|
â -fiSa-i-M --4' i 5* âi, JL. ti. /v« |
,. â â ,» gt;.^-/ A. e.* vr s |
A ^ ' %
-r JL
t H quot;â t - gt; v-' â '-â â quot; ' t--
^ f' â¢gt; \ -./J- f' .
lt; ^ ^,;! : quot; r 4- â /v , -.;â gt; ^ ,
li., A-j
|' i âAV â¢*, l*.*. â _
f Vrf^ay .;. gt;
gt; ' quot;â 'â - gt; â â¦:, _ ⢠'^ .
' **'
./gt; Cr *
v v ^.,
r . ' r â *' s . V Vquot;- . â lt; ,
â *ir*r£r v'
h â¢â â ;â ;v
i jr
t . y. 'i. --â ' St ^ '
\ 7 -v-quot;
^^quot;V â ' VAquot;.gt; :. ;â â¢.'⢠A' V -V ^ -. ^ N
I lt;h * -V^Vquot;quot;^ v - - gt; - .'
- r? - s* J*. â â -$â * -gt;â gt;- â¢; ⢠lt; K ⢠f .-^A^ â ;. \ . n v Â¥'l\K *
/ * v^-' *1
i ⦠^ 4» â¢Â» fv.,^ â 1 'v r* . «i -
K 4 v .'â Jru'-.jtst' .⢠'â¢
h Kquot; â 3 . - â¢gt;â¢,â . .r^; ^l:,--- .â¢*⢠-O #â ,.. j
- Cgt;'t lt;â %:*amp;: â gt;,..â - »;..y
i i;« ,?'^*!, ⢠- â -X, quot;â ;gt; '
[ quot; .V J, . S? tr jé* *-*' â¢'* ' quot;â '- j .-â ' ,;
f^, ^ .v ^ ij, rrjf⢠- 3 â :â¢.;; -gt;-,
i'v Vi) .f.'' .â #â V T.« .V'#- /t ^ %.â¢â quot;-
ââ 'â \jt L .^:*4 ' â¢%â¢â¢ ^ s â¢- â¢/».» .â¢5 *.amp;gt;,gt; t i* ,'
,,-â je *« ⢠v gt;*â¢, v-'tquot;' -tjy . - lt;
F â¢' .1*' - S Jgt;' : â¢â¢ i u â¢;/ *
1 -o-t- -r.r*^^^'»vquot; â - â
i Wgt; -JH ⢠-V -fe., V.. i â¢' ,tt. \
i . *quot;3*. -t 14', â -â¢â¢ ⢠:â¢'â â .gt; -. .l { \.
i ' e-,.^ . . â '.«' c-. â lt; . .;⢠' â ' . ï - gt; 4' »â¢â â¢
j, T7,,VV -lt;; M-- â¢-â¢â¢ r'K'.y ⢠, .l 'y . T , x.
i '4^' .1 trV*~i-i . ;M';. . ..-Jï-C \ gt; v--'
C%m öC^f ' v^-- ⢠quot;
'». â¢'â ⢠- JTgt;y^ â¢,
» #â¢â¢ â¢gt; 1 . â ** ^ ,. r .â . quot;
'-**â lt;4'
*.-' v..
SS- ' r
gt; V-
- - â quot; 'gt; ^ \ \ â Vquot;: x' amp; ^ r ^ ,..v
gt; f**4 s MMl '
.gt; 1
ji.fl -c
I
i quot;
1
G'
DE
GODDELIJKE BELOFTEN
DER KERK
IN DEN LOOP DER EEUWEN
I JVS
â / S), t *
w/
III
flyib ' i
m
DE Vak 112
GODDELIJKE BELOFTEN
DER KERK
IN DEN LOOP DER EEUWEN
Mgr M. H. RUTTEN
HUISELIJK PRELAAT VAN ZIJNE HEILIGHEID, vicaris-generaal van zijne hoogw, den bisschop van luik.
Tu es Petrus, et super hunc Petram jcdificabo ecclesiam meam, et portae inferi non praevalebunt adversus earn. St. Matt. XVI, 18.
Euntes docete omnes ^entes.... et ecce e^o vobiscum sum omnibus diebus, usque ad consum-mationem sacculi. St. Matt. XXVIII, 19-20.
In mundo pressuram habebitis: sed confidite, ego vici mundum. St. Joan. XXI, 33.
/If
'⢠f4V
BlBt.
O- '' â
1JCH£NS
|
LUIK DESSAIN, Uitgever. |
's BOSCH W. VAN GULICK, Boekh. |
iSqo
/2,1
DE Vak 112
GODDELIJKE BELGETEN
DER KERK
IN DEN LOOP DER EEUWEN
Mgr M. H. RUTTEN
huiselijk prelaat van zijne heiligheid, vicaris-gkneraal van zijne hoogw. den hisschor van luik.
Tu es Petrus, et super hanc Petram ;ctlificabo ecclesiam meam, et portie inferi non praivalebunt adversus earn. St. Matt, XVI, 18.
Euntes docete omnes Rentes.... et ecce e^o vobiscum sum omnibus diebus, usque ad consum-mationem Stcculi. St. Matt. XXVIII, 19-20.
In mundo pressuram habebitis; sed confidite, ego vici mundum. St. Joan. XXI, 33.
?\i V
b\bl
f'% f~. M â¢
w
LUIK ' 's BOSCH
DESSA1N, Uitgever. W. VAN GULICK, Boekh.
1890
Eigendom. â Alle rechten voorbehouden.
VERKLARING
Met hart en ziel ar.n de voorschriften van den H. Stoel onderworpen, verklaren wij uitdrukkelijk, dat wij geenszins de uitspraak der H. Kerk willen vooruitloopen, wanneer wij in dit boek sommige allerdeugdzaamste personen heilig noemen of buitengewone gebeurtenissen als mirakelen voorstellen.
AAN ZIJNE HOOGWAARDIGHEID
monse;gneur
VICTOR-jOZEF DOUTRELOUX
huiselijk prelaat van z. h. bisschop-assistent bij den pauselijken troon, bisschop vak luik.
Hoogwaardige Heer,
ET diepen eerbied draag ik aan Uwe Hoogwaardigheid dit boek op. dat ik onder Uwe hooge bescherming geschreven heb en op Uwen raad uitgeef.
het zeer onvolmaakt en Uwer hoogst vereerende en welwillende gunst onwaardig,jtoch vertrouw ik, dat Uwe Hoogwaardigheid er zijnen bisschoppelijken zegen aan zal schenken. Die zegen zal aanvullen wat aan het werk ontbreekt, en het de vruchten van heil en zaligheid doen voortbrengen, welke Uwe Hoogwaardigheid er van verwacht.
Gelief, Hoogwaardige Heer, deze opdracht te aanvaarden als een blijk der levendigste dankbaarheid en eerbiedigste verkleefdheid van
Uw nederigen en onderdanigen dienaar, M. RITTEN,
vic. gen.
Luik, den 25 Januari 1890.
GOEDKEURING
van zijne doorluchtige hooawaaedigheid VICTOR-JOZEF DOUTRELOUX, Bisschop van Luik
AAN MONSEIGNEUR RUTTEN
vicaris-generaal, huiselijk prelaat van z. h.
Monseigneur,
Met de grootste voldoening laat ik toe, dat uw zoo belangwekkend en nuttig boek gedrukt worde; ik dank u voor uwe opdracht, welke ik niet vreugde aanneem.
Dit werk, uwe geleerdheid en uw talent waardig, draagt den stempel van het levend geloof, dat in alle omstandigheden uwe gedachten, schriften en handelingen bezielt; het behelst, in zijne afzonderlijke deelen zoowel als in zijn geheel, leeringen, die men niet genoeg kan herdenken te midden der beproevingen, welke thans Onze Moeder de H. Kerk doorstaat: het zal dus ongetwijfeld onder de geloovigen veel goed stichten. Wij verlangen vurig dat het veel gelezen en verspreid worde.
Uw toegenegen, t VICTOR-JOZEF, Bisschop van Luik.
Luik, den 2 Februari 189U.
â IX â
N.-B. Ik laat hier de vertalingen volgen van andere goedkeuringen toegekend aan de Fransche, reeds vroeger verschenen uitgave.
Goedkeuring van Zijne Eminentie den Kardinaal-Aartsbisschop van Mechelen.
Mechelen, den 14 Juli 1888.
Monseigneur,
Buitengewone werkzaamheden en mijne herderlijke rondreizen alleen hebben mij belet u eerder te bedanken voor de goedheid, welke gij gehad hebt, mij uw werk ; Les Promesses Divines de l'Eglise, aan te bieden.
Ik vereenig volgaarne mijne gelukwenschen met die, welke een bevoegd beoordeelaar, de Bisschop van Luik, u heeft toegestuurd. Ik deel zijn overtuiging, dat uw boek, ter goeder ure verschenen, den zielen voordeel zal aanbrengen. De dwaling, onder al hare gedaanten, valt bij voorkeur de Goddelijke instelling der Kerk aan en wil haar tot den rang van een menschelijk en vergankelijk werk vernederen. Tegenover deze samenzwering tegen de waarheid, stelt gij het nauwkeurig verhaal van den vooruitgang der Kerk in den loop der eeuwen, en elk tafereel, dat gij voor den lezer doet uoorgaan, toont hem de Bruid van Jezus-Christus altijd getrouw aan hare Goddelijke zending, altijd zegevierend over de dwazen, welke haren dood voorspelden.
Aanvaard, Monseigneur, de uitdrukking van mijn eerbiedige verkleefdheid in O. H.
T P -L. Aartsbisschop van Mechelen
Brief van Zijne Hoogwaardigheid Mgr Br acq. bisschop van
Gent.
GELOOFD ZIJ JEZUS-CHRISTUS! Monseigneur,
Ik heb dezen morgen uw geschenk: Les Promesses Divines etc. ontvangen; daar ik over eenige vrije oogenblikken kon be-
â x â
schikken, heb ik liet onderzocht en ik haast mij u te bedanken en geluk te wenschen. Mijne meening is, dat deze uittreksels van de geschiedenis der Kerk zeer nuttig zullen zijn.
Ik bid u, met mijne dankbetuiging, tevens de verzekering te aanvaarden van mijn eerbiedige verkleefdheid in het H. Hart van Jezus.
-j- H. Bisschop van Gent.
Den 26 April 1888
Brief van Zijne Excellentie Mgr Ferrata, Apostolischen Nuntius te Brussel.
Brussel, den 27 April 1888.
Monseigneur,
Zoo even ontving ik uw boek en wil niet uitstellen u mijn levendigsten dank te betuigen. Aanvaard ook mijne oprechte gelukwenschen.
Niettegenstaande de menigvuldige bezigheden welke uwe bediening u oplegt, vindt gij nog den tijd om op Je verloopen eeuwen terug te komen en de vervulling aan te toonen der beloften, die de Goddelijke Stichter aan zijne Kerk gedaan heeft. Dit onderwerp beantwoordt aan de noodwendigheden van onzen tijd en ik ben zeker, dewijl ik door andere schriften uwe geleerdheid en uw talent ken, dat gij het meesterlijk behandeld hebt. Ook zal ik met de grootste belangstelling uw merkwaardig werk lezen, dat, naar mijn inzien, overvloedige vruchten voor het heil der zielen zal voortbrengen.
Gelief. Monseigneur, de verzekering mijner gevoelens van oprechte toegenegenheid en hoogachting te aanvaarden.
7 DOMINICUS, Aartsbisschop van Thkssalonica, Apostolische ftuntius.
Uittreksels van andere brieven.
« Indien ik u niet vroeger bedankt heb voor uw geschenk, dan was het omdat ik er eerst genoegzaam kennis van wilde
â XI â
nemen Uw boek, Monseigneur, schijnt mij een practisch bijvoegsel te zijn van uw uitmuntende Apologetiek. Geen twijfel of de lezing dezer bladzijden, waar in boeienden stijl zoo menigvuldige daadzaken vermeld worden, zal een wezenlijk goed voortbrengen. »
quot;jquot; PLACIDE, Abt van Markdsous
Abdij Maredsous. 3o Mei 1888.
k Zoo even ontving ik het schoon boekdeel dat gij mij wel hebt willen sturen. Het was mij voldoende de inhoudstafel en eenige bladzijden der Promesses Divines te doorloopen, om te zien hoe zeer uw werk geschikt is om de Christenen te ondersteunen en aan te moedigen te midden der worstelingen van de strijdende Kerk. »
Jules LAMMENS, sénateur.
Gent, 3 Mei 1888.
lt; De Promesses Divines is een meesterlijk werk dat in 't kort de schoonste bladzijden der Kerkelijke geschiedenis voorstelt. Elk hoofdstuk vormt een geheel en elke volzin zegt wat hij moet zeggen, noch te veel noch te weinig. De meeste hoofdstukken zijn welsprekend en gaan tot het hart, een bewijs dat zij niet alleen door het hoofd maar ook door het hart ingegeven werden. Dit boek heeft mij goed gedaan en zal ook goed doen aan de geestelijken zoowel als aan de geloovigen. »
M. NEVEN, deken van Bilsen.
Bilsen, 4 November 1888.
« Dit werk Les Promesses Divines zal een schoone en vooral een goede prijs zijn, welke, aan de kinderen tot belooning gegeven, ook door de ouders zal gelezen worden; en, ik ben er zeker van, op de eenen zoowel als op de anderen den heilzaam-sten indruk zal maken. Uw verheven doel zal bereikt worden »
DÃSIRÃ, Overste.
College der H. Drievuldigheid.
Leuven, den 3 Mei 188S
« Ik kan aan het verlangen niet weerstaan van u al Je bewondering en de levendige voldoening uit te drukken, welke ik gevoel bij het lezen van uw uitmuntend werk Les Promesses Divines. Ik ben gelukkig geweest dit boek in de handen te zien mijner dochters, leerlingen der normaalscholen der Dochters van het H. Kruis, te Luik, en van den H. Jozef, te Blegny.
» Men is waarlijk getroffen, als men ziet hoe God zich van de menschen bedient om zijne rechtvaardigheid en goedheid te doen uitschijnen en alles tot de zegepraal der Kerk doet samenwerken.
» Indien al onze schoolboeken in dien geest van geloof waren opgesteld, wat onberekenbaar goed zou dat niet stichten bij de leerende jeugd ! Het hart van het kind moet vooral bewogen en ontroerd worden om er de liefde voor de waarheid te doen ontkiemen, welke te midden der levensgevaren zoo noodzakelijk is.»
R. J. LONAY, onderwijzer
Loncin, den n Augustus 1888.
â Ik bedank u uit ganscher harte voor het schoon boekdeel. Les Promesses Divines, dat gij mij gezonden hebt. De eenige hoofdstukken, welke ik reeds gelezen heb, wek kon in mij het levendig verlangen op het gansche werk te lezen om het aan de leeraren en oversten van onze colleges te doen kennen. »
J. Van REETH,
Provinciaal der Sociëteit van Jc^us in Bel ff ié.
Brussel, Mei 1888.
AAN DEN LEZER.
Kort na dat ik het Fransclie werk : Les Promesses Divines de VEgüse had uitgegeven, ontving ik volgenden brief.
Monseigneur en geachte Collega,
Met innige voldoening en dankbaarheid heb ik uw schoon m nuttig boek: Les Promesses Divines, etc., ontvangen.
Dit geschenk moest mij zeker hoogst aangenaam zijn, en icas het ook. Zulke schriften doen meer goed dan honderd en nog honderd onzer zoogezeide goede romans... Maar ik kan het niet verzwijgen : Bij die voldoening gevoelde ik ook een ware hartlijn. Waarom werd dit boek dan niet in 't Vlaamsch uitgegeven ? - O, hoe vurig verlangen onze brave Vlaamsche lezers naar ernstige, nuttige, leerzame werken'. Hoe lezen, doorlezen, herlezen zij ze, als zij aan een wezenlijke behoefte voldoen! Maar ook, hoe klein, hoe gering is hiet van het getal, als men gedichten, alledaagsche romans en vertalingen uit het Fransch uitneemt! Ik zou gaarne het droevig : Parvuli petieruntpanem toepassen: âDekinderen â hebben brood gevraagd, en er is niemand die het hun , voor dient.quot;
O, zoo teas het vroeger in ons land niet; men schreef en drukte er menig lijvig boek, menig in-folio. Hazart, Costerus, Adriani, A. Castro, Mutzaert, Van Meerbeek, Rcsweydus, enz. enz., schreven werken in twee, drie deel en in-folio. en die werden gelezen en ivaren nog in onze Katholieke huisgezinnen tot vbor eeltige jaren te vinden, alhoewel door het langdurig gebruik erg versleten, wat geene oneer is...
Tl aarom dan. Hoogeerwaarde, uw werk over Les Promesses Divines de FEglise, etc., ook niet in 't Vlaamsch laten drukken ? Het zou toch geene vertaling zijn, want de
Aan den Lezer.
8alesius-Bode heeft het een zooals 't ander in voorraad gegeven.
C. J. BOGAERTS, Vic.-geneeaal.
Zonhoven, den 4 mei 18S8.
Deze wensch, in zoo welwillende woorden uitgedrukt, ging mij ter harte, niet alleen omdat hij met mijn eigen verlangen overeenstemde, maar vooral omdat hij aan de bijzondere bevoegdheid van mijn zeer eerbiedwaardigen collega, Mgr Bogaerts, die sedert meer dan een halve eeuw op het gebied der Nederlandsche letteren zoo gunstig bekend is, een groot en overwegend gezag ontleende. Ik heb dan ook geen oogenblik geaarzeld en onmiddellijk de hand aan 't werk geslagen om het tegenwoordig boek te laten drukken en zoo spoedig mogelijk den Nederlandschen lezer aan te bieden. Moge het inderdaad de hoedanigheden bezitten, welke Mgr Bogaerts er van verhoopt, moge het aan de verwachting onzer brave, Katholieke en zoo innig geliefde Vlamingen beantwoorden!
Luik, den 17 Januari 1890.
xiv
VOORWOORD.
N zijnen brief oVer de Geschiedkundige studiën, (1) heeft zijne Heiligheid Leo XIII op bewonderenswaardige wijze de voordeelen doen uitkomen, welke uit deze studiën voor de verdediging der Kerk voortvloeien. Daar immers zijn onomstootelijke bewijzen te vinden om de aanhoudende lasteringen en hatelijke beschuldigingen harer vijanden te wederleggen. «De onvervalschte gedenkstukken der vervlogen gebeurtenissen, zegt de H. Vader, maken (p zich zelve en als natuurlijk de prachtigste lofrede der Kerk en des Pausdoms uit voor al wie ze met kalmte en zonder vooroordeelen beschouwt. Men ontwaart er trouwens de ware natuur en de grootheid der Christelijke instellingen; men ontdekt er de macht en de Goddelijke kracht der Kerk te midden der vreeselijke worstelingen, die zij doorstaat en der schitterende overwinningen, die zij behaalt; door de gebeurtenissen toegelicht, ziet men er de groote weldaden uitblinken, welke al de volkeren aan het Pausdom â verschuldigd zijn, voornamelijk die in wier schoot de Goddelijke Voorzienigheid den Apostolischen Stoel geplaatst heeft.quot; (2)
Aan de geleerden is de belangrijke taak opgedragen aan de onvervalschte bronnen der geschiedenis te putten, de gedenk- en bewijsstukken, zoo oude als nieuwe, op te zoeken, de dwalingen te herstellen, de lasteringen te wederleggen en over alles de loutere waarheid aan het licht te brengen.
Maar als dit groot en moeilijk werk verricht is, dan moeten anderen komen om het te benuttigen, âom er de voornaamste daadzaken uit te kiezen en ze bondig en klaar voor te stellen. Al is deze ticeede taak zoo moeilijk niet als de eerste, toch is zij niet minder nuttig en derhalve waardig het talent van uitmuntende geesten uit te lokken. quot; (3)
(i) Epistola ad Cardinales de Luca, Pitra, Hergenroether deSludiis Historicis. 18 Aug. i883. (2.1 Epistola de Siudüs Historicis. (3) Ibidem.
Voorwoord.
Het werk, dat wij thans uitgeven, behoort tot de laatste soort. Meest al de studiën, die het bevat, hebben reeds, voor eenige jaren, in â De Salesius-Bodequot; van het bisdom van Luik het licht gezien. Men heeft ons aangespoord ze te volledigen en in een boekdeel samen te vatten. Die aanmoedigingen waren voor ons als een bevel en daarom hebben wij met al de zorg, die andere talrijke bezigheden ons toelieten er aan te besteden, het geheele werk nagezien en trachten te verbeteren of te volledigen.
Ons doel was bescheiden. Wij zochten zooveel mogelijk de lessen, welke uit de geschiedenis der Kerk voortvloeien, in het bereik te brengen der jeugdige lezers en van al diegenen, welke niet in staat zijn met vrucht de groote werken der geleerden ter hand te nemen. Wij ontveinzen ons niet dat ons werk op verre na niet volmaakt noch volledig is : wij vertrouwen echter dat wij er eenigszins in geslaagd zijn, deze wet der Voorzienigheid in het licht te stellen, welke Leo XIII in de volgende woorden verkondigt; â Gansch de geschiedenis roept uit dat er een God is, wiens oneindig icyjze Voorzienigheid de, verschülige en onophoudende wisselvalligheden der vergankelijke dingen leidt, bestuurt en ze, in weenril drr tegenkanting der men-schen, tot den vooruitgang der Kerk doet bijdragen. Zij roept insgelijks uit, dat het Romeinsch Pausdom zegevierend aan d,e geweldigste aanvallen zijner vijanden weerstaan heeft, terwijl deze hunne hoop zagen teleurgesteld en zich hun eigen ondergang berokkenden. quot; (1)
De twee deelen van ons werk zijn slechts de ontwikkeling der bovenstaande woorden van Leo XIII. Onze hoop is, dat de lezer, in het doorloopen van die geschiedkundige schetsen, zijn geloof zal verlevendigen en zijn vertrouwen op God versterken door het aanschouwen der zoo oneindig wijze als barmhartige Voorzienigheid, welke over de H. Kerk waakt en door haar het heil der wereld bevordert.
(i) Epistola de Sttidiïs Historicis.
XVI
Ml W
mm
Tlfo OTIQ _
oflo ojgt;0 oi
INLEIDING.
£)£ beloften van 0. H. Jezus-Christus aan de
H. Kerk.
E Joden waren geërgerd wanneer zij Jezus, die zich voor den verwachten Messias had uitgegeven, aan een schandig kruis zagen sterven. â Indien (jij de Zoon Gods zyjt, quot; voegden zij hem hoonend toe. â kom van het kruis af. quot;
Zij begrepen niet dat, juist door zijn smadelijken kruis dood, de Zaligmaker de voorzeggingen verwezenlijkte en zijne Goddelijke zending, als Verlosser des menschdoms, bewees en vervulde.
Vele Christenen schijnen dit gedrag der Joden te willen navolgen bij het zien der vervolgingen waarvan de H. Kerk steeds het slachtoffer is. Daar zij de redenen niet vatten waarom God zulks toelaat, ergeren zij zich, beginnen in hun geloof te wankelen en zijn op het punt ook te roepen : â Indien gij de Kerk van God zyjt, kom van het kruis af; dat wil zeggen: doe de vervolgingen ophouden, verstrooi mee vijanden, en zet meen weg voort door de eeuwen henen te midden van een onverstoorbaren vrede; in stede van elk meer stappen te kleuren met het bloed van uwe in de folteringen bezweken kinderen, ga vooruit begroet door de lofzangen en zegeningen der volkeren wien gij geluk en zaligheid aanbrengt, en geef aldus het doorslaande bewijs dat God met u is, dat gij waarlijk door God gesticht zijt. quot;
Zij die aldus denken en spreken, willen of kunnen niet inzien dat de H. Kerk door die vervolgingen zelve hare Goddelijke zending van de menschen ten Hemel te leiden insgelijks bewijst en vervult.
En toch is dit de zuivere waarheid.
m
Inleiding.
Toen God, eertijds, een verbond sloot met de Joden en ze tot zijn bevoorrecht volk uitkoos, verkondigde hij tevens volgens welke gedragslijn zijne Voorzienigheid het zoude bestieren.
â Ik ben de Heer, uw God, quot; zeide hij tot de Hebreërs, â indien gij wandelt naar mijne voorschriften en mijne geboden onderhoudt, zal ik u met gunsten overladen : gij zult voorspoedig zijn en rijk, de vrede zal onder u heerschen, en mee vijanden zullen vuur uwe oogen onder het ztvaard he-zwjken. In uw midden zal ik mijne woning vestigen en ik zal u niet verstooten. â Maar zoo gij niet naar mij luistert, mijne geboden niet uitvoert, en mijn verbond verijdelt, dan zal ik u kastijden en de schrikkelijkste rampspoeden op u doen nederstorfen: de hongersnood zal den overvloed vervangen, uwe velden zullen onvruchtbaar worden e)i mee steden verwoest, gij zult de prooi zijn uwer vijanden, en, de straffen verzwarend, naarmate uwe ongetrouwheden zullen aangroeien, zal ik ten laatste u tusschen de natiën verstrooien en u van de lijst der volkeren wegvegen, tot dat gij uwe euveldaden rouwmoedig bekennet en tot het geloof uwer vaderen terugkeeret. Alsdan zal ik mij Abraham, Isaak en Jacob herinneren en mij het verbond te binnen brengen dat ik met hen en u gesloten heb. quot;
De geschiedenis van het Joodsche volk ligt geheel en al in de wonderbare verwezenlijking van deze beloften en bedreigingen ; en deze verwezenlijking, die door vijftien eeuwen heen zich uitstrekt van Mozes tot Jezus-Christus, is het blijvend bewijs en de steeds vermeuwde bevestiging van het verbond tusschen God en Israël gesloten.
God heeft bij de stichting der H. Kerk niet minder willen doen dan voor de Synagoog die er slechts een schaduwen zinnebeeld van was. Hij heeft vooruit haar lot op aarde bekend gemaakt, opdat wij altijd een middel zouden aan de hand hebben om door onze eigene oogen te zien en te
2
Inleiding.
bestatigen dat zij inderdaad Goddelijk is zoowel in haren oorsprong als in haar bestaan en in hare zending.
â Ik zend u, quot; zegt onze Goddelijke Zaligmaker tot de Apostelen, ,, als schapen te midden van wolven. De men-schen zullen u voov de rechtbanken sleepen, u geeselen om mijnent wil. De broeder zal zijnen broeder ter dood overleveren, en de vader zijnen zoon. De kinderen zelfs zullen opstaan tegen hunne ouders en hen dooden, en gij zidt gehaat zijn van allen om mijnen naam.
â Weest echter niet verwonderd dat de wereld u haat want. weet het, hij heeft mi) allereerst gehaat. Indien gij uit de wereld waart, zou de icereld u beminnen, maar omdat gij niet uit de icereld zijt en dat ik u heb uitverkozen en van de wereld afgezonderd, daarom haat u de wereld.
â Herinnert u het woord dat ik u heb toegesproken : De knecht is niet grooter dan zijn meester noch moet zich aan eene betere behandeling verwachten dan hij. Hebben zij mij vervolgd, u ook zullen zij vervolgen en mishandelen om mijnen naam. Ja, zij zullen u uit de Synagogen wegjagen, en de ure komt, dat ahvie u dcodt meenen zal God eere-dienst te bewijzen. Ik zeg u dit alles opdat, wanneer de ure daarvan gekomen is, gij gedachtig zijt dat ik het u voorzegd heb.
â Inde wereld dus zult gij verdrukking lijden, doch weest welgemoed: ik heb de wereld overwonnen. Ik zal mijne Kerk bouwen op Petrus als op eene onwrikbare steenrots en de poorten der helle zullen haar nooit overweldigen.
â Gaat dan, onderwijst alle volkeren en ziet, ik zal met u zijn al de dagen tot aan de voleinding der eeuwen. quot;(1)
Altijd vervolgd maar nooit overwonnen te worden, is dus het lot van Gods Kerk op aarde ; â somtijds schijnt zij ouder de vereenigde pogingen van hare talrijke en onver-
(i) H. Matth. X. XVI. XXVIII. H. Lucas. XXI. H. Joan. XV. XVI.
3
Inleiding.
zoenbare vijanden te moeten bezwijken; doch altijd en overal behaalt zij de zegepraal en moeten hare vijanden voor hare onverwinbare macht zwichten ; â door alle eeuwen heen verneemt zij de spotâen smaadredenen harer vervolgers, die, in hunnen overmoed, zoo menigmaal uitbazuinen dat zij de Kerk in 't graf gestooten en haar rijk vernietigd hebben ; en telkenmale doet haar triomf- en zegelied het gebrul van Satan's volgelingen verstommen ; â bij eiken stap ontmoet zij duizenden menschelijkerwijze onoverschrijdbare hinderpalen, en niettemin zet zij haren weg voort met onweerhoudbare kracht tot het einde der eeuwen.
De verwezenlijking dezer wonderbare bestemming van eeuw tot eeuw, is een altijddurend en tastbaar bewijs van de Goddelijkheid der Kerk: eerstens omdat men ze menschelijkerwijze niet kan uitleggen; tweedens omdat zij de vervulling is eener ware voorzegging ; eindelijk, omdat zij de feitelijke proeve levert van den bijstand welke God haar verleent.
Het is voorzeker een wonderbaar verschijnsel dat de H. Kerk gehaat en vervolgd wordt terwijl alles haar moest doen zegenen en liefhebben. Niet min wonderbaar is het dat zij zoo onbillijk en ondankbaar behandeld wordt sedert meer dan achttien honderd jaren, nu hier,dan daar en soms op alle punten te gelijk. Nog wonderbaarder is het dat de Kerk, in weerwil van deze vervolgingen, blijft voortbestaan, zelfs vooruitgaat, de wereld verovert en al hare vijanden overwint zonder andere wapens te gebruiken dan geduld, lijdzaamheid, marteldood en gebed. Immers, deze onverklaarbare verschijnselen zijn rechtstreeks in strijd met den gewonen loop der manschelijke zaken. Maar wat-de kroon erop. zet is dat dit alles voorzegd werd wanneer het niet te voorzien was, dat het voorzegd werd ondanks het gevaar van de eerste leerlingen te ontmoedigen en te
â i
Inleiding.
doen achteruit deinzen en bijgevolg van de Kerk in haren oorsprong te doen vergaan, en dat aldus de latere gebeurtenissen niets anders geweest zijn dan de voortdurende en tastbare vervulling van een woord vöör meer dan achttien eeuwen uitgesproken. Ja, ziedaar wat niet alleen onverklaarbaar, maar miraculeus moet geheeten worden en zonneklaar bewijst dat de Kerk van Jezus-Christus inderdaad Goddelijk is.
De Kerk bezit eene kracht van weerstand die geen vijanden kunnen overwinnen, eene kracht van uitzetting die niets of niemand vermag te beteugelen, eene kracht van zuivering en heiligmaking waarvoor al de menschelijke zwakheden en driften onderdoen. Welnu, wil men de geschiedenis doorgronden en, na den uiterlijken loop dei gebeurtenissen te hebben gadegeslagen ook do innerlijke oorzaken opspeuren, dan ontdekt men zonder moeite dat die verbazende kracht der H. Kerk haren oorsprong heeft, niet in hare menschelijke en aardsche bestanddeelen, maar alleen en uitsluitend in den Goddelijken bijstand die haar van den beginne af werd toegezegd. Zoo staat men ten laatste voor het feit zelf van de vervulling der belofte van Christus : â Ik zal met u zijn; quot; men hoort die woorden weerklinken, men ziet ze vervullen, men voelt hunne Goddelijke werkdadigheid, en men is gedwongen met den H. apostel Thomas uit te roepen : â Mijn Heer en mijn God!quot;
Wat een troost voor ons. te midden der zware beproevingen van deze tijden, ons gedacht te kunnen vestigen op de beloften van den Zaligmaker, en hare vervulling in den loop der eeuwen gade te slaan ! Wat kan er beter ons geloof versterken, ons vertrouwen opbeuren, onzen ijver aansporen, en ons behoeden voor alle vreesachtigheid, ontmoediging, vertwijfeling of laffe werkeloosheid !
Laat ons dan de jaarboeken der geschiedenis openslaan en er de reeks van voorbeschikte gebeurtenissen nagaan.
Inleiding.
waardoor het Goeie behaagd heeft van eeuw tot eeuw te doen blijken hoe Hij waakt over zijne Kerk, hoe Hij haar beschermt en haar ter goede ure de noodige hulp aanbrengt, hoe Hij haar altijd en overal met eene bovennatuurlijke vruchtbaarheid zegent, en hoe Hij ook, als zijne lankmoedigheid is uitgeput, zijn almachtige hand straffend over de verstokte vervolgers zijner kinderen uitstrekt en ze neerbliksemt gelijk eertijds de verdrukkers der Hebreuwen.
Ons werk bevat twee deelen : â I. De Goddelijke beloften der Kerk in den loop der eeuwen; â II. De dood der Kerkvervolgers.
6
EERSTE DEEL.
DE GODDELIJKE BELOFTEN DER H. KERK IN DEN LOOP'DER EEUWEN.
I.
EENE UITZINNIGE ONDERNEMING.
SISgjE avond begon te vallen. Een man, nog in volle a levenskracht maar vermoeid van een'e lange dffrM reis. zette zich neder om te rusten op een ver-heven punt van de hoogte Montmartre te Parijs. De kleeding des mans was nederig, zelfs grof, en verried een vreemden oorsprong. Ook beschouwde de reiziger langdurig en nieuwsgierig de oneindige stad die voor zijne voeten lag uitgestrekt en waar duizenden straatlantaarnen ontstoken werden, naarmate de nacht nederdaalde. Waaraan dacht hij ? â Het gesprek dat hij juist met een Parij-sche wandelaar aanknoopt, zal die vraag beantwoorden.
De Parijsenaar. - Zeg eens, Vriend, zijtgij een Fransch-man ?
De Vreemdeling. - Neen, Mijnheer.
De Parijsenaar. â Mag ik weten van welk land gij komt ? . De Vreemdeling. - Ik kom van de omstreken van Danzig.
De Parijzenaar. â Hemel! Gij zijt een Pruis! Zeg dit niet te hardop, want hier staan de Pruisen niet goed aangeschreven.
De Vreemdeling. â Dat weet ik.
De Parijzenaar. â Gij komt waarschijnlijk fortuin zoeken ?
De Vreemdeling. â Neen, Mijnheer.
De Parijzenaar. â Dan hebben u wellicht de schoone kunsten of de vermaken naar hier gelokt ?
De Vreemdeling. â Ook niet. Ik ben geen kunstenaar en bezit de middelen niet om de vermaken na te jagen, â
De goddelijke beloften der H. Kerk
ik ben arm. Overigens, iets anders dan de zucht naar vermaken heeft mij hierheen gevoerd.
De Parijsenaar. â Wat dan, «ils ik vragen mag ?
De Vreemdeling. â Uwe vraag is geenszins onbescheiden, daar ik vast besloten heb het doel mijner reis te verkondigen aan al wie mij wil aanhooren. Ik breng heil en zaligheid aan alle menschen.
De Paryjzenaar. â Ha! Ik begrijp u, gij zijt een dier groote wonderdokters die een onfeilbaar geneesmiddel aanprijzen tegen alle mogelijke en onmogelijke ziekten : â gij geneest van tandpijn, van buikpijn, van voetverstuiking, van borstwater... kortom van alle kwalen, zelfs van den dood.
De Vreemdeling. â Gij hebt het mis. Mijnheer. Ik breng geene genezing voor het lichaam, maar voor de ziel. Ik kom een nieuwen godsdienst prediken.
De Parijzenaar. â quot;Wat gij zegt, Mijnheer! een nieuwen godsdienst! mag ik weten...?
De Vreemdeling. â Ja, Mijnheer, ik kom eene nieuwe geloofsleer verkondigen en al de bestaande godsdiensten omverstooten.
De Parijzenaar. â Welk is die geloofsleer?
De Vreemdeling. â Die van mijnen Meester.
De Parijzenaar. â Uw meester was dan een groot wijs-, geer. een machtig en rijk man ?
De Vreemdeling. â Mijn Meester was nog armer dan ik, uit den nederigsten boerenstand. Hij was noch een wijsgeer, noch een groote der aarde volgens uwe opvatting.
De Parijzenaar. â Gij zegt, mijn meester ivas, leeft hij dan niet meer ?
De Vreemdeling. â Eilaas ! neen. Nijdigaards hebben hem beschuldigd van togen den keizer samen te zweren gelijk Hoedel en Nobiling. â Men heeft hem opgehangen!
De Parijzenaar. - De man had geen geluk. Slecht einde voor een wereldhervormer!
8
in den loop der eemven.
De Vreemdeling. â Ja maar wij nemen zijne plaats in en zullen zijn werk voortzetten.
De Parijsenaar. â Zijt gij talrijk ?
De Vreemdeling. â In 't geheel twaalf boeren. Terwijl de andere Rusland Zweden. Engeland, Duitschland, Italië, Turkije, Africa, America enz. gaan bekeeren, kom ik naar Parijs om er den zetel te vestigen, vanwaar de nieuwe godsdienst weldra de gelieele wereld zal overheerschen.
De Paryjzenaor. â Ik bewonder uw plan ; het is zoo verrukkend als eenvoudig.
De Vreemdeling. â Lach niet, Mijnheer, onze onderneming is zeer ernstig en gij zult ze zien gelukken.
De Parijsenaar. â Gij meent dat de Parijzenaars eenen Pruis zullen aanhooren en op zijnen nieuwen godsdienst verzot worden ? â Gij biedt hun dan wel zeer aantrekkelijke dingen ?
De Vreemdeling. â Integendeel. Ik zal hun verklaren dat zij moeten verzaken aan al wat zij liefhebben : aan de vermaken, aan den rijkdom, aan eer en roem.
De Paryjsenaar. â Wel, waarmede zal dan uw godsdienst de harten tot zich trekken ?
Dp Vreemdeling. â Met niets van al wat de zinnen streelt, de driften voedt of de wereldsche strevingen bevredigt van de wispelturige bewoners dezer stad.
De Parifjzenaar. â Genoeg, Vriend. Men verwacht mij in den schouwburg voor de opvoering van een nieuw zangspel: â ik snel er heen. - Doch, ik wil u eerst een goeden raad geven : Ga terug naar uw land om aardappelen te poten, want als gij hier blijft en nog aan een paar personen vertelt wat gij mij gezegd hebt, dan zit gij morgenavond te Charenton (1) opgesloten.
9
De Parijzenaar trekt af terwijl hij een deuntje neuriet en
(i) Charenton is een zotte huis bij Parijs.
De yodddijke beloften dar H. Kerk
bij zich zeiven zegt: Prettige historie om a;m de vrienden te vertellen ! Die vent is zot, zot genoeg om op te sluiten !
De Parijzenaar had gelijk. Alwie in de aangegeven omstandigheden ondernemen zon de stad Parijs te bekeeren. moest inderdaad stapelgek zijn, en men konde hem geenen beteren dienst bewijzen dan hem achter de grendels te zetten.
En toch. wat was de onderneming van den H. Petrus toen hij naar Rome ging om de wereldstad voor Christus te winnen? Was zij, menschelijkerwijze gesproken, niet honderdmaal uitzinniger dan de veronderstelde onderneming van den Pruisischen boer? Was het heidensch Rome niet grooter, niet lichtzinniger, niet duizendmaal meer bedorven dan het hedendaagsch Parijs? Waren er de Joden niet evenzoo verfoeid, ja meer gehaat dan de Pruisen in Frankrijk ? Druischte de christene godsdienst niet rechtstreeks aan tegen al de denkbeelden, lusten en driften der Romeinen? â De onderneming van den H. Petrus was dus uitzinnig in den hoogsten graad. Ook, ware onze Pruis onvermijdelijk in een zottenhuis aangeland. Petrus ivcrd aan een schandig kruis genageld, en desniettegenstaande is zijne onderneming met den besten uitslag bekroond geworden en Rome heeft zich bekeerd.
Hoe is zulks geschied ? Hoe werd het onmogelijke uitgevoerd ?
10
Door den bijstand en de medewerking van Hem die zijne discipelen, twaalf arme visschers, gezonden had, hun zeggende : « Alle macht is mij gegeven in den Hemel en op de,aarde: gaat dan e,n onderwijst alle volkeren, hen doo pende in den naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes, en hun leerende onderhouden al ivat ik u heb voorgeschreven. En ziet, ik zal met u zijn al de dagen tot aan de voleinding der eeuwenquot; (1).
(i) H. Matth. XXVIII, 19-20.
in den loop der eeuwen.
11.
DE APOSTELEN.
Twaalf arme, oiigdetterde visschers, uit een volk herkomstig dat niet zeer bemind, maar integendeel van de gansche wereld veracht en verfoeid was: ziedaar de mannen die, in weerwil van al de vereenigde krachten der menschen en der hel, het uitzinnige werk, de bekeering der wereld tot den godsdienst van Christus, gaan ondernemen.
Indien evenwel God met hen is, wie zal hun weerstand bieden ? â Welnu, nooit toonde God op zoo schitterende wijze zijne alvermogende tusschenkomst als in de snelle en wondervolle voortplanting van het Evangelie gedurende de eerste jaren na Jezus' kruisdood.
Het was de vijftigste dag na de Verrijzenis des Verlossers, de tiende na zijne glorierijke Hemelvaart. De Apostelen waren in het ccejtaculum (eetzaal) vergaderd, en verbeidden daar, in de afzondering en het gebed, de komst van den H. Geest die hun beloofd was. Plotseling ontstaat een gebruis uit den hemel als van een opkomenden hevigen wind; tongen van vuur verschijnen en rusten op het hoof;l van ieder der Apostelen en op het hoofd der Allerheiligste Maagd Maria die zich met hen bevindt. â De H. Geest was nedergedaald en had allen met zijne genaden en gaven vervuld.
Oogenblikkelijk zijn de Apostelen in andere menschen herschapen; van vreesachtig en lafhartig als zij waren, worden zij op eens kloekmoedig en onverschrokken; een louter Goddelijk vuur ontvlamt hunne harten; zij haken naar 't oogenblik dat zij het licht der evangelieleer over de wereld kunnen verspreiden.
Petras treedt buiten; hij die nooit in't openbaar het
11
De goddelijke beloften der H. Kerk
woord gevoerd had, verkondigt met eene kalme vrijmoedigheid dienzelfden Jezus dien men kort te voren gekruisigd had; hij die nooit gestudeerd had, kent alle talen en, o wonder! hij spreekt alle talen te gelijk. De toegestroomde menigte luistert met verbazing. â Zyn die lieden,quot; zoo zeggen zij, â geen Galileërs ? Hoe komt het dan dat wij ze ieder in onze moedertaal hooren spreken ? Wat mag dit be-teekenen ? quot;
Drie duizend personen bekeeren zich op staanden voet tot Jezus-Christus.
Eenige dagen later, gaan Petrus en Joannes opwaarts naar den Tempel. In de tegenwoordigheid van geheel het volk zegt Petrus tot eenen bedelaar die van zijne geboorte af kreupel was: â In den naam van Jezus van Nazareth, sta o]} en wandel. quot; De lamme staat op en wandelt, God lovende voor de groote weldaad die hij ontving. Petrus neemt deze gelegenheid te baat om wederom het woord Gods aan de vergaderde menigte te verkondigen, en ditmaal gelooven ongeveer vijf duizend personen in Christus.
De H. Kerk is nauwelijks gesticht en reeds telt zij kinderen bij duizenden en neemt zij bezit van de wereld. Want onder de bekeerlingen bevonden zich een aantal vreemde Joden uit de verschillende gewesten der aarde naar Jeruzalem gekomen om de plechtige Pinksterfeesten bij te wonen.
Die wonderbare en schielijke uitbreiding van het Evangelie slaat de Joden met schrik; zij willen ze dan ook door geweld en vervolging tegenhouden. De Apostelen worden gekerkerd, met roeden geslagen; de geloovigen worden verplicht zich te verspreiden. Zal de Kerk nu te gronde gaan, in hare wieg gesmoord worden ? â Geenszins.
De Apostelen achten zich gelukkig voor Jezus-Christus geleden te hebben en, uit hunne boeien verlost, verkon-
12
in d-n loop der eeuicen.
digen zij opnieuw de Goede Tijding met nog meer vastberadenheid en vrijmoedigheid dan te voren. De Christenen, gedwongen zich te verspreiden, dragen het zaad des ge-loofs door geheel Judea, Samarië, Phenecië, op het eiland Cyprus, te Antiochië en te Damascus. Zoo wordt voor de eerste maal de wet der Voorzienigheid toegepast welke voortdurend, gelijk wij zien zullen, de lotsbedeeling der Kerk op aarde regelt, te weten : dat de vervolgingen ingespannen om haar te vernietigen, het tegenovergesteld gevolg hebben, haar nieuwe krachten bijzetten en hare uitbreiding door de gansche wereld bevorderen.
Jeruzalem en Judea bepaalden tot hiertoe den werkkring der Apostelen, doch spoedig was dit arbeidsveld te beperkt voor hunnen ijver. Na de voornaamste punten van ons geloof in het bewonderenswaardige Symbolurn der Apostelen, dat uit twaalf artikelen bestaat en door alle Christenen moet gekend worden, te hebben samengevat, gaan de Apostelen over tot de verdeeling van den aardbol. De H. Judas zal de Goede Tijding verkondigen in Mesopotamië, de H. Matthias in Colchis, de H. Bartholomëus in Groot-Armenië, de H. Thomas bij de Parthers en Indiërs, de H. Philippus in Phrygië, de H. Andreas in Scythië en Thracië, de H. Simon in Lybië, de H. Mattheus in Ethiopië. De H. Jacobus de Mindere blijft in Jeruzalem, de H. Jacobus de Meerdere dringt door tot in Spanje; en, terwijl de H. Joannes in Klein-Azië voornamelijk te Ephese werkzaam is, gaat de H. Petrus, hoofd van 't college der Apostelen en van de Kerk, na een kort verblijf te midden der bloeiende Christengemeente van Antiochië, zijnen zetel vestigen te Rome, hoofdstad der heidensche wereld, die hij aldus tot hoofdstad en middelpunt uitkiest der Christenwereld voor al de toekomstige tijden.
â Evenals de zonnestraal, zegt de geschiedschrijver Eusebius, eensklaps den gezichteinder verlicht, zoo ook
13
De goddelijke beloften der H. Kerk
spreidde het Woord Gods, het Woord des heils, door een uitwerksel der hemelsche macht en bescherming, gelijktijdig zijnen glans uit over de gansche aarde. De voorzegging der H. Schrift is letterlijk bewaarheid geworden. De stem der Evangelisten en der Apostelen heeft in ieders oor geklonken en hun woord heeft tot aan de eindpalen der wereld weergalmd. Gelijk de dorschvloer des landbouwers plotseling, in den oogsttijd, met garven, van alle kanten bijgebracht, overdekt wordt, zoo zag zich de Kerk eensklaps gevuld met de ontelbare en schier oneindige menigte van hen die, in alle steden en vlekken, den godsdienst van Christus en het ware geloof omhelsden.quot; â â Neen, zegt hij elders, ik zal het nooit toegeven dat de verbazende en algemeene voortplanting van het Evangelie door de Apostelen slechts een menschelijk feit geweest is. quot;
Neen, dat was ook geen menschelijk, natuurlijk feit, dewijl het niet door 's menschen krachten maar ter spijt van alle menschelijke tegenkamping en alleen door de macht Gods is uitgevoerd. Ja, God was het die aan de Evangelische prediking hare wonderbare vruchtbaarheid schonk, â God, die op het woord der Apostelen de mirakelen vermenigvuldigde,âGod, die alle hinderpalen uit den weg ruimde, â God, die inwendig de harten roerde, - God,-die deu heldenmoed der Christenen te midden der verdrukkingen aanvuurde, â God, die hun de kracht verleende om alle folteringen, ja den dood te trotseeren, â God, die zulke zwakke en nietige werktuigen uitkoos om des te beter te doen blijken, door de verbazende grootheid van den uitslag, dat de stichting en uitbreiding der Kerk van Hem alleen kwam en uitsluitend van Hem. ,, Deus incrementum dedit: God gaf den wasdom : zegt de H. Paulus, en zoo is niemand iets, noch hij, die. plant, noch hij, die begiet, maar alleen God die den wasdom geeft.
14
in dm loop der pemcen. lö
11 m.
DE EERSTE MARTELAAR.
â¢e
:s Het getal der Christenen was dermate aangegroeid dat
31- het voor de Apostelen onmogelijk werd het werk der
rs geloofsverkondiging voort te zetten en terzelfder tijd de
?n zielen der menigvuldige bekeerlingen naar behooren te
lS. verzorgen. Zij moesten naar medewerkers uitzien. Zij
te kozen dan en wijdden een zeker getal priesters en diakenen
aii die zij met een gedeelte hunner bedieningen belastten,
.gt Onder de eerste diakenen bevond zich Stephanas, een man
en vol van geloof en van den H. Geest, die wonderen deed en
os. groote mirakelen.
De vurige ijver van Stephaims en zijn welslagen bij het
3it, völk berokkenden hem den haat der Joden. Sommige leden
pijt d61quot; Synagoge stonden op om met hem te redetwisten, doch
^ zij konden aan de wijsheid en aan den H. Geest die door
de zisjnen mond sprak niet weder staan. Dan namen zij hunnen
leid toevlucht tot het geweld. Zij ruiden het volk op ; de Schrift-
len geleerden en de Ouderlingen liepen te hoop, grepen Stepha-
veg 11118 vast en sleurden hem voor den Raad. Valsche getuigen
die beschuldigden hem van godslastering,
kin- Intusschen ontvlamt- de ijver van Stephanus als een
alle gloeiend vuur en zijn gelaat, dat den inwendigen gloed
rak- - zijneiquot; ziel weerspiegelt, schijnt den rechters even schitte-
loen % reU(l als het aangezicht eens engels. Hij spreekt, liij maakt
, dat ziJne aanklagers beschaamd, hij bewijst dat, niet hij God
vam gelasterd heeft, maar wel zijne tegenstrevers, en hij ein-
God 1Tlet den Joden hun langen en hardnekkigen weder-
land stand aan den H. Geest onverschrokken te verwijten.
Ueeii 'ï quot; ^en van de Profeten, roept hij uit, hebben mee voorvade-
| ren niet vervolgd ? Ja, en gedood hebben zij hen. die de komst voorzeiden van den Rechtvaardige, wiens verraders
De goddelijke beloften der H. Kerk
en moordenaars gij nu geicorden zijt; gij, die de wet hebt ontvangen onder beschikking van Engelen doch haar niet hebt onderhouden.quot;
Woedekreten en tandengeknars onderbraken alsdan Ste-phanus in zijne redevoering. Hij echter hief de oogen hemelwaarts, zag de heerlijkheid Gods en Jezus staande aan de rechterzijde des Vaders. â Ziet, sprak hij, ik zie de hemelen geopend en den Zoon des menschen staande aan de rechterzijde Gods.quot; Doch de Joden schreeuwden met luider stemme, stopten hunne oor en en vielen gezamenlijk op hem aan. Zij dreven hem buiten de stad, en, na hunne bovenkleederen neergelegd te hebben vöör de voeten van eenen jongeling. Saulus geheeten, steenigden zij hem. Stephanus volgde tot het laatste toe het voorbeeld van zijn Cloddelijken Meester en nederknielend riep hij : â Heere, reken hun deze zonde niet toe. quot; Toen hij dit gezegd had, ontsliep hij in den Heer. Saulus had nu 'welgevallen aan zijnen moord.
Naar 's menschen oordeel en vooruitzicht, moest de barbaarsche strafpleging en steeniging van den H. Stephanus noodlottig wezen voor de opkomende Kerk. Zij beroofde haar immers van een uitstekend man en zou onvermijde-lijk de nieuwe bekeerlingen afschrikken. De uitval was echter geheel anders. Kon de H. Stephanus, wel is waar, der Kerke geene diensten meer bewijzen op aarde, hij werd haar machtige voorspreker bij den troon van God. Als vaandrager van de glorievolle heirschaar der bloedgetuigen, bevorderde hij meer den triomf des Geloofs door zijnen marteldood, dan hij zou gedaan hebben door een lang leven in apostolische werkzaamheden doorgebracht. Zijn voorbeeld wekte den moed op van de Christenen die, verre van terug te deinzen voor de bedreigingen en de vervolgingen, elkander aanwakkerden om zijne voetstappen te betreden en, op hunne beurt, hun bloed te vergieten voor Jezus-Christus.
16
in den loop der eeuwen.
De bovennatuurlijke uitwerksels van het laatste gebed des martelaars vertoonden zich dan ook spoedig en wel op eene schitterende wijze, door de zoo verrassende als onverwachte bekeering van één der beulen, den verwoedsten van allen. Ja, de H. Stephanus kon sterven, want Saulus was daar om hem te vervangen.
IV.
De H. Paülus.
â Saulus. intusschen, verwoestte de H. Kerk. Hij drong gewapenderhand de huizen binnen, greep mannen en vrouwen vast en sleurde ze naar den kerker.quot; â â Ik droeg, zoo zal hij later zeggen, de bevelen, krachtens dewelke men de Christenen ter dood bracht.quot; â â Niets ademende dan bedreiging en moord tegen de leerlingen des Heeren,quot; vroeg en verkreeg hij de vergunning om naar Damascus te gaan ten einde er de Christenen te achterhalen, en geboeid naar Jeruzalem over te voeren.
Wie zal de woede breidelen van dezen bloeddorstigen wolf die de kudde van Christus verwoest ? â Wie anders dan God ?
Saulus, vergezeld van eene bende gewapende mannen, had zich op weg begeven en naderde reeds Damascus, het doel zijner reis, toen hij plotseling door een hemelsch licht omstraald werd. Hij viel ter aarde en hoorde eene stem die hem zeide : â Saulus, Saulus, waarom vervolgt g ij m ij ? quot;
â Wie zijt gij, Heer ? quot; vroeg kij.
En de stem antwoordde : â Ik ben Jezus, dien gij vervolgt. Het is u schadelijk de hielen tegen den prikkel te slaan. quot;
18 Be Goddelijke beloften der H. Kerk
Bevende, van schrik bevangen, zeide hij : â Heere! ivat wilt gij dat ik doen zal ?quot;
De Heer hernam : â Sta op en ga de stad in ; daar zal u gezegd worden ivat gij te doen hebt. quot;
De gezellen van Saulus waren verbaasd, daar zij wel de stem hoorden doch niemand zagen. Saulus stond van den grond op en opende zijne oogen maar zag niet meer. Ziine gezellen leidden hem bij de hand en brachten hem in Damascus. Hij bleef aldaar drie dagen, stekeblind, zonder te eten of te drinken.
Na verloop van drie dagen, zond God hem een ijverigen leerling, Ananias genaamd, die hem de handen oplegde, zeggende : â Broeder Saulus, de Heere Jezus die u verschenen is op den iveg, langs welken gij kwaamt, heeft mij gezonden om u het gezicht weer te geven en « de volheid des 11. Geestes mede te deelen.quot; â En terstond vielen er als schubben van Saulus, oogen, en hij werd weer ziende. Hij stond op en ontving het H. Doopsel.
Saulus was bekeerd, de verscheurende wolf in een zachtmoedig lam veranderd, de wreede vervolger der Kerk in een ijverig Apostel herschapen. Even vurig om het Geloof te verdedigen als hij vroeger verwoed was om het aan te randen, ging hij onverwijld in de synagogen verkondigen dat Jezus de Zoon Gods is. De Joden, die het hoorden, waren verbaasd : â Is deze het niet, zeiden zij tot elkander, die te Jeruzalem verdelgde alwie den naam van Jezus aanriep '! Is hij niet herwaarts gekomen om de Christenen te-ketenen en tot de Opperpriesters te voeren?quot; - Doch Saulus nam veel meer toe in kracht en moed, en hij maakte de Joden van Damascus beschaamd, hun bewijzende dat Jezus de Christus was.
Wie bewondert niet in deze schielijke bekeering van Saulus de klaarblijkelijke en barmhartige tusschenkomst der Goddelijke Voorzienigheid? Kunnen wij hier den
in den loop dar cciacen.
beloofden bijstand niet waarnemen en zien, hoe God, onmiddellijk na den dood van Stephanus, door een mirakel zijner almacht aan de Kerk het uitverkoren werktuig geeft om Jezus naam hekend, te maken aan Heidenen en koningen en aan de kinderen Israels ? â Een weerspannigen wil plotseling bedwingen en onderwerpen, een verstand door de zwartste vooroordeelen verduisterd op eens verhelderen en verlichten, een hart vol haat en verbittering met den edelsten liefdegloed ontvlammen, en van een onverzoenlij-ken vijand eensklaps een heldhaftigen kampvechter maken der H. Kerk, â is dat niet klaarblijkend toe te schrijven aan de werking van God evenals elk andere hulp aan de geloovigen verleend om hen te versterken tegen de gevaren of hunne werken met bovennatuurlijke vruchten van zaligheid te bekronen ? Wanneer wij van den eenen kant de menschelijke zwakheid en nietigheid der Apostelen beschouwen en van den anderen kant de oneindige grootheid van hetgeen zij hebben uitgevoerd, dan voelen wij ons genoodzaakt uit te roepen: â De hand Gods is daar, zij alleen kan zulke wonderen uitvoeren ! quot; â Welnu, denzelfden kreet van geloof en dankbaarheid moeten wij slaken als wij de Goddelijke Wijsheid uitgelezen mannen zien verwekken en zich van hun hart en verstand meester maken, juist dan wanneer zij noodzakelijk zijn voor de uitvoering harer verhevene en ondoorgrondbare inzichten.
Was dus de bekeering van Saulus, die in 't vervolg den naam droeg van Paulus, een wonder der Goddelijke Genade en eene schitterende verwezenlijking der beloften door Jezus aan de H. Kerk gedaan, â de buitengewone werken door den nieuwen Apostel ondernomen, de bewonderenswaardige vruchten van zijn zielenijver bevestigden weldra de waarheid dezer gevolgtrekking.
Na eene driejarige afzondering inde woestijn van Arabië en een veertiendaagsch verblijf bij den H. Petnis, het
19
De Goddelijke beloften der II. Kerk
Opperhoofd der Kerk. vangt Paulus aan de zending te vervullen waarvoor God hem bijzonder had uitgekozen, te weten : zijnen naam bekend te maken aan de Heidenen, koningen en kinderen Israels. Hij predikt te Jeruzalem, te Damascus, te Antiochië. Hij verkondigt het Evangelie op het eiland Cyprus en doorreist het geheele kustland van Klein-Azië. Hij dringt door tot in Macedonië ; Athene zelfs en Corinthe hooren zijne stem. Als gevangene naar Rome gevoerd, beschaamt hij van uit zijnen kerker de Joden en Heidenen. Van zijne ketenen ontslagen, hervat hij zijne apostolische tochten en bezoekt de menigvuldige kerken die hij reeds gesticht heeft om ze in 't geloof te bevestigen. Hij verbreedt zijnen werkkring van het uiterste Oosten tot in het verste Westen van de toenmaals bekende wereld, doet het woord Gods door gansch het Eomeinsche keizerrijk weergalmen, en brengt overal gevoelige slagen toe aan het overheerschend Heidendom.
Welke wonderbare, welke grootsche prediking! - Zie, daar treedt de H. Paulus eene stad binnen. Hij is afgemat door de vermoeienissen eener lange reis, doch eene inwendige kracht ondersteunt hem en doet hem alle leed vergeten. Hij trekt de straten door ; zijn oog valt op de menigvuldige afgodsbeelden waarvoor men een godlasterenden wierook brandt. Zijn zielenijver ontvlamt bij dit bedroevend schouwspel: hij verzamelt het volk, nu eens op eene openbare plaats, dan weder in een huiskamer of groote zaal, en aanstonds begint zijn mond te spreken waar zijn hart van vol is, van Jezus. De woorden schieten- los van zijne trillende lippen als vurige pijlen: zij verdrijven de duisternis der dwalingen en vooroordeelen voor het schitterende licht der waarheid. Zijne warme overtuiging stort zich over in de zielen der toehoorders, en, onder den invloed der Goddelijke genade die terzelfder tijd op de harten werkt, nemen talrijke Heidenen het moedig besluit hunne afgoden te
30
in den loop der ceuiven. 21
verbrijzelen en het H. Doopsel te vragen. Eene nieuwe Christenheid is gesticht.
Hard is evenwel de strijd die hij moet voeren, en vreese-lijk de gevaren die hij moet trotseeren om tot den verlangden uitval te geraken. God heeft ze hem voorspeld, doch dit schrikbarend vooruitzicht kon zijnen moed niet doen terugdeinzen. Ook, wanneer de beproevingen hem van alle kanten overvielen, bleef hij kalm en onwrikbaar. En toch, wat heeft hij niet geleden 1 â Vijfmaal, zoo schrijft hij aan de Corinthiërs, heb ik van de Joden veertig slagen min één ontvangen; driemaal hen ik met roeden gegeeseld; eenmaal hen ik gesteenigd: driemaal heh ik schipbreuk geleden ; één nacht en dag heb ik in de diepte der see doorgebracht. Wat al gevaren heb ik, op mijne reizen, niet getrotseerd! Gevaren van rivieren, gevaren van roovers, gevaren onder mijne stamgenooten, 'gevaren onder de Heidenen, gevaren in de stad, gevaren in de woestijn, gevaren op zee. gevaren ondlt;r de valsche broeders. Ik heh mijn leven gesleten in arbeiden en zwoegen; in veel waken; in honger en dorst; in vasten menigmaal; in koude en naaktheid. Buiten deze uitwendige kivdlingen, bezwaart mij dagelijks de zorg voor al de mij toevertrouwde Kerken. Wie wordt er zwak zonder dat ik zwak 'worde met hem ? Wie icordt geërgerd, zonder dat ik bra n de ? Ja, indien er moet geroemd worden, dan wil ik roemen op mijne zwakheden!quot;
Naast al dat lijden, verschafte God zijnen getrouwen dienaar ook vreugde in ruime mate. Hoe verheugde hem niet de wonderbare vooruitgang van het Evangelie ! hoe verblijdde hem niet de voortdurende ondervinding dat de Goddelijke Voorzienigheid met hem was, zijne schreden leidde, de gevaren afwendde, de vijanden beschaamde, en op zijn woord allerhande wonderen verrichtte ! Te Lystri, waar hem aanvankelijk het volk als eenen god wilde aanbidden, zag hij zich eensklaps door eene woedende menigte
22
vervolgd, welke hem tot buiten de stad sleepte en stee-nigde; â toen evenwel zijne leerlingen tot bij hem kwamen toegesneld en slechts een lijk meenden te vinden, stond hij ongedeerd op en ging weder met hen de stad binnen. Te Philippi in Macedonië klinkt men hern in boeien, omdat lui den duivel uit eene jonge bezetene gedreven had ; maar 's nachts, als Paulus en zijn gezel den Heer bidden en loven, dan beeft de aarde, dan dreunen en waggelen de grondvesten van het keikeihol, dan gaan de deuren open en vallen de ketenen van de handen der twee heilige gevangenen. Te Troade brengt hij den ganschen nacht door met de geloovigen te vermanen en de Heilige Altaargeheimen met hen te vieren. Een jongeling, door den slaap verrast, valt van de 3dc verdieping morsdood op den grond. De H. Paulus wordt aanstonds van het droevig ongeval verwittigd, hij omhelst het lichaam van den jongeling en roept hem tot het leven terug. Zoo volgde de Goddelijke bijstand den Apostel in al zijne werken en vertoonde zich aan aller oogen door de giootste mirakelen.
Wat wij tot dusverre gezegd hebben van de Evangelische prediking des Apostels, van zijne vermoeienissen, van zijn lijden, alsmede van zijne vertroostingen en van den goeden uitslag zijner onderneming, geeft ons slechts een flauw denkbeeld van de grootheid van zijn werk. Waar zijne stem niet meer weergalmde, daar was hij tegenwoordig dooi zijne geschriften De Kerk heeft ons veertien brieven des grooten Apostels bewaard, welke zoo verhevene leeringen bevatten, dat de grootste vernuften sedert achttien eeuwen te vergeefs beproefd hebben ze in hun ganschen omvang te doorgronden en te verklaren. Waar had hij die leei geput, welke zoo stellig, zoo verheven en te gelijk zoo diepzinnig is? Hoe heeft hij regels, op alle tijden toepasselijk, kunnen voorschrijven, hoe met zooveel stout- en zekerheid tot in
in den loop der eeuwen.
de ondoorgrondelijke geheimen der Genade doordringen, hoe zooveel overschoone leeringen uit zijne pen laten vloeien, dingen die onophoudelijk den aandachtigen Lezer met verwondering vervullen ? - Ha ! het was God die hem met zijn licht omstraalde en zijne pen leidde; â God, die hem geroepen en zelf onderwezen had ; â God, die hem met zöö buitengewone visioenen en openbaringen begunstigde dat de Apostel volgens zijne eigene bekentenis niet bij machte was dezelve uiteen te zetten.
â Ik weet, zoo schrijft hij, dat deze man in het Paradijs werd opgevoerd en geheimvollewoorden hoorde die het eenen mensch niet geoorloofd is te spreken.quot;
En, o geheim der Goddelijke Voorzienigheid! terwijl zijne ziel door het helderste licht bestraald werd en zijn hart van Hemelsche vertroostingen overvloeide, had de H. Pau-lus tegen zijn eigen lichaam een vreeselijken strijd te voeren die hem de zwakheid zijner menschelijke natuur op wreede wijze deed ondervinden, hem in zijn eigene oogen diep vernederde en tot driemaal toe noodzaakte tot den Heer te roepen om ervan verlost te worden. Maar God gaf hem tot antwoord: â Mijne genade is it genoeg. Deze bekoringen laat ik toe, opdat de grootheid der openbaringen u niet verhoovaardige en opdat mijne macht in moe zwak-heid uitschijne.quot; â Klaar bewijs, dat de groote Apostel al zijne heiligheid en macht te danken had aan zijne innige vereeniging met Jezus-Christus, aan de getrouwheid waarmede hij de inspraak der genade involgde en aan al hare bewegingen gehoorzaamde, gedwee gelijk een werktuig in de hand des werkmans.
V.
HET TESTAMENT VAN DEN H. PETRUS.
Reeds hebben wij gewag gemaakt van de eerste vervol-
23
24 De Goddelijke beloften der //. Kerk
gingen waardoor de Joden te vergeefs het Christendom in zijne wieg poogden te smoren. De H. Apostel Jacobus stierf den marteldood, de H. Petrus zelf werd in den kerker geworpen. Doch zijne zending was nog niet volbracht, de H. Kerk bad voor hem, en een engel kwam hem uit de
gevangenis verlossen.
Als nu het broze scheepje van den Galilëischen Visscher in zee is gestoken; met andere woorden; als nu het opperhoofd der Apostelen zijnen zetel gevestigd heeft in het middelpunt der wereld, in de stad Eome, die hij voor Jezus-Christus veroveren wil, dan wordt het door een nog schiik-barender tempeest geteisterd. Het Heidendom immers voelt zich door den nieuwen Godsdienst in t harte geslagen en begint een geweldigen, ja wanhopigen worstelstrijd die drie eeuwen moest duren. Nero, de schaamtelooze en wreede Nero, was de eerste die tot eene algemeene vervolging der Christenen bevel gaf. De gansche wereld nam tegen het Geloof de wapenen op.
Gedurende dit lang en bloedig tijdperk had de Kerk behoefte aan eene onwankelbare standvastigheid ; hare hooiden immers en hare kinderen waren geroepen om den naam van Jezus-Christus tegenover dwingelanden en beulen te belijden. Millioenen martelaren onderscheidden zich dan ook door hunne zielskracht, door hunnen weergaloozen heldenmoed, waarin men noodzakelijkerwijze het wondervolle gewrocht van den Goddelijken bijstand eikent.
Ih het begin der eerste groote vervolging, toen ..quot;eeds het bloed allerwegen begon te vloeien, âwaren de Bomein-sche geloovigen, zoo zegt de H. Ambrosius, beangstigd wegens het gevaar dat Petrus, het opperhoofd der Kerk, bedreigde, en smeekten zij hem voor de onstuimige volksbeweging te wijken en de stad te verleden. Aanvankelijk iveigerde hij, doch hunne bede was zoo dringend dat hij eindelijk besloot te vertrekken. Bes nachts begaf hij zich op teeg en reeds
in den loop der eeuwen.
naderde hij den ringmuur, toen hij Christus zag, die hou, door dezelfde poort, te gemoet kwam. â Waar gaat gij Heer? vroeg hem de Apostel. â Jezus-Christus gaf hem ten antwoord: Ik kom naar Rome om er opnieuw gekruisigd te worden. â Petrus begreep den zin van dit Goddelijk woord. Bij keerde in de stad terug om er den marteldood te verheiden. quot; (1)
De H. Petrus wil echter, alvorens te sterven, door eene plechtige vermaning- den moed, het geloof en de hoop der Christenen aanwakkeren. Hij schrijft als 't ware zijn testament, aan alle geloovigen der wereld gericht, een wonder-schoonen brief, eene encycliek die onder alle opzichten den oppersten Herder der Kerk, wiens ambt het is zijne broeders te bevestigen, waardig is: âIk acht het mijnen plicht, zegt hij, zoolang ik in deze tent (in dit lichaam) ben, u door vermaningen op te wekken, zeker als ik ben, dat ik wéldra dit lichaam zul afleggen, zooals Onze Heer Jezus-Christus het mij geopenbaard heeft. Doch ik zal zorg dragen opdat gij dezelve ook na mijnen dood dikwerf herdenken moget. Want icvj volgden geen wel verzonnen fabelen, als wij v de kracht en de komst Onzes Heeren Jezus-Christus bekendmaakten; maar wij spraken als ooggetuigen zijner heerlijkheid. Hij ontving immers veen God den Vader eere en glorie, wanneer uit den glansrijken Hemel deze stem afdaedde: Deze is mijn geliefde Zoon, in ivien ik mijn wel-hehagen heb gesteld, aanhoort hem. En deze stem welke uit den Hemel weergalmde, hebben wij gehoord, toen ivij met Hem waren op den heiligen berg.quot;
25
Vervolgens wapent hij de geloovigen tegen de valsche
(i) Heden nog ziet men te Rome op den Appischen weg (Via Appia), niet ver buiten de stadswallen, een nederige kapel, bekend onder den naam van Domine quo vadis ? â Daar had de prins der Apostelen het visioen, waarvan de H. Ambrosius hier gewaagt.
26
profeten en tegen de leeraren der goddeloosheid die hen zullen trachten te verleiden. â Zij heioven de vrijheid, zegt hij, terwijl zij zeiven slaven zijn der bedorvenheid.quot; Hij herinnert ook de beloften des Verlossers en de straf welke hen wacht die ze als valsch of bedrieglijk willen bevinden. Hrj spoort de Christenen aan om hunnen ijver en hun geduld te verdubbelen, om niet roekeloos de. tijden te berekenen ten einde het oogenblik der jongste gebeurtenissen te kennen, maar om zich altijd gereed te houden en hun geweten vlekkeloos te bewaren. De brieven door Paulus. zijnen welbeminden broeder, geschreven, keurt hij goed en verklaart dat zij door God zijn ingegeven, alhoewel onwetende lieden er den zin van zoeken te verdraaien. Hij eindigt met deze woorden: â Gij dus, broeders, die dit vooruit iveet, iveest op uwe hoede, opdat gij niet, door de dwaling der dwazen misleid, uw eigen standvastigheid verliezet; doch neemt toe in de genade, in de kennis van Onzen Heer en Heiland Jezus-Christus. Hem zij de glorie, en nu en in de dagen der eeuwigheid! Amen.quot;
Als nu de H. Petrus deze laatste en plechtige getuigenis heeft afgelegd, blijft hem niets meer over dan het met zijn bloed te bezegelen. Nero doet hem vastgrijpen en in den Mamertijnschen kerker werpen, waar het Opperhoofd der Apostelen zijn werk voortzet door zijne twee bewaarders. Processus en Martinianus, te bekeeren. Eenige dagen later werd hij, het hoofd naar beneden, gekruisigd, op den berg Janiculus, niet ver van de plaats, waar heden het Vati-caansch paleis en de St-Petrus-kerk oprijzen.
Op denzelfden dag werd ook de H. Paulus, zijn icelbe-minde broeder en zijn groote medewerker in het Apostelambt, onthoofd (Jaar O. H. 66).
in den loop der eeuwen.
VI.
DE PAUSEN DIE DEN MARTELDOOD STIERVEN.
De H. Petrus had er voor gezorgd dat na zijnen dood menigiverf vermaningen tot het géloovige volk gericht icier-den; aldus kenmerkte hij de voornaamste zending en verplichting zijner opvolgers, namelijk als stedehouders van Jezus-Christus de geheele Kerk te onderwijzen. De dood van Petrus bracht dus in de wezenlijke inrichting der Kerk volstrekt geene verandering teweeg, dewijl hem zijn Pausschap overleefde. Hier echter treffen wij een feit aan dat wederom bewijst hoe God onophoudelijk over het werk van zijnen Zoon waakte. Drie eeuwen lang stijgen de Pausen slechts op den troon om weldra onder het staal der beulen te vallen. Welke menschelijke instelling zou een zoo lange en zoo wreede proef hebben kunnen doorstaan?
De Kerk doorstond ze niet alleen zonder te bezwijken, maar zegevierend en steeds aangroeiend in kracht en leven.
Ziehier de lijst der gemartelde Pauzen:
De H. Linus, onmiddellijke opvolger van St Petrus, werd gemarteld in het jaar 67.
De H. Ch'tus onderging hetzelfde lot in 83.
De H. Anacletus werd onthoofd in 96.
De 11. Clemens I. naar Chersonesus verbannen, werd met een schipanker aan den hals in de zee gedompeld, ten jare 100.
De II. Evarist us won de martelkroon in 109.
De 11. AlexanderI overleed in de gruwelijkste folteringen ten jare 119.
De H. Sixtiis I stierf voor het Geloof in 127.
De H. Telesphorus eindigde zijn leven door den marteldood in 138.
De H. Hyginus vergoot zijn bloed voor Jezus-Christus in 142.
27
28
De H. Pins I stierf in 150, waarschijnlijk als martelaar.
De H. Anicetus werd gemarteld in 162.
De H. Soter werd onthalsd in het jaar 170.
De H. Elentherus stierf in 185. Zekere martelaarsboeken geven hem den titel van martelaar.
De H. Victor I plukte den palm des marteldoods in het jaar 197.
De H. Zepherinus viel onder het zwaard in 217.
De H. Calixius werd in eenen put geworpen dien men vervolgens niet steenen tot aan den rand opvulde.
De TL Urbanus 1 onderging verscheidene folteringen en werd onthoofd in 230.
De II. Pontianus werd naar het eiland Buccina overgevoerd, waar hij als bloedgetuige den geest gaf.
De H. Antherus regeerde slechts ééne maand en werd ter dood verwezen in 236.
De H. Fabianm werd onthalsd in 250.
De H. Cornelius onderging hetzelfde lot in 252.
De H. Lucius I werd door het zwaard afgemaakt in rt jaar 254.
Den H. Skphanm werd het hoofd afgehouwen in 257.
De H. Sixtus II stierf denzelfden dood in 't jaar 259.
De H. Dionysius gaf den geest ten jare 2ö8.
De H. Felix I bezweek in de folteringen ten jare 274.
De H. Eutychianus ontving de martelkroon in 283.
De H. Gajus stierf onder het staal der beulen in 296.
De H. Marcellinus werd gemarteld in 304.
De H. Marcellus was de laatste Paus der drie eerste eeuwen van aanhoudende vervolgingen, die zijn bloed voor het Geloof vergoot... Van de dertig voornoemde opvolgers des heiligen Petrus zijn er nauwelijks een of twee aan het zwaard der Heidensche beulen ontsnapt.
De H. Eusebius gaat nog in ballingschap sterven, ten jare 310, maar de H. Melchiades is eindelijk getuige van de
in den loop der eeuwen.
zegepraal der Kerk over de Heidensche wreedheid, hij ziet de triomfantelijke intrede van een Christen keizer, begroet door de toejuichingen van het Romeinsche volk, er; uit de catacomben treedt hij te voorschijn om zich te vestigen in het paleis van Lateranen dat hij aan de milddadigheid van Constantijn den Groote te danken heeft.
De H. Melchiades overleed drie maanden later, den 10 Januari 314. Jezus-Christus had woord gehouden : hyj had de wereld overwonnen
VIL
DE SOLDATEN VAN CHRISTUS.
Ja, de Heidensche wereld, na een bloedigen strijd van driehonderd jaren, was overwonnen ; doch hoe had de Kerk den zege bevochten ?
St. Petrus, St. Paulus, St. Jacobus, St. Andreas.... al de Apostelen tot en met St. Jan zijn dood: de opvolgers van Petrus vallen beurtelings onder de bijl van den beul: de Christenen van allen rang en allen leeftijd worden bij duizenden gemarteld; bijna drie eeuwen lang vloeit onophoudelijk het bloed der geloovigen en overstroomt alle gewesten van het Romeinsche rijk; tienmaal heeft het Heidendom in zijnen haat dermate zijne woede botgevierd en zoodanige moorderijen gepleegd, dat het zich beroemt het Christenvolk te hebben uitgeroeid, ja zelfs zijnen naam te hebben uitge-wischt... en welk is nu het eindgevolg van zooveel bloedbaden? O wonder! De verwinnaar is niet het Heidendom maar wel de Kerk. niet de machtige die verdrukt maar wel de zwakke, niet de beul die pijnigt en doodt maar wel het slachtoffer, niet de wolf die verslindt maar wel het lam I Hoe heeft dat kunnen zijn ?
Hebben de Christenen geweld tegenover geweld ge-
2'.-)
30 De Goddelijke beloften der H. Kerk
pleegd ? â Neen. zij hebben zich laten slachten zonder
weerstand te bieden.
Hebben zij heimelijk samengezworen, hebben zij door listen en lagen de staatsbesturen omvergeworpen? â Neen, geen enkele heeft de hand geleend tot eenen staatsaanslag, geen enkele heeft getracht de vervolgingen te doen ophouden door den val der vervolgers.
Hebben zij het volk opgeruid, de dwingelanden genoodzaakt voor de dreigende menigte den nek te buigen ? â Neen, de menigte die bedreigt, die schreeuwt en van tijd tot tijd door woest geweld aan de machtigen van den dag de wet voorschrijft, die menigte eischte den dood der Christenen, zij begroette de martelingen met handgeklap, zij huilde met razernij : de Christenen voor de leeuwen! en, aan een bloeddorstig dier gelijk, aanschouwde zij met wreede wellust den doodstrijd der slachtoffers.
Hoe dan is de triomf behaald geworden ? Hoe hebben zij die stierven diegenen kunnen overwinnen welke ze ter dood brachten? Hoe toch hebben de Christenen het aangelegd om na zoo vreeselijke moorderijen dusdanig in getal aan te groeien dat de maatschappij, die gisteren nog Hei-densch was, heden als Christen ontwaakt ?
Wel, zij hebben hun geloof standvastig beleden, zij hebben het verkondigd en er de deugden van beoefend; zij zijn geduldig, zachtmoedig en liefdadig geweest; de men-schelijke grootheid hebben zij veracht, de ongeoorloDtde vermaken gevlucht, de wereldsche goederen opgeofferd; in hun leven waren zij rechtschapene en onderdanige burgers, verkleefde huisvaders en huismoeders, getrouwe echtgenooten. gehoorzame kinderen; in hunnen omgang waren zij kuisch. rechtvaardig en menschlievend; het kwaad hebben zij met goed vergolden, want al stervende op het rad, in het vuur, aan de galg, onder de tanden dei-wilde dieren of op het foltertuig der beulen... baden zij voor
in den loop der eeuwen.
hunne vervolgers.Ziedaar, wat de Christenen gedaan hebben van den hoogsten tot den laagsten, van den man in volle levenskracht tot het kind dat nauwelijks zijner zwakheid bewust is, van den krijgsman gewoon de gevaren te trot-seeren tot de schuchtere maagd welke een blik doet blozen en beven, van den statigen patriciër tot den nede:-rigen slaaf, van den grijsaard die reeds een voet in het graf heeft tot den jongeling wiens hart van levenslust overloopt. â En drie eeuwen lang hebben de Christenen dien zonderlingen kamp gevoerd, drie eeuwen lang geerr andere wapenen gebruikt tegenover hunne machtige en gewelddadige vijanden!
Gelooven, de deugd beoefenen, weldoen, bidden en sterven... is dat dan het middel om te zegevieren ? â Neen, antwoordt de wereld; â ja, antwoordt het Geloof.
Neen, antwoordt de wereld, en van haar standpunt uit, heeft zij gelijk, want ieder menschelijk werk, in de vermelde omstandigheden ondernomen, ware onvermijdelijk en deerlijk mislukt.
Ja, antwoordt het Geloof, en van zijn standpunt uit heeft het eveneens gelijk, omdat de Kerk geen menschelijk werk is en bijgevolg alleenlijk kan gevestigd worden door bovennatuurlijke middelen waarin Gods tusschen-komst stellig en duidelijk uitschijnt.
Ook sloeg de H. Augustinus den bal niet mis als hij verklaarde dat de wereld door een wonder des Hemels bekeerd' werd en dat, indien zij zich zonder mirakel bekeerd had, zulks het grootste der mirakelen wezen zou.
Ja, behalve de menigvuldige wonderen die de verkondiging van het Evangelie vergezelden, is er nog een ander-dat onze aandacht treft. De heldhaftige standvastigheid' van zoo vele bloedgetuigen, de voortdurende en buitengewoon snelle verspreiding van het Geloof onder het vuur der vervolgingen, de plotselinge ontwikkeling der ver-
31
De Goddelijke beloften der II. Kerk
lievenste deugden te midden van het algemeen en volslagen verderf, de wonderbare verandering en hervorming der gansche maatschappij onder den invloed des Christen-doms.... ziedaar een zedelijk mirakel, dat, op zich zelf genomen, duidelijk bewijst dat de Kerk Goddelijk is en dat God, volgens de belofte van Jezus-Christus, met haar was gedurende het tijdperk der Heidensche vervolgingen gelijk hij naderhand met haar geweest is in al haar lijden en strijden, en gelijk hij met haar zal wezen tot aan de voleinding der eeuwen.
VIII.
IN HOC SIGN O VINCES.
In het begin der IVp eeuw was de Romeinsche wereld reeds grootendeels bekeerd; de Christenen vormden zelfs de meerderheid van de onderdanen des keizerlijks. Het Heidendom bleef echter meester van het gezag, en de vervolging woedde aanhoudend met verdubbelde razernij en wreedheid. Daar was een schok noodig om die kerkhatende macht op hare ondermijnde grondvesten te doen instorten : die schok kwam zichtbaar van Gods hand; de jeugdige en dappere Constantijn was haar werktuig.
Constantijn had Constantius Chlorus tot vader en eene Christin, de H. keizerin Helena, tot moeder. Hij beminde het Geloof van Jezus-Christus, alhoewel hij het nog niet be-lijdde. Hij bevond .zich te Rome, toen Diocletianus van de keizerlijke waardigheid afstand deed, en ongetwijfeld zoude hem keizer Galerius, die hem als zijnen mededinger duchtte, ter dood hebben gebracht, hadde hij zich niet door eene snelle vlucht aan zijne woede onttrokken. Om niet achtervolgd te worden, liet hij van post tot post den paarden die hij gebruikt had, de kniepezen doorsnijden.
32
in den loop der eeuwen.
Zoodoende gelukte het hem zijnen vader, die in Gallië het bevel voerde, in te halen. Te midden der oude krijgsmannen die hunnen veldheer zoo getrouw waren, had de zoon van Constantius Chlorus niets meer te vreezen ; ook bij zijns vaders dood, die korten tijd daarna plaats had, werd Constantijn door zijne soldaten tot keizer uitgeroepen.
Intusschen overleed Galerius aan eene schandelijke ziekte: hij werd door de wormen letterlijk opgevreten. Het Romeinsch keizerrijk viel aan vier mededingers ten prooi. Maximinus hield Azië, het Oosten en Egypte onder zijn gebied; Liciniusheerschte in Illyrië; Maxentius te Rome, en Constantijn in Gallië. De drie eersten vervolgden geweldig den Christelijken Godsdienst die door Constantijn alleen geëerbiedigd en beschermd werd. Constantijn dan ook zal, dank aan de Goddelijke Voorzienigheid, de overwinning behalen en het Heidendom den doodslag geven.
Maxentius had aan Constantijn den oorlog verklaard om zich van Gallië meester te maken, maar Constantijn voorkwam hem en, in plaats van den aanval af te wachten, rukte hij aan het hoofd zijner soldaten de Cotiaansche Alpen over recht naar Rome. De legermachten der twee tegenstrevers waren op verre na niet gelijk. Het heir van Maxentius telde 170,000 voetknechten en 18,000 ruiters ; dat van Constantijn slechts 40,000 oude krijgsmannen. Nochtans scheen de overwinning van af het begin dev vijandelijkheden den dapperen Constantijn toegezegd. Hij nam Susa stormenderhand in, versloeg achtervolgens twee korpsen ruiterij, dwong Verona tot overgave, en zette zynen zegetocht tot aan Rome's poorten voort. Hij sloeg zijn kamp op tegenover de Milviusbrug, heden Ponte-Molle geheeten.
Toen hij op zekeren dag aan het hoofd van een legerkorps voortrukte, omstreeks het middaguur, vertoonde zich midden aan den Hemel, in de richting der zon, een
3
83
De Goddelijke beloften der II. Kerk
lichtstralend kruis. Op het wonderbaar kruis las men in letters van vuur deze Latijnsche woorden : In hoe signo vinces (Door dit teeken zult gij overwinnen.) Als Constantijn dit wonder zag waarvan ook het gansche leger getuige was, stond hij verbaasd, en nog lange jaren daarna verhaalde hij het zelf aan Eusebius, bisschop van Cesarea. Den ganschen dag bleef hij aan deze wondervolle verschijning denken.
Den opvolgenden nacht verscheen hem wederom hetzelfde kruis en vertoonde zich Jezus-Christus aan den Gesar om hem te bevelen dat beeld op zijne vaandels te plaatsen. Des anderendaags bemerkte men, naast de Eo-meinsche adelaars, eenen tot dan toe onbekenden standaard, 't Was een lange vergulde houten piek, aan welker bovenkant een kruisvormig dwarshout bevestigd was : aan deszelfs armen wapperde een vaandel met goud en edelgesteenten versierd. Boven op schitterde eene kroon van goud en kostbare steenen die in haar midden de naamletter van Christus, bestaande uit de twee Grieksche initialen van dezen naam, vertoonde. Dat was de vermaarde Kruisvaan, in 't latijn Labarum geheeten. De naamletter en het kruisbeeld werden ook op de helmen der soldaten geplaatst.
Tot dusverre was het kruis niets anders dan een schandhout geweest, uitsluitend bestemd om de gemeenste misdadigers ter dood te brengen ; maar thans, na drie eeuwen van smaad, ongeloof en vervolging, had het over de wereld gezegevierd, thans nam het zijne plaats in tusschen de meest geëerde zinnebeelden en werd het de standaard der Rorneinsche legioenen welke de overwonnen wereld slechts met bewondering aanschouwde.
â De slag die ging geleverd worden, zegt Ghateaubriand, is een dier zeldzame welke niet een eenvoudig wapenfeit maar een ware omwenteling daarstellen. Twee eeredien-
34
in den loop der eeuwen.
sten en twee werelden ontmoetten malkander aan de Milviusbrug; twee Godsdiensten bevonden zich tegenover elkander, de wapenen in de vuist, op den oever des Tibers, in het uitzicht van liet Capitool. Maxentius raadpleegde de Sibyllijnsche boeken, offerde leeuwen op, liet vrouwen opensnijden en de ingewanden der kinderen doorsnuffelen... Constantijn daagde op onder den aandrang der Godheid en door de grootheid van zijn vernuft... De oude goden van den Janiculus hadden rondom hunne altaren de legioenen gerangschikt, die in hunnen naam het heelal veroverd hadden; tegenover deze soldaten stonden die van Christus. Het Labarum blonk uit boven de adelaars en het land van Saturnus zag dengene heerschen die op den berg gepreekt had. De tijd en het menschdom hadden eene schrede voorwaarts gemaakt.quot;
Op den 28 October 312 werd die slag geleverd. Vol vertrouwen op het getal zijner troepen en op de bescherming der goden, trok Maxentius op een houten brug den Tiber over. Hij plaatste zijne soldaten met den rug tegen den stroom en beging aldus een grooten misslag die hem duur te staan kwam.â Constantijn, als een bekwaam veldheer, wist aan zijne troepen in de vlakte eene gunstige stelling te geven en door behendige schikkingen het gering getal zijner strijders te vergoeden.
Vreeselijk was de eerste aanval. De rijen van Maxentius werden gebroken alhoewel zich de dapperste zijner krijgslieden op hunnen post lieten doodslaan. Op den oever des Tibers teruggedrongen, van alle kanten in 't nauw gebracht, radeloos van schrik, wierpen zich de soldaten in den stroom, en ontkwamen zij den dood door het zwaard, 't was slechts om jammerlijk in de golven te sneven. Maxentius zag zich verloren en vloog de brug op, die hij over den Tiber had laten slaan, om den anderen oever te bereiken en naar de stad te vluchten. Doch het gewicht
35
36
der overgroote menigte, welke zich op die brug verdrong, deed ze instorten. Maxentius viel in den stroom en verdronk. De God der Christenen had aan Constantijn de waarheid voorspeld: de Kruisvaan zegepraalde.
Desanderendaags deed Constantijn zijne triomfantelijke intrede in Rome waar hij met de eenparige toejuichingen der Heidenen en der Christenen ontvangen werd. Zijn eerste daad als souverein was een bevelschrift dat hij ten gunste der Christenen uitvaardigde om aan den verwoeden oorlog, die het Heidensch Rome gedurende drie eeuwen tegen de Kerk gevoerd had, een einde te stellen. Te gelijker tijd verrichtte hij eene daad van niet mindei beteekenis. Toen eenige ketters een beroep deden op zijne tusschenkomst tegen de besluiten der geestelijke overheid, riep de groote keizer uit: â Hoe! Gij vraagt eene uitspraak aan my die slechts een leek ben en zelf het oordcel van Jezus-Christus verheidquot; Terstond liet hij in Rome den Paus Melchiades opzoeken, gaf hem de gansche zaak in handen en verzocht hem eene beslissende uitspraak te doen. Zoo werd op eens eene zaak, door het Heidendom nooit begrepen, erkend en uitgeroepen ; het onderscheid tusschen de twee machten, de wereldlijke en de geestelijke. Constantijn, de souverein der wereld op tijdelijk gebied, onderwierp zich aan het geestelijk gezag van het opperhoofd der Kerk, van den opvolger des H. Petrus.
De H. Paus Melchiades beantwoordde aan 's keizers verlangen door eene Kerkvergadering samen te roepen in het paleis van Lateranen, dat hem vervolgens in eigendom geschonken werd om tot verblijfplaats te dienen voor hem en voor zijne opvolgers. Daarvandaan draagt nog heden de basiliek, op de plaats zelve van dit paleis gebouwd, in haren voorgevel dit roemvol opschrift: Omnium ecclesiarum Ur-bis et mundi mater et caput. â Moederkerk en meesteres van al de kerken der Stad en der wereld.
37
IX.
DE KEEKLEBRAARS.
Nauwelijks was het Heidendom overwonnen, of andere niet min geduchte vijanden stonden allerwegen tegen de Kerk op. Deze kwamen uit haar eigen schoot; zij dreigden haar te gronde te richten door hare eenheid te verbrijzelen en het juk der gehoorzaamheid aan het oppergezag af te schudden.
De ketterijen en geloofscheuringen hebben ten allen tijde, door de afvalligheden en verdeeldheden welke zij teweegbrengen, de Kerk dieper en gevaarlijker gewond dan het zwaard der wreedste beulen. Dit was bijzonder het geval in de IVe eeuw.
In het woeden der vervolgingen was het niet mogelyk geweest overal de Katholieke leer in al hare zuiverheid te bewaren, noch de menigvuldige kerken, die in de verschillende werelddeelen gesticht werden, stevig met het middelpunt der eenheid te verbinden. De Pausen waren verbannen, gedwongen zich in de catacomben (onderaardsche begraafplaatsen) schuil te houden, en zij schenen elkander op te volgen, veeleer om spoedig het schavot te beklimmen, dan om de algemeene Kerk te besturen. Hoe zouden zij, in dien toestand, met de bisschoppen van het Oosten, van Afrika, van Spanje, enz., die menigvuldige, ja aanhoudende betrekkingen kunnen gehad hebben, welke het opperhoofd met zijne onderhoorigen onderhouden moet ? â Hoe zouden zij de verschillende voorrechten van het Pausdom met de vereischte krachtdadigheid en doordrijving hebben kunnen uitoefenen ?
't Is dus geenszins verwonderlijk dat hier en daar gevaarlijke dwalingen den tijd hadden om wortel te schieten.
De Goddelijke beloften der H. Kerk
dat de natuurlijke neiging des menschen om zich van alle gezag vrij te maken in sommige gewesten een zeker verlangen naar onafhankelijkheid ten opzichte van den Heiligen Stoel had doen ontstaan. Wanneer dan ook de uitwendige vrede der Kerke was teruggegeven en het zwaard dei-vervolgers, sinds drie eeuwen door het bloed der Christenen geroodverfd, eindelijk in de scheede was gestoken, dan had er eensklaps als het ware een uitbarsting plaats van ketterijen en geloofsscheuringen door de gansche wereld. Op den bloedigen kamp tegen de beulen volgde dus de worsteling tegen de dwaling en het oproer.
Doch, Gods bijstand is steeds in evenredigheid met den aard der noodwendigheden. Evenals hij de Kerk ovei het Heidendom deed zegevieren door de heldhaftige en onvei-winnelijke standvastigheid der bloedgetuigen, zoo ook gat hij haarde overhand op de ketterijen door het krachtdadig optreden der heilige Kerkvaders. Grondig onderwezen in de gewijde wetenschap en bijgestaan door een bovennatuurlijke verlichting, waren de Kerkvaders of Kerkleeraai s bestemd om overal en in alle geloofspunten het hoofd te bieden aan de dwalingen der ketters, hunne drogredenen te wederleggen en de waarheid in volle daglicht te stellen. Welnu, wie anders dan God kon, op hetzelfde tijdstip en in al de meest bedreigde gewesten, zoo talrijke en machtige vernuften, zooveel grootmoedige en heilige bisschoppen .verwekken ? Men staat verstomd als men het groötsche werk beschouwt dat in minder dan twee eeuwen werd ontworpen en voltrokken door het woord en de pen der Keik-vaders. In hunne tallooze schriften ligt de rijkste leeischat der Kerk, zij zijneen onvergankelijk gedenkstuk des Geloofs, eene reine bron van waarheden, waaraan de Godgeleerden der latere eeuwen slechts behoeven te putten. Voorzekei, die prachtige ontluiking van geloofsgetuigen, die stroomen van hemelsch licht, die plotseling de wereld overgoten om
38
in den lcx)p der eeuwen.
overal de dwalingen te verdrijven gelijk de duisternissen voor de stralende zon; â dat was geen bloot toeval maar het uitwerksel der Voorzienigheid.
Onder de beroemdste Kerkvaders, rekenen wij vooreerst den grooten Athanasius, patriarch van Alexandria. Deze heilige bisschop werd in het jaar 296 geboren. Hij speelde eene voorname rol in de Kerkvergadering van Nicea (325) en bracht veel bii tot de veroordeeling van het Arianisme, eene trouwelooze en sluwe sekte die de Godheid van Jezus-Christus loochende. Dientengevolge berokkende hij zich den haat der ketters welke hem tot viermaal toe. door hunne kuiperijen en eerlooze lasteringen, van zijnen patriarchalen zetel deden verbannen. Keizer Constantijn verwees hem naar Trier; de H. Athanasius ontving er het bezoek van verscheidene heilige bisschoppen en onder anderen van den H. Servatius, bisschop van Tongeren, evenals hij ijverigen voorstander van de Katholieke waarheid. Na den dood van Constantijn keerde Athanasius naar Alexandria terug, doch werd door keizer Constantius ten tweeden male verjaagd en genoodzaakt zich zes jaren lang in de Thebaansche woestenijen te verschuilen. Juliaan de Apostaat (afvallige) en de dweepzieke Valens veroordeelden hem op hunne beurt tot de ballingschap. Athanasius doorstond al deze wederwaardigheden, kalm en onwrikbaar in zijn geloof. De schandige aanslagen tegen hem beraamd, de venijnige laster tegen hem uitgespogen, vermochten niet zijnen moed te doen wankelen noch den glans zijner deugd te verduisteren. De Voorzienigheid waakte over hem en deed hem aan de strikken en hinderlagen zijner vijanden ontsnappen. Van eer en roem omgeven, van zijn volk innig bemind, stierf hij als verwinnaar op dien patriarchalen zetel waarvan hij zoo menigmaal verdreven werd. Hij was waardig zijnen naam te hechten aan het Symbo-lurn der Heilige Drievuldigheid dat, op bevel der Kerk, in
39
40 De Goddelijke beloften der H. Kerk
de Goddelijke getijden gelezen wordt evenals de andere gebeden aan de H. Schrift ontleend.
Terzelfder tijd als de H. Athanasius, sprongen andere heilige leeraars manmoedig voor de Oostersche Kerk in de bres. 't Waren de IL Ephrem, leerling en steun van den H. Jacobus van Nisibe, een wegsleepend kanselredenaar en een geleerd verklaarder der H. Schrift; de H. Cyrülus, patriarch van Jeruzalem, beroemd door zijn catechetisch onderricht, en de twee vermaarde vrienden St. Gregorius van Nazianze en St. Basilius van Cesarea. De HH. Gregorius en Basilius hadden elkander leeren kennen en beminnen, toen zij te zamen de beroemde scholen van Athene bezochten. Zij hadden dezelfde neigingen en dezelfde deugdzame gewoonten enkenden dan ook volstrekt geen andere wegen dan die der kerk en der school; hun heilige vriendschap duurde zoo lang als hun leven. Tot de Bisschoppelijke waardigheid verheven, onderscheidden zij zich beiden door de zuiverheid hunner leer, door de kracht hunner welsprekendheid en door hunne vastberadenheid tegenover de kettersche kerkvervolgers. Wie kent het fiere antwoord niet van den H. Basilius aan den prefect Modestus ? â Toen deze den moedigen bisschop hoorde verklaren dat noch de inbeslagneming zijner goederen, noch de ballingschap, noch de dood hem vrees konden inboezemen, riep hij verbaasd uit: â Nog nooit heb ik iemand dergelijke taal hooren voeren!quot; â â Ban hebt gij, hernam de H. Basilius, waarschijnlijk nog geen bisschop aangetroffen.quot;
De H. Athanasius was nog niet in 't graf gedaald, als de H. Joannes Chrysostomus reeds de wereld vervulde met de faam zijner groote werken, zijner kloeke kamp vechtingen voor het Geloof, en zijner onvergelijkbare welsprekendheid waaraan hij den bijnaam van gouden mond te danken heeft. Op den patriarchalen stoel van Constantinopel verheven, werd hij, gelijk de H.Athanasius, nu eens met woede
in den loop der eeuwen.
vervolgd, dan weer met geestdrift toegejuicht, â heden uit het land verbannen, morgen als een overwinnaar binnengehaald.
Op zekeren dag zag hij zijnen grootsten verdrukker, den machtigen minister Eutropius, eene schuilplaats komen zoeken aan den voet der heilige Altaren. De keizer, te recht op den ontrouwen minister verbolgen, en eene woelige volksmenigte sedert lang tegen hem verbitterd wegens zijne knevelarijen, volgden den vluchteling op de hielen en wilden hem uit het heiligdom wegrukken om hem ter dood te brengen. Bleek en bevend omhelsde Eutropius de gewijd-de kolommen en smeekte om genade, doch te vergeefs, â toen eensklaps de patriarch Joannes verscheen, den kansel beklom en met één gebaar, met één woord de woede van het volk tegenhield. Dan vond de heilige redenaar in zijn van liefde kloppend hart zoodanige uitdrukkingen en ziele-klanken, dat hij de gemoederen bedaarde, het medelijden opwekte, den keizer als ook de verwoedste vijanden tot genade en vergeving stemde, en aan Eutropius het leven redde. Zoo wreekte zich de H. Joannes over eenen man die hem tijdens zijne macht onophoudelijk vervolgd had. Nooit boekte de geschiedenis een schooner triomf van de welsprekendheid en de deugd.
De H. Joannes Chrysostomus stierf evenwel in ballingschap, maar de zegepraal bleef aan de heilige zaak waarvoor hij zooveel en zoo lang had gestreden en geleden.
Ook het Westen telde in de IVe eeuw vele - vermaarde verdedigers van het Katholiek Geloof tegen de ketterijen des tijds.
De H. Hilarius, bisschop van Poitiers, dien men den Athanasius van Gallië genoemd heeft, toonde in den strijd tegen de Arianen, denzelfden ijver en dezelfde onverschrokkenheid als de patriarch van Alexandrië. Dit berokkende hem de vijandschap van keizer Gonstantius die hem naar
41
De Goddelijke beloften der H. Kerk
Phrygië verbande. Hilarius had niet alleen de eer voor het Geloof vervolgd te worden, hij maakte zijnen naam onsterfelijk, doordien onder zijne leiding de toekomstige bisschop van Tours, de //. Mariinus. gevormd werd.
Laatstgenoemde bisschop heeft wel geene geschriften nagelaten, doch was niettemin een der geduchtste tegenstrevers van het Arianisme. Meer dan elk ander bracht hij bij tot de bekeering der nog Heidensche volken die de verschillende gewesten van Frankrijk bewoonden. De middelen, welke hij daartoé aanwendde, waren de prediking en de mirakelen waarmede hii zijne wegen bezaaide. Dank aan de faam zijner groote heiligheid was zijne prediking buitengewoon krachtdadig en vruchtbaar. Op zijn woord snelden de orkanen toe om de afgodentempels neer te stormen; op zijn woord stonden de zieken op en waren gezond, en kwamen zelfs de dooden tot het leven terug. Geheele volksscharen waren getuigen van deze wonderen, verzaakten aan haar afgodisch bijgeloof en vroegen het Doopsel.
Te recht heeft dus Frankrijk gedurende vijftien eeuwen den H. Martinus als zijn voornaamsten geloofsbode vereerd en op zijn graf nedcrgeknield met even zooveel eerbied, liefde en vertrouwen als de ifeioovigen aller streken op de grafsteden der HH. Apostelen Petras en Paulus te Rome.
In Italië vervulde de H. Ambrosius, Bisschop van Milaan, de taak van den H. Joannes Chrysostomus te Constantinopel; onwrikbaar gelijk eene rots, verzette hij zich tegen de scheurmakende ondernemingen der keizers. Wil keizerin Justina den Katholieken eene kerk ontrooven, om ze aan de Arianen te geven, dan biedt de H. Ambrosius een onverwinnelijken wederstand. â De schatting, zegt hij, komt Cesar toe, en men weigert ze hem niet; maar de Kerk behoort aan God en men mag se niet aan Cesar geven.quot; De
42
in den loov der eeuwen.
i
it
43
keizerin ziet zich verplicht de rechten der Katholieken te eerbiedigen.
Keizer Theodosius de Groote, een warme verdediger van den Katholieken Godsdienst en een uitmuntend vorst, liet zich eenmaal door een blinde wraakzucht vervoeren tegen de stad Thessalonica. De reden was dat eenige zijner officieren in een oproer vermoord waren geworden. Als nu het volk op verraderlijke wijze bijeen was geroepen voor de renspelen, zend hij er een gansch leger soldaten op los met bevel van allen zonder onderscheid,, die in hun bereik vielen, af te maken. Vrouwen, grijsaards, kinderen, schuldigen en onschuldigen, lagen weldra in hun bloed uitgestrekt. IJselijk was het moordwerk, zeven duizend lijken overdekten Thessalonica's pleinen en straten, en er weerklonk een gil van afgrijzen van 't eene tot aan 't andere uiteinde des keizerlijks.
Eenige dagen later begaf zich Theodosius, die dan te Milaan zijn hof ophield, naar de hoofdkerk om er de Goddelijke diensten bij te wonen; maar op het o ogenblik dat hij den drempel des tempels wil overschrijden, bevindt hij zich tegenover Ambrosius die hem verbiedt verder te gaan. Theodosius erkent zijnen misslag maar beroept zich op het voorbeeld van David ter verschooning. â Gij hebt David nagevolgd in zijne misdaad, zoo antwoordt Ambrosius, volg hem ook na in zijne boetvaardigheid.quot; De keizer buigt het hoofd en blijft acht maanden lang in den kerkban dooiden H. Bisschop tegen hem uitgesproken. Daarna beleed hij in het openbaar zijne misdaad, vroeg er ootmoedig vergiffenis van en werd met de Kerk verzoend.
Door zulke mannen en door zulke daden van moed en Apostolische krachtdadigheid deed de Kerk aan de keizers, die onlangs nog op slaafsche wijze als godheden werden aanbeden, begrijpen, dat er een opperste Heer bestaat van wien zij, zoowel als de laatste hunner onderdanen, afhangen. Tot dusverre was de Kerk verplicht geweest de
l!;vi
Kr
⢠;p, m
m
lü
iKil
lil â¢Mi.
â¢Cr
I
;gt;i. .. i
1
ÃÃ
jmtmi if
ü
IÃ |
i I m'
KI 1,^11
1
De Goddelijke beloften der H. Kerk
wreedste vervolgingen in stilte te lijden ; maar nu begon zij de stem te verheffen met die heilige onafhankelijkheid welke zij aan hare Goddelijke zending ontleent, en gaf zich openlijk uit voor de beschermster der zwakheid, der onschuld, der waarheid en der rechtvaardigheid. Dezelfde eeuw die Diocletiaan, Maximiliaan, Galerius enz. had zien baden in het bloed van de kinderen der Kerk en er op snoeven dat zij zelfs den naam der Christenen hadden uitgeroeid, zag hunnen opvolger Theodosius den Groote voor een bisschop nederknielen en ootmoedig de vergeving zijner euveldaad afsmeeken.
Welke wonderbare veranderingen, na zoo korte tijdruimte, in weerwil van gansch een wereld van hinderpalen gewrocht! Wie erkent daarin niet de hand Gods, die de Kerke langs de wegen zijner Voorzienigheid naar de meer en meer volkomene verwezenlijking voert harer zending van verlossing en zaligmaking!
Onder de toehoorders van den H. Ambrosius bevond zich op zekeren dag een man in de volle kracht des levens, vermaard om zijne begaafdheden en geleerdheid, maar ingenomen met allerlei valsche leerstellingen. Deze man luisterde zeer aandachtig toe, terwijl de H. bisschop de Katholieke waarheid klaar uiteenzette. Hij werd er door getroffen en wilde met Ambrosius in 't bijzonder spreken. Zijn vlug en doordringend verstand had al ras de dwaling waarin hij verkeerde erkend, hij was van de waarheid overtuigd, â maar hij had den moed nog niet om de schandelijke banden te breken, welke hem aan zijne bedrieglijke leerstellingen vasthechtten. Eindelijk gaf hem God de noodige kracht om de beslissende schrede te doen. Angus-tinus, die van al de HH. Vaders de grootste moest, wezen door zijn vernuft, was bekeerd. Dit wonder der genade had hii te danken aan de gebeden en tranen zijner moeder, de H. Monica, die onophoudelijk, dag en nacht, de bekeering
44
in den loop der eeuwen.
van haren zoon aan God gevraagd had. In zijne geboortestad, Hippone, in Afrika, wedergekeerd, werd de H. Augus-tinus achtervolgens tot de priesterlijke en bisschoppelijke waardigheid verheven. Hij weerlegde de dwalingen die hij eertijds had beleden en bracht aan de destijds zeer verspreide ketterij der Manicheërs doodelijke slagen toe. Een andere ketterij, het Pelagianisme, bestreed hij nog krachtdadiger, en in zijne geschriften sprak hij met zooveel scherpzinnigheid en juistheid van de Goddelijke genade, dat hij in dit gewichtig punt van ons Geloof de leeraar bij uitstek is, de meester die altijd wordt geraadpleegd en aandachtig aangehoord.
Terwijl de H. Augustinus in het strijdperk stond in Afrika, werkte de //. Hier any mus in zijne eenzame cel van Judea. In zijne jeugd was de H. Hieronymus in betreurenswaardige buitensporigheden gevallen. Door de genade getroffen, verliet hij Rome en trok zich terug in de woestijn, om door een aanhoudenden arbeid en de hardste lichaamskastijdingen zijne misslagen uit te boeten. De uitgestrekte kennissen, welke hij in zijne studiën geput had, maakte hij zich nu ten nutte om een onvergankelijk gedenkstuk op te richten dat de Kerk door haar gezag heeft vereeuwigd. Wij spreken van de Latijnsche vertaling onzer Gewijde Boeken, bekend onder den naam van Vulgata, die wij nog voortdurend in handen hebben, en die grootendeels het werk was van den H. Hieronymus.
Van uit zijne afzondering bemoeide zich deze Kerkleeraar met al de gebeurtenissen van zijnen tijd en oefende hij een grooten invloed uit op zijne tijdgenooten. Door zijn woord haalde hij de erfgenamen van Rome's adel-lijkste familiën er toe over, zich aan God en aan de armen toe te wijden. Ook schreef hij eene wederlegging van het Pelagianisme, welke hem de woede en de gewelddadigheden van de aanhangers dier sekte op den hals haalde.
45
De Goddelijke beloften der H. Kerk
Hij stierf korten tijd nadat hij de verwoesting van Rome door de Barbaren vernomen had.
De H. Augustinus overleed eenige jaren later, terwijl de quot;Wandalen zijn bisschoppelijke stad belegerden.
Ue HH. Hieronymus en Augustinus sluiten den ontzag-wekkenden stoet der Kerkvaders, door wier woord en pen het ware Katholiek Geloof in de 4de eeuw alle ketterijen zegevierend wederlegd had.
X.
DE MONNIKEN.
Het was niet genoeg den Christen Godsdienst over de dwalingen van 't Heidendom te doen zegepralen ; het was niet genoeg de aanvallen der ketterij krachtdadig af te weren en het licht der geloofswaarheden door'gansch de wereld te doen schitteren : â de H. Kerk moest nog het menschdom uit den poel des bederfs opwekken waarin het gedompeld lag, zij moest de bekeerde volkeren de schandelijke ketenen hunner Heidensche gewoonten doen afwerpen en ze oproepen tot de beoefening der verhevenste deugden.
Het voorbeeld der Evangelische volmaaktheid, zooals deze door de monniken beoefend werd, was een der voornaamste en werkdadigste middelen die God aanwendde om dat doel te bereiken. Het menschelijk verstand laat ' zich door de kracht der waarheid overreden, de wil ondergaat vooral den invloed van het voorbeeld. Daarom is het dat onze Goddelijke Meester, om de Apostelen tot navolging op te wekken, begon met in hunne tegenwoordigheid de deugden uit te oefenen welke hij hun verkondigde. CcepY facere et docere. Door zijn heilig leven wees hi] hun den weg dien zij moesten bewandelen, deed hij voor hunne oogen het Goddelijk toonbeeld schitteren dat zij in
46
in den loop der eeuwen.
hen zeiven moesten nabootsen. Doch hoe zou dat ideaal van volmaaktheid, dat Goddelijk toonbeeld zijne aantrekkingskracht op het hart en zijnen invloed op den wil der Christenen behouden, indien het met de Hemelvaart van Jezus-Christus uit de wereld verdween? Het was, wel is waar, in de Gewijde Boeken beschreven, maar zou dit volstaan om de harten te verrukken, om de zielen te ontvlammen, om een edelen wedijver voort te brengen, om de menschen tot de heldhaftigste opofferingen te doen besluiten en hun de opwerpingen hunner zwakke, zinnelijke natuur te doen met voeten trappen? Diende dat Goddelijk toonbeeld niet in zekere mate op de aarde voort te leven, opdat de elkander opvolgende geslachten het konden aanschouwen, bewonderen, nabootsen en op hunne beurt tot de nakomelingen zeggen : â Imitatores mei estate sicut et ego Christi. â Wecst mijne navolgers, gelijkikhet ben van Christus.quot; (I Cor. IV.)
Welnu, dat ideaal van. volmaaktheid, door Onzen Heer J. C. in de wereld gebracht, eenigerwijze voor onze oogen te doen verrijzen en schitteren: ziedaar de gedeeltelijke zending der Heiligen, ziedaar meer bepaaldelijk de zending der monniken en kloosterlingen die door hunnen staat tot de beoefening der Evangelische raden en Christelijke volmaaktheid bijzonder verbonden zijn.
Het schijnt ons derhalve doelmatig melding te maken van de eerste optreding dier machtige hulptroepen welke God verwekt heeft om zijne Kerk bij te staan, zoowel in het bestrijden van de Heidensche bedorvenheid als latei-in het beteugelen der losbandige en hartstochtelijke woestheid der Barbaren.
Omstreeks het jaar 272 leefde een jongeling uit een rijke en adellijke familie gesproten. Hij gevoelde een diepen afkeer van het bederf zijner eeuw en een onweerstaanbaar verlangen om de wereld te verlaten. Dat gevoel was
47
De Goddelijke beloften der II. Kerk
de roepstem Gods die hem uitnoodigde om aan zijn ouders, aan zijn rijkdommen, aan zijndroomen van aardsche grootheid te verzaken en slechts aan de zaligheid zijner ziel te denken en de onschatbare beloften van het andere leven te overwegen. De H. A ntonius, want hij was het, wederstond niet aan de genade, en nam eensklaps, op twintigjarigen leeftijd, het besluit van zijne goederen te verkoo-pen, aan de armen uit te deelen en zich in de woestijn af te zonderen. Hij ging de vader worden van het kloosterleven.
Ofschoon van de wereld verwijderd door de uitgestrekte en dorre woestijnen van ïhebaïs, was de H. Antonius al ras bekend in Egypte, in Syrië en tot in de verst afgelegene streken van het Romeinsch rijk. Overal sprak men, onder de Christenen, van zijn buitengewoon leven, van zijn strenge lichaamskastijdingen, van zijn bewonderenswaardige deugden, van de groote mirakelen welke hij wrocht. De nieuwsgierigheid, het verlangen van zijn wijzen raad in te winnen of zich in zijne machtige gebeden aan te bevelen, en nog andere zuiverder en verhevener beweeggronden voerden tot hem eene menigte bezoekers van alle standen. Het voorbeeld door den vromen kluizenaar gegeven, het schouwspel van zijn heilig leven bleven niet zonder uitwerksel, en duizenden Christenen kwamen weldra de eenzaamheid van den Heilige deelen en zich onder zijne leiding stellen.
De H. Antonius was in de verste wildernissen doorgedrongen om aan de wereld te ontsnappen, en zie, nu trekt hij de wereld tot zich in zijne eenzaamheid, nu gaat hij van uit zijne afzondering een oneiiidigen invloed uitoefenen op zijne tijdgenooten en, door zijne leerlingen, op de toekomstige geslachten.
Zien wij daar niet het kenmerk der Goddelijke werken? De werktuigen, waar God zich van bedient, handelen ge-
48
in den loop der eeuwen.
woonlijk met het oog op een onmiddellijk doel en zij vermoeden niet dat zij, door dat doel te bereiken, medewerken tot de uitvoering van een providentieel plan, welks grootheid naderhand al degenen die er den geheelen omvang van omvatten kunnen, verbaast en verwondert.
Zoo ook ziet de pijl het mikpunt niet, naar hetwelk hijdoor een krachtige en welgeoefende hand gedreven wordt.
Toen de H. Antonius stierf, in den ouderdom van 104 jaren, telde men in de Thebaansche woestijnen tot zes en zeventig duizend kluizenaars.
De H. Pacomius, oudsoldaat van Constantijn den Groote, was de vermaardste leerling van den H. Antonius en zijn kloekste medewerker. Hij stierf voor zijnen meester, na op het eiland Tabenna, in den Nijl, acht kloosters gesticht te hebben, die door eenen abt bestuurd en aan een gemeen, schappelijken regel onderworpen waren.
Vermelden wij thans een feit dat als kenmerk dient van den eigenaardigen invloed door den H. Antonius op de grooten der wereld en op zijne leerlingen uitgeoefend. Op zekeren dag nam hij eenige uitspanning te midden van een groot aantal kluizenaars die hij te gelijk wist te vermaken en te onderwijzen, toen een groot heer met eenen brief des keizers nadertrad. De monniken waren niet weinig verbaasd en trotsch, als zij zagen dat de machtigste vorst der aarde zich gewaardigde zijne toevlucht te nemen tot hun nederigen vader en overste om dezes raadgevingen en gebeden in te winnen. Maar de H. Antonius zeide hun : â Weest er niet verwonderd over dat ons de keizer schrijft: hij is maar een mensch. Weest veeleer verwonderd dat God de 'wet. welke wij moeten naleven, geschreven en ze ons door zijnen Eeniggeboren Zoon gezonden heeft. quot;
Ãén enkelen keer verlaat de H. Antonius kortstondig zijne woestenij. Het was om in Alexandrië den grooten H. Athanasius bij te staan in zijn strijd tegen de Arianen.
4 â
49
50 De Goddelijke beloften der H. Kerk
Deze taak evenwel was nauwelijks volbracht of hij keerde in allerijl met zijne broeders naar zijne dierbare eenzaamheid terug. , De visschen sterven, quot; zeide hij, â als men ze op het droog trekt; de monniken verliezen alle kracht, wanneer zij in de steden verblijven : keeren wij naar onze bergen weder. quot;
Hebben de monniken en kloosterlingen sedert dien tijd anders gehandeld ? Neen; zij hebben te allen tijde begrepen dat hunne plaats in de eenzaamheid en de afzondering is. Daar wachten zij hen die troost en stichting noodig hebben. Wanneer echter groote rampen, dringende gevaren het geloovige volk komen teisteren of bedreigen, dan verlaten zij zonder aarzelen hunne cellen en vliegen ter hulp ; doch hunne zending van liefde eenmaal volbracht, keeren zij met blijdschap naar hunne kluizen weder. Zij vormen dus, in het groote heir der Kerk, een keurig noodkorps, welks beslissende en providentiëele tusschen-komst meer dan eens in de geschiedenis staat aange-teekend.
Van Egypte verbreidde zich het kloosterleven al ras tot in Syrië, Mesopotamië en Judea. De H. Basilius schreef voor deze heremieten en voor de kloosterlingen van Klein-Azië een regel die later in al de Oostersche kloostergemeenten werd nageleefd.
Toen de H. Athanasius te Rome kwam bij Paus Julius I, maakte hij de wonderwerken kenbaar waarvan hij zelf bij de kluizenaars van Thebaïs ooggetuige geweest was. Zijn roerende verhalen verwekten bij de oudadellijke Romeinsche familiën een wezenlijken geestdrift en in korten tijd werd Italië met kloosters overdekt.
De H. Martinus, weldra evenzoo vermaard in het Westen als de H. Antonius in het Oosten, stichtte de twee eerste kloosters in Gallië, dat van Ligugé aan de poorten van Poitiers, en dat van Marmoutiers by Tours. Bij het
in den loop de eeuwen.
overlijden van dezen grooten bisschop, zien wij duizenden monniken komen toesnellen om hem de laatste eer te bewijzen en op zijn graf te weenen.
De H. Augustinus, die lichtbaak der Kerk, stichtte het kloosterleven in Afrika en stelde een levensregel op die nog heden ten dage in een groot aantal kloostergemeenten gevolgd wordt.
Zoo werd van af de IV0 eeuw het monnikenleven algemeen als de Kerk ; het blonk overal voor het oog der ge-loovigen als een weerschijn van het Goddelijk toonbeeld en wakkerde de edelmoedige Christenen aan om zich onder dezen nieuwen standaard te rangschikken en op de voetstappen van Jezus-Christus ter volmaaktheid te streven. Wie zal ooit kunnen berekenen hoe groot de invloed was van het voorbeeld en van de prediking der monniken in het werk van wedergeboorte en heiligmaking, dat de Kerk bij den dood van Jezus-Christus begon en tot op onze dagen heeft voortgezet!
XI.
DE KERK EN DE BARBAREN.
Tot hiertoe beschouwden wij de H. Kerk in haren worstelstrijd met het Romeinsch Heidendom en, na drie eeuwen van bloedige vervolgingen waarin miliioenen harer kinderen den marteldood stierven, zagen wij haar eindelijk zegevieren en met Constantijn den Groote den keizerlijken troon beklimmen. Daarna zagen wij haar aangevallen door de menigvuldige ketterijen die in de IVe eeuw plotseling van alle zijden opschoten als onkruid dat langzamerhand een veld overwoekerd heeft, â en wederom konden wij haren triomf toejuichen zoo roemvol bewerkt door de H. Kerkvaders. Eindelijk bewonderden wij hoe God de reine bloem der Christelijke heiligheid uit den schoot
51
52 De Goddelijke beloften der H. Kerk
der Heidensche bedorvenheid deed ontspruiten, en in de monniken het ideaal of toonbeeld der Evangelische volmaaktheid deed voortleven als eene blijvende weerkaatsing der heilige voorbeelden die onze Goddelijke Zaligmaker, gedurende zijn leven op aarde, voor het oog der menschen had doen schitteren.
Nu gaat de H. Kerk eene nieuwe taak ondernemen, te weten; de bekeering der Barbaren, welke van alle wingewesten opdaagden, Europa en Noord-Afrika verwoestend doorliepen en de verrotte grondvesten beukten van het oude reuzengebouw des Eomeinschen keizerrijks.
Wii zijn in de Ve eeuw der Christelijke tijdrekening. De rampen, die alsdan op hetmenschdom nederstortten, waren zoo verschrikkeliik dat men het einde der wereld nabij zou gemeend hebben. Als beantwoordden zij aan een ge-heimzinnigen oproep, kwamen de Gothen, de Alanen, de Sneven, de Hunnen, de Wandalen, de Anglo-Saksers, de Burgonden, de Herulen en meer andere Barbaarsche volkeren in ontelbare drommen uit de onmeetbare pleinen van Germanië, Rusland en Midden-Azië te voorschijn en wierpen zich met onweerstaanbaar geweld op de landen aan het gebied van Rome onderworpen. Van 't Oosten tot het Westen hoorde men niets dan den schok der volkeren die op elkander botsten om zich onderling te vernielen, zag men niets dan verwoeste en ontvolkte landstreken, steden en dorpen in puin en asch gelegd. Orde en veiligheid was er niet meer. De oude Romeinsche legioenen, verslagen en verstrooid, wierpen de wapens weg en beproefden zelfs niet wederstand te. bieden aan den alver-delgenden stroom. De keizers, achter de muren van Con-stantinopel verscholen, zagen stom van verbazing en sidderend van angst het vreeselijk stormgevaarte voorbii-trekken dat hunne macht en grootheid vernietigde. Griekenland, Italië, Gallië, Bretanje, Spanje, Afrika vielen den
in den loop der eeuwen.
overwinnenden volksstammen ten prooi. Het was gedaan met het groot Romeinsche keizerrijk dat zevenhonderd jaren de wereld overheerscht had. Wilde en woeste veroveraars hadden er zich de brokken van verdeeld, en in de uitgeplunderde provinciën nieuwe koninkrijken gesticht.
Doch wat zou uit dien warklomp voortkomen? Hoe zou men paal en perk stellen aan dien stroom van geweldenarij en barbaarschheid waarin de oude Romeinsche beschaving verzwolgen was ? Hoe eene maatschappij heropbouwen met die vormlooze en vermolmde puinen des Heidendoms en die jonge doch wilde en ongebeitelde bouwstoffen, door de overvallende volkeren aangevoerd ? â Dat ging voorwaar 's menschen macht te boven; â ook ware de Ve eeuw getuige geweest van den ondergang van alle beschaving, â indien de H. Kerk niet had bestaan.
Onvatbaar voor de vrees die allen rondom hen verlamde, wisten de opperhoofden der Kerk van 't begin af zich bij de overwinnaars te doen gelden door de kracht alleen van hun zedelijken invloed. God had er overigens voor gezorgd dat de landen, die 't meest aan de slagen der Barbaren blootstonden, talrijke heilige bisschoppen bezaten wier zielenijver, moed en onwankelbaar geloof tegen de grootheid der gevaren was opgewassen.
Eokarik, koning der Alanen, rukt op aan de spits zijner benden om de landstreek van Gallisch Bretanje te vuur en te zwaard te vernielen. Eensklaps ziet hij een eerbiedwaar-digen grijsaard de rangen zijner krijgers onverschrokken doorbreken en voor zijne voeten komen nederknielen om voor de rampzalige landstreek genade af te smeeken. Het was de H. Germanus, bisschop van Auxerre. Met een misprijzend gebaar gebiedt de Barbaarsche vorst dat men den grijsaard verwijdere. Doch de H. Germanus grijpt het paard bij den toom ! ,, Gij zuli mij over 't lijf rijden, zegt hij, oficel mij aanhooren. Koning der Alanen, het is in dcti
53
De Goddelijke beloften der H. Kerk
naam van Jezus-Christus, koning der Hemelen, dat ik tot u spreek! quot;
Plotseling veranderd, stijgt Eokarik van zijn paard, luistert naar de bede van den heiligen bisschop en stemt toe in zijne vraag.
Op dezelfde wijze werd de stad Toulouse door den H. Exuperus gered.
Attila, de verschrikkelijkste onder de Barbaren, die zich zeiven den naam gaf van Geesel Gods, ontmoette op zijn vernielenden tocht, door Europa, te Eeims, den Heiligen bisschop Nicasius die zich voor de verdediging zijner kudde liet vermoorden; te Orleans, den heiligen bisschop Agna-nus door wiens gebeden en aanmoedigingen de inwoners onverwinnelijk werden en den veroveraar tot den aftocht dwongen ; te Troyes, den heiligen bisschop Lupus die van hem verkreeg dat de stad gespaard werd ; in Italië, den heiligen Paus Leo den Groote voor wiens majesteitvolle houding hij zijn trotsch hoofd nederboog en wien hij beloofde Rome niet te zullen vernietigen.
Dezelfde groote Paus Leo verkreeg drie jaren later (455), en enkel door zijn zedelijk overwicht, dat Genserik, koning der Wandalen, de eer en het leven der Romeinen deed eerbiedigen alhoewel de Barbaar de Eeuwige Stad veertien dagen lang aan al de afgrijselijkheden eener plundering prijsgaf.
Zoo behaalde de Kerk een eerste zegepraal over de Barbaren. Zwak, zonder wapens en zonder ander verwe-ringsmiddelen dan het gebed, het betrouwen op God en den luister harer heiligheid, bood zij het hoofd aan krijgslieden die voor lichamelijke sterkte alleen ontzag hadden, slechts de inspraak volgden van hunne gloeiende driften en alles verbrijzelden wat hun in den weg stond om hunne zucht naar plundering en vernieling te bevredigen. Hoe kon zulks geschieden zonder eene blijkbare tusschenkomst
64:
in den loop der eeuwen.
van God? Zou Attila voor Leo den Groote zijn teragge-trokken indien geen bovennatuurlijke kracht zijne woestheid getemd had ? Dit bekende hij zelf aan zijne strijdmakkers, want hij verklaarde hun nevens den Romeinschen Kerkvoogd een persoon gezien te hebben van bovenmen-scheliike statigheid en met bliksemende oogen, die eenbloo-ten degen in de hand hield en hem met een dreigend gebaar bevel gaf de vraag van den Romeinschen opperpriester in te willigen.
Meer andere dergelijke feiten grepen plaats op verscheidene punten.
Onder den drang der gebeurtenissen, werd de Kerk de middelaarster tusschen de overwinnende Barbaren en de onderworpen bevolkingen. Deze laatste vonden in de bisschoppen onverschrokken beschermers die overal tegen de woede der veroveraars in de bres sprongen. Van weerszijde gewende men zich de bisschoppen als scheidslieden aan te nemen, als onderhandelaars van den vrede, als de eenige inrichters, bekwaam om de orde te herstellen in eene maatschappij die tot in hare grondvesten was omgewoeld. De H. Kerk verwierf zich aldus eensdeels de liefde en de dankbaarheid der overwonnen volkeren die haar alles verschuldigd waren, en anderdeels de achting en het vertrouwen der overheerschende Barbaren. Dezen waren niet weinig verwonderd zich zoo gedwee, zoo onderworpen, ja zoo vreesachtig te gevoelen tegenover het geheimzinnig zedelijk gezag dat in de bedienaars van Jezus-Christus zoo glansrijk uitblonk en waarvan zij tot hiertoe geen denkbeeld hadden.
Deze eerste overwinning der zedelijke macht op de stoffelijke was echter slechts een klein begin van het reuzenwerk dat moest worden uitgevoerd. Men moest de Barbaren bekeeren, hun 't juk van 't Evangelie ootmoedig doen opnemen, hun verstand door duizenden dwalingen beneveld
55
De Goddelijke beloften der H. Kerk
verlichten, hun toomeloozen wil aan eene wet onderwerpen, hun bedorven zeden zuiveren, hun wilde gewoonten in maatschappelijke deugden veranderen ; in één woord, ze onder alle opzichten hervormen en ze trapsgewijze herscheppen in nieuwe menschen, namelijk, in beschaafde en vrome Christenen. Zulk een werk was even moeilijk als de bekeering van 't Romeinsche rijk bij het optreden van 't Christendom. Ook, zonder Gods hulp en bijstand ware het nooit door de Kerk voltrokken geworden.
Die bijstand, van den beginne af beloofd, bleef niet achterwege, maar schitterde uit door menigvuldige wonderen. Doch wij kunnen niet in al hare bijzonderheden de verandering beschrijven welke de samenleving onderging, van de 5de tot de 9e eeuw, onder den heilzamen invloed der Kerk. Het zij genoeg aan te stippen dat uit de vreeselijke wanorde door de invallen der Barbaren veroorzaakt langzamerhand een nieuwe maatschappij te voorschijn kwam, van onder tot boven verchristend en die in de geschiedenis den roemvollen naam draagt van De Christenheid, d. i. de maatschappij der volkeren aan de wet van Christus onderworpen. In ons vluchtig overzicht der verloopen eeuwen, is het ons slechts mogelijk de voornaamste daadzaken te schetsen van deze grootsche omwenteling, en een gering getal der middelen aan te wijzen, waardoor de Voorzienigheid haar doeleinde bereikte.
XII.
bekeering der franken.
Hebben de Franken een door God voorbeschikte zending te vervullen gehad ? â De omstandigheden die hunne bekeering tot het ware Geloof vergezelden, de uitstekende diensten die zij daarna der Kerk bewezen, de bevoorrechte plaats die zij in de geschiedenis van de veroveringen des
56
in den loop der eeuwen.
Evangelies bekleeden, veroorloven ons niet daaraan te twijfelen. â Met zonder reden, zegt Z. Heiligheid Leo XIII, heeft men aan hunne roemrijkste heldendaden voor opschrift gegeven: Gesta Dei per Francos; â de werken Gods door de Franken. quot; (1)
Aldus voorbestemd om als werklieden Gods op te treden, moesten de Franken reeds vroeg het voorwerp worden van eene bijzondere Voorzienigheid. Dit blijkt dan ook uit in hunne wonderbare bekeering.
Sinds twee of drie eeuwen hadden zich de Franken in België gevestigd, en, bij de troonbeklimming van den nog jeugdigen Clovis, was Doornik de zetel en hoofdstad van hun rijk. Ofschoon nog Heidensch, had Clovis het Christelijk Geloof leeren hoogschatten en koesterde hij een bijzonderen eerbied voor den heiligen Remigius, bisschop van Reims. Deze schreef hem een brief vol wijze raadgevingen die de vorst aannam met eene onderdanigheid welke van eenen Barbaar niet te verwachten was.
De heilige bisschop scheen de groote bestemming van den nieuwen koning der Franken te hebben voorzien, en spande van toen af al zijne krachten in om hem voor het ware Geloof te winnen.
57
Ondertusschen had Clovis zich aan het hoofd zijner krijgslieden gesteld, en trok op tegen Syagrius, den laat-sten handhaver der Romeinsche macht in Gallië. Hij ontmoette dezes leger bij Soissons en sloeg het uiteen (486). Deze overwinning maakte hem meester van het Noorden van Gallië. Voor Parijs gekomen ondernam hij het beleg dezer stad, maar deed vergeefsche pogingen om er binnen te geraken. De H. Genoveva, die kort te voren de woeste horden van Attila, bijgenaamd den Geesel Gods, van Parijs had afgeweerd, leefde nog, en bood Clovis een onoverwin-
^i) Encycliek Nobilissima Gallorum geus, 8 Febr. 1884.
