-ocr page 1-
-ocr page 2-

HEILIGE VROUWEN

VAN HET

OUDE VERBOND.

-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

GEZEGEND ZUT GIJ BOVEN ALLE VROUWEN

-ocr page 6-

d'. 5 %

«jc Irroumeit

\ van ht:t

au DE VERBOND

. ÏN iïAÜK VÖORAFBÜKLDIKÜ

van de

ntlerfunl Jllnagtl m iüoerler^otlsilkiria, Veriiiilen, ViTj^iijkiiijjcii en Tóepiissinijftit

voor elkcu dag quot;der Meimaaad. VRIJ NAAR HET HOOGOU1TSCH

door M. P A OOMS,

li'. !(. I'y, ,11 Kitpeianit t' AihS/o'lam,

-ocr page 7-
-ocr page 8-

_______

Ifr Httlint 'örnuuifit

t | \ ^ j VAN HET

QUDi VERiQMQ;

IN HARE VOORAFBEELDING

VAN DE

nffcrficif. iflaagcl en Jïloetler ioils ülaria. Verliiilen, Verdclijkiiiijeii on Toej)iissiii()eii

voor eiken dag der Meimaand. VRIJ NAAR HET HOOGOUITSCH

DOOR

M. P A OOMS,

R. K. Priester en Kapelaan te Amsterdam.

-ocr page 9-

---------

-ocr page 10-

Aan de Vereerders van Maria!

Het onderwerp „De Heilige Vrouwen 1 van het Oude Verbond in hare vooraf-' beelding van de allerheiligste Maagd en i Moeder Gods Mariaquot; werd volgens een j aangewezen plan, gedurende de Meimaand \ van het jaar 1866, door verschillende I Priesters der stad Regensburg behandeld. : Later verschenen die voordrachten, groo-i tendeels omgewerkt, in het kerkelijk tijdschrift „Mehlers Frediger und Katechetquot; ; en in het jaar 1886 werden zij door den I boekhandel van Georg Joseph Manz te \ Regensburg, in een afzonderlijk boekdeel ' uitgegeven.

Deze uitgave nu, oorspronkelijk alleen \ voor Priesters bestemd, bied ik, met eenige ! wijziging, vooral in de toepassingen, allen kinderen van Maria aan, om hunne vurige godsvrucht tot de allerheiligste Maagd en

-ocr page 11-

Moeder Gods Maria steeds meer te ver-hoogen.

De Verhalen bieden een beknopt, maar hoogst merkwaardig overzicht van het Oude Verbond aan.

De Vergelijkingen laten duidelijk uitkomen, hoever Maria elke Voorafbeelding overtreft, en hoe zij te recht door den Engel Gabriel begroet werd als gezegend boven alle vrouwen.

Mogen nu de Toepassingen onze liefde tot de Moeder Gods en ons vertrouwen op de Moeder der menschen vermeerderen., dan is de wensch van den vertaler alleszins vervuld!

Amsterdam,

op den feestdag van Maria-Boodschap, 18^1.

-ocr page 12-

iepst© Wi t I.

MARIA IN HET OUDE VERBOND.

„Van nu af zullen alle geslachten mij zalig prijzen.quot; Zoo sprak Maria, de nederige Maagd van Nazareth, in profetische vervoering, toen Zij, na de boodschap des Engels, dat zij Moeder van God zoude worden, hare nicht Elisabeth bezocht, en door deze begroet werd als de Moeder des Heeren.

Hoe volkomen is deze voorspelling in vervulling gegaan. Maria aanschouwde bij haar leven reeds de liefde en toewijding welke de H. Apostelen en 's Heeren leerlingen haar toedroegen. Ten hemel opgenomen, mocht haar moederhart zich verheugen in het huldebetoon harer kinderen, hetwelk toenam naarmate de Kerk van Jesus Christus zich over de aarde uitbreidde. Deze Kerk nu, die alle tijden,

-ocr page 13-

8

alle plaatsen en alle menschen omvat, is wederom op hare beurt getuige, hoe de vereering der allerheiligste Maagd zich immer en overal en bij allen heeft uitgebreid. Waar ter wereld Katholieken gevonden worden op den uitgestrekten aardbol, daar wordt Maria, vereerd, geprezen en bemind, daar gaat hare voorspelling in vervulling.

Tot deze vervulling, zal in deze Meimaand, elk recht geaard kind ook het zijne bijdragen, wanneer het de voorrechten en de voortreffelijkheden zijner moeder meer en meer leert kennen en bewonderen. Tot deze voorrechten rekenen wij ook, dat Maria, zelfs voor hare geboorte, reeds geleefd heeft in de voorspellingen en de personen van het Oude Verbond, in de geschiedenis van het uitverkoren volk van Israel, zoodat hare woorden; „alle geslachten zullen mij zalig prijzenquot;, niet alleen de toekomst maar ook het verleden omsluiten.

i0. Heeft Maria dan reeds bestaan,

-ocr page 14-

9

eer zij nog ter wereld kwam ? — Niet in werkelijkheid met haar lichamelijk leven, maar wel in de raadsbesluiten des Heeren, wijl Maria van eeuwigheid af, door God uitverkoren en bestemd was Moeder te worden van Zijn eeniggeboren Zoon, Moeder van Jesus, Moeder van den Verlosser der wereld.

Gelijk nu de Verlosser, eeuwen voor Zijne geboorte, door God belooft! en in het leven van heilige mannen afgebeeld was, zoo was ook Zijne Moeder lang voor hare geboorte, door God aan het mensch-dom toegezegd en in het leven van heilige vrouwen afgebeeld.

Gelijk het sneeuwklokje midden in den winter groeit en bloeit onder de sneeuw, en zich eerst in al zijn liefelijkheid en aantrekkelijkheid vertoont, wanneer de sneeuw gesmolten is — of gelijk bij een donkeren hemel, het maanlicht eerst achter de wolken verborgen, des. te aangenamer en helderder schijnt, wanneer het wolkgevaarte is weggedreven, — zoo was

-ocr page 15-

ook die maagdelijke bloem Maria, waaruit Jesus Christus gesproten is, en dat maagdelijke licht, Maria, hetwelk de zon der gerechtigheid voorafging, in de donkere eeuwen voor de menschwording van Christus, gehuld in geheimenissen en verborgen in af beeldingen, om in de volheid der tijden, zich in hare kleurenpracht en het schitterendste licht, als de Maagd der maagden en de Moeder van God aan de gansche wereld te openbaren.

Gelijk, volgens het woord van den H. Paulus, de Wet, het Oude Verbond, een schaduwbeeld was der toekomstige goederen, het Nieuwe Verbond — of, vol-I gens het gezegde van den H. Augustinus: ,,in Veteri latet, quod in Novo patet, gelijk in het Oude Testament het Nieuwe Testament verborgen lagquot;, zoo was ook het leven der Moeder Gods reeds in de afbeeldingen van het Oude Verbond te vinden. Zij leefde' in de voorspellingen der profeten en in de deugden dier hei-

-ocr page 16-

lige vrouwen, welke het volk van Israel tot sieraad strekken.

2°. Dit wordt bevestigd door den H. Geest, wiens woord uit de boeken van het Oude Testament tot ons gekomen is.

Reeds aanstonds na den zondenval van het eerste menschenpaar in het paradijs is Maria de bevoorrechte vrouw der goddelijke beloften, dewijl de Heer sprak tot de slang: ,,Ik zal vijandschap stellen tusschen u en de Vrouw, tusschen uw zaad en Haar zaad; Zij zal u den kop verpletteren en gij zult haren hiel belagen.quot; Deze uitverkorene vrouw nu is Maria, die door de vrucht van haren schoot, door Jesus Christus, den kop der slang verpletterd en de macht des duivels verbroken heeft. Van Haar gewaagt ook de profeet Isaias, wanneer hij koning Achaz het teeken bekend maakte, waardoor God Zijne macht en barmhartigheid wilde openbaren; „Zie de Maagd zal ontvangen en een Zoon baren en Zijn naam zal genoemd worden Emmanuelquot;.

-ocr page 17-

3°. Ook de Katholieke Kerk getuigt, dat Maria reeds in het Oude Testament afgebeeld is. Onze Moeder de heilige Kerk toch past op Maria de woorden der H. Schrift toe: „In den beginne en voor alle eeuwen werd ik geschapen en ik zal in eeuwigheid geen einde hebben; ik groeide op als een schoone olijfboom en gelijk een wijnstok bracht ik heerlijke vruchten voort; ik ben de moeder der schoone liefde en der heilige hoop. Mijne gedachtenis blijft eeuwig, zij was van den beginne af en duurt immer voort.quot; In deze woorden ligt opgesloten, dat Maria reeds was, eer zij geboren werd; zij bestond reeds in hare toekomstige schoonheid en werkzaamheid, daar zij, volgens het woord van den H. Bernardus, van eeuwigheid uitverkoren was, de uitdeelster te zijn van alle genaden. „Van Adam, tot het einde der tijden, hebben allen, zegt de H. Ephraim, genade ontvangen door Maria, de patriarchen de profeten en alle heiligen, — elk schepsel ver-

-ocr page 18-

13

heugt zich in Haar, die vol is van genade.quot; | Toepassing.

Heilige Maria, Moeder van God en ook mijne Moeder, gezegend boven alle vrouwen, voor den troon van uwe genade nedergeknield bid ik u, laat mij uit de voorbeelden der Heilige Vrouwen van het Oude Verbond u meer en meer leeren kennen, geef mij een beter begrip van uwe schoone voorrechten en voortreffelijke deugden, opdat mijne vereering en mijne liefde voor u steeds toenemen. Aanvaard heden mijn kinderlijk voornemen: Eiken dag der Meimaand zal ik eene bizondere i oefening van godsvrucht te uwer eere verrichten; wanneer mijne bezigheden zulks toelaten, zal ik mij dagelijks met zoovele honderden en duizenden uwer kinderen naar de kerk spoeden, om u in het openbaar mijne hulde te brengen en uwe maand zal ik sluiten met eene H. Communie. Amen.

Schietgebed. H. Maria, gezegend boven alle vrouwen, zegen mijne goede voornemens. Amen.

-ocr page 19-

Wïel.

EVA EN MARIA, DE MOEDERS DER MENSCHEN.

Inleiding.

De eerste voorafbeelding der heilige Moeder Gods Maria in Eva.

Bij de schepping der wereld ontmoeten wij Eva, de moeder van het menschelijk geslacht; bij do herschepping der wereld door Jesus Christus, vinden wij Maria, de geestelijke Moeder van alle menschen. In hare hoedanigheid van moeder is Eva de afbeelding van onze Moeder Maria; in vele opzichten komen deze moeders overeen, in vele punten evenw-el verschillen zij.

Overeenkomst.

Eva, de eerste vrouw in het paradijs door God gevormd uit eene ribbe van

-ocr page 20-

15

Adam, haren man, en Maria in den schoot harer moeder Anna onbevlekt ontvangen, waren beiden door God uitverkoren moeders der menschheid te zijn: Eva in de natuurlijke orde, Maria in de bovennatuurlijke orde. Beider nakomelingschap zou talrijk zijn als het zand aan den oever der zee. Tot Adam en Eva sprak de Heer: „groeit en vermenigvuldigtu,quot; tot Maria zeide de Engel: „Gij zult eenen zoon baren en zijn rijk zal geen einde hebben.quot; Beider nakomelingschap moest voor tijd en eeuwigheid gelukkig zijn, en God schonk beide moeders de noodige gesteltenis, hare kinderen ook werkelijk gelukkig te maken. God had beiden met de schoonste gaven versierd en verrijkt met de heiligmakende genade, die op al hare nakomelingen moest overgaan. Daar stond Eva in den staat der onschuld vrij van alle zonden, onbevlekt kwam zij uit de handen van God en 's Heeren welbehagen rustte op haar — en Maria is het uitverkoren vat, voor

-ocr page 21-

i6

alle zondesmet gevrijwaard, het schoonste, rijkste en edelste schepsel wat uit de hand Gods is voortgekomen. Beiden eindelijk moesten zich harer hooge bestemming waardig maken en getrouw en bestendig aan de ontvangene genaden beantwoorden.

2°. Verschil.

Eva werd harer roeping ontrouw, Maria beantwoordde aan de inzichten en raadsbesluiten des Heeren.

Door vrijwillige en nederige gehoorzaamheid moest Eva den grondslag leggen van hare eigene zaligheid en van die harer kinderen. Daarom stelde God haar op de proef; „van alle hout in het paradijs moogt gij eten, van den boom evenwel der kennis van goed en kwaad zult gij niet eten, want op den dag dat gij daarvan zult eten, zult gij den dood sterven. Eva nu heeft deze proef niet doorstaan; wijl zij niet nederig bleef werd zij ongehoorzaam — wijl zij op de belofte der slang aan God gelijk wilde zijn, over-

-ocr page 22-

istc, I trad zij het gebod des Heeren en at van and a de verbodene vrucht. Eva zondigde door ;ji)k | hoogmoed, en hoe diep werd zij verne-'ing | derd 1 Zij wilde opklimmen tot God, en 'dig | verviel in de slavernij des duivels: zij 'en' | begeerde het eeuwig leven, en berokkende | zich den dood. Eva werd vervolgens de 1 verleidster van haren man, en trok hem iria 1 met zich in liet verderf en in den dood. •ds- 1 Erger nog! Het venijn dat zij, door hare | zonde had ingezogen, plantte zij ook op or- i al hare nakomelingen over. Zij ontving eg- | en baarde Kaïn, den eerstgeborene der die 8 zonde, den eersten mensch in erfzonde iar I ontvangen — en gelijk hij, zijn alle men-ra- 1 schen in erfzonde ontvangen, in- ■ Zoo zou de ongenade van God met uit B dood en hel op alle menschen zijn over-gij | gegaan, had niet de Vrouw der belofte, od Ij onze tweede Moeder Maria, door hare iet .■ gehoorzaamheid over den duivel gezegeld 1 vierd en den kop van het helsch serpent fte a verpletterd.

;r- ■ Door vrijwillige en nederige gehoor-

-ocr page 23-

zaamheid moest Maria den grondslag leggen van hare eigene zaligheid en van die harer kinderen. In de verborgenheid van haar paradijs, in hare nederige woning te Nazareth, kwam de Engel Gabriel haar boodschappen, dat zij Moeder van God zou worden, en verlangde daarvoor hare toestemming. Hij sprak tot haar: „gij zult ontvangen in uwen schoot en eenen zoon baren, en gij zult Zijn naam Jesus noemenquot;. Zal zij toestemmen, zij, de heilige maagd, die geenen man bekent? De Engel Gods verzekert haar, dat die vrucht van haren schoot groot zal zijn, en de Zoon des Allerhoogsten genoemd zal worden; dat God de Heer Hem den troon van zijnen vader David zal schenken, en. dat Hij heerschen zal in het huis van Jacob in eeuwigheid.

Zal Maria aan die woorden geloof hechten? De gezant des Heeren roemt haar de gezegende onder de vrouwen, vol van genade. Welken invloed zal deze lofprijzing op het nederig hart van Maria

-ocr page 24-

19

uitoefenen? De Engel Gods openbaart haar het raadsbesluit des Heeren en verlangt hare gehoorzaamheid. Zal zij gehoorzamen? Ja, Maria zal gehoorzamen. Wel worden hare maagdelijkheid, haar geloof, hare nederigheid en gehoorzaamheid op eene zware proef gesteld, maar zij doorstaat die proef schitterend englorievol. Want, nooit overtroffen antwoord, ,,Zie de dienstmaagd des Heeren, mij geschiede naar uw woordquot;, zoo klinkt het van hare lippen. Het loon nu dier nederigheid en gehoorzaamheid liet zich niet wachten. In hare nederigheid noemde Maria zich de dienstmaagd des Heeren, en zij werd verheven tot de waardigheid van Moeder Gods. Zij ontving en baarde in genade haren Eeniggeboren Zoon Jesus Christus, door Wien alle menschen kinderen der genade zijn geworden. Daarom zegt de H. Augu-stinus:, ,Eva, de moeder der menschen, heeft de straf in de wereld gebracht; Maria, de moeder des Heeren, heeft aan de wereld het heil geschonken. Met Eva is de zonde

-ocr page 25-

20

i begonnen, met Maria de verdienste. Eva ; heeft ons den dood gebracht, Maria het ; leven; Eva heeft ons gewond, Maria i heeft ons genezenquot;.

Toepassing.

Heilige Maria, Moeder van God en | ook mijne Moeder ! Voor den troon van uwe genade nedergeknield, loof en prijs | ik uwe overwinning in de beproeving van uwe nederigheid en gehoorzaamheid behaald. Door u ben ik aan den eeuwigen dood ontrukt, gij hebt den kop van het helsch serpent verpletterd en mij behoed voor den eeuwigen ondergang. Geef, goede Moeder, dat ik uwe deugden na-volge. Aanvaard heden mijn kinderlijk-, voornemen, ik wil mij vernederen voor de plannen der goddelijke voorzienigheid, ik neem mij voor met Gods hulp en bijstand den wil des Heeren in mijnen stand ■ en staat stipt te volbrengen, en zoo in elke

beproeving te zegevieren. Amen. j Schietgebed. N ederige en gehoorzameMoe-der,maak u wkindgelijkvormig aan u. Amen.

-ocr page 26-

Oerd© IVttl.

EVA EN MARIA, TWEE MOEDERS VAN SMARTEN.

Inleiding.

Gisteren hebben wij Eva, onze moeder in de natuurlijke orde, en Maria, onze Moeder in de bovennatuurlijke orde, beschouwd en hare wederzijdsche overeenkomst en verschil overwogen. Om evenwel het beeld dezer twee moeders van het menschelijk geslacht volledig af te werken, moeten wij nog een ander punt van vergelijking voor oogen houden.

Beiden zijn ook smartvolle moeders.Eva wordt door God zelf eene moeder van smarten genoemd, en Maria verneemt uit den mond van den rechtvaardigen Simeon, dat een zwaard van droefheid hare ziel zal doorboren.

va iet 'ia

-ocr page 27-

22

Verhaat,.

„Op den dag, waarop gij van dever-bodene vrucht zult eten, zult gij den dood stervenquot;. Zoo sprak God de Heer tot Adam en Eva. Toch aten onze eerste ouders van den boom; de zonde was bedreven, en de dood kwam in de wereld. Maar wat was de dood? waarin bestond hij? Adam en Eva wisten het niet, zij moesten hem nog leeren kennen. Dan hoe spoedig zouden zij hunne straf gevoelen; hun zoon Abel werd het eerste slachtoffer des doods.

Zij hadden twee zonen: Kain, die het veld bebouwde, en Abel, die de schapen hoedde. De oudste was trotsch, woest en onhandelbaar; de jongste was nederig, zachtzinnig en rechtvaardig. Beiden droegen aan God hunne offers op: Kaïn de geringste zijner veldvruchten. Abel het beste lam zijner kudde. God keerde het offer van den trotschen Kaïn den rug toe, terwijl zijn oog met welgevallen rustte op het offer van den godvreezenden Abel. Hierover nu werd Kaïn toornig en ver-

-ocr page 28-

vuld van nijd jegens zijnen onschuldigen broeder; hij lokte hem buiten de woonten-ten, en vermoordde hem in het open veld.

Dat was de dood. Beschouwt nu Eva, de moeder der smarten bij het lijk van haren zoon. Zij knielt bij haren gestorven lieveling neder, neemt hem op haren schoot, onderzoekt en peilt de diepte zijner wonden; zij tracht het uitstroomend bloed te stuiten — nu eens luistert zij, of zij de ademhaling kan waarnemen, dan weder legt zij hare hand op zijn hart, of zij eenige klopping of trilling kan bespeuren — ijdele poging, vergeefsche moeite, vruchteloos tobt gij u zelve af. — Zij kust de bleeke wangen en schreit en klaagt in naamlooze smart. Abel, mijn kind, mijn geliefde zoon, hoort gij dan het klagen uwer moeder niet ? antwoordt gij niet op hare bede? Abel, mijn kind is gestorven, verslagen door de hand van zijn eigen broeder. Zij geeft den vrijen loop aan hare tranen.

Wel mag zij weenen en schreien. Wie

-ocr page 29-

24

zal de droefheid peilen, die hare ziel vervult. Hier bij den dood vaa haar dierbaar kind is zij waarlijk eene moeder van smarten.

Vergelijking.

Maria, de tweede moeder van smarten. Zij is de Moeder van Jesus, den nederigen, zachtmoedigen en rechtvaardigen Zaligmaker. Ook Hij is een Herder, en wel de goede Herder, die gekomen is om de schapen van Zijnen hemelschen Vader te weiden, uit liefde tot de menschen, die Hij Zijne broeders noemt. Maar deze zijn verstokt en hardnekkig, een boos en goddeloos geslacht, dat tegen Hem met haat en nijd vervuld is. Zij voeren den rechtvaardige buiten hunne stad Jeruzalem, en op den berg van Calvarie hechten zij Hem aan het schandhout des kruises.

Beschouwt daar Maria, de moeder van smarten, op den lijdensberg! Het lichaam van Jesus rust op haren schoot. Met diepen weemoed beschouwt zij dat bleeke en misvormde gelaat: hare tranen men-

-ocr page 30-

gen zich met het bloed, dat over Zijn aangezicht vloeit; met felle smart telt zij de wonden, die men in Zijn hart, in Zijne handen en voeten geslagen heeft. Hoort hare rechtmatige klacht; „Mijn Zoon. mijn veelgeliefde Zoon, wat beduiden die wonden in Uwe handen? Wie heelt ze U toegebracht ? Gij zijt geslagen, gewond en gedood door diegenen, die Gij met weldaden hebt overladen, die Gij als Uwe broeders lief hadt. Om hunnentwille hebt Gij deu wreedsten dood ondergaan. — O, gij allen, die langs dezen weg voortgaat, ziet of er eene smart is gelijk aan mijne smart?quot; Wie zal geen medelijden hebben met die bedroefde Moeder. Wie niet treuren en schreien met deze Moeder van smarten.

En toch welk een verschil bestaat er tusschen deze twee moeders van smarten, tusschen Eva en Maria. Eva lijdt door hare schuld, tot straf en boete voor eigene overtreding, Maria daarentegen lijdt tot ons heil, tot delging onzer schulden. Eva

-ocr page 31-

20

weet dat zij zelve door hare ongehoorzaamheid den dood van haar kind berokkend heeft, zij weet dat die moord het begin zal zijn van een onnoemelijk aantal overtredingen en misdaden van haar ontaard en goddeloos geslacht — en hoe lang zal die nacht der gruwelen voortduren ! Helaas, de Verlosser, die verzoening zal brengen voor hare zonden en voor die van hare nakomelingen, de Heiland en Zaligmaker zal nog eeuwen lang naar zich laten uitzien.

Hoe zal het bewustzijn van schuld aan de onafzienbare gevolgen harer overtreding, hare smarten vermeerderd hebben. En wanneer er een druppel van lenigendeti balsem mocht vallen in die zee van smarten, dan was zulks het uitzicht op de Vrouw der belofte, die den kop der slang verpletteren zou — het uitzicht op Maria. ■— 't Is waar, ook Maria lijdt, ook zij is waarlijk eene moeder van smarten, maar hare smarten zijn tegelijk een bron van troost en vreugde voor haar

-ocr page 32-

zelve en voor ons, hare kinderen. Maria weet dat door het lijden en sterven van haar Goddelijk Kind, het menschelijk geslacht verlost en de wereld uit den nacht der zonde en onwetendheid gered zal worden; zij zelve is bestraald door het Licht, hetwelk eiken mensch verlicht, die in de wereld komt, Maria kent den Verlosser, en zij is Zijne Moeder. Met Hem is de volheid der tijden gekomen, de dag des heils aangebroken, en voor hare oogen vertoont zich die lange onafzienbare rei van uitverkorenen onder alle talen en volken, die zij hare kinderen noemt, die zij met zich ten hemel zal opvoeren. Levendig staat daar voor haren geest de arbeid der Apostelen, de heldenmoed der martelaren, de standvastigheid der belijders, de zuiverheid der maagden, de deugd van alle heiligen. Voor haren blik is de hemel geopend, waar zij troont als een koningin te midden van al deze gelukzaligen. Maria, de Moeder van smarten is ook eene Moeder van troost.

-ocr page 33-

Haar lijden is de voorbode der tegenwoordige zegepraal over dood en hel, de voorbode ook van de toekomstige heerlijkheid in den hemel.

Toepassing.

O Maria, Moeder van smarten, voor den troon uwer genade nedergeknield, draag ik U heden al mijn kruisen en lijden op, mijne ziekte en zwakheid, allen tegenspoed in mijne tijdelijke aangelegenheden, alle onrecht en ongelijk, die mij zullen worden aangedaan, alle kwelling van geest en hart; geef door de verdiensten van uwe smarten, dat ik alles geduldig en gelaten verdrage, om mijne schuld uit te delgen en mijne zonden af te boeten. Ik neem mij vast voor in alle noodwendigheden tot U te gaan op den Calvarieberg, daar met U onder het kruis zal ik hulp en bijstand, troost en opbeuring vinden. Amen.

Schietgebed. Maria, Moeder van smarten, met U wil ik aan den voet des kruises leven en sterven. Amen.

-ocr page 34-

Vierde. Mei.

SARA, DE MOEDER VAN ISAAK; MARIA, DE MOEDER VAN JESUS.

Inleiding.

De vrouw, welke wij heden voor onze overweging tegenover Maria willen stellen, is Sara, de vrouw van den aartsvader Abraham. Zij nu is eene voorafbeelding van Maria, door de belofte, welke God haar gedaan heeft: „over een jaar kom ik weder tot u, en dan zal Sara eenen zoon hebbenquot;.

Verhaal.

Abraham is de voornaamste der oud-vaders. In zijn vaderland, te midden eener heidensche bevolking, aanbad hij alleen den waren God, en wandelde hij voor het aanschijn des Heeren. Hij werd door God uitgekozen tot stamvader van

-ocr page 35-

het IsraSlietische volk: „vertrek uit uw vaderland en uit het huis uws vaders, en ga naar het land, dat ik u toonen zal. Ik zal u maken tot stamvader van een groot volk, talrijk als de zandkorrels van het strand der zee, en in u zullen alle geslachten der aarde gezegend worden.quot; Abraham gehoorzaamde terstond en kwam met zijne vrouw Sara in het land Kanaan, ter plaatse waar tegenwoordig de steden Nazareth en Sichem, Jeruzalem en Bethlehem zijn gelegen. Beiden waren reeds hoog van jaren, en hun echt was kinderloos. Hoe kon nu Gods belofte van eene talrijke nakomelingschap in vervulling gaan?

Op zekeren dag zat Abraham onder den ingang zijner tent in de schaduw van eenen boom. Als hij zijne oogen opsloeg, zag hij drie mannen naderen. Hij stond op, boog zich diep ter aarde, en sprak tot den voornaamste: „Heer als ik genade gevonden heb in uwe oogen, wil dan uw dienaar niet voorbij

-ocr page 36-

31

gaan, wasch uwe voeten en rust een weinig hier onder dezen boom, ik zal u spijs en drank voorzetten, dan kunt gij verkwikt en versterkt verder reizenquot;. De drie mannen, volgens de verklaring der H. Kerkvaders, God zelf in gezelschap van twee engelen, namen zijn aanbod aan. Hierover was Abraham zoo verheugd alsware hem het grootste geluk te beurt gevallen. Hij zoekt zelf het beste kalf uit zijne kudde, om het aan zijne gasten voor te zetten, zijne vrouw Sara moest spijs bereiden van fijne tarwebloem ; hij brengt boter en melk, en, terwijl de drie mannen aanzitten, staat hij zelf naast hen, om hen te dienen.

Na den maaltijd sprak de voornaamste tot Abraham: „over een jaar kom ik weder tot u, en dan zal Sara eenen zoon hebbenquot;. Sara, die achter de deur der tent stond en deze woorden hoorde, kon moeilijk gelooven, dat zij zoo gelukkig zou worden, en begon te lachen. Doch de Heer wist wat zij in het verborgen

-ocr page 37-

deed, en sprak: „waarom lacht Sara ? Is er dan bij God iets onmogelijk? Het zal geschieden zoo als ik gezegd hebquot;

De Heer bezocht Sara zooals Hij beloofd had, en vervulde wat Hij gesproken had. Op den voorspelden tijd bracht Sara een zoon ter wereld, en Abraham noemde hem Isaak, d. i. zoon der vreugde Daarom sprak Sara na zijne geboorte ,,de Heer heeft mij vreugde geschonken, en allen die het hooren, zullen mij geluk wenschen.quot; Dan met Isaftk had God geheel bizondere en geheimvolle inzichten Hij sprak tot Abraham; „neem uwen zoon, uwen eenigen, dien gij lief hebt, Isaak; ga naar het landschap Moria, en offer hem daar als brandoffer op een van de bergen, dien Ik u toonen zalquot;.

Abraham gehoorzaamde aanstonds. Met zijnen zoon besteeg hij het gebergte, Isaak droeg het hout voor het offer. Abraham het vuur en het offermes. „Vader! vroeg Isaak, „hier is wel vu uien hout; maar waar is het slachtoffer?

-ocr page 38-

33

En Abraham antwoordde: „God zal zorgen voor een slachtoffer, mijn zoon!quot; Op den top des bergs gekomen bouwt Abraham een altaar en stapelt het hout daarop, dan bindt hij zijnen zoon, die zich gehoorzaam aan den wil van God onderwierp, en legt hem op het hout. Abraham neemt het offermes in zijne hand, om zijnen zoon te slachtofferen, hij heit zijnen arm omhoog; —- daar klinkt eene stem uit den hemel: „Abraham, Abraham! — „Hier ben ik,quot; antwoordt hij. En de engel spreekt: „Strek uwe hand niet uit tot den knaap, en doe hem geen leed! Nu weet ik dat gij God vreest, en uwen eenigen zoon niet gespaard hebt om Mij.quot;

Terwijl Abraham de koorden losmaakte zag hij een ram, die met zijne horens in de struiken verward was; dezen offerde hij in de plaats van Isaak. En God zeide tot hem: „omdat gij dit gedaan hebt, zal Ik u zegenen en uw geslacht talrijk maken als de sterren des hemels en als

s

-ocr page 39-

34

het zand aan het strand der zee. In uwen Nakomeling zullen alle geslachten der aarde gezegend worden, omdat gij aan mijn woord gehoorzaamd hebt.quot;

Vergelijking.

Hoe nu was Sara eene voorafbeelding-van Maria. Ook aan Maria werd even als aan Sara een zoon beloofd. Naar het stille heiligdom te Nazareth in Galilea, werd de aartsengel Gabriel door God tot haar gezonden. Toen deze binnentrad sprak hij tot haar: „Wees gegroet gij vol van genade, de Heer is met u, gezegend zijt gij onder de vrouwen.quot; Als Maria door dit woord ontstelde, en over de be-teekenis van deze groeten is nadacht, stelde de Engel haar gerust: „Wil niet vreezen Maria, want gij hebt genade gevonden bij God; zie, gij zult ontvangen en eenen Zoon baren en Zijnen naam Jesus noemen.quot; En als dan Maria verder vroeg, hoe zulks geschieden zou, antwoordde de Engel: „de H. Geest zal over u komen, en de

-ocr page 40-

35

kracht des Allerhoogsten u overschaduwen. Daarom zal het Heilige, wat uit u geboren zal worden, Gods Zoon genoemd worden. Bij God is niets onmogelijk.quot;

God vervulde Zijne belofte. Als de dagen van Maria vervuld waren, baarde zij, zonder verlies harer maagdelijkheid, eenen zoon en noemde Hem Jesus. Ook deze is een zoon der vreugde; daarom zei de de Engel tot de herders van Bethlehem: „Zie, ik boodschap u eene groote vreugde, welke zijn zal voor al ' het volk, dat u heden in de stad van 1 David de Verlosser geboren is, Christus de Heer.quot; Daarom sprak ook Maria in vervoering van heilige blijdschap; „de Heer heeft groote dingen aan mij gedaan ; van nu af zullen alle geslachten mij zalig prijzen.quot;

Dan geheel bizondere inzichten had God de hemelsche Vader met Jesus, den Zoon van Maria. Gelijk Abraham heeft ook Hij Zijnen eenigen, veelgeliefden Zoon niet gespaard maar Hem voor ons allen overge-

-ocr page 41-

leverd ter dood; Jesus was, als Isaak, tot offer bestemd voor het altaar des kruises. En volgens een vrome overlevering, was de berg, waarop Abraham zijnen zoon moest slachtofferen, dezelfde Calvarieberg bij Jerusalem, waarop Jesus Christus gekruisigd werd. Even als Isaak heeft de Heer het hout voor het altaar, den zwaren kruisbalk, op Zijne schouders naar den top des bergs gedragen; daar liet ook Hij, in nederige gehoorzaamheid, zich binden en aan het kruishout hechten. Doch hier verscheen geen engelenhand om den uit-gestrekten arm der beulen tegen te houden. Christus leed en stierf, werd geofferd omdat Hij het zelf wilde. En hoeveel goeds heeft dat kruisoffer van Christus ons aangebracht!

Dat offer heeft den zondevloek van de wereld weggenomen, de wreede slavernij des duivels vernietigd, en ons de poorten des hemels geopend, zoodat wij allen als kinderen Gods tot de eeuwige zaligheid kunnen geraken.

-ocr page 42-

.37

Toepassing.

