MEDITATIÃN
oi» J i i; r
imm ü Mi iiü
\\quot;AN ONZEN HEER
JEZUS-CHRISTUS
IN jjjjf tpEKLES EN VIER JAARC5AXOEN
ANT. ROOVERS, Pastoor.
7 :t \'I.EDE ! KKBK \'I EJïnF. UITGA 1\'lL
EERSTE DEEL m
-f.f\'
KKk.S\'I K KX âTWEEDE JAARGAXG:-;
Klt;) EK MOND.
van di:u makck, diïvkkeu-uitc;ever,
l\'. VAN VENCKENHAV, MAES-EVCK.
1 8 8 9.
MEDITATIÃN OP HET LIJDEN EN DEN DOOD
ONZEN HEER JEZUS-CHRISTUS.
L ? ^
1 /y /ih
ONZEN HEER
JEZUS-CHRISTUS
IN TWEE DEELEN en VIER JAARGANGEN
door
ANT. ROOVERS, Pastoor.
TWEEDE VERBETERDE UITGAVE.
EERSTE DEEL
EERSTE EN TWEEDE JAARGANG.
ROERMOND,
henei VAN der makck, drukkek-uitgetee. 1889.
MEDITATIÃN
Eerwaarde Heer Pastoor,
Volgens het verslag dat ons is voorgelegd over Uwe âMeditatiën op het lijden en den dood van O. H. J. Cquot;, is uw werk alleszins waardig te worden aanbevolen. Wij stemmen dus toe dat het gedrukt worde, en wenschen U tevens geluk om de echt priesterlijke wijze, waarop gij uwe ledige uren hebt weten te benuttigen.
f VICTOR-JOSEPHUS,
bisschop van luik.
Luik, den 6 October 1885.
EERSTE JAARGANG.
VOORWOORD.
Alhoewel de meditatiën op het Lijden en den Dood van O. H. J. C. talrijk, en vele niet zonder waarde zijn, zij het mij nochtans toegestaan de volgende in \'t licht te geven. Overigens, \'t is zeer modelijk, zoo niet onmogelijk, daarin allen te voldoen. De ééne verlangt alleen de lijdensgeschiedenis van O. H. J. C. verhandeld zonder toepassing, hetgeen wel goed, doch minder doelmatig is. Een ander vergenoegt zich met het aanhalen van het lijden van Jezus uit de vier Evangelisten, zonder uiteenzetting der geschiedenis, terwijl de zedenlessen brecdvotrig verhandeld worden, hetgeen reeds beter en ook doelmatig is Een derde verlangt én lijdensgeschiedenis én zedenlessen verhandeld en min of meer uiteen gezet, welk laatste dan ook meer in den smaak valt en tevens het beste en doelmatigste is. Om in dit punt nu nog eenieder zooveel mogelijk te voldoen, zijn het Lijden en de Dood van O. H. J. C. in de volgende meditatiën verhandeld als volgt:
Het werk bestaat uit twee deelen; elk deel uit twee jaargangen.
De twee eerste jaargangen bevatten, elk de gansche lijdensgeschiedenis van het begin tot het einde.
De derde jaargang bevat de lijdensgeschiedenis breedvoeriger, van de instelling van het allerheiligste Sacrament des Altaars tot de voorkeur aan Barabbas boven Jezus, 200 nochtans, dat de laatste meditatie eindigt met een kort overzicht van den dood van onzen goddelijken Zaligmaker.
De vierde jaargang begint met eene korte herhaling van het eerste deel der lijdensgeschiedenis en zet vervolgens het tweede deel, van de geeseling tot den kruisdood van Jezus, wijdloopig uiteen.
De zedenlessen in elke meditatie opgesloten, zijn inzonderheid op den hedendaags bedorven tijdgeest toepasselijk.
Mogen deze weinige meditatiën de liefde tot den lijdenden Jezus en den haat tegen de zonde, die de oorzaak van Jezus? lijden geweest is, vermeerderen. En eindelijk, gelieve de lezer, zoo niet het gansche werk, althans den goeden wil des schrijvers en zijne poging tot welslagen goed te keuren.
Ant. Roovers, Pastoor.
Molen-Beersel, den 20 September 1889.
EERSTE MEDITATIE.
Jesus egressus est cum diseipulis mis trans torrentem Cedron.
Jezus ging uit met zijne leerlingen over de beek Cedron. (Joan, xvm, 1.)
INHOUD.
VOORREDE.
Niets zoo heilzaam dan een aandachtige overweging van het lijden en den dood van Jezus-Christus. Daardoor worden wij aangezet tot liefde jegens God en tot haat tegen de zonden.
VERDEELING.
I. De droefheid van Jezus in den Olijfhof;
II. Jezus neemt zijne toevlucht tot het gebed; III. Judas aan het hoofd van de vijanden van Jezus.
I.
Instelling van het allerheiligste Sacrament des Altaars.
â Afscheidsrede. â Gebed. â Jezus begeeft zich met zijne leerlingen naar den Olijfhof. â Doodelijke droefheid van Jezus. â Redenen dier droefheid. â Zonden. â Jezus zweet water en bloed. â Wij moeten de zonden beweenen. â Straffen. âJezus moet voor de zonden lijden.
â Wij moeten ook boetvaardigheid doen over onze zonden..
â 10 â
II.
Jezus neemt zijne toevlucht tot het gebed. â Een Engel uit den hemel sterkt Hem. â Jezus bidt met ootmoedigheid, met overgeving aan den wil Gods en met volharding. â Zoo moeten wij ook bidden.âJezus bidt tijdens zijne doodelijke droefheid. â Wij moeten ook bidden tijdens de moeielijkheden.
III.
Judas nadert om Jezus te verraden, hij gaat de soldaten voor. â Judas is een ergernisgever. â De ergernis is in onze dagen algemeen. â Slechte wetten, slechte redevoeringen, geld uitgegeven om de jeugd te bederven. â Ergernisgevers zijn de plichtvergetene ouders en oversten, de slechte jongelingen en jongedochters.
SLUITREDE.
Vooreerst moeten wij ons wachten voor alles, wat ons tot het kwaad kan brengen, voor slechte personen en vergaderingen, voor slechte boeken en gazetten. âVervolgens moeten wij zorgen van geen ergernis te geven, en ingeval wij ons aan die zonde hebben plichtig gemaakt, moeten wij ze beweenen en er boetvaardigheid over doen, de ergernis zoo goed mogelijk herstellen door te bidden, door hen, die wij geërgerd hebben, tot het pad der deugd terug te brengen; eindelijk moeten wij een goed voorbeeld geven.
â II â
EERSTE MEDITATIE.
Jems egresmz ent cum discipulis mis trans torrentem Cedron.
Jezus ging uit met zijne leerlingen over de beek Cedron. Joan, xvin, 1.
VOORREDE.
Buiten de veertigdaagsche vasten, M. Z., welke onze Moeder de H. Kerk haren kinderen oplegt, ten einde hen naar behooren tot het hoogtijd van Paschen voor te bereiden, verlangt zij, ja zet zij ons zelfs aan om het lijden en den dood van onzen goddelijken Zaligmaker met aandacht te overwegen. Zij stelt ons in hare over-wegingen de droevige lijdensgeschiedenis van Jezus-Chris-tus voor oogen. En te recht, want volgens de verklaring van den H. Augustinus is er niets zoo heilzaam voor ons, dan dagelijks te overwegen wat de Godmensch voor ons geleden heeft: Nihil tam salutifermn nobis est quam quotidie cogitare quanta pro nobis pertulit Deus-Homo.
Een aandachtige overweging van het lijden en den dood van onzen goddelijken Zaligmaker zal in ons te weeg brengen eene vurige liefde jegens God en een grooten haat tegen de zonde.
En inderdaad, wie is de mensch, die zich niet gedreven zal gevoelen om zijnen God wederkeerig te beminnen, als hij inziet, hoe zeer God hem bemind heeft? God de Vader heeft ons menschen zoo zeer bemind, dat Hij zijn eenigen Zoon niet gespaard, maar Hem voor ons ten beste gegeven heeft: Sic Deus dilexit mundtim, ut F ilium stitcvi unigenitum dar et. l) En die zoon heeft geen
1) Joan, ui, 16.
â 12 â
oogenblik geaarzeld uit den hemel neder te dalen, de menschelijke natuur aan te nemen, te arbeiden, te lijden, zelfs den schande- en pijnlijken dood des kruises voor ons te sterven. Dilexit me et tradidit semetipsum pro me! l) Ja, zoo mag eenieder onzer met den Apostel Paulus spreken: Hij heeft mij bemind en zich zeiven vcor mij overgeleverd ! Wanneer ik dat alles wel naga, en wanneer ik de oneindige liefde van mijnen Schepper jegens mij ellendig schepsel inzie; hoe dan? Zoude ik dan nog niet tot het krachtdadig besluit komen van mijnen Heer en God van ganscher harte te beminnen, die mij het eerst zoo zeer bemind heeft ? Bijgevolg is een aandachtige overweging van het lijden en den dood van onzen goddelijken Zaligmaker wel in staat, om eene vurige liefde jegens God in ons te weeg te brengen.
Vervolgens zal zij in ons te weeg brengen een grooten haat tegen de zonde. De reden er van is, wijl de zonde en de zonde alleen, de oorzaak is van het lijden en den dood van onzen goddelijken Zaligmaker.
Judas wel is waar heeft Jezus verraden en overgeleverd; de Pharizeën en Schriftgeleerden hebben Hem valsch beschuldigd; Herodes heeft Hem bespot, Pilatus onrechtvaardig ter dood veroordeeld; de soldaten hebben Hem gegeeseld, met doornen gekroond en eindelijk aan het kruis genageld; doch waarom heeft onze goddelijke Zaligmaker al die mishandelingen en folteringen ondergaan ? Waarom is hij eindelijk aan het kruis gestorven en heeft Hij zijn goddelijk bloed tot den laatsten druppel vergoten? Wat is er de oorzaak van geweest ? De zonde en de zonde alleen. Daarvoor heeft Jezus aan de strenge rechtvaardigheid van God zijn hemelschen Vader moeten
1) Gal. II, 20.
â 13 â
voldoen; en wij, M. Z., wij zouden geen afschuw van de zonde krijgen? Wij zouden geen doodelijken haat tegen de zonde opvatten? Gij ziet dus dat een aandachtige overweging van het lijden en den dood van onzen goddelijken Zaligmaker ook in staat is om ons de zonde en bijzonder de doodzonde, te doen haten en verfoeien. Buiten deze twee gevoelens, gevoelens van liefde jegens God en van haat tegen de zonde, die ons gestadig moeten bijblijven, zullen wij ons beijveren van nog andere zedenlessen uit de volgende overwegingen van het lijden en den dood van Jezus te trekken. Vangen wij thans aan met de lijdensgeschiedenis van onzen goddelijken Zaligmaker.
Vandaag zullen wij de drie volgende punten overwegen :
I. De droefheid van Jezus in den Olijfhof;
11. Jezus neemt zijne toevlucht tot het gebed;
III. Judas aan het hoofd van de vijanden van Jezus.
I.
Nadat onze goddelijke Zaligmaker in het laatste avondmaal het aanbiddelijk Sacrament des Altaars ingesteld, en voor de eerste maal zijnen Apostelen zijn goddelijk vleesch tot spijs en zijn goddelijk bloed tot drank gegeven had, hield Hij zijn afscheidsrede. Daarna richtte Hij nog een gebed tot God zijn hemelschen Vader, voor zich zeiven, voor zijne leerlingen en ook voor ons. Na het uitstorten van dat gebed, stond onze goddelijke Zaligmaker op, om zich naar den Olijfhof te begeven, waar Hij gewoon was te gaan bidden. Die goede gewoonte brak Jezus niet af, niettegenstaande het gevaar, dat Hem boven het hoofd hing; alhoewel Hij wist, dat zijne vijanden van zijn be-
â 14 â
zoek naar den Olijfhof gebruik zouden maken, om Hem gevangen te nemen. Hij stelde zich dan aan het hoofd zijner leerlingen en ging hen blijmoedig vooruit, De Apostelen volgden bedroefd, en de voornaamste reden, waarom zij bedroefd waren, was, wijl Jezus met hen over zijn aanstaanden dood gesproken had. Zij trokken te zamen over de beek Cedron, kwamen aan eene pachthoeve met name Gethzemani en gingen daar eenen hof binnen, \'t Was laat in den avond. Jezus zeide tot zijne leerlingen: Blijft hier, terwijl ik een weinig verder ga om te bidden; bidt gij intusschen ook, opdat gij niet vallet in bekoring. Hij nam drie zijner leerlingen, Petrus, Jacobus en Joannes een weinig verder mede. En ziet, nauwelijks bevindt Hij zich met deze drie alleen, of schrik en verveling overvalt Hem. Jezus begint te treuren, te sidderen en te beven; Hij kan zijn inwendig lijden niet langer meer verbergen. Mijne ziel, zoo spreekt Hij tot die drie Apostelen, mijne ziel is bedroefd tot den dood toe! Tristis est anima mea usque ad mortem! i) Als wilde Hij zeggen: De droefheid, waaraan ik ten prooi ben, is zoo hevig, dat ik er van sterven kan. Blijft hier, voegt Hij erbij, waakt en bidt met mij. Daarop verwijdert Jezus zich ook van die drie leerlingen, bidt, vervalt weldra in doodstrijd, zoodat Hij water en bloed zweet.
Ziedaar, M. Z., in welken droevigen en pijnlijken toestand onze goddelijke Zaligmaker in den Olijfhof gekomen is.
Doch van waar die zoo plotselijke verandering? Nog niet lang geleden had Jezus gezegd, dat Hij naar zijn lijden verlangde: Baptismo habeo baptizari, et quomodo coarctor usque dum perficiatur ! 2) Ik moet met een doopsel
1) Matth. xxvi, 38. 2) Luc. xn, 50.
â IS â
gedoopt worden, en hoezeer word ik geprangd totdat het volbracht zij! Als wilde Hij zeggen: Ik moet lijden, sterven, mijn goddelijk bloed vergieten, en hoezeer verlang ik van het te kunnen doen! Zoo even nog ging Jezus vol moed en opgebeurd zijne Apostelen vooruit. En ziet, nauwelijks is Hij in den Olijf hof aangekomen, of Hij begint te sidderen en te beven; Hij is bedroefd tot den dood toe. Hij vervalt in doodstrijd. Hij zweet water en bloed. Mijn God! Mijn lieve Jezus! Leer ons waarom Gij zoo spoedig in dien droevigen en pijnlijken toestand gekomen zijt! Ziehier, M. Z., eenige redenen van dien toestand.
Terwijl onze goddelijke Zaligmaker daar plat ter aarde ligt en zijn hemelschen Vader bidt, komen Hem eensklaps de zonden en de straffen, die Hij er voor ondergaan moet, voor den geest. Ja, Jezus ziet daar de lijst van zonden voor zijne oogen ontrollen: zonden bedreven van het begin der wereld tot nu toe, en die er in den loop der tijden tot het einde der wereld zullen bedreven worden; zonden bedreven tegen de wet der natuur, tegen de geboden van God en van de H. Kerk; zonden bedreven in allen leeftijd, door jongen en ouden; in alle staten en standen, door oversten en onderdanen, door gehuwden en ongehuwden; zonden bedreven op allerlei wijzen, door gedachten en begeerten, door woorden, werken en verzuimenissen; zonden bedreven rechtstreeks tegen God, door vloeken en godlastering; tegen zich zeiven door onmatigheid en onkuischheid; tegen den evennaaste door haat en nijd, door vijandschap en onrechtvaardigheid; zonden bedreven door Heidenen en Joden, doch inzonderheid door de ondankbare Christenen, door mij en door u. Al die duizenden, die millioenen zonden vertoonen zich daar, met al het schandelijke en ontee-
â 16 â
\\
rende, het God beleedigende en hemeltergende dat zij bevatten, voor zijnen geest, en Jezus wordt er zoo zeer door getroffen, Hij wordt er zoo zeer over bedroefd, dat Hij op het punt staat van droefheid te sterven; Hij zweet water en bloed.
En nochtans, M. Z., onze goddelijke Zaligmaker, gelijk wij weten, had die zonden niet bedreven; Hij had ze enkel op ?,ich genomen. Hoe groot, hoe innig moest dus onze droefheid niet wezen, wijl wij zeiven de zonden zoo dikwijls bedreven hebben ? Hoezeer moesten wij ze niet beweenen? En hoe gedragen wij ons? Maar al te dikwijls, helaas! gebeurt juist het tegenovergestelde. In plaats van leedwezen te hebben over de zonden, schept men er vermaak in; in plaats van ze met tranen van boetvaardigheid af te wasschen, vreest men niet van ze opnieuw te bedrijven en zijnen Heer en God steeds meer en meer te vergrammen.
Buiten de zonden, M. Z., welke onze goddelijke Zaligmaker niet bedreven, maar enkel op zich genomen had, kwamen Hem ook nog voor den geest de straffen, die Hij, om ze uit te boeten, moest ondergaan. Jezus voorziet reeds dat Judas Hem zal venaden, dat de soldaten Hem zullen gevangen nemen en boeien; Hij voorziet dat zij Hem van den eenen rechter naar den anderen zullen sleuren; Hij hoort als het ware reeds de valsche beschuldigingen, die zij tegen Hem zullen inbrengen, het onrechtvaardig doodvonnis, dat over Hem zal uitgesproken worden; Jezus gevoelt reeds inwendig den hevigen kaakslag van den romeinschen soldaat, de vuistslagen en de overige mishandelingen der beulen; Hij gevoelt inwendig de pijnen der geeseling, de folteringen der doornen kroon; Hij smaakt reeds de bitterheid van de gal; ja. Hij voorziet, dat de beulen Hem op het kruishout zullen uit-
â i; â
rekken, en dat Hij eindelijk tusschen twee moordenaars aan het kruis verheven, door zijne vijanden bespot en uitgelachen, in verlatenheid zal sterven. Al die pijnen, al die folteringen, welke zijn hemelsche Vader eischt, dat Hij onderga, om de zonden uit te boeten, vertoonen zich te zamen voor zijnen geest en treffen Hem zoodanig, dat Hij begint te sidderen en te beven, dat Hij plat op zijn aanschijn ter aarde nedervalt, water en bloed zweet en gevaar loopt van droefheid te sterven. Bijaldien Jezus dus zoo veel heeft moeten lijden om voor de zonden te voldoen, welke straffen hebben dan de zondaren niet te vreezen, die ze bedreven hebben? De zondaren vleien zich dus niet met de gedachte, dat God, goed en barmhartig zijnde, hen niet zal straffen. Neen, M. Z., vroeg of laat zullen zij ondervinden, dat, gelijk David zegt, de straffen, die de zondaren zullen treffen, menigvuldig zijn; Multa Jlagella peccatoris. i) Laten wij dus liever naar het voorbeeld van onzen goddelijken Zaligmaker met Hem bedroefd zijn over onze zonden, dezelve rechtzinnig beweenen, ten einde, zoo niet de tijdelijke, dan toch de eeuwige straffen, de straffen der hel te ontkomen.
II.
Terwijl Jezus in die doodelijke droefheid verkeert, neemt Hij zijne toevlucht tot het gebed. Vader! zegt Hij, bijaldien het mogelijk is, laat dan dezen kelk mij voorbij gaan, doch niet mijn, maar uw wil geschiede! Alhoewel nu de hemelsche Vader dien kelk niet liet voorbijgaan, dat wil zeggen, alhoewel Hij vorderde, dat zijn «enige Zoon voor de zaligheid der menschen leed en
1) Ps. xxi, 10.
1. 2.
â l8 â
stierf, Jezus\' gebed bleef daarom niet onverhoord. Want ziet, M. Z., wat er voorviel. Toen onze goddelijke Zaligmaker voor de derde maal hetzelfde gebed gesproken had, verscheen er een Engel uit den hemel om Hem te sterken: Apparuit illi A7igehcsde ccelo confortans ctim. i) Welk een troost voor ons; M. Z. En hoe zeer moet ons zulks niet aansporen, om in de moeielijkheden door het gebed tot God onzen Vader onze toevlucht te nemen! Doch zien wij eerst hoe onze goddelijke Zaligmaker bad en alzoo verdiende van door eenen Engel uit den hemel gesterkt te worden. Jezus bad met ootmoedigheid, met overgeving aan den wil van zijn hemelschen Vader en met volharding. Vooreerst bad Jezus met ootmoedigheid. Hij zette zich op de knieën, posit is genibus orabat. 2) Daarna wierp Hij zich op zijn aanbiddelijk aangezicht plat ter aarde, procidit in faciem suam. 3)
Vervolgens bad Jezus met overgeving aan den wil van zijn hemelschen Vader: Zoo het mogelijk is, zegt Jezus, laat dan dezen kelk mij voorbijgaan, si possibile est; doch niet mijn, maar uw wil geschiede, verumtamen non mea voluntas sed tua fiat.
Eindelijk bad Jezus met volharding, tot driemaal toe, oravit tertio, 4) en telkens langen tijd.
Zoo ook moeten wij handelen, M. Z., als wij tot God onze toevlucht nemen om hulp of bijstand te erlangen. Wij moeten bidden met ootmoedigheid. Wij moeten ons voor God vernederen, eene kleine gedachte van ons zeiven hebben, wij die stof en asch zijn en tot stof en asch zullen wederkeeren; wij die ons door de zonden zoo dikwijls aan ondankbaarheid jegens God hebben plichtig gemaakt en
1) Luc. xxn, 43. 2) Luc. xxii, 41. 3) Matth. xxvi, 39. 4) Mattlu xxvi, 44.
â 19 â
bijgevolg niet verdienen, van door Hem verhoord te worden. Wij moeten bidden met overgeving aan den wil van God. Ja, wij moeten ons naar het voorbeeld van Jezus in ons gebed geheel en al onderwerpen aan den wil van God, wijl God veel beter weet wat wij tot ons welzijn noodig hebben dan wij zeiven. Eindelijk moeten wij nog bidden met volharding, en bijgevolg moeten wij niet ophouden met bidden, zelfs als wij na een- of tweemaal gebeden te hebben, niet aanstonds verhoord worden.
Jezus nam al biddende zijne toevlucht tot zijn hemel-schen Vader, toen Hij door eene doodelijke droefheid overvallen , werd; zoo ook moeten wij handelen, als wij bedroefd zijn: bedroefd, omdat wij, bijv. schade komen te lijden in onze tijdelijke goederen; bedroefd, omdat de dood ons den een of anderen persoon, die ons dierbaar is, komt te ontrukken; bedroefd, omdat de een of andere ziekte ons komt te treffen; bedroefd, omdat de een of andere onze eer of faam komt aan te randen: in al die gevallen en meer andere moeten wij al biddende onze toevlucht nemen tot God; God zal ons in al die kwellingen en wederwaardigheden troosten. Hij zal ons aanmoedigen en sterken, om ze met overgeving aan zijn goddelijken wil te ontvangen, met geduld te verdragen, cn zoo doende een schoonen schat van verdiensten te vergaderen voor den hemel.
III.
Toen Jezus zijn gebed geëindigd en de Engel des hemels Hem gesterkt had, kwam Hij bij zijne leerlingen terug en zeide: Staat op, laten wij gaan! Ziet, die mij overleveren zal, is nabij: Ecce approfiinquavit qui me
20
tradet. i) En inderdaad, M. Z., want terwijl Jezus nog sprak, kwam Judas aan. Hij was vergezeld van eene groote bende soldaten, met stokken en zwaarden gewapend.
Judas, door Jezus met weldaden overladen, vergeldt nu die weldaden met de grootste ondankbaarheid. Judas, door Jezus tot Apostel verkozen, sluit zich nu aan bij diens vijanden; hij sluit zich niet alleen bij hen aan, maar hij heeft zich zelfs aan hun hoofd gesteld, hij is de aanvoerder van die bende soldaten: Judas antecedebat eos. â 2) Judas zal Jezus bekend maken en verraden, hij zal Jezus in hunne handen overleveren. Bijgevolg is Judas niet alleen plichtig voor zich zeiven, maar hij is ook nog de schuld, dat anderen zich aan de afschuwelijkste misdaad plichtig maken; in een woord. Judas is een eerste ergernisgever. Die zonde had hij reeds vroeger bedreven, toen hij zich naar de Priesters begaf en hun het voorstel deed van zijn goddelijken Meester te verraden. Wat wilt gij mij geven, had hij gezegd, en ik zal Hem u overleveren? Quid vultis mi hi dare, et ego vobis eum tra-dam ? 3) O! die ongelukkige Apostel is dan vergeten het verschrikkelijk wee, dat onze goddelijke Zaligmaker tegen den ergernisgever uitgesproken had! Wee den mensch, had Jezus gezegd, door wien de ergernis komt! Va homini illi per quem scandalum venit! 4) Dat het beter ware met eenen molensteen aan den hals in het diepste der zee geworpen te worden dan iemand te ergeren. Judas schijnt die woorden van Jezus vergeten te zijn, doch helaas! \'t is Judas niet alleen.
En waarlijk, M. Z.; hoe velen treft men er niet aan,
1) Matth. xxvi, 46. 2) Luc. xm, 47. 3j Matth. xivi, 15. 4) Matt, xvm, 7.
vooral in onze dagen, die aan die bedrijging van Jezus niet denken, of ten minste, die er zich niet om bekreunen ? Welke zonde is er inderdaad hedendaags alge-meener dan de zonde van ergernis? Waarop wordt in onze ongelukkige tijden meer gewerkt dan om de menschen tot val te brengen en ongelukkig te maken, dan om den geloovigen het geloof en den godsdienst te ontnemen? Van daar die slephte wetten met de wetten van God en Kerk in\' strijd. Van daar die zoo talrijke redevoeringen in allerlei soort van vergaderingen uitgesproken, waarin God en godsdienst, waarin Kerk en geestelijkheid aangevallen en bestreden worden. Van daar die menigvuldige slechte boeken en gazetten, waarin alles wat goddeloos en schandelijk is verhaald en toegejuicht, waarin met alles wat heilig en godsdienstig is gespot en gelachen wordt. Vandaar die overgroote sommen geld, die er uitgegeven, weggesmeten worden om de jeugd te bederven, om de kleine kinderen ongodsdienstig en zedenloos te maken. En terwijl Jezus en onze Moeder de H. Kerk roepen: Sinite parvulos et nolite prohibere eos ad me venire, talium est enivi reg-mmi ealorum! l) Iaat de kleine kinderen en wilt hen niet beletten van tot mij te komen, want hun behoort het rijk der hemelen toe! de vijanden van Jezus en zijne Kerk wenden alle middelen aan, zij sparen noch moeite, noch onkosten om die kleine kinderen, om die onschuldige zielen aan Jezus en zijne Kerk te ontrukken en te verderven. Ja, wee de wereld om de ergenissen! Vee mundo a scandalis! 2) \'tWare die ongelukkigen veel beter met eenen molensteen aan den hals in het diepste der zee geworpen te worden, dan die kleine
1) Matth. XIÃ, 14. 2) Matth, xvm, 7.
â 22 â
onschuldige zielen te ergeren en tot val te brengen.
Doch buiten de ergernisgevers, van welke ik reeds gesproken heb, zijn er nog andere, die voor hun even-mensch een steen des aanstoots, een struikelsteen zijn. Ja, vele personen maken zich nog aan de zonde van ergernis plichtig. \'t Zijn de plichtvergetene ouders, die, in plaats van hunne kinderen eene goede opvoeding te geven of te bezorgen, hen van hunne teederste jaren door slechte voorbeelden ontstichten of laten bederven, \'t Zijn de plichtvergetene oversten, die, in plaats van hunne onderdanen, wanneer zij misdoen, te vermanen en tot het goede te brengen, niets dan het tijdelijk nut, dat zij uit hen trekken, in het oog hebben, hen voor het overige zich niet aantrekken, wel eens zelfs tot val brengen.
Die ergernisgevers zijn de slechte jongelingen, die zich niet schamen schandalige liederen te zingen, zedenkwet-sende taal te voeren, of op een andere schandelijke wijze den evenmensch tot zonde te brengen, \'t Zijn de slechte jongedochters, die niet weten hoe zich dwaas, soms slecht genoeg aan te stellen, om den een of anderen te verleiden. Wee die plichtvergetene ouders en oversten! Wee die slechte jongelingen en jongedochters! Ja wee hun om de zonde van ergernis, waaraan zij zich plichtig maken; vo or hen ook ware het beter met eenen molensteen aan den hals in de zee geworpen te worden en daarin te smoren, dan die zonde te bedrijven.
SLUITREDE.
Gij ziet dus, M. Z., aan welke afschuwelijke zonde de ergernisgever zich plichtig maakt. Wat moeten wij nu daaruit besluiten ? Wij moeten daaruit besluiten, vooreerst â yan ons te wachten voor al wat ons zoude kunnen ver-
â 23 â
leiden, tot val zoude kunnen brengen, hetzij personen of vergaderingen, hetzij boeken of gazetten. Ja wij moeten ons wachten voor den omgang met personen, die tegen God of godsdienst, tegen Kerk of geestelijkheid spreken; veel minder mogen wij aan dergelijke personen op welke manier ook, de hand leenen. Wij moeten ons wachten voor den omgang met personen, die zedenkwetsende taal voeren en daardoor de zeden van den mensch zoeken te bederven. Wij moeten ons wachten voor de vergaderingen, die niets anders ten doel hebben dan het gezag omver te werpen, dan de burgers tegen de wereldlijke, de geloovigen tegen de geestelijke overheid op te ruien en aan te hitsen.
Wij moeten ons wachten voor het lezen van slechte boeken of gazetten, waarin de zeden, de godsdienst en de Kerk aangerand worden; vroeg of laat zal die slechte lezing den mensch bederven, want die het gevaar bemint zal er in vergaan: Qui aniat periculum in Ulo peribit. i)
Vervolgens moeten wij ons wachten van zeiven onzen evenmensch te ergeren. Hadden wij het ongeluk gehad van die zonde bedreven, den een of anderen persoon tot val gebracht te hebben, wij moeten die zonde beweenen en er boetvaardigheid over doen. Ook zijn wij streng verplicht de ergernis, welke wij gegeven hebben, zoo goed mogelijk te herstellen, door voor de personen, die wij het kwaad geleerd hebben, te bidden, of hen op een andere wijze tot het pad der deugd terug te brengen, als het, helaas! maar niet te laat is, en zij door onze schuld reeds niet voor eeuwig verloren zijn gegaan.
Eindelijk moeten wij in alles een stichtend leven leiden.
1) Eccli. in, 27.
â 24 â
opdat wij beantwoorden aan de uitnoodiging van onzen goddelijken Zaligmaker, die in het Evangelie zegt: Sic hiceat lux vestra coram hominibus, zoo schittere uw licht, dat is, uw goed gedrag, voor de menschen, ut videant opera vestra bona, dat zij uwe goede werken zien, en dat zij uwen Vader, die in den hemel is, glorie geven, et glorificent Putrem vestrum qui hl ccelis est. l) Amen.
1) Matth. v, 16.
TWEEDE MEDITATIE,
Confestim accedms ad Jesum dixit: Ave Rabbi! Et osculatus est Eum.
Judas ging terstond naar Jezus toe eu zeide: Wees gegroet Meester! Eu hij kuste Hem. (Matth. xxvi, 49.)
INHOUD.
VOORREDE.
Jezus is bedroefd over de zonden en hare straffen. â Hij bidt. â Na zijn gebed is Jezus geheel en al veranderd, Hij is vol moed. â ââ Woorden van Jezus tot zijne Apostelen en zijne vijanden.
VERDEELING.
I. Verraad van Judas;
II. Jezus werpt zijne vijanden ter aarde;
III. Vlucht der Apostelen.
I.
Judas had Jezus reeds verkocht. â Hij heeft zich gesteld aan het hoofd der soldaten. â Judas geeft den soldaten een teeken. âJezus gaat zijne vijanden te gemoet. â Judas nadert Jezus, groet en omhelst Hem. â Woorden.
van Jezus: Mijn vriend! waartoe zijt gij gekomen? enz.â Wat heeft aanleiding gegeven tot het verraad van Judas? De geldzucht. â Wat er voorviel, toen Maria-Magdalena Jezus\' voeten zalfde. â Judas besloot Jezus te verkoopen. â Judas wordt verrader, omdat hij een dief was; dief, omdat hij geldzuchtig was. â Ter oorzake der geldzucht vergrijpt zich menigeen aan het goed van zijnen evennaaste, zenden de ouders hunne kinderen naar slechte scholen, worden jongelingen en jongedochters meesters en meesteressen van slechte scholen â kiezen vele Christenen voor de vijanden der H. Kerk, namelijk, voor de liberalen.
II.
Jezus gaat zijne vijanden te gemoet, vraagt wien zij zoeken en antwoordt: Ik ben het! â De soldaten vallen ter aarde neder. â Stem van Jezus in den laatsten dag des oordeels. Welken indruk maakt die stem nu op de zondaren? Weinig of geen. Luisteren wij naar de stem Gods, die ons tot boetvaardigheid uitnoodigt, om in den laatsten dag des oordeels zijne stem ter veroordeeling niet te moeten hooren.
III.
Toen Jezus gevangen genomen was, verlieten Hem zijne leerlingen; vroeger, toen hun goddelijke Meester in aanzien stond, bleven zij Hem getrouw; nu nemen zij de vlucht. â Men kan geen staat maken op de vriendschap der wereld. â- Zoo lang onze zaken goed staan, blijft de wereld ons getrouw; gaan zij achteruit, dan verlaat zij ons: daarom moeten wij God aanhangen, daarin bestaat ons tijdelijk en eeuwig geluk.
SLUITREDE.
Judas verkoopt en verraadt Jezus, omdat hij geldzuchtig was; wachten wij ons voor de geldzucht. â Het geld maakt den mensch niet gelukkig. â Judas is er een bewijs van. â Verschrikkelijk oordeel voor Judas en degenen, die hem navolgen. â Blijven wij dus God getrouw, om te mogen hooren: Komt, gezegenden mijns Vaders, enz.
TWEEDE MEDITATIE.
Confestirn accedens ad Jesum dixit: Ave Rabbi\' Et osculate est Earn.
Judas ging terstond naar Jezus toe en zeide; Wees gegroet Meester! Enhij kuste Hem. (Matth. xxvi, 49.)
VOORREDE.
In onze eerste overweging, M. Z., hebben wij gezien, aan welke hevige droefheid onze goddelijke Zaligmaker leed in den Olijfhof. Die droefheid werd Hem veroorzaakt, deels door de zonden der menschen, die zich in al hare boosheid en afschuwelijkheid voor zijnen geest vertoonden; deels door de straffen, die Hij, om er voor te voldoen, zal moeten ondergaan.
In dien pijnlijken toestand nam Jezus zijne toevlucht tot het gebed. Hij bad met ootmoedigheid, met overgeving aan den wil van zijn hemelschen Vader en met volharding. En welk wondervol uitwerksel heeft dat gebed niet? Jezus is geheel en al veranderd. Vreesachtig als Hij in den beginne scheen, is Hij thans vol moed;
zoo even terneêrgeslagen, is Hij thans opgebeurd. Hij-zoekt geen hulp of troost meer bij zijne Apostelen. Hij zegt niet meer: Blijft hier, waakt met mij en bidt: Sustineie hic, vigilate et or ate; i) maar: Slaapt nu maar en rust: Dormite jam et requiescite; 2) als wilde Jezus te kennen geven, zegt de H. Joannes Chrysostomus, dat het uur daar was, hetgeen Hij geenszins zocht te vermijden: Ecce appropinquavit hora. Hij toont noch vrees, noch droefheid; doch vastberaden en vol moed verheft Hij zijne stem, en Hij moedigt zijne leerlingen aan. Staat op! zegt Hij, laten wij gaan! surgite! eamus! want ziet, de trouwelooze, die mij zoekt te verraden, is nabij, en ik wil niet dat hij vaardiger zij om mij te vinden, dan ik om mij aan hem aan te bieden : Ecce appropinquavit qui me tradet. 3) Jezus verbergt zich niet hier of daar in den Olijfhof, als of Hij bang ware van ontdekt te worden: neen, maar Hij gaat zijne vijanden te gemoet, en Hij vraagt stout weg: Quern quoeritis f 4) Wien zoekt gij ? En terwijl zij antwoorden, dat zij Jezus van Nazareth zoeken, antwoordt Jezus terstond: Ik ben het! Ego Suin!
Bijaldien de bende, door zijn majesteitvol gelaat en door zijn onverschrokken taal getroffen, plat ter aarde nedervalt, Jezus staat hun toe van op te staan, en Hij vraagt een tweede maal: Wien zoekt gij ? En op het antwoord van : Jezus van Nazareth, antwoordt Hij even moedig als den eersten keer, dat Hij die Jezus is: Dixt vobis, quia Ego Sum!
Bijaldien Jezus hun de macht geeft om zich van Hem meester te maken; Hij vordert nochtans, dat zij zijne leerlingen ongehinderd laten gaan: Sinite hos abire.
1) Matth. XXVI, 38â41. 2) Matth. xxvi, 45. 3) Matth. xxxvi, 46. 4) Joan, xvni, 4.
â 29 â
Bijaldien Petrus zijn goddelijken Meester wil verdedigen, het zwaard reeds trekt en den dienstknecht des Opperpriesters het oor afslaat, Jezus wil niet verdedigd worden; Hij gebiedt Petrus het zwaard in de schede te steken, en Hij geneest zelfs door een wonder het oor van Malchus.
Welk eene verandering dus na dat gebed in onzen goddelijken Zaligmaker! In plaats van te sidderen en te beven, Jezus is vol vuur en moed. In plaats van nog te verlangen, dat de lijdenskelk voorbij ga. Hij is bereid zijn lijden te beginnen. In plaats van zich te verbergen, Hij gaat zijne vijanden te gemoet. In plaats van te willen verdedigd worden, Hij verbiedt het. Hij geeft zich geheel en al vrijwillig aan de soldaten over, om den heeten strijd aan te vangen voor de glorie van zijn hemel-schen Vader en voor de zaligheid der zielen.
Overwegen wij dus dien strijd, dat is, het lijden van onzen goddelijken Zaligmaker verder. Vandaag zullen wij zien:
I. Hoe Judas Jezus verraadt;
II. Hoe Jezus zijne vijanden ter aarde werpt;
III. Dat de Apostelen Jezus verlaten.
I.
Judas had reeds vroeger zijn goddelijken Meester voor dertig zilverlingen verkocht. Hij had zich, gelijk wij reeds gezien hebben, aan het hoofd eener bende soldaten gesteld, door de Priesters gezonden, om Jezus gevangen te nemen. Om nu zijn snood plan te voltrekken en Jezus in hunne handen over te leveren, ziehier, hoe hij te werk gaat. Vooreerst geeft hij den soldaten een teeken waaraan zij Jezus erkennen zullen. Dien ik omhelzen zal, zegt hij, die is het: Quemcumque osculatus fuero,
â 30 â
ipse est; houdt Hem en leidt Hem voorzichtig, tenete Eum et duciie caute. i) Als wilde hij zeggen: Boeit Hem stevig en zorgt dat Hij u niet ontsnappe.
Jezus ging met zijne Apostelen de soldaten te gemoet. Aan het licht zagen zij hen in de verte aankomen; want Jezus\' vijanden hadden, wijl het avond was, fakkels en lantaarnen bij zich.
Zoodra nu de soldaten niet ver meer verwijderd waren, en zij Jezus en de Apostelen zagen aankomen, ging Judas eenige schreden vooruit; hij nadert onzen goddelijken Zaligmaker, groet Hem, zeggende: Wees gegroet Meester! Ave Rabbi! En daarop kuste hij Hem: Et osculatus est Eum. Jezus, nog vol medelijden met dien ongelukkigen Apostel en met het inzicht van hem te bekeeren, vraagt hem: Vriend! waartoe zijt gij gekomen? Amice! ad quid veniste? 2) Judas! verraadt gij den Zoon des men-schen door eenen kus? Juda! osculo filucm hominis tradis? 3) Als wilde Jezus zeggen: Maar Judas! wat doet gij nu ? Ik heb altoos zoo vriendschappelijk met u omgegaan; Ik heb u altoos zoo goed behandeld, en nu, nu gaat gij Mij aan mijne vijanden overleveren ? Is dat dan alles wat ik voor mijne aan u bewezen weldaden verdiend heb? En gij levert Mij nog over onder den schijn van vriendschap, door eenen kus? Osculo tradis? Van dat teeken van vriendschap maakt gij schandelijk misbruik? Welk eene misdaad, waaraan Judas zich plich-tig maakt!
Doch onderzoeken wij eens verder, M. Z., waar die afschuwelijke misdaad begonnen is, wat er aanleiding toe gegeven heeft. Indien het Evangelie ons daarover niet ingelicht had, nooit of nimmer zouden wij er het beginsel
1) Mare. xiv, 44. 2) Matth. xxvi, 50. 3) Luc. xxn, 48.
â 3i â
van ontdekt hebben; wij zouden misschien denken, dat een ingewortelde haat tegen Jezus, ofwel de begeerte om zich op onzen goddelijken Zaligmaker te wreken de oorzaak er van geweest is. Neen, M. Z., Judas heeft den Zoon Gods verraden en overgeleverd niet zoo zeer uit haat tegen Jezus, niet zoo zeer om zich te wreken. En inderdaad, wat reden zoude hij daartoe gehad hebben? Gedurende drie jaren had Jezus hem met weldaden overladen; Hij had hem zelfs tot Apostel verkozen, de macht gegeven om wonderen te verrichten. Hoe heeft Judas dan al die weldaden kunnen vergeten en zijnen Weldoener zoo schandelijk kunnen verraden? Zoo het Evangelie het ons niet verklaard had, nooit, ik herhaal het nogmaals, nooit zouden wij het hebben kunnen ge-looven. De geldzucht, M. Z., is er de oorzaak van geweest. Die drift heeft het hart van Judas bedorven, heeft hem van de eene misdaad tot de andere, heeft hem eindelijk zoo ver gebracht, dat hij den Zoon Gods verraden en overgeleverd heeft, \'t Is het Evangelie, dat het ons leert.
Toen Maria-Magdalena zekeren dag uit dankbaarheid jegens haar goddelijken Meester de voeten van Jezus zalfde en met heure haren afdroogde; toen zij een kostbaren balsem over het hoofd van Jezus uitstortte, was Judas er tegenwoordig. Dat deed hem pijn. Hij keurde die daad van Maria-Magdalena grootelijks af en zag ze aan voor eene verkwisting: Ut quid perditio haccf i) En om aan zijne manier van zien een schijn van deugd te geven, voegde hij er bij: Die balsem kon duur verkocht en aan den arme gegeven worden: potuit enim istnd venumdari nmlto, et dari pauperibus. Was het niet schoon het voorwend-
Ij Matth. xxvi, 8.
â 32 â
sel van Judas, van den prijs ervan aan den arme te geven? Maar het was maar een voorwendsel, want er lag hem volstrekt niets aan den arme gelegen, zegt de H. Joannes; maar omdat hij een dief was en de beurs van Jezus en de overige Apostelen droeg, meende hij zich van die som meester te maken. Wat gebeurt er? Welk besluit neemt Judas ? In zijne verwachting te leur gesteld, wil hij het verlies, dat hij komt te ondergaan, vergoeden; daartoe vindt hij geene betere gelegenheid dan zijn god-delijken Meester te verkoopen: ja, dat besluit is weldra genomen. Hij begeeft zich naar de Priesters om te onderhandelen. Wat wilt gij mij geven, zegt hij, en ik sta er voor in van u den Jezus, dien gij zoekt, in uwe handen over te leveren ? Quid vullis mihi dare, et ego vobis cum tradam ? i) Dertig zilverlingen, de prijs van een slaaf, worden hem aangeboden. Judas neemt het aanbod aan, en hij acht zich gelukkig zijne geldzucht te kunnen voldoen ten koste van het leven zijns Meesters.
