-ocr page 1-

i I ê

I IV'.li

I ill, ■ 8;fS'

Desclée. De Brouwer en'Cj-

■■■■ ■!■ ■■■■■■■■ ■lMBlHfiM»«»»»^-gt;rOTr

-ocr page 2-
-ocr page 3-

LEVEN VAN DEN

H. ANTONIUS VAN PADUA.

m

_HS

\

-ocr page 4-
-ocr page 5-

LEVEN VAN DEN

g

H. ANTONIUS VAN PADUA.

-ocr page 6-
-ocr page 7-

25 '/fZ

-ocr page 8-

IMPRIMATUR.

Brugis, 25 Aprilis 1898.

P. H, Lahousse, Can. Libr. Cens.

ALLE RECHTEN VOORBEHOUDEN.

-ocr page 9-

J/J/'EINIGE werken bestaan er zn 't Neder-landsch over den H. Anton nis van Padua. En nochtans wie heeft er den H. A ntonius met aanroepen, bijzonderlijk wanneer hij het een of ander voorwerp verloren had ? en zvie heeft er alsdan de wonderbare macht van dien Heilige niet ondervonden ? Het is zeker maar al te redelijk dat men het leven kenne van eenen groeten weldoener.

Men aanroept bijzonderlijk den H. Antonius voor het terugvinden van verlorene voorwerpen, en het welgelukken in moeilijke zaken; maar waarom is het dat men dezen Heilige bijzonderlijk daarvoor aanroept ?

Over omtrent zes jaren is er een wonder werk ontstaan: Het brood der armen van den H. Antonius. Van den anderen kant heeft onlangs onze heilige Vader LeoXIII, in zijne roemrijke Encycliek « Over den toestand der werklieden » gezegd: « dat men eenen goeden uitslag moet venvachten bijzonderlijk uit eene overvloedige uitstorting der liefde », En hij voegt daarbij: « Wij spreken van de christene liefde die geheel het Evangelie bevat en die, altijd bereid om den evennaaste te ondersteunen, een zeer zeker geneesmiddel is tegen de hoovaardij onzer eeuw en de overdrevene liefde van zichzelven ». Nu, aan het schoon liefdewerk

-ocr page 10-

8

van Sint-A ntoniusbrood mag men bijzonderlijk de woorden toepassen van den H. Geest: « Rijken en armen zijn malkander daar tegengekomen : 7 is de Heer die de Schepper is van de eene en de andere ». Maar kent men wel genoegzaam den oorsprong en den uitslag van dit werk, de manier van hetzelve in te richten ?

Al die verschillige redenen hebben ons aangemoedigd om dit boek op te stellen, en wij twijfelen er niet aan of het zal welkom zijn.

V?rder, overeenkomstig met het Decreet van Paus Urbanus VIII, verklaren wij geene heiligen of wonderen hier vermeld als ware heiligen of oprechte mirakelen te erkennen, dan in den zin en volgens de beslissing der H. Kerk, aan wier gezag wij ons in alles en ten volle onderwerpen.

-ocr page 11-

LEVEN VAN DEN

H. ANTONIUS VAN PADUA.

EERSTE HOOFDSTUK. Afkomst, geboorte en eerste jaren.

E groote Heilige, wiens leven wij hier met Gods genade gaan beschrijven, droeg eerst den naam niet van Anto-nius van Padua ; zijn doopnaam is Antonius niet, en hij werd niet geboren te Padua. Hij kwam ter wereld te Lissabon, de tegenwoordige hoofdstad vanPortugaal, die gelegen is op den oever van den Atlantischen Oceaan. Geboren den i5en Augustus 1195,kreeg hij in het H. Doopsel den naam van Fernandez of Fer-dinandns. Zijn vader heette Martinus Bnllonez, of, op zijn fransch, Martinus de Bouillon ; men meent dat hij toebehoort aan den stam van Godfried van Bouillon, den heldhaftigen aanvoerder der eerste Kruisvaarders en eersten christen koning van Jerusalem, zoodat onze heilige van belgisch bloed zou zijn ('). Zijne moeder was Maria-Theresia Tavera, afkomstig van de oude koningen van Asturiën,

Het paleis waar de kleine geboren werd,

1. Zeer waarschijnlijk was de grootvader van Antonius een neef van Godfried van Bouillon.

-ocr page 12-

IO LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

diende later tot vergaderplaats van den stadsraad en werd eindelijk, op de kosten van Joannes II, koning van Portugaal, in eene schoone kerk veranderd en aan den H. Antonius toegewijd.

- LISSABON. — De kathedraal. -

Zijne wieg werd ook godvruchtig bewaard, en in voornoemde kerk is de plaats waar hij ter wereld kwam met zorg aangeduid. In de kathedraal van Lissabon wordt nog de doopvont

-ocr page 13-

EERSTE HOOFDSTUK.

waarover hij het H. Doopsel ontving in groote eer gehouden, en menige pelgrims komen ze eerbiedig met hun voorhoofd kussen, als om deel te hebben aan de menigvuldige genaden die de zoon van Martinus Bullonez van daar wegdroeg.

In de zelfde kerk, bemerkt de pelgrim met aandoening onder eene glazen relikwieschrijn een kruisken in de harde steenen trappen van het koor geprent, 't Is hier dat God voorde eerste maal de natuur deed onderdanig zijn onder de kleine hand van den Heilige wiens leven eene gedurige aaneenschakeling van wonderen zijn moest. Eens dat de jonge Ferdinand daar geknield zat, met gevouwen handjes, vóór het mirakuleus beeld van Onze Lieve Vrouw, verscheen hem de booze geest onder eene afschuwelijke gedaante,hem bedreigende en schijnende hem te willen uit de kerk jagen. Maar de zuivere doopeling had niet vergeten wat zijne chris-tene ouders hem reeds g-eleerd hadden over de kracht van het heilig Kruis ; met zijnen vinger drukte hij een kruisken op den marmeren trap waarop hij geknield zat, en, ó wonder ! het marmer werd zacht als was, het kruisken werd erin geprent, en het is erin gebleven niettegenstaande de duizende geloovigen die eeuwen lang de eerste getuigenis van de macht des jongen Heiligen over de natuur met liefde en eerbied zijn komen kussen.

Dit eerste mirakel bewijst hoe de godvruch-

-ocr page 14-

I 2 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

tige moeder, van op hare knieën, eene vurige godsvrucht wilde uitstorten in het hart van den toekomenden Apostel der H. Maagd. Het paleis van Ferdinand's ouders stond tegenover de kathedraal, aan Maria toegewijd ; wanneer hij nu soms, gelijk kleine kinderen gewoon zijn, bij het minste leed bitterlijk begon te schreien, was het genoeg hem door een venster de kerk te toonen om niet alleen hem te bedaren, maar hem te doen in zijne handjes kletsen van blijdschap. Zoodra hij kon loopen, vond men hem dikwijls vóór het altaar neêrgeknield ; gewichtige schrijvers beweren, dat hij, pas vijf jaar oud, vóór het beeld van Maria, aan God belofte deed van eeuwige zuiverheid. De kinders zijn gewoonlijk tevreden wanneer men hun eenig geldstuk geeft om de eene of andere kleinigheid te koopen ; hij, integendeel, was ten uiterste verheugd iets van zijne ouders te krijgen om het aan arme kinders uit te deelen, zoodat men hem de woorden van den heiligen Job mag toepassen : lt;x het medelijden is met mij geboren en met mijne jaren opgegroeid».

De voorouders van Ferdinand, zoowel van moeders als van vaders zijde, waren beroemd om hunne dapperheid ; ongetwijfeld zag de edele ridder Martinus reeds in de toekomst zijnen lieveling als moedig krijgsman optreden, ter verdediging des rijks, en zijne schitterende begaafdheden met zijn leven ten dienste stellen van den koning. Hij had zich niet bedrogen; enkel zou-

-ocr page 15-

eerste hoofdstuk.

13

den die koning en dat rijk geen aardsche koning noch geen wereldsch rijk zijn, maar de Koning der koningen, Jezus-Christus, en het rijk van God, de heilige Kerk.

-ocr page 16-

I

Leer-en proefjaren van Ferdinand.

|AAR staat geschreven in het Boek der Koningen, dat de jonge Samuël in den dienst stond des Heeren, bekleed met den lijnwaden ephod, en dat zijne moeder hem een klein kleed maakte dat zij op de voorgeschrevene dagen medebracht, wanneer zij met haren echtgenoot haar offer kwam bieden in den tempel van Jeruzalem.

Als een andere Samuël werd de jonge Ferdinand Bullonez, zoodra hij de jaren van verstand bereikt had, toevertrouwd aan de kanunniken der hoofdkerk.

In de middeleeuwen stond bij iedere kathedraal eeneschool waarde geleerde kanunniken aan jonge kinderen niet alleenlijk een godsdienstig en wereldlijk onderwijs gaven, maar ze ook leerden zingen, om door hunne stemmen de kerkelijke diensten en plechtigheden luister bij te zetten.

't Was daar dat Ferdinand zich welhaast tus-schen andere koorknapen onderscheidde door zijne gespraakzaamheid en zoetaardigheid, dcor zijne engelachtige zedigheid en zijn statig voorkomen. Hij wist zijnen tijd tusschen het leeren en het bidden zoowel te verdeelen, dat zijne

I

i

-ocr page 17-

LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA. 15

godsvrucht geen het minste beletsel was tot zijne snelle vorderingen in de wetenschappen. Hij maakte de bewondering uit zijner meesters, het voorbeeld zijner gezellen, de vreugde zijner edele ouders.

Hij v/as nu vijftien jaar oud en had zijne studiën bij de kanunniken der kathedraal voltrokken. Met zijne tiinke middelmatige gestalte, zijn bruin gelaat en zijne zachte wezenstrekken, zijne schitterende en grondige kennissen, zijne hooge afkomst en uitgestrekt fortuin, stond hij daar, in de wulpsche stad Lissabon, blootgesteld aan al de gevaren der wereld. Maar zijn hart vond alleen genoegen in de goederen des hemels; hij kende de vergankelijkheid en nietigheid der wereld. Na vurige gebeden en herhaalde communiën, zegde hij vaarwel aan de wereld en bood zich aan bij de reguliere kanunniken van den H. Augustinus wier klooster buiten de muren van Lissabon gelegen was.

De Overste ontving hem met opene armen; de faam van den godvruchtigen en geleerden jongeling was hem vóórgegaan. Verre van te verschrikken bij het zien van de strenge en inge-togene levenswijze der kloosterlingen, vond Ferdinand het meeste genoegen in het nauwkeurig onderhouden der geringste plichten en der strengste regeltucht; hij meende het doel zijner vurigste wenschen bereikt te hebben, en, op zijn ootmoedig en herhaald verzoek, verkreeg hij de gunst van zijne edelmanskleederen tegen

-ocr page 18-

16 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

de nederige monnikspij der Augustijnen te verwisselen.

Zijne volkomene gehoorzaamheid en strenge stilzwijgendheid, zijne groote bereidwilligheid om zijne broeders te helpen en zijne diepe godsvrucht in de kerk, maakten dat hij, alhoewel proefkloosterling, tot voorbeeld strekte aan zijne medebroeders.

Nochtans ging er hem iets tegen. Hij had in Lissabon menige bloedverwanten en kennissen gelaten, en deze kwamen hem, te dikwijls volgens zijne begeerte, bezoeken en in zijne afzondering verstrooien; misschien ook was zijne ootmoedigheid gekrenkt door de menigvuldige blijken van vertrouwen die men hem gaf om zijne steeds verhoorde gebeden. Hij zocht dus een middel om zich van de zijnen verder te verwijderen en met meerdere vrijheid en gerustheid God te kunnen dienen.

Eindelijk ging hij ootmoedig tot zijnen Overste en smeekte hem te mogen vertrekken naar een klooster der zelfde Orde, het klooster van het H. Kruis te Coïmbra, te dien tijde hoofdstad van Portugaal. De overste. Don Gonzalès Mendez, hield er grootelijks aan om Ferdinand bij zich te houden, doch hij dierf den gevraagden oorlof niet weigeren.

Ferdinand vertrok dan verre van zijne geboortestad, zonder vrienden of bloedverwanten van zijne afreis te verwittigen; en terwijl zij hem nog te Lissabon waanden, was hij reeds te

-ocr page 19-

TWEEDE HOOFDSTUK.

Coimbra door zijne nieuwe Broeders metopene armen ontvangen. Hier genoot zijne ziel de zoo lang gewenschte eenzaamheid en rust, welke hij niet aan de gemakken des levens, maar aan de beoefening der kloosterlijke deugden, aan het gebed en de studie toewijdde. Niemand onderhield zijnen regel met meer volmaaktheid, niemand was ootmoediger, behulpzamer en ieveriger dan hij. Nooit sprak hij van zichzelven, noch van zijne edele en rijke afkomst, maar beschouwde zich als den minsten van al de kloosterlinafen. Hij verdeelde zoo wel zijnen tijd dat hij geen oogenblik nutteloos liet voorbijgaan.

't Is in 't klooster van Coimbra dat God op eene bijzondere wijze den wonderdoener begint kenbaar te maken. Wij vergenoegen ons twee trekken aan te halen.

De Overste van Coimbra had aan onzen jongen Heilige de zorg der zieken binnen het klooster toevertrouwd. Er verbleef alsdan een kloosterling op het ziekenhuis. Don Ferdinand bad vurig voor den zieken Pater en, door zijne groote liefde gedreven, hing hij zijnen mantel over de schouders van den kranke, die op den zelfden stond zijne volle gezondheid terugbekwam.

Terwijl Ferdinand op Kerstnacht, bij het ziekbed van eenen medebroeder waakte, luidde de klok voor de consecratie der kerstmis; hij knielde neder in de richting der kerk, het geluk benijdende zijner broeders die het aanbiddelijk mysterie bijwoonden; maar, ó wonder! almeteens openden

De H. Antoniu* van Padua. 2

17

-ocr page 20-

I 8 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

zich de muren der kerk, en zijne oogen mochten de H. Hostie aanschouwen die op dat oogenblik omhoog geheven werd; dan sloten zich wederom de muren, en alles verdween voor zijne oogen. « Thans na 500 jaar, zegt Fremaut, ziet men nog in den muur de teekens dier wonderbare scheiding. »

Daar Ferdinand geroepen was om eens als priester Gods op te treden en aan de zaligheid der menschen te arbeiden, legde hij zich met den meesten ijver toe op de studie van het H. Schrift en de HH. Vaders; aldus wapende hij zich van het hoofd tot de voeten tegen de Albi-geezen en Manicheërs die hij later zou moeten bevechten. Hij ging zooveel te geleerder worden dat hij met een wonderbaar geheugen begaafd was; hij onthield alles wat hij las.

't Is het gebruik in de kloosters en hoogere scholen, nevens den naam van iederen leerling zijne bijzondere begaafdheden aan te teekenen; nu, in de archieven van 't klooster van Coïmbra, nevens den naam van Don Ferdinand Bullonez staat er ; Vir utique famosus, doctus ei pius, magna litteratura ornatus et gloria meritorum stipatus. «Hij was zeker een beroemd, geleerd en godvruchtig man, zeer ervaren in de letterkunde en vol verdiensten. »

-ocr page 21-

I DERDE HOOFDSTUK. | 1 Ferdinand wordt Minder- P

I broeder. K

kwwwwwww^www^^wwww4

OEN de seraphiensche Vader Fran-ciscus, in 'tjaar 1216, den zaligen Zacharias, Walter en andere zijner ordebroeders naar Portugfaal ge-

O O

zonden had, schonken koning Alfons II en zijne godvruchtige echtgenoote, Uracca van Castiiië, hun eene kapel, den H. Antonius, Abt, toegewijd en een half uur buiten Coïmbra tusschen olijf-boomen gelegen. Daarnevens deden zij een klein klooster bouwen dat tot woning zou strekken voor de monikken en dat genoemd werd het klooster van San-Antonio-di-Olivari of Sint-Antonius-onder-de-0lijfboomen, omdat het toegewijd was aan den H. Antonius, vader der kluizenaars. Daar verbleven zes Minderbroeders, die zich niet alleenlijk met het gebed en de overweging, maar ook met prediken en biecht-hooren bezighielden, terwijl zij tevens de gastvrijheid verleenden aan pelgrims en zieken.

Daar die arme kloosterlingen, ter liefde Gods en om het H. Evangelie volmaakt na te leven, alles verlaten hadden en niets meer bezaten, waren zij verplicht, in hunne armoede en volgens den geest van hunnen regel, aalmoezen te gaan vragen, om in de dagelijksche noodwendigheden van hunne gemeente te voorzien.

-ocr page 22-

I 8 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

zich de muren der kerk, en zijne oogen mochten de H. Hostie aanschouwen die op dat oogenblik omhoog geheven werd; dan sloten zich wederom de muren, en alles verdween voor zijne oogen. « Thans na 500 jaar, zegt Fremaut, ziet men nog in den muur de teekens dier wonderbare scheiding. ))

Daar Ferdinand geroepen was om eens als priester Gods op te treden en aan de zaligheid der menschen te arbeiden, legde hij zich met den meesten ijver toe op de studie van het H. Schrift en de HH. Vaders; aldus wapende hij zich van het hoofd tot de voeten tegen de Albi-geezen en Manicheërs die hij later zou moeten bevechten. Hij ging zooveel te geleerder worden dat hij met een wonderbaar geheugen begaafd was; hij onthield alles wat hij las.

't Is het gebruik in de kloosters en hoogere scholen, nevens den naam van iederen leerling zijne bijzondere begaafdheden aan te teekenen; nu, in de archieven van 't klooster van Coïmbra, nevens den naam van Don Ferdinand Bullonez staat er : Vir utique famosus, doctus ei pius, magna litteratura ornatus et gloria meritorum stipatus. «Hij was zeker een beroemd, geleerd en godvruchtig man, zeer ervaren in de letterkunde en vol verdiensten. »

-ocr page 23-

I DERDE HOOFDSTUK. || I Ferdinand, wordt Minder- P

I broeder. %

^wwwwwwwwwww^s'wm^wwi

OEN de seraphiensche Vader Fran-ciscus, in 'tjaar 1216, den zaligen Zacharias, Walter en andere zijner ordebroeders naar Portugraal ge-

O O

zonden had, schonken koning Alfons II en zijne godvruchtige echtgenoote, Uracca van Castiiie, hun eene kapel, den H. Antonius, Abt, toegewijd en een half uur buiten Coïmbra tusschen olijf-boomen gelegen. Daarnevens deden zij een klein klooster bouwen dat tot woning zou strekken voor de monikken en dat genoemd werd het klooster van San-Antonio-di-Olivari of Sint-Antonius-onder-de-Olijfboomen, omdat het toegewijd was aan den H. Antonius, vader der kluizenaars. Daar verbleven zes Minderbroeders, die zich niet alleenlijk met het gebed en de overweging, maar ook met prediken en biecht-hooren bezighielden, terwijl zij tevens de gastvrijheid verleenden aan pelgrims en zieken.

Daar die arme kloosterlingen, ter liefde Gods en om het H. Evangelie volmaakt na te leven, alles verlaten hadden en niets meer bezaten, waren zij verplicht, in hunne armoede en volgens den geest van hunnen regel, aalmoezen te gaan vragen, om in de dagelijksche noodwendigheden van hunne gemeente te voorzien.

-ocr page 24-

SO LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

Te Coïmbra gekomen, gingen zij van tijd tot tijd naar het rijk klooster der kanunniken van het H. Kruis waar Antonius verbleef. Deze was te dien tijde juist gelast zorg te dragen voor de vreemdelingen, en had dus menigmaal gelegenheid die arme kloosterlingen te zien en te spreken. Hij bewonderde hunne nederige en arme kleeding, die grove pij, die koord, die bloote voeten; alles maakte zoo diepen indruk op zijn hart dat hij door eene onweerstaanbare neiging tot hunne levenswijze getrokken werd; dag en nacht zweefde die gedachte vóór zijne oogen.

Eene buitengewone g-ebeurtenis kwam den

O O

heilige meer en meer in zijne genegenheid tot de seraphiensche Orde versterken.

De H. Franciscus, van God verlicht, had, ten jare 12iq, na het beroemd algemeen kapittel, gezegd der Matten, waar duizende kloosterlingen zijner Orde vergaderd waren, besloten zijne geestelijke kinderen alom te verspreiden ten einde het rijk van Jezus-Ciiristus door gansch de wereld te prediken. Alzoo zond hij vijf apostolische mannen naar Marocco, in Afrika. Zij reisden langs Spanje en Portugaal. Te Coïmbra gekomen, werden zij door de godvruchtige en deugdzame koningin Uracca met veel eer en lof ontvangen en door hare tusschenkomst bij de kanunniken van den H. Augustinus gastvrij opgenomen. Van hier vertrokken zij naar Seville, in het Moorenland. Daar reeds begonnen zij

-ocr page 25-

DERDE HOOFDSTUK.

het Evangelie te prediken aan de ongeloovigen die destijds in dat deel van Spanje heerschten, en onbevreesd stelden zij zich bloot aan gevangenschap en marteldood. De koning derMooren, die geweigerd had zich te bekeeren, deed hen op een schip werpen en naar Afrika overvoeren. Dit was juist hun verlangen, zoodat God de woede van den dwingeland deed dienen om de onderneming zijner Apostelen op hunne reis naar Maroccote begunstigen. Nauwelijks waren zij op het tooneel, hun door de gehoorzaamheid aangewezen, of zij begonnen aan hunnen brandenden zielenijver vrijen loop te geven. Onvermoeid predikten zij op de openbare plaatsen, ofquot; waar zij ook de Mooren vonden. Deze stonden eerst verwonderd; doch, meenende dat de predikers zinneloozen waren, dreven zij met hen den spot. Intusschen werden de zendelingen vóór den vorst of Miramolijn gebracht, waar zij opnieuw het katholiek geloof verdedigden en de valschheid der sekte van Mahomet aantoonden. Tot tweemaal toe werden zij door den Miramolijn uit de stad gedreven met verbod van nog te prediken, maar tweemaal keerden zij terug om opnieuw het christen geloof te verkondigen, terwijl God door klare teekenen de waarheid hunner leering bevestigde; zij waren in eenen duisteren kerker geworpen geweest om er van honger te sterven, doch, na er 20 dagen zonder voedsel verbleven te hebben, kwamen zij uit de gevangenis zoo kloek en gezond als te

-ocr page 26-

2 2 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

voren. Zij predikten met nieuwe kracht. Dat wilde de Miramolijn niet langer dulden ; zij werden nu met roeden gegeeseld en door den vorst zelve, in hevige woede ontstoken, het hoofd afgekapt. Zulks gebeurde op 6en Januari 1220; 't waren de eerste martelaars der Orde. Na de onthoofding werden hunne lichamen uit's ko-nings paleis gesleurd en op straat geworpen om er door de honden en wilde dieren verscheurd te worden; doch ziet, almeteens, bij helderen hemel, daar berst een verschrikkelijk onweder los ! De infant van Spanje, zich den algemeenen schrik ten nutte makende, gelukte erin, met de hulp van eenige brave christenen, de nog bloedende overblijfsels der martelaars in eene veilige plaats te doen brengen.

Weinige maanden later werden de kostbare overblijfselen in twee zilveren relikwiekassen naar Portugaal overgezonden en moesten, volgens bevel van koning Alfons en de begeerte zijner godvruchtige gemalin Uracca, in de hoofdkerk van Co'imbra berusten. Geheel de stad, met den Bisschop, de geestelijken en kloosterlingen aan het hoofd, trokken den kostbaren schat te gemoet. Maar opeens bleef de praalwagen vóór de kloosterkerk der kanunniken van het H. Kruis onbeweeglijk stilstaan; men besloot eruit dat het Gods wil was, dat de reli kwieën in deze kerk zouden berusten.

De kanunniken van het H. Kruis ontvingen dit geschenk des hemels met de grootste vreug-

-ocr page 27-

DERDE HOOFDSTUK.

de en aandoening ; doch niemand was meer getroffen dan de jonge Ferdinand, onze heilige. Deze plechtige inhaling maakte op zijnen geest en zijn vurig hart eenen zoo diepen en onuit-wischbaren indruk dat hij meer en meer tot de Orde dezer heilige Martelaars aangetrokken werd.

Toen hij op zekeren dag in de bidplaats zijn hart voor den Heer uitstortte, en met tranen bad om te weten of het Gods wil was dat hij tot de Orde der Minderbroeders zou overgaan, verscheen hem opeens de H. Franciscus, door een mirakel uit Italië naar Portugaal overgebracht om eenen nieuwen kloosterling aan te winnen. De H. Patriarch verklaarde hem dat hij niet meer moest aarzelen, dat Gods wil hem lot de Orde der Minderbroeders riep, en ontdekte hem ook gedeeltelijk het goed dat hij in die Orde zou bewerken.

Eenige dagen later kwamen twee Minderbroeders van 't klooster van San-Antonio-di-Olivari, om volgens gewoonte aalmoezen in te zamelen.Onze Heilige oordeelde dat het gunstig oogenblik verschenen was om zijn plan kenbaar te maken. Hij nam de twee broeders ter zijdeen sprak hun aldus toe :« Indien ik bij u kwam, zoudt gij mij naar de Turken zenden, opdat ik,wandelende op de voetstappen uwerhei-lige Martelaars, zooals zij, mijn bloed voor het H. Geloof moge vergieten ? » De volgelingen van Franciscus waren over die woorden ver-

23

-ocr page 28-

24 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

rukten antwoordden : «Het is de uitdrukkelijke wil van den stichter der Orde, dat de zijnen altijd het Evangelie kunnen gaan verkondigen bij de ongeloovigen. » — «Indien dit het geval is, hernam Ferdinand met overtuiging, breng mij zoo gauw mogelijk het kleed uwer Orde. Ik verlang er vurig naar.» Zij beloofden weldra terug te keeren, als zij aan hunnen Overste de aanvraag zouden medegedeeld hebben en verlieten hem met de hoop van een gunstig antwoord.

Intusschentijd ging Ferdinand ook tot zijnen Overste en legde hem zijn vurig verlangen vóór oogen. Deze weigerde eerst vlakaf ; hij dacht er immers aan hem weldra aan het hoofd des kloosters te plaatsen. Maar onze Heilige was daardoor niet ontmoedigd ; hij herhaalde meermaals zijne vraag, en vond zulke treffende woorden, bracht zoo gegronde redenen bij, dat de Prior, vreezende den zoo duidelijk geopen-baarden goddelijken wil te weerstreven, eindelijk, hoewel met bloedend hart, zijne toestem-ming geven moest.

De kanunniken beweenden eenparig het verlies van hunnen deugdzamen medegezel, en wanneer hij van hen afscheid nam, was een hunner zoo diep bewogen dat hij zich niet kon inhouden met eenige bitterheid te zeggen : « Ga maar, ga maar, indien gij hier uwe zaligheid niet kunt bewerken, zult gij daar misschien nog een heilige worden ! » Waarop Ferdinand met zachte stem al glimlachend antwoordde : « En

-ocr page 29-

DERDE HOOFDSTUK.

25

als gij dit eens zult vernemen zult gij er God over bedanken. » I nderdaad de zelfde kanunnik heeft de vervulling zijner voorspellende woor

den gezien en werd aldus genoodzaakt erover God te bedanken. Twaalf jaar immers na zijnen dood werd Antonius reeds heilig verklaard. In den zomer van het jaar 1220 ijlde onze Hei-

-ocr page 30-

26 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

lige welgemoed naar de eenzaamheid van San-Antonio-di-Olivari. Daar ontving hij nog hetzelfde jaar het nieuw ordekleed en verwisselde den naam van Ferdinand met dien van Antonius, ter eere van den eersten beroemden kluizenaar, aan wien het klooster van Coïmbra was toegewijd. Antonius, volgens taalgeleerden, komt voort van het latijn alte tonans, dat wil zeggen ; luide donderend; 't is als eene voorspelling van de toekomst, dewijl Antonius de vier hoeken der christene wereld door zijnen apostolischen ijver moest doen dreunen.

-ocr page 31-

VIERDE HOOFDSTUK. §

Antonius in Marocco, te Assisië

en op Sint-Paulus'Berg.

OODRA zijne nieuwe Oversten hem in de levenswijze der Minderbroeders genoeg onderwezen en beproefd hadden, werd Antonius tot de plechtige kloostergeloften aangenomen en ontving den verlofbrief om, volgens zijn verlangen, naar Marocco te vertrekken. Men gaf hem tot reisgezel den leekebroeder Philippus, die ook verlangde voor het geloof zijn bloed te storten. Zij begaven zich terstond op reis en gingen, te voet gelijk de Apostelen, recht naar het heidensch Moo-renland.

Aan den oever der zee gekomen, scheepten zij in voor Afrika en verder voor Marocco, het doelwit hunner reis.

Na eene voorspoedige overvaart zetten zij den voet op den afrikaanschen grond, waarop noo- het bloed kleefde der laatste martelaars

O

die nu te Coïmbra vereerd en het zaad van nieuwe zendelingen geworden waren. Maar, ó geheim der ondoorgrondelijke Voorzienigheid, aan Antoniusgelijk aan zijnen geestelijken Vader Franciscus zal de geschiedenis de woorden van den H. Bonaventura moeten toepassen : O vere ac plene beatum, cicjus animani etsigladius

-ocr page 32-

28 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

persecutoris non abstulit, palmam tarnen martyrii non amisit. « O oprecht en ten volle gelukkige man, aan wien het zwaard van den beul de ziel niet ontrukt heeft, en die zich nochtans den palmtak der martelaars niet heeft zien ontzeggen. gt;)

Nauwelijks had Antonius voet aan wal gezet, toen hij door eene hevige koorts bevangen werd, die hem vier maanden lang op het ziekbed boeide. Zijne Oversten van Spanje, daarvan onderricht zijnde, bevolen hem naar Europa terug tekeeren. Maar de mensch mikt en God schikt. Op zee brak een geweldige storm los, en toen het schip dat hem vervoerde niet ver meer van Spanje verwijderd was, werd het op de kusten van Sicilië geworpen.Te Messina vernamen Antonius en Philippus met vreugde dat er te Taor-mina, op vijf-en-twintig mijlen afstand, een klooster van Minderbroeders was ; zij zetten zich onverwijld op weg en kwamen er gelukkig-toe voor het Paaschfeest van't jaar 1221.

Hier vernam Antonius dat de H. Seraphien-sche Vader, Franciscus van Assisië, met Sinxen 1221, zijne broeders samenriep naar Portioncu-la bij Assisië, tot het houden van een algemeen kapittel of vergadering der Orde, om de vorderingen na te gaan welke zij tot dusver op den weg der volmaaktheid gedaan hadden.

Niettegenstaande hij nog zeer zwak was, nam Antonius de gelegenheid waar om ook dien grooten man, van wien hij zooveel had hooren

-ocr page 33-

VIERDE HOOFDSTUK.

spreken, te gaan zien en bewonderen, en hij vertrok met Philippus naar de aangeduide stad.

Vijf duizend Minderbroeders kwamen te As-sisië bijeen, om hunnen heiligen Vader en Ordestichter te zien, zijne wijze leerredenen te hooren en door hem hunne zending aangewezen te worden.

Zoo men het hart van Antonius hadde kunnen doorschouwen, zou men daarin eene wonderbare wijsheid, den grondslag eener buitengewone welsprekendheid, gevonden hebben, gepaard met eene heiligheid van leven, welke voor den levenswandel van den grooten patriarch van Assisië niet onderdeed. Niemand der aanwezige Broeders, geen der Oversten, zelfs de H. Franciscus, vermoedde zulks, want de jeugdige kloosterling zocht zijne voortreffelijke hoedanigheden te verbergen met de zelfde bezorgdheid als in 't algemeen de grootste mannen er naar streven ze uitwendig te doen schitteren.

Ingetogen bleef hij alleen te midden dezer groote vergadering, zonder zich met iets anders bezig te houden dan met het gebed, zonder naderen bekende dan God. Tijdens die eenzaamheid kon hij echter de ongestoorde vreugde smaken het heilig gelaat zijns veel beminden vaders Franciscus te aanschouwen , terwijl de H. Franciscus, ongetwijfeld door eene bijzondere schikking der Voorzienigheid, Antonius zijnen zoon niet kende,die toch door God op eene

29

-ocr page 34-

30 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

bijzondere wijze bemind werd. De nederigheid van Franciscus en zijne innige liefde tot God maakten zulken indruk op Antonius, dat hij besloot niet meer naar Spanje te gaan, maar in Italië en, ware 't mogelijk, in de nabijheid van Franciscus te blijven, om zijnen zaligen levenswandel te overwegen en den zijnen daarnaar in te richten.

Na het eindigen der vergadering, namen de broeders afscheid van hunnen heiligen Vader en van den nieuwen algemeenen Overste der Orde, broeder Helias. Ieder kloosterling voegde zich bij den Provinciaal zijner landstreek om met hem te vertrekken naar de aangewezene bestemming ; doch niemand dacht aan Antonius. Hij zag er zoo eenvoudig en ziekelijk uit, dat niemand zich met hem zocht te belasten, omdat hij, naar het scheen, het huis eer tot last dan tot hulp zou strekken ; ook gaf weinig gespraak-zaamheid hem den schijn van mindere bekwaamheid.

Al de Provinciaals waren reeds vertrokken, slechts deze van Romagna of Emilia, de eerw. P. Gratiaan, was nog aanwezig. Deze had eenen priester noodig om in het arm en gansch afgelegen klooster van Monte-Paolo, bij Forli, de heilioe Mis te lezen voor de zich daar bevin-

O

dende Broeders, die een kluizenaarsleven leidden. Den jongen kloosterling ziende, naderde Gratiaan hem met de vraag: «Zijtgij priester?» — « Sic sum —Ik ben'/ », was het eenvoudig ant-

-ocr page 35-

VIERDE HOOFDSTUK.

woord. — « Hebt gij reeds eene bestemming?»

— «Neen, Vader », antwoordde hij even kort.— « Zoudt gij gaarne naar de kluis van Monte-Paolo gaan ? »— « Ik zal gaan waar God wil. »

— « Kom dus met mij », zei Gratiaan ; en de ijverige kloosterling volgde zonder een woord meer te spreken.

Te Monte-Paolo aangekomen wierp hij zich voor de voeten des Gardiaans, met het verzoek hem zijne bezigheden in het klooster aan te wijzen. De Gardiaan liet hem schotels wasschen en kamers vagen. Met o-ngeveinsde vreugde kweet de Heilige zich dagelijks van deze nederige taak.

Nochtans in de helling van den rotsachtigen berg had een Broeder eene kleine cel gekapt om daar somtijds alleen te gaan bidden. Antonius ontdekte eens die kluis en smeekte den Broeder hem die af te staan. De goede Broeder weigerde niet; en alle avonden nu, na het gebed, vertrok Antonius om daar den nacht over te brengen. God weet aan welke verstervingen hij zich daar overleverde. Hij was er niet vrij van de aanvallen des duivels, maar zoodanig matte hij zijn vleesch af om het aan den geest te onderwerpen, dat hij moeite kreeg om te kunnen gaan ; zijne beenen wankelden soms zoodanig dat hij op den arm van eenen medebroeder leunen moest om niet te vallen,

't Was daar in de eenzaamheid dat Antonius ook de geheimen der beschouwing leerde. Eene

31

-ocr page 36-

32 leven van den h. antonius van padua.

oude overlevering of legende meldt dat, terwijl hij eens in de beschouwing van Jezus' bitter lijden verslonden was, de Onbevlekte Moeder Gods hem verscheen ; zij toonde hem een gekroond hart met het beeld van haren gekruisten Zoon erin gedrukt en zeide : « Ziedaar, Aniü-nius, ziedaar het gedenkteeken dat ik in mijn hart droeg van het oogenblik af dat mijn welbeminde Zoon Jezus-Christus stervend aan het kruis hing en zijn bloed vergoot voor de zaligheid der menschen. Al wie dit teeken godvruchtig in zijn huis zal vereeren, zal zijn huis van brand, pest en duivelsbedrog, door mijne tusschenkomst bevrijd zien ».

Wij kunnen de echtheid der aangehaalde overlevering en legende niet waarborgen ; maar zeker is het dat Antonius niets vuriger wenschte dan voor de wereld onbekend te blijven ; hij leefde in groote verborgenheid en bewaarde zulk diep stilzwijgen dat hem nooit een woord ontsnapte waaruit men tot de veronderstelling zijner kennissen had kunnen komen. Gods inzicht was het echter niet Antonius verborgen te laten.

