-ocr page 1-

PA

Cliristus, lel \m üer prante.

EEN ZESTAL PREEKEN

DOOK

Dl-. .1- A. lt; .V M 1 : 1? .

UTRECHT,

K !■; M I X K ZOON.

(over de Domkerk).

l'ri^: lit//, j 1.

Gel. ,, 1.

-ocr page 2-
-ocr page 3-

B!EÜ gt;TrirEK NED. Hl: vV. KZRK

■A . ei . , ■ r} / ^ ' ■ r ■-

v x ~ /x ö

-ocr page 4-
-ocr page 5-

Jristns, liet leven der pieente.

EEN ZESTAL PREEKEN

VOOR ZIJNE VRIENDEN

TE

-A. L K M A. .A. R

DOOR

Xgt;r. J. CltAMER,,

Utrecht — KEMINK amp; ZOON — (over de Domkerk).

---^ ^ ,

/t D ^ 8

-ocr page 6-
-ocr page 7-

VOOKKEDE.

Met eenige huivering geef ik deze preeken uit. Maar ik weet, dat ik met dit bundeltje enkele vrienden in Alkmaar, waar ik vier jaren met zooveel genot heb mogen werken, genoegen zal doen. Meer dan een heeft mij betuigd, dat mijne prediking hem tot zegen is geiveest. Hoe blijde en dankbaar stemt mij dat! En nu bied ik dit zestal preeken, tv aar lijk niet als proeve van homiletische vaardigheid, maar als bewijs van hartelijke vriendschap aan ter herinnering aan het vele goede, dat God ons door het Evangelie tezamen heeft doen ondervinden.

J. A. CRAMER.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

HET LEVEN DER HOOP.

-ocr page 10-

GEZANG CCIX : 1, 2.

Wees gegroet, gij eersteling der dagen,

Morgen der verrijzenis!

Bij wiens licht de macht der hel verslagen

En de dood vernietigd is!

Heerc Jezus, Trooster aller smarten!

Zon der wereld! schijn in onze harten,

Deel ons zelf de voorsmaak mee

Van der zaalgen sabbats-vreê.

Op uw woord, o Leven van ons leven!

Werpen wij het doodskleed af:

Door de kracht uws Geestes uitgedreven.

Treden w' uit ons zondengraf:

Leer ons daaglijks, leer ons duizcndwerven,

In uw kruisdood meêgekruisigd sterven,

En herboren — opgestaan,

Achter U ten hemel gaan!

-ocr page 11-

1 PETRUS I : 3.

Geloofd zij lt;lc Ood en Vader van onzen Heer Jezus Christus, die naar zijne groote barmhartigheid ons heeft doen wedergeboren worden tot eeue levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de dooden.

PSALM LXXIII : 12,

'k Zal dan gedurig bij U zijn,

In al mijn nooden, angst en pijn;

U al mijn liefde waardig schatten,

Wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten.

Gij zult mij leiden door uw' raad,

O God! mijn heil, mijn toeverlaat!

En mij, hiertoe door ü bereid.

Opnemen in uw heerlijkheid.

Hier hebben wij eeuen juichtoon, die ons goed doet in eenen tijd, waarin zooveel geklaagd wordt, en waarin ook zooveel reden tot klagen bestaat. In dit leven is zooveel wat ons neêrdrnkt, wat ons de handen bindt, wat ons met lamheid slaat. En waarom? Omdat hier de zonde heerscht. De duivel gaat om als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal kunnen verslinden, en ach, hoe menigeen is

i*

-ocr page 12-

4

reeds zijne prooi geworden, hoevele levens hebben wij in de zonde zien ondergaan, hoe menigmaal heeft de zonde ook in ons leven verwoestend gewerkt! Men spreekt van de vele teleurstellingen, die dit leven ons bereidt. En terecht. Telkens wordt aan onze verwachtingen de bodem ingeslagen, gaan onze wenschen in rook op en wordt ons geluk verstoord, verandert onze blijdschap in droefheid. Hier beneden is het niet! En toch zijn het niet de teleurstellingen, toch is het niet het leed dezer aarde, dat ons ongelukkig maakt. De oorzaak van ons ongeluk moet hierin worden gezocht, dat wij zondaars zijn. Het is de zonde die ons leven bederft, die van alles den glans afneemt, die ons vreemd maakt aan ons zeiven, omdat zij ons vervreemdt van God!

Gelukkig dat wij een Evangelie hebben, een Evangelie der opstanding, dat ons spreekt van eene andere wereld, neen, niet alleen van eene andere wereld spreekt, maar die andere wereld, de wereld van licht en blijdschap, vrede en kracht, die hoogere wereld voor ons opent, wat meer is, ons in die wereld brengt. Velen zijn er, die van dat Evangelie niet willen weten. De wereld, die den Christus kruisigde, toont nog steeds, dat zij van zijn Evangelie niet gediend is. Vandaar de sombere toon in haar leven, vandaar die stemming van levensmatheid. Want het leven heeft zijn doel en daarmede zijne beteekenis verloren, wanneer het niet wordt beschenen door het licht der opstanding. Het graf

-ocr page 13-

5

is zoo verschrikkelijk, wanneer het den mensch niets anders te zeggen heeft, dan dat alle vleesch is als gras. En die gansche wereld, die leeft en zich beweegt, gaat naar dat zwijgend graf. Het eene geslacht na het andere daalt in die donkere diepte af. Men hoopt, men vreest, men strijdt, men maakt a elkaar het leven moeilijk, eenmaal zullen allen

zwijgen, zwijgen zoowel degenen, die hier zulk een hoog woord hebben gevoerd, als degenen, wier stem slechts in kleinen kring heeft weerklonken. Hoe dwaas om in dit leven zooveel drukte te maken, om van allerlei aardsche wenschen zooveel werk te maken, 't Is alles toch maar voor eenen tijd. De krachtige jonge man, die eenmaal zoo vol moed het leven tegenging, is weldra een oude man geworden, hulpbehoevend en gebrekkig, die moet bekennen, dat het leven hem niet heeft gebracht, wat hij er van heeft gevraagd. En de wereld ziet dat alles in. De wereld tracht al die sombere gedachten weg te dartelen, het donkere graf voor het oog te verbergen. Ach, telkens komt de ontnuchtering; de zwarte schaduw, die de dood over dit leven werpt, kan zy niet wegnemen.

En nu leven wij in eenen tijd, die ernstig de waarheid zoekt. God is bezig heerlijke dingen voor te bereiden. De oogen der menschen gaan steeds meer open voor de werkelijkheid. Het ongeloof vroeger zoo rijk in zijn armoede, begint nu zijne armoede ^ niet alleen te gevoelen, maar te bekennen. De oogen

-ocr page 14-

6

van menig ernstig man gaan open voor de somberheid van een leven, dio niets geene hoop heeft voor de toekomst, voor de nietigheid van een leven, dat nooit aan de macht der zonde zal kunnen ontkomen. Vandaar, nog eens, die stemming, die blik op het leven, die zoo somber is, zoo somber, zoo somber!

En daarom doet het ons zoo goed in ons tekstwoord zulk eenen blijden juichtoon te hooren. Hier niets, wat ons leven drukt, niets wat ons de handen bindt, niets wat ons met lamheid slaat, maar alles licht, frischheid, leven, kracht. „ Geloofd zij de God en Vader van onzen Heer Jezus Christusquot;, dien toon kan de zondige wereld niet aanslaan. Zij mist daartoe de snaren op haar instrument, zoowel de lagere, die zoo diep doortrillen en zulk eenen gevoelvollen toon voortbrengen, als de hoo-gere, die zoo helder klinken, zoo hoog opvoeren en de ziel doen klapwieken in de hooge, reine, blauwe lucht. Die snaren heeft alleen het hart, dat leeft in de sfeer van het eeuwige. Zulk een lied kan alleen gezongen worden door een leven, dat een nieuw leven is geworden. Ons tekstwoord spreekt daarom ook van wedergeboorte, d. w. z. van een leven, dat met het oude heeft afgedaan en een geheel nieuw leven is geworden.

Doch laat ons eerst zien, wie dat woord spreekt. Woorden zijn geene levenlooze dingen, steenen, waarmede een huis wordt opgetrokken, maar woorden zijn levensuitingen, die te meer beteekenis krijgen,

-ocr page 15-

7

naarmate de persoonlijkheid, die daar achter is, te grooter van beteekenis is, en wij die persoonlijkheid te beter leeren kennen. Ons tekstwoord, wij gevoelen het, is een juichtoon, die daar opstijgt uit het diepst van een menschelijk hart en zich verheft en verbreedt boven alles, wat duister en zondig en

0 aardsch is, steeds hooger en hooger, tot den God en Vader van onzen Heer Jezus Christus. Ons tekstwoord is een woord van Petrus, een man, groot, omdat hij door Christus is groot gemaakt, een woord dus van groote beteekenis, omdat het de Geest Gods is, die het eenen wedergeborene in de ziel heeft gelegd.

Toen Jezus was gekruisigd, was het leven van Petrus zoo goed als weg. Hij had zijnen Heer verloochend uit vrees voor schande. Door zijne zwakheid had hij zulk eenen bitteren druppel in den lijdensbeker van zijnen Heer gemengd. Wel had hij zijne zonden beweend, wel was hij het onderwijs niet vergeten, dat zijn gestorven Meester hem had gegeven over de zwakheid des vleesches en de kracht ^ van Gods vergevende liefde, maar tegenover zijnen

gestorven Heer, dien hij zoo zielslief had gehad, zijne zonde weer goed maken, dat kon hij niet meer!

M. H., hoe somber moet deze gedachte hem gestemd hebben! de gedachte, dat hij Jezus in het laatst van zijn lijden zulk een bitter verdriet had gedaan en dat hij nu nooit meer de gelegenheid

1 zou hebben om het te herstellen. En dat hij het

-ocr page 16-

8

juist had moeten wezen, die zich altoos zoo op zijne liefde voor zijnen Meester en op zijne standvastigheid had beroemd, hij, die nog zoo nadrukkelijk was gewaarschuwd!

Hoe anders was zijn leven geworden sinds het oogenblik, dat hij door zijnen broeder Andreas tot Jezus was geleid. Toen was op eens de zon beginnen te schijnen. Alles was hij met een ander oog gaan beschouwen. Het koninkrijk der hemelen was hem zoo nabij gekomen. Het licht, de warmte van den hemel had zijn levenspad zoo helder bestraald, zijn harte zoo wonderbaar verkwikt en nu was dat alles voorbij , door eigen zonde had hij dat leven begraven, en het leven dat hij nu leidde, was een leven zonder hemel, zonder licht, de zon was ondergegaan, zonder hoop, want in plaats van eene heldere toekomst, zag hij slechts een donker verleden en den bedroefden blik waarmede zijn Meester, dien hij in de ure der verloochening zoo bitter pijn had gedaan, hem aanzag.

Het leven van Petrus, een leven zonder hoop! Maar wij lezen, dat de opgewekte Heer zijnen treurenden, neergebogen discipel heeft opgericht. „Van Cefas gezien, daarna van de twaalvenquot; zoo luidt het oudste bericht aangaande 's Heeren verschijningen. Het eerst is de opgewekte Heer dus tot Petrus gegaan. O, hoeveel zouden wij hier kunnen zeggen van de opzoekende liefde van Christus, die het eerst gaat tot hen, die 'tmeest aan Hem behoefte heb-

-ocr page 17-

9

ben en het meest om zijn gemis treuren! Wat daar toen tusschen Petrus en zijnen Heer is voorgevallen , wij weten het niet, wij kunnen het slechts vermoeden. Sober, uiterst sober, maar daarom ook zoo waar zijn de evangelische berichten daaromtrent. Dat onderhoud is altoos een geheim gebleven tus-schen den Heiland en hem. Gelukkig degene, die zulke geheimen met Jezus heeft te bewaren. Dat geheim was voortaan de kracht van Petrus' leven. Al weten wij van dat onderhoud niets, één ding staat vast: Petrus leefde weer. Petrus hoopte weer, Petrus hief het hoofd weer op. Het was weer zonneschijn in zijn leven geworden. Door tranen , heen, die niet ophielden te vloeien, mocht hij weer

naar boven, mocht hij weer in den hemel zien. Met Christus was al datgene, wat eertijds zijn leven tot leven had gemaakt, maar verloren was gegaan, uit het graf opgestaan, ja, wat meer is, hij had het veel reiner, veel hooger terug gekregen. Nu was daar geen schuld meer, die hem drukte, de schuld was uitgedelgd. Nu was daar geene zonde meer, die den hemel van zijn geloofsleven bewolkte, de zonde was overwonnen. Hij was in eene nieuwe wereld verplaatst. Van eene wereld, waarin hij niets meer te hopen en alleen te betreuren had, was hij verplaatst in eene wereld, waarin hij alles te hopen en alleen te danken had, te danken voor genade, te danken voor vergevende liefde, die hem j weder levend had gemaakt en eene lichtende toe-

-ocr page 18-

10

komst voor hem had geopend. Dat tegengaan van die toekomst was een voortgaan van licht tot licht, van kracht tot kracht. Het was een leven, dat zijne beteekenis niet ontleende aan het verleden, maar aan de toekomst, het was geene ruïne meer, die zyne beteekenis ontleende aan vroegere grootheid, het was een nieuw gebouw door Gods hand opgetrokken , aan welks hoofdingang een gedenksteen was geplaatst met dit opschrift: „Geloofd zij de God en Vader van onzen Heer Jezus Christus, die naar zijne groote barmhartigheid ons weder heeft gebaard tot eene levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doodenquot;.

Hij was wederom geboren tot eene levende hoop,. Eigenaardige uitdrukking, die echter duidelijk de bedoeling weergeeft. Die hoop op de toekomst, dat zien in het licht van den hemel was niet maar een levenloos iets, zonder kracht, maar het was de kracht van zijn leven, de kern van zijn bestaan. Die hope deed hem leven. Zij werd steeds heerlijker, steeds helderder en naar die mate werd zijn leven steeds schooner, steeds reiner, steeds meer een lofzang ter eere van God. Ziet, M. H., het verwondert ons niet, dat iemand, die zulk eene ervaring heeft gemaakt, blijde uitroept: Geloofd zij de God en Vader van onzen Heer Jezus Christus'1! Zal de vogel niet pijlsnel den hemel tegenvliegen, wanneer hij ter nauwernood aan het gevaar is ontsnapt van gedood of gevangen te worden? Zoo

-ocr page 19-

11

is ook dit loflied een forsche wiekslag naar boveu toe, ver boven alle gevangenschap en dood der zonde uit.

En wat was de oorzaak dier wedergeboorte? De groots barmhartigheid Gods. God, de Vader van zijnen Heer Jezus Christus had naar zijne groote barmhartigheid hem doen wederom geboren worden tot eene levende hoop. Petrus is er van overtuigd: hij heeft dat nieuwe leven te danken aan Gods genade. Niet aan zijne vroegere liefde voor Jezus, want was die liefde niet veel meer een reden tot zijne veroordeeling geweest? Niet aan zijn berouw, want was dat berouw niet veel meer een zich vernietigen geweest voor het heilig aangezicht Gods? Maar alleen aan de barmhartigheid Gods, die hem de verzekering had gegeven, dat hem zijne zond/quot; vergeven waren. En nu was hij van dat nieuwe leven ook zeker. Hij had het alleen aan de groote barmhartigheid Gods te danken, die hem, diep gezonkene had opgeheven; Gods liefde was de grond van zijn nieuwe leven, de kracht, die hem had verlost uit de macht der zonde en nu ook het beginsel van zijn leven was geworden en dat leven voor sterven zou bewaren.

Die barmhartigheid had God hem betoond dooide opstanding van Jezus Christus uit de dooden. Wij zagen daar even, hoe Jezus zijnen neergebogen Petrus dadelijk had opgezocht en opgericht. Onze Heiland is na zijne opstanding dezelfde gebleven, die Hij was vóór zijn sterven. Vraagt het aan Maria

-ocr page 20-

12

Magdalena, die zonder hope heeft geweend bij het ledige graf, vraagt het aan de Emmaüsgangers, die zoo terneergeslagen hunne wandeling naar Emmaus waren begonnen, vraagt het aan Thomas, die in zoo sombere stemming buiten den kring zijner medediscipelen ronddoolde, zij zullen het uit éénen mond met Petrus getuigen, dat zij aan den opgewekten Christus het nieuwe leven te danken hebben en dat de opstanding van Christus het licht is geweest, dat over hun leven is opgegaan, het licht van genade en waarheid, waarbij Grod hen verzekerde van zijne onveranderlijke liefde en barmhartigheid en hun beloofde de volkomen overwinning over alles, wsi; hun leven zijnen glans, zijne warmte, zijne kracht ontnam. Welk eene kracht is de opstanding van Christus geweest in het leven der eerste discipelen. Welk eene kracht is die opstanding geweest in Petrus' leven! Ziet hem daar, naar buiten gaande uit den voorhof van Annas' huis bitterlijk weenende en hoort hem hier juichen; ^Geloofd zij de God en Vader van onzen Heer Jezus Christusquot;! Welk een verschil!

Dat had de opstanding van Christus teweeg gebracht. Neen, het is niet noodig om in samenkomsten der christelijke gemeente het geloof aan de opstanding te gaan verdedigen en de waarheid daarvan te gaan bewijzen. Het feit, dat wij samenkomen op den eersten dag der week, is wel een van de beste bewijzen. Was Christus niet opgewekt, dan zou er geene gemeente zyn, die het geloofde —

-ocr page 21-

13

maar, indien wij gronden voor de waarheid van deze grootste aller gebeurtenissen zouden willen aanvoeren, dau zouden wy kunnen wijzen op de verandering in het leven van Petrus en in het leven van alle discipelen des Heeren teweeg gebracht, de verandering van duisternis tot licht, van droefheid tot vreugde, van moedeloosheid tot kracht, van twijfelmoedigheid tot vast geloof, van somber treuren tot het juichen van „Geloofd zij de God en Vader van onzen Heer Jezus Christusquot;!

M. H., onze tijd is in vele opzichten een tijd van grooten twijfel en daarom van weinig kracht. Ook in de christelijke gemeente heerscht zooveel zwakheid des geloofs. Ach, dat ons geloofsleven helderder ware, dat wij wat meer blijde juichten in Christus' opstanding uit de dooden, zonder de wereld naar de oogen te zien! Het christelijk geloof is te groot om zich te schikken en te plooien naar de eischen van de zondige wereld. En in plaats dat wy ons door dat geloof laten groot maken, gaan wij dat geloof klein maken, gaan wij aan het passen en meten om het in te voegen in onze zondige verhoudingen, en zoo verliest dat geloof zijne kracht. Eene plant die telkens verpoot wordt, gaat ten slotte dood. Iedere plant heeft haren bepaalden grond en haar bepaald klimaat noodig om te kunnen aarden. Zoo kan ons geloof dan alleen aarden, wanneer het vast blijft staan in den grond van Gods barmhartigheden en blijft groeien en bloeien in de sfeer van het

-ocr page 22-

14

eeuwige. Die van Gods liefde zeker is, zoekt zijnen levensgrond nergens elders dan bij Hem, die zich in Gods liefde rijk gevoelt, vraagt geene gunsten meer van de wereld, en wanneer dan in tijden van dorheid en droogte andere boomen hunne bladeren laten hangen, blijft zijne kracht frisch, want hij heeft in de diepte aan zijnen wortel een stroom, die hem laaft. Wanneer anderen treuren, omdat zij geene hoop hebben, mag hij juichen: Geloofd zij de God en Vader van onzen Heer Jezus Christus, die naar zijne groote barmhartigheid mij heeft wederom doen geboren worden tot eene levende hoop!

Heerlijk om als Petrus te kunnen spreken, als Petrus te kunnen juichen, te kunnen juichen in de barmhartigheid Gods! Kunt gij dat? Wij leven nu weer in den gezegenden tijd tusschen paschen en pinksteren, den tijd, waarvan iedere dag, en meer bepaald iedere Zondag ons toeroept: Jezus leeft!quot; Heeft Hij Petrus het leven gegeven, toen in zijne nacht van droefheid het hemelsch licht der blijde hope scheen, Hy leeft om ook ons de kracht van zijne opstanding te doen ervaren en alle vrees uit ons harte te bannen.

GEZANG GXXXVII : 3, 5.

Jezus leeft, wie nu nog vreest,

Zou, en Hem, en God onteeren;

Zondaars mogen onbevreesd Zich tot zijn genade keeren.

Jezus zendt geen zondaars heen:

Uit is onze troost alleen.

-ocr page 23-

15

Jezus leeft, dit is gewis;

Waar ons pad ook heen moog leiden.

Zelfs geen macht der duisternis,

Niets zal ons van Jezus scheiden:

quot;t Steunen op zijn mogendheên,

Dit is onze troost alleen.

II. Welk een voorrecht, M. H., dat wij mogen zingen „Jezus leeftquot;. Hij maakt ons leven tot een leven van blijde hope, tot een leven, waarvan Hij het heerlijk middelpunt is. Hij neemt daaruit niet de teleurstellingen weg, niet het verdriet, maar de zonde. En merkten wij het daar straks op, dat het de zonde was, die ons leven bedierf, als de zonde is overwonnen, kunnen de smarten des levens ons den troost, dat Jezus leeft, niet ontnemen. Waar Hij komt, is het vrede, is het licht. Daar wordt de smart geheiligd, de levensmoed gewekt en de gedachte aan het sterven overgoten met blijden vrede. Daar wordt ons leven het tegendeel van het geen de wereld van ons leven maken wil. De vrees des doods is weggenomen. Het graf wordt ons de ingang tot het leven. Het leven heeft zijn doel terug gekregen. Want al is het nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen, één ding weten wij; als Christus zal geopenbaard zijn, dan zullen wij Hem gelijk wezen, dan zullen wij als reinen van harte God zien.

