B
|
!: |
.1 ■' * |
Vn!: 2 a ; JOtp |
|
V | ||
|
BEMOEDIGING EN TROOST. | ||
|
JOZEF FRASSINETT1. quot; ' | ||
|
C. J. D I R K S, s. J. | ||
|
Kerkelijk goedgekeurd. 0 T A 7 H . (VI * LEIDEN , J J. W. VAN LEEUWEN, Antiq. Boekhandel. — Hoogewoerd 89. 1895. | ||
|
i |
IM PRIM AT U R.
|
Voorschoten, die 4 Ault;;. 1895. |
M. Bernsen, Libr. Censor. |
STOOKDR'JK. - EOUARO IJDO. - LEIDEN.
AAN DEN LEZER,
Bij de bewerking van dit boekje heb ik mij voorgesteld de gedachte van den schrijver weer te geven, de beteekenis en den samenhang der volzinnen te doen uitkomen, zonder in eene letterlijke vertaling te vervallen.
Vandaar, dat ik mij niet zelden heb veroorloofd, lot verduidelijking cenige wijzigingen aan te brengen.
In het 5de Hoofdstuk zijn een paar nummers weggevallen en heeft daarenboven eene verschuiving plaats gehad; het eerste geschiedde omdat, wat daar behandeld werd, mij voor Nederlanders minder prac-tisch toescheen, het andere, wijl eene enkele paragraaf op den inhoud der volgende eenigszins bleek vooruit te loopen.
Men gelieve tevens in het oog te houden, dat het doel van dit werkje geen ander is, dan om de godvruchtige zielen, die zich de beoefening der volmaakt-
111
|
- |
heid te moeilijk voorstellen, van hare noodlottige dwaling te bevrijden, en dat het Aanhangsel over de heilige vreeze Gods, naar het oordeel van den schrijver, voor dat doel bijzonder geschikt is. Moge eindelijk het boekje door de veranderingen, die het heeft ondergaan, niet in waarde verloren hebben, en zooals het hier wordt aangeboden, bijdragen om het streven naar de christelijke volmaaktheid te bevorderen. C, J. DIRKS. s. J. Katwijk a d Rijn, Feestdag van het H. Hart van Jezus, 1895. |
\ |
Pai 1. 2. 3. 4. 5. 6. 1. 2. 3 4. 5. 6. 7. | |
|
IV |
\ 1 |
INHOUD.
Hoofdstuk I.
Paragr. Bladz.
1. Over het juiste denkbeeld der christelijke heiligheid . 1
2. Wat wij moeten doen om den wil van God te volbrengen. 2
3. Dat er twee soorten van heiligheid ?ijn............2
4. Dat eene ziel, vrij van doodzonde, in waarheid eene heilige
ziel is......................................3
5. Wat vereischt wordt tot de christelijke volmaaktheid . 5
6. Dat wij allen moeten streven naar de christelij ke vol
maaktheid ..................................8
Hoofdstuk II.
Dat de christelijke volmaaktheid voor ons niet te moeilijk is.
1. Dat er twee soorten van dagelijksche zonden zijn . . 11
2. Dat fouten, uit louter onopmerkzaamheid bedreven, geen
zonden genoemd kunnen worden.........11
3. Welke soort van dagelijksche zonden een beletsel zijn
voor de volmaakte vereeniging met den wil van God 14
4. Dat het niet te moeilijk voor ons is de dagelijksche
zonden te vermijden............. 15
5. Dat het uit den aard der zaak gemakkelijker is, geheel
vrijwillige dagelijksche zonden, dan doodzonden te vermijden...................ló
6. Waarom wij ons lichter aan dagelijksche zonde dan aan
doodzonde plichtig maken...........18
7. Dat het niet te veel moeite kost in onverschillige zaken
te zoeken, wat aan God het meest behaagt .... 2(1
V
|
| | t | |||||
|
Hoofdstuk III. | |||||
|
Oplossing der moeilijkheden, welke gewoonlijk tegen |
; |
Pa | |||
|
deze leer gemaakt worden. |
1. | ||||
|
Paragr. Bladz. |
2. | ||||
|
1. Dat het niet noodzakelijk is, de Evangelische raden te | |||||
|
beoefenen om de christelijke volmaaktheid te bereiken. |
23 | ||||
|
2. Dat het daartoe ook niet'noodig is, buitengewone gunst- |
3. | ||||
|
25 | |||||
|
3. Dat God van de meeste menschen slechts eigen heilig |
1 |
4 | |||
|
heid vraagt, van sommige echter dat zij het ook voor | |||||
|
28 |
5. | ||||
|
4. Dat wij er niet naar mogen streven, door God als ver |
| | ||||
|
heven voorbeelden van heiligheid uitgekozen te worden. |
32 | ||||
|
5. Voorbeelden van Heiligen, die uit nederigheid treurden | |||||
|
over de buitengewone gunsten, welke zij ontvingen . |
33 | ||||
|
6. Slot der antwoorden op de gestelde moeilijkheden . . |
35 | ||||
|
7. Dat de menschelijkc zwakheid de christelijke volmaakt | |||||
|
heid niet te moeilijk maakt........... |
37 |
1. | |||
|
8. Dat de waarlijk nederige het vertrouwen niet moet | |||||
|
verliezen uithoofde zijner eigen zwakheid..... |
40 |
2 | |||
|
9. Dat slechte neigingen de christelijke volmaaktheid niet | |||||
|
onmogelijk maken.............. |
43 |
3. | |||
|
10. Dat het niet te ;moeilijk is de noodzakelijke zelfver | |||||
|
loochening te verkrijgen............ |
56 |
4 | |||
|
11. Dat het ook niet te moeilijk is in alle zaken te zoeken | |||||
|
wat aan God het meest behaagt......... |
60 |
5 | |||
|
12. Dat de gevaren der wereld of de zorgen voor het huis | |||||
|
gezin onze volmaaktheid niet noodzakelijk verhinderen. |
64 |
i |
6 | ||
|
13. Dat de ambtsbezigheden en huiselijke zorgen de chris | |||||
|
telijke volmaaktheid niet weinig kunnen bevorderen . |
66 |
1 |
7 | ||
|
14. Dat wij, ofschoon onwaardig, op de genade der heilig |
8 | ||||
|
heid moeten hopen. . . ........... |
68 |
.......t—-- | |||
|
VI | |||||
Hoofdstuk IV.
Over de schoonlieid en het nut der christelijke volmaaktheid. Paragr. Bladz.
1. De schoonheid der christelijke volmaaktheid .... 72
2. Waarin de groote voordeelen der christelijke volmaakt
heid bestaan. Vooreerst in het getuigenis van een goed geweten..................
3. Dat het tweede voordeel bestaat in de grootere zeker
heid aangaande het bezit der heiligmakende genade . 75
4. Dat het derde voordeel bestaat in de grootere zeker
heid aangaande het behoud der heiligmakende genade . 78
5. Dat het vierde voordeel bestaat in het bijzonder wel
behagen, waarmede God nederziet op allen, die naar de christelijke volmaaktheid streven.......80
Hoofdstuk V.
Over de middelen om de christelijke volmaaktheid te bereiken.
1. Dat men in de eerste plaats naar de christelijke vol
maaktheid moet verlangen...........84
2. Dat dit verlangen een besluit behoort te zijn en on
middellijk ten uitvoer gebracht moet worden .... 85
3. Dat wij in onzen ijver niet moeten verflauwen, omdat wij
tot dusverre niet geslaagd zijn.........90
4. Dat het gebed de krachtdadigheid van het verlangen
5. Dat men in de tweede plaats moet zorgen, een goeden
zielbestuurder te kiezen............94
6. Dat het noodzakelijk is, aan zijn geestelijken leidsman
te gehoorzamen . . ............97
7. Voorbeeld van een goeden zielbestuurder......100
8 Uitweiding over de bemoedigende leer in de vorige
paragraven van dit Hoofdstuk vervat.......103
Besluit. . . . •..............112
vir
AANHANGSEL.
Welk denkbeeld de godvruchtige ziel moet trachten zich te vormen van de heilige vreeze Gods.
Paragr. Bladz.
1. Dat de heilige vreeze Gods kalm en gerust moet zijn . 116
2. Dat de vreeze Gods. indien zij niet kalm is, het goede
verhindert en veel kwaad kan veroorzaken.....117
3. Over de middelen om de rust des harten te bewaren . 119
4. Dat wij de rust des harten niet moeten verliezen, al
hebben wij ook fouten en zelfs zonden bedreven . . 120
5. Dat wij de rust des harten niet moeten verliezen wegens
de onzekerheid of wij in staat van genade zijn . . . 126
6. Dat wij de rust des harten niet mogen verliezen uit
vrees voor verborgen doodzonden........129
7. Dat wij de rust des harten niet moeten verliezen uit
vreeze voor een onvoldoend berouw over onze vroegere zonden................133
8. Dat men het vertrouwen niet moet verliezen, omdat men
vreest in slechte gedachten toegestemd te hebben. . 139
9. Dat wij ook den inwendigen vrede niet moeten verliezen
wegens het voortdurend gevaar van in doodzonde te
vallen . . ................149
10. Dat de heilige vreeze Gods ons een groot vertrouwen
moet inboezemen.........•.....157
Besluit van het Aanhangsel ........162
VIII
HOOFDSTUK I.
§ I. Over het juiste denkbeeld der christelijke heiligheid.
Alle geestelijke schrijvers komen hierin overeen, dat de heiligheid van den Christen bestaat in de liefde, dat is in de vervulling van Gods heiligen wil; zoodat eene ziel, die den goddelijken wil volbrengt, inderdaad eene heilige ziel is, en hoe volmaakter zij dien wil volbrengt, des te heiliger zij ook wezen zal.
De waarheid dier leer is boven allen redelijken twijfel verheven; ook heeft, voor zooverre ons bekend is, geen meester in het geestelijk leven daaraan ooit getwijfeld.
In welken staat of toestand gij u dus bevinden moogt, herinner u steeds dat gij heilig zijt, indien gij u beijvert den wil van God te volbrengen, en dat uwe heiligheid grooter wordt, naarmate gij dit met meer volmaaktheid tracht te doen.
§ 2. Wat wij moeten doen om den wil van God te volbrengen.
Gij zult wellicht vragen, welke dan de eischen zijn tot het volbrengen van Gods heiligen wil? Het antwoord luidt: niets meer, maar ook niets minder dan de onderhouding der geboden van God en van de H. Kerk, die ons beveelt met goddelijk gezag. Onderhoudt gij die geboden, dan vervult gij ook den wil van God, zooals de H. Thomas van Aquino duidelijk aantoont.
i? 3. Dat er twee soorten van heiligheid zijn.
Wij moeten echter twee soorten van heiligheid onderscheiden. De eerste is eene eenvoudige heiligheid welke bestaat in het bezit der heilig-makende genade; zulk eene heiligheid bezitten allen, die den wil van God in groote zaken volbrengen en dus zuiver zijn van doodzonde.
De tweede is de volmaakte heiligheid , welke in de volmaakte vereeniging van onzen wil met den wil van God gelegen is; zoodat de ziel niet slechts de doodzonde maar ook de vrijwillige dagelijksche zonde verafschuwt, en bereid is te doen w-at zij duidelijk als aan God het aangenaamst erkent, zelfs in zaken welke niet uitdrukkelijk zijn voorgeschreven.
|
§ 4- Dat eene ziel, vrij van doodzonde, in waarheid eene heiiige ziel is. | ||
|
Op de eerste plaats is het ware heiligheid zijne ziel zuiver te houden van doodzonde, al is zij ook door dagelijksche zonden besmeurd. Dit is inderdaad een punt des geloofs, omdat de ziel, die niet schuldig is aan doodzonde, de heiligmakende genade bezit, welke genade juist daarom heiligmakend wordt genoemd, wijl de mensch daardoor niet slechts van zijne zonden gezuiverd, maar tevens inwendig vernieuwd en waarlijk geheiligd wordt. Die genade is eene bovennatuurlijke gaaf van God, eene blijvende eigenschap der ziel, waardoor de mensch, kind van God, broeder van Jezus Christus en erfgenaam des Hemels, bijgevolg wezenlijk heilig wordt. Het verdient onze opmerking dat zoowel de zaligen in den Hemel als de allerheiligste Maagd Maria, de verheven Moeder van God, door diezelfde genade heilig zijn; en zij niet langer heilig zouden blijven indien, wat echter onmogelijk is, die genade door hen werd verloren. Daarom is, gelijk de H. Thomas leert, deze genade in zekere mate een begin van de glorie, die wij in den Hemel zullen ontvangen; en het licht der glorie, waardoor de zielen in den Hemel God duidelijk zullen zien, is niets anders | ||
|
3 |
' * |
dan diezelfde genade tot hare algeheele volkomenheid opgevoerd. En daarom bezit ook de ziel, die zich nimmer aan eene zware zonde tegen de wet heeft schukiig gemaakt, of door boetvaardigheid hare schuld heeft uitgewischt, eene wezenlijke heiligheid. Blijkbaar verkeeren derhalve degenen in dwaling, die slechts zulke zielen voor braaf en heilig houden, welke bewijzen eener buitengewone volmaaktheid geven, terwijl zij andere, die aan geene zware zonde schuldig zijn, maar herhaaldelijk in fouten en gebreken vallen niet voor braaf of heilig willen beschouwen. Dit beteekent echter niet dat men de dage-lijksche zonden gering mag achten; integendeel, gelijk wij zullen zien, moeten wij die met alle zorg zooveel mogelijk trachten te vermijden. Maar ' ik wensch duidelijk de kostbaarheid der heilig-makende genade te leeren kennen, waardoor de ziel in zulk een allergelukkigsten toestand wordt gebracht; een toestand, waarin zij Gods vriendschap [geniet, en waarin zij, hoe dan ook door den dood verrast, onmogelijk het hemelsch paradijs kan verliezen.
O, mochten toch alle Christenen van de kostbaarheid dier groote gave Gods doordrongen zijn! Zij zouden ongetwijfeld daarvan meer werk maken en niet zoo lichtvaardig zich aan het gevaar blootstellen om dien schat te verliezen. O, welk een edel metaal, al wordt het soms gevonden in eene ziel, nog door kleine fouten en on-
4
|
volmaaktheden ontsierd! O welk een schoone parel, wat een heerlijke diamant, ofschoon nog niet gezuiverd en gepolijst! De menschen dragen weinig zorg voor het kostbaarst juweel, en laten het zich gemakkelijk ontstelen, indien zij zijne waarde niet ten volle beseffen; maar zoodra zij die kennen, verdedigen zij het zoo ijverig dat list noch geweld in staat zijn hen daarvan te berooven. Ik zou somtijds wenschen dat alle predikers, alle biechtvaders en alle schrijvers van geestelijke boeken het als hunne voornaamste taak beschouwden, aan de Christenen de kostbaarheid der heiligmakende genade te leeren begrijpen en waardeeren. g 5. Wat vereischt woi'dt tot de christelijke volmaaktheid. De heiligheid, waarvan wij tot dusverre spraken, is slechts eene eenvoudige heiligheid, die wel hare eigene innerlijke waarde heeft, maar toch verre van de volmaakte heiligheid verwijderd is; gelijk het goud, dat zoo even uit de aarde gehaald, wel echt en kostbaar goud is, maar toch nog vreemde bestanddeelen bevat, en daardoor den glans mist, dien het na de zuivering zal verkrijgen. Daarom wordt ook de volmaakte heiligheid gewoonlijk de christelijke volmaaktheid genoemd, en bestaat niet slechts in het bezit der heiligmakende genade, maar tevens in de vol- | ||
|
5 |
maakte vereeniging van onzen wil met dien van God. Deze volmaakte heiligheid bezitten die zielen, welke van alle ongeregelde gehechtheid aan de schepselen ontdaan, vast besloten zijn nooit iets te bedrijven, dat aan God mishaagt, en waar het duidelijk blijkt, steeds aan zijn welbehagen de voorkeur schenken. Om die reden wachten zij zich zorgvuldig voor dagelijksche zonden , en in zaken die niet uitdrukkelijk door God en de Kerk geboden of verboden zijn, beijveren zij zich altijd te doen wat naar hunne meening aan God het welgevalligst is. Wij zeggen, »waar het duidelijk blijktquot;, omdat wij in het algemeen wel weten welke zaken in zich zelve aan God het aangenaamst zijn; maar dikwijls is het ons onbekend wat Hij in het bijzonder van ons verlangt. Zoo weten wij bij voorbeeld dat de vrijwillige armoede Gode welgevallig is, en dat het Hem behaagt, wanneer de mensch uit liefde tot Hem afstand doet van alle aardsche goederen, gelijk de H. Franciscus van Assisië deed; maar wij weten niet of het aan God aangenaam zou zijn, dat deze afstand door ons of door een anderen persoon werd gedaan. Eveneens weten wij dat God in het algemeen het bijwonen der H. Mis verlangt, ook op de werkdagen; maar weten wij daarom ook dat hij zulks van ons of van iemand anders in het bijzonder wil, wanneer men door huiselijke omstandigheden of noodzakelijken arbeid verhinderd is ?
6
Wat wij behooren te doen, indien wij in dit leven zooveel mogelijk heilig en volmaakt willen zijn, is dit: wij moeten ons niet enkel wachten voor de doodzonde maar ook voor de dagelijk-sche zonden, door het vast besluit om daarin nooit vrijwillig toe te stemmen, welke beweegreden ons daartoe ook moge aansporen; ook moeten wij ons beijveren in alle omstandigheden te doen , wat naar ons weten aan God het aangenaamst is.
Op die wijze zullen wij zuiver zijn van alle ongeregelde liefde tot de schepselen; onze wi! zal volkomen gelijkvormig zijn met den heiligen wil van God, in één woord, wij zullen heilig zijn en volmaakt. Ik bedoel natuurlijk voor zoover dit op aarde mogelijk is, omdat geen zuiver schepsel, de Heilige Maagd alleen uitgezonderd , in alle opzichten volmaakt kan leven. Daarom zegt de H. Bernardus dat het voortdurend streven naar de volmaaktheid, in dit leven reeds als volmaaktheid wordt aangemerkt: »Jugi.s conatus ad perfectionem perfectio reputatur.quot; —
Daar nu tie volmaakte heiligheid bestaat in de volmaakte vereeniging van onzen wil met dien van God, zoo bestaat zij tevens in de volmaakte liefde tot God; immers, twee personen beminnen elkander met eene volmaakte liefde, wanneer er tusschen hen zulk eene volmaakte vereeniging van wil bestaat, dat zij beiden slechts één hart vormen.
7
Wanneer nu ons hart in zulk eene stemming verkeert, dat het niets anders verlangt dan hetgeen het allerheiligst Hart van God begeert, zoo wordt het dermate daarmede vereenigd dat beide als het ware slechts één hart uitmaken; en dan bestaat er bijgevolg tusschen God en ons eene ware liefde, ja zelfs de volmaaktheid der liefde,
L-
§ 6. Dat wij allen moeten streven naar de christelijke volmaaktheid.
God verlangt ongetwijfeld van alle Christenen zulk een graad van volmaakte liefde. Immers wie zou durven beweren, dat God ons veroorlooft dagelijksche zonden te bedrijven, of tevreden is,
wanneer wij onzen wil boven den zijnen verkiezen, en niet volbrengen wat Hem blijkbaar het meest behaagt?
Een heer wil van zijn knecht geen ernstig onrecht lijden, ook geen vrijwillige beleediging verdragen; hij is zelfs ontevreden wanneer hij iets
onaangenaams van hem moet ondervinden. Daaren-
0 igt; boven vordert hij, dat de knecht gehoorzame in |
al hetgeen hem geboden wordt, en wenscht ook,
dat aan zijne minste verlangens worde voldaan.
Daaruit volgt dat hij alleen als een volmaakte dienaar aangemerkt zal worden, die zich beijvert zijn heer nooit eenig ongenoegen te veroorzaken, en er steeds op uit is, hem in alles zooveel mogelijk te voldoen. i
8
i
Zouden wij nu mogen onderstellen dat onze Heer, die oneindig wijs is en rechtvaardig, met minder tevreden zal zijn? H;t antwoord kan niet anders dan ontkennend wezen. Maar dan bestaat ook de ware heiligheid in het voortdurend streven naar de christelijke volmaaktheid, waardoor onze eigen ziel geheiligd en de wil van God vervuld wordt. Tot die heiligheid spoor ik u dringend aan en ik ga u aantoonen, dat het bereiken ervan onze krachten geenszins te boven gaat.
..
9
HOOFDSTUK II.
Dat de cliristflijke vol maakt lieid voor ons niet te moeilijk is.
Tot de beoefening der christelijke volmaaktheid vorderen wij de volmaakte vereeniging met den heiligen wil van God, en tot het verkrijgen dier vereeniging moeten wij alle vrijwillige zonden vermijden en in alle onverschillige zaken streven naar hetgeen aan God het meest behaagt. Wij dienen nu te toonen dat deze volmaakte vereeniging met den wil van God geene zaak is, die onze krachten te boven gaat; met andere woorden, dat het niet te moeilijk voor ons is ook de dagelijksche zonden te vermijden en in alle omstandigheden te doen, wat met het goddelijk welbehagen het meest overeenkomt. Wat nu de dagelijksche zonde aangaat, is het van groot belang dat wij eerst de soorten van dagelijksche zonden leeren onderscheiden.
iO
§ i. Dat er twee soorten van dagelijkse he zonden zijn.
Er zijn dagelijksche zonden, waarvan wij ons ten volle bewust zijn, die wij met open oogen bedrijven, in het helder besef dat wij op dat oogenblik verkeerd handelen. Zoo bij voorbeeld, wanneer wij eene onwaarheid zeggen om eene onbedachtzame daad te verontschuldigen, en te gelijker tijd de boosheid van die handelwijze inzien; of, wanneer wij begrijpen dat het een of ander gezegde den goeden naam van den naaste kan benadeelen, en ons dan niet onthouden van die schuldige kwaadsprekendheid. Er zijn andere dagelijksche zonden, waarvan wij ons zeiven niet volkomen bewust zijn en die wij meer uit zwakheid dan uit boosheid bedrijven , bijv. half onwillekeurige verstrooiingen in het gebed, enkele nuttelooze woorden of ongeduldige handelingen en meer dergelijke fouten, waaraan wij ons niet zelden uit onachtzaamheid plichtig maken.
§ 2. Dat fouten uit louter onoputerkzaaniheid bedreven geen zonden genoemd kunnen worden.
Ik heb daar fouten genoemd, waarvan wij ons bij het bedrijven niet ten volle bewust zijn. Zou er hoegenaamd geen bewustheid en derhalve ook geene vrijwillige boosheid aanwezig zijn, dan zou
■
er zelfs in het geheel geen sprake van dagelijk-sche zonden kunnen zijn, maar enkel van onvolmaaktheden en zwakheden der menschelijke natuur, waarvoor wij ons onmogelijk kunnen vrijwaren, en waarover wij ook geen berouw kunnen gevoelen. Immers de H. Augustinus zegt: »waar geene vrijwillige boosheid is, daar is ook geene zonde.quot; En hier moet ik mij een kleine uitweiding veroorloven , die naar mijn inzien zeer belangrijk is. Ik wenschte namelijk die waarheid zoo vast mogelijk te prenten in de zielen, welke zich van hare natuurlijke zwakheden beschuldigen alsof het zonden waren, die daarover treuren en gelooven dat zij zich daarom in een slechten staat bevinden, zoodat zij zelfs somtijds de H. Communie , door haar zielbestuurder voorgeschreven, achterwege laten , in de meening dat zij niet waardig zijn die te ontvangen.
Maar weten dan zelfs de kinderen niet, dat er geen zonde kan zijn, waar geen vrijwillige boosheid is ? Die zielen verbeelden zich echter zonde te vinden, waar niet de minste schaduw van zonde, ja waar integendeel verdienste is. Wanneer het gebeurt dat zij een oogenblikke-lijke opwelling van ongeduld, van naijver, van zinnelijkheid ondervinden, meenen zij terstond dat zij gezondigd hebben, al hebben zij ook hun best gedaan om die gevoelens te onderdrukken zoodra zij ze gewaar werden.
Toch hebben zij volstrekt niet gezondigd , want
12
zij kunnen die gevoelens niet vermijden; wat meer is, door die opwellingen bij de eerste gewaarwording te bestrijden hebben zij zich vele verdiensten verworven. Luister wat de H. Johannes van het Kruis zegt: «Indien gij uwe toe-sstemming daaraan niet geeft maar veeleer mis-»hagen en afkeer ondervindt en ze met geduld «verdraagt, dan zult ge daardoor gelouterd «worden, gelijk het goud door het vuur. Die «zwakheden en ellenden zijn het noodzakelijk «gevolg van de erfzonde, evenals ziekten en an-«dere tijdelijke wederwaardigheden rampen zijn «waaraan alle kinderen van Adam worden on-«der worpen, en hij die beweert daarvan geheel quot;vrij te zijn, maakt aanspraak op een voor-«recht dat God nooit aan iemand verleent.quot; (Het spreekt van zelf dat de H. Maagd is uitgezonderd.).
Wij moeten daarenboven opmerken dat dit de katholieke leer is, door het heilig Concilie van Trente, uitgesproken tegen de dwalingen der Protestanten, die beweren dat de onvrijwillige bewegingen der begeerlijkheid, dat is der zinnelijke lusten , zondig zijn. Verwonder u echter niet dat sommige meesters in het geestelijk leven de zielen, die naar de volmaaktheid streven, aansporen hare verkeerde neigingen en bekoringen aan hare bestuurders te openbaren; zeker is het prijzenswaard dat te doen , omdat wij door die openbaring aan onzen geestelijken leidsman , de geschikste en
13
krachtigste middelen leeren kennén om ons steeds de overwinning te verzekeren. Zeker, ik raad u dringend aan uwe geheele ziel aan uwen biechtvader te openbaren, zoowel uwe booze neigingen als de bekoringen die u verontrusten; mits zij hem nog onbekend zijn en hij u niet beveelt daarvan te zwijgen: maar om 's Hemels wil, beschuldig u er niet van alsof het zonden waren; want zonden zijn het zeer zeker niet en dus ook geene stof voor de biecht. Laat u toch door die ellendige gevoelens niet verschrikken, zij zijn immers vereenigbaar met de volmaaktste heiligheid , die op aarde wordt gevonden. Zeg mij niet dat de Heiligen zulke ellenden niet ondervonden ; want ik zou u kunnen antwoorden dat er geen godgeleerde is aan te wijzen die gelooft. dat ooit op aarde iemand heeft geleefd , met uitzondering der allerheiligste Maagd Maria, die van alle geneigdheid tot het kwaad is bevrijd gebleven.
Daarenboven moeten wij ons wel herinneren, dat zulk eene onverdiende gave geen noodzakelijk bestanddeel der heiligheid is.
§ 3. Welke soort van dagelijkse/te zonden een
beletsel zijn voor de volmaakte vereeniging met den zvil van God.
De dagelijksche zonden, die onze volmaakte vereeniging met den wil van God verhinderen, en bijgevolg onzen voortgang in de christelijke
14
volmaaktheid beletten, zijn dezulke, waarvan wij ons ten volle bewust zijn, dat wil zeggen, zooals reeds is opgemerkt, die wij met open oogen bedrijven. De overige dagelijksche zonden, die wij niet met volle kennis bedrijven, hinderen onzen voortgang in de christelijke volmaaktheid slechts weinig; deze veroorzaken wel eene soort van lauwheid, maar de H. Alphonsus durft deze lauwheid onvermijdelijk noemen, omdat de ziel daarvan niet vrij kan zijn, zonder een bijzonder voorrecht van God, volgens de leer van het heilig Concilie van Trente; en het is niet bekend dat een der Heiligen dit voorrecht heeft bezeten, met uitzondering slechts van de gezegende Maagd Maria.
Niemand kan derhalve vorderen dat gij , om voortgang te maken in de christelijke volmaaktheid, bevrijd moet blijven van dagelijksche zonden, die gij niet met vol bewustzijn bedrijft.
§ 4. Dat het niet te moeilijk voor ons is de dagelijksche zonden te vermijden.
Die waarheid is klaarblijkelijk om de volgende reden : God beveelt ons niet alleen volstrekt de doodzonde te vermijden, maar Hij beveelt ons ook volstrekt het vermijden der dagelijksche zonden. God verbiedt ons zijn heiligen Naam te lasteren, en God verbiedt ons eveneens dien heiligen Naam ijdel te gebruiken. God verbiedt
|
ons een valschen eed te zweren en Hij verbiedt ons ook uit kortswijl te liegen. Kunnen wij nu onderstellen, dat de oneindige goedheid Gods iets zou willen verbieden dat te moeilijk en te zwaar is voor zijne schepselen? — dat Hij geboden zou geven, waarvan de onderhouding te lastig was? Slechts tirannen hebben van tijd tot tijd hunne onderdanen geboden opgelegd, wier volbrenging te moeilijk was ; goede vorsten hebben dat nooit gedaan. Nog veel minder zijn goede vaders zoo hard geweest tegen hunne kinderen; en wij, die belijden dat God de opperste Koning is, de volmaaktste Vader zijner schepselen, hoe kunnen wij veronderstellen, zonder zijne onuitsprekelijke goedheid het grootste onrecht aan te doen, dat Hij ons plichten heeft willen opleggen waarvan de onderhouding ons te veel moeite zou kosten ? Indien dan zulk eene onderstelling in geen enkel opzicht te rechtvaardigen is, volgt daaruit vanzelf, dat het vermijden der dagelijksche zonden voor ons niet te moeilijk kan zijn, wijl God het inderdaad aan zijne schepselen beveelt § 5. Dat hei uit den aard der zaak gemakkelijker is, geheel vrijwillige dagelijksche zonden dan doodzonden te vermijden. Waarom zouden wij met den bijstand der goddelijke genade ons niet even goed van vrijwillige |
■ |
da on to a a m be Er H dc be . m va le( al.4 Sa vo tej sti on zo vo na zo zo zo on | ||
|
16 |
1 | |||
dageüjksche zonden ais van doodzonden kunnen onthouden ? Zoo wij in staat zijn de bekoringen tot doodzonde, die ons krachtiger en heviger aanvallen, te overwinnen, zullen wij dan meer moeilijkheid ondervinden in het beheerschen der bekoringen die ongetwijfeld veel zwakker zijn ? En indien wij de onstuimigheid weten te beteugelen van zekere hartstochten die zelfs de grootste Heiligen deden sidderen, hoe zouden wij dan de bekoring tot een kleine leugen of een kleine beleediging van onzen naaste niet kunnen overmeesteren ?
Samson, zoo lezen wij in de H. Schriftuur, had van God zulk eene verbazende kracht ontvangen , dat hij met eigen hand de vreeselijkste leeuwen wurgde en hunne beenderen verbrijzelde, alsof het zwakke lammeren waren geweest. Zoudt gij mij nu gelooven, wanneer ik u zeide, dat Samson geen kracht genoeg bezat om een kleinen vos te dooden ? — Zoo dikwijls wij strijden tegen de hevige bekoringen tot doodzonde, strijden wij tegen leeuwen; doch verzetten wij ons slechts tegen bekoringen tot dagelijksche zonden, dan is onze strijd gericht tegen kleine vosjes; en daarom kunnen wij, door Gods genade ondersteund, niet slechts de dagelijksche zonden even gemakkelijk vermijden als de doodzonden , maar de zegepraal over de eerste moet zonder eenigen twijfel minder inspanning van ons vorderen.
17
2
§ 6. Waarom wij ons lichter aan dagelijksche zonde dan aan doodzonde plichtig maken.