O Maria, Moeder van God, en ook mijne Moeder, voor den troon uwer genade neergeknield, betuig ik mijn medelijden met de smarten, die uw moederhart op den Calvarieberg verscheurden. Neen, er was nooit eene smart zoo groot als uwe smart. Ik loof en prijs tevens uw groot geloof, uwe gehoorzaamheid en uwe berusting in den aanbiddelijken wil van God, en ik verheug mijmet U over de kostbare vruchten, welke Jesus' lijden en dood ons verworven hebben. Aanvaard heden mijn kinderlijk voorne|nen: wanneer ik op mijnen levensweg niet altijd de beproevingen begrijp, welke de Heer mij overzendt; wanneer ik soms begin te twijfelen aan Gods goedheid en vaderlijke voorzienigheid — dan zal ik opzien naar U op den lijdensberg, om door uw voorbeeld mijn geloof te verlevendigen, mijne hoop te versterken, en tot mij zeiven te zeggen: bij God is

-ocr page 43-

niets onmogelijk; voor degenen, die God liefhebben komt alles ten goede, ik wil Zijne vaderlijke inzichten geduldig afwachten. Amen.

Schietgebed. O Maria, laat mij nimmer twijfelen aan de goddelijke Voorzienigheid. Amen.

-ocr page 44-

(M.

REBEKKA EN MARIA, TWEE HEILIGE BRUIDEN.

Inleiding.

Begeven wij ons heden met onze verbeelding naar een verafgelegen land in het Oosten, naar Mesopotamie, een der schoonste en vruchtbaarste streken der aarde, waar, na den zondvloed, de nakomelingen van Noë, de afstammelingen van Sem, zich vestigden. Dat land had Abraham op goddelijk bevel verlaten, maar zijne broeders en bloedverwanten woonden daar nog. Een van hen, Bathuel geheeten, had eene dochter met name Rebekka, eene schoone en onschuldige vrouw, die wij onder dat opzicht willen beschouwen als eene voorafbeelding van de allerzaligste Maagd Maria.

-ocr page 45-

Verhaal.

Met aantrekkelijken eenvoud verhaalt ons de H. Schrift hoe Rebekka de bruid werd van Isaak, den zoon van Abraham. Abraham wenschte zijnen zoon Isaak eene echtgenoote te geven, maar hij wilde voor hem geene dochter uit het land Kanaan, waar afgoderij en velerlei boosheid heersch-tep, hij begeerde eene vrouw uit Mesopotamia, waarzijne bloedverwanten leefden, en de kennis van den waren God nog bewaard was gebleven. Hij ontbood zijnen beproefden dienaar Eliëzer en zeide hem: „vertrek naar mijn land en naar mijne verwantschap, en zoek daar eene vrouw voor mijnen zoon Isaak.quot; Abraham verzekerde zijnen dienaar de hulp Gods: „de Heer, die mij gezworen heeft: „aan uw geslacht zal Ik dat land gevenquot;, Hij zal Zijnen engel voor u uitzenden, en uit dat land zult gij voor mijnen zoon eene echtgenoote medevoerenquot;. Eliëzer ging nu op reis naar Mesopotamie en kwam

-ocr page 46-

41

bij de stad Haran, waar Bathuel woonde, de vader van Rebekka. 't Was avond, toen hij buiten de stad bij eenen waterput stil hield. Toen bad de trouwe dienaar: „o God en Heer van mijnen meester Abraham! sta mij, bid ik U, heden bij, en doe barmhartigheid met mijnen heer Abraham. Zie ik sta bij dezen waterput, en de dochters uit de stad zullen komen, om water te putten; laat nu de maagd, die op mijn verzoek hare kruik neerlaten en mij zeggen zal: „drink, en ook aan uwe kameelen zal ik te drinken gevenquot;! laat zij degene wezen, die Gij voor uwen dienaar Isaak bestemd hebtquot;!

Nauwelijks heeft EliOzer zijn gebed ge-eindigd, of daar komt Rebekka, de dochter van Bathuel. Zij vult hare kruik en wil weder terugkeeren. De gezant vraagt haar nu: „geef mij een weinig water uit uwe kruik te drinkenquot;! Terstond is zij bereid en zegt minzaam: „drink mijn heer! ook voor uwe kameelen zal ik water putten, totdat zij allen gedronken hebbenquot;.

-ocr page 47-

42

Toen zij de lastdieren gedrenkt had, haalde de dienaar gouden oorringen en armbanden te voorschijn en schonk ze haar zeggende: „wiens dochter zijt gij, en is er in uws vaders huis verblijf voor mij!quot; Zij antwoordde: „ik ben de dochter van Bathuel, den zoon van Nachorquot;. Nu boog de gezant zich aanbiddend neder en sprak; „gezegend zij de Heer, de God van mijnen heer Abraham, die mij langs den rechten weg geleid heeft in het huis van den broeder mijns heerenquot;!

Intusschen was Rebekka reeds naar hare moeder gesneld, om hare geschenken te toonen. Toen haar broeder Laban ze gezien had, spoedde hij zich naar den gezant en riep hem toe; „kom binnen gezegende des Heeren! ik heb mijn huis en de plaats voor de kameelen in gereedheid gebrachtquot;. De gezant gmg met hem; doch vóór hij aan den maaltijd deelnam, zeide hij; „ik zal niet eten eer ik mijnen last heb uitgesprokenquot;. Hij verhaalde nu zijne zending, zijn wedervaren bij den

-ocr page 48-

43

put, en hoe God zijn gebed verhoord had, en vroeg de toestemming van Bathuel en Laban tot het huwelijk van Rebekka met Isailk. Zij-antwoordden : „'t is eene beschikking Gods! neem Rebekka en vertrek met haar, opdat zij de echtgenoote worde van den zoon uws heerenquot;. Zij vraagden nu aan Rebekka of zij met den gezant wilde afreizen; zij nu sprak: „ik wil medegaanquot;.

Den volgenden dag reeds werd de terugreis aanvaard. Toen zij te Hebron kwamen, zag Rebekka in de verte eenen man door het veld wandelen. „Wie komt ons daar te gemoet? vroeg zij. „Dat is mijn meester Isaak zelf', antwoordde de gezant. Terstond steeg Rebekka van haren kameel af en bedekte zich met haren sluier. Isaak leidde haar in de tent zijner overledene moeder en nam haar tot huisvrouw.

V ERGELIJKINÜ.

Wij hebben nu Rebekka, de dochter

-ocr page 49-

44

van Bathuel, de bruid van Isaak beschouwd, zien wij thans Maria, de dochter van Joachim, de bruid van den H. Geest.

Vernemen wij allereerst de verklaring van den H. Augustinus. „Wanneer de aartsvader Abraham aan zijnen zoon Isaftk eene echtgenoote wilde geven, zond hij zijnen voomaamsten dienaar Eliezer, die gesteld was over geheel zijn huis, naar Mesopotamie, waar hij onder de dochters van het land, de schoone en waardige Rebekka uitkoos tot bruid voor Isaak. Wie is deze Abraham anders dan God de Vader? En Eliëzer, is hij een ander persoon dan de aartsengel Gabriel? en Rebekka is zij iemand anders dan Maria ? Immers als de tijd vervuld was, waarop de Verlosser der menschen, Gods eenig-geboren Zoon, ter wereld zoude komen, zag de hemelsche Vader naar de aarde, om onder de dochters der menschen ééne uit te kiezen, waardig de Moeder van Zijnen Zoon en de Bruid van den H. Geest te worden.

-ocr page 50-

45

Er woonden te Jerusalem in Judea vele dochters van hooge geboorte, schoon van gestalte en met voortreffelijke begaafdheden. Geen van dezen echter vond bij God welbehagen. Maar te Nazareth in Galilea woonde eene eenvoudige, heilige maagd, met name Maria. Op haar rustte het oog des Heeren met welgevallen. Zij werd uitverkoren, omdat zij bevonden was vol van genade. Tot haar zond de hemelsche Vader Zijnen gezant, den aartsengel Gabriel. Deze vond haar insgelijks bij eene waterbron, of liever zij zelfs was eene verzegelde waterbron in den gesloten hof des Heeren, zooals de H. Geest in het Hooglied Zijne Bruid betitelt. Daarom sprak hij tot haar; „wees gegroet Maria, gij zijt vol van genadequot;. En als hij haar het raadsbesluit des Heeren verkondigd had, werd ook hare toestemming gevraagd, om de bruid te worden van den H. Geest. Maria antwoordde: „zie de dienstmaagd des Heeren, mij geschiede naar uw woord.quot; En

-ocr page 51-

46

op hetzelfde oogenblik ontving zij de rijkste bruidsgift, voortreffelijker dan het goud van Eliczer ; vol van genade, werd zij het uitverkoren heiligdom van den H. Geest en ontving in haren maagde-lijken schoot Jesus Christus, het vleesch-geworden Woord des Vaders.quot; —

Met welke liefde en toewijding heeft Maria die kostbare bruidsgave in eere bewaard, hoe heeft zij zich beijverd die ontvangene genade waardig te blijven, en gestreefd, door gestadige beoefening aller deugden, de schoonheid harer ziel te verhoogen, om haren hemelschen Bruidegom meer en meer te behagen — tot het den H. Geest behagen zou Zijne onbevlekte Bruid te plaatsen op den troon van glorie, haar in de hemelen bereid.

Toepassing.

O Maria, Moeder van God en ook mijne Moeder, voor den troon uwer genade neergeknield, loof en prijs ik uw geloof aan 't woord des Engels en uwe

-ocr page 52-

47

gehoorzaamheid aan den hemelschen Vader, die U, om uwe maagdelijke zuiverheid, heeft uitverkoren tot bruid van den H. Geest en U als kostbaar bruidsgeschenk Zijnen eenigen Zoon heeft geschonken. Ook ik heb bij mijn H. Doopsel een kostbaar bruidsgeschenk van den H. Geest ontvangen, de onschuld der ziel, de heiligmakende genade, maar helaas ! ik ben mijnen Bruidegom ontrouw geworden door mijne zonde, ik heb zijne heerlijke gave verloren. Help mij Moeder! die genade zoo spoedig mogelijk terug te bekomen. Aanvaard heden mijn kinderlijk voornemen, voortaan wil ik geest en hart sluiten voor het schijnschoon der wereld en hare zinnelijke genietingen, ik verzaak opnieuw aan den duivel en al zijne werken, om wederom geheel en onverdeeld aan mijnen Bruidegom toe te behooren. Amen.

Schietgebed. O Maria, zuivere onbevlekte Maagd, reinig inijn hart en vleesch. Amen.

-ocr page 53-

2esd!© Mel,

REBEKKA, DE MOEDER VAN JACOB.

MARIA, DE MOEDERVAN JESUS.

Inleiding.

Gisteren hebben wij Rebekka als bruid van Isaak beschouwd, onder welk opzicht zij eene voorafbeelding was van de allerzaligste Maagd Maria, de bruid van den H. Geest. Heden zullen wij Rebekka beschouwen als de moeder van Jacob, en hoe zij als zoodanig wederom eene voorafbeelding is van Maria, de moeder van Jesus.

Verhaal.

Twintig jaren na haar huwelijk bracht Rebekka op denzelfden dag twee zonen ter wereld; de eerstgeborene heette Ezau, de andere Jacob, Van hen getuigt de

-ocr page 54-

49

H. Schrift: Ezau was ervaren in de jacht en bebouwde het land, Jacob, een eenvoudig man, woonde in tentenquot;.

Lsaak, hun vader, werd door God op bizondere wijze gezegend, hij nam zeer toe in rijkdom en leefde in grooten voor • spoed. Daarbij herhaalde God aan hem al de beloften, welke Hij aan zijnen vader Abraham gedaan had; „aan U en aan uw geslacht zal Ik al deze landen geven. Ik zal uw geslacht talrijk maken als de sterren des hemels, en in uwen Nakomeling (Christus) zullen alle volkeren der aarde gezegend wordenquot;.

Te midden van dien zegen werd de huiselijke vrede verstoord door Ezau, die huwelijken sloot met Kanaanietische vrouwen en zijne ouders daardoor zeer bedroefde. Evenwel bleef lsaak zijnen zoon Ezau als den eerstgeborene beschouwen, en toen hij oud en blind geworden was, wilde hij zijnen aartsvaderlijken zegen over Ezau uitspreken. Daarom sprak hij tot hem: „ga ter jacht, en zoodra gij

-ocr page 55-

eenig wild gevangen hebt, moet gij het bereiden gelijk ik het gaarne eet en het mij brengen; daarna zal ik u zegenen vóór dat ik sterf'. Rebekka ving deze woorden op, en daar zij den aartsvaderlijken zegen voor haren lieveling Jacob wenschte, die ook reeds Ezau's eerstgeboorterecht voor een weinig linzenmoes gekocht had, gelaste zij den jongste twee geitebokjes te halen. Jacob haalde dan de twee geitebokjes, die zijne moeder op de wijze van wildbraad bereidde, zooals Isaak dat gaarne at; daarop deed zij hem de beste kleederen van Ezau aantrekken, en wond de vellen der bokjes om zijne handen en zijnen hals, want Ezau, wiens plaats hij moest vervullen, was ruig en met haren begroeid. Zoo ging Jacob met het gebraad naar zijnen vader. „Wie zijt gij ?quot; vroeg de blinde. Jacob antwoordde : „Vader, ik ben Ezau, uw eerstgeborene, eet van mijne jacht, opdat gij mij moogt zegenenquot;. Isaak vraagt verder; „hoe hebt gij zoo spoedig eenig wild kunnen

-ocr page 56-

Si

vinden, mijn zoonquot;? Jacob herneemt; „'t was eene bestiering Gods, dat ik zoo spoedig vond, wat ik verlangdequot;. Isaak herkent de stem van Jacob en zegt; „kom nader mijn zoon! laat ik u betasten en mij overtuigen dat gij mijn zoon Ezau zijtquot;. De blinde grijsaard werd misleid door de vellen, waarmede Jacob's handen en hals omwonden waren: „'tis wel de stem van Jacob, zeide hij, maar de handen zijn Ezau's handenquot;. Als hij nu gegeten had, zegende Isaak zijnen zoon; „God geve u van den dauw des hemels en van het vette der aarde overvloed van koren en wijn! volkeren zullen u dienen; heersch over uwe broeders! die u vloekt, die zij gevloekt; die u zegent, worde vervuld van zegeningenquot;. Zoo werd de lieveling van Rebekka door zijnen vader gezegend voor immer.

Vergelijking.

Hoe is nu Rebekka hier eene voorafbeelding van Maria? '

-ocr page 57-

Door hare gezindheid jegens Jacob, door alles, wat zij voor hem gedaan en verkregen heeft. Daarom zegt de H. Au-gustinus: „Rebekka omkleedde Jacob met geitenvellen, om te schijnen, wat hij niet was. Nu heeft men onder die geitenvellen de zonden te verstaan. Degene nu, die zich met deze bedekte, is Jesus Christus, die de zonden van anderen, van zijne broeders, op zich genomen heeftquot;. Wat derhalve van Rebekka gezegd wordt, dat kunnen wij ook van Maria getuigen. Zij is de Moeder van Jesus, en zij heeft haren Zoon oneindig meer liefgehad, dan Rebekka haren Jacob. Ook haar Kind was nederig en zachtzinnig, ook Hij beminde de eenzaamheid. In het verborgene spreidde Hij weldaden om zich heen, dikwerf ontvluchtte Hij het gezelschap der menschen, om te overwegen en te bidden. Heeft nu Rebekka Jacobs handen en hals met geitevellen omwonden, opdat hij voor Ezau zou doorgaan, ten einde voor haten lieveling den vaderlijken

-ocr page 58-

53

zegen te bekomen. — Maria heeft veel meer gedaan. Zij heeft het heilige onschuldige lichaam van Christus met de zonden der wereld bedekt, opdat Hij voor het oog des Hemelschen Vaders schijnen zou, wat Hij niet was: zondaar, — opdat Hij alsdan voor Zijne broeders, de zondaars, den zegen van zijnen hemelschen vader deelachtig zoude worden.

Maria heeft zulks gedaan toen zij bij de boodschap des engels zeide; „mij geschiede naar uw woordquot;, •— toen zij in Betlehem's stal haar kind in doeken wikkelde — toen de rechtvaardige Simeon haar voorspelde, dat een zwaard van droefheid haar moederhart zou doorboren -—- toen zij op den Calvarieberg stond onder het kruis van Jesus en haar veelgeliefd kind, bedekt met de zonden der wereld aan den hemelschen Vader ten offer bracht; dat voortreffelijke offer, waarvan zij wist, dat het den Vader welgevallig was. En de vrucht van dat offer was de zegen van den

-ocr page 59-

54

hemelschen Vader, toen Hij Zijnen eenig-geboren Zoon zegende, en in Hem allen, voor wie dit offer gebracht was, zoodat ook in Zijnen persoon vervuld werd, wat Isaak sprak tot Jacob: „Volkeren zullen U dienen, heersch over uwe broeders, en de zonen van uwe moeder zullen voor u nederbuigenquot;; en wat de engel boodschapte aan Maria: „God de Heer zal Hem den troon geven van zijnen Vader David, en Hij zal heerschen in het huis van Jacob in eeuwigheidquot;, en „in Hem zullen alle geslachten der aarde gezegend wordenquot;.

Toepassing.

O Maria, Moeder van God, en ook mijne Moeder! voor den troon uwer genade neergeknield, zeg ik u dank voor het offer, wat Gij op den Calvarieberg gebracht hebt. Van nature was ik een kind van gramschap, en werd ik even als Ezau door God gehaat. Door uwe toestemming evenwel in de Mensch-

-ocr page 60-

55

wording, heeft Jesus, uw Kind, mijne zonden op Zich genomen, het handschrift der vervloeking, dat tegen ons was, aan het kruis gehecht en ons den zegen des Vaders verworven. Neem heden mijn kinderlijk voornemen aan ; niet opnieuw wil ik trotsch en onhandelbaar zijn gelijk Ezau, maar ik begeer Jacob na te volgen in zijne nederigheid en zachtmoedigheid, ik wil even als hij de stilte en de eenzaamheid beminnen. Amen.

Schietgebed. O Maria! laat mij den zegen van den hemelschen Vader nimmer meer verliezen. Amen.

-ocr page 61-

LIA EN MARIA.

Inleiding.

Onder de vrouwen van het Oude Verbond, die eene voorafbeelding zijn van de allerheiligste Maagd Maria, verdient ook Lia eene plaats.

Verhaal.

Wie was Lia? Gisteren hebben wij . gezien hoe Jacob, door zijne moeder Re- | bekka aangespoord, zich uitgaf voor zijnen broeder Ezau en zoo den aartsvaderlij- | ken zegen van den eerstgeborene verwierf. Hierdoor haalde hij zich den haat van zijnen broeder Ezau op den hals, een 1 doodelijken haat, waarom hij besloot zijn | vaderland te ontvluchten, en zicli te be- ■ geven naar zijnen oom Laban, in Mesopotamia, het land zijner moeder. Daar j werd hij aangesteld tot herder over de kudden van Laban. De rijkdom van die

-ocr page 62-

57

dagen bestond in den veestapel. Zoo i verhaalt ons de H. Schrift, dat de heilige i man Job zeven duizend schapen bezat, ' drieduizend kameelen en vijfhonderd ossen; insgelijks was ook Laban gezegend met vele en groote kudden schapen, waarover Jacob het toezicht verkreeg. Na zevenjarigen trouwen dienst schonk Laban hem zijne dochter Lia ten huwelijk. Als echtgenoote van Jacob werd zij de stammoeder van het volk van Israel, zij schonk haren man zes zonen, de helft der stamvaders van dat volk, hetwelk, volgens Gods belofte aan Abraham, talrijk zoude worden als de sterren des hemels. Tot deze stamvaders behoorde ook Juda, uit wiens stam koning David geboren werd, de koninklijke voorvader van de allerheiligste Maagd Maria, de Moeder van Jesus Christus, den groeten Zoon van David bij uitnemendheid. Lia alzoo, de vruchtbare moeder van een groot en talrijk volk, behoort in rechte linie tot de voorouders van den menschgeworden Zoon van God.

-ocr page 63-

58

Daarom dankte zij den Heer voor hare gezegende vruchtbaarheid, en met het oog op de genaderijke toekomst van den Verlosser der wereld, sprak zij in profetische vervoering: „God heeft mij met eene goede gave begiftigd, en de vrouwen zullen mij zalig prijzenquot;.

V ERGELIJKING.

Hierin nu bestaat de overeenkomst tus-schen Lia en Maria.

Maria heeft, toen zij op wondervolle wijze in haren maagdelijken schoot ontvangen had, en vruchtbaar geworden was, schier dezelfde woorden gesproken als Lia. „Met eene goede gave heeft God mij begiftigd, en de vrouwen zullen mij zalig prijzenquot;, zoo sprak Lia toen zij moeder was geworden. — „De Heer heeft groote dingen aan mij gedaan, van nu af zullen alle geslachten mij zalig prijzenquot; zoo sprak Maria, toen de aartsengel Gabriel haar geboodschapt had, dat zij de Moeder van God den Zoon zoude worden.

-ocr page 64-

59

Zoo betuigen beiden hare dankbaarheid voor de bekomene vruchtbaarheid — Lia, omdat zij het leven geschonken heeft aan de zes stamvaders van Israel, het groote en talrijke volk, door God in het Oude Verbond uitverkoren; Maria, omdat zij het leven geschonken heeft aan Jesus Christus, den geestelijken stamvader van het uitverkoren volk Gods in het Nieuwe Verbond. Dat uitverkoren volk nu is de gansche christenheid. Tot dat uitverkoren volk behooren wij allen, die door het bloed van Christus verlost en door het heilige doopsel in de Katholieke Kerk zijn opgenomen. Vereert nu het zoo talrijke Israëlietische volk Lia als zijn stammoeder, wij christenen, nog veel talrijker, vereeren Maria als onze geestelijke Moeder, omdat zij ons door Jesus heeft gebaard, zij de oorzaak van ons heil en de middelares aller genaden.

Door hare vruchtbaarheid heeft Maria hare voorafbeelding Lia verre overtroffen. Als wij onze blikken over de wereld laten

-ocr page 65-

6o

gaan, ontmoeten wij millioenen kinderen van Maria, talrijk als de sterren des hemels. In elke eeuw treft men in elke plaats kinderen van Maria: de heilige apostelen, de martelaren, de belijders, de maagden, de heilige boetelingen, zij allen zijn hare kinderen —■ de uitverkorenen in den hemel, de levenden op aarde, die het teeken des kruises op hun voorhoofd dragen, de zielen in het vagevuur, die naar hare verlossing verzuchten — het zijn altemaal kinderen van Maria, omdat zij allen de zaligheid verkregen hebben door Maria, die aan eene moeder gelijk, allen kleedt en voedt, bewaart en verpleegt en met genaden overstelpt. „Maria,quot; zegt de H. Epipha-nius, „is in waarheid de Moeder der levenden, de moeder van allen, die het tijdelijke leven en dat der genade bezittenquot;. „Verheug uquot;, zoo roept de H. Augustinus uit, „verheug u o Eva! moeder van alle moeders, voortaan zullen uwe kinderen niet meer geboren worden om

-ocr page 66-

61

te sterven, maar om te leven, om het eeuwig leven te bezitten, dat zij verwerven zullen door Maria, de Moeder des heilsquot;.

Verheugen wij ons dan van ganscher harte : als wij reeds in dit leven kinderen van Maria zijn, zullen wij eenmaal tot haren koninklijken hofstoet in den hemel be-hooren, waar de uitverkorenen haar eeuwig zalig prijzen.

Toepassing.

O Maria, Moeder van God, maar door Hem ook mijne Moeder, voor den troon uwer genade neergeknield, beken ik een onwaardig kind van u te zijn, door mijne zonden en overtredingen ben ik een kranke tak van eenen heiligen stam; als ik zoo voortga zal ik afgerukt en in het vuur geworpen worden, daarom, mijne goede Moeder! ontvang lieden mijn kinderlijk besluit; niet langer wil ik mijne afkomst verloochenen, niet verder wil ik Uw moederhart bedroeven, ik zal mijn ongeduld, mijne onmatigheid, mijne licht-

-ocr page 67-

02

zinnigheid afleggen. Help mij volharden in deze goede gesteltenis, opdat ik iii al mijn doen en laten, in mijne liefde en lijden, meer en meer aan U gelijkvormig worde. Amen.

Schietgebed. O Maria, laat uw kind steeds meer gelijken op 'zijne Moeder. Amen.

-ocr page 68-

êefetst© RttL

RACHEL, DE MOEDER VAN JOZEF, MARIA, DE MOEDER VAN JESUS,

Inleiding.

Bij de oudvaders van het Israëlietische volk, die wij Patriarchen noemen, bestond de gewoonte een huwelijk te sluiten met meerdere vrouwen te gelijk. De oorzaak dezer gewoonte lag in de men-schelijke zwakheid — dan God stond het hun toe om de vermenigvuldiging te bevorderen van het Israëlietische volk, hetwelk eene voorafbeelding wezen moest van de ontzaggelijke toename der kinderen Gods, in de kerk van Jesus Christus. Zulks zagen wij reeds in onze vorige overweging, waarin wij Lia, de stammoeder van het uitverkoren volk van Israël, vergeleken hebben met Maria, de stammoeder van het uitverkoren volk van Christus. Te gelijk nu met Lia heeft

-ocr page 69-

64

de patriarch Jacob nog eene tweede vrouw genomen, met name Rachel, die als moeder van Jozef ook wederom eene voorafbeelding is van Maria, de moeder van Jesus.

Verhaal.

Om Lia te bekomen had Jacob zeven jaren gediend als herder, maar om Rachel, hare zuster, tot vrouw te verkrijgen, moest hij veertien lange en bange jaren dienstbaar zijn. „Veertien jarenquot;, zoo sprak hij tot Laban, „heb ik u gediend om uwe dochter, dag en nacht werd ik gekweld door hitte en koude, en de slaap week uit mijne oogenquot;. Gelijk men nu datgene het hoogste waardeert en het meeste bemint, wat men met veel moeite en groote opofferingen bekomen heeft, zoo beminde ook Jacob zijne Rachel boven alles. Dan beiden betreurde het ten zeerste dat hun echt geruimen tijd onvruchtbaar bleef; terwijl het huwelijk met Lia zeer vruchtbaar was, bleven zij van kinderen verstoken. Eindelijk even-

-ocr page 70-

65

wel ontfermde God zich over Rachel; Hij sloeg acht op haren kommer en schonk haar de eer en het geluk van het moederschap. Zij ontving en baarde eenen zoon, dien zij Jozef noemde, en welke later de beroemde onderkoning van Egypte werd.

Door de geboorte van dezen zoon was Rachel eene hoogst bevoorrechte moeder geworden; zij beschouwde dan ook dit kind als een bizonder geschenk des hemels. Haar hoogste roem nu bestond hierin, dat zij de moeder werd van den toekomstigen verlosser van Egypte, die liet land van koning Piiarao en al de omliggende gewesten behoedde voor den hongerdood. Al het volk kwam tot Jozef zeggende: geef ons brood, ons heil toch is in uwe handen.

Het gansche geschiedverhaal van dit bevoorrechte kind is aandoenlijk en leerrijk. Jozef was de lieveling van zijnen vader Jacob, omdat hij hem in zijnen ouderdom bekomen had; meer nog om-

-ocr page 71-

66

dat dit kind hem door zijne onschuld en vroomheid veel vreugde verschafte, en vooral omdat God zich gewaardigde de toekomstige verheffing van Jozef in visioenen te openbaren. Jozef verhaalde zijne droomgezichten in alle eenvoudigheid aan zijne broeders : „ik verbeelde mij dat wij op den akker waren en korenschoren bijeen bonden; mijne schoof stond recht op, en uwe schoven bogen zich voor de mijne neder. Eenen anderen keer zag ik de zon, de maan en elf sterren zich voor mij nederbuigenquot;. Toornig riepen zijne broeders, reeds afgunstig om de liefde en de gunst waarin hij stond bij vader Jacob, „zoudt gij dan onze koning wezen en ons als onderdanen beheerschenquot; ? Die haal en nijd nu zijner broeders, nam hoe langer hoe meer toe, en zij dachten er zelfs aan hunnen broeder van kant te maken. — Eenigen tijd later als zij in Dothan de kudden weidden, moest Jozef, die niet met hen was gegaan, op last

-ocr page 72-

67

van zijnen Vader naar hunnen welstand vernemen. Bij de tenten zijner broeders genaderd, wilden dezen hem vermoorden, doch op raad van Ruben wierpen zij hem in eenen diepen put, waaruit hij evenwel werd getrokken op het voorstel van Juda, om voor twintig zilveren geldstukken verkocht te worden aan voorbijtrekkende kooplieden uit Madian, die hem, in de hoofdstad van Egypte, op de slavenmarkt verkochten aan Putiphar, den overste der koninklijke lijfwacht.

Daar trof hem, na tien jaren van trouwen dienst, een zware ramp. De oneer-bare vrouw van Putiphar beschuldigde den kuischen jongeling valschelijk van dezelfde zonde, die zij bedreven had; Putiphar geloofde haar en liet Jozef aanstonds in de gevangenis werpen, waarin hij twee jaren zuchten moest.

Als die beproeving ten einde liep, zond God aan den koning van Egypte twree droomen. Pharao riep des morgens alle Egyptische wijzen en droomuitleg-

-ocr page 73-

68

gers te zaraen; maar niemand kon verklaren, wat de droomen des konings beduidden. Toen verhaalde de opperschenker aan Pharao, hoe een hebreeuvvsche iongeling aan hem en aan den opperste der bakkers, toen zij te zamen in de gevangenis waren, alles voorspeld had, wat hun later overkomen was. Daarop werd Jozef voor Pharao gebracht, en de koning-verhaalde hem wat hij gedroomd had. Jozef door God in de toekomst ingewijd zeide; „de zeven vette koeien en de zeven volle korenaren beteekenen zeven jaren van overvloed; de zeven magere koeien en de zeven leêge korenaren beteekenen zeven jaren van hongersnood. Nu sprak de koning tot Jozef: „omdat God u dit alles geopenbaard heeit, stel ik u over geheel mijn huis; het gansche volk zal uwe bevelen gehoorzamen, en slechts door den koningstroon zal ik boven u verheven zijn, ik stel u over geheel Egypteland.

Als dan de zeven jaren van overvloed

-ocr page 74-

'el' I kwamen, verzamelde Jozef al het over-lollige koren in ruime voorraadschuren, j Toen daarop het eene jaar na het andere e 1 de oogst mislukte, ging het volk tot 's':e J Pharao en riep om brood. „Gaat tot ; Jozef,quot; zeide toen Pharao ,,en doet wat ' | hij u zeggen zal.quot; Jozef opende zijne i magazijnen en begon het opgelegde koren te verkoopcn, en allen werden van . • levensmiddelen voorzien. Ook Jozefs J broeders kwamen uit het naburige Kanaan

ïn naar Egypte om koren te koopen. Jozef -n onthaalde hen minzaam, en nadat hij hunne ;11 gezindheid op eene zware proef gesteld had, maakte hij zich aan zijne broeders bekend. . Deze vielen nu rouwmoedig voor zijne

^ voeten neder, Jozef beurt hen op en omhelst ■'i Benjamin en al zijne broeders. Daarop liet 1 hij zonder uitstel zijn grijzen vader

tot zich komen, die zijn verlies zoo diep quot; betreurd en beweend had. Jozef reed hem in het land Gessen te gemoet; toen hij hem zag, sprong hij uit zijn wagen, | j viel zijn vader om den hals en weende

-ocr page 75-

in zijne omhelzing. Jacob zeide; „Nu zal ik verheugd sterven, nu ik uw aangezicht gezien heb en u in leven achterlaatquot;.

Vergelijking.

In Rachel, de moeder van Jozef, zien wij eene voorafbeelding van Maria, de Moeder van Jesus. Ook zij was hoog-bevoorrecht en veel hooger dan Rachel. Het kind toch. wat zij ontving in haren schoot, was inderdaad een geschenk Gods. Ook Maria kan uitroepen: „de Heer heeft mij gezegend en met den luister der maagdelijkheid de vreugde van het moederschap vereenigdquot;. Dan haar grootste roem bestond hierin, dat zij moeder geworden was van Hem, die de Verlosser zijn zou niets slechts van één enkel volk, maar van alle volkeren der wereld. En alles wat nu van Jesus staat opge-teekend, is bovenmate aangrijpend en leerrijk. Hij, de eeniggeboren Zoon van God, is het welbehagen van zijnen hemel-schen Vader, op wiens lastgeving Hij

-ocr page 76-

7i

naar de aarde afdaalde om de menschen, zijne broeders, te bezoeken en hun zijne liefde te bewijzen. Maar Zijne broeders haatten en vervolgden Hem en zochten Hem ter dood. Voor dertig zilverlingen werd Hij aan Zijne vijanden verkocht, die Hem gevangen namen, valschelijk beschuldigden en ter kruisdood overleverden.

Doch ook Hij werd de Redder en de Verlosser van Zijn volk en van al Zijne broeders. Wijl Hij wist dat eene groote hongersnood de volkeren teisteren zou, niet een hongersnood naar het lichaam, maar eene gevaarvolle nood naar de ziel, waardoor velen bij gebrek aan geestelijk voedsel sterven zouden — daarom heeft Hij in de voorraadschuur der Katholieke Kerk Zijn koren opgelegd, de tarwe der uitverkorenen, het hemelsch brood. Zijn eigen goddelijk vleesch, hetwelk den honger stilt van allen, die naderen tot ; het H. Sacrament des Altaars. Deze kostbare spijs wordt verstrekt aan allen, die haar begeeren, zelfs zijne ondankbare broe-

-ocr page 77-

72

ders, die hem beleedigd hebben, worden niet uitgesloten. Als zij rouvymoedig voor Hem nedervallen, dan beurt Hij hen op, zeggende: „komt allen tot Mij, die belast en beladen zijt, die door geestelijken honger gekweld wordt, en Ik zal u verkwikkenquot;. En door den Koning der koningen in eer en glorie gesteld, gezeten aan de rechterhand Zijns Vaders, wil Hij ook dat wij zijne broeders, daar komen waar Hij is, waar Hij ons een plaats bereid heeft, opdat aller vreugde volkomen zij.

