek voor den arbeider in \'t bijzonder, als voor de maatschappij in het algemeen.

Als in onze streek de veengronden worden verkocht , dan bieden de veenbazen tot in het onmogelijke tegen elkander op en is eenmaal dat veen te duur gekocht, dan worden de bazen reeds daardoor

-ocr page 21-

19

genoodzaakt, urn dat te veel weer te verhalen op de loonen der veenarbeiders.

Wie echter dat te veel opstrijkt, dat is de eigenaar , die niet eens meer de moeite doet, zelf die sommen te komen halen. Och , neen ! zelfs dat weinige, n.1. daarvoor een eenigszins verre reis te moeten te doen en dus voor een enkele maal den don-zigen leuningstoel in het weelderige vertrek eener prachtige villa nabij een groote stad te moeten verruilen tegen de zachte kussens van een spoorwegcoupé le klasse, — zelfs die geringe moeite is hun reeds te veel geworden.

En als straks dat steeds omlaag gedrukte loon zoo laag is, dat het den arbeider onmogelijk is daarvan in het leven te blijven, dan, ja dan staakt hij den arbeid. Maar wie nu meenen mocht, dat in de meeste gevallen de bazen zich daarover ongerust maken, vergist zich.

Zij , de bazen, weten wel, dat uitgehongerde karkassen als 60% dier werklieden met zich omdragen, — dat menschen, die met moeite van de eene week in de andere komen, geen weerstandsvermogen hebben en den strijd bijgevolg nooit lang kunnen volhouden. En dat aan het eigendom geen schade wordt toegebracht , daarvoor zorgt wel de autoriteit, — doorgaans op de hand van de werkgevers, — door het zenden van maréchaussées en soldaten.

Is het zoo in de veenderij , hetzelfde valt op te merken ten opzichte van het bedrijf onzer houtbazen en boeren.

Werd er minder besteed in den vorm van koopsom en pacht en daarentegen meer betaald aan arbeidsloon, de millionair zou minder gemakkelijk en minder snel zijne millioenen zien ophoopen, — terwijl onze arbeiders en onze z. g. n. middelstand er wél bij zouden varen.

Of ik dus ten slotte zou willen beweren, dat net door een meer inlichtende en meer overtuigende propaganda zoo ver zou kunnen komen, dat de werkgevers uit eigen beweging het loon van hunne werklieden zouden gaan verhoogen , of wel dat hooger

-ocr page 22-

20

loon en korter werktijd armoede en onrecht uit onze maatschappij zouden wegnemen? O, neen!

Maar.... een andere vraag is, of daardoor niet veel snerpend leed zou kunnen worden verzacht, en of een verhoogde levensstandaard der arbeiders en daardoor betere strijdbaarheid dier verdrukten, onze zaak niet ten goede zou komen. Een volmondig : »ja !quot; zou mijn antwoord moeten zijn.

De werkgever in algemeenen zin (enkele groote ondernemingen en monopoliën uitgezonderd) is of wordt veeltijds slachtolTer van de breidelooze concurrentie woede, evenals de arbeider.

Het loon te verhoogen of den werkdag te verkorten in zulk een mate althans, als ik voor mi] dat zou wenschen , zal den werkgever onder het tegenwoordig stelsel steeds onmogelijk zijn, omdat hij moet concurreeren tegen den gene, die het niet doet.

De ingekankerde gewoonte echter bij de meeste der werkgevers, om het altijd daar zooveel mogelijk weg te halen, waar het niet is, bij den arbeider n.1., — is tot op zekere hoogte de oorzaak van den algemeenen achteruitgang in de onderste lagen der maatschappij.

Het staat bij mij vast, dat — zal ooit het nageslacht een beteren toestand aanschouwen dan deze, waarin ))de eene zijn dood, den andere zijn brood is,— dan moeten onze arbeiders, voor het grootste deel althans, hebben leeren inzien, dat slechts in eendracht hunne verlossing schuilt.

Is eenmaal die eendrachtszin als een zuurdeesem den werkersstand doortrokken, dan zullen zij geleerd hebben er op bedacht te zijn:

a. «hun loon te verhoogen , naarmate het peil van behoeften stijgt;

b. »hun werkdag in te korten in dezelfde verhouding, als de stoom den handenarbeid vervangen gaat;

c. «hunne uitspanningen en genietingen te veredelen in dezelfde mate, als hunne opvoeding, hunne omgeving en hun levensstandaard verbeterd zijn.\'

Staan wij eenmaal op zulk een bodem, dan zal de werkgever van tegenwoordig, — die, óf om zelf

-ocr page 23-

21

staande te blijven, óf ora zijn kinderen niet geheel weerloos in een wereld van menschelijke wolven en hyena\'s achter tc laten , wel genoodzaakt is , als het moet, ten koste van alles wat den mensch tot mensch maakt, dikwijls als dief en bedrieger op te treden, met het vreeselijk spook van het pauperisme achter- en den opgepakten of dwarrelenden drom van concurrenten vóói zich — van lieverlede als tusschenpersoon verdwijnen ; ten eerste, omdat hij hoe langer zoo meer overbodig wordt en ten andere, omdat het »arbeidor-zijnquot; hem en de zijnen een leven zal waarborgen, zoo goed en zoo aangenaam, als waarvan velen hunner met nukkige klanten en onvoldane nota\'s thans niet kunnen droomen.

Dat de hier aangeduide toestand nog niet bestaat, vindt niet zijn oorzaak daarin, dat er niet genoeg is geredetwist, gehekeld en gevochten, — niet daarin , dat domheid en onkunde , leugen en bedrog, haat en wrevel niet genoeg den vrijen teugel zijn gelaten , — maar in hoofdzaak hierin , dat men elkander niet heeft verstaan , daar men er niet op uit was zich duidelijk uit te drukken, zeker, omdat duidelijkheid veeltijds te eenvoudig schijnt, terwijl toch het eenvoudigste vaak het meest ware is.

Daarom vooral moeten wij trachten boven alles de waarheid hulde te doen , al komen wij daardoor mogelijk in conllict met z.g. medestanders, of wel zijn wij genoodzaakt door die waarheid eigen dwaling of zwakte te openbaren , — want alleen op zulk een fundament zullen wij een hecht en duurzaam gebouw kunnen optrekken.

Zoo ook zou ten opzichte van werkgever en arbeider , wanneer beide partijen afstand konden doen van veel , wat de bevordering van de gemeenschappelijke welvaart in den weg staat, — de band van eendracht nauwer kunaen worden toegehaald. En menigeen , die er nu vrij wat prat op is, nu en dan eens te kunnen bevelen en daarvoor zich slapelooze nachten getroost, kwetsende vernederingen van alles wat hooger heet te staan dan hij, verdraagt, — zou oneindig veel meer geluk kunnen smaken bij

-ocr page 24-

z.g. dienstbaarheid in eene arbeiders-associatie , als het loon niet zoo laag en de werkdag niet zoo lang was.

^Niet de werkgever moet langer uitsluitend onze vijand zijn en als vijand der onzen worden gebrandmerkt , enkel omdat hij werkgever is , — al is dat nu, helaas! nog dikwijls het geval, omdat het hem, zoowel als den arbeider, ontbreekt aan duidelijk inzicht van zaken.

Onze vijand, zoowel als de zijne, dat is de kapitalist, die beide partijen hartelijk uitlacht, als hij tenminste ziet, wat wij behoorden te zien , n.L, dat alle wederzijdsche uitzuigerij in hoofdzaak tengevolge heeft, dat hen bij dat alles het leeuwenaandeel in den schoot wordt geworpen.

Zoodra bovenbedoelde veen- en hontbazen — het spreekt wel als van zelf dat ik hier het oog heb op het klein bedrijf — en landbouwers, zoowei als nog vele anderen, door een eendrachtelijken eisch van de zijde der arbeiders tot betaling van hooger loon worden gedwongen , eene verhooging, welke zij op den marktprijs der producten niet zullen kunnen verhalen, omdat die eisch vooralsnog niet internationaal zal kunnen geschieden , — dan zullen zij er op bedacht zijn zooveel minder te besteden aan koopsom , huur of pacht, als het meer te betalen weekloon bedraagt.

Alsdan kreeg de zich in alles bevoordeelende bezitter minder en de arbeider meer, — en langs dien weg zou zelfs bij het stelsel van privaat-bezit veel kunnen worden gedaan.

Ik heb er altijd hinder van gehad , wanneer ik op openbare vergaderingen in onze streek, waar ik beier dan elders bekend ben, die z. g. n. werkgevers door sommige van onze woordvoerders zoo aan de kaak hoorde stellen, — omdat ik ze kende onder de aanwezigen, die staande aan den rand van verval en armoede , inderdaad in velerlei opzicht een nog treuriger leven hadden, dan velen der onzen.

Dergelijke niet steekhoudende uitkleederij heeft dan ook tengevolge gehad, dat sommige der hunnen.

-ocr page 25-

23

die nu reeds bloot arbeider zijn, zich van onze beweging afkeerig toonen, terwijl zij lachen om die z. g. n. «opsnijerijquot;, waarmee ook werkelijk ieder ernstig mensch den spot zal drijven.

Dat er fabrikanten en andere ondernemers zijn, die ontzettende winsten maken, valt niet te ontkennen en allerminst heb ik op het oog dezen te verdedigen; maar dat r.egenover deze uitzonderingen een onnoemelijk aantal worden gevonden, die voor een deel door concurrentie en voor een ander deel door gebrek aan inzicht van wat hen redden kan, worden doodgedrukt, is niet minder waar.

Bij de velen, die ik in mijn tijd in allerlei vakken en bedrijven van uit den werkgeversstand heb zien afdalen tot dien van dienstbaren, nemen buiten de personen in bovengenoemde bedrijven ook de aannemersbazen een belangrijke plaats in.

Wanneer er één vak wordt gevonden, waarin de achteruitgang ten gevolge van concurrentie voor iedereen in het oog loopend is, dan vooral mag dit als zoodanig genoemd worden.

Toen ik een leerjongen was en de aannemerij nog niet zoo algemeen was als tegenwoordig, hadden de timmerbazen in den regel een behoorlijk bestaan en werden de knechten niet zoo verlaagd tot beunhazen , als thans het geval is. — Met het stelsel van aannemen meer en meer in practijk te brengen, werd het bouwvak voor een groot deel verknoeid en het bestaansmiddel eveneens.

Ik ken ze in mijne omgeving, aannemers van onbesproken gedrag, — mannen , die in practijk en theorie hun vak in den grond verstaan en in velerlei opzicht goed zijn uitgeslapen. Het zijn dezen, die ook de boerenplaatsen bouwen voor onze grooteigenaars , — maar, om aan werk te komen , nemen zij deze werken zoo laag aan, dat, — niettegenstaande zij \'s daags mee arbeiden, halve nachten en heele zondagen zitten te blokken op veeltijds onduidelijke bestekken , of te peinzen op in verhouding tot de aannemingssom veel te werkzame détails voor de uitvoering, — schade hun deel is.

-ocr page 26-

24

Mot en l)ij luinne knochlen i« hun slaupitlaats liet strooleger der beddek ast in de opgeslagen keet; dag uit, dag in is het voedsel brood en nog eens brood met \'s avonds erwten of boenen, glimmend gemaakt door het vet van een weinig uitgebraden spek; — en niettegenstaande dit eenvoudige leven , schieten velen hunner de paar cent n bedrijfskapitaal, die zij even noodig hebben als hun gereedschap, er bij in.

Welnu! — dezulken uit te maken voor nitbuiters en roofdieren, die zich vetmesten door den arbeid van anderen, is toch wel wat al te gek en in elk geval niet de aangewezen weg hen tot ons te trekken en hen te overtuigen , dat hun plaats behoort te zijn in de gelederen van het strijdende arbeiders-leger, — waarbij ze feitelijk behooren , ook al zijn ze krachtens hun belastingsbiljet kiezers en volgens den gebruikelijken term op hiet patent mannemers van publieke werkenquot;.

Nu dunkt mij , dat we er meer op bedacht moeten zijn de vele kleine werkbazen , die elkander op elk gebied van voortbrenging bevechten, op alle mogelijke wijzen aan het verstand te brengen , dat, wanneer zij meewerken om het lot hunner onder-hoorigen te verbeteren , dit indirect hun zelf of hunne kinderen ten voordeel zal komen , aangezien óf zij , óf de hunnen, toch onvermijdelijk voor verreweg het grootste deel tot den stand van loontrekkende arbeiders zullen afdalen.

Voor die zelfde waarheid moet verder den gehee-len Middelstand de oogen geopend worden. Zij raceten allen tot het besef worden gebracht, dat hunne onhoudbare positie niet daaraan te wijten is, dat de rijken niet genoeg verteeren en de weelde niet voldoende botvieren.

Och neen! de meesten der rijken kunnen niet meer verteeren. Alles wat de scheppende kracht van kunst en genie weet uit te vinden om hun steeds verfijnde zintuigen te prikkelen, schaffen zij zich aan; maar wat daartoe wordt uitgegeven, krijgen in de meeste gevallen onze kleine burgers niet.