De Goddelijke beloften der H. Kerk
nelijken wederstand. Slechts later, als de Frankische vorst door de wateren des Doopsels zal herboren zijn, zal hij bezit kunnen nemen van de toekomstige hoofdstad zijns Rijks.
De nederige maagd, die nu de gansche macht van den Barbaar trotseert, zal zelve alsdan de poorten harer bevoorrechte stad voor den eersten Christen koning der Franken doen openen. De gebeden der H. Genoveva hebben zonder twijfel niet weinig tot deze gelukkige gebeurtenis bijgedragen.
Clovis was nog niet gehuwd; hij moest eene echtgenoote hebben, zijner ontluikende glorie waardig. God neigde het hart van den Barbaar tot eene Katholieke prinses, die geene andere schatten kon aanbrengen dan hare edele geboorte, hare groote rampen, haar maagdelijke schoonheid en haar verhevene deugden. De H. Clotildis had hare ouders zien onttronen en ter dood brengen door haren oom Gondebaud, koning der Burgonden. quot;VVeeze en krijgsgevangene in het paleis van den vervolger harer familie, verwachtte zij zich aan een wreede dood, toen zij vernam dat-het geduchte opperhoofd der Franken haar ten huwelijk vroeg. De H. Clotildis aarzelde in 't begin bij de gedachte dat Clovis een Heiden was ; doch, beseffende dat God zich van haar kon bedienen om hem te bekeeren, nam zij den bruidsring aan dien een bode, als bedelaar verkleed, haar' in het geheim had kunnen overreiken. Toen zond Clovis een plechtig gezantschap tot Gondebaud om zijne bruid op te eischen. â Wie is deze bruid?quot; vroeg Gondebaud.â âDe bruid van Clovis mijn meester,quot; antwoordde de gezant, â is moe nicht Clotildis.quot; De koning van Burgondië durfde niet weigeren, doch nauwelijks was Clotildis vertrokken! of hij veranderde van meening, en deed haar verbolgen om haar met geweld terug te voeren, 't Was te laat. Clotildis had alles voorzien en hare reis dermate bespoedigd, dat zij het grondgebied van haren toekomenden echtgenoot
58
in den loop der eeuwen.
bereikte, eer de ruiters van Gondebaud haar konden inhalen.
Zoodra Clotildis koningin der Franken geworden was, hield zij niet op door hare smeekingen en gebeden aan Clovis' bekeering te arbeiden. Maar deze bleef onverbiddelijk. In zijn Heidenschen hoogmoed geloofde hij dat zijne afgoden machtiger waren dan Christus, omdat hij hun zijne overwinning op de Romeinen meende verschuldigd te zijn. Clotildis verkreeg echter door zuchten en tranen dat haar eerstgeboren kind zou gedoopt worden. Maar deze eerste goede uitslag deed bijna voor altijd het werk van Clovis' bekeering mislukken. Het kind onder den naam van Ingomer gedoopt, stierf kort na zijnen doop. Verbitterd door de droefheid, overlaadde Clovis zijne echtgenoote met verwijtingen. â Indien het kind mijnen goden ware toegewijd geworden,quot; zeide hij, â zou het nog leven.quot; â God schonk een tweeden zoon aan de vrome Clotildis. De koning zwichtte nogmaals voor hare dringende gebeden en liet het kind doopen. Eenigen tijd daarna werd het ziek. â Het zal met hem gaan,quot; zeide Clovis, âevenals met zijn broeder; de naam van Christus zal tot zijn ongeluk strekken, en mijn zoon zal sterven.'' Doch de koningin bad vurig, en God gaf aan het kind de gezondheid weder. Clovis bleef echter niet minder aan den afgodendienst gehecht. Er was een slag der Goddelijke almacht noodig om zijn hoogmoed te doen buigen.
De Germaansche stammen, verbonden onder den naam van Duitschers, waren den Rijn overgetrokken, en wierpen zich met een ontzaglijk leger op Clovis' grondgebied. De koning der Franken snelde den aanrukkenden vijand te gemoet. De twee legers werden handgemeen bij Tolbiac. 't Was een vreeselijke schok. Van beide zijden werd de strijd met gelijken moed voortgezet en de Franken deden wonderen van dapperheid. Doch zwichtende voor de over-
59
De Goddelijke beloften der H. Kerk
macht der vijanden begonnen zij te deinzen en waren op het punt de vlucht te nemen. Clovis deed wanhopige pogingen om de orde te herstellen en de vluchtelingen tot staan te brengen, doch te vergeefs. In dien uitersten nood, richtte hij eenen weemoedigen blik ten hemel en riep uit: â Jezus-Christus, Gij die door Clotildis de Zoon van den levenden God genoemd wordt, indien het waar is, dat Gij diegenen beschermt die U aanroepen, geef ons de overwinning en ik zweer in U te gelooven en mij te laten doopen. Ik heb mijne goden aangeroepen, en zij hebben mij niet verhoord; doch Gij, red mij uit het gevaar!quot; â Nauwelijks had hij aldus gesproken, of de krijgskans keerde, de Franken hervatten moed en de Duitschers werden deels neergeslagen, deels tot over den Rijn teruggedreven.
Clovis, overwinnaar der Duitschers, erkende zich op zijne beurt door Christus overwonnen. In het heetste van den strijd te Tolbiac, had hij gezworen het heilig Doopsel, te zullen ontvangen, indien de God van Clotildis hem de zegepraal schonk ; thans kwam het er op aan dit woord gestand te blijven. Clovis was de man niet om zijne belofte onvervuld te laten, alhoewel hij zich geenszins ontveinsde dat er voor hem groot gevaar bestond door zijne strijders verloochend te worden. De Franken waren nog te zeer aan hunne afgoderij verkleefd om een Christen koning aan hun hoofd te dulden. Edoch, God kwam hem andermaal te hulp.
Terwijl Clovis zijne zegevierende strijdmacht Gallië binnenvoerde, ontmoette hij in de stad Toul een heiligen priester, met name Vedastus (St. Vaast). Door hem liet hij zich tot Reims vergezellen, ten einde zich, met behulp zijner onderrichtingen, tot het Doopsel voor te bereiden. Bij het overtrekken eener brug overdeAisne, hoorde meneenblinde, die Vedastus' tegenwoordigheid in het leger vernomen had, uitroepen: ,, Uitverkorene Gods, gelukzalige Vedastus, ontferm u mijner!quot; De heilige priester naderde den man
60
in den loop der eeuwen. 61
Ien bad; vervolgens maakte hij het kruisteeken op het voorhoofd des ongelukkiger! en zeide : âen bad; vervolgens maakte hij het kruisteeken op het voorhoofd des ongelukkiger! en zeide : â Heer Jezus... open â de oog en van dezen blinde, opdat de toeziende menigte he-| grijpp dat gij de eenig ware God zijt.quot; â Aanstonds kreeg de blinde het gezicht weder en, God lovende, sloot hij zich bij de verbaasde volksschaar aan. Groot was de indruk van dit mirakel op gansch het heir der Franken.
Te Eeims aangekomen bracht Clovis een bezoek aan den H. Remigius, die hem dringend aanspoorde om de aan God gedane belofte onverwijld ten uitvoer te brengen. â Heilige Vader,quot; antwoordde de koning, â ik ben bereid. Mijn volk evemcel duldt niet dat ik aan mijne goden verzake; ik ga het dus bijeenroepen en in den zin van uwe onderrichtingen toespreken.quot;
De vergadering had plaats, doch er was nog geen woord van Clovis' lippen gevloeid of het weerklonk als uit één mond: â Vrome koning, wij zweren onze sterfelijke goden af en willen den onsterfelijken God van Remigius dienen. quot; Was dat geen nieuw wonderwerk der Goddelijke genade ? Remigius sloeg nu aanstonds de handen aan 't werk om deze zoo plotseling tot Christus bekeerde legerschaar in het Geloof te onderwijzen. Verscheiden bisschoppen dei-naburige streken snelden met hunne priesters toe en hielpen mede in deze groote en gelukkige zending. Clovis stichtte allen door zijn vurigen ijver in het aanleeren der Geloofsgeheimen. Toen hij op zekeren dag het lijden des Zaligmakers hoorde verhalen, werd hij opeens door zijn opbruisend karakter vervoerd, en sidderend van verontwaardiging riep hij uit: â Ware ik met mijn Franken daar geweest, ik heulde mijn gehoondm God gewroken!quot;
Den nacht voor de doopsplechtigheid, zoo verhaalt men, richtte Remigius een laatste woord tot den koning, ten aanhoore der koningin en der hovelingen. Eensklaps schitterde een hemelse h licht en werd er eene stem gehoord
De Goddelijke beloften der H. Kerk
die zeide : â De vrede zij met u. Ik ben het, vreest niet: volhardt in mijne liefde. quot;
De koning en de koningin wierpen zich aan de voeten van den bisschop en stortten tranen van aandoening en vreugde. En de man Gods, door een profetischen geest bezield, sprak alsdan: â Uw nageslacht zal op uitmuntende wijze het bewind voeren over dit koninkrijk; het zal de H. Kerk verheerlijken en het Bomeinsche Rijk erven. De welvaart zal zijn aandeel blijven zoolang het den iveg der waarheid en 'der deugd zal bewandelen. Zoodra het evenwel vrijen toegang zal geven aan ongeloof en zedenbederf, zal zijn verval aanbreken. Dat zijn immers de oorzaken waarom koninkrijken en volkeren ten gronde gaan.quot;
Gelijk een tweede Mozes, voorspelde de bisschop die de Franken bekeerd had, ook hun toekomstig lot.
Des anderendaags had de plechtigheid met eenen buitengewonen luister plaats. Clovis was dan voor den eersten keer getuige van de heerlijkheid van den Katholieken eere-dienst, en toen hij den prachtig versierden tempel binnentrad, riep hij uit: â Heilige Vader, is dat nu het Rijk der Hemelen hetwelk gij mij beloofd hebt ? â Neen, antwoordde de bisschop, dit is slechts de ingang van den weg die er heenvoert.quot;
Al de Franken deelden in de naïeve bewondering van hun opperhoofd. Wat waren immers de armzalige plechtigheden van hunnen afgodendienst in de vrije natuur te midden der wouden, naast de oogverrukkende pracht welke zij hier aanschouwden !
Ondertusschen naderde Clovis de doopvont en vroeg aan den bisschop het Sacrament der wedergeboorte. De H. Remigius zeide tot hem: â Buig het hoofd, fiere Sicam-ber, aanbid icat gij verbrand hebt en verbrand wat gij aangebeden hebt.quot; Het heilig water vloeide alsdan over het voorhoofd van den vorst. Drie duizend krijgslieden werden te gelijker tijd gedoopt.
62
in den loop der eeuwen.
De Frankische natie was Katholiek en gansch de Christenwereld jubelde van vreugde bij de blijde tijding dezer gebeurtenis. De H. Paus Anastasius schreef, in een oogenblik van heilige vervoering, aan den koning: , Wij zenden aan uwe Doorluchtigheid den priester Eumerius, ten einde u Onze gelukicenschen aan te bieden, opdat gij. de vreugde van den Vader kennende, ze ook door uice werken bevestigen moget; opdat gij onzen roem uitmaket en dat de Kerk, uwe Moeder, zich vcrheuge over den vooruitgang des grooten Konings dien zij voor God gebaard heeft. Wees dus, roemrijke en doorluchtige zoon, de vreugde uwer Moeder en haar onverwinnelijk bolwerk.quot; Dit geschiedde in het jaar Onzes Heeren 496.
Na zijnen doop begaf zich Clovis naar de stad Parijs die hem bereidwillig hare poorten opende en waar hij den zetel van zijn rijk vestigde.
Het krijgsgeluk bleef den Franken toelachen. Clovis bracht aan de Burgonden bloedige slagen toe en dwong hen eindelijk tot een schadelijken vrede. Daarna trok hij te velde tegen Alarik, koning der Westgothen, die zich van Zuid-GaUië had meester gemaakt en met de Burgonden een verbond had gesloten. Alarik behoorde evenals zijn volk tot de Ariaansche sekte. â Hoe verdriet het mij,quot; zeide Clovis, â deze schoone landstreken van Gallië in het bezit der Arianen te zien! Welaan, met Godes hulp vooruit! en onderwerpen wij hen aan onze heerschappij.quot;
De Franken volgden hem met geestdrift. Toen hij het grondgebied van Tours doortrok, verbood hij aan wie het ook zijn mocht, iets anders te nuttigen dan water en gras, uit eerbied voor den H. Martinus. Als nu een soldaat, ondanks het verbod, eenig hooi van een armen man wegnam, zeggende ; â Dit is gras,quot; deed hem de koning halsrechten, uitroepende : â In ivien zullen wij ons vertrouwen stellen om de overwinning te behalen, indien men den H. Martinus beleedigt?quot;
63
ip|
04 De Goddelijke beloften der II. Kerk
De slag had plaats bij Poitiers. Schrikbarend was de strijd en de uitslag bleef onzeker tot op het oogenblik dat Clovis, in een afzonderlijk gevecht tegen Alarik, zijnen vijand den doodslag gaf. Deze zegepraal maakte de Franken meester van Zuidelijk Gallië en bevestigde voor goed hunne macht. Bij zijnen terugkeer van dien krijgstocht, ging Clovis nederknielen op de grafstede van den H. Mar-tinus, aan wiens bescherming hij grootendeels den pas behaalden triomf toeschreef.
Clovis was Christen, maar zijne zeden bleven nog langen tijd onbeschaafd en Barbaarsch. Vandaar die gruwelstukken, die afschuwelijke moorden, welke op zijne glorierijke loopbaan een schaduw werpen. Hij was daarin het trouwe afbeeldsel van heel het Frankisch volk en van de andere Barbaarsche volkeren, die achtervolgens het waar Geloof omhelsden. De genade des Doopsels vernietigt immers de menschelijke natuur niet. Wischt zij de vlek der zonde uit, den wortel er van, d.i. de bedorven menschelijke natuur, laat zij bestaan. Verscheidene eeuwen door heeft de Kerk aanhoudend en onvermoeid moeten arbeiden om de zeden te beschaven en den wil te buigen van deze volkeren die van jongs af gewoon waren den aandrang hunner toomelooze hartstochten blindelings in te volgen.
xm.
WONDERBAEE UITBREIDING DES GELOOFS.
De V0 eeuw liep ten einde gelijk wij gezien hebben, met de bekeering der Franken, die èen nieuwe, een Christelijke wereld deed te voorschijn treden. De Kerk, alleen pal gebleven op de puinhopen opeengestapeld dooi de Barbaren, had nu tot taak gekregen de nieuwe volkeren tot het ware Geloof te bekeeren; daarenboven moest zij tot in de verste landen de grenzen van Gods rijk uitbreiden. Groote en
in dm loop der eeuwen. 65
moeielijke onderneming,, die alle menschelijke krachten te boven ging. De Kerk evenwel volbracht ze in een betrekkelijk kort tijdvak, en gaf aldus een nieuw bewijs harer Goddelijkheid.
De H. Patricius, uit Schotland geboortig, was op zestienjarigen leeftijd door zeeroóvers weggevoerd en als slaaf in Ierland verkocht geworden. Hij toefde daar zes jaren en hoedde de kudde zijns meesters. Zijn loon was nauwelijks toereikend om hem kleeding en voedsel te verschaffen; dikwijls zelfs waren zware mishandelingen de eenige vergoeding zijns arbeids. Door wondervolle omstandigheden begunstigd, gelukte het hem te ontsnappen. Na allerhande lotgevallen, waarin èn zijne vrijheid èn zijn leven dikwijls gevaar liepen, klopte hij op zekeren dag aan de poorten van het klooster van den H. Martinus te Tours. Hij werd er opgenomen en onderscheidde zich weldra door zijn vurige Godsvrucht. Doch ééne gedachte speelde hem in 't hoofd: hij meende door God geroepen te zijn, om zijn leven te wijden aan de bekeering van Ierland, waar hij zooveel geleden had. Hij verliet daarom Marmoutier, en vertrok naar Ierland. Maar zijne pogingen waren vruchteloos en mislukten geheel en al.
Genoodzaakt naar Gallië terug te keeren, stelde hij zich onder de leiding van den H. Germanus van Auxerre, werd priester, en ging vervolgens naar Rome om van den H. Paus Celestinus I de zending te ontvangen, van aan de Ieren het Evangelie te verkondigen. Ditmaal slaagde de Apostel boven alle verwachting. In weinige jaren zag hij volk, koningen en afgodische priesters gretig het Christendom omhelzen, en zich gewillig aan de oppermacht van den H. Stoel onderwerpen. Bij den dood van St. Patricius (465) was bijna het geheele eiland bekeerd, en het Geloof bracht er zulke vruchten van heiligheid voort, dat Ierland terecht den roemvollen naam van 'Eiland der Heiligen verwierf.
â â
De Goddelijke beloften der II. Kerk
Een zoon van Schotland had Ierland bekeerd ; een zoon van Ierland bracht op zijne beurt den schat des waren Geloofs naar Schotland over. De H. Columbanus, uit eene koninklijke lersche familie gesproten, legde van zijne jeugd af een grooten ijver voor het goede aan den dag. Maar ziin opvliegend en driftig karakter wikkelde hem in de bloedige gevechten die zijn vaderland verwoestten; dit ging zoo ver dat eene Kerkvergadering hem onwaardig verklaarde tot de heilige Tafel te naderen. Door de wroeging gefolterd, ging zich Columbanus aan de voeten van een heiligen kloosterling werpen, die hem zeide: â Gij moet uw rader-land verlaten, en zooveel Heidenen tot Jezus-Christus bekee-ren, als er slachtoffers gevallen zijn in dm door u verwekten oorlog.quot;
Columbanus gehoorzaamde alsof hij dit bevel van God zeiven ontvangen had. Met twaalf gezellen stak hij de zee over naar Schotland. Daar werkte hij gedurende dertig jaren aan de bekeering der woeste bergbewoners. Mets kon hem weerhouden, noch vermoeienissen, noch gevaren ; zijn apostolischen arbeid onderbrak hij slechts om zich aan 't gebed en aan de hardste lichaamskastijdingen over te geven. Wanneer hij eindelijk aan Schotland vaar-welzeide om in Italië en Gallië een nieuw veld voor zijn onvermoeiden zielenijver te zoeken, liet hij die landstreek bijna geheel bekeerd en met kerken en kloosters overdekt. De H. Columbanus stierf in 625.
Op hetzelfde tijdstip bekeerden zich de Herulen op de oevers van den Donau gevestigd, de Hunnen in den Tau rischen Chersonesus, en de Tzanen, een volkstam van Klein-Azië.
De Burgonden en de Sneven, twee Barbaarsche volkstammen, die zich in Gallië en Spanje hadden nedergezet en door de ketterij van Arius hadden laten medesleepen. omhelsden eveneens het Katholiek geloof. Wat den koirng
66
in den loop der eeuwen.
der Sueven tot de bekeering deed besluiten was de wonderbare genezing van zijnen zoon door de machtige voorspraak van den H. Martinus verkregen.
Leovigildis, koning der Westgothen, een dweepzuchtig ariaan, vervolgde de Katholieken in Spanje. Zijn oudste zoon, Hermenegildis, werd evenwel door den H. Leander, Aartsbisschop van Sevilla, bekeerd en verklaarde zich openlijk Katholiek. Bij dit nieuws ontstak de woede van den Barbaarschen vorst. Hij verbande den aartsbisschop en meer andere Kerkvoogden, ja, deed zelfs eenige ter dood brengen. Zijnen zoon behandelde hij insgelijks met de grootste strengheid. Plotseling brak een oproer uit, en Hermenegildis werd aan 't hoofd gesteld der opstandelingen. Doch de uitslag beantwoordde niet aan de verwachting. Hermenegildis werd verslagen, gevangengenomen, in den kerker geworpen en, daar hij standvastig bleef weigeren zijn Geloof af te zweren, op bevel van zijn ontaarden vader onthalsd (585). De heilige Kerk vereert | dezen jeugdigen prins als martelaar. Leovigildis, na aldus te hebben uitgewoed, wordt met afgrijzen vervuld voor de euveldaad die hij bedreven heeft: zijn geweten verwijt hem onophoudelijk het onschuldig vergoten bloed zijns ^ zoons en hij sterft in wanhoop.
Recaredus, broeder van den H Hermenegildis, bestijgt nu den troon, zweert het Arianisme af en tracht zijn geheel volk tot het Katholiek Geloof te bekeeren. De H. Gregorius de Groote, alstoen Paus van Rome, schreef aan koning Recaredus om hem zijne vreugde uit te drukken. â Ah men weet,quot; zegt hij, â dat de geheele volkstam der Gothen door uwe Majesteit op iconderhare wijze van het Arianisme tot het | ware Geloof bekeerd is geworden, roept men onwillekeurig met den profeet uit: Deze verandering is hel iverk van dj' rechterhand des Allerhoogsten!quot;
Dit was trouwens niet de laatste keer dat do H. Grego
67
De Goddelijke beloften der H Kerk
rius een danklied kon aanheffen voor de bekeering van een volk. De Lombarden, die het Noordelijk gedeelte van Italië beheerschten, waren de ketterij van Arius toegedaan, en hun vorst Agilulfus bleef, niettegenstaande de gebeden zijner vrome gade, hardnekkig in zijne dwalingen. Hij nam zelfs de wapenen op tegen den Paus en sloeg het beleg voor Rome. Het gelukte hem niet de stad te overmeesteren, en hij brak het beleg op, na de omliggende velden verwoestte hebben. De vrede werd gesloten doortusschen-komst der koningin Theodelindis, en korten tijd daarna omhelsde de koning en zijn volk met hem,het Katholicisme. Aldus verdween eindelijk het Arianisme dat, gedurende drie eeuwen, millioenen Christenen op het dwaalspoor gebracht en zooveel vervolgingen ontstoken had.
Een nieuwe nog schitterender zegepraal des Geloofe greep terzelfder ure plaats in een ander gedeelte van Europa. Ierland en Schotland hadden zich bekeerd, maar Engeland, onlangs door de Angel-Saksers overweldigd, was in de barbaarschheid en in het Heidendom teruggezonken. Voor zijne troonsbestijging, had de H. Gregorius, op zekeren dag, eenige kinderen van buitengewone schoonheid, die te Rome als slaven verkocht werden, bemerkt.â ,, Uit welk land komen deze kinderen ?quot; vroeg Gregorius aan den slavenhandelaar. â â Uit Brittanje, quot; luidde het antwoord. â â Zijn zij Christenen ? quot; â â Neen, zij zijn Heidenen. quot; â â Helaas,quot; riep Gregorius, ,, de ziel dier schoone kinderen is nog van Gods genade beroofd!quot; En vernomen hebbende dat zij tot de natie der Angelen behoorden, voegde hij er bij, op,hun naam zinspelende: â Angeli (Engelen), zij zijn niet misnaamd, want zij hebben lt; cn engelachtig uiterlijk, en zoodanig moeten in den hemel de broeders der Engelen zijn.quot;
De H. Gregorius, naderhand Paus geworden, had dit voorval niet vergeten : Hij zond een monnik, den H. Angus-
68
in den loop der eeuwen.
tinus, met veertig gezellen, om Engeland te bekeeren. Vreeselijke hinderpalen verijdelden hunne pogingen, dermate zelfs dat de missionarissen er voor terugdeinsden. â Voorwaarts,quot; zoo schreef de H. Gregorius, â voorwaarts in den naam van God. Hoe meer moeite het u kosten zal, des te grooter zal mue glorie zijn in de eeuwigheid. quot; Door deze woorden gesterkt, zetteden Augustinus en zijne gezellen voet aan wal, aan de monding der Teems. Koning Ethelbert had eene Frankische prinses, de vrome Bertha, tot echtgenoote ; dank aan haar, werden de missionarissen welwillend onthaald. De onderrichtingen vingen aan, en het daarop volgend jaar, werd de koning met tienduizend zijner onderdanen gedoopt. De overigen bekeerden zich ook spoedig. De H. Augustinus ontving, met de gelukwen-schingen van den H. Gregorius, den titel van aartsbisschop van Canterbury (600).
Al deze veroveringen des Geloofs gingen met groote mirakelen gepaard, welke wij hier bij gebrek aan plaats niet kunnen vermelden; â doch wie ziet niet, in het feit zelf van zoovele in minder dan eene eeuw bekeerde volkeren, liet grootste aller mirakelen, het klaarblljkend bewijs van Gods tusschenkomst ten gunste zijner Kerk! â Ja, die verandering kan slechts het werk geweest zijn van de rechterhand des Allerhoog sten.
(59
ijl Ãi li
II
li
||;
||l: IS
I
I
it:
â
I4
mm
XIV.
DE VOLKSBESCHAVERS.
Na de Barbaren bekeerd te hebben, wrocht de H. Kerk een tweede wonderwerk met ze te beschaven. Hierin, meer nog dan in het eerste, blijkt Gods tusschenkomst uit.
Om te bekeeren moet men den geest van de geloofswaarheden overtuigen,om te beschaven moet men voornamelijk den wil aan wet en regeltucht onderwerpen. Dat
'' $'â ':|
11
â
1 â
i
70 De Goddelijke beloften der H. Kerk
dit laatste veel moeilijker valt, zal niemand betwisten. Hoeveel menschen toch vindt men die gereedelijk al de geloofswaarheden aannemen en belijden, maar die tevens de kracht niet hebben ze in hun gedrag na te leven door het onderhouden van Gods geboden! Hoeveel Heidensche volkeren zag men zonder groote tegenkamping het Katholiek Geloof omhelzen, terwijl hunne Barb aarsche zeden nog eeuwen lang in oproer bleven tegen de reine Evangelieleer! Voorzeker, wij zijn niet bij machte zonder de genade Gods een bovennatuurlijke akte des geloofs te verrichten, â maar een heilig leven leiden, de zuiverheid, de ootmoedigheid, de rechtvaardigheid, de naastenliefde en de andere Christelijke deugden beoefenen, dat is ons zonder een voortdurende medewerking en hulp van hierboven volstrekt onmogelijk. De driften en zwakheden onzer natuur alsook de geschiedenis der volkeren zijn daar om zulks te bevestigen.
Welnu, zonder de beoefening der Christelijke deugden kan er geen spraak zijn van eene ware, degelijke beschaving. Elke beschaving, die niet op de deugd is gegrondvest, is maar schijn en bedrog. Al blinkt zij ook uiterlijk door stoffelijke welvaart en staatkundige grootheid, inwendig verbergt zij een afschuwelijk en walgend zedenbederf, een rottenden kanker die haar ten grave leidt.
Hoe deugdzamer een volk is, hoe meer het zijn privaat, sociaal en publiek leven in overeenstemming brengt met de zedelijke voorschriften waarvan de Kerk alleen het volmaakt weiboek bezit en waarvan zij alleen de beoefening mogelijk maakt, â des te beschaafder ook, in den waren zin des woords, zal zulk een volk zijn.
Het is de onsterfelijke roem der Kerk al die volkeren beschaafd te hebben, die in haren schoot opgenomen en gebleven zijn.
De voorrang dien het Christelijk Europa bekleedt boven
in den loop der eemven.
liet overige van den aardbodem, kan haar werk genoemd worden. Hare vijanden zeiven zijn gedwongen zuiks te erkennen. Hoe groot is bijgevolg de ondankbaarheid van datzelfde Europa, wanneer het in verzet geraakt met de Kerk en haar de beschuldiging naar het hoofd slingert, dat zij de beschaving wil vernietigen. Alsof de Kerk eene ontaarde moeder was, in staat om haar eigen kind te verstikken! â Neen, het zijn de Europeesche volkeren veeleer, die als ondankbare en ontaarde zonen optreden om hunne moeder te bezwalken. Verblind door de valsche denkbeelden van vrijheid en onafhankelijkheid, keeren zij de Kerk don rug toe, verwijderen zich bijgevolg van de vruchtbare bron aller beschaving, en dalen met versnelden pas de helling af die tot de barbaarschheid terugvoert. Bewijzen ons talrijke en rampzalige gebeurtenissen niet lederen dag, wat er gewordt van een volk dat zijnen doop en het Geloof zijner voorouders verloochent ?
Het zou ons te ver voeren om punt voor punt bloot te leggen hoe de Kerk er toe gekomen is dergelijk werk te voltooien. Duizenden middelen hebben er toe bijgedragen: de prediking, de HH. Sacramenten, het voorbeeld Ãer Heiligen, het krachtig optreden, het stalen geduld en de Apostolische vastberadenheid van Pausen en bisschoppen; de verzedelijkende en heiligende invloed van den eeredienst; de steun en de medehulp niet daargelaten die de Kerk bij vrome en verstandige vorsten ontmoette.
Wij zullen slechts meer bijzonder melding maken van dat legioen uitstekende beschavers, door de Goddelijke Voorzienigheid opgeroepen ineen oogenblik, de VIe eeuw n. 1., wanneer zulks het meest noodig was. quot;Wij doelen hier op de Benedictijnermonniken.
Zooals eertijds de H. Antonius, sproot ook de H. Bene-dictus uit een rijk en adellijk geslacht (480); gelijk de H. Antonius, gevoelde hij een diepen afkeer voor zijne bedor-
::K
jlfeï
I
ii
i'fi
lli m
72 Be Goddelijke beloften der H. Kerk
vene eeuw, zoodat hij reeds op veertienjarigen leeftijd eene schuilplaats zocht op de hooge wildernissen van het Apen-nijnsch gebergte, ten einde zich met God af te zonderen. Evenals de H. Antonius had hij een feilen strijd te voeren niet de onstuimigheid van zijn jeugdig bloed en tevens met de herinnering aan de vermaken waaraan hij had vaarwelgezegd ; gelijk Antonius eindelijk trok hij eene menigte leerlingen tot zich door de faam zijner heiligheid. De grot van Subiaco, waar hij zijn verblijf gevestigd had, werd weldra te eng, om al diegenen te bevatten, welke onder zijne leiding hun leven wilden slijten ; hij zag zich alsdan genoodzaakt twaalf kloosters op te richten, ieder voor twaalf kloosterlingen. Na eenigen tijd, toen hij aan het hoofd dezer kloosters oversten geplaatst had, verliet hij met eenigen zijner volgelingen dit eerste tooneel zijner deugden en werkzaamheden, om zich te vestigen op den berg Cassino, alwaar hij een klooster stichtte boven alle andere van het Westen vermaard (528).
De H. Benedictus leefde er nog veertien jaren, en stelde voor zijne kloosterlingen een strengen levensregel op, die van toen af algemeen geworden is voor het monnikenleven in Europa. Hij zag aan zijne voeten nederknielen den ge-vreesden Totila, het barbaarsch opperhoofd der Oostgothen: zelfs koningszonen en den eigen oom van Karei denGroote zal hij onder zijne volgelingen tellen.
Toen hij zijn einde voelde naderen, liet hij zich in eene kapel brengen, alwaar een maand geleden, het stoffelijk overschot zijner zuster was ter aarde besteld. Hij ontving daar de laatste H. Teerspijs en recht staande, de handen ten hemel gericht, gaf hij den geest.
Een hoofdtrek in den ordesregel des H. Benedictus is de hand- en geestarbeid, welke hij aan iederen monnik oplegt . Elk Benedictijnerklooster werd alzoo, voor de omwonende bevolkingen, eene bakermat van beschaving, met hare
L
i !-â
in den loop der eeuwen.
onmisbare bewerkers: Godsdienst, liefde tot den arbeid en wetenschap. De monniken leerden de dorre velden ontginnen en bebouwen, boezemden eerbied in voor de wetenschappen die den geest versieren en ontwikkelen, en leerden de Christelijke en burgerlijke deugden beoefenen. De Benedictijnerorde schonk aan de Christelijke maatschappij groote Pausen, edelmoedige geloofsverkondigers, heldhaftige martelaars, en geleerden zoo uitstekend en zoo onvermoeibaar in hunne navorschingen, dat de naam van Bene-dictijn de geijkte benaming geworden is om iemand aan te duiden die zich met grenzenloozen ijver en onverpoosden arbeid op de wetenschappen toelegt.
Het was voorzeker een verrassend en heerlijk schouwspel die menigvuldige kloosters hunne stille doch vruchtbare werken van vrede te zien voortzetten, te midden van eene maatschappij die aanhoudend weergalmde van het strijdrumoer en die aan al de ijselijkheden welke de oorlogen na zich sleepen, was prijsgegeven. De monniken, zoo dikwerf bespot en belasterd, waren aldus de voornaamste beschavers des volks in de Middeleeuwen, en werden onder de grootste weldoeners van Europa geteld. Heden nog moet men met blindheid geslagen of met de zwartste ondankbaarheid bezield zijn, om de uitstekende diensten te ontkennen, die voortdurend door de nederige kloosterlingen aan beschaving en volkswelzijn bewezen worden.
XV.
DE TIJDELIJKE MACHT DER PAUSEN.
Het is eene dringende noodzakelijkheid dat de Pausen, als opperhoofden der Kerk, hun gezag vrij en onafhankelijk kunnen uitoefenen. Zoo niet, waren zij afhankelijk van een tijdelijken vorst, dan kon deze in gegeven omstandigheden naar willekeur hunne handeling belemmeren en het bestuur
73
1'^
r i
;v
. 1 â
â f-'
,
Ms
II
1 ;
â Kil . ^
â !
ül
De Goddelijke beloften der H. Kerk
tier Kerk onmogelijk maken, tot groot nadeel voor de heilige zielbelangen. Welnu, om geheel vrij en onafhankelijk te zijn in hun oppergezag, is er voor de Pausen maar één middel, maar één waarborg, te weten: dat zij zeiven eene tijdelijke macht en heerschappij bezitten, waardoor zij buiten de macht der aardsche vorsten geplaatst zijn.
In dit hoofdstuk gaan wij in :t kort de voorbeschikte gebeurtenissen aanstippen, door welke God aan zijnen Stadhouder op aarde die tijdelijke macht en souvereiniteit verschaft en gewaarborgd heeft.
Wij hebben reeds vermeld hoe Constantijn de Groote, na zijne wonderbare overwinning op keizer Maxentius, de vreeselijke vervolging staakte waaronder de Kerk van Christus sedert drie eeuwen gebukt ging, en hoe hij aan de Christenen toeliet uit de catacomben te voorschijn te treden en vrij hun heiligen Godsdienst uit te oefenen. Begreep Constantijn toen reeds dat Rome niet te gelijker tijd de zetel kon zijn van den wereldkeizer en van het opperhoofd der Kerk ? Besefte hij dat de geestelijke en de tijdelijke macht in één zelfde stad niet konden samenwonen zonder afbreuk voor de vrijheid en onafhankelijkheid van de eene, zonder vermindering of nadeel voor de andere ? Ofwel, handelde hij onder den drang eener min edele beweegreden, zooals ijdele en hoogmoedige zucht om zijnen naam door liet stichten eener nieuwe hoo fdstad te vereeuwigen ? â Zeker is het althans, dat hij den zetel des keizerlijks naar de boorden van den Bosphoms verplaatste en er de schoone stad Constantinopel als bij tooverslag deed oprijzen. Deze handelwijs was wellicht voor de tijdgenooten van Constantijn een raadsel, en velen hunner beschouwden ze waarschijnlijk als eene beleediging voor de oude stad Rome, alsdan meesteres en koningin der wereld. In Gods raadsbesluiten was zij echter het uitgangspunt van het tijdelijk oppergezag der Pausen.
in den loop der eeuwen. 75
quot;De Paus regeerde te Rome, de keizer te Constantinopel; de eerste oefende de geestelijke macht uit, de tweede, de tijdelijke. Doch nu kwamen de Barbaren langs alle zijden het rijk ingevallen, en onder hunne slagen, zoowel als door onderlinge verdeeldheden, werd de macht der keizers van Constantinopel deels verbrokkeld en verminderd, deels vernietigd. Nieuwe koningrijken rezen op; Gallië, Spanje, Afrika, enz. vielen aan Barbaarsche vorsten ten deel. Italië werd door de wilde horden der Barbaren doorloopen, uitgeplunderd en verwoest, zonder dat de Grieksche keizer, die te Constantinopel voor zijn eigen troon zat te beven, een hand uitstak om hulp te bieden. In dien ijselijken nood wendden de Italianen hunne blikken naar Rome, naar den algemeenen Vader der Christenen, en zij vonden er steun en bescherming. Wanneer de vreeselijke Attila aan de spits der Hunnen aanrukte, wanneer alles voor hem van ra-deloozen angst sidderde en beefde, zag Italië Paus Leo den Groote gansch alleen den Geesel Gods te gemoet treden en hem in zijne verdelgende vaart stuiten (452). Toen Genseric, drie jaren later, Rome bemachtigde, zag men wederom denzelfden Paus door zijnen heldenmoed de woede dei-Wandalen intoomen en bedaren, en de weerlooze Romeinen aan den dood ontrukken. In al de woelingen en omwentelingen die Italië verscheurden, kwam de Paus te Rome en de bisschoppen in de mindere steden manmoedig op om de stoffelijke en geestelijke belangen der hun toevertrouwde bevolkingen te verdedigen.
Zoo vergaten allengskens de Italianen, in zaken van aangelegenheid, den weg naar Constantinopel, waar zij \ doorgaans geen gehoor verkregen en slechts met ijdpfe, woorden en niets beduidende beloften gepaaid wjcTdeTi. Maar zij wendden zich liever tot den Paus, daar^,Verzekerd waren dat deze een gunstig oor zou leeneh aaS de^ klachten zijner kinderen, en niets onbeprpefcNfou laten «iS/'
^V; O'-C
vV*
De Goddelijke beloften der H. Kerk
hunne kwalen te heelen. Zelfs de keizerlijke landvoogd van Rome, Cassiodorus, schreef aan Paus Joannes II, (omstreeks 533): â Onder den naam van Vader bestiert gij alles; ivi) nemen slechts een klein aandeel in de zorgen van het oppergezag en van het staatsbestuur, op u drukken die zorgen geheel en al. Gij z jt, wel is waar, de geestelijke herder der kudde, maar gij moogt hare tijdelijke belangen niet prijsgeven; het ligt immers in de natuur eens echten Vaders en de aardsche èn de hemelsche belangen zijner kinderen te behartigen.quot;
Dusdanig was de plaats die het Pausdom van af de VI1-' eeuw, te Rome had ingenomen onder den drang der gebeurtenissen. Voegen wij er nog bij dat, toen Cassiodorus aldus schreef, Italië in de macht der Oostgothen gevallen was, die nauwelijks aan den keizer van Constantinopel een zeker recht van opperleenheerschap toekenden, recht dat meer met den naam bestond dan in werkelijkheid.
Het roemvolle Pausdom van Gregorius den Groote (600) die Eome van den hongersnood en van de invallen der Lombarden wist te vrijwaren, verdoofde den laatsten schijn der keizerlijke waardigheid door den glans van het steeds aangroeiend gezag van Christus' Stedehouder.
Nog een enkele stoot,een kleine ruk,en de nominale band die Italië met het Grieksche keizerrijk vereenigde, moest' breken, en de opperheerschappij van rechtswege overgaan op hem die ze sedert geruimen tijd feitelijk bezat en uitoefende.
In dezen toestand kwam keizer Leo, den Isauriër. op het uitzinnig gedacht zich te vergrijpen aan den Katholieken eeredienst en aan de Godsdienstvrijheid van Italië. Leo had de ketterij der Iconoclasten {beeldstormers) omhelsd, welke de eer aan de beelden des Zaligmakers en der Heiligen bewezen voor afgoderij uitschold; hij vaardigde het bevel uit (727), dat in al de gewesten des keizerrijks de beelden en
76
in den looi) der eeuwen.
schilderijen zouden weggeruimd worden, en om het voorbeeld te geven, deed hij het groote kruisbeeld, door Cou-stantijn te Constantinopel opgericht, met de bijl neder-hakken.
Groot was de verontwaardiging des volks over de gruwzame heiligschennis door de beeldstormers gepleegd; samenscholingen grepen plaats in het Oosten, doch in Italië kwam het tot een wezenlijken opstand. Nauwelijks had men er vernomen wat in Constantinopel omging, of de Italianen randden de standbeelden des keizers aan en vertrapten de muntstukken die zijne beeltenis droegen. De smaad door den keizer ten hemel opgeworpen, viel aldus op hem zeiven terug en verpletterde hem.
De volksstorm, eenmaal losgebroken, kent paal noch perk. Verbitterd tegen die ijdele schim van een keizer die Italië in de benardste omstandigheden lathartig aan zijn lot had overgelaten, joegen de Italianen den Griekschen prefect of stadhouder uit Rome weg en maakten aanstal-te om een nieuwen keizer te kiezen. Doch de H. Paus Gregorius II wist door zijne gematigde en standvastige tusschenkomst dit laatste te beletten. Hij hield het oproer binnen de palen van een rechtmatigen wederstand aan onbillijke bevelen, en redde voor een tijdje het bloot nominaal gezag dat den keizer van Constantinopel in Italië nog overbleef. â God is myj getuige,quot; schreef hij aan Leo den Isauriër, â dat ik nooit den eerbied, aan mee keizerlijke majesteit verschuldigd, vergeten heb.quot; Maar te gelijker tijd veroordeelde hij ten strengste de gewelddadige inbreuk zoo dikwerf door den keizer op Godsdienstzaken gemaakt: ,, De geloofspunten,quot; zeide hij, âzijn niet de zaken der keizers maar der Opperpriesters.quot; Daar de keizer slechts door bedreigingen antwoordde, zeggende dat hij het beeld des heiligen Petrus zou verbrijzelen en den Paus gevangen naar Constantinopel doen sleuren, wees hem Gregorius II
77
De Goddelijke heloften der II. Kerk
op de nootlottige gevolgen van den heiligschendenden oorlog dien hij der Kerk verklaarde, en dreigde hem met Gods rechtvaardig oordeel.
De woede van den beeldstormer was echter niet bij machte om zijne bevelen ten uitvoer te doen brengen in een land waar zijn gezag metterdaad niets meer betee-kende. Hij nam zijne toevlucht tot de misdaad en zond betaalde moordenaars uit, die tot driemaal toe, maar tevergeefs, op 's Pausen leven aanlegden. Italië was voor het Grieksche rijk verloren : de Paus alleen, om zoo te zeggen, ging voort een gezag te erkennen waarover hij zich het meest te beklagen had. Zoo groot is de eerbied der Kerk voor het recht, dat zij het dan nog ondersteunt als het slechts een schaduw meer is, dat zij het dan zelfs verdedigt als men het misbruikt om haar te onderdrukken.
De Lombarden, reeds meester van Noord-Italië, bespiedden sedert lang de gelegenheid om ook het overige gedeelte te bemachtigen. Hun koning Luitprand meende ze te vinden in de gebeurtenissen die wij zoo even aanstipten, doch hij ontmoette een heftigen tegenstand in Paus Gregorius II. die nogmaals als verdediger van de rechten des Griekschen keizerrijks en van Italië's onafhankelijkheid optrad. Dit ziende, verzoende zich de Lombardische vorst met de Grieken, ging met hen een verbond aan en rukte tegen Rome op. De Paus nam een heldhaftig besluit, hij zocht den koning in zijn legerplaats op, en deed hem door de zoetheid zijner woorden en den invloed zijner deugd van zijne onderneming afzien. Luitprand kwam zelfs naar Rome bidden op het graf van St. Petrus; hij legde er zijne wapenen neder en trok met zijne legerscharen naar Pavia terug.
Onder Gregcrius III, opvolger van den H. Gregorius II. bekroop den Lombarden nogmaals de zucht om hunne heerschappij over Rome uit te strekken. De Paus riep nu
78
in den loop der eeuwen.
de bescherming in van KarelMartel,hetgeduchte opperhoofd der Franken, en de naam alleen van dezen vorst was voldoende om den Lombarden te beletten hun ontwerp door te zetten. De H. Zacharias, die na den dood van den H. Gregorius den H. Stoel beklom, sloot met Luitprand een verdrag, krachtens hetwelk deze laatste verscheidene steden die hij veroverd had, niet aan den keizer maar onmiddellijk aan den Paus teruggaf. Was dit niet reeds erkennen, dat de Paus ook van rechtswege de opperheerschappij bezat, die hij feitelijk tot Italië's welzijn uitoefende ?
De Lombardische koning Astolplms, minder eerlijk dan Luitprand, wierp zich twintig jaren later, in 752, op de Romeinsche provincies, en verscheen onder de muren zelve van Eome. Paus Stephanus IV, na tevergeefs de hulp van den keizer van Constantinopel te hebben ingeroepen, wendde zich tot Pepijn den Korte, koning der Franken; persoonlijk begaf hij zich naar Gallië om op meer dringende wijze de tusschenkomst af te smeeken van den moedigen vorst, die alléén Italië kon redden. Pepijn beloofde bij eed aan den H. Stoel alle steden door den overweldiger in bezit genomen, weer te geven. Hij hield woord, trok dfe Alpen over, verstrooide de Lombardische troepen en sloeg het beleg voor Astolphus' hoofdstad. Astolphus werd genoodzaakt zich over te geven, beloofde alles wat men verlangde, en de Franken keerden naar hun vaderland terug.
Nauwelijks waren zij vertrokken, of Astolphus schond zijne beloften, en ging met al zijne strijdmacht Rome belegeren. Over deze trouweloosheid door brieven van Stephanus verwittigd, keert Pepijn op zijne schreden terug. Met de snelheid van den bliksem rukt hij Italië binnen, maakt zich van Pavia meester, en dwingt Astolphus zich tegen wil en dank onder te geven. Ditmaal doet Pepijn, vooraleer naar Frankrijk terug te keeren, het verdrag ten uitvoer brengen, en geeft bij solemneele akte, gebruik
De Goddelijke beloften der H. Kerk
makende van zijn veroveringsrecht, aan den H. Stoel alle steden weder die de Lombarden overweldigd hadden. Gezanten uit Constantinopel wilden zulks beletten, doch Pepijn gaf geen gehoor aan hunne tegenwerpingen en maakte voorgoed een einde aan de ongerijmde aanspraken van het Oostersche rijk (755).
Op deze wijze werd de oppermacht der Pausen over Rome en over de naburige provinciën van af de monding des Tibers tot aan de kusten van de Adriatische zee onherroepelijk gegrondvest.
Na den dood van Pepijn beproefde Desiderius, de nieuwe koning der Lombarden, de overweldigerspolitiek zijner voorzaten te hervatten. Tot zijn nadeel bemerkte hij, dat Pepijn's zoon niet minder geducht was dan zijn vader en even verknocht als hij aan de Eoomsche Kerk. Karei de-Groote was genoodzaakt tot viermaal toe de Alpen over te steken om de trouweloosheid der Lombarden te kastijden en hun den weg naar Eome te versperren.
Om aan dit alles een einde te stellen, zette hij zich zeiven de Lombardische kroon op het hoofd. Vervolgens bevestigde hij alle giften door zijn vader aan den H. Stoel gedaan, voegde er nog andere bij, en kwam naar Rome om de dankbetuigingen van den Paus en de toejuichingen van een erkentelijk volk te ontvangen.
Gedurende meer dan duizend jaren bleef de tijdelijke macht der Pausen pal staan, weerstand biedende aan de hevigste stormen en de diepste omwentelingen die het overige gedeelte van Europa schokten. Tegenwoordig zijn de Staten des Pausen bezet dpor een overweldiger die de trouwelooze en onrechtvaardige politiek der oude Lombardische koningen voor zijn rekening schijnt genomen te hebben. God echter zal ter geschikter ure aan den H. Stoel de wettige onafhankelijkheid en opperheerschappij weten terug te geven waar men hem zoo wraakroepend van beroofd heeft.
80
in den loop dor eeuwen.
XVI.
KAEEL DE GEOOTE.
â Wij hebben gezien dat Karei de Groote, zoon en opvol-
â ger van Pepijn den Kcrtè, het werk zijns vaders voltooide door de tijdelijke macht van den H. Stoel, welke noodzakelijk is tot de onafhankelijkheid van het geesteliik ambt des Pausen, voorgoed te vestigen en te doen erkennen. De Christenheld bewees echter den Godsdienst nog andere weldaden; wij gaan dan ook in het kort de providentieele zending beschrijven, waarmede hij belast werd om het heil der zielen te bevorderen en het rijk van Jezus-Christus uit te breiden.
In de VIIIe eeuw had de Kerk te kampen tegen menig-I vuldige hinderpalen en vijanden welke den vooruitgang des Geloofs en der Christelijke beschaving belemmerden. | De Barbaarsche volkeren die gewapenderhand in het omne-| telijk Romeinsche rijk waren doorgedrongen en daar nieu-v: we koninkrijken hadden tot stand gebracht, hadden achter-| volgens het Christen Geloof omhelsd en den H. Doop ontvangen. Doch wat waren zij nog verre van hunne zeden | in overeenstemming te hebben gebracht met de heiligheid :] der Evangelische zedenleer! Hunne zeden waren woest, | onbeschaafd gebleven en ontdeden zich maar langzaam 1 van de gebruiken en gewoonten der Barbaarschheid. De krijgsman stelde slechts prijs op dapperheid en lichaams-| sterkte. Daarvandaan, dat hij de oefeningen van den geest ^ verwaarloosde en zelfs verachtte. Groot was dan ook en 1 algemeen de onwetendheid, uitgenomen bij de bedienaars I der Kerk. De kunsten, nijverheid, en landbouw waren 1 oveneens in verval geraakt. Zonder don invloed der Kerk, J die de zedelijke kracht vertegenwoordigde, zoude Europa ter prooi zijn geweest aan de onophoudelijke en onmen-
I 6
81
De Goddelijke beloften der H. Kerk
schelijke worstelingen der Barbaarsche volkeren die zich er van hadden meestergemaakt en die tot niets anders in staat waren dan om hunne woeste zeden te doen wortel-schieten op de verrotting van het oude Heidendom.
Het Noorden van Europa was nog Heidensch.In Duitsch-land boden de Saksen, de Friezen en andere volkeren een hardnekkigen wederstand aan de Katholieke geloofsge-zanten die alles in het werk stelden om hen van den dienst der afgoden tot dien van den waren God te bekeeren. De H. Bonifacius, aartsbisschop van Mentz, verdiende, wel is waar, den bijnaam van Apostel van Germanië, door de talrijke bekeeringen welke aan zijnen ijver en aan dien zijner gezellen moeten toegeschreven worden; ten langen laatste bezweek hij echter onder de slagen der Heidensche Friezen, en de woeste onstuimigheid der afgodische dweepzucht bij de .Saksen dreigde op ieder oogenblik de heilzame vruchten zijner apostolische werken te vernietigen.
In het Oosten daagde terzelfder tijd een vreeselijke vijand van het Christelijk Geloof op, nl. het Mahomedisme. Keeds was die vijand meester van Arabië, .Tudea, Syrië, Klein-Azië en van geheel Noord-Afrika; reeds had hij de zeeengte van Gibraltar overgestoken en Spanje overweldigd. In Gallië zelfs was hij doorgedrongen; daar echter moest hij wijken voor den dapperen Karei-Martel, die hem te Poitiers verpletterde (732), en de Mahomedanen totover de Pyreneën terugwierp. Deze nederlaag had die dwepers nog niet ootmoedigd, en zij loerden op een nieuwe gelegenheid om hun overweldigenden tocht weder voort te zetten en hunne krijgsbenden tot in het hart van Europa voort te drijven.
Te Rome, in het middelpunt der wereld en der Kerk, was de macht der Pausen nog te zwak om, zonder een beschermer, vrij en onafhankelijk te zijn. Paus Leo III werd het slachtoffer eener helsche samenzwering, tegen
82
in den loop der eeuwen.
zijn hoogwaardigen persoon en tegen zijne macht gesmeed. Eene bende sluipmoordenaars maakte zich van hem meester, wierp hem in een duister kerkerhol, rukte hem tong en oogen uit. Hij werd echter door het getrouwe voik uit zijne boeien verlost, op wonderbare wijze van zijne smartelijke wonden genezen, en zocht dan bij Karei den Groote eene toevlucht en een steun.
Op dat tijdstip was er, zooals men ziet, een man van vernuft noodig om de voordeelen der beschaving te kunnen begrijpen, een man van geloof en genoegzaam in zijn geloof onderwezen om te weten dat zonder den Oodsdienst geen ware beschaving mogelijk is, een man met een machtigen arm om zich van al zijne vijanden te doen vreezen en om zijne hervormingswetten te doen eerbiedigen. Dat alles was Karei de Groote, hij komt ons wezenlijk voor als door de Goddelijke Voorzienigheid gezonden om der Kerke hulp te brengen en de beschaving te bevorderen.
,, Karei de Groote,quot; zegt eenEngelsch schrijver, â gelijkt op een vuurtoren, of op een rots, in het midden der zeeën geplaatst. Zijn scheptcr is de boog van Ulysses, ivelketi niemand na hem heeft kunnen spannen.'quot; â âAls vriend der letteren en der geleerden, schrijft Darras, als bekwaam bestuurder, als vernuftig inrichter, als wetgever van een onmetelijk keizerrijk, als wijs en Christelijk staatkundige, doet hij zich aan de bewondering der eeuwen voor met al den roem dien een mensch verwerven kan.quot;
Dank aan den steun en de machtige bescherming van Karei den Groote, slaagde de Kerk er in de studiën wederom te doen bloeien. Alras was er geen bisdom meer, geen abdij, geen klooster, geen kerk die hare school niet had. De geleerden van alle landen werden aan het hof van Karei den Groote geroepen en met weldaden overladen. De beroemde monnik, Alcuinus, had daar het toezicht over de studiën en stond aan het hoofd van die ontwikkeling des
83
!:
De Goddelijke beloften der H. Kerk
geestes, van die groote beweging op wetenschappelijk gebied. Karei de Groote richtte eene school op in zijn paleis, eene school die hem tot in zijne krijgstochten volgen moest en waarin de prinsen en grooten van het hol' zich gelijk eenvoudige scholieren op de banken kwamen nederzetten. Het mishaagde den monarch zeiven niet als leerling ter school te gaan en zijne sterk gespierde hand, die gewoon was den degen te hanteeren, in het afschrijven der oude handschriften te oefenen. Men begrypt al licht wat zulk een voorbeeld en zulke maatregelen moesten uitwerken. Op zekeren dag komt Karei de Groote de school binnen en verlangt het werk van eiken leerling te zien. Hij bemerkt dat de armste scholieren de meeste vorderingen gemaakt hebben, dank aan hunnen onvermoeiden ijver.
â Zet de studiën die gij zoo goed begonnen hebt, voort, zoo sprak Karei de Groote. Boet uio beat om er nieuwe vorderingen in te maken. Later zal ik u ambten en bedieningen geven. Wat u betreft, edellieden, verwijfden, die bang zijt om te werken en die in luiheid en onwetendheid wegkwijnt, bij den Koning der Hemelen! ik stel op uwen adel zeer weinig prijs: rekent nimmer op de gunsten uws konings, indien gij niet zoodra mogelijk uwe nalatigheid herstelt. quot;
De trotsche Frankische edelen mochten dus niet meer op hunne onwetendheid snoeven : die tijd was nu voorbij. Om 's rijks ambten en de vriendschap van den vorst te verdienen, moest voortaan de vorming van geest en hart bij die van het lichaam gevoegd worden. Zoo gebeurde het dan ook dat, door toedoen van Karei den Groote die de pogingen der Kerk bevorderde, de studiën herbloeiden, de zeden zachter werden, de maatschappij door een wijze en echt Christelijke wetgeving een betere inrichting bekwam en de beschaving, de Barbaarschheid verdringend, met groote schreden vooruitstapte.
Karei de Groote rekende het zich ten plicht de Christen
84
in den loop der eeuwen.
missionarissen tegen de woede der afgodische Saksen te verdedigen. Aan het hoofd van een machtig leger drong hij tot in Duitschland door en rukte lijnrecht voort tot, aan het voornaamste heiligdom der Germaansche Heidenen, te Ehresburg, waar het beruchte afgodsbeeld Irmensul (Hermanszuil) vereerd, werd. Op 's keizers bevel werd het omvergehaald. De Saksen onderwierpen zich; doch nauwelijks waren de Franken naar Gallie teruggekeerd, of de Saksen staken het hoofd op, vermoordden degenen hunnèr landgenooten die zich tot het Christendom bekeerd hadden en gaven zich aan de onmenschelijkste buitensporigheden over. Karei de Groote moest tot zesmaal toe in Saksen verschijnen om een ontembaar volk te temmen, en het scheen dat alleen door zijne volledige uitroeiing de oorlog zou ophouden, toen God er een einde aan stelde door een uitwerksel zijner almachtige genade, nl. door de bekeering van den vermaarden Wittikind, aanvoerder der Saksen.
Vermelden wij dit feit zooals het in de jaarboeken verhaald wordt.
Op Paaschdag van het jaar 785, werd aan de deur van het paleis van Attigny, waar zich het hof bevond, een bedelaar aangehouden en voor Karei den Groote gevoerd. Een Frankisch heer, die op het punt was hem een aalmoes te geven, herkende aan zijne rechterhand een krommen vinger dien hij de gelegenheid had gehad in de gevechten op te merken. Deze als bedelaar verkleede man was Wittikind. â Om welke reden hebt gij u zoo verkleed'?quot; vroeg hem Karei de Groote. â â Ik wilde van nabij de plechtigheden uwer Kerk onderzoeken, quot; antwoordde de Saks, â en ik heb gedacht dat het mij, aldus vermomd, gemakkelijker zou ivezen alles te zien.'quot; â â Welnu, wal hebt gij opgemerkt?quot; â â Voorgisteren, Vorst, op den dag dien gij Goeden- Vrijdag noemt, was de droefheid op uw gelaat te lezen. Heden, op Paaschdag, heb ik u bij den aanvang der plechtigheden, na-
85
86
denkend en ingetogen gezien. Doch wanneer gij met de grooten van het hof tot de tafel genaderd zyjt, die in het midden des tempels staat, dan heb ik op alle gezichten den glans gezien eener zoo innige vreugde, dat ik niet loist waaraan ik die plotselinge verandering moest toeschrijven. Een hoven-natuurlijke aandoening maakte zich van mijn hart meester. Mij docht dat de priester als het loare een kind, van glorie omgeven, op uive lippen nederlegde. In tranen ivegsmeltend knielde ik neder en aanhad, zonder hem te kennen, uwen God die voortaan mijn God zal wezen. quot; â â Gelukkig zijt gij,quot; riep Karei de Groote uit, â eene gunst genoten te hebhen welke de Hemel noch aan mij, noch aan mijne priesters ge-schonken heeft!quot; - Na vervolgens aan Wittikind kleederen gegeven te hebben volgens zijnen rang, legde hij hem het geheim van het H. Sacrament des Altaars uit. Wittikind was bekeerd en ontving het Doopsel; Karei de Groote wilde zijn peter zijn. De vorige aanvoerder der Saksen werd nu hun Apostel. Op zijn verlangen kwamen bisschoppen hem bijstaan om zijn volk te onderwijzen. In de stad Minden werd een bisschopszetel opgericht en de H. Herembertus als eerste bisschop dier plaats aangesteld. Paus Adrianus I, die deze gelukkige gebeurtenis door Karei den Groote vernomen had, schreef openbare gebeden voor om God voor zulke weldaad plechtig te bedanken.
De menigvuldige krijgstochten tegen de Saksen verhinderden Karei den Groote niet zijne zegevierende wapens te voeren op Spanje's grondgebied, waar de Saracenen op de Christenen een ondraaglijk juk deden drukken. Hij steeg de Pyreneeën over, versloeg herhaalde malen de volgelingen van Mahomed, maakte zich meester van Pampeluna, Barcelona, Sarragossa en drong door tot aan den Ebro. Door een algemeenen opstand der Saksen in zijne staten teruggeroepen, verloor Karei de Groote kortstondig de vrucht dezer overwinningen; maar hij beval aan hertog Wilhelm
in den loop der ecuwen.
den Saracenen het hoofd te bieden, en deze volbracht zijne zending met zooveel dapperheid dat hij, na een heldhaftigen strijd van verscheidene jaren, er in slaagde het Noorden van Spanje tot aan den Ebro voorgoed te veroveren (803). Drie jaren later verzaakte hertog Wilhelm aan de wereld en aan den krijgsroem, werd monnik en stierfin 812. Hij wordt als een Heilige vereerd onder den naam van Guliel-mus van Gellone. De oorlog van Karei den Groote tegen de Saracenen was niet beslissend, in dezen zin dat de macht van het Mahomedisme in Spanje niet vernietigd werd. Hij stuitte evenwel de uitbreiding dezer vreeselijke vijanden van het Christendom, en veroorloofde aan het jeugdig Christen koninkrijk, door Pelagius in de bergen van AsturlS gesticht, adem te scheppen om met beter gevolg den heldhaftigen kamp voort te zetten, die slechts 700 jaren later op de geheele verdelging van het Mahomedisme in Spanje zou uitloopen.
De H. Paus Leo III had de wijk moeten nemen bij Karei den Groote om aan de samenzweringen die het op zijn leven muntten, te ontsnappen. De groote vorst vertoefde alsdan met een machtig leger te Paderboni. Hij onthaalde den Paus zooals liet toekwam aan het opperhoofd der Kerk. Recht staande te midden zijner krijgslieden, verbeidde hij de aankomst des Pausen. Zoodra deze verscheen, viel het leger tot driemaal op de knieën onder zijne zegenende hand. Karei de Groote, de held van het Westen, boog zich eerbiedig voor Leo; dan omhelsden zij elkander en stortten tranen van vreugde. Karei de Groote voerde Leo III naar Rome terug, waar zijne tegenwoordigheid voorgoed de rust herstelde. Bij die gelegenheid verwezenlijkte do Paus een plan dat hij sedert zijne verheffing tot de pauselijke waardigheid overwoog en dat onschatbare vruchten dragen moest. Op Kerstdag van het jaar 800, op het oogenblik dat Karei de Groote, in de hoofdkerk van den
87
De Goddelijke beloften der H. Kerk
H. Petrus nedergeknield, zijn hart tot God verhief, naderde Leo III, in pauselijk gewaad gedost, tot den grooten monarch en zette op zijn hoofd een van edelgesteenten schitterende kroon. Een ontzaglijke kreet steeg op uit de borst der omstanders en deed de gewelven der basiliek dreunen; â Leve en zegeviere Karei de doorluchtige, de groole en vredelievende keizer der Romeinen, door Godes hand gekroond!quot; Terzelfder tijd goot de Paus de heilige olie over het voorhoofd van Karei den Groote. Het Ro-raeinsch keizerrijk van het Westen, sedert drie eeuwen gevallen, was thans hersteld en Christen gezalfd.
Nooit heeft iemand de keizerlijke waardigheid beter verdiend en met meer roem bekleed dan Karei de Groote. Tot aan zijnen dood was hij de groote en onoverwinbare vechter des Geloofs, de trouwe verdediger des H. Stoels en der Kerk. De gansche wereld begroette den nieuwen keizer van het Westen. Keizerin Irene van Constanti-nopel trachtte hem als bondgenoot te hebben; de koningen van Sussex en Northumberland in Engeland kwamen hem persoonlijk hunne huldebewijzen aanbieden; Alphonsus de Kuische, Christen koning van Spanje, die kort te voren Lissabon op de Saracenen veroverd had, zond hem een deel van den rijken buit dien de vijand had achtergelaten ; de Kalif van Bagdad, Aroun-al-Raschid, wilde zelf een blijk geven zijner bewondering voor den Christenheld en zond hem, onder andere geschenken, de sleutels van het EL Graf, als zinnebeeld der opperheerschappij welke hij den keizer schonk over de stad Jeruzalem.
Karei de Groote stierf den 28 Januari, 814 te Aken, waar men zijn graf nog zien kan en waar de Kerk gedoogt dat hij als een Heilige vereerd en aanroepen wordt.
88
in den loop dur eeuicev.
XVII.
DE PAUSEN ALS VERDED1GEES VAN DEN HEILIGEN HUWELIJKSBAND.
De IX0 eeuw was getuige van een schrikbarende gebeurtenis die-wij niet mogim voorbijgaan, eensdeels omdat de Goddelijke tusschenkomst er zichtbaar in uitschijnt, en anderdeels om een voorbeeld te geven van de moeiliikhe-den waarmede de H. Kerk te kampen had wanneer zij de Evangeliewet wilde doen onderhouden door vorsten en volken die een nog half Barbaarsch bloed in hunne aderen voelden koken.
Lotharius II, achterkleinzoon van Karei den Groote en koning van Lotharingen, leefde sedert een jaar in wettigen echt met Theutberga, toen hij smoorlijk verliefd geraakte op eene jonge edelvrouw, Waldrada geheeten. Verblind door zijnen misdadigen hartstocht, trachtte hij zijn huwelijk te doen vernietigen om Waldrada te kunnen trouwen. Daar hem dit niet gelukte, joeg hij de koningin Theutberga uit zijn paleis en leefde openlijk in overspel tot groote ergernis van zijn volk (859).
De verstoeten echtgenoote trok hare zaak voor de rechtbank van den H. Stoel, alsdan bekleed door den H. Paus Nicolaas I. Deze grootmoedige Kerkvoogd aarzelde geen oogenblik op te treden ten voordeele van de onschuldig verdrukte vrouw tegen haren gekroonden vervolger. Hij behoorde tot het ras dier mannen die, gelijk de H. Schrift zegt, zich als een stalen muur opwerpen tegen de misdadige ondernemingen der boozen. Hij gebood aan de bisschoppen van Germanië en Gallië een kerkvergadering te beleggen te Metz, Lotharius voor hunne vierschaar te dagvaarden en een regelmatig vonnis tegen den vorst uit te spreken. De vergadering had plaats ; edoch de meerderheid der bisschop-
89
De Goddelijke beloften der H. Kerk
pen liet zich door het goud van den overspeler omkoopen, vernietigde het huwelijk van Lotharius met Theutberga en wettigde diensvolgens zijne verbintenis met Landrada.
Bij de tijding dezer ergerlijke uitspraak, hield de H. Nico-laas de Groote eene Kerkvergadering te Rome en,omgeven van de verzamelde Kerkvaders, ontving hij de afgezanten van Metz. Deze laatsten vertoonden angstvallig de besluiten die aan Lotharius gunstig waren. â Verlaat onze vergadering, quot; zeide hun de Paus met ontzagwekkende statigheid, â men zal u roepen wanneer men u noodig heeft.quot; â Eenige dagen later werden zij inderdaad gedagvaard, maar om hunne besluiten van Metz te hooren veroordeelen. Daar zij evenwel de wettigheid hunner uitspraak wilden volhouden, werden zij van de bisschoppelijke macht vervallen verklaard. Aan al de misdadige bisschoppen werd aangezegd dat zij dezelfde straf zouden ondergaan, indien zij zich niet haastten hunne fout te erkennen en te beweenen. Wat den koning betreft, men bedreigde hem met den Kerkelijken ban.
Lotharius II zag met schrik de noodlottige gevolgen in van zijn vergrijp, hij onderwierp zich en verwijderde Landrada. Doch 't volgend jaar, herbegon hij openlijk zijn schandelijk leven, zoo zeer was hij aan zijnen hartstocht verslaafd. Nu sprak de H. Nicolaas I den banvloek uit tegen Waldrada en een nieuw Concilie, te Soissons bijeengeroepen, veroordeelde eenparig koning Lotharius.
Ondertusschen kwam de Paus te sterven (867), na eene korte regeering van slechts negen jaren; lang genoeg echter om hem in de geschiedenis den -naam te verwerven van Nicolaas den Groote. De dood van den Paus deed in het hart van Lotharius II de misdadige hoop herleven dat hij zijn overspel zou kunnen wettigen. Hij stuurde een gezantschap naar Rome om van zijne onderdanigheid aan den H. Stoel te betuigen en een nieuw onderzoek van zijn ge-
90
in den loop der eeuwen.
schil te bekomen. Koningin Theutberga, de lange worsteling moede, pleitte zelfs voor de ontbinding van haar ongelukkig huwelijk. Waldrada, van haren kant, smeekte ootmoedig om van den banvloek, die op haar drukte, ontslagen te worden. De nieuwe Paus Adriaan II, in de meening dat Waldrada rechtzinnig bekeerd was, verzoende haar met de Kerk; terzelfder tijd legde hij aan Theutberga op tot haren echtgenoot weder te keeren, en aan dezen haar als zijne wettige gade te ontvangen.
Lotharius begaf zich alsdan naar Italië en verkreeg eene bijeenkomst met den Paus op den berg Cassino (869). Daar gaf hij alle voldoening die men maar verlangde om de goedgunstigheid des Pausen te winnen. De dag werd bepaald voor de plechtige verzoening van den meineedigen vorst, die, om ze meer luister bij te zetten, de heilige communie uit de hand zelve van Adriaan II wilde ontvangen. Hij zag niet, de ongelukkige! hoe de rechtvaardige hand Gods reeds over hem was uitgestrekt om in zijn persoon, het nageslacht ten voorbeeld, op een schrikbarende wijze eene heiligschendende communie te straffen.
Het heilig Misoffer door den Paus opgedragen liep ten einde ; Adriaan II nam het lichaam Onzes Heeren Jezus-Christus in handen en, zich tot de hovelingen en de talrijke omstanders wendende, sprak hij met luide en heldere stem de volgende woorden uit: â Vorst, indien gij niet schuldig zi/jt aan de zonde van overspel sedert gij door onzen heiligen voorganger, Paus Nicolaas gewaarschuwd werdt; indien gij het onwankelbaar voornemen gemaakt hebt geenen omgang meer te hebben met Waldrada, â nader met betrouwen en ontvang het Sacrament des eeuwigen levens. Maar is mee boetvaardigheid niet rechtzinnig, dan wees niet zoo vermetel het lichaam en bloed des Heeren te nuttigen en, door die ontheiliging, uw eigen doemvonnis te eten en te drinken.quot;
Lotharius sidderde bij die plechtige toespraak, maar de
91
S i
ü l::
li
â 1!«
r
ii
i * 11
\m
92 De Goddelijke beloften der H. Kerk
teerling was geworpen en de wandaad besloten ; hij voltrok de onwaardige communie, en paarde aldus de heiligschennis aan den meineed en 't overspel.
De Paus zeide alsdan tot eiken hoveling; â Indien (jij niet hebt medegeholpen noch toegestemd in het overspel van uwen meester met Waldrada... dat het lichaam des Heertn u het onderpand iceze uwer eeuwige zaligheid. quot; Eenige hovelingen, in minder getal, schrokken terug voor de vreeselijke gevolgen der heiligschennis en weken achteruit ; â de anderen volgden den koning en ontvingen de communie.
Lotharius, vol onrust en wroeging, en overigens vurig hakend naar den stond dat hij het voorwerp van zijnen blinden hartstocht zou wederzien, bespoedigde zijn vertrek. Maar eene vreeselijke en toen nog ongekende ziekte noodzaakte hem te Lucca stil te houden. Het haar, de nagels, de huid zelfs vielen af van zijn lichaam dat reeds ten prooi scheen te zijn aan de verrotting. Allen die gelijk hy het lichaam des Heeren hadden ontheiligd, werden door dezelfde kwaal overvallen en stierven onder zijne oogen. Zij alleen, die van de H. Tafel waren teruggeweken, bleven gespaard. Lotharius 11 bezweek ten laatste in de hevigste pijnen en eilaas! zonder een teeken van leedwezen (S69). Theutberga stortte tranen over den ontrouwen echtgenoot; Waldrada spiegelde zich in den vreeselijken dood van hem dien zij verleid had, zij verzaakte aan de wereld en nam den sluier in de abdij van Remiremont.
Het schrikkelijk uiteinde van Lotharius en zijne medeplichtigen verspreidde alom een heilzame vrees, die niet weinig bijdroeg om de latere uitspraken van den H. Stoel ten voordeele van den onschendbaren huwelijksband te doen eerbiedigén. De Kerk zal niettemin tot aan den ondergang der wereld te worstelen hebben met de weerspannige driften zoo van de grooten als van de kleinen. Men
in den loop der eeuwen.
vrage zich echter af wat er zou gebeurd zijn in eenen tijd dat de zeden der westervolken nog den invloed der Bar-baarschheid onderpingen terwijl het Oosten voortdurend de Heidensche bedorvendlieid ten toon spreidde, indien de Pausen met de hun eiyene,bedaarde,volhardende .en onver-winlijke krachtdadigheid niet elke inbreuk op de heiligheid des huwelijks hadden bevochten? â Neen, men heeft niet genoeg recht laten wedervaren aan den onschatbaren dienst door het Pausdom aan de Europeesche natiën be wezen; en men vergeet dat, zonder hunne heldhaftige pogingen. Europa verouderd en verkankerd in den modderkuil der ontucht zou zijn weggezonken, terwjjl het nu eene schitterende beschaving ten toon spreidt die voor de ge-heele wereld zijn kracht en zijn eer uitmaakt.
XVIII.
BEKEERING DER LAATSTE BARBAREN IN EUROPA.
Terwijl de afstammelingen van Karei den Groote door hunne broederoorlogen den schepter van het nieuw keizerrijk, ten voordeele der Franken gesticht, deden overgaan in handen dierzelfde Saksen wier bekeering grootendeels hun werk was, kwamen de Noormannen uit Scandinavië eu verwoestten te vuur en te zwaard de westelijke streken van Gallië (881).
De Noormannen , die woeste en onverzaagde zeeschuimers, voeren met hunne vlugge schepen de rivieren op en verspreidden dood en vernieling tot in 't hart van Frankrijk en België. Zoo groot was de schrik dien hunne verwoestingen baarden dat de Christenen dier tijden in de litaniën zongen: A furore Normannorum, libera nos Dom ine (van de woede der Noormannen, verlos ons Heer). Dit smeekgebed werd eindelijk verhoord.
93
94 De Goddelijke beloften der H. Kerk
Eollo, de dapperste en de behendigste der opperhoofden die ooit de Noormannen hadden aangevoerd, mislukte evenwel in de pogingen welke hij aanwendde om de stad Chartres te overmeesteren. De inwoners dezer stad hadden hun betrouwen gesteld in de machtige bescherming der H. Maagd Maria, en schreven dan ook aan haar hunne verlossing toe. Nu meende Karei, de Eenvoudige, koning van Frankrijk, dat het gunstig oogenblik gekomen was om onderhandelingen met den Noorschen aanvoerder aan te knoopen, en zond hem Franco, aartsbisschop van Rouan. quot; Groot legerhoofd, sprak de Kerkvoogd tot Rollo, wilt gij tot invcn dood toe blijven oorlog weren, of waant gij u onsterfelijk ? Sterft gij gelijk gij tot hiertoe geleefd hebt, te midden van moor der ij en en plunderingen, dan staan u in de andere wereld eeuwige straffen te wachten. Zweert gij, integendeel, mv bijgeloof en uwe Heidensche moordzucht af, dan zult gij nu en hiernamaals een zoeten vrede genieten. De koning Karei biedt u zulks aan en is bereid u deze geheele streek welke gij verwoest hebt af te staan. Tot onderpand zijner vriendschap schenkt hij u zelfs de hand zijner dochter Gisela. quot;
De vreeselijke Noorman stond verbaasd bij dit voorstel, doch bedacht zich niet lang en nam het aan. Hij verscheen aan 't hof van den Frankischen koning om een afdoend verbond te sluiten. Na getrouwheid gezworen te hebben aan den monarch, thans zijnen leenheer, moest Rollo volgens de gebruiken en voorschriften van het hof den voet des konings kussen. Dat was echter te veel voor zijn Barbaarschen trots ; ook weigerde hij hardnekkig. Hij veroorloofde nochtans aan een zijner hoofdmannen in zijnen naam die hulde te bewijzen. De hoofdman, even fier als zijn n eester, om den voet des konings te kussen trok hem zoo geweldig tot zich dat de vorst achteroverstortte. In weerwil van dit nogal koddig voorval, werd de vrede ge-
in den loop der eeuwen.
sloten. Zoo kreeg de provincie van Neustrië den naam van Normandie (912). Wat Rollo aanbetreft, deze liet zich onderwijzen en doopen door den aartsbisschop Franco. Zijne woeste natuur verzachtte onder den invloed dei-genade ; de wolf werd een lam. Bekwaan inrichter als hij was, liet hij de verdelgde steden herbouwen, den Godsdienst herbloeien en de kerken uit hare puinen herrijzen. Hij gaf wijze wetten aan zijn volk en, wonderbare ommekeer! bij de Noormannen die tot dan toe slechts van roof en plundering geleefd hadden, hoorde men van geen diefstallen meer spreken. Zoo werd dit volk, tot dus verre de schrik der wereld, van 't begin af zijner bekeering tot het ware Geloof, een voorbeeld van deugd voor de andere natiën.
Later strekten de Noormannen hunne heerschappij uit over Engeland en een hunner legers overmeesterde Zuid-Italië. Van daar zal in de XI0 eeuw de dappere Noorman Guiscardden Paus H. Gregórius VII ter hulp snellen, en van daar nog zal de beroemde Tancredo uitgaan om met Godfried van Bouillon Jeruzalem op de Turken te veroveren.
Rond denzelfden tijd werden de Bulgaren, sedert de Vip-eeuw op de oevers van den Donau gevestigd, tot het Christendom bekeerd. De zuster van Bogoris, hunnen hertog, was in de handen der Grieken gevallen. In hare gevangenschap leerde zij den Katholieken Godsdienst kennen en, toen zij tot de Bulgaren terugkeerde, bracht zij het zoo ver dat Bogoris zelf de oogen opende voor het licht des Geloofs. Twee broeders, de H. Cyrillus, priester, en de H. Methodius, monnik, kwamen van Thessalonika derwaarts om het Evangelië aan de Bulgaren te verkondigen en behaalden een volkomen overwinning. Op hunne aanvraag, verwierven de nieuwbekeerden van den H. Nikolaas I een wet- en strafhoek dat onder de merkwaardigste gedenkstukken van dien aard in Europa mag vermeld worden (867).
95
De Goddelijke beloften der II. K' rk
De heilige Cyrillus en Methodius bepaalden zich niet met den Bulgaren het Evangelie te verkondigen; zij brachten insgelijks de goede tijding aan de Barbaarsche volkstammen die Moravië en Bohemen bewoonden. Zij waren, wel is waar, de eersten niet die er het Christendom invoerden, maar zij hadden toch den roem deze nieuwe geloofsveroveringen te bevestigen en vaster met de H. Kerk te verbinden. Ook dragen zij te recht den roemvollen naam van Apostelen der Slaven, waaronder zij vereerd worden sedert Paus Leo XIII hunnen eeredienst tot do gansche Kerk heeft uitgestrekt.
Eene eeuw later ondernam de H. Adelbertus,' zoon van een Boheemschen landvoogd, de bekeering der Pruisen. Deze edelmoedige geloofsverkondiger, dien zijn eigen volk had verbannen, vond even weinig bijval bij de Barbaren aan wie hij nu zijne krachten wijdde; want nauwelijks had hij het zaad des Geloofs beginnen uit te strooien of hij stierf den marteldood onder de pijlen der afgodendienaars (997). Doch nu kregen de Bohemers berouw over hun weerspannig gedrag jegens hunnen heiligen bisschop en landgenoot. Zij eischten zijn lichaam af en ontvingen het met groote eerbewijzing.
Uit eigen beweging verzaakten zij nu aan den slavenhandel en aan de veelwijverij waartegen de H. Adelbertus zich tevergeefs verzet had. Zoodat de heilige bisschop door zijnen dood een grootere zegepraal 'behaalde dan door zijne apostolische werken.
In 965 bekeerden zich de Polakken door aanleiding van hunnen hertog Miëcislaw. Deze had het geluk zijner bekeering te danken aan den invloed zijner echtgenoote Dombrowka, die Katholiek was en van Boheemschen oorsprong. Het Poolsche volk onderscheidde zich spoedig door zijne onwankelbare verkleefdheid aan den H. Stoel en aan het Katholiek Geloof, die heden nog onze bewondering
96
in den loop der eeuwen.
opwekt, in weerwil van de langdurige vervolging waaronder het sinds zoo vele jaren gedrukt gaat.
De Russen gingen tot het Christendom over omstreeks de helft der XIquot; eeuw. Doch zij volgden weldra de Grieken in hunne scheuring, en eilaas! zij schijnen nog niet geneigd tot den schoot der Roomsche Moederkerk terug te keeren. Zij zijn het. die heden het ongelukkige Polen verdrukken en het door de wreedste martelingen aan zijn Katholiek Geloof trachten te doen verzaken. Polen, wiens heldenzonen zoo dikwijls de Turken terugsloegen en Europa verlosten, is thans van allen verlaten; maar in ziinen tegenspoed toont het zich grooter door zijne onverwinne-lil'ke standvastigheid, dan tijdens zijne roemvolle overwinningen door zijn ontembaren krijgsmoed.
Ten jare 955 werd Duitschland overweldigd door een ontelbaar leger van Barbaren, die onder den naam van Madgyaren of Hongaren bekend stonden. De gansche landstreek van den Donau tot aan het Zwarte-Woud werd te vuur en te zwaard verwoest. Europa beefde bij het vernemen dier droeve tijding en vroeg zich angstig af of het wederom getuige zoude zijn van dezelfde gruwelstukken welke de invallen der Hunnen en der Noormannen vergezeld hadden. Hachelijk was de toestand. In het Zuiden vielen de Saracenen Italië en de kusten der Middellandsche zee aan, waar zij de velden verwoestten, de steden uitplunderden en de bewoners vermoordden ; in het Westen schrikte men nog bij de herinnering aan de door de Noormannen gepleegde gruwelen; de Christen volkeren van Gallië waren verzwakt door de burgeroorlogen welke do kleinzonen van Karei den Groote verwekt hadden. Waarvandaan zou redding komen ? â Zij kwam uit Duitschland en dat nog wel van dien Saksischen volksstam die nauwelijks een eeuw vroeger zoo moeilijk te bekeeren was geweest.
97
7
Ije Goddelijke beloften der 11. Kerk
Reeds waren de Hongaren doorgedrongen tot aan de stad Augsburg welke zij stormenderhand meenden in te nemen, evenals de andere steden die zij op hunnen weg hadden aangetrofien. Maar te Augsburg leefde toenmaals een heilige bisschop, üdalricus geheeten, die een dijk wist op te werpen tegen den aanstroomenden en vernielenden vloed der Barbaren. Zondereenig ander wapen dan zijn herderlijke stool, zette zich de heilige Kerkvoogd aan het hoofd der krijgslieden, wees de strijdposten aan en bleef den geheelen dag door aan de pillen der vijanden blootgesteld. Den volgenden dag droeg hij het heilig Misoffer op, zegende de troepen en spoorde hen aan gansch hun vertrouwen op God te stellen. Op hetzelfde oogenblik dat de Hongaren stormliepen, kwam men onverwachts den belegerden te hulp. 't Was Otto de Groote, koning van Germanic, aan het hoofd van een ontzaglijk heir. De Hongaren werden geheel en al verslagen. Zij vestigden zich in het land dat van toen af den naam van Hongarië draagt, en legden zich op den landbouw toe. Duitsche missionarissen verkondigden hun de goede tijding; doch hunne bekeering is vooral toe te schrijven aan den onvermoeiden ijver van den Heiligen Stcphanus, hun opperhoofd, nadat zich deze zelf bekeerd had. De H. Stephanus trad in overleg met Paus Sylvester II en schonk aan zijn land, in zake van Godsdienst, een volledige inrichting. Zijn ijver voor den Godsdienst was zoo vurig dat de Paus hem den titel van Apostolisch koning gaf en hem terzelfder rijd een prachtige kroon toezond. Deze kroon wordt nog heden ten dage in de plechtige gelegenheden door de keizers van Oostenrijk, die tevens koningen van Hongarië zijn, gedragen.
Otto de Groote, die de Hongaren te Augsburg versloeg, zegevierde ook in het jaar 947 over de Scandinavische volksstammen van Denemarken en Zweden en haalde
98
in dm loop der eeuwen.
hunnen koning en diens zoon tot het Christendom over. De H. Anscharius had reeds in 826 het eerste zaad des Geioot's daar te lande gestrooid en verscheidene geloofsge-zanten hadden zonder vreeze hun leven veil gehad voor de bekeering dier volkeren. De eer echter van voor goed het Katholiek Geloof in Denemarken gevestigd te hebben komt den koning Canutus toe, die om zijne heldendaden te recht Canutus de Groote genoemd en wegens zijne uitstekende deugden heilig verklaard en als een heilige vereerd werd (1016). De bekeering der Zweden werd onder hunnen koning, den Heiligen Eric, voleindigd (1152).
Zoo gelukte het der Kerke de grenzen van haar vredelievend rijk tot aan de verste uiteinden van Europa uit te breiden. Daar, waar nooit een menschelijk veroveraar had kunnen doordringen, daarheen zond zij hare onverschrokken missionarissen, daar zegepraalde zij ten langen laatste over al de tegenkantingen van het onbeschaafd en gewelddadig Heidendom, dat den vooruitgang van het Evangelie zocht te belemmeren. Deze feiten kunnen slechts verklaard worden door den bijstand der Goddelijke genade welke de werking der Kerk alom vergezelt en zich nu eens openbaart door schitterende mirakelen, dan weder door een samenloop van buitengewone omstandigheden en door het opdagen op het wereldtooneel van uitstekende mannen, door God gezonden om zijne werktuigen te zijn ten dienste der Kerk.
Otto I de Groote was klaarblijkelijk een dier uitverkoren mannen. Saks van oorsprong, raapte hij den keizerlijken schepterop dien de Frankische opvolgers van Karei den Groote uit hunne handen hadden laten vallen. Paus Joannes XII kroonde hem ten jare 962.
Otto de Groote, zoon van Hendrik den Vogelaar en van de H. Mathildis, was de echtgenoot van de H. Adelheid, die hij uit de gevangenis, waarin koning Borenger haar
99
100
deed zuchten, verloste, en tevens de broeder van den H. Bruno, aartsbisschop van Keulen. Doch hij zelf ook gaf, gedurende zijne gansche regeering, treffende bewijzen van den grootsten ijver voor de verdediging van het recht en voor de uitbreiding van het Geloof. Hij onderwierp de Hongaren aan zijnen schepter, overwon de Scandinaviërs, dreef de Saracenen uit het Noorden van Italië, deed zijne wapenen eerbiedigen niet alleen in Duitschland, maar ook in Frankrijk, in Italië en tot in het Oosten. De keizers van (Jonstantinopel trachtten hem als bondgenoot te hebben en, indien hem de dood niet verrast had (973), zou hij tot het toppunt der glorie gestegen zijn door aan het hoofd dei-kruisvaarders tegen de dweepzieke volgelingen van Mahomed op te rukken om het graf des Zaligmakers te bevrijden. Eeeds gingen de voorbereidselen tot dien heiligen krijgstocht goed vooruit, toen op eens Otto's dood dat schoone plan ten eenemnale verijdelde.
De tijden door de Voorzienigheid bepaald voor de verlossing van Jeruzalem waren nog niet gekomen. De Kerk had eerst nog een grootere taak te verrichten, namelijk eene inwendige hervorming die volstrekt noodzakelijk was geworden; want terwijl zij haar rijk altijd verder uitbreidde en, dank aan de milde giften der vorsten en der volkeren altijd rijker werd, waren in haren schoot vreeselijke misbruiken ingeslopen en tot in al de rangen der Kerkelijke hiërarchie, ja tot op den Heiligen Stoel zeiven doorgedrongen.
Schetsen wij nu met vlugge trekken dit nieuw gevaar dat het scheepje van den H. Petrus bedreigde en misschien een der hevigste stormen was, welke het sedert zijnen oorsprong tot op dit tijdstip getrotseerd had.
101
XIX.
JEZUS BEDAART DEN' STOEM.
(l A ls Jezus in het schip gestegen was, volgden hem zijne discipelen. En ziet. op eens ontstond een ziuare storm, zoodat het scheepje door de golven overdekt werd; en hij sliep. Dan kwamen zijne discipelen tot hem en wekten hem op, zeggende: Ileere, behoed ons, wij vergaan.
lt;( Fm Jezus antwoordde hun: Wat zijt gij vreesachtig, gij kleingeloovigen?â Toen stond hij op, gebood aan de winden en de'zee, en het werd zeer stil. quot; (St. Matth. VIII).
Dit Evangelisch feit is het beeld van de geschiedenis der Kerk. Op ieder oogenblik wordt zij door de hevigste stormen geteisterd, zoodat zij op het punt schijnt van te vergaan. Doch haar Goddelijke beschermer slaapt slechts en Hij laat de beproeving enkel toe om den bovennatuurlijken aard des triomfs des te beter te doen uitschitteren. Nauwelijks heeft God de noodkreten der geloovigen gehoord, of hij snelt ter hulpe, gebiedt den winden en der zee, en doet eene groote stilte heerschen.
Nooit misschien scheen de Kerk dichter bij haren ondergang dan in de Xe en XI'- eeuw. Toen immers had zij niet alleen te strijden tegen de gewelddadigheden der vervolgers, tegen de hinderlagen der ketters, tegen den opstand der nieuwe, nog halfbarbaarsche bekeerlingen ; â doch zij moest zich nog te weer stellen tegen eene kwaal die haar zelve aantastte, die tot op de verschillende trappen dei-Kerkelijke hierarchie doordrong, ja somwijlen zelfs den persoon des Pausen niet spaarde.
De vorsten en de volkeren hadden, uit vroomheid en ijver voor de eer van God, soms echter ook om staatkundige beweegredenen, de meeste bisdommen, abdijen, kloos-
102 Be Goddelijke beloften der H. Kerk
ters en kerkambten met rijke giften overladen. Dat was aanvankelijk een groote weldaad, die aan een ware maatschappelijke en Godsdienstige behoefte beantwoordde. De Kerk immers alleen was bij machte barbaarsche, onwetende en met de grove ondeugden des Heidendoms behepte volkeren te beschaven. Hoe deed zij dat? Zij gebruikte hare rijkdommen om het onderwijs te verspreiden, om de ellende der behoeftige standen te verzachten, om allerwegen wel te doen en de zeden te verbeteren, 't Zijn ja de bisschoppen, de apostolische missionarissen en de monniken die Europa verchristelijkt en beschaafd hebben.
Doch langzamerhand werden de rijkdommen eene oorzaak van bederf' en ondergang. Men streefde niet meer naar de Kerkelijke waardigheden uit louteren ijver voor het heil der zielen, maar ook om geheel andere beweegredenen. Mannen die geenszins met den geest Gods bezield waren, omhelsden den priesterlijken staat om tot eerepos-ten en rijkdommen te geraken. De vorsten gaven ze liefst aan hunne gunstelingen ten einde hunne macht beter te-vestigen. Al ras kwam men tot simonie, d. w. z. dat de Kerkelijke ambten voor geld door de vorsten verkocht en door bedorven lieden gekocht werden. Dientengevolge vielen de waardigheden der hierarchie in handen van plichtvergeten bisschoppen, abten en priesters. Tevergeefs verhief de Kerk hare stem bij monde harer Pausen en Conciliën, de kwaal verergerde steeds en een tijd brak aan dat de Heilige Stoel zelf het voorwerp werd der verachtelijkste hebzucht, ja dat Pausen hunne verkiezing aan geweld en geestelijken woeker te danken hadden. Schrikbarend was de storm die de verbolgen baren tot op de hoogste toppunten voortstuwde ! Was zij dan op het punt van te vergaan, die op de steenrots gebouwde Kerk, welke volgens de Goddelijke belofte duren moet tot aan de voleinding der eeuwen ?
Neen, Jezus sliep. Deze beproeving liet Hij toe om aan
in den loop der eeuwen.
te toonen dat de wonderbare duurzaamheid van zijn werk niet in de verste verte aan menschelijke krachten kan toegeschreven worden; Hij liet ze toe om te doen begrijpen dat het heil der wereld door Hem alleen bewerkt wordt en niet door de persoonlijke hoedanigheden, door de talenten, het vernuft en de deugd zelfs der werktuigen waar Hij zich van bedient.
De kleingeloovige schrikt bij het zien der gevaren welke de Kerk bedreigen, hij ergert zich over de zwakheden welke lüi somwijlen bij de dienaars van God aantreft. De geioovige integendeel die verlicht is, herinnert zich dat de Zaligmaker zijner Kerke niet beloofd heeft dat zij geen vijanden zal ontmoeten, maar dat zij te allen tijde over hen zal zegevieren; hij herinnert zich ook dat Petrus, alhoewel voor een oogenblik van het Geloof afgevallen, toch gekozen werd om de eerste Paus te worden. Wezen wij dus niet ongerust wanneer wij hooren zeggen dat in eene reeks van meer dan 260 Pausen er vijf of zes gevonden worden, wier leven niet vrij is geweest van zondige zwakheden; bewonderen Wij veeleer de Goddelijke Voorzienigheid die aan hare Kerk zooveel groote en heilige Pausen gegeven en altijd het goed uit het kwaad zelf getrokken heeft.
De afschaffing der zoo even aangestipte misbruiken kon alleen van God komen. Om ze te durven ondernemen was er een bovenmenschelijke moed noodig. Dien moed had de H. Gregorius VII. Zoon van een eenvoudigen timmerman, was hij om en door zijn vernuft en zijne deugd tot de hoogste bedieningen der Kerk opgeklommen. Als hij Paus geworden was, had hij slechts ééne bekommering meer, nl. de Kerk te verlossen van het schandelijk juk waaronder men haar deed zuchten. â De Bruid van Christus moet geene slavin zijn, quot; zeide hij, en quot; deze gedachte is als het ware de ziel en het leven van het paus-
103
104 De Goddelijke bdoflen der II. Kerk
schap van Gregorius, zij doet hem ontelbare vermoeienissen, ongehoorde vervolgingen en gewelddadigheden met een onwankelbare standvastigheid trotseeren.quot; (Lofrede van den H. Gregorius door Leo XIII uitgesproken).
XX.
DE H. GREGORIUS VII.
Met het pausschap van Gregorius VII vangt de Kerk een groot tijdperk aan: â Groot, zegt een Protestantse li geschiedschrijver (Voigt), door de uitvoering van een onmetelijk plan; groot wegens die algemeene omwenteling door het vernuft van één man alleen in Europa en in de gansche wereld teiveeggebracht; groot, omdat de wil eens Pausen hel aanschijn der aarde doet veranderen, nieuwe wetten en nieuwe instellingen doet geboren icorden van het Noorden van Europa tot aan de woestijnen van Afrika, van den At-lantischen Oceaan tot aan Palestina; â groot, zullen wij er bijvoegen, door de meer dan ooit klaarblijkelijke tusschen-komst der Goddelijke Voorzienigheid welke op het hache-lijkste oogenblik den buitengewonen man verwekte, dien zij bestemd had om het reusachtig plan van de hervorming der wereld op te vatten en de voornaamste hinderpalen, die de uitvoering van dat plan konden vertragen of onmogelijk maken, uit den weg te ruimen.
Welke waren deze hinderpalen? â 't Waren de Vorsten die er belang bij hadden het misbruik der investituren te vereeuwigen, d. w. z. de Bisschoppen te benoemen en zich het recht aan te matigen van met de tijdelijke macht ook de geestelijke te vergeven; die er belang bij hadden de Kerkelijke waardigheden te verkoopen om hunne ledige geldkassen te vullen; die er belang bij hadden eerambten, bedieningen en vorstendommen aan hovelingen te geven, minder geschikt om de priesterlijke bedieningen uit ce
in dm loop der eenwen. 105
oefenen dan om in alles de gewillige dienaars der keizerlijke en koninklijke macht te worden. â 't Waren vervolgens die geestelijke overheidspersonen, die, na eenmaal door omkooping, bedrog en simonie hun ambt bekomen te hebben, zich uit al hunne krachten tegen het Pauselijk gezag moesten verzetten, wanneer dit de bestaande misbruiken afschaffen en de schuldigen straffen wilde. â 't Waren do slechte priesters die de heilige wijdingen met geen ander doel ontvangen hadden dan om hunne heerschzucht of andere hartstochten, welke met do heilige zending van den bedienaar Gods lijnrecht in strijd zijn, te voldoen; en het getal dezer ongelukkigen was, ten gevolge der reeds vermelde omstandigheden, betrekkelijk zeer groot in de Xle eeuw. â 't Waren eindelijk krijgszuchtige en hardvochtige edellieden, dwingelanden in hunne kleine of groot e Staten, die aan hunne driften den ruimen teugel vierden en altijd gereed waren den degen te trekken, wanneer het er op aan kwam hunne wraakzucht te verzadigen, den zwakke te verdrukken, den rijke uit te plunderen en hunne macht en grootheid op den ondergang der uitgeplunderde bevolkingen te vestigen.
Met volle vertrouwen op den Goddelijken bijstand ging nu de H. Gregorius Vil aan dat heir van geduchte vijanden, die, om zoo te zeggen, de geheele maatschappij uitmaakten, den oorlog verklaren. De ontzaglijke moeilijkheid zijner taak ontveinsde hij zich niet. Reeds op den tweeden dag van zijn pausschap schreef hij aan Didier, abt van Monte-Gassino: â De dood van Paus Alexander is op mij teruggevallen; en ik kan zeggen met den profeet: â Ik ben in volle zee geworpen en de storm heeft mij onder water gedompeld.quot; â Ik smeek u mij de gebeden meer broeders te bezorgen.quot;
Hij begon zijne regeering met te Rome eene zeer talrijke
De G-oddelyke beloften der H. Kerk
Kerkvergadering biieen te roepen (ten jare 1074), en aldaar een besluit te doen nemen dat aan de geestelijken die zich plichtig maakten aan simonie of hunne geloften schonden, alle ambtsverrichting verbood en deze laatsten gerechtelijk aanmaande om voortaan overeenkomstig hunnen staat te leven ofwel aan de priesterlijke bediening vaarwel te zeggen. Den geloovigen verbood hij de door schuldige of wederspannige priesters gehouden kerkdiensten bij te wonen. Deze besluiten waren niets anders dan het herinvoeren en in zwang brengen van de aloude regeltucht der Kerk, welke nooit afgeschaft en altijd verdedigd was geworden door de voorgangers van den H Gregorius. Dank aan de verdraagzaamheid van zwakke of plichtvergeten kerkvoogden had men die tucht, eilaas! al te lang miskend en met voeten getreden. Toen men echter de krachtige taal van Gregorius hoorde, begreep men dat het nu met alle toegeving aan de ongebondenheid gedaan was. Allerwegen was men dan ook ontevreden en verzette men zich tegen 's Pausen decreten ; buiten Engeland dat er zich aan onderwierp, was het misnoegen bijna algemeen. Bewees dat alles niet zonneklaar, hoe groot de kwaal, hoe noodzakelijk het geneesmiddel was ?
Het volgend jaar belegde de H. Gregorius een nieuwe Kerkvergadering en, vast besloten om de kwaal in haren oorsprong te bestrijden, verbood hij, onder straf van den banvloek, aan alle leeken, hetzij keizer, markies, prins of koning, nog ooit iemand plechtig in bezit te stellen eener geestelijke waardigheid; aan de geestelijken, priesters, bisschoppen, verbood hij de investituur te ontvangen, d. w. z. zich door leeken plechtig in bezit te laten stellen van kerkambten of beneficiën, van abdijen, bisdommen en Kerkelijke waardigheden van welken aard zij ook zijn mochten. Met meer nadruk nog hernieuwde hij zijne vorige verordeningen tegen de simonie en de andere ongeregeld-
106
in den loop der eeuwen.
heden welke in de rijen der geestelijkheid waren ingeslopen. â Haat en tegenkanting waren, vooral in Duitsch-land, het antwoord op de Pauselijke besluiten. Aan het hoofd der tegenstanders bevond zich Hendrik IV keizer van Duitschland, een wreed, liederlijk, tiranniek vorst, te recht de Nero van het Noorden geheeten. Nauwelijks had hij de Saksische natie, die ten gevolge zijner knevelarijen, de wapenen had opgenomen, onder zijne overmacht verpletterd, of hij beraamde het plan den Paus te onttronen en Giesbertus, den simonischen bisschop van Eavenne, in zijne plaats te stellen. Te dien einde onderhandelde en kuipte hij met Censius, een machtig Romein, die de gezworen vijand des Pausen geworden was, omdat deze zijne misdaden bestraft had.
In den Kerstnacht van het jaar 1075 dringt Censius met eene bende soldaten in liet heiligdom door, waar de H. Gregorius het H. Misoffer op droeg: de ellendelingen werpen zich op 's Pausen heiligen persoon, grijpen hem met de haren vast en sleepen hem tot in eenen toren van Censius' slot. Hun plan is hem aan Hendrik IV over te leveren. Doch weldra heeft de tijding dezer euveldaad het volk van Rome tegen den heiligschender opgeruid. Een ontelbare volksschaar omsingelt het slot van Censius en dreigt het tot in den grond af te breken, bijaldien de Paus niet aanstonds in vrijheid wordt gesteld. De verraders zijn even lafhartig als wreed. Censius werpt zich van schrik aan de voeten van Gregorius die hem vergeving schenkt, maar tevens de bedevaart naar Jeruzalem als boete oplegt. Als de Paus nu weer voor zijn volk verscheen, was de blijd' schap onbeschrijfelijk en steeg de geestdrift ten top. Triom -fantelijk werd hij tot in de kerk gedragen, waar hij het H. Misoffer voortzette te midden van de vreugdetranen dergenen die hem verlost hadden. Censius, de verrader-vluchtte uit Rome en begaf zich tot Hendrik IV.
107
De Goddelijke beloften der H. Kerk
Ziedaar hoe God voor een eerste maal zijne macht deed uitschijnen ten gunste van zijnen Stedehouder op aarde. Op het oogenblik dat alles verloren scheen, zond hij hem onverwachts hulp toe en gaf hem, in de getrouwheid en de liefde van zijn volk, een machtigen bondgenoot om zijne plannen van hervorming te verwezenlijken.
Nadat de samenzwering van Censius mislukt was, waagde zich Hendrik IV in een openlijken strijd tegen den Paus GregoriusJneene te W orms belegde vergadering van bisschoppen die door simonie hun ambt verkregen hadden, liet hij den H. Vader van de afschuwelijkste mis' daden beschuldigen; men noemde hem ketter, een wild en bloeddorstig dier. Een bijzondere gezant, met name Roland, werd belast twee brieven naar Rome te dragon, waarvan de eene aan het volk, de andere aan den Paus zeiven gericht was. Hendrik IV verklaarde daarin deu monnik Hil-debrand vervallen van het Pausschap, als zijnde onwaardig nog langer op dm Stoel van den H. Petr us te zetelen.
De H. Gregorius had alle middelen van verzoening uitgeput ; al de pogingen welke hij tot dusverre gedaan had om den keizer op den weg der deugd terug te brengen, waren vergeefsch. Eindelijk dan ook willigde hij het eenparig verlangen in der te Rome vergaderde Synode: te midden der Kerkvergadering stond hij op en sprak tegen den plichtvergeten vorst den banvloek uit. ïe gelijker tijd ontsloeg hij alle Christenen van den eed van getrouwheid dien ze hem gezworen hadden.
De afkondiging van den Kerkelijken ban maakte op de Katholieke wereld een onbeschrijfelijken indruk. Hendrik IV wilde daartegen inwerken, doch hij begreep aldra dat hij verloren was indien hij zich niet onderwierp. Ook om bet dreigend gevaar af te wenden, nam hij zijne toevlucht tot de huichelarij.
Vernomen hebbende dat de Paus zich op reis had bege-
108
in den loop der eeuwen.
ven om een algemeenen landdag van het Duitsch keizerrijk te Augsburg te komen voorzitten, ging hij hem te gemoet tot Canossa, een slot van gravin Mathildis. Deze vorstin was den H. Stoel innig toegedaan en zij had de eer haren naam onafscheidbaar te maken van den heldhafti-gen strijd des Pausen Gregorius tegen de Germaansche dwingelandij. In het gewaad van eenen boetvaardige verscheen Hendrik I V vöör de poorten van het slot en vroeg om vergeving. Daar wachtte hij drie dagen, vastend en biddend, op de uitspraak van den Paus. Deze liet zich eindelijk bewegen; â - Hendrik IV had zijne kroon gered.
Hij keerde evenwel naar Duitschland terug, met de woede in het hart en alleen bedacht op de middelen welke hij zou aanwenden om zich op Gregorius te wreken. Een heimelijke poging om den persoon des Pausen in handen te krijgen mislukte, dank aan de waakzaamheid en getrouwheid van Mathildis. De oorlog barstte weder uit met meer woede dan ooit. Aan de zijde van Gregorius bevonden zich de getrouwe bisschoppen, de edellieden die Hendrik's dwingelandij moede waren, en het volk dat over de afpersingen waarvan het te lijden had, verontwaardigd was. Aan de zijde van Hendrik rangschikten zich al degenen die over de rechtmatige wetten van den H. Stoel te klagen hadden. De fortuin scheen den wederspannigen vorst toe te lachen. Rudolf van Zwaben, de nieuwgekozen keizer, sneuvelde onder de slagen van Godfried van Bouillon, toen hij reeds het leger van Hendrik versla'gen had. De dood van Rudolf deed den kerkbanneling en zijne aanhangers weder moed scheppen. Aan het hoofd van een machtig leger, drong hij Italië binnen en rukte tegen Rome op. Na een lang en moorddadig beleg, maakte hij zich van de Eeuwige Stad meester en belegerde den H. Gregorius VII in den Engelburcht, het laatste toevluchtsoord van den moedigen Paus. De keizer waande zich zeker van de zegepraal, maar hij had gerekend zonder God.
109
110 De Goddelijke beloften der II. Kerk
Een besmettelijke ziekte brak uiten dunde merkelijk het keizerlijk leger ; hierbij kwam nog dat Robert Guiscard, die zich kort te voren met den H. Stoel geheel en al verzoend had, aan het hoofd van dertig duizend Noormannen, Paus Gregorius ter hulp snelde. Dezen aanval was Hendrik IV niet bij machte af te slaan en hij vluchtte iilings uit Rome, knarsetandend van woede en spijt, omdat hij zijn prooi had moeten achterlaten op het oogenblik dat hij slechts de hand behoefde uit te steken om ze vast te grijpen.
De H. Gregorius VII behaalde dus de zegepraal over zijnen wreeden vijand, maar zijne heldhaftige ziel had zijne levenskrachten uitgeput. Te Salerno teruggetrokken, voelde hij dat hem het leven begaf. Tot de Kardinalen die hem omringden, zeide hij met tranen in de oogen : , Ik ga daarboven, ik zal u aan den Algoeden God aanbevelen.quot; Drie mannen wees hij hun aan die hij waardig achtte zijn werk voort te zetten. Twee dezer kerkvoogden volgden hein inderdaad op onder de namen van Victor III en Ur-banus II, den Paus der kruistochten.
Alvorens den geest te geven sprak de H. Gregorius VII deze woorden uit, die zijn gansch leven in het kort samenvatten : â Ik heb de rechtvaardigheid bemind en de ongerechtigheid gehaat, daarom sterf ik in ballingschap.quot; 't Was den 25 Mei 1085.
Sedert dien tijd zijn acht eeuwen vervlogen. Het werk van den H. Gregorius is voltooid geworden; de misbruiken welke hij bestreden had, zijn uitgeroeid; de vorsten die ze handhaafden, hebben hunne macht en goddelooze plannen zien te niet gaan ; andere stormen zijn opgekomen en bedaarden op hunne beurt, en onlangs, in het jaar 1885 vierde Leo XIII, die in het Vaticaan gevangen zit en het slachtoffer is eener nieuwe tegen den H. Stoel gerichte samenzwering, in eene bewonderenswaardige redevoering, waarin zijn moed en zijn vertrouwen op God uitstralen.
Ill
het achtste eeuwfeest des vermaarden kampvechters voor de rechten van God en van de Kerk!
Hoe opbeurend is deze samentreffing voor de zwakken, hoe troostvol voor de geloovigen ! Wij hebben Hendrik IV voor Gregorius VII zien te voet vallen: zijne huichelarij heeft hem voor een oogenblik van den ondergang gevrijwaard, doch heeft den eindtriomf van het recht niet kunnen verhinderen. Eveneens kunnen wij zeker zijn dat de heden-daagsche KerkvervoJgers hunne plannen zullen zien verijdeld worden en dat in de XIX1- gelijk in de vervlogen eeuwen, de Kerk / egevierend uit den strijd zal te voorschijn komen, alti;d zuiverder en heiliger om hare Goddelijke zending, de zaligmaking der menschen, tot aan de voleinding der eeuwen voort te zetten.
XXI.
DE KRUISTOCHTEN.
Urbanus 11 oogst de eerste vruchten in van dien langen en hardnekkigen strijd des H. Gregorius VII tegen de misbruiken van zijnen tijd. Hij ziet de volkeren meer en meer vertrouwen stellen in den gemeenschappelijken Vader der geloovigen; tot den Paus nemen zij hunne toevlucht in alle openbare rampen, overtuigd dat hij van al zijn gezag en van al zijne macht zal gebruik maken om hen van hunne onheilen te bevrijden en tegen onrechtvaardige aanvallen te beschermen. Philippus I, koning van Frankrijk, die sedert lang zijnen onderdanen ergernis gaf door openlijk in overspel te leven, onderwerpt zich aan het strenge vonnis, tegen hem door de Kerkelijke overheid uitgesproken, en belooft onder eed, voor God en voor de menschen, zich voortaan volgens de Evangelische zedenleer te gedragen. Ook in andere landen ziet de opvolger van Gregorius de Kerkelijke tucht met nieuwe kracht
] 12 ]-gt;lt;â Goddelijke beloften der II. Kerk
herbloeien en de gevoelens van het geloof weer levendiger worden in de harten der vorsten en der onderdanen. God zond hem tevens groote en heilige medehelpers toe, zooals den H. Yvo, bisschop van Chartres, den H. Anselmus, opvolger van den H. Lanfrancus op den aartsbisschoppe-lijken zetel van Canterbury, den H. Bruno, bisschop van Segni, den H. Hugo, hersteller van de abdij van Cluny, den H. Bruno, stichter van het beroemde Karthuizerklooster en vele andere Heiligen, die geene moeite spaarden om overal de wijze decreten van den H. Gregorius VII en van Urbanus II te doen aannemen en naleven. Vooral echter vereeuwigde de laatstgenoemde Paus zijn naam door den grooten kruistocht dien het hem gelukte tot stand te brengen om Jeruzalem en het Heilig Land van de schandelijke heerschappij der Mahomedanen vrij te maken.
De eene overwinning na de andere behalende, waren de Saracenen en de andere Muzelmannen tot aan de poorten van Gonstantinopel voortgerukt. De Grieksche keizer Alexis Comnenus was als de voorhoede der Katholieke wereld, doch hij voelde zich niet bij machte om den alles overweldigenden stroom tegen te houden, en liet een noodkreet hooren die waarschijnlijk zoude zijn verloren gegaan te midden van het gedruisch der veldslagen welke de volken van Europa onder elkander leverden, hadde niet eene door Gods Voorzienigheid beschikte omstandigheid aan 's keizers stem een ongehoorden weergalm verleend.
Een arme monnik van Amiens, Pieter de Kluizenaar, was teruggekomen van zijne pelgrimsreize naar Jeruzalem, waar hij van de gruwelen, die het Heilig Land onteer-den, getuige was geweest. Over al die schanddaden verontwaardigd, wendde hij zich dan tot den Paus en vroeg hem de volmacht om den heiligen krijg te prediken tegen
in den loop der eeuwen.
de vijanden en ontheiligers van het graf des Zaligmakers. Reeds had Urbanus II met hetzelfde inzicht eene Kerkvergadering te Clermont, in Frankrijk, belegd (1095). Veertien aartsbisschoppen, tweehonderd vijf en twintig bisschoppen, negentig abten, de gezanten van bijna al de Christene vorsten, eene ontelbare menigte edellieden en krijgshelden waren aldaar vereenigd.
Midden op een uitgestrekt plein werd een troon opgericht. Dien troon besteeg de Paus, gevolgd van zijne Kardinalen. Eene rilling ging door de volksschaar heen, toen men op eens naast den Paus het uitgemergeld en bleek gelaat van Pieter den Kluizenaar aanschouwde. De nederige monnik was de eerste die het woord voerde. Hij verhaalde de heiligschennissen welke hij te Jeruzalem gezien had, de schandelijke mishandelingen welke de Christenen en de priesters vanwege de Sarracenen te verduren hadden.
Terwijl Pieter de Kluizenaar den deerniswaardigen toestand van de Heilige Stad afschilderde, kon men opzijn aangezicht de uitdrukking der diepste droefheid lezen en werd zijne stem onder een vloed van tranen gesmoord; zijne hevige ontroering drong in alle harten door. Toen hij opgehouden had met spreken, stond Urbanus II op en hield eene plechtige toespraak waarin hij, met den ijver voor Gods huis bezield, de Christen krijgslieden ten strijde aanvuurde, tot dien heiligen krijg welke duizendmaal wettiger was dan hunne bloedige broedertwisten. quot; Soldaten der hel, quot; riep hij uit, quot; wordt de soldaten van God! Niet de beleedigingen der menschen, maar die van den Heer der heirscharen moeten gewroken icorden.... Soldaten van den levenden God, niets weer-houde u in uwe haardsteden ! en gedenkt wat de Heer gezegd heeft: Al wie om mijnentwil zijn vader, zijne moe-(hr, zijne echtgenoote, zijne kinderen of zijn erf zal verlaten
113
114 De Goddelijke beloften der H. Kerk
hebben, zal een honderdvoudig loon ontvangen en het eeuwig leven bezitten. quot;
Bij deze woorden stonden al de aanwezigen als één man op en riepen uit in een oogenblik van bewonderenswaardige geestdrift: God wil het! God wil het! â Dan sloeg de Paus zijne oogen hemelwaarts, deed allen zwijgen en sprak: quot; Deze woorden : God wil het! moeten voortaan uw oorlogskreet wezen. Het kruis zij uw vaandel; het prijke op uwe borst, op uwe wapenen, op uwe standaarden ; het zal voor u het onderpand zijn der overwinning of de palmtak der martelaren. quot;
De eerste stoot was gegeven, de beweging liep voort van volk tot volk en gansch Europa stond weldra overeind : vorsten en volkeren, edellieden en boeren namen om strijd het kruis en, reeds het volgend jaar, togen verscheidene legers, waarvan het voornaamste door Godfried van Bouillon werd aangevoerd, uit verschillende punten van Europa naar Constantinopel, om vandaar door Klein-Azië en Syrië, naar Jeruzalem voort te rukken.
De hinderpalen, welke de Kruisvaarders uit den weg hadden te ruimen, waren zoo groot dat zij er allen tot den laatsten man het leven zouden hebben gelaten, hadde God hen niet in menige gelegenheid op wonderbare wijze begunstigd. De keizer van Constantinopel die hen te hulp geroepen had, verschrok van hun verbazend groot getal, en, in plaats van hen te helpen, poogde veeleer hunne onderneming te doen mislukken. Terwijl de Kruisvaarders den vijand van voor hadden, loerde dus achter hen een ven-ader op de gelegenheid om hen onder zijne macht te brengen of te verdelgen. Ondertusschen verhinderde hij het verzenden der voor het leger noodzakelijke-levensmiddelen en berokkende den Kruisvaarders de grootste moeilijkheden.
Na de inneming der machtige stad Nicea, zetten de
m den loop der eeuwen.
Kruisridders, in twee legerkorpsen verdeeld, hunnen tocht voort. Het eene korps stond onder bevel van Bohemond, het andere werd aangevoerd door Godfried van Bouillon, die van toen af als opperbevelhebber van de gansche Christen strijdmacht erkend werd. Te Dorylea stuitte Bohemond eensklaps tegen een leger van driehonderd duizend Muzelmannen. In weerwil van zijn wonderbaren heldenmoed ging hij onder het getal bezwijken, toen Godfried van Bouillon aan het hoofd van veertig duizend ruiters toesnelde en de nederlaag in eene schitterende overwinning veranderde.
Onder de muren van de stad Antiochië, wier beleg acht maanden duurde, liep het leger der Kruisvaarders een allergrootst gevaar. Godfried van Bouillon was, ten gevolge eener wonde welke hij verscheidene maanden te voren op jacht ontvangen had, kwijnend, ja zelfs zoo ziek dat men alle hoop op genezing begon op te geven. Het leger had zijn beleidvollen aanvoerder niet meer en geleek thans op een lamme wiens ziel nog kloek is, maar wiens ledematen machteloos zijn. De overige vorsten, uit ijverzucht, twistten gedurig onder elkander; de algemeene tucht verslapte en allerhande ongeregeldheden slopen in de gelederen van het leger binnen. Het beleg ging niet vooruit; vele soldaten sneuvelden door het zwaard der Turken, die elke gelegenheid te baat namen om moorddadige uitvallen te doen; het winterseizoen bracht schaarschheid mede en hongersnood; van de zeventig duizend strijdpaarden bleven er ternauwernood twee duizend over sterk genoeg om dienst te doen. Bij den hongersnood kwam weldra nog de pest; schrikbarend werd de sterfte ; de dooden werden niet meer begraven, want men was te moedeloos om ze ter aarde te bestellen, 't Was alsof alles tot den ondergang van het Christen heir samenwerkte, alsof God zelf het verlaten had tot straf van zijne tuchteloosheid.
115
116 De Goddelijke beloften der H. Kerk
Alsdan smeekte 's Pauken legaat, Adhemar van Mon-teil, de plichtvergeten Kruisvaarders tot inkeer te komen en door oprechte boetvaardigheid Gods toorn te bedaren. Naar zijne stem werd geluisterd. Het gansche leger vastte drie dagen, deed openbare boetvaardigheid, zoengebeden en processiën. Na deze dagen waren de met God verzoende soldaten als het ware herschapen. De misdaden en ongeregeldheden hielden op en de krijgstucht herleefde naarmate dat de godsvrucht en het geloof weder in de harten heerschten. Weldra dan ook toonde God dat hij zich had laten bewegen. Godfried van Bouillon, de ziel van het leger, begon te genezen en was, na weinige dagen, weer op de been. Dat gold meer dan eene overwinning : ook werden den Almachtige plechtige dankzeggingen gedaan. Terzelfder tijd kwamen overvloedige levensmiddelen aan, de pest hield op met hare verwoestingen, en het krijgsgeluk keerde terug onder de vaandels der Kruisvaarders.
Dan vernam men dat een leger van dertig duizend Turk-sciie ruiters nog slechts eene dagreis van Antiochië verwijderd was, en het kamp der Christenen zou komen bestormen, op hetzelfde oogenblik dat de belegerden een algemeenen uitval zouden wagen. Doch Godfried van Bouillon besloot hun plan te verijdelen. Al de ridders die nog een paard of een muilezel bezaten, ten getale van zevenhonderd, verzameld hebbende, vertrok hij met dezen kleinen troep en legde zich in hinderlaag op twee uren afstand van Antiochië. Bij de eerste morgenschemering zagen zij het vijandelijke leger in ontzaglijke drommen opdagen. De zevenhonderd helden, die zich allen met de kracht van boven gewapend hadden door de Sacramenten der Biecht en des Altaars te ontvangen, wierpen zich als leeuwen midden in de Turksche krijgsbenden. Vreeselijk was de worsteling, maar van korten duur. De vijanden werden uiteengeslagen en vluchtten naar alle kanten,
in den loop der eeuwen.
duizenden lijken achterlatend. En wat nog verbazender was dan de overwinning zelve, de Kruisvaarders hadden slechts drie of vier hunner mannen verloren.
Na dit schitterend wapenfeit, werd het beleg van An-tiochië met nieuwen ijver voortgezet, toen zich op eens een rampzalig gerucht verspreidde: men zeide dat ruim tweehonderd duizend Turken in aller ijl naar de belegerde stad Antiochië oprukten om ze te ontzetten. Groot was de schrik door dit rumoer teweeggebracht. De graaf van Blnis vluchtte op schandelijke wijze om aan de ramp die hij voorzag te ontkomen. Godfried van Bouillon liet dan afroepen dat elk weglooper met den dood zou gestraft worden. Doch de toestand bleef daarom niet minder hachelijk. Niet tweehonderd duizend, maar een millioen vijanden waren in aantocht onder bevel van Kerbogha. Geheel het Oosten was opgestaan om de Christenen te verpletteren en de dertig duizend ruiters die Godfried zoo even overwonnen had, vormden slechts eene kolom van het eigenlijk leger, afgezonderd om op verkenning uit te gaan. Terwijl Kerbogha op Antiochië aanrukte, wilde hij de stad Edessa waarvan Boudewijn, broeder van Godfried, prins was geworden, overmeesteren. Twintig dagen lang had hij deze stad belegerd en bestormd, doch tevergeefs, dank aan Bou-dewijns heldenmoed. Deze vertraging was het behoud der Kruisvaarders. In den tusschentijd werd Antiochië, dank aan een gelukkig waagstuk, ingenomen. Daags na dezen triomf, zagen de Kruisvaarders van op de veroverde wallen de ontelbare krijgsbenden van Kerbogha in de vlakte aanrukken, de gansche landstreek met een woud van lansen overdekken en zich in de tenten welke zij ijlings verlaten hadden, legeren. Van belegeraars werden zij nu belegerden.
Kerbogha waande zich zeker van de overwinning. â Geen enkele dier goddeloozen, quot; zoo schreef hij aan den kalif van
117
De Goddelijke beloften der H. Kerk
Bagdad, â zal aan den dood of aan de slavernij ontsnappen.quot; Menschelijkerwijze gesproken, moest het zoo wezen. De hongersnood dunde sterk de gelederen der Christenen; de overlevenden waren uitgeput en krachteloos ; slechts met moeite vond men nog het vereischte getal mannen om de vestingwallen te bewaken ; de moedeloosheid maakte zich van de heldhaftigste zielen meester; alle hoop scheen verloren. Dan echter toonde zich de Voorzienigheid weder op zichtbare wiize, om de Kruisvaarders te redden.
Een vrome kloosterbroeder, van Lombardischen oorsprong, slaagde er in de gemoederen weder op te beuren, door den Kruisvaarders de stellige verzekering te geven dat de H. Ambrosius, in eene verschijning, hun de overwinning beloofd en zelfs den dag hunner triomfantelijke intrede in de stad Jeruzalem bepaald had. Een ander nog wonderbaarder feit vervulde het gansche leger met geest. drift.Een arm Provengaalsch priester, Pieter Bartholomaeus kwam aan de krijgshoofden zeggen dat de H. Apostel Andreas hem de plaats geopenbaard had waar de lans, die de zijde Onzes Heeren doorboord had, begraven lag, en dat deze lans een onderpand der overwinning wezen zoude, indien zij in de gevechten aan de spits van het leger gedragen werd.
Bij het verhaal van dien priester bleven aanvankelijk schier allen ongeloovig, maar inden uitersten nood waarin men verkeerde, hechtte men zich aan eiken straal van hoop, hoe flauw hij ook was, en men besloot op de aangeduide plaats te delven. Na een ganschen dag van vruchte-loozen arbeid, stiet eensklaps het houweel van een werkman tegen de punt van een ijzer, 't Was de heilige lans. In een oogenblik liep de gelukkige tijding de gansche stad rond. Onbeschrijfelijk was de geestdrift welke zij teweegbracht. Alle vermoeienis, alle lijden was vergeten. Ridders,
118
in den loop der eeuwen.
krijgsknechten, pelgrims, allen vroegen om ten strijde gevoerd te worden.
Godfried van Bouillon wenschte niets vuriger dan den ijver, die al zijne krijgers bezielde, ten nutte te maken. Den 28 Juni 1098, na het Brood der sterken genuttigd te hebben, trokken al de Kruisvaarders die de wapenen nog konden torsen, met vliegende vaandels de stad Antiochië uit. Godfried verdeelde her. in acht legerkorpsen en viel den vijand aan zonder hem den tijd te geven om zich te bezinnen. De overwinning begon alras den Christenen toe te lachen. Kerbogha werd geheel en al verslagen en ware op het slagveld gesneuveld, hadde hij niet hals over kop de vlucht genomen. Al de rijkdommen van zijn kamp vielen in de handen der Kruisvaarders die, uitgeput van vermoeienis, den volgenden nacht onder de legertenten der Turken sliepen, na zich aan den maaltijd die voor hunne vijanden toebereid was, vergast te hebben. Eenparig werd deze onverhoopte overwinning toegeschreven aan de Heilige Lans welke de Christenen ten strijde had aangevuurd. â Ik had de eer het kostbaar heiligdom te dragen, quot; zeide Raimond van Agiles, â en hen getuige geiveest van de bescherming welke zij ons in dezen heuglijken veldslag verleende. Ofschoon van alle zijden van vijanden omgeven, werd geen enkele van hen die met mij in den troep van Adhe-mar de Monteil voortrukten, gewond; de pijlen der Turken vielen krachteloos aan onze voeten neder. quot;
Slechts in de lente van het volgend jaar (1099) verliet het leger der Kruisvaarders het land van Antiochië om zijnen tocht naar Jeruzalem voort te zetten. Verscheidene gevechten moest het nog leveren en groote hinderpalen, die ziinen marsch vertraagden, uit den weg ruimen. Den 7 Juni eindelijk zag het in de verte de stad Jeruzalem. Alsdan weerklonk uit aller borst een onbeschrijfelijk vreugdegeroep : Jeruzalem! Jeruzalem! De voetgangers trokken
119
120 De Goddelijke beloften der H. Kerk
hun schoeisels uit, de ridders stegen van hunne strijdrossen, allen knielden neder, en in tranen wegsmeltend wisten zij niet hoe zij hunne vreugde, hunne dankbaarheid jegens God, hunne heilige geestverrukking zouden lucht geven.
De stad Jeruzalem was zeer versterkt en bevatte een garnizoen van veertig duizend man. Alle voorzorgen waren aangewend om de inneming moeilijk, zoo niet onmogelijk te maken. Na een eersten, doch vruchteloozen stormloop, zagen de Kruisvaarders in dat men tot een geregeld beleg moest overgaan. De brandende zomerhitte, het gebrek aan water en levensmiddelen, de dagelijksche gevechten tegen een waakzamen vijand, alles werkte samen om de soldaten van het Kruis te ontmoedigen op het eigen oogenblik dat zij het zoolang gewenschte doel bijna bereikt hadden. Velen hunner, alle hoop verliezende op een goeden uitslag, hadden den weg ingeslagen naar Joppe om zich daar in te schepen en naar Europa terug te stevenen; maar een onverwachte hinderpaal noodzaakte hen op hunne schreden weder te keeren. De vloot der Christenen was juist door Egyptische kruisers gekaapt geworden. De terugkeer in hun vaderland werd dus onmogelijk, het leger bleef aan zich zelf overgelaten: het moest overwinnen of sterven.
In dien uitersten nood stelden de Kruisvaarders al hun vertrouwen op God. Een driedaagsche vasten werd voorge-geschreven, waaronder allen moesten biechten en zich met hunne broeders verzoenen. Het triduum eindigde met eene plechtige processie. De ongeloovigen die dezen vromen bedetocht van op de wallen gadesloegen, lachten er mede en bejegenden ze met smaadwoorden en godslasterlijke spotternijen. De Kruisvaarders beefden van verontwaardiging bij het zien van dat hemeltergend schouwspel, doch zij betoomden hunne drift en zwoeren de beleedigingen, door de volgelingen van Mahomed tegen het Christengeloof uitgebraakt, zoo spoedig mogelijk te wreken.
in den loop der eeuwen.
De 14 Juli werd aangewezen voor een algemeenen stormloop, 's Nachts voor den aanval deed Godfried van Bouillon, de slagorde geheel en al veranderen, in de hoop van zoodoende op de punten, waar men zou stormloopen, minder wederstand te ontmoeten. Doch men had den gan-schen volgenden dag noodig om met veel moeite de reusachtige torens en andere krijgstuigen nader bij de wallen te brengen, zoodat de belegerden ook den tijd hadden hun oorlogsmaterieel naar de bedreigde punten over te voeren. Des anderendaags, bij net krieken van den dag, begon de aanval. â Dien dag,quot; zegt Willem van Tyr, â was er geen zieke, geen kind, geen grijsaard dieniet soldaat werd. Allen hadden gezworen voor Christus te sterven of met hem te overwinnen.quot;
De tegenstand was echter niet minder hevig dan de aanval, 's Middags was het den Kruisvaarders nog op geen punt gelukt de vestingwallen te beklauteren of er bressen in te maken. De meeste krijgstoestellen waren verbrijzeld of vernietigd door het Grieksch vuur; de soldaten waren uitgeput, de moedeloosheid maakte zich van de kloeksten meester.
Reeds was er sprake van de bestorming tot op den volgenden dag uit te stellen, en gansche troepen soldaten, ongevoelig voor de spotternijen hunner zegepralende vijanden, verwijderden zich uit het gevecht. â âDan,quot; zegt de geschiedschrijver Willem van Tyr, â schitterde de macht Gods uit, wanneer menschelijkerwyjze alles hopeloos was.
Boven den Olijfberg zag men in de lucht een ridder zweven, die boven zijn hoofd een schild zwaaide en met een wenk aan onze legioenen te kennen gaf dut zij ten strijde moesten wederkeeren. Deze verschijning vervulde Godfried van Bouillon en zijn Jbroeder, Eustachius van Bologne, met eene onbeschrijfelijke vreugde. Met luider stemme riepen zij
121
De Goddelijke beloften der H. Kerk
de vluchtelingen terug.quot; lueenoogenblik ging de volslagen moedeloosheid der Kruisvaarders tot de vurigste geestdrift over. Met een onweerstaanbaar geweld bestormen zij nu weder de vestingwallen. De toren waarop Godfried van Bouillon zich bevindt, wordt door duizenden handen voortgeduwd, en eindelijk tot tegen den muur gerold, de valbrug slaat neer op de borstwering, en, met den degen in de vuist, werpen zich Godfried, Eustachius en de twee broeders Ludolf en Gislebert van Doornik op de vijanden. Eene menigte ridders en soldaten volgen hen op de hielen. Jeruzalem was ingenomen, op eenen Vrijdag, 15 Juli 1099, te drie urn's namiddags, uur waarop de Zaligmaker aan het kruis den geest gaf.
Terwijl de Kruisvaarders hunne overwinning voleindigden en te midden der Saracenen een afgrijselijk bloedbad aanrichtten, ontdeed zich Godfried van Bouillon van zijne wapenrusting, trok het wollen kleed der boetelingen aan en ging barrevoets nederknielen op het graf Onzes Heeren Jezus-Christus dat hij met zijne tranen besproeide. Zijne vroomheid strekte nogmaals den Kruisvaarders ten voorbeeld : hun toorn bedaarde, het bloed hield op te vloeien. De gewijde lofzangen en gebeden vervingen thans het krijgsgeschreeuw en het gekerm der gewonden. Eenige dagen later werd de held der Kruisvaart, te midden van het algemeen vreugdegeroep, op den nieuwen troon van Jeruzalem -geplaatst. Even ootmoedig als dapper, aanvaardde Godfried den eerepost, doch weigerde den koningstitel aan te nemen en een gouden kroon te dragen ter plaatse waar zijn Verlosser met doornen gekroond was geworden.
Wanneer de tijding van Jeruzalem's verlossing in Europa kwam, leefde Urbanus II niet meer. De heilige Paus die hetgrootsche werk had beraamd en aangevangen, smaakte het geluk niet er op deze wereld de volvoering van te zien.
122
in den loop de eeuwen.
123
De Kruistochten zijn ongetwijfeld een der belangrijkste en schitterendste episoden der Kerkelijke geschiedenis. Al hadden zij ook niet voor gevolg den Christenen het bezit van Jeruzalem en van het Heilig-Land voorgoed te verzekeren, toch is het onloochenbaar dat zij zeer groote en gun stige uitwerksels voortbrachten. Constantinopel, dat reeds in de XIe eeuw bedreigd was, viel slechts 400 jaren later in de macht der Turken. In stede van zelf door de dweepzieke Turken besprongen te worden, trok Europa tegen hen te velde in hun eigen land en het ontsnapte aan hunne verdierlijkende heerschappij; de Christen volkeren leerden onder de leiding van het Opperhoofd der Kerk, tegen den gemeen-schappelijken vijand samen te spannen en vonden in de Kruistochten een afleidend middel voor hunne oorlogzuchtige hartstochten ; het lot der volken werd verbeterd, zij verkregen rechten en voorrechten welke aan de dwingelandij der edellieden paal en perk stelden ; koophandel en nijverheid gingen vooruit; op het gebied van wetenschappen, letteren, en schoone kunsten, ontwaakte wederom de goede smaak, dank aan de herinneringen door de Kruisvaarders uit het Oosten meegebracht. Kortom, de Kruistochten behoedden de Christelijke beschaving voor de Mu-zelmansche barbaarschheid en baanden den weg tot die roemvolle weerwraak, van welke de XVI» en XVIIquot; eeuwen getuigen waren. quot;Wat ware er gebeurd, indien God niet op een gegeven oogenblik de levenskrachten van Europa tegen het Mahomedisme vereenigd had om dit in zijn vooruitgang te stuiten? â Wij weten het niet, â maar het staat ons vrij te gelooven dat, indien het droevig lot der Christengemeenten van Azië en Afrika ook niet liet onze is geworden, wij zulks grootendeels aan de heldendaden van Godfried van Bouillon te danken hebben.