Toepassing.

O Maria, Moeder van God en ook mijne Moeder! zie mij hier voor den troon uwer genade nedergeknield. Gij hebt gedeeld in de vernedering, in het lijden en sterven van uw goddelijk kind, maar Gij waart ook getuige van zijne glorievolle verrijzenis en hemelvaart. Gij zelf zijt door Hem ten hemel opgenomen, waar Gij als koningin gezeteld zijt aan

-ocr page 78-

73

de rechterhand van uwen goddelijken Zoon. Daar op den troon uwer glorie roept Gij ons toe, wat gij voor de eerste maal hebt uitgesproken op de bruiloft te Cana; „gaat tot Jesus, en doet wat Hij u zeggen zalquot;. Daarom, o mijne Moeder, neem ik mij vast voor uwen raad op te volgen. In mijnen geestelijken nood wil ik gaan tot Jesus, Uwen Zoon, mijnen Verlosser; maar ik zal in het vervolg beter gehoor geven aan hetgeen Hij tot mij spreken zal, ik wil alles doen, wat Hij van mij begeert en zoo alles bekomen, wat mij voor tijd en eeuwigheid noodig is.

Schietgebed. Spreek Heer! want uw dienaar luistert.

-ocr page 79-

RACHEL EN MARIA. — BEIDER DOOD EN BEGRAFENIS.

Inleiding.

Veertien jaren had Jacob in Mesopo-tamie bij zijn schoonvader Laban, in veel kommer en arbeid djorgebracht; doch God had hem gezegend met een grooten veestapel, en zijne familie was j talrijk, hij had elf zonen en eene dochter. Na die langdurige ballingschap verlangde hij vurig naar zijn vaderland en vooral naar zijnen ouden vader Izaftk. Hij vertrok dan met zijne familie, zijn huisraad en zijne kudden. Door zijnen broeder Ezau werd hij welwillend ontvangen, en hij vestigde zich te Salem; later ging hij op last van God naar Bethel, van daar trok hij wederom verder naar Ephrata, het tegenwoordige Bethlehem. Daar schonk

-ocr page 80-

75

zijne geliefde vrouw Rachel hem een tweeden zoon, maar zij kocht zijn leven met haar leven, en zij werd te Ephrata begraven.

Door haren dood nu en hare begrafenis is Rachel wederom eene voorafbeelding van Maria.

Verhaal.

In het voorjaar kwam Jacob te Ephrata, ; het tegenwoordige Bethlehem. Als nu de dagen van Rachel vervuld waren, I baarde zij met vele smarten eenen zoon, i dien zij Benoni, kind mijner smarten, ; noemde; de vader echter schonk hem quot;da-i naam van Benjamin, zoon van mijn rechter. Daarop stierf Rachel. Jacob met zijne zonen begroeven haar langs den weg en stichtten op haar graf een gedenkteeken, dat nog heden ten dage het gedenkteeken van Rachel genoemd wordt. Zoolang de schepter van Juda niet was weggenomen, hielden de Joden het graf hunner stammoeder Rachel in hooge eer; dikwerf wordt er in het Oude

-ocr page 81-

76

Testament melding van gemaakt: zoo ten tijde van Mozes, bij de verkiezing van Saul tot koning, later door den profeet Jeremias, toen de Joden in ballingschap werden weggevoerd. In het Nieuwe Testament heeft het graf van Rachel eene treurige vermaardheid verkregen door den kindermoord van koning Herodes. Nog heden ten dage bestaan de overblijfselen van dit gedenkteeken, en Christenen, Joden en Turken bezoeken dat monument. Alle vrome pelgrims, die eene bedevaart naar het H. Land ondernemen, verzuimen niet ook het graf van Rachel te Bethlehem te vereeren; Jammer helaas! dat Bethlehem en het geheele Beloofde Land met al zijne heiligdommen nog zucht onder de heerschappij der Turken.

Vergelijking.

Om in Rachel andermaal eene voorafbeelding van Maria te aanschouwen, gaan wij in den geest tot de onbevlekte Moeder-

-ocr page 82-

77

maagd te Bethlehem. De H. Schriftuur verhaalt ons, dat de H. Jozef met zijne maagdelijke Bruid, die zwanger was, opging naar Bethlehem, waar hare dagen vervuld werden. Maria baarde haren zoon, dien zij Jesus noemde; doch met het volste recht had ook zij Hem Be-noni, kind mijner smarten, kunnen noemen. Want ofschoon zij om de geboorte van haar kind geen pijn of smart te verduren had, begonnen evenwel met zijne geboorte hare onuitsprekelijk groote en voortdurende smarten. Toen het kind nauwelijks acht dagen oud was, voorspelde de grijze Simeon haar dat een zwaard van droefheid hare ziel zou doorboren. En hoe volkomen is deze voor spelling in vervulling gegaan. Het is immers om de zorgen voor de kindsheid en de jeugd van haar kind, om het lijden wat zij op zijnen lateren leeftijd tot den kruisdood toe beeft doorstaan, dat zij de moeder van smarten genoemd wordt.

Dan ook het kind van Maria ontving

-ocr page 83-

een tweeden naam ; de hemelsche Vader noemde Hem, evenals de aartsvader Jacob zijnen Benjamin, zoon van mijn rechter. Wel in waarheid is Jesus de zoon van de rechterhand des Vaders in den hemel, zooals reeds de koninklijke psalmist had opgeteekend: „De Heer heeft tot mijnen Heer gezegd; „Zit aan mijne rechterhandquot;. —• en dagelijks nog herhalen wij die woorden in de geloofsbelijdenis der Apostelen: „Hij is opgeklommen ten hemel en zit aan de rechterhand van God, zijnen almachtigen Vaderquot;. Die naam is Hem gegeven voor eeuwig. Slechts eenmaal nog zal Hij die rechterhand des Vaders verlaten, om te komen oordeelen de levenden en de dooden. Dan zal Hij met de gezegenden Zijns Vaders opstijgen, om de Benjamin, de zoon van de rechterhand des Vaders te zijn door alle eeuwen der eeuwen.

Eindelijk ook Maria stierf en werd begraven. De H. Gregorius van Tours 1 beschrijft haar verscheiden. „Als Maria

-ocr page 84-

79

aan het einde van hare aardsche loopbaan was gekomen, waren, op goddelijke ingeving, al de apostelen in haar huis te Jeruzalem vergaderd. Ziet, daar nadert Jesus met Zijne Engelen, ontvangt hare ziel en geeft haar in de handen van den aartsengel Michael over. Daarop legden de Apostelen het ontzielde lichaam hunner Moeder in het graf, en terwijl zij daar nog stonden, verscheen de Heer andermaal en nam het heilig lichaam in eene wolk van licht met Zich in het paradijs, waar het met de ziel vereenigd werd.quot; Aan den voet van den Olijfberg, nabij de plaats, die Jesus door Zijnen bloedigen doodsangst geheiligd heeft, vindt men nog heden in eene uitgehouwen rots het gedenkteeken van Maria's graf. 1 Volgens het verhaal van den H. i Hieronymus werd dat gedenkteeken door de Apostelen en de eerste Christenen dikwerf met de diepste godsvrucht bezocht, en alle eeuwen door was | het graf van Maria een voorwerp van

-ocr page 85-

8o

innige vereering voor alle pelgrims, die gaarne den heiligen grond kussen, waarop het heilige lichaam van de Moeder Gods gerust heeft. Reeds in de vierde eeuw bouwde Keizer Theodo-sius eene kerk over Maria's graf, die, door de kruisvaarders hersteld, tegenwoordig nog bestaat. De liefde der ge-loovigen heeft het graf zelf met marmer versierd en met kostbare tapijten behangen, terwijl in die kleine ruimte achttien lampen dag en nacht branden. Wel | mógen de Katholieken deze heilige plaats bezoeken, maar zij is niet hun eigendom, ook dit gezegende oord verzucht onder de heerschappij der Turken, die het aan : de schismatieke Grieken hebben overgegeven.

Toepassing.

O Maria, Moeder van God en ook mijne Moeder! Voor den troon uwer genade nedergeknield, betreur ik van ' ganscher harte, dat het mij niet gegeven is uw heilig graf in werkelijkheid te j

-ocr page 86-

8i

vereeren. Evenwel begeef ik mij in den geest tot dat gezegende oord, en bid op uw gedenkteeken voor de verheffing dei-heilige kerk. Verwerf ons vooral, o machtige Moeder! dat zoovele gewijde plaatsen spoedig uit de handen der onge-loovigen bevrijd worden. Om u mijn gebed des te aangenamer te maken, neem ik mij vast voor, jaarlijks een offer te storten voor het onderhoud der Christelijke heiligdommen in het Heilige Land. Dat offer, lieve Moeder! leg ik heden op uw graf neder, ter liefde van Jesus, den Zoon uwer smarten, den Zoon ook van de rechterhand des hemelschen Vaders, opdat Hij, bij Zijne komst ten oordeel, mij een genadig vonnis schenke, en mij verheffe tot zoon Zijner rechterhand in den Hemel. Amen.

Schietgebed. H. Maria, Moeder der zalige volharding, verwerf mij een genadig oordeel. Amen.

-ocr page 87-

Tiende Met,

JOCHABED, DE MOEDER VAN MOZES.

MARIA, DE MOEDER VAN jESUS.

Inleiding.

Tot nu toe hebben wij, als vooraf-1 beeldingen van Maria, die heilige Vrou-! wen van het Oude Testnment behandeld, welke met hare gezinnen de landstreken bewoonden, waarin de oudste geschiedenis van het Israëlietische volk voorviel. Heden zullen wij die landen verlaten en de kinderen van Jacob nagaan in Egypte, waarheen de Heer hen ter vervulling Zijner eeuwige raadsbesluiten geleid had. Jozef, de onderkoning van dat land, had zijnen vader Jacob en zijne broeders naar het rijk van Pharao laten overkomen, waar zij tot een groot volk aangroeiden.

-ocr page 88-

»3

I

Zoolang de koning leefde, die Jozef zoo hoog had verheven, hadden de Joden in het landschap Gessen voorspoed en geluk; toen evenwel een andere Pharao den troon besteeg, werden zij hard behandeld en wreed onderdrukt. Vier honderd dertig jaren dienden zij in Egypte als slaven. Eindelijk verhoorde God hun geklaag en | geween en besloot hen wederom naar Kanaan terug te voeren. Als aanvoerder koos de Heer Zijnen dienaar Mozes en zeide tot hem: „U zal ik zenden opdat gij mijn volk, de zonen van Israël, uitvoert uit Egypte.quot; De moeder nu van Mozes was Jochabed, die wij heden in hare voorafbeelding van Maria willen nagaan.

Verhaal.

Jochabed beteekent „roem Gods,quot; en door de geboorte van haren zoon, die tot glorie van God en tot de verheerlijking van Je'iova onder de heidenen vele ' groote wonderen werkte, verdiende zij te recht dezen naam, en werd zij gerekend

-ocr page 89-

84

onder die gezegende vrouwen, welke om hare kinderen door het volk geprezen werden. Haar zoon was Mozes, de grootste der profeten en de aanvoerder van zijn volk. Bij zijne geboorte was het bevel aan de Egyptenaren reeds gegeven om alle knaapjes, die bij de Israëlieten geboren werden, in het water te werpen en te verdrinken. De nieuwe Pharao vreesde, dat de zonen Israel's te machtig zouden worden en zich met de vijand des lands zouden vereenigen. God echter verijdelde de goddelooze plannen des konings door de geboorte van Mozes. De vrome Jochabed vreesde de menschen niet, maar vertrouwende op Gods voorzienigheid en barmhartigheid verborg zij haar kind drie maanden lang. Zij zag dat hij Gode welgevallig was, en uit zijne oogen sprak de stem des Heeren tot haar moederhart, dat hij een kind van zegening zoude zijn en groote dingen door hem verricht zouden worden. Evenwel durfde zij het niet langer bij zich verborgen

-ocr page 90-

houden, daarom legde zij haar kind in een rieten korfje, dat met pek waterdicht gemaakt was, in de rivier den Nijl. Dan God waakte over het leven van dit uitverkoren kind.

Pas drijft het korfje op het water, of de dochter des konings komt op die plaats, ziet het schreiende kindje, en door medelijden bewogen geeft zij het aan Jocha-bed, zeggende ; „Voed dit kind voor mij op; ik zal u uw loon geven.quot; Als Mozes grooter geworden was, bracht zijne moeder hem bij de dochter des konings, en aan het hof werd hij, overeenkomstig zijnen rang van koninklijk prins, onderwezen in alle wetenschappen der Egyp-tenaren. Nu was ook de bevrijding van Israel gekomen; spoedig zou de belofte van Jozef in vervulling gaan : „Na mijnen dood zal God u bezoeken en u weder terugvoeren naar uw vaderland Kanaan.quot;

Mozes was veertig jaren oud toen hij uit Egypte wegvluchtte, wijl de koning bevel had gegeven om hem te dooden.

-ocr page 91-

86

I In Arable bij de Madianieten werd hij opgenomen door Jethro, met wiens dochter Sephora hij in het huwelijk trad. Veertig jaren weidde hij de kudden van zijnen schoonvader, en veertig jaren ook zou hij aan het hoofd staan van het uitverkoren volk Gods. Op last van God ging Mozes met zijnen broeder Aaron tot den Egyptischen koning en sprak: „Jehova, de God van Israël, zegt, „laat mijn volk uittrekken, opdat het Mij offere in de woestijn.quot; De trotsche Pharao vroeg spottend: „Wie is Jehova, dat ik naar zijn woord luisteren zou? Ik ken i geen Jehova, en het volk laat ik niet I gaan.quot; Slechts door vreeselijke plagen i en rampen, welke God over Egypte en ; den koning liet komen, werd Pharao ^ bewogen het volk van Israël te laten vertrekken. De uittocht uit Egypte en de zwerftocht door de woestijnen, tusschen Egypte en Kanaan gelegen, ging vergezeld van vele wonderen, welke Mozes door de kracht Gods verrichtte. Als de

-ocr page 92-

8?

Joden in Egypte hun eerste Paaschfeest gevierd hadden, leidde Mozes zijn volk droogvoets door de Roode Zee tot den berg Sinai, waar God hem de wetstafelen der tien geboden gaf. De Heer spijsde hen in de woestijn veertig jaren lang met het manna des hemels en laafde hen met het water der rots en schonk hun leeringen en voorschriften, om de kennis en den dienst van den waren God ongeschonden te bewaren. Eindelijk stierf Mozes op den berg Nebo, in de armen van zijnen God, die hem het geheele land Kanaan in de lengte en in de breedte had laten aanschouwen, zeggende: „dit is het land, waarvan Ik aan Abraham, Isaak en Jacob gezworen heb; „aan uw geslacht zal Ik het geven.quot; Mozes had zijn volk gezegend en Josue tot zijnen opvolger aangesteld, die de uitverkorenen behouden het beloofde land binnenvoerde.

Vergelijking.

Dit alles nu is geschied ter vooraf-

-ocr page 93-

88

bedding, en de vervulling vinden wij in Maria en haar goddelijk kind Jesus. In Jochabed, de moeder van Mozes, die haar kind redde uit de listen van koning Pharao, erkennen wij aanstonds Maria, de moeder van Jesus, die haar kind behoedde voor de lagen van koning Herodes. In Mozes, die zijn volk bevrijdde uit de slavernij van Egypte, erkennen wij oogenblikkelijk Jesus Christus, die Zijn volk verlostte uit de slavernij des duivels. | Ook koning Herodes stond het kindje : Jesus, bij Zijne geboorte, naar het leven, ! daar hij vreesde, dat dit kind zijn troon I en opperheersdiappij zoude bemachtigen. I Om zeker ook den nieuwgeboren koning der Joden te treffen, gaf hij bevel alle knaapjes van twee jaren en daar beneden te dooden. Maar daar is geen wijsheid en beleid tegen de raadsbesluiten des Heeren. Ook hier waakte God over het leven van Zijnen zoon. Maria wist dat dit kind het kind der belofte was, waardoor God groote dingen zoude werken tot :

-ocr page 94-

§9

I . .. 1

heil van Zijn volk, en vertrouwend op de bescherming van den hemelschen Vader vluchtte zij met haar kind naar Egypte, onder de hoede van den heiligen Jozef Wij allen weten wat er later van dat kind geworden is: onze gezegende Verlosser, door God gezonden om ons te redden uit de macht van Satan en ons uit het ballingsoord der aarde heen te leiden naar het beloofde vaderland des hemels. Wat al wonderen heeft Zijne liefde en barmhartigheid verricht om ons te bevrijden uit de wreede slavernij des duivels! — Ook Hij heeft voor Zijn uittocht uit het leven met de Zijnen het paaschlam gegeten; ook Hij leidde Zijn volk door het water der Roode Zee, daar Hij de Zijnen redde door het water van het heilig doopsel; ook Hij spijsde hen met Manna, het waarachtig hemelsch brood van Zijn goddelijk Vleesch; ook Hij heeft de Zijnen gelaafd met het water der rots, want die rots was Christus, die op den Calvarieberg Zijn goddelijk Hart

-ocr page 95-

: opende; ook Hij heeft bij Zijn verscheiden Zijn volk gezegend, en een opvolger aangesteld in den persoon van den H. Petrus, onder wiens leiding het uitverkoren christenvolk behouden het land van belofte, het vaderland des hemels, zal binnengaan.

Toepassing.

O Maria, Moeder van God en ook mijne Moeder! voor den troon uwer genade nedergeknield, loof en prijs ik u als de Moeder des Verlossers, die ons door het H. Doopsel uit de slavernij des duivels heeft bevrijd, gespijsd met Zijn goddelijk vleesch en gelaafd met Zijn goddelijk Bloed, op onze woestijnreis door het leven. Dan ik moet mij ook aanklagen, dat ik evenals de Joden het gouden kalf heb aanbeden door mijne ijdelheid en hoovaardigheid; dat ik evenals zij de vleeschpotten van Egypte heb terugverlangd door mijne onmatigheid; dat ook ik gemord heb tegen de goddelijke Voorzienigheid, door

-ocr page 96-

91

mijne ontevredenheid; dat ook ik gevaar geloopen heb buiten het beloofde land gesloten te worden, omdat ik niet geleefd heb overeenkomstig het geloof, dat eeuw in eeuw uit door uwe Stedehouders verkondigd wordt. — O mijne Moeder! ik gevoel berouw over mijne afwijkingen, voortaan wil ik gretig gehoor geven aan de roepstem van uwen Plaatsvervanger en de geboden der Kerk even stipt onderhouden als de geboden Gods. In de talrijke bekoringen, die het leven mijner ziel in gevaar brengen, zal ik mijne toevlucht nemen tot U, en gelijk Gij het kindje Jesus voor de aanslagen van Herodes beveiligd hebt, zoo zult gij ook mijne ziel bevrijden uit de strikken van Satan, door mij op te nemen in uwe moederlijke bescherming. Amen.

Schietgebed. O Maria, geleidster van mijn leven, voer mij behouden in het beloofde vaderland des hemels. Amen.

-ocr page 97-

Ufdl© IVlet

RAHAB EN MARIA.

Inleiding.

De vrouw, welke wij heden als voorafbeelding van Maria wenschen voor te stellen, is Rahab. Zij woonde in de stad Jericho, bij de rivier de Jordaan, toen voor de Joden de tijd gekomen was hun intocht te doen in Kanaan; zij huisvestte de verspieders, die gezonden waren om de stad te verkennen. Van heidin bekeerde zij zich tot den waren godsdienst van Jehova; zij werd de overgrootmoeder van koning David, waardoor zij hare plaats inneemt onder de voorouders van Christus. Laat ons hare geschiedenis meer uitvoerig nagaan om te zien, hoe zij eene ware voorafbeelding is van Maria.

Verhaal.

Na hun uittocht uit Egypte, het land

-ocr page 98-

93

hunner slavernij, kwamen de Israëlieten in de groote woestijn, die zich tusschen de Roode zee en het beloofde land uitstrekt. Hun zwerftocht door dit onherbergzaam oord duurde veertig jaren; in dien tijd mochten zij vele groote wonderen van Gods barmhartigheid ondervinden. doch groot was hunne ondankbaarheid, en talrijk de beleedigingen, welke zij God aandeden.

De verdiende straf kon niet uitblijven ; de Joden hadden gemord; „ach, waren wij omgekomen in deze woestijn!quot; en God antwoordde: ,,zoo waar Ik leef, u zal geschieden naar uw woord: in deze woestijn zullen uwe lijken liggenquot;. Allen dan ook, die den ouderdom van twintig jaren bereikt hadden, zijn in de woestijn gestorven, behalve de godvreezende verkenners, Jozuö en Kaleb. In die veertig jaren van omzwerving was een nieuw geslacht opgegroeid; ook Mozes hun aanvoerder was gestorven op den berg Nebo; en Jozue was hem opgevolgd.

-ocr page 99-

94

I

God sprak tot hem; ,,sta op en trek met al uw volk over den Jordaan naar het land, dat Ik aan Israel's zonen geven zalquot;. Jozuë zond nu twee mannen over den Jordaan, om de stad Jericho in het geheim te verkennen. Zij deden dit en namen hunnen intrek in het huis van Rahab. Hunne komst evenwel bleef voor den koning van Jericho niet verborgen, en hij zond zijne soldaten, om de Joodsche verspieders gevangen te nemen. Rahab echter verborg beide mannen en bracht de soldaten in den waan dat de spionnen de stad reeds verlaten hadden, zoodat zij zich terstond op weg begaven, om hen te achterhalen. In den nacht bond zij een lang touw aan een harer vensters, dat aan den walmuur uitkwam. De verkenners lieten zich naar beneden glijden, verscholen zich in het gebergte en kwamen na drie dagen behouden in het legerkamp van Jozuë terug.

Het medelijden en de barmhartigheid van Rahab zouden niet onbeloond blij-

-ocr page 100-

95

ven. Wanneer de Israëlieten de stad i Jericho veroverd hadden, werd de ge-heele stad vernield en in brand gestoken, en alle inwoners, mannen en vrouwen, | kinderen en grijsaards, werden vermoord. ; Rahab echter en degenen, die in haar huis waren, werden gespaard. Jozue liet haar het leven, zegt de Schriftuur, om- ! dat zij de verspieders geherbergd had, j die hij gezonden had, om Jericho te ver- j kennen. Dan God zelf heeft haar eene ' nog veel grootere weldaad bewezen: ' door haar huwelijk met Salmon, een Israëliet, werd zij opgenomen onder de ' stamouders van Zijnen menschgeworden Zoon.

Vergelijkikg.

Onder twee opzichten nu is deze Rahab eene voorafbeelding van Maria. Dooide barmhartigheid, waarmede zij de boodschappers van Jozuë huisvestte en voor hunne vijanden verborg, wijst zij ons op de groote barmhartigheid, waarmede Maria al hare kinderen die ge-

-ocr page 101-

96

zondige! hebben, opneemt, om hen onder haten moederlijken mantel te verbergen voor de goddelijke gerechtigheid. Door hare wondervolle redding uit den alge-raeenen ondergang van Jericho, is Rahab eene voorafbeelding van de onbevlekte ontvangenis van Maria.

Rahab nam de verspieders in haar huis op, ofschoon zij wist, dat het vijanden waren van haren koning, die gekomen waren, om hem zijn land te ontroo-ven; zij verborg hen in haar huis, daar zij wist, dat zij er het leven bij zouden inschieten, wanneer zij den koning in handen vielen, en zij redde hun leven, door hen langs een rooden koord over de stadsmuren te laten afklimmen.

Nog veel grooter barmhartigheid bewijst Maria aan ons, arme zondaars. Maria weet, dat de zondaar een vijand is van God, den koning des hemels, een vijand, die, zooveel in hem is. Zijne goddelijke eer rooft en Zijn rijk verwoest, — en toch sluit zij hare woning niet voor den zon-

-ocr page 102-

97

daar, zij neemt hem in haar moederarmen op. Maria weet dat de zondaar de straffen der goddelijke gerechtigheid verdiend heeft, dat het voor hem verschrikkelijk is te vallen in de handen van den levenden God, waarbij hij het leven verliest voor den tijd en de eeuwigheid —• en tocli spreidt zij den breeden mantel harer barmhartige liefde over den zondaar uit, verbergt hem alsdan voor den toorn des hemels en offert voor hem onophoudelijk het kostbare Bloed van haren zoon Jesus — dat is het roode koord, waarmede Maria de zondaars redt, volgens de verklaring toch van den H. Augustinus is het roode koord, waarmede Rahab de verspieders van Jericho redde, eene voorafbeelding van den lijdenden en bloedenden Verlosser.

Met het volste recht derhalve verdient Maria al die benamingen, welke hare groote liefde voor de zondaars kenmerken. Met alle reden noemt Haar de H. Kerk de Moeder van barmhartigheid,

-ocr page 103-

98

de Moeder der goddelijke genade, de goedertierene Maagd en de toevlucht der zondaren.

Verder gelijk Rahab door hare barmhartigheid ook barmhartigheid voor zich zelve verworven heeft, zoo is ook Maria het uitverkoren vat der goddelijke genade en barmhartigheid, Rahab is dan ook onder dit opzicht eene voorafbeelding der onbe- j vlekte Maagd Maria. Toen Jozue de j stad Jericho, den zetel der afgoderij, I veroverd had, sprak hij den vloek over de schuldige stad uit; „Vervloekt zij deze stad en alles wat daar in is — Rahab alleen uitgenomen, zij alleen zal levenquot;. Wie denkt hier niet aanstonds aan den vloek, onmiddelijk na den zondeval in het paradijs, door God over het menschdom uitgesproken ?

Alle menschen vielen in ongenade en moesten sterven. Allen zouden als kinderen van gramschap ter wereld komen, besmet met de erfzonde. Één enkele slechts was onder dien banvloek des

-ocr page 104-

99

Heeren niet begrepen. Een enkele zoude de smet der zonde en de ongenade Gods niet dragen, nimmer staan onder de macht van den boozen vijand, nl. de allerzaligste Maagd Maria. Terwijl alle menschen ter wereld komen, in het afgodische Jericho, beladen met de erfzonde en hare gevolgen, is Maria, door een bizonder voorrecht van den H. Geest, om wille der verdiensten van Jesus Christus, voor de erfzonde gevrijwaard gebleven : en geboren in den oorspronkel ijken staat van onschuld en heiligheid.

Vervolgens verdiende Rahab gerangschikt te worden onder de stamouders des Heeren —■ werd zij door haar volk geprezen en zal haar aandenken in zegening blijven zoolang de Katholieke Kerk de feesten van Maria viert, — aan Maria zien wij nog grootere dingen geschieden. Maria toch behoort niet tot de ver verwijderde .stamouders des Heeren. Zij is Zijne Moeder zelf. Uit haar heeft Hij de

-ocr page 105-

ioo

menschelijke natuur aangenomen, — en wanneer het Evangelie verhaalt; Salmon gewon Booz uit Rahab, Booz gewon Obed uit Ruth, Obed gewon Jesse, Jesse gewon David, en Jesus Christus is de zoon van David, — de engel Gabriel sprak tot Maria: „Gij zult ontvangen en eenen zoon baren en zijnen naam Jesus noemenquot;. — Als Moeder ^ van God nu is Maria de uitverkorene ! van haar volk, de gezegende onder de : vrouwen, vol van genade, die van zich I zelve getuigen kon: „van nu af zullen j alle geslachten mij zalig prijzenquot;. —

Toepassing.

o Maria, Moeder van God en ook mijne Moeder' Voor den troon uwer ge-nade nedergeknield, loof en prijs ik uwe , Onbevlekte Ontvangenis. Ik wil U prijzen al de dagen mijns levens, tot mijn laatsten ademtocht, voor de barmhartigheid, die Gij aan de zondaren be-wijst. O, Gij vol van genade, laat ook

-ocr page 106-

lOI

ons deel hebben aan den overvloed Uwer zegeningen. Toevlucht der zondaars, verberg ons onder den mantel uwer moederlijke liefde; wij zullen door een zuiver en kuisch leven uwe Onbevlekte Ontvangenis vereeren, opdat wij steeds meer en meer op onze Moeder mogen gelijken; daarom zullen wij dagelijks, des morgens en des avonds, onze drie Wees gegroeten bidden. Amen.

Schietgebed. O Maria! door uwe allerheiligste Onbevlekte Ontvangenis reinig mijn hart en vleesch. Amen.

-ocr page 107-

Twaajjfi© IM.

JAHEL EN MARIA.

Inleiding.

Wij zullen heden eene vrouw leeren kennen, die door haren heldenmoed het volk van Israël van een machtigen vijand bevrijd en onsterfelijken roem verworven heeft. Onder deze opzichten is zij eene voorafbeelding van de Moeder Gods. De naam dezer vrouw is Jahel; i in hoeverre zij eene voorafbeelding van Maria is, zal hare meer uitvoerige geschiedenis aantoonen.

Verhaal.

i

De Israëlieten hadden, na de verovering van Jericho, bezit genomen van het land, dat hunnen vaderen in Egypte be- i loofd was, en Jozuë verdeelde het onder de twaalf stammen. In voorspoed en ge-

-ocr page 108-

i03

luk konden zij nu rustig voortleven, zoo zij slechts getrouw bleven aan Jehova en zijnen wetten gehoorzaamden, want het land vloeide van melk en honing. Spoedig echter vielen zij weder van God af, „zij vergatenquot;, zegt de Schriftuur, „hunnen God, die hen uit Egypte geleid had, zij zondigden voor Zijn aanschijn en pleegden afgoderijquot;. Daarom werden zij overgeleverd in de handen hunner vijanden. De naburige volkeren en koningen overvielen hen en legden hun nog zwaarder juk op, dan zij in Egypte gedragen hadden. Twintig jaren reeds zuchtten zij onder de overheersching van koning Jabin; maar in hunnen nood riepen zij God weder om hulp en ontferming, en God, wien het eigen is te sparen en te vergeven, verhoorde andermaal de bede van zijn ondankbaar volk. Te dien tijde leefde in Israël de profetes Debora; deze kloeke vrouw verzamelde tien duizend strijdbare mannen en trok ten oorlog tegen Jabin en zijnen veld-

-ocr page 109-

io4

heer Sisara, die met negenhonderd ijzeren strijdwagens en eene ontzaggelijke krijgsmacht tegenover hen stond. Sisara verloor den strijd, vluchtte weg voor zijne vijanden en nam zijn intrek in de woning van Jahel, de echtgenoote van den herdersvorst Haber. In hare tent viel hij van vermoeienis weldra in een diepen slaap. Toen nam Jahel eene lange puntige pin en sloeg die met e.en hamer door de slapen van zijn hoofd, totdat ze vast stak in den grond. Sisara, de machtige en geweldige veldheer, die zoo menigmaal gezegevierd had, lag daar te sterven, machteloos en ellendig, en Israel was door de hand van eene vrouw bevrijd van zijn geduchtsten vijand.

Vergelijking.

Beschouwen wij nu in dezen Sisara den vorst der duisternis, den aanvoerder van vele duizenden booze geesten — dan erkennen wij in Jahel, die over Sisara gezegevierd heeft, gemakkelijk eene voor-afbeeling van Maria, die den duivel

-ocr page 110-

,05

overwonnen heeft. In hel, paradijs had de duivel, in de gedaante eener slang, het eerste menschenpaar overwonnen. Door de erfzonde verder waren alle menschen onder de heerschappij en de slavernij van Satan gekomen; zij zouden nu van de eene boosheid in de andere vallen en eindelijk voor eeuwig verloren gaan, indien de goddelijke barmhartigheid zich over zijn ondankbaar schepsel niet ontfermd had. Doch nauwelijks was de eerste zonde bedreven, of daar wordt voor de toekomst de verwinnende Jahel aangekondigd, die kloeke vrouw, welke over den duivel heeft gezegevierd. In datzelfde paradijs toch sprak God tot de slang: Ik zal vijandschap stellen tus-schen u en de vrouw, tusschen uw zaad en Haar zaad, Zij zal u den kop verpletterenquot;. Deze goddelijke woorden zien op Maria, de Moeder des Zaligmakers, Zij toch is de beloofde Vrouw, die den kop des duivels heeft verpletterd, omdat Zij de moeder was des Verlossers, die

-ocr page 111-

io6

door zijnen kruisdood de macht des duivels gebroken en het menschdom uit zijne slavernij bevrijd heeft. „Met hare linkerhandquot;, zoo verhaalt ons de H. Schrift van de heldhaftige Jahel, „greep zij de houten pin, in hare rechterhand hield zij den hamer en doorboorde met geweldige slagen het hoofd van Sisara, die daar voor hare voeten in onmacht neder viel en een ellendigen dood stierf'.

Ook deze woorden zijn ten volle van toepassing op Maria. Om de overwinning af te beelden, die Maria op den duivel behaald heeft, wordt zij dikwijls voorgesteld in. hare fiere gestalte, met het kindje Jesus op hare armen, staande op den wereldbol, terwijl de duivel, in de gedaante eener slang, onder haren voet onmachtig nederligt — met den hamer des kruises drijft zij de gezegende nagelen, die haar goddelijk Kind doorboord hebben, door het vervloekte hoofd van den vorst der duisternis, zoodat zijne macht geheel en voor goed gebroken is.

-ocr page 112-

io7

Toepassing.

