-ocr page 1-
-ocr page 2-

Bk Moltzer.

Kast 3, PI.A No. 3 8 4

De tyd en heeft noyt weghgenomen

-ocr page 3-
-ocr page 4-

■ .

• ■ ■ ....... - ■ ■: !-to ... .... , ...

■■■■,• ■ ■ • 1

-f.w* * .gt;Di^

■ v. ..;. • ^*4Mj Hfjfci

^J«i

P

., ...

■ ■ ■

\' \'\' ■....... ■ ■.........-.,., , ........

-ocr page 5-

-ff fi-

ANTWERPEN

IN DE XVI11quot; EEUW

?

VÓÓR DEW INVAL DER FRANSCHEN.

Godsdienst. Zeden, Gebruiken.

Vermaken. Kostwinning. Handel. Nijverheid. Onderwijs. Geneeskunde. Gerecht.

DOOR

Bekroond door de Koninklijk* Vlaamschc Academie voor Taal- en Letterkunde in zitting van 21 Juni 1893.

GENT

A. S 1 1-quot; I-quot; E K Drukker der Koninklijke l laantsche Academie.

1895

4

-ocr page 6-
-ocr page 7-

ANTWERPEN IN DE XVIir EEUW,

VÓÓR DEN INVAL DER FRANSCHEN.

Men mag zijne oude schoenen verwerpen, maar zijne oude zeden nooit.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

ANTWERPEN

IN DE XVI11quot; EEUW

1

VOOR DEN INVAL DER FRANSCHEN.

I895

Godsdienst. Zeden. Gebruiken.

Vermaken. Kostwinning. Handel. Nijverheid. Onderwijs. Geneeskunde. Gerecht.

DOOR

EOWARD F»OF,F,r3.

-ocr page 10-
-ocr page 11-

I.

ANTWERPEN IN GEWONE TIJDEN.

Algemeen overzicht. — Bevolking. — Uitzicht van stad, straten en huizen. — Geldelijke toestand der stadskas. — Geld bij de burgers. — Meubelen. — Rookmeesters en schouwvagers. — Huiselijke vermaken. — Kinderschrikken. — Eeuwelingen. — Kleeding. — Kleedingstoffen en kleinodiën. — Rouw en begrafenis. — Betwiste huwelijken. — Echtscheidingen. — Bezigheden van het magistraat.

P het oogenblik dat wij eene nieuwe eeuw tegemoet gaan en al het bestaande, op Fran-sche leest geschoeid, naar fin de siècle schijnt te willen streven, mag het bij sommigon een vervelend werk worden geheeten, de gebruiken onzer voorouders op te delven; maar ongetwijfeld leeft en arbeidt in gansch Vlaanderen nog eene bezadigde, zelfstandige menigte, welke een boek van studie en redeneering weet te waardeeren — en voor haar is het, dat deze letteren verschijnen. « Het is dringend noodig », zeggen wij mot eencn onzer geschiedschrijvers, « de aloude deugd der huiselijkheid herin te voeren, aan vrienden en vijanden te bewijzen, dat wij niet voor het kantoor, den kring, den schouwburg, de straat, het koffiehuis, maar voor het gezin

x

An truer pen in de X VI 11* eeuw.

-ocr page 12-

leven en arbeiden. Wij moeten den huiselijken kring opnieuw samenstellen; het oudtijds zoo bekoorlijke, dichterlijke hoekje van den haard opzoeken en \'t leven herbeginnen, dat onzen kindertijd en onze jeugd met de bloemen der innigste liefde heeft veraangenaamd. » (i) Eene zaak bovenal staat vast, als een paal boven water : onze voorouders, zich vergenoegende met hunne omgeving en hunnen toestand, bleven onwankelbaar in hunne overtuiging, raad zoekende en hulp schaffende, waar thans meer dan al te dikwijls onmacht en wanhoop zich lucht geven.

Niet altoos leefden onze oudjes in rijkdom en wellust, want, zooals men weet, werd ons land, bij het aanbreken der i8e eeuw, tusschen Oostenrijk en Frankrijk betwist, en \'t was eerst den 24en Mei 1706, daags na de nederlaag der Franschen in den slag van Ramillies, dat de bondgenooten den graaf Cadoghan met een geleide van duizend paarden en ecaige bataljons voetvolk naar Antwerpen stuurden, als voorbode van Jozef-den-Eerste. Dezes troon was echter niet voor goed gevestigd; bloed stroomde nog bij beken op het slagveld, alvorens de vrede van Utrecht de meesterschap over de Belgische gewesten aan het huis van Oostenrijk waarborgde; doch eindelijk, den i5en November 1715, des nachts om twaalf uren, op het stadhuis, teekenden de Mogendheden het beruchte Barrcclentraclaat, waarbij de Belgische gewesten tot barreel tusschen Holland en het Fransche koninkrijk werden aangesteld.

De eerste Oostenrijksche vorst was weldra vervangen door zijnen broeder Karel-den-Zesde, die.

(1) Frans ue Potter; Huiselijke godsdienst onzer voorvaderen, bladz. 141.

-ocr page 13-

op zijne beurt, in 1740 overleden zijnde, plaats maakte voor zijne dochter Maria-Theresia, juist op het oogen • blik, dat de koning van Frankrijk, de vroegere verbintenissen miskennende, haar den oorlog verklaarde. Nog hingen de Latijnsche jubclschriften aan de huisgevels, verkondigende de vreugde der bevolking bij het bezoek van hertog Karei-Alexander, schoonbroeder der géliefde vorstin, wanneer het Hof uit Brussel herwaarts kwam gevlucht, recht den wolf in den muil. Immers, den 2ien Mei rukten de Franschen hier binnen, vestigden zich in het Oostersch-huis, belegerden, in naam van hunnen koning, Lode-wijk-den-Vijftiende, het krijgskasteel en deden, gedurende hun tweejarig verblijf, niet de minste poging om de stad uit haar verval op te beuren. Eindelijk, ten gevolge van den vrede, te Aken geteekend op 18 October 1748, moest de vijand onze vesting verlaten en gingen wij eene vredevolle toekomst te gemoet, die ruim dertig jaar volhield en veel van de geleden rampen deed vergeten.

Ongelukkiglijk begreep de zoon van Maria-ïheresia, keizer Jozef-de-ïweede, geenszins het karakter noch den aard onzer bevolking zooals het behoorde, en bewerkte, in zijnen dollen drift tot hervorming, zijnen eigen val: nauwelijks had hij den troon beklommen, of bij zijn eerste bezoek alhier, op 18 Juni 1781, deed hij zich opmerken door zijn stroef en hooghartig karakter, niets erkennende noch eerbiedigende van al wat met het volk als vergroeid was. Hij mocht het geluk niet beleven, zijne verzachtende maatregelen eenig gunstig uitwerksel te zien uitoefenen, en zijne opvolgers, onmachtig tegenover het alles beheerschende misnoegen der bevolking, konden ons land niet tegen de overweldiging van Frankrijk beschutten.

-ocr page 14-

De handelsstad bij uitmuntendheid, het fiere, kunstlievende, machtige Antwerpen onderging meer dan elke andere plaats den noodlottigen invloed der verschillige bestuurs ver wisselingen; maar toch, ondanks moedwil, verraad en verdrukking, bleef zij haar eigenaardig karakter behouden, liet niets onverlet van wat hare bevolking kon aanmoedigen of tot den strijd om het leven heropbeurcn en bezweek dan alleen, wanneer overmacht van don oenen, ontzenuwing van den anderen kant allen wederstand onmogelijk maakten.

Doch laten wij eerst de vraag beantwoorden : hoe hoog reikte het aantal inwoners op enkele tijdstippen der i8e eeuw? In vroegere jaren, to midden van welvaart en groot handelsverkeer, klom dit getal nooit boven de honderdduizend. Daarentegen, rond het jaar 1700, telde men hier slechts 65.711 stadgenooten, en volgens de doopregisters der jaren 1740 tot 1750, vindt men gemiddeld 1,500 geboorten per jaar, waaruit men mag besluiten, dat de bevolking van dien tijd tusschen de 45 en 46.000 zielen kon bevatten. Wellicht zal deze verbazende vermindering twijfelachtig geschenen hebben aan de keizerin, want haar plakkaat van 27 December 1754 eischte eene getrouwe natelling, « alsoo onsen koninck-lycken dienst vereyscht dat Wy onderricht wesen van het waer ende effectief getal der ingesetenen van onsen lande ende hertoghdomme van Brabant, alsoock van hunnen staet, neiringe, ambacht ofte andere middels by de welcke sy komen te subsisteren. » Deze nieuwe volkstelling, reeds in 1755 voltrokken, verantwoordde 1,495 geboorten en eene bevolking van slechts 37.304 personen. Dientengevolge, vernomen hebbende, dat verschillige landge-

-ocr page 15-

nooten de barre streken van Rusland gingen bewonen, verbood het Hof de uitwijking naar den vreemde zonder schriftelijke toelating van den landvoogd, op straf van levenslange verbanning en verbeurte van alle goederen der overtreders. Bijna eene halve eeuw later, in 1797, telde men toch nog maar 56.378, en in 1800 slechts 58.956 zielen, ondanks den toeloop van vreemden en vooral Franschen, welke bovendien alle ambachten en vruchtgevende bedieningen kwamen bezetten, (i)

Ziedaar, geachte lezer, reeds stof genoeg, om eenige vergelijkingen te maken tusschen Antwerpen der 180 eeuw en de Scheldestad van vandaag, met hare reusachtige instellingen, haren wereldhandel en hare 248.296 inwoners! (2)

Reeds geven deze cijfers ons een aanschouwelijk denkbeeld van den toestand onzer stad, welke overigens tusschen de jaren 1567 en 1S59 geene merkelijke verandering onderging; alleen hier en daar kwam een steenen gevel de plaats van eenen houten innemen, voor welk werk van verbetering het magistraat eenige vergoeding verleende en overigens alle zijne zorgen besteedde aan het herbouwen van het arsenaal, het aanleggen van een buskruitmagazijn en het graven van waterloopen rond de vesten.

Genoeglijk hunne pijp rookende, wanneer geene ernstige bezigheid hen aan den arbeid riep, lagen de mannen, in roodbaaien ondervest en de blauwe

(1) Jan-Frans Willems ; Mengelingen van vaderlandschen inhoud, bladz 250. — Losse stukken in de zakjeszaal ten S* id--archieve. — Plakkaten van den hove, vol. 20. —Jan-Krans Willkms : Dc oude bevolking der provincie Antwerpen^ tabel A.

(2) Officieel cijfer op 31 Dcc. 1892.

-ocr page 16-

topmuts op één oor geschoven, over hunne onderdeur, terwijl de eene of andere buurman een vertrouwelijk praatje voerde op de arduinen bank nevens de stoep. Zulke gemeenzaamheid heerschte echter niet aan de rijkeliêwoningen : deze waren met palen en kettingen afgeschut, de poorten met dikke kopnagels beslagen en langs boven overheerscht door eene « spie » of dubbelen spiegel — eene nieuwmodische uitvinding van den tijd — als wilden de begunstigden der fortuin den blik der menigte van hunne kunst- en geldschatten verwijderd houden, (i)

Minder aangenaam, zelfs gevaarlijk was het verkeer op straat bij storm of regenvlagen, want gansche reien waterstralen vloden in volle vrijheid naar beneden en groote, schuinsche keldermonden gaapten den onvoorzichtigen wandelaar afschrikwekkend tegen. Eerst in 1765 werden de bewoners gedwongen het hemelsch water in de riolen af te leiden langs straat-waarts uitstekende dakgoten.

Geen wonder dus, dat niemand zich laattijdig op straat waagde, dan voorzien van eene lantaarn of vergezeld door fakkeldragers. De winkelramen weerkaatsten geen heischitterend licht, zooals heden : vensterruiten van eenen voet vierkant gaven weelde te kennen, en de twijfelachtige klaarte eener koperen olielamp of smokende roetkaars werd zuinig aangewend tot verlichting van weegschaal en koopwaar. Overigens, in Parijs en Brussel was het niet veel beter gesteld, en zelfs werd daar niet, gelijk hier, in 1755 geboden, dat alle ambtenaars en bedienden.

(1) Het lijvig cataloog der verzameling-van der Straelen-Moons-van Lerius, opgesteld door den heer pfellivaris Alfons Goovaerts, noemt de talrijke geziunen, waar in de XVIII\' eeuw gansche museums van kunstjuweelen werden gevormd.

-ocr page 17-

kerken, kloosters en kapellen eene of meer lantaarns moesten ontsteken, naar gelang der uitgestrektheid hunner woning langsheen de straat. De eigenaars van afspanningen, tappers, herbergiers, moesten ten minste één licht doen branden, en bleven er dan nog straten of plaatsen in het donker, zoo dienden de geburen voor de noodige verlichting te zorgen, (i)

Zij was dus in verre na niet gemakkelijk noch aangenaam, de taak van den nachtwaker, of, zooals hij in de steden hiet, den Ilanneken-uit, en, in de omliggende dorpen, den rondgast. Deze, met eene piek of een pangeweer gewapend en van eenen hond vergezeld, was de eenige schadebeletter van den tijd, levende grootendeels van de fooien, die de goedwillige bewoners hem gunden. (2) En des te gevaarlijker was zijne avondslentering, dewijl hij zich te hoeden had voor de talrijke uithangborden en uitsteekteekens, die zoo laag geplaatst waren, dat men ze van ambtswege vast tegen den muur deed hechten; zonderde vuilnishoopen te rekenen, waarmede de straten belemmerd waren. In eindelooze jammerklachten viel advocaat Speckhouwer tegen notaris Kennynck en beeldhouwer Ver voort uit, omdat deze twee voor zijne woning, in de Gratiekapelstraat, alle de vuilnis door hunne dienstboden deden uitstorten, « waerdoor », zegde hij, « in het

(1) Mertens en Torfs ; Geschiedenis van Antwerpen, deel 6. — Verzameling stadsplakkaten.

(2) De rondgast van het dorp Meorle, Jan-Philip Foesenocli, werd den 24quot;n December 1766 veroordeeld tot tentoonstelling, geeseling en verbanning voor 25 jaar {Pronunciaiieboeck, nr 46, f 47 en 62). — Die van Puurs, met name Philip Nies, werd den 10™ October 1794, nabij het Kasteel, voor den Itop geschoten, omdat hij de Fransche liederen en kokarden beschimpte.

-ocr page 18-

— 12 —

wintcrsaisoen differente reysen gebeurt is dat de vuyligheyt van den voorschreven hoop haer geex-tendeert heeft tot dicht bij myne deure, soodanichlyck dat niemant in myn huis en coste comen sonder te moeten passeren door deze vuylicheyt. »{i) Deze klacht weerspiegelt don toestand van de straatrei-in den loop van gansch het tijdvak, want nog op 3 Januari 1780 werd het gebod vernieuwd, dat men geeno vuilnis op straat noch doode dieren in de ruien of vesten werpen mocht.

Het magistraat vond overigens geene beschikbare gelden tot verbetering van het uitzicht der stad, eensdeels omdat krijgskostcn, rampen en gebrek aan voedsel veel van het jaarlijksch inkomen opslurpten en bovendien dewijl vóór den aanvang der i8e eeuw de stedelijke begrooting ter dege geschokt was geworden. Een eerste tekort van honderdduizend gulden was in 1698 veroorzaakt door den gedwongen aankoop van levensmiddelen en werd drie jaar later opgevolgd door eene nieuwe leening van hetzelfde bedrag, ter betaling der versterkingswerken. De opkomst van het huis van Oostenrijk veranderde niets aan den toestand der stadskas : in 1709 deed men eene leening voor het betalen der oorlogsuitgaven en in 1714 eene andere voor de afbraak van eenige huizen op de Groote Markt, die het zicht van het Stadhuis belemmerden. Nog was dit niet voldoende : van 1709 tot 1726 was de stad belast met meer dan 200,000 gulden schuld, grootendeels veroorzaakt door krijgsinkwartieringen, en ofschoon de keizer deze som moest terugbetalen, voldeed hij

(1) Rekwestboeck 1717-18, 83, vquot;.

-ocr page 19-

— 13 —

niet aan zijne verplichting. Later, in 1735, wanneer de Staten van Brabant eene tegemoetkoming van 480,000 gulden aan de Regeering verleenden, kwam Antwerpen er tusschen tot het beloop van 50,000 gulden ; vijf jaar nadien veroorzaakte een groote hongersnood eene leening van 260,000 gulden; van 1742 tot 1750, bij de bezetting door Franschen en Hanover-schen, hadden er verschillige geldleeningen plaats, die telkens door den koning van Frankrijk werden toegelaten.

Men ziet het: zoolang oorlog en opstand woedden, heerschte er altijd gebrek aan geld in de stadskas; maar eens deze plagen verdwenen, kwam er verlichting in de algemeene kas, bijgevolg verademing in elk gezin en bij de neringdoeners. In 1767 kon de stad het tolrecht afkoopen, mits de som van 600,000 gulden, te betalen aan Maria-Theresia, do helft in gereed geld, de andere helft zes maanden na het sluiten der overeenkomst; hetgeen niet belet, dat, toen de Staten 1,200,000 gulden aan dezelfde keizerin ten geschenke boden, onze stad eene leening sloot tot het betalen van haar aandeel, in 1779, en er in 1782 en 1783 nog eene aanging, ditmaal van 47,000 gulden, ten voordeele van het nieuwe armbestuur, dat de bedelarij te bekampen had. Het volgende jaar droeg zij voor haar aandeel in de gift aan Jozef-den-Tweede eene som van 95,000 gulden bij, als wilde zij door deze vrijgevigheid te verstaan geven, dat zij in ruiling daarvan op wijze maatregelen en ridderlijke behandeling rekende (i).

Men mag echter uit het voorgaande de gevolg-

2

(0 P. génard : Anvers a travers les Ages, d. II, bl. 331. — Kreglinger : Notice sur les droits comnmnaux^ bladz. 75quot;77.

An iwerpeu in de XVI 11* eeuw.

-ocr page 20-

— 14 —

trekking niet afleiden, dat er geld ontbrak onder de burgerij, geenszins : hetgene wij zien zullen op handelsgebied, moet te dien opzichte allen twijfel wegnemen; wat meer is, twee banken, die van Cogels en die van C.-J.-M. de Wolf, verkeerden in vollen bloei.— Deze laatste, samen met het huis Hope en Ci0, uit Amsterdam, schreef in 1791 de eerste leening van Amerika binnen Europa uit. Niets was zoo zonderling ingewikkeld, als de geldwaarde en muntspeciën in dit tijdvak. Sedert 1752 was onze munt afgeschaft en naar Brussel overgebracht, (1) en zag men hier zulke mengeling van muntstukken in omloop, dat wij er ons heden moeielijk eene juiste gedachte van vormen kunnen, ware het niet, dat onze voorouders zeiven er de schatting van opmaakten. In het sterfhuis van Jan-Frans de Bruyn, kanunnik der hoofdkerk en voorzitter van het Seminarie, aldaar overleden den iocn April 1775, troffen wij vooreerst aan : « 34 oude quaede stuyverkens en piautere peeskens, een silvere saeypenninckxken, 5 halve stuyvers, 789 duyten en copere penninckx-kens versleten en billioen »; daarna, vier zakken met geld, de eerste bevattende 729 « nieuwe croonen », makende 2296 gulden 7 stuivers; de tweede, in « nieuwe ducatons », makende 394 gulden 19 1/2 stuivers; de derde, 21 « nieuwe ducatons in quartiers », makende 74 gulden 14 1/2 stuivers; de vierde, 12 « nieuwe ducatons en halff, soo heele, halve als quartiers, » makende 44 gulden 91/2 stuivers. Een ander zakje bevatte 75 « nieuwe croonen »; nog een ander, 89 « halve-croonen »; hier lag er een met 2 gulden 7 3/4 stuivers « in oorden » en een

(t) P. Génard, in zijn werk : Anvers d travers les Ages, deel II, bl. 355, zegt, dat Jozef II rond 1782 onze Munt sloot.

-ocr page 21-

met cenc « nieuwe croon » ter waarde van 5 gulden to 3/4 stuivers; ginds trof men er een met 181/2 « ca-rambols », ter waarde van 16 gulden 16 stuivers; in een beursje staken 8 pond 7 schellingen (of 58 gulden g stuivers); in een groenzijden « goudborseken » staken 7 « oude dobbel souvereynen » en n « enckele souvereynen »; nog elders trof men aan : Zeeuwsche pattacons, geklopte Hollandsche schellingen, Engel-sche guineeën, Fransche kronen, kortom, eene toenmalige nalatenschap in geld zou vandaag het schoonste sieraad van een oudheidkundig museum uitmaken, ofschoon zij destijds, zooals men ziet, zorgvuldig gerangschikt en geenszins in een brandkotïer opgesloten was. (1) Moeten wij er ons dus over verwonderen, dat de Fransche republiek er zoo gretig hare lange vingeren naar uitstak en hare waardelooze assignaten in de plaats stelde? (2)

Bij gegoede burgers was gewoonlijk veel zilverwerk voorhanden en bood men u, bij het binnentreden, eenen z waren eiken stoel, met een donzig kussen, ondertusschen zorg dragende, dat de trekpot werd opgediend en de dampende thee tot gezelligen kout kwam verleiden. Maar ook de geringe werktuigen, als : boterkuip met ondervat en stamper, braadpan, spit en druplepel, boterpan en « bolloor-

(1) Testament en boedelbesehrijving van gemelden de Bruyn berusten in het archief van O.-L.-V.-kerk.

(2) Dewijl in den loop van het onderhavige werk de geldwaarden dikwerf ter sprake komen, is het noodig te doen opmerken, dat de waarde van den gulden op het einde der 18® eeuw als volgt berekend wordt door den geleerden archivaris der burgerlijke godshuizen van Antwerpen, den heer Edm. Geudens : 1,67 fr. in 1780; 3,08 frt in 1781; 1,94 fr. in 1782; 2,03 fr. in 1783; 2,11 fr. in 1784; 2,18 fr. in 1785; 1,87 fr. in 1786 tot \'88; 2,38 fr. in 1789; 1,50 fr. ia \'79o; 1,72 fr. in 1791; 1,95 fr. in 1792.

-ocr page 22-

taeffeltjen » ontbraken daar niet, doch stonden of hingen bij den flakkerenden haard hunne dienstbeurt af te wachten, (i) Wat meer is, schier elk huisgezin had zijn spinnewiel, blij ronkend in den kring van moeder, kinders en buurvrouw, terwijl het zonneken vroolijk zijne stralen door het geboomte of langsheen de wijngaardranken nevens het raam zond, of kletterende hagelslagen de in lood gevatte ruitjes deed dreunen. Dan, terwijl de vogel in zijne kooi in zijne pluimen scheen weg te duiken of piepend en fladderend lucht gaf aan zijne pret, luisterden de kleinen met gespannen aandacht naar de boeiende verhalen van grootje, die zich zelve soms in de rede viel, om raadsels op te geven :

Door wiens buylen en gespouw Komt er menig mensch in rouw?

Antwoord : door \'t geschut.

Geraed, wat is het eerst gedaen.

Een kleed gemaekt oft wel ontdaen ?

Antwoord : een kleed moet eerst gemaakt zijn alvorens het kan ontdaan worden.

Wat is er eerst geweest, den baert oft wel den man ? Wie is er die na eisch dit best geraeden kan ?

Antwoord : de geit, die eenen baard draagt, was eerder geschapen dan de man.

Wie is \'t die dikwijls maeyt \'t Geen noyt en is gezaeyd?

Antwoord : de baardkrabber.

(l) Staat van het sterfhuis van F.-A.-C. Bruynincx, licentiaat in de rechten, kanunnik-gradueel en archi-diaken der hoofdkerk, 10 October 1791. — Archief der O.-L.-V.-kerk.

-ocr page 23-

\'k Ben met den Duyvcl en met Godt En \'k dien hunne alle dagen.

Den zondaer wilt, met meer, myn lot,

Schoon ik de ziel mishaege.

In Hemel ik noyt komen zal,

Maer ook noyt in de Heil\'.

Ik ben en blyv\' in \'t aerdsche Dal,

Want daer vind ik my wel.

Antwoord : de letter D, (i)

Tot deze kinderlijke uitspanningen waren do boozen of koppigen niet toegelaten : deze joeg men vol schrik naar bed, hun dreigende dat de « Ho! ho! ho! » uit de Kelderstraat door de stad liep of de « Bloedkaros » aan de deur stond te loeren. Eigenlijk hadden deze bedreigingen eenen schade-loozen oorsprong; de eerste kwam voort van het gehuil van zekeren Cornells Lauws, welke in zijne zinnen getroffen was en wiens getier tot schrik voor het kinder wereldje werd benuttigd; de tweede leidde men af uit de bewering, dat de kinderen, welke laat op straat liepen, werden gedood en hun bloed moesten afstaan aan eene vreemde vorstin. In den zomer van 1776 verdacht men zelfs eenen vreemdeling van bedoelde gruwelmoorden en toen men hem op straat ontwaarde, dreigde men hem te steenigen, in zoo verre, dat het magistraat eene belooning van honderd pattacons beloofde aan wie den verspreider van het akelig gerucht kon aan-toonen. (2)

(1) Almanak van Milanen, 1787. — Den onvervalsten V/aam-schen ti/dt-wi/ser, dat is eenen oprechten almanack voor \'t jaer Ons Hcere 1774.

(2) Losse stukken : Préparatoire informatie1760. — Verzume-liag stadsplakkatea.

-ocr page 24-

— i8 —

In de huisgezinnen, waar grootere kinderen aanwezig waren, las men des avonds, ongerekend het gebedenboek, de « Antwerpsche Post-tijdinghe » en de « Gazette van Antwerpen », waarin men tevergeefs eene bijzondere bijdrage zou zoeken. Wie zou heden, zoo vraagt de geschiedschrijver L. Mathot, eenen glimlach kunnen wederhouden bij het zien van de armzalige bronnen, waaraan de opsteller van een nieuwsblad putte, dat nochtans, ondanks zijne beperkte ruimte, veel ophef maakte en gedurende langen tijd het eenige blad eener groote stad was? De « Gazette » had twee briefwisselaars, eenen in Venetië en eenen in Parijs, die alle acht of veertien dagen — het blad verscheen slechts tweemaal ter week — eenig nieuws afzonden; buitendien ontving de uitgever de Fransche bladen uit Amsterdam, Haarlem en Keulen, een uit Brussel, een uit Gent; met deze stof stelde hij zooveel hij kon zijn nieuwspapierken op. (i)

De lezers moesten zich dus vergenoegen met het volgen der eenvoudige en schier altoos verouderde gebeurtenissen of bespraken de voorvallen welke hun in den loop van den dag ter ooren gekomen waren. Elke inwoner kende niet alleen zijne geburen, maar schier allo de stadgenooten van heinde en ver, van vader tot zoon; geen wonder dus, dat zelfs elke geboorte en elk sterfgeval werd besproken en voortverteld, en vooral het verlies van eenen ouderling stof tot redekaveling gaf. (2)

(t) L. Mathot : Un journaliste an XVI 11* stede, extrait du tome II, d0 1, 5e série, des Bulletins de la Commission royale

d\'histoire de Belgique, 1892.

(2) Terwijl wij van ouderlingen gewagen, zal het niet ongepast heeten in het voorbijgaan de ecuwelingen dezes tijdvaks na te tellen en er eenige bijzonderheden over mede te deelen.

-ocr page 25-

I

— 19 —

Niet altoos heerschte er, zoo min als thans, vrede in elk huisgezin; hij werd wel eens gestoord door

In Januari 1762 overleed op den Kauwenberg de genaamde Karei Stuckens, in den ouderdom van 104 jaar; op 84-jatigen leeftijd was hij voor de tweede maal gehuwd, won vijf kinderen in dezen echt en bleef zoo wel behouden, dat hij drie weken voor zijne dood perenboomen in zijnen hof besnoeide. Maar ook dit dient gezegd ; de man gebruikte nooit sterke dranken, ofschoon hij tot zijn tachtigste jaar het brandewijnstoken uitoefende. Twee jaar later, den 2\'quot; Januari 1764, overleed in het klooster der Oostmallen Mechtildis van Hoeek, in den ouderdom, van 101 jaar, 9 maanden en 9 dagen, kloosterzuster geworden nadat zij vier kinderen had gewonnen in haar huwelijk met Abel Nieuwinckel, die in 1743 gestorven was. Een andere eeuweling, broeder Willem Borremans, gaf den geest in het klooster der Paters Miniemen, oud 105 jaar, na gedurende 68 jaar het geestelijk kleed te hebben gedragen (2 Januari 1768).

Alle deze ouderlieden werden door iedereen geëerbiedigd. Zulks bleek ook later, bij iedere gelegenheid, wanneer nog andere grijsaards ter rustplaats werden gevoerd : al de geburen volgden eerbiedig de lijkbaar der aflijvigen en baden in oprechten weemoed voor hunne zielerust. Op 29 Maart 1777 stierf, in den ouderdom van 104 jaar en 6 maanden, de hovenier van het Kiel, Gummarus Wuyts, weduwenaar van Catharina van Dyck. Hen jaar nadien, den 7quot; Februari 1778, overleed Jan-Baptist Maes, oud zijnde 102 jaar; hij won drie zoneu en twee dochters bij zijne eerste vrouw en veertien zonen en eene dochter bij zijne tweede, zijnen kost winnende als baas in het weversambacht, dat hij tot zijn 90quot; jaar uitoefende. Eindelijk stierven nog als eeuwelingen, den 10quot; Mei 1779, Catharina-Eiizabeth van Paschen (100 jaar oud); den 8Uquot; Mei 1780, Joanna-Catharina Pauwels (102 jaar, 2 maanden en 22 dagen oud); den 14quot; October 1785, Lodewijk-Karel della Rocca de Remeri, sedert zijne jeugd hoofdbeambte bij den Berg van barmhartigheid (100 jaar en 10 maanden oud); den 15quot; Januari 1788, Wouter Putsys, koetsier (106 jaar oud); den 221\'quot; Januari 1793, Jan Rymenants (110 jaar oud); den I2°quot; December 1788, Philip Goets, Bohemer van geboorte (104 j aar oud). Deze laatste, na menigen veldslag te hebben bijgewoond, liugt;vdc hier in 1725 en verwekte zes kinderen. Toen hij den gevorderden ouderdom van 68 jaar bereikt had, hertrouwde hij en won nog acht kinderen; later, op 93-jarigen ouderdom, huwde hij voor de derde maal en liet bij zijn overlijden eene 50-jatige weduwe achter.

(Gazette van Antwerpen, 25 Januari 1762, 10 Januari 1764, 7 Januari 1768, 4 April 1777, 13 Februari 1778, 12 Mei 1780, 4 Maart en 18 December 1788. — Doodboek der S\'-Joriskerk. — Della Rocca en Rymenants staan vermeld in de Geschiedenis van Antwerpen, door Mertkns en Torfs, 6» deel.)

-ocr page 26-

— ZO —

betwistingen van den zonderlingsten aard, zooals wij er in den loop dezer geschiedenis menige zullen ontleden, en waarvan de volgende een tijdmerkend belang oplevert.

In 1764 had Joanna Bosschacrt, weduwe van Jan Nelis, uit de Koningstraat, haren neef Jan-Baptist Mertens tot algemeenen erfgenaam aangesteld, in geval haar zoon aflijvig kwame te worden; aan hare nicht schonk zij haren katoenen voorschoot, « voor eene gedenckenisse »!

Haar zoon Frans had zich, « by oorsaecke van geldt », in het regiment dragonders van S\'-Ignon laten inlijven en vroeg eenige weken later hem « eenigh hemden over te seynden soo veel als het u blieft, want ick die noodigh hebbe, ende blieft u, beminde moeder, my nogh wat speelgelt mede te senden soo veel als het u blieft, dat versoecke ick op u,.. » Langen tijd nadien vernam men geen nieuws meer van hem, totdat eensklaps een brief uit Silezië kwam melden, dat de schrijver geene gelegenheid had kunnen vinden om eenige tijding te seinen; verlangend reikhalsde hij naar nieuws van zijne moeder en aanzocht haar tevens « met den post te schryven ende met de selve occasie in den brief te doen twee ducaten oft een souvereyn, ende een misse te doen lesen ter eeren van Ons live Vrouwe, dat ick het geluck mach hebben van UI. noch eens te sien, soo versoeck ick aen UI. van op het Gasteel eenen schellinck te offeren ter eeren van Onse live Vrouwe..... » De ongelukkige, krijgsgevangen genomen en naar het kasteel te Leipzig gevoerd, stierf aldaar op eenen zolder, « van eene absteune in den hals », den 7en Januari 1761.

De erfenis van moeder Nelis, die haren zoon niet lang overleefde, kwam dus, volgens afspraak,

-ocr page 27-

aan Jan Mertens en de zijnen toe; niettepfenstaande had de rechterlijk aangestelde voogd het geld, de meubelen, een paar zilveren gespen, een zilveren kruisken en eenen gouden trouwring uit het sterfhuis gehaald, onder voorwendsel, dat men niet stellig van de dood des zoons overtuigd was. Het procos, daar\' over ingespannen den i5en Maart 1766, eindigde eerst den 22en October 1782, met de veroordeeling van den voogd tot teruggave van alle de weggenomen goederen en betaling der veroorzaakte kosten. De volledige staat werd opgemaakt en daaruit ziet men den inhoud van de nederige woning, alwaar, buiten een spaarpot van 175 gulden 3 1/8 stuivers, twintig pond boter en eenige kleine voorwerpen, aanwezig waren :

« In do keuken. Item aldaer bevonden eene mande met acht vuyl hemdens en twee paer laeckens. Item een ledikant met een pluymen bedde, twee hooftpeulen, twee oorkussens en eenen stroeysack, twee sargien en een paer laekens. Item aen den kapstock eenen calemincken rock, met oenen cha-moisen en eenen bruynon rock, item noch eenen flanellen rock en twee quaede jacken met alnogh een glacé en chamoise jacke;

« Item 6 tinnen taillooron, 5 tinne lepels, 2 styne potten met tinne schelen aen oen recke; item aen die recke 2 stryekysers, oenen rooster, copere vispaen, een raspken en 6 aspels;

« Item oen partyo aerdowerek;

« Item boven de schouwe, 7 geleyse taillooron, een slecht cruysken met 6 fyn thee-tassen met een catoeno schouwkleet;

« Item in de schouwe, een tango en schup, een hangyser, ketingh, een ysere caffoir en een ysore panne;

« Item op de eetschaprye, eenen coperen aecker

Antiver pen tn de XV//I* eeuw.

-ocr page 28-

— 22 —-

ofte eemer, eenen mermit met scheel, eenen coperen candelaer, eenen coperen moor met slechte rommelingen ;

« Item bevonden twee taeffels;

« Item eenen tinnen treckpot met eenen blecken trefter, een slecht spinnewiel met 6 stoelen. » (i)

Ziedaar dan oprecht armeliedenmeubelen, van zulken aard, als waarvoor Ludovicus Helinch, « borger van Antwerpen, » uit de korte-Gasthuisstraat, een heilzaam zuiveringsmiddel verkocht, met behulp van hetwelk hij verklaarde 207 huizen te hebben gereinigd van 1780 tot 1791. Maar grootere huizen, welke binnenwaarts met sierlijk meubelpapier waren bekleed, verschaften werk in overvloed, niet alleen aan beeldhouwers en kunstschilders, doch ook aan allerhande stielen, zooals aan zekeren Pachouti, « rook-meester van Z. S. H. den Heere Hertog van Orleans, » die het rooken van schouwen en kachels wist te voorkomen en verwarmbuizen maakte, « om veele appartementen te verwermen bij middel alleen van een vuer. » (2)

De lezer gelieve nochtans den rookmeester niet met den schouwvager te verwarren, al was beider stiel in nauwe betrekking met het onderhoud der haardpijpen. De schoorsteenvager, immers, herkomstig uit Savoye, vermengde zich met onze bevolking, leefde betrekkelijk gelukkig van de opbrengst zijner

(1) Proccszakjc M 9542 en Pronunciatieboeck, 22 October 1782.

(2) Gazette van Antwerpen, i April 1791, 23 Juni 1789, 13 April 1787. — Gemelde Helinch kondigde ook aan, « dat hij acnneemd de calanders en olmen te verdryven uyt de graenen en zaeden, gerst en haver, » zoodat het niet meer noodig was alle weken de granen en zaden te keeren, « als men plagt te doen. » — Nog een ander rookmeester, zekere Melon, woonde gedurende de jaren 1790, 1791 en 1792 in de Jodenstraat.

-ocr page 29-

bediening en liet door zijne kleinen van dorp tot dorp eenen aap of een soortgelijk beest tentoon-dragen. Meer nog : alhoewel het rondventen van meerserij enkel aan erkende meerseniers was toegelaten, mochten de schouwvagers tezelfder tijd mot brillen en scharen leuren, indien zij konden bewijzen uit de Staten van Lombardië herkomstig te zijn. (i) Niet waar, dat het zicht van dergelijken koopman, met roet overdekt, den strooibussel op zijnen rug en het kasken met brillen op zijnen buik, stof tot jok moest leveren?

Men zal reeds hebben opgemerkt, dat in hooger beschreven huishoudens veel tinnen en looden gerief aanwezig was. Zulke voorwerpen kostten redelijk duur, belegd, als ze waren, met loofwerk en versierselen, die er een echt kunstkarakter aan gaven en des te meer waarborgen van duurzaamheid boden, dewijl zij van eigen maaksel en niet uit den vreemde herkomstig waren. De lood- of tinbewerker, in wiens winkel uitheemsche maaksels werden aangetroffen, verbeurde drie gulden voor elk aangeslagen voorwerp en werd bovendien verwezen om het dadelijk, onder het oog van den schout, te smelten. Onze werklieden, overigens, kenden hunnen stiel en wonnen er dus, in tijd van vrede, goed den kost bij; elke loodgieter leverde als proefstuk « eenen behoorlycken dobbelen pompback met eenen beek, waerdoor langs twee zyden het water sal connen loopen, alles behoorlyck aeneen gesoudeert, beneffens een gaffel dienende tot een slingerpompe », en de tingieters bewezen hunne kunst bij middel van

(i) Proccszakie M 9522. — ProntincialU\'bocck, 10 Februari 1767.

-ocr page 30-

— 24 —

eenen pot van drie en eene schotel van twee pond, welke werden gegoten, gestopt, gesondeerd en geslaan « op ende toppe custbaerlic soe dat behoort, sonder hulpe oft assistentie van yemande. » (i) De verbruikers waren iier op zulke meubelen : zij stelden ze tusschen latten of boven de schapraai blinkend tentoon, er de grootste en stevigste uitkiezende bij kermischdisch of huwelijksfeest.

Niet minder trotsch verzorgden onze oudjes hunne kleederen en sloten hun zondagspak zorgvuldig weg totdat eene latere gelegenheid, bij gunstig weder, het opnieuw te voorschijn riep.

De prachtkleedij der vorige eeuwen was weliswaar niet meer zoo schitterend in voege gebleven; maar de zucht naar blinkend, ruischend tooisel deed zich tot het einde opmerken, zelfs onder de regeering van den hervormer, keizer Josef-den-ïweede, die, nauwelijks ten troon geklommen, en ondanks de rouwdracht tot nagedachtenis zijner moeder, zijn patroonfeest deed vieren in treurgewaad, doch opgeluisterd met staatsiedegens, blinkende knoopen, kant en juweelen : « on ne quitttera pas le deuil, mais on l\'éclaircira en portant bouclé et épée de couleur, habits a boutons le long de la taille, dentelles et bijoux. » (2)

Vroeger, tot in den beginne der tweede helft van de i8c eeuw, droegen zelfs de livreiknechten glanzende schouderplaten of epauletten, hetgeen hun in 1765 werd verboden : voortaan was deze dracht alleen gegund aan de officieren van het leger, erken-

Losse

{l) Proceszakje : Onderschout tegen vanden Wyngaert. — stukken van het ambacht der tin- en loodgieters,

(2) Keizerlijk bevel van den 12quot; Maart i;8l.

-ocr page 31-

baar aan hunnen met gouddraad en zwarte zijde bestrikten sabel, (i) Dit wapen diende, bij den hoo-geren stand, meer tot sieraad dan tot geweer; het bestond meestal uit een verguld lemmer met zilveren handgreep, versierd met een blauwzijden lint.

Wat de burgerij betreft, dezer kleedij werd tot in onze eeuw in eere gehouden door den gekenden dichter Jan-Antoon-Frans Pauwels, waarover hoogleeraar Serrure zich als volgt uitlaat ; « Hij droeg een drijkantigen klaphoed, iets verschillig van dien der priesters, gespen op de schoenen, was steeds voorzien van een tamelijk grooten regenscherm, waervan de stok doorgaens in den bezydenzak van zynen mantel stak en droeg een witten styven kapmantel met een styven kraeg daerop van dezelfde kleur, waerop eene steertpruik nederhing. » (2)

Deze pruiken speelden eene voorname rol in de kleederdracht der 18° eeuw : onmisbaar in eiken stand der samenleving, vervulden zij zelfs hunne statige zending gedurende den vastenavondtijd, wanneer zij, naar het voorbeeld uit Frankrijk, verschil-lige namen droegen, blijkens deze aankondiging :

« By Henricus vanden Bosch, woonende in de korte Gasthuisstraet binnen Antwerpen, zyn te hueren ofte te koop alle soorten van vasten-avond peruykken , zeer klugtig gemaekt, eertyds genaemd a la Clips en a la Grecq, maer nu zynde gekomen a la Figaro \\ » (3) hetgeen niet belet, dat onze vrouwen zich meermaals door Fransche haarkappers lieten tooien, volgens deze karakteristieke mededeeling : « Le sieur Triaud, arri-

([) Plakkaten van den hove, vol. 20, fquot; 12 en 130

(2) Aangehaald in L. Mathot\'s Levensschets van J.-A.-F. Pau-ïuels, bl, 31.

(3) Gazette van Antwerpen, 21 Februari 1786.

-ocr page 32-

vant de Paris, faisant profession de l\'art de coifFer !es Dames dans les goüts les plus nouveaux, tant pour poser les gazes avec grace que pour la coupe des cheveux. II ose se flatter qu\'il donnera toute satisfaction aux personnes qui voudront lui accorder le service de sa profession... » (i) \'t Was de gulden tijd van pruikmakers en haarbewerkers : men droeg halssieraden en armbanden van gevlochten haar; doch na ondervonden te hebben, dat deze voorwerpen meer dan eens erge huidziekten verspreidden, lieten onze vrouwen deze zonderlinge dracht varen en gebruikten daarna zooveel haarpoeder, reukzalf en valsch haar op hun hoofd, dat een bevoegd tijdgenoot zich niet kon weerhouden te jammeren : Noyt en heeft men op het hoofd der vrouwpersoonen meer valsch hair gebruykt als tegenwoordig! » (2) Even zoo onmisbaar als de pruik bij de mannen en het koperen of zilveren kruisje aan den hals der vrouwen was de snuifdoos, die men in ieders tesch aantrof en overal zag aanbieden. Zelfs de keizer gaf er ten geschenke aan zijne lievelingen, onder andere eene van 60,000 gulden, op 3 Mei 1780, aan den graaf van Braun, uit erkentenis voor bewezene diensten. (3)

Wanneer men met zorg onderzoekt van welken aard de verschillige kleedingstoffen waren en hoe de ambachtsman ze verwerkte, komt men tot de slotsom, dat het gewaad onzer voorzaten bepaald niet mocht

(1) Gazette van Antwerpen, i September 1780.

(2) Opmerkingen op de siekten, voortkomende uyt het slagt van coefieersel ende maniere van kleedinge naer de mode, door MM. Vilet ende Vetetin, geneesheeren tot Lyons, 1780. (Vlaamse he Indicatenr, bladz. 160, 1780.)

(3) Gazette van Antwerpen, 16 Mei 1780.

-ocr page 33-

- 27 —

minacht, doch veeleer moest geprezen worden om zijne deugdelijkheid en zijnen zwier.

Dank aan de begunstiging van stadswege, had het maken van zijde, lijnwaad, garen en dergelijke stoifen in den aanvang der i8e eeuw zulke uitbreiding genomen, dat rond 1717 ongeveer 22,000 werklieden er hun dagelijksch brood bij verdienden — zulks met des te meer veiligheid, aangezien er niet voor den uitvoer, doch alleen voor de inlandsche markt werd gearbeid, zonder toelating van eenige vreemde mededinging. Gedurende gansch dit tijdvak bleven de zijdeweverijen in vollen bloei; daar waren er voor het maken van kousen, linten en grootere stukken, waarvan er velen met geitenhaar werden doorweven. Andere getouwen vervaardigden uitsluitelijk de uitmuntend bewerkte faliestof, waarvan de dracht rond 1770 in Frankrijk was opgekomen, en die hier, door onze zijdewevers, met eenen rijken glans werd opgeluisterd.

Eene andere kleederstof, die men thans in haren oorspronkelijken staat niet meer terugvindt, was het dusgenaamd « chamois », « siamois » of « chamoes », tusschen de jaren 1729-30 te Turnhout ingevoerd door Jan-Baptist Claessens, oud-burgemeester en koopman aldaar. Jan vander Smissen, oud-deken van het linnenweversambacht, te Antwerpen, begon het daarna te vervaardigen en verkreeg op 18 Juni 1731 een jaarlijksch hulpgeld van 60 gulden en vrijdom van wapendienst, omdat hij op zeven en vijftig getouwen, elk door drie man bestuurd, de volgende stoffen bereidde : « duyvelsterck, tycken, Gentsche stoffen, miselaenen, chamoesen, Brughse strepen, lynwaerten dammekens,Fransche lynwaeten ende diergelycke. »(1)

(1) Rekwestboeck 1731, f® llóv». — Proceszakje C 2507.

-ocr page 34-

— 28 —

Het zoogezegd « chiatnois » werd tot bovenkleederen voor kinderen en onderrokken voor vrouwen verwerkt; de schering of ketting was garen, de inslag bestond uit katoen, terwijl eene gelijkaardige stof, tirentijn genaamd, uit garen en wol bestond.

De katoenstoffen, welke hier niet geweven, maar uit Oost-Indië ingevoerd werden, lokten eenen voor-deeligen handel uit, die tijdens de Republiek verdween : wij bedoelen de katoendrukkerij, op den Dam ingericht met eene bleekerij op de boorden van het Schijn, bij keizerlijke vergunningen van 26 Juni 1753 en 18 Mei 1758. (1) Deze nijverheid, bestuurd door de firma Jan Beerenbroek, Adriaan Janssens en Cquot;, leverde gedurende het eerste jaar slechts 1094 stuks; in 1769 klom dit getal reeds tot 77,749 en konden er meer dan vijfhonderd werklieden hun bestaan vinden.

De lakenbewerking, beheerd door de lakenberei-ders en laken snijders, vormde twee afzonderlijke stielen, waarover tot hiertoe geene volledige inlichtingen werden verstrekt. Wij gaan deze leemte aanvullen, daartoe in staat gesteld door onze opsporingen in bescheeden van eene eeuw vroeger. (2)

Tot op het laatste oogenblik, bij de uitroeiing door de Republikeinen, was elke stieldoener, die zich tot het lakenbereiden bestemde, aan veel meer pleegvormen dan elk ander werkman onderworpen. Hij moest vooraf gedurende tweo jaar bij oenen vrijmeester in den kost zijn, zonder eenig geld te winnen; daarna « als de twee jaren geexpireert syn, soe moet elcken leerknecht voor syne proeve scheiren ses ellen swert laecken, dwelck eerst by twee oudermans moet gevisiteert worden oft

(1) Plakkaten van den Hove, vol. 20, f° 167 en i/ovo.

(2) Scabinale protocollen, 1658, sub Fighc, fquot; 221.

-ocr page 35-

_ JQ _

het selve laecken daertoe bequacm is; wolck laecken denselven leerknecht alleen moet scheiren, op eene plaetse op des ambachts earner daertoe geordonneert, sonder iemants hulpe. » Zoodra het proefstuk gekeurd was, vernam de knecht of leerling wat hem te wachten stond : werd zijn werk afgekeurd, zoo moest hij twee jaar herbeginnen, altoos zonder eenig loon te genieten; had zijne proef aan de vereischten der kunst beantwoord, zoo werd hij « onvrijknecht » verklaard, en ingeval hij een volslagen meester wilde worden, « soo moest hy alsdan van gelycken proeff scheiren, welcke meestersproeve moet gevisiteert worden van den camerdcken ende twee oudermans, ende de proeve behoorlyck voldaen synde, moet den proeffmeester den eedt doen ende alsdan daer voore betaelen de somme van 36 guldenen, midtsgaders den dienenden eedt vereeren met eene maeltyt met wyn. » Ziedaar wat den lakenbereider betreft.

Deze mocht echter geen laken uitsnijden, \'t is te zeggen, verkoopen; want zulks behoorde den lakcii-snijder, die, na voormelde voorwaarden vervuld en nogmaals vijftig gulden betaald te hebben, zich als dusdanig liet opschrijven bij den « meester van de laeckensnede. » Opmerkelijk is het, dat de zoon van eenen bereider van rechtswege als snijder mocht werkzaam zijn en in alle geval geen bereid laken uit den vreemde mocht worden ingevoerd dan na vooraf te zijn « geloot ende gemerekt met het ordinair marek van het stael-hoff deser stadt. » Men wilde op die wijze het inlandsch maaksel : carsayrn, bay en, chalons, Aeckensaeyen en try pen, begunstigen, doch in 1753 verklaarden de toezichters van harer Majes-teits rechten, sinds veertien jaar « bij de meeste menighte der cooplieden ende winckeliers van lae-ekens binnen dese stadt menighmael te hebben

4

A n hverpeu tn de XVUI* eeuw.

-ocr page 36-

_ 30 —

gcloeyt divorsche stucken geverfde laeckens met haere Majesteits zegel, comende soo van Engelandt als van Hollandt, als namentlyck bij d\'heeren Jean Baptist vande Zande, Jean Francois de Wolff, Francois Joseph Bruyninckx, Philip Vermoeien, (ree-rard van Wangen, Philippus Begoden, » en « dat sy altyt gesien ende geweten hebben dat geverfde laeckens comende soo van Engelandt als Hollandt, binnen dese stadt syn gekomen sonder eet tig h opstakel ofte stoornisse. »

Zulks belet echter niet, dat de bereiderszoon Jan-Frans Le Grelle den 230n Januari 1754 eene boet van 100 gulden en verschillige stukken wit laken, die daarna rood, zwart of groen waren geverwd, verbeurde, omdat ze niet gemerkt waren; en wanneer later, in 1759, zijne weduwe, Maria Isabella Broeta, beroep tegen dit vonnis aanteekende, kon zij er niet in gelukken eenigen verzachtenden maatregel te bekomen. Wat meer is, de gildedekens der lakenhalle wilden in 1785 hunne voorschriften ook op de kleermakers toepassen, eischende, dat aan het uiteinde van eiken lap « soude moeten blyken dat hetgone daer af verbesigt was hocckx snoeckx was afgesneden ende niet regt deur gescheurt geworden. » üeze zienswijze werd niei gedeeld door onze Schepenbank , die de eischers van der hand wees.(i)

Men hoort thans niet meer spreken van geschilderde schoenen; hoogstens maken onze schoenmakers soms een klein gedeelte der halvezolen zwart of rood; vroeger, in de i8c eeuw, werd bedoelde schildering hier ingevoerd door eenen Brusselaar, Peter vanden Plasse, die zichzelven noemde ; « schilder

(1) ProceszaUjcs G en L 8861. — Voimisboeck 1789-95, f0 98™.

-ocr page 37-

- 3i —

van mynen stiel in vrouweschoenen ende muylen, over ende achterleiren. » Geen enkel Antwerpenaar oefende dit ambacht uit, weshalve ons magistraat den invoerder eene halve poorterij schonk en hem vrij hield van allen wachtdienst, mits hij jaarlijks acht gulden aan de burgerwacht wilde betalen.(i) Steeds gevoelt de lezer zich geneigd, al deze oude pleegvormen met een minachtend schouderophalen te bejegenen, en nochtans blijken zij gerechtvaardigd, wanneer men bedenkt, dat de volkomen vrijhandel de meeste voorwerpen hielp verslechten en vervalschen. De ondergang der huidvetterijen, bijvoorbeeld, werd in het begin der i8e eeuw toegeschreven « aen de menichvuldige vremde gevette leiren die alhier worden ontboden en ingebrocht, ende namcntlyck de gene men noempt Engelse he loog er yen en lapleircn, die in Engelant op dorpen ende buytennyen onbehoorlyck worden getobbeert ende gefabriqueert, als andere leiren comende van het platlant ende vremde andere landen. » Het waren onze zes huidvetters zeiven, die dit verval in hun ambacht aanklaagden, zeggende, dat er vroeger zes en veertig meesters waren en men nu alle de inwoners hoorde klagen over de slechte hoedanigheid van het leder, want, voegden zij erbij, « soo wanneer de schoenen hen beginnen tc voegen naer den voet en gemackelyck te worden, soo syn die versleten en vallen van den voet. » Geen wonder : onze stielmannen vettcden hun leder met koud water en schors, de Engelschen, daarentegen, jaagden het hunne door met warm water, alluin « en andere slechte stoffen. » (2)

(1) Rekwestboeck, 1736-37, 1° 5vo-

(2) Rekweslbocck 1718-19, fquot; 250.

-ocr page 38-

Door deze inlichtingen wijzer geworden, nam het magistraat krachtige maatregelen ter voorkoming van slechten invoer en beschermde in de mate van zijn vermogen de inheemsche looierijen, zelfs wanneer eene of andere schikking niet regelmatig was genomen. De huid vetter Jan Bunel krankzinnig geworden zijnde, zoo had dezes broeder Petrus-Jozef tijdelijk zijne taak overgenomen, zonder nochtans iets van den stiel te kennen. Dewijl zulk gedrag ten hoogste strafbaar was, verscheen hij den 23en Juli 1740 voor notaris en deed er aan-teekenen dat de huidvetter Gaspar Pauwels met zijne kinderen in de huidvetterij « De Raap, » op de Paardenmarkt, wonen en daar drie bovenkamers, eene keuken, eene kelderkeuken en eenen zolder betrekken mocht gedurende acht jaar, « vrij van alle lasten en jaerkosten, geene gereserveert ende sonder eenige huere te moeten betaelen.» In ruiling daarvan, zou Pauwels de huiden vetten en verkoopen, doch bovendien een derde van elke winst genieten, terwijl Bunel de daghure der knechten, het schors-meel en den noodigen kalk betalen en verder de helft der opbrengst telkens aan nieuwe koopwaar besteden zou; de opbrengst van de c moer, » de hoorns, het haar en verderen afval zou worden verdeeld gelijk de overige winst.

De eigenaar der fabriek kreeg waarschijnlijk rouwkoop over de gesloten verbintenis; want op 21 November, toen Pauwels de in de kuip liggende huiden wilde keeren, werd hem zulks door Bunel verboden, « op pretext dat het voorbedonghen contract soude contrarie wesen aen de gereghtigheden van het huydevetters ambaght, » Welnu, de dekens daarover geraadpleegd zijnde, vonden niets onregelmatigs in het opstel der overeenkomst, en do Sche-

-ocr page 39-

— 33 —

penbank deze meening gehoord hebbende, deed Bunel de kosten van het rechtsgeding en eene loonende vergoeding aan huidvetter Pauwels betalen. (i)

Het ambacht maakte echter onderscheid tusschen leertouwers (corroyeurs) en huidvetters [tanneurs] : in eene huidvetterij mocht geen leder worden getouwd, zelfs niet door eenen leertouwer. Ondanks deze bepaling had Hendrik van Cuyck, meester-huidvetter in de Preekersstraat, de verschillige ordonnantiën overtreden, want den September 1760 haalde de dienende eed van het leertouwersambacht uit zijne huidvetterij 73 getouwde kalfsvellen, een stuk getouwd koeleder, twee schaafmessen, eenen schaaf boom en drie kapberden, welke voorwerpen naar den zolder op het Stadhuis werden gebracht, totdat de overtreder zich zou hebben verantwoord. Deze, vroeger schoenmaker en herbergier, had een nieuw middel gevonden, om vellen te bereiden, dat hij « maroquineren » noemde en waarvoor hij beweerde geene proef te moeten doen, aangezien hier niemand was, welke dit stelsel kende en dus kon keuren.

De dekens lachten echter om deze bewering, noemden ze enkel « stoefferyen ende wispelturigheden, » spraken schande over zijn vroeger herberghouden en verkregen bij slot van rekening een vonnis ten nadeele van van Cuyck, dat hem met 25 gulden en de proceskosten beboette en de aangeslagen huiden verbeurd verklaarde. (2)

-ocr page 40-

— 34 —

Een dertigtal jaren na dezen twist, werd van Cuyck in bankroet verklaard en zijne huidvetterij « Den Thuynen gang » openbaar verkocht voor 10,000 gulden (Mei 1770). De kooper, Frans-Geeraard de Mat, weigerde nochtans zijne hand te geven, om den palmslag te ontvangen, zoodat de roeper dezen pleegvorm op den reeds betaalden Godspenning gaf, « volgens stiel ende maniere ter Vrijdaegsche merckt geplogen. » Ten gevolge van des koopers ontduiking, had de verkoop eene tweede maal plaats en bracht slechts 7803 gulden op; weshalve de ambtman het verschil der twee sommen, zijnde 2197 gulden, van Frans de Mat eischte, met de kosten van den eersten verkoop.

De kooper weigerde dezen eisch te bewilligen!

— « Ik weet nievers van, » zegde hij, « want dien hondsvod van van Cuyck heeft mij sat gemaeckt ende ik en wete niet hoe veel dat ik geboden heb. »

— Welke « vermetene ende abominabele ontkente-nissen! » — wedervoer de ambtman, « terwyle de roeper van het officie besig was met roepen, heeft hy seffens daer op geboden de somme van thien duysendt gulden, » en nu wil hij « dese saeck sleuren ende in den draey houden, » na mij en den roeper te hebben overladen « met menighvul-dighe vloecken ende abominable scheldtwoorden ende injurien. » Zulk gedrag was al te berispelijk, dan dat de Schepenbank den pleger zachtzinnig zou hebben behandeld; zij wees zijne klachten af en voldeed den eisch van den ambtman. (1)

(1) Proceszakje A 6;. — Pronuncïatieboeck, 15 December 1770 en 22 Augustus 1772. — Losse stukken. — Préparatoire Informatiè\'n.

-ocr page 41-

— 35 —

Nu een woord over kostbaarheden, waarvan de dracht destijds schier algemeen was geworden. Wij zullen tevens zien op welke zonderlinge wijze onze juweliers zich de noodige grondstof aanschaften.

Behalve dat het goudsmedersambacht in eenen voordeeligen toestand verkeerde, wisten de diamantslijpers de wisselvalligheden der staatsomwentelingen te hunnen voordeele te benuttigen, aldus werk verschaffende aan eene reeks zeer bevoegde ambachtslieden.

Hetrooven van Engelsche schepen door Fransche, en omgekeerd, had voor de diamanthandelaars deze gunstige keerzijde, dat zij in staat waren gesteld voordeelige aankoopen te kunnen doen, waarvan de Antwerpsche kooplieden dikwerf voordeelig genoten; soms ook vreesden zij elkanders mededinging en dan ontstonden er eindelooze processen, waaruit menige inlichting blijkt.

In de maand Maart 1761 was het Engelsche schip « Ajax, » komende van het fort St.-Georges, met talrijke ruwe diamanten door eenen Franschen kaper te Brest « opgebrocht ende voor goeden prys verclaert. » De suikerbakker-juwelier Jan-Baptist de Clerck zou deze gelegenheid benuttigen, om, in gezelschap van den makelaar Georges Laudaens, den verkoop in Parijs te gaan bijwonen en er het een en ander aan te schaffen; maar zijn reisgezel mocht aan niemand over het ontworpen plan spreken, anders zouden er misschien nog andere liefhebbers dezelfde reis ondernemen. Laudaens antwoordde : « Mijnheer, indien UE. dit stuk soo meynt, soo ben ick aen UE. ordre, ende ick verbinde my om aen UE. daer ontrent allen dienst te doen; ick vertrouwe dat UE. my in dose proposition niet en sal abuseren, ende dat my goadts tijdts part ende

-ocr page 42-

— 36 -

kennisse geven suit van ons vertrek om mijne affairens te connen reguleren. »

Maar zie! in plaats van woord te houden en zijnen gezel mede te nemen, vertrok de Clerck alleen, op Zondag, 26 Juli, juist in tijds om op den verkoopdag, den 3«quot; Augustus, te Parijs aan te komen — cene reis die men vandaag in eenige uren tijds aflegt.

Na zijnen voorraad te hebben opgedaan, verwachtte hij er zich niet aan, door Laudaens voor de Schepenbank te worden gedaagd, om reden van woordbreuk; doch hij verdedigde zich op waarlijk looze wijze. — Ik heb, zegde hij, mijn woord verpand, maar op een oogenblik, dat niemand onzer wist hoe de verkoop zou geschieden. Ik ben koopman in juweelen, Laudaens is makelaar, beide oefenen wij den diamantslijpersstiel uit en kennen dus de koopwaar. Wanneer ik mijnen stielgenoot van den openbaren verkoop sprak, zegde ik hem ; vier oogen zien meer dan twee, laten wij dus te zamen gaan; maar eerst later vernam ik, dat de verkoop te Parijs op de gewone wijze, dat is, in bezegelde pakjes, ging plaats grijpen, en niet te Brest, zooals wij vroeger hadden gemeend. En vermits er geene kennis noch kunst bestaat in het koopen van gesloten pakjes gelijkstaande met « eene kat in eenen sack, » had ik de raadg-evingen van Laudaens niet noodig om iets te koopen, dat hij, zoo min als ik, niet kon zien noch schatten.

Welnu, deze hoogst zonderlinge wijze van verdediging vond gehoor bij de rechters; Georges Laudaens werd « ongefondeerd » verklaard in zijne aanklacht en tot betaling der proceskosten veroordeeld. (1)

(1) Proceszakje L 8854. — Pronunciatieboeck, 2 Maart 1763.

-ocr page 43-

- 37 —

Eene volgende maal was dezelfde juwelier niet gelukkiger. Hij had aan Nicolaas-Frans van Lerius 499 karaat ruwen diamant verkocht, mits de kooper slechts 496 \'/j karaat zou betalen tegen 15 gulden, met een « rabat » van 2 0/0 — dus in \'t geheel 7,298 gulden n stuivers. Zulks geschiedde in 1758; maar aangezien van Lerius bij den herverkoop van de kostbare stof 310 gulden 1 stuiver 9 oorden verloor, eischte hij deze som terug, daar Laudaens hem had beloofd borg te willen blijven, in geval er eenig verlies uit de verhandeling mocht voortspruiten. De Schepenbank bekrachtigde dezen eisch den 14*quot; December 1764, en voegde er, ten nadeele van Laudaens, ook de proceskosten bij. (1)

Eene laatste betwisting over den verkoop van diamant leert ons nog nader de gebruiken der handelaars kennen en dient om haren gansch bijzonderen afloop eenige verdere opheldering.

De hospes uit de herberg « De Croon », nabij de Vischmarkt, tevens koopman in diamant, Karei Loyens, kocht in September 1771 eenen diamantsteen van Gaspard Bluts, wegende 6 \'/j karaat, tegen 20 gulden per karaat. De diamantslijper Jan-Frans Dielens zou den steen in regel brengen, maar de zwarte streep, die er doorliep, moest er blijven. Ondanks dezen uitdrukkelijken wensch sleep de werkman er de « swerte dubbeleringhe » uit, daarin de bevelen des verkoopers in plaats van die des eigenaars volgende, ofschoon deze laatste den prijs voor het slijpen (20 gulden 15 stuivers) betaalde.

Uit het antwoord van den diamantslijper Dielens blijkt, welke verwarrende versjachcling destijds in

(1) Vonnishocck 1764-69, f0 55.

Antwerpen in de XVlil* eeuw.

-ocr page 44-

- 3« -

den prachtsteen soms ontstond. — De steen is niet afgewerkt, zegde hij, omdat men hem te vroeg uit mijn werkhuis haalde en ik kan dus niet aansprakelijk zijn voor den eisch om vergoeding. Wat meer is, de steen ging opvolgens in zoo vele handen over, dat ik schier niet meer weet wien hij thans toebehoort; Gaspard Bluts kreeg hem uit Amsterdam en verkocht hem aan Loeyens; deze liet hem over aan Martinus Laudaens, voor 27 gulden per karaat, en laatstgemelde, op zijne beurt, verkocht hem opnieuw aan den eersten eigenaar, Bluts, voor 80 gulden per karaat, maar ditmaal geslepen.

De aanklager viel bitsig tegen den verweerder uit, zeggende, « dat het onleydelyck ende selfs straff-baer was, voor den dagh te comen met eene schrifture, groot seven en twintigh ende een halff folia grossa enckelyck opgekropt met eenen hoop van impertinente ende virelevante feyten dewelcke, in plaetse van eenigh resconter te verdienen, uyt den processe behoorden gerejicieert te worden; » er rijzen reeds kosten genoeg, voegde hij erbij, dan dat gij ze nog met zware schrijtkosten komt verzwaren — maar zelf verdedigde hij zich in niet minder dan zeven en vijftig hoofdstukken, welke gansch een boekdeel vormen! Daartegen bracht de verweerder in, bij middel van een schrift dat alweer honderd vijftig hoofdstukken besloeg, dat Loeyens zich eerst tot de dekens der natie hadde dienen te wenden, zooals de ordonnantie van 1582 gebood en dat overigens de vermindering van den steen niet buitenmate kon heeten, aangezien elke ruwe diamant, tot briljant geslepen, gewoonlijk 1/3 en soms wel de helft van zijn gewicht verloor — eene bewering, die door de toenmalige meesters-slijpers J. Christiaensens, Frans Bovie en Jan Bovie werd bevestigd. \'

-ocr page 45-

— 39 —

Onze Schepenbank kon er eerst niet wijs uit worden ; gaarne zou zij de vier stielgenooten hebben gespaard, dewijl deze als bekwame en invloedhebbende bazen stonden aangeschreven; daarom werd den 20en April 1776 de zaak in beraming gehouden. Maar eindelijk, den igequot; October, velde zij bepaald haar oordeel — niet tusschen de hoofdpersonen van het proces, Loeyens en Dielens, maar tusschen Bluts en Laudaens : gene, welke volkomen afwerking van den steen eischte, werd wandelen gezonden en betaalde de 3/4 der kosten; de tweede moest zweren, dat hij niet in onderhandeling met Loeyens was, toen de diamant tegen 80 gulden werd verkocht. (1)

Op deze wijze meende de overheid het diamantvak te beschermen, daarin geholpen door de hoogere regeering, die zelfs maatregelen trof om valsch gesteente en klatergoud uit het land te bannen en aldus onrechtstreeks het gebruik van versierselen van goede gehalte aan te moedigen. Het was destijds de « mode », bij middel van fijne glasschilfering, de hoeden, linten, waaiers, stoffen, beeldekens, pluimen, meubelpapieren en kinderspeelgoed op te luisteren, hetgeen door den keizer werd verboden bij plakkaat van 25\'\'quot; November 1782, hier den iocquot; December op de straat afgekondigd, omdat, zoo luidde dit bevel, « het gebruyek der waeren, bedeckt ofte bestroyt met glas geblaesen, vermorselt ofte in pailletten, \'t zy wit ofte gecouleurd, bekend zynde voor hinderlyk ende gevaerelyck door de weynige aenhechtinge van die glasige deeltjens ende do gemakkolykheyd met dewelke dezelve, \'t zy door hun eygen gewicht, \'t

(1) Proceszakje L 8884. Pronunciatiebocck 30 April I77(gt;. /0«-nishoeck 1776-82, f° 36, 19 October 1776.

-ocr page 46-

— 4o —

zy door het vryven, door de vochtigheyd ofte te groote droogte, los geraekende van de stoffen ende andere materien, zig mengelen met de spysen sonder dat men het gcwaer wordt, geraeken in de oogen, ende veroorsaeken de ellendigste ongevallen, soovvel aen de inwendige als aen de uytwendige deelen van het lichaem. » (i)

Zooals men ziet, sleepte ook destijds de praalzucht menig ongeval na zich, alhoewel zij ook, van den anderen kant, menigen stuiver liet verdienen; want het was hier, in het voormalige Karthuizers-klooster, alwaar men met drie en twintig slijpmolens werkte, dat in 1788 al de diamanten der Fransche kroon werden geslepen door de gebroeders Frans en Jozef Ergo — een werk, dat negen maanden duurde en waarvoor men te Parijs de noodige bekwame werklieden miste. (2)

Wij zegden het reeds vroeger : voorwerpen van opschik werden zeer gezocht en hielden eenen afzonderlijken handel in \'t leven, die enkel eenige stremming onderging in geval een algemeene of bijzondere rouw de bevolking tot ingetogenheid kwam aansporen. Alsdan, in grauw-bruin of effen bruin laken gewikkeld, spoedden de lieden zich snel ter kerke en vandaar naar huis, zonder zich veel om het overige te bekreunen.

Het sterfhuis was doorgaans, op den dag der begrafenis, met zwarte gordijnen bekleed, evenals de tafels en stoelen; maar de rouwkleeding bepaalde zich tot de naaste bloedverwanten, zonder deelneming vanwege meiden of dienstknechten. (3)

(1) Verziimeling van ordonnantiën.

(2) Gazette van Antwerpen, 26 Februari 1788.

(3) Plakkaten van den hove, vol. 19, f-no.

-ocr page 47-

— 4i —

Ofschoon den 26«quot; Juni 1784 keizer Jozef het begraven in de kerken kwam verbieden, bleef dit gebruik in voege tot einde Augustus 1786, op welk tijdstip de begraafplaatsen van Kiel en Stuivenberg werden ingericht en gewijd.

Zie! heel het kerkpersoneel is op den dooden-akker vergaderd : de kanunnik Hendrik-Jozef de Wael staat omringd van twaalf kapelanen, den ceremoniemeester, den koster, eenen kruisdrager en oenen wierooker. Het noodige gerief bevindt zich insgelijks ter plaatse : twee zilveren acolieten met het zilveren kruis, de zilveren wij wateremmer, hot zilveren wierookvat en zout tot hot wijden van het water. Boven al het omringende rijst het groote kruis als eene baak hoog in de lucht, en als schaduwbeelden van hetzelve staan er vier kleinere op de vier hoeken van het kerkhof, elk beglansd door drie blanke waskaarsen, welke een geheimzinnig licht in dit vroege morgenuur — het is slechts 8 uren \'s morgens — verspreiden.

De hoogepriester knielt op hot prachtige vloerkleed, vóór het teeken der Verlossing; wierookwalmen stijgen in de hoogte, de aanwezigen buigen hunne knieën, laten een zacht gebed ruischen en de brandende kaarsen pinken eene laatste maal, als wilden zij beduiden, dat ook het leven der menschen onverwacht en onverwittigd heenvliedt.

Het Stuivenbergkerkhof is sedert langen tijd in onbruik gevallen; dat van het Kiel, integendeel, werd menigmaal vergroot en eischte ook in den beginne grooto kosten van inrichting.

De staatskas der domeinen, de O.-L.-Vrouwe-, St.-Andrics- en St.-Joriskerken droegen voor den aanbouw van laatstgemelde begraafplaats de overgroote som van 32,505 gulden 17 stuivers 3 oorden bij en

-ocr page 48-

— 4« —

do uitgaven vereischten een bedrag van 28,533 gulden 11 stuivers g oorden. Mits deze som was het kerkhof van het Kiel volledig ingericht, op zulke wijze, dat er zelfs gezorgd was voor eenen hond en een « fusiek » ten dienste van den portier, die zijn waakdier mocht onderhouden tegen eenen stuiver per dag. (1)

Laten wij deze akelige rustplaats verlaten en ons bezighouden met hare tegenstelling — het bruidsfeest — zoo rijk aan bijzonderheden als merkwaardig door de daaruit volgende redetwisten van huishoudelijken aard.

Alhoewel de huwelijken slechts in de kerk werden ingezegend, toch moest de burgerlijke overheid dikwijls optreden, \'t zij als raadgeefster, \'t zij als verzoenster tusschen onwillige ouders of schoonouders, hetgeen meer dan eens aanleiding tot zonderlinge tooneeltjes gaf. Van het oogenblik dat de verloofden gansch of bijna meerderjarig waren, kostte het, in geval van betwisting, niet veel moeite, om de noo-dige huwelijkstoelating te bekomen : de stad verleende die zonder veel beslag, met reden denkende, dat het beter is de zuivere inzichten van een minnend paar in te volgen, dan ze te dwarsboomen; doch wanneer de opgerezen moeielijkheden van ernstigen aard waren, zoo duurde het daarover ontstane proces veelal langer dan èn Schepenbank èn verliefden wel wenschten.

\'Pen jare 1752 vertoonde Joannes-Franciscus Alle-

(1) Jan-Peter van Dyck : A*nteekeningen, uitgegeven door den kerkmeester-archivaris L. Theunissens, 1892, bladz. 21. — Rekeningc, ücwys ende reliqua,,», tot het ophouwen van het nieuw kerkhof op het Kiel (lusse stukken in de zakjeszaal der stadsarchieven).

-ocr page 49-

— 43 —

feldt, « bejaert jonghman ende goudtsmidt van syncn stiele, » aan burgemeester en schepenen, dat hij bij Abraham Bauwens, op de Groote Markt, eerst gedurende vier jaar als leerling, daarna zeven jaar als gezel had gewerkt, « welcken stiel den suppliant hem soodanich heeft geperfectioneert, dat hij met Godts gratie verhoopt eene familie te connen mainteneren. »

Van zijne kracht bewust, had hij zijns meesters dochter, juffer Clara-Maria, opgevrijd in zooverre, dat zij samen schriftelijk elkaar trouw hadden beloofd, en zulks in de volgende bewoordingen : « Wij onderschreven beloven malcanderen te trouwen, alst imandt van ons beyden believen zal. Actum in Antwerpen den 12 Mey anno 1752. »

Reeds had de vader van den jongman den vader der toekomstige bruid verwittigd; zelfs had vader Bauwens gezegd, dat Allefeldt « syne dochter weer-dich was ende hem die soude geven, » toen de jongeling opeens vernam dat hij om den tuin werd geleid en dat, o droefenis! zijne geliefde in het Ursulinenklooster, te Bergen (Henegouw), was opgesloten.

\'s Jongelings harte dreigde te breken. — Ik ben, zegde hij, « van goedt ende onberispelyck com-portement, » en « uyt respect vande dochter ende haere ouders en hebbe ick noynt gepooght te willen weghblyven ofte oneerbarelyck handelen; » tot loon van dit alles verfoeit men mij nu en scheurt men twee minnende harten aan stukken!... Zijne laatste hoop berustte op... burgemeester en schepenen; zij, ten minste, zoo dacht hij, zullen mij helpen en gelieven te beslissen « dat Bauwens syne dochter Clara binnen den tydt van 24 uren sal hebben te reproduceren op eene neutrale eerlycke plaetse, alwacr dezelve door my oock sal connen worden gesprocken. »

-ocr page 50-

— 44 —

Twee schepenen, Henri Vinck en jonkheer Karei-Jozef della Faille, werden den 28cn Mei 1752 aangewezen om de zaak in handen te nemen, en berichtten reeds \'s anderdaags den vader van het meisje, dat hij binnen de drie dagen zijn inzicht zou te kennen geven. Maar deze wilde aan dit oor niet luisteren of gevoelde waarschijnlijk niet, zooals de jongeling, dat in zulke gevallen een halfuur vertraging wel eene eeuw schijnt, want Allefeldt zag zich verplicht zich nogmaals tot het stadsbestuur te wenden, zeggende, « dat Bauwens niet anders voor en heeft als de saecke te traineren, ende alsoo dyer-gelycke saecken van eene alderuyterste accellaratie zijn » hun verzoekende om de zaak te mogen vervolgen van 24 tot 24 uren, iets wat de stad, die blijkbaar met den jongman ingenomen was, nogmaals toestond (31 Juli).