124 De Goddelijke beloften der H. Kerk
XXII.
DE H. BERNABDUS EN DE H. NORBEETUS.
Onder de mannen van uitstekende deugd en apostolische vrijmoedigheid die God gedurende de XIIe eeuw verwekte om het grootsche werk van hervorming, door den H. Gre-gorius VII zoo kloekmoedig aanvaard, voort te zetten en te voltooien, zijn er twee die ontegenzeglijk de eerste plaats verdienen : De 11. Bernardus en de H. Norbertus. De invloed dezer beide Heiligen, die van Bernardus vooral, strekt zich over gansch het Katholiek Europa uit. â Om tot de menschen te spreken, quot; â zoo zeide men destijds, â heeft de liefde de gedaante van Bernardus en het geloof die van Norbertus aangenomen.''
De H. Norbertus was van vaderszijde met de keizers van Duitschland verwant en van moederszijde afkomstig van de familie van Godfried van Bouillon. Aan het hof van keizer Hendrik V, waartoe hij behoorde, bracht hij zijne jeugd in de geneugten en ijdelheden dezer wereld door; droombeelden van grootheid en heerschzucht bedwelmden zijnen geest. Terwijl hij op zekeren dag naar een feest ging (1114), werd hij midden in het veld door een hevig onweder verrast. De bliksem viel voor zijne oogen in den grond en wierp hem van zijn paard. Norbertus bleef een geruimen tijd. zonder kennis, op den weg uitgestrekt. Als hij tot zich zeiven kwam, meende hij eene stem van den Hemel te hooren die tot hem sprak gelijk weleer tot Saulus op den weg van Damascus: âNorbertus.' Norbertus! ivaaroru vervolgt gij mij? Waarom gebruikt gij aldus, om de plannen van uwen hoogmoed te verwezenlijken, het talent en de rijkdommen die ik u gegeven had. om mij te verheerlijken en te dienen?quot; De jeugdige hoveling stond weder op ; maar was dezelfde niet meer. Hij snelde onverwijld naar Keulen toe
in den loop der eeuwen. 12-';
en wierp zich voor de voeten van den aartsbisschop die hem, na de vereischte voorbereiding, tot priester wijdde.
Van toen af verzaakte Xorbertas aan de wereld om zich uitsluitend op de werken van het apostelambt toe te leggen. Groot was de bijval die hij genoot. Hij was een welsprekend redenaar die, door zijne kernachtige en hartroerende taal, de scharen verrukte, de geschillen beslechtte, den vrede tusschen de verbitterdst 9 vijanden herstelde en het Heilig Evangelie in de zielen der ongeloovigsten deed ingang vinden. De Pausen Gelasius II en Calixtus II zegenden en bevordenden zijne zending. De bisschop van Laon schonk hem de eenzame plaats van Premonstratum om er een klooster te stichten. De H. Norbertus vestigde zich daar met zijne eerste gezellen, en nam den regel aan van den H. Augustinus, waarbij hij nog strengere regels voegde, bijzonder gepast voor de onstuimige en hartstochtelijke mannen der Middeleeuwen. Aldus ontstond de beroemde orde der Premonstratenzen. De nieuwe instelling groeide zoo spoedig aan, dat, slechts dertig jaren later, bijna .honderd abten der orde in het algemeen kapittel aanwezig waren.
De Heilige stichtte ook vrouwenkloosters en gaf hun regels die, wel is waar, boven de zwakheid van haar geslacht schenen te zijn, maar in werkelijkheid een nieuw aanloksel waren voor de vurige zielen van dien tijd. Er waren dan ook binnen de vijftien jaren ongeveer tien duizend Norbentijnsche kloosternonnen, waaronder men vorstinnen telde uit koninklijken bloede. Al het goed dat de kloosterlingen en kloosternonnen van den H. Norbertus, door hun voorbeeld van heiligheid en versterving, door hunne apostolische werken, door de verdiensten hunner gebeden en boetvaardigheden, gedaan hebben, is onberekenbaar.
ïegen het jaar 112(3 werd de vrome stichter der nieuwe
De Goddelijke beloften der H. Kerk
kloosterorde tegen wil en dank op den bisschoppelijken zetel van Maagdenburg verheven, waar hij zich tot aan zijnen dood door zijn apostolischen ijver onderscheidde. Een ketter, met name Tanchelinus of Tanchelmus verspreidde in dien tijd zijne dwalingen te Antwerpen, waar hij het volk tegen de getrouwe priesters opruide, de afschuwelijkste zedeloosheid door zijn voorbeeld en zijne woorden verkondigde, tegen het H. Sacrament des Altaars de gruwelijkste lastertaal uitbraakte en zich zeiven als een God deed aanbidden. De H. Norbertus bestreed die verfoeilijke ketterij met onvermoeiden ijver; hij begaf zich zelfs naar Antwerpen en bracht het volk door zijne prediking tot het ware Geloof terug. De bedrieger werd gedwongen de vlucht te nemen en kwam kort daarna op ellendige wijze om het leven. Tot aandenken van dien roemvollen triomf, op de ketterij behaald, stelt men den H. Norbertus voor, in bisschoppelijk gewaad, met de rechterhand eene schitterende remonstrantie opheffende en den vuigen lasteraar van het hoogwaardigste onzer geheimen vertrappende.
De H. Bernardus is, door zijne deugd en zijn vernuft, een der grootste mannen die ooit bestaan hebben. Zijn invloed was zoo groot dat de XIIe eeuw waarin hij leefde, met recht de eeuw van den H. Bernardus genoemd wordt. Die nederige en vrome monnik, die aan de wereld verzaakt had en zijne heérschzucht binnen de enge grenzen eener cel had opgesloten, was de leermeester der koningen, de raadgever der Pausen, de voogd der koninkrijken, de zoetvloeiende leeraar, die te recht de laatste der Kerkvaders genoemd werd.
De H. Bernardus was uit een doorluchtig geslacht gesproten; aan de uitstekendste gaven van geest en van hart paarde hij eene engelachtige schoonheid van lichaam. Van kindsbeen af was hij kuisch en vroom en wijdde zijne jeugd aan den arbeid en het gebed. Te midden der ondeug-
126
in den loop der eeuwen.
den van zijn tijd, bleef zijne schoone ziel ten eenemale onbesmet Drie en twintig jaren was hij oud, toen hij het onherroepelijk besluit nam zich aan den Heer toe te wijden. Zijne broeders en vrienden zochten het hem af te raden, doch hij sprak hun met zooveel overtuiging over het geluk van zich aan God te geven, dat twee en dertig jonge edellieden, waaronder ook zijne broeders, op eens van gevoelen veranderden en zich bereid verklaarden om zijn voorbeeld na te volgen.
Niet verre van de geboorteplaats van den H. Bernardus was er eene onlangs gestichte Benedictijner abdij, nl. die van Citeaux. Arm en onbekend kwijnde zij bij gebrek aan novicen, en haar eerwaarde abt weeklaagde er over dat zijn gesticht, na een bestaan van slechts eenige jaren, op het punt was van uit te sterven. Op zekeren dag riep men hem in de spreekkamer; â daar vond hij den jeugdigen Bernardus met zijne twee en dertig gezellen die zich voor zijne voeten wierpen en hem het kleed der novicen vroegen. Groot was de vreugde van den abt; grooter nog zou zij geweest zijn, indien hij in de toekomst had kunnen lezen, indien hij geweten had dat op dien dag met Bernardus de glorie en vooral de heiligheid in zijne dierbare abdij binnentraden.
Van af den eersten dag was Bernardus het voorbeeld der ijverigste kloosterlingen. Om weder moed te scheppen, wanneer hij eenigszins verflauwde, placht hij te zeggen; â Bernarde, ad quid venisti ? â Bernardus, waartoe zyjt gij gekomen ?quot; â en dan met een nieuwen ijver bezield, streefde hi] vooruit en klom op tot de hoogste trappen der volmaaktheid. Weldra werden de muren van Citeaux te eng voor het toenemend getal zijner vrome bewoners. Bernardus werd de last opgedragen met twaalf kloosterlingen eene nieuwe abdij te gaan stichten. Hugo, graaf van Champagne, had te dien einde eene eenzame vallei, de
127
De Goddelijke beloften der H. Kerk
alsemvallci geheeten, afgestaan. De H. Bernardus en zijne gezellen leidden daar een engelachtig leven en dank aan hen kreeg de Alsem-vallei den naam van Beroemde Vallei, Clara Vallis of Clairveaux.
Weldra wees God den H. Bernardus een ruimeren werkkring aan: de faam zijner verdiensten verspreidde zich wijd en zijd, en verplichtte hem aan den veelvoudigen strijd der Kerk tegen de dwalingen, de kerkscheuringen en de ondeugden van zijnen tijd deel te nemen.
Alsdan leefde een man die in de scholen en kloosters van Frankrijk te goeder naam en faam stond, 't Was Abailard. die te Parijs leeraarde en door de betoovering zijner welsprekendheid tal van leerlingen om zijnen leerstoel vereenigde. Ongelukkigerwijze maakte hem het welslagen hoogmoedig en bracht hem de hoogmoed tot dwalingen tegen het Geloof en tot schandelijke zonden tegen de goede zeden. Wie zal het nu wagen tegen de nieuwe ketterij op te komen ? 't Is de H. Bernardus.
In de Kerkvergadering van Sens verstoutte zich Abailard den Heilige tot een openbaren redetwist uit te dagen. Den ootmoedigen Bernardus walgde het aldus gelijk een tooneelspeler in het publiek op te treden, maar de dringende beden zijner vrienden, de belangen der bedreigde waarheid zegevierden over zijne gewetensbezwaren. Op den bepaalden dag was de H. Bernardus op zijn post. Hij daagde den ketter uit om zijne nieuwe leerstellingen te bewijzen, zich zeiven bereid verklarende om ze te wederleggen. Abailard raakt van zijn stuk, weigert te antwoorden en eindigt met zich op 's Pausen uitspraak te beroepen. De H. Bernardus volgt hem op dit nieuwe terrein; in een bewonderenswaar-digen brief verzoekt hij den opvolger des H. Petrus tus-schenhem en Abailard uitspraak te doen. Paus Innocen-tius II doemde den ketter. Door de genade getroffen, boog deze het hoofd en ging zich in de abdij van Cluny opsluiten-
128
in den loop der eeuwen.
Na twee jaren van oprechte boetvaardigheid stierf hij. Het godvruchtig uiteinde van den rouwmoedigen zondaar was de waardige bekroning van den door Bernardus behaalden zege.
Na de ketterij, bestreed de H. Bernardus de kerkscheuring in Italië en in Sicilië. Overal werden zijne pogingen met een goeden uitslag bekroond, doch nergens was zijn triomf volkomener en bewonderenswaardiger dan te Par-thenay in Aquitanië. Volgens afspraak kwam hertog Willem, een hartstochtelijk en hevig voorvechter der scheurmakers, en de H. Bernardus in de voornoemde stad bijeen. Deze samenkomst echter richtte niets uit. Dan begaf zich de Heilige ter kerke om het H. Misoffer op te dragen. De talrijke Kerkvoogden en geloovigen die de vergadering hadden bijgewoond, traden den tempel binnen ; hertog Willem bleef aan de deur staan, te midden zijner soldaten en der aanhangers van het schisma. Na de consecratie neemt de H. Bernardus, door eene bovennatuurlijke beweging aangedreven, de heilige hostie in zijne handen, gaat door de verbaasde volksschaar heen, de kerk uit, en nadert den hertog die in onbeschaamde en trotsche houding op de plaats stond. â Wij hebben u gebeden, zegt hem de Heilige, en gij hebt onze gebeden versmaad. Ziehier den Zoon der H. Maagd, het Opperhoofd der Kerk, ziehier uwen God en Rechter die tot u komt; -zult gij hem ook versmaden ?'' Terwijl Bernardus deze woorden uitsprak,glansde zijn aangezicht van heerlijkheid; de omstanders waren allen neergeknield en smolten in tranen weg; de hertog werd op eens met een hevigen schrik bevangen, een stuipachtige rilling doorliep zijne ledematen, en hij viel voor over, met zijn aangezicht in het stof. Op bevel van den Heilige stond hij wederom op en verzoende zich terstond met de aanwezige bisschoppen die hij vervolgd had. De bekeering van den hertog was
9
129
130 De Goddelijke beloften der H. Kerk
oprecht; ondanks eenige misslagen bleef hij naderhand een getrouw en onderdanig kind der H. Kerk en volhardde tot aan zijnen dood in de hardste lichaamskastijdingen, ten einde zijne misdaden uit te boeten.
Ontelbaar zijn de overwinningen door den H. Bernardus behaald. Geen hoogmoed, hoe onbuigzaam ook, kon aan den invloed zijner hartroerende en overtuigende taal weerstaan ; zijne barmhartige en teedere liefde was zoo welsprekend dat zij de liederlijkste zedeloosheid aan het slijk der zonde wist te ontrukken ; zijn ijver voor Gods glorie was zoo vurig dat hij de koudste onverschilligheid in levendig geloof en ware godsvrucht deed overgaan. â Hendnk, aartsbisschop van Sens, was in den beginne te zeer aan de wereld gehecht, doch bekeerde zich en vroeg den H. Bernardus eene gedragslijn. De heilige monnik maakte hem een heerlijke beschrijving van hetgeen een bisschop wezen moet. âDe vermaarde Suger, die de minister en raadgever van twee Fransche koningen geweest was, las een enkel geschrift van den H. Bernardus en begreep de ijdelheden der wereld. Hij verbeterde zijn gedrag en deed de verhe-venste vroomheid heerschen in de koninklijke abdij wier overste hij was. De H. Bernardus kon dan ook niet nalaten hem geluk te wenschen met deze plotselinge verandering van leven waarvan hij al de eer aan God toeschreef. â De geleerdste Kardinaal van zijn tijd. Petrus van Pisa, was een partijganger van een tegenpaus die door Roger van Sicilië gesteund werd tegen den wettigen Paus Innocen-tius II. De H. Bernardus bracht hem een bezoek aan het hof zelf van den schismatieken koning. Petrus van P:sa sprak het eerst, de H. Bernardus antwoordde hem met eene welsprekendheid welke door de talrijke omstanders uitbundig werd toegejuicht. De Kardinaal stond nog te dubben, toen de heilige abt hem bij de hand nam en zeide: â Indien gij mij wilt gelooven, zullen wij beide de arke
in den loop der eeuwen.
des hcils binnengaan. quot; De genade had gezegevierd, eenige dagen later wierp zich de Kardinaal voor de voeten van Innocentius II.
De volgelingen van Mahomed bedreigden wederom het Oosten en de vrucht der kruistochten liep groot gevaar van verloren te gaan. Op bevel van Paus Eugenius III, verlaat de H. Bernardus zijn klooster en gaat een nieuwen kruistocht prediken. Aan het hof van Frankrijk brengt zijn woord allen tot geestdrift, koning Lodewijk is de eerste die het Kruis vraagt. Dan gaat de H. Bernardus naar Duitschland; hij predikt te Luik, te Maastricht, te Aken, te Keulen, zijnen weg met wonderen bezaaiende en duizenden leenheeren en vazallen in het heir des Kruises inlijvende. Te Spiers onderbreekt keizer Conradus den heiligen prediker midden in zijne redevoering en vraagt het Kruis onder eenen vloed van tranen. Tal van vorsten en edellieden volgen zijn voorbeeld. In eenige maanden tijds heeft een enkel man gansch Europa in geestdrift ontvlamd; een Duitsch leger van twee honderd duizend man en een niet minder ontzaglijk heir van Franschen staan gereed om naar Jeruzalem op te rukken. Toen de H. Bernardus aan den Paus rekening gaf van zijne zending, kon hij hem met waarheid schrijven : â Gij hebt geboden, en ik heb gehoorzaamd : uw gezag heeft mijne gehoorzaamheid vruchtbaar gemaakt; de steden en de kasteelen zijn bijna ledig.quot;
Doch wij moeten thans een einde stellen aan het verhaal der groote werken door den zoo nederigen Heilige tot stand gebracht. Van uit zijne kloostercel was hij de leidsman van vorsten, bisschoppen, koningen en keizers, en zijn hulp en raad werden door de Pausen zeiven, in het bestuur der algemeene Kerk, ingeroepen. Ja, de H. Bernardus was wezenlijk als de ziel der wereld.
Alhoewel nog maar drie en zestig jaar oud, was de groote Heilige door de vermoeienissen uitgeput: hij werd
131
De Goddelijke beloften der H. Kerk
ziek en voelde zijn einde naderen. Zijn laatste daad was een liefdewerk. De stad Metz werd door de gruwelen van een burgeroorlog geteisterd: De stervende Bernardus liet er zich naar toe brengen. Met gebroken stemme wekte hij het volk op tot liefde en verzoening, en, dank aan zijne welsprekendheid welke sedert, een halve eeuw de volksscharen beheerscht had, werden alle geschillen bijgelegd en de vrede gesloten. Eenige maanden later ontsliep de Heilige zachtjes in denHeer (20 Augustus 1153).Degansche wereld beweende zijnen dood. â Het scheen,quot; zegt een kroniekschrijver, â dat het heelal zijn licht, zijne vreugde, zijn geluk en zijn leven verloren had.quot;
XXIII.
TWEE GROOTE PAUSEN.
De Pausen zijn de opperhoofden der Kerk, de stedehouders van Jezus-Christus op aarde. Geroepen als zij zijn, door hun pausschap, om een grooten en beslissenden invloed uit te oefenen op de welvaart der aan hun bestuur toevertrouwde Kerk, bevinden zij zich meer rechtstreeks en meer werkdadig dan ieder ander onder de leiding dei-Goddelijke Voorzienigheid. Deze openbaart zich, â nu eens door op den Stoel van den H. Petrus mannen te verheffen, begaafd met al de hoedanigheden welke de grootheid uitmaken en bijzonder met die welke door de algemeene behoeften van hunnen tijd gevorderd worden; â dan weder toont zij zich door hunnen persoon op wonderbare wijze te beschermen, ofwTel door hun een buitengewonen bijstand te verleenen in al hunne ondernemingen, door hen in hunne strijden voor het goed te versterken en hun eindelijk den triomf te geven die, aangezien de groote en menigvuldige hinderpalen evenals de onbeduidende hulpmiddelen, men-schelijkerwijze onmogelijk zou zijn geweest.
132
in den loop der eeuwen.
De H. Leo de Groote, de H. Gregorius de Groote, de H. Nicolaas de Groote, de H. Gregorius VII, om alleen de uitstekendste te noemen, waren in den vollen zin des woords, mannen van dien aard, door de Voorzienigheid uitverkoren. Den eerstgenoemden hebben wij in de Ve eeuw zien opdagen als een onoverweldigbaar bolwerk tegen de Barbaren ; voor hem immers deinsde de Geesel Gods zelf, de woeste Attila, terug en sloeg hij een anderen weg in om zijne verwoestingen voort te zetten. De tweede verschijnt in de VIe eeuw, als een man door God gezonden om het Christen Europa uit zijne puinen te doen verrijzen, om de verspreide en ontwrichte volken met Rome, hun eenig middelpunt, te verbinden, om met de eene hand de keizers van het Oosten in hunne vervolgingszucht tegen te houden, en met de andere de fakkel van het Evangelie tot aan de uiteinden van het Westen over te brengen. De derde, van wien wij in onze snelle vaart door de eeuwen heen niet eens hebben kunnen gewagen, is de onvei winnelijke kampvechter door God in de IXe eeuw verwekt om het opkomend schisma van Photius te bestrijden, en de onverbiddelijke wreker van de heiligheid des huwelijks tegenover de ongeregelde hartstochten van de grooten dezer aarde. Koning Lotharius en zijne heiligschendende medeplichtigen worden door God op zichtbare wijze met den dood gestraft, omdat zij zich tegen de wettige bevelen van den H. Nicolaas I verzet hebben. In den laatstgenoemden eindelijk, bewonderen wij den heldhaftigen en uitstekenden man die in de tweede helft der XIe eeuw den grooten strijd aanvaardde voor de onafhankelijkheid der Kerk en de onschendbaarheid harer tucht tegen de willekeurige eischen der Duitsche Cesars en de ongebondenheid eener geestelijkheid die zich grootendeels door Simonie of geestelijken woeker onteerde.
Op het einde der XIle en in het begin der XIIIe eeuw
133
Be Goddelijke beloften der H. Kerk
werd de H. Stoel opgeluisterd door twee Kerkvoogden die, wel is waar, de zoo even genoemde groote en heilige Pausen niet geheel en al evenaarden, maar toch de eer hadden de providentieele zending van het Pausdom in de wereld op gansch bijzondere wijze te doen uitschitteren. Alexander III en Innocenlim III waren de voortzetters van het werk des heiligen Pausen Gregorius VII. Met hen steeg de macht van den H. Stoel, op burgerlijk en staatkundig gebied, tot haar toppunt; doch die macht gebruiken zij enkel en alleen om het recht, dat orde sticht en handhaaft, te doen heerschen, en den Christen volkeren de weldaden van den godsdienst en de ware beschaving te verzekeren.
â Alexander III was wellicht de man die zich, in de middeleeuwen, het meest verdienstelijk maakte jegens het menschdom. Hij was het die, in eene Kerkvergadering, voor zooveel het in zijne macht was, de slavernij afschafte. Dezelfde Paus was het die te Venetië, door zijne wijsheid, over het geweld van keizer Barberossa zegevierde en die Hendrik II, koning van Engeland, noodzaakte aan God en aan de menschen vergeving te vragen van den moord, door hem op Thomas Becket gepleegd. Hij deed de rechten der volkeren herleven en bestrafte de misdaden der koningen. quot; â Indien Voltaire, die verwoede en trouwelooze vijand van het Pausdom, aldus Alexander III verheerlijkt, moeten de diensten, door dezen Paus aan het menschdom bewezen, wel uitstekend geweest zijn.
Den vreeselijken strijd, door Alexander III, aan het hoofd van den Lombardischen bond, tegen den keizer van Duitschland, Frederik Barberossa, den grootsten en mach-tigsten vorst van zijnen tijd, volgehouden, verhalen wij in het tweede gedeelte. De beslissende nederlaag van Barberossa was zoodanig dat het niet mogelijk is Gods tus-schenkomst in dat feit te ontkennen, 't Moest ongetwijfeld een heerlijk schouwspel wezen, toen Paus Alexander III,
134
in den loop der eeuwen.
na twintig jaren van vervolging en ballingschap, naar Venetië ging, om er de vruchten van den triomf der Kerk in te oogsten. â Zeer geliefde zonen,quot; zoo sprak hij tot de bisschoppen en Lombardische afgevaardigden die hem te gemoet waren gesneld. â 't is een iconder van Gods macht dat een oude en weerlooze priester aan de ivoede van den grootsten koning der aarde heeft kunnen wederstaan: 't is opdat de icereld icete dat het onmogelijk is tegen den Heer en zijnen Gezalfde te strijden.quot; Na kwijtschelding te hebben bekomen van den kerkban, ging keizer Rossebaard naar de kerk van St. Marcus waar hem de Paus verbeidde. Frederik wierp zijnen koninklijken mantel af, viel op de knieën en kuste de voeten des Pausen. Onder een vloed van tranen deed Alexander III den rouwmoedigen vorst opstaan en omhelsde hem teederlijk. Vervolgens droeg hij het H. Misoffer op en gaf den keizer de heilige Communie. Na deze plechtigheid steeg de Paus te paard; de keizer hield den stijgbeugel vast en, den toom van het paard in de hand nemende, begeleidde hij hem tot aan het paleis der doges, terwijl het volk toejuichte en de geestelijken het Te Deum aanhieven (1177). De boetvaardigheid van Barberossa was oprecht, zij vereert hem meer voor de geschiedenis dan al zijne wapenfeiten.
Alexander III was niet minder gelukkig, toen nog een andere vorst zijne dwalingen inzag en edelmoedig uitboette. Hendrik II, koning van Engeland, was een trotsch, hoogmoedig en willekeurig vorst; op den duur evenwel moest hij onder den last zijner rampen zwichten. Op zekeren dag trok hij het kleed der boetelingen aan, begaf zich barrevoets naar het graf van den H. Thomas, wiens dood hij veroorzaakt had, en bracht daar vier en twintig uren door in het gebed zonder eenig voedsel te nuttigen. Op zijn bevel kwamen hem de kloosterlingen der abdij beurtelings drie geeselslagen op zijne bloote schouders geven.
135
De Goddelijke beloften der H. Kerk
Gelukkig zijn de vorsten die den moed hebben aldus hunne misslagen te bekennen en aan hunne onderdanen zulke voorbeelden van geloof, boetvaardigheid en godsvrucht te geven!
Toen Alexander III, ten jare 1181, stierf, na eene regeering van 22 jaren, bevond zich Europa in een toestand van vrede en geluk dien het sedert lang niet meer genoten had. Het beschermend gezag der Pausen was algemeen erkend, en het scheen dat de Christenwereld, met meer eendracht en macht, den weldadigen invloed van het Evangelie in de verte en bijzonder in het Oosten ging uitbreiden.
Maar de rust is het lot der Kerke niet, want haar Goddelijke Stichter heeft haar voorspeld dat zij tot aan het einde der eeuwen zal moeten strijden. Nieuwe gevaren, nieuwe onweders stegen weldra allerwegen op : om ze af te wenden had de Kerk een anderen Alexander III of Gregorius VII noodig. Zulk een man gaf haar de Almachtige in den persoon van Innocentius III, die in 1198 tot Paus gekozen werd.
De koning van Frankrijk, Philip-August, was, wel is waar, onder vele opzichten een groot en roemrijk vorst; maar hij beging een grooten misslag. Hij ergerde geheel zijn koninkrijk door zijne wettige vrouw, de koningin Ingel-burga, te verstoeten om met Agnes de Meranie, het voorwerp van zijn zondigen hartstocht, in den echt te treden. Toen hij zich aan de uitspraak van den pauselijken legaat niet wilde onderwerpen, aarzelde Innocentius IH niet op al de staten van het Fransch koninkrijk het interdict te werpen. Aanvankelijk verzette zich Philip-August tegen den strengen maatregel die den overspeligen souverein in zijn volk kastijdde, en, door den toorn vervoerd, riep hij uit: â Ik zal het Mahomedisme omhelzen. Wat is Saladijn gelukkig! Hij heeft geen Paus!quot; Zulke taal bewijst de
136
in den loop der eeuwen.
noodzakelijkheid van het pauselijk gezag, om de maat-schappü te behoeden voor het afgrijselijk zedebedurf waarin de onchristen volken, gelijk in een modderpoel, verzonken zijn.
Weldra evenwel zag zich de koning van zijne getrouwste onderdanen verlaten; men vluchtte hem gelijk een pestlijder ; overal vervolgde hem het gekerm van zijn volk dat nu beroofd was van het geluk het woord Gods te aanhoo-ren, het H. Misoffer bij te wonen en de heilige Sacramenten, behalve in tijd van nood, te ontvangen. Geheel Frankrijk was in diepen rouw gedompeld, alles kwijnde in sombere droefheid, want de vloek der hemelsche gramschap rustte op dat land. Na een zevenjarigen weerstand kon het de koning niet meer uithouden: hij onderwierp zich, verwijderde Agnes de Meranie en herstelde de koningin in hare rechten. Het interdict werd aanstonds opgeheven. Zoo had de Paus andermaal de heiligheid van het Christen huwelijk gewroken en ongeschonden bewaard.
De koning van Engeland, Jan-zonder-Land, gaf zich aan allerhande buitensporigheden over, verdrukte zijn volk en vervolgde de Kerk. Innocentius III wist tegen hem even krachtdadig te werk te gaan als tegen Philip-August. Hij sloeg hem in den ban en verklaarde hem vervallen van zijn troon. De onwaardige koning onderwerpt zich, doch houdt geen woord, onderwerpt zich opnieuw en wordt ten langen laatste afgezet door zijn eigen onderdanen die zijne misdaden niet langer meer kunnen uitstaan.
In Italië toonde de Paus niet minder zielskracht om de burgeroorlogen te dempen, de dwingelanden te kastijden, de zwakken en weerloozen tegen de onrechtvaardige verdrukking der machtigen te beschermen. Als voogd van den jeugdigen Frederik II, kleinzoon van Frederik Barberossa, waakt hij over zijn koninkrijk Sicilië en bereidt hem voor de toekomst de keizerlijke kroon. Helaas ! hij wist niet dat
137
De Goddelijke beloften der H. Kerk
hij eene slang voedde van welker wreede beten de Kerk, onder de Pausen die hem op den H. Stoel opvolgden, zooveel moest te lijden hebben.
In Duitschland betwisten twee vorsten elkander het keizerrijk. Een burgeroorlog barst uit. Het geschil tusschen de twee mededingers wordt door Innocentius III beslecht en dezes uitspraak, waarin 's Pausen bewonderenswaardige wijsheid uitstraalt, wordt onverwijld ten uitvoer gebracht.
In het Oosten maken de Turken schrikbarende veroveringen. Jeruzalem wordt ingenomen. Innocentius III brengt een nieuwen kruistocht tot stand om de Christenen ter hulp te snellen. De Kruisvaarders vertrekken, maar verliezen hun eigenlijk doel uit het oog : zij werpen den Griekschen keizerstroon van Constantinopel omver en roepen Boude-wijn van Vlaanderen tot Latijnschen keizer van het Oosten uit. Innocentius III ziet zich gedwongen het voldongen feit te erkennen, doch verblijdt zich tevens in de hoop dat nu de Grieken tot de eenheid van het Katholiek Geloof zullen terugkeeren. Deze hoop echter wordt slechts gedeeltelijk en voor een zeer korten tijd verwezenlijkt.
Spanje worstelde nog altijd tegen de Mahomedaansche Mooren. Innocentius III moedigt aanhoudend de Spanjaarden aan en verschaft hun machtige hulpmiddelen. Koning Alphonsus IX rukt tegen den vijand te velde en levert, den 16 Juli 1212, een beslissenden slag. Ruim honderd duizend Mooren blijven op het slagveld, een nog grooter getal worden krijgsgevangen gemaakt, de buit is onbeschrijfelijk groot; en â wat ongeloofelvjk, zoo niet iconderhaar is,quot; zoo schrijft de koning aan den Paus, â die groote overwinning van den berg Ferratus heeft den Christenen slechts het leven van vijf en twintig of dertig man gekost. quot; Door deze nederlaag werd de Muzelmansche macht in Spanje voor altijd gebroken ; er moest evenwel nog twee eeuwen lang gestreden worden,
138
in den loop der eeuwen.
vooraleer men de volgelingen van Mahomed geheel en al uit dat land verdreven had.
In het Zuiden van Frankrijk had eene afschuwelijke ketterij wortel geschoten en er zich op schrikbarende wijze ontwikkeld, 't Was die der Albigenzen, welke de dwalingen der Manicheërs hadden overgenomen. Hun zedenbederf en dweepzucht weerstonden aan alle middelen van overtuiging. Tegenover de prediking der apostolische geloofsge-zanten stelden de ketters het geweld en den moord. Den pauselijken legaat, Peter Castelnau, doen zij den marteldood ondergaan. Bij het vernemen dier tijding, slaat Inno-centius III graaf Eaymond van Toulouse, die de schuldigste was, in den Kerkelijken ban. Een kruistocht is noodzakelijk om aan de woede der ketters paal en perk te stellen; weldra wordt dan ook een leger op de been gebracht, dat onder aanvoering van Simon van Montfort, een waren Christenheld, te velde trekt.
Lang en woedend was de oorlog. Simon van Montfort vergoedde wat hem aan strijdmacht ontbrak, door zijn weergaloozen moed, die tot grondslag had een onbeperkt vertrouwen op Gods bescherming. Na eenige afwisselingen van voor- en tegenspoed, na vele heldendaden van weerskanten, na bloedige gevechten, waarin de Kruisvaarders slechts één tegen dertig, de overwinning behaalden, werd eindelijk de beslissende slag geleverd. Het leger der Albigenzen, die den koning van Arragon tot bondgenoot hadden, bestond uit twee duizend ridders en veertig duizend voetknechten. Simon van Montfort beschikte slechts over een kleinen troep, bestaande uit tweehonderd zeventig ridders, vijfhonderd veertig schildknapen en zevenhonderd voetknechten, te zamen 1400 tegen 40,000. Montfort stelt zijn vertrouwen op God, valt den vijand aan, overrompelt hem en hakt hem in de pan. De koning van Arragon had een verbond gesloten met de ketters, hij betaalt het met
139
De Goddelijke beloften der H. Kerk
den dood en sneuvelt op het slagveld. Deze gedenkwaardige zegepraal is een ware triomf voor Gods Kerke, zij overdekt den Christen held met roem en vervult Innocentius III met vreugde.
Intusschen overleed, ten jare 1216, in den ouderdom van 56 jaren, de groote Paus wiens invloed op de christenwereld tot aan zijnen dood zonder weerga was geweest. Zijn afsterven veroorzaakte een algemeenen rouw. Op zijne graftombe grifte men deze woorden: â Zijn roem ver-vulde de stad en de wereld. quot; â Rij was een groot en machtig vernuft, onvergelijkelijk schrander en icijs; hij heeft in onzen tijd zijns gelijke niet gehad.quot; Ziedaar de getuigenis door een tijdgenoot gegeven en door de geschiedenis bekrachtigd.
XXIV.
TWEE ZUILEN DER KEEK.
Ten tijde van Innocentius III waren verscheidene kloosterorden gesticht geworden. In het Oosten waren ten gevolge der Kruistochten drie militaire orden ontstaan, namelijk de ridders van St-Jan van Jeruzalem (later ridders van Rhodus en eindelijk ridders van Malta geheeten), de ridders van het H. Graf en de ridders van den Tempel of Tempeliers. Zij voegden bij de gewone geloften van het kloosterleven nog die van zich aan de verdediging van het H. Land en van de pelgrims bijzonder toe te wijden. Zij waren de dapperste verdedigers der Katholieke belangen tegen het Mahomed isme, dat altijd gereed stond om Europa, met het zwaard in de vuist, te overvallen, ten einde het aan zijne heerschappij en aan zijn ver dierlijkenden eeredienst gewelddadig te onderwerpen.
De eerste dier orden werd beroemder dan al de andere. Gedurende zes eeuwen was zij gestadig onder de wapenen,
140
in den loop der eeuwen.
een weergaloozen heldenmoed ten toon spreidende tegenover den verwoeden vijand van het Christendom. De verdediging van het eiland Rhodus door dsn grootmeester Peter van Aubusson, als ook die van het eiland Malta dooiden grootmeester de Lavalette, zijn krijgsdaden, waardoor de Maltezer ridders voor altijd de bewondering der wereld en de dankbaarheid van het Christenvolk verdiend hebben.
Een vierde ridderorde, de Teutonische of Duitsche orde, ontstond eveneens in Palestina, doch ging korten tijd daarna in het Noorden van Duitschland verblijven, waar zij alles in het werk stelde om de barbaarsche overblijfsels van het Heidendom te bestrijden en uit te roeien.
In het quot;Westen had men ook verschillende kloosterorden zien opkomen. Onder anderen hebben wij die der Pgt;'emon-stratenzen vera eld. Zij stelden zich niet ten doel den degen te trekken ; hun oogmerk was de Christelijke vroomheid door hun voorbeeld te herstellen, de onwetendheid van het volk te doen wijken voor de leer van het Evangelie, de lichamelijke en geestelijke werken van barmhartigheid te beoefenen.
De geestelijke orde der Trinitariërs was door Paus Inno-centius III, in het begin van zijn pausschap, goedgekeurd geworden. Deze bewonderenswaardige orde was het werk van den H. Joannes van Matha en van den H. Felix van Valois. Haar voornaamste doel was geld in te zamelen tot loskooping der duizenden Christenen die bij de Mooren in de boeien eener harde slavernij zuchtten.
Na die menigvuldige instellingen welke aan al de behoeften der toenmalige maatschappij schenen te beantwoorden, was Innocentius III van gevoelen dat er op dit terrein niets meer te doen overbleef, en hij verbood nog nieuwe kloosterorden in te voeren.
Hij zelf was evenwel de eerste om eenen maatregel te wijzigen die hem door eene wellicht al te menschelijke
141
De Goddelijke beloften der H. Kerk
voorzichtigheid was ingegeven. De vruchtbaarheid dei-Kerk is onuitputtelijk. Onder ingeving van den geest Gods brengt zij gedurig wonderbare en verheven werken voort, die de berekeningen en vooruitzichten van de wijsheid dezer wereld in de war brengen. Als bewaarders van den zielenakker, zijn de Pausen verplicht de nieuwe planten die daar opschieten zorgvuldig te onderzoeken. Zijn zij gevaarlijk, schadelijk; â 't is de plicht des Pausen ze uit te rukken en in 't vuur te werpen. Zijn ze integendeel goed en schoon, belooven zij overvloedige en sappige vruchten: â de Paus moet ze met zorg en ijver aankweeken. Indien immers de planten der eerste soort slechts kunnen worden toegeschreven aan de tusschenkomst van den boozen geest die de zielen zoekt in het verderf te storten, die der tweede soort hebben haren oorsprong in den Gever van alle goed, in God die de zaadkorrels der zaligheid uitstrooit, ontkiemen doet en hun den wasdom geeft. De dwaling waarin Inno-centius III verkeerde, ondanks zijn groot vernuft en volmaakte deugd, bestond hierin dat hij, in het belang zelf der Kerk, aan hare bovennatuurlijke vruchtbaarheid eene grens meende te moeten stellen.
Nauwelijks was de bovengezegde maatregel genomen, of de H. Stoel ontving bijna terzelfder tijd twee aanvragen tot goedkeuring van kloosterorden. De eerste kwam van een Spaansch kloosterling en kanunnik, Dominicus, die zich reeds door zijn buitengewonen ijver in het verkondigeH van het ware Geloof aan de Albigenzen beroemd had gemaakt ; de tweede werd gedaa» door een man van armoedig voorkomen, die in zijne geboortestad. Assise, bij de eenen bekend stond als een gek, bij de anderen als een Heilige. Had hij niet van al de goederen zijns vaders afstand gedaan en tot zelfs zijne kleederen afgeworpen om niets meer over te houden dan hetgeen hem (Je openbare liefdadigheid wilde geven, en slechts van aalmoezen te leven? â Franciscus was zijn naam.
142
in den loop der eeuwen.
Toen de groote Paus Innocentius III dien man voor zich zag staan, zoo armoedig gekleed, barrevoets, met geschoren hoofd, hem verzoekende eene orde goed te keuren, die letterlijk het woord des Evangelies in toepassing zou brengen: â Draayt geen goud, geen zilver, geen geld in uwe beurs, quot; die noch huizen, noch kapitalen in eigendom zou bezitten, en, voor de toekomst onbezorgd, door middel van aalmoezen van de hand in den tand zoude leven, toen meende hij werkelijk dat hij met een gek te doen had en hij joeg, om zoo te zeggen, den armen Franciscus uit zijn aanschijn weg. De aanvraag van den Spaanschen kanunnik werd eveneens van de hand gewezen.
Doch Innocentius had, eenigen tijd later, een visioen. Terwijl hij sliep, meende hij de kerk van Lateranen naar éénen kant te zien overhellen alsof zij ging instorten, doch zij werd door twee mannen, evenals door twee kolommen, ondersteund. In een van beiden erkende hij den armen bedelaar Franciscus, wiens aanvrage hij zoo barsch verworpen had; de andere geleek op Dominicus. Dit visioen en andere wondervolle omstandigheden maakten op den Paus een diepen indruk. Hij begreep dat God Franciscus en Dominicus verwekt had om kloosterorden te stichten die als twee zuilen der Kerk zouden wezen. Eensklaps van gevoelen veranderende, gaf hij de beide goedkeuringen, en liet ze plechtig bekrachtigen door de 12° algemeene Kerkvergadering, de 4e van Lateranen, welke hij kort te voren belegd had.
De toekomst bewees dat het visioen van Innocentius III geen zinsbedrog was geweest. De beide orden der Franciscanen en der Dominicanen werden inderdaad zuilen dei-Kerk, en zij zijn het nog heden ten dage, na een bestaan van zes en een halve eeuw. Beide zijn, zooals men zegt, bedelorden, maar verschillen hierin dat de Dominicanen er zich vooral op toeleggen om door de prediking het Rijk
De Goddelijke beloften der H. Kerk
Gods uit te breiden, terwijl de Franciscanen, hunnen heiligen stichter navolgende, veeleer door het voorbeeld hunner versterving en armoede de leer van Christus verkondigen. De schoone en groote devotie van den H. Rozenkrans vermaakte de H. Dominicus aan zijne kinderen als een voorrecht: hij immers had ze ingevoerd en er wonderen door gewrocht te midden der kettersche Albigenzen. De H. Pranciscus, die in zijn lichaam de teekens van de vijf wonden des Zaligmakers ontvangen had, liet aan de zijnen eene bijzondere devotie na tot het lijden Onzes Heeren J.-C., alsook de zending om de wacht te houden bij de heilige plaatsen welke van het lijden des Verlossers getuigen zijn geweest.
De Orde der Dominicanen of Predikheeren ontwikkelde en verspreidde zich met eene wonderbare snelheid gedurende het leven en na den dood van haren heiligen stichter. Voor het einde der XIIIe eeuw, telde zij bijna vijfhonderd kloosters. Indien Simon van Montfort de eer had de tegen hem oprukkende Albigenzen gewapenderhand te verslaan en aan hunne gewelddadigheden tegen de Katholieken paal en perk te stellen, â 't was toch vooral de H. Dominicus en zijne leerlingen die hen, door de overtuigende kracht van hun woord, van hunne liefde en van hun heilig en verstorven leven, er toe brachten hunne dwalingen af te zweren en in den schoot der Kerk terug te keeren. Wat evenwel deze Orde bij uitstek beroemd maakt, is dat zij den grootsten Godgeleerde die ooit bestaan heeft, den H. Thomas van Aquinen, bijgenaamd den Engel der school, onder hare leden telt. De H. Thomas trad in de Orde der Predikheeren korten tijd na den dood van den H. Dominicus. Hij was toen slechts zeventien jaren oud en moest eene bewonderenswaardige standvastigheid aan den cag leggen om de tegenkanting zijner ouders te overwinnen, die voor geen enkel middel terugdeinsden om hem van
144
145
zijn voornemen af te brengen. Te Keulen, waar hij gezonden werd om de lessen van Albertus den Groote bij te wonen, onderscheidde hij zich door zijn werkzaamheid, zijn vurige godsvrucht en zijn ingetogen leven. Daar hij zeer weinig sprak, noemden hem zijne studiemakkers spottend den stommen os. Doch hun leermeester, Albertus de Groote, dit gehoord hebbende, zeide tot de spotvogels : â Deze os zal eens zijn gdoei docr de gansche ivereld deen iceergalmen. quot;
Het getal, de uitgebreidheid, de groote geleerdheid zijner geschriften baren verbazing ; zijn voornaamste geschrift de Summa theologica, is een waar wonderwerk, 't Is onverklaarbaar hoe een enkel man in zoo korten tijd en te midden van zoovele andere bezigheden zulk een gedenkstuk van gewijde wetenschap en geleerdheid heeft kunnen tot stand brengen. Overigens de heilige leeraar erkende daarin niet zoozeer zijn eigen werk als wel het voortbrengsel dei-Goddelijke ingeving; hij verklaarde onbewimpeld meer geleerd te hebben aan den voet van zijn kruisbeeld dan in de boeken.
Te allen tijde heeft de Kerk de Summa theologica bijna zoo hoog geschat als de H. Schrift. Op het bureel der Kerkvergadering van Trente bevonden zich twee boeken: aan de rechterzijde van het kruisbeeld de H. Schrift, ter linkerzijde de Summa van den H. Thomas. De Kerkvergadering van het Vaticaan in 1870 gehouden heeft dat merkwaardig voorbeeld nagevolgd.
Pater Gratry zegt dat â de H. Thomas, in zijne Summa, de artikelen van het Katholiek geloof tot in hunne kleinste bijzonderheden samenvat, rangschikt, verklaart, bewijst en verdedigt, met eene juistheid, eene klaarheid, een geluk, eene kracht, welke in schier alle vraagstukken het ware tot het verhevene opvoeren. De kiem van het verhevene, indien ik mij zoo mag uitdrukken, voelt men trillen onder de korte en
10
146 I)c Goddelijke beloften der II. Kerk
krachtige bewoordingen waarin dit groot verstand, door God voorgelicht, de waarheid heift neergegrift.quot; 't Is derhalve niet verwonderlijk dat Leo XIII in onzen tijd de onovertrefbare verdienste der geschriften van den H. Thomas herinnerd en verheerlijkt heeft, en dat hij de wereld der wijsgeerenen godgeleerdenheeftuitgenoodigd daar,meerdan elders, de ware wetenschap en het juiste antwoord op al de opwerpingen der hedendaagsche goddeloosheid te putten.
De Orde der Franciscanen breidde zich nog sneller uit dan die der Dominicanen. Het getal harer leden steeg spoedig tot verscheidene duizenden en zij verspreidde zich in alle landen van Europa. Het bestaan alleen van zoovele kloosters die niets ter wereld bezitten en toch nooit gebrek lijden aan hetgeen noodzakelijk is tot het levensonderhoud hunner bewoners, is een waar mirakel. De vijanden van den Godsdienst verwijten aan de kloosters dat zii de rijkdommen inpalmen en zich het goed der armen toeëigenen. Niets is valscher ; de eigendom der kloosters rust en is te allen tijde gegrond geweest op allerwettigste titels. De kloosterlingen gebruiken voor zich zeiven het strikt noodzakelijke en al het overige is voor de armen. Kan men van de wereldlijken hetzelfde zeggen? Indien de kloosterlingen, die meerendeels, in de wereld, in welstand hadden kunnen leven en in aanzien zijn bij de menschen, liever een leven van boetvaardigheid en ontberingen leiden, onder een ge-meenschappelijken regel, om alleen God en den evennaaste te dienen, â moet men hun dat als een misdaad aantijgen, terwijl men de rijken der wereld, die soms in slemperijen en andere zondige buitensporigheden meer verkwisten dan noodig ware om aan al de armen eener stad brood en kleederen te bezorgen, vleit en pluimstrijkt? quot;Wanneer het volk eens zal begrijpen hoe het bedrogen wordt, als men het tegen de kloosterlingen ophitst, vreeselijk zal dan de terugwerking wezen zijner rechtschapen ziel tegen hen
in dm loop der eeuwen.
die op zoo schandelijke wijze van zijne goede trouw misbruik hebben gemaakt. Doch toegepast op de Franciscaner kloosterlingen, is het bovengezegde verwijt niet alleen valsch en onverdiend, het is zelfs ongerijmd en dwaas. De kinderen van den H. Franciscus hebben alles verlaten. Noch als bijzondere, noch als gemeenschappelijk levende personen bezitten zij iets of mogen zij iets bezitten. Zij stellen enkel en alleen hun vertrouwen in de Goddelijke Voorzienigheid, zonder zich over den volgenden dag te bekommeren, en God die de vogeltjes voedt en de bloem der velden zoo fraai uitdost, verzuimt nooit door liefdadige handen, voedsel en kleeding te bezorgen aan hen die zich ter liefde voor Hem hebben arm gemaakt.
De roem der groote mannen en der groote Heiligen ontbrak den Franciscanen ook niet. Naast den H. Thomas van Aquinen, den Engelachtigen Leeraar, kunnen zij den H. Bonaventura stellen, wien de bewondering der eeuwen den titel van Serafvjnschen Leeraar heeft toegekend. Was de H. Thomas de vorst der leerstellige dogmatische godgeleerdheid, de H. Bonaventura was de inwijder, de prins der mystieke theologie welke tot eigenaardige strekking heeft, niet zoozeer de waarheden des Geloofs te bewijzen als wel ze tot in haar innig wezen te leeren kennen, tot de bron en het middelpunt der geloofsgeheimen onophoudelijk door te dringen om er de godsvrucht en de liefde te putten, de wonderbare werking der Goddelijke genade in de bevoorrechte zielen na te vorschen en te verkondigen. Toen de H. Thomas, zelf verwonderd over de geheimzinnige en verheven wetenschap van den H. Bonaventura met wien hij door den vriendschapsband vereenigd was, hem op zekeren dag vroeg waar hij die geput had, gaf deze geen antwoord, maar toonde zijn kruisbeeld. De twee heilige vrienden erkenden aldus dat God hun gemeenschappelijke leermeester was, ieder hunner overeenkomstig met zijn
147
Be Goddelijke beloften der H. Kerk
vernuft voorlichtende. De oorsprong was dezelfde; de vruchten, ofschoon even bewonderenswaardig, schenen verschillend, doch waren inderdaad nauw verwant en voltooiden elkander.
Een andere naam waarop de Orde van den H. Franciscus roem kan dragen, is die van den II. Antonms van Padua, den wonderdoener, die ook in de XIII0 eeuw tehuis hoort. Het leven van dezen buitengewonen man was, om zoo te zeggen, slechts eene aaneenschakeling van mirakelen. Het oneindig groot getal zondaars die hij op den goeden weg terugbracht en der ketters die hij bekeerde, de wonderwerken van stichting en heiliging welke hij alom verrichtte door zijne welsprekendheid, door den krachtdadigen invloed zijner deugd, door de verbazingwekkende mirakelen die op zijne bede ten aanschouwe der in verrukking gebrachte volksscharen gewrocht werden, â is dat alles geen nieuw bewijs dat God met zijne Kerk is en dat Hij haar op ieder tijdstip de hulp en steunmiddelen toezendt welke zij noodig heeft om aan hare vijanden te weerstaan, de misbruiken die ten gevolge der menschelijke zwakheid in haren schoot binnensluipen uit te roeien en, zich altijd meer en meer uitbreidend, hare heilzame zending door alle eeuwen heen te volbrengen ? â Men zou werkelijk blind moeten zijn om deze waarheid niette erkennen, en ondankbaar om ze niet met liefde te verkondigen.
XXV.
HET GEOOT CHEISTELIJK TIJDPERK.
Niet zelden hoort men de vijanden der Kerk de Middeleeuwen als tijden van barbaarschheid uitkrijten en de oorzaak er van toeschrijven aan den invloed door de Kerk gedurende dat tijdperk uitgeoefend. Dat is eene lasterlijke aantijging die tegen alle waarheid en rechtvaardigheid
148
in den loop der eeuwen.
aandruischt. Men treft, wel is waar, in de Middeleeuwen nog sporen aan van barbaarschheid, doch zi] zijn klaarblij-kend en uitsluitend overblijfsels en gevolgen der Heiden-sche en Barbaarsche zeden welke de Kerk, ondanks al hare pogingen, niet gansch uit de maatschappij heeft kunnen verbannen. Men ontwaart echter, onder dit opzicht, een aanhoudenden vooruitgang sedert de Ve eeuw, tijdstip van den inval der Barbaren en van de verwoesting der oude Eomeinsche wereld. Die vooruitgang is enkel en alleen het werk der Kerke geweest, en de latere beschaving, tot op onze dagen, hebben wij aan de Kerk alleen te danken. Ziedaar wat de geschiedenis onwederroepelijk vaststelt.
In de XIII0 eeuw bereikte, zooals wij gezien hebben, de invloed der Kerk, op burgerlijk en staatkundig gebied, zijn toppunt. Die eeuw zou dus, ware de vermelde aantijging gegrond, ook de ellendigste, de domste, in één woord, de barbaarste hebben moeten zijn van de Middeleeuwen. Welnu, 't is juist de XIIIe eeuw die boven alle uitblonk door eene vereeniging van edele werken, wijze instellingen, groote mannen, door eene ontwikkeling van welvaart en volksgrootheid wier weerga in geen ander tijdvak der geschiedenis gevonden wordt. Sommen wij terloops die grootheden op tot verheerlijking onzer Moeder de H. Kerk, tot vreugde voor hare getrouwe kinderen en tot beschaming der ondankbare die hare weldaden met hoon en laster durven vergelden.
Werpen wij eerst onze blikken op den H. Stoel, toppunt van het Godsdienstig en maatschappelijk gebouw. Wij zien er Pausen zetelen, even uitmuntend door hunne groote bekwaamheid als door hun verhevene deugd. Onder hen tellen wij eenen Innocentim III, wiens roemrijke regeering wij reeds geschetst hebben; eenen Honorim III, waardigen opvolger en voortzetter der werken van den vorige; eenen Gregorius IJl. bijna honderdjarigen grijsaard (hij stierf in
149
De Goddelijke beloften der H. Kerk
den ouderdom van 99 jaren) die niettemin den sluwen, meineedigen en goddeloozen keizer Frederik II een onver-winnelijken wederstand wist te bieden; eenen Urhanus IV, den Paus van het Heilig-Sacramentsfeest, en eindelijk om de eeuw te sluiten, eenen H. Celestinus V, die, zijns ondanks gekozen, slechts met weerzin de Pauselijke driekroon opzette en ze met eene wonderbare ootmoedigheid nederlegde. zoodra hij had ingezien dat het welzijn der Kerk zulks vorderde.
In de rij der bisschoppen treffen wij niet minder doorluchtige mannen aan. Nooit waren de bisschoppen inniger aan den H. Stoel verknocht; nooit waren zij ijveriger om het Geloof te verdedigen en de Kerkelijke tucht te handhaven. Wat de wereldlijke priesters betreft, hunne rijen waren langzamerhand gezuiverd van de onwaardige en met simonie besmette leden die ze vroeger onteerden, en zij waren wederom geworden wat zij altijd wezen moeten: het licht en het zout der wereld door hun onverminkt geloof en hun onberispelijken levenswandel.
De kloosterorden muntten uit door haar vurig streven naar de volmaaktheid, door hare liefde voor de studie en den arbeid. De abdijen en de kloosters waren overal als zoovele brandpunten waaruit de wetenschap en de Christelijke vroomheid de wereld overstraalden.
Een diep en levendig geloof kenmerkte het volk. Ook moet men daarin de uitlegging zoeken der treffende en schielijke bekeeringen van mannen die, na lang hunne tijdgenooten door een misdadig leven geërgerd te hebben, eensklaps geheel en al veranderden en door heldhaftige boetplegingen hunne vorige schanddaden uitwischten. De Kruistochten, ontelbare andere edelmoedige ondernemingen tegen binnen- en buitenlandsche vijanden des Christen-doms, de ongeloofelijke invloed welke sommige Heiligen op de menigten uitoefenden, kunnen niet verklaard
150
151
worden dan door het krachtig en overwegend geloot der middeleeuwsche volken.
Op den troon ontmoeten wij nog hier en daar een on-waardlgen vorst, maar deze blijft doorgaans niet doof aan de vermaningen der geestelijke overheid. Hij onderwerpt zich, bukt het hoofd onder de vaderlijke bestraffing des Pausen en geeft grootmoedig het voorbeeld eener oprechte boetvaardigheid. Frederik II maakt uitzondering op den regel. Gebaart hij soms van bekeering, dan is het slechts om des te beter zijn verraderlijk doel te bereiken. Door zijn eigen volk in 't nauw gebracht zal hij den huichelaar spelen, liefde voor Paus en Kerk uithangen, zelfs het kruis opnemen en naar Jeruzalem optrekken; doch, daar gekomen sluit hij met de Turken een geheim verbond en levert hun verraderlijk wat hij gezworen had te verdedigen. Hij sterft als een verworpeling, door elkeen veracht en verfoeid. Zijn stamhuis gaat ellendig te gronde en de keizerskroon valt den deugdzamen Rudolf van Habsburg ten deel.
Moest echter Duitschland blozen over zijnen Frederik II, Frankrijk kon fier zijn op zijnen H. Lodewijk IX, het toonbeeld der koningen. Die waardige zoon der godvreezende Blanca van Castilië is een der reinste gloriën der XIII» eeuw. Wijs in het bestuur zijns rijks, onverschrokken wanneer hij verplicht is de wapens op te vatten, doch vooral vredelievend en rechtvaardig jegens elkeen, groot of klein, machtig of zwak, vorst of onderdaan, won hij voor zich zeiven de liefde van zijn volk en dwong hij de bewondering der wereld af. Zijn geloofsijver zet hem tot tweemaal aan Kruistochten te ondernemen die telkens mislukken. Hij draagt dien tegenspoed met onwankelbare sterkmoedigheid en gelatenheid. Toen hij met geheel zijn leger in Egypte krijgsgevangen was, verbaasde hij de Turken door zijne grootmoedige houding, zijn onverstoorbare kalmte en bekwam hij, de overwonnen vorst, vredesvoorwaarden die
lh'. Goddelijke beloften der H. K rk
een overwinnaar nauwelijks zou hebben verkregen. In zijn tweeden Kruistocht kwam hij niet verder dan het zeestrand van Tunis. Daar, uitgestrekt op het zand, te midden zijner krijgers die hem als een vader beweenden, gaf de moedige vorst, de groote H. Lodewijk IX, den geest.
De studiën en wetenschappen bloeiden; beroemde hooge-scholen werden allerwegen geopend en duizenden leerzuchtige jongelingen kwamen er de lessen der grootste geleerden aanhooren. Alsdan leeraarde een Rogier Bacon, Franciscaner monnik, die eene nieuwe methode invoerde voor de studie der natuur, en dezer wetten niet slechts in loutere bespiegelingen, maar in proefnemingen en in de navorsching der verschijnselen ging zoeken. Aan hem heeft de wetenschap veel ontdekkingen en een buitengewonen vooruitgang te danken. Ja, hare schitterendste uitslagen die ons thans om zoo te zeggen verblinden, moeten wij tot dien grooten kloosterling, als baanbreker der nieuwe methode, doen opklimmen. Men noemde hem in zijn leven den wonderbaren leeraar. â Een ander Franciscaner monnik, Alexander Hales, verwierf den roemrijken bijnaam van omvederlegbaren leeraar, door zijne uitgebreide werken die als zooveel gedenkstukken blijven voortbestaan; â Duns Scot, nog een Franciscaner, verdiende den titel van scherp-zinnigen leeraar, en al kon hij het vernuft van den H. Thomas niet evenaren, toch steeg hij meer dan eens tot een gelijke hoogte door de kracht zijner redeneering. - Vin-centius van Beauvais werd de boekenverslinder genoemd om zijne veel omvattende kennissen. â Albertus de Groote, een doorluchtig kind van den H. Dominicus, droeg de bewondering zijner tijdgenooten weg door zijne verdienstelijke geschriften, doch geen zijner eeretitels kan opwegen tegen den roem van den H. Thomas van Aquinen onder zijne leerlingen geteld te hebben.
Besluiten wij deze onvolledige naamlijst van groote gè-
152
in den loop der eeuwen.
leerden en groote vernuften, met aan de namen te herinneren der HH. Bonaventura en Thomas die onvergelijkbaar moeten genoemd worden.
De XIIIC eeuw was niet alleen groot door hare groote Pausen, hare groote Heiligen, hare groote theologanten, wijsgeeren en geleerden, hare groote vorsten en krijgers, zij was groot, onvergelijkelijk groot, op het gebied dér kunst. Is het niet in de XIIIe eeuw dat de gothische bouwstijl, de Christelijkste en tevens de schoonste die ooit bestaan heeft, den hoogsten graad van volmaaktheid bereikte ? â Was het een tijdperk van barbaarschheid dat zoovele meesterstukken zag verrijzen, welke onze tijdgenooten niet genoeg kunnen bewonderen, met name den Dom van Kruien (1246), de hoofdkerk van Straatsburg, de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Parijs (1223), de St-Gudulakerk te Brussel (1226), de abdij van Westminster (1247) , de kathedralen van Burgos en Toledo (1228) en nog honderden andere ? â Is het niet, sedert men de meesterstukken der Middeleeuwen bestudeerd heeft, dat de in verval geraakte bouwkunst van onzen tijd begint te herbloeien en tempels voort te brengen welker voornaamste verdienste hierin bestaat dat zij hunne onnavolgbare modellen van voorheen eeniger-mate nabijkomen ?
En welke stoffelijke welvaart, welke ontwikkeling van den kunstsmaak, welke edele gevoelens, welke krachtige zelfopoffering of liever welk levendig en vurig geloof der molken verrieden niet die grootsche gebouwen welke overal terzelfder tijd uit den grond oprezen. Van stad tot stad, van parochie tot parochie, van klooster tot klooster wedijverde men om der Goddelijke Majesteit den prachtigsten tempel op te richten. Moet ons oordeel afhangen van de werken, ja, dan kunnen wij gerust verklaren dat het menschdom nooit, op geen enkel tijdstip der geschiedenis, een hoogeren graad van ware grootheid en waardigheid
153
De Goddelijke beloften der H. Kerk
bereikt heeft dan in deze eeuw. welke men nog voor onwetend en onbeschaafd wil doen doorgaan.
Die weidsche tempels, welke zoo natuurlijk de ziel tot gebed en ingetogenheid voeren, waren blijkbaar bestemd tot het vieren van indrukmakende plechtigheden, overeenkomstig met hun heerlijken bouwtrant, 't Was dan ook de XIIT- eeuw die de eer had het Heilig-Sacramentsfeest in te stellen, dat, door den luister zijner godsdienstige plechtigheden, de groote en verhevene liturgie der Katholieke Kerk moest volmaken. Hier mogen wij niet verzuimen aan te stippen dat het Bisdom Luik de bakermat was van dat schoone feest. De H. Juliana, eene kloosternon van den berg Cornillon, was de eerste die het gedacht opvatte van zulk een feest ten gevolge van een visioen waarin zij weldra verplicht was een Goddelijke openbaring te erkennen. Dit geheim der nieuwe plechtigheid welke God in zijne Kerk wilde instellen, deelde Juliana voor het eerst mede aan de Gelukzalige Eva, kluizenaarster van St-Martinus te Luik. De prachtige stiftkerk van den H. Martinus was de eerste die getuige mocht zijn van de heerlijkheden van het Heilig-Sacramentsfeest (1246). Robertus van Torote, bisschop van Luik. was de eerste bisschop die het nieuwe feest goedkeurde en in geheel zijn bisdom instelde. Een oud aartsdiaken van Luik, Jacobus Pantaleon, Paus geworden onder den naam Urbanus IV, was de eerste Paus die het Heilig-Sacramentsfeest met zijne goedkeuring bezegelde en tot de algemeene Kerk uitstrekte (1254). De stad Luik mag er dus fier op wezen het Heilig-Sacramentsfeest ingesteld te hebben : God geve dan ook dat wij zulks nimmer vergeten en dat onze godsvrucht tot het Heilig-Sacrament te allen tijde de getrouwe weerklank zij van die onzer voorouders!
Eindigen wij thans deze te flauwe schets van de grootheid der XIII'-' eeuw met te vermelden, dat toenmaals ook
154
in den loop der eeuwen.
de fiere gemeenten der beide Vlaanderen : Gent, Brugge en Yperen, evenals de schoone republieken van Italië den lioogsten trap van macht en welvaart bereikten. Het schijnt dat God, door alzoo den bloei van kunsten, handel en nijverheid te doen samengaan met de ontwikkeling van het godsdienstig en Katholiek leven, reeds toen heeft willen aantoonen, hoe valsch de beweringen zijn van die vuige lasteraars die de Kerk voorstellen als de onverzoenlijke vijandin van alle geestelijke ontwikkeling, van allen stoffelijken vooruitgang, van alle tijdelijke welvaart der volkeren.
Met het oog op den blinden haat van hen die Gods Kerk bestrijden, zal het niemand verwonderen dat zulke lastertaal gevoerd wordt; maar het is onbegrijpelijk, ja onvergeeflijk dat zulke leugens in weerwil der geschiedenis worden volgehouden en nog heden ten dage bijval vinden bij een deel onzer Christen bevolking die aan de Kerk zooveel te danken heeft. Geve de Hemel, dat men deze misdadige ondankbaarheid niet al te ras met bloedige tranen moete beweenen! Wat ons aangaat, zegenen wij God dat Hij ons de genade geschonken heeft zijne weldaden beter te begrijpen en Hem daarvoor onze rechtmatige hulde te betuigen.
XXVI.
DE SANTA CASA.
Bonifacius VIII, na den vrijwilligen afstand van den H. Celestinus V, tot Paus gekozen, was een dier uitgelezen mannen die grootheid van karakter aan even groote begaafdheid des geestes paren. In het bestuur der Kerk deinsde hij voor niets terug en hij wist de Goddelijke voorrechten van den H. Stoel met eene onwankelbare standvastigheid te verdedigen. Zijn geduchtste tegenstander was de koning van Frankrijk, Philips de Schoone, de ou-
155
De Goddelijke beloften der H. Kerk
waardige kleinzoon van den H. Lodewijk IX. Na alle middelen van verzoening uitgeput te hebben, sloeg Bonifa-cius VIII den plichtvergeten koning in den Kerkelijken ban. Philips de Schoone verzette zich tegen dien krachtigen maatregel en schroomde niet een heiligschennis te begaan door zich van den persoon des Pausen meester te maken. Den7September 1303 overrompelde Guillaume de Nogaret, aan het hoofd van een troep Fransche soldaten en Italiaan-sche opstandelingen, onverhoeds Anagni, waar zich de Heilige Vader bevond, en bestormde de poorten van zijn paleis. â Opent, quot; riep Bonifacius VIII, â ik zal voor Gods Kerk iveten te sterven.quot;
Toen de moordenaars voor den Paus verschenen, vonden zij hem op zijnen troon gezeten, in pauselijk gewaad, de tiara van Constantijn op het hoofd, de sleutels van St-Pieter in de ééne hand en een kruisbeeld in de andere. In hunne woede braakten zij een vloed van verwenschin-gen en bedreigingen tegen hem uit. â Ziehier mijn hoofd,quot; zeide thans de Paus met kalmte, â ik zal mi/j overgelukkig achten voor het Geloof van Jezus-Christus en van de Kerk mijn bloed te mogen vergieten. quot; Tegenover dit indrukmakend schouwspel hadden de ellendelingen den moed niet om hun afschuwelijk plan ten uitvoer te brengen. Gedurende drie dagen evenwel bleef Bonifacius VIII in hunne macht en werd hij met hoon overladen. Doch, over zulke hemeltergende handelwijze verontwaardigd, grijpen de inwoners van Anagni naar de wapens, verdrijven de moordenaarsbende en verlossen den Paus. Bonifacius keert naar Rome terug waar hij triomfantelijk ontvangen wordt. Eene maand later stierf de groote Paus, in den ouderdom van 88 jaren, uitgeput door de hevige zielsaandoeningen zijner laatste levensdagen. Ondertusschen bleven de euveldaden van Philips den Schoone niet ongestraft: te Kortrijk hadden de Vlamingen zijn schoonste leger in
15G
in den loop der eeuwen.
de pan gehakt en de keur van den Franschen adel onder hunne vreeselijke goedendags doen sneuvelen.
Onder het pausschap van Bomfacius VIII had eene wonderbare gebeurtenis plaats welke wij niet stilzwijgend kunnen voorbijgaan. Het Heilig Land was wederom in de macht der Ongeloovigen gevallen. In zijne geheimvolle raadsbesluiten had God zulks toegelaten; Hij wilde echter niet het nederig huisje van Nazareth, dat gedurende dertig jaren aan de H. Familie, aan Jezus, Maria en Jozef, tot verblijf had gediend, aan de ontheiligingen van Mahomed's volgelingen prijsgeven.
Den 10 Mei 1291 hadden eenige bewoners van de kusten der Adriatische zee 's morgens vroeg hunne woningen verlaten, om naar hun werk te gaan. Tot hunne verbazing bemerkten zij een eenzaam gebouw op eene plaats waaier nooit een gestaan had. In dat gebouw verschilde alles van den gewonen bouwtrant dier landstreek; het scheen zeer oud en, o wonder !... het stond zonder grondvesten op den blooten grond. Groot was de ontroering in de geheele landstreek door de plotselinge verschijning van dat onbekende huis teweeggebracht. Doch zie, daar komt de eerbiedwaardige bisschop der plaats toegesneld en geeft verklaring van het verschijnsel; zijne oogen stralen van vreugde,terwijl hij aan de bewogen volksschaar mededeelt dat dit huis de aloude woning is waarin de H. Familie te Nazareth verbleef en welke op mirakuleuze wijze van Judea naar Dalmatië is overgebracht. Tot waarborg heeft hij de H. Maagd zelve die htm verschenen is en hem op staan-den voet genezen heeft van eene waterzucht waaraan hij leed en welke de heelkundigen ongeneesbaar hadden verklaard. Dit nieuwe mirakel hetwelk iedereen kon waarnemen, bekrachtigde het eerste, doch men stelde zich daarmede niet tevreden. Door toedoen van den landvoogd van Dalmatië werden vier aanzienlijke personen afgevaar-
157
Be Goddelijke beloften der H. Kerk
digd en naar .Tudea gezonden, om te Nazareth zelf het handtastelijk bewijs van het mirakel der overvoering te gaan halen. De afgevaardigden komen terug en verklaren onder eede dat het wonderbare huis ontegenzeglijk het Heilig Huisje van Nazareth is. Zij hebben de achtergebleven grondslagen teruggevonden, zij hebben ze afgemeten en juist bevonden, zij hebben den aard der bouwstoffen onderzocht en erkend, en de getuigenissen gehoord van de inwoners van Nazareth die het verlies van hunnen schat nog beweenden. Er valt niet meer te twijfelen, het Huisje van Nazareth is in Dalmatic gekomen, door de Engelen overgevoerd, en menigvuldige wonderen brengen telken dage nieuwe bewijzen aan om het mirakel te bevestigen.
Drie jaren en zes maanden gaan voorbij, en zie, daar is opeens het Heilig Huisje uitDalmatië verdwenen, gelijk het er gekomen was; opnieuw was het de zee overgevlogen en had zich midden in een laurierbosch op het grondgebied Recanati in Italië nedergezet. Eenigen tijd later had er een nieuwe verrassing plaats. Het Heilig Huisje is komen rusten op drie mijlen afstand van de stad Recanati. Vier maanden later geschiedde eene vierde overplaatsing; het geheimzinnig heiligdom wordt wedergevonden midden op den openbaren weg die van Recanati naar het strand der Adriatische Zee voert. Daar bevindt het zich nog heden, namelijk te Loreto.
Waarom die herhaalde overvoeringen in minder dan vijf jaren ? â Was het niet om het mirakel klaarblijkelijk te maken door het tot viermaal toe te vernieuwen? â Paus Bonifacius VIII wil niettemin dat men nog grooter voorzorgen neme, en, op zijn bevel, gaat een gezantschap bestaande uit veertien ridders in Dalmatië en in Judea de overvloedigste getuigenissen en de nauwkeurigste inlichtingen inwinnen om het groote wonderfeit, waarvan de faam reeds tot aan Europa's uiteinden was doorgedrongen,
158
in den loop der eeuwen.
zonneklaar te bewijzen. Zoo groot is de voorzichtigheid der Kerk, wanneer het er op aankomt over de bovennatuurlijke werken van God een onderzoek te doen ! Sedert dien tijd is het Huisje van Loreto, of de Santa Casa, het voorwerp der vereering van alle Katholieken. Loreto is een bedevaartsplaats, even beroemd als het graf der Apostelen te Eome. De macht en de goedheid van Maria hebben daar door ontelbare weldaden uitgeschenen. De godsvrucht der geloovigen is er op wonderbare wijze aangegroeid, en de Santa Casa blijft er voortbestaan als een altijddurend gedenkteeken van den door God aan zijne Kerk beloofden bijstand.
XXVII.
DE GKOOTE KEEKSCHEUKIKG VAN HET WESTEN.
159
Het groote Westelijk Schisma is eene der hardste beproevingen welke de Kerk sedert hare stichting te doorstaan heeft gehad. Ware zij eene menschelijke maatschappij geweest, zij zoude ongetwijfeld, op dit tijdstip, het Goddelijk woord hebben zien verwezenlijkt worden: ,. Omne regmtm divismn contra seipsum, desolabitur: et omnis civitas vel domus divisa contra se. non stabit.quot; â Alle rijk, tegen zich zelf verdeeld, zal verwoest icorden, en alle stad of huis, tegen zich verdeeld, zal niet blijven bestaan. quot; (1) Veertig jaren lang (van 1378 tot 1417) was de Christen maatschappij werkelijk tegen zich zelve verdeeld. Twee Pausen zag men te gelijker tijd regeeren, den eenen te Avignon, den anderen te Eome, en malkander het bestuur der Kerk betwisten; de Christen volkeren wisten niet met zekerheid te onderscheiden welke der beide Pausen de eigenlijke Stedehouder van Jezus-Chris-tus op aarde was en verdeelden zich dan in twee tegenovergestelde heiren, waarvan het eene den Paus van Rome als
(1) II. Matlh. XII. 2a. H. Luc. XI. 17.
De Goddelijke beloften der II. Kerk
zijn Opperhoofd beschouwde en het andere den zoogenaam-den Paus van Avignon aanhing, die ook de wettige opvolger van den H. Petrus beweerde te zijn. Onberekenbaar waren de onheilen door die rampzalige verdeeldheid teweeggebracht. Men merke evenwel in 't voorbijgaan op dat de Kerk, niettegenstaande al die rampen, niet ophield zich uit te breiden en, te midden van die algemeene wanorde, de bewonderenswaardigste vruchten van deugd en heiligheid voortbracht.
Verhalen wij in 't kort de feiten.
Om een einde te stellen aan de burgertwisten en kuiperijen der omwentelingsgezinden, aan de misdadige aanslagen tegen den H. Stoel, welke de stad Eome reeds al te lang onteerd hadden, vestigde Paus Clemens V, in hot begin der XIVquot; eeuw, zijnen zetel te Avignon, eene stad die aan den Paus toebehoorde, doch geheel en al door de Staten des Franschen konings omsloten was. Volgens de bedoeling van Clemens V was dat een maatregel van voorzichtigheid, ten eenenmale noodzakelijk tot de onafhankelijkheid van het pauselijk oppergezag, en terzelfder tijd eene straf en eene les voor de Romeinen, die zich aan alle aanslagen, op zijne voorgangers gepleegd, hadden medeplichtig gemaakt, en zoodoende onwaardig waren geworden om het Opperhoofd der Kerk nog langer in hun midden te bezitten. Toenmaals was het onmogelijk de betreurenswaardige gevolgen, die later daaruit moesten voortvloeien, te voorzien.
â De opvolgers van Clemens V verbleven insgelijks te Avignon. De Romeinen zagen dan ook weldra in dat de stad Rome. met den Paus, de bron van haar leven, van haren rijkdom en hare ware grootheid verloren had. In 1843 zonden zij een gezantschap tot Clemens VI, den 3en opvolger van Clemens V, om hem nederig te verzoeken den H. Stoel wederom naar Rome over te brengen, doch
160
in den loop der eeuwen.
zij stelden voorwaarden welke de Paus niet kon aannemen. â Mit vn ugde, antwoordde Clemens VI, zullen wij het gunstig oogenhlik icaarnemen om het Pausdom in zijne natuurlijke zetelplaats te herstellen; doch dit oogenhlik, dankt ons, is nog niet gekomen.quot;
Toen nu, twintig jaren later (1366), Kardinaal Albornoz er in geslaagd was de orde in de Pauselijke Staten te herstellen, besloot Urbanus Y, die overigens had ingezien hoe nadeelig het wezen zou nog langer te Avignon te verblijven, naar Eome terug te keeren. Reeds het volgend jaar voerde hij zijn plan uit, ondanks alle beweegredenen die hem zulks konden afraden.Zijne intrede in de stad Rome was een ware triomf. De bevolking, die sedert zestig jaren den Paus niet meer gezien had, gaf bij die gelegenheid schitterende en geestdriftige bewijzen barer vreugde. De gansche wereld nam deel aan dat vreugdegejuich en 't was inderdaad een heerlijk schouwspel toen, in 1368, de twee keizers, van het Westen en van het Oosten, terzelfder tijd te Rome aan 's Pausen voeten kwamen nederknielen. Ongelukkiglijk werd Rome alras het tooneel van nieuwe beroerten welke den Paus het stille verblijf van Avignon deden betreuren. Hij liet dan ook hooren dat hij van plan was naar deze stad weder te keeren. Alle ware geloovigen waren door deze tijding terneergeslagen. Eene vermaarde Zweedsche maagd, de H. Brigitta, die toenmaals ter bedevaart was gekomen naar het graf der Apostelen te Rome, had een visioen waarin God haar de toekomst openbaarde en haar beval den H. Vader daarvan kennis te geven De heilige vrouw volbracht deze zending. Zij voorspelde den Paus Urbanus V dat zijn dood nabij was, indien hij naar Avignon terugkeerde. De Paus echter luisterde niet naar deze waarschuwing en stierf, nog geen twee maanden later, te Avignon, in de volle kracht zijns levens. Bij het naderen des doods, zoo verhaalt men, was het hem van
11
161
De Goddelijke beloften der H. Kerk
harte leed het woord der 11. Brigitta in den wind geslagen en aldus tegen den Goddelijken wil gehandeld te hebben. Zijne fout zou hij wel hebben willen herstellen, maar de dood liet hem geen tyd daartoe.
Ook Gregorius XI, opvolger van Urbanus V, kon er maar niet toe besluiten om het Pauselijk hof voorgoed naar Rome over te brengen, toen God hem de H. Catharina van Siöna zond, die hare dringende beden bij die van de H. Brigitta en verscheidene andere heilige personen voegde, en niet naliet den Paus, vanwege den gekruisigden Jezus, te zeggen dat hij ten spoedigste vertrekken moest en zich naar Rome begeven. Om zijne laatste gewetenstwijfelingen te overwinnen, herinnerde hem de heilige Catharina aan eene hem alleen bekende gelofte, welke hij eertijds gedaan had, namelijk de gelofte van den H. Stoel naar Rome te verplaatsen, indien hij ooit tot Paus gekozen werd. Catharina maande hem aan, in den naam van God, om toch eindelijk zijne belofte te vervullen. Van dit oogenblik aan aarzelde Gregorius XI niet meer en vertrok. Bij Genua werd zijne vloot door een geweldigen storm geteisterd en de Paus in nieuwe verlegenheid gebracht. Gregorius XI was andermaal besluiteloos, daar zijne omgeving bij hem aandrong om op zijne schreden terug te keeren; maar dc-H. Catharina sprak hem weder moed in, en dank aan haar, zette de Pauselijke stoet zijne reis naar Rome voort, waar hij eindelijk, te midden van het onbeschrijfelijk vreugdegeroep der menigte, aankwam (1377). De ballingschap van Avignon, die 70 jaren geduurd had, was thans ten einde.
De Kerkscheuring ging er weldra uit voortvloeien. Alvorens echter een vlugge schets te geven van de verschillende afwisselingen dier droeve gebeurtenis, willen wij hier een oogenblik stilstaan om de werking der Goddelijke Voorzienigheid te bewonderen, welke zich, ditmaal, van twee zwakke vrouwen, de H. Brigitta van Zweden en de
1(32
in dm loop der eeuicen.
H. Catharina van Siëna, bedient om het Pausdom uit een toestand te redden, die, hoewel in den beginne noodzake-liik, op den langen duur nadeelig was geworden voor het gezag en den invloed des H. Stoels evenals voor het algemeen welzijn der Kerk. Verbazend was de taal der H. Catharina, wanneer zij zich tot Paus Gregorius XI wendde. In plaats van raadgevingen te ontvangen, gaf zij zelve raad, moed en kracht, en sprak zij met eene overtuiging en vrijmoedigheid welke door de werking der Goddelijke genade alleen bij eene zwakke vrouw kunnen verklaard worden. â Gij iceet wel, Zeer Heilige Vader, zoo schreef zij. dat gij, door de Kerk tot uwe bruid te nemen, u verhonden hebt om voor haar te werken, zonder terug te deinzen voor de tegenspoeden en smarten die u icegens haar zullen bestormen. Ga derhalve manhaftig die gevaarlijke stormen te gemoet, met kracht, gedidd en lange volharding; moget gij nimmer het hoofd omdraaien en omzien 't zij icegens het lijden, hetzij uit vrees of angst... Volhard, verheug u: in de stormen en gevechten icorden de zaken van God goed gedaan; zij zouden, niet anders kunnen gedaan icorden.quot; Welk eene taal in den mond eener nederige maagd tegenover den Plaatsvervanger van Jezus-Christus op aarde! Zou men niet zeggen dat de rollen omgekeerd zijn ? Doch bemerken wij wel dat de H. Catharina van Siëna geene gewone vrouw was ; op het oogenblik dat zij de leidster scheen te zijn van Hem dien Jezus-Christus als Opperhoofd zijner kudde had aangesteld, trok zij de blikken van Italië en zelfs van gansch Europa tot zich door hare schitterende deugden, hare zielsverrukkingen en haar leven rijk aan hemelsche wonderen, door den buitengewonen invloed dien zij op de volkeren uitoefende en door een vurig verlangen naar de volmaaktheid dat zij aan ontelbare zielen had medegedeeld.
Door den terugkeer van het Pauselijk hof van Avignon
163
De Goddelijke beloften der H. Kerk
naar Rome, de zetelplaats der opvolgers van den H. Petrus, had Gregorius XI de lange ballingschap, door de tijdge-nooten ook Babylonische gevangenschap van het Pausdom geheeten, doen opbonden. Maar het einde van dien droevi-gen toestand was bet begin der groote Kerkscheuring van het Westen, die er als een natuurlijk gevolg van was.
Na 's Pausen dood, die op den 27 Maart 1378 plaats had, vereenigden zich de zestien te Rome aanwezige kardinalen in Conclave, in het Vaticaansch paleis. Bi] de verkiezing deden zich groote moeilijkheden op. De meeste Kardinalen behoorden tot de Fransche natie en wilden een Franschen Paus kiezen, in de hoop van later den H. Stoel wederom naar Avignon te zien overbrengen ; het Romeinsche volk had zulks vermoed en was op het St-Pietersplein samengeschoold om met de wapenen in de hand en al schreeuwende te eischen dat men een Romein tot Paus zou kiezen. Indien het den kardinalen in het belang der Kerk niet geoorloofd was een Franschen Paus te kiezen zooals het de meesten hunner verlangden, het was ten anderen niet gemakkelijk den wensch des volks te bevredigen. Het Heilig College telde slechts twee Romeinsche kardinalen, waarvan de eene te jong en de andere te oud en te ziekelijk was om den zwaren last der Pauselijke waardigheid te kunnen dragen.
De kardinalen waren dan ook besluiteloos te midden dier tegenstrijdige en even onhoudbare eischen, toen de kardinaal van Limoges opstond, en, na aangetoond te hebben dat het wegens de omstandigheden niet geoorloofd was een kardinaal te kiezen, in de volgende woorden besloot : â Wii) kunnen slechts een Italiaanschen Paus. buiten het Heilig College, kiezen; hijgevolg geef ik mijne stem. aan Bartholorneus Prignano. aartsbisschop van Bari.quot; Dat was een lichtstraal. Alle stemmen, met uitzondering van twee, werden dan ook op den aartsbisschop uitgebracht.
1(54
in den loop der eeuwen.
Naar het Conclave ontboden, wederstond de nieuwgekozene lang aan de beden der kardinalen, maar gaf eindelijk zijne toestemming, aanvaardde den glorievollen last der Pauselijke waardigheid en nam den naam van Urbanus VI aan. Met buitengemeene blijdschap ontving het volk het nieuws dier verkiezing, als hadde het vergeten dat het een Ro-meinschen Paus gevraagd had. De plechtige kroning had plaats op Paaschdag, in tegenwoordigheid van al de kardinalen, en werd aan de afwezige kardinalen en aan de Christen vorsten van Europa bekendgemaakt.
Urbanus VI was alzoo door de algemeene Kerk erkend: hij was de wettige opvolger van den H. Petrus.
Intusschen kenmerkte de nieuwe Paus weldra zijne regeering door strenge, maar zeer billijke maatregelen van hervorming, welke de ontevredenheid van een zeker getal kardinalen opwekte. Ook weigerde Urbanus VI uitdrukkelijk naar Avignon terug te keeren, en dat verbitterde hen nog meer en verschafte hun een voorwendsel om zich van den Paus te scheiden en zich naar Anagni te begeven. Eenmaal den weg des opstands ingeslagen, bleven de ontevredenen niet stilstaan, zij gingen tot het uiterste en gaven te kennen dat zij voornemens waren tot een nieuwe verkiezing over te gaan, omdat die van Rome, gelijk zij zeiden, niet vrij was geweest.
Toen de H. Catharina van Siëna de tijding dier ergernis vernam, snelde zij naar Urbanus VI toe. In de vurigheid van haren ijver schreef zij een bewonderenswaardigen brief aan de weerspannige kardinalen, om hun de onwaardigheid van hun gedrag te toonen. â Gij weet,quot; zeide zij hun, â en gij hebt het duizendmaal herhaald., dat Urbanus VI de wettige Paus is; dat zijne verkiezing veeleer het werk der Goddelijke ingeving geweest is dan teel een voortbrengsel van uic menschelijk vernuft. Welke is dun de oorzaak uwer verandering, zoo niet het venijn der eigenliefde dat de wereld
165
166
vergiftigt ? Ziedaar waarom gij, aan het lichte stroo gelijk, naar alle winden vlot en iventelt, in plaats van steunpilaren van het gebouw te zijn; in plaats van bloemen te wezen die de Kerk met haren geur vervullen, besmet gij haar door moe dioalingen; in plaats van het op den berg schitterende licht te zijn, volgt gij den engel der duisternis. quot;
Maar de vurige welsprekendheid der H. Catharlna bleef zonder uitwerksel. Het aanbod zelf. door Urbanus VI gedaan, om zijne rechten aan de uitspraak eener algemeene Kerkvergadering te onderwerpen, kon den zondigen wrok der afvalligen niet ontwapenen. Van Anagni begaven zich de kardinalen naar Fondi, waar zij een Conclave belegden en, den 20 September 1378, Robert van Geneve onder den naam van Clemens VII tot Paus uitriepen. Het schisma was voltrokken.
Het grootste gedeelte der Christen wereld bleef desniettemin het gezag van den wettigen Paus Urbanus VI erkennen. Alleen de koningen van Frankrijk, Cyprus, Schotland en de koningin van Napels namen de partij op van den tegenpaus Clemens VIL Deze ging zijn zetel vestigen te Avignon, waar hij met geestdrift ontvangen werd.
De betreurenswaardige verdeeldheden tusschen de ge-loovigen, welke uit de Kerkscheuring voortvloeiden, zullen wij niet vermelden. Alle Katholieken waren bedroefd de Kerk in een toestand te zien die zoo in strijd was met den wil van haren Goddelijken Stichter, verdeeld als zij was tusschen twee opperhoofden die beiden de onvervreemdbare voorrechten van het apostolisch primaatschap eischten en er zich van bedienden om malkander de banbliksems toe te slingeren.Ãén Paus slechts moest erwezen.daarover waren het allen eens; doch wie was die Paus? â Clemens VII,quot; antwoordden de oproerige kardinalen, â want de verkiezing van Urbanus VI is nietig, omdat zij wegens het geweld der menigte niet vrij, maar gedwongen is geweest.quot; â â Urba-
in den loop der eeuwen.
mis VI, quot; zoo antwoordden de andere, â zijne keuze is vrij geweest ondanks het ivoest geschreeuw des volks, en overigens is zij bekrachtigd geworden door de gansche Kerk die- hem verscheidene maanden lang als Paus erkend heeft voor de verkiezing van Clemens VILquot; â Het recht was klaarblijkelijk aan den kant van Urbanus VI, maar vele oprechte zielen zagen dat niet in en vergisten zich te goeder trouw aangaande den eigenlijken persoon des Pausen.
Nooit echter scheen de eenheid van bestuur der Kerk meer noodzakelijk. In Engeland was het Wicleff, inDuitsch-land was het Jan Hus en Hieronymus van Praag die de vaan des opstands hadden geplant en het venijn der nood-lottigste ketterijen verspreidden; en terwijl het Westen door vruchtelooze strijden zijne krachten verspilde, daagde uit het Oosten een vreeselijke vijand op, die Hongarije overweldigde, het Christen leger te Mcopolis verdelgde en snoevend beweerde dat weldra â zijn paard op het altaar van St. Petrus zijne haver zou vretenquot; Die vijand was Bajazet I, Sultan der Turken.
In dien uitersten nood redde de Goddelijke tusschenkomst andermaal de Kerk uit de vreeselijke beproeving welke zij doorstond.
Eensklaps kwam van uit het hart van Azië, als door Gods stem opgeroepen, een veroveraar aangesneld nog grooter dan Bajazet; het was de beruchte Tamerlan, die, aan den woesten Attilagelijk, alles op zijn weg verbrijzelde en niets dan opeengehoopte puinen en lijken achterliet. Bajazet zag zich nu genoodzaakt Europa los te laten om zijn eigen rijk tegen den nieuwen overweldiger te verdedigen. Hij werd verslagen, viel in de handen van Tamerlan, en uit wanhoop verbrijzelde hij zich het hoofd tegen de staven der ijzeren kooi, welke zijn wreede overwinnaar hem als kerker gegeven had. Zoo was de Kerk voor het oogen-blik beveiligd tegen den uitwendigen vijand die haar bedreigde.
167
De Goddelijke beloften der II. Kerk
Wat de ketters betreft, zij ook werden, ondanks de inwendige en onderlinge verdeeldheden der Katholieken, krachtdadig bevochten, hunne leer stellingen veroordeeld en hunne pogingen tot verspreiding der dwalingen vei-ijdeld. Doch de Kerk was niet alleen zegevierend onder deze twee opzichten, zij werd ook terzelfder tijd verheerlijkt en vertroost door de verhevene deugden van een groot getal Heiligen die zich allerwegen vertoonden en veel bijdroegen tot de herstelling der éénheid van het Kerkelijk bestuur evenals van de Christelijke geloofs- en zedenleer. Dusdanig was de H. Vincentius Ferrer lus. de onvermoeibare geloofsverkondiger, voor wien God het mirakel van Pinksteren vernieuwde door hem de gave der talen te schenken. â de U. Joannes Nepomucenus, de martelaar van het biechtgeheim, â de H. Coleta, de bewonderenswaardige maagd, die de orde der Clarissen hervoimde, de H. Bernard,inuH van Siëna. zoo vermaard door zijne wetenschap, zijn engelachtig leven en zijne teedere liefde tot de Moeder Gods, - de H. Thomas a Kempis, de schrijver van het onvergelijkelijk boek: de Navolging van Jezus-Christus.
Doch haasten wij ons het einde der Kerkscheuring te verhalen. Het verlangen naar eene oplossing was zoo algemeen dat de wettige Pausen en de tegenpausen van Avignon verscheidene pogingen tot verzoening deden, doch die mislukten en slechts dienden om den reeds zoo benarden toestand nog meer in de war te brengen. Eindelijk toch werd te Constance eene algemeene Kerkvergadering belegd door toedoen van den Duitschen keizer, Sigismond, en met medewerking der andere Christene vorsxen. Een groot aantal kerkvoogden waren ér tegenwoordig. Paus Gregorius XII legde, uit liefdevoor den vrede, de Pauselijke waardigheid neder. Ook Joannes XXIII zag v an zijne eischen af. Maar de tegenpaus Benedictus XIII, de opvolger
168
in den loop der eeuwen.
van Clemens VII te Avignon, hoewel door biina al zijne aanhangers verlaten, wilde volstrekt niets toegeven. Op hem evenwel gaf de Kerkvergadering geen acht en besloot tot eene nieuwe verkiezing over te gaan, zeker als zij was van zoodoende in overeenstemming te zijn met de gansche Kerk. Na een vierdaagsch conclave werd kardinaal Otto Colonna met algemeene stemmen gekozen en tot Paus uitgeroepen onder den naam van Martinus V. 't Was den 11 November, feestdag van den H. Martinus, bijna 40 jaren na de opkomst van het Schisma.
Deze keuze, vrucht der onbaatzuchtigheid en der liefde tot de eendracht, werd met algemeene toejuichingen in de Christen wereld begroet. Keizer Sigismond nam plaats in den stoet des nieuwen Pausen en leidde ziin paard bij den toom, terwijl het volk Martinus V met eerbewijzen overlaadde, hem noemende den Engel des vredes en het Heil der volkeren.
Eene enkele stem klonk wanluidend, 't was die van den hardnekkigen Petrus van Lima, den tegenpaus Bene-dictus XIII. Doch zij ging verloren te midden van het algemeen vreugdegejuich, want het Schisma was voorgoed geëindigd. De Kerk, hersteld in het volle bezit harer éénheid, kon nu hare wonden weer heelen, ten einde nieuwe strijden te trotsen en door nieuwe triomfen haren luister te vergrooten.
XXVIII.
JOANNA D'AEC.
Onder de Katholieke volken heeft Frankrijk sedert Clovis altijd eene eereplaats gehad. â Deze zeer edele natie, zoo verklaarde onlangs Leo XIII, heeft door talrijke wapenfeiten en schitterende daden, zoowel in den vrede als in den oorlog, den roem cener bijzondere verdienste jegens de
169
170 De Goddelijke beloften der H. Kerk
Katholieke Kerk verworven.quot; De tijdelijke macht der Pausen, de zegepraal des Geloofs over de Heidenen en Saracenen, de voortplanting des Geloofs bij de Barbaarsche volken, de krachtdadige bescherming van het Heilig-Land, de uitroeiing der ketterijen heeft de Kerk in grooten deele te danken aan den kloeken degen van Pepijn, Karei-Martel, Karei den Groote, den H. Lodewijk en andere helden, aan de edelmoedige en heldhaftige naastenliefde der Fransche Katholieken, zoo geestelijken als wereldlijken, 't Is dus niet zonder reden dat men Frankrijk de oudste dochter der Kerk genoemd heeft en dat men een zeker verband vindt tasschen het lot van dat rijk en de belangen van den godsdienst.
Om die reden rangschikken wij onder het getal der schitterende bewijzen van Gods tusschenkomst ten gunste zijner Kerk, Frankrijks wonderbare verlossing in de XVe eeuw door Joanna d'Arc, de tengere herderin van Domremy.
In 1428 was het Fransche koninkrijk, ten gevolge van politieke gebeurtenissen die niet tot ons onderwerp be-hooren, grootendeels in de macht der Engelschen gevallen. Deze hadden zich van Parijs en van gansch het Noorden tot aan de Loire meester gemaakt. De koning van Engeland droeg reeds den titel van koning van Frankrijk, en het scheen geenszins twijfelachtig of zijne zegepralende wapenen zouden aldra het gansche land veroveren. De jeugdige koning van Frankrijk, Karei VII, had schier geen troepen meer om nog langer den vijand kop te bieden ; Orleans, het laatste bolwerk van zuidelijk Frankrijk, weerde zich met den moed der vertwijfeling, maar zag den onvermijdelijken dag naderen waarop het, meer nog bij gebrek aan levensmiddelen dan aan stoutmoedige soldaten, zijne poorten voor den overwinnaar zou moeten openen, 't AVas gedaan met het schoonste koninkrijk dei
171
Christenwereld en Karei VII, geheel en al ontmoedigd, was reeds van plan eene schuilplaats te gaan zoeken in Auvergne of zelfs in het buitenland, toen men hem de wondere tijding bracht dat zich een jong meisje bij hem aanmeldde, zeggende, dat het van God gezonden was om het vaderland te redden. Dit meisje was Joanna d'Arc, te Domremy, op Driekoningennacht van het jaar 14-12, uit werkzame en eerlijke ouders geboren. Terwijl de vrome jongedochter de kudden hoedde, had zij hemelsche verschijningen die haar van Godeswege het bevel brachten haar nederig dorp van den Maasoever te verlaten, om naaiden koning te gaan en hem op zijnen troon te herstellen. Langen tijd deinsde Joanna d'Arc terug voor de vreeselijke zending welke de hemelsche stemmen haar altijd dringender aanbevolen ; maar toen zij eenmaal de overtuiging verkreeg dat zij niet de speelbal was van ijdel zinsbedrog en dat haar wel degelijk de wil van God werd voorgehouden, gaf zij aan hare ouders kennis van haar inzicht en vertrok, in weerwil van al wat de ouderlijke liefde en de ongeloovigheid van hen die haar hulp moesten verleenen, ook in het werk stelden om haar terug te houden. â Ik zal vertrekken, quot; zoo had zij gezegd, â al moest ik ook mijne heenen tot aan de knieën verslijten... Niemand anders dan ik kan het Fransche koninkrijk herwinnen. En toch, hoeveel liever zou ik de kudde mijns vaders hoeden, mijne moeder helpen spinnen en naaien... Maar God icil het!quot;
Met een onbeschrijfelijk geluk en eene bovennatuurlijke stoutmoedigheid trok zij door de provinciën heen, welke in de macht der vijanden waren, stak de Loire over en kwam in het begin van Maart 1429 bij den koning aan. De hovelingen, de raadgevers des konings en de legerhoofden konden, evenmin als de geestelijken en de koning zelf, er geloof aan hechten dat eene jongedochter van 17 jaren Frankrijk van den ondergang moest redden; zij beproefden
Be Goddelijke beloften der H. Kerk
haar dan ook op allerhande wijzen, doch zij ruimde zegevierend alle zwarigheden uit den weg en won aller vertrouwen. In de maand April rukte Joanna d'Arc aan het hoofd van een leger, dat in aller ijl was op de been gebracht, tegen Orleans op, inden naam van God belovende dat zij die stad zou intrekken en ontzetten, en de Engelsche legermacht verslaan. Haar invloed was reeds zoo groot dat zij den soldaten het vloeken en andere buitensporigheden, die in de legers niet zelden voorkomen, ontwende. Maar de geestdrift werd onbeschrijfelijk, toen zij slag op slag Orleans ontzet, de Engelsohen verslagen en geheele provinciën heroverd had, al hare beloften op de verba-zendste wijze ten uitvoer brengende. Van dit oogenblik af aan werd Joanna d'Arc niet anders meer genoemd dan de gezondene des Hemels om Frankrijk te bevrijden-; de scharen snelden haar te gemoet en overlaadden haar met zoodanige bewijzen van eerbied en dankbaarheid dat zij de jeugdige heldin onvermijdelijk tot hoogmoed zouden gebracht hebben, ware zij niet recht vroom geweest en tevens doordrongen van het gevoelen dat hare heldendaden slechts het werk waren van den Almachtige.
Ondanks het wantrouwen, den armzaligen naijver en den trouweloozen nijd die aan het hof van Karei VII heerschten en den invloed van Joanna d'Arc poogden te verijdelen of te vernietigen, gaf de koning gehoor aan hare dringende bede en begaf zich op weg naar Reims om er tot koning gezalfd te worden. De onderneming scheen stout, ja zelfs roekeloos ; maar zij was inderdaad een zegetocht. De steden openden hare poorten of gaven zich over na een schijn van wederstand; de vijanden met schrik geslagen deinsden op de gansche linie terug. Den IC Juli bemerkte het koninklijk leger in de verte de torenspitsen der aloude stad Reims; nog denzelfden dag deed het zijne intrede te midden eener onbeschrijfelijke geestdrift.
172
in den loop der eeuwen.
Des anderendaags ontving Karei VII de koninklijke zalving ten aanschouwe der soldaten en der burgers, die dronken waren van vreugde, 't Is niet moeilijk te raden wat in deze omstandigheid vooral de aandacht der toeschouwers trok : 't was niet zoozeer de luister dier heerlijke plechtigheid als wel de jeugdige bevrijdster van Frankrijk, Joanna d'Arc, die, met het witte vaandel in de hand, gedurig aan de zijde bleef des konings. Na de zalving boog de heldin de knie voor Karei VII en zeide al weenende: â Edele koning, thans is Gods icil uitgevoerd en mijne zending volbracht. quot;
Joanna had het toppunt van eer en macht bereikt. In minder dan vier maanden had zij wonderen gewrocht, en men zou gezworen hebben dat voortaan alles moest zwichten voor de wapenen harer met geestdrift vervulde krijgers. En toch gebeurde het tegenovergestelde. Door de schuld der menschen en door eene bijzondere toelating der Voorzienigheid die alles regelt, ondervond Joanna, sedert de zalving van Reims, niets meer dan teleurstelling en tegenspoed. Zij had zonder uitstel tegen Parijs willen oprukken, â doch men verloor twee maanden in een onbegrijpelijk gedraal en geknoei. Toen men er eindelijk toe besloot de hoofdstad aan te vallen, was het te laat; de stad was in staat van verdediging gesteld en, reeds na de eerste mislukking werd het beleg, tot groote droefheid van Joanna, opgebroken.
Intusschen vernam de heldin de smartelijkste tijdingen van diezelfde hemelsche stemmen welke haar vroeger hare zending van verlossing hadden aangekondigd. â Voor het St-Jansfeesi,quot; zoo klonk het in hare ooren, â zult gij krijgsgevangen zijn. Zoo toil het God. Eerbiedig zijne raadsbesluiten en hoop op zijne barmhartigheid.quot; Deze voorzeggingen werden aldra verwezenlijkt, evenals de vorige waarmede God haar begunstigd had. In de stad
173
174
Compiègne door de Engelschen belegerd, waagde zij een uitval die aanvankelijk scheen te gelukken, maar op eene nederlaag uitliep. De heldin dekte de vlucht harer krijgers, en alleen, door allen verlaten, hield zij het een geruimen tijd vol tegen hare verwoede vijanden. In het krijgsgedrang echter gelukte het eenen boogschutter Joanna van haar paard te doen vallen. Aanstonds wierp men zich op haar, zij was krijgsgevangen. Groot was de vreugde der Engelschen ; zij hadden haar eindelijk in hunne macht, die buitengewone maagd die hun zooveel kwaad had berokkend, en nu konden zij zich wreken. Hunne wraak was even gruwelijk als schandelijk. Beschuldigd van tooserij, ketterij en andere afschuwelijke misdaden, werd de onschuldige jongedochter in boeien geklonken. Een jaar lang had zij reeds in den kerker gezucht en de eerlooste mishandelingen ondergaan, toen zij veroordeeld werd om levend verbrand te worden. Dit wreed en onrechtvaardig vonnis werd den 30 Mei 1431, te Rouanen. ten uitvoer gebracht te midden van het gesnik des volks, der rechters en zelfs der beulen.
Aldus bezegelde Joanna d'Arc met den marteldood hare Goddelijke zending. quot;Wie zal ons zeggen met welk inzicht van barmhartigheid God zulk schreeuwend onrecht toeliet? Was het niet noodig dat de heldin, na eenmaal hare zending volbracht te hebben, de uiterste vernederingen onderging om aan de gevaren eener aardsche zegepraal te ontkomen ? Moest zij niet door het lijden gelouterd worden en daarin stellige titels vinden om op de eeuwige belooning aanspraak te kunnen maken ? Is dat niet het aandeel van al die tot een hoogen graad van heiligheid geroepen zijn ? En wat zijn de ellenden van hierbeneden naast de eindelooze glorie welke zij ons in den hemel verschaffen ?
De geschiedenis is jegens Joanna d'Arc rechtvaardiger geweest dan hare rechters. Zij heeft haar eene eereplaats
in den loop der eeuwen.
ingeruimd onder hen die het menschdom, Frankrijk en de Kerk het meest verheerlijkten. Heden zelfs worden pogingen gedaan om hare heiligverklaring van den H. Stoel te verkrijgen en haar op onze altaren te doen verheffen. Te recht mogen wij hopen dat-die pogingen met een goeden uitslag zullen bekroond worden.
XXIX.
KEN HELDENSTRIJD.
Terwijl het Christen Europa, aan onderlinge twisten prijsgegeven, zijne krachten uitputte in moorddadige broederoorlogen, nam de macht der Turken in het Oosten schrikbarend toe.
In het barnen der gevaren besloot de Grieksche keizer van Constantinopel de vereeniging der Oostersche Schismatieke Kerk met de Roomsche Kerk te herstellen. Te dien einde belegde Paus Gregorius IV een algemeene Kerkvergadering te Florentië. Joannes Paleologus, de Grieksche keizer, was er in persoon aanwezig, vergezeld van den Patriarch van Constantinopel en van de bisschoppen der voornaamste Oostersche zeteis. In bijzijn van den Paus zeiven begon men te beraadslagen; de opwerpingen der Grieksche bisschoppen tegen het primaatschap van den H. Stoel werden door de Latijnsche Kerkvoogden zegevierend wederlegd. Desniettegenstaande wilden de scheurmakers voor de kracht der waarheid niet onderdoen, toen hen een droevig voorval tot betere gedachten bracht. Op zekeren morgen vond men den ouden Patriarch van Constantinopel dood in zijn armstoel. Naast hem op de tafel lag een briefje, waarop de bevende hand des stervenden de volgende woorden had neergeschreven : â Op het punt van mijn leven te eindigen, heb ik mijn laatste gevoelen willen kenbaar maken aan mijne zeer geliefde zonen. Ik erken al wat de Katholieke en Apostolische Kerk van Ih-t aloude Rome
176 De Goddelijke beloften der H. Ktrk
gelooft en leert. Ik belijd dat de Paus de Herder der herders, de Opperpriester en Stedehouder van Jezus-Christus is, aangesteld om de Christenen in het geloof te bevestigen.quot;
Deze geloofsbelijdenis van den stervenden Patriarch ontwapende de Grieksche bisschoppen. Met uitzondeling Vein een enkelen, erkenden allen het primaatschap des Pausen, en de vereeniging der beide Kerken, de Oostei'sche en de Westersche, werd in het jaar 1439 met uitgelaten vreugde uitgeroepen. Doch, eilaas! die vreugde was van korten duur. Het Grieksche volk was hardnekkiger in de dwaling dan zijne opperhoofden en weigerde hen te volgen, het Schisma bleef voortduren. Veertien jaren later maakte zich de sultan Mahomed II meester van Constantinopel, ondanks den heldenmoed des Griekschen keizers en zijner wapenknechten. Het Grieksche rijk was dan getuige van al de gruwelstukken welke de inneming eener stad medebrengt, van bloedbaden, uitplundering, schanddaden zonder naam, en, van dat oogenblik af aan, zal het eeuwen lang zuchten onder het verdierlijkend juk der Turken : zoo bestrafte de rechtvaardige God de blinde en zondige halsstarrigheid der OosterscheSchismatieken. Het beschermend gezag der Pausen hadden zij versmaad; doch nu moesten zij de harde en verlagende dwingelandij des sultans ondergaan.
Nauwelijks was Mahomed II meester van Constantinopel of hij beraamde het plan. Europa te veroveren en het Christendom uit te roeien. Met een ontzaglijk leger rukte hij eensklaps op Hongarije los, om zich langs daar eenen weg te banen naar Oostenrijk en Italië. De Paus zag het gevaar en riep Europa te wapen tegen den gemeenschappelijken vijand. Zijn beroep bleef nagenoeg vruchteloos; God echter verwekte, in dat uiterste gevaar, helden die met een handvol krijgslieden tegen gansche legers bestand waren. Evenals Jozuë, trokken zij te velde, terwijl de Plaatsver-
in den loop der eeuwen.
vanger van Jezus-Christus met opgeheven handen bad en aan de geloovigen der gansche wereld voorschreef, Gods bescherming in te roepen door driemaal daags, 's morgens, 's middags en 's avonds, bij het luiden der klokken, het Engel des Heer en te bidden. Ziedaar de oorsprong dier schoone devotie, welke nog heden ten dage zoo hooggeschat en met zooveel ijver beoefend wordt door de getrouwe kinderen van Maria.
Aan liet hoofd van honderd vijftig duizend man stijgt Mahomed II het Balkangebergte over, drijft de Servièrs voor zich uit, en rukt tot Belgrado voort. Daar echter werd hij tegengehouden door een monnik, den H. Joannes van Capristan, en door een vermaarden krijgsheld met name Jan Hunyade. Deze kon slechts een handvol soldaten tegenover zijn machtigen vijand stellen, maar, dank aan den heiligen monnik, die, met bet kruis in de hand op de bres stond en het krijgsvolk moed insprak, vermocht hij al de pogingen van het Turksche heir te verijdelen, zijne aanvallen af te slaan en den sultan met het overschot van zijn leger op de vlucht te drijven.
Na deze nederlaag bracht de woedende sultan een nieuwe legermacht op de been en wierp zich op Albanië, waar een jeugdige held, met name Scanderbeg, kort te voren het juk der Turken had afgeschud en de Christenvaan ontrold. De sultan werd verslagen; hij hervatte den aanval en moest andermaal het onderspit delven; dan zwoer hij de krijgers van Scanderbeg tot den laatsten man te verdelgen, doch het gelukte hem niet over den moed en het krijgsbeleid van eenen held, die een volk van helden ten strijde voerde, te zegevieren. Toen Scanderbeg, nog in den bloei zijner jaren,stierf, had hij tegen de Turken twee en twintig veldslagen geleverd, waarin hij telkens overwinnaar was; machtige legerscharen had hij verdelgd, de onafhankelijkheid van zijn klein volk ongeschonden gehandhaafd en de
.12
177
178
bewondering der wereld met de vreugdevolle dankbaarheid van Christus' Stedehouder weggedragen.
Ook van dezen kant teleurgesteld, viel Mahomed II het eiland Rhodus aan, dat door de ridders die later den naam van Maltezer ridders aannamen, verdedigd werd. Dezen waren niet minder dapper dan de krijgshelden van Belgrado en Albanië ; de grootmeester Pierre d'Aubusson en zijne ridders onderscheidden zich door een onverwinnelijken heldenmoed. Na verscheidene maanden lang bij dag en bij nacht gevochten te hebben, waren de Turken uitgeput; met schande overdekt, de wanhoop in het hart. scheepten zij weder in, en stevenden zij terug naar Constantinopel.
Ondanks al die rampen gaf zich Mahomed II niet verwonnen. Hij bracht een leger op de been. schrikbarender nog dan die welke hij tot dusverre ten strijde had gevoerd. Met ruim driehonderd duizend man stond hij gereed om Italië te bespringen, toen Gods almachtige hand hem sloeg en van zijn luistervollen troon in het kille graf deed nederdalen.
Europa was gered door den bovenmenschelijken moed van St Jan Gapistran en van de drie krijgshelden Hunyade, Scanderbeg en d'Aubusson, door de waakzaamheid dei-Pausen die de verdedigers der Christenheid onophoudelijk hadden aangewakkerd en bereid waren om zich zeiven, gelijk weleer Pius II, aan het hoofd der legers te stellen, en eindelijk door de vereende gebeden der geloovigen, die zich driemaal daags tot Maria, Gods Moeder, wendden om haren bijstand af te smeeken.
Op hetzelfde tijdstip leefde, aan het andere uiteinde van Europa, een andere Christen held, Gonzalvus van Cordova, die, door het koninkriik Grenade te veroveren, de laatste overblijfsels van de macht der Mooren in Spanje vernietigde. Zoo verloor het Mahomedisme, dat aan den Oostkant van daa; tot dag dreigender werd, alle kracht in het Westen.
in den loop der eeuwen.
Het heldhaftige en nu vrij gevochten Spanje zal voortaan slechts een enkel koninkrijk uitmaken onder den schepter van Ferdinand en Isabella, en gedurende de XVIquot; eeuw een groote rol spelen op het tooneel der wereld. Acht eeuwen lang had Spanje onophoudelijk en onvermoeid voor het Katholiek geloof gestreden: daarom werd het thans door de Voorzienigheid waardig bevonden om de Kerk tegen de aanvallen dsr Protestantsche ketterij te verdedigen, om onder Karei V en Philips II doodelijke slagen toe te brengen aan de zeemacht der Turken, en aan de geloofsge-zanten de ongebaande wegen der Nieuwe-AVereldte openen.
XXX.
GHRISTOPHORUS COLUMBUS.
Op Vrijdag 3 Augustus 1492, zeilden drie schepen uit de haven van Palos, in Spanje, den Atlantischen Oceaan in en namen koers in eene richting welke tot dusverre nog geen zeevaarder gevolgd had. 't Was de zeetocht door Christophorus Columbus ondernomen om eene nieuwe wereld te ontdekken.
Heden kunnen wij moeilijk begrijpen hoe stout, hoe gewaagd, hoe buitengewoon en ongehoord dergelijke onderneming toen aan de tijdgenooten voorkwam. Men kende slechte drie der vijf werelddeelen; Europa, Azië en Afrika; en zelfs twee van de drie kende men nauwelijks ten halve. Was de aarde rond? Men wist het niet zeker. Wat lag er verborgen in die uitgestrekte zee, wier stormen niemand nog had durven trotseeren ? Was zij niets anders dan een groote, grenzenlooze waterpoel ? Men wist er niets van, en nooit was het bij een zeevaarder opgekomen dat geheim te doorgronden. Christophorus Columbus was de eerste die zulk waagstuk dorst ondernemen. Zijn plan had hij langzaam ontworpen, rijp overwogen en eindelijk uit-
179
180 De Goddelijke beloften der H. Kerk
voerbaar bevonden. Nu stond zijn besluit vast: hij wilde en hij zou de wijde zee in, om een nieuwen weg te zoeken naar Oost-Indië.
Doch hoe zal hij een plan verwezenlijken dat rijkdommen, schepen en onversaagde matrozen vereischte, terwijl hij arm was, alleen stond en als een dwaze beschouwd werd, soodra hij maar een woord dorst reppen van hetgeen hij voorhad.
Christophorus Columbus deinsde voor geen enkele dier moeilijkheden terug. Jaren lang wendde hij zich achtereenvolgens smeekend tot den koning van Portugal, tot de opperhoofden der Genueesche republiek, zijn vaderland, tot Ferdinand en Isabella, de souvereinen van Spanje; maar 't was tevergeefs.
En toch scheen hem zi]n plan zoo schoon, zoo groot, zoo godsdienstig! Daar de aarde rond is, moest volgens hem door den Oceaan heen een rechtstreeksche weg naar de Indien leiden; op dien weg zou men wellicht vruchtbare eilanden aantreffen, rijk aan goud- en zilvermijnen; en, al ware dat ook zoo niet, de Indien alleen zouden zeer groote schatten opleveren, indien men er in slagen mocht eene waterbaan te ontdekken om daar aan te landen. En wat wilde hij doen met die rijkdommen naar welke hij smachtte? In zijne vurige godsvrucht wilde Columbus die voornamelijk besteden om een leger van Christen soldaten op de been te brengen en daarmede het graf des Zaligmakers aan de onteerende macht der Muzelmannen te ontrukken. Ziedaar de gedachte welke den held bezielde, zij versterkte hem in zijne beproevingen en menigvuldige tegenspoeden, zij beurde hem op als hij op het punt was den moed te laten zinken, zij gaf hem de innige en onwrikbare overtuiging dat God, die ze hem had ingegeven, hem ook te hulp zou komen en het middel verschaffen om een plan ten uitvoer te brengen, waaruit de bevrijding van het
in den loop der eeuwen.
Heilig-Land, de vernedering der Turken en een nieuwe uitbreiding van het rijk van Jezus-Christus zouden voortvloeien. Toen kon hi] nog niet weten dat dit laatste gedeelte alleen verwezenliikt zou worden en dat hij waarlijk de man was, door Gods Voorzienigheid voorbestemd om den verkondigers van het Evangelie een nieuwen werkkring te verschaffen en, door de aanwinning eener gansche wereld, te vergoeden wat de Kerk ten gevolge van Luther's opstand in Europa ging verliezen.
Door een gelukkige tusschenkomst werd eindelijk Isabella, de koningin van Castilië, overgehaald om den stouten zeevaarder drie schepen toe te vertrouwen, welke hij verklaarde noodig te hebben om zijne onderneming met een goeden uitslag te bekronen.
Alvorens in zee te steken, ging Columbus, aan het hoofd zijner honderd twintig zeelieden, te biecht en te communie.
Op het bepaalde uur, toen alles gereed was, steeg Columbus op het dek van zijn schip, beval het anker te lichten en deed in de verte dit woord weergalmen: â In den naam van Jezus-Christus, vooruit!quot;
De onbeschrijfelijke moeilijkheden waarmede de held te kampen had gedurende eene zeevaart welke ruim twee maanden duurde, zullen wij niet vermelden. Afgrijselijke stormen, volstrekte windstilte, brandende hitte, bedrieglijke hoop gevolgd van bittere teleurstelling, bijgeloovige vrees, gevaar voor hongersnood, gemor, geklaag en oproer der ontmoedigde bemanning, â niets van dat alles vermocht Columbus een oogenblik te doen wankelen in zijn onwrikbaar besluit van altijd verder te gaan ter ontdekking van een land dat voor hem scheen te vluchten.
Eiken avond als de zon in don Oceaan onderging, eiken ochtend als zij aan de Oosterkimme opkwam, en niets dan de golven der zee met hare stralen verlichtte, â zocht
181
182 De Goddelijke beloften der II. Kerk
Columbus in het gebed en het vertrouwen op God de noo-dige kracht om voor zijne matrozen te verschijnen met een gelaat dat niet blijken liet welke grievende bekommerin -gen zijne heldhaftige ziel folterden. Wat hem vooral vrees aanjoeg was de gedachte dat weldra de laatste mondbe-hoeften zouden uitgeput zijn en dat een vreeselijke dood, de hongerdood, het droevig einde van zooveel lijden en heldhaftig zwoegen wezen zou.
Op zekeren dag evenwel maakte de akelige stilte en volkomen mismoedigheid welke op het schip heerschten, eensklaps plaats voor eene uitgelaten vreugde, als ware men op eens waanzinnig geworden. Door de dikke morgennevels heen had de stuurman in de verte een lage en zwarte streep ontdekt welke bij de kleur des Oceaans afstak. 3 Land! Land!quot; zoo riep hij als buiten zich zeiven.
Land !quot; zoo antwoordde het scheepsvolk en in een wenk waren allen op het dek of in de scheepstouwen om het land aan te blikken dat zich eindelijk aan den gezichteinder vertoonde, badend in het zonnelicht en bekoorliik door zijn rijken en heerlijken plantengroei. 'tquot;Was Vrijdag, 12 October. Columbus ontscheepte op deze onbekende oevers, nam ze in naam van Spanje in bezit, en richtte er een kruisbeeld op ; dan knielde hij neder, dankte God, die zijne onderneming met eenen gelukkigen uitslag bekroond had en verklaarde plechtig dat het ontdekte land zou heeten : San Salvador (Heilige Verlosser).
De Nieuwe Wereld was ontdekt; zal zij den naam van Columbus dragen ? Neen, die eer zal hem door een anderen ontroofd worden.
Voegen wij hierbij dat zulks niet het eenige onrecht was dat de Christenheld gedurende zijne laatste levensjaren te lijden had. Evenals Joanna d'Arc, onderging ook hij de wet der Voorzienigheid, welke Gods uitverkorenen langs den smartvollen weg der menschelijke ondankbaarheid
ia den loop der eeuwen.
naar de volmaaktheid voert. Beschuldigd van verraad, miskend door de souvereinen die hij met onmetelijke bezittingen en ontelbare schatten verrijkt had, werd Columbus bij zijn terugkeer van een zijner zeetochten aangehouden en in boeien geklonken. Vreeselijke beproeving, welke hij met de kalme en heldhaftige gelatenheid van een heilige doorstond! Zonder moeite bewees hij zijne onschuld tegen de vuige lastertongen die zijnen naam hadden bezwalkt. Hij kreeg dan ook zijne vrijheid weder, maar op deze aarde smaakte hij het geluk niet meer zijne diensten naar waarde beloond te zien. Was ijdele roem wellicht het doel van zijn streven ? Neen, zijn voornaamste eerzucht was altijd Gods glorie geweest; van God alleen verwachtte hij het volle en overvloedige loon zijner deugden in het eeuwige vaderland, 't Is dan ook on/e innige overtuiging dat hij dat loon reeds bekomen heeft en dat hij van uit den hemel nog steeds zijne bescherming verleent aan dat onmetelijk werelddeel waar hij het eerst het kruis geplant heeft en waar, opliet huidig uur, zooveel millioenen Katholieken bidden en werken tot Gods meerdere eer en glorie. Hopen wij dat Christophorus Columbus, evenals Joanna d'Arc, weldra door de onfeilbare Kerk onder het getal der Heiligen zal gerangschikt worden.
XXXI.
HET PROTESTANTISME.
Den 10 December 1520, deed een Augustijner monnik, met name Mart inns Luther, de pauselijke bulle van Leo X, welke zijne dwalingen doemde, op eene der openbare plaatsen van Wittemberg verbranden. Die godslasterlijke daad welke den opstand van den nieuwen ketter tegen het gezag des H. Steels voleindde, werd met handgeklap begroet door een troep studenten der hoogeschool en een
183
184
woelige volksschaar, bestaande uit personen van alle standen en leeftijden. Door de goedkeuring zijner aanhangers verstout, riep Luther uit: â Ik heb het duivelsch werk des Pausen laten verbranden. Ware het veeleer de Paus zelf, ik wil zeggen de Pauselijke Stoel geweest. Vloek en schande, over Babylon!quot;
Die taal maakte een zonderlinge tegenstelling met die welke dezelfde Luther voerde, toen hij eenige maanden vroeger schreef: â Zeer Heilige Vader, zie mij hier aan de voeten Uwer Heiligheid neergeknield, mij en al wat ik ben en al wat ik heb :maak levend, dood; roep, wederroep; keur goed, verwerp: Uwe stem is de stem van Christus die in U woont, die door Uwen mond spreekt.quot; â Maar alsdan hoopte de schurk nog, door veinzerij, huichelarij en flee-merij het doemvonnis te ontduiken dat hem boven net hoofd hing. Heden, nu de banbliksem hem getroffen heeft, steekt hij woedend het opgeblazen hoofd omhoog, werpt zijn masker van nederigheid en geveinsde onderdanigheid af, en noemt den Paus niet anders meer dan Antcchrist, een boosivicht die duivelen uitspuwt, die met zijne Kardinalen in zee moet geworpen worden, enz.
Welke schoone taal in den mond van een man die zich uitgaf voor een gezant van God, bestemd om de Kerk to hervormen!
Het schisma was dus voltrokken, Luther had den oorlog-verklaard aan Kome, aan dat gespuis van Sodoma, aan dat nieuwe Babyion, zooals hij Rome placht te noemen, en gedurende anderhalve eeuw zou Europa te vuur en te zwaard verwoest worden.
't Was een der hevigste stormen welke sedert het Aria-nisme Gods Kerke teisterden. Het noordelijk gedeelte van Duitschland en Holland, de koninkrijken Denemarken, Zweden en Noorwegen, E:igeland en Schotland verloren toen het ware Geloof en werden de prooi van ontelbare
in den loop der eeuwen.
kettersche sekten die nog heden ten dage in die landen de overhand hebben.
Snel was de vooruitgang van het Protestantisme, hetgeen moet toegeschreven worden aan de middelen ter verspreiding der ketterij aangewend, en aan de gunstige omstandigheden welke daartoe bijdroegen.
Die middelen waren : geweld, bloedige vervolging, arglist en lastertaal, teugellooze vrijheid aan de schandelijkste hartstochten geschonken, misbruik van de onwetendheid en zwakheid des volks, onbeschaamdheid in het volhouden der duidelijkste dwalingen, vleierij jegens de ketterschge-zinde vorsten, samenzwering en opstand tegen de Staats-opperhoofden welke aan hunnen plicht getrouw bleven.
De omstandigheden welke ter verspreiding dier ketterij hebben biigedragen, waren hoofdzakelijk de volgende : de verzwakking zoowel van het pauselijk gezag ten gevolge van de groote Wes:ersche Kerkscheuring, als van het keizerlijk gezag door de achtereenvolgende aanmatigingen der Duitsche vorsten; de noodlottige verslapping der tucht bij de wereldlijke geestelijkheid en in een groot aantal kloosters; het zedenbederf des volks, ten gevolge eerier lange welvaart; de zeer groote onwetendheid in zake van godsdienst in zekere provinciën van Duitschland, waar de ketterijen van Jan Huss en Wickleff reeds gewoed hadden; een ware behoefte aan hervorming, voortgesproten uit de bestaande en in 't oog loopende misbruiken en ongeregeldheden van dien tijd; een hevige zucht naar nieuwigheid, ten gevolge van de zoogezegde Herleving der kunsten en letteren van het Heidendom, doorgaans Eegt;iaissance ge-heeten, welke, met de vijftiende eeuw begonnen, buitengewoon aangroeide toen de Grieksche geleerden en letterkundigen, door den inval der Turken uit Constantino-pel verdrevenen Europa eene schuilplaats kwamen zoeken.
De wulpsche, heerschzuchtige en geldgierige vorsten.
185
Da Goddelijke beloften der H. Kerk
de kloosterlingen die het heilzame juk hunner orde moede waren, de plicht vergeten priesters, de hoogmoedige en verwaten leeraars, de bedorven lieden, de liederlijke vrouwspersonen, de losbandige jongelingen, kortom al degenen die in de gemakkelijke leer der nieuwlichters een middel vonden om hunne teugellooze hartstochten met hun geloof overeen te brengen, waren natuurlijk het Protestantisme toegedaan en namen zijne verdediging op.
De waarheid wordt door gansch andere middelen verspreid; ook is het een onwederlegbaar bewijs der valschheid van het Protestantisme dat het, van den beginne af, al de ongebonden lieden, de slaven van dezen of genen hartstocht, tot voorstanders heeft gehad.
Luther was aan den drank verslaafd, hoogmoedig en ontuchtig; de landgraaf Philips van Hessen vond er zijn profijt in zijn steun te schenken aan dien afvallige die hem veroorloofde twee vrouwen te gelijk te huwen; Calvijn was een monster van ontucht en wreedheid; en Jan van Leyden was een razende gek; Albert van Brandeburg beweerde dat hij zonder gewetensbezwaar de goederen der Teutonische orde mocht inpalmen, en Gustaaf Wasa schroomde niet den Katholieken eeredienstin Zweden af te schaffen om er zijne heerschappij te vestigen; de Denen en Noorwegers werden Protestantsch zonder het te weten, bedrogen als zij waren door hunne vorsten en een groot aantal geestelijken of, liever gezegd, heiligschenders; Hendrik VUI, koning van Engeland, brak de vriendschap met Rome, doordien de Paus hem verbood zijne wettige vrouw te verstoeten om er achtereenvolgens verscheidene andere te nemen ; in de Nederlanden wist de sluwe Willem de Zwijger het nationaal gevoel ten bate zijner heerschzucht op te wekken, en, door de kettersche predikanten geholpen, veroverde hij een koninkrijk, bestaande uit de Noordelijke provinciën van het tegenwoordige Holland. â
18(3
in den loop der eeuwen.
Overal zien wij liet Protestantisme opkomen en zich verbreiden door oproer en barbaarsche, wreede, oneerlijke en verraderlijke middelen.
Desniettemin is het maar al te waar dat een diepe en pijnlijke wonde aan Gods Kerke werd toegebracht door de ontrooving van een zoo groot aantal kinderen. Had God haar dan in dit hachelijk oogenblik verlaten, gaf Hij haar weerloos over aan hare onverzoenlijke vijanden, zonder haar ter hulpe te komen, zonder haar te vertroosten, zonder haar eene vergoeding te schenken ?
Neen, in de XVIe eeuw had de Goddelijke stuurman, evenmin als in vroegere tijden, het scheepje van Petrus vergeten. Al liet hij ook toe dat de storm de baren omhoog-dreef en een gedeelte der bemanning in de woedende golven medesleepte ; hij zorgde toch voorliet behoud van het scheepje zelf, behoedde het voor de klippen, en toen eindelijk de wereldzee weer kalm was, zette het scheepje van Petrus, ongeschonden, steviger en schooner dan te voren, zijnen tocht voort naar de haven der eeuwigheid.
De voornaamste kenteekenen dier Goddelijke tusschen-komst, te midden van den schrikbarenden orkaan die toenmaals over Europa woedde, ziedaar wat wij in de volgende hoofdstukken zullen aantoonen.
XXXII.
187
i
m
Ãl
H
KABEL V EN PH1LIPPUS II.
Wij hebben gezien dat het Protestantisme zich vooral door geweld en vervolging verspreidde. De volgelingen van Luther, Calvijn, Zwingel, enz. bezigden reeds, om hunne valsche leer voort te planten, dezelfde middelen als onze hedendaagsche Liberalen ; zij begonnen met de gewetensvrijheid te vragen, doch nauwelijks hadden zij die verkregen of zij maakten er misbruik van om de vrijheid dei-Katholieken te onderdrukken. Eenmaal de sterksten ge-
::
1# st
mm
:
186
de kloosterlingen die het heilzame juk hunner orde moede waren, de plichtvergeten priesters, de hoogmoedige en verwaten leeraars, de bedorven lieden, de liederlijke vrouwspersonen, de losbandige jongelingen, kortom al degenen die in de gemakkelijke leer der nieuwlichters een middel vonden om hunne teugellooze hartstochten met hun geloof overeen te brengen, waren natuurlijk het Protestantisme toegedaan en namen zijne verdediging op.
De waarheid wordt door ganscli andere middelen verspreid; ook is het een onwederlegbaar bewijs der valschheid van het Protestantisme dat het, van den beginne af, al de ongebonden lieden, de slaven van dezen of genen hartstocht, tot voorstanders heeft gehad.
Luther was aan den drank verslaafd, hoogmoedig en ontuchtig; de landgraaf Philips van Hessen vond er zijn profijt in zijn steun te schenken aan dien afvallige die hem veroorloofde twee vrouwen te gelijk te huwen ; Calvijn was een monster van ontucht en wreedheid; en Jan van Leyden was een razende gek; Albert van Brandeburg beweerde dat hij zonder gewetensbezwaar de goederen der Teutonische orde mocht inpalmen, en Gustaaf Wasa schroomde niet den Katholieken eeredienst in Zweden af te schaffen om er zijne heerschappij te vestigen; de Denen en Noorwegers werden Protestantsch zonder het te weten, bedrogen als zij waren door hunne vorsten en een groot aantal geestelijken of, liever gezegd, heiligschenders; Hendrik VIII, koning van Engeland, brak de vriendschap met Rome, doordien de Paus hem verbood zijne wettige vrouw te verstoeten om er achtereenvolgens verscheidene andere te nemen -; in de Nederlanden wist de sluwe Willem de Zwijger het nationaal gevoel ten bate zijner heerschzucht op te wekken, en, door de kettersche predikanten geholpen, veroverde hij een koninkrijk, bestaande uit de Noordelijke provinciën van het tegenwoordige Holland. â
in den loop dar eeuwen.
Overal zien wij het Protestantisme opkomen en zich verbreiden door oproer en barbaarsche, wreede, oneerlijke en verraderlijke middelen.
Desniettemin is het maar al te waar dat een diepe en pijnlijke wonde aan Gods Kerke werd toegebracht door de ontrooving van een zoo groot aantal kinderen. Had God haar dan in dit hachelijk oogenblik verlaten, gaf Hij haar weerloos over aan hare onverzoenlijke vijanden, zonder haar ter hulpe te komen, zonder haar te vertroosten, zonder haar eene vergoeding te schenken ?
Neen, in de XVIe eeuw had de Goddelijke stuurman, evenmin als in vroegere tijden, het scheepje van Petrus vergeten. Al liet hij ook toe dat de storm de baren omhoog-dreef en een gedeelte der bemanning in de woedende golven medesleepte ; hij zorgde toch voor het behoud van het scheepje zelf, behoedde het voor de klippen, en toen eindelijk de wereldzee weer kalm was, zette het scheepje van Petrus, ongeschonden, steviger en schooner dan te voren, zijnen tocht voort naar de haven der eeuwigheid.
De voornaamste kenteekenen dier Goddelijke tusschen-komst, te midden van den schrikbarenden orkaan die toenmaals over Europa woedde, ziedaar wat wij in de volgende hoofdstukken zullen aantoouen.
XXXH.
K/VREL V EN PH1LIPPUS II.