O Maria, Moeder van God en ook mijne Moeder! voor den troon uwer genade nedergeknield, loof ik U om de macht, die de Heer U geschonken heeft, om ons te bevrijden uit de slavernij des duivels. Gij zijt waarlijk een verschrikkelijke legermacht in slagorde geschaard. Bij het hooren van Uwen naam siddert de vorst der duisternis. Gelijk de zon -de nevelen verdrijft, zoo verijdelt Gij alle listen en lagen des duivels. O Maria, mijne Moeder, wanneer de Satan wederom zijn hoofd opheft, om zijne verlorene macht te herwinnen, wanneer hij zijne oude listen aanwendt, om mij in het verderf te storten, dan zal ik bij U hulp en bijstand zoeken. AVanneer hij mij aanzet tot nijd en gramschap, tot hebzucht en overdaad, tot zinnelijkheid en wellust — wanneer hij beproeft mij tot vertwijfeling en wanhoop te brengen — immer en overal, in eiken nood, zal ik | tot U mijne toevlucht nemen, en gij

i.

-ocr page 113-

io8

mijne Moeder zult uw kind niet verlaten, op uw schild stuiten alle pijlen van den vijand af. Gij laat de zielen uwer dienaren niet vallen in de klauwen der roofdieren, en de zielen uwer arme kinderen zult gij niet vergeten.

Schietgebed. O Maria, Moeder van genade. Moeder van barmhartigheid, bescherm mij tegen mijne vijanden. Amen.

-ocr page 114-

öerttead© Wet

DE DOCHTER VAN JEPHTE EN MARIA.

Inleiding.

Tot nu toe hebben wij uit het Oude Testament vrouwen voorgesteld, die om ! verschillende feiten van haar leven voorafbeeldingen waren van Maria; heden willen wij, uit het tijdvak der Rechters, zoodanige voorafbeelding zien in eene maagd, wier naam door de H. Schrift niet tot ons gekomen is, die wij slechts kennen als de dochter van Jephte, een rechter in Israel. Vernemen we wat de : gewijde geschiedenis over deze dochter heeft opgeteekend, en overwegen wij hare overeenkomst met Maria.

Verhaal.

Na den dood van Jozuë was er geen |

-ocr page 115-

overheid in Israel, maar iedereen deed wat hij goedvond. Het volk verviel tot groote misdaden en tot afgoderij. Wanneer zij door zware straffen, door invallen van naburige koningen, tot inkeer kwamen, wekte God onder hen dappere en heldhaftige mannen op, om zijn volk uit de overheersching en de slavernij tc bevrijden. Wanneer zij erger afgoderij pleegden dan ooit te voren, kwamen zij tot straf daarvoor onder de macht der Ammonieten, die hen op de gruwzaamste wijze mishandelden. Toen de Ammonieten andermaal in aantocht waren, verzamelden zich de strijdbare Israëlieten, doch hadden geen opperhoofd. Zij zonden gezanten tot Jephte, die hun als dapper bekend was en zeiden tot hem: „Wees onze aanvoerder en strijd met ons tegen de zonen van Ammon.quot; Jephte kwam en werd tot vorst van Galaad uitgeroepen.

Hij verzamelde de krijgsmacht van het ovér-Jordaansche te Maspha, waar hij zich gevestigd had. Eer hij ten strijde

-ocr page 116-

III

(

!

trok, deed hij God deze belofte: „Heer mijn God, wanneer gij mij de zegepraal schenkt over de zonen van Amnion, en ik in vrede huiswaarts keer, zal ik den eerste, die mij uit mijn huis te gemoet komt, aan U als een brandoffer opdragenquot;. Jephte versloeg de Ammonieten. Toen hij in vrede terugkeerde, kwam zijne cenige dochter, aan het hoofd van meerdere maagden, hem te gemoet, om hem luisterrijk in te halen. Als hij haar zag, scheurt Jephte zijne kleederen en roept uit: „wee mij! ach, mijne dochter! ik heb den Heer beloofd u als een brandoffer te zullen opdragen, en ik kan het niet veranderen!quot; — „Mijn vader, antwoordt de maagd, daar gij de woorden 1 tot den Heer hebt uitgesproken, doe mij dan volgens uwe gelofte, nu Hij u de overwinning op uwe vijanden geschonken 1 heeft; vergun mij evenwel twee maanden I uitstel, om in de eenzaamheid te treuren, I daar ik sterven moet zonder de eer van l het moederschapquot;. Als deze twee maan-

-ocr page 117-

den voorbij waren, vervulde Jcphte zijne gelofte. Dit offer bleef in aandenken door geheel Israël, en alle jaren kwamen de dochters van het land te samen, om gedurende vier dagen de dochter van Jephte te beklagen.

Vergelijking.

In deze geschiedenis zien wij in den aanvoerder Jephte eene voorafbeelding van Jesus, in zijne dochter eene afbeelding van Maria. Ook Jesus werd uitgekozen, om tegen onzen erfvijand te strijden en Zijn uitverkoren volk van de overheersching des duivels te bevrijden. Hij is in blijdschap opgestaan, om Zijnen weg te bewandelen, gelijk een reus. Met Zijn kruis beladen zien wij Hem ten strijde trekken naar den Calvarieberg, om daar door eene heerlijke zegepraal de heerschappij des duivels te vernietigen. Dan ook deze zegepraal ging met een zwaar offer gepaard, het offer van Zijne Moeder. Ook Hij beloofde: „eeuwige

-ocr page 118-

1 '3

Vader in den Hemel! wie Mij op mijnen kruisweg het eerst ontmoet, dien zal ik U opofferenquot;. En ziet — daar op den lijdensweg komt de Moeder der smarten baar Kind te gemoet. Vervuld van lijden roept de Zoon haar toe. „O mijne Moeder, moeten wij elkander hier in dezen toestand aantreffen? Ik verlang van U- het offer van gehoorzaamheid en onderwerping aan den heiligen wil mijns Vaders, andermaal moet een zwaard van droefheid uw moederhart doorboren.quot; — Wat zal het antwoord zijn van Maria ? Gelijk bij de blijde boodschap des Engels, klinkt het ook bij deze droevige boodschap van haar Goddelijk Kind: „Mij geschiede naar Uw woordquot;.

Ga mijn Zoon, voltrek Uw offer, ik volg U op den kruisberg, om Mij met U op te offeren. Gun Mij evenwel, in de droefheid mijns harten, de vreugden te herinneren, die Ik gesmaakt heb. —

Opdat het zwaard van droefheid nog dieper in haar hart zoude doordringen.

8.

-ocr page 119-

114

roept Maria het geluk van vervlogene dagen in haren geest terug.

Waar is thans de blijde groetenis des engels, die mij de hooge waardigheid van Moeder Gods aankondigde? Waar is de wonderbare ster, die de geheele wereld met blijdschap vervulde? Waar is de nederige aanbidding der herders en heilige Koningen, die mij zulk een grooten troost verschafte ? Waar zijn de stemmen der engelen in de lucht, die mijn gehoor zoo verrukkelijk streelden? Waar zijn die blijde dagen met mijn Jesus en zijn voedstervader Jozef in Nazareth doorgebracht ? Waar die glorievolle tijden zijner machtige wonderwerken ?

De smarten van Maria worden bij deze overdenkingen nog naamloos grooter. Als zij daarna den Man van smarten, die weet wat lijden is, aanschouwt: zoo gruwzaam mishandeld, met bloed bedekt, stervend aan het schandhout, dan mag zij waarlijk wel uitroepen ; „komt en ziet.

-ocr page 120-

quot;5

of er eene smart is gelijk aan mijne smartquot;.

T OEPASSING.

O Maria, Moeder van God en ook mijne Moeder! voor den troon uwer genade nedergeknield, kom ik uw onvergetelijk offer beklagen, gelijk de maagden weenden over den rampspoed van Jephte's dochter. Wie uwer kinderen moet niet schreien, als hij de Moeder van Christus ter prooi ziet aan zulk eene foltering. Wie gevoelt zich niet door medelijden bewogen, als hij die bedrukte Moeder zoo ziet lijden met haar Kind. Om de zonden van uw volk, o Moeder! ziet gij uwen Jesus geheel doorwond en zonder troost daar sterven aan Zijn kruis. O Maria! bron van liefde, laat mij de diepte uwer smarten feilen, om met U te schreien en te weenen Maar uwe smart vraagt van ons meer dan tranen. Wij moeten erkennen, dat het zwaard van droefheid uwe ziel doorboorde, om onze zielen te genezen. Uw goddelijk

-ocr page 121-

116

Kind vertoont zich ook op onzen levensweg, beladen met Zijn kruis, en Hij wil, dat wij naar uw voorbeeld, het kruis met Hem dragen, zoo dikwerf Hij van ons een offer vraagt van gehoorzaamheid, geduld en onderwerping aan Gods heiligen wil. Daarom Moeder! sterk ons opdat wij bereidvaardig elk offer brengen, wat uw Zoon van ons verlangt. Ja, hoe hevig de bekoring, hoe sterk de verleiding, hoe vurig de hartstocht ook moge wezen, wij willen aan uwe hand den kruisweg van Jesus bewandelen, met U beiden den kruis-j berg opgaan, om eenmaal te komen tot 1 den berg der glorie van het hemelsch Jeruzalem. Amen.

Schietgebed. Maria, Moeder van smarten, help mij mijn kruis geduldig dragen. Amen.

-ocr page 122-

\f©amp;ptl©eid)e filet

NOÊMI en MARIA.

inleiding.

Een der liefelijkste en meest aantrekkelijke verhalen van het Oude Verbond is wel de geschiedenis van Noöni en hare schoondochters Orpha en Ruth, een verhaal tevens rijk in voorafbeelding. Laten deze drie vrouwen achtereenvolgens het onderwerp zijn onzer overweging. Zien wij allereerst, hoe Noömi een voorafbeelding is van de allerheiligste Maagd en Moeder Gods Maria.

Verhaal.

Nueini, zoo verhaalt ons de H. Schrift, leefde met haren man en hare twee zonen te Bethlehem. Zij bezaten daar slechts een enkelen akker, die hun, zelfs in vruchtbare tij-; den. niet meer dan een karig bestaan ople-

-ocr page 123-

118

verde. Wanneer nu het land door hongersnood werd geteisterd, werden zij gedwongen een beter oord op te zoeken. Zij vertrokken naar het land van Moab, aan gene zijde van den Jordaan, en vestigden zich daar. Dan ook hier wachtten Noëmi zware beproevingen. De dood ontnam haar haren man en hare beide zonen, die in het huwelijk getreden waren met moabitische dochters, Ruth en Orpha geheeten. quot;Wel begrijpelijk dat Noëmi verlangde naar haar vaderland terug te keeren, en als zij vernomen had dat de hongersnood had opgehouden, vertrok zij uit het land harer smarten naar Bethlehem. Daar heerschte groote vreugde over hare terugkomst, en de vrouwen zeiden tot elkander: „Ziet, Noëmi is weder onder ons komen wonenquot;. Doch zij antwoordde: „Wilt mij niet Noëmi noemen (d. i. schoone) maar noemt mij Mara (d. i. bittere) | want de Almachtige heeft mijne ziel met groote bitterheid vervuld — rijk heb

-ocr page 124-

II9

ik dit land verlaten, arm heeft de Heer mij teruggevoerd — mijne beide zonen heb ik verloren. — Ziet hoezeer de Heer mij heeft vernederd en geslagenquot;.

Vergelijking.

Nocmi, de eertijds zoo gelukkige vrouw, die, om den dood harer kinderen, haren naam in Mara, d. i. bittere of smartvolle, veranderde, is eene voorafbeelding van de H. Maagd en Moeder Gods Maria. Als wij de beteekenis van Maria's naam uitvorschen, dan antwoorden ons de godgeleerden, dat deze naam be-teekent; schoonheid, aangenaamheid en hoogheid, en verklaren hem door ster der zee, Heerscheres, licht en hoop. Te recht worden al deze benamingen op Maria toegepast, die inderdaad is de ster der zee, onze lieve Vrouw, onze goede Meesteres, ons licht en onze hoop. Zoo beschouwd, is Maria eene ware NoCmi, schoon en aangenaam. Maar wanneer wij haar beschouwen als moeder.

-ocr page 125-

I 20

als wij hare smarten nagaan, die zij als Moeder geleden heeft, dan is zij ook eene ware Mara, eene smartvolle moeder, die treurt over den dood harer beide kinderen.

Dan welke zijn deze beide Zonen ? — Van den eenen Zoon is zij de natuurlijke, van den anderen is zij de geestelijke Moeder, den Eenen heeft zij gebaard in den stal van Bethlehem, den anderen onder het kruis op Golgotha; dan beide deze plaatsen, Bethlehem en Golgotha, beteekenen smart. De eene, hare ware en eigenlijke Zoon, is Jesus Christus, de Eeniggeboren Zoon des Vaders, die uit Haar de menschelijke natuur heeft aangenomen en uit Haar geboren ' is te Bethlehem; de andere is haar aangenomen zoon, dien Zij op den Calvarieberg van haren waren Zoon heeft ontvangen. Als Jesus aan zijn kruis zijne Moeder zag staan en Joannes, den leerling, dien Hij lief had, zeide Hij tot zijne Moeder: „Vrouw, zie daar Uw

-ocr page 126-

121

Zoonquot;! en tot den leerling: „Zoon, ziedaar uwe moederquot;'

Volgens het eenparig gevoelen der Vaders nu, vertegenwoordigde de H. Joannes alle door Christus' kruisdood verloste menschen, en gaf de Heer ons, in den persoon van dien veelgeliefden leerling, Maria tot moeder, en werden wij door Maria als hare zonen aangenomen.

Ziet daar nu de beide zonen van Maria, de eene is Jesus Christus, de andere is de verloste menschheid — om beide zonen is Maria eene moeder van smarten, wijl de eene sterft aan het kruis en de andere door de zonde. Ja, wel bittere smarten heeft Maria verduurd, toen Zij Jesus, haar veelgeliefden Zoon, aan het kruis zag sterven! toen heeft waarlijk het zwaard van droefheid haar moederhart doorboord. Doch de dood van dezen Zoon wordt voor Maria nog smartelijker, als zij ziet dat hare andere zoon, die door den kruisdood van Jesus van zonde cn hel

-ocr page 127-

bevrijd werd, toch nog sterft door de zonde, het leven der genade verliest en voor eeuwig verloren gaat. Der zondige menschheid draagt Maria een liefdevol moederhart toe, en hare droefheid bij onze zonden, die den dood onzer zielen veroorzaken, is zoo groot als de smart over Jesus' dood, wijl de zondaar door zijne overtreding haren waren Zoon opnieuw kruisigt en Hem andermaal terugvoert op den berg des lijdens.

Toepassing.

O Maria! Moeder van God en ook mijne moeder, voor den troon uwer genade nedergeknield, beken ik door mijne zonden oorzaak te zijn geweest van uwe bittere smarten. Ik spreek u aan met den | troostvollen naam van Maria; en gij antwoordt mij, wilt Mij geen Maria, d. i. : zoete, noemen, — maar zoolang gij . zondigt, noemt Mij dan Mara, dat is bittere, daar gij door uwe zonden mijne ziel met bitterheid vervult. Ach mijne

-ocr page 128-

123

Moeder, daar ik weet, dat ik U, door mijne overtredingen, zooveel droefheid veroorzaak, wil ik mijne zonden oprecht verfoeien en alle krachten inspannen, om dezelve in de toekomst te vermijden. Ja door mijn gebrek aan liefde en goede werken, door mijne zonden, door mijnen geestelijken hongersnood, heb ik U gedwongen Bethlehem te verlaten; maar ik wil U door mijnen ijver in uw vaderland, in uw erfdeel terugroepen en verklaren; „Maria, onze goede Moeder is wederom bij ons komen wonenquot;.

Schietgebed. Maria, mijne zoete Moeder, laat mij uw hart nimmer meer met bitterheid vervullen. Amen.

-ocr page 129-

^ptknidl© IVtêt

ORPHA EN MARIA.

Inleiding.

Gisteren zagen wij in de geschiedenis van Noëmi, dat hare beide zonen met moabitische dochters in het huwelijk getreden waren. Eene dezer schoondochters heette Orpha, en deze wenschen wij heden als eene voorafbeelding van de heilige Maagd en Moeder Gods Maria voor te stellen.

Verhaal.

Na den dood van haren man en van hare beide kinderen verliet Noëmi het land van Moab, om naar haar vaderland terug te keeren, wijl God zich over zijn volk ontfermd en den hongersnood van Bethlehem had weggenomen. Hare beide schoondochters, Orpha en Ruth,

-ocr page 130-

'25

vergezelden haar. Toen zij aan de grenzen van Ju da gekomen waren, sprak Noëmi tot haar: „keert nu terug, mijne dochters! naar het huis uwer moeder. De Heer zij barmhartig jegens u, gelijk gij jegens mijne overledenen en jegens : mij barmhartig geweest zijt; Hij geve U rust te vinden in een nieuw en gelukkig huwelijkquot;. Maar zij wilden niet terugkeeren, begonnen beiden te weenen en antwoordden : „wij willen met u gaan naar ; uw volk; gelijk wij u bij al uw lijden in het land van Moab niet verlaten I hebben, zoo willen wij ook uwe een- i 1 zaamheiddeelen inliet land uwervaderenquot;. ! Doch Noëmi zeide: „ik bid u, keert terug, ik ben eene arme weduwe, getroffen door de hand des Heeren, het zou mijne ramp vermeerderen als ik uwen nood en tegenspoed moest aanschouwen; wie toch zal Noëmi nog gedachtig zijn en zich over mij ontfermenquot;. Orpha voldeed nu aan het verlangen harer moeder, nam onder vele tranen af-

-ocr page 131-

126

scheid en keerde met gesluierd hoofd terug. Zoo scheidden deze twee vrouwen, die door liefde en lijden verbonden waren, die jarenlang vreugde en droefheid met elkander gedeeld hadden. Orpha keerde naar het huis harer moeder en hare broeders terug; NoSmi ging naar : Bethlehem, berustend in de raadsbesluiten des Heeren, bereid zich nog meer onder Zijne hand te buigen. Wel was het afscheid voor beiden pijnlijk, maar zij moesten scheiden om verschillende uit-eenloopende plichten te vervullen. En ziet beiden waren aan het einde van haar lijden; Orpha zou nog in haar land de eer en de vreugde van het moederschap genieten; terwijl Noëmi een gezegende ouderdom wachtte.

Vergelijking.

Zien wij thans, na het smartelijk afscheid van Orpha en hare moeder Noëmi, het veel smartelijker afscheid der H. Maagd Maria van haren Zoon Jesus. Ook voor

-ocr page 132-

127

Maria had het pijnlijk uur van scheiden geslagen. Reeds had Jesus zijne leerlingen verwittigd, dat het uur gekomen was, waarop de Zoon des menschen geleverd zoude worden in de handen zijner vijanden, om gegeeseld en gekruisigd te worden. Wij kennen het roerende afscheid des Heeren van zijne veelgeliefde apostelen. ,,Het is noodigquot;, zoo sprak Hij, „dat Ik van u wegga, want als Ik van u niet henen ga, zal de Vertrooster niet komen; gij hebt nu wel droefheid, maar uwe droefheid zal in vreugde veranderd wordenquot;. Wel zwaar en pijnlijk ook moet het den goeden Meester gevallen zijn te scheiden van zijne leerlingen, die drie jaren lang lief en leed met Hem gedeeld hadden en zijne dierbaarste vrienden waren geworden. — Zij hadden quot;'el den goeden wil Hem te volgen in den dood, maar in hunne zwakheid zouden zij Hem verlaten, — „zij vluchttenquot;, toen 's Heeren lijden ter nauwernood begonnen was.

-ocr page 133-

128

Maar welk treffend en bovenmate smartelijk afscheid zal de Zaligmaker genomen hebben van Haar, die Hij ver boven zijne apostelen lief had, die Hem drie en dertig jaren ter zijde stond, die Hem als kind heeft gelaafd; die de bewaarengel was Zijner jeugd, wier zorgzame hand Hem te Nazareth zoo liefderijk verpleegde, wier hart juichte, wanneer Hij geprezen, wier moederhart bloedde, wanneer Hij vervolgd werd, — wel buitengewoon smartelijk moet Jesus' afscheid van zijne Moeder geweest zijn, — en des te smartelijker, daar zij vast besloten was Hem op den kruisweg en den lijdensberg te volgen en inderdaad haar voornemen ook volvoerde, daar zijn teeder geweld Haar niet kon bewegen, Hem te verlaten. „Mijn Zoonquot;, zoo sprak zij, „laat mij U volgen; waarheen Gij gaat, wil ook ik gaan, laat ik Uw kruis dragen, ja gekruisigd worden in uwe plaats; uwe smart zal mijne smart, uw kruis zal mijn kruis zijnquot;. Maar

-ocr page 134-

Eiaar zadit afwijzend, antwoordde Jesus i „Ik bid u, mijne Moeder! keer terug tot Joannes, den veelgeliefden leerling, want de hand des Heeren drukt zwaar op Mij; om de zonden van mijn volk heeft de Vader Mij geslagen. Ik moet alleen den kelk des lijdens drinken, alleen het altaar des kruises beklimmen, om der goddelijke gerechtigheid voldoening te schenken. Daarom laat Mij gaan, waar de wil des hemelschen Vaders Mij roept, maar keer gij terug tot mijne broeders, tot de apostelen, om hen te troosten en te versterken ; — zie, het uur is gekomen — laat ons scheidenquot;.

De Heer onttrekt zich aan hare omhelzing, gaat alleen naar den hof dei-Olijven, en Zijne ziel was bedroefd ter dood toe; — en Maria bedekt haar gelaat en staat alleen ter prooi aan de wreedste smarten.

Dan voor Maria zou die droevige scheiding gevolgd worden door een vreugdevol wederzien; deelgenoote in

-ocr page 135-

'30

Jesus' lijden, zal Zij eenmaal ook deel-genoote wezen in zijn eeuwig verblijden.

T OEPASSING.

O Maria! Moeder van God en ook mijne Moeder, voor den troon uwer genade nedergeknield, heb ik innig medelijden met de smarten, die gij bij de pijnlijke scheiding van Jesns verduurd heb, en ik vereenig mijne tranen met de uwe; ja, laat mij weenen in uwe plaats, uwe smart zij mijne smart, uw kruis zij mijn kruis; want mijne zonden waren het, die uw moederhart met een zwaard van droefheid doorboorden. Ook voor mij zal eenmaal het uur van scheiden slaan, waarop ik al mijne dierbaren zal moeten verlaten. Droevig en smartelijk zal dat afscheid wezen voor mij, die ten grave gedragen wordt; pijnlijk ook voor die mij overleven. O Moeder 1 door uwe machtige voorspraak bij Jesus, laat die scheiding niet van alle hoop ontbloot zijn, laat zij vergezeld gaan

-ocr page 136-

van de zekere verwachting op een blij wederzien in het land der levenden. Die zoete troost, ik weet het, is ons zeker weggelegd, als wij ons niet scheiden van U en uwen Zoon Jesus, als wij met U blijven in geloof, hoop en liefde. Als wij met U ons kruis geduldig dragen, zullen wij niet meer gescheiden worden in alle eeuwigheid. —

Schietgebed. O Maria! laat ik mij nooit scheiden van Jesus en Zijn kruis. Amen.

-ocr page 137-

Zeamp;tiead© ftleu

RUTH EN MARIA.

Inleiding.

Wij moeten heden het schoonste gedeelte behandelen van de bijbelsche geschiedenis, die reeds beide vorige dagen het onderwerp onzer overweging uitmaakte. Nogmaals ontmoeten wij Noëmi, en aan hare zijde vinden wij hare tweede dochter, de voortreftelijke Ruth. De geschiedenis dezer merkwaardige vrouw is in de Schriftuur vermeld in het „Boek Ruthquot;. Wij zullen deze geschiedenis in ons geheugen terugroepen, om na te gaan, onder welke opzichten Ruth eene voorafbeelding is van de Moeder Gods Maria.

Verhaal.

Wanneer Orpha het verlangen harer

-ocr page 138-

133

schoonmoeder had ingewilligd en naar het huis barer broeders was teruggekeerd, wilde Noemi ook hare tweede schoondochter Ruth daartoe aansporen. Doch deze verzette zich daartegen en zeide: „waarheen gij gaat, ga ik, en waar gij blijft, blijf ik ook; uw volk zal mijn volk, uw God mijn God wezen; waar gij sterven zult, daar zal ook mijn graf zijnquot;. Noemi hield nu niet langer aan, zij trokken beiden verder en kwamen te Bethlehem.

Het was juist de tijd van tien oogst; om hare armoede zeide Ruth tot Noëmi: ..als gij het goed vindt, zal ik naar de akkers gaan om aren te lezenquot;. „Ga, mijne dochterquot;! antwoordde Noëmi, „de Heer zij met uquot;. Gods voorzienigheid geleidde haar op den akker van een zeer rijken man, Booz genaamd. Deze godvreezende man, die de geschiedenis der deugdzame jonge vrouw reeds vernomen had, groette haar welwillend en' zeide tot haar „hoor, dochter! ga op

-ocr page 139-

134

geen anderen akker om aren te lezen; volg de maaiers totdat de geheele oogst is ingezameldquot;. Ijverig raapte zij nu den ganschen dag in de brandende hitte, en des avonds sloeg zij hare aren uit en keerde met een maat gerst naar hare schoonmoeder terug. En zoo deed zij vele dagen achtereen.

Vergelijking.

Dag aan dag gaat ook Maria, de goedertierene Ruth bij uitnemendheid, uit, om op den akker van den hemelschen Vader, de heilige kerk, de uitgevallene aren, de arme zondaars, op te zoeken, bijeen te verzamelen en zalig te maken.

De heilige kerk is die geestelijke akker, waarop ontelbare aren groeien — de talrijke kinderen der Katholieke Kerk. Daar is het voortdurend oogsttijd voor den hemel, en de priesters blijven gestadig belast die kostbare aren binnen te brengen in de voorraadschuren des hemels. Maar al is de ijver der dienaren

-ocr page 140-

ÏSS

Gods nog /,00 groot, voor velen zal hun werken en bidden vruchteloos blijven. Velen onttrekken zich aan hunne zorg en waakzaamheid, zij vallen uit de rij der goeden en loopen groot gevaar voor eeuwig verloren te gaan, wanneer nie- : mand hen opzoekt en verzamelt. Zij ontgaan echter niet aan de ware Ruth, aan de Moeder Gods, die ook de Moeder ; der menschen en bizonder de Moeder j der zondaren is. Zij zoekt op den akker ; des Heeren de uitgevallene aren, de arme zondaars, die zich van de anderen hebben afgezonderd, en zich op dwaalwegen bevinden; en wanneer zij een lukkigen zondaar gevonden heeft, clan heft zij hem uit het slijk der zonden, om hem te redden en zalig te maken. En zulks doet zij dag aan dag, van den morgen tot den avond, zoolang de oogsttijd duurt, zoolang er zielen in gevaar verkeeren. Nimmer wordt haar geduld uitgeput, nooit is hare liefde ten einde. Zij, de Moeder van den Verlosser, kent

-ocr page 141-

136

te goed de waarde eener onsterfelijke ziel, door haar Goddelijk Kind voor zulk een duren prijs gekocht.

Had ook Hij niet, op zijne tochten door Judea en Galilea, de verstrooide aren, de arme zondaars, opgezocht en in zijne armen opgenomen, overal waar Hij ze vond? — een Zacheus daar in den vijgeboom — eene samaritaansche vrouw bij den put van Jacob — eene Maria Magdalena aan den maaltijd — een moordenaar aan het kruis. Dat voorbeeld van haar goddelijk kind wil Maria navolgen. De onbegrijpelijke liefde van haar moederhart is onophoudelijk begaan met het lot der arme zondaars. Zal onze goede Moeder nu niet te vergeefs zoeken, zonder vrucht het korenveld der kerk afloopen, om uitgevallene aren in te zamelen ? Neen haar ijver blijft niet onbeloond. Gelijk wij vernomen hebben dat Ruth aan den avond van een moeitevollen dag een maat koren van de saamgeraapte aren binnenbracht.

-ocr page 142-

zoo zullen wij aan den avond der tijden, op den laatsten dag des oordeels, vol bewondering en blijdschap aanschouwen, hoe vele zondaars door Maria bekeerd zijn, hoevele zielen aan hare tusschen-komst de zaligheid te danken hebben, hoevelen door Maria den Hemel zijn binnengegaan; dan zal het blijken, dat haar naam van „deur des hemelsquot; niet ijdel is geweest.

Toepassing.

O Maria' Moedei- van God en ook mijne Moeder, voor den troon uwer genade nedergeknield, betuig ik mijn oprechten dank voor de liefde, die gij aan de zondaars toedraagt. Ook ik was eenmaal een uitgevallene korenaar, die daar nederlag in het slijk mijner zonde, maar Gij, toevlucht der zondaars. Gij hebt over mij gewaakt. Gij hebt voor mij gebeden. Gij hebt mij de behulpzame hand toegestoken, om mij op te richten uit dien beklagenswaardigen toestand ; door uwe bemiddeling hoop ik

-ocr page 143-

138

wederom in genade te zijn aangenomen; maar Moeder, Gij kent mijne zwakheid, bewaar mij voor de hervalling in de zonde, sta mij bij in de bekoring, verzamel mij met de rechtvaardigen en breng mij behouden in de voorraadschuur des Hemels. Amen.

Schietgebed. H. Maria, toevlucht der zondaren, bid voor mij. Amen.

-ocr page 144-

leveritteacte:

RUTH EN MARIA.

inleidin g.

Heden willen \vij de godvreezende Ruth andermaal kiezen tot het onderwerp onzer overweging en haar onder een en ander opzicht voorstellen als eene voorafbeelding van de Moeder Gods Maria. Wij kunnen ons plan kort samenvatten : de nederige, maar verhevene Ruth is eene voorafbeelding van de nederigste, doch hoog verhevene Moeder Gods.

verhaal.

Wel bezat Ruth eene diepe nederigheid. Geheel haar omgang met hare schoonmoeder Noëmi geeft daarvan een duidelijk bewijs. Te vergeefs stelde deze alle pogingen in het werk, om haar naar het huis harer broeders te laten terug-

-ocr page 145-

140

keeren. Vrij mocht zij hare schoondochter voorhouden: „in uw vaderland zullen voor u betere dagen aanbreken, daar kunt gij een nieuw en gelukkig huwelijk sluiten; ik echter kan u niets beloven, dan een arm, eenzaam en verlaten levenquot;. Niets kan haar van haar besluit afbrengen; Ruth is tevreden, als zij maar met Noëmi en haar volk kan blijven; den God, dien hare schoonmoeder vereert, wil ook zij aanbidden; zij verlangt hare armoede te deelen, zij schaamt zich niet over de armoede harer aanverwante, ten aanschouwe van geheel het volk wil zij haar nederig gehoorzamen en dienen. Daarom sprak zij tot haar; ,,als gij het goed vindt, zal ik naar de akkers gaan en de aren oplezen, die aan de handen der maaiers ontsnappenquot;. En als Noëmi antwoordde: „Doe dat, mijne dochter 1 gaquot;, dan ging zij naar de akkers, om daar een arbeid te verrichten, welke alleen door de armsten en de geringsten gedaan werd.

Dan juist hare nederigheid, haar ge-

-ocr page 146-

I4T

duld en hare gehoorzaamheid waren de oorzaak harer verheffing; daardoor vond zij genade in de oogen van den god-vreezenden Booz, op wiens akker Gods Voorzienigheid hare schreden geleid had. „Ik heb alles vernomen, sprak deze tot haar, „wat gij aan uwe schoonmoeder gedaan hebt, hoe gij om harentwille uu land en uwe bloedverwanten verlaten hebt, om te wonen in een land, dat gij vroeger niet gekend hebtquot;. Booz stond haar toe op zijne velden in te zamelen, zoolang de tijd van den oogst duurde, te eten en te drinken met zijne dienstknechten en dienstmaagden. Dan nog veel grootere eer was voor haar weggelegd. Ruth, die verlangde de armoede en de nederigheid harer schoonmoeder te deelen, die zich als eene vreemde vrouw beschouwde, die hoogst dankbaar en tevreden was met de maaiers te mogen eten en drinken; zij werd de uitverkorene echtgenoote van Booz — en alle inwoners van Bèthlehem ver-

-ocr page 147-

14^

heugden zich over haar geluk en spraken: ! „de Heer zegene deze vrouw en haar naam zij glorievol in Bethlehemquot;. Deze vrome bede werd vervuld, haar naam werd verheerlijkt en prijkt in het geslachtsregister van onzen Heer Jesus Christus; door haar huwelijk met Booz werd zij ■ de grootmoeder van David, den koning ; van Israel, den stamvader van Jesus i Christus; — zoo werd de nederige Ruth verheven. i

Vergelijking.