Met de Quatertemperdagen van den Vasten, in 't jaar 1222, moest te Forli eene plechtige priesterwijding plaats hebben, en te dier gelegenheid ook eene vergadering van Minderbroeders en naburige Dominicanen, wegens kloosterlijke aangelegenheden. Op bevel zijner Oversten was Antonius daar ook naartoe geko-

-ocr page 37-

VIERDE HOOFDSTUK.

men; maar zat met gebogen hoofd en stilzwijgend op de laatste plaats.

Na het avondmaal verzocht de Gardiaan de Dominicanen, om eene stichtende aanspraak voor de vergadering te houden. Allen verontschuldigden zich, zeggende dat zij er niet toe bereid waren; evenzoo deden de Minderbroeders. Toen de Gardiaan zag dat allen weigerden, liet hij de oogen op Antonius vallen en, van God ingegeven, zeidehij: « Indien er niemand is die ons het woord Gods wil voorhouden, dan zal broeder Antonius zulks wel doen.» Antonius verschrok op dat bevel, beleed zijne onbekwaamheid en zeide dat hij zich tot nu toe uitsluitend aan den keukendienst had toegewijd. Doch de Gardiaan bleef bij zijn verzoek en hernam ; « Spreek, mijn zoon, en deel ons mede wat de H. Geest u zal ingeven. » Hij gehoorzaamt. In het begin was hij eenvoudig maar beschroomd ; hij wilde veracht en onbekend blijven en gaf derhalve bij deze gelegenheid den voorkeur aan de ootmoedigheid boven den roem der wetenschap. Langzamerhand grijpt eene heilige geestvervoering den redenaar onwillekeurig aan. Hij kan het goddelijk liefdevuur, dat zijne ziel verteert, niet langer wederstaan; wonderbaar neemt zijn woord in kracht toe. Zijne door vasten verzwakte stem herkrijgt haren vollen klank; zijn lichaam door strenge boetplegingen te neêr gebogen richt zich op, en zijne gestalte herkrijgt wederom de hem aangeborene edele indrukwekkendheid.

Leven van den H. Antonius van Padua. 3

33

-ocr page 38-

34 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

Stom van verbazing, door angst zelfs bevangen, staarden de geestelijken dien armen, onbekenden Broeder aan. Zij wilden de kracht zijner rede toeschrijven aan eene voorbijgaande geestvervoering, waarin hij voor dat oogenblik geraakte ; maar als hij van lieverlede uit de schoonste plaatsen der Kerkvaders en onderscheidene teksten der H. Schriftuur de roerend-ste en verhevenste gedachten ontwikkelde, begreep elk, dat een wonder der diepste ootmoedigheid dezen grooten heilige tot dan toe nog had verborgen gehouden.

Het nieuws werd onmiddellijk aan den H. Franciscus van Assisië gemeld en verblijdde zijne ziel door heilige hoop en vreugde; het werd hem duidelijk dat van nu af een drievoudige luister zijne Orde hier op aarde zou kenmerken: de heiligheid, de geleerdheid en het martelaarschap; hij beval Antonius voortaan zijn leven te wijden aan de verspreiding des Geloofs nadat hij eerst eenigen tijd zich op de hoogere studiën der Godgeleerdheid zou hebben toegelegd in de Hoogeschool van Vercelli, aan de Reguliere kanunnikken van St-Victor te Parijs toevertrouwd.

-ocr page 39-

VIJFDE HOOFDSTUK.

Antonius leeraar en predikant

in Italië.

E Abt Thomas onderwees te Vercelli, met algemeenen roem en uitstekende geleerdheid, de grondregels der verborgene Godgeleerdheid. Onder zijne leerlingen was er een Minderbroeder, dien niemand in verstand en scherpzinnigheid overtrof, Pater Adam de Marisco, een Engelschman, die later tot Doctoor der Universiteit van Oxford en de waardigheid van Bisschop van Ely verheven werd. Antonius vond in hem eenen getrouwen medegezel om te zamen de lessen der mystieke of verborgene Godgeleerdheid te volgen. Het duurde niet lang of de verhevene begaafdheden van den ootmoedigen heilige werden bekend, en zijn meester moest getuigen dat hij spoedig zijnen medebroeder Adam de Marisco evenaarde en zelfs overtrof. Laten wij het woord aan den beroemden Abt zelf: « Hij was, zoo zegt hij, zeer zuiver van hart en bedreven in de kennis der geestelijke zaken; ik moet zeggen dat Antonius eene brandende lamp geleek, die inwendig gloeit door het vuur der liefde Gods en de klaarte naar buiten vespreidt door het goed voorbeeld. Ook doordringt de liefde somtijds de verborgenste waarheden, die

-ocr page 40-

36 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

voor de natuurlijke wetenschap verholen blijven; dit heb ik in Antonius ondervonden en ik beken vele zaken van hem geleerd te hebben. » De zelfde Abt heeft Antonius gekenmerkt met eenen naam onder denwelken deze bekend is gebleven : Pater scientice mystic cc, de vader der verborgene Godgeleerdheid.

Al de Minderbroeders ondervonden welke buitengewone kennis Antonius in de gewijde wetenschappen bezat, en zij drongen er op aan dat hij hen in de H. Schriftuur en Godgeleerdheid zou onderwijzen. De Seraphiensche Vader keurde het verlangen zijner broeders goed en zond aan Antonius den volgenden brief:

« Aan zijnen beminden Broeder Antonius wenscht Broeder Franciscus heil en zegen in O. H. J.-Ch.!

Ik vind goed dat gij aan onze Broeders de Godgeleerde Schriften uitlegt; maar draag zorg dat noch in u, noch in anderen, en ik houd daar veel aan, de geest des gebeds worde uitgedoofd, gelijk zulks in den regel staat dien wij belijden. Vaarwel! »

Deze woorden van den H. Vader behelzen eenen grondregel, dienstig voor leerlingen en leeraars in de gewijde letteren, en bewijzen tevens overvloedig dat de H. Franciscus, wel ver van de wetenschappen aan zijne kinderen te verbieden, integendeel de studie der Godgeleerdheid ten hoogste aanbeveelt.

Antonius werd aldus de eerste dier lange

-ocr page 41-

VIJFDE HOOFDSTUK.

reeks beroemde mannen, die de Seraphiensche Orde door hunne grondige godgeleerdheid verheerlijkt hebben. Hij begon met ijver zijn leeraarsambt, want hij wist zeer wel hoeveel er aan gelegen is, kundige en bekwame priesters voor de heilige bedieningen te vormen. Zijne lessen in Bologna,'t jaar 1213, werden niet alleen door Minderbroeders maar ook door andere kloosterlingen en geestelijken gevolgd, en in korten tijd vormde hij er verscheidene bekwame leerlingen en voortreffelijke geloofspredikers. Hij onderwees verder nog te Montpellier, te Toulouse, te Padua en in andere steden.

Door zijne vurige sermoenen nochtans waartoe de natuur en de goddelijke genadegaven hem met allen luister hadden voorbereid, heeft Antonius zijne Orde meer nog verheerlijkt, de H. Kerk ondersteund en het Geloof doen herleven. Immers hij bezat al de hoedanigheden die eenen grooten redenaar kenmerken.

Antonius deed gelijk Isaïas tot wien God zeide : lt;j Spreek luidop,en houd niet op te spreken] dat uwe stem als een trompet weergalme : verkondig aan mijn volk de sc helms titkken aar me de het bezoedeld is ». Hij begon zijne loopbaan als prediker niet op eigen gezag, maar als van God gezonden door de stem zijner Oversten, die hem het ambt van prediker hadden opgelegd.

«Wanneer Antonius predikte )gt;, zegt een oude schrijver, « geleek hij niet aan eenen mensch maar veeleer aan eenen engel uit den hemel

37

-ocr page 42-

38 LEVEN VAN DEN H. ANT0N1US VAN PADUA.

neêrgedaald om de zielen te bekeeren ; op zijn gelaat vertoonde zich eene wondere bevalligheid, hij had eene heldere en doordringende stem, die in de verte als een trompet weergalmde, zoodat zijne woorden, ook wanneer hij in het open veld moest prediken, door de afge-wijderdste toehoorders konden gevat en verstaan worden.Ofschoon hij geboren was in een vreemd land, waar hij geheel den tijd zijner studiejaren had doorgebracht, sprak hij de Italiaansche taal zoo nauwkeurig en sierlijk, alsof hij nooit zijnen voet buiten Italië gezet had ». Hij had eene indrukwekkende houding en wist met eene ontembare kracht de harten der grootste zondaars te bewegen, terwijl hij hun den ongeluk-kigen staat hunner ziel deed gevoelen.

Wanneer hij door zijne vurige sermoenen de harten bewogen en tranen van leedwezen verwekt had, wachtte hij in den biechtstoel de ontroerde menigte af om vergeving te schenken. Hoe vermoeid hij ook was, besteedde hij zijne laatste krachten, dikwijls tot laat in den nacht, om de wonden der zielen te genezen en er met veel goedheid en geduld den balsem van hoop en troost in te storten. Maar ook Antonius was een heilige, en deze heiligheid was wel de bijzonderste gaaf, die beter dan al het overige de wonderbare vruchten van dezen Evange-lischen werkman uitlegt, want bijna aanhoudende mirakelen bekroonden zijnen arbeid.

For li, waarde begaafheid van Antonius eerst

-ocr page 43-

VIJFDE HOOFDSTUK.

in 't bijzonder uitscheen, is volgens sommigen de eerste stad waar hij in het openbaar predikte. Op het hooren van den klank dier welsprekende stem, welke als een donder weergalmde, waren de inwoners als buiten zich zeiven van verwondering. Forli begreep dat die stem de stem Gods was ; die stad werd door het licht der hemelsche genade bestraald, en zwoer hare dwalingen en zonden af; zij scheen tot een nieuw leven te verrijzen. De arme zondaars ontwaakten uit den slaap der zonden ; zij waren levendig getroffen van droefheid over hunne bedrevene misslagen en bekeerden zich door de genade Gods. Geene partijschappen, geene dwalingen of schelmstukken zag men meer ; een geest van liefde, eendracht, gebed en godsvrucht, volgden op zoovele misdaden ; in een woord, zij was als eene heilige stad geworden. Ziedaar de eerste vruchten van den nieuwen apostel.

Het gerucht zijnerpredikatiën werd aanstonds alom verspreid, zoodat men van alle kanten naar zijne sermoenen kwam toegesneld ; overal werd hij gevraagd, zoodanig dat hij verplicht was zich van stad tot stad, van de eene plaats tot de andere te begeven ; hij weigerde ook niet in de minste dorpen te verblijven, om de men-schen te voldoen die begeerig waren van hem te aanhooren en uit zijne woorden de zalige vruchten van bekeering te plukken. Vervolgens kwam Antonius te Ravenna, Milanen, Cesena, en in bijna alle steden van Romagne of Roman-

39

-ocr page 44-

40 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

disla, overal het woord Gods verkondende en het zaad des eeuwigen levens strooiende. Deze steden hebben tot nu toe, even gelijk Bologna de zalige zending van den H. Apostel nog niet vergeten ; zijn naam blijft er in zegen, en groot is zijne vereering, vooral in Bologna.

Eene stad nochtans scheen naar Antonius niet te willen luisteren, 't was Rimini. Eene der verderfelijkste ketterijen, die der Manicheërs, welke door den H. Augustinus reeds met vrucht bestreden en bijna geheel uitgeroeid was, had wederom den kop opgestoken tijdens de XIeen XIIeeeuw ; zij verspreidde haar onheil in Italië en in het zuiden van Frankrijk, en kreeg onder de namen van Katharen en Waldensen, van Albigeezen en Patavenen eene gevaarlijke uitbreiding in stad en land. De stad Rimini, waartegen de ijverige bisschoppen en de Paus zelf tevergeefs alle middelen hadden aangewend, was misschien het ergst aangedaan. Toen nu onze heilige missionaris in de nabijheid dezer stad kwam, werden de ketters reeds door schrik bevangen, dewijl zij vernomen hadden, dat geen enkele tegenstander het tegen hem kon volhouden. Zij spraken daarom af hem in 't geheel niet te gaan hooren, en spoorden het volk aan om hun voorbeeld te volgen.

Toen nu de Heilige,steeds gewoon aan talrijke toehoorders, aankwam, bemerkte hij dat allen zich terugtrokken en slechts eenige vrouwen en grijzaards verschenen. Antonius echter ver-

-ocr page 45-

VIJFDE HOOFDSTUK.

41

loor geenszins zijnen ijver, hij was niet gewoon hetgeen hij eens ter eere Gods ondernomen had, op te geven. Hij predikte voor de weinigen

die nog aanwezig waren, en met zooveel vuur dat de ongeloovigen, dit vernemende, besloten hem te dooden.

-ocr page 46-

42 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

De Heilige, door God verlicht, kende hun boos inzicht en bleef eenige dagen verborgen ; hij vastte en bad vurig voor de bekeering dier plichtige en aan Gods inzichten zoo wederspan-nige stad.

Daarna kwam hij wederom te voorschijn, trok onverwijld naar het strand der Adriatische zee, ter plaatse waar de rivier Marecchia zich in de zee ontlast, en riep met luider stemme tot de visschen ; « Komt, redelooze visschen, komt om de woorden te hooren van God, die u geschapen heeft, ter beschaming der menschen, die in dwaling volharden, ooren en hart sluiten voor de goddelijke stem. » Er kwamen nieuwsgierigen en spotters naar het strand toe. Maar zie, een ongehoord wonder! Nauwelijks had de Heilige zijn bevel uitgesproken, of de zee kwam in beweging en er verscheen aan de oppervlakte eene menigte visschen van allerlei soorten, groote en kleine; zij zwommen ijlings naar het strand waar Antonius stond, en schaarden zich, den kop opwaarts, in de schoonste orde, in rijen en gelederen, gelijk soldaten voor hunnen overste. De kleinsten naderden tot op korten afstand, de grooteren waren in vorm van halven kring allengskens meer verwijderd, en verbeidden aldus vreedzaam en aandachtig de woorden des nieuwen apostels.

De verzamelde menschenschaar werd echter diep bewogen en stond, getroffen over dit wort-der, in ademlooze stilte af te wachten wat er zou

-ocr page 47-

VIJFDE HOOFDSTUK,

geschieden. Toen nu de heilige zijne wonderbare toehoorders had zien naderen, verheugde hij zich in den Heer en hield de volgende aanspraak voor de visschen :

« Gij, visschen, looft den Heer, prijst uwen Schepper, dankt hem, omdat Hij u een zoo edel element, zout of zoet water, naar uwe behoefte, gegeven heeft. Hij is het die u in dit element eene veilige schuilplaats bezorgd heeft om u tegen stormen en onweder te beschutten. Van Hem ontvingt gij dat helder en doorschijnend water, opdat gij des te gemakkelijker uwen weg zoudt kennen en het noodige voedsel vinden voor uw onderhoud. De liefderijke God heeft u in de schepping tot zegen gegeven dat gij zoudt groeien en u vermenigvuldigen. Tijdens den zondvloed, als God, om de groote zonden der menschen te straffen, besloten had alles wat op aarde leeft te verdelgen, kwamen alle schepselen buiten de ark ellendig om het leven ; gij alleen zijt bevrijd gebleven. Gij doorkruist naar beliefte op uwe vinnen de uitgestrekte wateren. Aan eenen onder u werd de zorg toevertrouwd den profeet Jonas in het leven te bewaren en hem na drij dagen weder onverlet op den oever te brengen, opdat hij, volgens Gods bevel, aan de Ninivieten de straffen des Hemels zoude aankondigen, ten ware zij zich haastten boetvaardigheid te doen over hunne zonden, gelijk zij dan ook zonder uitstel gedaan hebben. Gij hadt het geluk van aan den Heer Jezus den penning

43

-ocr page 48-

44 leven van den h. antonius van padua.

aan te bieden om den tol te voldoen, welken Hij in zijne armoede niet kon betalen. Gij zijt het die den Verlosser vóór en na zijne verrijzenis tot voedsel gestrekt hebt. Na zoovele weldaden is het uwe plicht den Heer te loven en te danken, die u boven andere schepselen zoo zeer begunstigd heeft. Looft dan, ó visschen, den Heer! » O wonder! zij waren gehoorzaam en verhieven hunnen kop boven het water, terwijl sommigen een verward geluid lieten hooren, om volgens hun vermogen den Allerhoogste te loven en te danken.

Op dit vertoog riep Antonius verrukt van blijdschap met luider stem uit: « O ja, gezegend zij de eeuwige God, Dien de visschen zelve eerbiedigen. Ziet, de redelooze dieren luisteren leerzamer naar Gods woord dan deze ongelukkige menschen, die het niet willen aanhooren. » Dan gaf Antonius oorlof aan de visschen om te vertrekken, en allen verdwenen terstond in het diepste der wateren. Op het zien van dit zoo openbaar en schitterend wonder, kon de versteendheid der ketters niet meer weêrstaan. Getroffen door de genade en vol schaamte over hunne voorgaande handelwijze jegens Antonius vielen zij voor de voeten van den Heilige, en baden hem met tranen in de oogen dat hij nu ook voor hen zou willen prediken; hetgeen Antonius met blijdschap ondernam. Hij sprak dan te Rimini met zooveel kracht en zalving, dat al de aanwezigen zich bekeerden en vele ketters

-ocr page 49-

VIJFDE HOOFDSTUK.

tot den schoot der Kerk wederkeerden. De apostolische man bleef dan nog eenige dagen daar om de zondaars te biechten en de ketters met de H. Kerk te verzoenen. De vruchten die Antonius inoogstte waren overgroot; nochtans eenige ketters, meer en meer verbitterd, bleven besloten hun ontwerp van hem te dooden ten uitvoer te brengen.

Eenige Manicheërs dus noodigden op zekeren dag Antonius ter tafel uit om gezamentlijk over zaken van godsdienst te handelen. De Minderbroeder nam de uitnoodiging aan om aldus de gelegenheid te hebben de ketters te bekeeren, naar het voorbeeld van den Zaligmaker, die ook om dezelfde reden bij publiekanen en zondaars ter tafel ging. De ketters, die hij zoo dikwijls in zijne sermoenen had beschaamd gemaakt, zetten hem eenen schotel vol vergiftigde spijzen voor, genoeg om den heiligen man op staanden voet te dooden. De H. Geest ontdekte aan Antonius hun duivelsch inzicht; de heilige man bezag de booswichten en sprak op ernstigen toon; « On-gelukkigen, zegt mij, wat heb ik u misdaan, waarom wilt gij mij dooden, en wel door vergif ? » De duivel, die de vader der leugentaal is, blaasde hun een antwoord in. « Denk niet, zeiden zij, ó Vader, dat dit ons inzicht is; neen. verre zij van daar; maar in het Evangelie staat er : Indien de Apostelen een doodehjk vergif zullen gedronken hebben, zal het hun niet hinderen. Daar gij een apostolisch man zijt, zoo hebben

45

-ocr page 50-

46 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

wij enkel willen beproeven of die woorden waarheid zijn. Indien gij van deze spijzen eet en zij u niet hinderen, dan beloven wij u stellig, dat wij ons allen zullen bekeeren, en voor altijd het katholiek geloof omhelzen; maar zoo gij weigert, zullen wij besluiten dat het Evangelie valsch is en bijgevolg ook de leering die gij ons uit het Evangelie predikt. » De H. Antonius, de kracht des Heeren gevoelende, maakte het teeken van het H. Kruis over de spijzen, nam onverschrokken het bord met vergiftigde spijzen in handen en sprak : « Ik ga doen wat gij eischt, niet om God te beproeven, maar om u te bewijzen hoe zeer de zegepraal van ons H. Evangelie en uwe zaligheid mij ter harte liggen, en hoe ik voor geen gevaar terugdeins als het die twee belangen geldt. » Hij at van de spijzen ter verbazingquot; der ketters, die angstig zijne plotselinge dood afwachtten. Maar toen zij geene onsteltenis ot doodsgevaar in Antonius zagen, werd hun hart bewogen, en zij bekeerden zich allen tot het katholiek geloof.

De bisschop van Vercelli, Mgr Hugues, verzocht hem, in 't jaar 1224, om in die stad den H. Vasten te prediken. Antonius was te Vercelli gekend ; de prachtige hoofdkerk van den H. Eusebius was gestadig vol volk, gretig om hem te zien en te aanhooren.

Op zekeren morgen, terwijl de onvermoeide zendeling eene onderwijzing hield, hoorde men opeens in eene der zijdkapellen van de kerk een

-ocr page 51-

VIJFDE HOOFDSTUK.

luid geween en gesnik. Men had in die kapel het lijk van eenen jongeling gebracht, en de priester was gereed om over hem de laatste gebeden der Kerk te lezen. De bedroefde ouders en vrienden stonden rond de lijkbaar en beweenden met bittere tranen hun groot verlies. Al de toehoorders waren tot medelijden bewogen; Antonius, nog meer dan het volk getroffen, hield een oogenblik stil. Hij bedenkt zich, verheft zijne oogen ten hemel en schijnt in een vurig gebed verslonden. Vervolgens verheft hij de stem, spreekt den doode aan, dien men naar het graf ging dragen, en zegt: « Jongeling, in naam van Jezus-Christus gebied ik u uit de kist te komen en te herleven. » Aanstonds gehoorzaamde de jongeling aan de stem van den o rooten wonderdoener en stond frisch en gezond

O ö

uit de doodkist op. Aanstonds begon het volk in de kerk en door de gansche stad den Heer te bedanken, en geen wonder is het voorwaar dat Antonius te Vercelli de overvloedigste vruchten van zaligheid achterliet.

47

-ocr page 52-

ZESDE HOOFDSTUK.

Antonius leeraar en predikant

in Frankrijk.

E H. Franciscus, getroffen door de verwoestingen die de ketterij in het Zuiden van Frankrijk aanrichtte, gaf in den zomer des jaars 1224 bevel aan den H. Antonius, den perel zijner Orde, zich naar die streken te begeven om daar den schrikkelijken vooruitgang der Albigeezen tegen te houden, de geloovigen te ondersteunen, en kloosters zijner Orde te stichten.

De Albigeezen verboden de kinderen te doopen vóór dat zij het gebruik van verstand hadden; zij duldden geene altaren of kerken ; zij verboden het Kruis te aanbidden en verplichtten de geloovigen het met de voeten te vertrappen; zij verboden de H. Mis en loochenden de wezenlijke tegenwoordigheid van Jezus-Christus in het H. Sakrament; zij verwierpen de orebeden en cjoede werken voor de dooden

ö O

als onnuttig zijnde; en daar zij de vrijheid van den mensch loochenden, viel ook de verantwoordelijkheid des gewetens, waaruit volgde dat bij hen alle wanorders en misdaden toegelaten waren. Zulk droef tooneel had eenige jaren te voren den H. Bernardus in een zijner sermoenen doen zeggen: « De kerken zijn ledig, de vol-

-ocr page 53-

ZESDE HOOFDSTUK.

keren zijn zonder priesters, de Sakramenten zonder eerbied ; het volk sterft zonder geestelijke hulp, zonder boetvaardigheid, zonder bekeering. »

Bij hunne goddelooze en zedelooze leering voegden de ketters nog de wreedheid, en wilden hunne dwalingen door het geweld der wapenen overal verspreiden. Reeds hadden de kinderen van den H. Dominicus met veel vrucht teg-en die ketters gestreden, terwijl de christene prinsen, op raad der Pauzen, tegen hen ten strijde trokken. Maar eenmaal uitgeroeid, kwamen zij telkens, gelijk onkruid, wederom te voorschijn. Franciscus, die in zijnen ijver de gansche wereld had willen bekeeren, zond er zijne kloeke kamp-vechters naartoe.

« Anionius, zegt een oude levensbeschrijver, muntte uit in het ontdekken van de listen der ketters, en daar hij hunne schandige schijnredenen wel verstond, wist hij ze bondig te wederleggen. Zijns gelijke bestond in het christendom niet____ Ziedaar waarom men hem alge-

O

meen den onvermoeibaren hamer der ketters noemde. )gt;

49

Te Montpellier aangekomen, onderwees hij vooreerst de jonge kloosterlingen in de H. Godgeleerdheid en besteedde intusschen al den tijd die hem overbleef om in die stad en omstreken te gaan prediken. Door zijne grondige kennis der H. Schriftuur, der HH. Vaders en der katholieke Overlevering, wist hij de waarheden

4

Leven van den H. Antonius van Padua.

-ocr page 54-

50 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

van den Godsdienst tastbaar voor te dragen aan geleerden en ongeleerden, aan katholieken en ketters. God toonde ook door wondere teekens hoezeer de ijver van Antonius hem behaagde.

In 't jaar 1225, toen Antonius te Montpellier verbleef, werd hij geroepen om opvolgentlijk in den zomer te Toulouse en in September te Emerges tegen de ketters ten velde te trekken. In beide steden heeft Antonius in het openbaar geredetwist over het H. Sakrament des Altaars met twee hevige ketters die den grootsten invloed hadden. Nu, een van die twee, Guiald geheeten, zekeren dag in 't nauw gebracht, en niet meer wetende wat uitbrengen, beschaamd over zijne nederlaag in het bijwezen eener talrijke menigte, zocht eenen laatsten uitvlucht en zeide tot Antonius : « Gelooven is mij niet genoeg, ik zou willen zien. Bewijs mij de waarachtige tegenwoordigheid van Christus in het Altaar-Sakrament door een blijkbaar mirakel. Doet gij dit, zoo zweer ik terstond mijne leer te verzaken en het katholiek geloof te omhelzen. »

De Heilige wierp eenen blik in de ziel zijns tegenstanders. Hij zag ze oprecht en te goeder trouw, en antwoordde : «Ik vertrouw op mijnen Verlosser Jezus-Christus, die mij, tot uw aller bekeering, genadig zal verleenen wat gij vraagt.»

lt;( Welaan, hernam de ketter, ik zal een lastdier in drie dagen geen voedsel geven en het alzoo uithongeren; na verloop van dien tijd zal

-ocr page 55-

ZESDE HOOFDSTUK.

ik hetzelve in de tegenwoordigheid van al het volk brengen en het overvloedig voedsel voorzetten; gij daarentegen zult u met het Lichaam des Heeren, zooals gij dat noemt, ook hier bevinden : en indien dan het lastdier het aangeboden voedsel laat staan om vóór het Sakrament te knielen, zal ik overtuigd wezen en den katholieken godsdienst aanvaarden. » Antonius nam, vol betrouwen op den bijstand des Hemels, de proef aan.

Op bepaalden dag was er eene verbazende menigte volks te zamen gevloeid om getuige te zijn van het wonder. Guiald stond ter besproken plaats, met een aanzienlijk gevolg aanhangers en den ezel in hun midden. Antonius, begeleid door eene schaar godvruchtige katholieken, naderde met het allerheiligste Lichaam des Heeren in zijne hand. Men zette het uitgehongerd muildier eenen sciiepel voeder voor; Antonius hief tezelvertijde het hoogwaardig Sakrament op, en sprak het dier aldus aan : « Door de almacht en in den naam van uwen Schepper, dien ik hier, hoewel onwaardig, waarachtig in mijne hand houd, beveel ik u aanstonds te naderen, en aan Hem, die u geschapen heeft, dien eerbied te betuigen welke Hem toekomt, opdat deze dwalende menschen overtuigd wezen en zien dat al het geschapene onderworpen is aan den Schepper, dien de priesters op het altaar doen nederdalen. »

Nauwelijks had de Heilige die woorden uit-

-ocr page 56-

52 LEVEN VAN DEN H. ANTON1US VAN PADUA.

gesproken, of het lastdier liet het aangeboden voeder staan en boog kop en knieën vóór het Allerheiligste Sakrament, dat Antonius steeds opgeheven hield. Luide juichten de katholieken; de ketters daarentegen bogen beschaamd het hoofd en spoedden zich van daar henen. Guiald echter hield woord; hij liet zich doopen en bracht geheel zijn huisgezin in den schoot der Kerk terug.

Op Sint-Andreasdag van 't jaar 1225 werd te Bour ges eene Kerkvergadering gehouden, voorgezeten door kardinaal San Angelo, legaat van den Paus; vele Bisschoppen waren tegenwoordig. Antonius werd bestemd om voor die geleerde vergadering het woord te voeren. Hij kon hier te recht met den H. Bernardus zeggen : « Hoe zou ik, eenvoudige kloosterling, mij verstouten Gods woord te verkondigen voor zulke waardige mannen en hun onbeschroomd de waarheid vóór oogen te houden ? » Maar hij liet zich door zijnen ijver vervoeren, en wetende dat een van hen maar al te wereldsch en ontstichtend leefde, wist hij den Prelaat door zijne vurige woorden zoo te treffen, dat deze, in tranen wegsmeltende, Antonius ter zijde nam, ootmoedig zijne misstappen beleed, en gansch getroost en veranderd den heiligen man verliet.

Op zekeren dag richtte de Bisschop en het Kapittel eene groote processie in, die zich buiten de stad naar een veld moest begeven, waar Antonius zou prediken in de opene lucht, om-

-ocr page 57-

ZESDE HOOFDSTUK.

reden dat men in stad noch kerk noch plaats vond die groot genoeg was om de menigte volk te bevatten die hem kwam aanhooren. Terwijl dan Antonius met de grootste vurigheid sprak, werd in eens de lucht bedekt met duistere en zware wolken, waarop hevige bliksemstralen en donderslagen volgden. Het volk, door het onweder verschrikt, begon uit vrees weg te vluchten ; maar de man Gods riep met luider stem : « Brave menschen, wilt niet vreezen, blijft gerust staan, dat onweder en de stortregen zullen u niet hinderen. » Zij bleven, en zagen vol verwondering dat alles rondom hen vol water stond, terwijl op de plaats waar het sermoen gepredikt werd, geen druppel water gevallen was.

Antonius, te Monlpellier verblijvende, had tijd gevonden een boek te schrijven ; Uitlegging of Sermoenen op de Psalmen. Een proef-kloosterling der Orde, begeerig naar dit boek, was met het handschrift uit het klooster weggevlucht. Antonius hield er zooveel te meer aan dat het hem diende tot voorbereiding zijner lessen en zijner onderwijzingen voor het volk ; hij was zeer bedroefd, en nam terstond zijnen toevlucht tot het gebed, opdat hij het schrift door Gods hulp zou terug bekomen. Hij bad niet tevergeefs, want de vluchtende dief, over eene brug gaande, zag op eens eenen man voor zich staan met een schrikkelijk gelaat en een zwaard in de hand, dreigende hem te dooden indien hij niet terstond het gestolen voorwerp terugbracht.

-ocr page 58-

54 LEVEN van den h. antonius van padua.

De jonge kloosterling, vol angst en vrees, keerde spoedig naar het klooster terug, gaf het handschrift weder en vroeg Antonius ootmoedig om vergiffenis. De heilige man vergaf hem gaarne en verwierf nog voor hem de gunst van in de Orde te mogen blijven waar hij voortaan heilig leefde en volhardde. Dit handschrift van Antonius is later overgebracht naar Bologne, waar men het heden nog als eene kostbare relikwie tot bewondering der geleerden en tot vereering der godvruchtigen bewaart. Volgens vele schrijvers is dit mirakel de reden waarom de H. Antonius aanroepen wordt tot het terugvinden van verloren zaken.

Te Montpellier ook, op den hoogdag van Paschen, toen Antonius in de kerk bezig was met prediken, werd hij te midden van zijn sermoen indachtig eene bediening vergeten te hebben die hij in 't klooster moest volbrengen. Namelijk twee Paters moesten gedurende de gezongene Mis het plechtig graduaal met het Alleluia zingen ; Antonius was daartoe aangeduid. Opeens zweeg hij, liet zijn hoofd, inde kap verdoken, op den rand van den predikstoel rusten en bleef aldus eenige stonden beweegloos, tot groote verwondering van den Bisschop, de geestelijkheid en geloovigen,die meenden dat hij onpasselijk was geworden of in geestverrukking verkeerde; doch er geschiedde alsdan een groot wonder. Antonius verscheen op het zelfde oogenblik in 't klooster en zong in den choor,

-ocr page 59-

ZESDE HOOFDSTUK.

volgens zijne bediening, het Alleluia voor. Daarna richtte hij zich op in den predikstoel, ontdekte zijn hoofd en deed zijn sermoen voort zonder verandering of ontsteltenis te laten blijken. Dit wonder der bilocatie, 't is te zeggen van tezelvertijd op twee plaatsen te zijn, is door menige getuigen bevestigd en is Antonius meermaals en in plechtige omstandigheden voorgevallen.

Men kan gemakkelijk begrijpen dat de duivel nijdig was over al het goed door Antonius gesticht en dat hij niet naliet middels uit te zoeken om het tegen te werken. Azevedo verhaalt dat de booze geest, op zekeren dag, toen Antonius bezig was met prediken, om te beletten dat de toehoorders uit zijne woorden voordeel trokken, opeens, onder de gedaante van eenen postbode, met haast de kerk kwam binnengestapt, en luidop riep dat hij belast was aan zekere vrouw eene droeve tijding mede te deelen. Als die vrouw gevonden was, verhaalde hij dat men haren zoon in schrikkelijke omstandigheden vermoord had, en hij overhandigde haar eenen brief. Op die tijding gaf de vrouw zich aan de grootste droefheid over en stoorde al de toehoorders door haar luid geween. Antonius gebood stilte en sprak; «Vrees niet, goede vrouw, uw zoon leeft, gij zult hem weldra terugzien. Deze man is een valsche bode, het is de duivel die het sermoen wil komen stooren. » De duivel, ziende dat hij ontdekt was, verdween

55

-ocr page 60-

56 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

eensklaps met groot gedruisch. De Heilige nam de gelegenheid waar om uit te leggen hoe men zich tegen de duivelsche listen moet wapenen.

Eene moeder, haastig om het sermoen van den H. Antonius te gaan hooren, had haar klein kind alleen t'huis gelaten; toen zij na het sermoen terugkwam, zag zij dat het in eenen ketel kokend water gevallen was. Huilend van spijt, liep zij naar buiten en had in hare droefheid noch den moed noch het gedacht gm haar kind eruit te nemen en te zien hoe het gesteld was ; in hare wanhoop deed zij niets dan weenen en liet hartverscheurende klachten hooren. De geburen kwamen toegesneld en haastten zich het kleine schepsel uit zijnen pijnlijken toestand te trekken ; ó wonder ! het kind had geen letsel ; het was gezond en wel te pas alsof het een weldoende bad genomen had. Allen schreven het mirakel toe aan den H. Antonius.

Eene andere vrouw verlangde vurig een sermoen te hooren dat de Heilige buiten de parochie in het open veld moest prediken; doch haar man kwam er hevig tegen op. Mistroostig klom zij naar de bovenplaats van haar huis en opende een venster langs den kant alwaar Antonius was gaan prediken. Zij verstond klaar de stem van den predikant en den inhoud van 't sermoen, hoewel zij meer dan een kwartier afgewijderd was. Toen haar man kwam vragen waarom zij zoolang aan het venster bleef zitten, antwoordde zij; « Ik luister naar het sermoen.

-ocr page 61-

ZESDE HOOFDSTUK.

De man meende eerst dat zij spotte ; maar dewijl zij zoo stil en onbeweeglijk bleef luisteren, naderde hij het venster, en tot zijne grooie

verwondering hoorde hij zelf zeer wel de stem van Antonius. Van dan af sprak hij zijne vrouw niet meer tegen, maar wilde zelf met haar de sermoenen gaan aanhooren.

-ocr page 62-

58 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

Tijdens eene onderrichting verwekte een zin-nelooze zulk een gestoor dat de redenaar zich niet kon doen verstaan. — « Blijf toch stil, en zwijg », sprak Antonius met onverstoorbare kalmte en zachtheid. — « Broeder», hernam de zinnelooze, « zoo gij mij uwe koord geeft, zal ik gehoorzamen. » Terstond ontknoopte Antonius met roerende eenvoud de koord die zijne lenden omgordde, en wierp ze den armen krankzinnige toe. De rampzalige greep ze met vurigheid vast, drukte ze aan zijn hart, overdekte ze met kussen, en onmiddellijk kreeg hij het gebruik zijner rede terug, en zette zich aan Antonius' voeten neder. God en zijnen weldoener bedankende voor zijne wonderbare genezing.

De grootste bekeeringen die Antonius te-

O O

weegbracht waren niet alleen de vrucht zijner welsprekendheid en wonderwerken, maar ook van zijne klaarzienheid en zijne goedheid inden biechtstoel, waardoor hij er vele tot eene alge-meene en volledige belijdenis hunner zonden bracht, hen zachtjes vermanende over sommige zonden die zij vroeger bedreven en nog niet beleden hadden.

Om ons niet te lang op te houden met het verblijf van Antonius in Frankrijk, zullen wij ons vergenoegen slechts nog eenen trek aan te halen, die de uitlegging zal geven van eene beeltenis onder dewelke de H. Antonius somtijds voorgesteld wordt.

