-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-

De Ineensmelting te Utrecht

1835 - 1887 1894

G. VAN KLAVEREN Pz.

-ocr page 4-
-ocr page 5-

BIBLIOTHEEK NED. HERV. KERK

De Ineensmelting te litrecnt quot;quot;quot;

1835 - 1887 18^

,,Broeder, wij behooren bij elkander en God zal ons tot elkander brengen.quot; Zoo sprak de predikant der Nederduitsch Hervormde gemeente te Amsterdam, Dr. A. Kuyper, in het begin der 70-er jaren tot D. K. Wielinga, predikant der Christelijke Gereformeerde gemeente aldaar. Ongeveer zeven en dertig jaren waren toen sinds den aanvang der Afscheiding voorbijgegaan, — vijftien moesten er nog verloopen. vóór de Doleantie wéér ons gansche land in beroering zou brengen.

Waar toen reeds de geestelijke eenheid zóó diep gevoeld werd, daar sprak het vanzelf, dat in de vergaderingen van het Synodaal Convent van de Nederduitsch Gereformeerde kerken (Doleerende), van 11 tot 14 Januari 1887 te Rotterdam bijeengekomen, het „Verband met geloovigen, die reeds vroeger het juk der Hiërarchie afwierpenquot;, zeer ernstig besproken werd. En niet alleen de Christelijke Gereformeerde Kerk had men op het oog. Oók de kerken, die haar ontstaan en haar naam dankten aan Ds. Ledeboer, en eveneens de „vrije kerkenquot;, de „vrije gemeentenquot; en de „kruiskerkenquot; trok men binnen den gezichtskring.

De pogingen om met de laatstgenoemde kerken tot ineensmelting te komen kunnen wij laten rusten.

Bij de onderhandelingen met de Christelijke Gereformeerde Kerk bleek, dat , een eenigszins verschillende ontwikkelingsgang van meer dan vijftig jaren hindernissen op den wegquot; had gelegd. Het scheen zelfs op een oogenblik alsof die hindernissen niet te „nemenquot; waren (1889). Maar tegen volhardend bidden en werken

•4/5

-ocr page 6-

waren zij toch niet bestand, zoodat zij in September 1891 vrijwel overwonnen waren!

Dinsdag 7 Juni 1892 werden te Amsterdam zoowel de Synode der Christelijke Gereformeerde Kerk als die der Nederduitsche Gereformeerde kerken geopend. Met opzet waren tijd en plaats alzoo vastgesteld. Hoofddoel was het komen tot vereeniging. Den 16en Juni waren beider vergaderingen, die voortdurend met elkander in contact waren, gereed met haar arbeid. In beider vergaderingen werden de gelijkluidende Concept-besluiten en daarbij aansluitende bepalingen voorgelezen en met al-gemeene stemmen aangenomen, inhoudende o.a. de machtiging om de moderamen der wederzijdsche Synoden ineen te smelten en de afgevaardigden wederzijds ,,in vereenigde zitting saam te vloeien als Generale Synode van de Gereformeerde kerken in Nederlandquot; op Vrijdag 17 Juni 1892,

Op dien dag, des namiddags te één uur ving de „eerste en eenigste sessiequot; aan van de eerste Generale Synode der Gereformeerde Kerken in Nederland, waarin de eenheid der beide kerkengroepen werd bezegeld.

Maar: „Eerst dan zal de Vereeniging ten volle beslag hebben erlangd, zoo ook de ineensmelting der plaatselijke Kerken tot stand is gekomenquot;. Zoo werd gezegd in één der bepalingen, behoorende bij het nu aangenomen concept-besluit. En met verheuging mag geconstateerd worden, dat Utrecht onder de grootere plaatsen een der eerste was, waar het tot plaatselijke ineensmelting kwam. Het verloop van het gebeurde dienaangaande wil ik in de volgende regelen schetsen, na er nog even op gewezen te hebben, dat het dit jaar juist 40 jaren geleden zal zijn, dat het door velen met biddend verlangen verbeide feit plaats vond.