Van alle kanten komen de predikers van dit nieuwe leven lofliederen binnen den kring van ons leven zingen, lofliederen, die onzen blik heentrekken naar eene toekomst, waar alles licht is. Johannes spoort

-ocr page 24-

16

ons aan om, als wij zoodanige hoop op Hem hebben , ons zeiven te reinigen van alle besmetting des vleesches. Paulus zegt ons, dat wij slechts de eerstelingen des Greestes ontvangen hebben en dat wij de openbaring der kinderen Gods te gemoet gaan. Petrus spreekt van eene onverderfelijke, onbevlekke-lijke en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen voor ons bewaard wordt. Van alle kanten worden wij dus opgewekt om 't oog omhoog te slaan en ons heil van de toekomst te verwachten. Echter niet op eenen toon van stille wanhoop of sombere teleurstelling, neen 't is alles met blijdschap ver-eenigd, 't gaat alles gepaard met vrede, met dankbaarheid , met kracht, want wat wij genieten zullen in heerlijkheid, een volkomen leven, d. w. z. een leven zonder zonde, hier op aarde mogen wij het reeds bij aanvang genieten, een leven gedragen door Gods vergevende liefde, een leven, waarin gestreden wordt tegen alles, wat God mishaagt en ons ongelukkig zou kunnen maken, een leven van gehoorzaamheid aan den wil van God, dat, soms onder allerlei teleurstelling en tranen, ons steeds meer de zekerheid geeft, dat dat nieuwe leven uit God is. Het leven der hope een leven uit God, een leven, dat ons alles doet bezien in het licht van God. Hoe vredig valt dat licht op de graven onzer dierbaren, hoe lieflijk troost dat licht ons te midden onzer tranen. Hoe wonderbaar sterkt dat licht ons in den nacht onzer droefheid, met hoe blijden moed

-ocr page 25-

17

vervult het ons te midden onzer teleurstellingen! Men spreekt in den tegenwoordigen tijd zooveel van allerlei wonderbare werkingen van het licht; men bereidt gevoelige platen voor de werking van licht, dat door ons oog niet kan worden waargenomen. Maar hier hebben wij een licht, dat alleen kan worden opgevangen door een hart, dat gevoelig gemaakt is onder de werking van Gods liefde, een licht, dat alleen kan worden aanschouwd door het oog des geloofs, maar dan ook wonderen doet! Onder de werking van dat licht rypen wij voor de eeuwigheid. Dat licht verhindert ons leven, wanneer het een na het ander in duigen valt, eene ruïne te worden. Dat licht doet ons alles zien in het ware licht en al is het onder vele tranen, het doet ons gelooven, dat alles medewerkt ten goede. Alles, onze grootste smart, onze smart die zoo groot is, dat wij er met niemand over kunnen spreken dan met Hem, die ons de smart zond; onze grootste strijd, onze strijd, die zoo zwaar is, dat wij bij niemand kracht kunnen vinden, dan bij Hem, die ons in den strijd plaatste. Met het oog op den hemel, met de hoop in het hart durven wij zeggen, alles werkt mede ten goede.

En van dat alles hebben wij de zekerheid door de opstanding van Jezus Christus uit de dooden. M. H. wat is het Evangelie toch rijk! Welk eene onuitputtelijke bron is het van de heerlijkste gedachten! Wordt ons leven niet rijker, naarmate wij het meer

2

-ocr page 26-

18

door die gedachten laten doortrekken? En die gedachten , zij zijn geene schoone woorden, zij zijn geene droombeelden, waaraan alle waarachtige grond ontbreekt, neen, zij zijn alle werkelijkheid geworden in Christus. Plaatst het leven met alle zijne teleurstellingen, met al zijnen strijd, plaatst dat leven met zijn somber graf, buiten Christus en het wordt de meest lachverwekkende dwaasheid, de armzaligste tooneelvertooning, die zich denken laat. Het wordt een opbouw, die slechts op eene bepaalde hoogte wacht om in elkaar te storten. Maar plaatst dat leven in Christus en het wordt alles eenheid, waarheid.

M. H., daar straks vraagden wij elkander en ons zei ven af, of wij dat nieuwe leven, dat leven in Christus bezaten. Zoo ja, dan zijn wij van ons heil zeker. Paulus zegt, dat de hoop niet beschaamt. Petrus zegt niet alleen, dat de erfenis voor ons bewaard wordt, maar dat wij in de kracht Gods door het geloof voor die erfenis bewaard worden. Maar zijt gij nog niet zeker van uw heil, hebt gij nog geenen vrede in uw hart, beschouwt gij uw leven nog niet in het licht van den hemel, dan is er maar één weg om tot vrede te komen. En welke is die weg?

Hebt gij er wel goed om gedacht, M. H., dat allen, die het nieuwe leven bezitten, er God alleen voor danken? Petrus jubelt, dat hij wedergeboren is naar de groote barmhartigheid Gods. De eenige weg is dus, zich aan die barmhartigheid Gods over

-ocr page 27-

19

te geven, en alles alleen van Hem te verwachten. En daartoe komt de zondaar alleen, als hij weet, wat het is, eeo gebroken hart, een verslagen geest te hebben. De eerste voorwaarde voor de wedergeboorte is een berouwvol hart. De troost van Christus wordt ervaren niet allereerst door een hart, dat treurt over teleurstellingen, maar over zonden, niet over verliezen, maar over alle die oorzaken, die telkens den vrede des harten verstoren. Het christendom is veel te ernstig om alleen in uren van smart gemoedelijke woorden van troost te spreken. „O, onverstandigen en tragen van harte!quot; zoo begon de opgewekte Christus de treurende Emmaüsgangers terecht te wijzen. „ O, onverstandigen en tragen van hartequot;, zoo bestraft hij een iegelijk uwer, die maar steeds de evangelieprediking aanhoort en maar steeds uwe aardsche verwachtingen met uw christendom wilt vereenigen en niet bedenkt, dat gij met al uw uitwendig chi'istendom op weg zyt om verloren te gaan. Hij bestraft ons ernstig, juist omdat Hij ons zoo innig liefheeft. Zijn er de zoodanigen in ons midden, ach, dat zij eens beseften, hoe zondig hun leven tot dusverre is geweest, ik zeg niet ongelukkig, want het spreekt van zeiven, dat het ongelukkig is, en wel in de hoogste mate, maar in de eerste plaats hoe zondig, hoe zondig hun leven tot dusverre is geweest tegenover Hem, die zoo groot is in liefde en ontferming. O, mocht er eene oprechte droefheid zijn in ons aller hart, dat wy nog zoo

-ocr page 28-

20

weinig den Heiland liefhebben, nog zoo weinig geloo-vig Hem volgen, wanneer Hij ons voorgaat op den weg van lijden en sterven en daarom nog zoo weinig de kracht zijner opstanding ervaren. Treurt gij, omdat gij nog niet als Petrus kunt juichen, is het wellicht, omdat gij nog niet als hij hebt willen weenen? Gelooft het, de Heiland, die Petrus, die de Emmaüsgangers, die Thomas, die Maria Magda-lena wist te vinden, zal ook u weten te vinden en aan uw wijfelend en wankel hart zijn steunpunt, zijnen vrede, zijne blydschap hergeven! — Luistert dan naar Hem, als Hij u bestraft. Gelooft het, dat Hij het is, die tot u spreekt, wanneer uw geweten onder het hooren der evangelieprediking u begint te beschuldigen. Hij spreekt tot u om het weer licht te maken in uw leven. Hij laat geene ster in uwe nacht schynen. Hij komt zelf als een licht, lieflijk en vredig, dat steeds helderder, steeds krachtiger gaat schijnen. En onder den indruk van zooveel liefde begint uw hart te trillen, begint uw ziel te zingen; Geloofd zij God! Dan begint gij iets van zijne groote barmhartigheid te gevoelen, die u, ja dikwerf ondanks uw tegenstreven, heeft overgebracht uit de wereld der duisternis in de wereld van licht, die u wederom heeft doen geboren worden. Dan worden de woorden van onzen tekst steeds meer het loflied van uw leven, „Gelooft zij de God en Vader van onzen Heer Jezus Christus, die naar zijne groote barmhartigheid ons heeft doen wedergeboren

-ocr page 29-

21

worden.quot; En naarmate gij de barmhartigheid Gods ondervindt, leert gij uwe eigen zonden beweenen, en naarmate gij uwe eigen zonden beweent, begint gij Gods barmhartigheid steeds grooter te vinden. Gij leest en herleest dat woord: „die naar zijne groote barmhartigheidquot; ... en legt steeds meer op dat woord groote barmhartigheid den klemtoon. Tegenover die groote barmhartigheid wordt gij zelf al kleiner en kleiner. Tegenover die groote barmhartigheid sterft het zondige hart al meer en meer at, en eindelijk is er niets meer over dan een en al barmhartigheid Gods, niets meer dan een hemel van liefde, eeuwige liefde, eeuwig leven. Als in het voorjaar de zon krachtiger begint te schijnen, smelten sneeuw en ijs en het jonge leven ontspruit blijde aan de aarde. Eindelijk blijft er niets anders over dan zonneschijn en leven, bloeiend leven. Mocht het zoo equot; u' ;e lente in ons hart zijn onder het licht en de warmte van de groote barmhartigheid Gods! Amen.

GEZANG CLXXXIX : 6.

Die hoop moet al ons leed verzachten:

Komt reisgenooten! 't hoofd omhoog!

Voor hen, die 't heil des Heeren wachten,

Zijn bergen vlak en zeeën droog.

O zaligheid niet aftemeten!

O vreugd, die alle smart verbant!

Daar is de vreemdlingschap vergeten;

En wij, wij zijn in 't vaderland I

-ocr page 30-
-ocr page 31-

DE VREDE VAN CHEISTUS.

-ocr page 32-

PSALM 0:1,3, 4.

Juich, aarde; juicht alom den Heer!

Dient God met blijdschap, geeft Hem eer; Komt, nadert voor zijn aangezicht;

Zingt Hem een vroolijk lofgedicht.

Gaat tot zijn poorten in met lof, Met lofzang in zijn heilig hof;

Looft Hem aldaar met hart en stem;

Prijst zijnen naam; verheerlijkt Hem.

Want goedertieren is de Heer;

Zijn goedheid eindigt nimmermeer;

Zijn trouw en waarheid houdt haar kracht, Tot in het laatste nageslacht.

-ocr page 33-

JOHANNES XIV : 27a.

Vrede laat ik u, mijnen vrede geef ik u; niet geiy-kerwys de wereld hem geeft, geef ik hem u.

GEZANG CCXXIX : 7.

O Vredevorst! Gij kunt gebieden,

Den vreed op aard' en in mijn ziel!

Doe eiken zondaar tot U vlieden;

Dat al wat ademt voor U kniel'!

Dit zal de God des heils bewerken;

Hij zal Jen zetel, U bereid,

Met regt en met geregte sterken;

Hem zij de lof in eeuwigheid!

„Vrede laat ik u , mijnen vrede geef ik n: niet gelijkerwijs de wereld hem geeft, geef ik hem u.quot; Naar aanleiding van ons tekstwoord, M. EL, willen wij enkele vragen trachten te beantwoorden, die als van zei ven voor ons oprijzen. „Niet gelijkerwijs de wereld hem geeft, geef Ik hem uquot;: welken vrede geeft de wereld? en hoe geeft zij dien vrede? welken vrede geeft Christus? en hoe geeft Hij dien vrede? „Vrede laat ik uquot;, wat doet de gemeente met den

-ocr page 34-

26

vrede, dien zij van Christus heeft ontvangen? „Mijnen vrede geef ik uquot;; wat doen wij, om den vrede, dien Christus ons wil schenken, deelachtig te worden?

Wanneer in ons tekstwoord van „de wereldquot; wordt gesproken, mogen wij wel allereerst met den meesten nadruk vragen, wat daarmede wordt bedoeld. Zoo velen zijn er, die het maar altoos over „de wereldquot; hebben, over „wereldschequot; vermaken, en „wereldschequot; kringen, maar het kenmerkende eigenlijk alleen zoeken in uitwendige dingen. Het Evangelie van Johannes geeft ons echter een ander antwoord. De wereld is die omgeving, die levenssfeer, waar Christus niet is, waar de Heilige Geest niet is, waar God niet gekend wordt. De christelijke gemeente is de gemeenschap der geloovigen, waarvan Jezus Christus het middelpunt is, in wier midden de Heilige Geest werkt en waar men in Gods gemeenschap leeft. De wereld is dus alles, wat buiten de grens dier chris-telijke gemeenschap is gelegen. 0, hoe blijkt het hier duidelijk, dat voor ons oog die grens verborgen is! Niet ieder, die zich bij eene christelijke gemeenschap aansluit en met haar leven mede-doet , is daarom ook een christen, en niet ieder, die wij voor eenen dienaar der wereld aanzien, is daarom ook een dienaar der wereld. Neen, wij willen niet onderzoekend om ons heen zien en gaan scheiden en verdeelen, wij willen liever onszelven afvragen , of wij behooren tot degenen, die in Christus het middelpunt van hun leven hebben gevonden. En

-ocr page 35-

27

dan moeten wij met schaamte erkennen, dat de wereld ook zoo menigmaal in ons leven om den hoek komt kijken, dat wij, hoewel wij den naam van Christus belijden, nog zoo menigmaal mededoen met dat leven, waar Hij niet is met zijnen Heiligen Geest. God heeft ons geplaatst midden in de wereld. Wij zijn van deze wereld, wanneer wij Christus niet zien. Maar als wij Christus zien, als wij met het oog des geloofs inzien in die wereld des lichts, in die wereld van Gods barmhartigheden, dan zijn wij niet meer van deze wereld, dan komt al het wereldsche te staan in hemelsch licht, dan hebben wij vrede. Welken vrede hebben nu degenen , die Christus niet zien, die niet leven in de gemeenschap van hunnen opgewekten Heer, maar wier blik beperkt is door de dingen dezer wereld? Ach, M. H. zij hebben eenen vrede, 1) die het geweten verkracht, 2) die het hart onbevredigd laat, 3) die de hoop vernietigt.

Die het geweten verkracht. In die sfeer, waar Christus niet is, werkt de zonde, werkt eene macht, die de macht der duisternis wordt genoemd. Het leven buiten Christus is niet alleen een ongelukkig, een duister en mistroostig leven, maar het is in de eerste plaats een schuldig leven. En nu doet de wereld, alsof er geene zonde bestaat. Maar ons geweten zegt wel anders. Gedurig verheft zich eene stem in ons binnenste, die ons beschuldigt, dat wij veel te weinig onze roeping volgen, veel te weinig navolgers zijn van Hem, die ons geschapen heeft,

-ocr page 36-

28

opdat wij zijn beeld zouden dragen. Wat is ons leven niet alleen onvolkomen, maar wat is het vaak lijnrecht tegen Gods bedoelingen in! Want het is zyne bedoeling, dat wij het geven aan Hem, wijden aan zijnen dienst, en hoe menigmaal leven wij voor ons zeiven, en is ons eigen „ikquot; het middelpunt van ons leven. Nu geeft het leven buiten God vrede op ééne voorwaarde, dat wij de stem van ons geweten verkrachten, dat wij gedurig aan die stem, als zij ons van zelfzucht beschuldigt, het zwijgen opleggen, dat wij gedurig, als ons geweten ons van zonde beschuldigt, ons zeiven wijsmaken, dat zonde geene zonde is.

Ten tweede geeft de wereld eenen vrede, die het hart onbevredigd laat. Hoe dan? Wel, M. H., ons hart heef behoefte aan liefde. Wij zyn nu eenmaal zóó geschapen, dat wij niet gelukkig kunnen zijn, of wij moeten liefhebben. En welk voorwerp geeft de wereld ons om lief te hebben? Niet anders dan ons zeiven! Gevoelt gij niet M. H., dat wij dan eerst door liefde gelukkig zullen worden, wanneer het voorwerp onzer liefde hoog staat, hooger dan de oppervlakte van ons eigen zondig leven? Heeft ons hart geene behoefte om zich te geven aan iets, dat bezielt, dat opheft, dat ons plaatst in eene andere wereld, dan die, waarin het gewone en alle-daagsche leven ons heeft neergezet? Niet, dat wij het leven mogen beschouwen als eenen last. God geeft het ons, en alles wat Hij geeft, is goed. Maar dat

-ocr page 37-

29

leven is dan alleen levenswaard, als wij het met Hem leven. Dan wordt het gewone buitengewoon, het alledaagsche bijzonder; dan wordt omgekeerd het buitengewone gewoon. Want alles, het geringste en schijnbaar onbeduidendste, wordt een middel, dat zijne liefde gebruikt om ons te heiligen, terwijl datgene, wat anderen buitengewoon noemen, buitengewone vreugde of buitengewone droefheid, niet valt buiten den gewonen weg, dien God dagelijks met ons gaat. Met God komt ons leven te staan in het licht van de leidingen zijner liefde. Met Hem leeren wij in alles zijne liefde zien, en dat zien maakt ons zoo gelukkig, stemt ons zoo vredig! maar zonder God is dat leven zoo duister, zoo koud. Zonder die liefde, zonder dat licht o, dan zijn wij als in een duisteren kerker geworpen, waarin onze ziel versmacht! Ja, dan kan de wereld ons in dien kerker hare rijke gaven komen brengen, ons komen vertroosten en opbeuren, maar met dat al blijven wij gevangen!

Toch zijn er, die, buiten gemeenschap met Christus, leven in eene wereld van het ideale, in eene wereld van verheven fantasiën. Zij gevoelen het, hun hart heeft iets anders noodig, dan wat het platte, alledaagsche leven hun geeft. Maar ach, die oogen-blikken van geestverheffing duren zoo kort, en het terug vallen in de werkelykheid is weer zoo verschrikkelijk! Wat zij zich opboxiwen, het is eene wereld van gewaarwordingen en stemmingen zonder

-ocr page 38-

30

grondslag, die bij de minste aanraking der werkelijkheid naar beneden stort en vernietigd wordt. De vrede, dien zij vinden, is geen duurzame vrede, en het hart des menschen heeft behoefte aan eenen vrede, die blijft, en dien kan de wereld hem niet geven. Telkens wordt de tooverkring, waarin zij den mensch plaatst, verbroken, op elke genieting, die zij hem doet smaken, volgt zulk eene wreede ontgoocheling, de gevangene kan in zijnen diepen kerker wel eenen droom hebben, die de deuren van zijne gevangenis voor hem opent en hem terug voert in het land der vrijheid, maar op dien droom volgt altoos weer het ontwaken, het ontwaken binnen de muren des kerkers, dubbel smartelijk. Zoo is het met den vrede der wereld, die de ziel gevangen laat in de banden der zelfzucht. Zulk een vrede kan de behoeften der ziel niet bevredigen, omdat die haar niet brengt in een wereld van licht en warmte, waar zij mag liefhebben, waar zij zich mag geven aan eenen, die hare liefde boven alles waard is, eenen, die alleen kan zegenen met eenen duur-zamen vrede.

Ten derde geeft de wereld eenen vrede, die de hoop vernietigt. Zeker, zij weet het haren dienaren soms recht naar den zin te maken! Hoe wordt het leven genoten! Wat al vreugde kan er uit de oogen stralen, hoe blijde en uitgelaten kan de schaterlach weerklinken! Maar vrede is er niet. Want bij de nadering van den dood verdwijnt die vreugdeglans

-ocr page 39-

31

plotseling, de oogen worden dof; de wangen worden bleek! Hoe velen zijn er, die de gedachte aan den dood steeds op den achtergrond dringen, die huiveren en onrustig zijn, zoodra de dood den kring hunner omgeving overschrijdt en daaruit wegneemt eenen, dien zij liefhadden of met wien zij plachten te ver-keeren. En bestaat die vrees al niet, heeft men zich vertrouwd gemaakt met de gedachte aan den dood, ach, dan is die vrede zulk eene doodsche stilte des harten. Zij hebben niets geene hoop op de toekomst. Achter dat graf, waar zij ook eenmaal zullen moeten ingaan, is alles zoo donker. Zij genieten het leven, maar naarmate hun levensavond verder voortschrijdt, wordt de toon van dat leven steeds eentoniger en somberder. Dan wordt hun leven een terugzien op hetgeen geweest is, op hetgeen zij gehad hebben, terwijl de toekomst hun niets belooft. De dood maakt aan alles een einde! Zoo redeneert men, en de vrede, dien de wereld geeft, blijft alleen, zoolang men blijft redeneeren, of liever anders uitgedrukt, wanneer men zich zeiven geweld blijft aandoen, wanneer men zich zeiven blijft bedriegen en zich zeiven blijft wijsmaken, dat eenerlei lot den menschen wedervaart als den beesten, en niet luistert naar de stem, die gedurig zegt, dat G-od de eeuw in ons hart heeft gelegd.

Ik zeg daar: zoolang men zich zeiven geweld blijft aandoen! En hier hebben wij tevens een antwoord op de tweede vraag, hoe de wereld haren

-ocr page 40-

32

vrede geeft. Door den mensch geweld aan te doen, door hem vreemd aan zich zeiven te maken, door hem vreemdeling te doen worden in zijn eigen hart, door hem aan zich zeiven te ontnemen, door hem te dooden. Ja, M. H., de wereld geeft vrede, maar alleen ten koste van den dood. Wilt gij buiten gemeenschap met Chiistus vrede hebben, dan moet gij dooden de stem van uw geweten, die u telkens op uwe zonden wijst, en u storten in den stroom van vermaken en genoegens, verstrooiingen en afleidingen, die u geenen tijd laten om tot u zeiven te komen. Dan moet gy dooden de behoeften van uw hart, de diepste behoeften van uw innerlijk vrezen, dooden de behoefte aan liefde, de behoefte om lief te hebben, dan moet gij uw hart met geweld de hand op den mond leggen, wanneer het begint te roepen om iets hoogers, dan wat deze wereld u geven kan. Dan moet gij dooden elke poging van dat hart om zijne boeien af te schudden en op te stijgen in eene wereld, waar de waarheid licht en schittert en de vrede waait en de blijdschap bloeit. Dan moet gij dooden dat nameloos verlangen naar een eeuwig leven, dat Grod uwe ziel in deze wereld heeft medegegeven als eene roepstem naar boven. Dan moet gij dooden de edelste aandoeningen uws harten, dooden de heiligste behoeften uwer ziel, dan moet gij dooden uw innerlijk wezen, en dan? Dan hebt gij den vrede, dien de wereld geeft, den vrede, dien het leven buiten Christus geeft. Arm is de

-ocr page 41-

33

wereld, dat zij geenen vrede heeft te geven, dan alleen, wanneer de behoefte aan waarachtigen vrede gedood is. Arm is de wereld, dat zij geenen vrede heeft te geven, dan alleen, wanneer de mensch zóó is geworden, dat hij zijne armoede niet meer gevoelt en in eenen toestand van verdooving als geneesmiddel dankbaar aanneemt den drank, die hem den dood doet. Arm, maar tevens wreed is zij. Wreed om hem langzamerhand zijne heiligste aandoeningen uit het hart te scheuren met eenen glimlach op het gelaat! Wreed om hem de oogen uit te steken en hem dan als een vriend, die veilig leidt, langs eenen gemak-kelgken weg ten verderve te voeren! Wreed om hem al armer en wezenloozer. al stompzinniger en gevoelloozer te maken, om hem des te gemakkelijker te kunnen misleiden! Wreed om, wanneer heiliger aandoeningen zich verheffen, wanneer de begeerte ontwaakt om zich uit de knellende boeien los te rukken, met allerlei geweld en bedreiging die naar leven snakkende en snikkende ziel ten onder te houden. Hoevelen, die om verlossing uit die boeien vraagden, zijn bezweken, omdat de wereld hen bedreigde met het verlies van de gunst der menschen, van geld, goed of aanzien. O, laten wij die bedreigingen niet gering achten! Hoe-velen van ons zouden met beslistheid de zijde van Christus blijven kiezen, als zy wisten, om maar één voorbeeld te noemen, dat hun dit op het verlies van

-ocr page 42-

34

al hun geld zou te staan komen? Vandaar, dat de wereld zooveel macht oefent en zoovelen ongelukkig maakt. Ja, zij weet het zóóver te brengen, dat hare slachtoffers eindelijk vrede met haar krijgen, zooals die man eens op zijn sterfbed tot mij zeide: „ik weet, ik ga verloren, maar zooals de boom valt, moet hij maar blijven liggen!quot; Ziet, dat is de vrede der wereld.