Hunne kleeren laten ze komen uit Parijs, hunne

-ocr page 27-

25

meubels uit de groote magazijnen van Weenen, hunne kostbare rijtuigen uit Berlijn , enz. enz. Wel worden hun door quot;sommige leveranciers tusschenbeiden wellicht behoorlijke aderlatingen toegediend; maar die leveranciers zijn niet zij , die in het klein hunne inkoopen moeten doen.

De menscben waarvan dezen moeten leven , dat zijn hunne lotgenooten en de breede arbeiderstand. Welnu, zoodra de laatsten in den vorm van verhoogd loon , zich een grooter deel van de bestaande en ook van de toenemende rijkdommen weten toe te eigenen, zullen dezen zich aanschaffen wat hun nu ontbreekt.

Met het verhoogde loon stijgt de koopkracht en door de vermeerdering van vraag naar producten zal de vraag naar meer werkkracht gelijken tred houden. Nooit hadden onze arbeidende klassen en die daar even boven staan het beter, dan toen met de opkomst van den stoom voor het bouwen van fabrieken en het maken van machines enz. er handen te kort kwamen en de producten wel duur waren , maar het loon naar evenredigheid daarvan meer dan gewoon gestegen was.

Wanneer wij pralen van arbeiders-kwestie en ar-beiders-vraagstukken, dan meent men nog te algemeen, dat wij enkel en uitsluitend datgene op het oog hebben wat de belangen van onze aardewerkers en handwerkslieden raakt. Daarom vind ik het woord «Volkspartijquot; voor «Arbeiderspartijquot; nog zoo verwerpelijk niet, omdat het meer in het breede, veel-zeggender en krachtiger, weergeeft wat wij anders onuitgesproken toch onder dat woord verstaan. HET VOLK! Daartoe behooren zoowel de minimum-lijders; onderwijzers en schoolhoofden enz., als de kleine ambtenaarsstand , — zoowel de kantoorklerk als de winkelier, — zoowel de kleine werkbaas als de daglooner, — en dezen allen te samen hebben slechts één gemeenschappelijken vijand, dat is de KAPITALIST, die hen allen, in het door hem op de been gehouden stelsel, voor zoo weinig mogelijk loon bij zoo weinig mogelijk rechten, aan zich en zijn trawanten dienstbaar maakt,

-ocr page 28-

3.

De Revolutionaire taktiek.

Nu bij congres-besluit is uitgemaakt, dat de revolutionaire taktiek niet alleen zal worden gehandhaafd , maar meer dan voorheen op den voorgrond zal worden gebracht, moet ik volmondig bekennen met deze wijziging niet te sympathiseeren. — Dat zulk een meening echter onder de partijmannen in den loup des tijds, — waarin het meerendeel der hunnen , die vóórstemden, de beweging mee hebben doorgemaakt, — is gerijpt, heeft mij niet verwonderd , omdat tot het verkrijgen van die meening verschillende omstandigheden hebben medegewerkt; o.a. Ie. de vrees voor verwatering der onzen door medewerking met anderen in de z.g. Volkspartij ;

2o. de onophoudelijk verkondigde bewering, dat de hedendaagsche maatschappelijke inrichting haar ontbinding nabij is;

3e. het ongeduld van degenen, die verdrietig worden door steeds te moet en ploegen en zaaien, terwijl ze voorzien, dat door anderen geoogst, zal worden ; — en eindelijk , de vreesaanjagings-theorie van sommigen.

Of de vrees voor verwatering werkelijk gegrond is , of niet, kan buiten bespreking blijven , daar ik geloof dat plaats gehad hebbende feiten het tegendeel genoegzaam hebben bewezen.

Dat ten opzichte van het tweede grenzenloos veel misverstand bestaat , is bij mij boven twijfel, en dientengevolge wil ik mijn inzicht omtrent dat punt duidelijk maken.

Het spreekt wel als van zelf, dat ik de meening deel, dat het stelsel van exploitatie en uitbuiting, zooals wij dat hoe larger zoo meer, cok al stonden

-ocr page 29-

27

wij buiten de beweging, konden waarnemen, eindelijk moet vastloopcn.

Mij dunkt, dit valt nog al gemakkelijk op te merken , daar wij zien , hoe de machines in steeds toenemend aantal en met steeds verbeterd en versneld productie-vermogen de handenarbeiders aan kant zetten , waardoor bijgevolg de werkeloosheid onrustbarend toeneemt.

Waar het grootbedrijf den kleinen man dooddrukt, — waar het aantal ambtenaren zich gestadig uitbreidt en de uitgaven voor de soldaterij stijgen, — waar de belastingen, waaruit deze lieden betaald moeten worden , in hoofdzaak drukken op hen, die hoe langer zoo minder in staat zijn , dien druk te dragen, — waar de bodem, waaruit alles moet worden te voorschijn geroepen , reeds door menschen , die vóór ons leefden in beslag is genomen, zoodat de ondernemer aan zich steeds uitbreidende geslachten schatting moet betalen , —

daar moet dit alles en veel meer onvermijdelijk tengevolge hebben: steeds toenemende ophooping van kapitaal bij ééne klasse en toenemende verarming bij andere klassen der samenleving.

Dat dit proces echter reeds bijna zijn laatste stadium is ingetreden , meen ik niet, omdat de partij der bezitters bij de massa gesteund wordt door gren-zelooze onkunde en geloof aan alles wat onnatuurlijk is, en zij bovendien de macht in handen heeft en nog lang in handen kan houden, daar geld en nog eens geld bij alles den doorslag geeft.

De uitbreiding der legersterkte , hoe verderfelijk op zichzelf, heeft de voorwaarden van dienstneming eenigszins uitlokkender gemaakt.

De 200.000 slachtoffers van den Atjeh-oorlog, verleid door het verhoogde handgeld , hebben de overvoerde markt van arbeidskracht een weinig verlicht.

De onzinnige weelde en de naar uitspatting hunkerende lanterfanters van allerlei slag hebben in de laatste jaren een onnoemelijk aantal vrouwelijke ver-stootelingen in de prachtige bordeelen gelokt.

-ocr page 30-

28

De versnelde en goedkoope overtocht heeft duizenden bij duizenden over den Oceaun gebracht, om op de woeste prairiën van Amerika, of in de fabrieken der groot-industrie aldaar, of elders, een middel van bestaan te vinden; hunne vrienden, hunne familie, hun ouderlijk thuis en de graven hunner dierbaren achterlatende. En — vraag ik , hoe vele wegen staan er nog niet open, om de zaken slepende le houden ?

Voor eenige jaren , toen de werkeloosheid onder de boeren-arbeiders in deze streek verbazend toenam, — zóó , dat onze uitwonende grondbezitters inderdaad een oogenblik beangst zijn geworden, dat de gemeentenaren wel eens de betaling der belasting voor de steeds klimmende uitgaven voor ai\'-menzorg konden weigeren, of krachtiger dan ooit bij de regeering zouden aandringen op het in \'t leven roepen van een wet, waarbij bepaald werd, dat men niet alleen den eigenaar kon aanslaan op de pb.ats, waar deze zijn domicilie had, doch ook in de gemeente, waar zijne bezittingen zijn gelegen, — toen was het de rijkste van hen , die aan enkele zijner boeren een zeker bedrag aan geld voorschoot, om daarvoor sommige gedeelten van zijne gronden , bij die boeren in gebruik , te verbeteren. De boeren betalen van die voorschotten goede rente, maar zeggen toch, dat het hun die rente wel waard is. Het land, dat verbeterd wordt, is en blijft het eigendom van den Baron en de toekomstige meerdere productie-waarde zal zijn nageslacht zich wel weten toe te eigenen, in den vorm van verhoogde pacht en eveneens wanneer te eeni-ger tijd dat land onder den hamer mocht komen ,— terwijl de arbeidei\'s, die oproerig begonnen te worden, weer voor een deel tevreden werden gesteld en de algemeen gangbare meening ingang vond, dat de Baron het nog zoo slecht niet voorhad met zijne onderhoorigen. Kortom, de aanwakkerende ontevredenheid was voor een deel terug gebracht in de overoude bedding van berusting en nog wel door een middel, dat hem, die het in toepassing bracht.

-ocr page 31-

29

verrijkte. En als «iaarna een ander deel der arbeiders , dat van dien arbeid was buitengesloten, oproerig werd en dreigen mocht, om in het onbewoonde paleis van den Baron de ruiten in te slaan, dan zullen de maréchaussees en politie in hunne handhaving der orde worden bi] gestaan door de bevoorrechte arbeiders , die voor 50 ets. per dag in den wintertijd bedoelde gronden voor den Baron mochten omspitten , dien grond , welke, zooals dominee en catechiseermeester hun voorpraten , is en blijven moet »het heilig eigendomquot;, door God aan zijne gunstelingen toevertrouwd. En wie van hen vermetel genoeg is den Baron zelf of zijne zwartgerokte handlangers te vragen , hoe het toch wel zoo gekomen is, dat de een zooveel heeft en de ander niets, en er op wijst, dat Jezus geen steen had , om zijn hoofd op neer te leggen, terwijl zijn z.g. vertegenwoordiger zich in overvloed baadt! — die gaat de laan uit, omdat Mijnheer met Socialisten niet te doen wil hebben.

En nu schijnen sommigen te meenen , dat uithoven aangeduide arbeiders het leger der revolutionairen zal groeien ; ik echter meen dat anders in te zien. Nog eens , de armoede demoraliseert en verlaagt den mensch ; armoede maakt deemoedig en ongeschikt tot cordate handelingen. Vandaar komt het ook , dat zelfmoorden veel meer plaats hebben onder de gegoeden, dan onder de armen. Den laatsten ontbreekt het aan den moed , die er noodig is, om de handen aan \'t eigen rampzalig leven te slaan, zelfs dan, als noch in \'t heden, noch in de toekomst een enkel lichtstraaltje het treurige leven komt verheldereu.

Verleden winter nog, toen ruim honderd van deze verstootelingen, door honger en koude tot wanhoop gedreven, van uit hun holen te voorschijn kwamen, om in massa bij den armvoogd op meerderen onderstand aan te dringen , was liet voor een paar maréchaussees reeds voldoende te paard te stijgen om zonder verzet de massa uiteen te drijven. Bij die velen was nog niet een enkele, die den moed had,

-ocr page 32-

30

om met een blik op zijn uitgehongerde vrouw en kinderen, de sabelhouwen der maréchaussees te weerstaan, — al was het slechts als martelaar de maatschappij , die boogt op Christenzin en broederliefde , een illustratie te leveren in den voi\'m van een verminkt, onder paardehoeven vertrapt lijk van een om arbeid vragenden werkelooze.

Maar bovendien, wat zullen we na de revolutie uitvoeren, gesteld dat ze gelukt, als deze kunstmatig is in \'t leven geroepen en de revolutionairen zelf nog zoo weinig begrip hebben van de in de toekomst noodige staatsinrichtingen; — wanneer ze nog zoo weinig solidariteits-gevoel bezitten ; — wanneer nog zoo zeer de ruwe hartstocht bij de meesten voorzit, als dat met het tegenwoordig peil der volksontwikkeling, helaas! het geval wel moet zijn?

Het zou mij, geloof ik, niet moeilijk vallen een voldoend aantal der zulken bijeen te trommelen, waarmee bakkerswinkels en magazijnen van eetwaren zouden kunnen worden geplunderd; maar om ze daarna tot rede te brengen en ze aan verstandige maatregelen te doen gehoorzamen, zonder dreigementen van geweld op den achtergrond, ik voor mij zie niet in, dat dit mogelijk zoude zijn.

Dat velen der onzen ongeduldig worden, omdat de massa zoo langzaam vooruit gaat, kan ik mij voorstellen ; maar dat men zich daardoor laat verleiden om te meenen, dat anderen zijn, zooals men zeifis en door die zeltverblinding zijn uil een valk waant, of legers meent te zien, waar hier en daar een soldaat tusschen de menigte is op te merken , — is een dwaasheid, die de beweging ten verderve kan worden, als ze zich onbeteugeld verspreidt.

))üe revolutie zal groeien in de maatschappij, als \'t kuiken in het eiquot;, zoo zegt men. Zeker! dat zeg ik ook! Maar wanneer we dat ei aan overmatige warmte blootstellen, of de schaal verbrijselen, vóór het kuiken voor \'t leven buiten het ei geschikt is, en dus een ontijdige geboorte bewerken, dan verliezen wij ei en kuiken beide. En nu zie ik niet in, dat het zoo noodig is altijd weoraan er op te

-ocr page 33-

31

peinzen, wanneer precies de geboorte van dat wezen zal plaats hebben, — maar beter, om ons niet blind te staren op de broodhen (den tijd), die slechts in staat is langs den natuurlijken weg het ontwikkelingsproces te voltooien, maar dat wij in de eerste plaats zorgen, een verblijf te timmeren, waarin we de nieuweling kunnen verzorgen en opkweeken jolwat er uit groeien moet. En die al werkende at datgene, wat vóór en bij de geboorte noodig ; v, niet wachten kan, totdat de schaal, die het on^e^baar groeiende leven verborgen heeft gehoudeMo»/reekt, acht ik gevaarlijker dan hen, die wat te weinig doen, omdat de eersten niet willen gelooven, dat zooveel toebereidselen noodig zijn.

