-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-

lpquot;quot;

dtt

-

ACHTDAAGSCHE

ESTELIJKE AFZONDERING

OF

OVERWEGINGEN

1 * . - • • _ _

WM*' ; DBR '

Yöornaamste Waarheden van onzen H. Godsdienst

VOLGENS

JOS. PERGMAYER, S.J.

Uit het Hoogduitscli vertaald

DOOR

Sen rector der lt;Serw. Masters cBirgiilmessen ie Helen.

#

LEIDEN.

- J. W. VAN LEEUWEN.

Uitgever en Antiq. Boekh. Hoogewoerd 89.

1899.

Vak 54

-ocr page 4-
-ocr page 5-

VAX ^ ns. Ijl!}

ACHTDAAGSCHE GEESTELIJKE AFZONDERING

OF

OVERWEGINGEN

DEE

Yooriiaamste Waarheden van onzen H. Godsdienst

VOLCiEXP

JOS. PERGMAYER, S. J.

Uit het Hoogduitsch vertaald

DOOR

Sen rector der (Senr. Susiers SirgiUinessen le Uden.^

'I -V'i-

LETDBN.

.1. W. VAN LEEUWEN, Uitgever on Antiq. Bnekli. Hoogewoevd 89

1899.

-ocr page 6-

IMPRIMATUR.

Loosduinun, die 22 Mnji 1899.

P. A. DR r.RULTN,

Lihr. Censor.


-ocr page 7-

INHOUD.

Bliulz.

vooiiisereioesde Meditatie. Over .het gebruik der meditatiën . 1

Uk gkosdslag vas alle Meditatiën. Eerste dag............y

IjEUstk Meditatie. quot;Van liet hiatste dool en einde des menschen. 4

I. Het is billijk, dat gij volgens dat doel leeft..............4

Oefeningen. Belijdenis en berouw....................5

II. Het is u voordeelig, wanneer gij volgens dat duel leeft . . (gt; Oefeningen. Hoop, verachting van al het tijdelijke met

betrekking tot het eeuwige..........................8

III. Het is noodzakelijk, dat gjj volgens dat doe! leeft ... 8 Üetoniugen Vrees, besluit, gebed om genade..........10

Tweede Meditatie. Van liet doel en einde eener religieuze . . 12

I. Dit vordert de verhevenheid van haren staat............12

O e t e n i n g e n. Hoogachting der roeping, verootmoediging en

schaamte......................................j

II. Dit vordert de buitengewone liefde Gods tot de religieuzen. 15

0 e t e n i n g e n. Dankbaarheid en schaamte................1(5

III. Dit vordert de uiterste noodzakelijkheid..............17

Oeteningen Heilzame vrees, omzichtigheid, voornemen. . 11)

ükivde Meditatie. Over de algeheele onverschilligheid jegens de schepselen....................

I. Dat ik onverschillig ben, vordert Clods heerschappij. ... 21 Oefeningen. Erkenning van (jods onbepaalde heerschappij.

Berouw over het verleden gedrag enz..................23

II. Dat ik onverschillig ben, vordert Gods voorzienigheid . . 23

Oefeningen. Vertrouwen, berouw en schaamte..........25

UI. Dat ik onverscliillig ben, vordert Gods rechtvaardigheid . 2(gt;

Oefeningen. Vernedering, besluit, gebed om genade. . . 27

Over hetgeen ons van het doel veuwijdeiit, namelijk cv ei;

de zonde. Tweede dag. Overwegingen op den weg der zuivering. 2!t Eerste Meditatie. Over de zonde der engelen en van den eersten

mensch......................................;j0

1 Welk een kwaad de zoude is, bewijst de straf der hemelsche Geesten........................................30

-ocr page 8-

II

Bladz.

Oefeningen. Bewondering. Berouw......... 32

II. Welk ecu kwaad de zonde is, leert de straf der eerste mensohen................... 3ci

Oefeningen. Vrees, hoop op de barmhartigheid; boetvaardigheid ....................

III. Wat volgt uit de voorgaande waarheden?...... iW

Oefeningen. Berouw, dankzegging, gebed....... 37

Tweede Meditatie. Over do dadelijke persoonlijke zonden ... öü

I. Welk een groot kwaad de zonde is, kan men opmaken uit hare gevolgen..................

Oefeningen. Schaamte, gebed om genade....... -11

II. Welk een groot kwaad de zoude is, kan men opmaken uit

de verachtelijke omstandigheden des zondaars...... 1-

Oofeningon. Verootmoediging, oprechte belijdenis zijner

ondankbaarheid, berouw.............. U

III. Welk oneindig kwaad de zonde is, laat zich opmaken uit Gods Majesteit................. ■ló

Oefeningen. Beschuldiging van zichzelven, berouw en

voornemen................... '

Derde Meditatie. Over de eerste pijn der hel; over de pijn der schade. 4!)

I. Do verdoemde verliest Cfod als bet hoogste goed eu do grootste gelukzaligheid................

Oefeningen. Belijdenis, voornemen, gebed tot Maria, Gods

Moeder.................... ^

II. De verdoemde in de hel vindt Ooil als het grootste kwaad. 52 Oefeningen. Vrees, berouw, voornemen....... ö-t

Vierde Meditatie. Derde dag. Eerste Meditatie van dezen dag.

Over de tweede pijn der hel, te weten, de pijn van gevoel . . 5(5

I. De pijn van gevoel is verschrikkelijk in haar zelve. ... 56 Oefeningen. Vrees, ootmoedig gebed om genade .... 59

II. De pijn van gevoel is vreeselijk in hare duurzaamheid . . 60 Oefeningen. Dankzegging, berouw......... ''ü

Vijfde Meditatie. Einde der eerste week op den weg der zuivering. Tweede Meditatie van dezen dag. Welke vruchten men

uit de vorige meditatiën moet trekken......... 65

S 1. Eerste vrucht. Het berouw over do bedreveuc zonden . . 65 ij 2. Tweede vrucht. Doe boetvaardigheid over uwe zouden . . 60 g o. Derde vrucht. Vermijd do dagclijksehe zonden, welke de

deur openen voor de doodzonden........... 6S

Oefeningen..................

Eeüste Meditatie. Begin der tweede week op den weg der verlichting. Derde meditatie van dezen dag. Over het rijk van Jezus Christus..................... ^

-ocr page 9-

ijl

HliiJz.

I. Het is billijk, dat gij Christus als uwen minvoordei' navolgt. 71 Oefeningen. Dankzegging, vuorneuien........ 72

II. Het is gemakkelijk, die» aanvoerder na te volgen .... 73 O e i' e n i n g e n. Hoop, vertrouwen........... 75

III. Het is noodzakelijk, dien aanvoerder na te volgen ... 7(i Oefeningen. Berouw, zieh aanbieden en opofferen. ... 77

Tweede Meditatie oi- den weg igt;er veulkjhtino. Vierde dag.

Eerste meditatie van dezen dag. Over do menschwording eu de geboorte van Christus en over de wonderbare ootmoedigheid, die Hij daarbij heeft beoefend............. 78

I. Christus heeft zich in zijne menschwording en geboorte geheel vernietigd.................. . 78

Oefeningen. Verachting van zichzelven, berouw over zijnen

hoogmoed................... 80

II. Christus neemt die vernedering van anderen gewillig en gaarne aan................... 81

Oefeningen. Verachting van zichzelven; begeerte naar de ootmoedigheid. ............... 8ü

III. Overwegingen over de ootmoedigheid van Jezus .... 81 Oefeningen Belijdenis en berouw, voornemen en bede . . 85

Derde Meditatie. Tweede inojlitatie van dezen dag. Over liet verborgen leven van Jezus Christus en zijne wonderbare gehoorzaamheid .................... 37

I. Alle moeilijkheden der gehoorzaamheid heeft Jezus voor mij

tot navolging en verplichting verdragen . . . . .... 87 O e f o n i n g e n. Verootmoediging, berouw........ 81»

II. Geluk der blinde eu volmaakte gehoorzaamheid..... 01

Oefeningen. Geloof, hoop, vertrouwen, liefde en opolfering. 'j;!

Vieude Meditatie. Derde meditatie van dezen dag. Over het openbaar leven van Jezus Christus en de wonderbare liefde en zachtmoedigheid jegens de inenschen..........

I. Alle moeilijkheden heeft Jezus voor ons metliefde eu zachtmoedigheid geleden................ 95

Oefeningen. Schaamte over zichzelven, voornemen ... !)7

II. Eigenschappen der liefde, waarmede Jezusdemensohen beminde. ÜS Oefeningen. Berouw, werkdadige liefde, voornemen. . . 100

Vijfde Meditatie. Vijfde dag. Eerste meditatie vau dezen dag.

Einde der tweede week. Hoe moet ik deze deugden van Jezus

navolgen.................... 1^2

Gevolgtrekking en voornemen............. 102

TussCHENMEDITATIE. Die de werkzaamheid met het lijden uader verbindt. Tweede meditatie van dezen dag Over de twee standaarden. Begin der derde week.............. 106

-ocr page 10-

IV

Bladz.

I. Welk inzicht heeft Jezus en wolk heeft Tiuuifer of Satan ? . 106 Oefeningen....................................108

II. Tot welk einde geleidt deze of gene?........108

Oefeningen....................................Ill

III. AVien men volgt, kan men opmaken uit het doel en einde

der orde, waartoe men geroepen is..........111

Oefeningen. Geloof, verlangen naar vereeniging inet God . 113 Tweede ïusschesmediïatie. Derde meditatie van dezen dag.

Over de drie soorten van mensohen..........115

I. Eerste soort. Een wil alleen inden mond, maar niet in het hart 115 O e f e n i n g e n. Vrees, berouw............116

II. Tweede soort. Een wil, maar geen volmaakte, geen alge-meeue, geen grootmoedige..........................11'

Oefeningen Belijdenis, voornemen.........Hf

III. Derde soort. Een wil, die welgemeend, volmaakt is . . 1-0 Oefening e n. Vrees, voornemen...........1-1

Derde tUssChknmeditatie. Zesde dag. Eerste meditatie van dezen dag. Over den derden trap der ootmoedigheid of over de liefde tot de verachting.................l-:'

I. Het is billijk, dat wij de verachting beminnen.....l'-W

Oefeningen. Belijdenis, verootmoediging.......1-5

II. Het is voordeelig, dat wij de verachting beminnen. . . . 126 Oefeningen..................128

III. Het is iets groots, dat wij de verachting beminnen . . . l'-t) Oefeningen. Opoffering, gebed om den geest van ootmoedigheid ........................................1^1

Eerste Meditatie. Tweede meditatie van dezen dag. Over het

inwendig lijden van Christus..........................1

I. Christus heeft alle inwendige moeilijkheden voor ons geleden.

Zie dus op zjjn voorbeeld.............132

Oefeningen. Schaamte, voornemen..................135

II. Do staat van verlatenheid is ons voordeeliger dan de staat

van vertroosting.....'............'36

Oefeningen. Opoffering, gebed om sterkte.......138

Tweede Meditatie. Zevende dag. Eerste meditatie van dezen dag.

Over het uitwendig lijden van Jezus Christus.......131)

I. Wij zullen in ons lichaam nooit zooveel lijden, als Jezus geleden heeft . .............. . . )3J

Oefeningen. Dankzegging, voornemen........l-tl

II. Hoe groot was diens ondanks, het geduld des Verlossers! . 142 Oefeningen. Schaamte, belijdenis, voornemen.....144

Derde Meditatie. Tweede Meditatie van dezen dag. Over den

smaad en de bespottingen, die Jezus heeft geleden..........146

-ocr page 11-

V

. . Bladz.

I. Noinr hoeft lomand zoo ^rooten siiuukI cii beleedi^iii^cn geleden, als Jezus geleden heeft..... ......

0 e t (i ii i n g e n. Bewonder de ootnioediglieid v.-m .Jezus; schaamte

over zichzelven............................I^lt;,

If. Niemand heett dergelijke heleedigingeu zoo viM'dnigen, als

Jezus zc verdragen heeft.............. ]-(,

Oefeningen. Waardeering;, li.'filo tot de veranliting, homuw

en voornemen........

A ierde Meditatie. Derde meditatie van dezen da.g. Ovei* de wonderbare liefde, die .lozus aan liet kniis voor Zjjne vijanden getoond heeft............................|

1 Die liefde is oen wonder ten aanzien Zijner vijanden, die Hij bemint. . . ......................j

Oefeningen. .. ... 157

II. Die liefde is een wondei- ten aanzien der omstandigheden,

onder welke Hij bemint.......... _ ^ r,^

Oefeningen. . ..............

Aclitste dag................... 1(i7

Eerste Meditatte. Over do verrijzenis van .lezns Christus. . IfiS

I. Groot en wensohelijk was het gelnk zijner verrijzenis ... l(iS Oefeningen. Vreugde over de glorie van .Tezns Christus,

verlangen naar hetzelfde geluk........... jYO

II. Heilige gevoelens, die men uit deze overweging moet trekken. 1quot;! Oefeningen. Geloof, berouw. ...... 17^

Tweede Meditatie Over de liefde Gods......... 174

1 Over de lietde en goedheid (rods jegens ons in vroegere en

tegenwoordige omstandigheden............

Oefeningen. Belijdenis en verwondering. Uerouw over hot

misbruik der liefde......................]77

II. Over de liefde en goedheid Gods, die Hij ons in de toekomst wil bewijzen................ 1-0

Oe lening en. Liefde, verhingen om God volmaakter te beminnen ..............

Derde Meditatie. Over de liefde of beminnenswaardigheid van

God in Zichzelven............................^ ^

L God verdient bemind te worden, omdat Hij het hoogste goed is. 1S3

Oefeningen. Sohaamte, voornemen en berouw..........iSG

II. God verdient bemint te worden, omdat Hjj het eenigst goed is. 187

Oefeningen. Schaamte, liefde on opoffering, gebod . . , 189 Heilzaam onderzoek. Van twee gewichtige vraagstukken in de

achtdaagsche afzondering......................jtjj

Jï 1. Voorbericht. Welke twee zaken noodig zijn, om tot eene

volmaakte deugd te geraken........................^9)

-ocr page 12-

IMadz.

Sj 2—4. MttUier, um lt;lo oiivolmiuvktheden zijiier ziel tu uudorzooken. 1 !I2 S 5. Wiuvivoor rncu zich iquot; dit onderzoek moet wachten. . . 1!»lt;gt; S 6-7. Manier om de begeerte naar de heiligheid volgens zijn

l4)!

staat te onderzoeken ................

g 8. Wat men na do volbrenging van dit onderzoek doen moet.

Hoe is iikt :met muse ziei. gelegen?.......... ^1quot;

Itot eerste onderzoek. Hoe is het mot de zuiverheid des harten

gelegen ................ ' i ' i '

liet tweede onderzoek. Hoe is het met de versterving der kwade

neigingen en hartstochten gelegen?.......... -0,

Het derde onderzoek. Hoe is het met de versterving dor begeerte naar eer of eerzucht gelegen? .........-gt;,

liet vierde onderzoek. Hoe is liet mot de versterving der lauwheid en droefgeestigheid gelegen ...........

Het vijfde onderzoek. Hoe is het met do overige neigingen van

gramschap en oploopendheid gelegen?.........

Het zesde onderzoek. Over de versterving vanden ongeregelden ijver. 2r.n

Het zevende onderzoek. Hoe is het niet do lietde jegens God

r ... 237

gelegen...............

Het achtste onderzoek. Hoe is het met do liefde .jegens don

. . quot;-17

naaste gelegen ............

-ocr page 13-

Voorbereidende Meditatie.

Over het gebruik der meditatien.

Wat de H. Ignatius in zijn gulden boekje «Exercitia spiritualiaquot; of Geestelijke Oefeningen door het woord Principium of Fundamentum verstaat, dit noemen wij in de overige meditatiën Grondslag; wijl alle overige betrachtingen en overwegingen der eeuwige waarheden, die in juiste orde en in een geregelden samenhang volgen, enkel op de eerste hooidoverweging steunen: Creatus est homo ad hunc linem, ut Dominum Deurn suum laudet ac reve-reatur, eique serviens tandem salvus fiat: De mensch is alleen tot dit doel geschapen, dat hij den Heer zijnen God love en eerbiedig vereere, en door Hem aldus te dienen eens zalig worde. — Dat is uwe taak, o mensch! Zijt gij zondaar, dan moet gij den eersten weg bewandelen, dien de geestelijke schrijvers den weg der zuivering noemen. Gij moet bijgevolg dikwijls en ernstig overwegen en met uwe drie krachten, het verstand, den wil en het geheugen overdenken de drievoudige zonde, welke door anderen is bedreven, namelijk door de Engelen in den Hemel, door de eerste menschen in het Paradijs, en dooide overige menschen op deze aarde. Vervolgens vestigt gij uwe gedachte op uwe eigene dood- en gevaarlijke dagelijksche zonden, die gij vanaf uwe kinderjaren door gedachten , woorden, werken, plicht- of ambtsverzuim hebt bedreven.

i

-ocr page 14-

2

Ziet gij dan, verlicht door den H. Geest, de straffen der zonde; ziet gij duidelijk en handtastelijk hoezeer en hoe ver gij van uw doel, van de eerste grondwaarheid en grondslag van alle overwegingen zijt afgeweken; — gaat gij na deze kennis over tot boetvaardigheid, tot berouw, tot verfoeiing uwer fouten, tot verbetering uws levens, terwijl gij de gelegenheid van zonde vlucht, uwe kwade begeerten en zintuigen in toom houdt, de middelen aangrijpt, waardoor gij u uit uwe dienstbaarheid en slavernij kunt bevrijden; dan noemt men dit den weg der zuivering van zonde.

Daar het echter niet genoeg is, dat een boom geene slechte vruchten voortbrengt, maar er goede vruchten van verwacht worden, die het eeuwige leven waardig zijn, zoo moet gij den tweeden weg opgaan, dien men den weg der verlichting noemt.

Dit geschiedt, wanneer men Christus als den zekersten wegwijzer en geleider kiest en zich voorstelt, Diens gedrag, leven en lijden van zijne ontvangenis en menschwording af tot aan den dood des kruises wel overweegt en inzonderheid deze vier deugden: de gehoorzaamheid, de ootmoedigheid, de zachtmoedigheid, de liefde met oplettendheid gadeslaat. Bij deze overwegingen zult gij u noodzakelijkerwijze moeten schamen en in het binnenste van uw hart berouw hebben, als gij denkt: Ben ik een navolger van Christus? Ben ik een Christen? Hoe hoovaardig, hoe eigenzinnig, hoe ongeduldig, hoe liefdeloos ben ik niet? Dit is niet de weg, die tot het doel, tot den hemel, tot God leidt. Een verstandige reiziger of voerman keert terug, als hij bemerkt, dat hij van den rechten weg is afgeweken. Ik heb eenen geleider, eenen wegwijzer, dien ik voet voor voet wil volgen. En zoo komt men op den derden weg, den weg der vereeniging door de gelijkvormigheid, door

-ocr page 15-

3

de liefde, door de hoop, waartoe men opklimt, terwijl men do glorie en heerlijkheid der verrijzenis en hernel-vaart van Jezus Christus rijpelijker overweegt. Men voege er overwegingen bij over de liefde van God jegens ons, over de goedheid Gods ia zich zeiven wegens Zijne oneindige volmaaktheid en aldus wordt de ziel op het innigste met God vereenigd, zoodat zij met den H. Paulus kan zeggen: Quis me separabit a Charitate Dei? Wie zal mij in 't vervolg van de liefde Gods scheiden?