Den I4en Augusti moest men te Toulouse, in

-ocr page 63-

ZESDE HOOFDSTUK.

59

de Primen van 't Officie, de bladzijde lezen van het martyrologium waarin Usuard, gevolgtrek-kende uit het stilzwijgen der H. Kerk, schijnt te zeggen dat de H. Maagd met ziel en lichaam in den hemel niet zou verheven zijn. Antonius, door dit zeggen gekwetst in zijne liefde tot Maria, had besloten van dan naar den choor niet te gaan. Nochtans, 't was te kort blijven aan den regel; zijn geweten was ongerust. Almeteens is hij omringd door eene schitterende klaarte, en hij ziet de H. Maagd gezeten in de glorie nevens haren goddelijken Zoon; zij lacht hem toe, stelt hem gerust, versterkt hem in zijn geloof, en legt hem op natuurlijken toon uit hoe zij glorierijk ten hemel gevaren is om er gekroond te zijn als Koningin der engelen en der menschen.

-ocr page 64-

E seraphiensche Vader Franciscus wilde dat de Oversten zoo gespraak-zaam en zoo goed waren met hunne onderdanen, dat deze, wanneer zij het ongelukzouden hebben eenen misslag te begaan, niet vreezen zouden hunne fout te belijden. Vijanden van de zonde, moesten zij barmhartig zijn jegens de zondaars. Hun leven moest voor anderen een spiegel zijn van regelmatigheid.

De kinderen der Orde zagen daarin de noodzakelijkheid van wel te waken dat ieder klooster goed bestuurd werd, of, om de taal der orde te spreken, zij zochten aan 't hoofd van ieder klooster eenen Gardiaan te stellen met den waren geest van hunnen vader bezield, 't Is ongetwijfeld in die gevoelens dat zij, in September 1225, Antonius kozen als Gardiaan van 't klooster van Puy-en Velay.

De Broeders achtten zich gelukkig hem als leidsman te hebben en ooggetuigen zijner deugden te zijn. Hij wist in korten tijd de achting en het vertrouwen der gansche stad te winnen door zijne zachtheid en zijne vurige sermoenen. Groote zondaars bracht hij tot bekeering en menige zielen geleidde hij tot eene hooge vol-

-ocr page 65-

ZEVENDE HOOFDSTUK.

maaktheid. Eenige daadzaken zullen ons een gedacht geven van zijne diepe kennis der harten en van den geest van voorzegging waarmede de Heer hem begunstigd had.

Er woonde te Puy een notaris die een zeer ongeregeld leven leidde en aan de gansche stad verergernis gaf. Nu, iederen keer dat Antonius hem tegenkwam, groette hij hem met uiterste beleefdheid, ter groote verwondering der voor-bijgangers. De verwondering groeide nog aan toen zekeren dag Antonius vóór den notaris ging knielen. Deze, die sinds lang meende dat Antonius wilde spotten, brak in woede uit en riep: « Maar wat wilt gij eindelijk van mij ? Indien ik mij niet inhield, zou ik u met mijn zwaard doorsteken gt;). Heel koelbloedig antwoordde Antonius terwijl hij den notaris in de oogen aanstaarde : « Ik heb heel mijn leven verlangd als martelaar te sterven, en ben er niet in gelukt. Maar God heeft mij veropenbaard dat gij u zult bekeeren en voor het H. Geloof sterven. Ik vereer u dus als toekomenden martelaar ». De notaris schoot nu in eenen lach en ging zijnen weg voort. Korten tijd daarna werd er verteld dat de Bisschop van Puy zich op reis ging begeven om het Heilig Land te bezoeken en aldaar het H. Geloof aan de Sarrazenen te prediken. De notaris, dit hoorende, was geheel omgekeerd en ging aan den Bisschop vragen om te mogen medegaan. Zij vertrokken te zamen en, in het H. Land aangekomen, begon de no-

-ocr page 66-

62 leven van den h. antonius van padua.

taris het waar geloof van Jezus-Christus te prediken, luidop verklarende dat Mahomet, de profeet der Sarrazenen, slechts een groote bedrieger was. Woedend grepen de Turken hem vast, deden hem drie dagen lang de wreedste folteringen onderstaan en eindelijk sterven. Hij stierf voor 't Geloof; bijgevolg, zooals Antonius voorzegd had, als martelaar.

Op zekeren dag kwam eene edele vrouw van Puy, zichzelven en haar kind aanbevelen in de gebeden van Antonius. Zoohaast deze haar bemerkt had riep hij uit ; « Schep goeden moed, vrouw, en verblijd u, want uw zoon zal groot en roemrijk worden. Hij zal bij de Minderbroeders gaan en de marteldood sterven na eerst vele andere tot die zelfde crlorie aan^emoe-

O O

digd te hebben ». Inderdaad, het kind dat in 't H. Doopsel den naam van Philippus gekregen had,groeide godvruchtig op, en trad in de Orde der Minderbroeders. Door God geroepen, vergezelde hij over zee een leger kruisvaarders. Met eene menigte christene soldaten nabij Azoto in Palestina verraderlijk in de handen der Turken gevallen zijnde, werd hun de vraag voorgesteld wat zij verkozen, te sterven of hun geloof te verzaken. Dan stuurde Philippus het woord tot de christene soldaten: « Beminde broeders, sprak hij, blijft standvastig in uw geloof, want dezen nacht heeft de Heer mij veropenbaard dat ik als martelaar met duizend andere martelaars den hemel zal ingaan ». De

-ocr page 67-

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Sultan, verbitterd, deed hem de toppen zijner vingers afkappen en de tong uitrukken ; al de soldaten stierven als martelaars; Philippus werd de laatste het hoofd afgekapt.

Door zijne medebroeders als Czistos (') van Limoges aangesteld, hield Antonius zich voortdurend bezie- met nieuwe kloosters te stichten en dezelve met deugdzame kloosterlingen te bevolken.

Zeker inwoner van Briodcs of Bnva bij Limoges bouwde op eene eenzame plaats, niet verre buiten de stadspoort, een klooster voorde Minderbroeders bestemd. Antonius nam er bezit van, plaatste er eenige kloosterlingen en ging er zelf eenige maanden wonen. Gedurende zijn verblijf aldaar werd hem veropenbaard dat een jong proefkloosterling op het punt was den moed te laten vallen en de Orde te verlaten. Hij roept den jongeling en blaast met kracht op zijn voorhoofd, zeggende : « Ontvang den H. Geest ». De jongeling, door die woorden getroffen, valt zonder kennis leraarde. Antonius neemt hem bij de hand, de jongeling herleeft en krijgt eene levendige kleur, terwijl zijn gelaat glinstert van eene wonderbare schoonheid. Dan

o

riep hij uit tot de Broeders die toegesneld waren, dat hij, den adem van Antonius voelende, in geestverrukking tusschen de Engelenscharen

1. Custos beteekent hier ; Overste van eenige kloosters die eene Custodie uitmaken en nog den titel van Provincie niet bekomen hebben.

63

-ocr page 68-

64 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

vervoerd werd en er wondere zaken aanschouwd had. Hij wilde die gaan herhalen, maar Antonius deed hem zwijgen : intusschen was de bekoring verdwenen, en de jongeling werd een volmaakt kloosterling.

Sedert eenige jaren bijzonderlijk worden vele bedevaarten ingericht naar de grotten van den H. Antonius te Briva. Het was in deze afschuwelijke rots, meer geschikt voor wilde dieren dan voor eenen mensch, dat zijn geest verlicht werd door een hemelsch licht; het was in dezen kerker, tusschen distelen en doornen, dat zijn hart vervuld werd en doordrongen met een goddelijk vuur, en dat hij in al zijne zintuigen allerlei smarten verduurde, door zijn teeder lichaam bloot te stellen aan alle ruwheden der luchtsre-steltenis en alle ongemakken der jaargetijden. Hij had geen ander bed dan eene opening door hem zeiven gehouwen in de rots. Het is in deze spelonk aan de boetvaardigheid toegewijd, dat zijne oogen steeds gevestigd waren op het kruisbeeld; zijne blikken,doordrongen van eene name-looze smart en eene onuitsprekelijke liefde, hingen onafgebroken aan dit voorwerp van al zijne wenschen en teederheden. Volgens verscheidene schrijvers is het hier ook dat de duivel den Heilige verscheen om hem van kant te maken. Reeds was zijne ijzeren vuist verpletterend neergevallen op Christus' worstelaar, reeds had hij dezen bij de keel gegrepen, gereed om hem te verwurgen, toen aan Antonius zijne lieve-

-ocr page 69-

zevende hoofdstuk.

lingsbede ontsnapte : O gloriosa Domino, ! — lt;( O glorierijke Koningin ! » Tezelvertijd verscheen in eene rechtovergelegene grot een schitterend licht; rondom de grot waren blinkende sterren verspreid; op eene wolk stond eene vrouwengedaante omringd door eenen helderen glans. De H. Maagd, 't was zij, lachte haren dienaar toe, terwijl het Kindeke Jezus eenen verpletterenden blik sloeg op den wederspanni-gen engel. De engel der duisternissen nam de vlucht en liet Antoniusalleen met zijne hemelsche Verlosseres. Sedertdien herhaalde Antonius dikwijls de volgende uitroeping terwijl hij het teeken des H. Kruises maakte :

Ecoe cru^cem Domini.

Fugite partes adverse.

Vicit leo de tribu Juda,

Radix David :

Alleluia ! Alleluia !

*

* *

Ziet het Kruis ►£lt; des Heeren.

Vlucht, vijanden onzer zaligheid,

De leeuw van het geslacht van Juda,

De spruit van David zegepraalt.

Alleluia ! Alleluia ! (')

*

* *

Deze woorden werden voor Antonius zijne gewone spreuk. Op een stukje doek of op eene medalie geprint en op de borst gedragen, wor-

1. Den 2iei1 Mei 1892, heeft Leo XI11 eenen aflaat van 100 dagen, eens daags te winnen en toepasselijk aan de zielen des vagevuurs, aan deze uitroeping gehecht.

Leven van den H. Antonius van Padua. 5

65

-ocr page 70-

66 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

den zij aangewend als een middel tegen de listen van den duivel, en menigeen heeft er de kracht van ondervonden.

Zekeren dag dat Antonius het klooster van Briva bezocht, gaf hij een groot bewijs van zijn onbeperkt en onwankelbaar betrouwen op Gods voorzienigheid.

De kok moest het middagmaal bereiden, maar eilaas ! er was niets meer in de voorraadskamer. Het middaguur sloeg en hij had niets aan de Broeders voor te zetten. Reeds hadden dezen zich getroost met ledige maag hunne werkzaamheden te hernemen, toen Antonius den goeden geest der Broeders door een wonder wilde beloonen. Hij boodschapte den nood aan eene godvruchtige dame en vroeg groensels uit haren hof voor het onderhoud zijner Broeders. Juist opende de hemel zijne sluizen, en een hevige stortregen viel op de aarde. Zonder zich hierdoor te laten afschrikken, riep de god-vreezende dame hare meid, en belastte haar naar den moeshof te gaan om de noodige groensels. Met tegenzin vertrok de meid, en, o wonder, hoewel de regen geenen oogenblik opgehouden had, kwam zij terug met hare kleêren even droog alsof zij den voet niet buiten de deur had gezet.

Eene vrouw, die dikwijls levensmiddelen naar de Minderbroeders bracht, werd hierover door haren man scherp berispt. Toen zij niettemin haar liefdewerk voortzette, schoot de echt-

-ocr page 71-

ZEVENDE HOOFDSTUK.

genoot in woede, wierp zijne gemalin op den grond, mishandelde haar en rukte haar in dolle razernij de haren uit het hoofd. De aldus gekastijde vrouw trok weenend naar Antonius en verzocht snikkend zijne gebeden. De Heilige bad met geheel het klooster voor de edele weldoenster, en zie, de haren waren opeens in hunne volle lengte aangegroeid, tot niet geringe verbazing van den gemaal, die op den zelfden stond een groote vriend en beschermer der Minderbroeders werd.

Op zekeren dag ging de gelukzalige Broeder naar de abdij van Solemniaco en bleef er overnachten. Een monnik van dit klooster verhaalde hem dat hij door den duivel zoo schrikkelijk bekoord werd, dat hij noch door gebeden noch door verstervingen zich van die kwellingen kon ontmaken. De Heilige trok zijn bovenkleed uit endeed het den monnik aantrekken, die terstond eene buitengewone kracht gewaar werd en volkomen van die bekoringen verlost was.

De trotsche onzuivere geest z.ig zich ontwapend door den Heilige en zocht wraak te nemen.

Bij Antonius' terugkeer te Briva, gingen op zekeren avond de Broeders volgens gewoonte eenigen tijd aan het gebed en de overweging wijden. De Broeder, die het teeken tot deze oefening geven moest, zag eene menigte booswichten den oogst van eenen der grootste weldoeners des kloosters verwoesten. Terstond

67

-ocr page 72-

68 LEVEN VAN DEN H ANTONIUS VAN PADUA.

ging hij Antonius waarschuwen. Zonder zich te ontstellen, sprak deze kalm : « Gaat allen, Broeders, waar de plicht u roept; ontrust u niet over de schade die men onzen weldoener tracht toe te brengen. Die kwaaddoeners zijn duivels, die door dezen list u van het gebed willen aftrekken en u berooven van den troost der goddelijke tegenwoordigheid. Dezen kostbaren tijd, bestemd voor het verkeer met God, zouden zij u willen doen gebruiken ter verdrijving der roovers. Wacht u dus, onder voorwendsel van naastenliefde, in Satans strikken te vallen. Weet dat de macht der duivels beperkt is. God heeft hun niet toegelaten deze korenakkers te verwoesten. Morgen zult gij er u van overtuigen, want gij zult het veld schooner dan ooit aanschouwen ». Door deze woorden gerustgesteld, begaven zich de kloosterlingen waar het klokje hen riep, en 's morgens zagen zij tot hunne groote verwondering de velden ongedeerd.

't Is in de streek van Limoges ook, te Cha-teauneuf-la-Forêt, dat een wonder is voorgevallen dat men op vele schilderijen verbeeld ziet. Zeker bejaard en rijk man had aan onzen Heilige, tijdens eene zijner reizen, de gastvrijheid aangeboden. In het midden van den nacht bemerkte de meester van het huis een helder licht op de slaapkamer van den dienaar Gods. Hij staat op, nadert stillekens tot de deur en ziet door eene kleine opening naar binnen. Hoe groot was zijne verwondering niet toen hij

-ocr page 73-

zevende hoofdstuk.

een allerschoonste kindje, het Kindje Jezus, beschouwde,dat met onzen Heilige speelde en hem door zijne teederste streelingen liefkoosde. Als Antonius 's morgens vernam dat de huismeester getuige geweest was van dit wonder, smeekte hij hem dringend deze verschijning aan niemand te openbaren zoolang hij leven zou. De heer hield zijn woord tot na de dood van Antonius. Dan heeft hij als ooggetuige dit wonder verhaald en onder eed op het heilig Evangelie bevestigd.

Den 4den October 1226 stierf de H. Francis-cus te Assisië, in 't klooster van Portiuncula. Zijn Vicaris-Generaal, Br. Helias, bracht deze droevige tijding door eenen omzendbrief ter kennis aan alle Oversten en onderdanen door de gansche wereld verspreid. Tezelvertijd werden al de Provinciaals en Oversten samengeroepen om tegen Sinxen 1227 in algemeen Kapittel eenen opvolger van Franciscus als Generaal der Orde te kiezen.

Maar waarom moest er zes maanden gewacht wTorden om eenen nieuwen Generaal te kiezen ? Br. Helias liet wat te wenschen, hij zou gaarne zelf Generaal gekozen geworden zijn; ondertus-schen kon de verslapping in de Orde komen, nieuwigheden kon hij inbrengen, enz., enz.

Antonius, die ten anderen als Custos van Limoges in 't algemeen Kapittel moest tegenwoordig zijn, werd door zijne broeders belast den staat van zaken aan den Paus te gaan voor oogen leggen en raad te vragen.

69

-ocr page 74-

JO LEVEN VAN D1£N H. ANTON 1 US VAN PADUA.

Met dit doelwit vertrok Antonius uit Limoges naar Rome in 't begin van't jaar 1227, vergezeld van Broeder Lucas.Doorreizende, kwamen zij toe in een klein dorp, volgens sommige schrijvers te Cuges, afgemat door vermoei-nis en uitgeput door honger en dorst. Eenegod-vreezende vrouw, door medelijden getroffen, verzocht hen vriendelijk in haar huis wat uit te rusten. Terstond, gelijk eene andere Martha, had zij op eene kleine tafel brood en fruit geplaatst en liep naar eene buurvrouw eenen beker leenen om hun wat wijn aan te bieden. Deze ging haastis: naar haren kelder om den beker te vullen, maar vergat de kraan wel toe te doen, zoodat de wijn op den grond verloren liep ; daarbij nam de medegezel van Antonius het glas zoo onbehendig vast dat hij er den voet van tegen de tafel sloeg en brak. De H. Antonius nam de gebroken stukken en zette ze aaneen, zoodat men niet meer zien kon waar het glas gebroken geweest was. De goede vrouw keerde naar den kelder terug om den beker opnieuw te vullen ; maar ziet, al de wijn was uitgeloopen ! Met vele tranen kwam zij het nieuw ongeluk verhalen. De heilige man, door hare klachten bewogen, leunde zich met de ellebogen op tafel en met zijn hoofd tusschen de handen, begon hij vurig te bidden. Eindelijk richtte hij het hoofd op en sprak : « Wees getroost, vrouw,Onze Lieve Heer wil niet dat wij hier oorzaak van schade zijn ; ga zien of er geen wijn in 't vat is.» De vrouw ge-

-ocr page 75-

ZEVENDE HOOFDSTUK.

hoorzaamt en het vat, dat te voren half leeg was, is nu zoo vol dat de wijn al boven uitborrelt. Vol blijdschap wilde zij Antonius bedanken, en welhaast zou iedereen het wonder vernomen hebben, maar Antonius stond op en vertrok met zijnen medegezel om alle eerbetuiging te vermijden.

Te Marseille ging Antonius scheep naar Italië. Te midden der zee kwam een hevige tegenwind op ; de storm groeide aan, en, daar de stuurlieden geenen koers meer konden houden, dobberde het schip voortdurend zuidwaarts totdat het eindelijk aan de Siciliaansche kusten het anker wierp.

Na eene nederige bede van dankzegging trok Antonius naar een klooster van Minderbroeders waar hij met opene armen ontvangen werd. Gedurende zijn verblijf aldaar werd hij belast met de stichting van een klooster te Cefalu. Men toont hier nog eene klok in den toren, onder den naam van Antonius -klok bekend. Zij heeft de stad en de omstreken reeds meermaals van besmettelijke ziekten gevrijwaard en wordt bij hevige onweders ter eere van den H. Wonderdoener geluid.

Aan deze Antonius' klok hebben de nagemaakte Antonius' klokjes hunnen oorsprong te danken. Deze worden metgroot nut bij stervenden gebruikt tegen de listen des duivels, dien Antonius gedurende zijn leven zoo dikwijls beschaamde. Ook plantte hier Antonius eenen cypres die driehonderd jaar later nog bloeide.

71

-ocr page 76-

72 LEVEN VAN DEN H. ANTON I US VAN PADUA.

Door een nieuw wonder toonde God met welke voldoening hij nederblikte op zijnen ijverigen dienaar, die alom kloosters van Minderbroeders deed verrijzen als bolwerken tegen het woekerend zedebederf.

Bij den bouw van het klooster te Leontini viel een zware steen op een der werklieden, die daardoor zoozeer verminkt werd, dat hij oogen-blikkelijk dood en bijna niet meer erkennelijk was. Antonius snelde toe, en riep : « Door de verdiensten van Franciscus van Assisië, in naam van Jezus-Christus, keer terug tot het leven !» en terstond richtte zich de werkman op, en zette, alsof er niets gebeurd ware, zijnen arbeid voort.

Terwijl de Heilige te Patti predikte, en door de verbazende gevolgen zijner leerredenen de hoogachting en liefde van Bisschop en volk verwierf, trok hij ook den haat op zich van mannen die met nijdig oogde menigvuldige bekeeringen aanzagen. Een hunner wilde de heiligheid van

O O

den verachten monnik op de proef stellen, en hem, zoo mogelijk, tot eene afkeurenswaardige handeling overhalen. Hij noodigde den missionaris op eenen vrijdag te eten en zette hem niets dan gevogelte voor. Antonius, 't mag zijn om gelijk welke hem bekende reden, at van het gevogelte. De gastheer meende zijn doel bereikt te hebben en Antonius van schijnheiligheid te kunnen beschuldigen. Hij verzamelde de overblijfsels van den maaltijd en spoedde

-ocr page 77-

ZEVENDE HOOFDSTUK.

\

A

73

-ocr page 78-

74 leven van den h. antonius van padua.

Hij zou de gekrenkte eer van zijnen apostel wreken en door een mirakel den lasteraar beschamen. Toen deze de overblijfsels van het gevogelte haalde, om den niet weinig ontstelden Bisschop van de waarheid zijner beschuldiging te overreden, bracht hij niets dan vischgraten te voorschijn.

Eenige koppige en verblinde ketters lachten met de lichtgeloovigheid der eenvoudige lieden die toeliepen naar de sermoenen van Antonius en gelukkig waren zijn kleed te mogen aanraken. Zij wilden eens goed met Antonius den spot drijven en noodigden hem tot eenen maaltijd uit. Antoniusweigerde niet,en zat denzelfdendag met de ketters aan tafel. Zijne gewone blijgeestigheid verliet hem hier ook niet, en toen de gastheer hem verzocht eenen kapoen in stukken te snijden, nam hij vriendelijk lachend het mes om zich zoowel mogelijk van deze voor hem ongewone taak te kwijten. De ketters pinkoogden, stootten malkanderen, beten op hunne üppen om niet te lachen met den dommen Broeder die eene groote siciliaansche vledermuis van eenen kapoen niet onderscheidde. Antonius scheen dit alles niet te bespeuren, sneed den vogel in stukken en bood den schotel den ketters aan. De spotlach verdween van hunne lippen en zij zagen malkander verbaasd aan, toen zij bemerkten dat de vledermuis, onder de handen des Heiligen, veranderd was in eenen kapoen die den heerlijksten geur verspreidde. De ketters waren overwonnen.

-ocr page 79-

zevende hoofdstuk.

Zij erkenden de wonderkracht van den man Gods, beleden rouwmoedig hunne zonden, zwoeren de ketterij af, en keerden terug tot de eenheid der katholieke Kerk.

Geen wonder dat zijn apostolaat vruchtbaar was en dat Antonius op het eiland Sicilië in weinig tijds zeer veel goeds tewegebracht.

Eindelijk kwam Antonius te Rome toe, eenige dagen vóór den Vasten van 't jaar 1227. Zijne eerste zorg was aan den Paus zijnen vaderlijken zegen te gaan vragen en hem rekening te geven van den toestand der Orde. De H. Vader, die reeds lang zijne deugden, welsprekendheid, ijver en wondere werken kende, ontving hem met teederheid en achting. Hij liet de gelegenheid niet ontsnappen om Antonius den Vasten te doen preêken ; 't is aan deze sermoenen dat de beroemde broederschappen der flazellanlenoio;eeselaars,wier doel was het Lijden

ij*

van jezus te eeren en de zonden der wereld uit te boeten, hunnen oorsprong te danken hebben.

Aanstonds naPaschen.den zegen en ongetwijfeld bijzondere raadgevingen van den Paus ontvangen hebbende, vertrok Antonius naar het algemeen Kapittel van Assisië. Br. Helias gelukte er niet in gekozen te worden. De stemmen vielen op Joannes Parenti, geleerde en heilige man, die de Orde bestuurde van 1227 tot 1233. In 't zelfde Kapittel werd Antonius aangesteld als Provinciaal van Bologne en gansch Emilië. Deze provincië, de bijzonderste der

75

-ocr page 80-

76 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

Orde, strekte zich uit van Rimini tot de Alpen en bevatte geheel het grondgebied van Venetië, Udina en Carniola.

Antonius,met steeds nieuwen ijveren thans in al de kracht der jaren, doorliep zijn uitgestrekt gebied, overal het woord der waarheid en het goed voorbeeld strooiende, de kloosters in groot getal vermenigvuldigende.

Onder al die nieuwe kloosters is er een, dat van Gemoiia of Glemona, kleine stad op den oever der Tagliamento, niet ver van Udina, met recht beroemd om het volgend wonder dat Antonius aldaar verrichtte. Terwijl hij aan 't bouwen was, verzocht hij eenen voerman, die met zijnen wagen voorbijreed, ter liefde Gods eenige bouwstoffen te willen opladen. « Ik kan niet, )gt; antwoordde de man, « ik voer eenen doode naar het kerkhof. » En hij toonde zijnen zoon die in den wagen gerust lag te slapen. De voerman had willen met den Heilige spotten. Een weinig verder gekomen, hield hij stil om zijnen zoon te wekken en met hem om de poets wat te lachen. O schrik ! zijn zoon was inderdaad dood. Huilende van spijt, liet hij zijnen wagen staan, keerde bij Antonius terug en vroeg hem om vergiffenis. De heilige man, door medelijden bewogen, kwam tot den wagen, maakte het teeken des kruises over het lijk, en ziet, de jongeling stond op. Eene kapel, later op deze plaats gebouwd ter eere van den H. Antonius, heeft de gedachtenis van dit wonder vereeuwigd.

-ocr page 81-

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Antonius te Padua.

[LS men van Milanen, in de richting van de Adriatische zee, het noorden var Italië doorreist, dan trekt men in hare volle lengte de vruchtbare vlak-ten van Lombardië door, waar men, midden in en rondom de schoone akkervelden talrijke moerbezieboomen ontmoet, om dewelke de bloeiende wijngaard zijne weelderige takken slingert.

Nadat men de steden van Brescia en Verona is voorbijgetrokken, vijf of zes uren vooraleer Venetië te bereiken, komt men aan de oude en vermaarde stad Padua.

Die stad is ruim eene halve uur van de standplaats gelegen ; zij is met hooge en sterke vestingen omringd, en telt zoo ongeveer vijftig duizend inwoners binnen hare muren.

Wijd en zijd, gansch Europa door, is sedert verscheidene eeuwen die noorderstad van Italië gekend, en ieder jaar ziet zij eene overgroote menigte vreemdelingen en pelgrims in haar midden samenstroomen.

Niet het een of ander vervallen gedenkstuk, dat van vroegere grootheid en roem getuigt, is het dat de volkeren in Padua samenbrengt ; noch de zonderlinge straten die met hare over-bouwde gaanderijen een eigenaardig karakter

-ocr page 82-

/8 LEVEN VAN DEN li. ANTONIUS VAN PAUUA.

gt; aan de stad geven, wat al te somber en stil ;

ook niet hare merkwaardige gebouwen zooals de kerk der H. Justina, waar, onder het hoogaltaar, het graf is van die Heilige, of het gerechtshof, vermaard om zijne zaal verbazend van grootheid, de wijdste van geheel Europa ; noch zijn schoon wandelpark het Prato della valle, met 80 beelden versierd die ons de beroemde mannen van Padua voorstellen ; zelfs niet de hooge faam van hare oudvermaarde Hoogeschool die, op het toppunt van hare glorie, het puik niet alleen der Italiaansche studie-jeugd maar nog van verscheidene andere landen in haar midden vereenigde, die naast Bolonië de kroon der wetenschap om haar hoofd mocht spannen, en die in den loop der eeuwen zoovele geleerden het beschaafd Europa heeft ingezonden ; neen dit alles is het niet! want hoe schoon het ook in zijn eigen moge wezen, het heeft maar weinig belang naast zoovele andere grootheden en wonderen die het prachtig Italië aanbiedt.

Een woord alleen is daartoe bekwaam, een enkele naam is daarvoor machtig genoeg! An-ionitis is het, die in het begin der XII Ie eeuw die stad ten eeuwige dage heeft beroemd gemaakt ; 't is hij die haar eenen luister heeft bijgezet die altijd blijft en dien de eeuwen nimmer zullen uitdooven. Antonius de volksvriend bij uitmuntendheid, de glorie van gansch de omstreek ; Antonius, wiens naam alleen wij met aandoe-

-ocr page 83-

ACHTSTE HOOFDSTUK.

ning uitspreken, wien wij met trillend hart noemen, hij die door den gloed van zijn machtig woord de gemoederen zijner toehoorders in vurige liefde kwam ontsteken, maar die tezel ver-tijd verpletterend was voor de ongeloovigen, zoo dat hij de « hamer der ketters » bijgenaamd werd ; Antonius, een andere thaumahirgus om de groote wonderen welke hij heeft uitgewerkt, om de uitstekende mirakelen welkehij verrichtte, niet enkel gedurende zijn leven maar ook en vooral nog na zijne dood. Hij is het, die de roem is van Padua, en die deze stad onsterfelijk heeft gemaakt ; hij is het die de volkeren van gansch de katholieke wereld er samentrekt. Met eenen iever en eene godsvrucht die tot in het binnenste u beweegt, komen duizende en dui-zende geloovigen ieder jaar zijne basiliek bezoeken ; men ziet ze, stichtend van betrouwen en volharding, eerbiedig vóór het altaar knielen, met het hoofd er tegen rusten, en de gewijde muren kussen van het graf dat zijne heilige overblijfsels bewaart.

Toen Antonius, in 't begin van't jaar 1228, met zijnen medegezel, op den heuvel kwam van waar hij de stad kon beschouwen, bleef hij stilstaan. Hij bewonderde het grijze Padua met zijne Byzantijnsche torens en prachtige gebouwen, tusschen de weelderige wijnbergen en de wateren der Brenta die langs zijne muren vloeien. De gordijn der toekomst werd voor zijne oogen weggeschoven, en in geestverrukking riep

79

-ocr page 84-

8o LEVEN VAN DEN H. ANTON1US VAN PADUA.

hij uit: « O Padua! gelukkig Padua ! Wat zijt gij schoon ! wat zijt gij groot! Hoe prachtig is uwe kroon ! De tijd is nabij dat uw roem nog zal aangroeien en uw naam tot in de wolken verheven worden. Weldra zullen talrijke vreemdelingen en pelgrims uwe muren begroeten ; zij zullen het voor eene eer aanzien uwen grond te betreden en er geneesmiddelen komen zoeken teyen hunne kwalen naar ziel en lichaam. »

Antonius begon zijne sermoenen te Padua met Asschenwoensdag, g6quot; Februari 1228. Nauwelijks had hij begonnen, of eene ontelbare menio-te snelde naar de kerk om hem te aan-

O

hooren. Zijne krachtige stem, zoo donderend tegen de zonde, was tevens zoo zoet en barmhartig voor de zondaars dat hij de wanhopendste harten wist te raken en het grootste betrouwen in te boezemen. Dikwijls zag men het volk na de sermoenen de gevoelens van leedwezen luidop te kennen geven. « Men hoorde ze, zoo zegt een geleerd schrijver, uit het sermoen komen al zuchtende en zeggende: « Ongelukkige die ik ben! Tot nu toe had ik de afschuwelijkheid der zonde niet gekend! Hadde ik het geweten, nooit zou ik ze bedreven hebben ! )gt; Zij stortten bittere tranen en wekten elkander op tot boetvaardigheid. En in lerd uid, op de stem van den apostel, verzoenden zich de verbitterdste vijanden, woekeraars gaven hun onrechtvaardig goed teriilt;r, ontucbtioe vrouwen werden schaamrood

O' O

en verzaakten aan hunne oneerbare levenswijze,

-ocr page 85-

ACHTSTE HOOFDSTUK.

8r

openbare struikroovers zelfs staakten hunne misdaden, zooals blijkt uit het volgende wonder :

In 't jaar 1292, ontmoetten twee Minderbroeders op reis eenen ouden man die zei dat hij den H. Antonius goed gekend had. «Ik was, zoo sprak hij, baanstrooper van bedrijf; wij waren met twaalf, woonden in de bosschen en plunderden al de reizigers die voorbijkwamen. Maar hoorende spreken van den grooten naam, dien Antonius door zijne sermoenen verworven had, besloten wij alle twaalf op zekeren dag in vreemde kleeding zijn sermoen te gaan aanhoo-ren, want wij konden niet gelooven dat zijne sermoenen zoo wondere bekeeringen te weeg brachten als men wel verhaalde. Op zekeren avond dan dat hij moest prediken, begaven wij ons allen naar 't sermoen, en, terwijl wij aandachtig luisterden, voelden wij een zoo groote spijt over onze schelmstukken in ons hart ontstaan, dat wij besloten terstond bij den heiligen predikant onze biecht te spreken. Hij ontving ons vaderlijk, beloofde ons den Hemel zoo wij getrouw bleven, maar bedreigde ons met de hel zoo wij durfden onze schelmstukken herbeginnen. Eenigen hebben hunne belofte verbroken en zijn ellendig gestorven, gelijk Antonius voorzegd had. De anderen zijn in den vrede des Heeren ontslapen. Ik ben de laatste, en kom nu terug van mijne twaalfde bedevaart naar het graf der HH. Apostelen, vol betrouwen kwijtschelding mijner zonden bekomen te hebben. » Dit

6

Leven van den H. Antonius van Padua.

-ocr page 86-

82 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA

zeggende stortte hij eenen vloed van tranen.

Sommigen, door de vermaningen van Anto-nius opgewekt, namen het edelmoedig besluit de wereld te ontvluchten en in de stille eenzaamheid het einde hunner dagen te gaan slijten. Onder dezen meidter de geschiedenis bijzonderlijk twee : Lucas Belhidinien HelenaEtiselmitia, beiden van zeer deugdzame en edele ouders te Padua geboren. Lucas trad in de Orde der Minderbroeders, waar hij uitscheen door zijne deugden en de getrouwe medegezel werd van Antonius. Helena ging naar het klooster der Clarissen van Arcelli bij Padua, waar zij in groote volmaaktheid leefde en heilig stierf op 4en November 1242; op dien dag wordt haar feestdag in de Orde gevierd. Haar heilig lichaam, tot nu toe onbedorven bewaard, rust op een altaar in de kerk der H. Sophia te Padua.

God zegende den onvermoeibaren arbeid van Antonius door menige mirakelen, tot in den biechtstoel toe. Een man door een sermoen geheel onthutst, ging terstond naar Antonius om zijne zonden te biechten, maar zoo groot was zijne droefheid dat hij geen woord kon uitbrengen. « Mijn brave man, zei Antonius, ga naar huis, schrijf uwe zonden op een papier en kom ermêe terug ». De man deed het en kwam terug. De Heilige overzag het geschrift, en bemerkte dat al hetgeen hij gelezen had opvol-gentlijk verdween zoodat er geen letter meer op het papier stond. « Dit is een klaar bewijs, zei

-ocr page 87-

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Antonius, dat uwe zonden door uw groot berouw reeds vergeven zijn in den hemel, gelijk ik ze nu vergeef op aarde », en hij zond den man heel getroost weg.

In dezelfde stad Padua, ging een jongeling, met naam Leonardos, bij den H. Antonius te biechten. Hij beschuldigde zich zijne moeder eenen geweldigen stamp met den voet te hebben toegebracht. De heilige man, om hem te doen inzien hoe zwaar zulke zonde was, sprak ; « De voet van hem die zijne moeder heeft durven stampen, verdient afgekapt te worden. » De jongeling nam die woorden al te letterlijk aan, liep naar huis, en met eene bijl kapte hij zich den voet af. Geheel het huis was ontsteld en in droefheid, toen het gedacht inviel van den H. Antonius te gaan roepen. Deze kwam toegesneld. Na een kort gebed neemt hij den afgekapten voet, voegt hem aan het been en maakt op de nog bloedende wonde het teeken des H. Kruises. In weinige oogenblikken was het vleesch aaneengegroeid en de jongeling teenemaal genezen.

Een burger van Padua, Petrus genaamd, had eene dochter, die met lamheid geslagen en daarbij aan vallende ziekte onderhevig was. Zekeren avond, dat Antonius na het sermoen huiswaarts keerde, kwam de ongelukkige vader, zijne dochter op de armen dragende, hem te gemoet, en bad hem met tranen in de oogen, het kruisteeken over haar te willen maken. De dienaar Gods, verwonderd over het groot geloof

83

-ocr page 88-

84 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

van dien man, voldeed aan zijn verlangen. Aanstonds kon de verlamde dochter op hare beenen staan en gaan, en van dan af had zij geene aanvallen meer van de vallende ziekte.