Waaraan is het toe te schrijven, dat wij met de hulp van God de bekoringen tot doodzonde overwinnen en soms maanden, zelfs jaren door-brengen zonder ons aan eene enkele schuldig te maken, terwijl wij daarentegen schier geen dag kunnen leven zonder in de bekoring tot dagelijksche zonde te bezwijken? Ziehier de reden: Zoolang wij nog eenig geloof bezitten, vervult de doodzonde ons met schrik; de eeuwige afgrond die dreigend aan onze voeten gaapt, doet ons sidderen van angst. Daarom gorden wij ons bij het eerste verschijnen van den vijand tot den strijd, en door Gods kracht gesteund, behalen wij de zegepraal. De dagelijksche zonde daarentegen schijnt ons een kwaad van geringe be-teekenis, wij schrikken voor hare boosheid niet terug; zelfs het vagevuur waarmede zij gestraft wordt, maakt op ons soms geen duurzamer indruk dan de zomerhitte, die straks door de koelte van den herfst wordt vervangen. Dat is de reden waarom wij zoo gemakkelijk door de bekoring tot dagelijksche zonde overwonnen worden. Daaraan is hef eveneens toe te schrjjven dat Christenen , die met het beste gevolg de heviger aanvallen der doodzonde afweren, te dikwijls voor de zwakkere pogingen der dagelijksche zonde
18
onderdoen. Mochten zij toch bedenken, dat ook de dagelijksche zonde een verschrikkelijk kwaad is, wijl daardoor een God van oneindige goedheid beleedigd wordt, — dat het eene ramp is, veel grooter dan elk ander tijdelijk onheil, — grooter dan eene pest die duizenden naar het graf sleept, grooter dan eene aardbeving, die de machtigste steden verwoest, — grooter dan de zondvloed, die ten tijde van Noë schier alle stervelingen heeft verzwolgen, — grooter zelfs dan het vuur, waardoor de wereld op den jongsten dag zal verteerd worden! O, mochten de men-schen toch ernstig overwegen dat het vagevuur eene straf is van een rechtvaardigen God en naar het oordeel van vele kerkvaders vreeselijker dan alle aardsche pijnen en smarten! Hadden de Christenen die heilzame waarheden gestadig voor den geest, zij zouden nooit wankelen in hun besluit om de dagelijksche zonden met alle kracht té vermijden; zij zouden dan tevens inzien, dat wij, die met de hulp van Gods genade de bekoring tot zware zonden kunnen overwinnen, nog veel beter in staat zijn de bekoring tot dagelijksehe zonde zegevierend af te slaan. Wij moeten ons dus overtuigd houden, dat de moeilijkheid niet gezocht moet worden in onze natuurlijke zwakheid en ongenoegzaamheid, maar veeleer in onzen tragen en onbeslisten wil. Door krachtig en standvastig te willen, kunnen wij ons met den bijstand Gods voor de grootste
19
|
zonde vrijwaren; en het is onze eigen schuld, |
'• |
Vc | ||
|
wanneer wij lafhartig voor de dagelijksche zon |
- |
0 | ||
|
den bezwijken. |
h( | |||
|
Het is duidelijk dat wij hier slechts de geheel |
H | |||
|
vrijwillige dagelijksche zonden bedoelen. |
er | |||
|
j5 7. Dat het niet te veel moeite kost in on |
w | |||
|
verschillige zaken te zoeken wat aan God |
vc | |||
|
het meest behaagt. |
vc in | |||
|
Een verstandige meester, is in de eerste plaats |
w | |||
|
bezorgd dat hij zijn dienaar niets oplegt, wat |
C | |||
|
zijne krachten te boven gaat; hij verlangt daaren |
zi | |||
|
boven, dat de dienaar niet uit eigen beweging |
ch | |||
|
iets onderneemt, waardoor zijne krachten onder |
hc | |||
|
mijnd worden. Er is ontwijfelbaar geen meester |
ui | |||
|
zoo wijs als God en zoo liefdevol in het bestuur |
zi | |||
|
zijner dienaren. | ||||
|
En zoudt gij dan kunnen onderstellen dat het |
G | |||
|
zijn wensch is, ons in zijn dienst te overladen |
dc | |||
|
en neer te drukken? Wat God het meest be |
m | |||
|
haagt in zaken die uiteraard onverschillig zijn, |
w | |||
|
vinden wij zeker daar, waar wij ons zeiven het |
se | |||
|
meest verloochenen , altijd overeenkomstig onze |
er | |||
|
krachten. Wij doen zijne eindelooze goedheid |
H | |||
|
een groot onrecht aan, door te vreezen dat zijn |
vr | |||
|
goddeJijk welbehagen eene inspanning van ons |
en | |||
|
zal vorderen, die onze krachten overschrijdt. |
dc | |||
|
Het is hier de plaats te waarschuwen tegen |
or | |||
|
die valsche vrees, welke soms uit de beschouwing |
gc | |||
|
20 |
) |
i 1 | ||
|
* ■ ' '• 4 |
van Gods grootheid en heiligheid geboren wordt. Overweegt men Gods oneindige grootheid en heiligheid, dan beeldt men zich somtijds in, dat Hij slechts welbehagen vindt in de verheveoste en heiligste werken. Zijner niet geheel onwaardig. Die voorstelling is echter geheel valsch en zeer verderfelijk; want indien God slechts behagen vond in zulke volmaakte werken, dan zouden immers geene andere zijne goedkeuring kunnen wegdragen dan die van onzen Zaligmaker Jezus Christus, omdat zij alleen van oneindige waarde zijn. Do werken van alle schepselen, zij mogen dan door de Engelen, ja zelfs door de allerheiligste Maagd Maria verricht worden, hebben uit zich zelve eene beperkte waarde en daarom zijn zij als zoodanig ook in geen verhouding hoegenaamd met de oneindige Majesteit van God. God vindt zijn hoogste welbehagen ook niet in de grootheid en heiligheid der werken zelve, maar in hunne gelijkvormigheid met zijn heiligen wil, en zeker is het zijn wil niet, dat de schepselen die werken verrichten, welke hun het grootst en heiligst toeschijnen, maar dat zij doen wat Hij zelf elk oogenblik van hen vraagt. Somtijds vraagt Hij zware offers, b.v. lijden, vervolging en marteldood; meestal slechts het verdragen der gewone moeilijkheden, het beheerschen onzer ongeregelde driften; dikwijls is eene goede gedachte of een enkel schietgebed Hem | ||
|
1 |
i 1 |
2i |
|
i | ||||
|
genoeg. Ziedaar zoovele redenen, die ons aan | ||||
|
/ |
sporen om in de eenvoudigste en gemakkelijkste | |||
|
zaken te streven naar hetgeen aan God het | ||||
|
meest behaagt. En hiermede vertrouw ik be | ||||
|
wezen te hebben, dat het voor den Christen niet | ||||
|
te moeilijk is de vrijwillige dagelijksche zonde | ||||
|
te vermijden en in alle onverschillige zaken steeds | ||||
|
Gods grooter welbehagen te zoeken; waaruit | ||||
|
tevens blijkt, dat het bereiken der christelijke | ||||
|
volmaaktheid onze krachten niet overschrijdt. | ||||
|
§ i | ||||
|
r | ||||
|
zu | ||||
|
-- f |
de | |||
|
ch | ||||
|
te | ||||
|
i |
ee | |||
|
l; |
amp; | |||
|
1 |
ik | |||
|
er | ||||
|
ni | ||||
|
m | ||||
|
ra | ||||
|
be | ||||
|
gi | ||||
|
22 | ||||
|
j |
r |
HOOFDSTUK III. Oplossing dei* moei lijk lieden welke gewoonlijk tegen deze leer gemaakt worden. § I. Dat het niet noodzakelijk is de Evangelische raden te beoefenen om de christelijke volmaaktheid te bereiken. In weerwil van hetgeen boven is verhandeld zult gij, godvruchtige zie!, u wellicht verbeelden dat er meer Jvan ons gevorderd wordt, om de christelijke volmaaktheid of volmaakte heiligheid te bereiken; en misschien zult gij mij wel in de eerste plaats vragen waarom ik geene rekening gehouden heb met de Evangelische raden, daar ik zelfs hun naam niet noemde; en toch, waar er sprake is van volmaaktheid, moeten zij daar niet voorop gesteld worden? Indien gij echter meent, dat de beoefening der Evangelische raden een noodzakelijk vereischte is tot het bereiken der volmaakte heiligheid, dan verkeert gij in groote dwaling. Vooreerst oordeelt de H. | |
|
-- i |
23 » | ||
Thomas van Aquino, zooals ik reeds zeidc, slechts de onderhouding der tien geboden noodzakelijk voor de volmaakte heiligheid, en mij dunkt dat zijn gezag u voldoende kan zijn. Ik hoop u echter door nog andere duidelijke bewijzen te overtuigen. Er zijn drie Evangelische raden: armoede, gehoorzaamheid en volmaakte zuiverheid. Ware nu de beoefening der genoemde raden eene noodzakelijke voorwaarde tot de christelijke volmaaktheid, dan zou daaruit volgen dat slechts religieuzen daarheen konden streven.
Dan zouden alle gehuwden en allen die niet van aalmoezen leven, of geen afstand doen van hunne bezittingen, allen die niet volkomen aan hun eigen wil verzaken, daarvan zijn uitgesloten. En wijl het eene onbetwistbare waarheid is, dat God niet van iedereen de beoefening der Evangelische raden wenscht, zou men tot het besluit komen, dat Hij ook de heiligheid niet van allen wenscht, hetgeen toch herhaaldelijk in de H. Schriftuur verklaard wordt. De orde van Gods alwijze voorzienigheid vordert dat er gehuwden en ongehuwden, rijken en armen bestaan; Hij keurt eene zekere mate van vrijheid en onafhankelijkheid niet af, ofschoon het Hem hoogst aangenaam is, wanneer iemand zich vrijwillig aan een ander onderwerpt en afstand doet van eigen wil. Intusschen wil God dat allen heilig worden, ieder volgens zijn staat. Het is derhalve klaarblijkelijk eene dwaling te beweren, dat de be-
24
oefening der Evangelische raden noodzakelijk is ter bereiking der christelijke volmaaktheid.
§ 2. Dat het daartoe ook niet noodig is
buitengewone gunstbewijzen te ontvangen.
Gij, mijne lezers, die de lofwaardige gewoonte hebt de levens der Heiligen te lezen, zult mogelijk verwonderd zijn, dat ik de volmaaktheid heb beperkt tot iets zoo eenvoudigs als het vermijden der vrijwillige dagelijksche zonden en het zoeken naar hetgeen God het aangenaamst is in onverschillige zaken. Zien wij dan de heiligheid in den regel niet verbonden met buitengewone gunsten en genaden, die ons verrassen en tevens onze bewondering gaande maken?
Gij herinnert u hier de geestverrukking, de voorspelling, de onderscheiding der geesten, de bovennatuurlijke kennis, de strenge boetvaardigheid enz., en wellicht staat gij verbaasd dat ik dit alles schijn te vergeten. Gij denkt dus dat zulke buitengewone gunsten en gaven tot het verkrijgen der heiligheid noodzakelijk zijn? Maar dan dwaalt gij wederom. Wel lezen wij gewoonlijk in de levens der Heiligen van die buitengewone genaden; toch zijn dit volstrekt de middelen niet om Heiligen te vormen; en er zijn inderdaad vele zielen, die met geen enkele dier buitengewone gunstsn begiftigd, nochtans heiliger
25
|
zijn cn misschien veel grootere glorie in den Hemel |
is | |||
|
hebben verdiend, dan andere die zulke voor |
di | |||
|
rechten hadden ontvangen. Daarom verzekert |
1 |
m | ||
|
ons de H. Teresia, dat wij velen in den Hemel |
j |
d( | ||
|
boven anderen verheven zullen zien, ofschoon zij |
sl | |||
|
hier op aarde zich minder door die buitenge |
VS | |||
|
wone genadegaven hebben onderscheiden. Ja, |
te | |||
|
wat meer is, wij mogen niet uit oog verliezen, |
dlt; | |||
|
dat er ook slechte menschen geweest zijn, die |
n ' |
m | ||
|
zulke buitengewone gaven ontvingen zooals bijv. |
1 I |
bi | ||
|
de goddelooze Balaam, die de gave der voor |
1 | |||
|
spelling bezat; en de H. Johannes van het kruis |
blt; | |||
|
leert, dat openbaringen, visioenen, geestverruk |
tr | |||
|
kingen, onderscheiding en kennis der geesten en |
d( | |||
|
alle andere gaven, die door de godgeleerden |
g( | |||
|
«gratis dataequot; genoemd worden, niet zelden |
dt | |||
|
met doodzonde gepaard gaan ; terwijl soms juist |
he | |||
|
de grootste Heiligen ten eenenmale van derge |
ar | |||
|
lijke gunsten verstoken zijn gebleven, gelijk de |
h; | |||
|
H. Johannes de Dooper, die in geheel zijn leven |
zc | |||
|
geen enkel wonder heeft gewrocht. Evenmin lezen |
st | |||
|
wij ergens dat de H. Carolus Borromaeus, aarts |
gi | |||
|
bisschop van Milaan, zelfs bij zijn vurigste ge |
hlt; | |||
|
beden ooit tot geestverrukking werd vervoerd. |
ei | |||
|
Na ernstige overweging komen alle meesters van |
zc | |||
|
het geestelijk leven hierin overeen , dat wij het |
ei | |||
|
in geen geval moeten wagen den almachtigen |
er | |||
|
God te verzoeken ons die buitengewone gunsten |
hlt; | |||
|
te schenken, ja zelfs, dat over het algemeen zulk | ||||
|
een verlangen uit hoogmoed voorkomt. Bijgevolg | ||||
|
26 |
1 |
. | ||
is het eene groote dwaling zich te verbeelden dat men om heilig te worden geestverrukkingen moet hebben, geheele nachten in gebed moet doorbrengen, boetekleederen moet dragen, moet slapen op den blooten grond, dagen achtereen moet vasten of andere buitengewone werken behoort te doen. Om heilig te zijn moet men den geest des gebeds bezitten, maar het is volstrekt niet noodzakelijk, dat gij den geheelen nacht doorbrengt in gebed. Doe de gebeden welke uw geestelijke leidsman u voorschrijft en wees niet bekommerd, indien gij, in plaats van zoete vertroostingen, slechts dorheden en bekoringen ondervindt. Om heilig te wezen moet gij ook den geest van versterving bezitten ; maar doe slechts de boetvaardigheden die uw zielbestuurder u heeft voorgeschreven of veroorloofd, en eenige andere kleine boetedoeningen, waarvoor wegens hare geringheid geen verlof noodzakelijk is — zooals bij voorbeeld een kleine onthouding in spijs en drank, een kleine versterving uwer nieuwsgierigheid — dan kunt gij gerust zijn en behoeft niet naar meer te streven. Door er op eigen gezag nog andere werken bij te voegen, zoudt gij u zelfs aan het gevaar blootstellen uwe eigenliefde te streelen, uwe gezondheid naar ziel en lichaam te benadeelen, in plaats van uwe heiligheid te bevorderen.
27
|
§ 3- Dat God van de meeste menschen slechts |
gr | |||
|
eigen heiligheid vraagt, van sommigen |
be | |||
|
echter dat zij het ook voor anderen zijn. |
bu m( | |||
|
Misschien zal het nog eenige moeite kosten, u |
ve | |||
|
te overtuigen van de waarheid der voorgedragen |
rm | |||
|
leer. Gij begrijpt wellicht nog niet, hoe God uwe |
de | |||
|
heiligheid verlangt, en u toch geene dier huiten- |
1 | |||
|
gewone gaven schenkt, waardoor de levensge |
ne | |||
|
schiedenis der Heiligen wordt opgeluisterd. Mocht |
Gi | |||
|
dit het geval wezen, neem dan het volgende ter |
zo | |||
|
harte: God wenscht dat wij allen heilig zijn, omdat |
go | |||
|
Hij niets vuriger verlangt dan ons in zijn Paradijs |
tn | |||
|
op te nemen en wij zonder heiligheid nooit in het |
t |
va | ||
|
bezit van die hemelsche erfenis kunnen komen. |
SC | |||
|
God wenscht dus, het is waar, dat allen heilig |
na | |||
|
zijn; maar van sommigen wil Hij, dat zij heilig |
of | |||
|
zijn voor zich zeiven; van anderen, dat hunne |
di | |||
|
heiligheid tevens een middel zij ter volmaking van | ||||
|
den evenmensch. God wil blijkbaar van sommige |
an | |||
|
zielen dat zij een hooge volmaaktheid bereiken. |
st | |||
|
om daardoor in den Hemel eene groote glorie |
I |
ni | ||
|
te verdienen; met betrekking tot andere vordert |
m | |||
|
Hij alleen dit, dat zij door hare eigen plichten |
iir | |||
|
nauwkeurig te volbrengen anderen tot stichting |
dc | |||
|
zijn. Daarom moet hare heiligheid voor het aan |
lie | |||
|
schijn van God schitteren met een hemelschen |
ve | |||
|
glans, maar het is niet noodig dat diezelfde stralen |
Ei | |||
|
tevens door het oog der wereld worden opge |
ie | |||
|
vangen. En het verdient opmerking, dat onder het |
dc | |||
|
28 | ||||
groot getal uitverkoren zielen verreweg de meeste behooren tot de klas derzulken, die zich door geene buitengewone teekenen onderscheiden. Zij, die met de leiding der zielen zijn belast, weten hoe-velen er zijn, niet slechts onder de religieuzen, maar ook onder de menschen in de wereld, onder de rijken zoowel als onder de armen, onder de geleerden en onder de ongeletterden, die aan een nederig en verborgen leven de voorkeur schenken! Gij, o brave zielen, treurend bij het gezicht van zoovele goddeloozen, die zonder ophouden den goeden God beleedigen en lasteren, gij moogt u troosten met de gedachte, dat er toch ook tal van brave Christenen in alle standen der maatschappij gevonden worden, die ijverig streven naar de volmaaktheid. God getrouw dienen en ofschoon onbekend aan de wereld, groote verdiensten hebben in het oog van God.
O, hoe vele braven zult gij in den Hemel boven anderen verheerlijkt zien, die zich gedurende hun sterfelijk bestaan voor het oog der menschen door niets bijzonders hebben gekenmerkt! Die gedachte moet u echter volstrekt niet verwonderen. Zij immers, die uitmunten door een levendig geloof, door eene vaste hoop en door eene brandende liefde, zijn zeker het heiligst voor Gods oog, en verdienen in den Hemel ook de hoogste glorie. En zijn geloof, hoop en liefde geen deugden, die iemand in hooge volmaaktheid kan bezitten, zonder daarvan uiterlijk veel te laten blijken ?
29
|
De heilige Magdaiena de Pazzis schreef de onuitsprekelijke glorie van den H. Aloysius, door haar in eene geestverrukking gezien, niet toe aan zijn aanhoudend vasten, noch aan zijne veelvuldige boetplegingen, noch ook aan zijne langdurige nachtwaken, maar aan zijne inwendige heiligheid. ,,0,quot; riep zij uit, „met welk eene groote glorie is Aloysius, de zoon van Ignatius, gekroond. Nooit zou ik het geloofd hebben, hadt gij zelf, o mijn Jezus, het mij niet getoond. Ik meende, dat er in den Hemel zulk een overmaat van glorie niet gevonden werd, als ik Aloysius zag genieten. Daarom durf ik verklaren dat Aloysius een groot Heilige moet zijn. En ik weet dat hij zoo verheerlijkt is, omdat hij zich vooral op het inwendig leven heeft toegelegd. Wie zou dan in staat zijn de waarde der inwendige heiligheid te bepalen, als zelfs eene vergelijking van het inwendige met het uitwendige mij onmogelijk schijnt?quot; — God wil echter ook , dat er zielen zijn, die een hoogen graad van heiligheid bezitten, niet slechts voor zich zeiven, maar ook ten voordeele van anderen. Zij moeten schitteren als bewonderenswaardige voorbeelden van heiligheid, aller oogen tot zich trekken en openlijk de macht en den rijkdom der goddelijke genade ten toon spreiden; en daarom schenkt God haar ook buitengewone voorrechten. Zij bezitten in hooge mate de gave des gebeds, zoodat zij dagen en nachten in vereeniging met God kunnen doorbrengen, en somtijds in geest- |
! 1 |
ve de in lie en mc de op ha ov zij va se te( fei va be zij zij w SC dc W( m hc w Oï or vc | ||
|
30 |
vervoering geraken. Zij beoefenen eene aanhoudende versterving en brengen weken achtereen in volkomen onthouding door; zij kastijden hun lichaam ten bloede, dragen haren boetekleederen en brengen de korte rust, die zij aan hare vermoeide ledematen gunnen, niet zelden door op den blooten grond. Aan zulke uitverkoren zielen openbaart God zijne verborgenheden; Hij leert haar de toekomst voorspellen en geeft haar macht over ziekte en dood. Geprezen zij de Heer, die zijne Kerk door zulke merkwaardige voorbeelden van heiligheid steeds verheerlijkt, gelijk de geschiedenis der verloopen eeuwen ons heeft opge-teekend. Daarenboven bewijzen onloochenbare feiten, dat ook in onze dagen nog beoefenaars van die hooge volmaaktheid gevonden worden.
Wij moeten echter in die schitterende voorbeelden van heiligheid vooral de almacht Gods, zijne grenzenlooze barmhartigheid en de diepte zijner wijsheid bewonderen. En wanneer wij overwegen dat die kinderen van Adam, aan alle men-schelijke zwakheden en ellenden onderhevig, dooide kracht der goddelijke genade zulke groote werken hebben kunnen doen, dan worden wij met nieuwen moed bezield in de vele moeilijkheden die wij in dit tranendal ondervinden, — wij worden opgewekt tot een onbeperkt vertrouwen op God, die niet zal gedoogen dat de beproeving onze krachten te boven gaat. Eindelijk zal hun voorbeeld ons nog tot diepe nederigheid stemmen.
31
|
daar onze werken met de hunne vergeleken, in onze eigen schatting als het ware geheel verdwijnen. Zijn wij steeds op onze hoede voor de gevaarlijke gedachte, dat God ook ons onder het getal dier bevoorrechte zielen heeft opgenomen. Luister naar hetgeen de H. Franciscus van Sales dienaangaande in eene preek op Aschdag zegt: „In deze wereld worden sommigen geroepen tot een volmaakt engelachtig en hemelsch leven, die wij eerbiedig moeten bewonderen , niet alsof wij hunne daden moesten navolgen, maar om God te zegenen en te danken voor de genaden welke Hij hun heeft geschonkenquot;. — Vervolgens haalt hij het voorbeeld aan van Paulus den kluizenaar en Simon Stylites en voegt er bij: »Die mannen werden door God met eene geheel bijzondere genade begunstigd en door Hem zelf geroepen en in staat gesteld om zulk een zeldzaam voorbeeld van heiligheid te geveu; om bewonderd, niet om nagevolgd te worden.quot; § 4. Dat wij er niet naar mogen streven door God als verheven voorbeelden van heiligheid nitgekozen te worden. Wij hebben geen reden te veronderstellen dat God ons de buitengewone gaven zal mededeelen waarvan wij in de vorige paragraaf melding hebben gemaakt, omdat zij voor onze heiliging niet nood- |
za zi Z( zi S1 m oc er sc hc vr lu dc di dc en be g' nc ve u ga § / G Zi | |||
|
32 |
|
zakelijk en volgens de aanbiddelijke raadsbesluiten zijner voorzienigheid voor ons niet bestemd zijn. Zou het niet een zeker teeken van trotschheid zijn, indien wij ons niet vergenoegden met den graad van volmaaktheid, die ons braaf en heilig maakt in de oogen van God, maar bovendien ook gunsten en genaden verlangden, die ons braaf en heilig deden schijnen voor het oog der men-schen? Onthouden wij het wel, het verlangen om heilig te zijn voor het aanschijn van God, is eene vrucht van ware nederigheid, terwijl de zucht om heilig te schijnen voor de wereld eene dochter is der schandelijkste hoovaardij. En zoudt gij dan durven onderstellen dat de groote Heiligen, die door God als een lichtbaak in zijne Kerk geplaatst en met zoovele genaden begiftigd werden, naar het bezit dier voorrechten hebben verlangd? Mocht gij die meening zijn toegedaan, dan is het hoog noodzakelijk dat de blinddoek van uwe oogen verwijderd worde, en het licht der waarheid u bestrale. Een paar voorbeelden mogen de voorgaande leer bevestigen. 5; 5. Voorbeelden van Heiligen, die uit nederigheid treurden over de buitengewone gunsten welke zij ontvingen. De H. Maria Magdalena de Pazzis was door God met vele buitengewone gunsten bevoorrecht. Zij had b.v. eene bijzondere gaaf van boetvaar- |
-■ | ||
|
33 3 |
1 |
|
digheid en versterving in het gebruik van spijs |
G | |||
|
en drank, zoodat zij zich van al hare medezusters |
u | |||
|
onderscheidde. |
zi | |||
|
Meent echter niet dat zij God om die gunsten |
i |
Ie | ||
|
had gevraagd. Integendeel, zij was zeer be |
S( | |||
|
droefd dat zij zulk een zonderling gedrag moest |
G | |||
|
volgen, verlangde vurig dat het haar vergund |
o | |||
|
mocht worden zich in alles naar de levenswijze |
k | |||
|
der andere kloosterzusters te schikken, en onder |
G | |||
|
wierp zich dan alleen aan eene uitzondering, wan |
d( | |||
|
neer God haar in een geestverrukking zijn uit- |
V( | |||
|
drukkelijken wil te kennen gaf, en wel onder | ||||
|
bedreiging dat Hij zich aan haar zou onttrekken. |
VI | |||
|
indien zij weigerde te gehoorzamen. |
oi | |||
|
Ook de H. Jozef van Cupertino behoorde tot |
r |
OI | ||
|
het getal dier Heiligen aan wie God vele buiten |
1 |
G | ||
|
gewone genadegaven had geschonken. Hij voor |
h( | |||
|
spelde de toekomst, kende de verborgenheden |
to | |||
|
van 's menschen hart, ondervond de zoetste ver |
H | |||
|
troostingen , bewerkte vele wondervolle genezin |
»c | |||
|
gen en er ging bovendien zulk een aangename |
»c | |||
|
geur van zijn heilig lichaam uit, dat hij zelfs bij | ||||
|
zijn leven door iedereen als een groot Heilige |
»v | |||
|
vereerd werd. De aanzienlijkste en invloedrijkste | ||||
|
personen van zijn tijd stelden er dan ook eene | ||||
|
eer in, den nederigen kloosterling hunne hulde | ||||
|
en eerbied te komen bewijzen. Heeft de Heilige | ||||
|
echter ooit die wondergaven van den Hemel af |
1; | |||
|
gebeden of hare voortduring gewenscht? Het |
or | |||
|
tegendeel is waar. Onophoudelijk smeekte hij |
he | |||
|
34 |
[ | |||
God in een vurig gebed, dat Hij hem toch die uitstekende voorrechten zou onttrekken, wij! het zijn eenigst verlangen was, een gewoon leven te leiden en in niets zich van anderen te onderscheiden. Zouden nu die uitgelezen zielen, door God tot zulk een hoogen graad van heiligheid opgevoerd wel redelijkerwijs bedroefd hebben kunnen zijn over de zeldzame gunsten haar door God geschonken, indien zij hadden gemeend dat deze slechts eenigermate tot het verkrijgen der volmaakte liefde gevorderd werden ?
Voorzeker neen! Zij zouden dan de innigste vreugde gesmaakt hebben, zij hadden zonder ophouden hare gebeden ten Hemel opgezonden, om telkens nieuwe en grootere gunsten van God te ontvangen en daardoor steeds in zijne heilige liefde en in de christelijke volmaaktheid toe te nemen. Prenten wij de woorden der H. Teresia onuitwischbaar in het geheugen: »Zij »die vele bovennatuurlijke genaden en gunsten «ontvangen, verdienen daardoor geen hoogeren »graad van glorie, maar zijn meer dan anderen «verplicht God getrouw te dienen.quot;
ij 6. Slof der antwoorden op de gestelde moeilijkheden.
Gij ziet dus dat gij dwaalt, wanneer gij veronderstelt, dat ik u op eene andere wijze tot de heiligheid wil brengen dan met de middelen
35
waarvan da Heiligen zich steeds bedienden. Wees overtuigd dat zij zulk een verheven graad van volmaaktheid niet hebben bereikt, door buitengewone gaven en zeldzame gunsten, maar door het beoefenen der christelijke deugden met volkomen gelijkvormigheid aan den heiligen wil van God.
Ongetwijfeld hadden zij ook in de schatting der menschen een hoogen trap van heiligheid bereikt; maar dit was voor de christelijke volmaaktheid volstrekt niet noodzakelijk. Kunt gij mij bewijzen dat God u onder het kleine getal dier uitverkoren zielen opgenomen en als een lichtbaak voor de wereld bestemd heeft; dat Hij bijgevolg wenscht u in de oogen der menschen te verheerlijken, dan zal ik zeggen dat gij dezelfde paden moogt betreden, welke door die uitverkoren Heiligen bewandeld zijn. Behoort gij daarentegen tot het groote getal dergenen, die door God geroepen zijn, tot eene heiligheid, wel is waar schoon en verdienstelijk voor zijn goddelijk aanschijn, maar waarvan de volle glans niet vóór den dag des oordeels geopenbaard zal worden, stel u dan tevreden met het volgen van den gewonen weg; maak geen aanspraak op iets hoogers, opdat gij niet met I jogmoed in plaats van met heiligheid besluit. Zoudt gij niet lachen met eene' hen, die als een adelaar zich boven de wolken zou willen verheffen ? Men moet immers de vleugels van een
36
arend hebben om te kunnsn vliegen gelijk hij.
Besluiten wij derhalve met te zeggen, dat er niets buitengewoons gevorderd wordt om heilig, ja zeer heilig te worden voor het aanschijn Gods; en dat derhalve in dit opzicht de weg der volmaaktheid voor allen zeer gemakkelijk is.
§ 7. Dat de menschelijke zwakheid de christelijke volmaaktheid niet te moeilijk maakt.
Ofschoon er geene buitengewone en wondervolle werken ter bereiking der christelijke volmaaktheid vereischt worden en het voldoende is, dat wij ons van alle vrijwillige zonden zoowel doodelijke als dagelijksche onthouden, en in alle onverschillige zaken trachten te doen wat God het aangenaamst is, zegt gij wellicht dat er nog eene zeer groote moeilijkheid overblijft, welke uit 's menschen zwakheid en onstandvastigheid voortkomend, de stipte gehoorzaamheid aan de goddelijke voorschriften schier onmogelijk maakt. Laat u echter niet afschrikken en verlies den moed nooit; ook deze moeilijkheid bestaat meer in schijn dan in werkelijkheid. Ik wenschte slechts te vernemen of gij spreekt over de menschelijke zwakheid aan haar zelve overgelaten, dan wel over diezelfde zwakheid , maar gesterkt en bevestigd door de almachtige hulp der goddelijke genade? In het
37
|
eerste geval hebt gij volkomen gelijk; wat meer |
G | |||
|
is, ik ben zeker, dat het niet alleen zeer moei |
st | |||
|
lijk maar volstrekt onmogelijk zou zijn, zonder |
te | |||
|
de hulp van God al de voorschriften zijner wet |
amp; | |||
|
te volbrengen. |
zu | |||
|
Bedoelt gij echter de menschelijke zwakheid |
ee | |||
|
door Gods genade ondersteund, dat hebt gij |
hc | |||
|
volkomen ongelijk en gij dwaalt ten zeerste, indien |
te | |||
|
gij de vervulling der wet voor ons te moeilijk |
na | |||
|
oordeelt. Het zou voor een kind lastig, ja on |
kr | |||
|
mogelijk zijn, een zwaar gewicht van den grond |
oc | |||
|
te tillen, maar geholpen door een reus zou het |
»e | |||
|
daarin gemakkelijk slagen. En leert het geloof |
»z | |||
|
ons niet, dat de macht van Gods genade onze |
»( | |||
|
zwakheid te hulp komt, zoodat wij in staat zijn |
»s | |||
|
zijne geboden volmaakt te onderhouden? Her |
da | |||
|
inneren wij ons de troostvolle leer der Kerkver |
da | |||
|
gadering van Trente in het elfde Hfdst. der 6e |
or | |||
|
zitting: «God gebiedt het onmogelijke niet; maar |
amp; | |||
|
»wanneer Hij beveelt, vermaant Hij u te doen |
ni | |||
|
»wat gij kunt en te vragen wat gij niet kunt, |
lx | |||
|
»en Hij helpt u opdat gij het zoudt kunnen; |
W | |||
|
«zijne geboden zijn niet zwaar, zijn juk is zoet |
w | |||
|
»en zijn last licht te dragen.quot; Hoe bemoedigend |
te | |||
|
is die leer, te meer nog daar het de onfeilbare |
ne | |||
|
leer is van den Heiligen Geest zelf. En zegt de |
m | |||
|
H. Paulus niet »God is getrouw. Hij zal niet ge- |
ha | |||
|
doogen dat gij bekoord wordt boven hetgeen gij |
te | |||
|
kunt, maar Hij zal met de bekoring ook de uit |
w | |||
|
komst geven, om haar te kunnen verdragen.quot; |
M | |||
|
38 |
i |
God heeft derhalve beloofd onze zwakheid te steunen , den toorn en de razernij onzer vijanden te breidelen, zoodat zij ons, indien wij met zijne genade medewerken, in hunne aanvallen niet zullen overmogen; ja Hij verleent ons zelfs zulk een krachtige hulp, dat wij in staat zijn na de hevigste bekoring krachtiger tegen den vijand op te treden dan voorheen, gelijk een soldaat, die na een schitterende zegepraal, meer moed verkrijgt voor den komenden strijd. Daarom zegt ook de H. Teresia: »het verontrust mij niet »eene ziel te midden der hevigste bekoringen te »zien; want bezit zij de liefde en de vreeze aGods, dan zal zij daaruit met veel winst te voor-»sehijn treden.quot; Wat beteekenen dan de woorden dat wij zwak, dat wij boos zijn? Zij beteekenen dat de volmaakte onderhouding van Gods wet ons volstrekt onmogelijk zou zijn, indien zijne genade ons onthouden werd; maar zij beteekenen niet, dat diezelfde onderhouding onze kracht te boven gaat, wanneer God ons zijn hulpverleent. Wij moeten wel voor oogen houden, dat God gewoonlijk eene ziel aan vele en hevige bekoringen tegen de eene of andere deugd onderwerpt, wanneer Hij haar tot een hoogen trap van volmaaktheid in diezelfde deugd wil opvoeren. Zoo handelde Hij met den H. Paulus, maar zeide tevens tot hem: «Mijne genade is u genoeg, want de kracht wordt in zwakheid voleindigd.quot; Met andere woorden; de kracht Gods, die Hij
39
|
aan zijne dienaren verleent, openbaart zich ten |
scl | |||
|
volle in onze menschelijke zwakheid. Wanneer |
nie | |||
|
gij derhalve hevige bekoringen ondervindt tegen |
tot | |||
|
het geloof, moogt gij daaruit besluiten dat God |
i |
ve | ||
|
u een groote vurigheid van geloof wil schenken, |
Vo | |||
|
en wordt gij gekweld door de bekoringen des |
als | |||
|
vleesches, dan is dit een teeken dat Hij u tot |
kir | |||
|
een hoogen graad van zuiverheid wil verheffen. |
v |
nie | ||
|
Herinner u dikwijls die troostende en bemoe |
me | |||
|
digende' waarheid, omdat de bekoringen voor |
wi | |||
|
velen een oorzaak zijn, dat zij aan het bereiken |
lijl | |||
|
der christelijke volmaaktheid wanhopen. Zij |
dit | |||
|
gronden hunne berekeningen op eigen kracht en |
lij* | |||
|
niet op de hulp van God, die ons nimmer zal |
i |
dit | ||
|
ontbreken. Laten wij dan nooit vergeten dat wij |
He | |||
|
uit ons zeiven niets zijn en niets vermogen, maar |
ov | |||
|
dat wij alles kunnen in Hem, die ons versterkt. |
be | |||
|
Dan zullen wij nooit bouwen op onze eigen |
tot | |||
|
kracht, maar op Gods genade, en door haar ge |
da | |||
|
schraagd vol moed en vertrouwen manhaftig |
we | |||
|
tegen de bekoring strijden en de zegepraal be |
de | |||
|
halen. |
zij | |||
|
hij | ||||
|
§ 8. Dat de waarlijk nederige het vertrouwen |
mc | |||
|
niet moet verliezen, uithoofde zijner eigen |
nic | |||
|
zwakheid. |
He vo | |||
|
Waren wij inderdaad nederig, dan zouden wij |
wc | |||
|
nooit door eenige moeilijkheid, welke wij in |
va | |||
|
den dienst van God ondervinden, worden afge- |
zie | |||
|
4o |
'i i | |||
schrikt; wij zouden dan innig overtuigd zijn, dat wij niet alleen onbekwaam zijn to1; kleine zaken, maar tot niets hoegenaamd in staat. En in waarheid, wat vermag de mensch , overgelaten aan zich zeiven ? Volstrekt niets, in de natuurlijke orde zoowel als in de bovennatuurlijke. Zonder de medewerking van God in de natuurlijke orde kunnen wij niet eens onze hand bewegen: en zonder zijne medewerking in de bovennatuurlijke orde, zijn wij niet in staat den naam van Jezus verdienstelijk uit te spreken. Intusscher, waren wij van die waarheid overtuigd', dan zouden vele moeilijkheden ons niet langer verontrusten. Schijnt u dit misschien eene tegenstrijdigheid te bevatten? Het is toch de eenvoudige waarheid. Al wie diep overtuigd is, dat hij in zich zelf geene kracht bezit, om iets goeds van welken aard dan ook tot stand te brengen, erkent dat hij de kracht daartoe van God moet ontvangen, en daarom wendt hij zich tot God. Onophoudelijk vraagt hij de hulp van God, zoowel in kleine zaken als in zijne belangrijkste ondernemingen. Daarbij ziet hij duidelijk in, dat wij de zaken groot of klein maken naar onze opvatting, terwijl zij inderdaad niets zijn voor het aanschijn van God, omdat Hem alles even licht en gemakkelijk is, en het voor den Almachtige niet moeilijker is een wereld te scheppen dan een blad te doen vallen van een boom. Vandaar dat hij nooit alleen op zich zeiven vertrouwt, maar steunend op de hulp
41
|
des Heeren , zich tot alles bekwaam rekent en |
uit | |||
|
door niets in den dienst van zijn goddelijken |
be | |||
|
Meester afgeschrikt kan worden. |
tin | |||
|
De fout bestaat hierin, dat wij gewoon zijn zelf |
ge | |||
|
het onderscheid der zaken te bepalen en naar |
' |
on | ||
|
onze zienswijze sommige dingen klein, andere |
en | |||
|
daarentegen groot noemen. Door geen acht te |
zij | |||
|
slaan op onze volstrekte ongenoegzaamheid voor |
be | |||
|
alle goede werken, vleien wij ons te kunnen |
zo | |||
|
slagen in de eerste zonder den bijstand Gods; |
ve | |||
|
en door de kracht der goddelijke genade, waar |
gr | |||
|
mede wij alles vermogen, uit het oog te verliezen, |
de | |||
|
wanhopen wij tevens aan onze bekwaamheid voor |
H | |||
|
de laatste. |
• |
zi( | ||
|
Vergeten wij toch nimmer dat wij gestadig |
l |
'ik | ||
|
van God alle macht moeten vragen en verwachten. |
ze | |||
|
zoowel om kleine als om groote zaken te ver |
de | |||
|
richten. Dan zal de gedachte aan eigen zwakheid |
va | |||
|
ons nooit den moed benemen en ons vertrouwen |
ui | |||
|
zal onoverwinnelijk zijn. En waren het inder |
m | |||
|
daad de Heiligen niet, die de grootste en moei |
'ij | |||
|
lijkste werken ondernamen en tot een goed einde |
hc | |||
|
brachten ? Hebben zij ze niet dikwijls ondernomen |
1 | |||
|
en voleindigd, zonder die middelen welke voor | ||||
|
onontbeerlijk gehouden werden? Waren zij dan | ||||
|
vermetel of onvoorzichtig? Voorzeker niet; maar | ||||
|
zij begrepen, dat God die werken van hen vor | ||||
|
derde en dat was hun genoeg. Zij wisten dat zij |
he | |||
|
gingen werken met God, voor wien niets onmoge |
ee | |||
|
lijk is , en daarom vertrouwden zij op den goeden |
1 |
llc | ||
|
42 | ||||
uitslag van al hunne ondernemingen. Vóór hunne bekeering hielden de heilige Cyprianus en Augus-tinus de oogen slechts op hunne eigen zwakheid gevestigd en daarom beschouwden zij het als eene onmogelijkheid zich van doodzonde te onthouden en Gods wet na te leven. Maar nauwelijks waren zij bekeerd, of zij bewezen metterdaad dat zij met behulp der goddelijke genade niet alleen de doodzonde maar ook de dagelijksche zonden konden vermijden en bijgevolg in staat waren een hoogen graad van heiligheid te bereiken. Behartigen wij de woorden van den H. Paulus »Ik kan alles in Hem, die mij versterkt.quot; De Apostel vergenoegt zich niet met te zeggen »ik kan sommige zaken, ik kan veelquot;. Neen, hij zondert niets uit, alles zegt hij te kunnen , niet uit zich zeiven, maar met de genade van Christus. Zoo zal ook de genade van God, in weerwil van onze zwakheid, vele en uitnemende deugden in ons werken, indien onze medewerking niet ontbreekt, zij zal ons alle moeilijkheden helpen overwinnen en tot de volmaaktheid van onzen staat opvoeren.