De grondslag van alle Meditatiën.

Eerste dag.

Het doel, waarheen alle overwegingen van dezen dag-gericht zijn , is gelegen in deze twee punten :

1. Dat gij wel en levendig erkent, dat het eenigst doel en einde, waarvoor gij geschapen zijt, daarin bestaat, dat gij God op deze wereld eert en bemint, en in de andere voor eeuwig bezit.

2. Dat gij ernstig besluit, naar dit doel en einde met alle krachten te streven.

-ocr page 16-

4

Eerste Meditatie.

Van het laatste doel en einde des mensciien.

I.

Niets is billijker, dan volgens het laatste doel en einde te leven en God van ganscher harte te ceren en te beminnen. Mijne ziel! ga een weinig terug, en overdenk uw wezen en uwe afkomst. Voor duizend jaren waart gij nog een niet; in den tijd heeft God uw lichaam geschapen, aan hetzelve eene onsterfelijke ziel geschonken en u aldus tot een mensch gevormd. Zoo zijt gij dan een werk, door eene oneindige Wijsheid, eene oneindige Almacht en eene oneindige Goedheid gewrocht.

Eene oneindige Wijsheid kan niets doen, zonder dat zij zich een doel en einde voorstelt, hetwelk harer grootheid waardig is. Dat staat vast. Het doel en einde nu, waarom u dit oneindig Wezen uit het niet heeft getrokken, is geen ander, dan dat gij Het op deze wereld zoudt kennen, eeren en beminnen, en in de andere eeuwig bezitten. Gelooft gij dat, mijne ziel ?____Alle oogenblikken, die gij in de toekomst nog zult leven, moet gij God eeren en beminnen----

En waarom?

1. Omdat Gods goedheid zulks van u vordert. Veronderstel, mijne ziel! dat gij op de wereld gekomen waart in den staat, waarin gij nu ziit, maar stom en sprakeloos; heden daalt God uit den hemel af, ontbindt uwe tong en geeft u het spraakvermogen; tegelijk echter voegt Hij er dit gebod bij: Uit dankbaarheid zult gij geen woord spreken, dan alleen ter Mijner eer. Kan er wel iets billijker wezen, dan dat uwe tong, waaraan God het spraakvermogen heeft

verleend. Hem love?____Beschouw uzelven eens wel; hebt

gij een lid aan uw lichaam, dat God u niet heeft geschonken?

-ocr page 17-

5

Hebt gij ééne kracht in uwe ziel, die gij niet van God hebt ontvangen? Is het dan niet billijk, dat het hart,'twelk God u heeft gegeven, Hem beminne; en de handen, die God heeft gevormd, voor Hem werken?

2. Omdat God, die Heer over u is, zulks vordert. Er kan geene grootere heerschappij bestaan, dan die, welke God over u heeft. Hij heeft u geschapen en wel uit niets, bijgevolg is Hij over u en over alles, wat het uwe is, Heer en Meester.... Wie een boomgaard aanlegt, is Heer daarover en over alle vruchten, die hij voortbrengt; en wie slechts een enkelen appel tegen zijnen wil wegneemt, begaat diefstal, onrechtvaardigheid.... God geeft u geschapen en is Heer over u en over alles, wat in u is. Derhalve eene enkele verzuchting, die niet Hem ten doel heeft, een enkel woord, dat niet tot Zijnen lof strekt, een enkel werk, dat niet uit liefde tot Hem geschiedt, is diefstal, onrechtvaardigheid. Erkent gij nu, mijne ziel! hoe billijk het is, God te dienen en Hem van ganscher harte te eeren en te beminnen? Hoe hebt gij echter aan die verplichting voldaan? Op tweederlei wijze kan men iemand kwalijk dienen.

Vooreerst, als men den tijd in werkeloosheid doorbrengt, en hetgeen men den Heer verschuldigd is, oppervlakkig of in het geheel niet verricht.

Ten tweede, als men boosaardig is en den Heer allerlei beleedigingen toevoegt. Hoe hebt gij God gediend? Wat zegt uw geweten?

Oefeningen.

1. Belijdenis. O mijn God! ik erken den zondigen toestand mijns levens. Mijn eenigst doel en einde was, U van ganscher harte te eeren en te beminnen, ik had nimmer een oogenblik moeten besteden, nimmer een woord moeten spreken, nimmer een werk moeten verrichten, dan ter Uwer eer.... En wat

-ocr page 18-

6

is er geschied? Zooveel duizende uren van mijn leven, zooveel duizende verzuchtingen van mijn hart, zooveel duizende woorden van mijnen mond, zooveel duizende werken mijner handen, wat hadden zij ten doel? Ach! hoe zeer de schepselen en hoe weinig U, mijn God! .... Dan dit is het ergste nog niet. Hoevele dagen zijn voorbij gegaan, waarop ik U geen nieuwen smaad, nieuwe beleediging heb aangedaan? Wee mij! hoe nalatig, hoe ondankbaar, hoe boos was ik?

2. Berouw. Wat kan ik anders doen, o mijn God, dan Uwe barmhartigheid om vergiffenis smeeken? Ik vervloek derhalve, en vervloek. zooveel ik van ganscher harte vermag, alle oogenblikken, die ik niet ter Uwer eer heb gebruikt. Wie zal maken, dat ik zoovele uren kunne terugroepen?

II.

Niets kan voordeeliger zijn, dan volgens het laatste doel en einde te leven en God van ganscher harte te eeren en te beminnen Het doel en einde, waarvoor God u heeft geschapen, is niet slechts Zijne glorie, dat gij Hem op deze wereld zoudt vereeren en beminnen, maar ook uwe eeuwige zaligheid, dat gij Hem in de andere wereld zoudt genieten. Zoo waar het is, dat gij nu op aarde leeft, zoo waar is het ook, dat gij na eenigen tijd in den hemel zult wezen, als Gij God dient. Blijft hierbij een weinig stilstaan , mijne ziel! en overdenk het goed, dat u wacht.

1. In den hemel vindt de ziel eene onmetelijke gelukzaligheid. De gelukzaligheid, die de ziel in den hemel geniet, te begrijpen, is even zoo onmogelijk, als de ontzaggelijke wereldzee te ledigen.

Er is slechts eene enkele gedachte, die hare grootheid eenigszins verklaart, namelijk: even als God een oneindig Wezen is, zoo moet ook Zijne gelukzaligheid

-ocr page 19-

7

oneindig wezen. Welk eene verbazende waarheid! Gods gelukzaligheid is oneindig cn juist die gelukzaligheid is uw doel en einde. God wil, dat gij dezelfde gelukzaligheid zult genieten, die Hij geniet, en dezelfde vreugde, die Hij heeft.

2. In den hemel vindt het lichaam eene onmetelijke gelukzaligheid. De ziel kan God op aarde niet dienen, zonder dat het lichaam daaraan deel neemt; derhalve moet ook de ziel het hemelsch geluk niet bezitten, zonder dat ook het lichaam eene soortgelijke genade erlangt. Hoe groot is echter de gelukzaligheid des lichaams? Het geloof leert het ons.... Zoo groot, dat geen oog ooit iets dergelijks heeft gezien; zoo groot, dat geen menschelijk oor ooit iets dergelijks heeft gehoord; zoo groot, dat geen menschelijk verstand ooit iets dergelijks heeft begrepen ; in één woord, God gebruikt Zijne geheele Almacht, om aan het lichaam alle genoegen te verschaffen.

3. In den hemel is de gelukzaligheid eeuwig. Ach! hoe ijdel is al het geluk dezer aarde. Voor honderd jaren zijn er koningen en koninginnen geweest, voor wier luister vele millioenen menschen de kniën bogen en wier schoonheid eene geheele wereld aanbad, voor wier macht geheele koninkrijken beefden. Waar zijn zij thans? Zij zijn in de aarde vergaan en het stof hunner beenderen wordt nu met voeten getreden.... Ook thans zijn er koningen en koninginnen op aarde, die men als kleine godheden vereert; wat zal van hen overig wezen, nadat honderd jaren voorbij zijn? Niets dan een handvol stof, dat de wind alom verstrooit .... Het rijk, dat u wacht, is van een geheel anderen aard; alles is daarin eeuwig.... Dat oneindig zalig

genot der allerheiligste Drieöenheid is eeuwig____Die zoete

omhelzingen van Jezus Christus zijn eeuwig.... Die hartelijke liefde, gemeenzaamheid der goddelijke Moeder en

-ocr page 20-

8

van andere uitverkorenen is eeuwig.... Die overmaat van vreugde, welke alle krachten der ziel inneemt is eeuwig.... Die vloed van wellusten, welke alle ledematen des lichaams overstroomt, is eeuwig____Alles is eeuwig zonder vermindering, zonder verandering, zonder stoornis, zonder einde.

Oefeningen.

1. Hoop. O God! o oneindige goedheid! hoe vertroost mij deze waarheid!,... De hemel is mijn vaderland, de hemel is mijne erfenis, de hemel is mijne belooning, mijn

doel en einde!____ Ja, zoo is het; God heelt dien voor

mij gemaakt.... Wanneer ik Hem vereer en bemin, dan zal een dag aanbreken, waarop ik klaarder dan de zon en maan zal blinken; waarop ik dezen schoonen hemel met de oogen zal aanschouwen, waarop ik Jezus, mijn Beminde, naar believen zal omhelzen, waarop ziel en lichaam zich in eene zee van wellusten zullen dompelen; o allergelukkigste dag! mag ik wel op u hopen ?____Ja, ik hoop en

hoop zeker daarop! Jezus heeft mij dien beloofd----

2. Verachting van al het tijdelijke.

Maar hoe? als de hemel mij toebehoort, waarom veracht ik dan niet de wereld en alles, wat in de wereld is ? .... Waarom ben ik bedroefd over de smarten des lichaams, als dat lichaam gedurende eene gansche eeuwigheid niets dan wellusten zal genieten? Waarom veroorzaakt mij de verachting der menschen zooveel droefheid, als God en alle Heiligen mij gedurende eene gansche eeuwigheid zullen eeren en beminnen ?----Ik was verblind, o

God! en achtte nietige goederen dezer wereld al te hoog.,..

III.

Niets is noodzakelijker, dan volgens het laatste doel en einde te leven en God van ganscher harte te eeren en te

-ocr page 21-

9

beminnen.... Zoo is het, mijne ziel! Het doel en einde, dat God zich bij uwe schepping voorstelde, is Zijne eer en glorie, en dit doel moet en zal zoo zeker vervuld worden, als het zeker is, dat God is____Want zie en overweeg.

1. God is de oneindige goedheid en de oneindige rechtvaardigheid. Druk, mijne ziel! de volgende waarheid diep in uw hart. Daar Hij de oneindige rechtvaardigheid is, is het onmogelijk, dat Hij hen niet hate en eeuwig bestraffe, die Hem verachten.

Begrijpt gij dit?----Verder:

2. God heeft als de oneindige goedheid den hemel en als de oneindige rechtvaardigheid de hel geschapen. In den hemel zal Hij de getrouwe zielen eeuwig beminnen en beloonen; zij ook zullen Hem eeuwig loven en zegenen; in de hel zal Hij de ontrouwe zielen eeuwig haten en straffen,

zij ook zullen Hem eeuwig vloeken en lasteren____ In

den hemel wordt Zijne goedheid en barmhartigheid eeuwig gezegend; in de hel Zijne majesteit en rechtvaardigheid eeuwig gevreesd....

Wat volgt daaruit?....

3. Daaruit volgt, dat God onfeilbaar zijn doel zal bereiken---- Wat gij ook doet, gij zult steeds Gods eer

bevorderen----Vereert en bemint gij God op aarde, dan

zult gij eeuwig Zijne barmhartigheid eeren en beminnen in den hemel; eert en bemint gij God niet op aarde, dan zult gij eeuwig Zijne rechtvaardigheid eeren in de hel. Aan een zoo oneindig grooten Heer, als God is, strekt het tot gelijke eer, de getrouwe dienaren eeuwig te beloonen, en de ongetrouwe eeuwig te bestraffen. Verbeeld u nu mijne ziel! van den eenen kant den geopenden hemel en die onmetelijke wellusten, welke de uitverkorenen aldaar genieten; en van den anderen kant de hel geopend en die onmetelijke tormenten, welke de verdoemden daar lijden;

-ocr page 22-

10

en spreek dan tot uzelven aldus: Ik moet God eeren en moet Hem eeuwig eeren; even zoo min als God ophoudt, God te zijn, even zoo min zal Hij dit besluit veranderen. Verbazend geheim!.... Dus zal ik eeuwig leven of in den hemel of in de hel! want in de andere wereld is alles eeuwig.... Deze mijne ziel zal God zonder einde loven of lasteren; beminnen of haten; want mijne ziel is eeuwig.... Dit mijn lichaam zal zonder einde zich in de hemelsche wellusten baden, of in de helsche pijnen zuchten; want mijn lichaam sterft niet meer .... Deze mijne armen zullen naar believen en zonder einde Jesus omhelzen, of zonder einde in den vuuroven branden. Deze mijne oogen zullen zonder einde de schitterende lichamen der hemelbewoners, of zonder einde de verschrikkelijke gedrochten van het helsche vuur aanschouwen. Dit mijn vleesch, deze mijne ledematen zullen zonder einde een onbegrijpelijke gelukzaligheid genieten, of zonder einde in het tuur en de vlammen branden,

Waartoe besluit ik nu? Het is beide in mijne handen----

Een van beide is voor mij eeuwig!----

Oefeningen.

1. Vrees. Wat zal ik zeggen, o mijn God!----Zal ik

wel in den hemel komen ?----O schrikwekkende vraag,

die het hart moest doen beven!.... Zal ik wel in den

hemel komen?____Of ik wel in den hemel zal komen,

weet ik niet, wat Gij echter beloofd hebt, weet ik----

Die zijn leven lief heeft (in de wereld), zal het verliezen; en die zijn leven haat in deze wereld, die bewaart het voor

het eeuwige leven. (Joes. xii. 25). Dat zijn Uwe woorden----

Zijn leven, zijne ziel beminnen, wil zeggen, de zinnelijkheden najagen, zijn eigen wil volgen, de verachting vluchten, op hen die ons beleedigen, grammoedig worden. Zijn leven, zijne ziel haten, wil zeggen, zich veel versterven, zijn eigen

-ocr page 23-

11

wil verloochenen, de verachting zoeken, kwaad met goed

vergelden----Heb ik dat tot dusverre gedaan ? Wee mij!

de mond van Jezus Christus veroordeelt mij op dit oogenblik; ik ben geen hunner geweest, die hun leven haten.

2. Besluit. Maar hoe, o mijn God! wanneer op de bereiking van mijn doel en einde cene gelukkige eeuwigheid volgt, hoe is het dan mogelijk, dat ik zoo weinig zorg draag, hetzelve te verkrijgen? Zou ik niet op dit oogenblik met vreugde mijn leven ten olfer brengen, zoo dit moest om den hemel te winnen? Zou ik niet op dit oogenblik met blijdschap mijn bloed vergieten, indien dit noodig ware, om de hel te ontgaan ? Ja waarlijk: een oneindig goed erlangen en een oneindig kwaad vermijden, zijn twee zaken waarvoor men nimmer genoeg kan doen, nimmer genoeg lijden.

Het zij dan zoo, o mijn God! Voor Uw H. Aangezicht besluit ik, mijn laatste doel en einde te zoeken, koste het

wat het wille----En opdat ik het met zekerheid vinde,

neem ik mij voor, alles te doen wat ik in deze geestelijke oefeningen zal erkennen, nuttig en noodzakelijk te zijn.

3. Gebed om genade. Dan hoe dikwijls heb ik deze besluiten niet reeds gemaakt, en hoe dikwijls heb ik ze weer verbroken. Ik zie wel, dat, indien ik niet van boven versterkt worde, geene hulp van den Heer ontvange, het met mij gedaan is. Ik kom dus tot U, o mijn God! en zeg met een bedroefd hart: Vergeef mij, o hoogste Goed! mijne zonden, fouten en nalatigheden; doe niet met mij volgens mijne verdiensten, maar volgens Uwe vaderlijke barmhartigheid; behandel mij niet volgens de gestrengheid Uwer rechtvaardigheid , maar volgens Uwe barmhartige goedheid; geef mij nieuwe verlichtingen, die mij de belangrijkheid

van mijn doel zonneklaar voor oogen stellen;____ Schenk

mij nieuwe aandoeningen, die het hart op het innigst treffen;.... geef mij nieuwe genaden, die mij in mijn voornemen doen

-ocr page 24-

12

volharden. Wat zou het mij baten, o hetnelsche \ader, dat Gij mij hebt geschapen, indien ik eeuwig verloren ging? Wat zou het mij baten, o goddelijke Zoon! dat Gij Uw bloed voor mij hebt vergoten, indien ik niet zalig werd? Wat zou het mij baten, o goddelijke Geest! dat Gij mij door Uwe genade erfgenaam hebt gemaakt, indien ik nooit in het rijk der hemelen binnenging?

Tweede Meditatie.

Van het doel en einde eener religieuze.

I.

Dat ik volgens mijn laatste doel en einde leve en God volmaakt eere en beminne, vordert de waardigheid van mijnen staat. Ik weet niet, mijne ziel! of gij de waardigheid van uwen staat genoegzaam erkent. Uw doel en einde is, God op deze wereld te eeren en te beminnen, maar op eene hoogere en volmaaktere wijze, dan alle wereldlijke menschen, in de andere wereld echter God voor eeuwig te bezitten, maar in eenen hoogeren en volmaakteren graad van glorie, dan alle wereldlijke menschen. Overdenk nu, welke groote voor deelen die staat heeft.

1. Het eerste voordeel is de zekerheid uwer zaligheid. Als gij, mijne ziel! volgens uwen staat leeft, dan doet gij God ongelijk aan, wanneer gij ook maar den minsten twijfel hebt aangaande uwe zaligheid; want luister, wat Christus zegt: Al wie huis, of broeders, of zusters, of vader, of moeder, of vrouw, of kinderen, of akkers om Mijnen naam zal verlaten hebben, hij zal honderdvoudig ontvangen, en het eeuwige leven bezitten.

-ocr page 25-

13

Wie heeft dit gezegd? Een God, Die in Zijne woorden oneindig waarachtig en in de vervuiling Zijner belofte oneindig getrouw is. Kan er wel iets vertroostender wezen ?

2. Het tweede voordeel is de heiligheid en de vereeni-ging met God. Op den dag, dat God u tot den religieuzen staat heeft uitgenoodigd, heeft Hij u ook tot de heiligheid geroepen; Hij wil, dat gij Hem geheel uw hart schenkt, alle gedachten en verzuchtingen naar Hem stiert, zonder ophouden in de eenzaamheid van uw hart liefderijke zamen-spraken met Hem houdt, en u met Hem op het innigste vereenigt; — dit is het doel van God, Hij heeft u alleen daarvoor uit de wereld weggenomen en in de eenzaamheid van dit klooster geplaatst, opdat Hij alleen uw geheel hart bezitte, hetzelve door Zijne liefde ontsteke en allengs er eene woonplaats van make, waarin Hij met u en gij met flem in de zoetste gemeenschap zoudt kunnen leven.