Het volk werd van dag tot dag gretiger om Antonius te aanhooren. Geene kerk kon de menigte nog bevatten, hoe geperst de toehoorders ook stonden. Zelfs de openbare plaatsen der stad waren te klein, en men moest buiten de stad in het open veld eenen predikstoel oprichten ; de bisschop van Padua kwam daar ook met zijne geestelijkheid de onderwijzingen van Antonius bijwonen ; het getal toehoorders beliep soms tot dertig duizend, en nochtans de algemeene aandacht was zoo groot dat men niet het minste gerucht hoorde.

Na de sermoenen gaf men onzen Heilige de grootste blijken van eerbied en liefde ; men omringde hem soms zoodanig dat hij gevaar liep te verstikken ; men kuste zijn kleed ; vrouwen zelfs knipten er stukjes af om ze als relikwieën te bewaren. Om zulks te vermijden wachtte Antonius totdat de menigte vertrokken was of koos eenen binnenweg om terug te keeren. Maar dit gelukte niet altijd. Zekeren dag kwam hij op dien kleinen binnenweg eene bedroefde moeder tegen ; op den arm droeg zij haar zoontje dat, van zijne geboorte af, lam was aan armen en beenen ; zij viel vóór Antonius op hare knieën en smeekte hem met vele zuchten en tranen haar kind te willen zegenen. De dienaar Gods,

-ocr page 89-

ACHTSTE HOOFDSTUK.

hoerende dat zij een mirakel vroeg, achtte zich in zijne ootmoedigheid daartoe onwaardig en wilde doorgaan. Maar de moeder hield aan, herhaalde geknield hare vraag en riep uit: «Ach, Vader Antonius, heb toch medelijden met mij! ^ De Heilige, diep bewogen, maakte het kruis-teeken over het kind, en aanstonds was het volkomen genezen. Buiten zichzelven van vreugde wilde de moeder Antonius bedanken, maar deze verbood haar ooit gedurende zijn leven dit wonder te vertellen. Onderwege zeide hij tot zijnen medegezel : « dit mirakel moet gij niet toeschrijven aan mijne verdiensten, maar aan het groet geloof van die goede vrouw. »

Terwijl Antonius te Padua verbleef, bood zich eene gelegenheid aan om de burgers van Padua te toonen dat hij niet alleen voor de zaligheid hunner ziel maar ook voor hun tijdelijk leven en belang bezorgd was. Wij zullen tezelvertijd de onverschrokkenheid zien van Antonius.

Ezzelino III was een ongehoorde wreedaard en afschuwelijke dwingeland die, onder de bescherming van keizer Frederik II, de provincie van Lombardië verwoestte. Hij verachtte tot driemaal toe den kerkelijken ban tegen hem uitgesproken. Zekeren dag had hij vernomen dat de bevolking van Padua tegen hem was opgestaan ; hierdoor in woede ontstoken liet hij op éénen dag 12000 inwoners vermoorden. Verona, waar hij gewoonlijk verbleef, was bijna gansch ontvolkt. Antonius, medelijden hebbende met

85

-ocr page 90-

86 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

de zoo wreed beproefde landstreek, nam het besluit van tot Ezzelino te gaan om zijne woede te stillen. Hij kwam te Verona aan het paleis en vroeg om bij den vorst toegelaten te worden ; zijn verzoek werd bewilligd. Toen Antonius binnentrad, zag hij Ezzelino op zijnen troon zitten omringd door eenen troep soldaten die bereid waren om iederen wenk van hunnen vorst nauwkeurig uit te voeren. Antonius was geenszins ontsteld, naderde en sprak : « O vijand van God, gruwzame tiran, eenen razenden hond gelijk ! wanneer zult gij ophouden het bloed der christenen te vergieten ? Zie, het oordeel Gods is reeds over u geveld, een zwaar en verschrikkelijk vonnis ! » Bij deze toespraak stonden de soldaten het bevel aftewachten om den heilige te vermoorden. Maar de dwingeland luisterde onbeweeglijk en verbleekte als een doode.Bevende van schrik, staat hij op van zijnen troon, neemt eene koord, hangt die om zijnen hals, komt alzoo knielen vóór de voeten van den H. Minderbroeder, smeekt hem om genade en barmhartigheid, en belooft volkomene levensverbetering. Toen Antonius vertrokken was, wendde zich Ezzelino tot zijne lijfknechten en sprak : « Zijt niet verwonderd over hetgeen gij zoo even gezien hebt ; gij moet weten dat, terwijl die man tot mij sprak, een hemelsche lichtstraal met zoo grooten glans op zijn wezen schitterde, dat ik er gansch door verschrikt werd, en meende terstond in het diepste der hel te moeten gewor-

-ocr page 91-

ACHTSTE HOOFDSTUK.

pen zijn. » Van dit oogenblik af, hield hij groote-lijks den Heilige in eer, en wachtte zich, zoolang Antonius leefde, voor zware euveldaden. Dewijl echter Antonius nog voortdurend predikte, zond Ezzelino zijne dienaren tot den Heilige met de uitgezochtste geschenken,onder beding: «Neemt hij deze geschenken aan,doodt hem oogenblikke-lijk ; wijst hij ze af, verdraagt alles zonder hem leed te doen. » Daardoor wilde hij overtuigd zijn of Antonius nog altijd onder Gods bescherming stond. De aldus ingelichte dienaren kwamen met hunne geschenken tot Antonius, en spraken: «Uw zoon Ezzelino de Romano beveelt zich in uwe gebeden, en smeekt u dringend deze kleine gift te aanvaarden als bewijs zijner hoogachting en genegenheid tot u. » Antonius weigerde nadrukkelijk het geschenk en antwoordde; « Van hetgeen aan menschen ontroofd is, wil ik niets aannemen. Dat alles zal ten verderve strekken. Gaat spoedig terug, opdat dit huis door uwe tegenwoordigheid niet bezoedeld worde. »

De gezanten snelden beschaamd terug naar hunnen tiran, en verhaalden hem alles wat er gebeurd was, waarop Ezzelino uitriep : « Deze is een man Gods, laten wij hem in vrede ! »

De buitengewone ijver, die Antonius bezielde voor de bekeering der zondaars en de zaligheid der zielen, belette hem niet zijne talrijke kloostersvaderlijk te besturen, te bezoeken, en zijne onderdanen, zoowel door zijn voorbeeld als door zijne woorden, aan te sporen tot het volmaakt

87

-ocr page 92-

88 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

onderhouden van den Regel. Hij hield zelfs een waakzaam oogf over het alg-emeen bestuur

O O

der Orde.

Nadat hij zijne kloosters bezocht had in het noorden van Italië verliet hij Padua, om volgens zijnen plicht tegenwoordig te zijn in 't algemeen Kapittel, dat ten jare 1230 te Assisië moest gehouden worden, tijdens de plechtige overvoering der stoffelijke overblijfsels van den H.Fran-ciscus.

Hij deed zijne reis langs Bologne. Onder weg vertoefde hij eenige dagen te Ferrara, waar hij een buitengewoon wonder verrichtte. Eene vrouw was beschuldigd van ontrouw, en alle omstandigheden schenen samen te spannen om de betichting te bevestigen. Onschuldig zijnde, had zij geenen anderen troost dan haar rustig geweten ; doch dit was niet voldoende voor de menschen, en zij liep groot gevaar van hare eer en zelfs haar leven te verliezen. In dit angstig oogenblik zocht zij troost bij Antonius die juist te Ferrara was aangekomen, alsof de Hemel hem gezonden had om haar uit het gevaar te redden. Antonius, ziende dat zij een klein kind op den arm droeg en wetende dat God door den mond der kleinen de onschuld verdedigt, ondervroeg het kind in tegenwoordigheid van den man en eene groote menigte volk. « Ik bezweer u, in den naam van Jezus in de kribbe, zoo sprak Antonius tot het kind, van hier openbaar en duidelijk te verklaren wiens kind gij zijt. »

-ocr page 93-

ACHTSTE HOOFDSTUK. 89

Het wichtje, dat maar zes maanden oud en bijgevolg nog sprakeloos was, stak zijne handen uit en met eenen zoeten glimlach deed het zijnen mond open en zegde met klare en volkomene

-ocr page 94-

90 LF,VEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN TADUA.

moeder,-ikverklaar het u.in den naam van God,zij is u getrouw en verkleefd, en uwe liefde waardig. » De wonderdoener had moeite om zich aan de toejuichingen der menigte te onttrekken.

Antonius zette zijnen weg voort naar Bologne waar hij, na vijfjaar afwezigheid,met de grootste blijken van liefde en eerbied ontvangen werd. Van Bologne vertrok hij naar Florentië waar hij nog gelegenheid vond om tegen de heerschende driften en zonden te prediken, gelijkvormig met het voorbeeld van den Zaligmaker pertransiit benefaciendo: «hij is voorbijgegaan al goed doende. »

Wanneer Antonius te Assisië aankwam, vond hij reeds de gansche stad in feestgewaad uitge-doscht. De plechtige overvoering van den H. Franciscus had plaats den 25en Mei 1230, den vooravond van Sinxen. In het algemeen Kapittel dat op de plechtigheid volgde en waar meer dan twee duizend Minderbroeders tegenwoordig waren, muntte Antonius uit door zijne welsprekendheid en schranderheid en trok aller aandacht op zich.Maar de Heilige, als hadde hij een voorgevoelen gehad zijner aanstaande dood, vroeg en ontving op zijn aandringen zijn ontslag als Provinciaal.

Gregorius IX had gaarne Antonius bij zich gehad ; hij wilde hem zelfs den kardinaalshoed schenken,maar Antonius drong zoodanig aandat de Paus hem moest toestaan, ten minste voor eenigen tijd, in de eenzaamheid te gaan leven.

-ocr page 95-

NEGENDE HOOFDSTUK.

Laatste werken en dood van

Antonius.

[|E berg Alverna of de Ha Ver na maakt deel van de groote bergketen, de Appenijnen, die schier gansch Italië in zijne lengte doorloopt. De Alverna verheft zijne kruin boven de andere bergtoppen en is met groene struiken en boo-men overdekt; op zijn toppunt is eene groote vlakte, van waar men de wateren van den Tiber en den Arno in de verte tusschen de rotsen ziet voortvloeien. Dit zoo liefelijk oord, vooral des zomers, is om zijne eenzamheid wel geschikt tot de studie, de beschouwing en het gebed.

Als men Onze-Lieve-Vrouw-ter-Engelen of Portiuncula, de bakermat der Serafiensche Orde, uitneemt, is er geene plaats ter wereld die aan de kinderen van Franciscus duurbaarder moet zijn dan deze berg. Overal ziet men er bidplaatsen, kapellen, kleine cellen of liever natuurlijke grotten met groene struiken overdekt. Het was daar dat Franciscus zijn verblijf nam om er zijne vurige gebeden en strenge boetple-gingen te verrichten, en dat God hem de wondere indrukking zijner vijf wonden mededeelde. Het was nog daar, dat zoovele heilige Minder-

-ocr page 96-

92 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

broeders hunne woonplaats zouden vestigen. Niet zonder reden dus wordt die berg tot op den dag van heden de heilige berg genoemd.

Het was op een der schoone dagen van Junimaand in het jaar 1230 dat Antonius den heiligen beklom en eene kleine cel betrok nevens die waar de H. Franciscus gewoond had. Hier vond de heilige man rust en vrede en besteedde er zijnen tijd in het rangschikken en voltooien zijner sermoenen ; daar voltrok hij ook zijn bijzonderste werk : Concordantice morales « Zedelijke overeenstemmingen des Bijbels », het eerste van die soort dat het licht zag.

Nadat Antonius eenige maanden op den Alverna de stille rust der eenzaamheid had genoten, nadat hij zijn werk voltooid had en door de studie en het gebed tot nieuwen arbeid was uitgerust, daalde hij wederom den berg af om zijne laatste levensdagen aan de zaligheid der zielen te besteden.

Op het einde van 't jaar 1230 keerde Antonius naar zijn geliefd Padua terug. De tijding, zoodra zij gekend was, liep terstond de gansche stad rond en men hoorde alom de vreugdekreten van geestelijke blijdschap en heilige aandoening.

Met Asschenwoensdag van 't jaar 1231, begon hij zijne dagelijksche vastensermoenen. Ofschoon door den bijna aanhoudenden arbeid afgemat en door eene inwendige en knagende ziekte verslapt, scheen hij zijne vroegere krach-

-ocr page 97-

NEGENDE HOOFDSTUK.

ten teruggekregen te hebben. Gelijk eene brandende lamp eer zij uitdooft, gedurende eenige oogenblikken een levendiger licht verspreidt, zoo was het ook met den ijver van Antonius Gedurig bezig met prediken, onderwijzen, goeden raad geven, biecht hooren, gebeurde het meermaals dat hij met zonnenondergang nog nuchter was. Hij ging standvastig voort in zijnen apostolischen arbeid tot Paschen toe ; en bleef zelfs in de omliggende plaatsen zijne zending en zwaren arbeid voortzetten, hoe zwak hij ook was, tot omtrent Sinxen. Men zou gezegd hebben dat hij het naderend einde van zijnen levensloop op aarde te gemoet zag en, volgens de woorden van den H. Paulus « Laat ons goed doen zoolang wij den tijd hebben », ook zijne laatste dagen heel en al aan het heil der zielen wilde wijden.

Eindelijk gansch vermoeid en afgesloofd en voelende dat zijne krachten hem hoe langer hoe meer begaven, dacht hij er aan het prediken te staken en in de stille eenzaamheid wat uit te rusten ; des te meer daar de oogst begonnen was en het werkvolk overal naar de akkers riep. Hij besloot dus oorlof te vragen om zich naar een klein afgelegen klooster te mogen begeven • het bericht dat die gunst hem door zijne Oversten was verleend werd hem op wonderbare wijze toegebracht.

Antonius schreef eenen brief naar zijnen Provinciaal, sloot hem toe en liet hem op tafel

93-

-ocr page 98-

94 leven van den h. antonius van padua.

liggen. Intusschen ging hij ootmoedig aan den Gardiaan van 't klooster vragen om hem met den bode te mogen verzenden. Dit werd hem toegestaan, en hij keerde naar zijne cel terug om den brief te halen ; maar de brief was nergens meer te vinden. In plaats van eenen anderen te schrijven, beeldde hij zich in dat het misschien een teeken was van Gods wil dat hij te Padua zou blijven, en hij zag van zijn voornemen af. O wonder! na korten tijd ontving Antonius van den Provinciaal antwoord op de vraag, die hij hem schriftelijk had voorgesteld, met oorlof van te gaan waar hij zou verkiezen en met den wensch dat hij daar veel inwendige rust en geestelijken troost mocht genieten. Met reden mag men gelooven, voegt een godvruchtige schrijver hierbij, dat een engel den postbode vervangen heeft, om voldoening te schenken aan het godvruchtig verlangen van Antonius en door een mirakel te toonen dat zijne vraag God aangenaam was.

Na zijnen laatsten zegen aan Padua geschonken te hebben, begaf zich Antonius naar het eenzame klooster zijner Orde Caiupo San Pietro of Sint-Pietersveld quot;enaamd, ruim twee uren

O 7

van Padua in eene vallei gelegen. Het grondgebied behoorde toe aan zekeren heer Tiso, die weleer het krijgsmansleven had geleid en aan menisfen woesten oorlosf deel had genomen.

O O O

Thans had hij op raad van Antonius aan zijn ongeregeld leven vaarwel gezegd,zelfs den Derden

-ocr page 99-

NEGENDE HOOFDSTUK.

Regel van Franciscus aanvaard, en was een voorbeeld van deugden geworden.

Tiso was gelukkig zijnen geestelijken vader te mogen onthalen en geleidde hem naar het verblijf der Broeders.

Hier echter vreesde Antonius nog dat men te veel zijne rust door herhaalde bezoeken zou komen stooren en hij verzocht eene heel afgezonderde plaats waar hij geruster zou kunnen bidden. Als ridder Tiso het verlangen van Antonius vernam, leidde hij hem naar eene aangename plaats door hooge boomen overlommerd en niet te ver van het klooster gelegen. In het midden bemerkte Antonius eenen zeer dikken noteboom uit wiens stam zes groote takken opschoten. Die plaats scheen Antonius bijzonder wel geschikt te zijn voor de eenzaamheid, en hij vroeg dat men die takken in vorm van cel zou schikken. Tiso haastte zich Antonius te voldoen, en timmerde niet verre van daar twee andere cellen voor zijne twee medegezellen Br. Lucas en Br. Rogerius.

In zijne kleine cel leefde Antonius geheel afgezonderd, en alleen bekommerd om door heilige overwegingen en vurige gebeden zijne ziel van alle vlekken der wereld te zuiveren en van het stof te reinigen dat haar door den gedu-rigen omgang met de wereldsche menschen mocht aangekleefd zijn. Hier vond hij eene zoete rust en een zalig genoegen ; hier kon hij zich naar verlangen hemelwaarts verheffen en.

95

-ocr page 100-

g6 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

onthecht van alle aardsche zorgen, zich tot de groote reis der eeuwigheid voorbereiden.

Dit verlangd oogenblik was weldra gekomen ; toen hij, den 30®quot; Mei, veertien dagen vóór zijne dood, volgens gewoonte van zijn celleken afkwam om met zijne Broeders het middagmaal te nutten, werd hij opeens door eene zoo hevige kwaal overvallen dat hij in bezwijming ten gronde zeeg ; van krachten beroofd moest hij naar zijne cel gebracht en door de Broeders geholpen op zijne legerstede van strooi worden neêrgelegd.

Antonius gevoelde dat het welhaast met hem ging gedaan zijn, en, om zijne Broeders van Sint-Pietersveld die maar arm waren niet ten laste te zijn, vroeg hij aan Br. Rogerius om naar het klooster van Padua terug gevoerd te worden.

De goede Broeder was bedroefd, doch spoedde zich om eenen wagen te bezorgen. Als de wage.' niet ver meer van Padua verwijderd was, kwam daar een Minderbroeder, Br. Vinotto, die, Antonius met bleek gelaat en doodziek op den wasren ziende zitten, hem ontraadde van tot aan

O 7

Padua te gaan. Hij gaf voor reden dat de goede burgers der stad hem geen oogenblik rust zouden laten, en hij bijgevolg beter zou doen zich te laten voeren naar de bijgelegene en stille woning zijner medebroeders te Ai'ce//t.De man Gods stemde toe.

Hoe goed en zorgvuldig men hem daar ook

-ocr page 101-

NEGENDE HOOFDSTUK.

verzorgde, nam toch de ziekte immer toe. An-tonius, die naar geene genezing vroeg, maar veeleer naar het eeuwig leven verzuchtte, bereidde zich tot het beslissend oogenblik dat hij voelde naderen.

Den vrijdag i3en Juni 1231, sprak hij 's morgens heel vroeg zijne biecht en bad ootmoedig om vergiffenis voor zijne fouten. Daarna ontvino-hij met een diep geloof en vurige aandoening het H. Lichaam des Heeren. AI meteens scheen hij nieuwe krachten te nemen en hij begon zijnen geliefden lofzang te zingen ; Ogloriosa Domina,

— « ó glorierijke Meesteres » ; 't was, zegt een oude schrijver, de belooning zijner teedere godsvrucht tot de H. Maagd en bijzonderlijk tot het mysterie van Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaart.

Dan bleef hij ineens met een engelachtig gelaat en met de oogen ten hemel geheven onbeweeglijk staren ; de Broeders ontwaarden niets, maar vroegen ; « Antonius, wat ziet gij dan ? »

— « Video Doininum, » antwoordde de Heilige, « ik zie den Heer.))

Het hart van zijnen goddelijken Meester overgoot zijne ziel met eene onuitsprekelijke zalving, en 't was ongetwijfeld van die zalving dat hij sprak wanneer hij aan de Broeders, die hem vroegen of hij begeerde het H. Oliesel te ontvangen, voor antwoord gaf: « Die zalving bezit ik wel in mijn binnenste, maar geef mij de uitwendige zalving, zij zal mij nuttig zijn. » Pas had Antonius dit laatste troostmiddel der H.

Leven van den H/Antonius van Padua.

97

-ocr page 102-

98 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

Kerk ontvangen of zijn lichaam werd schitterend wit; zijne handen, uitgedroogd door de koorts en bruin door de lucht, werden wit gelijk sneeuw met eene roode tint. Een glimlach verscheen op zijne lippen en zijne heilige ziel vloog ten hemel. 't Was tegen den avond, den I3en Juni; Antonius was bijna 36 jaren oud.

-ocr page 103-

TIENDE HOOFDSTUK.

Mirakels na de dood van

Antonius. Begrafenis en heilig

verklaring.

P hetzelfde oogenblik dat Antonius stierf, was de Abt van Vercelli, zijn oude leermeester, in zijne cel bezig met bidden, terwijl hij sedert lang hevige pijn leed in de keel. Opeens zag hij zijnen geliefden leerling vóór zich staan, die hem vriendelijk groette en zei : « Heer Abt, ik heb mijnen ezel te Padua gelaten, en vertrek haastig naar mijn vaderland. » Dan raakte hij zachtjes aan de keel van den zieke en verdween uit zijne oogen. De Abt werd gewaar dat zijne keelpijn opeens genezen was, en stond verbaasd den Minderbroeder niet meer te zien. Hij dacht dat Antonius hem vaarwel kwam zeggen vooraleer naar Portugal zijn vaderland te vertrekken. Hij ging hem terstond zoeken in het klooster en vroeg aan iedereen of zij Antonius nergens gezien hadden ; maar niemand had hem gezien noch wist ervan. In zijne cel wedergekeerd, verstond de Abt dat Antonius, van zijnen ezel sprekende,zijnlichaam had willenaanduiden, en naar zijn echt Vaderland, den hemel, vertrokken was. In dit gedacht werd hij weldra bevestigd door de tijding die uit Padua aankwam.

-ocr page 104-

ICO LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

De Minderbroeders van Arcelli, bevreesd voor den grooten toeloop en voor de wanorde die er uit zou volgen, besloten de dood van hunnen heiligen medebroeder zoo lang mogelijk geheim te houden. Maar al hunne voorzorg was vruchteloos.Nauwelijks was Antonius overleden of het gerucht zijner dood werd gansch Padua door verspreid. De kleine kinderen, klaarblijkelijk door den hemel onderricht, doorliepen de straten der stad, luidop roepende :« De Heilige is dood ! onze vader, de H. Antonius is gestorven. »

Weldra was de stad als verlaten, de burgers kwamen naar Arcelli gesneld ;zij wilden het huis der Broeders binnendringen om Antonius nog eens te zien en zijn heilig lichaam te raken. De bewoners der naburige wijk Capo del Ponte namen spoedig de wapens op en bezetteden lanes alle kanten het klooster van Arcelli uit vrees dat de bewoners van Padua het heilig lichaam naar hunne stad zouden vervoeren. De Minderbroeders van het klooster Santa Maria Maggiore, binnen Padua, deden ook hunne rechten gelden en eischten dat Antonius in hunne kerk zou begraven zijn.

Daar de inwoners van Capo del Ponte voor bedrog vreesden, wilden zij zelfs het lichaam rooven, doch lieten zich overhalen om te wachten naar de komst van den Provinciaal die afwezig was en eigentlijk, als Overste, de betwiste zaak tusschen Padua en Arcelli moest beslissen.

-ocr page 105-

TIENDE HOOFDSTUK.

Intusschen werd het avond, maar de menigte bleef gewapend rond het gesloten klooster waken. Te middernacht ontstond er een groot geroep tusschen het ongeduldig volk, dat dreigend vorderde het lichaam van den Heilige te zien. Tot driemaal toe liepen zij de deur van 't klooster op, maar waren als met blindheid geslagen en zoo verbaasd dat zij niet eens de opene deur konden vinden. Eindelijk den volgenden dag werd men binnengelaten ; de Paduanen kwamen toegestroomd ; velen konden het lijk niet naderen en reikten hunne halsdoeken, armbanden en ringen over door de vensters om ze aan de heilige overblijfselen te doen raken.

Den volgenden nacht, daar de Provinciaal nog niet teruggekomen was, legden de Broeders van Arcelli ter oorzaak van de drukkende hitte het H. Lichaam in eene houten kist, plaatsten ze in den grond en bedekten ze met een weinig aarde.

Den zondag kwam de Provinciaal van zijne reis terug. Zonder vertoeven kwamen hem de wijkbewoners spreken en eischten het lijk voor Arcelli ; vooreerst omdat Antonius behoorde begraven te zijn waar hij gestorven was, en ten anderen, omdat zij desnoods bereid waren hetgeen zij vorderden met gevaar van goed en leven te doen uitvoeren. De Provinciaal antwoordde op zachten toon : « Miji.e vrienden, geen recht kunt gij in deze zaak doen gelden ; indien gij u beroept op onze welwillendheid, dan zullen

IOI

-ocr page 106-

I02 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

wij ons overpeizen ; ondertusschen, opdat gij geen bedrog zoudt veronderstellen, geef ik u oorlof het klooster, waar Antonius rust, te bewaken. )gt;

Den maandag morgen vroeg, ging de Provinciaal bij den magistraat om raad en hulp te zoeken. Terstond besloten de raadsheeren eenparig de gewapende macht bij het heilig lichaam te zenden, en de magistraat verbood op straf van zware boete dat iemand op eeniger wijze de Minderbroeders zou lastig vallen of gewapend bij het lijk komen, totdat de Bisschop met de geestelijkheid over de zaak zou beslist hebben.

Den zelfden dag onderzocht de Bisschop de zaak nauwkeurig, en, na de redenen van beider zijden aanhoord en overwogen te hebben, besliste hij het geschil ten voordeele der Minderbroeders van Padua, omreden dat Antonius, toen hij de dood voelde naderen, naar zijn klooster van Santa Maria Maggiore binnen Padua wilde terugkeeren om daar te sterven en ook begraven te worden. De Bisschop liet dit. zoo aan de geestelijkheid en al het volk weten. Hij noodigde allen uit om 's anderdaags geza-mentlijk het lichaam te vervoeren; aan den magistraat beval hij de Minderbroeders bij te staan, opdat zij geenen overlast zouden te lijden hebben.

De wijk van Capo del Ponte stond onmiddellijk in repenroer; inallerhaastliep men de schipbrug breken waarover het lijk in stad moest

-ocr page 107-

TIENDE HOOFDSTUK.

gebracht worden. De magistraat, die geenen oproer kon dulden,deed de voornaamste opstokers aanhouden en de stilte werd weldra hersteld.

Den dinsdag, i7den Juni, haalde men het lichaam uit de aarde, en de magistraat met de bijzonderste edellieden achtten het zich voor eene groote eer de kostelijke overblijfsels beurtelings te mogen dragen. De stoet ging langzaam vooruit, te midden der wonderen en genezingen die de begraving in zegepralenden stoet veranderden. Blinden, dooven, kreupelen werden eensklaps van hunne kwalen verlost. De inwoners van Capo del Ponte zelve achtten zich gelukkig den stoet te vergezellen. De Bisschop zong de H. Mis en plaatste de heilige overblijfselen in een graf van wonderbaar marmer dat men onverwachts den dag der begraving ontdekt had. Dit graf bevat heden nog de kostelijke overblijfselen van Antonius en wordt de ark van den Heilige genaamd.

Onmogelijk is het al de wonderen te melden die bijna dagelijks na de dood van Antonius plaats hadden. Wij zullen er slechts eenige aanhalen welke geschiedden ten voordeele van mannen die juist tegen den Heilige waren vooringenomen en aan zijne wonderen schenen te twijfelen.

Een ridder van Salvaterra, met name Alear-dino, was zoo ongodsdienstig dat hij zelfs het katholiek geloof afgezworen had. Hij kwam te Padua, en terwijl de vreemdelingen in de herberg,

I03

-ocr page 108-

i04 leven van den h. antonius van padua.

waar hij verbleef, te zamen spraken over de wonderen die zij gezien hadden, schoot hij in eenen schaterlach, en een glas in de hand nemende, riep hij uit : « Ik van mijnen kant ben hard van geloof, maar indien Antonius dit glas belet te breken, geef ik mij over. )) Dit zeggende smijt hij uit al zijne macht het glas op de steenen, en ziet! het glas botst terug als ware het van ijzer of van staal en is niet geschonden. Aleardino gaf zich over ; hij beleed de heiligheid van Antonius en de waarheid van het katholiek geloof. Nog heden wordt dit wonderbaar behouden glas getoond in de schatkamer van de Antonius' basiliek te Padua.

Zekeren dag dat dezelfde Aleardino in eene groote vergadering het mirakel van 't glas vertelde, was er een vrijdenker die er den spot meê dreef. De vrijgeest nam een glas in de eene hand, en eenen droogen druiventakin de andere, en sprak al lachende : « Ik aanvaard hetgeen gij komt te verhalen indien Antonius op dezen tak genoeg druiven doet groeien om dit glas vol wijn te persen. » Nauwelijks had hij gesproken, of de tak werd groen, kreeg bladeren, en droeg druiven die uitgeperst het glas tot boven toe vulden. Degene die Antonius bespot had sprak er voortaan met den grootsten lof van.

Antonius was nog geene maand begraven of de geestelijkheid en het volk vroegen reeds dat hij heilig zou verklaard worden. De Bisschop van Padua stelde eene commissie aan om de

-ocr page 109-

De H. Antonius bewijst door een mirakel de tegenwoordigheid van Jezus-Christus in het Allerheiligste Sakrament. (BI. 50).

-ocr page 110-

I06 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

mirakelen te onderzoeken. Onder de leden der Commissie was zekere klerk, Guidotto genaamd, die zich veroorloofde heimelijk te lachen met de wonderwerken van Antonius ; maar eensklaps begon hij in al zijne ledematen te sidderen en te beven, en hij gevoelde door geheel zijn lichaam zoo hevige pijnen dat hij luidop schreeuwde en uitriep ; « Ah, moeder, ik ben onwaardig voor den Gelukzalige te verschijnen, maar, ik smeek u, ga zelve op zijn graf bidden en vraag voor mij vergiffenis. Beloof hem in naam van uwen zoon, dat ik zooveel boetvaardigheid zal doen als mijne misdaad het verdient. » De moeder snelde naar Santa Maria. De Heilige liet zich door hare vurige gebeden en tranen bewegen, en de pijnen hielden eensklaps op. Nooit vergat de klerk deze weldaad en bleef daarna ijverig werken voor de glorie en de heiligverklaring van zijnen weldoener.

Wij moeten eindigen. Indien een geschiedschrijver, zoo spreekt een handschrift van 't klooster van Ancona, al de mirakels door den H. Antonius bewerkt wilde aanhalen, zou hij door de veelheid ervan zijne lezers vermoeien,en flauwe verstanden zouden door hunnen luister kunnen verblind worden.

« Iets dat onze aandacht verdient, zegt de Vita anonyma, is ongetwijfeld, dat niemand, die om genezing kwam vragen, deze verkreeg, tenzij hij zijne zonden wilde belijden. Kwam hij tot inkeer, biechtte hij oprecht, en maakte hij

-ocr page 111-

lo;

het vast voornemen zijn leven te beteren, dan ondervond hij weldra Gods eindelooze barmhartigheid. »

Een voorrecht dat nooit aan een ander werd toegestaan, is dat Antonius heilig verklaard werd min dan één jaar na zijne dood. Grego-rius IX sprak de plechtige heiligverklaring uit in de hoofdkerk van Spoleto,op den feestdag van Sinxen, 30ei1 Mei 1232,611 stelde zijnen feestdag 0P ^611 Juni. De eerste verjaardag zijner dood was dus de eerste feestdag van den H, Antonius van Padua.

-ocr page 112-

TWEEDE DEEL

De H. Antonius bijzondere

Patroon om verlorene zaken

weder te vinden.

AAROM aanroept men in 't bijzonder den H. Antonius om verlorene zaken weder te vinden ?

Wij hebben gezien, in 't leven van den H. Antonius, dat deze Heilige zekeren dag een kostelijk handschrift verloren had,of liever, dat een proefkloosterling ermede was weggevlucht, en dat het op wondere wijze in zijne handen teruggekomen is. Indien nu de H. Antonius zulke gunst bekomen heeft voor zich-zelven is het niet te verwonderen dat hij aanroepen geweest is om dezelfde gunst te verwerven voor anderen.

Daarbij, wat verliest men? Zijn leven, zijne eer en faam, zijne gezondheid, zijn geld en goed.

Nu, hebben wij in 't leven van Antonius niet gezien dat hij aan de dooden het tijdelijk leven teruggeschonken heeft ? En aangaande \geestelijk leven, wat heeft Antonius altoos gedaan tenzij door zijne woorden en, als 't noodig of nuttig was, door zijne wonderwerken, de zielen uit de dood der zonde doen opstaan ?

De eei' en faam ! Hebben wij geen klaar be-

-ocr page 113-

TWEEDE DEEL. IO9

wijs zijner machtige tusschenkomst in de eerherstelling eener treffelijke vrouw die ging van haren man verstooten zijn en voor iedereen hare eer en faam verliezen ?

Wij zullen hier nog twee andere feiten bijvoegen :

In 't jaar 1429, werd de gouverneur van Per-pignan door venijnige tongen van eene groote misdaad beschuldigd : gevangen genomen, werd hij veroordeeld om onthoofd te worden. Hij beval met vele gebeden de verdediging zijner onschuld aan den H. Antonius van Padua. Wanneer hij naar de strafplaats werd geleid, verscheen Antonius in de lucht, nam hem uit de handen der gerechtsdienaars en plaatste hem vóór zijn altaar in de kerk der Minderbroeders dier stad. Talrijke ooggetuigen gingen het wonder aan den koning boodschappen. Deze deed de zaak opnieuw onderzoeken, vond weldra de valschheid der beschuldiging en herstelde den man in zijne eer en in zijn vorig ambt. Dit wonder is nu nog in die kerk, bij het altaar van Antonius, op eene schoone schilderij afgebeeld.

't Jaar 1672, werd te Cracovia, in Polen, een man beschuldigd van doodslag en in de gevangenis geworpen. Daar er zekere schijn van plichtigheid was, aarzelde men niet hem te pijnigen om hem tot belijdenis der misdaad te brengen. Hij had den moed niet de pijnbank te onderstaan en verkoos liever te sterven met de misdaad te belijden die hij niet be-

-ocr page 114-

I IO LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

dreven had. Intusschentijd bereidde hij zich ten beste mogelijk om dit ellendig leven te verlaten en het eeuwig geluk des hemels te winnen ; hij deelde milde aalmoezen uit aan de armen en beval eenige missen te lezen aan het altaar van den H. Antonius, zijnen bijzonderen patroon. In den nacht voordat het vonnis moest uitgevoerd worden, verscheen hem de Heilige in de gevangenis, brak zijne boeien en ketenen, stelde de deur der gevangenis wijd open en sprak : « Ga bij uwe rechters, toon uwe ketens en zeg hun: de H. Antonius van Padua zendt mij tot u opdat gij het onrechtvaardig vonnis dat tegen mij is uitgesproken zoudt herroepen.» De man gehoorzaamde, en werd vrijgesproken. Terstond ging hij vol dankbaarheid zijne boeien en ketens aan het altaar van den H. Antonius ophangen, waar zij tot heden toe nog te zien zijn.

gezondheid! Hoevele voorbeelden hebben wij reeds niet aangehaald van kranken aan wie de H. Antonius de gezondheid terugschonk! De H. Bonaventura, die leefde ten tijde van den H. Antonius, heeft in 't officie van den Heilige geschreven : cegrisurgunt sant — « de zieken staan gezond op. » Wij zullen hier nog twee genezingen aanhalen.

Eene turksche dame, vrouw van eenen Pacha, werd hevig gekweld door den kanker die haar de borst afknaagde en zich meer en meer uitstrekte. Zij werd dan ook moeilijk en bitsig van

-ocr page 115-

TWEEDE DEEL.

I I I

aard en, ondervonden hebbende dat geene geneesmiddelen hielpen, viel zij in eene groote mistroostigheid. Zij had eene christene slavin Hortensia Galbatiana genaamd die,zekeren dag, hare meesteres zoo schrikkelijke smarten ziende onderstaan, tot haar sprak : « Oh ! haddet gij ten minste in uw lijden de vertroostingen die de katholieke godsdienst aan ons christenen verschaft ! Onze godsdienst verlicht niet alleen de hevigheid onzer smarten, maar verlost ons, door de tusschenkomst onzer Heiligen,van ziekten die ongeneesbaar schijnen. Indien gij uwen toevlucht wildet nemen tot den H. Antonius van Padua,hem met betrouwen aanroepen en beloven van christene te worden, twijfel ik ook niet dat gij weldra uwe volle gezondheid zoudt terugbekomen. » Om hare meesteres nog meer tot betrouwen op te wekken, verhaalde zij eenige der bijzonderste mirakels door den H. Antonius bewerkt. Bewogen beloofde de turksche vrouw den katholieken godsdienst te omhelzen en bad ten beste mogelijk om de voorspraak van den H. Antonius. Daarna sliep zij in, hetgeen haar sinds lang niet meer was voorgevallen. Zij ontwaakte eindelijk na eenen gerusten en zoeten slaap, en stond op... gansch genezen ! Door blijdschap en dankbaarheid vervoerd, volbracht zij ten spoedigste hare belofte, ontvluchtte het turksche land en vertrok naar Spanje in gezelschap van Hortensia, die van toen af niet meer hare slavin maar hare getrouwe vriendin was.