Ook Maria, en wel veel meer nog dan Ruth, munt uit door hare nederigheid en gehoorzaamheid; ook werd zij verre boven Ruth verheven. Zij leefde te Nazareth in de diepste verborgenheid en de grootste armoede. Nazareth zelf was een geheel onbekende plaats. Vele steden en vlekken worden in het Oude Verbond opgenoemd, van Nazareth wordt nergens gewag gemaakt; het was zelfs eene zeer geringe stad, zoodat men zeide:

-ocr page 148-

„kan er van Nazareth iets goeds komen?quot; Gelijk de naam der stad onbekend was, zoo bleef ook de naam der allerheiligste Maagd verborgen. Dan Maria begeerde niet anders, in hare eenzaamheid leefde Zij gelukkig en tevreden, ongeacht bij de menschen diende Zij God door gebed en arbeid. Hare nederigheid nu openbaarde zich het duidelijkst toen de hemelgezant tot Haar kwam, om Haar de blijde boodschap te brengen. Immers hare ontsteltenis bij zijne verschijning was niets anders, dan eene uiting harer nederigheid, die zich zulk een bezoek en zulk eene groetenis niet waardig rekende. En wat blijkt uit haar antwoord aan den engel: „Zie de dienstmaagd des Heeren, mij geschiede naar uw woordquot; ? Zouden ons ook uit het leven der Moeder Gods geene andere woorden bekend zijn, dan zouden wij toch, uit deze bekentenis alleen, reeds moeten besluiten, dat Zij de nederigste was van alle menschen. Immers welke

-ocr page 149-

*44

andere vróuw zou, wanneer de gezdnt Gods haar de waardigheid van Moeder Gods bekend gemaakt had, evenals Maria, geantwoord hebben: ,,zie de dienstmaagd des Heerenquot;? Daar nu de gehoorzaamheid steeds de gezellin is dei-nederigheid, vervolgde Zij: „mij geschiede naar uw woordquot;. En geheel haar leven lang bleef Maria de nederige en gehoorzame dienstmaagd des Heeren. In armoede en minachting leefde zij onder haar volk, maar bij God was Zij de eerste en de hoogst verhevene, de gezegende boven alle vrouwen. Juist die nederigheid was de oorzaak harer verheffing. Zij verkreeg de grootste eer, die ooit aan eene vrouw kan te beurt vallen. Zij werd Moeder van God: de allerheiligste Drievuldigheid kwam zelf tot Haar, om haar de verhevene waardigheid op te dragen, dochter van den hemelschen Vader, Bruid van den H. Geest en Moeder van God den Zoon te worden. Aan den Schepper van engelen en menschen, aan

-ocr page 150-

145

den almachtigen God schonk Maria het leven. Zij was het uitverkoren vat, waarin de Heer de volheid zijner genaden had uitgestort, en Maria was zich dien rijkdom bewust toen Zij sprak: ,,Hij heeft de geringheid zijner dienstmaagd gadegeslagen — Hij die machtig is heeft groote dingen aan mij gedaan — Hij heeft de hoovaardigen van geest vernederd en de nederigen verhevenquot;. „Van de hoogte zijner hemelwoningquot;, zegt de H. Bernardus, „beschouwt de Heer met welgevallen de nederigen, wier geroep tot Hem opstijgt, en dit zeg ik vooral van Maria, —■ zij heeft Gode behaagd door hare maagdelijke zuiverheid, maar door hare nederigheid werd zij waardig het eeuwig Woord des Vaders te ontvangenquot;. „Groot is Mariaquot;, zegt de eerwaardige Beda, „als Maagd, groot ook als Moeder, grooter om beide waardigheden in eenen persoon vereenigd, grooter nog als Moeder Gods, maar het toppunt van grootheid heeft zij bereikt door hare

-ocr page 151-

146

I nederigheid, door voor zich zelve niets I waardig te schijnenquot;.

Toepassing.

O Maria, Moeder van God en ook 'lt; mijne Moeder! voor den troon uwer ge-1 nade nedergeknield, beken ik dat er ; geene ware eer en glorie bestaat buiten die, welke God verleent. Wat zal het i mij baten bij de menschen in eer en I' aanzien te staan en hooge achting te genieten, als de Heer mij vergeet en I verlaat. Liever, wil ik naar uw voorbeeld in de eenzaamheid, nederig en onbekend voor de wereld, God dienen in stil gebed en heiligen arbeid, opdat Hij Zijne oogen met welgevallen op mij late rusten, [ en mij verheffe te bekwamen tijde. O : Maria, mijne Moeder! gezegend boven alle vrouwen om uwe nederigheid; door alle geslachten zalig geprezen om uwe gehoorzaamheid, laat mij steeds de uitspraak des Heeren gedachtig zijn: „Wie zich vernedert, zal verheven wordenquot;;

-ocr page 152-

147

„wie onder u de eerste wil zijn, hi; worde aller dienaarquot;.

Schietgebed. O Maria, laat ik U navolgen in uwe nederigheid en gehoorzaamheid. Amen.

-ocr page 153-

Ach.ttïefide iVet

ANNA, DE MOEDER VAN SAMUEL, en

MARIA, DE MOEDER VAN JESUS.

Inleiding.

Ofschoon het volk van Israel onophoudelijk Crodsquot; weldaden vergat, werd de Heer evenwel nooit moede zijne uitverkorenen met gunsten te overladen, zoodra het in zijnen nood tot Hem om hulp riep. Wanneerdejoden, tot straf voor hunne afgoderij, onder de overheersching der Ammonieten, Madianieten en Philistijnen gekomen waren, erbarmde God zich wederom over hen en wekte onder hen een man op, die hen uit de handen hunner vijanden bevrijdde. Deze man was de profeet Samuel. Zijne geboorte werd verkregen door het gebed zijner vrome moeder Anna, en deze Anna wil-

-ocr page 154-

149

I

len wij heden beschouwen als eene vooi i afbeelding van Maria, de Moeder van Jesus.

Verhaal.

Toen Heli hoogepriester en rechter was in Israël, leefden in het stadje Ramatha twee zeer godvreezende echtgenooten, Elkana en Anna. Vele jaren waren zij reeds gehuwd, maar hun echt bleef kinderloos. Anna vooral was bedroefd in haar hart en zeer ongelukkig, omdat God haar geene kinderen schonk; bij de Joden toch was het eene schande, wanneer de vrouw niet gezegend werd met eene nakomelingschap. Eens nu bevond zij zich met haren man te Silo, om den Heer bij den tabernakel te aanbidden. Daar stortte zij haar hart uit, en legde de gelofte af: „Heer als gij mij eenen zoon schenkt, zal ik hem U toewijden voor geheel zijn leven, en hij zal nazareër zijnquot;. God verhoorde haar gebed, en schonk haar veel meer dan zij gevraagd had, want zij werd moeder van Samuel, een der grootste j

-ocr page 155-

15°

,n eerbiedwaardigste personenvan het Oude /erbond. Zij noemde hem Samuel, d .i. „afgebedenquot;, omdat zij hem van God door haar gebed verkregen had. Wanneer het kind de eerste zorg kon ontberen, brachten de ouders het naar het huis des Heeren in Silo en offerden hunne gaven. Zij legden het kind in de armen van Heli en wijdden het den Heer voor geheel zijn leven. Terwijl zij daar baden werd Anna vervuld van den H. Geest en stortte hare verheugde en dankbare ziel in een heerlijken lofzang uit: „Mijn hart verheugt zich in den Heer, en mijn mond is wijd geopend tegen mijne vijanden. Niemand is heilig, gelijk de Heer, niemand is sterk gelijk onze God. De Heer maakt dood en levend, voert naar den afgrond en laat van daar wederkeeren. De Heer maakt arm en rijk, vernedert en verheft. Hij trekt den behoeftige uit het stof en heft den arme uit het slijk, opdat hij zetele met de vorsten en een troon van glorie bestijge. De Heer

-ocr page 156-

zal de grenzen der aarde oordeelen en i de heerschappij geven aan zijnen koning en de kracht van zijn Gezalfde vermeer- | derenquot;. Na dit lof-en dankgebed keerden | Elkana en Anna naar Ramatha, naar ; hun huis terug. De knaap bleef te Silo: hij groeide op in de schaduw des heilig-doms en nam toe in welgevallen bij God en bij de menschen.

Vergelijkiing.

Verplaatsen wij ons thans in den geest naar eene andere stad in het Joodsche land, naar Nazareth. Daar leefde een reine, heilige Maagd, Maria genaamd. Zij is begaan met het lot van haar volk en van de geheele menschheid, die, door de zonde, gezeten was in de duisternis en de schaduw des doods en zoo diep behoefte gevoelde aan eenen Verlosser. Maria bad om de geboorte van het kind, dat door den profeet Isaias voorspeld was j met de woorden: „een Zoon is ons geboren, een Kind is ons geschonken. Zijn Naam

-ocr page 157-

is Emmanuel, Gcxl met onsquot;! — God verhoorde ook het gebed van Maria, en wat die nederige Maagd niet durfde hopen of verwachten, zij zelf zou de ! Moeder worden van dezen beloofden Zoon, de Moeder van Jesus Christus. „Gij zultquot;, zoo sprak de engel tot haar, een zoon baren en Zijn Naam Jesus noemen.

Groot ook was bij Maria de vreugde over hare genadevolle uitverkiezing onder alle vrouwen. En gelijk Anna stortte ook Maria haar dankbaar gemoed in een voortreffelijken en overheerlijken lofzang uit, die nog dag aan dag door millioenen lippen op de wereld I herhaald wordt, dien millioenen uitverkorenen in den hemel de geheele eeuwigheid door zullen zingen: „Mijne ziel verheft den Heer: en mijn geest verheugt zich in God mijn heil, want Hij heeft de ge ringheid zijner dienstmaagd gadegeslagen; ziet van nu af zullen alle geslachten mij | zalig prijzen. Want Hij die machtig is

-ocr page 158-

»53

heeft groote dingen gedaan, en heilig is zijn naam. En zijne barmhartigheid gaat van geslacht tot geslacht voor allen, die Hem vreezen. Hij heeft de macht van zijnen arm getoond ; de hoovaardigen in den zin huns harten heeft Hij verstrooid. Machtigen heeft Hij van hunnen zetel gestooten en de zwakken verheven. De hongerigen heeft Hij met goederen overladen en de rijken ledig weggezonden. Zijner barmhartigheid gedachtig heeft Hij Israël, zijnen dienaar, opgenomen. Zooals Hij tot onze vaderen had gesproken, tot Abraham en zijn geslacht in eeuwigheidquot;. —

Ook Maria heeft haar kind naar Jeruzalem gedragen, om het God den Heer op te offeren en aan Zijnen dienst te verbinden. Ook zij heeft hare offergave gebracht en het Kind in de armen van den grijzen priester Simeon neergelegd, die het op zijne armen nam en zegende.

Alles wat daar in Silo met Samuel

-ocr page 159-

Ï54

en zijne moeder Anna geschied is, was ter voorafbeelding van hetgeen later, in den tempel te Jerusalem, met Jesus en Zijne Moeder zoude geschieden.

Toepassing.

O, Maria, Moeder van God en ook mijne Moeder! voor den troon uwer genade nedergeknield erken ik de groote kracht van uw gebed, dat den tijd der verlossing bespoedigd heeft. Terecht noemt U de Heilige Bemardus „de smeekende Almachtquot;. Waart Gij reeds zoo vermogend vóór de menschwording van uw goddelijk Kind, wat mogen wij dan hopen van uwe voorspraak, nu gij de Moeder van uwen God en Heer zijt geworden. Alles zal ons door Jesus geschonken worden, als Gij slechts optreedt als onze Middelares. Ach Moeder, zie de hedendaagsche wereld schijnt wederom terug te vallen in de duister- I nissen van het ongeloof, het zedenbederf dreigt met de schaduw des doods; daarom

-ocr page 160-

155

onze voorspreekster, bid voor ons, opdat het Licht, hetwelk eiken mensch verlicht, die in de wereld komt, de afgedwaalden en ongeloovigen zoo beschijne, dat zij hunne dwaling inzien en tot de waarheid terugkeeren; bid uwen machtigen Zoon, opdat onze zwakheid versterkt | worde.

Schietgebed. O Maria, Moeder van | Jesus, bid voor mij.

-ocr page 161-

Negeritleade Met

ANNA EN MARIA, TWEE PRIESTERESSEN.

Inleiding.

Gisteren zagen wij, hoe Anna en Maria beiden door haar gebed eenen zoon bekomen hebben; hoe zij beiden haar dankbaar gemoed hebben uitgestort in een heerlijk dank- en lofgebed. Heden willen wij haar meer beschouwen als priesteressen, die de kinderen harer vreugde zoo edelmoedig ten offer brachten, en dat offer rijkelijk beloond zagen.

Verhaal.

Veel en vurig had Anna den Heer gebeden, dat de schande der onvruchtbaarheid van haar mocht worden weggenomen, dat de droefheid haars harten door de vreugde van het moederschap mocht worden verdreven; bittere tranen

-ocr page 162-

*57

had zij geschreid over haar ongeluk, totdat God eindelijk hare smeeking verhoorde. Dan nauwelijks waren hare wenschen vervuld, nauwelijks had zij eenen zoon ter wereld gebracht, of zij schonk hem den Heer terug, van Wien zij hem ontvangen had. Toen het kind hare eerste zorgen kon ontberen, ging zij hare belofte volbrengen; zij stelde hem voor den Heer bij den tabernakel in Silo, legde hem in de armen van den hoogepriester Heli, en wijdde hem voor geheel zijn leven aan den Heer toe. Heldhaftige Anna, die zoo ras kon besluiten zich te berooven van de vreugde baars levens, van den appel barer oogen! Toen het kind in zijn lachen zijne moeder begon te kennen, werd zij beroofd van zijne zoete aanschouwing en aangenamen omgang ; niet langer zou hij haar kind zijn, maar de dienaar, ja het eigendom des Heeren. God evenwel laat zich nooit in edelmoedigheid overtreffen. Koninklijk heeft Hij het offer van Anna beloond.

-ocr page 163-

15«

Zij was getuige hoe de vrome knaap dienst deed voor het aanschijn des Hee-ren, hoe hij toenam in behagelijkheid bij God en bij de menschen. De Heer ging vertrouwelijk met hem om en openbaarde hem de geheimen der toekomst; geheel Israël vereerde Samuel als een waarachtigen profeet des Heeren, en zijn woord vond ingang in geheel Judea. Wanneer de nood ten top was gestegen, als de Israëlieten van alle kanten door de vijanden werden bestookt, toen zelfs de bondsark, het groote heiligdom der Joden, gevallen was in de handen der Philistijnen, werd Samuel de redder en bevrijder van zijn volk. Hij zegevierde over de vijanden en dreef hen buiten de grenzen van het land; Israël genoot vrede en rust onder het wijs en vaderlijk bestuur van Samuel, zoolang het God getrouw bleef en luisterde naar de stem van den edelen grijsaard.

Vergelijking.

Dit alles en veel meer zelfs zien wij

-ocr page 164-

'59

in Maria, de Moeder van Jesus. Ook Maria heeft haren Zoon, haren God, ten offer gebracht. En toch was Hij alles voor haar moederlijk hart. Hoe had zij zijne komst verbeid, uitgezien naar Zijne geboorte, veel en vurig daarvoor gebeden! Welke vreugde, welken troost genoot zij in den dagelijkschen omgang, in het voortdurend aanschouwen van haar lieftallig Kind; wel gaarne had zij al de dagen van haar leven dit geluk willen smaken; toch gaf zij hare vreugde prijs in ruil voor bittere en felle smart. In den tempel te Jeruzalem, bij de opdracht van haren Zoon, heeft zij alle moederlijke rechten op haar Kind aan God in eigendom afgestaan, niet opdat Hij. in het huis des priesters, rustig aan den tempeldienst verbonden zoude zijn, maar om een leven van lijden en smarten op zich te nemen, en eindelijk den dood des kruises te ondergaan. Wel moet een zwaard van droefheid toen het hart dier moeder doorboord hebben! Wel een

-ocr page 165-

i6o

groot cn ontzettend offer heeft zij daar gebracht! Maar groot ook was hare belooning. Het smartelijk offer van haar moederlijk hart werd haar een rijke bron van zegen. Daaruit ontsprong overvloedige troost, vreugde en glorie. Hoezeer haar hart ook bedroefd was bij het ofter, wat dagelijks van haar gevorderd werd, zoolang haar Kind heeft geleefd en geleden — toch is zij nimmer van dien troost en die blijdschap beroofd geworden, zoodat zij met den H. Paulus kon verklaren: „gelijk mij om Jesus' wille veel lijden ten deel valt, zoo gewordt mij ook veel troost door Jesus.quot; Haar moederhart vloeide van vreugde over als zij zag, dat Jesus toenam in wijsheid, ouderdom en behagelijkheid bij God en bij de menschen, als zij Zijne kinderlijke onschuld en vroomheid bespeurde. Die vreugde vermeerderde nog in latere dagen, als zij getuige was van de openbaring Zijner godheid, wanneer Hij door wonderen en voorspellingen

-ocr page 166-

i6i

Zijne hemelsche zending bewees, toen het volk van Israel getuigde. „een groot profeet is onder ons opgestaan, en God heeft Zijn volk bezocht.quot; De groote vrucht eindelijk van haar offer was onze bevrijding uit de handen onzer vijanden, uit de slavernij des duivels, ons tijdelijk en eeuwig geluk, de verzoening van de aarde met den hemel.

Toepassing.

O Maria, Moeder van God en ook mijne Moeder! , voor den troon uwer genade nedergeknield, betuig ik u mijnen oprechten dank voor het zware offer, dat gij gebracht hebt voor onze zaligheid. Het kostbaarste en het dierbaarste wat gij bezat hebt gij uit liefde tot ons prijs gegeven, uwen eenigen Zoon, uw goddelijk Kind. Verwerf voor mij dien geest van opoffering, waarvan gij ons zulk een verheven voorbeeld hebt geschonken. Wij kunnen niet zonder moeite aan de groote vrucht van uw offer deelachtig worden. Ook wij moeten menig-

ii

-ocr page 167-

102

werf een offer brengen; vaak het dierbaarste van ons hart, onzen eigen wil, prijs geven voor den wil van God. Het gewone dage-lijksche leven zelfs eischt van ons vele kleine offers, in de vervulling onzer plichten, in den omgang met onze mede-menschen, in het onderhouden van Gods geboden. O Maria! help ons dat alles geduldig te verdragen, verwerf ons de overwinning op onze zwakke natuur, die tegen elk offer in verzet komt. Laat ons, met den blik ten hemel, in offervaardigheid aan U gelijkvormig worden. Herinner ons gestadig, dat elke oefening van geduld, ieder zachtzinnig woord bij eene beleediging, elke arbeid met eene goede meening verricht, een rijke belooning afwerpt voor den hemel. Laten wij nooit uit het oog verliezen, dat het lijden van den tijd niet in aanmerking komt bij de glorie, die ons wacht in de eeuwigheid.

Schietgebed. O Maria, offervaardige Moeder! verwerf voor mij den geest van opoffering. Amen.

-ocr page 168-

Twlmtfigit© KDel.

ABIGAIL EN MARIA.

Inleiding.

God schonk aan de vrouwen een zachtzinnig gemoed en een medelijdend hart, waardoor zij veel nut kunnen stichten; de tranen der armen afdrogen, onrecht en beleediging herstellen, vertoornde gemoederen verzachten en vele onheilen en straffen voorkomen. De heilige Schriftuur wijst ons op vele zulke vrouwen, die zich op bewonderenswaardige wijze van hare roeping hebben gekweten. Eene dezer, Abigail genaamd, wenschen wij heden als eene voorafbeelding aan te halen van Maria, de goedertierene Maagd en de Moeder van barmhartigheid.

Verhaal.

David, de overwinnaar van Goliath,

-ocr page 169-

164

door God uitverkoren tot stamvader van Jesus Christus, was door Samuel reeds tot koning van Israel gezalfd, toen hij voor den ijverzuchtigen Saul wegvluchten en zich geruimen tijd in de woestijn en in het gebergte moest schuil houden. Zoo bevond hij zich eens in de nabijheid der stad Karmel, waar een zeer rijk man woonde, Nabal genaamd, wiens kudden door Davids soldaten tegen de wilde dieren en de roovers beschermd werden. Als Nabal nu het feest van het scheren der schapen vierde, zond David tien zijner mannen tot hem, om hem, voor bewezene diensten, iets van zijnen overvloed te vragen.

Doch Nabal, een loos en boos mensch, wees het verzoek van de hand. Met ruwe woorden sprak hij tot de afgezanten van David: „Wie is die David, en wat verbeeldt zich de zoon van Isai ? Er zijn tegenwoordig maar al te veel slaven, die hunne meesters ontloopen zijn! Zou ik mijn brood en het vleesch van mijn

-ocr page 170-

I65

slachtvee wegschenken aan lieden, wier herkomst ik niet kenquot;? Hij joeg dan de gezanten van zijn erf weg, terwijl hij zelf zich te goed deed aan liet gastmaal en zich aan dronkenschap overgaf. Toen David deze zware beleediging vernam, besloot hij eene bloedige wraak te nemen. Abigail, door een der dienstknechten verwittigd van de handelwijze van Nabal, haren man, vermoedde den toorn van David, zij begreep welk gevaar er dreigde. Daarom liet zij eene groote hoeveelheid hrood, vleesch en wijn bijeenbrengen; en op ezels laden, om het naar David te voeren. Zij zelf vergezelde hare dienaren. David was reeds in aantocht met vier honderd zijner mannen, en zwoer luid: „dat God mij straffe, zoo er van alles, wat Nabal toebehoort, morgen nog iets over isquot;! Abigail hoort deze verschrikkelijke bedreiging, ijlt David te gemoet en valt voor zijne voeten neder en spreekt: „ach mijnheer! luister naar j de bede uwer dienares, sla geen acht op

-ocr page 171-

i66

dien onredelijken Nabal, maar vergeef zijne misdaad en doe barmhartigheid! God heeft mij tot u gezonden, om uwe hand van het bloedvergieten af te houden. Neem dan de geschenken uwer dienstmaagd aan, verdeel ze onder uwe mannen, en laat uw toorn varenquot; ! Dit zacht- i zinnige woord stilde de gramschap van j David; door de bede van Abigail ge- | troffen sprak hij tot haar; „gezegend zij Jehova, de God van Israel, die u mij te gemoet zendt! en gezegend gij, die mij belet hebt heden bloed te vergieten en wraak te nemen; zonder uwe tusschen-komst was het gedaan geweest met Nabal en geheel zijn huisquot;. Hij nam nu de geschenken aan, die zij had medegebracht, en zeide tot haar: „keer in vrede naar uw huis terug, ik heb uwe stem gehoord en uw aangezicht geëerdquot;.

Vergelijking.

In dezen Nabal nu erkennen wij den ondankbaren, zondigen mensch; in David |

-ocr page 172-

167

den Koning der hemelen, en in Abigail het beeld der allerzaligste Maagd Maria. Alles heeft de mensch aan den hemelschen David, zijnen Heer en Schepper te danken, lichaam en ziel, voedsel en kleeding, gezondheid en genade, en zulks geheel zijn leven lang. God alzoo is zijn grootste weldoener. Maar hoe heeft de mensch die naamlooze weldaden vergolden. De Heer verlangde gehoorzaamheid aan zijne wetten en geboden, en de mensch sprak gelijk de trotsche Nabal; „ik zal U niet dienenquot;. Ondankbaar en onzinnig vergaten zij de goddelijke weldaden en overtraden de geboden des Heeren, zij gaven zich over aan hunne booze begeerten en pleegden veel en groot kwaad. Wel was het mensch-dom rijp ter verdelging; de toom van den vergramden W el doener kon niet uitblijven; dan ook hier trad een Vrouw op, die de wrekende hand Gods terughield, Zijne gramschap stilde, en om genade en barmhartigheid smeekte voor de schuldige menschheid. Deze Vrouw, die andere

;ef d!

ive ;n.

st-

,n- I

it-

an

I

ZIJ

te aij en ;n-)al

HL,

iar ird

• s j

icn, |

/id i I

-ocr page 173-

168

Abigail, is de allerheiligste Maagd Maria.

Maar geen aardsch brood of wijn, noch vleesch van slachtvee, bracht Maria den hemelschen Vader, maar het waarachtige Brood des hemels, het Vleesch en Bloed van Jesus Christus, haar God-delijken Zoon. Voor de voeten van den koning der koningen neergevallen sprak zij: „zie de dienstmaagd des Heeren, mij geschiede naar uw woord. Laat vrij het zwaard van droefheid mijne ziel doorboren, als Gij, mijn God, slechts barmhartigheid bewijst aan het zondige menschdom en het eeuwige doemvonnis intrektquot;. En God de Heer, getroffen door de gehoorzaamheid, de nederigheid en zuiverheid der Maagd Maria, liet zijn toorn varen en sprak tot haar: gezegend zijt gij boven alle vrouwen, gezegend het woord hetwelk gij tot Mij gesproken hebt. Ik heb uwe nederigheid gadegeslagen, en mijn welbehagen rust op U; had Ik u niet waardig bevonden de Moeder van Mijnen eeniggeboren

-ocr page 174-

169

Zoon en van den Verlosser der wereld te worden, dan was de geheele mensch-heid in hare zonden voor eeuwig verloren gegaanquot;.

Derhalve is Maria inderdaad de redster der menschheid, en heeft zij bij den hemelschen Koning de ondankbaarheid van dezen Nabal weder goed gemaakt.

Toepassing.

O Maria, Moeder van God en ook mijne Moeder, voor den troon uwer genade nedergeknield, betuig ik U mijn oprechten dank voor uwe nederigheid, gehoorzaamheid en maagdelijke reinheid, waardoor Gij het welgevallen des Heeren op U getrokken en de gramschap des Hemels ontwapend hebt. Dan, lieve Moeder! andermaal heb ik mij den toorn van den hemelschen Koning op den hals gehaald, door het overtreden zijner geboden, door mijne hoovaardigheid, hebzucht en zinnelijkheid, door het veronachtzamen van de geboden der H.

-ocr page 175-

17o

kerk; daarom bid ik U, wees andermaal mijn voorspreekster en middelares, houd de hand terug, die gereed is mij te treffen, om de macht, die Gij bezit op het goddelijk hart van Uw kind, smeek voor mij, dat Hij mij spare in den tijd en in de eeuwigheid. Ik wil mijne ondankbaarheid herstellen door trouwe nakoming der goddelijke en kerkelijke wetten. Ik wil alles ten offer brengen, om de welverdiende straf te ontgaan; mijne ziel en mijn lichaam, alles wat ik ben en bezit wijd ik aan den dienst des Heeren. O Moeder! steun mij in mijne goede voornemens.

Schietgebed. O Maria, onze middelares, | wees onze voorspraak bij God. Amen.

-ocr page 176-

;;©n ©m twlnitamp;fst© Wel.

DE VROUW VAN THECUA EN MARIA.

Inleiding.

Heden wenschen wij, als voorafbeelding van de Moeder Gods, eene vrouw voor te stellen uit den tijd van koning David. De H. Schrift vermeldt haren naam niet, maar noemt haar eenvoudig de vrouw van Thecua, een stadje in den stam van Juda. Zij is eene voorafbeelding van de Moeder Gods, om de vrijmoedigheid, waarmede zij voor koning David verscheen, teneinde genade te verwerven voor konings zoon Absalom; en de heilige Schrift roemt den moed, waarmede zij haar verlangen en hare wenschen bij den koning indiende.

'lorres, mij ezit nd, in wil oor keen, an; vat ast in

es, ;n.

-ocr page 177-

172

Verhaal.

De groote en heilige koning David had een zoon, Absalom genaamd, die zijn vaderhart met droefheid vervulde, door den moord op zijn broeder Amnon gepleegd. Eerst werd de prins verbannen, doch later mocht hij, door de voorspraak van den veldheer Joab, te Jeruzalem verblijven, maar niet verschijnen onder de oogen van zijnen vergramden vader. Twee jaren duurde deze strenge behandeling. Absalom echter kon het zóó niet langer uithouden en wilde liever sterven, dan uit de tegenwoordigheid zijns vaders verbannen te blijven. Daarop beproefde de vrouw van Thecua, op last van Joab, de gezindheid des konings te veranderen, om vergiffenis en genade voor Absalom te bekomen. De wijze nu, waarop zij hare taak volbracht, heeft haar den naam van kloeke en heldhaftige vrouw verworven. Zij begaf zich naar den koning, viel voor hem op de knieën en zeide: „mijn heer en mijn koning! Ik had twee zonen, i

-ocr page 178-

173

zij kregen twist met elkander, en de eene sloeg den andere dood. Nu komen al mijne bloedverwanten en eischen dat ik den moordenaar zal uitleveren, opdat hij zijne rechtmatige straf ontvange en insgelijks gedood worde. Zoo moet ik dan mijne beide kinderen verliezen en zonder nakomelingschap overblijven; daarom mijn heer en mijn koning! sta mij bij, red het leven van mijn zoon. Koning David, getroffen door de smart dier moeder, sprak borg voor het leven van haar kind zeggende: „ga naar uw huis terug, ik zal bevelen te uwer gunstequot;. Daarop maakte zij haar overgang en hare toepassing op den koning zeiven en sprak met heilige onverschrokkenheid: „mij, o koning, hebt gij genade verleend, omdat ik als moeder het leven van mijn zoon gevraagd hebt, — waarom handelt gij niet even grootmoedig met uw eigen huis, als vader tegenover uw zoon Absalom? God wil den dood der ziel niet, noch dat de verstootene in het eind

-ocr page 179-

i74

verloren ga. Daarom ben ik tot mijn heer en mijn koning gekomen, om hem te bidden en te smeeken, en hij zal de bede zijner dienstmaagd niet afwijzenquot;.

De gramschap des konings was gestild; met welgevallen rustte het oog van David op deze vrouw, die daar weenend voor zijn troon nederlag; hij gevoelde weer inniger dat hij vader was en liet zijn zoon Absalom terugkeeren; deze ijlde naar zijn vader, en de koning omhelsde hem.

Vergelijking.

Wat nu deze vrouw van Thecua, slechts eenmaal en alleen voor een enkelen persoon, voor Absalom, bij zijnen be-leedigden en vergramden Vader, met Zoo gunstig gevolg uitgewerkt heeft, datzelfde, maar nog met veel beter en veel omvangrijker uitslag, doet Maria voor ontelbare zondaren, die God beleedigd en zijn toom verdiend hebben. Zij is hunne barmhartige, voorzichtige en almachtige voorspreekster bij God, den

-ocr page 180-

i75

koning der hemelen. Ook Zij is Moeder: vooreerst is zij de natuurlijke Moeder van Jesus Christus, die uit haar de men-schelijke natuur heeft aangenomen, vervolgens is zij de geestelijke Moeder van zoovele zonen als door het heilig Doopsel kinderen van God en broeders van Jesus zijn geworden. Zij allen zijn hare aangenomene kinderen ja, maar tegelijk hare ware kinderen, daar zij werkelijk hunne Moeder is. Doch wat moest deze Moeder tot haar spijt en droefheid aanschouwen? Eenmaal reeds stond zij onder het kruis van haren eerstgeboren Zoon, die zich daar voor de zonden der menschen slachtofferde; maar ook nu nog, — hoe menigwerf wordt Zij gedwongen met de zelfde smarten onder het kruis van Jesus te staan, telkens als Hij door de zonden der menschen opnieuw gekruisigd wordt in hunne harten ! En die menschen, door het H. Doopsel kinderen van God en broeders van Jesus geworden, die Maria tot

-ocr page 181-

176

Moeder gekregen hebben, zij zijn, evenals Absalom, moordenaars van hunnen Broeder. Ook zij verdienen door den hemelschen Koning verstooten te worden, om niet meer voor het aangezicht van hunnen Vader te verschijnen. Maar hoe ■ groot Maria's droefheid ook zijn moge, als zij ziet, dat haar geliefde Zoon door de zondaars gekruisigd en gedood wordt, toch is haar medelijden met de arme zondaren, die ook hare kinderen zijn, nog veel grooter; — Gelijk de vrouw van Thecua voor den troon van koning David nederviel, om het leven te vragen van dien zoon, die zijn broeder gedood had, zoo strekt ook Maria smeekend hare handen naar den troon van den hemelschen Koning uit, om genade en barmhartigheid te bekomen voor de zondaars, de broedermoorders van Jesus Christus. „Eeuwige Koning der hemelenquot;, zoo bidt Maria, „ter wille dezer zondaars heeft mijn Jesus den kruisdood ondergaan, zij zijn de oorzaak van Zijn

-ocr page 182-

177

dood, en door hunne zonden kruisigen zij Hem opnieuw; maar, Vader! het zijn ook mijne zonen, en wanneer Gij ze straft, wanneer Gij ze aan den dood en de hel overlevert, dan verlies ik ook deze zonen, en ben ik eene Moeder zonder kinderen. Gedenk toch, o Heer! dat Gij den dood des zondaars niet begeert, maar dat hij leve en zich bekcere. Daarom, barmhartige God en Vader! wien het eigen is te sparen en te vergeven, schenk aan de arme zondaars uwe genade, verleen mijnen zonen vergiffenis van hunne zonden, terwille van het kostbaar Bloed mijns eerstgeborenenquot;.

En met het grootste welbehagen rust het oog van den hemelschen Vader op deze schreiende Moeder. Hij herinnert zich levendig, dat Hij niet slechts de Vader is van zijn onschuldig ter dood gebrachten Zoon, maar ook de Vader van die arme moordenaars, van zoovele zielen als Hem beleedigd hebben; en Hij kan de bede dier Moeder niet af-

12

-ocr page 183-

178

wijzen, Hij schenkt zijnen ondankbaren kinderen vergiffenis, zij mogen wederom voor Zijn aangezicht verschijnen en worden in liefde aangenomen.

Toepassing.

O Maria! Moeder van God en ook mijne Moeder! voor den troon uwer genade nedergeknield, betuig ik U mijn kinderlijken dank voor de smeekbede, die gij tot den Hemelschen Vader, tot den vergramden Koning der koningen, hebt opgezonden. Zonder uwe tusschen-komst zoude ik, door God verstooten, voor eeuwig zijn heilig aanschijn hebben moeten derven. Gij echter hebt zijne straffende hand tegengehouden, zijne gramschap gestild en zijn toom ontwapend. Door uwe voorspraak heb ik barmhartigheid en genade verkregen. Hoe zal ik U mijn dank beter kunnen bewijzen, dan door in het vervolg mijn hemelschen Vader en U mijne lieve Moeder oprecht te beminnen, en door

-ocr page 184-

179

een christelijk leven mijne vroegere zonden weder goed te maken. Laat ik toch nooit meer in mijne vorige fouten terugvallen ; dan Moeder! zou ik misschien door Ü verlaten, en door den hemelschen Vader voor goed verstooten worden, gelijk Absalom, die, na vergiffenis ontvangen te hebben, zijnen Vader ontrouw werd, hem beoorloogde, maar in dien oorlog jammerlijk omkwam. Door dergelijke hervalling zou ik uwe handen binden en uwen mond sluiten, zoodat gij mijne voorspreekster niet meer kondet wezen. O Maria, mijne Moeder! behoed uw kind voor dit groote ongeluk. Moeder der zalige volharding, bevestig mij in het goede.