3. Het derde voordeel is een hooge trap van glorie in den hemel. Alle uitverkorenen des hemels zijn vorsten en genieten eene oneindige zaligheid; evenwel is tusschen de glorie des eenen en de glorie des anderen zulk een onderscheid, als is tusschen den glans der zon en den glans eener kleine ster.

ü, mijne ziel! behoort die boven vele millioenen uitverkoren glorie, voor u is zij bereid, u is zij beloofd. Indien gij volmaakt wilt zijn, zoo spreekt de eeuwige Waarheid, ga heen, verkoop wat gij hebt en geef het den armen, en gij zult een schat hebben in den hemel; en kom, volg mij! —

Verbeeld u, mijne ziel! een koninklijken erfprins in de wieg.

Dat kind heeft nog geen verstand en erkent zijn geluk niet; maar anderen aanschouwen het reeds met eerbied, noemen het gelukkig en houden zijn staat voor den ge-wenschten in deze wereld. Waarom? Dat kind is erfgenaam

-ocr page 26-

14

van een machtig koninkrijk; het zal na eenigen tijd den schepter in de hand en de kroon op liet hoofd dragen; de natuur heeft het boven tnillioenen tnenschen verheven; het geluk heeft aan dat kind zoo vele goederen en rijkdommen geschonken, dat het zijn geheel leven in allerlei soort van denkbare genoegens kan doorbrengen. — Ach! indien gij klaar uit uwe oogen zaagt, mijne ziel! hoeveel hooger zoudt gij dan uwen staat schatten !.... Laat 50 jaren voorbij gaan, dan zult gij het hemelsch Paradijs als uw erfgoed bezitten!.... Gij zult den schoonen krans des maagdoms om uw hoofd dragen .... Gij zult vele tnillioenen uitverkorenen in schoonheid en glorie overtreffen Gij zult zulk een overvloed van vreugde en wellusten genieten, dat in vergelijking van daarmede alle vermaken dei-wereld voor niets te achten zijn.

Oefeningen.

1. Hoogachting van mijnen roep.

Dit is dan mijn doel en einde, waarvoor mij de genade in de eenzaamheid heeft overgeplaatst, te weten: God op deze wereld te eeren en te beminnen, maar vuriger en volmaakter dan alle wereldlijke menschen .... Met God eene vertrouwelijke vriendschap aangaan, Hem hartelijk beminnen en van Hem hartelijk bemind worden; en dit hier beginnen, en daar in eeuwigheid voortzetten .... God in de andere wereld te bezitten en te genieten, maar in eene hoogere en volmaaktere glorie dan alle wereldlijke menschen.... O welk eene groote genade is deze! Hoe en wanneer zal ik ze genoeg kunnen waardeeren ? ,... Duizendmaal zij Uwe oneindige goedheid en barmhartigheid geloofd en gezegend !

2. Verootmoediging van mij zeiven. Dan, welke gelegenheid geeft mij juist die genade niet, om mij te veroot-

-ocr page 27-

15

moedigen?.... Ik moest nu reeds eene zachtmoedigheid hebben, die al het tegenstrijdige van mijnen evenmensch met uiterlijke stilzwijgendheid en inwendige rust verdroeg. Eene ootmoedigheid, die elke verachting zonder verstoord te worden ondergaat; — eene gehoorzaamheid, die elk oogenblik haren wil onderwerpt; —eene liefde tot God, die alle uren in eene voortdurende samenspraak mei God doorbrengt. Ziedaar dan de volmaaktheid, die de genade van mijnen roep van mij vordert. Hoe is het echter met mij gesteld ? O God! wat zal ik zeggen ?

II.

Dat ik volgens mijn laatste doel en einde leef en God volmaakt vereer, vordert de buitengewone liefde, welke God jegens mij heeft. — Indien gij de grootheid der liefde wilt kennen, mijne ziel! die u God door de genade van uwen roep heeft bewezen, overdenk dan de volgende waarheden.

1. God heeft u geroepen zonder acht te slaan op Zijn voordeel. Gij hebt niet God gekozen en u uit liefde tot Mem in deze plaats begeven, maar God heeft u gekozen en herwaarts getrokken; Niet gij hebt Mij gekozen, zegt Christus tot zijne Apostelen, maar Ik heb u gekozen. Die eerste gedachte, welke u tot het omhelzen van den geestelijken staat aanspoorde; die eerste bewegingen, welke in u lust en ijver daartoe opwekten; die sterkte, welke u de bekoringen en hinderpalen deed overwinnen, zijn slechts genaden van God; het is Zijn werk ,, niet het uwe. — En welk voordeel kon God wel daarin zoeken ? Hij is oneindig gelukkig zonder u, en zou gedurende eene geheele eeuwigheid zonder u oneindig gelukkig geweest zijn. Er is niets, wat Hem daartoe zou hebben kunnen bewegen, dan alleen de liefde.

-ocr page 28-

16

2. God heeft u geroepen zonder uwe verdienste. Hoevele duizenden zijn er in de wereld, die deze genade veel meer verdiend hadden dan gij? — Hoevele duizenden, die deze genade beter zouden gebruikt en God eene veel grootere dankbaarheid zouden bewezen hebben dan gij? — Niet te min heeft Hij niet hen, maar u gekozen.

3. God heeft u geroepen zelfs met achterstelling zijner eigene eer.

a) Vele duizenden zijn er in de wereld en zullen eeuwig verloren gaan, die allen zouden zalig geworden zijn, indien God hen tot dezen staat hadde geroepen.

h) Vele duizenden zijn er in de wereld, die heilig zouden geworden zijn, wier heiligmaking God tot de grootste eer zou gestrekt hebben, indien Hij hun die genade hadde bewezen. Dit alles bewoog Hem echter niet; Hij liet zijne oogen boven alle anderen op u vallen en trok u tot zich!

Oefeningen.

1. Dankbaarheid. O mijn God! hoe groot is Uwe goedheid en barmhartigheid! Hoeveel hebt Gij toch gedaan, om mij tot mijn doel en einde en tot dien hoogen trap van glorie te brengen, dien Gij voor mij in den hemel hebt bereid! — Gij hebt vele duizenden in de wereld gelaten, welke die genade veel meer verdiend; vele duizenden, die haar beter gebruikt; vele duizenden, die daardoor de volmaaktheid zouden hebben bereikt; doch Gij hebt niet op hen neergezien, maar op mij. Welk eene groote liefde! Welk een lof, welk een liefde en dankbaarheid ben ik U niet schuldig? — Hadde ik toch duizend tongen en duizend harten!

2. Schaamte over mijzelven. — Dan helaas! hoe hooger mijn doel en einde, hoe grooter de genade van mijn roep is, des te verfoeilijker is mijne ondankbaarheid. — Hoe-

-ocr page 29-

17

velen zijn er in de wereld, die gedurende verseheidene jaren al de bevelen eener lastige overheid vervullen, zonder een woordje tegen te spreken, terwijl ik in zulke geringe zaken mijnen wil niet kan breken! Hoevelen, die gedurende geheele jaren bittere armoede, lasteringen, verachtingen, zware vervolgingen moeten lijden en zich evenwel aan God van ganscher harte onderwerpen, terwijl ik bij het minste bezwaar den moed laat zinken! —- Hoevelen, die te midden van het gewoel der wereld met de teederste liefde hunne harten tot God opheffen, terwijl ik in de eenzaamheid een leven vol verstrooidheid leid! — Mijn Jezus, hoe zeer wordt Gij beleedigd, indien bij genen de weinige genaden zoovele, en bij mij zoovele genaden zoo weinige vruchten voortbrengen ! Zal hier bewaarheid worden, waarmede Gij weleer gedreigd hebt; De laatsten zullen de eersten en de eersten zullen de laatsten zijn?

III.

Dat ik volgens mijn laatste doel en einde leve en God volmaakt vereere en beminne, vordert de uiterste noodzakelijkheid. Herdenk slechts, mijne ziel! wat gij reeds hebt overwogen, gij moet God eeren en beminnen, maar op eene hoogere en volmaaktere wijze, dan alle wereldlijke menschen, — dat is het doel en einde, hetwelk God u heeft voorgesteld; dat is de plicht, dien Hij van u vordert. Indien gij deze verplichting niet naleeft, wat zal er dan van u geworden? Hoe zal het met u gaan? Helaas! Slecht, mijne ziel! Slecht, hetzij God met u handelt volgens Zijne barmhartigheid, hetzij volgens Zijne rechtvaardigheid; want luister:

1. Als God met u handelt volgens Zijne barmhartigheid, dan zult gij niet anders dan in een lagen trap en na een lang verblijf in het vagevuur tot de zaligheid geraken. —

2

-ocr page 30-

18

Ik zeg: niet anders dan in een lagen trap; God heeft voor u eene hooge plaats in den hemel bereid; wijl gij echter door een lauw leven u die onwaardig maakt, zal Hij die verlichtingen van het verstand, die zachte bewegingen des harten, die buitengewone genaden, welke Hij u wilde geven, wegnemen, en ze aan eene arme dienstmaagd, aan een vrome weduwe, aan eene godvreezende maagd in de wereld schenken; deze zal ze gebruiken, en God met vurigheid en ijver dienen en aldus de plaats innemen, die voor u bereid was. — Ik zeg verder: niet anders dan na een lang verblijf in het vagevuur. Het is zeker, dat eene lauwe religieuze tallooze dagelijksche zonden bedrijft: — Het is zeker, dat eene lauwe religieuze dat getal steeds vermeerdert. — Zie nu, hoe lang dit zal duren! zie wat op een lang leven volgt, ook als God volgens Zijne barmhartigheid te werk gaat. Wanneer echter God met u handelt volgens Zijne rechtvaardigheid, dan is uwe verdoemenis zeker, en wel op eene veel verschrikkelijker wijze, dan wanneer een wereldsch mensch verloren gaat.

Ik zeg vooreerst: Uwe verdoemenis is zeker. Eene aarde, zegt God, die herhaaldelijk door den regen bevochtigd wordt en geene vruchten voortbrengt, is der vervloeking nabij. Die aarde zijt gij, mijne ziel! Gij hebt overvloedigen regen ontvangen, inspraken, genaden, middelen, gelegenheden , die toereikend waren om tot eene groote heiligheid te geraken; die vrucht vindt men bij u niet, wat zal er dus van u geworden? Die aarde is der vervloeking nabij. Ik zeg ten tweede: op eene verschrikkelijkere wijze, dan als een wereldsch mensch verloren gaat.

Hoe grooter de liefde Gods jegens den mensch in deze wereld is, des te grooter is Zijn haat in de andere wereld, als men Zijne liefde veracht Hoe grooter de vrijgevigheid

-ocr page 31-

19

Gods in deze wereld is, des te grooter is Zijn toorn in de andere wereld, als men die genade misbruikt. — Vandaar die verschrikkelijke bedreigingen over de ongelukkige steden, die zoo vele genaden van Christus ontvingen, maar met dezelven niet hadden mede gewerkt. Wee u, Corozain! wee u, Bethsaida! want indien in Tyrus en Sidon de wonderen geschied waren, die in u zijn geschied, overlang zouden zij, in harenkleed en asch gezeten, zich bekeerd hebben. Doch het zal voor Tyrus on Sidon verdragelijker zijn in het oordeel dan voor u. En gij, Capharnaum, tot de hel toe zult gij worden neergestort! — Het is eene onloochenbare waarheid: indien God volgens rechtvaardigheid handelt, dan komt eene religieuze of hoog in den hemel of diep in de hel; de middelstand tusschen die beiden is twijfelachtig, en blijft steeds een geheim.

Oefeningen.

1. Vrees. O mijn God! de schrikwekkende vraag komt mij op nieuw voor den geest: Zal ik zalig worden? Zal ik in den hemel komen? O mijn God! zal ik in den hemel komen? Ik ben vrij van zware zonden; dat kan voldoende wezen voor een wereldsch mensch, maar voor mij? een lauw, een onverstorven leven kan mij niet zalig maken; zoolang de liefde niet vurig, het gebed niet ijverig, de versterving niet oprecht is, zoolang is mijn zaligheid niet zeker. — Vele duizenden zijn thans in de hel, die niet lauwer geweest zijn, dan ik ben, omdat God hun wegens misbruik der genade Zijnen bijzonderen bijstand heeft geweigerd. Wat zal van mij geworden? — Ik weet het niet; dit echter, o Jezus! moet ik bekennen: mijne lauwheid verdiende niet anders.

2. Besluit. Maar hoe lang nog? Ach, ik heb in waarheid jaren genoeg in die lauwheid laten voorbijgaan, genaden

-ocr page 32-

20

genoeg verloren , middelen genoeg misbruikt. —liet is tijd, dat ik uit dien slaap ontwake en den weg der volmaaktheid ernstig insla. Het zij clan nu zoo, o Jezus! nu, op dit oogenblik!

2. Liefde. Is het echter wel mogelijk, dat ik nu dadelijk God volmaakt beminne? Ja, het is mogelijk. Op ditoogenblik kan ik God volmaakt beminnen, en kan Hem volmaakt beminnen tot aan den dood, in eeuwigheid.

O troostvolle waarheid! Nu op dit oogenblik kan ik God volmaakt beminnen! — Ik keer dan geheel mijn hart tot U, o hoogste oneindig Wezen, en bemin U uit al de krachten mijner ziel. Niets zou ik willen wenschen, dan dat de liefde aller hemelsche Geesten in mijn hart veree-nigd ware, opdat ik op één oogenblik kon vergoeden, wat ik tot dusverre hebt verloren.

Ten teeken mijner liefde, o God! neem ik mij voor, alles in het werk te stellen, wat ik gedurende deze afzondering zal erkennen, U aangenaam te wezen. — O God! bewaar die liefde in mijn hart en maak, dat zij eindelijk in een groot liefdevuur ontbrande.

Derde JVIeditatie.

Over de algeheele onverschilligheid jegens de

schepselen.

Wie ooit zijn laatste doel en einde verliest, verliest het ter oorzake van zijne groote gehechtheid aan de schepselen, of wegens een al te groote afschuw van dezelve.

Tot de eerste soort behooren de gemakken en wellusten des levens, de goederen en rijkdommen dezer wereld, de

-ocr page 33-

21

eer en hoogachting der menschen en maken, dat men ze zelfs met beleediging van God verlangt en aldus zijn laatste doel en einde verliest. — Tot de tweede soort behooren de smarten, de armoede en behoeften, de verachting en onderdrukking, de ziekten en spoedige dood; al dit lijden verwekt afschuw en droefheid in den mensch, en maakt, dat hij zich van God verwijdert en alzoo zijn laatste doel en einde verliest. — Wanneer gij dus uw laatste doel en einde wilt verzekeren, dan moet gij uw hart in eene al-geheele onverschilligheid plaatsen, zoodat gij bereid zijt, alles, ook het aangenaamste, op te offeren, indien het u ter verkrijging van uw laatste doel en einde kan hinderen, en alles, ook het rnoeielijkste te volbrengen als het u ter verkrijging van uw laatste doel en einde kan dienen.

I.

Dat ik mijn hart in eene algeheele onverschilligheid beware, vordert Gods heerschappij. Uw laatste doel en einde op deze wereld, mijne ziel! is God volmaakt te vereeren en te beminnen; God volmaakt vereeren en beminnen is echter niets anders, clan Gods wil volmaakt vervullen. Ja! dat is zeker. God volmaakt vereeren en beminnen is niets anders, dan Gods wil volmaakt vervullen. Dit kan echter niet geschieden, tenzij gij onverschillig zijt voor gezondheid of ziekte, voor smarten en verachting. — Overweeg die waarheden wel!

1. Het komt u niet toe te beslissen, hoe gij God moet dienen, maar God zeiven; gij moet God dienen, gelijk Hij wil, niet zooals gij wilt. Hij is de Heer en gij de dienaar; den Heer komt het toe te gebieden, den dienstknecht te gehoorzamen. Zelfs in den hemel wordt die orde gevolgd. Sommige Engelen staan onophoudelijk voor den troon Gods en loven en zegenen Hem; anderen beschermen de menschen;

-ocr page 34-

22

deze Engel beschermt een machtigen koning, gene een armen bedelaar; een ieder dient God, zooals Hij het gebiedt. Voert God nu eene mindere heerschappij op aarde dan in den hemel? Begrijpt gij dit, mijne ziel! ga dan voort.

2. Gods heerschappij is onbeperkt en kan u zulk eeue wijze van Hein te dienen voorschrijven, als Hem belieft. Hij is God, en gij zijt zijn schepsel; wie zal of durft Zijne macht beperken? — Een pottebakker doet met den pot, wat hij wil, hij plaatst hem in een winkel, hij gebruikt hem tot de verachtelijkste diensten, hij slaat hem stuk, kortom hij doet er meê, wat hij wil. Is het God niet geoorloofd met de menschen te handelen, die Hij geschapen heeft, zooals het den pottenbakker geoorloofd is met den pot te doen, die hij gemaakt heeft? Hij kan u, mijne ziel in een stand plaatsen, welke Hem belieft en in elk een zijt gij verplicht Hem te vereeren en te beminnen.

3. God dienen, gelijk Hij wil, is zooveel als Hem volmaakt eeren en beminnen, en aldus het laatste doel en einde bereiken. Al het overige is verloren. Wanneer gij eene zekere bediening hebt, moet gij die uit zuivere liefde tot God naarstig vervullen en geene andere verlangen. Dat is God dienen gelijk Hij wil. — Wanneer inwendig alles vol duisternis, bekoringen, droefheid en verlatenheid is, moet gij U aan deze schikkingen uit zuivere liefde onderwerpen; dat wil zeggen, God dienen, gelijk Hij wil. — Indien het lichaam vol smarten en ziekten is, moet gij dat uit liefde tot God verdragen; dat is God dienen, gelijk Hij wil. Als men u haat, veracht, beschimpt moet gij dit uit zuivere liefde tot God stilzwijgend lijden; dat is God dienen gelijk Hij wil. — Hoe verder men van die levenswijze afwijkt, des te verder verwijdert men zich van zijn laatste doel en einde.

-ocr page 35-

23

O e fe n i n g e n.

1. Erkenning van Gods heerschappij. Zoo is het, o hoogste Goed! Gij zijt God en liet komt U toe te gebieden; ik ben een schepsel, en liet betaamt mij te gehoorzamen; ik moet

TJ vereeren en liefhebben, maar op de wijze, als Gij wilt____

Ik erken dezè Uwe hoogste heerschappij en aanbid haar ootmoedig. Wee den eigenzinnige dienst Gods! God dienen, gelijk men wil, niet gelijk Hij wil, is zichzelven Heer, God echter tot dienstknecht maken. Welk een loon heeft zoodanige wanorde te hopen? Ja, welke straf heeft zij niet te wachten?____te vreezen?