Daarom moeten wTe op onze hoede zijn: — meer met degenen, die de beweging onnatuurlijk en daardoor onmogelijk snel vooruit willen dringen, dan met hen, die meenen, dat het nog dadelijk zoo\'n vaart niet loopen zal.

Och, voor mij zelf zou ik willen, dat ik anders ware, n.1. dat ik ook eens, als zij, mij kon vermeien in het genot der begoocheling, van in werkelijkheid te zullen aanschouwen, wat het geestesoog zoo gaarne in de toekomst ziet; — maar droeve ervaringen maken mij dat onmogelijk; — tusschen wenschelijkhe-den en uitvoerbaarheid is een hemelsbreed verschil.

Ik ontmoet ze in onze beweging, die beweeren — en men verkondigt het ook in onze pers, — dat vrees bij de bezitters het beste middel is, om van hen het een of ander gedaan te krijgen en ik geloof dat wel. Doch laat ons nu niet zoo kwajongensachtig zijn te meenen, dat, — waar wij reeds jaren hebben gedreigd, dat de dag der wrake spoedig daar zou zijn en inmiddels allerlei voor het volk grievende zaken plaats konden hebben, zonder dat er in de massa een toenemendé geest van verzet is te bespeuren, — dat men zich dadelijk zoo ongerust maakt over bedreigingen van onze zijde gedaan.

Neen, de tegenpartij weet heel goed, dat geld en domheid , geloof en kanonnen bondgenooten zijn , die hun macht nog lang kunnen stutten. Ze zouden

-ocr page 34-

32

dan ook meer te vreezen hebben van een zich zelfbewuste menigte, niet van tientallen , zooals men zwetst, maar van eenige duizendtallen; wanneer deze n. I. zich in de verschillende standen der samenleving hadden ingewerkt, — dan van een heerleger opgezweepte barbaren, die met zooveel voorliefde die regels .pin het Mariannelied kunnen uitgalmen, waar de ri\'^elaar er van zich schijnt te hebben verkneu-keld T^dat »uur der wrakequot; waarin zijne vijanden zich zfj^n «wentelen in hun eigen bloed.quot;

Wat^Sj scheidt van velen is, dat ik niet onvoorwaardelijk geloof aan de macht van \'t yeweld! Gre-loofde ik daaraan zonder voorbehoud, ik zou in een maatschappij als de onze, waarin dat geweld nooit beter in den zadel heeft gezeten, geen kracht kunnen vinden aan de verlossing der verdrukten mede te werken.

Juist, omdat ik reken op de zegepraal van waarheid en gerechtigheid, omdat ik bouw op het goede in den mensch , — juist daarom heb ik mij geschaard aan de zijde der Sociaal-democraten , mij de vrijheid voorbehoudend, om niet de inconsequentiën der partij te aanvaarden.

Of ik dan alle geweld verfoei? Neen, ook dat niet! — In deze stem ik in met den dichter , die zegt:

• Ge tv is, de mensch heeft recht, een recht hein iv gegeven .

Zijn heiige vrijheid vonr te staan .

Tirannen, die dal wederstreven

Te ontzenuwen of neer te slaan.quot;

Maar om dat geweld aan te prijzen, te provocee-ren en genoegen te scheppen in wraakneming, dat niet.

Wij, die door het bestudeeren van het sociale vraagstuk hebben leeren inzien, dat er inderdaad groot onrecht geschiedt, — wij, die door allegging van dogmatiek en allerlei buiten-issigheden meenen te voorzien, dat wij, die de oplossing der kwestie gaarne op vreedzame wijze zouden willen bevorderen , dat niet kunnen om het ingewortelde egoïsme der meerderheid, — wij mogen niet verdauwen in ons

-ocr page 35-

33

pogen, om altijd weeraan te wijzen op den weg der evolutie , zonder na te laten te waarschuwen , dat,

— wanneer de tegenpartij voortdurend doof blijft voor den eisch van recht en rede , de buffel, tot geweld getergd, den wreeden drijver in de lucht zal werpen , — zooals Roorda van Eisinga met het oog op de Javanen het zoo krachtig heeft uitgedrukt.

Gaan wij voort in dien zin propaganda te maken, dan zal de tijd komen, dat de stroom van vernieuwd leven en helderder inzichten den tegenstanders te machtig wordt.

De naar het vrije leven snakkende massa zal alsdan , trots allen tegenstand, zich een weg banen, evenals de bergstroom, die boomen ontwortelt en rotsen verplaatst.

Of die tijd naar mijne meening nog lang op zich zal laten wachten ? Helaas ja ! dat geloof ik, en mij dunkt bovendien , dat wie niet willens de oogen sluit voor de vreeselijke disharmonie in denkbeelden, zelfs onder degenen die de bestaande wanverhoudingen erkennen, — wie gadeslaat de bergen van hindernissen, die op den weg van den vooruitgang worden opgestapeld , — wie kennis draagt van de langzame vorderingen , die het voorgeslacht heeft doorgemaakt,

— dat die allen onmogelijk tot een andere conclusie kunnen komen.

Dat het nu en dan niet tot ernstige conflicten en heftige botsingen zal komen , dat betwijfelen zelfs onze tegenstanders niet, maar het voor te stellen, alsof wij zouden staan voor een internationalen we-reld-beweging , zóó machtig en zóó eensgezind in uitvoering , dat kort daarop zou zijn te wachten een zekere ideale toestand, zooals na een stormachtigen nacht een heerlijk zonnige dag kan komen , — dat zijn in mijn oog onverstandige en ondoordachte begeesteringen van nul en geener waarde.

Buitendien zijn er naar het mij voorkomt nog middelen bij de tegenpartij in overvloed in toepassing te brengen , die eene zelfs nauw merkbare ornkee-ring kunnen tegenhouden , en het is mij meer dan eens gebleken, dat zich noemende partijgenooten,

3.

-ocr page 36-

34

die in den waan waren gebracht, dat alles zoo snel cn zoo hoogst gemakkelijk zou gaan, verflauwden in hun ijver en eindelijk geheel en al uit de beweging verdwenen , toen ze door nadenken leerden inzien , dat de weg, welke voor ons ligt, inderdaad lang en moeielijk is.

Met deze ervaring ter neer te schrijven, wil ik niet beweren dat ze er niet zijn, die onder deze strijdleuze propagandeerende ernstig zouden meenen wat er door hen gezegd of geschreven wordt. Neen, daarvoor ken ik ook weer dezulken te goed. Ik weet dat er zijn , die zich niets anders voorstellen dan te zullen sterven op de barricaden of in de gevangenis, — mannen en vrouwen, die in de ure des gevaars voor niets zullen terug deinzen, — maar daartegenover staat een vele malen grooter aantal, dat hoofdschuddend goedkeurt of afkeurend zich terug trekt, omdat het in dergelijke ondoordachte voorstelling van de zaak geen bevrediging vindt. Bovendien is quot;het gevaarlijke van dergelijke verlossingsprekerij daarin gelegen , dat het aanhangers kweekt van het oogenblik en volgelingen als er succes te behalen is.

\'Dezulken worden niet bestand tegen de aanhoudende slagen en stooton , die elk goed partijgenoot moet kunnen verdragen.

Het is reeds lang mijn vaste overtuiging dat iedereen , die zich bij de onzen aansluit met andere voornemens dan kruisdrager te willen zijn op den weg van ontkluistering en beschaving, halverwege zal terugkeeren , of voor de een of andere bovendrijvende meening van sommige toongevers in de partij zal zwichten.

Dat alles echter zegt nog niet, dat ik zoude meenen alsof over revolutie niet gesproken zou moeten worden en evenmin dat ik de berucht geworden Zvvolsche Congres-resolutie zou afkeuren in dien zin, als dat alles door onze tegenstanders wordt afgekeurd. Nog eens, ook ik huldig de leer van het recht tot gewelddadig verzet, als alle andere middelen vruchteloos blijken; maar om het succes van gebruikt geweld niet te overschatten, (wat dikwijls ge.

-ocr page 37-

35

schiedt) daarom is liet dat ik gemeend heb op het gevaarlijke er van te moeten wijzen.

Ik heb reeds vroeger gezegd dat het mij voorkwam , alsof velen tegen de revolutie aemzien, in plaats van er over heen, en deze meening deel ik nog. Het is met de Maatschappij in velerlei opzicht gesteld, als met een gevaarlijke zieke , bij wie het hoogste stadium van verergering nog niet is ingetreden, en even dwaas als het zijn zoude om te verwachten, dat de lijder dadelijk na de plaats gehad hebbende crisis zich in volie kracht en blakende gezondheid zon mogen verheugen , even gek is het er aan te denken , dat na een gewelddadige omwenteling de maatschappelijke vorming geen meer dan matige verzorging en oppassing zouden noodig hebben.

Daarom is het zoo noodig dat de verschijnselen, die wij waarnemen, helder en waar worden voorgesteld; want waar wij onnauwkeurig zijn in het eerste zullen wij falen met berekeningen op de toekomst; er moet erkend worden dat er bij de tegenwoordige regeling van voortbrenging en verbruik , veel onnutte arbeid wordt verricht en menig leven wordt verwoest.

Zoolang er met niet meer zekerheid, gesteund op betere gronden dan nu nog, door de onzen kan worden aangewezen, waarom en waardoor het in een zoogenaamden toekomststaat beter zal zijn dan heden ten dage, — zoolang er nog zoo veel zwe • vends en zoo weinig vastheid spreekt uit de voorgestelde plannen van uitvoering, zoolang men kortweg nog zoo ver uit elkaar loopt met wat men wil, zoolang zal de verlossing niet komen, en zoolang zal tevens elke gewelddadige uitbarsting naar mijne meening de partij meet- noodlottig dan zegenrijk zijn; omdat het bij mij vast staat, dat haat en verbittering, wantrouwen en tweedracht geen elementen zijn, waaruit een betere toestand geboren kan worden. Daarom heeft dat denkbeeld mijne sympathie niet, omdat genoemde zonden nog te veel de partij ontsieren.

Men praat tegenwoordig overal voortdurend over

-ocr page 38-

36

revolutie en men twist reeds over zaken, die eerst in de verre toekomst aan de orde zullen komen, — evenals de knaap, die een pit in den grond duwt, reeds pruimen meent te proeven van den nog te groeien boom. Maar wanneer wij acht slaan op de groote onverdraagzaamheid, advocaterij en napraterij , die er in de beweging bestaan, — wanneer wij nu en dan mannen en vrouwen, van werkelijke betee-kenis in de partij, elkander tot het hemd zien uit-kleeden, — wanneer jongens, die pas in de wereld komen kijken, mannen van leeftijd en ervaring kunnen overschreeuwen; dan vraag ik: »Zou het thans niet weer zoo gaan als in de revolutie van \'89, n.1. dat de beste zonen des lands elkander de keel gaan afsnijden? Zou niet weer de kostbare tijd met lange redevoeringen en veel gebabbel te loor gaan, omdat men niet weet, wat men wil?

De tegenwoordige onderlinge schermutselingen hebben geen bloedig verloop, omdat het dengenen, die in staat waren de doodende middelen toe te passen, aan de macht daartoe ontbreekt. Daarvan ben ik zoo overtuigd, dat ik niet voor mijn leven zou durven instaan, wanneer ik in troebele tijden mijn zoo goedgemeende raadgevingen ten beste gaf op een wijze, als ik dat nu doe.

Welnu, dat moet anders, dat moet beter worden!

Denken we niet over alle onderdeelen gelijk, — is er verschil van meening onder de onzen in velerlei opzicht, — dat zal altijd zoo blijven en dat moet zoo blijven; gelijkheid is de dood! Maar laat ons niet doen, als de verschillende stroomingen op godsdienstig gebied, dat is: zweren bij de letter van ons programma, gelijk zij dat doen bij hun bijbel en andere boeken; — doch laat er kracht van ons uitgaan op elk gebied en laat ons voeling houden met die anderen, welke daar nog omwroeten in het slijk van sleur en gewoonte, mode en fatsoen, slentergeest en dogmatiek.

Doen wij dat niet, dan zal het ons gaan, als het verschillende kerkgenootschappen is gegaan, wij zullen steeds afzonderen en afscheiden; wij zullen drei-

-ocr page 39-

37

gen met strijdbijl en dynamietbommen , evenals zij met hel, brandstapel en verdoomenis; doch wij zullen ook vergeten als zij, dat de roeping van den mensch is, mensch te zijn; gelijk zij hebben vergeten bij al het gehaspel over leerstellingen, dat men den naaste behoort lief te hebben als zich zeiven.

-ocr page 40-

4:.

Samenwerking en Propaganda!

Dat samenwerking in de z.g.n. Volkspartij , zooals wij die in Friesland kennen, niet de goedkeuring langer kan verwerven van enkele ultra-revolutionaire naturen in de Soe. Dem. partij, dat wisten we reeds uit de vele aanvallen, die daarop van de zijde van R. v. A. waren beproefd, vóór dat het Congres in 1891 bijeenkwam. En toen dan ook met overgroote meerderheid van stemmen in de Kerstdagen van dat jaar te Amsterdam werd besloten, dat dergelijke combinatiën voortaan niet langer geduld zouden worden, heeft mij dat niet verwonderd.