§ 9. Dat slechte neigingen de christelijke volmaaktheid niet onmogelijk maken.
Niet ongelijk aan de menschelijke zwakheid is het beletsel onzer booze natuur, waarin zoovelen eene verontschuldiging zoeken bij hun streven naar heiligheid; en misschien ontwaart de lezer
43
|
in zich zeiven een zoo groot beletsel, dat het hem |
te | |||
|
onoverkomelijk toeschijnt. |
da | |||
|
Vernemen wij dan welke uwe natuurlijke ge |
w | |||
|
breken zijn. Hebt gij soms een driftig karakter |
ve | |||
|
dat zich door de minste tegenspraak of kwelling |
' |
le | ||
|
beleedigd acht ? Voelt gij wellicht bij elke onbe |
in | |||
|
leefdheid, bij elke miskenning het bloed naar uw |
ei | |||
|
hoofd stijgen ? In dat geval schijnt u de beoefening |
vc | |||
|
der zachtmoedigheid en nederigheid ongetwijfeld |
Je | |||
|
al te moeilijk, ofschoon toch beide deugden tot |
zc | |||
|
den grondslag der christelijke volmaaktheid be- |
Ol | |||
|
hooren. Merk intusschen wel op, dat, gelijk de |
SC | |||
|
H. Thomas zegt, alle gramschap, niet slecht is; |
te | |||
|
dat er ook een gerechte gramschap bestaat. Beeld |
1 |
gr | ||
|
u niet in, zegt dezelfde leeraar, dat de gramschap |
} |
VÊ | ||
|
een hartstocht is, die vergeleken moet worden |
m | |||
|
met trotschheid of naijver of andere soortgelijke |
| |
d( | ||
|
ondeugden, welke uit zich zelve altijd boos en af |
to | |||
|
• |
schuwelijk zijn. De gramschap, aldus vervolgt hij, |
M | ||
|
is een hartstocht, die naar het gevoelen van den | ||||
|
H. Chrysostomus voor den mensch noodzakelijk. |
ht | |||
|
en gelijk de H. Gregorius er bijvoegt, het werktuig |
P | |||
|
van de deugd is. Het verkeerde van de gramschap |
di | |||
|
is gelegen in het toornig zijn zonder voldoende |
tc | |||
|
reden of bovenmatig. |
w | |||
|
Alwie toornig is om een billijke reden en met | ||||
|
gematigdheid handelt goed, niet verkeerd. Mocht |
tc | |||
|
iemand eenig bezwaar gevoelen aangaande de |
n | |||
|
onrust en stoornis, als een natuurlijk en nood |
m | |||
|
zakelijk gevolg door de gramschap in ons gemoed |
d | |||
|
44 | ||||
teweeggebracht, de H, Thomas herinnert hem dat, zoo de gramschap wettig is en door de rede wordt bestuurd, de onrust en stoornis daardoor veroorzaakt op geenerlei wijze zondig zijn. Daarom leert hij, dat eene welgeordende gramschap niet in strijd is met de deugd van zachtmoedigheid, en dat deze hartstocht (natuurlijk op dc meest volmaakte wijze geregeld) eveneens bij onzen Heer Jezus Christus gevonden wordt. Ik heb deze gezonde leer van den H. Thomas willen aanhalen, omdat er vele geestelijke boeken zijn waarin de schrijvers, uit overdreven angst, dat er eene fout tegen de zachtmoedigheid bedreven worde, de gramschap eenvoudig als ongeoorloofd voorstellen, vergetend dat onze goddelijke Zaligmaker zelf meermalen toornig is geweest, inzonderheid tegen de Farizeën, die Hij, zooals de Schriftuur zegt, met toorn aanzag, (circumspiciens eos cum ira Mark. III, 5).
Wij moeten echter bemerken dat toorn en droefheid bij den Zaligmaker geene aandoeningen of passies waren gelijk bij ons. Christus onderging die aandoeningen niet noodzakelijk, maar Hij liet toe dat zijne menschelijke natuur deed en leed, wat haar als menschelijke natuur eigen was.
Ware het nu in elk geval eene onvolmaaktheid toornig te zijn, dan zou men in zekeren zin kunnen zeggen dat de Zaligmaker ons eene onvolmaaktheid had geleerd, welke taal slechts uit den mond van een godslasteraar kan voortkomen.
45
|
De gramschap is eene hartstocht die met de liefde |
d( | |||
|
vergeleken kan worden, en deze is niet zondig |
le | |||
|
indien zij niet ongeregeld is. Het bewijs van |
ki | |||
|
hen, die om hunne leer te rechtvaardigen bewe |
da | |||
|
ren dat, ofschoon men in theorie eene recht |
be | |||
|
matige gramschap zou kunnen aannemen, in de |
he | |||
|
practijk het gevaar voor overdrijving of tekort |
zij | |||
|
koming toch zoo groot is, dat het beter is nooit |
m | |||
|
toornig te zijn, dan zich aan dat gevaar bloot te |
gc | |||
|
stellen, dat bewijs is klaarblijkelijk zonder eenige |
m | |||
|
waarde. Op die wijze voortredeneerend zou men | ||||
|
tot het besluit komen, dat het beter is op deze |
gr | |||
|
wereld volstrekt niets, dan iets te doen. Waar |
is | |||
|
zou een werk te vinden zijn , dat alle fouten |
or | |||
|
onmogelijk maakt of beter nog, waarbij men zich |
óf | |||
|
niet herhaaldelijk op onvolmaaktheden zal be |
SC | |||
|
trappen? Ik herhaal het, de gramschap is een | ||||
|
hartstocht gelijk de liefde, die goed is, wanneer |
nc | |||
|
zij billijk en gematigd, zondig, wanneer zij on |
he | |||
|
rechtmatig en ongeregeld is. Nu is het toch |
or | |||
|
boven allen twijfel verheven, dat wij zoowel in |
w | |||
|
onze liefde als in onze gramschap vele fouten |
re | |||
|
kunnen en zullen bedrijven; maar zou men daar |
dc | |||
|
door de leer kunnen rechtvaardigen, dat elk ge |
bi | |||
|
voel van liefde, hoe rechtmatig ook, noodzakelijk |
h( | |||
|
onderdrukt moet worden, uit vreeze voor de |
to | |||
|
afwijkingen welke daarmede gewoonlijk gepaard |
m | |||
|
gaan? Ouders kunnen falen en falen niet zelden |
oc | |||
|
uit overgroote liefde voor hunne kinderen; ook |
di | |||
|
echtgenooten zijn in hunne onderlinge liefde aan |
rc | |||
|
46 |
dezelfde feilen onderhevig. Moeten wij bijgevolg leeren dat ouders alle genegenheid voor hunne kinderen uit hun hart behooren te verbannen; dat echtgenooten elkander niet langer mogen beminnen? Integendeel, wij vergenoegen ons met hen te waarschuwen tegen de gebreken waarin zij zoo licht uit overdreven liefde zullen vallen; maar te gelijker tijd keuren wij hunne liefde goed en prijzen ze aan als passend en plichtmatig.
Wij moeten derhalve eene goede en een slechte gramschap onderscheiden. De slechte gramschap is dan aanwezig, wanneer wij toornig zijn of omdat onze ongeregelde eigenliefde is gewond, óf zonder billijke reden, of wanneer onze gramschap de behoorlijke maat overschrijdt.
Maar de gramschap is alleszins rechtmatig, wanneer de mensch, zonder de grenzen der gematigdheid te buiten te gaan, toornt, omdat hij Gods oneindige Majesteit beleedigd, de plichten verwaarloosd of de deugd verguisd ziet. Om die reden mogen, ja moeten de overheden niet zelden een heiligen toorn in zich voelen ontwaken bij de gebreken hunner onderdanen, maar met het doel om die te verbeteren; moeten allen die tot de zonde worden verlokt hunne verleiders met verontwaardiging van zich afweren; moet ook elke ziel, die God bemint, eene bittere droefheid ondervinden over de zonden van anderen. De toepassing zal ons thans niet zoo moei-
47
|
lijk meer vallen. Hebt gij zelf, waarde lezer, |
eis | |||
|
.soms een opvliegend karakter; zijt gij lichtge |
le£ | |||
|
raakt ? Ik bedoel natuurlijk dat gij licht tot | ||||
|
gramschap wordt vervoerd, wanneer er een rede |
zo | |||
|
lijke grond bestaat. Herinner u dan dat er in |
'' |
Er | ||
|
het Oude Testament vele voorbeelden worden |
do | |||
|
aangehaald van heilige mannen, die een vurigen |
W | |||
|
aard lieten blijken, zoodra er eene billijke reden |
vo | |||
|
tot gramschap bestond. Werden Noé en Mozes |
gquot; | |||
|
inderdaad niet meermalen tot gramschap ver |
me | |||
|
voerd? En toch wordt Mozes in de H. Schriftuur |
itk | |||
|
genoemd «de zachtmoedigste van alle menschen |
Gc | |||
|
die op aarde wonenquot;. — Wij behoeven slechts |
1 1 on | |||
|
de geschiedenis der Kerk in te zien om spoedig |
1 in | |||
|
tot de overtuiging te komen, dat er in de levens | ||||
|
der beroemdste Heiligen vele voorbeelden van |
de | |||
|
prijzenswaardige gramschap worden aangetroffen. |
ze | |||
|
Zij wisten zich met eene heilige gramschap te |
j wi | |||
|
bezielen tegen de vervolgers der Kerk, door wie |
Wc | |||
|
Christus gelasterd en zij zeiven gedwongen |
on | |||
|
werden tot daden, die een Christen onwaardig |
hu | |||
|
zijn. En waren zij niet altijd verontwaardigd over |
kru | |||
|
het gedrag der ketters? Ontstaken zij niet in |
u\ | |||
|
hevige gramschap tegen de slechte Christenen, |
on | |||
|
vooral wanneer dezen door hun slecht voorbeeld |
ha | |||
|
het bederf der zeden bevorderden ? Lees de levens |
gr | |||
|
geschiedenis van den H. Chrysostomus, den H. | ||||
|
Hieronymus, zelfs van den zachtmoedigen Ber- |
sc | |||
|
nardus en gij zult niet langer twijfelen dat de |
u\ | |||
|
beroemdste Heiligen, als de eer van God het |
sk | |||
|
48 | ||||
eischte eene heilige gramschap aan den dag legden.
Misschien zult gij zeggen; «zij waren toornig I zonder zich aan zonde schuldig te maken.quot; -— En dat is juist, wat gij behoort te doen, en ook doen kunt, geholpen door de genade van God. Wanneer gij ecne opwelling van gramschap gevoelt over een ongeluk, eene ontvangen beleedi-ging, een geleden onrecht of eene vernedering, moet gij die onderdrukken zoodra gij haar bemerkt. Gij moogt niet toornig worden, wanneer God iets tot uw welzijn toelaat of beschikt, bijv. om u te onttrekken aan de wereld, u vertrouwen in te boezemen of u tot nederigheid te stemmen.
Ik zeide, dat gij zulk eene opwelling moet onderdrukken, zoodra gij haar bemerkt, omdat zelfs de hevigste gramschap, zoolang zij onvrij- j willig blijft, volstrekt geen zonde is. Daarenboven, wanneer gij de gramschap voelt ontbranden, omdat gij ziet dat God beleedigd wordt, velen hunnen plicht verwaarloozen en de deugd verguizen, vooral wanneer gij toornig wordt omdat uwe eigen onderdanen of huisgenooten zich aan ongerechtigheid schuldig maken, tracht dan uw hartstocht dermate te beheerschen, dat gij de grenzen van recht en billijkheid niet overschrijdt.
Meen echter niet, dat gij verplicht zijt de gramschap volkomen te onderdrukken of geheel uit uw hart te bannen, ais ware zij een vuur dat slechts kan branden om verwoesting aan te
49
|
richten. Een billijke en gematigde gramschap is niet ongeoorloofd, en kan zelfs noodzakelijk zijn om onzen ijver voor de glorie van God en de zaligheid der zielen krachtdadig te steunen; daarenboven is zij bezwaarlijk van den heiligen ijver te onderscheiden, waarom zij door den H. Thomas ook met denzelfden naam genoemd wordt. Indien gij derhalve een prikkelbaar karakter hebt, doe uw best het te beheerschen, overeenkomstig de voorschriften van geloof en rede; maar troost u tevens met de gedachte, dat gij daardoor beter in staat zijt om moeilijke en gewichtige werken in den dienst van God te ondernemen en tot stand te brengen. Het zou eene dwaling zijn, indien gij u verplicht rekendet tot het veranderen of uitroeien dier natuurlijke geaardheid. Vraag aan God de genade, dat gij er een goed gebruik van moogt maken, en werk van uwe zijde met die genade mede, opdat gij u nooit zonder wettige reden tot gramschap laat vervoeren, noch de grenzen eener billijke gematigdheid overschrijdt. Dan kunt gij u verzekerd houden, dat uw vurig karakter, hoezeer ook tot toorn geneigd, wel verre van u te schaden, een uitstekend middel zal zijn om uwe volmaaktheid te bevorderen. Wanneer gij dus van sommige Heiligen leest, dat zij hun opvliegend karakter als het ware omgeschapen hebben, dan heeft dit geen andere beteekenis dan dat zij, door het beoefenen der zachtmoedigheid, hunne neiging |
• • I | |||
|
50 | ||||
|
J . |
i |
tot gramschap volkomen wisten te beheerschcn; waartoe ook gij verplicht zijt. Zegt gij, dat het u onmogelijk is daarin alle fouten te vermijden, dan antwoord ik: ofschoon wij in de beoefening der deugd ons wel altijd aan eenige onvolmaaktheden schuldig zullen maken, ontslaat ons dit niet van de verplichting om alle vrijwillige overtredingen zooveel mogelijk te vermijden. Doe derhalve uw best, werk met Gods genade mede en wees tevreden en gerust, omdat God zelf niet meer van u verlangt. Gij zult daarenboven door die voortdurende waakzaamheid een schat van verdiensten verzamelen, en de pogingen door u aangewend, om uwe gramschap onder bedwang te houden, zullen ten laatste met een heerlijken uitslag bekroond worden. Een ruiter oogst niet veel roem in, wanneer hij een paard berijdt dat zeer gedwee is ; maar slaagt hij er in, een onstuimig ros te temmen, dan wordt hij luide toegejuicht en is in staat, in korten tijd een grooten afstand af te leggen. Het is echter mogelijk, dat uwe overtredingen een geheel andere oorzaak hebben; zij kunnen misschien uit eene groote onverschilligheid voortkomen? Mocht dit het geval wezen, dan zijt gij verplicht u zelvcn des noods wakker te schudden uit dien noodlottigen geestelijken slaap, opdat geen schuldige traagheid of overdreven verdraagzaamheid de oorzaak zij der verwaarloozing uwer plichten, inzonderheid wanneer de bewaking | |
|
5i |
'•; | ||
en verzorgiug van anderen u toevertrouwd is. Het is helaas, maar ai te waar, dat velen onder den dekmantel eener onverantwoordelijke toegevendheid, het kwaad laten voortwoekeren en niet beletten, dat Gods wet overtreden wordt. Gij moogt dat heilloos voorbeeld niet volgen, maar moet in de eerste plaats met heiligen ijver Gods glorie trachten te bevorderen.
Dit zal u niet beletten, integendeel het zal u helpen, de ware zachtmoedigheid, de ware verdraagzaamheid te beoefenen, die ter bereiking der christelijke volmaaktheid zeker onontbeerlijk zijn.
Misschien is het echter met u geheel anders gesteld. Gij zijt wellicht te gevoelig, te teeder van aard, zoodat uw hart al te licht door eene ongeregelde liefde tot de schepselen ontstoken wordt, en een woord, een oogopslag zelfs, voldoende is om het vuur eener gevaarlijke drift in u te doen ontbranden? Daarom twijfelt gij of het u mogelijk zal zijn, ooit die zuiverheid des harten te verkrijgen, zonder welke de christelijke volmaaktheid onbereikbaar is.
Mocht inderdaad uw hart zoo uitermate teeder en gevoelig zijn voor de indrukken van een hartstocht, die in deze ellendige wereld misschien de meeste slachtoffers telt, dan, het lijdt geen twijfel, is voor u eene aanhoudende waakzaamheid noodzakelijk , opdat u geene wonden worden toegebracht , die helaas, niet zelden ongeneeslijk zijn.
52
Gij moet in dat geval allen gemeenzamen omgang vermijden met personen van het ander ge- | slacht, uwe oogen zorgvuldig bewaken, u wachten voor zinnelijke genoegens en vooral voor het lezen van verdachte boeken. Het zou zeer zeker onvoorzichtig zijn, indien gij nog minder waakzaamheid in acht naamt, dan zelfs in het algemeen van alle Christenen gevorderd wordt.
Maar het is tevens eene groote dwaling, te veronderstellen, dat personen, die een koud en ongevoelig hart hebben, zich aan alle gevaren kunnen blootstellen. De treurige ondervinding heeft bewezen , dat zij, die zich roekeloos in het gevaar begeven, vroeg of laat de noodlottige gevolgen ondervinden. De waarschuwing van Christus tot zijne Apostelen gericht, geldt voor ons allen zonder uitzondering. Waakt en bidt, opdat gij in de bekoring niet bezwijkt. Indien gij echter in uw hart eene heilige vrees voor God blijft onderhouden , zal uwe gevoeligheid u geen nadeel toebrengen ; integendeel gij zult daarin een krachtig middel vinden om de reinheid uwer ziel ongeschonden te bewaren. Die heilige vrees zal u tot voortdurende waakzaamheid aansporen, gij zult uwe eigen krachten mistrouwen en bij het minste gevaar uwe toevlucht nemen tot God, wiens krachtige genade u zal steunen in den strijd, en de overwinning helpen bevechten. Op zulke beweegredenen en niet op een koud en ongevoelig hart. moet onze hoop op overwinning in de gevaren geves-
53
|
tigd zijn. Daarin vinden wij ook de verklaring, waarom de zuiverste harten niet zelden worden aangetroffen bij personen met een teeder en gevoelig karakter. Het is echter niet ongeoorloofd, dat de mensch handelt volgens zijn karakter, of liever zijn gedrag eenigermate regelt overeenkomstig zijne natuurlijke neiging, behalve waar dit zonde zou zijn of waarschijnlijk tot zonde zoude leiden. Gij moogt derhalve bij voorkeur die liefdewerken uitkiezen, waarvoor uw hart eene bijzondere aantrekkelijkheid gevoelt en u daarom niet zelden beter geschikt maakt. Het is dus volstrekt niet verboden, dat gij de lichamelijke en geestelijke nooden uwer lijdende broeders verlicht, mits gij slechts zorg draagt uwe eigene ziel geen nadeel toe te brengen. Bovendien, welk eene heerlijke gelegenheid om aan uwe teedere gevoelens van liefde uiting te geven, vindt gij niet in de overweging van het bitter lijden en den smartvollen dood des Verlossers! Welk een rijke stof tot liefdevolle overdenking en tot opwekking tevens, biedt u het aanbiddelijk Sacrament des Altaars, bieden u de onschatbare weldaden, waarmede God niet ophoudt u bij voortduring te overladen! Ten laatste voeg ik er nog bij, dat een dienaar van Maria altijd eene onuitputtelijke bron der reinste gevoelens van liefde zal vinden, in de zoete •overdenking van het leven en de werken zijner heilige Moeder, die hem met de vurigste liefde | ||||
|
54 |
bemint en onder wier machtige bescherming hij geen gevaren heeft te vreezen.
Mocht gij echter een koud en ongevoelig hart bezitten, en daarom minder vatbaar zijn voor die teedere aandoeningen van liefde en godsvrucht, besluit dan niet te spoedig dat de heiligheid voor ii onbereikbaar is. God vordert van ons geen gevoeligheid , geen teedere aandoeningen, maar eene krachtige liefde, de sterke liefde van den wil; met andere woorden : de gelijkvormigheid van uwen wil met den zijnen; en deze gelijkvormigheid kan zeer volmaakt zijn, zonder met eenig gevoel van teederheid gepaard te gaan. Wat meer is, indien God u die voorrechten zou willen schenken, is het volstrekt niet noodzakelijk dat gij van nature | voor zulke aandoeningen zeer ontvankelijk zijt. Een hart dat koud en ongevoelig is als een steen, kan door een enkelen straal van Gods genade van de teederste aandoeningen wegsmelten als sneeuw j voor de zon. Verleent God u echter zulk eene gunst niet, maar laat Hij u in dien toestand van koude ongevoeligheid voortleven, verontrust u daarover niet. Door Mem met volharding te dienen, zelfs zonder die zoetheid, zonder die belooningen en bijgevolg zonder eenige voldoening, zult gij u zeiven meer verdiensten en God eene grootere glorie bezorgen.
Ten slotte zij nog opgemerkt, dat de bedorven natuur van eiken mensch meer of minder gebrekkig is en geneigd tot het kwaad; dat echter
55
|
■: |
| | |||
|
Gods genade elke natuurlijke neiging, zelfs de |
1 |
za | ||
|
slechtste, kan verbeteren en ten goede kecren. |
ce | |||
|
Vertrouw derhalve op God, waak over u zeiven. |
da | |||
|
bid en werk met God mede, dan zult gij heilig |
J |
ze | ||
|
worden, hoedanig uw karakter of uwe geaardheid |
( |
lo | ||
|
ook zij. |
ve Ik | |||
|
§ lo. Dat het niet te moeilijk is de nood |
ze | |||
|
zakelijke zelfverloochening te verkrijgen. |
zij »v | |||
|
Thans meen ik u eene moeilijkheid te hoo- | ||||
|
ren voorstellen, welke naar uw oordeel mis |
be | |||
|
schien ernstiger is dan de vorige. Gij zult mij |
ni | |||
|
zeggen, dat ik bij de opsomming der zaken, welke |
cl | |||
|
tot den voortgang in de christelijke volmaakt |
* |
V | ||
|
heid gevorderd worden, met geen enkel woord |
dc | |||
|
gewag heb gemaakt van aller grondslag, namelijk |
gi | |||
|
de zelfverloochening, waarvan de noodzakelijk |
dc | |||
|
heid toch zoo duidelijk in de H. Schrift geleerd. |
da | |||
|
en die door alle meesters in het geestelijk leven |
to | |||
|
zoo nadrukkelijk aanbevolen wordt. Kan ik heilig |
ei | |||
|
worden, zult gij zeggen, zonder mij te verloo |
ce | |||
|
chenen , dat is zonder mijne neigingen en ver |
li |
or | ||
|
langens te verzaken? En indien ik al mijne nei |
dc | |||
|
gingen en verlangens moet verzaken, zal ik dan |
in | |||
|
in zulk eene zelfverloochening niet een onover |
st | |||
|
komelijk bezwaar ontmoeten ? |
w | |||
|
Verbeeldt gij u dan, dat ik de zelfverloochening |
1 |
vc | ||
|
zou willen uitsluiten van de middelen, die ter | ||||
|
bereiking der christelijke volmaaktheid nood- | ||||
|
56 |
: 1 lt; | |||
zakelijk zijn? Het vermoeden alleen zou mij reeds een groot onrecht aandoen. Ik weet en geloof dat de zelfverloochening noodzakelijk is ; ik zeg zelfs meer: Ik weet en geloof, dat de zelfverloochening onontbeerlijk is, om de doodzonde te vermijden en ons in staat van genade te bewaren. Ik weet en geloof bovendien, dat zonder deze zelfverloochening niemand een waar leerling kan zijn van Christus, die zegt; «Indien iemand mijn • volgeling wil wezen, hij verloochene zich zeiven.quot; Evenwel moet gij van den anderen kant goed begrijpen, waarin die noodzakeMjke zelfverloochening bestaat. Zij is gelegen in het bestrijden van elke neiging, die eenigerwijze ongeregeld is. Vooreerst derhalve van zulke neigingen die tot doodzonde zouden voeren, zooals b.v. de neiging tot wraak, tot onzedelijkheid en meer dergelijke. Vervolgens van dezulke, die tot dagelijksche zonden leiden, zooals de neiging tot kleine leugens, tot lichte dieverijen enz.; eindelijk nog van al hetgeen in ons eigen hart een beletsel kan zijn om te volbrengen wat naar ons weten, aan God het aangenaamst is, zooals de neiging om nooit aan anderen toe te geven in iets waartoe wij, het is waar, volgens de strenge rechtvaardigheid niet verplicht zijn, maar waardoor de naastenliefde toch aanmerkelijk bevorderd kan worden.
Gij zegt. dat gij al uwe neigingen en verlangens moet bestrijden; maar gij hebt in de hoogste
57
|
mate ongelijk. Feitelijk hebt gij eene neiging om |
{ |
zoc | ||
|
te eten, en gij moet eten; gij hebt eene neiging |
als | |||
|
tot slapen, en gij moet ook slapen; gij gevoelt |
dat | |||
|
behoefte aan eene behoorlijke uitspanning na de |
1 |
VO' | ||
|
vermoeienis van een langen en ernstigen arbeid, |
hei | |||
|
en het is noodzakelijk dat gij daaraan voldoet. | ||||
|
Dit alleen wordt gevorderd, dat gij die neigingen |
ma | |||
|
en verlangens bestrijdt, welke in een of ander |
sd | |||
|
opzicht ongeregeld zijn, zooals boven werd aan |
do | |||
|
gegeven. |
be | |||
|
Daar ik u nu uitdrukkelijk heb geleerd, dat |
vo | |||
|
gij niet slechts de doodzonde, maar ook de |
za | |||
|
dagelijksche zonde moet vermijden, en in zaken |
Wc | |||
|
die noch geboden, noch verboden zijn, Gods wel |
E\ | |||
|
behagen altijd op de eers:e plaats behoort te |
of | |||
|
stellen, zult gij bij nadere overweging ook ge |
m | |||
|
makkelijk inzien , dat ik daarmede tevens de |
w | |||
|
noodzakelijkheid der zelfverloochening heb vast |
lie | |||
|
gesteld. En omdat ik u bewezen heb, dat het |
be | |||
|
volbrengen der drie genoemde zaken onze krach |
zi | |||
|
ten niet te boven gaat, volgt daaruit, dat ook |
dc | |||
|
de verloochening van] zich zeiven geene te |
1 |
dé | ||
|
groote moeilijkheid kan opleveren. Het mag |
er | |||
|
daarbij uwe aandacht niet ontgaan, dat de |
in | |||
|
volmaakte zelfverloochening door de Heiligen | ||||
|
beoefend, in die drie zaken gelegen is; omdat |
d | |||
|
zelfs de Heiligen, die het meest door verster |
a | |||
|
ving uitgemunt hebben, hunne neigingen en |
\ | |||
|
verlangens niet altijd bestreden, maar dan alleen | ||||
|
wanneer het dienstig w-as, tot het vermijden, | ||||
|
58 | ||||
zoowel van doodzonde en Jagelijksche zonde, als tot het volbrengen van hetgeen zij wisten, dat aan God het aangenaamst zou zijn. Daarbij volgden zij tevens met de grootste nauwkeurigheid den raad van hunnen zielbestuurder.
Het woord zelfverloochening, in zijne strenge materiëele beteekenis opgevat, jaagt menigeen schrik aan, omdat zij zich verbeelden dat daardoor een geweldige, nooit onderbroken zelfstrijd bedoeld wordt; waaruit zij dan besluiten, dat de volharding hun op den langen duur onmogelijk zal zijn. Verstaan wij echter het woord in zijne ware beteekenis, volgens den geest van het heilig Evangelie, dan kan niemand daardoor beangstigd of ontmoedigd worden; omdat het niet meer of minder beteekent dan de onderhouding van Gods wet, die door Christus zelf een zoet juk en een lichte last genoemd wordt. Mochten u daarom boeken in handen komen, die in een anderen zin van zelfverloochening spreken, en meer vor-deren dan hier is aangegeven, wees overtuigd dat zij onnauwkeurig of overdreven streng zijn, en daarom met groote voorzichtigheid verklaard moeten worden. Wat mij aangaat, ik vrees voor geene vergissing, omdat hetgeen ik heb voorgedragen met de leer van den H. Thomas en van alle godgeleerden overeenkomt.
59
§ II. Dat het ook niet te moeilijk is, in alle
zaken te zoeken, wat aan God het meest behaagt.
Mogelijk beeldt gij u in , dat de grootste moeilijkheid bestaat in het zoeken naar hetgeen God in alles het aangenaamst is. Het schijnt u toe, i dat de last van deze aanhoudende opmerkzaamheid, u zonder tusschenpoos met zorg en kommer zal vervullen.
Ik moet mij toeleggen , zult gij wellicht zeggen, om in alle dingen na te vorschen wat aan God het meest kan behagen, en dat onderzoek zal in mij voortdurende twijfelingen en onzekerheden voortbrengen, die den vrede des harten verstoren. Blijkbaar heeft hier wederom eene groote dwaling plaats. Er wordt volstrekt niet van ons gevorderd dat wij , in elke bijzondere zaak, moeten trachten op te sporen, wat met den wil van God het meest overeenkomt; of het bij voor- i beeld aan God aangenamer zou zijn dat ik thans de H. Mis ga bijwonen, dan dat ik ga Luisteren naar eene preek? — of het beter is, nu een rozenhoedje te bidden dan andere gebeden te verrichten ? — of ik dezen morgen moet vasten of ontbijten ? — of ik eene aalmoes zal geven aan de armen of aan de Kerk? — Ik zal mij wel wachten iemand aan te raden op zulke wijze den heiligen wil van God uit te vorschen. Over het
60
algemeen genomen, zou dit niets anders zijn dan de ziel drijven in een toestand van onafgebroken angst en verwarring. Mogen al degenen, die tot dergelijke haarklooverijen eenige neiging gevoelen, de woorden van den H. Franciscus van Sales voor oogen houden: »Wij moeten niet al onze «nietigste handelingen elk afzonderlijk gaan wegen, »om te onderzoeken of de eene meer waarde »heeft dan de andere.quot;
Eenvoudigheid en wijsheid van ziel is in alle zaken noodig. De volmaaktheid eischt van ons, dat wij volbrengen hetgeen, als aan God het behaaglijkst, duidelijk door ons erkend wordt; want volgens de leer van den H. Thomas kunnen wij niet verplicht zijn den goddelijken wil te vervullen, tenzij voor zoover hij ons bekend is; en daarin kan toch geen oorzaak van droefheid of verwarring gelegen zijn. Nemen wij, bij voorbeeld, dat ik tijd en gelegenheid heb eiken dag de H. Mis te hooren, dan zie ik toch duidelijk in, ofschoon het niet geboden is, dat het volbrengen dezer godsdienstige oefening aan God veel aangenamer zal zijn dan het niet volbrengen.