2. Berouw. Hoe is het mogelijk, dat er, o oneindig Wezen, dergelijke dwaze menschen worden gevonden, die U willen vereeren en beminnen, maar op die wijze als hun, niet zooals het U bevalt? Ach! zulke dwazen zijn er maar al veel! Ik zelf ben tot mijne beschaming ook een van hun

geweest----Ik verlang U te vereeren en te beminnen, doch

niet in een ziek, maar in een gezond lichaam;____Ik

verlang U te vereeren en te beminnen, niet in verachting, beschimpingen, vervolgingen, maar zoolang men mij bemint en in eere houdt:.... Ik verlang U te vereeren en te beminnen, niet in duisternissen, verlatenheid, bekoring, maar zoolang alles in rust blijft en oene teedere godsvrucht het hart verkwikt!.... Is dat God vereeren en beminnen gelijk Hij wil? Ach! ik ongelukkige, wat heb ik gedaan!

11.

Dat ik mijn hart in eene algeheele onverschilligheid boude, vordert Gods voorzienigheid. Zoo moeilijk als het valt, christelijke ziel! het laatste doel en einde te bereiken zonder deze onverschilligheid, zoo gemakkelijk is het met

-ocr page 36-

24

deze onverschilligheid. Om ditduidelijk te erkennen, overweeg de volgende waarheden.

1. God is oneindig alwetend, en weet, welke middelen u het zekerste tot uw laatste doel en einde zullen brengen. Alle middelen dienen ter verkrijging van het laatste doel en einde, gezondheid en ziekte, eer en verachting, een aanzienlijke en een lage bediening, als ze maar goed worden gebruikt. — Maar zeg mij eens, indien gij kunt, wat is voor u zekerder, om tot het laatste doel en einde te geraken, gezond of ziek te wezen, geëerd en bemind of veracht en bespot te worden — eene aanzienlijke of lage bediening te hebben? — Zie, dat weet gij, noch ik, noch een ander mensch; dat zijn louter geheimen, die niemand kan kennen, dan alleen het alwetend oog.

2. God is eene oneindige liefde, en schrijft der ziel steeds het zekerste middel voor, om haar doel en einde te bereiken, zoolang zij zich in die onverschilligheid houdt. — God is voor de ziel, wat eene moeder is voor haar kind, dat zij hartelijk lief heeft; zoo min als eene ware moeder in staat is haar kind gift toe te dienen, zoo min is God in staat, aan uwe ziel, die zich onverschillig voor alles aan Hem toevertrouwt, iets schadelijks voor te schrijven.

Geloof, mijne ziel! en geloof het als eene onloochenbare waarheid! — wanneer God u in eene ziekte laat vallen, dan is dit voor u de zekerste weg naar uw doel en einde; indien Hij toelaat, dat gij veracht en bespot wordt; als Hij u duisternis, verlatenheid en bekoringen overzendt, dan is dit voor u de zekerste weg naar uw doel en einde.

3. God is eene oneindige almacht en geleidt de ziel onfeilbaar tot haar doel en einde, zoolang zij zich in die onverschilligheid houdt. Immers wie zou God hinderen ? Noch engelen, noch menschen, noch hemel, noch aarde of hel vermag iets tegen eene oneindige almacht; gij

-ocr page 37-

25

alleen, mijne ziel! kunt Hem hinderpalen in den wegleggen, als gij u namelijk aan de leiding Zijner voorzienigheid onttrekt en van uwe zaligheid afwijkt; wanneer gij echter in dezelve blijft volharden, zal Hij u even zeker naar uw doel en einde leiden, als Hij eene oneindige alwetendheid, eene oneindige lielde en eene oneindige Almacht is.

Oefeningen.

1. Vertrouwen. O, hoe troostvol is deze Waarheid! Die mij bestuurt is de oneindige Wijsheid, en ziet, welke middelen voor mij de geschikste en zekerste zijn. — Die mij bemint , is de oneindige liefde en schrijft mij van uur tot uur die middelen voor, welke voor mij de beste zijn. Die mij geleidt, is de oneindige Almacht en niets kan mij nederwerpen, als Hij mij ondersteunt en versterkt.— Zou ik bij deze kennis nog wel mistrouwen in mijn hart koesteren'? Neen, o mijn God! ik werp mij geheel in den schoot Uwer vaderlijke Voorzienigheid en met een volmaakt vertrouwen roep ik tot U: Gij wilt mij in den hemel hebben en Gij wilt mij in den hemel in die hooge glorie hebben. — Zoo groot is die genade, zoo groot is mijne hoop; Gij zijt mijn Vader en Uwe liefde zal er mij heen geleiden.

2. Schaamte over mij zeiven Maar hoe? kan ik deze onverschilligheid wel hopen ? Zoodanige zekerheid hebben slechts die zielen, die U vereeren en liefhebben gelijk Gij wilt, en die in eene volmaakte onverschilligheid voor Uw aanschijn wandelen. Ben ik wel eene dusdanige ziel ? — Ach, hoe geheel anders is mijn hart gesteld. Welk eene vreugde vindt het niet in lof en eer, en welk eene droefheid in de verachting? — Welk genoegen heeft het niet in de teedere godsvrucht en in de vertroostingen, en hoeveel misnoegen in de verlatenheid en de bekoringen!

-ocr page 38-

26

Met welk vermaak volbreng ik deze zaak, die de gehoorzaamheid mij oplegt, en met welk een verdriet eene andere! Hoe! is dat die onverschilligheid, welke tot eene volmaakte liefde gevorderd wordt?.... 0 Jezus! wees mij genadig en barmhartig! een zeer aangekleefd en weerspannig hart is niet geschikt om U te beminnen: ik heb nog niet den eersten steen tot de heiligheid gelegd.

III.

Dat ik mijn bart in eene algeheele onverschilligheid boude, vordert Gods rechtvaardigheid.

Indien gij, mijne ziel! de leiding der goddelijke goedheid niet volgt en de middelen, die zij ter verkrijging van uw doel en einde voorschrijft, niet met ootmoedige onderwerping gebruikt, dan valt gij in de handen der gerechtig-tigheid.... En wat zal daaruit volgen? Eene menigte van ellenden, die men niet genoeg kan beweenen; overweeg het wel!

1. Het is zeker, dat zulk eene ziel meer op deze wereld moet lijden, dan een andere, die een onverschillig hart

heeft____ Gij bedriegt u, mijne ziel! indien gij meent,

dat gij die moeijelijkheden kunt ontgaan, die u de liefde Gods als een middel voor uw doel en einde voorschrijft; neen, die smarten en ziekten, die verachtingen en verdrukkingen , ja bitterheden en bekoringen, welke God van eeuwigheid voor u heeft uitgekozen, moet en zult gij ondervinden ....

Hebt gij nu een onverschillig hart en verdraagt gij ze met geduld, dan heeft God een welbehagen daarin, en Hij versterkt u door den overvloed Zijner genade; Hij geeft u de eeuwige rust en den vrede en maakt u den weg des kruises licht en zoet; hebt gij geen onverschillig hart en verdraagt gij ze met ongeduld, dan heeft God een

-ocr page 39-

27

misnoegen daarin, Hij versterkt u niet, Hij vertroost u niet en laat u onder den last des kruises bezwijken.

2. Het is zeker, dat die hooge trap van glorie in den hemel, welke uw doel en einde is, voor eeuwig verloren is .... Het is onmogelijk, mijne ziel! dien trap te bereiken, tenzij door de middelen, die God bepaalt. Als gij dan geen onverschillig hart hebt, en die middelen noch met goeden wil aanneemt, noch gebruikt, gij vermoeit u te vergeefs en uw doel en einde is verloren.

3. Het is zeker, dat ook de zaligheid in een lageren

trap in gevaar komt----Eene ziel, die niet onverschillig

is, moet noodzakelijk in vele en zware bekoringen vallen. Wat doet niet bij zulk eene gesteldheid toorn en misnoegen ? Wat droefheid en kleinmoedigheid? Wat hoovaardigheid en vrees voor verachting? Wat de eigenzinnigheid? Wat de verwarring, het inwendig oproer en de opstand der losbandige begeerten ? Ach! om dit alles te overwinnen , ware er eene geheel bijzondere hulp van den hemel noodig! Zal God die verleenen? — Verleenen aan de ziel, die zich Zijner leiding onttrekt, die alle door Hem voorgeschreven middelen toornig van de hand wijst, die Hem niet anders wil dienen, dan volgens haar eigen wil, die Hem niet als haren Heer wil erkennen en zich tegen Zijne bevelen moedwillig verzet? — Wie dat kan hopen, hope het; de zaak is zeer gevaarlijk.

Oefeningen.

1. Verootmoediging van mij zeiven. O hoogste Goed! mijn Heer en mijn God! in welk een toestand zie ik thans mijne ziel, welk eene verblindheid in mijn verstand, welk eene ongeregeldheid in mijnen wil! — Ik aanzie de smarten en ziekten als het grootste kwaad; en Gij aanziet ze als het geschikste middel ter zaligheid. — Ik houd de verach-

-ocr page 40-

28

tinyen voor het ergste op de wereld; en Gij houdt ze voor het beste middel tot verheffing in den hemel. — Ik zeg, dat de verlatenheid en de bekoringen mijn ondergang veroorzaken; en Gij zegt, dat ze het grootste deel mijner glorie in den hemel zullen uitmaken — Zoo heeft mijn oordeel mij dan bedrogen en mijn verstand verblind. Maar ach! daarmede heeft mijne ellende nog geen einde; zoo verblind is mijn verstand, zoo bedorven mijn wil. Genoegen voor het lichaam. eer en aanzien bij de menschen, zoete rust en kalmte des harten, eene gehoorzaamheid volgens mijn zin: dat alles begeert mijn hart. Al het overige vrees en vlugt ik. Ik strek steeds beide handen uit naar het vergif, en het geneesmiddel dat mij kon genezen, werp ik van mij weg.

2. Voornemen. Wat moet ik dan doen ? Twee dingen heb ik heden leeren kennen, o mijn God! Vooreerst moet ik U vereeren en aanbidden, gelijk Gij wilt, niet zooals ik wil. Ten tweede kan ik U aldus niet vereeren en beminnen, tenzij ik een onverschillig hart hebbe en mij bediene van de middelen, die Gij mij voorschrijft: zonder dat kan ik U niet vereeren en beminnen, noch zelf zalig en heilig worden. — Het zij dan zoo: van nu af verzaak ik, voor Uwe heilige oogen, aan elke gehechtheid aan de schepselen, en aan eiken afkeer van dezelven. Eer en verachting, gezondheid en ziekte, vertroosting en mistroostigheid, deze of die gehoorzaamheid moet en zal mij onverschillig wezen. Al zucht en bezwaart zich de natuur zooveel zij wil, de genade moet in het vervolg de bovenhand behouden. Dat is het vaste besluit mijns harten, o mijn Heer en mijn God! Ik wil U vereeren en beminnen, gelijk Gij wilt, niet zooals ik wil. — Aldus zal ik al de dagen , alle uren, alle oogenblikken van mijn toekomstig leven doorbrengen.

3. Gebed om genade..,. O welk eene gelukkige gesteld-

-ocr page 41-

29

lieid der ziel is deze! Dut is de grondslag der heiligheicl, dat is de hoedanigheid der volmaakte liefde, dat is de weg tot vereeniging met God. Ach! wie zal mij in die gesteltenis houden? Ik niet, o mijn Jezus! ik niet; mijne zwakheid is al te groot, en mijne onstandvastigheid al te zeer ingeworteld; Uw alvermogen alleen kan aan deze ellende een einde maken. — Ik verhef derhalve geheel mijn hart tot U en zucht: O Jezus, neem van mij weg elke liefde en begeerte naar de schepselen, die aan de eigenliefde behagen; neem van mij weg alle vrees en afkeer van de schepselen, die de eigenliefde mishagen: stel mij in eene volmaakte onverschilligheid, en maak, dat ik niets verlang, dan U te behagen en niets vrees dan U te mishagen. 0 Jezus! O Vader der barmhartigheid, sta mij bij!

Over hetgeen ons van het doel verwijdert, namelijk over de zonde.

Tweede dag.

Overwegingen op den weg der zuivering.

lieden begint de eerste week der geestelijke oefeningen en bevat vijf overwegingen. Derzelver oogmerk is het volgende:

1. Dat gij bij het licht des geloofs de boosheid der zonde ernstig overweegt en uw best doet om ze door en door te leeren kennen.

2. Dat gij u de menigte en grootheid der zonden, die gij gedurende uw geheel leven bedreven hebt, levendig voor oogen stelt, en zooveel mogelijk bitter beweent.

3. Dat gij een standvastig besluit neemt, liever te sterven, dan eene enkele zware zonde te bedrijven, die het eenigst kwaad is, hetwelk u van het laatste doel en einde verwijdert.

-ocr page 42-

30

Eerste Meditatie.

Over de zonde deu engelen en van den eersten menscii.

I.

Welk een oneindig kwaad de zonde is , toont ons de straf der hernelsche Geesten.

Ga een weinig terug, mijne ziel! naar dien wonderbaren tijd, toen God den hemel geschapen en al de Engelen zoo gelukkig gemaakt heeft. Wie was wel gelukkiger dan die Geesten? — Hunne schoonheid was zoo groot, dat geen mensch haar kon aanschouwen, zonder van vreugde te sterven: hunne wijsheid zoo buitengewoon, dat die van Salomon als loutere onwetendheid te achten is; hun toestand zoo gelukkig, dat zij voor geene smarten vatbaar waren; de woonplaats zoo aangenaam als het hemelsch Paradijs is. — Doch hoe groot deze gaven der natuur zijn, de gaven der genade waren nog veel grooter. — Zij hadden eene zeer groote kennis van God, de innigste ingestorte liefde, de innigste vriendschap en vereeniging met Hem.

Eene zoo groote goedheid misbruikten de Engelen; zij wilden God niet dienen op de wijze, als Hij wilde; zij zondigden en werden strafschuldig. Verzamel nu alle krachten en overweeg de verbazende omstandigheden dier straf.

1. Die straf was eene berooving van al het goede. Die ongelukkige Engelen worden in een oogenblik van de schoonste geesten in de afzichtelijkste gedrochten, van de beminnelijkste kinderen Gods in een voorwerp van Zijnen eeuwigen haat veranderd; als een bliksem van af de hoogte des hemels in den afgrond van het helsche vuur geworpen.

2. Die straf was eene opeenstapeling van alle kwaad.

-ocr page 43-

31

Zij zijn nu vastgeketend in de hel, en lijden, wat men ooit kan lijden: de droevigste herdenking in het geheugen, de uiterste verwarring in het verstand, de uiterste wanhoop in den wil, de vlammen in alle krachten.

3. Die straf was zonder barmhartigheid.

Indien God aan die ongelukkige Geesten slechts een korten tijd had verleend, zij zouden zonder twijfel hunne zonden erkend, ze met innig berouw7 vervloekt en God eeuwig op het vurigste bemind hebben; doch de goddelijke rechtvaardigheid wilde dat niet. Op het oogenblik, dat zij zondigden, greep Hij hen aan, zonder hun ook maar een minuut tot boetvaardigheid te gunnen.

4. Die straf was zonder verzoening. Die ellendige Geesten brandden reeds meer dan 4000 jaren in de hevigste vlammen, toen Christus op de wereld kwam, om de zonden te vernietigen; maar nam toen de straf een einde? Neen, de barmhartige Jezus, Die zoo menige traan over de misdadige stad Jerusalem heeft vergoten, heeft niet eene enkele traan om hunnentwil gestort; de liefderijke Jezus, Die zooveel bloed voor Zijne grootste vijanden heeft vergoten, heeft niet een enkele druppel voor hen opgeofferd. — In een oogenblik was de zonde bedreven, eene geheele eeuwigheid duurt de straf.

Houd hier een weinig stil, mijne ziel! daal met uwe gedachten in dien kelder van vuur en verbeeld u levendig het ongeluk dier verworpene Geesten. — Zie, hunne gedaante is zoo afschuwelijk en zoo boven alle verbeelding verschrikkelijk , dat geen mensch in staat is ze te aanschouwen, zonder van schrik te beven; hunne pijnen en folteringen zijn zoo gruwelijk, dat geen verstand ze kan begrijpen. — Wanneer gij dit nu hebt aanschouwd, spreek dan tot u zeiven: Die gedrochten waren eertijds de schoonste geesten, de beminnelijkste kinderen des Allerhoogsten, het meesterstuk

-ocr page 44-

32

der goddelijke Almacht, liet eerste sieraad en de bewoners van het hemelsch Paradijs. Wat kwaad hebben zij dan gedaan, orn in deze ellende te geraken?

Hunne eenige schuld was een enkel oogenblik, eene enkele gedachte, eene enkele ongehoorzaamheid, eene enkele zonde, en om deze enkele zonde branden zij reeds meer dan 5000 jaren en zullen zij nog eene geheele eeuwigheid moeten branden ..,. En wie heeft dan zulk een vree-selijk vonnis tegen hen uitgesproken? God! O verschrikkelijke waarheid! God! God moet derhalve of niet de oneindige Wijsheid, de oneindige Rechtvaardigheid , de oneindige Barmhartigheid wezen, of de zonde moet een oneindig kwaad zijn; de zonde is echter het grootste kwaad.

Oefeningen.

1. Verwondering. O mijn God! mijn eenig en hoogste Goed! wat zal ik nu op de eerste plaats bewonderen? de gestrengheid Uwer rechtvaardigheid, waarmede Gij de Engelen hebt behandeld, of de grootheid Uwer barmhartigheid, die Gij ten mijnen opzichte gebruikt hebt? Die edelste Geesten, die schoonste evenbeelden Uwer Godheid, hebben eene enkele zonde bedreven, en Gij hebt hen om die enkele zonde voor eeuwig verworpen; ik, eene handvol stof dezer aarde, heb mij aan 10 , 20 , 50 , 80 of meer zonden schuldig gemaakt, en Gij hebt mij gespaard! Ik heb Uwe barmhartigheid misbruikt, en nadat Gij mijne zonden hebt vergeven, heb ik weder nieuwe bedreven, 30, 40, 50 of meer en Gij hebt ze mij steeds op nieuw kwijt gescholden. Nog op het oogenblik aanziet Gij mij met uwe vaderlijke oogen, en strekt naar mij de armen Uwer barmhartigheid uit. — Hemelsche Geesten! beminde Uitverkoren! ziet uit den hemel op mij neer; zoo vele zonden ik heb bedreven, zoo vele gedenkteekenen van

-ocr page 45-

38

Gods barmhartigheid en lankmoedigheid aanschouwt Gij in mij; doet in mijne plaats, wat ik niet doen kan, looft en zegent God!

2. Berouw. Dan, juist die barmhartigheid is het, welke mijn hart met berouw vervult. — Ik heb een God belee-digd, Die mij meer bemind heeft, dan zoo vele duizend millioenen der edelste geesten ; een God, Die mij te midden mijner boosheid met Zijne barmhartigheid beschermt; een God, Die mij, ondanks al mijne zonden, eeuwig wil beminnen; en ondankbaar hart! hoe hebt gij zulk een liefde kunnen verachten en zulk eene goedheid beleedigen? Hoe kunt gij aan deze wandaad denken, zonder in smartelijke zuchten en tranen weg te smelten? O Jezus! ik erken, ik belijd, ik veracht, ik vervloek mijne zonden.

II.

Welk oneindig kwaad de zonde is, toont ons de stral der eerste ouders.... Nooit heeft de wereld eené grootere gelukzaligheid aanschouwd, dan ten tijde dat God onze eerste ouders schiep.