-ocr page 116-

I I 2 LEVEN VAN DEN 11. ANTONIUS VAN PADUA.

Zij volhardde in het christen geloof en stierf heilig.

Ten jare 1849 kwam de Eerw. Moeder Emilia, algemeene Overste der Zusters van Sint-Jozef, te Jeruzalem. Daar kreeg zij den gevaarlijken cholera-morbus, en weldra waren alle geneesmiddelen onbekwaam om de schrikkelijke plaag te bestrijden. De geneesheeren zegden dan aan P. Antonius, Minderbroeder, die de zieke Overste bijstond, dat hij zich moest haasten om haarde HH. Rechten toe te dienen, dewijl zij maar eenige stonden meer te leven had. Door haar aanhoudend braken kon zij het H. Sakrament des Altaars niet ontvangen en, tot overmaat van ongeluk, vond men de Heilige Olie niet ; een andere Pater, die de verafwo-nende zieken was gaan bedienen,- had ze medegenomen. In dien uitersten nood nam Pater Antonius zijnen toevlucht tot den H. Antonius van Padua ; hij smeekte hem vurig niet toe te laten dat de Eerw. Moeder Emilia van de HH. Sakramenten zou beroofd zijn. Daarenboven beloofde hij, ter eere van den H. Antonius en het Onbevlekte Hart van Maria, een jaar lang alle zaterdagen te vasten, indien de eerwaarde zieke hare gezondheid terugkreeg. Op hetzelfde oogenblik gevoelde moeder Emilia eenen he-vigen schok aan haar hart en werd terstond gewaar dat zij gansch herleefde. Inderdaad, opeens was zij buiten gevaar, 's Anderdaags was zij genezen en ging den H. Antonius in de

-ocr page 117-

TWEEDE DEEL.

kerk bedanken ; daarna kon zij zonder moeite de heilige plaatsen van Jerusalem bezoeken.

Verloren geld of goed ! Er zijn ontelbare wondere gevallen. Onder andere verhaalt de geschiedschrijver Gonzaga het volgende dat, in 1380, te Avila, tijdens het bouwTen van 't klooster der Minderbroeders, geschiedde.

Een koopman Joannes Alphonso en zijne echtgenoote Aldonza Gonzalez hadden beiden eene bijzondere godsvrucht tot een beeld van den H. Antonius dat in de kerk der Minderbroeders geplaatst was; zij schreven aan de bijzondere voorspraak van dien Heilige het welgelukken toe van al hunne ondernemingen. Uit dankbaarheid hadden zij de gewoonte genomen jaarlijks, op den feestdag van den H. Antonius,het middagmaal voor zijne Broeders te bereiden ; zij bespraken ook dat, na hunne dood, hunne erfgenamen dit gebruik moesten blijven onderhouden. Nu, 't gebeurde dat hun neef en eenige erfgenaam, Nicolaus Alphonso, op zee varende, eenen kostbaren ring, gedachtenis zijner dierbare weldoeners, bij toeval in 't water liet vallen. Hij was er uiterst bedroefd over en dacht er niet aan dat hij hem nog ooit zou terugzien. Intusschen naderde de feestdag van den H. Antonius, en hij beval, volgens gewoonte, het middagmaal voor de Broeders te bereiden ; hij zond onder andere eenen schoonen visch. Als de kok van 't klooster den visch ging bereiden vond hij er den kostbaren ring in dien de

Leven van den H. Antonius van Padua. 8

113

-ocr page 118-

I 14 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

weldoener verloren had ! Nicolaus Alphonso was nu nog meer dan ooit den H. Antonius dankbaar en deed nevens het beeld van den H. Antonius eene schilderij ophangen het gebeurde voorstellende.

Een koopman, op eene diepe rivier varende, had door eenen slag van het zeil eene beurs goud uit zijne handen in 't water laten vallen ; natuurlijk moest zij voor eeuwig verloren zijn. Nochtans, te Zetuval in Portugal aanlandende, ging hij naar de kerk der Minderbroeders en vroeg de kloosterlingen de wondere Sï quceris miracula— «Zoo gij mirakelen zoekt »,met het gewoon gebed te willen zingen. Terwijl dit geschiedde, waren eenige visschers uitgezeild en hadden omtrent die plaats hunne netten geworpen. Bij den eersten trek brachten zij de beurs met geld boven en droegen ze terstond den koopman terug.

P.Ambrosius Catharinus, Aartsbisschop,uit de Orde der Predikheeren, had onder andere een boek geschreven owexdamp;Glorie der Heiligen. Hij vertrok met eenen medegezel uit Toulouse naar eene andere stad om het te zamen met nog eenige andere schriften te doen drukken. Maar, na eenige uren wegs afgelegd te hebben, bemerkte hij dat hij zijne handschriften verloren had. Mistroostig om het verlies van een werk dat hem zooveel arbeid en moeite gekost had, keerde hij langs denzelfden weg naar Toulouse terug, maar vond niets ; hij deed zelfs door den

-ocr page 119-

TWEEDE DEEL.

Gouverneur der stad alle mogelijke opzoekingen doen, maar vruchteloos. Hij begaf zich dan wederom zeer bedroefd op weg en, daar men-schelijke hulp te kort schoot, dacht hij aan den H. Antonius en beloofde, indien hij zijne verlorene schriften terugvond, die weldaad te vermelden. Nauwelijks had hij zijne belofte gedaan en een vurig gebed gestort, of hij ontmoette eenen reiziger die hem vroeg : « Hebt gij geene schriften verloren in een paksken gebonden?» Hij antwoordde terstond bevestigend en voegde erbij waaraan men de handschriften kon kennen. Dan bracht hem de reiziger ter plaats waar hij al de schriften op den weg vond liggen. Ambro-sius schreef die weldaad aan den H. Antonius toe en volbracht zijne belofte met dezelve te verhalen in datzelfde werk over de Glo7'ie der Heiligen, dat te Lyon in 't jaar 1541 gedrukt werd.

Moeten wij hier vertellen hoe Nicolaus Ver-nuloeus, Rector der hoogeschool van Leuven, in't jaar 1646, na lang en vruchteloos zoeken, op wondere wijze,door het aanroepen van den H. Antonius, eenige noodzakelijke rekeningen terugvond ?

Een advokaat van Brussel, na Antonius aanroepen te hebben, vond een gewichtig pleidooi weder dat hij lang te vergeefs gezocht had.

Een ander advokaat van Brussel, Joannes Gomes Canus, was, in 't jaar 1646, eenige schriften betrekkelijk een groot proces ontroofd ; hij

US

-ocr page 120-

I l6 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

aanroept vurig den H. Antonius en hoort eene mis te zijner eer. Hij krijgt zijne schriften terug en, uit dankbaarheid, doet hij de voorstelling van het wonder, bij de Minderbroeders, boven het altaar van den H. Antonius plaatsen.

Laurentius Jacobs, pastoor van Heylissem, in Brabant, was, ten jare 1654, tijdens den oorlog, genoodzaakt te vluchten en eenen zak met 2000 brabantsche guldens haastig in den vijver der nabijgelegene abdij te werpen. De soldaten trokken voorbij zonder iets te bemerken. Maar eene vrouw die alles gezien had kon niet zwijgen, en iemand die het hoorde ging heimelijk het pak zoeken en vluchtte ermeê weg. Vruchteloos dan deed de pastoor het geld op de aangewezene plaats terugzoeken. Hij nam zijnen toevlucht tot den H. Antonius. De dief werd door onrust geplaagd en had reeds het grootste deel door middel van eenen priester doen terug-dragen ; maar weldra werd hij zoo angstig en gejaagd dat hij als een razende uitriep : « dat men het geld aan den pastoor teruggeve, want zwarte duivels vervolgen mij. » Aldus kwam de pastoor in 't bezit van het overige.

Te Mechelen, in de Koestraat, woonde eene rijke dame, bij wie eene vrouw wrocht die heimelijk eene schoone som geld met al het zilverwerk ontroofde. Zoodra de dame bevond dat zij bestolen was, liep zij naar 't klooster der Minderbroeders en verzocht de Paters met haar den H. Antonius te bidden en drie missen te

-ocr page 121-

TWEEDE DEEL.

lezen te zijner eere. De dievegge werd op het oogenblik zoodanig angstig dat zij naar de kerk liep en het gestolen goed, ter waarde van omtrent 3000 guldens, in eenen blauwen doek gebonden, aan eenen jongeling overgaf, die het moest bestellen aan eenen Pater om het aan de eigenaarster terug te geven.

Mgr Ticard, eere-vicaris-generaal te Aix, in zijn Leven van den H. Antonius, verhaalt de volgende geschiedenis, hem door eenen goeden vriend, Charles d'Hericault, medegedeeld ;

Het was in de maand December van het jaar 1870.

Op zekeren morgend, komt mijne moeder mijne kamer binnen en zegt mij op droevigen toon : « Men heeft mij vijf briefjes van honderd frank ontstolen ! » Vijf honderd frank was eene gewichtige som, vooral voor personen gelijk wij, van geringen stand. Wij waren zeker van twee meisjes uit de gebuurte die dagelijks in ons huis kwamen om eene hand toe te steken in het magazijn. Er bleef geen ander persoon over dan de meid, die mijne moeder, ik moet het bekennen, door den nood ertoe gedwongen, zonder eenige inlichting, in haren dienst had genomen. Doch sedert vier maanden dat z ij bij ons woonde, hadden wij er ons nog niet van te beklagen gehad. Lang twijfelde mijne moeder en wist niet of zij hare achterdocht moest laten varen of niet. Eindelijk besloot zij bij de eerste gelegenheid er gevolg

li/

-ocr page 122-

I I 6 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

aanroept vurig den H. Antonius en hoort eene mis te zijner eer. Hij krijgt zijne schriften terug en, uit dankbaarheid, doet hij de voorstelling van het wonder, bij de Minderbroeders, boven het altaar van den H. Antonius plaatsen.

Laurentius Jacobs, pastoor van Heylissem, in Brabant, was, ten jare 1654, tijdens den oorlog, genoodzaakt te vluchten en eenen zak met 2000 brabantsche guldens haastig in den vijver der nabijgelegene abdij te werpen. De soldaten trokken voorbij zonder iets te bemerken. Maar eene vrouw die alles gezien had kon niet zwijgen, en iemand die het hoorde ging heimelijk het pak zoeken en vluchtte ermeê weg. Vruchteloos dan deed de pastoor het geld op de aangewezene plaats terugzoeken. Hij nam zijnen toevlucht tot den H. Antonius. De dief werd door onrust geplaagd en had reeds het grootste deel door middel van eenen priester doen terug-dragen ; maar weldra werd hij zoo angstig en gejaagd dat hij als een razende uitriep : « dat men het geld aan den pastoor teruggeve, want zwarte duivels vervolgen mij. » Aldus kwam de pastoor in 't bezit van het overige.

Te Mechelen, in de Koestraat, woonde eene rijke dame, bij wie eene vrouw wrocht die heimelijk eene schoone som geld met al het zilverwerk ontroofde. Zoodra de dame bevond dat zij bestolen was, liep zij naar 't klooster der Minderbroeders en verzocht de Paters met haar den H. Antonius te bidden en drie missen te

-ocr page 123-

TWEEDE DEEL.

lezen te zijner eere. De dievegge werd op het oogenblik zoodanig angstig dat zij naar de kerk liep en het gestolen goed, ter waarde van omtrent 3000 guldens, in eenen blauwen doek gebonden, aan eenen jongeling overgaf, die het moest bestellen aan eenen Pater om het aan de eigenaarster terug te geven.

Mgr Ticard, eere-vicaris-generaal te Aix, in zijn Leven van den H. Antonins, verhaalt de volgende geschiedenis, hem door eenen goeden vriend, Charlesd'Hericault, medegedeeld :

Het was in de maand December van het jaar 1870.

Op zekeren morgend, komt mijne moeder mijne kamer binnen en zegt mij op droevigen toon : « Men heeft mij vijf briefjes van honderd frank ontstolen ! » Vijf honderd frank was eene gewichtige som, vooral voor personen gelijk wij, van geringen stand. Wij waren zeker van twee meisjes uit de gebuurte die dagelijks in ons huis kwamen om eene hand toe te steken in het magazijn. Er bleef geen ander persoon over dan de meid, die mijne moeder, ik moet het bekennen, door den nood ertoe gedwongen, zonder eenige inlichting, in haren dienst had genomen. Doch sedert vier maanden dat z ij bij ons woonde, hadden wij er ons nog niet van te beklagen gehad. Lang twijfelde mijne moeder en wist niet of zij hare achterdocht moest laten varen of niet. Eindelijk besloot zij bij de eerste gelegenheid er gevolg

117

-ocr page 124-

Il8 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

aan te geven. Eens dat de meid was uitgegaan, nam zij de gelegenheid waar om hare kamer van onder tot boven te doorzoeken, alsmede al de overige plaatsen van ons huis eens met zorg na te zien.

De kamer was klein, het huis ouderwetsch,met vele hoeken en kanten en verlorene plaatsen opgevuld met oude papieren, versletene meubels die enkel den last van het bewaren en green ander voordeel medebrengen.

Alles werd verplaatst, verschoven, omgekeerd en doorzocht. Er werd echter niets gevonden.

Die opzoekingen, op onze wijze gedaan, deden ons nog het gedacht niet te binnen komen dat Victoria, de meid, wel het geld kon op haar verborgen houden.

Zonder mij ervan te spreken, besloot mijne moeder eene novene te doen ter eere van den H. Antonius. Victoria ging alle maanden eens uit, haar dag was de laatste zondag, dien zij dan bij hareoudersoverbracht. De bepaalde uitgangsdag naderde ; zoo wij vóór dat tijdstip het gestolen geld niet terughadden, en indien de meid werkelijk in het bezit ervan was, viel er niet meer aan te denken ; wij waren het voor altijd kwijt.

Den vrijdag tevoren besloot mijne moeder nog eens geheel het huis te doorzoeken. Zij hield zich bijzonderlijk bezig op eene kleine kamer, vroeger door mijne jongste zuster betrokken, en waar nu, in eenegroote kas, veel oud

-ocr page 125-

TWEEDE DEEL.

versleten lijnwaad in verschillige pakken samengebonden lag. Zij zocht en herzocht gedurig, keerde alle pakken om, deed ze open, en legde ze dan weer zorgvuldig weg. Gansch moedeloos kwam zij, na dit lastig onderzoek, tot mij, nam mij in hare armen en zuchtte weenend : «. Mijn zoon, alle hoop is verloren ! Er is niets te vinden, ik ben er meer en meer van overtuigd, zij moet het geld op haar dragen ; het is verloren voor altijd ! »

Des anderendaags, heel vroeg in den morgen, werd ik gewekt door mijne moeder die eensklaps bij mijn bed stond ; ik vreesde een ongeluk en zocht in allerhaast naar een wapen, toen ik haar gansch bleek en aangedaan, plotselings voor mij zag verschijnen. « Neen, sprak zij, en poogde te glimlachen, vrees niet, ik kom u enkel vragen mij te willen vergezellen ; want indien ik mij mocht bedrogen hebben, zou ik mij kunnen kwalijk bevinden en daarom durf ik niet alleen voort. )gt;

Terwijl ik in allerhaast mijne kleederen aantrok en den zwaren slaap nog uit mijne oogen trachtte te verjagen, sprak zij mij in dezer voege : « Gij weet dat wij onder de bijzondere bescherming staan van den H. Antonius van Padua ; hoe het komt weet ik niet, doch uw vader en uw grootvader waren er innig van overtuigd en haalden menigvuldige bewijzen bij. Ik heb dan ook eene noveen gedaan ter eere van den H. Antonius, en heb er om bijzondere redenen

HQ

-ocr page 126-

I20 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN 1'ADUA.

aan niemand van gesproken. Gisteren was het de laatste dag ; ik verdubbelde dus mijne godvruchtigheid, alhoewel er mij maar weinig hoop scheen. Dezen nacht had ik eenen droom,en zag den H. Antonius voor mij staan : hij scheen mij minzaam en lachend toe te zien. Hij deed alsof hij mij gedurig iets wilde aantoonen, doch ik gelukte er niet in zijne gebaren te onderscheiden. Eindelijk verdween hij zonder een woord te spreken. Na eenigen tijd zag ik hem een tweede maal. Nu kon ik klaar bemerken dat hij mij de oude lijnwaadkamer aanwees en zijne hand naar de groote kas uitstak. Hierop verdween hij nog eens. Een derde maal, 't was nauwelijks eenige stonden geleden, zag ik hem tot mij komen. Wederom hief hij zijnen arm omhoog en duidde mij bepaald de oude lijnwaadkas aan. Zijne lippen verroerden niet, doch ik hoorde hem duidelijk zeggen : Daar is het / Ik verstond genoeg dat hij wilde verklaren ; de briefjes liggen tus-schen het oud lijnwaad, in de groote kas, op de kamer door uwe jongstedochter vroegerbewoond; doch ik antwoordde hem zonder de minste vrees of verwondering ; « Maargoede Antonius, zulks is toch wel onmogelijk ! gisteren avond vóór dat ik ben slapen gegaan, heb ik alles doorzocht, geen enkel stuk heb ik onaangeraakt gelaten. » Hij zag mij minzaan aan, doch ging voort mij de plaats aan te duiden zeggende : Het is wel daar !Het is wel daar ! Hierop ben ik ontwaakt en kom u vinden. Ik wil hopen en durf bijna

-ocr page 127-

TWEEDE DEEL.

12 1

niet. Indien ik mij gisteren bedrogen had ! Ik vrees voor eene te groote aandoening.

Ik moet het bekennen, ik was bij dit verhaal innig getroffen. Hetgeen mij nog het vreemdste voorkwam, was de zonderlinge toon, zoo ver

schillend van hare gewoone wijze van spreken, op denwelken zij de woorden herhaalde: Het is daar ! Doch ik poogde uitwendig zooveel mogelijk mijne verwondering te bedwingen : ik

-ocr page 128-

122 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

sprak van hare koortsachtige gejaagdheid,waaraan ik haren droom alsook de verschijningen van den H. Antonius als inbeeldingen toeschreef; daarop zegde ik haar : « Hoe wilt gij dat het daar ligge, gij hebt mij gezegd hoe zorgvuldig gij gisteren avond nog alles doorzocht hebt, het komt daar toch opeens niet uitgeschoten gelijk het graankorreltje op den akker! » Doch mijne woorden brachten weinig op haar teweeg ; zij scheen vast overtuigd. Wij gingen dan te zamen naar de kamer, en toen wij op het punt waren de kas te openen zegde ze mij : « Mijn kind, ik kan u niet zeggen hoe zeer ik ben aangedaan ! wacht nog een oogenblik ; neen, de H. Antonius wil ons niet bedriegen ! »

Ik deed dan de kas open ; en ziet, het pak met de vijf briefjes lag daar vóór ons! Mijne moeder vloog mij weenend om den hals. «Ik wist wel, riep zij uit, dat de H, Antonius mij niet wilde bedriegen !» Zij wierp zich op de knieën, bedankte den Heilige nog meer om zijne wonderbare bescherming, dan wel om het teruggevonden geld. Als door eene onweerstaanbare kracht ertoe gedreven deed ik even als mijne moeder, en bad lang en vurig met haar.

Wij hielden de zaak geheim.

Des avonds, — nooit zal ik dit kort, maar indrukwekkend tooneel vergeten — na het avondmaal opgediend te hebben, ging de meid naar hare kamer. Wij wachtten met belangstelling af al wat er ging gebeuren. Plotselings hoor-

-ocr page 129-

TWEEDE DEEL.

den wij een groot gedruisch. Victoria kwam met veel gerucht de trappen af; zij steekt meteens de deur der eetplaats open en blijft op den dorpel staan. Wat wreed gezicht! wat akelig voorkomen! ik denk er nog aan, en levendig staat het mij nog altijd voor oogen. Zij stond daar stijf als een marmeren beeld ; bleek en gansch terneergeslagen. Zij bezag ons met gloeiende en vlammende oogen, met gespannen blik, met ingekrompen lippen, meteen ver-foeienden mond die ons de hevigste verwen-schingen naar het hoofd smeet. Nu was het de gramschap die in haar verwilderd gezicht doorstraalde ; dan de uiterste verwondering, de schaamte, de neerslachtigheid. Dan scheen zij aangedaan als iemand die op heeter daad betrapt wordt. Nu was het alsof zij, gelijk een veroordeelde, onder eenen plotselingen slag nederviel. Neen, nooit zal ik dit vergeten, dit bleek, nu woest, dan wild en half zinneloos voorkomen !

« Morgen moogt gij naar huis gaan en er voor goed blijven », zegde opeens mijne moeder.

Bij deze wToorden bleef zij nog een oogenblik hare vroegere houding bewaren. Dan was het alsof zij zich op ons wilde werpen, om haar goed terug te nemen. Doch opeens keerde zij zich om, liep de eetplaats uit, en verliet na een oogenblik ons huis om er nooit meer weder te keeren.

Later verklaarde zij aan eene boezemvriendin, onder het grootste geheim, hoe de bankbriefjes

123

-ocr page 130-

124 leven van den h. antonius van padua.

daar gekomen waren. Nadat zij ze langen tijd op haar gedragen had, had zij ze over acht dagen onder eene dakpan in den tuin verborgen. Daar zij den volgenden dag moest uitgaan, vreezende dat men op den laatsten oogenblik haar streng ging bewaken, daarenboven wetende dat moeder daareven eene laatste maal de oudlij nwaadkas met de grootste nauwkeurigheid had doorzocht, dacht zij, en met reden, dat niemand tot die plaats zou terugkeeren. Zij had daarom besloten daar in de laatste uren haren geroofden schat te verbergen, om hem bij haar heengaan gemakkelijk, zonder den minsten achterdocht en ongestoord, mede te nemen.

Het plan was goed verzonnen ; doch zonder op den H. Antonius te rekenen !

Een zeer geleerde Pater Capucien,in't klooster van Brugge, had een handschrift verloren waaraan hij lang gewrocht had. Mistroostig en misnoegd zoekt hij op zijne werktafel ; ondertus-schen komt een medebroeder hem iets vragen. De medebroeder zag aanstonds wat er gaande was en zegde ; « Laat ons samen een gebed doen tot den H. Antonius. » Zij doen dit, staan op, zoeken op de werktafel, daar ligt het handschrift. De twee Paters leven nog, en ik zou zegemakkelijk kunnen noemen.

Ik moet eindigen ; wilde ik alles melden wat ik in de boeken tegenkom of vernomen heb, 't zou nog lang duren eerdat mijn werk voltrokken zij. Ten anderen, wie kan er niets bijvoe-

-ocr page 131-

TWEEDE DEEL.

gen ? Wie heeft persoonlijk de tusschen-komst van den H. Antonius niet beproefd in het terugvinden van verlorene zaken ?

Reeds van in het begin der vijftiende eeuw las men in Italië het volgende gebed ter eere van Antonius, om door zijne voorspraak de verlorene voorwerpen terug te vinden :

« O God, die aan uwen gelukzaligen dienaar en glorievollen belijder, den H. Antonius van Padua, de genade verleend hebt mirakelen te doen, en in het bijzonder deze van de verlorene voorwerpen weêr te doen vinden, om ze eens teruggevonden niet meer te verliezen, wij bidden u ootmoediglijk dat Gij door zijne tusschen-komst, ons ook datgene laat wedervinden wat wij verloren hebben, en dat wij door zijne verdiensten en zijne voorspraak tot de eeuwige glorie mogen geraken. Amen. »

In Duitschland bidt men in dezer voege: « Groote heilige Antonius, die door uwe werken van boetvaardigheid en uwe wondere predikingen duizende zielen aan den duivel hebt ontrukt om ze tot God terug te brengen, ik neem tot u mijnen toevlucht in mijne noodwendigheid, om u hetgeen ik verloren heb (of dat mij ontnomen werd)inniglijk aan te bevelen. Ik heb, gij weet het, volle betrouwen in uwen machtigen bijstand, ik ben innig overtuigd dat uit liefde tot u, de Heer het mij zal terugschenken. Ik heb het u toevertrouwd, ik beveel het aan uwe zorg, ik kom in alle eenvoudigheid u

125

-ocr page 132-

126 LEVEN VAN DEN li. ANTONIUS VAN PADUA.

weervragen hetgeen ik u toevertrouwd heb. Voorzeker zult gij het mij doen terugvinden, en om er u mijne erkentenis over te betuigen zal ik uwe Litanie bidden. Heilige Antonius, laat niet toe dat ik in mijne hoop bedrogen worde : dat uwe vijanden met u den spot niet drijven en zeggen : waar is nu Antonius met zijne bijzondere bescherming ? Ik bid u, door de macht met dewelke gij zoovele verdwaalde zielen tot den rechten weg teruggebracht hebt, en zoo menigvuldige verlorene dingen deedt terugvinden, help mij, tot Gods glorie en tot uwe eer, opdat ik terugbekome wat ik verloren heb. Amen. »

De H. Antonius vraagt geene gebeden met groot verstand opgesteld. Gemeenlijk ondervindt men zijne machtige tusschenkomst door eene eenvoudige maar betrouwende aanroeping en het bidden van het Onze Vader en het Wees Gegroet.

Er bestaan nochtans bijzondere oefeningen en gebeden, die wij meenen hier te moeten aangeven. Vooreerst het gebed

«SI QU^ERIS» van den H. Bonaventura.

Si quceris miracula, Mors, error, calamitas, Doemon, lepra fugiunt, ^Egri surgunt sani.

Wilt gij wond'ren zien geschieden ? Op Antonius' voorspraak vlieden Dood, melaatschheid, ketterij ; Onheil, duivlen gaan voorbij ; Zieken zijn gezond,

In een enk'len stond.


Cedunt i?iare, vinculo.; Membra, res que perditas Petuyit et accipiunt J live lies et caui.

Storm en boeien vallen neder Oud en jong ontvangen weder Op hun bee 't verloren goed ; Is een lidmaat, hand of voet, Ziek, gekwetst of teer ,

7 Krijgt gezondheid weer.


-ocr page 133-

TWEEDE DEEL.

Pereunt pericula, Wie Antonius wil vragen,

Cessat et necessitas, Ziet! gevaren, nood en plagen.

Narrent hi qui sentiunt ; Vlieden als een schaduw heen ;

Dicant Paduani. Ja, verhaalt het iedereen,

— Gij, die 't ondervondt ;

Spreek, o Padua '3 mond.

Cedunt via re, etc. Storm en boeien, enz.

Gloria Patr; et Filio et Spiri- Eere zij den Vader en den Zoon en den tui Sancto. H. Geest.

Cedunt mare, etc. Storm en boeien, enz.

y. Ora pro nobis, Sancte Bid voor ons, H. Antonius.

Antoni.

R7. U t digni efficiamur pro- R7. Opdat wij de beloften van Christus

missionibu? Christi. waardig worden.

Oremus. Laat ons bidden.

Ecclesiam tuam. Deus, Beati De godvruchtige voorspraak van den

Antonii Confessoris tui de- Gelukzaligen Antonius. uwen Belijder,

precatio votiva Icetificet, ut moge, ó God, uwe Kerk verblijdenr

spiritualibus semper mu- opdat zij steeds door geestelijke hulp

niatur auxiliis et gaudiis versterkt worde en de eeuwige vreugden

perfrui mereatur ceternis — genieten moge. Door Christus Onzen

Amen. Heer. Amen.

Pater noster et Ave. Onze Vader en IVees Gegroet.

(100 dagen aflaat — Pius IX. 25en Januari 1866.)

In ons katholiek België bijzonderlijk bloeit de godsvrucht der

NEGEN DINSDAGEN

TER EERE VAN

DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

De H. Antonius stierf op eenen vrijdag, doch omreden van verscheidene moeilijkheden en der talrijke wonderen die aanstonds na zijnen dood plaats hadden, was men genoodzaakt de begrafenis uit te stellen tot op den volgenden dinsdag. Dien dinsdag werden er door het aanroepen van den H. Antonius talrijke wonderbare gunsten bekomen. Uit dankbaarheid en liefde wijdde het volk den dinsdag aan de godsvrucht

127

-ocr page 134-

128 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

en vereering van den H. Antonius. Bij voorkeur den dinsdag ging men het graf des Heiligen bezoeken, en algemeen heerschte te Padua de meening, dat men dien dag alle genaden van God door zijne voorspraak kon bekomen. Deze godsvrucht werd in 'tjaar lóiyop buitengewone wijze bekrachtigd, doordien de H. Antonius, te Keulen, aan eene aanzienlijke dame, die hem dringend om eene bijzondere gunst smeekte, 's nachts verscheen en de volgende woorden tot haar sprak : « Bezoek negen achtereenvolgende dinsdagen mijn beeld in de kerk van den H. Franciscus, en gij zult verhoord worden. » De godvruchtige vrouw deed zulks en bekwam hetgeen zij zoo vurig verlangd had.

Onlangs heeft een nieuw wonder het vertrouwen van Antonius' vereerders versterkt en aan de godsvrucht der negen dinsdagen eene nieuwe en machtige aanbeveling verworven ; namelijk de plotselinge genezing van mevrouw de Gravin de Rosiers, door haarzelve in den volgenden brief, van i9den December 1894, meegedeeld:

« De ziekte die mij gedurende meer dan vijf maanden van het gebruik mijner beenen beroofde, begon den 4en Maart 1894.

« Toen ik mij wat beter bevond, en ik mij kon oprichten, bestatigde men eene aantasting van het ruggemerg die mij het gaan en zelfs het staan belette.

«Den i2m Juni, daags vóór het feest van den H. Antonius, tot wien ik eene bijzondere gods-

-ocr page 135-

129

vrucht koesterde, begon ik met groot betrouwen de negen dinsdagen ter eere van dezen Heilige. De week, die den laatsten dinsdag voorafging, was ik slechter dan ooit. Het staan werd mij zelfs onmogelijk, en somwijlen verdween alle hoop uit mijn hart.

« 's Maandags kwam de eerw. heer Pastoor mijne biecht hooren, en beloofde den dinsdag morgend de H. Communie te brengen.

« Dienzelfden maandag wilde ik volstrekt, door twee personen ondersteund, eene schrede doen ; maar, hoe ik ook al mijne krachten inspande om mij recht te houden, ik slaagde er niet in. Tranen vloeiden uit mijne oogen. 's Nachts sliep ik weinig. Ik kon zelfs niet liggen. 's Morgens duurde de treurige toestand voort. Men kwam mij ophelpen, plaatste mij in eenen grooten leunstoel vóór het altaartje, dat mijne moeder had opgericht; ik las de gebeden mijner novene, en bleef bidden in afwachting van de komst van O. L. Heer. Mijne tranen bleven vloeien. — Mijn goede God kwam ; ik ontving Hem zoo goed mogelijk, en overtuigd dat ik geene genezing zou vinden, vroeg ik Hem een weinig van de liefde,waarvan Antonius voor Hem had gegloeid.

« Na de dankzegging, voelde ik mij gedrongen het gebed Si quceris van den H. Bona-ventura te bidden. Ik beloofde drie HH. Missen en vijftig frank voor 't liefdewerk der broo-den. « Ik moet toch eens beproeven, sprak ik

9

De H. Antonius van Padua.

-ocr page 136-

130 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

toen ; ik richtte mij op ; bevend, ik beken het, zette ik eene schrede, dan twee, terwijl eene mijner dochters, die alleen bij mij was, wit werd als de muur en uitriep : « Mama, wat doet ge ? » — « Wel, ik loop! Ziet ge niet, dat ik loop ! » — Ik liep naar haar toe, viel haar om den hals, liep recht als voorheen de kamer rond, en dan wierp ik mij vóór het altaartje.

« Ik had eene groote gunst ontvangen. Ik was genezen, ten volle genezen. Dienzelfden dag heb ik God in zijnen tempel kunnen gaan bedanken.

« De geneesheer die mij bezocht, is het wonder komen bestatigen, en bij het afscheid sprak hij tot mij ; « Staak alle behandeling, mevrouw ; wij hebben het recht niet aan Gods werk te raken. » Magnificat!

Camille de Rosiers, geb. d'Artiques.»

Men kan die Novene doen op twee manieren:

De eerste bestaat in negen achtereenvolgende dinsdagen het beeld van den H. Antonius in de kerk der Minderbroeders te bezoeken en daar een bijzonder gebed te storten, om door dien Heilige te bekomen hetgeen men verlangt, indien het zalig is. De gewoonte is dat men op elkeen der negen dinsdagen tot de H. Tafel nadert. Dit is de beste manier.

De tweede manier is van gedurende negen

-ocr page 137-

TWEEDE DEEL.

achtereenvolgende dagen zijn gebed te komen storten vóór het beeld van den Heilige en den dinsdag onder de Novene of wel den eersten of laatsten dag godvruchtig tot de H H. Sakra-menten te naderen.

Er zijn geene vastgestelde gebeden ; deze worden aan ieders godsvrucht overgelaten. Het krachtigste gebed schijnt nochtans hel boven aangehaald Si queer is te zijn.

Op plaatsen waar geene ordekerken van den H. Franciscus zijn, kan men zijne oefeningen doen in eene andere kerk of zelfs t' huis vóór een beeld van den Heilige.

Indien men de begonnen oefening omreden van gewichtige omstandigheden onderbreken moet, kan men ze later en op de dagen, die men beschikbaar heeft, voortzetten.

Antonius, die tijdens zijn leven zoo gemeenzaam met alle menschen omging, en voor iedereen, arm of rijk, klein of groot, toegankelijk was, heeft die schoone hoedanigheid in den hemel niet verloren en schijnt bijzonderlijk de gebeden die met kinderlijken eenvoud gedaan worden te willen verhooren. Dit kinderlijk betrouwen vinden wij in eene geestelijke dochter, Theresia Verhaegen, die als begijntje te Gent, over weinige jaren, heilig gestorven is. Door de negendaagsche oefeningen die zij voor anderen ter eere van Antonius verrichtte, bekwam zij schier al wat zij vroeg. Ook sprak en handelde zij met het beeld van Antonius alsof

-ocr page 138-

132 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

het levend ware geweest ; soms zelfs dreigde zij het op te sluiten of buiten in den regen te zetten, indien de Heilige zich niet verhaastte hare smeekingen te verhooren.

-ocr page 139-

DERDE DEEL

Het brood der armen of

St Antonius' brood.

1° OORSPRONG VAN HET WERK.

OD schijnt onze hoovaardige eeuw te willen vernederen door het schouwspel der macht van den H. Antonius, eenen armen en nederigen kloosterling, en den geweldigen strijd die tusschen werkman en meester verwekt is geworden door de liefdadigheid te willen stillen. Op onze dagen van hoovaarclij ziet men rijken nevens armen ootmoedig toestroomen vóór het altaar van den H. Antonius van Padua en zijne hulp inroepen in hunne tijdelijke zoowel als geestelijke noodwendigheden. Nu dat de grootste verstanden bezig zijn met een middel te zoeken om den vrede te bewerken tusschen degenen die geld en goed hebben en degenen die hun dagelijksch brood met handenarbeid moeten winnen, schijnt de goede God ons.beter zijne woorden te willen doen verstaan : «Zoekt eerst en vooral het Rijk der hemelen er. het overige zal u toegegeven worden » ; Hij wil dat men meer onthecht zij van de aardsche dingen om meer met de hemelsche bezig te zijn ; het is Hem aangenaam dat de rijke gelijk de arme, elk volgens zijne middelen, zijne giften neêrlegge in de handen van den

-ocr page 140-

134 leven van den h. antonius van padua.

H. Antonius die het dagelijksch brood aan de behoeftigen uitdeelt ; zoodat armen en rijken het zelfde brood eten en in hetzelfde crebed

O

vereenigd zijn.

't Is om alle die redenen dat de H. Antonius van Padua een wonderwerk heeft doen ontstaan, en dat op de eenvoudigste wijze.