En wat zegt onze Heiland tegenover dat alles? Niet gelijkerwijs de wereld hem geeft, geef ik hem u. Christus geeft eenen anderen vrede, niet die het geweten verkracht, maar 't geweten heiligt en tot rust brengt, niet die 't hart onbevredigd laat, maar het volkomen bevredigt en gelukkig maakt, niet die alle hoop vernietigt, maar het uitzicht opent op eenen zaligen hemel. Christus geeft zijnen vrede, niet door, zooals de wereld doet, den mensch aan zich zeiven te ontnemen en hem vreemdeling te maken in zijn eigen hart, maar integendeel, door den mensch aan zich zeiven terug te geven en hem te gewennen aan eenen vertrouwelijken omgang met God in de binnenkamer zijns harten.

GEZANG XXXIX : 1, 3, 4.

Jezus neemt de zondaars aan!

Roept dit troostwoord toe aan allen,

Die van 's levens rechte baan Op den dwaalweg zijn vervallen:

't Rechte pad leert Hij hen gaan,

Jezus neemt de zondaars aan!

-ocr page 43-

35

Als een horder wil Hij trouw 't Schaap, in een woestijn aan 't dwalen,

Daar 't zich zelf verliezen zou,

Van den doolweg weder halen,

Brengen op do rechte baan:

Jezus, neemt de zondaars aan!

Komt gij allen, komt tot Hem!

Zondaars, komt! wat zou u hindren?

Jezus roept u, hoort zijn stem,

Hij maakt zondaars tot Gcds kindreu:

Vrij moogt gij tot Jezus gaan;

Jezus neemt de zondaars aan!

11. De vrede, dien Christus geeft, brengt de stem van ons geweten tot rust. Christus is de koning der waarheid en Hij toont dat door altoos de dingen te noemen bij den rechten naam, door altoos waar te zijn tegenover ons. De wereld, of laat ik liever zeggen: wij, onder den indruk van den geest, die niet uit Christus is, zijn er altoos op uit om zonde geene zonde te noemen. In de leerschool van Christus worden wij echter anders onderwezen. Onder de beademing van het evangelie wordt ons geweten steeds teerder en naar die mate het gevoel van zonde steeds grooter, maar. Code zij dank, de droefheid over de zonde steeds inniger. En ziet, het is die droefheid, die Hij bij ons wil opwekken om ons te kunnen vertroosten met zijnen vrede. Hij doet het ons verstaan, dat wij nooit vrede zullen verkrijgen, wanneer wij niet de zekerheid hebben, dat onze zonden vergeven zijn. Niet het oog voor de zonde sluiten, neen, het oog er goed voor openen en ze

3'

-ocr page 44-

36

met helderen blik aanzien; niet het gevoel van schuld terugdringen, maar berouwhebbend de zonden be-weenen, dat is de weg, dien Christus met ons opgaat om ons den vrede te doen vinden. Want Hij zegt ons, dat die zonden wel zeer groot waren, maar vergeven zijn. Hij geeft ons de verzekering, dat Gods vergevende liefde altoos nog grooter is dan de zondigheid en verdorvenheid van ons hart, eu als wij onze zonden in dat licht zien, o, zeer zeker dan doen zij ons pijn, dan drukken ze ons zwaar en toch wij mogen juichen in onze smart, wij mogen lachen met onze tranen in de oogen, want de zonden, zij zijn vergeven, want de last, hij is afgenomen, want de duisternis, zij is verdwenen en de tranen van berouw worden tranen van dankbaarheid, dat wij onze zonden mogen zien in zulk een helder licht van vergevende liefde, dat wij onze zonden mogen beweenen aan 't hart van eenen Hemelschen Vader. In de leerschool van Christus moeten wij leeren ons zeiven geheel te veroordeelen. Maar welk een voorrecht dit te mogen doen onder den indruk van Gods vergevende liefde! Nooit veroordeelen wij ona gestrenger dan onder den indruk van Gods liefde, nooit zijn de zonden ons meer tot last dan bij 't gevoel, dat zij vergeven zgn, maar ook nooit is de vrede van ons hart grooter dan in de zekerheid, dat zooveel schuld zoo liefderijk, zoo genadiglijk, zoo koninklijk vergeven is, nooit genieten wij blijder vrede, dan wanneer wij weten, dat zelfs onze zwaarste

-ocr page 45-

37

zonden niet bij machte waren om ons uit het bereik van Gods liefde te doen wegvallen. Die over zijn zondig, duister leven het licht van Gods genade heeft zien opgaan, weet het bij ondervinding, dat de vrede in zijn hart is neergedaald, niet toen hij zijne zonden verbloemde, maar toen hij zijne zonden oprecht beleed en met die belijdenis tot Christus ging: Ja waarlijk, niet als de vrede der wereld is de vrede, dien Christus geeft.

De vrede, dien Christus geeft, voldoet aan alle de behoeften van ons hart. Blijkt dit niet uit het voorgaande? Immers Hij brengt ons in aanraking met de hoogste liefde. Wij zagen het daar straks: de wereld kan die behoefte niet bevredigen, omdat zij aan onze begeerte om lief te hebben geen heilig voorwerp kan geven. Christus kan dat wel. Hij is al onze liefde waard. Ons hart zoekt eene hoogere wereld, maar ach , zonder hem mist die wereld eiken grondslag; zonder Hem keert de ziel des menschen telkens tot de koude werkelijkheid terug. Maar met Hem, o, M. H. met Hem stijgen wij niet boven eene koude werkelijkheid uit, om straits weer daarin terug te vallen, maar met Hem valt de zondige werkelijkheid weg en de hemel blijft over. Met Hem leven wij niet in eene wereld zonder grondslag, met Hem leven wij in eene wereld, waar alles uit verwijderd is, wat den grondslag van ons leven zou kunnen ondermijnen. Want door de opstanding uit de dooden is het zoo krachtiglijk bewezen, dat die

-ocr page 46-

38

wereld, waarin onze ziel zich zoo vrij en zoo blijde kan bewegen, die wereld van heilige liefde niet is een beeld van de ziekelijke phantasie onzer dorstige ziel, maar heilige, heerlijke, vertroostende werkelijkheid. l ie wereld is in den opgewekten Christus aan het licht getreden. Hij is van die wereld het middelpunt. Naar Hem mogen alle de heilige en daarom krachtigste drijfveeren van ons zieleleven uitgaan. In zijne gemeenschap leven wij in de wereld van goddelijke liefde, en hoe meer wij zijne gemeenschap genieten, hoe dichter wij bij Hem blijven, des te meer verdwijnt de zonde uit ons leven, des te grooter wordt onze vrede. En die vrede blijft aanhouden onder alle omstandigheden des levens. Bij de groote teleurstellingen , die ons treffen, wordt, dikwerf na grooten strijd, zijne nabijheid ons toch het hoogste, en zoo keert de vrede, ook al werd hij een oogen-blik ernstig bedreigd, dubbel vredig en zonnig weder. Alles leeren wij Hem overgeven. Wij geven het Hem over met eene klacht. Hij geeft het ons terug met den rijken zegen des vredes. Wij geven het Hem over met tranen in het. oog. Hij geeft het ons terug, overgoten met hemelsch licht. Als wij het Hem maar overgeven! Wat ons een onoverkomelijke hinderpaal toescheen, wij leeren het dan beschouwen als een middel tot heiliging van ons hart en leven en te midden van veel droefheid leeren wij zeggen: alle dingen moeten in Christus medewerken ten goede. Dan hebben wij vrede! Hij doet ons den vrede

-ocr page 47-

39

des harten behouden ook in de grootste smarten. Waar niemand troosten kan, daar zegent Hij met zijnen vrede. Waar niemand onze smart kan deelen, daar wil Hij bij ons blijven, Hij, de Heer der Heerlijkheid, die de Man der Smarten heeft willen zijn, ook om ons in onze smarten de heerlijkheid Grods te doen zien. Neen, Hij vraagt geene opwinding van ons. Hij wil niet, det wij ons geweld aan doen, Hij wil, dat wij natuurlijk zijn, dat wij waar zijn. Hij wil, dat wij vreezen, als wij reden hebben om te vreezen, Hij wil, dat wij bedroefd zijn, als wij reden hebben om bedroefd te zijn, maar Hij wil, dat wij met onze vreeze, dat wij met onze droefheid gaan tot Hem en dan zal Hij ons zegenen met zynen vrede. Sprak Hij geene waarheid, toen Hij zeide, dat zijn vrede niet gelijk was aan den vrede der wereld?

De vrede, dien Christus geeft, opent ons het uitzicht op eenen zaligen hemel. Zagen wy, hoe de vrede der wereld met bet oog op den dood öf plaats maakte voor onrust, óf den mensch deed bevriezen iu eene yskoude onaandoenlijkheid, die hem met ijzige kalmte de donkere en onvermijdelijke toekomst deed tegengaan, Christus laat hier ons leven reeds verlicht worden door de hope der opstanding en geeft juist met het oog op den hemel hier aan alles zijne juiste waarde. Wij leeren niets te hoog, maar ook niets te gering achten in het licht van den hemel. Alles krijgt beteekenis, omdat het ons

-ocr page 48-

40

moet vormen voor den reinen omgang met God. Ons werk krijgt dubbele waarde, omdat wij weten, dat niets, in Hem verricht, ijdel zal zijn, ook niet de „vruchtelooze pogingenquot; en „vergeefsche moeitenquot; om zielen voor den Heiland te winnen. Alles krijgt hoe langer hoe meer kracht, omdat het hoe langer hoe meer vaart krijgt, naar God heen, den geo-penden hemel tegen. Vrede geeft 't uitzicht op den hemel, bij teleurstellingen en moeiten, overal daar, waar juist de vrede der wereld wegvliedt, vrede bovenal in 't sterven. Kan de wereld dien vrede schenken? Christus sprak de waarheid, toen hij zeide, dat de vrede, dien Hij gaf, een gansch andere was dan de vrede der wereld.

En hoe geeft Hij ons dien vrede ? Deed de wereld het door den mensch geestelijk te dooden, Christus doet het door hem geestelijk levend te maken. Hij geeft den mensch aan zichzelven terug. Hij maakt hem nieuw. Zij, die eertijds een geslacht waren, door de zonde kreupel gemaakt en verminkt, eene droevige rest van vroegere grootheid, maakt Hij tot koningen en priesters. Hij maakt hen tot beelddragers Gods. Hij verbreekt den ban, waarin de zonde hen gevangen hield. Hij brengt hen tot bezinning, tot ontgoocheling, en wat hun eertijds gewin was, zij leeren het schade achten om zijnentwil, de krachten, die zij eertijds verspilden, leeren zij nu besteden aan een werk, dat eeuwig blijft; de zonde, die zij eertijds willig gehoorzaamden, leeren zij nu

-ocr page 49-

41

vlieden als eene verderfelijke macht en, ontkomen aan de macht daarvan, leven zij; nu eerst weten zij, wat het is te leven, te werken, nu eerst weten zij, wat zij bezitten, wat zij kunnen, wat zij zijn, Christus heeft hen aan zich zeiven teruggegeven, nu bezitten zij zich zeiven, en nu zij zich zeiven bezitten , nu kunnen zij zich zei ven geven, nu kunnen zij liefhebben, nu kunnen zij leven.

Zóó geeft Christus zijnen vrede.

En wat zegt Hy aan het begin van onzen tekst? Mijnen vrede laat ik u. Zijne gemeente is dus in het bezit van zijnen vrede. Wat moet gij met dien schat doen? En het antwoord is: dien schat uit-deelen. Veel zouden wij hierover kunnen zeggen. De tijd dringt echter om kort te zijn. En daarom willen wij slechts in het kort dit opmerken. Het is de plicht van de gemeente om aan de wereld te toonen door werken des vredes, dat zij den vrede van Christus bezit. Op staatkundig gebied moet de christelijke gemeente al hare krachten inspannen om den oorlog te doen ophouden en verblijdend is het te zien, dat in den tegenwoordigen tijd door het christelijk beginsel reeds veel bloedvergieten is voorkomen. Op maatschappelijk gebied moet de christelijke gemeente al hare krachten inspannen om misstanden uit den weg te ruimen en door liefde wonden te heelen, die in den strijd om het bestaan geslagen zijn. En verder heeft iedere volgeling van Christus de roeping om in zijnen kring vrede te brengen,

-ocr page 50-

42

twist te voorkomen en het in handel en wandel te toonen, dat de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, hem geheel en al heeft geheiligd.

Dat alles wordt ons deel, wanneer wij luisteren naar de roepstem des Heeren: komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt, en ik zal u ruste geven! Bekend is het beeld van den noordschen beeldhouwer Thorwaldsen. Zijn schoonste werk is een beeld van den opgewekten Christus, met de armeu uitgebreid en de handen geopend, als vragende ieder, die vermoeid is, tot Hem te komen. Wat die beeldhouwer heeft uitgedrukt, het is de gedachte door het Evangelie uitgesproken, het is de roepstem, ook in deze ure tot ons gekomen. Aan de vermoeide wereld roept de opgewekte Christus het toe: komt tot Mij.

Ja M. H., daar is geen andere weg. Tot Hem, die alleen ruste kan geven. Tot Hem, die uw zwoegend harte tot kalmte, uw kloppend geweten tot rust, uw hijgend gemoed tot vrede kan brengen. De wereld vraagt van u, dat gy de oogen sluit. Hij vraagt van u, dat gij de oogen opent. De wereld vraagt van u, dat gij uwen werkelijken toestand u ontveinst. Hij vraagt van u, dat gij waarlijk den gevaarlijken toestand van uw hart leert beseffen. Hij vraagt van u, dat gij al uwe hulp, al uwen troost, al uwen vrede alleen van Hem verwacht. Met gelijk de wereld dien geeft, geeft Hij hem u. De wereld vraagt alles van u, en maakt u arm. Christus vraagt niet, maar

-ocr page 51-

43

geeft, Hij geeft zich zeiven en maakt u rijk. Amen.

GEZANG L : 3.

Halleluja! 't loflied rijze!

Hem, die onze banden slaakt, Hem, die ons, zijn' naam ten prijze,

Kogingen en Priesters maakt; Die ons opkweekt onder lijden, En ons, door zijn' Geest bestuurd. Door zijn' kruisdood aangevuurd. Waken, bidden leert en strijden: Hem zij heerijkheid en macht. Eeuwig, eeuwig toegebracht.

-ocr page 52-

-ocr page 53-
-ocr page 54-

PSALM XXIV: 5.

Verhoogt, o poorten! nu den boog;

Rijst, eeuwge deuren' rijst omhoog;

Opdat ge uw' Koning moogt ontvangen Wie is die Vorst, zoo groot in kracht? 't Is 't Hoofd van 's hemels legermacht; Hem eeren wij met lofgezangen.

-ocr page 55-

JOHANNES XVI: 7a.

Docli ik zeg u de waarheid, het is u nut, dat ik wegga.

Toen onze Heiland kort voor zijn sterven tot zijne discipelen over zijn heengaan had gesproken, had droefheid hunne harten vervuld. Zij hadden gemeend Hem niet te kunnen missen en gehuiverd bij de gedachte voortaan zonder Hem hunnen weg te moeten gaan. Wij kunnen ons dat zoo voorstellen! Wat was hun leven anders geworden, sinds zij Jezus hadden ontmoet. Hem te moeten missen, het zou zijn, of aan hun leven alle licht en warmte zou worden ontnomen. Gedurig komen er in ons leven oogenblikken van „afscheid nemenquot;, en ach, hoe veel leed brengen die uren met zich! Het leven brengt ons tot elkander, banden worden gelegd, maar dat leven drijft ook uit elkander, en de dood maakt eenmaal alle banden los! Hoe nauw bindt zich de ziel aan de ziel, die haar verstaat, hoe eenzaam daarentegen is het leven van hem, die niet liefheeft. Ons hart is geschapen voor vereeniging, niet voor scheiding. Het hart moet gehoor geven

-ocr page 56-

48

aan eenen innerlijken drang om lief te hebben, om zich zelf te geven. Dien innerlijken drang had onze Heiland by zijne discipelen opgewekt. Alle krachten der ziel door God haar geschonken, treden in werking, zoodra die ziel met den Heiland der wereld in aanraking komt. Wat moet het voor deze discipelen geweest zijn, te hooren, dat Hij van hen zou worden weggenomen, dat zij Hem eenmaal niet meer zouden zien.

En toen het geschied was, toen zij Jezus met opgeheven handen en hen zegenende van hen hadden zien henengaan en van den Olijfberg wederkeerden naar Jeruzalem, hoe waren zij toen gestemd? Vervulde toen droefheid hunne harten? „En zij keerden weder naar Jeruzalemquot;, zoo lezen wij „met groote blijdschap!quot; Dat was eene andere stemming, M. H.! Vanwaar die verandering, vanwaar die blijdschap, inplaats van die droefheid! Het antwoord is gemakkelijk te geven. Tusschen het oogenblik, waarin onze Heer zijn heengaan aankondigde en het oogenblik, waarin Hij van hen henenging, lag de gebeurtenis zijner opstanding uit de dooden. Die gebeurtenis had hen alles in een ander licht doen beschouwen, die gebeurtenis had hunne droefheid veranderd in vreugde. In het licht van de opstanding uit de dooden was het heengaan van den Heiland geen verlaten, en in dat bewustzijn werd de hemelvaart hun eene oorzaak van groote blijdschap.

Daarom eert de christelijke gemeente, die aan de

-ocr page 57-

49

opstanding van Christus haar leven heeft te danken, den dag van 's Heeren hemelvaart als eenen feestdag en beaamt zij blijde het woord van haren Heer: „Ik zeg u de waarheid: het is u nut, dat ik wegga.quot;

Waarom was het ons nut, M. H.? Wij willen deze vraag heden morgen in het kort trachten te beantwoorden, opdat ook wij straks, evenals de discipelen den Olijfberg, dit bedehuis verlaten, met groote blijdschap, nadat wij onzen verhoogden Heer zullen hebben aangebeden.

GEZANG CXLVII : 1, 2.

Verheft u, Christnen! boven 't stof,

Vereenigt u tot Jezus lof,

Nu wij Hem zien verhoogen;

De luister van zijn majesteit Straalt, in het rijk der heerlijkheid,

In aller Englen oogen.

Dat ook de mensch zijn grootheid zing',

Daar Hij het rijksbewind ontving.

En glorierijk aanvaardde:

Hij, schoon geen sterflijk oog Hem ziet,

Is 't voorwerp van 't vereenigd lied Van hemel en van aarde.

Wij buigen ons ootmoedig neêr Voor U, gezalfde Vorst en Heer!

Elk juich', de Koning leve!

Dat uw genadeheerschappij Al d' eeuwen door gezegend zij ,

En heil aan 't aardrijk geve:

Och! dat de klank van 's Konings woord Bij alle volken word' gehoord,

En elk zijn beeldnis drage.

Wij, eeuwig aan uw' dienst gewijd ,

Verlangen biddend naar dien tijd;

Och! dat die heileeuw dage.

4

-ocr page 58-

50

„Doch ik zeg u de waarheid: het is u nut, dat ik weggadie woorden, bijna niet geloofd door treurende discipelen, worden door ons op den hemelvaartsdag blijde herhaald en beaamd. Christus heeft ontvangen het loon op zijnen strijd. Hij is opgenomen in heerlijkheid en voor het oog der vrome verbeelding hebben de rijen van engelen zich geopend om den koning in hun midden te ontvangen, den koning der eere, voor wien de poorten des hemels den boog hebben verhoogd en voor wien de eeuwige deuren omhoog zijn gerezen.

Doch wij willen niet trachten door te dringen in datgene, wat te hoog voor ons is. Eene wolk nam Hem weg voor hunne oogen, toen zij naar den hemel staarden. Die wolk is ons aan onze beperktheid en kortzichtigheid komen herinneren. En nu zullen wij te blijder hemelvaartsfeest vieren, naarmate wij ons daarvan te levendiger bewust blijven. Hoe eenvoudiger wij over dat Hemelvaartsevangelie denken, des te verhevener dingen heeft het ons te zeggen.