Ziedaar, M. Z., het beginsel van de afschuwelijke misdaad van Judas. Judas wordt een verrader van den Zoon Gods; waarom? Omdat hij een dief was. Judas wordteen dief; waarom? Omdat hij geldzuchtig was. Uit die geldzucht spruiten voort al zijne dieverijen, en die dieverijen brengen hem zoo ver, dat hij het leven en het bloed van den Zoon Gods veil stelt voor dertig zilverlingen. Ziedaar tot welken afgrond van boosheid de gierigheid of de geldzucht den mensch brengen kan. M. Z., \'t is het voorbeeld van Judas niet alleen, dat ons die waarheid leert, \'t is de droevige ondervinding, die ze bevestigt. Wat maakt er hedendaags meer menschen ongelukkig dan de geldzucht? Wat is de oorzaak, dat
1) Math. xxvi. 15.
er zich zoo velen aan het goed van hunnen evenmensch vergrijpen en geene restitutie doen? De geldzucht. Wat is de oorzaak, dat zoo vele ouders hedendaags hunne heiligste plichten vergeten en hunne kinderen prijs geven, door ze naar slechte scholen te zenden? De geldzucht. Wat is de oorzaak, dat zoo menig jongeling, dat zoo menige jonge dochter zich opoffert, aan de plichten van christen mensch verzaakt ? De geldzucht, een winstgevend postje van meester of meesteres van slechte scholen. Wat is de oorzaak, dat zoo menig burger van zijne rechten misbruik maakt, zich bij de vijanden van God en Kerk aansluit, door deze zich laat omkoopen, hen in de mogelijkheid stelt, door hen te kiezen, van God en godsdienst, van Kerk en geestelijkheid te kunnen vervolgen ? Een winstgevend postje, een stuk geld, in een woord de geldzucht. Ziedaar de reden, waarom er hedendaags zoovele Christenen gevonden worden, die, nog maar een weinig tijds geleden, zich trouw van de plichten van christenmensch kweten, nu er aan hebben vaarwel gezegd; die, nog maar een weinig tijds geleden, gehoorzaamden aan de H. Kerk en hare oversten, nu er zich tegen verzetten; die, nog maar een weinig tijds geleden, de geestelijke overheid eerbiedigden, nu niet weten hoe haar genoegzaam te lasteren en te laken. Ja, de zucht naar geld heeft vooral die noodlottige verandering te weeg gebracht. Men heeft bij zekere Christenen maar een winstgevend postje, eenige geldstukken aan te bieden; hun eigene dierbaarste belangen, de dierbaarste belangen hunner kinderen, de dierbaarste belangen der Kerk worden opgeofferd. Geweten, ziel, plichten van Christen en plichten van staat, hemel en eeuwige zaligheid, alles wordt prijs gegeven. Te recht dus zegt een heidensch dichter, van de geldzucht sprekende: Vervloekte gouddorst! waartoe
I. 3.
â 34 â
dwingt gij de stervelingen niet ? Ad quid mortaliapectora cogisf auri sacra fames! Doch dit zij genoeg over de geldzucht en hare noodlottige gevolgen.
n.
Zoodra Judas zijn snood plan voltrokken en onzen goddelijken Zaligmaker verraden had, kwamen de soldaten vooruit. Jezus ging hen te gemoet en vroeg: Quem quceritis? (i) Wien zoekt gij? Zij antwoordden: Jezus van Nazareth: Je sum nazarenum. Jezus zeide: Ik ben het! Ego Sum! En op de enkele woorden, Ik ben het! Ego Sum! vielen de soldaten achterover op den grond neder, alsof zij door den bliksem getroffen waren. Welk eene kracht in de stem van onzen goddelijken Zaligmaker! Doch bijaldien Jezus\' stem reeds zoo krachtig is, merkt de H. Augustinus op, nu Hij nog moet geoordeeld worden, hoe krachtig zal dan die stem niet zijn, als Hij zelf zal komen oordeelen?
En inderdaad, M. Z., in den laatsten dag des oordeels, als Jezus zal komen, dan zal Hij ook tot zijne vijanden, aan de linkerzijde geschaard, kunnen zeggen; Ego Sum! Ik ben het! Ik ben die Jezus, die uit den hemel nedergedaald en mensch geworden is om u te verlossen. Ik ben die Jezus, die zich uit liefde voor u aan zijne vijanden in den Olijfhof heeft overgeleverd, die zijn goddelijk bloed voor u vergoten, zijn leven ten beste gegeven heeft. Ik ben die Jezus, Ego Sum! zal Hij in den laatsten dag des oordeels tot de zondaren kunnen zeggen, die u zoo dikwijls tot boetvaardigheid en verandering des levens heeft aangemaand, nu eens door de stem van uw geweten, dan wederom door de stem zijner Priesters. Ik
1) Joan. IVIII, 4 etc.
ben die Jezus, dien gij vervolgd en gelasterd hebt, wijl gij vervolgd en gelasterd hebt mijne Kerk en hare dienaren, ja, wijl gij den geringste der mijnen vervolgd en gelasterd hebt, want al wat gij den geringste der mijnen gedaan hebt, hebt gij aan mij gedaan; Mihifecistis. (i) Ik ben nog dezelfde Jezus van Nazareth, die eertijds door de soldaten gevangen genomen, maar thans verheerlijkt, gekomen is, niet meer om u te verlossen, maar om u te oordeelen; niet meer om u te sparen, maar om u te straffen, en bijgevolg ga ik het vonnis over u uitspreken: Weg van mij vervloekten! Discedite a ine maledicti! omdat gij tijdens uw leven naar mijne stem niet geluisterd hebt, noch naar de stem van uw geweten, noch naar de stem mijner dienaren, van den biechtvader in den biechtstoel, van den predikant op den preekstoel; omdat gij van mijne weldaden misbruik gemaakt, omdat gij de hulpmiddelen ter zaligheid verwaarloosd hebt; en vandaar dat ik u van mij verwerp: Discedite a me, en dat ik u verwerp in het eeuwige vuur, in ignem ceteriiiim, dat voor den duivel en zijne engelen bereid is, qui faratus est diabolo et angelis ejus! Verschrikkelijke stem, M. Z., welke Jezus-Christus in den laatsten dag des oordeels zal doen hooren, en die wel in staat is, om ons allen van vrees en angst te doen sidderen en beven. Doch welken indruk maakt die stem op ons ? Helaas! er worden er maar al te veel onder ons gevonden, die den soldaten gelijken, welke onzen goddelijken Zaligmaker kwamen gevangen nemen. De soldaten hoorden wel is waar de stem van Jezus, zij werden er door getroffen, ter aarde neêrgeworpen; doch zagen zij van hunne misdaad af? Neen, maar zij gingen voort en volhardden er in.
1) Matth. xxv, 40, etc.
â 36 â
Zoo ook handelen vele zondaren, als zij in eene preek de eeuwige waarheden, de straffen die hen wachten, hooren verkondigen; zij worden getroffen en bang, doch bekeeren zij zich? Wachten zij zich in het vervolg voor de zonde? bijv. voor de zonden van dronkenschap en vloeken? Voor de zonden van onrechtvaardigheid en onkuischheid? Helaas! velen volgen de vijanden van Jezus na, worden voor een oogenblik getroffen, doch bekeeren zich niet en gaan voort alsof er niets gezegd was. Van die zondaren spreekt de Profeet Jeremias, als hij zegt: Percussisti eos et non dohierunt: l) Gij hebt hen geslagen. Heer! en zij zijn niet bedroefd geworden. Zoude hij, helaas! niet hetzelfde van ons mogen zeggen? Zoude hij niet mogen zeggen, dat God ons geslagen heeft door de stem zijner predikanten, die ons voor een oogen-bük hebben bewogen? Geslagen door het overdenken zijner oordeelen, die ons voor een oogenblik hebben verschrikt? Geslagen met ziekten, rampen en tegenspoed, die ons wel is waar bedroefd, maar niet bedroefd hebben over onze zonden ? O! dat wij dan vandaag, terwijl wij zijne stem tot boetvaardigheid opnieuw hooren, ons niet langer verharden: Hodie si vocem ejus audieritis nolite obdurare corda vestra; 2) dat wij eene ware droefheid opvatten over onze zonden, ons oprecht bekeeren, om in den laatsten dag des oordeels de stem van Jezus ter veroordeeling niet te moeten hooren: Weg van mij vervloekten in het eeuwige vuur, dat bereid is voor den duivel en zijne engelen! Discedite a me maledicti in ignem cetermini, qui paratas est diabolo et angelis ejus!
1) Jer. v, 3. 2) Ps. xciv, 8.
III.
Zoodra de soldaten opgestaan waren, vroeg Jezus hun andermaal: Wien zoekt gij ? Het antwoord luidde op nieuw, Jezus van Nazareth. Jezus zeide nu: Ik heb u reeds gezegd, dat ik het ben. Indien gij mij dan zoekt, zoo Iaat ^deze, â zijne Apostelen bedoelende â ongemoeid gaan. De soldaten sloegen daarop hunne handen aan onzen goddelijken Zaligmaker en boeiden Hem. Toen Jezus voor goed in hunne macht en geboeid was, verlieten Hem al zijne leerlingen en namen de vlucht: Tune discipuli omnes relicto eo ftigerunt. l) Welke onstandvastigheid! Welke trouweloosheid in de Apostelen! Bijaldien Jezus niet wilde, dat zij Hem verdedigden tegen de soldaten, zij hadden Hem nochtans niet geheel en al moeten verlaten; zij hadden Hem kunnen volgen, als getrouwe leerlingen de onschuld van hun goddelijken Meester kunnen voorstaan; maar neen, zij verlaten Hem, en allen nemen de vlucht. Zoolang Jezus bij het volk in aanzien stond, zoo lang Hij om zijne leering en wonderen alom geprezen en goed onthaald werd, toen volgden zijne leerlingen Hem. Nog maar weinige dagen geleden werd Hij in triomf Jeruzalem binnen geleid. En ziet, al zijne leerlingen waren er tegenwoordig : maar nu, nu Jezus in nood verkeert, nu de soldaten Hem geboeid naar Jeruzalem wegleiden, allen, geen enkel uitgenomen, allen nemen de vlucht en verlaten Hem, alhoewel zij vroeger plechtig beloofd hadden van Hem getrouw te blijven tot den dood toe. Dat vluchten zijner leerlingen moest natuurlijk het Hart van Jezus gevoelig treffen.
Ook vinden wij hier, M. Z., in het gedrag der Apos-
1) Matth. xxvi, 56.
â 38 -
telen, hoe weinig men staat kan maken op de beloften, de trouw en de vriendschap der menschen. Die heden onze vrienden zijn, worden dikwijls morgen onze vijanden. Die de meeste verplichting aan ons hebben, zullen ons dikwijls het eerst verlaten. Zoolang men in voorspoed is, vrienden in overvloed; doch vrienden in tegenspoed? Ha! M. Z., zij zijn zoo talrijk niet. Maar al te dikwijls dus wordt het volgende gezegde bewaarheid: Zoolang gij gelukkig zijt, zult gij vele vrienden tellen; doch als de hemel gaat bewolken, dat wil zeggen, als de zaken tegengaan, zult gij alleen staan. Bijgevolg is het dwaasheid en overgroote dwaasheid, van zijn betrouwen te stellen op de wereld en haar aan te hangen. Die trouwelooze verlaat immers vroeg of laat hare aanhangers. Al wat zij aanbiedt kan hen niet gelukkig maken. Wij moeten dus op God ons betrouwen stellen en in eeuwigheid zullen wij niet beschaamd worden; wij moeten God aanhangen, want in God zullen wij ons geluk vinden. Ja, M. Z., eenieder onzer zegge met den koninklijken Profeet David: Mi hi adhcerere Deo bonum est! l) \'t Is mij goed. God aan te hangen! Dat anderen de wereld aanhangen; ja, laat de wereldlingen schatten en rijkdommen zoeken; laat de wereldlingen naar grootheid en eereposten streven; Iaat de wereldlingen de vermaken en pleizieren najagen; mij daarentegen is het goed God aan te hangen: Mihi aiitem adhcerere Deo bonum est! God aan te hangen door een levend geloof, door een vast betrouwen, door eene vurige liefde; God aan te hangen door het nauwkeurig onderhouden van zijne geboden en van de geboden der H. Kerk; God aan te hangen door het stipt volbrengen van mijne
1) Ps. Lxxn, 28.
â 39 â
christelijke plichten en van de plichten van mijnen staat; en terwijl de wereldlingen schatten en rijkdommen zoeken, zonder ze te kunnen vinden of er weldra van beroofd worden; terwijl zij naar grootheid en eereposten streven, zonder zich te kunnen verheffen of weldra diep vernederd worden; terwijl zij de vermaken en pleizieren najagen, die weldra in walg en knagenden kommer overgaan, ik die verkies God aan te hangen, ik vind er mijn geluk in: Mi hi honum est; mijn geluk hier op aarde, door den troost, dien God mij schenkt in de kwellingen en wederwaardigheden, door de gerustheid en den vrede mijns gewetens, door het blijde vooruitzicht op de schitterende belooning, die mij daar boven wacht; en alzoo zal ik er ook mijn geluk in vinden hiernamaals, wijl ik, door God op aarde in dit leven aan te hangen gedurende den tijd, mij eenmaal na mijnen dood met Hem zal mogen vereenigen in den hemel gedurende de eindelooze eeuwigheid. Bijgevolg, laat de dwaze wereldlingen aanhangen wat of wien zij willen; \'t is mij goed, ik vind er mijn tijdelijk geluk in, en ik zal er mijn eeuwig geluk in vinden God aan te hangen! Mikt atitem adhcerere Deo hommi est!.
SLUITREDE.
Vatten wij nu ten slotte, M. Z., de zedenlessen, in deze overweging opgesloten, in weinige woorden te zamen. Judas, gelijk wij gezien hebben, was een geldzuchtig mensch, en wijl hij de geldzucht niet tegenwerkte, werd hij er weldra door verblind en medegesleept. Uit geldzucht maakte hij zich plichtig aan eene reeks van dieverijen, en eindelijk aan de afschuwelijkste der misdaden, namelijk, aan het verkoopen en verraden van zijnen Weldoener en goddelijken Meester.
â 40 -
Wachten wij ons dus wel voor de geldzucht. Dat wij ons nimmer door eene handvol geld laten verleiden of omkoopen, om aan onze heiligste plichten van christen of aan onze plichten van staat te verzaken of te kort te blijven. Het geld maakt den mensch niet gelukkig, en wil iemand een doorslaand bewijs van die waarheid, dan toch zeker vindt hij het in Judas. Hoe zal Judas, en al degenen die hem navolgen, die zich door de geldzucht laten verblinden en medeslepen; hoe zullen zij staan te zien in den laatsten dag des oordeels, als Jezus-Christus vol pracht en heerlijkheid op de wolken des hemels verschijnen en zeggen zal; Ego Sum! Ik ben die Jezus van Nazareth, dien gij vroeger voor eene handvol geld verkocht en verraden hebt! Voorzeker, dan zullen zij sidderen en beven. Ook zullen zij wanhopend hunne dwaling erkennen en uitroepen: Ergo erravimus! l) Wij hebben gedwaald! doch helaas! te laat, want Jezus zal het onherroepelijk vonnis over hen uitspreken, dat onmiddellijk daarop zal voltrokken worden: Gaat weg van mij vervloekten in het eeuwige vuur! Discedite a me maledicti in ignem ceternum, dat voor den duivel en zijne engelen bereid is! qui paratus est diabolo et angelis ejus!
Blijven wij dus liever aan God, aan zijne geboden, de geboden der H. Kerk en onze plichten getrouw; laten wij ons nimmer, noch door bedreigingen afschrikken, noch door geld of schoone beloften omkoopen; dan zullen wij voor den laatsten dag des oordeels niet te vreezen hebben. Integendeel, opgebeurd zullen wij den Opperrechter zien verschijnen. Verblijd zullen wij Hem hooren zeggen: Ego Sum! Ik ben dezelfde Jezus, die voor u in den Olijfhof gevangen en geboeid is geweest; doch vreest
1) Sap. v. 6.
â 41 â
niet, gij hebt mij niet verkocht, noch verraden; gij hebt mij integendeel immer aangehangen, gij zijt mij altijd getrouw gebleven, niettegenstaande mijne vijanden alle middelen gebruikt hebben om u van mij te doen afvallen; en juist omdat gij mij aangehangen hebt; juist omdat gij mij getrouw gebleven zijt, ga ik u beloonen: Venite! komt dus nu! gij die de gezegenden mijns Vaders zijt, benedicti Patris mei, en neemt bezit van het rijk, dat voor u bereid is van de grondlegging der wereld af! Possidete paratum vobis regnum a constitu-tione mundi! i) Amen.
1) Matth. xxv, 34.
ââ K;y C\'â
DERDE MEDITATIE.
XJnus minütrorum dedil alapam Jem.
Een der dienaren gaf Jezus eenen kaakslag (Joan, xvm, 22.)
INHOUD.
VOORREDE.
Jezus geeft zich vrijwillig aan zijne vijanden over en laat zich boeien. â Droevige optocht uit Gethzemani naar Jeruzalem. â De beek Cedron. â Aankomst in de stad.
VERDEELING.
I. Jezus voor Annas en Caïphas;
II. Jezus wordt van godslastering beschuldigd;
III. Val van Petrus.
I.
Jezus wordt gebracht eerst bij Annas, vervolgens bij Caïphas. Hij wordt ondervraagd over zijne leerlingen en zijne leering. â Op de eerste vraag antwoordt Jezus niet. â Waarom niet? â Op de tweede vraag antwoordt Jezus vrijmoedig, voorzichtig en eerbiedig. â Kaakslag. â Die kaakslag is pijnlijk, schandelijk en onrechtvaardig. â Woorden van Jezus. â Wij Christenen,
â 43 â
wij moeten Jezus navolgen als wij verongelijkt worden.
â Hoe gedragen wij ons dikwijls op het oogenblik, dat wij verongelijkt worden, na verongelijkt te zijn? â Gebod van onze vijanden te beminnen. â Niemand kan verschooning vinden. â Uitvluchtsels wederlegd. â De grondbeginselen der wereld, de zwakheid van den mensch.
II.
Na den kaakslag ontvangen te hebben, werden er allerlei valsche beschuldigingen tegen Jezus ingebracht.
â Bezwering van Caïphas. â Antwoord van Jezus. â Jezus wordt beschuldigd van godslastering en ter dood veroordeeld. â De godslastering is algemeen : in de boeken, in de schouwburgen, in de drukpers, in de vergaderingen. â Men vindt vele Christenen, die God lasteren.
â Uitzinnigheid, ondankbaarheid, stoutmoedigheid van den godslasteraar. â Straffen der godslastering: Antiochus, Nicanor, Sinnacherib.
m.
Petrus was Jezus van verre gevolgd en doorgedrongen tot in het voorhof van den Opperpriester â Drievoudige verloochening. â Hij zegt dat hij Jezus niet kent, bevestigt het onder eed en begint te vloeken en te zweren.
â Bekeering van Petrus.
SLUITREDE.
Petrus is gevallen, wijl hij vermetel was, zich zonder reden aan het gevaar blootstelde. â Om dezelfde redenen valt de mensch dikwijls in zonde. -â Zijn wij Petrus nagevolgd in den val, wij moeten hem ook navolgen in de boetvaardigheid. â Wij moeten de gevaren en gelegenheden van zonde verlaten en onze misslagen beweenen.
â 44 â DERDE MEDITATIE.
Unus ministrorum ded it alapam Jem.
Een der dienaren gaf Jezus eenen kaakslag. (Joan, xvm, 22.)
VOORREDE.
In den Olijfhof, M. Z., had onze goddelijke Zaligmaker getoond, dat Hij alleen, zonder door zijne Apostelen geholpen te worden, macht genoeg had om zich te verdedigen. Immers, met een enkel woord: Ego Suvil i) Ik ben het! wierp Jezus de soldaten achterover ter aarde neder, en zij konden niet opstaan, alvorens Hij het toestond. Doch neen, onze goddelijke Zaligmaker was niet gekomen om zich te verdedigen. Het uur van lijden was geslagen, en Hij had den lijdenskelk uit de handen van zijn hemelschen Vader aangenomen. Na dus eerst zijnen Apostelen de vrijheid verzekerd te hebben, geeft Hij zich aan de soldaten over. Zij slaan hunne handen aan Jezus en boeien Hem. De Apostelen, zulks ziende, verlaten hun goddelijken Meester en nemen de vlucht. Daarop begint de optocht naar Jeruzalem. Welk eene blijdschap en vreugde voor de soldaten en de vijanden van Jezus! Eindelijk dan toch zijn zij Hem meester geworden, en zullen zij den Priesters hun grootsten vijand â want daarvoor zagen zij onzen goddelijken Zaligmaker aan â diep vernederd en geboeid kunnen voorstellen. Wat heeft onze goddelijke Zaligmaker op den droevigen tocht van Gethzemani naar Jeruzalem niet uitgestaan! Wat al schaterlachen, wat al vloeken en godslasteringen heeft Hij niet gehoord! Wat al mishandelingen en pijnen
1) Joan, xvm, 5\'
â 45 â
niet geleden! Uitgeput, om zoo te zeggen, van krachten wegens die doodelijke droefheid en het bloedig zweeten, is Hij nog geboeid, met zware kluisters beladen. De touwen en koorden waren zoo vast gebonden, dat zijne gezegende handen opzwollen, en dat het goddelijk bloed tusschen de nagels uitliep. Gedreven als de soldaten waren, om zoo spoedig mogelijk in de stad aan te komen, werd Jezus, die niet gauw genoeg naar hunnen zin vooruitging, voortgetrokken en voortgeduwd. Dikwerf zal onze goddelijke Zaligmaker op dien droevigen tocht gestruikeld zijn. Ja wat meer is, gelijk sommige schrijvers willen, zoude Jezus van de brug, die over de beek Cedron lag, en die men wederom moest overtrekken, in het water gevallen zijn, en zouden de soldaten Hem met de koorden, waarmede zij Hem voortsleurden, tegen den kant der beek op uit het water getrokken hebben. Ook schijnt de koninklijke Profeet David op deze gebeurtenis te zinspelen als hij zegt: De torrente in via bibet; Hij zal op zijnen weg uit de beek drinken, daarom zal Hij zijn hoofd verheffen, propterea exaltabit caput. l) Eindelijk dan kwam die woeste bende omstreeks middernacht met den afgematten en van vermoeienis en pijnen schier bezwijkenden Zaligmaker te Jeruzalem aan. Jezus wordt terstond bij zijne verbitterdste vijanden, de Priesters, en voor de rechtbank gebracht. Overwegen wij van avond:
I. Jezus voor Annas en Caïphas;
II. Jezus van godslastering beschuldigd;
III. Den val van Petrus.
I.
Men bracht onzen goddelijken Zaligmaker, M. Z., eerst bij Annas, den schoonvader van Caïphas, waarschijnlijk, 1) Ps. cix, 7.
- 46 â
om dien ouderling, die een doodelijken haat tegen Jezus opgevat had, het genoegen te geven, van het zoo lang gewenschte slachtoffer te aanschouwen. Na eenige oogen-blikken zijne bloeddorstige blikken op den diep vernederden Zaligmaker gevestigd, en na met een helschen grimlach op de lippen Hem bespot en beleedigd te hebben, is hij voldaan. Hij zendt Jezus naar zijnen schoonzoon Caïphas. Caïphas was de Opperpriester voor dat jaar; bij hem was de joodsche raad vergaderd.
Zoodra onze goddelijke Zaligmaker daar was aangekomen, werd Hij ondervraagd over zijne leerlingen en zijne leering. Wat de eerste vraag betreft, daarop antwoordt Jezus niet; Hij kan niet veel goeds van zijne leerlingen zeggen. Judas had hem verraden. Petrus zoude Hem weldra verloochenen, allen hadden Hem schandelijk verlaten en waren gevlucht. Jezus zweeg dus van zijne leerlingen, en daardoor gaf Hij ons een schoon voorbeeld, hoe wij ons ten opzichte van onzen evenmensch moeten gedragen, namelijk, dat wij, zoo wij geen goed van Hem kunnen of willen zeggen, ten minste geen kwaad van hem zouden zeggen.
Wat de tweede vraag, dat is, zijne leering betreft, daarop antwoordt onze goddelijke Zaligmaker vrijmoedig, voorzichtig en eerbiedig. Vrijmoedig: Ik heb in\'t openbaar gesproken, antwoordt Jezus, en in \'t verborgen heb ik niets gezegd. Voorzichtig; Ondervraag dus hen, die mij gehoord hebben; zij weten wat ik gezegd heb. Jezus, gelijk gij ziet, M. Z., beriep zich op zijne toehoorders. Waarom? Om de eenvoudige reden, wijl Hij zeer goed wist, dat men aan zijne getuigenis toch geen geloof zoude hechten. Wat kon Hij dus beter doen? Zijn antwoord was daarenboven eerbiedig. En luistert nu wat er nochtans plaats heeft.
â 47 â
Nauwelijks heeft onze goddelijke Zaligmaker gesproken, of een der dienaren geeft Hem een geweldigen kaakslag, terwijl hij Hem toesnauwt: Sic respondes Pontifici? l) Antwoordt Gij zoo den Opperpriester? Welk eene mishandeling, M. Z., onzen goddelijken Zaligmaker aangedaan! Die kaakslag was pijnlijk, schandelijk en onrechtvaardig.
Vooreerst was die kaakslag pijnlijk, wijl hij gegeven werd door een woesten, woedenden krijgsknecht, uit al zijne kracht, met eene hand, volgens het gevoelen van den H. Bernardus, gewapend met een ijzeren handschoen. De H. Vincentius Ferrerius zegt, dat onze goddelijke Zaligmaker plat ter aarde viel, en dat Hem het bloed door neus en mond uitsprong.
Vervolgens was die kaakslag schandelijk, wijl hij gegeven werd door eenen soldaat in het aanbiddelijk aanschijn van den Zoon Gods, waarvoor de Engelen des Hemels uit eerbied zich met hunne vleugelen dekken, gegeven in de tegenwoordigheid van eene talrijke vergadering.
Eindelijk was die kaakslag onrechtvaardig, wijl hij gegeven werd zonder wettige machtiging en op een eerbiedig antwoord. Welk eene pijnlijke, schandelijke en onrechtvaardige beleediging, onzen goddelijken Zaligmaker aangedaan! De H. Ephrëm zegt, dat door dien slag de hemelen beefden, en dat de aarde op hare grondslagen daverde. Welke straf verdiende die booswicht niet? Ja, hij verdiende van op staanden voet door het vuur des hemels verteerd, door de opengespleten aarde ingezwolgen, door den duivel bezeten en op de verschrikkelijkste wijze gefolterd te worden.
1) Joan, xvin, 22.
- 4» -
Wat meer is, onze goddelijke Zaligmaker had zich kunnen wreken; Hij had dien dienaar oogenblikkelijk kunnen straffen; men zoude zelfs zeggen, dat Hij er toe verplicht was; en wat doet Jezus? Om te toonen dat Hij volstrekt niet misdaan heeft tegen den eerbied, den Opperpriester verschuldigd, zegt Hij met zachtmoedigheid tot den soldaat, die Hem geslagen heeft: Bijaldien ik kwalijk gesproken heb, geef dan getuigenis van het kwaad: St male locutus sum, testimonium perhibe de malo ; doch zoo ik goed gesproken heb, waarom slaat gij Mij ? si auteni bene, quid me coedis? l) Ziedaar, hoe Jezus zich wreekt; ziedaar de straf, die Hij vordert.
Ha! M. Z., onze goddelijke Zaligmaker had geleerd, dat zoo iemand ons op de rechter wang slaat, wij hem de linker moeten aanbieden. Hij had gezegd: Leert van mij dat ik zachtmoedig van harte ben: Discite a me quia mitis sum corde. 2) Die leering nu brengt Hij zelf ten uitvoer. Hij bevestigt ze door zijn voorbeeld, en dat voorbeeld, M. Z., moeten wij Christenen, dat is, leerlingen van Jezus-Christus, navolgen. Doch helaas! Hoe zeer verschilt dikwijls ons gedrag van het gedrag van onzen goddelijken Meester! Wanneer men ons het een of ander ongelijk aandoet, ofwel, als wij zelfs maar meenen, dat het ons aangedaan wordt, al is het ook inderdaad niet, hoe gedragen wij ons dan dikwijls ten opzichte van onzen evenmensch? Op het oogenblik zelf, waarop men verongelijkt wordt of meent verongelijkt te worden, wordt men kwaad op zijnen evenmensch, men valt tegen hem uit in verwijtingen of verwenschingen, men bedrijgt hem, men gaat soms zoo ver van zich terstond te wreken, ongelijk met ongelijk, kwaad met kwaad te vergelden.
1) Joan, xvui, 23. 2) Matth. xi, 29.
- 49 â
Doch veronderstelt dat men op het oogenblik zelf zoo ver niet gaat. In plaats van het ongelijk te vergeven, wordt men afkeerig van zijnen evenmensch. Die afkee-righeid, door ze te voeden, gaat over tot haat, wel eens tot doodelijken haat, zoo dat men zijnen evenmensch niet eens meer wil zien, groeten of spreken. Dien haat zal men nog meer lucht geven, en daarom randt men zijnen evenmensch aan in\' zijne eer of faam, door het kwaad, dat onbekend is, bekend te maken, of wel door zaken uit te strooien, die volstrekt niet bestaan. Men zal hem zelfs zoeken te benadeelen in zijne tijdelijke goederen, en van daar dat men hem valsch beschuldigt, vervolgt en onrechtvaardig voor het gerecht daagt. Dergelijke Christenen, M. Z., handelen juist alsof er geen gebod bestond van den evenmensch of onze vijanden te beminnen, daar Jezus nochtans zegt: Gij zult uwen evenmensch beminnen gelijk u zeiven: Diligesproximum tuum sicut te ipsum; i) uitdrukkelijk gebiedt van onze vijanden te beminnen, als hij zegt: Bemint uwe vijanden: Diligite inimicos vestros, doet goed aan degenen die u haten, benefacite his qui oderunt vos, en bidt voor degenen, die u vervolgen en lasteren, et or ate pro perse-quentibus et cabnnniantibns vos. 2)
Dat gebod nu verplicht zóó streng, M. Z., dat er niemand vrij van is, dat men zonder het te volbrengen van zijn eigene zonden geene vergiffenis kan bekomen. In som-mige geboden, zegt de H. Joannes Chrysostomus, kan men verschooning vinden, doch wat het gebod van zijnen evenmensch, van zijne vijanden te beminnen aangaat, daarin is geene verschooning te vinden. Iemand kan wel zeggen: Ik kan niet vasten, ik kan geen aalmoezen
1) Matth. xix, 19. 2) Matth. t, 44.
I. 4.
â 50 â
geven; doch niemand kan zeggen: Ik kan niet beminnen.
Ik weet wel, de bedorvene wereld leert juist het tegenovergestelde. Met hare valsche grondbeginselen van punt van eer, van niet onder te doen, van niet toe te geven, zegt zij dat men lafhartig is of aan zijne eer te kort doet, als men geene wraak neemt, als men het ongelijk met ongelijk niet vergeldt; doch dan heeft Jezus-Christus, de Eeuwige Wijsheid, zich bedrogen; dan hebben de Heiligen, die Hem nagevolgd zijn, zich ook bedrogen ; dan moet men hen van lafhartigheid beschuldigen en zeggen, dat zij hunne eer te kort hebben gedaan; doch dit zij verre van ons. Ook moeten wij in hoedanigheid van Christenen, niet de leerlingen en navolgers der wereld, maar die van Jezus-Christus en van zijne Heiligen zijn.
Anderen zeggen: De beleediging mij aangedaan is te gevoelig, het ongelijk is te groot; ik kan het onmogelijk vergeven. Ik vraag u: Is de beleediging, het ongelijk u aangedaan gevoeliger, grooter dan die, welke men Jezus voor de rechtbank van Caïphas aandeed ? En nochtans, onze goddelijke Zaligmaker blijft zachtmoedig; Hij neemt geene wraak. Hij vergeeft. Bijgevolg moeten wij, het koste wat het wil, ook vergeven. Gevoelen wij ons te zwak van het te kunnen doen, wij moeten tot God onze toevlucht nemen door het gebed; Hij zal ons de genade geven om zijn gebod te kunnen volbrengen. Ik zeg: Het koste wat het wil; want te vergeefs bidt, vast gij; te vergeefs gaat gij naar de kerk, geeft gij aalmoezen; te vergeefs gaat gij te biechten en te communie, nooit of nimmer zult gij vergiffenis van uwe zonden bekomen, zoo gij het persoonlijk ongelijk u aangedaan niet van harte vergeeft; nooit of nimmer kunt gij in den hemel komen. Wij willen dus liever naar het voorbeeld van onzen goddelijken Zaligmaker vergeven, en alzoo zullen
wij kinderen zijn van den hemelschen Vader, die zijne zon laat opgaan over de goeden en kwaden, en die zijnen regen uitstort over de rechtvaardigen en onrechtvaardigen.
II.
Nadat onze goddelijke Zaligmaker die ongehoorde be-leediging van den dienaar ontvangen had, wiens onrechtvaardige handelwijs niet eens werd afgekeurd, toen zochten de Opperpriester en de gansche vergadering getuigenissen tegen Jezus, ten einde Hem ter dood te veroordeelen; doch zij vonden er niet ééne. Velen brachten valsche getuigenissen tegen Hem in, doch zij kwamen niet overeen.
Twee stonden daarop recht en legden de volgende valsche getuigenis tegen Jezus af: Wij hebben Hem hooren zeggen: â onzen goddelijken Zaligmaker bedoelende â Ik zal dezen tempel, met handen gemaakt, afbreken, en in drie dagen zal ik een anderen, niet met handen gemaakt, bouwen. En: Ik kan den tempel Gods verwoesten en na drie dagen wederom opbouwen. Deze getuigen kwamen dus evenmin overeen als de eerste.
Nu stond de Opperpriester Caïphas op en sprak: Antwoordt gij niets op hetgeen dezen tegen u inbrengen ? Jezus zweeg. De Opperpriester ging voort en zeide: Ik bezweer u bij den levenden God, dat gij ons zegt, of gij de Christus zijt, de Zoon van den gezegenden God! Jezus antwoordt: Tu dixisti: i) Gij hebt het gezegd; Ik ben het. En Hij voegt er bij: Weldra zult gij den Zoon des menschen op de wolken zien komen, gezeten aan de rechterhand van de kracht Gods. Nauwelijks heeft Caïphas die woorden gehoord, of hij scheurt zich de kleederen, en hij roept uit; Blasphemavitl Hij heeft
1) Matth. xxvi, 64. etc.
â 52 â
God gelasterd! Wat hebben wij verder nog getuigen noodig? Gij zeiven hebt de godslastering gehoord; wat dunkt u? En allen antwoorden als uit één mond: Heus est mortis! Hij is des doods schuldig! En terwijl Caïphas zich verstout onzen goddelijken Zaligmaker van godslastering te beschuldigen, en de overigen Hem daarom des doods schuldig durven verklaren, hij, de godde-looze Opperpriester, braakt de afschuwelijkste godslastering tegen God uit.
De zonde van godslastering, M. Z., wordt hedendaags op allerlei wijzen bedreven. Wat al schimpreden en spotternijen worden er hedendaags tegen God en godsdienst, tegen Kerk en geestelijkheid, tegen Heiligen en Sacramenten niet uitgebraakt? Men lastert God in de boeken, waarin men durft schrijven, dat God het kwaad en dat Jezus-Christus, zijn eenige Zoon, een romansheld is. Men lastert God in de schouwburgen, waar men den spot drijft met de heiligheid des Huwelijks en waar men echtscheiding en echtbreuk toejuicht. Men lastert God in de drukpers, waarin men samenspant om de Katholieke Kerk door het slijk te trekken en haar de zielen te ontrooven. Men lastert God in de vergaderingen der zoogenaamde geleerden, waarin de bovennatuurlijke orde uitgelachen wordt.
Doch, M. Z., buiten de godslasteringen in hoogere kringen en door de openbare vijanden van God en Kerk uitgebraakt, vindt men, helaas! ook nog Christenen, die zich aan die afschuwelijke zonde plichtig maken. Doch hebt gij wel ooit nagedacht wat de mensch doet, die zijnen Heer en God vloekt en lastert? Ziehier zijn uitzinnigheid, zijn ondankbaarheid en stoutmoedigheid.
Wijl de zonde het grootste kwaad is, alzoo is eenieder, zegt de H. Joannes Chrysostomus, die er zich
â 53 â
aan plichtig maakt, een uitzinnige; doch onder al de uitzinnigen is de vloeker en godslasteraar de uitzin-nigste. In andere zonden vindt men nog iets aantrekkelijks. Een dronkaard, bijv., heeft smaak in den drank, een gulzigaard in het eten; een dief vindt zijn voordeel in eens andermans geld en goed; een gierigaard heeft vermaak in schatten en rijkdommen op een te hoopen; een wellusteling schept vermaak in het involgen zijner driften ; maar ik vraag het: Wat vermaak, wat voordeel is er te vinden in het vloeken, in de godslastering? Zijt gij arm, gij zult er niet rijk door worden; geschiedt u nadeel, gij zult er niet schadeloos door gesteld worden; overkomt u een ongeluk, gij zult er niet door gered worden. Hoe is het dan mogelijk, dat gij God durft vloeken en lasteren ? En is de vloeker en godslasteraar niet de uitzinnigste der zondaren ?
Doch hij is niet alleen een uitzinnige, hij is ook een ondankbare. God heeft dien mensch geschapen, uit het niet getrokken; Hij heeft hem zoo zorgvuldig bewaard. Jezus-Christus heeft hem met zijn goddelijk bloed vrijgekocht, in het H. Doopsel tot zijn kind aangenomen. God heeft dien mensch met weldaden overladen, én in de orde der natuur, én in de orde der genade; Hij heeft hem gegeven geld en goed, kost, kleederen en gezondheid; Hij heeft hem met genaden overladen, met zijn goddelijk vleesch en bloed zelfs dikwijls gespijsd. En hoe beantwoordt nu de mensch aan al die weldaden en genaden van den besten der vaderen ? Hij vloekt en lastert zijnen God. Nu vraag ik: Is die vloeker, die godslasteraar niet de ondankbaarste der menschen ? Ja, M. Z., hij is een monster van ondankbaarheid.
De vloeker en godslasteraar is niet alleen een uitzinnige, een ondankbare, hij is ook nog een stoutmoedige. Wie
â 54 â
is het, die God durft vloeken en lasteren ? Een armzalig schepsel, uit stof en asch gemaakt; gisteren bestond het niet, morgen zal het tot stof en asch wederkeeren; een nietige aardworm. En dat armzalig schepsel, die nietige aardworm durft vloeken en lasteren den Schepper, Heer en Regeerder van hemel en aarde, die den hemel met zon, maan en sterren, de aarde met bosschen en bergen, met zeeën en rivieren en al wat zij bevatten, uit het niet getrokken heeft; dien hemel en aarde toebehooren, die hemel en aarde bestiert; die de stormen bedaart, de orkanen loslaat, die zijne bliksems doet flikkeren, zijne donders ratelen. Dat armzalig schepsel, die nietige aardworm durft vloeken en lasteren den eeuwigen, den almachtigen, den majesteitvollen God, die zich elk oogen-blik kan wreken, den vloeker, den lasteraar elk oogenblik kan straffen. Ik vraag het, M. Z., kan er een stouter bestaan, eene grootere stoutmoedigheid uitgevonden worden ?
En inderdaad, hoe dikwijls heeft God den vloeker en godslasteraar reeds in dit leven niet op eene zichtbare wijze gestraft ? Waarom werd Antiochus door de geweldigste pijnen verscheurd, en is hij rampzalig gestorven? Om de godslastering. Waarom werden Nicanor hoofd en handen afgeslagen, zijne tong uit den mond gerukt en den vogelen des hemels voorgeworpen? Om de godslastering. Waarom kwam de verdelgengel in het leger van koning Sinnacherib, en werden er in éénen nacht 185,000 soldaten gedood, en waarom is hij zelf door zijn eigene zonen vermoord? Ik herhaal het, M. Z., om de godslastering. Bijgevolg, dat deze droevige voorbeelden ons eenen afschrik inboezemen voor de zonde van vloeken en godslastering, en dat zij ons tot het heilzaam en krachtdadig besluit brengen, van ons zorgvuldig voor die
zonde te wachten en ons te beteren, zoo wij er ons aan plichtig gemaakt hebben.
En al zouden zelfs de tijdelijke straffen ook uitblijven, Ood, die verplicht is de oneer zijn H. Naam aangedaan te wreken. Hij zal den vloeker en godslasteraar hiernamaals des te strenger straffen; Hij zal hem op zijne beurt vervloeken en verwijzen tot de hel, om daarin met de vloekende en lasterende duivelen en verdoemden in eeuwigheid te branden.
III.
De Apostelen, niemand uitgenomen, hadden hun god-delijken Meester, gelijk wij reeds gezien hebben, schandelijk verlaten. Doch ziet. Petrus, die het stoutst gesproken had, van Jezus niet te verlaten, en die beloofd had Hem getrouw te blijven tot den dood, die zelfs ter verdediging van Jezus zijn zwaard getrokken had; Petrus, na gevlucht te zijn, wordt beschaamd; hij gaat naar Jeruzalem, om te zien hoe de zaken met Jezus zullen afloopen.
Door tusschenkomst van den een of anderen komt hij in het voorhof van den Opperpriester Caïphas ; daar zette hij zich met de overigen bij het vuur neder en warmde zich. Na eenige oogenblikken daar gezeten te zijn, komt eene dienstmeid, die de deur bewaarde, nader, en Petrus ziende, zegt zij; Gij waart ook bij Jezus den Galileër. Petrus loochent het en antwoordt: Ik weet niet wat gij zegt: Nescio quid dicis; l) hij gaat het voorhof uit, en de haan kraaide.
Terwijl hij nu naar buiten ging, zag hem een andere dienstmeid en zeide tot de omstanders; Deze was ook
1) Matth. xxvi, 70. etc.
- 56 -
bij Jezus van Nazareth. Petrus loochent het op nieuw, en ditmaal onder eed en zegt: Ik ken dien mensch niet: Quia non novi hominem.
Omtrent een uur daarna zeiden degenen, die naast hem bij het vuur stonden: Waarlijk, gij zijt een zijner leerlingen, want gij zijt een Galilecr; uwe spraak verraadt u. Een bloedverwant van Malchus, dien Petrus het oor afgehouwen had, zeide: Heb ik u dan niet bij Hem in den hof gezien ? Nu begon Petrus te vloeken en te zweren, dat hij geen kennis aan dien mensch had: Coepit detes-tari et jurare quia non novisset hominem. Op dat oogen-blik kraaide de haan voor de tweede maal. Onze goddelijke Zaligmaker keerde zich om en zag Petrus. Petrus wordt het woord van Jezus indachtig: Eer de haan ten tweede male kraait, zult gij mij driemaal verloochenen. Hij gaat naar buiten en weende bitter: Et egressus forasflevit amare.
SLUITREDE.
Onmogelijk, M. Z., deze droevige geschiedenis breedvoerig uit te leggen. Ten slotte zal ik enkel aanhalen, waarom Petrus zoo diep gevallen is, en dat wij, die Petrus in den val nagevolgd zijn, hem ook moeten navolgen in de boetvaardigheid. Petrus was vermetel geweest. Jezus had hem zijnen val voorzegd: Alvorens de haan tweemaal zal gekraaid hebben, had Jezus gezegd, zult gij mij driemaal verloochenen. Ik zal u niet verloochenen, had Petrus vermetel geantwoord: Non te negabo. i)
Petrus had zich zonder reden aan het gevaar blootgesteld ; hij is gevallen. Petrus, na het gevaar verlaten te hebben, is teruggekeerd; hij is op nieuw gevallen. Petrus
1) Matth. xxvi, 36.
â 57 â
heeft aan den oogslag van Jezus beantwoord, hij is naar buiten gegaan, en hij heeft zijne zonden bitter beweend, waardoor het dan ook gebeurd is, dat hij vergiffenis bekomen heeft.
Ziedaar, M. Z., juist het gedrag van den zondaar. Zoo dikwijls hij zich aan doodzonde plichtig maakt, loochent hij in zekeren zin zijnen God: Quo ties vitiis vincimur, Deum negamus, zegt de H. Hieronymus. Waarom ? Omdat hij aan het schepsel de voorkeur geeft boven den Schepper. De onrechtvaardige, bijv. geeft de voorkeur aan het geld of goed. De hoovaardige geeft de voorkeur aan de eer en glorie. De onzuivere geeft de voorkeur aan het schandelijk vermaak, en zoo kan men zeggen van eiken zondaar.
De zondaar valt. Waarom? Omdat hij vermetel is. In plaats van tot God zijne toevlucht te nemen door het gebed, steunt hij op zijn eigene krachten, en zwak als hij uit zich zei ven is, bezwijkt hij bij de eerste bekooring van de vijanden zijner zaligheid. Uit die vermetelheid spruit ook nog voort, dat hij zich aan de gevaren en gelegenheden van zonde blootstelt, en ziedaar, waarom hij hervalt in de zonde. Jezus had Petrus zijnen val voorzegd; Petrus stelt zich nog aan het gevaar bloot, en hij verloochent zijn goddelijken Meester op nieuw, tot drie maal toe.
Hoe dikwijls heeft de predikant, heeft de biechtvader dien zondaar, die zondares den val niet voorzegd? Zoo gij dat gezelschap niet vlucht, gij zult hervallen in dezelfde zonde van zedenkwetsende taal; zoo gij die herberg niet vermijdt, gij zult hervallen in dezelfde zonde van dronkenschap; zoo gij den omgang met dien persoon niet schuwt, gij zult hervallen in dezelfde zonde van onkuisch-heid. De hand op het geweten, antwoordt: Is dat de
- 58 -
reden niet waarom gij gevallen en hervallen zijt in dezelfde zonde? Ongetwijfeld. Wilt gij nu vergiffenis van uwe zonden bekomen? Dan antwoord ik u met den H. Ambro-sius, die tot keizer Theodosius zeide; Si secutus es err anient, sequere poenitentem: Gij, die Petrus in den val nagevolgd zijt, volgt hem ook na in de boetvaardigheid. Beweent uwe zonden en beweent ze bitter naar het voorbeeld van den H. Petrus: de zonden van afgekeerdheid en vijandschap; de zonden van haat en nijd. Verzoent u met uwen evenmensch en vergeeft hem het persoonlijk ongelijk, dat hij u aangedaan heeft. Beweent en beweent ze bitter de zonde van vloeken en godslastering, waardoor gij den goeden God zoo grootelijks vergramd en zoo dikwijls zijne straffen verdiend hebt. Bidt God om genade en vernieuwt dikwijls het goed voornemen van ze nooit meer te bedrijven. Vlucht ook de gevaren en gelegenheden van zonde naar het voorbeeld van Petrus. Et egressus for as, hij vluchtte naar buiten. Dus, geen omgang meer met dat gezelschap, geen bezoek meer aan die herberg, geene verkeering meer met dien persoon; zonder dat, geene ware bekeering, en bijgevolg ook geene vergiffenis der zonde.