Ondertusschen was Allefeldt niet werkeloos gebleven. Het was hem gelukt de verblijfplaats zijner verloofde op te sporen en hij liet haar bij middel eener vrouw, die beweerde te handelen op last van eenen dominicaner-monnik, eenen brief bestellen.

Men moet dit schrift, met trillende hand op het papier gebracht, aandachtig lezen, om daarin de ware pleitkunst van den minnaar te genieten. Hij bemint haar nog zoo vurig als vroeger; men heeft hem zijn eigendom ontfutseld en hem gelasterd; de moeder zijner beminde heeft heel het spel verbrod; de vader beminde hem vroeger en breekt nu zijn woord; hijzelf vraagt « dry regeltiens » van « haere aengenaeme handt », opdat hij met een gerust geweten zijn lot zou afwachten en eindigt zijnen weeklagenden brief met deze woorden : « Als uwe sal oordeelen van by u te comen, u moet het maer schryven. Adieu saus adieu! ■»

-ocr page 51-

_ 45 —

Do gevoelige jongen werd in zijne liefde niet beloond door de keuze zijns harten. Den 5en Juni schrijft Clara uit Bergen, aan hare ouders — en zulks nog al in \'t Fransch! — dat zij al de listen en \'t verdriet {toutcs les ruses ct chagrins), die Alle-feldt hun aandoet, ten zeerste betreurt; zij bekent misdaan te hebben toen zij eene verbintenis aanging zonder vooraf hare ouders te waarschuwen; dat zij nooit meer iets doen zou dat hen kon bedroeven. Niet alleen belooft zij op hare hoede te zullen zijn, maar nog denkt zij er niet eens aan, den brief haars beminden te beantwoorden : « Je n\'ay point seulement la pensc de repondre a sa lettre que fay rept aujoiir-d\'huy. » Zij spot met dezes inhoud, lacht met al de « zotte praatjes » die erin voorkomen en legt eene ijdelheid en tevens eene onbeholpen schrijfkunde aan den dag, die veel gelijkenis hebben met het opvoedingstelsel in sommige verfranschte onderwijsgestichten van vandaag.

Nochtans zij hier aangemerkt, dat de ouders hunne dochter fel moeten opgeruid hebben, want zij zond den brief van i Juni naar haar huis en weigerde na de drie maanden uit het klooster te komen, onder voorwendsel, dat de eenzaamheid hare beste raadgeefster was, dat zij walgde van den jongeling, en dan, zegde zij, « cc seroit renouveler la playe de nouveau ct ouvrir la houche a tout le monde, » — dat is : zij vreesde het geklap van de lieden indien zij te vroeg huiswaarts moest keeren, terwijl de zaak integendeel, volgens haren wensch, moest slijten.

Al deze gezegden — zulks is gemakkelijk te begrijpen — werden door den vader benuttigd, om voor de Schepenbank zijnen slag thuis te halen, vermits hij daardoor meende te kunnen bewijzen,

5

Antwerpen in de XVI11* eeuw.

-ocr page 52-

— 46 —

dat hij zijne dochter niet had weggezonden, maar dat zij « met haeren vryen ende liberen wille » gegaan was. Ook bracht hij uit, den gezel Allefeldt te hebben afgedankt toen hij vernam dat deze naar de hand van Clara dong; hij beweerde, dat de trouwbelofte zijner 19-jarige dochter niet geldig was en hij geene rekening geven moest waar zijn kind verbleef, vermits de ouders toch meester over hunne kinderen zijn.

— Och! riep de jongeling uit, die niet van zijn stuk te brengen was, de overgemaakte oorkonden bewijzen genoeg dat ik gelijk heb; en de ouderdom eener bruid komt hier zoo weinig van pas, dat uwe vrouw, meester Bauwens, maar zeventien jaar en drie maanden oud was, toen zij met u in den echt trad.

Dit laatste woord gaf den doorslag aan de balans der gerechtigheid, want den is™ Maart 1753 bracht het gerecht een vonnis uit, waarbij de meester-goudsmid Bauwens tot de kosten van het proces werd verwezen en bovendien moest voldoen aan de besluitselen van den jongman, dat is : hij moest binnen de 24 uren zijne dochter terugroepen en haar in staat stellen om haren gewezen verloofde te spreken.

Wij zeggen : gewezen verloofde, want het spreekt vanzelf, dat er geen quaestie van huwelijk meer was en de jongeling er zich enkel op beroemen kon zijne zaak te hebben gewonnen. (1)

Gelukkiger dan Allefeldt, kon de 24-jarige Petrus-Carolus Anthoni de zegepraal zijner zaak vieren, ondanks de talrijke mooiclijkheden, waartegen hij had te worstelen.

(1) Proceszakjc A 201 (stadsarchief).

-ocr page 53-

— 47 —

Onze Anthoni had zich in het hoofd gesteleen in het huwelijk te treden met Anna-Maria Aerts, uit Zundert; doch ofschoon hij meermaals zijne ouders had geraadpleegd, wezen zij steeds zijn verzoek van der hand, in zoo verre, dat de jongeling zijne zaak den 23quot;quot; Juli 1763 ter kennis van burgemeester en schepenen bracht, en, met de toelating van den eerw. heer officiaal des bisdoms, zijnen intrek nam in het klooster der paters Kapucienen, om voorloopig aan de woede zijner ouders te ontkomen. Hij vroeg aan het magistraat de noodige toestemming (veniam agendi contra parentes) en hoopte wel dat hem die zou worden verleend.

Zijne ouders. Petrus Anthoni en Clara-Maria Gobbaerts, waren echter vast besloten geen duim breed te wijken. Vooreerst, zegden zij, is onze zoon minderjarig; wij hebben hem steeds teeder bemind en zijn voordeel en welvaren betracht; dikwijls hebben wij hem « goede ende favorabele occasien van te trouwen » voorgesteld, maar wij hielden gedurig in \'t oog dat hij een meisje van zijnen staat diende te nemen, « waermede hy den last van het houwelyck soude connen draegen. » Welnu, zulks is het geval niet met het meisje, door onzen « ondanckbaren soon » verkozen : zij is « van seer geringe ende arme familie, » zij kan « nochte lesen nochte schryven, » zij is « oncapabel om den suppliant in eenigen stiel ofte neiringe behulpsaem te wesen, » sy en is selffs niet in staet om (salvo respecta) eene causse ordentelyck te stoppen, » in één woord, zij is « eene gecorrompeerde dochter », « van seer slecht gedragh ende reputatie » en blind moet hij zijn, die zich aan zulk schepsel waagt te verbinden...

Men ziet het ; de brave ouders herinnerden zich den raad ;

-ocr page 54-

- 48 ~

Ker gy gaet tot egten staet,

Let op uw saeclcen,

Want \'t is geen bant, die met \'er hand Is los te maeeken.

En zoo komt het, dat de getergde ouderliefde, verscherpt door het eigenbelang dat eene moeder altijd in haar kind betracht, onweerstaanbaar opbreekt; er schijnt geen einde te komen aan de pleitrede der ouders, die daardoor zelfs des te belangwekkender en leerzamer wordt. — God, roepen zij uit, heeft ons de macht gegeven om ons kind tegen ondergang te beschermen, en die macht gebruiken wij, om u, heeren burgemeester en schepenen, al het dwaze van des jongelings gedrag voor oogen te leggen. Onze zoon kent geenen stiel; hoe zal hij den kost voor vrouw en kinderen winnen? Nooit zullen wij die 29-jarige vrouw als onze schoondochter erkennen, zij was vroeger onze dienstmeid, en in plaats van ons te dienen, maakte zij zich aan de laagste trouwloosheid schuldig, want zij heeft « getracht ons te ontnemen onsen besten ende liefsten pant » en hem in zooverre verleid, dat hij schier van zijn verstand beroofd is. Overigens, hij kan geene enkele gezonde reden aanhalen, om juist met die vrouw in den echt te treden : « hy wilt sulckx enckelyck maer omdat hy wilt, ende synen wille bestaet maer in eene coppighoyd ende absolute blintheyt, die de voorschreve persoone aen hem heeft weten in te boesemen. » De brave ouders vreesden waarschijnlijk dat hunne redeneering niet gunstig zou worden aanhoord. — Verwerpt, heeren burgemeester en schepenen, zijn redeloos verzoek, zoo smeekten zij, en haalden feiten aan ten bewijze dat de verloofde eene boosaardige vrouw was. Brengt hem in \'s hemels naam tot betere gedachten, want, volgens zijne eigene verklaring, « hy wilthaer trouwen, alwaert dat men hun tusschen

-ocr page 55-

~ 49 —

vier muren wilde setton, selfs alvvaer ditto persoone seventigh jaeren oudt, daertoe voegende dat geene peer den van Antwerpen hem daer van souden tree-ken... »

De jongeling gevoelde genoeg, alhoewel de liefde den onmondigste tot redenaar vormt, dat hij tegen eene zware partij te worstelen had en dus al zijne bespraaktheid zou moeten aanwenden, wilde hij zegevierend uit den slag komen. Hij trachtte zoo kalm mogelijk te blijven en poogde op die wijze elk bezwaar zijner ouders uit den weg te ruimen.

— Indien, zoo bracht hij in, mijne ouders mij zoo vurig beminnen als zij beweren, dat zij dan het geld, welk zij nutteloos in proceskosten steken, bij mijne huwelijksgift voegen, want met de 2000 pond wisselgeld, die ik aan dit geding moet besteden, kan ik mij het middel verschaffen om een treffelijk koopman te worden.

Voorzeker was het niet zeer kiesch van zijnentwege, de bespreking alzoo op stoffelijk gebied te brengen en de liefde zijner ouders verdacht te maken, zij die hem in hun verzetschrift noemden : hunnen « besten ende liefsten pant. » Hij begreep echter die verkeerde handelwijze zoo goed, dat hij de overige punten der betwisting aanrakende, aldus vervoorderde :

— Ik bemin dit meisje, waarom dan wil men er mij eene andere aankoppelen, waarvoor ik overigens toch ook moet werken? De tegenstand mijner ouders bewijst, dat zij enkel op stoffelijk belang bedacht zijn, want « indien dese dochter maer eenighe duysende guldens besat, sy en souden geen scrupul maecken van hun consent daer toe te draeghon. » Men vreest dat ik mijn brood niet zou wl men! Geeft mij maar wat gij aan mijne getrouwde zuster tot

-ocr page 56-

— So —

bruidschat hebt gegeven, en gij zult zien dat ik een goed ambachtsman, een bekwaam peltier (of bontwerker) ben....

Wat zijn meisje betreft, deze zou hij tot het uiterste verdedigen. — Mijne ouders beweren, dat zij van geringe afkomst is, zoo bracht hij in; maar daar zijn duizenden menschen van naam en aanzien, die nederig begonnen en zich wisten te verheffen door werk en volharding. Gij spreekt van God? Maar « God en wilt niet dat quaet met quaet beloont wort », en dus mag niemand eene zoogezegd slechte vrouw slecht behandelen. Op het gedrag mijner verliefde is niets te zeggen : het is laster wat men vertelt van hare losbandigheid en luiheid; nooit heeft zij met iemand anders dan met mij verkeerd, en indien mijne broeders en zusters op mij gebolgen zijn, « patientie » ! Dat zij hunne « goesting » doen — ik doe de mijne!

Het kon hem echter niet baten, want den id™ December van hetzelfde jaar (1763) werd hij in hot ongelijk gesteld, zijn verzoek van der hand gewezen en hijzelf veroordeeld tot de kosten van het rechtsgeding.

Een half jaar later, toen hij den ouderdom van 2 5 jaar had bereikt, trouwde hij echter de vrouw zijner keuze en wel den 8en Juni 1764, in de Zuiderparochie van O.-L.-V.-kerk, waar hij ook gedoopt was geworden. Wij voegen er nog bij, dat dit huwelijk den jongeling toch niet ongelukkig moet gemaakt hebben, want zeven jaar later, den i3cn Juli 1771, legde hij, als opvolger van zijnen vader, den eed af als deken van het ambacht der pels-werkors. (1)

(1) Proceszakje A 93;. — Pronunciatieboeck. — Hmvelijksregisters. — Losse stukken betrekkelijk het ambacht der bontwerkers.

-ocr page 57-

— 5i —

Eene andere maal, wanneer de echtgenooten Mathias Sicotti en Anna-Cornelia de Vlieger zich tegen het ontworpen huwelijk hunner dochter met Jan-Baptist Potteau bleven verzetten, kreeg het meisje de gevraagde toelating, nadat zij gezworen had met geenen anderen man ooit schriftelijke noch mondelinge trouwgeloften te hebben aangegaan; (i) of wanneer Petrus-Gerardus van Wanghen zich aankantte tegen het huwelijk zijner dochter Marla-ïhere-sia, omdat zij slechts achttien jaar oud was en nauwelijks het Ursulinenklooster te Bergen had verlaten, zag hij zich veroordeeld tot het sluiten eener overeenkomst, waarbij hij zich aan de gunstige verklaring van het geestelijk Hof onderwierp en beloofde niet langer den wensch zijner dochter te wederstreven. (2)

Gewoonlijk werd dergelijke uitspraak, die als eene verloving mocht gelden, opgevolgd door een « drinckgelagh ofte quansel-bier ofte schotel-spyse, » waaraan de getuigen en « bruyts-maeghdekens » deelnamen; wanneer het echter een huwelijk in den hoogen stand betrof, had er een prachtig feestmaal plaats, dat tot voorbode van den eigenlijken huwelijks-disch kon dienen. Op dezen algemeenen regel maakte Joannes-Laurentius Hennekin, zoon van Joannes-Lau-rentius en van Theresia-Catharina van Lancker, merkelijke uitzondering.

Deze jongeling, nauwelijks twintig jaar oud zijnde, wenschte in het huwelijksbootje te stappen met Caro-lina-Jozefa de Knopfler, dochter van den bevelhebber van het Slijkfort bij Oostende, en van Elizabeth

(1) Vonuisboek 1764-69, f0 78, van 8 Maart 1766.

(j) Proceszakje Van Wanghen. Pronuaciatieboeck 1764-1776, (quot;69.

-ocr page 58-

de Giordano; maar zijn vader wilde geene toestemming verleenen en deed hem eenigen tijd opsluiten bij de Cellcbroedcrs (Juli 1777). Dewijl de zoon echter duidelijk verklaarde van zijn voornemen niet te zullen afzien, eischte de vader mededeeling van de toestemming des bevelhebbers, en in allerhaast schreef de verliefde den volgenden brief tot zijne toekomstige schoonouders, daarbij schriftelijke bewilliging tot het huwelijk verzoekende :

« Monsieur et Madame,

« Après vous avoir assuré de mes trés humbles respects et m\'avoir informc de vos chcres sancté que de celle de voire chère fils, celuy pour avoir l\'honneur de vous there que mon cher\' père a demandé en droit de lui faire voir que vous êtes content de me donner Mad : votre fils. C\'est pour eet raison que je vous prie de m\'envoyer vol consentements de mariage de Mad : voire fils avec J. L. Heniiekin fds. Vous obligerez par la celuy qui a l\'honneur d\'etre avec beaucoup d\'estime, en attendant l\'honneur de votre réponse trés perfaitement,

« Votre trés humble et trés obe\'isant serviteur, « J. B. Hennekin, fils.

« Anvers, le 6 d\'Aoust 1777. »

Twee dagen na dit schrijven ontving de zoon de gevraagde toestemming met den wensch, dat vader Hennekin zijnen zegen over het huwelijk zou uitspreken. Dezes hart bleef echter aan alle toeneiging weerspannig en het was eerst nadat stad en geestelijk Hof een gunstig oordeel hadden geveld, dat de zoon Hennekin op 10 September in het huwelijk kon treden en bijgevolg eindelijk zijne zaak gewonnen had. In het wederzijdsch testament der echtelingen stelden zij elkander als algemeenen erfgenaam aan en schonk de man, ingeval hij eerst kwam te sterven, tienduizend gulden Brabantsch wisselgeld voor eene levensgift of douarie aan zijne vrouw, boven de winsten gedurende hun leven te verwezenlijken,

-ocr page 59-

— 53 -

waaruit dus blijkt, dat zij tot den gegoeden stand behoorden (i). Het vorige proces was nochtans sedert twee jaar afgeloopen, en nog wachtten de advocaat en dezes helpers naar betaling voor hunne moeite : de advocaat Nanteuil eischte 262 gulden 17 1/2 stuivers, procureur Dilis 108 gulden 141/2 stuivers, notaris Bruyndonckx 47 gulden 2 stuivers en de zoon Hennekin legde zich intusschentijd rustig te Oostende op den handel toe of gaf hun eindelijk ten antwoord dat hij onpasselijk was geweest, « ge-merckt ick meer dan twee eemers bloedt met materie gemcngeldt hebbe overgegeven, ja dat men anders niet en meynde ofte ik van dese wereldt ginck schyden, maer nu, Godt lof, gaet het beter, maer vreese nog te sterven, gemerekt myne borste nog sterek beswaert is dat ick mynen aesem niet en kan halen... »

Deze toestand werkte voordeelig op het gemoed van vader Hennekin; hij trok thans partij voor zijnen zoon, zeggende, dat de overgemaakte rekeningen veel te hoog liepen en hij ze in dezen zin wilde gewijzigd zien : 10 gulden 19 stuivers voor den advocaat, 93 gulden voor den procureur, 36 gulden voor den notaris; doch de « gewoonelyke taxateurs ter greffic » brachten ook hunne zienswijze uit : 249 gulden 7 1/2 stuivers voor den advocaat, 108 gulden 14 1/2 stuivers voor den procureur, 37 gulden 2 stuivers voor den notaris — en op dezen voet werd Hennekin zoon den 61\'n September 1782 tot betaling met 2/3 der proceskosten veroordeeld.

7

1

Dc toestemming van het geestelijk Hof luidde : « Visis actis et aclitatio usque nature examinatis attentaque contumacia insinuati, petitum consentum supplendum driximus pro ut supplemus per pre-sentus condemnantes insinuatum in expensas taxa nobis reservata it a latum et escripto pronuntiatum Antverpia hac 29 Augusti I777\' »

Antwerpen in dc XVI 11* eeuw.

-ocr page 60-

— 54 —

Op dit tijdstip was hij reeds weduwenaar cn hertrouwd; zijne eerste vrouw overleed den 4°quot; Augustus 1781, drie kinderen achterlatende (een van vier jaar en eene maand, een van drie en een van twintig maanden), en met zijne tweede vrouw, Maria Ludovica de Servati, huwde hij den ion Mei 1782. Dewijl zijn vader hem geene huwelijksgift had geschonken — zijne moeder was reeds sedert 24 Maart 1777 overleden in het huis « De dry tonnen Potten, » in de Wolstraat, — spande hij een nieuw proces in, ditmaal om zijn aandeel, 24,000 gulden, te eischen, juist zooveel als zijne eenige zuster bij haar huwelijk met Jan Antoon Josef Bertels genoten had.

De vader wilde hierin niet toestemmen, en deed opmerken : — Eene huwelijksgift hangt af van den goeden wil of de vrijgevigheid des vaders; moest ik uitrekenen wat al onkosten en rekeningen ik voor mijnen zoon betaalde, er schoot hem niets over van de door hem geëischte som, en bovendien betaalde ik hem, sedert zijn eerste huwelijk, 400 gulden \'s jaars, telkens van drie tot drie maanden, waaruit genoegzaam blijkt, dat hij mij enkel voor de Schepenbank daagt « om my te chagrineren ende myne dagen te verkorten. »

Het vonnis, in deze zaak geveld, toont nogmaals in hoe verre onze schepenen zich destijds met persoonlijke betwistingen inlieten. Ofschoon de staat van het sterfhuis der moeder slechts een overschot van 26,170 gulden 10 1/4 stuivers vaststelde, te verdeden voor de eene helft tusschen den man en voor de andere tusschen de twee kinderen, toch moest vader Hennekin eerst 1127 gulden 5 1/4 stuivers aan zijnen zoon afstaan, « als moederlycke dote en hem voorts nog een jaarlijksch pensioen van 360

-ocr page 61-

— 55 -

gulden sedert den dag van dezes eerste huwelijk tot den dag van dit vonnis (22 November 1784) betalen. (1)

Men ziet hieruit, dat de huisvaders der i8c eeuw, ongerekend hun huiselijk verdriet, ook voor de liefdegevallen hunner zonen voor het gerecht moesten boeten en alzoo gansch hunnen toestand zagen ruchtbaar maken. Zelfs de bewoners dor omliggende dorpen binnen onze omschrijving bleven daar niet van bevrijd en kwamen voor onze Schepenbank hunne betwistingen in beroep beslechten.

De schout van .Stabroek, jonker Philip van Kieldonck, wenschende in den echt te treden met Anna-Catharina Maes, uit Mechelen, had reeds in zijn dorp en hier, in St.-Walburgiskerk, de noodige afkondigingen laten geschieden, toen hij vernam, dat zijn vader, jonker P. F. E. van Kieldonck, secretaris te Stabroek, aan de geestelijken had verboden met de verdere toebereidselen van dit huwelijk voort te gaan. De vader dreef zijnen tegenstand nog verder : hij liet zijnen ;,6-jarigen zoon bij de Cellebroeders te ïhienen opsluiten en schreef aan het gemeentebestuur, dat de verloofde, « sedert jaer ende dag verkeert hebbende met Anna Catharina Maes, sich soo verre vergeten heeft van met de zelv^e, zonder aenzien van allen vaderlyck gezag, te rouleren in verscheyde plaetsen in ordine om aldaer middelen te vinden van tzamen huwelijck aen te gaen ». De verloofden, zoo ging de vader voort, bevinden zich nu te Antwerpen; « dan alsoo desgelyck huwelyck

(1) Losse stukUen in de zakjeszaal; Proceszakje Nunteuil tegen J. L. Hennekin jr; Pionunciatieboeek, 29 Augustus 1777,6 September 1782 en 22 November 1784; Proceszakje F. 7558. — Vader Hennekin-van Lancker overleed den 31quot; Maart 1787, als kapelmeester der Vcne-ralHkapel in O.-L.-V.-kerk.

-ocr page 62-

— 56 —

niet alleen soude veroorsaeken het totael verderff van mynen zoone, maer oock soudc dienen tot afsien, schanden ende oneenigheid van mijne andere kinderen ende geheele familie, te meer alsoo de voornoemde Anna Maes publicquelyck befaemt is van een opsprakelyck gedragh », durf ik verhopen, dat de overheid zulke misverbintenis zal helpen beletten-.

Zeer gepast deed de zoon opmerken, dat de vader een paar jaren vroeger veel gunstiger over de bruid dacht en deze meening onder andere in den volgenden brief had uitgedrukt ;

« Beminde Sone, alhoewel myne verbitterheyd legcns UI., heb ick my laten overtuygen en vergeef uwe al hel displaisier, drocfheyd en honderde onnuttige geldverquistingen die UI. soo inutiel verloren hebt gesmeten, ende aengesicu ick ten hooghsten verseeckert ben de inseparable liefde die UI. draegt voor jouffrouw Maes, ende sy voor uwe, ende ilat eene droeve separatie somwylen het leven niet van een maer van beyde kost, heb ick geheel mynen haet tot uwe ncdergeleght en gemerckt het niet en soudc convenieren dat UI. alleenigh met UI. liefste naer Stabroeck zoude comcn, soo kan UI. liaere ouders spreken, dat uwe en uwe liefste met hacr maseur permitteren naer Staebroeck te komen en hun logist hier nemen.....»

Zich op dezen brief steunende, deed de zoon uitschijnen, dat de beschuldigingen zijns vaders niet tegen dpzes eigene lofspraak konden opwegen en alleen uit gekrenkte eigenliefde voortvloeiden. Onze Schepenbank deelde volkomen deze zienswijze, want nadat zij den 27en Januari 1789 al de processtukken rijpelijk had overwogen, stelde zij den bruidegom tevreden en liet hem huwen (1).

Tegenover vrouwen van slecht gedrag betoonde ons magistraat zich minder toegevend, ja, verzachtte zelfs in zekeren zin de bij gelegenheid van verkee-

(1) Losse stukken in de zakjeszaal.

-ocr page 63-

- 57 -

ringen opgeloopen straf, bij deze gedragslijn den stelregel volgende :

Geen peirle dient bij nagt gekogt,

Geen vrijster bij de keirs gekocht ;

ofwel :

Let op zi eer en houdt u net,

Ifct witste kleedt is eerst besmet!

*

De smidsgast Cornelis van Londerzeel dong sedert eenigen tijd naar de hand van Joanna van Gineken, sinds zeven maanden weduwe van Jacob de Coster en herbergierster op de Katelijnevest, doch werd zoolang door jaloerschheid aangehitst, totdat hij haar met zijn « gaenstoexken » op straat aanrandde en mishandelde. Voor dit misdrijf werd hij den 31°quot; Mei 1771 in het Steen opgesloten, doch reeds den 27°quot; Augustus losgelaten, « mits betalende de kosten ende misen van justitie »; hij had verklaard dat de weduwe hem tergde en hij in haar huis verschillige voorwerpen verbrijzelde op de uitdaging der tapster, welke verschillige potten en pinten op eene tafel had gezet, zeggende : « lek sien uw geiren ende ick sal uw noch liever sien, als gij die derft stuck slaegen ! » (1) De stedelijke overheid was van mcening, geene vrouw onder hare bescherming te moeten nemen, die eenen man tot woede en gramschap aanhitste, gelijk ook de ontuchtige of losbandige vrouwen in dergelijk geval luttel aanhoord werden.

Het pleit ter eere onzer voorgangers, dat echtscheidingen zich zelden voordeden; maar van den anderen kant werden zij, in het voorkomende geval, op zonderlinge wijze uitgesproken. Gewoonlijk was

(1) Losse stukken : Préparatoire Informalu n.

-ocr page 64-

het de kanunnik der hoofdkerk, optredende als synodale rechter, die dergelijke rechtspraak tusschen man en vrouw velde « totdat zij door de genade van den heiligen Geest verzoend zullen zijn, » en, opdat deze verzoening zich niet lang zou laten wachten, het samenwonen mits scheiding van den bedde toeliet (i). Keizer Josef, of, zooals men hem spottenderwijze noemde, de Koster van Weenen, achtte het noodig ook dezen pleegvorm te verminken, gebiedende, dat de tusschenkomst van het Hof van Rome niet meer werd ingeroepen bij het vcrleenen van dispensatiën (2). De sansculotten gingen nog slimmer te werk : zij schaften het geestelijk toezicht teenemaal af en sloten tijdelijke huwelijken, voor vijf of tien jaar, naar verkiezen van het zonderlinge echtpaar.

Wat wij tot hiertoe bespraken, kan ons reeds een denkbeeld geven van de honderdvoudige bezigheden van het stadsbestuur, wiens bekwaamheid en ondervinding dagelijks op de proef werden gesteld, zonder te rekenen dat zijne aanwezigheid bij elk godsdienstig en wereldlijk feest onmisbaar was. Elke schepen mocht er staat op maken, dat hij van het oogenblik zijner aanstelling, op den ien Mei, tot bij zijn aftreden of zijne heraanstelling, het volgende jaar, over geenen enkelen vrijen dag beschikte en

(1) Dc acte van echtscheiding tusschen J. J. de Cort en Maria Persoous begint inderdaad letterlijk ; « Cum propurte...., conjugam nobis oblati suit libelli supplices et in pra;fatis libellis difiicultatis varitc propnsita.\', num nullaque incommoda matrimonium eorum concernentia fuerint allegata, atque ulterius a nobis humiliter petitum fuerit quatenus illorum tam cohabitationem quam thori separationem permittere dig-naremur, hinc est quod nos.... » (Losse stukken, zakjeszaal, Stadsarchieven).

(2) Plakkaat van 5 December 1781.

-ocr page 65-

zich in zijnen langen, zwarten tabbaard en blanken, hoogen kraag, overal moest laten vinden.

Het Pinksterfeest is aangekondigd — de magistraten bevinden zich in plechtgewaad in de kapel op het stadhuis; men viert de kruisdagen — zij zijn aanwezig in kerk en vergaderzaal; \'t is H.-Drie-vuldigheidsdag, of Kerstmis, of Paschen — geen hunner ontbreekt in den dienst ter eere Gods, maar allen buigen de knie voor des Scheppers hoogtijdstafel en gaan daarna zalig hoogtijd wenschen aan den markgraaf, den ambtman, den buiten- en den binnen-burgemeester.

Let op : ginds, langs de groote uitgangspoort der Onze-Lieve-Vrouwekerk, kronkelt en ontwikkelt zich de indrukwekkende, schitterende processie. Zij nadert langs de Oude-Koornmarkt tot voor het Stadhuis, aan welks breede vensters prachtige feost-doeken en bloementrofeeën zijn opgehangen. De zes jongste schepenen, die tot op deze plaats het beeld der Heilige Maagd gedragen hebben, geven het over aan hunne zes oudste ambtgenooten, welke het van aan het stadhuis tot op de Kaasrui zullen dragen, en voort gaat de eindelooze stoet, wijl duizenden nieuwsgierigen elkaar verdringen. Des namiddags kregen de stadsbestuurders hun loon voor het verrichte werk, luidens de bepaling van hun programma : « Naer noen, ten 4 uren, in \'t swart op het Raedhuys tot opset van het beelt ende eten van de hfspe. »

Een ander buitenkansje werd hun op Nieuwjaarsavond geschonken : alsdan bracht de stadsdrukker « aen ider heer gratis eenen almanach » en zijzelven schonken als nieuwjaarsgift vier schellingen aan de stadstrompetters, vier schellingen aan de trommelslagers der gilden, twee schellingen aan de helle-

-ocr page 66-

— 6o —

bardiers, een schelling aan de officiers van de kolve, gemeenlijk geheeten de diefleiders, twee schellingen aan de « roode rokken » en acht schellingen aan de stadsboden.

Wij zullen verder zien welke veelzijdige kennissen er van de schepenen vereischt werden; genoeg zij het, in het voorbijgaan aan te stippen, dat de zes jongsten telkens op den 25\'1 April de brand-emmers en ladders moesten in oogenschouw nemen en ten gevolge dezer taak den naam van brandmeesters droegen. Kortom, menige hedendaagsche schepen of burgemeester zal de toenmalige inrichting — kosteloos bekleed — niet terugwenschen en zich veeleer het winstgevend ambt van vandaag laten welgevallen (1).

(1) Reglement voor de -wethouders, handschrift van het einde der 180 eeuw (archief van don heer Fernand Donnet).

ét

-ocr page 67-

II.

ANTWERPEN OP WERK- EN FEESTDAG.

Dagloon van veld- en stadswerklieden, — Bakkers en maalders : instelling volgens de leer van het communisme. — Beenhouwers — De klok luider. — Het armwezen. — Tooneel en ten toonstellingen. — Reuzencompanie, — Jaar schriften.— Luchtballons — St.-Jobsbegankenis Vertooningen in de Guldenpoort en het Kolve niershof. — Misbruik van sterken drank. — Brandewijnstokers.

j ij mojren met zekerheid verklaren, dat in rustige tijden de werkman der i8e eeuw, \'S® goed zijn brood kon verdienen, ten ware hij handelde zooals de dichter hem wel eens verweet :

Gewonnen is verte/rt, en schoon met sweet vergeirtgt;

V Loopt sondaegs door de keel en \'s maendaegs by den weird. (l)

Een oppassend ambachtsman, ofschoon hard werkende voor zijnen dagelijkschen nooddruft, genoot een onbetwisten welstand, die geenszins door dwaze eischen of nog dwazere werkstakingen gestoord, doch

(i) J. A. F. Pauwels : Rechivecrdig Klagt-iffcht, blz. 57.

Antwerpen in de XVIII* eeuw.

-ocr page 68-

— 62 —

daarentegen van regeeringsvvege beschermd werd. Met de spade op de heidevlakte verdiende de landbouwer acht stuivers de roede, de korendorscher zes stuivers de viertel, de haverdorscher drie stuivers en half, do mutsaardhakker- en binder gemiddeld 8 stuivers 6 oorden de 100 stuks en de voerman beroemde er zich op, in het ploegen eener stoppelvoor in den polder des daags twee gemeten lands te kunnen omrijden.

In de stad evenmin spraken de metsers, steenhouwers en aanverwante stielmannen van achturen-werk noch loonsverhooging : zij werkten tien uren daags met eene tusschenpoos van een half uur in den morgen en een uur op den middag; al staande en zonder hun werk te onderbreken, mochten zij tusschen drie en vier uren in den namiddag eens drinken, en voor zulke zware taak genoot elke baas of volslagen knecht 24 en elke diender 14 stuivers courant (1).

Dat onze ambachtslieden zich ernstig gedroegen, had nog dit gunstig gevolg, dat zij van verschillige zijden werden uitgenoodigJ tot het verrichten hunner taak, zooals in 1770, wanneer de dekens van het lintwerkersambacht zelfs beloofden dat het arbeidsloon geenszins zou verminderd, « maer ter contrarie vermeerderd worden », of in 1780, wanneer de scheepsbouwer Jan Leep, uit Oostende, om onze kalfaters te lokken, 5 schoven daags liet verdienen, « belovende aen iederen afkomenden knecht een halve kroon reys-geld. » (2)

Bovendien is het eene uitgemaakte zaak, dat in

(1) Plakkaten van den hove, vol. 19, fol. 84.

(2) Gazette van Antwerpen, 10 Augustus 1770 en 31 Maart 1780.

-ocr page 69-

vorige tijden menige voedingsstof veel beter dan thans werd bewerkt en onze voorgangers zich aan ondernemingen waagden, welke heden als nieuwigheid of uitvinding worden uitgekreten. Bij het onderzoek naar den toestand van den bakkers- en maal-dersstiel in de i8e eeuw zal deze waarheid eens te meer blijken, tot lof onzer voorzaten en tot les der hedendaagsehe naapers.

Tot op het einde der verloopen eeuw bakten onze bakkers niets dan Spaansch wittebrood, grof tarwebrood en roggebrood, zijnde de tweede soort bestreken met melk of gist. (i) Een enkel bakker maakte uitzondering op dezen algemeenen regel : het was Alexis Wils, die boeten zou voor eene afwijking der voorschreven bepalingen van zijn ambacht.

Op zekeren dag — het was den 8en October 1763

— was de stadskeurmeester in zijne bakkerij gekomen en had daar negen brooden aangeslagen, « alle gebacken van terwe blom ofte terwe meil ende bestreken met yeren ». Ik vraag, sprak de keurmeester, de gewone boet van 25 gulden en verbeurte van het aangeslagen brood, eerstens omdat het te licht weegt, dan, omdat het niet met puttekens getee-kend, en eindelijk, omdat het met eieren bestreken is, want wij verbieden den verkoop van « eenigh masteluynen broodt, gcbuylt broodt ofte andere dier-gelijcke ».

Bakker Wils liet zich echter niet overbluffen.

— Wat wil men van mij ? zoo vroeg hij. Ik maak geene andere soorten van brood, dan zooals « myne voorsaeten over de dertig a veertig jaeren ende meer

(1) Stadsplakkaat van 31 Juli 1668.

-ocr page 70-

— 64 —

gedaen hebben ». Men handelt tegenover mij « uyt lauteren haet ende pure pikkantie »; de bepaling welke men tegen mij inroept, is « door gansch contrarie gcbruyck van over menighte van jaeron ge-abrogeert ». Wil ik u dit bewijzen? ging dc bakker voort. « i3aer en is niet eenen meester backer binnen deze stadt, ofte hij maeckt ende hij vercoopt masteluynen brood; daer en is oock integendeel niet eenen, die volgens spycker maeckt groff terwen broodt, ofte denselven moet daer toe alvoorens wesen aensoght. »

Het verval van menig gebruik werd dus, zooals men ziet, door de overtreders benuttigd, om hun gedrag te wettigen, hetgeen bakker Wils in dezer voege voortzette ; — Mijne brooden hebben hun vereischte gewicht. Ik bestrijk ze met eieren, dat is waar, doch zulks is geene ondeugd, « want een wittenbroodt volgens spycker gemaeckt, dat gesneden ende bestreken is met eyeren, is veel smaec-kelycker om eten als hetgene niet gesneden ofte bestreecken en is ». Om u dat klaarder te betoenen, zoo doe ik u opmerken « dat door het sny-den van het broodt, de voghtigheydt uyt het broodt veel lichter can perfumeeren als hetgene dat niet gesneden en is... »

De man ging voort : — De opstekers van den keurmeester weten dit alles wel en zouden handelen zooals ik, indien hun dat voordeelig ware. Ik heb mijnen stiel te Brussel, daarna hier, bij Persoons, den zoogenaamden « Brusselschen backer, » geleerd) waar ik nooit ander brood zag maken dan hetgene ik thans lever, « tot goeden smaeck ende gerieff der gemeente. » Daarbij, wil ik nog wat anders zeggen? De heer aalmoezenier J. J. van Hal heeft mij verzocht het wittebrood te snijden en te bestrijken •

-ocr page 71-

- 65 -

« waeruyt het galleken van de dekens voor het grootsten deel is gesproten tot het aenstellen deser saeeke ». Indien inderdaad mijn brood boven het hunne wordt verkozen, moet men zich niet boos maken tegen mij, maar men dient in aandacht te nemen, dat de aalmoezenier het niet voor den stadsarme zou bestellen, indien het niet deugde....

Niet waar, de aangeklaagde verdedigde zich dapper? Maar ook — de goede man gevoelde zich gesterkt door zijn goed recht, dat hem tot volharding aanspoorde. En niet zonder reden! Immers, een jaar voor de aanklacht, namelijk den 15®quot; September 1762, had Wils, met behulp van eenen notaris, de ordonnantiën van het ambacht doen vragen en had voor antwoord gekregen, dat hij naar de vergaderzaal moest komen, om er inzage van te nemen. In deze bijzonderheid ligt dus het bewijs, dat in de tweede helft der 18° eeuw de proef in het bakkersambacht niet streng geëischt werd, anders hadde Wils immers vanzelf geweten waaraan zich te houden?

Met des te meer kracht riep hij uit ; — Heeft men ooit beleefd, dat een stielgenoot tegenover zijn eigen ambacht proces voerde? Ik ben toch « geenen Hollandschen fynaert ofte wel geenen Spaenjaert van geborte » - die alles raden kan! « Men moet bot ofte obstinaet syn, als men niet en soude sien dat dese saeeke voortskomt uyt een galleken van piccantie van het backersambacht ».

Wat zou de uitslag van al dit geharrewar zijn? Gelukkig voor hem, trad eindelijk een belangrijke getuige op, namelijk Franciscus vanden Bosch, vroeger bakker, thans « meester schoolmeester ». oud 60 jaren, welke verklaarde, lt; den backersstiel te hebben geexerceert by mynen vaeder alsmede by den bakker Persoons, ten tyde van tien a 12 jaeren

-ocr page 72-

— 66 —

tc saemen, tot in den jaore 1735 a 1736, als wanneer ick aldaer altyt eenige wittenbrooden heb gemaeckt ende weten maecken met eyeren bestreken ende gesneden en dat deselve gesneden ende bestreken wittebrooden in den winckel gestelt wirden ten thoon voor de borgers. »

Na deze getuigenis viel er niet langer met het vonnis te wachten »: er was nu duidelijk bewfzen, dat de Brusselsche bakker Persoons de zoozeer gewraakte kunst hier had ingevoerd, zoodat men Wils niet kon beboeten; enkel moest hij de proceskosten betalen, zooals de heeren van de wet ze schatten zouden (i).

Het brood van over honderd jaar was diensvolgens geenszins te versmaden en mocht opwegen tegen ons voedsel. Voor oudere lieden gebruikte men echter meer « peperkoeck », hetgeen zoozeer door ons magistraat werd gewaardeerd, dat het toelating gaf aan de peperkoekbakkers, om op de markt graan te koopen voor en na elf uren, ofschoon de stadsplakkaten een vroeger uur aanduidden {2).

Van deze gunstige stemming der stedelijke regeering wist overigens heel het bakkersambacht gebruik te meiken tot verbetering van zijnen gelde-lijken toestand. Onze bakkers hadden ondervonden, dat de stijfselmakers slechts acht tot tien stuivers voor eenen zak tarwezemelen, die vijf gulden waard was, wilden betalen en vonden oogenblikkelijk het middel om aan dit loonbederf paal en perk te stellen : het bakkersambacht richtte zelf twee stijfselmaker ij en op in de Nieuwstad, op den « Aerden-

(1) Losse stukken in do zakjeszaal. — Proceszakje A 625. — Pronunc. 14 Nov. 1766.

(2) Rekwestboeck 1710-11, f0 6vo en later.

-ocr page 73-

— 67 -

dyck », thans de Oude-Leeuwenrui, in de nabijheid der Stijfselstraat en Stijfselrui, alwaar de bakkers zeiven hunne zemelen konden verwerken, (i) In den beginne gelukte deze onderneming op voldoende wijze : elke bakker, die er kwam arbeiden, betaalde 6 gulden 8 stuivers en het arbeidsloon der knechten, terwijl, van den anderen kant, het stadsbestuur deze samenwerkende onderneming zedelijk ondersteunde, zoodat de stijfselfabrikanten veel nadeel leden. Zulks duurde een twintigtal jaren (van 1721 tot 1742); alsdan bestond er nog eene dezer stijfselmakerijen, waar de bakkers zelfs varkens mestten ten gebruike der bevolking, doch die eenigen tijd nadien ook te niet ging, door het langdurig schrijven en smeeken der stijfselmakers.

Ziedaar eene eerste proef van communismc, welke mislukte, evenals eene tweede, op ernstigere wijze door de maalders in het werk gesteld en waarover iets naders dient vermeld.

Het was den 5on Augustus en 250n October r 7 28, dat eene gemeenschappelijke kas werd ingesteld, waarin het maalloon van eiken maalder zou worden gestort, om op het einde des jaars in gelijke deelen te worden uitgedeeld. Dit maalloon bestond echter niet in geld, want ieder maalder genoot bij zijn werk het twaalfste vat of den twaalfsten zak van elke vracht, het aan- en\'afvoeren daaronder begrepen; doch elke werker, die voor een bedrag van honderd gulden boven zijn aandeel had gemalen, trok vijf en twintig gulden vooruit, als « overmaelgeld ».

Deze instelling ontmoette veel tegenstand; onze burgerij kon niet dulden, dat ijverigen en luiaards

(r) liekwestboeck 1722-23, fquot; 140; 1726-27, f0 34V0; 1727-28, fquot; 51; 1741-42, f 95.

-ocr page 74-

- 68 —

hetzelfde loon gingen genieten noch dat eene gewaande gelijkheid oorzaak van zedelijk en stoffelijk verval der samenleving zijn zou. Zelfs de meeste molenaars toonden zich wederspannig, maar eens dat het stelsel herhaaldelijk door de overheid was bekrachtigd (27 Mei 1729 en 13 Januari 1735), waren allen verplicht het te volgen en te doen gelukken; het maaldersambacht kocht zelfs in 1744 den molen van het Kiel voor de overgroote som van 10.80amp; gulden, zoodat het nu ook al het « buy-tengoet » mocht verwerken (1). Doch eindelijk werd door keizer Josef II de gemeenschappelijke kas vernietigd, omdat ze, volgens zijne meening, de gelijkheid schond en de bakkers hem hadden bewezen, dat, door het gelijk verdeelen der winst, de luiaardij even zooveel als de werklust genoot. (2)

Ondanks deze afdoende beslissing, bleef het samenwerkend stelsel nog geruimen tijd in voege, want op 30 Januari 1788 vroegen de maalders een jaarlijksch hulpgeld van ioo gulden aan de stad, als tegemoetkoming voor hunnen boekhouder, die eene jaarwedde van 312 gulden ontving. Het volgende jaar bestonden hier nog vier en twintig molens, degene van Borgerhout en Berchem voor eenen halven gerekend, en hot verdient opgemerkt welk stelsel van « gelijke verdeeling » werd verzonnen, om het vroegere verwijt, als zou zij strekken tot begunstiging der luiaardij, te ontgaan.

Het loon werd nu alle maanden betaald, verdeeld in acht en veertig deelen, waarvan men \'/«s

(1) Rekwestboeck 1744-45, f0 404 v0.

(2) Gazette v. Antw., 3 Sept. 1784. Dc ordonnantie van afschaffing dagteekent van den 19®quot; Augustus.

-ocr page 75-

— 69 —

op het kantoor hield, tot betaling van de interesten der kapitalen, door het ambacht vroeger gelicht. De maalder, die éénen molen bediende, genoot waren er twee maalders op eenen molen, zoo genoot elk hunner \'/it- Veronderstellen wij, dat er in eene maand tijds op het kantoor góo gulden voor maalloon waren ontvangen; verdeeld in 48 paarten, bedroeg een enkel deel twintig gulden, dat in de algemeene kas overging, en de 940 overige gulden werden gelijk verdeeld. Doch vermits men den naarstigen werkman wilde aanmoedigen, was er eene premie van 50 quot;/„ uitgeschreven voor hen, die meer werk dan al de overige stielgenooten kon leveren.

Laten wij met een voorbeeld zien, hoe deze verdeeling geschiedde en stellen wij, tot beteren verstande, vast, dat vier molens, in plaats van 47 meesters, hun aandeel van de 940 overgebleven gulden, dus 235 gulden, gaan ontvangen.

Wij nemen eerst twee molens, die meer werk leverden dan er van hen vereischt werd :

Won

Moten A.

320 gulden.

Zijn iiandeel (\'/, van 040 gulilcn) was . . 235 gulden.

Zoodat hij eigenlijk meer verdiende ... 85 gulden.

Deze molen ontving dus : het eigenlijke aandeel, of....................235 gulden.

en, als premie van de 85 gulden overwinst,

berekend tegen 50 quot;/o . • ■ •.......... 42 g. 10 st.

Won

235 gulden.

Dus samen ; 277 g. 10 st.

Molen B.

270 gulden.

Zijn aandeel (\'/4 van 940 gulden) was . . 235 gulden. Zoodat hij eigenlijk meer verdiende ... 35 gulden. Deze molen ontving dus : het eigenlijke aan

deel, of..............

cn, als premie van de 35 gulden overwinst.

berekend tegen 50 #/0

......\'7 S- \'o st.

Dus samen ; 252 g. 10 st.

9

Antwerpen in de XV///e eeuw.

-ocr page 76-

- 7o —

Dc volstrekte gelijkheid had diensvolgens eenen noodlottigen afloop voor hen, die werken wilden, want ziedaar een molenaar, die recht had op 320 gulden en er maar 277 ontving, en een andere, die in plaats van 270 gulden te ontvangen, slechts aanspraak op 252 gulden kon maken.

Maar deze uitslag veranderde teenemaal, wanneer men te doen had met eenen minder werkzamen arbeider : alsdan werd elk verlies eene winst — iets wat niet weinig bijdroeg om het stelsel te verwerpen. Het volgende voorbeeld licht dit punt duidelijk toe :

Molen C.

Won..................210 gulden.

Zijn aandeel (\'lt van 940 gulden) was . . . 235 gulden.

Zoodat hij te kort kwam.............25 gulden.

Deze molen ontving dus ; zijne winst ... 210 gulden,

en, als oplage van zijn tekort (5O°/0 van 25 g.) . 12 gulden 10 stuivers.

Dus samen ; 222 gulden 10 stuivers.

Molen D.

Won..................140 gulden.

Zijn aandeel (\'/, van 940 gulden) was . . . 235 gulden.

Zoodat hij te kort kwam............95 gulden.

Deze molen ontving dus : zijne winst . . . 140 gulden,

en, als oplage van zijn tekort {50 0/0 van 95 g.) . 47 gulden 10 stuivers.

Dus samen : 187 gulden 10 stuivers.

Nogmaals : twee molens, waarvan de eene recht had op slechts 210 en de andere op slechts 140 gulden, ontvingen, om der wille van de nagejaagde gelijkheid, 222 en 187 gulden, iets wat in de toepassing geen steek kon houden. De onderneming mislukte ten volle, nadat zij in zitting van burgemeester en schepenen van 27 Februari 1789 voor de laatste maal onderzocht was geworden. (1)

(i) Losse stukken in de zakjeszial.

-ocr page 77-

— 71 —

Hierbij komt nog, dat in alle tijden de maal-ders in twist waren met de bakkers, zoodanig zelfs, dat meer dan eens het Hof ter bemiddeling moest optreden. Er dient echter gezegd, dat de bakkers meermaals in hun recht waren, doch niet altijd die middelen tot handhaving er van aanwendden, welke de wijsheid hun voorschreef.

Hunne grootste oneenigheid was ontstaan ten jare 1739, wanneer de maalders op voorhand wilden betaald worden, en, daar niet in gelukkende, eenen oploop uitlokten, welke het ergste deed vreezen. In de herberg « De Helle » op 15 September vergaderd, luisterden de aangehitste bakkers naar het neder te leggen voorstel. Bakker Jan Janssens, de aanleider, sprong op eenen stoel, richtte eene gloedvolle toespraak tot de aanwezigen en zegde eindelijk met luider stemme : « Daer en is niet te doen, het is nu tyt, laet ons malkanderen bystaen; dat die getrouw willen blyven, hunne hoeden opsteken ende hunne vingeren, om te sweiren dat sy den maelloon vooraf niet meer en sullen betalen. » En al zijne stielgenooten, ongeveer 160 man, met dekens en ouderlieden aan \'t hoofd, riepen als uit éénen mond : « Wy sweiren dit bij Godt en alle syne heyligen en malcanderen noyt te verlaten! » Ten gevolge dezer buitensporigheden, welke het magistraat ten hoogste vergramd hadden, waren twee bakkers, Jan Janssens en Christiaan Borré, in het Steen opgesloten. Hunne gezellen wendden zich tot het Hof, vragende vergiffenis voor hun misdrijf, hetgeen hun inderdaad werd verleend; maar de twee voornaamste opruiers moesten op het Stadhuis, in bijzijn van de wet, hunne schuld komen bekennen en om vergeving smeeken, hetgeen aldus gebeurde (i).

(1) Losse stukken ; Préparatoire Informatiè\'n en Correctieboeck, IX, f 263.

-ocr page 78-

— 72 —

Niet altijd nochtans waren de bakkers zelven goede vrienden ondereen, want op 16 December 1761 klaagde Petrus Gillekons, oud-deken van hun ambacht, dat hij sedert eenigen tijd onrechtvaardig werd behandeld door zijne gezellen, doordien zij hem op hunne kamervergaderingen niet meer noodigden. Gaarne hadde hij gezien, dat het magistraat hem in zijn recht herstelde en diensvolgens daagde hij de dienende dekens voor de Schepenbank waar zij duidelijke verklaringen dienden te doen.

Deze lieten zich niet wachten. — Het is waar, zegden de verweerders, dat sedert eenige jaren de afgetreden dekens op onze vergaderingen aanwezig waren, doch zulks geschiedde uit enkele beleefdheid, niet door verplichting. Waarom, heeren Schepenen, hebben wij Gillekens thuis gelaten ? « Hy is selffs de schuld ende moet het aen sigh selven toewyten dat hy op den voorgaenden voet niet meer is behandelt geworden, syne indiscrete ende indecente maniere van spreken in volle vergaederinge heeft daertoe de oorsaecke gegeven. » De klager had dus zijne stielgenooten openlijk beleedigd — de verweerders lieten weten op welke wijze : « Hy heeft sich soo verre geemancipeert van in de generaele camerver-gaderinge, gehouden op den uquot; Augusti 1761, den geheelen dienenden eedt, aldaer present, de selve alle te saemen ten hooghsten uyt te schelden ende te injurieren, seggende rond uyt dat sy altemael apen waren. » Zulke grove beleediging wilden de dekens niet verkroppen : de pleger zou ze herroepen, anders mocht hij geenen voet meer in hunne kamer zetten.

Het volgende jaar werd Petrus Gillekens inderdaad tot betaling der proceskosten verwezen; doch hij hield zijne bewering van onschuld gedurende dertien jaar staande, totdat eindelijk, op den 160quot;

-ocr page 79-

Augustus 1775, deze zonderlinge overeenkomst werd getroffen :

« Comparuerunt de voorschreven partyen, dewelcke ten overstaen van my ondergeschreven commissaris ende ter interventie vau den heere Schepenen de Farvacques, hooftman van het geseyt ambacht, verclaeren veraccordeert ende getransigeert te syn in der voegen ende manieren naervolgende, te weten dat de caemerlycke resolutie van 29 September 1761 met de signaturen daer onder staende door my ondorge-schreven commissaris sal worden getraceert ende onleesbaer gemaeckt; dat partyen hix inde elkanderen syn kennende voor lieden met eere, op wekkers reputatie sy niet en weten te seggen; dat mits dien de procedure, begonst r6 Decembris 1761, sullen comen te cesseren, mits dat de geïnsinueerde en rescribenten (de dekens) in de ordinaire costen des suppliants (Gillekens) van s\'ambachtswegen sullen betaelen een derde deel op de specificatiën soo van den advocaet ende procureur daer over by den suppliant in der minne over te geven, zonder daer over eenigh libel te formeren, dogh sullen de costen van het debath geeyndight by vonnis van 4 Juni 1762 blyven ten laste des suppliants.... »

« Rumoldus J. M. Torfs.

« H. F. de Farvacques » (1).

Dit feit geeft ons nogmaals een staaltje der toenmalige rechterlijke inrichting, wanneer voor de kleinste zaken eindeloos werd gepleit en onderzocht, iets wat wij thans bij de maalders gaan vaststellen.

Op 6en April 1750 had het magistraat eene nieuwe ordonnantie voor de maalders uitgevaardigd, welke strenge boeten op de overtreders toepaste en onder andere aan de molders of knechten verbood eenig tarwe- of roggemeel in huis te houden, « op wat pretext het soude mogen wesen ». Als eerste gevolg dezer nieuwe regeling, ontstond er eene werkstaking onder de knechten en karredrijvers, welke echter spoedig werd onderdrukt; daarenboven moest er worden uitgezien, of de molders zich wel naar de

(1) Losse stukken in de zakjeszaal. — Pronunciaiicbocckt ii: 44, 4 Juni 1762 en n\' 46, 1O Augustus 1775.

-ocr page 80-

— 74 —

ordonnantie schikten, want deze schreef ook voor, geen molen te ontzeilen of stil te houden zoolang er graan te malen lag.

Het was in den nacht van 18 op ig October 1753, dat de onderschout en twee schepenen hunne ronde door de stad deden en ondervonden dat geen enkel maalder zich naar de stadsplakkaat voegde : ten huize van den molenaar Antoon Meersmans, op den molen « De Croon, » op « Den Neermolen, » bij Ferdinand van Druynen, op de molens « Den Heyligen Geest, » « Stc Elisabeth, » « Den Brack, » « Den Groenmolen, » « Den Ridder » en « Den Tuyme-laer » was ofwel tarwe- of roggemeel, ofwel onge-malen graan voorhanden, hetgeen voor eiken molenaar eene boete van 75 gulden, ongerekend het verbeurde goed, na zich sleepte. Het gerecht nam zelfs niet in aanmerking, dat meer dan een hunner echt slavenwerk verrichtte, want de baas van « Den Tuymelaer, » bijvoorbeeld, bracht tevergeefs als verschooning in, dat hij daags van het ambtelijk bezoek zeventig zakken goeds gemalen en te voren twee dagen en twee nachten, zonder onderbreking, gewerkt had (1)

Deze klager toont ons dus nogmaals al het wederrechtelijke van het alsdan bestaande stelsel van gelijkheid, dat voor gevolg had eene ongelijke verdeeling van werk en loon en eene levering van slecht meel. Inderdaad, wanneer, na het bevel van afschaffing, door keizer Josef gegeven, de stad eene nieuwe regeling over het malen en broodbakken in voege bracht, (2) trachtte ze te zorgen zooveel goed gemalen bloem mogelijk uit het graan te

(1) Losse stukken : Préparatoire Informatiè\'n. — Proceszakje : Ondet idiout tegen Ph. van Laecken.

(2) Ordonnantie van 27 Augustus 1787,

-ocr page 81-

— 75 —

trekken, « yemcrckt, » zoo luidde hot voorschrift, « door het oprechten der gemeyne cassen der rnael-loonen onder de meulders ten jaere 1728 desen stiel soodanig was verloopen, dat men met reden was klaegende nopens de qualiteyt van het gemael. »

Langzamerhand kwam er nu verbetering, zoowel bij de bakkers als maalders. Alle jaren, in November of December, op de Zeeuwsche-Koornmarkt, namen de politiemeesters een veertel rogge uit vijf verschillige zakken, wogen dan deze vijf partijen in de stadswaag, namen de drie middengevvichten, na aftrek van het hoogste en laagste getal, dooreen, trokken er het derde zwaarste gewicht uit en behielden dit als gewicht van een veertel rogge voor gansch het aanstaande jaar. Men noemde dit gewicht : den jaarlijkschen spijker voor de rogge, zooals er een wekelijksche spijker voor de tarwe bestond. Men wist nu ten minste waaraan zich te houden ; een roggenbrood, van eenen stuiver woog 42 lood, het « terwe-brood met den gruys, » of grof tarwebrood, van eenen stuiver, woog 27 lood en het « fijn Spaens witten brood, » van eenen stuiver, woog ig lood.

Wij weten, dat de Republiek al deze gebruiken afschafte; wat men echter niet genoeg kan herinneren, is, dat zij niets deed tot verbetering of redding der maatschappij, hetgeen de maalder Petrus Smekens in 1796 tot zijn groot nadeel ondervond. In roerende bewoordingen klaagde hij den ien Januari van gemeld jaar, dat zijn molen, de eenige, die nog eenig goed werk leverde, een paar dagen vroeger door den storm was omvergerukt (« renversé, cassé et entièrement démoli »); hij zou gaarne zijnen molen heropbouwen, doch vond nergens het noodige hout, dan in stads magazijn, den Eeckhof; daarvoor wilde hij eenen

-ocr page 82-

— 76 —

redelijken prijs betalen, doch trachtte zich te vergewissen of de regeering hem eenig hout zou afstaan. Zeven dagen later antwoordde deze, na den Franschen meester Dargonne gehoord te hebben, dat er geene aanleiding bestond om de vraag van molder Smekens in te willigen, aangezien het in voorraad zijnde hout tot andere werken kon dienen! (i)

Dat de Republiek geene enkele kostwinning noch instelling eerbiedigde, was in hoofdzaak toe te schrijven aan hare volstrekte onbekendheid met onze zeden en gebruiken en, niet kunnende beminnen wat zij niet kende, geene poging tot uitroeiing of vernieling onbeproefd liet. Wat zou zij, bijvoorbeeld, hebben gedacht van de gewoonten onzer beenhouwers, die van in aloude tijden tot in het jaar 1707 aan eiken burgemeester en schout jaarlijks eenen halven os ten geschenke gaven? Zou zij niet hebben beweerd, dat ook deze nieuwjaarsgift een bewijs van verslaving en onwetendheid daarstelde?

Gemeld gebruik hield echter eensklaps op, en onze stedelijke overheid, niets meer van het ambacht der beenhouwers ontvangende, wendde zich in 1710 tot den Raad van Brabant, want, zegde zij, het is niet in ons eigen belang dat wij pleiten, maar omdat wij door ons stilzwijgen schade zouden veroorzaken aan onze opvolgers.

Zulks was niet kwalijk geredeneerd, maar onze beenhouwers waren ook geen ijs van éénen nacht. — Wij weten niet, antwoordden de dekens Frans Huynen en Cornells Adriaenssens, waar de burgemeesters dit recht zouden gehaald hebben, \'t Is waar, lt;( in florissante tijden, » « uit pure liberaliteyt, »

(1) Dossier der maalders, stadsarchief.

-ocr page 83-

« in den slachttijd, » schonken wij hun regelmatig eenen halven os; maar daaruit een recht willen afleiden, voorwaar, dat is « te seer ongefondeert. » Overigens, het leven is tegenwoordig veel te duur : wij hebben genoeg te zorgen voor het betalen onzer lasten en schulden, en de eischers hebben zoo min recht op dit geschenk in vleesch, als « dat iemand sou pretenderen eenen nieuwejaer ofte almanach. » Of had het magistraat zelf den i8cn Mei 1619 niet geboden, geene geschenken te geven om klanten te lokken?

Burgemeester en schout trachtten zich echter zoo knap mogelijk te verweeren. — De halve os, antwoordden zij, werd nooit aanzien als eene gift, maar wel als een loon, als een « emolument voor ons officie; » wat meer is, de markgraaf ontving zelfs een heelen os, in geld of in vleesch. En twist onder ons, over eene bijzaak, is alleen oorzaak, dat de beenhouwers, uit wrok, hunne gift hebben afgeschaft. Zij spreken van den slachttijd! Maar deze komt alle jaren terug — en daarom, ons beroepende op hunne eigene bekentenis, eischen wij voor elk verloopen jaar eenen halven os of de waarde daarvan in geld.

Een oogenblikje geduld, mijnheeren! dachten onze beenhouwers : — In vroegere tijden verkeerden wij in zulken bloeienden toestand, dat wij een Vleesch-huis konden bouwen, dat « duysenden » heeft gekost. Alsdan konden wij zelfs aan eiken der achttien schepenen een kwaart os, aan eiken portier der stadspoorten een kwaart schaap en het vleesch van den vetten os in den vastenavondtijd aan burgemeester, markgraaf en schout ten geschenke geven. Nu, echter, hebben wij niet alleen die giften, maar ook den jaarlijkschen maaltijd van onzen patroon, den beschermheilige Jan Baptist, die over de 100 pond Vlaamsch kostte, moeten afschaffen.

io

Antwerpen m de XVI 11* eeuw.

-ocr page 84-

- 78 -

Het magistraat scheen overwonnen door deze daadzaken; het klampte zich aan de laatste redplank vast, namelijk aan de gewezen cn toen nog levende burgemeesters, welke te zijnen dienste de volgende verklaring op het papier brachten : « Wy onder-geschreven oude borgemeesters der stadt Antwerpen, certificeren by dese, dat wy van jaere tot jaere, gedurende onsen respectiven dienst van Borge-meesterschap, van wegens het ambacht van de vleeschouwers alhier hebben genoten ieder eenen hal ven osch des jaers, gelyck noch lestmael anno XVII ende sesse noch verclaert genoten te hebben den ondergeteeckenden out borgermeester vanden Werve. A.ctum in Antwerpen, den 27 November 1710. » Onderteekend : J. van Hove, A.-J. van Halmale, Carol us van den Werve, P. van den Cruys.

Indien wij geen ander feit konden aanhalen, dan dat de erfgenamen van den oud- buitenburgemeester en schepen Jan-Karei de Cordes den 29 April 1714 van hun recht op den hal ven os afzagen « sonder daermede te willen prejudicieren de andere heeren borgemeesteren ende onderschouteth », dan reeds zouden wij daar mogen uit opmaken, dat de aanklagers hun proces verloren, vermits zij door gansch eene belanghebbende familie in den steek werden gelaten; maar het volgende feit bekrachtigt nog meer ons gevoelen.

Van over vele jaren was het ambacht gewoon, zooals wij gezien hebben, eenen heelen os aan den markgraaf te schenken. De titularis in 1783, van Beughem, ontving honderd gulden in klinkende munt, doch wanneer deze ambtenaar overleden was, ging de gift op den onderschout de Villegas en nadien op den markgraaf-schout jonker Ch.-J. Cuylen over. Hiermede niet tevreden, eischte de onderschout

-ocr page 85-

— 79 —

de « gratificatie, » die hij door de bevordering van Cnylen verloren had; het ambacht gunde hem dan 70 gulden. Wanneer nu onze beenhouwers, in 1783, bij het overmaken hunner rekening aan de stad, de 170 uitgedeelde gulden aanteekenden, verbood deze laatste die som in \'t vervolg te betalen zonder voorafgaande toelating; en het volgende jaar, den ao011 Maart 1784, toen het ambacht de voorschreven toelating verzocht, sprak de stad in dezer voege hare meening uit : « Myne heeren verklaren in het versoek deser gedaen, niet te connen treden. » Op die wijze was het uit met alle giften en gunsten, hetgeen onze beenhouwers des te meer welkom zal geweest zijn, dewijl zij, ongerekend de interesten voor erf- en lijfrenten en het onderhoud van hun Vleeschhuis, nog te betalen hadden : 300 gulden \'s jaers aan hunnen « comptoirbaes, » 28 gulden aan den bevelhebber van het Kasteel, 14 gulden aan den adjudant aldaar, 36 pond ossenvleesch aan gemelden majoor en eenen halven os aan den rentmeester der Staten van Brabant.

Evenals de overige ambachten, gilden en natiën, bleven onze beenhouwers tot het einde getrouw aan hunne privilegiën en oude instellingen : nooit zouden zij gedoogd hebben, dat iemand, die niet van been-houwersafkomst was, hunnen stiel kwame uitoefenen geen pond vleesch, geenen schenkel lieten zij in het huis hunner gezellen verkoopen — daarom diende hun Vleeschhuis, door henzelven ten jare 1550 bekostigd; niemand lieten zij op ongeoorloofde dagen met vleesch binnen de stad komen, noch verkochten het minste vleesch gedurende de vasten, dan aan sommige ziekenen. Op al deze gebruiken werd achtereenvolgens door het Oostenrijksche Hof inbreuk gemaakt, totdat ten langen laatste ook dit ambacht slechts bij naam bestond.

-ocr page 86-

— 8o —

Eén keizerlijk besluit vooral werkte nadeelig op den verderen bloei van het ambacht : \'t was dat van 9 September 1784, waarbij de buitenbeenhouwers toelating verkregen, om eiken Zaterdag, in plaats van op sommige tijdstippen, hun vleesch op de Veemarkt te koop te stellen, tegen welke vrijheid de onzen zich door alle eeuwen heen hadden verzet. Het is dus gemakkelijk te begrijpen, dat de keizerlijke vergunning veel misnoegen en gemor deed ontstaan; herhaaldelijk kwamen onze beenhouwers in opstand, bespiedden eiken stielgenoot die smokkelend uit Berchem of Borgerhout stede waarts kwam en wendden zich nog den 26°quot; Mei en 14en Augustus tot het Hof met deze woorden ;

— Door algemeen gebrek aan vee, dat dagelijks, in plaats van tot ons eigen onderhoud te dienen, naar Frankrijk en elders wordt gevoerd, zijn alle levensmiddelen schromelijk duur geworden; het ware dus goed, den invoer binnen het land te begunstigen en den uitvoer ten krachtigste te beletten. Daarbij komt ook, dat het vee zeer duur is, omdat men thans vleesch mag eten in de vasten. Immers, als men in de vasten geen vleesch eet, dan heeft het vee eenigen tijd rust om zich te mesten, terwijl nu elk beest, oud en jong, wordt geslacht, hetgeen even zoo schadelijk is als onrijpe vruchten vóór den tijd te plukken, want de vraag grooter zijnde dan de opbrengst, zoo zien de veehandelaars zich verplicht vroegtijdige en halfvette beesten uit de weide te halen. Het gevolg hiervan is, dat de landman zijne melk gebruikt om zijne kalveren te mesten, in plaats van ze tot boter te karnen, zoodat deze laatste voedingsstof insgelijks schaarsch wordt. De arme man lijdt daar het meest door; er is gebrek aan voeder; sinds drie, vier jaar mislukte de oogst, en, Majesteit,

-ocr page 87-

— Si —

gij weet het : « den horen volgt het koren » — in andere woorden ; de veekweek gelukt of mislukt naarmate de oogst in gunstigen of ongunstigen toestand verkeert.

De stijfhoofdigheid van den Oostenrijkschen hervormer was echter toen reeds te spreekwoordelijk gekend, dan dat men eenige toeneiging of verzachting van hem mocht verwachten. Onze verschillige ambachtslieden, hiervan bewust, drongen niet verder aan, doch kozen partij voor de overige burgers, totdat zij, dank aan hunne volharding, den val des dwingelands hadden bewerkt. Zelfs daarna bleven zij hunnen landaard getrouw, zorg dragende, dat geen enkel misbruik zich kwame nestelen waar recht en plicht steeds ongeschonden werden bewaard. Een voorbeeld daarvan vindt men in het feit, dat, wanneer de toestand in 1791 eenigszins opklaarde, de verschillige ambachtslieden tot het magistraat schreven :

« De goede mannen van den ambagte, representerende het derde deser stads dry leden, proelecture gehad hebbende van de requeste dóór de twee eerste Staeten van desen lande aen syne Exellentie gepresenteert in date 5 Mey 1791 ende by brieve van den selven date daer naer aen myne heéren van het Magistraet versonden, ende op gisteren aen de opperdekens van de respective hoófdambagten dóór den stadsbode Wouters behandigt, seggen dat het hun seér aengenaem zoude zyn, dat alle de representatiën, die dóór de twee eerste Staeten aen den Souverynen prince van desen lande ofte aen des selfs gemagtigde gedaen worden ende tot informatie ende directie der agterleden gesondcn worden, aen hun dóór myne heeren vant Magistraet in het toekomende spoediger ende in den Brecden Racdc in de moeder lycke taele wier den medegedeelt.,.. »

-ocr page 88-

— 82 —

Onze ambachtslieden stelden er eene eer en een nationaal recht in, hunne taal door elkeen te doen huldigen en lieten zulks — zooals men komt te zien — zelfs in netelige oogenblikken blijken, (i)

Boven al het gewoel en gedruisch hier beneden, heerschtc echter een enkel werkman hoog in de lucht, als wilde hij, gebruik makende van zijnen verheven stand in de samenleving, spotten met haar wel en wee, zich overgevende aan zijne filosofische plannen en mijmeringen : wij bedoelen den klokluider op Onze-Lieve-Vrouwentoren. Geen feest, of hij was er de toongever van; geen rouwdag, of hij treurde dofbonzend met zijne koperen stemmen mede, geene woeling, geen dag van onrust, of hij klepte storm en moedbetoon met forschen slag en deelnemende volharding. Voor het loon alleen moest hij niet gretig naar deze bediening haken, want hij genoot slechts 100 gulden in het jaar, en moest, ongerekend zijne eigene verantwoordelijkheid, de noodige hulpluiders onderhouden; maar aan dit ambt was vrijdom van dienst in de burgerwacht verbonden en dewijl deze wapendien st veel zorgen vereischte, zooals het bewaken der stadspoorten, was het niet te verwonderen, dat men er zich graag van ontmaakte.

Het opperluiderschap, dat van 1684 tot 1692 door Maria Verdussen en daarna door Peter Blanckaert was bekleed geworden, werd den 13™ December 1707 geschonken aan Frans van Mael, die, zelfs vóór zijne ambtelijke aanstelling, 4 hulpluiders, Christiaan Verstraeten, Jacob Goedaerts, Jan-Baptist Dolislager en N. van Leent in dienst nam, tegen eenen stuiver

(1) Uit uns werk .■ De Antwerpschc Beenhouwers, van de vroegste tij Jen tot heden (Antw., 1894).

-ocr page 89-

- 83 -

daags. Deze vier mannen vonden dit loon te gering. — Dagelijks 340 trappen op- en afgaan, jammerden zij, en dan een half uur gedurende moeten luiden, terwijl men vroeger maar een kwartier uurs werkzaam was, zulks willen wij niet langer volhouden, vermits « datter niet soo redelyck en is als dat den loon conform is aende groote van de moeyte ofte arbeyt waervoor wy den selven loon trecken. » Ons magistraat nam deze klacht ter harte, want op denzelfden dag, dat zij werd ingediend (22 October 1707), beval zij van Mael 100 gulden \'s jaars aan de 4 hulpluiders te betalen, « soo uyt syne gagie als andere proffyten. » (1)

De hoofdluider besteedde dus gansch zijn eigen inkomen aan de betaling zijner ondergeschikten. Zijn opvolger, Jan-Petrus Geeraerts, die op 23 Februari 1723 in bediening trad, genoot insgelijks geen het minste voordeel en bovendien betaalde zijn vader, advocaat Jan-Baptist Geeraerts, 1000 pattacons « voor eene liberale gifte oft aelmoesse » aan de hoofdkerk.

Doordrongen van het gewicht zijner hooge bediening, aanzag de opperluider ze dus als eene waardigheid, welke niet door eenig loon mocht verminderd worden. Zelfs de klokluider Jan Steens, in bijzonderen dienst der stad, genoot gedurende 21 jaar geenen stuiver en betaalde 4 gulden \'s jaars aan de burgerwacht, ondanks zijne klachten en smeekschriften. (2) Maar, zal men zeggen — die man leefde toch niet van Gods lieve zonneschijn alleen! Gewis niet; wanneer het klokzeel zijne zorgen niet vereischte, smeerde hij de klokriemen, droog de

(1) Rckwestboeck 1707-8, fquot; 202, — De overige inlichtingen kom ::i uit het Resolutieboeck der kerkfabriek van 1682 lot 1795.

(2) Rckwestboeck 1739, f° 90.

-ocr page 90-

- 84 -

kerkplakkaten rond of waakte op Witten Donderdag\', in een Romeinsch soldatenpak geharnast, bij het Heilig Graf en won bij deze buitenkansjes genoeg tot onderhoud van hem en de zijnen, (i)

Het is waarlijk jammer, dat geen enkel dezer bedienden zijne indrukken voor het nageslacht bewaarde, want zij die tot heel de stad en haren omtrek spraken, moeten er ook den weergalm van 0P8\'evang\'en hebben. Slechts een hunner, de opper-luider en kerksluiter Jan-Peter van Dyck, stelde de dagelijksche gebeurtenissen te boek, (2) doch verzweeg voorzichtigheidshalve wat ons het meest aanbelangt, namelijk, op welke wijze de oude Vlaamsche klokkendeuntjes door het revolutielied werden vervangen. Wij gaan deze leemte aanvullen.

Op g April 1788, bij kalm en droog weder, stond gansch de bevolking angstig naar den alouden toren te staren, wijl eene nieuwe klokkenrammel van 3.000 pond gewicht, uit ijzer en koper vervaardigd, buitenwaarts werd opgehaald. De aannemer Petrus van Hoof, als een bekwaam uurwerkmaker bekend, zorgde tevens voor een nieuw beiaardspel en verwierf voor dit werk niet weinig lofspraak vanwege zijne stadgenooten. \'t Was juist op het oogenblik dat onze ambachtslieden, welke naar Frankrijk (tc S\'.-Omaars) waren uitgeweken, aldaar geen werk meer kunnende bekomen, verplicht waren naar Antwerpen weder te keeren en zich hier bij de overige patriotten aansloten. (3)

Niet lang, eilaas 1 zou onze bevolking de klingelende deuntjes mogen afluisteren. Eenmaal de

(1) Rekeningen van tic licrlffabrick.

(2) Jiin Peter van Dyck ; Aauteekeningen.

(3) Gazette van Antwerpen, n Apiil en 6 Mei 1788.

-ocr page 91-

— 85 —

Franschen hier binnen, was hun eerste werk den vermaarden tempel te sluiten, er de kunstjuweelen te rooven en daarna de zegezangen der Republiek door den beiaard te doen weêrgalmen.

Onbeschaamd verrichtte de gewezen dansmeester Simon-Pierre Dargcnne deze taak (i). Gezwind stelde hij zich voor zijnen lessenaar en schreef het volgende briefje aan den klokluider :

« Liberie, Egalité, rraternité!

« Lc ci(oyen Gniytters est requis de piquer les airs suivanls sur le carillon de la calhédrale : pour l\'heure, l\'air nommé VHymne des Marseillais; pour Ia demie heure, l\'air ; fa tra, et pour le quart, l\'air : La Carmagnole — et cela dans le plus court délai.

« Anvers, le 27 thermidor an 2.

« S. P. Dargonne,

« oflicier municipal. » (2)

Zonderlinge gelijkheid en broederlijkheid, voorwaar, die zonder veel beslag elkeen tot slaaf maakten en zelfs hen niet spaarden, welke tot geenen arbeid in staat waren : wij bedoelen de oude en gebrekkelijke lieden, toevertrouwd aan de zorgen der openbare liefdadigheid.