Wij hebben gezien dat het Protestantisme zich vooral door geweld en vervolging verspreidde. De volgelingen van Luther, Calvijn, Zwingel, enz. bezigden reeds, om hunne valsche leer voort te planten, dezelfde middelen als onze hedendaagsche Liberalen ; zij begonnen met de gewetensvrijheid te vragen, doch nauwelijks hadden zij die verkregen of zij maakten er misbruik van om de vrijheid dei-Katholieken te onderdrukken. Eenmaal de sterksten ge-
187
188 De Goddi lijke beloften der H. Kerk
worden, lieten de Ketters aan de Katholieken doorgaans slechts de keuze tusschen den afval van het geloof en ds ballingschap of zelfs den dood. Zoo ging het toe in Duitsch-land, in de Nederlanden, in Engeland, in Zwitserland, in de Scandinavische koninkrijken, kortom overal.
Hier dient dan ook vermeld te worden dat de veroveringen van het Protestantisme zich niet verder uitstrekken dan de landstreken, waar het er in slaagde gewapenderhand zijne heerschappij te vestigen. Als men evenwel in aanmerking neemt dat bij een groot gedeelte der Europee-sche volkeren het geloof verzwakt en de zeden bedorven waren, kan men niet ontkennen dat het gevaar dreigend was en dat de ketterij hare verwoestingen heinde en verre zou hebben uitgestrekt, ware zij niet gestuit geworden door Katholieke vorsten die hunne belangen met die van den godsdienst vereenigzelvigden en machtig genoeg waren om geweld met geweld af te slaan.
Het gevaar was des te dreigender, daar de Turken, na het Oosten overmeesterd en het toppunt hunner macht bereikt te hebben, steeds gereed stonden om uit de onderlinge verdeeldheden der Christenen voordeel te trekken, ten einde Europa te overweldigen en onder hun juk te brengen.
Aan Karei V en zijn zoon Philippus II werd door de Goddelijke Voorzienigheid de zending opgedragen die twee vijanden tegen te houden en te overwinnen. Al kan men hun met recht zekere misslagen en dwalingen ten laste leggen, men moet toch ook bekennen dat zij zich de groote rol, hun door God aangewezen, niet onwaardig toonden.
Door een samenloop van providentieele omstandigheden, stond Karei V, op twintigjarigen leeftijd, aan het hoofd van een kolossaal keizerrijk, zooals er nooit een bestaan had. Het bevatte 't koninkrijk Spanje, de beide Siciliën, de
m den loop der eeuwen.
Nederlanden, het Franche-Comté, het Duitsch keizerrijk en liet nieuw ontdekte Amerika. Karei V kon met waarheid zeggen dat de zon nooit in zijne Staten onderging. Maar tén anderen was de buitengewone uitgestrektheid van zijn rijk en de verscheidenheid der volkeren die het samenstelden, eene oorzaak van zwakheid voor het bestuur en van vele vermoeienissen voor den keizer. Hij was dan ook vöör den tijd versleten en kon de groote plannen, door zijn vernuft beraamd, niet doeltreffend ten uitvoer brengen.
In den rijksdag van Worms (1521), deed de jeugdige keizer den Ketterschen Luther vöör zich verschijnen en trad openlijk op als verdediger van het Katholiek geloof, bereid om het met al zijne macht, ja zelfs ten koste van zijn leven te handhaven. Luther werd met schrik bevangen en maakte zich heimelijk uit de voeten; hij vond eene schuilplaats in het kasteel van Wartburg en hield er zich verborgen totdat hij de Duitsche vorsten, die tegen Karei V alsdan oorlogend in andere gewesten de wapens hadden opgevat, bij machte zag om hem te beschermen tegen de strengheid der keizeilijke wetten. Karei kon dan ook den opstand niet krachtdadig genoeg onderdrukken, want de dweepzieke ketters verbonden zich met al zijne vijanden, zelfs met de Turken en verklaarden liever Turksch te worden dan paapsch. Zoo dikwijls de keizer genoodzaakt was op andere punten zijne uitgestrekte Staten te gaan verdedigen,maakten de Protestanten van zijne afwezigheid gebruik om hunne veroveringen verder uit te breiden. Toen eindelijk Karei, na lange en roemrijke oorlogen met Frankrijk en Turkije, zich aan het hoofd stelde der Katholieke troepen in Duitschland, stond hij tegenover een leger van Lutheranen, tweemaal sterker dan het zijne. Hij behaalde niettemin eene schitterende overwinning te Mühlberg (1547)en stuitte vooreenigen tijd den voortgang der ketterij.
Kort daarna deed Karei V afstand van de keizerlijke
189
De Goddelijke beloften der H. Kerk
waardigheid (1555). De overwinnaar van Frans I, de verdelger der Algeriaansche zeeschuimers, de schrik der Muzelmannen, de kloeke en onvermoeibare kampvechter van het Katholiek geloof, voelde vroegtijdig zijne levenskrachten verminderen. Ziekelijk en gebrekkig ten gevolge van overspannen werkzaamheid, stond hij de keizerlijke kroon af aan zijn broeder Ferdinand I, en liet zijne erfelijke Staten aan zijn zoon Philips II. Zijne laatste aanbeveling aan zijnen zoon was altijd en in alles den waren godsdienst te beschermen. Dan trok hij zich uit de wereld terug en ging hij zijne laatste levensdagen slijten in het klooster van St. Just,waar hij zich door gebed en boetplegingen tot den dood voorbereidde. Hij stierf den 21 September 1558, in den ouderdom van slechts acht en vijftig jaren.
Philips II had niet de natuurlijke begaafdheden van zijn vader, maar hij toonde zich niet minder ijverig in de verdediging van de belangen der Kerk. Deze vorst is op schandelijke wijze gelasterd geworden, doch de onpartijdige geschiedenis heeft eindelijk aan zijne goede en zuivere meeningen recht laten wedervaren. Men heeft hem het verwijt gedaan, in zijne oordeelen te eigenzinnig geweest te zijn, de wettige eischen zijner volken niet genoeg in aanmerking genomen en de straffen niet altijd naar de begane misslagen afgemeten te hebben; doch van een anderen kant is het onloochenbaar dat hij in alles het goede gezocht heeft. Somwijlen heeft hij zich in de keuze dei-middelen bedrogen zonder naderhand zijn ongelijk te willen bekennen ; ook luisterde hij niet genoeg naai de wijze waarschuwingen zijner raadgevers en zelfs des Pausen; jegens de ketters toonde hij zich onverbiddelijk streng en hij wist niet altijd het geschikte oogenblik der kastijding te kiezen; â maar hij meende oprecht dat zijne handelwijze de beste was, en de inspraak van zijn geweten quot;volgende, beriep Iiij zich enkel en alleen op den wil van God.
190
in den loop der eeuwen.
Zijne huiselijke ongelukken en zielesmarten. zijne wederwaardigheden, zijne rampen, hoe groot ook, waren niet in staat hem een woord van verzet te doen ontvallen tegen de Voorzienigheid, van welke hij al zijne beproevingen gelijkmoedig aannam evenals hij aan haar zijne vreugden en zegepralen toeschreef.
De handhaving van het Katholiek geloof in de zuidelijke provinciën der Nederlanden, de eindtriomf van het Katholicisme in Frankrijk, de uitroeiing der laatste overblijfsels van het Mahomedisme in Spanje, de wonderbare uitbreiding van den Godsdienst in de onmetelijke gewesten der Nieuwe-Wereld en in de Indiën, de ongestoorde voleinding der Kerkvergadering van Trente, de vernietiging van de zeemacht der Turken in den roemvollen slag van Lepanto waren grootendeels het werk van Philips II; â deze titels zijn meer dan voldoende om hem recht te geven op de erkentelijkheid van al wie de Kerk bemint en voor het heil der zielen bezorgd is.
Wij begrijpen thans dat de vijanden der Kerk hem zijne misslagen verwijten, hem van wreedheid en dwingelandij beschuldigen,hem als een somber en wreedaardig monster voorstellen en hem zelfs uit onverzoenlijken haat den scheldnaam â duivel van hei Zuiden'' naar het hoofd slingeren : Philips II was immers gedurende zijne drie en veertigjarige regeering hun geduchte en onmeedoogende tegenstander.
Maar aan ons, Belgen en Katholieken, voegt het gansch bijzonder, - zonder daarom de fouten welke de mensche-lijke zwakheid medebrengt, goed te keuren, â met een dankbaar gemoed te herdenken zijne koninklijke en Christelijke deugden, den ijver dien hij aan den dag legde om ons den schat des Geloofs te bewaren, de onwaardeerbare diensten welke hij der gansche Christenheid bewees en welke Paus Clemens VIII openlijk erkende, toen hij bij het
191
P
?â
mm
De Goddelijke beloften der H. Kerk
vernemen van 's konings dood, verklaarde, dat de Kerk en de H. Stoel in hem een onherstelbaar verlies geleden hadden.
Philips II werd ziek in den zomer van het jaar 1598. Zijn lijden was langdurig en bitter ; doch hij verduurde het met een onafgebroken gelatenheid. Te midden zijner ijse-lijke pijnen loosde hij slechts dezen zucht: â Vader, uw wil geschic/e en niet de mijne ! quot; Gansche uren lang bleef zijn stervend oog gevestigd op het beeld des gekruisigden Zaligmakers of op de lieftallige gelaatstrekken der vlekkelooze Moedermaagd. Zijn strijd tegen den dood duurde twee maanden, en ofschoon zijn lichaam niets anders meer dan eene wonde was, had hij nooit eene opwelling van onge duld of kwade luim, zich nergens over beklagende dan dat hij tot last was aan zijne dienaren, die zich waarlijk opofferden om hun geliefden meester te verzorgen. Hij bad vurig als een heilige en ontving de laatste HH. Sacramenten met bewonderenswaardige gevoelens van geloof, nederigheid, leedwezen en liefde.
Toen hij door de genaden van het H. Oliesel versterkt was, deed hij allen uitgaan, behalve zijnen zoon die weldra Philips III zou heeten. â Mijn zoon, quot; sprak hij tot hem, â ik heb gewild dat gij bij deze heilige en laatste plechtigheid tegenwoordig waart, opdat gij kondei zien en begrijpen welk het einde is ran alle aardsche grootheid. quot; Vervolgens beval hij hem aan, den Katholieken godsdienst te beschermen en het recht te handhaven.
Op Zondag 13 September liet hij zich eene Katholieke geloofsbelijdenis voorlezen en, zijne laatste krachten verzamelende, zeide hij met luider stenme: â Ja, dat alles belijd ik, ja, ik verklaar het plechtig. quot; Met vurige liefde kuste hij het kruisbeeld, legde het op zijn voorhoofd dat leeds klam was van het doodzweet, zeide nogmaals : â Ja, ik sterf als Katholiek, in de gehoorzaamheid der Roomsch-
192
in den loop der eeuwen.
Katholieke Kerk,quot; en ontsliep zachtjes zonder doodstrijd. Zijn schoons dood was de waardige bekroning van een leven dat hij uitsluitend aan de verdediging van het goede gewijd had.
XXXIII.
DE JEZUÃETEN.
Ziehier nog, in de ure des gevaars. eene keurbende, zichtbaar door de Voorzienigheid verwekt, om de aanvallen der ketterij af te slaan, 't Is de Societeit van Jezus, een beroemde orde, wier stichter in Spanje het levenslicht aanschouwde.
Ignatius van Loyola, uit een adellijke familie van Biscaye gesproten, was eerst in den krijgsdienst getreden. Gedurende het beleg van Pampeluna (1521) werd hij gewond, zoodat hij genoodzaakt was een geruimen tijd in werkeloosheid door to brengen. Als tijdverdrijf las hij dan, bij gebrek aan andere boeken, het leven Onzes Heeren en dat der Heiligen. Onder den invloed dier lezingen en door de werking der genade, had weldra een gansche ommekeer plaats in de gemoedsgesteldheid van den krijgsman. Tot dusverre had hij niets dan veldslagen, aardsche liefde en krijgsroem nagejaagd; eensklaps wees God hem een edeler doel aan en boezemde hem het vurig verlangen in, voortaan slechts soldaat van Jezus-Christus te zijn. Langen tijd dacht Ignatius daarover na. Hevig was de strijd tusschen zijne menschelijke natuur en den zachten, maar steeds sterkeren aandrang der Goddelijke genade ; deze echter kreeg weldra de overhand, en toen de heldhaftige ziel van den toekomstigen stichter der Jezuïetenorde eenmaal een besluit genomen had, toen kende zij geene aarzeling meer, toen had zij geen ander verlangen meer dan zich geheel en al aan den dienst der Kerk te wijden.
193
13
HM öe Goddelijke beloften der 11. Kerk
De H. Ignatius legde zijnen degen neder op het altaar van het genadebeeld Onzer Lieve Vrouw te Montserrat, en begaf zich vervolgens naar de grot van Manreza. Daai overlaadde hem God met buitengewone gunsten en verhevene openbaringen, welke hem voor goed van de wereld onthechtten en hem in zijne nieuwe voornemens versterkten. Zijn vurige ijver spoorde hem aan naar Rome en Jeruzalem te reizen, waar hij van terugkwam niet de over-tuging dat hij een vollediger onderrichting noodig had dan hij bezat, om met vrucht aan het heil der zielen te arbeiden. Alsdan zag men hem, op drie en dertigjaiigen leeftijd, scholier worden en de beginselen der Latijnsche taal aanleeren. Daarna ging hij aan de hoogescholen van Salamanca en Parijs de hoogere studiën voltooien, nl. de wijsbegeerte en godgeleerdheid.
Te Parijs legde Ignatius de grondslagen der nieuwe kloosterorde, waaraan hij sedert lang gedacht had. De eerste makkers wier harten hij wist te binnen, waien P. Faber, Franciscus-Xaveriiis, Laynez en Salmeron. Zijn moeilijkste, doch roemrijkste verovering was die van
Franciscus-Xaverius.
Deze was een roemgierig jongeling ; de H. Ignatius had het bemerkt en daarom herhaalde hij hem het woord van Jezus-Ghristus: â Wat baat het den mensch, de gansche wereld te winnen, indien hij zijne ziel in het verderf stort ?quot; Franciscus-Xaverius was overwonnen en gaf aan. de edele â verzuchtingen zijner uitverkorene ziel de hemelsche goederen tot voorwerp. Later werd hij de Apostel der Indien, waar hij duizenden zielen tot Jezus-Christus bekeerde en waar de herinneringen aan zijne heldhaftige deugden, zijn grenzenloozen ijver, zijn schitterende mirakelen en zijne wonderbare macht om zielen te bekeeien, ten eeuwigen
dage zal voortleven.
Ten jare 1538 bekrachtigde Paus Paulus III de nieuwe
in den loop der eeuwen.
instelling die bij de gewone kloostergeloften een vierde voegde, nl. die eener volstrekte gehoorzaamheid aan den Paus. Door deze gelofte verbinden zich de leden der orde, om oogenblikkelijk, zonder eenige tegenstribbeling of aarzeling, elk bevel des Pausen betreffende den vooruitgang der zielen en de voortplanting des geloofs uit te voeren, naar welke landstreek zij ook mochten gezonden worden.
Getrouw aan den geest harer stichting, heeft de Sociëteit van Jezus onophoudelijk den goeden strijd gestreden voor de verdediging en de uitbreiding der Kerk. Uiterst snel was hare ontwikkeling. Alvorens te sterven, zag de H. Ignatius zijne zonen gevestigd, niet alleen te Rome en in Italië, in Spanje en in Frankrijk, maar ook in Duitschland, in de Nederlanden, in Portugal en in de verre gewesten van de Indien, van Japan en China. Overal toonden zij zich hunnen vader waardig ; de ketterij beschamende door de heiligheid der zeden, de zuiverheid des geloofs en de kracht der welsprekendheid ; de klemmoedigen opbeurende, de zwakken versterkende, de verdwaalden terugbrengende, zich zeiven geheel en al opofferende om alle zielen voor Jezus-Christus te winnen. Zij onderwezen de volkeren, hervormden de geestelijkheid, stichtten colleges, wederlegden de ketterijen: zij onderscheidden zich door diplomatieke onderhandelingen, door het vervaardigen van geleerde boeken en verhandelingen, door allerhande liefdewerken : kortom hun ijver omvatte alles en ruimde alle hinderpalen uit den weg. Zöö waren zij aanvankelijk, en zoo zijn zij nog heden ten dage. 't Is opmerkenswaardig dat de Orde der Jezuïeten tot dusverre nog geen tijdperk van verslapping beleefd heeft. In den regel dier Orde worden de middelen om op den weg der volmaaktheid vooruit te gaan op zoo wonderbare wijze vereenigd met allerhande werkzaamheden. dat de geest van toewijding en zelfopoffering.
195
'ik ife
m 1
196 De Goddelijke beloften der H. Kerk
de godsdienstijver, de zucht naar eigen volmaaktheid in het geheele lichaam der Sociëteit ongeschonden bewaard zijn gebleven. Zij bewijst overigens op schitterende wijze dat haar naam juist gekozen is ; want, gelijk een welgeoefende krijgsbende, beweegt zij zich met een volmaakte orde, de gehoorzaamheid aan haar opperhoofd en aan den stedehouder van Jezus-Christus boven alles verkiezende. Onwaardeerbaar zijn de diensten door haar aan de Kerk bewezen. Zij was de geduchtste bestrijdster van het Protestantisme in de XVIe eeuw, van het Jansenisme in de XYII® en van de philosophische goddeloosheid in de XVIIIquot;, en thans blinkt zij uit in het eerste gelid onder hen die het Liberalisme en de Vrijmetselarij bevechten.
Ontelbaar zijn in de Sociëteit van Jezus de mannen die door hunne wetenschap, heiligheid en werken uitmunten. Noemen wij, onder de Heiligen, den H. Franciscus-Xave-rius, den H. Franciscus Borgia, den H. Rodriguez, den H. Claver, de patronen der studeerende jeugd: den H. Aloysius van Gonzaga, den H. Stanislas Kostka en onzen landgenoot, den H. Joannes Berchmans van Diest, eindelijk den G. Canisius van Nijmegen. Laatstgenoemde werd geboren in het jaar zelf der bekeering van Ignatius (1521) en was â bestemd om met kracht en moed, onder toezicht van den H. Ignatius, te velde te trekken tegen de vijanden der Kerk, quot; d. w. z. tegen de ketters der XVIc eeuw (1). Reeds vroegtijdig in de Sociëteit van Jezus getreden, werd hij naar Duitschland gezonden, om het Protestanti sme te bestrijden. Hij onderscheidde er zich zoo zeer, dat hij den roemrijken bijnaam â Hamer der ketters quot; verdiende. Krachtdadig was zijne medewerking tot het oprichten der Jezuïeten-colleges van Keulen, Trier, Maintz, Augsburg, Paderborn, Antwerpen, enz. 't Waren even zoovele licht-
(1) Bulle der zaligverklaring van don O. Canisius.
in den loop der eeuwen.
baken om de door de ketterijen opeengehoopte duisternissen te verdrijven. Petrus Canisius stierf ten jare 1597 en werd door Pius IX zaligverklaard, den 17 April 1865.
De bijzondere haat waarvan de Jezuïeten altijd het voorwerp ziin geweest vanwege de vijanden der Kerk, is enkel en alleen het gevoig van hun buitengewone heldhaftigheid. Zij zouden minder vervolgd worden indien zij minder vurig waren in het bestreden van elke leer, van elke onderneming welke het Katholiek geloof of de heiligmaking der zielen kan tegenwerken. Daarom deelen zij sedert drie eeuwen het roemwaardig lot der Kerk zelve: gehaat te worden om de liefde van Jezus en, hoe wreed dan ook de slagen zijn welke men hun toebrengt, zich niet anders te wreken dan door het kwaad met goed te vergelden.
XXXIV.
DE KEEK VERG ADEBIXG VAN TEEXTE.
Wanneer het geloof in één of meer punten wordt aangerand, dan ontstaat de noodzakelijkheid de bedreigde waarheden plechtiger te bevestigen en nauwkeuriger te verklaren. Er is geen ander middel om alle aarzeling en twijfeling weg te nemen, om de wankelende geloovigen staande te houden, om de reeds verdwaalden op den rechten weg terug te brengen, en om de valsche leeringen in hunne uitbreiding te stuiten.
Te dien einde heeft onze Goddelijke Zaligmaker aan zijne Kerk eensdeels het voorrecht der onfeilbaarheid geschonken om haar van alle dwaling in het geloof te vrijwaren, en anderdeels haar met het noodige gezag bekleed om in zake van geloof en zeden een onherroepelijk oordeel te vellen en hare uitspraken als onveranderbare geloofspunten door de Christenen te doen aannemen. Dit onfeilbaar leerambt wordt op de eerste plaats uitgeoefend
197
De Goddelijke beloften der H. Kerk
door den Paus die, in zijne hoedanigheid van opvolger van Petrus, de oppermacht bezit over de algemeene Kerk en tot zending heeft zijne broeders in het geloof te bevestigen. Het wordt ook nog uitgeoefend door algemeene Kerkvergaderingen die, in zeer gewichtige omstandigheden, door den Paus worden bijeengeroepen om onder zijne leiding en met zijne goedkeuring plechtig uitspraak te doen, over des.vraagpunten aan hun oordeel onderworpen. Men noemt deze kerkvergaderingen oecumcnische conciliën.
De provinciale, nationale en andere meer algemeene conciliën hebben ook een groot gezag, en men moet hunne beslissingen niet lichtelijk verwerpen of in twijfel trekken. Zij zijn evenwel niet onfeilbaar gelijk die van de cecume-nische Kerkvergaderingen. Het concilie van Jeruzalem onder de voorzitting van den H. Petrus gehouden niet medegerekend, tellen wij negentien cecumenische conciliën sedert dat van Nicea (225), waar het Arianisme gedoemd werd, toten met het Concilie van het Vaticaan (1870) dat aan het Gallicanisme den doodslag gaf.
De Protestantsche ketterij had al de Katholieke instellingen aangerand en al de geloofspunten ondermijnd. Tevergeefs hadden de Pausen, getrouw aan hunne zending, de stem verheven om de nieuwe dwalingen te veroordeelen; Luther, Calvijn en hunne hardnekkige handlangers weigerden zich aan de uitspraak des opperherders te onderwerpen, alhoewel zij ze zeiven hadden uitgelokt en afgevorderd. Zij beriepen zich nu van den Paus op het Concilie. Ziedaar de gewone handelwijze der aartsketters, die zoodoende tijd zoeken te winnen om hunne noodlottige leerstellingen te verspreiden en hun openlijk en volslagen opstand tegen de Kerk voor te bereiden. Paus Paulus III begreep heel goed, welke de bedoeling der Protestanten was; niettemin nam hij het besluit hun dat ellendig voorwendsel waardoor zij hunne
198
in den loop der eeuwen.
booze halsstarrigheid verbloemden, te entnemen, en hij vaardigde de bulle uit ter belegging eener oecumenische Kerkvergadering. Na lange onderhandelingen, op allerhande wijze door de arglist der ketterschgezinde vorsten belemmerd, werd de stad Trente als vergaderplaats aangewezen (1545).
De Protestanten hadden dit oogenblik niet afgewacht om van gedragslijn te veranderen. Zoo even nog schreeuwden zij luidkeels om een concilie, en, nu hunne vraag ingewilligd wordt, stellen zij alle middelen in het werk om de vergadering te verhinderen ; toen ook hierin hunne pogingen mislukten, weigerden zij er heen te gaan. De voorwendsels welke zij aanhaalden om die trouwelooze handelwijze te rechtvaardigen, hadden slechts ten gevolge hunne valschheid en dubbelzinnigheid meer en meer in het daglicht te stellen.
Intusschen had de Kerkvergadering hare werkzaamheden begonnen. Een groot aantal kerkelijke tuchtregels en allergewichtigste uitspraken in geloofspunten waren bereids afgekondigd, toen de pest te Trente uitbrak en de overbrenging der vergadering naar Bologne noodzakelijk maakte. Daar ging zij weldra tot nieuwe samenroeping uiteen.
In 1551, werd het Concilie te Trente hervat. Ditmaal beloofden de Protestanten er hunne afgevaardigden heen te sturen, doch, zooals het te voorzien was, bleven zij hun woord niet gestand. De beraadslagingen werden dan zonder hen voortgezet. Hierover beklaagden zich de Protestanten, alom rondbazuinende dat men hen wilde veroordeelen zonder hunne grieven te hebben aangehoord. Steeds bereid om zich zoo verdraagzaam mogelijk te toonen, besloten de Vaders van het Concilie de volgende zitting twee maanden te verschuiven, om aan de Protestant-sche afgevaardigden ruimschoots den tijd ter aankomst
199
De Goddelijke beloften der H. Kerk
te geven. Doch in plaats van gezanten, deden de kettersche vorsten een ontzaglijk leger tegen Trente oprukken met het doel om het Concilie uiteen te drijven. Toen de Paus die tijding vernam, schorste hij terstond de doorluchtige vergadering.
Bijna tien jaren gingen voorbij, eer zij wederom kon bijeenkomen en hare zoo groote en zoo gewichtige werkzaamheden voleinden.
Den 13 December 1563, hield het Concilie zijne vijf en twintigste en laatste zitting. Het had achttien jaren geduurd, als men de onderbrekingen mederekent. Op dien heuglijken dag was de bisschop van Nazianze de welsprekende tolk van de gevoelens der vergaderde Kerkvoogden ; â Hij is eindelijk verschenen, quot; zoo riep hij uit, â die dag van vreugde voor de Katholieke wereld, waarop het schip der Kerk, dat de verwachtingen van het heelal bevat, aan het geweld van zoo lange en ivoedende stormen ontkomen, in veilige haven rust. En gave God dat zij, voor wie wij deze gevaarvolle zeevaart ondernomen hebben, zich met ons hadden willen inschepen! God gave dat zij ons hunne medewerking verleend, hadden en dat zij eenstemmig waren komen arbeiden aan den wederopbouw van den tempel des Heer en ? Wvj zouden thans veel meer reden hebben om ons te verheugen; doch hunne afwezigheid kan ons niet worden ten laste gelegd. Deze stad hebben wij gekozen aan den ingang van Duitschland, d. w. z. aan dc grenzen van hun land; wij hebben geene wacht ter hulpc geroepen, ten einde hen te vrijwaren van alle vrees voor hun persoonlijke vrijheid; vrij hebben hun een vrijgeleide geschonken in de bewoordingen door hen zeiven voorgeschreven; maar zij zijn voor onze vermaningen en heden doof gebleven. Thans, na de overgroote werkzaamheden, waarmede wij belust waren, ten uitvoer gebracht te hebben, moeten wij onsterfelijke dankzeggingen ten Hemel stieren, tot den
200
in den loop der eeuwen.
Ahnachtigen God, wier oneindige barmhartigheid ons vergund heeft dezen dag van geluk te vieren, te midden van de algemeene toestemming en goedkeuring der Christenwereld. quot;
Xa lezing der laatste decreten, vroeg de secretaris der Kerkvergadering aan de prelaten of zij zich met al de besluiten der vorige zittingen vereenigden en of zij verlangden dat men den toenmaal regeerenden Paus Pius IV zoude vragen ze te bekrachtigen: het eenparig antwoord was : âplacet, het behaagt ons dat sulks geschiede. quot;
Plechtig en hartroerend was dat oogenblik ; de tranen rolden uit aller oogen ; de Kerkvoogden omhelsden elkander en verheugden zich over den gelukkigen uitslag van het Concilie. Geheel de Katholie kewereld nam deel aan die vreugde, en niet zonder reden, want nooit had eene Kerkvergadering uitgestrektere en belangrijkere werken tot stand gebracht.
Het gansdi gebouw der Katholieke geloofsleer had men van onder tot boven in oogenschouw genomen. De door het Protestantisme bevochten waarheden had men in een helder daglicht gesteld, de nieuwe dwalingen had men alle zonder uitzondering gedoemd. De misbruiken die van lieverlede en ten gevolge der menschelijke zwakheid in de kerkelijke tucht waren geslopen, had men uitgeroeid; wijze hervormingsmaatregelen had men vastgesteld. â Uit de beraadslagingen der doorluchtige vergadering kwam de Kerk met hare leerstukken, haren eeredienst, hare hiërarchie, hare verhevene zedenleer en hare instellingen van allerlei aard glansrijker te voorschijn; zij was als het ware jeugdiger geworden en met een nieuwe levenskracht bezield. De ware hervorming, die nl. welke God gewild had, was door de Kerk zelve, onder de zichtbare leiding des H. Geestes, bewerkt.
De vruchten der Kerkvergadering van Trente in de Ka-
201
De Goddelijke beloften der H. Kerk
tholieke wereld beantwoordden aan de grootheid en wijsheid van het werk. De uitbreiding der ketterij werd gestuit, en overal begon de Christelijke vroomheid onder de ge-loovigen op bewonderenswaardige wijze te herleven. Ook aan het Concilie van Trente hebben wij de instelling der seminariën te danken, waar naderhand zoovele priesters gevormd werden, even uitmuntend door deugd als door geleerdheid, die de Kerk verheerlijken en haren vijanden de wanhoop in 't harte jagen.
XXXV.
MOZF.S OP DENT BERG.
In Gods Kerk is de strijd tegen de vijanden van het goede altijd vereenigd met het gebed. Terwijl de eenen strijden in de vlakte, verheffen de anderen, gelijk Mozes op den berg, hunne armen ten hemel en smeeken bovennatuurlijke hulpmiddelen af zonder welke geen duurzame noch vruchtbare overwinningen mogelijk zijn.
In de XVIe eeuw ontbraken de mannen van gebed evenmin als de strijders en de werkers. De eenen en de anderen had God in overgrooten getale verwekt om de middelen van verdediging en wederopbouw te evenredigen met de gevaren en behoeften van die benarde tijden.
In Italië bewonderde men de deugd, den zegenrijken arbeid van den H. Carolus Borromoius, aartsbisschop van Milaan, een der standvastigste handhavers van de kerkelijke tucht, den voorbeeldigen bestuurder van zijn bisdom, den herder die, wanneer de pest zijne kudde verwoestte, zich van alles ontblootte en de wereld door zijne heldhaftige naastenliefde verbaasde ; â van den â if. Philippus Nerius, van den II. Gamillus van Lellis, van den H. Gaëtamis, van den H. Franciscus Caracciolo, stichters en hervormers van kloosterorden, volmaakte toonbeelden van de liefde
202
in den loo]) der eeuiven.
tot God en tot den evennaaste ; - van de H. Maria-Magdalena van Pazzi, van de II. Catharina van liicci, beiden bewonderenswaardig door hare deugden, van de H. Angela van Mcrici, die de kloosterorde der Ursulinen gesticht heeft.
De Nederlanden, waar destijds de bloedige oorlog der Calvinisten tegen de Katholieken woedde, waren getuigen van de bewonderenswaardige standvastigheid martelaren van Gorcum. 't Waren negentien Belgische en Hol-landsche priesters, die om het Geloof de schrikkelijksta folteringen verduurden en de martelkroon verdienden. Ten jare 1867 werden zij door den grooten Paus Pius IX lieiligverklaard.
In Frankrijk, Duitschland en Engeland onderscheidden zich talrijke Christenen door hun verheven deugd, hun onwankelbaren moed tegenover de bloeddorstige ketterij en hun roemrijken dood op het schavot. Leo XIII heeft onlangs den eeredienst toegelaten van Thomas Morus, kanselier, van kardinaal Fischer en van meer dan honderd martelaren die voor de verdediging der Katholieke eenheid hun bloed vergoten onder de wreede regeeringen van Hendrik VIII en Elisabeth van Engeland.
Spanje echter vooral, dat land van geloof en heldenmoed, overtrof niet alleen alle volken van Europa door zijne grootheid en macht op staatkundig gebied, door zijne edelmoedigheid en door zijn geest van zelfopoffering in het verdedigen van den godsdienst op alle punten van den aardbol en in het uitbreiden der Kerk zoowel in Azië als in America, maar het muntte ook boven alle uit door het getal en den luister zijner heiligen. Eeeds hebben wij melding gemaakt van de Sociëteit van Jezus, welke uit Spanje's vruchtbaren schoot geboren werd. Haar stichter, de H. Ignatius, haar groote geloofsgezant de H. Franciscus Xaverius, haar doorluchtige generaal, de II. Franciscus
204 De Goddelijke beloften der H. Kerk
van Borgia, tweede opvolger van den H. Ignatius, en meer andere harer leden even uitmuntend door hunne wetenschap als door hunne geleerdheid, aanschouwden daar te lande het levenslicht. Spanje schonk ook der Kerk den H. Thomas a Villanova, den H. Johannes de Deo met zijne keurbende van broeders, die zich aan de liefdewerken toewijden, den II. Petrus van Alcantara, den II. Johannes a Cruce, en vooral, om slechts één naam meer te noemen, de II. Teresia, de hervormster van den Karmel.
Teresia, uit een adellijke familie van Avila gesproten, gaf sedert hare prilste jeugd, de treffendste bewijzen harer buitengewone edelmoedigheid in den dienst van God. Nauwelijks had zij de jaren van verstand, of zij brandde reeds van verlangen om haar bloed voor Jezus-Christus te vergieten. In een klooster gegaan zijnde, werd zij door eene reeks van beproevingen er toe gebracht, zich geheel en al, zonder voorbehoud, aan God toe te wijden, zoo zelfs dat zij zich door eene bijzondere gelofte verbond om altijd datgene te doen wat volgens haar oordeel het meest aangenaam zou wezen aan haren Goddelijken Meester. Alsdan werd zij begunstigd met buitengewone genaden, geestverrukkingen, visioenen die hare serafljnsche ziel meer en meer deden blaken van liefde tot God. Hare leuze was : â Of lijden of sterven. quot; En inderdaad had zij haar leven lang de hevigste zielesmarten en de onrechtma-tigste vervolgingen vanwege de menschen te lijden. Haar ijver voor Gods glorie zette haar aan om het groote werk haars levens, de hervorming der Karmelieterorde, tot stand te brengen.
Hierin slaagde zij op wonderbare wijze. Alvorens uit de wereld te scheiden, had zij het geluk zeventien kloosters van Karmelieternonnen, door haar zelve gesticht, onder haren regel te zien leven en te midden der bedorvene we-
in den loop der eeuwen.
reld den glans der schoonste deugden verspreiden. Hare kloosternonnen vereenigden de strengste oefeningen der boetvaardigheid met de beschouwing en het gebed. De H. Teresia wilde dat hare dochters aan de Goddelijke majesteit een voortdurende genoegdoening gaven voor de be-leedigingen, Haar door de misdaden der ketters aangedaan, en tevens over alle geloovige of verdwaalde, rechtvaardige of zondige Christenen de genade der volharding of die der bekeering afsmeekten.
Door toedoen van den H. Johannes a Cruce ging de hervorming der H. Teresia van de kloosters der Karmelieternonnen over tot die der Karmelieten, naderhand ongeschoeide Karmelieten genaamd. Nog heden ten dage telt zij menigvuldige mannen- en vrouwenkloosters in de meeste Katholieke landen. De Karmel is, naar de opvatting der H. Teresia, gansch eene gemeenschap van zielen, blakende van liefde tot God en tot den evennaaste, die onophoudelijk in de Kerk dezelfde bediening waarneemt als Mozes op den berg, nl. die des gebeds, der uitboeting, der zelfopoffering, tot meerdere eer van God en tot zaligmaking der zielen. De doorluchtige maagd stierf den 4 Augustus 1582, in den ouderdom van zeven en zestig jaren, na de Kerk door hare deugden, werken en bewonderenswaardige geschriften gesticht te hebben.
Die nederige vrouw, die arme kloosternon had meer gedaan voor de verbetering der zeden, voor den vooruitgang des geloofs en de volmaaktheid der zielen dan de grootste geleerden harer eeuw. Zoo behaagt hex den Almachtige de zwakken uit te kiezen als werktuigen zijner inzichten, ten einde de sterken te beschamen.
Deze korte en al te onvolledige naamlijst van de heilige mannen en vrouwen der XVIe eeuw kunnen wij niet sluiten zonder melding te maken van dien anderen Mozes op den hvrg, den H. Pias V.
205
De Godddyjke beloften der H. Kerk
Door de Kardinalen met eenparige stemmen op den stoel van den H. Petrus verheven, was de H. Pius V, de vastberaden en ijverige uitvoerder van de wijze decreten der Kerkvergadering van Trente; de onwankelbare tegenstander der ketterij in Frankrijk, Duitschland en de Nederlanden ; de wreker der onschuld die verdrukt werd en verraden in do persoon van Maria-Stuart, koningin van Schotland, door de afgunst, de trouweloosheid en den onverzoeiv lijken haat harer nicht Elisabeth, koningin van Engeland ; de redder der geheele Christenheid, toen deze zich bedreigd zag door de woedende Turken.Werd de vloot dezer laatsten te Lepante vernield, het was niet zoozeer door den moed van Don Juan met zijne onversaagde krijgers, als wel dooi het krachtig gebed van den H. Plus.
Die groote Paus en waardige navolger van den H. Gregorius VII, van Innocentius III en Bonifacius VIII, stierf ten jaren 1572, na een pausschap dat, wel is waar, slechts zes jaren geduurd, maar wonderbare dingen in de gansche Kerk had tot stand gebracht. In dien korten tijd had de heilige Paus de bewondering, de erkentelijkheid en de liefde der geloovigen weggedragen, en was tevens de schrik geweest der vijanden van den Christen naam. Deze vreesden meer zijne gebeden dan de wapens dei-Katholieke vorsten; en terwijl Rome, bij zijn overlijden,, treurde, en weende, deden de Turken te Constantinopel openbare vreugdefeesten vieren, 't Was de verwezenlijking van het woord, door Pius V uitgesproken, toen hij de Pauselijke waardigheid aanvaardde. Vernomen hebbende dat het Romeinsche volk zich verontrustte over zijne verkiezing, omdat hij den naam had van straf en streng te zijn, zeide hij: â Wij vertrouwen op God en hopen de Kerk zoo te besturen dat de volkeren, byj onzen dood, meer droefheid zullen hebben dan zij er bij onze verheffing tot de Pauselijke waardigheid toonen.quot;
206
in den loop der eeuwen.
De H. Pius V is tot dusverre de laatste Paus, wien de Kerk de eer der heiligverklaring bewezen heeft.
XXXVI.
DE ZEESLAG VAN LEPANTO.
Terwijl de ketterij der Protestanten het Noordelijk gedeelte van Europa aan de Moederkerk van Rome ontrukte, terwijl zij Duitschland, Zwitserland, de Nederlanden, Dene-nemarken. Zweden, Noorwegen, Engeland, Schotland en Frankrijk met bloedige puinhoopen overdekte en de Christen volkeren tegen elkander verwoed in het harnas Joeg, â breidde in 't Oosten het Turksche rijk zijne veroveringen al verder en verder uit en dreigde het de geheele Christenheid onder zijn onteerend juk te doen bukken. Sedert eene eeuw waren de Turken meester van Constan-tinopel en wendden zij onvermoeid de grootste pogingen aan om tot in het hart van Europa door te dringen. De heldendaden van Scanderbeg, Jan Hunyade en Pieter d'Aubusson hadden wel is waar voor eenen tijd hun vervaarlijken aandrang tegengehouden, maar spoedig hernamen zij hun vernielenden tocht, overrompelden het eiland Cyprus en bedreigden nu met hunne machtige en tot dan toe onverwinnelijke krijgsvloot, de kusten van Italië. Het Mahomedisme stond in zijne volle macht, tegenover het verbrokkeld en verzwakt Europa ; op een teeken van den Sultan zouden de dweepzuchtige, de ontelbare benden der Turken vooruitstormen en de plichtvergeten Christenen te midden hunner noodlottige broederoorlogen verrassen. Hachelijk oogenblik voorwaar, dewijl het bestaan zelfs der Christenheid en der beschaving op het spel stond.
Doch de Vader der geloovigen, de H. Pius V, had de hoogdringendheid van het gevaar ingezien en deed een oproeping aan de Christen vorsten van Europa om een
207
De Goddelijke beloften der H. Kerk
heilig verbond aan te gaan tegen den algemeenen vijand. Eilaas ! de beroerten door de ketterij verwekt beletten de meesten gehoor te geven aan den noodkreet van den Paus. Alleen de koning van Spanje, Philips II, en de vorsten van Italië beantwoordden zijne oproeping.
Don Juan van Oostenrijk, broeder van Philips II. werd aan het hoofd geplaatst der Pauselijke, A enetiaansche en Spaansche troepen. Te Napels waar de bondgenooten hunne legermachten verzamelden, ontving Don Juan een standaard hem door den H. Pius V gezonden. Het beeld van den gekruisigden Zaligmaker was er in goud en zilver opgestikt, met dit opschrift: â Door dit teeken zult gij overwinnen. quot; De Paus spoorde den opperbevelhebber aan om onverschrokken den vijand te gemoet te trekken en hem slag te leveren. â In den naam van God, zeide hij, beloof ik u de overwinning, doch op voorwaarde dat gij u voorbereidt als een waardig kind der H. Kerk, als een oprecht Christen.quot; Deze vermaning des Pausen bleef niet zonder uitwerksel. Het leger vastte drie dagen en al de krijgers naderden tot de H. Sacramenten. Zoo bereidde men zich tot de grootsche worsteling waarvan het lot van Europa afhing. Die zich daarna nog slecht gedroegen werden uit het leger verbannen, en de voorbeeldige straf van twee ellendigen, die godslasteringen hadden durven uitbraken, verspreidde onder allen een heilzame vrees.
De 16 September 1571 gingen de Christenen te scheep, â en den 7 October, op eenen Zaterdag, ontmoetten zij in de golf van Lepanto de Turksche vloot reeds in slagorde geschaard. De vloot bestond uit ruim driehonderd oorlogsschepen. en de Christenen hadden er slechts twee honderd. Doch God zou voor hen vechten, en wie kan God wederstaan ?
Don Juan. een kruisbeeld in de hand, voer van schip tot schip, en wakkerde de opperhoofden en krijgers aan om
208
in am loop dcr eemven.
manhaftig hunne plicht te volbrengen ; dan nam hij stand in het midden der slaglinie, tegenover het admiraalschip der Turken. Op dit oogenblik. geven de priesters een laatste absolutie aan al deze strijders die den dood gaan trotsen; dan, op een teeken van Don Juan, schetteren de trompetten, met :uider stem aanroepen de Christenen de H. Drievuldigheid door de voorspraak van de H. Maagd Maria, en langzaam komen de logge schepen in beweging.
De twee vloten zeilen vooruit, te midden eener schrikbarende stilte. Het schouwspel is zoo grootsch en zoo indrukmakend dat Turken en Christenen het hijgend cn vol bewondering aanstaren. Duizenden Katholieken, die de vijand vroeger heeft buitgemaakt en nu als slaven op zijne schepen doet roeien, wenschen heimelijk en bidden dat toch hunne broeders mogen zegevieren. Daar buldert een kanonschot van het admiraalschip der Turken, de Christen bevelhebber doet er op antwoorden, en in een oogenblik branden de kanonnen los van het eene uiteinde der strijdlinie tot het andere.
Het was vier uur namiddag. De Christenen hadden in 't begin de zon, den wind en den rook recht in de oogen, hetgeen den vijand een dubbel voordeel gaf. Maar langzamerhand kregen de Turken de zon vlak in het gezicht, en daar nu de wind plotseling omkeerde, joeg ook de rook naar hen toe en verblindde ze gedeeltelijk. Weldra werden de schepen aangeklampt, en eene vreeselijke worsteling lijf tegen lijf ving aan. Don Juan was handgemeen met den admiraal der Turken. Van weerszijde was de strijd even hardnekkig, en de slachting afgrijselijk. Het bloed van Christenen en Turken vloeide bij stroomen en kleurde de golven der zee. Een uur lang bleef aldus de strijd onbeslist, als eensklaps de Turksche admiraal door een kogel gewond nederstort. Een Spanjaard springt aan boord, slaat den vijandelijken bevelhebber den kop van den romp en
14
209
210 De Goddelijke beloften der H. Kerk
steekt hem op de punt zijner lans. Van dan af geven de Turken het op en zoeken slechts meer hun behoud in een haastige vlucht. Maar de Christenen zotten ze na, doen tachtig schepen stranden en steken ze in brand. Deze worden tot één toe de prooi der vlammen en verdwijnen met man en muis in de kolken der zee. Veel andere schepen werden in den grond geboord, zoodat de Turken dien dag tweehonderd vier en twintig oorlogschepen en dertig duizend soldaten, buiten de krijgsgevangenen, verloren. Xooit had het Turksche rijk een zoo verpletterende nederlaag ondergaan. Ook was door dien enkelen slag zijne macht op zee voor altijd gebroken en begon van toen at zijn langzaam doch onherstelbaar verval in de wereld.
Ondertusschen vermenigvuldigde de H. Paus Pius V zijne verstervingen en aalmoezen. Hij had openbare gebeden voorgeschreven om aanhoudend de zegepraal voor de Christene strijders af te smeeken. Op zekeren dag dat hij eene vergadering van verscheidene Kerkvoogden voorzat, gebood hij eensklaps aan die het woord voerde, te zwijgen. Dan stond hij schielijk op, ging naar het venster, trok het open en bleef er eenige minuten staan als in eene stomme beschouwing weggezonken. Plotseling straalt zijn gelaat van vreugde en roept hij uit: â Genoeg van zaken gesproken, thans is het tijd naar de kerk te snellen om God tehedanken; ons leger heeft de overwinning behaald!quot;
Groot was. bij die onverwachte tijding, de verrassing en de blijdschap der aanwezige prelaten. Men teekende dag en uur op, en eenige dagen later kwam een bode, aan Rome en aan de wereld het blijde nieuws berichten dat de Turksche vloot vernield was geworden op het oogenblik zelf dat de Paus door Gods ingeving het had aangekondigd.
Uit dankbaarheid voor deze overwinning gebood de H. Pius V dat men voortaan op den eersten Zondag van
in den loop der eeuwen.
October het feest van den H. Eozenkrans zoude vieren en dat men in de litanie van O. L.-Vromv deze aanroeping zou inlasschen : Auxilium Christianorum, ora pro nobis; â llvlp der Christenen, bid voor ons.
XXX VIL
KIEUWE TRIOMFEN DES GELOOFS.
In min dan eene halve eeuw had het Protestantisme het grootste deel van Europa overweldigd en met zijne kettersche leering besmet. Spanje en Italië waren, om zoo te zeggen, de eenige landen waar het geen wortel had kunnen schieten. In welke omstandigheden en door welke middelen de ketterij zoo snel vooruitging, hebben wij in een voorgaand hoofdstuk aangeduid.
Na de gunstige voleinding der Kerkvergadering van Trente begon aldra de Kerk zegepralend tegen den Protes-tantschen invloed in te werken en zij heroverde verscheidene der afgevallen gewesten. Zoo zag men op het einde der XVP en in liet begin der XVIP eeuw een aantal ketters tot het ware Geloof wederkeeren. Oostenrijk, Hongarije, Polen, Beieren, Bohemen, Stiermarken, de Rijnprovinciën, Westphalen en meer andere landen kwamen achtervolgens terug tot de Moederkerk van Rome en werden van het venijn der ketterij gezuiverd.
In de Nederlanden, waar de Protestanten vreeselijke verwoestingen hadden aangericht, waren de Waalsche provinciën buitengewoon standvastig gebleven in het voorvaderlijk Geloof en hadden blijken gegeven der grootste verkleefdheid aan de H. Kerk ; zij hielpen nu het Protestantisme uit de Vlaamsche provinciën verbannen en terugdringen naar de Hollandsche staten, die zich van Spanje's heerschappij hadden vrijgemaakt. Zoo werd België, dat op het punt was geweest de prooi der ketterij te worden.
211
212
â wederom een der meest Katholieke landen der weield.
Ook Frankrijk had aan een groot gevaar blootgestaan. De ketters, daar te Jande Hugenoten genaamd, hadden zich zoo machtig weten te maken, dat zij op het punt waren van als meesters over dit schoone koninkrijk te beschikken. Daar, gelijk elders, zouden zij door bloedige vervolgingen, waarmede zij overigens reeds begonnen hadden, de natie tot geloofsverzaking hebben gedwongen, ware er niet, bij gebrek aan een goeden koning, een doorluchtige familie geweest, die der Guises namelijk, om zich aan het hoofd van het Katholiek Frankrijk te stellen, en, met medewerking van Spanje, alle pogingen der Hugenoten te verijdelen, alhoewel deze door hunne geloofsgenooten van Duitsch-land. Holland en Engeland gesteund werden. Langdurig en bloedig was de worsteling. De ketters deinsden niet terug voor moord, brand, plundering, bloedbaden en samenzweringen tegen de wettige macht; de Katholieken, van hunnen kant, verbitterd, in hun geloof en in hun leven bedreigd, bezondigden zich somwijlen uit wederwraak door gruwelstukken welke de Kerk bestendig veroordeelde. Het recht was klaarblijkelijk aan hunne zijde, want wat deden zij anders dan zich verdedigen tegen een trouwe-loozen en wreeden vijand, die tegen God en koning opstond en die, om tot zijn doel te geraken, niet aarzelde zijn eed te breken en zijn vaderland te verraden.
Een voorval dient hier vermeld te worden, dat het gioot verschil tusschen het gedrag der Kathólieken en dat hunner kettersche tegenstanders in het daglicht stelt. Gedurende het beleg van Rouanen scheelde het weinig ot de Hertog van Guise werd het slachtoffer van een aanslag, door een Calvinist op zijn leven gepleegd. De moordenaar werd aangehouden en voor den Hertog gevoerd. â Heb ik u,quot; zoo zeide deze, â emicje reden gegeven om mij te haten daar gij mij het leven hebt wilhn benemen ! â âNeen,
in dm loop der eeuwen.
antwoordde de Hugenoot, ik heb slechte den geduchtsten tegenstander van mijnen godsdienst 'willen om het leven brengen.quot; â â Welnu,quot; hernam de Guise, âindien uw godsdienst u verplicht een man te dooden, die, zooals gij zelf hekent, u nooit beleedigd heeft, de mijne schrijft mij voor u te vergeven: oordeel te elke van heide de heste is.quot; â En op staanden voet liet hij hem in vrijheid stellen.
Eenigen tijd later, toen dezelfde hertog van Guise de stad Orleans, het voornaamste bolwerk der Calvinisten, belegerde, werd hij door eenen anderen ketter vermoord, en stervende vroeg hij genade voor den moordenaar (1563). Het treurig einde van den grootsten der Guises ontmoedigde zijne broeders en zijnen zoon niet; deze wijdden zich toe, gelijk voorheen, aan de verdediging van den Katholieken godsdienst. Zij waren de ziel van den Bond, of Ligue, oen machtige vereeniging waartegen zich alle pogingen der Protestanten kwamen verbrijzelen. Hendrik van Navarre. door het erfrecht bestemd om Frankrijks troon te bestijgen, zoude gewis den triomf van het Protestantisme, wiens leer hij belijdde, verzekerd hebben; maar, dank aan den hardnekkigen wederstand der Ligueurs door de Guises aangevoerd, zag hij zich genoodzaakt te onderzoeken of er geen ander middel was dan de macht der wapens om zich van de Fransche kroon meester to maken. Hij bestudeerde dan met eene goede meening den Katholieken godsdienst, trad in onderhandelingen met den H. Stoel, en toen hij zich genoegzaam onderwezen achtte, belegde hij eene vergadering van Katholieke en Protestantsche leeraren om hunne bewijzen voor en tegen te hooren.
Op de vraag of men in den Protestantschen godsdienst kon zalig worden, antwoordden de Katholieken dat zulks onmogelijk was, tenzij men ter goeder trouw was, aangezien ieder mensch verplicht is deel te maken van den eenig waren godsdienst van Jezus-Chnstus, welke geen andere
213
De Goddelijke beloften der II. Kerk
is dan die der Roomsche Kerk. De Protestantsche leeraars moesten integendeel bekennen dat men, volgens hunne eigene beginselen, evengoed kon zalig worden in den Katholieken als in den Protestantschen godsdienst.
âHoelquot; riep Hendrik uit, âgijzijt allen van hetzelfde, gevoelen dat men zijne zaligheid kan bewerken in den godsdienst der Katholieken, en deze daarentegen houden vol dat men in den meen onfeilbaar zal verdoemd zijn! Voorwaar, hier is het wel der moeite xvaard het zekerste te kiezen, 't zou onvoorzichtig zijn slechts een oogenblik te aarzelen.'' Van toen af was de bekeering van den monarch besloten. Den 25 Juli 1593. zwoer Hendrik IV plechtig de ketterij af in de St. Dionysiuskerk voor den aartsbisschop van Bourges. âIkwil,quot; zoo had hij gezegd, âzweren op het graf der koningen, mijne voorraderen, dat ik zal leven en sterven in den Katholieken godsdienst dien zij beleden hebben.quot;
't Was eenegroote gebeurtenis die alle Katholieken, van af hun opperhoofd. Paus Clemens Vin. tot den geringsten der geloovigen, met vreugde vervulde. De Protestanten integendeel, zoowel in Frankrijk als in den vreemde, waren er bitter over bedroefd. Zij begrepen dat Frankrijk voorgoed aan de ketterij ging ontsnappen en zich voor lang aan de Katholieke Kerk onderwerpen. Parijs immers dat zijne poorten gesloten hield voor Hendrik IV, zoo lang hij een Hugenoot was, opende ze gewillig nu hij Katholiek was geworden. De Ligue had geen reden meer van bestaan en verloor al hare macht, daar zij nutteloos was geworden voor de verdediging van don godsdienst. Aanvankelijk beschuldigde men den nieuwen koning dat hij zich uit heerschzucht en loutere sluwheid bekeerd had; zijne daden echter bewezen weldra dat daar niets' van aan was. De Jezuïeten die verjaagd waren geworden, riep hij terug, en in geheel zijn koninkrijk behartigde hij de belangen van den Katholieken godsdienst. Toen hij later door den dolk
214
in den Joop der eeuwen.
van een vuigen moordenaar sneefde, vermaande Paus Paulus V de koningin om haren zoon Lodewijk XIII op te voeden in de gevoelens van liefde tot den godsdienst, hierbij voegende dat deze met Hendrik IV een machtigen beschermer verloor.quot;
.De triomfen des Geloofs in de overzeesche landen waren even troostvol en schitterend als in Europa. Amerika, sedert een eeuw ontdekt, was door een hoop schraapzuchtige en wreede gelukzoekers overweldigd geworden; doch met hen waren daar Katholieke geloofsverkondigers aangekomen, die als middelaars optraden tusschen de arme Wilden en hunne hardvochtige veroveraars en hen door de belijdenis van hetzelfde geloof, door de zachte banden der Christelijke liefde onder elkander vereenigden, zoodat zij van lieverlede tot één volk samensmolten. De Kerk volbracht daar dezelfde zending als in Europa ten tijde van de invallen der Barbaren, met dit verschil dat zij toenmaals de woeste heidensche veroveraars wist te krommen onder het zachte juk van het geloof der overwonnenen, terwijl zij in Amerika de inboorlingen overhaalde om den godsdienst hunner overwinnaars te omhelzen.
Spoedig bloeide de heiligheid op den nog maagdelijken grond van Amerika. De eerste bloem ontlook te Lima, in de aartsbisschoppelijke hoofdstad van Peru; 't was de bewonderenswaardige maagd Sint Rosa -van Lima (1386-1617). Nauwelijks was zij verwelkt hier beneden om met meer pracht te gaan bloeien in het hemelrijk, of de Lelie van Quito ontlook, de gelukzalige Maria.-Anna. van Paredes die in de tegenwoordige hoofdstad van Ecuador het levenslicht aanschouwde (1618-1645). Terzelfder tijd schitterde de H. Louis Bertrand. die te Carthagena het Evangelie verkondigde, de II. Fruncisciisvan Solano, de apostel van Tucuman, de gelukzalige Martinus Porrès, van de Derde Orde des H. Franciscus, en Johannes Massias, een Domi-
215
De Goddelijke beloften der H. Kerk
nikaner leekebroeder, die allen te Lima, limine geboortestad, den geur hunner deugden verspreidden. Niemand bevorderde echter meer de voortplanting en den luister van het Katholiek geloof in Zuid-Amerika dan de H. Turi-bas, aartsbisschop van Lima, die met recht de Apostel van Peru genoemd werd. In dit werelddeel werd hij wat de H. Karel-Borromasus destijds geweest was voor het Noorden van Italië, en de H. Thomas Villanova voor Spanje, wat de H. Martinus in de I Vc eeuw geweest was voor Gallië.
Hij regelde de Kerkelijke besturen, schafte de misbruiken af en paste overal de wijze decreten toe van de Kerkvergadering van Trente. Met een wonderbare snelheid leerde hij de Indiaansche talen aan. ging vervolgens aan de wilde volksstammen het Geloof verkondigen in hun eigen taal en bekeerde ze niet alleen door zijne vurige vermaningen, maar ook door het toonbeeld zijner heiligheid. Geene vermoeienis, geen gevaar, geen hinderpaal kon hem weerhouden. Maakte men hem de opwerping dat de wegen te steil of te gevaarlijk waren, dan vroeg hij; â Zijn daar anderen doorgekomen T' â â Zeer zeker, quot; antwoordde men, â maar...quot; â â Welnu,quot; hernam de onverschrokken kerkvoogd, â dan zal ik er evengoed doorkomen. quot; Den Spanjaarden deed hij zijn bisschoppelijk gezag gevoelen om paal en perk te stellen aan hunne onrechtmatige eischen ten opzichte der Wilden. Bij een openbare plechtigheid rees er een geschil, te weten: of de kenteekenen des onderkonings het kruis, dat voor een Aartsbisschop gedragen wordt, voorafgaan of volgen moesten. â Het kruis moet vooropgaanquot; zeide de aartsbisschop, _ ivant aan hH kruis zijn ivj allen onze aanbidding -verschuldigd '. De onderkoning moest toegeven voor den uitdrukkelijken wil van den H. Turibas.
God schonk hem de gave van mirakelen; hij genas vele
21ö
in den loop der eeuwen.
217
! ;
fl®
zieken en wekte verscheidene dooden op. Evenals de H. Martinus, stierf hij terwijl hij in een stadje van Peru zijn apostolischen arbeid verrichtte, en had, in de ure des doods, een hevigen strijd te voeren tegen den duivel, wiens pogingen hij echter verijdelde (1606). Gedurende zijn twintigjarig episcopaat diende hij het H. Vormsel toe aan een millioen personen.
Ook de Indien, China, Japan brachten der Kerke heerlijke vertroostingen aan. De geloofsverkondiging van den H. Franciscus-Xaverius, door ijverige missionarissen voortgezet, leverde overvloedige vruchten op en bracht duizenden nieuwe 'schapen onder den herderstaf des Verlossers, ter vervanging van die welke in Europa zijn zoet juk hadden afgeworpen. De Christenen van Japan vooral onderscheidden zich door hun vurig en heldhaftig geloof. Een ijselijke vervolging barstte daar los : maar zij bleven onwankelbaar. Even onverschrokken als de martelaren der eerste eeuwen, gingen zij blijmoedig den dood te ge-moet. Vier en twintig hunner werden in 1862 doorPiuslX heiligverklaard.
I
m
i- 'f i
XXX VIII.
EEX CHRISTEN GEMEENEBEST.
ÃÃ
i itd'
i
Ook Zuid-Amerika was in de XVIIquot; eeuw getuige van een groot wonder, daar te lande door onverschrokken geloofsgezanten gewrocht. Aan den voet van het Cordil-lèregebergte, ongeveer in het middelpunt van dat onmetelijk vasteland, bevinden zich uitgestrekte vlakten, met rivieren doorsneden en met dichte wouden bedekt. Daar leven talrijke volksstammen van Wilden die tot nu toe nog vrij en onafhankelijk zijn gebleven. Die Wilden hebben woeste zeden, zij zijn wreed en bloeddorstig; zij zijn zelfs menscheneters. Voor weinige jaren werd eene karavaan
218
stoute reizigers welke zich ten doel had gesteld die slecht bekende streken te doorloopen. door de Wilden vermoord. Andere karavanen hebben slechts te midden der grootste gevaren die gewesten kunnen doortrekken.
Op het einde der XVIquot; eeuw was nog nooit een Europeaan tot het binnenland van Zuid-Amerika doorgedrongen. Het ware overigens vermetel geweest zich daar te wagen zonder een toereikend getal manschappen om de onvermijdelijke aanvallen der Wilden af tc slaan. Doch zoo vermetel waren de missionarissen der Sociëteit van Jezus; met een brevier onder den linkerarm, een groot kruisbeeld in de rechterhand, trokken zij de wouden in zonder andere wapenen dan hun geloof en hun betrouwen op God. Verscheidene kwamen om van hongeren vermoeienis te midden der bosschen; andei^en werden vermoord en verslonden; â de overlevenden slaagden er eindelijk in zich te doen aanhooren.
Welke onderneming zulke vadsige, domme, woeste en door de afschuwelijkste ondeugden verdierlijkte volksstammen te bekeeren! Menschelijkerwijze was zij onmogelijk, â en toch gelukte zij. Een eerste volksstam kwam op liet woord der Jezuïeten bijeen en vormde eene gemeente. rondom de houten kerk geschaard, welke door twee missionarissen bediend werd. Achtereenvolgens kwamen nog andere gemeenten tot stand, wier getal dermate aangroeide dat zij een soort van gem eenebest of republiek konden uitmaken, die in de geschiedenis bekend staat onder den naam van Reductions dn Parayuay. De inrichting dier republiek berustte uitsluitend op der. godsdienst en was waarlijk een ideaal. De kinderen genoten het onderwijs en de opvoeding in de openbare scholen; de jongelingen legden zich volgens hunne bekwaamheden toe op den akkerbouw en op de nuttige kunsten, In tijd van oorlog grepen allen de wapenen, rukten tegen den
in den loop der eeuwen. 219
vijand op en sloegen hem terug tot verre over hunne grenzen. De vergrijpen tegen de wetten werden bij den eersten misslag bestraft met een geheime berisping der missionarissen ; bij den tweeden, met een openbare boete aan de deur der kerk ; bij den derden, met zweepslagen. Deze laatste straf werd zelden verdiend. ,, Al de fouten onzer Indianen, zegt P. Charlevoix, zijn kinderfouten ; hun leven lang zijn zij kinderen in vele dingen en zij hebben er trouwens al de hoedanigheden van.quot; ,, Sire. zoo schreef de Bisschop van Buonos-Ayros aan den koning van Spanje, Philippus V, onder deze talrijke volksstammen, beslaande uit Indianen die van nature tot alle ondeugden geneigd, zijn, hrerscht een zoo groote onschuld dat ik niet geloof dat er een enkele doodzonde bedreven ivordt. quot;
De herschepping die onder den invloed der Goddelijke genade had plaats gehad, was zoo snel. zoo volkomen, zoo bewonderenswaardig, dat men de oprechte getuigen die er ons de beschrijving van geven, licht van overdrijving zou beschuldigen. Doch wij weten dat den Almachtige niets onmogelijk is en het moet ons geenszins verwonderen dat Hij in Amerika, waar het Christendom pas gevestigd, en tot zoo een groote bestemming geroepen was, wonderen heeft willen doen gelijk aan die welke de stichting zelve dei-Kerk door de Apostelen vergezelden. Muratori, de Christen republiek Paraguay beschrijvende, kenschetst ze met één woord, hij noemt ze : Het gelukkig Christendom. Voltaire zelf, de verwoede vijand van den Katholieken godsdienst, de bezwalker zijner werken, en heiligen, de stelselmatige lasteraar, die wetens en willens schaamteloos loog om de Kerk te verguizen, heeft toch moeten bekennen dat â de inrichting, door de Spaansche Jezuïeten in Paraguay tot stand gebracht, onder eenige opzichten de triomf der menschlievendheid schijnt te wezen.quot; - Neen, 't was niet de triomf der menschlievendheid, maar die des Geloofs en
De Goddelijke beloften der H. Kerk
der genade, 't Was waarlijk een zedelijk mirakel dat beter dan elk ander de heiligheid en de goddelijkheid van onzen godsdienst bewees, die alleen in staat is zulke uitwerksels voort te brengen. De menschlievendheid, aan haar eigen krachten overgelaten, heeft den wilde nooit de zedelijke macht kunnen geven die noodzakelijk is om zijne hartstochten te beteugelen, zij heeft nog nooit een volk beschaafd in den waren zin des woords. 't Is uitsluitend de roem der Kerk dat wonder gewrocht te hebben in alle tijden en in alle gewesten der wereld.
De Christen republiek van Paraguay bloeide gedurende anderhalve eeuw, voorspoedig en gelukkig ; zij viel, toen de Jezuïeten, door toedoen der goddelooze plülosofen die Spanje in de XVIIIe eeuw regeerden, verjaagd werden. Van hunne opperhoofden en geestelijke vaders beroofd, verspreidden zich de Indianen allengskens en velen hunner keerden tot het wilde leven weder. Zoo werd bewezen dat de godsdienst alleen onderhoudt wat hij alleen tot stand heeft gebracht. Dephilosofen der school van Voltaire en J. J. Rousseau, die in de tweede helft der XVIIIe eeuw hunne leerstellingen aangaande de menschelijkheid in Europa rondbazuinden en gekkelijk beweerden dat zij op de puinen der Christen maatschappij een nieuwe samenleving, gelukkiger en volmaakter dan de vorige, zouden opbouwen, waren slechts in staat de heerlijke werken van beschaving, door de Kerk opgericht, te vernietigen en op hunne puinen de barbaarschheid wederom te doen zetelen.
XXXIX.
DE H. FEAXCISCUS VAN SALES EX DE H. VINCEXTIUS A 1'AULO.
Deze twee heiligen verschijnen bij den aanvang dei-moderne tijden als hadde God ze daar geplaatst om ons te
220
in den loop der eeuwen.
leeren dat er geen krachtiger middel is om de verdwaalde geesten terug te brengen en de verbitterde harten, heden ten dage zoo menigvuldig, te winnen, dan de zalvende invloed der deugden van zachtmoedigheid en liefde, waarvan Franciscus en Vincentius volmaakte toonbeelden waren. De zachtmoedigheid is noodzakelijk om de achterdochtige geesten, bezorgd voor hunne onafhankelijkheid en vol vooroordeel en, niet af te schrikken ; de liefde, om, door middel van weldaden, de gevoelens van haat en nijd, welke de lasterredenen en booze aanhitsingen van de vijanden der Kerk in de harten hebben opgewekt, uit te dooven.
De H. Franciscus van Sales, uit een adellijke familie gesproten, kreeg niet zonder moeite van zijn vader de vergunning om zich geheel aan God toe te wijden in den geestelijken staat. Nauwelijks was hij met de priesterlijke waardigheid bekleed, of hij aanvaardde de moeilijke en gevaarvolle zending, de Protestantsche bevolkingen van Chablais te bekeeren. Voor hem hadden zich anderen daarmede beziggehouden, doch zonder gevolg. De H. Franciscus liet evenwel den moed niet zakken. Een geheel jaar lang zag men hem eiken dag de vesting van Allinges verlaten, zich naar Thonon, de hoofdstad der provincie, op twee uren afstand van daar gelegen, begeven, en alle middelen van overtuiging en zachtmoedigheid aanwenden om de Protestanten tot het Katholiek geloof terug te brengen. Vergeefsche pogingen ! De jonge missionaris preekte in de woestijn, en meer dans eens was het dank aan een bijzondere bescherming der Voorzienigheid, dat iiij ontsnapte aan de strikken, hem door zijne vijanden gespannen, om hem ter dood te brengen. Eindelijk toch werden eenige harten, die minder versteend waren, door zooveel moed, standvastigheid en zachtmoedigheid vermurwd. De Protestantsche soldaten van het garnizoen van Allinges be-
221
Dc Goddelijke beloften der IJ. Kerk
keerden zich het eerst, hun voorbeeld werd gevolgd door eenige inwoners van Thonon: vervolgens nam de beweging der bekeering dermate toe, dat men den heiligen geloofsverkondiger helpers moest toezenden om de ketters te onderwijzen en getuigen te zijn van hunne afzwering. In vier jaren tijds was de gansche provincie Chablais tot het ware Geloof bekeerd; twee en zeventig duizend personen hadden de ketterij afgezworen. Ziedaar de wonderbare vruchten van den ijver des H. Franciscus die nog pas dertig jaar oud was (1597). God had zijnen apostolischen arbeid op zichtbare wijze gezegend.
De H. Franciscus Salesius mocht eene wijle de hoop koesteren het opperhoofd der Calvanisten te Geneve, den beruchten Theodoras Beza, te bekeeren. In een monde-lingsch onderhoud had hij hem zoover gebracht dat hij de waarheid van den Katholieken godsdienst erkende, en toen Franciscus bij hem aandrong om aan de ketterij te verzaken, bekende de ongelukkige Theodoras Beza dat hij weerhouden werd door de vrijheid, welke het Protestantisme hem aanbood, om zijne schandelijkste hartstochten bot te vieren. Droevige bekentenis, welke andermaal bewijst dat niet de overtuiging des geestes. maar het bederf des harten de ware oorzaak is van de geloofsverzaking die somwijlen de Kerk bedroeft. Men verdraagt de waarheid niet meer, wanneer men het juk der deugd heeft afgeworpen.
In 1602 was de H. Franciscus Salesius bisschop van Geneve. Zijn leven werd alsdan nog heiliger, nederiger en meer verstorven, terwijl zijn ijver toenam in evenredigheid van den ruimeren werkkring die zich opdeed. Hij was in zijn bisdom het toonbeeld zijner priesters, de verdediger der zwakken, de voorzienigheid der armen, de bewerker van alle goed en de vastberaden en onverschrokken, maar altijd onverwinnelijk zachtmoedige tegenstander van alle
222
in den loop der eeuwen.
kwaad. Buiten zijn diocees stichtte hij veel goeds door zijne ascetische geschriften die zoo hoog geschat worden, door zijne raadgevingen, door zijn overtuigend woord, door den invloed dien hij bij de grooten en bij de kleinen verworven had. De hertog van Savoye, de koningen van Frankrijk, Hendrik IV en Lodewijk XIII, luisterden naar zijne wenken en handelden dikwerf naar zijne raadgevingen.
De H. Franciscus stierf ten jare 1622, in den ouderdom van 55 jaren. Het beroemdste zijner werken is zijne Inlei-ding tot het godvruchtig leven. ^len kan het den geloovigen, die in de Christelijke volmaaktheid willen vooruitgaan, niet genoeg aanbevelen. Zijne geliefkoosde deugd, waardoor hij alle harten won, was een zachte en beminnelijke goedheid die door niets kon verstoord worden, ondanks zijn vurig en opvliegend karakter. Een zijner voornaamste verdiensten was dat hij de H. Johanna-Franscisca Frémyot van Chantal bijstond en bestuurde in de stichting van de Orde der Visitatie. Uiterst snel verspreidde zich deze orde ; in eenige jaren strekte zij zich uit tot verscheidene landen en bracht alom bewonderenswaardige vruchten van heiligheid voort.
De II. Vlncenlius a Paulo, de apostel der liefdadigheid, werd uit arme, maar deugdzame ouders geboren. Hij was een der werktuigen waarvan de Goddelijke Voorzienigheid zich in de XVHe eeuw bediende om den geest van liefde, door de verwoestingen der ketterij verflauwd, te verlevendigen. In 1605 viel hij in de handen der zeeroovers die de Middellandsche zee onveilig maakten, en werd als slaaf verkocht. Hij veranderde verscheidene malen van meestelen werd eindelijk door eenen geloofsverzaker gekocht. De H. Vincentius slaagde er in hem te bekeeren alsook zijne vrouw, en dan vluchtten zij heimelijk alle drie uit Afrika en namen de wijk naar Frankrijk, van waar zij zich naar
223
224 De Goddelijke beloften der H. Kerk
liome begaven. Daar gaf zich dc H. Vincentius, reeds priester sedert het jaar 1600, aan zijne vurige godsvrucht over en won dermate het vertrouwen van het pauselijk hof dat hij, in 1609, werd afgevaardigd om eene boodschap des Pausen aan Hendrik IV, koning van Frankrijk, te brengen. Door die verschillende toevallen bracht God den H. priester in het middelpunt, waaruit zijne bewonderenswaardige werken hun weldadigen invloed zouden uitoefenen over Frankrijk en over de gansche wereld. quot;Weldra legde hij zich geheel en al toe op allerhande werken die, hoe verschillend ook van elkander, toch allo ten doel hadden de onwetenden te onderwijzen, de menschelijke ellenden te lenigen, de eenvoudige geloovigen te heiligen en bij de priesters den geest van toewijding en zelfopoffering te verlevendigen. Achtereenvolgens missionaris, dorpspastoor, leermeester in een adellijke familie, aalmoezenier der galeien, onderscheidde zich Vincentius door zijn verheven deugd, zijn grenzenloozen ijver en zijn heldhaftige liefdadigheid. Te Marseille maakte de droefheid van een armen galeiboef die niets deed dan jammeren, omdat hij van zijne vrouw en kinderen gescheiden was, zulken indruk op den H. Vincentius, dat hij zich aanbood om zijne plaats in te nemen. Dat werd hem toegestaan en gedurende verscheidene maanden droeg hij de keten van den roeislaaf, totdat hij erkend en in vrijheid werd gesteld.
De H. Arincentius a Paulo stichtte de Congregatie der Missiën of der Lazaristen, die zich bijzonder bezighield met het verkondigen des Evangelies aan de bevolkingen van het platteland en aan de arme galeiboeven. Om zich een denkbeeld te maken van al het góede door deze instelling gesticht, is het genoeg te weten dat reeds in 1660 ruim zevenhonderd missiën door zijne priesters gegeven waren. Terzelfder tijd beijverde zich de Congregatie der Lazaristen
in den loop der eeuwen.
om door het geven van geestelijke afzonderingen, conferenties en door het oprichten van verscheidene seminariën, de geestelijkheid, wier tucht, na den verschrikkelijken storm van het Protestantisme, erg verslapt was, tot het echt priesterlijk leven terug te brengen. Naast de Congregatie der Lazaristen zag men weldra die der Liefdezusters oprijzen, die van toen af aan voortdurend de wereld verbaasd hebben door haie heldhaftige toewijding aan alle menschelijke ellenden. De hospitalen, de wees- en gasthuizen waren de onmiddellijke vruchten van die nieuwe stichting.
Hooren wij thans den Heilige een beroep doen op de liefdadigheid, toen hij geen geld meer had om zijne weeshuizen in stand te houden. â Welaan, juffromcen, quot; zeide hij, â het medelijden en de liefdadigheid hebben ic deze schepseltjes tot uwe kinderen doen aannemen. Gij zijt hunne moeders geweest naar de genade, sedert dat hunne moeders naar de natuur hen verlaten hebben, bedenkt u thans of gij ze ook ivilt verlaten. Houdt op hunne moeders te zijn om nu hunne rechters te worden : hun leven en hun dood zijn in race handen. Ik ga, de stemmen opnemen: 't is tijd hun vonnis uit te spreken en te weten of gij geen medelijden meer met hen hebben wilt. Zij zullen 'leven, indien gij voortgaat met liefdadig voor hen zorg te dragen; zoo gij ze verlaat, zullen zij onfeilbaar sterven en omkomen: de ondervinding laat u niet toe daaraan te twijfelen.quot; Bij deze woorden smolten de toehoorders in tranen weg ; het noodige geld werd gev.onden en de kinderen konden het brood dei-liefdadigheid blijven eten.
Terwijl die wonderen te Parijs en elders gewrocht werden, weerklonk in Europa het gekletter der wapenen: Europa zuchtte onder de vreeselijke rampen van den dertigjarigen oorlog, dien de Protestanten van Duitschland verwekt hadden. In dien oorlog was Frankrijk de mede-
15
225
De Goddelijke beloften der H. Kerk
plichtige der ketterij om Oostenrijk te verzwakken; 't was dan ook zijne schuld dat zijne provinciën, vooral Picardië. Champagne en Lotharingen, door den schrikkelijksten der geesels geteisterd werden. DeH. Yincentius was nogmaals daar om die uitgezogen en van honger stervende bevolkingen ter hulpe te snellen. Men schat op ruim vier mil-lioen de onderstandgelden welke hij voor die drie verwoeste provinciën bijeenzamelde. Waar zocht hij die kolossale sommenquot;? Dat is het geheim van God en van de liefde.
De H. Yincentius stierf ten jare 1660, in den ouderdom van 85 jaren. Zijne werken blijven onder ons voortbestaan en verkondigen beter dan woorden de heiligheid van hunnen stichter en de Goddelijke vruchtbaarheid der Kerk.
XL.
DE VERLOSSING VAN WEENEN.
De macht der Turken was op zee geknakt door de verschrikkelijke nederlaag welke zij, in 1571, te Lepante ondergaan had; doch zij bleef nog ontzagwekkend te land en in 1683 deed zij wederom gansch Europa beven. Hongarije werd te vuur en te zwaard verwoest en nu rukten driehonderd duizend Turken, onder het bevel van Mustapha, op naar het hart van Oostenrijk. â Dit rijk, had de Turksche aanvoerder gezegd, gelijkt een reusachtigen boom, ivaar Weenen de stam van uitmaakt. Hakken ivyj den stam, neder en de takken zullen ranzelve ter aarde storten. quot; Zijn meester, sultan Mahomed IY, had de snoeverij van een zijner voorgangers vernieuwd; â Mijn paard, zeide hij, zal op het altaar van St. Pieter te Rome zijne haver gaan vreten. quot;
Den 14 Juli 1683, verscheen het ontelbaar leger voorde muren van Oostenrijks hoofdstad. Tevergeefs hadden de Oostenrijkers, onder het bevel van Karei van Lotharingen, hun best gedaan om den vijandelijken inval tegen te hou-
226
in den loop der eeuwen.
den. Zi] stonden slechts één tegenover tien en moesten naar Bohemen de wijk nemen. Aan den graaf van Staren-berg bleef dus de bijna onmogelijke taak, met eene bezetting van nauwelijks tien duizend man, Weenen te verdedigen. En toch, het bestaan van Oostenrijk en van Italië hing af van den uitslag der vreeselijke worsteling.
De toestand was hachelijk ; maar er leefde gelukkig een man die over Europa waakte en die alles in het werk stelde voor zijne redding. Die man was Paus Innocentius XI. Aan de geheele wereld schreef hij gebeden voor, ten einde Gods almachtigen bijstand aftesmeeken, en terzelfder tijd stuurde hij aan keizer Leopold I eene som van honderd duizend kronen om nieuwe troepen aan te werven. Hij wendde zich vervolgens tot den held van Polen, koning Sobieski, die reeds tot tweemaal toe de vooruitrukkende Turken uit zijne staten had weggedreven; hij bezwoer dien dapperen vorst Weenen ter hulp te snellen, en aan hem ook schonk hij eene som van honderd duizend kronen. Sobieski beloofde tegen den gemeenzamen vijand te velde te trekken.
Ondertusschen hadden de Turken het beleg van Weenen begonnen en deze stad van alle zijden nauw ingesloten. Spoedig donderde hun machtig geschut, beukte de wallen, verpletterde de huizen, deed links en rechts brand ontstaan en dreigde geheel Weenen onder de puinen te begraven. De Christenen boden een heldhaftigen wederstand. Burgers en studenten liepen te wapen en steunden de zwakke bezetting. Zelfs de vrouwen bleven niet ten achter, maar gingen tot op de wallen, in weerwil der moorddadige kogels, de Turken helpen afslaan. Bij dage streed men onverpoosd, des nachts werkte men om de neergeschoten muren herop te bouwen, de gekwetsten te verplegen en de gesneuvelden te begraven. Graaf van Staren-berg gaf aan allen het voorbeeld der koelbloedigheid en
227
De Goddelijke beloften der II. Kerk
des heldenmoeds. Ofschoon gewond, liet hij zich te midden der soldaten dragen; zijne tegenwoordigheid niet minder dan zijne woorden moedigde hen aan en deed hen van den vurigsten striidlust blaken. Al vlogen de sissende kogels langs zijne slapen, toch bleef zijn gelaat kalm en deelde hij met krachtige stem zijne bevelen uit. Die reuxenge-vechten duurden vijf en veertig dagen. Achttienmaal liepen de Turken storm en beklauterden de wallen met eene onbeschrijfelijke woede; en achttienmaal werden zij afgeslagen, een aantal lijken achterlatend. Vierentwintig maal deden de Christenen eenen uitval om den ijzeren band te doorbreken die hen steeds nauwer insloot, â en vier en twintig maal werden zij op hunne beurt binnen de muren teruggedreven. Er bleef hun geen ander middel meer over om verlost te worden dan eene spoedige hulp van buiten, en zij wanhoopten bijna ze te zien opdagen voordat zij tot den laatste toe zouden gesneuveld zijn.
Hertog Karei van Lotharingen, aan 't hoofd van 40,000 man, had zijn kamp nedergeslagen achter den berg van Cayemburg ; hij kende den neteligen toestand der hoofdstad, maar durfde niets ondernemen. Hij verbeidde de aankomst van den held van Polen ; hij wist wel dat zonder hem de overwinning niet mogelijk was. Op een vroegen morgen bracht hem een verkleede bode het volgend briefje : â Er is geene minuut te verliezen ! Indien gij niet ter hulp komt, zijn wij verlorenquot; Het was de laatste noodkreet van Graaf van Starenberg tot het uiterste gebracht.
Eensklaps schoten vuurpijlen van de omliggende heuvelen in de lucht, en kondigden de aankomst der Polakken. Die blijde tijding ontvlamde den moed van het Oosten-rijksch leger, en deed de hoop in het hart der belegerden herleven. Sobieski was er inderdaad met twintig duizend zijner dapperen. Dag en nacht had hij vooruitgerukt om Weenen ter hulp te snellen. Overal op zijnen doortocht had
228
in den loop der wuiven.
men zegebogen geplant, en begroette hem de saamge-stroomde menigte met den naam van redder. Zoo ieis zeide genoeg wat men van hem verwachtte en met welk betrouwen men het heil van Oostenrijk en van Europa in zijne handen stelde. Toen zijne tröepen, zwart van stof. onder de oogen der Duitsche prinsen doortrokken en deze hunne verwondering uitdrukten over de armoedige kleeding en de slechte toerusting der soldaten: . Ziet gij die mannen daar ? sprak Sobieski met luider stem, welnu, die zvjn onvencinnelyjk. Zij hebben geztcoren zich alleen mei den buit van de vijanden te kleeden.â Een krachtig hoera, dat uit de rangen der Polakken opsteeg, toonde hoe de soldaten die fiere taai begrepen hadden en hoe zij er eer op stelden de woorden van hun roemvollen koning door hunne weergalooze onversaagdheid ten spoedigste te bevestigen.
Den 12 September 1633. bij het krieken van den dag, begaf zich Sobieski met de voornaamste legerhoofden naar eene kapel om de Mis bij te wonen, die door den pause-lijken legaat werd opgedragen. De Poolsche held diende zelve de Mis: de armen kruisgewijze uitgestrekt, bad hij vurig om Gods zegen over zijne wapens af te roepen.
Na het heilig Misoffer deed hij zijnen zoon Jacobus op den voet des altaars nederknielen en sloeg hem ridder. Hij stond hem vervolgens toe aan zijne zijde te strijden. De jeugdige prins brandde aanstonds van verlangen om zich onder het oog zijns vaders, in dien onvergeteliiken dag, te onderscheiden.
Nu schaarde Sobieski het gansche leger der Christenen in slagorde; hij zelf nam plaats in het middelpunt en gaf het teeken tot den aanval. Terwijl het leger langzaam en met voorzorg langs de helling der heuvelen afzakte, opende het geschut der Turken en der Christenen een afgrijselijk vuur. Gedurende drie lange uren daverde de grond van het donderen der kanonnen en regende het kogels op beide
229
2S0 De Goddelijke beloften der H. Kerk
legers zonder dat de overwinning zich verklaarde. Plotseling geeft de koning van Polen het bevel van met den blanken sabel op den vijand los te stormen. Gelijk een rollende stroom storten de Christen troepen op de Turken. Sobieski is voorop, zijn degen baant zich een bloedigen doortocht; zijne krijgers volgen hem na, en er vangt eene algemeene worsteling aan die tot vijf uur 's avonds voortduurt. Eindelijk verliezen de Turken den moed. zij deinzen en nemen schielijk de vlucht. Twintig duizend vijandelijke lijken overdekken het slagveld. Hun kamp met al zijne rijkdommen wordt de buit der Christenen.
De koning van Polen zond de veroverde vaandels tot don Paus, met deze woorden : ,. Veni, vidi, Deus vicit. â Ik kwam, ik zag, God hecfL overwonnen!quot;
's Anderendaags deed Sobieski zijne plechtige intrede in Weenen. Bij zijnen doortocht viel het volk op de knieën en stortte tranen van vreugde. De vrouwen hieven hunne kleine kinderen omhoog om hun den held te toonen. Sobieski kon bij dit gezicht zijne tranen niet wederhouden en zeide tot de jubelende menigte: â Mijne vrienden, 't is God die alles gedaan heeft. Laat ons den Heer gaan dunken voor de behaalde overwinning.quot;
Voor de kerk der Augustijnen steeg hij van zijn paard, ging den tempel binnen, knielde neder in de kapel van Loretto en hief zelf het Te Deum aan. De lofzang, door gansch het volk in geestdrift uitgegalmd, scheen de gewelven der basiliek te zullen doen bersten.
Twee eeuwen zijn verloopen sedert deze heuglijke gebeurtenis. Het rijk der Turken is meer en meer tot verval geraakt en heeft één voor één zijne veroveringen moeten afstaan. Rusland en Oostenrijk hebben zich te zijnen na-deele vergroot; Frankrijk heeft Algiers en Tunis ingenomen; Griekenland, Rumenië, Serbië en Montenegro hebben het Turksche juk afgeschud; Bulgarië heeft zich insgelijks
in dun loop der eeuwen.
bijna geheel vrij gevochten ; Engeland heeft voor zijn aandeel het eiland Cyprus en, in 1882, nestelde het zich in Egypte en sneed aldus het rijk der sultans letterlijk in tweeën. Afrika is, om zoo te zeggen, voor de Turken verloren, en het zal waarschijnlijk niet lang meer aanloopen of de hun overblijvende provinciën in Europa en Azië zullen tusschen de Christene mogendheden verdeeld worden.
Aldus wordt bewaarheid wat de Eerw. Eohrbacher voor meer dan vijftig jaar in zijne Kerkelijke geschiedenis voorspelde, te weten; dat de Turksche macht omstreeks het jaar 1882 voorgoed zou een einde nemen. De geleerde geschiedschrijver had in het Mahomedisme al de kentee-kenen meenen te ontdekken waarmede de profeten van het Oude en het Nieuwe Testament een der grootste vijanden des Christendoms afschilderden. De overmacht van dien vijand moest twaalfhonderd en zestig jaar duren. Welnu, Mahomed heeft in 622 zijn rijk van geweld en dweepzucht gesticht, en in 1S82, gelijk wij zoo even vermeldden, zag dit zijne laatste levenskrachten verbreken.
De eeuwenlange worsteling tusschen het Mahomedisme en het Christendom levert een grootschen wonder schouwspel op, waarin men Gods bovennatuurlijke tusschenkomst niet kan ontkennen. Van den eenen kant zien wij ontelbare volksdrommen aanhoudend de Christen Staten aantasten en dat met eenen haat en eene woede die alleen door de Hel kan worden ingeblazen; â van den anderen kant, zien wij de Christenen hunnen woesten vijanden het hoofd bieden, nu eens met de verhevene en vurige liefde welke slechts van God komt. dan weer met eene onversaagdheid en een heldenmoed die het levendigste geloof alleen in de harten der krijgers kan doen opwellen. In de benauwdste omstandigheden, wanneer alles menschelijkerwijze verloren schijnt, treft op eens den overmoedigen vijand een
231
De Goddelijke beloften der H. Kerk
onverwachte en onvoorzienbare nederlaag, die zijnen trots vernedert. Immers, God verwekt op het geschikte oogen-blik de werktuigen die zijne strafgerichten moeten uitvoeren. Zoo verschijnt in de VUIste eeuw, Karei Martel, die de Saracenen te Poitiers verplettert; in de IXc, Karei de Groote, die ze tot over de Pyreneeën terugdrijft; in de XIe, Godfried van Bouillon met zijne heldhaftige tochtge-nooten, die Jeruzalem heroveren. Zoo worstelt het Spaan-sche volk aan den westkant van Europa gedurende achthonderd jaren tegen zijne verdrukkers en werpt ze eindelijk de zee over, in Afrika van waar ze gekomen waren ; zoo ook staan Scanderbeg in Albanië, Jan Hunyade te Belgrado, de Maltezer ridders in de Middellandsche zee als onver-winnelijke kampvechters te weer, en beletten de Turken hunne veroveringen langs daar verder uit te breiden. Eindelijk, Karei V verstrooit het zeerooversnest van Algiers, Don Juan van Oostenrijk vernietigt in éénen slag, te Lepanto, de ontzaglijke vloot der Turken, en Sobieski verslaat hunne legers eerst op de grenzen van Polen, dan onder de muren van Weenen. In al die wapenfeiten die een tijdvak van duizend jaar beslaan, is de Goddelijke tusschenkomst zichtbaar, doordien steeds een betrekkelijk gering getal krijgers over een veel grooter de zege behaalt, en juist dan wanneer niets meer bij machte schijnt den aandrang der vijanden te kunnen stuiten.
XLI.
TUSSCHEK TWEE STOEMEX.
De toestand der Kerk gedurende het einde der XVII'! en het begin der XVIIP eeuw kan niet beter worden vergeleken dan met dien van een schip, dat, aan een langen en vreeselijken storm ontkomen, voor het oogenblik eene betrekkelijke rust geniet, maar reeds aan den gezichteinder
232
in den loop dar eeuwen.
donkere wolken ziet opdagen, die een nieuw en wellicht nog schrikbarender tempeest in haren schoot opsluiten. Dien rusttijd benuttigt het om de geleden schade te herstellen, zijne zeilen te vernieuwen, het roer welks verlies ook zijn ondergang zou wezen, steviger vast te maken en alle maatregelen te nemen welke een wijze voorzichtigheid aanprijst, ten einde bij machte te zijn om ook de toekomstige gevaren zegevierend te trotseeren. Intusschen zet het onverschrokken zijne reis voort, te midden der nog woelige baren en der nog wit schuimende klippen, naar de verre haven waar het zich voorgoed in veiligheid zal bevinden.
Evenzoo kwam de Kerk zegevierend te voorschijn uit den langdurigen storm, door het Protestantisme verwekt. In 1648 stelde de vrede van Westphalen een einde aan de vreeselijke godsdienstoorlogen welke sedert Luther's opstand vooral Frankrijk, de .Nederlanden en Duitschland aanhoudend met bloed hadden overdekt. De Kerk genoot thans een weinig rust: zij wist evenwel dat die rust niet van langen duur zou wezen, en reeds ontwaarde haar waakzaam oog de voorteekenen der toekomstige stormen. Onbeschroomd voor haar zelve, omdat zij de onfeilbare belofte van Jezus-Christus tot waarborg heeft van haren triomf, verwaarloosde zii toch niet de voorzorgen welke de menschelijke wijsheid, door het licht van hierboven bestraald, haar voorschreef.
Reeds hebben de plechtige geloofsverklaringen der Kerkvergadering van Trente hare leerstukken, welke de ketterij had willen vervalschen, bekrachtigd; â reeds heeft zich de geestelijkheid, onder de leiding en op aandringen van den H. Stoel, onderworpen aan de wijze hervormingsdecreten dierzelfde doorluchtige vergadering; de eeredienst is in zijn alouden luister hersteld, de godsvrucht der ge-loovigen heeft op bewonderenswaardige wijze toegenomen
238
De Goddelijk'i beloften der 11. Kerk
en de verliezen, der Kerke toegebracht door den geloofsafval, zijn ruimschoots vergoed door de veroveringen welke zij in alle gewesten zoowel van de Oude als van de Nieuwe Wereld gedaan heeft. Gansche bevolkingen, die een oogen-blik op den dwaalweg waren, zijn op het woord hunner heilige herders en der apostolische mannen, haar door God gezonden, rot den schaapstal van Christus wedergekeerd.
Nieuwe kloosterorden zijn gesticht geworden en hebben zich op wonderbare wijze ontwikkeld; de oude orden hebben den geest van zelfverloochening en zelfopoffering harer eerste instelling doen herleven. Dr Rancé had de wereld geërgerd door zijne praalzucht, door zijne jachtvermaken en feestmalen, en thans sticht hij ze door het schouwspel van een leven van boetvaardigheid en uitboeting. In zijn klooster van La Trappe hernieuwt hij de verschrikkelijke strengheden van de kluizenaars der eerste Christen eeuwen. In gansch Europa is er een algemeene beweging van terugkeer tot het ware Geloof, tot de beoefening van de verhe-venste deugden des Christendoms, 't Is een algemeene wedergeboorte in den waren zin des woords, 't is de weerwraak van het goed op de hevige tegenkanting van het kwaad.
De onverzoenlijke vijand van den Christen naam, de Turk, doet een laatste poging om de Kerk te midden harer herstellings- en hervormingswerken te overvallen : maar God verwekt ter goeder ure een held als Jan Sobieski, koning van Polen, om hem onder de muren van Weenen te verpletteren (1683), en een anderen held, prins Eugenius van Savoye, om zijne nederlaag te voleinden in de bloedige veldslagen van ïemeswar en Belgrado.
Frankrijk, dat tweemaal door de Goddelijke Voorzienigheid bevrijd werd: van de Engelsche overheersching in de XVLgt;en van den verderfelijken invloed der Hervorming in de XVIe eeuw, verspreidt in de XVIIe eeuw een gansch
234
in den loop der cmwen.
bijzonderen luister. Lodewijk XIV, gedurende zijne lange regeering, verzamelt om zijn persoon alle doorluchtige en vermaarde mannen. Zijne veldheeren veroveren hem provinciën, zijn staatkundig vernuft verzekert hem een onbe-twisten voorrang in Europa. Uitstekende mannen onderscheiden zich in alle vakken waarop 's menschen geest zich toelegt. De letterkunde bereikt het hoogste toppunt der welsprekendheid en der dichtkunst. Bossuet, Racine en Corneille zullen nimmer overtroffen worden, 't Is dan ook niet zonder reden dat de XVII® eeuw de groote eeuw der Fransche letterkunde, de eeuw van Lodetcyk XIV genoemd wordt.
Wie weet tot welke hoogte het schoone Fransche koninkrijk zou zijn opgeklommen, ware het aan zijne Katholieke overleveringen getrouw gebleven, hadde het niet zoo gauw zijne providentieele zending miskend!
Doch, eilaas! op het eigen oogenblik dat alles samenwerkte om aan Frankrijk een onvergelijkelijke rol te geven in de beschaving der wereld, waarvan de Kerk krachtens hare Goddelijke zending de bron en het werktuig is, liet dat koninkrijk de beginselen des ondergangs en des doods in zijnen schoot binnensluipen. Die beginselen waren het GalUcanisme. eene dwaling die het wettig gezag en het onfeilbaar leerambt des Pausen aanrandde: het Jansenisme. dat de godsvrucht in hare ontwikkeling stuitte en den weg baande tot onverschilligheid en goddeloosheid; het Philo-sophisme. dat het Goddelijk geloof door de menschelijke rede, en don geopenbaarden godsdienst door het Rationalisme wilde vervangen. Hierbij komt nog een groot zedenbederf waarvan Lodewijk XIV en vooral Lodewijk XV het voorbeeld gaven, en dat, zich allengskens meer en meer uitbreidend, eerst de hoogere standen, vervolgens de middelstanden en de volksklassen aantastte. Ziedaar waarom Frankrijk, hoe luisterrijk het ook was in de XVIh eeuw,
235
De Goddelijke b doften der TL Kerk
nog geen honderd jaar later de vreeselijke omwenteling baarde, welke, gelijk wij zien zullen, dit machtige koninkrijk in een afgrond van rampen nederstortte en in al de landen van Europa de grootste verwoestingen aanrichtte.
De Pausen hadden spoedig de kenteekenen van maatschappelijke ontbinding ontwaard, welke zich van verschillende kanten vertoonden, en zij voorzagen er de verschrikkelijke gevolgen van. Steeds bezorgd om het gevaar aan te wijzen, vermenigvuldigden zij hunne waarschuwingen ; doch hunne stem vond weinig of geen gehoor bij hen die er toch het meeste belang bij hadden. De gekroonde hoofden en de hoogere standen waren als door eene duizeling bevangen. ïlen zocht zijn vermaak in de duivelsche goddeloosheid van Voltaire en zijne aanhangers: men meende straffeloos te kunnen spotten met God en met de geheimen des Geloofs; in de groote wereld was het aldra de mode als vrijdenker en twijfelaar op te treden, en den afgrond, dien men met rassche schreden naderde, wilde men niet zien.
Alsdan verscheen op het wereldtooneel een nieuwe vijand, een uitbraaksel der hel. De Vrijmetselarij, in Engeland geboren, verspreidde zich in de overige landen van Europa. Van den beginne af omhulde zij zich met geheimen, zij bewoog zich slechts kruipend in het donker, en stilzwijgend maar zeker verst: ikte zij de koningen en vorsten in hare kronkelwegen; dat hadden de Stedehouders van Jezus-Christus gezien, en toen erkenden zij het kenmerk van haren oorsprong, toen erkenden zij de helsche slang die haren vergiftigen kop omhoogstak om de onbevlekte Bruid van Christus in den hiel te bijten. Zij doemden dan ook aanstonds de Vrijmetselarij en verboden op straf van den Kerkelijken ban zich daarin te laten opnemen. De regeeringen bleven andermaal doof voor de plechtige waarschuwingen der Pausen en ondersteunden slechts flauw
236
in den loop der eeuwen.
de pogingen welke zij aanwendden om de volken te vrijwaren van den vergiftigen beet der helsche slang die zij te argeloos in hunnen schoot bleven koesteren.
XL II.
D£ H. ALPHONSUS.
Vooraleer de vreeselijke storm, welks voorteekenen wij gezien hebben, over de wereld en de Kerk losbrak, zond God aan zijne Bruid nog een buitengewoon hulpmiddel in den persoon van den heiligen Alphonsus. Hij was een groot dienaar van God en van Maria, uitmuntend door de heiligheid van zijn leven, door den luister zijner leer en beroemd als stichter eener nieuwe kloosterorde. In de XVIII1-- eeuw droeg hij meer dan ieder ander bij, om de kinderen der Kerk van schipbreuk te vrijwaren en den roemrijken triomf der toekomst voor te bereiden.
De H. Alphonsus werd den 27 September 1696 geboren te Marianella, bij Napels, uit de adellijke familie van Liguorio. Hij was nog in de wieg, toen de H. Franciscus de Hieronymo een bezoek bracht aan zijne ouders, hem in zijne armen nam, zegende en. in een profetische geestvervoering gelijk aan die van den grijzen Simeon, tot de gelukkige moeder zeide : â Lat kind zal een hoogen ouderdom hereiken... het zal bisschop worden en groote dingen doen tot de glorie van Jezus-Christus. quot;
Evenals St. Ignatius, de stichter der Jezuïeten, koos de H. Alphonsus eerst een wereldsche loopbaan, doch hij erkende weldra de aardsche ijdelheid en, de inspraak der genade, wier heilzame werking hij sedert lang gevoelde, volgende, hing hij op zekeren dag zijn degen aan het altaar van Maria: de edelman wijdde zich voortaan geheel en al aan den dienst van God. Priester geworden, stelde hij zich niet meer tevreden met een gewoon deugdzaam leven te
237
De Godddijjk'- Ixjloften der H. Kerk
en de verliezen, der Kerke toegebracht door den geloofsafval, zijn ruimschoots vergoed door de veroveringen welke zij in alle gewesten zoowel van de Oude als van de Nieuwe Wereld gedaan heeft. Gansche bevolkingen, die een oogen-blik op den dwaalweg waren, zijn op het woord hunner heilige herders en der apostolische mannen, haar door God gezonden, tot den schaapstal van Christus wedergekeerd.
Nieuwe kloosterorden zijn gesticht geworden en hebben zich op wonderbare wijze ontwikkeld ; de oude orden hebben den geest van zelfverloochening en zelfopoffering harer eerste instelling doen herleven. De liancé had de wereld geërgerd door zijne praalzucht, door zijne jachtvermaken en feestmalen, en thans sticht hij ze door het schouwspel van een leven van boetvaardigheid en uitboeting. In zijn klooster van Lu Trappe hernieuwt hij de verschrikkelijke strengheden van de kluizenaars der eerste Christen eeuwen. In gansch Europa is er een algemeene beweging van terugkeer tot het ware Geloof, tot de beoefening van de verhe-venste deugden des Christendoms, 't Is een algemeene wedergeboorte in den waren zin des woords, 't is de weerwraak van het goed op de hevige tegenkanting van het kwaad.
De onverzoenlijke vijand van den Christen naam, de Turk, doet een laatste poging om de Kerk te midden harer herstellings- en hervormingswerken te overvallen; maar God verwekt ter goeder ure een held als Jan Sob ie ski, koning van Polen, om hem onder de muren van Weenen te verpletteren (1683), en een anderen held, prins Eugenius van Savoye, om zijne nederlaag te voleinden in de bloedige veldslagen van Temeswar en Belgrado.
Frankrijk, dat tweemaal door de Goddélijke Voorzienigheid bevrijd werd: van de Engelsche overheersching in de XV® en van den verderfelijken invloed der Hervorming in de XVI® eeuw, verspreidt in de XVII» eeuw een gansch
234
in den loop der eeuwen.
bijzonderen luister. Lodewijk XIV, gedurende zijne lange regeering, verzamelt om zijn persoon alle doorluchtige en vermaarde mannen. Zijne veldheeren veroveren hem provinciën, zijn staatkundig vernuft verzekert hem een onbe-twisten voorrang in Europa. Uitstekende mannen onderscheiden zich in alle vakken waarop 's menschen geest zich toelegt. De letterkunde bereikt het hoogste toppunt der welsprekendheid en der dichtkunst. Bossuet, Racine en Corneille zullen nimmer overtroffen worden, 't Is dan ook niet zonder reden dat de XVIIe eeuw de groote eeuw der Fransche letterkunde, de eemv van Lodewijk XIV genoemd wordt.
Wie weet tot welke hoogte het schoone Fransche koninkrijk zou zijn opgeklommen, ware het aan zijne Katholieke overleveringen getrouw gebleven, hadde het niet zoo gauw zijne providentieele zending miskend!
Doch, eilaas! op het eigen oogenblik dat alles samenwerkte om aan Frankrijk een onvergelijkelijke rol te geven in de beschaving der wereld, waarvan de Kerk krachtens hare Goddelijke zending de bron en het werktuig is, liet dat koninkrijk de beginselen des ondergangs en des doods in zijnen schoot binnensluipen. Die beginselen waren het Gallicanisme. eene dwaling die het wettig gezag en het onfeilbaar leerambt des Pausen aanrandde; het Jansenisme. dat de godsvrucht in hare ontwikkeling stuitteen den weg baande tot onverschilligheid en goddeloosheid; het Philo-sophisme, dat het Goddelijk geloof door de menschelijke rede, en don geopenbaarden godsdienst door het Rationalisme wilde vervangen. Hierbij komt nog een groot zedenbederf waarvan Lodewijk XIV en vooral Lodewijk XV het voorbeeld gaven, en dat, zich allengskens meer en meer uitbreidend, eerst de hoogere standen, vervolgens de middelstanden en de volksklassen aantastte. Ziedaar waarom Frankrijk, hoe luisterrijk het ook was in de XVIL eeuw.
235
De Goddelijke b doften der H. Kerk
nog geen honderd jaar later de vreeselijke omwenteling baarde, welke, gelijk wij zien zullen, dit machtige koninkrijk in een afgrond van rampen nederstortte en in al de landen van Europa de grootste verwoestingen aanrichtte.
De Pausen hadden spoedig de kenteekenen van maatschappelijke ontbinding ontwaard, welke zich van verschillende kanten vertoonden, en zij voorzagen er de verschrikkelijke gevolgen van. Steeds bezorgd om het gevaar aan te wijzen, vermenigvuldigden zij hunne waarschuwingen; doch hunne stem vond weinig of geen gehoor bij hen die er toch het meeste belang bij hadden. De gekroonde hoofden en de hoogere standen waren als door eene duizeling bevangen. Men zocht zijn vermaak in de duivelsche goddeloosheid van Voltaire en zijne aanhangers: men meende straffeloos te kunnen spotten met God en met de geheimen des Geloofs; in de groote wereld was het aldra de mode als vrijdenker en twijfelaar op te treden, en den afgrond, dien men met rassche schreden naderde, wilde men niet zien.
Alsdan verscheen op het wereldtooneel een nieuwe vijand, een uitbraaksel der hel. De Vrijmetselarij, in Engeland geboren, verspreidde zich in de overige landen van Europa. Van den beginne af omhulde zij zich met geheimen. zij bewoog zich slechts kruipend in het donker, en stilzwijgend maar zeker verstrikte zij de koningen en vorsten in hare kronkelwegen: dat hadden de Stedehouders van Jezus-Christus gezien, en toen erkenden zij het kenmerk van haren oorsprong, toen erkenden zij de helsche slang die haren vergiftigen kop omhoogstak om de onbevlekte Bruid van Christus in den hiel te bijten. Zij doemden dan ook aanstonds de Vrijmetselarij en verboden op straf van den Kerkelijken ban zich daarin te laten opnemen. De regeeringen bleven andermaal doof voor de plechtige waarschuwingen der Pausen en ondersteunden slechts flauw
236
in dan loop der eeuwen.
de pogingen welke zij aanwendden om de volken te vrijwaren van den vergiftigen beet der helsche slang die zij te argeloos in hunnen schoot bleven koesteren.
XLII.
DE H. ALPHONSUS.
Vooraleerde vreeselijke storm, welks voorteekenen wij gezien hebben, over de wereld en de Kerk losbrak, zond God aan zijne Bruid nog een buitengewoon hulpmiddel in den persoon van den heiligen Alphomus. Hij was een groot dienaar van God en van Maria, uitmuntend door de heiligheid van zijn leven, door den luister zijner leer en beroemd als stichter eener nieuwe kloosterorde. In de XVIIJgt; eeuw droeg hij meer dan ieder ander bij, om de kinderen der Kerk van schipbreuk te vrijwaren en den roemrijken triomf der toekomst voor te bereiden.
De H. Alphonsus werd den 27 September 1696 geboren te Marianella, bij Napels, uit de adellijke familie van Liguorio. Hij was nog in de wieg, toen de H. Franciscus de Hieronymo een bezoek bracht aan zijne ouders, hem in zijne armen nam, zegende en, in een profetische geestvervoering gelijk aan die van den grijzen Simeon, tot de gelukkige moeder zeide ; _ Dat kind zal een hoogen ouderdom bereiken... het zcd bisschop worden en groote dingen doen tot de glorie van Jezus-Christus. quot;
Evenals St. Ignatius, de stichter der Jezuïeten, koos de H. Alphonsus eerst een wereldsche loopbaan, doch hij erkende weldra de aardsche ijdelheid en, de inspraak der genade, wier heilzame werking hij sedert lang gevoelde, volgende, hing hij op zekeren dag zijn degen aan het altaar van Maria: de edelman wijdde zich voortaan geheel en al aan den dienst van God. Priester geworden, stelde hij zich niet meer tevreden met een gewoon deugdzaam leven te
237
Da Goddelijke beloften der li. Kerk
leiden, maar streefde met de edelmoedigheid eener uitverkorene ziel naar de hoogste toppunten der Christeliike en priesterlijke volmaaktheid. God gaf hem alsdan te kennen dat Hij hem gekozen had om een nieuwe kloosterorde te stichten. In weerwil van allerhande hinderpalen, ondanks het gesmeek eens teergeliefden vaders die hem drie uren lang tegen zijne borst gedrukt hield, aanhoudend deze woorden herhalende : â Mijn zoon, verlaat mij niet, quot; verbrak Alphonsus al de banden welke hem aan de wereld hechtten om den wil van God te volgen. Diep bedroefd, maar onwankelbaar in zijne roeping, vluchtte hij uit Napels, zette zich op een armoedig rijdier en toog naar de bergen van Scala, waar hij de grondslagen der nieuwe instelling zou leggen. De beproevingen waren echter niet ten einde; er kwamen oogenblikken waarop de Heilige. denken moest dat alles verloren was en dat hij, van zijne gezellen begeven, geen ander uitwerksel zou verkrijgen dan de vernedering eener mislukte poging, welke de wereld als een dwaasheid zou beschimpen. Zijne standvastigheid zegevierde over alle hinderpalen; Gods werk kwam tot stand in weerwil van al de pogingen der Hel om het in zijne wieg te smoren.
De nieuwe instelling had tot hoofddoel, behalve de heiliging harer leden, het heil der zielen te bewerken, door het woord des Evangelies bij voorkeur aan de armsten en meest veriatenen te verkondigen, naar het voorbeeld des Goddelijken Verlossers die er roem op droeg de armen te onderwijzen: â Pauperes evangelizantur. quot; Daarom noemde de Kerk die instelling de Congregatie des Allerheiligsten Verlossers.
De zoo wijze regels welke de heilige stichter aan zijne geestelijke kinderen voorschreef, hebben alle ten doel hen tot dat apostolisch ambt te bekwamen; zij vorderen van hen een groote nederigheid en een geest van zelfverloochening
238
in den hop de eeaicen.
om niet de menschelijke loftuitingen na te jagen, maar ook terzelfder tijd een aanhoudenden arbeid en een grondige studie der gewijde wetenschap, opdat hunne onderrichtingen in den eenvoudigen volksstijl de kern der ware leer voorstellen.
De Heilige gaf zelf het voorbeeld : hij was de eerste missionaris en toonde aan, door de buitengewone vruchten zijner prediking, hoe voortreffelijk zijne leerwijze was. Voegen wij evenwel hierbij dat God de vurige taal van zijn dienaar met een wonderbare kracht verrijkte en dat de H. Maagd er meer dan eens behagen in schepte, hem die zich steeds uitgaf voor haren getrouwsten en liefderijksten zoon, door schitterende wonderen te vereeren.
Wie begrijpt niet de bewondering, het leedwezen, den ijvergloed der inwoners van Foggia, als men zich herinnert dat zij, op zekeren dag. den Heilige midden in een preek over de H. Maagd, eensklaps zagen omhoogrijzen en boven den preekstoel blijven hangen, terwijl twee lichtstralen, door het glanzend aangezicht van een Mariabeeld geworpen, de gansche kerk doorflikkerden en zijn voorhoofd kwamen beschijnen ? Is het verwonderlijk dat de gansche stad zich door zulk een mirakel tot in het diepste des harten getroffen voelde en, aan de zonde verzakende, zich met liefde op de heilige oefeningen der oprechtste godsvrucht toelegde ?
De nieuwe Congregatie toonde weldra wat zij vermocht; zij stichtte alom zooveel goeds dat men niet langer aan den Goddelijken wil kon twijfelen. Paus Benedictus XIV liet dan ook de regels rijpelijk onderzoeken en, na de groote voordeelen beseft te hebben, welke de Kerk te recht van de nieuwe instelling mocht verhopen, keurde hij ze plechtig goed, den 25 Februari 1749, en gaf haar den naam van Congregatie des Allerheiligsten Verlossers. Van toen af breidde zich de orde zeer snel uit; van Italië ging
239
De Goddelijkebeloften der H. Kerk
zij over naar de andere landen van Europa, en de zeeën overstekende, vestigde zij zich ook in de Meuwe-Wereld. De verwachtingen welke men gekoesterd had, werden niet teleurgesteld, zij werden zelfs overtroffen. In ons vaderland leeft de herinnering nog voort aan de wonderen voor vijftig jaren gewrocht door de eerste missiën, welke de kinderen van den H. Alphonsus in onze parochiën gaven. â Indien heden ten dage die oefeningen niet meer dezelfde godsdienstige geestdrift verwekken als weleer, hare uitwerksels zijn niettemin zoo groot en zoo heilzaam, dat er geen ijverig priester gevonden wordt die het zich niet ten plicht rekent zijn volk van tijd tot tijd door eene missie tot het goede aan te wakkeren.
In 1762 werd de H. Alphonsus bisschop van St-Agatha benoemd, ondanks al wat hij mocht zeggen en doen om zulk een ontzaglijken last van zich af te wenden. Hij onderwierp zich aan den wil Gods, doch het smartte hem zoozeer van zijne geliefde Congregatie te moeten scheiden, dat hij er eene zware ziekte van kreeg. quot;Weldra echter overwon zijne heldhaftige ziel den tegenzin der natuur; â zijne nieuwe bediening aanvaardde hij vol vertrouwen op het woord van Paus Clemens XIII, die op zijn gesmeek geantwoord had: â De gehoorzaamheid doet iconderen, bid God en hyj zal u bijstaan. quot; Gedurende dertien jaren was de H. Alphonsus het toonbeeld der bisschoppen, daarna verzocht hij den H. Vader zijn ontslag aan te nemen. Paus Pius VI liet zich door zijne dringende beden overhalen. Toen de H. Alphonsus de tijding ontving, dat het hem veroorloofd was naar zijne kinderen weder te keeren, was zijne vreugde groot: â Mij dunkt,quot; zeide hij, â dat men mij een berg van de schouders heeft afgenomen.quot;
De H. Alphonsus wist te midden zijner werkzaamheden den tijd te vinden om een groot aantal ascetische en theologische werken te schrijven, door dewelke hij niet ten
240
in den loop der eeuwen.
onrechte den titel van Kerkleeraar verdiend heeft. Zijne moraal-theologie is in overeenstemming met die van de groote godgeleerden der vorige eeuwen: zij wordt algemeen hooggeschat en heeft alom de strengere leerstellingen, door het Jansenisme in vele scholen ingevoerd, verdrongen. Zijne ascetische werken onderscheiden zich, volgens het decreet van Pius IX, door hunne verscheidenheid, door eene ongezvone kracht en eene geheel en al hemel-sche zalving. Dq Bezoeken aan het H. Sacrament en aan de H. Maagd, de Oefening der liefde tot Jezus-Christus, de Eemvige grondregels, de Heerlijkheden van Maria, enz. zijn aan alle geloovigen bekend.
De H. Alphonsus stierf den 1 Augustus 1787, op negentigjarigen leeftijd. Menigvuldige mirakelen bewezen zijne groote heiligheid. Den 26 Mei 1839, werd hij door Gre-gorius XVI heiligverklaard en, den 11 Maart 1871, door een decreet van Pius IX tot Kerkleeraar uitgeroepen. Hij is de laatste Heilige, wien die buitengewone eer te beurt viel, en een zijner geschiedschrijvers zegt te recht van hem, dat hij de Leeraar van onzen tijd verdient genoemd te worden.
XLIII.
DE BROEDEES DER CHRISTELIJKE SCHOLEN.
Deze instelling, even nederig als verdienstelijk, verwekte God in zijne Kerk op het einde der XVII0 eeuw, om haar nog beter te wapenen tegen de aanvallen der hedendaag-sche goddeloosheid. Wij mogen ze dan ook niet stilzwijgend voorbijgaan; de uitstekende diensten, door de Broeders der Christelijke scholen bewezen, kunnen wij ja niet miskennen, en even min mogen wij uit het oog verliezen dat de zoo nederige bediening, waaraan zij hun leven
16
241
De Godde lijke beloften der II. Kerk
wijden, voor geene andere wijken moet, wanneer men voornamelijk let op het heil der zielen.
De Kerk, die men ten onrechte heeft voorgesteld als de beschermster der onwetendheid, heeft integendeel te allen tijde de grootste pogingen aangewend om het volk te onderwijzen zoowel inde wetenschappen die voor dit aardsche leven noodzakelijk zijn, als in de godsdienstige en zedelijke wetenschappen, welke den monsch ter eeuwige zaligheid moeten opvoeren. Eeuwen lang was zij het alleen die zich met die zware taak belastte. Dat de burgerlijke regeeringen zich met het volksonderwijs inlaten, als ware het een harer rechten en plichten, dagteekent slechts van het begin onzer tijden, 't Is overigens algemeen bekend dat die schoone ijver voor de verspreiding der wetenschap eigenlijk slechts een masker is, waaronder de Vrijmetselarij haar goddeloos plan verbergt, nl. de opvoeding der jeugd in handen der burgerlijke macht te stellen, ten einde zich naderhand van diezelfde burgerlijke macht te bedienen om de kinderen te bederven en aan de Kerk te ontrukken. Dat helsche plan kende men nog niet, en had men wellicht nog niet beraamd ten tijde dat de instelling van de Broeders der Christelijke scholen geboren werd. Maar God, die de toekomst kent en die alles voorziet wat er gebeuren moet als ware het tegenwoordig of reeds verleden, wilde van toen af een der voornaamste wijkplaatsen bereiden waar de Christen kinderen zich zouden begeven on in een echt godsdienstig onderwijs de kracht zouden putten om aan den verderfelijken invloed der goddeloosheid te weerstaan. Intusschen vulden de Christen scholen bereids eene groote leemte en beantwoordden aan eene dringende behoefte van de maatschappij der XVIII^ eeuw.
De stichter der Broeders was de gelukzalige Jan-Baptist de la Salie, te Reims in 1651 geboren uit eene aanzienlijke familie die tot de magistraat behoorde. Tegen het vcrlan-
242
in den Joop der eeuwen.
gen zijner ouders, die op hem een al te wereldsche hoop vestigden, maar toch met, hunne edelmoedige en volkomen toestemming, wijdde zich de jeugdige de la Salie geheel aan God in het priesterschap. Toen de vrome priester naderhand kanunnik werd der aartsbisschoppelijke kerk te Reims en tevens over een rijk erfgoed beschikte, nam hij zijn behagen in het uitdeelen van milde aalmoezen en in het ondersteunen van alle liefdewerken. Zoo ook werd hij de helperen, in zekeren zin. de geldschieter van een vromen leek, Niel genaamd, die naar Reims gekomen was om er eene kostelooze jongensschool te stichten. Door een weinig voorzichtigen ijver medegesleept, richtte Niel meer scholen op dan hij kon bekostigen, en ten gevolge zijner onstandvastigheid vielen er verscheidene, toen zij nauwelijks gesticht waren. Kanunnik de la Salie spaarde noch geld noch moeite om het opkomend werk van een wissen ondergang te redden en het kwam zoover dat hij er al de onkosten van dragen moest. Zonder het te weten en zonder eenige andere bedoeling dan om een voorbijgaand liefdewerk te verrichten, werd hij door de Voorzienigheid aangewezen om de ware vader en stichter te worden van het werk van de Broeders der Christelijke scholen.
De la Salie begreep spoedig dat onderwijzers, die tot geene geestelijke orde behooren, nooit volkomen aan zijn ideaal zouden beantwoorden. Hij koos er bijgevolg een zeker getal die bereid waren het kloosterleven te vereenigen met de zware bediening van het onderwijs. De eerste proeven waren gelukkig, en reeds verheugde zich de goede priester over de geestelijke vorderingen der opkomende congregatie, toen deze eensklaps op het punt stond van ontbonden te worden. Eene gedachte van wantrouwen en bekommering was in de ziel der jonge Broeders binnengeslopen ; zij vroegen zich af: â Wat zullen icij later worden, wanneer onze goede, vader niet meer daar zal wezen, om
243
Dd Goddelijke beloften der H. Kerk
244
in onze behoeften te voorzien?quot; - Onder den invloed dier gedachte werden zij droefgeestig, koud jegens hunnen overste en minder vlijtig in hot vervullen hunner plichten; zij waren zelfs van plan het gesticht te verlaten, om eene plaats te zoeken die hun meer tijdelijke waarborgen zou bieden. De gelukzalige de la Salie bemerkte de verandering en toonde dan nog meer zelfopoffering jegens zijne leerlingen; doch het was vergeefsche moeite. De bekoring werd van dag tot dag grooter en de ontbinding dei-congregatie scheen nabij. De la Salie wist niet waaraan hij de algemeene moedeloosheid zijner broeders moest toeschrijven en stelde alles in het werk om er de oorzaak van te kennen. Eindelijk toch werd deze ontdekt, en aanstonds poogde hij door de dringendste vermaningen de kalmte en het vertrouwen op God in die kommervolle zielen te doen herleven. Maar al wat hij ook zeggen mocht van de Voorzienigheid die over ons waakt, en van de overige beginselen des Geloofs, op welke het kloosterleven berust, bleef vruchteloos. Eensklaps nam een der Broeders het woord en zeide op barschen toon: â Zoo ieder onzer een goede kanunniksplaats had en een rijk erfgoed evenals onzevader, wij zouden met dezelfde overtuiging spreken over de onderwerping aan de Goddelijke Voorzienigheid.quot; â De gelukzalige stichter was wel eenigszins verbaasd over dezen vrij onbeleefden uitval, doch bekende ootmoedig dat de opmerking gegrond was. Terstond ging hij zijnen geestelijken vader raadplegen, eiv volgens den raad van dien heiligen man gaf hij zijn ontslag als kanunnik en deelde al zijn rijkdommen aan de armen uit. Nu waren zijne leerlingen op hunne beurt verbaasd over een zoo afdoenden maatregel, die de congregatie en hare scholen van de hulpmiddelen beroofde, welke tot dusverre haar bestaan verzekerd hadden. Doch toen het eerste oogenblik van verbazing voorbij was, werd hun geloof zoo levendig als
in den loop der eeuwen.
dat van hunnen meester, zij verbanden allen kommer, en vol vertrouwen op God, hervatten zij met ijver het werk hunner kloosterlijke volmaaktheid en de moeilijke bediening van het onderwijs. De overwinning was behaald en het instituut van de Broeders der Christelijke scholen voorgoed gesticht. Meer dan eens had de jeugdige congregatie te strijden tegen hare uitwendige vijanden. Wijselijk bestuurd en door den heldenmoed van haar opperhoofd bijgestaan, ontwikkelde zij zich in weerwil van de hevigste en onrechtvaardigste vervolgingen.
Bij den dood des Stichters (1717), telde zij menigvuldige huizen in Frankrijk en in Italië, en eenige jaren later, in 1725, werd zij door eene bulle van Paus Benedictus XIII tot eene kloosterorde verheven, zonder dat evenwel iets veranderd werd aan de regelen welke zij van den gelukzaligen de la Salie ontvangen had. Door de Fransche omwenteling opgeheven en uiteengedreven, werd zij in het begin dezer eeuw hersteld. Heden ten dage is zij schier in alle landen van Europa verspreid en bezit zij menigvuldige huizen in de andere werelddeelen. De leerlingen, die hare scholen bezoeken, worden bij honderd duizenden geteld.
De stichter de la Salie werd in 1888 door Z. H. Leo XIII zaligverklaard, tot roem en vreugde van zijne getrouwe en ontelbare kinderen, die zijn voetspoor volgend steeds de onderwijzers en weldoeners zijn van de kinderen der armen. De zending van de Broeders der Christelijke scholen is nederig en verachtelijk in de oogen der menschen, maar schoon en kostbaar in de oogen van de Kerk en van God. Heden vooral, nu de Yrijmotselarij den godsdienst uit de scholen wil verbannen en de jeugd in goddeloosheid opvoeden, begrijpen wij beter dan ooit waarom de Voorzienigheid het Instituut der Broeders in 't leven riep en op korten tijd zoo machtig ontwikkelde. Hunne scholen zijn
245
De Goddelijke beloften der H. Kerk
de voorbestemde schuHplaatsen voor de onschuld en het geloof der kinderen die anders veelal weedoos aan de Vrijmetselarij zouden zijn overgeleverd.
XLIV.
DE EERSTE AANSLAGEN DER REVOLUTIE.
De XVIII0 eeuw spoedde ten einde, en de vreeselijke, sedert lang beraamde oorlog tegen de Kerk ging losbarsten. Voltaire en zijne goddelooze aanhangers hadden allengs-kens in veler geest het geloof ondermijnd; zij hadden hart en zeden bedorven. Hun plan was de Kerk hatelijk te maken om ze des te gemakkelijker te kunnen vernietigen. Te dien einde stapelden zij dwalingen op dwalingen, leugens op leugens en hielden niet op de rol der Kerk onder het maatschappelijke opzicht in een geheel valsch daglicht te stellen. Hunne leuze was : â Verpletten tvy de Eerlooze ! â Ecrasons VInfame!quot;
J. J. Rousseau, een andere wijsgeer, ofschoon hij Voltaire benijdde en verfoeide, streefde evenwel naar hetzelfde doel. Zijne drogredenen, behendig en sierlijk voorgesteld, deden niet minder kwaad dan de kwaadaardige spotternijen en de schaamtelooze lasteringen van Voltaire. De sluwe Vrijmetselarij, van haren kant, verstrikte meer en meer de regeerende vorsten in hare heillooze netten ; zij gelukte er zelfs in den adel. en de hoogere standen vrij algemeen te misleiden, ze tot bondgenooten en werktuigen te maken van hare helsche plannen. Het was mode geworden den ongeloovige te spelen ; wie niet kon meepraten over philosophie, rationalisme, ja zelfs goddeloosheid uitkramen, was maar een domper, een vijand des lichts, een alledaagsche en bekrompen geest. Eilaas ! de heer-schende smaak heeft zooveel invloed en het getal dergenen, die zich aan zijne eischen durven onttrekken, is
246
iyi den loop der eeuwen.
altijd zoo klein ! 't Is een slimme streek, een satansche list der goddeloozen geweest, het menschelijk opzicht aan hunne zijde te stellen en een toestand te doen ontstaan waarin de wereldsche menschen beschaamd zijn, niet om het kwaad te doen en de dwaling openlijk voor te staan, maar om de deugd te beoefenen en de waarheid te belijden.
Het oogenblik was dan gekomen om de hand aan 't werk te slaan en de Kerk met geweld aan te vallen. De vijanden gebruikten alsdan een middel, dat naderhand steeds werd aangewend; zij zochten eerst de Kerk van een deel harer onverschrokkenste kampvechters te berooven. Daarom trokken ze te velde tegen de Jezuïeten.
Door hun ijver in het bestrijden der ketterijen hadden zich de Jezuïeten den haat der Jansenisten en Gallicanen alsook der philosofen op den hals gehaald. Uit dien wrok wist men behendig voordeel te trekken en eensklaps weerklonken door gansch Europa kreten van verontwaardiging tegen de Jezuïeten die men van alle misdaden beschuldigde. Uit Frankrijk, Spanje, Portugal, het koninkrijk Napels en van elders kwamen te Rome klachten aan tegen de Sociëteit van Jezus; men eischte van den H. Stoel de ontbinding dier orde. Do H. Stoel liet zich niet verschrikken, hij nam moedig de verdediging op van de kinderen des H. Ignatius en werd daarin door een groot getal kerkvoogden bijgestaan. Paus Clemens XIII vaardigde een plechtige bulle uit, waarin hij de oneerlijke en onrechtmatige beschuldigingen tegen de Jezuïeten ingebracht te niet deed. Doch het was tevergeefs. Het woord des IT. Vaders, de welsprekendste verdedigingsschriften hadden geen invloed op den philosophischen en goddeloozen geest die toen in Europa heerschte.
Van de klachten, beschuldigingen en lasterredenen ging men weldra tot daden over. Pombal, minister van
247
De Goddelijke beloften der H. Kerk
Jozef 1, koning van Portugal, verspreidt het gerucht dat er een aanslag gepleegd is op het leven des konings, en dat wel voornamelijk door de Jezuïeten. Dank aan zulk een schreeuwend onrecht verkreeg hij een decreet van opheffing der Sociëteit van Jezus in al de Staten en koloniën van Portugal. Als verraders en oproerlingen werden nu de Jezuïeten aangehouden, in schepen opeengehoopt en als uitvaagsels op de kusten der Pauselijke Staten geworpen. Een pater Jezuïet, een eerbiedwaardige grijsaard van vijf en zeventig jaren, werd zelfs als valsche profeet tot den brandstapel veroordeeld en onderging die barbaar-sche doodstraf.
In Frankrijk werd eveneens door het Parlement, ondanks alle pogingen van het episcopaat, een decreet van opheffing en verbanning tegen de Jezuïeten uitgevaardigd. De zwakke en onwaardige koning Lodewijk XV liet zich overhalen door de Choiseul zijnen minister en andere invloedrijke personen, hij bekrachtigde het decreet in 1762.
De koning van Spanje, Karei III, een deugdzaam en Christen vorst, werd door de kuiperijen van de Choiseul en d'Aranda zoodanig misleid en opgewonden dat hij insgelijks eene kloosterorde verbande, die hem onwaardeerbare diensten bewezen had zoowel in het moederland als in zijne onmetelijke koloniën van Amerika. Bijna zes duizend kloosterlingen werden in schepen opeengehoopt en zonder bepaalde bestemming de zee in gestuurd. De bewonderenswaardige missionarissen van Paraguay bleven van dezen even barbaarschen als dwazen maatregel niet uitgezonderd. Toen Paus Clemens XIII die nieuwe euveldaad vernam, kon hij zijne droefheid niet bedwingen en riep hij uit: â Dus gij ook, mijn zoon, tu qnoqne fili mi! Gij, onze geliefde zoon Kavel III, Katholieke koning, gij zult den kelk onzer smarten en dompelt onze ongelukkige grijsheid in het graf. quot; â 't Was geene spraakfiguur vanwege den
248
in den loop der eeuwen.
doorluchtigen Paus, want hij bezweek werkelijk onder de smart, den 2 Februari 1769.
Onder liet Pausschap van Clemens XIV werd de oorlog tegen de Jezuïeten met nog meer woede voortgezet. De hoven van Napels en Parma, de Venitiaansche republiek vereenigden hunne aanmaningen met die van Frankrijk, Spanje en Portugal. Doch de Paus bleef weerstaan. Aanhoudend en onvermoeid belegerde men als het ware den Paus, ten eindejiem de opheffing der Jezuïeten af te dwingen. Nogmaals was het tevergeefs.
Oostenrijk, dat door Maria-Teresia geregeerd werd. was tot dan toe buiten het eedgespan gebleven. Die groote koningin, die heldhaftige vorstin waardeerde de rechtmatige verdiensten dier kloosterorde en wilde ze dan ook niet opheffen. Maar zij was moeder, en haar moederhart kon niet langer weersrand bieden, toen haar zoon. Jozef II, haar een verbanningsdecreet kwam voorleggen. â quot;Wanneer hem die laatste steun ontviel, meende Paus Clemens NIV te moeten doen gelijk de stuurman die de kostbaarste voorwerpen in zee werpt om het schip te redden, en hij vaardigde, op 21 Juli 1773, een decreet uit dat de Sociëteit van Jezus ontbond.
Groot was de droefheid onder de kinderen van St Ignatius, maar vol eerbiedige onderwerping. Geen enkele Jezuïet verhief zijne stem om tegen het Pauselijk decreet op te komen, om zich te beklagen of zijne onschuld te bewijzen. Allen namen het vonnis aan, dat den H. Vader met geweld was afgedwongen en dat hij nooit zou hebben uitgesproken over zijne getrouwste zonen, ware het niet geweest om de gansche Katholieke familie voor grootere onheilen te behoeden.
Clemens XIV stierf eenige maanden na die droevige gebeurtenis. In zijne laatste oogenblikken werd hij op wonderbare wijze bijgestaan door den H. Alphonsus van
249
Dl Godddijke, beloften d r II. Kerk
Liguorio. Dit feit is vermeld en vastgesteld ia de akte zelve van de heiligverklaring des Kerkleeraars. Terwijl zijn lichaam te St-Agatha, zijne bisschopsstad, in eene soort van doodsslaap gedompeld bleef, was de heilige Bisschop terzelfder tl]d te Rome bij den stervenden Paus. God verleende ongetwijfeld zijnen stadhouder op aarde die buitengewone gunst om de gewetensangsten te stillen, die hem geene rust lieten telkens als het tegen de Jezuïetenorde genomen besluit voor zijn geest kwam. Clemens XIV had slechts voor dwang gebukt met het oog op een grooter goed; â doch hij beschouwde wellicht zijne toegeving als eene zwakheid. God wilde hem geruststellen en zond hem den H. Alphonsus als troostengel.
Maar de Katholieke koninkrijken, die aan den schandelijken krijg tegen de Sociëteit van Jezus hadden deelgenomen, ontsnapten niet aan Gods rechtvaardigheid. Frankrijk, Spanje, Oostenrijk, Portugal werden door groote rampen geteisterd, totdat eindelijk de Revolutie den last op zich nam de vorsten te kastijden, die de Kerk en hare getrouwste dienaren met hoon hadden overladen. Zoo zijn dikwijls de vijanden zeiven van God en Kerk de strafuit-voerders der Voorzienigheid.