Het Agendum van het Synodaal Convent bevatte onder de artt. 18—21 het reeds genoemde punt: „Verband met geloovigenquot; enz.; waarvan art. 19 een afzonderlijke bespreking eischte ten aanzien van de Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland. Het Convent vereenigde zich met het ook over art. 19 uitgebrachte

-ocr page 7-

3

praeadvies, waarin de meening werd uitgesproken, „dat overijling hier schaden zou, maar dat het goed was zoo elke kerkeraad onzerzijds zich tot den kerkeraad van dezelfde kerk hunnerzijds richtte, om betuiging van

broederlijke eenheid te doen.......en hun de verzekering

te bieden van onze hartelijke bereidwilligheid, om ......

op paden van eenheid te gaan wandelenquot;. Aan den praeadviseur. Dr. A. Kuyper, werd opgedragen een schrijven te ontwerpen, waarvan de kerken zich zouden kunnen bedienen.

Het is dit schrijven, dat in de vergadering van den kerkeraad der Nederduitsch Gereformeerde kerk te Utrecht van 7 Sept. 1887 ter tafel kwam, en dat . gelijk het daar ligtquot; aan de Christelijke Gereformeerde kerk verzonden werd. Op 19 October werd het antwoord daarop ontvangen „met blijdschap over de ook daarin uitgesproken gevoelens van broederlijke liefde en begeerte naar vereenigingquot;. Daarbij bleef het voorloopig, want op een in de vergadering van 16 Nov. gedane vraag of dit laatste schrijven nog beantwoord moest worden, luidde het antwoord, „dat daartoe in dat schrijven geene aanleiding bestaat en men acht, dat het door genoemden (Chr Ger.) kerkeraad niet wordt verwachtquot;.

Toch werd beiderzijds rekening gehouden met de mogelijkheid van éénwording.

In de kerkeraadsvergadering der Chr. Ger. kerk kwamen op 7 Oct. 1887 plannen ter sprake tot het doen van verbouwingen aan het kerkgebouw (aan de Breed-straat); de kerkmeester was er tegen: „met het oog op de eventueele vereeniging met de Dolerendenquot;. — Van de ingebruikneming der Oosterkerk op 29 Dec. 1887 werd aan de Chr. Ger. kerk kennisgegeven.

Nadat de onderhandelingen over de vereeniging tus-schen de Chr. Ger. Synode te Kampen en die der Ned. Ger. te Utrecht in Januari 1889 vastgeloopen waren, gaf men hier toch den moed niet op. In de Ned. Ger. kerkeraad kwam reeds 6 Febr. d.a.v. de vraag, of, „in afwachting van den verderen loop der onderhandelingenquot; tusschen de deputaten van beide Synoden, „hier ter stede ook iets gedaan kan worden ter bevordering der toenaderingquot;. Men oordeelde, „dat daartoe gezegend

-ocr page 8-

zou kunnen werken het optreden van de Dienaren des Woords in elkanders beurten, van tijd tot tijd, en de opneming van de predikbeurten der Chr. Geref. in onze Kerkbodequot;.

Inzake het laatste liet de Chr. Ger. kerkeraad zijn praeses vrij; maar er kwam voorshands niets van.

Ds. van Minnen deed in zijn kerkeraad op 18 Maart 1889 mededeeling van een bezoek van de predikanten Hoekstra en Ringnalda, met de vraag ,,om wederkeerig spreekbeurten te vervullenquot;. Eerst in de vergadering van 7 Juni d.a.v. kan men lezen, dat de leden ,,de toestand dier (Doleerende) Gemeente en verhouding tegenover onze gemeente nog niet gunstig genoeg beschouwen om in hun voorstel vooralsnog niet te tredenquot;. Het concept-antwoord aan de N. Ger. kerk, dat niet is verzonden, maar mondeling is medegedeeld, geeft een iets omstandiger antwoord. ,,Er zijn,quot; zoo heet het daarin, „echter omstandigheden, waarmede wij rekenen moeten, o.a. de stemming van het volk. En nu zien wij tot onze smart, dat onder velen der leden onzerzijds en uwerzijds die stemming een zoodanige is, dat op dit oogenblik de verhouding, vreezen wij, door toepassing van de maatregel van beurtwisseling, er niet beter op zoude wordenquot;. Persoonlijk echter zouden alle kerkeraadsleden elke poging tot verbroedering toejuichen. Dat zij geen onjuist inzicht hadden, bleek (helaas!) uit een door R. H(usen) geschreven artikel „Waarom Doleantie en niet Separatie?quot;, dat opgenomen werd in de Kerkbode van 12 Juli 1890, dat ook in de N. Ger. kerkeraadsvergadering van 16 juli afkeuring vond.