Wanneer we toch even daarna onderstaande verklaring daarvan lezen in ons hoofdorgaan en men de debatten nagaande heeft kunnen bemerken, dat eigenlijk niemand der tegenstanders goed op de hoogte was , dan heeft mij dit op nieuw in mijne meening bevestigd, dat velen ook in onze partij napraters zijn , van wat anderen zeggen , omtrent datgene wat door dezen nuttig of wel schadelijk wordt geacht.

R. v. A. schreef omtrent de bedoelde samenwerking :

«Waarom zal een sociaal-demokratische atdeeling zich aansluiten bij een andere partij ?

Een van tweeën toch : óf die partij wil hetzelfde , óf zij wil iets anders. Wil zij hetzelfde , dan is aansluiting overbodig. Wil zij iets anders, dan is aansluiting dwaas; want men kan niet tegelijker tijd wit en zwart dienen.

Tegen deze eenvoudige logika van het verstand , valt niets in te brengen\'\'.

-ocr page 41-

39

Daartegen nu valt juist veel te zeggen!

Was die Volkspartij een partij met statuten, volgens welke naar een bepaald doel werd gestreefd, anders dan het verkrijgen van Alg. Kies- en Stemrecht en de daardoor te bemachtigen verbeteringen;

— eene partij die van hare leden een zekere geloofsbelijdenis, in den vorm van de erkenning vau een of ander politiek of economisch program verlangde , in strijd met het onze, — dan zou tegen die logika van het verstand — (Soort Red. R. v. A,)

— inderdaad weinig zijn in te brengen. Doch dat alles is het geval niet; — dat kon de lied. weten en daarom kon zij die samenwerking dulden, — zoo niet toejuichen.

De Volkspartij was en is niets anders dan een ver-eeniging van verschillende democratische vereenigin-gen, zooals deze zich in de provincie geconstitueerd hadden, welke door een zoo los mogelijken band zijn verbonden , om , waar punten van overeenkomst mochten worden gevonden , b.v. tijdens verkiezingen, werkstakingen , het honden van Meetings enz. , alsdan te kunnen samenwerken niet alleen ; maar ook, om tusschenbeide voeling met elkander te houden , door de op den beschrijvingsbrief voorkomende vraagpunten of voorstellen op de provinciale comité\'s-ver-gaderingen te bespreken , meer niet!

Tk voor mij heb die Volkspartij dan ook altijd beschouwd als een kweekschool voor de Sociaal-democratie , — wat ze inderdaad geworden is.

Daarvan getuigt het meer algemeen wordend inzicht onder de leden, dat inderdaad het privaatbezit met de daaraan verbonden voorrechten, de wortel is van het maatschappelijk onrecht; als ook de omstandigheid dat do meeste bestuursleden verklaarde Sociaal-democraten zijn.

De vergelijking van »wit of zwartquot; is dan ook zoo ongelukkig mogelijk , omdat men daardoor de vele schakeeringen , die in elke partij voorkomen, geheel uit het oog verliest.

Het grootste bezwaar, van Soc. Dem. zijde geopperd , is dan ook heel iels anders, naar ik meen.

-ocr page 42-

40

Het is dit, dat de onzen, door twee of drie maal in het jaar in aanraking te komen met leden van het Ne-derl. Werkl. Verbond, of wel met die van de Afd. Algem. Kies- en Stemrecht, zonden verwateren.

Wat een vertrouwen en wat een overtuiging, dat het door ons (Socialisten) ingenomen standpunt de vrucht is van eigen nadenken en onderzoek, — zoo dacht ik , toen voor \'t eerst die meening werd geopperd. — Eerlijk gezegd, heb ik mij daar indertijd aan geërgerd ; doch toen ik inzag, dat wellicht verschillende redenen tot die meening aanleiding hadden kunnen geven en wij even er na, als leden der Volkspartij, voor zóó «provincialistischquot; werden versleten , meende ik de oplossing van het raadsel gevonden te hebben, wat de verwatering betreft:

Wie het partijleven eenige jaren mee heeft doorgemaakt , zonder blind volgeling te zijn van wie den toon aangaven , moet het met mij zijn opgevallen , dat deze in denkbeelden en propaganda van lieverlede van het Soc. Dem. standpunt zijn terecht gekomen op dat van het communisme; zelfs op dat van het Anarchisme!

Dat, in practijk gebracht, het verloop van de sociaal-democratie in de verre , verre toekomst een dergelijk, noodwendig gevolg zal hebben , is zonder twijfel. Maar een andere vraag is, of wij verstandig doen met voor den grooten hoop te propagandeeren op een wijze, alsof dat overgangstijdperk van vele eeuwen al is doorgemaakt; omdat wij, in ons eentje, knutselende aan luchtkasteelen, in gedachten dien weg naar \'t Communisme al eens gepasseerd zijn en alsdan een raampje van het gebouw der toekomst hebben gemeend te kunnen binnen gluren.

De overgangsbepalingen van ons program worden in de meeste gevallen maar losjes weg overgeslagen, als niet meer bestaande; — op den voorgrond de revolutie en dadelijk daarop de communistische toekomst-staat.

Zoo en niet anders moet en mag er voortaan gepredikt worden, als men in de beweging voor een kranigen kerel wil doorgaan.

-ocr page 43-

41

Wie daar niet aan mee doet, is niet meer te vertrouwen ; wie dat niet toejuicht is verwaterd en wee hen , die tegen dergelijke luchthartige, onbezonnen leeringen durft te protesteeren: — de banvloek wordt eenstemmig over hem uitgesproken, ja, sommigen vermoeden reeds omkooperij of meenen nog iets ergers te bespeuren.

Willens of onwillens hoeft dergelijk isolement, zulk een afscheiding of z. g. n, zelfstandigheid de partij reeds gebracht op een standpunt, dat hoe langer hoe meer overeenkomst toont met dat onzer Christelijk-afgescheidenen in betrekking tot de Ned. Herv. Kerk.

Ik kan mij zoo voorstellen , dat iemand , buiten de beweging staande , die voor een enkele maal onze Openbare Vergaderingen bijwoont, zoowat dezelfde gewaarwordingen moet hebben , wanneer hij de vergaderzaal binnen stapt, als een vrijdenker, die een bezoek brengt aan een vertooning van het Leger des Heils.

Ook bij ons op en om de tribune de mannen, welke de waarheid in pacht hebben; daarom heen een massa , waaronder vaak blinde volgelingen , die op een wenk van den «profeetquot;, die het woord voert, gereed staan om den vermetele, welke het waagt aanmerkingen te maken, met eenige dooddoeners te verslaan, en lukt dat niet, hem de zaal uit te gooien; waarvan het congres in 189-1 reeds bijna een voorproefje zou hebben geleverd, toen v. d. Goes zijn bekende lange reeks van critische opmerkingen over het orgaan en sommige personen in de partij deed hooren.\'

Op deze wijze ontaart het debat op de vergaderingen veeltijds in een soort advocaterij; waarbij hij wordt toegejuicht, die door dik en dun een vooropgezette meening en een daardoor tot waarheid geijkte frase er weet door te halen; terwijl de geopperde bedenkingen van den tegenstander maar al te vaak als van geen belang worden geacht en dood gezwegen of beschimpt.

Het samenwerken van verschillende groepen in een Volkspartij voorkomt dat.

-ocr page 44-

42

Menig blijk van vooruitgang ten opzichte van de beschouwing en beoonleeling van politieke en economische vraagstukken vielen er op te merken , toen deze combinatie in Friesland in haar bloeitijd was; dit gold zoo wel van eenige groepen in het algemeen , als van verschillende personen in het bijzonder, en zeker is het, dat in geen enkele Provincie van geheel Nederland zoo vele aanvankelijk zeer uiteen-loopende meeningen zijn te samen gebracht dan juist hier. Begeesterd door de Democratie, leerde men elkanders goede bedoelingen kennen , en nooit zouden zoovele mannen en vrouwen den strijd tegen alles wat de volksontvoogding in Hen weg stond, hebben aangebonden, als men geen voeling met elkander had gehouden op zulk een wijze, als dat voor hervormers van welke zaak ook noodzakelijk is.

Het: «kinderkens! hebt elkander lief!quot; mag ook in onze gelederen nog wel eens worden gehoord, waar er tot wrok en haat, tot twist en verbittering van alle kanten zoo veel aanleiding wordt gegeven.

En bovendien, waar men de menschen volstrekt op den revolutionairen weg heeft willen dringen , is de vraag niet overbodig: hoe wordt men revolutionair \'*

Niet op kommando! Niet door revolutie als universeel middel tegen alles en nog wat aan te prijzen; maar door den partijstrijd in denkbeelden van A. af mede door te maken.

De persoonlijke ervaring, dat elke welgemeende hervorming afstuit op het grenzenloos eigenbelang van onze regeerende- en bezittende klassen, de verregaande minachting van en de totale doofheid voor de stem des volks, wekt eindelijk wrevel tegen het bestaande stelsel en langs dien weg wordt hij, die den strijd van onze dagen medemaakt, zich den klassenstrijd als van zeiven bewust.

Daarom is het zoo noodig, — niet, dat wij ons in een glazen huisje terug trekken —en nog minder om te spreken on te schrijven op een toon , alsof wij en wij alleen, in staat zijn der Maatschappij het onfeilbaar geneesmiddel tegen al hare kwalen aan ^e bieden; maar dat wij zooveel mogelijk men-

-ocr page 45-

43

schen tot ons trekken door inderdaad waar te zijn , — waar , iu dien zin , dat wij erkennen , hoe de taak ons zeiven op de schouders gelegd; is een niet te geringschatten zware taak. Dat het doel, hetwelk ons voor oogen staat, is zóó grootsch en zóó schoon , dat het nooit in zijn volle volmaaktheid bereikt zal worden.

Dat wij strijden om een menschwaardig bestaan voor allen, m. u. w. om brood voor allen, niet om dat brood zoozeer, maar omdat wij hebben leercn inzien, dat , zal de mensch inderdaad worden wat hij zijn kan , in de allereerste plaats aan de brood-vraag voldaan moet kunnen worden. Wanneer wij er op uit zijn ons in dien zin voor een steeds groo-ter aantal bekend te maken, dan zal het blijken, dat we met velen zullen kunnen samenwerken tot velerlei goede doeleinden ; met menscben , die onwillens zich zeiven een zeer verkeerd oordeel hebben gevestigd over wat wij willen en wie wij zijn.

Men zal stokstijf beweren, dat men dit reeds doet, maar de groote vraag is of het zóó wordt gedaan, dat het groote publiek er zidk eene opvatting van krijgt, als voor een gewenschten groei dier denkbeelden noodig is en dan zeg ik: neen! en nogmaals neen! Geheel en al onnoodig heeft men op ruwe wijze de Volkspartij uiteengerukt.

Aanvankelijk hebben wij (de Sociaal-Democraten) daai-van geoogst de Afdeelingen , die in die beweging waren klaar gemaakt, en die schijnbare aanwinst is triomfantelijk beschouwd als vrucht Tan de agitatie door enkele doordrijvers in het leven geroepen, maar de tijd zal leeren , dat het omzetten der leuze : „Arbeiders van alle landen vereenicjt Uquot;! in het , »/n isolement ligt onze kracht!quot; een misleiding is geweest, die nu reeds in toenemende verflauwing bij zoo velen, die vol geestdrift zijn geweest, zich op gevoelige wijze zal wreken.

Door deze en andere zaken uit het oog te verliezen , werken wij de in-populariteit onzer partij in de hand ; en als we dan nog zoo menigeen ontmoeten, die een Sociaal-democraat op één lijn plaatst

-ocr page 46-

44

met een inbreker of een moordenaar, dan is dat al weer voor een groot deel eigen schuld, omdat wij, het hoofd in den nek werpende, trotsch zijn op het vermeende bewustzijn, dat wij precies weten wat rechtvaardig en waar is en meenen , dat alles wat daarbuiten of daarnevens gaat, uit den booze moet zijn en lage en slechte practijken tot grondslag heeft. Op deze wijze missen wij die naar buitenaf groeien levenwekkende wisselwerking, die slechts bestaan kan door kruising van onze denkbeelden met die van anderen!

Men maakt samenwerking verdacht en prijst de revolutie aan; maar ik voor mij zou wel eens willen weten, hoe men na de revolutie zonder samenwerking het beoogde doel zou kunnen bereiken, als men geen pian heeft als tirannen op te treden en waar overreding niet baat, dwang to gebruiken.

Zal het ooit voor de onzen beter worden, dan moeten wij opvoed- en verweermiddelen hebben, even noodig als de soldaat de excercitie met het hem ter hand gestelde geweer moet leeren, zoolang het militairisme gehuldigd wordt en hij dus elk oogenblik tot den dienst tegen «den vijandquot; kan worden opgeroepen.