Alles spoort mij aan de heilige Communie te ontvangen, zoo dikwijls mijn zielbestuurder mij daartoe verlof geeft, al schrijft hij het ook niet voor. Maar dan handel ik klaarblijkelijk meer overeenkomstig het welbehagen van God, door op aanraden van mijn biechtvader deel te nemen
61
|
aan de tafel des Heeren , dan door mij ervan tc |
ni | |||
|
onthouden. In een bijzonder geval zou ik kunnen |
ke | |||
|
beweren dat iemand, die mij eene beleediging |
ge | |||
|
heeft aangedaan, ook het eerst verplicht is tot |
va | |||
|
herstel; niettemin kan het in het belang der |
ve | |||
|
christelijke liefde zijn, dat ik zelf de eerste |
ge | |||
|
schrede zet. Wat voor angst, welke droefgeestig |
go | |||
|
heid of verwarring kan ons nu de wetenschap |
kc | |||
|
veroorzaken, dat wij in zulke omstandigheden |
du | |||
|
moeten 'doen wat aan God het meest behaagt? |
VI | |||
|
Niets anders wordt gevorderd dan eene vurige |
ha | |||
|
liefde tot God, en alles is vervuld. Wendt niet |
du | |||
|
een zoon, die zijn vader liefheeft, alle middelen | ||||
|
aan om hem voldoening te schenken ? En han |
en | |||
|
delt eene brave dochter, die hare moeder teeder |
ge | |||
|
bemint, niet evenzoo? Is dat zelfs niet de ge |
tis | |||
|
wone handelwijze van een dienaar, die zijn mees |
W( | |||
|
ter eerbiedigt? En zoudt gij nu meenen, dat die |
hi | |||
|
zoon, dochter of dienaar altijd onrust en kwelling |
qt | |||
|
ondervinden? Juist het tegendeel is waar. Wat |
hij | |||
|
uit liefde voortkomt en met liefde wordt gedaan. |
va | |||
|
geschiedt vrijwillig en met groote opgeruimdheid. |
vc | |||
|
Tracht een weinig ijveriger te zijn in uwe liefde |
hc | |||
|
tot God, en gij zult in plaats van angst en ver |
ui | |||
|
warring , een grooten vrede en een zoeten troost |
SI | |||
|
ondervinden in uw streven om den wil van God |
W | |||
|
in alles zooveel mogelijk te volbrengen. In waar |
zi | |||
|
heid, gij zult zelf duidelijk inzien dat dit zeer |
ar | |||
|
natuurlijk is; want daar gij het besluit hebt ge |
hc | |||
|
maakt God nooit vrijwillig te mishagen, zelfs |
ht | |||
|
62 | ||||
niet door ecne dagclijksche zonde, maar nauwkeurig zijn heiligen wil te volbrengen in al hetgeen Hij u voorschrijft, zult gij u als het ware vanzelf aangespoord gevoelen, om in zaken die onverschillig zijn, te doen wat aan God het aangenaamst is. Herinner u daarenboven, dat dezelfde goddelijke liefde u Gods welbehagen zal leeren kennen aangaande vele zaken, die voor anderen duister blijven. Immers de liefde Gods is een vuur, dat ons met ijver en opgewektheid doet handelen; zij is tevens een licht, waardoor wij duidelijk leeren zien, wat wij behooren te doen.
Al die redenen zullen echter vruchteloos zijn, en nooit zult gij de waarheid begrijpen van hetgeen ik u heb voorgehouden, indien eene prac-tische ondervinding het bewijs niet levert. De woorden van den H. Franciscus van Assisië vinden hier eene juiste toepassing: »Tantum scit homo quantum operatur.'' De mensch weet zooveel als hij werkt; dat is, men heeft geen ware kennis van hetgeen men niet zelf metterdaad heeft volvoerd. Tracht gij te doen wat ik u heb voorgehouden, dan zult gij begrijpen dat het niet alleen uitvoerbaar, maar billijk en zelfs gemakkelijk is. Sluiten wij dan met de woorden der-H. Teresia: Wanneer eene ziel, die God waarlijk bemint, inziet, dat het eene werk volmaakter is dan het andere en aangenamer aan God, dan brengt zij het zonder eenige moeilijkheid ten uitvoer, uithoofde der voldoening, welke zij smaakt in het
63
|
vervullen van Gods welbehagen; en de goddelijke |
V | |||
|
Majesteit staat haar bij en schenkt moed en |
d | |||
|
kracht aan hare zwakheid. |
IT | |||
|
§ 12. Dat de gevaren der wereld of de zorgen |
g b | |||
|
voor het huisgezin onze volmaaktheid niet |
a | |||
|
noodzakelijk verhinderen. | |
V w c | |||
|
Het is niet onmogelijk, dat gij behoort tot het | ||||
|
I getal der kleinhartige en wantrouwige zielen, |
rr | |||
|
en mij de opwerping maakt: «Hoe kan ik heilig |
c | |||
|
worden in den levensstaat, waarin ik geplaatst |
rc | |||
|
ben? Te midden der wereld, van alle zijden door | ||||
|
gevaren omgeven, door huiselijke zorgen gedrukt. |
n | |||
|
verplicht tot harden arbeid, tot allerlei bezig |
ei | |||
|
heden, hoe kan ik mij met zorg toeleggen op |
k | |||
|
de christelijke volmaaktheid?quot; Luister wat de |
H | |||
|
H. Alphonsus zegt: Het is eene groote dwaling. |
h | |||
|
te beweren dat God onze heiligheid niet wil. |
la | |||
|
Want de H. Paulus leert dat wij allen, elk vol |
O | |||
|
gens zijn staat, heilig moeten worden. »Dit is |
I)] | |||
|
de wil Gods, uwe heiligmaking.quot; Derhalve moet |
V( | |||
|
de religieus, de wereldling, de priester, de ge |
»s | |||
|
huwde, de koopman, de soldaat, in één woord |
»e | |||
|
moeten allen volgens hun staat naar de heiligheid |
»h | |||
|
streven.quot; — Wijl God nu verlangt, dat allen heilig | ||||
|
worden, geeft Hij ook ontwijfelbaar die genaden. | ||||
|
welke noodzakelijk zijn, opdat ieder, in welken |
le | |||
|
staat of omstandigheid hij zieh ook bevinden |
de | |||
|
moge, de heiligheid kunne bereiken. Of zijn de |
Pt | |||
|
64 | ||||
verschillende levensstaten op deze wereld niet door Gods wijze voorzienigheid beschikt ? En mogen wij onderstellen, dat Hij sommige daarvan gewild zou hebben, waarin de heiligheid onbereikbaar was, terwijl Hij toch te gelijker tijd van allen zonder onderscheid de heiligheid vordert? Wees dus niet bevreesd; heb slechts een goeden wil, dan zult gij, ondanks, al uwe huiselijke zorgen en beslommeringen, te midden zelfs der onvermijdelijke gevaren die de wereld oplevert, de christelijke volmaaktheid volgens uw staat bereiken.
Ik heb reeds gezegd, dat God ons zijne genaden mededeelt overeenkomstig onze behoeften; en de waarheid, dat elk volgens zijn staat heilig kan worden, staat zoo onwrikbaar vast, dat de H. Franciscus van Sales het gedrag afkeurt van hen, die in een levensstaat geplaatst, het verlangen koesteren tot een anderen over te gaan. Opdat echter niemand in den waan worde gebracht, dat de Heilige hiermede elke verandering veroordeelt, deelen wij zijne woorden mede. «Ik «schenk mijne goedkeuring niet aan hen, die aan «eene bepaalde bediening of roeping verbonden, »blijven verlangen naar eene andere levenswijze, «welke met hun ambt of bediening onvereenig-;gt;baar is.quot; — Tot bevestiging der bovenstaande leer hebben wij voor ons het feit, dat er onder de Heiligen, die op onze altaren vereerd worden, personen zijn van eiken staat en stand.
65
§ 13- Dat de ambtsbezigheden en zorgen voor het huisgezin de christelijke volmaaktheid niet weinig kunnen bevorderen.
Het is mij niet voldoende, u het bewijs te leveren, dat de werkzaamheden aan onzen levens-i staat verbonden, geen beletselen zijn, die ons de hoop op het verkrijgen der christelijke volmaaktheid mogen ontnemen; ik wil u bovendien aan-toonen. dat zij de volmaaktheid zeer bevorderlijk kunnen zijn. Of is het eene uitgemaakte zaak dat de bezigheden, waartoe een levensstaat verplicht, uiteraard slecht zijn ?
Voorzeker niet. Ik ga natuurlijk van de onderstelling uit, dat gij in geen schuldige ondernemingen gewikkeld zijt. Uwe werkzaamheden zijn op zich zelve onverschillig; hetzij gij handel drijft, studeert of handwerk verricht; hetzij gij leeft van uwe inkomsten, of persoonlijk uwe bezittingen beheert en de opbrengsten inzamelt. Deze werkzaamheden zijn op zich zelve beschouwd niet heilig, maar evenmin zijn ze slecht. Is het u niet duidelijk, dat uiteraard onverschillige werken dan heilig en verdienstelijk worden, wanneer men ze onderneemt en volbrengt, uit liefde en ter liefde van God, tot zijne grootere glorie ?
Gij verbeeldt u, dat gij op den weg naar den Hemel uwen tijd verspilt, wanneer gij uwe zaken
66
|
behartigt, uwe boeken in orde houdt, uw dagwerk verricht of uwe huiselijke zaken regelt. Ongetwijfeld maakt gij u in alle soortgelijke bezigheden aan tijdverlies schuldig, indien gij ze uitsluitend tot tijdelijke doeleinden verricht, zonder acht te geven op de glorie van God. Draagt gij daarentegen uwe werken van tijd tot tijd aan God op, met het doel zijne glorie in alles te bevorderen, dan worden door die goede meening, diezelfde werken geheiligd, een zeer krachtig middel om uwe liefde tot God te vermeerderen, en eene hoop van rijke verdiensten voor dc eeuwigheid. Ziet gij nu niet in dat zij, aldus beschouwd, uwen voortgang op den weg der volmaaktheid in hooge mate bevorderlijk zijn r Op zekeren dag bemerkte de H. Philippus Nerius eenige dag-looners, die harden arbeid verrichtten en zuchtten onder den last hunner zware taak. Hij vroeg hun: «Waarom werkt gij toch zoo hard?quot; »Wel, vader,quot; was het antwoord, »om ons brood te verdienen.quot; — «Neen kinderenquot; hernam de Heilige, «zegt niet enkel om uw brood te verdienen, maar voegt er bij om het rijk der Hemelen te veroveren.quot; Gij ziet derhalve, dat al uwe werken en alle bezigheden door uw levensstaat gevorderd, u op voortreffelijke wijze kunnen helpen om uwe ziel te heiligen; om Gods liefde in uw hart tc vermeerderen en grooten voortgang tc maken op den weg der christelijke volmaaktheid. | |||
|
1 |
67 |
|
O, mochten allen arbeiden uit liefde tot God, mochten onze werken enkel streven naar de vermeerdering van Gods glorie! Dan zouden alle zaken, uit zich zelve niet anders dan slijk en steen, veranderen in goud en parelen voor de eeuwigheid. § 14. Dat wij, ofschoon onwaardig, op de genade der heiligheid moeten hopen. Mogelijk zal de duivel zeggen; »Meent gij het recht te hebben, van God de groote genade te verwachten, dat gij eenmaal een Heilige zult worden? Moet gij niet veeleer tevreden zijn met de laagste plaats in den Hemel ?quot; Luister niet naar die dwaze bekoringen, maar onthoud wat de H. Au^fetinus zegt. «Indien gij iets vraagt aan den «almachtigen God, vraag dan iets groots.quot; Het kost immers aan God niet meer u eene groote dan eene kleine genade te schenken. En laat mij het nogmaals herhalen, indien God verlangt dat gij heilig wordt, zal Hij u dan ook niet gaarne de noodige genaden schenken? Luister naar de woorden der H. Teresia: «Kost het ons eenige moeite, of benadeelt het onze zaak, veel te vragen, wanneer wij het vragen aan den al-machtigen God? Het zou eene schande voor ons zijn, indien wij aan een machtig en vrijgevig vorst een enkelen penning durlden vragen.quot; En waarom zoudt gij u dan met de laagste plaats in het rijk |
1 |
i [ |
cl( H V( di in di te ge A al zi hc vr st oi nc la or te dc vc »1 ))C »3 he hc o\ M G | |
|
68 |
der Hemelen moeten vergenoegen? Wie in den Hemel de laagste plaats verlangt, is iemand, die voor Gods glorie op aarde het minst wenscht gedaan te hebben, en bijgevolg Hem de minste glorie in den Hemel wil geven. En waarom wilt gij, die in staat zijt aan God eene grootere glorie te verschaffen voor tijd en eeuwigheid, u vergenoegen met Hem eene mindere te schenken ? Alsof de almachtige God niet verdiende, dat gij alles voor Hem deedt wat gij vermoogt! De ziel die de laatste plaats in den Hemel verworven heeft, zal volkomen met het bezit daarvan tevreden zijn, omdat er in den Hemel geen teleurstelling of droefheid bestaat; maar zoolang wij op aarde verblijven, moeten wij ons niet vergenoegen met enkel te streven naar het bezit der laagste plaats. Veeleer moeten wij ons bestT'doen om een hooge plaats te verwerven, door ons toe te leggen op de christelijke volmaaktheid, met het doel om daardoor aan God eene grootere glorie voor tijd en eeuwigheid te bezorgen.
»Gij verdient werkelijk de genade der christe-))lijke volmaaktheid niet. En hoe denkt gij over »de vele zonden van uw verloopen leven ? Hoe «aangaande uwe ondankbaarheid en trouweloosheid?quot; — Zulke woorden kan de duivel u onophoudelijk toefluisteren; en ik ben ook ten volle overtuigd , dat gij die genade niet waardig zijt. Maar wat doet dit ter zake ? Kunt gij enkel van God verwachter wat gij zelf verdiend hebt ?
69
|
Moet dit onze hoop zijn, dat God ons behandele |
1 |
he | ||
|
volgens onze eigen verdiensten ? Dan wenschen |
be | |||
|
wij van zulke hoop verlost te blijven. Onze hoop |
u\ | |||
|
moet eenigszins gelijk zijn aan ons gebed. Zou |
ni | |||
|
het in uwe gedachte kunnen opkomen een gebed |
oi | |||
|
te storten als het volgende: «O mijn God, han |
u\ | |||
|
del met mij overeenkomstig mijne eigen ver |
er | |||
|
diensten?quot; Zulk een gebed zou u met vrees ver |
D | |||
|
vullen. Inderdaad, het zou volstrekt geen gebed |
al | |||
|
zijn, maar een vermetele wensch naar eigen on |
m | |||
|
dergang. Tot God bidden, dat Hij ons behandele |
la | |||
|
volgens onze eigen verdiensten, zou gelijk staan |
di | |||
|
met een verzoek om aan onze eigen boosheid over |
ac | |||
|
gelaten te worden en daarvoor de straf te onder |
aa | |||
|
gaan ; want uit eigen krachten hebben wij geene |
1 |
amp; | ||
|
andere verdiensten. Hoe zouden wij dan de hoop |
zc | |||
|
kunnen koesteren door God aldus behandeld te |
1 | |||
|
worden ? Zulk eene hoop zou wanhoop zijn. Wat |
re | |||
|
zou er zelfs van de grootste Heiligen geworden |
hc | |||
|
zijn, indien God hen volgens hunne eigen ver |
di | |||
|
diensten behandeld had? En waar zouden zij zich |
ve | |||
|
thans bevinden? God heeft hen behandeld met |
Vc | |||
|
het oog op de oneindige verdiensten van Jezus | ||||
|
Christus, door wiens kostbaar bloed zij werden | ||||
|
vrijgekocht; en zoo zijn zij er in geslaagd groote | ||||
|
Heiligen te worden. Evenzoo moeten ook wij | ||||
|
verlangen en met aandrang vragen, dat God zich |
f | |||
|
gewaardige de oneindige verdiensten van Christus | ||||
|
op ons toe te passen, haar aan te nemen ter | ||||
|
voldoening onzer zonden, en te beschouwen als | ||||
|
7o | ||||
|
- |
r |
het plechtanker onzer hoop. Welke is dan de bedoeling van hen die zeggen, dat gij uithoofde uwer vele zonden de genade om heilig te worden niet verdient? Eenvoudig deze: dat gij niet moet ophouden met boetvaardigheid te doen voor uwe zonden en gebreken, en in waakzaamheid cn gebed met Gods genade moet medewerken. Dan zullen die zonden en onvolmaaktheden den almachtigen God niet verhinderen u ook de genade der heiligheid, naar welke gij zoozeer verlangt, te schenken, en u aan de oneindige verdiensten van den Zaligmaker ruimschoots deelachtig te maken. Hoe vele groote Heiligen zijn aanvankelijk groote zondaars geweest. Wat Gods genade en barmhartigheid in hen heeft gewerkt, zou zij dat in u niet vermogen ? Wij zijn derhalve geleidelijk tot het besluit gekomen, dat het bereiken der christelijke volmaaktheid voor niemand hoegenaamd te moeilijk is; eene volmaaktheid die, zooals werd aangetoond, in de volmaakte vereeniging van onzen wil met den heiligen wil van God gelegen is | ||
|
71 | ||||
HOOFDSTUK IV.
Over «Ie schoonheid en liet nnt der christelijke volmaaktheid.
§ I. De schoonheid der christelijke volmaaktheid.
Wanneer een gegeven voorwerp te gelijker tijd schoon en nuttig is, trekt het de harten der menschen met een zoet geweld, dwingt hen als het ware tot liefde en doet hen haken naar zijn bezit. Daar ik u nu in zoo hooge mate door de liefde tot de christelijke volmaaktheid wensch te ontvlammen, dat gij met allen ijver naar haar bezit streeft, zal ik trachten u ten minste eenig denkbeeld te geven van hare hemelsche schoonheid , om u daarna haar onvergelijkelijk nut tc doen beseffen.
Hoe overheerlijk schoon is inderdaad reeds die heiligheid, welke in het enkele bezit der heiligmakende genade gelegen is! Zoo groot is die schoonheid dat zij niet alleen de liefde der Engelen en Heiligen, maar zelfs de liefde van God tot zich trekt, en dat de mensch, die zich
72
in haar bezit verheugt, ondanks zijne vele fouten en gebreken, niet enkel vriend en kind van God genoemd kan worden, maar het ook in werkelijkheid is. Al moge eene ziel door duizenden dage-lijksche zonden besmet zijn, zij zal niettemin, indien zij de heiligmakende genade bezit, van zulk eene hemelsche schoonheid schitteren, dat de liefde van den almachtigen God zich tot haar getrokken voelt, en zij zelve als zijn over-dierbaar kind beschouwd wordt.
Wat zullen wij dan zeggen van de schoonheid eener ziel, die zich zuiver houdt, zelfs van do smet der dagelijksche zonde, wier glans nooit door de minste vrijwillige ongehoorzaamheid verduisterd wordt, die bovendien uit al haar vermogen God in alle zaken tracht te behagen, niets anders verlangend dan de stipte vervulling van zijn heiligen wil? O, de schoonheid van zulk eene ziel gaat alle menschelijk begrip oneindig ver te boven! God ziet met zoo groot een welbehagen op haar neder, dat Hij in de H. Schriftuur zich van de teederste uitdrukkingen bedient, om zijne liefde te ontboezemen.
Zal dan die schoonheid, zoo welgevallig in de oogen van God, niet voldoende zijn om ook onze harten te bekoren ? Zullen wij niet alle pogingen aanwenden om haar te veroveren? O, hoe dikwijls is de aardsche schoonheid, door ons met zooveel hartstocht verlangd en nagejaagd, van de grootste gevaren omgeven!
|
Laten wij derhalve meer waarde hechten aan die onuitsprekelijke schoonheid en vóór alles streven naar haar bezit, omdat ons daardoor al wat waarlijk schoon en goed is, verzekerd wordt. t; 2. Waarin de groote voor deden der christelijke volmaaktheid bestaan. Vooreerst in het getuigenis van een goed geweten. Het lijdt geen twijfel dat de christelijke volmaaktheid , waarvan wij spreken , al het schoone en goede in zich besluit, dat ons hier op aarde gelukkig kan maken; en tevens de zekerste hoop schenkt op eene toekomstige eeuwige zaligheid. Zonder tegenspraak bestaat het hoogste geluk van den mensch, tijdens dit vergankelijk leven, in het getuigenis van een goed geweten, dat is een geweten, dat ons van geenc zware zonde beschuldigt. Inderdaad de mensch, die onder den last der zonde gebukt gaat, hij moge uitwendig een schijnbaren vrede, eene valsche rust genieten, is niet waarlijk gelukkig. Dat geluk echter wordt door niemand in al zijne volmaaktheid gesmaakt, tenzij hij zich beijvere om zooveel mogelijk ook de vrijwillige dagelijksche zonde te vermijden. Zulk eene ziel, al mocht zij uit menschelijke zwakheid nog enkele onvolmaaktheden begaan, gevoelt in zich de innige overtuiging, dat zij leeft voor God alleen en zijne vriendschap geniet. |
1 |
mc no on zo G( m lo al vu hl ze so ba D hc di lir w d( bi er h( | ||
|
74 |
1 | |||
Dat getuigenis vervult het hart van den mensch met een onbeschrijfclijken troost, een troost, die nog grooter wordt, naarmate hij zich meer beijvert om in alle zaken, de onverschilligste niet uitgezonderd , te doen wat volgens zijne meening aan God het meest behaagt.
§ 3. Dat het tweede voordeel bestaat in de gyootere zekerheid aangaande het bezit der heiligniakende genade.
Volgens de leer der Lutheranen cn Calvinisten, moeten de Christenen met dezelfde vastheid ge-looven, dat zij zich in staat van genade bevinden, als waarmede het geheim der allerheiligste Drievuldigheid door hen wordt aangenomen. Dit is blijkbaar eene grove en dwaze ketterij. God heeft zelf geopenbaard dat Hij is één God in drie Personen ; en daarom is het uithoofde dier open-baring onmogelijk, dat het geheim der allerheiligste Drievuldigheid niet waar zou zijn; doch nooit heeft Hij aan de Kerk geopenbaard, dat deze of die persoon zich in staat van genade bevond.
Van den anderen kant leeren sommige zonderling verlichten van latere tijden , die beweren den weg der volmaaktheid in de onherbergzame wildernis opgespoord te hebben, dat elke ziel, hoe braaf zij ook moge zijn , in voortdurenden angst en onrust moet leven; zij verwerpen alle zekerheid omtrent den staat van genade, maar willen,
75
(lat de mensch tot aan den dood blijft zweven in een toestand van twijfel, onzeker of hij na het jongste oogenblik zal vallen in de armen van God dan wel in de klauwen van den duivel. Het behoeft geen bewijs, dat ook die bewering eene ongerijmde dwaling is. Wij hebben, het is waar, geen volkomen onfeilbare zekerheid, dat onze ziel in staat van genade is, maar kunnen toch eene vermoedelijke, zeer gegronde zekerheid hebben, die meer dan voldoende is om ons een ongestoorden vrede te verzekeren.
Heeft niet een zoon voldoende reden om zeker te zijn, dat hij door zijn vader bemind wordt, indien hij het hart zijns vaders kent en zich niet herinnert, dien goeden vader ooit beieedigd te hebben, en heeft hij dit gedaan, dan het onrecht zooveel mogelijk herstelde en vergiffenis mocht ontvangen? En is de overtuiging, dat hij door zijn geliefden vader hartelijk bemind wordt, voor hem niet een groote troost en daarenboven eene bron van ware tevredenheid?
Het blijft echter waar, dat hij van de liefde zijns I vaders niet die zekerheid kan hebben, welke de. waarheden van ons heilig geloof schenken. Laten wij echter alles ter zijde stellen, wat ons van het voorgestelde doel zou kunnen aHeiden, om te onderzoeken, wie met de meeste zekerheid mogen ge-looven, dat zij den schat der heiligmakende genade bezitten en bijgevolg in vriendschap leven met God? De H. Franciscus van Sales verzekert, dat
76
het zonder tegenspraak dezulken zijn, die niet alleen de doodzonde, maar ook de dagelijksche zonden vluchten en, zooals reeds werd opgemerkt, in alles trachten te doen wat aan God het meest behaagt.
Het getuigenis van den H. Franciscus of van eenig ander meester in het geestelijk leven is echter niet noodzakelijk, daar de rede alleen ons van die waarheid overtuigt.
De doodzonde is eene volkomen afgekeerdheid van onzen wil, van den heiligen wil van God. Zoolang dus onze wil vereenigd en gelijkvormig is met den wil van God, is er ook geene doodzonde in onze ziel, omdat in die vereeniging de volmaakte liefde bestaat, en, zooals de Kerk tegen de dwaalleeraars verklaard heeft, de doodzonde in de ziel, niet bestaanbaar is tegelijk met die volmaakte vereeniging van wil.
Wie zou dan meer verzekerd kunnen zijn aangaande het bezit der heiligmakende genade, dan hij, die zich in de stemming bevindt waarvan wij boven gewaagden ?
Al had ook iemand de macht ontvangen om de grootste wonderen te doen, hij zou daardoor geen zekerheid verkrijgen aangaande zijne gelijkvormigheid met den goddelijken wil of het bezit der volmaakte liefde, omdat de gaaf der wonderen ook geschonken wordt aan hen, die niet in Gods genade leven. Gij zult toegeven, waarde lezer, dat er op aarde voor u geen grooter troost be-
77
|
staan kan, dan de zekerheid, dat gij leeft in vriendschap met God, en het geluk des Hemels u wacht, zoodra de dood u oproept ter vergelding. Wat meer is, gij hebt geleerd op welke wijze gij die troostvolle zekerheid kunt verkrijgen. Verafschuwen vlucht derhalve de zonde, zoowel de dage-lijksche als de doodzonde, tracht naar uw vermogen den heiligen wil van God nauwkeurig te volbrengen, dat zal u meer zekerheid geven omtrent het bezit der heiligmakende genade, dan de verhevenste wondergaaf u zou kunnen verschaffen. § 4. Dat het derde voordeel bestaat in de grootere zekerheid aangaande het behoud der heiligmakende genade. Eene vrees, waardoor godvruchtige zielen niet zelden gekweld worden, is de gedachte dat zij den staat van genade, waarin zij zich op dat oogen-blik bevinden, wellicht spoedig zullen verliezen; en bij niet weinigen heeft die vrees zulk een hevigen indruk gemaakt, dat zij naar den dood verlangden ten einde van dat gevaar bevrijd te zijn. De eerbiedwaardige Paulus Segneii, een onvermoeid volksprediker en heilig religieus, had verzocht, dat zoodra de geneesheeren het einde van zijn leven zouden aankondigen, deze tijding hem gebracht werd in de volgende woorden: «Verheug u, vader, gij zult God niet meer beleedigenquot;. Intusschen, welke zielen hebben wel |
de va t\\ w al zij zo ie ar \v dc za te dc er ve ee w he \v cl g( bc dlt; li( d ze | |||
|
78 |
de meeste zekerheid, dat zij niet in doodzonde vallen of Gods genade verliezen zullen? Zonder twijfel, die een afschrik hebben zelfs van de vrijwillige dagelijksche zonde; want door voortdurend alle zonden hoe gering ook, te verafschuwen, zijn zij vanzelf meer verzekerd, dat zij ook de zware zonden zullen vermijden. En inderdaad, hoe zou iemand groote vrees kunnen gevoelen, voor den angel eener wesp , en niet vluchten voor de klauwen van een gier?
Niemand zal het betwijfelen, dat hoe meer iemand de zonde verafschuwt, hij des te minder daarin zal vallen. En het is werkelijk onmogelijk in zonde te vallen, zoolang wij die blijven verfoeien, omdat de zonde, wil zij zonde zijn, vrijwillig moet wezen, en zij niet vrijwillig kan zijn. zoolang wij haar verafschuwen. Is dit niet een groote troost voor eene ziel, die God liefheeft, en hare zaligheid wenscht te verzekeren?
Ik moet hier verder de bemerking maken, dat, gelijk er voor den Christen geene grootere zekerheid mogelijk is om de heiligmakende genade te bewaren, dan wanneer hij een afschuw gevoelt voor elke vrijwillige dagelijksche zonde, er eveneens geen grooter gevaar is, dat hij dien onwaardeerbaren schat spoedig zal verliezen, dan indien hij daarvoor geene vrees gevoelt, en zich bijgevolg lichtvaardig en veelvuldig aan vrijwillige overtredingen schuldig maakt. Zoo iemand verzwakt zich zelf in hooge mate en de liefde tot God verkoelt
|
i | ||||
|
zoodanig in zijn hart, dat hij, door eeu hevige bekoring aangevallen en ongewoon geworden aan den strijd, ellendig bezwijkt. Dat stemt volkomen overeen met de woorden der H. Schriftuur: »Wie het kleine niet acht, gaat langzamerhand te gronde.quot; Dienaangaande zegt de H. Teresia, dat de duivel gewoon is, door middel van kleine zaken, openingen te maken om groote zaken daarlangs binnen te voeren, en door dit groot gevaar beangstigd, roept zij uit: «Moge God u bewaren voor elke vrijwillige zonde, zelfs voor de kleinste!quot; Die waarheden worden ook geleerd en zelfs duidelijk en tastbaar gemaakt door onze eigen ondervinding. Wij zien immers, dat ijverige zielen, die altijd met groote zorg waken tegen de dagelijksche zonde, al mogen zij ook nu en dan uit menschelijke zwakheid daarin vallen, toch nimmer eene doodzonde bedrijven; terwijl lauwe zielen, die zich weinig om de dagelijksche zonde bekommeren, en geene pogingen aanwenden om ze te vermijden, vele vrijwillige overtredingen begaan en langzamerhand zich aan doodzonde schuldig maken. § 5. Dat het vierde voordeel bestaat in het bijzonder welbehagen, waarmede God neder-ziet op allen, die naar de Christelijke volmaaktheid streven. Welke zielen zouden het meest mogen rekenen op den overvloed van Gods genade, en zijne bij- |
ZC zi te 01 w hc cr gc kc va zij dt de za He ve k'o di gr on en aa da he ge da he de toe | |||
|
80 |
zondere voorliefde genieten, als het dezulken niet zijn, die zich met alle kracht beijveren om alles te vermijden, wat Hem kan mishagen, en in alle omstandigheden handelen volgens zijn goddelijk welbehagen? Het is eene waarheid, dat God geheel vrij is in het uitdeelen zijner genadeschatten en dat, ofschoon de rechtvaardige door zijne goede werken verschillende gunsten verdienen kan, toch het verleenen der dadelijke genade en van andere bijzondere voorrechten, geheel van zijne vrijgevigheid afhankelijk blijft. Maar dan is de onderstelling zeer gegrond, dat God in de uit-deeling zijner gunsten en voorrechten, de voorkeur zal schenken aan hen, die zich door meerdere liefde en trouw jegens Hem onderscheiden.
Een verstandig vorst geeft zijne onderdanen vele vrijwillige geschenken, en in zijne groote goedheid bewijst hij dikwijls weldaden aan hen, die ze onwaardig zijn; maar toch wordt het grootste gedeelte zijner gunstbewijzen door zulke onderdanen genoten, die de meeste gehechtheid en trouw en den grootsten ijver voor zijne eer aan den dag leggen. Moeten wij niet aannemen ,
Idat hij in de uitdeeling zijner gunsten, diegenen het meest zal bevoorrechten, door wie zij het hoogst gewaardeerd worden, en die daaraan met de meeste dankbaarheid zullen beantwoorden? Ofschoon het nu waar is, dat wij de dadelijke genade in den vollen zin niet kunnen verdienen, zoo moet toch even zeker aangenomen worden, dat wijdat hij in de uitdeeling zijner gunsten, diegenen het meest zal bevoorrechten, door wie zij het hoogst gewaardeerd worden, en die daaraan met de meeste dankbaarheid zullen beantwoorden? Ofschoon het nu waar is, dat wij de dadelijke genade in den vollen zin niet kunnen verdienen, zoo moet toch even zeker aangenomen worden, dat wij
6
81
ons haar onwaardig kunnen maken cn de mede-deeling soms aanmerkelijk verhinderen. Al wie met de genade Hem door God geschonken ijverig medewerkt, wordt daardoor beter geschikt om in de toekomst meer te ontvangen, terwijl degene, die zijne medewerking weigert, hetver-leenen van nieuwe genaden verhindert. Laat ons hier de woorden herhalen, welke Samuel sprak tot Saul den toekomstigen koning van Israël; ^Cujus erunt optima quaeque Israël. Voor wien zal het beste van Israël zijn?quot;
Voor wie, zoo vragen ook wij, zijn de krachtigste genaden, de uitstekendste gunsten en voorrechten bestemd, die de almachtige God aan de kinderen der Kerk zal schenken? Voor herf. zult gij /eggen, die zich het meest beijveren. God met eene volmaakte liefde te beminnen, en tot eiken prijs hun eigen wil aan den zijnen meer gelijkvormig trachten te maken. Bemerk het wel. in uw antwoord worden de groote voordeelen der christelijke volmaaktheid aangegeven; eene volmaaktheid die, gelijk gij weet, in het vermijden van alle vrijwillige zonden en het stipt volbrengen van Gods heiligen wil gelegen is. En welke onwaardeerbare voordeden vindt gij hier verzameld! Welk een troost gedurende dit sterfelijk leven, — welk een zekerheid voor de toekomst — hoeveel schatten van genade!
Wij hebben dus begrepen, dat God inderdaad de christelijke volmaaktheid van ons vordert.
82
Wees derhalve volmaakt, gelijk ook uw hemel-sche Vader volmaakt is! Wij hebben ingezien dat zij onze krachten niet te boven gaat, omdat wij op den bijstand der goddelijke genade mogen rekenen. God is getrouw, Hij zal niet gedoogen dat gij boven uwe krachten beproefd wordt!