En nochtans had het armbestuur, in handen van eenige gegoede burgers, eene merkelijke verbetering ondergaan en nam het veel inniger dan vroeger het lot der misdeelden ter harte. In vorige tijden, wanneer een medelijdend hart het eene of andere verlaten kind van de straat opnam, wilden de aalmoezeniers de onderhoudskosten niet betalen, dan op uitdiukkelijk bevel van het magistraat, hetgeen nog in 1730 in de volgende omstandigheden bleek.Twee burgers hadden

(1) Zie over dezen Dargonne ons werk ; Republikeinen tc Antwerpen (onder pers).

(2) Dossier van den kerktoren (stadsarchief).

li

Aniwerpcu tit de XVI11* eeuw.

-ocr page 92-

een weesjongen opgenomen, onderhielden hem gedurende eenigen tijd, doch riepen tevergeefs de tusschen-komst der armenkamer in, zoodat zij zich schriftelijk tot de stadsregeering wondden : « Verthoont reve-rentelyck Franciscus Schoïers ende Alexander van Stabel, burgers ende ingesetenen deser stadt, \'t is gebeurt dat de verthoondcren op eenen avont hebben gevonden een sekere jonge genaemt Peeter Jackaerti out ontrent de 11 jaren, nyet al te wel by syne sinnen, hebbende maer eeno ooge, synde een borgerskint van dese stadt, voor desen hebbende gewoont int knecht-ienshuys ende door ongeval daer wt geraeckt ofte verleyt over zekeren tydt, T\'is nu soo dat de verthoondcren desen armen jongen wt compassie nu ettelycken tydt hebben den cost gegeven ende de verthoonders nyet mogelyck en is dit te continueeren ofte oock geene obligatie daer toe hebbende als hun in maegh-schap nyet bestaende, ende hebben in allo minnelyck-heyt versocht aen de hesren aelmoesseniers ditto jongen te aenveerden, doch het selve weygerich vallen... » Twee dagen na de inzending van dit vertoog, den i3cn Maart 1730, werden de beheerders van het armbestuur gedwongen bedoelden knaap op te nemen « ende den selven te bestellen in soodanige plaetsc als sy sullen vinden te behooren. » (1)

In latere jaren werden de verschillige gestichten van weldadigheid ernstiger ingericht. Krachtens een keizerlijk plakkaat van 21 December 1765 en een collegiaal besluit van 22 Februari 1766, droegen de « gebreckelyckebehoeftige inboorelingen deser stadt, midtsgaeders de vremde, alhier synde comen wereken ende ten minsten gewoont hebbende ten tyde van

-ocr page 93-

- 87 -

sesse jaeren » een koperen erkenningsteeken, dat hun werd afgenomen zoodra zij het verstoken hielden; en dat er menig toeken van dien aard werd uitgedeeld, blijkt uit het feit, dat van 24 Februari tot 22 Maart 1766 reeds 333 erkende bedelaars er een ontvingen. (1) Gemiddeld mag men rekenen, dat dagelijks dertien behoeftigen van ambtswege tot bedelen werden gemachtigd, hetgeen later zulke uitbreiding nam, dat op 9 Augustus 1779 aan alle bedelaars geboden werd zich tegen den icn September tot eenig handwerk te begeven of de stad te verlaten. Zoowel het ontvangen als uitdeden van aalmoezen was voortaan ten strengste verboden; wie iets wilde geven, kon zich tot hot heringericht armwezen richten en vorder : « Dengenen ofte degene sal bevonden worden contrarie aen het gestatuoerde.eenige aelmoesse gevraegt oft ontvangen te hebben, al ïvcis het ook in den ivintcr ten tyde van ysgeink, sal aenstonts gestraft worden met gevange-nisse te water ende te brood voor den tyd van acht dagen, voor de eerste reyse, ende voor do tweede vastgeset worden op het Provinciael Correctic-huys tot Vilvoorden voor don tyd van dry oft meerdere jaeren, alios sonder forme van proces. » Ook het nieuw-jaarwenschen op Verloren Maandag was afgeschaft Do daaropvolgende vastenavond zou, naar men beweerde, door de lagere volksklas worden benuttigd, om de regeering bespottelijk te maken of te beschimpen, zoodat het magistraat voorzichtigheidshalve gemelden feesttijd van 1780 verbood en daarna, terugkomende op het vorige bevel, duidelijk herinnerde dat de bedelarij zelfs verboden bleef « op pretext van

(1) Register « Raeckende de Redelaers ■gt;, Stadsarchief, zaal der gerechtszaken.

-ocr page 94-

— 88 —

Palmen-Zondag, Witten-Dondcrdag\', Goeden-Vrydag, stacn op den kruys-weg of andersints..., wordende dacr-en-boven het publiek geadvertcert dat een ieder van gewyden Palm zig zal konnen voorzien in zyne respective parochie. » (i)

Daaruit ziet men, dat het arme volk elke godsdienstige gelegenheid te baat nam tot het vragen van aalmoezen, ongerekend de gewone bedelarij in de huizen en kloosters. Dit alles hield nu op : het eerste misnoegen, dat zich op gezegden vastenavond had lucht gegeven door het werpen van eenige steenen naar den burgemeester en sommige schepenen, was voorbij en vanlieverlede gewende men zich aan den nieuwen staat van zaken.

Ten einde de behoeftige lieden naar eisch te kunnen verzorgen, was de stad verdeeld in 32 kwartieren en verrichtten drie klassen van armbestuurders, * commissarissen queteurs, commissarissen der visiten en commissarissen distributeurs, » kosteloos hunnen zoo zwaren als ondankbaren dienst. In de eerste plaats zorgden de aalmoezeniers voor het verschaffen van « doctors, chirurgyns en medecynen, als de kisten, breuk-banden, hairtrekken, besteden der kinderen etc.; » ten tweede, do inzamelaars of « queteurs » gingen alle jaren, in de Goede Week, van huis tot huis bij de burgerij eene aalmoes voor den arme bedelen en stortten de opbrengst in de armenbus; eindelijk, dc bezoekers en uitdeelers, zooals hunne benaming genoegzaam te kennen geeft, bezochten elk behoeftig gezin en deelden er de bestemde gift gewetensvol uit. (2)

(1) Stadsplakkaten van 20 en 30 Augustus 1779 en 16 Maart 1780.

(2) Instructié\'n voor de nieuwe bestiering van den algemcynen armen binnen de stad Antwerpen. By Grangequot;, /779. — Naerdere observatien, 1780.

-ocr page 95-

- Sg -

Ongeveer tien jaar lang bleef deze nieuwe instelling behouden, totdat er eindelijk, in Juli 1789, ten gevolge der droeve tijdsomstandigheden, geen stuiver meer overschoot; reeds had de stadskas een hulpgeld van 5.000 gulden verleend, maar tegenover het gebrek aan werk, de bovenmatige duurte van levensmiddelen en de heerschende beroerte, vermocht de openbare liefdadigheid bepaald niets, ondanks het gesmeek tot de rijken gericht door den schatbewaarder der armenbus, Joz.-F.-E. Werbrouck; « Ik zal met vast betrouwen uwe gunsten afwagten en ook geensints naerlaeten van de arme menschen, die van de zelve deelachtig gemaekt zullen worden, de pligten, die hun de dank-baerheyd en erkentenis ten uwen opzigte oplegt, te doen voorhouden, en met hunne gebeden zal ik insge-lyks myne kranke smeekingen vervoegen en voor uw welvaeren het Lam zonder vlek aen den Hemelschen Vader opdraegen... » (1)

Do opvolgende gebeurtenissen deden wel is waar alle vrijgevigheid krimpen, zoowel vanwege de stad als vanwege de bevolking; doch buiten de erfgiften van liefdadige aflijvigen, schoot er voor den alge-meenen arme toch nog eene som van 197.067 gulden 8 stuivers over, wanneer onze Fransche meesters in 1797 hun algemeen verslag opmaakten. (2)

Zonderling mag het heeten, dat de voornaamste opbrengst der armenkas werd bezorgd door de tooneel-vertooningen, waarover wel een woord van nadere toelichting dient gezegd.

(1) Brief van het magistraat aan den Keizer, 6 October 1789 (losse Stukken in de Zakjeszaal). — /.end-brief van den tresorier van den algemeynen armen aen de mildadige inwoomiers van Antwerpen. By Grange, 21 November ijSg.

(2) Brief Dargonne van 11 December 179;.

-ocr page 96-

go —

Het Nedcrlandsch toonccl, dat in 1753, ondanks herhaalde pogingen vanwege de rederijkkiimer « De Olijftak, » ganseh uitgestorven was, had zijnen voorrang afgestaan aan den Franschen schouwburg. Deze was ten jare 1711 in het Tapissierspand gevestigd geworden, op de plaats waar thans de groote schouwburg sedert 1834 verrijst, werd in 1746 grootendeels door brand verwoest en eerst in 1756 herbouwd met de geldelijke ondersteuning van den gewezen knechtjes-jongen Minnebroeder en de opbrengst eener loterij (44.831 gulden 16 1/2 stuivers). Het Fransch tooneel, beheerd door de aalmoezeniers, verpachtte zijne beste plaatsen aan de meestbiedenden, die tezelfder tijd de kosten van geschiklmaking moesten dragen; want in 1775, wanneer er vier nieuwe logiën op den derden rang waren bijgemaakt, betaalde elke logic 114 gulden 3 1/2 stuivers, dus samen 456 gulden 14 stuivers, juist de prijs, dien men aan deze verbetering had besteed.

Een welingericht orkest (1), dat om 5 1/2 uren ter plaatse moest zijn en het overige van den dag met handwerk den kost won, zorgde tevens voor de ver-vroolijking der danspartijen, alwaar gansch de hooge stand der bevolking zich liet vinden, zelfs ten tijde van de veertigdaagsche vasten, ondanks de pogingen van bisdom en magistraat, strekkende om deze dagen in stille godsvrucht te doen doorbrengen.

Meestal vertoonden Hollandsche, Italiaansche of Fransche tooneeltroepen de zangspelen van Grétry, Lulli, Rameau, of de gewrochten van Molière, Racine

(1) De muzikanten in 1782 waren : Dargonnc, J. de Gruytter, Kennis, Guislain, Rodein, J. Janssens minor, J.-B. van HoofT, C. Lemire minor, J.-G. de Leeuw, Hendr.-Joz. Tobi, J.-S. Gille, van de Velde, C. A. Lemire, II. Stienon, l\'até, A. Slienon, Petr. Beider, P. van Eeckhoudl.

-ocr page 97-

-gi-

en anderen; doch op 29 November 1771 en van den i2en tot den 30cn October 1777 werden er ook Nederland-sche opera\'s opgevoerd, waarvan de bijval geenszins twijfelachtig kon zijn (1).

Immers, de kunstsmaak onzer burgerij was ongeschonden bewaard gebleven, en kon zich den iequot; Augustus 1789 openlijklucht geven. Dien dag had de allereerste tentoonstelling van kunstwerken plaats, bestaande uit 69 schilderijen en teekeningen, 17 beeldhouwwerken en 2 gravuren (2). De vier volgende jaren zagen deze nieuwigheid volhouden en ongetwijfeld hadden zij in aantal en voorspoed toegenomen, zoo niet de republikeinen alle kunstleven hadden versmacht; want ofschoon de schilders sedert 1773 van de overige leden der St.-Lucasgilde gescheiden waren, nam hun ijver dagelijks toe en mochten onze voorouders zich in cene veelbelovende toekomst verheugen.

Nog elders wist onze burgerij zich te vermaken, meer zelfs dan de matigheid haar voorschreef.

Op de jaarmarkten vond zij genoegen in het deelnemen aan de verloting van een paard, een meubel of iets dergelijks, totdat zulke waagspelen den 9cn Januari 17S6 werden verboden, op boete van driehonderd gulden, ofschoon de Genueesche loterij, opgericht in 1760, en die van 7 December 1777, ingericht door den Staatsraad van Frankrijk, behouden en gesteund bleven (3). Maar buiten de talrijke heiligdagen, voornamelijk Kerstmis en H.-Driekoningendag, waarvan er in de tweede helft der i8lle eeuw door

-ocr page 98-

Paus Bencdiclus XVII werden afgeschaft, genoot geen feest zooveel bijval als de kermisomgang. Vóór 1725 vergezelde deze aloude optocht de processie van half-Augustus, doch beide gedeelten werden in gemeld jaar door don toenmaligen bisschop gescheiden, hetgeen een meer betamelijk uitzicht aan beide gaf.

Op ig Augustus 1765 kregen onze stadgenooten nogmaals iets nieuws te aanschouwen : beeldhouwer Herreyns had eene Maagd van Antwerpen gebeiteld, die door hare buitengewone afmetingen weldra den naam van « Reuzin » ontving, en, vergezeld door vier en twintig reuzige zinnebeelden te paard, heel de stad op de been bracht en van heinde en verre bewonderaars lokte. De bijval was zoo groot, dat eenige liefhebbers ondertusschen een Reuzengezel-schap vormden en het volgende jaar, den i8en Augustus 1766, met gansch het godendom van Homerus, Vir-gilius en Ovidius te voorschijn kwamen. Verschillige ambachten hadden nieuwe wagens bezorgd en de oude doen herstellen; de beenhouwers, onder andere, gaven eenen wagen voorstellende de Schaking van Europa, dochter van koning Agenor, door Jupiter onder de gedaante van eenen stier, en de smeden, vereenigd met de timmerlieden, schonken eenen Olympusberg met den godenraad, Vulcanus met zijne cyclopen, smedende de gulden banden der huizen van Oostenrijk en Bourbon.

Eene wezenlijke ziekte was het kwistig gebruik van opschriften en lofdichten, die zoowel in het Latijn als in het Nederlandsch bij elke gelegenheid in overvloed te lezen hingen, ontsproten aan het vindingrijke brein van schoolmeester of gelegenheidsdichter. Bij de inhaling van den zeventienden bisschop, Jacob Thomas-Jozef Wellens, als opvolger van Hendrik

-ocr page 99-

— 93 —

van Gameren, verkondigden de jaarschriften in den omtrek der hoofdkerk, ofwel vleiend :

MensChLIeVentiieYt Croont U WeerDIgheYï,

ofwel echt kruideniersachtig ;

IDer WInkeLIer WensCht thoMas Lang pLaYsIer.

Elders luidde het, alsof de feesteling zelf tot zijne geloovigen sprak :

ZoeCkt aLtoos, gebUeren, Vré,

Daer VerheUgt g\'U bIssChop Mé.

Dan weer scheen het, alsof de dooden zich bij het algemeen gejubel wilden voegen ;

\'t kerCk-hof VerheUgt Doet Mé, WensCht Joseph Langen Vré.

Ofwel men prees de Oostenrijksche regeering en roemde op den naam van den Antwerpschen feesteling :

kLoeic hIer, gebUeren, gLorIeért, \'t WILt aLLes, Dat gY trIUMpheért. WeLLens g\'heeL rYk Van DeUgDen Is bIssChop Dóór oostenrYk.

Was hY nIet bIssChop nog sIgnoór, Men Dé \'er zoo-Véél Cost nIet Vóór.

Een inwoner der Koornmarkt, die in de hoogere politiek bleek thuis te zijn, schreef zelfs den volgenden heilwensch boven zijne deur :

Antwerpen in de XVIII* eeuw.

-ocr page 100-

- 94 —

Men DIsCoUreért oVeraL Van WeLLens.

DIen WeLLens Is WaerLYk De geLeertheYD zeLk. WeLLens zaL DIe VoLtaIrIstJens botMUYLen. Ik Wens D\'heer WeLLens VeeL geLUkX,

MIts hY nU Is Waeren bIskop Van Ant Werpen.

Deze feesten, den g011 September 1776 begonnen, eindigden den 30rn derzelfde maand op eene droevige wijze. Op de Meir, ter hoogte van het Hollandsch koffiehuis, had de schieting naar eenen vuurvogel plaats, waarvoor, als prijs, een zilveren koffiepot van 56 oneen was uitgeloofd en door den burger Kannekens-Lejeune werd gewonnen. Doch toen do vuurvogel uit de hoogte nedertuimelde, kwam hij terecht in eene mand met vuurpijlen geladen; deze ontbrandden allen tegelijk en talrijke lieden werden jammerlijk verbrand of in het gedrang verpletterd. Burgemeester de Wael verbood aan « Ilansken », zooals men de « Gazette van Antwerpen » noemde, een woord van deze ramp te melden, en de dagbladschrijver gehoorzaamde stipt, want hij meldde niet het minste van het voorgevallen ongeluk (1).

Als eene uitzondering mogen wij aanstippen, dat de Antwerpenaars voor de eerste maal eenen luchtbal zagen opstijgen op Donderdag, 22on Februari 1787, in den hof van het vernield klooster der 3dc orde, vervaardigd door den Wurtemberger Karei Euslen, naar het stelsel van den Franschman Montgolfier. Men weet alleen, dat deze luchtbal,

(1) Verzaemclinge der he zonde rs te chronica, imcriptien, zinnebeelden, veerssen en andere, tot Antwerpen gezien den g van September en de volgende dagen van *1 jaer 1776, ter gelegenheid van den plegtigen intrede van Jacobus Thomas Josephus Wellens, bladz. 11 en 25. — HandschriU-de Coninck (bibliotheek van den heer Frans van Boghoul).

-ocr page 101-

— 95 —

gevuld met brandbare lucht, twee mijlen buitert Antwerpen, te Melsene, nederviol en hier weinig belangstelling gaande maakte. Reeds vroeger, in 1785, had zekere Blanchard, « citoyen de Calais », hier zijne zestiende luchtreis willen ondernemen en opende met dit doel eene openbare inschrijving, tegen zes « livres de France par billet »; zijne onderneming had geenen bijval, maar te Brussel, den iocn Mei 1786, deed hij toch zijne achttiende luchtreis, zestien dagen vóór het verschijnen der keizerlijke plakkaat, waarbij dergelijke tochtjes op boete van 500 gulden werden verboden. Dat zulk verbod niet van allo reden ontbloot was, blijkt uit het feit, dat eeno luchtvaart den 19°quot; September 1786 een schromelijk ongeluk te Newcastle veroorzaakte. De vitriool, welke tot het vullen van eenen luchtbal werd gestookt, vatte vuur en verbrandde de gespannen staande koorden, waarvan er eene, bij het losrukken, rond den arm van eenen jongeling slingerde. De luchtbal sleepte den jongen naar omhoog, barstte in het luchtruim en viel met hare menschenvracht vernielend ten gronde, hetgeen de Gazette deed zeggen : « De lochtvaert-kundige proefnemingen, die men al langen tyd heeft gevolgd met een zoort van woede en die men begind moede te worden, zullen zekerlyk welhaest overal ophouden. » (1)

De lezer wachte zich wel, deze regelen aan overdreven schrik of bijgeloof toe te schrijven; want welke benaming zal hij dan geven aan het gedrag der Fransche boeren, die, in Juni 1783, eenen luchtbal zagen vallen te Goncffe, vier mijlen van Parijs, en, meenende dat het een betooverd monster was.

(1) Gazette van Antwerpen, 20 Fcbnuui 178;, 26 Juli 1785, 16 Juni en 13 October 1786.

-ocr page 102-

~ q6 —

het gevaarte met messen doorstaken en aan den staart van een hollend paard door het dorp sleepten ?

Het genoegen onzer inwoners was elders gevestigd : des zomers wandelden de gegoede burgers liever boven de stadsvesten, stapten over de bruggen in de richting van St.-Laurijskvvartier en Berchem, en gingen uitrusten in den prachtigen lusthof nevens St.-Joris-poort, welke daar sedert 1750 was aangelegd en eerst over eene halve eeuw verdween. Wat de eigenlijke volksklas betreft, deze zocht een woester en doller genot.

Op een kwartier uurs benoorden Antwerpen, schrijlings over de groote baan naar Holland, lag het kleine gehucht Dambrugge, aldus genaamd naar eene brug over het daar voorbij vlietende Schijn, en van eenen dam of dijk, dat riviertje bezoomende, waarom het ook heden kortheidshalve « den Dam » geheeten wordt. Dit gehucht telde tenauwernood een honderdtal huizen en schijnt zijne opkomst verschuldigd te wezen aan de Sint-Jobskapelle, welke bijna nevens gemelde brug gebouwd stond en ten gebruike der Leprozen diende, welke aldaar afgezonderd bleven. Het geheele jaar was dit gehucht, in tegenstelling der andere Antwerpsche voorsteden, eene eenzame en verlatene plaats. Op de Zondagen, uitgenomen wanneer het eene of andere polderdorp kermis vierde, zag men daar zoo weinig wandelaars als op de Zaterdagen, en toch bestond schier de helft der huizen uit kroegen en herbergen, doch die op zeker tijdstip des jaars ruimschoots de schade wisten in te halen, die de stilstand of kwijning hunner nering hun noodzakelijk veroorzaakte.

Dit voor Dambrugge zoo heilrijk tijdstip was de begankenisse ter eere van St. Job, welke, terwijl geene

-ocr page 103-

— 97 —

andere parochiekermis opdaagde, den iocquot; Mei begon en tien volle dagen duurde, met al de uitgelatenheid eener kermis, want het bezoek in St.-Jobskapel was voor velen een bloot voorwendsel om goeden sier te maken. Ook was de toeloop derwaarts, als mooi weder medehielp, waarlijk onbeschrijflijk; van \'s morgens tot \'s avonds trok het volk er met ganscbe scharen heen; de moeders leidden er hunne kinderen naartoe, om Jan-Klaas te zien spelen, motti-gen Door te hooren neuriën of hen in den mailen-molen te laten rijden en aan de menigvuldige kramen speelgoed of lekkernij voor de kleinen te koopen. Vooral het vrouwvolk, dat gedurende al dien tijd te Antwerpen de broek spande, was dan in de weer, om zich te verlustigen. Dit van de Luizen-markt en uit den Krauwelengang begaf zich al dansende en zingende op weg; en de juffers van de Vischmarkt kwamen in koetsen aangereden. Geheel Dambrugge geraakte zoo opgepropt; alle de herbergen waren tot buiten toe vol; overal ronkten bas en viool en de huisjes daverden van \'t helsch gedrommel der dansers, terwijl de waarden en bedienden niets anders deden dan de keldertrappen op- en neêrloopen, om potten en kannen zoo ras te vullen als ze geledigd werden. Ook de voorsnijder stond niet werkeloos, want het verbruik van waterzoden of vleeschbeetjes op die dagen was verbazend groot; in éen woord, het ging er, zooals pater Poirters zegt, gelijk wanneer men

« Den verloren Maendagh viert,

Daer een vaentjen hangt en swiert,

Daer men heele potten drinckt,

Daer men in \'t prieeltjen Idinckt,

Daer men met den bierbas vryt,

Daer men schryft met dobbel kryt,

Daer de vensters staen vol groen,

Daer den weert heeft veel te doen,

-ocr page 104-

- 98 -

Daer de maert loopt op en neêr,

Daer de vrouw tapt even seer,

Daer de dochter sit en vleyt,

Daer men maer by nachten schcyt. »

Sint-Jobsbegankcnis was dus voor Dambrugge — cn is gedeeltelijk nog — eene echte kermis. Wanneer de gasten zich op deze genoegzaam hadden verlustigd, stroomde het meestendeel vóór den avond langs de binnenwegen naar Borgerhout, alwaar men zich nogmaals in \'t zweet danste en de laatste duiten verteerde, met het loffelijk oogmerk zonder eenen enkelen stuiver op zak en dikwerf met bijstcre zinnen thuis te komen. Des anderdaags werd de kermisplunje door velen naar den Berg gedragen en een paar weken lang hoorde men steen en been klagen over den slechten tijd! (i)

Hiermede niet tevreden, hielden onze voorzaten luidruchtig feest, wanneer de reuskens van Borgerhout den stedeling naar deze buitengemeente lokten of wanneer de speelman uit het omliggende de snaren zijner vedel schier stuk kraste. Meer nog : een jaar op voorhand bestelde men koetsen en diligenties, om naar Lier en Mechelen te spelerijden (2) en de koetsiers zouden elkanders voertuig omverre gereden hebben, liever dan voor elkander uit de baan te wijken. Dat bij dergelijke uitstapjes niet altoos alles regelmatig toeging, is eene uitgemaakte zaak; men

(1) K.-L. ïorks : S\'.-Jobsbegaakenis te Antwerpen, Kunst en Letterblad, jaargang 1842, bl. 39.

(2) Zulks getuigden in 1785 de knechten en koetsverhuurders : Michael Rubbens, geboortig uit Reinbergh (Keulen), zadelmakersgast, in dienst van de W» Jan Wuyts; Martinus Rom (72 jaar, geboren te Wilrijk); vrouw Seis; Cornelis vande Wyngaert; Willem van Geulen; Daniël Hayoit; Jacob van HoofT; Jan van Sichelen; Phil. Rooses; Petrus Dussaert; Hendrik Dussaert (losse stukken in de Zakjeszaal). — Zie ook ; Plakkaten van den Hove, vol. 18, f0 185.

-ocr page 105-

vindt zulks bevestigd door de toenmalige dichters, die men op dit stuk gelooven mag wanneer zij schrijven :

« Ik zag er onlangs twee gaen langs de groene wyden En naer een lang gespreek ontrent een herberg byden, Men seyd \'t is tyds genoeg, laet ons hier binnen gaen, Wat willen \\vy alhier zoo sober blyven staen ?

Den eenen was een kwant die hield van wel te teeren, Den and\'ren ligt van stof en was gewoon te smeeren;

Maer zoo den vader eens die curen had gezien,

En zag men noyt van hun dit in de stad geschicn ! De beurzen waeren kael en niet gelyk sy plagten,

Men hadd\' van hun verteir gedaen verschyde klagten,

En daerom waeren s\'hier gekomen op den brom,

Maer, zoo het eficn bleek, niet al te willekom :

Want als den baes verzocht dat inand zoud\' betalen Daer stond men af verstelt, waer zal men duyten halen? Den zack was zonder geld, daer stond men byd\' en keek,

Gelyk het naderhand lot hunne schande bleek;

Maer, viind, zyt niet bedugt, ons vader zal \'t betalen,

Gy kont het morgen vroeg, die ure, komen halen,

Wy woonen in die straet : Zoo raeckten zy van daer,

Gelukkig waren zy ontkomen het gevaer :

Dan zoo den baes zig spoed om naer syn geld te vragen,

Geen mensch daer van en wist; hier hielp geen sugt of klagen. Want nimand daer ontrent of in de g\'heóle stad Of zoo een straet en wist of zulke namen had. » (i)

En zoo talrijk waren de vergaderplaatsen van slenteraars en kwaadsprekers, dat de dichter zich niet kon weêrhouden te prediken :

« De plaelzon lt;lie men kiest om synen tyd te quisten,

Die i\'ieter. Jan of Klaes daer naer tot smert yemisten,

Kn kan ik met den naem niet brengen al te-berd,

\'t Getal nog hedendaegs alom vermeerdert werd;

De slimste dog van all\' dat zyn die dertel luiyzen,

Daer Momus ieders faem komt schandig uyt te pluyzen,

CalTeén ot in stad, of buyten by do poort.

Of elders, waer liet zy, word menig kwaed gehoort ;

(i) J.-A.-K. Pauwels, Nauwkeurige tydts-rekeninge ofte onderzoek van Jupiter, dc Iwnelf maenJen ondervragende, hoe de menschen den tyd in elck van deze hedendaegs besteden • • . , 1772, bladz. 28

en 75.

-ocr page 106-

— IOO —

Van smorgcus, zonder agt-te-nemen op dc uren,

Gael m\'heden nae die plaets van zoo veel\' sotte kuren, Men hoort \'er wat vernielt een slegte klappertand,

Die alles houd voor waer dat hem maer komt ter hand : Van zoo of zoo een man, en hoe hy is gevaren Die gefrn iet lekkers at, of niet en hield van sparen.

Van die of deze vrouw, die op haer eygen hand Vertrokken was met spoed nae eenig ander land;

Van zoo een slegten vent, die liver gaet te kerken.

Die liever houd van huys en neerstig deur te werken.

Als van een volle can; van zoo of zulk een maegt.

Die allen haeren roem op haeren maegdom draegt :

En wat al moer gezeyt? met lagchen en bragéren Moet ider, goed of kwaed, een laten van zyn véren;

Noyt is een babbelaer van agterklap verzaed,

Hy weet het altemael hoe dat de wereld gaet ;

De plaetzcn, daer men gaet om pinten uyt te blazen,

Zyn ook van ditto soort : daer hoort men hevig razen Van zaken van fortuen, van wetten van het land,

Maer dikwils sonder grond en met een misverstand, (t) »

Zoo gaat het vandaag meestal ook, en wie dit verwijt niet wil verdienen, blijft thuis of vermaakt zich op deftige wijze, gelijk onze voorzaten deden. Die brave oudjes! Zij hadden niet, zooals wij thans, eene reeks prachtgebouwen, waar zij naar hartelust konden genieten en bewonderen, doch moesten zich vergenoegen met de aardigheden van den eenen of anderen Franschen kluchtspeler of wondervertooner, die, mits betaling van een paar schellingen, in dc Guldenpoort (op de Veemarkt) of in het Kolveniers-hof (Kolvenierstraat) een natuurwonder of iets van eigen vinding vertoonde.

Kom, laten wij de tooneelzaal binnentreden : het is Zondag, elkeen is opgeroepen, om den vermaarden Deruelle, « konstenaer van Parys », te komen zien. Hij brengt eigenlijk niets anders ten tooneele

(i) J.-A.-F. Pauwels, Nauwkeurige tydts-rcheningc ofte onderzoek van Jupiter, de twaelf maenden ondervragende, hoe de menschen den tyd in elck van deze hedendaegs besteden.,., 1772, bladz. 28 en 75.

-ocr page 107-

- IOI

dan « eenen reusen-os van beyde gcslagten ofte hermaphrodiet, van 6 voeten en 2 duymen hoog, op 6 voeten en 6 duymen lengte en 11 dikte, wegende 3840 pond. » Indien gij voldaan zijt, betaalt gij volgens welbehagen en wandelt dan eenige schreden verder, naar den vriend Bonthoux de Lorget, « natuer- en werktuyg-kundigen, gepensioneerd van S. M. Lodewyk XVI. » Deze zal u ter bewondering voorbrengen : « Den berg die vertoond den berg Visuvius van Napels, met alle syne volkans en uytwerpingen, welken berg zal voordsbrengen alle verscheyde bloemen, de welke zullen wassen en vergaen na beliefte »; daarbij krijgt gij nog te zien : « den herder en de herderinne, werktuygbeelden die zullen spelen op de fluyt 42 airen volgens beliefte, zonder dat hy dezelve aenraekt. » (1) Maar dit alles was niets, in vergelijking met het-gene gedurende eenige dagen in de stad werd vertoond en al de burgers te been bracht. Hoor, \'t is nogmaals Ilansken, die de groote trom roert :

« Met permissie,

« Word bekent gemaekt, als dat in deze stad is gearriveert eenen man met zeer schoone mechanique stukken, en heclt\'er verkogt aen den koning van Engeland en aen de keyzerin van Rusland groote modellen en heeft den koning van Vrankryk een plan gezonden zooals aen andere hoven ; hy en zynen compagnion zullen zig hier niet lang ophouden, deswegens verzoekt hy het publiek van hem de eer aen te doen om syne stukken te komen zien, te weten : een chees met 2 peerden en 3 persoonen daer in; eenen leeuw; een jouffrouw; een aep op eenen boom ; een schilpad; karkollen ; visschen ; spinnen ; een figuur die danst; 2 menschen die antwoorden ja en neen; een zeeuwmonster, die het voorste deel heeft gelyk een hond en den steert gelyk eenen viseh; een spinrat en difTerente portraiten van de eerste monarchen van Europa en veele andere rareteyten.

« Men kan deze stukken alle uren van den dag zien met andere

»3

(1) Gazette van Antwerpen, 18 Juni 1784 et I Januari i;88.

Antwerpen m deXVlll*eeuw.

-ocr page 108-

schoone rariteyleu tol s\'avonds ten 9 uren in het Golven iershof, alwacr hy gelogeeit is.

lt;i Dc persoonen van distinctie betaelen na hun beliefte, en kennen het t\'hur.nen huyze laetcn komen; en de andere persoonen betaelen voor do r plaets 7 stuyvers, voor de 211» dry en halve, en voor de 3\'1 plaets 2 stuyvers. » (1)

Dan, bleef het altoos bij schuldelooze vermaken, zoo kon er niemand eene ernstige opmerking tegen inbrengen: maar het is eene uitgemaakte zaak, dat het eigenlijke volk zich niet kan vermaken zonder ten langen laatste tot overdaad en misbruik over te gaan, hoe ellendig de algemeene en bijzondere toestand ook weze.

Treed gindsche armzalige woning binnen, gij, wandelaar; het eerste schouwspel, dat u daar treft, is de zindelijkheid van potten en pinten, scherp afstekende tegen de verhakkelde plunje van eenige drinkebroedors, rond eene zwaar eiken tafel gezeten. De kerf aan den muur, de aanwezigheid van talrijke stoopen en flesschen van alle kleur en vorm, de dikbuikige hospes met de sleuteltros aan zijne zijde, de rookwalm en muffige drankgeur — dit alles zegt u onmiddellijk in welk midden gij zijt aangeland : gij bevindt u in eene 18\'le-eeu\\vsche herberg, die, zij moge Den Prins van Oranje, De dry Stoopen of Den Blaasbalg heeten, moeielijk met dc restaurants en cafe\'s van vandaag kan wedijveren.

Spaar u echter de moeite, zelf eenen stoel te nemen; de gedienstige tapper komt zeer beleefd bijgetrippeld, maakt eene diepe buiging, neemt zijne muts van zijn hoofd, en dan : — Wat zal den heer believen? vraagt hij op eenen toon, dien hij zoo zachtluidend mogelijk poogt te doen klinken. Gij

1

Gazette van Antwerpen, 19 September 1783.

-ocr page 109-

— 103 —

kunt kiezen tusschen den « dollen knol » of eeuwenoud garstenbier, het Luiksch bier van den brouwer Gillis Grosjean, den roof- en perswijn, de verschillige Fransche en Spaansohe wijnen en den jenever; vrees niet, gepeperd water in plaats van brandewijn te drinken te krijgen : in gewone tijden is hij gestookt uit zuiver koorn, en in schaarsche oogenblikken wordt hij vervaardigd uit « fynen annyssaet, carvel-saet, jenneverbesiön, dryesaet, cruynagelen, canneel, schellen van cranie ende granaetappelen, floresmelisse, angelira ende andere diergelyeke droogeryen ende speceryen ». Wees evenmin beducht voor de goede hoedanigheid van de wijnsoorten, want van de witte wijnen van lours, Anjoue, Bayonne en elders, « wanneer de selve wegens de coopluyden van wyn geclaert ofte vervverekt worden, » maakt men drie soorten, « waervan den perswyn de minste ende de sleghste soorte ofte classe is, welcke soorte van wyn alsoo genoemt wort perswyn, om te beteeckenen het liquied hetwelck voortscomt by middel van uytperssinghe van den mourgrond ofte vuyligheydt, die naer de suyveringe der gemelde wynen in sacken wort gedaen om geperst te worden. » Wenscht gij echter eene vijfmaal duurdere wijnsoort te proeven, bestel dan gerust een glas « roof- ofte droefwyn, » die zes tot zeven pond grooten per vat kost en alleen aan gegoede burgerij wordt voorgezet, (i)

AV anneer dichter Moyson zong : « Onze ouderen

(i) Verklaring in 1793 wijnkooplieden Jan Bern. Leop. Muschen, Simon Le Bot, Jan-Emm. van Hencxthoven, Marten vander Velden, L. de 1 -incé, Jan-Peter van Hencxthoven, Joz. Verbiest, J.-B. van 1 ryst, Adr. Loodts, Jfin-Willem de Gand, Frans Groloy, Pauwel-Jan Snyders (losse stukken in de zakjeszaal, ter stadsarchieven). — Rekwest-boek 1731, {o 56. — Rekwestboek 1709-10, f\' 5gvo.

-ocr page 110-

— io4 —

aten veel, » hadde hij er gerust mogen bijvoegen : zij dronken niet minder, want bij de dichters der i8c eeuw leert men het ware gedrag der drinke-broeders kennen. « Dat Noë van den wyn verrast is geweest » — zoo laat dichter Pauvvels zich uit — « moet men zig niet verwonderen, hy hadde den eersten wynstok geplant, en hem was onbekent de kragt van des zelfs vrugten; maer dat men heden zoo onbedagt, zoo grof drinkt, dat is geenzins te verschoonen, gemerkt men dóór d\'ondervindinge maer altewél geleert wordt, wat al ongemakken den drank, zonder maet genomen, veroorzaekt; veéle gaen hier te werk als eenen Holofernes, sy drinken sonder agterdenken, sy houden goede dagen, maken goeden cier, maer gelyk dezen het heeft betaelt met den hals, zoo ondervinden groote slempers, \'tzy op d\'eene of d\'andere maniere, dat de brooddronkenschap oorzaek is van hunnen ondergang ; Godt geéve dat sy met den ryken vrek in den solferagti-gen poel der helle vóór eeuwig niet en moeten dorsten, (i) »

Geburen en magistraat wisten beter dan wie ook op welke wraakroepende wijze de ambachtsman soms zijn geld verbraste tot diep in den nacht, ondanks de bestaande wetten op het vroegtijdig sluiten der herbergen; onder het spelen van « eenen trocadil, » deden de drinkers eenen verschen turf op \'t vuur leggen, de hospes sloot voorzichtigheidshalve de ontredderde luiken van zijn eenig vensterraam en weder had de dichter stof voorhanden tot het stemmen van zijn klaaglied :

(i) J.-A.-F. Pauwels, Rechlveerdig Klagt-dichl ofte generaelc redevoerht^c van verschyde stoeten, conditiën en persoonen,,., I7quot;8gt; bladz. 5.

-ocr page 111-

— io5 —

* Dit zien ik by dc keers, wanneer den avond-tyd Al dikwils word verkwist in malle ledigheyd,

Dat zien ik nogal meer daer wei-bekende vrinden Bij avond en by nacht hun alle laten vinden,

Cadril en Lanterlu, Picketten, Smaausen jas Die komen by dat volk op dezen tyd te pas.

En hoe het gaet of niet, het stuk is noyt voibragt.

Men blyft bx aen het spel zelfs tot den middernagt. » (i)

Overigens, het magistraat handelde zeer streng opzichtens degenen, welke zich aan dronkenschap overgaven. Het wist, dat de dronkaards nooit uit eigene beweging hun misbruik zouden bekend hebben, want het heette slechts : « ick ben halff vet », bij wie te diep in \'t glas had gekeken, dies luisterde het stadsbestuur liever naar de klachten der belanghebbenden en paste gevoelige straffen toe op nachtbrakers en vrouwenplagers. Zoo had de echtgenoote van den hovenier Frans de Beys, buiten de Roodepoort, geklaagd, dat haar man hun beider verderf bewerkte door zijn onophoudend kaartspelen en geneverdrinken. In eene enkele herberg stond hij voor 500 gulden in \'t krijt, zonder te rekenen wat hij in gereed geld betaalde; wanneer hij des morgens zijn huis verliet, dreigde hij zijne wederhelft haar een gelag van tien of twaalf gulden « aen te zetten » eer het avond was. Zulk gedrag verwekte al te veel opspraak, dan dat er geene afdoende maatregelen zouden genomen worden om het in de toekomst te voorkomen : den 24°quot; September 1761 werd de man stadskind verklaard; als voogden werden zijne twee schoonzonen aangewezen, en op de pui van het

(1) J.-A.-F, Pauwels, Nauwkeurige tydts-rekeninge ofte onderzoek van Jupilcr, dc twaelf maenden ondervragende, hoe de mcnschcn den tyd in elck van dese hedendaegs besteden..., 1772, bladz. Io6,

-ocr page 112-

— io6 —

stadhuis werd hij afgeroepen « als prodiguc, met verboth dat niemant voortaen met hem coopman-schappen coope noch en vercoope noch hem hooger en borge als ses grooten Brabants. » Tot meerder schande werd eene plakkaat van denzelfden inhoud op de muren der Sint-Willebrordskerk — zijnen parochietempel — aangeplakt, (i)

Soms ook ging cïeze gestrengheid op de houders van drankhuizen over, en wel in zulker voege als de godsdienstzin der bevolking medebracht. Bij ordonnantie van i Augustus 1684 was er voorschreven, dat op Zon- en feestdagen, gedurende de hoogmis, geen drank mocht geschonken worden in koffiehuizen noch herbergen. Dit bevel had Olivier Laboreur, herbergier in \'t Waaigat, overtreden, want op Zondpg, 30™ Mei 1745, stapten de officieren van de kolve in zijn huis, terwijl de hoogmis der nabijzijnde hoofdkerk aan gang was en bevonden dat onder andere de meester-kleormaker uit de Reyndersstraat, de koperslager van de Steenhouwersvest, de manke schoolmeester van de Lombardevest en nog vier onbekenden rooden brandewijn zaten te drinken met den roomer in de hand en de maat op tafel, « welcke handel », zegden de officieren, « schandaleus endo absolut strydigh is soo tegens Haere Majesteyts placcaerten als tegens dese stads ordonnanciën. » Natuurlijk had de herbergier ook zijne getuigen, die kwamen verklaren dat zij op gemelden dag baas Laboreur geenszins in gebreke hadden bevonden; hijzelf beweerde dat de ordonnantie van honderd jaar te voren reeds lang vervallen was en dat de personen, welke bij hem op gezegden Zondag te

(1) Rekwestboeky 1761-62, f* ii2vo.

-ocr page 113-

— io7 —

zijnent waren, geenen brandewijn hadden te drinken gekregen. Overigens, zegde hij, mag ik niet dienen tot zondebok voor al de andere taverniers, die allen drank schenken gedurende de mis, want, voegde hij er bij, « men moet sigh maer begeven op de Meere, ende men sal ondervinden gelyck het geweest is van menichte tyden datter diversche persoonen hun publiecquelyck begeven in differente caffehuysen, voor ende gedurende de hooghmisse, des sondaeghs endc heylighen daeghs! »

De onderschout Wouwermans zal bij zichzelven hebben gezegd, dat de overtreding der eenen de schuld dor anderen niet kon vrijpleiten, want hij eischte tegen Laboreur vier Rijnsche gulden en werd hierin voldaan bij vonnis van 7 September 1748, dat bovendien den schuldigen tapper tot de kosten van hot geding verwees. (1)

Juist zooals vandaag, gaven de gewone feestelijkheden, onder andere de vastenavond, stof tot wallebakkerij en uitspatting, w;int het masker diende schier altijd tot verveling van vele stadgenooten :

« Den vasten-avond-tyd is my al dikwiU eygen.

Ik ziea de measchen dan al vise grillen krygen.

Ik zag dit jaer alleen een overgroot getal Van sotten langs de stad lavéren over-al :

Ben eenen speelt den boer, een ander slappen Gillen, Een derden Visegriet, men ziet \'et ander\' drillen,

Met kleeders heel gelapt, met bullen aen hun gat.

Sy loopen overzacgt als dwaze langs de stad.

Daer synder die alsdan een ander gaen verbelden Uoor dit of dat vertoog om hun als uyt te schelden Om die of deze fout; maer die \'t bediedzel vat En is \'er nauw\'lyks een in zoo een groote stad :

Daer volgt een oordeel op van onbekende zaken.

Men hoort \'er menig man, niet na verdiensten, laken.

(1) Proccszalije A 698. — rrommciatiehüeck, 7 September 1748.

-ocr page 114-

— io8 —

En die \'t crctik betreft en kent men egtcr niet.

Een ander word geblaemt, onzeker wat \'t bedied,

Men giiet zoo-verre zelfs, dat men begint te spotten Met Godens hoog gezag; men kleed zich acn als sotten Met helm en harnassuer gelyk als Mars den god,

Men draegt uw blixem-vuer, zoo dient gij zelf tot spot. » (i)

De vastenavond, in de maand Maart gevierd (2), had gewoonlijk eenen nasleep gedurende de volgende weken, hetgeen, ondanks de onophoudende bestrijding vanwege geestelijken en dichters, bleef aanhouden :

« Daer zyn \'er ook al véél, die egtcr niet en laten

Te vinden zulk een huys of zulke cameraten;

Al had men maer een been, al had men niet een duyt.

Men zal en wilt \'er zyn, of \'t speêltjeu is verbruyd.

Daer zyn \'er, die, wanneer is al hun geld verzopen,

Nog liver hun kazak en huys-ract gaen verkoópen.

Als blyven van de plaets, en laten hunnen drank;

De zaek is al-te-verr\', men gaet den zeiven gank :

Sy roepen tusschen beyd, dat héét Aptilizéren,

\'t Is nu den besten tyd om dapperlyk te snieren,

Den somer is voor d\'hand, dan winn\' ik weer den kost,

Dan word myn kleed en goed haest uyt den Berg gelost.

Zoodan, in plaets van werk, men blyft \'er lustig zuypen.

En met syn huys vol schuld men gaet daer henen druypen;

Bazin, ach! borgt my wat, den somer is voor d\'hand,

Of, zyt gy ongerust, ik he bh\' nog goeden pand.

Maer die zig tot den drank zoo heftig heeft begeven.

Die gaet den zeiven weg gedurende syn leven.

En, of het zomer word, hy blyft al even fyn,

En zoo geraekt dat volk in groot verdriet en pyn.» (3)

Deze klacht was des te meer gegrond, dewijl

-ocr page 115-

■— log —

de burgerij zich beijverde tot het inrichten van deftige feesten : de kweekelingen der Academie stelden zelfs in 1764, in eenen vastcnavondstoet, « de ijzeren Eeuw » voor, hetgeen zooveel volk lokte, dat in de volgende jaren, zooals wij gezien hebben, ook do \'Kermisomgang mot moer smaak werd heringericht.

Zonderling mag het heeten, dat in sommige gevallen onze Schepenbank eenige toegeving liet blijken en door de hoogere Regoering onrechtstreeks moest berispt worden, hetgeen nochtans een dertigtal jaren na bovenstaande geschiedde.

De schout J. D. M. van Beughom had den herbergier Joz. Gregoir den 28®quot; Januari 1767 opgeöischt tot betaling eener boete van 25 guldon, om volk in de herberg te hebben gehouden na \'t luiden der wachtklok (10 1/2 uren). Ook deze herbergier beweerde dat dit voorschrift der ordonnantie van ioen Januari 1699 sinds lang niet meer in voege was — en, wonder genoeg : den 23equot; December 1769 stelde de stadsregeoring den schout in \'t ongelijk! Voorwaar, zegde keizerin Maria-Theresia, bij wie de schout beroep aanteekonde, zulk vonnis is niet alleen strijdig met de bestaande wet, maar ook mot « de goedertieren intontien van de souvoryne hertoghen deser onser landen ». Ten gevolge dezer zienswijze, moest de stad al de stukkon van dit rechtsgeding aan het Hof overmaken, om aldaar haar vonnis « te hooren wysen nul, machteloos onde van onweirden ofte ten minsten ondeughdelyck, quaelyck ende ten onrechte gegeven te syn. » (18 April 1770.) (1)

Ziedaar een drietal maatregelen, van aard om de dronkenschap bepaald tekeer to gaan, ongerekend

(1) Losse stukken in de zakjeszaal.

Antvoerpcn in de XVIII* eeuw.

-ocr page 116-

— no —

de zware belasting, die op het brandewijnstoken drukte. Vroeger, van in 1673, betaalden de stokers zelfs 10 gulden per ame; den 20°quot; Januari 1701 stelden zij voor, slechts drie gulden te heffen, omdat, zegden zij, vele stielgenooten zich elders gingen vestigen. Deze bedenking bracht ons magistraat in verlegenheid; van den eenen kant kon het mocielijk, in deze benarde tijden, eene bron van inkomsten voor de stadskas missen, en anderzijds wenschte het de dronkenschap volkomen uit te roeien. In afwachting werd er den I4en Mei geboden, gecnen graan wijn meer te stoken; maar nadat de fabriekanten hadden doen uitschijnen, dat het volk zich meer in « bieren ende drancken » dan in graanwijn vergat en men van buiten de stad toch graanwijn binnensmokkelde, werd hunne vraag eindelijk ingewilligd, totdat er anders zou over beschikt worden. (1)

Op deze wijze scheen de stad eenigszins hare verantwoordelijkheid met de hoogere overheid te willen dcelen, tevens zorg dragende hare inkomsten te vrijwaren. Men vergete inderdaad niet, dat het brandewijnaccijns rond dit tijdstip voor ongeveer 30,000 gulden werd ingepacht, hetgeen genoegzaam verklaart waarom de stedelijke regeering zelfs aan den pachter eenig gezag afstond, in zooverre, dat deze enkel het stoken volgens zijne luimen veroorloofde. Eens dat de stokers eene partij brandewijn vervaardigd hadden, moesten zij hun vuur laten uitdooven

(1) Rekwestboek 1701-02, f0 6, 57vo en 65vo# De toenmalige brandewijnstokers waren : Gregorius Bruynincx, Henricus Borgt, Jan Beitels, Nic. Ceulemans, Renier de Wael, Jan de Neeft\', Arnold Fryren, Fr-Goevaerts, Crist. Geens, Huibr. Kenis, Wouter Maes, Hendrik Meeus, Simon Nys, Jan Swanen, Jan van Bockholt, J. van Rutsel, Adr. van Houten, Corn. Verhagen, Ant. van Eyen, Daniël vander Wee en Jan Werft.

-ocr page 117-

— Ill —

en twee uren wachten alvorens te herbeginnen; zij mochten met hun werk aanvang nemen enkel na de opening van zijn kantoor (g uren); zij mochten ook niet in den namiddag stoken wanneer zij eenmaal hadden verklaard in den voornoen te willen werken. Gelukkiglijk oordeelde hot magistraat dat deze voorschriften een al te onwettig karakter droegen en het deed de hand houden aan de ambtelijke bevelen, (i)

Op eenige jaren tijds waren er echter zoovele misbruiken in dezen stiel geslopen, dat de brandewijnstokers zeiven voorstelden eene natie te vormen, eensdeels om het inbrengen en maken van slechte koopwaar tegen te werken, anderzijds om de vreemden uit de stad verwijderd te houden. De maatregelen alleen, welke zij voorstelden, bewijzen ons, dat het stieltje van brandewijnstoker gansch niet te verfoeien was ; zij verklaarden zich bereid elk 100 gulden als inkomgeld te betalen ten behoeve der stad, 12 gulden aan de ambachtkasse, jaarlijks 24 stuivers aan den deken en gezamenlijk eene som van 1,000 gulden voor het oprichten der natie. Nog meer : zij verklaarden zich bereid eene proef voor te schrijven, bestaande « int maecken vant beslach van rougoet, te beslaen, tot het enport van eene ame, daer uyt te distelleren tsy genevel oft ander graenwyn, ter ordonnantie van den deken, ende daer uyt te trecken goet proefthoudende goet. » Bovendien beloofden zij hunnen stiel niet te zullen uitoefenen wanneer de granen boven de 5 gulden gingen — en nochtans leefden wij in een tijdstip wanneer het stoken, bij gebrek aan graan, reeds gedurende 17 maanden stil lag. Bewijst zulks

(1) Rekwestboek 1709-10, f» 4.

-ocr page 118-

— 112 —

niet, dat van toen af een schoone stuiver mot deze nijverheid gewonnen werd? (x)

Nochtans kon de stad zich niet laten vinden, om het verzoek der stokers te bewilligen; wel onderzocht zij het geruimen lijd, maar de zaak geraakte in den vergeethoek en ook de belanghebbenden drongen niet verder aan en bleven de speelbal van pachter en vreemdeling.

Het is dan ook kluchtig om zien, welke zonderlinge voorwendsels de stokers wisten in te brengen ten einde van het lastige bezoek van den pachter, of, beter nog, van de betaling der pacht verschoond te blijven. Hier hebben wij eerst een verzoekschrift van iocn April 1710, waarbij zij jammeren dat hunne werkhuizen worden doorsnuffeld, terwijl hunne vrouwen in \'t kraam zijn, zoodat het stadsbestuur zich genoodzaakt vindt het noodige onderzoek — men noemde zulks : « de vonten nemen » — enkel in geval van kinderbedden toe te laten « mits het selve geschiede met discretie. » (2) Dit feit toont ons hoe vernepen dergelijke fabrieken destijds waren ingericht, wanneer al het vernuftige van vandaag onbekend was en men zich met een klein gebouw en nog kleiner gerief moest behelpen. Zoo vonden wij in de schepenbrieven de opgave der toestellen van de stokerij Frans Meeus, op de IJzerenwaag, alwaar

(ï) Rekwesthock 1710, f0 ïi2vo. Er bestonden alsdan nog zes van de voormelde stokers : J. van Bockholt, Greg. Bruynincx, Renier de Wael, Jan Swanen, Simon Nys, Frans Goevaerts. De overige waren ; M. van Mon-tenaecken, Adriaan Verstraelen, Peter Schoep, Adr. Saelden, Huibr. Linnaert, Jac. Cantinon, Jan van Avuyen, Jan-Barthol. Mans, Jan Bapt. Anne, Corn, de GrofT, Hendr. Kennon, Jac. de Craen, Peter Maes, Adr, Wyckmans, Math, van Gansbroek, Peter Beitels, Jan van Rienstal, ChristolV. Mets, Math. Mouens, Joos Kcnnes, Jan-Frans vanden Eedcn, Josina de Jonge, Antoon Govaerts, Ant. Vlerackers, Gillis de GroofT. (2) Rckwestbock, 1710, f0 59v0.

-ocr page 119-

— ii3 —

Antonius de Peutermans in 1776 zijne nijverheid uitoefende « met groot faveur ende progres. » De werktuigen vonden wij daar als volgt vermeld : « Eerst in tvvelf beslagcuypen, item in twee copere four-neysen, item in twee slanghcuypen met copere slangen, item in elt clyne distilleervaetiens, item in vier houte goten ende eenen coelback, item in dry copere aeckers, item in twee vlaghpompen, eene waterpompe met een spoelinckpompe, item oenen eyseren balck met de twee houte schaelen ende 200 pond eyser gewicht, item eenen steeckwaegcn, twee copere afsuygers ende twee copere lampen, ende voorts alle gereetschappen die in deselve stokcrye zyn existerende. » (1)

De innerlijke toestand der brouwerijen was evenwel niet grooter : koperen brouwketels van vijftig of zestig ton gaven eene grootsche inrichting te kennen en de werklieden mochten zich gelukkig achten wanneer zijzelven het noodige water niet moesten pompen, want enkel bij de meest gegoede brouwers werd het water door een koppel struische paarden gepompt. (2)

Men kan het den keizer niet al te kwalijk duiden dat hij bij plakkaat van den gequot; December 1786 het vervaardigen van graanwijn kwam verbieden, want, ongerekend ettelijke stormen, overstroomingen en watervloeden, had men meermaals de Schelde met ijs bevloerd en de straten derwijze met sneeuw belemmerd gezien, dat de leerlingen der Academie

(t) Scabinale protocollen, sub P. Gcrardi, vol. X., I October 1776.

(2) Volycns de verkoopaankondigingen in de Gazette van Antwerpen van 1786 en later.

-ocr page 120-

— ii4 ~

er kunstige groepen en beelden uit vormden, (i) Groot was alsdan de armoede onder den werkenden stand, groot de vreugde van meer gegoede lieden, want, zooals de dichter zingt :

^ Het is maer wel gezegd : de dikke winter-vlokken, Die schynen ryke-lien van stonden aen-te-lokken,

Om met een peerde-slée te ryden dóór de stad,

Al-of men nimmer meer vuor koude schrik en had; Wat zegg\' ik, voor de koud\'? S\'en agten niet met allen Het opentlyk gevaer van seffens om-te-vallen;

En daer men andersins niet \'t minst\' zou onderstaen,

Daer derft men zonder vrees syn leven wagen gaen;

Daer m\'om een windeken schroomt uyt den huys te komen. Word op de bitse koud\' nu wynig agt genomen;

En schoon men om het weer niet is gegaen te kerk, Het ryden met de slee dat is een noodig werk.

Men rende nu voor niet langs Merxem en Dambrugg?, Elk met een knegt te peérd of koetsier agter rugge...» (2)

Het bevel van keizer Jozef viel echter niet in den smaak der twee overgebleven brandewijnstokers, Jan Cornelius Hanegraeff en Judocus Stiers, die in jammerende bewoordingen de afschaffing der bijbelasting van 3 stuivers per pot vroegen, want anders, zegden zij, « sullen do koeyboeren absolutelyck dese stad moeten verlaten uyt reden van gebrek aen voederye voor hunne beesten. » Het verzoek werd echter niet ingewilligd en de nijverheid bleef ten onder. Opmerkelijk is het, dat in dit tijdstip een roomer genever in Schiedam i stuiver en hier maar 2 oorden kostte, hetgeen voortvloeide uit het feit dat het verbruik binnen Holland belast was.

(1) Graaf ue Robiano : Collection des dessins, des figures colossales el des gronpes qui ont etc faites en neige..., a Anvers..., ctt 1772, Verder beschreven door L. Mathot, tijdschrift Dietsche Stemmen, 1° aflev., bl. 27.

(2) J.-A.-F. Pauwels, Samenspraek tusschen den Somer en den Winter..., 1776.

-ocr page 121-

— U5 -

doch buitenslands niet—juist het tegenovergestelde van wat hier gebeurde.

In 1792 stelden derhalve de brandewijnstokers voor, het recht op den buiten de stad verbruikten genever insgelijks af te schaffen, « opdat wy ende onse confraters van onze broodwinninge niet en souden gepriveert worden », want, zoo lieten zij erop volgen, mocht onze vraag worden toegestaan, zouden wij ton minste 20.000 zakken meel \'s jaars verbezigen. Welnu, dit juist moest het magistraat trachten te beletten, omdat de onrustige tijden, die wij alsdan beleefden, niet de minste verspilling van voedingsstoffen gedoogden, ofschoon de stokerijen merkelijk tot de stadskas bijdroegen; van al de granen, binnen de stad gevoerd, betaalde men eenen stuiver per veertel, daarna het maalaccijs, het lepelrecht, het accijs voor de verbruikte steenkolen en het « con-sumptierecht » of vergunningsrecht van den binnen de stad verorberden genever. Maar, nog eens : deze bedenkingen mochten niet opwegen tegen het gebrek aan voedingsmiddelen, waarvan de schaarschheid zich nijperder zou doen gevoelen, naarmate men het einde der eeuw tegemoet ging.

Om overigens een juist denkbeeld te hebben van den alsdan gebruikten sterken drank, dient geweten, dat men ongeveer 15,000 zakken meel verstookte en men uit eiken zak, wegende 200 pond, gewoonlijk 27 potten « dobbelen genever » trok. Elke zak brande-wijngoed vereischte een veertel steenkolen. Op 6 jaar tijds stookte men 27,252 amen drank, dus 4,542 amen per jaar. (1)

Was dit nog te veel, naar den zin der stedelijke

(1) Sads-secrelaris P.-J. van Setter, vol. VIII, fquot; 356.

-ocr page 122-

— ii6 —

regeering? Waarschijnlijk, want op 24on December 1793 gebood zij : « Vermits by de ordonnantiën van 9 October 1608 en 25 Mey 1610 is geboden, dat niemand hem en sal vervoorderen in do Nieuwstad ecnige gebrandewynen te distilleren, macr wel ver-coopcn, behoudelyk degene, die voor den g October ifioS aldaer hebben gedistilleert, de welke hunne neiringe sullen mogen continueren, soo is 7, dat mync heeren verklaeron, dat dit gebod moet blyven standgrypen; verbiedende andermael dat niemand in de Nieuwstad sal mogen oprechten eenige brande-wynstokerye oft ecnige distillering van wateren oft liqueuren aen stads gerechtigheden onderwerpen, en dat op de verbeurte van de brandewynen oft gedistilleerde wateren oft liqueuren... »

Ondanks dit uitdrukkelijk bevel, hadden de stokers Dominicus Gentil en Michael Leemans zich toch verstout hun bedrijf in de wijk der brouwers uit te oefenen, echter niet zonder voor deze overtreding te boeten, want de onderschout trad op ecnen schoonen morgen in hunne stokerij en deed er door zijne gerechtsdienaars al den alem wegnemen Geruimen tijd werd er getwist, om te weten, in hoeverre de plakkaat van 1793 toepasselijk kon gemaakt worden, totdat eindelijk, den 8en Maart 1794, de stokers het in magazijn liggende stookgoed mochten verwerken. (1)

Zulks gebeurde, zegden wij, den 8cn Maart 1794, een paar maanden vóór den tweeden Franschen inval. Twee maanden na deze droevige overrompeling, namelijk den 12°quot; Augustus, had de stoker Nicolaas Leemans, uit de Brouwersstraat, 1,030 livres betaald

(1) Pronunciatieioeck nr 48, f0 544.

-ocr page 123-

— li; —

aan Portin, den beheerder van het krijgsmagazijn, voor aankoop van 25.000 beschadigde brooden van de gevluchte Engelschen. Uit deze brooden stookte hij brandewijn en kreeg daartoe de noodige vergunning, alhoewel de andere stokerijen door de Republikeinen gesloten waren. De rustelooze Dargonne wilde daar echter het zijne van weten en stelde een bespiedingsonderzoek in.

Gelukkiglijk kwamen de leden van het veilig-heidscomiteit (Lambert, Schellinck en J. B. Basteyns) den bedreigden stoker ter hulp, getuigende in geradbraakt Fransch, dat Leemans had beproefd brandewijn uit die brooden te stoken en in deze poging volkomen was gelukt (« il a éprouvé d\'en tirer d\'eaux de vie, dont il est parfaitement réussi »), zoodat den 24n Februari 1795 het bestuur van Brabant toelating gaf om de toestellen in bedoelde stokerij te gebruiken enkel totdat de 25.000 brooden verwerkt waren. (1) Na deze dagteekening werd er in gansch de stad geen glas brandewijn meer gestookt. Niet alleen luidde het bevel van 5 Maart : « De vertegenwoordigers van het volk komen het stoken van genever te verbieden in gansch de uitgestrektheid van België » — niet in \'t belang van het voedsel des volks, maar « om het onderhoud in het leger te verzekeren »; terwijl de eenig overgebleven stoker Sergysels zich van zijn laatste stookgoed zag beroofd, zonder daarvoor de minste vergoeding te erlangen.

Was daarom de dronkenschap — of beter : waren nu de dronkaards afgeschaft? Och neen! want een teugelloos bestuur, op willekeur en dwang gesteund, had geene oogen, om overdaad en uitspatting te

(1) Dossier ad hoe, hedcudaagsch archief.

Antwerpen in de XV/II* eeuw.

15

-ocr page 124-

— 118 —

bespieden; maar het had er belang bij de bestaande gebruiken en dezer getrouwe nalevers uit te roeien of te kwellen, met de eenige hoop zijne eigene grondbeginselen te vestigen.

-ocr page 125-

III.

ANTWERPEN OP NIJVERHEIDS- EN HANDELSGEBIED.

IJdele plannen. — Te paard naar Parijs. — De eerste vuurbaak bij Saftingen. — Eerste scheepvaartlijn op Indië. — Betwisting tusschen de schippers. — Bouw eener zoutziederij. — Twist over het maken van lakmoes. — Eene fabriek van blauwsel, loodwit, Spaansche zeep en meubelpapier. — Tweede scheepvaartlijn op Indië : kosten van inrichting, aard der aangebrachte koopwaren, hare hulpsommen. — Marmittenoorlog. — Ondergang der tweede compagnie : hare schulden en schuldeischers — Twee bankroeten : de Haan en de Proli. — Toestand. — Handel in tabak. — De eerste pijpenmaker.

A al hetgene wij reeds nopens de 18° eeuw vernamen, kan het niet zonder belang zijn, de kostwinning onzer toenmalige handelaars van dichtbij te beschouwen, niet alleen omdat deze toch het meeste bijdroegen tot de welvaart van den geboortegrond, doch ook, vermits zij alleen arbeid verschaften aan de talrijke werknatiën en werkploegen, de kloekste en gezondste mannen der volksklasse bevattende. Een algemeen overzicht zal ons vooreerst tot inleiding dienen.

-ocr page 126-

— 120 —

t

Nadat Lodewijk XIV, bij het teckenen van den vrede te Rijswijk, op 20 September 1697, een gedeelte zijner overwinningen in België had afgestaan, riep de Regeering te Brussel de afgevaardigden onzer voornaamste steden bijeen, opdat zij maatregelen tot herstel van \'s lands handel zouden voorleggen. Daar was het, dat men besloot eene vaart te graven door het land van Waas, van Brugge tot nabij Kalloo, aan de Schelde, om alzoo Antwerpen in betrekking met de zee te stellen. Het volgende jaar, den 7°quot; Juni 169S, riep een koninklijk besluit een genootschap voor Indië en Guyana in \'t leven, met een kapitaal van tweemillioen gulden, verdeeld in aandeelen van duizend gulden; de inschrijving zou gelijktijdig te Antwerpen, Gent en Brugge opengesteld, en de vijf bestuurders, gekozen tusschen de inschrijvers van minstens drie aandeelen, voor hun leven en met eene jaarwedde van 18.100 gulden benoemd worden.

Noch het eene, noch het andere ontwerp gelukte, door de dood van koning Karei II en den daarop volgenden algemeenen oorlog; en wanneer eindelijk het Barreelentractaat was gesloten, bevonden onze provinciën zich, wat den handel betreft, gansch onder de voogdij van Holland. (1)

Gedurende de eerstvolgende jaren was de handel zoo onbeduidend, dat hij schier geene melding verdient, doordien hij zich enkel bij kleine zaken bepalen moest, eene reden, waarom ook de vervoermiddelen zoo eenvoudig mogelijk waren samengesteld. Zoo

(1) Van den Bogaf.rde ; Studie over den handel, deel II, bladz. 136. — Lodewijk Mertens ; « La Compagnie d\'Ostemle », in liet Bulietijn van het Aardrijkskundig Genootschap, deel VI, bladzijde 381-420.

-ocr page 127-

— t2I

schreef de koopman Peter Lis aan het magistraat, dat hij te paard in een jaar tijds vijfmaal naar Parijs en wel achtmaal naar Luik was gereisd, doch, vermits zijne zaken niet bloeiden, zijn « peertien » wilde verkoopen. Hij vond er echter geene liefhebbers voor, want de eene achtte het te klein en de andere te slecht of te oud, en bovendien kwamen de treso-riers er paardgeld voor eischen, bewerende dat die kleine oude knol tot prachtpaard diende. Het magistraat, edelmoediger gezind, gunde den koopman drie maanden tijds om zijn reisdier te verkoopen, aldus een blijk van belangstelling aan don handelaar willende geven, (i)

Met de scheepvaart was het, zooals wij daareven zagen, niet beter gesteld en bovendien hadden de bestaande kleine vaartuigen met allerlei moeielijk-heden te kampen. In den veroorloofden binnenhandel met Holland, bijvoorbeeld, was het verkeer zoo gevaarlijk bij het land van Saftingen en het verdronken land van Bergen-op-Zoom, dat de Antwerpenaar Jan Rondekens op eigen kosten er eene vuurbaak plaatste en deed branden, telkens van den iquot; September tot den laatsten April, « soo wel bij maneschyn als andersints, savonts ontsteken met

(i) Rekwesthocck 1701-2, f0 96. De toenmalige kooplieden waren : Ant. BlancUaert, Christ.-I\'eilro Vermoeien, cchtgenoote Theodoor van Scherpenbergh, Adriaen Borghmaas, Peter Oudaert, J.-F. Lefuselier, Jan-Claude Lebrun, Jan-Ign. van Diepenbeeck, J.-Ant. Everard, Jan-Fr. Kerstcns, Jac. vaaden Bemden, Egid. van Laer, J.-li, Franck Andr. du Pon, Mich. Verwilt, A. David, Ant. Tatinclau, Vine. Bas-seliers. {Kek\'.uestboeck 1703-4, f» 189V); Daniel van Pellecom, Andr. Janssens, J.-B. Govaert, Thom. Gillot, Fr. de Godder, Gaspar üCint,quot; Corn, van Bombergen, Corn. Schatten, Joris Wouters, Fr. Bouseleth] Jan-Carel Broeta, Corn, van Welt, (Rekwestboeck 1710); de Spaansche pater-miniem Ramonel della Sierra (Proceszakjc Ramonel tegen Gerar-dus van Blommen).

-ocr page 128-

— 12 2 —

clacrcn dage, brandende tot rlen aengecomen dagh. » Op vertoog van het schippc rsambacht der steden Antwerpen, Brussel en Mechelen, ondersteunde ons magistraat de vraag tot regeling van dit gebruik, zoodat het 1 lof een gebod in dezer voege uitvaardigde : al de schippers, de baak voorbijvarende, zouden aan Jan Rondekens gedurende acht maanden van het jaar betalen, « voor een pleyte ferre oft smal schip », groot van 30 tot 40 last, 18 stuivers; f item een schip van wat soorte hetselve soude mogen syn », groot van 30 tot 20 last, 16 stuivers; voor een schip van ro tot 10 last, 12 stuivers; voor « een poen oft waterschuyt varende met verschen oft souten visch », 16 stuivers; voor eene groote mosselschuit, 8 stuivers; voor « een Bergsche vischschuyt », 8 stuivers; voor eene kleine mosselschuit, 4 stuivers. Deze bepaling was erin voorzien : wanneer een schipper bemerkte, dat het licht niet brandde, bleef hij gedurende heel een jaar van deze belasting vrij; de stad zou den baakmeester benoemen. (1)

Deze maatregel werd den nquot;1 October 1721 genomen; en, al was hij klein in zijnen vorm, grooter zou hij worden door de opvolgende gebeurtenissen, door dc hoogere overheid en den handelszin onzer bevolking uitgelokt. Inderdaad, nauwelijks waren eenige maanden verloopen, of daar verneemt men, dat eene algemeene compagnie voor handel en zeevaart met Indië gaat gevormd worden, opgericht bij brieve van Karei VI, van 19 December 1722. De stad was in feest, onze kooplieden zagen reeds in de toekomst handel en nering herleven en droomden op voorhand aan de schatten en rijke scheepsvrachten,

1

Rekvicsthoeck 1722-23, fquot; 49»quot;.

-ocr page 129-

— 123 —

die eens den roem der Scheldestad handhaafden. Onder het gelui der groote klok, na de mis van den Heiligen Geest, in de hoofdkerk, werd de inschrijving geopend en in minder dan zeven uren waren al do aandeden ter Beurze volzet (u Augustus 1723).

De belanghebbenden, waarbij de hoogste standen zich aansloten, had men in vier klassen verdeeld ; de eerste, bestaande uit hertog van Arenberg, Jan-Baptist Cornelissen, graaf van Windigraetz, Ferd.-Andr. bon de Vecquemans en Cornelis Walckiers, telde voor drie stemmen; de tweede telde voor twee en bestond uit 12 leden, waarvan Carlos Maelcamp, Pauwel de Kimpe, Andries Peytier, Jacomo de Pret, Thomas Ray, L.-Fr. de Coninck en Pietro Proli in het bestuur zouden zetelen; de derde was vertegenwoordigd door de stad, prins de Ligne, graaf de Lalaing, graaf de Fraula en Jos. Berghin; de vierde bevatte in haren schoot de aanzienlijkste namen der stad, waarbij zich later ook aansloten ; markies de Prié, prins Eugeen van Savooie, de stad Oostende, het brouwers- en meerseniersambacht van Brugge en vele rijke familiën van het land. De twee laatste klassen hadden elk recht op ééne stem.

De onderneming gelukte naar wensch en liet zelfs de makelaars een goed loon verdienen, want op ig Juni 1724 bepaalde de stad het makelaarsloon voor den verkoop van elk aandeel der « Oost-endsche Companie », zooals het volk ze noemde» op dertig stuivers wisselgeld, de eene helft door den verkooper en de andere door den kooper te betalen. (1) Slechts één bankroet, dat van den bankier Peter Clex, deed zich voor; maar zulks was zoo wel

(1) Rekwestboeck 1724-25, f° 34.

-ocr page 130-

— 124 -

aan zijne verhandelingen in Holland, Londen, Luik en Parijs, als aan de tijdelijke daling der Indische actiën te wijten, (i) Voor het overige kon de veree-niging van December 1725 tot September 1728 in viermaal de ongehoorde som van 4.080.000 gulden, en in 1729 nog 1.800.000 gulden uitdeelen. Wat meer is, wanneer men al de uitbetalingen van 1725 tot 1735 samentelt, bereikt men de som van elfmillioen vijfhonderd twintigduizend gulden op tien jaar tijds, en zulks met een kapitaal van vier millioen gulden en half (g. 4.500.000).

Zulke uitslag was voorzeker verbazend, wanneer men bedenkt, dat de compagnie slechts over drie keizerlijke factorijen in Indië beschikte (Cablon, Ban-quibazar en Bonrompore) en hare schepen « Karei VI », « De Arend », « draaf de Lalaing », « S\'.-Elisabeth », « Markies de Prié » en andere dikwerf met de zeeschuimers te worstelen hadden. De ondernemers bekreunden zich niet veel om eenig verlies, werkten steeds voort en brachten zelfs den 6cn September 1724 een prachtig kunstjuweel, eenen gouden leeuw van 35 oneen, door eenen Antwerpschen kunstenaar vervaardigd, in het Weenerpaleis van hunnen stichter, Karei VI, ten geschenke.

Ongelukkiglijk was ook deze vreugde niet van langen duur : den 16™ Maart 1731 teekende de keizer de afschaffing van het genootschap, dewijl hij de afgunst van Engeland en Holland vreesde; en onze kooplieden moesten zich vergenoegen óf met het openbaar verkoopen van vreemde stoffen, waarvoor de stad, om reden van den droevigen toestand, haar oordje per gulden wilde afstaan, (2) óf met het

-ocr page 131-

- 125 —

bijwonen der Pinkster- en Baafmismarkten. Zelfs deze werden langzamerhand ingekrompen : vroeger mochten zij, op het Kerkhof en de Handschoenmarkt, zes weken duren, maar sedert 1758 hield men ze op de binnenplaats en langsheen de gaanderijen der Beurs. Van in 1762 duurden ze slechts vier weken-

Het mocht in die tijden als eene spotternij gelden, dat in de jaren 1755 en 1759 de stad Antwerpen onder de stapelplaatsen van Brabant werd gerekend, want ofschoon de kooplieden dagelijks vergaderden, bcteekende de doorvoerhandel bepaald niets; de Schelde bleef voor zeeschepen gesloten, de Vlaamsche binnenwateren zelfs waren niet vrij, de Gentsche schippers bewerende, dat de uit Antwerpen komende goederen te Gent in hunne schepen moesten overgeslagen worden en dat zij alleen het recht hadden de Vlaamsche kanalen en rivieren te bevaren. Ongetwijfeld waren onze landgenooten slecht ingesproken en hadden zij beter werk verricht met de belangen van den Scheldcstroom te helpen behartigen; het zij genoeg aan te stippen, dat men eerst in 1765 opnieuw begon te varen tusschen Brussel en Antwerpen, juist op het oogenblik, dat men met koetsen begon te rijden op den nieuwen steenweg van Antwerpen naar Boom, voor welken dienst eene factorij in de Klaverstraat was gevestigd.

Men kan denken welke verwondering in de stad heerschte, wanneer onze bevolking, gewoon aan het zicht van tjalken, koffen, heuden en vischsloepen, in het jaar 1773 eene Fransche brik uit Bordeaux, langs de binnenwaters, zag aanlanden, opgevolgd door eenige andere zeeschepen, zoodat er drie jaar later twaalf waren binnengezeild, het hoogste getal dat men tusschen de sluiting en heropening der Schelde kon waarnemen. De lading dezer zeebodems.

16

Antwerpen tn de XVI 11° eeuw.

-ocr page 132-

wijn, olie en vruchten, komende uit Nantes, Livorno, Lorient en Bordeaux, werd gretig opgekocht, en het was te voorzien, dat, dank aan het bestaan van menig fortuin, de handel spoedig zou herbloeid hebben, ware hij eenigszins gesteund en beschermd geworden. Daaraan viel echter niet te denken, want zelfs de kleine neringdoener kon geene doelmatige ondersteuning bekomen.