Welnu ! die excercitie-school is de Volkspartij, waarin de Sociaal-democraten de stuwkracht vormen — (ik zou willen zeggen de instructeurs zijn) — en wie nu meent, dat de sergeants de handgrepen verleeren, omdat zij de recruten onderwijzen, kent «den dienstquot; niet. Maar wie in zijn opgeblazenheid denkt, dat, wanneer deze en gene der hunnen reeds vrij goed in de positie staan en anderen al den pas weten te maken, — er wel een aanval te wagen is op een goed gedresseerden, goed verschansten en vijftigmaal sterkeren vijand , — brengt het geheele leger in gevaar!

Zij, die zoo graag morgen aan den dag den boel uit elkaar zouden willen halen, wijzen er op, dat, al moeten er tengevolge van \'t geweld velen vallen, — dit alles niets te beteekenen heeft bij de duizenden, welke dagelijks door den zenuwachtigen

-ocr page 47-

45

jacht naar rijkdom in de groot-industrie eenerzijds of door gebrek en ontbering nnderzijds worden weggemaaid. Ik stem dit volmondig toe, — maar de groote vraag, waarom alles draait, is; hoe het na de revolutie zal gaan

Er zijn er, die zeggen, dal dit er weinig op aankomt , — daar de arbeiders niets te verliezen en alles te winnen hebben. Doch naar mijn inzien hebben de arbeiders inderdaad veel te verliezen. Tn de eerste plaats staat hun leven op het spel, terwijl bij twijfelachtig succes der revolutie de kans bestaat, dat de tot ontwikkeling gekomen organisatie der arbeiderspartij voor een groot deel wordt vernietigd en de solidariteit en eendrachtszin, met zooveel moeite aangekweekt, voor zoover ze bestond, zal worden onderdrukt en de beweging alzoo minstens een menschenleeftijd kan worden teruggedrongen.

Bovendien is de revolutie niet iets, dat bij wijze van proefneming eens ondernomen kan worden; doch zij is integendeel van dien aard, dat de omstandigheden zelfs èn leiders, èn volgelingen spoedig te machtig kunnen worden en bijgevolg niemand in staat is om ook maar bij benadering het verloop te bepalen.

quot;Wanneer sommigen in de beweging zich echter in het hoofd hebben gezet deze of gene onderneming door te zetten , dan worden er ook onder de onzen nog genoeg aangetroffen , die, tegen rede en gezond verstand in , met dezen door dik en dun meegaan.

Dat hebben tot schade en schande van en voor de propaganda reeds velen ondervonden, en voorvallen uit den allerjongsten tijd wijzen er op, dat dergelijke domme volgzaamheid, waarvan de menschen door alle eeuwen heen zich slachtoffers hebben gemaakt, vooreerst nog niet zal zijn uitgewoed.

Een dergelijk drijven heeft indertijd eveneens de meening ingang weten te doen vinden, dat door provinciale samenwerking Provincialisme zou worden aangekweekt. De Noordelijken , — die voorheen zoo dikwijls als voorbeelden werden aangehaald in dien zin , dat men de organisatie op voorbeelde-

-ocr page 48-

46

looze wijze wist te bevorderen, en bovendien een eenmaal goed begrepen inzicht niet licht lieten va-ven , — werden plotseling daarop uitgekreten als zeer behept met provinciale eigenschappen , die de ideën van Internationaliteit ten zeersten zouden schaden.

Mannen en Vrouwen uit hun midden, die jaren aan een op bewonderenswaardige wijze de vaan van de Democratie en vrijheid in denken hadden hoog gehouden, kwamen op eens onder verdenking van verraders en lafaards te zijn.

Het Friesch Volksblad, dat vóór er van Socialisme in de provincie nog sprake was, reeds zooveel had gedaan om de gemoederen te ontbolsteren en de oogen van zijne lezers voor talloos vele onrechtvaardigheden te openen, werd opeens een bour-geois-blad en in één adem genoemd met Nieuwe Rotterdammer en Handelsblad.

Een te Drachten belegde Meeting voor afschaffing van privaat grondbezit werd door den Centralen Raad gebrandmerkt als een doodzonde; omdat men ten opzichte van deze betooging samenwerkte met mannen als Stoffel, de Clercq, Mansholt en anderen , en indien ik voort wilde gaan om al do kleinzielige voorwendsels op te sommen, die gebezigd zijn om tot z\'n doel te komen, een doel dat in zijn ware wezen niets verschilt bij wat op kerkelijk gebied zoo dikwijls door de vertegenwoordigers van Rome en Dordt is nagejaagd, dan zou ik in staat zijn een lange reeks van feiten op te noemen , feiten die allen te sarnen het tegendeel bewerken , van wat de leekedichter ter neer schreef in deze woorden :

• Zei uil dc kerk!quot; zmi rocpl men luid;

Zei Uwer dij Uw Kerk wal uil.quot;

Of ik het gebeurde te dezen opzichte nu enkel en alleen wil toeschrijven aan een te verre gaande bemoeizucht, om geen harder woorden te gebruiken ? Och neen , dat niet. De meening , dat de Friezen inderdaad in erge mate met provincialisme

-ocr page 49-

47

behept zouden zijn , is voor onkundigen vooral zeer goed verklaarbaar.

Van oudslier staan de Noordelijken bekend voor stoere en ongemanierde rnenschen , die , stijf en koppig als ze zouden zijn , met de meeste onverzettelijkheid een eenmaal aangenomen gewoonte niet licht laten varen. Dat alles is bekend en al is daarvan in den tegenwoordigen tijd, vooral onder het jongere geslacht, ook niets meer merkbaar, tocli mag het ons niet verwonderen dat een bewering, alof dat alles nog zoo was , bij velen geloof vond.

Bovendien kan ik mij zoo voorstellen, dat, wanneer in onze provincie een meer zuidelijke inwoner b.v. voor het eerst voor de een of andere Atdeeling hier als spreker optreedt, en hij hoort na afloop zijner rede het gehoorde bespreken en beoordeelen in een taal, welke hij slechts voor een vierde deel verstaat, dat hij dan wel den indruk moet krijgen dat hij onder een hem vreemd volkje verkeert.

En waarom ?

Het is inderdaad een gebrek van verreweg de meeste Friesche arbeiders, dat zij slechts in hun dialect, in de volkstaal, bij machte zijn zich behoorlijk uit te drukken. Vandaar, dat velen, die gaarne een gesprek met den spreker zouden aan-knoopen, dit vermijden, of het althans zoo kort mogelijk maken, omdat het hun inderdaad zoo moeilijk valt hunne gedachten in de Nederlandsche taal weer te geven.

Ik ken er menigeen, die het aan vaardigheid niet ontbreekt, om in het Friesch zijne gedachten ilink en ferm, ja, met veelzeggende uitdrukkingen te uiten, en die toch tegenover een llollandsch partijgenoot met den mond vol tanden staat, als hij met dezen in gesprek komt.

De andere eigenaardigheid der Friezen , die ook spoedig den bewoners van andere provinciën in \'toog valt, is hun bedaard, eenigszins stroef uiterlijk.

Men moge dit nu minder goede eigenschappen achten, toch bestaan zij. Ieder, die wel eens voor onze meer zuidelijke landgenooten is opgetreden ,

-ocr page 50-

48

moet het zijn opgevallen, dat men onder dezen meer enthousiasme en meer uiterlijke bewegelijkheid opmerkt, dan bij de Noordelijken.

Dat alles te samen heeft zeer zeker aanleiding gegeven tot de straks geopperde meening, dat wij , Friezen, inderdaad een volkje apart zouden zijn en — ook zouden wenschen te blijven.

Niets echter is minder waar!

Niemand toch zou durven getuigen, dat hij , hetzij hij optrad als spreker, of dat hij op andere wijze met ons in aanraking kwam, hier minder hensch zou zijn behandeld, dan wij dat steeds van onze Hollandsche broeders gewoon zijn.

Maar wat wellicht meer dan bij anderen een kenmerk is van de Friezen, is, dat zij niet gemakkelijk zijn warm te maken voor iets zwevends, iets wolkerigs, of wat daarop gelijkt. Vandaar ook misschien , dat eerst nadat de arbeiderspartij vorm en uitdrukking had aangenomen, bij de onzen de lust tot meedoen werd opgewekt. Toen men ontdekte grond onder de voeten te krijgen, waarop men zou kunnen voortbouwen, heeft de beweging zich snel uitgebreid.

Dien grond te ondermijnen, moet wel nadeelige gevolgen hebben, omdat zoo iets in strijd is met den aard en het karakter der meerderheid.

Bovendien zal het blijken een tactische fout te zijn, dat men ons gedwongen heeft een organisatie te verlaten, waarin wij ons zoo thuis gevoelden en waarin het ons mogelijk was voeling te houden met allen, die voor het sociale vraagstuk waren warm gemaakt, — zonder het internationaal karakter onzer beweging uit het oog te verliezen.

Men zal zeggen, dat het ieder op zich zelf vrij staat, hoe in deze te handelen; doch niemand is naïef genoeg, om niet te gevoelen, dat wat en bloc wordt afgekeurd, niet aan iemand als persoon vrij staat te doen, zonder dat hij zich aan inconsequen-tiën bezondigt, welke hij zelf verafschuwt.

Toch is het een feit dat door bedoelde onhandige provocatie er scheuring en tweedracht is gekomen

-ocr page 51-

49

in een organisatie, die zoo veel voor de toekomst deed hopen.

Het valt niet te ontkennen, dat de volkspartij tegenwoordig een teringachtig leven voortsleept, eensdeels omdat even na bedoeld Congres-besluit, waarbij elke combinatie verboden werd, haar vele beste krachten zijn ontvallen, en ten tweeden, omdat sedert dien tijd bij sommigen een zekere lusteloosheid en bij anderen een afkeurenswaardige eigenschap van vit- en bedilzucht, van lust totonnoodige oppositie en geharrewar is ontstaan , die door de gansche provincie heen hare gevolgen doet waarnemen.

Alleen zij, die de volkspartij in baren bloeitijd niet hebben gekend en bijgevolg de opvoedende kracht, die er van haar uitging (getuige de vele Af-deelingen door hare tusschenkomst gesticht) niet kunnen waardeeren, — alleen diegenen, die schijnen te meenen dat kritiek, en deze alleen, in staat is de harten warm en de gemoederen ontvankelijk te houden , zullen deze beweringen tegenspreken, of mijn welgemeende opmerkingen aan verwatering toeschrijven.

Niels meer echter, en niets minder dan innige droefheid over het uiteenrukken van een krachtige en gezonde beweging, eene beweging, die met veel moeite opgewekt en met instemming is samengebracht, gaf aanleiding tot dit betoog.

En nu mag men mijnenthal vo in de opvatting van wat waar en goed is zoo veel verschillen als men wil, dit staat bij mij vast, dat, als ooit de we^ reld-vrede verzekerd zal zijn op een andere wijze dan door vrees voor het zwaard, dat dan de verschillende groepen, die erkennen dat een dergeliike vrede mogelijk moot zijn, dezen niet anders zullen kunnen veroveren , dan door zich met elkander te verslaan, door van elkander te leeren en het goede, dat er als kern en drijfkracht in elke desbetreirende beweging is waar te nemen , als goudkorrels uit le ziften en bijeen te zamelen , opdat de rede als het hoogste good kan zegevieren.

Ik weet heel wel, dat deze meening door velen

4

-ocr page 52-

50

niet zal worden gedeeld, vooral niet door diegenen, bij wie een plotselinge omkeering als een dogma wordt gehuldigd; dezulken willen in den regel van geen samenwerking weten.

Hunne redeneering is aldus, dat de mensch zich eerst, en wel na een geweldige moordpartij , Politiek en Economisch moet hebben vrijgemaakt, en dat eerst daarna een betere grondslag voor een beter menschenras gelegd kan worden; maar wanneer overwinnende moordenaars plotseling als mensch-lievende hervormers zullen optreden, en dat nog wel over een massa, waarin een tijdlang de meest bandelooze hartstocht heeft bot gevierd , dan (ik zou willen dat het anders was), is het mij ten eenen-male onmogelijk om zulke denkbeelden anders dan voor onzin te verslijten.

Het heet dan, dat men haat uit liefde, en daarom den klassenstrijd streng gescheiden wil houden. Och ja! Wij kennen dat. Zóó hebben gehaat de heilige vorsten en kerkvaders uit de middeleeuwen; ook deze haatten de ketters uit liefde voor de zielen der geloovigen, die, indien men de eersten niet levend verbrandde , de laatsten in de hel zouden lokken. En als de keizer van Rusland uit liefde voor zijn onderdanen een massa van deze in de onherbergzame oorden van Siberië laat omkomen, ten einde de groote meerderheid in zijn Vaderlijke zegeningen (9) te kunnen doen deelen, dan moet ik verklaren, dat ik walg van dergelijk liefdebetoon, ook al mocht ik be-hooren tot de beschermden.