De hemelvaartsdag zegt ons, dab wij eenen Heiland eeren, die verhoogd is aan de rechterhand Gods in de hoogste hemelen. Door die zekerheid wint ons geloof aan heiligheid, rijkdom, kracht en Uijdschap. Over deze vier gedachten wenschen wij heden morgen een oogenblik te spreken,

Onze Heiland leeft in den hemel. Door die zekerheid wint ons geloof aan heiligheid. M. H., wij

-ocr page 59-

51

kunnen er niet genoeg den nadruk op leggen, dat wij door het geloof in Jezus Christus gezet zijn in het koninkrijk des lichts, gezet zijn in den hemel. Wij kunnen er elkander niet genoeg aan herinneren, dat wij, wanneer wij gelooven, wandelen te midden van het eeuwige, wandelen in eene wereld van waarheid en licht, van liefde en vrede, die eeuwig blijft, en waarin wij ook eeuwig zullen blijven. Die gelooft, heeft het eeuwige leven. Hij zal den dood niet zien. Maar aan den anderen kant kan ook niet genoeg de nadruk hierop worden gelegd, dat een groote afstand den reinen hemel scheidt van de zondige aarde. Hoe blijkt het hier, dat het christendom geen stelsel is, waar alles in juiste redeneering op elkaar volgt, maar de openbaring van eeuwig leven, dat wij nu eens van deze zijde dan van de andere mogen bezien, al naarmate de indruk is, dien het maakt op ons hart. Voelen wij ons verlost , wij juichen: ik ben in den hemel! maar gevoelen wij een oogenblik daarna de kracht onzer zondige neigingen, dan slaan wij het oog verlangend naar boven, naar dien hemel, die zoo ver af is, omdat die zoo geheel het tegengestelde is van de zondige aarde, waartoe wij behooren. De hemelvaart van Christus was voor Hem een weggaan van de zondige aarde, een verlaten van het tooneel zijner schande en ellende. Indien dus ons geloof in Hem wil zijn, wat het moet wezen, dan moet het gereinigd zijn van alles, wat aan deze zondige aarde

4*

-ocr page 60-

52

herinnert, gereinigd van alle aardsche verwachtingen, gereinigd van alle mogelijke zondige neigingen, gereinigd van allen hoogmoed en alle zelfzucht. M. H., hoe onrein is nog ons geloof. Hoevelen hebben bij hun geloof nog allerlei andere bedoelingen, of laat ik mij liever anders uitdrukken, hoevelen hebben een geloof, dat in het oog des Heeren geen geloof is, omdat het zoo onheilig is. O, vergeet het toch niet, Hy is gezeten aan de rechterhand Gods in de hoogste hemelen, het voorwerp van uw geloof is dus het heiligste, wat zich denken laat, datgene, wat het verst verwijderd is van de zonde. De kern van ons geloof moet dus zijn een vurig verlangen naar heiligheid, een hongeren en dorsten naar gerechtigheid. Helaas, hoevelen beschouwen hun geloof als een toegangskaart voor den hemel, en gelooven uit vrees om verloren te gaan, bidden om genade uit vrees om verloren te gaan. Hoe weinigen hebben den Heiland lief, omdat Hij heilig is! 0, M. H., tracht u eens even deze gedachte helder voor den geest te plaatsen en gij zult zien, hoeveel er nog aan uw geloof ontbreekt, of laat ik liever zeggen: hoe weinig uw geloof nog waarlijk gelcof is. Indien ons geloof is, wat het wezen moet, een geheel ons overgeven aan den Heiland, een gehoor geven aan den inwendigen drang des harten om Hem lief te hebben, is het dan niet allereerst een vurig verlangen om zonder zonden te zijn? Is onze zonde ons waarlijk tot last? Verlangen wy om van de

-ocr page 61-

53

zonden verlost te worden, niet uit vrees voor de gevolgen, maar omdat de zonde voor ons iets geworden is, waartegen wij in het diepst van ons hart afkeer en walging gevoelen? Waarachtig verlangen naar Christus is een waarachtig verlangen naar heiligheid. En een waarachtig verlangen naar hei-ligheid openbaart zich in ernstigen strijd tegen de zonde. En weet gij, waarom nu dat Evangelie van den verhoogden Heiland zoo troostrijk is? Hierom, dat het middelpunt van die heilige wereld des lichts een hart is, dat liefheeft, en dat dus de begeerte om heilig te worden tevens een zoeken is om vervuld te worden met de hoogste liefde. Al de eischen van het Evangelie komen samen in die eene vraag van den Heiland der wereld: „geef mij uw hart.quot; Terwijl Christus Zijne geboden geeft, buigt Hij Zich tot ons neder met erbarming en ontferming, en hoe meer wij zoeken om heilig te worden, des te meer ervaren wij de werking van eene liefde, die ons heilig maakt.

Onze Heiland leeft in den hemel. Door die zeker-0 heid wint ons geloof aan rijkdom. „Doch ik zeg u de waarheid,quot; zoo sprak onze Heiland, „het is u nut, dat Ik wegga; want,quot; zoo liet Hij er op volgen, „indien ik niet wegga, zoo zal de Trooster tot u niet komen; maar indien Ik heenga, zoo zal Ik Hem tot u zenden.quot; Was de Heiland eertyds slechts met eenen kleinen kring van galileesche mannen, v nu is zijne gemeente over de geheele aarde verspreid

-ocr page 62-

54

en heerscht Hij over alles. Nu woont Hij door dien Geest in het midden zijner gemeente, en in het bezit van dien Geest mag de gemeente zich rijk gevoelen. Die Heilige Geest draagt in zich de volheid van Goddelijk leven. Hoort wat Christus van Hem zegt: ,, Hy zal het uit het mijne nemen en zal het u verkondigen.quot; Die Heilige Geest put uit de volheid van het leven van Christus, en wilt gij weten, hoe rijk dat leven van Christus is, hoort dan nog eens naar Hem, wanneer Hij zegt: „Al wat de Vader heeft is het mijne. Daarom heb Ik gezegdzoo laat Hij er nog eens met nadruk op volgen, „dat Hij het uit het mijne zal nemen en u zal verkondigen.quot; Christus is naar den hemel gegaan, en nu heeft Hij zijne bedroefde discipelen vertroost met den Heiligen Geest, die met recht den naam van Trooster mag dragen, want die Geest heeft hen rijk gemaakt, hun gevende uit de volheid van goddelijk leven de eene gave na de andere. M. H., gevoelen wij ons niet rijk in het bezit van dien Geest? Paulus noemt de vruchten des Geestes op : liefde, blijdschap, vrede, geduld, vriendelijkheid, tevredenheid, waarachtigheid, zachtmoedigheid en ingetogenheid. Welk eenen schat van gaven heeft Christus in zijne gemeente neergelegd. Wat is de gemeente ryk in haar geloof in den verhoogden Heiland! Ja, wat nog meer is, dien Geest wil Christus uitstorten in het hart van iederen zondaar, die dorst naar den levenden God. „De Vader en

-ocr page 63-

55

Ik, Wij zullen komen en woning bij hem maken,quot; zoo sprak Hij, Verheffende gedachte: indien wij ons hart den Heiland geven, dan daalt Hij met de volheid zijner goddelijke liefde, met den rijkdom van zijnen hemelschen vrede daarin neer! Dan leeren wij Hem steeds heter kennen en naar die mate wordt het in ons leven al lichter, al lichter!

O, M. H., hoe rijk is die wereld, die het geloof voor ons ontsluit. Alles vinden wij daar, waarnaar ons hart slechts verlangen kan. Verlangen wij kracht om te strijden tegen de zonde; die Geest wil ons tot dien strijd kracht ver-leenen. Verlangen wij troost in onze droefheid; die Geest wil ons die droefheid doen zien in 't licht van Gods liefdevolle leidingen. Verlangen wij moed om voort te gaan op den levensweg; die Geest spoort ons aan om moedig voorwaarts te treden, ons de verzekering gevende, dat het einde zeker zalig zal zijn. Weten wij niet, wat wij bidden zullen; die Geest komt aan onze zwakheden te hulp en bidt voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. Weten wij niet wat wij spreken zullen; die Geest geeft ons te spreken woorden van kracht en eeuwig leven. Zijn wij in twijfel, of wij waarlijk wel behouden zijn, die Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn. Is het in onze harten koud en kwijnt de hope des eeuwigen levens; die Geest stort de liefde Gods uit in onze harten en zegt ons, dat de hoop niet zal beschamen. Ziet, M. H., dat alles

-ocr page 64-

56

schenkt de verhoogde Heiland ons in dien Heiligen Geest, in dien Trooster! Was het ons niet nut, dat Hij wegging? En daarom juichen wij op dezen Hemelvaartsdag, want door het heengaan des Heeren naar den hemel, heeft ons geloof gewonnen aan grooten rijkdom.

GEZANG CXLVIII : 1, 4.

Komt Christnen, laat ons Jezus loven,

Komt heffen wij het hart naar hoven!

Daar zit de Koning op zijn' troon,

Daar zegeviert Gods groote Zoon;

Daar zij ons hart, daar is de schat,

Die al ons heil in zich bevat.

Wil, Heer! in ons dien ijver wekken.

Wij voelen ons naar d' aarde trekken;

Maak, Jezus! maak ons los van d' aard,

Trek zelf ons harte hemelwaart.

Schenk ons den Geest, door U beloofd.

Dan volgen w' U, gezegend Hoofd!

Jezus leeft in den Hemel. Door die zekerheid wint ons geloof aan kracht. Wij leven in de wereld der zichtbare dingen. Maar er is eene wereld van onzichtbare dingen, waarvan de verhoogde Christus het middelpunt is. Met die wereld der onzichtbare dingen brengt het geloof ons in aanraking. Het geloof slaat de brug tusschen die twee werelden. Hoe grooter nu de afstand is, die den hemel en de aarde scheidt, des te grooter is ook de kracht, die het geloof moet ontwikkelen om ons met dien hemel in aanraking te brengen. Hoe duister kan het zijn

-ocr page 65-

57

in ons leven. Kost het dan geenen groeten strijd om in dat duister toch het licht te zien? Wanneer de eene teleurstelling na de andere ons treft, is het dan zoo gemakkelijk om te gelooven, dat alle dingen medewerken ten goede dengenen, die Hem liefhebben en naar zijn voornemen geroepenen zijn? Wanneer wij treuren over het gemis van veel, wat ons liet was, kost het dan niet de grootste inspanning om het woord van Job na te spreken: de Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des Heeren zij geloofd? Wanneer wij bezig zijn in den naam en voor den naam van onzen Heer te arbeiden, en onze omgeving lacht en roept ons toe, dat alles vruchteloos zal zijn, spreekt het dan zoo van zeiven, dat wij voorwaarts blijven gaan in de overtuiging, dat alles, wat uit het geloof voortkomt en in den Heer verricht wordt, niet ijdel kan zijn? Ziet M; H., in dit gelooven ontwikkelen zich de edelste krachten onzer ziel, in dat grijpen en vasthouden van het onzichtbare en ontastbare ontwikkelen zich de gaven, die God aan de ziel in dit leven heeft medegegeven. Het geloof is de sfeer, waarin de ziel rijpt voor het eeuwige leven. Wilt gij een voorbeeld? Een leger-afdeeling heeft eenen moeielijken strijd te strijden. Van de hoofdmacht afgesneden en door den vijand omsingeld komt het er op aan zich moedig eenen weg door de vijandelijke benden heen te banen. De strijd zal hachelijk zijn. Maar zoolang de soldaten hunnen aanvoerder in hun midden zien, gelooven zij

-ocr page 66-

58

aan de overwinning. Met hem kunnen zij de nederlaag niet lijden. Eu in dat geloof gaan zij voorwaarts. „Moed gehouden!quot; zoo klinkt het rustig gesproken aanmoedigend woord van den veldoverste in het heetst van den strijd. En eindelijk is het doel bereikt, de overwinning is behaald! Blijkt het hier niet M. H., dat het geloof in den aanvoerder 4

den soldaten kracht heeft gegeven om te strijden,

dat het geloof in de overwinning hen in staat heeft gesteld om te overwinnen? En zijn zulke krijgsknechten niet door en in den strijd gevormd en in het vuur beproefd? Zoo is het in nog veel verhevener zin ten opzichte van den strijd des geloofs. Onze Heiland is naar den hemel gegaan, maar laat het ons maar eerlijk bekennen, Hij schijnt ons dikwerf zoo onmetelijk ver af. Hij heeft zijnen strijd gestreden en het loon op dien strijd, de eeuwige heerlijkheid ontvangen. En wij hebben onzen strijd nog.

Wij zijn er nog lang niet! En dan gevoelen wij het, Hij is ons zoo ver vooruit! De afstand tusschen den reinen hemel en de zondige aarde is zoo groot!

Zullen wij dien hemel ooit bereiken? zullen wij den ^

Heiland ooit in zijne heerlijkheid zien? Maar wij gelooven aan de waarheid van zijn woord: „Ik wil, dat waar Ik ben, ook diegenen bij Mij zijn, die God Mij gegeven heeft!1' En in dat geloof zingen wij: „Gods Zoon vergeet den broeder niet, dien Hij op aarde liet!11 En dan leeren wij het woord,

eens door Hem tot Thomas gesproken, verstaan: j

-ocr page 67-

59

zalig zijn degenen, die niet zullen gezien, maar geloofd zullen hebben!quot; Gelooven is voor ons hierop aarde veel grooter voorrecht dan zien. 't Geloof in de overwinning te midden van het heetst van den strijd heeft de krijgsknechten veel dapperder soldaten gemaakt, dan wanneer hun de overwinning als 4 in de hand was gegeven.

Juist omdat wij niet zien, maar gelooven, krijgt onze ziel die spankracht, die haar groote daden doet verrichten. Het geloof geeft aan de ziel die vaart, die haar over gevaarlijke afgronden doet henensprin-gen, waar zij anders zonder die vaart radeloos voor zou blijven staan.

En zoo roept deze hemelvaartsdag het ons toe; zoekt de dingen, die boven zijn! Daar is Christus. Naar den hemel, daarheen al uw streven gericht. Hier beneden is het niet! O, blijft u bewust van den grooten afstand, want dan zult gij u bewust blijven van uwe grootsche roeping. En als gij gelooft , dat gij die roeping zult kunnen verwezenlijken, dan zult gij uw doel bereiken. En veilig aangeko-,1 men zult gij nog eens op den afgelegden weg terug

zien en zeggen: „hoe is het mogelijk, dat ik er gekomen ben? en gij zult zelf het antwoord geven in dat woord: „Het is, omdat ik heb mogen gelooven!quot; Hoe verder hij van zijn doel verwijderd is, des te meer zal de boogschutter den boog spannen, en hoe meer de boog gespannen is, met des te meer kracht 2 en zekerheid zal de pijl zijn doel tegenvliegen.

-ocr page 68-

58

aan de overwinning. Met hem kunnen zij de nederlaag niet lijden. En in dat geloof gaan zij voorwaarts. „Moed gehouden!quot; zoo klinkt het rustig gesproken aanmoedigend woord van den veldoverste in het heetst van den strijd. En eindelijk is het doel bereikt, de overwinning is behaald! Blijkt het hier niet M. H., dat het geloof in den aanvoerder den soldaten kracht heeft gegeven om te strijden, dat het geloof in de overwinning hen in staat heeft gesteld om te overwinnen? En zijn zulke krygs-knechten niet door en in den strijd gevormd en in bet vuur beproefd? Zoo is het in nog veel verhevener zin ten opzichte van den strijd des geloofs. Onze Heiland is naar den hemel gegaan, maar laat het ons maar eerlijk bekennen, Hij schijnt ons dikwerf zoo onmetelijk ver af. Hij heeft zijnen strijd gestreden en het loon op dien strijd, de eeuwige heerlijkheid ontvangen. En wij hebben onzen strijd nog. Wij zijn er nog lang niet! En dan gevoelen wij het, Hij is ons zoo ver vooruit! De afstand tusschen den reinen hemel en de zondige aarde is zoo groot! Zullen wij dien hemel ooit bereiken? zullen wij den Heiland ooit in zijne heerlijkheid zien? Maar wij gelooven aan de waarheid van zijn woord: „Ik wil, dat waar Ik ben, ook diegenen bij Mij zijn, die God Mij gegeven heeft!quot; En in dat geloof zingen wij: „Gods Zoon vergeet den broeder niet, dien Hij op aarde liet!quot; En dan leeren wij het woord, eens door Hem tot Thomas gesproken, verstaan:

-ocr page 69-

59

zalig zijn degenen, die niet znllen gezien, maar geloofd zullen hebben!quot; Gelooven is voor ons hierop aarde veel grooter voorrecht dan zien. 't Geloof in de overwinning te midden van het heetst van den strijd heeft de krijgsknechten veel dapperder soldaten gemaakt, dan wanneer hun de overwinning als in de hand was gegeven.

Juist omdat wij niet zien, maar gelooven, krijgt onze ziel die spankracht, die haar groote daden doet verrichten. Het geloof geeft aan de ziel die vaart, die haar over gevaarlijke afgronden doet henen springen , waar zij anders zonder die vaart radeloos voor zou blijven staan.

En zoo roept deze hemelvaartsdag het ons toe; zoekt de dingen, die boven zijn! Daar is Christus. Naar den hemel, daarheen al uw streven gericht. Hier beneden is het niet! 0, blijft u bewust van den grooten afstand, want dan zult gij u bewust blijven van uwe grootsche roeping. En als gij gelooft , dat gij die roeping zult kunnen verwezenlijken, dan zult gij uw doel bereiken. En veilig aangekomen zult gij nog eens op den afgelegden weg terug zien en zeggen: „hoe is het mogelijk, dat ik er gekomen ben? en gij zult zelf het antwoord geven in dat woord; „Het is, omdat ik heb mogen gelooven!1' Hoe verder hij van zijn doel verwijderd is, des te meer zal de boogschutter den boog spannen, en hoe meer de boog gespannen is, met des te meer kracht en zekerheid zal de pijl zijn doel tegenvliegen.

-ocr page 70-

60

Vergeet dan de roepstem van dezen dag niet: Jezus Christus is in den hemel! Uw levensdoel is niets minder dan : bij Hem te zijn , heilig, in 't licht! Zoekt dan de dingen, die boven zijn.

Jezus leeft in den hemel. Door die zekerheid wint ons geloof aan blijdschap. Waarom M. H. 1 Hij heeft tot ons gesproken: „In het huis mijns Vaders zijn vele woningen, Ik ga heen om u plaats te bereiden.quot; Wij weten, dat het eind van onzen strijd vrede, het einde onzer droefheid blijdschap, het eind van onzen duisteren weg licht zal zijn. Eenmaal zal ons gelooven aanschouwen worden. Dat wij toch meer die hope des eeuwigen levens in ons aardsche leven lieten doorwerken! Dat wij toch meer dat zalig uitzicht onzen aardschen levensweg lieten beschijnen! Dan zou onze blijdschap levendiger zijn. Ons geloof is zoo weinig blijde. Wij zuchten vaak, dat het zoo moeielijk is om getrouw te zijn, terwijl wij zoo weinig juichen om het groote voorrecht, dat wij zulk eene heerlijke toekomst mogen tegengaan. Daar in den hemel zullen wij mogen leven hetzelfde leven, dat God ons hier in zijne gemeenschap te leven geeft, maar dan zonder zonde, zonder eenig beletsel.

Wij leven hier op aarde eerst waarlijk, wanneer het leven Gods de eigenlijke inhoud van ons leven is. Dan is de grond van ons leven zijne liefde, die ons draagt en alles, wat ons wedervaart, dient dan slechts om die gave Gods in steeds helderder licht te stellen, het gevoel van zekerheid, dat niets ons

-ocr page 71-

61

van Zijne liefde zal kunnen scheiden, tot steeds grootere vastheid te brengen. Maar ach, hoe vaak hebben onze aardsche levensomstandigheden juist de tegengestelde uitwerking. Hoe vaak bedekt de nacht van bange zorgen het uitzicht onzer hoop. Hoe vaak verduisteren onze zonden de blijde toekomst, en drukt schuldgevoel ons neer, zoodat wij mismoedig den blik naar de aarde richten en den hemel vergeten of vlieden! Maar nu komt deze Hemelvaartsdag. Hij predikt ons overwinning. Na lijden en strijd, na een leven van smaad en schande is het oogenblik gekomen, dat de Zoon des men-schen zich gezet heeft aan de rechterhand Gods. En dat alles is geschied voor ons. Wij mogen in die overwinning deelen. Zijn zijn in den hemel is ons een waarborg, dat ook wij eenmaal in den hemel zullen zijn. Daar zullen wij mogen arbeiden , zonder dat onzen arbeid meer eenige smet zal aankleven; daar zullen wij mogen danken, zonder dat onze dankbaarheid ooit door zonde verduisterd zal worden; daar zullen wij mogen juichen en opstijgen, steeds hooger en hooger, zonder dat er iets zal zijn, wat ons naar beneden trekt en ons terug zal doen vallen; daar zullen wy mogen leven, daar zal onze ziel de vleugelen mogen uitslaan, zonder dat iets haar leven doet kwijnen of hare vleugels verlamt; daar zullen wij weervinden, die ons, geloovende in Christus, vooruit zijn gegaan; d4ar zal het zijn een juichen over hereeniging, waar het

-ocr page 72-

62

hier was een treuren over scheiding; daar zullen wij altoos met den Heer wezen, met Hem, die de band is tusschen allen, die gelooven, reeds hier op aarde. In zijnen naam buigen zich de knieën dergenen, die in den hemel en die op de aarde zijn. Die allen vormen samen ééne gemeente, waarvan de verheerlijkte Christus het middelpunt is. Dat gelooven wij hier. Daar zullen wij het zien, en in die zalige gemeenschap zal God zijn. Heft dan uwe hoofden op, alle gij bedroefden en bekommerden en twijfelmoedigen. Deze Hemelvaartsdag trekt onzen blik naar boven. Verblijdt u, want uw weg leidt daarheen. Verblijdt u, want gij hebt eenen Leidsman, die u langs dien weg wil vergezellen, en gelooft het vast: hoe moeilijk u de weg ook schijn, het eind zal zeker zalig zijn. Amen.

GEZANG CCLXXIV: 2.

Zij zal ons niet berouwen De keus van 't smalle pad;

Wij kennen den Getrouwen,

Die ons heeft liefgehad.

Vest al uw hoop op Hem!

Dat ieder 't aangezigte Ginds naar de Godsstad rigte:

Daar ligt Jeruzalem!

-ocr page 73-

HET VERGANKELIJKE EN HET BLIJVENDE.

-ocr page 74-

PSALM CXIX : 3.

Och schonkt Gij mij de hulp van uwen Geest!

Mogt die mij op mijn paan ten leidsman strekken 'k Hield dan uw wet, dan leefde ik onbevreesd;

Dan zou geen schaamt' mijn aangezicht bedekken Wanneer ik steeds opmerkend waar' geweest, Hoe uw geboón mij tot uw liefde wekken

-ocr page 75-

1 PETRI 1: 24, 25,

Want alie vleesch is als gras, en alle heeriykheid des menschen is als eene Moem ran het gras. Het gras is yerdord, en zijne Moem is afgevallen, maar het woord des Heeren blyft in eeuwigheid; en dit is het woord, dat onder u yerkondigd is.