1. Hoe aangenaam was hunne woonplaats, het schoonste Paradijs! Daar was noch hitte, nocli koude, noch regen, noch wind, maar steeds de aangenaamste zonneschijn; zij behoefden niet te werken; de hoornen brachten uit zich zeiven de edelste vruchten voort, de wijnstok de aangenaamste druiven, de aarde de schoonste bloemen en planten....

2. Hoe groot was niet hunne heerschappij over de dieren! Op een enkel woord vlogen de vogelen uit de lucht naar de aarde en toonden hunne gehoorzaamheid; op een enkel woord kwamen de dieren en vlijden zich aan hunne voeten neder; op een enkel woord kwamen do visschen in het water en gaven hunne vreugde te kennen.

3

-ocr page 46-

34

3. Hoe wonderbaar was niet hunne lichamelijke gelukzaligheid ! Zij behoefden niets to vreezen, noch vermoeijenis, noch afmatting, noch smarten, noch ziekten, noch ouderdom, noch dood; niets anders was noodig, dan dat zij van den boom der levens aten, om voortdurend in den schoon-sten bloei der jeugd te blijven.

4. Hoe wonderbaar was niet hunne gelukzaligheid naaide ziel! Zij hadden de volmaakste heerschappij over hunne hartstochten; noch toorn, noch droefheid, noch haat, noch nijd, noch eene andere ongeregelde drift mogt zich doen gevoelen; zij waren begiftigd met de diepste kennis Gods, met de vurigste liefde, met de teederste gevoelens jegens Hem. Eindelijk hadden zij de belofte van na een lang en gelukkig leven, zonder ziekte en dood, met ziel en lichaam in den hemel opgenomen te worden en eeuwig met God te heerschen.

Edoch, hoe vrijgevig God jegens de eerste ouders was, zoo ondankbaar waren zij jegens Hem; zij wilden Hem niet dienen gelijk Hij wilde; zij zondigden en werden strafschuldig.

Overweeg nu alle omstandigheden dier straf en in dezel-ven de grootheid der zonde!

1. Om die enkele zonde wordt Adam uit het Paradijs verjaagd. — De aarde is gevloekt en brengt zonder zweet des aanschijns niets meer voort dan distelen en doornen; het lichaam is gevloekt en tot smarten, ziekten en den bitteren dood veroordeeld; de ziel is gevloekt en als een vijandin van God uit het Paradijs in dit tranendal gedreven.

2. Om die enkele zonde is de geheele nakomelingschap tot dezelfde ellende veroordeeld. Verbeeld u een stuk land eenige uren lang en breed en meer dan een half uur hoog, met doodsbeenderen overdekt en zeg: Zoovele duizend

-ocr page 47-

35

millioen menschen hebben de bitterheid des doods moeten ondergaan om die enkele zonde.

3. Om die enkele zonde gaat het grootste gedeelte der volwassenen voor eeuwig verloren.

Wie ooit verloren gaat, gaat verloren wegens de ongeregelde neigingen des harte, die hem tot zonde overhalen. Die woede der booze neigingen is eene straf van dien enkelen appelbeet. — Ja! wat nog verschrikkelijker is, indien de wereld, zooals zij thans is, eeuwig moest voortduren , dat niet zal gebeuren, dan zouden gedurende de geheele eeuwigheid jaarlijks vele millioenen menschen in liet eeuwig vuur vallen, om dien enkelen appelbeet.

4. Om die zonde heeft Jezus aan het kruis moeten sterven. O verbazend wonder! de Opperheer van hemel en aarde, de wezenlijke onschuld en heiligheid, de eenige geboren Zoon Gods wordt door zijn eigen hemelschen Vader ten dood, ja tot den schandelijksten dood des kruises veroordeeld. En dat alleen om de zonde.

5. Om de erfzonde duren ook derzelver straffen voort, liet Paradijs is verloren en wij wandelen in een tranendal rond; het leven is vol bitterheid en do dood vol schrik en vrees; de zaligheid twijfelachtig en wij kunnen op geene andere wijze dan door boetvaardigheid en tranen den hemel binnengaan.

Oefeningen.

1. Vrees. O geloof! welke verbazende waarheden stelt gij mij voor oogen! De schoonste Engelen zijn uit den hemel gedreven; het geheele menschelijk geslacht werd uit het Paradijs gebannen: vele duizend millioenen zielen branden in de helsche vlammen! — Jezus, de Zoon Gods moest aan het kruis sterven en sterven op bevel zijns Vaders

-ocr page 48-

36

en dat enkel wegens eene enkele zonde! O zondaar! welk oneindig kwaad is in u verborgen!

Maar hoe? Wanneer de hemelsche Vader met Zijnen eeniggeboren Zoon wegens de zonde zoo streng handelde, hoe zal Hij met mij handelen, met mij, die zulke afschuwelijke zonden heb bedreven; met mij, die zoo langen tijd daarin heb volhard; met mij, die na verkregen vergilfenis zoo dikwijls ben hervallen.

2. Berouw. Ik zie wel, mijn God! dat voor mij geen middel overblijft, dan van den kant Uwer onmetelijke barmhartigheid én mijner ware boetvaardigheid. Ik werp mij derhalve voor U neèr en vervloek uit alle krachten mijner ziel alle zonden. Ik heb U ongelijk aangedaan; ik erken en belijd het: een oneindig God had ik nooit moeten beleedigen. Ik had liever duizendmaal mijn leven moeten opofferen en den dood sterven, dan zulk een misdaad te bedrijven. Ach! wie geeft aan mijn hart eene ware droefheid en aan mijne oogen overvloedige tranen?

III.

Overwegingen, die men uit de aangehaalde waarheden kan trekken. Verzamel op nieuw uwe krachten, mijne ziel! en prent de volgende overwegingen diep in uw geheugen.

i. Indien eene enkele zonde zulk een gruwel voor God is, welk een gruwel moet dan niet mijne ziel in Zijne oogen wezen?.... Wanneer ik ééne zonde heb bedreven, dan heb ik er zooveel bedreven als een booze geest; heb ik honderd zonden gedaan, dan heb ik er zooveel gedaan, als honderd booze geesten te zamen. — Als ik ééne zonde heb bedreven, dan ben ik voor God zulk een gruwel, als voor Hem één booze geest is; heb ik honderd zonden gedaan, dan ben ik alleen voor God zulk een gruwel, als voor Hem honderd booze geesten te zamen zijn. Wanneer ik eene

-ocr page 49-

37

zonde heb bedreven, dan heeft God noodzakelijker wijze zulk een haat tegen mij, als Hij tegen één boozen geest heelt; heb ik honderd zonden gedaan, dan heeft God noodzakelijker wijze zulk een haat tegen mij alleen, als Hij tegen honderd booze geesten te zarnen heeft.

2. Indien een enkele zonde de hel verdient, heb ik dan geene reden om de barmhartigheid Gods te zegenen ? .... Als ik eene enkele zonde heb bedreven, dan heb ik de hel verdiend, zooals alle verdoemde geesten; heb ik er meer dan eene gedaan, dan heb ik de hel meer verdiend, dan alle verdoemde geesten. Waarom ben ik dan niet, waar die ongelukkigen zijn? — Ach! juist die God, welke tegen hen de gestrengheid Zijner rechtvaardigheid heeft gebruikt, heeft mij de goedheid Zijner barmhartigheid laten wedervaren! — O goedheid! o liefde! o lankmoedigheid!

3. Indien God eene enkele zonde in de Engelen en men-schen zoo verschrikkelijk gestraft heeft, welke reden heb ik dan niet om Zijne rechtvaardigheid te vreezen? Zoovele duizend millioenen hemelsche geesten heeft God om eene enkele gedachte, om een enkel oogenblik zonder middel, zonder genade, zonder tijd tot boetvaardigheid voor eeuwig tot het helsche vuur veroordeeld. — Indien ik nu nog eens zondig, kan God dan niet of zal Hij dan niet met mij hetzelfde doen? — O God! ik moet het bekennen; ik kan niet meer zondigen zonder de grootste vermetelheid, en Gij kunt mij niet meer sparen, zonder de grootste barmhartigheid.

Oefeningen.

1. Berouw. Hemel en aarde, o mijn God! geven getuigenis van dien vreeselijken haat, welken Gij tegen de zonde hebt! O dat slechts een enkele druppel van dien heiligen haat in mijn hart neervloeide!.... Ach! ik ongelukkige! wat

-ocr page 50-

38

heb ik gedaan? niets is waardig, om bemind te worden, dan Jezus; niets is waardiger om gehaat te worden clan de zonde; en ik zinnelooze mensch, heb Jezus gehaat en de zonde bemind! O misdaad, gij zijt waardig om met een eeuwig vuur gestraft te worden!.... Ik erken het o mijn God! en beween het. O hoe goed zou het geweest zijn, indien ik in de aarde vergaan ware, voordat ik kon zondigen! Dan die zuchten komen te laat.... Ik heb gezondigd! en zoo zwaar!.... en zoo verschrikkelijk gezondigd!.... en ik heb zoo dikwijls gezondigd!.... Vergeef het mij, o Jezus! het doet mij leed!....

2. Dankzegging.... Maar juist mijne uiterste boosheid maakt mij Uwe onmetelijke barmhartigheid indachtig; ik denk met vrees en schrik aan het uur, waarin ik de eerste maal heb gezondigd. Onzalig uur, waart gij er toch nooit geweest. — Indien Gij alstoen, o mijn God! met mij gehandeld hadt, als met de Engelen, hoevele jaren zou ik niet reeds in de hel liggen? — Ach! de gedachte alleen aan dat schrikwekkend gevaar, waarin zich toenmaals mijne kostbare, mijne eenige, mijne onsterfelijke ziel bevond, doet mij beven! Gij hebt ü over mij ontfermd, en mij nog tijd tot boetvaardigheid verleend. O welke dankzegging ben ik u daarvoor niet schuldig!

3. Gebed. Ach mijn God! ontferm ü mijner! Ik zie, welk een oneindig kwaad de zonde is, — ik zie het aan het vuur en de vlammen der verdoemde geesten — ik zie het aan de pijnen en folteringen van den aan het kruis stervenden Jezus! — Verbazend geheim! Jezus, de Zoon Gods, moet sterven! Had ik wel een grooter kwaad kunnen bedrijven, dan Jezus aan het kruis te hechten? — O zonde! o vervloekte zonde! hoe hebt gij mij weleer zoet en aangenaam kunnen schijnen? — O Jezus! juist door het bloed, hetwelk Gij om mijne zonden hebt vergoten, smeek ik U,

-ocr page 51-

39

geef mij den bijstand Uwer genade, opdat ik de bedrevene zouden van harte betreure en ze in bet vervolg meer dan den dood vlucbte!....

Tweede Meditatie.

Over de dadelijke persoonlijke zonden.

I.

Welk oneindig kwaad de zonde is, kan men uit hare gevolgen opmaken .... Welke zijn die gevolgen? Overweeg het wel, mijne ziel! en sta verbaasd!

1. Op het oogenblik, dat men zondigt, wordt de ziel van het schoonste evenbeeld Gods in het afschuwelijkste gedrocht veranderd,.,. Men kan onmogelijk begrijpen, van welk eene wonderbare schoonheid de ziel is, als zij in Gods genade leeft; dan is zij een evenbeeld der goddelijke schoonheid zelve, om welke te scheppen eene oneindige almacht en wijsheid noodig was. Eene groote Heilige, aan wie God die schoonheid der ziel had getoond, zeide weleer: Ik zou gaarne duizendmaal mijn leven opofleren en den dood ondergaan, om eene enkele zoo schoone ziel te bezitten. — Zoo schoon echter de ziel door de genade is, zoo afschuwelijk wordt zij door de zonde. Eene met zonden beladene ziel en een verdoemde geest zijn twee gedrochten, die in afschuwelijkheid elkander volmaakt gelijk zijn; en even als geen mensch den boozen geest, zooals hij is, kan aanschouwen, zonder van schrik te sterven, zoo kan ook geen mensch eene zondige ziel aanschouwen , zonder van schrik om te komen.

2. Op het oogenblik, dat men zondigt, wordt de ziel

-ocr page 52-

40

een voorwerp van den hevigsten haat bij God.... Er wordt in den hemel, noch op aarde een verstand gevonden, dat kan begrijpen, welk een ontzettende afschuw God van de zonde heeft, en welk een oneindigen haat Hij dezelve toedraagt. Verbeeld u, wat onmogelijk is, dat God in de raenschheid van Jezus Christus eene zonde aantrof, wat zou alsdan geschieden? Op het oogenblik moest zij van de Godheid gescheiden en voor eeuwig in het vuur geworpen worden. God haat de zonden en moet ze haten; want evenals het onmogelijk is, dat God niet een oneindig goed zij, zoo is het ook onmogelijk, dat Hij niet een oneindige haat tegen de zonde hebbe....

3. Op het oogenblik, dat men zondigt, verandert de ziel van een kind Gods in eene slavin van den duivel. Het is inderdaad iets betreurenswaardigs, van den boozen geest levendig te worden bezeten en een eeuwig verdoemde bewoner der hel dag en nacht in zijn lichaam om te dragen; wat zal het echter zijn, van God zei ven naar de ziel aan den boozen geest tot slaaf overgeleverd te worden en onder de heerschappij van den duivel te leven? Gene kan eeu kind Gods zijn en de hoop hebben. voor eeuwig den hemel te bezitten; deze is een vijand van God en elk oogenblik aan het gevaar blootgesteld, door zijnen Heer in de eeuwige gevangenis geworpen te worden.

4. Op het oogenblik dat men zondigt, vervalt de ziel in eenen allerellendigsten toestand. Er is niets schandelijker dan de zonde, en niets verachtelijker dan de zondaar. Verbeeld u, dat God aan alle menschen zoodanig de oogen opent, dat een ieder, die u tegenkomt, in uw hart kan zien, en zonneklaar erkennen al de zonden en misdaden, die gij gedurende uw geheel leven met gedachten, woorden en werken bedreven hebt. O God! welk eene schande, welk eene beschaming zou dat wezen? Zoudt gij u niet

-ocr page 53-

41

voel liever in duistere holen en in de eenzaamheid begraven willen zien, dan onder de oogen der menschen te wandelen? Zie, dat is het oordeel des verstands! niets is schandelijker dan de zonde en niets verachtelijker dan de zondaar. O welk eene reden hebt gij niet, om u voor God te schamen! want voor Zijn aanschijn hebt gij al die zonden bedreven, en Zijne oogen aanschouwen onophoudelijk de geheele wanorde, al de schandelijkheid van uw leven.

Oefeningen.

1. Schaamte over mij zeiven----Welke zonden heb ik

dan bedreven? O mijn God! er is geene kracht in mijne ziel en geen lidmaat aan mijn lichaam, waarmede ik U niet heb beleedigd. — Ongelukkig geheugen! aan hoevele duizend slechte gedachten hebt gij u overgegeven! Ongelukkige wil! hoevele duizend ongeregelde begeerten hebt gij uitgebroeid. ~ Ongelukkige tong! hoevele duizend zondige woorden hebt gij gesproken! — Ongelukkige handen ! hoevele duizend ongeoorloofde werken hebt gij gedaan. — Ongelukkig hart! hoevele dingen hebt gij ongeregeld bemind! hoevele ongeregeld gehaat! — Indien dan eene enkele zonde, U, o mijn God! zulk een verdriet en afschuw veroorzaakt, hoe moet dan mijne ziel voor Uwe oogen gesteld zijn, aan welke Gij niets dan zonden ziet? Waarheen zal ik vluchten om mij te verbergen en mijne schande te bedekken? O zonde! hoe aangenaam schijnt gij, als men u bedrijft! hoe bitter en afschuwelijk zijt gij, als men u bedreven heeft.... Inderdaad, als men mij kende, zooals God mij kent, dan zou er geen mensch op aarde zijn, die niet uit afschuw zijne oogen van mij afkeerde!____

2. Gebed om genade. Ja! ik schaam mij over mij zeiven en ben ten aanzien mijner dwaasheid geheel van schrik

-ocr page 54-

42

en vrees bevangen! — Ach, mijn God! want tot wien zal ik anders gaan, dan tot IJ, Die de oneindige goedheid on onmetelijke barmhartigheid zijt? — Geef mij zulk eene droefheid, die geheel mijn hart doordringt, en in staat is mijne ziel van elke onreinheid te zuiveren. Ik kan die smart, dat berouw niet hebben zonder eene bijzondere hulp Uwer genade; schenk mij haar, o Heer! opdat hemel en aarde nieuwe redenen hebben om Uwe barmhartigheid te loven!

II.

Welk een oneindig kwaad de zonde is, kan men afmeten uit het verachtelijke wezen van den mensch, die God be-lecdigt. Overweeg wel, mijne ziel! wat gij zijt, en besluit daaruit, welk een oneindig kwaad de zonde is!

1. Gij zijt een schepsel, hetwelk niets goeds aan zich heeft. — Wat zijt gij dan inderdaad? Gij zijt een handvol stof; voor weinige jaren waart gij een enkel niet; binnenkort zult gij door de wormen verteerd worden en weder tot stof terugkeeren. Gij zijt zulk een ellendig wezen, dat geen geschapen verstand hetzelve kan begrijpen; noch de allerheiligste Moeder, noch de hemelsche Geesten begrijpen den afgrond van uw niet. God alleen kan dien doorgronden. En toch heeft die handvol stof, die aardworm, dat verachtelijk schepsel zijne hand tegen God uitgestoken en zich tegen den Almachtige verzet. Het heeft zich vermeten God te verachten en te zeggen: Wie is de Heer, dat ik Zijne stem hoore? Ik weet van geenen Heer en erken er geenen.

2. Gij zijt een schepsel, dat door God zoo oneindig vrijgevig is behandeld. God heeft u, mijne ziel! ontelbare weldaden bewezen; er is niet een oogenblik voorbijgegaan, waarin Hij u niet eene nieuwe wTeldaad heeft bewezen en er zal

-ocr page 55-

43

gedurende de gansche eeuwigheid geen oogenbiik voorbijgaan , tenzij gij anders wilt, waarin Hij u niet eene nieuwe weldaad zal bewijzen. Dat alles heeft Hij voor u gedaan met eene eeuwige liefde; want Hij heeft Zichzelven niet eerder liefgehad dan U; — met eene belanglooze liefde, want Hij heeft noch u, noch uwe werken noodig; — met eene grootmoedige liefde, want Hij had die genaden aan anderen kunnen geven, die Hem veel ijveriger zouden gediend hebben. — En toch waart gij zoo vermeten, ondankbare ziel! dezen uwen God en grootsten weldoener zoo afschuwelijk en zoo dikwijls te beleedigen. Welk eene gruweldaad zou het wezen, indien een ontaard kind zich voor de oogen zijns vaders op de laagste en schandelijkste wijze gedroeg, ja hem zelfs in het aangezicht spuwde? Gedraagt gij u, verachtelijk schepsel, niet even zoo ondankbaar, tegen uwen Vader, tegen uwen teedersten Vader?

3. Gij zijt een schepsel, dat alles aan God te danken heeft. Ja mijne ziel! alles wat men aan u ziet, hebt gij uwen schepper te danken; Hij gaf het u en Hij moet het voor u behouden. Welk eene afschuwelijke handelwijze is het, de weldaden en genaden van God zeiven en wel tot verachting en beschimping Zijner Majesteit te misbruiken! — Hoe? wat zou er verfoeielijker wezen, dan dat de lamme juist met die hand, welke Jezus door een wonder had genezen, Hem hadde gegeeseld; dat de stomme met de tong die Jezus door een wonder had ontbonden. Hem aan het kruis hadde gelasterd? Keer de oogen op u! wie heeft u die tong gegeven, waarmede gij uwen God zoo menigmaal hebt beleedigd? wie die oogen, ooren en handen, wie die ledematen des lichaams en die krachten der ziel?