Te Toulon (Zuiden van Frankrijk) in de La-fayette-straat, N04i, woont zekere juffer Louise Bouffier. long zijnde had zij de begeerte van Carmelitesse te worden; maar verscheidene omstandigheden beletteden haar dien levensstaat aan te gaan; zij leeft dus in de wereld, bovenal bekommerd om hare christelijke plichten te kwijlen. Sinds lang is zij eene der ijverigste medewerkers van het werk der arme kerken. Rijk is zij niet; zij vindt haar bestaan in eenen kleinen winkel van ellegoederen en is gelukkig iets te kunnen wegleggen om het aan de armen uit te deelen of het aan de arme kerken te schenken. Haarhuis is niet groot; het heeft maar een venster; haar winkel meet drie meters vierkant, het eenig plaatsken erachter is drie meters lang op 2 meters 25 breed en trekt alleenlijk licht door de glazen deur ; zij noemt het haren achterwinkel omdat zij er hare kisten en voorraad moet zetten ; maar daar moet zij zich ook ophouden om te eten en te drinken en de bezoekers te ontvangen. Nu 't is in dien nauwen achterwinkel dat het wonderwerk van het Sint Antonius brood, in 't jaar 1890, begonnen

-ocr page 141-

derde deel.

is. Men zal den oorsprong vernemen in den volgenden brief welken juffer Bouffier, den i5en November 1892, schreef aan den Eerw. Pater Capucien Maria-Antonius, die haar verschillige inlichtingen gevraagd had over het bestaande werk :

Eerwaarde Pater,

« Gij begeert te weten hoe de godsvrucht tot den H. Antonius van Padua ontstaan is in onze stad Toulon ; gelijk al de werken van God is zij ontstaan en heeft zij zich uitgebreid, zonder gerucht of geroep ; over vier jaar, wist ik niets anders van de godsvrucht tot den H. Antonius tenzij wat ik oppervlakkig had hooren zeggen, dat hij verlorene zaken deed terugvinden als men het hem vroeg.

« Zekeren morgen kon ik mijnen winkel niet opendoen, het nachtslot was gebroken : ik zond eenen slotmaker halen die meteenen groo-ten bos sleutels afkwam ; na eene gansche uur vruchteloos gewrocht te hebben, zegde hij mij : «Ik ga mijn gereedschap halen om de deur open te breken, daar is geen ander middel. » Terwijl hij weg was, als door Gods ingeving zegde ik in mijzelven : « Indien ik beloofde wat brood te geven aan Sint Antonius voor zijne arme men-schen, zou hij misschien helpen de deur openen zonder ze in stukken te moeten doen springen. » Op het zelfde oogenblik komt de slotmaker terug met nog eenen werkman. Ik zeg hem : « Mijne vrienden, ik bid u, geeft mij eerst eene

-ocr page 142-

136 LEVEN VAN DEN IT. ANTONIUS VAN PADUA.

voldoening ; ik kom eene belofte te doen van brood te geven aan den H. Antonius voor zijne armen ; in plaats van de deur te doen springen, tracht ze nog eens anders open te doen, misschien dat die Heilige ons zal komen helpen, » Zij doen 't, en ziet ! met den eersten sleutel dien zij in 't gebroken slot steken, doen zij zonder 't minste geweld de deur open alsof er niets aan zou gescheeld hebben. Onnoodig- te zeofsfen

ö OOO

hoe iedereen verwonderd stond.Sedertdien hebben al mijne godvruchtige vriendinnen met mij begonnen dien goeden Heilige te aanroepen ; de minste tegenheid wordt hem medegedeeld met belofte van brood voor zijne armen en wij staan verwonderd over de gunsten die hij ons verleent.

« Eene mijner beste vriendinnen, getuige van die wonderen, deed de belofte van alle dagen, haar leven lang, eenen kilo brood aan den H. Antonius te geven, indien hij iemand van hare familie wilde genezen van een gebrek dat hem sedert drie-en-twintig jaar kwelde; de gunst werd aanstonds bekomen, en het gebrek is niei meer teruggekeerd. Uit erkentenis kocht zij een beeldeken van den H. Antonius van Padua en gaf het mij ; wij plaatsten het in een donker plaatsken waar men licht moet ontsteken, wil men klaar zien : 't is mijn achterwinkel. Welnu ! zoudt gij 't gelooven, Eerwaarde Pater, geheele dagen is dit donker kamerken vol volk dat komt bidden met eene buitengewone vurigheirl,

-ocr page 143-

DERDE DEEL. 137

En niet alleen komt iedereen bidden, maar men zou zeggen dat iedereen betaald is om deze godsvrucht te doen kennen en te verspreiden.

« 't Is een soldaat, een officier, een zeecorn-mandant, die eene verre reis moet ondernemen en de belofte komt doen van alle maanden vijf frank brood aan den H. Antonius te schenken indien er tijdens de reis geen ongeluk voorvalt; 'tis eene moeder die de genezing komt afvragen van haar kind of het welgelukken van eene onderneming:'t is eene familie die de bekeering komt afsmeeken van eene lieve ziel die gaat sterven en geenen priester wil ; t is een dienstbode zonder plaats of eene vrouw zonder werk: en bij iedere vraag is er eene belofte van brood indien men verhoord is. Nu, Eerwaarde Pater, om u een gedacht te geven van de gunsten die onze lieve H. Antonius dagelijks verleent (men betaalt immers maar als de gunst verleend is), men heeft de verledene maand in de kleine bus die vóór den Heilige staat vijf honderd negen en dertig frank gestoken, 't geen ons toegelaten heeft dertien honderd kilo s schoon wit brood uit te deelen ; en 't is gemeenlijk alzoo alle maanden.

« Wat aan onze lieve godsvrucht meest goed gedaan heeft, is eene spotternij die in een goddeloos dagblad onzer stad gestaan heeft; die spotternij was tegen mij gericht en gaf mij uit voor iemand die eene bijgeloovigheid wil invoeren en onderhouden...... Ik heb gelachen

als ik dat gelezen heb, en wat ik voorzien heb

-ocr page 144-

138 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

is voorgevallen ; uit een klein kwaad heeft de Heer veel goed getrokken ; zoo machtig is Hij !

« Tegenwoordig hebben wij ongelooflijke beloften van brood ; wij hebben er drie van duizend frank, zonder te spreken van het oneindig getal kleine beloften ; en de gunsten vermeerderen cjeduriof.

Cquot;gt; O

«Wij ontvangen alle dagen postmandaten met eenige schoone reken dankzeggingen tot den goeden H. Antonius ; daar komen er van alle kanten : van Lyon, Valentie, Grenobel, Mont-pellier, Nicca, Grasse, Marseille, Hyères, en duizend andere plaatsen ; wij hebben zelfs veertig frank ontvangen van eenen krijgsoverste uit den Dahomey ; hij heeft ze ons afgezonden van op het slagveld.

« Ik zou moeten geheele boeken schrijven indien ik al de geestelijke en tijdelijke gunsten wilde aanteekenendie men reeds bekomen heeft,

« Gij vraagt ook, Eerwaarde Pater, hoe dat schoon wit brood van den H. Antonius uitgedeeld wordt; ziehier : wij hebben eene lijst gemaakt van al de arme kloosters en weezenhui-zen der streek, natuurlijk zonder de brave Zus-terkens der armen te vergeten. Zoohaast er geld in kas is, wordt beurtelings aan ieder van de gestichten gevraagd wanneer het begeert voor eenen dag brood te ontvangen. Op den gestelden dag, wordt er vijftig, tachtig, honderd kilos brood heengezonden, volgens het getal personen van het huis ; en wanneer de kinderen

-ocr page 145-

DERDE DEEL

op de tafel der eetzaal het schoon wit brood zien liegen, erkennen zij gauw dat het hun gewoon brood van het huis niet is ; dan vouwen zij al te zamen de handen en zenden een vurig gebed ten hemel met een hartelijk T.eve de li. An'oniv.s ! 't Moet zijn dat deze handelwijze den goeden Heilige aangenaam is aangezien hij het klein werk meer en meer zegent.

« Om te eindigen, Eerwaarde Pater, laat mij toe u een ofebed te vragen voor deze die God

O o

verkozen heeft om zijne kleine uitdeelster te zijn, opdat ik dien beminnelijken Heilige meer en meer lief worde door ootmoedigheid en zelfverloochening.

Uwe zeer nederige dienares in O -II. J.-C.

Louise Bouffier. » 2° UITBREIDING VAN HET WERK.

ZOoALSOoALS wij zien in bovengemelden brief, heeft het Werk van het Sint Antonius brood den eenvoudigsten oorsprong ; Juffer Bouffier zelve meende niet dat uit de nietige omstandigheid van een gebroken slot een wonderwerk zou gesproten zijn.

't Is alleenlijk nadat het reeds lang bestond, dat de aalmoezenier van een patroonschap van Parijs eraan dacht den dag op te zoeken dat het ontstaan was. Daartoe heeft men moeten het rekenboek te rade gaan van M' Bouvant, slotmaker, in de Lafayettestraat, 30, te Toulon, die het slot herstelde dat tot het wonderwerk aanlei-

139

-ocr page 146-

138 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

is voorgevallen ; uit een klein kwaad heeft de Heer veel goed getrokken ; zoo machtig is Hij !

lt;( Tegenwoordig hebben wij ongelooflijke beloften van brood ; wij hebben er drie van duizend frank, zonder te spreken van het oneindig getal kleine beloften ; en de gunsten vermeerderen Qfedurigr

O O

«Wij ontvangen alle dagen postmandaten met eenige schoone reken dankzeggingen tot den goeden H. Antonius ; daar komen er van alle kanten : van Lyon, Valentië, Grenobel, Mont-pellier, Nicca, Grasse, Marseille, Hyères, en duizend andere plaatsen ; wij hebben zelfs veertig frank ontvangen van eenen krijgsoverste uit den Dahomey ; hij heeft ze ons afgezonden van op het slagveld.

« Ik zou moeten geheele boeken schrijven indien ik al de geestelijke en tijdelijke gunsten wilde aanteekenendie men reeds bekomen heeft.

lt;( Gij vraagt ook, Eerwaarde Pater, hoe dat schoon wit brood van den H. Antonius uitofe-deeld wordt; ziehier : wij hebben eene lijst gemaakt van al de arme kloosters en weezenhui-zen der streek, natuurlijk zonder de brave Zus-terkens der armen te vergeten. Zoohaast er geld in kas is, wordt beurtelings aan ieder van de gestichten gevraagd wanneer het begeert voor eenen dag brood te ontvangen. Op den gestelden dag, wordt er vijftig, tachtig, honderd kilos brood heengezonden, volgens het getal personen van het huis ; en wanneer de kinderen

-ocr page 147-

derde deel

op de tafel der eetzaal het schoon wit brood zien liggen, erkennen zij gauw dat het hun gewoon brood van het huis niet is ; dan vouwen zij al te zamen de handen en zenden een vurig gebed ten hemel met een hartelijk Leve de H. Anlonivs ! 't Moet zijn dat deze handelwijze den goeden Heilige aangenaam is aangezien hij het klein werk meer en meer zegent.

« Om te eindigen, Eerwaarde Pater, laat mij toe u een oebed te vrag-en voor deze die God

ö O

verkozen heeft om zijne kleine uitdeelster te zijn, opdat ik dien beminnelijken Heilige meer en meer lief worde door ootmoedigheid en zelfverloochening.

139

Uwe zeer nederige dienares in O.-II. j.-C.

Louise Bouffier. »

20 UITBREIDING VAN HET WERK.

ooals wij zien in bovengemelden brief,

heeft het Werk van het Sint Antonins brood

den eenvoudigsten oorsprong ; j uffer Bouffier zelve meende niet dat uit de nietige omstandigheid van een gebroken slot een wonderwerk zou

gesproten zijn.

't Is alleenlijk nadat het reeds lang bestond, dat de aalmoezenier van een patroonschap van Parijs eraan dacht den dag op te zoeken dat het ontstaan was. Daartoe heeft men moeten het rekenboek te rade gaan van M' Bouvant, slotmaker, in de Lafayettestraat, 30, te Toulon, die het slot herstelde dat tot het wonderwerk aanlei-

-ocr page 148-

140 LEVEN VAN DEN II. ANTONIUS VAN PADUA.

ding heeft gegeven. Daar heeft men gevonden : « Den jo011 Maart iSgo. Een nieuw slot geplaatst ; tijd verbruikt om het oud slot open

te doen...................fr. 2.50. )gt;

Men zou naar den slotmaker niet moeten o-e-

O

gaan zijn cm dien dag op te zoeken, hadde Jw Bouffier dag op dag aangeteekend welk geld zij op hare meubels vond voor den H. Antonius ; maar zij had daar niet eens op gedacht. Met het geld dat zij vandaag gevonden had, kocht zij 's anderdaags brood en gaf het aan de zuster-kens der Armen.

Men zou misschien denken dat de toeloop van volk aan Ju Bouffier profijt moest mêebren-gen, maar integendeel. Na eenigen tijd schreef zij naar eene harer vriendinnen :

« Er komt zooveel volk naar mijn arm huis om den H. Antonius te zien dat dit de verkoop belet. De koopers zijn niet gaarne bij zooveel getuigen. Ik heb dit jaar nog min verkocht dan naar gewoonte, 't Is bijgevolg de armoede te midden van den rijkdom. Onze lieer moet tevreden zijn, »

De winkel van J%v Bouffier is dicht bij de Groenselmarkt, en daar is gemeenlijk veel volk. Men verstaat dat er zijn die niet gaarne aldus in 't openbaareenen Heilige gaan dienen.

Zekeren dag, kwam daar eene dame met haren man die officier is ; na vele omwegen om niet gezien te zijn, geraakten zij tot vóór den Heilige en de dame deed haar gebed: « Heilige

-ocr page 149-

DERDE DEEL. 141

Antonius, mijn man is u komen bezoeken. Gij kunt nu niet nalaten hem te verhooren !» Ee-nige dagen later, kwamen zij terug; maar ditmaal zonder te zoeken om niet gezien te zijn. Zij kwamen vijftig frank brengen om den H. Antonius te bedanken. De officier had de verhooging bekomen die hij sedert lang tevergeefs gezocht had.

Wat vreemd kan voorkomen 't is dat de H. Antonius gunsten verleent zelfs aan mannen die niet als godvruchtig willen aanzien zijn.'t Is alzoo dat zekeren dag een heer, die verre is van katholiek te zijn, eene dame aansprak in de Lafayette-straat en vroeg : « Mevrouw, wilt gij zoo goed zijn deze kleine som aan den H. Antonius te bestellen ? » En hij stak een briefken van vijftig frank uit. « Maar, Mijnheer, antwoordde zij, waarom draagt gij dat zelf niet ?» — «O neen, hernam de ongeloovige en toonde zich ontevreden, nooit van mijn leven ! Zie, ik ga u de waarheid zeggen. Ik geloof aan uwen Heilige niet. Maar ik had er veel van hooren spreken en ik weet niet hoe mij het gedacht te binnengekomen is van hem op de proef te stellen. Niettemin, zG.\diamp;\\s.,indien zti/ke zaak ge lukte,zou ik wel vijftig frank geven. Nauwelijks was mijne belofte gedaan of de zaak is naar wensch gelukt, 't Is voorzeker dat het alzoo heeft moeten passen. Toch ik heb maar één woord ; ik wil het uitvoeren. Als 't u belieft, mevrouw, gelief deze som te bestellen in den achterwinkel dien gij kent. »

-ocr page 150-

142 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

De dame aanvaardde. De heer bedankte en vertrok, na gegroet te hebben, zeggende: « 't Is gelijk, gij weet dat ik aan uwen Heilige niet geloof. » ie weet of hij zoo ongeloovig was als hij het wilde gebaren ?

Wij hebben gezegd dat J^Bouffier in het begin niets aanteekende ; maar omreden dat zij langs alle kanten op hare meubels geld vond en ook om hare nieuwsgierigheid te voldoen, deed zij een houten kistje maken en plaatste het aan de voeten van den Heilige. Zij begon te tellen den 2en November, 't Moet zijn dat die manier van doen den H. Antonius aangenaam was, aangezien dat, van dien dag af, de ontvangsten snel verhoogden. Wij schrijven uit haren boek :

iste week van November ......fr. 17-75

2de » » » ......» 25.45

3de )gt; )gt; » ......» 30.50

Den dag van die maand dat men meest ontving, was de 2iste November ; men was uiterst tevreden; men had 162 frank ontvangen. Men kon het niet verzwijgen ; men sprak er op de markt van, en welhaast was iedereen ermee bezig. Tegenwoordig als men maar 300 frank ontvangt is het een kleine dag.

Wij schrijven voort uit haren boek :

1891 November............fr. 299.5c

» December............» 198.90

Totaal » 498.40

-ocr page 151-

DERDE DEEL.

Januari.........

......fr.

251.00

Februari .....

......»

286.30

Maart.........

......»

328.40

April .........

......»

373-65

Mei .........

......»

340.40

Juni .........

......»

473-90

Juli..........

......»

422.70

Augusti........

......»

537-S5

September......

......»

429-15

October.......

......»

524-70

November......

......»

1014.45

December......

......»

761.40

Totaal van 't jaar » 5.743.90

143

1893 Januari...

» Februari

» Maart...

» April ...

» Mei

» Juni ...

» Juli. ...

» Augusti..

» September

» October.

» November

» December

......fr.

......»

......»

......»

......»

......»

......»

......»

......»

......»

......»

......»

1072.15 ioi3-45

'25905

2085.30 2184.65 3230.60

3650-15

4135.00 4042.15 453^-95 5254-35 6010.15


Totaal van 't jaar » 38.481.95

-ocr page 152-

144 leven van den h. antonius van padua.

1894 Januari... Februari Maart ... April ... Mei Juni

Juli. ... Augusti.. September October.. November December

fr.

5335-85

»

6255.90

»

7281.80

»

7207.50

»

8265.00

»

8965.00

»

904I-75

»

11889.35

»

7752.80

»

i I434-50

9568.50

»

14509.00


otaal van.'t jaar » 107.506.95

otaal...... (quot;••. 1 20 902.25

» ...... gt;gt; 127.922.70

Het grootste gedeelte van die offranden zijn in den offerblok gestort; maar men verstaat dat er ook vele moeten toekomen met den post. Dagelijks komen er vijftig, zestig, tot zeventig brieven toe, en van alle kanten. Jw Bouffier leest alles zelve en daar is geen brief waarop zij niet antwoordt; wel te verstaan indien de verzender zijn adres laat kennen ; vele brieven immers komen van onbekenden.

Men zou kunnen opwerpen dat al die antwoorden geld kosten, en dat het zooveel te min is voor de armen. Zijt gerust. Jw Bouffier draagt daar zelve al de kosten van. Zekeren dag zegde haar een heilige kloosterling dat zij gerust die

'895 1896

-ocr page 153-

DERDE DEEL.

kleine onkosten mocht betalen op de ontvangsten. « Neen, antwoordde zij, men raakt aan 't geld van den arme niet; ik zou niet gerust meer antwoorden indien ik moest schrijven op de kosten van den arme. En wie weet, als men zaait, welk klein graan ook kan schieten ? 't Is daarom dat ik altijd antwoord. »

Bijgevolg Jw Bouffier antwoordt niet alleenlijk om de verzenders te verzekeren dat zij de giften ontvangen heeft, maar ook omdat zij daarin de gelegenheid vindt hun een goed woord toe te sturen.

Wij willen hier onze lezers niet bezighouden met eene menigte feiten aan te halen waarin de H. Antonius zijne wondere tusschenkomst verleend heeft nadat men hem brood voor zijne armen beloofd had ; die feiten zijn al te wel bekend. Wij zullen alleenlijk zeggen dat de H. Antonius klaarblijkelijk toont dat hij behagen schept in het werk der broaden en dat hij nu gelijk in zijn leven, op wondere wijze het tijdelijke zoowel als het geestelijke doet terugvinden zoo dat men hem terecht de gr00te Wonderdoener onzer eeuw genoemd heeft.

Wij hebben gezegd dat men, volgens de inrichting van het werk, gewoonlijk maar zijne gifte doet, wanneer men het gevraagde bekomen heeft. Maar men moet weten dat de H. Antonius streng is om de schulden te doen betalen die men jegens zijne armen gemaakt heeft.

Eene dame van Toulon had 100 kilo's brood

Leven van den H. Antonius van Padua. 10

145

-ocr page 154-

146 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

beloofd om eene bijzondere gunst te bekomen. Zij verkreeg de gunst, en kwam het nieuws blijgemoed naar den achterwinkel vertellen ; maar zij verhaastte zich niet het beloofde te betalen.Twee maanden later is zij schielijk overleden.

Het volgende feit is zoo schrikwekkend niet, maar is niet min beteekeniswaardig. Eene dame moest te Toulon scheep gaan. Zij was te voren in verschillige magazijnen geweest om eenige noodigheden te koopen ; toen zij op het schip kwam begon het te regenen, 't Was dan maar dat zij zich herinnerde haren regenscherm ergens vergeten te hebben ; nu, zij hield er veel aan. Zij beloofde vijf frank aan den H. Antonius indien zij hem terugkreeg. Bijna op hetzelfde oogenblik komt de dienstbode van een magazijn op het schip gestormd en vraagt of er niemand zijnen regenscherm vergeten heeft. De dame herkent hem aanstonds en is uiterst tevreden. Doch er kwam haar een ongelukkig gedacht in : « Maar, zoo sprak zij tot eene vriendin, mijn regenscherm was reeds teruggevonden op het oogenblik dat ik mijne belofte deed, ik ben bijgevolg niets schuldig aan den heiligen Antonius. » Nauwelijks had zij die woorden gesproken, of, eene haastige be-weging doende, liet zij haren regenscherm uit hare hand in de zee vallen. Hij dreef eenen oogenblik boven, maar dan zonk hij, en verdween voor goed.

-ocr page 155-

DERDE DEEL.

I47

Eene groenselverkoopster had eenen man die een groote dronkaard was. Om hem te be-keeren was er een mirakel noodig. Zekeren dag, had zij hooren spreken van Sint Antonius ; zij beloofde, haar leven lang, alle dagen een pond brood te zijner eer te geven indien haar man zich beterde. Stillekens aan kwam er beternis, tot zooverre dat hij na korten tijd kon laten van naar de herberg te gaan. De vrouw liet dan ook niet na van iederen morgen bij Sint Antonius te gaan en hare schuld te betalen. Maar toch daar scheelde nog iets; bleef hare man gedurende de week nuchter, iederen zondag was hij bedronken, 't Is het slecht gezelschap, dacht de vrouw ; hij is te flauw om te kunnen wêerstaan, hij zal nog tijd noodig hebben om heel genezen te zijn, enz. Zekeren maandag morgen dat zij hare schuld kwam betalen, vertelde zij haar ongeluk aan Jw Bouffier. « Maar, vroeg deze, betaalt gij den zondag ook uw pond brood ? — Den zondag! hernam de groenselverkoopster ; maar neen, den zondag is uwe winkel gesloten, dan betaal ik niet. — Welnu, gij moet geene andere reden zoeken ; betaal den maandag twee pond, en gij zult wel zien dat gij van den H. Antonius niet meer zult te klagen hebben. » Inderdaad, van dan af was haar man niet meer dronken noch 's zondags, noch in de week. De vrouw leerde daardoor dat de H. Antonius alzoo te werk gaat: Geeft gij, hij geeft ook ; maar, geeft gij niet, hij geeft ook niet.

-ocr page 156-

148 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

De H. Antonius toont zich elders zoowel als te Toulon bezorgd voor de armen.

Te Parijs zijn er reeds vele offerblokken voor Sint-Antonius'brood ; daar is er een die zelfs nog meer opbrengt dan deze van den achterwinkel; in de maand November 1894 bracht hij drie duizendfrank ter week op.

Te Bordeaux in 't klooster der Augustijnen heeft de offerblok, in 1894, 70.000 frank opgebracht.

Te Cherbourg zijn tweeofferblokkengeplaatst, de eene bij eenen boekhandelaar, de andere in eenen winkel ; zij leveren te zamen meer dan 500 frank ter maand op.

Te Pierrefeu (Var), wiens bevolking maar 1800 zielen telt, wordt maandelijks rond de 200 frank in den offerblok gestort.

In België zal er welhaast geene stad of zelfs geen dorp meer zijn waar men het Werk van Sint-Antonius' brood niet aantreft.

Te Antwerpen was eene jonge dochter erg ziek ; in September 1893 zond haar Jw Bouffier een klein beeldeken van onzen Heilige.Dit beeldeken was haar zoo welkom dat zij het kostelijk deed inlijsten. Welnu, twee maanden later, had zij reeds 2700 kilo's brood uitgedeeld van het geld dat zij vóór het beeldeken gevonden had.

Te Gent,in Onderbergen,45, bij Jw Nuyttens, stond een offerblok voor St-Antonius'brood, die den isten Juni 1895, na twee jaar bestaan, reeds

-ocr page 157-

derde deel.

36000 broeden verschafte aan de conferencie van den H. Vincentius-a-Paulo, den Schamelen Arme, de bewaarscholen, enz. Den ^quot;juni 1896 was het getal gestegen tot 60000.

Te Luik werden,in 1894,onder de verscheidene Iiefdadigheidswerken,6r.2 24brooden uitgedeeld

30 MANIER

om het Werk van Sint-Antonius' brood

in te richten.

Uffrouw Bouffier ver van jaloersch te zijn

en de inrichting van het wonderwerk voor

haarzelve te willen behouden, werkt integendeel om langs alle kanten het werk te doen oprijzen. « O, schreef zij den 28en Mei 1893, aan Pater Antonius, indien deze godsvrucht van het Sint-Antonius' brood in iedere stad van Frankrijk kon ingericht zijn ! Zij zou Frankrijk redden, aangezien de liefde de menigvuldigheid der zonden bedekt. »

Om tot de uitbreiding harer stichting te komen heeft zij eenen omzendbrief doen drukken dien zij in groot getal doet uitdeelen. Wij laten hem hier volgen :

Werk van het Sint-Antonius brood.

« God zegent op zienbare wijze dit werk dat maar sedert gisteren ontstaan is. Men kan reeds de steden en dorpen niet meer tellen waar het ingericht is en overal geeft het den wonderlijksten uitslag.

149

-ocr page 158-

I50 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

« Zijn de verschillige gunsten die God verleent aan de klienten van den glorierijken Wonderdoener der Algemeene Kerk geene reden om ons zijne begeerte te doen kennen dat deze zoo aantrekkelijke en krachtige manier van aalmoezen te doen zich meer en meer verbreide en algemeen worde ?

« Laat ons het middel verstaan en te werke stellen dat de Goddelijke Voorzienigheid ons aanbiedt om de verblindheid en zelfzucht onzer verzwakte christenen te genezen. Indien het God belieft, zal het geloof door de liefde herleven.

« 't Is uiterst gemakkelijk het werk in te richten indien men er de opbrengst van schikt te gebruiken tot het onderhoud der armen van eene parochie, een weezenhuis, een klooster of eene katholieke school,

« Het is genoeg een beeld of zelfs eene eenvoudige prent van den H. Antonius van Padua te plaatsen in eene in 't oog springende plaats eener kerk of kapel, zoodat iedereen gemakkelijk in de nabijheid ervan kan komen.

« Aan den voet van het beeld plaatst men eenen offerblok, en 't werk is ingericht!

« Het werk, zooals de H. Antonius gewaar-digd heeft het te doen ontstaan te Toulon, in den achterwinkel van de Lafayettestraat, bestaat hierin :

« Wanneer men van onzen Heilige eene geestelijke of tijdelijke gunst wil bekomen, be-

-ocr page 159-

DERDE DEEL.

looft men zulke hoeveelheid brood of zulke geldsom voor brood voor de armen,die men maar zal moeten geven nadat men verhoord is.

« De hoeveelheid is aan de goedwilligheid en milddadigheid van eenieder overgelaten.

« Maar wanneer men verhoord is, moet men zich haasten zijne belofte uit te voeren, indien men de gunst van den H. Antonius wil bewaren.

« Voor het goed aannemen van de vragen die men hem toestuurt, is het van groot belang zich de gebeden te verzekeren der armen die het brood, al of ten deele, zullen ontvangen, weezenhuizen, oudemannenhuizen, kloosters, katholieke scholen, enz.

« Al de arme werken van het bisdom Frejus: ouderlingen, weezen, kloosterlingen, die het brood van Sint-Antonius ontvangen, hebben de verplichting aangenomen van alle dagen driemaal met opene armen eenen Onze Vader, Wees Gegroet, en Glorie zij den Vader te lezen, en driemaal de aanroeping : Heilige Antonius, vriend van Jezus, bid voor ons. 't Is klaarblijkelijk aan deze vereeniging van gebeden dat wij te Toulon de ontelbare gunsten schuldig zijn die onze goede Heilige ons toestaat.

«Te dier gelegenheid moeten wij hier bijvoegen dat het brood mag beloofd zijn voor het werk of de armen die men verkiest; het is ge-noegf zulks aan te duiden wanneer men de belofte doet. Maar, is men verhoord, dan is men het

-ocr page 160-

152 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

brood schuldig aan degenen wiens gebeden men verzocht heeft.

« Degenen die eenige werken van ijver kunnen voegen bij deze zoo eenvoudige godsvrucht; die de wonderen vertellen die zij verwekt, die de geschriften rondstrooien waarin het opkomen van 't Werk te lezen is, zullen welhaast getroost zijn door den uitslag dien zij bekomen.

« Menig Pastor die zich in den meest on-gunstigen toestand bevond, aan het hoofd eener parochie waar men geene middels had en waar de offerblok der armen niets of bijna niets opbracht, is gelukkig geweest aan den H. Antonius van Padua de zorg toevertrouwd te hebben van brood aan de armen te verschaffen.

« H. Antonius van Padua, vriend van Jezus, bid voor ons. »

Wij sluiten met den raad dien Jw Bouffier geeft over de manier van aalmoezen uit te dee-len : « Geene spaarzaamheid, geene nauwe liefdadigheid; weigert niet de tegenwoordige noodwendigheden ter hulp te komen, uit voorwendsel dat er later meerdere kunnen komen, 't Is geen betrouwen genoeg hebben in de Voorzienigheid. Een te menschelijk vooruitzicht zou kunnen te onmenschelijk worden. De onuitputbare liefdadigheid van den Heilige moet het toonbeeld zijn van de uwe !»

-ocr page 161-

HET BROOD VAN SINT ANTONIUS.

I. — EKN VERHAAL UIT HET JAAR 1695 (').

HET leven van den grooten Heilige tot wien de armen in hunne dringende noodwendigheden hunne toevlucht nemen, is voorzeker aan niemand van mijne jonge lezers onbekend, en de eeredienst tot den H. Antonius van Padua is tegenwoordig zoo algemeenelijk verspreid in steden en dorpen, dat zijne beelden, die overal prijken in kerken en kapellen, beter dan woorden getuigen welk een oneindig getal ongelukkigen door zijnen machtigen bijstand, vertroosting en hulp hebben ontfangen. De H. Antonius zag het levenslicht te Lissabon, hoofdstad van Portugal, in het jaar 1195. Hij omhelsde den regel van den H. Franciscus van Assisië, en werd gezonden naar Frankrijk om aldaar verschil-lige kloosters van Franciscanen te stichten. Hij verbleef eenigen tijd, zoo verhaalt de geschiedenis, in de spelonken van Brives (Corrèze), die tegenwoordig nog door veel pelgrims bezocht worden en waar menigvuldige wonderen het geloof en de godsvrucht der bedevaarders beloonen en versterken.ET leven van den grooten Heilige tot wien de armen in hunne dringende noodwendigheden hunne toevlucht nemen, is voorzeker aan niemand van mijne jonge lezers onbekend, en de eeredienst tot den H. Antonius van Padua is tegenwoordig zoo algemeenelijk verspreid in steden en dorpen, dat zijne beelden, die overal prijken in kerken en kapellen, beter dan woorden getuigen welk een oneindig getal ongelukkigen door zijnen machtigen bijstand, vertroosting en hulp hebben ontfangen. De H. Antonius zag het levenslicht te Lissabon, hoofdstad van Portugal, in het jaar 1195. Hij omhelsde den regel van den H. Franciscus van Assisië, en werd gezonden naar Frankrijk om aldaar verschil-lige kloosters van Franciscanen te stichten. Hij verbleef eenigen tijd, zoo verhaalt de geschiedenis, in de spelonken van Brives (Corrèze), die tegenwoordig nog door veel pelgrims bezocht worden en waar menigvuldige wonderen het geloof en de godsvrucht der bedevaarders beloonen en versterken.

De vrome gewoonte is onlangs opgekomen eene offerbus te plaatsen in kerken en bidplaatsen om de aalmoezen te ontfangen die men het brood van Sint-Anionius noemt. Dank aan dit liefdadig werk wordt er in de lichamelijke noodwendigheden van een oneindig getal nooddruftigen en weezen voorzien. Wat men nochtans algemeenelijk vergeet, 't is dat het gebruik van brood te schenken ter eere van S. Antonius sedert honderde jaren reeds in zwang is, gelijk wij het zullen zien door het volgende verhaal. Het grijpt plaats in 1695, in een arm dorp van het departement der Corrèze.

i. Ontleend aan hel fransch tijdschrift Muséedes Enfants, verschijnende den ien en 15quot; van iedere maand in St-Augustinus' Drukkerij, Desclée, De Brouwer en Acl1 te Brugge.

-ocr page 162-

154 LEVEN van den h. antonius van padua.

De geestelijke herder der parochie, alhoewel ontbloot van de goederen dezer aarde, vond toch middel om zijne liefdadigheid uit te oefenen : had hij niet de vruchten en groenten van zijnen hof, den honig zijner bieën om die aan de armen te schenken, zonder rekenen, en niettegenstaande de klachten en opwerpingen zijner dienstmaagd die hem gedurig herhaalde, dat hij nog eindigen zou met zelf van gebrek om te komen ?

De goede dochter dacht voorzeker niet dat zij zoowel de waarheid voorspelde: het jaar was slecht, de graanoogst onbeduidend, en de winter die volgde, zoo streng, dat de dorpbewoners zonder ophouden naar de pastorij toestroomden om brood te vragen. Helaas ! brood... De arme pastor had zijn laatste brood begonnen, en in de meelkist waren er maar eenige ponden bloem meer voorhanden. Met hartzeer vroeg de herder zich af wat er van zijne arme parochianen moest geworden, toen het gedacht hem te binnen kwam zijne toevlucht te nemen tot den H. Antonius wiens spelonken, te Brives, gansch in de nabijheid gelegen waren.

— Beminde kinderen, sprak hij, wij kunnen op niemand meer rekenen dan op den H. Antonius van Padua. Ik wil van heden aan eene noveen beginnen, en den machtigen Heilige bidden ons het noodige brood te verschaffen. Dat allen zich bij mij aansluiten, en ons gebed zal verhoord worden.

Het gedacht van den pastor werd algemeenelijk bijgetreden.

— Maar, Mijnheer Pastor, zei de wijsneus van het dorp, indien wij eens den H. Antonius vereerden met een lofzang, misschien ware dit beter, en......

— Het is geen slecht gedacht, sprak de herder ; ongelukkiglijk ken ik geen lofzang ter eere van S. Antonius.

— Wel, Mijnheer Pastor, dat dit u niet terughoude, gij die zoo wel kunt lezen en schrijven zult spoedig gedaan hebben met er een op te stellen. Wat zal de goede Heilige tevreden zijn 1

— Ja, ja, een lofzang ! riepen nu twintig, dertig stemmen te gelijk.

-ocr page 163-

AANHANGSEL.

— Ik weet niet of ik zal gelukken, sprak de herder, ietwat bedeesd ; nochtans ik wil het beproeven.

En aanstonds sloot hij zich op in zijn nederig studeervertrek en zette zich aan het werk. Om de waarheid te zeggen, ging het verzen maken bij den pastor niet al te vlug van de hand, maar zijne naastenliefde was zoo vurig en hij had zulke begeerte om zijne parochianen in hun geloof en betrouwen te versterken dat, na drie uren werkens, hij eindelijk gelukte den volgenden lof- of beter smeekzang op te stellen. Ik laat hem hier volgen in al zijne ongekunsteldheid:

Het weêr is guur, de wind is koud.

De sneeuw bedekt het veld en 't woud.

De honger kwelt zoo fel de menschen j O Sint Antoon, aanhoor ons wenschen.

Schenk ons, wij smeeken u, wat brood.

Spoed u, red ons uit onzen nood ;

Wil ons gebed aanstonds beloonen En uw bekende goedheid toonen.

In kist of kast is meel noch bloem. Den hongerdood zijn w'al ten doem Indien uw hand op wondre wijze Ons niet bereidt de nood'ge spijze.

Ter hulpe dus, o Sint Antoon,

Aanhoor de klacht van uwen zoon ;

Wil ons gebed aanstonds beloonen En uw bekende goedheid toonen.