Het « corpus der ventjaegers » of vereeni-ging der sloepmannen, zooals wij heden zouden zeggen, had ten jare 1755 eene gemeenschappelijke kas opgericht, tot bekostiging van voorvallende processen en ondersteuning van arme gezellen (1) en waaraan elk lid 1/4 0/0 van elke schuitvracht bijdroeg. Toch gelukte de schipper Jan Dielewijns er niet in, eenige hulp te bekomen, ondanks het droevig vertoon dat hij aldus van zijnen toestand maakte : c Op den 2oen November 1776 op ancker liggende op het verdroncken land van Batslandt des nacht ontrent half thien ure ten tyde van den hoogen vloedt, heb ick onderstaen een alderschroomelyckste tempeest ende aenhoudende stormwindt, soodanig-lyck dat ick daer by verloren heb dry anckers. My daer van aldus ontbloodt vindende ende buyten staet synde om myn selven, mynen soon ende kneght het leven te connen behouden, maer ter contrarie alle oogenblicken voorsiende van met myn schip ende schipsvolck in den grondt geslagen te worden, in dese ellendige gesteltenisse ende doodsgevaer gedreven is over het landt ende schorren tusschen

(1) Blijkens request van 22 November 1755. De keizerlijke ver-zekeringscompagnie, in 1754 opgericht, ging in 1780 ten onder, ten gevolge van talrijke zeerampen en overstroomingen.

-ocr page 133-

— 127 -

Woonsdrecht ende Ossendrecht, alwaer ick door de geweldigheyt der baeren ende stormwinden (naer verscheyde mael grond geraeckt te hebben) eynde-linge met myn schip geslagen ben tegens, jae op den dyck aldaer, waer door myn schip t\'eenemael beschaedigt is ende gestelt is buyten staet van gered te connen worden... » De schipbreukeling verloor niet alleen zijn vaartuig maar ook zijne broodwinning en hoopte dus voor hem en zijne zieke vrouw eenigen onderstand van deken Govaerts te bekomen; deze verklaarde zich daartoe niet te kunnen laten vinden en des schippers verzoek werd door de Schepenbank van de hand gewezen, (i)

De nijverheid, ofschoon ten zeerste door de burgerij benuttigd, werd meer dan eens gestremd door den tegenstand der geburen, die zich, in hunne enge en gemakkelijk ontvlambare huisjes, niet gaarne aan brandgevaar durfden blootstellen.

In de nabijheid der S\'.-Jansvliet en het Zand wilde in 1758 Martinus Cels eene zoutziederij oprichten, waarvan de uitgestrektheid, volgens ingezonden plan, ongeveer 800 vierkante meters kon bedragen. Hij deed uitschijnen, dat op die plaats geene enkele gevaarlijke inrichting te vinden was en verklaarde zich bereid al de huizen van die geburen te zullen koopen, welke zouden beweren door zijne fabriek eenig letsel te onderstaan. Op dit oogenblik waren er te Gent tien, te Brugge verschillige en hier slechts twee zout-keeten : eene in de Spieringstraat (sieur Peeters cu/n stits) en eene op de Lookbrug (Jan Bastyns en O).

De geburen werden geraadpleegd, en nadat de

(l) Losse stukken in dc zakjeszaal. — Pronunciatieboeck 5 Juni

1778.

-ocr page 134-

— 128 -

zeepzieders Pauwel Durant en Dominicus Vermanden zich tegen de aanvraag hadden verzet, bracht de Schepenbank, na verloop van negen jaar t/jds, een weigerend vonnis uit : de plaats werd ongeschikt bevonden en de aanvrager tot de kosten verwezen, (i)

Gunstiger dan bovenstaande, liep een twist over het maken van lakmoes af, eene verfstof, die sedert vele jaren door de familie Begoden bij het kleuren van laken gebezigd, doch eerst in 1749 door de gebroeders Martinus en Jan Jozef van de Venne gemaakt werd. Inderdaad, op 4 Maart van gemeld jaar verschenen deze nijveraars en de Nederlander Jan-Frans du Buisson voor notaris (2) en verbonden zich, de eersten, om de noodige gereedschappen, grondstof en plaats te leveren, de tweede, om hun binnen zes maanden den stiel te leeren en verder de ontworpen fabriek te doen bloeien; de winst zou in twee gelijke deelen worden gesplitst, zonder de besproken kunst aan derde personen voort te leeren; « op de voor- ende naerbeschreve conditiën, » zoo luidde het contract, « engageren hun de comparanten, ende alsoo formeren sy eene compagnie voor hun leven lanck geduerende. » Krachtens deze overeenkomst, verkregen de gebroeders van \'s rijkswege een monopolium voor twintig jaar, mits dezen verstande nochtans, dat deze gunst zou worden ingetrokken, ingeval hunne verfstof niet aan de noodige vereischten mocht voldoen (29°quot; Augustus 1750).

Ondanks vele krachtinspanning, gelukten de stichters er niet in, hunne fabriek op te houden en

(1) Proceszakjc C 2488. — Vonnisboeck 1764-69, I\' 120 en Promm-ciatiebocck 2~ Januari 176;. — Hel proces begon den 20\'\'quot; Januari 1758.

(2) Protocollen van notaris C. Corvers, stadsarchief.

-ocr page 135-

— 129 —

waren zij verplicht, nog vóór het eindigen van hunne vergunning, een vennootschap aan te gaan met Jozef Botermans en Jan Bastyns, welke in 1762 den meestergast van den besten lakmoesmaker uit Amsterdam wisten aan te werven en dientengevolge het eerste monopolium mochten voortzetten tot 1792, bovendien vrijdom van uitgaande en inkomende rechten genietende. (1) Thans gelukte de onderneming opperbest : niet alleen had zij in de Vlaamsche gewesten geenen mededinger te vreezen, maar bovendien waren hare voortbrengselen van beteren aard en beterkoop dan de Hollandsche.

Een onzer stadgenooten, de geneesheer Jan-Baptist de Beunie, zag dezen vooruitgang met leede oogen aan; zooals menige zijner vakgenooten, hield hij zich buitentijds, wanneer de ziekenen hem eenige rust schonken, met andere zaken, namelijk met het maken van lakmoesbollen, onledig (2) en wendde zich den 3cn Juni 1773 tot het Hof, niet om een monopolium, maar om vrijen in- en uitvoer van zijne verfstof te bekomen. Hij hield staande, dat hij veel beter lakmoes dan de gevestigde fabriek zou leveren en dat er niet meer zou gebeuren wat men sinds een jaar ondervonden had, namelijk, dat veertig- tot vijftigduizend pond uit den vreemde werden ingebracht. Ik kan, zegde hij, lakmoes leveren tegen 27 gulden de 100 pond, niet alleen blauwkleurig, maar ook purper, scharlaken en lavendel.

Tot zijne verbazing, werd zijn verzoekschrift

(1) Plakkaten van den Hove, vol. 20, Iquot; 32.

(2) Gaspar Kctgen, « chirtirgyn emle macldenier, » troflen wij aan in het RekweUboeck van 1719, (quot;• 204 vquot;; en in de Scabinale Protocollen van 31 Augiislus 1797, sul) FuncU, « compareerde den borger ArnoMus-Bartholomeus Beerenbroedc, doctor, ende cultivateur. lt;

-ocr page 136-

— 13° —quot;

medegedeeld aan de fabrikanten vande Venne amp; Cquot;, uit wier handen hij niet zonder kleerscheuren geraakte. Hij heeft, antwoordden zij, zich schoon een uitvinder te noemen, wij heeten hem « een beschuldiger, zonder den minsten schijn van bewijs tot staving zijner gezegden gewapend » (« un accusateur dépourvu de la moindre lueur de preuve des chefs de ses accusations »); wij hebben ons, tot vestiging onzer nijverheid, de grootste opofferingen getroost, en indien eenige koopwaar onder den prijs ter markt kwam, zoo beteekende zij niets, doordien zij werd gemaakt door studenten-scheikundigen, welke de belangen van het algemeen aan hunne schraapzucht opofferen (« qui s\'écartant de toute experience d\'autrie et qui se fondant sur leurs propres idéés et speculations, passent souvent la vie a ne rien faire d\'utile. épuisent leurs moiens et ne prodiguent les effets de leurs travaux qu\'a la perte et prejudice du publique »). (i) Het Hof achtte deze bemerkingen zoo gegrond, dat het zich niet verder om den aanvrager, Dr de Beunie, bekreunde. Deze, van zijnen kant, wijdde zich verder aan handel, geneeskunde en fraaie letteren toe, werd lid van de Academie van België en door deze bekroond voor zijne Nederlandsche werken over den plantengroei in ons land en het verwen van vlasgaren. Hij overleed den 25quot; Februari 1793, in den ouderdom van 75 jaren. (2)

De Oostenrijksche regeering hielp op dezelfde wijze eene fabriek van blauwsel, loodwit, Spaansche

(1) Losse stukken in de zakjeszaal, stadsarchief.

(2) Rekwcstbocck 1742-43, fquot; 38^°. — Scahinale Protocollen, 28 Juni 1770 en 26 Februari 1771, sub. Tongerloo. — Biographisch Woorden-hoek der Noord-en Zuid-Nederlandsche Letterkunde. door F.-G. Frede-riks en F.-Jos. van hen Branden.

-ocr page 137-

— 13« —

zeep en gekleurd meubelpapier tot stand komen (i) — deze laatste met eenen molen op het Vlaamsch Hoofd, tot het malen van het papier, dat in de stad werd verwerkt. Maar nadat het keizerlijk besluit van den 17\'quot; Maart 1787 aan al de genootschappen de aloude vrijheid om hunne goederen naar eigen goeddunken te beheeren, afgenomen had, zag men beurtelings de ambachten verzwakken, den handel verminderen en de bestaande tapijtweverijen, glasblazerijen, fabrieken van speelkaarten, spelden, naalden en verdere huishoudelijke voorwerpen teenemaal verdwijnen.

Inmiddels was er iets gansch bijzonders op handelsgebied gebeurd, dat het onderhavige tijdvak langs zijne stoffelijke zijde ten hoogste kenmerkt. Laten wij er dus eenige oogenblikken bij vertoeven.

Bij vergunningsbrieven van 5 Juni 1775 had de keizerin zeer uitgebreide en gunstige voorwaarden toegestaan aan den Nederlander Willem Bolts, voor het instellen van eenen regelmatigen overzeeschen handel in de haven der Adriatische Zee. Deze tijding verwekte hier een waren geestdrift : men zou dus nogmaals in de gelegenheid worden gesteld de kans te wagen, nogmaals den vrijen teugel kunnen vieren aan de ingeboren handelszucht, nogmaals, in één woord, den alouden naam van Antwerpens rijkdom en welvaart doen gelden! Aanstonds werden er Antwerpenaars gevonden, die zich bij de firma Bolts en CiR wilden aansluiten, het waren voornamelijk : ridder Jau-Karel-Jozef Borrckens, graaf Karei de Proli, zoon van den oud-bestuurder der Oostendsche

(1) Plakkaten van deu Hove, vol. 18, (quot; 178, 214V0 eu 223; vol. 20,

o Ig3v.t

-ocr page 138-

— 132 —

maatschappij en admiraal van de sloep, waarmede Karei van Lorreinen ten jare 17^9 een uitstapje op den stroom deed; Dommicus Nagels, een handelsklerk, dien wij later (1) de lessen zullen zien volgen van het verboden genootschap voor rekenkunde.

Deze nieuwe vereeniging zou in den beginne, doch zonder dralen, twee schepen bevrachten : het eerste op 15 Februari en het tweede op 15 Augustus 1776, en zulks op de volgende voorwaarden, die den 28quot; September 1775 werden aangenomen : de compagnie zou eene factorij te Triest (Oostenrijk) onderhouden; terwijl de firma Bolts en Cio (Bolts en Fr. Ryan) om zaken naar Indic vaarde, zou de Proli hier de noodige stukken onderteekenen en over de jaarwedde voor twee klerken beschikken; er mochten 900,000 gulden Duitsch in effecten of koopwaar worden gelicht tot toerusting der twee vaartuigen en aankoop van lading, maar deze som zou slechts 540,000 gulden bedragen, aangezien Z. Majesteit er 180,000 gulden aan bijdroeg; de lading zou telkens door bijzondere vakmannen worden verzekerd; do winst van het genootschap zou voor 2/3 aan Bolts en C\'0 en voor 1/3 aan de Proli en Cie toekomen; eindelijk. Bolts en C\'e genoten 2 % commissiegeld op den aankoop van Engelsche koopwaren en 2 % op den koop en verkoop in Azië, terwijl de Proli en C\'0 2 0/0 genoten op de koopwaar uit Holland, 2 quot;/a op de hier verkochte koopwaar en 1 quot;/„ op de door hen te lichten gelden; het huis van Triest zou te Antwerpen door de Proli worden bestuurd.

De « Keizerlyke Companie van Triest », of, zooals

(1) Zie hoofdstuk : Omlenvijs. Ook hetgene volgt, ziet voor Je eerste maal het licht. Al tie feiten en cijfers hebben wij opgedolven tusschen de losse stukken in de zakjeszaal ter stadsarchieven.

-ocr page 139-

- 133 -

het volk ze noemde, de « Oude Keyserlyke Associatie », was weldra op stevigen voet ingericht. Indien de lezer ons tot op het Groenkerkhof wil volgen, zullen wij hem aan de Zuidzijde den grooten pracht-bouw aantoonen, thans bewoond door de stevige handelsfirma Frits vanden Abcele, tusschen het Postkantoor en het alom gekende « Hotel S\'.-Antoine ». Wacht een oogenblik totdat de zware inrijpoort doorgang levere aan de flinke natiepaarJen, rijk met vrachten beladen, en gij staat voor eene uitgebreide opene plaats, waar handelsbedienden en beproefde handelaars aan- en afloopen met eene bedrijvigheid, die aan het koortsachtige grenst. Daar is het kantoor van Karei de Proli ingericht; daar brengen onze werknatiën de aangevoerde koopwaar te stapel en ziet men de beschikbare werklieden de gelegenheid bespieden dat het hun gegeven zij den kantoorheer te zien, om hem eenig werk of eenige boodschappen te vragen.

In den eerste gebeurde het niet dikwijls dat men hem kon te spreken krijgen; niet alleen vereischte de inrichting al zijne zorgen, maar bovendien reisde hij menigmaal naar Oostenrijk, tot het nemen der noodige schikkingen. Nog meer ; den 23cu Februari 1780 midert hij het Hot van Weenen en stelt er twee Sinee-sche matrozen voor, die van de keizerlijke familie « edelmoedige eer-giften » ontvangen; en den 221\'quot; Maart daaropvolgende brengt hij er staaltjes van « Chinc-sche manufactueren van de levendigste en onuytwis-selyke verwen », waarvan de keizerin de fraaiste koopt. (1)

Het volgende jaar, den 26quot; Juli 1781, waren de

17

1

Gazette van Antwerpen, 7 Maart en 4 April 1780.

Antwerpen tn de XVUI* eeuw.

-ocr page 140-

- 134 —

stichters door Zijne Majesteit in gehoor ontvangen, deze beloofde en schonk hun inderdaad « eene verklarende acte, bevattende, quot; dat het der compagnie vrijstaan zou een kapitaal van twee millioen Duitsche gulden te lichten bij aandeelen van icoo gulden elk. En zie : juist eene maand later waren er reeds 1058 dezer actiën door deze vijftien personen genomen : C.-J.-M. de Wolf (30 aandeelen), Jan de Ruysser (65), Pieter-Karel Borrekens (2), Reynier de Backer (4), Antoon van den Berghe (3), J. Wouwermans (2), mevrouw M.-C. Wellens, douairière van E. M. J. Borrekens (178), J.-C.-J. Borrekens (89), R.-F.-X. Le Candele (89), A.-F.-J. Bruno de Pret (89), J.-J. Moretus (89), jufvrouw ridder Joz. Borrekens (74), Dominicus Nagels (14), ridder Andries-Melchior de Proli (89), weduwe L. de Wulf (89 aandeelen). Ziedaar wat al schatten te Antwerpen waren opgehoopt, voordat de Republikeinen er zich meester van maakten!

Men was nog bezig met de vereffening van de nagelaten goederen der Oostendsche compagnie van 1722, wanneer het nieuwe genootschap zich zoo stevig mogelijk trachtte te vestigen. In het hartje van Sina (1), te Canton, vestigde het eene factorij met bijbehoorend magazijn, richtte ook een huis op te Maccoa en plantte voor elke deur het keizerlijke

(1) « Dat men de namen van vreemde volken buiten noodzake op zijn Fransch uitspreekt en schrijft, dit is toch niet toe te geven. Schier ieder zegt en schrijft dus China, naar de Fransche uitspraak, en waarom dit? Onze voorouders zeiden Sina, Stnees, en zoo schrijft Antonides te recht. De Sinees zelf is zoo verre van zich Chinees te noemen, dat uit de uitspraak, die hij van zijn volksnaam doet, het woord Snees ontstaan is (\'t geen, uit het Oosten tot ons overgekomen, voor woekeraar of bedrieger gebruikt wordt). Waartoe dan die ch? De Franschen gebruiken haar, omdat zij geen ts noch scherpe s hebben, die aan de ware uitspraak beantwoordt. » (Bilderdijk : Voor\' lezingen over de Hollandsche taal, bl. 154.)

-ocr page 141-

paviljoen. De verteg-enwoordigers aldaar, supercargo\'s geheeten, namelijk Jan Reid en Juliaan Bourgogne, genoten niet alleen 5 % op den bruto-verkoop van twee vrachten, maar bovendien eene vaste jaarwedde van 7000 Spaansche piasters en 1000 piasters voor elk schip dat de compagnie boven het getal van twee naar Sina zond.

Het Hof steunde openlijk de nieuwe onderneming, wel bevroedende, dat Antwerpens voorspoed tot heil van gansch het land zou gedijen; minstens alle jaren had in de Beurs of in de Kolvenierskamer eene overgroote veiling van thee, Sineesch porcelein-werk en zijde plaats, hetgeen duizenden vreemde kooplieden naar Antwerpen lokte, waarvan de aanzienlijkste bij de Proli ter tafel werden genoodigd. De stichter Bolts had zich openlijk uit de firma teruggetrokken, en deze, na eenigen tijd hare stukken te hebben onderteekend : « Graaf de Proli, J.-C.-J. Borrekens chevalier, Henry Simon van Eupen, » kondigde haren briefwisselaars aan, dat een harer deelhebbers, ridder Borrekens, den titel van baron had verkregen (26 Augustus 1783). jozef-de-Tweede zou nog meer doen : in plaats van de handelsbetrekkingen der compagnie over Oostende te laten geschieden — want hier mocht geen enkel zeeschip meer aanlanden — wilde hij de volkomen Scheldevrijheid bekomen en vroeg zelfs dat de Staten-Generaal van Nederland den handel tusschen zijne onderdanen en Indië wilden gedoogen; hijzelf zou do minste krenking als eene oorlogsverklaring beschouwen. Toch wezen de Staten-Generaal het keizerlijk voorstel van de hand en wilden zelfs niet meer gedoogen, dat er nog schepen te Oostende zouden aanleggen. De keizer hield stand en deed den 6n October 1784 kapitein Lieven van Isseghem in zee

-ocr page 142-

- i36

steken met de oorlogsbrigantijn lt; Louis »; onder de Lillo-Schans, bij Saftingen, gekomen, zonden de Hollanders hem een drietal kanonkogels achterna, waardoor het want beschadigd en een ketel op het dek doorboord werd — vandaar de benaming : « marmittenoorlog. » De Nederlandsche zeekrijgers namen de brigantijn in beslag, evenals een tweede schip, « De Verwachting », dat van Oostende naar hier was uitgezeild. Elkeen verwachtte zich aan eene bloedige botsing tusschen beide natiën en vol geestdrift las de burgerij de opgeschroefde lofspraak op den vorst en den stroom : « De Schelde dan is eene zeer oude, vermaerde en voórdeelige riviere, en wij moeten ons niet verwonderen, dat \'er hedendags om des selfs bevaeringe zoo groote poogingen worden gedaen dóór syne keyzerlyke Apostelyke Majesteyt Josephus de Tweeden, onzen genaedigen souveryn; men moet zeggen, dat hy een alzoo treifelyk werk is doende, als wel eertyds eenen Ptolomeus, koning van Aegypten, die niet sonder groote kosten eene groote gragt gegraeven heeft, gelijk ook gedaen hééft, volgens de historiën, den Aegyptischen koning Miro. Zoo hééft Cyrus, vorst van Persien, de riviere Gindis in verschyde loopen verdeylt. De voórbeélden van eenen Claudius, Sesostris, Semiramis, Xerxes, zoude ik hier konnen byhaelen, ten waere ik belooft hadde niet te wydloopig te zullen zyn... » (i)

IJdele lofspraak, welke eenige weken later als rook verzwond! Reeds den 8™ November 1785 werden de belangen van Antwerpen door den keizer ver-sjacheld voor eene som van ongeveer tienmillioen

(1) J.-A.-F. Pauwels : Beschryvinge van de vermaerde riviere de Schelde, 1785, bladz. 12.

-ocr page 143-

— 137 —

gulden en zelfs de gewapende betoogingen van het volk vermochten niets tegen het overwicht van het schandige vredeverdrag van Fontainebleau.

Een nog verschrikkelijker slag trof op dit oogen-blik niet alleen de stad Antwerpen, maar schokte gansch het financieel bestaan van Europa : de zooveel belovende Aziatische compagnie bezweek in de maand Februari met een tekort van verschillige millioenen. juist op het oogenblik, dat 36 harer aandeden met een verlies van 90 0/„ werden verkocht.

Zoodra de belanghebbenden (1) deze droeve tijding vernomen hadden, vergaderden zij ten Stadhuize en benoemden er drie boedelredders (G.-M. lieerenbroek. Peter Bals en Joz. vanden Nest), welke tot belooning voor hunne moeite 2 % der uitdeelingon zouden genieten; echter moesten zijzei ven de noodige klerken en de kassiers van Ertborn en Zonen betalen en mochten nooit 1000 gulden in kas houden zonder gemelde kassiers te verwittigen.

De redenen van ondergang der compagnie zijn velerlei. In de eerste plaats dient geweten, dat op een gegeven oogenblik de factorijen overrompeld en hunne beambten, welke der ellende ontsnapt waren, gevangen genomen werden. (2) Dan, schier al de koopvaardijschepen hadden met kapers en schuimers te worstelen of zagen zich door Engelsche mededingers op sleeptouw genomen naar een bijgelegen eiland, alwaar de lading ten voordeele der aanhouders werd verkocht zonderdat de bestolen kooplieden aanspraak konden maken op de minste vergoeding, aangezien er geene aanteekening van

(t) Zie de volledige lijst, bijlage A. (2) Zie het volledig verslag, bijlage B.

-ocr page 144-

- 138 -

hunne goederen werd gehouden en de verzenders enkel volstonden met eene verzendingsverklaring voor Burgemeester en Schepenen bij hot afleggen van den eed : « Alsoo waarlijk moeste my Godt almachtig helpen en zyn heylig woord. » Hetzelfde gold voor die kooplieden, welke, altoos over Oostende, voor eigen rekening hunne schepen bevrachtten en de verklaring aflegden, « dat noch de koning van Frankrijk, Engeland of Spanje, noch de Staten van Holland, noch eenige persoon hoegenaamd daar eenig belang bij had, » (i)

Daarbij, zooals wij gezien hebben, was de compagnie met grofbetaalde ambtenaars overladen en stond zij in betrekking met zwakke bankhuizen : tegen einde Februari 1785 had de firma Perronteau, Delon en C\'e, te Parijs, eene som van 43,867 pond {livres tournois) af te leggen, wanneer zij hare betalingen staakte en aldus het genootschap in den steek liet.

Nu ontstond het eene rechtsgeding na het andere, uit welker bepleitingen wij meer dan eene bijzonderheid vernemen. Uit de loopende rekening, (2) aan de belanghebbenden overgemaakt, blijkt, dat de zaken der compagnie nooit naar behooren werden beheerd en men haar welgelukken veeleer van het lot dan van nauwgezette berekening liet afhangen.

Verder eischten de boedelredders 24,231 gulden 4 stuivers 9 oorden van den medebestuurder Bon do Borrekens en 204,110 gulden g stuivers 3 oorden van den modebestuurder Hendr.-Simon van Eupen, den opvolger van Dominicus Naegels, sommen welke

(1) Scahinale protocollen van 1781 tot 1790.

(2) Zie bijlage C. — De Graaf Kollowraih mat 600 ton, de Prins Kmtnilz, ile Oostenrijker, Maximiliaan elk 700 ton; Graaf Ziuzen-Jorff 900 ton {Gazette van Antwerpen, 6 September 1785).

-ocr page 145-

deze oud-bestuurleden waren schuldig gebleven voor door hen ingekochte koopwaar. Zij antwoordden echter : — In onze hoedanigheid van bestuurders, hadden wij recht op 2 0/0 van den bruto-verkoop; in November 1784 verkocht de compagnie :

voor 677,625 gulden 16 stuivers 6 oorden uit hel schip « Graaf Kollowrath voor 642,410 » 1 stuiver 11 » » » » «Prins Kaunitz », voor 594,348 » 6 stuivers » » gt; Do Oostenrijker»,

voor 760,424 » 6 » » Graaf ZinzendotiT»,

voor 575,187 17 » 5 ■-■gt; a Maximiliaan. »

3,24()1996 gulden 7 stuivers 10 oorden,

gerekend tegen 2 o/0 commissieloon, verzekerden ons eeno winst van 64,999 gulden 18 stuivers, die, gevoegd bij onze overige wisselbrieven en achterstallige eischen, een zwaar verlies voor ons daarstellen.

De boedelredders wendden zich tot andere schuldenaars : tot de weduwe Lombaert, welke nog 12,704 gulden 3 stuivers 11 Oorden achterstallig was en tot Theodoor-Frans de Haan, welke voor 1,069,487 gulden 3 stuivers 1 oord thee had gekocht en 120,418 gulden 2 stuivers 5 oorden schuldig bleef. Evenals gemelde weduwe, werd de Haan buiten zaak gesteld, omdat hij inbracht c nooit handel te hebben gedreven », vermits hij, met zijne bediening van boekhouder der verzekeringscompagnie, het ambt van rentmeester der armenkamer bekleedde, en enkel bij gemelden koop zijnen naam had geleend. (1)

Het is hier de plaats, om, als tusschengeval, een nader woord van dezen de Haan te zeggen, vooreerst omdat men er op zonderlinge wijze uit leert op welke personen de Republiek zich later steunde

(1) Vonmshoeck 1789-95, C 120Vquot;, 21 Juli 1787.

-ocr page 146-

en bovendien omdat men zal vernemen hoe er met bankroetiers — toen zegde men : « gebroecken coop-lieden » — werd gehandeld.

Wanneer de vader van bovengemelden de Haan, namelijk Jan-Hendrik, ten jare 1736 met jufvrouw Maria-Catharina de Winter in den echt trad, bracht deze « twelf silvere lepels ende twelf siivere four-chetten » als bruidschat mede. Deze geringe bijdrage belette toch niet, dat de man in zijne hmvelijksacte verklaarde : « Item ofte het by den wille Godts soo waere, dat den toecomenden bruydegom den eersten aflyvigen quame te wesen, soo gonde ende gaf hy aen de voorschreven jouffrouwe Maria-Catharina de Winter, myne toekomende bruyt, voor eene duwarie, boven haer voordeel in de meubelen haeffelycke goederen, de somme van twelf duysent guldens tvis-selgclt..... »

Jan-Hendrik de Haan, van Hollandschen oorsprong, was dus door de fortuin wel bedacht en genoot zelfs hare gunsten na zijn huwelijk, want in haar testament van 2 Maart 1751 bepaalde de Amster-damsche juffer Anna-Aarjens de Jongh : « .... Ten tweeden, te legateren aan \'t kint van Jan-Hendrik de Haan, wonende tot Antwerpen, hebbende een lamme arm, sonder dat de testatrice do proecise naam van dat kint verclaert te weten, een buys en gront tot Amsterdam in de Bakkerstraat, synde twee wooningen onder een dak, des dat by voor-over-lyden van t\' selve kint dit gelegateerde buys sal worden genoten by desselfs jonger broedertje Dirk-Jans de Haan. *

Er komt echter in \'t leven van eiken mensch, gansch op het onverwachte, een keerpunt van belang, dat ofwel alle hoop voor de toekomst ofwel alle vrees voor bange dagen doet verzwinden. Vader de

-ocr page 147-

— 141 —

Haan ondervond zulks op zijne beurt : zijn handel, na gedurende een twintigtal jaren in zulker mate te hebben gebloeid, dat den kinderen Maria-Regina, Jan-Hendrik, Theresia-Xaveria, Thcodoor- Frans en Jozef-Frans eene treffelijke opvoeding kon gegeven worden, verzwakte met de algemeene verlamming onzer handelsbetrekkingen, en weldra was het hoofd van het gezin genoodzaakt naar Holland te vluchten, uit vreeze hier voor bankbreuk te worden vastgezet (« civielyck geapprehendeert »). Niet lang overleefde de man den ondergang van zijn huls : hij stierf in Februari 1776, latende een overschot van 5gt;933 gulden 13 \'/j stuivers en eene schuld van 33,513 gulden 15 stuivers.

Dadelijk daagden de schuldeischers op, en nadat do Keizerin hun had herinnerd, dat de vrouw vóór allen haar aandeel moest behouden, stelde eindelijk de zoon Theodoor-Frans zich borg voor de schulden zijns vaders (1).

De zoon Theodoor-Frans de Haan was de eenige Antwerpenaar, die van 1794 tot 1795, onder het republikeinsch bewind, het ambt van maire of burgemeester van Antwerpen wilde vervullen en deze taak waarnam met alle de vereischte slaafsche onderwerping, kruipende tegenover zijne meerderen, hooghartig en zwetsend tegenover de bevolking. In 1797 stierf hij schielijk in zijne woning. Keizerstraat nr 10, hetgeen aan de lieden deed zeggen, dat de duivel hem den nek had omgewrongen tot straf voor zijne verkleefdheid aan \'s lands vijand.

Laten wij tot de Keizerlijke compagnie terug-

(1) Proceszakje D 6402 en Pronunciatieboeck 1776-83, f» 64 en 81, 15 November 177; eu 26 Februari 1778,

Anttu erpen in Je X VJ//e eeuw.

-ocr page 148-

— 142 —

keercn en zien met welke moeielijkheden hare boedelredders verder te kampen hadden. Ongerekend hunne talrijke betwistingen met de verschillige schuldeischers, zagen zij zich den 14™ Juli 1787 veroordeeld om den eisch van den hoofdklerk A.-J. Wouters te voldoen, die voor zijne reis uit Canton naar Oostende, waar hij den 28\'quot; September van het vorige jaar aanlandde, USS gulden besteed en dus zijne jaarwedde van 1285 gulden 14 stuivers opgeofferd had, zoodat hij aanspraak mocht maken op een achterstallig loon van 4162 gulden 7 stuivers.

Daarna trad de genaamde Maria-Elizabeth de Wilde als klaagster op, jammerende dat haar echtgenoot, Lodewijk van Soest, die van in 1778 medevaarde, in dienst der compagnie van ellende overleed op 6 Februari 1782, latende eene weduwe belast met drie minderjarige kinderen. Zij vergat echter te molden, dat baron de Borrekens en van Eupen haar edelmoedig ondersteunden, hetgeen onze Schepenbank echter te weten kwam en tot reden van afwijzing van verdere tegemoetkoming aanwendde.

Eindelijk konden de aangestelde beheerders zich met de eigenlijke belangen van het genootschap onledig houden en tot den verkoop der overgebleven goederen doen overgaan.

De boedelredding der compagnie eindigde in de meest volslagen wanorde. Van de zeven rechters, door den Keizer in 1785 aangesteld, bleven er ten slotte nog vier overig : Herry, Gomez, advocaat Eeckelaers en koopman Diercksens; de eerste en de laatste werden van hunne taak ontlast, om reden van maagschap met enkele belanghebbenden, en de openstaande plaatsen konden onmogelijk worden aangevuld. « Het is moeielijk», zoo schreef de stad aan den Keizer, lt; den raad van onderzoek te volledigen, vermits de

-ocr page 149-

— 143 —

meeste stadgenooten er in betrokken zijn; hetzelfde kan gezegd worden van het meerendeel der advocaten die geraadpleegd werden; van gansch het tegenwoordige magistraat kunnen wij slechts de schepenen Monteyremar en Vereecken met den oud-burgemeester Lunden voorstellen; tusschen de kooplieden kennen wij er geenen enkelen, die er geen recht- of onrechtstreeksch belang bij heeft. » (i)

Vijf zeilschepen der compagnie werden openbaar verkocht; het zesde, « den Graeve van Coblenz », bleef eenigen tijd dienst doen tusschen Oost-Indië en Triest. (2)

Droevig einde, voorwaar, van zulk schitterend begin, dat inderdaad de heilzaamste verwachtingen koesteren liet, en droeviger nog mag deze toestand heeten, wanneer men bedenkt, dat 38 renteniers over de noodige kapitalen beschikten om Frankrijk uit geldverlegenheid te redden. Inderdaad, bedoeld land had vanwege de Antwerpenaars de verzekering verkregen, dat ze bereid waren zijne lecning te volschrijven, doch de onderneming mislukte tengevolge van den weinigen ernst waarmede do beloften der Fransche regeering gepaard gingen. (3)

Karei de Proli, de hoofdman der compagnie, was niet het minst van allen te beklagen te midden van de geld- en handelscrisis, waarvan wij spreken. Niet alleen ging zijne fortuin verloren (op den dag

(1) Brief der stad, 3 Juli 17B9.

(2) Gazette van Antwerpen, 2?( October 1785, 14 Maart 1786, lt;) Februari 1787, 9 Januari 1780.

(3) De verklaring der Antwerpsche geldwereld komt, onder day-leekening van 26 Februari 1786, voor in de (J\'.nvres Poühumes van Lodf.wijk Tokfs, 1870, hladz. 124.

-ocr page 150-

- 144 —

van zijn huwelijk met Maria Sofia Vilain XIIII ontving hij van zijn vader een bruidschat van ico.coo gulden courant, mot meer andere gunsten); maar daarenboven zag hij stuk voor stuk van wat eens vroeger het zijne was, openbaar verkoopen.

Een openbare verkoop van vóór honderd jaar! dat moet wel der moeite waard zijn om in onzen tijd van overvloed en fijnen smaak te worden uitgepluisd — hooren wij den lezer roepen. En inderdaad, het bezoek van een rijkeliê-huis voor den Franschen inval loont de moeite onzer opsporingen en leert ons veel meer dan men oppervlakkig zou denken.

Ziehier dan wat wij bij de eerste veiling, in het huis de Proli, den i5ei1 April 1785, onder den hamer zien brengen (wij behouden de schrijfwijze en de bonte mengeling der onschatbare voorwerpen) :

c Een extra groote partye moderne meubelen, bestaende in zyde, damaste en andere imperialen, Turksche lit-d\'anges en andere ledikanten, cafarische zyde, damaste en riete stoelen, damaste en andere canapées, eene groote partye van alle soorten van mahoniehoute comodens, tafels en stoelen, differente moderne staende en tafelhorologien, een groote partye extra schoone pluyme bedden, oorkussens, extra schoone wolle matrassen, zyde, zitsc en andere spreyen, Engelsche en andere saergien, een groote partye extra schoone porcelynen, bestaende in differente tafelser-viesen, thée en caffé serviesen, een groote partye cadrilkaskens met perle-d\'amoere fisches, differente schoone porcelyne figuerkens, een groote partye Engelsche cristalle roomers, glasen en caraffen, differente extra schoone cristalle lusters en dessert-spiegels, verscheyde schoone Engelsche, Turksche en andere vloertapyten, een extra groote partye schoone

-ocr page 151-

— 145 —

Chinesche en andere stukken zyde stoffen, een extra groote partye lymvaet, bestaende in damaste en andere tafellakens, servetten, slaeplakens, flawynen, handdoeken, mans gegarnierde boven hemdens met kant en andere, mans onderhemdens, extra schoone toilletten zoo met kant gegarniert als geborduerde, een extra groote partye vrouwe en manskleederen, bestaende in parterre, damaste, zilverelaekene sokken en rokken, gegallonneerde, geborduerde en effen manskleederen, een groote partye tinnewerk, bestaende in differente tafelserviesen en andere, een groote partye koperwerk, een extra groote partye van alle soorte van wyn en liqueurs, opgelegde provision ». Dat was nog niet alles — in verre na niet. Don 23equot; April werd er te koop gesteld, in de tweede veiling : « eene extra groote partye excellente wynen, bestaende in witte Fransche, Rynsche, Bordeauxsche, Malaga en andere Spaensche wynen, voorders differente excellente Liqueur-wynen, Franschen brande-wyn, Engelschen rum, Engelsch bier en eene partye fyne oliën. »

Den 27™ April, derde veiling, verkocht de roeper het zilverwerk, « bestaende in zeer schoone moderne ten deele vergulde terrines, zilvere schotels en tal-loircn, verscheydc dien- en terrienlepels, diversche lepels en fourchetten, messen met zilvere hegten, pot-de-vinaigre, mostaertpotten en peperbussen, zoutvaten, cruysvoet met zilveren Godt en hgueren, zilveren kelk en patene. »

Den 1 icn Juni, vierde verkoopdag, was de beurt aan «\' verscheyde moderne koetsen en rytuygen, zeer schoone arnassueren en voorder peerden-getuyg, alsmede verschyde orangie, mirtus en andere boomen, haver, terwe, hoey en stroey. »

Den i6equot; Juni, vijfde verkoopdag, volgden de schil-

-ocr page 152-

— 146 —

derijen, prenten, brons- en marmerwerken « van de vermaardste meesters. »

Den 14en November.crj^; iierkoopdfig.vcrkochi men « de zeer rykc en kostbaere verzaemeling van boeken in alle wetenschappen, en onder welke zig zeer veele bynaer noyt voorkomend zyn bevindende, voords eene zeer schoone verzaemeling Politique Tractaeten, zeer schoone landkaerten, goudc, zilvere en andere medail-lien, kerkgewaet en meer andere rariteyten, door den zclvcn graeve de Proli in veele jaeren en met veel moeyte byeenverzameld. »

Eindelijk, den 5°quot; Juli van het volgende jaar (1786), was de zevende en laatste ver koopdag gewijd aan het landgoed te Eeckeren, met zijne vruchten, beesten en alem, totdat er niets meer overbleef van al de schatten des toenmaligen edelmans. (1)

Keizer Jozef, in den handel der maatschappij betrokken, had bij de ramp 50,000 en zijn minister Kaunitz 10,000 ducaten verloren; eene enkele straat te Antwerpen schoot er 1,800,000 gulden bij in, kortom, dit onheil mag een der grootste heeten, welke ooit eenige handelsstad hebbe getroffen. Dit zegt genoeg, dat alle groothandel volkomen onmogelijk was geworden en de eenige betrekkingen tusschen kooplieden als de laatste genster van eenen vuurgloed uitdoofden.

Alvorens vier tonnen levertraan,te Gentgekocht,in ontvangst te mogen nemen,moest de huidvetter Petrus-Jozef Willaert bevestigen deze voor eigen gebruik te zullen aanwenden, « sonder de selve elders te ver-koopen, \'t sy met tonnen oft met eenig klyn gedeelte der selve, directelyk nogte indirectelyck, » op boete

(1) Gazette van Antwerpen, 15 April, 10 Juni, 14 October 1785 en 30 Juni 1786.

-ocr page 153-

— 147 —

van 200 gulden telkens; (1) verder konden de op zee bestolen kooplieden maar zien hoe zij zich uit den slag-trokken en werd hun aanbevolen de omzichtigste maatregelen te nemen tot verzekering der weinige alsdan verhandelde koopwaar : kant, zeep, olie en kurk. (2) Er kwam dan zelfs een oogenblik, dat de verzendingen te water grootendeels waren opgeschorst, want toen op 7 December 1792 de koopman Laurentius Solvyns eenc baal Pommersche wol van 525 pond, voor het maken van hoeden, naar de weduwe Dele Salie Boutry, te Rijssel, verzond, geschiedde zulks per boot op Gent en vandaar per vrachtwagen naar de eindelijke bestemming. (3)

Alleen de handel in tabak bleef regelmatig in voege, alsof men eens te meer hadde willen bewijzen, dat de voorwerpen, die best kunnen gemist worden, het zorgvuldigst worden ter harte getrokken.

Niet lang geleden plaatste de heer P. Génard, stedelijke archivaris, eenige pakjes tabak van 1692 in het Museum van oudheden tentoon; wij openden en wogen er een van en bevonden dat het, zonder papier, een zuiver gewicht van 9 gram bevatte. Op den omslag staat als aanbeveling :

(1) Scahinalc Protocollen^ 17 Februari 1789, sub M. T. Colins, vol. nr.

(2) Comparut Corncillc-Joseph Osy, negotiant de cetle ville, qui nous a aflirmé sous serment qu\'il a réellcment payé le montant des marchandises piiscs par les Anglois a l\'isle de St. Eustage et réclamcesen sa faveur par Monsieur Songa, Consul imperial dans le grand tribunal de l\'amirauté d\'Angletcrre, suivant les factures qui sont actuellement dans le grefTe du dit tribunal, montantes a huit mille deux cent septante-neuf florins deux sols douze deniers, argent de change, dont nous lui avons dépcchc le présent acte. {Scabinale Protocollent 7 April 1791, sub Colins, vol, VI, 1° 129). — Verder Scabinale Protocollen van 1793.

(3) Scabinale Protocollen, 11 December 1792, sub Quertenmont, vol. II.

-ocr page 154-

— 148 —

« Zu F eld und Meer unil allen Orten Bin ich bewehrt etfunden worden. »

Op den binnenkant lust men :

« Wann sonst niehts mehr zu zehren,

Kan dieses Kraut ernehren,

Und allen Unlust wehren,

Die Frülichkeit vermeliren,

Viel bösc Diimpf abkehren,

Die Prol) vvird solches lehren,

Wie lioch es sey zu ehren,

Und nicht wol zu entbiihren,

Jck kan dess Besten gwiiliren,

Als man nur mag begehren, »

Sedert dit tijdstip tot in de 18° eeuw was de binnenhandel in tabak niet veel aangegroeid; wel troffen wij ruim tachtig tabakhandelaars in 1704 aan, (1) maar tussehen hen was er menige in den aard van Daniel van Pellecom, welke, volgens zijne eigene

(1) J.-B. Marlens, Daniel vanden Bossche, Jacomo Verspreet, Guill. Bollen, Jan-üapt. Soolmaecker, Jac. Annoni, Fr. de Genster, Marten Potleau, Andries vanden Schrieck, Andreas du Pond, Jan-Bapt, van Praet, Daniel van Pellecom, Simon Hendrix, Ant. Matlhyssens, Corn. Diellis, Pauwel de Vries, Jan Stoes, Geert van Isterdal, Theod. Versantvoort, Henr. Bemes, Peter Leemans, Balth. van Hemeldonck, Jan Ophals, Fr. Waubers, Berber de Nys, Phil, van Meerbeeck, Mich. Gillis, Jan-Bapt, de Cocqueel, Ant. van Hespen, Mare Reniers, Frans tie Brembei, Corn. Michielsen, Henr. van HufTel, Jan Bervoeis, Bern, Laureysen, Corn. Lants, Mich. Ophals, Ever. Ceulemans, Huibr. Peeters, Ambros. Govaerts, Peter de Mol, Henr. Dirxsen, We Jac. Gheysens, Jan-Bant. vanden Essen, Peter Redonder, Margaretha Begga du Cocqueel, Jan Stuyen,Peter Cappel, Jan-Fr. Dierxsens, J.-C. Wouters, W0 Jeremias Cock, Jan-Carl gt; Heussens, Jeron. Galle, Jan-Ant. Doua, Ant. Hellin, Jos. Dame, Jan-G, Sucquct, Justo de Bruyn, Daniel de Licht, Gio-Hyacinto Proli, Petro Bartolotii, Karei Fremont, Peter de Hantsetter, Fr. vonden Wyngaert, Corn. Pauwels, Ant. van Simpelveldt, Phil, de Champs, Ant. Blanckaert, Jan StefTans, Jan Bapt. Laudon, Jeron. van Scharenborgh, Adr. van Eeckhoven, Henr. de Roo, Ferd. van Pruyssen, Ferd. vanden Broeck, M. de Putter, Ign. Engelgraefl\', Fr. van Gysegem, Henr. Brisigh, Jan-Fr. Kerslens, Peter Cleynhens, Jan-Karei Lambrechts, Jan-Fr. Schatten, W® Marlen de Winter. [Rtkwatbocck 1703-4, f0 182V0 en verder.)

-ocr page 155-

woorden, « hem geneerde met het vercoopen van ver-scheyde soorten van coopmanschappen, als tabacq, stockvisch, pampier en tabacqspypen. » (i) De tabakshandelaars waren dus eigenlijk winkeliers van allerlei kleinigheden, voor welker deur regelmatig de pachter van het accijs met den schout, met driepikkel en schaal, de voorhanden zijnde rookbladeren kwamen nawegen.

Langzamerhand groeide het gebruik aan, want in de jaren 1704 en 1711 verschafte het werk aan meer dan duizend huisgezinnen, gebezigd tot het spinnen van pruimtabak, terwijl, van den anderen kant, de winkeliers zelven den rooktabak mengelden en dus elks smaak trachtten te voldoen. Tevergeefs poogden de « fabricateurs van taback » zich tot een regelmatig ambacht in te richten en deden zelfs opmerken: « Nu ist soo, dat door de gantsche stadt van joden, smousen, ende andere persoonen in alle herbergen ende huysen soo veele gefabricqueerde tabacquen ende snuyff met de cleyne wort te coop gebracht, dat wij nouwelycx in onse winckels iets comen te vercoopen »; (2) de eenvoudige verkoop bleef behouden, totdat hij als een afzonderlijke handel door onze ingezetenen werd behartigd.

Alvorens echter zooverre te geraken, verliepen er nog menige jaren, totdat rond Antwerpen de tabakteelt in voege kwam. Maar dan was het graan kostbaar geworden en dewijl er sinds eenigen tijd te veel tabaksgrond werd bebouwd, kwam het Hof het zaaien van tabak voor twee jaren verbieden, op straf van 400 gulden per bunder lands en uitroeiing der planten. Ons magistraat kwam tegen

(1) Rekwestboeck 1702-3, f 33.

(2) » 1710-11, f0 2l8vo.

Antwerpen in de XVIII* eeuw.

-ocr page 156-

dezen maatregel in opstand, zeggende, dat de daartoe bestemde gronden reeds gereed lagen en Antwerpen wel buiten het bereik van het keizerlijk voorschrift mocht blijven, aangezien hier weinig tabak werd gewonnen. Deze opmerking had eenen zonderlingen uitslag : weliswaar werd het bevel van 27 Januari 1757 hier den igquot;quot; Maart afgekondigd, maar reeds den 26«quot; April verkondigde het Hof, als verzachting, dat de eigenaars van eene kleine plek grond nabij hunne woning tabak mochten winnen en den 50quot; December verscheen eene algemeene toelating tot het planten van tabak voor al wie zulks wenschte, terwijl bovendien de inkomende rechten op tabak in bladeren was afgeschaft. (1)

Rond hetzelfde tijdstip vestigde zich hier de eerste pijpenmaker, wiens nijverheid wel van naderbij mag worden beschouwd.

Gaarne hadde het magistraat eenen eigen fabrikant van pijpen tusschen zijne stadgenooten geteld, en het meende dezen wensch volbracht te zien, wanneer, ten jare 1732, de genaamde Jan van Boxcel, uit Hoogstraeten, zich hier vestigen kwam. Hij was de eenige maker van aardon potten en vormen, dienstig voor de suikerraffineerders van Antwerpen en Holland, weshalve hij eenige voorrechten aan onze stedelijke regeering vroeg. Deze verklaarde hem vrij van persoonlijken dienst, mits hij jaarlijks acht gulden aan de burgerwacht betaalde en schonk hem tevens eene halve poorterij, met besprek, dat hij nog meer gunsten zou genieten

(1) Plakkaten van den Hove, vol. 19, f0 i44vo tot 148™, fquot; 164 en l8l.

-ocr page 157-

« soo wanneer hy oock soude comen te maecken de fabricq van de pypen. » (i) Zulks gelukte echter niet: op eene vraag van het bestuur der domeinen, te Brussel, antwoordde het magistraat den 3™ December 1751, dat hier geene enkele pijpenfabriek bestond en de vroeger bestaande waren te niet gegaan bij gebrek aan de vereischte bescherming tegenover de mededinging van vreemdelingen (« faute d\'etre favorisées par quelques privileges ou exemptions particulières qui sont les seuls moiens pour pouvoir soutenir cette fabrique contre les machinations des fabriqueurs étrangers, ») Het stadsbestuur voegde erbij, dat de genaamde Karei Claessens, koopman, alhier, gevraagd had dergelijke fabriek te mogen oprichten, hetgeen des te gereedelijker diende toegestaan, dewijl deze Antwerpenaar door jarenlange ondervinding op de hoogte van den handel was.

De gevraagde vergunning verscheen den 14 Maart 1754; zij bestond uit een monopolium voor zes jaar, maar dan moest de vergunninghebber minstens twintig werklieden onderhouden, mits welke voorwaarde hij vrijen doorvoer voor de grondstof zou genieten; kwamen betere fabrikanten zich hier neerslaan, dan hield zijn alleenrecht op! Daarvoor was echter niet te vreezen : gemelde Claessens, « coopman in tabac, carotten etc. ende fabricateur van roockpypen, » zond voor de eerste maal, 22 October 1753, als stalen, naar het bestuur der domeinen, een kasken,ter lengte van omtrent 27 duim, ter breedte en hoogte van 8 duim, « gevult met differente soortten van roockpypen » van zijn fabrikaat; en wanneer hij i ten jare 1793, overleed, liet hij aan zijne zes kinderen

(1) Rekmestboeck 1731-32, fquot; 231.

-ocr page 158-

— 152 —

verwekt bij zijne echtgenoote Joanna Laudaens, een stevig fortuin en twee huisjes in de Schipstraat achter, nadat hij in 1789 zijn huis en winkel « den Vogelensan ck, » op den hoek der Hoogstraat en Suikerrui, had verkocht. (1)

Dit zegt genoeg, dat Karei Claessens geene mededinging te vreezen had en regelmatig zijne toelating zag verlengen. Geen wonder ; hier en in de Vlaamsche steden rookte men uit geene andere pijpen dan uit die van den Antwerpschen fabrikant, welke zijne grondstof (geheeten ter re de Derles) uit Namen trok en, naar het Hollandsch gebruik, zijne pijpen verniste met een mengsel van zeep, was, gom en water. (2) Alleen bij uitzondering stuurde men soms Hollandsche pijpen naar den vreemde, onder andere de koopman Max-Em. Solvyns zoon, welke op 13 December 1781 te Amsterdam in zijn schip « De Hertoginne Amalia van Parma » ter bestemming naar Cork liet laden : « 20 cassen gelaesewerck, /2 cassen pypen, 1 casse speelcaerten en 300 gemyne stoelen. » (3)

Eén zoon van Karei Claessens, namelijk Andreas, zette, zoo niet het pijpenmaken, dan toch den tabaks-

(1) Protocollen van stadssecretaris de Ballin, vol. 1750-51, stuk nr 859.— Scabinale Protocollen, 22 October 1753, sub van Paeschen. — Plakkaten van den Hove (handschrift), vol. 19, f° 4V. — Scabinale Protocollen, 6 October 1789, sub Verrydt, vol. 26. — Protocollen van notaris H. F. Verhaegen, testament van 19 Febr. 1783. — De kinderen van den eersten pijpenmaker waren ; de eerw. heer Jan-Jozef-Karei, priester en kapelaan in de hoofdkerk; Andreas; Anna-Theresia; Joanna-Catharina; Anna-Maria-Francisca (echtgenoote van J. B.-Melcluor Vossius); Anna-Maria-Theresia (liefdezuster in het Terzieken-klooster). De twee huisjes in de Schipslraat werden door de kinderen verkocht, den •«quot;April 1794 [Scabinale Protocollen, sub Podor, vol. II).

(2) Gazette des arts et metiers 1780.

(3) Scabinale Protocollen van gemeld jaar.

-ocr page 159-

— 153 —

handel voort en stond in 1793 aan het hoofd zijner vakgenooten, wanneer hunne belangen tegenover de Staatskas dienden verdedigd te worden. Men moet weten, dat de kooplieden in tabak, snuif en « carotten » kosteloos mochten verzenden naar het binnenland, mits hunne koopwaar vergezeld ging van een kelderbiljet, dat hun om niet werd afgeleverd door den officiaal van het tabakaccijs; enkel moesten de kooplieden zich ten platten lande « abonneeren » bij den « collecteur » der Staten, te Lier ot te Leuven. Tot in 1786 bedroeg dit « abonnement » 10 stuivers tot 1 gulden 10 stuivers \'s jaars; maar den 31™ October van gemeld jaar werd de laagste prijs op 1 gulden 10 stuivers gebracht, hetgeen veel gemor en onrust tusschen de tweeduizend familiën, welke bij de tabakbewerking hun brood verdienden, deed ontstaan. Gelukkiglijk had de nieuwe maatregel geene erge gevolgen, want zelfs in 1789 haalden de tabakhandelaars uit het stapelhuis 1.005.915 pond tabak in 990 tonnen en 38.612 pond in pakken, kassen en vaten, eene overgroote hoeveelheid voor dit tijdstip, die, gerekend tegen 16 tot 18 gulden de 100 pond, eenen schoonen penning liet verdienen. (1)

De kooplieden gehoorzaamden dus zonder veel tegenpruttelen; doch gekomen aan de twee laatste maanden van 1792 en de drie eerste van 1793, dus in volle Fransche woeling, wilden zij niets meer betalen, waarschijnlijk omdat zij reeds genoeg in hunne belangen waren gekrenkt door den inval der Republikeinen; en \'t was voormelde Andreas Claessens, die, gesteund door al de tabakhandelaars, eischte zich te mogen verantwoorden voor zijne « natuerlycke

\\i) Protocollen van den stadssecretaris P.-J. van Setter, vol. V, f 449. — Register van liet Stapelhuis, 1789.

-ocr page 160-

— 154 —

rechters, » voor de Schepenbank, en niet, zooals het hoogere bestuur wilde, voor den advocaat van Paeschen,« pretensen adjoint of substituet jugo délégue van syne Majesteits regten. »

De stad trok zich dezen twist ten hoogste aan; tweemaal (15 Juli en 13 December 1793) koos zij partij voor onze stadgenooten, (1) zeggende, dat het heffen van inkomende en uitgaande rechten eene vreemde uitvinding, tijdens den burgerkrijg van Philips II, was en « dat de Brabanders van alle ty-den niets soo seer ter herte hebben genomen dan geoordeelt te worden door hunne natuerlycke ende competente rechters ende dat sy altyt ccncn bcson-deren ajschrick getoont hebben van alle vreemden ofte gedelegueerde. » Het onderzoek dezer zaak ging niet verder; men voorzag van hooger hand eenen gunstigen

(i) Scdbinale protocollen van 12 Maart 1795. — De tabaUhande-laars in 1793 waren ; Bals, P., Basteyns junior J. B., Basteyns, J.-F, (voor weduwe Uagre), Begoden A.-J. en do Bock, Beullens P., Bynen We Henry, Briers Jos., Claessens Andreas, Canibier Edmond, Carolus-Egidius en zoon, Casleels Theod., Cooppal P.-J., De Bie Thomas-Jos. en zoon, Dirven-Neef en C\'0, de Broeta Jos., Dekens Petrus, Del-huvenne en Verbist, de Smet Fr., de Wael Karel-J., de Wolf echt-genoote G.-J., Dhanis S., Dillemans F.-G., Franceschini J.-B., Geuvels B.-J., Guiljams G., Guiljams G.-H., Hebrant Jac., Hermans J.-B., Hooghert X.-B , Janssens P. en Legrellc, fanssens en Vermout, Kanne-kens Cambier, Knudden Egidius, KochJ.-J., Kramp Eynen, Legrelle (We Geeraard), Legrelle Jos.-J., Leyssens Frans, Lombaert Wquot; G.J., Mens J.-B., Maes J.-B., Met de Penningen Adr., Michielsens Bene-dictus, Musschen J.-B.-L., Pauwels M., Pliarazyn Jac.-A.-G., Piek F. Xaverius, Pieters Jos., Ranson P. J., Segers AV0 J., Seuninckx J.-C., Solvyns Fr., Stuyck G., Solvyns J.-Fr., Stynen P., van Can-naert d\'Hamale H. en zoon, vanden Abeele G., vanden Berge J. H., vanden Brocck J.-Fr., vanden Busdom H.-J., vanden Nest Jos., vander Veken Ant., van Don G., van Eupen H.-S., van Genegten C.-J.-M., van Genegten J.-J., van Geetruyen M. V. zoon, van Hal J.-F. zoon, van Hoof J.-P., van Hoof Petrus, van Landen J., van Lerius Fr., van Lerius H.-P„ van Lerius Jos.-P., van Roie, van Tryst J.-B., van Hencxthoven Jan-Em. zoon, Veyt Amb.-J. en C\'quot;, Verbist Josef.

-ocr page 161-

— 155 -

uitslag wanneer de stad een vonnis zou moeten vellen, en men vreesde het ergste ingeval andere rechters dan de gewone zich in den twist mochten mengen; zoodat onze kooplieden niet verder verontrust werden.

De twee laatsten, Jcrome-P. van Lerius en Laurens Veydt, hadden te Triest laten laden, in bestemming naar Amsterdam, zes stukken en drie vaten olijfolie en honderd kassen zeep;hun schip, « Elisabeth Ger-harda » genaamd, werd gekaapt door de Fransche korvet « Atalante » en ofschoon zij als Fransche onderdanen werden beschouwd, konden zij er niet in gelukken eenige vergoeding te bekomen. De Franschen hadden den 16™ November 1792 de Schelde vrijverklaard, doch — zooals hierboven blijkt — mits voorbehoud, dat het rooven en plunderen hun was toegelaten.

-ocr page 162-

. . . . ■ , -

mm ■ ■ ;^ii- kWquot;\'

-ocr page 163-

IV.

ANTWERPEN OP VERSTANDELIJK GEBIED.

Toezicht over de scholen. — Inwendige schikking.

— Bekwaamheid van een handelsreiziger. — De gilde der Schoolmeesters in hare dage-lijksche bezigheden. — Eene enkele catechis-musles in de Fransche taal. — Een schoolmeester gegeeseld, gebrandmerkt en gebannen.

— Een genootschap voor cijferkunde ontbonden.

— Examen. — Letterkunde. — Toestand der Fransche taal. — Flinke verdediging onzer moedertaal. — Twist over het drukken van een boek. — Twee Jodenscholen. — Werk-scholen. — Verdelging van het onderwijs door de Fransche republiek.

EVERGEEFS zouden onze tijdgcnooten een punt van vergelijking trachten te vinden tusschen het schoolwezen van vroeger en dat van heden; vóór den Franschen inval wist niemand hier te spreken van inspecteurs, controleurs, verificateurs en dergelijke rijkbetaalde ambtenaars, en toch, op ééne uitzondering na, geschiedde het toezicht over de scholen streng en regelmatig, tot voldoening van eiken belanghebbende.

Kanunnik Ullens, die in zijne hoedanigheid van scholaster of schoolopziener het gewone toezicht

Antwerpen tn de XVI 11* eeuw.

-ocr page 164-

- 158 -

over de bestaande scholen uitoefende, was gestorven en ten jare 1737 opgevolgd door den scholaster G.-A.-J. do Bezerra. Deze trok zich zijne taak weinig aan. In de eerste tijden was dit ambt een eerepost, nu werd het betaald tegen drie stuivers per jaar en per kind, mits welk loon de titelvoerder minstens allo drie maanden do scholen moest bezoeken. Zoo verstond het echter de Bezerra niet, want in een smeekschrift, gericht tot het kapittel der hoofdkerk, zegden de schoolmeesters, dat hij, « niettegenstaendo differente minnelycke aensoeckingen, geene do minste functie van syne voorschreven offitie van scholaster heeft vvaergenomen, selfs niet eens geweirdigd de werckscholen te visiteren, wekclyckx eenen priester te seynden om catechismus te doen ofte eenige andere de minste function, aen syn ambt annex, te doen, op den tydt van volle seven jaeren. » Deken en kapittel onderzochten gedurende langen tijd de aangeklaagde nalatigheid, totdat zij eindelijk, den 241 April 1745, streng bevel gaven aan gemelden scholaster, zich zorgvuldig van zijne zending te kwijten.

Dit bevel bekwam den besten bijval, want later hoorde men nooit meer van eenige nalatigheid gewagen. Wat moer is, wanneer Z. Iloogvv. Bisschop J. Wellens in zijnen herderlijken brief van den 22quot; Februari 1779 den toestand der scholen besprak, bekende hij met fierheid, dat hier geen onderwijs ontbrak, « zoodat het de schuld van ouders of voogden is, indien de kinderen in onwetendheid opgroeien. »

En nochtans was er geene enkele school met pracht of overtollig onderwijsgerief ingericht ; zij bestond meestal uit een eenvoudig huizeken waarvan het eenige groote vertrek tezelfdertijd tot opvoedingsgesticht en huiskamer diende, opgeluisterd met eén palmtakje boven een kruisbeeld en eenig-e schrijf-

-ocr page 165-

— 159 —

modellen aan den wand, verder lanpe banken zonder lessenaar. Deze schikking was oorzaak, dat geene schoolmeesters met vroedvrouwen mochten trouwen, dan in geval zij aan hun ambt wilden vaarwel zoggen; men wist wat al praatjes bij dergelijke sticl-doensters gevoerd werden en men wilde de ooren der kinderen niet kittelen, door raadselachtige zinspelingen of aandachtvvekkend gefluister! (i)

Kooplieden en nijveraars eischten bovendien niet zooveel bekwaamheid van hunne bedienden als vandaag; cenige begrippen van Nederlandsche en Fran-sche taal, een vveinigje rekenkunde was alles wat men van eenen handelsklerk vereischte. (2) Wij mogen het schoonschrift niet vergeten te melden, dat in elke school de cercpUiats bekleedde en waarvoor zelfs de Franschman Moreau, overal gekend, zoo hij beweerde, om zijne ervarenheid in het versnijden van veêren pennen, zich hield aanbevolen, zeggende, dat hij deze kunst tot de hoogste volmaaktheid had gebracht en zes pennen in eene minuut tijds kon versnijden : « Je suis le scul qui ait porté ce petit talent a sa dernièrc perfection; je travaille de manicre a faire plaisir aux gens les moins curieux et peux couper six plumes par minute avec des canifs ordinaires. » (3) Niet waar, lezer, dat het onderzoek van het

(1) Rekwestboecky 1738-39, (0 92v0,

(2) Gazette van Antwerpen, 5 Augustus 1783 : « Un négociant étranger désireroit Irouver un jeune homme pour lui servir de secrétaire dans ses voiages, s^avoir dans la Ilollande, l\'Allemagne, la France et peut-être l\'Italie et la Russie. Les voiages dureront environ 18 niois, vers quel terns il sera de retour a Anvers. Le jeune homme do it étre mimi d* attestations de bonne conduite, it faiit qu\'il ait une belle plume) q it\'ll sac he le Francois, le F lam and on J lollandois, une bonne ortographe et Varithmetique. A s\'adresser chez M. Lis, négociant au Kipdorp, »

(3) Gazette van Antwerpen, 4 November 1791.

-ocr page 166-

— i6o —

onderwijs der i8e eeuw ons doeltreffend te stade zal komen, om den toenmaligen tijdgeest aan dien van heden te toetsen?

Het is zelfs onontbeerlijk, eenen stap verder te treden in het Fransche tijdperk, indien men den innerlijken toestand van elk destijds bestaande schoolhuis in oogenschouw wenscht te nemen, want dan eerst trad er eenc bespiedende macht, de politie, op, om elk gezin en elke stichting met nijdigen blik te beloeren. Dank aan hare aanklachten, konden wij te weten komen welke schoolboeken er gebruikt werden, uit welke vakken het onderricht bestond en hoedanig de zienswijze der schoolmeesters was, waarop de republikeinen zich steunden om hunne dolle leerstelsels te verkondigen. *

Doch laten wij stap voor stap onze schoolmeesters volgen in hunne bijzonderste handelingen, zooals zij die sedert de stichting van hun ambacht, ten jare 1468, gewoon waren te onderhouden; des te gemakkelijker zal het ons dan vallen, het nadeel der Fransche regeering op onderwijsgebied te doen uitschijnen.

Tot op het laatste oogenblik hielden zij, in de hoofdkerk, het altaar in eere, dat zij, gezamenlijk met de zeepzieders, in 1586-87 deden versieren met de kostbare tryptiek, die heden nog te zien is in de kruisbeuk der O.-L-.V.-kerk. Doch vermits laatstgemeld ambacht niet langer de helft der onderhoudskosten wilde bijdragen, richtten de schoolmeesters zich op 12 Januari 1710 tot ons Magistraat, opdat het de zeepzieders de keuze zou laten tusschen den afstand van hun recht op de helft van het altaar of betaling van wat zij verschuldigd waren. (1)

-ocr page 167-

— i6i •—

De zeepzieders Jan Carlo Nackens, Joan Baptista Dor, Gaspard Pauwels, Boudewijn Pieterssens en L. Michielssens wilden daar niet langer over redetwisten en stonden den 26cn Mei 1710 eenvoudig gansch hun recht aan hunne vroegere bondgenooten af, « sonder totten selven authaer eenigh \'t minste recht meer te reserveren, » zooals zij zich voor notaris uitdrukten.

Eenige jaren later wilden de kerkmeesters der kathedraal een nieuw portaal met doorgang langs de schoolmeesterskapel naar de sacristij maken, doch zoo behendig wisten de schoolmeesters hun « accoord » op te stellen, dat deze verandering voor hen eene ware weldaad werd. Vooreerst mocht ze geene inbreuk maken op de bezitting van het ambacht, zoodat de nieuw te maken altaartuin met de sieraden in hun bezit dienden te blijven; altaar en tuin werden derwijze geplaatst, dat de geroemde schilderij en dezer vleugeldeuren gced pasten; de twee beschermheiligen (Ambrosius en Cassianus) dienden verbeeld op de twee kartels nevens de pilasters en op de twee medaljons van den tuin; in de plaats van den gemetsten vierkanten altaarsteen, zou er thans een in « vorm van tombe » worden gekapt — kortom, het ambacht nam alzulke maatregelen, welke hem, in ruiling voor de dienstbaarheid van den doorgang naar de sacristij, een gansch opgesmukt altaar moesten bezorgen. Enkel betaalden de schoolmeesters 300 gulden wisselgeld als tegemoetkoming in de algemeene kosten.

Ondanks deze verfraaiing, verminderden de ontvangsten van het ambacht, voor het altaar bestemd, zoodanig, dat op 22quot; Mei 1758 de schoolmeesters besloten in het vervolg zeiven de waskaarsen te leveren en aan hunnen knaap, die zulke levering

-ocr page 168-

gewoon was te doen, in vergoeding\' dertig in plaats van vier en twintig gulden jaarlijks to gunnen.

Het ambachtaltaar, zooals men weet, diende enkel voor de schoolmeesters, bij lijkdiensten en kerkelijke feestdagen; wat de lessen van godsdienst betreft, deze werden des Zondags gegeven in de verschillige parochiescholen, door opzettelijk vanwege den scholaster aangeduide meesters. Daar leerde men tevens lezen, schrijven en zedelijke manieren; maar, zegde het schoolbestuur later, « de ondervindinghe ons geleert hebbende dat het zeer moeylyck is alle de scholen, soo groote als klyne, op de solve ure te vergaderen in de cathedraele kereke op den feest-dagh van den heyligen Cassianus met alsulcke stilte, eerbiedigheydt ende devotie, gelyck behoord in het Huys Godts, » zoo vaardigde de scholaster de volgende regeling uit : om 7 uren, al de werkscholen van St.-Andriesparochie; om 7 \'/a m\'en, die van St.-Joris; om 8 uren, die van St.-Walburgis; om 8 \'/2 uren, die van St.-Jacobs; om g uren, die van O.-L.-V.; om 10 uren, « alle de groote leerscholen. »

In het begin der eeuw, wanneer alle zaken den kreeftengang gingen, was dergelijke taak in verre na niet aangenaam! Op 15 October 1703 kregen de meesters van do Zondagsscholen, voor de eerste maal sedert 24 maanden, een jaar loon op afkorting, ongerekend de gure koude, welke zij hadden uit te staan. (1) Later verbeterde zulks, natuurlijk tot groot voordeel der armenkinderen, die dan ook milder bedacht werden. Deze kinderen waren in de Zondagsschool verdeeld volgens hunne naarstigheid : zij,

(1) Rekwestboeck 1703-4, 1° 83Vquot;,

-ocr page 169-

die \'s morgens en \'s namiddags ter schole kwamen, kregen doorgaans alleen het armenbrood; « en om hier van verzekert te zyn, zullen de meesters en meesterssen, gestclt over de aertne kinderen, aen do gene die smorgens in tyds komen eer de misse begonst is, geven een lootjen en aen de zelve, is \'t dat zy na middag in tyds komen naer den catechismus, een broodjen in plaets van het lootjen, datmen de kinderen alsdan zal afneemen » — zoo luidde het voorschrift, wolk erbij voegde, dat er geene dobbelo broodjes mochten worden gegeven « dan aen de gene dio de Paters zullen noemen. gt;- (i) Deze paters (de Jezuïeten) kwamen niet alleen de kinderen in oogenschouvv nemen en beloonen, maar op den derden Mei en derden Sinksendag gingen zij zelfs met de kinderen van al de kapellen naar de Jezuïetenkerk, \'s morgens en \'s namiddags, iets wat waarschijnlijk door den eenen ot anderen schoolmeester uit het oog werd verloren, want een nieuw bevel luidde : « Idcren meester is van wegens syn oflicie verobligeert mede te gaen, ieder met syne kinderen, ende daer by te blyven tot dat den goddelycken dienst sal geeyndight syn, op de verbeurte van 12 stuyvers, voor den armen. »

Opmerkelijk mag het heeten, dat slechts éene enkele catechismusles in de Fransche taal word gegeven, die, namelijk, in de kapel genaamd « D\'oude vunte, » nevens de groote kerkdeur van St.-Joris, door de paters-Jezuïeten, alwaar alle twee weken brood en alle twee jaren kleederen werden uitgedeeld. Deze stichting, die wij te danken hadden aan de edele familie vander Goes (2), mocht als hot ware

(1) Ordonnantie over de uildeeling van liet brood, 29 Jan, 171 1.

(2) Ken vonnis hierover komt voor op dagteekening van 8 Mei 1724, in het register ad hoc der O.-L.-V.-kerk.

-ocr page 170-

— 164 —

de vollediging\' heeten van het werk van jufvrouw Catharina-Carolina van Heck,, die, insgelijks in gemelde parochie, in het hoekhuis over de Capu-cinerssen, eene armenschool had gesticht. (1) En hiermede nog niet tevreden, mochten de schoolmeesters ten jare 1738 eene som van 700 gulden gebruiken tot herstel der huidvetterskapel, welke door de huidvetters verlaten was en geschikt werd bevonden om er catechismus te onderwijzen. (2)

Deze zorg voor de zielezaligheid van de schooljeugd straalde overigens bij elke gelegenheid door en hield den geest der priesterlijke en burgerlijke overheid altijd bezig. Hier was het de Bisschop, welke hartelijk verzocht goed zorg te dragen bij de voorbereiding tot de Eerste Communie en zijne raadgevingen aanving met deze woorden : « Als Paulus de Corinthianen leerde met welke gesteltenisse zij behoefden te gaen tot de H. Communie, zegde hij, dat een-ider zig moet beproeven eer hy van dit Brood eet en van dezen Kelk drinkt, want di-er onweerdelyk van eet en drinkt, eet en drinkt syn eygen oordeel. ■» Daar waren het de hoofden der gilde zeiven, beslissende, dat in den vervolge al de nieuwe meesters « zullen gehouden weézen van te gaen occuperen de plaetse dewelke in alzulke zon-dagsche capelle als den eerweerden heere scholaster zal bevinden vacant te weésen, om aldaer de jonkheyd te helpen instrueren, zoo in de goede zeden als ook in het Roomsch catholique apostolick geloove, mitsgaeders in het leeren in den boek, ende dat alle zondagen smorgens tusschen 9 ende 11 uren.

(1) Rekwestboeck, 1722-23, (quot; 51V0.

(2) Rekwcslboeck, 1738-39, fquot; 114VO.

-ocr page 171-

— 165 —

alsook naor den middag van 2 tot dry uren. » (1) Dan weder was het de priester Laurentius Willaert zich verbindende tegenover de keikmeesters van St.-Joris, om « zonder koste ofte laste van do kerk alle het kerke-lymvaet tweemael \'s jaers behoorelyck te zullen doen wasschen en reparéren, mitsgaders zondags en \'s llyligdags ende gedurende den Paesch-tyd dagelyks gratis uyt te ryeken in de voorschreven kerke de Heyligo Communie ende bovendien te zegenen met de reliquien van den Heyligen Georgius, H. Dymphna en andere van kerkswegen geexponeert wordende », enkel op voorwaarde, dat hij zijn leven gedurende het huis geheeten « De Schole van St.-Joris » mocht bewonen. (2)

Onze voorzaten — gelijk wij verder zien zullen — waren in geenen deele vijandig aan de geestesontwikkeling hunner tijdgenooten. Een nieuw bewijs daarvan ligt in het feit, dat Joz.-Ant. Bartels, priester en kanunnik in St.-Jacobskerk, den 17®quot; April 17S1 toelating verkreeg, om kosteloos aan arme menschen, zoo oude als jonge, het lezen en schrijven te onderwijzen en daartoe « zoovele en dusdanige bequaeme persoonen tot syne hulpe en assistentie aenneeme als hy noodzaekelyk zal oordeelen. » Enkel moest hij artikel 4 der ordonnantie van 16 Eebruari 1756 in acht nemen, luidende : « Het inkom-gelt 154 gulden) ende voordere oncosten (16 gulden) sullen niet moeten betaelt worden dcor degene aen wie de heeren scholaster ende commissarissen sullen permiteeren arme scholen te houden oft te leeren sonder loon. » Niet alleen ontving het arme gedeelte

(1) Omzendbrief van den Bisschop, van 31 Januari 1763 en besluit van den scholaster, van 14 Februari 1764,

(2) O vei eenkomst van 27 Aug. 1775.

Si

Antwerpen in de XVIII* eeuw.

-ocr page 172-

— i66 —

der bevolking op deze wijze toch het noodige onderwijs; maar — wat ook zijne waarde heeft — het onderwijzend personeel gedroeg zich onberispelijk, op eene enkele uitzondering na, hetgeen wel eene afzonderlijke melding verdient.

Inderdaad, tijdens gansch de i8e eeuw troffen wij slechts eenen schoolmeester aan, met name Jozef van Bockhaven, wonende in de Wiegstraat, welke in 1748 op 24-jarigen ouderdom in het ambacht trad en zich het volgende jaar aan schriftvervalsching bezondigde.