4. Gij zijt een schepsel, dat God aan den afgrond der hel onttrok. Mijne ziel! Hebt gij eens gezondigd, dan hebt gij de hel verdiend en het alleen aan de barmhartigheid van

-ocr page 56-

44

uwen God te dunken, dat gij nog niet derzei ver prooi zijt geworden. Zoo leert u het geloof. Hoe onbegrijpelijk vergroot die omstandiglieid uwe zonde. Indien God heden een verdoemden geest uit de hel verloste en hem tijd tot boetvaardigheid vergunde, maar ondanks deze oneindige weldaad morgen Hem weer begon te lasteren, wat meent gij, zou hij niet duizend hellen verdienen? U heeft God misschien tien- of twintigmaal, ja veel meer van de hel verlost en wat hebt gij gedaan, na met zulke oneindige barmhartigheid behandeld te zijn?

Oefeningen.

1. Verootmoediging en oprechte belijdenis. Allerliefste God! Ik daal ootmoedig voor uwe heilige oogen met mijne gedachten tot in den afgrond der hel neder; welke andere plaats zou mij beter toekomen? Ik ben een aardklomp, ja stof en asch, en toch was ik zoo vermeten, om mij tegen het hoogste goed, van wien ik alles heb ontvangen, meineedig te verzetten; Wat ik ben en heb, dat komt van God, Die mij elk oogen blik met een overvloed van nieuwe weldaden overlaadt; mij tegen God te verzetten. Die na zulk een gruwel der boosheid zoo barmhartig met mij heeft gehandeld, O mijn God! ik beken het, dit is eene meer dan duivelsche handelwijze, die niet slechts eene, maar millioenen hellen verdiende. Ellendige, verdoemde geesten, gij zijt niet rampzaliger dan ik, wijl gij meer hebt gezondigd dan ik! Neen! maar gij zijt rampzaliger dan ik, wijl God u minder barmhartigheid getoond heeft dan mij, — Gij hebt slechts een enkel oogenblik gehad, en ik zoovele jaren! Gij heb slechts een enkle zonde bedreven en ik zoovele! Gij hebt slechts eene enkele genade gehad, en ik zoovele duizenden. Gij zondigdet slechts eens, en ik zoo dikwijls! God verstoot u om eene enkele zonde, mij

-ocr page 57-

45

heeft Hij na zoo velen gespaard, en toch beleedigde ik Hem op nieuw! Moest niet een stroom van tranen uit mijne oogen vloeien, waarmede ik ze elk oogenblik mijns levens zou moeten beweenen?

2. Berouw. Gij doorgrondt de harten en nieren, o mijn hoogste goed! Ik beween, ik haat, ik verfoei uit al mijne krachten al mijne zonden, die ik tot op dit oogenblik heb bedreven. Ach, gevoelde ik in mijn hart al het berouw en al de smart, die ooit de boetelingen op aarde gevoelden, opdat ik mijne zonden genoegzaam kon betreuren en beweenen. In hunne plaats offer ik U op al de bitterheid en smarten, den doodstrijd, het bloedig zweet, hetwelk Jezus in den Olijfhof om mijne zonden heeft vergoten.

III.

Welk een oneindig kwaad de zonde is, kan men afmeten uit de hoogste Majesteit Gods, Die daardoor wordt belee-digd. — Hoe aanzienlijker de persoon is, die beleedigd wordt, des te grooter en zwaarder is de beleediging. Aan een grooten en machtigen koning een slag in het aangezicht geven, is eene veel grootere en zwaardere beleediging dan een slaaf in het aangezicht slaan; dat leert ons de rede. — Hieruit meet nu de grootheid der zonde af. Wat is dan God ?

1. God is een oneindig Goed. Hij is een Wezen, dat alle volmaaktheden in zich bevat. Hij is een oneindige goedheid, eene oneindige almacht, eene oneindige heiligheid, eene oneindige schoonheid, eene oneindige barmhartigheid, eene oneindige milddadigheid, Hij bezit alle volmaaktheden. — Gelijk Hij het hoogste goed in zichzelven is, zoo is Hij ook de oorsprong van alle goed in Zijne schepselen; er is geene macht, geene goedheid, geene heiligheid, geene schoonheid, geene barmhartigheid, geene milddadigheid noch in den hemel noch op aarde noch in de Engelen,

-ocr page 58-

46

noch in de menschen noch in een ander schepsel, tlie niet in God, als de eenige bron, haren oorsprong neemt. — Zulk een oneindig goed willens en wetens beleedigen, verachten en lasteren, welk eene boosheid is dat niet?

2. God is eene oneindige Majesteit en heerlijkheid. Keer uwe oogen naar den hemel, en verbeeld u het volgende: Zie daar zit Hij op Zijn troon, vele duizend millioenen Engelen staan in het rond door den luister Zijner Godheid opgetogen en loven Hem uit alle krachten; terwijl zij zien, dat zij Hem niet zoo zeer kunnen loven, als zulk eene Majesteit verdient, werpen zij zich op hun aangezicht neder en bekennen, dat dezelve nog oneindig meer eer en liefde verdient, dan zij haar bewijzen. — Terwijl dit nu in den hemel plaats heeft en al deszelf bewoners hun best doen, om Hem te loven en te eeren, staat een aardworm op, vergrijpt zich aan die hoogste Majesteit en onteert baai-door smaad en verguizing. — Hoe groot is die boosheid niet? — Mijne ziel! dit laat zich niet verklaren. Twee gedachten kunnen u er een klein begrip van geven, a) Verbeeld u, dat alle Engelen van den hemel afdalen en een menschelijk lichaam aannemen; alle menschen, die van het begin der wereld geleefd hebben, staan uit de graven op; al dezen leven gedurende duizende jaren in de grootste boetvaardigheid, en vergieten ten laatste uit liefde tot God hun bloed onder de verschrikkelijkste folteringen; kunnen zij wel door dit alles aan God den smaad vergoeden, die Hem door eene enkele doodzonde wordt aangedaan? Neen, dat is onmogelijk, b) Indien alle Engelen des hemels al hun verstand gebruikten en gedurende de geheele eeuwigheid er over nadachten, nooit of nimmer zouden zij de boosheid der zonde begrijpen.

-ocr page 59-

47

Oefeningen.

1. Oprechte beschuldiging van zich zei ven. — Het licht, dat Gij, o mijn God! mij mededeelt, toont mij inderdaad, dat mijne boosheid ondoorgrondelijk is. Ik heb U belee-digd. Wie ben ik? Geen Lucifer, geen Seraf, geen Engel, maar een ellendig mensch, een handvol stof, een aardworm ! — Ik heb U beleedigd! Wie zijt Gij ? Geen koning, geen Engel, geen Seraf, maar God, het hoogste goed, de bron van alle goed , de opperheer van hemel en aarde. — Ik heb U beleedigd! Waar? Niet in het geheim, niet in Uwe afwezigheid, maar voor Uwe oogen, voor Uw aanschijn, te midden van den luister Uwer alwetende Majesteit. — Ik heb U vergramd! Waarmede? Met die oogen, met die ooren, met die tong, met die handen, met dat hart, hetwelk Gij mij uit barmhartigheid hebt geschonken. — Ik heb IJ vergramd! Waarom? Niet op hoop van een koninkrijk, dat mij werd beloofd, niet uit vrees voor een wreeden dood, waarmede ik werd bedreigd, maar met een klein vermaak mijner zinnen, uit vrees voor eene kleine beschaming! Ik heb U beleedigd! Hoe? Niet eens, maar tien — twintig — honderdmaal, — Ik heb U beleedigd! Wanneer? Juist op het oogenblik, dat Gij mijn lichaam in welstand en in gezondheid bewaardet, dat Gij mijne ziel met nieuwe weldaden belaaddet, dat Gij de woede van den boozen geest betoomdet, opdat hij mij niet in het eeuwige vuur zou wegslepen! — O mijn God! hoe groot en verschrikkelijk is mijne boosheid, mijne stoutmoedigheid, mijne ondankbaarheid, mijne dwaasheid, mijne woede en razernij, en toch is ze voor Uwe oogen nog oneindig grooter dan ik ze erken!

'2 Berouw. Aldus heb ik geleefd, o mijn God! aldus heb ik U beleedigd, en hoe heb ik berouw er over getoond?

-ocr page 60-

48

Ik heb nu en clan een berouw verwekt en op mijn hart geklopt, en daarna heb ik, als zeker van de vergiffenis, in rust voortgeleefd. - Hoe? Na zoo vele beleedigingen God aangedaan zou ik mij met zulk een gering berouw tevreden stellen ? Zou ik niet. aanhoudend de smart in mijn hart en tranen in mijne oogen moeten hebben ? — Ik heb een oneindig goed beleedigd, dat is voldoende. Dat ik nooit of nimmer ophoude, bedroefd te wezen! O beminnen waardigst wezen! had ik U toch nooit vergramd! Ach! had ik liever mijn lichaam en mijn leven opgeolïerd!

3. Voornemen. Dan, het is geschied, de zinnelijkheid heeft mij bedrogen en de neigingen hebben mij overwonnen. Vergeef het mij, o God! ik bid U daarom door den afgrond Uwer barmhartigheid en het bloed van Jezus Christus. — Ik keer mij thans uit geheel mijn hart tot U en maak voor Uw7 aanschijn het besluit, liever den dood te kiezen, dan eene enkele doodzonde te bedrijven!

O heilig voornemen! o gelukkig besluit! Is het echter wel ernstig gemeend? — Ja, o Jezus! het is oprecht gemeend! Gij zijt de Heer van leven en dood. Indien Gij zoudt voorzien, dat ik nog eens eene zware zonde zou bedrijven, dan bid ik U, neem mij weg van deze wereld, voordat die ongelukkige dag aanbreke !

-ocr page 61-

49

Derde Meditatie.

Over de eerste pijn der hel : over de pijn der schade.

I.

üe verdoemde in de hel verliest God als het hoogste goed en de hoogste gelukzaligheid. Welk een oneindig ongeluk het is,quot; God te verliezen, kan men even onmogelijk begrijpen , als men onmogelijk kan heseflen, welk een oneindig geluk het is, God te bezitten. Evenwel is ons verstand groot genoeg, om zich daarvan een begrip te maken; ga dus in li zelve, mijne ziel! en overweeg ernstig, wat het is God te verliezen.

i. De verdoemde verliest het genot van God. Zoodra eene ziel den hemel binnentreedt, ontsteekt God in haar zulk een helder licht, dat zij de geheele diepte van Zijn oneindig Wezen, voor zoover het voor een schepsel mogelijk is, op het volrnaakste erkent, en zulk eene begeerte om het te genieten, dat slechts een oogenblikkelijk uitstel van dit genot eene oneindige smart zou veroorzaken. Wijl zij dan naar dit goed op het vurigst verlangt, het op het volmaaakste geniet en verzekerd is, dat zij het voor eeuwig-zal bezitten, zoo ontstaat in haar een overvloed van vreugde, waartegen al de overige wellusten van het Paradijs voor niets te achten zijn. — Gelijk in den hemel, zoo heeft het tegendeel plaats in de hel. — Zoodra eene ziel de hel binnengaat, ontsteekt God in haar zulk een licht, dat zij de geheele diepte van Zijn oneindig Wezen, voor zoover het aan een schepsel mogelijk is, op het volrnaakste erkent, en zulk eene begeerte om het te genieten, dat ook slechts een oogenblikkelijk uitstel van dit genot eene oneindige smart veroorzaakt; wijl zij dan naar dit goed op het hevigst verlangt, maar van diens bezit met geweld

4

-ocr page 62-

50

wordt teruggestooten, zoo ontstaat in haar zulk een zee van bitterheid en droefheid, dat daartegen al de overige smarten der hel voor niets te achten zijn. — Kortom, hoe groot en ongemeten de vreugde eener ziel in don hemel is, die God bezit, zoo groot en ongemeten is de droefheid eener ziel in de hel, die God heeft verloren.

2. De verdoemde verliest Gods voorzienigheid. Zoolang de mensch leeft; draagt God zorg voor hem;.Mij geeft hem goede gedachte in den geest, verwekt heilige begeerten in het hart, zet hem aan tot het goede, vertroost en versterkt hem. — Zoodra de mensch de hel binnengaat. neemt dit alles een einde; God legt elke zorg voor hem af, en aanziet hem als iets dat hem niet meer aangaat. Derhalve zal hij gedurende de geheele eeuwigheid geene enkele goede begeerte meer hebben, geene enkele goede gedachte, geen enkel goed werk meer doen. — In de verbeelding is niets dan de schrikwekkendste voorstellingen; in het verstand niets dan wanhopende gedachten; in den wil niets dan woede en razernij; in alle krachten der ziel niets dan duisternis, verwarring en bitterheid.

3. De verdoemde verliest met God ook te gelijk alle liefde der schepselen. De Allerheiligste Maagd Maria, de Beschermengel, alle heiligen beminnen den mensch, zoolang hij op aarde leeft; heeft God hem echter eens verworpen, dan verwerpen zij hem ook. Gedurende de geheele eeuwigheid hebben zij geene goede gedachte meer van hem. Ja! zij aanschouwen hem in de vlammen met genoegen als een slachtoller der goddelijke rechtvaardigheid, haten en vervloeken hem en lachen met hem te midden zijner uiterste ellende. Zelfs de moeders, die in den hemel zijn, zien zonder medelijden op hare verdoemde kinderen neêr, alsof zij hen nooit gekend hadden. — Noch ellendiger gaat het in de hel; van het overgroote getal verdoemden zal

-ocr page 63-

51

er niet een wezen, die niet de smarten van den verdoemde vermeerdert, deels om den afschuw, dien zij van elkander hebben, deels om de woede en razernij , die zij tegen elkander aan den dag leggen.

4. Nadat de verdoemde God en met God alles heeft verloren, valt hij in de macht van den boozen geest. — God trekt zich hem in het geheel niet aan; Hij legt elke heerschappij tegen hem af, en geeft hem over aan de willekeur der booze geesten. Ach, wat zal er dan met zulk eene ziel gebeuren? De booze geest is een schepsel, dat eene zeer groote kennis en kracht bezit, een onverzoenlijker! haat, woede en razernij tegen den mensch, en eene boven-menschelijke macht. Wat kan zulk een geest den verdoemde niet aandoen?

Oefen i n g e n.

1. Belijdenis. — O Jezus! hoe verschrikkelijk zijn Uwe oordeelen en hoe streng is Uwe rechtvaardigheid! — Welk een oneindig kwaad is de zonde en hoe bitter zijn hare vruchten! — Voor eeuwig van het aanschijn Gods verstoo-ten, voor eeuwig uit het hemelsch Paradijs verdreven, voor eeuwig door alle uitverkorenen gevloekt, voor eeuwig-door de tirannij des boozen geestes verdrukt worden, dat is het loon der zonde!

Heb ik tot dusverre die waarheden wel geloofd! Ach! juist dit is het, wat mijne boosheid vergroot; ik heb geloofd, dat eene enkele zonde voldoende was, om mij voor eeuwig van Jezus te verwijderen; ik heb geloofd, dat eene enkele zonde genoeg was om God en met God elke gelukzaligheid te verliezen; en evenwel heb ik gezondigd; en zonder schroom, zonder vrees, zonder schrik gezondigd; ik weet niet, of mijne verblindheid dan wel mijne boosheid

-ocr page 64-

52

grooter is. O Jezus! onttrek mij toch Uwe barmhartigheid niet!

2. Eesluit. Wat moet ilc dan doen .' waartoe moet ik besluiten? U, o hoogste goed! mijn laatste doel en einde! moet ik in de glorie aanschouwen, zou het mij ook duizendmaal het leven kosten; U o Jezus, mijn beminde Verlosser ! moet ik in den hemel bezitten, zou ik ook niet anders dan door de wreedste pijnen tot U. kunnen komen. U, o Maria, mijne allerliefste Moeder, U, o dierbare uitverkorene! moet ik in het hemelsch Paradijs aanschouwen en beminnen, al zou het ook mijn bloed en leven kosten. — Te dien einde zal het besluit mijns levens wezen; liever duizendmaal sterven, dan nog eens te zondigen! — Hemelsche geesten! Gij zijt getuigen van mijn oprecht hart, ik wil liever duizendmaal sterven, dan nog eens te zondigen.

II.

De verdoemde in de hel heeft God tot zijn grootsten vijand.

Zoo is het. Al wie God verliest als den grootsten vriend, . heelt God tot grootsten vijand. — Hoe kan echter God, Die het hoogste goed en 's menschen eenige zaligheid is, 'smenschen eenigst ongeluk worden'? Let op, mijne ziel! en overweeg wel, hoe God ten aanzien der verdoemden handelt, dan zult gij deze waarheid duidelijk genoeg erkennen.

1. God onderhoudt in de verdoemden de levendigste kennis Zijner oneindige schoonheid, en de vurigste begeerte om die te bezitten. — Wanneer de ziel geene grootere kennis in de hel had, dan zij op aarde bezat, dan ware zij van de grootste pijn verlost; wijl echter dit licht haar die onmetelijke zaligheid, welke zij in God zou kunnen genieten, op het levendigste voor oogen stelt, daarom is

-ocr page 65-

I

53

hare ellende onbegrijpelijk; zij verlangt elk oogeiiblik met de vurigste begeerte naar God en wordt op hetzelfde oogen-blik op nieuw verstoeten. Ach! welk eene pijn zou het wezen, indien een mensch met handen en voeten aan een paal vastgehecht, een vat vol van den heerlijksten drank voor zich had, maar nooit er van kon drinken, en dit gedurende duizend jaren !

2. God onderhoudt in de verdoemden het gezicht van Zijn vertoornden blik. — Hij vertoont zich aan de oogen der ziel nooit anders, dan als op het hevigste op haar vertoornd, steeds tegen haar gewapend, aanhoudend bezig,

haar te vervolgen en te pijnigen. Derhalve tracht zij eindeloos van Hem te vluchten. Zijnen toorn te ontgaan; maar hoe verder zij zal willen vluchten, des te meer zal Hij tot haar naderen, opdat zij gevoele, hoe zwaar Zijne hand en hoe bitter Zijn toom zij! — Hoe groot de pijn is, kan men licht beselïen. Evenals het aanschouwen alleen van Gods liefderijk aangezicht toereikend is, om alle Heiligen des hemels met oneindige vreugde te vervullen, zoo is ook het aanschouwen alleen van Gods vertoornd aangezicht voldoende, om alle verdoemden eene oneindige droefheid en schrik aan te jagen.

3. God houdt den verdoemde in het leven! liet grootste verlangen des verdoemden is de dood; want, daar hij ziet, dat het onmogelijk is, den vertoornden God te bevredigen, zoo reikhalst hij naar den dood als het eenige middel, om aan zijne ellende te ontkomen; maar het is te vergeefs, zoolang God leeft, zoolang zal ook de verdoemde leven, en evenals God de Heiligen in den hemel voor eeuwig laat leven, om hen steeds met nieuwe wel lusten te vermaken, zoo zal Hij ook aan de verdoemden in de hel het leven voor eeuwig laten houden, om hen steeds met nieuwe folteringen te pijnigen.