PSALM 0111:8, 9.

Gelijk het gras is ons kortstondig leven,

Gelijk een Moem die, op het veld verheven.

Wel sierlijk pronkt, maar krachtloos is en teêr:

Wanneer de wind zich over 't land laat hooren,

Dan knakt haar steel, haar schoonheid gaat verloren: Men kent en vindt haar standplaats zelfs niet meer.

Maar 's Heeren gunst zal over die Hem vreezen,

In eeuwigheid altoos dezelfde wezen;

Zijn trouw rust zelfs op 't late nageslacht,

Dat zijn verbond niet trouweloos wil schenden.

Noch van zijn wet afkeerig de ooren wenden.

Maar die naar eisch van Gods verbond betracht.

Het gras verdort en zijne bloem valt af, hoe predikt het herfstj aargetijde ons deze waarheid weer ten duidelijkste! Al dry ven de najaarsstormen de gele bladeren nog niet tegen de ruiten en al giert de herfstwind nog niet door de druipende boomeu,

-ocr page 76-

66

alles begint ons toch al luide toe te roepen, dat de zomer voorbij is, dat het bloeiende leven aan het verwelken, het lachende zonlicht aan het tanen is. Ja, het is ons, of wij het in dezen tijd, waarin wij nog de overblijfsels van het volle zomerleven zien en zoo gaarne dat leven zouden willen vasthouden, nog veel pijnlijker gevoelen dan straks, wanneer wij geheel vertrouwd zijn geraakt met de gedachte, dat de winter voor de deur staat. De boomen zijn nog groen, tal van verwelkte bladeren bedekken echter reeds den grond. De bloemen bloeien nog, toch is haar grootste getal reeds uitgebloeid en met moeite kunnen enkele knoppen zich nog ten halve ontwikkelen. Door het leven der natuur klinken reeds de eerste tonen van het afscheidslied en het zijn juist deze eerste tonen, die ons zoo machtig aangrijpen en zoo weemoedig stemmen.

Maar al verdort het gras en al valt de bloem af, het woord des Heeren blijft in der eeuwigheid. Als wij hooren spreken van het „Woord des Heerenquot;, denken wij onwillekeurig aan het Evangelie, en ik kan mij begrijpen, dat er menigeen is onder de ouden van dagen in ons midden, die bij het hooren van onzen tekst gedacht hebben: „Ja, zoo is het! Hoe menige zomer heb ik reeds zien henengaan, hoe menige winter zien komen, maar het Evangelie, dat ik van mijne kindsche jaren af heb hooren prediken, is toch altoos hetzelfde gebleven, dezelfde blijde boodschap, dat Jezus de Zaligmaker van zon-

-ocr page 77-

67

daren is.quot; En hunne gedachten dwalen terug naar vroeger jaren, toen zij met hunne ouders, die nu reeds lang zijn gestorven, naar de kerk gingen. Zij zeiven zijn reeds lang den herfst van hun leven ingetreden: het Woord des Heeren is hetzelfde gebleven. Hoe lang bestaat de christelijke gemeente reeds. Wat is er al veel over haar hoofd heengegaan! Maar altoos weerklinkt dezelfde blijde boodschap. Hier hebben wij het blijvende naast of liever midden in het vergankelijke, het vaste midden in den stroom van het voorbijgaande en tijdelijke.

Toch is het niet alleen op grond daarvan, dat wij mogen zeggen „het Woord des Heeren blijft in eeuwigheid!'

Ons tekstwoord is niet de uitkomst van eene berekening , de slotsom, waartoe men komt na allerlei overwegingen en vergelijkingen, neen, het is eene stellige verzekering van het geloof, dat niet voor zijne uitspraken om zich heen behoeft te zien naar bewijsgronden, maar zijne zekerheid onmiddelijk in zich zelf vindt en van te voren weet, dat alles, wat komen zal, slechts eene bevestiging zal zijn van hetgeen reeds van te voren vaststaat. Wij zien hier het geloof aan het woord, dat temidden van het wegvallende en omlaag zinkende vasthoudt het blijvende, en door dat vasthouden boven het wegvallende uitstijgt. Zingende van het eeuwige wordt het zelf eeuwig.

-ocr page 78-

68

Alle vleesch is als gras en alle heerlijkheid des menschen is als eene bloem des gras. Het gras is verdord en zijne bloem is afgevallen, maar het woord des Heeren blijft in der eeuwigheid. Het is duidelijk dat de apostel hier doelt op het bekende woord van Jesaia 40. De profeet treedt op met de verkondiging des heils: de strijd van Jerusalem is vervuld, van de hand des Heeren heeft zij meer dan genoeg voor hare zonden ontvangen, hare ongerechtigheid is verzoend. De heerlijkheid des Heeren zal geopenbaard worden en alle vleesch tegelijk zal haar zien, want de mond des Heeren heeft het gesproken. En op datgene wat de mond des Heeren spreekt, kan men staat maken. Alle vleesch is als gras, voorwaar het volk is gras, maar het woord onzes G-ods bestaat in der eeuwigheid.

Wanneer in het Oude Testament van „woordquot; gesproken wordt, wordt daarmede vaak bedoeld eene handeling, eene gebeurtenis, eene daad, voor zooverre die in geschrifte wordt vermeld of in gesprekken wordt verhandeld. En zoo krijgt „woordquot; ongemerkt de beteekenis van „daad.quot; Gods woorden worden daden. Wat God spreekt te zullen doen, wat Hij belooft, dat geschieden zal, Hij is tegelijkertijd bezig het uit te voeren. God spreekt door daden. Alle Gods daden zijn profetiën van grootere daden, woorden, die Hij spreekt en waardoor Hij heil verkondigt. Zijn woord bestaat in eeuwigheid, gelijk Hij zelf in eeuwigheid bestaat. Zijn woord is de

-ocr page 79-

69

openbaring van zijn innerlijk wezen, het ontsluiten van zijn hart, waarin zijn volk de gedachten des vredes kan lezen, die Hij, de ontfermer, over hen heeft. Daarom verwondert het ons niet, dat de profeet spreekt van het komen van de heerlijkheid des Heeren als van een opgaan van het zonlicht over het volk, dat in duisternis is gezeten.

Nu neemt Petrus in onzen tekst deze gedachte over en stelt haar in het licht des Nieuwen Verhonds. Het woord des Heeren is hem niet de verkondiging van hetgeen God gedaan heeft om zijn volk Israël uit de ballingschap te redden, maar van hetgeen Hij gedaan heeft in Jezus Christus om de wereld van hare zonden te verlossen en van den ondergang te redden. Sprak God door daden, eenmaal heeft Hij het woord der verlossing gesproken, toen Christus op aarde kwam. Zijn heerlijkste woord was de daad zijner grootste liefde. Dat woord des Heeren wordt verkondigd. De profeet des Ouden Verbonds sprak tot ballingen , de apostel spreekt ook tot vreemdelingen, die in de verstrooiing zijn; ook hij wijst hen op eene heerlijke toekomst, op de zaligheid, die zal geopenbaard worden in den laatsten tijd; op de erfenis, die in de hemelen voor hen bewaard wordt, en waarvoor zij door de kracht Gods bewaard worden. Het woord des Heeren is hem de verkondiging van hetgeen God in Christus gedaan heeft en nog steeds voortgaat te doen om zondaren wederom te doen geboren worden uit onvergankelijk zaad en hen te maken tot zijne

-ocr page 80-

70

kinderen en erfgenamen, Dat woord wordt verkondigd aan eene wereld, die voorbijgaat, aan menschen, wier heerlijkheid is als eene bloem van het gras. Duidelijker dan door dit beeld kan de kortstondigheid van al het aardsche wel niet worden gekenschetst. Hoe menige bloem heeft ons ook dezen zomer weer verkwikt door hare kleuren en geuren, met forsche levenskracht zich aan den knop ontwrongen hebbende beloofde zij schoonheid, rijkdom, vreugd, maar na enkele dagen vielen de bladeren af, de bloem was verflenst! Met hoeveel vreugde hebben wij in het voorjaar de knoppen der boomen zien zwellen. Het jonge groen hulde de twijgen in zacht, wazig kleed. Nu vallen de gele bladeren van de boomen. Zoo gaat het ook met ons. Het mensch-dom valt als bladeren af. Hoevelen zijn reeds van ons henengegaan, die wij, o! zoo gaarne, nog langen tijd bij ons hadden gehouden! Langen tijd? Ach, wat wij eenen langen tijd noemen, is slechts een schakel uit dien keten van oogenblikken, die al het aardsche omvat houdt. Vraagt het ouden van dagen, die daar met onzekeren tred hunnen weg zoeken, waar hun leven gebleven is. Zij zullen zeggen, „als een damp is het voorbij gegaan!quot; De tijd, toen zij met vluggen en vasten tred hunnen weg gingen, lijkt hun zoo ver af en toch leven zij in de herinneringen van hunne jeugd: wat lang geleden is, 't komt hun toch ook weer zoo dicht nabij; het leven van zeventig of tachtig jaren, het is doorgebracht

-ocr page 81-

71

als eene gedachte, straks komt de dood en maait het af! Wanneer eene laan van hoornen zal worden omgehouwen, worden alle hoornen gemerkt. Zoo draagt ook al wat leeft het merkteeken der vergankelijkheid. Alle vreugd over vereeniging draagt in zich de kiem van droefheid over scheiding. Hoe menige bruid, eens jong en onbezorgd, lachend en gelukkig de toekomst inziende, heeft reeds het weduw-kleed moeten aantrekken; de werkelijkheid van den dood heeft het licht van die toekomst duister gemaakt. Het huisgezin, waarin ouders en kinderen zich verheugen in elkanders bezit en leven in het volle zonlicht van huiselijk geluk, zal eenmaal onder de schaduw van de vleugelen des doodsengels wegkwijnen ; wat door den tijd bijééngevoegd is, 't wordt ook weer langzamerhand door den tijd uit elkaar gedreven. Hier gaat vader heen, daar moeder, hier de zoon, daar de dochter, de een gaat vroeger, de ander later, maar door de kille hand des doods aangeraakt gaan toch eenmaal allen. Alle vleesch is als gras, en alle heerlijkheid des menschen is als eene bloem van het gras. Wat al heerlijk-lijkheid is er onder de menschen geweest. Koningen hebben rijken veroverd en heerschappen gesticht. Wat is er van hunne macht overgebleven? Veroveraars hebben eerzuilen opgericht en overwinningsteekenen , maar die teekenen, zij zijn verweerd, in puin gevallen, wat diende om de gedachtenis te bewaren moet nu zelf met de grootste

-ocr page 82-

72

zorg bewaard worden. Wat al grootheid heeft er op aarde geschitterd, 't is alles voorbij gegaan! Hoeveel is er in één oogwenk door het nageslacht naar beneden gehaald, wat het voorgeslacht met inspanning van alle krachten had opgericht. Hoeveel arbeid, waarop de arbeiders zich hadden beroemd, is later als onbruikbaar op zijde gezet! Hoevelen hebben het ondervonden, dat de heerlijkheid des menschen is als eene bloem van het gras; eens geëerd en op de handen gedragen werden zij weldra verguisd en met smaad overladen. De zonneschijn van den middag is nog geen waarborg voor eenen helderen hemel in den avond. Hoeveel hebben wij ook uit ons eigen leven zien wegvallen, wat wij zoo gaarne hadden behouden. Werk, waaraan wij bezig waren, viel onder het bouwen in duigen. Plannen, wier verwezenlijking wij blijde te gemoet gingen, gingen plotseling in rook op, en de toekomst, eens zoo helder, had nu niets dan dreigend duister. Vreugde, die wij wel met beide handen hadden willen vasthouden, moesten wij zien wijken voor droefheid, die vreugde, zij mocht slechts in het voorbijgaan worden genoten! Het is, of de smart veel meer in ons hart thuis is, dan de vreugde, daar veel spoediger eene rustige plaats kan verkrijgen. En geen wonder! God heeft de eeuw in ons harte gelegd, de begeerte om eeuwig te leven, en ziet, wij leven te midden van het vergankelijke, het voorbijgaande. O, onze ziel kan zoo moede worden,

-ocr page 83-

73

wanneer zij, rust zoekende, telkens wordt opgejaagd met het woord: „spoed u, want het is hier het land der ruste niet!quot;

M. H., wij moeten niet trachten ons oog voor die werkelijkheid te sluiten; wij moeten haar aanvaarden, en kunnen dat ook! Want daar is nog eene andere werkelijkheid, eene werkelijkheid, tegenover welke de werkelijkheid van den dood wegvalt. Ons tekstwoord spreekt van iets, dat blijft in der eeuwigheid. De taal des geloofs komt ons verzekeren, dat er temidden van al dat beweeglijke iets onbeweeglijks is, temidden van de bruisende zee eene vaste rots, waaraan de geslingerde ziel zich mag vastklemmen. Temidden van de wereld der vergankelijke dingen wordt gepredikt het Woord des Heeren. Dat Woord spreekt niet alleen over het eeuwige, het is zelf een lichtstraal uit de wereld van het eeuwige. Als een licht schijnt het in de duistere wereld der vergankelijkheid, als eene kracht ten leven werkt het in de wegstervende menschheid. Het spreekt over het eeuwige, want het verkondigt de liefde Gods. Het verkondigt ons, dat God alzoo lief de wereld heeft gehad, dat Hij zijnen eengeboren Zoon gezonden heeft. Het verkondigt ons, hoe God zijnen eigen Zoon gegeven heeft, om ons, zondaren te behouden. Naar liefde dorst ons hart. Alleen in de wereld van liefde leeft het. Hoe kan liefde van menschen ons teleurstellen! Hoe is vaak onze eigen liefde met zonde bevlekt! Maar het Woord des

-ocr page 84-

74

Heeren spreekt van heilige liefde, van eene liefde, die geenen zondaar te diep gezonken acht, om niet in zijne diepte te willen afdalen, geenen zondaar zoo eigenzinnig, om niet met het meeste geduld hem zijne eigenzinnigheid af te leeren, geenen zondaar zoo schuldig om hem niet al zijne schuld koninklijk te willen vergeven, van eene liefde, waarin niets wordt gevonden, wat maar eenigszins aan het leven der zondige wereld herinnert. Dat Woord des Heeren, dat van die liefde spreekt, wekt de ziel tot nieuw leven en plaatst haar in de wereld van het eeuwige, en nu leeft zij eerst waarlijk, nu leeft zij een eeuwig leven, zij gevoelt het, wat ook voorbij moge gaan, die liefde, die vrede, die blijdschap, die wereld, door het Woord des Heeren haar geopend, blijft. Blijkt het hier niet, M. H., hoe het Woord des Heeren telkens weder eene daad des Heeren wordt, eene daad zijner liefde, waardoor de ziel gered wordt? Is de prediking zijner liefde niet eene werking zijner liefde? Is het Woord des Heeren niet de openbaring van de kracht des Heeren en zal niet elke ziel, door het Woord des Heeren tot kennis der waarheid gekomen, blyde erkennen, dat dat Woord als eene kracht in haar leven is gaan werken ? Daarom zegt de apostel Petrus in het vers, dat aan onzen tekst voorafgaat, dat wij wederom geboren zijn door het levende en eeuwig blijvende Woord van God. Dat Woord is dus eene levende kracht, die, uitstroomende uit de wereld van het

-ocr page 85-

75

onvergankelijke, in de wereld der vergankelijke dingen instroomt en allen heeft aangegrepen, die gelooven.

GEZANG XLIII: 1, 3.

Hoog, omhoog, het hart naar boven!

Hier heneden is liet niet:

't Ware leven, lieven, loven

Is maar, daar men Jezus ziet.

Wat men hoor' of zie op aard,

Is ons kostlijk hart niet waard:

Wil men leven, lieven, loven;

Hoog, omhoog, het hart naar boven!

't Eeuwig leven, eindloos heerlijk,

Dat ons na dit leven wacht,

Is voor 't hart alleen begeerlijk,

Werkt onzichtbaar, maar met kracht.

Sluiten wij slechts 't vleeschlijk oog,

't Ware leven is omhoog,

't Leven, dat wij lieven, loven,

't Heerlijk leven is daar boven.

Gelooven is zich toevertrouwen aan den stroom van eeuwig leven, die uit God uitvloeit; zich laten aangrijpen door de kracht, die van Hem uitgaat; Gods woorden daden laten worden in het leven en alzoo dat leven laten brengen binnen de sfeer van het eeuwige.

Dat gelooven geeft blijdschap en hoop, vrede en kracht. Wanneer wij spreken over het verganke-lyke van al het aardsche en wij doen dat zonder het oog te openen voor die andere wereld, voor de wereld van het eeuwige, maakt een gevoel van somberheid zich van ons meester. Alle vleesch als

-ocr page 86-

76

gras, dat 'smorgens bloeit en 'savonds wordt afgesneden, alles, wat leeft, levende om te sterven, ziet, dat doet ons uitroepen: „waartoe dan dat leven!quot; Alle heerlijkheid des menschen als eene bloem van het gras, die 's morgens bloeit en 's avonds verwelkt, alles, wat groot en heerlijk is gedoemd om te vergaan, ziet, dat doet ons vragen: „waarom dan ge-gezwoegd en gewerkt, beangst geweest of gehoopt, geweend of gejuicht, wanneer alles toch maar is voor eene korte spanne tijds, het hijschen van een vlag op een zinkend schip!quot; M. H., als wij dat vergankelijk leven dan ook bezien, niet in het licht van het eeuwige leven, maar in de schaduw van den dood, dan is het het somberste, wat zich denken laat, dan is het een leven, dat tot wanhoop brengt. Maar nu wordt het Woord des Heeren, dat in der eeuwigheid blijft, onder ons verkondigd! Wij staan machteloos tegenover de heerschappij van den dood. Wy brengen weenende onze dooden in het graf; maar het woord des Heeren komt tot ons als eene roepstem van den Zoon des Menschen, die tot ons zegt: „heb Ik u niet gezegd, dat, zoo gij gelooft, gij de heerlijkheid Gods zien zult?quot; Wij zijn ons bewust, dat elke schrede op onzen levensweg ons nader brengt tot het graf, maar het Woord des Heeren komt tot ons met de verzekering: „die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven.quot; Wij zien, hoe het ééne werk des menschen na het andere in duigen valt en wij zijn geneigd om moedeloos te klagen: „Ver-

-ocr page 87-

I

77

itiPJIpipiTm

geefs van 's morgens vroeg geslaafd tot's avonds, en het brood der smart gegeten met een angstig hart; vergeefs den ganschen dag gedraafd,quot; maar het Woord des Heeren bemoedigt ons met de verzekering: „uw arbeid in Christus zal niet ijdel zijn.quot; Al ziet gij geene vrucht, het eenvoudigste woord, dat de liefde tot Christus u op de lippen heeft gelegd, de geringste daad, uit liefde tot Hem verricht, draagt eeuwige vrucht. De dag des Heeren zal het openbaren. Het ééne geslacht na het andere gaat voorbij, en er komt iets van eenen spotachtigen glimlach ons op het gelaat, wanneer wij alle die menschen zooveel drukte zien maken, zich elkaar het leven zoo zien bemoeilijken, elkaar zien beoorloogen en weder-keerig elkaar uitputten. Gaan allen niet naar het zwijgend graf? Moet de krachtigste niet even goed als de onbeduidendste in den kuil nederdalen? Lees de schildering van den profeet Jesaia, die in het veertiende hoofdstuk zijner profetieën ons de onderwereld binnenvoert, waar men zich spottend vermaakt , dat de koning van Babel, de van den hemel gevallen morgenster, de zoon des dageraads, geworden is als een van hen allen. Hij heeft de aarde doen sidderen, maar in den kuil nedergestort, zal hij van de maden overdekt worden! Die zeide „ik zal ten hemel opklimmen, ik zal mijnen troon boven de sterren Gods verhoogenquot;, is tot in de hel neder-gestooten en allen, die het zien, zeggen: „is dat die man, die de aarde beroerde, die de koninkrijken deed

-ocr page 88-

78

beven?quot; Hoe kleingeestig is de inbeelding van den hoog-moedigen mensch tegenover de ontzachlijke werkelijkheid van den dood! Maar nu komt het Woord des Heeren ons zeggen, dat God bezig is uit alle geslachten zich te vergaderen een volk van verlosten, een koninklijk priesterdom onder eenen koning, die in eeuwigheid leeft en heerscht. Over de eeuwen verstrooid, zullen zij bijéénvergaderd worden in Ohristus, die nu de verhoogde Heer, de Heer der Heerlijkheid is. Op aarde was Hij de Man der Smarten, die door lijden is geheiligd, volmaakt, om allen, die Hem gehoorzaam zijn, de oorzaak van eeuwig behoud te worden, hen allen te doen deelen in zijne heerlijkheid, hun allen eene plaats te bereiden in het Huis des Vaders, waar vele woningen zijn.

Wat zien wij dus? Bij alle droefheid ee;ae prediking van groote vreugde, bij alle dood eene prediking van eeuwig leven. M. H., als die woorden des Heeren daden worden in ons leven, daden van ontfermende liefde, genade en trouw, als het Woord des Heeren, dat eeuwig blijft, als eene kracht in ons leven gaat werken, dan is ons leven geworden een leven van blijde hoop, van vrede en kracht. Want dan is ons leven, met al zijne moeiten en zijn verdriet, met zijne ruïnen en graven opgenomen in de wereld van het eeuwige Wij ondervinden het, hoe God in de teleurstelling, in de smart een parel van groote waarde legt en hoe alles, wat ons drukt

-ocr page 89-

79

in dit leven, toch eigenlijk ons opheft tot Hem en hoe wij door zijne hand geleid worden naar huis. Is het uwe ervaring niet, dat droefheid U veel dichter bij God brengt dan vreugde, dat gij veel meer behoefte gevoelt om Hem vast te houden, wanneer datgene, waarop gij gebouwd hadt, in duigen valt. Hebt ge het niet ondervonden, dat smart met Hem geweend onuitsprekelijken vrede schenkt?