Maar nu vraag ik u in allen ernst hoe het mogelijk is, dat iemand, die de onberekenbare voordeden der christelijke volmaaktheid heeft leeren kennen, die daarenboven heeft ingezien, hoe gemakkelijk zij beoefend kan worden , niet onmiddellijk de handen aan het werk slaat om zich het bezit dier voordeden te verzekeren ?
83
|
—S— l | |||
|
HOOFDSTUK V. Over de middelen om de christelijke volmaaktlieid lt;e bereiken. § I. Dat uien in de eerste plaats naar de christelijke volmaaktheid moet verlangen. Indien ik u moest spreken over al de middelen, welke de christelijke volmaaktheid kunnen bevorderen, zou ik genoodzaakt zijn eene lange verhandeling te schrijven, die echter ten eenenmale buiten het doel van dit werk ligt, omdat ik mij slechts voorstel een boekje in het licht te geven, dat voor ieder bevattelijk en voor eiken levensstaat geschikt is. Daar ik den weg, dien ik mij reeds bij het begin afbakende, niet wensch te verlaten, zal ik slechts een paar hoofdmiddelen aanwijzen , waarvan alle overige in den regel afhangen. Het eerste zal u op den weg der volmaaktheid plaatsen ; terwijl het andere als een veilige gids u zal bewaken, zoodat gij met vasten tred kunt voortwandelen en groote vorderingen maken. Dat eerste nu bestaat in een |
1 i |
ei te ki ki g€ w hc clc m te is te Te ge m m ge ha trc ITlc te nie on | |
|
84 |
1 |
ernstig verlangen om de christelijke volmaaktheid te bereiken, zonder hetwelk volstrekt niets verkregen kan worden.
Niemand is immers ooit in staat geweest eene kunst aan te leeren, waaraan hij zich geenszins gelegen liet liggen, en hij alleen zal daarin naar wensch slagen , die vurig verlangt volkomen op de hoogte gebracht te worden. Wanneer gij derhalve de christelijke volmaaktheid wenscht te bereiken, moet gij beginnen met haar aanhoudend en ernstig te verlangen. Verbeeld u niet dat het trotschheid is, die u beweegt naar de volmaakte heiligheid te verlangen. Het is de duivel, zegt de heilige Teresia, die alles in het werk stelt om u te doen gelooven, dat zulk een heilig verlangen uit hoogmoed voortkomt. Doch het is volstrekt geen trots, maar veeleer een oprechte wil om te doen hetgeen God van ons wenscht. Laten wij het herhalen: »Dit is de wil van God, uwe heiligmaking.quot;
O, mochten wij toch allen die prijzenswaardige trotschheid hebben, dat wij vurig ve'rlangen eenmaal heilig te worden! —
§ 2. Dat dit verlangen een besluit behoort te zijn en onmiddellijk ten uitvoer gebracht moet worden.
Wees op uwe hoede, dat uw verlangen zich niet bepale bij een vagen wensch gelijk aan de onbestemde aspiraties van zoovelen, die wel gaarne
85
|
heilig willen worden, maar nooit besluiten de han |
I |
I) | ||
|
den aan den ploeg te slaan. Die zielen voeden |
z | |||
|
zich met ijdele verlangens, zegt de H. Alphonsus, |
h | |||
|
maar beijveren zich nooit een stap vooruit te gaan |
Z | |||
|
op den weg naar God. Wij moeten aanvangen, |
k | |||
|
zegt de H. Franciscus van Sales, met een vurig |
| |
S( | ||
|
en vast voornemen om ons geheel aan God te |
tc | |||
|
schenken, plechtig verklarende, dat wij voor de |
lv |
in | ||
|
toekomst zonder eenig voorbehoud aan Hem alleen |
nlt; | |||
|
willen toebehooren; en datzelfde besluit moet |
w | |||
|
herhaaldelijk door ons worden vernieuwd. Merk |
tl |
O] | ||
|
echter wel op, dat het bovendien onmiddellijk ten |
tc | |||
|
uitvoer gebracht moet worden, zonder dat wij |
ni | |||
|
ook maar een enkel oogenblik ons aan de minste | ||||
|
vertraging schuldig maken. Ziet gij niet hoe kort |
* | |||
|
de tijd van ons leven is ? Hebben wij dan zooveel |
dó | |||
|
tot onze beschikking, dat wij het kunnen verspillen |
di | |||
|
in nutteloos uitstel en getalm, vooral nu wij wel |
vv | |||
|
licht toch reeds een groot gedeelte van ons leven |
w | |||
|
in lauwheid hebben doorgebracht, en er slechts |
w | |||
|
weinig overblijft, dat wij met ijver in den dienst | ||||
|
van God kunnen besteden? Mogelijk rest u minder |
he | |||
|
tijd dan gij zelf vermoedt; en mocht het inder |
ei | |||
|
daad blijken, dat hetgeen u nog wordt toegestaan |
w | |||
|
werkelijk kort, zelfs zeer kort is, en gij dat weinige |
de | |||
|
toch voorbij Iaat gaan, zonder daarvan voor uwe |
er | |||
|
heiliging gebruik te maken , waar zult gij dan het |
1 |
dv | ||
|
noodzakelijke verkrijgen om het heil uwer ziel |
te | |||
|
te bewerken? Hoe verstandig handelde zcjkere |
m | |||
|
J |
jonge dame, die na een zorgeloos leven, doorge- |
amp; | ||
|
86 | ||||
bracht in weelde en genot, tot haar biechtvader zeide: »Mijn besluit is thans genomen, ik wil heilig worden en wel zoo spoedig mogelijk.quot; — Zij was in den bloei der jeugd en genoot eene krachtige gezondheid, zoodat zij zich naar allen schijn nog vele levensjaren kon voorspellen. En toch bleek het spoedig, dat haar nog slechts enkele maanden overbleven. Met uur van haren dood was nabij, voordat iemand het vermoedde. O, wat was zij gelukkig, dat zij zoo vast had besloten zich op de beoefening der christelijke volmaaktheid toe te leggen, en mocht ondervinden, dat die weinige maanden voor hare heiliging voldoende waren geweest! Indien zij nu slechts een ijdel verlangen gevormd, of de uitvoering van haar besluit van dag tot dag uitgesteld had, dan ware de tijd, die haar nog overbleef, reddeloos verloren geweest ; en in plaats van een Heilige te worden, ware zij de eeuwigheid ingegaan, wie weet in welk een ongelukkigen toestand.
Daarenboven, is niet de christelijke volmaaktheid een schat van buitengewone schoonheid en eindelooze waarde? En waarom zoudt gij dan willen uitstellen, uwe beste pogingen aan te wenden om u daarvan het bezit te verzekeren ? Zou er wel ergens een koopman te vinden zijn, zoo dwaas, dat hij eene winstgevende zaak, die hem terstond duizenden guldens opleverde, weken, maanden, ja zelfs jaren liet verloopen? En hier geldt het eene winst die onvergelijkelijk grooter
87
|
is dan schatten van goud en zilver. Vermeerder |
le | |||
|
derhalve in u het verlangen naar heiligheid, |
te | |||
|
maak een onwrikbaar besluit en aarzel geen |
d( | |||
|
enkel oogenblik het ten uitvoer te brengen. Met |
w | |||
|
dat doel moet gij u geheel aan God opdragen |
g* | |||
|
en Hem in de oprechtheid des harten zeggen : |
b( | |||
|
»Mijn God, ik stel mij zeiven en alles wat ik |
te | |||
|
bezit in uwe handen, handel met mij naar uw |
lie | |||
|
goedvinden, volgens uw welbehagen. Wat ik |
to | |||
|
hoop en verlang van uwe eindelooze goedheid |
vc | |||
|
is, dat Gij mij zoo heilig maakt als Gij zelf van |
ze | |||
|
mij verlangt en dat ik U in alle volmaaktheid |
va | |||
|
moge dienen.quot; O, welk een zoet geweld doen |
ei | |||
|
wij het goddelijk Hart van Jezus aan, door ons |
sp | |||
|
op zulk eene volmaakte wijze aan Hem ten offer |
i |
hc | ||
|
te brengen! Hoe zondig en boos dan ook de |
Hj | |||
|
ziel geweest moge zijn, God kan niet anders |
I |
W( | ||
|
dan haar zegenen en in liefde opnemen; en geen |
ha | |||
|
enkele genade, welke hare heiligmaking bevor |
na | |||
|
derlijk kan zijn, zal haar geweigerd worden. |
ge | |||
|
Niemand ter wereld is in staat zich voor te |
ee | |||
|
stellen, tot welk eene hooge volmaaktheid zulk |
G( | |||
|
eene edelmoedige ziel kan opklimmen, en welke |
/ |
br | ||
|
groote dingen zij tot Gods meerdere glorie zal |
en | |||
|
volbrengen. Dit is niet mijn gevoelen, maar dat |
ne | |||
|
van den H. Ignatius van Loyola. Hij immers |
po | |||
|
heeft gezegd : De menschen begrijpen niet hoe |
vo | |||
|
veel zij voor zich zeiven en anderen zouden doen, | ||||
|
indien zij zich geheel aan den wil van God on | ||||
|
. |
derwierpen. — Hoezeer zoudt gij, godvruchtige | |||
|
88 | ||||
lezer, door God gezegend worden, wanneer gij ten minste uwe beste pogingen wildet aanwenden! Welk eene onafzienbare reeks van goede werken gaat gij nu reeds door uw heilig verlangen openen! In dat offer van u zeiven aan God, bestaat in werkelijkheid het geheim der christe-telijke volmaaktheid. O, ik smeek het u dan uit liefde tot God en in het belang uwer ziel, breng toch dat oflfer zonder dralen , volmaakt en onverdeeld , en vernieuw het herhaaldelijk. Indien zelfs de gedachte aan eene algeheele overgave van ons zeiven in de handen van God, dien eindeloos goeden Vader, ons hart met een onuit-sprekelijken troost vervult, hoe groot zal dan het geluk zijn van hen, die dat offer in werkelijkheid opdragen? Met welk een zoet vertrouwen , met welke reine vreugde moeten zulke harten vervuld zijn! De ziel, die met Gods genade dat offer uit de volheid des harten heeft gebracht is, om zoo te spreken verzekerd, dat zij eenmaal heilig zal worden; want de goddelijke Goedheid zal haar ongetwijfeld door zulke onverbreekbare banden van liefde met zich vereenigen, en met zooveel welbehagen op haar blijven nederzien, dat zij van wederliefde ontvlamd, alle pogingen zal aanwenden om nimmer van het voorwerp harer liefde gescheiden te worden.
89
|
§ 3- Dat wij in onzen ijver niet moeten ver-jianwen omdat wij tot dusverre niet geslaagd zijn. De verderfelijke gedachte, dat gij voorheen reeds meermalen zonder goed gevolg den weg der christelijke volmaaktheid hebt pogen te bewandelen, en daarom elke nieuwe onderneming even vruchteloos zal blijven als de vorige, mag uw verlangen naar heiligheid in geenen deele verminderen. Het is eene heillooze gedachte, even boosaardig als de duivel, die reeds bij velen heeft bewerkt dat zij zich aan eene noodlottige wanhoop overgaven! Zijt gij niet naar wensch geslaagd bij vorige gelegenheden, dan was dit enkel omdat u toen de besliste wil tot slagen ontbrak. God, die u het verlangen naar de christelijke volmaaktheid inboezemde, zou u eveneens de genade om haar te bereiken geschonken hebben; want nooit wordt door Hem eene nut-telooze daad verricht; en toch zou het nutteloos zijn geweest ons een goed verlangen in te geven , zonder de noodzakelijke genade om het te kunnen verwezenlijken. Hij weet, dat zonder den bijstand zijner genade, al onze goede verlangens vruchteloos zijn; en daarom kan Hij ons geen goed verlangen instorten, zonder dat wij tevens door zijne genade in staat worden gesteld, dat verlangen ten uitvoer te brengen. Gij zelf zijt het, die zijne |
i ■ ■ . | j ■ |
g in g ei e G th Vc w n sl m u T b st pl d( vlt; nc 01 cr te vc in re vc M | ||
|
9o |
% |
genade misbruikt en niet verkozen hebt daarmede uw voordeel te doen. Indien gij dus geen goeden uitslag hebt verkregen, de schuld ligt enkel aan uwen verkeerden wil. Zorg steeds voor een goeden wil en gij zult ontwijfelbaar slagen. God heeft in zijne goedheid dat heilig verlangen thans wederom in u opgewekt, als een voorbode van de genade, welke Hij u tot uwe heiliging wil schenken. Laat het dan ook van uwe zijde niet bij ijdele verlangens blijven, maar sla beslist de handen aan het werk doe uw voordeel met de aangeboden genade, en ditmaal zullen uwe pogingen geen schipbreuk lijden. De H. Teresia zegt «dat de Heer nooit ophoudt onze billijke verlangens te begunstigen, maar ons in staat stelt die te verwezenlijken.quot; En de H. Al-phonsus leert »al zoudt gij bij uw streven naar de volmaaktheid eiken dag in duizend fouten vallen, daarom moet gij niet neerslachtig worden noch u ontmoedigen, maar duizendmaal weer opstaan, telkens met een bede om nieuwe hulp en het vaste voornemen om niet meer te vallen.
Gebrek aan vertrouwen zou uw ondergang zijn, terwijl daarentegen een vast en onwankelbaar vertrouwen, u onfeilbaar zal behouden en bekwaam maken, om de gewenschte volmaaktheid te bereiken.quot;
Laat onze gedachten altijd vol verheffing en vol moed zijn, dat zal ons tot heil verstrekken. Menschen met een klein en zwak hart, die in
9
|
voortdurende onrust leven, en zoodra zij een fout begaan, aan hunne volmaaktheid wanhopen, doen Gods oneindige goedheid ongetwijfeld een groot onrecht aan. Laten wij nederig zijn en berouw toonen wanneer wij struikelen; maar nooit mogen wij ons aan moedeloosheid overgeven of tot wanhoop vervallen. § 4. Dat het gebed de krachtdadigheid van het verlangen verzekert. «Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: Indien gij den Vader iets in mijnen naam zult vragen, Hij zal het u geven.quot; Ziedaar eene belofte onder eed, waardoor Christus ons mét eigen mond verzekert, dat hetgeen wij in zijnen naam vragen ons gegeven zal worden. Maar wanneer, zeggen de Kerkvaders, vragen wij dan iets in den naam van Jezus ? En zij antwoorden: telkens als wij genaden vragen dienstig voor het eeuwig leven. Dan vragen wij in den naam van Jezus, dat is in den naam van onzen Zaligmaker. Het verdient onze opmerking dat Christus, onze Heer, hier zijn woord verpand en eene werkelijke verplichting op zich genomen heeft tegenover zijne onwankelbare getrouwheid. Na zulk eene belofte kan Hij niet gedoogen, dat wij vruchteloos om eene genade vragen, die door ons wordt verlangd ten einde het eeuwig leven |
l |
te dc je or ch gc G er zu vr ve aa Hj da al m ük on be no lai m vr wc de va | ||
|
92 |
te winnen. Christus kan niet gebonden worden door eenige verplichting jegens ons, maar wel jegens zich zeiven.
Nu is toch zeker geene genade meer in staat ons het eeuwig leven te verzekeren, dan die der christelijke volmaaktheid; en daarom is er ook geene, die door ons met meer zekerheid van Gods goedheid verwacht kan worden, indien wij
Ier ten minste naar behooren om bidden. Over zulke gebeden sprekend, zeide de H. Augustinus vrijmoedig tot den Heer: «Indien Gij naar deze gebeden niet luistert, welke gebeden zult Gij dan verhooren ?quot; Hier wordt derhalve het ware middel aangegeven om onze verlangens naar de christe-er ten minste naar behooren om bidden. Over zulke gebeden sprekend, zeide de H. Augustinus vrijmoedig tot den Heer: «Indien Gij naar deze gebeden niet luistert, welke gebeden zult Gij dan verhooren ?quot; Hier wordt derhalve het ware middel aangegeven om onze verlangens naar de christe-
Ilijke volmaaktheid krachtdadig te maken. Inderdaad, zonder het groote middei des gebeds, zijn alle zorg en vlijt, alle goede bedoelingen der ; menschen vruchteloos. Het gebed is even krachlijke volmaaktheid krachtdadig te maken. Inderdaad, zonder het groote middei des gebeds, zijn alle zorg en vlijt, alle goede bedoelingen der ; menschen vruchteloos. Het gebed is even krach
tig als alle overige middelen te zamen, omdat ons daardoor alles wordt geschonken, wat ter bereiking der christelijke' volmaaktheid nuttig en noodzakelijk is.
Wanneer gij dus uw hart van een vurig verlangen naar heiligheid voelt branden, zend dan met vertrouwen het volgende gebed ten Hemel; «Almachtige Vader, in den naam van Jezus Christus vraag ik U de genade, dat ik eenmaal heilig moge worden. Aan andere heb ik geen behoefte, maar deze verlang ik tot eiken prijs; en ik heb de vaste hoop, dat Gij mij deze gunst zult verleenen,
93
|
omdat onze Verlosser Jezus Christus de verhooring onzer gebeden beloofd heeft.quot; § 5. Dat men in de tweede plaats moet zorgen een goeden zielbestuurder te kiezen. Het tweede middel dat ik u voorstel, is van dien aard, dat gij daardoor op den weg der christelijke volmaaktheid moet bewaard worden ; zoodat gij noch ter rechter- noch ter linkerzijde afwijkt, en dat u bovendien in staat moet stellen een goed gebruik te maken van al de overige middelen welke ter bereiking der volmaaktheid nuttig of noodzakelijk zijn. Dit middel is een goede geestelijke leidsman, dien gij zelf moet kiezen en aan wien gij in alles moet gehoorzamen. De middelen ter volmaaktheid, buiten het verlangen, waarvan ik reeds gesproken heb, zijn zeer menigvuldig en verscheiden; ik noem slechts het gebed, de over-weging, de versterving, het ontvangen der HH. Sacramenten, de vereering der H. Maagd, der Heiligen enz. Er kan echter daaromtrent geen algemeene regel vastgesteld worden, omdat iedereen gebruik moet maken van de middelen welke voor zijn toestand en krachten allermeest geschikt zijn. In geestelijke boeken vindt men niet zelden aangegeven, dat zij, die de christelijke volmaaktheid wenschen te bereiken, op vastgestelde tijden moeten naderen tot de HH. Sacramenten, bepaalde gebeden en overwegingen moe- |
te oe cli in Hj ee he ce vo aa te iei SC we ee aa ce aa hij ge ne uit ee an ro ra( mc mc wi | |||
|
94 |
|
- |
ten doen, deze en die verstervingen moeten beoefenen en zoo voorts. Als algemeen beginsel is dit zonder twijfel zeer goed, maar het kan toch niet in elk bijzonder geval toegepast worden. Dergelijke zaken behooren geregeld te worden, overeenkomstig de verschillende toestanden, bekwaamheden en betrekkingen van elk afzonderlijk; en een goed bestuurder is hij, die zelf inziende wat voor ieder in 't bijzonder het meest geschikt is, aan elke ziel weet aan te wijzen, wat zij behoort te doen om tot de volmaakthe:d te geraken. Zoo iemand zal natuurlijk een anderen leefregel voorschrijven aan religieuzen, en een anderen aan wereldsche menschen ; een anderen aan ongehuwde een anderen aan gehuwde personen; een anderen aan krijgslieden, een anderen aan landbouwers; een anderen eindelijk aan geleerden, een anderen aan ongeletterden; en zoo zal toch iedereen, indien hij den regel volgt, hem door zijn bestuurder voorgeschreven, het toppunt der volmaaktheid kunnen bereiken, al loopen de wegen ook zeer ver uiteen. Van sommigen zal hij vorderen, dat zij dagelijks een uur aan het inwendig gebed besteden, van anderen zal hij met het derde deel van een rozenkrans tevreden zijn; sommigen zal hij aanraden eenmaal 's weeks het allerheiligste Sacrament te ontvangen; anderen zullen daarentegen meermalen tot de H. Tafel mogen naderen, terwijl hij bij velen zich met cenc maandelijksche | ||
|
95 |
|
Communie zal vergenoegen. Stel gij u zelf slechts |
tt | |||
|
in zijne hand en doe wat u gezegd wordt, dan |
b | |||
|
zult gij veilig voortwandelen op den weg der |
V | |||
|
christelijke volmaaktheid. Bemerk daarenboven, |
in | |||
|
dat ofschoon er vele verschillende wegen ter be |
Zc | |||
|
reiking der christelijke volmaaktheid aangewezen |
st | |||
|
kunnen worden, toch niet alle noodzakelijk zijn, | ||||
|
veel minder nog noodzakelijk voor elk afzonder | ||||
|
lijk. God trekt de zielen der menschen tot zich, |
§ | |||
|
vereenigt haar met zich cn maakt haar tot brui | ||||
|
den zijner liefde langs verschillende wegen; deze | ||||
|
door eene strengere levenswijze, andere meer | ||||
|
door ingetogenheid en stilzwijgen, weer andere |
ck | |||
|
door vele en groote liefdewerken. Wat meer is, |
de | |||
|
Hij regelt zijne genade, die zoo krachtig maar |
st | |||
|
tevens met zulk een zacht geweld werkt, geheel |
m | |||
|
overeenkomstig het karakter en de vatbaarheid |
di | |||
|
der verschillende personen, en zonder hunne na |
en | |||
|
tuurlijke neigingen te vernietigen, buigt en richt |
zij | |||
|
Hij die naar de christelijke volmaaktheid, zooals |
va | |||
|
reeds vroeger werd aangetoond. |
de | |||
|
Boeken, hoe goed en heilig zij ook zijn, spre |
vo | |||
|
ken meestal in het algemeen, en kunnen ook |
da | |||
|
moeilijk alle bijzonderheden voor elke ziel be |
u\ | |||
|
palen. Het is de zaak van den geestelijken leids |
he | |||
|
man, hierin te beslissen en bijzondere regels voor |
W( | |||
|
te schrijven, anders zouden de algemeene regels |
m; | |||
|
vruchteloos blijven, ja zelfs nadeelig werken, in |
he | |||
|
dien zij zonder overleg en voorzichtigheid in be |
he | |||
|
» |
oefening werden gebracht. Wat u derhalve be- |
de | ||
|
96 | ||||
|
i | |||
|
treft, tracht in deze zaak van het allerhoogste belang, de zaak namelijk uwer heiliging, den veiligsten weg te kiezen, en volg daarom in alles met eene volmaakte onderwerping en gehoorzaamheid den raad van hem, dien gij tot bestuurder uwer ziel hebt uit gekozen. tj 6. Dat het noodzakelijk is aan zijn geestelijken leidsman te gehoorzamen. De gehoorzaamheid is eene deugd, welke in de eerste plaats van u gevorderd wordt om van de wenken en voorschriften, u door uw zielbe-stuurder gegeven, een goed gebruik te kunnen maken. Indien gij tot het getal dergenen behoort, die naar de christelijke volmaaktheid verlangen, en niettemin aan uw bestuurder ongehoorzaam zijt, dan hebt gij het ergste te vreezen. In plaats van toe te nemen in volmaaktheid, zult gij met den dag achteruitgaan. Wees dus gehoorzaam, volmaakt gehoorzaam! Vlei u niet met de gedachte, dat gij ooit heilig zult worden, indien gij uw eigen wil blijft volgen. Bedenk dat de trotsch-heid altijd door de ongehoorzaamheid vergezeld wordt. En zoudt gij dan de christelijke volmaaktheid willen vestigen op de ongehoorzaamheid, terwijl gij toch weet dat de nederigheid het fundament van alle heiligheid is? Wacht u derhalve voor eene aanmatiging, die uit hoog- |
■ | | ||
|
97 7 |
1 |
|
'.....1 | ||||
|
moed voortkomt; dat gij namelijk de redenzoudt |
k | |||
|
willen inzien, waarom sommige zaken u bevolen. |
s | |||
|
andere u daarentegen verboden worden, en wees |
1T | |||
|
op uwe hoede tegen het trotsch vermoeden, dat |
a | |||
|
uw bestuurder u wellicht niet begrijpt, of mis |
g | |||
|
schien niet genoegzaam kent. Hij wordt door |
d | |||
|
God verlicht; en gij moest reeds lang begrijpen, |
a | |||
|
dat dit de voornaamste reden is, waarom hij u |
li | |||
|
i iets voorschrijft of verbiedt; het overige behoeft |
1T | |||
|
door u niet nagevorscht noch ingezien te wor |
1c | |||
|
den. God schenkt hem het noodige licht om | ||||
|
den toestand van uw geweten te kennen, en te |
h | |||
|
begrijpen wat voor u het voordeeligst is. Kende |
d | |||
|
hij u niet voldoende, dan schreef hij u ongetwij | ||||
|
feld niets voor. |
ai | |||
|
Wat hij u voorschrijft, doet hij juist daarom. |
V | |||
|
wijl hij u kent en begrijpt. Uwe aanmatiging |
h | |||
|
en uwe achterdocht zijn blijkbaar de oorzaak |
B | |||
|
uwer ongehoorzaamheid. Het komt ons niet |
m | |||
|
zelden onbegrijpelijk voor, dat sommige zielen, |
in | |||
|
die godvruchtig wenschen te zijn, zich zoover |
g( | |||
|
door den duivel van den rechten weg laten af |
' |
la | ||
|
brengen als wij werkelijk zien geschieden. Zij |
0! | |||
|
blijven ongehoorzaam aan haren zielbestuurder , |
za | |||
|
en ofschoon angstvallig in alle andere zaken. |
u\ | |||
|
• |
schijnen zij nooit eenige onrust te gevoelen over |
dc | ||
|
de voortdurende ongehoorzaamheid waarin zij |
w | |||
|
voortleven. |
1 |
st | ||
|
Merk wel op, dat de plaatsbekleeder van |
he | |||
|
Christus, het hoofd en de bestuurder der geheele |
o\ | |||
|
98 | ||||
katholieke Kerk, een man van zooveel wetenschap , zoozeer door den Hemel verlicht en met zulk een uitgebreid gezag bekleed , dat hij alle bisschoppen, alle priesters en alle geloovi-gen regeert, — dat diezelfde machtige Paus in de zaken, die zijn geweten betreffen, zich aan een ander onderwerpen en volmaakt aan zijn geestelijken leidsman gehoorzamen moet. En gij durft met zulk een voorbeeld voor oogen. u veroorloven , uit hoogmoed gehoorzaamheid te weigeren ?
Zou dat de weg zijn waarlangs wij de heiligheid moeten bereiken? O, moge God verhoeden, dat gij zulke ongehoorzame zielen navolgt!
En waarin moet gij dan gehoorzaam zijn? Het antwoord kan in het kort aldus worden saamge-vat: in alles wat het heil uwer ziel betreft. Derhalve in die zaken, waarvan gij u in de H. Biecht al dan niet moet beschuldigen; in het meer of minder ontvangen der HH. Sacramenten ; in de gebeden en andere godvruchtige oefeningen , die gij behoort te doen of achterwege moet laten; in de verstervingen die gij moet beoefenen of nalaten, enz, In al die zaken moet gij gehoorzamen en bovendien in al hetgeen op de leiding uwer ziel betrekking heeft. Herinner u steeds de woorden der H. Teresia: »De duivel, die wel weet dat geen weg ons zoo spoedig tot de hoogste volmaaktheid voert als die der gehoorzaamheid, zendt ons vele moeilijkheden en kwellingen over, onder den schijn van iets goeds.quot;
99
Indien gij derhalve onder voorwendsel van een grooter goed tot ongehoorzaamheid bekoord wordt, moet gij die gevaarlijke ingeving van den duivel zoo ver mogelijk van u verwijderen.
ij 7. Voorbeeld van een goeden zielbestmirdey.
Wij hebben gezien, dat het niet te moeilijk voor ons is, de christelijke volmaaktheid te bereiken en tevens, dat wij om veilig op den weg der heiligheid voort te gaan, een geestelijken leidsman noodig hebben; waaruit vanzelf volgt, dat de keuze van een goeden zielbestuurder ook geene te groote moeilijkheid kan opleveren. Om u echter die gewichtige zaak eenigszins te vergemakkelijken, wil ik u den H. Philippus Nerius voorstellen als een toonbeeld van den waren geestelijken bestuurder, waarnaar gij uwe keuze kunt inrichten. Het behoeft wel niet gezegd te worden, dat wij hier de buitengewone gaven, waarmede die groote Heilige zoo overvloedig door den Hemel bevoorrecht werd, en die wij in onzen geestelijken leidsman niet kunnen vorderen, stilzwijgend voorbij gaan. Laat het voldoende zijn slechts die hoedanigheden te vermelden, welke elke goede zielbestuurder ten minste eenigermate dient te bezitten.
De ijver van Philippus bij het biechthooren was zoo onvermoeid, dat hij met het grootste geduld uren achtereen in den biechtstoel bleef wachten,
100
|
* | |||
|
--■! i |
al was er ook niemand meer, die zich bij hem aan-bood, in de hoop dat een zondaar of zondares, de gunstige gelegenheid ziende, zou besluiten daarvan gebruik te maken. En kwam er eindelijk iemand opdagen, dan toonde hij zich zoo bereidvaardig en voorkomend , dat hij terstond zijn breviergebed onderbrak om den boeteling geen enkel oogenblik te laten wachten. Alle zondaars werden door hem met zachtheid en vriendelijkheid, ja zelfs met blijkbare vreugde ontvangen, en zijn hart koesterde zulke ruime gevoelens van liefde en barmhartigheid, dat het, gelijk van Salomon geschreven staat, eene uitgestrektheid had als het strand der zee. Niemand nam dan ook vergeefs tot hem zijne toevlucht: de meest bedrukten werden met troost vervuld; de onrustigen tot kalmte gebracht; de vreesachtigen bemoedigden de wanhopenden voelden het vertrouwen in hun binnenste herleven. Hij wist allen te vervullen van het groote denkbeeld, dat hij zelf van Gods oneindige goedheid zich gevormd had, en stortte in de harten van anderen het vuur der heiligste liefde over, waarvan zijn eigen hart brandde en waardoor hij alles bewerkte, wat voor hunne zaligheid noodzakelijk was. Vandaar dat hij een vijand was van alle angstvalligheid, waaruit slechts spitsvondigheid en'mistrouwen geboren worden, die de christelijke volmaaktheid in geen geringe mate beletten. Vandaar ook dat hij den grootsten afkeer had van strenge grondstellingen, die enkel | ||
|
101 |
___ |
dienen om de goddelijke liefde te verminderen in de harten dergencn, die met de beste bedoelingen bezield, aldus uit het oog verliezen dat God ons aller Vader is. Zijn buigzame geest wist zich te schikken naar alle karakters en neigingen, zoodat allen hoezeer ook in stand of rang onderscheiden, zonder noodzaak of geweld, schier onmerkbaar door hem tot God werden gebracht.
Met de geleerden was hij geleerd, onwetend met de onwetenden, kind met de kinderen, in één woord, hij was gelijk de H. Paulus »alles voor allen gewordenquot;. Zijne waakzaamheid voor de engelachtige reinheid ging zoo ver, dat hij, ofschoon gedurende een tijdperk van niet minder dan dertig jaren biechtvader eener aanzienlijke, alom gevierde dame, naar waarheid kon verklaren haar van aangezicht niet te kennen. Hij leefde zoo onthecht van alle tijdelijke zaken, dat hij niet zelden zijne boeken verkocht, om de opbrengst in aalmoezen uit te deelen. Zijne godsvrucht tot de allerheiligste Maagd Maria was eenvoudig en hartelijk; gedurende zijne ziekte hoorde men hem dikwijls geheele nachten in de zoetste samenspraken met Haar doorbrengen, zóó zelfs dat zijne bewakers den tijd vergaten en het Angelusklokje van den morgen niet zelden voor dat van den vorigen avond hielden.
Ziedaar in korte trekken een • bewonderenswaardig toonbeeld voor den geestelijken leidsman. Ik heb u dat willen voorstellen, niet opdat gij
102
zoudt zoeken naar iemand die den H, Philippus in alles evenaart, — hij zou onmogelijk te vinden zijn — maar om u te wijzen op eenige hoedanigheden, welke gij in uw zielbestuurder moogt vorderen , en waarvan de aanwezigheid u verzekert, dat gij de leiding uwer ziel hebt toevertrouwd aan iemand, die zijne taak tot eer van God en tot uwe grootere volmaaktheid zal behartigen.
§ 8. Uitweiding over de bemoedigende leer in de vorige paragraven van dit Hoofdstuk vervat.
Hetgeen in de vorige paragraven behandeld werd, wenschte ik hier nog breedvoeriger te bespreken, omdat het voor uwe volmaaktheid van zooveel belang is, en zeer geschikt om het doel dat ik mij daarbij voorstel, u namelijk te bemoedigen en te troosten, niet weinig zal bevorderen. De leer in de vorige paragraven ontvouwd, bevestigt alleszins, hetgeen ik u gezegd heb aangaande de gemakkelijkheid, waarmede men de volmaaktheid kan bereiken. Wij zagen immers dat daartoe niets wordt gevorderd dat onze krachten te boven gaat. Misschien zult gij opmerken, dat gij niet veel tijd aan het gebed kunt besteden? Welnu, indien dit zoo is, besteed dan weinig tijd, en dat weinige zal voor u voldoende zijn; want de goede God, ziende dat gij
03
|
( | ||||
|
de korte oogenblikken, waarover gij beschikken |
1 |
ki | ||
|
kunt, aan het gebed wijdt, zal u uithoofde dier |
bi | |||
|
kortheid geen enkele genade weigeren- Gij zult |
zi | |||
|
bovendien van Hem den geest des gebeds ont |
hc | |||
|
vangen, waardoor gij in staat wordt gesteld om |
SC | |||
|
meermalen daags vurige schietgebeden ten Hemel |
Sc | |||
|
op te zenden, zoodat gij ten laatste veel zult |
zi | |||
|
bidden, al is het ook met onderbrekingen; zeer |
( |
hc | ||
|
veel zelfs zonder het zelf gewaar te worden. |
1 |
hc | ||
|
»Maar ik weet niet hoe ik moet overwegen, |
te | |||
|
en ik ben nooit in staat geweest het te leeren , |
H | |||
|
ofschoon ik alle pogingen heb aangewend.quot; Ik |
dc | |||
|
begrijp, dat gij hier spreekt van eene overwe |
Pl | |||
|
ging, die volgens eene vaste methode of, om zoo | ||||
|
te spreken, kunstmatig geschiedt; waarbij men |
in | |||
|
de stof in bepaalde punten verdeelt, beurtelings |
hc | |||
|
het verstand en den wil oefent, nauwkeurig den |
w | |||
|
tijd vaststelt enz.; want de eenvoudige overwe |
oc | |||
|
ging, dat wil zeggen, het nadenken over de |
w | |||
|
eeuwige waarheden, is toch noodzakelijk voor |
ve | |||
|
alle menschen; ieder weet hoe hij dit moet doen |
va | |||
|
en allen zonder uitzondering zijn daartoe ook in |
ze | |||
|
staat. Inderdaad, wie zou niet weten, wie niet |
G | |||
|
kunnen overwegen , dat God de boozen straft en |
»1 | |||
|
de braven beloont; dat God uit liefde tot ons is | ||||
|
mensch geworden, voor ons geleden heeft en |
»0 | |||
|
gestorven is aan het kruis? — Gij bedoelt der | ||||
|
halve eene overweging volgens eene bepaalde |
st | |||
|
methode en overeenkomstig de regels der kunst. |
l |
te | ||
|
En gij weet niet hoe dat gedaan moet worden en |
ri( | |||
|
I04 | ||||
kunt het ook niet leercn ? Als dat zoo is, dan blijkt die overweging voor u niet noodzakelijk te zijn, en gij zult straks vernemen wat de H. Johannes van het Kruis dienaangaande zegt. Misschien zult gij nog opwerpen : vlk kan de HH, Sacramenten niet dikwijls ontvangen, mijne bezigheden , mijn echtgenoot of mijne ouders laten het niet toe.quot; Indien dat waarheid is, wek dan het verlangen bij u op naar de HH. Sacramenten ; zorg dat gij de zonde vermijdt, opdat de H. Biecht voor u niet dikwijls noodzakelijk zij ; doe geestelijke Communies en God zal die in de plaats der sacramenteele van u aannemen.