Ofschoon ik er mij heel goed van bewust ben , dat de toestanden den mensch maken, is ook even waar het omgekeerde, en wanneer wij enkel en alleen wef ken aan het veranderen van het eerste, zonder tevens zooveel mogelijk ons zei ven te verbeteren, dan zal al onze arbeid monniken-werk zijn. Juist op dit punt behoort men een scherpe lijn te trekken, die in nauw verband staat met elke opgeworpen levensbeschouwing.

-ocr page 53-

51

Op dil, punt behooren wij ons de vraag te doen of er is «een hooger wezen dat schopt, onderhoudt en bestuurtquot;, of niet. Gelooven wij aan het eerste, dan spreekt het vanzelf, dut uit door ons gepleegde of te plegen handelingen met geen enkele zekerheid gevolgen zijn af te leiden , en elk oogenblik de een of andere onverklaarbare wereldgebeurtenis zaken en toestanden kan veranderen, waaraan geen mensche-lijk wezen iets heeft kunnen af ot toedoen; maar gelooven wij dat niet, dan is het in ruwe omtrekken te voorspellen, dat bepaalde handelingen ten naastenbij de voorziene gevolgen zullen hebben. Welnu, de laatst geopperde raeening is de mijne en zeer zeker die van het meerendeel der onzen.

Daardoor komt dat wij de bestaande afkeurenswaardige Maatschappelijke toestanden uit de plaatshebbende oorzaken trachten te verklaren.

De hoofdoorzaak van deze, hebben wij leeren inzien , is het privaat-bezit, en bijgevolg willen wij dat privaat-bezit trachten weg te nemen en daarvoor in de plaats stellen «gemeenschappelijk bezitquot;. — Elke individueele poging nu, in die richting beproefd, wanneer ze goed wordt ter hand genomen, is een zandkorrel, afgenomen van den berg van onkunde en vooroordeel, die moet worden opgeruimd, vóór en aleer de weg naar het beloofde land open is.

De gróote kwestie dus is en blijft vooreerst nog, of datgene , wat we doen , zóó wordt gedaan, als het meeste dienstig is voor het verkrijgen van vele en goede helpers. Omdat ik voor mij nu uitga van de stelling, dat individueel niemand geheel goed is, daarom acht ik in doorsnede genomen de uitspraak van velen in de meeste gevallen hooger, dan die van den meest goeden eenling. Dit is echter niet altijd het geval, en daarom is liet noodig, dat èn oogen-schijnlijk goede èu oogenschijnlijk verkeerde begrippen elkander kruisen , opdat uit zulk een wrijving van denkbeelden het voor het oogenblik meest ware voor den dag kome (Democratie.)

Is dat alles nu echter wel iets anders dan samenwerking in de beteekenis als de onzen daaraan be-

-ocr page 54-

52

hooren te hechten ? Zeer zeker niet, en wanneer wetenschap en beschaving in de laatste eeuwen belangrijk sneller zijn vooruitgegaan dan voorheen, dan is dat slechts gekomen , omdat het licht op de kandelaar werd geplaatst, omdat er samenwerking kwam tusschen den enkeling, die zwanger was van een nieuw idéé, en anderen, die vatbaarheid bezaten dat in zich op te nemen.

Wanneer de mensch zich altijd beweegt tusschen gelijk gezinden, dan zullen wij opmerken, dat hij óf een dweper óf een eenzijdige verwaandheid wordt. Dat is de vloek geweest van elke godsdienstige instelling , een vloek, die door alle eeuwen heen de menschen in elkander bespottende en met feilen haat hatende kampen heeft verdeeld gehouden.

Dat wij er dus op uit zijn die klip, die naar het mij voorkomt ook in ons vaarwater zich vertoont, te vermijden, omdat zij niet past in de gedachten-gang van een streven, dat een wereld vervormenden taak tot grondslag heeft.

Waarlijk, de Sociale idéé is te goed, te grootsch, te humaan en te verheven, dan dat ze verminkt mag worden door allerlei kleingeestige , doch in hare gevolgen dikwijls zoo nadeelige schermutselingen, als de laatste tijd dat geeft te aanschouwen.

Daarom is het maken van propaganda dan ook zoo\'n uiterst teedere zaak, dat zij , die daarbij op den voorgrond treden , een hoogst moeielijke taak op de schouders nemen.

Zoo\'n spreker wordt beoordeeld door Jan- en- alleman en dat dikwijls op een wijze, dat zelfs een heilige niet onbesproken zou blijven, en elk, die weet, wat onware en leugenachtige voorstellingen van dezen ter dien opzichte al niet in omloop zijn gekomen, kan alleen daaruit wel de gevolgtrekking maken, dat de mensch is een product van opvoeding en omgeving.

De meest in het oog loopende meening, welke bij de meerderheid van hen, die niet bij de propaganda zijn betrokken, heeft post gevat, is, dat onze sprekers zich verrijken met de door de bezoekers onzer

-ocr page 55-

53

openbare vergaderingen te betalen entree en — dat onze couranten en geschriften belangrijke winst afwerpen voor hen, die ze beheeren.

Dat deze meening bij de massa algemeen voorkomt , kan ons niet verwonderen in een maatschappij, welke geheel en al steunt op, en in de voegen wordt gehouden door cjelcl.

In een samenleving, waarin geld en nog eens geld bij alles den doorslag geeft, — in een omgeving, waarin ik nog nooit om eens iets te noemen een verkondiger van »liet evangelie van Jezusquot; zóó rijk heb gezien, dat hij dit evangelie om niet ging prediken »aan alle creaturenquot;, zooals een der bijbelsche uitspraken luidende is, — waarin ik niet èén doctor in de geneeskunde ken, die zijn praktijk enkel uit belangstelling ten dienste der lijdende menschheid uitoefent, — waarin geen rechter recht ? spreekt, dan voor geld, — waarin geen kamerlid zijn tracte-ment en geen ex-minister zijn pensioen weigert, hoe rijk zij ook mogen zijn , — daar kan het wel niet anders, of de meening, dat ook onze propagandisten zich finantiëel zouden bevoordeelen met en quot;door de propaganda, moet wel heerschen bij verreweg de meesten, die niet rechtstreeks of zijdelings in de propaganda betrokken zijn.

In een geld-maatschappij als de onze, waarin de rijke schurk dikwijls wordt geridderd en de eerlijke arme veracht; waarin de jongeling zijn lichaam verkoopt voor kanonvoer en de maagd zich verhuurt voor liefhebberijvleesch, — waarin men na een leven van misdaad en ondeugd zijn ziel in den hemel kan laten bidden door huurlingen van de een of andere godsdienst-affaire, enkel door geld, — daar, nog eens ! daar kan het wel niet anders, of men moet ons wel verdacht houden, daaraan ook mee te doen, daar ook wij helaas ! gedoemd zijn tegen wil en dank het hoofd te buigen voor dien almachtigen moloch en dus entree te heffen en collecten te houden om de onvermijdelijke uitgaven, welke bijna altijd meer bedragen dan de inkomsten, te kunnen bestrijden.

Hoe gaarne ik dus zou zien, dat de onzen in

-ocr page 56-

54

staal waren ons e\\angelie om niet te prediken, de onmogelijkheid, om in een kapitalistische samenleving te handelen, zooals men dat in een socialistische of communistische zou kunnen, — is ook ons te machtig en noodzaakt ons te doen, wat wij zoo gaarne zouden nalaten.

Juist het feit, dat hij, die de meeste propaganda maakt, ook het meest geldelijk nadeel lijdt, maakt het velen der onzen onmogelijk, zooveel te doen, als ze gaarne zouden willen.

Is hieraan dus moeilijk iets te veranderen, waar wel wat aan te veranderen zou zijn, is de wijze van propagandeeren.

quot;Wij zouden ons meer populair kunnen maken door wat minder te kritiseeren en wat meer te wijzen op de verbeteringen van het bestaande, die te verkrijgen zijn, en door duidelijker voorstelling te geven van het leven onder het beoogde stelsel der toekomst. Bovendien begaan wij in mijn oog vaak de fout, dat we de arbeiders te veel vleien, terwijl in het debat de tegenstander veeltijds wordt afgemaakt op een wijze, die anderen afschrikt, om hunne bedenkingen in het midden te brengen.

Wanneer wij ons met opzet onthouden van bespiegelingen te leveren of détails aan te geven, hoe en waaruit een betere maatschappij dan de bestaande kan groeien, omdat dergelijke aanwijzingen een vruchtbaar veld van kritiek voor den tegenstander zouden openen, dan is dat een zwakheid inzake kennis van toestanden xeenerzijds en een lafheid anderzijds, welke niet te verdedigen zijn. Het kan zijn nut hebben personen en partijen, meeningen en stelsels te geeselen ; maar wanneer wij daarbij nalaten op iets tastbaars beters te wijzen, dan kan men de menschen verbitteren weliswaar , doch dergelijke ontevredenheid kan onmogelijk de kiem zijn, waaruit iets blijvend groots kan groeien.

Bovendien meen ik, dat er veel te weinig wordt gewezen op de rampzalige onverschilligheid en de betreurenswaardige stompzinnigheid van het meeren-deel der arbeiders zelf. Dat voortdurend hekelen

-ocr page 57-

55

van degenen , die boven ons staan, is zoo bedroevend geschikt om onze lotgenooten in den waan te brengen, dat die hoogergeplaatsten eigenlijk de schuld zijn van alles, en zij (de arbeiders) dus geenerlei verantwoordelijkheid hebben te dragen. En toch blijf ik bij hetgeen zoo dikwijls door mij gezegd is, dat de ergste vijanden, die wij te bestrijden hebben, zijn de jan-salieachtige slentergeest en de neerbuigende zelfvernedering, die negen tiendedeel van onze arbeiders kenmerkt.

Ik ken ze in mijne omgeving en elders meer dan te veel, die geducht kunnen meeschelden op alles , wat boven hen staat, maar die zelf eiken dag van hun leven een pak ransel verdienden voor de mensch-onteerende laagheden van allerlei aard, door hen bedreven en de bekrompen liefdeloosheid voor alles, wat hun niet dadelijk stoffelijk voordeel bezorgt.

Daarom is het mij onmogelijk te hopen, dat in de ure des gevaars gerekend zou kunnen worden op menschen, die de kleine opoffering, welke noo-dig is voor de aansluiting bij de arbeiders-partij , nog te veel is, om daardoor mede te werken tot verbetering van hunne positie en die hunner kinderen.

In de vele jaren, waarin ik in onze beweging werkzaam ben , jai\'en, waarin ik zooveel geestverheffende ontmoetingen heb gehad, was ik ook in de gelegenheid zoo onnoemelijk veel lafheid en zoo ontzettend veel grenzelooze laagheid te kunnen waarnemen onder mijne mede-arbeiders, dat men inderdaad alleen moet kunnen staan met zijn onwrikbaar geloof aan de zegepraal van het goede in onze propaganda , om niet terug te keeren tot het verouderde, — wat echter nog meer walging wekt.

Wanneer wij nalaten onze stand- en klasse-genooten voor oogen te houden, dat vereeniging, en nog eens vereeniging de dure plicht is van allen, en dat zonder die onmisbare voorwaarde van organisatie, noodig voor alle hervorming, niets kan worden uitgevoerd door de enkelen, die daarvan reeds doordrongen zijn, en daarvoor menig offer brengen,

-ocr page 58-

56

begaan wij een fout van de ergste soort.

De arbeider moet weten , dut waar onze inspanning om «de kat uit den boom te slaanquot; vruchteloos is, dit zijne schuld is; en daarbij, als hij wel de kastanjes zou willen oppeuzelen, wanneer deze maar door ons uit het vuur zijn gehaald, hij onze verachting verdient, evenzeer als de kapilalist, wanneer deze, onverschillig voor het leed van anderen , er steeds op uit is zijne bezittingen te vermeerderen.

Ik voorzie wel, dat dergelijke uitingen mij kwalijk zullen genomen worden, maar meer lief dan degenen, die dat zullen doen, heb ik datgene, wat ik voor waar houd, — en waar is het, dat onnoemelijk velen, die meer belang hebben bij verandering van zaken dan ik, wien het spook der armoede meer op de hielen zit dan mij, toch niet de minste moeilijkheid willen of durven trotseeren, om de volkszaak te dienen.

Welnu, dezulken moet worden gewezen op het onverantwoordelijke van hun laksheid.

Het moet hun gezegd worden, dat zij zijn misdadigers tegen zich zelf, onwaardigen voor hun gezin en remtoestellen voor den vooruitgang. En toch, wanneer de een of ander »Heerquot; in het debat ook maar in de verte op zooiets zinspeelt, is men er dadelijk bij dergelijke waarheden te begraven, te vaak onder een berg van opgevijzelde drogredenen.

«Vóór de armen en tegen de riikenquot; is onze leuze.

«Voor de waarheid en tegen de leugen, — «voor het recht en tegen het onrechtquot;, zou ik beter vinden. Het komt mij dan ook voor, dat wij te veel op rekening stellen van het privaat-bezit en te dikwijls over net hoofd zien, dat er ook buiten den eisch van te kunnen voldoen aan de stoffelijke behoeften, meer moet gelet worden op het aankweeken van een betere moraliteit bij het individu.