Ziedaar, M. Z., hoe wij allen, die den Apostel Petrus in den val nagevolgd zijn, hem ook in de bekeering moeten navolgen; en Jezus, die een medelijdenden blik op zijnen Apostel wierp, hem zijne drievoudige verloochening vergaf, Jezus zal ook medelijden met ons hebben en ons onze zonden vergeven. Amen.
VIERDE MEDITATIE.
Velaverunt Einn etpercatiebantfacwmejus, et inlerrogabanl Eum dicenies: Prophetizai quis est qui te percussit?
Zij blinddoekten Hem, sloegen Hem iu het aangezicht en vroegen Hem, zeggende : Profeteer, wie is het die U geslagen heeft?
(Luc. xxii, 64.)
INHOUD.
VOORREDE.
Petrus heeft Jezus driemaal verloochend, omdat hij vermetel was en zich zonder reden aan het gevaar blootstelde. â Petrus beantwoordt aan den oogslag van Jezus, hij gaat uit en beweent zijne zonden bitter. â Zoo moeten wij ook handelen. â Judas beantwoordt niet aan de uitnoodiging van Jezus, hij wanhoopt en verhangt zich. â Zoo moeten wij niet handelen.
VERDEELING.
I. Jezus wordt in den nacht mishandeld ;
II. Jezus wordt gegeeseld;
III. Jezus wordt met doornen gekroond.
â 6o â
I.
Jezus is ter dood veroordeeld, omdat Hij zijn goddelijk Zoonschap beleed. â De joodsche raad gaat uiteen. â Jezus wordt den soldaten ter bewaring overgegeven. â De soldaten bespotten Jezus; zij spuwen Hem in het aangezicht, blinddoeken Hem, geven Hem vuistslagen, enz. Dwaas- en verblindheid der soldaten. â Vele Christenen zijn dwazer, verblinder dan de soldaten. â De soldaten geloofden niet dat Jezus alles zag en onschuldig was. â De Christenen gelooven, dat Hij alles ziet en onschuldig is. â Zij willen zich verbergen. Zoo handelt vooral de onkuischaard. â Geschiedenis der twee ouderlingen, die de zuivere Suzanna bekoorden.
II.
Jezus wordt voor Pontius-Pilatus beschuldigd: dat Hij het volk opruide; dat Hij verbood de schatting aan den keizer te betalen; dat Hij zich koning wilde maken. â Pilatus veroordeelt Jezus om gegeeseld te worden. Wie deed Jezus geeselen ? Door wien? Waarmede? Hoelang? In wiens tegenwoordigheid? â Schande-en pijnlijke gee-seling, bijzonder om de zonde van onkuischheid uit te boeten. â Zoo de onkuischaard zich niet bekeert, zal het bloed van Jezus, tijdens de geeseling gestort, wraak tegen hem roepen.
m.
Daarop wordt Jezus met doornen gekroond. âTroon, een stuk kolom. â Schepter, een rietstok. â Koninklijke mantel, een versleten purperen lap. â Koningskroon, eene kroon uit doornen gevlochten. â De soldaten knielen voor Jezus, groeten Hem en slaan met den rietstok op
â 6i â
de doornen kroon. â Hoe de Koning der koningen mishandeld wordt. â Dat is het werk der zondaren.
SLUITREDE.
Wie zet Jezus op dat stuk kolom ? De ongehoorzame en wederspannige.
Wie geeft Jezus dien rietstok in de handen? De onstandvastige.
Wie hangt Jezus dien purperen lap om de schouders? De hoovaardige.
Wie zet Jezus die doornen kroon op het hoofd? Die zich aan doodzonden plichtig maakt.
Wie bespot Jezus in dien droevigen toestand? De oneerbiedige in de kerk. â Vragen wij God ootmoedig vergiffenis van onze zonden met het vast voornemen van ze nooit meer te bedrijven.
VIERDE MEDITATIE.
Vélaverunt Eum et percuiiebant faciem ejus, et interrogdbant Eum dicentes: Prophetiza, quis est qui te percussit f
Zij blinddoekten Hem, sloegen Hem in het aangezicht en vroegen Hem, zeggende: Profeteer, -wie ie het die U geslagen heeft?
(Luc. xxu, 63.)
VOORREDE.
Op het einde onzer voorgaande overweging hebben wij gezien, M. Z., dat Petrus, dien onze goddelijke Zaligmaker aan het hoofd der Apostelen gesteld had, tot
62
driemaal toe zijn goddelijken Meester schandelijk verloochende. Eerst zegt hij, dat hij Jezus niet kent; vervolgens bevestigt hij het met eed; eindelijk onder vloeken en verwenschingen. Petrus valt dus, gelijk gij ziet, en hij valt telkens dieper en dieper.
De reden, waarom Petrus zoo ongelukkig en diep gevallen is, bestaat onder anderen hierin. Petrus was vermetel; hij had Jezus, die hem zijnen val voorzegd had, niet willen gelooven; ook had hij zich zonder reden in de gelegenheid begeven, zich aan het gevaar blootgesteld. Onze goddelijke Zaligmaker werpt een medelijdenden oogslag op zijnen Apostel. Petrus beantwoordt aan dien oogslag, hij gaat oogenblikkelijk naar buiten, dat is, hij verlaat het gevaar en de gelegenheid van zonde en beweent ze bitter.
Ja, M. Z., Petrus heeft zijne zonden bitter beweend, en hij heeft ze beweend zijn leven lang, zoodat er twee groeven in zijne wangen ontstonden ter oorzake van de tranen, die hij over zijne drievoudige verloochening stortte.
Petrus is, gelijk ik vroeger gezegd heb, een voorbeeld, dat wij moeten navolgen. Wij hebben door onze zonden onzen goddelijken Zaligmaker als het ware ook verloochend; telkens zijn wij al dieper en dieper in de zonde gevallen, zijn wij verder gegaan, en om dezelfde reden als Petrus, omdat wij vermetel zijn geweest, niet geluisterd hebben naar den raad van den biechtvader, naar de vermaningen van den predikant, en wel bijzonder, omdat wij ons aan het gevaar, aan de gelegenheid van zonde zonder reden hebben blootgesteld. Na Petrus dus nagevolgd te zijn in den val, moeten wij hem ook navolgen in de boetvaardigheid, beantwoorden aan Gods genade, de gevaren en gelegenheden van zonde vluchten en de zonden bitter beweenen.
- 63 -
Gelukkig, M. Z., voor Petrus, dat hij beantwoordde aan den oogslag van Jezus; bijaldien hij het niet gedaan hadde, hij had zoo ver kunnen gaan als Judas. Die ongelukkige beantwoordde niet aan de uitnoodiging van Jezus. En nochtans, Jezus had Judas nog dringender ter bekeering aangezet dan Petrus. Maar welk een slag van genade deed Jezus dan niet, toen hij tot Judas zeide; Vriend! .waartoe zijt gij gekomen? Amice\', ad qziid venisti? \\) Verraadt gij den Zoon des menschen door eenen kus? Osculo filium homüiis tradis? 2) Te vergeefs. Judas volhardt in zijne boosheid, en wanhopende aan zijne zaligheid brengt hij zich eindelijk om het leven. Judas belijdt zijne zonde: Peccavi, zegt hij tot de Priesters, ik heb gezondigd door het rechtvaardig bloed over te leveren) tradens sanguinem jus turn. 3) Hij doet in zekeren zin ook wel restitutie, want hij werpt de dertig zilverlingen in den tempel, waarvoor hij zijn goddelijken Meester verkocht had; doch helaas! Judas wanhoopt, en daardoor deed hij Jezus nog eene grootere beleediging aan dan door zijn verraad. Eindelijk door de wanhoop vervoerd, hangt hij zich op en brengt zich ellendig om het leven.
Dat is een ander voorbeeld, M. Z., doch een voorbeeld, hetgeen wij moeten vermijden. Dat wij toch nimmer, hoe groote en hoe talrijke zonden wij ook bedreven hebben, aan onze zaligheid wanhopen, maar dat wij met een kinderlijk betrouwen tot Gods goedheid en barmhartigheid onze toevlucht nemen, wel overtuigd, dat Jezus ons niet zal verstoeten, en tot bewijs daarvan strekke zijn H. Lijden, dat wij verder gaan overwegen. Zien wij vandaag: I. De mishandelingen van Jezus;
11. De geeseling van Jezus;
III. De kroning van Jezus met doornen.
1) Matth. xxvi, 50. 2) Luc. xxn, 48. 3) Matth. xxvn, 4.
â 62 â
driemaal toe zijn goddelijker! Meester schandelijk verloochende. Eerst zegt hij, dat hij Jezus niet kent; vervolgens bevestigt hij het met eed; eindelijk onder vloeken en verwenschingen. Petrus valt dus, gelijk gij ziet, en hij valt telkens dieper en dieper.
De reden, waarom Petrus zoo ongelukkig en diep gevallen is, bestaat onder anderen hierin. Petrus was vermetel; hij had Jezus, die hem zijnen val voorzegd had, niet willen gelooven; ook had hij zich zonder reden in de gelegenheid begeven, zich aan het gevaar blootgesteld. Onze goddelijke Zaligmaker werpt een medelijdenden oogslag op zijnen Apostel. Petrus beantwoordt aan dien oogslag, hij gaat oogenblikkelijk naar buiten, dat is, hij verlaat het gevaar en de gelegenheid van zonde en beweent ze bitter.
Ja, M. Z., Petrus heeft zijne zonden bitter beweend, en hij heeft ze beweend zijn leven lang, zoodat er twee groeven in zijne wangen ontstonden ter oorzake van de tranen, die hij over zijne drievoudige verloochening stortte.
Petrus is, gelijk ik vroeger gezegd heb, een voorbeeld, dat wij moeten navolgen. Wij hebben door onze zonden onzen goddelijken Zaligmaker als het ware ook verloochend; telkens zijn wij al dieper en dieper in de zonde gevallen, zijn wij verder gegaan, en om dezelfde reden als Petrus, omdat wij vermetel zijn geweest, niet geluisterd hebben naar den raad van den biechtvader, naar de vermaningen van den predikant, en wel bijzonder, omdat wij ons aan het gevaar, aan de gelegenheid van zonde zonder reden hebben blootgesteld. Na Petrus dus nagevolgd te zijn in den val, moeten wij hem ook navolgen in de boetvaardigheid, beantwoorden aan Gods genade, de gevaren en gelegenheden van zonde vluchten en de zonden bitter beweenen.
- 63 â
Gelukkig, M. Z., voor Petrus, dat hij beantwoordde aan den oogslag van Jezus; bijaldien hij het niet gedaan hadde, hij had zoo ver kunnen gaan als Judas. Die ongelukkige beantwoordde niet aan de uitnoodiging van Jezus. En nochtans, Jezus had Judas nog dringender ter bekeering aangezet dan Petrus. Maar welk een slag van genade deed Jezus dan niet, toen hij tot Judas zeide: Vriend! waartoe zijt gij gekomen? Amice\', ad quid venisti? l) Verraadt gij den Zoon des menschen door eenen kus ? Osclilo jlliHin hominis tradis? 2) Te vergeefs, Judas volhardt in zijne boosheid, en wanhopende aan zijne zaligheid brengt hij zich eindelijk om het leven. Judas belijdt zijne zonde: Peccavi, zegt hij tot de Priesters, ik heb gezondigd door het rechtvaardig bloed over te leveren) tradens sanguinem jmtum. 3) Hij doet in zekeren zin ook wel restitutie, want hij werpt de dertig zilverlingen in den tempel, waarvoor hij zijn goddelijken Meester verkocht had; doch helaas! Judas wanhoopt, en daardoor deed hij Jezus nog eene grootere beleediging aan dan door zijn verraad. Eindelijk door de wanhoop vervoerd, hangt hij zich op en brengt zich ellendig om het leven.
Dat is een ander voorbeeld, M. Z., doch een voorbeeld, hetgeen wij moeten vermijden. Dat wij toch nimmer, hoe groote en hoe talrijke zonden wij ook bedreven hebben, aan onze zaligheid wanhopen, maar dat wij met een kinderlijk betrouwen tot Gods goedheid en barmhartigheid onze toevlucht nemen, wel overtuigd, dat Jezus ons niet zal verstooten, en tot bewijs daarvan strekke zijn H. Lijden, dat wij verder gaan overwegen. Zien wij vandaag:
I. De mishandelingen van Jezus;
II. De geeseling van Jezus;
III. De kroning van Jezus met doornen.
1) Matth. xxvi, 50. 2) Luc. xxii, 48. 3) Matth. xxvu, 4.
- 64 â
I.
Caïphas, M. Z., had Jezus ondervraagd, en hij had Hem ondervraagd, enkel met het inzicht om iets te vinden, ten einde onzen goddelijken Zaligmaker ter dood te kunnen veroordeelen. Hij had Hem gevraagd of Hij de Zoon Gods was. Voor die groote waarheid was Jezus vrijmoedig uitgekomen; Hij had rechtuit beleden, dat Hij de Zoon Gods is, en er zelfs nog bijgevoegd, dat Hij eenmaal op de wolken des Hemels zal verschijnen, hetgeen namelijk plaats zal hebben op het einde der wereld, als Hij zal komen oordeelen. Op die getuigenis verklaart de schijnheilige Opperpriester, terwijl hij zich de kleederen scheurt, dat Jezus God gelasterd heeft, en hij vraagt de overige raadsheeren wat hun dunkt; Quidvobis videtur? En de gansche vergadering roept uit, dat Hij des doods schuldig is: Reus est mortis! l) Jezus dus, die gekomen was om hen en alle menschen van den eeuwigen dood te verlossen, wordt zelf ter dood veroordeeld. Jezus, die zoo zeer verlangde, dat zij en wij allen het leven overvloedig zouden hebben, wordt zelf onwaardig verklaard van langer te leven.
Doch de Joden hebben de macht niet om iemand ter dood te brengen; die macht was hun door de Romeinen ontnomen. Zij stellen dus uit tot den volgenden dag, om onzen goddelijken Zaligmaker aan den romeinschen landvoogd Pontius Pilatus over te leveren en van hem de bekrachtiging van het doodvonnis, dat zij reeds uitgesproken hadden, te bekomen.
Intusschen gaat de joodsche raad uiteen, want het was reeds nacht, en eenieder begeeft zich naar huis om zijne rust te nemen. Doch beeldt u niet in, M. Z., dat het
1) Matth. xxvi, 66.
onzen goddelijken Zaligmaker, die van vermoeienis uitgeput was, ook toegestaan zal worden een weinig uit te rusten. Neen, Jezus werd den soldaten ter bewaring gegeven, en die onmenschen brachten den ganschen nacht door met Hem te mishandelen. De H. Hieronymus zegt, dat onze goddelijke Zaligmaker dien nacht zoo veel geleden heeft, dat de Evangelisten het niet hebben durven beschrijven, en dat wij het nooit zullen weten tot aan den laatsten dag des oordeels. Ziehier, wat zij nochtans in weinige woorden aanstippen:
De mannen, aan welke Jezus tot den volgenden morgen ter bewaring was toevertrouwd, dreven den spot met Hem; zij spuwden Hem in het aangezicht, bonden Hem een doek voor de oogen, gaven Hem vuistslagen en riepen: Profeteer Christus! wie is het die U geslagen heeft? En nog veel andere godslasteringen braakten zij tegen Hem uit. De soldaten werkten dus op Jezus uit, al wat zij goedvonden, en al wat hun booze wil hun ingaf.
Eene zaak, die bijzonder dient opgemerkt te worden, is, dat zij onzen goddelijken Zaligmaker blinddoekten; Velaverunt Eum. l) Waartoe dat ? zoudt gij misschien denken. Zag toen de Zoon Gods minder wat zij deden en wat eenieder hunner deed? Welk eene dwaasheid! Welk eene verblindheid dus in die soldaten, van zoo te werk te gaan! Dat is maar al te waar. Doch weten wij wel, dat wij, door de soldaten van dwaasheid, van verblindheid te beschuldigen, ons eigen vonnis strijken; dat wij Christenen dikwijls veel dwazer handelen, meer verblind zijn dan zij ? De soldaten, geloofden zij dat Jezus de Zoon Gods was? Volstrekt niet. Bijgevolg konden zij denken dat Jezus hen niet zag, toen zij hem
1) Luc. xxn, 64.
I. 5.
â 66 â
een doek voor de oogen gebonden hadden. Hielden de soldaten Jezus voor onschuldig? Evenmin. Zij zagen Hem aan voor een grooten booswicht, en die bijgevolg verdiende gestraft te worden. Was Hij door den joodschen raad reeds niet ter dood veroordeeld? Maar, zoudt gij kunnen zeggen, zij konden weten, en zij moesten weten en bijgevolg ook gelooven, dat Jezus de Zoon Gods was, dat Hij alles zag en onschuldig was; bijgevolg waren zij dwaas en verblind van Hem te blinddoeken, en zij mochten Hem niet mishandelen, \'t Is waar, M. Z., maar wat er ook van zij, zij geloofden het niet.
Doch zien wij nu een oogenblik, hoe zoo menig zondaar handelt, maar vooral de zondaar, die zich verstout tegen de engelachtige deugd te zondigen. Wat doet die zondaar? Ofwel hij zoekt de eenzaamheid, de duisternis. Waarom? Om alleen te zijn: Opdat mij niemand zie, zegt hij. Ofwel hij bedrijft die schandelijke zonde met een of weinig medeplichtigen. Zij ook begeven zich in de eenzaamheid, zij ook zoeken het duistere van den avond of van den nacht. Waarom? Om niet gezien te worden. Wij zijn nu alleen, er is niemand; neen, niemand ziet ons, zeggen zij: Nemo nos videt. l) Dwaze schepselen! Verblinde zondaren! Gelooft gij dan ook niet dat Jezus de Zoon Gods is, en dat Hij in die hoedanigheid alles hoort en ziet? Ja, ik weet dat gij gelooft. Waarom wilt gij u dan verbergen? Waarom wilt gij dan gebruik maken van de duisternis? Waarom denkt of zegt gij dan? Niemand ziet ons. En gij gelooft dat Jezus u ziet, dat Hij u overal, en dat Hij alles ziet. Handelt gij dan niet dwazer? Zijt gij dan niet meer verblind dan de soldaten, die niet geloofden? Gij gelooft dat Jezus onschuldig is, dat Hij
1) Dan. rtn, 20.
- 6; -
uit liefde tot u, om uwe zonden uit te boeten, zoo veel lijdt; dat gij, door op nieuw te zondigen, Jezus als het ware op nieuw dezelfde beleedigingen en pijnen aandoet; en toch bedrijft gij de zonde. Zijt gij dan niet plichtiger dan de soldaten, die niet geloofden ? Maar de menschen hebben mij, hebben ons toch niet gezien. Gij vreest de menschen dus meer dan God? Wat zouden de menschen u gedaan hebben? Een weinig bepraat, misschien nog niet; daarvoor vreest gij, en gij vreest niet te zondigen voor het aanschijn van God, die, op het oogenblik dat gij Hem beleedigt en vergramt, u met den dood kan straffen en kan nederwerpen in de hel.
Welke dwaasheid! Welke verblindheid dus van den zondaar, doch vooral van den onkuischaard! Hoe velen volgen de soldaten niet na, die Jezus blinddoekten en mishandelden, gaan zelfs verder? Ja, M. Z., de twee ouderlingen, tot rechters over Israël aangesteld, vinden hunne navolgers. Die schaamtelooze boeven, alhoewel oud van jaren, brandden nog van het vuur der onkuisch-heid. Zij beloerden de onschuld der zuivere Suzanna. Zij bedreigden haar van eene groote misdaad, waarop de doodstraf stond, aan te klagen. En om haar nog gemakkelijker over te halen van aan hunne schandelijke begeerten te voldoen, zeiden zij: Zie, de ingangen van den boomgaard zijn gesloten; Ecce, ostia pomarii clatisa suilt, l) als wilden zij zeggen: Wij zijn geheel alleen, niemand kan bij ons komen, en niemand ziet ons: Nemo nos videt. \'t Is hun dus genoeg van door de menschen niet gezien te worden, en in geval zij hunne zonden voor de menschen maar verbergen, meenen zij niets te vreezen te hebben. Zij verloren dus de alom-
1) Dan. xm, 20.
â 68 â
tegenwoordigheid Gods uit het oog. Zij dachten er niet aan, dat God alles en ten allen tijde hoort en ziet; en door aan die groote waarheid niet te denken, kwamen zij tot het besluit van Suzanna tot zonde te brengen. Die godvreezende vrouw was daarentegen geheel anders gesteld. Ik word van alle kanten in het nauw gebracht, zeide zij, want voldoe ik aan uwen wil, dat is, stem ik toe in de zonde, dan ben ik des doods schuldig; weiger ik daarentegen, dan zal ik uwe handen niet ontkomen; maar, zoo voegt zij er bij, \'t is beter voor mij, onschuldig in uwe handen te vallen, dan te zondigen voor het aanschijn des Heeren. De gedachte dus aan de tegenwoordigheid Gods, M. Z., deed Suzanna aan de bekoringen wederstaan ten koste van haar leven.
Daarom, volgen wij niet de twee ouderlingen, maar de kuische Suzanna na. Wapenen wij ons met de gedachte : God ziet mij! Weten wij wel, dat wij te vergeefs deuren en vensters sluiten, om niet gezien te worden ; dat wij te vergeefs eenzame en afgelegene plaatsen zoeken, om des vrijer te kunnen zondigen, wijl Gods alziende oog altoos en overal op ons gevestigd is. Bij die gedachte zullen wij aan de bekoringen werderstaan, de zonde en vooral de zonde van onkuischheid vermijden.
Doch om nog een grooteren afschuw van die leelijke zonde te krijgen, zien wij in ons tweede punt wat Jezus, om ze uit te boeten, in zijne geeseling geleden heeft.
II.
Caïphas en de joodsche raad hadden reeds, gelijk wij gezien hebben, het doodvonnis over onzen goddelijken Zaligmaker uitgesproken; doch wijl het recht op leven en dood den Joden door de Romeinen ontnomen was, zoo konden zij het op eigen gezag niet ten uitvoer brengen.
\'s Morgens vroeg dus stellen zij zich in beweging, en zij begeven zich naar den romeinschen landvoogd Pontius-Pilatus, om het doodvonnis door hem te doen bekrachtigen. Zoodra zij aan het paleis van Pilatus met Jezus zijn aangekomen, vraagt de romeinsche landvoogd, welke beschuldiging zij tegen onzen goddelijken Zaligmaker in te brengen hebben. Door die vraag worden zij in hunnen hoogmoed gestoord. Bijaldien deze geen kwaaddoener ware, zeggen zij, wij zouden Hem aan u niet hebben overgeleverd. Pilatus zoude zoo maar blindelings, enkel op hunne vraag, het doodvonnis moeten bekrachtigen. Doch neen, Pilatus wilde eerst de misdaden, welke zij Jezus te laste legden, in het bijzonder hooren en vervolgens onderzoeken of zij grond hadden, alvorens tot de uitspraak van het vonnis over te gaan. De Joden zijn dus genoodzaakt op nieuw met hunne valsche beschuldigingen voor den dag te komen.
Zij beschuldigen onzen goddelijken Zaligmaker; vooreerst, dat Hij het volk verleidde, hetgeen openlijk valsch was, want Jezus had altijd de gehoorzaamheid aan de wetten en aan de overheid geleerd.
Vervolgens beschuldigen zij Hem, dat Hij verbood den cijns of de schatting aan den romeinschen keizer te betalen, hetgeen niet minder valsch was, want Hij had geleerd den keizer te geven wat den keizer toekomt, en Hij had zelfs voor Zich en Petrus den cijnspenning betaald.
Eindelijk beschuldigen zij Hem, dat Hij zich voor koning uitgaf, iets dat ook geheel en al valsch was, ten minste in den zin, waarin zijne aanklagers het verstonden, namelijk, dat Jezus zich voor een wereldschen koning uitgaf, want toen het volk gekomen was, om Hem tot koning uit te roepen, had onze goddelijke Zaligmaker de vlucht genomen.
â 70 â
Zoodra Pilatus Jezus een oogenblik aangaande die beschuldigingen ondervraagd en gehoord had, ondervond hij terstond, dat zij geen grond hadden, en zich tot de Joden wendende, zeide hij: Ik vind geene schuld in Hem: Ego nullam invenio in eo causam; i) als wilde hij zeggen; Gij klaagt mij dezen persoon aan, en gij wilt dat ik hem ter dood veroordeele; daartoe moet ik wettige redenen hebben, doch die wettige redenen vind ik niet, bijgevolg kan ik hem ook niet veroordeelen.
Die taal was Caïphas en de overige leden van den joodschen raad niet aangenaam, gelijk gemakkelijk te begrijpen is. En inderdaad, wat gaven die enkele woorden: Ik vind geene schuld in hem, anders te kennen, dan: Gij, Caïphas en overige aanklagers, gij zijt niets anders dan lasteraars en leugenaars. Buiten twijfel zijn zij daardoor zeer verbitterd geworden.
Pilatus zoude onzen goddelijken Zaligmaker losgelaten hebben, ware hij niet bang geweest voor de woede der Joden, en om die dus niet in te loopen en zich tegelijker tijd van eene moeielijke zaak te ontdoen, zendt hij Jezus naar Herodes. Doch dit middel mislukt, want Herodes, na met zijne lijfwacht Jezus bespot te hebben, zendt Hem naar Pilatus terug.
Een tweede middel heeft geen beter gevolg. Hij stelt Jezus gelijk met Barabbas, een baanstrooper en moordenaar, en laat het volk de keus tusschen beiden; doch het volk, door de Priesters misleid, geeft de voorkeur aan Barabbas. Daarop zegt Pilatus; Ik zal Hem laten kastijden en vervolgens loslaten: Corripiam ergo illuni et dimittam, 2) en zoo veroordeelde hij Jezus om gegeeseld te worden.
1) Joan, xviii, 38. 2) Luc, xxin, 22.
Welk eene misdaad, M. Z., in Pilatus! Hij verklaart Jezus onschuldig, en hij laat Hem straffen als een plich-tige. Is dat de rechtvaardigheid handhaven ? Hij verklaart dat Jezus niets misdaan heeft, en hij laat Hem geeselen als een kwaaddoener. Is dat voor het recht uitkomen? Werpen wij een oogslag op die schande- en pijnlijke gee-seling.
Onze goddelijke Zaligmaker is weldra door de soldaten in eene zaal gebracht, waar men gewoon is de misdadigers te folteren. Men rukt Hem de kleederen van het lichaam en bindt Hem vast aan eene marmeren kolom. Daarop vangt die schande- en pijnlijke geeseling aan.
Flagellavit! l) Pilatus deed Jezus geeselen! Een mensch zijnen God, een sterveling den Onsterfelijke, een aardworm den Koning des hemels.
Flagellavit! Hij deed Hem geeselen! Doorwien? Door bloeddorstige beulen, in welke alle menschelijk gevoel schijnt uitgedoofd.
Flagellavit! Hij deed Hem geeselen! Waarmede? Met de verschrikkelijke werktuigen, met lederen riemen van knoopen voorzien, met doornen roeden en met ijzeren ketenen.
Flagellavit! Hij deed Hem geeselen! Hoelang? Tot dat de beulen, die elkander aflossen, afgemat zijn, en Jezus op het punt staat van den geest te geven.
Flagellavit! Hij deed Hem geeselen! In wiens tegenwoordigheid? In de tegenwoordigheid van schaamtelooze toeschouwers, die lachen en die onmenschelijke foltering toejuichen.
Welk eene schande- en pijnlijke geeseling! Schandelijke geeseling. Ja, M. Z., Jezus, de Bruidegom der Maagden,
1) Joan, xix, 1.
â 72 â
wordt schaamrood, terwijl Hij van zijne kleederen beroofd, uitgelachen wordt: Operuit confusio faciem meant i)
Pijnlijke geeseling. Nauwelijks heeft de foltering aangevangen, of overal teekenen zich de slagen met blauwe strepen af. De beulen slaan wond op wond; Jezus\' lichaam van het hoofd tot de voeten is gansch verscheurd; zijn goddelijk bloed druipt, stroomt van alle kanten op den grond. De geesels, de kolom, de muren zijn er mede geverwd; de handen, de armen, de kleederen der beulen druipen er van; en toch gaan zij voort met Jezus te geeselen, tot dat een der omstanders onzen godde-lijken Zaligmaker losmaakt. En ziet, daar valt Jezus machteloos aan den voet der kolom in zijn bloed neder.
Aanschouwt, M. Z., uw goddelijken Zaligmaker in dien ellendigen toestand, en onderzoekt waarom Hij er in gekomen is.
De profeet Isaïas zegt het ons: Vulneratus est propter iniquitates nostras: Hij is om onze ongerechtigheden gewond; Hij is om onze misdaden verbrijzeld: Attritus est propter scelera nostra. 2) Doch er is vooral eene misdaad, om welke uit te boeten onze goddelijke Zaligmaker in zijne geeseling bijzonder gewond en verbrijzeld is geworden. Die misdaad is de schandelijke zonde van on-kuischheid. Ja, onze goddelijke Zaligmaker is in zijne geeseling met schaamte overdekt, om te voldoen voor onze schaamtelooze oogslagen. Jezus\' handen zijn aan de kolom vastgebonden, om te voldoen voor de oneerbare aanrakingen. Jezus\' lichaam is van het hoofd tot de voeten verscheurd, om te voldoen voor de schandelijke vermaken van den wellusteling. En och of die ongelukkige zondaar dat alles eens rijpelijk overwoog;
1) Ps. Lxvn, 8. 2) Isaïas Lm, 5.
â 73 â
hij zoude, zoo niet uit liefde tot Jezus, dan toch uit vrees voor de straffen een einde maken aan zijne schandelijke zonden; want zoo Jezus, de Bruidegom der Maagden, de Zuiverheid zelve, zoo schande- en pijnlijk gefolterd is geworden, om de zonden tegen de schoone deugd uit te boeten, wat zal er dan geworden van de ongelukkige zondaren, wier leven als het ware een aaneenschakeling geweest is van zonden van onzuiverheid? Welke reden van te vreezen vindt de wellusteling in de geeselingvan Jezus niet? Ha! dat schandelijk en zondig leven heeft wel is waar reeds lang geduurd, maar hij verstoute zich daarom niet met den goddelooze, van wien de H. Geest spreekt, te denken of te zeggen: Peccavi, et quid mihi accidit tristef l) Ik heb gezondigd, ik heb die zonden zoo dikwijls bedreven, en wat kwaad is mij overkomen? Omdat God lankmoedig is, omdat Hij u reeds over lang heeft uitgenoodigd van leven te veranderen, omdat Hij u reeds over lang tot boetvaardigheid heeft afgewacht, gij wilt misbruik maken van zijne lankmoedigheid ? Gij wilt voortgaan in de zonden met u zeiven, met anderen bedreven, ter oorzake van het bezoek aan dat huis? ter oorzake van den verboden omgang met dien persoon ? Misschien hebt gij wel gedacht en gezegd; Later zal ik mij bekeeren en boetvaardigheid doen. Mijn kind! zijt voorzichtig; heb medelijden met u zeiven, met uw arme ziel. De God der lankmoedigheid is ook de God der rechtvaardigheid, en het kostbaar bloed, dat bij de schande-en pijnlijke geeseling van Jezus om uwentwille, om voor uwe zonden van onkuischheid te voldoen, gestroomd heeft, kan elk oogenblik van u afgeëischt worden; de gramschap Gods zoude plotseling zwaar op u kunnen
1) Ecclus v, 4.
â 74 â
nederkomen, om het bloed van zijn goddelijken Zoon op u te wreken. Bijgevolg, terwijl het bloed van Jezus nog om barmhartigheid en vergeving onzer zonden roept, vervoegen wij liever onze smeekende stem bij die van Jezus, om er vergiffenis en kwijtschelding van te bekomen.
III.
Nauwelijks hebben de beulen onzen goddelijken Zaligmaker zoo onmenschelijk gegeeseld, of ziet, in plaats van voldaan te zijn en medelijden met Jezus te krijgen, gaan zij terstond tot eene nieuwe, niet minder schande- en pijnlijke mishandeling over; doch ditmaal, zonder daartoe een bevel ontvangen te hebben of gemachtigd te zijn.
De soldalen, M. Z., herinneren zich, dat er tijdens de beschuldigingen tegen Jezus ingebracht, spraak is geweest van koning. Welaan! zeggen zij, zoo Hij koning is, willen wij Hem ook als koning huldigen en eer bewijzen. Nu komt zich het bespottelijke eerst voor goed bij het pijnlijke voegen. Alles is door de soldaten weldra in gereedheid gebracht. De eene zorgt voor den troon, waarschijnlijk een stuk kolom; een ander voor den schep-ter, een rietstok; een derde voor den koninklijken mantel, een versleten purperen lap; een vierde voor de koningskroon, maar welke kroon ? Mijn God! Hoe is het toch mogelijk! Plectentes coronam de spinis, eene kroon uit doornen gevlochten, en die kroon zetteden zij Jezus op het hoofd, posuerunt super caput Ejus, i)
Doch, M. Z., dat is nog niet alles. Na Jezus als een spotkoning uitgedost te hebben, gaan zij Hem ook als koning eeren, ik wil zeggen, gaan zij Hem onteeren.
1) Matth. xxvii, 29.
Ãén voor één gaan zij voor Hem door; zij buigen den knie voor Hem en zeggen: Wees gegroet, Koning der Joden! Ave, rex Jicdceoruni! Ja, wat meer is, en hetgeen ik nooit zoude gelooven, ware het de H. Schrift niet, die het ons zegt; zij rukken Jezus den rietstok uit zijne gezegende handen en slaan er mede op de doornen kroon; Acceperunt arundinem et percutiebant caput ejus. (l) De doornen drongen tot in de hersenen door, zegt de H. Petrus Damianus, en het bloed van Jezus vloeide zoo sterk, dat haren, oogen,. baard, gansch zijn aangezicht er van overdekt was.
Ziedaar, M. Z., den Koning der koningen voor eenen spotkoning uitgemaakt! De Zoon Gods, die hemel en aarde tot voetschabel heeft, is op een stuk kolom neêr-gezeten. De Koning der koningen, die den schepter zwaait over Engelen en menschen, heeft eenen rietstok in de handen. De Zoon Gods, wiens kleed het hemellicht is, is met een versleten purperen lap omhangen. Jezus, met eer en glorie gekroond, draagt eene doornen kroon op het hoofd. Jezus, door Engelen en Heiligen aangebeden en verheerlijkt, wordt door de soldaten bespot en mishandeld. En ziedaar, M. Z., ten slotte der zondaren en bijgevolg ook ons werk.
SLUITREDE.
Voorzeker, M. Z., \'t is goed het lijden van onzen god-delijken Zaligmaker, en zelfs de bijzonderheden er van te overwegen; doch om er inderdaad vrucht uit te trekken, moeten wij, gelijk ik vroeger reeds gezegd heb, ook inzien, wat er de oorzaak van geweest is; want het zijn niet alleen de soldaten, die Jezus mishandeld hebben.
1) Matth. xxvii, 30
â 76 â
Neen, M. Z., de Christenen, die zich aan zonde plichtig maken, doen in zekeren zin hetzelfde.
Wie heeft dus Jezus op een stuk kolom, als op een troon nedergezet? De ongehoorzame en wederspannige, die noch geestelijk, noch ouderlijk, noch wereldlijk gezag wil erkennen; de Christen, die zich verzet tegen de H. Kerk en hare geestelijkheid; het kind, de zoon of de dochter, dat vader of moeder niet wil gehoorzamen; de onderdaan, die niet meer luistert naar zijne wettige oversten.
Wie heeft Jezus dien rietstok voor schepter in de handen gegeven ? De onstandvastige Christen, die zoo spoedig verandert in de goede voornemens, welke hij gemaakt heeft; die, even als het riet door den wind, bij de minste bekoring buigt en den goeden weg verlaat.
Wie heeft Jezus dien versleten purperen lap voor mantel omgehangen? De hoovaardige, die boven zijnen staat en rang gekleed gaat en niet weet hoe zich genoeg te verheffen.
Wie heeft Jezus die doornen kroon op het hoofd gedrukt? Die zich aan doodzonden plichtig maakt; want in plaats van Jezus van zijne goede werken eene kroon van eer en glorie te maken, maakt hij Hem van zijne zonden eene kroon van schande en pijn.
Wie heeft Jezus in dien pijnlijken toestand bespot? Zouden wij niet mogen zeggen, dat het de oneerbiedige Christen is, die, als hij het H. Sacrificie der Mis bijwoont, waarin Jezus zich aan God zijn hemelschen Vader opoffert, daar praat en lacht, alsof de onverschilligste zaak plaats had?
Ziedaar, M. Z., wat de zondaren doen en gedaan hebben; en wijl wij ons niet kunnen vrijspreken, ook onder die zondaren behooren; wat kunnen wij dus beter, of
liever, wat moeten wij doen, zoo niet onzen goddelijken Zaligmaker ootmoedig vergiffenis vragen van onze zonden ? Ja, lieve Jezus! wij bekennen het; door onze zonden zijn wij de oorzaak geweest van uw lijden. Wij zijn het, die U met de soldaten geblinddoekt en mishandeld hebben, wijl wij zoo dikwijls, uwe goddelijke tegenwoordigheid vergetende, gezondigd hebben. Wij zijn het, die U met de beulen zoo onmenschelijk gegeeseld, gansch uw maagdelijk lichaam verscheurd hebben, wijl wij zoo dikwijls tegen de schoone deugd misdaan hebben. Wij zijn het, die U met de soldaten met doornen gekroond en bespot hebben, wijl wij ons zoo dikwijls aan ongehoorzaamheid, aan hoovaardigheid en oneerbiedigheid hebben plichtig gemaakt, wijl wij zoo onstandvastig geweest zijn. Van al die zonden vragen wij ootmoedig vergiffenis; zij zijn ons van harte leed; wij haten en verzaken ze uit liefde tot U, en wij maken het vast voornemen van ze niet meer te bedrijven, de gevaren en gelegenheden van zonde te schuwen en liever te sterven, dan U nog ooit te vergrammen. Amen.
VIJFDE MEDITATIE,
Postquam venemnt in locum, qui vacatur Calvarite, ibi crucifixerunt eum.
Na op de plaats, Calvarië genoemd, aangekomen te zijn, hebben zij Hem daar gekruist. (Luc. xxm, 33.)
INHOUD.
VOORREDE.
Jezus is gegeeseld en met doornen gekroond. â Pilatus stelt Hem aan het volk voor en zegt: Zie den mensch. De Joden, in plaats van op het zien van Jezus bewogen te worden, roepen: Weg, met Hem! Kruis Hem! â Pilatus veroordeelt onzen goddelijken Zaligmaker tot den kruisdood.
VERDEELING.
I. Jezus neemt het kruis op zijne schouderen;
II. Woorden van Jezus tot de weenende vrouwen;
III. Jezus tusschen twee moordenaars gekruist.
I.
Het nieuws van de veroordeeling van Jezus tot der. kruisdood is terstond de gansche stad door verspreid. â Jezus groet het kruis en neemt het met liefde op zijne
â 79 â
schouders. â Eerste val van Jezus onder het kruis. â Jezus ontmoet zijne bedroefde Moeder. â Een zwaard van droefheid doorboort de Harten van Jezus en Maria. â Simon van Cyrene wordt gedwongen Jezus\' kruis te dragen. â Wij moeten de kruisen van God ontvangen met overgeving aan zijn goddelijken wil, ze dragen met geduld tot uitboeting onzer zonden, en dat kruisdragen is van eene volstrekte noodzakelijkheid om in den hemel te komen. â Woorden van Jezus.
II.
Veronica droogt Jezus\' aanschijn af. â Jezus valt voor de tweede maal onder het kruis. â- De vrouwen van Jeruzalem beweenen onzen goddelijken Zaligmaker. â Woorden van Jezus tot de weenende vrouwen. â⢠Hij leert hoe slechte ouders over zich zeiven en over hunne kinderen moeten weenen.
m.
Jezus valt voor de derde maal onder het kruis. â Kruisiging van Jezus tusschen twee moordenaars. â De goede moordenaar bekeert zich en wordt zalig, omdat hij aan de genade Gods beantwoordt. â De kwade moordenaar bekeert zich niet en gaat verloren, omdat hij aan de genade Gods niet beantwoordt.
SLUITREDE.
De goede moordenaar heeft zich in het uur des doods bekeerd, opdat niemand aan zijne zaligheid zoude wanhopen. â De kwade moordenaar sterft in onboetvaardigheid, opdat niemand vermetel op Gods genade zoude steunen. â Bijgevolg moeten wij met vrees en angst
â 8o â
onze zaligheid bewerken, en de zondaar moet zijne bekeering niet uitstellen. â Gebed tot Jezus.
VIJFDE MEDITATIE.
Postquam venerunt in locum, qui vacatur Calvarice, ibi crucijixerunt eum.
Na op de plaats, Calvarië genoemd, aangekomen te zijn, hebben zij Hem daar gekruist. Luc. xïxiii, 33.
VOORREDE.
De romeinsche landvoogd Pontius-Pilatus had onzen goddelijken Zaligmaker onschuldig verklaard; nochtans, hij veroordeelde Hem om gegeeseld te worden. Zijn inzicht was wel is waar goed, doch dat goed inzicht kon het onrechtvaardig vonnis volstrekt niet rechtvaardigen. Door die schande- en pijnlijke mishandeling meende Pi-latus de opgewonden en verbitterde gemoederen der Joden tot bedaren te brengen en tot medelijden te stemmen.
De soldaten waren het bevel van Pilatus ook te buiten gegaan; want na het lichaam van Jezus van het hoofd tot de voeten op de onmenschelijkste wijze met geesel-roeden verscheurd te hebben, gingen zij Hem nog met doornen kronen, doornen, die tot in de hersenen van zijn goddelijk hoofd doordrongen.
Na die schande- en pijnlijke geeseling en kroning, deed Pilatus Jezus bij zich brengen. In dien ellendigen toestand zal hij onzen goddelijken Zaligmaker aan het volk voorstellen. Jezus verlaat dus het gerechtshuis met eene doornen kroon op het hoofd, met eenen rietstok in de
â 8i â
hand en een versleten purperen lap om de schouders. Met moeite beklimt Hij den trap en komt op het balkon van het gerechtshuis. Van af dat balkon vertoont Pilatus onzen goddelijken Zaligmaker aan de Joden, die bij duizenden op het plein vergaderd zijn, en hij roept hun toe; Ecce Homo! (i) Zie den mensch! Als wilde Pilatus zeggen: Ziedaar nu den persoon, dien gij mij overgeleverd en beschuldigd hebt. Gij hebt Hem beschuldigd, dat Hij het volk opruit, dat Hij verbiedt den cijns aan den keizer te betalen; bijaldien het waar is, mij dunkt, dat Hij dan voor die misdaden genoeg gestraft is, en dat gij voldaan kunt zijn. Ecce Homo! Zie den mensch! Ziedaar den persoon, dien gij beschuldigd hebt, dat Hij zich voor koning uitgeeft; bijaldien het waar is, dat Hij zich de koninklijke waardigheid wE aanmatigen, mij dunkt, dat Hij er nu genoeg voor gestraft is. Ziet eens, wat voor een koning men van Hem gemaakt heeft. Voor eene gouden kroon draagt Hij er eene uit doornen gevlochten; voor een kostbaren schepter draagt Hij een rietstok; voor een koninklijken mantel draagt Hij een versleten lap. Ziet eens goed:
Ziet hoe die mensch vernederd en gestraft is, en ik twijfel er niet aan, of gij zult voldaan zijn; ik ga Hem dus, na Hem getuchtigd te hebben, gelijk ik beloofd heb, loslaten.
Wie onzer, M. Z., zoude niet denken, dat de Joden, op het gezicht van dat droevig schouwspel bewogen, tot medelijden gestemd en voldaan zullen zijn ? En ziet, nauwelijks heeft Pilatus Jezus vertoond, of de Joden daar vergaderd roepen als uit één mond: Kruis Hem! Kruis Hem! Crucifige! Crucifige Eutti! (2) Pilatus, verwonderd en boos wordende, vraagt: Wat kwaad heeft Hij dan ge-
I. 6.
1) Joan, xix, 5. 2) Joan, xix, 6â15.