Schietgebed. O Maria, mijn middelares en voorspreekster! bid voor mij. Amen.

-ocr page 185-

Twe© ©m twlmtïgst© üei

BETHSABEE, DE MOEDER VAN SALOMON, EN MARIA, DE MOEDER VAN JESUS.

Inleiding.

Troostvol bovenmate in onzen geestelijken strijd is de gedachte, dat wij eene voorspreekster bezitten in den hemel, dat wij daarboven eene Moeder hebben, die de belangen van hare kinderen hier beneden behartigt. Om ons vertrouwen op die machtige voospreekster en zorgzame Moeder te vermeerderen, zullen wij heden als voorafbeelding van de Moeder Gods beschouwen: Bethsabee, de moeder van koning Salomon.

Verhaal.

Als koning David gestorven was, volgde zijn zoon Salomon hem in de regeering

-ocr page 186-

i8i

over Juda op. Deze ontmoette evenwel vele tegenstanders, die hem het rustige bezit van kroon en troon betwistten. De voornaamste zijner vijanden was een andere zoon van David, zijn broeder Adonias, die de regeering voor zich verlangde en zelf koning wilde zijn. Deze telde velemachtigeaanhangers.,, Adoniasquot;, zoo verhaalt ons de H. Schrift, „verhief zich en zeide: Ik wil heerschen, en hij schafte zich wagens aan en ruiters en vijftig mannen, die voor hem uitgingenquot;. Nadat Salomon zijne tegenstanders uit den weg geruimd had, hield Adonias toch niet op, door geheime aanslagen en aanmatigende vorderingen, den toorn van Salomon tegen zijn persoon op te wekken. Daar hij evenwel de rechtmatige bestraffing des konings vreesde, nam hij zijne toevlucht tot de koninginmoeder Bethsabee, opdat zij te zijner gunste bij den koning, haren zoon, zoude spreken, om hem tot barmhartigheid en vergevensgezindheid aan te sporen, want.

-ocr page 187-

I82

zoo zeide hij, „de koning kan U niets weigerenquot;. Aanstonds was Bethsabee bereid zijne wenschen te vervullen, en bij den koning genade voor hem af te smeeken. Zij verscheen dan voor den koning, en als Salomon zijne moeder zag, stond hij op, ging haar te gemoet, en leidde haar naar zijn koninklijken troon; dan gelastte hij ook voor zijne moeder een troon te bereiden, opdat i zij zetelen zoude aan zijne rechterhand. Daarop sprak Bethsabee: „mijn zoon, ik bid u, wijs mij niet af, want ik moet eene smeekbede tot u richtenquot;. „Vraag wat gij wiltquot;, antwoordde de koning, „want het past niet, dat ik uw aangezicht terug wijze; dat ik de bede mijner moeder zoude verstootenquot;.

Vergelijking.

Deze geschiedenis nu is eene voorafbeelding van hetgeen Maria voor ons is en voor ons doet. Bethsabee is de moeder van Salomon, den koning

-ocr page 188-

i83

van Israël, Maria is de Moeder van Jesus, den koning der hemelen; gelijk nu Bethsabee hare hooge waardigheid en hare macht als koningin-moeder liet gelden, om bij den koning, haren zoon, voor zijn ongelukkigen broeder vergiffenis te bekomen, zoo wendt ook Maria hare veel hoogere waardigheid en hare veel grootere macht aan, om voor ons zondaren, de broeders van Jesus Christus, bij den hemelschen koning genade en barmhartigheid te verwerven. Wij hebben gezien, dat Salomon voor zijne moeder een troon oprichtte naast zijn eigen troon, opdat zij als koningin zoude zetelen aan zijne rechterhand; wij weten, dat hij vervolgens tot haar sprak; „het past niet, dat ik mijn aangezicht van u afwende of uw gebed versmade, — want gij zijt mijne moeder. Hoe volkomen kunnen we dit alles op Maria toepassen! Zij is in den hemel, aan de zijde van haren goddelijken Zoon; ook voor haar is een troon opgericht naast

-ocr page 189-

184

dien van haar Kind, waarop God haar bij hare ten hemelopneming geplaatst en gekroond heeft als Koningin des hemels. Op dien troon nu heeft Maria 1 alle rechten en alle machten eener i koningin, wijl zij de Moeder is van den Koning des hemels, en het passend is, dat de Zoon aan zijne Moeder alle eer bewijst, die Hij zelf geniet, alle macht i verleent, die Hij zelf bezit. Ook de I hemelsche Salomon sprak tot Maria: I „het past niet, dat Ik mijn gelaat van U ; afwende of U iets weigere van hetgene gij ' mij vraagt, omdat gij mijne Moeder j zijt, — het betaamt dat Ik allereerst het ■ gebod vervulle, wat Ik zelf gegeven heb: i eer uw vader en uwe moederquot;. Derhalve, wanneer Maria, de Moeder van Jesus, voor ons bidt; zal zij bij haren goddelijken Zoon steeds verhooring vinden, want Hij kan zijne Moeder niets weigeren. „Bid voor mij bij den koningquot;, sprak Adonias tot Bethsabee, want hij zal u niets ontzeggenquot;. Hebben wij dan,

-ocr page 190-

I85

even als Adonias, door onze zonde, strijd gevoerd tegen onzen Broeder Jesus Christus, hebben wij Hem zijne heerschappij in ons hart betwist en alzoo zijne rechtmatige gramschap beloopen, zoodat wij terecht beducht zijn voor zijne strenge kastijding, dan moeten wij ons tot Maria, de koningin-moeder, begeven en haar vragen: ,,0 Maria, ga voor het aanschijn des Heeren en bid voor ons, opdat wij uit onzen nood gered worden, spreek te onzer gunste en wend den toorn van uwen Zoon van ons af, stil Zijn° gramschap door uwe verdiensten en door uwe voorspraak, want wij weten, dat Hij U niets kan weigeren' van al hetgeen gij vraagtquot;. Wanneer Maria dan ons berouw en onzen goeden wil aanschouwt, begeeft zij zich tot haren goddelijken Zoon, om erbarming en ontferming voor hare zondige kindeven, en zij vindt altijd verhooring, want Jesus spreekt: ,,Ik kan mijne Moeder niets weigerenquot;.

-ocr page 191-

i86

Toepassing.

O Maria, Moeder van God, en ook mijne Moeder, voor den troon uwer genade nedergeknield, loof en prijs ik uwe waardigheid en uwe macht van koningin des hemels. Bij de overweging uwer verheffing erken ik al meer en meer de waarheid van het woord van uwen grooten dienaar, den H. Bernardus, dat gij „de smeekende almachtquot; zijt. Deze gedachte vervult mij met hoop en troost; want beducht voor mijne zonden, durf ik niet voor het aanschijn van uwen goddelijken zoon te verschijnen, daarom neem ik tot u mijne toevlucht, opdat gij optreedt als mijne middelares en voorspreekster. Ja, mijne Moeder, waar zal ik mij bergen voor den toorn van mijn beleedigden God, dan onder den mantel uwer moederlijke liefde en barmhartigheid, wie zal de straffende hand van den vergramden Koning der koningen van mij afwenden, dan de Koningin des hemels? Spreek derhalve ten gunste van een

-ocr page 192-

IS;

berouwhebbende zondaar, die op dit oogenblik den goeden wil heeft uit zijne zonden op te staan, die nimmer meer aan zijn Broeder, aan Koning Jesus, de heerschappij over zijn hart wil betwisten. Bid, Moeder! voor mij, dan zal ik behouden zijn, want ik weet, dat uw goddelijke Zoon aan zijne heilige Moeder niets kan weigeren.

Schietgebed. O Maria, koningin des hemels, wees mijne voorspraak bij uw vergramden Zoon. Amen.

-ocr page 193-

Brie eti twintigste RteL

DE KONINGIN VAN SABA EN MARIA, DE KONINGIN DES HEMELS.

Inleiding.

De koningin van Saba, eene heldin, is door eene geheel bizondere genade tot de kennis van den waren God gekomen, omdat zij zoo bereidvaardig gehoor gaf aan de ingevingen des hemels. Zij kwam uit Arabiö, het land der heilige drie koningen, naar Jeruzalem, om de wijsheid en den rijkdom van koning Salomon te bewonderen. Deze koningin van Saba nu willen we heden voorstellen als eene voorafbeelding der heilige Moeder Gods Maria.

Verhaal.

In den aanvang zijner regeering verscheen God aan Salomon, en zeide hem:

-ocr page 194-

189

j „vraag wat gij wilt dat Ik u gevequot;! En Salomon antwoordde; „geefmij een leerzaam hart, geef mij wijsheid en verstand, opdat ik in staat zij uw volk te besturen, en onderscheid te maken tus-schen goed en kwaadquot;. Daarop sprak God: „omdat gij dit gevraagd hebt, en niet rijkdom of eer, niet de overwinning op uwe vijanden, noch ook een lang leven, maar wijsheid en verstand om mijn volk te oordeelen, heb Ik gedaan naar uw woord. Ik heb u een wijs en verstandig hart gegeven; maar ook wat gij niet gevraagd heb zal Ik u geven; rijkdom en glorie, zoodat gij alle koningen voor u en na u :overtreffen zultquot;.

Koning Salomon was dan ook de wijste en de rijkste vorst onder alle koningen der aarde. Hij was wijzer dan ooit eenig mensch voor hem geweest is of na hem wezen zal. Zijne wijsheid, zegt de H. Schrift, was zoo omvangrijk als het zand van den oever der zee, terwijl zijn rijkdom moeilijk te beschrijven valt,

-ocr page 195-

190

alles schitterde van het opeengestapelde goud; zilver had ten tijde van Salomon geen waarde. Hij bouwde paleizen van ongehoorde pracht en rijkdom en stichtte den Heer dien beroemden tempel, welke op de gansche aarde zijn gelijke niet had. Salomons wijsheid en rijkdom overtrof die van alle koningen der wereld; en ontelbare koningen en koninklijke gezanten verlangden den persoon van Salomon te zien, om zijne wijsheid te hooren en zijn rijkdom te bewonderen.

De faam zijner wijsheid drong ook in het verafgelegene Arabie door, en de koningin van Saba begaf zich daarom met een groot gevolg van dienaren, met grooten rijkdom van goud, edelgesteenten en kostbare specerijen naar Jeruzalem tot koning Salomon; en toen zij zijne wijsheid op de proef gesteld had, stond zij verbaasd over zijne matelooze kennis, en als zij al zijne pracht aanschouwde en vooral den heerlijken tempel, dien hij gebouwd had en de offers, welke

-ocr page 196-

igi

hij daarin opdroeg, alsmede de woningen zijner dienaren, was zij buiten zich zelve van verwondering en sprak: „Alles is waar, wat ik in mijn land gehoord heb van uwe groote daden en van uwe wijsheid, ja, niet eens de helft was mij bekend. Gelukkig uwe onderdanen en uwe dienaren, die voor uw aangezicht staan en uwe wijsheid hoorenl Na de medegebrachte geschenken aan den koning aangeboden en nog veel aanzienlijker gaven van hem ontvangen te hebben, keerde zij vol blijdschap naar haar land terug.

Vergelijking.

Hier eene vergelijking te maken zal wel niet moeilijk vallen. Immers is koning Salomon in al zijne wijsheid en heerlijkheid geen treffend beeld van God, den koning van hemel en aarde? Is de koningin van Saba, die uit verre streken opgaat naar Jeruzalem, geene voorafbeelding van Maria, die uit deze wereld opgaat naar de stad Gods, het hemelsch Jeruzalem? Mogen wij de glorievolle in-

-ocr page 197-

192

tocht van de koningin van Saba in Jeruzalem niet vergelijken met de zegepralende intocht van Maria's hemelvaart? Hoog prijst de Schriftuur de wijsheid en den rijkdom van Salomon en verklaart, dat het volstrekt niet te beschrijven valt. Maar wie zal dan in staat zijn, de wijsheid en de rijkdom te beschrijven van Hem, aan wien Salomon al zijne wetenschap en al zijne schatten te danken heeft? Hoe onuitsprekelijk wijs moet God zijn, die hemel en aarde bestuurt en in de schoonste orde bewaart! Hoe rijk moet God zijn, van wien alles komt, wat in den hemel en op aarde is! Hoe voortreffelijk moet God zijn, van wien geschreven staat: „hemel en aarde zijn vervuld van de majesteit zijner gloriequot;. Is er wel een grooter geluk, eene hooger voorrecht denkbaar, dan dien wijzen, rijken en voortreffelijken God van aanschijn tot aanschijn te aanschouwen. Zijne wijsheid te hooren, Zijn rijkdom en Zijne heerlijkheid deelachtig te wor-

-ocr page 198-

i93

den. En als nu het verlangen naar eenig goed des te grooter is, naarmate de waarde en de voortreffelijkheid van dat goed beter gekend wordt, — hoezeer moet Maria dan verlangd hebben uit de ballingschap dezer wereld op te gaan naar het vaderland des hemels, om God van aanschijn tot aanschijn te aanschouwen, van wiens glorie en majesteit zij reeds hier op aarde zulk eene ruime kennis bezat! Dan bij hare hemelvaart werd haar verlangen vervuld, toen zij opging naar Jesus, den hemelschen Salomon, — hoe moet hare ziel opgetogen geweest zijn van bewondering en verrukking bij het aanschouwen van de schoonheid en heerlijkheid des hemels, die heilige stad Gods, met het paleis des Heeren en de kostbare woningen, welke Hij voor zijne dienaren bereid heeft! Toen heeft zij den Koning der hemelen toegesproken: „alles is waar, wat ik op aarde gehoord heb van Uwe wijsheid, van Uwen rijkdom, van Uwe

13

-ocr page 199-

194

glorie en majesteit, met eigene oogen aanschouw ik thans, dat mij nog slechts een gering gedeelte bekend was, dat nooit oog gezien, noch oor gehoord heeft, noch ooit in 's menschenhart is opgekomen, wat Gij bereid hebt voor diegenen, die U beminnenquot;. En wat we gehoord hebben van de luisterrijke ontvangst der koningin van Saba bij Salomon, kunnen wij in veel hoogeren graad van Maria's opname ten hemel zeggen, — God heeft haar met eer overladen, haar gekroond in glorie boven alle engelen en heiligen, en in hare handen gesteld, al wat zij verlangt voor het heil der zielen.

Toepassing.

O Maria, Moeder van God en ook mijne Moeder! voor den troon uwer genade nedergeknield, loof en prijs ik uwen zegevierenden intocht in het hemelsch Jeruzalem. Het goud en de edelgesteenten, die Gij den Koning der koningen hebt aangeboden, zijn de zielen uwer uitverkorene kinderen, die gedurende

-ocr page 200-

i95

hun leven uwe hulp en uwen bijstand mochten ondervinden, die door uwe voorspraak zalig zijn geworden, en nog dagelijks zalig worden. Zij hebben U op aarde bemind en gediend, zij staan thans met U voor den troon van God, zij zijn uw gevolg en koninklijke hofstoet, zij vormen de paarlen en edelgesteenten uwer vorstelijke kroon. Zal ook ik eenmaal zoo gelukkig zijn tot dat gevolg te be-hooren ? Dat geluk is mij weggelegd als ik mij beijver mij nu reeds onder uwen stoet te bevinden, als ik tracht op mijne koningin te gelijken, door het navolgen harer deugden ; als ik nu voor den troon van liefde en genade van haar goddelijk Kind, in het heilig tabernakel verborgen, dikwerf kom nederknielen, zal ik Hem met zijne Moeder eenmaal aanschouwen op den troon zijner glorie, en zijne wijsheid en zijn rijkdom bewonderen en bezitten.

Schietgebed. O Maria, koningin des hemels, leid mij eenmaal den hemel binnen. Amen.

-ocr page 201-

Vier en twlntigst© Met.

DE WEDUWE VAN SAREPTA EN MARIA.

Inleiding.

In de dagen van den profeet EHas waren er vele weduwen in Israel, evenwel werd de profeet, om het ongeloot der Joden, tot geen enkele dezer gezonden ; maar de Heer stuurde hem naar de weduwe van Sarepta, in het land van Sidon. Deze weduwe nu willen wij, om de smart, die zij leed bij den dood van haren zoon, alsmede om de vreugde, die | zij ondervond bij zijne wonderbare op- ! wekking, als eene voorafbeelding van de H. Moeder Gods voorstellen.

Verhaal.

Drie en een half jaar was er in het Joodsche land en in de naburige landen

-ocr page 202-

197

geen regen meer gevallen; de bronnen waren uitgedroogd, er werd niet gezaaid noch gemaaid, het land was schraal en kaal, en overal heerschtc een geweldige hongersnood. Te dier tijde leefde er te Sarepta eene weduwe met haren eenigen zoon, zij bezat niets meer dan een handvol meel en een weinig olie; zij besloot nu voor het laatst een meelkoek te bakken, en dan met haar kind den hongerdood af te wachten. Op dat oogen-bük kv/am de profeet Elias tot haar, want de Heer had hern bevel gegeven tot deze vrouw te gaan, om haar de goddelijke barmhartigheid te openbaren. Als die vrouw, op het verlangen van den profeet, bereid was eerst voor den man Gods een koek te bakken, beloonde God hare edelmoedigheid: haar voorraad van meel in het vat en van olie in de' kruik verminderde niet bijna drie jaren lang, tot aan den dag, waarop de Heerregen schonk aan de aarde. Maar God wilde het geloof en het geduld dezer

-ocr page 203-

198

weduwe nog op eene andere wijze op de proef stellen, om haar, wanneer zij deze proef goed doorstond, op voorbeeldige wijze te beloonen. Hij liet haar eenig kind sterven. „De zoon der vrouwquot;, zegt de H. Schrift, „viel in eene ziekte, die den dood veroorzaakte. Kort te voren nog zoo verheugd, wijl er overvloed in haar huis heerschte, de zorg voor het onderhoud en de vrees voor den hongerdood geweken waren, is zij thans in diepen rouw gedompeld. Ziet die bedroefde moeder daar met het lijk van haar kind op haren schoot, ter prooi aan de felste smarten. Doch ziet ook hoe groot haar geduld, hoe levendig haar geloof is! Zij uit geene hopelooze klachten, zij mort niet tégen de goddelijke voorzienigheid, maar bekent, dat de dood van haar kind een zoenoffer is voor hare zonden. „Gij zijt gekomenquot; sprak zij tot den profeet Elias, „om mij mijne zonde te herinnerenquot;. Dat was eene edelmoedige bekentenis, die haar loon niet zou missen.

-ocr page 204-

199

{ Ehas legde het lijk van den knaap op zijn rustbed, en bad: „Heer, mijn God, laat de ziel van dit kind terugkeeren in zijn lichaamquot;! En de ziel keerde terug; Elias bracht den knaap naar zijne moeder, zeggende: „zie, uw zoon leeftquot;. Opgetogen van blijdschap sloot zij haar kind in hare armen en stortte haar dankbaar gemoed voor God uit.

Vergelijking.

Gelijk wij de smart en de vreugde gezien hebben der weduwe van Sarepta, willen wij ook nagaan, welke smart de H. Moeder Gods overstelpte, toen zij het lijk van Jesus op haren schoot hield, en welke vreugde haar moederhart vervulde bij Zijne glorievolle verrijzenis. Ook Maria had slechts een eenigen zoon, onzen Heiland en Zaligmaker Jesus Christus, het geluk en den troost van haar leven. Nog voor weinige dagen aanschouwde zij Hem in de volle mannelijke kracht, zij was getuige van zijn

op.

Zlj

el-tar

te, en in iet ïr-in ie id te ar 'ij iT*quot;

'1 L d, id 'ij et i-

I

-ocr page 205-

200

glorievollen intocht in Jeruzalem, zij j vernam het gejubel des volks„Gezegend i die komt in den naam des Heeren, j Hosanna den zoon van Davidquot;! Hoe was toen haar hart verheugd! En thans! Wat werd haar geloof en haar geduld op eene harde proef gesteld! Haar goddelijke Zoon, Jesus Christus, is gestorven aan Zijn kruis; Jozef van Arimathea en Nicodemus hebben het ontzielde lichaam met grooten eerbied van het kruis afge-nemen en in den schoot zijner Moeder neergelegd. Wat doet nu Maria? Wel naamloos groot en onuitsprekelijk is hare smart, die als een zwaard haar moederhart doorvlijmt, want zij beseft den wijden omvang van haar verlies. Maria, de Moeder van smarten, uit evenwel geene hope-looze klachten. Zij mort niet tegen de goddelijke voorzienigheid, die haar eenig-. geboren Zoon aan den dood had overgeleverd, haar geloof wankelde niet want Zij wist, dat de dood van haren Zoon een zoenoffer wa« — niet voor hare zon-

-ocr page 206-

den — maar voor de zonden der gansche wereld. Daarom is zij geheel overgegeven aan den heiligen wil van God, en aan het einde van het leven haars goddelijkeii zoons spreekt zij, met dezelfde rustige kalmte en gehoorzaamheid, als bij het begin van Zijn leven, haar „fiatquot; „mij geschiede naar Uw woordquot;. Grootschen edelmoedig offer, dat zijn loon niet zou missen. Na drie dagen werd haar geduld en haar geloof beloond. De diepste smart maakte plaats voor de hoogste vreugde, toen de engel haar boodschapte: „Uw Zoon leeftquot;, toen zij haar verrezen Zoon in stralende schoonheid mocht aanschouwen. Overgelukkige Moeder! die door zooveel en zoo groote droefheid nog veel grootere vreugde verdiend hebt.

Toepassing.

O Maria, Moeder van God en ook mijne Moeder, voor den troon uwer genade nedergeknield, herinner ik mij dat roerende tafereel van den Calvarieberg:

L

-ocr page 207-

202

het ontzielde lichaam van Jesus op den schoot zijner Moeder. Maar te gelijk bedenk ik, dat mijne zonden van dat alles de oorzaak zijn, van den dood des Zoons en van de smarten der Moeder. Lieve Moeder! vervul mijn hart met dankbaarheid jegens U beiden, laat het overvloeien van liefdevol medelijden. Laat ik mijn medelijden toonen door de oorzaak uwer smarten weg te nemen, door in het vervolg geene zonden meer te bedrijven. Ik meng mijne tranen met de uwe, om de talrijkheid mijner zonden, die ik in de droefheid mijns harten beween, opdat Jésus wederom moge verrijzen en leven in mijn hart, opdat uwe droefheid in blijdschap veranderd worde.

Schietgebed. O Maria, Moeder van smarten, verwerf mij een oprecht berouw over mijne zonden. Amen.

-ocr page 208-

Vip en) twlmtlist© Hel

DE VROUW VAN SUNAM EN MARIA.

Inleiding.

Elisetls, een leerling van Elias, bezat dubbel den geest van zijn meester. Zijn leven is eene aaneenschakeling van wonderen, zoodat hij de duidelijkste voorafbeelding is van den wonderdoenden Zaligmaker. Heden zullen wij een zijner wonderen leeren kennen, hetwelk hij gewrocht heeft in het huis der Sunamietische vrouw, en daarbij overwegen, in hoeverre deze vrouw eene voorafbeelding is der heilige Moeder Gods Maria.

Verhaal.

Ten tijde van den profeet Elisetls leefde er te Sunam, eene stad in het land van Juda, een vroom echtpaar, wier namen in de H. Schrift niet

-ocr page 209-

204

vermeld worden. Zoo dikwijls de profeet deze stad bezocht, bleef hij in hun huis van zijne vermoeiende reizen uitrusten, en nam hij deel aan hunnen disch. Op zekeren keer zeide de gastvrije vrouw tot haren man; „laat ons voor den dienaar Gods eene kleine opperzaal inrichten; dan kunnen wij daarin een bed plaatsen met eene tafel, eene stoel en eene lp.mp, opdat hij, wanneer hij wederkomt, die betrekkequot;. Wanneer de profeet nu terugkwam, nam hij zijn -intrek in die opperzaal, om uit te rusten. Zooveel gastvrijheid zou niet onbeloond blijven. De vrome vrouw nu koesterde slechts één wensch: moeder te worden van een zoon; maar zij had de hoop op dat geluk reeds opgegeven. Als de profeet haar voor hare goede diensten beloonen wilde, sprak hij tot zijnen dienaar GiCzi „wat kan ik voor haar doenquot;. Zijn dienaar antwoordde: hoe kunt gij dat nog vragen, zij heeft geenen zoon, en haar man is reeds op jarenquot;? Daarop liet de profeet

-ocr page 210-

205

haar bij zich komen en zeide haar; „het volgende jaar, op dezen tijd, op dit eigen uur, omhelst gij eenen zoonquot;. God vervulde de voorspelling van zijnen dienaar.

Als nu het kind groot geworden was, en zijnen vader naar den akker vergezelde, klaagde het eensklaps over hevige hoofdpijn, de vader liet het naar zijne moeder brengen; deze nam den knaap op haren schoot, waar hij binnen weinige uren stierf. Vol geloof en vertrouwen legde de moeder het lijk op het bed van den profeet, liet oogenblikkelijk eene ezelin zadelen, en spoedde zich naar den berg Karmel, waar Elise'Js zich ophield. Schreiend wierp zij zich voor de voeten van den profeet en zeide: „bij God en bij uwe ziel, ik zal u niet verlaten, totdat gij medegaat en mijn kind weder levend maaktquot;. EliseJs ging met haar mede naar hare woning, hij sloot zich op in de opperzaal, waar het lijk lag, en bedekte dit met zijn eigen lichaam. Het kind opende zijne oogen, de profeet

-ocr page 211-

2o6

riep de moeder en zeide; „neem uw kindquot;. Deze viel voor de voeten van den profeet neder en ontving haren zoon uit den dood terug.

Vergelijking.

Door de liefde voor haar kind en de goedheid voor den profeet is de Suna-mietische vrouw eene vooraf beelding geworden van de heilige Moeder Gods. Immers welke deugden schitterden in Maria meer uit, dan de liefde vóórhaar goddelijk kind en de barmhartigheid jegens de menschen? Daarom wordt zij te recht genoemd: de Moeder der schoone liefde en .de Moeder van barmhartigheid. Veel heeft de Sunamietische vrouw haar kind bemind, en veel heeft zij voor hem gedaan, maar er bestaat geene liefde zoo groot, als de liefde van de Moeder Gods voor Jesus, nimmer ook heeft eene moeder zooveel voor haar kind gedaan en geleden, als Maria. Ook Zij is op wondervolle wijze Moeder geworden volgens de belofte van den aartsengel Gabriel. Daar

-ocr page 212-

20^

haar Zoon een geschenk des hemels was, beminde zij Hem ook met eene hemel-sche liefde; Zij beminde Hem als haren God en bracht Hem de hulde van aanbidding; zij beminde Zijne heilige mensch-heid en wijdde Hem hare teederste zorgen van de wieg tot het graf; zij beminde Hem als Verlosser der wereld, en hare liefde werd steeds grooter, naarmate Zijn lijden toenam. Wie zal de liefde schetsen, welke Maria haar goddelijk kind toedroeg, toen Zij hem baarde in den stal van Bethlehem en in doeken wikkelde; toen zij Hem beveiligde voor den haat van koning Herodes en naar Egypte wegvluchtte; toen zij zoovele jaren met Hem in stille rust en heilige afzondering mocht doorbrengen te Nazareth; maar wie zal den omvang, de lengte en breedte, de hoogte en diepte harer liefde weergeven, toen zij daar stond onder het kruis van haar veelgeliefden Zoon? Toen vooral werd haar moederhart gewond door overmaat van liefde.

-ocr page 213-

2o8

Dan de liefde van deze Moeder strekt zich ook nog tot een ander voorwerp uit, nl. tot de menschen, wier barmhartige Moeder Zij is, en die Zij bemint ter wille van haren Zoon. En meer dan de Sunamie-tische vrouw, die den vermoeiden profeet zoo gastvrij onthaalde, bewijst Maria ons duizendvoudige liefdediensten; zij maakt ons deelgenoot van de volheid harer genade; zij voedt en verpleegt ons, afgematte reizigers, op onzen levensweg naar het vaderland des hemels. En gelijk de Sunamietische vrouw haren man overreedde voor den profeet eene woning in te richten, zoo beweegt Maria het hart van den hemelschen Vader, om voor ons eene plaats in zijn hemelsch koninkrijk te bereiden. Bovendien voorziet zij in al onze behoeften en noodwendigheden; zij is de troost der bedrukten, de behoudenis der kranken en de toevlucht der zondaren. Zij is ons aller helpster bij leven en sterven. Alwie hare voorspraak inroept zal zalig zijn.

-ocr page 214-

209

Toepassing.

O Maria, Moeder van God en ook mijne Moeder! voor den troon uwer genade nedergeknield, verheug ik mij over de liefde, die Gij uw Goddelijk kind toedraagt, daar Gij om uwe liefde tot Jesus ook verplicht zijt ons te beminnen; immers Gij zoudt geene goede Moeder voor Hem zijn, als Gij Zijne goedgunstigheid jegens ons niet deeldet. Laat dan vrij mijne ziel beangst en mijn lichaam gekweld worden, ik geniet den zoeten troost, dat Gij en Uw goddelijk Kind mij bemint, en dat vervult mijne ziel met vaste hoop, wanneer ik, terwille mijner zonden, beducht ben voor mijne zaligheid. O Maria, mijne Moeder, laat die hoop nooit verijdeld worden. Dagelijks wil ik U groeten als mijne koningin, als de moeder van barmhartigheid, die zonder ophouden begaan is met het lot harer arme kinderen.

Schietgebed.. O Maria, Moeder van barmhartigheid, bid voor mij. Amen.

u

-ocr page 215-

les eti twintigste Met

| ANNA, DE MOEDER VAN TOBIAS,

en

i MARIA, DE MOEDER VAN JESUS.

Inleiding.

In de groote stad Ninive leefde gedurende de gevangenschap, waartoe Sal-manassar, de koning van Assyrie, het volk van Israël gebracht had, een vroom en godvreezend echtpaar, Tobias en Anna met hun eenig kind, dat ook Tobias heette. De geschiedenis dezer familie is eene der treffendste en leerrijkste uit het geheele Oude Verbond. Voor ons plan zullen wij vooral de oogen vestigen op Anna, de moeder van den jongen Tobias, omdat wij haar wenschen te beschouwen als eene voorafbeelding van Maria, de Moeder van Jesus.

-ocr page 216-

iti

V'erhaal.

De oude Tobias, een der meest gegoede inwoners van Ninive, werd arm door de vele weldaden, die hij aan zijn volk bewees, dat met hem de ballingschap deelde. Hij spijsde de hongerigen en voorzag de naakten van kleederen. Bovendien werd hij blind, zoodat hij van de verdienste zijner vrouw leven moest, die door weven in het onderhoud van haar gezin zocht te voorzien. In zijne armoede herinnerde Tobias zich, dat hij vroeger aan zijnen bloedverwant Gabelus, die te Rages woonde, tien talenten zilver geleend had. Daarom riep hij zijnen zoon, den jongen Tobias, tot zich en zeide; ,,mijn zoon zoudt gij niet de reis naar onzen bloedverwant willen aanvaarden, om het geld in ontvangst te nemen, dat ik hem geleend heb. Gij weet, wij leiden een arm leven ; maar wees niet bekommerd, als wij God vreezen, zullen wij het goede deelachtig worden. Zie uit naar een goeden reisgezel, die u naar

-ocr page 217-

212

Rages geleidt en behouden tot uwe ouders terugvoert. Als de jonge Tobias uitging, om een geleider te zoeken, vond hij een aanzienlijken jongeling, die reisvaardig was en zijne diensten aanbood, om hem naar Rages te geleiden. Vol vreugde leidde de jonge Tobias den jongeling in het huis zijns vaders, die insgelijks zeer verheugd was. Zij kenden evenwel den jongeling niet en vermoedden niet, dat hij de aartsengel Gabriel zelf was.

Onder geleide van dezen heiligen engel ondernam nu de jonge Tobias zijne reis, maar zij duurde lang, al te lang voor zijne bejaarde ouders, die zijne wederkomst met ongeduld verbeidden, ja zijne moeder Anna waande hem reeds verloren. Onafgebroken vloeiden hare tranen, en zij klaagde: „ach, mijn zoon, waarom hebben wij u naar den vreemde laten vertrekken ; een wild dier heeft u zeker verscheurd, of gij zijt gevallen in handen van roevers en moordenaarsquot;. Haar man even-

-ocr page 218-

213

wel trachtte haar te troosten en hare droefheid te stillen; maar zij was ontroostbaar. lederen dag ging zij den weg op, waarlangs haar kind moest terugkeeren; dagelijks klom zij op den heuveltop, om in de verte te turen, of zij haar kind niet gewaar werd; eindelijk zag zij hem in de verte aankomen; zoo spoedig mogelijk bracht zij de blijde tijding aan haren man, en beiden stortten tranen van vreugde omdat zij den zoon, dien zij verloren waanden, hadden teruggevonden.

Vergelijking.