Ware het u ook onmogelijk meer dan eenmaal in het jaar tot de HH. Sacramenten te naderen, het zou voldoende zijn om u heilig te maken; w:at meer is, gij zoudt heilig kunnen worden, ook al vondt gij geene gelegenheid om zelfs dat weinige te doen, zooals dit het geval is met zoovele Christenen, die in de eenzame wildernissen van Azië, Afrika en Amerika wonen en slechts zelden door een priester bezocht kunnen worden. Gij zult misschien zeggen: »ik kan geene geeste-»lijke boeken lezen als de levens der Heiligen; »geen werken, die handelen over de volmaaktheid »of andere soortgelijke, omdat mij daartoe de »tijd ontbreekt.quot; Is u dat inderdaad onmogelijk , stel u dan tevreden met op zon- en feestdagen te luisteren naar het woord Gods; en het onderricht, dat gij daardoor ontvangt, zal voor u vol-
T
5
|
doende zijn. En zoudt gij mij antwoorden, dat |
1 |
amp; | ||
|
gij zelfs daartoe niet in staat zijt, omdat gij on |
dc | |||
|
godsdienstige ouders of een goddeloozen echt |
lx | |||
|
genoot hebt, die niet gedoogen dat gij naar de |
va | |||
|
preek gaat luisteren, of de christelijke leering |
or | |||
|
bijwoont, klaag dan uwen nood aan God en |
In | |||
|
smeek Hem, dat het brood der geestelijke onder |
ri | |||
|
richting u niet onthouden worde. Hij is een goede |
na | |||
|
Vader en zal in al uwe behoeften voorzien. Wees |
m | |||
|
intusschcn kalm en vreedzaam in de overtuiging |
dc | |||
|
dat zoolang die onmogelijkheid voortduurt, noch |
za | |||
|
de geestelijke lezing noch het aanhooren van |
ui | |||
|
Gods woord van u gevorderd worden om voort |
in | |||
|
gang te maken in de christelijke volmaaktheid. |
lij | |||
|
De almachtige God is immers overvloedig in staat |
w | |||
|
het onbrekende langs andere wegen aan te vul |
vc | |||
|
len b. v. door inspraken en verlichtingen, die gij |
za | |||
|
rechtstreeks van Hem zelf of in zijnen naam van i |
w | |||
|
uw heiligen Engelbewaarder zult ontvangen. |
vc | |||
|
Ik hoor u verder zeggen: «Ik ben niet in staat |
be | |||
|
»mijn leven in afzondering, stilzwijgenheid of |
nc | |||
|
«strenge boetvaardigheid door te brengen.quot; In |
tr | |||
|
dien gij waarheid spreekt, bewijst het alleen. |
! ve | |||
|
dat gij van nature niet geschikt zijt om, afge | ||||
|
scheiden van de wereld, in een klooster te leven, |
ui | |||
|
of onder strenge tucht en versterving uwe dagen |
tu | |||
|
te slijten. Mits gij slechts zorg draagt, dat alle |
ei | |||
|
zondige of gevaarlijke gezelschappen, personen. |
de | |||
|
plaatsen en uitspanningen door u vermeden wor |
i ik | |||
|
den; mits gij uwe tong bewaakt, zoodat gij door |
i |
m | ||
|
106 | ||||
geen enkel woord den godsdienst, de liefde of de goede zeden kwetst; mits gij uwe hartstochten beteugelt, in zoover zij ongeregeld zijn, en de vastendagen door de H. Kerk voorgeschreven onderhoudt, kunt en zult gij toch heilig worden. In plaats van u te onderscheiden door afzondering, stilzwijgen of boetvaardigheid, zal de genade van God zich naar uw karakter en gemoedsgesteldheid schikken en bewerken, dat gij door vriendelijkheid, zachtmoedigheid, gehoorzaamheid en rechtvaardigheid boven anderen uitmunt. Kortom, wat gij mij zeggen moogt, indien gij alle zonden ook de vrijwillige dage-lijksche, tracht te vermijden en in zaken, die wij onverschillig plegen te noemen, uitkiest wat volgens uwe meening aan God het aangenaamst zal wezen; dan zult gij heilig worden langs den weg, dien gij overeenkomstig uwe krachten kunt volgen, en daar alle middelen vinden, welke ter bereiking der christelijke volmaaktheid voor u noodzakelijk zijn. Indien nu deze leer u niet met troost vervult, wat zal u dan troost kunnen verschaffen ?
»Maar is dat alles wel even zeker?quot; Ik daag u j uit een reden aan te geven, waarom het aan twijfel onderhevig zou zijn. Nochtans, om u met eigen oogen te doen zien, dat deze leer niet enkel de mijne, maar tevens die der Heiligen is, verzoek j ik u aandachtig te luisteren naar een der grootste meesters van het geestelijk leven, den H. Johannes
07
van het Kruis, een sieraad in Gods kerk. Hij laat den goddelijken Bruidegom ongeveer op de volgende wijze spreken tot de ziel, die Hij zich tot bruid heeft gekozen:
»Als mijne dienaren mijne wegen nauwlettend gadesloegen, zouden zij bemerken, dat de zielen niet langs een en denzelfden weg, maar langs verschillende wegen tot Mij gevoerd worden; zij zouden er aan denken, dat het hemelsch Jeruzalem niet ééne, maar twaalf poorten heeft; zij zouden zich herinneren, dat in het huis mijns Vaders vele woningen zijn; en zij zouden nooit uit het oog verliezen, dat de bodem van elk hart ook bijzondere vruchten zal opleveren.quot;
»Dan zouden de zielbestuurders zich ook geene vergeefsche moeite geven om allen langs één weg te geleiden, door ééne poort heen te zenden, in ééne woning te huisvesten en van allen een en dezelfde vrucht te vorderen. Herinnert gij u dan niet, dat Ik bij de uitdeeling der talenten er één gaf aan den eerste, aan een ander twee, terwijl een derde er vijf ontving? Het zou dus onredelijk zijn twee talenten van gebed te eischen van wie er slechts één ontving, eveneens er vijf te vragen aan wie er slechts twee gegeven werden.
»Naar mijne stem moet meer geluisterd worden dan naar de stem der menschen. Als dus een zielbestuurder aan zijne penitenten een anderen
wee ter volmaaktheid blijft voorschrijven dan die J___-__
io8
door Mij reeds duidelijk werd aangewezen, dan handelt hij verkeerd en zul weinig vruchten in de zielen voortbrengen.quot;
Uit het bovenstaande moeten wij besluiten, dat men niet van iedereen dezelfde oefeningen kan vorderen, indien zij ten minste niet voor allen zonder onderscheid door God zijn voorgeschreven; dat men moet letten op den aanleg en de krachten van elk afzonderlijk ; de omstandigheden, waarin hij zich bevindt in aanmerking nemen, om dienovereenkomstig elke ziel op den weg der volmaaktheid te kunnen besturen.
Laat ons dit met een enkel voorbeeld ophelderen: zou er wel eene oefening zijn, die ter bereiking der volmaaktheid nuttiger is dan het overwegend gebed? En toch is het zeker, dat men niet van iedereen zulk een gebed kan vorderen. De H. Johannes van het Kruis laat daaromtrent den goddelijken Bruidegom aldus voortgaan : »De eerste weg is die van het mondgebed. Ik geef één talent aan wien Ik wil, maar het is van zoo groote waarde, dat hij daarmede den Hemel kan winnen, indien hij er een verstandig gebruik van weet te maken. Er zijn menschen, en hun getal is niet gering, die terstond tot godsvrucht gestemd worden, wanneer zij een rozenhoedje bidden of andere gebeden verrichten, zelfs wanneer zij een schietgebed doen ; maar nauwelijks hebben zij de lippen gesloten of hunne harten sluiten zich eveneens en worden koud als te voren. Zulke men-
09
|
1 schen moeten den weg van het mondgebed blijven |
be | |||
|
volgen en hun biechtvader moet hen daarin be |
za | |||
|
hulpzaam zijn . . . |
wi | |||
|
«Kunt gij niet overwegen, dan moet gij ook |
H. | |||
|
niet verlangen te doen, wat mijn wil van u niet |
pe | |||
|
vordert; want indien gij verlangt, wat met mijn |
ge | |||
|
wil in strijd is, zal uw verlangen niet vervuld |
na | |||
|
worden, en die teleurstelling zal u veel droefheid |
tei | |||
|
veroorzaken. Begin derhalve met te verlangen |
ha | |||
|
wat Ik zelf verlang, dan zult gij het verkrijgen |
wi | |||
|
en rust en vrede vinden. Als Ik u geen twee |
on | |||
|
talenten geef, moet gij Mij die dan met geweld |
wi | |||
|
afpersen? Voorzeker neen! Verneder u en neem |
b. | |||
|
wat Ik u aanbied, het is veel beter voor u dan wat |
m | |||
|
gij zelf verlangt.quot; |
he | |||
|
Ik zou niet gaarne willen, dat ik het vermoeden |
ba | |||
|
bij u had opgewekt, alsof ik weinig waarde hechtte |
vo | |||
|
aan sommige godsdienstige oefeningen of midde |
ge | |||
|
len , die de volmaaktheid niet weinig kunnen |
kr | |||
|
bevorderen, met name aan de overweging volgens |
to | |||
|
eene bepaalde methode, waarvan de II Johannes |
w | |||
|
hier spreekt. Ik schat die geestelijke oefeningen |
sii | |||
|
zeer hoog en vooral die soort van overweging. |
he | |||
|
door de meesters in het geestelijk leven zoo na |
Ze | |||
|
drukkelijk aanbevolen. |
te | |||
|
Maar wijl ik mij had voorgesteld, u te overtuigen. |
ee | |||
|
dat voor de volmaaktheid van ieder in 't bijzonder |
G | |||
|
niets gevorderd wordt, dat zijne krachten te boven |
w | |||
|
gaat, mocht ik niet nalaten u op te merken dat |
SC | |||
|
niet alle middelen, waardoor de volmaaktheid |
di | |||
|
I IO |
|
• |
1 | ||
|
bevorderd kan worden, ter harer bereiking noodzakelijk zijn. Bovendien wenschte ik u ook te wijzen op het algemeen erkend gezag van den H. Johannes, om u volkomen te leeren begrijpen, dat de zielen niet mogen streven naar hetgeen door haar zelf voor het beste en aangenaamste wordt gehouden, maar dat zij zich moeten laten geleiden langs den weg dien Gods geest haar aanwijst. Het is nuttig en noodzakelijk dat wij ons zeiven geweld aandoen. ten einde onze ongeregelde hartstochten te breidelen en te overwinnen ; want wij moeten geweld gebruiken om b. v. gehoorzaam, zuiver, en zachtmoedig te zijn ; maar het is niet nuttig en niet noodzakelijk, voor het doel, dat wij ons met geweld een weg willen banen tot eene volmaaktheid, die van ons niet gevorderd wordt. Daarom moeten wij ons niet dwingen tot eene wijze van gebed, waartoe ons de kracht ontbreekt, noch tot eene levenswijze waartoe wij van nature ongeschikt zijn. Intusschen, wie zou zonder gevaar voor dwaling eene beslissing kunnen nemen, waar het zijn eigen bekwaamheid, vatbaarheid, kracht of neigingen geldt? — Zeer zeker, niemand hoegenaamd. Maar dan blijkt tevens, hoe noodzakelijk het is, dat wij ons door een geestelijken leidsman laten besturen, die door God verlicht onze krachten kent, en weet hoe wij ons moeten gedragen ten aanzien der verschillende middelen, welke voor de volmaaktheid dienstig kunnen zijn. | |||
|
in |
|
Resluif. De taak die ik heb ondernomen, om u aan te moedigen en een wijle op den weg der christelijke volmaaktheid te besturen is hiermede geëindigd. O, ware het mij gelukt u te overtuigen, dat God uwe heiligheid verlangt, niet enkel eene eenvoudige heiligheid, die bestaat in het zuiver zijn van alle zware zonden , maar eene volmaakte heiligheid, die in de volkomen gelijkvormigheid van uwen wil met dien van God gelegen is ! Mocht gij toch ingezien hebben, dat het bereiken der volmaaktheid niet te moeilijk voor u is, en dat er in den Hemel of op de aarde geene zaak gevonden wordt die schooner of nuttiger kan zijn! Waart gij slechts vaster besloten om voortaan die middelen aan te wenden, welke u het bezit der volmaaktheid verzekeren! — Indien gij echter nog niet ten volle overtuigd, nog niet geheel en al besloten zijt, lees dan dit boekje opnieuw, maar met de bede dat de goede God heilige verlangens in u moge opwekken, en uwen geest verlichte door dat hemelsche licht waarnaar gij tot dusverre vergeefs hebt uitgezien. Roep de voorspraak in der allerheiligste Maagd Maria; en daar in die verlangens en dat goddelijk licht de ware wijsheid |
1 V V | |||
|
112 |
bestaat, herhaal zonder ophouden tot uwe bede verhoord wordt: »ZeteI der Wijsheid, bid voor onsquot;.
Eindelijk vraag ik ook voor mij een gt;Wees gegroetquot;, ter belooning van de goede meening waarmede ik dit werkje heb geschreven.
s
113
|
1 | ||||
|
AANHANGSEL. Welk denkbeeld de g'odvrnclitig'e ziel moet trachten zieli te vormen van de heilige vreezc Gods. «Ik smeek u mijne dochter, wees niet bevreesd voor God, want het kan zijn wensch niet zijn u eenig leed te doen. Integendeel, bemin Hem veel, want Hij verlangt u het hoogste goed te verschaffen.quot; Aldus schrijft de H. Franciscus van Sales aan eene godvruchtige ziel. Waren die woorden niet door een Heilige geschreven, zij zouden aan velen en inzonderheid aan de braven aanstoot kunnen geven. Men zou misschien zeggen : «De heilige Franciscus keurt dus de vreeze Gods af; die vrees, welke het begin der wijsheid is, en eene gave van den heiligen Geest. Kan het wel een Heilige zijn, die een godvruchtige ziel bidt en smeekt God niet te vreezen?'' En toch zijn dat woorden een Heilige waardig, en wel een Heilige zoo beroemd in het geestelijk leven als de groote Franciscus van Sales. Ziedaar |
-» | |||
|
114 |
de reden waarom ik ze hier herhaal. Denk niet dat Franciscus de vreeze Gods af keurt, die vrees namelijk, welke het begin der wijsheid en eene gave van den H. Geest is. Hij keurt slechts af de vrees, die uit mistrouwen geboren wordt, die onrust veroorzaakt en in plaats van God te eeren Hem oneer aandoet; daarom smeekt Franciscus zoo dringend, dat men God toch niet op zulke wijze vreeze Van die overdreven vrees nu wenschte ik u op mijne beurt bevrijd te zien, wijl zij niet het minste voordeel, integendeel enkel nadeel berokkent.
De heilige vreeze Gods is de grondslag der christelijke volmaaktheid en om die reden is zij onontbeerlijk, zelfs voor de godvruchtigste en heiligste menschen; daarom worden ook de val-sche leeraars, die verklaren dat de vreeze Gods in strijd is met de volmaakte liefde, te recht veroordeeld, en daarom verlang ik evenzeer, dat de vreeze Gods u blijve bezielen en wel in zoo hooge mate, dat gij door haar van zonde bewaard blijft. Hebt gij nu dit juiste denkbeeld in u opgenomen, dan zal het u krachtig in het streven naar de christelijke volmaaktheid voorlichten en steunen; zoo niet, dan zal uw hart door wanhoop, vrees en schrik gekweld, alle rust en vrede missen.
■■5
|
§ I. Dat de heilige vreeze Gods kalm en genist moet zijn. |
vr er ge vi oc | |||
|
De vreeze Gods is tweeërlei, eene slaafsche en eene kinderlijke vrees. Wij hebben eene slaafsche vrees, wanneer wij bang zijn God te beleedigen, uithoofde der straf waarmede Hij den zondaar kastijdt. Indien gij vreest eene zware zonde te bedrijven of bedreven te hebben, omdat de zondaar met de pijnen der hel en het verlies des Hemels bedreigd wordt, dan is dit eene slaafsche vrees; en ofschoon deze niet volmaakt is en eigenlijk niet onder de zeven gaven van den H. Geest gerekend mag worden, is zij toch goed en heilzaam, en gelijk het Concilie van Trente verklaart, eene gave Gods en eene opwekking van den H. Geest. Eene kinderlijke vrees gevoelen wij, wanneer wij er voor terugschrikken God te beleedigen ter oorzake der droefheid welke Hem, de oneindige Goedheid en Liefde, door onze zonden wordt aangedaan. Die vrees is inderdaad volmaakt en in den eigenlijken zin eene der zeven gaven van den H. Geest. Hetzij de vreeze Gods nu slaafsch of kinderlijk is, zij komt van den H. Geest; en wijl de H. Geest een geest van vrede , orde en rust is, kan Hij geen stoornis, wanorde en onrust in onze ziel verlangen. Vandaar ook dat de |
1 |
I f |
w vr sli ni di m de § u\gt; gij wc do ve tei we ge de de Mo | |
|
I ló |
V |
vreeze, die door den II. Geest wordt opgewekt cn aangekweekt, slechts met kalmte, orde en rust gepaard kan gaan. Wanneer gij derhalve ondervindt , dat gij door de vrees voor den dood, het oordeel of de hel, verontrust wordt, in verwarring geraakt of tot wanhoop vervalt, en den I vrede des harten verliest, moet gij daaruit besluiten, dat het geene heilzame vrees is en zij niet door God werd ingestort. Ziedaar een regel die door alle meesters in het geestelijk leven, met name door den H. Ignatius van Loyola en den H. Franciscus van Sales goedgekeurd wordt.
§ 2. Dat de vreeze Gods, indien zij niet kalm is, het goede verhindert en veel kwaad kan veroorzaken.
Denk nu eens aandachtig na, hoe het met uwe geestelijke oefeningen gesteld is, wanneer gij door ongeregelde vrees en schrik gekweld wordt. Is het niet waar, dat dan uwe gebeden dor en verstrooid zijn, zoodat gij de gewone vertroosting niet gevoelt en die krachtige besluiten en voornemens niet door u gemaakt worden , welke gewoonlijk volgen, wanneer gij met een gerust hart cn een helderen geest hebt gebeden ? Ontbreekt dan het vertrouwen niet, dat gij de genaden door u gevraagd zult verwerven ? Moet gij niet erkennen dat uw vertrouwen dan
|
zelfs vermindert, naarmate de genaden die gij | ||||
|
verlangt, menigvuldiger en belangrijker zijn? En | ||||
|
bovendien, in welk een beklagenswaardigen toe | ||||
|
stand bevindt gij u bij het naderen tot het aller | ||||
|
heiligste Sacrament des Altaars! Door die aan | ||||
|
houdende vrees, dat gij wellicht niet voldoende |
al | |||
|
zijt voorbereid of de vereischte gesteltenis mist. |
v; | |||
|
verliest gij u in zoovele nuttelooze gedachten en |
Ik | |||
|
onderzoekingen, dat uwe ziel, van alle zijden in |
o] | |||
|
het nauw gebracht, den troost en de kracht ont |
g( | |||
|
beert , welke een kalm en rustig berouw ons ver |
v; | |||
|
zekert. Hoezeer wordt gij in die oogenblikken |
sc | |||
|
gepijnigd, door de gedachte, dat uwe ziel wel |
ra | |||
|
licht met verborgen zware zonden besmeurd is |
ni | |||
|
en bijgevolg in vijandschap leeft met God, dien |
0( | |||
|
zij weldra zal ontvangen! Daaruit volgt onver |
o\ | |||
|
mijdelijk, dat uwe godsvrucht hoe langer zoo |
ra | |||
|
meer vermindert, en de aandoeningen der godde |
G | |||
|
lijke liefde weldra geheel onderdrukt worden! |
ki | |||
|
En is het niet mogelijk, dat het godvruchtig leven |
01 | |||
|
ten laatste een al te zware last wordt, omdat |
- |
lu | ||
|
gij daarin slechts onrust en bitterheid vindt; dat |
iu | |||
|
gij nalatig wordt in uwe gebeden, en de heilige |
te | |||
|
Sacramenten verwaarloost, gelijk zoovele ande |
hc | |||
|
ren hebben gedaan, die zich vooraf door over |
vc | |||
|
dreven vrees en onrust hadden laten overweldi |
dt | |||
|
gen? Vlucht derhalve dat gevaar en doe uw best |
! |
vr | ||
|
om de rust des harten te bewaren. |
m dc | |||
|
gc | ||||
|
118 |
|
1 | |||
|
§ 3- Over de middelen om de rust des harten te bewaren. |
i | ||
|
■ |
Indien gij behoort tot het getal dergenen, die al te neerslachtig worden door de beschouwing van Gods oneindige rechtvaardigheid, moet gij in het vervolg bij voorkeur uwe aandacht vestigen op zijne eindelooze goedheid. Over het algemeen gesproken is het noodig, dat wij God nu eens van deze, dan weer van eene andere zijde beschouwen, omdat Hij zoowel gevreesd als bemind wil worden en derhalve verlangt, dat wij niet alleen zijne teedere barmhartigheid, maar ook de strengheid zijner oordeelen tot stof onzer overweging nemen. Het verdient echter uwe opmerking dat, terwijl wij in de waardeering van Gods liefde ons niet aan overdrijving schuldig kunnen maken, noch de maat te buiten gaan, omdat gelijk de H. Bernardus zegt, de maat onzer liefde tot God bestaat in Hem mateloos te beminnen ; wat de vreeze Gods betreft, wij heel licht te ver kunnen gaan en de grenzen der gematigdheid, door de kinderlijke liefde en een onbeperkt vertrouwen aangewezen, gemakkelijk overschrijden. Vandaar dat de ziel, die genoegzaam in de vreeze des Heeren bevestigd is, zoodra zij bemerkt, dat die vrees steeds vermeerdert, totdat de vrede des harten en de helderheid van den geest verdwijnen, noodzakelijk moet ophouden |
k' ' | |
|
1 |
119 |
li |
door de overweging der goddelijke gerechtigheid en der eeuwige straffen die vrees nog te ver-grooten. Zij moet daarentegen zich beijveren om die vrees te matigen en haar vertrouwen op Gods eindelooze liefde te versterken, door de overweging zijner overgroote goedheid en barmhartigheid. Daarom moet zij het lijden van den Verlosser, het heilig Altaarsacrament, Gods barmhartigheid, den Hemel, de reeds ontvangen weldaden en andere soortgelijke onderwerpen, waardoor liefde en vertrouwen in het hart worden opgewekt, tot stof harer overdenking nemen, en alle overwegingen over de hel, het oordeel en andere van dien aard achterwege laten, tot rust en kalmte in het hart zijn teruggekeerd. Ook dient zij om dezelfde reden, het aanhooren van preeken en het lezen van boeken over bovengenoemde stoffen , met alle zorg te vermijden.
Misschien zult gij mij opmerken: «Maar de H. Geest vermaant ons toch, dat wij de uitersten indachtig moeten zijn, waartoe het oordeel en de hel zeer zeker behooren? Waarom zegt gij dan, dat ik mij van die overwegingen moet onthouden?quot; Ik antwoord, dat het uw plicht is u ervan te onthouden, omdat de H. Geest met die vermaning tot de Christenen in het algemeen • spreekt. Het is een algemeene regel, die uitzonderingen toelaat, van welke uitzonderingen gij onder andere een voorbeeld zijt, wegens uwe geestelijke zwakheid, waardoor de overweging dier
120
eeuwige waarheden, eene overdreven vrees en groote moedeloosheid in u voortbrengt. Op meer dan ééne plaats van de heilige Schriftuur leert de H. Geest, dat de wijn den mensch verjeugdigt en versterkt, eene waarheid die onmogelijk betwijfeld kan worden. Maar het is toch slechts een algemeene regel. Inderdaad, indien gij aan alle ernstige zieken zonder onderscheid wijn gaaft, zouden de meesten , in plaats van daardoor krachtiger te worden, het met den dood moeten be-koopen. Daar hebt gij dus reeds ééne uitzondering op den algemeenen regel.
Mocht deze leer u vreemd toeschijnen, lees dan wat de H. Johannes van het Kruis daaromtrent in zijne geestelijke verhandelingen zegt, en gij zult bevinden, dat die groote meester in het geestelijk leven niet aarzelt te verklaren, dat sommige zielen niet door God geroepen zijn om de vier uitersten van den mensch te overwegen; en daarom, vergeefsche moeite wordt aangewend door hen, die langs den weg der vrees zielen tot God willen leiden, welke volgens Gods alwijze beschikking, slechts door liefde tot daden geprikkeld worden. Lees verder wat de H. Franciscus van Sales dienaangaande in een zijner brieven zegt: Houd u niet bezig met het lezen van zulke boeken, waarin zeer breedvoerig over dood. oordeel en hel gehandeld wordt, omdat gij door Gods genade reeds in een christe-lijken levenswandel bevestigd, daartoe niet meer
|
door angst of schrik behoeft aangespoord te |
ge | |||
|
worden.quot; |
wi | |||
|
Hieruit ziet gij, waarde lezer, dat ik in geenen |
on | |||
|
deele van de leer der Heiligen ben afgeweken. |
op | |||
|
Laat er ons echter nog eene korte redeneering |
in | |||
|
bijvoegen. Is de liefde tot God niet voldoende |
de | |||
|
om ons heilig te maken? Zeker is zij voldoende |
ste | |||
|
en wel in die mate dat, terwijl niets in staat |
g» | |||
|
is ons tot heiligheid op te voeren, wanneer de |
ha | |||
|
liefde Gods ontbreekt, deze op zich zelve reeds |
ha | |||
|
genoeg is, en al het overige in zich besluit. En |
D; | |||
|
daarom vraag ik, zullen dan de overwegingen |
ke | |||
|
over het leven, het lijden en den dood van den |
oe | |||
|
Verlosser, over de tallooze en onmetelijke wel |
aa | |||
|
daden ons door Hem bewezen, over de glorie, |
Wc | |||
|
die Hij ons heeft bereid, niet in staat zijn het |
Za | |||
|
vuur der volmaaktste liefde in ons hart te ont |
en | |||
|
steken ? En als die liefde in ons binnenste brandt, |
zij | |||
|
wat behoeven wij dan meer, om heilig te worden ? |
de | |||
|
Ik zou het betreuren, indien iemand in den waan | ||||
|
verkeerde, dat overwegingen over de weldaden |
rm | |||
|
welke God ons bewijst, weinig geschikt zijn om |
wi | |||
|
de volmaakte goddelijke liefde in onze harten te |
■ |
he | ||
|
doen gloeien, alsof door zulke overwegingen slechts |
ik | |||
|
gevoelens werden opgewekt eencr onvolmaakte |
va | |||
|
liefde, of gelijk de godgeleerden zeggen, liefde |
de | |||
|
van begeerlijkheid. Dat is eene dwaling, want |
dr | |||
|
wanneer wij de goedheid Gods jegens zijne schep |
rir | |||
|
selen overwegen, beginnen wij ook duidelijker in |
m | |||
|
te zien hoe goed Hij in zich zeiven is; en dit, |
he | |||
|
122 | ||||
gevoegd bij de liefde der begeerlijkheid, waardoor wij God beminnen wegens zijne goedheid jegens ons, zal ons in korten tijd tot die volmaakte liefde opvoeren, waarmede wij God beminnen, omdat Hij in zich zeiven de oneindige Goedheid is. Dat is de leer van den H. Thomas. Ook de H. Ignatius stelt in zijne «Geestelijke oefeningenquot; de overweging van Gods weldaden voor, en beschouwt haar als een der krachtigste middelen om in onze harten eene volmaakte liefde op te wekken. Daarom spoor ik u eveneens aan om u bij voorkeur boven alle andere in deze overweging te oefenen. Zij herinnert ons aan onze schepping, aan onze instandhouding, aan onze roeping tot het ware geloof, aan het lijden en den dood van onzen Zaligmaker, aan de instelling der HH. Sacramenten enz., herinneringen die op zich zelve voldoende zijn om dankbaarheid, hoop , troost, in één woord de volmaakste liefde in onze harten op te wekken.
Toch zult gij mij misschien nog de bemerking maken, dat de heilige vreeze Gods het begin der wijsheid, en derhalve der christelijke volmaaktheid is. Ik neem dat natuurlijk aan , anders zou ik in tegenspraak komen niet het heilig woord van God. Maar ik vraag u: hebt gij niet reeds de vreeze Gods? Bezit gij haar zelfs niet op overdreven wijze; zóó overdreven, dat zij u verwarring en onrust veroorzaakt? Maar dan is het niet meer noodig, dat gij voortgaat met zoeken naar hetgeen gij reeds hebt.
123
|
! | ||||
|
1 |
Gij zegt: »ilk zou haar kunnen verliezen, indien ik verzuim mij te voeden met gedachten die haar in mij onderhouden.quot; Stel u gerust, zoolang gij u verheugt in het bezit van Gods heilige liefde, kan zijne heilige vrees u onmogelijk ontbreken, omdat alwie God bemint, noodzakelijk vreest Hem te beleedigen, noodzakelijk ook beducht is voor de hel, waardoor hij eeuwig van God gescheiden, eeuwig tot haat van God, de grootste aller rampen veroordeeld zou worden Onthoud de volgende waarheid: De vreeze Gods kan in de zielen aanwezig zijn, zonder zijne liefde; maar nooit kan zijne liefde heerschen in ons hart of zij moet van eene heilige vreeze vergezeld zijn. Eindelijk moet ik u nog opmerken, dat het volstrekt mijne bedoeling niet is, u aan te sporen die waarheden van den godsdienst te verwaar-loozen, welke de vreeze Gods in onze harten kunnen opwekken en onderhouden; ik wilde u enkel zeggen, dat zoolang die geestelijke zwakheid blijft voortduren, waardoor gij tot overdreven angst gestemd wordt en den vrede des harten verliest, gij u behoort te onthouden van de overweging der bovengenoemde waarheden, en daarmede niet opnieuw moogt beginnen vooraleer gij in een onwankelbaar vertrouwen op God bevestigd. Hem wel is waar nog vreest, maar met een kalm en rustig gemoed, zooals de beste der vaders zou wenschen door zijne kinderen gevreesd te worden. |
§ zij hc hc dr hc is te aa ve or Sic an kl en ee zo m ov zi( im ve ze m | ||
|
i . |
124 |
§ 4- Dat wij de rust des harten niet moeten verliezen al hebben zvij ook fouten en zelfs zonden bedreven.
Veel zou ik hier kunnen aanhalen en in staat zijn u met een enkelen oogslag te doen zien, dat het geen deugd is, wanneer men na gezondigd te hebben of in fouten gevallen te zijn, uit overdreven vrees zich door schaamte en moedeloosheid laat overmeesteren; dat het zelfs een gevolg is van verborgen hoogmoed, zooals door de mees-, ters in het geestelijk leven algemeen wordt aangenomen. Maar ik wenschte slechts van u te vernemen, of gij ooit gelezen of gehoord hebt, dat onze zonden en misslagen door onrust, neerslachtigheid en schrik worden uitgewischt. Het antwoord moet ontkennend zijn, want om de kleinste zonde uit te wisschen, zijn droefheid en berouw noodzakelijk. Wanneer gij derhalve een misslag hebt begaan of aan eene zware zonde — waarvoor üod u behoede — schuldig zijt, moet gij u zeiven vernederen en berouw daarover verwekken, maar zonder den vrede dei-ziel of de rust des harten te verliezen; dat is immers de eenige weg om vergiffenis te verwerven en uwe verbetering zooveel mogelijk te verzekeren. O, welk een diep medelijden boezemen ons die zielen in, welke bij de minste
125
|
■ | ||||
|
gelegenheid radeloos worden en zich aan onrust en moedeloosheid overgeven! Een enkele onvolmaaktheid is soms voldoende om haar, verward en ontsteld, naar haar biechtvader te doen heensnellen; die dan niet eens in staat is de rust aan dat geschokt gemoed weer te geven. Welke voordeelen zou men dan van die overdreven angst en vrees kunnen verwachten? § 5. Dat wij de rust des harten niet moeten verliezen wegens de onzekerheid of wij in staat van genade zijn. Ofschoon reeds in het vierde Hoofdstuk werd aangestipt, dat wij voldoende zeker zijn aangaande den staat van genade onzer ziel, wanneer wij ons niet herinneren eene doodzonde bedreven te hebben, of de bedreven zonden door oprechte boetvaardigheid zoo goed mogelijk hebben uitgewischt, vind ik het toch noodzakelijk nog eenmaal op dat punt terug te komen, en de ware en zuivere leer daaromtrent voor te dragen; omdat deze voor den vrede der zielen van het hoogste belang is, door velen verkeerd wordt begrepen, en in geestelijke boeken zelden of nooit genoegzaam wordt opgehelderd. Gelijk men kan zien in de werken van den geleerden kardinaal Bellarminus, die dit geschilpunt tegen de ketters breedvoerig behandelt, heeft de | ||||
|
i26 |
Kerkvergadering van Trente plechtig verklaard, dat wij met geene onfeilbare geloofszekerheid kunnen weten, of onze ziel zich in staat van genade bevindt. Het is dus eene ontwijfelbare waarheid , door het onfeilbaar gezag der Kerk vastgesteld, wegens de beste theologische gronden. Want geene waarheid kan een geloofspunt zijn, wanneer zij niet geopenbaard is, en nooit heeft de alwetende God aan de heilige katholieke Kerk den bijzonderen staat der zielen, of namelijk deze of gene ziel al dan niet in staat van genade is, geopenbaard.