Het komt er dus maar op aan, of gij gelooft, of uw oog de vergankelijke dingen dezer aarde ziet in het licht van den hemel. Het komt er dus maar op aan of gij aan het eind van uwen weg ziet een eindeloos verschiet van zaligheid, of uw leven is een leven der hope. Zijt gij door de kracht Gods, door het eeuwig blijvend Woord des Heeren wederom geboren, dan zijt gij wederom geboren tot eene levende hoop. Gelooft gij het Woord des Heeren niet, dan is uw leven een leven zonder God, een leven zonder hoop nog veel droeviger dan eertijds het leven der heidenen, want gij ziet bij den weerschijn van het Evangelie nog veel meer de ellende van bet vergankelijke leven dan zij.

Het woord des Heeren wordt onder U verkondigd. Gelooft gij het niet, dan ziet gij bij zijn licht de ellende van uw leven. Gelooft gij het wel, dan ziet gij bij zijn licht de heerlijkheid van den hemel. Gelooft gij het niet, dan maakt de waarheid: alle vleesch is als gras U ongelukkig. Gelooft gij het wel, dan maakt die waarheid U gelukkig, want gij

-ocr page 90-

80

weet, dat zoo het aardsche huis dezes tabernakels verbroken wordt, gij een gebouw van God hebt, niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen. Gelooft gij het niet, dan ziet gij de heer-lykheid des menschen als eene bloem afvallen en weent en klaagt, gelooft gij het wel, dan ziet gij tusschen het afgemaaide gras andere bloemen omhoog rijzen, beloovende vrucht van eeuwig leven.

Dat woord gelooven, gij weet het toch immers, M. H., hoe het is een zich verlaten op de beloften, die het brengt, een zich gehoorzaam onderwerpen aan de eischen, die het stelt. Het verkondigt U eenen hemel van eeuwig licht, eeuwige liefde, het zegt U, dat gij om verwelkte bloemen niet behoeft te weenen, maar het zegt U ook, dat gij er niet om weenen moogt. Gij moogt niet weenen bij de graven uwer geliefden, alsof gij geene hoop des eeuwigen levens had. Gij moogt niet zuchten onder teleurstellingen, alsof niet die hier bedrukt met tranen zaait, zal juichen, als hij vruchten maait. Gij moogt niet krampachtig vastgrijpen het vergankelijke, alsof er niets hoogers was, geen eeuwig goed. Gij moogt niet zoeken de dingen, die beneden zijn, alsof er niet waren „dingen, die boven zijnquot;, die meer de liefde van uw hart waardig waren! En waarom moogt gij dat niet? Omdat deze vergankelijke wereld eene zondige wereld is. Uw zoeken van de dingen die beneden zijn, wordt een vasthouden aan de zonde. Het Woord des Heeren predikt een eeuwig

-ocr page 91-

81

leven, omdafc het predikt Gods verlossende zondaarsliefde. Maar geene prediking veroordeelt meer de zondigheid van ons hart, dan deze. Van onze zonden moesten wij worden verlost. Om onze zonden moest de Christus zoo bitter lijden. Onze zonden drukten Hem in den hof Gethsémané het bloedige zweet uit. Onze zonden maakten den Zone Gods tot eenen Man der Smarten. Kunt gij het Evangelie des kruises, dat u verlossing predikt, geloovig aannemen en toch de zondige wereld blijven dienen? Kunt gij Hem liefhebben, die door zijnen dood het eeuwige leven heeft aangebracht en uw hart toch onbeheerd laten afdwalen naar de dingen, die vergaan, die met dat eeuwige leven geene gemeenschap hebben? Neen, dat kunt gij niet! De opstanding van Jezus Christus predikt ons de overwinning van het leven over den dood als eene overwinning van heilige, volkomen liefde over de zonde.

Treurt uw hart, omdat het gras zoo spoedig verdort en de bloemen zoo bij menigte afvallen, verlangt het naar leven, naar eeuwig leven, o, dat het dan luistere naar de roepstem van het Evangelie, hetwelk in Christus den weg wijst tot het eeuwige leven. Gij kunt niet anders den dood overwinnen dan door te sterven, te sterven met Christus, in den dood te geven alles, wat de ontwikkeling van het leven uwer ziel belemmert, te breken met de zonde, die u wellicht nog steeds aan de vergankelijke wereld gebonden houdt. Uw zoeken van de

6

-ocr page 92-

82

dingen, die boven zijn, moet zich openbaren in een strijden tegen de zonde, Jie naar omlaag trekt. Uwe begeerte om van den dood te worden verlost, zij moet een hongeren en dorsten zijn naar de gerechtigheid. Langs dien weg gaat uw oog open voor de heerlijkheid van het evangelie, en naar mate uw oog er voor open gaat wordt uw hart er door verlicht, en naarmate uw hart er door verlicht wordt, ontvangt gij het eeuwige leven. Zoo brengt het Woord des Heeren ook ons de blijde boodschap, dat wij niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, verlost zijn uit onze ijdele wandeling, uit onze wandeling te midden van de dingen, die geenen inhoud hebben, leege, levenloooze dingen, maar door het dierbaar bloed van Christus.

Het gras verdort, de bloem valt af. O, laat ons dankbaar zijn, dat het Woord des Heeren, dat eeuwig blijft, ook onder ons verkondigd wordt! Amen.

GEZANG COX: 1.

God! uw woord heeft eeuwig waarde;

O, bewaar mij steeds dien schat!

Och! wat waar' m' al 't goed der aarde,

Zoo ik niet dien rijkdom had?

Moest dat kostlijk woord bezwijken,

Mijn geloof, mijn rust verdween;

Wat zijn duizend koningrijken?

'k Vraag uw woord, — uw woord alleen.

-ocr page 93-
-ocr page 94-

82

dingen, die boven zijn, moet zich openbaren in een strijden tegen de zonde, die naar omlaag trekt. Uwe begeerte om van den dood te worden verlost, zij moet een hongeren en dorsten zijn naar de gerechtigheid. Langs dien weg gaat uw oog open voor de heerlijkheid van het evangelie, en naar mate uw oog er voor open gaat wordt uw hart er door verlicht, en naarmate uw hart er door verlicht wordt, ontvangt gij het eeuwige leven. Zoo brengt het Woord des Heeren ook ons de blijde boodschap, dat wij niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, verlost zijn uit onze ijdele wandeling, uit onze wandeling te midden van de dingen, die geenen inhoud hebben, leege, levenloooze dingen, maar door het dierbaar bloed van Christus.

Het gras verdort, de bloem valt af. O, laat ons dankbaar zijn, dat het Woord des Heeren, dat eeuwig blijft, ook onder ons verkondigd wordt! Amen.

GEZANG COX: 1.

God! uw woord heeft eeuwig waarde;

O, bewaar mij steeds dien schat!

Och! wat waar' m' al 't goed der aarde,

Zoo ik niet dien rijkdom had?

Moest dat kostlijk woord bezwijken,

Mijn geloof, mijn rust verdween;

Wat zijn duizend koningrijken?

'k Vraag uw woord, — uw woord alleen.

-ocr page 95-

AFSCHEIDSWOORD.

-ocr page 96-

PSALM LXXXIV : 3, 6.

Welzalig hij, die al zijn kracht En hulp alléén van U verwacht,

Die kiest de welgehaande wegen;

Steekt hen de heete middagzon In 't moerbeidal, Gij zijt hun bron,

En stort op hen een' milden regen, Een' regen, die hen overdekt,

Verkwikt, en hun tot zegen strekt.

Want God, de Heer, zoo goed, zoo mild, Is te allen tijd een zon en schild;

Hij zal genade en eere geven:

Hij zal hun 't goede niet in nood Onthouden, zelfs niet in den dood.

Die in oprechtheid voor Hem leven. Welzalig, Heer! die op U bouwt,

En zich geheel aan U vertrouwt.

-ocr page 97-

mrmrnvm

COLOSSENSEN 3 : 16a. Het woord van Christus wone rijkelijk in u.

GEZANG XLVIII : 2, 5, 9.

Zingt des Hoogsten Zoon,

Ons van God gegeven!

Van zijn' hoogen troon,

Op gena' gegrond.

Stroomt voor 't wereldrond Eeuwig heil en leven.

Die ons, bij de hand,

Door dit moeilijk leven,

Leidt naar 't vaderland ;

En. wie op Hem bouwt,

Woord en trouwe houdt.

Tot in 't eeuwig leven.

Wat Gij ons geslacht,

ïoen de dood U griefde.

Heer! hebt aangebracht,

Meldt slechts d' eeuwigheid:

Niets, dan d' eeuwigheid,

Meldt een eeuwge liefde.

Weemoedige gedachten vervullen onze harten, M. H., nu wij heden avond samen zijn gekomen om afscheid van elkander te nemen. Mij althans gaat het zoo, nu ik denk aan het vele goede, dat ik

-ocr page 98-

PSALM LXXXIV : 3, 6,

Welzalig hij, die al zijn kracht En hulp alléén van U verwacht,

Die kiest de welgehaande wegen;

Steekt hen de heete middagzon In 't moerbeidal, Gij zijt hun bron.

En stort op hen een' milden regen, Een' regen, die hen overdekt,

Verkwikt, en hun tot zegen strekt.

Want God, de Heer, zoo goed, zoo mild, Is te allen tijd een zon en schild;

Hij zal genade en eere geven:

Hij zal hun 't goede niet in nood Onthouden, zelfs niet in den dood.

Die in oprechtheid voor Hem leven. Welzalig, Heer! die op U bouwt.

En zich geheel aan U vertrouwt.

-ocr page 99-

COLOSSENSEN 3 : 16a.

Het woord van Christus wone rijkelijk In u.

GEZANG XL VIII: 2, 5, 9.

Zingt des Hoogsten Zoon,

Ons van God gegeven!

Van zijn' hoogen troon,

Op gena' gegrond,

Stroomt voor 't wereldrond Eeuwig heil en leven.

Die ons, bij de hand.

Door dit moeilijk leven.

Leidt naar 't vaderland;

En, wie op Hem bouwt.

Woord en trouwe houdt.

Tot in 't eeuwig leven.

Wat Gij ons geslacht.

Toen de dood U griefde,

Heer! hebt aangebracht.

Meldt slechts d' eeuwigheid:

Niets, dan d' eeuwigheid,

Meldt een eeuwge liefde.

Weemoedige gedachten vervullen onze harten, M. H., nu wij heden avond samen zijn gekomen om afscheid van elkander te nemen. Mij althans gaat het zoo, nu ik denk aan het vele goede, dat ik

-ocr page 100-

86

gedurende de vier jaren, die ik in uw midden doorbracht , heb ondervonden, aan de vele bewijzen van vriendschap, die, niet het minst in deze laatste dagen, van uwe zijde mijn deel zijn geworden. En ik weet, ook gij gevoelt in deze ure iets van het pijnlijke van afscheid nemen. Wij willen nu echter niet uitsluitend bij het verleden stilstaan, maar liever den blik vooruit werpen. Het woord van onzen tekst bevat eenen wensch, dien ik U wil brengen bij deze myne laatste evangelieprediking in uw midden en wel als samenvatting van alle de wenschen, die er op dit oogenblik in mijn hart voor u zijn.

Het woord van Christus wone rijkelijk in u.

Het woord van Christus, dat is de prediking, die Christus tot inhoud heeft, die zich om Hem als haar middelpunt heen beweegt en al den nadruk legt op de groote liefde Gods ons bewezen in de zending zijns Zoons. Welk een voorrecht was het mij U dat getrouwe woord te mogen brengen, dat aller aanneming waardig is, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om zondaren zalig te maken, met dat woord te komen te midden uwer vreugde om haar te heiligen, met dat woord te troosten in tijden van droefheid, dikwerf zóó duister, zóó drukkend, dat elk ander woord van troost onheilig zou geklonken hebben. Welk een voorrecht was het mij met dat woord te mogen doordringen tot de schuilhoeken van uw hart, tot de binnenkamers van uwe woningen, het eiken Zondag te verkondigen

-ocr page 101-

87

in de kerk. Gij weet het, ik heb getracht U dat woord te brengen, niet met omhaal van wijsheid, maar met eenvoudigheid, omdat ik zelf het Evangelie het beste begreep, naarmate mijn eigen hart eenvoudig was voor God. En naarmate ik het Evangelie beter leerde verstaan, was het mi] eene behoefte het ü te verkondigen. En naarmate ik het U verkondigde, werd het mij duidelijk, dat het het eenige woord was, dat gij en ik noodig hadden.

Is er dan ook heerlijker boodschap denkbaar? Wij zijn zondaars. Indien wij het ernstig met de zonde nemen en waarlijk hongeren en dorsten naar gerechtigheid, dan zullen wij tegen de zonde strijden en elkander tot den strijd aansporen. Als ik echter niets meer had mogen doen, als ik ü alleen had laten zien den onzachlijken ernst van het Evangelie, waarmede het ons aanzegt volmaakt te worden, gelijk onze Hemelsche Vader volmaakt is, wij, zelfzuchtige mensehen, volmaakt in de liefde, ach , hoe zou mijne prediking, hoe zou mijn werk met lamheid geslagen zijn geweest! Hoe zou ik tevergeefs gearbeid hebben, indien ik ü geen „Evangeliequot; had mogen verkondigen! Ja, ik heb U het woord van Christus mogen brengen, de blijde tijding, dat God in Christus de wereld met zich zeiven was verzoenende, hare zonden haar niet toerekenende. Ik heb ü mogen prediken het kruis der verzoening. Ik heb U mogen prediken alles, wat God gedaan heeft om ons te redden. Ik heb U mogen prediken de verbor-

-ocr page 102-

88

genheid van den wil van God geopenbaard in Christus, aan welke verborgenheid het leven van de gemeente van Christus, het leven van ieder, die in Christus gelooft, is ontsproten, zoodat ieder, die gelooft, eene nieuwe openbaring is van Gods liefde, elk vernieuwd leven een loflied, dat zijnen lof verkondigt. Ik heb u mogen prediken, dat wij ons leven niet aan eigen voortreffelijkheid, maar aan Gods genade hadden te danken, aan de genade van Hem, die, waar het op liefhebben aankomt, altoos de eerste is en daarom ook de bron van het leven der gemeente, die alleen uit zijne liefde leeft, de bron van het leven van alle zijne kinderen.

En nu bid ik van God, dat dat woord van Christus rijkelijk in U moge wonen. „Wonenquot;., dat is blijven op eene plaats, waar men thuis behoort. Nu is de gemeente van Christus de sfeer, waarin zijn woord thuis behoort, waarin het rustig kan blijven, naar alle zijden zijne kracht kan ontwikkelen, als eene zon overal heen zijne stralen kan schieten. Het Woord van Christus trekt over de aarde van stad tot stad, van land tot land. De vorm, waarin het wordt verkondigd, schikt zich vaak naar de verschillende omstandigheden, terwijl de verschillende behoeften het nu eens verlangen, dat de nadruk hierop, dan weer, dat de nadruk daarop wordt gelegd. Ontstaat er echter eene gemeente, dan ontstaat er eene woonstede voor het Woord van Christus, waarin het zich in al zijne veelzijdigheid

-ocr page 103-

89

kan toonen. Zulk eene gemeente heeft dan ook de roeping om de heerlijkheid van dat woord te openbaren , of liever om dat woord zijnen gang te laten gaan, dat woord zijn werk te laten doen, zich door dat woord heerlijk te laten maken. Dat is ook uwe roeping gemeente te dezer plaatse. Het woord van Christus doordringe steeds meer uw persoonlijk, uw huiselijk, uw maatschappelijk leven, opdat gij steeds meer eene eere wordt van Christus, Dan zal dat woord steeds meer worden

I de kracht van uw leven,

II de bron uwer heiliging,

in de band uwer gemeenschap.

I. Het woord van Christus de kracht van uw leven. Waarom is het de kracht van uw leven? Omdat het ons predikt het hoogste, wat zich denken laat, de reddende liefde Gods en de zondaar eerst waarlijk leeft, wanneer hij door de kracht van Gods liefde aan de macht der zonde is ontkomen en door de kracht dier liefde aangespoord wordt om te leven tot eer van God.

Toen de volheid des tijds kwam, zond God zijnen Zoon. In de dagen van keizer Augustus was de heidenwereld moede van den last, dien zij zich zelve had opgelegd. Zij zocht vrede, maar vond dien niet, zij tastte in het duister, maar wist niet waaraan zich vast te houden. Verlangend richtte zij den blik

-ocr page 104-

90

naar het Oosten. Eindelijk begon het te dagen. De nieuwe dag brak aan, toen de prediking weerklonk, dat God niet groot gemaakt werd door altaren en tempelen met handen gemaakt, niet door offers en alles, wat de menschen Hem kwamen brengen, maar door datgene, wat Hij kwam geven. Hij zocht zijne heerlijkheid in de liefde, waarmede Hij schuldige zondaren tot zijne kinderen maken wilde. Het werd dag, toen Gods liefde in Christus gepredikt werd. Het leven der menschheid ontwaakte, toen zij die prediking geloofde. Gelooven en leven is het zelfde. Haar leven had zij te danken aan het woord van Christus. Het Evangelie der verzoening had haar aangegrepen, uit de dooden opgewekt. Het was de kracht geweest, die haar had ontrukt aan de macht des doods en gesteld in het licht van het leven Gods.

Hoe blijkt hier, dat de evangelieprediking, die aan zondaars de blijde boodschap der verlossing brengt, niet maar is een spreken over dingen, die alleen maar in de verbeelding bestaan, een te berde brengen van enkele vraagstukken, die hoogstens aan het leven iets prikkelends kunnen geven, maar dat zij is de openbaring van eene kracht Gods, die de heidenwereld uit hare voegen rukte en in koude zondaarsharten leven, licht en blijdschap schiep. Het Evangelie is eene kracht Gods tot zaligheid.

Hoe levendig staat mij nog het oogenblik voor den geest, waarin ik met dat woord eenen aanvang

-ocr page 105-

91

maakte met mijne evangelieprediking in uw midden. Hoeveel is er sinds dat oogenblik veranderd, voorbijgegaan! Die mij onder U bevestigde, is van ons weggenomen. Mijn Vader, aan wien ik voor mijn geestelijk leven zoo veel te danken heb, meer dan ik nu kan zeggen, is in de blijmoedige belijdenis van dat Evangelie heengegaan naar den hemel, naar die plaats, waar Christus gekend wordt van aangezicht tot aangezicht. Toen ik voor het eerst voor U optrad, geloofde ik in de kracht van het Evangelie. Maar hoe heb ik sinds dat oogenblik de kracht daarvan gezien op ziek- en sterfbedden, ook en allermeest op het sterfbed van hem, die mij en velen zoo lief was! Hoe is het mij gebleken, dat het woord van Christus kracht gaf ook om vredig en blijde te sterven! En nu dank ik mijnen Grod, dat ik in deze ure bij mijn laatste woord, dat ik als een uwer eigen leeraren spreek, mijne eerste prediking met te meer overtuiging mag herhalen, dat het Evangelie is eene kracht Grods tot zaligheid voor een iegelijk, die gelooft.

Hoe is het mij steeds meer eene begeerte geworden U het woord van Christus te brengen, het te verkondigen aan kranken, het te onderwijzen aan kinderen , het te prediken in de kerk. Meer dan eenmaal heb ik gezien, hoe het brekend oog verhelderd werd door den blik op Jezus, hoe de vaak pijnlijke trekken van blijden vrede spraken bij de gedachte aan den hemel. Ik herinner mij, toen ik in mijne eerste

7*

-ocr page 106-

92

gemeente door mijnen Vader bevestigd werd, dat hij tot mij zeide; „aan sterfbedden zult gij geroepen worden om daar den troost des Evangelies te brengenquot;. Ik wil U wel bekennen, dat ik juist tegen dat gedeelte van mijne taak het meeste opzag en toen heimelijk wenschte, dat het vooreerst niet noodig zou zijn. Ach, weinig vermoedde ik toen, dat zijn eigen sterfbed zou medewerken om het bezoeken van zieken en stervenden tot het meest geliefde deel van mijnen arbeid te maken! De kracht van het Evangelie heb ik mogen zien, wanneer jonge menschen door het onderwijs uit het woord van Christus den weg tot Hem vonden, waardoor hun leven zoo helder werd. En wat zal ik zeggen van de openbare verkondiging des woords? Zijn er niet, die mij betuigd hebben, dat de prediking hun tot zegen is geweest en voor hen het middel is geweest om den Heiland te vinden en vrede te hebben met God!

Ziet, zoo blijkt het telkens, dat het woord van Christus in deze wereld van matheid en moedeloosheid en zonde werkt als eene kracht, die levend maakt. In oogenblikken van twijfel geeft het woord van Christus vastheid, in oogenblikken van droefheid kracht om het lijden te dragen, in oogenblikken van duisternis licht om de wegen Gods op te merken.