Gedurende eenigen tijd hadden de kleermaker Jan-Baptist Mertens en diens gade Anna-AIarga-retha Packe eene vrouw geherbergd, wier echtgenoot Pitot naar Indië was vertrokken; de vrouw, in 1741 overleden, liet niets achter, maar bleef 30 gulden aan den kleermaker schuldig. Daar vernam men plotseling, dat ook de uitwijkeling in den vreemde was gestorven en nog eenig geld van de Zeeuwsche Kamer had te trekken. Deze kleine erfenis streelde de hebzucht van de echtgenooten Mertens in zooverre, dat zij op zekeren dag bij schoolmeester van Bockhaven binnenkwamen, ten einde gezamenlijk middelen te beramen, om de erfenis machtig te worden. Er verliepen ettelijke maanden sedert deze bijeenkomst, totdat op 17 Juli 1749 de bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie uit Middelburg aan ons magistraat lieten weten, een ambtelijk stuk uit Antwerpen te hebben ontvangen, dat hun, door zijnen zonderlingen vorm, het grootste wantrouwen inboezemde : weldra bleek het, dat de handteekens der secretarissen nagemaakt en de zegels vervalscht waren.

Het was te voorzien, dat de schuldigen niet al

-ocr page 173-

— 167 —

te streng- zouden gestraft worden. De hoofdschuldige, van Bockhaven, bekende gereedelijk een certificaat te hebben opgesteld, waarbij verzekerd werd, dat vrouw Pitot nog in leven en dus bij machte was, om de nalatenschap haars echtgenoots te ontvangen; hem was eene belooning beloofd zoodra het geld zou aangekomen zijn. De kleermaker, van zijnen kant, deed insgelijks volledige bekentenis — de sporen van vervalsching waren overigens te duidelijk, dan dat men ze zou hebben geloochend, en deze feiten, zegde de stad zelve, zijn zoovele verzachtende omstandigheden ten voordeele der terechtstaanden. Gaarne haddc het Hof geweten, hoe hoog de straf voor den schoolmeester zou loopen; maar de stad antwoordde, dat hier geene uitspraak op het papier werd gebracht, dan na het mondelinge vonnis van den burgemeester en dat zulks geschiedde ter Vierschaar voor de lijfstraffelijke zaken, « waar alles mondeling gebeurde in bijzijn van het volk, naar het voorbeeld der Romeinen » (« tout s\'y fait ver-balement et en présence du peuple, a l\'exemple de ce qui se pratiquoit autres fois chez les Romains »)

Het vonnis, op 12 December 1749 geveld, deed echter alle hoop op verzachting verzwinden : het strafte den schoolmeester met geeseling, brandmerk, tentoonstelling « met een diffamatoir geschrift boven het hooft » en verbanning gedurende 25 jaar. De kleermaker en zijne vrouw ondergingen hetzelfde lot, doch hunne verbanning duurde slechts 15 jaar. (1)

Wanneer wij nagaan welke onderwerpen de

(1) Losse stukken : Préparatoire Jiformatiö\'n en Correctieboeckt van gemeld jaar.

-ocr page 174-

— 168 —

schoolmeesters in hun aannemingsexamen behandelden, blijkt daaruit ten volle, dat men ongelijk heeft het onderwijs van die dagen al te zeer te wraken of de toenmalige scholen te aanzien als eene plaats waar men do kinderen enkel deed « stilzitten ». Weliswaar strafte men het schoolvolkjc met do roede, de plak of het pronken in den ezelshock, maar dit laatste strafmiddeltje bestaat vandaag immers nog in sommige gestichten? Het is evenmin waar, dat elke schoolmeester de leerwijze volgde, welke hem de minst lastige toescheen, want het examen regelde den verderen gang van gansch het onder wijs, waaraan door niemand eenige wijziging mocht gebracht worden.

Doch alvorens daarover verder uit te,wijden, dient vermeld, dat de schoolmeesters zeer streng waren ten opzichte van onvrije vakgenooten of gezelschappen, welke zich met onderwijs inlieten zonder tot de ambachtskas bij te dragen. In het huis der weduwe Aerts, nabij de Burchtkerk, werd tot in Juli 1748 op onwettige wijze de cijferkunst onderwezen in een gesloten gezelschap, « welcke congregatie soo verre gaet dat aldaer als primus gedeclareert is bij seker criticq ende selfs strafbacr gedruckt papier, sekeren F. Verhaegen. » Het gezelschap, waarvan de schoolmeesters de ontbinding eischten, bestond uit de volgende burgers : Petrus llellaert, Dominicus vander Saecken, kleermakers, Franciscus Verhaegen, Cornelis vander Wijden, mandenmakers, Antonius de Winter, Joannes des Menten, kuiper, Balthasar de Los Rios, garen-twijnder, Joannes vanden Enden, Petrus Mendonck, vischverkoopers, Jos. van de Waeter, diamantslijper, Joannes Batkin, verver. Petrus de Schamps, peper-koekbakker, Jac. Allard, Joannes Broothuysen en Dominicus Nagels, klerken.

-ocr page 175-

— 1^9 —

De aangeklaagden poogden, zoo goed zij konden, aan de bestaande wetten te ontsnappen. — Wij hebben ons, zegden zij, sinds eenige jaren in de cijferkunst geoefend, « om onsen iever daerinne voorts te setten ende naermaels claerblycke teeckens te connen geven van onze wetenschappen ende volcomen ervarentheyt in de selve conste, ende ten dien eynde de selve in den gront te connen leeren ende ontdecken op sommige tyden ende uren, als

onse particuliere affairens sulcx best toelieten..... »

Zelfs, zoo lieten zij erop volgen, hebben wij ons in zooverre weten te bekwamen, dat wij, « sondcr jactantie », voor niemand in dat vak moeten wijken. — Wacht, meenden deze rekenkundigen, wij zullen ons in het Fransch tot den Raad van Brabant wenden, en geen twijfel, dan, of wij zullen in \'t vervolg ontzien en gespaard blijven. Zij deden zulks, noemden zichzelven « amateurs arithmeticiens, geometri-ciens et algebriciens.... », maar \'t was al boter tegen de galg; de bewijzen hunner taalkennis pleitten al te weinig in het voordeel hunner verdere ontwikkeling, dan dat het Hof van Brabant voor hen alleen eene uitzondering zou hebben gemaakt. Hunne ver-eeniging werd ontbonden.

Laten wij thans zien, tusschen de examen van 1776 tot 1791, welke vraagstukken ter oplossing werden voorgehouden.

Aan Frans-Cornelis Matheys stelden de onderzoekers deze vraag : « Wat is de regel van drie en waarin bestaat hij? » En de candidaat-schoolmeester antwoordde : « Om eenen regel van dryen te forméren, moet men vooreerst weten, dat desen regel bestaet in 3 getallen, te weten, de quanüteyt van ellen, ponden etc., ende den prys den welken men

-ocr page 176-

— 170 —

voor do solve betaelt oft voor moet verkoopon. Om dien regel op te stellen, moet men opletten dat het achterste en het voorste getal in syne egale specie ofte ponden, vierendeelen etc. balancere, om alsoo met het agtersto te multipliceren en met het voorste te divideren. » Men ziet dus wel, dat hij de vraag begreep; doch het verwijt, dat men hem doen kon, is, dat hij zijn antwoord in al te engen zin opvatte cn het niet algemeen maakte.

Met de Fransche taal bleven de candidaten meer in den steek. Hier hebben wij Noë-Frans Cruys-mans, die de vertaling eener ambachtsbepaling te maken kreeg en zich als volgt uit den slag trok. Wij zetten zijnen Franschen tekst nevens het hem aangeboden Nederlandsch :

\'i Gelyk men ondcrriclit is, dat de gilde van de schóól-meesters genoegzaem in staet is, om de jaerelyksche onkosten gevoegelyk te konnen vinden, ende dat vervolgent-lyk de jaerkosten van dc vrye meesters ende meesterssen als nu te saemen bedragende twee guldens en twee stnyveis s\'jaers, zouden konnen worden vermindert, zoo zullen de zelve vrye meesters ende meesterssen voortaen gestaen met te betae-len voor jaerkosten eenen gulden ende negen stuyvers.»

« Comme il est connu que 1.... (sic) des maitres d\'écoles se trouve présentement en état, pour pouvoir facilement trouver les frais des maitres susdits, et comme ces fraix (des maitres et des maitresses libres) montent a présent a deux llorins et deux sols par an, se pourroient dimi-nucr, ils seront a présent obliges de payer pour frais susdits un llorin neuf sols.


Een andere, J.-A. ïerbruggen, kampende met jan Diriken voor de openstaande plaats in St.-Andries-parochie, leverde het opstel :

« Rien parfait!

« La vertu sail met l\'homme en état d\'administrer des emploits publics. Les bonnes qualitis du cocur font les véritables mérites de l\'homme et le conduisent a la voye de pouvoir procurer le bonheur a la communauté bourgcoise ou a la Rc\'publique. »

-ocr page 177-

- i7i —

Deze vier laatste woorden klonken wellicht oproerig in het oor der onderzoekers, want de schrijver ervan mislukte in zijn examen (10 Mei 1783). Gelukkiger was zijn tijdgenoot Fr.-Ign. vander Borght, die als meester voor de Nederlandsche, Latijnsche en Fransche taal werd aangenomen, doch bij de proef voor rekenen niet gelukte. Ziehier het door hem geleverde werk :

« De wetenschappen sonder de deugd connen ons maer voor corten lyd baelen op dese werelt, maer dese te saemen gevoegt, helpen ons besonderlyk tot het eeuwig geluck, synde liet eenigste eynde tot welck wy geschaepen syn. »

« I.es sciences sans la vertue nc nous peuvent être avanbgeuses que pour peu de temps dans ce monde, mais cojoins nous prtnei-palemcnt assistent a la fortune éternelle, 1\'unique but a hiqtielk nous sommes crées. »

« Scienticje virtute carentes tantum brevi tempore prodesse possunt in hoe mondo sed conjunctie prcecipue nos juvant ceternoe foelicitati quoe linis unicas ad quem creavi tumus. »

Men had hem het verschil tusschen het grootste van de « gebrokens » 3/4, 4/5, 13/16 en 7/8 gevraagd, waarop hij antwoordde : « Het grootste is het getal 7/8 en het verschilt van het minste, te weten van het getal de 3/4, 40/320 ofte 1/8: van het volgende getal hetwelck is 4/5, 24/320 ofte 3/40; van het getal 13/16 verschilt het 23/320 ofte 1/16. »

Nog had men denzelfde een paar rekenkundige vragen voorgehouden, welke hem gedeeltelijk in het nauw brachten. — Drie personen (A, B en C) zegde men hem, maken een gezelschap uit, gedurende een jaar. A brengt 455 gulden, B 550, en C 448 gulden in, doch na verloop van 4 maanden tijds legt C er nog 378 gulden bij : hoeveel moet A na 5 maanden en B na 6 maanden inbrengen om de winst in drie gelijke deelen te splitsen? Het antwoord van van

-ocr page 178-

der Borght luidde : A moet 420 en B 300 gulden bijleggen.

De laatste vraag was : De koopman A zendt uit Parijs aan koopman B, te Antwerpen, 1,030 croonen en 10 stuivers op C te Amsterdam, den wissel tegen 45 3/4 Bacco voor 3 Fransche livres. B verkoopt den brief a 3 7/8 % a7icivs : hoeveel Brabantsch courant geld zal B ontvangen? — Wat hij ook beproefde en hervatte, vander Borght gelukte er niet in de herleiding tot een goed einde te brengen en gaf zijnen moed op.

Bovengemelde J.-A. ïerbruggen herkanste inmiddels, ten jare 1787, en werd inderdaad alsdan bekwaam bevonden, dank aan de volgende vertaling :

« De ervaerendheyd van ecnen meester in de letterkunde alleen, zonder dat deezea bezield zy met oprechte goede gevoelens van onze Religie, kan aen zyne leerlingen wel eenigzins vóordeelig zyn, vóór zooveel aengact het lydelyk goed van déeze weéreld, maer kan dezelve geenszins brengen lot liet eeuwig goed, tot het welk den mensch al-leenlyk geschaepen is. »

« L\'expérienoe d\'un maitre dans la littérature seule, sans que celui-ci soit animé de sentiments vcritabie-meiit bons de notre Religion, peut etre avantageux a ses disciples en quelque manière quant au bien tcmporel de ce monde, mais il ne les peut aucunement mener au bien éternel pour lequel l\'honimc est uniquement ciéé. »


Verder moest hij optellen (addéeren, hiet het) . 2/3, 3/4. 3/5. 5/6 en 3/8.

Zooals men wel denken kan, bleef de rijmkunst niet uitgesloten; integendeel, zij was den candidaat behulpzaam, doordien zij hem, door haren vorm, het middel ter hand gaf, om zijn « schoonschrift, » met veel krulletjes, ter bewondering te bieden. De genaamde Joannes van Ishoven, onder andere, dichtte vol vuur ;

« Den ouden salinen eeren,

Den jongen salmen leeren.

Den wysen salmen vraegen.

Den siecken salmen laeven.

Den dooden salinen begraeven, »

-ocr page 179-

ofwel

« De deught) dat schoon juweelgt; wirt menighmacl verschoven^ Gcleertheyt) die het gotidl en peirelen gaet te boven,

Is wel de schoonste crcon en menschen best cüoet, »

Beurtelings volgden puntdichten cn wijsgeerige spreuken, aardigheden of vergelijkingen elkander op. Nu eens dichtte A. Maes tot proef :

« PP\'ü sagh oyt achtereen twee nachteti oft twee dagen? Den nacht komt naer den dagh, den sonneschyn nacr vlaegen, Naer bly schap droef he yd komt, want \'t is van outs gt hoort, JJaer hlyschap is in hnys, staet droef he yd voor de poort. »

Dan weder rijmde Gerardus-Ucnr.-Joz. Driessens :

« I\'raye saeckcn aen te rechten, is een ecre voor een man,

Maer wie leert er aen den slechten dat hy selver niet en can? IVie can ander wysheyt geven, die geen wysheyt selfs en heeft? PVie leert andere wel te leven, als hy selfs niet wel en leeft?

Of Jan-Thomas P\'ighers gaf berijmde raadsels ten beste in dezen aard :

« Een gewas seer cleyn van waerden,

Door V gehrnyck seer groot geacht,

d\'Aider bes te schat op dïaerden Wordt door \'t selve voortgebracht.

Niet geplant noch niet geboren.

Evenwel des niet te min,

V IVascht nochtans en \'t conit te vore:,

Raed my wel, maer grypt den sin, »

« Komt, gy, jonge jeugt.

En leert dces edele const met vtengt,

Want als gy komt tot uwen grysen ouderdom s Dan sout gy wel weenen daerom. »

Wij hielden eraan, deze zeldzaamheden het licht tc schenken, omdat het onderhavige tijdvak arm aan lezenswaardige lettergewrochten is. Geen wonder : onze provinciën werden steeds als de afhankelijkheid

Antwerpen in dc XV/11* eeuw.

-ocr page 180-

— 174 -

van een vreemd huis geregeerd, en \'t kon dus niet anders, of hare eigene letterkunde bleef onderdrukt. De hoogore Regeering ondernam wel niets nadee-ligs tegen onze taal, maar hare onverschilligheid alleen was noodlottig en enkel in woelige tijden, onder het bestuur van Jozef II, kreeg onze bevolking allerlei blauwboekjes, hekeldichten, liedjes en spotzangen onder oogen. (i)

In rustige tijden waren de geestesvoortbrengselen onzer stadgenooten zeldzaam en veelal onbeduidend, zooals reeds in de laatste jaren der vorige eeuw werd opgemerkt. Dichters als J.-A.-F. Pauwels, Jacob van der Sanden en kanunnik Jacob Moons volgden gedeeltelijk, ja, het dichtspoor van pater Poirters, terwijl de geestelijke dochter Catharina vander Meulen en Jan van Campen stichtende refereinen verspreidden; maar zonder de herderlijke brieven van Bisschop Wellens of de spraakkundige voorschriften van een drietal schoolmeesters, ware onze nooit te volprijzen moedertaal wellicht voor immer verdwenen. En voorzeker zouden de Republikeinen, na hen, haar niet hebben verheven.

Men geloove nu niet, dat, ten gevolge der taalverbastering, het vreemde Fransch veel verspreid was; reeds hadden wij meermaals gelegenheid daarop te wijzen en onze opsporingen leidden te dien opzichte tot eenen uitslag, welken het de moeite waard is van nabij te beschouwen.

Hier hebben wij vooreerst eenen twist tusschen den priester Joannes Coelmont en de dekens der

(l) De Gazette van Antwerpen, van 1 Januari 1/88, meldt de opening van een leesgezelschap, waar men mits betaling werd toegelaten.

-ocr page 181-

— 175 —

schoolmeesters, ten jare 1749. Ecrstgemeldc was den 2en October door den scholaster waardig gekeurd om onderwijs te geven in lezen en schrijven, in het Nederlandsch, Fransch en beginselen van het Latijn, maar de dekens gingen tegen deze toelating in beroep, den 4on November daarop volgende.

— Wat zijne bekwaamheid in de Fransche taal aangaat, zegden zij, « hem voorgestelt synde door den heere commissaris endc oudt buyten ende binnen borgermeester Wellens, dat hy selffs soude kiesen een woort ende het selve conjugeren, heeft geadopteert het woordt batir, doch hy hadde met eenen van bouwen, slaegen gemaeckt in syne conjugatie... »

Ziedaar een priester, die niet in staat was om een eenvoudig werkwoord te verbuigen en zich bovendien aan nog ergere fouten vergreep. Hij had inderdaad te vertalen gekregen : « Mijnheer, ik bid u mij zonder uitstel de boeken te zenden, die ik u laatst gevraagd heb; gij zult mij eenen grooton dienst bewijzen en ik zal er u dankbaar om zijn, » en hij vertaalde letterlijk :

« Monsieur, je vous prie je fvouloir m\'envoier sens délais les livros que je vous aie clemandes dernièrement vous m\'en rendrez une sensible service et vous en aurais beaucoup d\'obligalion. »

Een schoolknaap zou het vandaag veel beter weten; maar toch wist de priester-schoolmeester zich zoo goed uit den slag te trekken, dat drie volle jaren later, den 29 Januari 1753, de twistende partijen verzoenend voor den commissaris (een .Schepen) verschenen en aldaar verklaarden « met malcanderen overeen gecomen te syn in der manieren naervol-gende, te weten, dat dese procedure sal comen te cesseren, doodt ende te niet syn ende dat den ccrwecrdighen heere Coelmont sal schoolmeester syn

-ocr page 182-

— 176 —

ende blyven. » Hij moest echter 40 gulden bijdragen in de proceskosten der dekens en bovendien het gewone inkoomgcld (nog 40 gulden) betalen. Dezelfde geestelijke werd vijf jaar nadien (11 Juli 1758) tot kapelaan van het ambacht verkoren en kweet zich zoo getrouw van zijnen plicht, dat de schoolmeesters den 28equot; Februari 1768 zijne jaarwedde van 9 gulden 8 stuivers op 14 gulden brachten, « uyt speciale erkentenisse van den dienst die hy is doende. » Hij overleed in 1774.

Het is gemakkelijk om raden hoedanig het Fransch onderlicht van dergelijken leeraar zal geweest zijn; wij kunnen dit zelfs van dichtbij waardeeren in eene andere betwisting, ontstaan naar aanleiding der kamervergadering van het ambacht van g November 1757, wanneer jufvrouw Anna de Liefde onbekwaam werd bevonden tot het geven van Fransch onderwijs. Waarschijnlijk lieten de keurders zich overhalen door hare jammerklachten of misschien ook wel door de bede van sommige ouders, want « om redenen per gratie en sonder consequentie » werd aan jufvrouw de Liefde toegestaan, dat zij « de jonckheyt sal mogen van buyten leeren eenige fransche gebedekens oft in het fransch eenige complimenten maecken, als : goeden dagh, hoe gaet het en diergelycke, »

De erbarmelijke toestand, dien wij op taalgebied komen vast te stellen, had zich ook, op het tijdstip, wanneer Maria Theresia de teugels van het bewind in handen nam, in het onderwijs der hoogere studiën gekenmerkt. Zoowel in het College, als in het Gymnasium en het convict der Jezuïeten, in het bisschoppelijk Seminarie en in het vermaarde klooster der Augustijnen heerschte volkomen beweegloosheid die plaats maakte voor een nieuw en frisch leven, nadat ten jate 1777, in het professie-huis der afge-

-ocr page 183-

- 177 —

schafte Jezuïeten, de « Militaire Academie » was geopend, zijnde eene kostschool voor de weeskinderen van krijgslieden. Veertig kinderen van officieren en 200 van onderofficieren en soldaten werden er onderwezen, de eerstgemelden in de Nederlandscho, Hoogduitsche, Latijnsche en Fransche taal, geschiedenis, wiskunde, vestingbouvvkunst, krijgsoefening, schermen, dans- en rijkunst, de laatsten in do Hoogduitsche en Fransche taal, toon- en cijferkunde, krijgsoefening en breien. Later kregen de armsten ook onderricht in de Nederlandsche taal. Men kon de leerlingen van dit geslicht goed erkennen : zij droegen een kleed van blauw laken met roode opslagen en schouderkragen. Ofschoon de kosten door den Staat werden gedragen, oefende de stad het toezicht uit en was zij tegenwoordig bij do prijsuitdeelingen, waar zilveren medailles en leesboeken werden toegekend aan de beste leerlingen, welke gedurende den schooltijd (2 uren vóór- en 2 uren namiddag) den besten ijver hadden aan den dag gelegd.

Het Hof wilde nog meer doen tot heropwekking van den letterzin onzer landgenooten : het stichtte den 16 December 1772 te Brussel de thans nog bestaande « Académie des sciences et belles lettres », doch eilaas! al de zittingen en schriften van dit letterminnend genootschap waren Fransch en men handelde bijna alsof er geen Nederlandsch bestond.

Hier, te Antwerpen, werden aanstonds menschen gevonden, waaronder een paar schoolmeesters, om eene « Fransche vergadering » te stichten (2 November 1783), dienstig tot onderlinge beoefening der Fransche taal. De inrichters zegden het duidelijk in hunne schikkingen : « Om te beter den voortgang in het Fransch te bevorderen, zullen de onderge-

-ocr page 184-

- 178 -

teekenden gehouden zijn hunnen grammaire van des Roches alle Zondagen mede te bréngen, op de boete van 2 oorden. »

Verder was er bepaald, dat wie zonder thema, pen of papier ter vergadering kwam, twee oorden voor elk vergeten voorwerp zou verbeuren. Het was er dus zooveel als eene school voor volwassenen, die echter de vermaken niet buitensloot, te oordeelen naar dit voorschrift : « Men stelt bij deesen voor, dry vrolyke daegen, te weten : Sondags voor ver-looren Maendag, \'s Maendags van Vastenavond en groot Carnaval, soo nogtans dat men den eersten keer een soupé sal gebruyken en waer voor ten onsen dienste sal neemen iederen avond twee koetsen. » Ue vergadering begon den tweeden Zondag der maand October, \'s avonds van 6 tot 8, en van half November, van 5 tot 7 uren. Eindelijk werd er nog vereischt ; « Den voorgestelde moet hpbben eenige kennisse van de taele die men doceert, soodanig dat hij in stact is eenig discours te konnen voeren. » (i) De gezellen van dit genootschap waren niet bij machte eenen wijden sprong te wagen, want tusschen hen bevonden er zich, die tenauwernood hun hand-teeken konden zetten. Alleen de schoolmeester j.-B. de Vos bood eene behulpzame hand : hij gaf te zijnent, van 8 tot 9 uren, kostelooze les in de Fransche taal,

(1) Ziellier de namen der stichters : A. Klincko, F. Meulemees, J.-A. Schermers, H. J. Tielemans, J.-J. van Houten, W. Roefs, F. van de Velde, |oz. van HoorenbeUe, J. Giliams, Andreas Dom, Phil. Jans-sens, J.-Fr. Danis, B. de Graef, J.-P. vanden Put, H.-F. Janssens, P.-A. Ansiau, F.-P. Huysmans, Jos. Ruysch, A. van Hael, Frans ClincUers, C.-J. de Coninck, Jan de Lathouwer, Slootmans, Frans Boncour, Arnold RycUen, F. Larivier, P. Oherts, Laurentius Steger, Frans Dobbeliier, G. dc Boey, F. vandcr Borght, Jacob de Coninck, Quirinus Hippert, Joz. Colpyn, Balthasar van Atrecht, Petrus Ruys, F. Abbeel, Genie de Graef, de Bie, C.-M. van Ducren, Vogels, Wouters.

-ocr page 185-

— 179 —

doch ontving van eiken leerling eenen stuiver, « voor vuer en licht » (i). Eindelijk telden wij na, dat er in gansch deze eeuw (van 1700 tot 1795) slechts 33 schoolmeesters voor Latijnsche taal in de gilde waren. Aan eenen genaamden Spyckernagel, die deze taal aan huis ging onderwijzen zonder lidmaat van het ambacht te zijn, werd zulks in 1758 verboden.

Keizerin Maria-Theresia kreeg eene gelukkige ingeving, wanneer zij, korts na de stichting der Fransche Academie, aan eenige leden van dit genootschap den last opdroeg, om het openbaar onderwijs in de hoogcre en lagere scholen te verbeteren door den invoer van doelmatige handleidingen en schoolboeken. Onze taal vooral werd daardoor in een gunstiger daglicht geplaatst, want voortaan, dank aan den officiëelen wenk van hoogerhand, zou de schooljeugd eenen leiddraad in handen krijgen, welke haar zou toelaten met kennis van zaken in de studie onzer spraak door te dringen. De beoordeeling, over den genomen maatregel uitgebracht door den Fransch-man Lesbroussatt, verdient bewaard en overwogen te worden, want zij is eene kostbare bijdrage tot den heiligen taalstrijd, welken wij in laste hebben tot de eindelijke zegepraal voort te kampen :

« Ceux qui reprochent au Gouvernement» — zoo liet Lesbroussart zich uit (2) — d\'avoir introduit des nouveautés dangereuses dans les colléges des Pays-Bas, devraient au moins donner des éloges a ce qu\'il a prescrit en faveur de la langue flamande. On suit jusqu\'a quel point elle était négligée dans les écoles. Les livres élémentaires, destinés a en faire connaitre les principes, étaient inconnus aux jeunes gens et jamais on n\'avait exigé qu\'ils en lissent usage. On ne prenait

(1) Gazette van Antwerpeny 3 October 1788.

(2) Zie zijn werk : De Véducation belgiqiiet on reflexions sur le plan d*études^ adoptépar Sa Majesté pour les colleges des Pays-Bas Autrichïens. Brussel, 1783, 279 bladz. in-120. Voornamelijk bladz. 39-45.

-ocr page 186-

— i8o —

aucun soin de les prcmunir conlrc les fautes, inevitables dans le langafje, lorsqu\'il n\'est appuyé sur aucune règle, ou de relever celles qui devaient nécessairement leur échapper, soit en parlant, soit en écrivant... II eft étonnant que le bon sens n\'ait pas fait longtemps auparavant ce que le Gouvernement a prescrit depuis avec sagesse. La langue ilamande fut-elle aussi pauvre et aussi faible qu\'elle est riche et énergique, puisqu\'elle est la langue du pays, elle devait néccssairenient faite partie de I\'lnstruction. Quoi de plus fatiguant et de plus désagréable que d\'entendre des hommes ornés d\'ailleurs de certaines connaissances, s\'exprimer dans leur langue avec une barl.arie et une triviality qui annoncent presque l\'impéritie?... Ceux qui con-servent encore un sentiment d\'amour pour la gloire de leur patre, voyaient avec peine qu\'elle fut tombée dans l\'avilissement et le mépris. Le Gouvernement vient, en quelque sorte, de la régénérer. En operant cette revolution, il n\'a fait que suivre l\'cxemple de tous les peuples savans. C\'est moins a ses victoires et pour avoir soulenu les efforts de toute 1\'Asie i|ue la Grcce doit sa grandeur, qu\'a la perfection et a la beauté de sa langue. Chez cette nation ingénieuse tout le monde s\'étudiait a la parler avec la plus grande purcté. Les Remains regar-daient la leur comme essentiellement liée avec la majesté de la Répu-blique, et ils auraitnt cru la dégrader, si, dans le commerce qu\'ils avaient avec les étrangers, ils eussent eu rccours h une autre (jue la leur. Les peuples qui, aprés eux, se sont distingués et se distinguent encore dans les lettres, n\'y sont parvenus qu\'en joignant a 1\'étude des langues anciennes une connaissance approfondie de la leur. Cette véritc est la base sur laquelle est nppuyée aujourd\'hui toute éducation raison-nable. Le gouvernement des Pays-Bas, jaloux des progrès de la jeu-nesse et de la gloiie de la nation, n\'a prescrit a Bruxelles, pour l\'étude du flamand, que ce qu\'on a conseillé a Paris pour le francais. »

De lezer zal met ons bekennen, dat derg-elijke taalverdediging, uitgaande van eenen Franschman, de oogen van vele verblinden moest openen; niemand kon onverschillig blijven bij het hooren dat een vreemdeling het Nedorlandsch amp; de landtaal » noemde en hare waarde gelijkstelde met de oudste en beroemdste spraken der wereld. Dan, deze waardige pleitrede kwam op de gelukkigste wijze staven wat reeds in 1761 de schoolmeester Jan des Roches in de voorrede zijner « Nederduytsche spraekkonst » had beweerd : « Men behoeft niet te vreezen, dat de jongheyd met het leeren der regelen van het Nedcrduytsch eenen tyd zal verliezen, die zy nuttig-

-ocr page 187-

lyker aen het latyn of andere taelen zou kunnen besteéden. Weihoe! zal men zes, zeven, acht jaeren bezig zyn met eene vreemde tacl, om die nog somtyds maer ten halven ie ieeren, en dan zyn leéven lang misschien zeven of acht occasit-n hebben om die duergekogte weétenschap te doen gelden, en vóór de grondige kennis der moedertael. die ons dagelyks te pas komt, zal eenen kleynen tyd ons te kostelyk en weynig moeyte ons te zwaer dunken? Zoo worden wy gelyk aen die groote reyzigers, die alles wecten wat in China of groot Tartariën te weéten is, en in hun eygen vaderland vremdelingen en onkundigen zyn. »

De verschillige verhandelingen over taal en spraakleer der Antwerpsche schoolmeesters des Roches, J.-D. Verpoorten, vander Borght, J. Ballieu brachten nu het hunne bij, om hun steviger begrip den leerling in te prenten; maar deze verbetering vorderde traagzaam, aangezien nog ten jare 1788 de Brusselsche advocaat Jan-Bapt. Verloy jammerde : « In deéze franschdolheyd woelen wy nog tot op den dag van heden, ja, nu nog meer dan ooit, en men ziet in onze tegenwoórdige staetsomstandigheden de schoonste zaeken miskleed of ontsierd dóór onze onbekwaem-heyd in die tael. Ja, men ziet er sommige, terwyl het hun vrystaet de moedertael te gebruyken, zoo onverdraeglyk fransch schryven, dat zy daerloc sc/iynen gedoemd geweest te zyn, by wyze van sehaud-boete, » (1)

De zucht naar verfransching werd destijds, jammer

(1) Verhandeling op iVonacht der moederlyke tael in de Neder-landen^ Maeslricht 1788. De schrijver was de trouwste aanhanger van Vonck, met wiens behulp hij de Brabantsche omwenteling bewerkte. Hij overleed den 4quot; Mei 1797, te Brussel.

y.ntwcrpcn in de X VUI*ccuvo.

-ocr page 188-

genoeg, onrechtstreeks in de hand gewerkt door de schuld van meergemelden Jan des Roches, welke met eenen vloed van toonteekens de Antwerpsche gewestspraak als officieel Nederlandsche taal invoerde. Hot Hof ondersteunde deze verkeerde zienswijze, welke vele jaren trouwe aanhangers telde en enkel kon dienen om onze taal bespottelijk te maken. Daarbij hadden onze schrijvers meermaals moeielijkheden met dc drukkers, iets wat evenmin geschikt was tot bemoediging der beoefenaars onzer letterkunde.

Zoo had de genaamde Jan-Andries-Jacob Rotthier, priester te Melsele, op 9 December 1780 een contract aangegaan, om zijne reis naar Jerusalem, gedaan in 1776-77, te laten verschijnen bij drukker Parys, alhier. Het boekdeel zou een octavo-formaat uitmaken en op 1500 stuks worden getrokken, waarvan elk de helft zou genieten. Daarenboven zou de schrijver 472 gulden 10 stuivers betalen en de 32 koperplaten bekostigen, doch in ruiling nog twaalf geschenk-exemplaren ontvangen, waarvan zes gebonden in Turksch leder; de drukker, van zijnen kant, zou alle kosten van aankondiging, brieven, behoorlijk octrooi, papier en verdere bijzaken dragen.

Er was dus, zooals men ziet, geen tijd bepaald, binnen denwelken het werk diende afgedrukt te zijn. De priester betaalde, doch zag niets verschijnen; en wanneer hij om inlichtingen bij den drukker kwam, vernam hij, dat deze in geldgebrek verkeerde. « Door compassie ende op de schoone beloftens van den drucker, » liet Rotthier zich bewegen tot het sluiten van eene nieuwe overeenkomst, ten gevolge van welke de drukker alle maanden 200 afdrukken zou leveren tot het bedongen getal en zes riemen papier voor de platen. Ditmaal was er verstaan, dat de 1500 exemplaren voor den priester alleen zijn zouden.

-ocr page 189-

- \'«3 -

waarvoor hij nog eene som van 350 gulden betaalde.

Dit gesukkel duurde tot in 1785, wanneer de schrijver vernam, dat reeds 929 afdrukken van de pers gekomen waren, « waeronder menige gescheurde ende besmeurde » en andere « die daer en boven soo om hunne fouten als sleghten druck bynaer onleverbaer syn ». Het ergste van al : sedert eenige maanden was de drukker overleden en nu wilde de priester schadeverhaal eischen van de zonen Jan-Egidius en Petrus-Jan Parys. Hunne moeder-weduwe verdedigde zich echter zoo goed zij kon. — Van de 929 afgedrukte exemplaren, zegde zij, werden er « maer eenige honderden gedebiteert », zoodat ruim de helft ter beschikking van den priester ligt. Terwijl mijn man aan den arbeid was, liet de schrijver 500 halfgedrukte boeken met de platen weghalen, en, wat meer is, hij deed in dit werk ook « het leven van Onsen Heere » opnemen, hetgeen in de

voorwaarden niet was bepaald..... De Schepenbank,

die dozen twist moest beslechten, was van oordeel, dat beide partijen zouden trachten overeen te komen, als wilde zij zich niet verder mengen in eenen strijd, welke enkel tot nadeel van boekdrukkunst en taalbeoefening kon strekken. (1) Het werk verscheen inderdaad, met het jaartal 1782, aan den prijs van 2 gulden 16 stuivers, doch de schrijver waagde zich niet aan eene tweede onderneming, want hij overleed den icquot; December 1819, in het aartsbisdom Mechelen, zonder iets anders te hebben uitgegeven.

Wij zijn eenigszins afgedwaald van de regel-

(1) Losse stuUken in de zakjeszaal 011 Protmnciüielocck, 19 April

-ocr page 190-

— 184 —

matige beschrijving der schoolmeestersgilde en moeten daar thans op terugkomen.

Tusschen de gebruiken, welke bij haar verloren gingen, verdient het feestmaal gemeld, dat vroeger, op den patroondag, door het ambacht werd bekostigd cn waar de gezellen zich dan deugd deden aan rijstpap, den alouden feestdisch der Vlaamsche keuken. In de 180 eeuw, daarentegen, bepaalde men zich bij eenen heildronk, wanneer een nieuwe deken of hoofdman in bediening trad, en verder dekte het ambacht alle kosten van onderhoud voor zijn altaar en het loon der bestuurleden :

« Vooreerst aen den heeren scholaster en conimis-

sarissen..................36 guUlen;

Aenden cnaepe, voor syn gasie.........30 » ;

Aenclen opperdeken..............12 gulden;

Aende dekens, voor het ophaelen van de jaerkosten. . g » ;

Aende selve, voor het ophaelen van de resterende jaerkosten het geheel jaer door, somtyts meer,

somtyts min................ 5 \' ■

Aen oncosten in de kerck op de twee patroondagen .10 » 10 st.;

Aenden knaep voor het gadeslaen, met 12 stuyvers voor missen te dienen en stroossel, laurieren en meyen en aenden sachristanus voor d\'orna-menton..................8 » 8 »;

Aen wassche keerssen, voor den autaer.....21 » 4

Aenden heer scholaster, voor een bonette..... 4 » ;

Aenden knecht en maerte van den scholaster .... 2 » 8 ^ ;

Op St.-Ambrosius en Cassianusfeest, met wyn . . 83 » ;

Inden keus vanden nieuwen deken wort verteert met

de heeren (van de wet)...........28 » ;

Item van het coffer t\'huys te brengen en t\'oversien . . 2 » 12 »;

Alsser eenen nieuwen ouderman gekosen wort...........

Aende missen van Sr van Brakel (scholaster) en

maerte....................................17quot;!

Aen het vagen van het welfsel (in de kapel)..........12»;

Aen het witten van de kerck..........12 » ;

Item aen jaerlyksche missen........... 6 » ;

Aen het drucken van quitantieu......... 1 » 14».

Hierbij kwamen de kosten van sommige rechts-

-ocr page 191-

- \'85 -

gedingen, het verlies van onvermogend geworden gezellen en eindelijk volgde deze nota :

« Alsser cenen nieuwen scholaster ofte hooftman comt, wort alsdan vereert met den wyn.

Alsser iet \'t ordonneren is met de heeren scholaster en hooftmannen,

wort alsdan verteert..................

Item comt voor de dekens voor 4 mael \'s jaers de scholen te

visiteren............ ...........

Alsmen eenen meester ofte meesteresse admitteert in presentie van de heeren scholaster, commissarissen, dekens en oudermans, wort

alsdan verteert.....................

Item voor particuliere dovoiren van de dekens, soo van onvrije persoonen, ah andere rusten..............

Deze laatste post beliep soms tot hooge sommen, verschuldigd voor processen en betwistingen van allen aard, welke de zeden onzer schoolmeesters van dichtbij kenschetsen.

Onder andere stond in de ordonnantiën van 1696 en 1698 het loon bepaald, ten welken prijze zij hun ambt mochten uitoefenen. Dit wilden onze gezellen veranderd, uitgeschrapt zien, en zulks om verschillige redenen. De eerste oorzaak bestond hierin, dat enkele van geloof verschillende personen kostelooze lessen gingen geven en daardoor buiten het bereik der wet stonden : « uyt dien binnen dese stadt syn verscheyden natiën van alle soorten van religion, die by de gemeynte gaen wt leeren die, gliecallengiert wordende, pretexteren hun sulex by ordonnantie gepermitteert te syn, omdat sy pretenselyck syn leerende voor niet ende geenen loon en trecken. »

Van uit hun standpunt gezien, met het oog op dit tijdvak, kan men het onzen schoolmeesters niet ten kwade duiden, dat zij maatregelen beraamden tot handhaving hunner godsdienstige zeden — ieder onbevooroordeeld man zal daarmede instemmen. Doch het volgende is van g^ootere beteekenis: « Behalvens »

-ocr page 192-

— 186 —

— zoo voegden de schoolmeesters bij hunne klacht

— « datter binnen dese stadt oock syn twee scholen van joden, alwaer oock schole gehouden wordt, d\'eene staende neffens het buys van Rubbens, by de Dis-calsen, ende de andere teghens over de Urselinnen, waervan den heere scholaster menigvuldighe dachten heeft gedaen, sonder effect... »

De schoolmeesters, vragende « specialyck gein-terdiceert te worden aen de joden binnen dese stadt schole te houden, op de pene bij u (het magistraat) te arbitreren », klaagden zelfs, om de pil te vergulden, dat hunne dekens werkmeesteressen aannamen « ryp ende groen, ghetrouwde vrouwen die selfs niet wercken en connen; » zij stelden ook voor, enkel in de toekomst te verbieden geenen koffie of thee meer op te schenken in de klas — maar \'t was alles tevergeefs : het magistraat nam geen besluit, vaardigde geene enkele ordonnantie, niet de minste plakkaat uit om de jodenscholen op de Meir en in de Otto-Veniusstraat te verontrusten en behield ze dus volkomen ongedeerd, totdat de omstandigheden of de vrije wil der schoolhouders er anders over beschikten. (16 Juni 1700.)

Er is nog meer.

Het jaar na deze aanklacht (9 Augustus 1701), stelde het stadsbestuur eene nieuwe ordonnantie op, welke tot rechtstreeksch antwoord aan het vertoog der schoolmeesters diende. Daarin werd, weliswaar, gezegd, bij artikel 1, dat, om tot het schoolmeestersambt toegelaten te worden, men onder andere een bricf-ken van den pastoor tot bestadiging der woonst en een ander briefken van den biechtvader moest toonen, ten bewijze dat, « sy syn vande Roomsche catholycke Religie, van deughdelyck leven ende goet compor-tement. » Maar verder, bij artikel 3, stond uitdruk-

-ocr page 193-

kelijk voorbehouden, dat « die vando arme scholen, ende andere, sullen ghepermitteert syn te leeren sondcr loon. »

De woorden : « ende andere » zeggen duidelijk — of zij beteekcnen niets — dat elke andere meester dan de katholieke mocht onderwijzen, zonder toezicht, zonder bewijs vanwege de katholieke overheid, dus in de meest volstrekte vrijheid van denkwijze. De stad, van haren kant, begunstigde mild het hooger onderwijs der paters Jesuïeten en Augustijnen en wees zeer zelden eene vraag tot ondersteuning van de hand. (i)

Het verval van sommige gewoonten verergerde door het weglaten van de uithangborden boven de woningen der schoolmeesters.

Er was den 19\'\'quot; Augustus 1701 geboden, dat er niet meer dan veertig schoolmeesters en even zooveel meesteressen in het ambacht mochten zijn, wonende op 400 voet van elkander. Op het uithang-teeken, anderhalven voet groot, moest het vak, door

(l) Onder andere het volgende vcrzoekschrifl : « Verlhoont revcren-telyck Pater Anthonius Rolliers, ingeborene deser stadt, hoe dat hy over de 27 jaren geweest synde inde religie van den H. Vader Augnstinus, door syne studie der theologie in de vermaerde universiteyt van Loven geadmitteei t is om den trap der doctoren in de 1 f. Godts-geleertheyt aldaer te beclaeferen, oorsaecke dat by sich is keerende tot UEerw., oodtmoedelyck biddende dat hy syne disputen proactu vesperiarum aen UEd. sonde moghen opdragen en steunende op de goede jonste tot de getrouwe ondersaeten, mach bccomen dusdanige vereeringhe ofte gifte, als andere religieusen in diergeiyeke occasie van UE. miltheyt hebben vercregen. Dwelck doende etc. »

« Is gecommitteert Jonker Alexander Joseph van Ilalmale, out borgermeester ende schepene, om Actum, 13 September 1721. » « Daernaer gehoort het rapport vanden voorschreven commissaris, myne gemelde heeren verclaren in het versoeck ten desen gedaen nyet te connen treden. Actum, 24 September 1721. »

Rekwestboccky 1721-22, f0 37.

-ocr page 194-

— 188 —

den eigenaar onderwezen, vermeld staan, en wat de stielscholfen betreft, deze ook dienden op hun naambord aan te kondigen dat daar eene « werk-schole of breynaerdtschole » gehouden werd. Welnu, dit gebruik verzwakte dermate, dat op 16 Mei 1721 de dekens der zes gezworen gilden (oude en jonge voetboog, oude en jonge handboog, kolveniers en schermers) klaagden over het kiezen van schoolmeesters in hunne wachten, « als niet connende weten oft sy geen teecken naer gewoonte comen uyt te steken vcor hunne respectieve wooningen. » De gezworen gildedekens voegden erbij ; — Als de schoolmeesters, die vrij van allen dienst zijn, geen uithangbord meer willen uitsteken, dat zij ons dan ten minste jaarlijks de lijst hunner gezellen overmaken, opdat wij aan geene verrassingen meer blootgesteld staan.

Het antwoord, door de schoolmeesters gegeven, bewijst ons, dat zij niemand gaarne in hun huishouden lieten snuffelen. Zij verkozen hun uithangbord voor den dag te halen, want, zegden zij, wij leven niet onder de bevelen der gildemannen, integendeel, wij bestaan lang vóór hen. Wat ons getal van 40 leden aangaat, ook deze beperking gaat niemand aan, « innesiende dat de schoolmeesters worden aenge-stelt ende geadmitteert door den heero Scholaster ende de heeren commissarissen uyt u Collegie daertoe gedeputeert. » Ten einde allen verderen twist te voorkomen, beslisten zijzelven het schoolberd ten strengste te doen uitsteken, zoodat de wapenmakers zich voldaan mochten achten (1).

In vroegere tijden, wanneer het ambacht zich

(1) Kamervergadering van 28 Mei 1721.

-ocr page 195-

— tSq —

tegen het onderwijs van een geestelijk gesticht aankantte, was dit laatste doorgaans verplicht het onderspit te delven en zijne onderneming te staken; zulks was, onder andere, het geval met de Ursulinnen uit Roermonde, welke door de schuld der schoolmeesters zelfs de stad moesten verlaten (1665) en er eerst in 1681 mochten terugkomen. Ook in de XVIITquot; eeuw hadden wij dergelijken twist aan te stippen, doch met eenen gansch anderen afloop dan in vroegere tijden : het was Aldegonde Thillens, overste der Apostelinnen, die de zaak ruchtbaar maakte.

— De schoolmeesters, zoo jammerde zij, hebben ons over eenige dagen (7 Mei 1731) willen verplichten tot het in dienst nemen van drie vrije meesteressen, om den kinderen te lecren werken, lezen en schrijven, voor welke meesteressen wij 52 gulden, boven de 2 gulden jaarkosten, zouden te betalen hebben. Zie eens, voegde zij erbij, welke groote gevolgen deze maatregel na zich slepen zou : ons huis staat open, het is geen besloten klooster, de meesteressen kunnen dus altijd heengaan wanneer hun zulks belieft, zoodat wij onophoudelijk voor nieuwe zouden te betalen hebben. Bovendien, wij werken tot vermeerdering der fabrieken van « witte gaeren canten », onze leerlingen betalen geen schoolgeld en wij zijn arm. Over 24 jaar (in 1707) hebben de schoolmeesters dezelfde poging als thans in het werk gesteld, doch zij legden hun hoofd in den schoot, nadat wij ons tot den Raad van Brabant hadden gewend. Wij kunnen zulks nog doen, doch keeren ons eerst tot u, « de protecteurs van alle goede fundatiën ende handtwereken ».

In gezelschap van den scholaster-kanunnik F.-G. Ullens, antwoordden de schoolmeesters : — De waarheid is, dat de scholaster onze dekens ten huize der klaagster heeft gezonden, « om haer int

Antwerpen in de XVII/0 eeuw.

-ocr page 196-

minnolyck voor te houden de menighvuldige dachten waer mede wy dagelycx wirden overvallen ». De Apostelinnen maakten akkoord met de ouders der kinderen, tegen 20 tot 50 gulden \'s jaars, volgens den arbeid, dien deze laatste konden leveren. Het gevolg hiervan was, dat elk kind, in \'t vooruitzicht van het beloofde loon, de gewone breischolen verliet, zonder den aangenomen leertijd te voltrekken en in de kloosterscholen zijnen intrek nam, « laetende de meesterssen veeltydts sitten met onbe-quaeme lappen ende ellen op kussens », derwijze, dat, wanneer de meesteressen eenig voordeel gingen genieten, zij door hunne leerlingen werden verlaten ten voordeele der geestelijke zusters. — Welnu, zegden de schoolmeesters, door de aanneming van ons voorste] zou de klagende gemeente grooten-deels bevredigd worden, want, bedenkt het wel : onze gezellinnen klagen putten in den grond « datter differente hunne scholen hebben moeten veriaeten, hunne huysen geabandonneert ende de stadt geruymt, hun begeven hebbende in andere steden, soo op begynhoven en andere plaetsen, » in zoo verre, « datter van de 200 scholen geen vierde paert meer en can blyven subsisteren, maer genootsaect syn van armoede daer uyt te scheyden. » Weihoe! zoo besloten de schoolmeesters hun verdedigingspleit, de Apostelinnen spreken van het jaar 1707? Hebben zij dan vergeten, dat zij toenmaals zelfs weigerden hun lokaal te laten bezoeken totdat zij vernamen, « datter ordre gegeven was van den stadts smit te ontbieden ende de deure in den vloer te slaen? »

De uitspraak van het magistraat, gegeven den 13 Juli 1733, getuigt voorzeker van veel toeneiging tot beide partijen. De Apostelinnen zouden vrij blijven van het bezoek der schoolmeesters, moesten

-ocr page 197-

— igi —

zich schikken naar de bestaande ordonnantiën en naar den eed van het ambacht; maar elk der twee lokalen (Meir en Paardenmarkt) moest aan de gilde het inkoomgeld met de jaarkosten van eene meesteres betalen, hetgeen verder alle 25 jaar zou hernieuwd worden. Dit vonnis werd streng gehandhaafd tot het einde. Wij zien namelijk in de door ons samengebrachte lijst van het onderwijzend personeel der 18\'\' eeuw, dat telkens, na verloop van 25 jaar (17,53, 1758 en 1783), elk Apostelinnenklooster eene meesteres in het ambacht liet opschrijven : Aldegon.de Thillens, Gertruda Schoonens (tweemaal), Anna-Catharina van Voorst, Anna Lemaire, Catharina Smits, Te rekenen van 1751, stortten deze twee gestichten jaarlijks eenen gulden.

Niet tevergeefs hielp het magistraat dergelijke scholen bevoordeelen, want de handel in garenkant verkeerde in de XVII* en XVIIIquot; eeuw in grooten bloei. Zelfs was het bij plakkaat van 20 December i0g8 verboden geworden de speldewerksters te misleiden en door schitterende beloften naar Frankrijk te lokken, om reden, zegt de plakkaat van Brabant, dat zulks het kantwerken uit het land zou verdrijven en strijdig wezen zou met de algemeene welvaart. De speldewerksters, die aan verleidende beloften het oor leenden, werden bedreigd met verbeurdverklaring harer goederen, schavotteering en geeseling.

Hier was waarlijk geen gebrek aan scholen, waar kant en fijnnaad werden beoefend; zelfs op het oogenblik dat de schoolmeesters de aangehaalde weeklachten slaakten over den ondergang dezer nijverheid, ontvingen zij het jaargeld van 116 bestaande werkscholen en elf nieuwe « werekmeesterssen » lieten zich in het ambacht opschrijven. In 1795, op \'t oogenblik der afschaffing, waren erin het geheel loy.

-ocr page 198-

— igz —

De handel in kantwerk, dat hier niet zoo fijn was als dat van Brussel en Mechelen, maar sterker (i), is thans grootendeels verloopen : de eigenlijke kantwerksters bestaan nog enkel bij naam en wij moeten onze volksgeliefde vertellers, Conscience en Snieders, ter hand nemen, willen wij nogmaals, in den geest althans, gekoesterd door de lieve meizon, staren op het gespannen raam onzer frissche kantwerksters, wier snelle blanke vingeren in radheid schijnen te wedijveren met het huppelend gehaspel der bouten. O! wat is er in den loop der tijden veel dichterlijks te leur gegaan!

Toen zelfs, te midden der aloude gebruiken en instellingen, moesten de vakgenooten dikwijls maatregelen uitlokken tot handhaving van hun recht. Eene ordonnantie van 7 Juli 1772 had bepaald, dat geene kinderen boven den ouderdom van zeven jaar mochten worden aangenomen, dan die waarlijk handwerk wilden leeren, waaruit sommige werkmeesteressen afleidden, dat zij kinderen beneden de zeven jaar mochten aanvaarden, zonder hun iets te leeren, « Het is reets soo verre gecomen, dat selfs onvrye persoonen sig bemoeyen met dusdanige kinderen in hunne huysen te houden op tittel van de selve maer gaede te slaan, » zoo jammerden de leermeesteressen en zij stelden de vraag : waartoe dienen wij dan, waartoe dient dan de scholaster? Spoedig nam het stadsbestuur de noodige maatregelen tot herstelling van het recht der leermeesteressen, welke alleen gemachtigd waren om jongere kinderen in huis te nemen en op te passen, eene taak die ons vandaag doet glimlachen, ofschoon zij destijds

(1) BRiAVOfNNrc, Memoirc sur le commerce%

-ocr page 199-

— ig3 —

de waardigheid van het schoolpersoneel in geenen deele kwetste. Voorzeker niet! want het waren de werkscholen, die in 1790 vol geestdrift bijdroegen aan de verdedigingsmiddelen van den lande, door hot schenken van een kanon, ter waarde van 300 gulden.

De gift is klyn,

Het inzigt ryn, »

zegde een opschrift; maar toch werd zij in allen dank ontvangen en met luister tor bestemming gebracht. Aan het hoofd van den stoet, bij deze gelegenheid ingericht, reed eene maagd, voorstellende de Eendracht, gevende door een jaarschrift te kennen, dat de band der eendracht \'s lands behoud verzekert : ConCorDIae neXUs aUXILlUM regionis.

Ter rechterzijde reed de Vrijheid, tentoondragende het afbeeldsel van eenen leeuw met de Latijnsche zinspreuk : « Ik verfoei het juk », ter linkerzijde, de Zegepraal, met het schrift ; « Door Gods hulpe. »

Aldus opgesmukt met talrijke zinnebeeldige personaadjes, vervroolijkt door muziek en trommelslagers, reed de aanleidster dezer « Maegdenschaer », de maagd Vrede, plechtstatig naar het Bisdom, thans het hotel van den Gouverneur, voorzien van den heilwensch : « Veel geluk in uwe vaderlandsche vrijheid ».

juist om twee uren, den 13 October 1790, trok deze optocht van uit het Kolveniershof door de Lombardstraat, langs de lange- en korte-Nieuwstraat, de Melkmarkt, de Kaasrui, de Grootemarkt, de oude-Koornmarkt, de Kammenstraat en de Schoenmarkt, alwaar de aanleidster, Coleta Wappers, eene eerbiedige aanspraak hield tot de vereenigde Congresleden, « om de bekome voordcelen te helpen handhaeven en vermeerderen ».

-ocr page 200-

— 194 —

Na een woord van dank vanwege de geestelijke overheid, trok de stoet terug naar zijn uitgangspunt, innig voldaan over de toepassing der spreuk :

\'k Wil zyn let onderstand Aen \'l lieve vaederland, »

en eens tc meer gesterkt door dit ander rondgedragen spreekwoord :

« Den ryken houd syn bors voor \'t grootste deel gcslóolen, \'t Heelt nog den ambagtsman en burger niet vcidinoten.

Den 8 November daarna brachten ook de kantwerksters hunne bijdrage in, en deze giften, sedert den 3 Augustus begonnen, zullen ongetwijfeld wel het meest welkom bij onze vaderlandsche verdedigers zijn geweest.

Eindelijk kwam de Franscho republiek zich hier vestigen; de opofferingen onzer goedgezinde burgerij waren zonder den gewenschten uitslag gebleven.

Doch alvorens de heldendaden der Franschc beschavers op onderwijsgebied te ontleden, dient hier een tweevoudig feit aangestipt, welk duidelijk aantoont, dat in den aanvang dezer regeering ons magistraat poogde getrouw te blijven aan onze vroegere gewoonten. Het verleende inderdaad den 4 Februari 1794 een hulpgeld van 200 gulden voor het jaar 1793, voor « het uytdeylen der prysen in de arme sondaegsche capellen deser stad, » zulks op vertoon van den laatsten scholaster Jac.-Joz. Bartels, die in zijn smeekschrift had gezegd : « \'t Is nu soo, dat sedert de nieuwe directie van den algemeynen armen, het getal der kinderen die tot den catechismus gesonden worden, God lof soodanig blyft aengroeyen, datter verscheyde capellen seker te klyn worden om de

-ocr page 201-

— 195 -

selve te vervatten en vervolgens de uytdeylinge der prysen sedert veel talryker on costelyker geworden is, te meer dat het g-etal der welhebbende geestelycko doghters, die tot vervoorderinge der christelycke leeringe seer veel contribueerden, allenskens meer en meer vermindert. » Ongeveer vijf maanden later (21 Juli 1794), kreeg ook de prefect J.-J—B- Tnt-groenewout, der paters Augustijnen, het gewone hulpgeld van 100 gulden, om in prijzen te worden uitgedeeld aan de studenten van dit vermaard gesticht. (1) Dit waren do laatste gunsten, door gemelde instellingen sinds vele jaren genoten, welke ons magistraat zich veroorloofde.

Inderdaad, onze schoolmeesters zelvcn voorzagen wat er van hunne aloude instelling ging geworden en lieten, « voor het welvaren van ons lant en tot ^ voortgang der catholieke religie », missen lezen op 28 December 1794, 25 Januari, 22 Februari, 29 Maart, 26 April, 31 Mei, 28 Juni, 26 Juli en 30 Augustus •795-

Maar inmiddels had het stadsbestuur vanwege de Brabantsche regeering bevel gekregen, de dusgenaamde « Rechten van den Mensch » in alle collegien en scholen te doen onderwijzen en de weerbarstige leermeesters op tc schorsen. Dan, de schoolmeesters wilden, op weinige uitzonderingen na, van geene republiek hooren; zij vergaderden op de Kolvenierskamer, volgens hunne rekening over 1794-95 : « Item voor het gebruyk van Colvenierskamer, tot het houden van eene generaele convocatie rakende het afdruksel van de Regten van den Mensch, ons toe-gesonden door de Municipalityt, 1 gulden 1 stuyver »;

(1) Collegiacl Actcnbocck.

-ocr page 202-

— iq6 —

daarna vroegen zij uitstel totdat hun scholaster, kanunnik Bartels, welke als gijzelaar te Douai was gevangen gezet, zou mogen terugkeeren.

Onze schoolmeesters beraadslaagden onderling. Bij onze intrede in het ambacht, zoo dachten zij na, hebben wij plechtig gezworen niets nadeeligs tegen het geloof of ons recht te laten ondernemen : hoe zouden wij dan kunnen dulden, dat een vreemdeling al wat ons heilig is, komt vertrappen? Zij waren van meening, dat de Hoogeschool van Leuven alleen bevoegdheid had, om uitspraak te doen in dit uitzonderlijk geval, en noch vermaningen, noch bedreigingen konden hen van deze zienswijze doen afwijken.

Dit talmen en uitstellen duurde te lang, volgens onze Fransche meesters en vooral volgens den zin van den gebieder Dargonne, die den i6en Maart 1796 t bevel gaf aan de commissarissen van politie, een volledig verslag in te zenden over den aard en toestand van elke school. « Ik aanzoek u », schreef hij, « mij den naam en aard der schoolhuizen en -meesters uwer wijk, met eene nota betrekkelijk de leerstof, de vaderlandsliefde, zedelijkheid en bekwaamheid van gemelde meesters, te doen kennen en of zij haat aan het koningdom hebben gezworen. »

Het onderwijs moest dus gegeven worden in haat tegen al het bestaande, om den revolutiegeest doeltreffend te koesteren; daarom, wanneer rond hetzelfde tijdstip {31 Maart) de schoolmeestersplaatsen op het Kiel en te St.-Willebrords openstonden, schreef de commissaris van politie Waefelaerts aan zijnen vriend Dargonne : « Ik hoop dat uw bestuur deze twee plaatsen zal wegschenken aan echte republikeinen en niet aan diegene, welke zich zouden aanbieden met eene aanbeveling van clericalen » (« avec

-ocr page 203-

- 197 —

des recommandations de calotins! ») En in dezelfde partijdige taal had burgemeester de Haan den ia Februari van het jaar te voren, bij de aanstelling van den eersten republikeinschen schoolmeester, Petrus Wynants, geboortig van Vreemde, geschreven : « Het magistraat dezer gemeente, bijzonder gelast met de opleiding der jeugd in de grondbeginselen der republiek (« dans les premiers principes du republicanisme »), benoemt u tot de plaats van wijlen Gerardus de Ridder, koster-schoolmeester van Deurne en Bor-gerhout. »

In dezen zin wilde de republikeinsche overheid al de scholen hervormen, doch zij vond zich deerlijk bedrogen. Het politieonderzoek bracht aan het licht, dat in de meeste scholen goed werd gewerkt, op zuiver godsdienstige wijze; het onderwijs was uitsluitend Nederlandsch, zonder de beginselen van het Fransch te bannen en het is geestig om zien in welke ellendige taal do politie poogt den spot te drijven met de spraak en het karakter van de schoolmeesters; zij noemt den eene : « fanatique », den andere een « camelot », eenen derde : « un anti-républicain v, of « un fiere (!) aristocrate », of « un caractère turbulante » (sic). Alleen de zeldzame Fransch-gezinden vonden niet alleen genade, maar werden aanzien als de grootste geleerden van hunnen tijd.

Eens, dat de overheid deze mededeeling in bezit had, was zij op voorhand verzekerd de echte plichtigen te zullen treffen, mocht de gelegenheid zich voordoen om plichtigen te maken. Dit oogenblik brak weldra aan ; de schoolmeesters werden verzocht tegenwoordig te zijn bij het feest van den 10 Augustus 1796, wanneer zij op de Groote Markt, ten aanhooren hunner schoolknapen, de rechten van den waren republikein zouden aanprediken. Dargonne had het hun voorspeld:

Anhvcrpcn tn dc XVI11* eeuw.

-ocr page 204-

— 198 —

lt; Daar het mogelijk kan zijn, dat gij, uwe plichten vergetende en enkel het oor leenende aan cene blinde kwaadwilligheid, het bevel zoudt miskennen, zoo ben ik gemachtigd u te waarschuwen, dat in zulk geval uwe school voor immer zal gesloten worden, zonder hoop ooit lot eene schoolmeestersplaats in de nieuwe inrichting van het openbaar onderwijs te worden aangenomen. »

Toch bleven de schoolmeesters onverschrokken thuis; slechts drie hunner : Jan Ballieu, P.-C. Raey-maeckers en F.-Tgn. van der Borght verschenen op het feest en werden nadien ruimschoots voor hunne rechtsverloochening beloond.

De eerste, Jan Balliêu, had vroeger aan zijne school vaarwel gezegd en zich in den handel gewaagd, doch deze onderneming was hem zoo slecht gelukt, dat hij zijn schoolmeestersambt moest hernemen — zulks bekende hij zelf: « Après avoir essayé beaucoup d\'in-fortune dans mon commerce précédent par des ban-queroutes considérables qui m\'ont réduit a, la dernière nécessité, j\'ai été obligé d\'abandonner ma fabrique et de recommencer mon école. » — Ik tracht sinds lang naar de gelegenheid, schreef hij den 2en Januari 1796, om de republiek te dienen, want ik heb veel te lijden om der wille mijner Franschgezindheid (« par mon civisme connu »), en dewijl ik vernomen heb, dat de plaats van gezworen roeper openstaat, ben ik zoo vrij die aan te vragen. Het stadsbestuur schonk de plaats echter aan zekeren Parmentier, die zelfs eenigen tijd lid van de regeering (municipaliteit) was en verhief Ballieu tot den rang van notaris (1 Januari 1797). Zijn gezel Raeymaeckers werd den 17 Mei 1800 zelfs aan het hoofd van het stadsbestuur geplaatst, nadat hij geruimen tijd in stadsdienst was geweesb als vertaler der ambtelijke stukken, zoodat hij veel

-ocr page 205-

— 199 —

bijdroeg om de Nederlandsche taal van dit tijdstip eenigszins te zuiveren. Wanneer men nagaat welke taal alsdan onder het volk werd verspreid, vraagt men zich af hoe het mogelijk was deFransche denkbeelden te willen ruchtbaar maken. Tot voorbeeld halen wij art. 34 der « Rechten van den Mensch » aan, welk in het Nederlandsch luidde : « Daer is verdrukking tegen \'t geleyfte der verzaeming als er een zijner leden is verdrukt; daer is verdrukking tegen elk lid, als \'t geleyfte der verzaeming verdrukt is » — hetgeen moest beduiden : « II y a oppression contre le corps social, lorsqu\'un seul de ses membres est, opprimé; il y a oppression contre chaque membre lorsque ce corps social est opprimé. »

De dertien wederspannige schoolmeesters mochten geene school meer houden, en wanneer een hunner, jan Terbruggen, het hart der Fransche regeerders poogde te vermurwen, smeekende zijn ambt te laten hernemen, kreeg hij kortaf neen ten antwoord (i).

Zoo waren dan tot de laatste hinderpalen van verbastering uit den weg geruimd en konden onze gebieders den vrijen teugel vieren aan hunnen haat tegen ons zelfstandig bestuur, ofschoon hun onderwijsstelsel, tot eer en roem onzer voorouders, nooit den minsten bijval verwierf.

De afstelling onzer schoolmeesters kwam overigens goed van pas, dacht men, tot betere toepassing der wet van 3 Brumaire jaar 4 (26 October 1795), welke het onderwijs o. a. verdeelde in lagere scholen, alwaar men leerde « lezen, schryven, cyfferen en de beginsels der republikaensche zeden ». Maar toch, ondanks de officieele ondersteuning, ondanks de

(1) Beslissing van ilcn sledelijken R:iad, van 29 Noveml)er 1796.

-ocr page 206-

— 200 —

sluiting der vaderlandsche gestichten van bijzonder onderricht, kon die wet hier niet gevestigd geraken, juist omdat ons volk getrouw aan zijn verleden wilde blijven.

Dan poogde het Fransch bewind een hooggesticht in te richten, namelijk de « Centrale School », in het voormalige klooster der Discalsen (21 Nov. 1797). Vooreerst werd er eene bibliotheek gevormd, met ontvreemde boeken der kloosters. Daarna, om de leeraars te betalen, nam de regeering hare toevlucht tot een zeer vernuftig, doch weinig aangenaam middeltje: het loon zou bestaan uit 15,000 kilo tarwe en 25 fr. voor eiken leerling per jaar. Onze Willem Herreyns, later bestuurder der schilderschool, was er leeraar van teekenkunde. Alles geschiedde er in het Fransch, van onze moedertaal was geen sprake meer en dit feit, gevoegd bij de alsdan heerschende armoede, maakte het bestaan der « Ecole centrale » van korten duur. Zij werd reeds in 1802 gesloten, ofschoon men den 23 November 1797, dus twee dagen na hare opening, den paters Augustijnen geboden had hunne lessen te staken, omdat deze den eed van trouw aan de republiek bleven weigeren. Gemelde paters hadden in hunne Latijnsche school, sedert 1608, een leger geleerden gevormd en mochten nu, ten loon voor zooveel diensten, in den vreemde een onderkomen zoeken, zich gelukkig achtende dat zij zoo laattijdig geduld werden en er hun leven niet bij inschoten.

Het mislukken van elk républikeinsch onderwijs had dus ten gevolge, dat de jury voor openbaar onderricht, aangesteld bij wet van 12 Frimaire jaar 6 (2 December 1797), niet veel werks te verrichten had, ofschoon menig bekwaam man er deel van maakte, onder andere de gekende Academie-secretaris en

-ocr page 207-

- 20I —

dagbladschrijver J. van der Sanden, die vanwege Dargonne werd gevleid met de woorden : « Deze bediening, goed vereenigbaar met uwen ouderdom, uwe gezondheid en uwe wijsheid, zal tot eer van uwe verlichte zienswijze strekken. » (i)

Zien wij thans hoe do rekeningen van het ambacht der schoolmeesters sloten. Hier hebben wij vooreerst de laatste kapelrekening, gaande van 26 Juli 17S4 tot 10 Augustus 1785. Met de ontvangsten en uitgaven te laten volgen, zal men seffens oordeelen van welken aard deze rekeningen waren.

In de ontvangsten staat vermeld ;

Boni van het vorige jaar.............86 g. 16 3/4 st.

On\'er op de z patroondagen...........29 » 6 »

Zes levende doodschulden ............3 »

OfTergiften van verschillige personen.........o»i8 »

Vrijgeworden meesters en meesteressen ......16» 19 »

Interest van 250 gulden Duitsch op do bank van Weenen

tegen 4 11..................14 »

Samen : 150 g. 16 3/4 st. In de uitgaven komt voor :

Missen gedurende een jaar.............. 14 gulden.

Aon den beiaardspeler en klokluider op den ;\\vond en feestdag van St.-Cassianus ..............10 » 10 st.

Aan den eerw. heer Britsen, voor zijn gewaad en bijstand

in de diensten..................3 » 14 »

Voor kaarsen....................4SI0»

Een jaar loon aan den knaap.............6 » o »

Aan de hellebardiers op den feestdag..........o» 8»

Voor het kuischen der kapel.............o »14 »

Samen : 41 g. 2 st.

Er bleef dus een overschot van 109 gulden 17 3/4 stuivers.

Wat de eigenlijke ambachtsrekening betreft, deze had, ja, in het dienstjaar 1699-1700, een tekort gela-

(1) Dossier 361, stadsarchief.

-ocr page 208-

— 202 —

ten van 683 gulden 16 stuivers; maar dit geraakte langzamerhand aangedelgd, en zoo teekendon wij den volgenden uitslag aan, op verschillige tijdperken dezer eeuw ;

Overschot :

In 1707-08, 198 gulden 13 1 4 stuivers.

» 1722-23, 153 1 » 3 oorden.

1747-48, 20 » 2 t/2 »

» 1763-64, 496 » 5

. 1791-92. 654 » 4 gt;/4 quot;

» 1792-93. 7\'7 » 1° »

» 1793-94. 9«o 5 quot;/4

» 1794-95, 800 »12 » 9 oorden.

Deze laatste boni, overgemaakt door deken P.-J. Brack aan deken A. Klincko, op 13 September 1795, werd herleid in 2 obligation (samen 606 gulden 13 stuivers 4 oorden), in 44 1/2 Fransche kronen (144 gulden 11 stuivers), in 15 kruiskronen (47 gulden 5 stuivers) en eene pasmunt van 2 gulden 3 stuivers 5 oorden. Het is duidelijk, dat onze schoolmeesters bevroedden wat er van hun geld zou geworden, moesten zij het in hunne kas houden liggen, weshalve zij het op bovengemelde wijze omzetteden, opdat de roofzieke Republiek er geen vat op hebben zou. Deze vond dus, wanneer zij de goederen van dit ambacht kwam aanslaan, geen roode duit; en \'t was eerst den 27 Juli 1825, dat de erfgenamen onzer schoolmeesters, J.-C. Lestcrlinckx en Joanna Pittoors, tot afdracht der 2 obligatiën beloofden te betalen aan de bestuurleden van het « Antwerpsch Schoolwezen » 48 gulden Nederlandsch geld \'s jaars, tegen 4 %. totdat de schuld zou aangevuld zijn.

Het eens zoo bloeiend en beschavend onderwijs was te niet, uitgeroeid door dat volk, welk hier, volgens zijne eigene bewering, gekomen was, om ons de vrijheid en het licht te brengen. Het had niets ver-

-ocr page 209-

— 203 —

richt, dat aan beschaving geleek; niets ontworpen, waarvan men heil of verbetering kon verwachten. In helderblauwe kleuren had het eene toekomst vol blijde verwachtingen afgeschilderd, eilaas! er hcerschte een zwarte nacht, nog akeliger geworden door hongersnood, ellende en sluipmoord, die hunkerend hunne beurt stonden af te wachten, (i)

(l) Ue bijzontlerheilcn van dil hoofdstuk, waarvan de bron niet staat aangeduid, werden door ons opgezocht in losse stukken en registers van de archieven der hoofdkerk en stedelijke regeering en benuttigd in onze Geschiedenis van hel onderwijs te Antwerpen sedert de vroegste tijden (onder pers).

-ocr page 210-

11

: ..Ü,,

-r-rU\'H......•iiyljwm

, ...........

,

.... ... . ■ ■■ .

ip

. t\'l

.

.

-ocr page 211-

V.

ANTWERPEN IN GENEESKUNDIGE EN RECHTERLIJKE ZAKEN.

Inrichting van den openbaren geneesdienst. — Vervoer naar het gasthuis. — Oordeel over de influenza. — Verbod tegen de pokinenting. — Kwakzalverij. — Geneesmiddelen van allen aard. — Het geval van den beenhouwer Gob-baerts. — Klacht tegen eenen apotheker. — Mismeesterd! — Reizende geneesheeren. — Laatste straatremedie vóór de intrede der Franschen. — Gevecht tusschen schippers en beenhouwers. — Verschijning voor de Schepenbank. — Erfenisdiefte gestraft. — Tuchtiging van jonge lieden. — Valschmunters. — Wapenbehandeling. — Zelfmoordenaars en tweege-quot; vechten. — Moord op de Veemarkt. — Eerste en laatste diefstal der 18\' eeuw. — Het schavot.

AAR men zich wendde of keerde, altoos was men op voorhand zeker, de meest eigenaardige figuur der XVIIIquot; eeuw, namelijk den geneesheer, te ontmoeten. Bij helder weder zou hij zich wel gewacht hebben zijne zieken in chees te bezoeken : daarvoor slenterde hij te gaarne langs straat en vest, den met gouden appel versierden wandelstok onder zijnen rechterarm, zijne beide

Antwerpen m ilc XVJ11* eeuw.

-ocr page 212-

- 2o6 —

handen ineengestrengeld op zijnen rug, fier den staart zijner grijze pruik onder zijnen drietip latende kwispelen en zijne kuiten, met helderwitte kousen bekleed, statig als een pauw tentoonspreidende. Zio liever hoe gindsche ambtsbroeders elkander begroeten : zij lichten eerst traagzaam den driekanten klap-hoed van hun hoofd, wisselen daarna eenen fermen handneep en halen eindelijk plechtstatig de onmisbare gouden snuifdoos te voorschijn, wel zorg dragende dat geen tabakskorrel op hun fijngeplooid lijnwaad stuive.

Wij volgen de geneesheeren tot aan hunne vergaderzaal, op de Oude-Waag, Collegium medicum geheeten, ingericht wanneer geene andere stad eene geneeskundige kamer bezat, en laten hen aan hunne gewone bezigheden over, om eenen blik over gansch den gezondheidsdienst der stad te werpen.

Men moet niet lang zoeken of geene wereldtalen kennen, om in tijd van nood eenige geneeskundige hulp te vinden. Ilier dragen groote vierkantige uitsteekberden in gulden letteren het opschrift ; stadtsdoctoor-, daar, boven gindschen winkel, steken twee hertskoppen uit, ten teeken dat er een apotheker gevestigd is; nog verder, aan gene deurpost, bengelt een scheerbekken — of, nog beter, er steekt een wit- en roodgeverfde vlaggestok uit, omdat de eigenaar uwen baard afdoet of u bij gelegenheid eene aderlating doet ondergaan. En gansch dit wereldje van pillendraaiers, verbandleggers en ader-laters legde soms eindelooze betwistingen aan, bevocht eiken indringer en zou nooit geduld hebben, dat vreemde personen zich met de zaken van het ambacht kwamen bemoeien.

Soms gebeurde het, dat de stadsregeering eenige vrijgevigheid moest betoonen, bijvoorbeeld wanneer

-ocr page 213-

— 207 —

het de begunstiging van eenen « specialist » of vermaarden vakman gold : aldus verleende zij eene jaarlijksche tegemoetkoming van 50 gulden aan den tandentrekker Carmeline, « constmeestcr van alle gebreken der tanden », op voorwaarde, dat hij de armen voor niet en de rijken mits eenen matigen prijs zou helpen, en een zelfde hulpgeld viel ten deel aan Nicasius Netser, « meester oculist », voor het genezen der oogziekten bij behoeftige lieden.

Op deze wijze bleef do geneesdienst ingericht, nu eens wat kariger, dan weder wat ruimer, naar gelang der tijdsomstandigheden, totdat in 1768, dank aan de milddadigheid van den oud-schepen jonker Paulus-Franciscus Schiller, de armenkamer mocht beschikken over eene erfgift van 6004 gulden kapitaal wisselgeld, te voegen bij de overige 1520 gulden courant, die tot geneeskundige hulp voor den arme waren bestemd; (1) doch later, bij het einde der regeering van Maria-ïheresia, stelde de stad eenen regelmatigen leergang van vroedkunde in, waarvan de lessen in 1778 binnen het gasthuis begonnen, wanneer het getal der apothekers op veertien werd bepaald. Nadat het volgende jaar het getal armen-dokters en heelmeesters elk op zes was vastgesteld en zij in 1782 eene driejarige praktijk moesten kunnen bewijzen alvorens tot dit ambt te worden geroepen, kwam eene uitgebreide ordonnantie elk vak ernstig afbakenen, zoodat de ettelijke twisten tusschen heden geneesmeesters een einde namen. (2)

Nu ten minste konden de behoeftigen op tijds worden verzorgd, want elke gekozene of vrijwillige

(1) Scabina/e Protocollen, 22 Oclobcv ir68, sub. lluybrcclils.