82
daan? Als wilde hij zeggen: Hij heeft geen kwaad gedaan, en ik kan Hem bijgevolg niet veroordeelen. De Joden verstaan geene reden: Kwaad of geen kwaad: Weg met Hem! roepen zij steeds harder en harder: Tollet Tolle t Kruis Hem! Kruis Hem! Crucifige / Crucifige Enm! Pilatus, ziende dat hunne woede meer en meer toenam, en dat de beweging onder het volk steeds aangroeide, deed zich water brengen; hij wiesch zich de handen en zeide: â doch ten onrechte en te vergeefs â⢠Ik ben onschuldig aan het bloed van dezen rechtvaardige: Innocens ego sum a sanguine justi hujus; (l) gij zult er voor verantwoorden, vos videritis, en daarop willigde hij het verzoek der Joden in, dat wil zeggen, hij veroordeelde onzen goddelijken Zaligmaker tot den kruisdood: Adjudicavit fieri petitionen eormn. (2)
Overwegen wij van daag de kruisdraging en de kruisiging van Jezus. Wij zullen dus zien:
I. Hoe Jezus zijn kruis opneemt;
II. Wat Hij zegt tot de weenende vrouwen;
III. Dat Hij gekruist wordt tusschen twee moordenaars.
I.
Zoodra onze goddelijke Zaligmaker tot den kruisdood veroordeeld is, zijn Caïphas en de overige Priesters, de. Pharizeën en Schriftgeleerden voldaan; zij hebben hun doel bereikt en wenschen elkander geluk. Het doodvonnis wordt terstond uitgeroepen en het nieuws er van de gansche stad door verspreid. De beulen slaan terstond de handen aan het werk om een kruis gereed te maken. Twee ruwe houten, waarvan het een 15, het ander 8 of
1) Matth. xxvii, 24. 2) Luc. xxin, 24.
â 83 -
I o voet lang is, worden dwars aan elkander geslagen. Het kruis komt te voorschijn. Jezus, dien men zijne kleederen wederom heeft doen aantrekken, wordt met de doornen kroon op het hoofd er naar toe gebracht. Zoodra Hij het kruis ziet, groet Hij het minzaam. Wees gegroet kruis! zegt Jezus, ten minste inwendig: Ave crux.\' kruis, waarnaar ik zoo lang heb uitgezien, en dat toch eindelijk voor mij bereid is! Jezus omhelst het kruis met aandoening en liefde. Hij beschouwt het als het werktuig, waarmede Hij de glorie van zijn hemelschen Vader herstellen en ons menschen verlossen moet. Hij neemt het op zijne doorwonde schouders en gaat er mede, voorgegaan van twee moordenaars, die ook ter dood gebracht moesten worden, het ondankbaar Jeruzalem uit. l) Duizenden en duizenden menschen sluiten zich bij Jezus en zijne vijanden aan en vergezellen hen om de kruisiging op den Calvarieberg bij te wonen. Die berg lag op zekeren afstand buiten de stad. Onze goddelijke Zaligmaker, die dag en nacht zoo veel geleden had door honger en dorst, die op allerlei wijzen mishandeld en gefolterd was geweest, bijzonder tijdens die schande- en pijnlijke geeseling en kroning met doornen, die reeds zooveel bloed verloren had; onze goddelijke Zaligmaker was natuurlijk afgemat en zwak. Ook kon Hij onmogelijk lang dat zwaar kruis dragen zonder er onder te bezwijken. Nauwelijks zijn de soldaten met Jezus een eind\' wegs gekomen, of hun slachtoffer valt onder het kruis neder. De beulen schoppen en slaan onzen goddelijken Zaligmaker, en onder de verschrikkelijkste vloeken en godslasteringen rukken zij Hem op,
1) De kruisdraging en de kruisiging van Jezus worden verhandeld naar de wijze, waarop zij hier te lande op de statiën worden afgebeeld.
â 84 â
leggen Hem het kruis op nieuw op de schouders en willen Hem zijnen weg naar den Calvarieberg doen vervolgen. Eenige oogenblikken daarna had er een pijnlijk en hartverscheurend schouwspel plaats.
Maria, de Moeder van Jezus, had van Joannes ofwel van een ander leerling vernomen, dat haar goddelijke Zoon ter dood veroordeeld was, en dat men Hem reeds de stad uitleidde, om op den Calvarieberg gekruisigd te worden. Maria, die na de gevangenneming van Jezus reeds zoo veel geweend had, begon, zoodra zij die droevige tijding vernam, op nieuw bitter te weenen. Zij wil haar goddelijken Zoon voor zijnen dood nog eens zien. Mij dunkt, ik hoor die goede Moeder al snikkende zeggen: Ik ga mijn lieven Jezus, mijn beminden Zoon zien! Ik ga mij aanbieden om voor of met Hem te sterven! En ziet, Maria staat op, en van eenige godvreezende personen of vrouwen vergezeld, gaat zij haar goddelijken Zoon te gemoet. Zij hoort in de verte reeds het gedruisch van het volk. Weldra ziet zij eene woelige menigte aankomen. Maria komt steeds nader en nader. Zonder vrees en zonder zich te schamen van de Moeder van dien Jezus te zijn, dien men ter strafplaats wegleidt, dringt zij door het volk heen en staat eensklaps voor haar goddelijken Zoon. Welk een hartverscheurend schouwspel! Wie beschrijft ons, wat er bij die droevige ontmoeting in de Harten van Jezus en Maria omging ? Maria ziet haar teêrge-liefden Zoon met zweet en bloed overdekt, eene doornen kroon op het hoofd, ter neêr gebukt onder een zwaar kruis, terwijl de beulen Hem nog mishandelen, slaan, voortstooten en trekken. Op hetzelfde oogenblik dat Maria haar goddelijken Zoon aanschouwt, vestigt Jezus van onder de doornen kroon zijne bebloede oogen op Maria, zijne Moeder. Wie onzer, zeg ik, zal zich ooit
een denkbeeld kunnen vormen van hetgeen er toen in de Harten van Jezus en Maria omging ? O! een zwaard van droefheid kwam de Harten van Jezus en Maria doorboren. Ja, beiden, Jezus en Maria, zouden op dat oogen-blik van droefheid gestorven zijn, waren zij niet door eene bovennatuurlijke kracht ondersteund geweest.
Na die droevige ontmoeting en een kort oponthoud moet Jezus op nieuw vooruit. Edoch, de beulen bemerken dat onze goddelijke Zaligmaker hoe langer hoe zwakker wordt, dat Hij, alvorens op den Calvarieberg aan te komen, onder weg wel kan sterven; zij zien dus rond, om iemand te vinden, die het kruis van Jezus zou helpen dragen. En ziet, daar komt een vreemdeling aan, met name Simon van Cyrene, en dien Simon dwingen zij het kruis van Jezus te helpen dragen: Hunc augaria-vermit ut tolleret crucem ejus. l) Hoedan! Moest Simon nog gedwongen worden om het kruis van Jezus te helpen dragen ? O, bijaldien ik daar tegenwoordig geweest ware, men zoude mij niet hebben behoeven tc dwingen, ik zoude mij wel hebben aangeboden en vrijwillig Jezus\' kruis hebben helpen dragen.
Wat is zij goed mijne gesteltenis, en ik twijfel er niet aan, M. Z., of gij zijt ook zoo gesteld. Maar brengen wij die gesteltenis ook ten uitvoer? Laat eens zien, of wij het kruis naar behooren dragen, als Jezus het ons oplegt.
En wel vooreerst: niemand is vrij van kruisen; de rijke vindt zijn kruis zoowel als de arme, de gezonde zoowel als de zieke, de jonge zoowel als de oude. Men vindt allerlei soort van kruisen: kruisen van den kant van den duivel, van de wereld en van het vleesch; kruisen van ziekte, van tegenspoed en van ongelukken 1) Matth. xxvii, 32.
â 86 â
in zijne tijdelijke zaken; lichte en zware kruisen. Men kan ze niet ontvluchten. Wil men één kruis ontvluchten, men komt er twee of meer tegen.
Wij moeten het kruis of de kruisen, die God ons overzendt, ontvangen met overgeving aan zijn goddelijken wil. \'t Is God, bijv., die wil dat wij ziek worden, \'t Is God, die wil dat wij nadeel lijden in onze goederen, \'t Is God, die wil dat ons werk tegen gaat.
Wij moeten het kruis of de kruisen dragen met geduld, zonder ons tegen God te verzetten, zonder tegen God te klagen, veel minder mag men Hem vloeken of lasteren.
Wij moeten ons kruis of onze kruisen dragen tot uitboeting van onze zonden. Toen de mensch gezond was, gaf hij zich dikwijls over aan zondige vermaken, en daardoor vergramde hij zijnen God; die zonden nu moet hij uitboeten in de ziekte. Toen hij in overvloed was, vergat hij God zijnen Weldoener, hij maakte wel eens misbruik van Gods weldaden door overdaad in spijs en drank; die zonden van overdaad, van gulzigheid of dronkenschap moet hij nu uitboeten in den tegenspoed. Toen zijne zaken vooruitgingen, verhief zich de mensch, hij werd hoovaardig; nu zijne zaken achteruit gaan, moet hij op het kruis der ongelukken zijne hoovaardigheid uitboeten, hij moet wat afdalen en zich vernederen.
Dat kruis dragen in gezelschap van Jezus, met overgeving aan den wil Gods, met geduld en tot uitboeting der zonden, is van eene volstrekte noodzakelijkheid. Wat zegt onze goddelijke Zaligmaker in het Evangelie? Si qms vult post me venire, abneget seme tip sum, zegt Hij; Bijaldien iemand na mij wil komen, hij verloochene zich zeiven, et tollat crucem suam, hij neme zijn kruis op, et sequatur me, i) en volge mij. En wat zeide Hij later
1) Matth. xvi, 24
- 8; -
na zijne verrijzenis aan de leerlingen van Emmaüs ? O stulti et tardi corde ad credcndum in omnibus qtccB locuti sunt prophettz! O gij dwazen en tragen van harte, om al datgene te gelooven wat de Profeten gesproken hebben! No7ine haec oportidt pati Christum f Moest de Christus dat niet lijden en zoo zijne glorie ingaan ? et ita intrare in gloriam suamf i)
Zoo ook voor ons, M. Z. Wij ook moeten lijden om in den hemel te komen. Wij moeten eerst den Calvarieberg beklimmen, waarop Jezus gekruist is, alvorens op den Olijfberg te kunnen geraken, van waar Jezus ten hemel geklommen is. De Calvarieberg is verbonden met den Olijfberg, dat wil zeggen: Na lijden komt verblijden, na droefheid vreugde, na de kruisen komt de belooning; en ziedaar, wat ons moet troosten, wat ons moet opbeuren, te midden van de wederwaardigheden en rampen, die ons treffen.
II.
Jezus, door Simon van Cyrene geholpen, kan nu zijn weg wederom vervolgen. Een weinig tijds daarna komt eene vrouw van aanzien, Veronica genaamd, door het volk heengedrongen en nadert, tot aller verwondering, onzen goddelijken Zaligmaker. Zij heeft een witten doek in de hand en biedt dien Jezus aan, ten einde zijn goddelijk aanschijn, dat met zweet, bloed en stof besmeurd is, af te drogen. Jezus neemt dien doek aan, droogt er zijn aangezicht mede af; en om de edelmoedigheid van die vrouw te beloonen, drukt Hij het afbeeldsel van zijn aanbiddelijk aanschijn in den doek, waarvan Hij zich bediend heeft en geeft hem Veronica terug. De vijanden
1) Luc. xxiv, 25, 26.
van Jezus zijn over de eer, welke Hem door die vrouw bewezen wordt, gestoord. De soldaten en beulen mishandelen Hem daarna des te meer, zoodat Jezus, onder al die mishandelingen op nieuw bezwijkende, voor de tweede maal onder het kruis nedervalt. Terstond wordt Hij opgeholpen en onder eene hagelbui van slagen voortgeduwd. Eenige godvruchtige vrouwen, al die onmen-schelijke mishandelingen ziende, kunnen zich niet langer meer inhouden. Zij beklagen onzen goddelijken Zaligmaker hardop en beginnen luidkeels te weenen : Plangebant ct lamentabantur Eum. l) Bij het hooren van dat snikken en weenen, wendt Jezus zich tot de vrouwen van Jeruzalem en zegt: Dochters van Jeruzalem: Filice Jerusalem, weent niet over mij, nolite fiere super me, maar weent over u zeiven en over uwe kinderen, sed super vos ipsas fiete et super filios vestros.
Welke woorden! M. Z. Hoe is het toch mogelijk? Hoe heeft onze goddelijke Zaligmaker zoo kunnen spreken ? Weent niet over mij, maar weent over u zeiven en over uwe kinderen! Waarom dat? O, Jezus voorziet reeds, hoe de inwoners van Jeruzalem weldra zullen gestraft worden om den Godsmoord, waaraan zij zich gaan plich-tig maken. Jezus voorziet reeds, dat de romeinsche soldaten die ondankbare stad zullen omsingelen, zullen uithongeren en tot den grond toe zullen verwoesten. Hij voorziet, dat hare inwoners door den honger en het zwaard zullen omkomen, of gevankelijk zullen weggevoerd worden; en vandaar dat Hij zegt: Weent niet over mij, maar weent over u zeiven en over uwe kinderen.
Tegelijkertijd leert Jezus ons hier, hoe slechte ouders over zich zeiven en over hunne kinderen moeten weenen.
1) Luc. xxni, 27.
Mijn God! Moesten deze woorden van onzen goddelijken Zaligmaker in onze ongelukkige tijden het gansche land door niet weêrklinken? Ouders! Vaders en Moeders! weent niet over mij, maar weent over u zeiven en over uwe kinderen; Stiper vos ipsas flete, et super filios vestros. Weent over u zeiven, plichtvergetene ouders, die, ofwel uit haat tegen Jezus en zijne Kerk, ofwel uit geldzucht, om een winstgevend postje, om eene handvol geld, aan uwe heiligste plichten te kort blijft; die de opvoeding uwer kinderen verwaarloost; die uwe kinderen, door ze naar slechte scholen te zenden, aan de vijanden van Jezus en zijne Kerk overlevert; die hunne onschuldige zielen als het ware verkoopt aan hen, die besloten hebben van ze te verderven. Weent dus eerst over u zeiven: Super vos ipsas Jlete. Weent vervolgens over uwe kinderen : Super filios vestros. Over uwe kinderen, die gij ongelukkig maakt, wijl gij hen ongodsdienstig en zedeloos laat maken door personen, aan welke gij hen toevertrouwt tegen het gebod van God en zijne H. Kerk.
Weent over u zeiven. Vaders en Moeders! Super vos ipsas flete, die geene zorg draagt voor uwe kinderen ; die niet eens omziet, waar of met wie zij omgaan; die uwe kinderen in \'t wild laat loopen; die uwe dochters vooral laat verkeeren voor den tijd aan hoeken en kanten, in den avond, misschien in den nacht.
Weent over u zeiven. Vaders en Moeder! die uwe kinderen door uwe slechte voorbeelden bederft, door uwe zonden van dronkenschap en vloeken, door uwe zeden-kwetsende taal, welke gij u niet schaamt te voeren.
Weent vervolgens over uwe kinderen: Super filios vestros: kinderen, die geen eerbied meer voor u hebben, die naar uwe vermaningen niet meer luisteren; kinderen,
â 90 â
die zich tegen u verzetten, die u door hun slecht gedrag schande en verdriet veroorzaken. Weent over de ongebondenheid van eenen zoon, die onder anderen een dronkaard, een vloeker, een wellusteling is geworden; over de losbandigheid van eene dochter, die alles behalve een voorbeeld van zedigheid en deftigheid wordt. Ach! Vaders en Moeders! Neen! Valt niet uit tegen uwe kinderen in verwijtingen en scheldwoorden, veel minder in vloeken en verwenschingen, als zij tegen u grootelijks misdoen; valt niet uit, wenscht geen kwaad aan dien zoon, die \'s avonds, misschien \'s nachts dronken thuis komt en begint te vloeken. Valt niet uit, wenscht geen kwaad aan die dochter, die ook al te laat thuis komt uit eene herberg of van een andere plaats, waar zij niet moest komen; maar weent over dien ongelukkigen zoon, over die ongelukkige dochter, en voegt bij uwe tranen heilzame vermaningen en vurige gebeden. Waarom? Onze goddelijke Zaligmaker geeft de reden: Want, zegt Hij, bijaldien zij met het groene hout zoo handelen, wat zal er dan met het dorre geschieden? Quia si in viridi ligno haec Jachmt, in arido quid jiet? i) Als wilde Jezus zeggen: Zoo Ik, die niets misdaan, doch altijd en in alles welgedaan heb, zoo behandeld word, wat zal er dan met de ouders en kinderen geschieden, die in zooveel zaken misdaan en in zoo weinig welgedaan hebben ? Het besluit moet dus het volgende en geen ander wezen: ouders en kinderen, die aan hunne plichten te kort zijn gebleven, moeten hunne misslagen beweenen, zich beteren en door het stipt volbrengen hunner wederzijdsche plichten elkander heiligen.
1) Luc. xxi:i, 31.
â 9i â
III.
Nadat Jezus aldus tot de weenende vrouwen van Jeruzalem gesproken had, naderde Hij al meer en meer de strafplaats; doch alvorens haar te bereiken, viel Hij voor de derde maal onder het kruis neder. Eindelijk dan kwam Hij na veel moeite en lijden op den Calvarieberg aan.
Zoodra men op de bestemde plaats aangekomen is, begint men met de uitvoering van het doodvonnis. De gerechtsdienaren gaan terstond aan het werk. De eenen zijn bezig met het graven van een kuil, waarin het kruis moet geplant worden; anderen halen hunne werktuigen, de hamers en nagels te voorschijn. De beulen rukken Jezus met geweld de kleederen van zijn doorwond lichaam en gebieden Hem van zich op het kruishout uit te strekken. Zij grijpen zijne gezegende handen en voeten en slaan ze met drie of vier plompe nagels aan het kruishout vast. Daarop richten zij het kruis, waaraan onze goddelijke Zaligmaker is vastgeklonken, met geweld in de hoogte en laten het met een zwaren schok nedervallen in den kuil. Wat pijn, wat foltering moet die schok van het kruis Jezus niet veroorzaakt hebben! De wonden zijner handen en voeten scheuren daardoor open, en het goddelijk bloed loopt overvloediger uit de wonden op den grond neder.
Met onzen goddelijkenZaligmakerhad men nog twee booswichten ter strafplaats gevoerd om gekruist te worden; doch daar men Jezus voor den grootsten der booswichten hield, daarom werd Hij in hun midden geplaatst. De voorzegging van den Profeet kreeg hier hare vervulling: Et cum iniquis reputaUts est: l) Hij is onder de boosdoeners gerekend.
1) Mare. xv, 28.
â 92 â
Daar hangt nu Jezus, de Middelaar van hemel en aarde, om ons menschen met God zijn hemelschen Vader te verzoenen! Daar hangt nu Jezus, ons Leven, aan het kruis om te sterven, ten einde ons stervelingen van den dood der zonde en van den eeuwigen dood, dat is, van de hel te verlossen en het leven der genade en het eeuwige leven, dat is, den hemel te bezorgen! Daar hangt nu de Zoon Gods, de Heilige der Heiligen, tusschen twee moordenaars! Vestigen wij een oogenblik onze aandacht op Jezus en de twee moordenaars aan het kruis.
De H. Augustinus, eertijds het bitter lijden van Jezus overwegende, zeide: Tres erant in cruce: Drie hingen er aan het kruis: Untis salvator, een die de zaligheid aanbood; alius salvandus, de eene, die de zaligheid ontving; alius damnandus, de andere, die de zaligheid verloor. Welk een schouwspel! Jezus, de Verlosser der wereld, hing te midden van twee moordenaars, van welke de eene aan zijne rechter, de andere aan zijne linkerzijde gekruist was. Beiden hadden zich gedurende hun leven aan groote en talrijke schelmstukken en misdaden plichtig gemaakt; beiden waren tot dezelfde straf veroordeeld en moesten weldra sterven; beiden bevonden zich aan de zijde van Jezus, en of de eene aan de rechter, de andere aan de linkerzijde van Jezus gekruist ware, daarin bestond eigenlijk geen verschil. Jezus wilde beiden zalig maken; Hij gaf beiden voldoende genaden ter zaligheid; voor beiden hing Hij daar aan het kruis, vergoot Hij zijn goddelijk bloed en ging Hij sterven. Waarom is dan de eene goed, de andere slecht gestorven ? Waarom is de eene zalig geworden, de andere verloren gegaan? Om geen andere reden, dan dat de eene aan de genade Gods beantwoord heeft, de andere niet. De eene moordenaar â en dien wij om zijne bekeering voortaan den
â 93 â
naam van goeden moordenaar geven â de eene moordenaar heeft beaatwoord aan de genade Gods. Hij sloeg de wonderen gade, die er bij de kruisiging van Jezus aan den hemel en op de aarde plaats grepen. Hij bewonderde onder anderen de standvastigheid, de zachtmoedigheid en het voorbeeldeloos geduld van onzen goddelijken Zaligmaker. Hij begreep daaruit, datjezus, die daar aan zijne zijde aan het kruis hing, inderdaad onschuldig was; dat Hij wel wezenlijk was, waarvoor Hij zich uitgaf; en door de genade van hierboven verlicht en bewogen, gaat de goede moordenaar verder. Hij verdedigt onzen goddelijken Zaligmaker tegen zijnen medemakker. Vreest gij ook God niet, zegt hij, terwijl gij met Hem ter doodstraf verwezen zijt ? Hij erkent dus in Jezus zijnen God. Hij erkent en belijdt zijn eigene misdaden: Wij ontvangen hetgeen wij voor onze misdaden verdiend hebben; hij belijdt dat Jezus onschuldig is: Hic nihil mali gessit. Ziedaar, hoe de bekeering van den goeden moordenaar begint en vordert. Eindelijk, vol droefheid over zijne zonden, vol liefde en betrouwen zich tot Jezus wendende, zegt hij: Domine, memento mei dum veneris in regnum tuuin / Heer, gedenk mijner als gij in uw rijk zult gekomen zijn! En Jezus antwoordt terstond: Voorwaar ik zeg het u: Amen dico tibi, heden zult gij met mij zijn in het Paradijs, hodie mecum erts in Paradiso. l)
Treffend voorbeeld, M. Z., van eenen zondaar, die zich op het einde zijns levens bekeert en zalig wordt; voorbeeld, dat den zondaar, welken ook, betrouwen moet inboezemen en beletten aan zijne zaligheid te wanhopen.
Doch om ons ook niet aan vermetelheid plichtig te maken, zoo moeten wij nog zien, wat er aan de andere
1) Luc. xxiii, 41-43.
â 94 â
zijde van Jezus plaats heeft. Daar hangt een ander moordenaar â en dien wij voortaan den naam van kwaden moordenaar geven, wijl hij zich niet bekeerd heeft; â Zag dan die moordenaar de wonderen ook niet, die er gebeurden? Was hij ook niet getuige van de deugden van Jezus, die aan zijne zijde hing? Vergoot Jezus zijn bloed ook niet, en stierf Hij ook niet voor de ziel en zaligheid van dien ongelukkige? Ja wel, M. Z., maar die moordenaar bekeert zich niet, wijl hij niet beantwoordt aan de genade Gods; ja wat meer is, hij verstout zich zelfs van in het uur des doods zijnen God te lasteren. Zoo gij de Christus zijt, zegt hij: Si tu es Christus, red u dan en ons met u, Salvum fac temetipsum et nos: l) als wilde hij zeggen: Gij zijt het niet; gij zijt niets anders dan een bedrieger, een booswicht gelijk wij. Hoe sterft nu die moordenaar? Hij sterft juist gelijk hij geleefd heeft, als een booswicht, als een godslasteraar, hij sterft in de zonde en gaat voor eeuwig verloren.
SLUITREDE.
Tres erant in, crnce: Drie hingen er aan het kruis: Een, die de zaligheid aanbood, U7ucs salvator; de eene, die de zaligheid ontving, alius salvandus; de andere, die de zaligheid verloor, alius damnandus. Welk een schouwspel! Moet nu de spoedige bekeering van den goeden moordenaar ons zondaren betrouwen op Gods goedheid en barmhartigheid inboezemen; de dood van den kwaden moordenaar moet ons ook doen sidderen en beven.
De eerste heeft zich in het uur des doods oprecht bekeerd, zegt de H. Bernardus, opdat niemand aan zijne
1) Luc. xxin, 39.
â 95 â
zaligheid zoude wanhopen; maar de tweede stierf ook in onboetvaardigheid en ging voor eeuwig verloren, opdat niemand vermetel op Gods genade zoude steunen.
Bijgevolg, laten wij naar de vermaning van den Apostel Paulus onze zaligheid met vrees en angst bewerken: Cum metu et tremore vestram salutem operantini. l) Laten wij toch geen misbruik maken van de genade, welke God ons aanbiedt; doch doen wij boetvaardigheid over onze zonden, terwijl het nog tijd is ; misschien is het binnen kort te laat. Nemen wij de kruisen en wederwaardigheden, die God ons overzendt, met overgeving aan zijn goddelijken wil aan, en dragen wij ze met geduld tot uitboeting onzer zonden.
Beweenen wij onze zonden, waartoe Jezus ons aanzet als Hij zegt: Weent over u zeiven en over uwe kinderen.
Ja, lieve Jezus! wij willen beantwoorden aan uwe uit-noodiging; wij zijn bedroefd over onze zonden, en wij beweenen ze, omdat wij er uw oneindige goedheid door vergramd hebben. Wij aanvaarden de kruisen, die gij ons overzendt, om er onze zonden op uit te boeten; doch gewaardig ook, o lieve Jezus! onze ootmoedige bede te verhooren, evenals Gij die van den goeden moordenaar verhoordet. Wees onzer ook gedachtig, nu Gij reeds in uw rijk gekomen zijt: Memento mei. Vergeef ons onze zonden. Schenk ons uwe liefde en bewaar ons in uwe liefde, om in het uur des dcods, en wel bijzonder n den laatsten dag des oordeels uit uw gezegenden mond te mogen hoeren: Vandaag zult gij met mij zijn n het Paradijs, dat wil zeggen, in den hemel! Hodie lmecum eris in Paradiso! 2) Amen.
1) Phil. 11, 12. 2) Luc. XIIII, 42, 43.
ZESDE MEDITATIE.
Pater! in manus tuas commendo spiritum meum.
Vader! in uwe handen beveel ik mijnen geest. (Luc. xxni, 46.)
INHOUD.
VOORREDE.
Jezus nam het kruis met liefde op zijne doorwonde schouders. â Hij valt voor de eerste maal onder het kruis. â⢠Ontmoeting van Maria. â Simon helpt Jezus het kruis dragen. â Veronica droogt Jezus\' aanschijn af. â Tweede val van Jezus onder het kruis. â- De vrouwen van Jeruzalem beweenen Jezus. â Antwoord van Jezus. â Derde val van Jezus onder het kruis. â Jezus aan het kruis. â Standaard van zaligheid.
VERDEELING.
I. Woorden van Jezus aan het kruis;
II. Kruisdood van Jezus;
III. Wonderen bij den dood van Jezus.
I.
Opschrift van het kruis. â Pilatus wil het opschrift niet veranderen. â De soldaten verdeden de kleederen.
â 97 â
van Jezus. â De voorbijgangers lasteren Hem. â De Pharizeën, enz. bespotten Hem. â Jezus bidt voor zijne vijanden. â Woorden tot den goeden moordenaar. â Maria, Joannes, enz. staan aan den voet des kruises. â Woorden van Jezus tot Maria en Joannes. â Duisternis gedurende drie uren. â Jezus roept; Mijn God! Mijn God! waarom hebt Gij Mij verlaten ? â De soldaten bespotten Jezus. â Hij roept Elias. â Ik heb dorst. â \'t Is volbracht! â Jezus heeft alles volbracht. â De zondaar en de rechtvaardige op hun sterfbed en hun: \'t Is volbracht.
II.
Jezus zegt: Vader! in uwe handen beveel ik mijnen geest! â Zorg van Jezus voor zijne ziel. â Wij moeten meer zorg hebben voor onze ziel dan voor ons lichaam. â Dwaas- en verblindheid van hen, die voor hun lichaam zorgen en hunne ziel verwaarloozen.
III.
Jezus buigt het hoofd en sterft. â Wonderen. â Zonsverduistering. â De H. Dionysius. â Het voorhangsel des tempels scheurt. â â De H. Hieronymus. â De aarde beeft. â De rotsen van den Calvarieberg scheuren. â-De lichamen van Heiligen verrijzen. â De hoofdman belijdt de Godheid van Jezus. â Het volk slaat zich op de schuldige borst en keert naar Jeruzalem terug.
SLUITREDE.
Wij ook moeten berouw hebben over onze zonden, die de oorzaak geweest zijn van Jezus\' lijden en dood. â Wij moeten Jezus, die uit liefde voor ons lijdt en sterft, ook beminnen, eene goede biecht spreken met Paschen en Jezus met eene vurige liefde ontvangen in de H. Communie.
I. 7.
â 9« â ZESDE MEDITATIE.
Pater! in manus tuas commendo spiritum meum.
Vader! in uwe handenbeveelikmijnen geest. (Luc. xira, 46).
VOORREDE.
In onze voorgaande overweging, M. Z., hebben wij den kruisweg gedaan. Wij hebben onzen goddelijken Zaligmaker gevolgd van het gerechtshuis van Pilatus tot op den Calvarieberg. Met wat liefde omhelsde Jezus zijn kruis! Met wat moed nam Hij het op zijne doorwonde schouders! Zijn moed was sterker dan zijne krachten; want ziet, nauwelijks heeft Jezus zijn kruis een eind\' wegs gedragen, of Hij bezwijkt er onder. Hij valt plat ter aarde neder.
Op dien pijnlijken kruisweg ontmoet Jezus zijne bedroefde Moeder. Mij dunkt, ik zie Maria, vergezeld van Maria Magdalena, van Joannes en eenige andere godvruchtige personen of vrouwen haar goddelijken Zoon te gemoet gaan. Een zwaard van droefheid doorboort bij die ontmoeting de Harten van Jezus en Maria.
De soldaten zijn bang dat onze goddelijke Zaligmaker op weg naar den Calvarieberg sterve. Zij grijpen eenen vreemdeling, Simon genaamd, die van zijn landgoed naar Jeruzalem terugkeerde, vast, en dwingen Hem, Jezus\' kruis te helpen dragen. Door Simon geholpen, kan cnze goddelijke Zaligmaker, alhoewel met moeite, zijnen weg vervolgen.
Veronica, eene vrouw van aanzien, dringt zonder vrees of schaamte door het volk heen, om Jezus te eeren en
eenigen troost te brengen. Zij biedt Hem een witten doek aan, om zijn gezegend aanschijn af te drogen.
Jezus valt voor de tweede maal onder het kruis, en terwijl eenige godvruchtige vrouwen Hem te midden der mishandelingen beklagen en beweenen, raadt Jezus haar aan van niet zoo zeer over Hem dan over zich zeiven en over hare kinderen te weenen. Dochters van Jeruzalem, zegt Jezus, weent niet over mij, maar weent over u zeiven en over uwe kinderen, want bijaldien zij zoo met het groene hout handelen, wat zal er dan met het dorre geschieden?
Eindelijk, na eene derde maal onder het kruis bezweken te zijn, komt onze goddelijke Zaligmaker op den Calvarieberg aan. Zoodra de beulen Jezus met handen en voeten aan het kruis vast genageld hebben, richten zij het in de hoogte en stellen den standaard van zaligheid ten toon.
Het kruis, M. Z., is de standaard van zaligheid, want \'t is aan het kruis, dat Jezus zijn goddelijk bloed vergiet, dat Hij gaat sterven voor de zaligheid der menschen. Overwegen wij van daag eenige oogenblikken, maar overwegen wij met aandacht, den kruisdood van Jezus. Ziehier de drie punten van de laatste overweging:
I. De woorden van Jezus aan het kruis;
II. De kruisdood van Jezus;
III. De wonderen, die bij Jezus\' dood geschieden.
I.
De romeinsche landvoogd Pontius-Pilatus, na onzen goddelijken Zaligmaker onrechtvaardig ter dood veroordeeld te hebben, liet voor het kruis een opschrift maken, dat de rede inhield, waarom Jezus ter dood veroordeeld
â 100 â
was. Dat opschrift luidde als volgt; Jezus Nazarenus Rex JudcBorum: l) Jezus van Nazareth, Koning der Joden. Pilatus wilde het volstrekt niet veranderen, alhoewel de Opperpriester, de Pharizeën en Schriftgeleerden het vroegen en er op aandrongen. Hetgeen ik geschreven heb, blijft geschreven, antwoordde Pilatus: Quod scripsi, scripsi. 2) Een ieder kon dat opschrift lezen, want het was in groote letters vervaardigd en boven aan het kruis vastgemaakt. Terwijl onze goddelijke Zaligmaker daar nu aan het kruis tusschen hemel en aarde verheven hing, ziehier, M. Z., wat er zoo al aan den voet des kruises en rondom plaats had.
De soldaten verdeelden onder elkander de kleederen van Jezus. Zijn bovenkleed was uit één stuk zonder naad gemaakt; daarom wilden zij het niet scheuren, maar zij wierpen er het lot om.
De voorbijgangers lasterden onzen goddelijken Zaligmaker, zij schuddeden het hoofd en zeiden: Ha! Gij wildet immers den tempel Gods afbreken en binnen drie dagen wederom opbouwen? Help nu u zeiven, en zoo Gij wezenlijk de Zoon Gods zijt, kom dan van het kruis af. In denzelfden zin spotteden ook de Priesters, de Pharizean en Ouderlingen des volks: Anderen heeft Hij gered, zich zeiven kan Hij niet redden. Bijaldien Hij dan de Koning van Israël is, Hij kome van het kruis af, en wij zullen in Hem gelooven. En terwijl zijne vijanden Hem bespotten en lasteren, bidt Jezus en vraagt zijn hemelschen Vader vergiffenis voor hen. Vader! zegt Hij, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen: Pater! dimitte illis, non enim sciunt quid factunt. 3) Ja, wat meer is, Hij vergeeft gelijk wij reeds gezien hebben, den goeden moordenaar, die, aan zijne zijde gekruist, rouwmoedig
I) Joan, xix, 19. 2) Joan, xix, 22. 3) Luc. xxn, 34.
om vergiffenis van zijne zonden smeekt, en Hij belooft hem den hemel: Hodie mecum eris in Paradiso; i) Heden zult gij met mij zijn in het Paradijs.
In het uur des doods hadden toch allen Jezus niet verlaten. Aan den voet \'des kruises stonden onder anderen Maria zijne Moeder, de zuster zijner Moeder ook Maria geheeten, Maria Magdalena en de Apostel Joannes. Toen Jezus nu zijne Moeder en Joannes, den leerling, dien Hij lief had, zag staan, zeide Hij tot zijne Moeder; Vrouw! ziedaar uwen zoon; Muiier! ecce filius tuus. 2) Vervolgens tot Joannes: Ziedaar uwe Moeder! Ecce mater tua. En van dat oogenblik af nam Joannes Maria tot zijne moeder aan.
Rond het zesde uur, dat is, omtrent middag, ontstond er eene dikke duisternis, die tot het negende uur, dat is, tot \'s namiddags drie uren aanhield. Omstreeks het negende uur riep Jezus met luider stemme; Eli! Eli! Lamma sabacthani? 3) dat wil zeggen; Mijn God ! Mijn God! Waarom hebt Gij mij verlaten ? Eenigen der omstanders zeiden al spottende, toen zij Jezus hoorden roepen; Hoort! Hij roept Elias. Daarop zeide Jezus; Sitio; 4) Ik heb dorst. Terstond ging er iemand eene spons met edik vullen, stak die op een langen rietstok, bood ze Jezus aan en zeide met de overigen; Wacht! laten wij eens zien, of Elias zal komen om Hem te redden.
Toen Jezus den edik gedronken had, zeide Hij; Con-summatum est: 5) \'t Is volbracht! Korte, maar beteeke-nisvolle woorden en die onze goddelijke Zaligmaker te recht mocht uitspreken. Alles, wat mijn hemelsche Vader mij opgelegd heeft, kon Jezus zeggen, is volbracht.
Consummaium est! Het is volbracht! Ik heb al de
1) Luo. xxin, 43. 2) Joan, xix, 26-27. 3) Matth. xxvu, 46. 4) Joan, xix, 28. 5) Joan, six, 30,
102
afbeedsels of figuren van het begin der wereld tot nu toe, en die op den beloofden Messias betrekking hebben, vervuld.
Consummatum est! Het is volbracht! Ik heb al de voorzeggingen der Profeten aangaande den Messias bewaarheid.
Consummatum est! Het is volbracht! Ik heb den hemel met de aarde, God met de menschen verzoend; Ik heb den hemel op nieuw geopend, de hel gesloten.
Consummatum est! Het is volbracht! Ik heb aan de gerechtigheid mijns hemelschen Vaders voldaan voor alle menschen van den eersten Adam tot den laatsten der stervelingen. Ik heb alle zonden, die er bedreven zijn van het begin der wereld tot nu toe, en die er nog bedreven zullen worden tot het einde der wereld, uitgeboet. Daarvoor heb ik geleden, daarvoor heb ik mijn goddelijk bloed vergoten, daarvoor sterf ik. Ik heb al gedaan wat ik heb kunnen doen, om de eer van mijn hemelschen Vader te herstellen en de menschen zalig te maken. Ja, nu kan ik gerust sterven, want alles is volbracht: Consummatum est!
Korte, maar beteekenisvolle woorden, gelijk ik reeds gezegd heb. Maar weet gij wel, dat wij die woorden in den een of anderen zin, zoo niet met den mond, dan toch inderdaad eenmaal zullen moeten uitbrengen? Ja, M. Z., op het einde des levens, op zijn sterfbed uitgestrekt, zal eenieder onzer moeten zeggen: Consummatum est! Het is volbracht; maar de beteekenis dier woorden zal verschillend zijn; zij zal anders wezen voor den zondaar, anders voor den rechtvaardige.
Consummatum est! Het is volbracht zal de zondaar op zijn sterfbed kunnen zeggen, terwijl hij op het verledene terugziet. De dagen en maanden, de jaren mijns levens
â 103 â
-zijn voorbij, en zij zijn voorbij gevlogen gelijkeene schaduw.
Consummatum est! Het is volbracht! Aan \'tgeld en goed, dat ik verzameld heb, moet ik vaarwel zeggen ; de grootheden dezer wereld kunnen mij niet meer baten; de vermaken, die ik genoten heb, zijn voorbij. Vaarwel schatten en rijkdommen! Vaarwel eer en glorie! Vaarwel vermaken en pleizieren der wereld! Vaarwel bloedverwanten en vrienden! Vaarwel gezelschappen en kameraden! vaarwel kroegen en herbergen! ik ga, of liever, ik moet u verlaten; de tijd van leven is voorbij; de dood met hare zeisen gewapend staat aan mijne legerstede, om er een einde aan te maken. Alles is volbracht; alles, uitgenomen het werk mijner zaligheid! Ongelukkige die ik ben! Nu besef ik eerst voor goed, dat ik geschapen was om in dit leven mijnen God te dienen en Hem hiernamaals eeuwig te aanschouwen; maar, helaas! ik heb mijnen God niet gediend, ik heb zijne geboden niet onderhouden, noch de geboden onzer Moeder de H. Kerk, ik heb de plichten van mijnen staat niet volbracht; en wijl ik mijnen God niet gediend heb in dit leven, daarom zal ik ook nooit het geluk hebben van Hem hiernamaals te aanschouwen; neen, nooit of nimmer zal ik in den hemel komen! \'tis volbracht! alles is voorbij! consummatum estt en nu ga ik naar de hel, om daarin voor eeuwig te branden. Welk een verschrikkelijk consummatum est, \'t is volbracht, als dat van den zondaar !
Maar laten wij nu ook eens zien, in welken zin de rechtvaardige op zijn sterfbed die woorden zal kunnen uitspreken. Ja, de rechtvaardige zal dan ook kunnen .zeggen; Consummatum est! \'t is volbracht! Mijn leven is voorbij gegaan gelijk eene schaduw. Aan de armoede en ellende is een einde gekomen. De verachting en verdrukking der wereld hebben opgehouden, de ziekten en
â 104 â
kwellingen zijn voorbij. Vaarwel kruisen en wederwaardigheden! Vaarwel rampen en tegenspoed! Vaarwel bloedverwanten en vrienden! Ik ga u verlaten; de tijd van lijden is voorbij, want de dood gaat er een einde aan maken. Consummatum est! \'t is volbracht! Ja, ik heb het werk mijner zaligheid voltrokken. Ik heb mijnen Heer en God getrouw gediend. Ik heb zijne geboden en de geboden onzer Moeder de H. Kerk zoo goed mogelijk onderhouden. Ik heb mij zoo trouw mogelijk van de plichten van mijnen staat gekweten. Van alles, waaraan ik te kort ben gebleven, heb ik mijnen Heer en God ootmoedig vergiffenis gevraagd, en wijl ik dus mijnen God getrouw gediend heb, koester ik de zoete hoop, dat ik Hem hiernamaals eeuwig zal mogen aanschouwen. Ja, mijne ziel, schep moed, want alles is voorbij, alles is volbracht! consummatum est! wij zullen het huis des Heeren, den schoonen hemel binnen gaan, en in den hemel zullen wij in eeuwigheid gelukkig zijn! In domum Domini ibimus! i) M. Z., overwegen wij dit tweevoudig is volbrachtquot; wel, want eenmaal zullen die woorden, door ons, zoo niet met den mond, dan toch inderdaad uitgebracht, in den een of anderen zin bewaarheid worden.
n.
Bijaldien onze goddelijke Zaligmaker zijne zending voltrokken, zoo Hij alles volbracht heeft, dan blijft Hem ook niets meer over, dan tot zijn hemelschen Vader, die Hem gezonden heeft, weder te keeren. Daarom dan ook roept Jezus met luider stemme: Vader! in uwe handen beveel ik mijnen geest: Pater! in manus tuas commendo spiritum meum. 2)
1) Ps. cxxi, 1. 2) Luc. xini, 46.
Onze goddelijke Zaligmaker had reeds alles voor de zaligheid der menschen ten beste gegeven. Hij had zijn lichaam aan de beulen overgeleverd, om verscheurd en gekruist te worden. Hij had zijne kleederen den soldaten gelaten, om ze onder elkander te verdeelen. Hij had zijne Moeder aan zijnen leerling Joannes toevertrouwd. Niets bleef Jezus meer over dan zijne ziel. Doch ziet, die kostbare ziel beval Hij, noch in de handen zijner vrienden, noch in de handen zijner Apostelen, niet eens in de handen van zijne Moeder, maar alleen in de handen van God zijn hemelschen Vader. Vader! zegt Jezus, in uwe handen beveel ik mijnen geest. Welke zorg draagt Jezus niet voor zijne ziel! Over zijn lichaam bekommert Hij zich niet. De zorg om het te begraven laat Hij aan anderen. Hij spreekt er niet eens van; maar het is zijne ziel, en zijne ziel alleen, die Hem ter harte gaat.
Onze goddelijke Zaligmaker, M. Z., leert ons hier door zijn voorbeeld, hoe zeer wij voor onze ziel bezorgd moeten zijn. De ziel immers is het waardigste deel van den mensch. Zij is geschapen naar het beeld en de gelijkenis van God en is onsterfelijk. Zij is vrij gekocht door het kostbaar bloed van Jezus-Christus. De ziel overtreft dus al wat aardsch en vergankelijk is. Al het goud en zilver, alle edelgesteenten der gansche wereld kunnen niet opwegen tegen ééne ziel. Wanneer men dus zijne ziel verliest, al wint men ook al het overige, men verliest alles; maar wint men zijne ziel, dat is, maakt men haar zalig, al verliest men ook al het overige, men wint alles.
In geval dus de ziel van zoo groote waarde is, zoo zij het lichaam in waardigheid ver te boven gaat, hoe is het dan mogelijk, hoe komt het dan, dat zoo menig mensch zijne ziel zoo gering acht ? Waarom geeft hij haar prijs, bijv., voor eene handvol onrechtvaardig geld
â io6 â
of goed? Waarom offert hij haar op voor een schandelijk vermaak van een oogenblik? Waarom draagt hij meer zorg voor zijn lichaam dan voor zijne ziel ? En inderdaad, M. Z., men treft vele dwaze, vele verblinde menschen aan, die voor alles zorgen, uitgenomen voor hunne ziel en zaligheid. Zij doen alles voor de wereld, alles voor het tijdelijke, alles voor het lichaam, daarvoor getroosten zij zich de grootste moeielijkheden en opofferingen; maar voor de ziel, die eenige onsterfelijke ziel, waarvoor zij terstond na hunnen dood zullen moeten verantwoorden, wordt niets gedaan, zij wordt vergeten.
Welk eene dwaas- en verblindheid! O. M. Z., wachten wij ons dus wel van die personen in hunne dwaas- en verblindheid na te volgen. Zoo de mensch twee zielen had, hij zoude er eene kunnen wagen; maar wijl hij maar ééne ziel heeft, zoo moet hij haar zalig maken, het koste wat het wil; want is de ziel verloren, alles is verloren; maar is de ziel gewonnen, alles is gewonnen, en dat in eeuwigheid.
m.
Nadat Jezus zijne ziel in de handen van zijn hemelschen Vader bevolen had, boog Hij het hoofd en gaf den geest; Inclinato capite tradidit spiritum i) De gansche natuur, hemel en aarde treurden bij den dood van hunnen Schepper.