XLV.
DE REVOLUTIE.
De Staten-Generaal van Frankrijk, door koning Lode-wijk XVI bijeengeroepen, werden den 5 Mei 1789 te Versailles geopend. ÃHenzelfden dag klom ook de Revolutie ten troon ; dat wil zeggen, dat met die vergadering eene godsdienstige en maatschappelijke omwenteling begon, zoo hevig en zoo vervaarlijk als er ooit eene in de wereld geschiedde. Men mag ze te recht de geweldigste poging noemen, die sedert de bloedige vervolgingen der Romeinsche
250
in den loop der eeuwen.
keizers tegen de Kerk van Christus werd ingespannen. Doo r haren oorsprong en hare oorzaken klimt zij op tot het Protestantisme der XVIquot; eeuw. Tweehonderd jaar heeft zij dus besteed aan het heimelijk en duister werk harer ontkiemingen ontwikkeling; thans is eene eeuw verloopen sedert hare eerste ontploffing, en gedurende die eeuw heeft zij niet opgehouden, nu hier dan daar, de verschrikkelijkste rampen aan landen en volken te berokkenen, en Gode alleen is het bekend hoe lang nog de wereld onder dien geesel zal gebukt gaan en hoeveel er zal moeten geleden, gestreden en gezwoegd worden om ze in haar vernielenden loop te stuiten, om de aangebrachte verwoestingen te herstellen. In de vroegere aanvechtingen der Kerk had men te doen of wel met uitwendige vijanden die haar bestookten of wel met oproerige zonen die het een of ander geloofspunt verwierpen. â De Revolutie randt alles aan, ontkent alles en vereenigt zoowel de verdwaalde kinderen der Kerk als hare oude en onverzoenlijke vijanden in een reusachtigen en schrikbarenden aanval tegen het gansche Werk, door God gesticht tot de zaligheid der menschen. Hare krachten worden vereenigd en samengetrokken door eene geheime macht, die de ingeefster is van al wat zij ten uitvoer brengt, naar een plan dat met eene waarlijk helsche behendigheid beraamd is. Zij heeft het gemunt op het bestaan zelf der Kerk en der Christelijke maatschappij.
De gebeurtenissen, waarmede wij ons nu gaan bezighouden, zijn voor ons belangrijker dan die der vorige eeuwen, omdat wij er ooggetuigen van geweest zijn often minste de wezenlijkheid der feiten gemakkelijk kunnen onderzoeken en de waarde der hier te maken opmerkingen beoordeelen. Wat meer is, indien wij die gebeurtenissen in haar geheel samenvatten, zijn zij zoo buitengewoon dat zij het mirakel der Goddelijke tusschenkomst ten gunste der Kerk zonneklaar doen uitschijnen. Wij zijn dan ook van gevoelen dat
251
252 De Goddelijke beloften der H. Kerk
een aandachtig onderzoek der sedert 1789 tot op onze dagen voorgevallene feiten voldoende moet wezen om aan al wie onpartijdig en oprecht is een onomstootelijk bewijs van de Goddelijkheid der Kerk te verschaffen.
Vermelden wij terloops de eerste gruweldaden der Omwenteling.
Nauwelijks waren de Staten-Generaal vergaderd, of zij matigden zich eene macht aan, grooter dan die des Franschen konings, namen den naam aan van Nationale Vergadering en verkondigden zoodoende het groote revo-lutionnair beginsel van de Oppermacht des volks. Al de nieuwe beginselen werden samengevat in de verklaring van 's menschen rechten, waardoor alle hooger gezag werd afgebroken.
Toen zich nu koning Lodewijk XVI van den beginne aan miskend zag en overvleugeld door de vergadering welke hij onbedacht belegd had, wilde hij ze ontbinden, maar 't was reeds te laat. Mirabeau, de redenaar der Revolutie, gaf den koninklijken officier, die het ontbindingsbesluit moest uitvoeren, ten antwoord : â Ga, aan uwen meester zeggen dut wij ons hier bevinden door den wil des volks. quot;
Het volk, ziedaar voortaan de eenige, de onbegrensde macht, waarvoor alle andere moet onderdoen, wil zij niet als riet verbroken worden.
Den 14 Juli 17S9, werd de Bastille door het janhagel van Parijs aangevallen en opengebroken. De enkele gevangenen die daar waren opgesloten, werden losgelaten, maaide bezetting die te goeder trouw cn zonder wederstand de sterkte had overgegeven, werd meedoogenloos vermoord. Zoo bevestigde men voor den eersten keer met geweld het beginsel van de oppermacht des volks.
Den 4 Augustus daaropvolgend, nam de Nationale Vergadering een besluit waardoor de adellijke titels werden afgeschaft; en de adel, met de leerstellingen van Voltaire
in den Joop dar ecuwen.
ingenomen, was dom genoeg om de vernietiging van dat erfgoed van eer en verdienste, 't welk hij van zijne voorvaderen ontvangen had, goed te keuren. Onbegrijpelijke verblindheid die hem duur zal te staan komen 1
Eenige weken later was het de beurt van de koninklijke majesteit om voor de omwenteling de vlag te strijken. Door zijn eigen volk zag Lodewijk XVI zijn paleis overweldigd, zijne lijfwacht vermoord, zijne oppermacht trapsgewijze vernietigd, en zich zeiven in den kerker geworpen.
Den 13 Februari 1790 werden, door een besluit der Vergadering, de kloosterorden afgeschaft, hare goederen verbeurdverklaard ten voordeele van den Staat en de Burgerlijke Constitutie der geestelijkheid tot stand gebracht. Zoo stelde zich het oppermachtig volk boven den Paus evenals boven den koning, en maakte zich schuldig aan eene heiligschennis tegen de inrichting der Kerk.
Toen zich nu de geestelijkheid tegen die aanmatiging der Vergadering hevig verzette, nam deze den 27 November 1(90 een nieuw besluit waardoor de bisschoppen en pastoors werden aangemaand om binnen de acht dagen den eed van getrouwheid aan de Burgerlijke Constitutie der geestelijkheid af te leggen ; zooniet zouden zij beschouwd worden als hebbende afstand gedaan van hunne bedieningen.
Den 4 Januari 1791 worden de geestelijken die deelma-ken van de Nationale Vergadering, opgeroepen om den schismatieken eed, door het voorgaande decreet vereischt, af te leggen. Aan den ingang staat eene woedende menigte schreeuwend: â Weg met de priesters die niet zullen zweren quot; â Alsdan heeft een roerend schouwspel plaats; de godsdienstige macht verheft fier het hoofd tegenover de revolutie die haar wil nedervellen, maar zich weldra verwonnen zal moet geven. â De bisschop van Agen bestijgt het eerst de tribune en zegt: â Mijnheer en, het
De Goddelijke beloften der TI. Kerk
offer van 't fortuin kost mij niet veel, maar iets is er, wat ik niet kan ten offer brengen, namelijk uwe achting en mijn geloof: ik zal den eed niet afleggen.quot; â Na hem voert de bisschop van Poitiers het woord en zegt: â Mijnheerev, ik ben zeventig jaar oud; ik heb er drie en dertig op den bisschoppelijken zetel doorgebracht; ik zal mijne witte haren door den gevorderden eed niet bezoedelen; ik zal niet zweren. quot; â En ziet, daar verheffen meer dan tweehonderd geestelijken het hoofd, zij juichen toe en verklaren als uit één mond dat zij niet zullen zweren. Bewonderenswaardig was hun gedrag dat door de overgroote meerderheid der Fransche geestelijkheid werd nagevolgd en een harer schoonste glorietitels is.
Intusschen groeit de woede der Revolutie aan. naarmate men zich krachtdadiger tegen hare onbillijke besluiten verzet. De adel en de prinsen van den bloede nemen do wijk naar het buitenland, want zij voorzien de geweldenarijen waaraan zich de omwentelingsgezinden gaan schuldig maken. De Vergadering verklaart hunne goederen verbeurd, en spreekt de doodstraf uit tegen eiken uitwijkeling die niet vöör den 1 Januari 1792 in Frankrijk zal zijn teruggekeerd, en de verbanning tegen de priesters die den eed zullen blijven weigeren.
Lodewijk XYI doet eene laatste poging om de Revolutie in haren vooruitgang te stuiten ; hij spreekt zijn veto uit over het decreet van vervolging tegen den adel en de geestelijkheid. Terstond wordt hij vervallen verklaard van het koningschap, en met koningin Marie-Antoinette, zijne zuster en zijne twee kinderen in den Tempel (eene staats gevangenis) opgesloten.
Terzelfder tijd vult men de kerkers met priesters en edelen die aan hun God en hun koning getrouw waren gebleven. Eensklaps, â Tt was den 2 September, â weergalmt een afgrijselijk geschreeuw door de straten van
254
in den loop der eeincen.
Parijs : â Laten uij naar de kerkers snellen en de gevangenen vermoorden!quot; Een soort van woede maakt zich van de menigte meester; een IJselijk, ongehoord bloedbad wordt aangericht; vier dagen duurt de slachting en, wanneer zij bij gebrek aan slachtoffers ophoudt, telt men meer dan acht duizend lijken van priesters, grijsaards en vrouwen, welke de gangen, tuinen en cellen der kerkers bedekken en de straten van Parijs bebloeden. En, â 't is afgrijselijk om te zeggen, â verre van zich over hunne euveldaden te schamen, zingen en dansen de moordenaars rondom hunne nog lillende slachtoffers, verscheuren hunne ingewanden en drinken hun bloed. Het hoofd van de prinses de Lamballe steken zij op de punt eener piek en eene bende dier onmenschen draagt het tot onder de vensters van den Tempel, opdat koningin Marie-Antoinette dat bloedig zegeteeken met eigen oogen aanschouwe en de trekken harer oude vriendin herkenne. Dergelijke bloedbaden worden op verschillende plaatsen van Frankrijk aangericht, en een onbeschrijfelijke, ijzingwekkende smartkreet stijgt uit het gansche land omhoog en verkondigt aan het verstomde Europa in welken afgrond van barbaarsch-heid de roemrijke Fransche maatschappij, welke het placht te bewonderen en als toonbeeld te nemen, wegzinkt. Maar dat alles was nog slechts een begin.
Den 20 Januari 1793, ontving koning Lodewijk XVI in zijn kerker de tijding dat hij veroordeeld was om onthoofd te worden. De ongelukkige vorst, die zoo goed was en zoo deugdzaam, ging het zoenoffer worden van de zonden zijner vaderen. Hij besteeg het schavot met de kalmte, de overgeving, de vurige godsvrucht van een heilige.
De tijding van die ijselijke euveldaad maakte door gansch Europa een onbeschrijfelijken indruk. Pans Pius VI deed een plechtige lijkdienst houden voor de ziel van Lode-
255
De Goddelijke beloften der II. Kerk
wijk XVI. Hij sprak de lofrede uit van den koninklijken martelaar, waarschuwde de souvereinen wegens de schiik-barende gevolgen welke de opstand tegen G-od medesleept, en riep uit terwijl hij in tranen wegsmolt; â O Frankrijk! door onze voorgangers geheeten de spiegel der Christenheid, de onwankelbare steun des geloofs, gij, wiens Christelijke â ijver en verknochtheid aan den II. Stoel iveergaloos icaren onder alle natiën, hoe zijt gij toch zoo diep gevallen in dt wanorde, de ongebondenheid en de goddeloosheid ? Gij hebt niets behaald dan oneer, schande, de verontwaardiging der volken en koningen. der grooten en kleinen, der tijdgenooten en der toekomstige geslachten
Een misdaad brengt er andere mede. Koningin Marie-Antoinette werd op hare beurt veroordeeld dooi de onmen-schelijke vergadering die den dood van haren koninklijken gemaal gestemd had. Zij ging ter doodstraf met den moed eener heldin en, even als Lodewijk XVI, bad zij stervend
voor hare beulen.
De jeugdige vorst Lodewijk XVII ontkwam slechts aan de guillotine om een nog meer barbaarschen dood te sterven. Hij stierf, uitgeput door het lijden, verstompt door de schandelijke mishandelingen waarvan hij het
slachtoffer was.
De moord des konings gaf aanleiding tot ongehoorde bloedbaden in geheel Frankrijk. Daar het schavot niet voldoende was voor de bloedige taak, verzon men andeie krachtdadiger middelen. Hier worden de slachtoffers met duizenden bijeengebracht, gelijk eene onafzienbare kudde schapen opeengehoopt en vervolgens met schioot neei-geschoten ; ginder bindt men ze rug tegen rug en werpt men ze in de rivieren; elders nog worden zij opgetast in beschadigde of lekke schepen welke men in volle zee doet zinken. De Vendée neemt de wapens op v ooi de verdediging van Troon en Altaar; doch na een reuzen-
256
in den loop der eeuwen.
strijd wordt zij onder het getal verpletterd, hare steden en vlekken worden te vuur en te zwaard verwoest en uitgemoord.
Te midden dier gruwelijke slachtingen spraken de beulen slechts van vrijheid, van 's menschen rechten, van vrijmaking des volks. Zij nemen een besluit dat, den Katholieken eeredienst afschaft, elke oefening van den Christelijken godsdienst met den dood of met de verbanning bestraft, en den eeredienst der Rede invoert. Op de nog rockende puinen der altaren, der beelden en reli-quieën van Heiligen, der heilige priestergewaden, die de prooi zijn van de vlammen, verheft men het altaar der Rede waarop de nieuwe godheid, onder de gedaante van een ontuchtig vrouwspersoon, door een waanzinnig volk aanbeden wordt.
De beulen zeiven. aan de wilde dieren der woestijnen gelijk, verscheuren en sleepen elkander naar het schavot. De overwinnaars van heden zijn de slachtoffers van morgen. De oproeren en moorderijen volgen elkander op met eene steeds toenemende snelheid en wreedheid ; millioenen Franschen zijn reeds gedood en men vraagt zich af of de gansche natie niet zal ten onder gaan, wanneer eindelijk de overmaat der boosheid een reactie teweegbrengt welke het ijzingwekkend treurspel ontknoopt.
Die schrikbarende gebeurtenissen liet de Voorzienigheid toe, om den volkeren tot les en voorbeeld te strekken, om van den beginne aan te toonen waarheen de valsche beginselen der Revolutie leiden.
Middelerwijl hadden zich de Europeesche mogendheden verbonden om de Omwenteling in hare geboorte te smoren. Eilaas ! Zij begrepen nog niet dat het niet voldoende is de wanorde gewapenderhand te onderdrukken, maar dat men, om de Revolutie te overwinnen, beginnen moet met hare verderfelijke beginselen te bestrijden. Slechts één souverein
17
257
Be Goddelijke beloften der H. Kerk
verhief te dien tijde zijne stem, om de valsche vrijheid en de ongerijmde oppermacht des volks te doemen, die aan Frankrijk zooveel bloed hadden gekost en dat land met puinen overdekt! 't Was Paus Pius VI.
De uitkomst van den oorlog tegen de Revolutie was onverwacht. Alhoewel de Fransche generaal Bonaparte nauwelijks vijf en twintig jaar oud was en een slecht uitgerust leger aanvoerde, verbaasde hij Europa door zijne snelle en even schrikbarende als luisterrijke overwinningen. In eenige maanden tijds was hi] meester van het Noorden van Italië en scheef Oostenrijk den vrede voor.
Paus Pius VI werd aangemaand, eene oorlogsbelasting te betalen om zijne Staten voor een inval der Franschen te behoeden. Ten einde de gevraagde som te kunnen verschaffen, bracht hij zelf al zijn zilverwerk ten offer; maar toen men hem ook nog wilde dwingen om de pauselijke brieven waardoor hij de Burgerlijke Constitutie der geestelijkheid veroordeeld had, te herroepen, antwoordde hij: Wij vinden de martelkroon schitterender dan die ivelke icij op het hoofd dragen .quot;
Den 12 Februari 1798 rukte een Fransch leger Rome binnen, plantte den vrijheidsboom op het St-Pietersplein en verklaarde den Paus, als tijdelijken souverein, vervallen van den troon. Acht dagen later werd de oude en ziekelijke Pius VI uit zijn paleis gehaald en door de duisternis van een stormigen nacht in ballingschap gevoerd. De eerbiedwaarde opperpriester werd van kerker tot kerker gesleurd en kwam te Valentia aan don 14 Juli 1799. Te midden vam zijn lijden en van den hoon waarmede men hem overlaadde, toonde de Paus een wai'en heldenmoed. â Mijn lichamelijk lijden, zeide hij, is niets in vergelijking van mijne zielesmarten. De Kardinalen en Bisschoppen verstrooid! Rome ! Mijn volkDe Kerk! Ach Ziedaar wat mij kwelt dag en nacht!quot;
258
in den loop der eeuwen.
De tegenwoordigheid des Pausen had evenwel de Fran-sche bevolkingen ontroerd en de Katholieke harten getroffen. Een onafzienbare volksschaar verdrong zich onder de vensters van het huis waar de Opperherder, door een lange reis uitgeput, als het ware zieltogend nederlag. Tevergeefs wilde men het volk verwijderen, dat met luider stemme den zegen vroeg des H. Vaders, van dat edel en doorluchtig slachtoffer der republikeinsche wreedheid. Uit vreeze voor een oproer verzochten de officieren van het geleide den Paus, zich aan het volk te toonen. Pius VI liet zich dan in zijn pauselijk gewaad op het balkon dragen en riep met luider stemme tot de der menigte , Ecce homo !quot; Vervolgens gaf hij met liefde zijn laatsten zegen. Den 28 Augustus ontsliep de Paus en martelaar al biddende voor Frankrijk.
â Zon men niet mogen gelooven, zegt een Protestantsch schrijver, dat het voor altijd gedaan was met het Pausdom ? quot; â Ja zeker, menscljelijkerwijze gesproken scheen de toestand der Kerk hopeloos. De Republiek had om zoo te zeggen den godsdienst uitgeroeid in Frankrijk en in de veroverde landen, zooals België, de Rijnprovinciën, Italië ; gewapenderhand had zij haren belachelijken en goddeloo-zen eeredienst der Rede opgedrongen. De Paus was in den kerker gestorven, het College der Kardinalen was uiteengedreven, de zegepralende Revolutie deed Europa beven.... Maar God is nooit dichter bij het scheepje van Petrus, om het voor schipbreuk te behoeden, dan wanneer het op het punt is door de onstuimige zee te worden verzwolgen.
Door een providentieelen samenloop van omstandigheden ondergingen de Fransche legers, na talrijke overwinningen, eene duchtige nederlaag en moesten een deel hunner veroveringen laten varen. Aanstonds vereenigden zich nu de Kardinalen in Conclave te Venetië, en den 14 Maart 1800 vernam de wereld de verkiezing van een Paus die den
259
D : Goddelijke beloften der H. Kerk
naam van Pius VII aannam. Twee maanden later landde de nieuwe Paus aan in de haven van Ancona. en den 3 Juli nam hij bezit van Rome, de hoofdstad der Christenwereld, onder het onbeschrijfelijk vreugdegeroep des volks.
God had voor een oogenblik de Revolutie in haien zegetocht gestuit, om aan de Kerk den tijd te geven een Opperhoofd te kiezen. Toen dat doel bereikt was, gaf hij den vernielenden stroom weer vrijen loop totdat Hij hem. volgens zijne eeuwige raadsbesluiten, voorgoed in zijne bedding zou terugdrijven.
XL VI.
het concordaat.
Terwijl Paus Pius VIL onder het vreugdegejuich der geloovigen, zijne intrede deed te Rome, was de buitengewone man, wiens afwezigheid veel had bijgedragen tot Frankrijks nederlaag, op weg om van zijn verren kiijgs-tocht uit Egypte weder te keeren. In het land dei Pyia-miden had Bonaparte weinig uitgericht, maar hij had er nieuwen krygsroem verworven en voortaan beschouwden hem alle Franschen als den voorbestemden Redder van hun bedreigd vaderland. Tot eersten consul benoemd, bewees hij weldra dat zij hem niet ten onrechte hun vertrouwen geschonken hadden. Den 27 April steeg hij, aan het hoofd van zijn leger, de Alpen over en heroverde, door de beroemde overwinning van Marengo, het recht om aan Europa den vrede voor te schrijven. â ^ an toen at aan gaf zish Frankrijk met geestdrift aan den held, die na verloop van eenige maanden de orde in het binnenland heisteld, de atji de grenzen geleden nederlagen gewroken en het machtig bondgenootschap, door Europa tegen de Republiek gesloten, geknakt had.
Nu was het oogenblik gekomen dat de jeugdige krijgs-
260
1
in den loop der eeuwen. 261
man een plan, hetwelk zijn vernuft tot eer verstrekt, ten uitvoer zou brengen. Van het slagveld van Marengo zond hij den H. Vader in 't. geheim een bode des vredes, die het hart des Opperpriesters gewis verblijdde. Bonaparte berichtte aan Pius VII dat hij voornemens was met den H. Stoel in onderhandeling te treden, ten einde den Katholieken eeredienst in Frankrijk te herstellen.
De Paus was zeer verheugd over die toenadering. Kardinaal Consalvi en de Fransche generaal Cacault werden van weerskanten aangewezen om een vredesverdrag tot stand te brengen tusschen de Moederkerk van Rome en hare oudste dochter, de Fransche natie. Met een kort en eigenaardig woord gaf Bonaparte den Franschen generaal te kennen hoe hij zich jegens den H. Vader gedragen moest.
â Behandel hem,quot; zoo had de eerste consul aan zijn gezant gezegd, â alsof hij over tweehonderd duizend man beschikte.'' De onderhandelingen, te Rome geopend, werden te Parijs voleind, en den 16 Juli 1801 onderteekende consul Bonaparte het concordaat, dat eene maand later te Rome zijne bekrachtiging ontving.
't Was eene groote verrassing in gansch de wereld toen zij vernam dat Bonaparte, die het toppunt van macht en menschelijken roem bereikt had en bij het begeesterde volk zoo hoog in aanzien stond, opeens besloot, in plaats van den dwazen en goddeloozen strijd der Fransche Republiek tegen den godsdienst voort te zetten, den vrede te sluiten en den alouden eeredienst van zijn vaderland te herstellen. De tegen zijn plan aandruischende bekoringen, de vleiende voorstellen van zekere pluimstrijkers die hem aanraadden zich zeiven aan het hoofd der Fransche Kerk te stellen,
evenals de Czaar van Rusland en de koning van Engeland,
verwierp hij met eene echt militaire barschheid. Zijn verheven geest begreep dat men niet een godsdienst invoert
gelijk men een keizerrijk sticht, en hij zag in dat er, om
|
De Goddelijke beloften der H. Kerk
aan Frankrijk den gewetensvrede, aan het gezag zijn zedelijke kracht, aan de zeden hare zuiverheid en waardigheid weder te geven, â in één woord om de maatschappij wederom op hare eigenlijke grondslagen te vestigen, geen ander middel bestond dan de herstelling van den eenig waren godsdienst, welke nog steeds door de groote meerderheid der Franschen beleden werd, in weerwil van al wat de Revolutie in het werk had gesteld om hem uit te roeien.
Een jaar ging voorbij eer de nieuwe toestand, door het concordaat teweeggebracht, geregeld was. Eindelijk, op Paaschdag 18 April 1802, vierde de Kerk van Frankrijk in de Notre-Dame te Parijs hare eigene verrijzenis, onder het zingen van zegeliederen en het storten van vreugdetranen. De Kardinaal-legaat droeg plechtig het H. Misoffer op in tegenwoordigheid van den eersten consul, omgeven van een heerlijken staf van generaals die met hem gestreden en overwonnen hadden. Met verwondering aanschouwden die helden den luister eener plechtigheid, waaraan hunne oogen niet gewoon waren. Zij werd besloten door een Te Deum waarin de uitdrukking der dankbaarheid en blijdschap van gansch een volk, dat weder mot het geloof verzoend was, ten hemel steeg, en tot voor den troon van den God der barmhartigheid doordrong.
Twee jaren later schreef Bonaparte aan Pius VII, na zich zeiven tot keizer der Franschen te hebben uitgeroepen onder den naam van Napoleon 1: â Zeer Heilige Vader, de gelukkige invloed, door de herstelling van den Ghristelyjken godsdienst op de zeden en het karakter van mijn volk uixge-oefend. spoort mij aan om Uwe Heiligheid te verzotken, mij to,n nieuw bewijs te geven van het belang dat Gij stelt in mijn lot en in dat van deze groote natie in eene der gewichtigste omstandigheden ivelke de jaarboeken der wereld vermelden. Ik verzoek Uwe Heiligheid het godsdienstig karakter in den hoogsten graad te komen geven aan de
262
in den loop der eeuwen.
plechtifjheid der zalving en kroning van den eersten keizer der Framchen...quot;
Ten einde de verzoening tusschen Frankrijk en den H. Stoel duurzaam te maken, willigde de Paus dat verzoek in. Den 25 November 1804 ontmoette Pius VII den keizer Napoleon I te Fontainebleau, zij omhelsden elkander hartelijk en stegen in hetzelfde rijtuig. Op de vraag hoe hem Frankrijk beviel, antwoordde Pius VII: â De hemel zij geloofd! Wij zijn er doorgevaren te midden van een neder geknield, volk.quot; â Het feestelijk onthaal dat den H. Vader te Parijs zelf te beurt viel, was als eene eerherstelling voor den smaad, waarmede de Revolutie zijn heiligen voorganger overladen had. De zalving had plaats den 2 December inde Xotre-Dame : v Belooft gij,quot; zeide de Paus aan Napoleon, â den vrede in Gods Kerk te handhaven?quot; â âDal beloof ik,quot; antwoordde de veroveraar met krachtige stemme.
Waarom deed hij die belofte niet gestand! Indien Napoleon zijne heerschzucht had weten te beteugelen, het recht te eerbiedigen en vooral jegens de Kerk zijne plichten als souverein eener Katholieke natie na te komen, dan ware hij allerwaarschijnlijkst de stichter geworden van een nieuw stamhuis en de Karei de Groote der moderne tijden. Maar terwijl hij dien groeten man trachtte te evenaren als wetgever en hervormer, als beschermer der kunsten en letteren, als krijgsman en veroveraar, wist hij niet, gelijk die keizer, in den Stedehouder van Jezus-Christus een hooger gezag dat het zijne te erkennen, en in plaats van zijne eigene grootheid te doen strekken tot den triomf en de uitbreiding van den waren godsdienst, wilde hij weldra dat deze zich zou leenen om niets anders meer te wezen dan zijn slaaf en de voetschabel zijner macht. Napoleon had niet het eenvoudig en levendig geloof van Karei den Groote; zijn heldere geest toonde hem in de Kerk een
263
De Goddelijke beloften der H. Kerk
machtigen steun van het maatschappelijk behoud, maar Tt was alleen om er voordeel uit te trekken, om er zich meester van te maken en zoodoende zijne eigen macht te ver-grooten. Karei de Groote daarentegen zag in de Kerk de Goddelijke maatschappij, door Jezus-Christus ingesteld om het menschdom in haren schoot op te nemen, te verbeteren en tot zijne eeuwige bestemming te voeren. Hij stelde er eene eer in, de Kerk naar zijn vermogen bij te staan in het verwezenlijken van haar werk van zaligmaking, zonder ooit uit het oog te verliezen dat hij zelf te haren opzichte slechts de eerbiedigste, de gehoorzaamste, de getrouwste zoon zijn moest. Aan die Christelijke wijsheid heeft Karei de Groote het te danken, dat hij zijne providentieele zending in de wereld begrepen, dat hij ze op uiterst luistervolle wijze volbracht heeft en voor de toekomstige eeuwen het toonbeeld is gebleven van den grooten Christen monarch. â Napoleon had geen geloof genoeg om tot zulk verheven standpunt op te klimmen, en daarom is hij slechts ten halve groot geweest en heeft hij zijne eigene macht en grootheid, doel van al zijn streven, overleefd.
XL VII.
DE HEKSTELLING VAN GODSDIENST EN MAATSCHAPPIJ.
De revolutionnaire storm had den Katholieken godsdienst in zijn openbaar bestaan vernietigd, zoowel in Frankrijk als in de veroverde landen. Het concordaat van 180,1 deed hem voor het eerst herleven en zou ongetwijfeld de beste gevolgen hebben opgeleverd, hadde Napoleon zelf dat verdrag niet zoo spoedig in zijn geest en tekst geschonden om den godsdienst, dien hij kort te voren plechtig huldigde, te kunnen onderdrukken. Door zijn hoogmoed verblind, door heerschzucht aangedreven, wilde de keizer zoowel de Kerk als de souvereinen van Europa aan zijne
264
in den loop der eeuwen.
macht onderwerpen. Na eenmaal dezen weg te hebben ingeslagen, ging hij tot het uiterste en werd een kerkver-volger. Daar wij later op dit onderwerp moeten terugkomen, zullen wij hier niet uitweiden over de ontroerende en indrukmakende gebeurtenissen van een strijd waarin de sterke zich met het uiterste geweld op den zwakke wierp en eindelijk door Gods almachtige hand verbrijzeld werd als een werktuig dat niet beantwoord heeft aan zijne pro-videntieele bestemming. Van alles ontbloot, ging de groote Napoleon sterven op de rots van St-Helena, terwijl PiusVII, van ziinelange ballingschap verlost, zijn zetel weer besteeg onder het vreugdegejuich der gansche wereld. Terzelfder tijd beklom de broeder van den door de Revolutie gemar-teldenLodewijkXVI den troon zijner voorvaderen onder den naam van Lodewijk XYIII. (18151
Alsdan kon men gelooven dat het met de omwenteling en hare beginselen gedaan was ; die verwachting was echter bedrieglijk en voorbarig. Wanneer de dwaling tot in het hart der maatschappij is doorgedrongen, dan kan men ze niet overwinnen enkel en alleen door ze in het geweld harer eerste losbranding te onderdrukken. Een lange en droevige ervaring harer noodlottige gevolgen is dan noodig om aller oogen te openen: de waarheid moet aanhoudend en met onvennoeibaren ijver worden voorgehouden om de verdwaalde geesten tot zuivere begrippen terug te brengen : ook zonder de geduldige en heldhaftige werking der liefde kunnen de verbitterde of vijandige harten niet herwonnen worden : niet minder noodzakelijk is de zachte en krachtdadige invloed der Kerk, die de valsche leerstellingen tot in hare laatste schuilhoeken achtervolgt, de wonden geneest, den haat ontwapent, de zeden verbetert, de kwade hartstochten beteugelt, de weldenkende en edelmoedige zielen tot zich trekt en tot medehelpsters vormt; vooral echter is dan de Goddelijke genade onmis-
265
De Goddelijke beloften der 11. Kerk
baar, welke de Kerk altijd vergezelt in al hare werken en welke alleen bij machte is om de bekeering, zoowel van de volken als van ieder mensch in het bijzonder, te voltooien.
't Is dat langzaam en moeilijk werk van verbetering op godsdienstig en maatschappelijk gebied, 't welk met deze eeuw aanvangt en nog in onze dagen wordt voortgezet. Het ondergaat afwisselingen van voor- en tegenspoed, het wordt meermalen onderbroken door vreeselijke tegenkair tigen die de geheele vrucht der reeds aangewende pogingen dreigen te vernietigen, â maar het werk gaat evenwel langzaam en zeker vooruit. Op het huidig uur is het nog niet voltrokken, doch reeds wordt het zichtbaar voor de minst scherpzinnigen dat het, in eene meer of min verwijderde toekomst, door de Kerk met een goeden uitslag zal bekroond worden. Dit zal zeerzeker niet de minst roemrijke zegepraal wezen van alle welke zij sinds negentien eeuwen behaald heeft.
Het eerste tijdvak van dat werk gaat van 1815 tot 1830.
Gedurende dit tijdverloop verrijst de Kerk in Frankrijk uit hare puinen, herleeft het geloof bij de volken, vormen zich de verdedigers van het goed en sluiten zij zich aaneen om de handen aan het werk te slaan. Paus Pius VII, zooals het den aanvoerder en vader van de gansche Katholieke familie voegt, geeft het sein door de vermaarde Sociëteit van Jezus, welke sedert vijf en twintig jaren was opgeheven, te herstellen.
Eene bulle van den 7 Augustus 1814 brengt den overlevenden der moedige keurbende van den H. Ignatius de blijde tijding dat het hun wederom geoorloofd is, zich onder hunne banier te scharen en hunnen strijdpost in te nemen tot meerdere eer en glorie van God.De andere kloosterorden, door den storm uiteengejaagd, nemen deheerschende kalmte te baat om tot het gemeenschappelijk leven terug te keeren, zij toonen zich vol ijver om te herstellen wat ver-
266
in den loop der eeuwen.
nield was. De seminariën openen -weer hunne poorten voor de jongelingen die naar het priesterschap streven : zij komen er zich wapenen met de wetenschap welke het licht verspreidt, met de deugd welke de wereld sticht, en er het merkteeken en ce macht ontvangen welke hun door de heilige zalving worden medegedeeld en hen tot de waardigheid van dienaren Gods verheffen.
Groote bisschoppen, heilige priesters, vrome leeken, doorluchtige geleerden, zelfs mannen van uitstekend vernuft, worden dooi God verwekt om die beweging te doen toenemen en den ijver der goede strijders aan te vuren. Joseph de Maistre geeft alsdan zijne onsterfelijke werken uit: Le Pape en Les Soirees de St-Péter sboiirg; vicomte de Bonald, die reeds beroemd was door zijn fleren weerstand aan de dwingelandij der Revolutie, voltooit zijne kernachtige geschriften over het stelsel der politieke en godsdienstige macht in de burgerlijke maatschappij. Deze twee uitmuntende schrijvers leggen de bijl aan den wortel dei-moderne en revolutionnaire dwalingen en brengen opeens een richting of strekking teweeg gansch tegenovergesteld aan die der philosophische en goddelooze school van Voltaire en Rousseau. Zoo ook dragen zij ruimschoots bij om den weg te banen tot de plechtige leer die ter goeder ure zal nederdalen van den Stoel des Heiligen Petrus, dien onfeilbaren tolk der geopenbaarde waarheid. De Lamen-nais, een ander vernuft, verblindt en begeestert door den luister zijner eerste werken een groot aantal moedige en vernuftige jongelingen, brandend van ijver voor de waarheid en van dorst naar de wetenschap. Deze bewonderen hunnen meester hartstochtelijk, dweepen met zijne beginselen en zijn bereid om op een teeken van hun opperhoofd den degen te trekken. Dö Lamennais en zijne leerlingen bestreden overwinnend het Gallicanisme dat met de Revolutie niet verdwenen was en zich van de
267
De Goddelijke beloften der H. Kerk
Fransche geestelijkheid zocht meester te maken. Ziedaar gewis een van de gelukkige uitwerksels der godsdienstige beweging door dien man verwekt.
Ongelukkigerwijze week ook hij op zijne beurt van den waren weg af; de nieuwe Tertullianus, zooals men hem noemde, verzaakte zijne eigene beginselen en wilde zich in zijn hoogmoed niet onderwerpen aan de uitspraak des Pausen, die sommige zijner leerstellingen gedoemd had. Alsdan was men getuige van een in de geschiedenis ongehoord schouwspel. Hij die aan het hoofd der school stond en door zijne leerlingen zoo vurig bemind, zoo hooggeschat was, werd door allen verlaten, zoodra hij zich tegen het gezag des Pausen durfde verzetten. De leerlingen waien getrouwer aan hunne beginselen dan de meester; overtuigd als zij waren dat er geene waarheid mogelijk is tegen de geopenbaarde waarheid en dat er geene zaligheid is buiten de gehoorzaamheid aan den gemeenschappelijken quot;V ader der seloovigen, brachten zij hunne persoonlijke genegenheid edelmoedig ten offer ter wille van hun geweten en hun geloof. Dat voorbeeld zal voortaan gevolgd worden, en de XIXe eeuw zal nog wel eenige ongelukkige geloofs-verzakers tellen, maar geen gezamenlijken afval te betreuren hebben zooals de vorige eeuwen.
De Lamennais stierf in de eenzaamheid waarin zijne zondige hardnekkigheid hem had afgezonderd. Hij, de vroegere verdediger der Kerk, weigerde de laatste genade-middelen van den godsdienst.
XL VIII.
HET LIBEEALISilE.
Het jaar 1830 werd gekenmerkt door eene reeks van omwentelingen die gansch Europa schokten. In Frankrijk ging de aloude monarchie der Bourbons voor den tweeden
268
in den loop der eeuwen.
keer te gronde en de grondwettelijke monarchie van Louis-Philippe van Orleans rees op in hare plaats.
België en Griekenland veroverden hunne staatkundige onafhankelijkheid. Polen kwam in opstand en verzette zich heldhaftig tegen de verdrukking der Russen, doch werd in zijn bloed gesmoord. Elders nog hadden beroerten plaats, maar zonder even gewichtige gevolgen na te slepen. Het dient echter vooral aangestipt te worden dat er onder de menigvuldige en plaatselijke oorzaken dier woelingen ééne was, wier overwegende invloed zich overal deed gevoelen. Die oorzaak was het Liberalisme.
De beginselen der Fransche omwenteling van 1789 hadden veld gewonnen en een algemeene vooringenomenheid met de zoogenaamde staatkundige vrijheden en rechten van den mensen teweeggebracht. Hoegenaamd niets moest voortaan nog de vrijheid der volken, de onafhankelijkheid der menschelijke rede beperken. Geen oppermacht meer. geen staatsgodsdienst, geene wetten om de vrijheden van denkwijze, woord en pers af te palen !
Ieder mensch moest voortaan eene onbeperkte gewetensvrijheid genieten; de maatschappelijke overheid vond hare bron en kracht niet meer in God, maar in het oppermachtig volk. De afwijkingen der drukpers verhinderen, de dwalingen en verderfelijke leerstellingen verbannen ; de godslasteringen, de aanvallen tegen eiken godsdienst afweren ; de zwakken en onwetenden beschermen tegen de besmetting der ondeugd en de verleiding der goddeloosheid: â dat waren slechts misbruiken van een anderen tijd, aanslagen op den vooruitgang, daden van dwingelandij. Aldus leerde het Liberalisme.
Vele Katholieken lieten zich zeiven tot die nieuwe en verlokkelijke leerstellingen overhalen. Zij vergaten dat de waarheid en het goed alleen recht hebben op de vrijheid, terwijl de dwaling en het kwaad slechts verdienen onder-
269
I)e Goddelijk? hdoften der H. Kerk
drukt te worden; zij waren dan ook spoedig gereed om gelijke rechten en eene gelijke vrijheid te eischen voor alle eerediensten, voor alle denkwijzen, voor de dwaling evenals voor de waarheid. De regeeringen ten minste, zoo meenden deze Katholieken, moesten derwijze worden ingericht, dat zij niets te maken hadden met God en zijne Kerk, en, aan ieder in het bijzonder de gewichtige zaak zijner eeuwige zaligheid overlatende, enkel en alleen de zending aanvaarden den burgers de voordeelen van het aardsche leven te verschaffen.
Wij kunnen de beginselen van het Liberalisme in zijne verschillende graden niet verder uiteenzetten, noch ons hier bezighouden met ze te bespreken en te wederleggen in zoover zij valsch zijn, â het zij ons voldoende zijn algemeen karakter gekenschetst te hebben om aan te toonen dat het een natuurlijk uitvloeisel is van de godde-looze beginselen der Fransche omwenteling. Zijne wezenlijke strekking is God uit de menschelijke samenleving weg te cijferen. (1)
Hadden zicli al te veel Katholieken door den bedriege-lijken schijn van het Liberalisme laten verblinden, de Pausen erkenden van den beginne af de valschheid en het gevaar zijner leerstellingen. Zij brandmerkten ze met vastberadenheid en doemden ze zonder zich te bekommeren over de ontevredenheid of afkeuring harer talrijke aanhangers. Gregorius XVI, Pius IX, Leo XIII hebben de volken en regeeringen onophoudelijk teruggeroepen tot de ware beginselen van de inrichting der Staten. Langen tijd legde men hun ten laste dat zij de behoeften van de moderne maatschappij niet begrepen, dat zij een verkeerden weg insloegen, dat zij eene onverhelpelijke scheiding teweegbrachten tusschen den godsdienst en de beschaving,
(i) Men leze over het Liberalisme de schoone Encycliek Z-iJcrtas prcestantissimum van Z. H. Leo XIII.
270
in den loop dar eeuwen.
enz. â Doch heden, na een droevige ervaring van een halve eeuw, begint men in te zien dat de Pausen gelijk hadden en dat men, door God uit de maatschappij te verbannen, deze vroeg of laat prijsgeeft aan regeeriagloosheid en ondergang.
De tijd is wellicht nabij, dat men zal terugkomen tot de Pauselijke encyclieken om er het redmiddel der maatschappij te zoeken.
Doch hoe groot een kwaad ook zij, de Goddelijke Voorzienigheid weet er altijd goed uit te trekken. Dit is wederom , het geval met het Liberalisme.
De nieuwe grondwetten lieten de verderfelijkste dwalingen ongehinderd in de landen doordringen en wortel schieten; zij veroorloofden den boozen, hun venijn door alle mogelijke middelen van bederf uit te strooien, door de drukpers, door het woord, door den schouwburg, door de veree-nigingen enz.; al te dikwijls maakten zij van de openbare machten werktuigen der Vrijmetselarij, die onverzoenlijke vijandin der Kerk: â maar van den anderen kant ook ruimden zij zekere hinderpalen, welke de verspreiding dei-godsdienstige waarheid en de uitbreiding der Christelijke werken belemmerden, uit den weg. De Kerk wist uit de vrijheid, welke men haar liet, op bewonderenswaardige wijze voordeel te trekken. Ook moot men Gods tus-schenkomst erkennen in den buitengewonen vooruitgang dien zij sedert vijftig jaren in de gansche wereld bewerkt heeft, ondanks de vijandige pogingen tegen haar aangewend en ondersteund door al wat eenigen invloed heeft in de maatschappij.
Zoo moesten b. v. de Protestantsche landen, die sedert drie eeuwen strenge wetten van vervolging tegen den Katholieken godsdienst gehandhaafd hadden, den stroom volgen en beurtelings eene meer verdraagzame staatkunde jegens de Katholieken invoeren. Dank daaraan is in Enge-
271
De Goddelijke beloften der H. Kerk
land de Roomsch-Katholieke hierarchie hersteld en telt men daar te lande, waar op het einde der vorige eeuw nog slechts eenige zeldzame Katholieke familiën leefden, thans bijna twee millioenen geloovigen die hun godsdienst vrij uitoefenen, hunne werken van allerlei aard ontwikkelen en telken dage hun godsdienstigen, maatschappelijken en staatkundigen invloed meer en meer uitbreiden.
Na zoolang gedwaald te hebben op de wegen der scheuring en der ketterij, komt Engeland snel terug tot het ware Geloof en, wat bewonderenswaardig is, de bekeering gaat hoofdzakelijk uit van de hoogere standen. De edelen, ^ de geleerden, de Anglicaansche priesters keeren bij honderdtallen in den schoot der Romeinsche Kerk weder: de tegenwoordige opperkerkvoogd van Engeland, de doorluchtige Kardinaal Manning, is zelf een oudbedienaar van den Anglicaanschen godsdienst.
De kerkelijke hierarchie is insgelijks hersteld geworden door Pius IX in het Puriteinsche Schotland en in het Calvinistische Holland.
De Scandinavische koninkrijken waaruit de Katholieke priester verbannen was op strafte des doods, hebben op hunne beurt hunne poorten geopend voor de apostolische geloofsboden en aanschouwen wederom het licht des waren Geloofs dat daar te lande door den H. Olaf en den H. Canut in vroegere eeuwen werd ingevoerd. Gaan er tot nu toe de bekeeringen langzaam vooruit, er bestaat toch gegronde hoop op een rijken oogst in een nabijzijnde toekomst.
Het Protestantsche Duitschland heeft herhaalde malen vergeefsche pogingen gedaan om tegen den stroom op te werken, door zijn Katholieke onderdanen te verdrukken. Ook dat land begint thans in te zien dat het een verkeerden weg had ingeslagen en de dag is wellicht nabij waarop de Kerk. bevrijd van de onrechtmatige banden waaraan men hare wettige vrijheid gelegd had, nieuwe en belangrijke
272
in den loop der eeuwen.
triomfen zal behalen in het eigen vaderland van Luther.
Het Turksche Rijk, die onverzoenlijke vijand van het kruis, heeft moeten paal en perk stellen aan zijne blinde dweepzucht. De Christenen genieten daar meer vrijheid dan ooit, en in de oude Schismatieke sekten van het Oosten zien wij eene beweging van terugkeer tot de Roomsche Kerk aanvangen en toenemen.
In Amerika, Oceaniö, Azië en Afrika is de uitbreiding van het ware geloof niet minder wonderbaar. Sedert eene eeuw is hot getal bisdommen in de gansche wereld bijna verdubbeld, en nergens vinden de Katholieken meer vrijheid, meer weiwillenden steun vanwege de burgerlijke overheid dan in de onmetelijke koloniën, over welke koningin Victoria, godsdienstig opperhoofd der Anglicaansche Kerk door de monsterachtige wreedheden van Hendrik VIII en Elisabeth gesticht, den schepter zwaait.
Ja, al is het Liberalisme eene verderfelijke dwaling, al heeft het, vooral in de Katholieke landen, zeer bittere vruchten opgeleverd, al deed het de volkeren tot verval geraken en het schoone Frankrijk voorthollen tot op den rand des afgronds, waarin het op ieder oogenblik dreigt neer te storten, al heeft het den geest van opstand tegen alle wettig gezag, de regeeringloosheid in de begrippen, het bederf in de zeden, het verschrikkelijk gevaar van het Socialisme gebaard ; â toch erkennen wij dat het, door de landstreken, waaruit alleen de waarheid onmeedoogend verbannen was, toegankelijk temaken voorde verkondigers van het ware Geloof, onrechtstreeks en tegen wil en dank heeft medegewerkt ter verwezenlijking van de barmhartige plannen der Goddelijke Voorzienigheid. Zoo beschermt God zijne Kerk en lacht Hij met de pogingen der goddeloozen. Uit het kwaad zelf doet Hij het goed voortspruiten.
273
18
Le Goddelijke beloflen der ff. Kerk
XLIX.
EENE SATANSCHE SAMENZWERING.
Het Liberalisme had de Kerk niet kunnen beletten in het buitenland gebruik te maken van de grootere vrijheid, aan hare werkzaamheid geschonken, om haar rijk uit te breiden, maar het hoopte weerwraak te nemen in den schoot der Katholieke natiën. Daar moest de beslissende slag geleverd worden, van wiens afloop de overwinning zoude afhangen. Verpletterd in haar middelpunt, getroffe n in haar hoofd en in haar hart, zou de Kerk weldra haar kracht en haar leven verliezen.
Het oogenblik was gunstig om een strijd op leven en dood te wagen. De dijken door de oude Christen maatschappij opgeworpen, om dwaling en ondeugd te keeren, waren overal doorgebroken. Bleven er nog hinderpalen over, dan was het veeleer tegen de waarheid dan tegen de dwaling.
De Vrijmetselarij had hare geheime vertakkingen in gansch Europa. In alies wat zij tegen de Roomsche Kerk zou ondernemen, kon zij rekenen op den steun der ketter-sche en schismatieke vorsten. Heimelijk had zij het terrein ondermijnd in Italië, Frankrijk, Spanje, Oostenrijk en België. In alle landen had zij eene Liberale partij gevormd, wier opperhoofden van haar het wachtwoord ontvingen en wier talrijke leden, rneerendeels buiten hun weten, aan de verwezenlijking van de plannen der Loge arbeidden. De openbare denkwijze was ingenomen met de Liberale nieuwigheden en vijandig aan alles wat 'eenigszins betrekking had op de onschendbare rechten der Kerk. In de geleerde wereld had de goddeloosheid den voorrang; om te gelukken en zich een naam te verwerven, moest men het kruisbeeld vertrappen en wierook branden op het altaar der
274
in den loop der ecuwen.
nieuwe afgodsbeelden welke men heette : Vrijheid! Vooruitgang ! Onafhankelijkheid ! enz.
Het woord vrijheid vooral had een tooverkracht verworven. Met dien naam bestempelde men niet meer dat vermogen der ziel door hetwelk wij meester zijn van onze handelingen en het voor en het tegen kunnen doen, zonder evenwel ontslagen te zijn van plichten die ons in het nastreven van ons doel tot richtsnoer dienen ; neen, aan het woord vrijheid beantwoordde in den geest der menigte het denkbeeld van iets onbepaalds, iets schoons, iets aanbiddelijks, dat steeds geprezen en bewonderd dient te worden en dat aan elkeen het recht geeft om te denken, te begeerenjte doen al wat hem behaagt zonder daarvan rekenschap behoeven te geven noch aan God noch aan de menschen.
LTit al die omstandigheden besloot de Vrijmetselarij dat zich nooit een gunstiger gelegenheid had opgedaan om een algemeenen aanval tegen den Katholieken godsdienst te wagen ; zij maakte zich dan ook gereed om zich aan het hoofd der beweging te stellen. In hare nachtelijke bijeenkomsten had zij geduldig een krijgsplan beraamd, waarin do bedrevenheid van Satan uitscheen ; nu kwam het er op aan dat plan ten uitvoer te brengen.
Ziehier eene korte schets van dat krijgsplan :
De Paus is het opperhoofd der algemeene Kerk. Als vorst en koning der Pauselijke Staten, is hij onafhankelijk van alle aardsche macht en kan hij zijn godsdienstige werking uitoefenen met de vrijheid, de waardigheid en krachtdadigheid welke zijn verheven ambt vereischt. Door den Paus zijn wereldlijk koningschap te ontnemen, ontneemt men hem tevens de onmetelijke godsdienstige en zedelijke macht welke hij over de wereld heeft, en zoo onthoofdt men de Kerk. Om tot dat doel te geraken, kwam de Vrijmetselarij op de gedachte, bij de Italianen de herinneringen der voormalige Romeinsche glorie en grootheid te
275
276 Dc Goddelijke beloften der II. Kerk
doen herleven en eene groote nationale beweging voort te brengen, welke ten doel zou hebben een eenig Italiaansch vaderland met Rome als hoofdstad te vormen. Aangeprikkeld en aangevuurd door het heerschzuchtige plan, het roemrijke Rome van Scipion en Caesar te herstellen, â zouden do Italianen zeiven den ondergang der tijdelijke macht van den H. Stoel bewerken en in het middelpunt der Christenwereld de oppermacht vaneenen Italiaanschen koning of van een president der Romeinsche republiek in
de plaats stellen.
Na den Paus, de geestelijkheid. Om haren invloed te knakken, prees de Vrijmetselarij drie middelen aan, welke te gelijk of afzonderlijk moesten gebezigd worden naar gelang der personen.
De priesters die zich eenigermate gevoelig zouden too-nen voor wereldsche ijdelheden. moest men winnen door pluimstrijkerij, vleierij, door de beloften van waaidigheden en de toejuichingen der menigte.
Aan anderen zou men strikken spannen om hunne deugd te doen bezwijken. Hen die ondanks dat alles onw ankelbaai en onbedorven bleven, zoude men door allerlei leugenachtige en lasterlijke aantijgingen doen minachten. Door die verschillende middelen verbeeldde men zich de werkeloosheid en het stilzwijgen der eenen, de geheime oogluiking der anderen, de onmacht van allen te \eikiijgen.
Om het geloof onder het volk uit te roeien, was het wachtwoord geest en hart terzelfder tijd aan te grijpen. Het bederf des harten gaat gewoonlijk dat des geestes vooraf, is er de voorbereiding van, maakt het gemakkelijker en ongeneeslijker. De drukpers zal dit rampzalig werk verrichten bij de volwassenen; de hoogescholer en de holen van vermaak en ontucht zullen de jeugd naar hart en geest bederven ; â de onzijdige of goddelooze school zal de zielen der kinderen vergiftigen en er de kiemen
in den loop der eeuwen.
zelve van het Christelijk geloof en van de zuiverheid verstikken.
Volgens dit helsche plan van stelselmatig bederf moest zelfs de vrouw niet gespaard worden. Integendeel, het werd den aanhangers der loges aanbevolen de vrouw van haren zedelijk en Christelijken invloed te berooven door haar de deugd te ontnemen. Men wist dat de vrome en kuische vrouw in den huiselijken kring een onoverkome-lijke hinderpaal zou wezen voor de overheersching der goddeloosheid, - en koelbloedig besloot men haar te bederven, alhoewel men met zekerheid voorzag dat zij zoude terugvallen in dien afgrond van verlaging waarin zij zich bevond in deHeidensche maatschappij en waaruit de Kerk haar met moederlijke hand had opgetild.
Boven het volk verheft zich de beschaafde klas, welke in den waan verkeert dat zij zelfstandig genoeg is om hare overtuigingen te vormen en hare meeningen op gansch degelijke beweegredenen te gronden. De goddelooze wetenschap kreeg den last voor deze klas van menschen een aannemelijk stelsel van geloofspunten te vervaardigen, dat de Katholieke leerstukken, door de moderne critiek afgebroken en vernietigd, vervangen zoude. Aardkundigen, geschiedschrijvers, oudheidkundigen, scheikundigen, sterre-kundigen, taalkundigen, wijsgeeren.... ja, geleerden van allerlei soort en kaliber moesten de aarde doorwroeten, de oude oorkonden en puinen doorsnuttelen, de diepten der hemelen peilen, de geheimste verborgenheden en eigenschappen der natuur ontdekken en bestudeeren, en na alle mogelijke bouwstoffen bijeengezameld te hebben op ieder gebied der wetenschap, een ernstig en degelijk wijsgeerig stelsel optimmeren dat bewijzen zou hoe de menschelijke rede voor zich zelve toereikend is en geene bovennatuurlijke hulp behoeft, hoe het heelal zonder een God en Schepper kan verklaard worden, hoe Mozes in de Genesis slechts
277
De Goddelijke beloften der H. Kerk
aard- en geschiedkundige dwalingen verhaald heeft, hoe de profeten niets anders zijn geweest dan geestdrijvers of geestenzieners, die fabelen vertellen en van ingebeelde koningen en volkeren gewagen, hoe O. H. Jezus-Christus slechts een mythe of verdicht personage geweest is, hoe de mirakelen onmogelijk ziin, hoe de mensch een verbeterde aap is, de Voorzienigheid eene hersenschim en hoe de Katholieke Kerk de eenige hinderpaal is die den grenzenloozen vooruitgang der wereld in den weg staat en de eenige oorzaak der ellenden waaronder onze rampzalige mensch-heid gebukt gaat, enz. enz.
Eene moeilijkheid bleef er over. Reusachtig was het plan, en overgroote geldmiddelen waren er noodig om het ten uitvoer te brengen, â waar zal men die vinden ? De Vrijmetselarij had die moeilijkheid voorzien en ze uitertst eenvoudig opgelost: âPlundert en besteelt de Kerk, zeide zij, ten einde ze met hare eigene rijkdommen te bestrijden; de rest der krijgskoslen zult gij pulten in de openbare kassen die zoowel door de Katholieken als door onze vrienden gevuld ivor-den. Zoodoende zullen icij de Kerk de kosten van den oorlog dienwij tegen haar voeren, geheel of' gedeeltelijk doen betalen:'
Om over de openbare kassen van Staat, provincie en gemeente, te beschikken, moest men zich meester maken van de regeeringen en geen enkel middel daartoe verwaar-loozen. De aanhangers der Vrijmetselarij voorthelpen en aan het hoofd van alle besturen stellen, hen tot leden der wetgevende Kamers verkiezen, hen opdringen als ministers bij de constitutioneele koningen, de vorsten winnen door vleierij of door vrees, desnoods niet terugdeinzen voor dolk, bom of revolutie... Ziedaar het programma dat zij tot werkelijkheid moesten brengen, ten einde de Staten ove.- te halen om met hunne oneindige geldmiddelen en hunne ontzaglijke macht plaats te nemen in het oorlogsplan der Vrijmetselarij tegen de Kerk van Jezus-Christus.
278
in den loop der eeuwen.
L.
ONVERWACHTE UITSLAG DER SAMENZWERING.
Het krijgsplan door de Vrijmetselarij tegen de H. Kerk beraamd was uitermate behendig, de uitvoering er van was het niet minder. Ook scheen de uitslag aan de verwachting der samenzweerders te zullen beantwoorden, want over het algemeen waren hunne eerste pogingen gelukkig.
Dank aan eene lange reeks van kuiperijen, oproeren, verraderlijke en openlijke aanslagen tegen het volkenrecht, slaagde de koning van Sardinië er in de verschillende koninkrijken en vorstendommen van Italië onder zijnen schepter te vereenigen, den zetel van zijn rijk op heilig-schendende wijze van Turijn naar Rome, de stad der Pausen, te verplaatsen en zich als koning van het gansche schiereiland te doen erkennen.
Eene even liederlijke als goddelooze drukpers overstroomde de Katholieke landen met een stortvloed van boeken, vlugschriften en dagbladen die onophoudend de waarheid der Roomsche Kerk aantastten en haar zuiver maagdelijk kleed door de schandelijkste aantijgingen en lasteringen zochten te bekladden.
De schouwburgen werden alom echte scholen van bederf zoo voor het geloof als voor de zeden, en het was weldra niet meer mogelijk de vertooningen bij te wonen zonder zich aan zonde, zelfs aan afval bloot te stellen.
De zucht naar slechte vermaken werd stelselmatig bij het volk opgewekt en aangekweekt door allerhande middelen, het eene al noodlottiger dan het andere.
De leerstoelen der hoogescholen weerklonken van de meest tegen het geloof aandruischende stelsels.
De godsdienst werd wettelijk verbannen uit de athe-
279
Be Goddelijke beloften der H. Kerk
neums, de middelbare en lagere scholen van den Staat, en de jeugdige geslachten werden opgeleid in die huichelachtige en gedoemde onzijdigheid welke men gansch opzettelijk heeft uitgevonden om de zielen aan de Kerk te ontrukken.
De schoone kunsten onteerden zich dermate dat zij, medeplichtigen der Loges geworden, het zedelijke en godsdienstig bederf rechtstreeks bevorderden. Zelfs de modes dienden tot niets anders dan om ons met een dampkring van zinnelijkheid en ontucht te omgeven.
Geleerden van groote vermaardheid ondermijnden onbeschaamd de grondslagen van allen bovennatuurlijken godsdienst. Heeft men niet beweerd in naam der wetenschap en met die hoogmoedige laatdunkendheid welke haar eigen is, dat er geen God is, geen ziel, geen toekomstig leven, dat er geen mirakelen zijn, geene boeken onder Gods ingeving geschreven..., maar dat alles stof is en dat de wonderbare harmonie der wereld, het planten- en dierenleven, ja zelfs de menschelijke gedachte verklaard kunnen worden door aan de stof verbondene eigenschappen ?
Het Liberalisme heerschte als meester in Europa, om niet te zeggen in de gansche wereld.âWaar vindt men een Katholiek volk, de republiek Ecuador uitgenomen, dat nog officieel God erkent als den Opperheer van het heelal, en Jezus-Christus, onzen Verlosser, als den koning van het menschdom ?
Werden, sedert vijftig jaren, de wetten niet gemaakt onder ingeving der Loge, en dienden de openbare kassen niet om de onkosten van de ondernemingen der Vrijmetselarij te dekken ? Werd de zoozeer geroemde vrijheid, de aan alle burgers zoo vast beloofde gelijkheid niet onophoudelijk geschonden ten nadeele der Katholieken, terwijl hunne tegenstanders alle voorrechten en een onbeperkte vrijheid genoten ?
280
in den loop der eeuwen.
En heden, na een halve eeuw van zoodanigen strijd, van Liberale en Magonnieke vervolging, van onophoudelijke aanvallen door al de vereenigde krachten der Hel en der wereld tegsn Gods Kerk gericht, â in welken toestand bevinden wij ons ?
Is het waar dat de Paus, nu hij van zijne Staten beroofd is en gevangen zit in het Vaticaan, niets anders meer is dan een arme grijsaard zonder gezag en die slechts aan het minachtend medelijden zijner vijanden te danken heeft dat hij nog bestaat ? â Kan men nu met waarheid zeggen dat de geestelijkheid alle achting en tevens allen invloed op het volk verloren heeft? â dat de kloosters onbewoond zijn en in puinen vallen ? â dat het geloof is uitgedoofd, dat de Kerk verwonnen en stervend ter aarde ligt ? â en dat de hedendaagsche maatschappij, bevrijd van den zoogezegden clericalen kanker die haar verteerde, onder het toezicht van het Liberalisme gekomen is tot dien graad van buitengewone beschaving, tot dien onge-kenden vrede en dat nog ongesmaakt geluk, welke volgens de voorspellingen der Vrijmetselaars het onvermijdelijk gevolg moesten zijn van den triomf hunner beginselen ?
Xeen, duizendmaal neen! De uitslag beantwoordt op verre na niet aan de verwachtingen der Vrijmetselarij, hij moet haar integendeel alle hoop doen verliezen.
De Paus, ja, is van zijne Staten beroofd en aan de willekeur zijner vijanden prijsgegeven, maar de liefde en verknochtheid zijner getrouwe kinderen voorzien in zijne behoeften en stellen hem in staat om de Kerk te besturen. Twee nieuwe werken : de Sint-Pielerspenning en de Pan-seli/jke Nieuwjaar sg if lm zijn als vanzelve uit het hart der Katholieken ontsprongen en vervangen de geldmiddelen welke eertijds door het tijdelijk grondgebied des Pausen werden opgeleverd.
281
De Goddelijke beloften der H. Kerk
Het gezag en de invloed des Pausen zijn verre van te verminderen, zooals men het hoopte, zij nemen van dag tot dag toe te midden der beproeving. Het woord van Leo XIII weerklinkt krachtiger dan ooit en wij zien thans het machtigste rijk der wereld, dat weleer de Kerk vervolgde, hulde bewijzen aan de majesteit en macht van den opvolger des Heiligen Petrus. Kettersche vorsten knoopen vriendschapsbetrekkingen aan met den H. Stoel, Turkije herstelt zijne vroegere ongerechtigheden, het heidensche China verlangt een legaat van den H. Vader en zendt hem gezantschappen, gansch Amerika eert hem als een vader of huldigt hem ten minste door zijne achting en bewondering. Het Katholieke volk luistert met diepen eerbied naar zijn woord; en allerwegen hooren wij de oprechte en eerlijke lieden, alhoewel van de Kerk gescheiden, maar verlicht door gebeurtenissen die hen te recht met schrik bevangen hebben, zich met verwondering afvragen, welke toch die geheimzinnige kracht van het Pausdom is, dat nooit ontsteld wordt en met onveranderlijke kalmte de wereld regeert; hoe het toch aan die woedende aanvallen kan weerstaan en uit de verdrukking zelve krachtiger en jeugdiger te voorschijn komen, ja dusdanig aangroeien in macht en gezag dat het zich op het huidig uur aan de wereld vertoont als alleen bekwaam om de hedendaagsche maatschappij te redden uit de vreeselijke crisis welks zij doorstaat.
Ook de geestelijkheid heeft niet geleden van de vervolging waarvan zij het voorwerp is geweest. Nooit, op geen enkel tijdstip der geschiedenis, was zij inniger vereenigd met het Opperhoofd der Kerk, vastberadener in het vervullen harer plichten, voorbeeldiger in haren levenswandel, meer onderwezen in al wat zij weten moet, meer bezield met den geest van opoffering voor al de werken van het apostolaat en van de liefde, alsook meer ontvlamd
282
in den loop der eeuwen.
met een heiligen ijver om aan het heil der zielen en tot het welzijn der maatschappij te arbeiden.
En de kloosterorden dan, die prachtige bloemen van den lusthof der Kerk, zijn zij ooit vuriger geweest om haar ideaal van volmaaktheid na te streven ? â Wat is zij lang, de lijst der nieuwe Congregaties van mannen en van vrouwen, welke deze laatste halve eeuw heeft zien opkomen en bloeien! De Fransche Omwenteling had alles verwoest en heden ten dage zijn er in Frankrijk ruim 80,000 kloosternonnen, terwijl men er op het einde der XVII]gt; eeuw slechts 87,000 telde. En toch, wat heeft men al niet gedaan om die kloosterorden hatelijk te maken en haar te beletten nieuwe leden aan te werven ! Maar alles is ver-geefsch geweest: of liever gezegd, alles heeft gediend om den geest van opoffering in de zielen op te wekken. En daarom zien wij de braafste onzer zonen en dochters hunne familiën verlaten, aan de wereld vaarwelzeggen om God te gaan dienen in de lichaamskastijdingen en heilige oefeningen van het klooster, of in de werken van liefde jegens de ongelukkigen, of in de vermoeienissen van het onderwijs, of eindelijk in den heldhaftigen arbeid dei-geloofsverkondiging onder de ongeloovigen.
Bij het volk is ook het geloof niet uitgedoofd. Wel is waar, vele ongelukkigen werden op het dwaalspoor gebracht, medegesleept en bedorven en in het bijzonder moeten wij weeklagen over de verwoestingen door de goddeloosheid aangericht bij de werklieden, die, eilaas! de eerste slachtoffers zullen zijn van de onzinnige leerstelsels waarmede zij ingenomen zijn ; â maar de groote massa van het volk is getrouw gebleven, de geest van Christelijke liefde en godsvrucht heeft onophoudelijk toegenomen, wonderschoone werken zijn ontstaan zooals de Voortplanting des Gelooft, de Heilige Kindsheid, het Genootschap van den H. Vincentius d Paulo, en als wij onze blik-
283
284 De Goddelijke bdoflen der H. Kerk
ken werpen op dat groot aantal Katholieken die zich opofferen voor de goede werken, die zich aan de verdediging van hunne'Moeder de H. Kerk toewijden, die onder het opzicht van ijver, edelmoedigheid en heldenmoed met depriesters en kloosterlingen zeiven wedijveren, die altijd strijdvaardig op wacht staan naast hunne herders, â dan zouden wij lust hebben om, vol bewondering voor de ondoorgrondelijke wegen der Voorzienigheid, uit te roepen ; nFelix culpa!quot; O gelukkige fout! gelukkige vervolging ! welke de Kerk jeugdiger heeft gemaakt, hare Goddelijke kracht luistervoller dan te voren heeft doen uitschitteren! Immers door de vervolging heeft de Kerk hare kinderen zien toenemen in getal, in eensgezindheid en in heiligheid, zoodat zij thans beter in staat is dan weleer om hare verheven zending te volbrengen.
LI.
DE PROFJSTIEEN VAN BALAAM.
â¢
In de geschiedenis van het Hebreeuwsche volk is er eene gebeurtenis, door Mozes in het boek der Getallen verhaald, waarmede zekere feiten van onzen tijd een treffende overeenkomst hebben : 't zijn de profetieën van Balaam.
Toen Balac, koning van Moab vernam dat de Hebreërs gedurende hunne reis door de woestijn al degenen, die hun den doortocht wilden versperren, verslagen hadden en zich reeds aan de grenzen van zijn land vertoonden, was hij verschrikt en ontbood hij den waarzegger Balaam om den vloek over hen uit te spreken. Zoodoende hoopte hij hen te kunnen terugdrijven.
Balaam kwam. De koning, met de opperhoofder. van zijn volk, leidde hem op een hoogen berg van waar men de tenten van Israël welke de naburige vlakten overdekten, zien kon. De profeet Balaam nam het woord : âDe koning
in den loop der eeuwen.
der Mocibieten heeft mij geroepen : Kom, zeide hij, en vervloek Jacob, verwensch Isrecël. Maar hoe zal ik vervloeken wie de Heer niet vervloekt heeft ?quot; En ziet, in plaats van den vloek uit te spreken, kondigt hij de triomfen aan welke her volk Gods op zijne vijanden zal behalen. â â Wat doet gij. riep de koning uit, gij overlaadt mijne vijanden met u we zegeningentquot; â âKan ik andere woorden uitspreken dan die welke de Heer op mijne lippen gelegd het ft ?quot; antwoordde do profeet.
De koning leidde dan Balaam op de kruin van een anderen berg vanwaar men slechts een gedeelte van Israel's tenten ontwaarde. Ditmaal hoopte hij dat de profeet, minder bevreesd voor hetgrootgetal der Israëlieten, woorden van verwensching zoude uitspreken. Doch het uitwerksel bleef hetzelfde. De profeet kondigde nog grootere wonderen aan, welke God in den loop der tijden ten gunste van zijn volk zoude verrichten. âHoud op!quot; riep Balac uit. âZoo gij niet vervloeken kunt, zegen hen althans niet.quot;
Eene derde poging was nog ongelukkiger. Ditmaal vermenigvuldigden zich de zegeningen op de lippen van den profeet, en na de verheven bestemming van het Hebreeuw, schevolk met eene wonderbare juistheid voorspeld te hebben, sprak hij van den Messias zeiven die uit zijnen schoot moest geboren worden. âEene ster,quot; zeide hij, âzal opgaan uit Jacob, een schepter zal oprijzen uit Israël.quot;
Balaam had zijns ondanks geprofeteerd en gezegend, terwijl het hem bevolen was te vervloeken.
Onze eeuw heeft in zekeren zin het mirakel van Balaam's profetieën zien hernieuwen.
Toen de goddeloosheid zag dat de Kerk aan alle tot dusverre tegen haar gerichte aanvallen zegevierend wederstaan had, wendde zij zich tot de moderne wetenschap, tot die verwaande en hoogmoedige wetenschap, zoo trotsch op hare laatste ontdekkingen en op de nieuwe veroveringen
285
; Fs iü f |
lirSt
i i m
i
sü
De Goddelijke beloften der TI. Kerk
die zij zich als aanstaande voorspiegelde. ..Kom,quot; zoo sprak tot haar de goddeloosheid, âaan u de eer die ivondcre maatschappij, ivelke tot dasverre niemand heeft kunnen overwinnen, ten onder te brengen. Aan u de taak, met behulp van uw doorzicht te bewijzen dat de Kerk niet op dn waarheid berust, dat haar oorsprong, hare leerstukken valsch zijn en dat zij bijgevolg niet Goddelijk is.quot;
De wetenschap heeft aan die roepstem gehoor gegeven en den arbeid aanvaard met ijver en moed, overtuigd als zij was dat zij aldra het onomstootelijk bewijs zou vinden van de valschheid der wonderbare feiten en Goddelijke openbaringen welke de grondslagen der Kerk zijn. Doch wat is er gebeurd ? â Naar welken kant ook de wetenschap hare opsporingen gedaan heeft, is zij tot een geheel ander uitwerksel gekomen dan zij wel hoopte, en is zij door de klaarblijkelijkheid genoodzaakt geworden de waarheid der feiten welke zij wilde omstooten, te verkondigen.
Geven wij eenige voorbeelden aan. De wetenschap heeft de echtheid der Heilige Evangeliën bestreden, zij heeft gezegd dat zij er de valschheid van zoude bewijzen. En, na een halve eeuw van navorschingen op het gebied der geschiedenis, der oudheid- en taalkunde enz., heeft zij erkend bij monde van een der vuigste Christenhaters, bij monde van Renan, dat de vier Evangeliën authentiek of echt zijn, dat de persoon Onzes Heeren Jezus-Christus waarlijk bestaan en al wat de getuigen van zijn leven verhalen, gedaan heeft, â hetgeen die vrijwillige blinden niet belet zijne Godheid te blijven loochenen.
Na deze nederlaag heeft zich de wetenschap geworpen op de eeuwen welke de komst van den Messias voorafgaan, ten einde te bewijzen dat de gewijde geschiedschrijvers en de profeten niets anders dan fabelen verteld hebben, en dat de geheele geschiedenis van het volk Gods slechts een kolossale fopperij was. Is haar dat beter gelukt? â Neen.
286
in den loop der eeuwen.
Ondanks alle pogingen is men er niet in geslaagd, de valsch-heid van een enkel bijbelsch feitaante toonen. Integendeel, door de houweelslagen dier navorschers heeft God onverwachte getuigen der vervlogene eeuwen uit den grond doen oprijzen. De Pharaons van Egypte zijn uit hunne grafsteden opgestaan ; de potentaten van Ninive en Baby-Ion hebben het stof der onmetelijke puinen waaronder zij sinds twintig eeuwen begraven lagen afgeschud, â en ziet, nu verkondigen zij met hunne steenschriften, hunne zuilen en hunne bibliotheken van verharde klei : dat de door God voorgelichte schrijvers van Judea, dat de verhalen van Mozes, David, Isaias, Echeziël, Daniël enz. geloofwaardig zijn en het kenmerk dragen der ontegensprekelijkste echtheid of authenticiteit. Elke ontdekking levert een nieuw bewijs op en verspreidt dikwijls een helder licht over zekere plaatsen van onze Gewijde Boeken welke voor ons duister waren gebleven, ten gevolge eener onvoldoende kennis van de feiten, zeden en gebruiken waarop zij zinspeelden
Alsdan zeiden zij bij zich zeiven: âKceren icij terug tot den oorsprong zeiven der dingen en onderzoeken wij tcat Mozes verhaalt van de schepping der wereld en des men-schen. De gebeurtenissen die het bestaan zelf des menschen hebben voorafgegaan, heeft hij gewis niet kunnen kennen, vermits er niemand was om ze op te teekenen en aan het nageslacht over te leveren. En toch meent hij ie verhalen hoe en in welke orde God het heelal geschapen heeft. Dat heeft hij dan ook slechts kunnen doen docr zijne verbeeldingskracht, daar hij geen enkel middel te z'ijner beschikking had om hieromtrent eenige kennissen aan te werven, Ded middel echter hebben wij, dank aan den vooruitgang der moderne iveUnschap. Laten wij dus de laatste gegevens dier wetenschap op de studie der aarde en der wereld toepassen. Onderzoeken wij de ingewanden van den aardbol
287
Be Goddelijke beloften der II. Kerk
en toonen wij aan door zijn samenstel, door de verschillende aardlagen, hoe en in ivelke orde hij gevormd werd. Bit be-u ijs zal onomstootelijk wezen. Evenals wij van een gebouw weten, dat het fondament voor de muren en dat deze voor het dak bestaan hebben; â zoo ook zullen ivij kunnen bepalen op welke verschillende, tijdstippen de aardbol is samengesteld en in welke orde de schepsels er op verschenen zijn. Zeker is het dat wij zoodoende geheel iets anders zullen vinden dan in het denkbeeldig verhaal van Mozes.quot; â Zoo redeneerden zij, â doch wat was de uitslag hunner onderneming?
Na lange navorschingen, na alle gegevens welke men heeft kunnen verzamelen, te hebben onderzocht en gerangschikt, heeft de wetenschap vastgesteld dat de vorming-van den aardbol, in groote trekken geschetst, de volgende afwisselingen heeft vertoond:
Bij den oorsprong, staat van algemeene verwarring en duisternis, baaiert of chaos.
Ten gevolge der verdichting en samenstorting der stof-deelen, verschijning van het licht en vorming van den aardklomp, een bol van vloeiend vuur, wiens oppervlakte verkoelt en zich met een korst overdekt.
Door op- en nederwaartsche bewegingen dezer korst ontstaan bergen en diepten; de waterdampen van den luchtkring ploffen neder en vormen de zeeën.
Alsdan verschijnen de planten en bedekken het vasteland.
De zon wordt lichtend en verwarmt door hare stralen den afgekoelden aardbol. De maan weerkaatst de zonnestralen en wordt de koningin van den nacht.
De zeeën worden bevolkt met visschen waaronder men er aantreft van buitengewone grootte; op het vasteland bewegen zich slangen en allerhande kruipdieren; ontelbare vogels doorklieven het luchtruim.
Nu is het de beurt der meer volmaakte dieren, namelijk
388
in den loop de eeuwen.
der zoogdieren, zoo wilde als tamme ; en7 eindelijk komt de mensch als koning der aarde, hij verschijnt de laatste om bezit te nemen van de woonplaats die hem is voorbereid.
Toen deze punten bepaald waren, iieeft men de boeken van Mozes opgeslagen en, o verbazing ! op de eerste bladzijde van den eersten der geschiedschrijvers, leest men het verhaal der schepping die wonderwel overeenstemt met de behaalde uitslagen der wetenschap. Ja, zoo treffend is de gelijkenis, dat Andreas Dumont, de vermaardste geoloog (of aardkundige) van België, op zijn sterfbed de volgende merkwaardige woorden kon uitspreken: â 't Is een verwonderlijk iets dat wyj, na al den voortgang door de aardkunde gemaakt, erkennen moeten dat Mozes, in een zoo verwijderd tijdslijn nauwkeurig geschreven heeft over alles, onder andere over de opvolging der schepselen
Waaruit de geleerde Linné besloot; â Het is tastbaar bewezen dat Mozes slechts geschreven heeft en slechts heeft kunnen schrijven onder de ingeving van den Maker der na,tuur. quot;
Aldus werd de wetenschap die den godsdienst wilde vernietigen en bewijzen dat hij slechts op valsche feiten berust, genoodzaakt tegen wil en dank de geheele waarheid der verhalen van Mozes en bijgevolg de bovennatuurlijke en Goddelijke ingeving des gewijden schrijvers te verkondigen. Immers van wien anders dan van God zeiven, den Schepper der natuur, kon hij de kennis erlangen van de feiten welke hij verhaalt ?
quot;Wie bewondert dan niet de wijsheid der Goddelijke Voorzienigheid die alzoo de vijanden zeiven des Geloofs weet te dwingen om er de waarheid van te verkondigen ?
En wie zal zich voortaan nog laten afschrikken door de ijdele verklaringen der wetenschap, wanneer zij durft beweren dat zij onze Gewijde Boeken op leugen of valschheid heeft betrapt ? X9
289
De Goddelijke beloften der H. Kerk
Dat zij zich zoeken te verblinden in hun vrijwillig ongeloof, dat zij door leerstelsels wier ongerijmdheid de proel' niet doorstaat, de wroegende stem des gewetens trachten te smoren, dat begrijpen wij vanwege die ongelukkigen die alles, zelfs het ongerijmde, aannemen liever dan de waar-' heid van den godsdienst, welke hen veroordeelt, te belijden;âwij echter, Katholieken, wij zullen hun geschreeuw aanhooren met de kalmte van een onwankelbaar vertrouwen en wij zullen zeggen; â Wacht, alvorens victorie te kraaien, totdat de icare icetenschap haar laatste woord hebbe. gezegd, want dat laatste icoord zal niets ami rs wezen en niets anders kunnen zijn dan een luistervolle bekrachtiging van onze heilige geloofspunten. quot;
LIL
HOE GOD OP EENE UITDAGING ANTWOORDT.
De goddelooze wetenschap was niet ten einde barer verbazingen en teleurstellingen.
In haren hoogmoed had zij durven zeggen: â Er is niets bovennatuurlijks en de mirakelen zijn onmogelijk. Wat men in de verloopen eeuwen voor mirakelen deed doorgaan, zijn slechts fabelen en legenden: voortbrengsels van de bijgeloovige en domme inbeelding des volks. Ook heden, nu men de natuur der feiten weet te doorgronden en de waarheid van dé valschheid af te scheiden, ziet men immers geen mirakelen meer gebeuren. Welk klaarder bewijs kan men verlangen? quot;
Na die verwaande uitdaging, achtte de wetenschap het beneden hare waardigheid nog een oogslag te gunnen aan de wonderdadige gebeurtenissen die in de geschiedenis geboekt staan; en aan al de doorslaande bewijzen die door de Katholieke schrijvers aangehaald werden, gaf zij misprijzend ten antwoord; â Och, wij willen onzen tijd met
290
in den loop der eeuwen.
dergelijke beuzelingen niet verspillen ; 't is uitgemaakt, er zijn geen mirakelen.quot; Zulke taal kan laatdunkend en trotsch. zijn, maar wetenschappelijk is zij voorzeker niet. Doch zij die ze voerden, rekenden op de lichtzinnige dwaasheid der menigte welke veelal niets beters verlangt dan zich te kunnen bevredigen met als een papegaai achterna te klappen : â Er zijn geen mirakelen, er bestaat geen God; de wetenschap heeft het gezegd,.quot;
Ja, talrijk zijn de ongelukkigen die de stem der wroeging in hun binnenste zoeken te versmachten en die wel wen-schen zouden dat er geen God ware, omdat zij zijne rechtvaardigheid duchten in het ander leven.
Maar God liet niet toe dat die vermetele uitdaging der goddeloosheid tegen de getuigenis der vervlogen tijden zou opwegen en een gevaar worden voor de eenvoudige zielen, voor de menschen van goeder trouw en rechtzinnig geloof.
Men had Hem uitgedaagd om in onze verlichte eeuw een mirakel te doen dat het onderzoek der wetenschap zou kunnen doorstaan, â en zie : op eens beginnen de mirakelen te gebeuren, talrijker dan ooit, en wel vooral in Frankrijk, waar men het meest hunne mogelijkheid had bevochten en het bestaan van het bovennatuurlijke geloochend.
Wie heeft niet hooren spreken van den Eerbiedwaardigen Vianney, pastoor van Ars ? Wie kent niet eenige trekken van zijn leven zoo vol van wonderlijke en bovennatuurlijke gebeurtenissen ?
In volle XIXc eeuw zag men de wonderen vernieuwen die men in de levens van bijna al de Heiligen aantreft. Een arme dorpspastoor, zonder uiterlijke begaafdheden, nauwelijks bekwaam bevonden om zijne parochie te bestieren, wordt het middelpunt eener godsdienstige beweging die zich al verder en verder uitstrekt en zelfs de buitenlanden aangrijpt. Van alle gewesten komt men toegeloopen om den nederigen Vianney te zien, te hooren, te raadplegen ;
291
De Goddelijke beloften der H. Kerk
men acht zich gelukkig wanneer men aan zijne voeten heeft kunnen nederknielen, de belijdenis zijner zonden afleggen, en met de kwijtschelding, eenen raad, eenen wenk of een enkel troostwoord uit zijnen mond ontvangen. On-geloovigen komen door nieuwsgierigheid uitgelokt; zij voelen zich overheerscht, overwonnen door eenen oogslag van den heiligen priester, vallen op de knieën, biechten en gaan bekeerd naar huis. Groote geleerden komen om den een-voudigen man te beschamen, zij staan verstomd over de blijken eener bovennatuurlijke wetenschap die zij al spoedig in zijne woorden en handelingen ontdekken. Zieken komen zich aanbevelen in de gebeden van den heiligen pastoor, zoo als men hein reeds noemt, â hun vertrouwen blijft niet onbeloond: Velen worden genezen van hunne kwalen; anderen in stede van de gezondheid des lichaams bekomen die der ziel; geen één keert ongetroost naar zijne haardstede terug. De uitstekende deugden van den eerbiedw. Vianney, zijne bovenmenschelijke werkzaamheden, zijne vreeselijke lijfsverstervingen, de doordringende kracht en vermurwende zalving zijner prediking, de liefdetranen die zijn gelaat besproeien, de wonderdadige gebeurtenissen die rondom hem plaats grijpen, â dat alles geeft hem een zedelijken invloed, eene macht op de zielen wier uitlegging alleen in Gods bovennatuurlijken bijstand te vinden is. Het leven van den pastoor van Ars was een bestendig mirakel dat dertig jaar duurde als wilde God zeggen : â Gy hebt de mirakelen geloochend welke ik vroeger door mijne Heiligen verrichtte, â welnu, ik doe een anderen Heilige uit uw midden opstaan, en ik vernieuw in hem en door hem, onder de toeschouwing van duizenden getuigen, al de wonderen van voorheen, â zult gij se nu nog voor fabelen durven uitkrijten ? quot;
Doch, grootere dingen komen het kamp der ongeloovigen in de war brengen. Op zekeren dag loopt plotseling het
292
in dm loop der eeuwen.
gerucht dat de H. Maagd aan twee kinderen verschenen is die de kudden bewaakten op den bers van Salette. Men vaart er tegen uit, men betwist het feit, men spot er mede, men verzint duizenden middelen om het valsch te maken, vergeefsche moeite: het geloof aan de verschijning dei-goedertieren Maagd vindt bijval, wonderbare genezingen komen ze bevestigen, de volksmenigten stellen zich in beweging en een aanhoudende stroom van pelgrims vloeit naar de gezegenCe plek die de Moeder van God gewaardigd heeft met hare voeten te drukken. Heden is de woestijn van Salette in een levend en bedrijvig landschap herschapen. Een prachtige kerk en andere gedenkstukken zijn er uit den grond opgerezen om te verkondigen, in spijt van de spotternijen der boozen, dat daar een bovennatuurlijk feit is voorgevallen, dat daar de Goddelijke barmhartigheid zich heeft vertoond in menigvuldige genezingen waar kunst en natuur voor stilstonden, dat daar de Moeder-Maagd een heiligdom meer heeft verlangd om aan de toekomstige tijden te herhalen hoe liefdevol haar hart is voor ongeluk-kigen en zondaars, hoe sterk haar arm is om Gods gerechtigheid tegen te houden gereed om de plichtigen te treffen, hoe machtig hare voorspraak is om voor allen de genaden van bekeering of volharding te verkrijgen.
Salette, hoe vermaard het ook is geworden, moest evenwel onderdoen voor een schier onbekend stadje aan den voet der Pyreneeën gelegen. Lourdes! In welken hoek dei-wereld heeft uw naam niet weerklonken ! Welk Christen volk heeft u niet zijn offer van bewondering en erkentenis gebracht! Telken jare richten lange rijen pelgrims hunne stappen naar uw heiligdom. Zij komen van dicht bij en van verre, uit al de provinciën van Frankrijk, uit België, uit Holland, uit Duitschland, uit Oostenrijk, uit Italië, uit Spanje, uit Engeland, ja, uit Noord- en Zuid-Amerika... Zij komen zingend en biddend, zij knielen in ontelbare drom-
293
294 De Goddelijke beloften der H. Kerk
men op de eertijds eenzame boorden der Gave, trillend van hoop en liefde blikken zij... waarop ? â Op een wit marmeren beeld dat op den donkeren achtergrond eener kleine grot afsteekt. Wat is daar toch wel voorgevallen ? at valt er nog voor om dusdanige beweging te verklaren, om een zoo groote geestdrift te verwekken, om van een tot in 1858 onbekend oord eensklaps eene der beroemdste bedevaartplaatsen te maken van de gansche wereld?
Maria, de Onbevlekte, is er verschenen aan een meisje ; zij heeft gezegd dat zij daar gansch bijzonder wilde vereerd worden ; ten bewijze heeft zij onder de krabbende handen van het kind eene bron uit de rots doen ontspringen ; vervolgens heeft zij er hare zoo tijdelijke als geestelijke weldaden en gunsten zoo overvloedig uitgedeeld dat alles wat wij in de geschiedenis der meest bevoorrechte heiligdommen lezen er door niet alleen geëvenaard maar overtroffen wordt. Lourdes met zijne jaarlijks toenemende bedevaarten, met zijne aanhoudend vernieuwde volksscharen, met zijne onvergelijkbare betoogingen van geloof en godsvrucht, met zijne menigvuldige bekeeringen van verstokte zondaars en hardnekkige vrijdenkers, met zijne heilige en zuivere ontroeringen, met zijne dagelijksche genezingen van ongeneesbare zieken,... Lourdes is een mirakel uit duizend andere mirakelen samengevat, door een steeds toenemend getal van onwraakbare getuigen bevestigd... Lourdes is het verpletterend antwoord tot de vermetelen die hadden durven zeggen; â God doet geen mirakelen meer, hijgevolg zijn er nooit mirakelen gebeurd.quot;
Hoeveel andere feiten uit onzen tijd zouden wij niet kunnen aanhalen, om de hedendaagsche goddeloosheid voorgoed te beschamen! Men herinnere zich bijv. de ge-stigmatizeevde of wondendragende van Bois d'Haine, wier bloedende handen, zijde en voeten eiken Vrijdag, vijftien jaren lang, werden waargenomen door talrijke, geleerde,
in den loop der eeuwen.
geloofwaardige getuigen even min bekwaam om anderen te bedriegen als om zich zeiven te laten misleiden omtrent hetgeen zij met eigen oogen gezien en met eigen handen betast hadden. Een geleerde vrijdenker, doctor Virchow van Berlijn., sprekende van deze wondteekenen van Louisa Lateau, had gezegd : â Het is of wel een mirakel of wel een bedrog, quot; en daar hij het mirakel voor onmogelijk hield, besloot hij dat er bedrog was. Maar deze geleerde had gesproken zonder zelf te zien, zonder zelf te onderzoeken. Andere geleerden gingen naar Bois d'Haine, zoowel vrijdenkers als Katholieken ; zij onderzochten de zaak nauwkeurig. maakten en hermaakten beslissende proefnemingen, en allen hebben ten stelligste verklaard dat de wondteekenen inderdaad bestonden en dat er geen spraak kon zijn van bedrog; â dus volgens Virchow, moesten zij besluiten dat het een mirakel was. ? Wel neen. De Katholieke geleerden bepaalden zich met te zeggen: de wetenschap is niet bij machte om deze wondere verschijnselen natuurlijk uit te leggen en wijselijk lieten zij aan de geestelijke overheid de zorg over om op hare beurt de bovennatuurlijke zijde der zaak te onderzoeken en er over uitspraak te doen. Wat de geleerde vrijdenkers betreft, deze bekenden hunne onmacht en hielden evenwel staande dat eene tot hiertoe niet gekende ziekte die onverklaarbare teekenen uitlegde.
Wij zullen ons niet verder met het pleit bemoeien. Alleen willen wij de zonderlinge handelwijs der goddeloo-zen aanstippen. Wanneer de blinden zien en de kreupelen gaan, wanneer afzichtelijke kankerwonden schielijk genezen, wanneer zieltogenden eensklaps gezond en frisch van hun ziekbed opstaan... dan spreken zij van bedrog, zinsbegoocheling. onbekende natuurkrachten, halen de schouders op en lasteren voort. Zij bemerken niet, eilaas! dat zij alleen de slachtoffers zijn eener noodlottige zinsbegooche-
295
De Goddelijke beloften der H. Kerk
ling, dat zij het licht voor hunne oogen loochenen, moedwillig de dwaling aankleven en dat op hen nog het woord des Zaligmakers toepasselijk is : â Al zou zelfs een doode verrijzen, toch zullen zij hem niet gelooven.quot;
Wachten wij ons een zoo onredelijk als zondig gedrag na te volgen. Integendeel, vol dankbaarheid voor de oneindige goedheid Gods. laat ons Haar zegenen zoo dikwerf ze een bovennatuurlijk feit klaarder doet uitschijnen, en bij het schouwspel der tallooze wonderen waar onze XIX0 eeuw getuige van was, met den dichter uitroepen :
Was er wel ooit een tijd zoo rijk aan wonderheden?
Wanneer blonk de almacht Gods meer tastbaar uit dan heden?
LUI.
PIUS IX.
Pius IX. zaliger en roemrijker gedachtenis, was een dier Pausen welke de Voorzienigheid in de hachelijkste tijdsomstandigheden verwekt om het schip der Kerk door eene klippige zee te sturen en een vaste hand aan het roer te slaan, ondanks het geweld der winden en baren.
Hij volgde Gregorius XVI op, in 1846, juist toen het Liberalisme het toppunt zijner macht bereikt had. Ook schijnt zijne bijzondere zending geweest te zijn dien gevaarlijken vijand te bestrijden, hem doodelijke slagen toe te brengen, en zijn ondergang voorgoed voor te bereiden en te verhaasten.
Daartoe was het noodig hem het bedrieglijk masker af te rukken waarachter hij zich verborg om de volksgunst te winnen en de gemoederen te betooveren; daartoe moesten nog de geloovigen gewaarschuwd worden tegen zijne verderfelijke leerstellingen en tegen dezer besmetting beveiligd; daartoe, eindelijk, terwijl het Liberalisme al de
296
in dm loop der eeuwen.
bestanddeelen der burgerlijke maatschappij ging ontbinden en scheiden, moesten door eene tegenovergestelde werking de banden der Katholieke eenheid nauwer toegehaald en al de levenskrachten der Kerk rondom haar Opperhoofd worden samengetrokken.
Deze zending heeft Pius IX volbracht. Zijne ieeringen, zijn onwrikbaar verzet tegen al de rechtsverkrachtingen van zijnen tijd, zijne ongelukken en zijne zegepralen, de stralenglans zijner deugden, de weergalooze invloed en de wonderbare aantrekkingskracht die hij op de zielen uitoefende, â kortom, alles in zijn langdurig en roemvol pausschap heeft tot dat doel medegewerkt. Ook, toen hij na eene twee en dertigjarige regeering, de langste na die van den H. Petrus, ten grave daalde, kon men zeggen dat het Liberalisme, alhoewel schijnbaar zegevierend, doodelijk getroffen was.
Gregorius XVI had elke toegeving aan de Liberale denkbeelden en hervormings ontwerpen volstrekt van de hand gewezen. De valsche beginselen de;: nieuwe school had hi] uitdrukkelijk veroordeeld, en elke poging om ze in den pauselijken staat toe te passen had hij krachtdadig onderdrukt. Deze houding legden hem de omstandigheden op ; zij was, overigens, alleszins gewettigd en billijk. De aanhangers van het Liberalisme maakten er echter gebruik van om de Kerk met een schijn van reden voor te stellen als de onverzoenbare vijandin van allen vooruitgang en van alle vrijheden.
Pius IX, zonder in iets zijnen voorganger te laken, was van gevoelen dat hij, bij gelegenheid zijner troonsbestijging, de houding van het Pausdom tegenover de moderne maatschappij eenigszins mocht wijzigen. De waarheid is onveranderlijk, maar de handelwijze en de toepassing der grondbeginselen hangen grootendeels af van de omstandigheden. Zoo zullen wij later ook eene zekere verandering vinden
297
De Goddelijke beloften der II. Kerk
in de staatkundige richting van Leo XIII vergeleken met die van Pius IX.
Na dus zorgvuldig het ware van het valsche, het goede van het kwade gescheiden en vastgesteld te hebben, wat de godsdienst moet veroordeelen en wat hij kan goedkeuren of ten minste dulden, besloot Pius IX aan zijn volk een ruimer aandeel toe te staan in de bestiering der binnen-landsche aangelegenheden en der stoffelijke belangen ; hij verleende uitgebreider vrijheden op burgerlijk gebied en voor zoover zij niet aandruischen tegen de onveranderlijke geloofspunten en waarheden.
't Was gevaarlijk zulks te beproeven; Pius IX ontveinsde het zich niet, maar achtte het noodzakelijk om aan de gansche wereld te toonen dat de Kerk te allen tijde den waren vooruitgang en de rechtmatige en heilzame hervormingen bevordert, en het Liberalisme slechts bestrijdt ter oorzake zijner valsche leerstellingen en verderfelijke strekkingen.
Kort en beslissend was die proeve. De Liberalen en Vrijmetselaars, die den Paus wegens zijne hervormingen met geestdrift hadden toegejuicht in de ijdele hoop van hem verder mede te sleepen dan hij gaan wilde, maakten weldra misbruik van de hun geschonken vrijheden om, onder bedreiging van opstand, nog andere toegevingen te eischen, welke onvereenigbaar waren met het ware begrip en de onverjaarbare rechten des H. Stoels.
Was Pius IX edelmoedig geweest in het verleenen van rechtmatige hervormingen, hij toonde zich niet minder vastberaden in zijn weerstand aan de eischen der Vrijmetselarij. De kreten van liefde en bewondering der aanhangers van het Liberalisme veranderden aanstonds in een woest getier dat de uitdrukking was van hun toom en haat. Het oproer woedde in de straten van Rome; een schandelijke samenzwering werd in de duisternissen der
298
in dun loop der eeuwen.
vrijmetselaarsloges beraamd; ridder de Rossi, de eerste minister des Pausen, werd op de trappen van het wetgevend paleis met een dolk doorstoken en de woning zelve des Pausen met bloed bevlekt. De Stedehouder van Christus was de gevangene zijner onverzoenlijke vijanden. Om aan hunne woede te ontsnappen, zag hij zich genoodzaakt heimelijk te vluchten en de wijk te nemen bij koning Ferdinand van Napels.
De revolutie had haar masker afgedaan. Den grootmoedigen vorst, den doorluchtiger! Paus dien zij onlangs niet genoeg wist te prijzen en te huldigen, had zij met den snoodsten ondank betaald; zij had getoond dat het Liberalisme zich niet zoozeer ten doel stelt de vrijheid van het goed te veroveren dan wel aan alle kwade driften den vrijen loop te laten, ten einde zoo het goed te onderdrukken.
De vorsten van Europa, die ook zeiven de rampzalige uitwerksels van het Liberalisme hadden ondervonden, vernamen met verontwaardiging hoe schandelijk de Itali-aansche omwentelaars zich jegens den Paus gedragen hadden. Het gevaar waaraan 's Pausen leven had blootgestaan, had hen met angst bevangen; zij waren dan ook niet weinig verheugd, toen zij hoorden dat hij aan den dolk der sluipmoordenaars ontkomen was. Aanstonds beraamden zij middelen om hem op zijnen troon te herstellen.
Frankrijk echter voorkwam hen. Met die ridderlijks geestdrift welke het zoo dikwijls getoond heeft, trok het nogmaals den degen van Pepijn en Karei den Groote, en nam de edele taak op, de Italiaansche oproerlingen te kastijden, ze uit de stad Rome welke zij bezoedelden en onteerden, te verdrijven, en Pius IX in zijne Staten terug te voeren. Zoo werd de Fransche republiek het werktuig der Goddelijke Voorzienigheid om de Romeinsche republiek die zich door een heiligschennis in de hoofdstad der Christenwereld
299
Dt Goddelijke beloften der H. Kerk
gevestigd had, omver te werpen. Waarom bleef zij op dien glorievollen weg niet voortgaan !
De terugkeer van Pius IX was een weergaiooze triomf. Eenmaal van zijne verdrukkers bevrijd, gaf het Eomein-sche volk in de vervoering zijner vreugde de ondubbelzin-nigste blijken zijner verknochtheid aan den Paus, wiens liefderijk hart, wiens verheven en edelmoedige ziel het had leeren kennen, en dien het lijden der vervolging nog dierbaarder en eerbiedwaardiger gemaakt had, doorhem meer bijzonder te doen gelijken op Christus, zijn Goddelijken Meester (1850).
De Katholieken der gansche wereld deelden in de vreugde van het Romeinsche volk, en van toen af ontstond dat levendig gevoelen van innige gehechtheid en kinderlijke onderdanigheid aan het Pausdom, hetwelk wij van dag tot dag zullen zien toenemen gedurende de gansche regeering van Pius IX en overgaan tot betuigingen van liefde en verknochtheid, waarvan de geschiedenis der vorige eeuwen geen voorbeeld had opgeleverd.
Toen de rust hersteld was, omgordde Pius IX het zwaard der waarheid en der gerechtigheid om de Liberale dwalingen en de geheime genootschappen, oorzaak van al het kwaad, te brandmerken en te doemen. Voor de arme afge-dwaalden, die zich hadden laten misleiden, opende hij de armen der barmhartigheid en der vergiffenis. Vervolgens nam hij de tijdelijke rust waar, welke de Kerk thans genoot, om de bisschoppen van alle werelddeelen te Pi,ome bijeen te roepen en in hunne tegenwoordigheid de aloude en algemeen beleden geloofswaarheid der Onbevlekte Ontvangenis van Maria als geloofspunt uit te roepen.
Sedert de plechtige zittingen van het Concilie van Trente, had de Christenwereld nooit meer eene zoo talrijke en indrukmakende vergadering gezien als die welke Pius IX omringde, toen hij in al de pracht en den luister
300
in den loop der eeuwen.
zijner pauselijke waardigheid, met die hem aangeboren vorstelijke statigheid, van zijnen troon oprees en voor Rome en voor de wereld uitriep : quot; dat de Moedermaagd, in het vooruitzicht der oneindige, verdiensten van haren Godde-lijken Zoon, van het eerste oogenblik har er ontvangenis af, vrij is gebleven van de vlek der erfzonde. â
Een schallende jubelkreet steeg op uit de ontelbare menigte die zich in de St-Pieterskerk verdrong en beantwoordde aan de geloofsverklaring des Pausen. De vreugde waarmede het roemvolle voorrecht van Maria, de Moeder Gods en ook onze Moeder, alom begroet werd, was zoo groot en zoo algemeen, dat het helsche serpent, als hadde het den maagdelijken voet van Maria harder op zijn ge-pletterden kop voelen drukken, voor een tijd lang in de diepste kolken des afgronds scheen weggevlucht, om er zijne schande en vroede te verbergen (1854).
En inderdaad, niets stoorde de heerlijke betoogingen waarmede in 1855 de geloovigen der gansche wereld hunne liefde tot Maria betuigden. Als een loopvuur verbreidde zich de geestdrift van stad tot stad, van land tot land, tot aan de uiterste grenzen der aarde, en gaf zich allerwegen lucht in onvergetelijke feestelijkheden ter eere van Maria onbevlekt ontvangen.
Doch die rust en vreugde was van korten duur. De haat der hel ontbrandde met nieuwe woede, en de Eevolutie hernam weldra hare onderaardsche werking om Kerk en Pausdom omver te stooten. Het gelukte haar twee bond-genooten aan te werven: Victor Emmanuel, koning van Piëmont, met hem de kroon van het toekomstig koninkrijk Italië te beloven, en Napoleon III, keizer van Frankrijk, met hem onder doodsbedreiging zijne beloften van weleer te herinneren. Aanvankelijk scheen Napoleon III doof te blijven voor de bevelen der geheime genootschappen, maar toen liij de bommen van Orsini onder
301
802 Be Goddelijke beloften der H. Kerk
zijn rijtuig had hooren losbranden en den moordpriem der carbonaris boven zijn hoofd zag flikkeren, gaf hij toe en werd hij de keizerlijke handlanger van bandieten als Ca-vour. Mazzini en Garibaldi. Door die lafheid ontkwam hij, wel is waar, aan de wraakzucht der geheime sekten, maar stelde hij ook de eerste oorzaak van het verlies zijner kroon, van den val zijner dynastie en van Frankrijks ondergang.
quot;Wat de minister Cavour en de Vrijmetselarij voornamelijk in 't oog hadden, was de tijdelijke macht der Pausen te vernietigen en op hare puinen eenen troon op te richten voor den toekomstigen koning van Italië.
Men kan niets lagers en walgelijkere uitdenken dan de middelen die werden aangewend om dat goddeloos doel te bereiken. Woest geweld, schaamtelooze rechtsverkrachting, openlijke samenzwering, hoogverraad, volksopruiing, hinderlagen en gemeene rooverslisten: ziedaar wat men er aanhoudend aantreft. En dan durfden de bewerkers en opstokers dier schanddaden nog voor Europa optreden met een onschuldig gelaat en oprechtheid in hunne gevoelens en inzichten, eerbied voor den H. Vader, ja zelfs verkleefdheid aan Geloof en Godsdienst huichelen!
De oorlog door Napoleon III en Victor Emmanuel in 1859 aan Oostenrijk verklaard, was het eerste bedrijf van het heiligschendend drama, dat voor 't aanschijn van gansch Europa zou gespeeld worden en op den val en de inneming van Rome moest nitloopen. Eerst gaf men voor dat men de Romagna-provincies van de verdrukking der Oostenrijkers wilde bevrijden; onder dien dekmantel ging een Fransch-Sardisch legerkorps die provincies bezetten. Toen de oorlog voorbij was, wachtte men zich wel ze aan den Paus terug te geven ; de koning van Sardinië hield ze liever voor zich, palmde daarenboven Lombardië in, dat aan Oostenrijk ontroofd was geworden, en legde insgelijks
303
beslag op Toscane, Panna. Modena, wier vorsten door de omwenteling verdreven waren.
Pius IX zag duidelijk in, dat het schelmstuk te zijnen nadeele gepleegd, niet het laatste zou zijn; ook wist hij heel goed, dat zijn klachten geen gehoor zouden vinden ; hij kende immers de schaamtelooze kwade trouw van de vijanden der Kerk; â doch plicht gebood; hij moest de stem verheffen en het gekrenkte recht wraken; ook weerklonk zijne stem luid en krachtig, en teekende verzet aan tegen de heiligschendende verovering zijner Staten. Hij deed meer. Als Christus' Stedehouder sprak hij den banvloek uit tegen de overweldigers en, daar de machtigen der aarde hem alle hulp ontzeiden, beriep hij zich op de liefde en verkleefdheid zijner kinderen, om de rechten van den H. Stoel te verdedigen. Wel vermocht zijn stem niet de samenzweerders tegen te houden, die hun plan met een helschen haat wilden doorzetten, maar zij vond een trouwen weerklank in de harten zijner kinderen en aan zijnen oproep werd edelmoedig beantwoord.
Het heerlijk werk van den Sint-Pieterspenning ontstond als bij tooverslag in België, Frankrijk en Spanje, en bracht, reeds in 't eerste jaar, aanzienlijke sommen op. Als om strijd schonken de geloovigen hun milde aalmoezen, en de werklieden en de armen wilden voor de rijken in edelmoedigheid niet onderdoen; 't gold immers hun aller Vader.
Het werk van den Sint-Pieterspenning werd later versterkt en volledigd door de Nieuwjaarsgiften, en beide boden aan den zelfzuchtigen wereldling het heerlijk tafereel van de bovennatuurlijke levenskracht der Katholieke Kerk en van de onbegrensde liefde harer kinderen.
Dein, geld alleen was niet voldoende om in de noodwendigheden van den H. Stoel te voorzien; de Christen liefde eischte grooter offers, zij vroeg aan de kinderen der Kerk hun leven en bloed. Toen zag het verbaasd Europa, in alle
304 7gt; Goddelijk'' beloften der II. Kerk
landen, heldhaftige jongelingen opstaan, aan hun dierbaren vaarwelzeggen en naar Rome snellen, om de rechten van God en van Gods Kerk tegen de aanslagen der bandieten te verdedigen. quot; God toil het! â was de kreet der zouaven, die als nieuwe kruisvaarders, hun leven en bloed voor Pius veil hadden; quot; God uil het! â die kreet weerklonk én in de schamele hut des werkmans, én in de schitterende zalen der adellijke kasteelen; quot; God ivil het! â herhaalden tal van jongelieden wien de toekomst toelachte, die op het punt stonden met een schitterend examen hun hoogere studiën te voltrekken ; quot; God wil het! â antwoordde de van ontroering trillende stem van oudsoldaten die weer het bloed als verjongd in hun aderen voelden koken, en met den moed van voorheen het slagzwaard togen voor de heilige zaak van Gods kerk. quot; God wil het! â Ja die woorden weerklonken vurig en geestdriftig overal waar Katholieke harten klopten, in België, Frankrijk, Holland, Duitschland, Zwitserland, Spanje, Ierland, â en tot in Amerika !
Weldra waren ze met honderden, met duizenden, rond Plus' troon geschaard. De vijanden van den H. Stoel wilden aanvankelijk met dat onverwacht verschijnsel den spot drijven ; zij spraken van onwetendheid, kleingeestige dweperij ; die zouaven waren slechts huurlingen van den Paus. Huurlingen! alsof niet alle maatschappelijke standen daar vertegenwoordigd waren, alsof er geen honderden jongelieden van adellijken bloede in die heldhaftige lijfwacht des Pausen, met onverschrokken moed de karabijn droegen!
Weldra echter verstomde hunne laffe spotternij, want aan het hoofd dier keurbende traden mannen op als een graaf de Merode, een Pimodan, een generaal de Lamoricière, de held van Constantina, die zijn roemvollen degen omgordde en den Paus zijne diensten aanbood. Toen begre-
in den loop der eeuwen.
pen de omwentelaars, dat spotternij en smaad niet bestand waren tegen zulke krijgers, en bekroop hen de vrees, van hun zoo schrander beraamde plannen door het beleid van de Lamoricière, dien onverwachten, door Gods Voorzienigheid verwekten tegenstander, in duigen te zien vallen. De keurbende van den Paus zou, dat wisten ze, aangroeien; er was dan geen tijd te verliezen; zij moest onder 't getal verpletterd, vernield worden.
quot; Faites, mais faites vite ! â (1) had de keizerlijke bondgenoot van Cavour, Victor Emmanuel en Garibaldi gezegd; en onverwachts, zonder oorlogsverklaring, rukten zeventig duizend Piemonteezen de Pauselijke Staten binnen. Zij verpletterden, onder het overwicht van het brutaal geweld, het hoopje dapperen die in aller ijl kwamen toegesneld om aan de overweldigers den doortocht te versperren. Castelfidardo zag de bloedige worsteling en zijne velden waren overdekt met de lijken der gesneuvelde zouaven. Daar vielen die helden als martelaren op het veld van eer. Hun edel bloed zal ten eeuwigen dage der Kerk tot roem strekken, maar ook, zoolang de woorden recht en eer nog eenige beteekenis hebben, een onuit-wischbaar schandmerk op het voorhoofd der daders van dien laffen moordaanslag drukken.
Het tweede bedrijf van het schandig drama was afgespeeld ; den overweldigers bleef slechts de taak over, ook Rome en de vier omliggende provincies te overmeesteren.
305
De kopstukken rekenden op verraad, samenzwering en oproer om dit laatste deel van hun programma uit te voeren. Drie hinderpalen stonden hun daartoe in den weg. Vooreerst bleef het Romeinsche volk zijnen Paus-Koning getrouw, en vermenigvuldigde het zijne liefdeblijken, naarmate de haat en de vervolgingszucht der boozen hooger
(ij Doet, maar doet gauw I
20
De Goddelijke beloften der H. Kerk
stegen. Dan, het heldhaftige zouavenkorps had de leemten, door den oorlog veroorzaakt, aangevuld, en hield de wacht om den H. Vader, dien het tot den laatsten druppel bloeds wilde verdedigen. Ten derde, eene Fransche legerafdeeling hield verblijf te Rome en deze kon uit eergevoel de pauselijke soldaten niet onder hare oogen laten vermoorden.
Een nieuwe trouweloosheid verwijderde weldra dezen laatsten hinderpaal. Den 15 September 1864 werd tusschen Napoleon III en Victor Emmanuel een verdrag gesloten ; naar luid van de vastgestelde bepalingen, nam Victor Emmanuel den titel van koning van Italië aan, bracht hij zijne hoofdstad van Turijn naar Florencië over en verbond hij zich niets meer te ondernemen tegen Rome en het erfgoed van St-Pieter. dat het onschendbaar eigendom van den Paus moest blijven. De keizer, van zijnen kant, verbond zich zijne troepen, die te Rome waren, naar Frankrijk terug te roepen. Maar de gebeurtenissen zouden weldra het afdoend bewijs leveren, dat dit verdrag, door de onderteekenaars aan Europa voorgesteld als een bepaalde oplossing der Romeinsche quastie, slechts een schandige list was die men beraamd had om de Fransche troepen met ee n zweem van eerlijkheid te kunnen terugroepen en aan de magon-nieke samenzweringen vrijen loop te laten. Wat bezwaar kan trouwens het schenden van een tractaat opleveren voor een bestuur dat honderdmaal de plechtigste eeden verbroken, de heiligste familiebanden en de gegeven trouw met voeten getreden, de wettige vorsten van Italië van hun goederen beroofd had, en door verraad en ondank zijn plannen placht te doen gelukken.
De groote Paus doorschouwde de sluwe berekeningen der omwenteling; hij begreep dat de Pilatus der nieuwere tijden hem aan zijne doodvijanden had overgeleverd ; met kalme gelatenheid ging hij het stijgend gevaar te ge-moet, evenals zijn Goddelijke Meester, den dood; en ondanks
306
in den loop der eeuwen.
de bedreigingen, achtte hij het zich ten plichte nogmaals de stem te verheffen en nog eens aan de wereld de zaligmakende leer der -waarheid en rechtvaardigheid te verkonden. Den 8 December van hetzelfde jaar gaf hij zijn merkwaardige Encycliek Quanta Cura en den Syllabus uit, waarin hij opnieuw de Liberale dwalingen veroordeelde en de goddelooze beginselen brandmerkte, welke men voor-uitzette om den oorlog tegen den godsdienst en den H. Stoel te rechtvaardigen.
Dat bij de vijanden een orkaan van smaadwoorden en razende woedekreten losbarstte, kan men licht gissen: âHoelang nog,quot; brulde de Vrijmetselarij, âzal die grijsaard ons van op zijn vermolmden en wankelenden troon blijven tarten ? hoelang zal ons geduld hem de moderne samenleving laten trotseeren ? breken ivij in zijn zwakke handen die machtelooze banbliksems, waarmede hij ons bedreigt, en sluiten wij voorgoed den mond die slechts veroordeeling en banvloek uitbraakt.quot;
Onmiddellijk begonnen de volksopruiingen en de samenzweringen met verdubbelde woede.
Beschermd door de Piemonteezen, stortten wilde roo-versbenden van alle zijden op de Romeinsche provincies. Hun tocht was een alles vernielende storm, die niets spaarde, maar overal rampen stichtte en puinen achterliet. Zelfs te Rome, zwerven bezoldigde sluipmoordenaars en oproermakers rond, ruien het volk tegen de overheid op, werpen bommen wier ontploffing een algemeenen schrik verspreidt, doen de kazerne Serristori in de lucht springen en begraven dertig pauselijke zouaven onder de puinen harer muren. Het uur scheen dus gekomen dat de omwenteling een einde zou stellen aan de wereldsche macht des Pausen. Hoe zou immers het klein pauselijk leger kunnen weerstand bieden, daar het van binnen en van buiten besprongen werd, omgeven was van verraders en bij eiken
307
308 De Goddelijke beloften der II. Kerk
stap aan hinderlagen blootgesteld? Maar de Voorzienigheid had er anders over beschikt. Het uur was nog niet geslagen dat de machten der duisternissen hun helsch plan zouden mogen uitvoeren. De groote Paus Pius IX had nog eene uitnemende taak te vervullen alvorens zijnen troon te zien nederstorten, te weten; het beleggen van het Vati-caansch Concilie. Daarom verleende God aan zijne veide-digers eene onverhoopte overwinning. Gedurende zes weken vochten de zouaven met onbezweken moed, zij dempten het oproer te Rome en herstelden er de openbare rust. Buiten de Eeuwige Stad versloegen zij herhaaldelijk de benden van Garibaldi en, toen deze zelf aan het hoofd van al zijne macht aanrukte, onderging hij teMentana eene beslissende nederlaag. Daarna keerden de zegevieiende zouaven naar Rome terug waar zij met een onbeschrijfelijke geestdrift door de bevolking onthaald werden. (1867).
De heldhaftige wederstand der pauselijke soldaten redde aldus voor eenigen jaren het tijdelijk koningschap van Pius IX. Niet alleen had hij den woedenden aanval van duizenden gebroken, maar hij noodzaakte nog de Italiaan-sche regeering te laten zien hoe zij de omwentelaars ondersteunde ter spijt van het verdrag in 1865 met Frankrijk aangegaan. Het is heden klaar bewezen dat de Garibaldisten de Staten van den H. Vader overrompelden alleen om den weg te banen voor het leger van Victor Emmanuel. Zij moesten de zouaven uiteendrijven, Rome innemen en dan zou de Italiaansche vorst komen toegesneld onder voorwendsel van de openbare oide te handhaven. /lt;oo had hij in 1860 gehandeld met het koninkrijk Napels, zoo meende hij nogmaals te handelen met Rome. Eenmaal in de hoofstad der Katholieke wereld gevestigd, zou hij gemakkelijk het middel vinden om er te blijven. Frankrijk zou wel oogenschijnlijk verzet aanteekenen tegen de schending van het hem verpande woord, maar nimmei
in den loop der eemven.
zou het er toe besluiten om door de kracht der ⢠wapenen den overweldiger uit Rome te jagen.
Doch, tot het welgelukken van dit snoode plan was een snelle uitvoering noodzakelijk ; in eenige dagen moest de zaak beslist zijn, wilde men aan Frankrijk niet den tijd laten om voor de inneming van Rome een leger derwaarts te zenden. Dank aan de zouaven werd dit plan verijdeld. De worsteling duurde weken in plaats van dagen,, en het werd duidelijk dat Garibaldi niet bij machte was om den kleinen heldentroep te overwinnen, al stelde hij ook tien man tegen éénen. Keizer Napoleon III, na lang talmen en dralen, zag zich ten laatste gedwongen of openlijk de medeplichtige van Italië te worden in deze schandelijke kuiperijen of wel de verdediging van zijne eer en van den H. Stoel in handen te nemen. Door zijn eigen volk voortgestuwd, ging Napoleon tot het laatste over en zond eene legerafdeeling naar Rome die er daags voor den veldslag van Mentana aankwam.
Middelerwijl was ook het Italiaansche leger de grenzen overgetrokken om Garibaldi ter hulp te snellen en, zoo mogelijk, nog voor de Franschen Rome te bezetten. Het kwam intijds om de verstrooide benden van Garibaldi te redden, maar te laat om Rome, waar reeds de vaan van Frankrijk op de muren wapperde, te overmachtigen. Met schande beladen moesten nu de Italianen aftrekkeu en de rust en de veiligheid herleefden in de Pauselijke Staten.
De benauwdheid, door die gebeurtenissen veroorzaakt, was nauwelijks ten einde of Pius IX zond aan alle Katholieke Patriarchen, Aartsbisschoppen en Bisschoppen der gansche wereld de bulle waardoor hij eene algemeene Kerkvergadering belegde, welke den 8 December 1869 in het Vaticaansch paleis moest geopend worden.
Het Vaticaansch Concilie: ziedaar gewis de grootste gebeurtenis van het glorierijk Pausschap van Pius IX en van
309
De Goddelijke beloften der H. Kerk
de godsdienstige geschiedeuis in de XIX0 eeuw. Hebben de oecumenische Conciliën sedert de stichting der Kerk altijd eene voorname plaats ingenomen in hare jaarboeken, zoowel onder het opzicht van de ontwikkeling der geloofsleer als van den vooruitgang des Evangelies in de wereld, is hunne providentiëele rol hoofdzakelijk geweest de twistpunten opliet gebied van den Godsdienst weg te ruimen, de veroordeelingen der ketterijen onherroepelijk te maken en onder de geloovigen de volmaakte eenheid van geloof en de volkomen onderwerping aan het oppergezag te herstellen, wie ziet dan niet dat de Vaticaansche Kerkvergadering in onzen tijd eene der schitterendste betoogingen is geweest van de Voorzienigheid ten gunste der Kerk? â Kooit was er een Concilie zoo talrijk aan leden, zoo vrij in zijne beraadslagingen, zoo eenparig in zijne uitspraken betreffende de geloofsleer: -â nooit gaf de Kerk zulk een bewijs van hare algemeenheid en eenheid. Toen de Vaticaansche Kerkvergadering de ware leer over God, den Schepper van alle dingen, over de Openbaring, het Geloof en de wederzijdsche verhoudingen tusschen het Geloof en de rede uiteenzette, in dogmatische stellingen samenvatte en aan de wereld verkondigde ; â toen zij den banvloek uitsprak over de materialistische, pantheïstische, rationalistische en andere leerstellingen welke die grondslagen zelve van den godsdienst vernietigen, â toen waren daar, om Pius IX, den Stedehouder van het onzichtbaar Opperhoofd der Kerk, bijna zevenhonderd Kardinalen, Patriarchen, Aartsbisschoppen en Bisschoppen geschaard, dezelfde leerpunten belijdende en leerende, dezelfde banvloeken uitsprekende tegen dezelfde dwalingen.
Een feit dient hier bijzonder te worden opgemerkt.
Het Concilie had zijne werkzaamheden met zorg geregeld en geordend; doch, door onvoorziene omstandigheden, werd liet genoodzaakt de dagorde te wijzigen en zich op de
310
in dm loop der eeuwen.
eerste plaats met liet gewichtig vraagstuk van de onfeilbaarheid des Pausen bezig te houden.
Deze waarheid heeft altijd deelgemaakt van de leer der Kerk ; het was slechts in de XVIh' eeuw dat een aanzienlijk gedeelte van het Fransch episcopaat, om aan koning Lodewijk XIV te behagen, de stelling verdedigde dat de uitspraken des Pausen alleen na de toestemming en bijtreding der Bisschoppen onomstootelijk en onfeilbaar zijn. Zoodoende keerden zij de rollen om en kenden zij den opvolgers der Apostelen de zending toe, hun opperhoofd inliet geloof te versterken, terwijl Onze Heer Jezus-Chris-tus den H. Petrus belast heeft zijne Droederen te versterken. Van den beginne af werd die dwaling door de Pausen gedoemd en met kracht wedeiiegd. Daar zij in Frankrijk geleerd en beleden werd, droeg zij den naam van Gcdlica-nisme en had weinig aanhangers buiten dit land, waar zij ook zeer vele en zeer invloedrijke tegenstanders aantrof. Men meende zelfs dat zij ging wegsterven in de XIXe eeuw onder de doodelijke slagen, haar toegebracht door mannen als de Maistre en de Bonald, ja, zelfs door den ongelukkigen de Lamennais met zijne doorluchtige leerlingen de Monta-lembert en Lacordaire, toen zij eensklaps herleefde en gevaarlijker scheen dan ooit.
Wat was er dan voorgevallen ? â Pius IX had zekere Liberale dwalingen gedoemd, waaraan eene bij de Katholieke vermaarde school zich maar al te zeer gehecht had. Moest men nu vaarwelzeggen aan leerstellingen die men zoo lang geliefkoosd, vurig en met overtuiging verdedigd had, en waarvan men, door eene edelmoedige begoocheling het heil der moderne maatschappij en een nieuwen triomf voor de Kerk verwachtte ? â Neen, er was een middel om aan die noodzakelijkheid te ontsnappen, dat middel was het Gallicanisme. âDe Paus, zeide men, is slechts onfeilbaar na de toestemming der Bisschoppen; welnu, deze toestem-
311
Be Godddijke beloften der II. Kerk
de godsdienstige geschiedenis in de XlXc eeuw. Hebben de oecumenische Conciliën sedert de stichting der Kerk altijd eene voorname plaats ingenomen in hare jaarboeken, zoowel onder het opzicht van de ontwikkeling der geloofsleer als van den vooruitgang des Evangelies in de wereld, is hunne providentiëele rol hoofdzakelijk geweest de twistpunten op het gebied van den Godsdienst weg te ruimen, de veroordeelingen der ketterijen onherroepelijk te maken en onder de geloovigen de volmaakte eenheid van geloof en de volkomen onderwerping aan het oppergezag te herstellen, wie ziet dan niet dat de Vaticaansche Kerkvergadering in onzen tijd eene der schitterendste betoogingen is geweest van de Voorzienigheid ten gunste der Kerk? â Nooit was er een Concilie zoo talrijk aan leden, zoo vrij in zijne beraadslagingen, zoo eenparig in zijne uitspraken betreffende de geloofsleer: â nooit gaf de Kerk zulk een bewijs van hare algemeenheid en eenheid. Toen de Vaticaansche Kerkvergadering de ware leer over God, den Schepper van alle dingen, over de Openbaring, het Geloof en de wederzijdsche verhoudingen tusschen het Geloof en de rede uiteenzette, in dogmatische stellingen samenvatte en aan de wereld verkondigde ; -- toen zij den banvloek uitsprak over de materialistische, pantheïstische, rationalistische en andere leerstellingen welke die grondslagen zelve van den godsdienst vernietigen, â toen waren daar, om Pius IX, den Stedehouder van het onzichtbaar Opperhoofd der Kerk, bijna zevenhonderd Kardinalen, Patriarchen, Aartsbisschoppen en Bisschoppen geschaard, dezelfde leerpunten belijdende en leerende, dezelfde banvloeken uitsprekende tegen dezelfde dwalingen.
Een feit dient hier bijzonder te worden opgemerkt.
Het Concilie had zijne werkzaamheden met zorg geregeld en geordend; doch. door onvoorziene omstandigheden, werd het genoodzaakt de dagorde te wijzigen en zich op de
310
in den loop der eeuwen.
eerste plaats met het gewichtig vraagstuk van de onfeilbaarheid des Pausen bezig te houden.
Deze waarheid heeft altijd deelgemaakt van de leer der Kerk ; het was slechts in de XVIIe eeuw dat een aanzienlijk gedeelte van het Fransch episcopaat, om aan koning Lodewijk XIV te behagen, de stelling verdedigde dat de uitspraken des Pausen alleen na de toestemming en bijtreding der Bisschoppen onomstootelijk en onfeilbaar zijn. Zoodoende keerden zij de rollen om en kenden zij den opvolgers der Apostelen de zending toe, hun opperhoofd in het geloof te versterken, terwijl Onze Heer Jezus-Chris-tus den H. Petrus belast heeft zijne broedereà te versterken. Van den beginne af werd die dwaling door de Pausen gedoemd en met kracht wedeiiegd. Daar zij in Frankrijk geleerd en beleden werd, droeg zij den naam van Gallica-nisme en had weinig aanhangers buiten dit land, waar zij ook zeer vele en zeer invloedrijke tegenstanders aantrof. Men meende zelfs dat zij ging wegsterven in de XIX® eeuw onder de doodelijke slagen, haar toegebracht door mannen alsdeMaistre en de Bonald, Ja. zelfs door den ongelukkigen de Lamennais met zijne doorluchtige leerlingen de Monta-lembert en Lacordaire, toen zij eensklaps herleefde en gevaarlijker scheen dan ooit.
Wat was er dan voorgevallen ? â Pius IX had zekere Liberale dwalingen gedoemd, waaraan eene bij de Katholieke vermaarde school zich maar al te zeer gehecht had. Moest men nu vaarwelzeggen aan leerstellingen die men zoo lang geliefkoosd, vurig en met overtuiging verdedigd had, en waarvan men, door eene edelmoedige begoocheling het heil der moderne maatschappij en een nieuwen triomf voor de Kerk verwachtte ? â Neen. er was een middel om aan die noodzakelijkheid te ontsnappen, dat middel was het Gallicanisme. âDe Paus, zeide men, is slechts onfeilbaar na de toestemming der Bisschoppen; welnu, deze toestem-
811
De Goddelijke beloften der H. Kerk
ming is niet gegeven ; dus kunnen wij onze denkwijzen nog volhouden zonder in ketterij te vallen.quot; Droevige afdwaling van edele geesten, betreurenswaardige verblinding door den hoogmoed gebaard !
Toen het Concilie was aangekondigd, begreep die school dat hare veroordeeling er uit kon voortvloeien door de definitie van 's Pausen onfeilbaarheid. Aanstonds begon zij luidruchtig uit te varen tegen deze geloofsverklaring die zij als ongepast en ontijdig afschilderde ; zij schaamde zich niet, om haar doel te bereiken, de medewerking in te roepen van de vijanden der Kerk, van de Protestanten, Schis-matieken, goddeloozen en van de regeeringen die geboren tegenstanders waren van alle hooger gezag dan het hare. Alsdan zag men ongehoorde dingen en smartvolle schandalen. Oude kampvechters van den H. Stoel en van zijne verheven voorrechten, verklaarden zich tegen de definitie van een geloofspunt dat zij zeiven beleden hadden, spanden samen met deszelfs tegenstanders van alle slag en durfden hunne toevlucht nemen tot middelen die zij, in elke andere gelegenheid, de eersten zouden geweest zijn om te schandvlekken.
De uitslag hunner pogingen was gansch het tegenovergestelde van hetgeen zij gehoopt hadden, want volgens de opmerking van een uitstekend kerkvoogd, maakten zij noodzakelijk hetgeen zij ontijdig genoemd hadden: Quod inopportunum dixerunt, necessarium fecerunt. Noodzakelijk immers werd het, een einde te stellen aan die allesbehalve godsdienstige woelingen, welke zich van lieverlede uitbreidden en het geweten der geloovigen diep verontrustten. Daarom werd, op de uitdrukkelijke aanvrage van de vaders van het Concilie, het vraagstuk van 's Pausen onfeilbaarheid vooropgesteld, en, na rijpe beraadslaging, plechtig als een artikel van ons geloof uitgeroepen en voorgehouden in de openbare zitting van den 8 Juli 1870. Zie-
312
in den loop der eeuwen.
hier de bewoordingen dier definitie. âSteunende op de sedert den oorsprong van het Christen geloof ontvangen Overlevering en ten einde Onzen Goddelijken Zaligmaker te verheerlijken, den Katholieken Godsdienst te verheffen en de Christen volken zalig te maken, lenen en verklaren Wij met de goedkeuring der Kerkvergadering, dat het een door God geopenbaard geloofspunt is dat de Roomsche Paus, ivanneer hij ex cathedra spreekt, â d. w. z. wanneer hij zijne bediening als herder en leeraar aller Christenen verrichtende, krachtens zijn apostolisch oppergezag, een leerstuk in zake van geloof of zeden vaststelt als moetende gehouden icorden door de algemeens Kerk, â dank aan den Goddelijken bijstand hem in den Gelukzaligen Petrus beloofd, die onfeilbaarheid zelve bezit waarmede de Goddelijke Verlosser zijne Kerk heeft willen bekleeden voor de definities van het geloof en van de zeden; dat hijgevolg zulke definities van den Boomschen Paus onhervormelijk zijn door zich zelve en niet door de goedkeuring der Kerk.
Zoo iemand, hetgeen God verhoede, de vermetelheid had deze onze verklaring tegen te spreken, hij zij in den ban der Kerk.quot;
Van den dag der definitie af aan, onderwierpen zich bijna alle tegenstrevers en bekrachtigden zij de veroordeeling hunner oude dwalingen. Hun geweten nam de overhand op de schoolvooroordeelen en de noodlottige ingevingen van den hoogmoed. Door hunne vaardige gehoorzaamheid herstelden zij eene te lange hardnekkigheid van denkwijze. Eenige hunner evenwel, in Duitschland en Zwitserland, poogden eene nieuwe sekte te vormen onder den naam van Oudkatholieken. Doch in weerwil van den machtigen steun van het Duitsch keizerrijk en van de radicalen van Geneve, vonden zij slechts een kortstondigen bijval. Hunne sekte sterft heden ten dage weg in de schande en de algemeene verachting. Zoo groot is de kracht van eenheid in do Kerk
313
Hl-i Da Goddelijke beloften der H. Kerk
van Jezus-Christus. zoo groot de getrouwheid van het Episcopaat en de onderdanigheid der geloovigen, dat onze eeuw, al is zij ook getuige geweest van vele goddelooze leerstelsels en van menigvuldige schandalen, tot dusverre niet éénen aartsketter heeft kunnen voortbrengen zooals de vorige eeuwen, noch door vervolging of verleiding een merkel ijken afval teweegbrengen in de geestelijkheid of in het Katholieke volk.
's Daags na de definitie der onfeilbaarheid, als haddeG-od dit oogenblik afgewacht om Europa te teisteren, brak een schrikbarende oorlog uit tusschen Frankrijk en Duitsch-land. Het Concilie werd voorloopig geschorst en de Bisschoppen keerden inderhaast naar hunne diocesen terug om meer van nabij over hunne kudde te waken.
Wij kennen de ijselijke rampen die Frankrijk troffen voor al het kwaad dat het aan de kerk gedaan had of had helpen doen. Nauwelijks had de Italiaansche regeering vernomen dat het gedaan was met het rijk van Napoleon III die overwonnen en gevangen was, en dat zij niets meer te vreezen had van wege Frankrijk dat, badend in zijn bloed, tevergeefs nog spartelde tegen zijn zegepraienden vijand, of zij vergat al hare beloften en zond een ontzaglijk heir op Rome af. Den 20 September drong de overweldiger door de bres der Porta Pia de stad binnen, verklaarde den Paus vervallen van zijnen troon en maakte van de hoofdstad der Christenwereld de hoofdstad van het koninkrijk Italië. Weenend zegende Pius IX een laatste maal zijne getrouwe soldaten die tranen stortten omdat zij voor de verdediging van hunnen Vader niet hadden kunnen sterven. Het uur der duistere machten was geslagen, de Plaatsvervanger van Jezus-Christus was in de handen zijner vijanden.