Het woord van Christus is eene kracht, die werkt in ons leven. Hoe duidelijk ervaart dit de Evangeliedienaar ook met het oog op zichzelven. Zou er één

-ocr page 107-

93

arbeid teerder en moeilijker zijn dan die van Evangeliedienaar? Is er iets moeilijkers dan over het hoogste altoos met oprechtheid des harten te spreken? Moet zijn werk niet het uitvloeisel zijn van het werk, dat God doet aan zijn hart ? Moet zijne prediking niet de echo zijn van de woorden, die God tot hem spreekt? Maar ach, hoe menigmaal is de spiegel zijner ziel door de zonde bevlekt, zoodat het licht droevig weerkaatst wordt, hoe menigmaal is het hart niet op den rechten toon gestemd, zoodat de woorden Gods slechts gebrekkig weerklank vinden. Zoo ging het mij menigmaal! O, hoe vaak viel mij de dienst van het Evangelie zwaar, wanneer ik niet dan onreine handen had, waarmede ik het heilige onder ulieden moest hoog houden, niet dan onreine lippen, waarmede ik bet heilige woord van Christus moest verkondigen! Geroepen om te troosten met dat woord, geloofde ik soms zelfs zoo weinig in de kracht daarvan! Geroepen om te waarschuwen tegen te zonde, was ik zelf zoo weinig op mijne hoede tegen haar! Geroepen om aan te moedigen tot den strijd tegen de zonde, was ik zelf een dienstknecht der zonde! Maar dat niettegenstaande dat alles de prediking van het Evangelie kracht heeft geoefend, het is omdat, al is het aarden vat gebrekkig, de schat toch groot is, het is, omdat de uitnemendheid der Ttracht uit God is en niet uit ons. Wat ik U mocht verkondigen, het was niet mijn woord, maar Gods woord, wat ik onder U mocht tot stand bren-

-ocr page 108-

94

gen, het was niet mijn werk, maar Gods werk. En daarom zal het blijven, U ten zegen, mij ten zegen. Terwijl ik predikte en arbeidde onder U, predikte God tot mijn zondig hart, arbeidde God aan mijn zondig leven en zoo werd dat woord, dat werk steeds meer de kracht van mijn leven. Zoo hebben wij samen mogen arbeiden, samen mogen strijdeu, gij gemeente en ik, en in deze afscheidsure mogen wij het getuigen: „God heeft het wèl met ons gemaakt!quot;

Het woord van Christus een woord niet van men-schen maar van God. Daarom heb ik getracht het U te brengen zonder aanziens des persoons. God heeft er my voor bewaard zijn woord te gebruiken om menschen te behagen. Wanneer ik het in de zondigheid van mijn hart beproefde, heeft Hij het mij onmogelijk gemaakt. Hij ontnam my de vrijmoedigheid tot spreken. Hij liet mij zien, dat, wanneer ik zelf op de plaats van Christus ging staan, mijn woord, want dan was het mijn eigen woord! schaadde en afbrak, in plaats dat het voordeel deed en opbouwde. Hij heeft mij gedwongen om het woord van Christus te gebruiken om U te brengen tot Hem. En daarom durfde en kon en wilde, ik niet anders prediken. Ik durfde niet anders uit eerbied tegenover uwe behoeften en met het oog op den lastbrief mij van den Heer der gemeente gegeven. In dien lastbrief stond, dat ik het woord van Christus te prediken had, niet mijn eigen woord, dat ik mijnen rijkdom te putten had uit zijn Evan-

-ocr page 109-

95

gelie en niet uit de armoede van mijn eigen hart. Weieens sprak ik zonder die vaste inwendige overtuiging , die aan het gesproken woord zulk eene kracht geeft. Maar als ik dan tot mijne beschaming ondervond, dat het woord van Christus in groote zwakheid gebracht groote kracht oefende, hoe dankte ik mijnen Heer, dat ik niet mijn woord, maar zijn woord mocht prediken, dat zulk eene kracht tot behoud was.

Maar ik kon ook niet anders prediken. Aan dat Evangelie dank ik de liefelijkste herinneringen aan mijn ouderlijk huis, aan dat Evangelie dank ik den zonneschijn van mijn leven, den vrede van mijn hart. Wat kon ik U anders prediken, dan hetgeen Grod mij in de bediening van het Evangelie te zien gaf? En als het mijne ervaring was, dat het hart te midden van den strijd tegen de zonde alleen vrede ontvangt, wanneer het gelooft, dat de zonden vergeven zijn, wat kon ik 13 dan anders prediken dan eenen Christus, die alle vermoeiden en belasten tot zich roept, wat U anders doen hooren dan deze noodiging; „komt gij allen, komt tot Hem, zondaars komt, wat zou U hinderen! Jezus roept U, hoort zijn stem; Hij maakt zondaars tot Gods kinderen!quot;

En eindelijk, ik wilde ook niet anders prediken. Ik leerde om mij heen tal van zienswijzen kennen, maar bemerkte tevens, dat het godsdienstig-zedelijk leven daar het krachtigst en reinst was, waar met eenvoudigheid en oprechtheid des harten het Woord

-ocr page 110-

96

van Christus werd geloofd. Veel heb ik onder den dekmantel van godsdienst zien doorgaan, wat geen godsdienst was, veel godsdienst, die in woorden bestond, maar het hart niet raakte. Dat van zulk een christendom geene heiligende kracht voor het leven uitgaat, zal wel niemand onzer verwonderen, maar dat alles neemt niet weg, dat de meest trouwe liefde, het meest zachtmoedige geduld, de grootste teerheid van geweten, de meest nauwgezette plichtsbetrachting daar gevonden werd, waar men geleerd had met Christus te sterven, waar men met Hem was opgestaan tot een nieuw leven. En daarom wilde ik niet anders dan dat woord prediken, waar de meeste zedelijke kracht van uitging, het woord van Christus.

Daarom ook wensch ik nu in deze afscheidsure U toe, dat het woord van Christus rijkelijk in U wone en rijkelijk in uw midden zijne kracht openbare. Dan zal het steeds meer worden de kracht van uw leven. Dan zult gij worden opgebouwd in uw allerheiligst geloof en opwassen tot eene woonstede Gods. Dan zal uw vrede toenemen en met dien vrede uwe blijdschap en met die blijdschap uwe kracht. Komt, gaan wij dan met onze bede tot God, die alleen ons gebed kan verhoeren en het woord van Christus eene levende kracht kan doen worden in het midden der gemeente.

-ocr page 111-

97

MVmtWJïM

GEZANG CCXXXVII:4.

Blijf, o God! in onze dagen

Voortgaan met uw heerlijk werk;

Doe ons moedig «teenen dragen Tot den opbouw uwer Kerk.

Geef ons met een rein vertrouwen

Op een vasten grond te bouwen;

Niet van eigen doen en kracht,

Slechts van U zij 't heil verwacht!

II. Het woord van Christus wone rijkelijk in U. Dan zal het steeds meer worden de bron moer heiliging. En waarom? omdat het ons in aanraking brengt met den levenden Christus, die het beginsel onzer heiligmaking is. Het Evangelie predikt ons eenen Christus, wiens leven ééne onafgebroken les der gehoorzaamheid is geweest, wiens weg één door-loopende lijdensweg is geweest eindigende met een kruis. Het Evangelie laat het ons telkens zoo aangrijpend zien, hoe de Zoon van God op deze zondige wereld de Man der Smarten is geweest. En deze eert de christelijke gemeente als den Heer der Heerlijkheid; in dat kruis roemt zij; voor zijnen dood dankt zij! Hoe is dat mogelijk? Dat is mogelijk, omdat Jezus leeft. Hij is opgestaan uit de dooden. Hij is krachtiglijk bewezen te zijn de Zoon van God. Nu is het duidelijk gebleken, zijn leven van gehoorzaamheid was een voortschrijden op den weg der volmaaktheid, zijn lijden en sterven de overwinning der hoogste liefde, der hoogste gerechtigheid over

-ocr page 112-

98

de zonde, zijn ondergaan in deze wereld een opgaan in God. De opstanding van Jezus Christus uit de dooden werpt over zijn leven temidden van ons, zondige menschen, het ware licht en daarmede ook over het gansche leven der zondige wereld. Door de opstanding uit de dooden is aan het licht getreden die wereld van waarheid en gerechtigheid, die eeuwig blyft. En als de gemeente in hare liederen belijdt, dat Jezus leeft, dan belijdt zij daarmede te gelooven in de overwinning van de gerechtigheid over de zonde.

En nu is het woord, dat Christus tot inhoud heeft, tevens een woord van den levenden Christus. In het woord geeft Hij zich telkens aan zijne gemeente. Telkens als de gemeente samenkomt om te luisteren naar de prediking van het Evangelie, ondervindt zij de werking van den levenden Christus. Alle uitingen van waarachtig godsdienstig leven in het midden der gemeente zijn openbaringen van het leven van Christus. Achter alle de openbaringen van hooger leven in deze duistere, zondige wereld is eene wereld gelegen van licht en heiligheid, waarvan de verheerlykte Christus het middelpunt is. Brengt het woord van Christus ons dus telkens in aanraking met den levenden Christus, dan ook, M. H., de duistenis uit en het licht te gemoet, den dood ontvloden en ons het leven in de armen geworpen! Kunt gij in Christus roemen en toch de zonde blijven dienen? Dat is immers onmogelijk! Kunt gij het licht te gemoet

-ocr page 113-

99

gaan, en toch in duisternis gehuld blijven? Immers neen! Kunt gij danken, dat de gerechtigheid toch eindelijk over de zonde heeft gezegevierd en tevens alle krachten inspannen om de waarheid in uw leven ten onder te houden en de zonde tot overwinning te leiden?

Het is de roeping der christelijke gemeente om heilig te zijn. Het geloof in den levenden Christus heeft haar uit de onheilige heidenwereld wakker geroepen, en nu is het hare verheven taak om als een uitverkoren geslacht, als een koninklijk priesterdom, als een verkregen volk de deugden te verkondigen desgenen, die haar uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht. Maar hoeveel ontbreekt er nog aan dat heilig leven! Ach, wat wordt er veel in de gemeente gevonden, wat Christus ook telkens met droefheid in den kring zijner discipelen opgemerkt en met zooveel ernst bestraft heeft! Hoeveel zucht om de eerste te zijn! Hoe weinig lust om anderen uit liefde te dienen! Hoeveel aardschgezindheid! Hoe weinig nog dat zoeken van de dingen, die boven zijn! In één woord, hoe weinig geloof in Christus, en daarom hoe weinig kennis van God en het eeuwige leven! Wat wordt er in ons midden nog veel gevonden, wat niet moest zijn! Hoe leven velen het leven der gemeente mede, terwijl hun hart aan de dingen dezer zondige aarde behoort! Hoe weinig honger en dorst naar gerechtigheid ! Hoe zwak dat streven om de zonde te

-ocr page 114-

100

boven te komen, boven de duisternis uit in het licht als kinderen des lichts te wandelen!

En daarom wensch ik in deze afscheidsure, dat het woord van Christus rijkelijk in ü wone. Dan zal Christus steeds meer het leven van uw leven worden en zult gij naar die mate de zonde te boven komen, die TJ telkens neertrekt. Hoe meer het woord van Christus in U woont, des te meer zal het U ernst worden met de begeerte om heilig te leven. Hoe dichter gij bij Christus zijt, des te meer wordt de zonde, die Hem heeft doen lijden, U tot last. En hoe meer gij tegen die zonde strijdt, des te krachtiger ervaart gij, dat Jezus leeft. Neen, het Evangelie predikt ons geenen Christus, die overwonnen heeft om ons in den strijd tegen de zonde alleen te laten staan, maar eenen Christus, die leeft om ons in zijne overwinning te doen deelen, eenen Christus, die opgewekt is tot onze rechtvaardigma-king, die leeft, altoos leeft, om voor ons te bidden. Hij is de Barmhartige Hoogepriester, die medelijden heeft met onze zwakheden, die weet, wat het is verzocht te worden, wat het is te lijden, te leven op eene zondige wereld met het gebed in het hart, in alle omstandigheden: „Vader, niet mijn wil, maar uw wil geschiede!quot; Maar nu leeft Hij in heerlijkheid om ons in den strijd tegen de zonde te hulp te komen en ons langs den weg van gehoorzaamheid aan den wil van God het eeuwige leven te gemoet voeren. Die weg is de weg der heiligmaking. Hoe

-ocr page 115-

101

meer gij dien bewandelt, des te zekerder wordt het U, dat Jezus leeft en ook U wil helpen, ook uw leven wil voeden met zijn heilig, goddelijk leven, ook uw leven meer en meer wil doen worden een leven van heiligmaking.

III. Het woord van Christus wone rijkelijk in u. Dan zal het steeds meer worden de hand uwer gemeenschap. En waarom? Omdat zich aan de prediking des woords verbindt de werking des Heiligen Geestes, en de Heilige Greest de geest der gemeenschap is. de Geest, die in alle deelen der gemeente werkt en ze samenvoegt tot één lichaam, waarvan Christus het hoofd is. Overal dezelfde gemeente, bestaande uit dankbare kinderen Gods, hetzelfde geloof, belijdende den naam van Jezus, dezelfde blijde boodschap, wijzende den zondaar het pad des levens, dezelfde arbeid, bedoelende de eer van God en de uitbreiding van zijn koninkrijk. En dat alles het gevolg van de werking van denzelfden Geest, den Geest der gemeenschap, die overal, waar het Evangelie van Jezus Christus wordt gepredikt, waar het woord van Christus woont, de harten voor die prediking opent, ze doet buigen voor de macht der waarheid, ze sterkt tot het werk Gods, ze vernieuwt en heiligt naar zijn beeld. Het is overal dezelfde Geest, die verschillende gaven uitdeelt, die den een deze gave en den ander gene gave schenkt, maar in al haar geven put uit de volheid van het leven

-ocr page 116-

102

Gods, uit de volheid van het leven van Hem, die de Vader van allen is. „Een lichaam is het en eén Geest, gelijkerwijs gij ook geroepen zijt tot ééne hope uwer beroeping; één Heer, één Geloof, één Doop; één God en Vader van allen, die daar is boven allen en door allen en in u allen . Is het geen voorrecht, M. H., aan deze dingen te mogen denken in de ure van scheiding? Waar wij ook zijn, één God en Vader boven ons allen, één zelfde Heiland, die voor ons is de weg des behouds, één zelfde Geest, die woning wil maken in ons hart, één zelfde doel, waarheen ons leven leidt, ten slotte één zelfde weg, dien wij allen hebben te gaan, één zelfde werk, dat wij allen hebben te verrichtten, één zelfde Jeruzalem, dat aan 't eind van onze loopbaan ons wacht.

God heeft ons bij elkaar gebracht. Met volle overtuiging heb ik op de vraag, of ik geloofde van Gods wege geroepen te zijn, in uw midden het „ja, ik, van ganscher harte uitgesprokenquot;. Nooit heb ik in de jaren, dat ik onder u mocht arbeiden, berouw van dat woord gehad. God heeft ons in zijne gemeenschap veel goeds samen doen genieten. Meermalen zijn wy in het bedehuis bijéén geweest, meermalen was ik in uwe woningen, da,t wij de gemeenschap des Geestes gevoelden. Nu scheiden zich onze wegen, God, die ons tot elkaar bracht, roept tot scheiding. Maar de gemeenschap des Geestes blijft. En dat is onze grootste troost in de droef-

-ocr page 117-

103

heid der scheiding. Want droefheid vervult mijn hart, wanneer ik denk aan zooveel, dat ik hier moet achterlaten, dat mij lief, zeer lief is geworden en dat ik in mijnen nieuwen werkkring zoo spoedig niet zal vinden. Trouwe vriendschap is ontstaan tusschen velen uwer en mijn hart, en zulke vriendschap wordt niet in enkele dagen gesloten. Daartoe is noodig geweest veel, wat ik met u in uwe woningen heb doorleefd, zoowel in oogenblikken van vreugde als van droefheid. Hoe veel is er, geliefde gemeente, wat mij aan u bindt. Maar is de hechtste band niet ons geloof in denzelfden God en Vader, die daar is boven allen en in ons allen, het geloof in denzelfden Heiland, door wien wij vrede hebben ontvangen met Grod, in wien wij liefde hebben gekregen tot elkander? En toch, dit uur spreekt zoo duidelijk van scheiding. Maar ik zou geenen moed hebben om mij los te maken van zooveel, wat mij aan U bindt en mij aan eene mij geheel onbekende toekomst over te geven, wanneer ik straks op dezelfde vraag, of ik mij van Gods wege ddar geroepen gevoel, niet evenzeer het „ja, ik, van ganscher harte!quot; kon antwoorden en niet geloofde, dat God met mij gaat.

Maar vergeten zullen wij elkaar niet. Wij blijven hetzelfde geloof behouden, denzelfden God, die dat geloof door zijnen Geest wil sterken. Wij blijven hetzelfde Evangelie behouden, dat ons hier bij elkaar gebracht en verkwikt heeft en door den Geest der gemeenschap ons bij elkaar zal houden en zal blij-

-ocr page 118-

104

ven verkwikken. Dat Evangelie, het woord van Christus, wone rijkelijk in U. Dan zult gij ondervinden, hoe het uwe harten samenbindt, hoe het U maakt tot één groot gezin van den Vader in de hemelen, tot broeders en zusters van onzen Heiland. Waar wij ook zijn, tot Hem mogen wij onze gebeden richten. Voor zijne voeten mogen biddende harten elkaar weervinden, aan Hem mogen wij opdragen de belangen van allen, die ons lief zijn. Hem nu, die machtig is meer dan overvloeJiglijk te doen boven al wat wij bidden of denken, naar de kracht, die in ons werkt. Hem zij de heerlijkheid in de gemeente door Christus Jezus in alle geslachten tot alle eeuwigheid. Amen.

GEZANG 111:3.

U, Vader! U zij lof, op een' verhoogden toon!

Lof uwen eigenen, uw' eengeboren Zoon!

Lof uwen Geest, die ons ten Trooster is gegeven.

Ten Leidsman op den weg naar 't eeuwig zalig leven!

U looft uw Kerk alom, waar Gij die ook vergaarde,

U loov', wat loven kan, in hemel en op aarde.

toespr^KIEN.

GEZANG XCVI.

Halleluja! eeuwig dank en eere,

Lof, aanbidding, wijsheid, kracht.

Word' op aard en in den hemel, Heere!

Voor uw liefd' U toegebracht!

Vader! sla ons steeds in liefde gade;

Zoon des Vaders! schenk ons uw genade;

Uw gemeenschap, Geest van God!

Amen! zij ons eeuwig lot.

-ocr page 119-

INTREEREDE.

-ocr page 120-

PSALM CXVIII: 7, 10.

De Heer is mij tot hulp en sterkte;

Hij is mijn lied, mijn psalmgezang: Hij was het die mijn heil bewerkte;

Dies loof ik Hem mijn leven lang. Men hoort der vromen tent weergalmen

Van hulp en heil, ons aangebracht;

Daar zingt men blij met dankbre psalmen: Gods rechterhand doet groote kracht.

Dit is, dit is de poort des Heeren;

Daar zal 't rechtvaardig volk door treên. Om hunnen God ootmoedig t' eeren,

Voor 't smaken zijner zaligheên.

Ik zal Uw' naam en goedheid prijzen:

Gij hebt gehoord; Gij zijt mijn' geest. Door Uw' ontelbre gunstbewijzen,

Tot hulp, en heil, en vreugd geweest.

-ocr page 121-

GEZANG CCLXV.

Geest des Heeren! kom van boven!

Laaf met uw gcnadegoed Alle zielen die gelooven,

Doe ze blaken van uw gloed!

Op het blinken uwer stralen Buigt zich d' aard voor Jezus neèr,

Zaamlen zich van heind' en veer,

Alle tongen, alle talen.

Ilalloluja, U zij d' eer!

U zij d' eer, Halléluja!

Heilig licht en Gids ten leven!

Breng ons door het Woord te zaam!

Leer ons God ons harte geven Met den zoeten Vadernaam!

Maak ons vrij van alle dwaling,

Vrij van alle fabelleer.

Trouw aan Christus, onzen Heer,

Tot onz' uiterst' ademhaling!

Halleluja, U zij d' eer!

U zij d'eer, Halléluja!

M. H. In deze ure, waarin ik voor het eerst onder ulieden als een uwer eigen voorgangers optreedt, zijn daar, hoe kan het ook anders, verschillende gewaarwordingen in myn hart; gedachten van blijdschap, als ik denk aan het schoone werk der evangeliebediening, dat Grod mij in uw midden

8*

-ocr page 122-

108

op de handen legt, maar ook gedachten van droefheid, als ik denk aan het vele goede, dat ik in Alkmaar heb achtergelaten; gedachten van hoop, als ik het oog sla op Hem, die my hier heeft geroepen , maar ook gedachten van vrees, als ik zie op de zondigheid en zwakheid van mijn hart.

En gelijk het mij gaat, zoo gaat het ook n. Gij verheugt u, dat zij, die u het Evangelie te verkondigen hebben, weder voltallig zijn. Maar in die blijdschap mengt zich een toon van groote droefheid, wanneer gy denkt aan den man, in wiens plaats ik hier geroepen ben. Ach, gij kunt beter dan ik oordeelen over het gemis, dat het heengaan van Ds. van Hoogstraten u doet gevoelen! Hoe geliefd was hij in den kring der zijnen, in den kring zijner vrienden, in deze gemeente, hoe bemind en geëerd ook daarbuiten. Hoevelen hebben in hem een ijverig behartiger hunner belangen, een verstandig raadgever, een warm vriend, hoevelen bovenal een trouw evangeliedienaar in hem verloren! God nam hem weg, midden uit zijn werk. Juist een jaar geleden overviel hem de ziekte, die hem zoo spoedig ten grave zou sleepen. En daarom kan het niet anders, of gij wendt in deze ure telkens den blik vol droefheid terug naar datgene, wat u nog kort geleden zoo smartelijk trof. Laten wij echter elkander niet vragend aanzien, maar met onze gedachten gaan tot God. Laat het Evangelie, dat eenheid brengt in elk leven, waarop het inwerkt, ook nu eenheid brengen

-ocr page 123-

109

D 28

in de verschillende gedachten, die ons vervullen. Laat het Evangelie wegnemen ook het vreemde van dezen oogenblik. Wij zijn voor elkander onbekenden, maar God heeft onze wegen doen samenkomen en nu wij by de eerste ontmoeting onvermijdelijk iets van het vreemde gevoelen, willen wij er ons dadelijk aan laten herinneren, dat wij elkander toch eigenlijk niet vreemd zijn, daar wij immers dezelfde behoeften des harten hebben en gelooven in denzelfden God, die in Christus in alle deze behoeften wil voorzien, dat wij hebben dezelfde roeping en ervaren de werking van denzelfden Geest, die ons versterkt naar den inwendigen mensch.

En wat kan ik nu beters doen bij deze mijne eerste evangelieprediking in uw midden dan den wensch uitspreken, dat gij steeds meer de kracht van dat Evangelie moogt ervaren en dat God, die mij hier heeft geroepen om U het Evangelie te verkondigen, mij sterke door zijnen Geest om getrouw in den dienst van dat Evangelie in uw midden te arbeiden. Gij vindt dan mijnen tekst voor deze ure in Ef. 3 : 14—19, „Om deze oorzaak buig ik mijne knieën tot den Vader van onzen Heer Jezus Christus, uit welken al het geslacht in de hemelen en op aarde genoemd wordt; opdat Hij U geve, naar den rijkdom zijner heerlijkheid met kracht versterkt te worden door zijnen Geest in den inwendigen mensch, opdat Christus door het geloof in uwe harten wone in de liefde, en gij, geworteld en gegrond zijnde, ten volle

-ocr page 124-

110

kondet begrijpen met al de heiligen, welke de breedte en lengte en diepte en hoogte zij, en bekennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot al de volheid Grods.quot;

Ons tekstwoord spreekt van de liefde van Ohristm, d. w. z. de liefde, die God ons in Christus heeft bewezen. Er is geen ander Evangelie dan deze blijde boodschap, dat God ons in Christus heeft liefgehad, ons de zonden uit genade vergeven heeft; geen ander Evangelie dan dat, waarvan het kruis der verzoening het middelpunt is en dat ons dus den Christus predikt als Verlosser van zondaren, overgeleverd om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking, in wien wij God hebben gebracht het offer van een heilig leven en die nu leeft om ons te maken nieuwe schepselen, kinderen des lichts.