Evenwel, al verklaart het Concilie, dat wij ten aanzien van dat punt niet zeker kunnen zijn met de onfeilbare zekerheid des geloofs, het zegt toch volstrekt niet, dat wij onzeker zijn, dat wij namelijk zouden leven in een toestand van aanhoudenden twijfel aangaande onze vriendschap of vijandschap met God. De Genueezen weten zeker dat Genua bestaat. Maar weten zij dit met de onfeilbare zekerheid des geloofs? Wel neen, want God heeft hun nooit het bestaan der stad Genua geopenbaard. Zij weten dit met eenc physieke zekerheid, omdat zij het met eigen oogen zien. Zoo weten wij ook met zekerheid dat Rome, Parijs, Londen, Berlijn, Amsterdam bestaan, maar wij weten dit slechts met moreele zekerheid, in de veronderstelling namelijk, dat die steden nooit door ons zijn bezocht. Immers, dan hebben wij onze zekerheid aan de mededeeling van anderen
27
|
j | ||||
|
te danken. Een vriend is zeker, dat hij door zijn vriend bemind wordt, maar het is slechts eene ver moedelijke zekerheid of een gegrond vermoeden , omdat het steunt op de bewijzen van vriendschap vroeger reeds ontvangen. Wij zijn derhalve zeker omtrent vele zaken, al nemen wij ze ook niet aan met die onfeilbare zekerheid, waarmede wij de waarheden, ons door God geopenbaard, gelooven. Bijgevolg kunnen wij ook op gelijke wijze zeker zijn, dat onze ziel in staat van genade is, niet met de zekerheid des geloofs, maar met eene alleszins voldoende moreele en gegronde zekerheid. Wanneer wij dus lezen, dat de mensch niet zeker kan weten of hij in staat van genade is, moeten wij niet uit het oog verliezen, eenerzijds, dat met die woorden slechts de onfeilbare zekerheid des geloofs wordt bedoeld, waarmede men de geopenbaarde waarheid aanneemt, anderzijds, dat wij, menschelijker wijze gesproken, altijd van onze vriendschap met God verzekerd kunnen zijn, indien wij geene zware zonde bedreven hebben, of, is dit geschied, door ware boetvaardigheid onze schuld hebben uitgewischt. Gij, waarde lezer, behoort ongetwijfeld tot het getal dergenen', die zich niet herinneren God ooit door eene zware zonde beleedigd te hebben, of die ten minste zooveel mogelijk alles hebben hers'teld en thans met haat tegen de zonde bezield zijn. Maar dan hebt gij ook alle reden van zekerheid, dat gij Gods onschatbare vriend- |
t |
SC cc d to dlt; ge w be w vr zi kc la bc ki zi en zu D pl ve tr ne | ||
|
128 |
schap geniet, en het zou zeer onverstandig zijn door eene valsche en ongegronde vrees u van de rust des harten te laten berooven.
§ 6. Dat ivij de rust des harten niet mogen verliezen uit vrees voor verborgen doodzonden.
Misschien zou iemand kunnen zeggen; «het is toch mogelijk, dat ik nog aan eene verborgen doodzonde schuldig ben en dus buiten Gods genade leef zonder het te weten.quot; Hierop antwoord ik, dat bij zielen, die verlangen God te beminnen en bijgevolg hare beste pogingen aanwenden om dat door daden te bewijzen, zulke vrees niets anders dan eene herschenschim kan zijn. Het is zeker, dat degenen die weinig denken aan God, aan de eeuwigheid en aan de belangen hunner ziel, zeer gemakkelijk aan verborgen zonden, zelfs aan doodzonden schuldig kunnen zijn. Het is ook zeker, dat de brave zielen nog verborgen dagelijksche zonden hebben, en daarom moeten wij allen met David uitroepen : zuiver mij, o Heer , van mijne verborgen zonden! De eersten zijn misschien aan zware zonden plichtig, omdat zij het gebed en het woord Gods verwaarloozen , en dan ten gevolge eener schuldige traagheid en onwetendheid in de vervulling hunner plichten te kort schieten. De anderen dragen
9
129
|
nog den last van sommige dagelijksche zonden, |
O | |||
|
omdat zij zich uit menschelijke zwakheid aan |
I |
V | ||
|
verschillende fouten hebben schuldig gemaakt. |
d | |||
|
Maar zielen , die oprecht verlangen God te dienen , |
h | |||
|
die bidden, meermalen de HM. Sacramenten | ||||
|
ontvangen, al hare verplichtingen trachten te ken |
n( | |||
|
nen en te volbrengen, — zouden zulke zielen |
b' | |||
|
zich wel aan verborgen doodzonden schuldig |
IK | |||
|
maken? Laat ons hier een oogenblik theologisch |
tc | |||
|
redeneeren. Eene zonde kan niet doodelijk zijn |
Ol | |||
|
of het moet eene zware pvertreding wezen, die |
ogt; | |||
|
met volle kennis en volle toestemming van den wil |
zi | |||
|
geschiedt. Maar dan volgt daaruit vanzelf, dat het |
\v | |||
|
geene «verborgenquot; doodzonden kunnen zijn, waar |
\\ | |||
|
die vereischten gevonden worden. Immers, hoe |
01 | |||
|
zou iemand kunnen zeggen dat hij niet weet, |
m | |||
|
zwaar gezondigd te hebben, wanneer hij op |
' |
ha | ||
|
Vrijdag vrijwillig vleesch heeft gegeten, terwijl |
br | |||
|
hij wist dat hem zulks op zware zonde verboden |
zc | |||
|
was? Het kan evenwel gebeuren, dat ik niet |
m | |||
|
genoegzaam weet of hetgeen door mij gedaan |
ve | |||
|
of nagelaten wordt, eene zware overtreding be |
dc | |||
|
vat. Dan is het natuurlijk slechts de vraag, in |
gt; |
kc | ||
|
hoeverre die onwetendheid zelve schuldig is ge |
da | |||
|
weest. Immers, ben ik gehouden mijne ver |
ka | |||
|
plichtingen te kennen, en heb ik die kennis op |
dc | |||
|
schuldige wijze verwaarloosd, dan ben ik ook | ||||
|
aansprakelijk voor de gevolgen, overeenkomstig de |
da | |||
|
schuld van mijn verzuim. Maar dan is er wederom |
zo | |||
|
geene plaats voor «verborgenquot; zware zonden. |
he | |||
|
130 | ||||
|
\ | |||
|
j lt;1 |
omdat mijn ver/uim met volle kennis en geheel vrijwillig heeft plaats gehad. Blijkt daaruit niet duidelijk, dat bij u zulk eene schuldige onwetendheid niet bestaan kan ? Gij hebt immers uw best gedaan en doet het nog voortdurend, om al uwe verplichtingen naar behooren te kennen en u daaromtrent aan geene nalatigheid schuldig te maken En mocht het dan toch voorkomen, dat gij in een of ander punt onwetend zijt en ten gevolge daarvan een gebod overtreedt, die overtreding kan geene zware zonde zijn, omdat de onwetendheid, die hare oorzaak was, zelve niet grootelijks schuldig is geweest. Wij mogen derhalve besluiten, dat zielen, die oprecht verlangen God te dienen, die bidden, meermalen de HH. Sacramenten ontvangen en al hare verplichtingen trachten te kennen en te volbrengen, zich onmogelijk aan «verborgenquot; doodzonden schuldig kunnen maken. Heb dus goeden moed en verban voor altijd dat schrikbeeld van verborgen zonde. De H. Franciscus van Sales, de H. Teresia, de H. Alphonsus en alle uitstekende leeraars in het geestelijk leven, verklaren , dat het afschuwelijk monster der doodzonde niet kan binnendringen in eene godvreezende ziel, zonder door deze duidelijk opgemerkt te worden. Nochtans wil ik voor een oogenblik onderstellen , dat gij eene verborgen doodzonde bedreven hebt zonder het te weten, en bijgevolg geen voornemen hebt gemaakt om u daarover te berouwen en ze op- | ||
|
131 |
, i | ||
|
recht te biechten, Zijt gij dan werkelijk aan die ver |
VI | |||
|
borgen doodzonde schuldig? En hoe lang zal die |
aó | |||
|
schuld duren? Gij antwoordt: »tot ik mij van die |
ge | |||
|
zonde bewust word, berouw gevoel en biecht.quot; Zegt |
bl | |||
|
gij dat inderdaad in ernst? Luister dan aandachtig. |
; |
w | ||
|
De katholieke Kerk leert, dat de volmaakte liefde |
vc | |||
|
niet bestaanbaar is in de ziel, te gelijk met de dood |
i |
\v | ||
|
zonde , en de tegenovergestelde leer is als ketterij |
m | |||
|
veroordeeld. |
ge | |||
|
Daarom leeren ook alle katholieke theologen |
in | |||
|
dat eene acte van volmaakte liefde, waardoor |
ni | |||
|
de ziel God boven alles bemint, wijl Hij on |
0( | |||
|
eindig goed is, elke doodzonde uitwischt al |
Cl( | |||
|
ware de vrijspraak daarvan den Paus uitslui |
1 |
st | ||
|
tend voorbehouden; en zij wischt die zonde uit. |
(!( | |||
|
omdat eene acte van zuivere liefde tot God een |
b( | |||
|
volmaakt berouw over de zonde, en tevens het |
' |
ar | ||
|
voornemen om zoodra mogelijk te biechten, in |
Ol | |||
|
zich besluit. Derhalve, al waart gij ook schuldig | ||||
|
aan eene verborgen doodzonde, zoo zwaar dat |
§ | |||
|
slechts de Paus u kon ontslaan, ja, al hadt gij | ||||
|
er ook duizend op het geweten ; alles zou uitge- | ||||
|
wischt en uwe ziel door de heiligmakende genade |
j | |||
|
onmiddellijk in Gods vriendschap hersteld worden, | ||||
|
indien gij slechts eene acte van volmaakte liefde |
i | |||
|
verwektet; natuurlijk met het voornemen om |
Zl | |||
|
uwe zonden te biechten, zoodra gij van hare aan |
m | |||
|
wezigheid verzekerd waart. Wanneer dan uwe |
| | |||
|
ziel met de schuld eener onbekende doodzonde |
de | |||
|
beladen mocht zijn, zult gij daardoor Gods |
ro | |||
|
1 32 | ||||
vriendschap en genade niet verbeuren, tot de tijd aanbreekt, waarop gij uwe zonde kent, berouw gevoelt en biecht, maar slechts tot op het oogen-blik, dat gij eene acte van volmaakt berouw verwekt. Eindelijk, ingeval gij ook geene acte van volmaakte liefde verwektet, uwe zonde zou toch worden vergeven, zoodra gij het heilig Sacrament der Biecht waardig ontvangt; omdat volgens het eenparig gevoelen der godgeleerden, in de Biecht, zelfs met een onvolmaakt berouw , niet slechts de zonden welke men belijdt, maar ook die men zich niet herinnert, vergeven worden. Ziet gij nu niet duidelijk in, dat gij volstrekt niet bevreesd moet zijn voor verborgen doodzonden; dat die vrees slechts een schrikbeeld is, waarmede de duivel u tracht te beangstigen , ten einde u den vrede der ziel te ontrooven ?
§ 7. Dat wij de rust des harten niet moeten verliezen uii vreeze voor een onvoldoend berouw over onze vroegere zonden.
Ik begrijp gemakkelijk dat gij nog niet voldaan zult zijn, noch lust gevoelt om u geheel gewonnen te geven. Gij zult waarschijnlijk zeggen:
nik ben niet zonder vrees, dat ik over de zonden van mijn vorig leven geen genoegzaam berouw heb gehad; en daarom leef ik in eene
133
|
'1 | ||||
|
pijnlijke onzekerheid aangaande de vergeving.'' |
ZO | |||
|
Maar zeg mij dan eens welke de redenen zijn, |
■ |
\ |
dc | |
|
waarom gij twijfelt of uw berouw- voldoende is |
hc | |||
|
geweest. Treed een oogenblik in u zei ven en gij |
va | |||
|
zult zien, dat gij overvloedige reden hebt om te |
SC | |||
|
besluiten, dat uw berouw waarachtig en oprecht |
vc | |||
|
was. Is het niet waar, dat hoe groot een zon |
hc | |||
|
daar gij vroeger ook geweest moogt zijn, thans |
is | |||
|
uw leven verbeterd is en gij niet meer in zware |
or | |||
|
zonden hervalt ? Is niet uw tegenwoordig gedrag |
j ■ |
m | ||
|
geheel en al van het vorige onderscheiden ? En |
dc | |||
|
is het ook niet waar, dat terwijl gij u vroeger |
tc | |||
|
aan vele doodzonden schuldig maaktet, omdat gij |
te | |||
|
uwe ongeregelde hartstochten niet genoeg be- |
w | |||
|
streedt, thans diezelfde zonden niet meer door u |
er | |||
|
bedreven worden, en gij ze niet zoudt willen |
ni | |||
|
bedrijven, al kondet gij daardoor ook uw leven |
vc | |||
|
redden ? |
m | |||
|
Ziedaar dus wel een bewijs, dat God u de ge |
z\ | |||
|
nade van een goed berouw geschonken heeft. en |
ec | |||
|
dat uw wil, vroeger zoo sterk aan de zonde ge | ||||
|
hecht, thans daaraan geheel vijandig is gew-orden. |
4 |
le | ||
|
Inderdaad, hoe ware het u mogelijk geweest de |
i |
ge | ||
|
zonde vaarwel te zeggen en uw leven te verbete |
zc | |||
|
ren, zonder die genade van een waar berouw; |
aé | |||
|
zonder die verandering van uw wil? Hoe zoudt |
ie | |||
|
gij het besluit hebben kunnen vormen, liever alles |
vc | |||
|
te lijden dan God nog ooit te beleedigen? Gij |
zi | |||
|
ziet derhalve, dat uwe vrees ongegrond is. Houd |
01 | |||
|
echter niet op boetvaardigheid te doen voor de |
gi | |||
|
134 | ||||
|
j | |||
|
1 ■ V |
zonden van uw vroeger leven, omdat gij daardoor niet alleen uwe schulden delgt, maar tevens het beste middel aanwendt, om u voor het hervallen in de zonde te vrijwaren. Blijf intus-schen kalm en gerust, in de overtuiging, dat uwe vorige vlekken zijn uitgewischt en uwe ziel in het bloed van den Verlosser volkomen gereinigd is. Welk een vreemd verschijnsel merkt men op in het leven van zeer vele menschen! Zij die maanden en jaren achtereen doorbrengen, zonder de minste poging om in vriendschap met God te leven, zonder een enkel oogenblik aan Hem te denken, hebben hoegenaamd geen vrees; terwijl anderen door wie God oprecht bemind wordt, en die bijgevolg vrede en rust moesten genieten, niet zelden zich door de hevigste angsten laten verontrusten. De laatsten verdienen ons innig medelijden. Zij zijn zoo edelmoedig gestemd, dat zij alles zouden opofferen, liever dan God door eene doodzonde, ja zelfs door de minste vrijwillige dagelijksche zonde te vergrammen; en toch leven zij in voortdurenden angst, hebben schier geen oogenblik rust, en dat enkel omdat zij vreezen wegens hunne zonden niet aangenaam te zijn aan God. Maar is het dan niet onmogelijk , dat iemand onverwacht door groote roofdieren wordt verslonden, als zelfs het kleinste schadelijk insect zijne waakzaamheid nooit ontgaat ? Laat dus die ongelukkige vrees varen; of beter nog: indien gij niet durft verklaren, dat gij schuldig zijt aan | ||
|
135 |
|
lifi |
j | |||
|
bepaalde verborgen doodzonden waarover gij |
1 |
nc | ||
|
zeker weet nooit berouw gehad te hebben; zet |
; |
tv\ | ||
|
dan alle angst en schrik met verachting voor |
vv | |||
|
immer op zijde, als komende van den duivel, |
va | |||
|
die alles in het werk stelt om onrust en verwar |
m | |||
|
ring in uw hart te veroorzaken. Merk wel op, |
ni | |||
|
dat ik zeg «bepaalde doodzondenquot;, omdat gij, die |
m | |||
|
met eene heilige vrees bezield zijt, allen twijfel |
hi | |||
|
dienaangaande als overdreven angstvalligheid |
1 | |||
|
moet beschouwen, zooals u ongetwijfeld reeds |
st | |||
|
meermalen door uw biechtvader is gezegd, wien |
he | |||
|
gij in de leiding uwer ziel volmaakte gehoorzaam |
Zc | |||
|
heid verschuldigd zijt. |
nc | |||
|
Alvorens deze paragraaf te sluiten, zult gij mij |
1 |
G | ||
|
wel willen veroorloven nog eenigszins breedvoerig |
1 |
tic | ||
|
een belangrijk punt te bespreken, dat ons aller aan |
1 |
or | ||
|
dacht overwaardig is. Ik wil namelijk mijn best doen |
amp; | |||
|
om die godvruchtige personen, welke zich door eene |
lij | |||
|
al te groote vrees voor God laten beangstigen, te |
ge | |||
|
overtuigen, dat zij volkomen zeker kunnen zijn |
le | |||
|
aangaande Gods heilige vriendschap, en uit hunne |
vc | |||
|
harten dien valschen en gevaarlijken twijfel moe |
/ | |||
|
ten bannen, of zij misschien nog onder de schuld |
gc | |||
|
cener doodzonde gebukt gaan. Het is eene zaak |
j |
dc | ||
|
van groot gewicht, omdat die twijfel de opwel |
1 |
dc | ||
|
lingen onzer liefde verhindert, onze goede werken |
st | |||
|
belet, het verlangen naar de vreugde des Hemels |
1 | |||
|
uitdooft en de neiging tot wereldsche geniefin- |
di | |||
|
gen doet herleven. Inderdaad, hoe zou mijn |
G | |||
|
hart zich in vurige liefdevlammen tot God kun- |
- |
ds | ||
|
136 |
1 ' 1 | |||
|
. ■ |
nen verheffen, wanneer het door de volgende twijfelingen rusteloos heen en weder geslingerd wordt: igt;Het is waar, door verschillende acten van liefde, geef ik uiting aan de gevoelens die mij schijnen te bezielen, maar wellicht is dit niets anders dan uiterlijk vertoon. Mijne ziel is misschien door zware zonden bezoedeld en mijn huichelachtig gedrag een gruwel in Gods oog?quot; O O O O O Is dat niet een vreeselijke gedachte, wel in staat om mijn hart ineen te doen krimpen; en heb ik geen reden tot groote neerslachtigheid? Zal niet alle ijver en moed mij ontzinken, wanneer ik bij mijn arbeid voor de belangen van God en den naaste, gekweld word door de vrees, dat al mijne werken misschien vruchteloos zijn, omdat mijne arme ziel niet met de heiligmakende genade versierd is? Neen. het is mij niet mogelijk, in zulk een ongelukkigen toestand te verlangen naar het einde van dit ellendig en zondig leven, of te reikhalzen naar eene zaligheid, die voor mij niet bestemd schijnt te zijn. Moet ik niet tot mij zeiven zeggen : »Zijt gij u geene groote zonden bewust, al hebt gij getracht door tranen van boetvaardigheid voor uwe zonden te voldoen , toch blijft de mogelijkheid bestaan, dat gij nog aan zware zonden schuldig zijt. En al sterft gij ook vol hoop op eene spoedige vereeniging met God, uw hoogste, uw eenig Goed, het voorwerp uwer vurigste wenschen, dan vindt gij u misschien in de klauwen van den |
I | |
|
137 |
_ |
duivel terug. Zou het daarom niet beter zijn u te hechten aan dit vergankelijke leven, dan naar een onzeker einde te verlangen , naar die laatste beslissende schrede, waaraan voor u zulk een ontzettend gevaar verbonden is?quot;
Arme onrustige ziel, pijnig u toch niet langer met die dwaze folterende gedachte. Verafschuw de zonde, ga voort met uwe goede werken, die aangenaam zijn in de oogen van God, en wees zonder eenige vrees. Luister veeleer naar de troostvolle stem van den H. Geest, die met zijne heiligmakende genade woont in uwe ziel, en die u de verzekering geeft, dat gij een kind zijt van God. Uit het onwankelbaar vertrouwen u door dat getuigenis ingeboezemd, zult gij eene onuitsprekelijke vreugde smaken, de vreugde namelijk des Heeren, die uwe sterkte zal zijn. Er worden somtijds menschen gevonden die er op uit zijn, de zielen voortdurend in een toestand van angst en twijfel te houden, onder voorwendsel dat deze daardoor in de deugd van nederigheid versterkt en bevestigd worden.
Wij aarzelen niet te verklaren, dat zulke ziel-bestuurders in eene noodlottige dwaling verkee-ren en eene groote onwetendheid aan den dag leggen. Door die onverantwoordelijke handelwijze toonen zij niet te begrijpen, dat er een groot onderscheid bestaat tusschen hetgeen de ware nederigheid Ijevordert en hetgeen onvermijdelijk tot mistrouwen en wanhoop voert. La-
138
|
I | |||
|
1 |
ten wij verstandiger zijn en het gevoelen omhelzen van een groot godgeleerde, die zegt dat de berouwvolle zondaar even zeker kan zijn van de vergiffenis zijner zonden, als hij zeker is die bedreven te hebben. § 8. Dat men het vertrouwen niet moet verliezen omdat men vreest in slechte gedachten toegestemd te hebben. Zielen die God vreezen, hebben niet zelden een zoo grooten afschrik voor de zonde, dat wanneer zij bekoord worden, de bloote mogelijkheid van toe te stemmen, haar somtijds zoo onrustig en angstig maakt, dat zij altijd vreezen gezondigd te hebben, en door schrik overmeesterd, hare zaligheid verloren wanen. Zij kunnen dan geen vrede vinden, tenzij tastbare bewijzen getuigen dat zij de bekoring weerstaan hebben. In zeker opzicht moet men de zielen, die God zoo teeder beminnen, gelukkig prijzen. Immers, indien de mogelijkheid van zonde te bedrijven haar reeds van angst doet beven, zijn zij zeker verre van het werkelijk bedrijven verwijderd. Van den anderen kant is echter die overdreven vrees onredelijk, onaangenaam aan God en een groot beletsel op den weg der volmaaktheid. Daar zij tastbare bewijzen verlangen, om zeker te zijn, dat zij in de bekoring niet toegestemd hebben, |
I | |
|
1.39 |
1 |
|
stellen zij zich ten aanzien der uitwendige zon |
m | |||
|
den vrij gemakkelijk gerust, wanneer zij slechts |
lo | |||
|
de daad, waartoe zij bekoord werden, niet ge |
oc | |||
|
steld hebben. Maar zoodra er sprake is van |
Pi | |||
|
inwendige zonden, ontbreken die tastbare bewij |
wlt; | |||
|
zen , en dan zijn zij ook ter prooi aan de vreese- |
ve | |||
|
lijkste angsten. Nauwelijks toch heeft de ziel. |
en | |||
|
door eene slechte gedachte bekoord, den min |
te | |||
|
sten indruk daarvan waargenomen of zij begint |
ze | |||
|
reeds te vreezen, dat zij niet gestreden heeft |
1 |
SC | ||
|
zooals het behoorde. Dan volgt op die eerste |
i |
ni( | ||
|
vrees eene tweede, dat zij misschien hare toe |
i |
Lc | ||
|
stemming gegeven heeft; vervolgens ontstaat in |
1 |
on | ||
|
haar het pijnlijk vermoeden, dat zij wellicht in |
tla | |||
|
doodzonde is gevallen en Gods vriendschap ver |
■ 1 |
ge | ||
|
loren heeft. Eindelijk begint er tusschen de ziel |
zij | |||
|
en het geweten een redetwist, die zich door |
bic | |||
|
scherp onderzoek en spitsvondigheden onder |
bic | |||
|
scheidt. Nu eens schijnt zij zich te herinne |
an | |||
|
ren, dat zij aan de slechte gedachte weerstand |
ge | |||
|
heeft geboden, om dan weer tot het vreeselijk |
bo | |||
|
vermoeden te komen, dat zij toch werkelijk hare |
len | |||
|
toestemming geschonken heeft. Hoe langer die |
ini | |||
|
tweestrijd duurt, des te grooter wordt de inwen |
da | |||
|
dige verwarring, totdat de arme ziel zich ten |
ter | |||
|
laatste van allen vrede beroofd ziet. Intusschen |
na? | |||
|
roept de verbeelding al de voorstellingen en in |
zijt | |||
|
drukken opnieuw in de herinnering terug, waar |
do | |||
|
uit spoedig nieuwe twijfelingen en nieuwe ang |
teg | |||
|
sten geboren worden en de ziel, naarmate zij |
var | |||
|
140 | ||||
|
meer bekoord wordt, ook vaster begint te ge-looven , dat zij inderdaad verachtelijk is in de oogen van God en zeer geneigd tot zonde. Die pijnlijke toestand duurt voort , tot zij , in den waan gebracht dat het haar te midden van zoovele bekoringen onmogelijk was, niet in eene enkele toe te stemmen, eindelijk overtuigd schijnt te zijn dat zij werkelijk gezondigd heeft. En niet zelden heeft dat gevoelen zoo diepe wortels geschoten , dat zelfs het gezag van den biechtvader niet bij machte is het geheel te verwijderen. Legt hij aan zulke penitenten de verplichting op om die vrees te verbannen, of verzekert hij hun dat zij zich aan geene schuld hebben plichtig gemaakt, dan komen zij enkel tot het besluit, dat zij hun toestand niet duidelijk genoeg hebben blootgelegd , en dus niet voldoende door den biechtvader begrepen zijn; en met dat al nemen angst en gejaagdheid steeds toe. — Mag ik u vragen waarde lezer, die op dit oogenblik mijn boekje in handen hebt, of gij in u zei ven geen enkelen trek van gelijkenis ziet met het beeld door mij geteekend ? Is uw antwoord bevestigend, o, dan smeek ik u om de liefde van God, behoud ten minste een oogenblik uwe kalmte en luister naar hetgeen ik zeg. Gij vermoedt, of misschien zijt gij zelfs overtuigd, dat gij dikwijls zondigt door gedachten, hetzij tegen het geloof, hetzij tegen de naastenliefde, hetzij tegen de deugd van zuiverheid, tegen de laatste misschien wel |
,1 | ||
|
141 |
It |
|
,1 •' | ||||
|
' J |
het meest. Ik zou u diep beklagen, indien gij de ongelukkige gewoonte hadt u aan zonden tegen de schoonste aller deugden schuldig te maken! Maar zeg mij eens, zijn de zonden, die gij tegen deze deugden bedrijft uitwendig, dat wil zeggen: geschieden zij door woord of daad ? Uit gij soms kettersche meeningen ? Belastert gij uwen naaste ? Bedrijft gij uitwendig zonde tegen de heilige deugd? — Gij antwoordt mij, dat gij door Gods genade niet gewoon zijt u aan die zonden schuldig te maken, en ik ben daarvan zelf evenzeer overtuigd, ook zonder dat gij het zegt; anders zoudt gij immers niet zoo bevreesd zijn den oneindigen God te beleedigen. Maar indien gij met den bijstand der goddelijke genade niet valt in uitwendige zonden, dan kunt gij toch volkomen zeker zijn, dat gij u evenmin aan de inwendige zonden schuldig majkt, die u met zooveel vrees vervullen. Indien de vreeze Gods voldoende is om uwe hartstochten dermate te beteugelen, dat gij u niet tot uitwendige zonden laat vervoeren, zal zij u zeker veel meer terughouden van het toestemmen in slechte gedachten. Gij zoudt waarlijk al een vreemdsoortig wezen moeten zijn, wanneer die neiging tot zonde van gedachte in u zoo sterk en aanhoudend was, terwijl juist het tegenovergestelde plaats had, waar het uitwendige zonden geldt. Zou het wel mogelijk zijn dat iemand, die altijd in de gelegenheid is om op |
V ei zi w si vc di st da w be ov te zo de to ve da he ge toe De no ZO( ZOI kei me in is | ||
|
142 |
Vrijdag vleesch te eten, daartoe nooit overgaat, cn toch vrijwillig daarnaar blijft verlangen en in zijne verbeelding zich blijft voorstellen dat hij werkelijk bezig is met het eten van die verboden spijs ? De boosheid onzer bedorven natuur vindt veel grooter voldoening in het werkelijk uitwendig bedrijven der zonde, dan in de' loutere voorstellingen der verbeelding. Gij moet zelf erkennen, dat gij u onthoudt van alle zondige handelingen, waarin uwe ongeregelde hartstochten veel meer bevrediging zouden vinden. Daarin hebt gij een overtuigend bewijs, dat gij in die slechte gedachten niet toestemt.
Maar de overdreven vrees brengt uwe ziel in zoo groote verwarring, dat gij de bekoring voor de toestemming aanziet, ofschoon tusschen beide toch hetzelfde verschil bestaat als tusschen het vergift in een glazen Hesch en het uitdrinken van dat vergift. Vindt gij zelf niet, dat er toch een hemelsbreed verschil is tusschen die beide dingen? Welnu dan, tusschen de bekoring en de toestemming bestaat juist hetzelfde onderscheid. De bekoring op zichzelve beschouwd, heeft nog nooit iemand benadeeld, evenmin als het vergift zoolang het in de tlesch besloten blijft. Om te zondigen is de toestemming van den wil noodzakelijk , en om doodzonde te bedrijven, moeten wij met volle kennis en vollen vrijen wil toestemmen in eene zaak, die op zware straf door Gods wet is verboden. Wees derhalve kalm en gerust,
143
1
Zoolang gij u onthoudt van alle uitwendige dadelijke zonden, kunt gij overtuigd zijn, dat gij niet willens en wetens in slechte gedachten toestemt, al zouden ook duizenden twijfelingen daaromtrent in uw hart oprijzen.
Misschien antwoordt gij nog, dat men toch gemakkelijker kan zondigen door gedachte; dat daarvoor minder tijd wordt gevorderd dan voor zonden, die uitwendig met de daad geschieden, en dat men zich dus ook lichter aan inwendige dan aan uitwendige zonden schuldig kan maken? Maar hoeveel tijd zou er dan gevorderd worden om in vollen ernst te zeggen: »Er is geen God!quot; Hoeveel om uitwendig een slechte daad te verrichten? — Ter nauwernood een enkel oogen-blik. En toch, zegt gij het eerste niet, en onthoudt u van het laatste. Wat meer is, wanneer uw wil eenmaal dien graad van boosheid heeft bereikt, dat gij afstand doet van Gods genade en wetens en willens tot eene zondige handeling besluit, is dan dat genomen besluit, op zich zelf beschouwd, niet even kort voor eene zonde van langeren duur, als voor eene zonde van een enkel oogenblikr Daarbij komt nog, dat de verkeerde wil veel minder voldoening heeft van eene kortstondige boosheid, dan van eene zonde die langdurig is. En inderdaad, de ondervinding leert dat zij, die aan de zonde verslaafd zijn, zich niet bepalen bij uitwendige zonden, en wanneer zij slechte gedachten hebben of zondige
144
|
verlangens koesteren zich daarmede een gerui-men tijd bezig houden, soms zoolang tot hunne verbeelding van vermoeienis uitgeput is. Daarenboven ontstaat schier al uwe vrees uit twijfel ol gij soms in die inwendige zonden behagen genomen hebt; waaruit natuurlijk volgt, dat uwe ziel zoolang zij geen behagen schept in die slechte gedachten, ook hoegenaamd geene zonde bedrijft. Maar dan vraag ik, hoe gij met eenigen schijn van reden kunt vreezen, dat gij u in die slechte gedachten hebt verlustigd, daar zij u met walging, vrees en afschuw vervuld hebben? Ziet gij dan niet in, dat het met elkaar in strijd is, op hetzelfde oogenblik in ééne en dezelfde zaak behagen te scheppen en daarvan afkeerig te zijn ? Zoolang een dronkaard dronkaard blijft, kan hij geen afkeer hebben van den drank, maar zoodra hij daarvan afkeerig begint te worden, houdt zijne drankzucht op en kan hij ook geen dronkaard meer genoemd worden. Laat ons nu voorgoed een besluit nemen in deze zaak. Wanneer uw geestelijke leidsman u verzekert, dat gij aangaande uwe slechte gedachten zonder vrees kunt zijn, en dat zij u de heilig-makende genade niet ontrooven; al ware uwe ziel dan nog zoo hevig ontsteld, geloof wat hij zegt, uit medelijden met u zeiven en uit liefde tot God. En ik smeek u dringend , bij het kostbaar bloed van Jezus Christus, toch te luisteren naar zijn woord, omdat ik weet, welke angsten |
■ : | ||
|
145 10 |
■f |
|
het gevolg zijn van uwe onverstandige vrees, en |
zi | |||
|
w elke beletselen gij daardoor aan uw geestelijken |
M | |||
|
voortgang stelt. |
n | |||
|
Weet gij wel wanneer gij met reden ongerust |
Ic | |||
|
moet zijn en u van uwe slechte gedachten dient |
ei | |||
|
te beschuldigen ? — Ik spreek natuurlijk tot dezul |
b | |||
|
ken aan wie de biechtvader alle angstvalligheid |
glt; | |||
|
heeft verboden. — Slechts dan, wanneer gij zoo |
m | |||
|
volkomen zeker zijt, met volle kennis en geheel vrij |
d | |||
|
1 |
willig daarin toegestemd te hebben, dat gij dit met |
n | ||
|
een plechtigen eed op het heilig Evangelie of |
n | |||
|
op het kruis van Christus durft bevestigen. In |
Vf | |||
|
dien gij echter wegens uwe onzekerheid tot |
di | |||
|
zulk een eed niet durft besluiten, moet gij met |
A | |||
|
die gedachten geene rekening houden. Dit is de |
h | |||
|
leer van den H. Alphonsus en in het algemeen |
lii | |||
|
van alle moralisten. Zeg mij nu oprecht, zoudt | ||||
|
gij werkelijk onder eede durven verklaren, dat |
nlt; | |||
|
gij met volle kennis en vollen vrijen wil hebt |
g« | |||
|
toegestemd in die gedachten, waardoor gij u zoo |
d( | |||
|
aanhoudend verontrust en de vrede uwer ziel |
h( | |||
|
zoo dikwijls verstoord wordt? Het zou mij ten |
v: | |||
|
hoogste verwonderen, dat gij den moed hadt zulk |
zc | |||
|
een eed te doen. »Maar onderstel eens dat ik mij |
hc | |||
|
niet nauwkeurig heb verklaard. — dat mijn biecht |
u | |||
|
vader mij niet ten volle heeft begrepen.quot; Ik |
Plt; | |||
|
moet u eerst opmerken, dat die vrees geene ge |
w | |||
|
ringe dwaasheid is, omdat God, door den pries | ||||
|
ter met de zorg der zielen te belasten, belooft |
zc | |||
|
hem te zullen verlichten, opdat hij den toestand |
er | |||
|
146 |
zijner penitenten naar hchooren zou kennen. Maar aangenomen, dat gij door uw biechtvader niet geheel begrepen werdt; dat gij u zeer onvolledig hadt uitgedrukt zonder hem nochtans wetens en willens te bedriegen; in één woord, hoe uw biechtvader of gij zelf u in deze zaak ook gedragen moogt hebben, door den H. Alphonsus en met hem door bijna alle moralisten wordt geleerd, dat gij moet gehoorzamen, moet zwijgen en gerust moet zijn, indien gij bovengenoemden eed niet zoudt durven afleggen. Gij zult u toch niet verbeelden, dat gij alleen in die zaken beter bedreven zijt dan duizenden geleerden, dan de H. Alphonsus, van wiens leer het gezag der Kerk heeft verklaard, dat zij zonder gevaar voor dwa-ling gevolgd kan worden.