Nog andere smarten kwamen de groote ziel van Pius IX overstelpen. Nauwelijks was het Duitsche keizerrijk hersteld of het liet zich door den hoogmoed verblinden en
in den loop der eeuwen.
verklaarde zonder reden een onverzoenlijken oorlog aan den Katholieken godsdienst ; het Schismatieke Rusland toonde zich hoe langer hoe wreeder jegens het ongelukkige Polen, wiens enkele misdaad hierin bestond dat het Katholiek wilde blijven; onder de Katholieke Armeniërs van Turkije ontstond er een schisma dat den zoo deerniswaar-digen toestand der Oostersche Christengemeenten nog verslimmerde ; Frankrijk onder den druk zijner ongehoorde rampen scheen eene wijle bereid om als Katholieke natie op te treden, maar het vergat al te ras de verschrikkelijke les welke het pas gekregen had en liet zich andermaal door de goddeloosheid en regeeringloosheid medesliepen ; uit Amerika kwamen tijdingen waarvan de eene al treuriger luidde dan de andere ; daar vervolgde do Vrijmetselarij den godsdienst in de meeste republieken van het Zuiden en, ten jare 1877, vernam men dat de heldhaftige Garcia Moreno, president van Ecuador, de eenige waarlijk Katholieke vorst van de gansche wereld, zoo getrouw aan God en Kerk als verknocht aan zijn vaderland, door eenige sluipmoordenaars op bevel der Vrijmetselarij vermoord was geworden. Weinige dagen vroeger, had Garcia Moreno aan Pius IX geschreven dat men hem met den dood bedreigd had, maar dat hij zich gelukkig zou achten, zijn bloed te vergieten voor de belangen van het Geloof. Te Rome ontving men de tijding van den dood des doorluchtigen martelaars terzelfder tijd als den verheven brief die zijn laatsten kreet van liefde jegens het Opperhoofd der Kerk en, in zekeren zin, zijn testament geweest was.
Ja, het uur der duistere machten was geslagen, een wind van vervolging waaide over de gansche wereld, â en Pius IX moest het einde van den storm niet beleven.
't Was op den 7 Februari 1878 dat de Paus der Onbevlekte Ontvangenis en der onfeilbaarheid, de onverschrokken beschermer der verdrukten, de hamer van het Libera-
315
316 De Goddelijke beloften der II. Kerk
lisme, de Paus die zoo bemind was van alle geloovigen en zoo gehaat door alle boozen, â den geest gaf in het Vati-caan, in den ouderdom van 86 jaren. Na een buitengewoon pausschap van twee en dertig jaren roem en lijden, kon hij stervende met den H. Gregorius VII uitroepen : âIk heb de rechtvaardigheid bemind en de ongerechtigheid gehaat, daarom sterf ik in de gevangenschap.quot;
Het lichaam van Pius IX berust te Eome in de kerk van den H. Laurentius buiten de muren. Een eenvoudig en nederig gedenkstuk bedekt zijn stoffelijk overschoten heeft voor opschrift: Ossa el cineres PU IX Papce, vixit an. LXXXV, inpontificatu an. XXXI, m. VII, d. XXII. â Orale pro eo. (Beenderen en assche van Pius IX, Paus ; hij leefde vijf en tachtig jaren, als Paus een en dertig jai'en, zeven maanden en twee en twintig dagen. â Bidt voor hem.)
De groote Paus, door een laatsten trek van nederigheid, had zelf dit eenvoudig opschrift opgesteld en voorgeschreven dat men niet meer dan twee duizend frank aan zijnen grafsteen mocht besteden. Doch hij kon niet beletten dat de onderaardsche kerk, waar zijne tombe oprijst, met rijke mozaïeken versierd werd en dat men er in gouden letters deze prachtige lofrede neerschreef door Leo XIII na zijne troonbestijging uitgesproken ; â Virtutum suarum splendore apostolicam sedem iUustravil, Universam Eccle-siam amore et admiratione sni implevit, pro veritate etjus-lilia invicto semper animo certavit, magnis lahonbus in Christiana republica administranda est in exemplo perfunc-lus.quot; Dat wil zeggen : âHij heeft den Apostolischen Stoel door den glans zijner deugden opgeluisterd, de algemeene Kerk met liefde en bewondering voor zijn persoon vervuld, met onverwinbaren moed steeds voor waarheid en recht gestreden, en was door zijne groote werken in het bestuur van het Christelijk gemeenebest aan het nageslacht ten voorbeeld.quot;
in den loop der eeuwen.
LIV.
GARCIA MOEENO.
Indien een groot vernuft en een stalen wil, een edel ka-racter gepaard aan ware zielegrootheid, een verhevene deugdsbeoefening zoowel in 't bijzonder als in 't openbaar leven, een moedige en krachtdadige liefde voor al wat goed is, eene grenzenlooze verknochtheid aan 't vaderland en eene volstrekte zelfopoffering aan de belangen van den godsdienst, indien onschatbare diensten aan een en ander bewezen ten koste van eigen rust en geluk en ten laatste met den marteldood bekroond..., recht geven op de erkentelijkheid van het nageslacht en op der ,helden onsterfelijken roem, â zoo kan niemand in onze eeuw er rechtmatiger aanspraak op mal-cen dan Garcia Moreno.
Garcia zag het levenslicht in 't jaar 1821, in de republiek Ecuador. Op dertigjarigen leeftijd werd hij verbannen omdat hij de hatelijke dwingelandij .der Vrijmetselaars, die zijn vaderland verdrukten, had durven schandvlekken. Hij week uit naar Europa en vestigde zich te Parijs waar hij zijne uitgestrekte wetenschappelijke kennissen volledigde. Het was ook te Parijs dat hij bepaald een vroom, ja zelfs heilig leven begon te leiden. Ziehier hoe de Voorzienigheid er hem toebracht zich voortaan geheel toe te wijden aan de verdediging van het goed en zich niet tevreden te stellen met een alledaagsche Christelijke deugd. In een vriendenkring viel het gesprek op een bekenden persoon die gestorven was zonder de H. Sacramenten te willen ontvangen. Garcia Moreno laakte dit gedrag als onwaardig en goddeloos. âEn yvj dan. vroeg hem schertsend een zijner makkers, wanneer zyjt gij wel de laatste maal te biechten gegaan ? quot;
Deze spotvraag drong Garcia als een vliemende pijl diep
317
818 De Goddelijke beloften der H. Kerk
in het hart. Zonder te antwoorden stond hij op en verliet het gezelschap. Op zijne kamer gekomen, herdacht hij zijn vorig leven en moest zich zeiven bekennen dat, al had hij nooit de vervulling der Christelijke plichten verwaarloosd, hij evenwel niet altoos geweest was wat een oprecht Katholiek zijn moet. Een hevige worsteling greep alsdan in zijn binnenste plaats tusschen de natuur en de genade. De genade zegepraalde en Garcia Moreno ging zonder uitstel aan de voeten van een priester nederknielen, sprak een algemeene biecht en leefde van stonden aan als een heilige.
In 1856 werd hij naar zijn vaderland teruggeroepen en leeraar der ontleedkunde benoemd bij de hoogeschool van Quito, hoofdstad van Ecuador, 't Volgend jaar droeg men hem het rectoraat op derzelfde hoogeschool. In 1859, koos hem de behoudende partij tot haren candidaat voor het voorzitterschap der republiek, en stelde hem voorloopig aan 't hoofd van 's lands bestuur. De Liberale partij, opgestookt door de Vrijmetselaars, verwekte alsdan oproer en zette geheel het land overhoop. Garcia Moreno werd in een gevecht verslagen, gevangen en onmiddellijk ter dood veroordeeld. De uitvoering van dit vonnis moest den volgenden dag geschieden. Maar 's nachts te voren, werd Garcia uit zijn rustigen slaap gewekt door het gerucht dat de vijanden maakten terwijl zij hunne zegepraal in woeste slemperijen vierden. Onze held viel op de knieën in eenen hoek van de hut die hem tot gevangenis verstrekte, en begon vurig te bidden. De eenige soldaat welke met zijne bewaking belast was aanschouwde niet zonder innerlijke ontroering deze vrome handeling. Eensklaps staat Garcia Moreno op, gaat recht op den schildwacht toe en vraagt hem op gestrengen toon : âAan ivie hebt gij getrouwheid gezworen?quot; â âAan den President,quot; antwoordt de schildwacht. â âIk ben de wettige President,quot; herneemt Garcia, en met een ontzag-
in den loop der' eeuiccn.
wekkende stem, verwijt hij aan den soldaat zijne meineedig-heid, toont iiem de grootheid zijner misdaad en bedreigt hem met de gramschap des Heeren. De soldaat verschrikt, valt op de knieën en vraagt vergiffenis. âJA- zal u vergiffenis schenken, zegt Moreno, indien gij mij gehoorzaamtquot; â âIk ben bereid tot alles, gebied en ik zal doen wat ik kan,quot; stamelt.de soldaat. â Welnu, help mij dan uit het kamp der opstandelingen.''
De stoute onderneming gelukte, en de overblijvende uren van den nacht werden door onzen held besteed om van dorp tot dorp de weerbare mannen te wapen te roepen. Aan de spits dezer strijdmacht rukt Garcia tegen zijne vijanden op, verrast hen terwijl zij nog in den slaap der dronkenschap gedompeld liggen, neemt de kopstukken gevangen, slaat neer die wederstand bieden en jaagt de overigen op de vlucht. De inneming van Guayaquil stelt voorgoed een einde aan het oproer en, in 1861, wordt Moreno door het congres der afgevaardigden bij toejuiching tot voorzitter der republiek uitgeroepen.
Nu was het oogenblik gekomen om de grootsChe plannen die onze held rijpelijk beraamd had ten uitvoer te brengen. Eerst en vooral moest de rust en vrede zoo binnen als buiten het land hersteld worden. Garcia Moreno verkreeg spoedig de inwendige rust door eene onverbiddelijke strengheid in het beteugelen van elke poging tot oproer.
Die strengheid was noodzakelijk, wilde hij de wet, waarborg der openbare orde, doen eerbiedigen. Den buitenland-schen vrede bekwam hij insgelijks door zijne krachtdadige houding en tevens rechtvaardige optreding tegenover de omliggende Staten, die maar al te dikwijls de Vrijmetselaars in de hand werkten en hunne kuiperijen begunstigden. De nieuwe president van Ecuador liet zien dat men hem niet om den tuin kon leiden met huichel-woorden en schijnbeloften. Zijne geburen hadden dus te
319
320 De Goddelijke beloften der H. Kerk
kiezen of zijne vriendschap met wederkeerige vriendschap te beantwoorden, ofwel hem openlijk den oorlog te verklaren. Daar dit laatste niet zonder gevaar voor hen kon geschieden, verkozen zij voorloopig vriendschappelijke betrekkingen met de regeering van Ecuador aan te knoopen.
Vrij van dezen kant, legde de voorzitter zich toe op de herinrichting van het geldwezen dat, tengevolge der langdurige onlusten en omwentelingen, er deerlijk uitzag. Garcia nam grondige maatregelen, die weldra de schatkist van den Staat, tot dan toe regelmatig leeggeplunderd, aanvulden. Hij zelf gaf het voorbeeld der belangeloosheid, eerlijkheid en spaarzaamheid die hij van al de beambten streng vereischte. De aldus verkregen geldmiddelen werden vervolgens besteed tot het aanleggen van wegen, tot het bouwen van gestichten, tot het aanmoedigen van akkerbouw, koophandel en nijverheid. Desnoods liet hij vreemde bouwmeesters en werklieden komen om aan de inlanders de kunsten en ambachten te leeren welke zij nog niet kenden.
De Vrijmetselarij had tot dan toe de Kerk op onwaardige wijze gekneveld en verdrukt: Garcia Moreno gaf haar de volle vrijheid weder en sloot met Pius IX een concordaat krachtens hetwelk de Staat alleen als beschermer en voorstander van den godsdienst optreedt, niet als meester of dwingeland. Daarbij immers moet zich de tijdelijke macht bepalen op zedelijk en godsdienstig gebied. Hare rol is niet in zaken van geloof wetten voor te schrijven, maar de wetten door de kerkelijke overheid uitgevaardigd te handhaven. Op hare beurt ontvangt zij den steun der godsdienstige macht ten voordeele van haar maatschappelijk gezag, van den openbaren vrede, van den rechtmatigen vooruitgang harer stoffelijke en geestelijke belangen, in één woord : ten voordeele der ware beschaving, bron en voorwaarde van alle welvaart en volksgeluk. Garcia Moreno vervulde op
in den looi) dGr eeuwen.
dit punt zijnen plicht ais oprecht Katholiek. Al de maatregelen door den H. Stoel genomen om ingewortelde misbruiken uitte roeien vonden in hem een trouwen helperen een geduchten voorstander.
Een man als Garcia Moreno kon de opvoeding der jeugd niet over het hoofd zien ; hij verleende haar dan ook eene bijzondere aandacht. De vrijheid van onderwijs werd uitgeroepen en aanstonds benuttigde hij ze om de Spaansche Jezuïeten en de Amerikaansche Broeders der Christene scholen naar Ecuador te roepen. Hij bouwde colleges in de steden en volksscholen op de dorpen; vertrouwde de eerste aan de Jezuïeten en de laatste aan de Broeders. Zoo had hij op korten tijd het middelbaar en lager onderwijs op een godsdienstigen voet ingericht.
Het rechtswezen ontving eveneens merkelijke verbeteringen en hervormingen.
Dit reuzenwerk was op vier jaar voltooid, in weerwil van al de tegenkan tingen der vijanden die van elke gelegenheid gebruik maakten om onlusten te verwekken en den kloekmoedigen president naar 't leven te staan. Garcia Moreno eindigde zijn eerste voorzitterschap met eene heldendaad waarvan men in de geschiedenis geen voorbeeld vindt.
Urbina, een oud vrijmetselaar en gewezen tyran van Ecuador, was er in geslaagd eene bende van ongeveer 4000 bandieten in Peru aan te werven. Met deze bende rustte hij vier schepen uit en zeilde hij naar de kusten van Ecuador. Door verraad wist hij het eenige oorlogschip der republiek te bemachtigen en verscheen nu voor de haven van Guayaquil. De voornaamste officieren der bezetting, allen aan de Vrijmetselarij verkocht, hadden besloten de stad over te geven. Van daar zou het oproer zich spoedig hebben uitgebreid en Urbina, aan het hoofd van een aanzienlijk leger opstandelingen en landverraders zou naar
21
321
822 De Godddijke beloften der H. Kerk.
Quito hebben kunnen oprukken. Zoo stonden de zaken, wanneer Garcia Moreno door oen geheimen bode van alles onderricht werd. Het gevaar was dringend ; door spoed en krachtdadigheid alleen kon het worden afgewend. De president neemt een kort besluit. Hij stijgt te paard en vergezeld door een enkelen officier, verlaat hij de hoofstad zonder aan iemand te zeggen noch wat er omgaat noch wat hij voornemens is te doen. Twee dagen en twee nachten rijdt hij voort met de meest mogelijke snelheid, trekt het gebergte door en bereikt den derden dag Guayaquil. Hij begeeft zich rechtstreeks naar de eerste kazerne de beste en doet de soldaten en officieren vergaderen. De plotselinge verschijning van den President is voor de schuldigen een vreeselijke verrassing; zij zien in de strenge plooien van zijn gelaat, in zijn bliksemend oog dat een dreigend onweer-hun boven quot;t hoofd drijft, wanneer eensklaps het woord : âverraders hun als een verpletterende donderslag in de ooren klinkt. Op bevel van Moreno, worden de meineedige opperhoofden door hunne eigene soldaten in de boeien geworpen. Dan, aan quot;t hoofd van een bataljon getrouwen, rukt de president op naar de andere kazernen waar dezelfde goede uitslag zijne stoutmoedigheid bekroont. In eenige uren tijds is geheel de bezetting tot het plichtbesef teruggeroepen, alleen de kopstukken der samenzwering zitten achter de grendels. Onverwijld spoedt nu Garcia Moreno naar de haven, eischt een koopvaardijschip op voor den dienst van den Staat, bemant het met onversaagde strijders, wapent het met de noodige vuurmonden, en zeilt op de vijandige vloot af. Voor de samenzweerders begrijpen wat er omgaat, is Moreno reeds zoo nabij dat zijn aanval niet kan vermeden worden. Gelijk een roofvogel valt hij het voornaamste schip aan, klampt het aan boord en overmeestert het stormenderhand. De vier andere schepen ondergaan beurtelings hetzelfde let en aldus had
823
een man, dunk aan zijn koelbloedig, stout en vaardig beleki. een leger overwonnen en eene vloot buitgemaakt. Zulke daad grenst aan 't ongeloofelijke. maar bij Garcia Moren.» was nirfs onmogelijk : In] had vertrouwen in zich zei ven en steunde onwankelbaar op God.
Eenige dagen na 't vermeld heldenstuk was Garcia tc Quito terug, verhaalde aan quot;t verbaasd congres aan welk gevaar de republiek had blootgestaan en hoe wonderdadig zij gered werd. Terzelfder tijd legde hij zijn ambt als voorzitter neder (1865).
Tn 1869 werddegroote man opnieuw tot president gekozen voor zes jaren. Nu kon hij zijne onbegrijpelijke werkzaamheid besteden om het begonnen -werk van her-opbeuring te voltrekken. De vier verloopen jaren hadden klaar doen blijken dat hij alleen voor zulke taak was opgewassen. Hij volbracht ze met glans en voerde de republiek tot een toppunt van voorspoed en welvaart dat zij tot dusverre niet bereikt had. Zonder Gods bijstand kunnen wij niets duurzaams stichten, dacht Moreno, en, van dat grondbeginsel uitgaande, vestigde hij ai zijne hervormingen op den godsdienst. Hij zelf gaf openlijk het voorbeeld eener Christelijke godsvrucht: hij was de vader der armen, de steun der zwakken, de beschermer der veriatenen en ongelukkigen, en werkte ijverig tot de bekeering der hei-densche volksstammen die nog in de Oostersche provinciën van Ecuador ronddoolden. In 1870, toen de Paus Pius IX van zijne Staten beroofd werd, teekende de voorzitter van Ecuador verzet aan tegen die heiligschennis. Hij alleen van al de vorsten der wereld vreesde niet aan het Ita-liaansch koninkrijk zijn schelmstuk te verwijten. Hij liet het daar niet bij maar deed door het bestuur der republiek besluiten dat voorlaan een tiende der Staatsinkomsten als hulde aan den H Vader zouden worden opgedragen. Toen de bisschoppen van Ecuador hunne bisdommen aan het
324 De Goddelijke beloften der H. Kerk
H. Hart van Jezus wildon toewijden, vroeg de vrome president dat de Staat zelf in naam van het gansche volk er aan zou deelnemen. Ook op den dag der plechtigheid, zag men Garcia Moreno aan 't hoofd der leden van 't congres en der staatsbeambten op de trappen van het altaar in de hoofdkerk van Quito nederknielen en een akte van toewijding aan het H. Hart uitspreken.
De Vrijmetselarij aanschouwde met razend tandengeknars hoe dit land, waar zij zoo lang den dwingeland gespeeld had, aan hare macht ontsnapte en met rasse schreden op den weg der stoffelijke, zedelijke en godsdienstige horopbeuring voortstapte. Zij veroordeelde den uitstekenden man, die als Gods werktuig dit wonder verrichtte, ter dood. Betaalde booswichten werden uitgestuurd om hem te vermoorden. Garcia Moreno wist dat zijn leven bedreigd was. doch achtte het beneden zijne waardigdeid en zijn geloof buitengewone voorzorgen te nemen. Aan die hem de voorzichtigheid aanraadden antwoordde hij; ..Ik ben in de handen Gods:quot; en hij werkte voort aan zijne grootsche taak. In 1875 koos men hem nogmaals tot voorzitter met eene overgroote meerderheid. Hij kondigde dit nieuws aan Pius IX en sloot zijnen brief met deze treffende woorden : âIk weet dal men tegen mij samenzweert en dat de vrijmetselaars der naburige landen moordaanslagen tegen mij ontwerpen, ook heb ik meer dan ooit behoefte aan de Goddelijke bescherming om in de verdediging van onzen heiligen Godsdienst en van deze dierbare, door God mij toevertrouivde republiek te leven en te sterven. Welk geluk voor mij, Zeer Heilige Vader, ter wille van Onzen Goddel/ijken Verlosser gehaat en gelasterd te worden, en welk oneindig geluk indien de zegen uwer Heiligheid mij van den Hemel de genade verwierf mijn bloed tt' vergieten voor Heni die het zijne voo) ons op het kruis gestort heeft
Toen deze briefte Rome aankwam, was de heldhaftige
325
wensch van Garcia Moreno volbracht: hij had den marteldood ondergaan voor het Geloof. Den 6 Augustus 1875, eersten Vrijdag der maand, was de godvreezende president 's morgens tot de Heilige Tafel genaderd ter eere van het H. Hart van Jezus. Denzelfden dag, om één uur kwam hii voorbij de hoofdkerk, trad binnen en bleef er lang in aanbidding voor liet Allerheiligste Sacrament nedergeknield. Bij het uitgaan der kerk, terwijl hij aan de overzijde der markt de trappen van het paleis beklom, wierd hij door de moordenaars overvallen en stortte ten gronde met twee en twintig doodelijke wonden overdekt. âSterf, dwingeland !quot; huilden de beulen, en Garcia's stervende lippen murmelden dit verheven antwoord : ..God sterft niet!quot;
De vrienden van den president kwamen ter hulp gesneld maar te laat. Zij vonden hem zieltogend en droegen hem in het voorportaal der hoofdkerk. De martelaar kon niet meer spreken doch was nog bij kennis. Een priester vroeg hem of hij aan zijne vijanden vergaf, hij knikte ja, uit ganscher harte. De laatste H. Sacramenten werden hem toegediend en, om drie ure, gaf hij den geest, te midden eener'ontelbare menigte die weende en jammerde. De rouw over den grootenman was algemeen, zijn lof in aller mond. Pius IX heeft zijne nagedachtenis verheerlijkt in deze woorden: âHij viel onder het staal van moordenaars, slachtoffer van zijn (jeloof en van zijne Christelijke liefde jegens zijn vaderland!quot;
Maar God sterft niet, had de martelaar gezegd en de gebeurtenissen hebben spoedig zijn betrouwen gerechtvaardigd. Na eenige jaren van wanorde is de republiek Ecuador opnieuw voortgegaan op de roemvolle baan door Garcia Moreno geopend. Een zijner getrouwe vrienden, Antonio Florès, staat thans aan het hoofd van het bestuur en beijvert zich om zijn grootsch werk te voltooien en uit te breiden. Garcia Moreno zal eene luisterrijke plaats inne-
3üó De Goddelijke beloften der 11. Kerk
men ia de geschiedenis niet alleen van zijn vaderland maar van de geheele wereld, hij zal er schitteren als de voor-looper der christelijke staatsmannen, en den weg wijzen aan do toekomstige hervormers onzer diep ontaarde samenleving.
LV.
LEO XIII.
Toen de groote Pius IX, wien alle oprechte Christenen oen zoo vurige liefde toedroegen, dien allen bewonderden en in wiens leven de zegepralen en beproevingen, der Kerke Gods voorspeld, een zoo ruime plaats innamen, door den dood weggerukt werd, toen scheen de grondvest der Kerk zelve geschokt, toen bekroop menig hart een onweerstaanbaar gevoel van vrees en droefheid. â Maar, zoo Petrus sterft, Christus' Kerk kan niet vergaan, en de hoeksteen, waarop die Kerk door den Heiland gebouwd is. ducht geen stormen en wTeet van geen wankelen ; op een gegeven oogenblik, toont God zijne Almacht en doet Hi) voor de door tranen benevelde blikken der geloovigen een nieuw licht rijzen.
Den groeten Pius IX moest een groot Paus opvolgen ; en groot mag te recht Paus Leo XIII genoemd worden.
Wel is de tijd nog niet gekomen, om een vergelijking tusschen beide doorluchtige Opperpriesters, Pius en Leo, te maken; maar wat nu reeds door niemand kan in twijfel getrokken worden, is dat Gods Voorzienigheid beiden verwekte om de Kerk, in de stormige tijden die wij beleven, te besturen. Zoo men in beider optreden en staatkunde eenig verschil meent te ontwaren, bestaat dit onderscheid meer in schijn dan in werkelijkheid ; andere toestanden, bijkomende omstandigheden roepen andere maatregelen in 't Ijven, en voor wie met eenige opmerkzaamheid de feiten
327
onderzoekt, blijkt het pontificaat van Leo XIII de voltooiing te zijn van het door Pius IX ondernomen werk.
Of komt Leo XIII niet met evenveel kracht als Pius IX op tegen de overweldigers zijner Staten ? of doemt hij niet wat Plus doemde ? En bevatten de onsterfelijke Encyclieken van Leo XIII niet de heerlijke uitlegging van de waarheden en grondbeginselen die Pius leerde ? Evenals al de Pausen, hebben Leo XIII en Pius IX slechts één doel : het heil der zielen te bewerken en Gods eer te bevorderen.
Er bestaat een oude profetie, die, wel is waar, niet door de uitspraak der Kerk bekrachtigd is, maar toch gerust in aanmerking mag genomen worden. Men schrijft ze toe aan den 11. Malachias, aartsbisschop van Armagh, in Ierland, in de 12u eeuw. De regeeringen der Pausen zijn er symbolisch aangeduid. Zoo werd het Pontificaat van Pius IX aangekondigd door de spreuk Crux de Criice (Kruis van hquot;i Kruis) ; en waarlijk die woorden geven in 't kort de wederwaardigheddn te kennen van Pius' roeni-maar tevens smartvol pausschap. Lumen in ccclo (Licht in den Hemd) wijst op hst Pontificaat van Paus Leo XIII.
Lumen in cceloIs dit misschien een zinspeling op de schitterende ster die in 't adellijk wapen der familie Pecci prijkt ? Althans, op hechteren grond, kan men in Lumen in ccelo een getrouw beeld ontwaren van zijn pontificaat, dat, door den glans zijner leer en zijn vredestichtende werking op de door onderlinge twisten verdeelde wereld, als een heerlijk hemelsch licht aan de kim onzer door onweerswolken verduisterde tijden zacht glimmend komt opdoemen, om de afgedwaalde geesten door de helder stralende waarheid te verlichten en door zijn zoeten invloed kalmte, vrede, hoop en liefde aan zwaar geschokte, lijdende, ontmoedigde of verbitterde harten weer te geven.
Wat Leo XIII gedurende de elf eerste jaren van zijn Pausschap gedaan heeft op het gebied van godsdienstige
De Goddelijke beloften der II. Kerk.
en philosophische waarheid, voortplanting des Geloofs, opbeuring van Christenzin en vroomheid, beschavende werking der Kerk op de volkeren, ware voldoende om hem in de rij der groote Pausen van alle eeuwen een eervolle plaats te doen bekleeden.
Pas had hij het Opperbestuur der Kerk in handen genomen of hij voerde een volledige hervorming der hoogere philosophische of theologische studiën in. Onder den machtigen invloed van den hedendaagschen wetenschappelijken vooruitgang, werden de grondbeginselen der groote scholastieke scholen der Middeleeuwen te vaak verwaarloosd, en de H. Thomas zelf, al stond hij nog immer als de groote meester der godgeleerdheid te boek, kon toch bij lange niet al zijne rechten in de geestelijke studiën doen gelden. Leo XIII schonk den groeten Kerkleeraar de hem verschuldigde plaats terug, en wilde dat zijn leer tot grondslag aan het hooger onderwijs zou strekken. Aanvankelijk viel zulks den Katholieken geleerden ietwat op ; onze eeuw is trouwens met zooveel eigenliefde behept en den scholastieken leerstelsels der Middeleeuwen zoo vijandig gezind, dat menigeen, bijna buiten zijn weet, die gevoelens deelde ; toch volgden de Katholieken de raadgevingen des Pausen en zij zagen er weldra de wijsheid van in. Door een grondiger studie dier, naar men beweerde, ouderwetsche leer, begre pen zij dat de H. Thomas, verre van in strijd te zijn met de bewonderenswaardige hedendaagsche ontdekkingen, deze integendeel volledigt, omdat hij de philosophische vraagstukken oplost waarop alle wetenschappen uitloopen, en waar de stoffelijke proefnemingen voor de philosopnische uitleggingen moeten wijken.
Leo XIII handelt in alles volgens oen wel beraamd plan en richt al zijn streven tot een bepaald doel. Hij wil namelijk aan de moderne wereld doen begrijpen dat haar heil, zelfs voor deze aarde, van de Kerk afhangt; dat zij, bijge-
328
in den loop der eeuwen.
volg, in plaats van deze als eene vijandin te beschouwen, tot haar als tot een weldoenster, een vriendin, een moeder dient te snellen ; dat de kostbare voordeelen eener ware beschaving den menschen slechts door de samenwerking en de wettige ondergeschiktheid der beide maatschappijen, met name de godsdienstige en de burgerlijke, kunnen gegeven en behouden worden.
Van dit gedacht gaan al de encyclieken uit, welke de H. Vader van het begin zijns pontificaats af heeft uitgegeven, en waarin hij ofwel dit belangrijk vraagpunt in zijn ganschen omvang beschouwt, zooals in zijn brieven over den beschavmden invloed der Kerk en over de Christelijke inrichting der Staten, ofwel een bijzonder punt verhandelt, b. v. het Huiceli/jk en het Socialisme, of eene bijzondere godsvrucht aanprijst, zooals de Derde. Orde van den H. Franciscus of den Rozenkrans van den H. Do-minicus, of de Vrijmetselaars, die aartsvijanden van al wat tot het Christendom behoort, ontmaskert en aan de kaak stelt, of het Liberalisme in al zijne vertakkingen wederlegt en valsch bewijst, of zijne vermaningen en heilzame raadgevingen aan afzonderlijke natiën geeft. Steeds wijzen die merkwaardige schriften door hunnen inhoud en hunne richting op de weldoende en beschavende zending der Kerk, en toonen zij aan allen die van goeden wil zijn, dat de volkeren aan die Goddelijke maatschappij oprechte dankbaarheid verschuldigd zijn en zich ten zeerste moeten wachten van zich jegens haar vijandig te gedragen of zich door onrechtvaardige vooroordeelen tegen haar te laten verbitteren.
Groot en bewonderenswaardig mag de uitslag heeten, welke onder dit opzicht door Leo XIII verwezenlijkt is geworden. â De nieuwe Armenische scheuring hield op door de onderwerping der aanvoerders, die ze in 't leven riepen ; Turkije blijkt den Katholieken goedgunstiger ge-
329
De Goddelijke beloften der F. Kerk
stenid te zijn dnn ooit te voren; de vorst van Montenegro neeft een Concordaat met den H. Stoel gesloten ; Zwitserland heeft, gedeeltelijk althans, een einde gesteld aan den droeven toestand waarin, door zijne vervolgingsmaatregelen, de Kerk aldaar verkeerde ; Engeland knoopt betrekkingen aan met het Opperhoofd van de Katholieke Kerk en brengt een welverdiende hulde aan dezes onpartijdig, rechtvaardig en bemiddelend optreden tusschen haar en hare Katholieke onderdanen ; Duitschiand vooral, wiens bestuur de Katholieken zoo onbarmhartig sedert 1872 verdrukte, heeft van lieverlede zijn vervolgingswetten ingetrokken, en is thans met het Pauselijk Hof in onderhandeling om een volledigen Kerkelijken vrede tot stand te brengen. Slechts drie landen van Europa blijven der Kerk vijandig gezind ; te weten : het Russisch rijk, dat, sinds eene eeuw, het ongelukkige Polen verdrukt, martelt, afbeult, en het bestuur van Frankriik en Italië, twee landen, waar de Vrijmetselarij den schepter voert, en die alle gelegenheid te baat nemen om der Kerke Gods harde slagen toe te brengen.
Twee feiten o. a. stellen in een helder daglicht het gezag en den invloed welke de Paus tegenwoordig in de gansche wereld geniet. De keizer van China, het machtigste heiden-sche rijk der wereld, heeft officieele betrekkingen met den H. Vader willen aanknoopen, â en, toen, vöör eenige jaren, de oorlog tusschen Duitschiand en Spanje dreigde uit te breken, riep de machtige keizer Wilhelm I, al was hij dan ook Protestant, de bemiddeling in van het Opperhoofd der Katholieke Kerk.
Zou men in die daadzaken niet eenen terugkeer, of althans een toenadering mogen zien tot die vereeniging van alle Christen volkeren onder één Opperhoofd, namelijk, den Paus, scheidsrechteren algemeen en vader van vorsten en onderdanen ?
330
in den loop der eeuwen.
381
Doch wat al het voorgaande overtreft is de onvergelijkbare luister waarmede in 1888 het jubelfeest van Leo's priesterschap door de geheele wereld gevierd werd. Vorsten en volkeren, katholieken en andersdenkenden wedijverden om den grooten Paus hunne rijkste geschenken benevens de hulde hunner achting en liefde op te dragen. Wie getuige geweest is van die schitterende betooging waar al de natiën der wereld in optraden, kan niet anders dan uitroepen : âNimmer of nooit is de grootheid en macht van dell. Kerk. de invloed van het Pausdom uitgeschenen zooals in onze dagen quot;. Eu dat is de uitslag der honderdjarige bevechting der Revolutie tegen Christus !
Met deze troost- en vreugdevolle bestatiging, sluiten wij onze vrij uitgebreide verhandeling over Gods beschermende tusschenkomst in de aangelegenheden zijner Kerk en de vervulling van Christus' belofte : âIk zal met u zijn tot aan de voleinding der eeuwen.quot; Elke eeuw heeft ons talrijke en schitterende bewijzen geleverd van de Goddelijke kracht dier belofte, en, in ons geloof door dit voortdurend wonder gesterkt, willen wij met volle overgeving in het al wijze bestuur en de Goddelijke bescherming berusten van Hem die gezegd heeft; .,nebt vertrouwen, ik heb de wereld overwonnen.^
EINDE VAX JiEï EERSTE DEEL.
.
â
'
_
â
TWEEDE DEEL.
DE DOOD DER KERKVERVOLGERS.
E Heilige Schriftuur leert ons dat God dikwerf de groote booswichten, de openbare lasteraars van zijnen Naam en vooral de verdrukkers van zijn volk op zichtbare wijze in deze wereld gestraft heeft.
Caïn pleegt den eersten moordaanslag op zijn eigen broeder, dendeugdzamen Abel. âGij zult vervloekt zijn op aarde, zegt God aan den broedermoorder, a/s een voonverp van afgrijzen zult gij rondzwerven want hrt bloed uivs broeders roept wraak tegen u.quot;
Nadat de eerste menschen zich vermenigvuldigd hebben, geven zij zich over aan de zonde en blijven doof voor de dringende vermaningen en bedreigingen des Heeren. Zij worden in de golven van den Zondvloed bedolven ; Noach alleen en zijn huisgezin blijven gespaard.
De steden Sodoma en Gomorrha maken zich schuldig aan de afschuwslijkste misdaden : een regen van solfer en vuur vernielt ze met al hare bedorven inwoners.
De Pharao van Egypte verdrukt het Hebreeuwsche volk en weigert hardnekkig het naar een ander land te laten vertrekken alhoewel Mozes zulks eischtin den naam van God. Door zware straffen gedwongen stemt hij eindelijk toe. maar nauwelijks zijn de Hebreërs vertrokken of hij zet ze achterna en vervolgt ze tot aan de overzijde der woestijn. Daar wordt hij met zijn gansch leger in de golven der Eoode Zee begraven...
Zoo dikwijls de Joden, nadat zij in 't bezit zijn getreden van t beloofde land, den dienst des Heeren verlaten, drukt Gods hand loodzwaar op hen neder totdat zij hunne ongetrouwheid bekennen en ze rouwmoedig uitboeten. Maar
334 De Goddelijke beloften der H. Kerk
ook zoo dikwijls vreemde dwingelanden de Joden verdrukken en hen tot geloofsverzaking willen dwingen strijdt de Heer voor hen, verlost hen op wonderdadige wijze en verbrijzelt hunne vervolgers hoe machtig deze ook zijn mogen.
Sennacherib, koning der Assyriörs. belegert de stad Jeruzalem en brengt ze in den uitersten nood ; doch de godvreezende koning Ezechias treedt den tempel binnen en bidt... Den volgenden nacht vaart de engel des Heeren door het legerkamp des Assyriêrs en doodt honderd vijf eti tachtig duizend kriigslieden. Sennacherib met schrik bevangen breekt op, vlucht naar zijn land waar hij door zijn eigen zonen vermoord wordt.
Holopliernes, opperbevelhebber der Assyriêrs, komt met een ontzaglijk leger aanrukken om het koninkrijk Judea te veroveren. Hij slaat het beleg voor Bethuliö en is op het punt die stad te overmeesteren, wanneer hij door de hand van de godvruchtige weduwe Judith onthoofd wordt. Zijn leger neemt ijlings de vlucht achtervolgd, door de verwoede Joden, die allen nederhakken welke zij kunnen achterhalen.
Balthazar, kleinzoon van Nabuchodonozor en koning van Babylonië, geeft een feestmaal aan de vorsten van zijn rijk. In zijn overmoed laat hij de gewijde vaten en kelken, lüt Jeruzalem's tempel geroofd, binnen brengen om ze te onteeren. Op hetzelfde oogenblik verschijnt een hand en schrijft geheimzinnige woorden op den muur. Men roept in aller ijl den profeet Daniël om de beteekenis dier woorden te vernemen. Zij beteekenden dat Balthazar in de weegschaal der Goddelijke gerechtigheid gewogen was en te licht bevonden, en dat hij met zijn koninkrijk zou vergaan. Nog denzelfden nacht werd de vreeselijke voorzegging vervuld.
Antiochus, koning van Syrië, vervolgt de Joden op eene wreedaardige wijze ; hij wil den waren godsdienst ver-
835
nietigen. De priester Mathathias en zijne vijf heldhaftige zonen staan op tegen den dwingeland en roepen de aan God getrouw gebleven Joden te wapen. Onder aanvoering van Judas Machabeus en zijne broeders, behalen de Joden bloedige overwinningen op de machtige legers van An-tiochus en deze sterft een ijselijken dood : hij werd levend door de wormen verteerd.
Aldus waakte de Voorzienigheid aanhoudend over het Joodsche volk, het beurtelings straffend en beschermend om het getrouw te doen blijven aan het ware Geloof. De wereld onderging in al dien tijd de grootste omwentelingen en veranderingen. Rijken kwamen op en verdwenen, volkeren wonnen macht en grootheid en werden uitgeroeid, steden bereikten de hoogste welvaart en vergingen tot puin, â maar liet kleine Joodsche volk oleef bestaan en bereikte het tijdstip, door Gods raadsbesluiten aangewezen, dat de Verlosser uit zijnen schoot zou geboren worden en al de voorzeggingen zou volbrengen door de stichting der H. Kerk.
De Kerk nu, bestemd om hetmenschdom tot de eeuwige zaligheid te leiden, â de Kerk, die, volgens de Goddelijke beloften, de geheele wereld moet omvatten en tot aan de voleinding der eeuwen voortbestaan, â de Kerk, waarvan de Synagoog slechts eene voorbereiding was en eene profetische afbeelding, zal zij minder bevoorrecht zijn dan deze ? â Zal God ook haar niet beschermen, het onrecht haar aangedaan wreken en, ter goeder ure, hare vervolgers straffen ? â Neen, dat kan niet. Trouwens, de geschiedenis der negentien eeuwen die sedert Christus' geboorte verloopen zijn, zal er het klaarblijkend bewijs van geven. De feiten spreken zelfs zoo duidelijk dat de geschiedschrijver Darras niet vreest het als een onschendbare wet uit te roepen die sedert negentien eeuwen niet werd gelogenstraft: âDat elke vervolger, die de hand heeft
De Goddelijke beloften der H. Kerk
opgeheven tegen den Stadhouder van Jezus-Christus, tegeyi Petrus of zijne opvolgers, in zijn wezen of in zijne macht zichtbaar door 's Hemels rechtvaardigheed zal gestraft worden.quot;
Als de lezer voor zijne oogen de lange reeks der vorsten, koningen en keizers zal hebben zien voorbijtrekken, die de eenen na de anderen tegen den hoeksteen der Kerk aanbotsten en er zich tegen verbrijzelden, dan zal hij overtuigd zijn dat Gods arm niet is ingekort en dat, op onze dagen gelijk voorheen, men nooit straffeloos, zelfs op deze aarde, des Hemels rechtvaardige gramschap uitdaagt en trotseert.
I.
DE GODMOOEDEES.
De grootste misdaad, ooit op aarde bedreven, was de bloedige kruisiging van Jezus-Christus. Judas, Annas, Caiphas, Pilatus, Herodes, het Joodsche volk, waren de plichtigen die er min of meer aan deelnamen: allen werden zichtbaar door Gods wrekende hand getroffen.
De Apostel Judas, vooreerst, had zijn Goddelijken meester voor de ellendige som van dertig zilverlingen verraden en hem overgeleverd in de handen zijner doodvijanden. Hij zag weldra de afgrijselijkheid zijner misdaad in. Door wroeging gefolterd verviel hij tot wanhoop in plaats van rouwmoedig zijn gruwelstuk te beweenen. Hij bracht de dertig zilverlingen tot de priesters terug, zeggende : ..Ik heb gezondigd met het bloed van den Rechtvaardige te leveren:' â Wat gaat ons dat aan, werd hem geantwoord, gij zelf moet het weten:' - Gansch ter neer geslagen door dit hardvochtig antwoord, liep de ellendeling buiten de stad Jeruzalem en verhing zich aan eenen boom. In de stuiptrekkingen van den doodstrijd barstte zijn lichaam open en de ingewanden stortten neer op den grond.
336
Dt dood der Jcerkvervolgers. 837
Annas, schoonvader van Caïphas en oudhoogepriester, had de aanhouding van Jezus toegejuicht en deelgenomen in zijne veroordeeling. Hij werd bij eenen volksoploop verwurgd en zijn lijk in eenen vuilnisput weggeworpen.
Caïphas had zijn kleed van hoogepriester gescheurd, uitroepende: âJezus heeft God gelasterd!quot; Hij was later de onverbiddeliike vijand der Apostelen gelijk voorheen van Jezus; â hij zag zich weldra door den Romeinschen landvoogd Vitellius van zijne hooge waardigheid beroofd, en in zijne wanhoop bracht zich zeiven om 't leven.
Pilatus, de laffe en heerschzuchtige pretor, die, om zijne plaats te behouden, den Rechtvaardige aan de woede der Joden prijsgaf en zich tevreden stelde met zijne handen te wasschen, werd naar Rome geroepen om van zijne bestiering rekenschap af te leggen voor den rechterstoel van Keizer Caligula. Deze stelde hem af, en verbande hem naar Vienne in Frankrijk, waar hij zich uit wanhoop zelfmoordde.
Herodes Antipas, dezelfde die Joannes den Dooper deed onthalzen om aan de bloeddorstige grillen van een dans-wijf te voldoen en later den Verlosser aan de spotternij en het misprijzen van zijn hof overleverde, werd kort daarna door zijn eigen neef. Herodes Agrippa, van hoogverraad beschuldigd. quot;Voor keizer Caligula gedagvaard, hoorde hij zijne afzetting uitvonnissen, werd van al zijne goederen beroofd en naar Lyon verbannen. Daar kon hij de ellende, waarin hij met zijne vrouw Herodias moest leven, niet langer uitstaan, zocht uit zijn banoord te ontvluchten, gelukte de Pyreneeën over te trekken, maar geraakte in Spanje op eene erbarmelijke wijze aan zijn einde.
Herodes Agrippa verhief zich door den val van zijnen oom en werd koning van Jeruzalem. Om de gunst der
22
De Goddelijke helnften der H. Kerk.
Joden te winnen, begon hij de Christenen te vervolgen, liet den H. Jacobus het hoofd afslaan en wierp Petrus, het opperhoofd der ontluikende Kerk in de boeien waaruit hij op wonderdadige wijze door eenen engel verlost werd. De straf des Hemels trof den vervolger, snel en schrikkelijk gelijk de bliksem. Herodes was naar Cesarea afgereisd en hield er met eene koninklijke pracht feesten ter eere van keizer Claudius. Van alle zijden kwamen talrijke edellieden en magistraten naar de feesten toegestroomd. Den tweeden dag der openbare spelen, verscheen Herodes in konings-kleederen op het tooneel en nam plaats op eenen troon. Hij droeg eenen mantel van wonderschoon bewerkt zilverlaken. De stralen der opgaande zon weerkaatsten in de schitterende borduursels en omgaven den vorst met een verblindenden lichtkrans. Aanstonds riepen eenige vleiers: â Leve de god Herodes!quot; Het volk herhaalde deze toejuichingen en Herodes, van hoogmoed dol, liet zich de goddelijke eerbewijzingen welgevallen. âEensklaps, zegt de H. Schrift, sloeg de engel des Heeren den koning die God niet vereerd hadquot; Herodes voelde oogenblikkelijk eene onuitstaanbare pijn in het gedarmte. âDaar sterft uw god !quot; kermde hij en viel in bezwijming van zijnen troon. Men droeg hem in een aanliggende zaal van den schouwburg. Vijf dagen lang leed hij aan de wreedste pijnen, Acant de wormen verknaagden zijne ingewanden, en hij stierf.quot; {Hand. der Apost. XJI. 28.)
Het Joodsche volk, voornaamste pleger van oen god-moord, zag spoedig de schrikkelijke vervulling aanbreken van de voorzegging door den miskenden Messias uitgesproken. ..Gij bewondert deze prachtige tempelgebouwen, had Jezus tot zijne leerlingen gezeid, voorwaar ik zeg het u, de dagen sullen komen dat geen steen op den anderen zal blijven.quot; Hij had nog gezegd: â Wanneer gij Jeruzalem zult omringd zien van een leger, weet dat zijn ondergang nabij is.
338
U
De dood der kerkvervolgers. 339
l
------
Als gij den gruwel der verwoesting van welken door Daniel,
den profeet, gesproken is, zult zien staan in de heilige plaats,
dat alsdan die in Judea zijn, vluchten naar de bergen; dat de inboorlingen dit land verlaten en dat de vreemdelingen er niet zoeken in te trekken ! Want de dagen der wraak zullen aanbreken en al de woorden der profeten zullen vervuld worden! Bidt dat mee vlucht niet geschiede in den winter of op een sabbat! De verdrukking zal dan afgrijselijk zijn,
hoedanige er niet geweest is en er ook niet meer zijn zal!
Verschrikkelijk zal de nood zijn van dit land en de wraak tegen dit volk! Zij zullen sneuvelen door het zwaard; z'ij zullen gevankelijk ivorden weggevoerd tusschen de vreemde volkeren ; Jeruzalem zal verpletterd worden onder den hiel der Heidenen tot op het einde der tijden.quot; {Matt. XXIV; Marc. XIII:
Luc. XXI.)
Geen veertig jaren waren verloopen sinds Jezus deze woorden had uitgesproken, die als het vreeselijk kraken des donders in de oören der Joden weerklonken, of reeds nam hunne vervulling een aanvang door de verwoesting van Jeruzalem en de verdelging van het Joodsche volk.
Xooit, voorwaar, geschiedde een wraakgericht en nooit meer zal er een geschieden gelijk aan hetgeen door Gods rechtvaardigheid tegen de ondankbare Joden werd uitgevoerd. Josephus, een Joodsch geschiedschrijver, na de gebeurtenis verhaald te hebben waarvan hij ooggetuige . geweest was, roept uit ; âIk geloof niet dat, sedert de schepping der wereld, ooit eene stad zooveel geleden heeft.quot;
Gehoorzaam aan de vermaning van hunnen Goddelijken Meester, ontweken de Christenen de stad Jeruzalem.
v
zoodra zij het Romeinsch leger onder aanleiding van Titus zagen aanrukken om ze te belegeren. De Joden integendeel stroomden van alle zijden bijeen en haastten zich Jeruzalem binnen te treden om het Paaschfeest te vieren. Men
8BI|
zou gezegd hebben dat zij zich uit eigen beweging onder
de vuist kwamen leggen die ze moest verpletteren. ff;
:
s
r
Ij.'
n 4 I
840 De Goddelijke beloften der H. Kerk.
Het beleg begon den 9 April, jaar 70 van J.-C. Weldra deed zich de honger bij de belegerden gevoelen en bracht hen tot den uitersten nood. Elk voedsel werd een oorzaak van twist en men ontrukte het malkander met geweld. Oproerige soldaten doorliepen de stad, sloegen de huisdeuren in om er mondbehoeften te gaan opsporen en wee aan de burgers bij wie men eenig verborgen voedsel ontdekte ! De ellende werd zoo groot dat de walgelijkste dingen met gretige tanden werden verslonden. Een groot getal Joden, mannen, vrouwen en kinderen, slopen buiten de stad om de grasplanten aan den voet der bolwerken te gaan uitrukken en op te eten. Velen hunner vielen in de handen der Romeinen die ze kruisigden onder de oogen der belegerden. Eiken dag verhieven zich aldus honderden kruisen op de omliggende heuvelen en nauwelijks kon men kruisen genoeg maken of plaats genoeg vinden om ze te planten. De hongersnood nam echter met den dag toe. Gansche familiën vergingen, de huizen lagen vol lijken, de straten waren er mede bedekt, duizenden werden over de muren gesmeten. Titus beefde van afgrijzen op het zien van zooveel lijken en van de wondere verrotting die er uit opsteeg. Hij nam God tot getuige dat hij niet schuldig was aan al die afschuwelijkheden.
In weerwil van de folteringen door den honger veroorzaakt, in weerwil van de verpestende uitwasemingen dei-verrotte lijken, gaven de Joden zich niet over. Aangehitst door eenige dwepers, bleven zij uitzien naar den Messias en verdedigden zich met razende wanhoop.
Alsdan gebeurden onbeschrijfelijke gruweldaden. Eene vrouw, Maria genoemd, dochter van Eleazar, door den honger uitzinnig, steekt haar eigen kind het mes in keel, braadt de tengere ledematen en eet ze half op. De geur van dit afzichtelijk gebraad lokt de soldaten naar binnen. âIk heb inv aandeel bewaard,quot; krijt de dolzinnige Jodin.
De dood der kerkvervolgers. 341
hun het overschot toonende van haar kind. De soldaten verbleeken van afschuw. r Ja, roept de ontaarde moedei. het is mijn zoon, ik heb hem vermoord en half opgegeten! Boet mij na. Weest niet teergevoeliger dan eene vrouw en niet meedoogender dan eene moeder. Indien dit feestmaal u afschrikt, des te heter, dan blijft alles voor mij.quot; De soldaten vluchtten weg van schrik. Titus, bij het vernemen van dit wanbedrijf, hief de handen ten hemel en zwoer dat hij de stad verdelgen zou die de aarde bezoedeld en de Stralen der zon onteerdha d.
De Romeinen overrompelden eindelijk de laatste verschansingen der Joden. In strijd met de aanbevelingen van Titus, spaarden de Romeinsche soldaten, door den lang-durigen wederstand verbitterd, noch man. noch vrouw, noch kind. De Tempel werd de prooi der vlammen en van gansch de stad bleef weldra niets anders over dan een onmetelijke puinhoop, waaronder hoopen van lijken. Volgens de berekening der geschiedschrijvei-s kostte dit beleg het leven aan 1,100,000 Joden. Het getal krijgsgevangenen beliep tot de 97,000, die als slaven werden verkocht.
Titus, door zijne eigene overwinning ontzet, verklaarde dat zij zijn werk niet was en dat hij slechts zijnen arm had geleend aan de wraak van God tegen de Joden verbolgen. Deze veldheer was nochtans Heiden en wist niet dat eenmaal datzelfde volk aan Pilatus den dood van Jezus-Christus had gevraagd, uitroepende : .,zijn bloed kome over ons en onze kinderen /quot;
De rampen der Joden hielden niet op met de verwoesting van Jeruzalem en van den Tempel. Nieuwe onlusten gaven aanleiding tot nieuwe bloedbaden, zoodat nog 580,000 Joden door het staal omkwamen. Het overschot van dit volk werd uit Judea weggevoerd en van dan af heeft het nooit meer op zich zelf bestaan. Heden nog ligt Jeruzalem verpletterd onder den hiel der Heidenen en het
lx. Goddelijke beloften der H. Kerk.
Joodsche volk leeft te midden der wereld voort als een levend en onverdelgbaar gedenkstuk van Gods rechtvaardigheid. Verachting is zijn aandeel en op zijn voorhoofd draagt het een vloekstempel schrikbarende!' dan die van Caïn, want daar staat geschreven : Godmoorder!
II.
DE KEIZERS VAN ROME.
Het Komeinsch keizerrijk was het werktuig geweest van de rechtvaardigheid Gods ten opzichte van de Joden, maar het had zelf reeds tegen het Christendom eene bloedige worsteling aangevangen, die drie eeuwen zou duren en niet zou eindigen dan door de zegepraal van de zwakheid op de sterkte, van het geduld op de wreedheid. De keizers die elkander op Rome's troon opvolgen, worden de beulen der Christenen en verdwijnen weldra, zichtbaar door de hand des Heeren getroffen. Wat het keizerrijk aangaat dat al de macht, maar ook al de bedorvenheid van het Heidendom in zich vereende, het was bestemd, na zich zat te hebben gedronken aan euveldaden en aan het bloed der martelaren, om door de bijl der Barbaren te worden neergehakt en om, als een reusachtig verrottend lijk, tot aas te verstrekken aan den verslindingslust van ontelbare volksdrommen die van al de hoeken des gezichteinders gelijk hongerige raven kwamen toegesteld.
Doch maken wij de doodenlijst op van de Romeinsche kerkvervolgers, alvorens de rampen van het keizerrijk zelf in het geheugen terug te roepen.
Claudius, keizer, verbant te gelijkèr tijd uit Rome Joden en Christenen, â hij sterft door het vergif dat hem zijne tweede vrouw Agrippina, moeder van Nero, had toegediend. (Jaar 54).
Nero was in den vollen zin van het woord een gekroonde
342
848
tijger. Zijn naam beteekent voortaan zooveel als tyran. Moordenaar van zijne moeder, van zijne vrouw, van ziine beste vrienden en weldoeners, bedorven tot in 't merg zijner beenderen, zoo laf als wreed, was hij wel de man die de eerste vervolging tegen de Christenen moest inspannen. Zij ging al de latere vervolgingen in woest- en wreedheid te boven.
âDe dood der Christenen, zegt de Heidensche geschiedschrijver ïacitus, was ven openhaar vermaak en spel ge-worden. Men bekleedde z â gt; met dierenhuiden en liet ze door honden verscheuren; men klonk ze aan 't kruis; men besmeerde ze met pek en was en stak ze in brand als licht-lampen voor den nacht. Nero wilde ztlf dat schouwspel genieten in de tuinen van zijn paleis. Bij het licht van die menschelyke toortsen hield hij wedloopen gelijk in de renbaan. nu eens zelf de wagens bestijgende, dan weer de worstelspelen voor zittende.quot; roemvolste slachtoffers van die eerste vervolging waren de HH. Petrus en Paulus.
Niet lang echter vertoefde de wraak des Hemels. Een opstand breekt uit. Galba wordt keizer verklaard. âHet menschdom wil u tot opperhoofd, schreef hem Vindex, ten einde een monster te onttronen.quot; Bij het eerste nieuws van die gebeurtenis begint Nero te beven. Het ware nog tijd geweest dien tegenstander te overwinnen, maar Nero was er te laf toe. Na een angstvollen nacht bespeurt hij, met het kiemen van den dag, dat hij alleen biijft in zijn verlaten paleis.
Dan wil hij in den Tiber springen, maar de moed ontvalt hem. Blootsvoets, het gelaat onder eenen zakdoek verborgen, verlaat hij het paleis langs eene geheime deur, stijgt te paard en vlucht uit Rome. Buiten de stad werpt hij zich te midden van een moeras met riet bedekt en baant zich een pijnlijken weg naar de villa van Phaon. Daar stuit hij tegen den muur van den tuin en Phaon
De Goddelijke beloften der H. Kerk.
raadt hem aan in eene nabijliggende zandkuil (waarschijnlijk een der catacomben waar zich de Christenen alsdan tegen de woede der Heidenen verborgen) eene schuilplaats te zoeken. Nero weigert, hij wil zich niet levend begraven, zegt hij. Ondertusschen had men een gat in den muur gebroken waardoor de gevallen keizer, op handen en voeten kruipend, naar binnen sloop. Zijne gezellen geven hem nu den raad door eenen zelfmoord een schandigen dood te ontwijken. Nero stemt toe maar doet eerst zijn graf delven om tijd te winnen, want hij siddert voor den dood.
Eensklaps komt een bode de tijding brengen dat Nero door den Senaat, als 's lands vijand, tot de doodstraf der groote misdadigers is veroordeeld. â Welk is die doodstraf?quot; vraagt Nero. â âMen ontkleedt den veroordeelde, zoo luidt het antwoord, men hangt hem met den nek in eene gaffel en men geeselt hem tot dat hij den geest heeft gegeven.quot; Nero schrikt af van die martelie, hij grijpt twee dolken om zich te doorsteken.... maar hij aarzelt nog wanneer plotselings de hoefslag van aanrennende paarden weergalmt. Het zijn ruiters uitgezonden om Nero te vangen. Dan stoot hij zich eenen dolk in de keel, doch zijne hand beeft, de slag is te zwak en een der omstaanders moet hem bijstaan in het voltrekken van zijnen laffen en schandigen zelfmoord. Welk afschuwelijk schouwspel! Nero zieltoogde nog, toen men toesprong om hem aan te houden. âHet is te laat,quot; stamelde het monster en blies den adem uit met een laatsten stroom van bloed. De oogen puilden hem uit het hoofd en stonden zoo stijf dat de aan-schouwers van afgrijzen sidderden. Dat was het uiteinde van hem die twaalf jaren de meester en plaag der wereld geweest was. Nero was slechts dertig jaren oud. (Jaar 68).
Domitianus, een andere Nero, gaf bevel tot de tweede algemeene kerkvervolging. De HH. Pausen Cletus en Anacletus ; de H. Hermas, de H. Dionysius, de consul
344
De dood der kerkvervolgers.
TitusFIavius Clemens, de twee Grieksche slaven H. Nereus en H. Achilleus en eene menigte andere vermaarde Cliris-tenen plukten den palm des marteldoods. De H. Apostel Joannes, na in eene kuip vol kokende olie gedompeld te ziin, waar hij sterker -en gezonder uitkwam, werd door den keizer naar het eiland Patmos verbannen. Het was, zegt Tacitus, alsof de dwingeland in een enkelen aanval van razernij al het bloed van het volk wilde vergieten. Maar God stelde een perk aan de wanbedrijven van dat icilde roofdier, wiens wellust bestond, volgens de uitdrukking van Plinius den jongere, in bloed te likken. Sedert lang. had Domitianus geen rust meer. Hij wist dat hij van vijanden omringd was, en vermenigvuldigde de voorzorgen om aan hunne aanslagen te ontsnappen. Op zekeren dag, nochtans, drongen moordenaars tot bij hem door en, ondanks zijn wanhopigen wederstand, bezweek hij door zeven dolksteken doorboord. Hij was slechts vijf en veertig jaren oud. (Jaar 96).
Trajanus, onder wien de 3de kerkvervolging uitbrak, had een min verschrikkelijk einde, hetzij dat zijne inzichten rechtzinniger waren en hem bij God eenigerwijs verschoonden, hetzij hij door eenige natuurlijke deugden eene zachtere straf verdiende. Zijne regeering, die anders roemrijk was, onderging evenwel ten laatste pijnlijke nederlagen en op het oogenblik dat Kome hem een grootsche zegepraal bereidde, werd hij ziek en stierf na twee dagen. Op zijn doodbed drukte hij de meening uit dat hij door vergif zou bezweken zijn. Dezen schielijken en onverwach-ten dood had de H. Alexander, Paus, eenige dagen te voren, bij zijn roemvollen marteldood, openlijk voorzegd, (Jaar 117).
Adrianus, de opvolger van Trajanus, zette de vervolging tegen de Christenen voort. De regeering van dien ontuchtigen en wreedaardigen vorst was slechts eene
345
346 De Goddelijke beloften der H. Kerk.
bloedige spotternij. Aangegrepen door eene uiterst pijnlijke ziekte, dol van smart en 't leven moe, vroeg hij twintig maal eenen gifdrank aan zijn geneesheer of eenen dolk aan zijne knechten om zich te dooden. Daar hem die misdadige hulp geweigerd werd, at hij met zooveel gulzigheid dat zijne maag de spijzen niet kon verteren. De wreedaard stierf ten gevolge dezer overdaad. Zijne dood was veeleer die van een dier dan van een mensch.i Jaar 138).
Marcus-Aurelius verwekte tegen de H. Kerk de vierde algemeene vervolging. Zij was even wreedaardig als de voorgaande, doch eene wonderlijke gebeurtenis opende 'skeizers oogen en deed hem zijn misdrijf herstellen. Omsingeld in de bergen van Germanië door ontelbare vijanden, sedert vijf dagen zonder drinkwater, was Marcus-Aurelius met het gansche leger den ondergang nabij, toen de Christen soldaten, die talrijk waren in de keurbende welke sinds dan den naam droeg van bliksemend legioen, biddend nederknielden. Op d'eigen stond kwam een verfrisschende regen de bezwijkende Romeinen weer kracht en leven schenken, terwijl een verschrikkelijk onweder losbrak boven de Barbaren en ze in volle wanorde op de vlucht dreef. Marcus-Aurelius erkende de macht van den waren God, â hij deed de vervolging ophouden en verbood, op straf van levend verbrand te worden, de Christenen bij de rechtbanken aan te klagen. Jammer dat hij te spoedig het geheugen dezer weldaad verloor en opnieuw de vervolging liet voortwoeden. Hij stierf aan de pest in 180, korten tijd na de herneming der kerkvervolging.
Zijn zoon Comrnodius volgde hem op en vernieuwde op den keizerlijken troon de afzichtelijke'wandade n er. moor-derijen van Nero. God nam wraak in den persoon van dezen onmenschelijken keizer over het christenbloed dat ook zijn vader had vergoten. Keizer Commodius werd verwurgd in zijn paleis op 31-jarigen leeftijd. (Jaar 193).
De dood der kerkvervolgers.
Septimus-Sever us liet de H. Kerk tien jaren in rust en vrede en begon toen de 5Jlt;: vervolging. Zekeren dag verraste hij zijn oudsten zoon Caracalla, die met het zwaard in de hand gereed stond om hem van achter te doorboren.
Dat was een harde slag voor het hart van den keizer. Hij stierf van verdriet, onder het uitspreken van deze vermaard gewonden woorden : âomnia fui, et nihil expedit:quot; .. Ik b'-n alles geweest, en niets kan baten !quot; (Jaar 211).
Caracalla. de moordenaar zijns vaders en zijns broeders, zette de vervolging, door Septimus-Severus begonnen, voort. Hij werd om 't leven gebracht door Macrinus, het opperhoofd der lijfwacht. (Jaar 217).
Heliogabaal, dolzinnig van ontucht en wreede kerkver-volger, wordt onder eenen hoop stalmest waar hij zich verscholen had, doorstoken. Zijn bebloed lijk wordt door de straten van Rome gesleurd en in den Tiber geworpen. Hij was twintig jaren oud. (222).
Alexander Severus was den Christenen niet ongenegen, doch belette niet dat de vervolging hier en daar werd voortgezet. Hij bleef dood in een soldatenoproer, het dertiende jaar zijner regeering, het acht en twintigste zijns levens. (235).
Maximinus van Thracië, een soort van woesten en bar-baarschen reus, vaardigt het decreet uit van de 6Jo kerkvervolging. Beschaamd het juk te dragen van een monster dat zijne handen gedoopt had in het bloed van Alexander Severus, stonden de Romeinen tegen den keizer op. Onmiddellijk toog Maximinus naar Rome. vast besloten over dien opstand eene wraak te nemen gelijk er nog nooit eene gezien werd. Doch Aquilea, dat hij belegerde, bood hem een onvoorzienen wederstand. Woedend dreef Maximinus met slagen en scheldwoorden zijne soldaten ten stormloop. Dat was te veel voor de geduchte pretorianen. Zij weigerden te gehoorzamen, vermoordden den zoon van
347
De Goddelijke beloften der H. Kerk.
Maximinus onder zijns vaders oogen en, na hem zelven den keizersmantel te hebben afgerukt, schepten zij er behagen in, hem langzaam door duizenden kleine wonden te dooden. Maximinus had een gestalte van acht voet hoog en zoo reusachtige ledematen dat hij den armband zijner gemalin als ring aan den vinger kon dragen. De vervolging hield op met zijnen dood (237).
Lecius begint de 7'le kerkvervolging. Zijn plan was te gelijker tijd het Christendom te vernietigen in 't binnenland en de Barbaren terug te slaan van de grenzen. Het tegendeel geschiedde. Hij werd door de Barbaren verslagen, en zijne wreedheid moest wijken, gelijk altijd voor de on-verwinlijke standvastigheid der martelaren. Door zijnen luitenant Gallus verraden, werd hij in eenen veldslag tegen de Barbaren gedood en zijn zoon met hem. Zijn rijk had slechts twee jaren geduurd. (251).
Gallus wordt keizer uitgeroepen in plaats van Decius dien hij verraden had. Hij zet de kerkvervolging voort, wordt van den troon gesmeten en met zijnen zoon vermoord. (Jaar 253).
Valerianus was in het begin den Christenen genegen, maar liet zich overhalen tot de 8ste algemeene kerkvervolging. Van dat oogenblik at^ was het gedaan met den voorspoed dien hij in al zijne ondernemingen genoten had. Naarmate het bloed der Christenen de aarde overstroomde, werd ook het keizerrijk door de vreeselijkste rampen geteisterd. De pest richtte ongehoorde verwoestingen aan : Rome, Lybië en Azië werden met puinhoopen overdekt ten gevolge eener hevige aardbeving; de Barbaren trokken van alle zijden te gelijk over de grenzen en Vernielden gansche provinciën te vuur en te zwaard. Daarna viel Valerianus zelf, door Gods gramschap getroffen. Sapor, koning van Perziö, versloeg Valerianus (jaar 260), maakte hem krijgsgevangen, belaadde hem met ketenen en deed den keizer
348
De dood der kerkvercolgers.
al de vernederingen wreed uitboeten welke zijn land had moeten verduren. Als de woeste koning te paard steeg, moest Kome's keizer zich in 't stof nederbukken en zijnen rug bieden als stijgbeugel voor Sapor. Valerianus diende verscheidene jaren als speelbal aan den wreedaardigen spotlust van de Perziërs en, wat zijne wanhoop ten uiterste bracht, was het bericht dat zijn zoon Gallianus zich over zijn gevangenschap verheugde omdat hij aldus wat vroeger de keizerskroon kon opzetten. Na den dood van Valerianus, werd zijne huid opgemaakt, gelooid, rood geverfd en daarna aan het gewelf van den voornaamsten tempel van Perzië opgehangen tot gedenkstuk van Rome's schande en vernedering.
Gallianus had zijnen rampzaligen vader tot de kerkvervolging opgehitst; hij stierf door den dolk eens moordenaars. (Jaar 268).
Claudius, de gothische, vervolgde de kerk in Italië; hij bezweek aan de pest te Sirmium, voor het einde van het tweede jaar zijner regeering. (270).
Aurelianus heerschte aanvankelijk met roem voor het keizerrijk dat hij bevestigde, en met heil en geluk voor de H. Kerk, die zich in vrede mocht uitbreiden. Doch de uitoefening der oppermacht bedwelmde hem spoedig door hoogmoed, bedierf zijne zeden en veranderde diensvolgens zijne gevoelens ten opzichte der Christenen. .,Hij gaf gehoor, zegt Eusebius, aan de lastertaal van de geloofsvijanden die in zijnen raad zetelden. Er werd gesproken van de kerkvervolging te hervatten. Dat gerucht kreeg dagelijks meer en meer grond. Reeds lagen de bevelbrie-ven gereed : de keizer was op het punt ze te teekenen toen een plotselinge donderslag zijne hand weerhield. Het was eene waarschuwing des Hemels ; Aurelianus begreep ze niet; hij volhardde in zijne wreede inzichten en eenige dagen later waren de bloeddorstige bevelschriften aange-
349
350 L)e Goddelijke beloften der II. Kerk.
plakt.quot; De 9':c kerkvervolging begon aldus en haar eerste slachtoffer was de H. Paus Felix die den 29 Dec. 274 in de folteringen den geest gaf. âEdoch, zegt Lactantius, de bloeddorstige edicten waren nog niet tot de afgelegen gewesten van het keizerrijk aangekomen, als reeds de vervolger, in zijn bloed zwemmend, ter aarde lag.quot; Aurelianus was door een zijner huisknechten vermoord geworden (jaar 275). Die schrikkelijke dood stelde een einde aan de vervolging.
Diocletianus kondigt de tiende en laatste algemeene kerkvervolging af. Deze is de vervaarlijkste van alle. (303). Diocletiaan was nochtans niet de voornaamste aanleider, hij had slechts toegegeven op het aandringen van Galerius en Maximianus Herkules, met wie hij de bestiering van het onmeetbaar keizerrijk gedeeld had en die beiden een vurigen haat tegen de Christenen voedden. Onberekenbaar was het getal martelaren in al de deelen des rijks, behalve in Gallië, waar Gesar Constantius Chloor, vader van den grooten Constantijn, aan de wreede bevelschriften van Diocletiaan geen gevolg gaf en zelfs openlijk Christenen in zijne omgeving toeliet. De straffe des Hemels spaarde Diocletiaan evenmin als de vorige vervolgers. Door eene afschuwelijke ziekte aangetast, vertrok hij van Rome naar Mcomedië en zag zich daar door Galerius gedwongen de keizerskroon neer te leggen. De oude dwingeland ging zijne schande verbergen in het eenzame Salone, maar Gods hand wist hem daar ook te vinden. Hij leed aan vlagen van dolzinnigheid. Spijt en wroeging verkr.aagden hem het hart, want hij kende het Christendom genoegzaam om te begrijpen hoe onrechtvaardig de vervolging was waarmede hij het wilde vernietigen. Diocletiaan genoot noch slaap noch rust, hij at niet meer en besloot zich van honger te laten sterven. De H. Hieronymus verhaalt dat de keizer, alvorens den geest te geven, zijne tong uit-
351
spuwde half door de wormen opgegeten. (Jaar 305). Zijne echtgenoote, keizerin Prisca. had hij gedwongen het Christengeloof af te zweren. Na zijnen dood vluchtte zij weg, als bedelaarster verkleed, werd herkend, aangehouden, onthalsd en te Thessalonika in de zee geworpen. Waarom had zij niet gelijk de heldhaftige Suzanna, nicht van Dio-cletiaan. den marteldood verkozen boven een schandigen afval
Maximinianus Hercules, door Diocletiaan tot de keizerlijke waardigheid verheven, toonde zich, meer dan zijn meester, de onverzoenbare vijand der Christenen. Overal waar hij doortrok of verbleef, liet deze woestaard bloedige sporen van zijne wreedheid achter. Na eerst afstand van de keizersmacht te hebben gedaan wilde hij ze later hernemen om zijnen zoon Maxentius tegen Galerius bij te staan. Hij verstond zich niet lang met Maxentius en nam de wijk naar G-allië bij zijnen schoonzoon Constantijn, die toen reeds den grondsteen legde van zijne toekomstige grootheid en vermaardheid.
De heerschzuchtige grijsaard kon het niet over zich krijgen slechts den naam van keizer te dragen. Hij smeedde eene eerste samenzwering tegen Constantijn, maar deze deed ze mislukken, beroofde zijnen schoonvader van het keizerlijk purper en hield hem als gevangen in zijn paleis. Die zachte behandeling maakte den booswicht nog stouter. Hij verzocht zijne dochter Fausta de deur open te laten van de slaapkamer van Constantijn, haren echtgenoot. Op zekeren nacht, wist de sluwe Maximinianus de waakzaamheid der wachten te ontgaan, sloop in het vertrek, naderde tot het bed en doorstak herhaalde malen eenen man die erin te slapen lag: het was een lijfknecht dien Constantijn, door zijne vrouw verwittigd, in zijn eigen bed had doen slapen. De verfoeilijke grijsaard, op heeter daad betrapt met den bloedigen dolk nog in de
352 De Goddelijke beloften der H. Kerk,
liand en juichende zijnen schoonzoon vermoord te hebben, werd gedwongen zelf zijne doodstraf te kiezen ; Maximiaan verwurgde zich met eigene handen en wreekte aldus op zich zeiven het bloed van zooveel martelaren dat hij vergoten had. (Jaar 310).
Galerms, laatste overlevende van hen die acht jaren te voren ondernomen hadden den naam van Christen uit te roeien, had een nog afgrijselijker einde dan zijne medeplichtigen, die hij overigens in bedorvenheid zoowel als in wreedheid overtrof. Hij heerschte sedert achttien jaren, zegt Lactantius, toen Gods hand hem met eene onge-neesbare kwaal sloeg. Een afzichtelijke zwering ontstaat opeens in het ondergedeelte van zijn lichaam en strekt zich langzaam uit over geheel den buik. Een zwart en stinkend bloed vloeit er uit in zoo groote hoeveelheid dat de keizer schijnt te moeten sterven. De dokters zoeken de wonde te heelen met mes en vuur; vergeefsche moeite! de wonde is nauwelijks toegeschroeid of zij breekt weder open en het bloed stroomt opnieuw. Men roept de Heiden-eche goden aan, doch de kwaal verergert met den dag, de wormen beginnen er te krioelen en doorknagen het ge-darmte, het monster wordt levend opgevreten door eene vuile verrotting en terwijl zijn gehuil en tandengeknars elkeen van schrik doen ijzen, wasemt uit zijn lichaam een onverdraaglijke stank, die niet alleen het paleis maar zelfs de stad vervult. Daar lag nu de kerkvervolger; het bovengedeelte van zijn lichaam, mager en uitgeteerd; geleek op een geraamte wiens knokkelachtig gebeente met eene gele huid zou overspannen zijn ; de beenen en voeten waren integendeel zoo dik en gezwoll'en dat zij geen vorm meer hadden. In zijn onuitstaanbaar lijden, was Galerius nu eens razend van woede, dan weer genegen tot goedheid. De dokters, die hem niet hadden kunnen genezen, liet hij den wilden beesten voorwerpen. Doch dit hielp hem
353
hem weinig. Dan herinnerde hij zich de Christenen, wier bloed hij met stroomen had doen vlieten. Dit gedacht baarde hem angst: hij erkende waarom hij sedert meer dan een jaar folteringen leed erger dan de dood en wilde nu de gramschap bevredigen van den God dien hij, gelasterd had. Hij deed een edict uitbazuinen, dat de vervolging moest ophouden en smeekte zelfs de Christenen, hunnen God voor zijne genezing te aanroepen. God nam die late bekeering niet aan, want zij was door de pijn afgeperst en niet door een waar en rechtzinnig berouw. Eenige dagen naderhand stierf Galerius gelijk Antiochus wiens leven hij had nagevolgd. (Jaar 311).
Voordat hij den geest gaf, had Galerius zijne vrouw en zijnen zoon aan Licinius aanbevolen, maar deze liet ze ter dood brengen, zoodra de keizer de oogen gesloten had.
Maxentius, ktrkvervolger, werd door Constantijn den Groote overwonnen en verdronk in den Tiber. (812).
Maximimis-Daïa, kerkv er volger, onderging eene bloedige nederlaag, nam vergift en stierfin wanhoop na drie dagen van verschrikkelijke krampen. (313).
Met dezen verdween de laatste der Heidensche keizers die de H. Kerk vervolgden, het Heidendom was overwonnen. Constantijn de Groote, door de hand Gods op den wereldtroon van Rome geplaatst, schonk aan de H. Kerk de vrijheid. Eindelijk dan toch kon zij zich verspreiden zonder bij eiken stap de bijl van den beul te moeten trot-sen.
De vrede der Kerk zal echter niet lang duren. Haar lot is te worstelen en te lijden, en eene nieuwe reeks vervolgingen zal ons ook nieuwe en treffende voorbeelden van Gods ontzagwekkende straffen doen ontmoeten.
23
354: De Goddelijke, beloften der H. Kerk
III.
ARIUS.
Onder de regeering van Constantijn den Groote, ging de ware Godsdienst op wonderbare wijze vooruit. Dit kon de duivel niet verkroppen, en om het zooveel mogelijk te beletten, verwekte hij eene allergevaarlijkste en verderfelijkste ketterij : het Arianisme. Hij had zijn werktuig tot die snoode onderneming goed gekozen, te weten, zekeren priester, even heerschzuchtig als geslepen, gereed tot alles wat hem slechts eeretitels en waardigheden kon aanbrengen. Zijn naam was Arius. Deze was erg verbitterd omdat men aan een anderen de voorkeur had gegeven voor den patriarchalen zetel van Constantlnopel. Hij besloot dan openlijk de valsche leeringen te prediken welke hij tot dan toe bedektelijk had zoeken te verspreiden. In eene Kerkvergadering te Alexandrië bijeengeroepen, werd hij om zijne dwalingen in den ban geslagen en tot de ballingschap veroordeeld ( 320). Hij loochende voornamelijk dat de Zoon. tweede persoon der Heilige Drievuldigheid, een zelfde natuur had als de Vader; in andere woorden: hij loochende de Godheid van Jezus-Christus.
Daar de nieuwe ketterij, in weerwil harer veroordeeling, met den dag veld won en reeds de Kerk beroerde, belegde de keizer, in overeenkomst met den H. Sylvester, paus van Rome, eene algemeene Kerkvergadering te Nicea (325). Daar, in de tegenwoordigheid van Constantijn den Groote, legden driehonderd bisschoppen de plechtige verklaring af dat de Godheid onzes Zaligmakers een geloofspunt is ; de tegenovergestelde dwaalleer van Arius werd gedoemd. Deze beslissingen ontvingen de goedkeuring en bevestiging van den Paus, en nu zou men gedacht hebben dat het Arianisme den doodslag had gekregen. Het viel echter ge-
De dood dn' kerkvervolgers.
heel anders uit. De voorstanders der nieuwe leer namen hunne toevlucht tot list en kuiperij en brachten het zoo ver dat zij den keizer zeiven in hunne netten vingen, hem overhaalden om aan Arius zijne gunst terug te geven, en den H. Athanasius, den grooten geloofsverdediger, naar Trier deden verbannen.
Deze eerste overwinning bevredigde den trotschen ketter niet: men had hem uit Alexandrië verjaagd, naar Alexan-drië wilde hij zegevierend terugkeeren. Doch het volk dezer stad bleef aan zijnen patriarch Athanasius getrouw ; ook, zoodra Arius verscheen, liep het te wapen en verjoeg den indringer uit zijne muren.
Xa die mislukking, kwamen de Arianen, verre van den moed op te geven, op een nog stouter denkbeeld: zij zouden hunnen aanleider plechtig doen inhuldigen te Con-stantinopel, de keizerlijke hoofdstad. Vooreerst wendden zich de huichelaars tot den H. Alexander, patriarch van Constantinopel. Zij smeekten hem toch medelijden te hebben met eenen priester die zoo lang en zoo onrechtvaardig vervolgd werd. De H. Alexander, al was hij negentig jaren oud, doorschouwde met helder oog de trouwe-looze list der Arianen en weigerde met onwankelbare standvastigheid de hand er toe te leenen. Dan beriepen zij zich op de wereldlijke macht en verkregen een bevelschrift waardoor de keizer gebood dat Arius in de hoofdkerk van Constantinopel plechtig moest worden ingehaald i,jn in de tegenwoordigheid van al het volk tot de gemeenschap der geloovigen worden toegelaten.
De heilige patriarch Alexander nam alsdan de geestelijke wapenenter hand, hij legde aan de geloovigen een zevendaagsche vasten op om den bijstand des Hemels in dat dringend gevaar af te smeeken. 's Daags voor de godtergende plechtigheid, lag de heilige grijsaard vöör het altaar geknield, besproeide den grond met zijne tranen en
355
856 De Goddelijke beloften der H. Kerk
bad : âO Heer, indien Arius morgen in de gemeenschap der geloovigen moet toegelaten worden, neem dan uwen dienaar van deze aarde iceg. Doch, indien gij nog medelijden hebt met uwe Kerk, gedoog niet dat uw erfdeel ontheiligd worde. Dat al het gewicht uwer gramschap op Arius nedervalle en dat de ketterij zich niet langer over hare overwinning ver-hoovaardige.quot;
Den volgenden dag trok Arius met groote praal door du stad. Zijne partijgangers omringden hem en vormden hem een zegestoet. Op de groote markt, tegenover de basiliek, waar de H.Alexander biddend ter aarde lag, voelde de ketter een zenuwachtige rilling zijne ledematen doorloopeu en hij vroeg om naar een geheim vertrek geleid te worden. Daar hij er te lang vertoefde, drong men het vertrek binnen, en wat vond men ? â den godlasteraar badend in zijn bloed, met de ingewanden uit het lichaam... en dood! Bij dat afzichtelijk schouwspel stonden de Arianen zeiven stom van schrik en afgrijzen. De plek, waar dit bloedig tooneel plaats greep, werd nog lang daarna door elkeen geschuwd, men durfde ze niet benaderen en men wees ze met den vinger aan als een gedenkstuk der Goddelijke wraak (336).
Keizer Constantijn de Groote stierf het volgend jaar zon- , der zijne dwaling betreffende de sluwe en huichelende Arianen te hebben ingezien. Hij was een Godvreezend vorst en oprecht aan de H. Kerk verkleefd, maa:; hij had ' het ongelijk zich door den schijn te laten bedriegen en zich in de netten te verwarren van eene ketterij die hij zelf in 't eerst zoo krachtdadig had bevochten en tot welker veroordeeling in 't concilie van Nicea hij veel had bijgedragen. Werd hij in zijn eigeii persoon er niet voor gestraft, omdat zijne inzichten zuiver waren, zijne nakomelingen zullen wreed gebeten worden door de verraderlijke slang die hij, onvoorzichtig genoeg, in zijnen schoot gevoed en gekoesterd had.
De dood der kerkvervolgers.
IV.
DE AHIAAXSCHE KEIZEHS VAN CONSTANTINO PEL.
Constcmtius. zoon van Constantijn den Groote, besteeg den troon van Constantinopel, waar zijn heldhaftige vader den zetel van het keizerrijk gevestigd had. Constantius was Christen, doch hij omhelsde de ketterij van Arius en vervolgde de Katholieken. Na vier en twintig jaren den schepter der wereld gedragen te hebben, stierf hij op eene wijze die als eene klaarblijkende straf des Hemels werd aangezien. De keizer, om alleen heer en meester te blijven, had niet teruggeschrikt voor den moord van zijne broeders en van zijnen neef Gallus. Sedert dien zag hij meermaals het bleek en bloedig lijk van Gallus gelijk een spook voor zijne voeten oprjzen. âKijkt, riep hij dan tot zijne vertrouwelingen, bespeurt gij dat spook niet ? Jaagt het weg.quot; 's Nachts verschenen hem ook de schimmen zijner vermoorde broeders en wierpen hem in een doodelijken angst.
Julianus, aan wien hij het bestuur van Gallië had toevertrouwd, verhief ondertusschen het vaandel van den opstand en overmeesterde spoedig gansch het Westen. Bij die tijding verzamelt Constantius in aller ijl een machtig leger en rukt tegen Juliaan op. Zijne angsten verdubbelen echter. Hij ontmoet een lijk op zijnen weg en valt ziek van schrik. Hij zet evenwel de reis voort met koortsige haast, als ware hij door Gods wrekende hand voortgezweept. Bleek als een doode, het oog verwilderd en de gelaatstrekken verwrongen, steekt de prins alle oogenblikken het hoofd uit de draagkoets en roept tot de ruiters : â Gameer! gameer!quot; â 's Avonds moet men rusten in eene schamele hut. Men ontbiedt de geneesheeren, maar deze hebben den stoet in zijnen snellen tocht niet kunnen volgen. Van alle hulp ontbloot, begint Constantius bitter te weenen. Na
357
De Goddelijke beloften der H. Kerk
vruchtelooze pogingen om overeind te gaan zitten, spuwt hij eenen stroom van gal en gestold bloed en geeft den geest. (361). Hij was vier en veertig jaren oud en, volgens den H. Athanasius, stierf hij zonder zijne misdaden door een waar berouw te hebben uitgewischt.
Juliaan, de Apostaat of geloofsverzaker, kreeg het keizerrijk ten erfdeel. Deze prins had eene valsche en wreede inborst, hij zwoer het Christengeloof af en droomde de herstelling der afgoderij. Te dien einde beraamde hij eene kerkvervolging, de trouwelooste en sluwste die ooit plaats greep. Doch God liet hem den tijd niet om zijne plannen uit te voeren. Juliaan, om zijn gezag door den krijgsroem te vergrooten, had aan Perzië den oorlog verklaard en was met zijn leger tot voor Ctesiphon doorgedrongen. Daar werd hij onverwachts door koning Sapor aangetast. Juliaan had zich juist op een legerbed nedergeworpen toen hij door het geschreeuw der soldaten vernam dat de vijand het kamp bestormde. Zonder zich den tijd te gunnen zijne wapenrusting aan te doen, springt hij te paard, grijpt een schild en vliegt in het heetste van het gevecht. Reeds heeft hij de overwinning in de hand, toen een pijl hem de zijde doorboort. Juliaan voelt naar de wonde, en een handvol van zijn stroomend bloed naar den hemel opwerpend, roept hij uit: âGalileër! gyj zegepraalt.quot; [Galileër was de naam die de Apostaat gewoon was te geven aan onzen Zaligmaker). Daarna wil hij den pijl uit de wonde rukken, maar snijdt zich deerlijk in de vingers. Dan valt hij van quot;t paard en sterft eenige uren later (363).
De dood van den tyran werd aan verscheidene heilige personen geopenbaard zoodat men ze in Europa kende voor de aankomst van de nieuwsboden. Te Antiochië ontmoette op zekeren dag de Heidensche redenaar Libanius een Christen leeraar en vroeg hem spottend: â Welnu ! wat doet tegemcoordlg de timmermanszoon?quot; â âHijmaakt
HÃS
De dood der kerkvervolgcrs.
eene doodkist!quot; antwoordde de Christen. Dat antwoord was eene voorzegging die spoedig werd bewaarheid; maar hoeveel doodkisten hebLen niet de dwazen weggedragen die de H. Kerk wiiden begraven ! Wanneer toch zullen de machtigen dezer wereld ophouden als dolzinnigen met God te willen worstelen !
Valens, door zijnen broeder Valentinianus tot het keizerschap verheven, herneemt de Ariaansche vervolging van Constantius en voert een hardnekkigen strijd tegen de Katholieke geloofsvoorstanders waaronder de H. Atha-nasius wel op de eerste plaats uitmunt. De Gothen, die achter de grenzen het uur der wraak schenen af te wachten, waren ditmaal het werktuig der Goddelijke rechtvaardigheid. Die Barbaren deden eenen inval, drongen door tot onder de muren van Constantinopel en dreven twee legers, die hun den weg versperden, achtervolgens op de vlucht. Valens begreep dat hij zelf aan 't hoofd zijner troepen moest te velde trekken. Den 11en Juni 378 verliet hij de hoofdstad, toen plotseling een kluizenaar, Isaac genaamd, voor den stoet opdaagde : â Waar gaat gij heen, vijand van God ? sprak hij met klem. Gvj wilt strijden en J.-C. is niet met u! Stel eerst een einde aan den oorlog dien gij voert tegen Goden schenk de Bisschoppen aan hunne kerken terug. Indien gij dit doet, zult gij zonder vechten zegevieren ; maar weigert gij, dan zal uw leger vergaan en gij zelf zult nooit meer den voet zetten in Constantinopel.quot; â âOnbeschofte kerel / schreeuwt Valens, gij zidt wel gewaar worden dat ik zal teruggekomen zijn. Bij mijne intrede in de stad zal ik u 't hoofd doen afslaan.quot; â Isaac, met ketenen beladen, werd in den kerker gesmeten om er het einde van den veldtocht af te wachten. Maar Valens kwam niet meer weder.
Met eene dwaze vermetelheid rukte hij vooruit tot voor Andrinopel. Daar, zonder naar den wijzen raad zijner veld-heeren te luisteren, leverde hij slag. De ontelbare menigte
359
De Goddelijke beloften der II. Kerk
der Barbaren omsloot hem weldra als in een ijzeren muur. De Romeinen nochtans hielden stand met den moed dei-wanhoop, toen zij zich opeens omringd zagen van verslindende vlammen. De Gothen hadden het struikgewas in brand gestoken, en het vuur, begunstigd door de droogte, sloot meer en meer de Romeinen in, die, dol van schrik en angst, in eene bandelooze vlucht hunne gelederen braken. Valens spoorde zijn paard om in galop door de vlammen heen te jagen, maar een pijl vloog hem in de borst en plofte hem ter aarde neder. Daar lag hij in zijn bloed. Trouwe dienaren namen hem op en brachten hem in eene hut. Zij legden hem op een stroobed en waren bezig zijne wonden te verplegen toen ook het dak hunner schuilplaats vuur vatte. Allen ijlden weg en lieten den gekwetste hulpeloos omkomen in de vlammen ; de asch zijns lichaams werd niet terruggevonden. Herinnerde de keizer zich in zijn laatste stervensuur hoeveel Katholieken hij levend had laten verbranden ?
Valens, de vervolgingszuchtige ketter, had het keizerrijk zijnen ondergang nabij gebracht; Theodosius de Groote, een Katholieke vorst, herstelde zijne macht.
Gratianus, opvolger van Valens, maakte hem deelgenoot van het keizerschap, en nu stelde zich Theodosius aan 't hoofd der troepen, hakte het leger der Gothen in de pan en deed deze Barbaren den kop buigen voor Constanti-nopel dat zij reeds meenden in handen te hebben. (379).
Eugenius, keizer uitgeroepen van het Westen na den moord door Arbogast op Valentinianus II gepleegd, beproefde nogmaals het Heidendom te herstellen. Keizer Theodosius trok op tegen den rooyer der keizerskroon, behaalde op hem eene groote overwinning en liet hem ter dood brengen. â Wat den verrader Arbogast betreft, men vond zijn lijk zes dagen na den slag; hij had zich met eigen zwaard doorstoken. (894).
360
De dood der kerkvervolgers. 361
Met den dood van Theodosius den Groote, begint voor het Romeinsch keizerrijk een tijdstip van onherstelbaar verval. Het uur is gekomen waarop God den Barbaren zal toelaten op een lang beleerde prooi neder te storten.
Onder de opvolgers van Theodosius betwistten heersch-zuchtige hovelingen elkander de hoogste ambten, en 't waren doorgaans de behendigste, de sluwste snoodaards, die het gezag in handen kregen. Zij vielen, wel is waar, even snel als zij waren opgekomen, en de afgrijselijkheid van hun einde kwam overeen met de afschuwelijkheid hunner misdaden. Zoo werd de bedrieger Rup.nus om het leven gebracht door opgewonden soldaten op het oogenblik zelf dat hij tot deelgenoot des keizerlijken troons ging uitgeroepen worden. Hij omhelsde de knieën van den jongen keizer Arcadius, smeekte om genade, doch te vergeefs. De laffe Eutropus, die den H. Joannes Chrysostomus had vervolgd en aan de kerken het recht van veiligheid ontnomen, is gedwongen zelf eene schuilplaats onder het altaar te zoeken, en daar, dank aan de welsprekendheid en krachtdadigheid van denzelfden H. bisschop, ontsnapt hij voorloopig aan de woede van het volk dat hem dreigt te verscheuren. Doch nauwelijks heeft hij op de belofte van een vrijgeleide zijn schuiloord verlaten, of hij wordt ter dood verwezen en onthalsd. â Na Eutropus dringt zich de wreedaardige Gaïnas als consul aan den zwakken Arcadius op. Zijn inzicht is de ketterij van Arius door moord en vervolging te herstellen ; doch hij wordt uit Gonstantinopel verdreven, sterft in een laatste gevecht, en zijn hoofd wordt naar Arcadius gestuurd door zijn overwinnaar die niet minder wreed is dan hij.
Keizerin iftfcftmo, eene hartstochtelijke en kwaadaardige vrouw, die van Arcadius' zwakheid misbruik maakte om in zijnen naam den grooten bisschop Joannes Chrysostomus te vervolgen, sterft een ijselijken dood in den vollen
362 De Goddelijke beloften cler II. Kerk
bloei liaars levens. Al de vijanden van den H. Joannes komen ellendig om. Cyrinus sterft aan den kanker welken geen snijden of afzetten heeft belet geheel zijn lichaam te ontsteken ; een ander stort van de trap van het paleis en valt het hoofd in; eenderde ziet zijn vingeren, die de veroordeeling van den heiligen bisschop hadden geteekend, verdrogen ; een vierde wordt levend de prooi der wormen. Maar laten wij die personen van minderen rang voorbijtreden. Een schrikkelijker vonnis Gods eischt onze aandacht; de bijl der Barbaren is dreigend opgeheven tegen het oude Heidensch keizerrijk van Rome.
V.
GODS STRAFGERICHT OVER HET EOMEINSCH KEIZERRIJK.
Gelijk God, na in den loop der tijden op de vervolgers bij de Joden recht te hebben gedaan, dit volk zelf en zijne hoofdstad Jerusalem op eene onherroepelijke en voorbeeldige wijze kastijdde, â zoo ook, na het gewicht zijner gramschap aan de machtige keizers van Rome, die aan de H. Kerk den oorlog hadden durven verklaren, te hebben doen gevoelen, voltrok hij het werk zijner billijke wraak met het keizerrijk zelf en diens Heidensche hoofdstad Rome ten eenemaal te laten vernietigen. De Barbaren waren de verschrikkelijke uitvoerders van dit besluit. Sedert lang pakten zij zich op de grenzen van het keizerrijk te zamen ongeduldig om op hunne prooi los te gaan. Reeds waren zij, nu hier dan daar, de grenzen overgetrokken en hadden geheele provinciën verwoest, toen eindelijk de koning der Visigothen, de vreeselijke Alaric, voorgoed doorbrak, al de hinderpalen uit den weg ruimde en den woeligen optocht der vernielers begon (Jaar 408).
Aan 't hoofd van ontelbare krijgers op moord en plundering verhit, werpt hij zich eerst op Thracië, bedreigt
363
Constantinopel, doorkruist Macedonië, Epirus en Griekenland en rukt daarna, door Dalmatië, hooger op naar 't Noorden van Italië, waar hij een oogenblik in het Alpengebergte blijft hangen, somber en dreigend gelijk eene onweerswolk in wier schoot de huilende stormen zijn opgesloten. Dan eensklaps breekt hij los en schiet regelrecht af naar Rome. Niets kau hem stuiten in zijne vaart: noch het leger van keizer Honorius die zijne verschansingen niet durft verlaten, noch de Italiaansche steden die sidderend de poorten sluiten tegen den aanrukkenden Barbaar. Alaric trekt door, hij heeft maar een doelwit; Rome. Nog slechts eenige mijlen afstand blijven te doorloopen, als een H. kluizenaar den Barbaar te voet valt en hem smeekt de Eeuwige Stad te willen sparen. âIk hen mijn eigen niet meester, zegt Alaric, ik hoor aanhoudend eene stem die mij toeroept: voort, voort ! ga Rome verwoesten !quot;
Nu is hij voorde poorten der keizerlijke stad die gewoon was de gansche wereld voor haar te zien nederknielen. De tijding van de opdaging van den schrikbarenden overweldiger zet Rome in rep en roer. Neerslachtigheid, verwondering, gramschap en angst, de tegenstrijdigste gevoelens overheerschen beurtelings aller gemoederen zoowel in den senaat als onder het volk. Men schreeuwt van verraad en men vermoordt onschuldigen. Die schelmstukken brengen weinig baat. Pest en hongersnood dunnen de bevolking; de lijken liggen weldra met hoopen opgetast in de straten en belemmeren den doortocht. Dan stuurt men een gezantschap van edele senators naar Alaric. âHet Romeinsche volk, zeggen zij tot den Barbaar, zal vrede met u maken, indien gij billijke voorwaarden stelt.quot; â âMijn zwaard alleen heeft hier te beslissen,quot; antwoordt de Visigoth. â âIn dit geval, hervatten de afgezanten met meer hooghartigheid dan wijsheid, zullen de Romeinen den dood verkiezen boven de schande en zij zullen u buiten de muren, in
De Goddelijke beloften der II. Kerk
open veld, slag leveren om te ovenvinnen ofte sterven.quot; â âZoo veel te beter, zegt Alaric met een schaterlach, hoe dichter het hooi staat, des te gemakkelijker voor de maaiers.quot; â Daarop eischt hij de onmiddellijke overlevering van alles wat Rome in goud, zilver en kunstwerken bevat. â âWat laat gij ons dan over ?quot; krijten de afgezanten. â â Uw leven.'quot; antwoordt de Barbaar.
In Rome echter waren de Heidenen, alsdan nog groot in getal, druk bezig met aan de goden te offeren en de verlossing der stad af te smeeken. âDoch het hielp niet, bemerkt een Heidensche ooggetuige van deze gebeurtenissen; de goden waren onmachtig, ofwel zij hadden Rome hunne bescherming ontzegd.quot; Men zag zich dus gedwongen den Barbaar te voldoen en deze, beladen met de onschatbare rijkdommen van Rome, brak het beleg op en ging Middel-Italië verwoesten.
Rome waande zich gered, maar het was slechts eene verpoozing, want de Visigothische vorst, die zelf aarzelde de oude wereldstad te vernietigen, kwam spoedig terug-zwerende dat hij ditmaal de stad zou innemen en in brand steken. Inderdaad, den nacht van den 24 Augustus 410, drongen de Visigothen stormenderhand in Rome. De Romeinen wakker geschoten bij het woeste getier der Barbaren, aanschouwden met angst den gloed van den aan-loeienden brand en begrepen hun erbarmelijk lot. De slachting en plundering namen aanvang, zii duurden drie dagen lang en gaven aanleiding tot onbeschrijfelijke gruweldaden. De wreede overwinnaar toonde zich nochtans goedertieren buiten verwachting: hij beval aan zijne woeste soldaten de Christene kerken te sparen en allen die er zich in zouden verschuilen. Dit bevel werd uitgevoerd. Na drie afgrijselijke dagen en nachten, staakte Alaric de woede zijner benden en altijd aangedreven door de geheimzinnige stem die hem toeriep : Voort! voort! ging hij zijn vernielingswerk in andere gewesten voortzetten.
864
De duod der kerkvervolgers.
De gansche wereld was door de verschrikkelijke verwoesting van Rome als terneergeslagen. Christenen en Heidenen konden het nauwelijks gelooven. De H. Hiero-nymus, in zijne eenzaamheid van Syrië, wist niet hce lucht te geven aan de smart zijner ziel, noch besefte, it: het eerst, waarom de Goddelijke Voorzienigheid de voornaamste stad der wereld aan de Barbaren had prijsgegeven. Later nochtans begreep hij, dat al de uitboetingen moesten vereenigd worden waar al de misdaden waren te zamen gevloeid.
Andere Barbaren, de Alanen, de Sneven en vooral de Wandalen verwoestten ondertusschen het land der Gallen (hedendaagsch Frankrijk en België). Na alles in die streek in puin en asch te hebben gelegd, wierpen zij zich gelijk een vernielende stroom op Spanje (409-410) en bedreven er dezelfde wreedheden. De Wandalen, door graaf Bonifa-cius geroepen, staken over naar Afrika onder het beleid van den vreeselijken Genseric. âAldus dreef Gods hand, zegt Salvianus, de Barbaren de wereld rond gelijk een straff enden geesel voor de gruweldaden der Romeinen.quot;
Genseric, het zwaard en de brandtoorts in de hand, doorliep al de steden in het noordergedeelte van Afrika, van Gibraltar af tot Carthago. De H. Augustinus, oud en ziekelijk, was niet bestand tegen de rampen die hij te ge-moet zag en stierf van droefheid, terwijl de Barbaren zijne bisschoppelijke stad Hippo belegerden. Zoodra de Wan-daalsche vorst Afrika had overmeesterd, ging hij te Carthago wederom scheep. âWaarheen?quot; vroeg de stuurman. â â Wend de steven daarheen, klonk het antwoordt, ivaar Gods gramschap berust.quot; â Hij stevende naar Rome, die Genseric veertien dagen lang aan zijne plunderzieke soldaten overliet. Niets ware in deze stad recht gebleven, hadde niet een man geleefd die alleen, te midden der al-gemeene wanhoop, zijn moed en krachtdadigheid ten volle
365
De Goddelijke beloften der H. Kerk
behield. Die man was de H. Paus Leo de Groote. Hij bekwam van den Wandaal dat het leven en de eer der Romeinen zouden gespaard blijven zoowel als de openbare gebouwen der stad. Genseric keerde terug naar Carthago met zijne schepen vol rijkdommen en gevangenen. (455).
Vier jaren voor deze tweede vernieling van Rome, waa een nieuwe veroveraar, schrikkelijker dan de vorige, uit het diepst van Azië toegesneld. Het was de woeste Mtila aan 't hoofd van een ontelbaren drom Hunnen. Mainz. Trier. Keulen, Tongeren, Doornik en veel andere steden werden uitgeroofd en hare Dewoners over de kling gejaagd. Parijs had zijn behoud alleen te danken aan de tusschen-komst van de H. Genoveva, en Orleans ontsnapte aan de moorderij dank aan de gebeden van zijn heiligen bisschop Agnanus.
De H. Lupus, bisschop van Troyes, ging Attila tegemoet en met een bovenmenschelijke stoutheid vroeg hij hem ; , Wie zijt gij die ons land verwoest en de tcereld ontstelt door het gerammel meer ivapens ?quot; â âIk ben de geesel Gods,' antwoordde Attila, wiens wreede inborst zich echter dooide gebeden van den Heilige liet vermurwen.
Woedend over eene gedeeltelijke nederlaag, wijkt de koning der Hunnen ter zijde uit, werpt zich op de landstreken welke de Rhone bespeelt, doorkruist Zwitseiland, trekt het Alpengebergte over en overstroomt met zijne ⢠wilde benden de vruchtbare velden van Venetië. Aquilea bezwijkt en zijne inwoners worden vermoord. r Ik hen de hamer die de wereld verplettert, zeide Attila met eene vreeselijke kracht, de grond davert onder mij ; er groeit geen gras meer op het spoor van mijn strijdpaard.quot; En hij sprak waarheid; want waar Attila was doorgetrokken, liet hij niets achter dan puinen en lijken. Bevend van angst, vlood de bevolking voor hem uit. Zonder een mirakel des Hemels, ware alsdan het laatste uur voor het Romein-
366
De dood der kerkvervolyers. 3137
sche rijk geslagen. De H. Leo zou dit mirakel bewerken.
Zoodra de groote Paus de aankomst van Attila vernam, verliet hij Rome en ging alleen in pauselijk gewaad den Geesel Gods te gemoet. Attila. bevond zich in zijn kamp bij Mantua omgeven van zijne vervaarlijke krijgers, toen de H. Leo voor hem verscheen en hem toesprak. Eensklaps, op het woord des Pausen, verandert de houding van den woesten vorst: hij staat alles toe wat hem gevraagd wordt. De verbazing van de wilde Hunnen is groot, maar Attila zelf legt zijn gedrag uit: âHet is die man niet, zeide hij, die wivj eensklaps van besluit heeft doen vercmdeven, maai', ter-wijl hij mij toesprak, zag ik naast hem een hoogepriester met bovenmenschelijk voorkomen. Deze stond recht; zijne oogen schoten bliksems uit; in zijne hand droeg hij een bloot zwaard. Zijne vreeselijke blikken, zijn dreigend gebaar gaven mij het bevel alles toe te staan wat de afgezant der Romeinen zou vragenquot;
Attila trok opnieuw de Alpen over, terwijl Leo de Groote zegevierend in Rome werd ingehaald.
Het Heidensche Rome was dan overwonnen en aan de willekeui der Barbaren overgeleverd, die het beurtelings kwamen uitrooven of rantsoeneeren. Het Westelijk keizerrijk bestond alleen nog met den naam, want Groot-Bre-tanje was de prooi geworden der Angel-Saksers; Gallië, die der Franken en Burgonden; Spanje, die der Alanen, Sneven en Yisigothen; Afrika, die der Wandalen. Het verdween geheel en al, wanneer Odoaker, koning der Herulen, zich van Italië meester maakte en het laatste overblijfsel der Romeinsche macht, die zeven eeuwen lang de wereld over-heerscht had, verstrooide.
Gods strafgericht op het Romeinsche rijk was voltrokken, en nu ging het uur slaan dei- barmhartigheid. De H. Leo de Groote, die den wreeden Attila voor zijn zedelijk gezag doet zwichten, is het zinnebeeld der H. Kerk, die op
368 De Goddelijke beloften der II. Kerk.
de bloedige puinen der Heidensche wereld recht staat en zich gereed maakt om met de bekeerde en getemde Barbaren, gemengd met de Eomeinsche Christenen, eene nieuwe maatschappij te stichten : de Christelijke maatschappij wier luister en grootheid tot heden toe voortduurt ondanks de pogingen van het nieuwerwetsche Heidendom om ze te vernietigen.
VI.
DE BYZANTIJNSCHE KEEKVEBVOLGEBS.
Terwijl het Westelijk gedeelte van het Romeinsch keizerrijk de prooi werd van de Barbaren, had het Oostersch gedeelte, ofGrieksch rijk, oneindig veel te lijden, al ontsnapte het dan ook aan eenen volslagen ondergang. Zijne schoonste provinciën waren verwoest en de hoofdstad Con-stantinopel had meermaals in hare muren gebeefd, vree-zende voor haar zelve het verschrikkelijk lot van Rome. Zoodra echter het gevaar voorbij was, sloegen de Grieksche keizers wederom den rampspoedigen weg in door hunne voorgangers bewandeld. Meest allen werden de beschermers der Ketters en Schismatieken; zij onteerden hunne kroon zoowel door hunne schandige lafhartigheid als door hunne wreedheid en hun bedorven zeden. Geen enkel bleef' ongestraft.
Basiliscus, een Grieksch veldoverste, stond in 475 op tegen keizer Zeno. Het viel hem mee, zoodat Zeno slechts aan eene haastige vlucht zijn behoud te danken had. Zelt keizer geworden, toonde zich Basiliscus al zoo wreed en zoo ontuchtig als de onttroonde vorst. Daarbij vervolgde hij de Katholieken ten voordeele der Eutychiaansche ketterij. Alsdan kwam een heilige kluizenaar, Daniël genaamd, uit zijne eenzaamheid, ging stoutmoedig naar Constanti-nopel en dorst den keizer voorzeggen dat zijn rijk zou vernield worden tot straf zijner goddeloosheid.
De dood der kerkvervolgers.
De aankomst van den H. Daniel veroorzaakte onder het volk, dat reeds verbitterd was, eene dusdanige opschudding dat Basiliscus het geraadzaam oordeelde de stad te verlaten. Aanstonds verscheen nu de onttroonde keizer Zeno op het tooneel; geholpen door de Gothen en het verbitterde volk, toog hij zegevierend Constantinopel binnen. Men zocht naar Basiliscus en men vond hem met vrouw en kinderen in eene kerk verscholen. Zeno belooft hem met eed, dat zijn bloed zal gespaard worden, indien hij de heilige plaats die hem tegen zijne vijanden beschermt, wil verlaten. Basiliscus vertrouwt op die belofte, maar Zeno doet hem vastgrijpen en met gansch zijne familie in een uitgedroogden put werpen, dien men vervolgens toemetselt. Later, toen men den put opende, vond men dat de ongelukkigen malkander omarmend in de stuipen en hongerkrampen waren bezweken (477). Zeno had hun bloed gespaard !
Zeno, een losbandige vorst, wiens regeering om hare schandige wreedheden met die van Nero kan worden gelijk gesteld, was een hevige en haatvolle vervolger der Katholieken. Noch de rampen die hem troffen, noch de omwentelingen, die zijne regeering stoorden, noch zijne ballingschap zelve was niet in staat hem de oogen te openen. Altijd beducht voor zijn leven, deed hij meest al degenen, die hij voor zijne schelmstukken gebruikt had, teï dood brengen en zoo groeide van dag tot dag het getal zijner slachtoffers. Eensklaps verspreidde zich in Constantinopel bliksemsnel de tijding dat de tyran schielijk was overleden. Wat was er gebeurd ? De eenen zeiden dat Zeno aan den buikloop gestorven was : maar anderen hielden vol dat de keizer smoordronken aan tafel was neergevallen en daarna op bevel zijner vrouw naar den keizerlijken grafkelder gedragen. De tombe werd gesloten en onder de bewaking gesteld van soldaten, wien was opgelegd niemand tot het
24
869
De Goddelijke beloften der H. Kerk
graf te laten naderen en dit niet te openen wat er ook mocht voorvallen. Welnu, eenige uren later, zeggen dezelfde geschiedschrijvers, hoorde men in den grafkelder een erbarmelijk gekerm en noodgeschreeuw. De wachten nochtans bleven onbeweeglijk op hunnen post ; en als men, lang daarna, den grafkelder binnentrad bevond men dat Zeno, razend van honger, zijne armen met de tanden had verscheurd. Hij stierf dus, de wreedaard, gelijk hij Basiliscus had doen sterven. (491).
Anastasius, na den dood van Zeno tot keizer uitgeroepen, was insgelijks een geweldige en trouwelooze kerkver-volger. De wettige bisschoppen verjoeg hij om ze door indringers te vervangen, de brave Katholieken verdrukte hij, de kloosterlingen liet hij vermoorden zoowel als de priesters die de Ketterii niet wilden aankleven. God, alvorens hem te straffen, spaarde den ouden dwingeland de waarschuwingen niet. Een oproer bracht hem op den boord van den afgrond. Anastasius verscheen blootshoofds, bevend en ootmoedig gelijk een smeekeling, voor het volk ; hij beloofde plechtig de verbannen bisschoppen 'te zullen terugroepen, het ware Geloof te omhelzen en de H. Kerk te beschermen. Het volk werd door de huichel-taal van den ouden dwingeland bewogen en liet hem de kroon.
Maar nauwelijks was het gevaar voorbij, of Anastasius hervatte de vervolging met verdubbelde woede. Alsdan trof de gramschap Gods, slag op slag, zijne voornaamste medeplichtigen ; de Barbaren overvielen verscheidene provinciën en sleepten gansche bevolkingen gevankelijk mede; eene afgrijselijke aardbeving vernielde in weinige oogen-blikken vier en twintig steden. Anastasius bleef doof en blind en zette zijne vervolging voort. Eindelijk was de maat vol, Anastasius had een bijgeloovigen angst voor den donder ; ook had hij een onderaardschen gang laten
370
De dood der kerkvervolgers. 371
maken waarin hij ging schuilen zoodra een onweder losbarstte. Die voorzorg hielp hem niet, want zekeren aag werd hij in de plaats zelve, waar hij zich in veiligheid waande, door het vuur des Hemels doodgebliksemd (518). De regeering dezes keizers duurde zeven en twintig jaar en was een der verfoeilijkste door de geschiedenis vermeld.
Mauritius, om zijne krijgshaftige deugden en andere hoedanigheden op den troon van Constantinopel geplaatst, liet zich door zijne eigene macht en grootheid verblinden. Hij ondersteunde de Schismatieke aanmatigingen van patriarch Joannes den Vaster tegen de billijke eischen van den H. Gregorius den Groote. Niets kon hierin zijnen kop buigen, maar zijne straf was verschrikkelijk.
De H. Theodorus van Siceota had aan Mauritius voorzegd dat hij zou keizer worden ; hij voorzeide nu ook zijnen val. âKeizer Mauritius met geheel zijn stamhuis zullen in een vreeselyjken storm verdwijnen, zeide hij weenend tot de kloosterlingen; het oordeel Gods, dat den vorst gaat treffen, zal verschrikkelijk wezen maar toch rechtvaardig.quot; â De voorzegging bleek spoedig waar te zijn. Mauritius had eerst te worstelen tegen zijne onderdanen die morden over zijne hardvochtige en geldzuchtige regeering. De weigering van 12,000 Romeinen, die bij de Barbaren krijgsgevangen waren, voor eene geringe som vrij te koopen dreef de verontwaardiging des volks ten top. De opstand was niet meer te dempen en de hoofdman Phocas werd tot keizer gekozen. Mauritius en zijne bloedverwanten met ketenen beladen werden naar het zeestrand gevoerd. Daar moest de gevallen keizer de doodstraf van zijne vijf kinderen aanschouwen en bij eiken slag, die op hunne dierbare hoofden nederviel, herhaalde hij de woorden van den Psalmist: â Gij zvjt rechtvaardig, o Heer, en uw oordeel is gerechtig.quot; Hij zelf werd ten laatste aan den beul overgeleverd (602).
872
Phocas, die over de lijken van Mauritius en van dezes kinderen naar den troon was gestapt, was slechts een bloeddorstige en wreede dwingeland, bij wien zich een afzichtelijk uiterliik met de hatelijkste ondeugden paarde. Zijne regeering. die alleen berustte op het woest geweld ten dienste eener Barbaarsche en Heidensche wreedheid, was niet lang van duur. Heraclius zeilt met eene machtige vloot van Carthago uit om Constantinopel van zijn ge-kroonden beul te verlossen. De omwenteling was in een oogwenk voltrokken. Men rukte Phocas het purper af, bond hem de handen op den rug en sleepte hem zoo naar het schip van Heraclius. âEllendige ! riep de overwinnaar, ziedaar dan de wijze waarop gij uw rijk hebt bestierd â âEn gij, wedervoer Phocas met eene onbeschofte stoutheid. zult gij het beter bestieren ? quot; â Deze woorden gaven het sein ter gerechtstelling. Men sloeg Phocas het hoofd af op het dek zelf van het schip en ten aanschouwen van eene ontelbare menigte die luidruchtig toejuichte. Het lijk werd naar de stad teruggevoerd, door het volk in stukken gereten, langs de straten gesleurd en eindelijk met al de bloedverwanten van den tyran verbrand (610).
Constantius II, kleinzoon van Heraclius, beklom den troon hetzelfde jaar dat zijn grootvader, wiens regeering niet zonder grootheid en roem was ondanks zijne misslagen en rampspoeden, den geest gaf. Constantius omhelsde de ketterij der Monothelieten, en bracht zoowel aan zijn keizerrijk als aan de Kerk de grootste wonden toe. Om de standvastigheid van den heiligen Paus Martinus I te overwinnen. liet hij hem met geweld uit Rome wegvoeren en naar Constantinopel brengen. Maar de H. Martinus was in den kerker even moedig als op den Pauselijken zetel. Noch bedreigingen, noch listen, noch verleidingen vermochten hem een enkel woord te ontrukken ten voordeelt-der Ketterij. De keizer verbande hem ten- laatste naar
De dood der kerkvervolgers. 8(3
Clierson in de Krim waar de H. Paus stierf als martelaar van het Geloof.
Na den dood van den H.Martinus, werd de vervolging nog heviger en bezoedelde zich de keizer met de grootste gruweldaden. Hij had een broeder, met name Theodosius, die aan elkeen lief was. Dat kon Constantius niet verdragen ; hij dwong eerst den jongeling de heilige orden te ontvangen,, en dan nog niet tevreden, liet hij hem onder zijne oogen vermoorden. Van dat oogenblik af had de keizerlijke broedermoorder geene rust of vrede meer, hij was een tweede Caïn. Dag en nacht stond hem de bloedige gedaante van Theodosius voor den geest met eene vlammende toorts in de eene hand en eene drinkschaal vol bloed in de andere. Het spook bracht den beker aan Je lippen van den moordenaar, zeggende: âDrink, breeder, drink !quot;
Bij deze nai-e verschijningen voegden zich weldra de doodskreten, welke het volk aanhief zoo dikwijls de keizer zich vertoonde. Diensvolgens werd hem het verblijf in Constantinopel ondraaglijk. De broedermoorder vluchtte naar Italië, doch de Lombarden verdreven hem ook van daar en zoo kwam hij in Sicilië te Syracusa terecht. Daar kreeg hij dagelijks de slechtste tijdingen over den toestand van het keizerrijk, dat hij, laf en onbekwaam als hij was. voor de invallen der Mahomedanen liet open staan. Den 15 Juli 668, nam Constantius II een bad; een huisofficier drong eensklaps het vertrek binnen, greep een bronzen waterkom, en verbrijzelde den keizer de hersepar. Wanneer eenige oogenblikken later de knechten binnentraden vonden zij den keizer zwemmend in zijn bloed en dood. Zoo stierf op acht en dertigjarigen leeftijd een vorst wiens naam nooit dan met afgrijzen zal worden uitgesproken.
Jitstinia.nus IJ was door zijn vader Constantinus Pogo-natus aan de voogdij van den Paus toevertrouwd, doch
De Goddelijke beloften der H. Kerk
beantwoordde geenszins aan deze hooge en weldadige bescherming. De pleegzoon der Romeinsche Kerk zou wreed het hart zijner moeder verscheuren. Hardvochtig, verwaand en grillig, droomde hij van eene algemeene heerschappij en beweerde de geestelijke macht met de wereldlijke in zijnen persoon te vereenigen. Zijne heilig-schendende inbreuken op de rechten der Kerk en zijne wreede vervolgingen riepen 's Hemels gramschap op zijn hoofd. Nog geen twee volle jaren waren verloopen sinds hij zich opperpriester had laten noemen of er brak een oproer uit ; het woedende volk greep hem vast, sleurde hem naar den schouwburg, liet hem door den beul den neus afsnijden en zond dan die verminkte majesteit naar Cherson in ballingschap. Justinianus kwam echter eenige jaren later weer op den troon. Uit wraak liet hij al zijne oude tegenstrevers het hoofd afslaan en bedreef gruweldaden, die de dolzin-zinnige wreedheden van Nero zeiven overtroöen. Een Chris-tene bevolking had hem eens hoonend nageschreeuwd ; Justinianus besloot ze tot den laatsten man toe te doen vermoorden. Doch een nieuw oproer verloste intijds de aarde van dit monster. Justinianus werd onthalsd en zijn zesjarig zoontje onderging hetzelfde lot. Aldus stierf de-laatste afstammeling van keizer Heraclius (711).
Bardanes, moordenaar van Justinianus, vervolgde de Katholieken en werd na twee jaren van den troon gesmeten. (713).
VII.
DE ARIAANSCHE BARBAKEN'.
Wij hebben gezien hoe de Barbaren het Westelijk gedeelte van 't Romeinsch keizerrijk overrompelden, uitplunderden en onderling verdeelden. De koninkrijken aldus gesticht hadden machtig kunnen worden en roemvol, indien die
374
Be dood der kerkvervolgers.
ruwe volkeren den Katholieken Godsdienst hadden omhelsd en onder de leiding der H. Kerk naar de ware beschaving vooruitgestreefd. Doch de meeste lieten zich jammerlijk door de Ariaansche ketterij besmetten of wel bleven Heidensch : welnu, al deze Barbaren, na eene kortstondige en bedrieglijke grootheid, verdwenen voor of na van het wereldtooneel.
De Oostgothen, onder het bevel van Theodoric, hadden Italië veroverd en er zich nedergezet. De regeering van Theodoric bleef een geruimen tijd wijs en voorzichtig. Ook was zij zoo roemvol dat Theodoric den bijnaam van den Groota verdiende. Twee jaren vöör zijnen dood veranderde plotseling zijn gedrag en werd hij een kerkvervoiger. Boëtius, de groote Christen wijsgeer, werd op zijn bevel ter pijnbank gesleurd; Symmachus. schoonvader van Boëtius, werd or.thalsd, en de H. Paus Joannes I in den kerker geworpen, waar hij na eenige dagen den geest gaf.
Drie maanden, ternauwernood, waren sedert deze laatste wandaad verloopen, toen de Goddelijke straf den schuldige trof. Den 26 Augustus 526, als Theodoric aan tafel zat, bracht men een gerecht op bestaande uit den kop van een zeer grooten visch. Bij het gezicht van dien monsterach-tigen kop, doorliep eene zonderlinge rilling de ledematen van den koning. Eene hevige koorts tastte hem aan en noodzaakte hem van tafel op te staan an zich te bed te begeven. Theodoric bekende aan zijnen geneesheer Elpi-dius, dat hij, in plaats van den visschenkop, het bloedig hoofd had meenen te zien van Symmachus, gelijk het hem negen maanden vroeger was voorgelegd. Sedert dien dag bleef dat akelig spookgezicht den beul vervolgen die van angst ijsde en beefde. De koorts nam toe, eene ontsteking in 't gedarmte was er 't gevolg van, en na drie dagen van schrikkelijk lijden stierf de koning. Eilaas ! waarom toch
375
De Goddelijke beloften der H. Kerk.
bezwalkte hij op het einde zijns levens den rechtmatiger) roem een er voorspoedige en wijze regeering !
De H. Gregorius de Groote verhaalt dat een heilige kluizenaar door openbaring den dood van Theodoric leerde kennen op het oogenblik zelf des overlijdens. Hij zag, in een visioen, den vorst barrevoets en met ketenen beladen voortstappen tusschen zijne twee slachtoffers. Paus Joannes 1 en den edelen Symmachus, en daarna neergeploft in den kokenden en gistenden krater van eenen vuurberg.
Door den dood van Theodoric was de vrede voor de H. Kerk hersteld. Zij maakte er gebruik van om de bekeering der overblijvende Heidenen te voltrekken. De He-rulen. de Burgonden, en nog andere Barbaarsche volkeren werden in den schoot der Kerk opgenomen. De Franken hadden reeds, naar het voorbeeld van hunnen koning Clovis, het ware Geloof omhelsd en het grootste gedeelte van Gallië aan hunne macht onderworpen.
Het rijk der Golhen in Italië hield geen stand en viel, in 553, onder de slagen van keizer Justinianus.
De Wandalen, die in Afrika een machtig rijk hadden gesticht, bleven ketters en vervolgden de Katholieken. God strafte hen door den arm van Belisarius, Griekschen veldheer, die hun Afrika ontweldigde, veertig duizend Wandalen op het slagveld deed sneuvelen en hun laat-sten koning gevankelijk naar Constantinopel voerde (534).
Dat gansche volk verging, ter plaatse weggerot door zijn eigen bedorvenheid (534).
De Burgonden, in het deel van Gallië gevestigd dat nog hunnen naam draagt, en de Westgolhen, die de beice hellingen der Pyreneeën met een groot deel van Spanje 3n Zuid-Gallië bezet hadden, genoten ook eene kortstondige grootheid. Doch Clovis, koning der Franken, overwon hen en nu was het gedaan met hunne macht. Zij bekeerden zich
376
377
tot het Katholiek Geloof en ontsnapten wellicht daardoor aan een volledigen ondergang (550).
In 568 overrompelden de Lombarden Italië, onder de aanvoering van hunnen veldheer Alboin. Deze, na het grootste gedeelte des lands onderworpen te hebben, liet zich te Milaan tot koning kronen van Italië. Ongelukkiglijk was hij Heiden gelijk zijn volk en bedreef hij de walgelijkste wreedheden tegen de overwonnen bevolkingen. Hij vervolgde de Christenen, vooral de Katholieken, en hij maakte zich gereed om Rome in te nemen, toen de dood een einde stelde aan zijne wandaden.
Op zekeren dag, in 't midden van eene slempartij, liet de Barbaar Alboin de verfoeilijke drinkschaal brengen waarvan hij zich in zijne feestmalen bediende en die niets anders was dan de met goud beslagen schedel van Cunimond, prins der Gepiden, dien hij overwonnen en op het slagveld gedood had. Welnu, Alboin was getrouwd met Rosarnonda, dochter van den ongelukkigen Cunimond. In zijne woeste dronkenschap dwong hij de koningin uit den schedel van haar eigen vader te drinken. Rosamonda verkropte stilzwijgend deze ijselijke beleediging. maar zij zwoer er wraak over te nemen ; ook, kort daarna, deed zij Alboin voor hare oogen vermoorden.
Cleph. opvolger van Alboin en even barbaarsch als hij, zette dezes moord- en vernielingswerk voort, â hij werd in zijn paleis door zijno officieren doodgestoken.
In 600, dank aan de godvruchtige koningin Theodelindis en aan den heiligen paus Gregorius den Groote, bekeerden zich de Lombarden tot het ware Geloof. Agilulfus, hun eerste Katholieke koning, stichtte bepaald het Lombardisch koninkrijk, waar echter in latere tijden nieuwe kerkvervoi-gers zouden optreden.
Om denzelfden tijd geschiedden de bekeering van Engeland en die van de Arianen in Spanje. Zoo blijft het door
Be Goddelijke beloften der H. Kerk.
alle eeuwen waar dat het bloed der martelaren het zaad is van nieuwe Christenen en dat elke vervolging eene nieuwe uitbreiding van het Goddelijk verlossingswerk in den schoot draagt.
Terwijl het Westen zich hoe langer hoe meer aan den heilzamen invloed der H. Kerk onderwierp, gingen de Grieksche keizers halsstarrig voort in hunne vijandigheid te haren opzichte; doch zij verdwenen de eene na den anderen ; hunne namen staan aangeteekend op de nare doodenlijst der gestrafte kerkvervolgers.
VIII.
DE BEELDSTORMEUS OF ICONOOLASTISCHE KEIZERS.
Leo, de Isauriër, beklom in 717 den troon van Constan-tinopel, was een bekwaam veldheer en verdedigde dapper zijn keizerrijk tegen den aanzwellenden stroom van het Mahomedisme. Ongelukkig was hij zeer onwetend en erg bijgeloovig ; daaruit kwam het dat hij zich op zekeren dag. na eene hevige aardbeving, inbeelde dat God de wereld strafte om de eer die aan de beelden der Heiligen bewezen werd. De Joden hadden hem die eerbewijzing als eene afgoderij afgeschilderd. Aanstonds begon Leo, handelende als ware hij opperpriester geweest, wetten uit te vaardigen voorschrijvende dat alle heiligenbeelden moesten weggedaan worden, verbrijzeld en verbrand ter eere van den eeuwig Almachtigen God.
De H. Germanus, patriarch van Constantinopel, trachtte tevergeefs den keizer aan het verstand te brenger, dat de Christenen de beelden der Heiligen niet aanbidden maar ze slechts vereeren tot aandenken der vrienden Gods die ze voorstellen ; Leo onbekwaam om de redenen van den moedigen patriarch te wederleggen, schoot in gramschap en wel zoodanig dat hij den H. Germanus in het aanga-
378
De dood der kerkvervolgers.
zicht sloeg. âMijnpersoon is in uwe macht, keizer, was het kalme antwoord van den H. Bisschop die alsdan twee en negentig jaren telde, maar mijn geloof niet.quot; De keizer zond hem in ballingschap. Dat was het teeken van eene langdurige en wreede vervolging. Overal, op bevel des keizers, moest men de beelden verbrijzelen, en de geloovi-gen, die er zich tegen durfden verzetten, ter dood brengen
De Goddelijke straffen vielen echter als hagel op den vervolger neer.
Machtige oorlogsvloten die hij naar Italië zond om den wederstand van Paus Gregorius III aan zijne bevelen te straften en om ai de beelden in Rome zelf te doen vernietigen, vergingen met man en muis ; de Mahomedanen verwoestten en ontvolkten gansche steden, ja, geheele landstreken in het Oosten ; een fortuinzoeker verhief het vaandel van den opstand en betwistte drie jaren lang de keizerskroon ; een nieuwe aardbeving bewees eindelijk aan elkeen dat de beeldstormerij, verre van Gods gramschap te stillen, ze nog heviger deed ontvlammen. Het was den 26quot; October 740 ; schrikbarende schokken deden den grond van Constantinopel op en neder golven, de twee derden der huizen met groot gekraak instorten en de standbeelden der keizers, die men gespaard had terwijl men de beelden der Heiligen omverhaalde, in het stof rollen. Een jaar lang deden zich die ijselijke schokken herhaaldelijk voor. De verwoesting strekte zich uit van den Bosphorus tot den Nijl ; Thracië was met puinen overdekt ; talrijke steden verdwenen bijna geheel en al, van Nicea bleef niets over dan de kerk. Het getal der slachtoft'ers was ontelbaar. Leo de Isauriër verloor het hoofd van angst en schrik en wilde niettemin zijne domme vervolging voortzetten, toen hij zelf door een plotselijken dood aan al zijne wrcode ontwerpen wrerd ontrukt (741).
Constant mus Copronymus, in stede van de Saracenen te
379
De Goddelijke beloften der H. Kerk.
bevechten, die van dag tot dag verder doordrongen naar liet hart van het riik, dacht er alleenlijk aan de woede van zijn vader Leo na te volgen en krijg te voeren tegen de heiligenbeelden. Allerhande rampen, inlandsche onlusten, eene vervaarlijke pestziekte, schrikwekkende wonderen waren de eerste straffen van deze heiligschendende hardnekkigheid in de beeldstormerij; dan wreekte God het bloed der martelaren op den vervolger zeiven. Constanti-nns had zijn rijk overgelaten aan de verwoestingen der Saracenen van den eenen, en aan de plundertochten der Huigaren van den anderen kant. Zijne schandige latheid verontwaardigde ten laatste zijne onderdanen ; zoodra hij verscheen, hoorde hij kwetsende spotternijen opstijgen en om er aan te ontsnappen, besloot hij eindelijk tegen de Bulgaren te velde te trekken. Doch hij had den moed niet zijn kostbaar leven op een schip te wagen, daarom trok hij met een leger langs de zeekust vooruit, terwijl eene machtige vloot zijne bewegingen volgde. De voorzorg was niet slecht, want een woedend tempeest brak eensklaps los en joeg de geheele vloot ten gronde. Daardoor ontsnapte Con-stantinus toch niet aan de gramschap Gods. Den tweeden dag van den optocht voelde de tyran dat de schandige ziekte, waaraan hij leed, erger werd. Zijne beenen waren met kankerachtige zweren overdekt; de kwaal werd zoo hevig dat het verrottend vleesch met stukken afviel.
âDe geneesheeren aanschouwden met angst de uitwerksels eener ziekte wier natuur hunne wetenschap te boven ging, zegt Theophanus, en schreven ze toe aan een inwendig geheimzinnig vuur. De soldaten, elkander aflossend, droegen den keizer op eene berrie tot in Arcadiopolis, van waar men hoopte hem over zee naar Selimbrië te kunnen terugvoeren ; hij werd inderdaad op een schip nedergelegd dat aanstonds afzeilde (L4en September (75). Doch wanneer zij het kasteel van Strongyle in zicht kregen, begon de ster-
380
De dood der kerkvervolgers.
vende keizer wanhopige kreten te slaken en op zijne legerstede van pijn ineen te krimpen. âIk word levend verbrand, riep hij, een onuilbluschbaar vuur verteert mij. Het is Maria, de Moeder van God, die mij straft. Ja, zij is waarlijk de Moeder van God! Ik wil dut zij onder dien titel vereerd worde.'' â Hij deed vervolgens door de matrozen lofzangen aanheffen ter eere van Maria ; de zang begon, maar oogenblikkelijk gaf Constantinus den geest. Zoo stierf de godlasterende en beeldstormende vorst.quot; â ,;Dc geschiedenis, zegt graaf deSegur, zal Constantinus V Copronymus niet recht en waarheid gelijkstellen met de Caligula's, de Nero's en andere monsters die door hunne ondeugden den schepter onteerden.quot;
Leo IV, zoon van den voorgaande, toonde zich eerst beter gezind en de H. Kerk mocht een oogenblik adem scheppen. De rust was echter van korten duur. Zoo beeld-hatend en zoo wreed als zijn vader, gaf Leo zich weldra over aan een soort van razende woede tegen de heiligenbeelden en tegen al wie ze vereerde. Zijne deugdzame gemalin Irena werd met schande verstoeten omdat zij een klein beeld van den Zaligmaker en een beeldeken van de H. Maagd in haar bed had durven verbergen. Het rijk van den dwingeland liep echter reeds ten einde. Den 8en September 780. had Leo boven het altaar in de kerk der H. Sophia eene rijke kroon bemerkt van louter goud voorheen door keizer Mauritius geschonken. Hij deed de kroon afnemen, plaatste ze op zijn hoofd en ging aldus naar het paleis. Aanstonds bedekte zich zijn voorhoofd met puisten, die al de kenteekens droegen van de kankerzweren, waaraan zijn vader overleden was. Dezelfde koorts, gloeiend als vuur, greep hem aan en vöör den avond was Leo een lijk. Hij had pas zijn dertigste jaar bereikt.
Constantinus VI Porphi/rogenelcs was. bij het overlijden zijns vaders, slechts zes jaren oud. Keizerin Irena bestierde
381
De Goddelijke beloften der H. Kerk.
derhalve het rijk en wel met evenveel wijsheid als deugd ; de jeugdige keizer ontmaakte zich van deze voogdij zoodra hij twintig jaar oud was. Aanstonds toonde hij zich waardig van het bloed van Constantinus Copronymus en Leo, dat in zijne aderen vloeide, en hervatte de beeldstormerij en kerkvervolging die sedert vijftien jaren gestaakt was. Zijne godvruchtige moeder deed hij in de gevangenis werpen ; zijne wettige vrouw, keizerin Maria, verstiet hij ; openlijk leefde hij in overspel en gaf, in één woord, het voorbeeld van een vadsig, schandig en misdadig leven, waaraan eensklaps een wreedaardig einde gesteld werd. De legeroversten maakten zich van den keizer meester, onttroonden hem af en staken hem de oogen uit. De rampzalige was toen 23 jaren oud (797). Zijne moeder werd aan het hoofd van het rijk hersteld en hare eerste daad was de geloofsbelijders uit hun onrechtvaardig ballingscljap terug te roepen.