De zon verduisterde. Drie uren lang weigerde zij haar licht. De H. Dionysius, toen nog heiden en wijsgeer van Athene, bemerkte die wondervolle zonsverduistering, die met volle maan plaats had en bijgevolg niet natuurlijk was, en hij riep uit: Aut Deus naturtz patitur! Of
1) Joan, xix, 30.
â io7 â
â¢de God der natuur lijdt, of de wereld vergaat! aut mundi machina dissolvitur!
Het voorhangsel des tempels werd van boven tot beneden in twee stukken gereten, om te toonen, dat de Sacrificiën der Oude Wet moesten ophouden te bestaan. De H. Hieronymus verhaalt dat de Engelen, die over den tempel aangesteld waren, gehoord werden, en dat zij zeiden: Laten wij deze plaats verlaten.
De aarde beefde; zij werd zoo hevig geschokt, dat volgens de geschiedschrijvers op verschillende plaatsen gebouwen, zelfs gansche steden ingestort zijn.
De steenrotsen spleten met een ijselijk gekraak. De H. Cyrillus verhaalt, dat de Calvarieberg scheurde tus-schen het kruis van onzen goddelijken Zaligmaker en het kruis van den kwaden moordenaar, en dat te zijnen tijde die scheur nog te zien was.
Eindelijk, de graven gingen open. Vele lichamen van Heiligen, die gestorven waren, verrezen en vertoonden zich in de stad Jeruzalem.
De hoofdman, die aangesteld was om onzen goddelijken Zaligmaker te bewaken, al de wonderen, die er plaats grepen, ziende, werd bevreesd. Hij had Jezus zien sterven; hij overdacht de wijze, waarop Hij gestorven was; dat onze goddelijke Zaligmaker, alhoewel uitgeput van krachten, onmiddellijk voor zijnen dood nog met eene forsche stem geroepen had: Vader! in uwe handen beveel ik mijnen geest. Daardoor was de hoofdman overtuigd, dat Jezus geen gewoon mensch was. Ja, wat meer is, hij besluit er de Godheid van Jezus uit en belijdt ze: Waarlijk, zegt hij. Deze was de Zoon Gods! Vere Fillius Dei er at iste! i)
1) Matth. xxvii, 54.
â io8 â
Velen van het volk, dat uit Jeruzalem gekomen was om de kruisiging van Jezus bij te wonen, werden inwendig getroffen. Getuigen van al de wonderen die er gebeurden, zagen zij in dat zij grootelijks misdaan hadden, door Jezus te vervolgen, door Hem op allerlei wijzen te mishandelen; ja, door Hem zelfs tot in het uur van zijnen dood aan het kruis te beleedigen en te bespotten. Zij beleden hunne schuld, en zich op de borst slaande, keerden zij rouwmoedig naar huis terug: Percutientes pectora sua revertebantur. i)
SLUITREDE.
Ziedaar, M. Z., u het lijden en den dood van onzen goddelijken Zaligmaker gedurende den vastentijd uitgelegd. Gave God, dat deze, alhoewel korte en onvolledige overwegingen, in mij en in u te weeg brachten, hetgeen de wonderen te weeg brachten in de harten dergenen, die de kruisiging van Jezus op den Calvarieberg bijwoonden.
Zij keerden naar huis terug, terwijl zij zich op de borst sloegen: Percutientes pectora sua revertebantur. Zij begrepen dus de misdaad, waaraan zij zich plichtig gemaakt hadden; zij verfoeiden ze en hadden er berouw over. Zij beseften nu waarschijnlijk ook de liefde van Jezus, die daar voor hen aan het kruis kwam te sterven, en zij werden door wederliefde tot Jezus ontstoken.
Ziedaar, M. Z., de twee gevoelens, gevoelens van berouw en van liefde, die ons, gelijk ik reeds in den beginne gezegd heb, ook moeten bezielen. Ja, wij ook moeten berouw hebben over onze zonden; wij moeten ze haten en verfoeien, omdat zij de oorzaak zijn geweest van Jezus\'
1) Luo. ixin, 48.
â 109 â
lijden. Om de zonden van vloeken uit te boeten is Jezus op allerlei wijzen gelasterd. Om de zonden van dronkenschap en gulzigheid uit te boeten, heeft Hij geleden honger en dorst, en is Hij met edik en gal gelaafd. Om te voldoen voor de zonden van onkuischheid, is zijn lichaam tijdens de geeseling van het hoofd tot de voeten verscheurd. Om te voldoen voor de ijdelheid en hoovaar-digheid, is zijn goddelijk hoofd met doornen gekroond. Om de zonden van ongehoorzaamheid en wederspannig-heid uit te boeten, is Jezus gehoorzaam geweest tot den dood, ja tot den dood des kruises.
Wijl de zonden dus ons werk zijn, en wijl Jezus, om onze zonden uit te boeten, geleden heeft en gestorven is; daarom zijn wij in zekeren zin Jezus\' vijanden, Jezus\' beulen, Jezus\' moordenaars geweest, en moeten wij, zoowel als de tot inkeer gekomen Joden, onze misdaden haten en verfoeien; wij moeten zoowel als zij op onze schuldige borst slaan en er berouw over hebben.
Vervolgens moeten wij aan de liefde van Jezus met wederliefde beantwoorden, \'t Is uit liefde tot ons dat Jezus lijdt en sterft, zonder eigen belang, enkel om onze zielen, om mijne ziel, om uwe zielen te verlossen en zalig te maken. Ja, Jezus heeft mij bemind en zich zeiven voor mij overgeleverd : Dilexit me et tradidit semetips2im pro me. i) En ik zoude mijnen Verlosser en Zaligmaker op mijne beurt niet beminnen ?
Bijgevolg, geven wij bewijzen van die twee gevoelens, van berouw en van liefde, vooral in deze dagen. Bewee-nen wij onze zonden. Vragen wij er God dikwijls vergiffenis van, bijzonder in het H. Sacrament der Biecht. Ja, werpen wij ons met Paschen ootmoedig aan de voeten
1) Gal. ii, 20.
IIO
van zijnen plaatsbekleeder neder, en beschuldigen wij ons van onze zonden met een oprecht leedwezen, met een vast voornemen van ze niet meer te bedrijven. De God van goedheid en barmhartigheid zal ons onze zonden vergeven.
Eindelijk, bereiden wij ons goed, om Jezus-Christus, onzen goddelijken Zalligmaker, met liefde in de H. Communie te ontvangen; Jezus-Christus, zeg ik, den God-mensch, dien het niet genoeg geweest is van zich vóór ons te geven, maar die zich ook nog ddn ons wil geven, om dan in de gelukkige oogenblikken der H. Communie naar waarheid te kunnen zeggen: Thans behoort Jezus-Christus mij toe en ik aan Jezus-Christus! Dilectusmetts mi hi et Ego lUP. l) Amen.
1) Cant. cant, ii, 16.
TWEEDE JAARGANG.
EERSTE MEDITATIE,
Tristis est anima mea usque ad mortem.
Mijne ziel is bedroefd tot den dood toe.
(Matth. sxvi, 38.)
INHOUD.
VOORREDE.
Christus heeft voor ons geleden, u een voorbeeld nalatende, opdat gij zijne voetstappen zoudet volgen. â Wie heeft geleden en wat ? â In zijne ziel en in zijn lichaam. â In zijne zintuigen. â In zijn gezicht, gehoor, reuk, smaak, gevoel. â Voor wie en waarom? â Om ons zijne bijzondere liefde te toonen en voorbeelden te geven van alle deugden, van liefde tot God en de men-.schen, van ootmoedigheid, gehoorzaamheid, geduld.
I. Jezus wascht zijnen leerlingen de voeten;
II. Jezus gaat met hen Jeruzalem uit;
III. Jezus is bedroefd tot den dood toe.
I.
Jezus had zijn lijden meermalen voorzegd. â Hij vergadert zijne Apostelen voor de laatste maal te Jeruzalem, eet het Paaschlam met hen, staat van tafel op, legt zijne bovenkleederen af, omgordt zich met een linnen doek,
I. 8.
â 114 -
giet water in een bekken, werpt zich op de knieën voor zijne Apostelen neder en wascht hun de voeten. âWie staat op en werpt zich op de knieën? â Voor wie en tot wat einde? â Petrus verstaat en verstaat niet. â Uitroeping van Petrus. â Op het zien van de ootmoedigheid van Jezus zullen wij ons wachten voor de hoo-vaardigheid, zullen wij ons schamen van ons boven den evenmensch te verheffen.
II.
Jezus stelt het aanbiddelijk Sacrament des Altaars in, wijdt zijne Apostelen priesters en gaat met hen Jeruzalem uit. â Jeruzalem verdiende wel, dat Jezus er uit ging. â Hare inwoners verdienden wel door Jezus verlaten te worden. â Klachten over en bedreigingen tegen Jeruzalem en hare inwoners, door Jezus uitgesproken, die Hij hier te recht mocht herhalen. â De Christenen, die zich aan doodzonden plichtig maken, volgen de ondankbare inwoners van Jeruzalem na. â De dronkaard, de onrechtvaardige, de onzuivere. â Och of de zondaren den vrede, dien Jezus hun aanbiedt, de straffen, die hun. boven het hoofd hangen, erkenden!
III.
Jezus komt met zijne leerlingen in den Olijfhof. â Adam zondigt in eenen lusthof, het aardsch Paradijs, en maakt daarin het menschdom ongelukkig.âJezus begint voor goed in eenen hof, in den Olijfhof, de zonde uit te boeten en wil het menschdom gelukkig maken. â Droefheid van Jezus over de oneer, zijn hemelschen Vader aangedaan, over het ongeluk van het menschdom, over de zonden. â Hij neemt onze zonden op zich om er voor te voldoen.
â IIS â
SLUITREDE.
Jezus, de Onschuld zelve, is bedroefd over de zonden van anderen. â Wij zeiven zijn zondaren, waar is onze droefheid? â Onze zonden roepen om wraak. â Zoo wij geene boetvaardigheid doen, zullen wij allen vergaan. â Verootmoedigen wij ons voor God, vragen wij vergiffenis van onze zonden. â Troosten wij het bedroefd Hart van Jezus door een oprechte bekeering.
EERSTE MEDITATIE.
Tristis est anima mea usque ad mortem.
Mijne ziel is bedroefd tot den dood toe.
(Matth. xxvi, 38.)
VOORREDE.
De Apostel Petrus schreef in zijn eersten brief aan de Joden, die zich tot het christendom bekeerd hadden, onder anderen de volgende woorden: Christus passus est pro nobis, l) Christus heeft voor ons geleden, vobis relin-qitens cxemplum, u een voorbeeld nalatende, ut sequamini vestigia ejus, opdat gij zijne voetstappen zoudet volgen.
Die woorden, M. Z., welke de prins der Apostelen tot de Christenen van zijnen tijd ter overweging richtte, zijn ook tot ons Christenen gericht. Wij ook moeten het lijden van onzen goddelijken Zaligmaker, en wel bijzonder gedurende den vastentijd, overwegen.
Christus heeft geleden: Christus passus est. Dus niet
1) Petr. n, 21.
â 116 â
een mensch, een Engel; neen, maar de Zoon Gods; niet een plichtige, een misdadiger; neen, maar de Onschuld, de Heiligheid zelve.
Hij heeft geleden: Passus est. Onze goddelijke Zaligmaker heeft geleden, zijn geheel leven lang groote armoede en verdriet naar ziel en lichaam, maar op den dag van zijn lijden, grootere pijnen en smarten, dan ooit een mensch verdragen heeft. Ja, op den dag van zijn lijden heeft Hij vooral geleden, geleden in zijne ziel door de treurigste herinneringen, door de akeligste gedachten, door de grootste droefheid, zoodat zijne ziel op het punt stond van te bezwijken. Mijne ziel is bedroefd tot den dood toe, zeide Jezus: Tristis est anima mea usque ad mortem, i)
Geleden in zijn lichaam, in al zijne zintuigen; in zijn gezicht, bij het aanschouwen van de woede zijner vijanden, van de droefheid zijner Moeder; in zijn gehoor, bij het hooren van de valsche beschuldigingen, van de moordkreten en godslasteringen; in zijnen reuk, wegens het vuil speeksel, in zijn goddelijk aangezicht gespuwd, wegens den stank der doode lichamen op den Calvarieberg; in zijnen smaak, wegens den brandenden dorst, den wijn, dien men met gal en azijn gemengd had en Jezus te drinken gaf; in zijn gevoel, in al zijne ledematen, door de onmenschelijke geeseling, de bespottelijke kroning met doornen, de pijnlijke vastnageling aan het kruis, zoodat er geen enkel gezond lidmaat aan zijn goddelijk lichaam te vinden was; Aplanta pedis usque ad verticem non est in eo sanitas! 2)
Christus heeft geleden. Voor wie? Pro nobis, voor ons, zegt de Apostel Petrus. Hij heeft geleden voor alle
1) Matth. xxiv, 38. 2) Isaias 1, 6.
â li/ â
menschen, van den eersten, namelijk, van Adam, tot den laatsten op het einde der wereld, voor Joden en Heidenen, voor vrienden en vijanden, voor u en voor mij, voor allen te zamen en voor ieder in het bijzonder.
Christus heeft geleden. En waarom? Om ons te toonen zijne bijzondere liefde. Ja, M. Z., Jezus heeft mij. Hij heeft u bemind, en daarom heeft Hij zooveel geleden. Eenieder kan te recht met den Apostel Paulus zeggen: Hij heeft mij bemind en zich zeiven voor mij overgeleverd: Dilexit me et tradidit semetipsum pro me. i)
Hij heeft geleden. Waarom? Om ons een voorbeeld te geven van vele deugden: Vobis relinquensexemplum. En inderdaad, Jezus heeft ons voorbeelden gegeven van alle deugden; een voorbeeld van liefde tot God en de menschen, want het is uit liefde tot God zijn hemelschen Vader en om zijne eer te herstellen, dat Hij lijdt; uit liefde tot de menschen, om hen van de slavernij des duivels en den eeuwigen dood te verlossen; een voorbeeld van ootmoedigheid: Hij heeft onder de boosdoeners willen gerangschikt, zelfs achter Barabbas willen gesteld worden; een voorbeeld van gehoorzaamheid: Hij is gehoorzaam tot den dood, tot den dood des kruises; een voorbeeld van verduldigheid: Hij heeft zich als een lam, zonder zijnen mond te openen, laten slachtofferen ; in een woord, Jezus heeft ons een voorbeeld gegeven van alle deugden. Waarom? Opdat wij zijne voetstappen zouden volgen, voegt de H. Petrus er bij: Ut sequamini vestigia ejus.
Ziedaar, M. Z., wat wij vooral moeten betrachten.
Terwijl wij dus het lijden van onzen goddelijken Zaligmaker overwegen en daarin de verschillende deugden
1) Gal. ii, 20.
â 118 â
aantreffen, waarvan Hij ons een voorbeeld gegeven heeft, dan moeten wij denken, alsof Jezus tot eenieder onzer zeide, hetgeen God eertijds tot Mozes zeide: Inspice, et fac secundum exemplar, qtiod tibi monstratum est: i) Zie, en doe naar het voorbeeld, dat u getoond is. Zie toe en volg Jezus na, in zijne liefde tot God en den evennaaste, in zijne ootmoedigheid en gehoorzaamheid, in zijn geduld en andere deugden. Dat moet ons inzicht wezen, M. Z., en \'t is te hopen, ja \'t is zeker, wij zullen, door Gods genade bijgestaan, overvloedige vruchten uit de overwegingen van het lijden en den dood van onzen Heer Jezus-Christus trekken.
Vandaag zullen wij te zamen overwegen:
I. Dat Jezus zijne Apostelen de voeten wascht;
II. Dat Hij met hen Jeruzalem uitgaat;
III. Zijne droefheid in den Olijfhof.
I.
Onze goddelijke Zaligmaker, M. Z., had zijne leerlingen tijdens zijn leven dikwijls over zijn lijden onderhouden. Telkens werden zij bedroefd, als zij er hun goddelijken Meester over hoorden spreken.
Toen nu het uur naderde, waarop Jezus aan zijne vijanden zoude uitgeleverd worden, begaf Hij zich met zijne Apostelen naar Jeruzalem, en Hij vergaderde hen daar voor de laatste maal in eene prachtige zaal. Daar at Hij met hen het Paaschlam naar de voorschriften der wet van Mozes. En ziet, nauwelijks is het Paaschlam gegeten, of Jezus staat van tafel op, zegt de H. Joannes: Surgit a coena, 2) en Hij legt zijne bovenkleederen af.
1) Ex, XXV, 40. 2) Joan, xiu, 4.
â lig â
ft ponit vestimenta sua; Hij neemt een linnen doek, waarmede Hij zich omgordt; Hij giet water in een bekken, werpt zich op de knieën voor zijne leerlingen neder, wascht hun de voeten en droogt ze af met den linnen doek, waarmede Hij omgord was: Et ccepit lavare pedes discipulorum et extergere linteo quo er at prcecinctus.
M. Z., staan wij hier een oogenblik stil; zien wij eens met aandacht, wat daar te Jeruzalem in die eetzaal plaats heeft. Wie staat daar op? Wie ligt daar op de knieën? Voor wie? Tot wat einde? Die daar opstaat, op de knieën ligt, is Jezus van Nazareth, de Zoon van Maria; maar die Zoon van de allerheiligste Maagd Maria is tevens de Zoon Gods, die weet dat de hemelsche Vader Hem alles in handen gegeven heeft, zooals de Evangelist Joannes spreekt: Sciens quia omnia dedit ei Pater in manies ; die weet, dat Hij van God uitgegaan is\' en tot God wederkeert: et quia a Deo exivit et ad Deum vadit; i) die dus alwetend, almachtig is, even als God zijn Vader, van wien Hij in eeuwigheid voortkomt; die, door de men-schelijke natuur aan te nemen, mensch geworden en in de wereld gekomen is, en die weldra God en mensch tot zijnen Vader zal wederkeeren, om aan zijne rechterhand te zetelen, die Jezus, die God-mensch, die Schepper van hemel en aarde, die Koning der koningen staat op van tafel, terwijl zijne leerlingen, zijne schepselen, zijne onderdanen blijven zitten. Hij legt zijne bovenkleederen af, Hij omgordt zich met een linnen doek. Hij giet water in een bekken. Hij werpt zich op de knieën neder. Voor wie? Voor zijne leerlingen. Doch dat is niet alles. Tot wat einde? Om een laag, een slavenwerk te verrichten; Hij wascht zijnen leerlingen, zelfs Judas, die Hen*
1) Joan, xni, 3.
â weldra verraden zal, de voeten, en Hij droogt ze af met den linnen doek, waarmede Hij omgord is.
O wonder van ootmoedigheid! Verstaat gij dat, M. Z. ? Petrus, de prins der Apostelen, verstaat en verstaat niet; hij weet dat die Jezus zijn God, zijn Schepper, zijn Heer en Meester is; maar hij begrijpt niet, hoe die God zich voor een mensch, hoe die Schepper zich voor zijn schepsel, hoe die Heer zich voor zijn dienaar, hoe die Meester zich voor zijn leerling op de knieën kan neder werpen, hem de voeten kan wasschen; neen, dat wonder van ootmoedigheid begrijpt Petrus niet, en van daar dat hij vol verwondering uitroept: Heer! Gij mij de voeten wasschen ? Domine! 7« viihi lavas pedes? In eeuwigheid zult Gij mij de voeten niet wasschen! Non lavabis mi hi pedes in cetermim! i)
Wanneer wij nu wel inzien en nagaan, hoe zeer onze goddelijke Zaligmaker bij het voetenwasschen zijner Apostelen zich vernedert; zullen wij ons dan niet wachten voor de zonde van hoovaardigheid ? En bijaldien wij ons aan die zonde hebben plichtig gemaakt, zullen wij er dan niet schaamrood over worden? Zullen wij ons niet wachten, zullen wij ons niet schamen van ons boven onzen stand te verheffen ? van ons boven onzen staat te kleeden ? van onzen evenmensch met trotschheid te bejegenen, met minachting op hem neêr te zien?
Zullen wij ons niet wachten en schamen van ons te beroemen op het weinige goed dat wij doen, daar wij zoo vele en groote zonden bedrijven?
Zullen wij ons niet wachten en schamen van dat weinige goed te doen, om van de menschen geëerd en geprezen te worden, daar wij alles moeten doen tot glorie van
1) Joan, xiii, 8.
God en tot zaligheid der zielen ? daar wij moeten denken, wijl het ook inderdaad zoo is, dat wij, zoo wij alles gedaan hebben, wat wij moeten doen, nog nuttelooze dienstknechten zijn? Servi inutiles sumus. i) Verfoeien wij dus, M. Z., de hoovaardigheid en de trotschheid, hebben wij eene kleine gedachte van ons zeiven, en zijn wij ootmoedig. Ja, volgen wij Jezus in de ootmoedigheid na; Hij heeft er ons het voorbeeld van gegeven, opdat wij het zouden navolgen. Leert van mij, zegt Jezus, niet alleen met woorden, maar ook met werken; leert van mij, dat ik ootmoedig van harte ben; Discite a me quia sum humilis corde. 2)
II.
Nadat onze goddelijke Zaligmaker zijnen leerlingen de voeten gewasschen had, stelde Hij nog het aanbiddelijk Sacrament des Altaars in; Hij verhief zijne Apostelen tot de waardigheid van Priester van de Nieuwe Wet. Hij liet hun ook genoegzaam verstaan, dat zij voor de laatste maal te zamen vergaderd waren. Wie beseft de droefheid, die zich alsdan van de harten zijner leerlingen meester maakte!
Daarna gaat Jezus met hen Jeruzalem uit: Egressus est cum discipidis suis. 3) Die ondankbare stad verdiende wel dat Jezus uit haar wegging, hare inwoners verdienden wel dat zij door Hem verlaten werden. Jezus had hen met weldaden overladen, eene macht van wonderen onder hen verricht; Hij had hunne zieken genezen, zijne zaligmakende leering verkondigd; al wat Hij had kunnen doen, had Hij voor zijn volk gedaan. En ziet, in plaats van dankbaar te zijn en Hem voor hunnen
1) Luc. xxvii, 10. \'2) Matth. xi, 29. 3) Joan, xviu, 1.
â 122
Messias te erkennen, willen zij niets van Hem weten; zij vervolgen Hem, en op het oogenblik beramen zij alle middelen, spannen zij met den trouweloozen Judas, dien zij omgekocht hebben, te zamen, om Jezus gevangen te nemen en om te brengen.
Te recht mocht Jezus hier zijne klachten over Jeruzalem, zijne bedreigingen tegen die ondankbare stad vernieuwen, welke Hij vroeger gedaan had. Jeruzalem! Jeruzalem! kon Jezus zeggen, dat de Profeten doodt en steenigt degenen, die tot u gezonden zijn; hoe dikwijls heb ik uwe kinderen willen vergaderen, even als eene hen hare jongen vergadert onder hare vleugelen, en gij hebt niet gewild ? ziet, uw huis zal u verwoest overgelaten worden.
O Jeruzalem! Zoo gij erkendet, en wel op dezen dag, die u overblijft, wat u kan dienen tot vrede, tot uw geluk en welzijn! Zoo gij wist wat u boven het hoofd hangt; doch nu is het verborgen voor uwe oogen, want er zullen dagen komen, dat uwe vijanden u met eenen wal zullen omgeven, dat zij u zullen omsingelen en benauwen van alle kanten; zij zullen u tot den grond toe verwoesten en uwe kinderen in u; zij zullen den eenen steen niet op den anderen laten, omdat gij den tijd uwer bezoeking niet gekend hebt! Als wilde Jezus zeg-hen: Inwoners van Jeruzalem, ik beklaag u, omdat gij den vrede, het geluk, dat ik u tot op den dag van heden aanbied, niet wilt; en daarom zal er u in plaats van vrede oorlog, in plaats van geluk ongeluk overkomen; gij zult op de verschrikkelijkste wijze gestraft worden, omdat gij mij niet ontvangen, maar verworpen hebt. Want ziet, ik ga heen; dan zult gij mij zoeken maar niet vinden, en in uwe zonden zult gij sterven: In peccato â vestro moricmini. i)
1) Joan. Tin, 21.
â 123 â
Ziedaar de klachten en bedreigingen, welke onze goddelijke Zaligmaker eertijds over en tegen de ondankbare inwoners van Jeruzalem uitbracht, en die Hij te recht \'s avonds voor zijnen dood tegen hen mocht vernieuwen.
Doch weet, M. Z., dat de inwoners van Jeruzalem ook een afbeeldsel zijn van vele Christenen.
Ja, onder de Christenen treft men er aan, die de inwoners van Jeruzalem navolgen, en over welke Jezus zich te recht te beklagen heeft, en die Hij te recht mag bedreigen.
Die Christenen zijn de zondaren. Jezus-Christus heeft hen met genaden en weldaden overladen; van onder zoo-velen heeft Hij hen geroepen tot het waar geloof, in zijne H. Kerk opgenomen, in zijne zaligmakende leering onderwezen, de H. Sacramenten voor hen ingesteld, hen aan de kostbaarste genaden, die er uit voortvloeien, deelachtig gemaakt. Te recht mag onze goddelijke Zaligmaker van hen, even als van het volk van Israël, zeggen; Wat had ik nog meer voor u moeten doen, dat ik niet gedaan heb? En waar is nu de dankbaarheid, welke zij Jezus betoonen? In plaats van Hem voor hunnen Weldoener te erkennen, willen zij niets van Hem weten; in plaats van Hem te ontvangen, verwerpen zij Hem. Dronkaard, onmatige, die u zoo dikwijls te buiten gaat in spijs en drank; gij wilt niets meer van Jezus weten ? gij verwerpt Hem? Uw buik, zooals de Apostel Paulus zich uitdrukt, is uw afgod: Quorum deus venter est. i)
Geldzuchtige, onrechtvaardige mensch, die u zoo dikwijls vergrijpt aan het geld en goed van uwen evennaaste, die uwe schulden niet wilt betalen; gij wilt niets meer van Jezus weten ? gij verwerpt Hem ? Het goud of zilver is uw afgod: Avar it ia quod est ido lorum servitus. 2) 1) Ph. 111, 19. 2) Eph. v, 5.
124
Onzuivere, die u aan de schandelijkste zonden met u zeiven en met anderen plichtig maakt; gij wilt niets meer van Jezus weten ? gij verwerpt Hem ? Het voorwerp uwer schandelijke driften is uw afgod. Doch om kort te zijn, zeggen wij in \'t algemeen: de zondaren, zoo dikwijls zij eene doodzonde bedrijven, jagen God hunnen Zaligmaker uit hunne ziel volgens de uitdrukking van den Heiligen man Job; De goddeloozen zeiden tot God; Qui dixerunt Deo, ga weg van ons: recede a nobis. l)
Och of die ongelukkige zondaren erkenden, en wel vandaag, in dit uur, wat hun tot vrede, tot hun tijdelijk en eeuwig welzijn verstrekt! Och of zij wilden inzien de straften, die hun boven het hoofd hangen en waarmede zij elk oogenblik, door den dood verrast, kunnen getroffen worden ! Voorzeker, zij zouden tot inkeer komen, Jezus niet langer blijven verwerpen; en die goede Zaligmaker, in plaats van uit hen te gaan, zoude tot hen wederkeeren; Hij zoude in hen komen en blijven, en nooit of nimmer
zouden zij, evenals de ondankbare inwoners van Jeruzalem,
hunnen ondergang te betreuren hebben.
III.
Onze goddelijke Zaligmaker, na met zijne leerlingen uit Jeruzalem gegaan en de beek Cedron overgetrokken te zijn, kwam in eenen hof, namelijk, in den Olijfhof.
\'t Was in een hof, M. Z., in een lusthof, het aardsch Paradijs, dat Adam en Eva de zonde bedreven en ons ongelukkig maakten, \'t Is in een hof, in den Olijfhof, dat Jezus voor goed de zonde gaat uitboeten en ons voor eeuwig gelukkig wil maken.
Aan den ingang van den hof gekomen, zegt Jezus tot
1) Job. xxi, 14.
â 125 â
acht zijner leerlingen: Zet u hier neder, terwijl ik verder ga om te h\\AAen-. Sedete hie, donec vadam illtic et orem.ï} Hij neemt Petrus, Jacobus en Joannes wat verder mede. Zij waren getuigen geweest van zijne gedaanteverandering op den berg Thabor; Jezus wil dat zij nu ook getuigen zijn van zijne droefheid in den Olijfhof.
Op de bestemde plaats aangekomen, begint onze goddelijke Zaligmaker te vreezen, Hij is bedroefd en ter neêr geslagen. Hij zegt tot die drie leerlingen: Mijne ziel is bedroefd tot den dood toe; Tristis est anima mea. usque ad mortem. 2) Welk een schouwspel! Jezus, de Blijdschap der Engelen en Heiligen des hemels; Jezus, de Trooster der bedrukten op aarde; Hij is ter neer geslagen, bedroefd, zoo dat Hij op het punt staat van droefheid te sterven!
En van waar dan die doodelijke droefheid? Wat is er de oorzaak van ? De voornaamste oorzaak dier droefheid, M. Z., is de zonde. Jezus kende en doorgronde de afschuwelijke boosheid en de noodlottige gevolgen der zonde; Hij begreep, dat door de zonde zijn hemelschen Vader de grootste oneer was aangedaan, dat het gansche mensch-dom voor tijd en eeuwigheid er ongelukkig door geworden was. Over die oneer, over dat ongeluk is Hij tot den dood toe bedroefd, en bijgevolg ook over de zonde, omdat zij er de oorzaak van is. Die oneer, dat ongeluk wil Hij herstellen; Hij biedt zich bij zijn hemelschen Vader als zoenoffer aan; Hij beschouwt zich als beladen met de zonden van het gansche menschdom, met uwe zonden, met de mijne, bedreven met gedachten en begeerten, met woorden, werken en verzuimenissen; Jezus neemt al die zonden op zich om ze uit te boeten en om er voor aan de goddelijke rechtvaardigheid te voldoen. En ziedaar eene der voornaamste redenen, waarom Hij zoo bedroefd is.
1) Matth. xxvi, 36. 2) Matth. xxvi, 38.
r
126
SLUITREDE.
Tristis est anima mea usque ad mortem! 1) Mijne ziel is bedroefd tot den dood toe!
Aanschouwen wij, M. Z., in den geest onzen godde-lijken Zaligmaker met aandacht in den Olijfhof. Hij siddert en beeft; Hij is bedroefd, gedompeld als in eene zee van droefheden. Jezus is bedroefd over de zonden. En nochtans, Hij heeft geen enkele, de kleinste zonde zelfs niet bedreven; Hij is bedroefd over de zonden van anderen, die Hij enkel op zich genomen heeft.
Is het ook zoo met ons gelegen? Helaas! welk een verschil! Wij, M. Z., wij zijn in zonden ontvangen, in zonden geboren; in de heilige waters des Doopsels afge-wasschen, zijn wij nauwelijks tot de jaren van verstand gekomen, of wij hebben ons aan zonde plichtig gemaakt. Hoevelen worden er wellicht onder ons niet gevonden, die talrijke en groote zonden bedreven hebben; die in hunne hoovaardigheid tegen God zijn opgestaan en Jezus uit hunne ziel gedreven hebben? Waar is nu onze droefheid? Waar ons leedwezen? Waar onze boetvaardigheid ? En nochtans, onze zonden zijn bekend tot in den hemel, en daar roepen zij om wraak bij God, bij God, die gezworen heeft van zich op de zondaren te wreken. Zoo waar als ik leef in eeuwigheid, zegt God: Vivo ego in aeternum! Ik zal wraak nemen op mijne vijanden, reddam tiltionem hostibus meis! 2) Ja, M. Z., zoo wij geene boetvaardigheid doen, onze goddelijke Zaligmaker heeft het uitdrukkelijk verklaard, zullen wij allen vergaan: Nisi paenitentiam habueritis, omnes similiter penbitis. 3)
Daarom verootmoedigen wij ons voor God. Erkennen
Il
1) Matth. XXVI, 38. 2) Dout. xxxn, 41. 3) Luc. xm, 3.
127
wij onze nietigheid, onze ondankbaarheid, waaraan wij ons jegens God, den besten der vaderen, hebben plichtig gemaakt. Vragen wij Hem ootmoedig vergiffenis, omdat wij Hem zoo dikwijls verstooten, zoo dikwijls gedwongen hebben van uit ons te gaan; want telkens als wij aan eene genade wederstaan, eene doodzonde bedreven hebben, hebben wij Jezus verstooten, hebben wij Hem uit onze ziel gedreven. Ja, M. Z., zijn wij van harte bedroefd van God zoo dikwijls en zoo grootelijks vergramd te hebben. God zal een bedroefd en ootmoedig hart niet versmaden, cor contritum et humiliatum Deus non des-picies. i) Daardoor zullen wij Jezus\' bedroefd Hart troosten, zijne droefheid in vreugde veranderen, want er staat geschreven, dat er vreugde zal zijn bij de Engelen Gods over de boetvaardigheid, zelfs van eenen zondaar; Gati-dium er it coram An ge lis Dei super imo peccatore pae-niientiam agente. 2) Amen.
1) Ps. L, 19. 2) Luc. xv, 10.
TWEEDE MEDITATIE.
Factus est sudor ejus sicut guttx sanguinit decurrenlis in terram.
Zijn zweet werd als druppelen bloeds, dat op de aarde nederviel.
(Lue. xxii, 44:)
INHOUD.
VOORREDE.
Jezus heeft zijnen leerlingen de voeten gewasschen en het H. Sacrament des Altaars ingesteld. â Hij gaat met zijne Apostelen Jeruzalem uit. â Droefheid van Jezus in den Olijfhof over de zonden. â Voorbeeld voor ons. â Jezus scheidt zich ook van de drie leerlingen af. â Hij valt op de knieën, op zijn aangezicht neder en bidt met ootmoedigheid en eerbied, met betrouwen en overgeving aan den wil van zijn hemelschen Vader. â Voorbeeld voor ons.
I. Jezus verkeert in doodstrijd;
II. De Apostelen slapen;
III. Jezus wordt verraden en gevangen genomen.
I.
Een Engel uit den hemel verschijnt om Jezus te sterken. â Hij valt in doodstrijd en zweet water en bloed. â
129
Wat is de doodstrijd? â Waardoor werd hij veroorzaakt?â Jezus verkiest te lijden en te sterven voor de glorie van God en de zaligheid der menschen. â Het akelige van den doodstrijd des zondaars, als hij denkt aan zijne bedrevene zonden, aan de genaden, waarvan hij misbruik gemaakt heeft; als hij zijne oogen ten hemel richt; als hij zijne oogen ter aarde slaat en ziet, wat hij moet verlaten. â Drievoudig: Wij hebben gedwaald!
â Stelt u den stervenden zondaar voor oogen. â De duivelen vol woede bespringen hem. â De tijd is kort.
â Hij sterft, en zijne ziel daalt neder in de hel. â Denken wij dikwijls aan den doodstrijd van den zondaar, ook aan den doodstrijd van Jezus-Christus.
II.
Na den doodstrijd en het gebed vindt Jezus zijne Apostelen slapende. â Jezus\' vijanden waken, de Apostelen slapen. â Plichtverzuim der Apostelen. â Volgen de Apostelen na, die het werk hunner zaligheid verwaar-loozen, de plichtvergetene ouders en oversten. â Der-gelijken moet geantwoord worden: Op! Aan het werk!
Judas nadert aan het hoofd eener gewapende bende soldaten. â Teeken, dat Judas gegeven heeft. â Geveinsdheid van Judas. â Wees gegroet, Meester! â Judas verdiende op staanden voet met den dood en de hel gestraft te worden. â Laatste poging van Jezus om Judas te bekeeren. â Vriend! waartoe zijt gij gekomen?
â Tweevoudig wonder. â Judas volhardt in zijne boosheid en vergaat. â Ongelukkigen, die Judas navolgen.
â Woorden van den H. Vincentius Ferrerius.
SLUITREDE.
Laten wij dikwijls denken aan den doodstrijd en den
I. 9.
â ISO â
dood van den zondaar. â Hebben wij onze plichten verwaarloosd, laten wij uit den slaap opstaan, het verledene herstellen en voor de toekomst zorgen. â Bidden wij voor elkander om onze goede voornemens ten uitvoer te brengen, in het goede voort te gaan en te volharden tot het einde toe.
TWEEDE MEDITATIE.
Factus est sudor ejus sicut guttx sanguinis decurrentis in terrain.
Zijn zweet werd als druppelen bloedsgt; dat op de aarde nederviel. (Luo. xxn, 44.)
VOORREDE.
In het laatste avondmaal, M. Z., had onze goddelijke Zaligmaker ons een treffend voorbeeld van ootmoedigheid gegeven. Hij had zich op de knieën voor zijne leerlingen neder geworpen en hun de voeten gewasschen. Ook stelde Hij bij die gelegenheid het aanbiddelijk Sacrament des Altaars in en verhief zijne Apostelen tot de priesterlijke waardigheid. Daarna ging Hij met hen het ondankbaar Jeruzalem uit en begaf zich naar den Olijfhof. In dien hof aangekomen, scheidt Hij zich van hen af. Drie Apostelen, Petrus, Jacobus en Joannes, neemt Hij nog wat verder mede. Met deze alleen zijnde begint Hij te sidderen en te beven, en Hij zegt: Mijne ziel is bedroefd tot den dood toe! Tristis est anima mca usque ad mortem! i)
Jezus is zoo doodelijk bedroefd, onder anderen, over
1) Matth. xxvi, 38.
â 131 â
de zonden, die zich daar in al hare boos- en afschuwelijkheid voor zijnen geest vertoonen. Daardoor leert Hii ons, dat wij nooit of nimmer te zeer bedroefd kunnen zijn over onze zonden.
Na aldus tot die drie leerlingen gesproken te hebben, verwijdert Jezus zich ook van hen, en Hij gaat een steenworp verder om zijn hemelschen Vader te bidden. Jezus zet zich op de knieën, werpt zich op zijn aangezicht plat ter aarde neder en bidt: Mijn Vader! Zoo het mogelijk is, laat dan dezen kelk mij voorbijgaan, doch niet mijn maar uw wil geschiede.
Gij ziet het, M. Z., Jezus bidt met de diepste ootmoedigheid en met den grootsten eerbied. Hij zet zich op de knieën: Positis genibus orabat; i) Hij werpt zich op zijn aangezicht neder: Procidit in faciem suam; Hij bidt met kinderlijk betrouwen: Mijn Vader! zegt Hij; Pater mi! 2) Zoo het mogelijk is, laat dan dezen kelk Mij voorbijgaan; Hii bidt met overgeving aan den wil van zijn hemelschen Vader: Non mea voluntas sed tua fiat. 3)
Welk een schoon voorbeeld voor ons! voorbeeld, waarnaar wij ons altoos in ons gebed moeten gedragen.
Doch onderzoeken wij vandaag eens verder, wat er nog al meer in den Olijfhof plaats heeft.
Wij zullen dus zien:
I. Den doodstrijd van Jezus;
II. Den slaap der Apostelen;
III. De gevangenneming van Jezus.
I.
Terwijl onze goddelijke Zaligmaker zijn hemelschen
1) Luc. .-rxn, 42. 2) Matth. XXVI, 39. â 3) Luc. XXII, 42.
â 132 â
Vader zoo vurig bad, ziet, een Engel uit den hemel verschijnt om Hem te sterken. Doch Jezus geraakt in doodstrijd; Factus in agonia; i) en zijn zweet wordt als druppelen bloeds, dat op de aarde nedervalt; FacUis est sudor ejus sicut guttce sanguinis decurrentis in terrain. 2)
De Godmensch komt in doodstrijd. Gij weet, M. Z., wat de doodstrijd is, en wellicht hebt gij den een of anderen uwer bloedverwanten of vrienden in doodstrijd zien verkeeren. Gij hebt hen bijgestaan in hun uiterste. Welnu, in dergelijken doodstrijd verkeert onze goddelijke Zaligmaker in den Olijfhof, Hij worstelt met den dood.
Die strijd wordt veroorzaakt, wijl Jezus beschouwt van den eenen kant de pijnen en folteringen, den schandelijken kruisdood, dien Hij zal moeten ondergaan; van den anderen kant, de eer, die er voor zijn hemelschen Vader, en het heil, dat er voor de menschen uit zal voortspruiten. Onze goddelijke Zaligmaker, M. Z., verkiest te lijden en te sterven voor de glorie van God en de zaligheid der menschen; doch de strijd, waarin Jezus verkeer, is niettemin zoo hevig, dat hij een doodstrijd genoemd en te recht genoemd mag worden, en dat hij onzen goddelijken Zaligmaker een bloedig zweet uit al zijne ledematen perst.
Was nu de toestand van onzen goddelijken Zaligmaker, die geen enkele zonde bedreven had, die, wijl Hij de Heiligheid zelve is, niet zondigen kan, was zijn toestand op het gezicht van den dood zoo pijnlijk en akelig; ik vraag het u, hoe pijnlijk en akelig moet dan de toestand van den mensch, vooral van den zondaar niet wezen, als hij, op het punt van de wereld te verlaten, den dood
1) Luc. xx:i, 43. 2) Luc. xxn, 44.
ziet naderen? Hoe verschrikkelijk moet de doodstrijd van den zondaar niet zijn?
Die zondaar, op zijn sterfbed uitgestrekt, wordt, volgens de uitdrukking van den Profeet David, eensklaps van alle rampen omgeven; Virum injustum mala capient in interitu. i) Geen rust of vrede voor dien zondaar, maar de grootste onrust en knaging van geweten.
Keert hij in zich zeiven, wat al zonden en misdaden bespeurt hij niet? Vroeger schenen hem die zonden gering en in klein getal; nu vertoonen zij zich in al hare afschuwelijkheid en talrijk. Die zonden en misdaden scharen zich als het ware, gelijk de H. Bernardus zegt, rondom zijn sterfbed, en zij roepen hem toe: Opera tua sumus, non te derelinquemusl Wij zijn uwe werken, wij verlaten u niet!
Keert hij in zich zeiven, en denkt hij na over de genaden, welke God hem bewezen heeft, over het goede, dat hij er mede had kunnen verrichten gedurende de jaren, die hij geleefd heeft; hij bemerkt, dat hij van die genaden misbruik gemaakt, dat hij er volstrekt niets goeds mede gedaan heeft voor den hemel, en \'t is alsof een inwendige stem hem toeriep; En nu, nu is er geen tijd meer; Tempus non erit amplius. 2) Er is geen tijd meer, om voor uwe ziel en zaligheid te zorgen; Jam enim non poteris villicare. 3) Wat zal die zondaar op zijn sterfbed, als hij met den dood worstelt, als hem het koud zweet van alle kanten uitbreekt, kunnen denken? Wat zal hij kunnen zeggen? Niets anders dan de verschrikkelijke woorden van de H. Schrift: Ik heb gedwaald, en ik heb mij schandelijk bedrogen! Ergo erravimus! 4)
Richt die zondaar zijne stervende oogen ten hemel.
1) Pe. cxx.tix, 12. 2) Apoc. x, 6. 3) Luc. xvi, 2. 4) Sap. v, 6.
â 134 â
wat ziet hij daar? Hij ziet een rechtvaardigen God, van wiens goed- en lankmoedigheid hij misbruik gemaakt, wiens heilzame vermaningen hij in den wind geslagen heeft. Hij ziet dat die rechtvaardige en beleedigde God den arm zijner wraak over hem uitgestrekt heeft, om hem te treffen. Zoo die zondaar, in den uitersten nood gedwongen, doch niet oprecht, den Heer zijnen God aanroept, God zal hem niet verhooren; Non exaudiam. l) God zoude hem, gelijk eertijds tot het volk van Israël, kunnen zeggen: Ubi simt dii tui? Waar zijn nu uwe goden, die gij u gemaakt hebt? Quos fecisti tibif Gij hebt u een god gemaakt van het geld en goed, dat gij onrechtvaardig verzameld en bezeten hebt; een god van de eer en glorie, die gij driftig nagejaagd hebt; een god van spijs en drank, die gij gulzig genoten hebt; een god van de vermaken en pleizieren, waarin gij u schandelijk verlustigd hebt; goden, die gij gezocht hebt in plaats van mij te zoeken; die gij bemind hebt in plaats van mij te beminnen; die gij gediend hebt in plaats van mij te dienen. Surgant! Ja, dat die goden zich nu oprichten en u verlossen uit den nood! Et liberent te in tempore afflictionis! 2) En wat zal die zondaar vol vertwijfeling, worstelende met den dood, dan kunnen denken? Wat zal hij met de stem van een wanhopende kunnen zeggen ? Ik heb gedwaald en ik heb mij schandelijk bedrogen ! Ergo erravimus!
Slaat die zondaar zijne stervende oogen ter aarde, wat ziet hij daar? Hij ziet, dat hij moet verlaten zijn geld en goed, zijn huis en zijne familie, zijne bloedverwanten en vrienden, de gezelschappen waarin, de personen met welke hij zoo veel kwaad gedaan heeft; en dat
1) Prov. 1, 2S. 2) Jer. 11, 28.
â 135 â
alles in den geest ziende, want de oogen des lichaams beginnen reeds te verduisteren, wat kan die zondaar, op zijn sterfbed uitgestrekt, denken? Wat kan hij met ge-brokene stem voor de laatste maal roepen ? Niets anders dan de verschrikkelijke woorden van de H. Schrift: Ik heb gedwaald, en ik heb mij schandelijk bedrogen! Ergo erravimtis !