Zelfs nog op 9 Oct. 1893 werd in de vergadering van Kerkeraad A door een der brs. gesproken over , de ergernis, die de Utrechtsche Kerkbode hem week in week uit gaf, door de wijze, waarop over de handelingen der laatstgehouden Algemeene Synode (gehouden in Aug, van dat jaar te Dordrecht) geschreven wordtquot;; het bleek, dat „het meerendeel der brs. het met br. M. eens waren, en het niet gewenscht was met het oog op de ineensmelting op dezen weg werd voortgegaanquot;, waarom besloten werd daarover schriftelijk bij den kerkeraad B te klagen.

-ocr page 9-

5

Intusschen bleef men elkander zoeken. Gelegenheden als het 25-jarig ambts-jubileum van Ds. M. van Minnen (5 Nov. 1890), de ingebruikneming der Westerkerk (26 Febr. 1891) en de intrede van Ds. P. }. W. Klaar-hamer (1^ Aug. 1891) waren gebeurtenissen, die men daartoe gaarne aangreep. Hierbij kan tevens opgemerkt worden dat de Chr. Ger. kerkeraad op 19 Oct. 1891 roet algemeene stemmen de voorgestelde terzijdestelling van het Reglement van 1869 en de terugkeer tot de Dordt-sche Kerkenorde goedkeurde. Kort daarna, 7 Dec., verklaarde hij zich, op hernieuwd verzoek, bereid „om de Godsdienstoefeningen voortaan te vermelden op ,,de Kerkbodequot;; aan het verzoek om dat niet meer te doen in het Predikbeurtenblad (der Nederd. Herv. gemeente), was hij echter, om te billijken reden, niet bereid te voldoen. Van het nummer van 2 Januari 1892 af komt dan ook de „Christ. Geref. Gemeentequot; onder de „Predikbeurtenquot; in de Kerkbode voor.

De dageraad der ineensmelting van de beide kerk-groepen in de Synoden van 1892 wierp al reeds zijn licht ook in de notulenboeken der plaatselijke kerken. En als op 17 Juni van dat jaar de zon is opgegaan, is ook heel spoedig in die boeken het krachtige licht merkbaar. Maar...... dat licht gaf óók schaduwen.

De naamsverandering in „Gereformeerde kerk te Utrechtquot; met toevoeging van de letter A ol B staat in beider notulen gelijkluidend geboekt.

Van Kerkeraad B ging 26 Juni 1892 het verzoek aan A uit tot het houden eener gecombineerde kerkeraads-vergadering, aan welk verzoek gevolg gegeven werd met vaststelling van den datum op 5 Juli. Deze vergadering werd gevolgd door nog drie andere, op 25 Juli, 21 Sept. en 5 Oct. De breedvoerige besprekingen hadden ten doel om de „correspondentiequot; tusschen beide kerken te regelen, loopende over de volgende punten:

1. Erkenning van elkanders tucht.

2. Overneming van elkanders leden.

r 3. Deputeeren van leden naar wederzijdsche kerke

raden in aangelegenheden van gemeenschappe-lijken aard.

-ocr page 10-

6

4. Het houden van gemeenschappelijke godsdienstoefeningen.

5. Het optreden van tijd tot tijd van de dienaren des Woords in elkanders beurten.

6. Elkander bij te staan en te steunen tegenover derden.

Over de eerste vier punten en het laatste punt kwam men in de tweede vergadering tot overeenstemming. In de laatste vergadering werd eindelijk ook over het vijfde punt overeenstemming verkregen, nadat het in de weder-zijdsche vergaderingen meerdere malen een punt van langdurige besprekingen had gevormd.

In de laatste vergadering (5 Oct.) werd tevens met algemeene stemmen besloten ,,de noodige maatregelen ter hand te nemen om tot ineensmelting te komen, in den zin, door deputaten Synodi ad hoe gegevenquot;. Beiderzijds zou men een commissie benoemen, die de „maatregelen en bedingenquot; zou overwegen en daarvan, elk in haar kerkeraad rapport uit zou brengen. Daarna zouden de resultaten besproken worden in een gecombineerde commissie uit de beide kerkeraden, welke laatsten dan de eindbeslissing konden nemen.