Dat Evangelie doet God ons verkondigen. Hij wil in ons leven doen werken eene kracht, die ons ontrukt aan de macht der zonde, ons henendrijft naar Hem en ons staande houdt in alle verzoeking: zyne liefde in Christus. Hij wil in onze harten wonen en die harten rijk maken door eenen rijkdom onuitputtelijk groot: zijne liefde in Christus. Hij wil ons plaatsen in eene wereld, oneindig in afmeting, oneindig in breedte en lengte en diepte en hoogte: zijne liefde in Christus. Hij wil aan ons wankel leven, dat door de zonde zijn steunpunt heeft verloren, zijne vastheid hergeven door het vast te zetten in eenen onbeweeglijken grond: zijne liefde in

-ocr page 125-

Ill

Christus. Hij wil ons doen kennen, wat de kennis te boven gaat. Hij wil ons vervullen met zijne volheid. Hij wil ons rijk maken uit de volheid van zijn heerlijk leven; want zijne liefde in Christus is zijn eigen leven. Hij leeft om uit die liefde te geven. Zijn leven is een en al geven, een geven uit de volheid zijner genade, de eene gave na de andere, een openbaren van zijne heerlijkheid, een doen zien van steeds nieuwe dingen.

En aan wie wil Hij dat alles geven? Aan men-schen, die alles willen weten en begrepen en niets als waar willen aannemen, of het moet hun bewezen worden , maar die met al hunne kennis voor steeds grootere raadselen komen te staan; die met al hunne wetenschap geen kruimke hebben van het levensbrood, waar hunne ziel om roept; die al opgarende hoe langer hoe armer worden, al geluk zoekende hoe langer hoe ongelukkiger worden, al bevrediging willende vinden voor hunne kennis hoe langer hoe meer het onbevredigd verlangen van hun hart voelen toenemen. Aan menschen, die zich blind turen op de dingen dezer zichtbare wereld en in hunne eigen wisheid meenen, dat hun geest in staat is om de hoogten der hemelen en de diepten der aarde te doorwandelen, maar zich telkens stooten aan de perken van hun bestaan, wil Hij openen eene andere wereld, eene wereld, waarin de ziel vrij heur vleugelen kan uitslaan zonder zich ooit te stooten, eene wereld van licht en warmte, eene wereld van steeds nieuwe

-ocr page 126-

112

ontdekkingen van zijne grondelooze barmhartigheid. Want Hij wil hun geven, waar hun hart naar dorst en wat de wereld hun niet geven kan, zijne liefde in Christus. Dat is de kennis, die boven alle men-schelijk weten uitgaat! Dat is de kennis, die veel hooger is dan de hoogte der hemelen, veel dieper dan de diepte der zeeën, die meer omvat dan den afstand tusschen het Oosten en Westen. Die hoogere kennis wil Hij geven niet alleen aan menschen, die in hun weten beperkt zijn, maar boven al aan zondaars, die zijne liefde verbeurd hebben, die door eigen schuld uit zijne nabijheid zijn weggevallen, door eigen schuld zich die wereld hebben toegesloten, waarin niet ten deele maar ten volle gekend wordt en nu leven op eene aarde van doornen en distelen, die wel geeft, wat zij in hunne zondigheid zoeken, maar toch de behoeften van hun hart niet kan bevredigen ! God geeft zijne liefde als genade aan zondaren, die zóó diep zijn gevallen, dat zij alleen door zijne liefde kunnen worden gered. Hoe hooger liefde staat, des te dieper kan zij afdalen. Welk eene liefde moet dat dan geweest zijn, die ons, diep weggevallen zondaars, heeft weten te bereiken! Dat is de liefde Gods in Christus. Wij zoeken rust, maar vinden die nergens. Nu hier, dan daa,r, maar nergens vindt ons hart bevrediging. Totdat Gods liefde ons omvat. Totdat onze ziel rust vindt in Hem, die, door de zonden te vergeven uit genade, het onrustige hart zijnen vrede hergeeft en met

-ocr page 127-

113

dien vrede zijne vastheid en met die vastheid zijne kracht. Gods vergevende liefde in Christus wordt dan de kracht, die heiligend werkt in ons zondige leven. Wat maakt de zondige mensch weinig ernst met den eisch van een heilig leven. Wat is dat leven buiten God zedelijk slap. Lichaamskracht wordt wel hoog geroemd, heldenmoed wordt wel hoog geprezen, maar voor de stil werkende kracht der liefde heeft men geen oog. Men spant zich in om in wedloopen den eersten prijs te behalen, maar te jagen naar het doel, waarvan de Apostel Paulus spreekt, te jagen naar den prijs der roeping Gods, daaraan wordt niet gedacht. Men getroost zich allerlei opofferingen om straks in den wedstrijd de overwinning te behalen, maar de geringste opoffering om in dienende liefde den naaste te overtreffen wil men zich niet getroosten. Hooge idealen tracht men te verwezenlijken, maar heilig te worden is de begeerte des harten niet. Men stelt zich tevreden met een in het oog der menschen fatsoenlijk levensgedrag, met eene getrouwe maatschappelijke plichtsvervulling. Alsof onze roeping niet hooger lag! Alsof wij geen hart hadden ontvangen, dat niet tevreden is, vóór het zich in liefdevolle toewijding aan den heiligen God geheel heeft overgegeven! Is zaligheid geen gestilde honger, geen geleschte dorst naar gerechtigheid ? Nu kunnen wij in dit leven twee wegen bewandelen, éénen weg, waarvan de heilige God het doel is, den weg der gerechtigheid^ en éénen

-ocr page 128-

114

weg, waarvan ons zondige „ikquot; het doel is, den weg der zonde. Zonde is elke daad, die naar dat zondige „ikquot; heendrijft.

Ach, wat is er dan nog veel zonde in ons leven en hoe missen wij telkens de kracht om dien geleidelijk afhellenden weg der zelfzucht te verlaten en naar boven te streven tot God, de kracht om de liefde tot ons zei ven te overwinnen door de liefde tot God! Maar nu laat God, de Vader van onzen Heer Jezus Christus, in dat zwakke leven de kracht zijner liefde instroomen en door die kracht aangegrepen beginnen wij lief te hebben, beginnen wij te zoeken, wat wij ontvangen hebben: God heeft woning in ons hart gemaakt en nu wordt het onze grootste begeerte Hem te zoeken; God heeft de volheid zijner liefde in ons uitgestort en nu wordt het onze grootste begeerte steeds meer die wereld van liefde in te gaan; God leeft in ons en nu willen wij slechts leven in Hem, ons leven, uit Hem uitgevloeid, zoekt zijnen oorsprong; ja waarlijk, wat uit Hem is, is door Hem en tot Hem! Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid.

M. H., wat kan ik beters U toewenschen in deze ure, dan dat uw leven door die liefde Gods rijk en heerlijk en krachtig worde gemaakt? En dat het mij ernst is met dien wensch, hoop ik door mijnen arbeid in uw midden te toonen. Als ik denk aan het heerlijk werk der evangeliebediening, dat God mij heeft willen toevertrouwen en aan de behoeften

-ocr page 129-

115

van uw hart, dat alleen verzadigd is, wanneer Christus door het geloof daarin woont in de liefde, dan gevoel ik mij niet meer vreemd onder U, dan gaat mijn hart naar U uit, dan weet ik, dat gij mij terwille van dat Evangelie als eenen vriend zult aannemen. De behoeften hier zijn gelijk aan die, welke overal elders worden gevonden, behoeften, die alleen kunnen worden bevredigd door hetgeen God U in Christus geeft en U door het Evangelie doet verkondigen.

Welk een voorrecht, dat gij telkens het Evangelie moogt hooren verkondigen! Welk een voorrecht ook voor mij, met uwe andere voorgangers U dat Evangelie te mogen brengen in de vaste overtuiging, dat gij dat Woord Gods geen oogenblik missen kunt. En als ik U dat woord breng, dan mag ik uitdeelen uit den rijkdom van gaven Gods, dan mag ik staan in den dienst van Hem, die geeft naar den rijkdom zijner heerlijkheid. God geve, dat ik over den rijkdom zijner liefde nimmer tot U spreke, dan wanneer ik mij zeiven rijk in het bezit dier liefde gevoel! „Alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijnen eengeboren Zoon gegeven heeft,quot; ik dank mijnen God, dat Hy mij steeds meer heeft genoopt om deze waarheid tot middelpunt mijner prediking te maken. Die prediking hoop ik hier te brengen, gelijk ik dat elders heb gedaan. Dat woord hoop ik te verkondigen des Zondags in de kerk, te onderwijzen aan de kinderen, die gij mij wilt toevertrou-

-ocr page 130-

116

wen, te brengen bovenal in de huizen en daarmede te vermanen, te troosten, te sterken zieken en stervenden. Met dat woord wil ik opwekken tot bekeering. Met dat woord wil ik aansporen tot ernstigen strijd tegen de zonde. Met dat woord wil ik waarschuwen voor het eeuwig verderf, want lezen wij niet, dat God zijnen Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe? Is het Evangelie geene ernstige roepstem om toch te gelooven en aan te nemen het middel des behouds, door God gegeven, het eenige middel, dat behoedt voor den eeuwigen dood en niet roekeloos te verwerpen de gave der hoogste liefde? Welke de toon mijner prediking ook moge wezen, vertroostend, waarschuwend, vermanend, bestraffend, God geve, dat toch altoos de blijmare van het Evangelie als een jubelzang er door henen ruische: „Alzoo lief heeft God de wereld gehad!quot;

M. H. Hoe groot is onze verantwoordelijkheid bij het bezit van zulk een rijk Evangelie! God legt het als eenen kostbaren schat in ons midden neer. Wat zal er van dat woord in het midden van ons, zondige menschen, terecht komen? Zullen wij het niet ontheiligen, ontwijden? Zal mijn heilig dienstwerk niet door mijne eigen zonden krachteloos gemaakt worden? Zal ik zelf niet in den weg staan aan de vervulling van den wensch, dien ik nu bij mijne eerste evangelieprediking in uw midden uitspreek? Zal werkelijk, naar mate ik U het Evan-

-ocr page 131-

117

gelie predik, mijn leven eene evangelieprediking worden? Laat ons als antwoord op die vraag zien naar de houding van den apostel, die dezen wensch voor de gemeente te Efeze uitspreekt. Hij is zich bewust, dat hij de vervulling niet kan geven. Daarom gaat hij met zijnen wensch tot God. Naar Hem wordt genoemd al het geslacht in de hemelen en op de aarde. Hij is dus machtig meer dan over-vloediglijk te doen boven al, wat wij bidden of denken. Dat ook wij dan in deze ure onze knieën buigen tot den Vader van onzen Heer Jezus Christus, opdat Hij ons geve de vervulling onzer wenschen, in deze ure geuit; opdat onze oogen steeds heerlijker dingen zien, onze harten steeds heerlijker dingen opmerken en wij het groote verlossingswerk, waaraan de gemeente haar leven te danken heeft, leeren doorgronden en vervuld worden tot de volheid Gods.

GEZANG LXXVII: 4.

O God! sta met uw' Geest ons bij,

Opdat dit alles in ons zij,

Steeds meerder in ons word' bevonden;

Dan zullen wij met waar gevoel Het heilig, U betaamlijk doel Van 't groot verlossingswerk doorgronden.

Och! dat ons zoo de jongste dag Niet ledig, niet onvruchtbaar zag.

M. H. Wij spraken daareven over onze verantwoordelijkheid bij het bezit van zulk een heerlijk Evangelie. Hoe gevoel ik in deze ure de moeilijk-

-ocr page 132-

118

heid mijner taak! Door het Evangelie moet de evangeliedienaar zondaars tot God brengen. Maar dan mag het woord van Christus wel zuiveren weerklank vinden in zijn hart,, dan mag zijn hart wel geheel aan zijn heilig dienstwerk toebehooren! De liefde Gods in Christus moet hij u verkondigen. Maar dan mag Christus ook wel door het geloof in zijn hart wonen in de liefde! Anderen moet hij door het Evangelie vastheid geven, wanneer hun geloof wankelt en de golven van twijfel zich verhoffeu. Maar dan mag hij zelf wel geworteld en gegrond staan in de liefde van Christus! Anderen zal hij moeten vermanen en waarschuwen tegen de zonde en bestraffen over hunne ongerechtigheden. Maar dan mag zijn eigen leven wel een leven der heiligmaking zijn en mag hij wel allereerst door zijn eigen leven het oordeel Gods over de zonde laten gaan! In één woord, de evangelieprediking, het gansche werk der evangeliebediening moet zijn het uitvloeisel van het werk, dat God door het Evangelie aan hem doet. Zal dat met mijn werk het geval zijn? Zal mijn leven altoos geheel en al naar God uitgaan, zullen er in myn hart geene overleggingen zijn, die het Christus onmogelijk maken daarin met de volheid zijner liefde te wonen? Zal mijn hart nimmermeer overbuigen tot de zonde, nimmermeer hinken op twee gedachten, en altoos zijne vastheid vinden in de liefde van Christus? Zal mijn leven zijn een hongeren en dorsten naar gerechtigheid, een jagen naar heiligmaking, zooals God

-ocr page 133-

119

dat vraagt in zijn gebod: „wees heilig, want Ik ben heilig?quot; Helaas, ik ken mij zeiven te goed omniet tegenover alle deze vragen beschaamd te moeten staan! En daarom vraag ik van u uw gebed. Hoezeer hebben zij, die in de bediening gesteld zijn, behoefte aan het gebed der gemeente! Wat geelt het kracht en vertrouwen te weten, dat men voor ons bidt! Bidt, gemeente, ook voor mij, dat ik maar dicht bij God leve en altoos op dat standpunt sta, waar zijne woorden den besten weerklank vinden in mijn hart.

Bidt voor mij, dat mijn arbeid in uw midden een heilig werk blijve. Het godsdienstig leven is zoo wonder teer en de geringste onoplettendheid en ruwheid doet het gevaar loopen in een uiterlijken vorm over te gaan. Het godsdienstig leven loopt zoo ernstig gevaar over te gaan in eene reeks van uiterlijke gewoonten, zonder innerlijk verband, zonder innerlijk leven. En nu is het voor evangeliedienaars zoo moeilijk om altoos heilig met het heilige om te gaan. Mijn werk kan zoo licht sleurwerk worden. God geve, dat ik mij altoos levendig bewust blijve van het heilige van mijn werk en u nimmer het evangelie verkondige, zonder dat mijn hart er in leeft. Het gevaar is zoo groot om allerlei uitdrukkingen , waaraan de gemeente gewoon is geraakt, te bezigen zonder zich rekenschap te geven van hetgeen deze uitdrukkingen eigenlijk bedoelen. Zoo kunnen de heerlijkste waarheden doodend werken

-ocr page 134-

120

en een slaapdrank worden voor hen, die moeten worden wakker geschnd. Zal ik voor dat gevaar bewaard blijven? Wat ik ü in deze ure vraag, is dit, dat gij zelf mij niet in dat gevaar brengt, dat gij niet van mij vergt U eiken Zondag de ge-heele christelijke leer in al hare onderdeelen voor te stellen. Ik kan U niet anders verkondigen, dan wat God mij in de bediening telkens van het Evangelie te zien, te doorleven geeft. Liever verkondig ik één tien duizendste gedeelte van de waarheid, dat onder strijd en gebed mijn eigendom is geworden , dan allerlei aanééngeschakelde waarheden, waarin mijn hart niet leeft. Gy gelooft toch aan de levenwekkende kracht van één enkel Godswoord? Gij gelooft toch aan de kracht der evangelieprediking, waarmede de evangeliedienaar nu dit, dan dat van Godswege aan de gemeente te zeggen heeft? Niet licht zal ik de vermaning van mynen Vader vergeten, die meer dan eens tot mij gezegd heeft, nimmer voor de gemeente op te treden of ik moest haar iets te zeggen hebben. Door arbeid in uw midden zal ik uwe behoeften steeds beter leeren kennen en naar die mate moet ook mijne prediking een woord worden, waarmede God in die behoeften wil voorzien. Hoe groot is hier mijne verantwoordelijkheid! O, gemeente, bidt, dat God mij in toenemende mate dat gevoel van verantwoordelijkheid geve, opdat ik nooit predike, zonder dat ik van ganscher harte leef in die wereld, die het woord des Heeren

-ocr page 135-

121

ons ontsluit en ik onheilig sta tegenover de heilige behoeften van uw hart.

En toch mag mijne prediking niet haren maatstaf vinden in den toestand van eigen hart. Een evangeliedienaar mag nooit vergeten, dat hij van zynen Zender eenen lastbrief heeft medegekregen oneindig rijker van inhoud, dan wat in zijn eigen hart te lezen staat. Hoe gevoelt hij het bij elke prediking, dat hij bezig is te grijpen het onbegrijpelijke, dat hij zich behelpt met woorden en voorstellingen om uit te drukken, wat zijne kennis te boven gaat. Hoe ver staat dat Evangelie boven hem! Het verkondigt ons Gods gedachten. Maar gelijk de hemelen hooger zyn dan de aarde, zoo zijn ook Gods gedachten hooger dan onze gedachten. Wij hebben gedachten van vijandschap. God heeft gedachten des vredes. Wij willen ons zeiven wreken. God vergeeft menigvuldiglijk. Wij willen ons in de zonde blijven rondwentelen. God roept ons tot heiligheid. Wij zoeken het duister. God doet zijn licht over ons opgaan. Wij ontvluchten Hem. Hij komt tot ons. Wij hebben niets voor God over. Hij spaart voor ons niet zijnen eengeboren Zoon, maar geeft Hem voor ons over. Wij zoeken het leven, maar vinden den dood. God leert ons te sterven en schenkt ons het leven! „Wie had in 't weemlend stof des doods, bij zooveel schulds, in zooveel noods, die uitkomst durven wenschen?quot; Zoo zingt de gemeente op hare kerstfeesten: „De steen, dien door

-ocr page 136-

122

de tempelbouwers veracht'lijk was een plaats ontzegd, is tot verbazing der aanschouwers van God ten hoofd des hoeks gelegdquot;, zoo juicht de gemeente op hare paaschfeesten. Elke evangelieprediking wijst ons op de duisternis dezer aarde, maar ook op het licht van den hemel, op de grootheid van onze schuld, maar ook op den rijkdom van Grods genade, op den oneindigen afstand tusschen den reinen hemel en de zondige aarde, maar tevens op eene liefde voor welke zelfs die afstand wegvalt. Tracht maar te meten de hoogte, de diepte, de lengte, de breedte van de liefde van Christus,_ en gij zult ondervinden, dat zij uwe kennis te boven gaat!

Vraagt van mij, gemeente, dat ik U deze wondere liefde van Christus verkondig. Dwingt mij, die liefde te blijven verkondigen, komt met uwe nooden en behoeften, blijft luide roepen: „het Evangelie en niets anders dan het Evangelie willen wij hebben!quot; en zoo zult gij mij verhinderen van den weg af te dwalen, dien God mij in uw midden wijst, gij zult het mij onmogelijk maken onheilig in mijn heilig dienstwerk te verkeeren, oneerbiedig over uwe behoeften te denken, lichtvaardig over mijne heiligste plichten heen te loopen. Vraagt van mij zóóveel, dat ik nooit vergeet, dat ik uw dienaar ben, maar vraagt nooit dingen van my, die mij zouden kunnen doen vergeten, dat ik allereerst een dienaar van Christus ben. Toen mijn Vader mij in mijue eerste gemeente bevestigde, vermaande hij

-ocr page 137-

123

mij, dat ik toch nooit zou vergeten, dat ik wel een dienaar der gemeente moest wezen, maar alleen om Christus' wil en nooit in mijne bediening iemand anders naar de oogen mocht zien dan Hem, die mij zond. In zijn eigen leven heeft hij dat woord altoos in toepassing gebracht. Dat woord is mij bijgebleven en heeft er mij voor bewaard om bij mijne prediking naar de gunst van mensehen te vragen.

Yraagt mij veel, eischt van mij, dat ik mijn jonge leven U geheel wijde om Christus' wil. Maar vergeet niet, dat de evangeliedienaar zijne oogenblikken van stilheid, van rust moet hebben en dat de ernstige prediking er onder lijdt, wanneer door allerlei drukten het aantal uren steeds inkrimpt, waarin hij alleen is met zijnen God. O, gemeente, die ik voortaan met mijn gansche hart wensch te dienen, zegt het mij, toont het mij, wanneer gij bemerkt, dat mijne prediking hare teederheid en innigheid gaat verliezen. Drijft mij dan terug tot de eenzaamheid, tot God. Maakt het mij onmogelijk onder U te arbeiden, wanneer God niet met mij is. Gaat mij dan vóór tot God. Ik, die uw voorganger heet, zal dan niets liever doen dan U volgen.

Ik wensch dan van God, dat gij vervuld moogt worden tot al zijne volheid. Gij wenscht voor mij hetzelfde. Buigen wij dan tezamen onze knieën tot Hem, den Yader van onzen Heer Jezus Christus en laat het begin van onzen arbeid zijn een gebed tot

-ocr page 138-

124

Hem, die machtig is meer dan overvloediglijk te doen boven al, wat wij bidden of denken. Amen.

PSALM XXV: 2.

Heer! ai, maak mij uwe wegen

Door uw woord en Geest bekend;

Leer mij, hoe die zijn gelegen,

En waarheen Ge uw treden wendt:

Leid mij in uw waarheid; leer

IJvrig mij uw wet betrachten:

Want Gij zijt mijn heil, o Heer!

'k Blijf U al den dag verwachten.

GEZANG 111:3.

U, Vader! U zij lof, op een' verhoogden toon!

Lof uwen eigenen, uw' eengeboren Zoon!

Lof uwen Geest, die ons ten Trooster is gegeven, Ten leidsman op den weg naar 't eeuwig zalig leven!

U looft uw Kerk alom, waar Gij die ook vergaarde, U loov', wat loven kan, in hemel en op aarde.

-ocr page 139-
-ocr page 140-
-ocr page 141-

BIBLIOTHEEK

1 NED. HERV. KERK

f.......... .

-ocr page 142-