Met de zaak voor te stellen, alsof de rijken schurken en de armen heiligen zijn, dwalen wij af van het terrein der werkelijkheid. En als het dan hoe langer hoe zeldzamer wordt, dat de een of ander

-ocr page 59-

57

twijfelaar of tegenstander zich aan debat waagt, moeten wij niet wanen, dat dit is, omdat men overtuigd is geworden van de onaantastbare waarheid onzer stellingen; neen ! dat is vaak een gevolg van onze afmaak-methode, waarbij het niet geduld wordt an-derer meening te waardeeren, veel minder, om op het een of ander punt dwaling te bekennen.

En toch, als eenmaol de geschiedenis der volksbeweging zal worden geboekstaafd; wanneer eenmaal de gevolgen zullen kunnen worden beoordeeld van de oorzaken, door ons in het leven geroepen , zal in die geschiedenis, stel ik mij voor, menige bladzijde worden aangetroffen, welke de verzameling niet had behoeven te ontsieren, — zoo wij meer de waarheid hadden hoog gehouden en steeds een goede moraal hadden gehuldigd. Deden wij altijd dit laatste , dan zou de propaganda daarbij winnen en onze invloed onder alle standen der maatschappij toenemen.

Dit is in hoofdzaak de reden, dat deze klasse van medeburgers, die én door ervaring, én door veeltijds meerdere kennis dan het gros van onze werklieden bezit, zoo uitnemend geschikt zouden zijn voor de verspreiding onzer denkbeelden, — deze tegenwerken en verdacht maken.

Mede daardoor wordt de strijd dikwijls een personenstrijd , welke met het wezen der zaak, (de ontworsteling des volks uit de boeien van het kapitalisme,) niets te maken heeft.

Wanneer het voortgaat, zooals het te dien opzichte nu een tijdlang is gegaan, is er voor dergelijke bur-gerproletaren in het leger der onzen volstrekt geen plaats.

Tk heb reeds vroeger gezegd en wil het hier herhalen , dat niet allen, die zich als onze tegenstanders doen kennen, dat zouden zijn, indien ze beter en doeltreffender werden voorgelicht omtrent het eigenlijke wezen van onze beweging, dat hoogst rechtvaardig , innig menschlievend, en waarlijk hart- en zielverheffend is.

1 k heb reeds velen leeren kennen, die, door toevallige omstandigheden met sommigen der onzen in

-ocr page 60-

58

aanraking komende, er versteld van stonden , dat wij voor het uiterlijke menschen waren precies als anderen en ten opzichte van humaniteitsgevoel en zelfverloochening, hulpbetoon en offervaardigheid inderdaad hun meerderen waren.

Men is van onze zijde zoo spoedig geneigd in den tegenstander een geslepen huichelaar te zien, iemand, die ja, heel goed zou weten, dat wij werkelijk gelijk hebben , doch die desniettemin ons beliegt en verdacht maakt, omdat een veranderde maatschappelijke regeling in zijn persoonlijk nadeel zou zijn.

Dat ze er zoo worden gevonden , zal niemand ontkennen, maar dat onze bestrijders allen zoo zijn, is een dwaasheid, welke slechts bij bekrompene en oppervlakkige naturen verdediging vindt.

Velen\' ken ik, en ik ontmoet ze nog dagelijks, die wij niet tot de onzen rekenen , doch die het niet aan hart en gevoel ontbreekt voor hunne lijdende natuurgenooton. Wanneer wij meenen, dat elke gave , door dezulken geollerd op het altaar der phi-lantropie, hunnerzijds een poging is, om de onzen, die liefdadigheid geheel anders beschouwen dan zij, — afbreuk te doen , — dan — ik ben daarvan overtuigd — dan vergissen wij ons zeer.

In doorsnee genomen moeten we erkennen , dat ook de besten onder ons nog egoïsten zijn ; de eene in meerdere, de anders in mindere mate. Het stelsel maakt helaas ! de menschen zoo ; doch zoo slecht, zijn gelukkig die menschen nog niet, of onder alle standen, godsdiensten en gezindheden worden nog wel bi\'ave, edele persoonlijkheden gevonden.

Met dat te ontkennen slaan wij den vooruitgang en het werkelijk menschelijke in den mensch in het aangezicht.

Ik zal mij niet beroepen op de vele en velerlei martelaren voor de zaak , welke zij gemeend hebben , dat goed was en waar.

De geschiedenis van het verleden en het heden weet ze genoeg aan te wijzen. Ik zal ze niet noemen , omdat ik voor velen der hunnen, voor zoo ver het den godsdienst betreft, weinig respect heb,

-ocr page 61-

59

daar we hier altijd te doen hebben met geestelijke idioten, die hun tijdelijk rampzaligheden door hun marteldood gingen inwisselen tegen een eeuwig gelukzalig hiernamaals. Oneindig hooger staat bij mij de man der wetenschap en der vrije gedachte, die tegen onkunde en dogmatiek te velde trekt en daarbij vaak rang en stand, zijn vermogen en maatschappelijke positie inboet, of gesmaad en vergeten van kommer en ellende omkomt.

De marteldood der anarchisten van Chicago, die, vrij van alle bijbedoelingen, hun leven ten oiTer hebben gebracht voor de zaak, waarvoor zij geleefd hebben , is van veel hoogere beteekenis , dan de kruisiging van hem, die, door zijne medegehan^enen te beloven straks met hem in het paradijs te zullen zijn, weer een min of meer loonheiligen achtergrond toont.

Ik moet zeggen het streven der anarchie niet recht te begrijpen, of als het datgene is, waar ik het voor houd , dat het dan nog eeuwen lang een droombeeld zal blijven en nooit volkomen tot toepassing zal kunnen komen ; maar willen we oprecht zijn, dan moeten we erkennen , dat de kern daarvan dezelfde is, die we in meerdere of mindere mate door alle tijden heen in het streven van alle groote en onbaatzuchtige geesten hebben aangetroffen, n.1. zelfverloochening , met toewijding en werkzaamheid in dienst van het verdrukte volk.

Diezelfde kern was ook de levenskiem van het Christendom en zal de groeikracht blijven van het Socialisme; maar als we deze omwinden met alles en allerlei, wat haar voor het oog der menschen verborgen houdt, of haar begraven onder een massa vuil, dat afschrik en walging wekt, dan is het onze schuld , dat zoo weinigen moeite doen om met haar moed-, volharding- en geestdriftwekkende eigenschappen kennis te maken.

Zoolang dan ook de massa ons voor een hoop ruwe woestelingen verslijt, — zelfzuchtige raddraaiers, die de rijken arm en de armen rijk zouden willen maken, — moordzuchtige barbaren, die in wraak hun geluk, in bergen van lijken en stroomen van

-ocr page 62-

60

bloed hun ideaal zien , zoolang zal het ons niet. gelukken een drijfkracht te worden naar een beteren toekomststaat.

Eerst dan, wanneer de tegenstander moet erkennen, dat het socialisme beoogt; »zooveel mogelijk geluk voor zooveel menschenquot;, door de hoogst-mogelijke kennis bij het grootst mogelijk aantal, — eerst dan zal het aantrekkelijk blijken voor allen, die de kluisters van dwang en druk onder allerlei vormen trachten te verbreken en, — bijgevolg de naar vrijheid zoekende rnensch zijn ideaal kan vinden in den internationalen kamp voor waarheid en vrijheid, tegen leugen en slavernij, — voor brood en geluk voor allen , in plaats van grenzenlooze weelde bij enkelen en bittere armoede bij de massa, zooals dat tegenwoordig het geval is.

In dien geest te propagandeeren, daarvoor anderen op te wekken en aan te vuren, dat zal de laak moeten zijn, die wij op de schouders behooren te nemen. Dan zal de beweging niet door een ontijdigs uitbarsting voor een groot deel worden vernietigd, of door onderlinge twisten te eeniger tijd in vele kleine onderdeelen worden gescheurd om daarna te sterven aan verval van krachten, of, in leven blijvende, niet vruchtdragend te zijn, daar strijd in eigen boezem de voor alles noodige organisatie zal tegenhouden.

»Pgt; zijnquot;, zegt Annie Besant terecht, »twee manieren om een plan te ontwerpen voor de regeling der toekomst.quot;

Verreweg de gemakkelijkste, maar ook de minst nuttige is, om een utopia te scheppen, een oefening des geestes , waartoe niets anders noodig is dan een sterke en levendige verbeeldingskracht, die zich de samenhang der dingen goed voorstelt. De utopist heeft geen kennis noodig der feiten, integendeel, die kennis zou hem in den weg staan.

Voor hem bestaan de wetten der maatschanpeliike wording niet; hij maakt zelf zijn eigen wet, en zijn mannen en vrouwen zijn niet de eigenkennige, grillige, onregelmatige wezens uit het dagelijksch leven, doch scheppingen van zijn eigen brein, poppen, die

-ocr page 63-

61

gehoorzamen aan de touwtjes, die liij in handen heeft.

In één woord ; hij schept, doch bouwt niet; hij maakt zelf zijn hulpmiddelen en ook de wetten die hunne aanwending regelen, en voegt ze allen naar een denkbeeldige uitkomst bijeen.

Zoo hij een nieuwe maatschappij beschrijft, dan zijn de eenige grenzen voor de volmaaktheid, de grenzen van zijn eigen verbeelding.

De tweede manier is minder aantrekkelijk, ook minder gemakkelijk, doch in mijn oog belangrijk nuttiger.

Uitgaande van den tegenwoordigen stand der Maatschappij , zoekt hij -te ontdekken, welke neigingen in haar werkzaam zijn; aan te toonen, tot welke instellingen deze neigingen langs natuurlijken wreg moeten voeren, en aldus vooruit te zien , niet de verre toekomst, doch de naaste schrede op den weg van den maalschappelijken vooruitgang. Hij richt zijn oog op de groote veranderingen, die door evolutie zijn tot stand gebracht, en minder op de kleine afwijkingen, die het gevolg zijn van plotselinge opstanden , — op die Revolutiën, die de maatschappij hervormen en minder op de voorbijgaande oproeren, die \'enkel maar tronen omverwerpen en koningen onthoofden.

Het is onze plicht aan te toonen welke veranderingen uitvoerbaar zouden zijn met de menschen, zooals wij die nu kennen.

Niet dus vat denkbeeldig het beste — doch wat mogelijk is.

Wat baat het, dat wij luchtkasteelen bouwen voor de verre toekomst, als de tegenwoordige aardbewoners zich daarin toch niet zouden thuis gevoelen1?

Het grootste deel der menschen schrijdt bewust of onbewust reeds voorwaarts op den weg, dien steeds meerderen zullen saan.

Bij den eenen is het \'t verstand, dat hem daartoe aandrijft; bij den ander is het \'t gevoel dat hem daarhenen trekt, en bij een derde de overtuiging , dat de ellende van heden niet behoefde te bestaan ; velen van dezen aarzelen nog om daadwerkelijk

-ocr page 64-

62

mede te arbeiden en anderen zijn zoekende om vorm en aanknooping te vinden voor het ideaal, dat hen tegenlacht.

En waar er in onzen tijd zoo vele waarschuwende stemmen opgaan , dan tegen dezen en dan tegen gene, mag ik niet nalaten ook een waarschuwing te doen hooren en wel deze: Gij, die altijd schreeuwt over revolutie en nog eens revolutie, zie toe, wat gij doet, opdat het wapen, dat gij wilt gebruiken, U zelf niet doodt, en dat uw onbekookte ijver niet het tegenovergestelde bewerkt, van wat Gij U hebt voorgesteld.

-ocr page 65-

B.

Parlementairisme en Wetgeving!

Zij , die zich het meest geilvanceerd noemen in onze dagen , willen van deelname der onzen aan het parlement niets meer weten , en anderen gaan nog zooveel verder met ook in verbeterde Wetgeving geen heil te zien. Alle tijd en moeite , besteed aan het op kalefateren van het oude stelsel, beweren dezen , is nutteloos, omdat het fundament niet deugt.

Ik wil toestemmen, dat het in de meeste gevallen zeer moeielijk is om in het samenweefsel van den tegenwoordigen toestand radicale verbeteringen aan te brengen ; maar zoolang liet niet mogelijk is het ge-heele roofstelsel met wortel en tak uit te roeien, kunnen betere wetten en beperkende voorschriften toch wel zoo veel doen, dat de buit evenrediger verdeeld worde, dan nu het geval is.

Voor mij heb ik: SOCIALISME , DEEL I, vertaald door Wihaut — waarin wij op bladzijden 118, 119 en 120 worden voorgelicht hoe in Engeland , het land van grootindustrie en grootkapitaal bij uitnemendheid , een betere Wetgeving inderdaad veel heeft gedaan.

»Eenigen tijdquot;, zegt de schrijver , nadat de stoom zijn intrede had gedaan en de Exploitanten onbelemmerd hun zucht naar rijkdom op de arbeiders konden botvieren, was de toestand der laatsten allerellendigst.