In deze Anna, die treurt over het verlies van haren zoon Tobias, zien wij eene voorafbeelding van de H. Moeder Gods weenende over het verlies van haren twaalfjarigen Jesus. Bij gelegenheid van het Paaschfeest was Maria met Jozef opgegaan naar Jeruzalem, en het goddelijk kind had hen vergezeld. Als zij, na afloop van het feest, naar Nazareth terugkeerden, was Jesus niet bij hen. Zij mis-

-ocr page 219-

314

ten Hem evenwel eerst tegen den avond, toen zij, eene dagreize van Jeruzalem verwijderd, hun intrek namen in eene herberg, om te overnachten. Zij meenden, óf wel: dat Jezus zich bij de overige jongelingen had aangesloten, die onder het zingen van heilige psalmen den anderen pelgrims voorafgingen, óf wel daar mannen en vrouwen bij afzonderlijke karavanen optrokken, kon Maria denken, dat het Goddelijk kind bij den H. Jozef was, terwijl de H. Jozef mocht vermoeden, dat Hij zich in het gezelschap bevond van Maria. Maar zij vonden Hem niet. Welke angst en kommer moeten zich van Maria hebben meester gemaakt over het verlies van Jesus, dien kostbaren schat, door den Hemel aan hare zorgen toevertrouwd. Allerhande vermoedens kwamen haren geest verontrusten: Zou wellicht het goddelijk kind gevangen genomen of reeds vermoord zijn ? Zou Zijn lijden dan reeds zoo spoedig begonnen zijn? Wie weet hoe Hij gefolterd en

-ocr page 220-

gemarteld wordt? Dergelijke gedachten vervulden hare ziel met de wreedste i smart, zij kon geene rust vinden, totdat ! zij haar goddelijk Kind had teruggevonden. Overal zoekend en vragend keerde zij met den H. Jozef, die haar zocht te troosten, naar Jeruzalem terug, nauwkeurig doorzocht zij alle plaatsen, waar zij doorgetrokken waren, maar niemand kon eenige inlichting verstrekken.

Met steeds klimmenden angst kwam zij eindelijk te Jeruzalem. Daar doorliep zij alle straten en pleinen, daar zocht zij bij bekenden en onbekenden, doch niemand had eenig spoor van Hem gezien, totdat zij Hem eindelijk terugvond in den tempel, zittende onder de leeraren, O welke vreugde doorstroomde het afgetobde moederhart, wat tranen van vreugde heeft Maria toen geschreid, met welke onuitsprekelijke zaligheid heeft Zij toen het teruggevonden kind aan haar moederhart gedrukt !

-ocr page 221-

2l6

Toepassing.

O Maria, Moeder van God en ook mijne Moeder, voor den troon uwer genade nedergeknield, begrijp ik de heilzame lessen, die Gij ons als Moeder van smarten geeft bij het verlies van uw goddelijk Kind Jesus. Gij, lieve Moeder, hebt Uwen Zoon verloren zonder uwe schuld; zonder uw voorweten moest Hij z:ch onledig houden met de zaken van zijnen hemelschen Vader, en toch was uwe smart over zijn verlies naamloos groot; Gij hadt rust noch duur, totdat Gij Hem hadt wedergevonden. Maar hoe dikwijls heb ik 'Jesus verloren door mijn eigene schuld. Door mijne vrijwillige zonden heb ik mij van Jesus beroofd, Hem verloren uit mijn hart, want Hij woont niet in een hart, dat de slaaf is van hoovaardigheid, hebzucht en zinnelijkheid. En zonder dit treurig verlies te beseffen, leef ik mogelijk dagen en maanden in de zonde voort; schertsend en spelend, terwijl het grootste aller on-

-ocr page 222-

217

gelukken mij getroffen heeft. Wee mijner 1 waarom sta ik niet aanstonds op, om, evenals mijne Moeder Maria, den verloren Jesus te zoeken. O Maria, zetel der wijsheid! laat mij mijne dwaasheid inzien, leid mijne schreden tempelwaarts, opdat ik Jesus en zijne genade door eene rouwmoedige biecht terugbekome. Laat ik nu mijn Verlosser en Zaligmaker zoeken, eer het te laat is. Als ik thans niet naar Jesus luister, dan zal Hij ook op mijn sterfbed niet naar mij luisteren, maar zijn woord gestand doen: „Gij zult Mij zoeken en niet vinden; in uwe zonden zult gij sterven.

Schietgebed. O Maria, mijne Moeder! geleid uw kind naar uwen Zoon. Amen.

-ocr page 223-

Itvea ©PD twbtlgst© 1©?,

JUDITH EN MARIA.

Inleiding.

In het boek der Spreuken vraagt koning Salomon: ,,Wie zal eene kloeke vrouw vinden? hare waarde overtreft goud en edelgesteente; zij omgordt zich met kracht en versterkt haren arm, kracht en aanvalligheid is haar kleed.quot; Deze woorden nu zijn op geheel bizondere wijze van toepassing op de heldhaftige Judith, die wij heden als eene voorafbeelding van Maria zullen beschouwen.

Verhaal,

Nabuchodonozor, koning der AssyriCrs, wilde geheel de wereld aan zijne heerschappij onderwerpen. Zijn veldheer Holofernes was met een geducht leger

-ocr page 224-

219

opgetrokken naar het land van Israël en belegerde Bethulia.

In hunnen angst bestrooiden de inwoners dier stad hunne hoofden met asch en baden veel en vurig, dat Jehova zich over zijn volk mocht ontfermen.

Er leefde te dier tijde in Bethulia eene aanzienlijke vrouw, Judith geheeten, die in de H. Schrift geprezen wordt om hare schoonheid, rijkdom en vooral om hare vroomheid, daar zij in haar weduwstaat zeer godvruchtig leefde. Zij vatte het heldhaftige plan op haar volk en haar land te redden. Door gebed en vasten bereidde zij zich voor. Daarna legde zij hare rouwkleederen af en tooide zich - met hare schoonste kleederen en kostbaarste sieraden, en God zelf, zegt de Schriftuur, verhoogde hare schoonheid. Slechts door hare dienstmaagd vergezeld, begaf zij zich in het vijandelijke legerkamp, waar de soldaten haar geleidden naar de tent van hunnen veldheer. Ho-lofemes door hare schoonheid verblind.

-ocr page 225-

220

legde te harer eer een groot gastmaal aan, waarbij hij buitengewoon veel wijn dronk, zoodat hij dronken op zijn rustbed wai neergevallen. Toen alle gasten vertrokken waren, begaf Judith zich naar het slaapvertrek van Holofernes, zij neemt zijn zwaard en bidt: „Heer, God van ! Israal, versterk mij in dit oogenblik, red | Jeruzalem, uwe stad, en laat mij vol-■ brengen, wat ik in vertrouwen op U heb ; ondernomenquot;. Daarop slaat zij tweemalen met het zwaard en houwt Holofernes het hoofd af. Zij verbergt het j hoofd van den veldheer in haren spijs-zak, verlaat ongehinderd de legerplaats der AssyriCrs en komt bij de poorten | van Bethulia. Als de inwoners van Bethulia het hoofd van hunnen vijand zagen, loofden zij God en juichten Judith toe als de gezegende dochter onder alle | vrouwen, de glorie van Jeruzalem, de vreugde van Israel en de eer van hun volk. Zij deden vervolgens een uitval uit de vesting, brachtten het geheele

-ocr page 226-

221

vijandelijke leger in verwarring en behaalden een schitterende overwinning.

Vergelijking.

Het spreekt als het ware van zelf, dat die sehoone en heldhaftige Judith eene der merkwaardigste voorafbeeldingen is van de H. Moeder Gods Maria. Maar veel voortreffelijker dan Judith is Maria, op wier gelaat de deugd, de reinheid, de aantrekkelijkheid en lieftalligheid in alle schoonheid prijkt. God zelf heeft hare schoonheid zoo verhoogd, dat zij terecht geprezen wordt als de gezegende onder alle vrouwen. Ver boven Judith is Zij de kloeke vrouw, die den helschen Holofernes, den aanvoerder der booze geesten, heeft overwonnen. Zij is de redster niet slechts van het volk van Israel, maar van geheel het menschelijk geslacht. Met vele booze geesten was de Satan uitgetrokken, om de gansche wereld aan zijne slavernij te onderwerpen. Dronken van hoogmoed waande hij zich

-ocr page 227-

i iil

.

| reeds zeker van eene volkornene over-

j winning. Maar ziet — daar treedt Judith op, de heilige en onbevlekte Maagd Maria, gewapend met het zevenvoudig zwaard der smarten. Met twee slagen van dat slagzwaard houwt zij den kop des duivels af; door hare gehoorzaamheid, waarmede zij bewilligde de Moeder van God te worden als zij sprak : Mij geschiede naar uw woord; en door hare onderwerping aan den aanbidde-lijken wil des hemelschen Vaders, waarmede zij bereidvaardig het offer bracht van den kruisdood van haar goddelijk Kind. Daar onder het kruis van den Calvarieberg, waar het pijnlijkste zwaard haar moederhart doorboorde, heeft zij eene volkomen e zegepraal op den duivel behaald. Door het heldhaftige offer van haar Kind is Zij de bevrijdster van geheel het menschelijk geslacht uit de slavernij des duivels. En met meer recht, dan de inwoners van Bethulia, juichen wij haar toe als de glorie van Jeruzalem,

-ocr page 228-

22^

de Vreügde der gansche wereld en de eer der geheele christenheid.

Toepassing.

O Maria, Moeder van God en ook mijne Moeder, voor den troon uwer genade nedergeknield, bewonder ik de glorie en de heerlijkheid, waarmede de allerheiligste Drievuldigheid U bekleed heeft, alsmede de lofprijzing, die U gewordt van de Cherubijnen en Seraphijnen, die met elkander wedijveren, om U de hoogste eer te bewijzen, die hunne gelukzaligheid er in vinden U te prijzen als de Moeder des Heeren. Naar het voorbeeld dier hemelsche geesten wil ik U loven en verheerlijken, zal ik U vooral verheerlijken op uwe feestdagen en mij beijveren, dat ook mijne huisgenooten LJ de verschuldigde eer, liefde en dankbaarheid bewijzen. Dan goede Moeder, gij kent mijne zwakheid, maar laat uw oog met welgevallen rusten op mijnen goeden wil. Versterk mij in mijne wederwaardigheden.

-ocr page 229-

224

Dagelijks wil ik mij tot U begeven met die voortreffelijke én teedere benamingen, waarmede de heilige Kerk en de heilige Vaders U betitelen: Moeder des levens, Bron des heils, Verwinnares der helsche geesten, Vreugde der zaligen, Troosteres der bedrukten, Toevlucht dei-zondaars, bid voor ons.

Schietgebed. Heilige Maria, Moeder Gods, verlos ons van den kwade. Amen.

-ocr page 230-

ftiaht ©üi twlei%st© Me®.

ESTHER EN MARIA, DE ONBEVLEKT ONTVANGENE.

Inleiding.

Om hunne zonden waren de Joden door koning Nabuchodonozor in balling-| schap weggevoerd naar Babyion. Daar | zaten zij neder en treurden wanneer zij : dachten aan Sion. Dan God, die zijn I volk en zijn erfdeel gedachtig was, erbarmde zich over hen, ter wille hunner boetvaardigheid; en als de algemeene ondergang der Joden was vastgesteld, | bevrijdde Hij hen door eene uitverkorene vrouw, Esther geheeten, die wij heden willen voorstellen als de schoonste voorafbeelding van de onbevlekt ontvangene Maagd Maria.

-ocr page 231-

226

Verhaal.

De persische koning Assuerus, een liederlijk barbaar, had zijne gemalin Vasthi verstooten, omdat zij ongehoorzaam was aan zijne bevelen. Nu liet hij de édelste maagden des rijks in zijn paleis voeren, om uit haar eene nieuwe koningin te kiezen.' Te dier tijde woonde er te Susa, een der drie hoofdsteden van het uitgestrekte persische rijk, een voornaam Israëliet, Mardochetis genaamd, die de voedstervader was van zijne ouder-looze nicht Esther. Deze maagd nu wordt in de H. Schrift hoog geprezen om hare schoonheid, die met eene groote zedigheid gepaard ging. Zij was nederig en gehoorzaam en vervulde met blijdschap al de wenschen van haren oom Mardochetis. Ieder prees hare minzaamheid, lieftalligheid en aantrekkelijkheid; ook zij werd in het paleis gevoerd, en op haar viel de keus des konings, zij vond genade bij hem boven alle vrouwen, hij zette haar de koninklijke kroon op

-ocr page 232-

227

het hoofd en begroette haar als koningin. In de uitverkiezing van deze Israëlietische maagd erkennen wij het werk der goddelijke voorzienigheid, omdat zij de redster van haar volk moest worden.

Zekere Aman, een gunsteling des konings, had, uit haat tegen Mardocheüs, die voor hem de knie niet wilde buigen, ofschoon de koning zelf daartoe bevel gegeven had, van zijnen koninklijken meester verlof bekomen met het volk der Joden te doen wat hij goed vond. Nu werd een moordbevel rondgezonden door alle provinciën, dat er op den i4den dag der laatste maand van dat jaar geen enkele Jood meer in leven mocht zijn. Mardocheüs stelde de koningin in kennis met het gevaar, dat haar en haar volk bedreigde, en spoorde haar aan om tot Assuerus te gaan, ten einde zijne genade en barmhartigheid in te roepen, „wie weetquot;, zoo het hij haar weten, „of gij niet juist tot de waardigheid van koningin zijt verheven, om in

-ocr page 233-

228

deze aangelegenheid te kunnen optredenquot;. Esther gehoorzaamde. Door gebed en vasten bereidde zij zich voor, opdat God het hart des konings mocht buigen tot haat tegen Aman, den vijand van haar volk. Ofschoon het door eene persische wet op doodstraf verboden was ongeroepen tot den koning te naderen, was toch de liefde van Esther voor haar volk groot genoeg, om haar leven aan het gevaar des doods bloot te stellen. Ongeroepen begeeft zij zich met twee dienstmaagden naar de zaal, waar de koning op een gouden troon gezeten was, in het midden zijner staatsdienaars. Als Assuerus haar ongeroepen ziet verschijnen, fonkelen zijne oogen van gramschap, en Esther valt van ontsteltenis ademloos in de armen harer dienstmaagd. Maar op datzelfde oogenblik stemt God het hart des konings tot zachtzinnigheid; hij verlaat zijn troon, neemt de koningin in zijne armen op en spreekt tot haar vol zachtheid en teederheid :

-ocr page 234-

229

„Esther, wat deert u? wil niet vreezen, ik ben uw broeder; gij zult niet sterven, want deze wet is niet voor u gemaakt, maar voor alle anderenquot;. Wanneer de koning daarna de wenschen der koningin vernomen had, vonden de Joden genade en barmhartigheid in zijne oogen. Zij mochten hunne vijanden op gelijke wijze behandelen als deze van plan geweest waren het hen te doen. Vijf en zeventig duizend vijanden werden er nu om het leven gebracht.

Vergelijking.

Alles wat in de H. Schrift van Esther verhaald wordt, kan men gemakkelijk op de onbevlekt ontvangene Maagd Maria toepassen. Esther was door de goddelijke voorzienigheid uitgekozen en om hare onschuld bestemd de redster van haar völk te worden, ook Maria werd door God uitgekozen, om door hare onbevlekte ontvangenis de redster te worden van geheel het menschelijk ge-

-ocr page 235-

23°

slacht; Esther werd boven alle maagden door koning Assuerus uitverkoren, Maria vond genade bij God en werd gezegend boven alle vrouwen. Esther werd begroet als koningin, Maria betitelen wij als koningin van hemel en aarde. Gelijk Esther eenig en alleen den toorn des konings ontwapende en niet viel onder de wet des lands en /00 haar volk voor een gewissen ondergang behoedde, zoo was ook Maria gevrijwaard voor de gramschap van den hemelschen koning en voor de wet der erfzonde, om daardoor genade voor de gansche mensch-heid te verwerven. Door de wet der erfzonde komen alle menschen ter wereld als kinderen van gramschap en vijanden van God, slechts een enkele vrouw uitgezonderd, de allerheiligste onbevlekt ontvangene Maagd en Moeder Gods Maria.

Evenals Esther mocht zij'uit den mond van den hemelschen Koning vernemen: „vrees niet, Maria, Gij zijt vol van genade, — deze wet is voor al de anderen

-ocr page 236-

231

gemaakt, maar niet voor Uquot;. Omdat Maria uitverkoren was Moeder Gods te worden is Zij, eenig en alleen onder alle kinderen van Adam, door een bizonder voorrecht van den H. Geest, ter willé der verdiensten van Jesus Christus, voor de erfzonde gevrijwaard gebleven.

Groot was de genade, welke Assuerus aan Esther bewees, en heerlijk waren de vruchten dezer genade, omdat daardoor de toom des konings gestild, haar volk van den ondergang gered en tot . groot aanzien verheven werd. Het dankbare volk stelde vreugdefeesten in en bracht lof en dank aan zijne koningin Esther, wier gedachtenis in zegening bleef. Dan veel grooter genade verstrektede hemelsche Koning aan zijne veelgeliefde dochter Maria, en veel heerlijker nog en omvangrijker waren de gevolgen dezer genade. Door hare onbevlekte o^tyahgenis toch heeft Maria den toom gestild van den vergramden Koning der koningen en het eeuwig heil bewerkt, niet slechts

-ocr page 237-

232

van een enkel volk, maar van geheel het menschelijk geslacht. Door hare onbevlekte ontvangenis was Zij alleen waardig de Moeder van Gods Zoon te worden, die door Zijnen kruisdood de aarde met den hemel verzoend heeft.

Toepassing.

O Maria, Moeder van God en ook mijne Moeder, voor den troon uwer genade nedergeknield, loof en prijs ik het hooge voorrecht uwer onbevlekte ontvangenis, waardoor wij aan de groote weldaad der Verlossing deelachtig zijn geworden. Dan goede Moeder, Gij hebt de volheid der genade niet voor U zelve alleen ontvangen, maar ook opdat uwe kinderen daaraan een ruim deel zouden hebben. Dat aandeel zal ons geschonken worden als wij uwe deugden, uwe nederigheid, gehoorzaamheid en zuiverheid navolgen. Daardoor toch hebt gij de goddelijke gramschap gestild, en onze verzoening bewerkt. Verwerf ons door

-ocr page 238-

233

uwe onbevlekte ontvangenis zoo te leven, dat het oog van den Koning der koningen óók op ons met welgevallen ruste, dat wij nooit vallen onder de wet des ver-derfs, die gesteld is voor allen, welke in doodzonde sterven. Door uwe onbevlekte ontvangenis zijt gij eene bi-zondere patrones voor eenen zaligen dood, daarom bidden wij U, wees voor allen de moeder der zalige volharding, opdat wij U in alle eeuwigheid loven en prijzen als de gezegende boven alle vrouwen.

Schietgebed. H. Maria, onbevlekt ontvangen, beveilig mij tegen de goddelijke gramschap. Amen.

shed

; OB-lleen n te i de t.

ook j:

ge- I

het j

)nt-

'ote

sijn !

ebt

Ive !

iwe

len ■

:en

Je-

;id

de

ze

-ocr page 239-

Nl©§eifo ©m twürttligst©

ESTHER EN MARIA, TWEE VOORSPREEKSTERS.

Inleiding.

Nogmaals wenschen we Esther te nemen als onderwerp onzer overweging. Gisteren beschouwden wij de wondervolle uitverkiezing en verheffing dezer roemrijke maagd als eene voorafbeelding van de onbevlekt Ontvangene Maagd Maria, heden zullen wij haar zien als koningin, die door hare voorspraak voorziet in den grooten nood van haar volk en daardoor eene voorafbeelding is van Maria, de koningin des hemels, die door hare machtige voorbede hulp en bijstand verleent aan de gansche Christenheid.

Verhaal.

De grootste vijand van het Joodsche

-ocr page 240-

■235

volk, tijdens hunne babylonische gevangenschap, was Aman, die door koning Assuerus tot den invloedrijkste vorst van zijn rijk verheven was. Door hoogmoed en gekwetste ijdelheid was deze gunsteling in feilen haat jegens de Joden ontstoken. Op last des konings moesten allen voor Aman de knie buigen, wanneer hij het paleis van den vorst binnentrad, alle dienaars gehoorzaamden aan dit bevel en vielen voor Aman in aanbidding ter aarde neder, slechts de Jood Mardochetls, de pleegvader van Esther, deed zulks niet: zijn geloof toch verbood hem voor iemand anders de knie te buigen, dan voor God alleen. De trotsche Aman telde al zijne grootheid en waardigheid voor niets, zoolang déze vermetele hem de verschuldigde eer bleef weigeren. Als hij vernomen had, dat Mardochetls een jood was, maakte hij het besluit het geheele Joodsche volk in het verderf te storten. Daarom begaf hij zich tot den koning, en stelde de joden voor als vijanden des

-ocr page 241-

236

rijks, die nieuwe wetten en ceremoniën invoerden en de bevelen des konings verachtten. Door deze lastertaal werd dè koning op de joden verbitterd, en schonk hij zijnen hoveling volmacht met hen te handelen naar goedvinden. Nu zond Aman door alle deelen des rijks bevelschriften, dat op den i4den dag der laatste maand van dit jaar, alle joden, knapen en grijsaards, maagden en vrouwen uitgeroeid moesten worden. Voox Mardo-cheüs echter liet hij eene galg van vijftig el hoog oprichten, om hem daaraan op te hangen. Schrik en ontsteltenis maakten zich van het joodsche volk meester bij het hooren van dit moordbevel. Mardo-cheys scheurde zijne kleederen van droefheid, bestrooide zijn hoofd met asch, en weende in de bitterheid van zijn gemoed. Hij stelde zijne nicht Esther, die toen reeds koningin was, in kennis met het gevaar, dat haar en haar volk dreigdej en vermaande haar als middelares op te treden: „wie weetquot;, zoo sprak hij tot

-ocr page 242-

237

haar, of gij niet juist daarom tot de waardigheid van koningin verheven zijt, om voor uw ongelukkig volk gereed te zijn; gebruik derhalve uwen invloed op het hart des konings en bid voor uw volk, opdat het van den ondergang gered worde.

Als Esther zich door het gebed gesterkt, den hemelschen Vader om hulp gebeden en eene driedaagsche vasten gehouden had, deed zij haar koninklijk gewaad aan, tooide zich met hare kostbaarheden en door twee dienstmaagden vergezeld, trad zij de zaal binnen, waar de koning op een gouden troon gezeten was. Godzelf nu, zegt de H. Schrift, stemde het hart des konings tot zachtmoedigheid; getroffen door de schoonheid en aanvalligheid der koningin, strekte hij zijn arm naar haar uit tot teeken van goedgunstigheid en sprak tot haar; „Wat wilt gij, koningin Esther, al begeert gij ook de helft van mijn koninkrijk, het zal u gegeven wordenquot;. Daarop

-ocr page 243-

238

sprak Esther tot den koning; „heb ik genade gevonden in uwe oogen, o koning, schenk mij dan mijne ziel en mijn leven, waarvoor ik u bid, en het leven van mijn volk; red ons uit de handen onzer vijanden, die ons vermoorden en verdelgen willenquot;. En ziet, — wondervolle beschikking der goddelijke Voorzienigheid! de toorn des konings keerde zich tegen hen, die reeds den dag der ver-; delging van het joodsche volk hadden uitgeschreven, en Aman, hun grootste vijand, werd aan diezelfde galg opgehangen, die hij voor Mardocheüs had laten oprichten, Mardocheüs werd in zijne plaats tot eersten vorst des rijks verheven, en Esther stelde hem over geheel haar huis.

Vergelijking.

Wel terecht mag koningin Esther, ter wille harer heilzame voorspraak voor haar ongelukkig volk, aangehaald worden als eene treffende voorafbeelding van onze

-ocr page 244-

239

hemelsche koningin Maria, de machtige voorspreekster voor haar volk, de geheele Christenheid der Katholieke Kerk. Groot was de nood van het vervolgde en ter dood gewijde Joodsche volk; dan aan hoevele rampen en noodwendigheden was en is de Katholieke Kerk alle eeuwen door blootgesteld. Haar stichter, Jesus Christus, had het haar voorspeld: „hebben zij Mij vervolgd, zij zullen ook u vervolgen.quot; Hoevele machtige tegenstanders heeft de Kerk te allen tijde gehad, die haar vervolgden en trachtten te verdelgen. Schier elke eeuw stond er onder de grooten en machtigen der aarde een wreede Aman op, die den ondergang der Kerk gezworen had. Maar dan namen de Christenen hunne toevlucht tot de hemelsche Esther, Maria, daar zij wisten welken grooten invloed zij bezit op het hart van den Koning der koningen, den hemelschen Assucrus. En wanneer zij dan als onze voorspreekster optreedt, gekleed in de glorie en majesteit harer

-ocr page 245-

240

hooge voorrechten en rijke verdiensten, dan rust het oog van den Almachtigen God met welgevallen op Zijne Dochter, Moeder en Bruid; dan is de Heer der heerscharen oogenblikkelijk bereid haar alles te schenken, wat zij vraagt voor de lijdende en vervolgde Christenheid. Hoe menigwerf was de wereld getuige van wondervolle uitkomsten ten voordeele van de Kérk, door de machtige voorspraak van Maria. Vele wijzen en machtigen spanden samen tegen de Kerk, hunne pogingen schenen te zullen slagen, zij hadden in hunnen overmoed den dag van haren ondergang reeds aangekondigd, — dan God had de bede zijner Moeder te rechter tijd verhoord en haar den dag aangewezen, waarop Hij de machtigen zou stooten van hunnen troon en de nederigen verheffen. Eeuw in eeuw uit dan ook verzucht de H. Kerk; „O, Maria, hulp der Christenen, bid voor ons,quot; en nooit is die bede vergeefs ten hemel opgezonden, altijd heeft Maria den

-ocr page 246-

241

kop verpletterd van den Satan en zijne aanhangers, terwijl de Kerk bij eiken strijd nieuwe lauweren inoogstte en hare dankbare hulde bracht aan Maria.

Toepassing.

O, Maria, Moeder van God en ook mijne Moeder, voor den troon uwer genade nedergeknield, erken ik uwe koninklijke waardigheid, die u niet alleen voor u zelve, maar ook voor ons geschonken werd, opdat gij toegang zoudt hebben tot den Koning des hemels en uwen invloed zoudt aanwenden voor de vervolgde Kerk, waartegen de vijanden, in verband met de hel, samenspannen, om haar ten ondergang te voeren. In onzen tijd, lieve Moeder, wordt de H. Kerk wederom van alle kanten aangevallen, nu weten wij, dat Gij onze Voorspreekster zijt bij den heraelschen Vader, dat uw gebed altijd verhooring vindt; evenwel weten wij niet, of het in de eeuwige raadsbesluiten des Heeren niet soms be-

16

-ocr page 247-

242

paald is, de Kerk nog meer en nog langer te laten lijden; maar gij kunt door uwe voorbede dien tijd van beproeving verkorten en ons eenen spoedigen vrede verwerven. O, Maria, bid voor ons, opdat onze droefheid in blijdschap veranderd worde, treed voor het aanschijn des Heeren, opdat uw volk van den ondergang gered worde.

Schietgebed. O, Maria, hulp der Christenen, bid voor ons. Amen.

-ocr page 248-

I'

©eptlgst©

SUSANNA EN MARIA, TWEE LELIES.

Inleiding.

Uit den tijd der gevangenschap van de Joden te Ninive en te Babyion, zagen wij reeds schoone voorbeelden van hooge deugd in Tobias en Esther. Voorheden wenschen wij, uit het tijdvak van den godvreezenden Daniel en zijne drie vrienden Ananias, Azarias en Misaël, eene heilige vrouw voor te stellen, Susanna geheeten, die, om hare reinheid, immer geprezen wordt als de kuische Susanna, en eene voorafbeelding is van de aller- | heiligste Maagd Maria.

Verhaal.

Susanna beteekent lelie. De lelie nu is door haren hagelwitten kelk en door

nog aint roegen oor hap lijn den

-ocr page 249-

244

haren fijnen geur een zinnebeeld van de deugd der kuischheid. Was Susanna 1 haren naam waardig ? Zij was de vrouw van Joakim, een voornaam Israëliet, die I te Babyion vele goederen bezat en een huis met eenen boomgaard. Susanna was buitengewoon schoon, en door hare i schoonheid verblind, wilden twee boos-; wichten hare deugd te nakomen; zij j wachtten slechts op eene gunstige gelegenheid, om hun boos inzicht te volvoeren. Op zekeren dag begaf Susanna zich met twee harer dienstmaagden naar ■ den boomgaard, om een verkwikkend bad te nemen, en als zij de hulp harer dienstmaagden niet meer behoefde, zond zij haar weg en sloot de deur achter zich dicht. De twee deugnieten, die zich in den boomgaard verborgen [hadden, liepen op haar toe en deden haar het afschuwelijk voorstel. God en hare deugd 1 te verzaken, daar zij haar anders van ! overspel zouden aanklagen en de straf der steeniging laten ondergaan. In wel-

-ocr page 250-

245

ken verschrikkelijken toestand bevond zich Susanna! Voldoet zij aan het verlangen dezer booswichten, dan maakt zij zich schuldig aan eene zware zonde; weigert ze, dan wacht haar de valsche aanklacht van echtbreuk, en wordt zij zeker ter dood veroordeeld. Wat zal zij doen? Verneemt het heldhaftige antwoord dezer kuische vrouw; „Het zij verre van mij uw schandelijk verlangen in te willigen, het is mij beter te vallen in uwe handen en onschuldig te sterven, dan te zondigen voor het aanschijn des Heerenquot;. Toen legden de goddelooze schelmen valsche getuigenis tegen haar af, dat zij in den boomgaard met eenen jongen man gezondigd had en haren man ontrouw was geworden. Het volk geloofde in dit getuigenis, en Susanna werd veroordeeld tot de straf der steeni-ging. Maar God, die altijd de onschuld bewaakt, en hen beschermt, die op Hem vertrouwen, hield den jeugdigen Daniel gereed, om de eer der vrouw te redden

-ocr page 251-

246

en de boosheid te straffen. Deze jeugdige profeet liet de aanklagers van elkander scheiden en een voor een bij zich brengen. Daarop werden zij afzonderlijk ondervraagd, en daar hun getuigenis klaarblijkelijk tegenspraak behelsde, kwam de onschuld van Susanna aan het licht, en werden de oude deugnieten veroordeeld tot dezelfde straf, die zij Susanna toegedacht hadden. Zoo waakt God over allen, die op Hem vertrouwen, zoo werd de kuische Susanna beloond om hare heldhaftige deugd. Wel mogen wij op haar de woorden van koning Salomon toepassen: „Hoe schoon en heerlijk is een kuisch geslacht in den glans zijner deugden, zijne gedachtenis is onsterfelijk, want het is bekend bij God en bij de menschenquot;.

Vergelijking.

In die heerlijke samenspraak uit het | Hooglied, tusschen de bruid en den | Bruidegom, tusschen de ziel en Christus, spreekt de bruid van zich zelve; „ik

-ocr page 252-

247

ben eene bloem des velds en eene lelie der dalen,quot; en haar Bruidegom antwoordt; „gelijk eene lelie onder de doornen, zoo is mijne vriendin onder de dochters.quot; Deze lofspraak verdient Maria boven alle anderen, daar zij de gezegende is onder de vrouwen. In vergelijking met Maria toch zijn alle maagden, zelfs de reinste, slechts als doornen tegenover de lelie; zij alleen is geheel zuiver en geene vlek of smet kleeft op haar. Wel onuitsprekelijk schoon moet de nederige Maagd van Nazareth geweest zijn, die de hemel-sche Vader tot Zijne dochter. God de Zoon tot Zijne Moeder en God de H. Geest tot Zijne Bruid verkoren heeft. Gelijk de schitterendste sterren verbleeken voor den vollen glans van het zonlicht, zoo staan alle maagden verre achter bij de voortreffelijkheid van Maria. „Door hare maagdelijkheid,quot; zegt de H. Barnardus, „vond Maria genade in de oogen des Heeren, door haren ootmoed werd zij waardig Moeder Gods te worden, door

-ocr page 253-

248

hare toestemming verkreeg zij inderdaad die verhevene waardigheid.quot;

Ook Maria heeft, als wij ons zoo mogen uitdrukken, eenen heiligen strijd gevoerd voor het behoud harer maagdelijke zuiverheid. Immers wanneer de Engel Gabriel haar de boodschap bracht, dat zij vol van genade was en gezegend onder de vrouwen, ontstelde Maria, en dacht over deze groetenis na; en als de Engel haar geruststelde, dat zij genade gevonden had voor de oogen van God, en eenen zoon zoude baren, die de Zoon des Allerhoogsten genoemd zoude worden, vroeg zij: „hoe kan zulks geschieden daar ik geenen man beken en mijne zuiverheid voor eeuwig aan God heb opgedragen ? Maria is vast besloten, liever de verhevene waardigheid van Moeder Gods te derven dan hare maagdelijkheid te verliezen. En eerst dan, als de Engel haar het geheim der mensch-wording van God den Zoon verklaarde, als te zullen «Geschieden door den H.

-ocr page 254-

249

Geest en de kracht des Allerhoogsten, stemt zij toe; ,.z\e de dienstmaagd des Heeren, mij geschiede naar uw woord.quot; Zoo was Maria reine Maagd bij de blijde boodschap, reine Maagd voor den Kerstnacht, reine Maagd in en na den Kerstnacht. Toepassing.