M. Z., stelt u den stervenden zondaar voor oogen; hij verkeert reeds in doodstrijd; zijne krachten verminderen merkelijk, hij valt reeds van tijd tot tijd in bezwijming; zijne oogen draaien verwilderd rond, sluiten zich; zijne ademhaling gaat moeielijk, langzaam; zijne ledematen beginnen te verstijven, en een koud zweet overdekt reeds zijn bleek aangezicht; nog een oogenblik en het is met hem gedaan.
Intusschen komen de duivelen vol woede hem bespringen en van alle kanten benauwen. Ik zeg de duivelen, niet één, maar meer; het huis van den stervenden zondaar zal vol duivelen zijn, zegt de Profeet Isaïas: Reple-buntur domus eorum draconibus. l) Zij zullen vol woede zijn, wetende dat de tijd kort is, en die ongelukkige hun nog zoude kunnen ontsnappen, en van daar dat zij hem bespringen en van alle kanten benauwen. En ziet, de tijd van den zondaar eindigt, de eeuwigheid slaat, hij geeft zijn laatsten snik, hij sterft, hij is niet meer; en zijne ziel, zijn onsterfelijke ziel daalt met de duivelen neder in den afgrond der hel, om in dien poel van solfer en vuur, dag en nacht, in eeuwigheid gefolterd te worden: Crucia-buntur die ac node in saecula saeculorum. 2)
Ziedaar, M. Z., den doodstrijd, ziedaar den dood van den zondaar. Zijn zij niet in staat om ons allen, doch
1) Isaïas xin, 21. 2) Apoc. xx, 1.
â 136 â
vooral om den zondaar, die in staat van doodzonde leeft, te treffen? In denzelfden toestand verkeerende en met den dood bedreigd, kan hij elk oogenblik door den dood verrast, hetzelfde lot met dien ongelukkige moeten deelen.
Overwegen wij dus wel het akelige, het afgrijselijke van den doodstrijd des zondaars, om een afschuw van de zonde, die er de oorzaak van is, op te vatten, om er ons zorgvuldig voor te wachten, en om de bedrevene zonden uit te boeten.
Overwegen wij tevens den doodstrijd, waarin onze goddelijke Zaligmaker in den Olijfhof verkeert, waarin Hij water en bloed zweet, en dien Hij ondergaat uit liefde tot ons, en om onzen doodstrijd zoo min pijnlijk en akelig mogelijk te maken.
II.
Na dien hevigen doodstrijd doorgestaan en zijn gebed geëindigd te hebben, stond Jezus op, en Hij begaf zich naar zijne leerlingen; doch zonderlinge zaak. Hij vond hen slapende: Invenit eos dormientes. l)
Voorzeker, dat slapen zijner leerlingen moest onzen goddelijken Zaligmaker bedroeven. Van daar ook dat Hij hen aansprak, zeggende: Quid dor mit is f 2) Wat slaapt gij? Hebt gij dan geen uur met mij kunnen waken? Sic non potuistis tcna hora vigilare me cum? 3) \'t Schijnt alsof Jezus wilde zeggen: Maar hoe is het toch mogelijk, dat gij slaapt? Ziet eens, allen waken, en gij slaapt? Judas waakt, om mij over te leveren; de soldaten waken, om mij gevangen te nemen; de Pharizeën en Schriftgeleerden waken, om mij aan te klagen; de Opperpries-
1) Matth. xxvi, 40. 2) Luc. xni, 46. 3) Matth. xxvi. 40.
â 137 â
ter waakt, om mij te ondervragen; de beulen waken, om mij te mishandelen en te pijnigen; mijne vijanden waken, en gij, gij die mijne leerlingen, mijne Apostelen zijt, gij durft slapen, en dat in dit oogenblik; want ziet eens, het uur nadert dat de Zoon des menschen in de handen der zondaren zal overgeleverd worden; staat op! zegt Jezus daarop vol moed, sur gite! Laten wij gaan! Eamus! l)
De Apostelen, M. Z., waren, alhoewel niet grootelijks, nochtans aan hunne plichten te kort gebleven. Jezus had hun bevolen van te waken en te bidden: Vigilate et orate, 2) en zij doen noch het een, noch het ander, zij slapen.
Hoevelen worden er hedendaags onder de Christenen niet aangetroffen, M. Z., die in een zedelijken zin de Apostelen navolgen, en die, wat erger is, grootelijks misdoen ? \'t Zijn de trage en nalatige Christenen, die het werk hunner zaligheid verwaarloozen; die voor alles, uitgenomen voor het eenige noodzakelijke, namelijk, voor hunne ziel zorgen; die, als zij, bijv., het ongeluk gehad hebben van in doodzonde te vallen, zonder acht te slaan aan welk groot gevaar zij blootgesteld zijn, onbekommerd voortleven, alsof hunne ziel en zaligheid niet het minste gevaar liepen. Dergelijke Christenen slapen, alhoewel onze goddelijke Zaligmaker hen dikwijls vermaand heeft van te waken, van uit hunne traag- en nalatigheid op te staan, van zorg te dragen voor hunne ziel en zaligheid, alhoewel Jezus hen dikwijls vermaand heeft van te bidden.
Doch, M. Z., er is vooral eene soort van personen, waarop de berisping valt, welke Jezus eertijds zijnen
1) Matth. xxvi, 46. 2) Matth. xxvi, 41.
â 138 â
leerlingen deed, toen Hij hen slapende vond. Die personen zijn de plichtvergetene ouders en oversten. Ja, zij slapen, en zij hebben reeds lang geslapen, de ouders, die verwaarloozen hunne kinderen in de vreeze des Hee-ren op te voeden; die hunne kinderen laten leven in eene schuldige onwetendheid van de christelijke leering of van den catechismus; die hunne kinderen de manieren der bedorvene wereld laten volgen. Die ouders, die vaders en moeders vooral slapen, die geen waakzaam oog houden op hunne kinderen, als zij reeds grooter worden; die hen maar laten loopen, alsof zij niet eenmaal eene strenge rekenschap van hunne kinderen zullen moeten afleggen. Die vaders en moeders slapen, die hunne kinderen, vooral hunne jonge dochters, laten omgaan met ongelijke personen, laten verkeeren bij dag en bij nacht, aan hoeken en kanten tot hun eigen ongeluk, tot het ongeluk hunner kinderen, tot ergernis der menschen, die het weten, zien en er reeds over spreken.
Zij slapen en hebben misschien reeds lang geslapen, de oversten, die geen waakzaam oog houden op het gedrag hunner dienstboden; die hen niet vermanen als zij aan hunne plichten te kort blijven; die hen niet berispen als zij, bijv., vloeken, zedenkwetsende taal voeren, te laat t\' huis komen, enz.
Wat moet men tot dergelijke slapers zeggen? Juist hetgeen onze goddelijke Zaligmaker eertijds tot zijne Apostelen zeide; Surgite! staat op! laten wij gaan! eamtis! Gij hebt lang genoeg geslapen, lang genoeg het werk uwer zaligheid verwaarloosd; gij hebt lang genoeg uwe plichten verzuimd. Op dus! het uur is daar, het uur van uit den slaap op te staan! Hora est jam nos â de somno surgere! i) \'t Wordt tijd, hoog tijd voor velen.
1) Bom. xin, 11.
â 139 â
Waarom? Wel, de dood nadert, de eeuwigheid, de nacht, waarin niemand meer voor zijne ziel en zaligheid zal kunnen werken: Op dus en aan het werk! Sur gite, eamus! l)
III.
Terwijl Jezus zijnen Apostelen zeide; Staat openlaten wij gaan, voegde Hij er tevens bij: Ziet, die mij overleveren zal, is nabij: Ecce, qui me tradet, prope est. 2)
En inderdaad, M. Z., op kleinen afstand naderde Judas aan het hoofd eener gewapende bende soldaten. Judas had den soldaten een teeken gegeven. Dien ik omhelzen zal, had hij gezegd, die is het, grijpt Hem vast en leidt Hem voorzichtig. Judas ging daarop eenige stappen vooruit, en bij Jezus komende zeide hij: Wees gegroet Meester! Ave Rabbi! En hij omhelsde Hem: Et osculattis est Eum. 3)
Bijaldien de geveinsdheid ooit ver gedreven is, of ver gedreven kan worden, dan is het voorzeker hier het geval. Hoe dat? Judas nadert Jezus; hij behandelt Hem uitwendig alsof hij zijn grootste vriend ware. Hij groet Hem: Wees gegroet Meester, hij omhelst Hem; en inwendig heeft Judas een wrok, een haat tegen Jezus, en dien wrok, dien haat heeft hij tegen Hem reeds over lang gevoed; hier oefent hij hem voor goed op Jezus uit, want hij levert Hem over aan zijne verbitterdste vijanden.
Die trouwelooze Apostel, die veinzaard, dat monster van ondankbaarheid verdiende voorzeker op staanden voet met den dood gestraft en neder geworpen te worden in den afgrond der hel. Maar neen, onze goddelijke Zalig-
1) Matth. xxvi, 46. 2) Mare. xiv. 42. 3) Matth. XXVI, 49.
â I40 â
maker zal nog eene laatste poging doen; vroeger heeft Hij reeds alles in het werk gesteld, om Judas tot inkeer te brengen; Hij heeft zich in het laatste avondmaal voor Judas op de knieën neder geworpen en hem de voeten gewasschen; hier zal Jezus eene laatste poging doen; zoo Judas er niet aan beantwoordt, dan zal hij door zijn eigene schuld verloren gaan. Vriend! zegt Jezus: Amice t Welk een woord door Jezus tot Judas, wiens inzichten Hij kende, gesproken ! Vriend! Waartoe zijt gij gekomen ? Ad quid venisii? i) Verraadt gij den Zoon des menschen door eenen kus? Osculo Fillium Jiominis tradis? Jezus doet nog meer, niet één maar twee wonderen, om Judas te bekeeren. Hij laat de soldaten door een enkel woord plat ter aarde nedervallen; Hij geneest, door het oor-enkel aan te raken, den gewonden Malchus. Niets te doen. Judas, die zoo lang in zonden geleefd heeft, die zoo lang aan de uitnoodigingen ter bekeering wederstaan heeft. Judas volhardt in zijne boosheid, en hij vergaat, gelijk wij verder zullen zien, in de zonde.
Hoe velen, M. Z., vindt men er niet in onze droevige tijden, die den ongelukkigen Judas navolgen ? Hoe velen, die een zondig en schandelijk leven leiden ? die alle vermaningen van Paus, Bisschop en Priester in den wind slaan, er mede lachen en spotten? die de H. Kerk en hare dienaren lasteren en vervolgen? die op den boord der eeuwigheid, op het punt van te sterven, den Priester nog verstooten, niets van hem willen weten, en die zóó sterven en moeten verschijnen voor den rechterstoel van God?
Ach! M. Z., bijaldien ik de droevige, de ergerende gevallen overdenk, die in onze ongelukkige tijden, helaasL
1) Matth. xxvi, 50.
â hi â
plaats grijpen en immer toenemen, dan begrijp ik eenigs-zins dat de H. Vincentius Ferrerius heeft kunnen schrijven: Majus miraculum est: \'t Is een grooter wonder, quad male viventes faciant bonum finent, dat zij, die slecht leven goed eindigen, dan dooden te verwekken, quam suscitare mortuos. O, de goede God beware ons toch voor een slecht einde, voor den dood van den zondaar, en daarom herhaal ik nog ten slotte:
SLUITREDE.
Denken wij dikwijls aan het uiterste van den stervenden zondaar, aan den akeligen toestand, waarin hij zich op zijn sterfbed zal bevinden; denken wij dikwijls aan den doodstrijd, waarin hij zal verkeeren, aan het. Ergo erravimus: Ik heb gedwaald, ik heb mij schandelijk bedrogen, dat hij, zoo niet met woorden, dan toch inwendig zal moeten bekennen. Ja, M. Z., denken wij met ernst goed na over die groote waarheid.
Zouden wij in den dienst van God, in het onderhouden zijner geboden en van de geboden der H. Kerk, in het volbrengen onzer plichten te traag, te nalatig geweest zijn; en bijgevolg, zouden wij het groot werk, het zaligmaken onzer eenige onsterfelijke ziel verwaarloosd hebben, dan moeten wij opstaan uit onze traag-en nalatigheid; wij moeten zoo goed mogelijk het verledene herstellen en voor de toekomst beginnen te zorgen: waken over ons zelvo:n , waken over degenen, die ons toevertrouwd of over welke wij aangesteld zijn, over onze kinderen, over onze onderdanen; vervolgens bidden, bidden voor elkander, om de goede voornemens, welke men maakt ten uitvoer te brengen, in het goede altijd voort te gaan en te volharden tot het einde toe.
142 â
O, M. Z., dan zullen wij niet te vreezen hebben voor een rampzalig einde, zooals dat van Judas en van zoo vele ongelukkigen, die hem navolgen. Integendeel, wij zullen heilig leven, wij zullen zalig sterven, want er staat geschrevenDie volhard zal hebben tot het einde toe, die zal zalig worden: Qui autem per sever aver it usque in finem, hie salvus erit. i) Amen.
1) Matth. x 22.
DERDE MEDITATIE.
Negavit cum juramento: Quia non novi hominem.
Hij loochende met eed: Ik ken den mensch niet. (Matth. xxvi, 72.)
INHOUD.
VOORREDE.
Judas heeft Jezus verkocht en eene bende soldaten bekomen. â â Hij stelt zich aan het hoofd dier bende om Jezus gevangen te nemen. â⢠Hij brengt de soldaten op de plaats, waar Jezus zich bevindt. â Hij groet, omhelst en levert Jezus over. â Eerste vraag van Jezus: VVien zoekt gij ? Antwoord: Jezus van Nazareth. -â- Jezus zegt: Ik ben het. â De soldaten vallen achterover ter aarde neder. â Tweede vraag: Wien zoekt gij? Antwoord: Jezus van Nazareth. â Jezus zegt; Ik heb u reeds gezegd dat ik het ben. â De soldaten slaan hunne handen aan onzen goddelijken Zaligmaker, boeien en sleuren Hem naar Jeruzalem.
I. Jezus door Caïphas ondervraagd;
II. Jezus door Petrus verloochend;
III. Petrus, door Jezus aanschouwd, bekeert zich.
â 144 â
I.
Mishandelingen door Jezus onder weg uitgestaan. â Aankomst te Jeruzalem. â De soldaten brengen Jezus, eerst naar Annas, vervolgens naar Caïphas, bij wien de raad vergaderd was. â Caïphas ondervraagt Jezus over zijne leerlingen en zijne leering. â Jezus zwijgt van zijne leerlingen, doch Hij antwoordt rechtuit aangaande zijne leering. â Jezus wordt op zijn vrijmoedig antwoord in het aangezicht geslagen, zoodat het bloed Hem uit den mond loopt. â- Jezus vraagt den dienaar, waarin Hij misdaan heeft. â Door te zwijgen van zijne leerlingen geeft Jezus ons eene schoone les, namelijk, van nooit kwaad te spreken. â Die zonde is algemeen. â Zij strijdt tegen de liefde, tegen de rechtvaardigheid. â Verplichting van zijn woord te herroepen, de oneer te herstellen. â Jezus beschouwt het ongelijk onzen even-.mensch aangedaan, als Hem aangedaan.
n.
Petrus, na gevlucht te zijn, komt terug. â Hij volgt Jezus, komt te Jeruzalem aan het paleis van Caïphas, in het voorhof. â Onvoorzichtigheid van Petrus van zich zonder reden te voegen bij de vijanden van Jezus. â Drievoudige verloochening. â Petrus valt telkens dieper. â Hoe is het mogelijk, dat Petrus zoo diep gevallen is? â De voornaamste reden is, omdat hij het gevaar niet gevlucht, de gelegenheid niet vermeden heeft. â Zoo gaat het ook met den zondaar. â Hoe wordt men een vloeker, een dronkaard, een onkuischaard ? â Die het gevaar bemint, zal er in vergaan.
m.
Jezus aanschouwt Petrus. â Petrus wordt indachtig
- 145 â
wat hij gedaan heeft. â Hij herinnert zich de voorzegging van Jezus. â Hij gaat naar buiten en weent bitter. â Jezus is meer bezorgd voor Petrus dan voor zich zeiven. â Welke goedheid en barmhartigheid in onzen goddelijken Zaligmaker! â Gelukkig, dat Petrus aan den oogslag van Jezus beantwoord heeft.
SLUITREDE.
Wij zijn ook aan Gods goedheid en barmhartigheid verschuldigd van reeds niet over lang verloren te zijn gegaan. â Wij moeten ons ook herinneren wat men ons voorzegd heeft. â Verlaten wij ook de gevaren en gelegenheden van zonde. â Beweenen wij onze zonden. â Die tranen van leedwezen zullen ons bewaren voor verderen val, en wij zullen vergiffenis, kwijtschelding en eene schoone belooning hiernamaals bekomen.
DERDE MEDITATIE.
Negavü cum juramento: Quia non novi hominem.
Hij loochende \'met eed: Ik ken den mensch niet. (Matth. ixvi, 72J
VOORREDE.
Judas, de ondankbare en trouwelooze Apostel, had zijn goddelijken Meester voor dertig zilverlingen verkocht. Hij had op zich genomen van Jezus in de handen zijner vijanden over te leveren. Te dien einde hadden de Priesters hem eene bende soldaten bezorgd. De soldaten waren gewapend met stokken en zwaarden, voorzien van
I. 10.
â 146 â
fakkels en lantaarnen. Judas had zich aan het hoofd dier bende soldaten gesteld. Hij zoude hen brengen op de plaats, waar Jezus zich bevond; ja, wat meer is, hij in persoon zoude Jezus in hunne handen overleveren. Judas begeeft zich dus met de soldaten naar den Olijfhof, waar Jezus gewoon was te gaan bidden.
Onze goddelijke Zaligmaker, wien niets van alles wat Judas tegen Hem smeedde, verborgen was, ging den trouweloozen Apostel en de soldaten tegemoet. Zoodra nu Judas onzen goddelijken Zaligmaker gegroet, omhelsd en op die wijze verraden had, gelijk Hij voorzegd had, naderde Jezus de soldaten, en Hij vroeg hun; Wien zoekt gij? Quem guaeritis? Zij antwoordden: Jezus van Nazareth: Jesum Nazaraenum. l) Jezus antwoordt: Ik ben hett Ego sum! En ziet, eensklaps vallen de soldaten achterover op den grond neder. Wat zouden bijgevolg die soldaten onzen goddelijken Zaligmaker gedaan hebben, zij, die enkel op het hooren dier woorden: Ego stem: Ik ben het, reeds achterover op den grond nedervallen ? De soldaten moesten voorzeker, door hetgeen Jezus hier deed getroffen, tot inkeer zijn gekomen; doch evenals hun aanvoerder Judas, zijn ook zij verblind en versteend.
Onze goddelijke Zaligmaker vraagt nu voor de tweede maal: Wien zoekt gij ? En de soldaten antwoorden wederom: Jezus van Nazareth. Ik heb u reeds gezegd, antwoordt Jezus, dat ik het ben; zoo gij mij dus zoekt, zoo laat deze, zijne Apostelen bedoelende, ongehinderd gaan. Als ik dagelijks bij u in den tempel was, voegde Jezus er bij, dan hebt gij mij niet gevangen genomen, doch dit is uw uur en de macht der duisternissen. Daarop laat Jezus toe dat zij zich van hem meester maken.
1) Joan, xvin, 4-5.
â 147 â
De soldaten slaan hunne handen aan onzen goddelijken Zaligmaker; zij boeien Hem, alsof Hij een groote booswicht ware, en sleuren Hem in triomf naar Jeruzalem.
Overwegen wij vandaag, wat er te Jeruzalem bij Annas en bijzonder wat er voor de rechtbank van Caïphas plaats had.
Wij zullen dus de drie volgende punten onderzoeken:
I. Jezus bij Caïphas in het aangezicht geslagen;
II. Petrus loochent Jezus te kennen;
III. Petrus bekeert zich.
I.
Dat onze goddelijke Zaligmaker op weg van den Olijfhof naar Jeruzalem de grootste mishandelingen ondergaan heeft, laat zich gemakkelijk begrijpen.
De soldaten komen dan eindelijk met den vermoeiden Jezus in de stad aan. Eerst brengen zij Hem volgens afspraak naar Annas, den schoonvader van Caïphas. Dien grijsaard wilde men op de eerste plaats het genoegen verschaffen, van Jezus gevangen te zien. Zoodra Annas eenigen tijd zijn wraakzuchtig hart voldaan en den diep vernederden Zaligmaker uitgelachen en bespot had, zond hij Hem naar Caïphas, die dat jaar het ambt van Opperpriester bekleedde, en bij wien de Priesters, de Schriftgeleerden en Ouderlingen des volks vergaderd waren. Bij Caïphas aangekomen, begint terstond het verhoor.
De Opperpriester ondervraagt Jezus over zijne leerlingen en zijne leering. Wat zijne leerlingen betreft, Jezus zegt van zijne leerlingen niets. Hij zwijgt; doch wat zijne leering betreft, Jezus antwoordt vrijmoedig: Ik heb, zoo antwoordt Jezus, in het openbaar in de wereld ge-
â 148 â
sproken ; ik heb altijd geleerd in de Synagoge en in den tempel, waarin de Joden te zamen komen, en in het verborgen heb ik niets gezegd; Wat ondervraagt gij mij ? Ondervraag degenen, die mij gehoord hebben, die weten wat ik gezegd heb.
Uit deze woorden blijkt, M. Z., dat onze goddelijke Zaligmaker recht voor zijne leering uitkwam, waardoor Hij volstrekt niet aan den eerbied, den Opperpriester verschuldigd, te kort bleef; doch zoo dacht men er niet over in de joodsche vergadering, die overigens reeds zoo zeer tegen onzen goddelijken Zaligmaker ingenomen was; want luistert, wat er plaats greep.
Een der dienaren liet zich voorstaan, dat Jezus, door zoo te antwoorden, den Opperpriester beleedigd had. Hij eigent zich het recht toe van onzen goddelijken Zaligmaker op staanden voet daarvoor te straffen, en. hij geeft Hem uit al zijne kracht een geweldigen kaakslag, terwijl hij Jezus toesnauwt: Antwoordt gij zoo den Opperpriester? Sic respondes Pontijici? 1) Welk eene verschrikkelijke, hemeltergende misdaad, waaraan de dienaar zich plichtig maakt! Hij slaat den Zoon Gods in zijn aanbiddelijk aangezicht, aangezicht, dat gelijk, de Apostel Petrus zegt, de Engelen zoo zeer verlangen te aanschouwen: In quem desiderant Angeli prospicere; 2) en die kaakslag, M. Z., was zoo geweldig, dat Jezus het bloed uit den mond liep. Voorzeker, onze goddelijke Zaligmaker kon dien booswicht oogenblikkelijk straffen. De Engelen snelden reeds toe, om de oneer, hunnen Koning aangedaan, te wreken. Maar neen, Jezus houdt zijne Engelen tegen. Hij straft niet. Om te toonen nochtans, dat Hij volstrekt niets misdaan heeft tegen den Opperpriester,
1) Joan. XVIII, 22. 2) Petr. I, 12.
â 149 â
vraagt Jezus: Bijaldien ik kwalijk gesproken heb, geef dan bewijs van het kwaad: Si male locutus sum, testimonmm perhibe de malo: doch heb ik wel gesproken, waarom slaat gij mij? Si autem bene, quid me ccedis? i)
Ziedaar, M. Z., eenige mishandelingen, welke onzen goddelijken Zaligmaker bij Caïphas werden aangedaan. Doch zien wij eens wat meer van nabij, welke zedenles wij uit het gedrag van Jezus moeten trekken.
Caïphas, gelijk wij gezien hebben, had Jezus ondervraagd over zijne leerlingen. Onze goddelijke Zaligmaker had kunnen antwoorden, dat zijne leerlingen zich slecht gedragen hadden; dat zij aan zijne gunsten en weldaden geenszins beantwoord hadden. Hij had kunnen zeggen, dat Judas, die Hem overgeleverd had, een verrader; dat Petrus, die Hem loochent te kennen, een trouwelooze was, en dat de overige Apostelen, die Hem verlaten hadden, zich laf hadden gedragen. Zoo had Jezus, zonder in het minste tegen iemand te misdoen, kunnen antwoorden; want die zaken waren publiek, iedereen bekend. Jezus, gelijk gij dus ziet, had redenen genoeg om zich over zijne leerlingen te beklagen, en Hij mocht er zich over beklagen. Doet Hij het ook? Neen, M. Z., maar Hij zwijgt van zijne leerlingen.
Welk eene schoone les, die onze goddelijke Zaligmaker ons hier geeft! En welke les ? Les van nooit kwaad van onzen evenmensch te spreken. En nochtans, welke zonde is algemeener dan de zonde van kwaadspreken ? Men treft personen aan, die schier nooit met iemand in gesprek kunnen komen, of de een of andere moet er aan, zooals men dit noemt. Men vertelt zaken, die grootelijks strijden tegen de eer en faam van den evennaaste, en die men zeer goed weet
1) Joan, xvm, 23.
â ijo â
valsch te zijn. Men vertelt zaken, die onbekend zijn en onbekend moesten blijven; men vergroot de kleine fouten en gebreken; het goede zelfs, dat iemand doet, wordt slecht uitgelegd, en men heeft allerlei soort van manieren, allerlei soort van uitdrukkingen, om op eene behendige, listige wijze als die van de slang zijnen evenmensch te steken, om hem in zijne eer en faam te benadeelen. Weet gij wel, M. Z., dat men door kwaad te spreken groo-telijks kan zondigen? Door kwaad te spreken zondigt men tegen de liefde; want \'t is doorgaans uit haat, nijd of af keerigheid, dat men kwaadspreekt, het kwaad ontdekt, vergroot of het goede slecht uitlegt. Men zondigt tegen de rechtvaardigheid; want de evenmensch heeft recht op zijne eer en faam, waarin hij benadeeld wordt, en de eer en faam zijn meer waard dan geld of goed. De kwaadspreker is dus verplicht zijn woord te herroepen, of op een andere wijze het ongelijk, zijnen evenmensch aangedaan, te herstellen. En nochtans, waarvan hoort men minder spreken dan van woordherroeping, dan van eerherstel? Te recht zegt bijgevolg de Apostel Paulus, dat de kwaadsprekers hatelijk zijn in de oogen van God: Detractores Deo odibiles. i)
Om ons dus aan de zonde van kwaadspreken niet plichtig te maken en den haat van God niet in te loo-pen, luisteren wij naar den raad , welken de Apostel Jacobus ons geeft, als hij zegt; Nolite detrahere alt er u-truni fraires: 2) Mijne broeders; wilt geen kwaad van elkander spreken. Zouden wij het een of ander van onzen evenmensch weten, dat minder prijsbaar, minder loffelijk voor hem is, verbergen wij het onder den dekmantel der liefde; volgen wij onzen goddelijken Zalig-
1) Bom. I, 30. 2] Jac. IV, 11.
â i5i â
maker na, die zweeg van de misdaden, de fouten en gebreken zijner Apostelen. En om nog meer aangezet te worden om het voorbeeld van Jezus na te volgen, weten wij wel, dat onze goddelijke Zaligmaker het ongelijk, de oneer, onzen evenmensch aangedaan, zal beschouwen als Hem aangedaan, en dat wij bijgevolg in zekere mate den goddeloozen dienaar navolgen, die Jezus in het aangezicht sloeg. Wat zegt onze goddelijke Zaligmaker in het Evangelie? Al wat gij den geringste der mijnen gedaan hebt, hebt gij aan mij gedaan. Mihi fecistis. l) Als wij dus kwaad van onzen evenmensch spreken, hem be-leedigen, dan zegt Jezus ons als het ware: Wat spreekt gij kwaad van mij? Wat beleedigt gij mij? En wij, M. Z., wij zouden, evenals eertijds Saulus, Jezus moeten vragen: Heer! wat wilt gij dat ik doe? Domine! quid me vis facere f 2) En onze goddelijke Zaligmaker zoude antwoorden: Volgt mij na, spreekt nooit kwaad van uwen evenmensch en zwijgt van zijne fouten en gebreken.
n.
Terwijl onze goddelijke Zaligmaker bij Caïphas over zijne leerlingen en zijne leering ondervraagd en mishandeld werd, zien wij eens wat er in het voorhof van den Opperpriester plaats had.
Petrus, die eerst met de andere Apostelen gevlucht was, kwam eindelijk op zijne schreden terug; hij volgde Jezus en de soldaten van verre naar Jerusalem. In de stad aangekomen waagde hij het zelfs naar het huis van Caïphas te gaan, om te vernemen, hoe het met zijn goddelijken Meester zoude afloopen. Door bemiddeling
1] Matth. XXV, 40. 2] Act. IV, 6.
â 152 â
van den een of anderen persoon kwam hij tot in het voorhof van den Opperpriester; daar voegde hij zich bij de overige dienaren en soldaten, en hij warmde zich bij een kolenvuur, wijl het koud was.
Welk een onvoorzichtigheid van Petrus! Aan welk gevaar stelt hij zich daar niet bloot! Zich zonder reden voegen bij de dienaren, bij de dienstmeiden, bij de soldaten, bij de vijanden van Jezus, enkel om zijne nieuwsgierigheid te voldoen! Ook wordt hij weldra opgemerkt.
Terwijl Petrus zich onder het overige volk bij het vuur zat te warmen, naderde hem eene dienstmeid des Opperpriesters, die de deur bewaarde. Zij zag Petrus goed in het aangezicht en zeide; Gij waart ook bij Jezus den Galileër. Petrus ontkent het en zegt: Ik ken hem niet. Daarop ging hij uit, en de haan kraaide.
Toen Petrus naar buiten ging, zag hem een andere dienstmeid, die tot de omstanders zeide: Deze was ook bij Jezus van Nazareth. Petrus loochent het opnieuw, en ditmaal met eed, zeggende: Ik ken dien mensch niet. Hij durft den naam van zijn goddelijken Meester niet eens meer uitspreken.
Eenigen tijd daarna zeiden degenen, die met hem bij het vuur stonden en hem hoorden spreken: Inderdaad, gij zijt ook een van zijne leerlingen, want gij zijt een Galileër, uwe spraak verraadt u. Een bloedverwant van Malchus, dien Petrus het oor afgehouwen had bij de gevangenneming van Jezus, hem met aandacht beziende, zeide: Heb ik u dan niet bij Hem in den hof gezien? Op het hooren dier woorden begon Petrus te vloeken en te zweren, dat hij volstrekt geene kennis aan dien mensch had, en de haan kraaide voor de tweede maal.
Zoo dikwijls men, M. Z., deze droevige geschiedenis leest of hoort, vraagt men zich onwillekeurig af: Maar
- 153 â
hoe is het toch mogelijk, dat Petrus zoo diep gevallen is? Hoe dan Petrus ! gij, door Jezus tot Apostel gekozen, die zoo lang met Hem omgegaan hebt, die Hem zoo vele wonderen hebt zien verrichten, die plechtig beloofd hebt van Hem getrouw te zullen blijven tot den dood toe, die nog maar eenige uren geleden uw zwaard voor Hem getrokken hebt; gij kent dien Jezus niet meer, die u in het laatste avondmaal de voeten gewasschen. Priester aangesteld, met zijn goddelijk vleesch gespijsd, met zijn goddelijk bloed gedrenkt heeft ? Gij durft zeggen, dat gij dien Jezus niet kent, en dat durft gij met eed onder vloeken en verwenschingen bevestigen? M. Z., ik herhaal het; wanneer men dat alles nauwkeurig nagaat, dan vraagt men zich onwillekeurig af: Maar hoe is het toch mogelijk, dat Petrus zoo diep en telkens dieper gevallen is ? De voornaamste reden van Petrus\' val is geweest de onvoorzichtigheid, en wijl hij het gevaar, de gelegenheid niet gevlucht heeft. Neen, Petrus was niet voorzichtig genoeg; zijn val was hem voorzegd. En wat had hij te doen onder de vijanden van zijn goddelijken Meester? Hij is daar enkel uit nieuwsgierigheid, om te zien hoe de zaken zouden afloo-pen: Ut videret finem. i) Dat was geene reden. Petrus is gevallen, hij heeft Jezus verloochend, omdat hij niet heeft willen vluchten, zegt de H. Joannes Chrysostomus: Petrus, quia fugere noluit abnegavit.
Ziedaar tevens de voornaamste reden, waarom zoo menig Christen in zonde valt, van de eene zonde in de andere, de eene al grooter dan de andere. Men is niet voorzichtig genoeg. Men vlucht de gevaren en gelegenheden van zonde niet. Men heeft mooi vermanen en waarschuwen van voorzichtig te zijn en te vluchten; \'t kan helaas !
1] Matth. xxvi, 58.
â 154 â
bij menigeen maar al te dikwijls niet baten; en ziedaar, hoe de mensch tot val en tot dieperen val komt.
Maar is het niet de dagelijksche ondervinding die zulks leert? Zegt mij eens: Waarom is die persoon een vloeker en godslasteraar geworden ? Om den omgang met personen, die vloeken en lasteren.
Waarom is een tweede een dronkaard geworden ? Doorgaans, om den omgang met kroeg- en herbergsmannen.
Waarom is een derde een vuilspreker geworden? Om den omgang met zijns gelijken.
Waarom is die jongeling, waarom is die jonge dochter zoo zeer veranderd? Nog maar een weinig tijds geleden, kenden zij bijna de schandelijke ondeugd niet. Hij, zij vooral, werd reeds schaamrood bij het hooren van den naam alleen. De engelachtige deugd van zuiverheid maakte hun schoonste sieraad uit. En nu, nu is het vooral aan die schandelijke zonde dat zij zich plichtig maken; nu schaamt hij, nu schaamt ook zij zich over niets meer; zij hebben alle schaamte verloren, zij zijn reeds met het teeken der schandelijke ondeugd gebrandmerkt. Van waar die noodlottige verandering? Omdat zij niet voorzichtig zijn geweest en het gevaar niet gevlucht, de gelegenheid niet vermeden hebben; dat huis, bijv., dat gezelschap of dien persoon. Ziedaar de reden van den val, de oorzaak van hun ongeluk. De H. Geest, de Geest der waarheid, zegt het uitdrukkelijk: Die het gevaar bemint, zal er in vergaan: Qtii amat periculum, in Ulo peribit. i)
Gelukkig nochtans, M. Z., de zondaar, die, na Petrus in den val nagevolgd te hebben, hem navolgt in de bekeering. Zien wij dus in \'t kort hoe Petrus opstaat en
1) Eccli ra, 27.
â 155 --
zich quot;bekeert. Hier schijnt vooral de barmhartigheid van Jezus uit.
m.
Nadat Petrus tot driemaal toe zijn goddelijken Meester verloochend had, gebeurde het, dat Jezus, waarschijnlijk van de eene plaats naar de andere overgebracht, in \'t voorbijgaan zijnen Apostel aanschouwde. Ja, Jezus wierp een medelijdenden blik op Petrus. Die blik trof niet zoo zeer de lichamelijke oogen, dan wel de oogen der ziel van den Apostel. Deze, door de genade inwendig verlicht en bewogen, ziet in wat hij gedaan heeft. Hij wordt tevens indachtig, wat Jezus hem voorzegd had, namelijk, dat alvorens de haan tweemaal zoude kraaien, hij zijn goddelijken Meester driemaal zoude verloochenen. Petrus gaat naar buiten en begint bitter te weenen.
Wat al goedheid! Wat al barmhartigheid van Jezus voor Petrus! Te midden der mishandelingen, welke Hem worden aangedaan, vergeet Hij zijnen Apostel niet, al is het ook, dat deze zijn goddelijken Meester tot driemaal toe komt te verloochenen. Hij is meer bezorgd voor Petrus dan voor zich zeiven. Hij heeft meer medelijden met Petrus dan met zich zeiven.
Voorzeker, \'t is aan den oogslag vol medelijden van Jezus, dat Petrus op de eerste plaats zijne bekeering te danken heeft. Gelukkig ook dat Petrus aan den oogslag van Jezus beantwoordde; zoo niet had hij wellicht den ongelukkigen Judas nagevolgd. Op den oogslag van Jezus wordt hij indachtig, wat zijn goddelijke Meester hem voorzegd heeft; hij gaat terstond naar buiten en verlaat het gevaar, waaraan hij zich roekeloos heeft blootgesteld-Hij begint bitter te weenen, niet zoo zeer uit vrees voor de straffen, dan wel uit liefde tot zijnen Meester, dien hij
â 156 â
zoo grootelijks beleedigd heeft. Petrus begreep op dat oogenblik welk eene ramp, en hoe bitter het is, zijnen Heer en God verlaten te hebben; daarom weent hij bitter, en hij heeft zijne zonden beweend het overige zijns levens.
SLUITREDE.
\'t Is aan den oogslag van Jezus, gelijk ik reeds gezegd heb, dat Petrus zijne bekeering te danken heeft. Wij ook, M. Z., hebben aan dergelijken oogslag te danken, dat wij reeds niet over lang zijn omgekomen, verloren zijn gegaan: Misericordice Domini quia non sumus consumpti. i) Wij moeten er dus ook aan beantwoorden, zooals Petrus deed.
Herinneren wij ons ook eens wat ons voorzegd is geworden van wege denzelfden Jezus, door den mond van zijne dienaren, van den biechtvader, van den predikant. Zij hebben ons ook den val voorzegd. Zoodra gij u aan dat gevaar blootstelt, zoo dikwijls gij u in die gelegenheid begeeft, zult gij vallen, in groote en telkens in grootere zonden vallen. Die voorzegging is bewaarheid.
Verlaten wij dus ook de gevaren en naaste gelegenheden van zonde; de plaatsen waarop, de gezelschappen waarin, de personen met welke wij gezondigd hebben.
Beweenen wij ook onze zonden, vooral de zonde van kwaadspreken, die wij bedreven hebben; niet zoo zeer uit vrees voor de straffen, die wij er door verdiend hebben, dan wel uit liefde tot onzen goddelijken Zaligmaker, tegen wiens oneindige goedheid zij gedaan zijn.
Doen wij er boetvaardigheid over naar het voorbeeld van Petrus; niet voor korten tijd, maar gansch ons leven.
1) Thr. m, 22.
â iS7 â
Die tranen van leedwezen en die boetvaardigheid zullen ons bewaren voor verderen val; wij zullen er ook nog door bekomen vergiffenis der zonden, kwijtschelding der tijdelijke straffen, en eindelijk eene schoone belooning in â¢den hemel. Amen.
HM#
VIERDE MEDITATIE.
Ahiens laqueo se suspendit.
Judas ging heen en verhing zich in een-strop. (Matth. xxvii, 5.)
INHOUD.
VOORREDE.
Jezus voor de rechtbank van Caïphas wordt ondervraagd over zijne leerlingen en zijne leering. â Op de eerste vraag antwoordt Jezus niet. â Waarom niet? â Voor zijne leering komt Hij recht uit en beroept zich op zijne toehoorders. â Kaakslag. â Beleediging Jezus door Petrus aangedaan. â Jezus heeft medelijden met Petrus. â Gelukkig dat Petrus aan den genadevollen oogslag van Jezus beantwoordt.
I. Jezus belijdt, dat Hij de Zoon Gods is;
II. Jezus den ganschen nacht mishandeld;
III. Judas verhangt zich.
I.
Schijn van rechtbank bij Caïphas. â De getuigen worden ondervraagd en gehoord, zij komen niet overeen, doch spreken elkander tegen. â Beschuldiging van tempelschending. â Jezus zwijgt. â Caïphas snauwt Jezus
â 159 -
toe. â Hij bezweert Hem bij den levenden God van te zeggen of Hij de Christus, de Zoon Gods is. â Nu spreekt Jezus. â De eer van zijn henielschen Vader vordert zulks. â Hij wordt als godslasteraar ter dood veroordeeld. â Zonderlinge rechtbank. â Echte type van zoo vele hedendaagsche rechtbanken. â Jezus leert ons zwijgen en spreken. â Wanneer moeten wij zwijgen ?
â \'t Moet een goed woord zijn dat zwijgen verbetert.
â Men moet spreken als de eer van God en het welzijn van den evenmensch het vorderen. â De ouders en oversten moeten spreken. â Wanneer? âInsgelijks de geestelijke oversten. â Men moet zich niet tegen hunne vermaningen verzetten of die ten kwade duiden. â Alle Katholieken moeten hedendaags spreken: Ik ben Katholiek! â Ik ben vader, moeder, en ik zal voor mijne kinderen zorgen! â Jezus zal zich dan niet over ons schamen, maar ons belijden voor zijn hemelschen Vader in den laatsten dag des oordeels.
II.
Jezus wordt ter dood veroordeeld. â De raadsleden gaan naar huis, om zich ter rust te begeven. â Jezus wordt ter bewaring overgegeven aan de soldaten, die Hem den ganschen nacht mishandelen, in het aangezicht spuwen, blinddoeken, slaan, het haar uittrekken en Hem bespotten. â Woorden van den H. Joannes Chrysosto-mus. â Jezus heeft alles geleden, omdat Hij het gewild heeft, zonder morren, uit liefde tot ons. â Wie zijn wij, die durven klagen zoo wij wat te lijden hebben? â Waarom niet geleden met overgeving aan den wil van God, met geduld en uit liefde tot Jezus? Het lijden zal lichter, de verdiensten zullen grooter zijn.
â i6o â
III.
De joodsche raad, na Jezus veroordeeld te hebben, staat op en begeeft zich naar Pontius-Pilatus, om de bekrachtiging van het doodvonnis te bekomen. â â- Judas krijgt berouw, loopt naar den tempel, werpt het geld daar neder, gaat heen en verhangt zich. â Eerst verblindt de duivel den mensch, daarna zet hij hem aan tot wanhoop. â Droefheid van Jezus. â Reden voor ons van te vreezen, doch wachten wij ons voor de wanhoop.
SLUITREDE.
Wij moeten onze zaligheid met vrees en hoop bewerken. â Vreezen. â Judas is gevallen en verloren gegaan. â Hopen. â Petrus is gevallen en opgestaan. â Wij moeten niet Judas, maar Petrus navolgen. â Wij moeten onzen roep ter zaligheid door goede werken verzekeren, dus onze plichten van Christen, van Katholiek, de plichten van onzen staat goed volbrengen, al zouden wij daarom bepraat, gelasterd, in het tijdelijke benadeeld worden. Zalig zijn zij, die vervolging lijden om de gerechtigheid, want het rijk der hemelen behoort hun toe.
VIERDE MEDITATIE.
Ahitns laqueo se suspendil.
Judas ging heen en verhing rich in ean etrop. (Matth. xxvn, 5.)
VOORREDE.
In onze voorgaande overweging, M. Z., hebben wij onzen goddelijken Zaligmaker reeds aanschouwd voor de
- l6i â
rechtbank van Caïphas. Wij hebben gezien, dat de Opperpriester Jezus ondervroeg over zijne leerlingen en zijne leering. Wijl Hij van zijne leerlingen geen goed kon zeggen, en wijl Hij er geen kwaad van wilde zeggen, daarom verkoos onze goddelijke Zaligmaker van hen te zwijgen. Wat zijne leering betreft, wel wetende, dat zij aan zijne woorden toch geen geloof zullen hechten, beroept Jezus zich op zijne toehoorders, die weten wat Hij geleerd heeft, en die bijgevolg getuigenis kunnen afleggen. Daarop verstout zich een dienaar van den Opperpriester, zonder daartoe order ontvangen te hebben, enkel om Caïphas te behagen, onzen goddelijken Zaligmaker in het aangezicht te slaan, zoodat het bloed Hem uit den mond loopt. Jezus, die natuurlijk op staanden voet dien booswicht naar verdienste kon straffen, lijdt die mishandeling geduldig; Hij vraagt enkel, dat, zoo Hij door zijn antwoord den Opperpriester misdaan heeft, de dienaar daarvan reden geve, zoo niet, waarom slaat gij mij dan? vraagt Jezus. Quid me ccedis? i)
En terwijl onze goddelijke Zaligmaker tijdens het verhoor bij Caïphas door een dienaar des Opperpriesters geslagen wordt in zijn aanbiddelijk aangezicht, wordt Hem in het voorhof van Caïphas een andere, en zelfs nog gevoeliger beleediging aangedaan, door een zijner leerlingen, namelijk, door Petrus. Petrus, die vroeger zoo stout gesproken had, die zeide, dat hij zijn goddelijken Meester getrouw zoude blijven tot den dood toe; diezelfde Petrus durft er hier niet eens voor uitkomen, dat hij de leerling van Jezus is. Op de stem eener dienstmeid en van eenige bedienden loochent hij Jezus te kennen, en hij loochent het met eed, onder vloeken en verwenschingen.
1) Joan. XTiii, 23.
I. 11.
- I62 - -
Bijaldien ooit iemand, M. Z., bewijs gegeven heeft van menschelijke zwakheid, dan is het voorwaar Petrus, de prins der Apostelen. Gelukkig dat onze goddelijke Zaligmaker medelijden met Petrus had, dat Hij een oogslag op hem wierp. Gelukkig ook voor Petrus, dat hij aan dien genadevollen oogslag van Jezus beantwoordde, dat hij naar buiten ging en zijne zonden beweende; zonder dat, was hij wellicht den verrader Judas in zijn ongeluk nagevolgd.