(2) Plakkaat van 7 Maart 178O.

-ocr page 214-

— 208 —

dokter diende een gansch jaar tegen honderd gulden en elke heelmeester tegen vijftig gulden; de vijf oudste geneesheeren en de tien oudste heelmeesters bleven van dezen armendienst verschoond, alsook zij, die hem acht jaar lang vervuld hadden; de armen-kamer mocht eene apotheek inrichten, nabij de Beurs, waar de behoefdgen kosteloos geneesmiddelen konden bekomen, en wie deze apotheek gedurende tien jaar had bediend, mocht in de stad eenen winkel openen.

Het was tijd, dat er maatregelen werden genomen tot verzekering van den gezondheidstoestand der bevolking, want niet alleen heerschte hier in 1772 en 1779 de rotkoorts, eene gevaarlijke ziekte in den aard der hedendaagsche typhuskoorts; maar ook de influenza verscheen voor de eerste maal in 1729, vertoonde zich daarna herhaaldelijk en werd opgevolgd door de roodeloop, die in da jaren 1779 en 1783 gansche dorpen ontvolkte.

Zie, met welken angstigen blik de huismoeder door de smalle vensterruitjes de draagkoets of den besloten draagstoel van het gasthuis nastaart, als wilde zij met hare oogen de gordijnen doorboren en den lijder trachten te herkennen! Zij wil zich echter niet ontveinzen, dat hare nieuwsgierigheid gedeeltelijk gewekt is door het nieuwe stelsel van vervoer der zieken en bespiedt derhalve de twee bejaarde dragers, die elk eene jaarwedde van honderd gulden trekken « ende daerenboven een halven schelling onder hun beyde voor iederen persoon, die sy haelen met den draegstoel, ende eenen schelling voor iederen persoon, die sy haelen met de draegkoetse. » (1)

Verontrust door het groot getal slachtoffers van

(i) IjOs stuk ; Regulatief goedgekeurt by resolutie collcgiael van 18 April 1781. {Archief van den heer Fernaad Donnet.)

-ocr page 215-

— 2og —

besmettelijke ziekten, was de faculteit van geneeskunde, ter Hoogeschool van Leuven, den 2 Juli 1782 vergaderd om de oorzaak der ziekte, « die de eenen noemen de Russische ziekte en de andere de Influentie, » te bespreken. Na rijp beraad, bracht dit korps zijne zienswijze uit, die ten huldigen dage wel verdient gemeld te worden. « Deze ziekte, » zoo luidde het verslag, « die zeer veel volk in deze landen overvald, is geenzins gevaerlyk; degene die haer hebben, genezen daer van met den eersten; zy kan niet worden toegeëygend ten zy aen de geduerige veranderingen der atmosphere, die aen-houdende beurtwissels van wermte en van koude bybrengd; zy bestaet in een soort van overganke-lyke zinkings-koortse, maer die niet quaedaerdig nog besmettelyk is; haer aenval openbaerd zig regels-gewyse door verkoudheden in \'t hoofd, door hoofd-pynen of door keel-pynen, bevoegd met walginge voor het eten; de koortze, gevolgd door hitte, door dorst en door verslappinge van kragten, openbaerd zig de meeste mael op den tweeden dag; een hoest slaed daer by op den derden dag; zomtyds gebeurt het, dat den hoest komt voor alle de andere ken-teekens; op den derden dag gevoeld den zieken ook, de eene borst-pynen en de andere genoegzaem hevige steeken in de zyde, met groote vermoyd-heden, neerzakkingen, pynen in ermen en beenen, bevoegd met onrust... » Als geneesmiddelen schreef de faculteit het gebruik voor van « limonade zonder wyn, wei van melk, aftreksel van vlierbloemen, siroop van vlierbeziën, een lichte purgatie met rhubarbcr of eau dc Viennc »; en verder werd den lijder ten sterkste aanbevolen zich niet bloot te stellen aan scherpe avond- of morgenlucht. (1)

(1) Gazette van Antwerpen, 12 Juli 178-\'.

-ocr page 216-

— 2IO —

Ongelukkiglijk was de hoogere regoering zoo kortzichtig, dc strengste maatregelen te nemen tegenover de verspreiders der pokinenting. Deze bewerking (inoculation dc la petite vcrolc, niet te verwarren met vaccine) maakte het Hof zoo bevreesd, dat hot met eene boet van 1000 gulden bedreigde al wie de kinderpokjes zou inenten of laten inenten op eenen afstand van minder dan 200 •— later 400 — roeden buiten de stad. (1) Door dit middel hoopte men de besmettelijke ziekten doeltreffend te keer te gaan, want om eene gedachte te geven van het aantal slachtoffers, vermeldt dokter Vrancken, vader, dat van 1750 tot 1801 het getal sterfgevallen dat der geboorten aanzienlijk overtrof. Gelukkiglijk werd in laatstgemeld jaar de koepokinenting (vaccine), door dokter Jenner in 179S uitgevonden, hier in toepassing gebracht door Jan-Bernaard-Jozef vanden Zande, een Brusselaar van geboorte, die als het schoonste sieraad der geneeskundige school van Antwerpen staat aangeteekend. (21 De veranderingen, bij gemelde ordonnantie van 1786 toegebracht aan de bestaande gebruiken, vielen niet in den smaak van het barbiersambacht, hetwelk beweerde, dat de genomen schikkingen « ten uyter-sten schadelyck » waren en zijnen ondergang zouden bewerken. — Sedert de afkondiging van die ordonnantie, zegden zij, hebben zich maar drie meesters tot het afleggen van het examen aangeboden en slechts drie leergasten lieten zich opschrijven; onze laatste rekening, gesloten op 23 April 17S9, eindigt met een tekort van 598 gulden 8 1/4 stuivers en

(1) Plakkaten van den Hove (handschrift), vol. 20, Iquot; 214Vquot;, 28 September 1768; op 3 Januari 1788 hernieuwd.

(2) Dr Broeckx, Levensbeschrijving van vanden Zandt\', bladz. 41, Zie ook nr Erokcrx, Ilisloirc dn Collegium mcdituin.

-ocr page 217-

— 211 —

746 gulden zijn wij nog schuldig aan de bus. De tijdsomstandigheden boden het magistraat geene gelegenheid, om de vraag tot vernietiging nader te onderzoeken, weshalve zij de klagers j.-H. du Moulin, J.-F. van der Veken, J.-F. Deckers, F.-A. Snoeckx, N.-F, Roelans, J. de Croes en M.-J.-E. Podor wandelen zond. (i)

In alle tijden hebben kwakzalvers en straatdokters met kans van welgelukken hunne raadgevingen aan den man gebracht, dit weet iedereen; maar dat twee verschillige gemeentebesturen partij trokken voor straatgeneesmiddelen en den verkooper ervan beschermden, zulks vonden wij nergens beschreven en gaan wij thans verhalen. (2)

Naar ouder gewoonte, mocht elke heelmeesters-weduwe den winkel van haren overleden echtgenoot openhouden en hare klanten laten bedienen door eenen gast of knecht, wel te verstaan indien de weduwe binnen een jaar en eenen dag haar inzicht te dezen opzichte liet kennen.

Tot dergelijke weduwe, de nagelaten gade van dokter Roseus, had zekere Willem Goyvaerts, uit Lier, zich gewend, opdat zij hem van «. de herte milte » genezen zou, vertrouwen stellende in de aankondiging, welke van 1706 tot 1708 voorkwam in de « Antwerpsche Post-tydinghe, » luidende als volgt :

(1) Losse stukken van liet Barbiersambacht, stadsarchief.

(2) Onder andere vonden wij de volgende « Remède pour la rctantion d\'urine » : « Racine de parera brava, un onse; herbe de camedris ou petite chêne, un poignée; grains de genèvre, dix dragmes; scmance de carottes souvages, un poignée, le toutt contusé ou coupée dans un bouteille de genèvre que vous lesserez enfuser pendant trois jours. Usage : un verre a vin le matin et autant le soir; si le genèvre repugne, on le peut prendre dans le vin blanc. »

-ocr page 218-

— 212 —

« Advertentie.

« Dat alhier binnen Antwerpen is woonende de Weduwe van den Heer Rosenus zaliger, Professor in de medecynen, die naer 22 jacren study uyt-ghevonden heeft den spiritus auri ofte gout-gheest, eene medeeyn universeel, die met alle natueren overeen comt, voor jonclc ende out, selfs grootgaende vrouwen, opent door den tyt alle verstoptheyt voor waeter-sucht, teiringen, graveel, benaude borsten, ofte nsma, jae selfs voor het podagra, sonder de natuer te kreneken. Item eene tinture van coral, saffraen etc., extraordinair voor de pest, petitsen, heete cortsen ende kinderpocxkens, sonder dat eenigh quaet can doen. Oock eenen spiritus royal, extraordinair voor alle verkiltheden, siatica, alle soorten van pynen, als hooft-pyn ende om de pyne van llerecyn ofte podagra te stutten. Dese joufTr. Rosenus woont in de Laguyt-straet, in de Witte Lelie, al-waer een bort voor de deure hanght etc. «

Zeshonderd gulden wisselgeld had de zieke beloofd te zullen betalen, indien het zoo hooggeroemd spiritus auri hem van zijne kwaal kon genezen; maar nadat hij eenigen tijd de proef had genomen, beweerde hij geenszins geholpen te zijn, noemde de weduwe « eene quacksalfster ofte empyrica, », spotte met de weinige druppelen van zeker dusgenaamd geneesmiddel en bood haar eindelijk 150 gulden, dus het vierde der beloofde som. Rida Catharina Roest, de weduwe waarvan zake, daagde hem voor de Schepenbank van Lier, alwaar de twist zou beslecht worden, en daar werd op 17 Augustus 1708 Goyvaerts tot volledige betaling veroordeeld. Hij gaf echter den moed niet op en kwam te Antwerpen in beroep, met de innige overtuiging ditmaal te zegevieren. (1)

— De hoofdzaak in dezen twist is, zegde hij, dat ik niet genezen ben. Wel beweert de vrouw, dat ik kan « gaen ende staen, eten ende drincken, ende pretenselyck doen arbeyc ende uuytstaen fatigues »; maar zulks kon ik ook vóór dat ik hare geneesmiddelen

(1) Proceszakje G7171.

-ocr page 219-

— 213 —

gebruikte. Het is mij onmogelijk eenig zwaar werk te doen en gevoel mij na het eten altijd bezwaard, zooals het mij onmogelijk is te gebruiken « grove spysen van potagie, speek, gesouten vleeseh ofte oock eenich rouwigheyt; » ik kan geenen visch verduwen en moest vleeseh eten in de vasten, kortom, het is mij genoegzaam aan te zien dat ik steeds lijdende ben. Welke middelen bezorgde mij de weduwe? Zij leverde mij niet over de 300 druppelen van haar berucht goudgeest, verder eenig « teinture » en water om mijne zijde te strijken, het alles voor geen 10 pattacons. Zij onderzocht niet eens mijne gesteltenis, hetgeen overigens haar ambacht niet is : zij verkoopt enkel middelen, die zij « seer hoogh is oppronckcnde volghens de maniere van handelen van hot volck van haeren style. » Hoe kwam ik met haar in aanraking? Dat is, heeren van het magistraat, eene vraag van het hoogste belang, want indien men zou denken dat hare vermaardheid tot in Lier was doordrongen, zou men zich terdege bedriegen. Neen, alleen door bemiddeling van den pastoor van Hove, don eerw. heer Miesens, kreeg ik het dag-bladbcricht onder oogen, en zoozeer was deze geestelijke er door verblind, dat hij zelf de aangeprezen wondermiddelen gebruikte.... en stierf, zooals nog andere personen al te veel betrouwen in de grootspraak der vrouw hadden gesteld.

Rida Roest antwoordde snedig ; — Ik heb mij toch niet verbonden, den klager heel zijn leven gezond te houden, te meer dewijl hij gansche dagen in de herberg zit, op de bolbaan of met de kaarten speelt, liefhebber van tabak is, naar den vogel schiet en moer dergelijke buitensporigheden bedrijft! Niemand kan mij verplichten te openbaren op welke wijze ik geest uit goud weet te trekken; toch beweer ik

27

Aniiuerpcu in de XVIIf* eeuw.

-ocr page 220-

— 214 —

den klager te genezen na eene zesmaandelijksche behandeling, ofschoon de Antvverpsche dokters hem

ongeneesbaar verklaarden.....

Na deze verdediging achtte onze Schepenbank hare taak duidelijk aangewezen : zij bekrachtigde het vonnis van Lier, stelde dus den klager in het ongelijk en deed hem bovendien al de kosten dei-twee rechtsgedingen betalen, (i)

Onvermijdelijk moest dergelijk vonnis eenen noodlottigen invloed op de eigenlijke geneeskunde uitoefenen en deed zulks inderdaad, totdat de overheid er paal en perk aan stelde. Personen, die aan koortsen onderhevig waren of door eenige andere ziekte, van welken aard ook, werden gekweld, hadden zich slechts te wenden tot Egidius Carolus, nabij St.-Jacobskerk; een reusachtig uithangbord toonde aan, dat daar alleen het « elixier universalis » was te bekomen « in commissie », herstellende alle lichaamsdeelen en « dryft af den steen voor de melancholie, malum hypocondriacum, pleuris, jicht, scheurbuyck ende geilsucht, » kortom, het was een wercldmiddel « voor de pest ende quaedaerdige siecktens, maeckt vrolyck van humeur, geeft goeden appetyt tot eten en dryft sonder incommodatie wel af. » Wie van eenen kwaden tand wilde verlost zijn, kon bij den « beruchten tant-meester » Cirez, op de Meir, « In het wapen van Vranckryck », om raad en troost gaan, doch op voorwaarde zich te

(i) Pronunciatiehocck) u October 1709 : « Judicatum, dat wel en te rechte by de rechters a quibus is geweseo, qualyck ende te onrechte daervan geappelleert, dat dien volgens het vonnis a quo sal stat grypen, verclarendc den appellante in syne conclusie ten eynde van relivement by griven genomen niet gefondeert nochte ontfanckbaer, condemnerende den selven in de costen van by de instantien ter behooilycke taxatie etc. »

-ocr page 221-

haasten, want hij bleef hier slechts gedurende twaalf dajren geherbergd en reisde dan verder, zooals het ook het geval was met Jan-Baptist du Neufbourg, welke meer dan 650 lieden had genezen met zijne « onfaelbaere remedie voor het sciatica, vliegende flericeyn ofte verkiltheden, » of met « den vermaer-den professor Hillmer », uit Holland, « die reeds blinde personen op eencn oogenblik aan \'t gesicht geholpen heeft in tegenwoordigheyd der heeren doctors ende chirurgyns dier stad, welke syn begaeft-heyd toejuichen. »

Elk huisgezin raadpleegde overigens zijnen almanak, waarin meer dan eens een middeltje van algemeen nut voorkwam, zooals onder andere het volgende :

« Van laten, luissen en purgeren.

« Men sal geen aderlaeten noch incicien doen van eenige leden, zenuwen ofte musculen, als de maene die regeert. — Aengaende het purgeren, soo is het heel ongeraetsaem, dat men eenige purgatien neemt in het heetste van den somer en in het kortste van den winter, namentlyck voor persoonen die teer van eomplexie zyn. » (1)

Zulke raadgevingen, schadelijk aan de belangen der heelmeesters, barbiers en geneesheeren, vielen niet in den smaak dezer vakmannen, die herhaaldelijk do geneesmiddelen van reizende mededingers bekampten, totdat het magistraat in 1775 de aankondiging van een algemeen middel tot genezing van alle ziekten uit de Gazette van Antwerpen deed schrappen, als zijnde « al t2 quackzalfachtig. » (2)

(1) Gazette van Antwerpen, 3 Februari en 16 Januari 1750. — Wekelijks Nieuws iiyt Loven, 27 Juni en 2 Mei 1773, opgenomen in krans de Potter\'s : Advertentie in de Nieuwsbladen, blad/. 201 en 202. — Den onve^valsten Vlaemschen tydt-wyzer, Antwerpen, 1766.

(2) Aangehaald in L. Mathot\'s ; l\'n journaliste au XVIII\'\' siècle, blad/!, 10.

-ocr page 222-

— 2i6 —

Wat meer is, de burgerij stelde maar een beperkt vertrouwen in de aanbevelingen van vreemde meesters en nam dagelijks hare toevlucht tot de vakmannen harer stad, hetgeen zoowel blijkt uit het korte tijdsbestek binnen hetwelk de reizende kwakzalvers hier bleven wonen, als uit de twisten waarmede de stedelijke overheid zich onledig hield.

Op 7 Februari 1743, des Zondags voor vastenavond, zaten de gezellen Oosterlincx, Answyck en Frans Redikheer te drinken in de herberg « Het wapen van Amsterdam », op het Zand, en bleven er tot drie uren \'s nachts. Wanneer het oogenblik van betalen gekomen was, wachtten zij de gelegenheid af dat des hospes aandacht op iets anders was gevestigd en lieten zich dan bij middel eener koord langs het venster tot op de straatsteenen afdalen. Een hunner, Frans Redikheer, viel en brak zijn been. Ondertusschen was ïheodoor Jaspers, de zwager van den tapper, dezen ter hulp gekomen en beweerde later eenen steek onder zijne rechterborst bij middel van « eenich scherp geweir », vanwege Oosterlincx, te hebben ontvangen; doch deze, van zijnen kant, verklaarde insgelijks mishandeld te zijn geworden door Jaspers en diende zelfs het volgende getuigschrift in, opgesteld door den barbier Philippus Jacobus Immenraet ;

« Den onderschreven attesteert, naer dat hy ghevisiteert hadde Petrus Oosterlincx ende den selven bevonden met eenen swaeren kuch ofte hoest, het nu den voorschreven syde voorts ghecomen te syn van eenen slagh in de syde met een swaer instrument, hebbe voor het selve gheordoneert te drinken den decoctum petri foresti. » .

Wat er ook van zij, er had in gemelden nacht een verwoed gevecht plaats, want Jaspers ontving

-ocr page 223-

alle de kerkorechten en moest zich « prepareren met het evident peryckel van sterven. » Hij ontsnapte gelukkiglijk aan den dood, maar wanneer hij de rekeningen van genees- en heelmeester ging nazien, bevond hij voor 80 gulden 10 1/2 stuivers geneesmiddelen en zorgen te hebben ontvangen, welke som hij door Oosterlincx wilde betaald zien, ongerekend 200 pattilcons voor pyn ende smerte. » (1)

(1) i ot beter bewijs, voedde hij de volgende opgaven bij zijne klaagschriften :

« Monsieur Jaspers debet aan tie weduwe Segers, over het cureren en genesen van een wonde in syn borst, beginnende den 7 Februari 1723, met consult concours met den doctoor twee maels daghs, daer aen

verdient tien pattacons................28 gulden

« Monsieur Jaspers is debet aen meester D. Previnair, chirursyn, van cureren een wondt in de borste, soo aen consulte ende concoursen, somma ...............15 gulden 16 stuivers.

« Monsieur Jaspers is debet aen Arnoldus Milius ten dynsten van synen broeder, van een quetsuer onder syn boerst, daer over ghegaen vyf keeren met meester Previnair en mynheer de Hertoghe, waer van

myn pretentie is de somma van......3 gulden 10 stuivers.

« Doctor de Hertoghe heeft gevisiteert ende geconsulteert over het verbant ende wonde van monsieur jaspersen met de chirursyns met Sieurs Milius, Previnair ende Segers. Noch gehouden met de chirursyns vyftien concursen over het verbant a 1 gulden ieder concurs, comt................gulden iu stuivers.

« Monsieur Jaspers debet aen Peeter van Beveren, voor geleverde medccynen :

decoct, vulner. et pector............. gulden 8 stuyvers;

mixtura antitetanic. et pector......... gt; 0

iteret. mixt. add. syr. de simpel (?)......1 » 2 »

crocquot;s.................... » 4

enclna.................... » 171/2.

pro applicat................12 ,

reiteret med. decoc. c. ingredient, decoct, pe\'

for. add. syropalthnm............8 ,

iteret. mixt. ui\' c. aq. ciood. cout. alh. hiacint 1 » 14 »

iteret. inixt. ul\'.................,

fomentation ..................s jj ,

iteret. mixt. ui\' add. ac. ciood. satis, valat aldos 2 gt;gt; 6 »

bals. vulneral....................„ [g

« Somma 14 gulden 8 1 2 stuyv. gt;

-ocr page 224-

— 218 —

Doorgaans trok het gemeentebestuur zich dergelijke twisten weinig aan, omdat ze, door dronkenschap uitgelokt, geene belangstelling verdienden. Zulks was hier het geval en onze Schepenbank vergenoegde zich te bevelen, dat klager en verweerder onderling dienden overeen te komen op de redelijkste wijze mogelijk, (i) Wanneer, integendeel, een geneesheer of heelmeester niet in tijds betalihg kon bekomen voor verrichten dienst, verhaastte het magistraat zich de zaak ernstig te onderzoeken, hetgeen in 1755 doorslaande werd bewezen. (2)

De beenhouwer Frans Gobbaerts bevond zich den 7 Mei 1754 te Contich, om er eenig vee te bestellen, als plotseling een zwaar onweder losbarstte en vervaarlijke bliksemflitsen het luchtruim doorkliefden. Opeens viel de beenhouwer ter aarde, getroffen door het hemelsch vuur, en de eerste zorg der toegesnelde personen was, den verbrande in een laken op te nomen en hem te bestrijken met brandsalve, » welke hier en in de omliggende dorpen door twee oude meiden uit de Kloosterstraat werd vervaardigd.

\'t Was gruwzaam om zien, in welken erbarme-lijken staat de beenhouwer verkeerde ; de heelmeester Petrus-Lodewijk de Coopman deed in zijnen rug « ontrent de vierhondert scharificatien », haalde dan uit hetzelfde lichaamsdeel een stuk vleesch « grooter als de breedte van eene handt », legde den elleboog tot op het been bloot en verklaarde te hebben moeten uitstaan « eenen grouwsaemen stanck, soo onver-dracghelyck datter ten tyde van d\'operatien bynaer niemant buyten my ontrent hem en conde gedueren ».

(1) Proceszakje J 8532. — Pronunciatieboeck, 31 Juni 1744.

(2) Proceszakje D 4545. — Pronunciatieboeck, 14 Februari en 7 April 1759.

-ocr page 225-

Ondanks dezen dienst, weigerde Gobbaerts de rekening (239 gulden 6 stuivers) te betalen, eensdeels omdat hij meer belang hechtte aan de straatremedie en anderzijds dewijl hij beweerde onvolkomen te zijn verzorgd door de Coopman, welke nochtans deed uitschijnen, dat er geenc genezing kon bekomen worden indien men met de beruchte zalf bleef « quackelen »• — Het is overigens niet do eerste maal, zoo liet de heelmeester zich verder uit, dat Gobbaerts de wezenlijke kunst verstoot en de vrouwenmiddeltjes aanprijst, want voorheen betaalde hij zelfs « twee dobbel souverynen » aan den kwakzalver Grey, welke ons volk met zijne Engelsche kunstgrepen kwam bedriegen.

Nadat de chirurgijn zijne rekening had ingediend, gaf onze Schepenbank bevel tot nazicht aan de vakmannen Max-Jan Munnickhuysen, P. Daevits en Petrus Verbruggen; deze vonden het bedrag niet overdreven en diensvolgens moest Gobbaerts het betalen en er bovendien de proceskosten bijvoegen. (1)

(1) Ziehier onder welken vorm de heelmeester zijne rekening had opgesteld :

« Monsieur Gobbaerts debet aen Petrus Ludovicus de Coopman, voor het cureren van een alderschrickelycke ende peryckeleuse ver-brantheyt genaemt het hemels vier, het welcke hem geraeckt heeft aen veele diverse deelen van zyn lichaem, aen hem geschiet op den 7 Mey 1754.

« Ten eersten aen den schouderen met een deel van den opperherm geheel swert verbrant, gecontudeert ende gegrangeneert soodanighs dat het deel langs alle kanten moest gescaraficeert worden, soo diep tot dat men langs eenighe canton eenigh deel gesont vleesh conde bekomen ende het verbrant deel besetten met plumasole bestrecken met den dessitief contra gangrenam ende met eene cataplasma contra gangrenam die ick hier onder sal noemen.

«Ten tweeden den rugge was maer suppeiiiciel geraekt; hebbede selve maer lichtelycke gescaraficeert ende op de verbrande huyt eene fomentatie contra gangrenam gebruyekt die ick hier onder sal noemen.

« Ten derden den elleboghe die oock geheel verbrant is geweest ende den selven moeten handelen gelyck de schoudcre ende beset met plumasole met den dissitief in den elixer gedopt ende de cataplasma contra gangrenam daer op.

-ocr page 226-

De meesterin^ waarvan zake bewijst ons, hoe veelvoudig en ondoelmatig tevens sommige verongelukten werden behandeld ; vandaag zou men er

«Ten vierden onder de knie is soodanigh geweest verbrant, gecon-tudeert, gegangreneert dat niet alleenelycke de opperdeelen, maer de onder geleghe deelen verbrant zyn geweest, ende naer dat het deel gescaraficeert is geweest ende de deelen beset met plumasole met den dissitief ende gedopt in den elixier contra gangrenaem met de cata-plasma daer op tliien daghen lanck, tot dat superatie geschiet is, hebbe door desen middel het deel behouden op datter in de separitie geene tumoratie otte blootstortinghe en sonde gevolght hebbe, het deel geluckelyeke behouden, nochtans alsoo naer de seperatie eenighe venen ende tendonen zyn gebloodt gevonden, nochtans is door het hemels vier eene van de groote tendonen doorgobrant geweest ende den selve tot seperatie gekomen, het welcke wy door onsen middel niet en hebben konnen behouden, alsoo hy al door het hemels vier geraeckt was.

«Ten vyfden, het been op twee diverse plaetsen verbrant, gecontu-deert, gegrangreneert ende moeten handelen gelyck de schouderen ende den elleboghe.

« Ten sesden het recht been oock verbrant, gecontudeert, gegran-geneert ende moeten handelen gelyck de schoudere, oppererm, elleboghe ende het slinck been.

« Soo dat ick alle daeghen van den 10 Mey tot den 15 Junius twee mael daeghs 150 plumasole bestrecken met den dissitief ende den elixer contra gangrenam ende de cuer daer voor ben rekenende de som van 120 gulden.

« Ende voor de cataplasma contra grangrenam bestaende uyt dese naervolgende cruyden, de welcke 10 daegen gebruyekt is, alle daeghen twee keeren, bedraeght de somme van 14 gulden :

R fol. althéa malva violarum a ms :

flo : camomille lavend : scordy menth majorani absinthy a mj Coq. 24 hydr : 3 p : ad : favin : lign :

quan suff: m : f: catap.

« Ende fomentatie voor den rugge, ende als de deelen tot seperatie gekomen waeren, hebbe dese naervolgende fomentatie gebruyekt, de welke bestonde in 22 potten op den tydt als ick over den selve gecu-reert hebbe, is als volgt :

R fol. althéa malva violannn a ms:

camomille scordy menthce majorani absinthy a mj gecockt in 3 pinten hydromel tot op eenen pot m : fiat foment.

-ocr page 227-

— 221 —

zich vooral op toeleggen ontsmettende en pijnstillende middelen aan te wenden, in stede van den lijder door langdurig snijden en branden te folteren.

Menigmaal hadden regeering en magistraat het beoefenen der geneeskunde aan oningewijden of kwakzalvers verboden, cn toch moesten er beteugelende maatregelen worden genomen tegen verschillige overtreders. In 1753 werd de Borgerhoutenaar Lambertus Maes aangeklaagd, als hebbende hier een paar keelziekten genezen zonder poorter of aangenomen heelmeester te zijn; (1) in 1761 werd Jan-Baptist Colins, apotheker op de Paardenmarkt, voor de

« Ende ben daer voor rekenende voor ider pot i guld. 8 st, comt in het geheel de somme van 30 g. 16 st. Ende vooi het comen met dea doctor in conferentie ende alle daegen dry uren aen den patient besigh te zyn, in de maent Mey 35 conferenties, in de maendt Junius 15 con-feienties, in de maendt Julius 3 conferenties, comt in het geheel 53 conferenties ende ider conferentie tegen twee schellinghe, maeckt de somme van.................... 37 g. 2 st.

« Ende in de maendt Junius noch keeren sonder doctor alle daegen twee keeren ider keer 7 stuyvers, komt saemen de somme van . . 11- 8.

«In de maendt Julius 10 keeren sonder doctor, alle daegen eens, maeckt saemen thien schellinghen, comt...... 3* 10.

«Noch aen hem gebruyekt in lapis inlernalis om de acresentie af te bytten....................... 0-10.

«Noch aen hem gebruyekt soo in plaesters om het selve te doen sicatriceeren op de voornoemde deelen, van den 15 Junius tot den 13 Julius ........... ........ 8-0.

« Aen hem noch gecureert in het jaer 1755 de maendt Meert van eenen crisis aen den bal van den voet die sich verandert hadt in mortificatie, ende daertoe gebruyekt een fomentuie van wyn ende brandewyn met eenighe wieken bestrecken met den dissitief ende de selve fomentatie gedopt ende daer overgegaen 10 dneghen, alle daeghen twee keeren, ider keer 7 stuyvers,

co\'.Tit te saemen, met de medecamenten.......... 9-16.

« Ende noch 15 keeren eensdaeghs, ende ider keer 7 st., comt 5- 5.

« Bedraeght de somme in het geheel . . 239- 6.»

(1) Proceszakje : Onderschout tegen Lambert Maes.

Anivct/rii m dc X Ulc rnnc.

-ocr page 228-

— 222 —

Schepenbank gedaagd, om zich tegenover den onderschout te komen verantwoorden, (i)

Deze apotheker, die ten jare 1747 zijnen vader Hendrik was opgevolgd en alzoo den kost won voor zijne twee zustertjes en een broerken, (2) hield zich niet tevreden met het leveren der door geneesheeren voorgeschreven middelen; hij leverde op eigen betrouwen flesschen, pillen en drogerijen aan do ziekenen, ofschoon de plakkaten op het stuk uitdrukkelijk bepaalden : niemand mag de geneeskunde beoefenen, zonder alvorens den graad van dokter tor Hoogeschool van Leuven te hebben bekomen. Wel beweerde Colins ; « Dat de doctors wisten wat ick gegeven hebbe, sy souden seggen dat de medicamenten goedt syn; » doch zekere vrouw Cantiljauw, welke door hem was behandeld geworden, verklaarde aan haren geneesheer : de apotheker Colins heeft mij zooveel geneesmiddelen doen slikken, dat ik u verzoek « sulcks te willen considereeren, » daarbij bedoelende, dat zij in \'t vervolg van alle verdere kruiden wilde gespaard blijven.

De verdediging, door Jan Colins voorgebracht, was ernstiger dan de aanklager verwacht hadde. — Mij is het duidelijk, zegde hij, dat de onderschout niet uit eigen beweging, doch door aanhitsing van het Collegium mcdicuni handelt. Want vooreerst, de aangehaalde plakkaten van het Hof bleven hier altoos zonder uitwerksel, vermits zij niet tegen de apothekers waren gericht, doch enkel in het voordeel der Leuvensche Hoogeschool werden uitgevaardigd. Daarbij, iedereen weet, dat wij altijd kostelooze

(1) Proccszalcjc ; Onderschout tegen Jan Colins. — Pronunciaticbocck, 20 Augustus 1767. — Plakkaten van den Ilove (handschrift), vol. 20, 1° 21quot;.

(2) Rekwesthoeek 1746-47, i0 2ibvquot;.

-ocr page 229-

bezoeken aflegden, « sonder stoornis ofte oblocutic van wie het oock soude mogen vvesen, » want, zoo voegde hij erbij, « waer het saecken dat de vrye meesters appoteeckers geene visiten by geringe lieden cn quaemen te doen, soo sonden der ontallyckc menschen van miserie vergeten. »

— Gij zijt wol stout, voegde de wetgever hem toe, do kracht der plakkaten te willen loochenen. Het is belachelijk eenige uitzondering te willen maken voor de apothekers, die zoowel als anderen zich gedragen moeten naar do voorschriften der geneesheeren.

Zooals men ziet, roerde de onderschout de hoofdzaak niet aan : hij sprak geen woord van het bezoeken der armen door de apothekers. Zulks droef Jan Colins aan om te antwoorden : — Ik handel niet stout, want in uw gemoed zult gij bekennen, dat de apothekers altijd de armen bezoeken en helpen. Deze gewoonte willen de dokters vernietigd zien, hetgeen onmenschelijk mag genoemd worden, « want wat isser gemeynder alhier binnen dese stadt, als dat den eenen borger aen den anderen medicamenten geeft ende selfs ordonneert? » De dokters ontvangen per bezoek zes gulden, wij niets; nooit genoot ik daarvoor « oord ofte spel » en eischte enkel de waarde der geneesmiddelen, wanneer ik ze niet kosteloos leverde. Daarenboven — zoo ging Colins voort — reeds vroeger hebben de dokters deze aloude gewoonte willen afschaffen, doch tevergeefs; zelfs sommige onder hen, welke de derdondaagsche koorts niet kunnen afnemen, verzenden hunne ziekenen naar den apotheker Louys, te Mechelen, liever dan hunne toevlucht tot ons te nemen. Hierbij komt nog, « dat de luyardye der heeren licentiaten in de medicynen soo verre gaet, dat sy by avonden ofte

-ocr page 230-

ontyden selfs weygeren te komen by treffelyke lieden deser stad; dat do voorschreven licentiaten hun dickmaels syn excuserende, sommige op pretext dat sy savonds niet uytgaen, andere spelen den siekenen, ende wederom anderen heeten niet thuys; datter oock gevonden worden, die thuys zynde, aen de persoonen die hun komen te roepen, voor antvvoort geven oft doen geven dat sy by den siekenen niet en komen, alsoo hot hunne kalanten niet en zyn. »

Men ziet daaruit, dat de toestand niet zoo schitterend was ai;: sommige schrijvers verklaren, en des te zonderlinger komt hij voor, wanneer men het antwoord van den onderschout hoort : « De wetenschap der medicynen is eene van de hooghe studiën cudc de sclvc en kan. niet door practycke, macr primüivelyck doo: de theorie met gr acte studie worden bekomen. » Deze dwaling pleitte niet ten voordeele van hem, die hanr verdedigde, terwijl de getuigschriften, door Colins ingediend, tot dezes eer en lof mochten luiden.

Met blijkbare voldoening had de onderpastoor van St.-Andrieskerk, D.-C. Goley, verklaard : « Den onderschreven bekent datter in de parochie van St-Andries veele menschen, sieck wordende, souden vergaen by gebreck van doctoors ofie niet konnende ofte niet willende ofte uytstellende ende niet bedient worden van de heylige sacramenten, waer het saecken dat de selvc niet by ges!aen ivirden van de heer en apotekers, nogh nacht nogh ongestuymigh weder naersiende en ten spoedigste. » Verschiliige andere geestelijken maakten op deze wijze den lof der apothekers, onder andere nog Lambert us de Lincé, pastoor te Berendrecht, vroeger gedurende zeventien jaar gehecht aan St.-Walburgiskerk, welke deed uitschijnen hoe « sorghvuldich de appoteekers geweest hebben

-ocr page 231-

in hunne visioten en by te staen do arme menschen. » Dit alles kon niet helpen en Jan Colins werd den ao0\'1 Augustus 1767 met eene boete van 200 gulden en de proceskosten gestraft; hij deed nog pogingen aan het Hof om vrijspraak of verzachting te bekomen, maar ook daar leed hij schipbreuk. Zijn zoon, Jan-Jozef, bezuurde zelfs veel later het vergrijp van zijnen vader ; ofschoon sedert 1772 als apothekersleerling aangetcekend, werd hij in 1793 verplicht zijn examen af tc loggen, zooals do nieuwe regeling van 1786 zulks vereischte. (1)

Voor het overige hadden geneesheeren, heelmeesters of apothekers weinig met het gerecht af te rekenen en in alle geval zeer zelden op het stuk van geneeskunde. Een twist tusschen don Spaan-schen dokter Villella en den Duitschen ambtgenoot E, Wipperman word in do Gratiekapelstraat, bij avondschemering, mot de kling beslecht, waarvoor laatstgcmeldo 100 pattacons moest booten. (2) Hij was het, die in 1727 werd aangeklaagd door de apothekers Claessens, Ghysbrechts en Vets, omdat hij, in zijne hoedanigheid van onderzoeker, hunne geneesmiddelen had afgekeurd, waarop hot magistraat van oordooi was, dat do onderzoekers op hunne eer geloofd weiden en voor hunne taak niet in rechte mochten betrokken worden.

Van grooter gewicht was het proces, ontstaan tusschen den onderschout en heelmeester J.-M. de Bie, ton jaro 1775.

1

Besluit van het magistraat, 15 Juli I7q3.

-ocr page 232-

— 226 —

Do genaamde Henricus Struys, herbergier in « De Croon, » in de Paternosterstraat, had aan zijnen linkerschouder « een groot gesvvil, sive aemvasch, » waaraan, volgens versehillige chirurgijns, niet mocht gemeesterd worden, om reden van het « evident peryckel, » dat er mede gepaard ging. Gemelde de Bie, nochtans, oordeelde er anders over : volgens hem moest de aanwas « absolutelyck » worden afgezet, anders, zegde hij, zou er de kanker in komen en deze zou ongetwijfeld de dood na zich slepen. De herbergier liet zich gezeggen en onderging de bewerking : in bijzijn van eenen tweeden heelmeester, eenen dokter en twee gasten, sneed de Bie het gezwel in \'t midden door, tornde het los bij middel van een scheermes en bond het eindelijk af. Het woog 16 1/2 pond.

Na deze pijnlijke bewerking, die een halfkwartier uurs had geduurd, begon de man te bloeden totdat hij uitgeput nederzeeg, om niet meer op te staan. Er viel niet te twijfelen : de heelmeester had eene gevaarvolle onderneming gewaagd, zonder vooraf de noodige voorzorgen te hebben genomen, hetgeen de onderschout in zulke strenge bewoordingen betoogde, dat er geen twijfel kon bestaan of de dader zou zwaar getuchtigd worden. Buiten aller verwachting kwam deze er goedkoop van af : de Bie moest, als straf, 30 gulden aan den schout en 26 gulden aan de gerechtsdienaars, voor proceskosten, betalen. (1)

Met dergelijk vonnis uit te brengen, wilde de overheid gansch het geneeskundig korps zooveel mogelijk vrijwaren tegen kwaadsprekers en afgunstige mededingers, die veelal, in plaats van geneesmiddelen.

(1) Losse stukken : Préparatoire Infor maliën, — Correctiehocck XI, f 125.

-ocr page 233-

zuiver vergift verkochten; bedenk eens : in 1782 za^ ons magistraat zich gedwongen eenc boete van 200 gulden toe te passen op den verkooper van « sekere pillen ende poeder tegens alle soorten van intermit-tente cortsen, » vervaardigd uit rattenkruid of arsenik! Had men clan vergeten, dat zelfs in het buitenland ons Collegium medicum ter oplossing van moeielijko vraagstukken werd erkend? Nog den 8 April 1788 wendde do koninklijke Academie van heelkunde, te Parijs, zich tot ons geneeskundig korps, verzoekende « de regels te stellen, volgens welke men zig met verstandigheyd en behendigheyd moet bedienen van de gereedschappen, noodzaekelyk voor het dagelyks verband van de wonden en van de versweeringen in de verschillende deelen van het lichaem » en tevens « te bepaelen het beste maekzel der verscheyde zoor-ten van naelden, eygen voor de aen-een-voeging der wonden, aen den band der bloedvaten. » Hiermede niet tevreden, stuurde Frankrijks hoofdstad hare ver-maardste vakmannen naar Antwerpen, zooals Antoine Dumas, « chirurgyn gradué, herniste de la Cour de France, élève de Paris, » of Ladevèze, « queekeling van Parijs, » twee breukbandmakers, welke op dit gebied eene goede faam verkregen en gedurende ver-schillige dagen in het « Hotel St.-Antoine » verbleven (1).

Eenc andere maal was het de genaamde Bianchini, « ancien professeur de physique, » die zich aanbood, om de liaden vertrouwd te maken met de behandeling van « machines électriquos portatives a élec-triserles malades » en om tezelfdertijd bliksemafleiders boven de huizen te plaatsen; dan weer konden de

(1) Gazette van Antwerpen, 14 Februari 1782, 18 April 1788, 7-19 Januari 1780, 7 Mei 1784,

-ocr page 234-

— 228 —•

ooplijders zich wonden tot « monsieur le chevalier de Tadini, comte palatin, oculiste de la Cour de France, » of tot den ooefmeester van het Mof van Engeland, baron de Wenzel, die zelfs beweerde den blinden het gezicht te kunnen wedergeven; eene volgende maal bezocht de « oud-chirurgyn major Godecharles, » uit Brussel, onze stad, water verkoopende « tegen de afzakking des aersdarms, » aan vier schellingen de pint, en kosteloos voor den arme, of andere lijders konden zich laten verlokken door deze aankondiging :

« J. Nuyts, die zig by wettelykc attestatien flateert den armen binnen Antwerpen en veele andere, t\'zedert den tyd van circa 40 jaeren wel bedient te hebben, in het genezen van het quaed zeer en zeer in hair, gezeyd den hayr-worm op het hooft, recommandeert haer en maekt kenbaer aen een ider dat sy is woonende in de Schutters-hof-straet, nevens hel Godtshuys nr 165 alhier. » (1)

Zoo zag men allengs de kwakzalverij openlijk herinvoeren, eerst bij middel van Zvvitsersche kruiden tot bereiding van thee voor hoofd-, borst-, maag- en lendenwee, koortsen, longkwalen, lamheden en allerlei ongemakken; dan door de aankomst van tandentrekkers, meestal Joden of Italianen, welke geenszins behoefden do vlag to strijken voor onzo hoden-daagsche marktdokters en reizende kwakzalvers.

Hier hebben wij Salomon Levi, « vermaerden Hoogvorstelyken, Padenbormschen Hof-tand-mees-ter »; de man is geherbergd in het Kuipershuis, op de Grootc Markt cn kan u honderden getuigschrifien van door hem genezen kranken toonen. Gij moet u hoeden, zegt hij, voor kwakzalvers en gewaande

(1) Gazette van Antwerpen, November 1780 (afzonderlijk bericht), 22 April en 22 October 1788,23 October 1785, 5 Juli 1782.

-ocr page 235-

— 22Q —

stielgenooten, die geene de minste kunst bezitten en het volk bedriegen; wend u liever tot mij : « Ik neem de beschaedigde tanden, die het noodig hebben, zeer gauw en met weynige pyn uyt, ofschoon het maer afgebroken brokken zyn en \'t tandvleesch daer overgeschoten is. Zoo imand de scheurbuyk of zoo-genaemde wynsteen aen de tanden heeft, ik kan dezelve in den tyd van een kwartier uers, zonder de minste pyn, daeraf helpen. Ik kan swarte tanden in den tyd van een quartier uers, zonder de geringste pyn, zoo wit als sneeuw maeken. Zoo\' er aen imand tanden manqueren, ik kan daer nieuwe in de plaets zetten, zonder de geringste pyn. Zoo imand holle tanden heeft en die niet geerne wilt laeten uyttrekken, ik kan dezelve met koud lood oft goud aenvullen, zonder P3\'n. Zoo imand losse tanden heeft, waervan \'t tandvleesch weg is, hy kan se in korten tyd wassende en de tanden vastmaeken. »

Op hetzelfde oogenblik hield een andere tandmeester, Mozzinelli geheeten, zich gedurende veertien dagen in het gasthof « Do witte Lelie » op, en leverde oenen geduchten strijd aan bovengemelden vakgenoot : « Ik genees », zoo kondigde hij aan, « met gemak alle soorten van mondziekten, trek de tanden met behendigheyd, hun raekende met wynige pyne en doen uytvallen sonder nadeel etc., bezorg de vol-maekte behoudenisse des monds en der tanden, door myne wyze belet ze van te bederven en blyven altyt wit en schoon, heiwelck is tcne van de schoonste cicraeden van verbcc/dinge, door de hedieninge aen dees deel vaslgeklee/t. » (i)

Vandaag nemen dergelijke stielmannen hunne

29

(i) Gazette van Antwerpengt; 20 September 1788, 28 Maart en 1 April 1783.

Antwerpen in de XVI 11* eeuw.

-ocr page 236-

— 230 —

toevlucht tot bommel en fluit; zij rijden in spiegel-koetsen met gegallonneerde knechten rondom hen en eereteekens op de borst, om hunne waar aan den man te brengen — en hos velen zijn er niet, die zich door dit praalvertoon laten verschalken ? Laat ons dus niet te veel lachen om de volgende « remedie gt;, die hier den 13 October 1791 door oenen zeekapitein, komende uit Lissabon, « uyt mensch-lievendheit » werd ingevoerd :

« Tegen de roodeloop. »

« Eene hoender of kieken, met pluymen en zyn ingewand, zoo het levendig loopt, in stukken gesneden, gekokt in twee potten regenwater tot een pint naer; dan door eenen fynen lynen doek gegoten en daer mede den sieken of den leyder een ofte twee lavementen gezet, zullende de bloedvaten stoppen en genezen. » (i)

Niets is droeviger, zegt Dr Broeckx, dan de toestand van Antwerpen op geneeskundig gebied gedurende de eerste jaren der Fransche regeering. (2) Het Collegium was ontbonden en vervangen door de afgrijselijkste regeeringloosheid; typhuskoortsen en allerlei besmettingen maaiden menschen en dieren bij honderden weg; een paar geneesheeren, waarop men nochtans gerekend had, liepen tot de Franschge-zinden over en de Republiek dreef hare roofzucht zoo verre, dat zij zelfs de paarden der dokters opeischte, aldus de geneesheeren in de onmogelijkheid stellende hunne zieken ten bekwamen tijde te gaan bezoeken.

Te midden van deze ellende hadden eenige vakmannen moed en overtuiging genoeg behouden, om een « Genootschap tot bevordering van genees- en

(1) Handschrift Dc Coninck (Inbliothick van den Heer Frans van Uoghout).

(2) Hixloirc du Collegium meduum, bladz. 321.

-ocr page 237-

— 231 —

heelkunde »te stichten (6 October 1796), dat gedurende eenigen tijd werkzaam bleef en drie bundels « Verhandelingen » liet drukken. Opmerkenswaardig is het, dat deze boeken, te midden van vreemde meesters en wanneer liefde tot eigen schoon een wezenlijk gevaar was, in het Nederlandsch werden gedrukt, hetgeen den secretaris van gemeld genootschap deed zeggen (1) : « Onze verhandelingen zullen dus in de Nederduitsche taal het licht zien. Waarom, zullen misschien andere vragen, niet het Fransch, hetwelk thans gemeener dan ooit is? Hiertegen zeggen wy, dat onze taal door geene wet vernietigd is, dus dat zy, als alle andere, moet in stand blyven. Zy is immer even ryk in haar zamenstel en heeft de beval-lykste uitdrukkingen die men in eene andere taal kan aantreffen : wat reden van die te verwerpen ? De beroemde Haarlemsche Maatschappy, het berugt Bataafsch Genootschap der proefondervindelyke wys-begeerte te Rotterdam, het keurig Zeeuwsche te Vlissingen, het nyverig Provinciaale te Utrecht, de uitgebreide Correspondentie-Societeit in den Haag, het schrandere Amsterdamsch, enz., zyn immers van hetzelfde gevoelen geweest en zijn het nog heden. Dus, schaamt nooit uivc eigen taal, ten waar gy die gebrekkig kendet, beschaaft ze liever, want wy gelooven dat niemand eene vreemde taal volmaak-telyk bezit, als hy de zyne niet grondig kent. »

De verschillige rekeningen en schriften, in dit hoofdstuk aangehaald, zoowel als bovenstaande pleitrede, bewijzen ons met welken goeden geest de geneesheeren der iSc eeuw bezield waren; zij bleven verkleefd aan hunne taal, zooals zij zich getrouw op hunne studie toelegden, en lieten noch de eene

(1) Inleiding, bladz. 13 en 14.

-ocr page 238-

noch de andere door den vreemdeling onteeren. Een paar hunner gezellen — van vreemden oorsprong — liepen tot den vijand over; do anderen bleven der bevolking trouw terzijde staan.

Van geneeskunde tot gerecht is de afstand niet groot; immers, een twist of eene botsing maakt ook heden de tusschenkomst van heelmeester en rechtbank soms onmisbaar, en de lezer zal ons dus gedwee op rechterlijk gebied willen volgen.

De geestelijke rechtbank, fungeerende nevens de wereldlijke vierschaar, bleef tot het einde der X VIII1\'eeuw regelmatig behouden en sprak vonnissen uit over zaken, die in hare bevoegdheid vielen; den 24 April 1736 veroordeelde zij Anna-Maria Eeltjens, overtuigd door schijnheiligheid en valsche beloften het volk te hebben bedrogen, om, gekleed in een wit hemd en eene brandende flambeeuw in hare hand, op eene kar door de stad te worden gevoerd; voor den hoofdingang der O.-L.-Vrouvve-, St.-Jacobs- en St.-Joriskerk moest zij knielend God en het gerecht vergiffenis vragen en daarna in de gevangenis terug-keeren en daar blijven, tot zoolang het den Bisschop beliefde, (i)

Van den anderen kant bestond ook geruimen tijd het « asilium » of geestelijk toevluchtsoord, \'t is te zeggen, de misdadigers, welke zich in een klooster verscholen hielden, genoten er volle vrijheid en mochten daar niet gevangen worden, dan door de geestelijken zei ven. In den avond van den 13 Januari 1707 had de barbier-heelmeester Jan Minne zijnen zwager, den priester Platteborze, op de Groote Markt

1

Compendium Raxis cn\'minaliSy handschrift.

-ocr page 239-

gedood en was onmiddellijk gevlucht. Aanstonds was de burgerwacht te boen, om den moordenaar te zoeken, en zie! eindelijk vond men hem bij do paters-miniemen, verdoken onder eenen stapel mutsaarden. Met gerecht wilde tot gevangenneming overgaan, maar de geestelijken antwoordden : — Ja, gij moogt den betichte weghalen, doch op voorwaarde, dat hij niet voor de Vierschaar verschijne, « ten sy dat eerst by de solve geestelycken soudc syn gede-cideert de questie oft den gevangene moest genieten het asylium ecclesiasticum. » Lang nog duurde het, alvorens dit vraagstuk opgelost was; eerst brachten de geestelijken in het midden, dat de schuld van den misdadiger niet duidelijk bleek en zijzelvcn niet veel vertrouwen in de pijnbank stelden, welke door hare onuitstaanbare folteringen ijdele bekentenissen uitlokte (« quod tortura fit janua mortis ); doch eindelijk kwam de hoogere Regeering er tusschen, die de kloosterlingen tot gehoorzaamheid dwong, (i) Later, in 1749, wanneer het magistraat nogmaals eenen moordenaar opzocht, stelde de Keizerin de geestelijken ten volle gerust, zeggende : « in cas de heeren van het magistraet hun souden vervoorderen te impieteren op de ecclesiastique immunityt ende gcestelycke jurisdictie tot op heden inviolabe-lyck geobserveert, de heeren vicarissen sullen genoot-saeckt syn sigh daer tegens te stellen in oppositie ende te doen hun beclagh.» (2) Daartoe gaf de stad echter geene aanleiding : zij eerbiedigde het geestelijk Hof beter zelfs dan de Staatsregeering zulks deed, want deze schond het asielrecht in 1771, met te bevelen, dat weggeloopen soldaten in de moeste

(1) Préparatoire Infonnaliën (losse stukken).

(2) Plakkaten \'ran den Hove, vol. 18, fquot; 160, 10 Januari \'T Vi-

-ocr page 240-

— 234 —

kerken en kloosters mochten jrevangen cn overgeleverd worden aan den krijgsraad, zitting houdende in het Kasteel,

De burgerlijke overheid had te harer beschikking de « peyskamer » of wat wij heden de rechtbank van enkele politie noemen, en de Vierschaar, gelijkstaande met het tegenwoordige hooggerecht. Wij zien in den loop van dit werk op welke wijze cerst-gemelde rechtbank werkzaam was. Zij hoorde de klagende en de verweerende partij en paste gewoonlijk tot straf eene geldboete toe. Kwaadspreeksters of eerroovers ontsnapten zoo gemakkelijk niet : gewoonlijk moesten deze de toegebrachte beleedi-gingen openlijk, in het Schepencollege, herroepen, « met gevoeghde handen ende ongedeckten hooffde, » « ende aldaer knielende, aen (iodt ende de justitie bidden om vergiffenisse, » als wilde het bestuur de woorden van den dichter bekrachtigen :

quot; Wat onhcyl brenyt op d\'aerd \'t bedrog van booze tongen,

])ie noyt en zyn gerust en noyt en zyn bedwongen !

Men beeft nog wel gezien het eynd van ander kwaed,

Maer een vergille tong\' word nimmermeer verzaed.

Wat imand zeggen kan of met \'t vernuft beryken

Tot haere beterniss\', daer is geen salv\' te stryken

Aen zoo bedorven lie), dat noyt genezen zal.

Ten zy de dood gebied, die \'t eynde stelt aen al. » (l)

Het gebeurde wel eens, dat een twist tusschen twee personen geenen bepaalden afloop voor de Schepenbank of « peyskamer » kreeg : zulks was te wijten aan eene of andere verwikkeling, waaruit bleek dat de aanklager zoowel als de verweerder

(i) J,-A.-F. Pauwels, De hedendaegsche lang-ton gr af-geheeld in tivaelf zinnebeelden, 1774, bladz. 11. — ProceszaUje H 7615.

-ocr page 241-

— 235 —

zich niet naar behooren had gedragen en bijna zoo schuldig was als zijne tegenpartij. In zulk geval werden de twisters huiswaarts gezonden zonder veel beslag, zonder verdere bekommeting van ambtswege — hetgeen onderstaande voorbeeld best bewijzen zal. (i)

In een gevecht tusschen schippers en beenhouwers, ontstaan in de herberg « Het Cappelleken », in do Schipperskapelstraat, had de genaamde Adriaenssens, schipperszoon, zoovele slagen gekregen, dat hij gedurende drie maanden, « doodelyckx plat te bedde » bleef liggen en 161 gulden 18 stuivers aan geneeskundige zorg besteedde; genezen zijnde, eischte hij betaling van deze som en verder 100 pond wisselgeld, voor « geleden pyn, smert, schaede ende versuym, dibiltatien, krenckinghe ende minckinghe van myn leven ». De plichtige, Philippus de Laet, die beticht werd onder andere eenen geweldigen messteek te hebben toegebracht, beweerde integendeel, dat de klager zichzelven had verwond met in volle gramschap een bierglas stuk te wringen. (2)

(1) Proceszakje A 4. — Pronunciatieboek, 28 Juli 1759.

(2) De geneesheer leverde het volgende zonderlinge getuigschrift : « Ik onderschreven iicentiaet in de medecynen, verklaere dat door tie vryvinge en pletteringe van glas, verscheyde toevallen konnen geocca-sioneert worden na advenant dat de stucken van t\'glas meer of min deelen geledeert hebben, want ingevalle sy maer alleen de huyd bele-dight hebben, soo is de wonde simpel ende van geen belangh; hebben sy de tendonen desselfs scheeden ol aponeuvrotike deelen gequelst, soo kan hier op volgen spanninge, pyne en inflammatie van de hant, arm, jae selfs extendeert sigh somtydts tot in de schouder en rugge, die niet geresolveert wordende, veeltyts abscessen baeit, welke ingevalle sy niet by tydts geopent of genoegsaem gedilateert worden, altydt voortswinnen somtydts langhs heel den arm ; dese inflammatie degenereert somtydts in een gangrtene die dickwils in seer korten tydt geweldigh toeneemt, en niet by tydts konnende gestut worden, stelt den patient in gevaer van syn leven of syn arm te

-ocr page 242-

— 236 —

De persoon, tegen wien des dokters verklaring gericht was, spotte er niet weinig mede, en zegde ; « Om dese ofte diergelycke attestatie te verleenen, en moesten de declaranten niet lanck op hem comptoir ofte bibliotecque sitten, alsoo sy de selve uyt den eenen ofte anderen autheur aenstonts manneken naer manneken konden trecken; maer waerlyck, sy sullen met groot verstant der conste begaeft syn, als sy hunne opinies derven staende houden ten aensien van het litteecken van myne wonde in mynen arm. » De heelmeester Jan-Domien Sacré, integendeel, die de kneuzingen had verzorgd, stelde vast « twee solutien in de slincke handt, verselt met doodelycke toevallen met eene simpele wonde in het hooft, uyt weleke solutien gesproten is eene stickinge sive gangrena in de vier vingeren ende duym, alsmede eene stickinge over desselffs geheelen arm ende halven rugge, met eene abcesse in de handt » — waarvoor hij in rekening bracht :

92 verbanden 61 gulden 8 stuivers, 1 consult 2 » 16 »

1 aderlating o » 7 ^

geneesmiddelen 3 » 10 »•

Niettegenstaande de klager en verwonde herhaaldelijk op zijnen eisch tot schadeverhaal terugkwam, onderzocht de Schepenbank slechts eenmaal (den

verliesen; voeght er by dat het perykcl veel grootcr is in een onge-regelt cocochymik llchaeni, en noch arger als er daer en boven eenigen virus resideert. Hebben sy een arterie gevulnereert, suo is er aenstonts scer groot stervens gevaer als er geen bequaem chyrurgyn spoedig bygeroepen wort. Hebben sy desselfs tuniken maer gequetst, soo volgt er eene anevrisme dat veoltyts d\'operatie requireert. Eindelinge volght er dickwils gebreck van actie van het beledighde deel.

« J. De Vadder. »

-ocr page 243-

28 Juli 1759) deze zaak, zonder een bepaald vonnis uit te brengen, wellicht omdat de verweerder had doen opmerken : « den naem van schippersgast alleen, ter oorsaecke van hunne gewoonlycke bru-taliteyten, doet allen de wereldt van hun schroomen ende vreesen! » Ziedaar het bewijs, dat de wet zich niet veel om twistzoekers en vechtersbazen bekommerde.

Zonderling mag het heeten, dat bij beleedigin-gen, aan openbare ambtenaars toegebacht, dezelfde « peyskamer » veel strenger te werk ging en de beschuldigden « ontgort ende onthakelt », dat is, in een los kleed, voor de balie deed verschijnen. Zulks bleek ons in 1770, in het proces tusschen den ambtman de Villegas en Geeraard de Mat, kooper der huidvetterij van Cuyck, (1) wanneer de betichte in gemelde vernederende kleedij moest optreden. Wel teekende hij krachtig verzet aan tegen deze strenge behandeling, zeggende : « want men poseert in feyt, dat binnen dese stad, in materie van daeg-seel personeel, noyt geplogen en is dat den perso-nelen gedaeghden in de bovenschreve forme compareert, maer de gemelde forme is eeniglyk geplogen in den Souverynen Raede van Brabant, in materie van grove delicten, als van seditie, valsche munte, criininis lesa majestatis ende diergelyke van dien natuer, geenssints in materie van injurie; » maar ondanks deze bemerking, werd de klager afgewezen, als wilde de Schepenbank daardoor bewijzen in haar recht te zijn.

Eene enkele maal eindigde een rechtsgeding, voor de .Schepenbank begonnen, met een vonnis voor

(1) Zie hoofdstuk I, blaclz. 34.

Antwerpen in de X V/ll* eeuw.

-ocr page 244-

- 238 -

de Vierschaar, en zulks in de volgende omstandigheden.

Een ingezetene uit Wilmarsdonk-bij-Antwerpen, Petrus Pillaer, was voogd over Peter vander Sterren, student te Turnhout, die eene som van 4,000 gulden had geërfd van den dijkgraaf der Austruweelsche polders, Peter Bosmans, overleden den 1 Juli 1764. Gemelde som berustte in handen van notaris Edward van Tilborgh, te Antwerpen, en wanneer de voogd om inlichtingen kwam hoeren, antwoordde deze ambtenaar, dat hij al het geld, op 161 gulden na, te rente had geplaatst en bereid was de bewijsstukken over te leveren (2 October !776). Deze handelwijze wekte bij het magistraat erg vermoeden : het scheen iets buitengewoons, eene erfgift te beleggen zonder den voogd te erkennen en hem geene rentebrieven te toonen, wanneer hij er naar vernemen kwam. De overheid drong verder aan, zij ontving klacht op klacht, tegen denzelfden notaris gericht — en eindelijk, wanneer men zijnen inboedel wilde nazien, was de vogel gevlucht! Hij werd in openbare bankbreuk verklaard en, ofschoon afwezig, levenlang gebannen, op straffe des doods. (2)

Misdaden en wanbedrijven, door jongelieden gepleegd, werden, op verzoek van voogden of ouders, onverbiddelijk gestraft : wanneer een weesjongen, bijvoorbeeld, iets had misdaan, sloot men hem in het tuchthuis op en geeselde men hem op zijnen blooten rug, in bijzijn der overige « knechtjens »; of wanneer een vader zijnen eigen zoon niet kon beteugelen, mocht hij hem gedurende eenigen tijd doen

([) Losse stukken : Préparatoire Information van 1770. (2) Proceszakje : Pillaer tegen van Tilborgh. — Correctieboeck X/, f* 405 en /(63, 5 October 1780.

-ocr page 245-

— 234 —

opsluiten en hem later naar den vreemde zenden, met verbod hier ooit terug te komen, (i) Gold het echter groote lieden, zooals de valschmunters van 1725, zoo luidde het vonnis veel akeliger. Deze misdadigers, twintig in getal, werden in den Raad van Brabant, den S Maart 1726, van al hunne goederen beroofd, omdat zij gouden muntstukken hadden nagebootst, en enkele hunner, die men had weten te vangen, werden in olie en kokend water versmoord. Later bleek het, dat de makelaar Dionysius van Papekeel deze mannen had aangeklaagd, en voor zijn gedrag zoozeer werd minacht door de bevolking, dat hij de stad had moeten ontvluchten; hij vroeg in 1731 een bewijs van goed gedrag, en zegde tot ons magistraat : — Indien gij mij zulk bewijs niet geven kunt, bevestigt dan ten minste, dat er vóór 1725 niets ongunstig van mij te zeggen was! (2) Bewijzen deze woorden niet, dat hijzelf zijne verklikking als eene schande erkende?

De wapenbehandeling, die in vredestijd alleen aan eenen gezworen schermmeester was toegelaten, lokte evenwel meer dan eens bittere verwijten uit, want, zooals de dichter zegt :

« Hoe menig\' is\' er niet, die van den vroegen morgen Begint voor hoog geluk en weerdigheyl te zorgen?

Hy beeld zig zeiven in het-ghen\' hy niet en is,

] ly maekt van synen staet, een uitlerlyk beslis :

Men siet hem over straet, met glori\' ingenomen.

Niet als een deftig heer, maer als een hertog komen,

Hy wilt door syn gezigt een ander doen te niet.

(1) De knechljesjongen Rombout Coremans, van dieverij beschuldigd, mocht den g April 1709 worden gegceseld (AV/Oara/itw/\'1709-10, f0 7)- — Jan Hiel, « musicien deser stadt », mocht zijnen zoon, na opsluiting, naar Oost-Indië sturen (Rekwestboeck 1718-19, f0 111).

(2) Rckwcstboerk 1731, f 1O6.

-ocr page 246-

— 240 —

Syn Irotslicyd van gemoed, als met een stem, gebied : Dat imand eenig deel macr van syn titels laekte,

\'t Is zeker dat den man in groot gevaer geraekte.

Want \'t is het point d\'/ionneur dat zoo een bits gemoed Zelfs aen het blanke stael zyn\' handen slagen doet. » (1)

Dit ondervond do schermmeester Frederik Cools, die, in eenen twist met den brandewijnstoker Peter Reynaerts, door dezen werd doodgeschoten — eene misdaad, waarvoor het Hof in 1722 vrijspraak verleende, omdat zij in g-eval van zelfverdediging was gepleegd (2-3). Een ander schermmeester Jean-Henry des Batisse, uit Franschen dienst herwaarts gevlucht, verstoutte zich, in herbergen en elders, zijne kunst uit te oefenen en namelijk in het lokaal « St,-Ignatius », gemeenlijk genoemd « De Konijnenpijp » op 16 Januari 1755 te zeggen : — Ik daag den schermer van Antwerpen tot een tweegevecht uit; « dien hontsvot met al syne Signors ofte Antworpenaers en syn niet in staet van eene goede lesse te geven; ick sal sien hoe lanck dat hy noch leven sal ende hy sal niet langer leven als het my belieft. » De pocher veranderde weldra van toon, wanneer hij zich tegenover het gerecht bevond : den 12 Maart beloofde hij nooit meer eenig wapen te behandelen en den ambtelijken schermmeester nimmer te miszeggen.

(1) J.-A.-F. Pauwels : Nauwkeurige tydts-rekeninge.....1772, blz. 67.

(2) « Manier om schietpoeder te maeken :

« In den eersten dient te weten, dat onder 108 pont salpeeter moet gedaen worden 20 pont colen en 10 pont solfer, maeckt tc saemen 138 pont. Daer van gemaeckt dry mengelingen en ider men-gelinge moet gemaelen worden vier uren lanck, dacr naer geslaegen door copere beckons met looden ballen ofte door veile sieften met copere ballen ende dan gedrooght en het stof uytgesieft ». Nota\'s van stadssecretaris P.-J. van Setter, vol. II, f 582 (einde der 188 eeuw).

(3) Rckwestboeck, 1722-23, f0 91.

-ocr page 247-

mits welke schuldbekentenis hij der gevangenis ontkwam. (i)

Onze voorouders waren dus verstandig genoeg, de beleedigingen van eenen wapenkenner bij het gerecht aan te klagen, liever dan ze met een tweegevecht te beantwoorden; maar ook, dergelijke strijd werd streng gestraft : doorgaans deed het gerecht den overwinnaar in een tweegevecht opknoopen, en den doode, het slachtoffer, insgelijks op eene « slodde » naar het Galgenveld, thans de Warande, slepen, om er gehangen te worden. Dezelfde straf viel den zelfmoordenaar ten deel, totdat de keizer, bij plakkaat van 22 October 1782, zulks kwam verbieden, « hebbende in aandacht genomen », zegde hij, « dat de self-moorderyen niet en konnen worden toegeeygent als aen sinneloosheyt, t\' sy aenhoudende, t\' sy voor den oogenblick, dat het alvolgens onmenscheleyk is van met strenghigheydt voorts te gaen tegens de doode lichaemen van de self-moorders, ende ons seynde toegekomen dat men in eenige plaetsen binnen dese landen noch gebruykt hunne doode lichaemen op eene horde te sleypen ». In het vervolg werden de zelfmoorders dus eenvoudig begraven « sonder eenighe lyckx-plechtigheydt », maar het magistraat kreeg in last, deze nieuwe schikking « geheym te houden », alsof de keizer door hare ruchtbaarheid meer zelfmoorden vreesde te zien plegen. (2)

(1) Meerdere inlichtingen over dezen grootspreker staan er niet aangeteekend in het daartoe bestemd register: Correctieboeck, X, t0 13; maar in de Scabinale protocollen van 9 April 1755, sub. van Paeschen, komt zijne vernederende herroeping voor. Waarom deze acte daar staat vermeld, is ons een raadsel.

(2) Correctieboecky XIII, f0 84.

-ocr page 248-

242

Dc beul, die sedert 1618 eene jaarwedde van 216 gulden genoot, had overigens werk genoeg bij het branden, verminken, opknoopen of geeselen der misdadigers, dan dat hij langer de lijken der zelf-moorders zou gefolterd hebben. Weliswaar sprak do Vierschaar van 1701 tot 1793 slechts 36 vonnissen voor moord uit (1), doch talrijker waren de straffen voor dielstal, groote gevechten en verdere euveldaden, die telkens streng werden beteugeld. Laten wij dus van nabij onderzoeken wat dengene te wachten stond, die met het hoogere gerecht moest afrekenen.

Vrijdag, 27 September 1793, was de Grootemarkt van Antwerpen zwart van volk : een « brandbriefschry-ver, afsweirder Godts, dief ende moordenaer », zooals er staat aangeteekend, werd geworgd en geradbraakt, [strangulatione et coura/rigio, zegt het Vierschaarboek), daartoe verwezen in volle Vierschaar van den 20 der gemelde maand.

Op de Veemarkt, in het huis thans nr 8, woonde Samuël-Hendrik Mathourné, gewezen griffier van Utrecht, met zijne echtgenoote Johanna-Maria Rousseau du Croissez, beiden van Hollandschen oorsprong en van edele afkomst. Zijn vader verbleef in Maastricht, evenals zijn neef G.-L. Vidal do St.-Germain, onderluitenant der schutterij, en zijne nicht M. Mathieu; zijne zuster, Anna-Charlotta, wed. Schreuder, was te \'s Hertogenbosch gevestigd.

Naar allen schijn vonden de echtgenooten hun verblijf te Antwerpen niet aangenaam, want zij besloten terug naar Holland te trekken. Hun vriend

(1) Zie de lijst bijlage D. Het Vierschacrhoeck van 1710 en 1711 ontbreekt aan de verzameling ter Stadsarcbieven.

-ocr page 249-

B. Donker Curtius, Nederlandsch letterkundige, berichtte hun den 16 September 1790 uit den Bosch, dat hij hun aldaar een huis had gehuurd tegen honderd zeventig guldon \'s jaars, « maar », schreef hij, « wijl de wet het barakkengeld in plaatse van inquar-tiering niet op don eigenaar, maar op den bewoonder heeft gelegd, moet dit ook tot uwen laste komen, gelijk mede het klappermansgeld ».

Tevens verzocht hij dat mev. Mathourné met hare meubelen maar zou komen « en middelerwijl haar introk bij ons gelieft te nemen »„ Ook de Nederlander Ed. Wardenburg drong daarop aan en meldde tevens dat « den heer van Alphen reeds over een jaar tot Pensionaris van Lijden gepromo-veert was ».

De echtgenooten gingen den raad hunner vrienden volgen. Inderdaad, den 30 September 1790 waren zij bij A. Schakerloo, op St.-Pietorsvliet, geweest en hadden daar gevraagd of de schipper Rosedaol, van Dordrecht, die des anderdaags hun goed naar Holland zou overvoeren, aangekomen was.

Geen bescheid daarover vernemende, wilden zij langs de Werf naar huis keeren, toen zij daar hunnen schipper ontmoetten, met wien zij afspraken om zich tegen \'s anderdaags gereed te houden, ton einde met zijne schuit de vrouw naar den Bosch te voeren. M. Mathourné zou eerst den 2 October vertrokken en dus tijd over hebben om afscheid van zijne Hol-landsche vrienden te nemen.

De mensch wikt en God beschikt.

Daags nadien, \'t is te zeggen wanneer huisraad, geld en juvveelen ingepakt stonden en de schipper zijne lading kwam halen, vond hij de deur gesloten. Geen mensch wist eenig nieuws betrekkelijk de inwoners te zeggen, en ook de volgende

-ocr page 250-

— 244 —

dagen hoorde noch zag men iets. Enkel ontving de eigenaar van het huis op de Veemarkt, de zeepzieder Wappers, twee brieven, gedagteekend 3 en 6 October, bekleed met den naam van vrouw Mathourné, waarbij zij uit Brussel liet weten, dat haar man het huis nog een of twee jaar in huur zou houden....

De geburen staken de hoofden bijeen, het gerecht kwam in opschudding; den 9 October deden de heeren der wet J.-H. Matthey, H. Cooppal, J.-P. Hoylarts en A. Weelen de deur openbreken en vonden in eiken kelder van het huis een lijk : de echtgenooten Mathourné waren vermoord, eenige oogenblikken vóór hun vertrek naar Holland; de twee brieven uit Brussel waren valsch.

Diefstal was de eenige drijfveer der misdaad geweest, want al het geld en zilverwerk was gestolen, uitgenomen 33 Fransche kronen, 21 enkele gouden Louis, 3 gouden rijders, 15 Hollandscho dukaten, 9 rijksdaalders, 1 daalder, 1 guldenstuk, 1 Holland-schen schelling en 5 dubbeltjes, die nog in het huis werden ontdekt.

De twee ongelukkigen werden begraven in den hof der Cellebroeders, « omdat zy », zoo teekent de tijdgenoot vander Straelen aan, « niet tot onze religie behoorden », en het gerecht loofde eene premie van duizend gulden wisselgeld uit voor wie den dader der gruwelijke misdaad kon opsporen, « sullende den naam des aenbrengers des begeirende worden gesecreteert » (verzwegen). (1)

Het viel seffens in \'t oog, dat de 35-jarige schoenmaker Ph. Mertens, wonende nevens de deur, in het huis n1 7, het eerst mede binnenging, en, ofschoon

1

Hel mes, 27 centimeters lang, dat tot ile misdaad heeft gediend, wordt met de overige stukken op stadsarchief bewaard.

-ocr page 251-

men het licht achter hem in den donkeren kelder droeg, oogenblikkelijk uitriep : « Daar ligt er al een! » Daarop was hij weggeloopen en had tot de omstanders gezegd: « Dat kunnen niet anders dan bekenden gedaan hebben. »

Korten tijd nadien, en terwijl hij den moord aan onbekenden en Hollanders poogde toe te schrijven, ofschoon hij reeds vroeger verklaard had in den nacht van 30 September op 1 October niets te hebben gehoord — hij, die vlak nevens het rampzalig huis woonde! was hij eensklaps verhuisd, zeggende dat het zoozeer spookte in de woning der slachtoffers.

Hij toog zelfs met zijne vrouw en zes kinderen uit de stad en deed nu verschilligc aankoopen met gereed geld, hij die van zijn handwerk moest leven en zijne schulden vroeger aandelgde bij middel van schoenen.

Dat alles verwekte veel opspraak. Men vroeg zich af wie die kerel eigenlijk was; men vernam dat hij menige weldaad van zijne vermoorde geburen genoot en er dikwijls in huis kwam; dat Mertens, een vreemdeling, in dienst der Zvvitsersche garden en meester-schoenmaker der staatscompagnie van kapitein Gérard Le Noir was geweest; dat hij zich daarna in Limburg als koopman in tabak en koloniale waren vestigde en als dusdanig onder andere den volgenden brief ontving, dien zijn leveraar hem den 5 Juni 1779 schreef :

« Het is my aengenaem te verneemen dat UEd. sig in den huwelyken staet hebt begeven, waer over UEd. beyde van harte feliciteere, met toewenschingen dat gy lieden te samen lange jaeren met gezond-heyd, voorspoed en contentement zult leeven in eene bestendige liefde en eendragt, en dat de jonge spruyt-

31

Antwerpen in de XVI/I* eeuw.