O Mafta, Moeder van God en ook mijne Moeder, voor den troon uwer genade nedergeknield, zie ik u daar in de hoogste der hemelen, schitterend van glorie en luister boven alle engelen en heiligen. Gelijk de lelie het sieraad is onzer velden en dalen, en het oog van den wandelaar verrukt en zijn hart met blijdschap vervult, zoo zijt gij het sieraad, de vreugde en de zaligheid der hemelingen door uwe voortreffelijke schoonheid en aantrekkelijkheid. O mijne Moeder, wat zou ik mij gaarne in uw gezelschap bevinden! Maar ik weet, dat niets wat besmet is den hemel kan binnen gaan, daarom wil ik, voor het sluiten dezer Meimaand, door eene rouwmoedige

-ocr page 255-

25°

biecht mijne ziel zuiveren van zonden, vooral van die rampzalige zonde der onzuiverheid, die mij uw gezelschap volstrekt onwaardig maakt. O Maria, toevlucht der zondaren, leid zelve uw kind naar den biechtstoel, zuiver mijne ziel, opdat mijn geest slechts op hemel-sche zaken gesteld zij; zuiver mijn lichaam; laat mijne oogen steeds opzien naar den hemel, om der goddelijke tegenwoordigheid te gedenken; sluit mijne ooien voor de vleitaal der verleiders; — liever sterven, dan bederven — stel eene wacht aan mijne lippen, opdat mijn mond geene woorden van ongerechtigheid spreke; laat mijne handen de werken doen, die des Heeren zijn; en dat mijne voeten wandelen op het pad der deugd al de dagen mijns levens; dan Moeder! zal ik uw gezelschap waardig zijn en eenmaal toegelaten worden tot uwe zalige aanschouwing.

Schietgebed. O Maria, allerzuiverste Maagd, reinig mijn hart en vleesch. Amen.

-ocr page 256-

i©ra m Rt©l. i

DE MOEDER DER MACHABEËN : EN MARIA.

Inleiding.

Ook het Oude Verbond heeft zijne martelaren, en zij nemen in aantal toe naarmate de geschiedenis van het Israêlie-tische volk ten einde spoedt. Die heilige martelaren nu schenen door het vergieten van hun bloed de komst van den Verlosser te moeten bespoedigen. Het laatste tijdvak der joodsche geschiedenis omsluit een tijd van 45 jaren en staat beschreven in de twee boeken der Machabeen. Uit dit tijdvak kiezen we, als voorafbeelding van Maria, eene vrouw, de moeder der Machabeen geheeten, die zelve martelares en moeder van martelaren is geweest.

Verhaal.

De ergste vervolger van liet Joodsche

-ocr page 257-

252

volk was de Syrische koning Antiochus. Deze goddelooze vorst liet zijne soldaten in Jeruzalem plunderen en moorden; ook roofde hij de schatten en kostbaarheden van den tempel. Hij wilde in zijn dui-velschen haat den naam van Jehova van de aarde verdelgen, daarom gelastte hij, dat al zijne onderdanen de afgoden moesten aanbidden. Wie getrouw bleef aan Jehova en de Mozaïsche wet onderhield, werd wreed ter dood gebracht. Niemand werd gespaard, de wreedheid ontzag noch leeftijd noch geslacht. Uit deze vervolging zijn vooral bekend de negentigjarige schriftgeleerde Eleazar, die eene heerlijke martelkroon verwierf, en eene heldhaftige moeder met hare zeven zonen, bekend onder den naam van: de machabeeuwsche broeders. Deze geloofshelden werden gedaagd voor den rechterstoel van den koning zeiven, die hen dwong aan de goden te offeren; maar zij verklaarden eenparig liever te willen sterven, dan de voorvaderlijke wetten te

-ocr page 258-

overtreden. Woedend van spijt en gram schap gaf de koning bevel, hen onder de wreedste en uitgezochtste martelingen ter dood te brengen. Onmenschelijke wreedheid! de goddelooze tiran liet hen de tong uit de keel snijden, het vel van het hoofd afstroopen, de handen en voeten afkappen, en aldus vreeselijk verminkt maar nog levend, in gloeiende pannen langzaam verbranden, terwijl de moeder gedwongen werd dit afgrijselijk tooneel te aanschouwen.

Moest haar hart niet breken van droefheid ; waarom overreedt zij hare zonen ' niet, aan het bevel des konings te gehoorzamen, en zoo hun leven te redden ? Neen! deze moeder is zulke kinderen waardig. De heldhaftige vrouw kent geene zwakheid, zij beklaagt den dood harer kinderen niet, maar hoopt hen in de toekomstige ontferming terug te ontvangen. Den jongsten harer kinderen spoort zij aan den beul niet te vreezen, maar te volharden en de waardige deelgenoot

-ocr page 259-

254

zijner broeders te worden, door te strijden | voor God, die den hemel en de aarde, en het menschelijk geslacht, uit niets gemaakt heeft. Nadat zij al hare kinderen voor hare oogen had zien vermoorden, werd ook de moeder ter dood gebracht, om met al hare kinderen voor eeuwig in den hemel vereenigd te worden.

Wel is deze moeder de'bewondering en de gedachtenis der goeden waardig, die op een dag hare zeven kinderen zag sterven en het kloekmoedig en standvastig verdroeg door hare hoop op God. Voorzeker naamloos groot moet hare smart geweest zijn bij den aanblik dier wreede folteringen haren kinderen aangedaan, maar zij droeg alles gelaten in het blijde vooruitzicht spoedig met hen voor eeuwig in den hemel vereenigd te wörden.

Vergelijking.

Veel meer nog dan de moeder der i Machabeën, is Maria èn martelares èn ,

-ocr page 260-

*55

i moeder van een martelaar, die in zijn aanbiddelijk lichaam alle smarten ge-i leden heeft, die in de wereld te vinden zijn. Hij was de man van smarten, door i beulen gemarteld veel wreedaardiger dan ; Antiochus. Zoo hevig en zoo talrijk waren zijne smarten, dat ons begrip te 1 kort schiet dezelve naar behooren te overwegen. Van de kruin van zijn gezegend hoofd tot den zool zijner voeten was er geen gezond of ongedeerd lidmaat in Hem. De schoonste onder de kinderen der menschen bezat vorm noch schoonheid meer; — Een aandachtige blik op het kruis van onzen vermorsel-den en verbrijzelden Zaligmaker zegt ons alles. — Onder dat kruis van Jesus nu, stond Maria, Zijne Moeder. Zij is getuige van al de mishandelingen en martelingen van haren goddelijken Zoon, Zij beschouwt zijn lichaam verscheurd door de geeselslagen. Zijn hoofd met doornen gekroond. Zij hoort de wreede hamerslagen, die haar kind aan het kruis-

-ocr page 261-

256

hout nagelen, Zij vangt alle beleedigingen en versmadingen op, waaraan haar Eenig-■ geborene bij Zijnen langzamen martel-' dood ter prooi is. Al die smart en al die smaad zijn wonden, die haar moeder-1 hart doorboren, en haar maken tot Koningin der martelaren. Zal dat hart bij zooveel pijnen en smarten niet breken van droefheid Zal Maria geene luide jammerklachten aanheffen, of van aandoening in onmacht neclerzinken aan den voet des kruises? Ziet! niet zonder reden wordt er gezegd: naast het kruis van Jesus stond Zijne Moeder Maria. Deze heldhaftige vrouw kent geene zwakheid, tot den laatsten ademtocht van haar goddelijk Kind staat zij daar op den Calvarieberg, standvastig en volkomen berustend in den aanbiddelijken wil des Heeren, hier gelijk te Nazareth spreekt zij even bereidvaardig: „Zie de dienstmaagd des Heeren, mij geschiede naar uw w.oordquot;. Uit liefde tot ons offert Maria haren Zoon aan den hemel-

-ocr page 262-

*51

schcn Vader op. Zij wordt geheel be-heerscht door het vurige verlangen, dat het rijk der zonde een einde neme, dat de beleedigingen Gode aangedaan ophouden, dat de wereld verlost en de aarde met den hemel verzoend worde. Zij wordt, gelijk de moeder der Macha- : been, bezield door de blijde hoop, ons, hare kinderen, met haar goddelijk Kind, in de toekomstige ontferming, in den hemel terug te vinden. Vele duizenden harer kinderen, die op aarde den strijd met den vijand hunner zaligheid zegenrijk voleindigd hebben, heeft zij reeds in den hemel teruggevonden ; daar wacht zij ook ons en roept ons toe; „Aanschouwt den hemel en de aarde en den Schepper aller dingen, die u tot de eeuwige zaligheid geroepen heeftvreest den vijand uwer zaligheid niet, maar wederstaat hem dapper in het geloof, geduldig en volhardend in den strijd en in het lijden, gelijk uwe broeders, de heiligen des hemels, opdat gij met

17

-ocr page 263-

25«

I hen de kroon der eeuwige vergelding j deelachtig wordetquot;.

T OK PASSING.

O Maria, Moeder van God en ook mijne Moeder! voor den troon uwer genade nedergeknield, kom ik U bedanken voor het vele goede gedurende deze Meimaand door uw voorbeeld en door i uwe voorbede verkregen. Uwe hooge i voorrechten heb ik leeren bewonderen, | en tevens heb ik gezien, hoe Gij alle heilige vrouwen van het Oude Verbond i verre overtreft; alsmede, hoe ik in alle omstandigheden mijns levens hulp en bijstand van uwe goedheid en liefde mag verwachten. Evenwel mijne goede Moeder, in het bewustzijn mijner zwakheid, en door eene treurige ervaring geleerd, blijf ik toch bevreesd en bezorgd voor mijne toekomst; daarom smeek ik ! U, wil mij in den strijd tegen mijne I vijanden, tegen den duivel, de wereld en eigen bedorven hart, bemoedigen en

-ocr page 264-

259

versterken, gelijk de moeder der Macha-been hare kinderen heeft aangespoord, zoodat zij noch martelingen noch dood gevreesd hebben, om het eeuwig vaderland te bereiken. Wanneer mijn moed begint te verflauwen, als de bekoring hevig, de verleiding sterk en de hartstocht geweldig is, spreek mij dan moed in, wijs mij dan op den hemel en de aarde, en op den schepper aller dingen, opdat ik, evenals mijne broeders, moge zegevieren in den strijd, de kroon der overwinning behalen, en U in alle eeuwigheid loven en prijzen.

Schietgebed. Maria, Moeder der zalige volharding, bevestig mij in het goede. Amen.

-ocr page 265-

m l^citïgc JlMö.

V O O R B E R EIDIN G S G E B E D.

In geest van aanbidding wil ik deze heilige Mis bijwonen, tot eer en glorie der allerheiligste Drievuldigheid, tot dankzegging voor alle genaden, tot voldoening mijner zonden, ter vereering van de Goddelijke Moedermaagd en van haren maagdelijken Bruidegom, den H Jozef, tot heil van al degenen, voor wie ik verplicht ben te bidden, alsook voor het welzijn van alle levenden, en tot lafenis der zielen in het vagevuur. Ik geloof vast, dat de H. Mis het offer | i van het H. Lichaam en Bloed van Jesus Christus is. Mocht ik dit hoogheilig offer 'j ! met die aandacht en godsvrucht bijwonen, | als aan zulk een verheven en waarachtig Goddelijk geheim past. Goede God, ver- ! leen mij daartoe uwe machtige genade.

1

-ocr page 266-

201

H. Maria, verwerf mij in deze heilige oogenblikken een vonk van die vurige liefde, waarvan uw hart brandde, toen uw goddelijk Kind aan het kruis ging sterven. Amen.

BIJ HET BEGIN DER MIS.

Volgens de voorzeggingen der profeten zou de Goddelijke Verlosser in Bethlehem geboren worden. Toen nu de tijd van zijne genadevolle geboorte was aangebroken, moesten Maria en Jozef, om aan het bevel van den heidenschen keizer te gehoorzamen, zich van Nazareth naar Bethlehem begeven. Maar ach ! zij werden overal afgewezen, zij vonden nergens plaats en moesten daarom in een armen stal hun intrek nemen, en juist daar in die ellendige grot werd de Zoon Gods geboren.

O hoe waar is het, wat de H. Evangelist zegt; „Hij kwam in zijn eigen en de zijnen namen Hem niet aan.quot; Zooals het bij de geboorte van Jesus ging, ach

-ocr page 267-

202

hoe dikwijls geschiedt dat niet in onze dagen! Ik zelf, o hoe dikwijls heb ik mijnen God en Verlosser afgewezen, zijne liefdevolle inspraken verworpen en Hem door mijne nalatigheden en zonden op eene ondankbare en trouwelooze wijze beleedigd. Even als de priester aan den voet des Altaars, moet ik ook op mijn schuldig hart kloppen en met den Publi-kaan uitroepen; „Heer wees mij, armen zondaar, genadig!quot; Heer, ontferm u | mijner volgens de grootte uwer barm- i hartigheid.quot;

H. Maria, verwerf mij van uw goddelijk Kind de vergiffenis van al mijne | overtredingen, en tegelijk de genade, dat ik Hem als den eeuwigen Zoon des He- ■ melschen Vaders en als den uit u geboren Godmensch erkenne, beminne en veréere. Verkrijg mij, dat ik Hem waarlijk in mijn hart opneme en zoo door Hem tot het kindschap Gods gerake. Amen.

GLORIA.

„Eerc zij God in den hooge, en vrede

-ocr page 268-

263

op aarde den menschen van goeden wil.quot; Dit zongen de Engelen bij Jesus' geboorte. Ook ik vereenig mij met dezen hemel-schen lofzang, en roep in heilige vreugde uit: God zij geloofd, God zij gedankt en verheerlijkt, omdat Hij zijn volk bezocht heeft.

Voor ons allen, ja ook voor mij is daar in Bethlehem Jesus Christus, de Heiland der wereld, geboren. — Met Maria en Jozef, met de heilige Engelen en de vrome herders kniel ik in den geest voor uwe kribbe, o Jesus, neder. Ik aanbid U ootmoedig als den eeuwigen Zoon des Vaders en den Zoon der allerheiligste Maagd Maria, — O Mensch- i geworden God! O Lam Gods, ontferm U mijner en verleen ook mij dien zaligen vrede, dien Gij op deze wereld gebracht hebt. Amen.

DE GEBEDEN.

Verleen ons, uwen dienaren, zoo smeeken wij U, Heer onzen God, cene voort-

-ocr page 269-

264

durende gezondheid naar ziel en lichaam ; en dat wij, door de glorierijke tusschen-komst van de altijd Maagd geblevene Moeder Gods, van de tegenwoordige droefheid verlost, de eeuwige blijdschap mogen genieten, door onzen Heer Jesus Christus, uwen Zoon, die met U leeft en heerscht in de eeuwen der eeuwen. Amen.

EPISTEL.

O mijn God; Gij hebt mij boven zoo vele anderen, die nog in de onwetend- j heid uwer heilige geheimen leven, tot de kennis van uwe heilige wet geroepen. Ik neem deze goddelijke wet van gan-scher harte aan, en hoor met eerbied die heilige waarheden, welke Gij door den mond uwer profeten en apostelen hebt verkondigd, en die Gij ons door de priesters uwer Kerk nog altijd voorhoudt. Verleen mij ook de genade dat ik al mijn doen en laten volgens deze heilige leeringen inrichte. Mocht ik hierin uwe heiligen en in liet bizonder Uwe

-ocr page 270-

26s

Heilige Moeder navolgen; trouw en ijverig volgens haar voorbeeld U dienen en daardoor waardig worden eens de eeuwige belooning te ontvangen. Amen.

EVANGELIE.

Nu wordt het Evangelie gelezen, die heilige woorden, welke Gij zelf o goede Heiland hebt uitgesproken om ons den weg naar den Hemel te toonen. U zij i dank voor uwe goddelijke leer! — Zoo j zaligmakend onderwees niemand; niemand bekrachtigde zijne leer met zulke heilige, wonderbare daden en met zulk een dood! Waarlijk Gij en (Jij alleen hebt de woorden des eeuwigen levens! laat toch niet toe, dat ik mij ooit voor uwe heilige leer schame; geef mij veeleer dat ik haar zoowel door woorden als door werken voor iedereen belijde. Liefdevolle Herder, Gij zijt op deze wereld gekomen, om ons allen te redden en zalig te maken, ontferm u. o Heer, over alle dwalcnden en ongeloovigen, opdat

-ocr page 271-

266

zij zich bekeeren, en door U en uwe heilige leer hun heil vinden, Amen.

CREDO.

Ja, mijn God, ik geloof alle waarheden, die Gij aan onze Moeder, de H. Katholieke en Roomsche Kerk, geopenbaard hebt. Ik onderwerp mij aan alles, wat die heilige Kerk leert en beveelt. In deze oprechte onderwerping bid en herhaal ik met den priester aan het Altaar, die Geloofsbelijdenis, welke ik eens in het heilig Doopsel heb afgelegd, en in welke ik met de genade Gods wil leven en sterven. Daarom zeg ik met hart en I mond: „Ik geloof in God den Vader 1 almachtig enz.

i

OFFERANDE.

De Priester offert nu aan den hemelschen Vader brood en wijn. Dit zijn die zuivere giften, welke spoedig in het waarachtig Lichaam en. Bloed van Jesus Christus zullen veranderd worden. Ik bid daarom

-ocr page 272-

267

met een oprecht hart: „Hemelsche Vader, zie met welgevallen op dit offer neder. Dat het strekke tot uwe eer, tot verheerlijking uwer Heiligen, en tot heil van al degenen, die het bijwonen. — Ik offer U op mijne ziel en mijn lichaam, maar bizonder mijn arm hart; ik leg hetzelve op uw Altaar, en bid U vurig, dat Gij het meer en meer van zijne zonden reinigt, het ware gevoelens van boetvaardigheid instort, en geheel met uwe goddelijke liefde vervult. Verleen mij zulk eene offervaardigheid, dat ik even als uwe H. Moeder, U standvastig en met ijver dienen moge. Amen.

PREFATIE.

Groote God, U vereeren al de zaligen des Hemels! Alle Cherubijnen en Sera-phijnen, alle uitverkorenen en Heiligen zijn van eene zalige vrees vervuld, en in de diepste aanbidding loven en prijzen zij uwe oneindige Majesteit. Waarlijk, het is rechtvaardig en billijk, plichtmatig

-ocr page 273-

268

en heilzaam, dat ook wij u danken — door Jesus Christus onzen Heer! Ook ik vereenig mijne zwakke stem met de lof-en dankzeggingen van geheel het Hemelsche Hof. In het bizonder dank ik U voor al de genaden en voorrechten aan uwe H. Moeder verleend. Met de grootste aandacht roep ik dan ook uit: „Heilig, heilig, heilig zijt Gij, O God der Heerscharen, Hemel en aarde zijn vol van uwe heerlijkheid! Eere zij God in den hooge, Gezegend Hij, die daar komt in den naam des Heeren!

CANON.

O Allerbarmhartigste Vader, voor U neergeknield, smeek ik U vurig door Jesus Christus uwen Zoon, onzen Heer, neem toch dit vlekkeloos offer genadig aan, voor onzen H. Vader den Paus N. voor onze geestelijke en wereldlijke oversten, en voor alle geloovigen. Gedenk ook nog uwe dienaars en dienaressen, die ik U in deze H. Mis heb aanbevolen

-ocr page 274-

269

en nog wensch aan te bevelen voornamelijk N....

Wees ons allen barmhartig en genadig door de voorspraak en verdiensten van de Allerheiligste Maagd Maria, van den H. Jozef en van al uwe Heiligen met wie wij door eene innige gemeenschap verbonden zijn.

Verleen ons uit liefde tot hen voortdurend uwe genaden; geef ons uwen heiligen vrede, bewaar ons voor de eeuwige verwerping en neem ons op onder het getal uwer uitverkorenen, door Christus onzen Heer. Amen.

OPHEFFING DER H. HOSTIE.

O Jesus, ik geloof dat Gij hier onder de gedaante van brood als God en mensch waarachtig tegenwoordig zijt. Ik aanbid U als mijn Heer en God; Jesus wees mij genadig. Jesus, wees mij barmhartig. Jesus ontferm U over mij.

OPHEFFING VAN DEN KELK.

O Allerheiligst Bloed van mijnen

-ocr page 275-

270

Verlosser! Gij zijt hier onder de gedaante van wijn waarlijk en wezenlijk tegenwoordig. O, zuiver mij van alle zonden! Jesus, mijn Heiland, laat uw kostbaar Bloed voor mij niet vruchteloos vergoten zijn.

NA DE CONSECRATIE.

Eeuwige Vader, nu is Jesus, uw eenig-geboren Zoon, op het Altaar. Zie genadig neder op het aanschijn van uwen Gezalfde! Aanhoor de stem van zijn H. Bloed, dat slechts om barmhartigheid en vergeving smeekt.

En Gij, o goddelijke Zaligmaker, wees aangebeden, geloofd en geprezen voor uwe oneindige liefde tot ons. Ik dank U voor uw heilig leven, voor uw lijden, voor uwen kruisdood, voor uwe glorierijke verrijzenis en hemelvaart, en voor alles wat Gij voor ons welzijn op aarde gedaan hebt. Door uwe heilige wonden genees de wonden mijner ziel; door uwen smar-telijken dood deel mij het leven der genade mede.

-ocr page 276-

27i

Gedenk, o God. de arme zielen des vagevuurs, bizonder die zielen, voor welke ik verplicht ben te bidden, ook'die welke het naast bij hare verlossing zijn, en die het meest en het langst moeten lijden. Verleen aan alle verlichting in hare smart en neem haar spoedig op in het gezelschap van Maria, Jozef en al uwe lieve Heiligen. Amen.

PATER NOSTER.

Vermaand en onderwezen door uw goddelijken Zoon zelf, wagen wij het onze oogen ten Hemel te verheffen en U met zijne woorden te smeeken; Onze Vader, die in de hemelen zijt, enz. Ja Heer, verlos ons van alle kwaad naar ziel en lichaam, geef ons tijdelijken zegen in zoover het ons zalig is, bewaar ons in vrede en geef ons sterkte in de bekoringen, opdat wij van het eenigst kwaad, de zonde, bevrijd blijven door Christus onzen .Heer. Amen.

COMMUNIE VAN DEN PRIESTER.

! Goddelijke Heiland, Gij hebt U als

-ocr page 277-

een zachtmoedig lam op het kruis geslachtofferd, om onze schulden weg te nemen, en in uw H. Bloed te zuiveren.

Op het Altaar zijt Gij niet alleen ons offer, maar ook de geheimnisvolle spijs onzer zielen. Kan ik U nu niet wezenlijk ontvangen gelijk de priester, ik ontvang U echter in den geest en verlang vurig naar U en uwe genaden. Gij hebt zoovelen van hunne krankheden genezen, als men slechts den zoom van uw kleed aanraakte, o laat mij U in den geest en met geloovig vertrouwen aanraken, en bevrijd mijne arme ziel van hare kwalen.

H. Maria, gij hebt zoo dikwijls het geluk gehad het Goddelijk Kind Jesus op uwen schoot te dragen; en hoeveel genaden hebt gij toen van Jesus ontvangen ! Bid voor mij, opdat deze geestelijke Communie, deze innige vereeniging met Hem, mij voordeelig zij, en ik dooide kracht van het Allerheiligste Sacrament gesterkt worde, om steeds hef goede te doen. Amen.

-ocr page 278-

273

BIJ DEN ZEGEN DES PRIESTERS.

Goedertieren Vader, ik dank U, dat ; Gij mij deelachtig hebt gemaakt aan het offer van uwen Zoon; Ik bid U nogmaals dat hetzelve moge- strekken tot uwe meerdere glorie, en tot zaligheid onzer zielen. Wat ik in mijne godsvrucht ben te kort gebleven, vul dat aan door de oneindige verdiensten van Jesus, en door de vurige gebeden uwer Heiligen. Zegen mij door de hand van den priester, en bescherm mij op al mijne wegen, geleid en heilig mijne gedachten, woorden en werken, mi en al de dagen mijns levens, opdat ik steeds in liefde met U vereenigd blijve.

Dat de almachtige God, de Vader, de Zoon en de H. Geest mij zegene. Amen.

AANBEVELING.

Help ons, o Jesus, door de voorspraak van uwe lieve Moeder Maria en van den H. Jozef, uwen Voedstervader, opdat wij in het hemelsch vaderland worden toegelaten, om U daar eeuwig te aanschouwen en te bezitten. Amen.

-ocr page 279-

amp; £ ® ^ Sr £ ©'

VAN HET

EL HART YAK JSISÜS.

Heer, ontferm U onzer.

Christus, ontferm U onzer.

Heer, ontferm U onzer.

Christus, hoor ons.

Christus, verhoor ons.

God, hemelsche Vader, ontferm U onzer.

God Zoon, Verlosser der wereld, ontferm U onzer.

God H. Geest, ontferm U onzer.

H. Drievuldigheid, één God, ontferm U onzer.

Hart van Jesus, met het Woord Gods zelfstandig vereenigd, ontferm U onzer i Jesus.

Hart van Jesus, Heiligdom der Godheid, ontferm U onzer Jesus.

-ocr page 280-

2?5

Tempel der H. Drieéénheid, Afgrond van wijsheid,

Oceaan van goedheid,

Troon der barmhartigheid,

Nooit uitgeputte schat,

Wiens overvloed ons allen verrijkt. Onze vrede en onze verzoening. Toonbeeld van alle deugden, g „ Oneindig beminnend en oneindig -J, I | beminnenswaardig, g

ü. Springader des eeuwigen levens, c Waarin de Vader behagen schept, ^ gt; Verzoeningsaltaar voor onze zon- § t: den, S

^ Voor ons met bitterheid gelaafd, /2. In Gethsemane tot stervens toe £ benauwd, y,

Met verguizingen verzadigd. Van liefde gewond,

Dat al uw bloed aan het kruis vergoot,

Verbrijzeld om onze snoodheden. Nu nog door ondankbaren verscheurd.

-ocr page 281-

276

Toevlucht der zondaren,

Sterkte der zwakken, §

„ Troost der bedrukten, •?.

g Volharding der rechtvaardigen, g ►ü, Heilbron voor die op U ver- ^ a trouwen,

gt; Plechtanker voor die in U ster- § tl ven, c

Troostvolle bescherming voor uwe

vereerders, 2

Geneugte van alle Heiligen, S

Onze hulp in overstelpenden nood. Lam Gods, dat wegneemt de zonden dei-

wereld, spaar ons Jesus.

Lam Gods, dat wegneemt de zonden der

wereld, verhoor ons Jesus.

Lam Gods, dat wegneemt de zonden dei-

wereld, ontferm U onzer Jesus. Christus, hoor ons.

Christus, verhoor ons.

Hart van Jesus brandende van liefde voor ons, ontvlam in ons hart eene brandende liefde voor U.

-ocr page 282-

277

LAAT ONS BIDDEN.

Almachtige God, wij bidden U, verleen ons, dat wij, die in het allerheiligste hart uws geliefden Zoons al onzen roem stellen, en daaraan de voornaamste weldaden van zijne liefde dank weten, ook in de werking en vruchten daarvan ons mogen verblijden. Door denzelfden Christus onzen Heer. Amen.

-ocr page 283-

y^KTE VAN jOEWIJDING

AAN HET

ailerheiligste Hart van Jesus.

O aanbiddelijk Hart van mijn Jesus! het teederste, het beminnelijkste en het edelmoedigste van alle harten, doordrongen van dankbaarheid bij de overdenking Uwer weldaden, kom ik mij geheel en voor altijd aan U toewijden. Ik wil al mijne krachten inspannen om uwe vereering uit te breiden en om zoo zulks mogelijk is, alk harten voor U te winnen. O Jesus, ontvang heden mijn hart, of liever neem Gij het zelf, verander het, zuiver het, om het Uwer meer en meer waardig te doen worden, en maak mijn hart gelijk aan het Uwe, ootmoedig, zachtzinnig, geduldig, vol van heilige en edelmoedige liefde. Verberg mijn

-ocr page 284-

279

hart met al de harten die U beminnen in het Uwe, en laat nimmer toe dat ik het terugneme. Ja, ik wil veeleer sterven dan ooit uw aanbiddelijk Hart bedroeven. Hart van Jesus! het verlangen mijns harten is; U altijd te beminnen, U altijd te eeren, U altijd te dienen, U altijd toe te bchooren en in het leven, en in den dood, en in alle eeuwigheid. Amen.

-ocr page 285-

t. li T A N] l i

VAN DE

JllfprftpiPigste Jtangil iflarin

1

Heer, ontferm U onzer.

; Christus, ontferm U onzer.

Heer, ontferm U onzer.

Christus, hoor ons.

j Christus, verhoor ons.

i God hemelsche Vader, ontferm U onzer. ; God, Zoon, Verlosser der wereld ont-; ferm U onzer.

God, H. Geest, ontferm U onzer. ; H. Drievuldigheid, één God, ontferm U onzer.

; H. Maria, bid voor ons. g-

| H. Moeder Gods, . ^

H. Maagd der Maagden, 5

Moeder van Christus, 3

i Moeder der goddelijke genade, o

Allerzuiverste Moeder, S

-ocr page 286-

28i

Allerreinste Moeder, bid voor ons. Onbevlekte Moeder, Ongeschondeno Moeder,

Minnelijke Moeder,

Moeder des Scheppers,

Moeder des Zaligmakers, Allervoorzichtigste Maagd, Eerwaardige Maagd,

Lofwaardige Maagd,

Machtige Maagd,

Goedertierene Maagd,

Getrouwe Maagd,

Spiegel der rechtvaardigheid.

Zetel der wijsheid,

Oorzaak onzer blijdschap, Geestelijk vat.

Eerwaardig vat.

Uitstekend vat van godsvrucht,

Geheimzinnige roos,

Toren van David,

Ivoren toren.

Gulden huis.

Ark des verbonds,

Deur des hemels.

-ocr page 287-

282

Morgenster, bid voor ons.

Behoudenis der kranken,

Toevlucht der zondaren,

Troosteres der bedrukten,

Hulp der Christenen,

Koningin der Engelen, ir

Koningin der Patriarchen, —

Koningin der Profeten, g

1 Koningin der Apostelen, 2

Koningin der Martelaren, o

Koningin der Belijders, 5

Koningin der Maagden,

Koningin van alle Heiligen,

Koningin zonder erfsmet ontvangen. Koningin van den allerheiligsten Rozenkrans,

Lam Gods, dat wegneemt de zonden

der wereld, spaar ons Heer. Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, verhoor ons Heer. Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, ontferm U onzer.

v. Bid voor ons H. Moeder Gods.

-ocr page 288-

283

R. Opdat wij der beloften van Christus waardig worden.

LAAT ONS BIDDEN.

Wij bidden U, o Heer, stort uwe genade in onze harten, opdat wij die door de boodschap des Engels, de mensch-wording van Christus uwen Zoon gekend hebben, door zijn kruis en lijden tot de glorie der verrijzenis mogen gebracht worden. Door denzelfden Christus onzen Heer. Amen.

-ocr page 289-

INHOUD.

Bladz.

Voorrede. Aan de Vereerders van Maria . 5 Eerste Mei. Maria in het Oude Verbond . 7 Tweede Mei. Eva en Maria, de moeders

der menschen.......... 14

Derde Mei. Eva en Maria, twee moeders

van smarten...........21

Vierde Mei. Sara, de moeder van Isaak;

Maria, de moeder van Jesus.....29

Vijfde Mei. Rebekka en Maria, twee heilige Bruiden...........39

Zesde Mei. Rebekka, de moeder van Jacob;

Maria, de moeder van Jesus.....48

Zevende Mei. Lia en Maria...... 56

Achtste Mei. Rachel, de Moeder van Jozef:

Maria, de moeder van Jesus.....63

Negende Mei. Rachel en Maria; beider dood en begrafenis..........74

-ocr page 290-

285

Bladz.

Tiende Mei. Jochabcd, de moeder van Mo-zes; Maria, de moeder van Jesua ... 82

Elfde Mei. Rahab en Maria......92

Twaalfde Mei. Jahel en Maria.....102

Dertiende Mei. Do dochter van Jephte en

Maria.............109

Veertiende Mei. Noëmi en Maria .... 117 Vijftiende Mei. Orpha en Maria .... 124

Zestiende Mei. Ruth en Maria......182

Zeventiende Mei. Ruth en Maria . . . . 1B9 Achttiende Mei. Anna, de moeder van

Samuel en Maria, de moeder van Jesus. 148 Negentiende Mei. Anna en Maria, twee

Priesteressen...........156

Twintigste Mei. Abigaïl en Maria . . . 163 Een en twingtigste Mei. De vrouw van

Thecua en Maria.........171

Twee en twintigste Mei. Bethsabee, de moeder van Salomon, en Maria, de moeder van Jesus..........ISO

Drie en twintigste Mei. De koningin van

Saba, en Maria, de koningin des hemels 188 Vier en twintigste Mei. De weduwe van Sarepta en Maria.........196

-ocr page 291-

386

Bladz.

Vgf en twintigste Mei. De vrouw van Su*

nam en Mariu..........203

Zes en twintigste Mei. Anna, de moeder

van Tobias, en Maria, de moeder van Jesus 210 Zeven en twintigste Mei. Judith en Maria 218 Acht en twintigste Mei. Esther en Maria,

de onbevlekt ontvangene......225

Negen en twintigste Mei. Esther en Maria,

twee voorspreeksters........231

Dertigste Mei. Susanna en Maria, h^ee

lelies.............243

Een en Dertigste Mei. De Moeder der Ma-

chabeën en Maria.........251

De Heilige Mis...........260

Litanie van H. Hart van Jesus.....274

Akte van toewijding aan het allerheiligste

Hart van Jesus..........278

Litanie van de allerheiligste Maagd Maria. 280

—*♦***«--

-ocr page 292-

IMPRIMATUR.

Amsïelodami,

die 17 Aprilis 1891.

F. T. M, VAN OGTROP,

Libr. Cêna.

-ocr page 293-
-ocr page 294-
-ocr page 295-
-ocr page 296-