Doch alvorens over het rampzalig uiteinde van Judas te spreken, laten wij eerst nog overwegen, wat er meer bij Caïphas in het verhoor en den nacht daarop in de gevangenis plaats had.
Ziehier de drie punten die wij gaan verhandelen:
I. Jezus belijdt voor Caïphas dat Hij de Zoon Gods is; II. Jezus wordt den ganschen nacht mishandeld; IEL Judas wanhoopt en verhangt zich.
I.
Alhoewel de Opperpriester en de overige leden van den raad den dood van onzen goddelijken Zaligmaker reeds besloten hadden; opdat het onwettige en onrechtvaardige van het doodvonnis niet te zeer in \'t oog zoude springen, zoo wilden zij toch een schijn van rechtbank onderhouden. Er moesten dus getuigen tegen Jezus optreden.
Verscheidene personen treden op. Zij worden ondervraagd en gehoord, doch men bevindt weldra dat die personen niet overeenkomen; de eene zegt dit, de andere dat; zij spreken elkander tegen. Bijgevolg kan hunne getuigenis niet anders dan valsch zijn, zij kan niet aangenomen worden. Welk eene spijt voor Caïphas en de
â 163 â
overige leden van den joodschen raad! Doch ziet, daar worden zij eindelijk uit hunne verlegenheid getrokken. Twee getuigen staan fier op. Zij beschuldigen onzen goddelijken Zaligmaker van tempelschending en zeggen, de eene: Deze â Jez js bedoelende â¢â⢠heeft gezegd: Ik kan den tempel Gods verwoesten en na drie dagen wederom opbouwen. Possum destruere templum Dei et post iriduum recedijicare illud. i) En de andere: Wij hebben Hem hooren zeggen: Ik zal dezen tempel, door menschenhanden gemaakt, afbreken en na drie dagen een anderen, niet door menschenhanden gemaakt, bouwen. Die beschuldiging had natuurlijk eenige verklaring noodig; en ongelukkig, terwijl die twee getuigen bezig zijn met zich te verklaren, zijn zij het wederom niet eens, en zoo loopt ook deze getuigenis, evenals de voorgaande op niets uit. Onze goddelijke Zalligmaker had niet tus-schen beide te komen. Onnoodig van zich te verdedigen, wijl de getuigen niet overeenkomen, elkander tegenspreken. Daaruit blijkt genoeg, dat alles, wat zij tegen Jezus inbrengen, valsch is. Daardoor alleen was Hij genoegzaam verdedigd. Jezus had niets te doen dan te zwijgen, gelijk Hij inderdaad deed.
Ha ! Caïphas begrijpt zeer goed dat hunne onderneming mislukt. Ook kan hij niet langer verdragen, dat onze goddelijke Zaligmaker zoo kalm daar tegenwoordig is, dat Hij volstrekt niets inbrengt tegen de beschuldigingen. Hij vliegt te midden van den raad op en roept Jezus toe: Antwoordt gij niet op hetgeen dezen tegen u inbrengen? Jezus zwijgt nog; de tijd van spreken is nog niet gekomen. Caïphas bezit zich als het ware niet meer zoo kwaad wordt hij, en hij roept: Ik zweer u bij den
1) Matth. xxvi, 61.
â 164 â
levenden God: Adjuro te per Deunt vivum, van ons te zeggen, itt dicas nobis, of Gij de Christus, de Zoon Gods zijt, si tu es Christus Films Dei! i) Zal onze goddelijke Zaligmaker nu nog zwijgen ? Neen, M. Z., nu is de tijd van spreken gekomen: Uit eerbied voor zijn hemelschen Vader gaat Hij antwoorden. Gij hebt het gezegd, zoo spreekt Jezus: Tu dixisti: Ik ben de Zoon Gods: Ego sum. En ik voeg erbij: Weldra zult gij den Zoon des menschen zien, gezeten aan de rechterhand van de kracht Gods en komende op de wolken des hemels; als wilde Jezus zeggen: Ja, ik ben de Zoon Gods, al is het ook dat ik hier vernederd, mishandeld, geboeid voor u sta, en alzoo weinig van den Zoon Gods heb; want ik verklaar u; Ik, die hier voor u sta om geoordeeld te worden, Ik zal weldra op mijne beurt komen om te oordeelen. Onze goddelijke Zaligmaker komt dus recht voor de waarheid uit, gelijk gij ziet. Op dat vrijmoedig antwoord van Jezus, scheurt zich de Opperpriester de kleederen, en hij zegt: Blasphemavit! Hij heeft God gelasterd! Wat hebben wij nog getuigen noodig? gij hebt nu de godslastering gehoord: Ecce mme audistis blasphemiam. Wat dunkt u ? vraagt Caïphas. En allen antwoordden: Hij is des doods schuldig: Reus est mortis! 2)
Wat rechtbank! M. Z., wat rechters! wat raadsleden! wat getuigen! Echte typen van zoo vele rechtbanken, die wij onlangs in ons land tijdens het zoogenaamd schoolonderzoek gezien hebben; rechters, raadsleden en getuigen, die wij elders nog zien, en waardoor de onschuld onderdrukt, de misdaad vrijgesproken wordt.
Doch zien wij enkel een weinig meer van nabij, wat onze goddelijke Zaligmaker door zijne manier van han-
1) Matth. xxvi, 63. 2) Matth. xxvi, 65-66.
â lós -
delen voor de rechtbank van Caïphas ons wil leeren.
Jezus leert ons hier zwijgen en spreken, elk op zijnen tijd. Hij leert ons zwijgen, als men ons in het een of ander verongelijkt of bekladt; als men ons het een of ander ten onrechte te laste legt, of dit of dat slecht uitlegt. Gelooft gij wel, M. Z., niets beter in \'t algemeen, om onze vijanden te beschamen, dan te zwijgen; niets beter om den laster weldra te doen verdwijnen, dan niet te antwoorden, en van daar het spreekwoord, dat zegt: \'t Moet een goed woord zijn, dat zwijgen verbetert.
Maar leert onze goddelijke Zaligmaker ons door zijn voorbeeld van te zwijgen, Hij leert ons ook, van op tijd te spreken, namelijk, als de eer van God of de zaligheid der zielen het vordert. Dit geldt vooral de ouders en oversten, ja, in onze droevige tijden geldt het alle Katholieken.
De ouders en oversten moeten spreken, als er in hun huis iets gebeurt, dat niet zijn mag; als hunne kinderen of dienstboden zich slecht gedragen. Zij moeten spreken als hunne kinderen of dienstboden God vloeken, zeden-kwetsende taal voeren, ja, wat nog erger is, zoo de een den anderen tot het kwaad tracht te verleiden.
De ouders en oversten moeten spreken, als hunne kinderen of dienstboden zich aan de zonde van dronkenschap plichtig maken; bijaldien zij te laat in de herbergen blijven, met ongelijke en slechte personen omgaan. Ja, M. Z., dan moeten de ouders en oversten spreken, zij moeten vermanen en berispen; dan moeten zij de woorden gebruiken, welke de H. Joannes de Dooper eertijds tot Herodes sprak: A/bu licet tibi: i) Dat is niet geoorloofd. Zoon, dienstknecht, wacht u voor dat vloeken. Ik verbied,
1) Matth. xiv, 4.
â 166
en ik verbied u streng, van nog ooit op het werk dergelijke taal te voeren. Wacht u voor de onmatigheid in den drank, en bijgevolg, zorgt dat gij voortaan op de Zon- en Feestdagen bijtijds thuis zijt.
Non licet tibi\\ Dat is u niet geoorloofd. Dochter, dienstmeid, wacht u wel voor dien en dien persoon, voor die en die plaats. Ik verbied u den omgang met dien persoon, hij zal u verleiden en ongelukkig maken; ik verbied u van in dat huis, in dat gezelschap te komen; zoo niet, zal er veel over u gesproken worden.
Doch niet alleen de ouders en de wereldlijke oversten, maar ook, en wel bijzonder de geestelijke oversten moeten spreken. Een pastoor, bijv., moet vermanen en berispen; een pastoor moet aantoonen, waarvoor en hoe men zich moet wachten; dat is een strenge plicht voor hem, en het is de glorie van God en de zaligheid der zielen, die zulks vorderen.
Bijaldien de ouders en oversten, zoo wereldlijke als geestelijke, zich naar behooren van hunne plichten kwijten, de onderhoorigen moeten zich niet tegen hen verzetten ; zij mogen het hun niet ten kwade duiden, want wee den ouders! wee den oversten! die hunne plichten verwaar-loozen. Wee hun! die zwijgen, wanneer zij moeten spreken. Eenmaal, en misschien te laat, zouden zij met den Profeet al klagende moeten uitroepen: Wee mij! omdat ik gezwegen heb. Vee mihi! quia tacui. l)
Hetgeen ik hier van de ouders en oversten gezegd heb, namelijk, dat zij moeten spreken, als hun plicht het vordert, dat mogen wij in onze droevige tijden van alle Katholieken zeggen. Wij Katholieken, wij moeten er thans voor uitkomen; wij moeten den vijanden der Kerk in
1) Isaïas vi, 5.
â i67 â
hun aangezicht verklaren, wie en wat zij zijn. Wanneer zij hun best doen om ons mede te slepen; wanneer zij alle middelen aanwenden, zooals beloften, bedreigingen, geld, enz., om ons tegen onze Moeder de H. Kerk op te zetten; om aan den Paus, de Bisschoppen en de overige geestelijke oversten te wederstaan; dan moeten wij rechtuit verklaren, wie wij zijn; wij moeten antwoorden: Ego sum! Ik ben katholiek! Ik ben een kind van de H. Kerk; en die Moeder, die mij altoos alle goed gedaan heeft, zal ik getrouw blijven. Ik zal haar, voor zoo ver het in mijne macht is, verdedigen, in plaats van haar te vervolgen; ik zal haar gehoorzamen, in plaats van mij tegen haar te verzetten. Wanneer de vijanden der Kerk ons aanzetten van onze heiligste plichten te vergeten, dan moeten wij antwoorden: Ego sum! Ik ben vader! Ik ben moeder! en nooit of nimmer zal ik mijn eigene ziel, noch de zielen mijner kinderen voor een stuk geld overleveren of verkoopen.
Ziedaar, wat wij in onze droevige tijden moeten doen: God, de H. Kerk, hare oversten, onze heiligste plichten, onze dierbaarste belangen voorstaan. Dan behoeven wij niet te vreezen, dat Jezus-Christus, die zoo kloekmoedig voor de waarheid uitkwam voor Caïphas en zijnen raad, dat die Jezus zich eenmaal over ons zal schamen voor zijn hemelschen Vader. Integendeel, Hij zal ons belijden, Hij zal ons voor de zijnen erkennen voor zijn hemelschen Vader en voor de gansche wereld in den laatsten dag des oordeels.
II.
Onze goddelijke Zaligmaker is dus door den joodschen raad des doods schuldig verklaard. Caïphas en de overige
â 168 â
raadsleden staan op en gaan naar huis om zich ter rust te begeven, want het was nacht. Wat gaat er nu met Jezus gebeuren ? Hij is vermoeid en geheel en al afgemat. Zal men Hem ook eenige uren rust gunnen ? Neen, M. Z., maar de joodsche raad geeft onzen goddelijken Zaligmaker ter bewaring over aan de krijgsknechten. Die onmenschen, wetende dat Jezus reeds ter dood veroordeeld is, en bijgevolg door niets meer wederhouden, besluiten van zich eens goed met Hem te vermaken. Den ganschen nacht, zonder onzen goddelijken Zaligmaker de minste rust te laten, tot den morgen toe, drijven zij den spot met Hem.
Zij spuwen Jezus in het aangezicht en binden Hem een doek voor de oogen.
Zij slaan Jezus en trekken Hem het hoofdhaar en den baard uit, terwijl zij roepen: Profeteer ons Christus! wie is het die U geslagen heeft? En nog veel andere lasteringen braakten zij tegen Jezus uit. De H. Joannes Chrysostomus aarzelt niet te zeggen, dat de hel dien nacht hare duivelen heeft losgelaten; dat Lucifer met zijnen aanhang in de stad Jeruzalem gekomen is; dat de duivelen in de Joden en Romeinen zijn gevaren, en hen als werktuigen gebruikt hebben, om hunnen haat en nijd, om hunne gramschap en woede op den Zoon Gods uit te oefenen.
En inderdaad, de duivel alleen heeft den soldaten kunnen ingeven, hetgeen zij op onzen goddelijken Zaligmaker uitwerkten.
Zij spuwen Jezus in het aangezicht; Jezus, zeg ik, die den blinden het gezicht, den stommen de spraak, den dooven het gehoor gegeven had; in dat aanbiddelijk aangezicht, waarvoor de Engelen zich met hunne vleugelen dekken. En Jezus heeft zijn aangezicht niet afgewend van hen, die er in spuwden.
â 169 â¢â
De soldaten binden Jezus een doek voor de oogen, en ongetwijfeld een vuilen, een smerigen doek. Mozes, na met God op den berg gesproken te hebben, moest zich een doek voor het voorhoofd binden, opdat de kinderen van Israël zich met hem zouden kunnen onderhouden; doch de soldaten blinddoeken hier Jezus, om Hem des te vrijer te kunnen mishandelen.
De soldaten slaan Jezus met de gebalde vuist, met de platte hand, overal waar zij Hem maar treffen kunnen, tot in zijn goddelijk aangezicht, dat paars en blauw wordt van de slagen, dat opzwelt. En Jezus laat hen begaan. Hij wendt zijn aangezicht niet af van hen, die Hem slaan; hier zegt Hij niet eens meer: Waarom slaat gij mij? Quid me ccedis?
De soldaten trekken Jezus het hoofdhaar en den baard uit, hetgeen de Profeet Isaïas reeds jaren te voren voorzegd had. Welke folterende pijn moet die mishandeling onzen goddelijken Zaligmaker niet veroorzaakt hebben! En terwijl zij Jezus zoo onmenschelijk mishandelen, voegen zij het bespottelijke nog bij het pijnlijke; al lachende roepen zij: Profeteer ons Christus! Prophctiza nobis Christel 1) Wie is het, die u geslagen heeft? Quis est qui te percussitf En al die mishandelingen duurden niet eenige oogenblikken, maar den ganschen nacht; zij werden Jezus aangedaan door een troep bandelooze soldaten, door de duivelen tegen Jezus aangehitst.
Verbeeldt u, zoo gij kunt, M. Z., wat onze goddelijke Zaligmaker dien nacht geleden heeft. Welnu, dat alles heeft Hij geleden, omdat Hij het gewild heeft, zonder morren en uit liefde tot ons.
Wie zijn wij dan, die zoo licht klagen en zuchten, als.
1) Matth. xxvi, 68.
â I/O -
wij iets te lijden hebben? Wie zijn wij, die het minste te zwaar vinden om voor Jezus te lijden? Waar is onze wederliefde tot Jezus? O, M. Z,, zoo wij wisten en beseften, hoe verdienstelijk, hoe glorievol het is voor Jezus bespot, gelasterd en beschimpt te worden; zoo wij wisten en beseften, hoe verdienstelijk, hoe glorievol het is voor Jezus, wat ook, te lijden, wij zouden even als een andere H. Paulus er naar verlangen en er ons over verheugen. Doch zoo wij tot dien graad van volmaaktheid nog niet gekomen zijn, wij moeten toch het ongelijk, dat ons wordt aangedaan, het lijden dat ons overkomt, met overgeving aan den wil van God, met geduld en uit liefde tot Jezus verdragen; het lijden zal des te lichter, de verdiensten zullen des te grooter zijn.
m.
Zoodra de dag was aangebroken, vergaderden de Priesters, de Schriftgeleerden en Ouderlingen des volks op nieuw. Het doodvonnis, tegen Jezus reeds uitgesproken, wordt bevestigd. De gansche zaak nu is, de goedkeuring te bekomen van den romeinschen landvoogd, Pontius-Pilatus, die door keizer Tiberius over Judea was aangesteld. Zij staan dus op en leiden onzen goddelijken Zaligmaker geboeid naar Pontius-Pilatus.
Toen Judas zag, dat Jezus ter dood veroordeeld was, kreeg hij berouw van zijnen Meester verkocht en overgeleverd te hebben. Hij neemt de dertig zilverlingen, die hij nog bezit, gaat naar den tempel tot de Priesters en Ouderlingen en brengt ze hun terug, zeggende: Ik heb gezondigd, omdat ik onschuldig bloed heb overgeleverd. Wat antwoorden de Priesters daarop ? Zonder medelijden met den ongelukkigen Judas, zeggen zij. Wat gaat ons
â i;i â
dat aan? Quid ad nos f Dat is uwe zaak: Tu vide ris. i) En ziet, nauwelijks heeft Judas die woorden gehoord, of hij neemt de dertig zilverlingen, werpt ze in den tempel, gaat heen en verhangt zich.
Zoo gaat het, M. Z. Eerst verblindt de duivel den mensch, om hem tot zonde te brengen, en nauwelijks heeft deze de zonde bedreven, of de duivel stelt ze hem voor oogen, om hem te doen wanhopen. Die wanhoop, dat noodlottig uiteinde van Judas, veroorzaakte onzen goddelijken Zaligmaker de grootste droefheid. Hij ziet daar, dat zijn goddelijk bloed voor dien ongelukkige te vergeefs gestort wordt: daaraan is Jezus gevoeliger dan aan al de mishandelingen, die Hij ondergaan heeft.
Voorzeker, M. Z., wanneer wij wel nagaan, hoe Judas, een leerling, een Apostel, die zoo lang met Jezus had omgegaan, die wellicht wonderen verricht had; wanneer wij wel nagaan, hoe die Judas zondigt, in wanhoop vervalt en ellendig omkomt, dan vinden wij inderdaad redenen van te vreezen, omdat wij, ook leerlingen van Jezus en met weldaden overladen, Hem ook zoo dikwijls vergramd hebben. Doch iets, waarvoor wij ons toch wel moeten wachten, is van onzen goddelijken Zaligmaker, dien wij door onze zonden reeds bedroefd hebben, opnieuw en nog meer te bedroeven door onze wanhoop.
Ten slotte dus zeg ik;
sluitrede.
Wij moeten onze zaligheid met vrees en hoop bewerken. Vooreerst met vrees. Anderen zijn gevallen, zijn verloren gegaan. Judas, een leerling, een Apostel zelfs, is gevallen en verloren gegaan. Het ongeluk, dat anderen overko-
1) Matth. xxvii, 4.
--1/2 -
men is, kan ons ook overkomen; wij kunnen ook vallen en verloren gaan.
Vervolgens, met hoop. Anderen zijn gevallen, zijn opgestaan. Petrus een leerling, een Apostel zelfs, gelijk wij vroeger gezien hebben, is gevallen en opgestaan; daaruit blijkt dus, dat God den dood van den zondaar niet wil, maar dat hij zich bekeere en leve; wij moeten dus, na gevallen te zijn, ook opstaan.
Bijgevolg, zoo wij die twee Apostelen nagevolgd zijn in den val; â en wie onzer zoude durven ontkennen, dat hij het niet gedaan heeft? â volgen wij dan Petrus na in de bekeering, en wachten wij ons wel van Judas na te volgen in de wanhoop. En om dat ongeluk te voorkomen, doen wij ons best van onzen roep ter zaligheid te verzekeren door goede werken, zooals de Apostel Petrus zegt: Satagite ut per bona opera certam vestram vocationem et electionem faciatis. i)
Te dien einde moeten wij ons ook trouw van onze plichten kwijten, van onze plichten van Christen, van Katholiek; er voor uitkomen dat wij leerlingen van Christus zijn, dat wij kinderen zijn van de Roomsch-katholieke Kerk; en daarom, in plaats van die moeder ongehoorzaam te zijn, haar in den steek te laten of te vervolgen, moeten wij als ware, \'als verkleefde kinderen hare geboden en wetten onderhouden, hare rechten voorstaan en tegen hare vijanden verdedigen, op allerlei wijzen, met woorden en met werken, bijzonder door bekwame en echt katholieke Volksvertegenwoordigers te kiezen, door de vijanden der Kerk af te weren. Wij moeten ons ook trouw kwijten van de plichten van onzen staat.
De ouders vooral moeten zorgen voor de opvoeding
1) 2 Petr. i, 10.
â 173 â
hunner kinderen. Dat zij zich wel wachten van hunne kinderen toe te vertrouwen om onderwezen te worden aan personen, die slecht of gevaarlijk zijn, hetgeen onze Moeder de H. Kerk door hare wettige overheid streng verboden heeft.
Gebeurde het nu, dat wij, en wel juist ter oorzake van het stipt volbrengen onzer plichten, vervolging zouden lijden, dat wij gelasterd, verongelijkt, zelfs in onze tijdelijke zaken benadeeld zouden worden, offeren wij dat lijden aan onzen goddelijken Zaligmaker op, ondergaan wij het tot uitboeting der zonden, die wij vroeger bedreven hebben en uit liefde tot Jezus, die uit liefde tot ons en om onze zonden uit te boeten zooveel geleden heeft. Herinneren wij ons ook nog, wat Jezus tijdens zijn leven geleerd heeft: Zalig zijn zij, zoo sprak Jezus, die vervolging lijden om de gerechtigheid: Beati qui persccutionem pa-tiuntur propter justitiam, want het rijk der hemelen behoort hun toe! quoniam ipsorum est regnum ccelorum ! i) Amen.
1) Matth. v, 10.
VIJFDE MEDITATIE.
ToUe hunc et dimitte nobis Barabham.
Weg met dezen en laat ons Barabbas los. (Luc. xxni. 18.)
INHOUD.
VOORREDE.
Tijdens het leven van onzen goddelijken Zaligmaker hadden de Joden hunne onafhankelijkheid verloren, zij stonden onder den keizer van Rome. â Judea was eene romeinsche provincie, bestuurd door Pontius-Pilatus. â Zij hadden het recht op leven en dood verloren, en dus moest het doodvonnis, tegen Jezus uitgesproken, door Pilatus bekrachtigd worden. â De joodsche raad begeeft zich naar het paleis van Pilatus. â Optocht.
I. Jezus, beschuldigd bij Pilatus, en Barabbas voor Jezus gesteld;
II. Jezus gegeeseld;
III. Jezus met doornen gekroond.
I.
De Joden gaan bij Pilatus niet binnen, om niet ontreinigd te worden. â Huichelarij. â Pilatus vraagt welke beschuldiging zij tegen Jezus in te brengen hebben. â
â 175 â
Antwoord: Bijaldien deze geen kwaaddoener ware, wij zouden ons wel wachten van Hem aan u over te leveren. â Pilatus wil Jezus niet blindelings ter dood veroordeelen. â Beschuldigingen. â Hij ruit het volk op, Hij weigert de schatting aan den keizer te betalen; Hij geeft zich uit voor koning. â Onderzoek van Pilatus. â Ik vind geene schuld in Hem. â Jezus zwijgt. â Beschuldiging. â Hij ruit het volk op door van Gallilea af tot hiertoe zijne leering te verkondigen. â Jezus naar Herodes gezonden. â Hoe Hij daar ontvangen wordt, en hoe Hij zich voor Herodes gedraagt. â Jezus, met een witten mantel bespot, wordt naar Pilatus teruggezonden. â Verzoening van Herodes met Pilatus. â Vergelijking met Barabbas. â Jezus wordt door den zondaar achter Barabbas gesteld. âDe onzuivere, de gierigaard en de onrechtvaardige, de onmatige en de dronkaard. â Ondankbaarheid der Joden en der zondaren.
II.
Pilatus is een lafaard, een onrechtvaardige en een wreedaard. â Jezus wordt veroordeeld om gegeeseld te worden. â Onrechtvaardige, schandelijke en wreede foltering. â Om de zonde van onzuiverheid uit te boeten. â Jezus is schaamrood, en wij zullen ons niet schamen over die zonde? â Jezus heeft de handen aan de kolom vastgebonden, en wij zullen onze handen uitsteken tot zondige werken? â Jezus wordt uitgelachen, en wij zullen nog lachen met zedenkwetsende taal? â Jezus wordt verscheurd, en wij zullen onze driften involgen? â Jezus valt in zijn bloed neder, en wij zullen ons wentelen in de ontucht?
â 176 â
III.
Jezus wordt eene nieuwe foltering aangedaan, niet minder onrechtvaardig, schandelijk en wreed. â Hij wordt met doornen gekroond. â De soldaten trekken Jezus op nieuw de kleederen uit, werpen Hem een versleten purperen mantel om de schouders, drukken Hem eene doornen kroon op het hoofd en geven Hem een rietstok in de handen. â Bespottelijke vereering. â Zij knielen voor Jezus, groeten Hem, geven Hem kaakslagen, spuwen Hem in het aangezicht, slaan Hem met den rietstok op de doornen kroon. â Onbegrijpelijke pijn die Jezus lijdt.
SLUITREDE.
Waarom? Om voor onze zonden te voldoen, om voor ons de kroon van glorie te verdienen. â Wij moeten ook door te lijden onze zonden uitboeten, waardoor wij Jezus achter Barabbas gesteld hebben, bijzonder de zonde van onzuiverheid. â Wij moeten ook door te lijden de kroon van glorie verdienen. â De weg des lijdens is de weg naar den hemel. â Jezus is voorgegaan, de Heiligen zijn gevolgd. â Magdalena van Pazzi. â Joannes van \'t Kruis. â Wij moeten ten minste met geduld de kruisen en wederwaardigheden dragen, de doornen kroon van Jezus ontvangen, willen wij eenmaal met de kroon van glorie versierd worden.
â 177 â VIJFDE MEDITATIE.
ToIIg hunc et dimitte nchis Barahbam.
Weg met dezen en laat ons Barabbas los. Luc. xxiii, 18.
VOORREDE.
Tijdens het leven van onzen goddelijken Zaligmaker, M. Z., hadden de Joden hunne onafhankelijkheid verloren, zij waren gevallen onder de macht der Romeinen. Die natie, zoo fier op hare vrijheid, en die, wat meer is, eertijds zich mocht beroemen van God tot Koning te hebben, die natie hangt thans af van een heiden; zij moet aan den romeinschen keizer gehoorzamen. Judea is veranderd in eene romeinsche provincie. Keizer Tiberius heeft er een landvoogd over aangesteld, om ze in zijnen naam te regeeren. Die landvoogd is Pontius-Pilatus. Hij woont te Jeruzalem in een prachtig paleis, gelegen op den berg Sion. Hij is omgeven van eene sterke bezetting romeinsche soldaten, waarmede hij de Joden, tot onlusten en oproer geneigd, in bedwang moet houden. Wijl dus de Joden van de Romeinen afhingen, zoo hadden zij veel van hunne rechten verloren, en onder die rechten bevond zich het recht op leven en dood.
De joodsche raad, namelijk, het Sanhedrin, bestond wel is waar nog; hij was samengesteld uit Priesters, Schriftgeleerden en Ouderlingen. Oorspronkelijk was die raad alle eer en achting waardig, doch thans heeft hij geheel en al zijn voormaligen luister verloren. Voor dien raad is onze goddelijke Zaligmaker, gelijk wij reeds gezien hebben, verschenen. Hij is er reeds door ter dood
I. 12.
- 178 -
veroordeeld, doch om ter dood gebracht te mogen worden, moest het doodvonnis eerst door den romeinschen landvoogd bekrachtigd worden. De Joden konden wel is waar Jezus in het geheim ombrengen, doch dat was hun niet genoeg; hun haat tegen onzen goddelijken Zaligmaker is te groot, en daarom willen zij Hem een schande-en pijnlijken dood doen sterven.
Alles is hun tot hiertoe naar wensch gelukt. Voor een spotprijs hebben zij een Apostel omgekocht; met eenige soldaten en zonder opschudding onder het volk, waarvoor zij in den beginne het meest vreesden, hebben zij Hem gevangen genomen; Jezus is reeds ter dood veroordeeld Er blijft hun niets meer over dan de bekrachtiging van het doodvonnis door Pilatus, en om die te bekomen, gaan zij thans aan het werk. De joodsche raad zendt \'s morgens vroeg gerechtsdienaren naar de gevangenis, waarin Jezus opgesloten, den ganschen nacht mishandeld is geworden. Zij brengen Hem uitgeput, bleek en mismaakt te voorschijn. De optocht van het huis van Caïphas naar het paleis van Pilatus gaat beginnen. Duizenden menschen loopen op de tijding er van te zamen; want wegens het Paaschfeest, dat stond gevierd te worden, was eene menigte vreemdelingen naar Jeruzalem gekomen. Om nu alle Joden, én die van Jeruzalem, én die van andere streken, op hunne zijde te krijgen en zooveel mogelijk indruk op hen te maken, stellen zij zich uitwendig in \'t groot aan. Caïphas de Opperpriester gaat voorop; hij is omgeven van de overige leden van den raad, van Priesters, Schriftgeleerden en Ouderlingen. Daarop komen de valsche getuigen en vervolgens onze goddelijke Zaligmaker, geboeid en van soldaten omgeven. Een drom van volk sluit zich bij dien stoet aan, en zoo komt men eindelijk aan het paleis van den romeinschen landvoogd.
â 179 â
Overwegen wij vandaag, M. Z., het voornaamste van hetgeen er bij Pontius-Pilatus plaats had.
Zien wij dus:
I. Jezus bij Pilatus beschuldigd en Barabbas voor Jezus gesteld;
II. Jezus gegeeseld;
III. Jezus met doornen gekroond.
I.
Zoodra de Opperpriester Caïphas en de overige leden van den raad aan het paleis van Pilatus gekomen zijn, blijven zij buiten voor het paleis staan, zij gaan niet binnen. Waarom niet? Zij moeten toch den romeinschen landvoogd spreken, om de bekrachtiging van het doodvonnis, tegen Jezus uitgesproken, te bekomen. Ha! die huichelaars, die schijnheiligen! Wat had onze goddelijke Zaligmaker gelijk van hen zoo te noemen. Pilatus is een heiden, en volgens eene valsche overlevering der Pharizeeën en Schriftgeleerden werd een Jood, door het huis van een heiden binnen te gaan, ontreinigd, en alzoo belet van het Pascha te eten. Daarvoor zijn zij bevreesd, en daarom gaan zij bij Pilatus niet binnen; maar om de veroordeeling van eenen onschuldige te komen vragen, en dien den schande- en pijnlijksten dood te doen sterven; neen, daarvoor vreezen zij niet, dat zullen zij zonder schroom doen.
Pilatus, van hunne aankomst verwittigd, komt, om hun te believen, naar buiten en vraagt: Quam accusationem ajfertis adverstis hominem hunc? \\) Welke beschuldiging hebt gij tegen dezen mensch in te brengen? Die vraag
1) Joan, xviii, 29.
â i8o â
van wege Pilatus was billijk, \'t Was alsof hij zeide: Gij wilt dat ik dezen mensch ter dood veroordeele, \'t zij zoo; maar dan moet gij hem eerst beschuldigen van eene misdaad, die de doodstraf verdient, en die misdaad bewijzen. Gestoord over die eenvoudige en billijke vraag van Pilatus antwoorden zij: Indien deze geen booswicht ware, wij zouden Hem aan u niet hebben overgeleverd. Als wilden zij zeggen: Waarvoor ziet gij ons aan? Denkt gij dan, dat wij, Priesters, Schriftgeleerden en Ouderlingen, dat wij, leden van den raad, u zullen komen vragen van eenen onschuldige ter dood te veroordeelen ?
Pilatus zoude dus enkel op hun verzoek Jezus ter dood moeten veroordeelen. Doch neen, Pilatus is rechtvaardiger dan zij. Neemt gij Hem dan, antwoordt Pilatus, en vonnist Hem volgens uwe wet. Nu moeten zij bekennen, dat het recht op leven en dood hun ontnomen is. Ons is het niet geoorloofd, zeggen zij, iemand ter dood te brengen. Ziende dus, dat Pilatus niet genegen is aan hun verlangen te voldoen, door namelijk onzen goddelijken Zaligmaker blindelings te veroordeelen, zijn zij gedwongen hunne beschuldigingen te beginnen. De valsche getuigen treden op.
Van dezen hebben wij bevonden, zeggen zij, vooreerst, dat Hij ons volk opruit, dat Hij het aanzet van oproer te maken; en Jezus nochtans, gelijk wij weten, leerde op straat, in den tempel, overal de gehoorzaamheid aan de wetten, dus juist het tegenovergestelde van oproer.
Hij verbiedt, zeggen zij vervolgens, den keizer schatting te betalen; en Jezus leerde den keizer te geven wat den keizer toekomt; ja, wat meer is, hij zelf betaalde de schatting, en toen Hem zekeren dag het geld daartoe ontbrak, deed Hij een wonder om te kunnen betalen. Eindelijk treden er nog eenige getuigen op, die beweren.
â i8i â
dat onze goddelijke Zaligmaker zich voor Koning uitgaf; en nochtans, toen de scharen zekeren dag Jezus tot Koning wilden uitroepen, had Hij de vlucht genomen.
Zoodra Pilatus nu die verschillende beschuldigingen gehoord heeft, neemt hij er maar eene in aanmerking, en daarover wil hij onzen goddelijken Zaligmaker eens ondervragen. Hij gaat dus naar binnen, doet Jezus bij zich komen en vraagt; Zijt gij de Koning der Joden ? Jezus antwoordt: Spreekt gij zoo van u zeiven, of hebben anderen u dat van mij gezegd ? Over die eenvoudige vraag is Pilatus gestoord. Ben ik dan een Jood? zegt â¢hij. Uw volk en uwe Priesters hebben u aan mij overgeleverd, wat hebt gij gedaan? Jezus antwoordde; Mijn rijk is niet van deze wereld. Indien mijn rijk van deze wereld ware, dan zouden mijne dienaren wel strijden, dat ik aan de Joden niet werde overgeleverd, doch nu is mijn rijk niet van hier.
Pilatus heeft reeds genoegzaam verstaan, dat onze goddelijke Zaligmaker geen .wereldsche koning is, noch zijn wil; en bijgevolg, dat zijn meester, de keizer van Rome, niets van Hem te vreezen heeft. Hij gaat naar de Joden toe en zegt: Ik vind geene schuld in dien mensch; Ego nullam invenio in co causam. i) De Priesters en Ouderlingen hielden niet op met Jezus te beschuldigen, doch onze goddelijke Zaligmaker antwoordde daar niet op. Hoort gij dan niet; zeide Pilatus, wat beschuldigingen zij tegen u inbrengen? Doch Jezus zweeg, zoodat de landvoogd zeer verwonderd stond.
Intusschen gingen de Joden voort met onzen goddelijken Zaligmaker aan te klagen, en onder anderen roepen zij: Hij ruit het volk op, door van Galilëa af tot hiertoe
1) Joan, xvin, 38.
- i82 -
overal zijne leering te verkondigen. Toen Pilatus het woord Galileo, hoorde, was hij tevreden; hij vraagt of Jezus uit Galilëa, het gebied van Herodes, is, en vernemende dat het zoo is, zendt hij onzen goddelijken Zaligmaker, om zich van die lastige zaak te ontdoen, naar Herodes, die zich juist in die dagen te Jeruzalem ophield. Zoodra de koning Herodes vernam, dat onze goddelijke Zaligmaker naar hem gebracht werd, was hij zeer verheugd. Hij had reeds zooveel van dien Jezus van Nazareth gehoord, en nu, nu zoude hij dus het genoegen eens hebben van Hem voor zich te zien, van Hem te hooren; misschien zal die Jezus voor Herodes en zijn hof wel het een of ander wonder doen, om op vrije voeten gesteld te worden.
Toen Jezus nu voor Herodes stond, stelde de koning Hem vele vragen. En ziet, Jezus gaf hem geen enkel antwoord. En geen wonder M. Z.. Die Herodes was een overspeler, een onkuischaard. En hoe zoude onze goddelijke Zaligmaker, de Zuiverheid zelve, dien wulpschen vorst hebben willen aanzien,hebben willen antwoorden? Neen, dat oordeelde Jezus hem niet eens waardig, en met reden.
Van die omstandigheid maakten de Joden gebruik, en zij beschuldigden onzen goddelijken Zaligmaker hevig; doch Herodes, in zijne verwachting teleurgesteld, spreekt Jezus wel is waar niet vrij, maar hij wil Hem ook niet ter dood veroordeelen. Hij veracht Jezus met zijne lijfwacht, doet Hem een wit kleed aantrekken en zendt Hem als een zinnelooze naar Pilatus terug. Dien dag verzoenden Pilatus en Herodes zich met elkander; zij werden wederom vrienden, want te voren waren zij eerste vijanden.
Toen de Joden onzen goddelijken Zaligmaker bij Pilatus hadden teruggebracht, bevond zieh de romeinsche
- 183 â
landvoogd op nieuw in dezelfde moeielijkheid. Hij gaat een tweede middel beproeven om Jezus los te laten, \'t Was de gewoonte bij de Joden, dat er jaarlijks ter gedachtenis aan de verlossing uit Egypte een gevangene werd losgelaten. Te dien tijde bevond er zich een groot booswicht in de gevangenis, die onder andere misdaden een moord begaan had. Die booswicht heette Barab-bas. Al het volk had een afschrik van hem. Pilatus denkt, dat het volk dus de voorkeur wel zal geven aan Jezus boven Barabbas. Hij richt zich dus tot het volk en vraagt; Wien van beiden wilt gij dat ik u loslate, Barabbas of Jezus, die de Christus genoemd wordt ? En de gansche menigte, door de Priesters en Ouderlingen opgestookt, roept als uit één mond: Niet dezen, maar Barabbas! Non hunc, sed Barabbam! i) Niet dezen, roepen zij; zij willen den naam van hunnen Messias niet eens uitspreken, zulken afkeer toonen zij van Hem; maar Barabbas, den naam van dien booswicht, noemen zij. Ja, Barabbas moet op vrije voeten gesteld worden, Jezus willen zij dat gekruist worde. Welk eene keus als die der Joden! O, in die keus leggen zij een helschen haat tegen onzen goddelijken Zaligmaker aan den dag. Zoude men, zoo men voor het overige met de zaken niet bekend ware, zoude men niet moeten denken, dat Jezus hun grootste kwaaddoener was? En nochtans, wij weten het. Hij is hun grootste Weldoener. En toch geven zij de voorkeur aan Barabbas, een moordenaar, boven Jezus, hun grootsten Weldoener. Weg met dezen en laat ons Barabbas los! roepen zij: To lie hunc et dimitte nobis Barabbam! 2)
Welk een ondankbaarheid! Hoe gevoelig moesten die
1) Joan, xvm, 40. 2) Luc. xxin, 18.
â 184 â
â woeste moordkreten der Joden het hart van onzen god-delijken Zaligmaker niet treffen!
En och of deze Joden de eenige waren, M, Z., die aan Barabbas de voorkeur hebben gegeven boven Jezus. Doch helaas! onder de Christenen treft men er velen aan, die de Joden in ondankbaarheid navolgen. Dergelijke Christenen zijn aldegenen, die zich aan doodzonde plichtig maken.
En inderdaad, wat doet een christen mensch, telkens als hij doodelijk zondigt, zoo niet de voorkeur geven aan het schepsel boven den Schepper? Hij stelt dus in zekeren zin Jezus achter Barabbas, en in dit gezegde, M. Z., ligt volstrekt geen overdrijving.
De onzuivere, bijv., stelt Jezus achter Barabbas, zoo dikwijls hij zijne vuile driften involgt, zich zeiven of anderen onteert, de schandelijke zonde bedrijft, daar hij integendeel de schoone, de engelachtige deugd had moeten voorstaan.
De gierigaard, de onrechtvaardige stelt Jezus achter Barabbas, zoo dikwijls hij zich op een onrechtvaardige wijze verrijkt, zoo lang hij het onrechtvaardig geld of goed niet teruggeeft, zich grootelijks plichtig maakt aan de zonde van onrechtvaardigheid, daar hij integendeel voor de rechtvaardigheid had moeten uitkomen.
De onmatige, de dronkaard stelt Jezus achter Barabbas, zoo dikwijls hij zich grootelijks te buiten gaat in spijs en drank, zich aan de zonde van onmatigheid en dronkenschap overgeeft, daar hij integendeel de matigheid had moeten oefenen.
Ja, M. Z., zoo gaat het telkens als de mensch bekoord, tot zonde wordt aangezet. Het voorstel wordt hem gedaan ; hij heeft te kiezen tusschen de deugd en de zonde, tusschen Jezus en Barabbas, en zoo dikwijls de mensch
- i8s -
eene doodzonde bedrijft, kiest hij Barabbas voor Jezus! hij roept als het ware telkens met de Joden: Weg met dezen! Tolle hunc! en laat ons Barabbas los! etdimitte nobis Bar abb am! l)
En nochtans, Jezus heeft ons evenmin kwaad gedaan als den Joden. Integendeel, Hij heeft ons ook met weldaden overladen, èn in de orde der natuur, èn in de orde der genade. Bijgevolg, zoo de Joden ondankbaar zijn geweest, door de voorkeur aan Barabbas te geven boven Jezus, de zondaren, door hen na te volgen, maken zich niet minder plichtig aan de zonde van ondankbaarheid.
II.
Tot hiertoe, M. Z., heeft Pilatus zich laf gedragen. Hij kende de onschuld van Jezus. Hij was overtuigd, dat de Joden onzen goddelijken Zaligmaker enkel uit haat en nijd hadden overgeleverd. Hij verklaart het in \'t publiek; Ik vind geene schuld in Hem, zegt Pilatus: Ego nullavt invenio in eo causam. 2) Bijgevolg is Pilatus een lafaard, wijl hij den onschuldigen Jezus niet terstond op vrije voeten stelt. Doch nu gaat Pilatus verder; hij handelt onrechtvaardig, hij gaat zich aanstellen als een wreedaard, hij veroordeelt onzen goddelijken Zaligmaker om gegeeseld te worden.
Ik ben niet voornemens, M. Z., u hier die onmensche-lijke geeseling gansch te beschijrven; neen, ik zeg enkel dat de straf, waartoe Jezus hier veroordeeld wordt, onrechtvaardig, schandelijk en wreed is.
Zij is onrechtvaardig. Niets zoo klaar als die onrechtvaardigheid. Pilatus verklaart dat Jezus onschuldig is, dat Hij niets misdaan heeft, en toch veroordeelt hij Hem om
1) Luc. xxiii, 18. 2) Joan, xviu, 38.
â 186 â
gegeeseld te worden. Kon ooit het onrechtvaardige van een vonnis klaarder uitkomen ?
Zij is schandelijk. Welk een oneer, welk eene schande voor onzen goddelijken Zaligmaker van eene straf te moeten ondergaan, waartoe de slaven en de grootste booswichten veroordeeld werden! Hij wordt dus voor niets meer dan voor een slaaf, voor een booswicht aangezien. Daarenboven worden Jezus de kleederen uitgetrokken, en Hij wordt met de handen aan eene kolom vastgebonden, terwijl de soldaten en omstanders Hem bespotten en uitlachen. Welk eene schande voor Jezus, den Bruidegom der Maagden!
Zij is wreed, hetgeen men kan afleiden:
1° Van de werktuigen, die de beulen gebruiken. Zij gebruiken drieërlei werktuigen: doornen roeden, lederen riemen met knoopen erin en ijzeren ketenen;
2° Van de woede, waarmede de beulen te werk gaan. Die onmenschen zijn uit zich zeiven reeds zonder gevoel. Daarenboven worden zij nog aangezet door de Joden, door Pilatus, ja zelfs door de duivelen, om Jezus zoo veel mogelijk te mishandelen en te pijnigen;
3° Van het getal slagen dat men onzen goddelijken Zaligmaker toetelt. De wet van Mozes, die verbood het getal van veertig slagen te boven te gaan, wordt hier niet in acht genomen. Men slaat en geeselt onzen goddelijken Zaligmaker zoo lang, tot dat de beulen het moede zijn, en Jezus op het punt staat van te sterven. Zij is wreed;
4° Wijl Jezus zoo zwak en ellendig is ter oorzake van het bloedig zweeten en den doodstrijd, waarin Hij verkeerd heeft; ter oorzake van al de mishandelingen, die Hij reeds ondergaan heeft.
Jezus nochtans is bereid, gelijk Hij zelf verklaart door
- 18; -
den mond van zijnen Profeet David, om gegeeseld te worden: Ego in Jlagella paralus sum. l) Hij ondergaat die onrechtvaardige, schandelijke en wreede foltering zonder ongeduldig te worden, zonder te klagen of te kermen. En toch, Hij is zoo zeer mishandeld, dat er geene gezonde plek meer aan zijn lichaam is, van het hoofd tot de voeten: A planta pedis usque ad verticem non est in eo sanitas; 2) dat Hij geene gedaante of schoonheid meer heeft; Non est ei et species neqtce decor; dat Hij gelijk is aan eenen melaatsche, aan iemand, die van God geslagen en vernederd is; Quasi leprosum et percussum a Deo et humiliatum. Jezus is ook rood van schaamte: zijne handen zijn aan eene kolom vastgebonden ; Hij wordt uitgelachen ; Hij wordt gansch verscheurd, en Hij valt na de geeseling uitgeput van krachten aan den voet van de kolom in zijn goddelijk bloed neder. Ziedaar wat Jezus voor ons lijdt, hoe Hij mishandeld wordt om onze zonden uit te boeten, vooral de zonden tegen de schoone deugd. Zullen wij nu geen medelijden met Jezus hebben ? Zullen wij niet ophouden, de schandelijke zonde te bedrijven? Jezus is rood van schaamte, en wij zullen ons niet schamen over die zonde ? Jezus heeft zijne handen vastgebonden aan de kolom, en wij zullen onze handen nog uitstrekken tot zondige werken? Jezus wordt uitgelachen, en wij zullen nog lachen met die zeden-kwetsende taal ? Jezus\' lichaam trekt zich onder de slagen van pijn krampachtig te zamen, en wij zullen in de schandelijke zonden onze driften trachten te voldoen, ons aan den wellust overgeven? Jezus ligt aan den voet der kolom, zwemmende in zijn goddelijk bloed, en de wellusteling zal voortgaan zich te wentelen in de ontucht ? O!