-ocr page 66-

54

4. Goil onderhoudt tegen den verdoemde Zijnen toorn.— Die ongelukkige menscli zal duizend- en duizendmaal zijne zonden vervloeken; hij zal zoo hartverscheurend zuchten, dat harde steenrotsen zich daarover zouden ontfermen; hij zal zooveel tranen storten, dat men zal kunnen zeggen: nu heeft hij voor elke doodzonde duizend millioenen jaren geleden; en dat alles beweegt God niet tot medelijden. Hij gaat voort met don verdoemde te haten, en zal hem gedurende eene gansche eeuwigheid zonder ophouden haten. Daar dit nu de verdoemde weet, zoo geraakt hij in eene algeheele wanhoop, hij raast en tiert, hij woedt en wordt toornig; nog meer, hij vat een inwendigen haat tegen God op en wordt, als het ware, een duivel, die God zonder ophouden zal haten, vervloeken, duizenderlei lasteringen tegen Hem zal uitbraken en zulk een afkeer tegen Hem opvatten, dat, ware het mogelijk, hij Hem zou vernietigen en geheel en al verdelgen.

Oefeningen.

1. Vrees. O hoe zoet is het, een goeden God voor zich te hebben, en hoe biter is het een vertoornden God voor zich te hebben! Hoe zoet is het een vrijgevigen God aan te treilen, en hoe bitter is het een straffenden God te moeten aantreffen! Hoe zoet is het, in den stroom van wellusten te baden, die God over de uitverkorenen zal uitstorten, en hoe bitter is het, in den afgrond van alle kwaad te liggen, waarmede God de verdoemden zal overladen. Hoe zoet is het God te genieten, en wel voor eeuwig; maar ook hoe bitter God te verliezen en dat wel voor eeuwig. Wat kan mij toch tegen dit overgroote kwaad vrijwaren? Ach mijne ziel! na de zonde bedreven te hebben, is er geen middel meer over, dan eene oprechte boetvaardigheid

-ocr page 67-

55

eu beterschap! ITet zij dan zoo, ik koer mij uit alle krachten tot U en verzucht!

'2. Berouw. O raijn God! ik haat, verfoei en vervloek uit geheel raijn hart alle zonden, die ik tot op dit oogenhlik heb bedreven. Ik erken, hoe kwalijk ik heb gehandeld! De zonde is het grootste kwaad voor Uw aanschijn, omdat zij eene beleediging Uwer oneindige goedheid en barmhartigheid is; de zonde is het grootste kwaad voor mij, daar zij de ondergang mijner eenige onsterfelijke zielis; ik haat ze dus, ik verfoei en vervloek ze uit geheel mijn hart. — O, hadde ik toch nooit gezondigd, raijn Jezus! o hadde ik U mijn hoogste goed toch nooit beleedigd! maar bet is geschied! U mijn laatste doel en einde, mijne eenigste zaligheid, heb ik verloren en ik kan U niet weder-vinden dan door boetvaardigheid en tranen. O mijn hart! wees dan bedroefd; houd u niet te vreden met eene geringe smart! breid u uit en verwijd u, zooveel gij kunt! Jezus, Gij zijt raijn getuige. Indien ik duizend levens had, zou ik alle duizend in pijnen en folteringen opofferen, zoo ik mijne zonden kon herroepen! Alzoo wil ik, o God! en aldus heb ik berouw over mijne zonden; en die wil en dat berouw wil ik, dat voor Uwe allerheiligste oogen zoo dikwijls vernieuwd worden, als er druppelen water zijn in alle rivieren en zeeën der wereld, — Vul Gij aan, o Jezus! wat mij ontbreekt, en offer in plaats van raijn berouw die smart, welke Gij in den Olijf hof voor raijne zonden hebt gevoeld, aan den heraelschen Vader op!

3. Voornemen. Wat zal ik echter in het vervolg doen ? Nooit eenige zonde meer, o mijn Jezus! nooit eenige zonde meer! Zou ik de zonde niet anders kunnen vermijden, dan wil. ik liever den wreedsten dood ondergaan, dan zondigen; zou ik de zonde niet anders kunnen vermijden dan door schande en bespotting, dan wil ik liever van de geheele

-ocr page 68-

56

wereld gehaat en met voeten vertreden worden, dan zondigen! Ik wil liever sterven, liever mijzelven levendig in een vuur-kolk werpen, liever tot liet niet terugkeeren, dan zondigen! — Derhalve zal ik in het vervolg alle dagen en uren, alle minuten en oogenblikken gebruiken, om God, mijn hoogste goed te beminnen en te omhelzen! O mijn Jezus! druk dit voornemen recht diep in mijn hart, bewaar het in mij en maak, dat ik in eeuwigheid niet meer daarvan afwijke!

Vierde JVIeditatie.

Derde day.

Eerste Meditatie van dezen dag.

Over ue tweede pijn der hel, te weten, de

pijn van gevoel.

I.

De pijn van gevoel in de hel is ontzettend en verschrikkelijk in haar wezen. Verbeeld u, mijne ziel, dat gij in een donkeren nacht op eene hooge rots staat en beneden u de aarde zich opent en gij in het midden der hel neder-ziet; — verbeeld u, dat deze is een in het midden der aarde opgerichte gevangenis, eenige mijlen hoog, eenige mijlen lang en eenige mijlen breed, geheel en al door zwavelzuur gevuld en door harde rotsen ingesloten, zoodanig dat zelfs niet de minste rook gedurende de geheele eeuwigheid kan ontsnappen; — dat in die gevangenis de verdoemden zoo dicht op elkander liggen als de steenen in een oven. — Overweeg dan de hoedanigheid van het vuur, waarin de verdoemden branden!

1. Dit vuur is algemeen en pijnigt het geheele lichaam

-ocr page 69-

57

en de gelieele ziel. Zoo ligt dan de verdoemde in de hel op de plaats, die hem de goddelijke rechtvaardigheid heeft aangewezen. Hij is rondom van vuur omgeven, gelijk de visschen in het water. — Het hoofd, de oogen, deooren, de handen, de lippen, de wangen zijn-niets dan vuur; de armen, de voeten, de rug, de borst zijn niets dan vuur; alle ledematen des lichaams gelijken een gloeiend ijzer, dat men pas uit het vuur haalt; alles is door dit vuur omgeven, ontvlamd, ontgloeid en ^doordrongen. — Alles wat hij ziet en aanraakt is vuur. — Nog niet genoeg, dit vuur is zoowel inwendig als uitwendig, het omgeeft niet slechts de uitwendige, maar ook de inwendige deelen des lichaams. — Wat nog verschrikkelijker is, dat vuur is in het geheugen, in het verstand, in den wil, in alle krachten der ziel, alles is er van doordrongen en ontgloeid. — Wanneer men mij zoo aan een ijzeren oven vastklampte, dat het overige gedeelte des lichaams zich wel is waar in de vrije lucht bevond, een arm echter tot aan den schouder in het vuur stak, en God mij op die wijze duizend jaren liet leven, welk eene ondraaglijke pijn zou dat wezen! Wat zal het dan zijn, niet alleen ten aanzien van een arm, maar van alle ledematen des lichaams en van alle krachten der ziel door het vuur te worden omgeven en doordrongen ?

2, Dat vuur is verschrikkelijker, dan zich een mensch kan verbeelden. — Al is het vuur hier op aarde nog zoo hevig brandend en smartelijk, het is toch slechts eene schaduw van dat vuur, hetwelk in de hel brandt, en wel om de volgende redenen: Vooreerst om Gods rechtvaardigheid; want, daar Hij het als een werktuig gebruikt, om de misdaden te wreken, welke Zijner opperste Majesteit zijn aangedaan, zoo heeft Hij aan dit element eene bijna oneindige kracht tot branden medegedeeld. — Ten tweede,

-ocr page 70-

58

om do boosheid der zonde; want, wijl God weet, dat het aardsche vuur niet veldoende is, om de zonde naar verdienste te straffen, zoo heeft Hij aan het vuur der hel zulk eenc kracht geschonken, dat een menschelijk verstand haar nooit zal kunnen heprijpen.

3. Sta hier een weinig stil, mijne ziel' en antwoord

mij____Ik vraag vooreerst: Zie; men brengt een metalen

os, steekt daaronder een vuur en maakt hem door en door trloeiend, zooals voorheen de tirannen deden. Daarna toont

o '

men u alle vermakelijkheden, onschatbare goederen en rijkdommen, een geheel koninkrijk met de bemerking: dat alles behoort u, zoo gij gedurende een half uur in dien gloeienden os wilt zitten, wat zoudt gij kiezen? Ach! zoudt gij zeggen, indien men mij honderd koninkrijken aanbood, zou ik toch zoo dwaas niet wezen, om vrijwillig zulk een foltering te ondergaan, al wist ik ook dat God mijn leven zou sparen. Ik vraag u ten tweede: Indien gij werkelijk een geheel koninkrijk bezat en daarbij onmetelijke goederen en rijkdommen, eer en aanzien, genoegen en vermaken naar lust, maar er zou een vijand in het land komen, die u gevangen nam en zeide: gij moet of het ge-heele koninkrijk vrijwillig afstaan of gedurende een half uur in dien gloeienden os doorbrengen, wat zoudt gij antwoorden? Ach, zoudt gij zeggen, ik wil liever mijn geheel leven in de uiterste armoede en in nood, in bespotting en verachting, in ellende, en in moeijelijkheden doorbrengen, dan zulk een pijn lijden. — Keer nu uwe gedachten van het tijdelijke tot het eeuwige: om de folteringen van dien gloeienden os, welke slechts een half uur duurden, te ontgaan, zoudt gij aan alles vaarwel zeggen, hoe aangenaam het ook zijn moge, en alles verdragen, hoe moeielijk het ook zij; waarom spreekt gij niet aldus, als het het eeuwige geldt?

-ocr page 71-

59

Gotl bedreigt niet met een metalen os, maar met cene gevangenis van vuur; zoudt gij oin deze te ontgaan, niet alles vermijden, wat Hij heeft verboden, hoe vermakelijk het ook zij? zoudt gij niet alles doen en lijden, wat Hij heeft geboden, hoe moeielijk het ook zij?

Oefeningen.

1. Vrees. Al deze waarheden, o mijn God! waren mij bekend en ik geloofde ze. Hoe heb ik echter geleefd ?.... Ach! welk eene droefheid veroorzaakt mij die vraag! Ik heb gezondigd, ik heb de hel verdiend, maar waarom heb ik de hel verdiend ? Heeft men mij een koninkrijk aangeboden , indien ik zondigde; of heeft men mij met den dood gedreigd, als ik niet zondigde. Ach! neen. Om eene zoo nietige zaak heb ik gezondigd en de hel verdiend; zoo verblind, zoo dwaas, zoo wreed was ik tegen mij zeiven! Dan ik hoop, dat Gij mij het verleden zult hebben vergeven, o allerbarmhartigste God! wat mij vrees en schrik aanjaagt, is de toekomst. Ik kan op nieuw zondigen, ik kan in de zonde sterven, ik kan verloren gaan! De booze neigingen, die mij voorheen hebben doen vallen, zijn nog niet gestorven; de versterving was te klein, de goddelijke rechtvaaardigheid is nog niet voldaan, de boetvaardigheid was te gering! De goddelijke goedheid is nog niet volkomen gewonnen, de ijver was niet groot genoeg! — Ach! het is waar! ik kan op nieuw zondigen, ik kan in de zonde sterven, ik kan nog verloren gaan!

2. Ootmoedig gebed om genade. O mijn God! bij zulk eene onzekerheid mijner zaligheid weet ik niet anders te doen, dan mijne handen en oogen tot IJ op te heffen en U ootmoedig om barmhartigheid te smeeken! O Jezus Christus! mijn God, mijn Verlosser, mijn al! denk aan de wonden, die Gij voor mij hebt ontvangen; aan de smarten.

-ocr page 72-

60

die Gij voor mij hebt geleden; aan liet kostbaar bloed, dat Gij voor mij hebt vergoten. — Denk aan het geduld, dat mijne zonde zoo lang beeft verdragen; aan de barmhartigheid, die mij op vaderlijke wijze tot boetvaardigheid heeft uitgenoodigd; aan de goedertierenheid, die mij zoo genadig heeft vergeven. — Herinner U aan de goedheid, die mij boven zoovele duizenden tot den geestelijken staat heeft geroepen; aan de langmoedigheid, die mijne aanhoudende goddeloosheid zoo geduldig heeft verdragen; aan de liefde, die mij na het misbruik van zoovele genaden op

nieuw tot de volmaaktheid uitnoodigt.....Hoe! zou dit

alles dan voor mij verloren gaan ? Ja, o Jezus! het zal verloren 'gaan, als Gij U niet over mij ontfermt. — Ach! keer dus Uwe vaderlijke oogen tot mij, o Jezus! en maak mij zalig!

H.

De pijn van gevoel in de hel is verschrikkelijk ten aanzien der duurzaamheid .... Het verschrikkelijkste wat men in de hel vindt, is hare duurzaamheid. De verdoemde verliest God en voor eeuwig; de verdoemde brandt in de hel, en voor eeuwig.... Wat is echter de eeuwigheid? mijne ziel! Wat de eeuwigheid is, heeft nog geen engel doorgrond, hoe zult gij het doorgronden 1.... Doch, om u een klein denkbeeld daarvan te vormen, overweeg de twee volgende waarheden:

1. De eeuwigheid is zonder einde .... Dit is die verbazende waarheid, welke ook de Heiligen deed beven. Het laatste oordeel zal komen; de wereld zal vergaan; de verdoemden zullen in de hel worden neergestort en God zal die rampzalige gevangenis met Zijnen almachtigen arm sluiten . . . . Er zullen zoovele duizenden jaren voorbijgaan, als er bladeren zijn op alle boomen der aarde; zoovele duizenden jaren als

-ocr page 73-

61

ei' druppelen water in allo rivieren en zeëen zijn; zoovele duizenden jaren als er stofdeeltjes in de lucht zijn; zoovele duizenden jaren als er zandkorrels aan alle oevers der zee zijn.... Na verloop van een zoo eindeloos getal jaren, wat zal er wezen? De eeuwigheid! Er is nog niet de helft van haar voorbij, nog niet het honderdste gedeelte, nog niet het duizendste gedeelte, er is nog niets van haar voorbij .... Nu begint zij opnieuw en zal nog eens zoolang duren, zij zal nog duizend millioenenmaal zoolang duren. En na dit alles is nog niet de helft voorbij. —Tot dusverre hebben de verdoemden in het vuur gebrand en nu beginnen zij eerst opnieuw te branden!.... O geheim boven alle geheimen. O schrik boven alle schrik! o eeuwigheid! wie zal U begrijpen? Wij willen veronderstellen, dat de rampzalige Kaïn in de hel weent, maar elke duizend jaren slechts eene enkele traan .... Breng nu al uwe gedachten te zamen en spreek aldus.... Nu is Kaïn reeds meer dan vijfduizend jaren in de hel en heeft nog niet meer dan vijf tranen gestort; welk een getal moet nog verloopen, tot dat die tranen eene groote rivier vormen? Welk getal jaren is reeds verloopen, en moet nog verloopen, tot dat die tranen al de dalen en valleien der aarde met water vullen; alle dorpen, steden en kasteelen met water overstroomen; alle bergen overloopen en honderd ellen hoog boven de toppen der bergen alles met water aanvullen? Van de aarde tot aan de zon zijn veertigmaal hondderdduizend mijlen, welk een eindeloos getal jaren moet verloopen, tot dat die tranen dien verren afstand geheel onder water zetten? — Het uitspansel is van de aarde 16 millioenen mijlen verwijderd; o God! welk een oneindig getal jaren zal noodig zijn, tot dat die tranen dien onmetelijken afstand, welke tusschen hemel en aarde is, met water aanvullen ? En toch! eene onbegrijpelijke waarheid; die even zoo zeker is, als liet

-ocr page 74-

62

zeker is, dat God geene onwaarheid kan spreken; en toch zou er tijd komen, waarop de tranen van Kaïn dat alles zouden overstroomen, zicli tot aan de zon verheflen, tot aan het firmament opklimmen en alles van de aarde tot aan den hemel met water zouden aanvullen.... Nog meer, als God al dat water tot aan de laatste traan vernietigde en Kaïn weer op nieuw begon te weenen, dan zou hij nogmaals alles van de aarde tot aan den hemel met water vullen; hij zou het honderdmaal, duizendmaal, honderd-duizendmaal enz. vullen . .. En daarna is nog niet de helft van de eeuwigheid voorbij. Tot dusverre hebben de verdoemden in de hel gebrand en beginnen weer op nieuw te branden.

2. De eeuwigheid is zonder onderbreking en verkwikking — Het was inderdaad voor de verdoemden weinig troost en voordeel, indien zij alle duizend jaren eene kleine verkwikking konden hebben .... Wij willen ons verbeelden, als zagen wij eene plaats in de hel en daarin drie verdoemden. De eerste is gedompeld in eene met zwavelvuur gevulde zee; de tweede is aan een rotsklomp vastgehecht en wordt van twee booze geesten gepijnigd; de eene schut hem aanhoudend gesmolten lood in den mond, de andere giet het, van het hoofd tot aan de voeten over het lichaam. De derde wordt door twee slangen gefolterd; de eene rolt zich uitwendig om het lichaam en bijt en knaagt aan hetzelve op een jammerlijke wijze; de andere kruipt hem in den mond en zet hare tanden aan het hart.... God ontfermt zich over hen en vergunt hun eene kleine verkwikking. Den eerste neemt men telkens na verloop van duizend jaren uit dien brandenden poel en geeft hem een teug versch water, maar een uur daarna werpt men hem weer in den pool; den andere ontbindt men na verloop van duizend jaren van de rots en laat hem uitrusten, maar een uur

-ocr page 75-

63

daarna hecht men hem weer vast oio de vurige pijn te ondergaan; den derde verlaten telkens na verloop van duizend jaren de slangen en gunnen hem eene verkwikking, maar een uur daarna vallen zij hem weer aan en zetten hare folteringen voort.... Ach! welk een geringe troost zou dat wezen, duizend jaren lijden en een enkel uur uitrusten! ook dit is niet in de hel.... Immer en altijd in de wreedste vlammen branden en nooit eenige verkwikking-hebben, en dat voor eeuwig! immer en altijd van de helsche serpenten gebeten en gestoken worden en nooit eenige rust genieten, en dat voor eeuwig! immer en altijd den hevigsten honger lijden, en nooit een enkel stukje brood tot spijs hebben, en dat voor eeuwig; immer en a!tijd den brandendsten dorst gevoelen, en nooit een druppel water drinken, en dat voor eeuwig! immer en altijd door God gehaat worden en nooit een minzaam oogslag bekomen, en dat voor eeuwig! immer en altijd van den hemel en de hel vervloekt worden en van niemand een teeken van liefde ontvangen, en dat voor eeuwig!.... dat is het wezenlijke ongeluk der hel.... Alles is zonder hulp, zonder verkwikking, zonder onderbreking zonder einde! eeuwig! eeuwig!

Oefeningen.