-ocr page 252-

jens, die van \'t Heylig Huwelyks-verbondt mogen voortkomen, in eer en deugd, tot meerder glorie van Godt, moogen opgroeyen. »

Welnu, diezelfde kerel, tot wien zulke duurbare wensch werd gericht, werd einde November 1790 als de dader van den twecvoudigen moord aangehouden, omdat men had bevonden, dat hij verschillige zilveren voorwerpen, waarvan de dekens der goudsmeden vaststelden dat ze tot één en hetzelfde servies behoorden, had verpand en doen verpanden en nadat ook de dekens der schoolmeesters hadden bevestigd, dat het schrift der twee valsche brieven uit Brussel hetzelfde was als het schrift in zijn kerkboek, dat voor titel had ; Hemels Palmhof ofte Groot Getyde-Boek, door Pater Wilhelmus Naka-tenus, priester der Societyt Jcsu. Op een der bladzijden staat geschreven :

lt; Ia hel jaer 1783, den eerste Januari, is Maria Lisabet van Stockem hier gewest. Was hadt men in himmel gemagt. Kompt met vlyt in dit lant, dan zult gy geert worden rustant. Heden leven, morgen doot, hier op te peyzen. Maria Agnete Op \'t liynde, geboortig van Stockem, woonaghtig tot Neeritter, getrouwt seynde mot Philippus Mertens... »

Oogenblikkelijk werd het gerecht gewaar, dat het den waren schuldige, die godsdienstijver huichelde om des te beter zijne schelmstukken te voltrekken, in handen had, want het sloeg in zijn huis ook een twintigtal brandbrieven aan, en zijne echtgenoote, niet kunnende zeggen van waar hun onlangs al het zoo kwistig verteerde geld kwam, had zich met eene leugen uit den slag pogen te trekken en beweerde dat zij het « van de jufvrouwen geestelyke dochters Moretus » had gekregen, om hare huishuur te betalen.

Terwijl de schoenmaker in de gevangenis zat,

-ocr page 253-

bracht zijn zoontje hem eten en drinken. ïusschen een half stuiversbroodje en eenen halven boterham legt zijne zuster briefjes, waarin zij haren broeder aanmaant moed te hebben en vertrouwen te stellen in God en den H. Antonius; « zuster Cotrien, » zoo schrijft ze, « zal binnen kort te Bergen-op-Zoom gaan trouwen, » en tegen dien tijd zal « de zaak » toch wel goed afgeloopen zijn. In andere briefjes, waarschijnlijk over den muur van het Steen geslingerd, want er lag een stukje lood in om gewicht te geven, schrijft zijn broeder Jan : « Houd moed, ik zal mijn best doen om u los te krijgen, moeder en zusters zijn in groote droefheid! » In een stuk leder wikkelen zij eene ganzenveder en met deze was het, dat de gevangene, op papiertjes en op de boorden van zijn hemd, met zijn bloed, zijne nabestaanden geruststelde.

Zoo wankelde Mertens tusschen hoop en vrees, steeds loochenende dat hij den moord gepleegd had, en zich beroepende op zijne overtuiging als mensch en kristen, totdat hij bijna twee jaar later voor de Vierschaar werd gedaagd, den g Maart 1792, en aldaar uit den mond van schepen J.-B. Vereecken, dienstdoenden schout der stad, de volgende verpletterende beschuldiging vernam :

« Ik zegge u, gevangene, op ende aen ;

1. Dat gy zyt cenen abominabelen schelm.

2. Dal gy, gevangenen, gebortigh zijnde van Eythuysen, omtrent Remunt, ende aldaar getrouwd, die uwe geboorteplaetzo omtrent den jaere 1785 hebt veriaeten.

3. Ende zyt gaen woonen tot Ophoven, omtrent Maseyk, in het gtaefschap Home.

4. Dat gy, gevangenen, complice zijt van de bende van brand-briefschryvers ende brandbriefleggers, welke zich in het voornoemd graefschap Home, naementlyk omtrent Maeseyk voormeld, in de jaeren 1784 ende 1785 heeft opgehouden.

5. Dat gy, gevangenen, des nagts, tusschen den twelfsten ende

-ocr page 254-

derlieuden Januari van den voornoemdea jaeie 1785, gedaen hebt den eed, welke de voorsegde bende, emmers veele van de zelve, hebben afgelegd.

6. Te weten in eene capelle, staende kort by Ophoven voornoemd, zoo men van Ophoven uytkomt om naer Maeseyk te gaen.

7. Dat den voorzegden eed bestaen heeft in Godt-verzoekendc ende ysselyke formaliteyten.

8. Dat gy, gevangenen, by wegen van den opgemelden eedt, gepretendeerd Godt af ende den duyvel aen te zweiren.

9. Dat, tusschen de pretense ceremonien van denzelven eed, gy, gevangenen, gestipuleerd hebt ; dat gy den duyvel lyf ende ziel gaeft, zoo gy iemand van de voorzegde bende zoude veriaeden.

10. Dat het ook inderdaad gebeurt is dat er ten jaere 1785 brandbrieven gelegd zyn geworden.

11. Te weten, onder andere in zekere plaetze genaemd den Linkoul.

12. Ende geadresseerd aen zekere Buekx Dirk, Couls Jaspar ende Boexhalve.

13. Dat het geld, achtervolgens de voorzegde brandbrieven gelegd, gelicht zynde, tusschen u, gevangenen, ende uwe complicen is verdeeld geworden.

14. Ten huyse van uwen complice, zekeren Hendrik Hoeber, binnen de stad Maseyk.....

37. Dat gij, gevangenen, eenigen tyd voor Baefmisse van den jaere 1790 gekomen zyt in zekeren kelder, omtrent uwen huyze op de Veemarkt alhier.

38. Dat gy, gevangenen, in den voornoemden kelder vindende iu slaep liggen zekeren persoon.

39. Aen den zeiven ontstolen hebt eene zilvere horologie.

40. Met welke horologie, gy, gevangenen, gegaen zyt by zekeren ingezetenen alhier.

41. Ende op welke horologie gij, gevangenen, hebt weten te krygen zes guldens.

42. Dat ten jaere 1790 nevens uws gevangeneus opgemelde wooninge in een ander buys gewoond hebben den heere ende mevrouwc Mathourné.

43. Dat gy, gevangene, op het eynde van September van den gemelden jaere 1790, de voornoemde heer ende mevrouw Mathourné op eene deirelyke wyze hebt vermoord.

44. Dat gy, gevangenen, met een scherp stekende ende snydende instrument aen den voornoemden heere Mathourné toegebragt hebt negen verschyde wonden.

45. Alle welke wonden den voornoemden d\'heer Mathourné gebragt hebbben in eenen absolueten doodelyken toestand.

46. Idque in dusdaenigen toestand, in welken nogte de nattier, nogte de konst het vermogen hadden van de dood, welke door de menigvuldige, zoo inwendige als uytwendige, bloedstortingen, veroorzaekt is, te kunnen afweiren.

-ocr page 255-

— 249 —

4quot;. Dat gy, gevangenen, met een scherp stekende ende snydende instrument, aen de opgemelde mevrouw Mathourué toegebragt hebt elf verschyde wonden.

48. Alle welke wouden de voornoemde mevrouw Mathourné gebragt hebben in eenen absolueten doodelyken toestand ...»

De aanklager eischtc doodstraf; doch vooraf moest do plichtige zijn schelstuk bekennen.

Nu beg-on de « scherpe examinatie » of het onderzoek bij middel der pijnbank. In tegenwoordigheid van schout, burgemeester, schepenen, griffier, geneesheer, heelmeester, apotheker, scherprechter van Brussel en Antwerpen en hunne dienaars, brengt men den beschuldigde in de benedenkamer van het Steen. Op de vraag of hij zijn schelmstuk bekent, antwoordt hij niets te weten, « naer welke antwoorde den gevangenen gebrocht synde op de tortuercamer, is door ons, commissarissen, aen hem de voorschreven vraege gerepeteert ende serieuselyk aengesegt van de waerheyd opentlyk desaengaende te bekennen om te ontkomen de executie van het gemeld vonnis, terwyl hy, gevangenen, voor de oogen siet den scherprechter ende de dienaers beneffens de instrumenten daertoe bereydt. Ende persisterende den gevangenen by syne voorgaende antwoord, is aldaer op het toortuerstoeltjen ende in den halsband gezet, omtrent het quaert naer den vier uren van den naer-middag. »

Men is nooit duidelijk te weten gekomen waaruit de kwelmiddelen der pijnbank hier bestonden. Volgens de getuigenis van advocaat Nanteuil.uitde tweede helft der XVIII® eeuw, dekte men het aangezicht van den betichte met een stuk nat laken, dat neus en mond stopte en plaatste men hem daarna voor een gloeiend vuur; weldra was de gemartelde gedwongen eenig drinken te verzoeken en benuttigde hij de gelegen-

-ocr page 256-

— 25° -

heid om schuldbekentenis tc doen. Wat het tor-tuurstoeltje betreft, dit was gomaakt in den vorm van een geslepen diamant, zoodat de punt in het lichaam van den beschuldigde drong als deze er op geplaatst werd, cn dus eene onuitstaanbare pijn veroorzaakte. Enkel kunnen wij uit den indruk, dien de foltermiddelen teweegbrachten, opmaken, dat ze verschrikkelijk moesten werken, iets wat eens te meer blijkt uit de volgende nota der bewaarde bescheeden : « Ende is den gevangenen, naer het mcestendecl van den tyd dat hy op de torture was, aengeroepen te hebben den soeten naem Jesus, den naem van de Hylige Maghet Maria ende andere Heyligen, sonder tot hiertoe niet het minsten gesegt te hebben nopens de vraege hem hierover gedaen, in qualykte gevallen het half quaert naer half acht uren. »

Men legt den moordenaar op eene matras; hij bekomt langzamerhand; opnieuw wordt hij ter pijnbank geleid, en eindelijk, de pijnen niet meer kunnende verdragen, smeekt hij : « Myne heeren, laet my los, dan sal ik u alles zeggen! » Het was kwaart vóór 11 uren.

— Wel, zoo wordt hem gevraagd, wat zult gij zeggen?

— Ik heb den moord begaan!

Na deze bekentenis (3 Juli 1792), werd de schuldige uit den halsband genomen en terug naar zijne cel gebracht; maar twee dagen later loochent en bekent hij beurtelings, zoodat hij dezelfde pijnigingen zevenmaal onderging.

Eindelijk, den 5 November, wist hij te vertellen, dat hij Donderdags vóór Baafmis 1790 kennis had aangeknoopt met een paar Hollanders, die hem tot werktuig hadden gebruikt bij \'t plegen van den

-ocr page 257-

— 251 —

afschuwelijken moord; dat hij dus eerder een slachtoffer dan een misdadiger was geweest.

Nog- kwam er geen einde aan het lot van den gevangene, want hijzelf poogde de straf zoolang mogelijk te verschuiven. In eene uiterste poging, en gerugsteund door zijne moeder, wier tusschenkomst reeds afgewezen was, wendde Mertens zich den 30 Augustus 1793 tot don keizer, in den Raad van Brabant, klagende hoe hij zonder bewijzen en zevenmaal achtereen werd gepijnigd, « door welcke vreede en aenhoudende tourmenten ik afgemath en als uyt-sinnigh ben. »

Niets hielp. Het stadsbestuur liet aan den Hooge-ren Raad weten dat Mertens tot den vure gedoemd en er voor zulke vonnissen « geen appel ofte reformatie » mogelijk was; waarop de Raad van Brabant liet weten : « Gesien t\'advies der stadt, tHof verklaert dat de vraege des suppliants niet en kan worden toegestaen. Actum 7 Septembris 1793, J.-G. Delvaux. »

Twintig dagen later kraakten de ledematen van den booswicht op het rad en paste de beul voor de laatste maal zijne foltertuigen toe op eenen inwoner der Scheldestad. De Franschen, die ons kwamen beschaven, brachten een nieuw stelsel, het schavot, mede. (1)

Er blijft ons ten slotte te verhalen op welke zonderlinge wijze de dieven en inbrekers werden behandeld; nemen wij dus, tot beteren verstande, eene inbraak ten jare 1700 en eene ten jare 1794 ten voorbeeld.

(1) Losse stukken : Préparatoire Information (stadsarchief).

-ocr page 258-

— 252 —

Een inboorling uit Luxemburg, met name Geeraard Proniel, was met eenen Turk, geheeten Omar, en verschillige andere kwaaddoeners, in den nacht van Witten-Donderdag 1700, bij den advocaat van Diependael, in de Hoogstraat, binnengedrongen en samen hadden zij aldaar gestolen lt; ontrent eene quantiteyt van twintigh ponden boter ende ontrent vier steenen groote tafelkerssen. » Den volgenden nacht deed dezelfde bende eene nieuwe ronde, « ahwanneer zy met een lanck dick hout gecomen synde aen den huyse van Den Coraeltack, aen den Dryhoeck alhier, met extraordinoire force ende gewelt daermede hebben gebroeken een dicke gierde van de ysere tralie ende dander gierde daerneffens staende soo verre, dat een van de medecomplicen daer door met het openbreken van de binnenvenster is geraeckt in den garenwinckel van den selven huyse, alvvaer hy genomen ende aen den gevangene synen medecomplice overgegeven heeft een groote quantiteyt van packskens, gevult met stroey, die zy rnynden vol garen te wesen. »

Onze winkeliers der XVIIl0 eeuw kenden dus ook het middel om hunnen winkel een deftig uitzicht te geven, zonder veel koopwaar uit te stallen, iets wat de dieven niet zeer aangenaam vonden, want zij keerden denzelfden nacht terug en stolen er ditmaal « een party saiettegaren ende de quantiteyt van ontrent zesthien ponden naeygaren, weerdich samen ontrent de somme van 100 guldens. »

De twee gemelde dieven werden spoedig ontdekt en gestraft : zij verschenen den 16 April voor den rechter en verloren reeds den 23 daaropvolgende hun hoofd.

Gansch anders was het lot der drie dieven Jan-Frans Borsbeeck, Joris Haes en Benedictus Salomon,

-ocr page 259-

die in den nacht van 4 op 5 April 1793, bij de weduwe David Dirix, op den hoek der Wijngaardstraat, hadden gestolen : « verscheyde stucken fae-liestoffen; verscheyde stucken geverfde akensaeyen, soo groen, blauw, als swert; eenen lap witten akensaey; een stuck gestrepten velours de coton, breede streep, hoog groen van couleur; eenen lap ditto ligt groen; eenige lappen toile de coton, zes a zeven begonste stukken chalon; tien a elf ellen pluche écarlate ende 7 a 8 ellen pluche couleur de paille a long poil;een half stuk broekstoffe sarge de Nitnes; een half stuk prunel sur soye van de beste qualiteyt; twee stuckken ende twee lappen Engelschen prunel mindere soort; verscheyde stucken lappen faelie camelotten; eenige gesnede voederingen voor faeliën, » verder twee zakken geld, de spaarpenningen der weduwe uitmakende.

Voor dezen diefstal werden de drie plichtigen op 24 Januari 1794 voor den aanklager gebracht, doch den 8 October 1794, \'t is te zeggen een paar maanden na den tweeden inval der Franschen, liet de Fransche rechtbank hen los en nooit meer hoorde men van hunne straf noch tuchtiging gewagen. (1)

Wat meer is, in 1792 hadden de republikeinen schier al de oude foltertuigen openlijk verbrand, doch in het lokaal van Stuivenberg vond de stedelijke commissie (het gemeentebestuur) nog eene galg en aanstonds gaf zij bevel, zonder vertraag dit « walgend teeken van barbaarschheid en koelbloedige wreedheid gt; te vernietigen (9 October 1796). Het is echter zeer kenmerkend, dat elf dagen nadien diezelfde commissie eene rekening van 480 gulden

(1) Viefschaerhoeck, 1700 cn 1794.

Antwerpen in de A Vlil* eeuw.

-ocr page 260-

- 254 -

15 stuivers goedkeurde, betaald voor het maken van eene andere nieuwigheid, de guillotien, (t) welke reeds in Frankrijk met stroomen bloeds was begoten.

(i) Dossier ; strafzaken (stadsarchief)

-ocr page 261-

VI.

ANTWERPEN IN GODSDIENSTZAKEN.

Een Godslasteraar gestraft, — Waarzeggers en toovenaars. — Jubelfeesten. — Een kerkdiefstal. — Kerkbrand. — Twist met een kapelaan, eene kloostermoeder, twee kapelmeesters en eenen beeldbreker. -- Egyptenaars, Protestanten, Joden en Lutheranen. — Eerste inbreuk op onze aloude gebruiken. — Jozef II aan \'t werk. — Plunderingen door het volk. — Bijzonderheden over Mathias Dieltiens. — Inval der Franschen. — Misdadigers losgelaten.

IEMAND kan betwisten, dat het onberispelijk gedrag van het algemeen te wijten was aan den strengen godsdienstzin onzer voorzaten, ten besten gehandhaafd door geestelijken en leeken, door kerkelijke en stedelijke overheid, zelfs clan, wanneer het hoogere bestuur ons vijandig werd. Daaruit volgt, dat er, onder godsdienstig oogpunt, in de XVIIIquot; eeuw veel te loeren valt, want het is opmerkelijk hoe hier, terwijl overal elders veel onverdraagzaamheid werd aan den dag gelegd, de godsdienstige overtuiging van anderen meestendeels bleef geëerbiedigd, zonder daarom iets van het eigensehappelijke ten offer te brengen. Het is treffend om zien hoe de Antwerpenaars der XVIII\'quot; eeuw,

-ocr page 262-

lang nog na de overrompeling door de Franschen, rotstvast gehecht bleven aan dezelfde instellingen, aan hetzelfde katholieke beginsel, eeuw aan eeuw door hunne voorvaderen gehuldigd, ten koste van hun bloed somwijlen, ten voorbeeld voor alle landen, altoos.

Wij spraken daar van verdraagzaamheid. Wil dit daarom zeggen, dat onze voorgangers laf en loom hunne Kerk lieten beschimpen of benadeelen ? In het geheel niet; want ziehier eene bijzonderheid, welke daaromtrent elke verkeerde bewering komt logenstraffen.

Op het oogenblik dat de verbittering tusschen Patriotten en Vijgen aangroeide, had, volgens de geschiedschrijvers Mertens en Torfs, « zeker notaris zich in de herberg Dc. Kroon, aan de Beurs, vertoond met eenen arend aan zijn opgebonden haar gespeten, en werd bijna doodgeslagen. Droeg hij dezen arend uit spot ot als een partijteeken? Men zou dit laatste uit de hem gedane mishandelingen mogen veronderstellen. Nochtans werd de notaris eenigen tijd daarna aangehouden, men meet niet onder ivelk voonvendscl, en ter Vierschaar verwezen tot het ontvangen eener duchtige geeseling op het Steen; maar dit vonnis werd veranderd in eene eeuwige gevangenis op het tuchthuis te Vilvoorde. » (i)

Zooveel woorden, zooveel dwalingen. Er was hier geene sprake van keizers- of patriottengezind-heid, veel minder nog van het dragen van een arendje! Godsdienstige betwisting alleen was oorzaak van een geruchtmakend proces, waarin zekere Petrus-Laurentius-Gummarus Goudblom, wonende in de Moriaanstraat, de hoofdrol vervulde.

(i) Mertkns en Torfs, Geschiedenis van Antwerpen, VI, bl. 25O.

-ocr page 263-

— 2,57 -

Die man, notaris van beroep, had waarschijnlijk reeds het een en ander uit de Parijzer clubjes vernomen of wilde zich beijveren om den hervormingsgeest van den Oostenrijkschen vorst ingang te doen vinden bij de burgerij. Met dit inzicht bezocht hij de meeste herbergen van de stad en zelfs daar buiten, alwaar hij de meest godlasterende begrippen verkondigde. Men kan wel denken hoezeer de aanhoorders ontsticht werden door gezegden als deze : « De moeder Gods is eene vrouwe geweest gelyck andere vrouwpersoonen »; « de paepen syn maer... .cappoenen, het waere te wenschen dat sy altemael wirden weggejaegt, want sy en syn maer om ons te verneucken ende hunnen intrest en is maer om ons te kullen » ; « eenidereen moet leven volgens syne gesintheyd, het is genoeg dat men op syn dood-bedde een recht gemoed hebbe... » Eene andere maal schreeuwde hij : « Dieu? qu\'est-ce que le nom de Dieu? II y a un être suprème et pas de Dieu, c\'est un faux nom qu\'on lui donne »; ofwel ; « Ik ben de notaris Goudblom, sonder religie, sonder eed, sonder conscientie; dacr en is geencn Godf, ick hen Godt self! »

Deze laatste uitroep hadde moeten bewijzen, dat de man niet wel bij zijne zinnen was; althans bleven zijne woorden zonder den minsten mededeelzamen invloed op het gemoed der burgerij, terwijl hijzelf voor de Vierschaar werd gedaagd, en, vermits hij zijne dwaze beweringen staande hield, bij vonnis van den 4 September 1789 veroordeeld om in het Steen gegeeseld en daarna « syn leven geduerende » in het verbeteringshuis van Vilvoorde te worden gekerkerd. Op voorhand drukte de keizer echter de meening uit, dat de geeseling in de gevangenis overbodig was, aangezien zij daar toch niet tot

-ocr page 264-

voorbeeld aan het volk kon worden voorgehouden, zoodat Goudblom deze tuchtiging ontkwam, (i)

Ziedaar de beteekenis van den versregel, voorkomende in den Oproep van het Volk tot de Wet, vastgesteld in zitting van 28 Juni 1790 der Antwerp-sche afdeeling van het Congres, waarin ook de Vijgen en bastaards aan de kaak werden gesteld :

lt;■ Als Goublom zig in Goilt noch in ctc menschcn stoorde... »

Men denke nu niet, dat het volk, ofschoon in merg en boen godsdienstig gestemd, zich aan bijge-loovigheid overleverde — verre vandaar. Wel vonden wij aangeteckend, dat een brandewijnsteker, in het begin der eeuw, tijdelijk wist te ontsnappen aan het brandewijn-accijs, onder voorwendsel dat zijne stokerij betooverd was; (2) maar dit enkel geval mogen wij als eene uitzondering op eiken algemeenen regel beschouwen en voor het overige verzekeren, dat tooverij, spoken en waarzegsters enkel bij de kinderen ernstig werden opgenomen.

Den 2 Januari 1735 verscheen do genaamde Peter Lysons voor de Schepenbank, als slachtoffer zijner lichtgeloovigheid, komende verklaren hoe hij zich bij eene kaartzienster had bedrogen bevonden en duidelijk toonende dat hij niets meer geloofde van al wat de bedriegster hem poogde wijs te maken. — Het is waar, zegde hij, « dat ick gegaen ben by seker vrouwpersoon, genaemt Marie dc wacr-seghster, ende van haer gevraeght hebbende ofte sy myn geit soude connen wederom leverén, heeft geantwoordt, naer dat sy in de caert twee

(1) Correctiebock, deel XIV.

(2) Rekwesiboeky 1712-13, f0 141.

-ocr page 265-

— 250 —

ofte dry rysen gesien hadde, als dat het een vrouwpersoon, niet verre van ons vvoonende, hadde gedaen, seggende datter 20 guldens af was, waervan een nieuw cappotje gecocht was, maer dat sy my het eventwel tegen Dynsdagh savonts soude hebben doen thuys comen; ende gy kentse wel, maer den marekgrave heeft my verboden dat ick se niet en magh noemen... »

Dergelijke slimme berekening gebruiken de betweters vandaag immers nog? Zij beweren over alles te zijn ingelicht, maar mogen niets verklappen, ofwel schuiven zij de schuld op eene buurvrouw, welke er meestal bepaald vreemd aan is. Uij slot van rekening komt men tot geen den minsten uitslag, doch de kwaadsprekerij heeft eens te meer haar werk verricht en de lichtgcloovige sukkelaar is zijne duiten kwijt. Zoo ging het ook met onzen Peter Lysons : hij vulde regelmatig de handen van de waarzegster, zonder iets zekers nopens het hem ontvreemde geld te vernemen; de vrouw trok zich uit den slag, nu eens met te zeggen dat zij nog eerst negen missen moest hooren, dan weer met den uitroep : « gij, duyvels, gy weet het: ick geeff den duyvel lyf en siel als gy het geit niet wederom en cryght » — maar het geld kwam niet on Marie de waarzegster, na den pastoor van St.-Jacobskerk te hebben beloofd, nooit meer de kaart te zullen leggen, boette hare kunst met drie maanden gevangenis, Rond hetzelfde tijdstip werd een Franschman, met name Jean Fabre, voor tooverij aangehouden (April 1739), doch bij gebrek aan duidelijke beschul-digingen weder losgelaten. Het kwam ons voor, dat die man, onder den dekmantel van godsdienstoefening — want hij droeg een geschoren kruin — zich aan attruggelarij wilde overleveren, maar

-ocr page 266-

--26O -

ook daarin was hij mislukt. Het gerecht stelde hem dus op vrije voeten, nadat hij, bij middel van een briefje gericht tot zijne « chère amie », te Parijs, een bewijs van goed gedrag had weten te bekomen.

Hetgeen half November 1770 ten huize van bakker Cnaeps, op de Veemarkt, gebeurde, was heel wat verschrikkelijker dan de twee vorige gevallen. Eens, dat de meid den trap afdaalde, werd eensklaps een « carcas » rond haren hals gewrongen; uit den baas zijn kleed waren de mouwen gesneden; een peerdeken van plaaster verdween vanzelf van de schouw, zonder dat bakker Cnaeps kon zeggen « door wie alle deze onheylen syn bedreven nochte op niemandt de alderminste suspicie te hebben. » Weldra, gelijk een vuurken dat zich op eenen hooizolder verspreidt, zoo werd van mond tot mond voortverteld dat het spookte bij den bakker op de Veemarkt, totdat heel de buurt in rep en roer geraakte en voor de ongelukswoning samenschoolde. De knecht van den huize kreeg een gelukkigen inval: hij zou nevens het vuur gaan zitten, met eenen degen tusschen zijne beenen, en, aldus gewapend, eiken ongenooden gast te lijf gaan. Het eerste wat hij zag, was een steenen panneken, welk uit eigen beweging begon te dansen; onverschrokken stapte de knecht er op toe, stak er naar en het panneken bleef stil hangen. Wanneer nu het oogenblik gekomen was om naar den oven te gaan zien, moest de knecht natuurlijk zijnen degen in eenen hoek zetten; doch hoe schrikte hij, wanneer hij, terug in de kamer gekomen, het wapen zag steken door zijn kleed dat aan den kapstok was blijven hangen! Geen twijfel meer : het spook had zich willen wreken over den steek naar het panneken.

Welnu, om de bewoners van het huis gerust te

-ocr page 267-

201 —

stellen, waakten Capucienen en Predikheeren dag- en nacht bij den bakker, maar zoo weinig geloof hechtten deze geestelijken aan do geduchte spoken, dat een hunner, pater Herckelbout, dezelfde die onder de republiek de terdoodveroordeelden naar het schavot begeleidde, jokkend vroeg aan den barbiersgast Ver-buecken, welke den bakker zijnen baard kwam poetsen : — Ilee, jongen, zoudt gij het spook niet willen scheren? De aanwezigen lachten; deze lach deelde zich aan de menigte op straat mede en men hoorde van het spook, wellicht ontstaan in het brein van meid en knecht, niet meer spreken, (i)

Wat de eigenlijke godsdienstoefeningen betreft, ook deze werden streng in acht genomen, vooral bij het uitgaan van processiën, alswanneer geboden werd « de wooningen te verderen ten beste moge-lyck ende gelyck eenen solemnelycken feestdagh is verdienende. » (2) De lezer kent die processiën : bij het kerkelijk gedeelte was ook het burgerlijke gevoegd, een gebruik dat niet in 1725, zooals men tot hiertoe beweerde, maar eerst in de tweede helft der XVIII® eeuw verloren ging. En niet alleen naar de gewone kerkelijke ommegangen ging het volk ingetogen heen, het nam ook gulhartig deel aan de toevallige optochten, voor doel hebbende de verheffing van sommige heiligdommen of het feestvieren van geestelijke personen.

Men hadde dan ook moeten zien met welke

(1) Uit de verzameling : Préparatoire informaticn van gemelde jaren.

(2) Beslissing van Burgemeester en Schepenen, 28 Mei 1720, later dikwijls vernieuwd.

3.)

Antwerpen in de A l \'IJl* eeuw.

-ocr page 268-

rechtzinnige gramschap onze burgerij tegen de kerkschenders uitviel of met welken heiligen ijver zij de eene of andere kerkramp poogde te verzachten; men mocht, in zulk geval verzekerd zijn dat niemand, in heel de stad, zich eenige rust veroorloofde voordat het kwaad gestraft, het ongeluk verholpen was. Gevoeliger werd zulks niet ondervonden, dan in het drietal voorvallen, welke dit tijdvak kenmerkten en gelegenheid gaven om, met de belangstelling van het volk in alles wat de Kerk betrof, ook zijne mildheid te haren opzichte te doen blijken.

Het was den 19 Februari 1712, dat pastoor en kerkmeesters der St.-Andriesparochie aan het magistraat kennis gaven van de gepleegde heiligschennis in den nacht van 15 op 16 der gemelde maand-Dieven waren alsdan in de kerk gebroken, roovende « desselfs remonstratie, den kop ende silvere stocken tot de berechtingen behoorende, een silvere busse om het Heyligh Olysel te administreren, ende twee silvere doosen in dewelcke men het Alderheyligste in menichvuldighyt van noodt oock conde uytdraegen, boven de affhangende juweelen, die minder noodich syn. » De gewijde hostiën waren door de dieven in een doek geschud geworden (1). Het kerkbestuur was op voorhand verzekerd, zegde het, geene toereikende hulp van zijne parochianen, behoorende tot de geringste volksklasse, te mogen verwachten; derhalve vroeg en bekwam het toelating van stadswege, om bij al de burgers te mogen rondgaan. Toch brachten de parochianen meer dan 5,000 gulden bijeen; en wat de kerkroovers betreft, deze werden eerst vóór St.-Andrieskerk gcgeeseld, daarna op de Groote

(1) Rckweiiboek 1711-12, f0 199V0,

-ocr page 269-

— 203 —

Markt hunne rechterhand afgehakt, zijzelven geradbraakt en hunne lijken op het Galgenveld ten prooi aan de vogelen en honden geworpen. Er bleef niets van overig!

Dezelfde kerk leed eenige jaren later groote schade door het instorten van haren toren, op 30 Mei 1755, des avonds rond 10 uren, gelukkiglijk na den afloop van het octaaf van het H. Sacrament, dat een uur te voren volop aan gang was. Sedert lang had men de ontoereikendheid der grondsteenen opgemerkt, en men was begonnen met het leggen van nieuwe en sterkere grondvestingen, wanneer het ongeluk zich voordeed, waarbij ook de klokken, de beiaard, het uurwerk en het orgel neertuimelden. Onze Mechel-sche vrienden, welke sedert den jare 1687 den schimpnaam van « Maanblusschers » droegen, meenden eene geestigheid te begaan bij het verspreiden van het schimpversje :

« Het is beter te blusschen sonder brandt,

Dan thorens te bouwen sonder verstandt. »

Doch reeds het jaar na de ramp (27 Augustus •yS6) legde men den eersten steen van den nieuwen toren, nogmaals dank aan de aalmoezen en milde giften der geloovigen. (1)

Negen jaar nadien vonden de Mechelaars eene betere gelegenheid, dan daareven, om hunnen spotnaam aan de Antwerpenaars over te maken. Ziehier op welke wijze.Het waste Antwerpen een oud gebruik, de doodsklok te tampen bij het overlijden van hoogge-

(1) Herstellingen van kerken duurden destijds nooit lang. Als voorbeeld kan nog worden vermeld, dat de Jezuictenkerk, alsdan de schoonste van heel BelgiO, op 18 Juli 1718 in lichtlaaie vlam geraakte en reeds op 6 November 1719 heropend werd.

-ocr page 270-

plaatste personen, een gebruik dat ook den 29 Augustus 1765 werd gevolgd, op den sterfdag van Jacob-Jozef Verpoorten, kanunnik in St.-Jacobs-kerk. Hoe het kwam, weet men niet te zeggen; maar eenige burgers namen dit doodsgelui voor brandgeklep, weldra begonnen al de kerkklokken storm te luiden en op den hoofdkerktoren riep de waker « brand! » Met ladders, emmers, haken, koorden en watertonnen — het eenige bluschgerief van dien tijd — geladen, liep de menigte in de richting van de Ö.-L.-V.-kerk, meenende dat ze in brand stond; doch weldra bleek het, dat er misverstand was ontstaan en de aigemeene ontroering liep op een algemeenen schaterlach uit. De Meche-laars lachten echter het meest : met tientallen verspreidden zij jaar-, punt- en rijmdichtjes op de Antwerpsche « zielblussching » en een houtsneêplaatje stelde een Signoorken voor, de twee volksmisgre-pen, die van Mechelen en die van Antwerpen, wegende in eene schaal, waarvan het linkerschoteltje, dat licht opging, den St.-Romboutstoren, en het rechterschaal-tje, zwaar naar beneden zakkende, een zieltje droeg, willende aldus op aanschouwelijke wijze beduiden, dat de « zielenbrand » veel belachelijker dan de « maanblussching » was.. De Mechelaars vergaten slechts eene zaak, de bijzonderste, dat de Antwerpenaars niet werkelijk hadden gebluscht, en zoo waar is het, dat eene verkeerdelijk toegepaste spotternij geen steek houdt, dat men vandaag de geschiedenis der zielenblusschers vergeten is, terwijl de « Maan-blusschers » als dusdanig voortleven,

Rond hetzelfde tijdstip liep het volk ook samen om brand te blusschen in het klooster der Karmelieten. Ditmaal bleek het, dat er niets anders rookte dan het vochtig geworden hooi, welk men in de

-ocr page 271-

gaten van don kerkgevel had gestopt. Dit voorval werd den Eliasbmnd geheeten, naar aanleiding van het beeld van den profeet Elias, dat den voorgevel versierde en waarvoor men het meest bekommerd was. (i) In deze kerk lieten de diamantslijpers hunne patroon-mis van de HH. Petrus en Paulus vieren; maar dewijl de vrijmeester Geeraard Le Grellc er op 29 Juni 1750 niet verscheen, zooals zijne ambachtsplichten het hem voorschreven, werd hij door zijne gilde voor onze Schepenbank gedaagd en door haar verwezen tot betaling van een pond was ten behoeve van den kerkdienst, met de kosten van het proces, ofschoon hij als verzachtende omstandigheid deed gelden dat hij het ambt van lofmeester in O.-L.-Vrouwekapel binnen do hoofdkerk waarnam. (2)

Dergelijke betwistingen vielen destijds menigmaal voor en waren soms rijk aan aardigheden van alle slag, weshalve wij niet kunnen nalaten er eenige te ontleden.

Joannes-Carolus de Craen was rond Da aftnis 1736 tot kapelaan van het ambacht der schoenlappers aangenomen en had, ter verkrijging dezer bediening, 100 gulden en « het gewoonelyck tractement » aan de dekens betaald; zijn jaarlijksch loon bedroeg 36 gulden en 6 stuivers voor eiken nieuwen doken. Aangezien de Craen geen priester gewijd was, gelastte hij eenen priester met het lezen der ambachtsmissen en verrichtte voor het overige al de diensten in ommegangen en elders « daer het priesterdom niet en wirdo geriquiroert. » Hij hield zulks vol tot in

^1) MeRTENS en Torks, Geschiedenis van Antwerpen, Vl® deel. (2) Proceszukje A 52. — Pronunciatieboek, 16 April 1751.

-ocr page 272-

— 2^6 —

1739. wanneer de dekens ecnen nieuwen kapelaan benoemden en de Craen wandelen zonden, hetgeen hij den 21 October 1741 bij het magistraat kwam aanklagen, vermits hij tot geene minnelijke schikking kon geraken; de Craen eischte de wegzending van den nieuwen kapelaan of teruggave van zijne 100 gulden. De manier, waarbij de dekens zich verdedigden, verdient in haar geheel te worden vermeld. Van den eenen kant loochenden zij 100 gulden te hebben ontvangen, maar, van den anderen kant, bekenden zij het openhartig, na gedurende eenigen tijd, zooals wij dat noemen zouden, rond den pot gedraaid te hebben. — Neen, zegden zij, de Craen heeft ons geene 100 gulden betaald; maar « het is waerachtich dat de capellaenen soo wel als de dekens altyd gewoon geweest waeren eene maelteyt te geven aen het ambaght, dewelcke ordinairelyck quamp te costen /usschen de 2 a dry hondert guldens; waer-tegens de voorschreve dekens en cappellaenen alsdan oock quamen op alle maelteyden van het ambaght, welcke maeltheden afgebroken syn geworden ende in plaets van dien soo ist dat hy gepresenteert heeft daer voor aen de earner te geven hondert guldens, he tg ene door de earner alsoo is geaceepteert geworden... » Wat kon dus aanleiding gegeven hebben om hem uit hunnen dienst te ontslaan ? Zij bekenden het zonder omwegen : het was bijna zeker, dat hij nooit priester zou worden en de door hem aangestelde geestelijke kwam altijd « te vrueg ende te laet », soms in het geheel niet, voor de missen van het ambacht, die in St.-Joriskerk alle heiligdagen en eiken overanderen Zondag werden gelezen. Eindelijk geraakten de twistende partijen verzoend : de dekens betaalden aan de Craen 135 gulden tot dekking van het door hem geleden verlies en zouden hem voorts alle jaren 36

-ocr page 273-

gulden toekennen, mits hij de missen zou laten lezen « door eenen weirelycken priester ofte wel door hem selven, als hy daer toe sal bequaem ende geauthori-seert wesen » (n Januari 1742).

Nu, zal men vragen, konden de zaken toch hunnen gewonen gang gaan? In \'t geheel niet! Wanneer de notaris « in clinckende ende blinckende » munt den kapelaan wilde betalen, stelde deze vast dat er, naar zijne mecning, te veel was afgehoud\'en voor het lezen der missen, en op zijne weigering van het aangeboden geld, begon de twist opnieuw. Op hunne beurt maakten de dekens zich boos en zegden : — Weihoe! hij durft nog opmerkingen maken, in stede van zich in zijne loopbaan te bekwamen? Want, « in plaetse van te studeren ende het seminarium episco-pael deser stadt te frequenteren, bemoeyt hy sigh maer met andermans tydelycke affairens, t\'sy in hun te helpen becomen penningen op hunne goederen, t\'sy in hem te bemoyen in hunne proceduren ende andere question. » De dekens voeren voort; 1 Waert saecke dat hy sigh hadde willen voegen ende gedraegen gelyck eenen persoon draegende het clericael habyt, die aspireert tot de weerdigheyt vant priesterdom, verobligeert is te doen, hy sou al van over lange voorsien ghevveest hebben van tittel. » Waarom, zoo vroegen zij, hebben de aalmoezeniers u buiten het Knechtjeshuis gezet, nadat zij u als hun priester hadden aangewezen? Het was, dewijl zij u onwaardig bevonden, zooals ook wij dat doen....

Deze bittere toon moet onzen Schepenen als een partijdig oordeel hebben toegeschenen, want den 25 October 1752 velden zij een ongunstig vonnis ten opzichte van de oudschoenmakers : deze moesten den kapelaan in zijnen eisch bevredigen en al de

-ocr page 274-

proceskosten vergoeden, op voorwaarde, dat hij ten stadhuize den eed kwame afleggen, dat de dekens hem beloofd hadden het « hekken aen den ouden styl » te laten. De kapelaan bezwoer dezen eed en bleef aldus in het ambt behouden totdat hijzelf lust gevoelde zich terug te trekken, (i) Blijkt daaruit niet duidelijk, dat het magistraat, zelfs in twijfelachtige gevallen, partij koos voor het geestelijk kleed ?

Hetzelfde kan gezegd worden van den twist op 14 December 1751 ontstaan tusschen de kloostermoeder der Spaansche Theresianen en den horlo-giemaker Jan-Lambrecht de Villers, en geëindigd op 10 November 1752, over het leveren van een uurwerk. (2)

— Gij moet weten, zoo sprak deze moeder tot het stadsbestuur, dat wij over eenige maanden, ten gebruike van ons klooster, « eene staende horologie » kochten, aan den prijs van 50 gulden en mits opleg van ons oud uurwerk « dat continuelyck was arret-terende. » Wij hadden het nieuw meubel nauwelijks in huis, of het bleek volkomen ontredderd te zijn, alhoewel de maker ons voorspeld had dat wij er wel honderd jaar lang genot zouden van hebben en wij « niet alleenlyck het geheel clooster door facielyck den clockslagh souden hooren, macr dat wy selfs de ooren souden moeten stoppen voor den feilen clanck, als wy daer dichte by souden syn! » — De pocher! liet de moeder zich verder uit; herhaaldelijk verzekerde hij ons : « Ouy, ma révérende mère, elle ira bien, » en wanneer ik later het uurwerk ter keuring bracht op de kamer van het ambacht.

(1) Proceszakje D 3606 en Pronunciatiehocck.

(2) Proceszakje M 9549 en Pronunciatieboeck.

-ocr page 275-

— 269 —

beslisten de horlogiemakers eenstemmig « dat se niet goet ofte leverbaer en was. »

Ziende dat de Villers den moed niet opgaf, werd op naam der kloostermocder eene volmacht geteekend door Beatrix des Anges, priorin, Constance Angelicq de St.-Joseph, eerste discrete, ïherese de Jesus, tweede discrete, en Anne Therese de St,-Raphael, derde discrete; en nu hield de moeder-overste zoolang vol, totdat de uurwerkmaker van ambstwege eene degelijke klok leverde.

Het zal niet ongepast zijn, vermits wij nu toch van uurwerken spreken, terloops te zeggen, dat in de XVIir- eeuw de uurwerkmakers niet behoefden onder te doen voor hunne stielgenooten van vandaag. In 1787, bijvoorbeeld, bespraken de alsdan gevestigde vakmannen Mich.-Ant.-Joz. Mathyssens, Antoon Papillion, Geeraard Cuypers en Willem Coppens een gouden uurwerk, dat opgewonden werd « by middel van den pendant in te drucken » en « gemaeckt in der voegen dat het horologiewerk langhs achter conde gesien worden. » (1) Ongetwijfeld had men hier te doen met wat men heden een « remontoir » noemt, doch welker deugdelijkheid kon opwegen tegen het flikwerk, dat wij dikwijls aan den man zien brengen.

Terugkomende op de verdere voorvallen op godsdienstig gebied, dient hier gezegd, dat onze .Schepenbank eene eigenaardige eindbeslissing wist te geven aan betwistingen van persoonlijken aard, over kerkelijke zaken opgerezen. Wij gaan er een paar onbekende verhalen tot nadere kennismaking met het huiselijk leven van het onderhavige tijdvak.

(1) Losse stukken in de zakjeszaal.

Antwerpen tti dc A VU 1* eeuw.

-ocr page 276-

In de herberg Het Cappelleken, nabij de Schippcrs-kapel, dronken op 29en Januari 1763 de twee kapelmeesters van de Burchtkerk, Dionysius Pauwels en Cornolis vander Heyden, een glas bier, ondertusschen redekavelende over een en ander, wanneer de laatste verschillige beleedigingen aan den eerste begon toe te sturen, zeggende, dat hij een dief, een schelm was. Volgens oud gebruik, in dergelijke omstandigheden, legde de beleedigde het gebeurde in kennis bij de overige aanwezigen en richtte zich op 17 Februari daarna tot het magistraat, eischende herroeping van het uitgesproken verwijt en eene boete van 50 pattakons voor den arme.

Volgens vander Heyden, daarentegen, was Pauwels de groote plichtige, —■ want, zegde hij, de twist ontstond door dezes schuld en als ik hem voorstelde den vrede te drinken en ik hem mijn glas bood, zooals dit pleegt te gebeuren, weigerde hij hardnekkig mij bescheid te doen. Hoe was de twist ontstaan? Pauwels beweerde, dat in zijnen tijd nooit eenige knechten aanwezig waren op den maaltijd der confreers van het broederschap van 0.-L.-Vrouw « van goet succes. » Ik zegde zulks niet te gelooven\' waarop, na vele « arguatien », Pauwels mij beschuldigde zijne woorden te hebben verdraaid en mij « eene vuyle tonghe, een plot, eenen scobiack » hiet. Ik wedervoer enkel ; « Hebt gy vergeten dat ick uwe tonge in mynen sack ben hebbende? * — willende hiermede te kennen geven dat Pauwels vroeger nogmaals voor beleedigingen jegens mij moest boeten; maar mijne vraag maakte hem zoo boos, dat hij radeloos uitriep : « Wat hebt gij met Elisabeth uyt het Hoefeyser gedaen, en op de Veemarckt, wat hebt gy daer gedaen? » Ik kon zulks niet langer aanhooren en riep hem toe, dat hij een dief, dit wil zeggen, een eeredief was...

-ocr page 277-

« Al was het saecken, gt; zoo eindigde vander Heyden zijne verdediging, « dat Pauwels geene de minste redenen aen my en hadde gegeven om hem te injurieren, wes nochtans jae, soo was het nochtans het fait van den aenleggere (Pauwels) daer over geen voorder quaet hert tegens my te draegen, want het is selffs een goddelyck werek dat iemandt injurien can verdraegen en de immediaete vergeven, sonder ■weervraeeke desaengaende te nemen, soo dat hy sekerlyck seer quaelyck heeft gedaen van met my niet te willen den peys drincken. »

De herinnering aan deze Bijbelspreuk diende de Schepenbank tot richtsnoer, om haar vonnis zoo zacht mogelijk te maken; den 30en Januari 1765 gebood zij, dat de twistzoekers den 5°quot; Februari nadien, te tien uren, op het Stadhuis zouden verschijnen « en aldaer verclaeren dat sy eikanderen houden voor persoonen van eere op wiens respective reputatie niet te seggen valt. » Deze pleegvorm bracht met zich mede, dat zij malkander noqit meer miszeggen zouden, wilden zij niet op de strengste wijze worden getuchtigd. (1)

Nog aardiger eindigde het geschil, opgerezen tusschen den hoedenmaker J. de Naeyer en zijne geburen Egidius Verbiest, J.-P. van Merlen, J. de Wilde, B.-C. Verpoorten, J. de Schoenmaecker, F.-E. Benoit, J.-Fr.-Joz. Bamack, A. Haegens, j. Dutienne, G. Jacobs, G. Proost, weduwe van Leuvven en J. Brasschauw, van den hoek der Meir en Beurzenstraat. Deze lieden hadden, zooals andere buren, in 1739 een Mariabeeld geplaatst op den hoek van de twee gemelde straten, mits de som van 194 gulden 17 1/4 stuivers.

(1) Proceszakje Pauwcis legen vander Heyden en Pronuncialiehoeck.

-ocr page 278-

— 272 —

Op 4 Januari 1788, wanneer de hoedenmaker eenige verbeteringen aan zijn hoekhuis, « Het Waepen van Milaenen, » tegen welks gevel het heiligenbeeld was geplaatst, hot toebrengen, stortte het naar beneden, op de straatsteenen, in honderden stukken, « tot groote ontstigtinge van menigvuldige acn-schouvvers, » beweerden de samenspannende geburen Deze eischten herstelling van het beeld, want, zegden zij, wij vormen een broederschap, niet alleen om missen te laten lezen tot zielelafenis onzer overleden « contribuanten », maar vooral tot onderhoud van het door ons geplaatst en onderhouden beeld.

De hoedenmaker gevoelde wel halvelings, dat hij niet heelhuids uit dezen veldtocht huiswaarts keeren zou, want reeds op 8 Januari 1788 beloofde hij schriftelijk met liefde te willen bijdragen in de kosten van een nieuw Mariabeeld; en nadat het magistraat den 30 September daarna bevel had gegeven tot een nauwgezet onderzoek dezer zaak, moest hij zich buigen voor het volgende besluit, hem voorgelegd door de geburen :

« Een nieuw Marienbeld te stellen ter plaetse daer het oud gestaen heeft, volgens het plan. Het selven beid moet gemaeckt worden, voor de duer-saemheyt, van grésteen ter grootte van circa de vier meters. Het selven beid sal costen, volgens opgaeve van den beldhouder, vyfftig pond wisselgeld, den reverbeir ende toebehoorlen circa de vyfFtigh guldens courant. Het schilderen ende repareren van het looden dack met don arebeyt ende voordere oncosten circa vyfftig guldens courant. Dus souden de oncosten in het geheel, volgens opgaeve, komen te beloopen ter somme van 450 gulden courant.

« De gebueren presenteeren het voorschreven Marienbeld ter directie van d\'heeren Verbiest ende

-ocr page 279-

— 273 —

van Merlen, respective hooftman ende prefect der confrerie ofte genootschap, alsoo te maecken ten hunnen kosten, mits de voorschreven de Naeyer aen den selven hooftman ende prefect excusie vraeght over syne gedaene afbrekinge ende in de voorschreven te docne kosten voor syn contingent betaete eene som me van honderd gulden wisse tg git ende dat hy voorders soo in het light als voor te vallene re para tien casu quo beneffens syne gebneren contribuere. » (i)

Laten wij aannemen, dat de hoedenmaker de Naeyer niet tot de partij behoorde, welke eenen Goublom onder hare gezellen telde, dan toch zal zijne straf eene strenge vingerwijzing geweest zijn voor diegenen onder de keizersgezinden, welke hier de voorloopers der Fransche verdelgers waren.

Waarom, overigens, zou ons magistraat zijne geloofsgenooten hebben laten beleedigen, vermits het zijn best deed, om zelfs de andersdenkenden te bevredigen? Protestanten mochten vrij hunne geloofsbelijdenis in het Oosterschhuis onderhouden en hunne dooden begraven op eene afgebakende plaats in de katholieke kerkhoven van Stuivenberg en Kiel, zonder vanwege de bevolking te worden verontrust; (2) Lutheranen bekeerden zich uit eigen beweging; heidens of dusgenaamde Egyptenaars werden enkel vervolgd om hun wangedrag; kortom, nooit maakte overheid noch bevolking zich aan gewetensdwang schuldig, dan alleen in het volgende geval, dat geenszins van belang ontbloot is.

De twaalfjarige Livina en de negenjarige Jan Herman van Wyck werden, bij de dood huns vaders

(1) Losse stukken in de zakjeszaal en Pronnnciatüboeck,

(2) Plakkaten van 2 April 1761.

-ocr page 280-

— -74 -

Jan van Wyck, sergeant-majoor te Liefkenshoek, door Petronella Bosschaert en haren man Nieuburger, naar hier gebracht, in den Bottekensgang, om als katholieke kinderen te worden opgevoed. De halvezuster der kinderen, te Lillo wonende, eischte hen echter terug, maar ons magistraat kwam er tusschen, deed uitschijnen dat de kinderen niet tot dc hervorming behoorden en hun vader in zijn leven slechts deze partij was aangekleefd, « sekerlyck tot bewaernisse van r.yn ambt. gt; Deze pleitrede kon echter niet baten; de Raad van Zeeland zond zijne boden naar hier, welke met eene koets tot aan het Palingshuis de kinderen tegemoet reden en ze aldaar kwamen opladen (23 Juli 1755). (1) Zulke maatregel lokte ongetwijfeld veel gemor en misnoegen bij onze inwoners uit, terwijl het toeval bovendien wilde dat hij genomen werd in eene volkrijke wijk, waar de minste gebeurtenis eenen oploop en allerlei tooneelen uitlokte. Hetgeen echter de drie volgende jaren gebeurde, kenschetst nog beter de houding van ons magistraat en geeft ons zulk prachtig voorbeeld van verdraagzaamheid, dat het niet helder genoeg kan worden voorgehouden.

Het was den 20 November 1756, dat het Hof een bevel uitvaardigde, rechtstreeks tot onze stad gericht, waarbij gezegd werd, dat de Joden, die zich te Antwerpen kwamen vestigen, aan de domein-kas jaarlijks driehonderd gulden te betalen hadden, op straj van levenlang te worden gebannen. Wat deed het magistraat in deze omstandigheden? Verloochende het zijne vroegere gedragslijn, stelde het zich goedsjeugdig als Joden vervolgers aan, in

(l) Plakkalen v.m ilen Hove (Imrulscl i(t), vol. 19, f0 46V0 tot 51™.

-ocr page 281-

- 275 —

éen woord, legde het gedwee het hoofd ia den schoot? Geenszins! Onze stedelijke regeering, daarin goedgekeurd door gansch de bevolking, deed alsof het Hof niet gesproken had, zoodat de gevolmachtigde minister van prins Karei den 14 Juni 1757 het bevel kwam bekrachtigen, en, ziende dat zulks niet hielp, nogmaals zijnen eisch op 7 September daarna herhaalde. Ditmaal bepaalde de stad zich niet bij een stilzwijgend miskennen van des Landvoogds wil; integendeel, zij ging verder : zij nam den jood Abraham Aaron tot poorter van Antwerpen aan en daarop liet de minister weten, dat het stedelijk bestuur het bevel mocht inhouden, doch commissarissen diende aan te stellen, welke het gedrag der Joden bewaken zouden. Wat het poorterschap van gemelden Aaron betreft, dit aanzag de minister als zijnde van geener waarde, want, zegde hij, de hoofdvereischte van hem, die poorter worden wil, is, dat hij tot den katholieken godsdienst behoore (« la qualité essentielle de celui qui veut acquérir ce droit, est celle de professer la religion catholi-que ») (7 Juni 1758). (1)

Er heerscht hier eene blijkbare afwijking van de uitgevaardigde voorschriften, wanneer men de besluiten der hoogere overheid aan de wezenlijke feiten toetst. Weliswaar bestaat er een decreet van 28 Augustus 1785, de poorterij voor de Joden niet toelatende, dan met uitdrukkelijke toestemming van het Staatsbewind; doch zulks neemt niet weg, dat, wanneer de Joodsche gebroeders Benjamin Joel en Samuel Joel Cantor, kooplieden in Indische goederen, in 1782 het poorterschap vroegen, zij zulks

(1) Plakkaten van tien Hove (handachtift), vol. 19, f0 191 tot 193™

-ocr page 282-

— 276 —

bereidwillig verkregen. Hun vader Joel Jacobs en hun grootvader Jacob Cantor verbleven hier, de eene sedert achttien, de andere sedert dertig jaar, als poorters van Antwerpen, zonder echter eenig openbaar ambt te bekleeden, want zulks gedoogde men niet. (1)

Kwistig deelde het magistraat dus het poorterschap uit, zonder zich veel om de beperkingen der regeering te bekreunen, ofschoon het wettelijk formulier, zelfs tot in 1795, wanneer de Franschen hier bepaald gevestigd waren, luidde :

« Vryheyd. Gelykheyd.

« Wy, Borgermeester ende Schepenen der stad Antwerpen, certificeren ende attesteren by deze, dat ..... hebbende behoorlyk doen

blyken te zyn van de ckristelyke Religie, van goed leven ende gedrag, is geworden onzen Poorter ende Ingezetene, hebbende ter hooger vierschaere gedaen den eed ende betaelt de regten daer toe staende...»

Laten wij thans zien hoe al deze instellingen, de eene na de andere, verloren gingen.

In de eerste plaats dient geweten, dat de 36 kloostergestichten onder do regeering van Maria Theresia van tijd tot tijd eenige krenking te lijden hadden, dank aan de kwade inzichten van de voornaamste raadsleden der vorstin, wier vreemde opvoeding onmogelijk vrede kon hebben met onzen godsdiensti-gen landaard. (2) Eenigen tijd nadien werden de nadeelige besluiten gesteund door het opperhoofd der Kerk, want de eerste zware slag, die onze stedelijke instellingen kwam te treffen, was de vernietiging van het orde der Jezuïeten, den 21 Juli 1773 door Paus Clemens XIV uitgesproken. Het valt niet te bet wij fe-

(1) Dossier der Joden, losse stukken ter stadsarchieven.

(2) Edicten van 15 September 1753 en 13 Mei 1771.

-ocr page 283-

— 277 —

len, zeggen onze verschillige schrijvers, of deze tijding werd door een groot gedeelte onzer bevolking met ongenoegen vernomen. Zonder de minste stoornis nochtans werd hunne kerk hier den 20 September gesloten ; maar in het professiehuis opende de Regeering met Baafmis 1777 eene « Militaire Academie » tot het geven van onderwijs aan 40 kinderen van officieren en 200 van onderofficieren en soldaten. De kerk zelve werd den 15 Augustus 1779 heropend, niet meer onder de aanroeping van den H. Ignatius, maar als hulpkerk der kathedraal, onder bescherming van den H. Carolus Borromeus. Het volk noemt ze vandaag toch nog ; de Jezuïetenkerk.

Eens dit voorbeeld gegeven, duurde het niet lang, vooraleer de eene steen na den andere uit het nationaal gebouw onzer aloude inrichtingen zou wegbrokkelen, wanneer men bovendien bedenkt, dat keizer Jozef II rusteloos met het breekijzer gewapend stond, om het vernielingswerk voort te zetten. Waren zijne inzichten soms redematig, zijne maatregelen waren dat althans niet en meer dan eens helde de schaal der gerechtigheid naar het willekeurige over.

Alzoo, zonder de minste rekening te houden van den geest en de behoeften onzer stad, zonder verstandelijk en trapsgewijze zijne rechtvaardige inzichten ter overweging te geven of omzichtig te beproeven, stelde hij beurtelings de protestanten op gelijken voet met de katholieken, verklaarde al de vrouwenen mannenkloosters onafhankelijk van het pauselijk gezag, vernietigde hier een zestal kloosters en 72 broederschappen, schafte meest al de processiön af, liet er slechts twee toe, doch zonder begeleiding van muziek of ambachtsteekens, verbood het vieren van verschillige feestdagen, roeide al de parochie-en gemeentefeesten uit, richtte eene algemeene kermis

35

Antwerpen ui de XVIII* eeuw.

-ocr page 284-

- 278 -

in, op den tweeden Zondag na Paschen — terwijl hij ondertusschen, bij besluit van 15 Mei 1786, de oprichting- eener vrijmetselaarslogie te Brussel toeliet.

Het ontbrak hem nochtans niet aan waarschuwingen en terechtwijzingen, welke meer dan éen voorzichtig monark tot nadenken zouden gestemd hebben. Onder andere had onze stedelijke overheid uit de Gazcitc van den 1 Mei 1781 vernomen, dat de keizer op Wittcn-Donderdag in zijn paleis, te Weenen, bij den disch, de voeten had gewasschen van twaalf oude mannen, waarvan de oudste 100 en de jongste 74 jaar oud was, en daarna zelf de tafel diende. Wanneer nu, in November daaropvolgende, een keizerlijk bevel den katholieken godsdienst met de overige eerediensten gelijkstelde, herinnerde ons magistraat het kerkelijk gebruik van Witten-Donderdag en riep tevens uit; « ... Wat ongelukkig voorteeken voor onze naerkomende medeborgers! Wat vreeselyken slag voor eenen vader des huys-gezins die den welstand van zyn naerkomelingen ter herten heeft, in eenen tyd, byzonderlyk, dat men in alle staeten de stemmen opheft togen ongebon-dentheyd der zeden en tegen de ongodsdienstigheyd, in eenen tyd, dat men overal zugt over de bedor-ventheyd de welke veroorzaekt wordt door die onstigtende boeken die men ziet in de handen der jonkheyd, in eene eeuw in de welke die goddelooze boekschreyvers gedoogt worden en dat de oplettend-heyd op de zeden der jonkheyd in de Collegiën min werkzaem is by gebrek van goede opzigters... » (1)

In luide kreten liet het volk zijn misnoegen

(1) Brief vau 20 November 1781 (verzameling van den stads secretaris van Setter).

-ocr page 285-

— 279 —

hoorcn, vast besloten deze willekeurige maatregelen niet langer te zullen dulden. Onze twee stadsafge-vaardigden, de buitenburgemeester Jacob della Faille en de pensionaris Bom, die erin gelukt waren eenige verzachting vanwege den keizer te bekomen, werden op 2 Juni 1787, bij hunne wederkomst uit Brussel, door eenen trein van kooplieden, makelaars, edellieden en burgers, te paard en te voet, in geestdrift onthaald, bij het spelen van vaderlandsche deuntjes en het zwaaien van den standaard van Brabant (rood, geel en zwart) en groene lauwertakken. De ontmoeting had plaats boven Berchem. Na eenige woorden van dank en hulde te hebben gewisseld, in bijzijn van duizenden aanwezigen, spande het volk de koets der twee bestuurleden uit en trok ze zegevierend door de stad. \'t Was avond geworden, ondertusschen, en, aan S\'.-Jorispoort gekomen, sloten de gilden en ambachten, met hunne vaandels, zich bij den stoet aan. Nu werden brandende flambeeuwen opgestoken, en immer groeide de menigte, dank aan het werkvolk, dat, met het weekloon op zak, dankend en jubelend mede optrok naar de Groote-markt, alwaar, ten Stadhuize, de plechtige ontvangst met heildronken werd bezegeld. Des anderdaags, zijnde Zondag van kleine kermis, vierde men nogmaals feest : men bracht een bezoek aan de vor-schillige overheidspersonen, het volk kreeg bier te drinken op de Grootemarkt en kon zich des avonds verlustigen bij het knetterend vuurwerk en de helle verlichting, welke deze gebeurtenis besloten.

Dit geeft ons eenen voorsmaak van de gevoelens der burgerij; weliswaar hoorde men reeds de scheldnamen « patriotten » en « vijgen » uitspreken, doch bij de minste toegeving was men vast besloten de regeering van het Oostenrijksche huis te dulden.

-ocr page 286-

— 28o —

indien het, van zijnen kant, onzen landaard wilde eerbiedigen. Maar ook het minste ongunstig gerucht kon aanleiding geven tot verschrikkelijke botsingen; zulks bleek niet alleen wanneer het volk vernomen had dat er in het afgeschaft ïerziekenklooster eenc strafkas tot priegcling der vijanden van den keizer bestond, en, het klooster bestormende, er niets dan eenige dienstpapieren vond; ook den 16 Juni, wanneer het gepuffel had vernomen, dat eenige kooplieden de levensmiddelen opkochten, stormde het woedend naar de huizen der vennooten Petrus-Frans Stevens, Joannes Lousbergs, den markgraaf M. Cuylen en Mathias Dieltiens, om er alles kort en klein te slaan.

De twee eerstgomelde slachtoffers, gevestigd in de S\'.-Antoniusstraat, waar thans notaris Fiocco verblijft, hadden sedert eenige maanden de onheilspellende beschuldiging te hunnen opzichte hoeren verkondigen en loofden eene premie van 1000 gulden uit voor dengene, welke kon bewijzen, dat zij waarlijk boter en aardappelen met een kwaad inzicht opkochten. — Ja, zegden zij, wij hebben gist gekocht in de stad Lier, maar willen deze stof onzen bakkers overlaten aan den gewonen prijs, « negen stuyvers per lepel van drie pinten » — aldus genoegzaam toonende, dat de aantijgingen zoo onredelijk als gevaarlijk waren. (1)

Mathias Dieltiens, van zijnen kant, mag worden beschouwd als een slachtoffer der roofzucht van eenige woelgeesten en van eenige gekrenkte werklieden. Doch aangezien men tot heden verkeerd was ingelicht nopens deze figuur der 18® eeuw, gaan wij er in het breed over uitwijden en tegelijk tal van verkeerde inlichtingen bepaald vernietigen.

(1) Gazette van Antwerpen, 3 April 1787.

-ocr page 287-

— 28r -

Den 8 Juli 1769 wendde Mathias Dieltiens zich tot ons magistraat, (1) zeggende bij zijnen vader het stnoutslagen te hebben geleerd en thans dezen stiel op eigen gezag te willen uitoefenen. — Ik vond, zoo verklaarde hij zich verder, geenen geschikten molen te koop en zou gaarne het huis « Den Trefter », op het Kipdorp, koopen of huren, om aldaar mijne nijverheid uit te oefenen. Ik twijfel niet of gij zult mij de noodige toelating vergunnen, na de geburen gehoord te hebben, want ik zou « my niet geerne exponeren aen moeyelyckheden met geburen ofte andere. »

Twee geburen brachten een ongunstig advies uit : de weduwe Mathijs Dalton, geboren Joanna vande Wiel, en Frans de Bodt. — \'t Is onwaar, antwoordden zij, dat Dieltiens in de stad geenen smoutmolen naar behooren kon vinden; « waer het saecken dat hy binnen deze stadt wel rondt gesien hadde, hy soude zekerlyck dusdaenigen molen al gevonden hebben, gemerckt daer genoeghsaem ledigh staen, » onder andere « eenen dobbelen in de Schipperscappelstraeie, van de weduwe Marcour; eenen genaemt het Roosken, gelegen aen het Hes-senhuys ende misschien meer andere. »

Na deze aanwijzing te hebben gegeven, en wellicht vreezende, dat zij niet volstaan zou om de vraag van den smoutslager te verwerpen, lieten de geburen erop volgen : — De plaatsing van den nieuwen molen zou ons « eene extraordinaire ende onver-draegelycke prejuditie » veroorzaken, eenen last zooals wij niet gelooven dat hij in heel de stad zij as gelijken hebben zou. Aan de andere zijde van onze

(1) Proceszakje D 6502\'.

-ocr page 288-

282 —

huizen werkt de smoutmolen van baas Adriaenssens; daar hebben wij vrede mede, ofschoon hij ons onzeg-gelijk veel kommer berokkent; maar wie zou kunnen aannemen dat wij tusschen twee molens zouden willen wonen? « Wy souden, gelyck men vulgo seght, met twee roeden geslaegen worden », in andere woorden : wij zouden dagen nacht tusschen twee vuren zitten! Het is meer dan 40 jaren geleden dat daar een smoutmolen werkte, daarna werd er een snuifmolen gevestigd; doch in dien tijd was de molen van Adriaenssens niet in onze straat werkzaam.

Het antwoord van Dieltiens was afdoende onder meer dan een opzicht. — De aangewezen smoutmolens bevallen mij niet, want die van Marcour is te duur en de andere wordt thans bekleed; in het huis « Den Trefter », daarentegen, zijn voorhanden : « de smout-pan, de banck, jaegysers, kaeckysers, fontynysers, camwielen, hamers ende den molen. » Vroeger hebben de geburen nooit geklaagd over het werken van dezen molen, « soo dat hunne oppositie in eene enkele capritie is bestaende, als notoir synde dat den eenen gebuer van den anderen moet lyden ende verdraegen de inconvenienten ende lasten van elkanderens stiel, ambagt, fabrique ofte neringe. » — Wat meer is, voegde Dieltiens er ten slotte bij, de overige geburen van het Kipdorp moeten den last van de huidvetterij der weduwe Dalton wel verdragen, en ikzelf ben niet van zin met het smoutslagen alleen mijnen kostte winnen, doch stel mij ook voor « eenen winckel te houden ende andere neringe te samen ter hand te trecken. » Zulks kan ik niet doen in de Schipperskapelstraat of aan het Hessenhuis; wel in de nabijheid der Kip-dorppoort, langs waar het meeste volk stadwaarts komt. Eindelijk : dreuningen zal men vanwege mijnen molen niet te lijden hebben, want smoutslagerijen hebben geene keldering.

-ocr page 289-

- 283 -

De twee verweerders beproefden nog eene laatste poging, alvorens hunnen moed op te geven. Spottend zegden zij : —• Dieltiens vindt onze huidvetterij vuil en lastig, doch hij wil er zich toch nevens komen vestigen, terwijl hij vergeet, dat hier al te veel winkels van allerlei aard voorhanden zijn. De Schepenbank liet zich echter door deze redenen niet winnen; zich herinnerende, dat reeds op 18 Juli 1731 aan iedereen volle vrijheid werd gegeven, om smoutmolens te vestigen, en dat in het aangewezen huis reeds van in 1593 een smoutslager (Hans van Boesdonck) werkzaam was geweest, verwierp zij op 24 December 1770 het verzet der twee geburen, veroordeelde hen tot de kosten van het rechtsgeding en tot betaling der geleden schade met de interesten, gevende diensvolgens toelating aan Mathias Dieltiens tot het in regel brengen van zijne nijverheid in het aangewezen huis. (1) De smoutslager had het reeds den 11 Augustus 1770, dus op voorhand, gekocht met behulp zijner vrouw Maria-Francisca Berckmans, voor de som van 5,000 gulden, mits de alsdan gerezen proceskosten ten laste der verkoopster, de weduwe van Phil.-Pauwel de Vries, waren. (2)

Ondanks hot onaangenaam begin van Dieltiens\' handel, kwam hij weldra tot zulken welstand, dat hij bovendien handel in granen kon drijven en zich daartoe een pakhuis op de Torfvliet aanschafte.

(1) Vonnisboeck 1769-1776, f0 69 : « Judicatum dat den suppliant (Dieltiens) obtineert in syne conclusie in line synder schriftuere van persisteringe tot laste der geïnsinueerde genomen, deselve daerinne condemnerende, mitsgaeders in de schaede ende intresten cum potestate libellandi, condemnerende insgelycUx die geïnsinueerde in de costen alomme ten processe geresen. »

(2) ScabinaU Protocollen 1770,sub Kramp.— Wykbocck, vol. 18, f0 17.

-ocr page 290-

— 284 —

Daar hadden de buildragers, met de bewerking der graansoorten gelast, op 4 Mei 1775, vier en twintig veertelen sloorzaad en dertien veertelen boonen gedragen, waarvoor hun een loon van 18 1/2 stuivers toekwam. Dieltiens wilde slechts 16 1/4 stuivers betalen, zeggende, dat zijn zolder maar achttien voet boven den grond verheven was en dus éen enkel verdiep uitmaakte. Deze strijd van ja en neen —• want de dekens wilden zich niet ten onder geven — duurde tot 20 Februari 1782, alswanneer Dieltiens werd verwezen tot betaling der vereischte 18 1/2 stuivers.

Eenigen tijd na dezen duitenstrijd (Juni 1784), rees tusschen dezelfde partijen een nieuw geschil : voor het dragen van 1525 veertelen sloorzaad eischte het buildragersambacht 36 gulden 13 1/2 stuivers, terwijl Dieltiens maar 33 gulden 11 stuivers betalen wilde. Hij beweerde namelijk, dat men op hem niet het loon der smoutslagers, maar wel het loon der kooplieden moest toepassen, dewijl hij tevens graankoopman was, en tot de buildragers zegde hij : alwat gij doet, is enkel « frivolityt, erreur ende onbestandigheyt, » gij zijt mij vijandig en daaruit vloeien al de moeielijkheden voort.

Bij het zoeken naar den afloop dezer zaak, vonden wij twee verschillige vonnissen, die haar echter onbeslist lieten : den 21 November 1787 moesten partijen op het Stadhuis tot akkoord trachten te geraken en den 15 December daarna werd Dieltiens « by provisie ende onder cautie » schuldig verklaard, tot nader order. (1)

(1) Losse stukken over het ambacht der buildragers en Pronun-etaUehoeck,

-ocr page 291-

Ondertusschcn, zooals wij torloops zegden, word er op Zaterdag, 16 Juni van dit jaar, bij Dieltiens en een drietal anderen binnengebroken, en hoogst kenmerkend zijn de bijzonderheden door het rechterlijk onderzoek uitgelokt.

Het was de tienjarige knaap Hendrik Seys, die het eerst van allen bekend maakte, dat moeder Bodar, uit den Lammekensgang, zou gezegd hebben tot hare geburen : « Laet ons gelyck den Boterdicff gaen plunderen! » waarop eene heele bende straatkapoenen naar de St.-Anthoniusstraat, alwaar Stevens en Lousbergs woonden, gcloopen waren; Peer Dacms, uit de Steenbergstraat, zou de deur bij Stevens opengebroken, en Peer de Donder, van de « Luyse-merekt », de binnendeur geopend hebben. Geholpen door eene menigte volks (1), behoorende tot den laagsten stand, vernielden en roofden de aan-leiders wat bij de twee kooplieden onder hunne handen viel, terwijl eene andere groep zich naar het huis van den smoutslager spoedde. Deze afdeeling werd op de Grootemarkt samengeraapt; vooraan reed de trein of voorste gedeelte der koets van Stevens, getrokken door eenen kwajongen, terwijl

(1) Vader vauder Borght (Preekersstraat); Jan Card, Marie Anne vande Merck, Threes Boerinne, moeder Duyskens, moeder De Laet, Annemie Fosle, vader den Donder, moeder Franck, Annemie Fasseur, Caeljen Borremans, haar man Peer Bol remans, moeder Leemput, moeder Slas (allen van de Luysemerkl); Peer Vinck (Croonengangh); Quaedglas, Jan Maendagh, Jan Leeuw, Tist den Hondenkop, Peer Vlieghskens (uit de Vliersteeg); Francis Vote, Jan Bogaeit, Michiel Bogaert, Peer Swaentjen (Beuckelaersstraat); Leen Pastoor, vader Lucas, Jouan, katoenspinner, moeder Bruyntjens (St.-Jansstraat); moeder van den Bosch (Steenbergstiaat); Trees de Blinde, Geert Lenaerts (Begijnenstraat); moeder Poot, moeder Daems (Boeksteeg); Jan Pot (Paradijsstraat); de houtkliever Dries, de schoenmakersgast N. van Ulïelen, dc aschkruider Thomas Commers en de mosselkruider Jan Hellendael,

Aninucrpen tu dc X VI11* eeuw.

-ocr page 292-

— 286 —

Frans Goosscns, Joannes Raes, uit de Wisselstraat, en Toon don Speelman boven op het rijtuig stonden, « het omstaende volck soo met slaegen als werpen van bier wegdryvende om zig den toegang tot het huys van Dicltiens te vergemackelyken. » Op de Meir gekomen, ontmoette deze zonderlinge stoet den burgemeester, en deze, tot stilte en rust aanmanende, werd begroet met de kreten : « Vivat de Staeten ! Vivat due d\'Arenberg! Vivat den Borgemeester! » — en voort reed de bende langs de Katelijnevest, de lange-Nieuwstraat, de Markgravestraat, waar eenige deelnemers .bij den markgraaf inbraken en het beddengoed langs het venster op straat slingerden. Na dit wanbedrijf te hebben gepleegd, holde dezelfde bende eenige stappen verder, naar de smoutslagerij van Mathias Dieltiens, ramde er de huisdeur open bij middel van voormelden trein en goot de olie en het vet, welke er in voorraad waren, langs de straatsteenen. Kwansuis, ten einde de menigte te stillen, had de wet de drie kooplieden naar de gevangenis doen leiden, opdat men gelooven zou, dat zij het hun aangewreven kwaad gingen boeten. Reeds den dag na het gepleegde (17 Juni), verscheen een arbeider voor do vierschaar, met name Petrus Josef Segers, in de wandeling geheeten « Den Rossen », verklarende te werken in het builhuis-, deze bekende de hoofddader te zijn geweest, het huis van Dieltiens te hebben openge-loopon en met bier naar de omstaande lt;■ patriotten » gegoten te hebben. Daaruit blijkt dus onwraakbaar, dat de patriotten niet van deelneming aan deze plunderingen kunnen beschuldigd worden, en er zich integendeel tegen verzetteden — anders ware het immers niet noodig geweest hen mot bier te begieten ?

Plichtig aan inbraak en diefstal bevonden, werd

-ocr page 293-

— 287 —

de buildragcr Sogers op staanden voet tot do galg verwezen en den volgenden dag opgeknoopt. (1)

Nog vele dagen daarna hield men zich in de stad met niets anders dan met het gepleegde onledig. Verheelers kochten het gestolen goed, de verkoopers dronken genever met de opbrengst van hunnen buit, anderen schrikten bij de gedachte aan de straf die hen wachtte, mochten zij ooit worden verdacht of beticht en wierpen hunnen buit verre van zich weg. Tegen den muur van het Zinneloozenhuis vond Maria Catharina Bogaerts een stuk zilver, « hebbende schyn van een vaesken »; Hendrik Sergeysens, tnaalder op St.-Willebrords, kocht van eenige lieden eene zweep, een rood cheeskussen, een zwart kleed, een gareel van een paard en eene « bauboche »; uit gewetons-wroeging bestelde een onbekende aan Pater Samen, van de Minderbroeders, een gehavend uurwerk met eene metalen bel, een glazen zandkoker en twee zilveren broekgespen; de dekens van den ouden handboog vonden eene zwarte trypebroek en een laken kleed: Christiaan, de zoon van den brandewijnstoker Vcrachtert, ontnam aan eenen Lierenaar twee stukken vel van een pels en eene kleine gesp. (2) Nog menig onbeduidend voorwerp kwam aldus terug in het bezit der bestolen kooplieden; maar niemand toch schonk hun de verbrijzelde werktuigen noch den verloren moed wederom en het vertrouwen der burgerij was nog eenige graden lager dan voorheen gedaald.