1) Ps. xxxvii, 18. 2) Isaïas 1, 6.
â i88 â
M. Z., zoo hij ongevoelig is voor al wat Jezus voor Hem tijdens de geeseling geleden heeft, dat hij maar voortga, maar dat hij toch ook wete, hoe streng hem het bloed, door Jezus tijdens zijne geeseling gestort, zal afgeëischt worden.
III.
Na die onrechtvaardige, schandelijke en wreede geeseling wordt onzen goddelijken Zaligmaker eene nieuwe foltering aangedaan, foltering, die niet minder onrechtvaardig, schandelijk en wreed zal wezen. De soldaten herinneren zich, dat er spraak is geweest van koning. Zij komen te zamen in den binnenhof van het gerechtshuis van Pilatus, om zich met onzen goddelijken Zaligmaker te vermaken. Zij gaan een spotkoning van Hem maken. Vooreerst trekken zij Jezus de kleederen uit. Hij wordt opnieuw uitgelachen, en de wonden, die Hij tijdens de geeseling gekregen heeft, worden op nieuw opengereten; \'t is als eene nieuwe geeseling, die Jezus ondergaat. De soldaten werpen Jezus een versleten purperen mantel om de schouders. Herodes bespotte onzen goddelijken Zaligmaker met een witten mantel; hier wordt Hij met een purperen uitgelachen. Zij vlechten eene kroon uit doornen, en die doornenkroon zetten zij Jezus op het hoofd: Plectentes coronam de spinis posuerunf super caput ejus, i) Welk eene pijn moet die doornenkroon onzen goddelijken Zaligmaker niet veroorzaakt hebben! Het hoofd is het gevoeligste deel van het lichaam van den mensch, en Jezus\' hoofd wordt van alle kanten met scherpe doornen doorstoken, zoodat het bloed met strepen over zijn voorhoofd, in de oogen, over zijn aan-
1) Matth. xxvii, 29.
â 189 â
gezicht afloopt. Zij geven Jezus eenen rietstok voor schepter in de handen. Daarop beginnen de soldaten voor goed Jezus te bespotten en te folteren. Terwijl onze goddelijke Zaligmaker in dien ellendigen en pijnlijken toestand nederzit, komen de soldaten, één voor één, voor Jezus ; zij knielen voor Hem, groeten Hem, zeggende: Wees gegroet. Koning der Joden! Zij geven Hem kaakslagen, spuwen Hem in het aangezicht, en den rietstok uit zijne handen nemende, slaan zij er mede op de doornenkroon, zoodat de doornen al dieper en dieper in zijn hoofd doordringen. Welk eene pijn moeten die mishandelingen onzen goddelijken Zaligmaker niet veroorzaakt hebben ! En ziet, Jezus lijdt alles met het grootste geduld.
SLUITREDE.
Waarom, o mijn Jezus! O mijn Zaligmaker! Waarom, ik vraag het u hier ten slotte, hebt gij die wreede foltering willen ondergaan? Waarom hebt gij met doornen willen gekroond worden ? En mij dunkt, Jezus antwoordt: Ik heb willen gefolterd worden om voor uwe zonden te voldoen: Ik heb hier op aarde met doornen willen gekroond worden om voor u eene kroon van glorie te verdienen in den hemel. Doch alhoewel Jezus, M. Z., door zijn lijden voor onze zonden voldaan, alhoewel Hij eene kroon van glorie voor ons verdiend heeft, wij op onze beurt, wij moeten onze zonden ook nog uitboeten, wij moeten die kroon van glorie ook nog verdienen door te lijden.
Ja wij moeten uitboeten al onze zonden, waardoor wij zoo dikwijls de voorkeur gegeven hebben aan het schepsel boven den Schepper, Jezus om zoo te zeggen, achter Barabbas gesteld hebben ; wij moeten uitboeten vooral de zonden tegen de schoone deugd, om welke onze goddelijke Zaligmaker zoo onmenschelijk is gegeeseld geworden;
â igo â
wij moeten lijden om de kroon van glorie deelachtig te worden. De weg des lijdens is de weg, die ten hemel leidt. Jezus is er ons op voorgegaan, wij moeten er Hem dus op volgen. De Heiligen, M. Z., hebben die waarheid begrepen, en vandaar dat allen met geduld leden, velen zelfs naar het lijden verlangden. Niet sterven, zoo verzuchtte eene H. Magdalena van Pazzi tot God: Niet sterven maar lijden: Non mori sed pati. De H. Joannes van \'t Kruis bad zekeren dag, voor een kruisbeeld neder-geknield; hij hoorde eene stem, die hem vroeg, wat loon hij verlangde, en de H. Joannes antwoordde; Heer! dat ik voor u moge lijden en veracht worde. Ziedaar, M. Z., welk denkbeeld de Heiligen zich vormden van het lijden. Wij moeten ons best doen om die voorbeelden zoo veel mogelijk na te volgen. Laten wij dus in de kruisen en wederwaardigheden die ons treffen, ten minste geduldig zijn; beijveren wij ons van welgemoed te wezen. Ja, dragen wij de doornenkroon voor Jezus, welke Hij ons aanbiedt, en die toch bijna niets beteekent in vergelijking van de doornenkroon, die Hij voor ons gedragen heeft. Die doornenkroon, met geduld uit liefde tot Jezus gedragen, zal na dit kortstondig leven voor ons veranderen in eene onverwelkbare kroon van glorie in den hemel. Amen.
ZESDE MEDITATIE,
Indinato capite tradidit tpiritum.
Jezus boog het hoofd en gaf den geest..
(Joan, xix, 30.)
INHOUD.
VOORREDE.
Jezus, na gegeeseld en met doornen gekroond te zijn, wordt aan het volk vertoond: Zie den mensch! â Kreten van de Priesters en van het volk: Kruis Hem! â Pilatus: Neemt gij Hem en kruist Hem, want ik vind geene schuld in Hem. â De Joden: Wij hebben eene wet, en volgens die wet moet Hij sterven. â Pilatus tot Jezus: Van waar zijt gij? Antwoordt gij niet? ââ Jezus: Gij zoudt geene macht over mij hebben, zoo zij u niet van boven gegeven ware. â De Joden: Zoo gij dezen loslaat, zijt gij de vriend van den keizer niet. â Pilatus: Zie uwen Koning! â De Joden: Weg met Hem: Kruis Hem! â Pilatus: Zal ik uwen koning kruisen ? â De Joden: Wij hebben geenen koning buiten den keizer. â Pilatus: Ik ben onschuldig aan het bloed van dezen rechtvaardige. â De Joden: Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen! â Pilatus laat Barabbas los en veroordeelt Jezus om gekruist te worden.
â 192 â
I. Jezus neemt het kruis op zijne schouders;
II. Jezus wordt met edik en gal gelaafd;
III. Jezus beveelt zijne ziel in de handen van zijnen Vader.
I.
Vreugde van de vijanden van Jezus bij zijne veroordeeling. â Jezus wordt de speelbal der soldaten. â Het kruis wordt gereed gemaakt. Jezus gaat met het kruis op de schouders Jeruzalem uit. â Verschil van hetgeen er eenige dagen geleden voorviel. â David, afbeeldsel van Jezus. â Jezus valt voor de eerste maal onder het kruis. â Hij ontmoet zijne bedroefde Moeder. â Simon wordt gedwongen, Jezus\' kruis te dragen. â Hij doet het gedwongen, met tegenzin, morrende. Waarom? â Vele Christenen volgen Simon na. â De ziekte is een kruis, het slecht gedrag van kinderen of ouders is een kruis, de tegenspoed is een kruis. â Wat wint men erbij door het kruis gedwongen, met tegenzin, morrende te dragen? ââ Men moet het kruis met geduld dragen. â De weg des kruises is de weg naar den hemel.
II.
Veronica droogt Jezus\' aanschijn af. â Tweede val van Jezus onder het kruis. â De vrouwen van Jeruzalem beginnen luidkeels te weenen. â Woorden van Jezus. â Derde val van Jezus onder het kruis. â Aankomst op den Calvarieberg â Blijdschap der vijanden van Jezus. â Alles wordt gereed gemaakt voor de kruisiging.âJezus wordt met edik en gal gelaafd. â Hij proeft er van om te voldoen voor de zonde van onmatigheid in spijs en drank. â Die zonde is eene schandelijke en noodlottige zonde voor het lichaam en de ziel. â Wachten wij ons voor die zonde.
â 193 â
III.
Jezus aan het kruis genageld en in de hoogte gericht tusschen twee moordenaars. â De vijanden van Jezus lachen met Hem, zij bespotten en beschimpen Hem. â De voorbijgangers, de Priesters, de soldaten, de slechte moordenaar. â Geduld van Jezus. â Testament; vergiffenis aan zijne vijanden, de hemel aan den goeden moordenaar, Maria aan Joannes, Joannes aan zijne Moeder, zijn lichaam aan Joseph van Arimathea en Nicodemus, zijne ziel aan zijn hemelschen Vader. â Hij laat ons zijn leven, zijn bloed, zijne verdiensten, zijne Moeder, alles wat Hij heeft. â Jezus buigt het hoofd en sterft.
SLUITREDE.
Blik op Jezus aan het kruis. â Zijne oogen zijn gesloten, zijne tong is zonder spraak, zijne handen zijn stijf, zijne voeten zijn zonder gevoel, gansch zijn lichaam is zonder beweging. â Joseph bij het lijk van zijnen Vader Jacob; hij beweent en omhelst het. â De mensch moet ook weenen en beminnen. â Zijne zonden] bewee-nen, Jezus beminnen. â Zich met Paschen door eene rouwmoedige en oprechte biecht met Jezus, zijnen Zaligmaker, verzoenen.
I. 13.
â 194 â ZESDE MEDITATIE.
Inclinato capite tradidit spiritum.
Jezus boog het hoofd en gaf den geest.
(Joan, xix, 30.)
VOORREDE.
Onze goddelijke Zaligmaker, M. Z., heeft, gelijk wij in onze voorgaande overweging gezien hebben, twee onrechtvaardige, schandelijke en wreede mishandelingen ondergaan. Hij is op bevel van Pilatus door de beulen gegeeseld, van het hoofd tot de voeten verscheurd en met wonden overdekt. Hij is door de soldaten met doornen gekroond, met een ouden versleten purperen mantel omhangen. De romeinsche landvoogd brengt Jezus in dien schande- en pijnlijken toestand te voorschijn; hij denkt, dat de Joden, op het zien van onzen goddelijker! Zaligmaker door medelijden bewogen, tot betere gevoelens zullen komen; dat zij voldaan zullen zijn, en dat hij onzen goddelijken Zaligmaker zal kunnen loslaten. Jezus verscheen dus op een balkon, dragende de doornenkroon en den purperen mantel, zegt het Evangelie; Portam coronam spineam et purpureuni vestimcntum. i) Pilatus, op Jezus wijzende, roept tot het volk: Ecce homo! Zie den mensch! Zoodra de Priesters, de Pharizeën en Schriftgeleerden Jezus zagen, begonnen zij te schreeuwen: Kruis Hem! Kruis Hem! Crucifigel Crucifige Eum! 2) En bijna de gansche menigte, voor het paleis van Pilatus vergaderd, voorgegaan en aangehitst door de Priesters, de Pharizeën en Schriftgeleerden, herhalen die moordkreten en roepen ook: Kruis Hem! Kruis Hem! Pilatus, niet
1) Joan, xix, 5. 2) Luc, xxin, 21.
â 195 â
kunnende begrijpen, hoe de Joden nog op den dood van onzen goddelijken Zaligmaker kunnen aandringen, zegt: Neemt gij Hem en kruist Hem, want ik vind geene schuld in Hem. De Joden antwoorden: Wij hebben eene wet, en volgens die wet moet Hij sterven, omdat Hij zich voor den Zoon Gods uitgegeven heeft. Toen Pilatus die woorden hoorden, vreesde hij nog meer. Hij ging daarop wederom in het gerechtshuis en vroeg Jezus, die intus-schen daar was gebracht: Van waar zijt Gij? Jezus gaf geen antwoord. Pilatus zeide dan: Spreekt gij mij niet aan? Weet gij dan niet, dat ik de macht heb van u te laten kruisen, en dat ik de macht heb van u los te laten ? Jezus antwoordde: Gij zoudt niet de minste macht over Mij hebben, zoo zij u niet van boven gegeven ware; maar zij, die Mij aan u overgegeven hebben, zijn plichtiger dan gij. Van toen af verlangde Pilatus nog meer Jezus los te laten. De Joden, zulks bemerkende, beginnen hem bang te maken, en zij schreeuwen: Zoo gij dezen loslaat, zijt gij de vriend van den keizer niet, want al wie zich voor koning uitgeeft, verklaart zich tegen den keizer. Daarop deed Pilatus Jezus op nieuw naar buiten komen. Hij zet zich op zijnen rechterstoel neder en zegt tot het volk: Ziedaar uwen Koning! De Joden roepen: Weg! weg met Hem! Kruis Hem! Pilatus herneemt: Zal ik dan uwen Koning kruisen? De Joden antwoorden: Wij hebben geenen koning buiten den keizer. Toen Pilatus zag, dat hij niets vorderde, maar dat de opschudding steeds toenam, deed hij water brengen, wiesch zich de handen in de tegenwoordigheid van het volk en zeide : Ik ben onschuldig aan het bloed van dezen rechtvaardige; ziet wat u te doen staat. En al het volk roept uit: Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen! Op die woorden gaat Pilatus aan hunnen wensch voldoen; hij laat Ba-
rabbas, die om oproer en moord in de gevangenis geworpen was, los, en hij geeft hun Jezus over om gekruist te worden. Laten wij vandaag, M. Z., den kruisdood van onzen goddelijken Zaligmaker met aandachtigheid bijwonen.
I. Jezus neemt het kruis op zijne schouders;
11. Jezus wordt met edik en gal gelaafd;
III. Jezus beveelt zijne ziel in de handen van zijnen Vader.
I.
Zoodra onze goddelijke Zaligmaker tot den kruisdood veroordeeld is, breken de Joden in vreugdekreten los. Zij wenschen elkander geluk van toch eindelijk hun doel te hebben bereikt. Terstond gaat men aan het werk, om alles, wat er tot de uitvoering van het doodvonnis vereischt wordt, aan te brengen. Jezus wordt terstond de speelbal der soldaten en beulen. Zij grijpen Hem vast, rukken Hem den purperen mantel af en doen Hem zijn eigene kleederen aantrekken. Het kruis, waaraan Jezus moet vastgenageld worden, is reeds in gereedheid gebracht. Twee ruwe balken zijn in haast over elkander geslagen. Jezus wordt gedwongen, dat kruis op te nemen, of wel, de beulen werpen het Hem op zijne doorwonde schouders; en om de doodstraf, de kruisiging van Jezus, zoo onteerend en schandelijk mogelijk te maken, hadden de Priesters nog twee misdadigers, die reeds ter dood veroordeeld waren, uit de gevangenis doen halen, om met Jezus gekruist te worden. Onze goddelijke Zaligmaker zal te midden van die twee moordenaars aan het kruis genageld worden, \'t Is om te ijzen als men er aan denkt. En ziet, M. Z., onze goddelijke Zaligmaker is kalm, Hij laat zich mishandelen. Hij is over-
â 197 â
gegeven aan den wil van zijn hemelschen Vader; want in dat doodvonnis, tegen Hem uitgesproken, ziet Hij den wil van zijn hemelschen Vader, en aan zijn hemelschen Vader is Hij gehoorzaam tot den dood, ja, tot den dood des kruises. Hij neemt het kruis met liefde op zijne schouders; Hij omhelst het, en gaat er vol moed Jeruzalem mede uit. Welk verschil van hetgeen er nog maar weinige dagen geleden plaats had! Nog maar weinige dagen geleden werd Jezus met zijne leerlingen, gezeten op een ezelin, in triomf Jeruzalem binnen geleid; de lucht weergalmde van het vreugdegeroep: Hozanna den Zoon van David! Hosanna Filio David! Gezegend die komt in den naam des Heeren! Benedictus qid venit in nomine Domini! l) En nu, eenige dagen later, wordt diezelfde Jezus, die Zoon van David, met een kruis beladen achter twee moordenaars Jeruzalem uitgedreven, onder smaad-geroep, onder vloeken cn verwenschingen. Hetzelfde, M. Z., was den koning David, die een afbeeldsel van Jezus is, vroeger overkomen. Tijdens den opstand van zijn ontaarden zoon Absalom moest hij de stad Jeruzalem ook verlaten. Een zijner dienaren, Semëi, riep David, toen hij barrevoets en met bedekten hoofde de stad uitging, na: Ga uit, ga uit, gij bloedhond! Egredere, egredere, vir sangui-num ! 2) Jezus gaat dus met een kruis beladen de stad Jeruzalem uit. Uitgeput van krachten en door den last van het kruis overmand, valt Hij er weldra onder neder; opgerukt kan Hij met moeite zijnen weg vervolgen. Na eenige stappen voortgegaan te zijn, ontmoet Hij zijne bedroefde Moeder. Daardoor is onze goddelijke Zaligmaker zoo zeer aangedaan, dat Hij schier niet meer vooruit kan en gevaar loopt van elk oogenblik onder het kruis te ster-
1) Matth. xxi, 9. 2) Keg. xvi, 8.
â 198 â
ven. De beulen bemerken het, zij zijn er inderdaad bang voor, en dan zouden zij het helsch genoegen niet smaken, van onzen goddelijken Zaligmaker levend aan het kruis te kunnen vastnagelen en te midden der folteringen te zien sterven. Zij houden raad onder elkander, en zij komen overeen, van den een of anderen te nemen, die Jezus het kruis zou helpen dragen. En ziet, daar komt een vreemdeling aan, Simon van Cyrene genaamd, en dien Simon dwingen zij, Jezus\' kruis te helpen dragen: Hunc angariaverunt ut tolleret crucem ejus. 1) Hoe dan ! Moest Simon gedwongen worden ? Hielp hij slechts met tegenzin en morrende? Ja, M. Z., en dat was volstrekt niet te verwonderen, \'t Was Simon te vergeven, dat hij het gedwongen, met tegenzin en al morrende deed. Simon kende Jezus niet genoegzaam. Het kruis was de schandelijkste straf, waartoe iemand kon veroordeeld worden; hij wist niet, welk voordeel er aan vast was, Jezus zijn kruis te helpen dragen. Doch ziehier, M. Z., een andere zaak en die te verwonderen is, dat is, dat er onder de Christenen gevonden worden, die gedwongen, met tegenzin en al morrende hun kruis dragen. Die Christenen nochtans, wijl zij leerlingen van Christus zijn, kennen hunnen Leermeester; zij weten dat het hun volstrekt niet tot oneer strekt, en tevens weten zij, welke voordeelen er voor hen aan het kruisdragen vast zijn. En wat gebeurt er nu ongelukkig maar al te dikwijls? God zendt den eenen eene ziekte over. Die ziekte veroorzaakt te veel pijn, zij duurt te lang, zij kost te veel geld; hij beklaagt zich, wordt ongeduldig en staat soms op tegen God. Een tweede wordt op een andere wijze beproefd. Die vrouw, bijv., heeft een kruis in haren man, nooit
i) Matth. xxvii, 32.
â 199 â
kan zij het bij hem van pas maken. Die man heeft een kruis in zijne vrouw, \'t is onmogelijk haar te voldoen. De ouders hebben een kruis in hunne kinderen. Niettegenstaande de beste opvoeding, de beste voorbeelden, de beste vermaningen, de vurigste gebeden schikken de kinderen zich niet. De zoon bedroeft den vader door zijn slecht gedrag, de dochter, de moeder door hare losbandigheid. Die kinderen zijn nagels aan de doodkist hunner ouders. En ziet, die ouders verliezen den moed, zij worden ongeduldig en wenschen wel eens zich zeiven of hunnen kinderen den dood toe. De kinderen vinden soms een kruis in hunne ouders. Die zoon is een oppassend jongeling, die dochter een oppassend meisje, zij doen hun best om eerlijk door de wereld te komen. En ziet, die vader, wijl hij zijne heiligste plichten overtreedt, strekt hun tot oneer; die moeder, wijl zij zich geheel en al vergeet, wordt hun tot schande; de kinderen verliezen den moed, en hetgeen erger is, zij maken zich soms plichtig aan groote zonde tegen het vierde gebod. Een derde heeft tegenspoed in zijne ondernemingen. De oogst mislukt, de handel gaat slecht; in plaats van voorspoed, waaraan hij zich verwachtte, komt de tegenspoed, waaraan hij zich niet verwachtte; en nu verre van met een geduldigen man Job te zeggen: God gaf. God nam, de naam des Heeren zij gezegend, verliest hij zijn geduld, en hij staat wel eens op tegen God. Ziedaar, M. Z., wat voor kruisdragers men onder ons Christenen aantreft. Doch nu vraag ik: wat is daarbij gewonnen? Zijn de kruisen verminderd? Integendeel, zij vermeerderen. Worden zij lichter? Neen, zij worden zwaarder. Strekken zij tot ons welzijn? Evenmin, want zij maken ons ongelukkig voor tijd en eeuwigheid. Wat blijft er ons dan over te doen? Willen wij wijs handelen, M. Z., en op
200
ons welzijn uitzijn, dan moeten wij ons in die droevige noodzakelijkheid aan den wil van God onderwerpen; wij moeten de kruisen en wederwaardigheden, die ons, zoolang wij leven, zullen overkomen, van God ontvangen en met geduld dragen; op die wijze zullen wij onzen goddelijken Zaligmaker navolgen, die, gelijk Hij zelf aan de leerlingen van Emmaus verklaarde, moest lijden en door te lijden zijne glorie moest binnen gaan. Bijgevolg, de weg des lijdens of des kruises is de weg naar den hemel: willen wij dus Jezus hiernamaals naar den hemel in zijne glorie volgen, wij moeten Hem ook met het kruis in zijn lijden volgen hier op aarde.
II.
Onze goddelijke Zaligmaker, door Simon van Cyrene geholpen, kan nu zijn pijnlijken weg naar den Calvarieberg vervolgen. Ook kwam eene godvreezende vrouw met name Veronica, Hem nog troosten, door zijn goddelijk aanschijn af te droogen. Jezus gaat dus, doch niet zonder moeite, vooruit, en Hij valt nogmaals onder zijn kruis neder. Toen Jezus daar voor de tweede maal plat ter aarde onder zijn kruis lag, mishandelden Hem de beulen op de onmenschelijkste wijze; zij rukten Hem op en stuwden Hem op nieuw vooruit. Eenige vrouwen, die onder het volk uit Jeruzalem mede gekomen waren, al de mishandelingen, die Jezus aangedaan werden, zijn lijden en zijn geduld ziende, kunnen zich niet langer meer inhouden; zij beginnen luidkeels te weenen. De soldaten en beulen lachen er mede. Jezus, het geween en gejammer dier vrouwen hoorende, keert zich een oogenblik tot haar en zegt: Dochters van Jeruzalem, weent niet over mij, maar weent over u zeiven en over
â 201 â
uwe kinderen; want bijaldien zij met het groene hout zoo handelen, wat zal er dan met het dorre geschieden ? Onze goddelijke Zaligmaker denkt hier aan den uitersten nood, waarin de inwoners van Jeruzalem zich weldra tijdens de belegering en inneming der stad zullen bevinden. Jezus, na voor de derde maal onder het kruis bezweken te zijn, komt eindelijk op den Calvarieberg aan. De Priesters, de Schriftgeleerden en Ouderlingen, die zoo zeer verlangd hebben den kruisdood van Jezus bij te wonen, wenschen elkander geluk van onzen goddelijken Zaligmaker zoo ver levend te hebben gebracht; zij gebieden van terstond met de kruisiging te beginnen. Eenige beulen maken de strafwerktuigen gereed: het kruis en de touwen, de nagels en de hamers, alles wat zij noodig hebben. Anderen slaan terstond de handen aan onzen goddelijken Zaligmaker, zij rukken Hem de kleederen van zijn doorwond lichaam. Alvorens Hem aan het kruis vast te nagelen, geven zij Jezus wijn te drinken: Dcderunt Ei vinum bibere; doch dien wijn hadden zij met gal gemengd: Cum felle mixttim. i) In plaats dus dat onze goddelijke Zaligmaker zijn brandenden dorst mocht lesschen, werd Hij door dien bedorven wijn nog meer gefolterd. Onze goddelijke Zaligmaker wilde er van drinken, om te voldoen voor de zonde van onmatigheid, waaraan de mensch zich zoo dikwijls plichtig maakt. En inderdaad, welke zonde is er algemeener dan de zonde van onmatigheid, vooral de onmatigheid inden drank? Die zonde nochtans is eene schandelijke en noodlottige zonde. Zij is eene schandelijke zonde. Daardoor verlaagt zich de mensch zeer. Met rede en verstand begaafd, moest hij zijn bedorven natuur intoomen, zijne
1) Matth. xxvii, 34.
202
kwade neiging tot overtollige spijs en drank paal en perk weten testellen. En wat doet de gulzigaard, de dronkaard? Hij laat de bedorven natuur geworden, volgt zijne kwade neiging in en gaat zich te buiten in spijs en drank. Daardoor wordt hij gelijk aan het redelooze dier; ja wat meer is, hij verlaagt zich beneden hetzelve. Alzoo is de onmatigheid eene schandelijke zonde. Zij is op de tweede plaats eene noodlottige zonde, zoo voor het lichaam als voor de ziel. De onmatigheid is eene noodlottige zonde voor het lichaam; zij veroorzaakt eene menigte van ziekten; zij is volgens de leering der geneesheeren de moeder van alle ziekten: Gula morborum omnium mater. De droevige ondervinding bevestigt, helaas! maar al te dikwijls die waarheid. De onmatigheid ondermijnt de krachten des lichaams, zij doet het langzamerhand wegkwijnen en veroorzaakt een vroegtijdigen, niet zelden een plotselijken dood. Ja, personen die gezondheid schenen te koop te hebben, heeft men in den bloei hunner jaren zien verouderen, ten grave zien dalen. De onmatigheid is eene noodlottige zonde voor de ziel, vooreerst wat de natuurlijke geestvermogens betreft. Het geheugen verliest, het verstand verbeistert, verstompt, gaat soms geheel en al verloren. De wil is gespannen op het stoffelijke, op eten en drinken. De gulzigaard, de dronkaard is niet meer in staat zich hooger te verheffen. De geestelijke en hemelsche goederen behagen hem niet; hij blijft als aan de aarde gehecht, en \'t is het stoffelijke, eten en drinken, dat hij najaagt; daarin stelt hij zijn laatste einde, daarin zoekt hij zijne gelukzaligheid. Zij is eene noodlottige zonde voor de ziel wat de genade betreft. De gulzigaard, de dronkaard maakt zich dikwijls aan groote zonde plichtig, en daardoor berooft hij zijne ziel van de heiligmakende genade, die haar leven is; ja, menigeen
â 203 â
stort zich neder in den afgrond der hel, waarin hij met den brasser van het Evangelie een eeuwigen honger en dorst zal moeten lijden. Ziedaar, M. Z., het schandelijke en het noodlottige, zoo voor het lichaam als voor de ziel, van de zonde van onmatigheid. Om voor die zonde te voldoen heeft onze goddelijke Zaligmaker honger en dorst willen lijden, heeft Hij op den Calvarieberg met wijn, die met gal gemengd was, willen gelaafd worden. Wachten wij ons dus goed voor die zonde om onzen goddelijken Zaligmaker, om zoo te zeggen, niet op nieuw met dien walgenden drank te laven.
III.
â
Nadat de beulen Jezus dien bedorven wijn te drinken gegeven hadden, nagelden zij Hem aan het kruis. Met drie of vier nagels slaan zij er zijne gezegende handen en voeten aan vast. Daarop richten zij het kruis, met het slachtoffer beladen, in dé hoogte. Ook hadden zij met Jezus nog twee booswichten aan hunne kruisen vastgemaakt, den eenen aan zijne rechter, den anderen aan zijne linker zijde, zoo dat de voorzegging vervuld werd: Et cum iniquis reputatus est: i) Hij is onder de boosdoeners gerangschikt. Terwijl onze goddelijke Zaligmaker daar hing tusschen hemel en aarde, ten prooi aan de hevigste pijnen; terwijl zijn goddelijk bloed van alle kanten uit zijn doorwond lichaam op de aarde neder-vloeide, lachten, bespotteden en beschimpten hem zijne vijanden. De voorbijgangers zeiden, het hoofd schuddende: Ha! Gij die den tempel Gods afbreekt en in drie dagen opbouwt, verlos u zeiven. Zoo gij de Zoon Gods zijt, kom dan van het kruis af. De Priesters, de Schriftge-
1) Mare. xv, 28.
leerden en Ouderlingen riepen al spottende: Anderen heeft Hij verlost, zich zeiven kan Hij niet verlossen! Zoo Hij de Koning van Israël is, dat Hij van het kruis afkome, en wij zullen in Hem gelooven! De soldaten riepen al spottende: Zoo gij de Koning der Joden zijt, red u dan het leven! Ja wat meer is, een der moordenaars, die met Hem gekruist waren, durfde onzen god-delijken Zaligmaker nog lasteren: Zoo Gij de Christus zijt, zegt hij, verlos dan U zei ven en ons met U. Onze goddelijke Zaligmaker verdroeg al die spotternijen, lasteringen en beschimpingen met geduld. Hij is als verslonden in het grootsche werk der verlossing van het menschdom; Hij wil, alvorens te sterven, nog zijn testament maken; doch wat zal Jezus bij testament, en voor wie zal Hij iets maken? Jezus, M. Z., denkt op de eerste plaats aan de Joden, die Hem zoo zeer mishandelen en aan het kruis hebben doen hechten. En wat laat Jezus den Joden bij testament? Luistert, M. Z., Jezus laat hun de vergiffenis hunner misdaad. Vader! vergeef het hun, zegt Jezus, want zij weten niet wat zij doen! Pater! dimitte illis non enim sciunt quid faciunt! i) Op de tweede plaats denkt Jezus aan een booswicht, aan een moordenaar, wiens leven een aaneenschakeling geweest is van misdaden en schelmstukken, en die er te recht voor met den dood gestraft wordt. En wat laat Jezus den moordenaar, die berouw heeft over zijne misdaden ? Luistert, M. Z., \'tis bijna ongeloofelijk; Jezus Iaat hem dea hemel. Heden, zegt Jezus, zult gij met mij zijn in het Paradijs: Hodie viecum eris in Paradiso. 2) Op de derde plaats denkt Jezus aan twee personen, die Hem zoo zeer aan het hart liggen, en die Hem zoo trouw
1) Luc. xxni, 34. 2) Luc. xxm, 43.
205 â
tot onder het kruis gevolgd zijn. Die personen zijn Maria zijne Moeder, en Joannes zijn leerling. Jezus zag hen staan, de oogen vol tranen en der droefheid ten prooi; Maria om het verlies van haar teêrgéliefden Zoon, Joannes om het verlies van zijn teêrgeliefden Meester. Wat zal Jezus hun nu laten voor het verlies dat zij lijden ? Hij laat aan Maria zijnen leerling. Vrouw, ziedaar uw zoon! zegt Jezus: Muiier ecce films iutis! i) Hij laat aan Joannes zijne Moeder. Ziedaar uwe Moeder! zegt Jezus: Ecce Mater tua! Onze goddelijke Zaligmaker heeft niets meer ter beschikking over dan zijn lichaam en zijne ziel. Zijn lichaam laat Hij aan Joseph van Arimathea en Nicodemus, om het na zijnen dood te begraven, en zijne ziel geeft Hij aan zijn hemelschen Vader. Vader! zegt Jezus, in uwe handen beveel ik mij nen geest! Pater! in mamts tuas commendo spirittim meum! 2) Ziedaar het testament van Jezus, M. Z., met zijn goddelijk bloed geteekend. Hij laat vergiffenis aan zijne vijanden, den hemel aan den goeden moordenaar, Joannes aan zijne Moeder, zijne Moeder aan Joannes, zijn lichaam aan Joseph en Nicodemus, en zijne ziel aan zijn hemelschen vader. Is dat alles? Maar heeft Jezus ons dan vergeten? Neen, M. Z., zijne goedheid is te groot, dan dat Hij ons zoude , vergeten, Hij geeft ons alles wat Hij heeft: zijn leven, zijn bloed, zijne verdiensten, zijne Moeder. Wij, wij zijn zijne volle erfgenamen, en eenieder onzer mag zeggen met den Apostel Paulus: Hij heeft mij bemind en zich zeiven voor mij gegeven; Dilexit me et tradidit semetip-sum pro 7gt;te. 3) Zoodra Jezus zijn testament gemaakt, over alles beschikt heeft, buigt Hij het hoofd en sterft: £t inclinato capite tradidit spiritum. 4)
1) Joan, xix, 26-27. 2) Lue.xxiv, 46. 3) Gal. 11, 20.4) Joan. xix. 30.
206
SLUITREDE.
Werpen wij nu ten slotte nog een oogslag op onzen goddelijken Zaligmaker, dood hangende aan het kruis. Ja, M. Z., aanschouwen wij Jezus nog een oogenblik met aandacht. Ziet, zijne oogen zijn gesloten, oogen, waarmede Hij eenieder zoo minzaam aanzag. Zijne tong in zonder spraak, tong, waarmede Hij alom de blijde tijding verkondigde. Zijne handen zijn stijf, handen, die Hij uitstrekte om te zegenen. Zijne voeten zijn zonder gevoel, voeten, waarmede Hij overal rondwandelde om het Evangelie te verkondigen. Gansch zijn lichaam is zonder beweging, lichaam, dat Hij geene rust gunde om voor de glorie van zijn hemelschen Vader en voor de zaligheid der zielen te arbeiden. Ja, Jezus is dood. Och of ons het geluk te beurt viel, hetgeen eertijds Joseph te beurt viel bij het sterven van zijnen vader Jacob! Toen Jacob overleden was, brak Joseph in tranen los; hij viel op het lijk van zijnen vader en omhelsde het; zoo zeer beminde die zoon zijnen vader. Zouden wij nu ongevoelig kunnen blijven bij den dood van Jezus, die wel meer onze Vader is, dan Jacob de vader van Joseph? Zouden wij met drooge oogen onzen Vader aan het kruis kunnen zien hangen, en zouden wij Hem niet beminnen, die uit liefde tot ons aan het kruis sterft? Welk een ondankbaarheid! En wijl wij ons inderdaad dikwijls aan die ondankbaarheid hebben plichtig gemaakt door onze zonden, laten wij dan, M. Z., afstand doen van die zonden; laten wij onze zonden oprecht beweenen; laten wij er ons ootmoedig vergiffenis van vragen. Ja, ter gelegenheid van Paschen, de groote verzoeningsdag, moeten wij ons oprecht met Jezus verzoenen. O neen, M. Z., vreezen wij niet, dat Jezus ons die verzoening zal weigeren, al waren onze zonden
207
ook nog zoo talrijk en groot, vermits wij er een waar berouw over hebben, met het vast voornemen van ze niet meer te bedrijven. En om ons daarvan te overtuigen, slaan wij liever onze oogen nog eens op het kruis. Ziet Jezus! Hij heeft zijne armen uitgestrekt om ons in liefde te ontvangen, zijn hoofd gebogen om ons te omhelzen, zijne zijde geopend om er ons eene schuilplaats in aan te bieden. Ja, M. Z., in de wonden van Jezus, en bijzonder in de wonde van zijne zijde, kunnen wij eene veilige schuilplaats vinden tegen de gramschap van God, gelijk de H. Hieronymus zegt: In vulneribus Ckrisii. Naderen wij dus tot Jezus, terwijl Hij aan het kruis nog een goede en barmhartige Zaligmaker is, want eenmaal zal Hij komen om ons te oordeelen als een onverbiddelijke Rechter. Belijden wij dus met Paschen rouwmoedig en oprecht onze zonden aan den priester, om er vergiffenis van te bekomen; onze zonden zullen ons vergeven worden, wijl Jezus in den persoon der Apostelen aan alle Priesters de macht heeft gegeven van de zonden te vergeven, want er staat geschreven: Wier zonden gij zult vergeven hebben, dien worden zij vergeven: Quorum remiseritis peccata, remitUmtur eis. i) Amen.
1) Joan, xx, 23.
ERRATA.
B!z. 21 laatste regel staat: die kleine onschuldige
zielen, lees: die kleine kinderen, die onschuldige zielen.
Blz. 66 boven 17 staat: of weinig, lees: of meer.
Blz. 163 laatste regel staat; Ik zweer, lees: Ik bezweer.
BLADWIJZER.
EERSTE JAARGANG.
EERSTE MEDITATIE.
Bladz.
Van de instelling van het allerheiligste Sacrament des Altaars tot het verraad van Judas. 11 I. Droefheid van Jezus in den Olijfhof .... 13 Over de afschuwelijkheid der zonde en hare straffen.
II. Jezus neemt zijn toevlucht tot het gebed. . . 17
Over het gebed en deszelfs voorwaarden.
III. Judas aan het hoofd van de vijanden van Jezus. 19 Over de ergernis.
TWEEDE MEDITATIE.
Van het verraad van Judas tot de gevangen-
neining van Jezus..........27
I. Verraad van Judas..........29
Over de geldzucht.
II. Jezus werpt zijne vijanden ter aarde .... 34 Over het oordeel en de verharding der zondaren.
III. Vlucht der Apostelen.........37
Over de trouweloosheid der wereld.
I. 14.
â 210 â
DERDE MEDITATIE.
Bladz.
Van de gevangenneming van Jezus lot den val
van Petrus............44
I. Jezus voor Annas en Caïphas.......45
Over de liefde jegens zijne vijanden.
II. Jezus wordt van godslastering beschuldigd . . 51 Over de godslastering.
III. Val van Petrus............55
Hoe wij Jezus door de zonden verloochenen.
VIERDE MEDITATIE.
Van den val van Petrus tot de kroning met
doornen.............61
I. Jezus wordt gedurende den nacht mishandeld . 64 Over de tegenwoordigheid Gods.
II. Jezus wordt gegeeseld.........68
Over de onkuischheid.
III. Jezus wordt met doornen gekroond.....74
Hoe men Jezus door de doodzonden kroont.
VIJFDE MEDITATIE.
Van de kroning met doornen tot de kruisiging
van Jezus.............So
I. Jezus neemt het kruis op zijne schouders. . . 82 Hoe wij ons kruis moeten dragen.
II. Woorden van Jezus tot de weenende vrouwen . 87 Hoe slechte ouders over zich zeiven en over
hunne kinderen moeten weenen.
III. Jezus tusschen twee moordenaars gekruist . . 91 Over de hoop en het vermetel betrouwen.
â 211 â
ZESDE MEDITATIE.
Bladi.
Van de Kruisiging van Jezus tot den kruisdood. 98
I. Woorden van Jezus aan het kruis.....99
Over het âConsummatum estquot; van den zondaar en van den rechtvaardige.
11. Kruisdood van Jezus.........104
Over de zorg voor zijne ziel.
III. Wonderen bij den dood van Jezus.....106
Over de boetvaardigheid.
TWEEDE JAARGANG.
EERSTE MEDITATIE.
Van de voetwassch ing tot de komst in den
O lijf hof.............115
I. Jezus wascht zijnen leerlingen de voeten. . . 118 Over de ootmoedigheid.
II. Jezus gaat met zijne leerlingen Jeruzalem uit . 121 Hoe Jezus door de doodzonde gedwongen wordt
de ziel van den mensch te verlaten.
III. Jezus is bedroefd tot den dood toe .... 124 Over de droefheid over onze zonden.
TWEEDE MEDITATIE.
Van den doodstrijd van Jezus in den Olijf hof tot het verraad en de gevangenneming van Jezus. 130
I. Jezus verkeert in doodstrijd.......13\'
Over den doodstrijd van den zondaar.
â 212 â
Bladz.
II. De Apostelen slapen.........136
Over den slaap der plichtvergetene ouders en
oversten.
III. Jezus wordt verraden en gevangen genomen . 139 Over de versteendheid van Judas en den zondaar.
DERDE MEDITATIE.
Vatt de gevangenneming van Jezus tot de verloochening van Petrus ........ 145
I. Jezus door Caïphas ondervraagd......147
Over het kwaadspreken.
II. Jezus door Petrus verloochend......151
Over het gevaar en de gelegenheid van zonde. III. Petrus, door Jezus aanschouwd, bekeert zich . 155 Over de barmhartigheid Gods.
VIERDE MEDITATIE.
Van de rechtbank van Caïphas tot den zelf moord
van Judas............160
I. Jezus belijdt dat Hij de Zoon Gods is . . . 162 Hoe men spreken moet als de eer van God of het welzijn van den evenmensch zulks vordert II. Jezus den ganschen nacht mishandeld. . . . 167 Hoe wij het ongelijk moeten verdragen.
III. Judas verhangt zich..........170
Hoe wij onze zaligheid met vrees en hoop moeten bewerken.
VIJFDE MEDITATIE.
Van de rechtbank van Pontius-Pilatus tot de kroning met doornen........177
â 213 â
Blndz.
I. Jezus bij Pilatus beschuldigd en Barabbas voor
Jezus gesteld............179
De zondaar stelt Jezus achter Barabbas.
II. Jezus gegeeseld...........185
Over de onkuischheid.
III. Jezus met doornen gekroond.......188
Hoe men met de doornen kroon de kroon van
glorie moet verdienen.
ZESDE MEDITATIE.
Van de veroordeeling tot den kruisdood tot
den dood van Jezus.........194
I. Jezus neemt het kruis op zijne schouders . . 196 Over het voordeel van het lijden.
11. Jezus wordt met edik en gal gelaafd .... 200 Over de onmatigheid in het drinken.
III. Jezus beveelt zijne ziel in de handen van zijnen
Vader..............203
Over de liefde tot God en het verlaten der zonde.
Reïmprimatur.
Rur^ïmund/E, i Octobris 1889.
P. J. H. RUSSEL, Can. theol., Libkoeum Censor.
cBij dtynza-f ^9ei-v
Pater Agostino da Montefeltro, Conferentiën, in het Neâ derlandsch overgebracht door Gomarius Mes. In 6 afleveringen van 8ó bladz. groot 8quot;. Prijs Æ 0,50 pér aflevering. Linnen stempelbanden voor het gehecle werk Æ 0,50.
Maria, toonbeeld aller deugden. Een volledig Gebeden Overwegingboek, inzonderheid voor Katholieke jonge- , dochters. Met kerkelijke goedkeuring, 418 bladzijden groot.
Dit werkje, geheel aan de vereering van Maria gewijd, is een uitmuntend gebedenboek voor het geheele jaar en bijzonder voor de feestdagen van Maria en (ie Meimaand. De prijs is ingenaaid Æ 0,60, gebonden in een zeer net linnen bandje Æ 0,75.
St. Joseph. Patroon der Christenen en der H. Kath. Kerk, door een R. K. Priester, bevattende: Misoerc-ningen ter eere van den H. Joseph, oefeningen gedurende de maand Maart, noveen ter eere van den H, Joseph en verschillende Litaniën en gebeden ter zijner eerè. Prijs gebrocheerd Æ0,30; gebonden in net zwart linnen bandje Æ 0,45.
Onze Lieve Vr. van Lourdes, korte Schets, getrokken uit den Herderlijken brief van Mgr. Billère, Bisschop van Tarbes. Prijs Æ0,15; bij 5otal Æ0,12; bij 1 octal Æ0,10.
Handboekje voor de Leden der Wereldlijke Derde Orde
van den H,. Franciscus.
3e Gedeelte. Gezangen Æ 0,10.
Muziek Æ0,25.
Sint-Franciscus. Maandschrift voor de Leden van de Derde Orde. Verschijnt in afleveringen van 32 pag. ; franco per post Æ 1,24 per jaar.
St. Josephsblad. Weekblad voor H. Familiën, Katholieke Vereenigingen en huisgezinnen, ónder de hooge bescherming van Z. D. II. den Bisschop van Roermond. Per jaargang Æ 0,80.
Diploma\'s voor de Aartsbroederschap de H. Familie-, in zes kleuren /o,J5. _
ONDERRlGHTINGEIs
l\\ Di:
Sc foo p- C Mi ^cdc-viicc t,
NAAR Dl-.X
MliClli:i-SCHEN CATECHISMUS,
! )OOR
ANT. KOOVKRS, Pastoor
Vijf boekdeel en van ruim 2000 blad/,., goedgekeurd en aanbevolen door HH Doorl. Hoogw. de Bisschoppjn van Luik, Roermond en Breda. Prijs Æ 5, â¢