Het bleek echter, dat de zaak niet zoo vlot zou ver-loopen, als men zich had voorgesteld. De verhouding tot het Ned. Herv. Kerkgenootschap, de Kerkelijke Kas, de finantieele toestand van kerk B vormden moeilijkheden. Het resultaat van velerlei besprekingen was, dat kerkeraad A op 11 April 1893 een schrijven aan B verzond, dat de resultaten van zijne besprekingen bevatte,

In dat schrijven werden zijn bezwaren uiteengezet tegen het behouden voor ,,elk der beide kerkgroepenquot; van „zijne eigenaardige opvatting inzake de wijze waarop onze aloude Geref. kerken tot reformatie moeten gebracht wordenquot;. Ook de „rechtsbeschouwingquot; van de „verhouding der plaatselijke ineengesmolten kerken tegenover den Staatquot;, waarmede in verband stond de behartiging van de stoffelijke belangen der gemeente, stond nog allerminst vast. Hierbij vreesde de kerkeraad ook, „dat het malcontente deel der gemeente, dat nu nog aarzelt, spoedig zich voegen zal bij hen, die zich

-ocr page 11-

7

reeds naar aanleiding der te Amsterdam getroffen ver-eeniging van ons afscheidden.quot; — Ten slotte sprak de kerkeraad ,,daarom zijn overtuiging uit, dat, zonder de zaak als afgesneden te beschouwen, het wenschelijk is vooralsnog op voet van correspondentie te verkeeren, in de stille verwachting, dat de Heere der Kerken op Zijnen tijd alle moeilijkheden zal uit den weg ruimenquot;. Hij had tevens de verwachting dat de besprekingen der aan-lt staande Synode aangaande de praktijk der ineensmel

ting meerder licht geven zouden.

De stand der zaak scheen niet moedgevend. En toch zou een jaar later overeenstemming verkregen zijn!

Door de gecommitteerden van kerkeraad B werd in zijne vergadering van 11 Oct. 1893 voorgesteld en aangenomen om aan kerkeraad A te verzoeken om bericht „wanneer hij de onderhandeling wenscht te hervattenquot;. En 3 Oct. noodigde kerkeraad A zijne commissie inzake de ineensmeking uit ,,in dezen diligent te zijnquot;. Den len Dec. d.a.v. keurde kerkeraad A het door zijne commissie (op 20 Nov. reeds) ingediende rapport goed en gaf hij 11 Dec. der commissie opdracht het „concept ter ineensmeltingquot; met de commissie uit B in behandeling te nemen.

Begin Februari was de gecombineerde commissie met haar arbeid gereed. Kerkeraad A ving de behandeling van het „Concept besluit met stipulatiën voor de ineensmelting der beide Gereformeerde kerkformatiën van Utrechtquot; aan op 5 Februari 1894; kerkeraad B op 7 Februari. Op verzoeken over en weder werden enkele kleine wijzigingen aangebracht, en om de finantieele gevolgen te overzien hadden nog eenige vergaderingen van een speciaal daartoe benoemde gecombineerde commissie plaats, en zoo kon op Zondagmorgen 6 Mei 1894 in de kerken aan de gemeenteleden medegedeeld worden:

„Met blijdschap en innigen dank aan den Heere mag de kerkeraad ter kennis van de gemeente brengen, dat de arbeid tot ineensmelting van beide deelen der Gere-' formeerde kerk van Utrecht met zoo gunstigen uitslag

bekroond werd, dat de beide kerkeraden, na over de noodige stipulatiën tot overeenstemming te zijn geko-, men, tot de algeheele ineensmelting konden besluiten en

-ocr page 12-

8

léq86do rif f

/

dat nog slechts de Gemeente gehoord en de goedkeuri: der Classis behoeft verkregen te worden, om de ineensmelting een feit te doen zijn.quot;

Op 16 Mei werden „besluit en stipulatiënquot; in de ledenvergaderingen van beide deelen der gemeente aanvaard, waarvan zij elkander wederkeerig in kennis stelden.

Na overleg vroegen beide kerkeraden saamroeping eener „buitengewone Classequot; aan op 4 Juli, ter verkrijging van hare goedkeuring van het besluit en de nadere bepalingen tot de ineensmelting, welke de Classe met algemeene stemmen verleende.

Zondagavond 8 Juli 1894 werd een gemeenschappelijke bid- en dankstond gehouden in de Oosterkerk, waar achtereenvolgens Ds. M. van Minnen, Ds. P. J. W. Klaarhamer en Ds. K. Fernhout woorden van verheuging, dankbaarheid en vermaan tot de gemeente richtten, opwekten tot gebed om liefde en vrede, en daarbij ook te gedenken aan hen, die zich bij een andere kerkformatie aansloten.

G. VAN KLAVEREN Pz.

-ocr page 13-
-ocr page 14-
-ocr page 15-
-ocr page 16-