De wilden op de eilanden in de Stille Zuidzee werden beter gevoed en waren gelukkiger, dan de werklieden in de nijverheidsdistricten van Engeland. Het werd bekend, dat kinderen in grooten getale naar het Noorden werden vervoerd , waar ze in hulpgebouwen, in de nabij-

-ocr page 66-

64

heid der fabrieken opgericht, werden gehuisvest, en tot lange werkdagen en -nachten werden gedwongen — de fabrieken gingen dag en nacht door, zender oponthoud — de eene ploeg kinderen ging naar bed als de andere naar de weefgetouwen trok, en wijl er slechts voor één ploeg bedden waren, kon men van die bedden zeggen , dat ze nooit koud werden. Epidemische koortsen waren aan de orde van den dag, het aantal kwalen breidde zich snel uit: slechte vorming der beenderen, verkromming van den ruggengraat , hartkwalen, breuken, belemmeringen van den groei, asthma en ontijdige ouderdom. De winsten der fabrikanten werden in dien tijd geschat op 100 tot 1000 procent. In de mijnen werkten kinderen van beide geslachten samen , half naakt, 16 uren aan één stuk; — in die vunzige gangen vond men ze aan het werk van vier, zes en zeven Jaar.

Vrouwen verrichtten den z waarsten arbeid onder den grond, ook als ze zwanger waren. Nog geen week na hare bevalling moest de moeder weer aan het werk in een atmosfeer van zwaveldampen.

Op sommige plaatsen stonden de vrouwen den ganschen dag tot de knieën in het water, en in heete lucht. Vrouwen en kinderen van zes jaar trokken de kolenkarren door de gangen der mijnen tot hun de huid dóór was. Ze moesten kruipen op handen en voeten en waren voorde karren gespannen met een gordel rond hun midden en een ketting, die tusschen de beenen doorliep; — kleine meisjes van zes jaar werden gedwongen lasten te dragen van 25 kilogram. De hoogten, die ze daarmede dagelijks veertien malen moesten beklimmen , waren telkens groo-ter dan de hoogte van de St. Pauls Kerk. Een meisje van 47 jaar legde de verklaring al\', dat ze dikwijls 24 uren aan éen stuk moest doorwerken.

De woeste wreedheid der mannen werd ein-

-ocr page 67-

65

delijk erger dan die van wilde dieren, onwillige kinderen werden gruwelijk verminkt, en dikwijls tegen de wanden der kolengroeven doodgeslagen en dat alles ongestraft. Dierlijk bestaan en korte levensduur was regel; met 50 jaar was een geslacht uitgestorven.

Zoo zag het er uit in een groot deel van het nijvere Engeland onder de onbeperkte heerschappij van den kapitalist.

In 1802 echter kwam een wetgeving omtrent de voorziening. die de werkgevers moesten tret-fen voor de kinderen. In 1819 kwam de Colt;ton Mills Ad tot stand die de arbeidstijd voor allen beperkte tot 72 uren per week. Daarna werd in 1825 de arbeid op Zaterdag bekort. quot;Weer later slaagden werklieden, Radicalen , Conservatieven en Philantropen (samenwerking O Ultrarevolutionairen !) er in om een tien uren-wet aangenomen te krijgen.

In 1832 kwam een wet in behandeling, die den arbeidsduur beperkte van personen beneden 18 jaar; in 1833 werd nachtarbeid voor dezulken verboden en de maximum-werktijd voor kinderen vastgesteld op 48 uur per week, waarbij een dagelijksch schoolbezoek werd ingesteld en eenige vrije dagen (vacantie) in het jaar.

In 18G0 werd een wet ingevoerd op den arbeid in de mijnen, in 1802 werden de bepalingen op veiligheid en luchtververschingen verscherpt.

In 1801 tot 1804 worden wetten ingevoerd op de kunst-industrie, in 1803 op de bakkeriien , in 1804 op de aardwerkfabrieken, enz. In 1807 op den arbeid in werkplaatsen , die voorschriften gaf voor kleine bedrijven en ambachten, en in 1871 werden een aantal wetten vereenigd tot ÉÉN WET OP DEN ARBEID!quot;

Zoo zien wij aan Engeland dat, al is ook daar de toestand op verre na niet, zooals die behoorde te wezen, — al zijn alle dergelijke dingen ook lapmiddelen te noemen, dat toch door betere wetgeving het moordende concurrentie-systeem van de groot-

-ocr page 68-

60

industrie in het belang van de arbeiders aanmerkelijk beperkt is geworden.

))Wanneer men dan ook zegt een andere scbrij-ver »liet leven vergelijkt van den arbeider, die werk heeft in Engeland, bij voor 50 jaar, dan is het onderscheid te groot, dan dat iemand met eeni-gen grond zou kunnen ontkennen, dat dergelijke veranderingen verbeteringen zijn.quot;

En al weten we ook, dat wij Nederlanders vooral, die op het gebied van volks-ontvoogding nog zoo vreeselijk veel achteraan komen, weinig daadwerkelijks zullen kunnen doen, — al gelukt het ons nu en dan een der onzen naar het Gemeentehuis, de Provinciale Staten of de Tweede Kamer der Staten Generaal af te vaardigen, — het staat toch bij mij vast , dat ook daar beter dan ergens anders propaganda kan worden gemaakt, omdat de woorden daar gesproken in den vorm van ingebrachte grieven en beschuldigingen , aanwijzingen en voorschriften, door de daarvan opgemaakt rapporten en verslagen meer worden nagegaan, dan dat bij andere gelegenheden plaats heeft.

Men zegt, dal, er zoo weinigen zijn, die in een dergelijke besmette atmosfeer zich zelf kunnen blijven; maar daar staat tegenover het voordeel, dat wij daarmede intijds de bokken van de schapen zullen kunnen leeren scheiden. Wie voor beginselvast doorgaat, zoo lang hij onder gelijkgezinden verkeert; maar dat beginsel verloochent, zoodra hij in aanraking met anderen komt, is niet de man, die ons vertrouwen mag hebben en beter is het, dat wij dezulken leeren kennen in hun parlementaire loopbaan, dan in tijdperken van spanning en overgang , wanneer bet welslagen van belangrijker zaken dan een parlementair debat aan hunne handen zoude zijn toevertrouwd.

Niet op het exercitie-plein leert men de gevaren van den oorlog trotseeren, maar op het slagtveld, waar den krijgers de kogels om de ooren suizen, — en wanneer er verraders zijn onder degenen, die men voor partijgenooten aanziet, of lafaards onder

-ocr page 69-

67

hen, die voor dapperen werden gehouden, dan is het goed dat wij dezulken tijdig leeren kennen.

Is, zooals Sydneij Olivier dat uitdrukt, gezond verstand de hoofddeugd van het Socialisme, dan zal het parlement de beste plaats zijn voor hem, die men vertrouwde, om te weten te komen, of het werkelijk datgene is geweest, wat wij in den Afgevaardigde waardeerden.

Juist dat gezond verstand, door Olivier en anderen voor het hoogste geacht, wordt bij sommigen zoo gemakkelijk onder partijleuzen begraven. Anderen voor zich te laten denken en dan die anderen na te praten en na te doen, is de meest kenmerkende eigenschap, die ook vele partijgenooten met onze tegenstanders, van onze apen-afkomst hebben overgehouden, en zóó goed schijnen de meesten zich daarvan bewust te zijn, dat ze elke aanraking met andersdenkenden trachten te vermijden.

Ik zal niet beweren, dat het velen (waaronder ik mij ook zelf reken) niet aan de noodige kennis. tact en zeggingskracht zou ontbreken om op een wijze b.v. alsDomela Nieuwenhuis dat in onze Tweede Kamer heeft gedaan, geheel alleen tusschen\'09 tegenstanders op zoo talentvolle manier de arbeidersvaan hoog te houden als hij dat deed. Iemand, die niet beter onderlegd is dan ik, zou op dergelijke plaats wat kunnen doen, wanneer hij tusschentijds ingelicht en inmiddels gesteund werd door anderen, die in wetenschap en geestvermogens boven hem staan. Daarvan doordrongen heb ik voor de mij indertijd aangeboden kandidatuur dan ook bedankt, omdat ik meende zelf kennis genoeg te hebben om te weten , dat iemand als ik toen en nu in de Tweede Kamer nog niet kon zijn de rechte man op de rechte plaats!

Maar aan mannen, meer bekwaam, ontbreekt het gelukkig nog niet, en dat deze daar ter plaatse als stuwkracht en protestleden niet voel ten goede zouden kunnen doen, is onloochenbaar.

Daarom betreur ik het (niet als doel, maar als middel) dat men den wettigen weg met opzet verlaat, omdat ik meen, dat alles moet worden aange-

-ocr page 70-

68

grepen wat dienen kan om de nevelen te doen optrekken en de wolken weg te vegen, die het nieuwe licht bedekt houden.

Hoe bedroevend toch de maatschappelijke toestand van het oogenblik ook is, wij moeten erkennen, dat hij als gevolg van voorafgaande oorzaken nieranders, niet beter heeft kunnen zijn. Elke schijnbaar niets te beteekenen uitgestrooide zaadkorrel, waaruit onze denkbeelden zich zullen moeten overplanten op anderen , is op zichzelf een onderdeel van datgene, wat wij propaganda noemen.

Zie den eikel, luie daar uil Kens een dikken boom nnlspruil.

Vele droppels, zonder tal.

Vormen saiim een waterval.

En nooit komen die korrels beter terecht, al is het dat wij daarvan dadelijk geen wasdom zien, dan juist daar, waar de wetten worden gemaakt, omdat op die plaats de natie het meest het oog gevestigd heeft.

Al was het dus alleen ter wille van de propaganda, dan nog zal ik het van belang blijven achten, dat in eiken tak van staatsbestuur de onzen zich kunnen doen hooren. En wie zal, met gegevens voor oogen als ons van Engeland geschetst zijn, durven blijven beweren, dat een betere wetgeving niet zou kunnen bijdragen om een beteren toestand te grondvesten ?

Toch valt het niet te ontkennen, dat het deze kwestie is , die tusschen verschillende personen in de partij voortdurend aanleiding geeft tot allerlei misverstand en daaruit voortvloeiend twistgeschrijf.

Het is daarom, dat ik ten slotte deze allen zoude willen toeroepen: houdt op , mannen! er is wel iets beters te doen! Verschillen wij met elkaar in denkbeelden , — dat wij daarvoor uitkomen; maar laat meeningsverschil geen voortdurende bron van on-eenigheid en hatelijke verwijten zijn.

Nog een paar maanden, en het te houden congres zal op nieuw over menig opgeworpen vraag uitspraak moeten doen. Welnu! wat ik om der vre-

-ocr page 71-

69

deswille zou wenschen is dit; Dat iedere afgevaardigde , die dat congres bezoeken zal, daarhenen gaat met de besliste overtuiging in het hart, dat de te houden bijeenkomst vóór alles moet zijn, een^ver-zoeningsdag voor allen; een dag, waarop de verschillende vertegenwoordigers van zooveele Atdee-lingen, die buitendien reeds mot tegenkanting van allerlei aard genoeg hebben te kampen, bij elkatider komen om den band van broederschap en goedwilligheid weer nauwer toe te halen. Picvolutionairen en de zoogenaamde Geleidelijke-weg-mannen , allen te zamen zijn noodig en allen te zamen zijn nuttig in de beweging; — dat men dat toch eindelijk eens leere inzien. Niet cement alleen geeft geschikte specie voor het optrekken van een hecht en onbreekbaar muurwerk; maar eerst dan, als deze zich korrel aan korrel met kalk verbonden heeft, wordt het in slaat den tand des tijds te weerstaan.

Is tot en voor zulk een samenwerking, — een samenwerking, die zich moet kenmerken door we-derzijdsche welwillendheid en wederzijdsche waardeering , — het uiterste beproefd zonder te slagen, welnu , dat er zich dan in Nederland vormen, zooals in Duitschland , een parlementaire- en een Revolutionaire partij. Niet omdat ik zou meenen,dat daarna de vrede hersteld zou zijn , maar alleen om voortaan te weten wat wij aan elkander hebben en om te scheiden, wat niet vereenigd kan zijn.

Ziedaar in hoofdzaak de redenen uiteengezet, waarom ik mij voelde aangetrokken tot het denkbeeld, om tusschen de vele en velerlei verwarde stemmen, die er tegenwoordig in de beweging opgaan , om enkel werkzaam te moeten zijn in de richting van het ruw geweld, ook de mijne te voegen van meer kalmen, van meer bezadigden aard.

Het spreekt van zeil, dat ik in velerlei opzicht zeer onvolledig heb moeten zijn, wilde ik niet te uitvoerig worden.

Ik vertrouw echter, dat men in hoofdzaak zal kunnen begrijpen, wat mijn streven is geweest, n.1. om te waarschuwen tegen te veel eenzijdigheid; op

-ocr page 72-

70

te wekken tot vertrouwen onder- en de meest-rnogelijke samenwerking tusschen partijgenootcn; omdat het drijven van sommigen de organisatie vermoordt en den band van broederschap en eensgezindheid verbreekt. En eindelijk, om de grieven, die ik had, openbaar te maken.

Kortezwaag. R. v. Z. BAKKER.

! ■ I

-ocr page 73-
-ocr page 74-
-ocr page 75-
-ocr page 76-