De pastor wist zijn lofzang naar een oud deuntje te schikken, en begon het nu alleen te neuriën. Welhaast kon hij het van buiten, zong het in bijzijn zijner dienstmaagd, die geen woord kon uitbrengen van aandoening en bewondering; zong en herzong het nogmaals bij zich zeiven, zoolang en zoodanig dat zelfs gedurende zijnen slaap het deuntje als een plaaggeest gestadig in zijne ooren klonk.

155

-ocr page 164-

156 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

Den bijval beschrijven welke den lofzang 's anderendaags bij de parochianen te beurt viel ware boven mijne macht. Den avond zelf trok de gansche schaar, met den herder aan haar hoofd, naar de vermaarde spelonken, om daar de beloofde noveen te beginnen.

Zes dagen lang zong men met geestdrift en betrouwen, maar den zevenden dag bemerkte de pastor, niet zonder ongerustheid, dat de stemmen begonnen te verzwakken. In zijne pastorij teruggekeerd vroeg hij zich in stilte af of zijne gebeden en deze van zijne kudde wel onverhoord zouden blijven. Eindelijk hervatte hij moed, richtte een vurig gebed

tot den H. Antonius, legde zich op zijne bedstede en......

sliep in.

Was het nu zijne inbeelding, gekwollen door de vrees van teleurgesteld te worden in zijne dierbaarste verwachtingen, die hem alle soorten van vleiende en aanmoedigende droomgezichten voortooverde? Althans scheen het hem dat hij eene lange reeks van wagens, geladen met zakken meel, het dorp zag binnentrekken ; zelfs zag hij er één waar de opgehoopte brooden dien aangenamen geur van versch brood verspreidden die den meest weerspannigen eetlust weet op te wekken. Hij zag verder hoe al deze wagens uit de binnenplaats kwamen van een prachtig kasteel gelegen op drie uren afstand van het dorp. Eensklaps schoot hij wakker, en beproefde een weinig orde te brengen in zijne verwarde gedachten. Hij begon te denken, en wel zooveel en zoolang te denken dat hij eindigde met alles op zijne plaats te krijgen, en dat het hem toescheen, dat zijn droom, die hem in het eerst belachelijk voorkwam, eene inspraak moest zijn van wege den H. Antonius.

Het kasteel welk hij had gedroomd te zien, was hem inderdaad niet onbekend ; het was bewoond door een zeer rijken heer die bekend stond om zijne zonderlinge levenswijs.Nooit aanvaardde hij iemand in zijne tegenwoordigheid en scheen zijne medemenschen te verafschuwen. Men beweerde dat hij maar één been had, en dat dit ongemak hem zoodanig ongezellig en menschenschuw had gemaakt dat hij de tegen-

-ocr page 165-

AANHANGSEL,

woordigheid van geen levend schepsel kon verdragen. Een dienstknecht alleen, die hem had weten ter wereld komen, en hem geheel en gansch verknocht was, genoot het voorrecht, zoo bij dage als bij nachte, in zijn vertrek te komen. Aan al de andere dienstboden was het verboden hem recht-streeksch eenigen dienst te bewijzen. Hewel het was tot dezen man dat de herder besloten had te gaan aankloppen om zijne liefdadigheid in te roepen ten voordeele van zijne kudde.

De waardige pastor liet zich met geene redeneeringen in ; hij dacht in zijne eenvoudigheid : indien de H. Antonius mij dezen droom gezonden heeft, is het ongetwijfeld omdat hij van zin is ons te helpen ; en aanstonds, met het aanbreken van den dag, nam hij zijnen wandelstok en begaf zich vastberaden op weg.

Het was nochtans niet zonder hevig zijn hart te voelen kloppen dat de herder de binnenplaats van het prachtig paleis opstapte en aan den kasteelbewaarder vroeg om door zijnen Heer in gehoor ontfangen te worden.

Ah ! hoe wel had de goede H. Antonius de harten weten voor te bereiden; want tot zijne groote verwondering werd de pastor na eenige minuten wachtens binnengeleid.

Hoe stond hij niet verbaasd als hij het prachtig vertrek in oogenschouw nam : overal glinsterden het zilver en het goud, prijkten de kostbare meubelen en de rijk geborduurde tapijten. Op een rustbed, gedekt met een prachtig tijgervel, lag een man uitgestrekt; hij scheen rond de veertig jaren oud, en zijne gelaatstrekken waren opmerkelijk schoon.

— Wat verlangt gij. Mijnheer Pastor, vroeg hij op vriendelijken toon.

De goede herder was niet zeer welsprekend, maar de naastenliefde die hem bezielde sprak in hem en voor hem, en wist zich in zulke gepaste en treffende bewoordingen uit te drukken, dat de kasteelheer hem, vol aandoening, antwoordde :

— Het spijt mij. Mijnheer Pastor, niet eerder ingelicht geweest te zijn nopens den hachelijken toestand van uwe

157

-ocr page 166-

158 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

parochianen. Morgen, wees ervan verzekerd, zult gij de noo-dige hulp ontfangen ; en de Pastor, na hartelijk bedankt te hebben, vertrok, opgetogen van vreugde en geluk.

De achtste dag der noveen was aangebroken, en reeds was menigeen aan het morren gevallen.

— Mijne broeders, zei de herder, morgen is het de laatste dag der noveen, verdubbelen wij onze gebeden, want ik heb de gegronde hoop dal de H. Antonius er niet doof zal aan blijven.

's Anderendaags, bij het krieken van den dag, werd de pastor uit zijnen slaap gewekt door het rollen van zware wagens die voor de pastorij bleven stilstaan. Haastig deed hij de deur open. Ah ! heilige Antonius, o groote, machtige, goede heilige Antonius! Een geur van versch brood steeg op uit een wagen en kwam aangenaam den reuk van den ouden pastor streelen... Een wagen vol broeden stond daar; hij was gevolgd door verscheidene andere geladen met zakken meel en bloem.

— Spoedig, spoedig, dat men de klok luide, riep de herder buiten zich zeiven van vreugde... ; en de klok werd in beweging gebracht, en iedereen kwam toegeloopen. Men hoorde nu niets meer dan vreugdekreten... Eer,driedubbele eer aan den H. Antonius ! Dank, dank, o genadige Heilige die ons zoo wonderlijk hebt verhoord !... en allen liepen naar de spelonken van Brives om den spijsbezorger der armen te bedanken. Sedertdien zegt men in de streek ; Indien gij in nood verkeert en geen brood hebt, ga tot den H. Antonius, en hij zal er u bezorgen

II. — DE CHIERIGA IN ITALIË.

E Voix de S. Antoine, van het jaar 1898 maakt mel

ding van enkele bijzondere gebruiken, welke in Zuid-Italië, namelijk in Calabrië, in zwang zijn. Zij mogen de ongeloovigen de lippen doen plooien tot een üiinachtenden glimlach, zij getuigen van een kinderlijk geloof en vertrou

wen.

-ocr page 167-

AANHANGSEL.

Te Terra Nova di Sibari, gelijk op vele andere plaatsen, bestaat van oudsher de gewoonte, dat iedere huismoeder, welke het bakken van haar brood goed wil doen uitvallen,er een brood bijvoegt, dat den naam draagt van Brood van den H. Antonius.

Dat brood wordt zorgvuldig gemerkt door een stukje deeg in den vorm van de kruin ; vandaar de naam Chierica, d. w. z. geestelijk. Dit met de Chierica gemerkt brood wordt dan geschonken aan het dichtst nabijzijnde klooster der Minderbroeders.

Nu was er eens, zoo vertelt het volk, eene gierige vrouw, die zich naar dit vroom gebruik niet wilde voegen. Het baksel van hare gebaren slaagde uitstekend wel, hel hare echter mislukte. Den volgenden keer besloot zij ook iets aan den H. Antonius te schenken, en bestemde hem een heel klein broodje. Maar nauwelijks was de oven gesloten, toen zij zich herinnerde geen chierica gemaakt te hebben. « Welnu, » dacht zij bij zich zelve « ik zal het brood van San Antonio wel herkennen, het is toch zoo groot niet ! » — Het brood kwam uit den oven, in de beste voorwaarden. De vrouw sloeg echter hare handen van verbazing in elkaar, toen zij bemerkte, dat de Heilige zelf de chierica geteekend had, en wel op het grootste brood !

159

Zij wist voortaan, dat zij niet karig moest wezen, als er spraak was van brood van Sint Antonius.

DE H. ANTONIUS TERUGGEVER VAN GESTOLEN OF VERLOREN GOED.

I. — VIJF HONDKRD VIJFTIG FRANKEN TERUGGEVONDEN (*).

IN 1889, gedurende de maand Maart, stool men bij B..^ meubelmaker te St-Truiden, de som van 550 franken. Na naarstige opzoekingen en behendige waarnemingen.N 1889, gedurende de maand Maart, stool men bij B..^ meubelmaker te St-Truiden, de som van 550 franken. Na naarstige opzoekingen en behendige waarnemingen.

i. Gebedenboek ten dienste der vrienden van Sint Antonius van Padua, — door P. F. Petrus de Alcantara De Tremcrie, Minderbroeder.

-ocr page 168-

l6o LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

werd een der leerjongens als dader der diefte herkend en door het gerecht tot gevang veroordeeld.

Nu was de misdaad wel gestraft, doch de schade niet hersteld, en wat men deed of niet om den dief te doen verklaren wat hij met het gestolen geld had uitgericht, 't was al vruchteloos: de ontrouwe leerjongen wilde tot geen bekendmaking overkomen. — Menschelijker wijze gesproken, kon men niet meer rekenen nog ooit het geld terug te krijgen. Wat nu aangevangen in zoo neteligen toestand ? Waar troost en vooral hulp gezocht?...

De meubelmaker en zijne vrouw wisten. God dank, dat er een heilige in den hemel woont, machtig en goed genoeg om door zijne gebeden, hen tegen alle menschelijke verwachting hulp te verleenen, en die hun wederom in het bezit kon doen komen van hetgeen zij na lastigen arbeid gewonnen, doch nu verloren hadden. Sint Antonius, dachten zij, draagt zijnen naam van wederbrenger van verloren of gestolen zaken, niet zonder reden, en nog eens zal hij wel toonen, dien roemrijken naam te verdienen.

Aanstonds werd een besluit genomen. Samen zouden zij eene noveen van negen dinsdagen ter eere van den lieven menschenvriend beginnen.

Van 's anderendaags waren beiden in de Minderbroeders-kerk, om te biechten en ter eere van den Heiligen Antonius ter Heilige tafel te naderen. Vurige gebeden, vol hoop en betrouwen, werden tot den Wonderdoener gericht. « Antonius kan en moet ons verhooren, zegden de bedrukte echt-genooten tot elkander, laat ons maar betrouwen en volharden in onze godsdienstige oefening. » Hunne hoop werd niet bedrogen. — Wonderbaar is God in zijne Heiligen en wonderbaar soms is de wijze waarop sint Antonius zijne vereerders ter hulp snelt.

Na de noveen der negen dinsdagen getrouwelijk volbracht te hebben bevond, op zekeren morgen, de kleine jongen van den meubelmaker, dat er een van zijne konijnen verdwenen was. Wat mocht er gebeurd zijn ? Was het een nieuwe diefte ? Niet lang duurde het eer onze kleine

-ocr page 169-

AANHANGSEL. l6l

de hand, zoo men zegt, op 't slot en 't sleutelke legde. Het konijn was uitgebroken en zat onder eenen houtstapel verborgen. Blijde en welgezind over zijne zoo spoedige ontdekking, riep het kind aanstonds een zijner makkers bij en zonder verder verlet stelden beiden zich aan het werk om den vluchteling bij de lange ooren te krijgen.

Rijkelijk werden de jongens voor hunne moeite beloond. Met het konijn vonden zij te gelijker tijd de vijf honderd vijftig franken. Hel dier zat juist op eenen toegebonden zakdoek dat het kind haastig wegnam en naar zijne moeder bracht.

Ontknoopen en tellen, alles ging in één adem, en, ja ! het waren wel de 550 franken. — Onnoodig te zeggen dat de man in één, twee, drie, alles wist. Het geld ! het geld ! riep de blijde vrouw, ons geld wedergevonden ! Sint Anto-nius heeft ons verhoord 1 Zonder uitstel, vloog de gelukkige echtgenoote naar het Patersklooster, om haren innigen dank te betuigen jegens den zoo goeden en wonderbaren wederbrenger van verloren of gestolen zaken.

O ! hoe goed is Antonius voor die hem met vertrouwen aanroepen ! Bemerken wij wel, dat het geld uit bankbriefjes bestond, zoodat het gemakkelijk door ratten of muizen had kunnen verslonden worden. Doch zoohaast men zijnen toevlucht tot Sint Antonius had genomen, mocht men gerust zijn, want de schat lag goed verzekerd.

II. — EEN KOSTBAAR VOORWERP AAN ZIJNEN EIGENAAR TERUGGESCHONKEN (■).

OP Dinsdag 12 April 1898, toen in ons klooster tot Meersel, de negen dinsdagen begonnen. Sint Antonius ter eere, werd het volgend schrijven den Z. E. P. Gardiaan overhandigd :P Dinsdag 12 April 1898, toen in ons klooster tot Meersel, de negen dinsdagen begonnen. Sint Antonius ter eere, werd het volgend schrijven den Z. E. P. Gardiaan overhandigd :

11

-ocr page 170-

102 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

Zeer Eerwaarde Pater,

Gelief te zorgen dat deze regelen in den Standaard opgenomen worden.

De macht en de goedhed kennende van den H. Anto-nius, namen wij over eenigen tijd, ook onze toevlucht tot den groeten en goeden H. Patroon der verlorene zaken om reden dat wij iets verloren hadden van nog al groote waarde. Dit verlies maakte ons des te meer ongerust, daar er weinig hoop bestond het voorwerp ooit terug te vinden : wij waren het in een vreemde stad verloren geraakt. Niettegenstaande, tegen alle hoop in, beloofden wij den Heiligen Antonius, indien hij ons verhoorde, uit dankbaarheid, novenen, eene mis met brooduitdeeling aan de armen, en een abonnement op den Standaard. Nog denzelfden dag, dat het voorwerp verloren was, begonnen wij eene noveen. O wonder ! Den vijfden dag reeds der noveen, kregen wij bericht, van schier onbekende personen, dat zij een voorwerp gevonden hadden, welk, volgens hun gedacht, ons moest toebehooren. Wij erkenden aanstonds de tusschen-komst van den Heiligen Antonius, die er had voor gezorgd.

Onze beloften hebben wij volbracht, en nooit zullen wij den Heiligen Antonius vergeten voor de weldaad ons bewezen.

Dank ook den H. Jozef, wiens hulp wij tevens ingeroepen hadden.

III. — DIEF ONTDEKT (').

BIJ ons (in Nederland) is de H. Paduaan de volksheilige bij uitnemendheid. En de Heilige Antonius zorgt er zelf wel voor dat zijn eeredienst niet afneemt. Weldaden, gunsten, wonderen stort hij uit over zijn vereerders, 't ZouIJ ons (in Nederland) is de H. Paduaan de volksheilige bij uitnemendheid. En de Heilige Antonius zorgt er zelf wel voor dat zijn eeredienst niet afneemt. Weldaden, gunsten, wonderen stort hij uit over zijn vereerders, 't Zou

i. Sint Antonius. Maandschrift voor de vereerders van den groeten Wonderdoener van Padua, onder Redactie van eenige Paters Minderbroeders van Nederland, Derde jaargang, 1897.

-ocr page 171-

AANHANGSEL.

ons onmogelijk wezen alle berichten, welke ons worden toegezonden volledig op te nemen: ons boekske werd een boek. Vandaar dat alle berichten zooveel mogelijk worden ingekrompen, om een plaatsje te kunnen vinden onder de rubriek: Gunsten. Een uitzondering zij echter ditmaal voor het volgende:

Op zekere plaats werd een belangrijke diefstal gepleegd en wel onder zulke omstandigheden, dat onschuldige personen er door onder verdenking kwamen. Menschelijker wijze gesproken was er geen schijn van hoop den dief te ontdekken. Hopende tegen alles in, deed men den Heiligen Wonderdoener belofte van brood te schenken en de erlangde gunst bekend te maken.Tevens begon men te zijner eere eene noveen. En zie, deze was nog niet ten einde of de dief werd gevat en legde een volledige bekentenis af.

IV. — DE VERLOREN BORSTSPELD (').

EEN Pater Capucijn ging op eenen schoonen zomerdag naar een dorp, dat drie uren van zijn klooster gelegen was. Onderwege vond hij eene gouden borstspeld, en daar hij niemand in den omtrek ontwaarde om hem 't kostelijk stuk toe te vertrouwen,nam hij de vondst op met het inzicht ze in 'teerste huis af te geven. Na eene uur gaans komt hij aan eene kleine hofstede en stapt er binnen. De pachteres zat bitterlijk te weenen. Door medelijden bewogen vraagt de Pater naar de reden barer groote droefheid. «Ach,snikte de brave vrouw, nooit heb ik met mijnen man het minste woord gehad ; maar van gisteren af krijg ik van hem niets dan bittere verwijtingen, omdat ik onderweg naar de markt mijne gouden borstspeld verloren heb.'k Heb overal gezocht, gebeden en beloften aan Sint Antonius gedaan ; maar 't schijnt dat hij mij niet wil aanhooren. — Heb betrouwen, antwoordde de Pater; zie, is dit uwe borstspeld niet? — Oh ja,EN Pater Capucijn ging op eenen schoonen zomerdag naar een dorp, dat drie uren van zijn klooster gelegen was. Onderwege vond hij eene gouden borstspeld, en daar hij niemand in den omtrek ontwaarde om hem 't kostelijk stuk toe te vertrouwen,nam hij de vondst op met het inzicht ze in 'teerste huis af te geven. Na eene uur gaans komt hij aan eene kleine hofstede en stapt er binnen. De pachteres zat bitterlijk te weenen. Door medelijden bewogen vraagt de Pater naar de reden barer groote droefheid. «Ach,snikte de brave vrouw, nooit heb ik met mijnen man het minste woord gehad ; maar van gisteren af krijg ik van hem niets dan bittere verwijtingen, omdat ik onderweg naar de markt mijne gouden borstspeld verloren heb.'k Heb overal gezocht, gebeden en beloften aan Sint Antonius gedaan ; maar 't schijnt dat hij mij niet wil aanhooren. — Heb betrouwen, antwoordde de Pater; zie, is dit uwe borstspeld niet? — Oh ja,

i. Dertiendaagsche Oefeningen. — Gebeden en gezangen ter eere van den H. Antonius van Padua door den E. P. Prosper, Capucijn.

163

-ocr page 172-

164 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

riep zij gansch verblijd ; 't is de mijne, die ik verloren heb ; o lieve Antonius, vergeef mij toch mijn klein betrouwen. »

DE H. ANTONIUS, TOEVLUCHT IN DRINGENDEN NOOD.

I. — DE WELDADIGHKIDS BAZAR TE PARIJS (').

DONDERDAG 6 Mei brachten onze Paters Arthur en Patrice een bezoek aan de gezusters Sergent d'Hen-decourt, beiden aan den brand van den weldadigheids bazar ontsnapt; een harer had nochtans ernstige brandwonden ontvangen, de andere was ongedeerd gebleven. De laatste vertelde het volgende : «Toen de brand uitbrak, was ik ver van de uitgangen verwijderd en werd reeds op het eerste oogenblik door de angstkreten en algemeene verwarring van schrik verlamd. Dit belette echter niet, dat ik weldra, toen boven mijn hoofd de vlam langs het gewelf al kronkelend voortliep, mij zeiven de vraag stelde : Hoe te ontkomen ? Voor iedere deur toch lag een hoop als in elkaar verwarde lichamen, die te midden van een kolom van vlammen, zich trachtten te ontwarren en te vluchten. In dezen angst dacht ik aan den H. Antonius en begon te bidden : « Goede Heilige, al vijf jaren vereer ik u en gij weigert mij alles wat ik u vraag. Maar heden hoop ik, dat gij mij zult verhooren ». Daarop doe ik eene belofte, maak het teeken des H. Kruises en loop altijd door, den H. Antonius aanroepend, naar de menschenmassa, die als eene verschansing voor den uitgang ligt opgetast. Na eenige nuttelooze pogingen val ik tusschen de dooden en stervenden. »ONDERDAG 6 Mei brachten onze Paters Arthur en Patrice een bezoek aan de gezusters Sergent d'Hen-decourt, beiden aan den brand van den weldadigheids bazar ontsnapt; een harer had nochtans ernstige brandwonden ontvangen, de andere was ongedeerd gebleven. De laatste vertelde het volgende : «Toen de brand uitbrak, was ik ver van de uitgangen verwijderd en werd reeds op het eerste oogenblik door de angstkreten en algemeene verwarring van schrik verlamd. Dit belette echter niet, dat ik weldra, toen boven mijn hoofd de vlam langs het gewelf al kronkelend voortliep, mij zeiven de vraag stelde : Hoe te ontkomen ? Voor iedere deur toch lag een hoop als in elkaar verwarde lichamen, die te midden van een kolom van vlammen, zich trachtten te ontwarren en te vluchten. In dezen angst dacht ik aan den H. Antonius en begon te bidden : « Goede Heilige, al vijf jaren vereer ik u en gij weigert mij alles wat ik u vraag. Maar heden hoop ik, dat gij mij zult verhooren ». Daarop doe ik eene belofte, maak het teeken des H. Kruises en loop altijd door, den H. Antonius aanroepend, naar de menschenmassa, die als eene verschansing voor den uitgang ligt opgetast. Na eenige nuttelooze pogingen val ik tusschen de dooden en stervenden. »

Zij kon daar eenige oogenblikken gelegen hebben toen eenige wakkere redders de ijselijke massa kwamen doorzoeken. Verschillige personen waren op Mejuffrouw d'Hende-court gevallen en reeds ten deele verkoold. De redders na

i. La Voz de San Anionio.

-ocr page 173-

AANHANGSEL.

den hoop lijken ondeizocht te htbben waren op het punt zich ontmoedigd te verwijderen, toen een hunner eene hand ziet bewegen. Haastig neemt men die hand vast, daarna ook de andere en haalt de genoemde juffvrouw zonder de minste brandwonden, zonder een enkele schram uit de verkoolde lichamen te voorschijn.

Zij ontving orze Paters met hetzelfde kleed, dat zij tijdens den brand had gedragen, en dit toonde geen spoor van het vuur. Alleen het boordsel ter hoogte van den pols was een weinig gescheurd, tengevolge van het trekken bij het reddingswerk. De H. Antonius had zijne schuld betaald.

II. — DE EER VAN EEN KOOPMAN GERED (').

« T K ben verheugd, Eerwaarde Heer Pastoor, u de groote

X weldaad te kunnen bekend maken, die de goede Wonderdoener Antonius van Padua mij geschonken heeft en waarvoor ik Hem in dit bevoorrecht heiligdom kom bedanken.

Ik moest op eenen bepaalden en naasten dag twintig duizend franken betalen. Mijne eer en die van mijn huisgezin was op 't spel. Ik deed met mijne vrouw eene noveen ter eere van Sint Antonius en wij smeekten hem met tranen ons toch niet te verlaten. Na de noveen ging ik naar M. B..., dien ik altijd onder mijn toegenegene vrienden gerekend had en legde hem mijn moeilijken toestand voor oogen.

Een kort en vastberaden « neen » kreeg ik voor antwoord. Ik dring aan en beveel inwendig de zaak aan den Heiligen Antonius. Eenige vriendelijker woorden herschen-ken mij nieuwen moed. « Wij zullen schrijven; geduld! » Helaas ! die flauwe hoop was van korten duur; inderdaad, kortelings daarna komt er een brief met dit enkel woord ;

i. Messager de Sai?it Francois d'Assise.— Fransch maandschrift der Derde-Orde, uitgegeven door de Eei waarde Minderbroeders van België. N0 van April 1895.

-ocr page 174-

166 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

« Onmogelijk / » — Zonder nochtans den moed op te geven, verdubbelen wij onze gebeden.

Intusschen brak de gevreesde dag aan ; 't was reeds negen uren, en om half twaalf moest het geld gereed liggen. Nog eens gezegd, Mijnheer Pastoor, mijne eer, die mijner vrouw en kinderen lag in de weegschaal. Een laatste keer schrijf ik naar M. B... en ontvang een telegram. Vol angst breek ik den zegel en lees : « Gee/i antwoord / » — Ik telegrapheer weder; mijne vrouw en ik vallen op onze knieën en bidden den Heiligen Antonius uit het diepste onzes harten ; wij doen zijn medelijdend hart geweld aan. Daar klinkt eensklaps de bel; 't is een tweede telegram met deze woorden : « Het geld gaat komen ». Wij waren gered, en tranen van dankbaarheid sprongen uit onze oogen.

Het kwart na elf uren waren de twintig duizend franken bij de hand, en om half twaalf was de betaling gedaan.

Wat is de Heilige Antonius toch goed !

III. — DE H. ANTONIUS EN DE BARREEL-WACHTER.

N LANGS zaten, bij het vallen van den avond, niet ver

van den ijzerenweg, in eene herberg, eenige van die mannen die met God en Godsdienst den spot drijven ; onder hen was ook een barreelwachter. Hevig ging het er op aan tegen priesters en kloosterlingen, die, zooals zij zegden, maar goed zijn om de armen te verachten en te verdrukken. De barreelwachter voerde het hooge woord en sprak op minachtenden toon : « Ware het in mijne macht, in min dan vier en twintig aren hing al dat gespuis aan de galg ? » — «Jammer toch, voegde hij er bij,' dat er niet meer herbergiers zijn, dezen zouden ons gelukkig maken, want deze zijn de ware vrienden van den werkman. »

Arme verdwaalde ! ja inderdaad, verdwaald was hij en verleid, want niet altijd had hij zulke taal gevoerd. Een tijd was er geweest dat hij een deugdzaam en braaf man was, doch de slechte gezelschappen hadden hem bedorven :

-ocr page 175-

AANHANGSEL.

goddeloos is hij nu, het hart vol haat voor al wat deugd aangaat en daarbij verslaafd aan den drank. Dezen avond bijzonderlijk was hij opgewonden en grammoedig, want hij kwam al zijn geld te verliezen aan het spel.

Doch, daar gaat de deur der herberg open en zijne vrouw komt in aller haast binnen.

— Om de liefde Gods, Valentijn, roept zij, het is hoog tijd om op uwen post te zijn, de trein komt aan.

— Laat mij gerust ! mort misnoegd de barreelwachter, wat trek ik mij den trein aan, maak u van hier.

— Om de liefde Gods toch ! kreesch de arme vrouw, heb medelijden met mij en uwe kinderen, ge zult uwen post verliezen !

Valentijn verroerde niet, hij bleef zitten. De arme vrouw was buiten haar zelve van angst en zich tot de verleiders van haren man keerende : « Wee u ! die mij zoo ongelukkig gemaakt hebt,snikte zij. God zal u niet ongestraft laten.»

Troosteloos keerde zij huiswaarts en zuchtte al wee-nende : « O Heilige Antonius, verlaat mij toch niet, bescherm mij en mijne arme kinderen ! »

— « Wat scheelt er u ? goede vrouw, » vroeg haar vriendelijk eene zachte stem.

Zij ziet op, en daar staan de pastor en de onderpastor voor haar. Gelukkig haar gemoed een weinig te kunnen ontlasten, vertelde zij het gebeurde. «Ah ! zuchtte zij, mijn man zit in de herberg, verspeelt zijn geld en spot met de priesters en den godsdienst, daarbij wil hij naar zijnen post niet komen, en ziet, binnen vijf minuten komt de sneltrein aan ; ah ! mijn God,hij zal zijne plaats verliezen,en wat zal er dan van mij en mijne arme kinderen geworden ?» en de ongelukkige moeder begon te weenen. De twee priesters zwegen en dachten wat zij zouden doen om haar te helpen. « Hier is het ! sprak eensklaps de onderpastor. Haast u, goede vrouw, haal den mantel en de vlag van uwen man en zeg mij waar ik moet staan, ik wil barreelwachter zijn ; in den donkeren zal men mij niet herkennen, spoed u, spoed u !...... »

167

-ocr page 176-

168 LEVEN VAN .DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

Vijf minuten later vloog in volle vaart de sneltrein voorbij, doch niemand had opgemerkt dat dezen keer een priester des Heeren daar als barreelwachter stond.

Met innige dankbaarheid, viel alsdan de vrouw op hare knieën en de handen ten hemel opgeheven : « dank, o duizendmaal dank! H. Antonius, riep zij uit, want gij zijt het die mij onverwachts hebt geholpen en die mijn huisgezin van de ellende komt te redden. »

's Anderendaags vertelde zij alles aan haren man, en deze was zoodanig getroffen door de edelmoedige daad van den priester dat hij van dien dag af de priesters eene eerbiedige genegenheid toonde, van leven veranderde en wederom een brave en deugdzame huisvader werd.

IV.—DK H. ANTONIUS BKVRIJDT HET STADJE TELFS VAN OVERSTROOMING (').

BIJ de bevolking van Tyrol is de H. Antonius zeer geëerd, evenals in Beieren en in alle Duitsche gewesten, waar de Luthersche ketterij weinig ingang vond. Op vijf en twintig kilometers afstand van Innsbrück ligt het stadje Telfs, op het oogenblik een vrij belangrijke plaats. In de vorige eeuw hadden alhier stormen en overstroomingen niet weinig bijgedragen om den eeredienst van den H. Antonius onder de bewoners te verspreiden; zij hadden de belofte gedaan telken jare den 13quot; Juni, feestdag des Heiligen, plechtig te vieren, als zij van onheil gespaard bleven.IJ de bevolking van Tyrol is de H. Antonius zeer geëerd, evenals in Beieren en in alle Duitsche gewesten, waar de Luthersche ketterij weinig ingang vond. Op vijf en twintig kilometers afstand van Innsbrück ligt het stadje Telfs, op het oogenblik een vrij belangrijke plaats. In de vorige eeuw hadden alhier stormen en overstroomingen niet weinig bijgedragen om den eeredienst van den H. Antonius onder de bewoners te verspreiden; zij hadden de belofte gedaan telken jare den 13quot; Juni, feestdag des Heiligen, plechtig te vieren, als zij van onheil gespaard bleven.

Hoe verging het ? — Lange jaren hield men de belofte, en de Heilige van zijnen kant bleef het volk beschermen en het water afkeeren ; maar langzamerhand werd de Heilige vergeten, en de feestdag des Heiligen ging ongemerkt voorbij... Maar aanstonds keerde het gevaar terug, de dijk dreigde door te breken en... gelukkig, neemt men opnieuw zijn toevlucht tot den H. Antonius.

I. Lécho de S. Francois et de S. Antoine.

-ocr page 177-

AANHANGSEL. 169

Daarom doet het ons genoegen te vernemen,dat de tegenwoordige gemeenteraad de gelofte der voorouders vernieuwd heeft : van af 1896 werd op Juni de feestdag des Heiligen gevierd gelijk in de vorige eeuw. Moge de Heilige hen beschermen en de vernieuwde godsvrucht levendig houden.

DE H, ANTONIUS, WONDERBARE GENEESHEER.

I. — GKNKZING VAN EEN KIND (')■

DESSELGHEM. Binst den nacht van Goeden-Vrijdag was ons jongste kindje zoo erg ziek, dat wij voor zijn leven vreesden, daar zich alle kenteekens voordeden van de schrikkelijkste der kinderziekten ; de kroep.ESSELGHEM. Binst den nacht van Goeden-Vrijdag was ons jongste kindje zoo erg ziek, dat wij voor zijn leven vreesden, daar zich alle kenteekens voordeden van de schrikkelijkste der kinderziekten ; de kroep.

Den avond te voren had ik eenige boekjes der Liefdadigheid doorbladerd, en het lezen der talrijke bedankingen voor bekomen weldaden,wekte in mij de gedachte op, ook mijnen toevlucht tot den Heiligen Antonius te nemen. Ik vroeg hem dan met groot betrouwen ons lieve kind tegen die schrikkelijke ziekte te behoeden en beloofde, indien ik verhoord werd, drie brooden aan de armen te geven en bekendmaking in den Bode. En zie, niet meer dan vijf minuten had ik die belofte gedaan, of ons kind viel in een ver-kwikkenden slaap, 's Anderendaags 's morgens was alle gevaar geweken. Glorie en lof aan den H. Antonius !

II. — GENEZING VAN EEN LAMME TURK (*).

EEN arme Turk, inwoner van Jerusalem en vader van een talrijk huisgezin,was na eene langdurige ziekte met volstrekte lamheid geslagen, en zag zich in de onmogelijkheid voortaan in het onderhoud van zijne vrouw en kinderenEN arme Turk, inwoner van Jerusalem en vader van een talrijk huisgezin,was na eene langdurige ziekte met volstrekte lamheid geslagen, en zag zich in de onmogelijkheid voortaan in het onderhoud van zijne vrouw en kinderen

1. De Liefdadigheid. Bode van het godvruchtig werk der brooden van den H. Antonius van Padua. Nr van 15 Mei 1898.

2. Thefranciscan Echo.

-ocr page 178-

iyO LEVEN VAN , DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

te voorzien. Het weinige dat nog overbleef van de zuur gewonnen spaarpenningen werd besteed aan aartsenijen en geneesmiddelen en de ongelukkige vroeg zich angstig af wat er van hem en de zijnen moest geworden, toen hem opeens de naam van den H. Antonius te binnen kwam. Hij had de macht en de goedheid van den grooten Wonderdoener hoo-ren prijzen, en besloot als laatste redmiddel de hulp van den Heilige in te roepen. Hij deed zich diensvolgens naar de kerk der Paters Franciscanen dragen vóór een beeld van sint Antonius. De mannen die hem dezen dienst bewezen hadden opgemerkt dat hun vriend een zwaren steen in de hand vasthield.

— Wat beduidt deze steen, vroegen zij hem.

— Wat hij beduidt,antwoordde de Turk, zult gij misschien welhaast zien ; want ik zweer het u, indien sint Antonius mij niet geneest, werp ik met dezen steen zijn beeld in duizend stukken.

De dragers zagen heel verwonderd op bij het hooien dezer zonderlinge woorden die maar van weing gelatenheid en betrouwen getuigden ; nochthans om den ongelukkige niet te mistroesten vervorderden zij hunnen weg en plaatsten hem voor het beeld van den Heilige.

De Turk was nauwelijks alleen of hij begon zijn nood te klagen : Was hij niet de ongelukkigste der menschen ? moest zijn gezin niet van gebrek omkomen ? kon de H. Antonius wel laten van hem te genezen? Neen, sint Antonius moest en zou hem genezen.

Alzoo bad de arme lamme vóór het beeld van den Wonderdoener, en,gelijk wij zullen zien, had de Heilige zijn gebed verhoord.

Maar de Turk verstond dit niet : hij had gevraagd om te kunnen gaan, en hoe hij ook beproefde hij kon op zijne beenen niet staan. Hij werd boos, verloos zijn geduld en vol gramschap en wanhoop wierp hij zijn steen naar sint Antonius.

Maar de Heilige was op zijne hoede. De Turk zag vol schrik hoe het beeld den arm uitstrekte, den steen in de

-ocr page 179-

AANHANGSEL.

hand opving en nu op zijne beurt mikte oie hem het werptuig naar het hoofd te slingeren.

In één, twee, drie sprong hij op, liep in één adem de kerk uit, over markten en straten, recht naar zijne woning waar hij hijgend aankwam,en door de mannen die hem naar de kerk hadden gedragen tot staan werd gebracht. Zij kon-nen hunne oogen niet gelooven en overlaadden hem met gelukwenschirgen over zijne genezing. De lamme Turk die, door schrik bevangen, tot nu toe aan zijn wonderbaar herstel nog niet had gedacht, moest nu wel bestatigen dat de Heilige hem had verhoord. Het hart vol dankbaarheid ging hij terug naar de kerk der Paters, wierp zich op de knieën en onder een vloed van tranen vroeg hij sint Antonius vergiffenis voor zijn gemis aan betrouwen,zijn ongeduld en zijne oneerbiedige handelwijze jegens zijne beeltenis.

Ill, — DK H. ANTONIUS, GKNEESHKER DER DIEREN (■).

EEN vlaamsche landbouwer, gemeenteraadslid te Cools-camp, schrijft het volgende aan eenen Minderbroeder van Thielt.EN vlaamsche landbouwer, gemeenteraadslid te Cools-camp, schrijft het volgende aan eenen Minderbroeder van Thielt.

« Over vier jaar, sprak mij een uwer Broeders over de wonderen die men bekomt door ter eere van den Heiligen Antonius brood aan de armen te schenken .Wij zei ven hebben het ondervonden, en 't is met genoegen dat wij hier zijne weldaden kenbaar maken.