Tot uwe meerdere onderrichting voeg ik er nog bij, dat diezelfde Heilige, steunend op het gezag en de bewijzen van zeer vele godgeleerden , en overwegende, dat de angstige vrees voor het toestemmen in slechte gedachten, bij godvruchtige zielen enkel eene vermeerdering dier zelfde gedachten ten gevolge heeft, verklaart dat het voor vreesachtige zielen en derhalve voor u geene verplichting is , zulke slechte gedachten op positieve wijze te bestrijden, maar slechts het vrijwillig behagen scheppen moet vermeden worden.
Zoo kunt gij in alle gerustheid handelen, al zouden die gedachten u nog zoo hevig kwellen en u met diepe schaamte vervullen.
147
|
Verneder u onder die plagerijen van den dui |
cl st a | |||
|
vel , maar sla er verder geen acht op. Indien | ||||
|
zij u lastig vallen, is het een teeken, dat gij cr | ||||
|
geen behagen in schept; en dit is voldoende om |
m d | |||
|
u te verzekeren, dat gij geen kwaad hebt bedre | ||||
|
ven. Tot eiken prijs moet gij daarom de rust |
zi | |||
|
der ziel bewaren, en u verzekerd houden, dat gij |
VI | |||
|
in Gods genade zijt en zijne vriendschap geniet; | ||||
|
dan zult gij u den vrede des harten niet laten |
1 | |||
|
ontnemen. |
11 | |||
|
»Maar ik ben aanhoudend bevreesd, dat ik God | ||||
|
beleedig; hetzij ik denk of handel, altijd en in | ||||
|
elke zaak vrees ik te zondigen. en toch ga ik | ||||
|
voort met denken en met handelen. Wanneer ik zoo |
zc | |||
|
blijf voortgaan met die voortdurende vrees, zonder |
VI | |||
|
mijn geweten telkens te zuiveren, en zonder zeker |
\v ! | |||
|
heid dat ik goed handel, maak ik mij dan niet |
; or | |||
|
aan zonde schuldig ?quot; — Ziedaar misschien eene der | ||||
|
fijnste listen van den duivel om de zielen in een |
1 g( | |||
|
toestand van voortdurende ongerustheid te houden. |
ty C | |||
|
De H. Alphonsus antwoordt echter op die moei | ||||
|
lijkheid en zegt, dat gij verplicht zijt die vrees |
1 |
amp; | ||
|
eenvoudig te verachten; dat gij in uw geweten |
nc | |||
|
geene zekerheid voor uwe deugdzame handelingen |
oc | |||
|
moet willen zoeken; dat gij eenvoudig moet den |
zc | |||
|
ken en handelen alsof die vrees niet bestond. |
de | |||
|
Bijgevolg moet gij u niet bekommeren over het |
aa | |||
|
geen gij met zulke vrees in het hart hebt gedacht |
be | |||
|
en gedaan, nog veel minder u daarvan in de biecht |
zi | |||
|
beschuldigen. Om kort te gaan , wees overtuigd, |
01 | |||
|
J jjj_ |
148 | |||
dat gij uw geweten niet moet trachten gerust te stellen door kracht van redeneering; dat zult gij alleen door eene heilige gehoorzaamheid vermogen, waarover gij u nooit zult berouwen. Immers de Heiligen zeggen algemeen: »Eene gehoorzame ziel gaat nooit verlorenquot;; en gij behoeft niet te vreezen, dat gij de eerste zult zijn.
§ g. Dat wij ook den inwendigen vrede niet moeten verliezen wegens het voortdurend gevaar van in doodzonde te vallen.
De mogelijkheid dat zij elk oogenblik in zware zonden kunnen vallen, vervult dikwijls vele godvruchtige zielen met eene angstige vrees, vooral wanneer zij aan hevige en langdurige bekoringen onderhevig zijn,
«Wat baat het mijquot;, zeggen zij, »thans in Gods genade te zijn , wanneer ik die genade ten allen tijde kan verliezen, zooals aarr vele deugdzame Christenen inderdaad overkomen is ? Ik loop dus gevaar elk oogenblik in den eeuwigen afgrond neer te zinken; en ik zou die rechtvaardige straf ook verdienen, wanneer ik mij aan eene doodzonde schuldig maakte. Hoe gemakkelijk kan mij daarenboven dat vreeselijk ongeluk treffen, daar ik aanhoudend aan de hevigste bekoringen ter prooi ben!quot; Die pijnlijke gedachte mag u den vrede der ziel niet ontnemen. Verbeeldt gij u dan dat men, om zoo te spreken, bij toeval, in eene zware
149
zonde valt en schuldig wordt aan de straffen der hel, evenals een reiziger, die door de duisternis misleid, van den rechten weg afdwaalt en in een afgrond nederstortr Om in doodzonde te vallen, moet onze booze wil vooraf besluiten tot het kwaad; en nu ben ik overtuigd, dat uw wil niet boos is, en gij ook geen verlangen hebt om te zondigen; derhalve zult gij, zoolang gij in die stemming volhardt, ook geene doodzonde bedrijven.
»Maar,quot; zult gij zeggen, ;gt;mijn wil kan toch veranderen, ik kan boos worden en dan tot de zonde besluiten.quot; Ik geef toe, dat die mogelijkheid bestaat, en dat zelfs voor iemand die God vreest, één oogenblik voldoende is, om eene zware zonde te bedrijven. Maar ik vraag, of hij daarom zonder ophouden zich door tie vrees voor dat gevaar moet verontrusten? Is het niet evenzeer mogelijk dat de liefde, die een zoon zijnen vader toedraagt, in één oogenblik in haat verandert? En kan de genegenheid van de eene zuster voor de andere niet in een ommezien tot afgekeerdheid overslaan? Dat alles is zeer goed mogelijk. Maar uit het feit dat zulke dingen mogelijk zijn, volgt toch volstrekt niet, dat zij moeten of zullen gebeuren. Zou iemand, die een ander liefheeft, zich wel ooit bedroeven of ongerust maken over de mogelijkheid , dat zijne liefde bij de eerstkomende gelegenheid in haat kan verkeeren ? Zegt gij, dat gij eene sterke neiging gevoelt om in de bekoringen toe
150
te stemmen, dan antwoord ik, dat God u zijne genade niet weigert en gij door uwe ijverige medewerking alle bekoringen kunt overwinnen. i In zijne eindelooze barmhartigheid blijft God u
met zijne genade ondersteunen; en door de liefde, welke gij voor Hem koestert, zult gij worden aangespoord, om te volharden in den strijd en eerder willen sterven, dan God met eene zware zonde beleédigen.
Gij wordt bovendien nog beschermd door de vrees voor de eeuwige straf, waaraan gij u indien gij doodzonde bedreeft, schuldig zoudt maken; — door de afschuwelijkheid der zonde in zich zelve, waarvoor uwe ziel een afschrik gevoelt, en dit te meer naarmate de bekoring nader komt; — door de voorspraak der allerheiligste Maagd Maria in wie gij uw volkomen vertrouwen gesteld hebt; — dooiden bijstand van uw Engelbewaarder, die de omstandigheden beter tot uw welzijn kan keeren, dan zij door den duivel tot mv verderf geleid kunnen worden. Of meent gij soms, dat het voor den duivel zulk eene gemakkelijke taak is, eene ziel die God vreest, van de heiligmakende genade te berooven en haar in doodzonde te doen vallen, al is dan ook één enkel oogenblik van geheel vrijwillige toestemming voldoende ? Het innemen van eene vesting heeft eigenlijk op één enkel oogenblik plaats; want het geschiedt öf wel, wanneer de vijand de poorten binnentreedt, die hij eerst omverhaalde; of wel wanneer hij zijn intocht
15'
doet in de stad door de bres , die hij te voren heeft geopend. Maar dikwijls gaan vele weken en vele maanden voorbij, eer dat oogenblik aanbreekt; en is de vesting goed bemand, sterk gewapend en ruim van leeftocht voorzien, dan wordt zij nooit ingenomen, maar de vijand is genoodzaakt af te trekken en wordt nog daarenboven met spottend hoongelach begroet.
■gt;Maar er zijn toch wel personen gevallen, die «jaren achtereen blijken gaven van beproefde »deugd, en daarbij konden beschikken over al de «middelen door u opgesomd?quot;
Laat mij u vooraf opmerken, dat het getal der-zulken veel geringer is dan gij u wellicht voorstelt. Inderdaad, zonder nog van waarlijk heilige zielen te spreken , maar enkel onze aandacht ves-tigd op die brave Christenen, welke vast besloten zijn de zonde te vermijden en met alle zorg de belangen hunner ziel te behartigen; de ondervinding bewijst, dat zij hoogst zeldzaam zich aan zware zonde schuldig maken. Het zal u bovendien tot troost verstrekken te vernemen, dat er velen onder hen gevonden worden, die zich nooit aan eenige doodzonde schuldig maakten; en dat een nog grooter getal, vroeger aan de zonde verslaafd, na oprecht bekeerd te zijn , gedurende eene lange reeks van jaren geen enkele zware zonde meer bedreven. Denk toch niet, dat alle menschen in de wereld hun ondergang te gemoet gaan. De genade van onzen God en Zaligmaker
152
werkt wonderbaar in een groot aantal zielen of liever in alle, die edelmoedig daaraan trachten te beantwoorden. Zij zullen eenmaal met de Heiligen, in den Hemel, die groote menigte vormen, van wie de H. Joannes in het boek der Openbaring zegt; »lk zag eene groote schare, die niemand tellen kon, uit alle natiën en stammen en volken en talen.quot;
Er zijn menschen in de wereld, die bij het zien van al het kwaad dat dagelijks geschiedt, en van de vele volkeren, die geen ander doel schijnen te hebben dan God te beleedigen, zich door diepe droefheid laten overmeesteren en tot zulke neerslachtigheid vervallen, dat zij alle zaken van de donkerste zijde beschouwen, gelijk de profeet Elias deed, toen hij op zekeren dag overwoog, dat hij misschien de eenige trouwe vereerder van God was in geheel Israël. Laat u toch door zulke zwaarmoedige denkbeelden niet overrompelen; zij brengen hoegenaamd geen voordeel aan, maar dienen slechts om uw hart te benauwen en nuttelooze klaagtonen daaraan te ontlokken.
In de wereld leven zeer zeker veel booze menschen en misschien is hun getal zelfs veel grooter dan dat der brave; maar er worden toch ook zeer vele uitmuntende Christenen gevonden, die den Heer tot vreugde strekken en de zegepraal zijner genade bewijzen.
Hoe vele zielen zijn er, die altijd in Gods ge-
153
nade leven, en zich nooit aan doodzonde schuldig maken! Gij ook kunt onder dat getal be-hooren, wanneer gij het slechts verlangt; en dat dit werkelijk uw verlangen is, blijkt overtuigend uit uwe vrees voor het verliezen van Gods genade.
Gij moet derhalve een onwrikbaar vertrouwen hebben en u zeiven niet verontrusten door eene angstige vrees voor de bekoringen, die niet ophouden u te bestormen. Het is immers duidelijk, dat zij door God worden toegelaten met het doel om u een bijzondere kroon van glorie te verzekeren. ]\Icn kan toch geen groote overwinningen behalen zonder grooten strijd; en de grootste overwinnaars ontvangen toch ook zeker de heerlijkste kroon. De Heiligen hebben eene bijzondere voorliefde voor de meest beproefde zielen, omdat zij groote dingen van haar verwachten. Gij zult wellicht antwoorden : »Maar ik ben nog altijd bevreesd, dat ik overwonnen zal worden en te eeniger tijd in zware zonde zal vallen.quot; Vertrouw dat gij niet zult vallen, gelijk ook ik vertrouw dat God u vóór den val uit dit leven weg zou nemen, indien Hij voorzag, dat gij door langer te leven in de bekoring zoudt toestemmen.
Hij weet immers, dat gij vurig verlangt liever te sterven, dan Hem door eene zware zonde te beleedigen: en meent gij dan, dat zijne genade u zal ontbreken om dat edel verlangen vervuld te
54
zien? Bid dus met vertrouwen: quot;Mijn God, ik heb geene andere vrees in deze wereld dan die van U te beleedigen en uwe vriendschap te verliezen. Mocht Gij voorzien, dat die vreeselijke ramp mij zou treffen indien ik langer leefde, o, ik smeek het U, laat mij dan sterven vóór dien tijd. De dood, die door den wereldling als de grootste aller rampen beschouwd wordt, zal voor mij de grootste genade, de grootste zegen zijn.quot; In zulke stemming moogt gij u veilig op Gods eindelooze goedheid verlaten.
«Maar de Heiligen die gevallen zijn,quot; zegt gij, «vervullen mij met grooten schrik.quot; Dat is voor u nog geene reden om zoo erg bevreesd te zijn; die gedachte moet uw hart veeleer tot diepe nederigheid stemmen daar zij, zooals de H. Alphonsus zegt, juist daarom gevallen zijn, wijl zij vooraf zich door hoogmoed lieten beheei-schen. Zij waren trotsch op zich zeiven, daarom zijn zij ellendig te gronde gegaan.
Laat dan de herinnering aan den val dier Heiligen u standvastig in de nederigheid gevestigd houden, zonder u met overdreven schrik te vervullen; want de nederigheid brengt altijd groote voordeelen aan; de schrik daarentegen heeft nooit eenig nut voortgebracht.
Verneder u daarom zonder ophouden diep voor het aanschijn des Heeren , te meer nog, omdat gij daardoor u de grootste zekerheid verwerft; gij behoeft u dan niet te verontrusten, al wordt gij ook
'55
voortdurend, zelfs door hoogmoed bekoord; want indien de duivel van den hoogmoed onophoudelijk aan de deur mvs harten aanklopt, is dit een zeker bewijs, dat hem nog geen toegang verleend is. Volhard dus in het gebed, wees gerust, en God zal niet toelaten, dat de vijand zich meester make van uw hart.
Eindelijk wil ik u nog opwekken om te streven naar een heldhaftig vertrouwen, een vertrouwen dat den H, Paulus deed uitroepen : »ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch Engelen, noch heerschappijen, noch machten , noch het tegenwoordige, noch het toekomende, noch sterkte, noch hoogte, noch diepte, noch eenig ander schepsel, ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus onzen Heer.quot; Eene hoop zoo zeker, zoo hecht, geworteld in God alleen, van wien ons alle sterkte en genoegzaamheid komt, zal het krachtigste middel zijn om niet meer in zonde te hervallen ; en dit om twee redenen :
In de eerste plaats, omdat de hoop groote verdiensten heeft, en deze verdiensten vermeerderen, naarmate onze hoop vaster en volmaakter is. Door die verdiensten worden wij voorbereid tot het ontvangen van Gods genade; en hoe grooter dus onze verdiensten zijn, des te bekwamer zullen wij ook worden om in den overvloed van Gods genadeschatten te deelen; zoodat door die voortdurende vermeerdering der genademid-
156
|
delen, van den kant van God onze volharding dagelijks meer verzekerd wordt. In de tweede plaats, omdat de zekerheid dat wij een groot, ja het allergrootste goed zullen verkrijgen, — wat toch zeker van de standvastige volharding in ('iods vriendschap gezegd kan worden), — ons met grooten moed bezielt om elke moeilijkheid, elk beletsel op den weg der volmaaktheid te boven te komen; en dus geen enkel middel, hoe zwaar, hoe pijnlijk ook, door ons verwaarloosd zal worden , mits het de bereiking van ons doel bevor-dere. Vandaar dat onze steeds toenemende medewerking, vereenigd met de telkens grooter wordende genade van God, de volharding van onzen kant met den dag meer zal verzekeren. § io. Dat de heilige vreeze Gods ons een groot vertrouwen moet inboezemen. Waarom zou God ons die gevoelens van heilige vrees voor Hem inboezemen? Met welk doel geeft Hij ons de genade dat wij zijne oordeelen en straffen duchten? Hebt gij daarover wel ooit nagedacht? — Het antwoord is spoedig gevonden. Hij boezemt ons die heilige gevoelens in, opdat wij de zonden zouden vermijden, berouw zouden verwekken indien wij gezondigd hebben, en niet door de gestrengheid zijner oordeelen en de eeuwige straf getroffen zouden worden; in | ||||
|
157 | ||||
één woord, Hij verlangt dat wij Hem vreezen opdat Hij, om zoo te spreken, niet verplicht zou zijn, ons in zijne rechtvaardigheid te straffen. Die gevoelens van heilige vrees worden derhalve door God niet in ons opgewekt, om ons met de vreeselijke uitwerkselen zijner rechtvaardigheid te bedreigen, maar om ons de zachte en liefdevolle kracht zijner barmhartigheid te doen beseffen. Indien dit werkelijk zoo is, volgt dan daaruit niet klaarblijkelijk, dat diezelfde vreeze Gods ons met een onwankelbaar vertrouwen moet bezielen? — dat dit vertrouwen niet enkel dooide rechtvaardigen, maar zelfs door de grootste zondaars mag gekoesterd worden?
Dat wij die heilige vrees gevoelen, is voor ons een onderpand en een waarborg van de barmhartigheid, die God verlangt ons te bewijzen. Indien Hij. ter oorzake onzer zonden. ons niet langer zijn medelijden wilde toonen, dan zou Hij ons ook de genade dier heilige vreeze niet meer schenken, daar deze ons toch gegeven wordt, om vergiffenis te kunnen verwerven. Gevoelt gij dus in uw binnenste die vreeze voor God, voor zijne oordeelen en straffen, dan kunt gij daaruit met zekerheid besluiten, dat Hij u niet zijne strenge gerechtigheid, maar de teederste bewijzen zijner barmhartige liefde wil laten ondervinden.
Die vrees, zegt de H, Bernardus, is op zich zelve reeds een zeer krachtige reden tot hoop, omdat zij eene der uitstekendste gaven van God
58
is, en uit de thans verleende gunsten de stelligste hoop op toekomstige genaden gebouwd mag worden. Onderstellen wij voor een oogenblik, dat gij, in plaats van vroom en godvruchtig te zijn, een groot zondaar waart met vreeselijke misdaden beladen, en dat gij door eene heilige vrees voor den dood, het oordeel en de hel. werdt aangegrepen; dan zou uw hart zich onmiddellijk door een groot vertrouwen vernieuwd en versterkt gevoelen.
Ik zeide een gróót vertrouwen, omdat ons vertrouwen altijd grooter moet zijn dan onze vrees. De goedheid en barmhartigheid van den almach-tigen God is immers eindeloos grooter dan onze boosheid? En als de stem onzer zonden om wraak en straf ten Hemel schreeuwt, smeekt dan de stem van Christus' allerheiligst bloed nog niet oneindig dringender om vrede en vergiffenis ? Het is waar, wij moeten meer op Gods barmhartigheid vertrouwen, dan zijne rechtvaardigheid vreezen, omdat ten slotte toch de eigenlijke oorzaak onzer vrees geene andere is, dan de schuld onzer zonden, die hoe groot zij ook wezen moge, niet oneindig is.
Van den anderen kant moeten wij onze hoop stellen op de verdiensten van onzen goddelijken Zaligmaker, die zonder twijfel eene oneindige waarde hebben. Laten wij daarom altijd meer bezorgd zijn, in onze ziel gevoelens van hoop dan van vrees op te wekken en te onderhouden.
■59
Raadpleeg de H. Schriftuur, lees de openbare gebeden der H. Kerk en 'gij zult zien, dat voor elke honderd plaatsen, die u tot vertrouwen op Gods eindelooze goedheid aansporen, gij er nauwelijks ééne vindt, die u van Gods vreeselijke rechtvaardigheid spreekt. Ziedaar wel een allerkrachtigst bewijs om ons te overtuigen, dat God veel meer vertrouwen dan vrees van ons verlangt.
Eindelijk, zeg mij eens oprecht, wat gij op aarde het vurigst wenscht? Is het niet waar, dat gij braaf wilt zijn en heilig leven voor het aanschijn van God? Indien een Engel u kwam openbaren, dat God tevreden over u was, en hij verzekerde u tevens, dat gij door Hem beschouwd werdt als eene ziel, waarin Hij zijn behagen vond, zoudt gij dan u zeiven niet volmaakt gelukkig rekenen ?
In waarheid. gij kunt het niet loochenen , uw eenig verlangen is, aangenaam te zijn en welgevallig in de oogen van God.
Welnu, stel u dan eene dochter voor, behept met vele gebreken, die haren vader mishagen, niet minder dan de zonden, waarmede gij beladen zijt: door God verafschuwd worden; maar die dochter verlangt niets zoo zeer, als braaf te worden, harer vader in alles te voldoen en zijne vriendschap te genieten.
Onderstel verder, dat het in haars vaders macht is, heur hart te veranderen en haar braaf te maken, zoodra het hem goeddunkt; dat zijne dochter zich
160
|
in die overtuiging bij hem aanbiedt aan zijne voeten nedervalt en zegt: «Dierbare vader, gij ziet hoe boos ik ben , en hoe dikwijls ik dingen doe, die u onaangenaam zijn en uw hart pijnigen. En wat mij nog het meeste grieft is, dat ik u daardoor mishaag en veel droefheid veroorzaak. Gij kunt mijn hart omkeeren; gij kunt mijn kwaden wil door een goeden vervangen en mij aldus in eene eerbiedige, gehoorzame en voorbeeldige dochter veranderen, die niets vuriger verlangt, dan u in alles genoegen te verschaffen. Dierbare vader, ik verlang van u geene andere genade; verander mijn hart en mijnen wil zoodanig, dat al mijne handelingen uwe volkomen goedkeuring wegdragen. Mocht tot die verandering eene kastijding noodzakelijk vijn, kastijd mij dan, ik smeek het u, zooals gij zelf dit het nuttigst oordeelt. Ik wil mij in alles aan u onderwerpen, zoo gij mij slechts de gunst verleent, u nooit meer te mishagen, maar in alles uwen wil te volbrengen.quot; Wanneer nu zulk eene dochter aldus tot haren vader sprak, zoudt gij dan kunnen gelooven, dat hare bede niet verhoord, haar verzoek niet ingewilligd werd? Gij zijt zelf van het tegendeel overtuigd, omdat het hart eens vaders, bij zulke gelegenheid in liefde ontstoken, niets vuriger verlangt, dan de wenschen van zijn dierbaar kind te vervullen. Ongetwijfeld zou dus die veelgeliefde dochter den troost smaken, dat zij in de toekomst haren vader door een braaf en deugdzaam leven steeds |
| | |
|
161 ii |
welgevallig kon zijn. In deze wereld bestaat er echter geen vader, die de macht heeft de harten zijner kinderen te veranderen. Zulk een vader hebben wij in den Hemel, en ook gij, godvruchtige ziel, die helaas te kleingeloovig en te vreesachtig zijt, ook gij bezit in God een almachtigen en goedertieren Vader. Herhaal Hem dan met groot vertrouwen, woord voor woord de bede van die nederige dochter, en wees verzekerd, dat zijn gevoelig Hart u met geene koude weigering zal afwijzen. Opdat gij echter nog zekerder zoudt zijn van uwe verhooring, moet gij de voorspraak inroepen van Haar, die in den Hemel uwe Moeder is, aan wie de Vader schier alle macht heeft toevertrouwd en die zoo zeer door Hem bemind wordt, dat alle Engelen en Heiligen te zamen Hem niet zoo aangenaam zijn als zij, de gezegende Moeder des Heeren. Stel daarna al uw vertrouwen op God, in vrede, in rust en in volkomen zekerheid.
Beslnit van liet Aanhangsel.
Hebt gij nu wel duidelijk ingezien van hoeveel belang het voor u is, dat uwe vrees voor God de bovengenoemde hoedanigheden heeft, dat zij namelijk nooit zonder vrede en gerustheid mag wezen, maar door een onbegrensd vertrouwen.
I62
op Gods goedheid zich moet onderscheiden? Gelukkig zijt gij, wanneer gij dit ten volle begrepen hebt. Gij zult dan snelle en zekere vorderingen maken op den weg der christelijke volmaaktheid, omdat gij zoodoende in staat zijt, de strikken te vermijden, welke de duivel aan de brave zielen spant. Die meester van alle bedrog ziet al degenen, die den weg door dit sterfelijk leven bewandelen , als het ware in twee groote groepen verdeeld. Sommigen volgen de banier der wereld, vol trotschheid steunend op eigen macht en sterkte; zij trotseeren de grootste gevaren en naderen met al te rassche schreden het noodlottig einde van de glibberige baan, die naar den ondergang leidt. Anderen daarentegen volgen het kruis des Verlossers, in alle nederigheid hunne eigen krachten mistrouwend; zij wandelen behoedzaam en met veel bezorgdheid voort, om van den weg der zaligheid niet af te wijken. Zij die zich bevinden op den breeden weg des verderfs, en niet ver meer verwijderd zijn van den verborgen afgrond, waarin zij weldra kunnen neerzinken, moeten met eene heilzame vrees vervuld worden, opdat zij hun noodlottigen tocht staken en zich niet langer door de zinnelijke lusten laten misleiden. De braven echter, die onder veel inspanning en strijd den waren weg volgen en trapshewijze den stellen, maar veiligen berg des heils beklimmen, moeten aangemoedigd en met frissche krachten versterkt worden, opdat
63
|
I: !r | |||
|
/• hi |
zij in hunnen ijver om te volharden niet verflauwen. De booze geest juicht de ongelukkigen toe en spoort hen aan, die roekeloos hun ondergang te gemoet snellen, tot zij eensklaps en onverwachts in den gapenden afgrond van den eeuwigen dood neerstorten. Die naar de volmaaktheid streven , tracht hij daarentegen op alle wijzen te verschrikken en te ontmoedigen, met geen ander doel dan om hen op te houden of, kan het zijn, af te brengen van den weg die hun eene eeuwige zaligheid verzekert. Daarbij weet hij met zooveel sluwheid te werk te gaan, dat niet zelden geene tier partijen zijne bedriegerijen gewaar wordt. De zondaars, die van schrik moesten beven, omdat zij vijanden zijn van God en in de boosheid volharden, wekt hij op tot verwaanden overmoed; terwijl van den anderen kant de braven , die vol hoop moesten zijn omdat zij in Gods vriendschap leven en standvastig voortgaan op den weg der deugd, door hem tot moedeloosheid bekoord worden. Hoe is het mogelijk dat zulk een schandelijk, duidelijk en openlijk bedrog niet door iedereen erkend wordt! Doe gij ten minste uw uiterste best om het te ontdekken en de listige kunstgrepen van uw aartsvijand voorgoed te verijdelen. Indien gij uit uw hoofd alle noodelooze bezorgdheid , vrees en angst verbant, waardoor gij u onophoudelijk Iaat verwarren en ontstellen, en kalm | ||
|
f J |
164 |
en onverschrokken den weg der christelijke volmaaktheid bewandelt, moogt gij tot uwen troost op de volgende voorree,iten rekenen :
Vooreerst zult gij gevoelen, hoe zoet het is God te dienen; gij zult de vertroostingen smaken der goddelijke genade, die uwe standvastigheid in den dienst des Heeren met den dag hechter en duurzamer zal maken, en waaraan gij steeds met meer gemak en vaardigheid zult beantwoorden. Met den koninklijken profeet zult gij kunnen getuigen: igt;Heer, ik heb geloopen op den weg uwer geboden, toen Gij mijn hart verruimd hebt.quot;
Ten tweede, zult gij met veel meer ijver naderen tot de heilige Sacramenten en inzonderheid tot het hoogheilig Sacrament des Altaars; en in plaats van uwen zielbestuurder te noodzaken, dat hij u bevele al uwe vrees ter zijde te stellen, zult gij hem uit eigen beweging verlof vragen om dikwijls de H. Communie te ontvangen en aldus gevoed te worden met die allerkrachtigste spijze der ziel, waardoor gij u onschatbare voordeden zult verzekeren.
Ten derde, zult gij meer onthecht leven van deze ellendige wereld, omdat de zekere hoop op de belooning des Hemels u de kracht zal schenken om den dood met een kalmen blik te gemoet te zien, overtuigd dat hij u van alle rampen zal bevrijden en in het bezit stellen eener eindelooze gelukzaligheid.
Ten vierde, zult gij de deugd voor anderen
'65
beminnelijker maken en velen tot hare beoefening overhalen, omdat uwe grondstellingen geenc overdreven strengheid of bitterheid vertoonen. Het zullen in waarheid de grondstellingen van het H. Evangelie zijn, die, mits zij niet verkeerd begrepen of voorgesteld worden, de harten van anderen trekken met een onweerstaanbaar zoet geweld. Zij die thans nog door de stormen hunner wilde hartstochten worden voortgeslingerd, zullen bij het zien van uwe onverstoorbare kalmte, naar diez.elfde rust verlangen en aan hunne onge-\ regelde neigingen verzaken. O, welk eene schade wordt helaas, aan de godsvrucht toegebracht door die vrome zielen, welke zich onophoudelijk door angst en vrees laten overrompelen.
Zoodra de wereldling zulks bemerkt, verheugt hij zich over zijne denkbeeldige vrijheid, omdat hij zich verbeeldt, dat er geene ware godsvrucht kan bestaan zonder angst, gejaagdheid en een verwarden geest.
Ten vijfde , zult gij niet slechts een grooten ijver voor het heil der zielen in uw hart gevoelen, maar daarvan ook door daden getuigenis afleggen: zij toch die van onrust, angst en vrees bevrijd zijn, snellen onbelemmerd voort op den weg naar den Hemel, en niet tevreden met hunne eigen zaligheid te verzekeren, wenden zij tevens hunne beste pogingen aan om anderen te redden, hetgeen hun een onuitsprekelijk geluk doet smaken. Daarentegen hebben zij, die altijd door vrees beangstigd worden,
166
|
voortdurend in onzekerheid leven en telkens aan nieuwe twijfelingen onderhevig zijn , geen tijd noch lust om aan het heil van anderen te denken. Vandaar dat zij tot eene soort van geestelijke zelfzucht vervallen, waardoor zij de zaligheid der zielen ten ecnenmale verbeten; en dikwijls zoo ver gaan dat zij, overal gevaren en moeilijkheden ziende, de zaligheid van anderen niet meenen te kunnen behartigen, zonder daardoor hun eigen heil te verwaarloozen. 0, hoe velen zijn er, die tijd en bekwaamheid hebben om, zooals een geestelijk schrijver zegt, met God mede te werken aan het meest goddelijke van alle goddelijke werken, de zaliging der zielen! En waaraan worden hun tijd en bekwaamheid besteed r Aan eene voortdurende zelfkwelling, door eindeloos hun geweten na te pluizen; aan overdreven vrees voor zonden, die zij nooit bedreven; aan angst en schrik voor straffen, die zij nimmer verr dienden, of waarvoor zij niet langer onverstandig moesten vreezen, wijl zij kunnen vertrouwen, dat God hun reeds vergeving heeft geschonken. O, ik hoop dat gij niet tot het getal derzulken behoort! En indien het zoo ware, heb dan den moed u te verheffen uit dien deerniswaardigen toestand! Ziet gij niet in, hoe veel goeds gedaan kan worden voor u zeiven, voor de zielen, die door hetzelfde kostbaar Bloed als gij, zijn teruggekocht? Gij kunt de zondaars bekeeren, de dwa-lenden onderrichten, de tvvijfeimoedigen raden , |
\ |
|
167 |
. . |
de zwakken steunen, de lauwen in ijver ontsteken; en mocht gij tot dat alles niet in staat zijn, gij hebt ten minste het middel des gebeds.
Ja, gij kunt bidden, en het H. Misoffer en uwe heilige Communies opdragen voor de bekeering der zondaars en der ongeloovigen; opdat allen tot God terugkeeren en bij Hem het ware leven en de zaligheid vinden.
Maar nog eens, om dat met ijver te kunnen volbrengen, moet uw hart kalm en gerust zijn en vol vertrouwen op God.
Moed! derhalve; en dat de vrede Gods, die alle begrip te boven gaat, uw aller harten en uw verstand in Christus Jezus beware! Moge de vrede van Christus zegevierend heerschen in uwe harten! Verblijdt u in den Heer ten allen tijde! Ik herhaal het, verblijdt u, dient den Heer met vreugde! O, wat zult gij groote voordeelen putten uit dien vrede, uit die geestelijke blijdschap des harten! Neen, gij kunt het onmogelijk beseffen, onmogelijk u verbeelden, zoolang de ondervinding het u niet geleerd heeft. Zoek dan waarde lezer, van God die geestelijke blijdschap te verwerven, voor u zeiven en voor alle brave Christenen; roep met dat doel de machtige voorspraak in der allerheiligste Maagd en word niet moede te herhalen : Causa nostrae laetitiae, ora pro nobis! Oorzaak onzer blijdschap, bid voor ons!
Amen.
168
|
TE VERBETEREN | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||