Nicephorus, een gelukzoeker, kwam op den troon door eene hofsomwenteling. Hij koos partij voor de Mani-cheesche ketterij en verdrukte de geloovigen. Geslagen van den eenen kant door de Saracenen, van den anderen kant door de Bulgaren, wil hij op deze laatsten weerwraak nemen en vergadert een ontzaglijk leger. Crum. de behendige en dappere vorst der Bulgaren, wijkt voor de Griek-sche overmacht achteruit met het inzicht den keizer m de bergengten van zijn land te lokken. Deze list ontsnapte niet geheel en al aan de Grieksche veldheeren, die dan ook den keizer Nicephorus aanraadden den Bulgaarschen koning niet te volgen. âLaat my met rust, antwoordde öe keizer, ik weet niet wie, God of de duivel, niij vooruitdrijft, maar ik moet voort.quot; â Hij viel in eene hinderlaag waar hij sneuvelde met bijna zijn geheel leger, deels in de vlammen der in brand gestoken struiken, deels door het zwaard der Bulgaren. Crum deed Nicephorus het hoofd alslaan, en stelde het op een piek ten toon, midden in het kamp (811).
882
De dood der kurkvervolgers.
Leo, de Armeniër, beklom den troon dank aan het laagste verraad tegen keizer Michel gepleegd, die nochtans zijn weldoener geweest was en die, liever dan eenen druppel bloeds voor haar behoud te doen storten, de kroon neder-legde, om zijn leven in de strengste boetvaardigheid verre van de wereld te gaan eindigen. Leo's eerste zorg was de beeldstormerij met eene koude wreedheid te hervatten. De geloofsverdedigers ontbraken echter niet en spreidden een heldhaftige standvastigheid ten toon. Onder hen moeten wij melden den H. Nicephorus, patriarch van Constan-tinopel; den H. Nicetas, die edelmoedig eene kortstondige zwakheid uitboette met uit eigen beweging de folteringen te gemoet te gaan; den H. Theodoras, wiens welsprekendheid door alle beeldstonners gevreesd werd. âMen ver-banne mij waar men wil, zeide deze laatste, het is mij gelijk, gansch de aardbol behoort immers aan den Heer ; maar zoo men mij den mond wil sluiten, dat zal niet lukken, want ik heb mijne stem aan de verdediging van God en van de ivaarheid toegewijd.quot;
Leo veroordeelde den heiligen man om tot bloedens toe gegeeseld te worden. Aanstonds ontkleedde zich de grootmoedige geloofsheld en bood zijn uitgemergeld lichaam aan de slagen der beulen zeggende : âReeds lang is het mijn wensch voor den naam van J.-C. te mogen lijden.quot; Men was op het punt hem ter dood te brengen, toen Gods gerechtigheid dit euvelstuk voorkwam met den dwingeland zeiven terneer te slaan.
Door verraad keizer geworden, moest Leo insgelijks door verraad vergaan. Op Kerstnacht (820) slopen vier samen-gezworenen in de hofkapel, waar Leo den kerkelijken dienst bijwoonde. Op een overeengekomen teeken, trokken zij hun zwaard, dat zij onder den mantel verborgen hielden, en wierpen zich op den keizer. Leo vluchtte naar het heiligdom, greep een zilveren kruis dat hem het eerst onder
383
De Goddelijke beloften der li. Kerk.
de handen viel en bood een wanhopigen wederstand. Doch de moordenaars grepen hem om de middel en smeten hem voor den grond. âGenade! genade ! in naam ran dit heiligdom quot; smeekte de keizer. â âHd is niet de tijd der genade, maar der wraak!quot; werd hem toegesnauwd, en een dei-samenzweerders greep hem met de haren en sloeg hem het hoofd af. Dit bloedig treurspel was in 't holle van den nacht voltrokken en, wanneer bij het krieken van den dag de inwoners der groote stad het mismaakte hoofd van Leo op eene piek geplant zagen, konden zij zich nogmaals overtuigen dat God vroeg of laat de vervolgers zijner Kerk weet te vinden.
De twee keizers, die na Leo's dood elkander op den troon van Constantinopel opvolgden, waren de laatste voorstanders der beeldstormerij. Hunne regeering was eene aaneenschakeling van laagheden, wreedheden en rampspoeden. Wanneer men aan Michiel, den Stamelaar, aankondigt dat het eiland Sicilië in de macht der Saracenen gevallen is : âIk wensch u geluk, zegt hij tot zijnen minister, nu hebt gij voor dat afgelegen eiland niet meer te zorgen.quot;' â âHeer, antwoordt de minister, nog een of twee dergelijke ontlastingen en gij zelf zijl van uw rijk ontlast.quot; â En inderdaad, als de keizer twee jaren later een schielijken en geweldigen dood stierf (829), bleef hem schier niets meer over dan de hoofdstad Constantinopel en eenige aanpalende provinciën.
De ellendige Theophilus, die hem als keizer opvolgde kreeg, om zijne aanhoudende neerlagen, den bijnaam van Ongelukkige. Uitgeteerd op dertigjarigen leeftijd, den dood op de lippen, geeft hij zich nog over aan vlagen van woede tegen de Katholieken en doet zijnen zwager Theophobus het hoofd afslaan. Deze volmaakte prins had maar een ongelijk : hij had de kroon geweigerd, die men den zieke-1 ijken tyran wilde afnemen. Den stervende wordt het hoofd
884
De dood der kerkvervolgers. 885
van Theophobus op een zilveren schotel aangeboden, hl) grijpt het met de haren, terwijl het bloed afdruipt en zegt met woeste vreugde: ,, Weldra zal ik Theophilus niet meer zijn : maar gij zyjt niet weer Theophobus.'quot; Na deze walgende woorden, begint de beeldstormer te ijlen. Al zijDe slachtoffers doemen voor zijnen geest op en staan als bloedige-spoken rond zijne sponde. âRampzalige die ik ben, roept hij uit, men verscheurt mij met bloedige zweepen !quot; Dit tooneel, dat aan de hel ontleend schijnt, duurt den ge-heelen nacht.
De keizerin en een godvreezende Katholiek waren vöor het bed neergeknield en baden vurig voor de bekeering van den zieltogende. Reeds had de keizer de macht niet meer om te spreken, toen hij plotseling kalm werd, en door teekens te verstaan gaf dat iiij berouw had over zijne misdaden. Hij, die gedurende zijne bloedige regeering de onverbiddelijke vijand geweest was van al die de heiligenbeelden vereerden, stierf terwijl hij de beelden van Jezus en Maria godvruchtig kuste en omhelsde (8421.
Met Theophilus, door een wonder van Gods barmhartigheid op het laatste oogenblik bekeerd, verdwijnt ook de ketterij der beeldstormers. Eilaas! zij moest de laatste niet zijn waarin de Grieksche kerk zou afdwalen. Wij zullen ze welhaast aan eene betreurenswaardige scheuring zien overgeleverd om eindelijk tot hare straf de prooi te worden van de dweepzuchtige aanklevers der schandige en verlagende leering van Mahomed.
IX.
DE LOMBARDEN.
De Lombarden (oï Langobarden) hadden, zoo als wij hebben vermeld, het Katholiek geloof omhelsd en een schoon koninkrijk gesticht dat zich bijna over geheel Noord-
25
De Goddelijke beloften der H. Kerk.
Italië uitstrekte. Jammer was het, dat hunne vorsten geene billijke palen wisten te stellen aan hunne heersch-zucht waar dan ook hun ondergang uit voortvloeide.
Astolphus, koning der Langobarden, overmeesterde de laatste provinciën die onder het beheer stonden van het Oostersch keizerrijk en beging hatelijke knevelarijen tegen de bevolking van het Romeinsch grondgebied dat reeds door de Pausen bestierd werd, daar deze alleen tegen de Barbaren als verdedigers optraden.
Paus Stephanus III maakte zijn beklag over deze handelwijs in naam van den Griekschen keizer, die er meer op uit was de Katholieken te vervolgen dan ziin rijk te beschutten, en ook in naam van het volk en van de Kerk van Rome. Zijn beklag bleef zonder uitwerksel. Astolphus, zijne heiligste verbintenissen misprijzend, dreef zijne overweldigingen immer verder. Dan riep de Paus de hulp in van een oprecht Christelijken held, van Pipijn den Korte, opperhoofd der Franken en vader van Karei den Groote. Pipijn gaf gehoor aan den noodkreet des Pausen en eischte van Astolphus dat hij de overweldigde landen zou wedergeven. Deze antwoordde trotsch dat hij zulks nooit zoude doen en verstiet alle verdere pogingen tot eene overeenkomst.
Pipijn vergaderde alsdan zijne krijgers, trok de Alpen quot; over, verpletterde het leger van Astolphus en dwong hem den vrede af te smeeken. Astolphus beloofde alles, gaf zelfs de voornaamste edellieden als gijzelaars, maar volvoerde niets. Veelmeer, hij hernam den loop zijner plundertochten en viel gewapenderhand op de Romeinsche Staten zoohaast Pipijn naar Frankrijk was teruggekeerd. Reeds had hij het beleg begonnen van Rome, na alles in den omtrek verwoest te hebben, en dreigde de gruwelen door de Barbaren gepleegd te vernieuwen, toen de Paus voor de tweede maal zich tot Pipijn wendde en hem
386
De dood der kerkvervolgers.
schreef: â Verlos ons. red ons voordat wij vergaan. Al de volkeren, die de bescherming der onvenoinnelyjke- Franken hebben ingeroepen, zijn gered geworden. Nooit weigert gij uwen bijstand voor eene rechtvaardige zaak: zon dan de Heilige Kerk Gods alleen tevergeefs uwe hulp hebben afgevraagd ?quot;
Pipijn met al zijn heldenvolk sprong recht bij dezen oproep des Stadhouders van J.-C. en, vol van verontwaardiging tegen den verraderlijken koning der Langobarden rukte onmiddellijk op naar Italië. Astolphus laat het beleg van Rome steken en vliegt naar de Alpen om de aanstormende Franken den weg te versperren. Hij wordt verslagen, zijne schatten en al de overweldigde provinciën is hij verplicht in Pipijns handen te leveren, die ze aan den H. Stoel ten geschenke geeft en terzelfder tijd al de vroegere giften plechtig bekrachtigt. Met roem beladen, keert de held naar Frankrijk weder, terwijl Astolphus, op eene jachtpartij, ellendig omkomt door de slagtanden van een wild varken dat hij gekwetst had (576).
Dieder ik werd nu tot koning der Lombarden gekozen en sloeg weldra het noodlottige dwaalspoor in van Astolphus. Hij maakte een verbond met de keizers van Constan-tinopel om hot werk der Franken in Italië te vernietigen en het land te onderdrukken waarvan de Paus alleen de wettige vorst was. De geweldigste middelen werden spoedig daartoe gebruikt. Met het zwaard in de vuist overrompelde hij de Pauselijke Staten, stookte overal oproer en moorderij, en bewerkte de noodlottigste scheuringen.
Juist nu kwam Pipijn, de moedige beschermer van den H. Stoel, te sterven en deze gebeurtenis scheen Diederik in de hand te werken. Dit moest nochtans anders uitvallen, want de opvolger van Pipijn was Karei de Groote, wiens vernuft en deugd nog niet gekend waren, maar wiens
387
De Goddelijke beloften der II. Kerk.
heldendaden weldra voor gansch de wereld een voorwerp van bewondering zouden zijn. Na een zegevierenden tocht tegen de Heidensche Saksen, wendt Karei de Groote zijne legermacht naar Italië met inzicht den kerkberoover duchtig te straffen. De aanblik alleen van Karei, die te midden van zijne met ijzer beslagen ruiters voortrijdt, doet Diederik op den hoogen toren, van waar hij den optocht der Franken gadeslaat, van schrik en angst verstijven.
Hij weert zich evenwel dapper in Pavië maar wordt ten laatste gedwongen zich over te geven. De overwinnaar zendt den koning der Langobarden in ballingschap te Luik, waar hem bisschop Agelfridus recht koninklijk onthaalt.
De ontweldigde Staten werden aan den Paus teruggegeven met bijvoeging van nieuwe provinciën; het overige van Diederiks rijk werd bij Frankrijk ingelijfd.
Zoo viel liet Langobardische koninkrijk na een bestaan van twee eeuwen (774). Het viel, omdat het de H. Kerk vervolgd en de rechten van Jezus' stedehouder gekrenkt had. Diederik trok nut uit zijn ongeluk, vernederde zich onder Gods straffende hand, verzaakte aan de wereld en omhelsde het kloosterleven te Corbie, waar hij zijne laatste jaren in de strengste boetplegingen doorbracht.
Karei de Groote trad voortaan op als de verdediger des Geloofs en God schonk hem eene roemvolle regeering. Zijn gebied strekte zich uit over Gallic. Duitschland, Koord-Italië en Noord-Spanje. Hij was zichtbaar het werktuig van God om de H. Kerk in hare taak van volksbeschaving en verlichting bij te staan. Zijne gelukkige regeering, gelijk die van Constantijn den Groote en van Theodosius den Groote, moet aan eene bijzondere schikking der Voorzienigheid toegeschreven worden. Het is onbetwistbaar, dat sedert de stichting der H. Kerk de grootste vorsten, wier
388
I)e dood der kerkvervolgers.
regeering tevens de roemrijkste en de heilzaamste v.'as, altijd die geweest zijn, welke als kampvechters van het Geloof en als medewerkers der H. Kerk openlijk durfden handelen.
X.
DE GKIEKSCHE KERKSCHEURING.
De Grieksche kerkscheuring was hoofdzakelijk het werk van drie even verachtelijke mannen, te weten : keizer Mi chid 77/, bijgenaamd de Dronkaard om zijne buitensporigheden, Bardas, zijn eerste minister, en de eunuch Photius. De twee laatsten waren de laffe vleiers en gewoonlijke deelgenoten der keizerlijke braspartijen. De gevolgen der kerkscheuring waren diep bedroevend, maar ook de schuldigen bleven niet ongestraft.
Michiel III was niet alleen een liederlijke vorst, hij gedroeg zich ook als een ontaarde zoon jegens zijne godvruchtige moeder. Hij joeg haar wreedaardig uit zijn paleis en, als een ander Nero, liet haar in den kerker smijten en daar ellendig omkomen. De H. Ignatius, patriarch van Constan-tinopel, was stout genoeg om den dwingeland te berispen, hij werd op een eiland verbannen. In zijne plaats stelde nu de keizer den verachtelijken Photius, die in zes dagen de lagere orden van het priesterschap ontving en tot patriarch werd gewijd. Heerschzuchtig, schijnheilig, laaghartig en verdorven, was Photius juist de man om de zedeloosheid des keizers te verschoonen en het geloof in 't Oostc n te vernielen.
In 't eerst, trachtte Photius zijne verheffing door den H. Stoel te doen bekrachtigen, maar zijne leugen- en hui-cheltaal vond geenen bijval bij den toenmaligen Paus, den H. Nicolaas den Groote. Deze hield eene Kerkvergadering te Rome, waar, na een grondig onderzoek, Photius plechtig
389
De Goddelijke beloften der H. Kerk.
werd veroordeeld Het vonnis stelde onder anderen vast dat Photius als een dief den schaapstal des Heeren was binnengedrongen, dat hij tegen alle recht en rechtvaardigheid den zetel van den ivettigen patriarch had ingenomen en den li. Igna/ius op de meest barbaarsche ivyjze had mishandeld. Dientengevolge moest Photius afgezet en Ignatius hersteld worden.
Gesteund door Michiel den Dronkaard, wierp Photius nu het masker af en, als antwoord op zijne veroordeeling, belegde hij ook eene kerkvergadering, waardoor hij den Paus zeiven in den ban deed slaan en afzetten. Tot overmaat van schaamteloosheid, werd deze uitspraak naar Rome overgebriefd en in al de kerken van het Oosten aangeplakt.
Dat was het begin der kerkscheuring. Photius ontplooide de oproervaan tegen Eome en sleepte, eilaas, het grootste gedeelte der Grieksche Kerk in zijnen val mede. De groote wanorden en misbruiken, die alsdan in het Oosten bestonden, brachten veel bij tot dien jammerlijken afval. AVel werden er meermaals pogingen aangewend om den vrede te herstellen, wel gelukte men er in nu en dan eene verzoening te bewerken, doch deze was niet rechtzinnig van den kant der Grieken en daarom telkens van korten duur.
De straf Gods bleef niet lang uit. Den 7 April 866, zag de keizer zijnen eersten minister en voornaamsten handlanger onder zijn eigene oogen vermoorden door een zekeren gelukzoeker, Basilius genaamd. Michiel III durfde dit schelmstuk niet laten straften, want hij zelf beefde voor de wraakzucht van Basilius. Het volgend jaar, don 24 september 867, was het evenwel zijne beurt : hij viel onder denzelfden dolk die Bardas doorstoken had. Basilius,. over het lijk van zijnen meester heenstappend, beklom den troon en liet zich tot keizer uitroepen.
390
De dood der kerkverrolcjers.
Photius viel met zijnen beschermer en werd van den patriarchalen zetel verdreven. Doch de sluwe booswicht wist het zoo behendig aan te leggen dat hij de gunst won van Basilius en ten tweeden male de plaats van den H. Ignatius innam. Opnieuw verjaagd, kwam hij na den dood van den wettigen patriarch, dank aan zijne kuiperijen, voor de derde maal aan 't hoofd der Grieksche Kerk. Maar zijn valsch en slecht gedrag deed hem eindelijk voorgoed afzetten en verbannen door keizer Leo VI, zoon van Basilius. Van dat oogenblik af aan, verdwijnt Photius van het we-reldtooneel, de geschiedenis vermeldt hoegenaamd niets van het laatste uiteinde eens mans die vier en dertig jaren lang geheel het Oosten had beroerd en de banbliksems van negen Pausen had getrotseerd. Het is te veronderstellen dat zijn dood vergezeld ging met schrikwekkende omstandigheden, die de Grieken zorgvuldig hebben verborgen. Hij was immers de stichter hunner afgescheurde kerk en zijne schande zou op deze zijn teruggevallen (891).
Keizer Basilius, alhoewel hij zich door moord en geweld den weg gebaand had tot den troon, zou als een wijs en grootmoedig vorst geregeerd hebben, indien hij Photius niet op zijnen weg had ontmoet. Tot zijn ongeluk gaf hij gehoor aan diens huicheltaal en verduisterde aldus zijnen roem. Hij werd op jacht doodelijk gewond door de horens van een woedend hert. Stervend zag hij eindelijk de trouweloosheid in van Photius en zeide tot Leo, zijnen zoon en opvolger : ^Mijn zoon. mistrouw Photius : die man heeft een afgrond gegraven onder mijnen troon.quot;
Leo VI had persoonlijke redenen om de laatste aanbeveling zijns vaders niet in den wind te slaan. Hij wist dat Photius hem bij den keizer had aangeklaagd als zou hij dezen naar 't leven gestaan hebben om des te spoediger de kroon te kunnen opzetten ; die snoodheid wilde hij wreken en daarom joeg hij den scheurmaker weg uit Constanti-
391
De Goddelijke beloften der H. Kerk.
nopel. Leo VI draagt in de geschiedenis den bijnaam van wijsgeer, doch gansch onverdiend. Zijne zeden waren slecht en toen de H. Ignatius hem er over berispte, deed hij dezen moedigen kerkvoogd oplichten en op eene eenzame kust van Azië overbrengen. In zijne plaats stelde hij een Schis-matieken patriarch. Leo overleefde dezen goddeloozen aanslag niet lang; hij stierf aan den buikloop, een droevig gevolg zijner schandelijke uitspattingen (911). Hij had slechts den leeftijd van zes en veertig jaar bereikt.
Gedurende anderhalve eeuw zag men het Oostersch keizerrijk afwisselend dan eens tot het schisma overgaan, dan weer tot de Moederkerk van Rome terugkeeren, naar gelang der driften en grillen der keizers. De schrikkelijkste rampen straften deze ongetrouwheden. In 't binnenland valt men van de eene hofsomwenteling in de andere; afgrijselijke, ja monsterachtige wandaden gaan ermede gepaard. In 't buitenland, lijdt men van de aanhoudende aanvallen der Mahomedanen, die verscheidene provincies overweldigen. Constantijn Po rphyroge n et es sterft door het vergift dat zijn eigen zoon Romanus, op aanhitsing zijner vrouw Theophania, hem heeft toegediend. Theophania was eene gemeene en wraakzuchtige vrouw, die van uit haars vaders winkel op den troon was gestegen. Zij vergiftigt haren echtgenoot Romanus den vadermoorder, met het doel om als regentes teheerschen. Het leger verijdelt dit plan door zijnen dapperen veldheer Nicephorus tot keizer uit te roepen. Theophania is echter slim genoeg om den heersch-zuchtigen Nicephorus te huwen, en eenige jaren later doet zij hem vermoorden door Zirnisces. Deze wordt nu de vertrouweling van Theophania, welke hem hare hand en den troon aanbiedt. Doch Zirnisces verkiest alleen meester te zijn, hij jaagt het wijf uit het paleis en sluit ze op ineen klooster. Op zijne beurt sterft hij vergiftigd (976). Zijn opvolger Basilius II behaalt eene schitterende overwinning
392
Da dood der ktrkttrvolycrs. ÃÃ8
op de Bulgaren. Door dien voorspoed opgeblazen, droomt hij Italië te onderwerpen en de onafhankelijkheid van den patriarch van Constantinopel door den Faas te doen erkennen ; maar hij sterft op het oogenblik dat hij zich aan 't hoofd stelt van zijn leger om zijn goddeloos bestaan uit te voeren (1025). Zijn broeder Constantijn volgt hem op., en bezoedelt den keizerlijken troon door zijne ontucht en wreedheid. Op zijn sterfbed dwingt hij den patriciër Roma-nvs dezes wettige vrouw te verstooten om met zijne dochter Zoë te trouwen. De keizerlijke kroon is de prijs dezer echtbreuk. Romanus regeert zes jaren en wordt dfin door zijne nieuwe gemalin vergiftigd (1054). Eindelijk, onder Constantijn Monomachus, wordt de Grieksche kerkscheuring voltrokken door Michiel Cendarius, een heerschzuch-tigen monnik, dien men uit zijn klooster gelokt had en op den patriarchalen zetel van Constantinopel geplaatst (1054). Michiel mocht niet lang de vruchten zijner heiligschendende indringing genieten, want in 1059 werd hij door Isaak Comnenes verbannen en hij stierf in hetzelfde jaar.
Te gelijker tijd bereikten de Mahomedaansche Turken het toppunt hunner macht. Zij waren de wrekers door God voorbestemd en opgeroepen om de trotsche Grieken voor hunnen opstand tegen den H, Stoel van Rome te kastijden,
XI,
DE IJZEBEN EEUWEN,
Dezen naam heeft de geschiedenis gegeven aan de 9de en de 10'le eeuw waarin zoo menigvuldige schanddaden en verergernissen benevens tal van bloedige gebeurtenissen voorkomen. Wij hebben er reeds eenige aangestipt, doch moesten wij ze alle vermelden, de lijst zou te lang worden. Daarom zullen wij ons bepalen met nog den rampzaligen dood te vermelden van slechts eenige kerk vervolgers, allen
De Goddelijke beloften der H. Kerk.
van tweeden rang, wier namen ons door de geschiedenis dier beroerde tijden overgeleverd werden.
In Spanje vervolgt Abderamus II, Kalief van Cordova, de Christenen met ongehoorde wreedheid. Op zekeren dag dat hij met wellust van uit zijn paleis de folteringen der martelaars aanschouwt, stort hij plotseling dood neder (850).
In Italië komt keizer Lambertus van Spoleta allerellendigst aan zijn einde. Deze keizer heeft in de geschiedenis de droevige gedachtenis nagelaten van zijn ondankbaar gedrag jegens Paus Pormosus. wiens eerbiedwaardig gebeente hij schandig liet onteeren. De keizer verongelukte op jacht. Volgens de eenen zou hij van zijn paard gevallen en op den slag doodgebleven zijn ; volgens anderen zonden sluipmoordenaars te midden van het gewoel der jacht den rampzaligen vorst overvallen en met hunnen dolk doorstoken hebben (898).
Hugo, koning van Noord-Italië, maakte zich hatelijk door zijne knevelarijen, zijne wreedheid en zijne vijandschap tegen de Kerk van Eome. In 945 stiet hem Beren-garius van den troon. Zijn jeugdige zoon Lotharius werd uit medelijden gespaard maar in 950 overleed hij schielijk aan eenen aanval van krankzinnigheid die, zoo men meent, veroorzaakt was door een vergiftigden drank.
De overweldiger Berengarius wilde nu de jonge weduwe van Lotharius, de H. Adelaïdis, met zijnen zoon Adelbertus â doen trouwen. Daar Adelaïdis dit voorstel met walg en afgrijzen afwees, besloot Berengarius zich te wreken. Op zijn bevel werd de jeugdige vorstin gevangen genomen, van al hare goederen beroofd en in' een somberen kerker gesmeten.
Adelaïdis nam hare toevlucht tot God, beschermer der weduwen en weezen, en op zekeren nacht, dat zij in 't gebed was hoorde zij eensklaps een vreemd gerucht
394
395
onder den vloer van haar kerkerhol. Verbaasd en vol angst staart zij naar den kant waar zij het gerucht vernomen heeft en... op eens storten de vloersteenen in. en uit de gapende opening rijst een man in de hoogte die haar wenkt hem te volgen. Adelaïdis herkende in haren verlosser eenen monnik, Martinus genaamd, die zeer aan haar gehecht was en dien zij wederkeerig om zijne godvruchtigheid hoogschatte. Zij daalde in het gat neder, volgde Martinus en geraakte door een onderaardschen gang in het vrije veld. Zoodra Adelaïdis in veiligheid was, spoedde Martinus de Alpen over naar Duitschland, bekwam een verhoor van den jeugdigen keizer Otto I den G-roote, en verhaalde dezen de droevige lotgevallen zijner meesteres. Otto gloeide van verontwaardiging bij deze tijding en riep : â Keer icd te moede naar Adelaïdis terug, â spoedig zult gij zien hoe de koning van Germanië de verraders Keet te straffen en de verdrukte onschuld te beschermen. quot;
Twee maanden later had Otto de Groote Italië veroverd, Berengarius van den troon gestooten en de H. Adelaïdis zijne hand ten huwelijk aangeboden (951).
Crescentius, beschermheer der Romeinen, had zijne macht moeten gebruiken om de Pausen en de vrijheid der Kerk te verdedigen: hij gebruikte ze integendeel om den dwingeland te spelen. Keizer Otto III werd door Paus Joannes XVI ter hulp geroepen, hij trok op naar Rome en sprak een banvonnis uit tegen Crescentius. On-dertusschen was de Paus overleden en door Gregorius V opgevolgd. Deze sprak bij den keizer ten beste voor den misdadiger en verkreeg hem genade. Crescentius zwoer eeuwige getrouwheid aan den keizer en aan zijn grootmoedigen beschermer Gregorius V. Doch, nauwelijks was Otto III met zijn leger de Alpen over, of de trouwe-looze patriciër begon opnieuw zijn samenzweringen en kuiperijen waar de vorige Paus zooveel door geleden had.
De Goddelijke beloften der H. Kerk.
Hij verdreef zelfs zijnen â weidoener uit Rome en nestelde zich in den Engelenburcht vanwaar hij de stad in bedwang hield. Tot overmaat van goddeloosheid deed hij een tegenpaus kiezen die zich Joannes XVII liet noemen. Zoodra keizer Otto deze heiligschennis vernam, rukte hij met een machtig leger tegen Rome op. Crescentius, vol vertrouwen in de sterkte der muren van het kasteel, dreef den spot met den keizer ; weldra echter werd hij tot het uiterste gebracht en zocht hij opnieuw door schijnheilige beloften en smeekingen zijn leven te redden. De keizer bleef onverbiddelijk. Al de verdedigers der vesting werden over de kling gejaagd en de dwingeland Crescentius werd van de hoogte der wallen naar beneden geworpen. Het woedende volk sleurde zijn mismaakt lijk door de modder en hing het eindelijk met de voeten aan eene galg op. Dit was de rechtvaardige straf van eenen ellendeling die zijn gansch leven niets gedaan had dan Rome en Italië beroeren, en zijne edelmoedigste weldoeners steeds met ondank en verraad loonde (997). De tegenpaus Joannes was gevlucht, maar, door zijn eigene aanhangers verraden, werd hij gevat. De graaf van Breisgau liet hem aanstonds den neus afsnijden, de tong uitrakken en de oogen uitsteken. De arme verminkte sleet zijne laatste levensdagen in een klooster waar hij zijne zonden rouwmoedig uitboette en zijn lot met gelatenheid droeg.
Terwijl, in dit tijdvak, nog half barbaarsche vorsten maar al te dikwijls de ontluikende Christen maatschappij door hunne afgrijselijke euveldaden oneer aandeden, onderwierpen zich anderen met geloof en onderdanigheid aan den heilzamen invloed der Kerk en hielden haren roem op door hunne schitterende hoedanigheden en Christelijke deugden. Zij waren de beschavers hunner volkeren, de kampvechters van den godsdienst, de voorstanders van alle recht, de beschermers der zwakken en verdrukten.
39Ã
De dood der kerkvervolgers.
Verdienden de eersten gestraft te worden, dezen deden Gods zegen op hunne koninkrijken nederdalen en gelukten doorgaans in al hunne ondernemingen. Tot dit getal behoorde de H. Canutus de Groote in Denemarken, Alphon-sus de Groote in Spanje, Alfred de Groote en de H. Eduar-dus in Engeland, de H. Stephanus in Hongarije, dat hij bekeerde, Robrecht de Vrome, in Frankrijk, Otto I de Groote, en de H. Hendrik II, in Duitschland. Zij zochten op de eerste plaats het rijk Gods en de gerechtigheid, en wonnen grootheid, macht en roem tot welzijn en voorspoed hunner onderdanen.
Wij kunnen hier den volgenden trek uit het leven van Canutus den Groote niet stilzwijgend voorbijgaan.
Op zekeren dag bevond zich deze prins op den oever der zee, nabij de kusten van Winchester in Engeland, hetwelk hij juist veroverd had ; een zijner hovelingen gaf hem den trotschen titel van koning der koningen en meester der zee. De vorst, zonder iets te antwoorden, vouwde zijnen mantel op, legde hem op den oever der zee die door den vloed allengskens hooger klom, en ging er op zitten. Zoohaast de golven nader spoelden : â Gij zijt aan mij onderworpen, sprak de koning tot de zee, ik beveel u uwen meester te eerbiedigen en niet tot hem te genaken.quot; Maar de zee bleef klimmen en spoedig kreeg Canutus natte voeten. â Gij ziet nu, zeide alsdan de koning tot de verwonderde omstanders, hoe de zee haren meester eerbiedigt! Leert daaruit de nietigheid van de macht der koningen. De Koning der koningen is God alleen door wien aarde en zee en 't heelal geschapen zijn en bestierd worden. quot;
Na deze schoone les stond de koning op en gevolgd van zijne hovelingen, begaf hij zich in de kerk van Winchester. Daar plaatste hij de kroon, die hij gewoonlijk droeg, op het hoofd van een kruisbeeld zeggende dat die alleen
397
De Goddelijke beloften der H. Kerk.
waardig is eene kroon te dragen aan wien al het geschapene gehoorzaamt (1027). Welk verschil tusschen dezen koning, die nauwelijks bekeerd is, en die trotsche dwingelanden, wier hemeltergende ondernemingen wij hebben aangehaald en nog zullen aanhalen.
XII.
DE NERO VAN HET NOORDEN.
Hendrik IV, keizer van Duitschland, volgde zijnen vader Hendrik III op, als hij nog maar vijf jaar oud was. Paus Victor II, om aan het dringend verlangen van den stervenden keizer te -voldoen, nam den kleinen knaap onder zijne bescherming en behield hem de kroon die anders zeker op het hoofd van een der groote rijksleen-heeren ware geplaatst geworden.
Hendrik IV was nauwelijks de kinderjaren ontwassen» of hij toonde reeds dat hij de weldaden des Pausen onwaardig was. Door zijne bedorvenheid en lage wreedheid verdiende hij te recht den bijnaam van Nero uit het Noorden.
Op achttienjarigen leeftijd bracht hij geheel het rijk in opschudding door de verregaande losbandigheid zijner levenswijze. Hij verstiet zijne wettige huisvrouw en bedreef dusdanige wandaden dat het volk er van afschuwde. Uit vrees van in den ban geslagen en onttroond te worden, keerde echter de jonge keizer, uiterlijk ten minste, op het goede pad terug, ilaar nu voegde zich de heerschzucht bij de ontucht. Hendrik droomde van de macht der oude Romeinsche keizers te herstellen, 'hij wilde over Kerk en Staat gebieden en gebruikte alle middelen om den Paus aan zijn gezag te onderwerpen. Doch de Voorzienigheid had hem in den persoon van den Heiligen Gregorius VII een onverwinbaren tegenstander voorbereid.
398
Vc dood der kerkvervolgers.
Wij hebben in het eerste deel den heuglijken kamp tusschen Paus en keizer, tusschen den grootmoeaigen Gregorius VII en den dwingeland Hendrik IV, verhaald en dezes nederlaag vermeld. Na den dood van den H. Gregorius, zocht de gebanvloekte keizer den rampzaligen en goddeloozen oorlog tegen de Kerk te hervatten. Aan het hoofd van een machtig leger trok hij over de Alpen en overrompelde hij Italië. Doch de heldhaftige gravin Mathilda leefde nog en toonde zich even getrouw aan Urba-nus II als aan Gregorius VII. Zij versloeg den overweldiger en dreef hem terug naar Duitschland. De Lombardische Katholieken kozen alsdan Koenraad, eigen zoon des keizers tot koning. In zijne woede en vertwijfeling wilde Hendrik zich zelfmoorden; men ontrukte hem bijtijds den dolk, dien hij zich in 't hart zocht te ploften (1093'. De keizer gaf echter den strijd niet op tegen de H. Kerk. Alsdan stelden ook de Duitsche vorsten, die zijne dwingelandij moede waren een anderen zoon tot koning van Germanië aan, zoodat men het droevige schouwspel had van eenen oorlog tusschen vader en kind. Hendrik moest het onderspit delven en legde, gedwongen, de kroon neder.
Kort daarop hervatte hij de wapens tegen zijnen zoon Hendrik V, en hij, die veertig jaren lang dePausenbevochten had, smeekte nu Paus Paschalis II om bijstand. Deze bede tot het opperhoofd der H. Kerk was zijne laatste poging om zijne vervallen grootheid terug te winnen. Hij stierf eindelijk te Luik, waar hij de wijk genomen had, in den ouderdom van 55 jaren (1106). Het lijk van den vervolger die in den banvloek der H. Kerk gestorven was, bleef van de Christelijke begrafenis verstoken en werd naar Spiers overgebracht waar het vijfjaar lang in een steenen zerk buiten de Kathedraal berustte.
â Het volk van Israël, zegt een schrijver van dien tijd, was niet meer verheugd bij de verzwelging van den godde-
399
400 Lgt; Goddelijke beloften der II. Kerk
ioozen Pharao in de zee, dan de (Jluisteiie volkeren bij den dood van Hendrik.quot; Bijna al de werktuigen zijner dwingelandij werden reeds voor hem door de straffende hand Gods geslagen. De eene verdronk, een tweede stiet zich zijn eigen degen in de borst, een derde bezweek onder de slagen van zijne woedende onderdanen. Die waarschuwingen des Hemels hadden Hendrik LV ongevoelig gelaten totdat hij, op zijne beurt, kroon en leven verloor.
Hendrik F volgde gedeelteliik zijnen vader na, maar verzoende zich intijds met de Kerk. Hij stierf zonder erfgenamen en met hein verdween het oude vorstenhuis van Saksen dat twee eeuwen lang in Duitschland geregeerd had (1125).
Terwijl de H. Kerk zich aldus in Europa tegen gewelddadige prinsen moest verdedigen, voerde Godfried van Bouillon den lstt,n Kruistocht tegen de Mahomedanen en stichtte het koninkrijk Jeruzalem, na heldendaden verricht te hebben, die zijnen naam roemvol en onsterfelijk gemaakt hebben. Even godvreezend als dapper, weigerde de Belgische held eene kroon te dragen op de plaats waar de Zaligmaker met doornen was gekroond geworden. Men zag hem, op den dag zeiven dat hij Jeruzalem gewapenderhand had ingenomen, de woede zijner krijgers bedwingen, de wapenrusting nederleggen en zich barrevoets naar het H. Graf begeven, dat hij met tranen besproeide. De verlossing van Jeruzalem baarde door gansch Europa geestdriftige vreugde en troostte de H. Kerk voor al de smarten, welke haar door plichtvergeten vorsten werden berokkend.
iil
De dood der kerkwrvolgers.
'101
'i;
XIII.
DRIE DWINGELANDEN IX ENGELAND.
Willem da Rosse, koning van Engeland, vervolgde den EL. Anselmus, Kerkleeraar, dien hij zelf tot aartsbisschop van Canterbury had doen kiezen. Hij verbande den moedigen Kerkvoogd uit Engeland. Op eene jachtpartij werd hij door eenen pijl in volle borst getroffen. De koning trachtte den pijl uit de wonde te rukken, doch het broze hout brak tusschen zijne vingeren en Willem stortte bloedend van zijn paard ten gronde. Toen zijne dienaars ter hulp snelden en hem opnamen, bemerkten zij dat hij reeds den geest had gegeven. Met schrik bevangen, vluchtten al de hovelingen weg en lieten het lijk des konings in het woud liggen. Daar werd het door houthakkers gevonden, die het op een kar laadden en naar het kasteel van Winchester voerden.
Willem de Rosse werd doodelijk getroffen op het oogen-blik dat hij zich verheugde over den dood van Urbanus II en partij had gekozen voor den tegenpaus, Guibertus van Ravenna. Hij had slechts den jeugdigen leeftijd van veertig-jaren bereikt. Zijn dood was door hemelsche waarschuwingen voorspeld geworden en werd ook op bovennatuurlijke wijze aan heilige personen in Frankrijk bekendgemaakt. Toen de H. Anselmus dit hoogst treurig einde vernam, barstte hij .in tranen los. â Ach.' zuchtte de heilige bisschop, duizendmaal zou ik mijn leven ten beste gegeven hebben om hem dien vreeselijken dood te hesparen!quot; De H. Anselmus kon thans zijn ballingsoord verlaten en naar zijn vaderland wederkeeren, waar hij luisterrijk onthaald werd (1100).
Hendrik II, koning van Engeland, vervolgde den H. Thomas, aartsbisschop van Canterbury, gelijk Willem de
2(3
1|
li
lt;l«lj fil
li
402 De Goddelijke beloften der II. Kerk
Rosse gedaan had met den H. Anselmus. Was Hendrik even willekeurig, onrechtvaardig en geweldig in zijne eischen, de H. Thomas sloeg ze af met dezelfde onverschrokken en onverzettelijke kalmte als de H. Anselmus. Liever dan de rechtmatige onafhankelijkheid van de bisschoppelijke macht of de geestelijke belangen der hem toevertrouwde zielen aan de dwingelandij op te offeren, zal de heilige Kerkvoogd alles lijden en doorstaan, den smartelijken weg der ballingschap betreden, ja zijn bloed tot den laatsten druppel vergieten.
Eer het zoo ver komt, wordt de H. Thomas genoodzaakt de vlucht te nemen ; verkleed en vermond slaagt hij er in het land te verlaten en, na eene lange en vermoeiende reis, komt hij te Rome aan waar Paus Alexander III hem eene schuilplaats met een vriendenhart aanbiedt. De koning ontsteekt in woede omdat zijn slachtoffer hem ontsnapt is en wreekt zich op dezes vrienden en magen die hij laat aanhouden en, zonder onderscheid van geslacht of leeftijd, het land uitdrijven. Groot was het verdriet van den heiligen Bisschop die zich harder door hun dan door zijn eigen ongeluk getroffen gevoelde. Italië en Frankrijk namen meestal die edele bannelingen op.
Middelerwijl ondervond Hendrik tegenspoed op tegenspoed. Zijn leger werd geslagen en grootendeels vernietigd door het nog onbedwongen volk van Wallisland ; om zich over die bloedige nederlaag te wreken liet de gekroonde booswicht de gijzelaars, die hem nochtans heilig en onschendbaar moesten zijn, vermoorden of verminken. Op het. hooren van dat akelig nieuws, van gebeurtenissen die do bloed- en schandvlek op zijn vaderland drukten, stortte de Heilige Thomas overvloedige tranen.
Toen hij weer naderhand, met toestemming des ko-nings, in zijne kerk van Canterbury was teruggekeerd, bemerkte hij weldra dat de verzoeningsgezindheid van den
De dood der kerkvervolgers. 403
vorst niet rechtzinnig was geweest. Van dan af bereidde hij zich tot den dood, waarmede hi] zich bedreigd gevoelde. Den 20 December 1170, drongen vier ridders in de bisschoppelijke hoofdkerk en staken den heiligen en moedigen Kerkvoogd dood aan den voet der altaren.
Die moord verwekte een schreeuw van afschuw en ontzetting in de gansche wereld. Hendrik zelf verschrok er van. Hij liet uitgaan dat hij onschuldig was aan eenen aanslag die geschied was buiten zijne weet, ofschoon hij er aanleiding toe had gegeven door woorden van haat tegen den Martelaar; vooruit gaf hij aan den Paus te kennen dat hij zich aan het vonnis zou onderwerpen en zwoer de boete te volbrengen, welke hem zou woorden opgelegd. ITet leedwezen des konings scheen ditmaal rechtzinnig te zijn. Op zijn knieën ontving hij, aan de deur, de absolutie van den ingeloopen banvloek, alvorens hij de kerk werd binnengeleid. Dat was de zegepraal des martelaars, die door zijnen dood bekwam hetgeen noch wijze raadgevingen, noch vastberaden wederstand, noch staatsgevaren, noch eigen nood of volksbelangen vermochten te bekomen.
God echter liet de gruwelijke misdaad niet ongestraft-, Hendrik zag zijn eigen kinderen met hunne moeder, koningin Eleonora, tegen hem opstaan. Een oogenblik was hij op het punt te bezwijken onder de vereenigde krachten zijner vijanden. In dien hachelijken toestand herinnerde hij zich zijn slachtoffer, den heiligen martelaar Thomas. Hij ging dan openbaar op zijn graf nederknielen en den bijstand afsmeeken van hem, dien hij zoo wreedaardig vervolgd had. Denzelfden dag, waarop hij zoo nederig en Christelijk zijn boetvaardigheid toonde, behaalde zijn leger een volle zege op den koning van Schotland die zelf ge. vangen werd.
Die openbare boetpleging was evenwel nog niet vol-
Dc Goddelijke beloften der H. Kerk.
doende om zijne schulden uit te wisschen. Koning Hendrik II beleefde eenen ongelukkigen en rusteloozen ouderdom. Hij werd overwonnen door de Fransehen en gedwongen tot een vernederenden vrede. Terwijl hij in onderhandeling was, viel de bliksem voor hem neer op het oogenblik dat hij aandrong voor eene bepaling die hem het middel moest verschaffen om een oneerbaren hartstocht te voldoen. Hij werd dermate door schrik lx -vangen dat hij eenige dagen later overleed (1189). Op zijn laatsten stond vervloekte hij zijn oproerige zonen Richard en Jan. Ziin lijk werd overgelaten aan bedienden die het van zijne kleederen ontblootten en alles wat waarde had uit het huis wegroofden. Zijn dood, zeggen de geschiedschrijvers, was die van eenen verworpeling.
De derde tyran die den troon van Engeland in de Middeleeuwen onteerde was Jan zonder Land. Hij vervolgde den godsdienst, verdrukte zijne onderdanen en toonde zich in zijne regeering een heiligschendend, valsch, laf en wreedaardig vorst. Om hertog van Normandië te blijven liet hij zijn voornaamsten mededinger, zijnen neef Arthur, vermoorden. Dit schelmstuk belette niet dat hij de hertog-dommelijke kroon verloor. Men verhaalt dat Jan zelf zijn armzaligen neef zou doorstoken hebben daar hij niemand kon vinden om die wandaad te verrichten. Zeker is het dat hij de plichtige was en ook als dusdanig door de Kerk in den ban werd geslagen. Nieuwe verfoeilijke euveldaden maakten hem bij zijne onderdanen van Engeland zoo hatelijk dat hij, van allen verlaten, op het punt stond de koninklijke kroon te moeten nederleggen. In dien uitersten nood spaarde de lafaard noch beloften noch schijnheilige betuigingen. Hij bekwam vergiffenis en verzoening, maar was zoohaast niet van zijnen schrik hersteld of hij bedreef wederom de eene trouweloosheid na de andere en stapelde meineed op meineed. De Engelsche
404
De dood der kerkvervolcjers.
leenheeren konden zijn wangedrag niet langer nitstaan, zij zetteden hem bepaald af en riepen prins Lodewijk, zoon van Frankrijks koning, naar Engeland om hem de kroon aan te bieden. Jan was nu inderdaad zonder land. Hij stierf van verkropte woede en van wanhoop en droeg den haat en de verfoeiing zijner onderdanen mede naar 't graf 1,1216).
XIV.
FREDERIK EOSSEBAABD.
Frederik I, bijgenaamd Barharosea of Bossebaard, keizer van Duitschland, voert wederom de heeischzuch-tige en tyrannieke staatkunde van Hendrik IV met zich op den troon. Zoo noodlottig als zij was voor het Saksische vorstenhuis, zoo noodlottig zal zij wezen voor dat der Hohenstaufen. Macht en roem helpen niet om de vorstenhuizen, die de H. Kerk aanranden, van ondergang te behoeden. Ka weinige geslachten verdwijnen zij gewoonlijk van het tooneel der wereld, zichtbaar, gelijk eertijds Saül, van God verworpen en gestraft, omdat zij tot de uitvoering zijner eeuwige raadsbesluiten niet wilden medewerken. Het huis der Hohenstaufen zal niet het laatste voorbeeld zijn van deze wet der Voorzienigheid die oii de Kerk waakt, en ze tot haar doeleinde brengt dwars door alle hinderpalen haar door de boosheid der menschen of der hel in den- weg geworpen.
Frederik I was een rijkbegaafde vorst, doch van eene trotsche en hardnekkige inborst. Hij moest en zou meester zijn, en dat niet alleen van den Staat, maar ook van de Kerk. Hij slaagde in al zijne ondernemingen zoolang hij dezen weg van verdrukking niet was ingetreden; doch niet zoohaast stelde hij zich in opstand tegen God en tegen Christus' Stedehouder op aarde, of zijn ongeluk begon.
406 De Goddelijke beloften der II. Kerk
Frederik had geene kinderen, daarom verstiet hij zijne wettige huisvrouw en huwde eene andere, ondanks het verbod des Pausen; hij belette de Duitsche bisschoppen met Rome in betrekking te blijven; hij matigde zich het recht aan zelf de bisschoppen te benoemen en hun den kromstaf over te geven; op de vaderlijke vermaningen van Paus Adriaan IV antwoordde hij met nog ruwer en gewelddadiger te werk te gaan; kortom, hij vernieuwde de sluwe, schijnheilige en wreede vervolging van Hendrik IV.
Na den dood van Adriaan IV, werd de worsteling tus-schen den Duitschen dwingeland en den nieuwen Paus Alexander III nog heviger. Doch deze groote Paus, die reeds, als afgezant van Adriaan IV, den Rossebaard openlijk had durven tegenkampen en zijne woede trotseeren, beefde volstrekt niet voor de schrikkelijke bedreigingen van den keizer. Zoodra hij bemerkte dat Frederik uit alle macht het vuur der ketterij en kerkscheuring aanblies, dagelijks tot zelfs in Italië zijne heiligschendende inbreuken op de rechten der H. Kerk vermenigvuldigde en doof bleef voor alle waarschuwingen, sloeg hij hem en zijne voornaamste aanhangers in den ban. Deze banvloek werd onmiddellijk opgevolgd door den vreeselijken dood van den onwaardigen Arnold, aartsbisschop van Maintz. De ongelukkige werd door een woedend volk op de wreedste wijze vermoord. Dat was een eerste donderslag van Gfods rechtvaardige gramschap.
Rossebaard, om zich over den banvloek te wreken, zocht den Paus zeiven in handen te krijgen. Deze vluchtte naar Frankrijk waar hij met de grootste eerbewijzingen door koning Lodewijk VII onthaald werd, terwijl van alle zijden de hulden van de Katholieke vorsten en volkeren den vervolgden Kerkvoogd toevloeiden.
Frederik, meer en meer verbitterd, wilde nu den we-
Dc dood d-r kerkvervolgers. 407
derstand, dien hij ontmoette, met geweld en wreedheid bedwingen. De schoone vlakten van Lombardije werden verwoest, de stad Crema vernield, Milaan tot aan den grond toe afgebroken, drie kerken slechts uitgezonderd. De woeste Attila scheen in den van overmoed dolzinnigen keizer te herleven.
Maar deze verregaande knevelarijen brachten hare eigene strat mede. De andere Lombardische steden, met een even rampzalig lot bedreigd, stelden een einde aan hunne onderlingsche verdeeldheden en sloegen de handen ineen tegen den gemeenzamen vijand. Gesterkt door de aanmoedigingen van Alexander III, dreven zij de Duitsche troepen op de vlucht en bouwden Milaan uit zijne puinen herop. Kort daarna keerde de Paus zegepralend in Rome terug zonder dat Rossebaard het kon verhinderen. Dit was de eerste overwinning der Kerk op haren vervolger.
Het volgend jaar ondernam Rossebaard eenen veldtocht om Paus Alexander uit Rome te verjagen. Zijne eerste pogingen hadden goeden uitslag ; een groot gedeelte van Rome viel in zijne macht. Hij liet het verwoesten en zelfs Sint-Pieters kerk in brand steken. De Paus ontsnapt echter aan zijne wraak en bereikt Gaëta, dank aan eene verkleeding. Daar stroomt de bevolking hem tegen met allerhande liefde- en eerbetuigingen.
Ondertusschen breekt een verschrikkelijke ziekte, ware geesel Gods, onder de Duitsche krijgers uit. In zeven dagen tijds ziet Rossebaard zijne voornaamste aanhangers en vooral diegenen, welke hem het meest in de hand werkten tegen de Kerk, onder zijne oogen bezwijken. Er moet aan vluchten gedacht worden, maar de pest volgt het leger op de hielen en dunt de scharen met verdubbelde slagen. Men kon den nieuwen Sennacherib op het spoor volgen, want overal, na zijnen doortocht, waren de wegen met wapenen en lijken bezaaid. In Noord-Italië
D(i Goddelijke beloften der II. Kerk
staan do Lombarden den vluchtenden keizer af te wachten, verpletteren het ellendig overschot zijner troepen en dwingen hem de Alpen over te trekken om in Germanië zijne schande te verbergen. Dat was de tweede overwinning der Kerk op den dwingeland, die, alhoewel door den banbliksem getroffen, het hoofd nitdagend tegen den Hemel opstak.
Zes jaren later keerde Rossebaard weder aan het hoofd van een machtig leger, vast besloten eene schitterende wraak te nemen over de vorige nederlagen. Hij liep zich ellendig den kop in tegen de strooien muren van de nieuwe stad Alexandria, aldus genaamd ter eere van den Paus. Verslagen en vernederd, had Frederik alleen aan de stevige muren van Pavia zijn behoud te danken. Om tijd te winnen, knoopte hij bedrieglijk onderhandelingen aan, als wilde hij zich met de Kerk verzoenen; doch hij brak ze af, zoodra hij wist dat een nieuw even machtig leger uit Duitschland aanrukte om hem te ontzetten. Aanstonds trok hij op tegen Milaan. De inwoners dezer stad zonder hem af te wachten kwamen hem te gemoet. De strijdmachten der overige Lombardische steden stonden hen ter zijde. Met onweerstaanbaar geweld stortten zij op het leger van Rossebaard. Een bovennatuurlijke moed sterkt hunnen arm, want zij zijn in de vaste mee-ning dat God zelf voor hen vecht. Do vaandrager van Rossebaard wordt met eene lans doorstoken en onder de voeten der paarden vertrappeld; de keizer rolt uit den zadel en verdwijnt in de worsteling ; zijn leger wordt bijna tot den laatsten man neergesabeld. Zelden zag men zulke nederlaag.
Den tweeden dag daarna keerde Rossebaard, dien men reeds voor dood hield, alleen in Pavia weder. Hij was met bloed en slijk bedekt. Onder eenen hoop lijken verborgen, had hij gewacht totdat de overwinnaars het slag-
408
De dood der kerkvervolgers.
veld verlaten hadden om zich in den duisteren nacht aan hunne woede te onttrekken.
Tot dan toe was Eossebaard verstaald gebleven tegen de slagen des Hemels en tegen de banvloeken van liome ; nu boog hij het hoofd en bad rechtzinnig om vergeving en vrede. Een en ander werd door Alexander toegestaan, nadat de keizer den plechtigen eed had afgelegd nimmer meer inbreuk te maken op de rechten der Kerk en voortaan ais een Christelijk vorst te rogeeren. Een luide vreugdekreet weergalmde door gansch Italië bij deze zegepraal. Voor de derde maal trok Paus Alexander liome binnen ouder de toejuichingen van gansch een volk dat zijn nationale en godsdienstige vrijheid had Weerge-wonnen.
Onder de opvolgers van Alexander III, kwam bij Fre-derik de heersch- en dwangzucht weder boven en opnieuw vervolgde hij de Kerk, toen eensklaps de tijding der inneming van Jeruzalem door de Turken gansch Europa in opschudding bracht. Een kruistocht moest de heilige stad nogmaals gaan verlossen en Rossebaard stelde zich aan 't hoofd. De keizer zou zijne misdaden door eene reeks schitterende overwinningen hebben uitgeboet en het heilig Land verlost, indien de dood hem niet in zijn zegevierenden tocht had verrast. Terwijl hij zonder voorzorg een bad nam in de koude wateren van den Gydnus, doorliep plotseling eene doodelijke rilling zijne ledematen. Do laatste oogenblikkon van Rossebaard waren Christelijk en getuigden vau een diep leedwezen. Moge hij bij God barmhartigheid hebben verworven I (1190).
400
De Goddelijke beloften der H. Kerk
XV.
HET VORSTELIJK STAMHUIS DER HOHEN3TAUFEN.
Hendrik VL zoon van Prederik I, vervolgde de Kerk gelijk zijn vader en bezoedelde zich met gruweldaden die aan zijne eigene echtgenoote, keizerin Constantia, afkeer en walg inboezemden. Hij belette den H. Albertus bezit te nemen van den bisschopszetel van Luik waartoe hij wettig was gekozen; hij was ook de eerste oorzaak van Albertus marteldood. Van elkeen verfoeid, stierf hij schielijk op drie en dertig jarigen leeftijd (1197). Zijne vrouw, zegt men, zou meegeholpen hebben om zijnen dood te verhaasten en zich alzoo op hem gewroken hebben over de rampen van haar ongelukkig vaderland, het koninkrijk Sicilië.
Keizerin Constantia stamde af van de Siciliaansche koningen Roger en Willem den Booze die ook do Kerk vervolgd hadden in het Zuiden van Italië. Hendrik VI veroverde hun koninkrijk, en deed wreedaardig den laatsten erfgenaam van het Siciliansch vorstenhuis vermoorden. Zoo was een kerkvervolger het werktuig van Gods wraak op een schuldig geslacht, maar hij vermoedde toen niet dat hij juist daar den grafkuil groef van zijn eigen huis, gelijk wij spoedig zien zullen.
Na den dood van Hendrik VI, die een tienjarig zoontje achterliet (later Frederik II), dongen zijn broeder Philips van Zvvaben en Otto van Beieren te gelijker tijd naar de keizerskroon.
Philips van Zioaben werd door een gedeelte der vorsten gekozen, maar de Paus bekrachtigde die keus niet. De reden daarvan was dat deze prins, zoon en broeder van Kerkvervolgers, reeds den banvloek had ingeloopen door zijne heiligschendende aanslagen op de rechten der Kerk.
â 110
De dood der kerkvervolgers.
Philips beriep zich op de kans der wapens zonder nochtans te verwaaiioozen alles in te spannen om met Inuocen-tius III tot eene verzoening te komen. Hij was op het punt hierin te gelukken en keizer van Duitschland te worden, toen de dolk van Otto van Wittelsbach, uit persoonlijken wraaklust, zijnen levensdraad afsneed. Philips was 33 jaar oud (1207).
Otto IV werd nu, na den dood van Philips, door alle rijksvorsten voor keizer erkend. Hij zwoer onwankelbare trouw aan de Romeinsche Kerk en aan den Paus, dien hij uit al zijne macht beloofde te beschermen. Doch, nauwelijks had hij plechtig de kroon ontvangen, of zijn eigene grootheid bracht hem het hoofd op hol. Hij werd kerkver-volger. Innocentius III, ten einde geduld, ontzag hem niet langer meer en sloeg den meineedige in den ban. Van dan af keerde ook de gelukshans van Otto. Verslagen in Italië, in Frankrijk, in Duitschland en overal, moest hij naar Brunswick vluchten en kon de keizerskroon van zijn hoofd zien overgaan op dat van den jeugdigen Frederik, kleinzoon van Rossebaard. Hij stierf in 1218 zonder zijn rijk te hebben teruggewonnen.
Frederik II, was onder de voogdij van Innocentius III grootgebracht. Aan dezen Paus had hij het behoud van zi]n erfelijke staten, zoowel als de keizerskroon te danken; doch nooit had de H. Kerk eene zoo venijnige slang in haren boezem gekoesterd. Zoolang Innocentius Hl in leven was, wist de huichelaar zijne geheime ontwerpen onder het masker van godsvrucht en geloofsijver te verbergen, maar eenmaal dat de weldoener zijner jeugd in het graf was gedaald, ontvouwde hij zijne plannen. Het Pausdom moest voor het keizerdom onderdoen, de geestelijke macht voor de wereldlijke, de Stadhouder van Jezus-Christus voor den keizer: dusdanig was het doel waar hij naar streefde. De reeds eeuwenoude worsteling
411
J:e Goddelijke beloften der II. Kerk
van Hendrik IV tegen Gregorius Vil. van Frederik I tegen Alexander III, begint dus opnieuw met verdubbelde sluwheid van de eene zijde, met dezelfde standvastigheid van de andere.
Paus Honorius III en zijn opvolger Gregorius IX, hebben zich aanhoudend te verdedigen tegen de kuiperijen van den verraderlijken Frederik, die slechts beloften doet om ze dadelijk te verbreken, al heeft hij ze dan ook met eed bekrachtigd. Terwijl hij dus de Kerk vervolgt in Italië en in Duitschland, doet hij al de ondernemingen der Christenen tegen de Muzelmannen in Palestina en in Egypte mislukken ; hij schaamt zich zelfs niet een verbond te sluiten met de onverzoenlijkste vijanden des Christendoms, met de Saracenen. Door den Paus eindelijk gebanvloekt, vertrekt Frederik naar het Heilig Land kwansuis om het te verlossen, maar in wezenlijkheid om de Christenen van het Oosten te verraden en in hunnen naam een noodlottig, rampspoedig vredesverdrag met de ongeloovigen te teekenen.
Bij zijne terugkomst van dien schandigen tocht bespeurt hij dat het hoog tijd is zich met den Paus te verzoenen. Dat doet de valschaard, want de schoonste beloften kosten hem niets, daar hij wel weet dat hi] ze niet zal uitvoeren. Xu legt hij eensklaps den grootsten geloofsijver aan den' dag, doch hij bedient er zich van om degenen, waarop hij iets te wreken heeft, van ketterij te betichten en ze aan den beul over te leveren. Nero was niet wreeder dan deze verachtelijke lafaard.
Ondertusschen had Innocentius IV op den pauselijken stoel plaatsgenomen. Deze sprak opnieuw den banvloek uit tegen den vervolger, uitspraak dio kort dauna door het concilie van Lyon werd bekrachtigd. Daarenboven kreeg Frederik bericht dat men hem nis keizer had afgezet en Hendrik van Thuiingen in zijne plaats uitgeroepen.
De dood der kerkrerrolgers.
De hand Gods begon ook tc drukken op den dwingeland, die de banbliksems der Kerk trotseerde en bij eiken slag nog woedender werd. Eeeds had Frederik 11 niet smart zijn oudsten zoon tegen hem zien opstaan. De jonge prins moest zich ondergeven, werd door zijnen vader in den kerker geworpen, waarin hij, kort daarna, stiert'. Dit gaf aanleiding tot de gissing dat hij het slachtoffer geweest was van de wraak zijns onmenschelijken vaders.
De nieuwe Duitsche keizer behaalde overwinning op overwinning, zoodat gansch Germanië aan Frederik ontsnapte. In Italië was deze even ongelukkig. Hij onderging een bloedige nederlaag bij Panna. Zijn zoon Enzio, die voor hem vocht, werd insgelijks verslagen, viel in 's vijands handen en bleef in de ketenen zuchten ondanks de smeekingen van den vader. Die tegenspoed verbitterde hoe langer hoe meer 1.et gemoed van den wreeden keizer. Bij den minsten schijn, vatte hij argwaan op en deed hij zijn getrouwste vienden om 't leven brengen. Zoo besloot hij zijnen raadsman Petrus Desvignes, den medeplichtige van al zijne gruweldaden, in de vreeselijkste folteringen te doen omkomen. Deze ellendeling, bij het vernemen van het lot dat hem bestemd was, sloeg zich uit wanhoop den kop in tegen de kolom waaraan hij was vastgebonden.
Frederik II, lijdend aan een hevigen aanval van rooden-loop, week terug naar Zuid-Italië. Spoedig moest hij te bed blijven liggen. Den 12 December 1250, meende hij genezen te zijn en verklaarde dat hij 's anderendaags zou opstaan : maar 's anderendaags was hij dood. Dat schielijk uiteinde gaf grond aan een afgrijselijk gerucht: men vertelde dat Frederik tusschen twee kussens verstikt was geworden door zijnen bastaardzoon Manfried.
Kernraad, zoon van Frederik II, is een even wreede vervolger als zijn vader. Hij werd in den kerkelijken ban geslagen en stierf onder hot uitbraken der schrikkelijkste
414 De. Goddelijke beloften der II. Kerk.
godslasteringen {1254). Hij was 26 jaar oud en liet een tweejarig zoontje achter, Koenradijn, dat hij aan de voogdij des Pausen toevertrouwde. Wondere tegenstrijdigheid van eenen vorst die zich altijd als vijand der Pausen gedragen had!
Man fried berooft zijn jeugdig neefje van de kroon van Sicilië. Zijne regeering is eene bloedige vervolging van alle goed. Hij spant samen met de Saracenen om tegen de Christenen te vechten. Zijn leger wordt bij Benevent letterlijk verpletterd, hij zelf sneuvelt en zijn lijk wordt zonder kerk of kruis ter aarde besteld (1266).
Koenradijn, kleinzoon van Frederik II, was pas zestien jaar oud, toen hij zich aan het hoofd stelde eener uitgestrekte samenzwering, die tot doel had hem de macht zijner voorzaten terug te bezorgen. Na zijn plan in Duitschland verijdeld te zien, wendt hij zich tot Italië, verzamelt een ontzaglijk leger van gelukzoekers, ontevredenen en oude aanhangers der Hohenstaufen, en trekt door Middel-Italië naar Sicilië, om dit koninkrijk, waarop hij aanspraak maakt, te veroveren. De banbliksem des Pausen vermag niet hem tegen te houden. Eome valt in zijne handen en wordt door een woest soldatenvolk uitgeplunderd. Hij trekt door onder de muren van Viterbo, waar Paus Clemens IV eene schuilplaats gezocht had, en geeft zich de hoovaardige voldoening den Stadhouder van J.-C. in zijnen nood te bespotten met al zijne strijdmacht ⢠onder zijn oog in slagorde te scharen. Terwijl de omstanders op dit gezicht staan te beven, blijft Paus Clemens IV onverschrokken. ,, Waarom zou ik vreezen, zegt hij op profetischen toon, al die ijdele praal zal in rook verdicij-nen. quot;
Als hij vervolgens den jongen Koenradijn met zijne voornaamste legerhoofden fier en trotsch in hunne schitterende wapenrusting ziet voorbijtrekken, â Ach, gaat hij
De dood der kerkvervolgers.
voort, beweent liever die kinderen, want zij laten zich als opgesmukte slachtoffers ter dood leiden. quot;
Het leger van Koenradijn stoot op dat van Karei van Anjou in de vlakte van Palente. Een vreeselijk gevecht vangt aan. Koenradijn is verslagen en zijn leger verstrooid. Hij vlucht op eeno boot, maar wordt achtervolgd, aangehouden en aan koning Karei overgeleverd. Deze laat hem voor de rechtoank verschijnen als schuldig aan hoogverraad. Ondanks zijne jeugd wordt do ongelukkige vorst ter dood veroordeeld. Toen hij het hoofd op den blok legde, riep hij uit: â 0 moeder! wat zult gij bedroefd zijn!quot;
Zoo stierf de laatste afstammeling van het machtige doch schuldige vorstenhuis der Hohenstaufen ; hij stierf gelijk een booswicht op het schavot (1268).
XVI.
NOG ANDERE KEHKVERVOLGERS UIT DE MIDELFEUWEN.
Arnold van Brescia was een der voorloopers onzer hedendaagsche omwentelaars. Zijn inzicht was de oude Eepubliek uit den tijd van het Heidendom, met haren senaat en haar Capitool, te Rome, op de puinen van het Pauselijk gezag te herstellen. Dat droombeeld wordt in onze dagen nog nagejaagd door zoogezegde Italiaansche vaderlanders en wij zagen in 1848, sedert 1870 zien wij weer een dergelijk plan ontwerpen en de vergeefsche poging van Arnold van Brescio vernieuwen. Derhalve is die man een held geworden in de oogen der tegenwoordige oproerstichters en omwentelaars. die niet ophouden hem te verheffen en ter navolging voor te stellen. Metterdaad was hij echter niets anders dan een eer- en geldgierige geloofsverzaker, een hardnekkige ketter, een samenzweerder tegen alle wettige overheid, kortom een ellende-
415
41(3
ling die aan zijn vaderland de grootste onheilen berokkende en tien jaren lang op de stad der Pausen een woeste en bloedige dwingelandij uitoefende.
Kome werd eindelijk de verdrukkingen en misdaden van Arnold moede, joeg hem de poorten uit en verzoende zich met Paus Adrianus IV, die zegevierend in de stad terugkeerde, onder het blij en geestdriftig gejuich van een vrij-geworden volk. De voortvluchtige Arnold zwierf eenigen tijd in de omliggende streken rond om niet in handen van 't gerecht te vallen. Gevangengenomen door kardinaal Gerard in do kleine stad Otricoli, werd hij gewapenderhand verlost door een bende zijner partijgangers. Dan koos hij do wijk naar Dmtschland en zocht een schuiloord bij keizer Frederik Eossebaard; doch hij vond er de bescherming-niet welke hij verwachtte. Barbarossa had plannen ontworpen waartoe Arnold hem weinig van dienst kon zijn, en hij leverde hem uit aan do Romeinsche overheden. De aanklacht tegen don beruchten volksopruier werd voor de burgerlijke rechtbank gebracht, zijne geweld- en euveldaden werden door talrijke getuigen en slachtoffers bevestigd, en Arnold van Brescia, ter dood verwezen, stierf, gelijk de groote booswichten van dien tijd, op den brandstapel in 1155.
Philips de Schoone. koning van Frankrijk, in plaats van aan de dringende oproeping des Pausen te beantwoorden en de wapens te nemen ter verdediging van de Christenen in het Oosten, was er slechts op uit om de H. Kerk te vervolgen en hare goederen te roeven. Hij durfde zelfs eene legerbende naar Italië afsturen met last den groeten en kloekmoedigen Paus Bonifacius VIII gevangen te nemen. De aanslag was op het punt van te gelukken, de Paus was reeds inde macht der Franschen, waar Kogaret bevel over voerde, toen het trouw gebleven volk te wapen liep en den Paus uit de handen zijner vijanden verloste.
De dood der kerkvervolgers
die bijna allen door de woedende menigte werden neergesabeld.
Een andere slag, harder nog, kwam den Franschen vorst treffen en hem over zijne verraderlijke vervolging kastijden. Philips had zich door verraad en allerhande kuiperijen weten meester te maken van het rijke en machtige graafschap Vlaanderen, en nu trachtte hij er door list en geweld zijn gezag voorgoed te vestigen. Dit was juist verkeerd. De flere, onafhankelijke Vlamingen waren geenszins genegen den rug onder zijne roede te buigen. Weldra brak de opstand uit; op een enkelen nacht vielen te Brugge meer dan drie duizend Franschen onder de slagen dei-burgers, en gansch Vlaanderen vloog terstond in 't harnas om het juk van den dwingeland af te schudden.
Philips de Schoone, bij de tijding van het oproer, vergaderde een ontzaglijk leger, bestaande uit meer dan vijftig duizend voetgangers en tien duizend ruiters, waaronder de bloem van den Franschen adel. Hij stelde deze strijdmacht onder het bevel van zijne twee beste veldheeren Robrecht van Artois en Raoul van Nesle, en legde hun den last' op do Vlamingen onbarmhartig voor de geleden nederlaag te tuchtigen. Het Fransche leger begon den oorlog met alles op zijnen doortocht te vernielen. De landschappen werden verwoest, de Vlaamsche steden en dorpen in puin en asch gelegd. Die barbaarsche handelwijze deed de gramschap en verbittering der Vlamingen ten top stijgen. Blakend van strijdlust wachtten zij den vijand af, vast besloten te overwinnen of te sterven.
De twee legers werden handgemeen nabij Kortrijk. Zich zeker wanend van de overwinning, stormden de Fransche ridders in onstuimige vaart op de Vlaamsche krijgsbenden, maar deze stonden als een onwrikbare muur en onthaalden den aanrukkenden vijand op de stalen punten hunner yoe-dendcigs. Dan sprongen zij zeiven vooruit, braken de Fran-
417
418 De Goddelijke beloften der II. Kerk
sche gelederen, en richtten er een vreeselijk bloedbad aan. De nederlaag van den vijand was dan ook volkomen. Het slagveld was overdekt met de lijken van ruim vier duizend ridders en van eene ontelbare menigte voetknechten. De opperbevelhebber Robert van Artois, de geheime raadsman, des konings Pieter Flotte, al de voornaamste aanvoerders, graven en baanderheeren des legers, lagen onder de doo-den. In geheel Frankrijk was er geen adellijk huis dat niet het verlies van een of meer zijner leden te betreuren had (1303).
Niettegenstaande deze ramp, wilde Philips de Schoone van zijne noodlottige staatkunde niet afzien. De gouddorst dreef hem aan de Tempeliers van afgrijselijke misdaden te beschuldigen, ten einde zich hunne rijkdommen toe te eigenen, na de bezitters aan den beul te hebben overgeleverd. Deze onderneming, die een eeuwigdurend schandmerk op zijn nagedachtenis heeft geprent, viel uit volgens zijn verlangen. Jacob Molay, grootmeester der Tempeliers, beklom den brandstapel, maar verhief nog eens de stem om zijne onschuld luide te verklaren en, zoo men zegt, dagvaardde den koning binnen het jaar voor den rechterstoel van God. Hetzij nu toeval of een schikking der Goddelijke Voorzienigheid, zeker is het dat de koning voor het einde des jaars stierf, ten gevolge van een jachtongeluk (1314,.
Twee achtereenvolgende keizers van Duitschland, Hendrik VII ran Luxemburg en Lodewyjk van Beieren. sloegen hetzelfde dwaalspoor in als hunne voorgangers Hendrik IV, Frederik I en Frederik II. Zij zochten de Kerk in slavernij te brengen, maar de uitslag voor hen was de banvloek, de afzetting en een rampzalig einde.
Hetzelfde lot viel te beurt aan Eduard II in Engeland, die door zijne vrouw onttroond werd en in de gevangenis stierf; â aan Bender II, koning van Zweden, die na een
De dood der kerkvervulyers.
misdadig en schandig leven, een nog schandelijkeren dood onderging; â aan keizer Wenceslas, den dronkaard, wien eene verlagende drift twee vorstenkronen en het leven roofde.
Om denzelfden tijd had ook Spanje zijnen Nero, dien de geschiedenis met den naam van â Pieter de Wreedaard quot; gebrandmerkt heeft. Dit monster vergiftigde zijne echtge-noote. verwees zijne naaste bloedverwanten en vrienden ter dood bij de minste achterdocht, vermoordde meermaals met eigene hand ontwapende krijgsgevangenen en afgezanten, die zich op zijn woord hadden verlaten. Hij werd overwonnen door zijn broeder Hendrik van Transtamare, die een waren kruistocht tegen hem had aangevoerd. In zijn laatsten schuilhoek omsingeld, sloop Pieter de Wreedaard des nachts het kamp der belegeraars binnen en drong door tot bij de tent van den Franschen krijgsheld Duguesclin. in de hoop dat deze ridder zich door geldbeloften zou laten omkoopen en zijne vlucht begunstigen. Maar in plaats van Duguesclin, trof hij Hendrik aan, zijnen tegenstrever, die zich op hem wierp en hem met zijnen dolk doorstak. De Nero van Castilië was 38 jaren oud (1369).
De menigvuldige wanorden welke te Rome uitbraken, de heiligschendende aanslagen der Italiaansche dwingelanden op de Kerkelijke Staten, waren oorzaak dat verscheidene Pausen hun verblijf, althans voorloopig, te Avignon, in Frankrijk, gingen vestigen. Dezen toestand namen eenige eerzuchtige mannen te baat, om te Rome de oude republiek nogmaals op te richten. Onder hen bevond zich Bienzi. Deze gelukte er in, het opperbewind over den nieuwen Staat in handen te nemen ; maar zijne heer-schappij was van korten duur, want het volk kon weldra de misdadige dwaasheden, de schandige uitspattingen en de ongehoorde wreedheid van dat onmensch niet langer uitstaan.,, Hoog vliegen, diep vallen, quot; zegt een oud spreek-
420 De Goddelijke beloften der II. Kerk.
woord, en de waarheid van dit gezegde ondervond ook Rienzi. Door een omkeer in 's volks gevoelens werd hij van zijn oppergezag beroofd, en had enkel aan de vlucht het behoud zijns levens te danken. Eenige jaren later werd hij teruggeroepen en met geestdriftige toejuichingen ontvangen. Maar, alsof hij niet genoeg geleerd had, begon hij opnieuw zijne wreedaardige plagerijen en vervolgingen. Nog was er geen jaar sedert zijne wederkomst verloopen, of de kreten : â Dood aan den dwingeland!Leve het volk weerklonken in zijn ooren. Een dolzinnige menigte omsingelt zijn paleis; de volksmenner vertoont zich aan een venster om het woord tot het woedende volk te richten; maar gehuil en doodskreten verdubbelen; het paleis wordt in brand gestoken en de wreedaard om hals gebracht, zijn lijk met smaad beladen en ten laatste verbrand (1354).
't Was in die eeuw dat de groote Scheuring der Westelijke Kerk plaats greep. Gedurende veertig jaar heerschten tegenpausen te Avignon, en werden deze door de koningen van Frankrijk en eenige andere vorsten ondersteund. Frankrijk moest echter die deelneming aan het Schisma zwaar boeten, want de Engelschen veroverden het grootste gedeelte van zijn grondgebied, verwoestten zijne schoonste provinciën, en zouden het wellicht gansch veroverd hebben, zoo God, in zijne erbarming, dat zwaar beproefde land geene onverwachte hulp gezonden had in de persoon van Jeanne d'Arc. Deze nederige boerendochter, op Gods woord in een krijgsheldin herschapen, versloeg de Engelschen en voerde zegevierend Karei Y1I naar Eeims om er tot koning van Frankrijk gezalfd te worden.
Karei van den Vrede, Hongaarsche vorst, ontving de kroon van het Napolitaansch koninkrijk uit de hand des Pausen. Yerre van zich hiervoor dankbaar te toonen, verscheurde hij het verbond, dat hij met Urbanus VII gemaakt had, schond al zijne beloften en dreef ten slotte zijne ge-
Be dood der kerkvervolyers.
weldenarij zoo ver dat hij den H. Vadeiquot; zeiven dorst gevangen nemen. De Paus ontvluchtte echter den kerker en sloeg den ondankbaren en meineedigen vorst in den ban der Kerk.
Als antwoord hierop, liet Karei de afzetting van TJrba-nus Vil uitroepen, en ging vervolgens de sterkte belegeren waarin de Paus gevlucht was. Deze, na een beleg van zeven maanden, werd door de krijgsvloot van Genua verlost. De ondankbare Karei bleef niet lang ongestraft. Geroepen om den troon van Hongarije te beklimmen, kwetste hij spoedig de groote heeren van dat land door zijne trot-sche manieren en, na een jaar geregeerd te hebben, viel hij onder het staal van eenen moordenaar (1386).
XVII.
VAL VAN COSSTANTINOPEL.
De XVC eeuw was getuige van Gods strafgericht over de Grieksche Schismatieken die, om hunne halsstarrigheid, veel gelijkenis hadden met de Joden der Oude quot;Wet. Achthonderd jaren lang bedreigt hen God, slaat hen, bestraft hen door het zwaard der Mahomedanen om ze tot de Katholieke éénheid terug te brengen, maar. al toonen zij van tijd tot tijd eenig berouw, dit is nooit rechtzinnig en spoedig keeren zij op hetzelfde dwaalspoor terug. God wordt dat eindelijk moede en brengt hun de laatste slagen toe.
â Ziedaar bijna vijf ceincen, schreef Paus Nicolaas V aan den Griekschen keizer Constantijn Drageses, dat de Satan oorzaak van alle zonden maar hijzonder van de verdeeldheden e)i scheuringen, de Constantinopolitaansche Kerk onthecht heeft van het gezag des Pausen die de opvolger is van Petrus en de Stadhouder veen J.-C. Tallooze overeenkomsten zijn er gesloten, veel Kerkvergaderingen gehouden,
421
422 Di' Goddelijke beloften der II. Kerk.
menigvuldige gezanten afgestuurd om deze xcreede wonde der Kerke Gods te genezen.quot; Alles is mislukt door de hardnekkigheid, de valschheid en trouweloosheid der Grieken. ,. Deze laatsten moeten zich evenwel niet inbeelden dat de Paus en de II. Kerk niet begrijpen waarheen zij ivillen met al hunne voonvendsels en uit vluchtsels. Zij begrijpen dat maar al te wel, doch zij nemen geduld, het oog gevestigd op den Heer J.-C., die bevel gaf den onvruchtbaren vijgebcorn, als de eigenaar hem wilde uitkappen, tot het derde jaar te luien staan. quot;
In 1451 schreef de Paus deze profetische woorden en het derde jaar was niet verloopen of het Grieksche Rijk werd, als de onvruchtbare vijgeboom, uit het midden der volkeren weggekapt.
Eene halve eeuw vroeger was Constantinopel reeds zijnen ondergang nabij geweest. De sultan Bajazet I had de laatste Christen legers verpletterd en zwetste, in zijnen hoogmoed. dat hij niet alleen de hoofdstad der Grieken zou overmeesteren, maar zelfs Italië en Eome. â Mijn paard, zeide hij, zal zijne haver eten op het altaar van St-Pieter. quot; Bajazet had den tijd niet aan de vervulling dezer heilig-schendende pocherij te denken; een andere Volksverdelger kwam uit het verste Oosten aangesneld om Bajazet te bevechten. Het was de vreeselijke Tamerlan, koning der Mongolen. Zijne woeste horden werden handgemeen met de dweepzuchtige troepen van Bajazet in de vlakten van Ancyra. De schok was hevig, maar Bajazet kreeg de nederlaag en werd krijgsgevangen gemaakt. De vernederingen, welke hij nu van Tamerlan te verduren had, zijn schier niet te gelooven. Zijn rug diende tot voetbank wanneer Tamerlan zijn paard wilde bestijgen ; bij het eten moest Bajazet als een hond onder de tafel gaan liggen en zich met de kruimels bevredigen ; men sloot hem eindelijk op in eene ijzeren kooi, tegen wier staven de diep gezonken sultan zich uit wanhoop den schedel verbrijzelde.
1) dood dar kerkvervolgers.
Mahomed Uwas bestemd om de Grieken te straffen. Met driehonderd duizend Turken kwam hij in 1-152 Constanti-nopel belegeren. Keizer Constantijn bood negen maanden lang een heldhaftigen wederstand. De woedendste-aanvallen, door Mahomed zei ven aangevoerd, werden afgeslagen. Den 29 Mei 1-153 was voor een nieuwen algemeenen stormloop aangewezen. Alhoewel er geene kans van overwinning meer bestond, sprong keizer Constantijn moedig te paard, uitroepende ; â Mod Constantinopel verga,an, dan hegraaf ik mij onder zijne pninen.quot; Hij hield woord. Als hij de Turken de stad ziet binnenstuiven, al vermoordende of vernielende op hunnen doortocht, werpt Constantijn zich in het heetste van den strijd en doet wonderen van dapperheid. Van alle zijden besprongen, roept hij wanhopig uit : âMaar is er dan geen Christen om mij het hoofd af te slaan?quot; Nauwelijks heeft hij dit woord uit den mond, of een Turk brengt hem een woedenden slag in het aangezicht en een tweede Turk werpt hem dood ter aarde. Het was gedaan met het Grieksche keizerrijk dat elfhonderd drie en twintig jaren bestaan had. Van dien tijd af gaat het gebukt onder-het verlagende juk der Mahomedanen, tot straf van zijn misdadig oproer tegen de kerk van Rome (1-153).
Na deze zegepraal meende de Sultan dat de gansche wereld zich aan zijnen schepter zou moeten onderwerpen. Inderdaad, niets scheen hem in zijnen optocht te kunnen tegenhouden, want de Christene vorsten, in stede van samen te spannen tegen hunnen algemeenen vijand, waren alleenlijk bekommerd om zich onderling te bevechten en te verscheuren. Doch de Voorzienigheid waakte over de H. Kerk en liet niet toe dat de Turksche macht zich buiten de grenzen van het Grieksche rijk ontwikkelde. Mahomed II met al zijne legermacht liep een eerste maal bots tegen de muren van Belgrade, die door den held Jan Hunyade en den heiligen monnik, Jan Capistraan, verde.
423
De Goddelijke beloften der U. Kerk
digd werden. Een tweede maal verbrijzelden zich zijne legers op den kleinen troep van den vermaarden Scander-begg, prins van Albanië, die niet ten onrechte de Christen Gedeon genoemd wordt, daar hij met een handvol volks de Turken in twee en twintig groote veldslagen op de vlucht dreef. Een derde maal bezweken zijne honderd duizenden onder de slagen der manhaftige ridders van Rhodus die, onder het bevel van hunnen grootmeester, Pieter d'Aubus-son, een onvergetelijk beleg uithielden en de heldendaden der Machabeeërs vernieuwden. Woedend over al deze nederlagen, vergadert Mahomed II een nieuw leger van driehonderd duizend Turken met het inzicht Italië te overrompelen en den oorlog in 't hart der Christenheid te voeren, als de dood hem verrast en een einde stelt aan zijne wreedheden (1481).
Terwijl de Schismatieke Grieken het schandig slavenjuk der Turken moesten torsen en bitter konden ondervinden of het beter was den Tulband van Mahomed in Constanti-nopel te zien heerschen dan de driekroon des Pausen, voltrok het Katholieke Spanje de vernietiging van de heerschappij der Mooren door de inneming van Grenade (1492).
XVIII.
DE STICHTEKS ENquot; VOORSTANDERS VAN HET PROTESTANTISME.
De XVIc eeuw zag de groote Protestantsche ketterij ontstaan, die verscheidene volkeren van Noord-Europa aan den moederschoot van Rome ontrukte. Luther, Calvijn en Zwingel waren er de stichters van. De drie apostaten predikten eene leering, die aan de hartstochten en looze lusten den teugel vierde, en daarom vonden zij talrijke vrienden, beschermers en aanhangers bij al diegenen welke het juk der Christelijke zedenleer moede waren; de heersch-
424
De dood da' kerkccri'olgers. i2ö
zuchtige en losbandige vorsten, de slechte priesters, kloosterlingen en nonnen, waren aanstonds voor de niemve leer gewonnen. Ook het volk wisten die dwepers over te halen en op te ruien door beloften en voorspiegeling van rijken buit, van genot en weelde. Het gepeupel liet het zich geen tweemaal zeggen, maar liep te wapen, plunderde de huizen der rijken en stak de kasteelen in brand. De landheeren, graven, baronnen, ridders, in hun goed en leven bedreigd, schoten het harnas aan en hakten de misleide menigte ongenadig neer. Zoo was weldra Duitschland een onmeetbaar slagveld geworden, waarop voor en tegen 't Geloof met woord en zwaard gestreden werd.
Het ware moeilijk de rampen te beschrijven, die in dat noodlottig tijdvak het aandeel werden van het Duitsche keizerrijk en van al de landen waar het Protestantisme toegang vond.Burgeroorlogen, ijzingwekkendemoorderijen, verwoestingen van steden, dorpen, ja van geheele landstreken, ongehoorde wanorden, algemeene regeeringloos-heid, twist en haat tusschen de leden eener zelfde familie; ziedaar wat de ongelukkige bewoners van Duitschland, Zwitserland, Frankrijk, Nederland, enz., te verduren hadden.
Dat God die gruwelen niet ongestraft liet, toont ons het rampzalig einde der voornaamste schuldigen; doch. om niet te ver uit te weiden, moeten wij ons bepalen bij eenige dier ellendelingen.
Luther is de eerste die wij op de bloedige bladen der geschiedrollen van dat tijdstip aantreffen. Hij was een vcrloopen monnik, die door den duivel van den hoogmoed uit zijn klooster gedreven, aan den Paus en aan de H. Kerk don oorlog dorst verklaren. Hij leidde van toen af een ergerlijk en verdierlijkt leven. Drink- en braspartijen bijwonen, tieren tegen Paus en Kerk, de grofste scheldwoorden naar het hoofd zijner tegenstrevers slingeren, dat
4quot;2l) Dc Goddelijke beloften der II. K rk.
\\ra3 voor hem een vermaak en hierin kon hem niemand evenaren.
Maar als de bedwelming der dronkenschap of der driften over was, begreep de diepgezonken Luther genoeg, tot welken afgrond hem zijne misdaden zouden voeren; dan was zijne ziel ter prooi aan de hevigste wroeging en vertwijfeling. Op zijn lijdensbed riep hij uit: ,, Ik heb den Christus bijna verloren in den kolk der wanhoop waarin ik bedolven lig.quot; Hij meent dat de duivel hem persoonlijk komt plagen. â Satan.quot; zoo schrijft hij, â wil dat ik mijne pen. verbrijzele en hem in de hel volge.' â â O mijn God!quot; schrijft hij nog. ..indien ik den satan gehoorzaamd heb, dat de Heer het mij ver geve!quot; En hij voegt er bij: â Ik heb aan zooveel anderen de zaligheid gegeven, en ik kan ze aan mij zeiven niet verschaffen.quot; â Op zekeren avond, staarde hij met angst en vertwijfeling naar het uitspansel waaraan millioenen sterren fonkelden en sprak met eene van wanhoop bevende stem tot het rampzalig schepsel dat haar klooster ontvlucht was om de gezellin van zijn ontuchtig leven te worden: âEilaas! nimmer zal ons het heerlijke licht des Hemels bestralen.quot; â â Waarom niet?quot; vroeg Catharina. â â Wellicht, quot; zei Luther, â omdat ivij onzen staat verlaten hebben, en afgevallen zijn.quot; â â Welnu, keeren ivij op onze stappen terug. quot; â â Te laat, te laat!quot; zuchtte de Ketter; â de ivagen zit reeds te diep in den modder.quot; â Eenige dagen later stierf die ellendeling tengevolge van overdaad bij een zijner maaltijden (L546).
Calv jn, de bloeddorstige dwingeland en onmenschelijke beul van Geneve, had een ruimen tijd gemoord en het bloed vergoten van al wie zijn hervormingsplan in den weg stond; ook hem trof Gods wrekende hand; dat wangedrocht bezweek aan een dier schandige en terugstootende ziekten welke Gods rechtvaardigheid aan ontaarde wezens en verworpelingen van dat soort schijnt voor te behouden.
I) dood der k-;rkvervolgers. 427
âIk levesticj do waarheid van dit schrikkelijk uiteinde,'' schrijft een zijner leerlingen, âik heb mei eigen oogen dat treurspel afgezienquot; (1564).
Zwingel sneuvelde in den strijd tegen de Katholieke troepen, en met hem viel een groot getal zijner aanhangers, wien de dweper een gemakkelijke overwinning voorspeld had (1531).
Jan van Leiden, stichter van het Nieuwe Sion te Munster, werd verslagen, na een hardnekkigeh wederstand gevangengenomen, en moest in de folteringen, de vreese-lijke en ijzingwekkende euveldaden boeten, welke hij bedreven had of door zijn snoode en domme volgelingen had doen plegen.
Hendrik VIII, honing van Engeland, was aanvankelijk een warme voorstander der waarheid, een verdediger van het Katholiek geloof tegen Luther, die in zijn wel voorzien scheldwoordenboek, geen uitdrukkingen schijnt te kunnen vinden, gemeen genoeg om op afdoende wijze te antwoorden, en betreurt;, zooals hij zich uitdrukt, van niet bij machte te zijn, die Engeïsche Majesteit met modder en vuiligheid te kunnen bedekken. Eilaas 1 niet lang daarna, stond Hendrik zelf tegen den Paus op, omdat deze hem de toelating niet wilde geven zijn wettige vrouw te verstoeten en een andere te nemen. Eens op den weg des oproers geraakt, werd die vorst weldra een monster van ontucht en wreedheid. Kardinaal Fisher en Thomas Morus werden om hunne getrouwheid aan geloof en Kerk, ter dood veroordeeld. Een menigte' Katholieken volgden die twee helden en gingen moedig het hoofd op het blok neerleggen; de meesten echter wankelden en verzaakten hun geloof.
Hendrik's woede kende paal noch perk ; ook zijn medeplichtigen werden de slachtoffers zijner wreedheid. Thomas Cromwel. den onmenschelijken uitvoerder zijner bloedige bevelen, liet hij onthalzen. Zijn tweede vrouw, Anna Bo-
De Goddelijke beloften der H. Kerk.
leyn, werd aan den beul overgeleverd: Jane Seymour, zijn derde vrouw, overleed aan eene ziekte en ontkwam op die wijze, aan den geweldigen dood, welke haar verbeidde; eene vierde vrouw werd onmiddellijk weggejaagd; dan nam de koning een vijfde, Catharina Howard, die, van overspel beticht, door de hand des beuls onthoofd werd. â En toch durfde een zesde vrouw, Catharina Parr, dien met bloed bezoedelden troon beklimmen. Ook zij zou een offer des doods worden; haar vonnis was reeds getee-kend, toen het rampzalig einde van het gekroonde monster haar bevrijdde. Hendrik YIII telde zes en vijftig jaar. âGedurende de laatste jaren zijns levens,quot; zegt een Protes-tantsch schrijver, Cobbetgenaamd, âhad overdaad van allen aard dien wulpschen vorst zoo zwaarlijvig doen worden, dat hij zich nog slechts bij middel van een mechanisch toestel kon bewegen ; desniettegenstaande was hem zijn oude wreedheid en zijn bloeddorst bijgebleven. Zelfs toen hij reeds op zijn doodsbed lag, durfde hem niemand over het gevaarlijke van zijnen toestand spreken; want men wist dat dusdanige vrijheid met den dood zou bestraft worden. Hij stierf zonder te hebben kunnen gissen dat zijn einde daar was, en liet een aantal veroordeelingen achter welke hij niet had kunnen teekenen... Met hem verdween de laagste, de bloeddorstigste der dwingelanden welke ooit Engeland verdrukt hebben quot; (1547). â Vreeselijk waren voor Engeland de gevolgen der scheuring; stroomen bloeds besproeiden tal van jaren, dat ongelukkig land. De kinderen van Hendrik VIII stierven zonder nakomelingen: en juist één eeuw na het rampzalig einde van den eersten Anglicaanschen paus, beklom een zijner opvolgers, Karei I. het schavot.
Sommerset, een der voornaamste voorstanders van het Anglicanisme, stierf insgelijks door de hand des beuls. Zijn medeplichtige Cranmer, de verfoeilijkste der ministers van
428
De dood der kerkvervoïgers.
Hendrik VIII, werd op den brandstapel levend aan de vlammen prijsgegeven.
Christiern II, bijgenaamd de Wreede, of de Xero van Denemarken, drong het Protestantisme met geweld aan zijn koninkrijk, aan Noorwegen en aan IJsland op. De booswicht, welke door zijn dwingelandij den haat zijner onderdanen op zich getrokken had, dat monster, welks moordenaarshanden door quot;t bloed van vrienden en magen geverfd waren, werd in 1523 afgezet; en daar zijn lafheid zijn beulenwreedheid evenaarde, kwam hij naar Vlaanderen gevlucht, dwaalde tien jaar lang rusteloos rond, en poogde vervolgens den troon opnieuw te beklimmen. Maar hij werd verslagen, in boeien geklonken, en in een kerker geworpen, waarin hij in 1559 overleed.
Willem var. derMarck, heer van Lummen, ook wel, zooals een zijner voorzaten, het Ecerzicijn der Ardennen genoemd, was de aanvoerder der woeste Watergeuzen in de Nederlanden, en een der vreeselijkste voorstanders van den trouweloozen quot;Willem van Oranje, opperhoofd der Hol-landsche Calvinisten, welke tegen koning Philips II van Spanje, onzen toenmaligen wettigen vorst, in opstand waren. Op bevel van het Ererzicijn werden de martelaars van Gorcum, na onnoemelijke folteringen, ter dood gebracht. Maar ook Gods straffe drukte zwaar op den schuldige. Willem van der Marck kreeg twist met den prins van Oranje, zijn wapen- of stroopmakkers verlieten hem, en de woestaard ging te Luik zijn spijt verkroppen en zijn schande verbergen. Daar werd hij door eenen hond gebeten â en stierf, het schuim op de lippen, in de vreeselijke stuiptrekkingen der razernij.
Jacob Blommaert, een ander wangedrocht, was de aanvoerder der zoogenaamde Boschgeuzen, die A laanderen te vuur en te zwaard verwoestten; hij werd met een dozijn zijner bandieten in een pachthoeve omsingeld, en daar hij
429
Da Goddelijke beloften der II. Kerk.
zich niet wilde of durfde overgeven, staken de Spaansche soldaten het gebouw in brand. Blommaert kwam in de vlammen om ; van hem en zijne wapenmakkers vond men enkel nog de verkoolde beenderen.
Johan Hembyse, een beul. die te Gfent, gedurende de wanorden door de Geuzen gesticht, zijn wreedheid botvierde, liet onder anderen, op de Yrijdagsmarkt, vijf kloosterlingen, waaronder zijn eigen neef, levend verbranden. Terwijl de jeugdige martelaar, Nicolaas Daneels, minderbroeder, in 't midden der loeiende vlammen stond, zijn leven voor het Geloof ten beste gaf, en tevens luidop verklaarde en volhield dat hij onschuldigwas aan de misdaden, hem door zijn oom ten laste gelegd, stond deze aan den voet van het schavot, en dreef den spot met de slachtoffers van zijn duivelschen haat. Even onwaardig was het gedrag van dien wreedaard jegens een andere bloedverwante, eene kloosterzuster; deze echter gelukte erin zich door de vlucht aan de woede van den dwingeland te onttrekken en begaf zich naar Brugge. Hembyse werd in 1579 uit den lande verdreven; maar in 1583 kwam hij zegevierend terug. Zijn triomf was echter slechts van korten duur. Weldra sloeg de deur eener sombere gevangenis achter hem toe, en vier maanden later werd hij ter dood verwezen als moordenaar, verrader, dief en dwingeland. Die zeventigjarige ellendeling beefde nu voor den dood en riep in wanhopige razernij om een Katholieken priester; maar die priester werd niet gevonden, want Hembyse zelf had al de geestelijken uit de stad verdreven. Een geloofsverloochenaar, toenmaal Protestantsch prediker, geleidde hem op den weg naar het schavot, dreef den spot met zijn bekeering, en overlaadde hem met bittere verwijten en smaadvolle scheldwoorden (1584).
Een der medeplichtigen van Hembyse, de heer van Byhove, vluchtte naar Holland, waar hij zinneloos werd.
Da dood der kerkvervok/ers. 481
een ellendig leven leidde en een nog ellendiger dood stierf, ten gevolge eener schandige ziekte. Nog voor hij zijn laat-sten adem uitblies, krielde zijn lichaam van wormen, die er op aasden en het levend verslonden.
Ook den trouweloozen Willem van Oranje, bijgenaamd âde Zicygerquot;, die het meest had bijgedragen om het vuur des opstands in de Hollandsche provinciën te ontsteken, trof Gïods rechtvaardigheid. Een dweper, Balthazar Gerard, bracht hem, den 10 Juli 1584, om het leven. quot;Willem van Oranje, even ontrouw aan God als aan zijn koning, had ons vaderland den bloedigen en wreeden oorlog berokkend, welke gedurende meer dan een halve eeuw, onze gewesten in rouw en rampen dompelde, ons van onze broederen der noordelijke provinciën scheidde, en deze voorgoed aan de ketterij hechtte. Hij trok de eeuwigheid binnen, met de ijselijke verantwoordelijkheid waarmede hem een onafzienbare reeks van euveldaden en van verraderlijke enmeineedige aanslagen beladen had. Ware hij er niet geweest, dan hadden waarschijnlijk, sedert meer dan drie eeuwen, de vereenigde provinciën van België en Holland een der bloeiendste rijken van Europa uitgemaakt. Trouwens, zoo heden, na zoo veel oorlogen en zoo veel bloedvergieten, beide koninkrijken, alhoewel gescheiden, toch weer zoo heerlijk, zoo rijk en bloeiend geworden zijn, tot welk toppunt van rijkdom en macht zouden zij niet gestegenzijn, indien zij hunne krachten, thans in nuttelooze, ja verderfelijke broederoorlogen verkwisten gebroken, ver-eenigd hadden en ze tot uitbreiding en vooruitgang van schoone kunsten, van handel en nijverheid, hadden aangewend ! â Weg dus met al dat pochen en snoeven op do groote hoedanigheden, bet vernuft en beleid, de verdiensten van den Zxcijger. Onwetenden en godsdiensthaters mogen dwepen met dien wreedaard, dien vervolger van ons Katholiek Geloof, dien huichelaar die alles aanrandde en
De Goddelijke beloften der H. Kerk.
bsstreed, wat wij op aarde meest eerbiedigen en beminnen, dien van hoogmoed opgeblazen dwingeland, die niet aarzelde èn vaderland èn Godsdienst aan zijn onver-zadelijke heerschzucht op te offeren : â al wie rechtvaardig wil oordeelen zal, na de bloedige bladzijden dergeschie-denis van dien tijd gelezen te hebben, dien geloofsverzaker en aartsvijand onzes vaderlands verachten en verfoeien. Zou 't misschien uit hoofde van al die nootlottige feiten zijn dat onze hedendaagsche Geuzen cfew Zwijger bewie -rooken en tot in de wolken verheffen, als ware hij een groot man, een held geweest? Men mag zich de vraag stellen hoe 't mogelijk is de droeve personages wier euveldaden en ellendigen dood wij zooeven verhaalden, tot voorbeeld te nemen. God geve dat onze Geuzen die akelige voorlichters niet ten volle gelijk worden ! Wij vreezen echter het tegenovergestelde; want nu, evenals voorheen, is God sterke arm zijner Kerk getrouw gebleven, en wee hem, die zich aan deze durft vergrijpen.
XIX.
LODEWIJK XIV, KOKING A'AN FKAXKRIJK.
Lodewijk XIV, koning van Frankrijk, ware een groot vorst geweest, hadden hem niet twee driften beheerscht: de hoogmoed en de zinlijkheid. Zijn trots bracht hem zoo ver dat hij zich boven alles verhief, geheel Frankrijk aan zijne grillen onderwierp en op de rechten der H. Kerk inbreuk maakte. In zijn rijk moest hij, en hij alleen meester zijn; de voorrechten van het geestelijk gezag, dat uit zijnen aard verhevener is dan de burgerlijke macht, waren voor hem onverdraaglijk. Vandaar zijn kerkscheurencle ondernemingen, zijn geschillen met den Paus, wiens heilig gezag hij maar al te dikwijls met voeten trad.
De hartstocht der wulpschheid voerde hem tot onge-
432
De dood der kerkvervolgers.
bondenheid. Hij gaf aan zijn volk het voorbeeld van een losbandig leven. Vreeselijk werd dan ook het zedenbederf aan het hof en onder den adel. Weldra volgden de mid-del- en volksstanden de levenswijze der hoogere na, en zoo baande men de breede wegen van zedenbederf en ongeloof, welke, nog voor eene eeuw verstreken was, op de schrikwekkende Fransche Omwenteling uitliepen.
God evenwel schonk den schuldigen koning eene groote genade. Hij kastijdde hem in dit leven om hem tot inkeer te brengen en door het berouw zalig te maken. Na talrijke jaren van luister en roem. werd Lodewijk XIY eensklaps door de grootste rampen en de grievendste smarten beproefd. Wegens zijne onverzadelijke heerschzucht sloot Europa een verbond tegen hem en verklaarde hem een oorlog die twaalf jaren duurde. De Fransche legers leden verschrikkelijke nederlagen; in een enkelen slag, in dien van Hochstett, verloren zij 40,000 man aan dooden, gewonden of krijgsgevangenen. Te gelijker tijd stonden de Hugenoten tegen hem op en reikten den vijanden van het buitenland eene behulpzame hand toe. Die woeste ketters maakten zich berucht door het uitplunderen der kerken, het afbranden van steden en dorpen, het vermoorden der Katholieke inwoners. Tot overmaat van ramp, werd, in 1709, de geheele oogst door de felle vorst verwoest en zag zich Frankrijk aan den ijselijksten hongersnood ter prooi.
Reeds getroffen in zijn krijgsmacht, in zijn koninklijk gezag, in de welvaart zijns volks, werd hij nog smartvoller in zijn eigen familie geslagen. Zijn zoon, zijn kleinzoon, zijn schoondochter stierven beurtelings in den bloei des levens. Van geheel zijn nageslacht bleef den ouden koning slechts een vijfjarig, zwak en ziekelijk kind over om zijne kroon te erven.
433
28
434 /)'.â Goddelijke beloften der H. Kerk.
â Men moet zich onder Gods hand rernedtren, quot; was de les welke mevrouw de Maintenant uit deze rampen trok. Lodewijk XIV begreep gelukkig die les en nam zijne wederwaardigheden aan als een rechtvaardig oordeel dei-Voorzienigheid, als eene verdiende straf voor zijne misslagen. In zijn uitersten nood, vraagt hij den bisschoppen gebeden; dan verzamelt hij de overblijfselen zijner legermacht en werpt ze den vijand tegen die reeds op Parijs aanrukt. â Overwinnen of sterven, quot; heeft hij tot den opperbevelhebber gezegd ; het heil verwacht hij alleen nog van God en van de wanhopige pogingen zijner onderdanen. De zege keert onder zijne vaandels weder, een vrij eervolle vrede is er de vrucht van, en de grijze vorst, die dooide beproevingen tot een meer Christelijk gedrag is teruggekomen, kan nu stervend tot zijn achterkleinzoon zeggen : â Geliefd kind, iceldra zult gyj koning zijn van een groot rijk; wat ik te ten sterkste aanbeveel, is dat gij nimmer uwe verplichtingen jegens God uit het oog verliest. quot;(1715).
Eilaas! de vijfjarige koning vergat maar al te ras de laatste aanbeveling zijns overgrootvaders, en toonde zich spoed'g meer genegen om diens ergerlijk leven dan wel zyn voorbeeldigen dood na te volgen. Lodewijk XV voerde Frankrijks zedeloosheid ten top en zoo deed hij over zijn land en zijn koninklijk stamhuis Gods toorn losbarsten, welke dan ook beide kastijdde door ze aan de onvermijdelijke en vreeselijke gevolgen des zedenbederfs en der goddeloosheid prijs te geven. Tevergeefs zal Lodewijk XVI een deugdzaam en volkslievend koning zijn ; zijn volk, losbandig en bloeddorstig geworden, zal hem van zijn troon stooten, in boeien klinken en het gewijde hoofd des konings, dei-koningin en eener ontelbare menigte edelen, priesters, Pranschen van alle geslacht, van allen leeftijd en stand onder 't hakmes der guillotine doen rollen. Het geslacht der Bourbons zal uit Pi ankrijk verjaagd worden en op het
De dood dn ktrkvwvolgers.
huidig uur verbeiden nog zijne laatste afstammelingen in de ballingschap het oogenblik, waarop God door een eeuw lang gestorte tranen en vergoten bloed bevredigd, hun eindelijk den troon hunner voorouders zal teruggeven.
XIX.
DE KE1ZEK-KOSTER.
Jozef II van Oostenrijk, keizer van Duitschland, koning van Hongarije, koning der Nederlanden, enz. enz. volgde zijne moeder op, de groote keizerin Maria-Teresia, en het scheen dat de Voorzienigheid hem tot eene luisterhjke en roemvolle zending bestemd had.Hij was machtig, met edele hoedanigheden naar hart en ziel begaafd, en genoot de liefde zijner onderdanen, die de weldaden der moeder zoo spoedig niet konden vergeten; â hij had dus het geluk zijner volken kunnen uitmaken door de wonden der hervorming te heelen, de stoffelijke welvaart te ontwikkelen, aan de Kerk overal de vrije uitoefening van haren doeltref-fenden en heilzamen invloed te schenken. In plaats van dat alles verkoos hij een soort van Germaansche Lode-wijk XIV te wezen. Het stelsel dat men in Frankrijk Gallicanisme noemde, werd door hem in Duitschland en België in werking gebracht, waar het den naam van Joze-phisme kreeg. Wij zullen het niet beproeven de lange reeks op te noemen van 's keizers ingrijpingen op de rechten der Kerk. van zijne willekeurige maatregelen, zijne schismatieke besluiten, zijne menigvuldige even belachelijke als hatelijke verordeningen. Die kleingeestige plagerijen gaven aanleiding tot den spotnaam van keizer-koster, waaronder Jozef II in de geschiedenis bekend is. Dat alleen won hij er bij. Voor het overige wierp hij de verwarring in de ge-
435
De Goddelijke beloften der H. Kerk.
moederen, bereidde hij de omwentelingen van Staat en Godsdienst voor, en in zeer korten tijd verloor hij geheel en al de toegenegenheid zijner onderdanen. Paus Pius VI poogde tevergeefs Jozef II tot gezondere begrippen terug te brengen. De ongelukken moesten ook dezen keizer lee-ren, dat God niet aan de vorsten der aarde het bestuur zijner Kerk heeft toevertrouwd en dat de hoogmoedige dwingelanden gewoonlijk in de gevolgen hunner eigen handelingen de straf hunner misslagen vinden.
Jozef II zag in Frankrijk de omwenteling uitbarsten, welke later het hoofd zijner zuster, koningin Marie-Antoinette, onder de bijl deed rollen en de roede zou voortbrengen die bestemd was om al de plichtvergeten vorsten van Europa te kastijden. Hij zag buitendien zijn eigen onderdanen tegen hem opstaan. Zijne troepen werden uit België verjaagd door het volk dat zoowel in zijn godsdienstige als in zijn burgerlijke vrijheden gekrenkt was. Jozef II kon de vernieling zijner droombeelden niet overleven ; hij stierf van droefheid in de volle kracht des levens, den 20 Februari 1790.
XX.
FRANKRIJK GESTRAFT.
De Fransche omwenteling is de gewichtigste en tevens de vreeselijkste gebeurtenis der laatste tijden. Zij was het gevolg, maar ook de straf van meer dan een eeuw dwingelandij, zedenbederf en goddeloosheid.
Lodeivijk XVI was persoonlijk een deugdzaam vorst, die zijn volk liefhad, het goed wilde en een beter lot verdiende. â Maar op hem drukte de vreeselijke last van de misslagen zijner voorouders. Lodewijk XIV was een dwingeland geweest, had den Godsdienst vervolgd en slechts
436
De dood der kerkvervolgers. 48 lt;
de zware slagen van rampen en tegenspoed vermochten hem tot inkeer en plichtbesef te brengen. Lodowijk XV had als een losbandig koning geleefd en de regeering aan de grillen zijner wulpsche hofjuffers overgelaten. De vernederingen en de rampen waren niet bij machte geweest om hem aan zijn verwijfd en wellustig leven te ontrukken. Slechts de naderende dood deed in zijne ziel wroeging en berouw ontstaan. Lodewijk XVI, die den troon, doch niet de ondeugden zijner beide voorgangers erfde, trachtte tevergeefs den stroom van zedebederf en goddeloosheid, welken zij over Frankrijk hadden laten heenbruisen. tegen te houden; â hij zelf werd weggespoeld. Zoo kastijdt God gewoonlijk de vorstenhuizen, die de verhevenste plichten hunner zending verzuimen.
Na eene lange reeks van vernederingen, werd Lodewijk XVI in de gevangenis van den Tempel te Parijs opgesloten. Zijne koninklijke echtgenoote, Marie-Antoinette, zijne twee kinderen en zijne zuster Madame Elisabeth, deelden zijne harde gevangenschap. Intusschen zuchtte het zwaar beproefde Frankrijk onder het drukkend juk van het Schrikbewind. De koning en de koningin werden gevonnisd en ter dood veroordeeld. Den 21 Januari 1793 voerde men den ongelukkigen vorst ter strafplaats tusschen twee onafgebroken rijen van woeste soldaten en te midden eener ontelbare menigte, die stilzwijgend en terneergeslagen, met verbazing en schrik, dat ijselijk tooneel bijwoonde. Aan den voet van 't schavot wierp Lodewijk XVI zijn mantel en halsdoek af, en stiet de beulen terug, die zijne handen wilden boeien. Zijn biechtvader sprak tot hem : â Sire, in dezen niemuen smaad zie ik eene laatste gelijkenis tusschen u en dm God die uwe belooning zal ivezen.quot; Dan hief de Koning zijn oogen hemelwaarts en antwoordde : â Zijn voorbeeld alleen vermag mij zulken hoon te doen onderstaan. quot; Vervolgens zeide hij tot de beulen : â Boet nu
De Goddelijke bclofkn der li. Kerk.
â wat gij wilt; ik zal den kelk tot op den bodem ledigen.quot;
Van op het schavot beproefde Lodewijk XVI het volk plechtig aan te spreken. â Franschen, riep hij uit, ik sterf' onschuldig ! Ik vergeef aan die mijnen dood bewerkt hebben, ik bid God dat mijn bloed nimmer op het volk terug-valle...quot;
Het roffelen der trommen verdoofde zijne stem en de beulen sleepten hem naar het noodlottige blok. â â Zoon rav len H. Lodeicijk, sprak alsdan de priester, stijg op ten Hemel!quot; â De bijl viel en de misdaad was volbracht. Ludewijk XVI was een zoenoffer voor de euveldaden zijner voorouders, doch niet het laatste.
Acht maanden later werd de koningin, zijne echtge-njote, eveneens onthoofd. Hun zoon, de ongelukkige Lodewijk XVII, stierf in den kerker, na ontelbare mishandelingen en beschimpingen verdragen te hebben. Zeventig jaren na de regeering van Lodewijk XIV die zoo gevleid en door zijne hovelingen de â roi-soleilquot; genoemd werd, hadden deze schrikwekkende feiten plaats.
De geestelijkheid der 18° eeuw, droeg de schuld van de onafhankelijkheid harer heilige zending tegenover het koningschap niet behouden te hebben. In plaats van zich tegen de ongerechtigheden der wereldlijke macht vastberaden te verzetten, maakte zij er zich al te dikwijls de medeplichtige van door hare lafhartige toegevendheid; iu plaats van de Christelijke zedenleer overliet ergernisgevend gedrag van het hof te wreken, had zij al te dikwerf, om niet te mishagen, het stilzwijgen bewaard; in plaats van de zuivere leeringen der Kerk krachtdadig te verdedigen, had zij niet zelden verdachte leerstellingen beschermd, het Gallicanisme begunstigd en de Jansenisten ondersteund ; noch de verwoestingen der gjddelooze philosophie van Voltaire en zijne volgelingen, noch de schismatieke ondernemingen van het hof, noch de snoode en onrechtvaar-
438
De dood der kerkvervolgers.
dige verbanning der Jezuïeten had zij weten te verhinderenâJa, de Fransche geestelijkheid, ofschoonzij vele en loffelijke uitzonderingen in hare rangen telde, was in 't algemeen schuldig aan plichtverzuim : ook werd zij gekastijd. Vooreerst werden al hare goederen verbeurdverklaard: dan liet men haar de keus ofwel het geloof af te zweien ofwel tot de ballingschap zelfs tot den dood verwezen te worden. Tegenover de vervolging verhief zich de Fransche geestelijkheid vol luister en heldenmoed. Het getal der afvalligen was betrekkelijk zeer gering. Al de anderen verkozen te sterven liever dan zich te onteeren.
Duizenden priesters en kloosterlingen werden naar Cayenne verbannen of stierven op het schavot. Op één dag vermoordde men er honderden, die in de kerkers van Parijs opeengehoopt waren, en dit voorbeeld van barbaarsche wreedheid werd op verschillende punten van Frankrijk nagevolgd. De straf, zooals men ziet, was hard en streng, maar zij deed de Fransche geestelijkheid door eene zeldzame zielegrootheid herleven, wiesch de schande harer zwakheden af in het bloed harer martelaren en deed haar worden hetgeen zij nog hedendaags is : deugdzaam, geleerd, groot en edelmoedig, bereid om op alle tooneelen van zelfopoffering op te treden en de gansche wereld met hare legioenen van apostelen en geloofszendelingen te overdekken.
De Fransche adel der 18° eeuw was ook strafwaardig: hij had de verderfelijke voorbeelden van het hof nagevolgd, de goddeloosheden van Voltaire en zijne aanhangers al te gunstig onthaald en tot het geestelijk en zedelijk bederf van gansch een volk bijgedragen ; op zijne beurt werd hij gekastijd door diegenen zeiven wier leeringen hij had toegejuicht en wier dwaze ontwerpen hij begunstigd had.
Zijne goederen werden dan ook verbeurdverklaard, zijne kasteelen uitgeplunderd en verbrand, zijn zuiverste bloed
439
Be Goddelijke beloften der H. Kerk.
op het schavot, in de straten der steden, op duizenden slagvelden bij stroomen vergoten. In de school van het ongeluk kwam de Fransche adel grootendeels tot inkeer en vond hij het geloof terug; heden staat hij aan het hoofd der edelmoedige mannen die hun land door de werken van geloof en Christene naastenliefde trachten te hervormen.
Het Fransche volk der 18e eeuw had zich laten bederven, het oor geleend aan de leeraars der goddeloosheid, alle aanslagen tegen den Godsdienst toegejuicht en in Voltaire de verpersoonlijkte godslastering tegen Christus verheerlijkt ; het had aan alle aanslagen tegen de rechten der Kerk deelgenomen en met wreede wellust zijne handen gedompeld in het bloed der priesters, der kloosterlingen, der vorsten, der edelen, der God getrouw gebleven Christenen... het Fransche volk was dus schuldig, â het kreeg zijn straf. In stede van de toomelooze onafhankelijkheid welke het zocht, vond het hardvochtige, onverbiddelijke meesters; in stede van den overvloed en rijkdom waarnaar het streefde, vond het armoede en ellende; in stede van nagejaagde vreugdenen geneugten,slechts rouw en tranen. Gedurende tal van jaren was Frankrijk letterlijk de prooi eener bende bloeddorstige tijgers; en daar de hoofden onder de bijl der guillotine niet snel genoeg vielen, beschoot men de veroordeelden met schroot en verdronk men ze bij duizenden. De honderd duizend hoofden welke Marat, het monster, gevraagd had, waren spoedig afgehakt, en daar bleef het niet bij.
Van de tijgers verlost, viel Frankrijk onder de klauwen van den leeuw. ï wintig jaren lang zag het de bloem zijner jongelingschap door onophoudelijke en bloedige oorlogen wegmaaien ; hijgend en uitgeput bezweek het eindelijk en werd het onder den hiel zijner overwinnaars vertrapt.
Eoo werden zij gestraft die den weg tot de Omwenteling gebaand hadden zonder te vermoeden dat zij er de eerste
440
De dood der kerkvervolyei's.
slachtoffers van zouden worden; â wat mag dan wel het lot geweest zijn door Gods rechtvaardigheid aan de beulen zeiven, aan de handlangers der goddeloosheid voorbehouden ?
XXI.
DE KOPSTUKKEN DEK REVOLUTIE.
Schandelijk en schrikwekkend was het uiteinde van de hoofden der Omwenteling.
Mirabeau, een groot redenaar, had meer aan iemand tot de zegepraal der Omwenteling bijgedragen. Als hij zag dat zij zich aan de uiterste buitensporigheden overgaf, vormde hij het plan hare woede te beteugelen en den koning te redden. Te recht mag men betwijfelen of zijne welsprekendheid bij machte zou geweest zijn om het wilde dier, dat zijne ketenen verbroken had, te temmen. Dan, hij had den tijd niet om voorgoed de hand aan het werk te slaan. Hij stierf, na een ijselijken doodstrijd, aan de gevolgen zelve zijner ongebondenheid (1791).
Marat was een monster van wreedheid. Hij was het die zeide dat men aan honderd duizend Franschen het hoofd moest afkappen om het bestaan der republiek te verzekeren. Met een onbeschrijfelijke verwoedheid had hij den dood van Lodewijk XVI gevraagd en de priesters en andere ongelukkigen, die de kerkers van Parijs vulden, doen vermoorden. Van hoogverraad beticht, werd hij door de omwentelingsgezinde rechtbank, die nochtans iedereen veroordeelde, vrijgesproken ; maar de Goddelijke rechtvaardigheid trof hem op eene andere wijze. Den 11 Juli 1793 ontving hij een brief waarin een meisje, Charlotte Corday genaamd, hem dringend om een verhoor vroeg. âHet was, zoo luidde de brief, om hem in staat te stellen aan Frankrijk cengrooten dienst te bewijzen.quot; Twee dagen later bood zich Charlotte aan om Marat te spreken. De omwentelaar, die
441
De Goddelijke beloften der II. Kerk
aan cene schandige kwaal leed, gebruikte juist een bad, zoodat Charlotte door de bedienden werd afgewezen ; zij hield echter aan, Marat hoorde haar stem en gaf bevel het meisje binnen te leiden. Dan verzocht hij haar de geheimen, die zij beweerde te kennen, te openbaren en vroeg haar de namen der verbannen afgevaardigden die zich in hare landstreek verscholen hielden.
Toen Charlotte ze opgegeven had, bedankte haar Marat en voegde er bij dat al die vijanden van de Republiek weldra het schavot zouden bestijgen. Pas had Charlotte die wreede woorden vernomen of zij haalde van onder hare kleederen een groot mes te voorschijn en stiet het den dwingeland in het hart. Marat slaakte een noodkreet en gaf den geest. Men kwam onmiddellijk toegeloopen, Charlotte werd aangehouden en het volk zou haar op staanden voet hebben omgebracht, zoo niet eenige soldaten haar aan zijne woede ontrukt hadden.
Na eenige dagen in de gevangenis gezucht te hebben, werd Charlotte ter dood veroordeeld en onthoofd. Zij had de aai'de van een monster verlost, doch hetgeen zij geploegd had was niettemin eene misdaad, omdat het niemand geoorloofd is zijn evennaaste op eigen gezag ter dood te brengen. Het stoffelijk overblijfsel van Marat berustte eenigen tijd in het Panthéon en werd dan in de straatgoot van Montmartre geworpen (1791).
Dc Girondisten, (zoo werden een zeker aantal afgevaardigden der Fransche landvergadering geheeten), waren van 1789 tot 1793 aan het hoofd van alle aanslagen tegen de Kerk geweest; zij hadden den dood van Lodewijk XVI gestemd. Het jaar, dat door deze afschuwelijke euveldaad werd bezoedeld, was niet ten einde, of 'reeds viel de straf op de koningi noorders. Do Jacob ij nen. nog woedenderen onverbiddelijker dan de Girondisten, beschuldigden dezen van lafhartigheid in het verdedigen der republiek en van hoog-
442
De dood der kerkrervolgers.
verraad en veroordeelden ze allen tot den dood. Een en twintig Girondisten. welke men had kunnen annhov.den, beklommen denzelfden dag te Parijs het schavot. Het was; Brissot, Vergniaiid, Gensonné, Duperret, Car ra, Gardien. Dnfriche- Valaze', Duprat, Sillery, Fauchet, Ducos. Boytr, Lasource, Beauvais, Duchatel, Mainvielle, Lacase. Lehardy. Boileau. Antihoid en Vigée. Valazé doorstak zich met eenen dolk op het oogenblik zelf dat men het vonnis uitsprak. Men besliste evenwel dat zijn lijk naar de strafplaats gesleept en met de and3re slachtoffers begraven zou worden.
Den nacht voor de terechtstelling brachten de Girondisten, om zich te bedwelmen, in goddelooze en schandelijke ongebondenheden door; zij wilden sterven zooals zij geleefd hadden : als heidenen. Twee hunner maakten echter eene uitzondering : Fauchet en Sillery. Fauchet was een afvallig priester; in dezen uitersten nood dacht hij aan God, dien hij verraden had ; hij verklaarde berouw te hebben en haalde Sillery over om zijn voorbeeld na te volgen. Zij bereidden zich tot den dood door het ontvangen van het Sacrament der biecht.
Des anderendaags, den 3 L October 1793, werden zij op vier karren naar het schavot gevoerd ; op een vijfde lag het bebloede lijk van Valazé. Op de uitjouwing der menigte antwoordden de ellendelingen door het zingen der Marseillaise. Sillery ontving stilzwijgend den doodslag, de twintig overigen hadden holklinkende volzinnen voorbereid die twintigmaal door de bijl onderbroken werden. â Zoo stierven in den bloei des levens mannen die de roem van hun land hadden kunnen wezen en die het, door hunne goddeloosheid, in een kolk van bloed nederstortten waarin zij zeiven versmoorden.
De overige Girondisten, die door de vlucht aan de guillotine ontkomen waren, hadden een even ellendig einde. Sallcs, Guadet en Barbaroux werden in de spelonken van
443
De Goddelijke beloften der H. Kerk.
St-Emilion bij Bordeaux achterhaald en tot het schavot verwezen. Péthion en Buzot dwaalden eenigen tijd op het platteland rond en maakten beiden door zelfmoord een einde aan hun leven. Men vond hunne lijken half door de wolven verslonden. Condorcet werd ondanks zijne vermomming herkend en aangehouden; hij nam vergift in en ontsnapte aldus aan de bijl van den beul.
Om zijn fortuin te behouden en op den troon te komen had de hertog van Orleans met de omwenteling samengespannen en den dood van zijn neef, koning Lodewijk XVI. gestemd. Zijn laf en wreed verraad baatte hem niet lang. Hij was rijk en van koninklijken bloede, genoeg om verdacht en tot het schavot verwezen te worden. Den 10 Augustus 1793 werd hij in den kerker geworpen en drie maanden later ter dood veroordeeld. Hoewel hij als een goddelooze geleefd had, vroeg hij terstond eenen priester wien hij zijne biecht sprak. Men verhaalt dat hij herhaalde malen zijne belijdenis onderbrak om te vragen of hij nog vergeving hopen kon. Doch door de gedachte der oneindige barmhartigheid des Heeren stelde hem de geestelijke gerust. Na zijne biecht, zeide de prins : âIk heb eene misdaad bedreven die den dood verdient, want tot den dood van eenen onschuldige, van mijnen koning heb ik bijgedragen.quot; Hij steeg op de rampzalige kar met nog vier andere veroordeel; den. Zijne houding tegenover de smaadwoorden en verwen-schingen der wilde menigte, was kalm en deftig. Doch toen de akelige stoet hem langs het prachtig paleis voerde, waar hij weinige maanden te voren zijne feestmalen aanrichtte en met al wat heilig is den spot dreef, verwrong een pijnlijke kramp de gelaatstrekken van den prins, die nu bitter gevoelde hoe laag hij gevallen was,' en zijn vorig ijdel en schuldig leven diep betreurde. Daar de beul, op het schavot, wat tijd verloor met hem de kleederen uit te trekken, zeide hij: âLaat ons spoed maken, gij zult mijn lijk teel de laarzen
444
De dood der kcrkvervolgers.
uittrekken.quot; Een oogenblik later viel de bijl. De beul toonde het bloedend hoofd aan de juichende menigte. Vreeseiijke straf van eenen prins die te gelijk zijn God en zijn koning verraden had!
In die schrikwekkende tijden rustte het moordtuig nooit. Eiken dag stroomde het bloed van nieuwe slachtoffers. Den 25 Maart 1794 was het de beurt van den woes-ten Hébert en zijne medeplichtigen. Op denzeifden dag werden er negentien dezer ellendigen veroordeeld en afgemaakt. Op den weg van den kerker naar de guillotine spoorden de meesten dezer ellendelingen het volk tot godloochening aan en lasterden den Goddelijken Heiland. Doch Hébert, hun aanvoerder en de eerlooste van allen, was meer dood dan levend, en ofschoon hij schier zieltogend was, wierp hem het volk de schandige spotwoorden toe, welke hij zoo dikwijls in de kolommen van zijn liederlijk dagblad herhaald had.
Banton, een der voornaamste kopstukken der Omwenteling, had aan al de vreeseiijke aanslagen tegen den Godsdienst en tegen de menschen deelgenomen, van af de bestorming der Tuilerieën en den koningsmoord tot de gezamenlijke halsrechting der Girondisten. Den 30 Maart 1794, werd hij in het midden van den nacht aangehouden met drie zijner getrouwste aanhangers Camille Desmoid ins, Lacroix en Philippeau. Vier dagen later werden te gelijk met hem nog andere aanvoerders der Omwenteling in staat van beschuldiging gesteld. Onder deze laatsten dienen wij Fabre d'Eglantine te vermelden, die zich verrijkt had door de goederen aan de slachtoffers van het schavot ontstolen; Hérault de Séchelles, die naar den Boven-Rijn gezonden werd om dat land te kastijden en zich beroemde zijnen weg met guillotines beplant te hebben; Westermann, die meer als een bloeddorstige beul dan als een veldoverste de Vendée doorloopen had.
445
De Goddelijke beloften der II. Kerk
Zij werden gevonnisd door dezelfde revolutionnaire rechtbank, die door toedoen van Danton was opgericht en die nooit vrijsprak. Zij hadden tegen den Staat samengezworen en waren te gematigd bevonden; daarin lag hunne misdaad, en dat waren overigens de voorwendselen, waarop zij zeiven zich eertijds beroepen hadden om zich van hunne mededingers te ontdoen. Danton verdedigde zich met eene zeldzame stoutmoedigheid ; zijne donderende stem verschrikte zijne rechters, zij weerklonk tot verre buiten de gerechtszaal en wekte opnieuw de geestdrift des volks voor den opruier. Men vreesde een oproer, en om dit te voorkomen sloot men de debatten en sprak men het doodvonnis uit.
Deze onrechtmatige daad ontstak de beschuldigden tot eene onbeschrijfelijke woede. Danton bulderde van gramschap ofwel grijnsde met bittere spotternij ; nu eens loeide hij als een stier, dan weder wierp hij met verachting broodkruimels naar het hoofd der gezworenen. Niets baatte. Denzelfden dag te vier uur deed men de veroordeelden op karren stijgen. Onderweg schreeuwde hun een vuig gepeupel de hatelijkste scheldwoorden toe, waarop Camille Desmoulins met woedekreten antwoordde. Op het schavot wilde Danton Hérault de Séchelles omhelzen, doch de beul verzette er zich tegen. ,. Ellendeling, schreeuwde de veroordeelde, gy zijt dus wreeder dan de dood Bij de herinnering aan zijne vrouw die hij niet meer zou wederzien, werd hij een oogenblik bewogen en verteederd; zoodra zijne beurt gekomen was, legde hij zich neer op het noodlottig blok den beul verzoekend zijn hoofd aan het volk te toonen. Zijn wensch werd vervuld en, bij het zien van dit afgrijselijk en bloedig zegeteeken, schreeuwde het volk: Leve de Republiek
Ondertusschen ging de Republiek voort met hare eerstgeboren zonen te verslinden. Nieuwe booswichten, niet
-U6
1) dood (h r kerkverrulgcrs.
zelden met hun eigen slachtoffers vermengd, zond zij telken dage naar de guillotine. Den 13 April zag men de hooiden vallen van Chaumdte, den priesterbeul, van de weduwen Desmoulins en Hébert, van den afvalligen Gohbel, van den eerloozen Grammont, die de koningin Marie-Antoinette ter doodstraf gevoerd had, en van vele anderen. Zoo stapte Robespierre over de lijken van die hem in den weg stonden naar het oppergezag. Bij stroomen vloeide het bloed over geheel Frankrijk ; noch leeftijd, noch geslacht, noch ongeluk, noch onschuld vermochten de dwingelanden tot medelijden op te wekken. Aan al wie hun verdacht voorkwam, bleef er niets over dan zich tot den dood voor te bereiden. Deze monsters, door de wijsgeerige en woelzieke goddeloosheid der XVIIlde eeuw gebaard, waren nog wree-der dan de Nero's der Heidensche eeuwen. Ook draagt het vreeselijk staatsbeheer waaronder zij Frankrijk deden zuchten te recht in de geschiedenis den naam van âSchrikbewind.quot;
Robespierre was de aanerkende aanvoerder dezer bloed-mannen ; voor hem beefde geheel Frankrijk en zijn eigen vrienden voelden zich niet in veiligheid. Die toestand verwekte hem weldra verwoede maar bedekte vijanden, die het plan vormden hem omver te werpen, alvorens zeiven de slachtoffers zijner wraak te worden. Robespierre begreep het gevaar, en van toen af begon een geheime strijd tusschen zijne partij en die zijner vijanden. Maar het getal dezer laatsten groeide voortdurend aan, en den 9 Juli 1794 was het beslissend oogenblik aangebroken. Op dien dag lieten eenige afgevaardigden, in de landsvergadering, beschuldigingen tegen Robespierre hooren. Robespierre wilde antwoorden, doch een geweldig geschreeuw verdoofde zijne stem. Van alle kanten riep men: â Weg met den dwingeland ! Dunton's bloed verstikt hem !quot; In dezelfde zitting werd Robespierre gerechtelijk in staat van beschuldiging
447
448 De Goddelijke beloften der II. Kerk
gesteld en met zijn broeder, alsmede twee zijner aanhangers Couihon en Saint-Just, aangehouden. Henriot en Lebas ondergingen des anderen daags hetzelfde lot.
Doch de Commune van Parijs verzette zich tegen het besluit der vergadering, verloste de gevangenen en voerde ze triomfantelijk naar het stadhuis. Dan verklaarde de landsraad Robespierre buiten de wet en gaf aan den legeroverste Barras bevel het oproer gewapender hand te onderdrukken. Bij het naderen der soldaten, namen de verdedigers van Robespierre de vlucht en hij bleef alleen met eenige aanhangers op het stadhuis. Zijne partij was verloren. Door een venster uitgeworpen, viel Henriot op een mesthoop neer, waar men hem meer dood dan levend opraapte ; Robespierre, de broeder des dwingelands, stortte zich uit de 3de verdieping neder, maar overleefde zijnen val ; Lebas schoot zich voor den kop ; Couthon en Saint-Just werden gevat, terwijl zij eenen schuilhoek zochten ; Robespierre loste, in zijn wanhoop, een pistoolschot dat hem het kakebeen verbrijzelde.