Het volgende jaar, don 4quot; .Augustus 1788, ver-

(1) Losse stukken in de zakjeszaal. — Pteparaloire hformatiën. — Vierschaarboek van 178;, 158.

(2) Losse stukken in de zakjeszaal.

-ocr page 294-

— 288 —

nam onze bevolking eensklaps, dat het seminarie cene tweede maal op \'s Keizers bevel ging gesloten worden. Indien er ooit een onbehendige maatregel werd genomen, dan was het wel op dit oogenblik, in volle woeling, wanneer de plundering van eenige maanden vroeger nog in ieders geheugen stond geprent. Hetgeen de wijze lieden voorzien hadden, gebeurde inderdaad : de menigte schaarde zich voor het bedreigde gesticht, op het Groenkerkhof; de Oostenrijksche bevelhebber zond eene afdeeling soldaten eenige stappen vandaar, op de Grootemarkt; er had eene bloedige botsing plaats; de Oostenrijkers maakten gebruik van hunne wapens en dertig burgers verloren er hun leven bij. Velen beweerden, dat het krijgsvolk met giftig lood had geschoten!

\'t Was dus tevergeefs, dat de Keizer tot inkeer scheen gekomen en eenige zijner dwalingen poogde te herstellen : de heropening van het seminarie, de herinrichting der broederschappen, zelfs de teruggave hunner ontnomen goederen, dit alles kwam nu te laat, want de burgers begonnen zich te wapenen, hetgeen de Oostenrijkers weldra vernamen, die, eene verrassing vreezende, de bezetting op het kasteel versterkten. Gelukkiglijk bezaten wij eene stedelijke regeering, die niet achteruitweek, waar de belangen van haar volk en de waardigheid harer zending op het spel stonden. Zij weigerde hardnekkig den nieuwgestichten « Grand Conseil » van den Keizer te erkennen als haar wettig hoofd en schreef den 22quot; Augustus 1789 voor de tweede maal aan den Keizer : wij hadden gehoopt dat gij niet zoudt aandringen op de erkenning van dezen nieuwen Raad, « maar aangezien uw bericht van 4 dezer dit onderwerp uit een ander standpunt behandelt, kunnen wij niet nalaten zeer eerbiedig aan uwe Koninklijke Hoogheid te vertoo-

-ocr page 295-

nen, dat wij niet geloovcn, zoowol in onze hoedanigheid van magistraten als in onze hoedanigheid van Brabanders, dat onze eed zou ten einde zijn of eenige verandering, wijziging, verminking of nieuwigheid zou ondergaan hebben betrekkelijk de Blijde Inkomst, zonder tusschenkomst van ditzelfde volk, ten gunste van hetwelk wij onzen eed hebben afgelegd en moesten afleggen.... » En verder liet ons magistraat volgen :

« .... Met allen eerbied vertoonen wij nogmaals aan uwe Koninklijke Hoogheid, dat het ons onmogelijk is en steeds onmogelijk zijn zal den nieuwen Raad van Brabant als onze bevoegde rechter te erkennen of aan iets mede te werken, dat de Grondwet onzer provincie, wier behoud wij bezworen hebben, zou kunnen verzwakken. » De Keizer, hierover fel gestoord, dreigde de stadsbestuurders als opstandelingen (« comme rebelles ») te zullen behandelen en kreeg alsdan voor antwoord : « Deze bedreiging bedroeft ons, want onderwerping zal altoos onze eerste en heiligste plicht zijn, telkenmale onze gehoorzaamheid in overeenstemming kan worden gebracht met de naleving van den eed, dien wij bij de aanstelling in ons ambt bezwoeren. » (i)

Eenige dagen later, den 24 October, verklaarde het manifest van het Brabandsche volk keizer Jozef van alle gezag in België vervallen; eene menigte lieden verlieten het land, terwijl zij, die bleven, ofwel met afschrik de toekomst tegemoet zagen, ofwel zich overgaven aan baldadigheid. De huizen van verschillige Vijgen, waaronder dat van den handelaar in meubelpapier en gazetdrukker C.-M. Spanoghe,

(1) Brief van 6 Oclober i;89, losse stukken.

-ocr page 296-

— 290 —

werden den i December 1789 geplunderd; uit de woning van laatstgemelden haalde het volk de drukpersen en verder materieel en sloeg het aan stukken, grootendeels uit wraakneming over zijne keizersge-zinde dagbladartikels die des te hatelijker voorkwamen, aangezien de drukker bekend was als zijnde « eenen geobereerden persoon ende eenen seer slegten betaclder, welken onlangs zelfs gefailleert was. » (1) Gelukkiglijk voor hem, kon hij het volgende jaar in stille naar Brussel vluchten, in het klooster der Cellcbroeders, en werd nadien, tot loon voor zijne keizersgezindheid, aangesteld als opperbestuurder der koninklijke drukkerij, in de Ursulinenstraat. (2)

Eindelijk zegevierde onze burgerij in zooverre, dat op 12 December 1789 geen enkel Oostenrijker zich nog vertoonde en elkeen met lierheid zich tooide met de nationale kokarde; in één woord : nadat de Antwerpsche bisschop Nelis de akte der Unie van de Belgische republiek had opgesteld, scheen elkeen overgelukkig eindelijk eene zelfstandige natie te bezitten en hier te mogen steunen op afgevaardigden, die, onder oogpunt van moedbetoon en volksliefde, aller achting verdienden. Het waren, namens het magistraat : do meergemelden Jacob della Faille en Norbertus Bom; namens de oud-Schepenen ; Hendrik Jacob le Grolle; namens do hoofdmannen der poorterij ; Jan-Jozef van Dun; namens do ambachtslieden : Balten-Laurcntius Verpoorten, Peeter-Karei Anthony, Cornelis Mens, Aug. Reyns, Gillis Verbiest

(1) Verklaring van de dekens van St.-Lucasgilde, ten jare 1789 in proces tegen Spanoghe, omdat deze zich het recht van boekbinden wilde aanmatigen (losse stukken in de zakjeszaal).

(2) Gazette van Antwerpen, 26 Juni 1792.

-ocr page 297-

— 2gi —

en A.-H.-J. van Wamel. Moedig stonden deze Antwerpenaars op de bres, wanneer al de keizerlijke besluiten werden vernietigd (29 Maart 1790), eene maand nadat onze stadgenooten, advocaat vander Noot en kanunnik van Eupen, feestelijk werden onthaald.

Jozcf-de-ïweede mocht deze onverwachte gebeurtenissen niet beleven : hij stierf den 20 Februari, plaats makende voor zijnen broeder Leopold-den-Tweede, welke den 30 September den keizerlijken troon beklom. Juist was de omwentelingsgeest ten top van verrukking gestegen, wanneer hij zich verbond, de stadsregelingen onzer provinciën te handhaven zooals onder Maria-Theresia. Zelfs deze laattijdige verbintenis wilde onze bevolking niet eerbiedigen; op do Beurs en de Vischmarkt werd ze jubelend verbrand, ten bewijze dat het Oostenrijksche Hof hier bepaald niets had in te brengen.

Zou men het kunnen gelooven? Nauwelijks was de rook van dezen eigenaardigen brandstapel verzwonden, of bij de eerste aanrukking van den vijand, onderwierpen zich de Slaton van Brabant, de keizerlijke troepen rukten binnen en de Brabandsche omwenteling nam een einde, zonder het minste voordeel te hebben opgeleverd. Aan de stad Antwerpen had zij een paar millioen frank gekost.

Weliswaar gingen de eerstvolgende dagen rustig voorbij, maar een nieuw gevaar, dreigender en verschrikkelijker tevens, stond voor de deur : Frankrijk kwam ons met inneming bedreigen en maakte zich inderdaad meester van onze stad, den i8cn November 1792. Twee dagen te voren kreeg het volk den 56-jarigen Dieltiens in \'t oog, wiens lotgev^lllen wij vroeger verhaalden, en die sedert de plundering zijner smoutslagerij ongekend in de

-ocr page 298-

— 292 —

Kempen verbleef, van tijd tot tijd naar Antwerpen komende in een soldatenpak gehuld. De hatelijkheden, tegen hem uitgestrooid, waren geenszins verminderd noch vergeten, doch integendeel met den tijd aangegroeid, en de beschuldigingen gingen van mond tot mond over. — Ja, zegde de eenc, ik weet « dat Dieltiens allen het sloorsaad was opkoo-pende en mede uyt den lande was verzendende, door welke maniere van doen hy de oorzaeke was, dat het smout tot zoo eene excessive dierte tot alsdan was gekomen. » Een andere beweerde, « dat Dieltiens op het gebruyk des traen eene roqueste zoude gepresenteerd hebben, ofte tot het zelve te presenteren gewerkt ofte helpen bewerken, omme het traenge-bruyk te konnen beletten ofte het zelve te verhinderen. » Een derde wist te vertellen, « dat Dieltiens ook mede de boter was opkoopende en die alzoo uyt den lande en dus naer den vreemden was versendende en waerdoor gemolde boter zoo dier is en blijft. » Een vierde voegde erbij, « dat Dieltiens ook mede de patotters was opkoopende en die uyt den lande was versendende, alsmede ook de ervveten en boonen. » Een vijfde, eindelijk, had hooren verzekeren « dat Dieltiens aen syne gemeynte ofte medeborgeren zoude gezeyd hebben, dat de zelve nog blyde zouden geweest zyn van traen op het brood te eten gehad te hebben. »

Innerlijk diep gekrenkt over deze valsche aan-tijgingen, verklaarde de smoutslager honderd dukaten te zullen betalen aan al wie deze beschuldigingen kon staven. (1) Niemand bood zich aan, om de beloofde premie te verdienen; maar, zooals wij hooger zegden.

(1) (iasettc van Antwerpen, 21 October 1791.

-ocr page 299-

— 203 —

had het grauw den ongelukkiger! Dieltiens nauwelijks bespeurd, of in minder tijds dan er noodig is om zulks to beschrijven, had men hem aangegrepen, ten gronde geslagen en zoo deerlijk gehavend, dat hem op straat de kerkerechten moesten gegeven worden. Hiermede niet tevreden, had men hem van uit zijnen schuilhoek, waar hij gevlucht was, gerukt, met zijne beenen aan eene hovenierskar gebonden, hem in dezen toestand naar het Kipdorp gesleept en daar, in het deurgat zijner woning (thans het lokaal El Bardó), opgehangen.

De overheid had genoeg hare handen vol, dacht zij, zonderdat zij zich veel om do plegers dezer gruweldaad zou bekreunen; eerst en vooral diende zij zich te schikken naar den nieuwen toestand, welke gelukkiglijk spoedig veranderde, want reeds den eersten April van het volgende jaar waren de Republikeinen verdreven en den 23 April vierde men hier den nieuwen keizer, Frans-den-Tweede, waarvan men verwachtte, dat hij den geestdrift, voorheen door zijne grootmoeder Maria-Theresia verwekt, zou weten op te frisschen.

Zoodra de keizerlijke wet opnieuw gevestigd was, hield zij zich vooreerst bezig met het opsporen van hen, welke de partij van Frankrijk, gedurende haar kortstondig bestaan, aangekleefd waren of hare wenken htidden helpen uitvoeren. De eerste gevangene was zekere Heintje Sammels, gehuwd met Clara Ootermans, vader van een kindje van negen maanden, vroeger schippersgast, daarna « sig geneirende dan met cattoen te spinnen, dan met weven en ook wel in het hoey te werken. » Gekend als « vermaerden ruse-maecker ende vegter », had deze Hendrik Sammels in 1787 vijf maanden lang gekerkerd gezeten voor

Antwerpen in de \\ Vlll* eeuw.

-ocr page 300-

— 294 —

begane buitensporigheden gedurende de plunderingen in dit jaar gepleegd, en, wonder genoeg! alsdan had zijn vader een paar laarzen naar het Stadhuis gebracht, door hem gevonden in de nabijheid van het Groenkerkhof. Waren deze kleedingstukken destijds door den zoon Sammels gestolen ten huize der kooplieden en wilde de vader hem door deze teruggave van alle verdenking vrijwaren? Althans is. het zeker, dat Heintje zich niet beterde, want op 27 Januari, 17, icj en 20 Maart 1^94 verscheen hij ter vierschaar, beticht tot de Fransche partij te hebben behoord. Loochenen was hem niet mogelijk; men had hem verschillige malen in dezer gezelschap gezien, omhangen « met een blauw kleet ende somtyds met eenen blauwen schranslooper », zoodat hij wel verplicht was te bekennen op « Verloren Maendag » van 1793 lt; naer de Grootemarkt gekomen te zyn omdat hy had hooren seggen dat er eenen arend wird afgetrocken, dat hy sig bevindende onder meer ander volk ontrent het Stadhuys, door eenen Franschen capityn met het pistool in de hand geforceert is geworden om boven te gaen, hetgene ick gedaen heb sonder nogtans iets quaeds te ondernemen. »

Praatjes! De stadswerkman Petrus-Jacob Peuter-mans kwam duidelijk verklaren, dat Sammels en een vijftal onbekenden op een stootwagentje touwen hadden gehaald uit het stadsmagazijn, handelende op bevel van generaal Marassé, en de touwen rond de arenden van het Stadhuis hadden geslagen. Ook was het Hof stellig besloten den dader ten strengste te straften, want de gouverneur-generaal der Nederlanden, Karei Lodewijk, schreef, de eerste maal (9 Januari 1794) : « C\'est notre intention que le procés de eet homme lui soit fait par son juge compétent

-ocr page 301-

jusqu\'a la redaction de la sentence et que le projet nous en soit remis avant que d\'etre public, afin qu\'alors nous puissions nous y determiner ultérieu-rement »; en eene volgende maal (21 Februari) luidde het : Dit proces moet worden voortgezet « jusques a sentence definitive, vous chargeant de nous faire parvenir le projet de cette sentence ct d\'attendre nos ordres ultérieurs avant de la pro-noncer. »

In \'t harte getroffen, volgde vader Sammels den voortgang dezer zaak en beproefde in dezer voege, den 4 Juli 1794, het hart onzer wetgevers te vermurwen : « Vertoont reverentelyk Francis Sammels, borger deser stad ende knaep van het bereyders-ambagt alhier, te kennen gevende dat synen sone Henricus Sammels nu ontrent de negen maanden gedetineert is ten gevangenen Steene, op pretext van eenighe door hem begaene buytensporighcden, naementlyk als gecoopereert hebbende aen het amo-veren van den coperen arent voortydts gestaen hebbende op het oppersten van den gevel van den Raedhuyse deser stad, hetwelk (ingevalle des vertoonders sone daer mede aendadig is geweest) sekerlyk niet anders geschied is als door opperbevel van die van de fransche natie, dewelke te dien tyde binnen desen lande waeren heerschende, ende dewelke, soo als schier aen do gansche wereld bekent is, alomme de orders gaven ende de weth stelde van alle wapingen, eerschilden ende eertcekens der

monarchen sonder verdragh te amoveren..... » De

schout had echter tijd noch gelegenheid, om zijne meening op dit verzoekschrift uit te brengen, want nauwelijks waren de Franschen hier voor de tweede maal binnengerukt (23 juli 1794), of reeds den 2 September 1794 luidde het bevel van het

-ocr page 302-

— 296 —

pas gevormde ComUé de surveillance : « Dito Sammels is gerelaxeert » (losgelaten). (1)

Wij hebben het vroeger gezegd en drukken er nogmaals op, dat nietsdoeners, landverraders, woordenkramers en verworpelingen der maatschappij het meest welkom waren bij onze Fransche meesters. Waarom zouden zij dan Sammels niet hebben vrijgesproken, hij, die bij \'t zeggen van Verrières, dat de vrijheidsboom was omgevallen door de schuld der arenden op de stadhuistorens, deze onschuldige sieraden had afgerukt ? Dwang alleen zou voortaan de machtspreuk en het eenig streven der dwingelanden uitmaken. Waarom zouden zij dan het brutale geweld niet hebben beloond ?

Ach! hadde de Fransche regeering ons maar éene nuttige of heilzame hervorming gebracht, ons maar éene enkele verbetering geschonken of ons slechts de mogelijkheid van een enkelen harer droomen kunnen bewijzen! Maar neen : alles wat zij beproefde, droeg den stempel harer onmacht en zij, eerst van allen, moet zich innerlijk overtevreden hebben geacht, eindelijk de teugels van ons land aan betere handen te kunnen vertrouwen. De burgerij beleefde een tijdvak van uithongering en ellende; maar wat men niet weet, kwam de alles doorsnuffelende Dargonne den 28 juni 1800 verklaren : de stadskas leed een tekort van meer dan iS millioenfrank en zulks voor eene bevolking van 58.956 zielen ! (1) Frankrijk had dus in zooverre onze stad weten uit te putten, dat elke inwoner voor meer dan 305 fr.

(1) Losse stukken : Préparatoire Information en Correrticboccl, XIV, f« 410.

(1) Brief van Dargonne aan den Prefect, 9 Messidor, jaar 8.

-ocr page 303-

— 297 —

in schuld stak, zonder te rekenen, dat alle verheffende of winstgevende instellingen verdwenen waren.

De achttiende eeuw, rijk aan eigenaardige en wisselvallige gebeurtenissen, scheen ons een zoo belangrijk tijdperk in alle opzichten, dat wij getracht hebben de geheimenissen van de toenmalige samenleving te doorgronden, om ze daarna, indien wij ons in de gunst van het volk mochten verheugen, als zoovele lessen van opvoeding en beschaving voor te houden.

-ocr page 304-
-ocr page 305-

BIJLAGEN.

-ocr page 306-

..........WÊ9Ê

-ocr page 307-

BIJLAGE A.

[Zie bladzijde ijy)

Lijst der belanghebbenden in den handel van de « Keizerlijke Compagnie van Triest ».

Jozef van Delft Jan do Wael Selb-vande Zanden J.-F.-Th. de Koode N.-Fr. Beeckmans F. Adriaenssens

J.-J.-A. Borreltens, Chr (voor W\' M.-C.

Wellens)

Louis Jtoretus R. Le Candelle

Arnold-Frans de Pret (pro se et J.-J. More-tus)

Jan-Baptist de Clerclt

Fr. Truyens (en voorP.-J.-A. de Meulenaer)

M.-J.-B. Schouteet

P.-Th. Aerts

P.-Am. Wellens

P.-B.-E. van Hernevelt

J.-A.-J. Battels

J.-L. Hennequin vader

Catharina van LancUer

Ridder J.-F. de Bosschaert

J.-C. dela Faille de Leverghcm

M.J.-F. van Havre

Charlesjos. van Havre

Jan-M. van Havre

Frans-Jos. Chatlé

J. Meyere

}ac.-J. Janssen s

Jan Wouters en de Vries

P.-J. Vossius

M.-P.-J. de Bruyn

J.-B. van LancUer

J. Bollens

J. de Heuvel de Bouwel van Schorel de Wilryck H. Booghc Balt. de Labistratc L.-M. Gillis J.-H. Heesmans J.-B. Grangé J.-C.-J. de Meuldere Ant.-Frans van Praet Henri-P.-J. Boget, can.

A. van Berglie Em. du Toict Frans van Lantschot M.-J. Rachel Charles-Ben\' de Wael

Jac. Gysels J.-F. Adams

Jac. Bartels, can. gradueel J.-B. della Faille G. van Oudenhove Jan-Bapt. van Scherpenbergli Jan-Fr. Willemssens Isabella Halvat

Norb.-Louis de Wael (pour la Compagnie

d\'assurances)

Jos.-Ant. Meyers (pour mon frère Pierre, ma sccur Agnes el mon frère Jacques) Nic.-Fr. Grigis

P. Soun de Neuf d\'Hoogclande Jos.-Fr. de Bie (pour la Chambre d\'assurances, pour madame la veuve Ullens, pour Th.-Jos. de Bie)

Jean-F. van Hal (pour Joan-J. van Hal,car. Jos. de Man

Zuster Suzanna Bal, moeder der Zwartzusters Vicomte Fr. van Praet Guill.-G.-H. Legrelle Fr. Piek

Eg.-Jos. Neef, voor M.-H.-C.-N.-J. de Bosschaert en de erfgenamen van wylen J.-G. de Pret en voor Petrus Corebloem Jos.-Dan. van Sclierpenbergh (pro cap\'quot;

S. Jacobi Antw.)

Alb. Bartels Baltazar Laurys J.-B. Battallie f.-A. dela Faille J.-F. van Gameren Jos. de Broeta Laurys van Horen, priester Frans Bartels

Chretien-Ant. Vermoeien (en voor Cath.

Cornelia Vermoeien Wquot; Gille Neuville) P.-A. van den Berghe (en voor Jac.-Fr. Liagre, Jan-Guill. Legrelle en Wquot; Ad. Janssens)

Paul-J. Morelus

J.-B. vanden Broeck (en voor P. Bellens)

Frans Geuens

Borrewater

vicomte de Fraula

Jac. Lognet

L.-H. Huskens (en voor myne nicht Bosch


Anituerpen lu de XVI11\'\' cX\'hw,

-ocr page 308-

— 3°- —

J.-P. van Linden Henr.-Fr. lt;le Meyer J. Driessens Kveraerls et Gillis Hieron. Eeckclmans F.-J. Anlheunis Em. Cambier

J.-B. Ullens (et pour ma mere)

Hendr. La Rivière S. Ghorus Egidius Schebbens

M.-J. Del Fontaine (on voor de We Gquot;\'0

Delfontaine)

Phil. Raemdonclc Jac. Hebrant H.-J. Vleeshouwers

Fr.-B. de Bridt (en als momboir van August Georgerie)

Charl. Lombaert Seuninckx Frans Veydt P.-J. Veydt Jan-Jac. Moretus

Grave vande Werve de Vorsselaer

Jac.-A.-J. Ghara

M.-A. Lemmens

(hull, de Herdt

ïheresia de Herdt

Cornelia de Herdt

Jos. vanden Nest (en voor den Piter der Alexiancn te Mechelen en voor den heere de Cock, secretaris te Mechelen, en voor den heer Pansius te Mechelen) C.-A. Geerts Lament-Bait. Solvyns Br. Frans vander Meulen, pater der Celliten Ign.-Jos. de VVael Peeter de Heyder

C.-J. Wouters (voor het Comité de la caisse

de religion)

Emanuel-P. Mertens J.-B.-Suzanna van Hattenbergh Alb. Battels, can. divi Jacobi (en voor

Cath. Bartels)

Jac.-Fr. Janssens vrouw wquot; de Witte gravinne douarière Roose de Baisy wquot; van Diepenbeeck ïheresia Le Roy Melchior vanden Hoeck Jan-Bapt. van Lippeloy Ant. van BedafV C.-J.-M. de Wolf grave de Robiano douarière Eelkens

Hieron.-Ign. van Wamel (voor myne moeder)

Jac. Dierven Joanna Kerstenis Jac.-Jos. van Pelt ct Claosscns

G.-M. Beerenbroeck Pierre Bals Jan-Jos. van Kessel jonkvr. G.-C. d\'Heussens

A.-V. Lathouder (voor J.-J. Snoeyens)

joll\'. M.-Xh.-M. Moretus

A.-C.-J. Moretus

P.-C.-M. Moretus

wquot; J.-B. Vleugels

P. Lanens

F.-J. Schouw, provisor S. Bern

N.-J. Bom

Petr.-M.-J. de Bruyn Barbara-Th. du Bois J.-J.-C. van I\'ruyssen Peeter d\'Aertselaer

H.-C. van Beeck

w\' Fr.-Hendr. Diricxsens

G.-C. Knyf J.-A..J. Knyf

Carolus en Regina van Asten

F. Graeyé

J.-B. van Dyck(loco den Eerw.heer Donner) joff. J.-M. de Rivier Erfgenamen van E. Peeters w\' M.-A.-J. en jon\' J.-F.-J. Vinek de

Wustwesel J.-M. Ockers, priester J. vanden Nest, voor jolTr. J.-M. de Wit, voor mevr. van Beeck, voor jolTr. J.-F. Coekelbergh Adr, Vermeulen Adr. Met de Penningen J. Wouwermans Mquot; van Vessen, te Mechelen mevr. Isab. van Winghen Douarière F.-N. Martini, nee Meyers Jos.-J.-N. Martini Jan-Bapt. de Schieter J.-B. vander Wee Nic.-Fr. Grigis P. van Linthout

Renier de Backer (voor myn vader)

G. Deelen (als administrateur der goederen van wylen Mols née Meyers)

Isab. van Laer Joanna van Laer Jan Keirssemaekers wquot; J.-F.-R. Werbrouck Hubert Binken G.-H. van Eersel Maria van Laer we M. Auvray P. Aernout Nicol. Werbrouck

F. Godts (voor Theresia de Grave, joflr. van het Bcgynhof te Mechelen en voor jolVr. Judoca-Joanna Verbeeck).


-ocr page 309-

BIJLAGE B.

(/.u: bladzijde 137.)

Verslag over den toestand der « Keizerlijke Compagnie van Triest ».

Rapport de ma commission d1 inspecteur dans l\'Inde, présenté d Messieurs les commissaires préposés a la Compagnie asiatique de Trieste.

Anvers, Ie 18 de\'eembre 17S5.

Messieurs,

Vous m\'avez puru désirer que je vous donnasse une idéé générale de mon voyage, les conversations rompues sans lil et saus suite ne vous laissant pas une liaison exacte des objets traités.

Je ne vous exprimerai pas aussi vivement que je 1\'ai senti dans le moment la surprise dans laquelle je me suis trouvé lorsque j\'ai ouvert mes instructions et le compte de Mr. Boltz. Je vis que j\'allais otre entrainé dans des embarras sans nombre par la nature de ma commission, mais surtout par le but qu\'on s\'en étoit proposé. Mr. Boltz que j\'avois vu a Vienne, m\'avoit par nos conversations mis un peu au fait de la situation de nos établissemens et de la détresse dans laquelle devoient s\'y trouver les employés par 1\'abandon total de la direction; il m\'avoit Tait sentir que la pluspart des ellets qu\'il y avoit appliqués ne seroient d\'aucun rapport puis-qu\'on n\'en auroit certainement pu tirer parti par le discrédit dans lequel la Compagnie impériale devoit y ctre, considcrant la ncgligeance et le manquement aux engagemens pris dans ces contrées éloignées.

Nous arrivames enfin a Mangalore le 8 de mars et tout ce que nous avoit annoncé le resident d\'Anjinga n\'ctoit que trop vrai. Dans 1\'horreur de Ia guerre et la prise de Mangalore, nolre factorie, située fort avantageusement sur la riviére a trois quarts tie lieue de la forteresse, n\'avoit pas encore été détruite,

Une factorie portugaise, située a peu de distance de la nötre, n\'avoit pas été si heureuse ; elle avoit été rasée, le général Matthews a son arrivée avoit voulu débarquer son anillerie dans la nötre et y établir une batterie. Mr. Fysse, un homme courageux, s\'y étoit oppose absolument; a eet ell\'et, il avoit fait couler a fonds tons les batteaux qui appartenoient a la factorie et au voisinage et avoit rendu impuissants tous les moyens dont les Anglois auroient pu se scrvir pour se rendre la factorie utile. II se soutint pendant tout le teras du siége, et a la prise de la forteresse et du pays, le général Matthews le molestant et lui aïant défendu le commerce, contre quel objet Mr. Fysse aïant protesté, il se retira a Goa, possession portugoise, ne laissant dans la factorie que le mattre d\'hótcl, les cy pays et domes-tiques nécessaires pour la conserver; je descends a terre pour y recevoir les com-plaintes de ces malheureux qui s\'attendoient tous les jours a y être massacres par l\'armée du nouveau Nabab.

II n\'est pas possible de vous exprimer, Messieurs, les peines que je ressentis aux plaintes si bien fomlées de ces infortunés, mais surtout d\'etre oblige de les

-ocr page 310-

— 304 —

consolcr cn ne détruisant pas leur flateuscs espérances lorsqu\'au fotul de mon coeur je savois si bien qu\'elles n\'estoient qu\'illusion sans oser 1c leur dite.

Nous avions uue factorie a Baliapatnam, tenitoire du Rajah de Charijal, prince souvetain et trilmtaire du Nabab. II avoit cruellement moleslé Mr. Murdoch Brown, chef dans cetle factorie, il voulut l\'obliger a lui fournir des munitions de guerre et de l\'argent. Mr. Brown ne voulant ni ne pouvant ni l\'un ni l\'autre, il le fit trainer dans une prison obscure et lit piller après cela la factorie.

Je ne vous cacherai pas que, prévoyant tout ce qui alloit arriver, prévenu par ces messieurs ct dégoiité au possible de tout cette bagare, je ne cherchois que 1\'occasion de m\'évader secrellement et de revenir en Europe. Les employés nouveaux et anciens supijonnant mon dessein, se joignirent ensemble, me déclarèrent qu\'ils me veilleroient de prés, quo c\'étoit a moi ft pourvoir a leur subsistance et a répondre des événements qui pourroient arriver, et que s\'ils étoient exposés a quelqu\'avanie je paroiirois le premier et payerois de ma personne, représentant si bien la Compagnie qui les sacrifioit.

Nous étions sans le sol, Mr. Fysse n\'avoit rien dans la caisse, que faire? Nous demandons au capitaine 6000 roupies de son argent lt;1110 nous lui ferons toucher a Bombay, autre débat : il faut enfin lui mettre l\'épée dans les reins pour l\'y obliger, nous ne pouvions mourir de faini ; il apporte malgré lui les 6000 roupies et nous lui donnons une letlre de change sur David Scott a Bombay.

Nous résohlmes aussitót que les chemins seroient praticables d\'envoyer tous les employés a Carivar, distant de quelques journées de Goa et formant noire troisiéme factorie, Carwar, appartenant au Nabab. II avoit essuié Ie mêine sort que Man-galore : les Anglois Tavoient pris, la conquête en ayant été faite avec moins de fracas. Mr. KesselUaul y étoit resté avec Mr. Reus, non cependant sans y éprouver toutes les inquietudes dont les circonstances les rendoient susceptibles. Je m\'y rendis avec Mr. Fysse pour y faire mon inspection, j\'y fus acceuilli avec toutes les plaintes que j\'avois taut entendues et qui ne m\'étoient plus nouvelles. II est trés vrai cependant que Mr. Kesselkaul étoit tous les jours en danger d\'y être taillé en piéce par les différentes parties de l\'armée du Nabab qui le prétendoit absolument l\'espion des Anglois. La factorie est située avantageusement sur la riviére, mais surtout pour introduire des maichandises chez les Marattes, la maison quoique pas entiérement achevée est certainement de la valeur portée dans le conipte de Mr. Bolts. Hyder Alli Kwan y avoit acCordé un terrain de 400 brasses, il avoit été choisi par Mr. Bolts dans un endroit inculte peu éloigné de la factorie malgré les ed\'orls de Mrs. Fysse et Kesselkaul. Jamais ils n\'avoient pu faire usage de cc terrain, les différents gouverneurs ne voulant pas les en laisser jouir par le discrédit oü la negligence et l\'abandon de la direction les plongoient.

Messieurs Fysse et Pollet m\'accompagneront a Bombay oü je trouvois outre la prétention et l\'arrét de ce dernier, une autre prétention d\'au dela de Rps Bby 30.000 pour les grosses du Thé rise et Joseph et qui sont portés dans les comptes de Mr. Bolts. Cette partie devoit, comme il le dit dans ces mèmes comptes, être acquittéc par la factorie de Mangalore sans doute par les fonds qui devoient y rentrer par la correspomlance de commerce avec ces établissements. Je me suis déja expliqué suilissament sur la situation pécuniaire des factories pour que vous compreniez qu\'il n\'éloit pas possible a Mr. Fysse d\'acquitter ces grosses sommes.

Je partis pour Madras, afin d\'y poursuivre les affaires selon les ordres des directeurs; mes lettres, mon journal et ce que j\'ai eu 1\'honneur de vous diie suffi-

-ocr page 311-

— 30,S —

sent, je pense, pour ne plus entrer dans les\' détails des malheurs arrivés aux employés de Nicobar par l\'abandon total de la Compagnie. Mr. Ie lieutenant Sthal, chef et résident de cette colonie naissante, étoit mort a mon arrivée a Madras plutot de chagrin que de maladie. Mr. van Soest 1\'avoit précédé de quelque tems et plus de 40 personnes, Caffres et Malabares, avoient essuiés ie mé me sort. J\'ai receuilli soigneusement tons les papiers de Mr. Sthal, ses comptes, son journal et toutes ses diflerentes nottes et lettres diverses que je vous ai remis également sous votre re^u.

Avant de finir le rapport, je ne puis me refuser a ce que Thumanité exige de mon honneur, de mon devoir et même de ma commission, c\'est de mouvoir le votre pour ie sort de ces intortunés employés, piongés dans la misère, dans l\'op-probre et abandonnés aux périls et aux cruautés d\'un peuple dont on connoit ici si peu le caractère et les procédés. Voila prés d\'un an que la Compagnie a failli, sans que ces malheureux soient instruits de leur sort et sans qu\'il ait cté question du moindre arrangement a leur égard. II faudra cependant bien en faire un jour, car peut-on sacrifier ces gens que la bonne volonté et la résolution ont expatriés paree que leurs plaintes améres ne parviennent pas jusqu\'ici ? Qui est leur défenseur, leur représentant ? Personne, et chaque classe de créanciers a les siens. Vous savez. Messieurs, tout ce que je vous ai dit a eet égard, et les moyens qu\'il faudroit employer pour les soustraire aux malheurs qui les attendent. La comisé-ration qui vous est naturelle ne me permet pas de (louter que vous vous désisterez d\'un objet pour lequel la justice et l\'humanité vous parient.

J\'ai 1\'honneur d\'etre. Messieurs,

Votre tros humble et obéissant serviteur,

Guillaume Fr. Immens,

Capita ine au service de V Empereur.

-ocr page 312-

B IJ L JGI I

(Zr blSkidc

Geldelijke toestand der « Keizj

Messieurs les intéressés de l\'ancienne Société, leufc:

DOIVEX 5

Pour 800 actions que ccs Messieurs se sont réservces a 1\'inscription, n0 1 ii 800 ;i f. 1000

cl\'Allquot;................

Pour 200 idem que les dits Sieurs ont róser-vees pour Mr Guillaume Bolts, n0 801 a

loco a f. lOOOd\'Aiiquot;.........

Pour les payemens suivant par Thomas Gil-daert de I-ondres pour compte de l\'ancienne Société et dont il a débité la nouvelle,

savoir :

Pour traite de Guill. Bolts de Madras du 2lt;) mars 1780 a 3 mois de vue, ordte Mayr

Alexandre............St. 435 »13 —

Idem du mcme de Bombay, 12 mars a 6 mois

dc vue, ordre Guill. Ludtam avec intérét. . 258 » 15 » 4 Obligation du nnême du gfévrier 1776, faveur

de F. Rayant avec intérét....... 128 » 2 » 6

Idem du 18 février 1776, faveur de J. Adams

avec intérét............. 1328 » 9 » 8

Idem de Guill. Bolts, F. Rayant et Sam. Han-nay du 6 février, faveur de Bird et Notd,

avec intérét................4ii»8!gt; —

Idem des mémes du 19 fév. 1776, faveur de

Cadu et C\'0 avec inlérét . ... .... 763 » 17 » — Idem des mêmes du 23 janv. 1776, faveur de

Sam. Aulabre avec intérét....... 163 » 15 » 9

Idem des mémes du 10 janv. 1776, faveur de

Henry Bisliof, avec intérét....... 539 »15» 0

■ 781

oct.

160000 gt; 40000 »

quot;I

9 nnv.

-ocr page 313-

GE C.

idc ijS.)

Ijke Compagnie van Triest, »

omptc-courant avec la Société impériale de Trieste.

A.VOIR

1781

loctobre Pour transport de factories, ótablisscmciils,

vaisscaux et efiets exislant et provenants des opérations du Sr Guill. Bolts suivant son compte general du 19 sept. 1781 dont les 2 3 lui appartiennent et 1\'autre 1/3 aux intéressés de la dite ancienne société suivant 1\'acte, montant a..........ƒ. 542()4I * ^ * —

1782

] janv. Pour 2068 » pour diverses remises a Salucci

et fds du 2 novembre......... 9559 *12» 1

800 autres aux mêmes du 5 novembre a 52 . 3692 » 6 » 1 ( 50nota 670 traite de Salucci sur Thomas Gildart a

513/4..............3107 » 4 » IQ

Pour 5 remises du 10 décembre..... 477^ » — * —

Pour produit de diverses marchandises du

vaisseau Le Prince de Kaunitz.....76069» 16 gt; 3

P\'

avrii Pour remises faites par M. Domien Nagels a Thomas Gildart de Londres en septembrc,

octobre, novembre et décembre 1781 en

^envois..............\'

Pour autre en janvier dernier....... 100 ^ — -gt;

JLJ

ie bh

Ti

KeizJ

leu

VEN S

1

1084^8,

97204» 19» 33871/201578 37521, 7

41277 » r6 » 11 a divers cours

1 mai Pour remises de Ollo Frank et Comp. de

Livourne en 18 lettres sur divers, ensemble 5270» 19» 9

4 traites de A. F. Salucci sur nous..... 510 B — * —

5780 » 19 » 9 a 35/6

r34r/ » 13 quot; \'

10261

-ocr page 314-

308 —

Suite du comptc-courant de Mcssieu

DOIVI\'NÏ

1701

9 nov. Obligalion des nu\'mes du 16 fcvr. 1776, faveur

du dit Henry Bishof, avcc inlétêt .... 160 »16» 3 Idem des mimes de £ 23=;, faveur de Alb. Barron et de £ 155 » 3, faveur de F. Lewis avec frais de compte et diverses primes d\'assu-rance a F. Hannay, suivant compte . . . 840 »

Traite de Guiliaume Bolts de Madras du 23 mars 1780 a 3/m de vue en faveur de G. Richardson, sur Pietro Proli avec intérót. 96 » Obligation de Guill. Bolts et F. Rayant du 17 janv. 1776, faveur de Jean Balteo avec

intérêt............... \'41 »

Idem des mêmes du 15 février 1776, faveur

de Scouba avec inlérêt......... 56 »

Traite de Guill. Bolts de Bombay du 12 mars 1779, ordre Alexandre Canuingham sur Pietro Proli avcc intérót........ 1075 »

e in

;1V0I1

1^82^ i| mai

■4» 3 9 » 7

14 » -10» 4

2 a divers B)

sept.

quot;495 » 4 -

(jjf 6401

Pour payements suivants par Ie dit Gildart pour compte de la dite ancienne Société et dont il débite la nouvelle, savoir, pour traite de G. Rabon de Livourne de p\' 4776 a

50 1/4 et 87 1/2 et 57/8 p\' ff......

Traite de Guill. Bolts a son ordre du 18 sept.

sur le comte Charles dc Proli et Comp\'0 Obligation de Guill. Bolts, F. Rayant et Sam. Hannay du 23 février 1776 en faveur de Mackintock et Rose, avec intérêt .... Idem des mêmes du 25; janvier 1776 en faveur

dc J. Donaldron, avec intérêt.....

Traite de Guill. Bolts du 18 sept. 1781 sur le comle Charles de Proli et Comp1quot;, ordre de

Gildart...............

Idem du même sur le baron J.-C.-J. de Borre-

kens...............

Obligation de Guill. Bolts, F. Rayant et Sam. Hannay du 9 fcvr. 1776, avec intérêt et

frais ................

Payement A J. Adams pour solde suivant

compte réglé avec M\' Bolts.......

Obligation de Guill. Bolts, F. Rayant el Sam. Hannay du 2 mars 1776, faveur de Rich.

Sadlar, avec intérêt..........

Traite de Guill. Bolts de Bombay, 12 mars 1779 sur Pietro Proli, faveur de Brander Delvort Scott avec intérêt et frais .... Idem du même en faveur d\'André Drummond pour gage, commc oflicier du navire /e Comte dc Kollowrath...........

nov. dcc.

999 » 19 » 6

500 » — gt; .

245 6» 7 69 :gt; IQ » —

l666 » 13 4

IOOO » — » —

628 » l8 gt; IO

72 » 5 »

36 » 17 .

2191 . 17

211495» 4gt;

-ocr page 315-

— 309 ~

s intéressés de l\'ancicnne Socicté.

,\'yoiii

17H2 ijiiiai

5677 » 16 » 11

3473 » \'7» — 1083 » 15 » 10

720 • 9 » 6 2322 « 18 » 4

Isept.

1005 » 14 » 4 9982 » 3 » 7

déc.

988 » 13 » 7

1160 » 14 » i

744 » 3 » 4

2297 » 9 » 10

30

Pour idem cn 15 lettres sur divers.....31075 »418

1800 autres sur V. Filing de Hambourg a

33 7/8............... 1524 »16» 8

32600 » is — 11 4 \'Z2 %

Pour idem sur Adriaen Met de Penningen

d\'Aovers, payable dans Amsterdam . . , 15250 » 16 » —

Pour idem traite de Sulucci et lils sur Pietro Proli de............... 4694 » 15» —

19945 » 11 » - a 4 1/2 °/0

Pour nos deux traites pour leur compte sur

Payen frères, ensemble.........13966» 3» 63557,8

Pour solde d\'un compte de marchandises vendues par George Clifford et Teysset d\'Am-

sterdam............... 41 r 7 » _ » _ a 5 %

Pour nos 5 traites en date du 10 mars dernier

au 8 juin sur Payen frères a Paris, ensemble 30000 » — » — a 55 3 4 Pour 2603 » I » 5 notrc traite sur Otto Frank et Comp. a Livourne de ce jour a 6 jours de vue appartenant au vaisseau Lc Joseph et Thrresc, dont re(,u pour le mon-

tant commission déduite........ 5/0 » 12» 511353

Pour remise de MM. Toumachon provenant

d\'une partie de soie...... ... 128342 » 6 » 3 a 56

Pour 85 grapins chargés par A. F. Salucci et lils dans la cargaison du Uongrois pesant ensemble 21279 quot; £4° \'e °/o- . . £ Iquot;0\'\' 8511 » 12 » —

Pour 14 mats de Riga charges par les dits sieurs Salucci et fils sur le dit vaisseau te J/ongrois évalué a 300 (Jp tournois chacun. 4200 » — » —

f t 12711 » 12 » — a 56 »

Pour veute et net produit d\'une partie de soie avarice faisant partie des 329 balles retirees des mains du S\' Scheriman et d\'une partie do toile également avariéc servant d\'enve-loppe aux dites soies suivaut le compte de vente fourni par les dits Salucci et (lis, mon-

tant h................ 3121 » 4» 5 a 87 1/2 et 2quot;

Pour difference de Pa 151998 » 17 » Oh p» 154000 Porteau debit sous la date du 3 avril dernier par estimation des 329 balles de soie du Sr Scheriman; faute d\'en avoir le compte, on porte ici par rescontre la

dite difference............ 20c 1 » 2 » 6 a 87 1 2 et 2 (

Pour remises revues provenant des cauris par Romberg et consorts de Gand, savoir sur Cellon et Cquot; a Paris, ensemble ..... 15144 »15» —

Sur grand ad\'quot;.............15000 » — » —

ssieu

VENT

env. £ tno\'\' 30144 » 15 » — a 54 7 8

Antwerpen tn de A VI11* eeuw.

-ocr page 316-

:,io —

Suite du compte-courant de Messieur

DOIVEN\'T

•z8\' _ Pour transport de l\'iiutre part £211495» 4

9 nov. Trailc du même de Madras 31 mars 1780,

ordre Cath. Calvert ..........

Idem du même de Madras du 5 mars 1780, en

faveur de David Knose . quot;....... 376 » 8 » 0

Idem du même en faveur de P. et J. Berthou pour une erreur dans son compte réglé a Auvers............... 50 » 18 » —

ies i

,\\vc

1785

19 m!

4OO » - » —

1783

19 sej

n w ^ 8258 »14» 8 a 35 li B 14831 8 dec. Pour traite de A.-F. Salucci et fils du 14 sept.

sur le comte Charles de Proli............270 » 15 » 11

Pour remise a André Reid sur Gildart . . , 238 » 2 »_

Idem a Ross mill Ross sur le dit..........666 » 18 » 8

■782 » 1175 » 16» 7 i 35/11 s. 2111

13 janv. Pour traite de A.-F. Salucci et fils du 10 octo-bre 1781 sur le comte Charles de Proli et

Conip. dans Londres, de........ 100 » — »_

Trois lettres des memesdu 12 oct. 1781 commc dessus............... 1451 » \' » 7

» 1551 » 1 » 7 Ponr traites de Guill. Bolts du 18 sept. 1781 sur le comte Charles de Proli et acceptées,

dorriciliées etacquitéespar Thomas Gildart. 1072 » 10» — Idem du même du 1 mai 1779 ordre G. Smeth,

pour solde de £ II60 gt; 13 » 2 J..... 225 »17» 4

(I déi

1784 j jan

) avi

£ 2198» 7 » 4 1135/11 B 3947 » 18.

Pour traites de Joseph Tauri du 7 novembre sur le comte Charles de Proli et C\'quot;, acceptées, domiciliées par Gildart...... 270 » _

Idem du même du 4 déc. comme dessus . . 100 ■gt; —

Idem du même comme dessus............230 » —

Idem du même du 12 déc. comme dessus . . 54 » — ;

Idem du même du 15 dito comme dessus . , 600»—j

Idem du même du 18 dito comme dessus . . 800» —

14 avr

£ 2054» — »— \'quot;\'35/quot; 3688» 12 i

Pour traites de A.-F. Salucci et fils de Li.

vournc du 28 nov. 1781 sur le comte Charles de Proli et Cio acceptées, domiciliées et

acquittées par Thomas Gildart..... 670 — » —

Du 14 déc. 1781, ensemble........ 7800 » — » —

235171 » 9. 11

8470» — »— a35/\'i 15210» 14»

Remise a André Reid sur Thomas Gildart . 4269011» 7 a 35/11 7667» 9» 4 févr. Pour frais a une moche do soic par Perron-

teau, Delon et O a Paris..............30 gt; — gt; — a 56 2 » 61

19 mars Pour remises a Mangendre sur Perronteau,

Delon et Cie a Paris pour frais de désarme-ment du grand vaisseau le Prince de Kau-

nitz................................3535 » — » — a 56 274 » 18 »

_L

-ocr page 317-

— 3ii —

!es intéressés de Tancionne Société.

ssieur

i/EXT

AVOIR

1782 .h) mars

9982

3 »

1783

15 sept.

9_

9 a 56 I/

4954 » 10 » 1

1 dóe.

32» 3» 7

1784

J janv. 1) avril

493 » 14 7 a 90 el 2 0 c

188 » 17 gt;

14000 » — » —

gt; 18

» ()

11

828

80 1

8683 , 13

4 avril

» 14 ; » 9

49053

3815» 4. 10

» 18

Pour net produit de la vente d\'une ancre du vaisseau le Baron de Hinder par Mquot; de Wulf, Morel et Comjr0 do Cadix, pesant

\'sgg^sp\'............

Pour net produit de 61 mals de Riga vendus aux enchères par A. F. Salucci (ils a

Livourne ..............

Pour montant et prix du coilt du vaisseau le Prime de Kaunitz suivant convention du

17 sept. 1781...........f

Pour ƒ34244 » 19 Bc0 remises des Fries ét Comp1\' de Vienne a Goll et Comp1quot; a Amsterdam pour compte de la Comp\'quot; de

Trieste et Fiume a 144 1/2.......

Pour compte de vente de diverses marchan ■ dises provenant de Ia cargaison du vaisseau le petit Prince de Kaunitz par la Comp\'» de Trieste et Fiume suivant compte du

14 déc. 1781.............

Pour déduction faile sur les gages des ofliciers-matelots du vaisseau le Prince de Kaunitz par la dite Comp\'\' de Trieste et Fiume . . Pour net produit de la vente de 1700 (ff de vieux ferrement relirées du dit vaisseau . .

Pour net produit de diverses marchandises provenant du vaisseau le prince de Kaunitz, capilaine Angelus Leefs, relirées de chez les héritiers Fomand, vendues par Simon Bératd, suivant compte dej. J. Bérard el Comp1» a l\'Orient, du 5 oct. 1782, montant net déduction laite du montant de 2249 bar-res de fer et de 489 marmitles de Pottin, embarqués sur le navire les deux Frères, capitaine Corn. Bort, destine pour l\'lsle de France............£ tnois

Pour payement fait par Ie S1\' Tournachon. a Perronteau, Delon et Cie a Paris, pour montant des soies par lui achclées £ tnois

Pour remises revues des sieurs Pilot frères el Comp10 sur Boutin, trésorier de la marine et des colonies a Paris, provenant de leur inté-rét du vaisseau le Falkenstin du 31 mars a

6 mois de vue.........£ tnois

Avcc une année d\'intérêt a 5 quot;/........

960 » - » _ a 87 et 2

43418 » 20 -gt; — au pair

63700 » 15 » 3\'85 gt; — » 66885 » 15 quot;

70000 » — n — au pair

I 28342 gt;gt; 6510 a 56

12819 » 32 » _

29690 ■

9 56

17 . _

9 . —

-ocr page 318-

— 312 -

Suite du compte-courant de Messieut Is \'nl

1782

3 avril Pourcoüt et frais de 77 caisses thé Hayssun et 8 caisses Congo achelées par A.-K. Salucci

et lils................

Pour valeur et evaluation 329 balles de soie de Scheriman et frais passés par les dits Salucci au débit de cette compagnie pour

amp; 87 1/2 B, 352676 » 11 a 57 p% .... Pour pavements fails par Mquot; van Ertboru el lils a M. le comte Charles do Proli le 5 no-

venibre 1781.............

20 dito................

6 mars 1782..............

26 dito................

8 d0 Pour payemenl par A.-F, Salucci et lils au Sr Rayant pour solde de son compte . . . Pour idem par les mêmes au Sr Bauer pour

solde de son compte..........

14 mat Pour traites de Roupies 10000 d\'André Daniel Pollet de Bombay 16 févr. 1781 a 90 jours de vue sur Guill. Bolts chez Pietro Proli dans Londres acquitté par Gildart a 2/5

avec les frais de protest.......

Pour traite de Otto Frank en C\'e de Livourne du 12 avril a uso sur Adriaen Met de Penningen d\'Anvers, payable dans Amsterdam pour compte de l\'ancienue Société .... Pour idem des mêmes du 22 avril a uso sur M. Pietro Proli comme dessus de ....

31 lt;1° Pour obligation de Guil. Bolts du 26 mai 1776 en faveur de Adam et Amb. Pollet de Lisbonne dc 1155 C 000 a 775 p et a 53, acquitté par Thomas Gildart avec l\'intérêl,

ensemble..............

Pour frais a un caisson d\'écritures par W. H.

Vries et C\'e.............

Pour remise a Andre Reid en traite sur

Thomas Gildart ............

Pour idem a P. J. B. Berthou en traite sur le dit Gildart..............

Pour traites de Joseph Tanzi du 11 déc. 178 ft uso acquittées par P. Rich et C\'e

Amsterdam............

Pour idem du mème du 27 novembre . . .

Idem du 4 déc.............

Idem du 18 dcc............

7223 . u » 4 I54OOO :gt; — » —

I6I223 »11» 4

26000 » — \' ~ l 5OOO » — » — *

1OOOO » — » — 1 1 IOOO — » — \'

1811» 6 » 5 ft 88 et 5 0/,i B 2162 gt;gt; 14» 10 a id.

1208 » 16 » 2 ft 35/6 B

15250 » 16 gt;gt; —

4694 » 15 » —

19945 » \'1 s11 4 \'/2 0/o

329 » 2 » 3ft 35/6 B

11» — » — au pair 5004 » — » -3828 » 7 » 6

£ tquot; 8832 » 7 ♦ 6 ft 3578

13200 ■» — » — ft 5 1/4 0 , 9000 » — » — 14200 » — » —

12394» i • 8

DOIVENT

62232 » 14 »

5 2000 » — » •

697 » 6 » 832 . 13 .

2145 » 17

85

:

* janv.

3473 » 17 »

584» 3 2 » 4

1575quot; » 1 2615 » 10

iVOII

1784 I avril

; aoiit

; sept.

:o d0

oct.


Acquitté par Cl ilTotd et Teysset ft Amsterdam 594 \' 1 \' ^

1

-ocr page 319-

313

T

■ssieut t3 intéressés dc l\'anciennc Société.

AVOIR I784

I avril l\'our net produil de 72 pieces mareh.mdiscs diverses relirées de chez les dits Fouconds el vendues comme dessus suivant 6tat du

1 sept. 1783............

; aoiit Pour remise par M. Nagels sur S. Capileyn et ills a Amsterdam a compte des B 18000 avancées par P. Rich ei Gompie sur les

440/4 caisses thé...........

I sept. Pour idem par le dit a compte comme dessus en £ 107 sur Vquot; J. Merman et fils a 36

87 idem ... a 36 ..........

87 idem ... a 36...........

;o d0 Pour idem par le dit a compte comme deesus sur Arnold Diepper a Amsterdam ....

Idem , ................

Idem.................

Sur la Coudre et Condre ad10.......

Pour idem par le dit a compte comme dessus sur P. Rich et Gompie a Amsterdam . . .

Sur A. S. van Eupen..... ....

VENT

\'4\'

13 . d

17 sgt;-

oct. Pour net produit de la lettre de grosse a charge du capitaine Jeremias Janssens, commandant le navire d\'Eendracht suivant compte dc Liebaert, Baes, Derdeye et Ciquot;, daté et iinnexé A leur lettre du 25 sept. 1784 . . .

I7S5

!janv.

Pour payement a born et Ills , .

M. Nagels a Mrs van Ert-5 » — a 50

7 O 9 17 » 6

340 » — » — 520 » 19 » 6

1134 » 16 » 5 498 » 4 » —

74 » 9 » 7

911

quot;55 »

939» 939 »

2000 » — » — 2 0/o

•i 3 %

a 3 1/8

2550 » ■ 2100 » ■ 2000 » 1698 »

644 . 2257 »

6» 8 16 » 8

4268 » 17 » 6


^ 304559 »5*IO

3 quot; 2 » 4

I ^ I

-ocr page 320-

— 314 —

Suite du compte-courant de Messiei

CS 11

iVOL

DOIVEN\'I

1782

8 juillet Pour frais d\'avertissemeut clans les papieis publiés tl\'Amsterdam pour Ia ventedessoies

de Bengalc.............

13 aoüt Pour traites de Guill. Bolts sur les députés dans Londres du 2 aoüt a \\ ue pour frais d\'cxpéditiou etc. du vaisseau Ie Joseph et

Thcrèse de.............

Déduit pour frais y compris pour les patentes et fit man pour Ie vaisseau tf I/ongrois . .

reste

26 dquot; Pour prime d\'assutance de £ 2500 sur cauris chargé a bord du navire impérial La Rose, capitaine B. Kooper de Liverpool a Osterdc a 2 1/2 p. 0/o avec la police et 1/4 p. 0/o de

commission pour Gildart........

17 sept. Pour frais sur 760 sacs cauris envoyés de Livourne a Liverpool et de la ii Ostende a 1\'adresse de MM. Liebaert, liacs, Derdeyn

et C\'e ...............

19 d0 Pour traite de Guili. Bolts de Vienne 19 aoüt a vue, ordie Pierre Ochs, acquittée par

P. Rich et Cie a Amsterdam......

1 octobre Payé pour divers avis dans les gazettes hol-landaises de Ia vente de soie de 1\'ancienne

Société...............

15 dquot; Pour frais d\'une requête au Gouvernement

pour la vente des soies........

26 dquot; Pour remises par son compte a André Reid en traite du 15 oct. 1779 a 12/m. sur Thomas Gildart.............

Pour un an et 3 jours d\'intérct sur la dite somme i 5 %............

31 dec. Pour commission a J. J. Kick a Marseille sur

69 caisses de soie de Nankin.....

Pour remises pour son compte a P. et J. Berthon en 13 traites sur Thomas Gildart a Londres du 14 aoüt 1781 a I2/m . . . Pour idem a André Reid en traite sur le dit

Gildart de..............

Pour traite de M. Marais de 1\'Orient pour son compte sur Perronteau, Delou et C\'ea Paris

du 6 sept. 1782 a 2 uso........

Pour ports de lettres et afTranchissements résultant du compte des soies de S. Scheri-man, suivant le compte de A. F. Salucci

et lils ................

Pour frais de 1\'armement etexpédition du vaisseau /e Prince de Kaunitz suivant le compte des dits s1\'3 Salucci et lils, remis a M. Jacobs.

12» 8 » — au pair

509 -gt; 32 » — 2/8 32 » 31 2/8

477 » 1 » — au pair B

95 » 8.,

128 »

698 » lO 28 » 8

4 » \'9 2 » 9

72 gt; 9 . 0 a 35/O

393 »14» 2:135 6

165 » 10 » — a 3

20 » 14 » — 17 » 9 » —

125O3. 13 » —

633 » 6 » 9

23424 » 13 231 » 14

G877 s 2 5377 3

494 1 \'5

13196 »19» 9 a 35/() 2979 » 10 » — a 56

3874 » 8 » 9 a 35/6 3029 * 8 » — a d0

3 \'

63G1 » 9 » 6 a 56

15 » — ■gt; — a 87 1 /2 et 2 0/o 5 » M 559O » 4 » 4 a d0 2078 t I;


-ocr page 321-

— 3\'5

intéressés de l\'ancienne Société. J.VOIK

Transport . , . £ 304559 » 5 » 10

3Ü4S59 » 5 » \'o

-ocr page 322-

— .ii6

Suite du compte-courant de Messic

s int

DOIVEgt; VOIK

1782 31 déc.

/2 et 2 0/o 9 » t 8435 15 2362 » ir » 16

103 1;

\'/83

7 mars

9 avril

10 avril

28 cl» 24 juin 9 juillet 16 aoüt

23 scpt. 7 oc(.

24 ilquot;

9 » — a 90 ct 2 1/2 0/o

6 » — a 35

2» 19

11» 19

43 ^

54 . 11

50 » 16

9 » (

6920 1

Pour payement a Charles Francois, a compte tie scs yages pour le voyage de la Chine sur

le dit vaisscau............ 24» 6» 11 1187 1

Pour achat et frais de diverses marchandises

faisant partie du chargement du ditvaisseau. 22684» 1 » 7 ;l d0 Pour supplément de frais pour 1\'armement et

l\'expédition du dit vaisscau....... 42 » 3 » 9 a d0

Pour acquit d\'une leltte de change sur M. de

Proli en faveur de Julien Rixci..... ^354 » 3 s 4 i d°

Pour provision ii Salucci sur la dite lettre de

change a I 2 p. 0/0.......... 31 » 15 » Sad0

Pour perte sur les marchandises du dit vais-seau, achetées aux enchères par les dits

Salucci et revendues.......... 279 » 5 » 4 a d0

Pour frais d\'un avis dans la gazette des thés

vendus frères Bethmann........ 4 » — » —

Pour payement a un matelot le Joseph et Thérèse, Paul Scullen par Salucci et iils suivant la lettre du 28 mars dernier . ... 312»

Pour frais d\'avertissement dans les gazettes d\'Hambourg de la vente de thé du 31 mars

1783 ....................20 s

Payé pour leur compte au notaire J. B. Pee-

ters ses débours et salaires....... 83 » 14 » —

Pour obligation dc Guill. Bolls, F. Rayant et

Sam. Hannay du 27 oct. 1776 avec intéréts. 245» 6» 7 a 35/7 Pour frais d\'un avertissement dans la gazette

de Francfort do la vente des soies .... 4 -gt; — *gt; —

Pour payement fait par de Wulf, Morel, Sor-haits et Cie a Jean Cantien pour salaire sur le vaisseau U Baron de Binder payé a

Bordeaux.............. 701 gt; 18 3 a 56

Pour prime d\'assurance de f 20.000 dc change sur 47 balles et 205 sacs de cauris a bord du navire L\'Union, capitaine Jeremias Jans-sens d\'Ostende a Nantes a 1 1/2 0/o avec

police...............305 » — » —

Pour frais d\'une estafette envoyée a Mr le comte de Proli par Tcysset et C\'o d\'Amsterdam pour donner avis des traites ensemble JVquot; 34000 de Perronteau, Delon et C\'e de

Paris pour leur compte........ 5^ s 8 » — a lot 0 ,

Pour leur obligation de (jp 3705 » 14 » 8 du 5 oct. 1782 en faveur d\'André Reid avec (jj* 193 »8*2 pour d\'une année et 16 jours d\'intérêt, résultant d\'une lettre de grosse sur le vaisseau le Prince Kaunitz, capitaine

Reid, non ac()uittce dans le temps .... 3899» 2 » 10 a 35/6

-ocr page 323-

3i7

s intéressés de l\'ancicnne Société. VOIR

£ 304559 \' 5 \'

Transport

^ 304559 » 5 » \'O

Aniutipeti in dc XVIII* eeuw.

40

-ocr page 324-

— 3iS —

Suite du comptc-courant do Messieurs

DÜIVENX

\'783 . ,

15 nov, Pour frais d\'une caisse de pierreties rc^\'ue Ue Livourne portés cn compte par Liebaert,

Bacs, Derdeyn et Cie......... 12 » 13 » 6 1 » 16 » 3

31 dcc. Pour remboursement fait par P. Rich ct Cie d\'Amsterdam a compte de I\'emprunt fait sur 440/4 caisses de thé appartenant a 1\'an-

cienne compagnie...........

Pour bonification de 14° „ et courtage sur pquot; 61500 de la transaction et convention de payement des primes d\'assurance sur Ie vaisseau le Joseph cl Thertsc a MM. de Wulf,Morel, Sothaits et C\'quot; a Cadix faisant

ps 153 » 6.............. in » 10 » 4 a 87 et 2 0/o 41 » 4 » 6

1784

5 mars Pour la 1/2 de quot;(p 70; » 5 » 7 hypothéquée sur le navire er Eendracht, capltaine Jere-mias Jaussens, chargé avec cauris, pour frais occasionnés par sn relache a Plymouth et de la destine pour Nantes suivant compte annexe a la lettrc de MM. Liebaert, Baes,

Derdeyn et O- du 18 février 1784 , . . . 352 » 12 » 9 j A 3^ ^34 » \'5 * ~

29 avril Pour divers articles (|ue M\'8 Frohn ct Troup comprennent dans I\'armement du vaisseau U Prince de Kaunitz et ciui sont relatifs au désarmement du dit vaisseau montant

suivant état forme a 4286 » 36 » — au pair 857 » 0 s

Pour solde de leur compte-courant rendu a la Compagnie de Trieste et Fiume, arrété le 7 sept. 1781, acquitté par la nouvelle compagnie, faisant ............ 15572» 4»— au Pair S\'H4 08 3

Pour autant payé par la dite compagnie tie Trieste et Fiume du sieur Des Jardins pour

solde de ses honoraires......... 1043 » 43 » — au Pa\'r 20 quot; \'4 \' 10

Pour autant de compte de désarmement du vaisseau le Prince de Kaunitz par la compie

de Trieste et Fiume, montant a..... 505I9gt;,25\'— au Pa\'r 10103 « 17 »

21 oct. Pour frais de réception et d\'expédition d\'une partie de cauris de Liverpool a Nantes suivant état de Liebaert, Baes, Dardeyn et Cie daté et annexe it leur lettre du 22 sept.

1783 montant a 3411 » 5 » 6 et de change . 2923 » 19 gt;— 4°7 8 6 »

15 déc. Pour frais des réclames des thes a bord du navire hollandais de twee Gesusters, capltaine Syebbe Janss. de Hollande, pris dans le cours de sotr voyage de Trieste a Ostende ct Bruges et conduit a Falmouth, montant

suivant lettre du 15 févr. 1782 a ... £ t. 174 » 11 » 4 a 38/10 338 » 19 » —

■785

8 aoirt Pour autant (jue Perronteau, Dclon et C,e debitent cette compagnie pour solde leur revenant de I\'ancienne......... 464 » — » — a 56 36 » 1 » 3

18000 » — » — a 2 0 0 3^^° * — 8

-ocr page 325-

— 3\'9

les intéressés de l\'ancienno Sociótc. AVOIR

Transport ... £ 304559

i 30455\'J

-ocr page 326-

— 320 —

Suite du compte-courant de Mossieun

les i

AVC

DOIVENT

1785

14 oct.

1280 » — » —

284 » 61

25 déc.

53666 » 40 » — au pair

I073j :

1785 6 mal

2334 1 7751 ..

IB » I

14 »

506598 » 202038 »

I »

is7

4954 » 3»

Pour frêt de Londres de 21 collis cordage et une chaloupe par le capitaine Baur donl la C\'e de Trieste et Fiume charge cette compagnie de.............. 141941

Pour frais sur deux envois des thés pour Bruges et Ostende par le capitaine Cabrin et Petrina dont la dite C\'e de Trieste et Fiume charge cette compagnie de ....

Pour le coüt du vaisseau le Baron de Binder 1421 gt;41 » — au pair bonific dans le compte de M. Bolts du 19 sept. 1781 et porté de nouveau a charge de cette coinp\'e par A. F. Salucci et lils de

Livourne..............

Pour double commission payee a divers sur £ 233494 » 4 » 8, payements faits a divers sur leur compte et du remboursement \'-0111-pris courtage et ports des lettres a I \' , .

Pour solde du compte de M. G. Bolt les avances a lui faites suivaut I\'extrait ci-joint.

Pour solde du compte ci-dessus......

Pour rescontre de Particle du 19 sept. 1783 abusivement porté a leur crédit pour la remise de MM. Pitot frères et Cgt;e sur Boutin, trésorier de la marine h Paris de £ 63700» 15 tois comme provenant du vaisseau amp; Falkenslein et qui proviennent du produit de la cargaison du vaisseau Ic Croute suivant le compte des dits srs Pitot frères et Oe, faisant la dite remise avec une année d\'intérêt et au même taux comme au

dit crédit . .............

Payé pour courtage des remises de MM. I).

Deurbroucq et lils pour le montant de 96 futaillcs cauris ci-contre.......

De change £ 206996 » 5 »

Sauf erreurs ét omissions et srtns prejudice etc. Les commissaires préposés a la Compagnie asiatiquc de Trie

-ocr page 327-

— 321

les intéressés de l\'ancienne Société. AVOIR

Pour solile il revient u la nouvelle compagnie ,

Transport . . . 304559» 5 » 10 ....... 202038 » 15 » 4


£ 506598 » 1 » 2

\'785

6 mai. Pour net produit do 96 futailles cauris suivant comptc de MM. D\'iquot;® Deus-broucq et fils de Nantes, y compris l\'intérêt du retard des remises ensemble £ tois 48022 » 6 ■» — faisant aux divers cours de la négociation de leurs

remises............................ 3(187 »13» 3

Pour solde revient a la nouvelle compagnie..............203308 »12» 2

a 200996« 5» 5

-ocr page 328-

BIJLAGE D.

[Zie bladzijde 242.)

Lijst van de veroordeelden voor moord in de XVIir eeuw.

AARD DER STRAF.

OORZAAK.

9 Juni 1701

22 Juni 1705

10 Maart 1707

8 Maart 1708 14 Sept. 1708

2 Dec. 1712 27 April 1714 21 Juni 1715

8 April 171O 31 Jan. 1718

ld.

16 Xov. 1718 25 Nov. 1718 11 Oct, 1718

14 j 8 Aug. 1719

15 ]4 Sept. 1722 1()jl5jan. 1723

( 29 1 » 17 25 Mei 1728

14 Nov. 1732

23 Mei 1733 28 Juni 1733 9 Nov. 1734

24 Sept. 1735

23 Sept. 1737

23 Dec. 1738

9 Juli 1745 28 Maart 1749 26 Maart 1751

10 Aug. 1753

1 April 1759 20 Sept. 1765

20 Mei 1771

2 Oct. 1772

24 Maart 1773

15 Dec. 1774 15 Oct. 1778 20 Sept. 1793

Maria Simons

Max. Hulst Jan Munie

Jan Lints Francis Bogaerts

Catharina Veibeeck Jan I\'eeters Willem Cuypers

Antoon Hendrickx Jan van den Broeck

5 medeplichtigen

Fr. llaeselaer Anthoni Sjarsiacq Jeremias Wallaert

Jan de Vos 2 medeplichtigen Jan van de Peyre Jac. de Bruyn i medeplichtige Adriaen Valckx

Jac. de Wit Jan Thees Jan-Bapt. Pipin Gillis de Backer

Elisabeth Crael

Jan-Bapt. van Oncen N. Janssens Sebast. Lauwrens Peeter Bernard Maria-Elis. van de Putte Jan-Bapt. Sellier van der Goes Jan Poels

Barthol.-Amlr. Bogaerts L.-Fr.-Jos. D\'Or

Petr.-Jos. Claukens Anna-Cath. van den Ryn Norb. Thomas Phil. Mertens

Gegceseld, gebrandmerkt en gebannen Geëxecuteerd.

Onthoofd (executio facta est die se-

quenti gladio).

Levenlang gebannen. Was ontsnapt. Geëxecuteerd.

Id.

ld.

Levenlang gebannen. Was ontsnapt.

Id. Was ontsnapt.

Geradbraakt (executio facta est die

sequenti in foro rota).

4 mannen geëxecuteerd en I vrouw gegeeseld, gebrandmerkt en gebannen.

Geradbraakt.

Gegeeseld, gebrandmerkt en gebannen. Gebannen.

Geradbraakt.

Geëxecuteerd.

Onthoofd met het zwaard. Geradbraakt.

Gegeeseld, gebrandmerkt en gebannen. — Was ontsnapt.

Geradbraaktin beeltenis. Was ontsnapt. Levenlang gebannen. Was ontsnapt, — Was ontsnapt.

Geradbraakt (executio facta est die sequenti in foro rota etictu mallei). Levenlang gebannen.

Id. Was ontsnapt,

ld. Was ontsnapt.

Geradbraakt.

Levenlang gebannen. Was ontsnapt. Geradbraakt in beeltenis. Was ontsnapt. Geradbraakt.

— IVas ontsnapt.

Gegeeseld en gebannen.

Zes maand opsluiting.

Geradbraaktin beeltenis. Was ontsnapt.

Levenlang gebannen.

Gegeeseld en voor 25 jaar gebannen.

Levenlang gebannen.

Gewurgd en geradbraakt.

Haar pasgeboren kind versmacht. Moord.

Id.

Id,(*)

ld. over 4 jaar te Lokeren. Kindermoord. Moord.

Moord op zijne

vrouw. (\') Moord. (*)

Eene vrouw verwurgd .

Vrouwenmoord.

Broedermoord.

Moord op zijne vrouw.

Moord in Axcel, (Salmslagh.)

Moord.

Moord.

Moord op zijne vrouw.

Moord.

id. n ld.

Vrouwenmoord.

Haar pasgeboren kind gedood. (1)

Moord. (*)

ld. (*)

ld.

ld.

ld.

Vrouwenmoord,

Zoonmoorder,

Moord op zijnen knecht.

Doodslag. (2)

Moord op zijne vrouw.

Kindermoord.

Id.

Moord.

Tweevoudige moord.


1

De met een sterreken geteekende veroordeelden troffen wij aan in het Correctieboeck \\ de andere in liet Vierschaerloeck.

(1) Dit feit staat enkel aangeteekend in de Préparatoire hiformatiè\'n.

(2) Deze kleine straf werd bij gratie toegestaan door \'t Hof, mits de veroordeelde de kosten van gevangenzitting cn rechlspleging betaalde.

-ocr page 329-

DRUKFEILEN.

bladz. 37, regel 17, staat : en dient; moet zijn : cn verdient.

: lust men; : schels tuiquot;, ; leest me ft, : schelm stuk.

148, 249.


-ocr page 330-
-ocr page 331-

INHOUDSTAFEL,

I. — Antwerpen in gewone tijden....... 5

Algemeen overzicht. — Bevolking. — Uitzicht van stad,

straten en huizen. — Geldelijke toestand der stadskas.

— Geld bij de burgers. — Meubelen. — Rookmeesters en schouwvagers. — Huiselijke vermaken. — Kinder-schrikken. — Eeuwelingen. — Kleeding. — Kleeding-stoflen en kleinodiën. — Rouw en begrafenis. — Betwiste huwelijken. — Echtscheidingen. — Bezigheden van het magistraat.

IT. — Antwerpen op werk- en feestdag.....

Dagloon van veld- en stadswerklied en. — Bakkers en maalders : instelling volgens de leer van het communisme. — Beenhouwers. — De klokluider. — Het armwezen. — Tooneel en tentoonstellingen. — Reuzen-compagnie.— Jaarschriften.— Luchtballons.— St.-Jobs-begankenis. — Vertooningen in de Guldenpoort en hel Kolven iershof. — Misbruik van sterken drank. — Brandewijnstokers.

III. — Antwerpen op nijverheids- en handelsgebied. . 119

IJdele plannen. — Te paard naar Parijs. — De eerste vuurbaak bij Saftingen. — Eerste scheepvaartlijn op Indiö. — Betwisting tusschen de schippers. — Bouw eener zoutziederij. — Twist over het maken van lakmoes. — Eene fabriek van blauwsel, loodwit, Spaansche zeep en meubelpapier. — Tweede scheepvaartlijn op Tndic : kosten van inrichting, aard der aangebrachte koopwaren, hare hulpsommen. — Marmittenoorlog.

— Ondergang der tweede compagnie ; hare schulden en schuldeischers. — Twee bankroeten ; de Haan en de Proli. — Toestand. — Handel in tabak. — De eerste pijpenmaker.

-ocr page 332-

— 326 —

IV. — Antwerpen op verstandelijk gebied

Toezicht over de scholen. — Inwendige schikking. — Bekwaamheid van oen handelsreiziger. — De gilde der schoolmeesters in hare dagelijkscho bezigheden.

— Eene enkele catechismusles in de Fransche taal.

— Een schoolmeester gegeeseld, gebrandmerkt en gebannen. — Een genootschap voor cijferkunde ontbonden. — Examen. — Letterkunde. — Toestand der Fransche taal. — Flinke verdediging onzer moeder-taid. — Twist over het drukken van een boek. — Twee Jodenscholen, — Werkscholen. — Verdelging van het onderwijs door de Fransche republiek.

V. — Antwerpen in geneeskundige en rechterlijke zaken. 205

Inrichting van den openbaren gencesdienst. — Vervoer naar het gasthuis. — Oordeel over de influenza. — Verbod legen de pokinenting. — Kwakzalverij. — Geneesmiddelen van allen aard. — Het geval van den beenhouwer Gobbaerts. — Klacht legen eenen apotheker.

— Mismeesterd! — Reizende geneesheeren. — Laatste straatremedie vóór de intrede der Franschen. — Gevecht tusschen schippers en beenhouwers. — Verschijning voor de Schepenbank. — Erfenisdiefte gestraft. — Tuch-tiging van jonge lieden. — Valschmunters. — Wapen-behandeling. — Zelfmoordenaars en tweegevechten. —

Moord op de Veemarkt. — Eerste en laatste diefstal der i8e eeuw. — Het schavot.

VI. — Antwerpen in godsdienstzaken ...... 255

Ren Godslasteraar gestraft. — Waarzeggers en toovenaars.

— Jubelfeesten. — Een kerkdiefstal. — Kerkbrand. —

Twist met een kapelaan, eene kloostermoeder, twee kapelmeesters en oenen beeldbreker. — Egyptenaars, Protestanten, Joden en Lutheranen. — Eerste inbreuk op onze aloude gebruiken. — Jozef II aan \'t werk. — Plunderingen door het volk. — Bijzonderheden over Mathias Dieltiens. — Inval der Franschen. — Misdadigers losgelaten.

Bijlagen {handel en gerecht)..........300-322

Drukfeilen.................323

157

-ocr page 333-
-ocr page 334-
-ocr page 335-

••....... - -tm

\'Z l

-

K.:v.t

......»#2 p.

.

5ggt;\' ■ ■

-ocr page 336-

-• ■- ; -

-- \'.....\' ■ • ■

■ • ■-......

... ,

ijjlBiwsfii|i§w

f#\'*)(fe(^i\'f«»\'- •• • -•\'•quot;ëiHfli.^ii#

-ocr page 337-
-ocr page 338-