Ons vee is onze grootste schat,en 't was juist daar de oorzaak onzer beproevingen. Een onzer verkens werd van het Antoniusvuur aangetast. Deze kwaal is allerbesmettelijkst. Ik beloofde vijf frank aan den H. Antonius, bijaldien het verken genas en de andere ongedeerd bleven. — Ik werd verhoord.

171

Daarna werd een paard door de kool overvallen, en

1. Sint Franciskus' en Sint Antonius* Standaard, 4de jaargang N0 6.

-ocr page 180-

172 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

't was bijna zeker dat het sterven moest. Wat nu gedaan ? — Ging ik naar den paardenmeester, 't zou een hoop moeilijkheden zijn, 'k zou mijn paard van de andere moeten scheiden, 't zou mij veel geld kosten, en op het einde zou er toch niets aan te doen zijn ; 'k beloofde wederom vijf frank aan den Heiligen Antonius en 't paard genas als bij tooverslag. 'k sprak er later den veearts over die getuigde, dat het paard waaarlijk de kool had.

— Over een jaar, werden al mijne paarden door de kroep aangetast. Binst dat die besmetting heerschte, vroegen de Minderbroeders van Macon eene gift voor het bouwen hunner kerk. Daar men dit in Antonius' naam vroeg, beloofde ik twintig frank zoo mijne paarden genazen. Ja maar, dezen keer, liet de Heilige Antonius zich wat bij zijne kap trekken : de kwaal vermeerderde, en een mijner dieren, na twee maanden ziekte, had nog aan den hals een gezwel van een vuist groot; ik koesterde altijd de hoop dat het weldra verdwijnen zou ; doch op zekeren morgend was het viermaal grooter als te voren. Ik deed mijn beklag aan den Heiligen Antonius en zegde hem dat wij alzoo geen goede vrienden gingen blijven. De goede Heilige nam het niet kwalijk op, en op zekeren dag was gansch het gezwel verdwenen.

Gij ziet, hierbij. Eerwaarde Vader, dat wij veel beloven aan den Heiligen Antonius, en al is het dat wij aan al onze beloften voldoen, nooit zullen wij hem genoeg kunnen vergelden, zoodanig overtreft zijne wonderdadige behulpzaamheid alles wat ik zou kunnen doen om mijne erkentenis te betuigen.

-ocr page 181-

VOORDEELEN GEHECHT AAN DEN EEREDIEN ST VAN DEN H. ANTONIUS.

I. — DK NEGEN DINSDAGEN TER EERE VAN DEN H. ANTONIUS (').

WAT wij hier verhalen is geen verdichtsel, maar eene ware gebeurtenis ontleend aan het « Glöcklein ^het maandschrift der Derde-Ordeiingen vanAT wij hier verhalen is geen verdichtsel, maar eene ware gebeurtenis ontleend aan het « Glöcklein ^het maandschrift der Derde-Ordeiingen van Tyrol.

Het verhaal toont ons een deftig huisgezin, verdeeld en in de bitterste armoede gedompeld,door twee driften welke ook op onze dagen zooveel slachtoffers maken : Spel en drank ; het toont ons verder vader, moeder en kinderen weerom vereenigd en gelukkig, dank aan de oefening der negen Dinsdagen.

*

# *

Op eenige boogscheuten van het dorpX... is eene kleine hoeve gelegen. De afhangende luiken, het pleisterwerk dat hier en daar van den muur brokkelt zijn,maar al te duidelijke teekenen van zorgeloosheid en armoede. In den tuin daarnevens ligt de grond braak onder distels en doornen, 't onkruid schiet er weelderig op, en de waterkom waaraan, in vroegere dagen, paarden en koeien kwamen drinken is nu een vuile poel waar 't ongedierte in krioelt.

Alles brengt u daar in eene treurige stemming en den voorbijganger moet de plaats als onbewoond voorkomen.

't Is echter zoo niet. Eene vrouw verschijnt op den drempel der huisdeur. Zij is nog jong, maar bleek en kwijnend... Kuchend wankelt zij voort en sleept met moeite eene wasch-mand achterna gevuld met ondergoed. Aan eene koord, geknoopt aan twee staken, spant zij de witte doeken open, welke in den wind heen en weêr fladderend, aan dit eentonig, doodsch tafereel wat leven en beweging geven.

De arme vrouw moet veel geleden hebben ; niet de tijd

i. De Bode van den H. Franciscus van Assisië, maandschrift uitgegeven door de Eerwaarde Paters Minderbroeders van België, 1,50 fr. jaars, jaar-gang, N° 7.

-ocr page 182-

174 LEVEN van den h. antonius van padua.

maar lijden en kommer groefden de rimpels in haar voorhoofd ; in die blauwe, roodgekreten oogen ligt een diepe weemoed te lezen; ja,veel heeft zij geleden.en nu... arme vrouw !

Opeens loopt eene rilling door al hare ledematen ; met den arm zoekt zij steun tegen een der staken als vreesde zij in bezwijming te vallen, en de hand brengt zij krampachtig tegen haar hart om er het hevig kloppen van te bedaren.

Daar, aan hare voeten ligt een man zorgeloos uitgestrekt, 't Is haar echtgenoot! Verdient echter die havelooze kerel wel dien naam? Verslaafd aan sterken drank,heeft hij reeds jaren lang, de heiligste rechten met voeten getreden, en nu, als naar gewoonte, ligt hij in het gras zijn roes uit te slapen.

Niemand kon nog op dit verstompt gelaat de trekken bespeuren welke eertijds den kunstenaar Albrecht Steinfels verrieden : zijne roode,dikgezwollen oogleden nijpt hij nijdig toe voor het zonnelicht, lange haarlokken hangen hem wanordelijk over voorhoofd en slapen, en bij wijlen ontsnapt aan zijne keel een schor geluid,de dronkaardsreutel.

In het dorp, waar hij dagelijks in dronken staat rondzwij-melt, is hij bekend onder den naam van « Zatte schilder » ; men laat zich weinig of niet aan hem gelegen, en niemand vraagt naar zijn vorigen toestand.

Hoe meer echter Steinfels het afgrijzen verwekt der dorpelingen, hoe inniger ook zijne vrouw hun medelijden inboezemt. Gaarne zouden die goede menschen der arme lijderes hulp en troost hebben aangeboden,doch alleen in de kerk, waar zij 's morgens vroeg de Heilige Mis hoorde, en op den engen slingerweg die er naartoe leidt, kon men haar ontmoeten, en dan was hare houding zoo verlegen en teruggetrokken dat niemand haar durfde aanspreken.

De klappijen van het dorp staken nog al dikwijls de hoofden bijeen om over den droevigen toestand van vrouw Steinfels een praatje te houden. « Die zatte schilder, sprak de eene met toornig oog, is een wangedrocht, hij mishandelt zijne vrouw. » En eene andere voegde er fluisterend bij: « hij slaat ze ten bloede, eens zal men in dit huis een doode vinden ».

-ocr page 183-

AANHANGSEL.

Ditmaal ook, lijk het meestal gebeurt, sloegen de babbe-laarsters deerlijk den bal mis : 't is niet te ontkennen, het wangedrag haars echtgenoots deed de arme vrouw heete tranen schreien, doch in de hevigste aanvallen van dronkenschap had Steinfels nooit de hand op haar gelegd, nooit

zelfs was zulk een gedacht in zijn brein opgerezen.

#

* *

't Wordt hoog tijd dat wij met Steinfels nader kennis maken.

Zijne ouders waren brave,welhebbende burgers.Zijn vader, een gepensionneerd officier, was in echt getreden met Anna Birkler, een deugdzaam vrouwken, en God had hun huwelijk met drie kinderen gezegend. Karei, de oudste, had vaders goesting voor het krijgsmansleven geërfd : nog jong trad hij in het leger, maar eene vroegtijdige dood kwam den bodem inslaan aan al de schoone plannen van bevordering, welke hij, ingezien zijne eer en tucht, niet lichtzinnig had gemaakt. Rosa^de dochter, trouwde met den rentmeester van zekeren kasteelheer. Albrecht, de Benjamin, lijk vader hem placht te noemen, was een slanke jongen met blonde haren, blauwe oogen en zachte inborst. De oude Steinfels droomde voor hem de heerlijkste toekomst, ea alhoewel hij ongaarne zag dat hij, wat droomerig van aard, de spelen zijner makkers vluchtte om in den eenen of anderen hoek te gaan teekenen, wilde hij hem echter die kleine voldoening niet onttrekken.

« Later, sprak hij, zal hij wel die kinderachtigheden af-leeren. Albrecht moet grondige studiën doen en zal een kundig staatsminister worden, of wel, lijk zijn vader het zwaard trekken voor Koning en Vaderland ».

Dit herhaalde de officier, die nog altijd in zijn stijven tip-band het hoofd recht militarisch omhoog hield, voor den honderdsten keer aan zijne vrouw, en bij de laatste woorden streek hij met zekere fierheid over zijn grijzen snorrebaard.

Anna wilde haren man niet tegenspreken^lhoewel zij van

175

-ocr page 184-

I 76 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

een ander gevoelen was ; volgens haar was Albrecht voor de schilderkunst geboren en vader zou hem te vergeefs eene andere levensbaan aanwijzen.

Het vervolg leerde dat moeder de neiging van haar kind goed had geraden; hoe zeker ook, en scherpziende is in dit punt een moederoog !

* *

Ondertusschen waren eenige jaren voorbijgevlogen.

Albrecht om te gehoorzamen aan vader die op bevel nooit tegenspraak duldde, ging zijne studiën doen op de school van het middelbaar onderwijs. Daar God hem in ruime maat talenten had toegedeeld, maakte hij rasschen voortgang, en de « bulletin » welken hij den dag der prijs-deeling te huis bracht, was meer dan voldoende om vader in zijne hoogmoedige inzichten nopens de toekomst van den student gelijk te geven.

Doch het volgende jaar was de oude officier in zijne verwachting bitter teleurgesteld. Dezen keer had Albrecht in het « om best » of exaam — eene opgeruide zee voorwaar ! — zooveel klippen en draaikolken ontmoet dat de arme jongen schipbreuk had geleden.

« Mijnheer en beste vriend Steinfels, zoo schreef een der leeraren op aandringen van Albrechts moeder, waarom stijfhoofdig weigeren dat uw zoon eene kunst aanleere voor dewelke hij al de vereischte hoedanigheden heeft; goesting en talent? Van kindsbeen af heeft hij in het schilderen ongemeene blijken van kundigheid gegeven : stel Albrecht onder het geleide van bekwame meesters en na weinig tijds zal hij een uitmuntend schilder zijn, de hoogmoed zijns vaders ».

Dit briefje kon onmogelijk de gevoelige snaar van Steinfels hart raken. Wat ! die heerlijke droomen voor de toekomst zouden enkel begoocheling, hersenschim geweest zijn ? Albrecht, dien hij reeds staatsminister of generaal waande, zou zijn leven lang een onbekende werkman blijven ? onmo gelijk ! dat nooit I... Den zelfden dag nog voelde de jonge

-ocr page 185-

AANHANGSEL.

schilder tuchtroede duchtig over rug en beenen glijden en schilderdoos, kleuren en penseel vlogen het vuur in.

De arme bloed deed niets dan weenen en wat middelen vader ook aanwendde om hem te doen studeeren, alles bleef vruchteloos. Ten einde raad was de oude Steinfelï genoodzaakt gehoor te geven aan de smeekingen zijner vrouw en hij zond zijnen zoon naar de Academie om er de teeken-en schilderkunst aan te leeren.

Daar was Albrecht op zijne plaats : de voorzegging van Steinfels' vriend werd bewaarheid : hij was weldra een kunstenaar van eersten rang.

De lauweren welke de jonge schilder plukte waren de kroon van vaders ouden dag. Anna, zijne lieve moeder, mocht vooraleer te sterven, de schitterende toekomst van haar kind vooruitzien; Rosa alleen, zijne zuster, zou getuige wezen van haar broeders wangedrag.

*

* *

Albrecht Steinfels was het troetelkind der fortuin: dank aan de bescherming van hooggeplaatste personen, kon hij buitenslands verre reizen ondernemen, en welhaast had de schilderkunst voor hem geene geheimen meer : in alle vakken bracht zijn penseel meesterstukken op het doek.

Eenige jaren later trad hij in echt met Louisa Walfram, de dochter van een beroemden beeldhouwer. De eerste jaren van hun huwelijk waren eene aaneenschakeling van vreugde en geluk ; God ook zegende hen ; vier blonde krul-lebollen met rozige wangen en blauwe kijkers taterden en stoeiden aan den huiselijken haard. Helaas ! de voorspoed is niet zelden eene klip voor de deugd, en het goud moet in den smeltkroes gelouterd worden !

Zekeren dag landde te W..., waar Steinfels woonde, een vreemdeling aan, dien het noodlot daar scheen gezonden te hebben, om den schilder met zijn huisgezin in het verderf te storten. Hij noemde zich M. X..., Rus van edele geboorte, en had weldra met Steinfels nauwe betrekkingen aangeknoopt.

Leven van den H. Antonius van Padua. 12

177

-ocr page 186-

178 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

Nog geen drie maanden had Albrecht met den Rus kennis gemaakt, of reeds kon men een ganschen omkeer in zijn gedrag waarnemen ; hij verwaarloosde zijne bezigheden en werd verslaafd aan eenen drift, die hem voortijds het diepste afgrijzen inboezemde ; het spel. Hij verloor en speelde wanhopig ; noch de smeekingen zijner vrouw, noch de tranen zijner kinderen, konnen hem op dit glibberig pad weerhouden. Zekeren avond liet hij zijne laatste goudstukken over het groene tapijt der speeltafel rollen : de kans was hem ongunstig..,, hij was nu doodarm ; zijne fortuin, het goed van vrouw en kinderen had hij roekeloos verspeeld.

In stede van door verdubbelde werkzaamheid dit verlies te herstellen, ging Steinfelslieverzijn verdriet in hetgenever-glas versmooren. Van hartstochtelijken speler werd hij baldadige dronkaard.

Wanneer de ouders van Louisa, Steinfels wangedrag en de droefheid hunner dochter vernamen, trachtten zij haar door vele middelen alle gemeenschap met haren onwaardigen echtgenoot te doen afbreken en wederom onder het ouderlijk dak haren intrek te nemen: doch vruchteloos. Daar echter het slechte voorbeeld van vader op het gemoed der kinderen een kwaden indruk zou hebben gemaakt, stond zij de kleine bereidwillig aan de zorgen harer ouders af. God weet ten prijze van welk hartverscheurend leed !

Louisa kon na lang bidden en smeeken, haren man overhalen om nu W... te verlaten ; de verachting der burgers welke op Steinfels woog, maakte haar in die plaats het leven overdragelijk. Zij vertrok met Albrecht uit het land en huurde in het dorp X..., eene kleine hoeve.

Diep ongelukkig voelde zich vrouw Steinfels, wantin het gedrag haars echtgenoots was geene beternis te bespeuren. Daar ook zwijmelde hij dagelijks smoordronken van de eene kroeg naar de andere, en zijne wanordelijke levenswijze verstrekte den dorpelingen tot ergernis.

-ocr page 187-

AANHANGSEL.

Iets nochthans gaf haar leniging in dit lijden :eene flauwe straal van hoop, bleef aitijd de grauwe nevelen harer droefheid doorschemeren : De negen dinsdagen van St-A?i/onius, welke zij met de meeste vurigheid had begonnen om de bekeering van haren echtgenoot af te smeeken.

Zeven dinsdagen waren voorbij, de achtste was reeds aangebroken en nog was niet de minste beternis in het gedrag van Steinfels te bespeuren. Bedroefd, doch niet ontmoedigd kwam Louisa, 's namiddags in de kerk der Minderbroeders en was verwonderd deze op dit oogenblik onbezocht te vinden ; 't was waarschijnlijk de stikkende hitte, voorbode van een nakend onweder, die de menschen binnenshuis hield.

Nu, zij was blijde alleen in de kerk te zijn : zij zou dien dag een laatste middel aanwenden, den stormloop wagen, om het hart van Antonius te veroveren, zij wilde met luider stem bidden, ja, was het noodig, luidkeels roepen om de verlangde gunst te bekomen.

Louisa knielde neder op de trappen van Sint Antonius' altaar en stortte, onder eenen tranenvloed, haar wêe uit in het hart van den lieven Heilige. Vurig klonk hare bede voor de bekeering van Albrecht... Oh ! hadde zij het hoofd even omgedraaid, hoe groot zou hare verwondering geweest zijn: de man voor wien zij zoo vurig bad, wiens naam zoo dikwijls hare bevende lippen ontrolde, stond tien stappen achter haar, geleund tegen eene kolom der kerk. Van uit de herberg had hij Louisa zien voorbijgaan en door nieuwsgierigheid gedreven, volgde hij haar in de kapel der Paters... Hij luisterde met angst naar de woorden zijner weenende vrouw... Bij het hooren der zoo billijke klachten van haar wier leven hij had vergald werd zijn ingesluimerd geweten wakker geschud, de wroeging verwrong zijn hart, nu hij het akelig tafereel zijner zonden zag, dat Louisa onwetens voor zijne oogen ontrolde.

Middelerwijl was het onweder in volle woede boven het dorp losgeborsten.

Steinfels onder den drang der wanhopige gedachten, die

179

-ocr page 188-

l8o LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

binst het gebed van Louisa zijn hart hadden overmeesterd, verliet ijlings de kerk, en liep als een uitzinnige door de straten van 't dorp. De voorbijgangers sprongen verschrikt achteruit en dachten dal de « zatte schilder » gek was geworden. Deze bleef maar altijd voortloopen zonder te weten waarheen, als voortgezweept door eene onzichtbare hand. Aan den omdraai der straat werd hij eensklaps door een hellen vuurgloed omtogen, hij viel plat ter aarde en een donderslag ratelde door het luchtruim.

Hemel ! riep men, de ongelukkige is doodgebliksemd !

Wondere tusschenkomst van Sint Antonius !

Wanneer Steinfels levenloos op den grond uitgestrekt lag, en de menigte, rondhemsamengeschoold, zijn droevig lot bejammerde of daarin een welverdiende straf meende te zien, kwam de geneesheer in aller haast toegeloopen. Hij werd gewaar dat er nog leven in den ongelukkige was en vroeg diensvolgens den schilder in een nabijgelegen huis te dragen om hem daar beter te kunnen verzorgen. Doch, niemand wilde een zoo gemeenen slemper onderzijn dak ontvangen.

Een heer die daar just voorbijging, geërgerd over zooveel gevoelloosheid, bood zijn eigene woning aan om den zieke te herbergen.

't Was de raadsheer Heller, en zijne echtgenoote. Alma van Aliner, was de liefste vriendin van Louisa Wolfram, toen zij samen bij de Salezianer-nonnen op kostschool waren.

Pas eenige dagen geleden waren zij in het dorp gekomen. Dank aan de goede verzorging welke Steinfels bij M. Heller ten deele viel, was na weinige dagen alle stervensgevaar geweken, en de warme liefdeblijken die de raadsheer, dezes vrouw en vooral zijne Louisa den zieke schonken deden de ijsschors, welke reeds zoo langen tijd zijn hart insloot wegsmelten.

De schilder kreeg met de gezondheid ook zijn vroegeren godsdienstzin weder, hij werd een voorbeeldig echtgenoot en vader.

-ocr page 189-

AANHANGSEL.

Met ijver zette hij zich wederom aan 't schilderen en plukte nieuwe lauweren : doch het schoonste meesterstuk welk hij ooit op het doek penseelde was een Sint Antonius, die onder 't loeien des onweers, hoog in de lucht verscheen en beschermend de hand uitstak over eenen man, toen deze door den bliksem getroffen, bewusteloos op den grond neerzeeg. A. D.

II. — DK H. VADKR VERRIJKT EEN GEBED TOT DEN H. ANTONIUS MET AFLAAT.

Rome. Uit de H. Congregatie der Aflaten.

Een aflaat wordt toegestaan aan het storten van een gebed tot den H. Antonius van Padua.

Allerheiligste Vader.

KARDINAAL Lucidus Maria Parocchi, Vicaris van Uwe Heiligheid, nederig aan den troon van dezelfde Heiligheid neergeknield, vraagt ter bevordering van het godvruchtig werk, dat ter eere van den Heiligen Antonius van Padua «ARDINAAL Lucidus Maria Parocchi, Vicaris van Uwe Heiligheid, nederig aan den troon van dezelfde Heiligheid neergeknield, vraagt ter bevordering van het godvruchtig werk, dat ter eere van den Heiligen Antonius van Padua « Het liefdewerk der Broaden », genoemd wordt, eeni-gen aflaat, welke zal kunnen verdiend worden door hen, die volgend gebed storten.

Gebed tot den H. Antonius van Padua.

Roemrijkste Wonderdoener, Vader der armen, gij, die eenmaal het hart eens gierigaards tusschen de goudstukken verborgen op wonderbare wijze ontdektet, dewijl gij van God een voor de troostelooze armen gevoelig hart ontvangen hebt; gij, die voor onze gebeden welke gij aan God opdraagt, steeds verhooring verkrijgt; ontvang den penning, dien wij als blijk van ons dankbaar gemoed, tot ondersteuning der armen voor uwe voeten neerleggen. Dat hij hun en ons tegelijk voordeelig zij : sta beiden, terwijl lijdelijk geluk ons deel zij, met uw gewone welwillendheid ter zijde, maar verkrijg

i8i

-ocr page 190-

182 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

ons vooral het eeuwige geluk, nu reeds, en op nog machtiger wijze in het uur van onzen dood. Amen.

De Heilige Congregatie der aflaten en der Heilige Relikwieën, gebruik makende van de macht haar door Z. H. Leo XIII bijzonder toegestaan,verleent goedertierenlijk aan alle christengeloovigen van beider geslacht, die met een rouwmoedig en godvruchtig hart bovengemeld gebed storten, eenen aflaat van 100 dagen éénmaal per dag te verdienen, welke ook aan de overledenen kan toegepast worden. Zijnde dit voor altijd van kracht zonder eenige Breve,terwijl niets daartegen geldt.

A. Card Steinhuber, Prcef.

A. Aartsbissch. Nicopol., Secret.

III. — BRIEF VAN LEO XIII EN SINT ANTONIUS' EERE DIENST.

Leo XIII, Pans, ter eemviger gedachtenis.

HET was voor ons een zeer groote troost en eene zaak geheel overeenkomende met onze verlangens, toen onlangs onze beminde zoon Laurentius Caratelli, Minister-Generaal der Minderbroeders Conventueelen, ons verzocht overal den eeredienst tot den H. Antonius te vermeerderen en uit te breiden.ET was voor ons een zeer groote troost en eene zaak geheel overeenkomende met onze verlangens, toen onlangs onze beminde zoon Laurentius Caratelli, Minister-Generaal der Minderbroeders Conventueelen, ons verzocht overal den eeredienst tot den H. Antonius te vermeerderen en uit te breiden.

En inderdaad de katholieken hebben alle reden om door buitengewone eerbewijzen en eerbiedige genegenheid den H. Antonius te eeren, dien heilige, die door een buitengewone zending Gods, gewoon is, aan het Christen volk voortdurende genaden en gunsten te verleenen, zoodat de Kerk zelfs de geloovigen heeft uitgenoodigd, tot hem hun toevlucht te nemen, wanneer er mirakelen noodig zijn.

In deze rampzalige tijden is de H. Antonius door naastenliefde verbonden met den H. Vincentius a Paulo, en beiden doen hun best de ellende te lenigen en het behoeftige volk te helpen. De eene geeft het brood, de andere brengt het. En in veel kerken is er thans een offerblok met de

-ocr page 191-

AANHANGSEL.

zoete beeltenis van den H.Antonius van Padua,die het kind Jesus in zijne armen draagt.Die beeltenis noodigt de geloo. vigen uit en dwingt ze zelfs met zacht geweld,hem gunsten te vragen, en uit dankbaarheid voor verkregen weldaden storten zij in den offerblok de gift voor het brood van Sint-An-tonius, bestemd voor de armen. De Conferentiën van Sint-Vincentius ^ Paulo, die overeenkomstig haar instelling aan de arme gezinnen den noodigen onderstand uitdeden, krijgen daardoor van den H. Antonius een machtigen steun en overvloedige hulp om haar zending te vervullen.

Ten overstaan van die feiten wordt de smeekbede, die ons is voorgelegd, allergunstigst aanvaard, en altijd bezorgd om de godsvrucht der geloovigen te vermeerderen en zielen aan de hemelsche schatten deelachtig te maken, verleenen Wij aan de geloovigen van beider geslacht die na een berouwvolle biecht dertien opeenvolgende Dijnsdagen of Zondagen gecommuniceerd hebbende, door godvruchtige overwegingen of gebeden ter eere Gods dien heilige zullen hebben vereerd,een vollen aflaat,toepasselijk aan de overledenen, welken aflaat men kan verdienen op den een of anderen der Dijnsdagen of Zondagen, waarop men al deze voorwaarden vervuld zal hebben.

Gegeven te Rome bij St-Pieter, onder den Visschersring den i Mei 1893, het twintigste jaar van Ons Pausschap.

Leo XIII, Paus.

LITANIE EN OEFENINGEN TER EERE VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

HEER, ontferm u onzer.EER, ontferm u onzer.

Christus, ontferm u onzer.

Heer, ontferm u onzer.

Christus, hoor ons.

Christus, verhoor ons.

God hemelsche Vader, ontferm u onzer. God Zoon, Verlosser der wereld, ontferm u onzer.

-ocr page 192-

184 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

God H. Geest, ontferm u onzer.

H. Drievuldigheid, één God, ontferm u onzer.

H. Maria, moeder en beschermster van den H. Antonius, bid voor ons.

H. Franciscus, vader en onderrichter van den H. Antonius,

bid voor ons.

H. Antonius van Padua, bid voor ons.

H. Ant., zalige vrucht van Spanje,

H. Ant., nieuw licht van Italië,

H. Ant., beschermer en glorie van Padua,

H. Ant., apostel van Frankrijk,

H. Ant., navolger van den H. Franciscus,

H. Ant., lelie van zuiverheid,

H. Ant., kostelijke perel der armoede,

H. Ant., klaarblinkend licht van gehoorzaamheid,

H. Ant., spiegel van boetvaardigheid,

H. Ant., roos van verduldigheid,

H. Ant., vlam van liefde,

H. Ant., vat van heiligheid,

H. Ant., pilaar der H. Kerk,

H. Ant., verkondiger der gratie,

H. Ant., uitroeier der zonde, ^

H. Ant., vertreder der wereld, g

H. Ant., verheffer der glorie van den Oppersten Vader, ^ H. Ant., ootmoedige verberger der wijsheid, p

H. Ant., leeraarder waarheid,

H. Ant., blinkende star in het firmament der Serafiensche Orde,

H. Ant., arke des testaments,

H. Ant., trompet van den Allerhoogste,

H. Ant., voorvechter des geloofs in het hoogwaardig

H. Sakrament,

H. Ant., brandende naar de marteldood,

H. Ant., geesel der ketters,

H. Ant., schrik der ongeloovigen,

H. Ant., roede der tijrannen,

H. Ant., heilige liefhebber van Gods huis,

-ocr page 193-

AANHANGSEL.

H.

Ant.,

ijveraar der zielen, bid voor ons.

H.

Ant.,

wonderbare mirakeldoener,

H.

Ant.,

patroon der verlorene zaken,

H.

Ant.,

toevlucht der armen.

H.

Ant.,

gezondheid der zieken.

H.

Ant.,

vertrooster der bedrukten.

H.

Ant.,

hof van vreugde.

W 5.'

H.

Ant,,

kenner der harten,

H.

Ant.,

voorzegger der toekomende dingen.

lt; O

H.

Ant.,

verwekker der dooden.

O ►t

H.

Ant.,

schroom der duivelen.

O 3

H.

Ant.,

navolger der Patriarchen en Propheten,

C/ï

H.

Ant.,

nabeeld der Apostelen,

H.

Ant.,

uitstekende onder de Leeraars,

H.

Ant.,

glorie der Heiligen,

H.

Ant.,

onze allerzoetste vader en beschermer.

Jezus, wees ons genadig, spaar ons. Heer.

Jezus, wees ons genadig, verhoor ons, Heer.

Van alle kwaad, verlos ons. Heer.

Van alle zonden, verlos ons. Heer.

Van de macht des duivels.

Van pest, hongersnood en oorlog,

Van den eeuwigen dood.

Door de verdiensten van den H. Antonius, lt;

7 fD

Door zijne brandende liefde, 5-

Door zijnen ijver tot de bekeering der zondaars, o

Door zijne vurige begeerte naar de marteldood, »

Door zijne gedurige volharding in zijne beloften van ar- K moede, zuiverheid en gehoorzaamheid, S

Door zijnen onvermoeiden arbeid.

Door de zeldzame verscheidenheid zijner mirakelen,

In den dag des oordeels.

Dat gij ons tot een waarachtig leedwezen onzer zonden

willet brengen, wij bidden U, verhoor ons.

Dat gij het vuur der goddelijke liefde in onze harten willet ontsteken, wij bidden U, verhoor ons.

Dat gij ons deelachtig willet maken aan de voorspraak en

IBS

-ocr page 194-

186 LEVEN VAN DEN H. ANTONIUS VAN PADUA.

verdiensten van den H. Antonius, wij bidden U, verhoor ons.

Dal gij dit land in den dienst van den H. Antonius willet

laten volharden, ct;

Dat gij allen die tot den H. Antonius hunne toevlucht §! nemen, gezondheid naar ziel en lichaam willet ver- 3 leenen, 5-*

Dat wij door de verdiensten van den H. Antonius, in alle 5 soorten van deugden mogen voortgaan, o

Dat gij alle minnaars en dienaars van den H, Antonius ^ in alles met uwen zegen willet voorkomen, p

Dat gij u gewaardiget ons te verhoeren,

Jezus Christus, Zoon van den levenden God,

Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, spaar ons, Heer.

Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, verhoor ons, Heer.

Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, ontferm u,

onzer.

Christus, hoor ons.

Christus, verhoor ons.

Heer, ontferm u onzer, enz.

Onze Vader, enz.

y. Bid voor ons, H. Antonius.

B7. Opdat wij mogen waardig worden der beloften van Christus.

Gebed. — O Heer Jezus-Christus, die op den Goeden Vrijdag omtrent den middag op het altaar van uw Allerheiligste Kruis hebt willen verheven worden en omtrent drie uren uwen geest hebt willen geven in de handen van uwen hemelschen Vader ! wij bidden U door uwe verdiensten, en door die van den H. Antonius, wiens ziel ook op eenen vrijdag van de wereld is gescheiden, en wiens heilig lichaam den derden dag der volgende weke begraven is, dat wij door de voorspraak van denzelfden beschermer de vrucht uwer verlossing en onzer zaligmaking in ons gedurig mogen ge-

-ocr page 195-

AANHANGSEL.

waar worden : die met den Vader en den H. Geest leeft en heerscht in alle eeuwen der eeuwen. Amen.

De Paternoster van den H. Antonius.

Hij bestaat uit dertien maal het Onze Vader, Wees Gegroet en Glorie zij den Vader, na denwelken men het Responsorium leest : Si quceris. Het is goed gedurende het lezen eene overweging te doen op de deugden van den Heilige, b. v., op zijn geloof, zijne hoop, liefde tot Jezus, voorzichtigheid, rechtvaardigheid, verduldigheid, ootmoedigheid, engelachtige zuiverheid, gehoorzaamheid, armoede, geest van gebed, en vereeniging met God, oftewel op de dertien gunsten die in het mirakuleus responsorium gevraagd worden.

187

-ocr page 196-

INHOUDSTAFEL.

lste DEEL.

Levensschets van den H. Antonlus van Padua.

Bladz,

Eerste Hoofdstuk. — Afkomst, geboorte, eerste jaren —

en eerste wonderen ........................ 9

2ae Hoofdstuk. — Leer- en proefjaren — bij de Augustij-nenpaters van Lissabon — in 'tklooster van Sinte-Kruis te Coimbra, een medebroeder genezen, de muren der

kerk splijten......................... ...... 14

3de Hoofdstuk. — Antonius wordt Minderbroeder, op uitnoodiging van den H. Franciscus, in 't klooster van

Sint-Antonius di-Olivario..................... 19

4de Hoofdstuk. — Antonius in Marocco; — na het algemeen kapittel van Assisië te Monte Paoloj — ontdekt

als geleerde predikant te Monte Forli............. 27

5'le Hoofdstuk. — Antonius lee raar en predikant in Italië

— bij den Abt van Vercelli ; hij predikt te Rimini voor de visschen en eet vergiftigde spijzen ; een doode verrezen te Vercelli........................... 35

6de Hoofdstuk.— Antonius leeraar en predikant in Frankrijk — Een muilezel die knielt voor 't H. Sakrament

— toehoorders tegen den regen beschut — handschrift teruggebracht — bilocatie — de duivel ontdekt — een kind komt zonder leed uit kokend water—sermoon gehoord opgrooten afstand — verschijning der H.Maagd

om hare glorierijke hemelvaart te verdedigen ...... 48

7de Hoofdstuk.— Antonius opvolgentlijk gardiaan,custos, provinciaal— bekeering van eenen Notaris voorzegd

— een martelaar voorspeld vóór zijne geboorte — hij predikt en wordt verstaan door toehoorders van verschillende landen elk in zijne eigene taal — een proef-kloosterling en een benedictijn van bekoring verlost — hij ontvangt het Kindje Jezus in zijne armen — de duivel verjaagd door de zegening « Ecce Cru ^ cemgt;

— een glas vermaakt en de wijn vermenigvuldigd — oorsprong der «flagellanten » — eene poets streng

-ocr page 197-

INHOUDSTAFEL.

Bladz

8tsc Hoofdstuk. — Anlonius te Padua — struikroovers bekeerd — Lucas Belludini en Helena Enselmine tot het kloosterleven gebracht — uitgevaagde belijdenis -— afgekapte voet aangezet — eene valsch beschuldigde vrouw van de dood verrezen — lamheid en vallende ziekte genezen — een kind van lamheid genezen — de dwingeland Ezzelino tegengehouden en zijne geschenken geweigerd— eene vrouw in hare eer hersteld ... 77 gquot;16 Hoofdstuk. — Laatste werken en dood — Antonius schrijft zijne sermoonen en andere boeken — een engel postbode van Antonius — eenzaamheid op eenen note-

boom—in 't klooster van Arcelli............... 91

iode Hoofdstuk. — Mirakels na de dood van Anlomus; begrafenis en heiligverklaring — verschijning aan den abt van Vercelli — onrust nopens de begrafenis — een glas dat niet kan breken — een drooge druiventak die vruchten voortbrengt — een priester verplicht in de heiligverklaring toe te stemmen............... 99

2de DEEL.

De H. Anlonius patroon van verlorene zaken. Waarom wordt de H. Antonius in't bijzonder aanroepen

om verlorene zaken terug te vinden? ............108

Middels om verlorene zaken terug te krijgen..........125

Gebed :« Si quaeris »...........................126

De negen dinsdagen...........................127

3dc DEEL.

Het Brood der armen of Sint-Antonius-brood.

1° Oorsprong van het werk.....................133

2' Uitbreiding van het werk .....................139

30 Manier van het werk in te richten ...............149

AANHANGSEL.

Het brood van Sint Antonius.

I. Een verhaal uit het jaar 1695...................153

II. De chierica in Italië.........................158

De H. Antonius teruggever van gestolen of verloren goed.

I. Vijfhonderd franken teruggevonden.............159

189

-ocr page 198-

I9O INHOUDSTAFEL.

Bladz.

II. Een kostbaar voorwerp aan zijnen eigenaar terugge

schonken................... ............161

III. Dief ontdekt............................162

IV. De verloren borstspeld......................163

De H. Antonius toevlucht in dringenden nood.

I. De liefdadigheidsbazar te Parijs. ... ............164

II. De eer van een koopman gered. .. ............165

III. De H. Antonius en de barreelwachter............166

IV. De H. Antonius bevrijdt het stadje Telfs van over-strooming................... ............168

De H. Antonius wonderbare geneesheer.

I. Genezing van een kind........................169

II. Genezing van een lammen Turk ... ............169

III. De H. Antonius geneesheer der dieren............171

Voordeelen gehecht aan den eer^dienst van den H. Antonius.

I. De negen dinsdagen ter eere van den H. Antonius. ... 173

II. De H. Vader verrijkt een gebed tot den H. Antonius

met aflaat....... ........... ............181

III. Brief van Leo XIII en St Antonius'eeredienst......182

Litanie en oefeningen ter eere van den H. Antonius. 183

Brugge, drukkerij Sint-AugusUnus.

-ocr page 199-
-ocr page 200-