De gewonden werden op draagbaren gelegd en naar de landsvergadering overgevoerd die, zonder ze te laten binnenkomen, hen tot het schavot veroordeelde. Men plaatste hen onder goede bewaking tot op het oogenblik der doodstraf. Robespierre was met bloed bedekt en zijn hoofd in doeken gewikkeld : zoo bleef hij verscheidene uren blootgesteld aan de vervloekingen der menigte die hem onlangs met hare slaafsche toejuichingen begroette. Doodsbleek en somber staarde de ellendeling wild voor zich uit terwijl zijn sidderende hand met een stuk papier het bloed afdroogde dat uit zijne wonden vloeide. Om vijf uur kwamen de rampzalige karren in beweging. Gansch Parijs was op de been om den dwingeland te zien sterven en hem op zijn doortocht te beschimpen. Toen hij reeds aan de plank der guillotine was vastgehecht, scheurde hem de ruwe
De dood der kerkvervolgers.
hand van den beul het wondverband en te gelijk een gedeelte van het kakebeen af. De pijn ontrukte den booswicht een snijdenden gil; zijn hoofd viel en de menigte klapte in de handen. Ziedaar het einde van een man die in zekere maat met talent, vernuft en karakter begaafd was. doch door zijn goddeloosheid een monster werd van wreedheid. Hij viel op het oogenblik dat hij zich in Frankrijk heer en meester waande, en vond in zijne eigen? medeplichtigen de bewerkers zijner verdiende straf. Zoo verijdelt de Goddelijke Voorzienigheid de plannen zijner vijanden en doet zij reeds hierbeneden de besluiten harer eeuwige rechtvaardigheid uitschitteren.
Met Robespierre vielen al zijne partijgangers. Frankrijk ademde nu vrijer. De mannen van het schrikbewind werden bij hoopen tot het schavot verwezen. Vier en twintig van de verwoedste aanhangers van Robespierre hadden met hem het leven verloren, onder anderen de maire van Parijs, de voorzitter der Jacobijnen, en de verfoeilijke schoenmaker Simon, wiens naam ten eeuwigen dage niet dan met afgrijzen zal worden uitgesproken wegens de schandelijke mishandelingen door dat wangedrocht op het onschuldige zoontje van Lodewijk XVI gepleegd.
Twee dagen later voerden vijftien karren een en negentig andere aanhangers van Robespierre naar de guillotine (1794).
Des anderendaags werd de ondervoorzitter der gevreesde rechtbank, die zich gedurende twee dagen verborgen had gehouden, door een zijner vrienden verraden aan welken hij, door den honger gedreven, een stuk brood vroeg. Men leverde hem aan den beul over en, zooals gewoonlijk, was het volk laag genoeg om hem nog in zijnen doodstrijd te bespotten.
Als men kort daarna in de landsvergadering het voorstel deed om de revolutionnaire rechtbank weder op te richten
29
449
Dc Goddelijke beloften der H. Kern.
en den \\reedenFoiiqider-TinviUe de bediening van openbaren beschuldiger te laten behouden, riep de afgevaardigde Fréron uit: JA- vraag dat men eindelijk de aarde zuivere van een momter als Fouquier-Timilk, opdat hij in de hel het doorhem vergoten bloed ga uitkoken.quot; Bij dit wrekend woord juichte de vergadering toe en stelde gerechtelijk den booswicht, die zoo lang het schavot van slachtollers voorzien had, in staat van beschuldiging. Andere kopstukken dei-omwenteling ondergingen hetzelfde lot. Tot dit getal behoorde de bloeddorstige Carrier, die te Nantes de priesters en koningsgezinder! twee aan twee liet binden en verdrinken, of wel ze bij honderden opeenhoopte in schepen, welke vervolgens in den grond geboord werden. Voor de rechtbank verdedigde zich Carrier behendig ; â Niets anders heb ik gedaan dan uwe besluiten uitvoeren. zeide hij tot de afgevaardigden; zij geboden mij brand en moord te stichten. Indien ik schuldig ben, dan is het hier iedereen.quot; Hij sprak waarheid, doch het volk, dat sidderde bij het verhaal der gruwelen door dit onmensch gepleegd, eischte zijnen dood. Den 16 December, steeg Carrier met de meesten zijner medeplichtigen op het schavot. Zijn dood was voorzeker geen voldoende boete voor het bloed van meer dan vijftien duizend priesters, grijsaards, vrouwen en kinderen, die op zijn bevel werden omgebracht (1794).
Intusschen yexhexAA^Fouquier-Tinville in den kerker het vonnis dat over zijn lot moest beslissen. Voor zijne rechters gedaagvaard, durfde hij van zijne onschuld gewagen door zich met de bijl te vergelijken, die in de handen van den beul slechts een blind werktuig is; aldus zou hij slechts het werktuig van den dollen Robespierre geweest zijn. De rechtbank verwierp dat zonderling verdedigingsstelsel en verwees hem tot den dood met vijftien zijner medeplichtigen.
450
I)c dood der kcrkvervolgers. 451
Toen de drie karren, waarop de veroordeelden naar de guillotine gevoerd werden, door de straten rolden, wierp liet razend volk den rechtmatig gestraften booswichten beleedigingen en verwenschingen naar het hoofd. Fou-quier-Tinville bleef er lang ongevoelig aan, maar antwoordde eindelijk : â Janhagel, hongerlijders ! quot; En dan brulde het volk niet nog rneer woede: âTer dood ! Naar de guillotine!quot;
Na die afgrijselijke kreten deed de beul zijn plicht. Eenige dagen later viel eveneens op het schavot het hoofd van Joseph Lebon, een anderen omwentelaar verachtelijker en rampzaliger gedachtenis (April 1795).
Evenwel had het schrikbewind nog een groep van voorstanders, die in eerloosheid niet moesten onderdoen voor de ellendelingen wier rechtvaardige straf wij zoo. even vermeldden, namelijk: BlUaud-Varennes, Collot-d'Herbois, Barrère en anderen van minder gehalte. Dooiden schrik, dien zij inboezemden, hadden zij tot dusverre hunne verdiende straf weten te ontgaan. Eindelijk had do landsvergadering den moed ook deze misdadigers te treffen, die, aan het hoofd eener opgeruide en woeste volksmenigte, haar eigen bestaan op ieder oogenblik bedreigden. Zij veroordeelde ze alle drie tot de verbanning naar eene strafkolonie, 's Anderendaags reeds werd het vonnis ten uitvoer gebracht. Te Cayenne waren Collot-d'Herbois en Billaud-Varennes voor allen een voorwerp van afgrijzen. Door wroegingen gefolterd, riep Collot-d'Herbois dikwijls in zijne wanhoop uit: â Ik ben gestraft, eene hel is 't zoo verlaten te zijn. quot; Weldra kluisterde hem eene heete koorts op het ziekbed. In een oogenblik van ijlhoofdigheid zwolg hij eene flesch brandewijn in die zijne ingewanden verschroeide. Dan werd de rampzalige midden op den weg geworpen door de negers welke hem niet verder wilden dragen. Als hij daar lag, aan de stralen eener vurige zon
â ;
li
De Goddelijke beloften der H. Kerk
blootgesteld, van binnen en van buiten verbrand, riep hij God en de H. Maagd ter hulp. Men ging een priester halen, doch voordat de bedienaar van dea Godsdienst wiens beul hij geweest was, bij hem aankwam, braakte hij eeuen stroom van bloed en schuim en gaf den geest (7 Juni 1796). Zijn lichaam werd door eenige negers slechts ten halve begraven en later door de zwijnen verslonden.
Billaud-Varennes overleefde hem verscheidene jaren en stierf als een godsloochenaar. Om de herinnering zijner misdaden te versmachten, stelde hij zijne eenige hoop op het denkbeeld dat met den dood ziel en lichaam te niet gaan.
Een maand na de verbanning van Collot-d'Herbois en Billaud-Varennes, werden de zes laatste aanvoerders der Jacobijnen ter dood veroordeeld. Om de schande van het schavot te ontgaan, doorstaken zich deze ongelukkigen door middel eener schaar die zij aan de waakzaamheid der gevangenbewaarders hadden weten te onttrekken. Drie hunner zieltoogden nog, toen men kwam om hen ter slachtbank te voeren; de bijl der guillotine verkortte hunnen doodstrijd (Mei 1795).
Doch genoeg over deze lange aaneenschakeling van bloedige tooneelen uit de Fransche Omwenteling. De geschiedenis der Christenvolken bevat geen schrikbarender feit, en indien de hand Gods ooit zichtbaar nederdrukte op een volk, dat Hem verloochend had, dan was het wel op de Fransche natie, bij het einde der vorige eeuw. Nog heden is het in zekere boeken gebruikelijk de Omwenteling als een maatschappelijken vooruitgang en een weldaad voor het menschdom op te hemelen ; het weinige dat wij van hare gruwelstukken gezegd hebben is voldoende om de domheid of liever de kwaadaardigheid aan te toonen dezer bewering die alleen in de dispste onwetendheid of in een stelselmatigen haat tegen den
4:52
De dood der kerkvervolgers.
godsdienst haren oorsprong heeft. De Fransche Omwenteling is slechts eene weldaad geweest in dezen zin, dat zij voor alle oogen heeft doen uitschijnen wat een oproerig volk worden kan en in welken afgrond van schrikbarende onheilen het zich zelf nederstort, wanneer het den eenig mogelijken grondslag van elke beschaafde maatschappij, namelijk den godsdienst, verwerpt.
XXII.
NAPOLEON I.
Napoleon de Groote kwam op zijn tijd. Frankriik was hijgend, uitgeput, en vroeg slechts eenen meester, sterk genoeg om het binnenland tegen de verslindende regee-ringloosheid te beschermen en den buitenlandschen vijand, die van alle kanten zijne grenzen bedreigde, af te weren. Dien meester vond het in den jeugdigen veldoverste Bonaparte, reeds wereldberoemd door zijne zegetochten in Italië en Egypte. Hij werd dan ook als een redder toegejuicht en maakte zich zonder moeite van het oppergezag meester dat hij aanvankelijk onder den titel van eersten Consul uitoefende.
Napoleon Bonaparte was een man van buitengewoon vernuft, bekwaam om de zware taak, die hij op zich nam, uit te voeren. Zijn ijzeren hand had weldra de wanordelijkheden op straat bedwongen, het staatsbestuur als bij tooverslag heringericht en machtige legers op de been gebracht om op den vijand, die het Fransche grondgebied dreigde te overweldigen, los te rukken. Dan steeg Napoleon aan het hoofd der troepen de Alpen over, behaalde de eene overwinning na de andere en, in eenige maanden tijds, veroverde hij het recht om aan Europa vredesvoorwaarden voor te schrijven. Te midden eener onbeschrij
453
45-t De Goddelijke beloften der 11. Kerk
felijke geestdrift keerde de zegevierende held naar Parijs weder. Van stonden aan behoorde hem Frankrijk toe en beschikte hij naar willekeur over eene grenzenlooze macht.
Alsdan vatte Napoleon het plan op een nieuw vorstenhuis te stichten en zich zei ven alsmede zijnen nakomelingen den troon te verzekeren. In zijne hooge wijsheid begreep hij dat de regeering eener natie zonder godsdienst onmogelijk is, en hij besloot terstond den Katholieken eeredienst, door de Omwenteling afgeschaft, weder in te voeren. Te dien einde wilde hij met Paus Pius VII in onderhandeling treden en zond hem M. Cacault als afgezant. Alvorens van den eersten Consul afscheid te nemen, vroeg hem Cacault hoe hij den Paus behandelen moest, en de krijgsman antwoordde : â Behandel hem, alsof hij tweehonderd duizend man o)ider zijn bevel had. quot; De onderhandelingen liepen uit op het Concordaat van 1801, wiens gelukkige uitslag in de Katholieke wereld een algemeene vreugde teweegbracht. De zoo lang gesloten tempels werden heropend, de priesters verlieten hunne schuilhoeken of kwamen uit de ballingschap terug, het volk stroomde naar de heilige plechtigheden,die het blijmoedig wederzag: alles kondigde aan dat de vrede eindelijk aan de Kerk was wedergegeven, en liet eene blijde, hoopvolle toekomst te gemoet zien.
Het geluk bleef trouwens Napoleon toelachen. Terwijl in het binnenland de vrede hersteld werd en de bloedbaden, die sinds tien jaren duurden, een einde namen, behaalden de legers in het buitenland even zoovele overwinningen als zij veldslagen leverden. Napoleon zag zich op het toppunt van grootheid en roem, toen, den 2 December 1804, Paus Pius VII van Rome naar Parijs kwam om hem plechtig tot Keizer der Franschen te zalver. Napoleon scheen hu als een tweede Karei de Groote te willen
De dood der kerkvervolgers.
optreden, want hij sprak steeds met voorliefde van de roemvolle daden van dien held, en dan op de vraag des Pausen had hij immers voor ganseh Frankrijk en voor Gods Kerk geantwoord; ,, Ik beloofden vrede in Gods Kerk te handhaven. quot; Eilaas! deze belofte moest hij maar al te ras vergeten. Door den hoogmoed verblind, zou de nieuwe Karei de Groote het getal der vervolgers vermeerderen om. evenals de vorige, op zijne beurt door de Goddelijke rechtvaardigheid verpletterd te worden.
Op het tijdstip van Napoleon's grootheid, stond onder zijn gebied, behalve het huidige Frankrijk, ook nog België, Holland, Hannover, de Duitsche provinciën tot aan den Rijn en ganseh het Noorden van Italië. Daarenboven had hij alles te zeggen over den Duitschen bond en de Zwitsersche republiek. Den Franschen generaal Murat had hij den troor. van Napels geschonken en aan zijn broeder Joseph de kroon van Spanje opgezet. Oostenrijk en Pruisen, wier hoofdsteden onder den hiel van den zegepralenden Bonaparte vertrapt waren geworden, moesten de wet des overwinnaars ondergaan en aan zijne bevelen gehoorzamen. Rusland zelf was overwonnen, had de wapenen neergelegd, een hard vredesverdrag met Napoleon gesloten en een gedeeltelijke herstelling van het Poolsche Koninkrijk toegestaan. Ganseh Europa, Engeland alleen uitgezonderd, was dus aan de onoverwinnelijke wapenen des gelukkigen veroveraars onderworpen. Die buitengewone voorspoed bedwelmde Napoleon; hij had het bevel over de lichamen, doch daarmede niet tevreden, wilde quot;hij zich ook het gebied over de zielen aanmatigen. Maar op dit terrein vond hij een onverwachten wederstand, welken hij gering achtte en misprees, en die evenwel de oorzaak van zijn val moest wezen.
De keizer eischte van Paus Pius VII dat hij, evenals de overige vorsten van het vasteland, zijne havens voor de
455
De Goddelijke beloften der H. Kerk.
Engelschen zou sluiten; de Paus weigerde. Aanstonds gaf Napoleon, reeds verbolgen op Christus' Stedehouder omdat hij het wettig huwelijk van zijnen broeder Jéröme niet had willen ongeldig verklaren, aan zijne soldaten bevel de Pauselijke Staten te overweldigen. De Paus bedreigde hem met de banbliksems der Kerk; doch Napoleon dreef er den spot mee. â Wat kan 't mij schelen, zoo schreef hij, of Pins VII mij voor de Christenheid aanklaagt ? Mijnen troon onder het interdict leggen, mij in den ban slaan ? Meent hij dan
dat de wapens aan de handen mijner soldaten zullen
ontvallen? quot; Toen hij die goddelooze spotternij uitsprak, vermoedde de machtige Keizer niet dat hij zelf de wijze voorspelde waarop zijn overmoed zou gestraft worden.
Napoleon had den weg der vervolging ingeslagen en ging al verder en verder. Hij zou, wat het ook kosten mocht, den Paus voor zijne keizerlijke macht doen buigen. Een Fransch leger overmeesterde de stad Rome die bij het keizerrijk ingelijfd werd. Korten tijd daarna werd Pius VII uit zijn paleis gerukt, naar Frankrijk overgevoerd en te Savona opgesloten. De gevangenschap des H. Vaders was uiterst hard. Van al zijne raadgevers gescheiden, voortdurend bewaakt door zijne gevangenbewaarders welke hem slechts in hunne tegenwoordigheid lieten spreken of schrijven, bleef Pius VII verscheidene jaren lang van alle gemeenschap met de Kerk beroofd en aan allerhande onverdraaglijke plagerijen ter prooi; aldus zocht men van zijne zwakheid en vermoeidheid te bekomen hetgeen zijn geweten hem verbood toe te staan.
Ondertusschen dreef Napoleon zijn plan hardnekkig door: hij wilde een schismatieke Kerk oprichten. De kardinalen en bisschoppen, die zich tegen zijne bevelen durfden verzetten, vielen in ongenade. Mgr de Boulogne, bisschop van Troves, Mgr de Broglie, bisschop van Gent, Mgr Him, bisschop van Doornik, welke door hunne stand-
456
De dood der kerkvervolgers.
vastigheid hadden uitgemunt, werden in het midden van den nacht aangehouden en in den slottoren van Vincennes opgesloten. I)e willekeurige en verdrukkende maatregelen volgden elkander onafgebroken, de vervolging woedde volop.
In het uiterst gevaar, waarin de Kerk door de dwingelandij van een enkel man verkeerde, nam zij hare toevlucht tot hare gewone wapenen: zij riep God ter hulp en God aanhoorde hare stem. Alles scheen verloren, toen op eens de straf op het hoogmoedig hoofd des schuldigen neerviel.
Door Engeland overgehaald, had Rusland het. verdrag, waardoor het Napoleon's oorlogskansen deelen moest, verbroken. Deze verklaarde dan aan Rusland den oorlog, en begon onmiddellijk, met zijne gewone snelheid, de voorbereidselen tot den ontzaglijken krijgstocht die het hart van dat rijk tot mikpunt had.
Den 19 Mei 1812, verlaat de keizer het paleis der Tuile-rieën om zich aan het hoofd te stellen eener legermacht van zeshonderd vijftig duizend man, de ontzaglijkste die hij tot dusverre had aangevoerd. Onder zijne bevelen telt, hij zelfs acht koningen, die hem op zijnen doortocht te Dresden hun hof komen maken. Reusachtig is de strijd die gaat beginnen, zijn uitkomst schijnt niemand twijfelachtig. Hoe zal Rusland aan den aanval van een leger weêrstaan, dat zonder weerga is, uit wel geoefende, altijd zegevierende troepen samengesteld en door Napoleon's krijgs vernuft aangevoerd ? - Overigens men heeft alles voorzien : de troepen worden voorafgegaan, vergezeld en gevolgd door groote wagens vol levensmiddelen; de rustplaatsen zijn van te voren bepaald, het plan van den veldtocht is opgemaakt, en, desnoods, zal Napoleon het wijzigen door eene dier onverwachte ingevingen welke hem zoo eigen zijn, die de plannen des vijands verijdelen en hem de overwinning verzekeren. En niettemin is dit het
457
De Goddelijke beloften der H. Kerk.
oogenblik door God gekozen om zijne gerechtigheid te doen uitschijnen. De icapenen gaan uit de handen vallen van de soldaten des Kerkv er volgers.
Den 9 Juni, terwijl het Fransche leger Ruslands grenzen bereikt en op zijn doortocht het verdrukte Polen tot opstand aanzet, wordt Paus Pius VII op bevel van Napoleon onverhoeds uit Savona weggevoerd en als staatsgevangene naar het paleis van Fontainebleau overgebracht. De vervolgde Paus weet niet, dat dit paleis, heden getuige van zijne angsten en tranen, weldra ook getuige zal zijn van de vernedering en wanhoop des dwingelands.
Nauwelijks was het Fransche leger op het Russisch grondgebied of het had met de grootste moeilijkheden te kampen. Een schrikbarend onweder barstste verscheidene dagen lang over hetzelve los, bracht de gelederen in wanorde en deed tot tien duizend paarden omkomen. Weldra bevond men zich in een land, waar de vijand zelf al wat aan het overweldigend leger een hulpmiddel kon bieden, verwoest had. Van toen af waren de levensmiddelen moeilijk te vinden, de hongersnood naakte met groote schreden, en reeds stierven verschillende soldaten der jonge lijfwacht den hongerdood
Men moest nochtans vooruitrukken, want de vijand vermeed het gevecht, trok altijd dieper het land in en liet na zijnen doortocht niets dan een woestenij achter. Die aanhoudende tocht door een verwoest land, te midden der grootste ontberingen, benam den soldaten de zielskracht, verzwakte de regeltucht, veranderde spoedig het vertrouwen en de geestdrift der eerste dagen in vreeze er., moedeloosheid. Eene zaak vooral verschrikte de aanvoerders, namelijk dat zij bij den keizer de Tastberadenhsid, de stoutmoedigheid, de krachtdadigheid die zijn vernuft kenmerkten, niet meer aantroffen. Hij aarzelde, besloot vandaag stil te houden om te overwinteren en in de volgende
458
De dood di.'r kerkvervolgers.
lente den oorlog te hervatten, en des anderendaags rukte hij wederom in koortsachtige overhaasting vooruit, alsof hem eene geheimzinnige macht had aangedreven en over hem dien geest van onvoorzichtigheid en dwaling had uitgestort, die de onheilspellende voorlooper van den val der koningen is.
Den 7 September, na een tocht van vier maanden ontmoeten de Franschen eindelijk het Russisch heir in ontzaglijke stellingen verschanst. De slag, die daar geleverd wordt, kost aan veertig duizend soldaten het leven en geeft slechts een twijfelachtigen uitslag. De kloeke Murat en de andere veldoversten, getuigen van ?s keizers gejaagdheid gedurende deze vreeselijke worsteling, roepen uit: â Wij hfbben op dezen gr cot en dog Napoleon's krijgsgenie niet hei kend. â
Benige dagen later doet Napoleon zijne intrede in Mos-cou, Ruslands hoofdstad. Hij hoopt dat de Czaar Alexander hém nu den vrede zal vragen. Maar de brand, die het schoone Moscou geheel verslindt, leert hem weldra dat hij zich tegenover een vijand bevindt welke gezworen heeft den overweldiger te verdelgen, al moest hij zich daartoe met hem onder de puinhoopen van zijn vaderland begraven.
Intusschen nadert de winter, en den 19 October ziet zich Napoleon genoodzaakt den aftocht te doen blazen. Eenige jaren vroeger had hij in zijn dwazen hoogmoed geschreven: âWat meent de Paus met zijnen banvloek? Denkt hij de-wapenen uit de handen mijner soldaten te doen vallen De winter van Rusland gaat op deze vraag een schrikwekkend antwoord geven. âDen 6 November, zoo zegt een ooggetuige, verandert het weder. Het leger is gedurende zijn aftocht in koude dampen gehuld die dikker worden en weldra in groote sneeuwvlokken neder vallen. Het schijnt dat de hemel met dat land en dat volk samenspant om onzen ondergang voorgoed te bewerken. De soldaten misleid door den sneeuw die
459
460 De Goddelijke beloften der 11. Kerk
alles effen maakt, vallen in kuilen waarin de zwakste begraven blijven. Zij die volgen wenden zich af, doch de orkaan jaagt hun den sneeuw in het aangezicht...., hun natte kleederen bevriezen op hun lijf; dat hulsel van ijs grijpt hunne lichamen aan en verstijft al hunne ledematen.... de ongeluk-kigen sleepen zich nog klappertandend voort, totdat zij tegeneen hinderpaal struikelen en vallen. Daar zuchten zij tevergeefs, de sneeuic overdekt hen; men herkent ze aan kleine hoogten. Ziedaar hunne begraafplaats. De weg is gansch met dusdanige terpjes bezaaid, als een doodenakker. De stoutmoedigste zijn ontroerd ; zij stappen snel vooruit en wenden hunne blikken af.
Alles, tot zelfs hunne wapenen, keerde zich tegen hen. Zij schenen voor hunne verkleumde armen een ondraaglijke last. Telkens als de soldaten vielen, ontsnapten de wapens aan hunne handen, en werden verbrijzeld of gingen in den sneeuw verloren. Indien zij nog opstonden, dan ivas het zonder hun 'wapenen: want zij wierpen ze niet weg, de honger en de koude ontrukten ze hun. De vingers van vele anderen bevroren op het geweer dat zij nog vasthielden, en dat hun de noodige beweging benam om er de laatste sprankel van warmte en leven te onderhouden.quot;
Wij kunnen niet al het lijden van het groote leger, zijne vreeselijke rampspoeden uitvoerig verhalen. Toen het in Polen terugkeerde, bleven er slechts twintig duizend man over.
Reeds vijf maanden had 's Pausen gevangenschap te Fon-tainebleau geduurd, toen Napoleon zelf te Parijs de tijding zijner vreeselijke nederlaag kwam melden. Evenwel meende hij zich nog uit zijn neteligen toestand te kunnen redden. Maar gansch Europa stond tegen hem op, en zelfs zijne overwinningen verhaastten zijnen val door ten eenenmale uit te putten al wat Frankrijk nog aan manschappen kon opleveren om den strijd voort te zetten. Na een heldhaf-
De dood der kerkvervolgers.
tigen veldtocht inDuitschland, zag zich Napoleon verplicht tot aan deze zijde van den Eijn terug te trekken en Fra nkrijk zelf te verdedigen tegen de legers die het van alle zijden te gelijk overvielen. Tevergeefs toonde hij een bovenmenschequot; lijk vernuft, tevergeefs versloeg hij den vijand telkens als hij hem ontmoette, â de overweldigende vloed steeg altijd hooger en bedreigde reeds Parijs. Uit vrees dat de Paus in de macht der vijandelijke troepen zou vallen, liet hem Napoleon den 23 Januari 1814 uit Fontainebleau wegvoeren. Twee maanden later werd de keizer door de legers der bondgenooten tot in ditzelfde paleis van Fontainebleau teruggedreven en teekende er zijn eigen afstand van den troon. In plaats van het Europeesch keizerrijk gaf men hem de heerschappij over het kleine eiland Elba. Terwijl hij zich vol wanhoop naar dit bespottelijk koninkrijk begaf, keerde Pius VII, de vervolgde Paus, te midden eener onbeschrijfelijke geestdrift, den 24 Mei 1814, in Rome weder.
Het volgend jaar beproefde Napoleon de macht weder te bekomen ; hij ontscheepte heimelijk in Frankrijk, haalde het gansche leger om door de begoocheling van zijn ouden roem en was weldra meester van Parijs. Europa beefde, maar Pius VII was kalm. â Vrees niets, zoo sprak hij tot den minister des Pranschen Konings, dit is eene reis die drie maanden zal duren.quot;
Inderdaad, overwonnen te Waterloo, deed Napoleon wederom afstand en ging aan Engeland, zijn onverzoenlijken vijand, de gastvrijheid vragen. Deze liet hem als krijgsgevangene naar eene onbewoonde rots op Sint-Helena, midden in den Oceaan, overvoeren. Napoleon de Groote stierf aldaar, den 5 Mei 1821.
Pius VII bad voor zijnen vervolger en overleed door allen geëerd als een heilige, den 6 Juli 1823.
De val van Napoleon de Groote, waarin Gods tusschen-komst ten gunste der Kerk op zoo treffende wijze uitschijnt.
461
De Goddelijke beloften der H. Kerk.
oogenblik door God gekozen om zijne gerechtigheid te doen uitschijnen. De wapenen gaan uit de handen vallen van de soldaten des Kerkvervolgers.
Den 9 Juni, terwijl het Fransche leger Ruslands grenzen bereikt en op zijn doortocht het verdrukte Polen tot opstand aanzet, wordt Paus Pius VII op bevel van Napoleon onverhoeds uit Savona weggevoerd en als staatsgevangene naar het paleis van Fontainebleau overgebracht. De vervolgde Paus weet niet, dat dit paleis, heden getuige van zijne angsten en tranen, weldra ook getuige zal zijn van de vernedering en wanhoop des dwingelands.
Nauwelijks was het Fransche leger op het Russisch grondgebied of het had met de grootste moeilijkheden te kampen. Een schrikbarend onweder barstste verscheidene dagen lang over hetzelve los, bracht de gelederen in wanorde en deed tot tien duizend paarden omkomen. quot;Weldra bevond men zich in een land, waar de vijand zelf al wat aan het overweldigend leger een hulpmiddel kon bieden, verwoest had. Van toen af waren de levensmiddelen moeilijk te vinden, de hongersnood naakte met groote schreden, en reeds stierven verschillende soldaten dei-jonge lijfwacht den hongerdood
Men moest nochtans vooruitrukken, want de vijand vermeed het gevecht, trok altijd dieper het land in en liet na zijnen doortocht niets dan een woestenij achter. Die aanhoudende tocht door een verwoest land, te midden der grootste ontberingen, benam den soldaten de zielskracht, verzwakte de regeltucht, veranderde spoedig het vertrouwen en de geestdrift der eerste dagen in vreeze en moedeloosheid. Eene zaak vooral verschrikte de aanvoerders, namelijk dat zij bij den keizer de 'vastberadenheid, de stoutmoedigheid, de krachtdadigheid die zijn vernuft kenmerkten, niet meer aantroffen. Hij aarzelde, besloot vandaag stil te houden om te overwinteren en in de volgende
4öS
De dood der kerkvervolgers.
lente den oorlog te hervatten, en des anderendaags rukte hij wederom in koortsachtige overhaasting vooruit, alsof hem eene geheimzinnige macht had aangedreven en over hem dien geest van onvoorzichtigheid en dwaling had uitgestort, die de onheilspellende voorlooper van den val der koningen is.
Den 7 September, na een tocht van vier maanden ontmoeten de Franschen eindelijk het Russisch heir in ontzaglijke stellingen verschanst. De slag, die daar geleverd wordt, kost aan veertig duizend soldaten het leven en geeft slechts een twijfelaclmgen uitslag. De kloeke Murat en de andere veldoversten, getuigen van 's keizers gejaagdheid gedurende deze vreeselijke worsteling, roepen uit: â Wij hebben op dezen grcoteu dag Napoleon''s krijgsgenie niet heikend.â
Eenige dagen later doet Napoleon zijne intrede in Mos-cou, Ruslands hoofdstad. Hij hoopt dat de Czaar Alexander hem nu den vrede zal vragen. Maar de brand, die het schoone Moscou geheel verslindt, leert hem weldra dat hij zich tegenover een vijand bevindt welke gezworen heeft den overweldiger te verdelgen, al moest hij zich daartoe met hem onder de puinhoopen van zijn vaderland begraven.
Intusschen nadert de winter, en den 19 October ziet zich Napoleon genoodzaakt den aftocht te doen blazen. Eenige jaren vroeger had hij in zijn dwazen hoogmoed geschreven: âWat meent de Paus met zijnen banvloek ? Denkt hij de wapenen uit de handen mijner soldaten te doen vallen De winter van Rusland gaat op deze vraag een schrikwekkend antwoord geven. âDen G November, zoo zegt een ooggetuige, verandert het weder. Het leger is gedurende zijn aftocht in koude dampen gehuld die dikker worden en weldra in groote sneeuwvlokken nedervallen. Het schijnt dat de hemel met dat land en dat volk samenspant om onzen ondergang voorgoed te bewerken. De soldaten misleid door den sneeuw die
459
46(1 Be Goddelijke beloften der H. Kerk
alles effen maakt, vallen in kuilen waarin de zwakste begraven blijven. Zij die volgen wenden zich af, doch de orkaan jaagt hun den sneeuw in het aangezicht...., hun natte kleederen bevriezen op hun lijf; dat hulsel van ijs grijpt hunne lichamen aan en verstijft al hunne ledematen.... de ongeluk-kigen sleepen zich nog klappertandend voort, totdat zij tegeneen hinderpaal struikelen en vallen. Daar zuchten zij tevergeefs, de sneeuw overdekt hen ; men herkent ze aan kleine hoogten. Ziedaar hunne begraafplaats. Be weg is gansch met dusdanige terpjes bezaaid, als een doodenakker. De stoutmoedigste zijn ontroerd ; zij stappen snel vooruit en wenden hunne blikken af.
Alles, tot zelfs hunne wapenen, keerde zich tegen hen. Zij schenen voor hunne verkleumde armen een ondraaglijke last. Telkens als de soldaten vielen, ontsnapten de wapens aan hunne hand,en, en leerden verbrijzeld of gingen in den sneeuw verloren. Indien zij nog opstonden, dan ivas het zonder hun wapenen: icant zij wierpen ze niet weg, de honger en de koude ontrukten ze. hun. De vingers van vele anderen bevroren op het geweer dat zij nog vasthielden, en dat hun de noodige beweging benam om er de laatste sprankel van warmte en leven te onderhouden.quot;
Wij kunnen niet al het lijden van het groote leger, zijne vreeselijke rampspoeden uitvoerig verhalen. Toen het in Polen terugkeerde, bleven er slechts twintig duizend man over.
Reeds vijf maanden had 's Pausen gevangenschap te Fon-tainebleau geduurd, toen Napoleon zelf te Parijs de tijding zijner vreeselijke nederlaag kwam melden. Evenwel meende hij zich nog uit zijn neteligen toestand te kunnen redden. Maar gansch Europa stond tegen hem op, en zelfs zijne overwinningen verhaastten zijnen val door ten eenenmale uit te putten al wat Frankrijk nog aan manschappen kon opleveren om den strijd voort te zetten. Na een heldhaf-
De dood dtr kerkvervolgers.
tigen veldtocht in Daitschland, zag zich Napoleon verplicht tot aan deze zijde van den Rijn terug te trekken enFrankrijk zelfte verdedigen tegen de legers die het van alle zijden te gelijk overvielen. Tevergeefs toonde hij een bovenmensche' lijk vernuft, tevergeefs versloeg hij den vijand telkens als hij hem ontmoette, â de overweldigende vloed steeg altijd hooger en bedreigde reeds Parijs. Uit vrees dat de Paus in de macht der vijandelijke troepen zou vallen, liet hem Napoleon den 23 Januari 1814 uit Fontainebleau wegvoeren. Twee maanden later werd de keizer door de legers der bondgenooten tot in ditzelfde paleis van Fontainebleau teruggedreven en toekende er zijn eigen afstand van den troon. In plaats van het Europeesch keizerrijk gaf men hem de heerschappij over het kleine eiland Elba. Terwijl hij zich vol wanhoop naar dit bespottelijk koninkrijk begaf, keerde Pius VII, de vervolgde Paus, te midden eener onbeschrijfelijke geestdrift, den 24= Mei 181-4, in Rome weder.
Het volgend jaar beproefde Napoleon de macht weder te bekomen ; hij ontscheepte heimelijk in Frankrijk, haalde het gansche leger om door de begoocheling van zijn ouden roem en was weldra meester van Parijs. Europa beefde, maar Plus VEE was kalm. â Vrees niets, zoo sprak hij tot den minister des Franschen Konings. dit is eene reis die drie maanden zal duren.quot;
Inderdaad, overwonnen te Waterloo, deed Napoleon wederom afstand en ging aan Engeland, zijn onverzoenlijken vijand, de gastvrijheid vragen. Deze liet hem als krijgsgevangene naar eene onbewoonde rots op Sint-Helena, midden in den Oceaan, overvoeren. Napoleon de Groote stierf aldaar, den 5 Mei 1821.
Pius VII bad voor zijnen vervolger en overleed door allen geëerd als een heilige, den 6 Juli 1823.
Do val van Napoleon de Groote. waarin Gods tusschen-komst ten gunste der Kerk op zoo treffende wijze uitschijnt,
4=61
De Goddelijke beloften der H. lurk.
was niet de eenige straf zijner misdaad : het geslacht des vervolgers moest verdwijnen. Napoleon liet een zoon achter, die bij zijne geboorte den naam van Koning van Rome ontvangen had. Die naam was noodlottig voor hem. In Oostenrijk opgevoed en even zorgvuldig als een gevangene bewaakt, bracht de prins daar een droevige en kwijnende jeugd door. De herinnering aan zijn vaderland en aan de verloren grootheid zijns vaders wekten in zijne ziel begeerten op die niet konden bevredigd worden en hem diep ongelukkig maakten. Voordat hij meerderjarig was, stierf hij aan de tering.
Murat had van Napoleon, tot belooning zijner dapperheid, de koninklijke kroon van Napels ontvangen. Toen hij den rampspoed van het Fransche heir in Rusland zag, verliet hij den Keizer om zijn koninkrijk te behouden. Als prijs van zijn verraad jegens Napoleon, lieten hem de verbondene vorsten aanvankelijk met rust. Maar hij wist zich niet met eene vrij onbeduidende rol te vergenoegen en kon derhalve niet lang vergeten blijven. Buitendien vreesde hij dat, indien de Bourbons eens in Frankrijk hersteld werden, men hem zou komen aanvallen om ook het koninkrijk van Napels aan zijne wettige vorsten terug te geven. Hij wilde zulks voorkomen. Nauwelijks had hij vernomen dat Napoleon van het eiland Elba ontvlucht en in Frankrijk ontscheept was, of hij stelde zich aan het hoofd van zijn leger om de rest van Italië te veroveren en zijnen ouden meester ter hulp te snellen. Bij het naderen der Napolitaansche legermacht, besloot Pius Vil Rome te verlaten en vertrok naar Genua. Murat maakte zich dus zonder tegenstand van de Pauselijke Staten meester, doch daar eindigde zijn geluk. Weldra genoodzaakt naar Napels terug te trekken, werd hij door de meesten zijner soldaten verlaten en had hij zijn behoud alleen aan de vlucht te danken.
Den 8 October van hetzelfde jaar 181quot;), ontscheepte hij
402
De dood der kerkvcrxolgcrs.
op de kusten van Calabrië in de hoop van den troon wederom te bestijgen. Doch hij werd door boeren aangehouden en aan den krijgsraad overgeleverd, die hem ter dood veroordeelde. Den 13 October 1815 werd Murat voor den kop geschoten.
XXIII.
EEN BUEGER-KONING.
Louis-PhilipjK I van Orleans, zoon van den ellendigen hertog van Orleans, die den dood van Lodewijk XYI stemde en zelf op het schavot stierf, werd ten gevolge der omwenteling van 1830 tot koning der Franschen uitgeroepen. Men noemde hem den burger-koning, omdat hij voornamelijk aan de burgerij zijne verheffing te danken had en bij haar zijne steun zocht. Hij meende zijnen troon hechtheid en duurzaamheid te geven door zich aan alle vijanden van den Katholieken godsdienst, aan de Protestanten, aan de goddeloozen, aan de Vrijmetselaars gunstig te toonen en door de Katholieken te kwellen. Zijn eerste straf was de treurige dood van zijn oudsten zoon, erfgenaam der kroon.
Den 13 Juli 1842 vaart de jeugdige prins in zijn rijtuig door de straten van Parijs: eensklaps raken de paarden op hol, de prins springt vervaard van zijn rijtuig af, valt en verbrijzelt zich den schedel tegen de steenen van het voetpad. â Deze jammerlijke dood,quot; zegt Crétineau-Joly, â weerklonk als een donderslag in een helderen hemel en was voor de familie, van Orleans een even rechtmatige als diepe smart. De partijen bespeurden daarin geheimzinnige leeringen. Als zij de omstandigheden van dezen val bijeenbrachten, schreven zij hem eene schrikwekkende beteekenis toe. De rampzalige gebeurtenis had plaats gegrepen op den weg des oproers, daags voor de inneming der Bastille, in die Julimaand, de maand der omwentelin-
463
De Goddelijke beloften der H. Kerk
gen. Het hoofd des erfgenaams van de monarchie dei-barricaden was op eenen hoop straatkeien verbrijzeld geworden. Hij was opgenomen geworden, had den geest gegeven in een kruidenierswinkel, het zinnebeeld en de kracht der regeering van 1830. quot;
De oogen des konings gingen door den dood van zijnen zoon niet open. Hij bleef de rechtmatige vrijheid der Kerk heimelijk aanranden en zag niet in dat hij aldus zijn eigen troon ondermijnde. In zijn laatste onderhoud met Louis-Philippe had de aartsbisschop van Parijs, Mgr Aflïe, den moed voor de bisschoppen het recht terug te eischen van Kerkvergaderingen te houden en met den H. Stoel vrij brieven te wisselen. Op het einde der samenspraak stond de koning, door gramschap vervoerd, plotseling op, greep den aartsbisschop bij den arm, en zeide tot hem: â Aarts-bisschop, gedenk, dat men meer dan éénen mijter verbrijzeld heeft.quot; â â Dat is ivaar, Sire,quot; antwoordde de Prelaat, die op zijne beurt rechtstond, â doch God beware de kroo)i des Konings, want men heeft ook vele kronen zien verbrijzelen.quot; Dit had plaats in 1847.
Het volgend jaar, in de maand Februari 1848, barst een oproer te Parijs los; Louis-Philippe heeft den moed niet er het hoofd aan te bieden. Den 24 Februari stijgt hij met zijne familie in een rijtuig en neemt de vlucht naar de stad Havre, waar hij zich naar Engeland inscheept. Gedaan was het in Frankrijk met het huis van Orleans. Het had den troon bestegen door het oproer, het werd er op dezelfde wijze van afgeworpen. Louis-Philippe stierf in ballingschap, der. 26 Augustus 1850.
Zijn kleinzoon, de graaf van Parijs, zou nu door liet uitsterven van den oudsten tak der Bourbons de wettige vorst zijn van Frankrijk, indien de Republiek hem niet in den weg stond. Hij wacht in de ballingschap dat God hem de kroon zijner voorzaten terugschenke. Zal zijne verwachting
4ö4
4(55
en hoop eenmaal verwezenlijkt worden? Dit weet God alleen. Doch, indien de graaf van Parijs ooit moet heer-schen, dat hij dan de lessen der geschiedenis goed over-wege, en begrijpe dat een koninkrijk noch voorspoedig, noch gelukkig, noch duurzaam zijn kan, zoo het niet op den godsdienst en op de rechtvaardigheid is gegrondvest.
XXIV.
WItLEM I VAN HOLLAND EN KAREL-ALBEBT VAN SAVOOIE.
Na den val van Napoleon I was België en Holland onder den schepter van Willem I vereenigd geworden en zij maakten te zamen het koninkrijk der Nederlanden uit.
Willem I was Hollander en Protestant; hij behoorde tot het stamhuis van den beruchten Willem den Zwijger, prins van Oranje, die, gelijk wij vermeld hebben, in de XVP eeuw de Noorder provinciën tegen Spanje in opstand bracht en ze tevens losscheurde van de Moederkerk van Rome. Willem I scheen de voetstappen van zijnen voorzaat den Zwijger te willen drukken en vormde het dwaze ontwerp nu ook het Zuidelijk gedeelte der Nederlanden tot het Protestantisme over te halen. Hij meende aldus zijne macht te bevestigen en de vereeniging van Holland en België nauwer toe te halen ; doch hij bekwam het tegenovergesteld uitwerksel.
Zonder eerbied voor de heilige rechten der Kerk en in strijd met de verbintenissen jegens den H. Stoel in het concordaat van 1801 aangegaan, maakte hij willekeurig inbreuk op liet kerkelijk gebied, legde de godsdienstvrijheid aan banden, belemmerde de benoeming der bedienaren van den eeredienst en krenkte, ja, verdrukte op allerhande wijze zijn getrouwe Katholieke onderdanen.
Hij begreep echter dat hij niets zou kunnen uitrichten, indien hij de geestelijkheid niet overhaalde om zijne schis-
30
De Goddelijke, heloftm der H. K'rk.
matieke en kettersche ondernemingen te begunstigen. Met dat inzicht zocht hij zich meester te maken van de opleiding der jongelingen die den geestelijken staat wilden omhelzen. Hij gaf dan bevel al de bestaande serninariën te sluiten, en deed de leeraren en leerlingen met geweld er uit jagen. Vervolgens bepaalde hij dat al diegenen, welke zich tot den geestelijken staat voorbereidden, aan het college, dat hij pas te Leuven gesticht had, zouden studee-ren. De droeve tijden van Jozef II van Oostenrijk schenen te herleven.
Intusschen weerstonden de Katholieken van België, zoo geestelijken als wereldlijken, vastberaden aan de onbillijke bevelen der Hollandsche regeering. De jonge seminaristen weigerden bijna allen naar Leuven te gaan en verkozen hun vaderland te verlaten liever dan hunne studiën te voltrekken in een gesticht waar het onderwijs, in zake van geloof, te recht verdacht was. De ontevredenheid der Katholieke onderdanen groeide met den dag aan en werd zoo algemeen, dat de koning het raadzaam oordeelde een nieuw concordaat met den Paus te sluiten. Edoch, hij voerde het niet beter uit dan dat van 1801 en de toestand bleef verergeren. Toen Willem I eindelijk inzag dat hij een verkeerden weg had ingeslagen en dat het hoog tijd was aan de vervolgingen een einde te stellen, was het te laat. De Belgen waren hevig tegen de Hollandsche regeering verbitterd: Katholieken en Liberalen verlangden vurig een ander Staatsbestuur; de omwenteling was in de gemoederen voorbereid, en er was slechts een vonk meer noodig om het vuur des oproers te ontsteken, om de gistende volksontevredenheid te doen uitbarsten.
Wat te voorzien was, gebeurde. Brussel gat' het teeken van den opstand, de andere steden volgden en in weinige weken verloor koning Willem, haast zonder gevecht, de helft zijner staten. Zoo werd het koninkrijk België geboren
466
407
en zag men voor de tweede maal Noord- en Ziüd-Neder-land van elkander gescheiden (1830).
Karei-Alhirt, koning van Piemont, liet zich overhalen tot een verbond met de revolutiemannen van Italië tegen Oostenrijk en tegen de andere wettige vorsten van het land. Dit verbond was eene misdaad en eene fout. Men schendt niet ongestraft de heilige rechten van Kerk en Staat. Karel-Albert ondervond het al spoedig, want hij werd deerlijk door Radetski. den Oostenrijkschen veldheer, verslagen. Ontmoedigd en vol berouw over zijnen misslag, legde hij de kroon af en ging in de eenzaamheid de heersch-zuchtige droomen uitboeten welke hem naar zijn ongeluk voerden (1849).
Nu komen wij tot de gebeurtenissen waar wij zeiven getuigen van geweest zijn. De plannen die men in onzen leeftijd tegen de Katholieke Kerk met eene helsche slimheid beraamd en met eene satansche verwoedheid doorgedreven heeft, zijn nog niet ten volle uitgevoerd en hebben hunne eindgevolgen nog niet voortgebracht, â en reeds zijn hunne voornaamste bewerkers van het tooneel dezer wereld verdwenen, reeds zijn de meesten hunner op zichtbare wijze door G^od. of in hun persoon of in hunne macht, gekastijd geworden. Een kort verhaal der merkwaardigste feiten zal voldoende zijn om klaar te bewijzen dat God ook heden nog over zijne Kerk waakt en dat zijn machtige arm niet is ingekort.
XXV.
NAPOLEON III.
Na de wegjaging van Louis-Philippe in 1S48, riep Frankrijk voor de tweede maal de Republiek uit. Deze was echter niet gelukkiger dan de eerste. Ook, om aan de wanorde te ontsnappen, waren de Franschen weldra blijde eenen mees-
458 De Goddelijke beloften der II. Kerk.
ter te vinden inden persoon vanLouis-NapoleonBonaparte, neef van Napoleon den Groote en erfgenaam van zijn schitterenden krijgsroem.
Als president der Republiek, wist Napoleon de volksgunst te winnen en slaagde er in zich, in 1852, tot keizer der Franschen aan te stellen. De voorspoedige krijgstocht die Pius IX in 1850 op zijn troon herstelde, bracht niet weinig bij om aan Napoleon III den weg tot de oppermacht te banen. Hij had dien roemrijken veldtocht wel niet ontworpen, maar hem toch, in zijne hoedanigheid van president, helpen uitvoeren. Daarenboven gaf hij zich, gedurende de eerste jaren van zijn keizerschap, uit vooreen beschermer en verdediger van den Katholieken Godsdienst. â Dat de (joeden zich gerust stellen, quot; had hij plechtig gezegd, â maar dat de boozen beven!quot; en men begon te gelooven dat hij woord zou houden. Ook, toen de Goddelijke Voorzienigheid hem een zoon schonk en aldus zijn stamhuis scheen te zegenen, willigde Pius IX zijn verzoek in om peter te zijn van den jongen prins op wiens hoofd Frankrijks toekomst berustte.
Vele Katholieken verbanden, bij het zien dier gebeurtenissen, het rechtmatig wantrouwen dat 's keizers vroeger gedrag in hen had opgewekt. Immers het was algemeen bekend dat Napoleon, in zijne jeugd, met de gevaarlijkste oproerstokers van Italië in nauwe betrekkingen gestaan had; doch thans scheen hij die gevaarlijke mannen volstrekt te hebben afgezworen. De Krim-oorlog gaf hem eene â nieuwe gelegenheid om zijne gewaande gevoelens van godsdienst aan den dag te leggen; hij stond toe dat aalmoezeniers en liefdezusters het leger vergezelden om onder de muren van Sebastopol zoowel als in de hospitalen, met de Fransche soldaten in moed en zelfopoffering te gaan wedijveren. Zoo verkreeg hij allengskens het vertrouwen van al degenen die God en vaderland in één zelfde liefde vereenigen.
D-' dood der kerkvervolgers.
In ]S56, bereikte Napoleon III het toppunt zijner macht en grootheid. Meester in het binnenland, gevreesd en geëerbiedigd in het buitenland, was hij om zoo te zeggen Europa's scheidsrechter geworden, en er rolde geen woo-'d van zijne lippen of men luisterde met gespannen aandacht als moest dat woord over vrede en oorlog beslissen.
De Katholieken verheugden zich over dezen voorspoed, want zij verwachtten veel tot herstel van geloof en zeden, van eenen vorst wiens woorden en daden tot dan toe van oprechte gevoelens van godsdienst schenen doordrongen. Eilaas ! die zoete hoop zou al te spoedig in bittere teleurstelling veranderd worden!
In 1858 greep een moordaanslag plaats op het leven des keizers. Een Italiaan, Orsini genaamd, had onder zijn rijtuig bommen geworpen, wier ontploffing het rijtuig verbrijzelde, maar Napoleon ongedeerd liet uitstappen. Die aanslag was eene aanmaning van de geheime sekten welke den keizer op schrikbarende wijze herinnerden aan hetgeen hij eertijds beloofd had. Hij moest thans zijne beloften vervullen, zoo niet dan zou hij geen oogenblik meer zeker zijn van zijn leven en gedurig den moordpriem der carbonari's boven zijn hoofd zien glinsteren.
Bezweek nu Napoleon's innige overtuiging voorde doodsbedreigingen zijner vroegere bondgenooten, of ging hij alsdan tot de uitvoering over van een ontwerp dat sinds lang in zijn geest was vastgesteld en dat hij door zijn sluwe staatkunde had voorbereid ? â Wie zal zulks beslissen en uitmaken ? â In alle geval, Napoleon III was â ofwel een lafaard die uit vrees voorden dolk der sekten gedaan heeft wat hij in geweten veroordeelde, â ofwel een verfoeilijke huichelaar, die slechts liefde veinsde voor de Kerk om haar te zekerder en te dieper in het hart te treffen. Wat in de ziel des keizers is omgegaan, weet God alleen die er zijn rechtvaardig vonnis over heeft uitgesproken, maar
470
zeker is 't dat van toen af aan een ommekeer geschied is in zijn regeering en dat alsdan de langdurige en trouwe-looze veldtocht der Vrijmetselarij tegen het Pausdom een aanvang nam. Napoleon III, Victor-Emmanuel en Cavour waren de voornaamste hoofden en aanvoerders van die goddelooze samenzwering.
Het eerste bedrijf was de oorlog van 1859 tegen Oostenrijk. Deze had ten gevolge dat Lombardije aan Oostenrijk. Toskana en Panna aan hunne hertogen, en Romagna aan den Paus geweldadig ontrukt werden en door het kleine koninkrijk Sardinië buit gemaakt. Minister Cavour wreef zich de handen over den behaalden uitslag. Niet alleen was zijn plan, van gansch Italië onder den schepter van zijnen koning Victor-Emmanuel te vereenigen, voor een groot gedeelte verwezenlijkt, maar hij had erin geslaagd Napoleon III als zijn bondgenoot of liever als zijn medeplichtige te doen optreden, en nu kon deze niet meer achteruit. De keizer wierp dan ook eenigszins het masker af en zocht de gepleegde overweldigingen te rechtvaardigen door het beginsel der nationaliteiten. Hij gaf zich uit als voorvechter van dat beginsel, volgens hetwelk de Italiaansche natie even als elk andere het recht zou bezitten, in weerwil van alle hinderpalen, hare éénheid te bewerken. Napoleon zag toen niet in dat Pruisen welhaast hetzelfde recht zou opeischen voor de Duitsche natie en door de vereeniging der Duitsche landen een rijk zou stichten, machtig genoeg om hetFransche keizerrijk te verpletteren. Zoo straft God dikwerf de menschelijke boosheid door haar eigen gevolgen.
Het 2e bedrijf van het tegen den Paus beraamde oorlogsplan was de krijgstocht tegen het koninkrijk Napels.Niette-genstaande zijn land in vrede was metden koning van Napels en hij dezen ongelukkigen vorst de grootste vriendschap betuigde, liet Cavour den vrijbuiter Garibaldi heimelijk toe een troep soldaten uit te rusten en op Sicilië te gaan out-
471
schepen, om dit land tegen Frans II op te ruien. Van verraders omgeven en verlaten door het grootste gedeelte van hen, die zijnen troon hadden moeten verdedigen, werd de koning van Napels genoodzaakt de hoofdstad te verlaten en zich met eenige duizenden soldaten in de vesting G-aëta op te sluiten. Garibaldi trok zegevierend Napels binnen eu riep Victor-Emmanuel tot koning uit van her pas veroverde rijk. De verovering was gemakkelijk geweest, haast zonder strijd; het verraad had van te voren al de poorten voor den overweldiger geopend en hem alle verdedigingsmiddelen van het land geleverd.
Koning Frans moest echter nog uit ziin laatste toevluchtsoord verdreven worden. Garibaldi rukte met zijn tuchtelooze benden tegen Gaëta op. Door het geluk zijner wapenen verstout, meende hij dat hij zich slechts had te toonen om te overwinnen. Dat viel hem deerlijk tegen, want de soldaten van Frans deden hem een bloedige en schandelijke nederlaag ondergaan. Zelfs zouden zij voor goed een einde gesteld hebben aan Garibaldi's weinig roemvolle zegepralen, zoo niet reeds het 3e bedrijf van den roof begonnen ware en tot op het gewenschte punt uitgevoerd om den beruchten held uit den neteligen toestand, waarin hij zich bevond, te redden.
Terwijl Garibaldi op Sicilië en te Napels de snoode zending volbracht, hem door Oavour toevertrouwd, verzamelde deze eene sterke legermacht op de grenzen der Pauselijke Staten, gelegen tusschen het koninkrijk Napels en Noord-Italië, dat reeds aan de macht van Victor-Emmanuel onderworpen was. Pius IX liet aan koning Victor-Emmanuel vragen, waarom hij op zijne grenzen zulke ontzaglijke strijdkrachten samentrok. Het antwoord luidde dat men het geenszins op de Staten des Pausen gemunt had. En niettemin wierp zich weinige dagen later, zonder oorlogsverklaring, dat leger van 70,000 man gelijk een
De Goddelijke beloften dlt; r H. Kerk.
orkaan op de Pauselijke Staten, vernielde de handvol heldhaftige zouaven, welke de vermaarde veldheer de Lamo-ricière er kon tegenoverstellen, maakte zich van al de Romeinsche provinciën meester, behalve van de stad Rome met haar grondgebied, en ging te Napels de vrucht van Cavour's eerlooze kuiperijen inoogsten.
Napoleon III had tot al deze ongerechtigheden macht gegeven; aan minister Cavour had hij gezegd: âFaites, mais fait es vite. â Handel, maar handel snel. quot;
En Cavour had gehandeld. Gansch Italië, Rome en Venetië alleen uitgezonderd, was onder den schepter van Victor-Emmanuel vereemgd. Weinig bleef hem nog te doen over in vergelijking van hetgeen hij verwezenlijkt had en, in de vervoering zijner zegepraal, riep Cavour uit; â Italië is één, er ontbreekt alleen de hoofdstad; wel, binnen zes maanden zijn icij te Rome. quot;
Zes maanden later, was Cavour niet te Rome, maar in 't kille graf.
Hij viel, als door den bliksem getroffen, toen hij in al de grootheid stond van zijn vernuft en in al den glans van den voorspoed. Plotseling werd hij voor den Oppersten Rechter gedagvaard om van eene lange reeks onrechtvaardige en heiligschendende aanslagen rekenschap afteleggen, en de rampzalige had deze aarde verlaten zonder tot inkeer te komen. Die schielijke dood, schrikbarend voor de natuur en nog schrik barender voor de geloovige ziel, welke de vreeselijke en eeuwige straffen voor oogen heeft, verspreidde ijzing en verwarring onder de vijanden van â het Pausdom. Napoleon III, van zijn boozen geest verlost, dacht dat het tijd was op den heilloozen weg stil te houden; ook bijna tien jaren lang, verhinderde hij Italië zijne gewelddadige en roofzuchtige handen naar het erfgoed van St Petrus uit te steken. Doch hij was de voornaamste medeplichtige geweest der heiligschendende
4:72
De dood der kerkvervolgers.
onderneming tegen den Paus: het uur zijner kastijding sloeg éér hij het verwachtte.
Sedert dat Napoleon III de Pauselijke Staten aan Victor-Emmanuel en Cavour had overgeleverd, viel hem alles tegen. De omwentelingsgezinden, wier vriendschap hij had zoeken te winnen, vergramden er zich over dat hij hen aan de poorten der Eeuwige Stad staande hield, hen belettende hun heiligschennis te voltooien en de laatste overblijfselen der Pauselijke heerschappij te vernietigen. Zij schreeuwden : Rome of d-. n dood! â en, zonder der; heldenmoed der Pauselijke zouaven op 't laatste oogen-blik door een Fransch legerkorps bijgestaan, zouden de woeste benden van Garibaldi door het Italiaansche leger gerugsteund, reeds in 1867 Eome overmeesterd hebben. Deze mislukte poging deed den wrok tegen Frankrijk nog aangroeien.
Het nieuwe koninkrijk Italië, dat, in Napoleon's plan, als het ware de trawant van liet Fransche keizerrijk en zijn standvastige bondgenoot had moeten worden, vergat spoedig de bewezen diensten, en zoodra het van den keizer niets meer te verwachten had, gaf het zijne vriendschap aan anderen. Binnenkort zal het niet aarzelen den keizer te verraden, om de zoo vurig begeerde hoofdstad te overrompelen.
In Frankrijk, waar de omwenteling tot nu toe in toom was gehouden, begon deze te stampvoeten en op het gebit te knabbelen. Parijs sidderde van ongeduld om het juk van 't keizerrijk af te schudden, en, terwijl het op 't oogenblik loerde van naar de barricaden te ijlen, zond het naar de wetgevende vergadering slechts gezworen vijanden van Napoleon.
De Fransche Katholieken hadden sinds lang ingezien hoezeer zij bedrogen waren, zij verwijderden zich van een man die hen tot in het diepste der ziel gekrenkt had door den
473
474 Dn Goddclyke beloften der H. Kerk
Rechtvaardige aan den smaad der goddeloosheid prijs te geven. Te midden van dezen toestand kwam de rampspoedige uitval der Mexlcaansche onderneming, die ontzaglijke sommen en stroomen bloed gekost had, den alge-raeenen afkeer ten top voeren. Frankrijk werd gewaar dat Napoleon's geluksster begon te dalen, dat zijn invloed en voorrang in Europa ten einde liep.
De gebeurtenissen waren daarenboven vooruitgegaan. Pruisen had de wereld verbaasd door zijne bliksemsnelle overwinningen. In zes weken tijds had het de Staten van den Duitschen Bond machteloos gemaakt en één veldslag was voldoende om Oostenrijk neêr te vellen. De vrede werd gesloten ten voordeele des overwinnaars en de Duitsche éénheid, dochter der Italiaansche éénheid, kwam tot stand onderden schepter van koning Wilhelm van Pruisen (1S66).
De zoo schielijk opdagende grootheid van een Staat die noodzakelijkerwijze Frankrijks mededinger was, deed Napoleon III schrikken. Hij besloot hem in zijn vlucht te stuiten, doch het was reeds te laat. Pruisen, dat in Frankrijk een dreigenden vijand erkende, had niets verzuimd om zich tot een schrikbarende worsteling voor te bereiden; ook, op den dag der oorlogsverklaring, was het volkomen strijdvaardig, en Frankrijk niet.
Wie herinnert zich de ijzing niet welke gansch Europa aangreep, toen de twee machtigste legers der wereld, dat van Frankrijk en dat van Duitschland, tegen elkander gingen botsen en elkander vernielen. â Nog vol van de herinneringen door Napoleon I achtergelaten, twijfelden de meeste toeschouwers geenszins aan Frankrijks zegepraal. Te Parijs zong men; Naar Berlijn! naar Berlijn ! en het Fransche volk, zoo verliefd op krijgsroem, dweepte weer een oogenblik met den keizer die nieuwe lauweren beloofde.
Napoleon echter liet zich door geen droombeelden ver-
De dood der kokver volgers.
leiden. Indien hij op de overwinning rekende, toch wist hij dat hij ze slechts ten koste der grootste offers zou behalen. Dan beging hij een laatste laagheid en vulde de maat zijner ongerechtigheden. De eenige duizenden soldaten, die bij den troon van Pius IX de wacht hielden, riep hij van Rome terug en dien roemrijken Paus gaf hij aan de willekeur van Italië over. Zoo kon hij wel de onzijdigheid van zijnen vroegeren bondgenoot koopen, maar bekwam toch in 't uur des gevaars de hulp niet die hem misschien zou gered hebben. Het ondankbaar Italië was er alleen op bedacht uit den ondergang van den stichter zijner eenheid voordeel te trekken.
Den 4 Augustus 1870 scheepte zich de laatste Fransche soldaat te Civita-Vecchia in, om naar Frankrijk weder te keeren; â denzelfden dag seinde koning Wilhelm aan koningin Augusta : â Groote maar bloedige overwinning!quot; Het Pruisisch heir had inderdaad zijn eerste zegepraal bevochten en het legerkorps van generaal Douai, die aan 't hoofd zijner soldaten sneuvelde, letterlijk vernield. Napoleon had de 4000 man, die den Paus tegen zijne vijanden verdedigden, teruggetrokken, en terzelfder ure, op den dag af, vielen 4000 Fransche soldaten doodelijk gewond op het slagveld. Dat was het begin eener straf wier grootheid en uitgestrektheid weinig voorbeelden in de geschiedenis aantreffen.
Het Pruisisch leger had zijne bewegingen zoo behendig verborgen dat de Franschen er niets van wisten en zich nog aan geenen aanval verwachtten. Plotseling komen de Duitschers op twee verschillende punten over de grenzen gestormd, overrompelen hunne vijanden en banen zich een bloedigen weg naar het hart van Frankrijk.
Den 0 Augustus, werd Mac-Mahon te Woerth onder driemaal sterkere strijdkrachten verpletterd, en, op denzelfden dag, onderging generaal Frossard een even droevig lot te
476 !)(-â Godclclvjke beloften der H. Kerk.
Forbach en te Spiekeren. Het Fransche leger was uit zijne stellingen verdreven; Mac-Mahon vluchtte in aller haast met de overblijfselen van zijn legerkorps naar het kamp van Chalons, en Bazaine, aan wien Napoleon het opperbevel had moeten afstaan, poogde de rest der strijdkrachten rondom Metz samen te trekken.
Terzelfder tijd brak in Parijs een oproer los. De weerslag der geleden nederlagen was zoo groot onder het volk, dat het ministerie Ollivier moest aftreden en het bestuur aan Maarschalk de Palikao overgeven. Napoleon was aldus reeds zedelijkerwijze, zoowel te Parijs als bij 't leger, van zijn gezag beroofd.
Intusschen rukte het Pruisisch heir met een verwonderlijke snelheid vooruit en dreigde den keizer den terugtocht naar de hoofdstad af te snijden. De keizerlijke prins werd in aller ijl naar Parijs teruggezonden, uit vreeze dat hij in de handen des vijands mocht vallen. Drie verwoede gevechten werden rondom Metz geleverd den 14, 16 en 18 Augustus. Zij hadden tot gevolg dat Bazaine met meer dan 200,000 man binnen de muren dier vesting bleef opgesloten. Napoleon III, die tusschen twee gevechten had kunnen ontsnappen, ging naar Chalons om er een nieuw leger op de been te brengen en, met Mac-Mahon, Bazaine ter hulp te snellen. Doch de Pruisen bleven niet werkeloos. Na het Fransche leger te Metz vast ingesloten te hebben, namen zij den schijn aan van rechtstreeks naar Parijs te trekken.
Mac-Mahon begaf zich alsdan met 150,000 man naar de Belgische grens in de hoop van over Sedan tot Metz door te dringen, Bazaine te verlossen en zich vervolgens op de achterhoede van het Pruisisch leger, dat op Parijs aanrukte, te werpen.
Het plan scheen behendig, maar de beroemde Duitsche veldheer von Moltke had het weldra ontdekt. Terstond
De dood der kerkrermgers.
staakte hij den optocht zijner troepen naar Parijs, keerde rechtsom en dreef het leger van Mac-Mahon voor zich uit, totdat het aan de Belgische grens in een hoek samengedrongen, noch naar Metz kon voortrukken, noch naar Frankrijk achteruittrekken.
Een zegevierende slag alleen kon den ijzeren band verbreken die het van alle kanten omknelde. Den len en 2en September beproefde Mac-Mahon de kans, maar nog eens werd hij verslagen.Des anderen daagsgafzichNapoleonlII met de rest zijner troepen over. De Pruisen maakten meer dan 100,000 krijgsgevangenen, de Belgen ontwapenden ongeveer 20,000 vluchtelingen, die op hun grondgebied de wijk hadden genomen. Ruim 30,000 lijken overdekten de velden in de omstreken van Sedan.
De tijding van deze ramp, die grooter en vooral schandelijker was dan die van Frans I te Pavia, bracht in geheel Frankrijk een schrikbarende opschudding teweeg. Te Parijs, in de stad der volksbewegingen, barstte reeds den 4. September een omwenteling uit. De regeering van Pa-li kao wrelke tot het laatste oogenblik toe de overwinning had laten hopen, kon zelfs geen ernstigen maatregel nemen om het oproer te bedwingen. De wanorde was algemeen en een woedende menigte vroeg de afzetting des keizers. Buiten zich zeiven en van hare raadgevers verlaten in een zoo hachelijk oogenblik, had keizerin Eugenie, regentes in Napoleon's afwezigheid, ternauwernood den tijd om hare kostbaarste juweelen te verzamelen en met haren zoon naar Engeland te vluchten. Napoleon III, na zijn degen aan zijnen overwinnaar te hebben overhandigd, was ondertusschen door België naar Duitschland overgevoerd en in het kasteel van quot;VVillemshöhe opgesloten, waar hij het einde afwachtte van den rampzaligen oorlog dien hij tegen zijn land had doen uitbarsten.
Het tweede keizerrijk der Napoleons was ten einde, na
477
47S Du Goddelijke beloften der II. Kerk
een bestaan van 18 jaren. Het viel onder den last zijner eigen misslagen verpletterd, zonder eer en waardigheid. In zijn voorspoed had Napoleon III vergeten dat er een hoogere rechtvaardigheid is, die men niet straffeloos versmaadt. Alsdan, zoo zegt men, had hij meermaals, in zijn hoogmoed en vermetel vertrouwen op zich zeiven, aan den onsterfelijken Pius IX zekeren raad durven geven, welken deze, volgens hem, volstrekt moest volgen, wilde hij het Pausdom van den ondergang vrijwaren. Pius IX liet hem antwoorden dat hij voor zijne raadgevingen dankbaar was, maar dat hij hem aanspoorde zich liever om het behoud zijner eigen kroon te bekreunen. De groote Paus had goed voorzien; ook toen het keizerrijk zoo jammerlijk ineenstortte, kon hij, van op zijnen troon, ondanks al wat men in 't werk had gesteld om hem er van af te werpen, den deerniswaardigen val aanschouwen van dengene, die de voornaamste bewerker zijner onheilen geweest was en die aanzijn eigen macht onbeweeglijke grondslagen meende gegeven te hebben door ze op de gunst van het volk te vest'gen. Doch â zoo de Heer niet een huis (jelmnul heeft, hebben zij tevergeefs gearbeid die het bouwen:quot; â Nisi Do-minus cedificaverit domum. in vaaum laboraverunt qui (cdificant illam.quot; Dit woord van den profeet is eeuwig waar : geen macht zal duurzaam zijn, indien zij niet rust op waarheid en recht.
Alvorens de rampen te vermelden die Frankrijk teisterden na de nederlaag van Sedan, volgen wij tot het einde toe Gods gerechtigheid over het keizerlijk stamhuis. De onttroonde Napcleon III nam de wijk naar Engeland in het kasteel van Chislehurst. En daar, in plaats van tot inkeer te komen en te begrijpen dat de hand Gods op hem tot zijn eeuwig heil nederdrukte, beraamde hij slechts plannen om terug op den troon te komen, ofschoon een plechtige stemming der landsvergadering hem voor altijd
Le dood der kerkvervohjn s.
vervallen verklaard had. God liet hem den tijd niet die plannen uit te voeren.
Napoleon III leed sinds lang aan den steen. Zijne kwaal verergerde en eene heelkundige bewerking werd noodzakelijk geoordeeld. Opdat zij zonder smart zou geschieden, bracht men den lijder door middel van choroform in ge-voelloozen toestand. Napoleon sliep dan in met de vaste overtuiging van nog te ontwaken, â doch zijn slaap veranderde in een doodslaap, hij ontwaakte niet meer. Eensklaps bespeurden de geneesheeren dat de keizer zijn krachten verloor, zij poogden hem tot het bewustzijn terug te roepen, vergeefsche moeite. Napoleon III stierf zonder dat het hem mogelijk geweest was zich door het ontvangen der laatste genademiddelen onzer Moeder de H. Kerk tot den dood voor te bereiden. Rampzalig einde van een rampzalig leven !
Na den dood des keizers erkenden de Fransche Bonapar-tisten als hun opperhoofd den jongen prins, zijn zoon, en gaven de hoop niet op hem eens onder den naam van Napoleon IV te zien heerschen. Ten einde roem en een naam te verwerven, nam de prins, op twintigjarigen leeftijd, dienst als vrijwilliger in het Engelsch leger en ging oorlog voeren in het Zululand. Nauwelijks in Afrika ontscheept, begaf hij zich naar de voorposten der Engelsche troepen. Eilaas! de ongelukkige prins jaagt den krijgsroem na en bespeurt niet dat de dood hem op de hielen volgt en hem zal treffen eer hij zijn doel heeft kunnen bereiken. Met eenige soldaten door eene talrijke bende Zulus verrast , wil de prins vluchten, doch hij wordt omsingeld, en, na zich dapper tegen den vijand verdedigd te hebben, valt onder de assagaaisteken neer. Toen de telegraaf dat treurig nieuws aan Europa berichtte, hoorde men allerwegen een rechtzinnig geklaag van deernis en medelijden. Men dacht aan het vorstenhuis der Napoleons, voor den tweeden keer
â¢179
De Goddelijke beloften der H. Kerk.
getroffen en tot den wortel toe verdelgd ; men dacht aan de arme moeder, keizerin Eugenie, die hare wanhoop slechts kon stillen door hare tranen en gebeden te gaan storten op de plek zelve waar haar teergeliefde zoon gevallen was.
XXVI.
FRANKKUK VERPLETTERD.
De val van Napoleon III, wiens trouwelooze handelwijze den Paus aan de Italiaansche Omwenteling had overgeleverd, ontwapende Gods rechtvaardigheid niet; neen, Gods machtige arm bleef z waar op het land drukken, dat in de misdaad zijns Keizers gedeeld had en thans ook zijn rechtvaardig aandeel in de straf moest hebben.
Den 4 September 1870, werd te Parijs de Republiek uitgeroepen. De tien afgevaardigden der hoofdstad vormden het voorloopig bestuur des lands onder voorzitterschap van generaal Trochu. Xiet zoodra waren die mannen aan 't hoofd des lands, of zij besloten den oorlog tegen de Duitschers voort te zetten en alles te wagen, liever dan den vooruitrukkenden vijand, zooals Jules Favre zeide, een duim gronds of een steen der vestingen af te staan. In hun blinden hoogmoed en dolle opgeblazenheid, verbeeldden die mannen zich dat'hunne holklinkende proclamaties de dicht ineengesloten gelederen der Pruisen zouden breken of tegenhouden; de ongelukkigen zagen niet in dat zij Frankrijk naar den afgrond voerden.
Pas waren de duizenden Fransche krijgsgevangenen naar Duitschland vervoerd, of het Duitsche leger zette zijnen optocht naar Parijs voort. Den lCen September verschenen de voorposten onder zijn wallen en den 20en derzelfde maand was de onmeetbare stad nauw ingesloten.
480
De dood der kcrkvervolgers.
Ons plan is niet al de bloedige en schrikwekkende gebeurtenissen welke het beleg dier stad kenmerkten, aan te halen; wij willen enkel zekere daadzaken aanstippen waarin men op bijzondere wijze de tusschenkomst der Goddelijke Voorzienigheid bespeurt.
In den loop der maand October behaalde generaal d'Aurelles de Paladine, in de nabijheid van Orleans, een vrij belangrijke overwinning op de Beieren ; reeds schepten de Franschen moed en koesterden zij de hoop Parijs te kunnen ontzetten. Maar, o wreede teleurstelling! opeens vernam men dat generaal Bazaine, die in Metz met het puik van 't Fransche leger door de Pruisische troepen belegerd was, zich overgegeven en tweehonderd duizend man met vaandels, kanonnen en krijgsvoorraad, aan den vijand overgeleverd had. Prins Frederik-Karel die tot hiertoe met zijn legerkorps vöör Metz gelegen had, kreeg nu de handen vrij, en rukte met groote dagmarschen voorwaarts naar het middelpunt van Frankrijk. Hij kwam juist bijtijds om generaal d'Aurelles, die Parijs poogde te ontzetten, terug te drijven.
Eenige weken later, zou het Fransch leger van Parijs, een beslissenden uitval wagen, terwijl het leger der Loire van een anderen kant de belegeraars moest aangrijpen. Generaal Trochu had de zege beloof d. en Ducros, die het bevel over de troepen der stad voerde, had verklaard dat hij slechts dood of zegevierend zou wederkeeren. Maar, al was hun plan nog zoo goed beraamd, toch werd hun doel gemist; eene gebeurtenis waarop zij niet gerekend hadden, kwam alles verijdelen. Gedurende den nacht die hunnen uitval door zijn duisternis moest begunstigen, zwollen schielijk de wateren van de Seine zoodanig op, dat de troepen in hunnen optocht verhinderd werden, en men den uitval tot den volgenden nacht moest uitstellen. Onder-tusschen waren de Pruisen iets gewaargeworden en had-
31
481
Da Goddelijke beloften der H. Kerk.
den de bedreigde punten duchtig bezet. Toen nu de Fran-schen, den volgenden dag, de vijandelijke verschansingen aanrandden, werden zij op een doodend kanon- en geweervuur onthaald, dan op hunne beurt aangevallen, en. na twee dagen van bloedigen strijd, in de stad teruggeworpen.
In de volgende maand Januari beproefde het ongelukkige Frankrijk een laatste krachtsinspanning om zich van den overweldiger te ontdoen, die sinds zes maanden zijn bodem verwoestte. Drie legers stonden te been: een in 't Noorden, onder bevel van Faidherbe, en twee in 't Zuiden, waarvan het eene door generaal Chanzy, en het ander door Bourbaki aangevoerd werd. Op een bepaald oogenblik. begonnen de drie legers eenen drievoudigen aanval. Chanzy en Faidherbe rukten van twee kanten op Parijs aan, om de vijandelijke legers te doorbreken, terwijl Bourbaki met 150,000 man naar Belfort snelde, met het inzicht die vesting te ontzetten en daarna aan de Duitsche legers den weg naar Duitschland af te snijden. Dat reuzenplan had ongetwijfeld kans om te gelukken, en toch liep het uit op een ijzingwekkende en volkomen nederlaag. En zoo men nu vraagt waarom de beste maatregelen mislukten, waarom, gedurende dien langen en vreeselijken oorlog, Frankrijk geen enkele ernstige overwinning behaalde, ondanks de dapperheid zijner soldaten en de bekwaamheid zijner veldoversten, dan vinden wij slechts één antwoord; dat ongelukkig land had God miskend en Dengene beleedigd die over de overwinningen naar welbehagen beschikt; God wilde aan Frankrijk de straf zijner misdaden doen dragen.
Generaal Faidherbe onderging een bloedige nederlaag eer hij tot de hoofdstad kon geraken, en vluchtte met het overschot zijns legers naar de vestingen van het Noordergedeelte des lands. Generaal Chanzy vocht als een leeuw, maar moest voor de overmacht bukken en week naar het Zuiden. De garnizoenstroepen van Parijs hadden een nleu-
482
De dood der kerkvervolgers. 483
wen uitval gewaagd om hunnen bevrijders de hand te bieden, maar werden insgelijks verslagen en vluchtten wanhopig binnen de stad terug. Nog droeviger was het lot van Bourbaki. Reeds wTas hij in de nabijheid van Belfort doorgedrongen, de Pruisen voor zich uit drijvend, teen hij eensklaps vernam dat Parijs zich overgegeven had om aan den hongersnood te ontsnappen, en dat een wapenstilstand geteekend was waarin men vergeten had zijn leger te begrijpen. Bourbaki was dus verloren, zoo hij niet onmiddellijk naar het Zuiden van Frankrijk terugweek ; hij liet dus zijn krijgsplan varen en beval den aftocht. Maar de ongelukkige generaal was nog niet ten einde zijner rampen. Pas was de terugtocht begonnen of deze werd den Pran-schen afgesneden door een Duitsch legerkorps dat de laffe Garibaldi, zonder ernstigen tegenstand, voor zich had laten doortrekken. In razende wanhoop poogde Bourbaki zich te zelfmoorden, doch hij gelukte er slechts in zich zwaar te verwonden. Door die waanzinnige misdaad van zijn bevelhebber beroofd, had het leger geen kans meer om te ontsnappen; het moest noodzakelijk, ofwel in de handen der Pruisen vallen, ofwel zich op Zwitsersch grondgebied verschuilen ; het verkoos dit laatste middel. Zoo eindigde de noodlottige oorlog van 1870-1871 ; de droevige gevolgen van dien krijg voor Frankrijk kunnen wij volgenderwijze, in weinige woorden, samenvatten;
Napoleon III ontkroond ; de Republiek uitgeroepen; een derde deel van het land verwoest; Straatsburg beschoten en ingenomen ; Metz en Parijs, door een ijzingwekkenden hongersnood geteisterd en gedwongen zich aan den vijand over te geven; honderden steden en dorpen geplunderd, vernield, neergebrand ; de schoonste landerijen verwoest; boven de 400,000 Franschen, als krijgsgevangenen naar Duitschland vervoerd; 30,000 vluchtelingen in België opgevangen, ontwapend en opgesloten ; 120,000 andere op
484
dezelfde wijze behandeld in Zwitserland; 200,000 soldaten gevangen te Parijs zelf; 100,000 lijken op de slagvelden uitgestrekt; twee provincies aan Frankrijk ontnomen, en aan Pruisen een schadevergoeding van vijf billioenen uitgekeerd! â Zag men wel ooit grooter nederlaag en dieper vernedering !
XXVII.
HET MODERNE BABYLON.
Het keizerrijk van Napoleon III is weggeblazen en zijn stamhuis verdelgd; Frankrijk is platgetreden onder den ijzeren hiel der Duitschers en ligt te zieltogen ; zal die straf nu voldoende zijn om Gods gramschap te verzoenen ? Neen. Parijs, de stad der vermaken en losbandigheden, de stad der omwentelingen en goddeloosheden heeft nog niet genoeg ondervonden, hoe dwaas zij was met tegen God en zijne wet op te staan en zijne rechtvaardigheid te trotsee-ren. Na den oorlog en den hongersnood zal nog een hardere straf haar kastijden.
In de voorloopige vredesvoorwaarden had koning Wilhelm van Pruisen, nu tot keizer van Duitschland uitgeroepen, bepaald, dat zijn zegevierend leger een triomfante-lijken optocht door Parijs zou houden. Deze vernedering, welke men de trotsche hoofdstad oplegde, gaf aanleiding tot het uitbarsten der Commune. Onder voorwendsel van te verhinderen dat de kanonnen en de krijgsvoorraad in de handen der vijanden zouden vallen, maakte er zich het Parijsche gepeupel meester van en voerde ze naar die wijken der stad welke het Pruisisch leger niet moest doortrekken. Daar vormde zich weldra een oproerige partij, die Parijs regeerde zonder op de hooge overheden acht te geven; Toen, eenige wreken later, het bestuur van M. Thiers dezen regeeringloozen toestand ontdekte en verhelpen wilde.
Di' dood der kerkvervolgers.
brak het oproer openlijk uit. De veldoversten Lecomte en Thomas, afgezonden om de kanonnen aan het gepeupel te ontrukken, zagen zich eensklaps van eene vijandige menigte omgeven ; hunne troepen liepen onthutst uiteen of staken de geweerkolven omhoog en spanden met de muiters samen. Ondanks hunne kalme en waardige houding werden de twee ongelukkige generaals aangehouden, voor een soort van rechtbank gevoerd, ter dood veroordeeld en doodgeschoten.
Deze misdaad was als een onheilspellende bliksemstraal die uit eene zwarte en sinds lang dreigende wolk plotseling losschiet. De Fransche regeering begreep alsdan welk schrikbarend onweder op de hoogten van Montrnartre gebroeid had gedurende de korte tusschenregeering die de rampspoeden des vaderlands gevolgd had. Zij was er verschrokken van. De maatregels welke zij nam om het oproer te dempen, bleven zonder gevolg, omdat men niet vastberaden genoeg optrad en er geen eenheid bestond in de uitvoering ; misschien ook was de regeering, in de alge-meene verwarring, niet bij machte om krachtdadiger de orde te herstellen. De opperhoofden, van alle kanten overvleugeld en door een gedeeltelijken afval der troepen ontmoedigd, meenden wijselijk te handelen met naar Versailles de wijk te nemen, ten einde daar de beteugeling des oproers in te richten.
Het vertrek der overheden was het sein van een alge-meenen schrik bij de aaiiliangeis der openbare orde, doch tevens van een grenzenlooze stoutmoedigheid bij de oproerstokers. Terwijl de eersten uit Parijs zochten weg te sluipen, maakten zich de anderen van schier al de versterkte krijgsposten meester, namen bezit van het stadhuis en riepen de Commune uit. Met Frankrijk ware het gedaan geweest, indien de overige groote steden het voorbeeld van Parijs gevolgd hadden. Gelukkig bleven zij aan
De Goddelijke beloften der H. Kerk.
de orde getrouw, zoodat de omwenteling der Commune in Parijs, haar hevigste brandpunt, samengedrongen, een woesten en wanhopigen strijd tegen de rest van Frankrijk-ging beginnen. Moorddadige en wreede broederoorlog die in eenige weken meer slachtoffers en puinhoopen maakte dan de reusachtige inval van een millioen Duitschers.
De Communisten, thans meester van Parijs, onderdrukten met geweerschoten de geringste pogingen tot herstelling der orde. De vrijheid was voor hen niets anders meer dan het vermogen van hun te gehoorzamen, zich bij hunne troepen aan te sluiten en aan al hunne aanslagen deel te nemen. In hunne dolle woede, wilden zij zelfs aan levenlooze dingen hunne wraak koelen. Het huis van M. Thiers, voorzitter der Eepubliek, werd tot op den grond afgebroken ; de Colonne Vendöme, roemrijk gedenkteeken van Napoleon I, werd omvergehaald en ter aarde geworpen. Volgens hen was er in Frankrijk geen grootheid meer. die niet met het bewind der Commune had aangevangen : geheel zijn verleden moest verdelgd worden.
Intusschen was M. Thiers er in geslaagd te Versailles een machtig leger te verzamelen. Hij stelde het onder de bevelen van Mac-Mahon en legde dezen op de Commune te dempen. De Communisten werden hierdoor nog woedender. De achtereenvolgende nederlagen die men hun deed ondergaan, vervoerde hen tot razernij. â Toen zij zich verloren zagen, hadden zij slechts eene gedachte meer, namelijk zich onder de puinhoopen van Parijs te begraven.
De troepen der orde hadden eenige muiters met de wapens in de hand gevangen en onmiddellijk volgens, krijgs-recht doodgeschoten. Bij wijze van weerwraak besloot de Commune de voornaamste mannen aan te houden die niet hadden kunnen of willen uit de stad vluchten. Onder hen bevond zich de aartsbisschop van Parijs, Mgr Darbois, de rechter Bonjean en verscheidene kloosterlingen. Jezuïeten
486
De, dood der kerkvervolgers.
en Dominicanen. Do Commune nam hen als gijzelaars, verklarende ze voor den kop te zullen schieten, indien de troepen van Versailles of der regeering voortgingen met de oproermakers van kant te maken. Daar evenwel het leger der orde zich door deze bedreigingen niet liet tegenhouden, werd het bevel van de gijzelaars ter dood te brengen gegeven en op onmenschelijke wijze uitgevoerd. De aartsbisschop, M. Bonjean, de kloosterlingen en een groot aantal bekende mannen vielen onder de kogel van vuige booswichten. Schrik en angst bevingen de Parijzenaars : aanhoudend werd er gevochten zoowel binnen de stad als op de wallen; het bloed vloeide bij stroomen door de straten.
Eindelijk slaagden de troepen van Mac-Mahon er in eene poort der stad bij verrassing te overrompelen en Parijs binnen te dringen. Nu kende de woede der Communisten geene palen meer. Terwijl zij straatschansen opwerpen om zich voet voor voet te verdedigen, stellen zij alles in 't werk om niets dan puinen achter zich te laten. Wijven, echte hellevegen, loopen rond om petroleum in de huizen te gieten en vervolgens er het vuur aan te steken. Gansche straten zijn weldra de prooi der vlammen ; het paleis der Tuillerieën, het stadhuis en andere openbare gebouwen ondergaan hetzelfde lot. Geheel Europa verneemt met ijzing deze schrikbarende gebeurtenissen, en ziet nu hoe diep een volk kan dalen dat het heilzaam juk van den Godsdienst heeft afgeworpen en aan zijne booze driften den teugel viert.
Parijs ware geheel en al verwoest geworden, indien de soldaten van Mac-Mahon niet zoo spoedig en zoo krachtdadig hadden doorgetast en de brandstichters en moordenaars in hun vernielingswerk tegengehouden. Maar welk een schouwspel! In al de straten liggen lijken bij hoopen, duizenden huizen en openbare gebouwen staan iu brand
487
De Goddelijke beloften der H. Kerk
en reusachtige vlammen slaan uit de instortende daken ten hemel op ; het geweervuur knalt aanhoudend en vermenigvuldigt de slachtoffers; en, temidden van dat alles, ziet men mannen, erger dan duivels, rondloopen, de deuren openbreken, de weerlooze burgers uitstroopen en vermoorden, den vernielenden brand stelselmatig voortzetten en onder het uitbraken van vloeken en verwenschingen voet voor v oet het terrein tegen de wrekers der orde verdedigen ! â Nooit moesten de volkeren een dergelijk strafgericht uit het geheugen verliezen.
XXVIII.
HET CLERICALISME, ZIEDAAR DEN VIJAND!
Frankrijk had vreeselijk geleden; zijne hoofdstad, waar het zoo trotsch op was, lag gedeeltelijk in puinen; zou het nu, na dit pijnlijk wedervaren, de oogen openen en den weg der goddeloosheid verlaten waarop het niets anders dan schande, verval en ondergang ontmoet had? â Men koesterde een oogenblik die hoop, want de afgevaardigden door geheel het land gekozen en te Bordeaux bijeengeroepen, waren in groote meerderheid conservatief en Katholiek. Frankrijk scheen dus den rug te willen keeren aan de grondbeginsels der Omwenteling om hare redding bij de voorstanders van den godsdienst en het koningschap te gaan zoeken. Eilaas! die heilzame verandering duurde niet lang. Evenals zij uit de vrees voor de ijselijke Commune ontstond, zoo ook verdween zij naarmate de openbare rust en veiligheid hersteld werd.
De slimme staatsman Thiers bewerkte dat de vergadering voorloopig de Republiek als regeeringsvorm behield en hem zeiven als voorzitter aanstelde. Dan wist hij alle verdere pogingen om den Graaf van Chambord tot koning van Frankrijk uit te roepen, zeer behendig te verijdelen.
488
De dood der Jcerkvervolgers.
Toen de koningsgezinden eindelijk bemerkten dat de meerderheid hun ontsnappen ging en zij zich doorM. Thiers om den tuin hadden laten leiden, was het te laat. Tevergeefs spanden zij al hun krachten in om met behulp van Maarschalk Mac-Mahon zoo niet het koningdom, dan toch een conservatief bestuur aan 't hoofd van Frankrijk te stellen, zij waren een te zwakke dijk tegen den opnieuw aanwassenden en alverd eigen den stroom der omwenteling opgeworpen. Mac-Mahon zag zich gedwongen het voorzitterschap neder te leggen en de beruchte volksmenner Gambetta. die tijdens den oorlog te Tours en te Bordeaux zijn voor Frankrijk zoo noodlottige rol gespeeld had, werd nogmaals van den toestand meester en bepaalde duidelijk zijne staatkunde door den kreet van haat en woede : â Het Clericalisme, ziedaar den vijand!quot;
Aldus, voor dien razenden zot, gelijk Thiers zelf hem gedoopt had, was Prankrijks vijand niet die vreemdeling, welke het zoo ongenadig onder zijne bloedige hielen verpletterd had. noch die afschuwelijke moordenaarsbende welke Parijs in brand gestoken en met stroomen bloed overdekt had, noch die rampzalige goddeloosheid welke het volk wreed en woest gemaakt en het land tot op den rand des afgronds gevoerd had ; - neen, Prankrijks vijand was het Clericalisme, d. w. z. de Katholieke Godsdienst. Volgens Gambetta, waren in Frankrijk de priesters te vrij en te talrijk, men moest hun heilzaam leerambt aan banden leggen, ja, hen zeiven des noods hel land uitjagen; maar de Communisten, die voorvechters der wanorde en vernielers van alle maatschappelijke grondvesten, moest men grootmoedig van hunne welverdiende straf ontheffen en uit de ballingschap terugroepen. Er waren ook te veel kloostervrouwen om te bidden, de arme kinderen te onderwijzen, de zieken te verplegen, de wankelende schreden van een grijsaard of een weeskind te ondersteunen... men
489
De Goddelijke beloften der H. Kerk.
moest ze onbarmhartig uit hare stille schuilplaatsen, uit de scholen, hospitalen, gast- en weeshuizen verdrijven, en dan ze vervangen door wereldsche huurvrouwen. door de petroleusen, de heldinnen der barricaden en de schaamte-looze lichtekooien. Ziedaar de staatkunde welke de meester van den dag aanwees als de meest geschikte om zijn vaderland in de oogen der vreemde mogendheden te verheffen en tot zijn vroegere welvaart en grootheid terug te voeren.
En, o dwaasheid, o verblindheid van het Fransche volk ! die dolzinnige staatkunde vond aanhangers. Frankrijk wierp zich in de armen van Gambetta en zocht nogmaals het geneesmiddel tegen de kwalen waaraan het lijdt, in de vervolging van den Godsdienst welke alleen bij machte is het te redden.
Wij zullen die nieuwe vervolging niet breedvoerig verhalen, het zij voldoende hier aan te stippen dat het helsche plan, door Gambetta ontworpen, stelselmatig en trapsgewijze werd uitgevoerd. Doch wij mogen niet nalaten den naam van hem, die den eersten stoot gegeven had, op de lange en narre lijst der gestrafte kerkvervolgers neer te schrijven.
Gambetta was op het punt het opperbeheer van Frankrijk in handen te krijgen en zou dan voorgoed zijne ontwerpen hebben kunnen doordrijven, toen hij plotseling van hettoo-neel der wereld werd weggerukt, door een ongeluk of eene misdaad, waarin men echter duidelijk een straf der Voorzienigheid moet erkennen. Op zekeren dag, in November 18S2, kondigde een telegram aan geheel Europa dat Gambetta, terwijl hij een revolver hanteerde, zich toevallig een kogel in den arm had geschoten ; de wonde, voegde men er bij, had weinig te beteekenen en leverde geer gevaar op. Doch men vernam spoedig eene andere uitlegging van het voorval. Eene vrouw, zoo werd er verteld, met wie
490
De dood der kerkvervolgers.
491
Gambetta in schuldige betrekking had gestaan en die woedend was omdat hij haar verlaten had, zou op hem een revolverschot gelost en hem aan den arm gewond hebben. Deze verklaring vond meer bijval dan de eerste en werd nooit gelogenstraft. Zeker is het, dat de gebeurtenis geen bloot toeval was zooals men had willen doen gelooven, want men maakt geen geheim van iets dat het daglicht kan lijden, en nooit hebben de vrienden van Gambetta de ware toedracht van het gebeurde willen openbaren. (1)
Gambetta's toestand verergerde en weldra konden zijne vrienden hunne vrees niet meer verbergen. â Na eenige weken van onrust, gedurende dewelke men nu eens berichtte dat Gambetta aan de beterhand was en dan weder dat zijne kwaal verslimmerde, vernam men eensklaps dat hij op sterven lag. Groot was de ontroering door dit nieuws in Frankrijk teweeggebracht. Men zou gezegd hebben dat het lot der Republiek met het leven van dezen man onafscheidelijk verbonden was. Zijne vrienden voeren tegen de geneesheeren uit, die hem van een onbeduidende wonde niet hadden kunnen genezen. De geneesheeren gaven zeer juist ten antwoord dat de wonde in de levensorganen van Gambetta een onverwachte storing veroorzaakt had, dat een kunstbewerking zou noodzakelijk geweest zijn om hem te genezen, maar dat van den anderen kant deze operatie den dood van den grooten man slechts zou verhaast hebben. Ten gevolge van nieuwe beschuldigingen verloren de geneesheeren het geduld en gaven onbewimpeld de oorzaak te kennen, die de werking der geneesmiddelen verhinderd
(i) Volgens berichten van latere dagteekening was Gambette. inderdaad het slachtoffer der wraak eener misleide vrouw. Om de schande van hunnen aanvoerder te verbergen, onttrokken zijne vrienden dit schelmstuk aan het gerecht.
De Goddelijke beloften der H. Kerk
en de heelkundige bewerking onmogelijk gemaakt had ; namelijk de. diepe en verderfelijke ontsteking door een schandige ziekte in het gestel van den losbandigen Gangt; betta voortgebracht.
Dusdanig moest het einde wezen van den man die, twee jaren vroeger, door gansch Frankrijk den oorlogskreet had doen weergalmen : âHet Clericalisme, ziedaar den vijand!quot; De gelukzoeker die zijn land uitzoog, terwijl hij als redder optrad, de vervolger die hoon en laster tegen de Kerk durfde uitbraken, stierf door de hand eener vrouw en aan de schandelijke gevolgen der ontucht. Gisteren meende hij, gelijk zoovele anderen voor hem, het Clericalisme ten onder gebracht te hebben en heden had hij den doodsreutel in de keel; het naderen des doods deed al zijn valsche grootheid verdwijnen en liet alleen nog de al te wezenlijke schande zijns levens uitkomen. Zoo ook drijft een rukwind de grijze dampen weg die uit de stinkende moerassen op-walmen en dezer vuilnis voor het oog des voorbijgangers verbergen.
Den 31 December tegen middernacht gaf Gambetta, nauwelijks veertig jaren oud, den geest. Droevige dood. die door geen enkel teeken van leedwezen over het verleden, door geen enkel gedacht voor het toekomstig lot der onsterfelijke ziel vergezeld ging. Een redeloos dier sterft niet anders.
De staatkunde van Gambetta is niet met hem in 't graf gedaald. Frankrijk blijft voorthollen op den ingeslagen weg zonder den afgrond te willen zien waar hij onvermijdelijk â op uitloopt. Zal God dat ongelukkig land nog eenmaal op den rand zijns verderfs tegenhouden en het tijd gunnen tot nadenken, berouw en boete? Dat is voor ons een ondoordringbaar geheim. Zoo lang de Graaf de Chambord nog leefde, kon men hem als den voorbestemden redder beschouwen ; doch nu deze laatste hoop ook ontvallen is.
492
De dood der kerkvervolgers.
493
weet men niet van welken kant of door wiens tusschen-komst de heropbeuring van Frankrijk te verwachten is. Men zou haast gelooven dat God dit ontrouw geworden volk aan zijn lot wil overlaten en men is geneigd hier de woorden toe te passen van den grooten Bossuet over de verwerping van het Joodsche volk : Indien God Fr ankrijks ongerechtigheden eeuwen lang geduld heeft uit liefde voor zijne dienaren Karei den Groote en den Heiligen Lodeivyjk IX, indien God ten voordeele van Frank rijk dikwijls verbazende iconderen gewrocht heeft, â indien Hij door een H. Genoveva Attila's woeste horden van Parijs heelt afgeweerd, door een Karei Martel de dweepzieke Muzulmannen te Poitiers heeft verpletterd, door eene Jeanne d'Arc de Engelsche overweldigers heeft verdreven en Karei VII op den troon hersteld, â zal Hij nu ook niet aan dat rijk de omceerstaanbare kracht van zijnen arm doen gevoelen, dewijl het meer en meer zijn oude vroomheid verzaakt en in de goddleoosheid hardnekkig voortgaat ? Reeds meer dan eens hebben de vorsten van Europa of Frankrijks eigen verdwaalde zonen tot werktuigen der Goddelijke wraak gediend. En daar, niettegenstaande deze straffen, de goddeloosheid van dag tot dag toenam, heeft God een en veroveraar verwekt, vreeselijker dan al de anderen, en hem bestemd om Frankrijks overmoed te fnuiken, zijnen krijgsroem te vernietigen, zijne hoofdstad te vernederen en zijne vruchtbare streken verwoestend te door-loopen. En toch komt Frankrijk niet tot inkeer noch tot boetvaardigheid. Boven de dienaars van God verkiest het de valsche profeten die het met bedriegelijke voorspellingen paaien en in zijn misdaden stijven. Frankrijk schrikke en beve ! Want als zijn boosheid ten top zal gestegen zijn, cds zijn hoogmoed, en tevens zijn zwakheid even sterk zullen zijn aangegroeid, dan komt wellicht op nieuw de wreker en wie weet of hij dan niet, als een andt re Nabuchodonosor, tot zending zal hebben alles te verwoesten en tot stofte vergruizen.
494 De Goddelijke beloften der H. Kerk.
XXIX.
DE KÃLTUKKAMP.
Pruisen was in Gods hand een werktuig geweest om het plichtvergeten Frankrijk te kastijden, en won op de slagvelden van 1870 de kroon van het Duitsche keizerrijk, welke niemand meer gedragen had sedert de vernieling van het oude Heilig Keizerrijk door Napoleon I. Zoo werd de koning van Pruisen. Wilhelm I, keizer van Duitschland.
Met het oog op de vroegere handelwijze van dezen vorst en de uitstekende diensten door de Katholieke bevolking gedurende den vreeselijken Fransch-Pruisischen oorlog bewezen, kon niemand vermoeden dat de nieuwe keizer zoo spoedig de sporen zou volgen van Hendrik IV en Fre-derik I, wier vervolgingen en rampspoeden wij hierboven verhaald hebben. Dan de staatsman, die het bestuur van Pruisen in handen had, bleek een al te scherp doorzicht te hebben om niet te beseffen dat de verdrukking der Katholieken, verre van het jeugdig keizerrijk, door zijn staatkundig vernuft opgericht, te versterken, het onvermijdelijk moest verzwakken door een aanzienlijk gedeelte der bevolking te kwetsen en te verbitteren. Hij zag dit echter niet in.
Beeldde zich von Bismarck in dat hij even gemakkelijk , den weerstand der Katholieken als dien der Franschen zou breken? â Meende hij dat de godsdienstige éénheid eene noodzakelijke voorwaarde was tot de duurzaamheid dei-pas bevochten éénheid van het groote Duitsche vaderland? â Of wel vervolgde hij slechts de Katholieken ten gevolge van een geheim verbond, dat hij met de quot;Vrijmetselarij gesloten had om zich hare medewerking gedurende den oorlog te verzekeren? â Wie zal ooit de geheimzinnige beweeggronden ontsluieren welke den beruchten kanse-
De dood der kerkvervolgers.
lier er toe brachten om eensklaps, in 1870, dezen uitroep vol bedreigingen in de wereld te werpen: âEr bestaat in Europa een Internationale vreeselijker dan de roodi-, namelijk de zwarte Internationale?quot; â Zeker is het althans dat deze plotselinge oorlogsverklaring aan de Katholieke Kerk vanwege eenen Staat, die alle reden had gehad om zich over hare diensten te verheugen, een algemeene verbazing teweegbracht, en dat aanvankelijk niemand aan de wezenlijkheid van dergelijk plan, even dwaas als rampzalig, geloof wilde hechten. De gebeurtenissen evenwel spraken weidia te luid om nog eenigen twijfel hieromtrent over te laten. â Prins von Bismarck had vastgesteld onbepaald dat de Katholieke Kerk zich aan den Staat zou onderwerpen, en hij begon den aanval met al de onstuimigheid van zijn karakter en met het blind vertrouwen dat hem een lange reeks van schitterende overwinningen inboezemde.
Daar nu de Pruisische grondwet deze vrijheidmoordende plannen in den weg stond, deed von Bismarck eerst de hinderlijke artikelen wijzigen ; vervolgens in 1872 en 1873, liet hij door eene slaafsche meerderheid de beruchte Mei-wetten stemmen welke hij het volgende jaar door nieuwe vervolgingsmaatregelen voltooide.
De oorlog was begonnen, de eerste slagen door den ge-duchten kanselier, bijgenaamd â Be ijzeren man,quot; toegebracht, waren verschrikkelijk. Overal, in ai de Pruisische staten, werden de kloosterlingen en de nonnen uit hunne huizen verjaagd. Tevergeefs hadden zij zich aan het onderwijs der kinderen en het verplegen der zieken gewijd; tevergeefs hadden zij den kogelregen getrotseerd en de Duitsche soldaten op de slagvelden gevolgd om hun moed in te boezemen, hun de vertroostingen van den Godsdienst te bezorgen en de arme gekwetsten in het dompige veldhospitaal te verplegen ; tevergeefs hadden zij hun leven
495
De Goddelijke beloften der H. Kerk.
voor hun vaderland en hunne lijdende broeders veil gehad; hun loon was de ballingschap; als vuige booswichten werden zij uit hun vaderland verdreven door eene regeering die kort te voren hunne uitstekende verdiensten openlijk had geprezen en hun het eerekruis op de moedige en edele borst had vastgemaakt.
Pas waren de keurbenden der Kerk verstrooid, of het regelmatig leger, de wereldsche geestelijkheid, werd op hare beurt aangevallen. De meeste bisschoppen werden van hunne zetels verdreven, duizenden pastoors en kapelaans tot boete, gevangenis of ballingschap veroordeeld. In eenige maanden tijds waren de opeengehoopte puinen onmetelijk, en Bismarck, die zich reeds zeker waande van de overwinning, riep uit in zijn laatdunkendheid en hoogmoed: «Neen, wyj gaan niet meernaar Canossa!quot; â En toch moest hij er heen, eerder zelfs dan hij dacht; hij moest er heen gelijk Hendrik IV en Frederik I.
Twee dingen verijdelden de uitgestrekte plannen van den grooten staatsman, twee dingen, waaraan hij niet gedacht of die hij veracht had, te weten: van den eenen kant de bewonderenswaardige weerstand der Katholieke bevolking, en van den anderen, de even vreeselijke als schielijke ontwikkeling der socialistische beginselen.De kanselier had zich aangesteld als waren de samenzweringen der zwarte Internationale gevaarlijker dan de al te wezenlijke samenzwering der roode Internationale; â welnu, de eerste zou hem verbazen door hare waardige en standvastige getrouwheid tot in het hevigste der vervolging, en de andere maakte zich gereed om hem door hare drieste aanslagen te doen beven op het eigen oogenblik dat hij te haren voordeele werkte door de Kerk,te verdrukken.
Terwijl de Katholieken, vol vertrouwen in de heiligheid hunner zaak, zich bij de moedige mannen aansloten, welke de verdediging hunner belangen op zich namen en
496
in den loop der eeuwen.
zoo dat centrum vormden, waarvoor von Bismarck weldra het trotsche hoofd zou moeten buigen, â smeedden de socialisten in de duisternis eenen aanslag tegen het leven des keizers en beraamden zij de omwenteling der maatschappij.
Wilhelm I was een vorst, die de grootheid van zijn land en het welzijn zijner onderdanen behartigde. Allen, zoo Katholieken als Protestanten, erkennen de oprechtheid en ongeveinsdheid zijner bedoelingen. Doch hij beging een misslag door al te veel vertrouwen te stellen in den man van vernuft, die hem met roem overladen had en hem nu in een openlijke vervolging tegen de Katholieke Kerk meesleepte. God liet dan ook toe dat hij op vreeseiijke wijze zijne dwaling moest inzien.
In 1S78, werd een eerste aanslag op zijn leven gepleegd. Een ellendeling schoot op hem, terwijl hij in een open rijtuig reed door de straten van Berlijn. De keizer werd gelukkig niet gewond.
Hij was nog niet van zijn schrik bekomen, toen zich een ander moordenaar op zijn weg plaatste en hem ditmaal in zijn rijtuig, gewond en bebloed, omverwiep. Twee aanslagen in veertien dagen tijds, tegen Europa's machtigsten en roemrijksten vorst, in het hart zijner hoofdstad, onder de oogen van gansch een leger lijfwachten en politiebeambten gepleegd, dat was even ongehoord als schrikbarend !
Wilhelm I vernederde zich onder de beproeving. Niet minder in zijn hart dan in zijn lichaam getroffen, erkende hij, dat hij verkeerd had gedaan met den Katholieken Godsdienst te vervolgen, want de Godsdienst is 't vooral, die in het hart der onderdanen den eerbied voor den Sou-verein en de gehoorzaamheid aan de wetten staande houdt. Hij deed nog meer, hij had den moed deze waarheid luidop te verkondigen, toen de edelen van het keizerrijk
32
497
Be Goddelijke beloften der H. Kerk
hem kwamen gelukwenschen na den misdadigen aanslag waarin hij aan een wissen dood ontsnapte.
Van toen af was Duitschland gezind om den vrede te herstellen. De hoogmoedige von Bismarck moest onderdoen voor den wil des keizers alsook voor de manhaftige en edele houding van het Katholieke volk. Tegen wil en dank was hij den xveg op naar Canossa! â Zijne verandering was echter meer gedwongen dan wel rechtzinnig. Langzamerhand, en na veel tegenstribbelen, heeft hij één voor één de geweldigste vervolgingswetten teruggetrokken: maar, al heeft hij het zwaard in de scheede gestoken, altijd dreigt hij het weer uit te trekken om opnieuw wondend en doodend toe te slaan.
De verbannen priesters en kloosterlingen, uitgenomen de Jezuïeten en Redemptoristen, zijn voor en na naar Duitschland teruggekeerd; de verweerde parochiën bezitten wederom hunne herders en vele andere onrechtvaardigheden zijn hersteld. Doch de Poolsche provinciën worden strenger dan ooit behandeld, en Pruisen schijnt al zijne macht te verzamelen om de Polen hunne moedertaal en tevens hun geloof te ontrukken, waaraan zij zoo trouw gehecht zijn. Is dat misschien een nieuw krijgsplan ? Onmachtig om de Katholieken gezamenlijk te overwinnen, wil men ze wellicht afzonderlijk en achtervolgens aantasten, ten einde ze de eenenna de anderen neer te vellen? Hoe het zij, ééne zaak is zeker: Von Bismarck zal er zijnen roem niet door vergrooten, maar wel bezwalken, en Pruisen zal er rampen bij inoogsten in plaats van geluk en welvaart.
De laatste levensjaren van keizer quot;Wilhelm I zijn door familieongelukken verbitterd geworden. Eer hij zelf ten grave daalde, heeft hij maanden lang zijn oudsten zoon, kroonprins Frederik, aan eene ongeneesbare kwaal, den keelkanker, zien lijden. Hij stierf in den ouderdom van
498
De dood der kcrkvervolgers.
een en negentig jaren; zijn roem is groot maar bevlekt door bloedige oor logen en door eene onrechtvaardige kerkvervolging, welker dwangwetten hij niet geheel en al afschafte. Keizer Frederik II heeft hem slechts drie maanden overleefd. Wat de nieuwe en jeugdige keizer Wilhelm II zijn zal, moet de toekomst ons leeren. Eene groote verantwoordelijkheid berust op hem, want hij beschikt over eene macht, die hem toelaat krachtdadig het kwaad te bestrijden en het goed te bevorderen. Moge hij zijne plichten begrijpen en manmoedig volbrengen; wij wenschen het in het belang zijner kroon en voor het welzijn van zijn volk.
XXX.
SCHRIKKELIJKE DOOD VAN ALEXANDER II, KEIZER VAN RUSLAND.
Wie kent niet de droevige geschiedenis van Polen! Onder drie keizerrijken verdeeld, heeft het, sinds een eeuw, geen nationaal bestaan meer; doch zijn grootste ongeluk ligt hierin dat het voornaamste gedeelte, aan Rusland toegewezen, om zijn geloof gekweld wordt, ja zelfs een lange en smartvolle marteling doorstaat. De Moskovische bar-baarschheid zoekt verwoed en hardnekkig Polen van zijn kostbaarsten schat, van den Katholieken Godsdienst, te berooven, tot welks verdediging het eertijds zoo menige roemvolle overwinning behaalde en het bloed zijner onversaagde helden vergoot. Heden is het zwak en machteloos, heden heeft het niets meer dan zijne tranen en gebeden, om de wreede slagen van onmeedoogende beulen af te weren.
Maar de heldhaftigheid zijner trouw aan den God zijner voorvaderen, ondanks de hardnekkigste vervolging, verdient wellicht meer onze bewondering dan die welke het voorheen op de slagvelden ten toon spreidde. God, in allen
499
De Goddelijke beloften der H. Kerk
gevalle, heeft Polen niet verlaten en 't is niet onwaarschijnlijk, dat het uur der vergelding voor een eeuw vol lijden welhaast zal slaan.
Onder al de Russische keizers, die zich het meest onverbiddelijk jegens dat volk getoond hebben, moeten wij gewis Czaar Alexander II vermelden. Gedurende de regeering van dezen vorst, werd alles in het werk gesteld om den Polakken hun taal en oude zeden, hun volkskarakter, hun Katholiek geloof te rooven. Polen werd aan de willekeur eener woeste, roof- en moordgierige soldatenbende overgeleverd ; zijn beste burgers, zijn priesters en bisschoppen, werden met duizenden naar Siberië verbannen ; zijn klachten en zuchten werden in zijn bloed gesmoord. Die euveldaden konden niet ongestraft blijven; de kastijding kwam dan ook langs een weg dien men niet voorzien had. Terwijl de Czaar niets anders droomde dan Polen te verdelgen, rees in 't harte zelf zijns keizerlijks een vijand op, die hem dreigend in de oogen durfde zien, een vijand die, hoewel geheimzinnig en onbereikbaar in zijnen oorsprong en zijne toerusting, niettemin driest en onverzoenlijk was in de uitvoering zijner vreeselijke plannen. Die vijand was het Nihilism,e. een goddelooze sekte, welke voor haar land de in de overige rijken van Europa bestaande vrijheden eischt, en besloten heeft, om ze te verkrijgen, de verfoeilijkste middelen aan te wenden.
De Czaar weigerde toe te staan wat men van hem vraagde. Hij dacht, en niet zonder reden, dat hij, door een gedeelte zijner macht aan het volk af te staan, de deur dei-omwenteling zoude openen, en hij meende door strengheid en woest geweld de Nihilisten te kunnen bedwingen. Dat lukte hem niet; hij verbitterde nog meer de aanhangers der nieuwe begrippen van vrijmaking des volks, en dan begon tusschen den Czaar, met al de macht zijne, onbepaalde heerschappij uitgerust, en de vermetele samen-
500
Be dood der kerkvervolgers.
zweerders, bereid om alles te wagen, een schrikbarend tweegevecht, dat den verdrukker van Polen duur moest te staan komen.
De Czaar, die een leger van lijfwachten en soldaten te zijnen dienste had, zond ukazen aan zijn volk, onderdrukte met de uiterste strengheid elke poging tot weerspannigheid ; hij liet gevangennemen, ter dood veroordeelen of naar Siberië verbannen al wie verdacht was van met de Nihilisten te heulen ; â deze antwoordden op de ukazen met nog onbeschaamder en dringender hun eischen uit te drukken, op elke poging om den opstand te dempen met een verdubbeling van geweld en driestheid, op de veroordeelingen en terechtstellingen met een doodvonnis tegen den keizer zeiven.
Voor éénen Nihilist, door het gerecht aangehouden en aan den beul overgeleverd, schenen er honderd andere uit den grond op te rijzen om hem te wreken. Alexander II was nergens in veiligheid. Brieven vol afgrijselijke bedreigingen kwamen hem op geheimzinnige wijze toe: hij vond ze, tot zelfs in zijne geheimste vertrekken. Keisde hij in den vreemde, hij voelde dat hem een onzichtbare vijand volgde, die op het gunstig oogenblik loerde om hem den doodslag te geven. Keerde hij in zijne staten weder, de vijand wachtte hem daar. geduldig, altijd waakzaam, zicli alleen openbarend door plotselinge aanslagen die, al gelukten zij ook niet, steeds vreeselijker en stoutmoediger werden. Meer dan tien jaren lang leidde Alexander II aldus een leven vol schrik en angst. Zijn bestaan was ellendiger dan dat van den laatsten zijner onderdanen.
In 1867, in het hart van Parijs, te midden van de feesten der algenleene tentoonstelling, sist eensklaps langs zijn ooren een kogel, die hem bestemd was en hem zou doorboord hebben, hadde niet een lijfwacht van Napoleon III den tijd gehad om zich op den moordenaar te werpvn en het schot af te wenden.
De Goddelijke beloften der H. Kerk
Eenige jaren later wandelt hij voor zijn paleis to St-Pe-tersburg, onder het waakzaam oog en de bescherming der schildwachten; daar nadert een voorbijganger, wiens argeloos voorkomen niet het minste vermoeden doet opvatten. Op eens haalt de kerel een revolver voor den dag, legt op den Czaar aan en schiet. Om aan een wissen dood te ontsnappen. werpt de keizer zich op den moordenaar en worstelt met hem lijf om lijf, tot de schildwachten komen toegesneld en zich van dien woestaard meester maken.
Een andermaal ontploft eene mijn onder den spoorweg op het oogenblik dat de keizerlijke trein voorbijvaart, en de Czaar heeft zijn behoud alleen aan een toevallige omstandigheid te danken. Twee keizerlijke treinen rolden over dezelfde lijn ; de eene vervoerde den keizer met zijn gevolg, de andere het reisgoed. Om een onvoorziene reden was de gewone orde dezer treinen omgekeerd geworden en de samenzweerders, die deze verandering niet kenden, hadden den trein met het reisgoed beladen doen springen.
Van angst terneergeslagen, sluit zich nu Alexander II op in zijn winterpaleis te St-Petersburg.Duizenden soldaten en gerechtsdienaren omgeven hem dag en nacht en laten geen man tot hem naderen, dien zij niet te voren zorgvuldig onderzocht hebben. Op zekeren dag ontvangt hij het bezoek van een prins; de keizer noodigt zijne gasten op een middagmaal met zijne familie. Het etensuur is nabij en de keizer met zijn hof richten hunne schreden naar de eetzaal, als eensklaps een vreeselijke knal weergalmt. Het geheele paleis dreunt en waggelt tot in zijne grondvesten. Eene mijn ontplofte onder de zaal zelve van het feestmaal en deed de gewelven en vloeren in de lucht springen. Hadden zij zich niet eenige oogenblikken verlaat ten gevolge van een door de Voorzienigheid beschikt voorval, dan waren zij en allen, de Czaar, zijne gasten, de prinsen van den bloede en de hovelingen, de slachtoffers geworden eener
502
De dood der kerkvervolgers.
misdadige onderneming, waartoe een ongehoorde stoutheid en een buitengemeene macht vereischt werden. Om dat plan ten uitvoer te brengen hadden de samenzweerders maanden lang gewerkt en een onderaardsche loopgracht gemaakt, die onder de wallen, grachten en opene plaatsen van het paleis doorliep en juist onder de eetzaal des keizers uitkwam. Ja gewis, die ellendelingen beschikten over ontzaglijke geldmiddelen en zij waren in staat het onmogelijke te beproeven, om hun slachtoffer te bereiken en aan hunne woede op te offeren.
Eenige maanden gaan in eene betrekkelijke stilte voorbij. De Nihilisten schijnen verdwenen te zijn. De keizer hervat moed. Onder de hoede eener talrijke lijfwacht, waagt hij het eenige regimenten der bezetting in wapenschouw te nemen. Niets ongewoons doet zich voor onderweg, noch gedurende de oefeningen. Maar als de Czaar wederkeert, wordt eene bom onder zijn rijtuig geworpen ; zij ontploft, het rijtuig is verbrijzeld, eenige soldaten liggen levenloos op den besneeuwden grond welken zij met hun bloed kleuren, de menigte deinst verschrikt achteruit... Intusschen stapt de keizer, bleek van ontroering, uit zijn ontredderd rijtuig. Nog eens was hij als door een wonder aan een wissen dood ontsnapt. Hij nadert tot een der gewonde soldaten om hem een woord van vertroosting toe te voegen, toen een tweede vuurkogel voor zijn voeten rolt, ontploft, zijn beide beenen vermorzelt en zijne ingewanden openscheurt. De Czaar zakt in de sneeuw neer. Men richt hem weder op, men bedekt hem met een mantel, men plaatst hem op een slee en voert hem in aller haast naar het paleis. â Het is koud,quot; zegt de keizer tot een dienaar die hem vraagt hoe het gaat. Dat was zijn laatste woord. Eenige uren later gaf hij den geest. (April 1S81).
De vervolger van den Godsdienst, de verdrukker van Polen was niet meer.
508
De Goddelijke beloften der II. Kerk.
Zijn oudste zoon volgde hem op, doch in de eerste twee jaren dierf hij zijne ontoegankelijke schuilplaats te G-at-schina niet verlaten. Zal hij door het ongelijk zijns vaders geleerd, de vervolging staken en aan het verdrukte Polen vrede en vrijheid schenken ? Zijn de onderhandelingen sedert verscheidene jaren met den H. Stoel aangeknoopt, rechtzinnig en zullen zij op een voldoenden uitslag uitloo-pen? Dat moet de toekomst ons leeren. Wij zullen hopen en bidden.
SLOT.
Met Alexander II sluiten wij de lange lijst der kerkver-volgers, door Gods hand zichtbaar geslagen. Wij hebben ze echter geenszins uitgeput, â verre van daar. Wij zouden ons het hoofd niet behoeven te breken om ons de namen te herinneren van talrijke vervolgers die, op een min of meer uitgestrekt tooneel, den Katholieken naam waanden uit te roeien en die verdwenen zijn na de ijdel-heid hunner booze ondernemingen en het mislukken hunner rampzalige plannen met eigen oogen te hebben aanschouwd. Doch wij vermeenen dat Napoleon I, die als balling en gevangene op de rots van St-Helena stierf; dat Napoleon III, die, onttroond en gebannen, in Engeland den geest gaf; dat de stamhuizen dezer twee vorsten, slag op slag uitgeroeid; dat Cavour, als door den bliksem getroffen op het oogenblik dat hij de hand slechts behoefde uit te steken om Rome, het voorwerp zijner hebzucht, te overmeesteren; dat Parijs, verbrand en uitgeplunderd door de handen zijner eigen ontaarde kinderen; dat Gambetta, die het slachtoffer werd van de wraak eeher bedrogene vrouw en van zijn eigen schanddaden; dat keizer Wilhelm, die te midden zijner overwinningen en ofschoon door een mil-
504
â
.
De dood dir kerkvervolgers.
lioen bajonetten omgeven, voor zijn leven beefde; dat de Czaar, dien de bommen vermorzelden, nadat hij aan eene reeks van ongehoorde aanslagen ontkomen was; â wij vermeenen, zeggen wij. dat de schrikwekkende val, het tragisch einde van al die groote vervolgers van onzen tijd ons ruimschoots het recht geven om te bevestigen dat Gods arm niet is ingekort en misschien nooit zoo klaar-blijkend zijne macht deed ondervinden.
Ja, welk tijdvak was rijker aan indrukmakende en vree-selijke uitwerksels van die wet, door de Voorzienigheid vastgesteld, welke wij op de eerste bladzijde dezer vlugge studiën aangaven en welke wij van eeuw tot eeuw hebben zien toepassen op al de kerkvervolgers, van den overspeler, die Joannes den Dooper om 't leven bracht, tot aan dien gemeenen doch hoogmoedigen gelukzoeker, die in zijn Godsdiensthaat, uitriep: Het Clericalisme, ziedaar den vijand! quot; Zij zijn beurtelings de Kerk Gods komen aanvallen, trotsch op hunne macht, bij voorbaat spottend met het slachtoffer, dat zij zeker meenden neer te vellen en voorgoed in den kuil te werpen ; en niets anders hebben zij uitgericht dan zich zolven in het graf te storten. â Dit feit, dat door de geschiedenis der negentien sedert de stichting der Kerk verloopen eeuwen in een helder daglicht gesteld wordt, dat voorzegd en voortdurend tegen alle menschelijke vooruitzichten in bevestigd werd, dit feit, op zich zelf genomen, is een mirakel, bekwaam om den on-geloovigsten de oogen te openen, een mirakel dat den tegenwoordigen en toekomstigen vervolgers een heilzame vreeze moest inboezemen.
En toch zal het aldus niet wezen.
De Goddelijke tusschenkomst zal men ontkennen, de wonderbare reeks der straffen zal men door toevallige oorzaken uitleggen, den nog meer verbazenden vooruitgang der Kerk in weerwil van allerhande hinderpalen zal
505
De Goddelijke beloften der H. Kerk.
men aan menschelijke middelen toeschrijven, welke niet bestaan of met de uitwerksels geen evenredigheid hebben, â en men zal voortgaan, gelijk voorheen, met zich zeiven te bedriegen door het droombeeld, dat het mogelijk is haar omver te werpen, die onvernielbaar op het Goddelijk woord gegrond is: â Non prwvalebunt, zij zullen niets vermogen
Laten wij dus de menschelijke boosheid met den hel-schen haat samenspannen en haren dwazen strijd voortzetten; getrouw aan onzen plicht van kinderen der Kerk en zeker van haren eindtriomf, houden wij ons gereed om de nieuwe voorbeelden der Goddelijke rechtvaardigheid aan te stippen. Alles doet vermoeden dat onze verwachting van korten duur zal zijn.
Millioenen mannen staan onder de wapens, de arsenalen zijn overvol van moordtuigen, de volkeren beloeren elkander als vijanden die op het punt staan zich te lijf te willen; terwijl aldus de uitwendige veiligheid nergens bestaat, wellen vernielende hartstochten in de volksmenigten ; de grenspalen van recht en rechtvaardigheid liggen omver, de vreeze Gods verdwijnt, en men meent dat zulk een toestand duren kan? â Neen, dat is onmogelijk. Hij zal spoedig, misschien morgen, op eene schrikbarende volksramp uitloopen.
Men zegge niet: âWat zouden wij vreezen? Staat het maatschappelijk gebouw niet stevig en hecht, en hebben wij niet de gewapende macht om het oproer te dempen, indien het zich op straat durfde vertoonen?quot; IJdele hoop ! treurige droombeelden! die als rook zullen verdwijnen op den dag door de Voorzienigheid voor het losbarsten van den orkaan bepaald.
Voorzeker, het maatschappelijk gebouw staat nog recht, maar hoe lang zal het blijven staan als zijne grondvesten, telken dage ondermijnd, achtereenvolgens instorten ? â De wanorde heerscht, wel is waar, nog niet op straat,
506
De dood der kerkvervolgers.
doch hoe lang zal dat duren, als men de heersehzucht, de ontucht, den haat, alle zondige hartstochten den teugel viert, als zij, die over de openbare orde moeten waken, met de mannen der regeeringloosheid samenspannen, als men met opzet de zedelijke banden verbreekt, die den boozen wil in bedwang houden ? Ja, de gewapende macht is daar, sterk en geweldig, doch hoe lang zal zij de openbare orde blijven handhaven, wanneer hare bestanddeelen zelve stelselmatig aan allen beschavenden invloed onttrokken en aan de toomelooze driften, die tot weerspannigheid en oproer leiden, overgelaten worden ?
Voor ons lijdt de zaak geen twijfel: Wij naderen met rassche schreden een tijdperk van omwenteling en beroerten, wier ijselijke wezenlijkheid wij ternauwernood kunnen gissen uit de tot hiertoe gedane, doch mislukte pogingen. Die gebeurtenissen verlangen wij niet: Wanneer men eenen jongeling de noodlottige gevolgen van zijn wangedrag voorspelt, dan wenscht men hem daarom geen kwaad toe. doch men waarschuwt den schuldige, opdat hij zijne dwaling inzie, eer het te laat is ; â dusdanig is ook onze rol, dusdanig onze plicht jegens de maatschappij. Zonneklaar is het, dat zij op het pad van goddeloosheid en zedenbederf haar doel niet bereikt, maar onvermijdelijk de vree-selijkste rampen en onheilen te gemoet snelt. â Wij zeggen het haar met de eilaas! slechts flauwe hoop, dat zij niet verder zal gaan, terwijl het nog tijd is. Wij doen meer, wij doen al wat wij kunnen, in onzen nederigen werkkring, om den rampzaligen stroom, die haar mede-sleept, tegen te houden. â Waarschijnlijk zal de maatschappij haren weg dooi gaan zonder acht te geven op de plechtige vermaningen die haar toekomen van Petrus' H. Stoel en waarvan onze zwakke stem slechts de weerklank is.
Wat er ook van zij en wat er ook gebeure, wij verheugen
507
De Goddelijke beloften der H. Kerk.
508
ons onzen plicht vervuld te hebben, wij wachten de gebeurtenissen met kalmte af en zien de toekomst met een onwankelbaar vertrouwen te gemoet. Want zoo God toelaat dat de maat der boosheid somtijds overloopt, hij gedoogt het alleen ter wille van het goed, dat hij er uit zal trekken. Wanneer de maatschappij tot het uiterste gebracht, vernederd en ontbonden, in haar zelve geen redmiddel zal vinden, dan zal zii tot de Kerk van Christus wederkeeren, tot die Moeder, welke zij vandaag versmaadt en die, alleen nog overeind op de opeengehoopte puinen, het verloren kind in hare armen weder zal oprichten, hem zijne eerste kracht zal teruggeven en zich over zijne vroegere ondankbaarheid door duizenden nieuwe weldaden zal wreken.
Christenen, die deze bladzijden gelezen hebt en u in uw Geloof versterkt gevoelt door de jaarboeken van het verleden te overzien, betracht uwe plichten van het huidig uur, en, dewijl men uwe moeder vervolgt, vereenigt uwe pogingen en gebeden om haar door de bekeering der vervolgers en der verdwaalden te doen zegepi^alen.
ETNDE.
INHOUD.
Pag.
Verklaring. . . ...... ..... V
Goedkeuringen ... ...... .VIII
Aan den Lezer . .... .... XIII
Voorwoord ... ..........XV
Inleiding ... ............ i
EERSTE DEEL.
DE GODDELIJKE BELOFTEN DER H. KERK IN DEN LOOP DER EEUWEN.
I. Eene uitzinnige onderneming............7
II. De Apostelen...........11
III. De eerste Martelaar........... i5
IV. De H. Paulus...........17
V Het testament van den H. Petrus .... 23
VI. De Pausen die den marteldood stierven. . . 27
VII. De soldaten van Christus.......29
VIII. In hoe signo vinces............. . 32
IX. De Kerkleeraars ... ......37
X. De Monniken...........46
XI De Kerk en de Barbaren.......5i
XII. Bekeering der Franken.........56
XIII. Wonderbare uitbreiding des Geloofs. ... 64
XIV. De volksbeschavers.........69
XV. De tijdelijke macht der Pausen.....73
XVI. Karei de Groote..........81
XVII. De Pausen als verdedigers van den heiligen
huwelijksband..........89
XVIII. Bekeering der laatste Barbaren in Europa. . 93
XIX. Jezus bedaart den storm.......ioi
XX. De H. Gregorius VII.........104
XXI. De Kruistochten..........111
XXII. De H. Bernardus en de H. Norbertus . . . 124
XXIII. Twee groote Pausen.........i32
XXIV. Twee zuilen der Kerk........140
XXV. Het groot Christelijk tijdperk......148
XXVI. De Santa Casa. .........i55
XXVII. De groote kerkscheuring van het Westen . . 159
XXVIII. Joanna d'Arc...........169
XXIX. Een heldenstrijd..........173
XXX. Christophorus Columbus.......179
Inhoud.
Pag
XXXI. Het Protestantisme.........iS3
XXXII. Karei V en Phiiippus II.......187
XXXIII. De Jezuïeten . . ........ig3
XXXIV. De Kerkvergadering van Trente.....197
XXXV. Mozes op den berg.........202
XXXVI. De zeeslag van Lepanto.......207
XXXVII. Nieuwe triomfen des Geioofs . . . 211
XXXVIII. Een Christen gemeenebest.......217
XXXIX De H. Franciscus van Sales en de H. Vincen-
tius a Paulo...........220
XL. De verlossing van Weenen......226
XLI. Tusschen twee stormen........232
XLII. De H. Alphonsus..................287
XL1II. De Broeders der Christelijke Scholen . . 241
XLIV. De eerste aanslagen der Revolutie .... 246
XLV. De Revolutie...........25o
XLVI. Het Concordaat..........260
XLVII. De Herstelling van Godsdienst en maatschappij ............264
XLVIII. Het Liberalisme..........268
XLIX. Eene satansche samenzwering......274
L. Onverwachte uitslag der samenzwering . . 279
LI. De Profetieën van Balaam.......284
Lil. Hoe God op eene uitdaging antwoordt. . . 290
LUI. Pius IX.............296
L1V. Garcia Moreno . ..........317
LV. Leo XIII............327
TWEEDE DEEL.
DF. DOOD DER KERKVERVOLGERS.
1. De Godmoorders..........336
H. De keizers van Rome........342
HL Arius.................354
IV. De Ariaansche keizers van Constantinopel . 357
V. Gods strafgericht over het Romeinsch keizer
rijk .............362
VI. De Byzantijnsche Kerkvervolgers . . . 368
VII. De Ariaansche Barbaren.......374
VIII. De Beeldstormers of iconoclastische keizers, 378
IX. De Lombarden ..........385
X. De Grieksche Kerkscheuring......389
XI. De ijzeren eeuwen..........393
XII. De Nero van het Noorden.......398
510
Inhoud.
Pag.
XIII. Drie dwingelanden in Engeland.....401
XIV. Frederik Rossebaard........403
XV Het vorstelijk stamhuis der Hohenstaufen . 410
XVI. Nog andere Kerkvervolgers uit de middel
eeuwen . . . â¢........415
XVII. Vul van Constantinopel........421
XVIII. De stichters en voorstanders van het Protes
tantisme ............424
XIX. Lodewijk XIV, Koning van Frankrijk â 482
De Keizer-Koster............435
XX. Frankrijk gestraft.........436
XXI. De kopstukken der Revolutie......441
XXII. Napoleon 1............453
XXIII. Een burger-koning..... ... 463
XXIV. Willem I van Holland en Karel-Albert van
Savaoie . .........465
XXV. Napoleon III...........467
XXVI Frankrijk verpletterd........480
XXVII. Het moderne Babyion........484
XXVIII. Het clericalisme, ziedaar den vijand. . . . 488
XXIX. De kulturkamp.............494
XXX. Schrikkelijke dood van Alexander II, keizer
van Rusland . . .......499
Slot..............504
511
ERRATA.
Bladz. 28, regel 10, aan den rand opvulde, - voeg bij; Jaar 222.
â â regel 14, geest gaf, â voeg bij; Jaar 235. â 88 â 15, vechter, - Zees: kampvechter. â 198 â 17, Nicea (225). - lees : (325).
432 â 17, is God sterke arm, â lees: is Gods sterke arm.