1. Dankzegging.... Nu erken ik, o God! wat de hel is; ik weet wat de eeuwigheid is; het is eene plaats dei-uiterste droefheid, eene plaats der uiterste smart, eene plaats der uiterste wanhoop en dat is de plaats, welke ik om mijne zonden heb verdiend en waarin ik reeds sedert vele jaren zou verwijld hebben, indien mij de matelooze barmhartigheid Gods niet gered hadde.... Deze woorden zal ik, o mijn God! duizend- en duizendmaal herhalen. Het Hart van Jezus heeft mij bemind, anders was ik reeds o[) dit oogenblik in de hel; de barmhartigheid van Jezus

-ocr page 76-

(34

heeft mij gespaard, anders was ik reeds op dit oogenblik in de hel; liet bloed van Jezus heeft den hetnelschen Vader verzoend, anders was ik reeds op dit oogenblik in de hel. Dit zal den lofzang wezen, dien ik God ter eer zal aanheffen.... Ja, reeds wensch ik die woorden zoo dikwijls herhaald te hebben als er oogenblikken vervlogen zijn van af dat rampzalig uur, waarin ik 1 voor de eerste maal heb beleedigd.

2. Berouw. Welke dankbaarheid heb ik echter God voor zulk eene oneindige goedheid bewezen? Hij heeft mij van

de hel verlost! o onmetelijke liefde en barmhartigheid----

Na zulk eene weldaad had ik Hem immers geheel mijn hart moeten schenken en Hem als een Seraf des hemels beminnen; ik had immers in al mijne werken geene andere begeerte moeten hebben, dan om Hem de volmaakste verheerlijking te toonen; ik had immers al de wederwaardigheden met vreugde moeten aannemen om Hem mijne wederliefde te schenken; want wat had ik minder kunnen doen, na eene zoo groote weldaad? Wat is er echter geschied? O ondankbaai heid, die eene nieuwe hel verdient! Ik heb u op zij geschoven en Uwe barmhartigheden met nieuwe zonden en misdaden vergolden: ik erken mijne misdaad , o God! en heb er uit het diepste van mijn hart berouw over! Ach! kon ik eene geheele zee van tranen storten, om ze genoeg te beweenen! — O Jezus! ontferm U mijner; ik heb nu meer dan ooit besloten, liever duizendmaal te sterven, dan U nog eens te vergrammen.

-ocr page 77-

(55

Vijfde Meditatie.

Einde der eerste week op den weg der zuivering.

Tweede Meditatie van dezen dag.

Wki.ke vruchten men uit de vorige meditatiën

moet trekken.

Wij hebben nu overwogen, mijne ziel! welkeeneellende eene ziel te wachten heeft, die haar laatste doel en einde door de zonde verliest. Wat kan en zal echter die kennis baten, als wij niet de hand aan het werk slaan en alle middelen aanwenden, om niet in die ellende te vallen en ons laatste doel en einde zeker te bereiken ? Wat moet men dan doen ? Ik zal n alles klaar voor oogen stellen; let op en overweeg het met aandacht voor het aanschijn des gekruisten Jezus.

§1-

De eerste vrucht, die de ziel uit de vorige meditatie moet trekken is over de bedreven zonden een volmaakt

berouw te verwekken..... Zeg eens, mijne ziel! in welk

een toestand bevindt zich uw geweten? Indien op dit oogenblik een engel uit den hemel nederdaalde, en u zeide: Maak u gereed, over een uur zult gij sterven en voor den rechterstoel van Jezus Christus staan; hoe zoudt gij dan gesteld zijn? Zoudt gij liet wagen in den staat te sterven, waarin gij thans zijt ? .... Hebt gij uwe biechten zoo gedaan, dat gij met grond kunt vertrouwen en hopen, dat uwe zonden u zijn vergeven ? — Hebt gij niets op het hart, dat u op het oogenblik angst veroorzaakt? Kortom, zoudt gij in dien staat willen sterven, waarin uw geweten tlians is? Antwoord , maar voor het aanschijn van Jezus

-ocr page 78-

06

Christus. — Weet, mijne ziel! de eerste schrede tot God, de eerste trap tot heiligheid, de eerste steen tot de inwendige rust is, door een oprechte boetvaardigheid het hart in zulk een staat te stellen, dat men elk oogenblik gerust een haastigen dood zou willen sterven en voor den goddelijken Rechter verschijnen.

Tot zulk een gelukkigen staat der ziel zijn de volgende voornemens noodig:

Het eerste besluit.

Ik zal gedurende deze oefeningen, zoo het nog niet geschied is, mijne biecht spreken met zulk een nauwkeurig onderzoek van mijn geweten, met zulk een ijver en herhaling van berouw en leedwezen, met zulk een oprechte belijdenis in den biechtstoel, dat het geweten kan zeggen. Ik heb gedaan, wat God tot vergiffenis mijner zonden van mij eischt, en kan nu zonder vrees voor Zijnen rechterstoel verschijnen. — O mijne ziel! welk een zoeten tioost, oprechte rust en zekere hoop op het eeuwig leven schenkt eene zoodanige biecht....

Het tweede besluit.

Ik zal al mijne biechten met zulk een nauwkeurig onderzoek , met zulk een innig berouw en leedwezen, met zulk eene oprechte belijdenis verrichten, als of ik zeker wist, dat het mijn laatste biecht in mijn leven ware.

§2.

De tweede vrucht, welke de ziel uit die meditatiën moet trekken, is voor de bedrevene zonden aan de goddelijke rechtvaardigheid zoo veel mogelijk voldoen.... Mijne ziel! sla nog eens uwe oogen terug op dien helschen kerker en

-ocr page 79-

07

overweeg de volgende gedachten .... Zie! juist op dit oogen-blik Iaat zich een straal der goddelijke barmhartigheid in die duistere woning aanschouwen en eene stem wordt vernomen, die den ongelukkigen Kaïn aldus toespreekt: Vijfduizend jaren hebt gij in die vlammen gebrand; Ik ben nu tevreden en wil mij over u ontfermen; maar onder voorwaarde, dat gij op de wereld terugkeert en alle smarten, ziekten, elke verachting en beschimping, alle kruisen en wederwaardigheden uit liefde tot Mij stilzwijgend lijdt, alsdan zal Ik uwe zonden vergeven en u zalig maken!.,.. O welk eene stem! welke vreugde zou in het hart van Kaïn ontstaan! O oneindige Goedheid! zou hij uitroepen, o onmetelijke barmhartigheid! met vreugde wil ik gedurende duizend jaren alles lijden, wat ooit een mensch geleden heeft, indien ik slechts vergeving erlange en l' in uwe glorie moge aanschouwen!... Ach, mijne ziel! zeg mij eens, hebt gij niet verdiend in de hel geworpen te worden, evenals Kaïn? Is echter de genade, welke God u schonk, door u tijd tot boetvaardigheid te verleenen, niet even zoo groot, als of Hij er u werkelijk had uitgetrokken? Waarom tracht gij dan niet ware boetvaardigheid te doen en door het geduldig verdragen der wederwaardigheden God voldoening te geven voor dien smaad, welken gij Hem door uwe zonden hebt aangedaan ? De voornemens, die daartoe kunnen dienen, zijn de volgenden:

Het e e i' s t e besluit.

Ik zal die middelen, welke God ter voldoening voor de zouden verordent, met allen mogelijken vlijt en ijver gebruiken ....

De voornaamste dezer middelen zijn:

1. Met H. Sacrament van boetvaardigheid....

2. Het H. Misoffer....

-ocr page 80-

08

3. De aflaten....

4. Herhaalde oefening van een volmaakt en vurig berouw

en leedwezen....

5. Alle werken van boetvaardigheid en versterving----

H et tweede besluit.

Ik zal alle moeielijkheden, die mijn staat medebrengt, en alle wederwaardigheden, die de goddelijke voorzienigheid mij overzendt, uit liefde stilzwijgend verdragen.... Zoo dikwijls mij eene wederwaardigheid overkomt, zal ik deze verzuchting in mijn hart herhalen: O barmhartige God! wat ik verdiend heb, is een verschrikkelijk en eeuwig lijden in de hel; en wat ik verduur, is slechts een kort en gering kruis op aarde.

§3.

De derde vrucht, welke de ziel uit die meditatiën moet trekken, is alle dagelijksche zonden te vermijien, inzonderheid die, welke den weg banen tot zware zonden. Het is niet genoeg mijne ziel! een vast en ernstig voornemen te maken om liever den dood dan eene zware zonde te kiezen; men moet ook een soortgelijk voornemen hebben, om de dagelijksche zonden te vermijden. Die niet zoodanig gestemd is. staat nooit zeker; niets kan ons op aarde een zekere hoop op de zaligheid geven, dan een voordurende zorg, om alle, ook de kleinste dagelijksche zonden te vermijden en een groote en algemeene ijver, die zich tot alle oefeningen van het geestelijk leven uitstrekt: ijver in uw gebed, ijver in de ootmoedigheid en het verdragen dei verachtingen, ijver in de gehoorzaamheid en in de onderdrukking van den eigen wil, ijver in de liefde tot God en

-ocr page 81-

69

den naaste. — Alwie dien ijver wil verkrijgen en daarin volharden, moet noodzakelijk het besluit nemen, de volgende zouden voor altijd te vermijden:

1. Hij moet geen kwaad vermoeden, kwaad oordeel, noch verachting van den evenmensch in het hart toelaten ____

2. Geen toorn en misnoegen langer in hot gemoed dulden____

3. Niet over de fouten van den evenmensch spreken, noch door achterklap de liefde en eendracht storen....

4. De geestelijke oefeningen niet uit lauwheid achterlaten, noch met vrijwillige verstrooidheid verrichten____

5. Geene ongeregelde liefde in het hart dulden, noch tot onzuivere gedachten vrijwillig gelegenheid geven3 of in het onderdrukken er van nalatig zijn....

0. Niet zichzelven hoogachten en anderen verachten, noch ten opzichte van zichzelven een ongeregeld welbehagen scheppen....

7. De Heilige Sacramenten niet zonder ernstige voorbereiding, met lauwheid, met verstrooidheid of oneerbiedigheid ontvangen....

8. De wederwaardigheden niet met ongeduld en zonder op God een blik te slaan, aannemen, en aldus de wegen en de leiding der goddelijke Voorzienigheid ten opzichte van zichzelve vernietigen.

9. Niet met opzet een gesloten hart hebben, de booze neigingen, zwakheden, fouten voor hen niet verborgen houden, die dit alles moeten weten, en dus den weg der deugd volgens de leiding der gehoorzaamheid, en niet volgens zijn eigen zin bewandelen.... Mijne ziel! wij beiden staan voor het aanschijn Gods; ik, terwijl ik dit schrijf, en gij, terwijl gij dit leest; ik zal rekenschap moeten afleggen van de leer, die ik u voorhoud; en gij

-ocr page 82-

70

van de gehoorzLuimlieid, die gij er mui bewijst. — Ik zeg het u derhalve ronduit, indien gij niet kunt besluiten, die dagelijksche zonden te vermijden, dan zult gij uit deze geestelijke oefeningen geene de minste vrucht trekken; gij zult nooit zelfs niet den laagsten trap der geestelijke volmaaktheid beklimmen; gij zult nooit tot eege gemeenschap met God, noch tot den inwendigen vrede des harten geraken, noch tot een staat, waarin gij den dood zonder vrees kunt afwachten. Kunt en wilt gij echter daartoe besluiten, werp u dan op uwe knieën, neem het beeld van den Gekruiste in de hand en offer Hem uwe besluiten op de volgende wijze: O mijn God! o mijne gekruiste liefde! Jezus Christus! door Uwe barmhartigheid heb ik nu licht genoeg. Ik erken, wat het is, U voor eeuwig te bezitten, en wat het is, U voor eeuwig te verliezen! O mij, gelukkige mensch, indien ik U zal vinden. O mij, ongelukkige mensch, indien ik U zal verliezen!.... Ik erken, dat ik het eerste nooit zeker kan hopen, en dit laatste altijd moet vreezen, zoolang ik mij aan U niet zonder voorbehoud overgeef, alle, ook de kleinste zonden niet meer dan den dood vlucht,

niet met vurigheid en ijver U begin te dienen----Hetzij

dan zoo! Ik bemin U en omhels U uit het innigste mijns harten, o mijn Jezus! Gij zijt het hoogste goed, waardig om boven hemel en aarde, boven Engelen en menschen bemind te worden; ik bemin U dus en omhels L uit het binnenste mijns harten en zou wenschen, dat ik U zoo kon beminnen, als de hoogste Seraf des hemels U lielheeft. Gij zijt mijn eenigst doel en einde, mijne eenigste zaligheid, het eenigst doel van al mijne begeerten, U wil en moet ik in den hemel bezitten, al zou het ook duizendmaal het leven kosten!.... Voor Uw aanschijn maak ik derhalve dit ernstig besluit, al deze voornemens op het zorgvuldigste na te komen, en er niet meer van af te wijken .... O mijn

-ocr page 83-

71

Jezus! ik bid U dour Uw kostbaai' bloed, versterk uiijne zwakheid en geef mij kracljtdudige genaden, opdat ik iji mijn voornemen volharde....

Eerste Meditatie.

Bcyin dar tweede week op den wey der verlichting.

Derde Meditatie van dezeu dag.

Over het rijk van Jezus Christus.

Met deze Meditatie begint de tweede week der geestelijke oel'eningen. Zij bevat vijf overwegingen, wier doel en einde het volgende is:

In de overweging der eerste week hebben wij onze zonden betreurd en ons vastelijk voorgenomen, voortaan God van harte te beminnen en uit alle krachten ons laatste doel en einde te zoeken; wijl wij echter verblind zijn en den weg niet kennen, zoo heeft ons de hemelsche Vader Zijnen eenig geboren Zoon tot geleidei- gegeven, Die ons den weg aantoont en tot voorbeeld dient, dat wij moeten volgen.

L

Met is billijk Christus na te volgen.

Twee redenen toonen ons de billijkheid dier navolging duidelijk aan. Overweeg ze wel, mijne ziel!

De eerste reden is het doel en einde, waarom Christus op de wereld gekomen is. Ach! Hoe slecht zou het met de wereld gesteld geweest zijn, indien Christus niet ware gekomen. Onze eerste ouders zijn gevallen en hebben zich zeiven en ons van het recht op den hemel beroofd. Van zoo vele duizend millioenen menschen, die vanaf het begin

-ocr page 84-

72

der wereld geleeld licbbon en tot liet einde zullen leven, zou niemand voor eeuwig den hemel zijn binnengegaan. Welk eene ellende voor ons! — Evenals van zoovele duizend millioenen menschen er niemand is, die den hemel kon binnengaan, zoo is er ook niemand, die God aldaar voor eeuwig kon loven; welk nadeel voor Gods

glorie!____ Nu is Christus gekomen; wij allen kunnen in

het hemelsch Paradijs binnengaan, de poorten staan open, indien wij Hem slechts willen navolgen; in den hemel zijn geheele scharen van Heiligen, die Gods H. Naam in alle eeuwigheid zullen loven en zegenen .... Zeg mij eens, kan er een hooger doel en einde zijn, dan Gods eeuwige glorie en 's menschen eeuwige zaligheid?....

De tweede reden zijn de voorwaarden onder welke Hij ons tot Zijne navolging uitnoodigt. De koningen dezer aarde zitten op hunne tronen, en wanneer er een moeielijke arbeid te verrichten, een last te dragen, een gevaar te ondergaan is, gaan zij niet in persoon, maar zenden hunne bedienden en onderdanen. Geheel anders is het met Christus. Ik wil niet, zegt Hij, dat zij, die mij navolgen, een mindere kleeding en woning, slechtere spijs en drank

hebben, dan ik____ik wil niet, dat zij meer werken dan

ik;____ik wil niet, dat zij de eersten zijn; ik zal vooropgaan en verlang niets anders, dan dat zij mij volgen----

Welke wonderbare voorwaarden! Jezus is onschuldig, ik vol zonden; Jezus is de Opperheer, ik eene handvol stof; Jezus komt den hemel toe, mij de hel; en toch wil Hij niet, dat ik meer werke of lijde, dan Hij; Hij vergt alleen, dat ik Hem navolge.

Oefeningen.

i. Dankzegging. O mijn Jezus! indien Gij geen ander doel en einde hadt, dan de eer en glorie van Uwen hemel-

-ocr page 85-

73

schcii Vader, dan zou ik reeds genoegzaam verplicht wezen U te gehoorzamen. Hij is het hoogste Goed en voor Zijne eer zou ik mijn bloed moeten geven.... Maar neen! Uw doel en einde is niet slechts de eer en glorie van Uwen hemelschen Vader, maar ook het heil en welzijn mijner ziel; Gij noodigt mij uit tot Uwe navolging, opdat ik met U dezelfde glorie, dezelfde zaligheid, dezelfde vreugde in den hemel zou kunnen genieten, ü, welk een lof, welk eene zegening en dankzegging ben ik U niet verschuldigd !....

2. Besluit. Het zij dan zoo, o mijn God; dat is het werk, waaraan de eer van Uwen H. Naam en het heil mijner onsterfelijke ziel verbonden is; ik zal U navolgen en wel op de volmaakste wijze, als mij mogelijk is, al valt het mijner natuur ook moeielijk en kost het mij ook eenige overwinning. Ik ben een schepsel, dat eene menigte van zonden heeft bedreven; een schepsel, dat gij uit het niet hebt getrokken, een schepsel, dat de hel heeft verdiend; hoe kan ik dan weigeren, dat te doen of te lijden wat Gij, de onschuld en heiligheid zelve, de Opperheer van hemel en aarde, mijn God en Verlosser, gedaan en geleden hebt.... Neen, o mijn Jezus! dat zal nooit ot nimmer gebeuren; Uw leven zal de richtsnoer van het mijne zijn, en zooals Gij hebt gewandeld, zoo en niet anders zal ook ik wandelen.

II.

Het is niet moeilijk, Christus na te volgen____Twee

zaken maken die navolging gemakkelijk., Wij zullen ze oplettend overwegen. Het eerste is de inwendige rust, vreugde en het genoegen, waarmede Christus reeds op deze wereld degenen beloont, die Hem navolgen. Christus had niet enkel kruisen op aarde. Hij had ook

-ocr page 86-

74

Zijne vreugde; bij de geboorte in oen donkeren stal, verstieten Hem de mensclien, maar de Engelen daalden van den licinel neer en verkondigden der wereld Zijne glorie; in de woestijn plaagden Hem de booze geesten, maar de Engelen versterkten Hem; terwijl Hij predikte, vloekte en lasterde men Hem, maar op den berg Thabor veranderde Hij van gedaante en verscheen in Zijne glorie, om niets te vermelden van dien overvloed van vreugde, die Hij in de aanschouwing der Godheid elk oogenblik Zijns levens genoot. Indien het leven van Christus niet enkel kruisen was, dan zal dit ook het uwe niet wezen; want Hij voegt er immers de uitdrukkelijke voorwaarde bij: Ik wil niet, dat zij meer lijden. — Ja, mijne ziel! hoe nauwkeurig en volmaakter gij Christus navolgt, des te meer vertroostingen zult gij van den hemel erlangen. Hoor slechts Zijne eigene woorden, die niet kunnen falen: Mijn juk is zoet en mijn last is licht. In de nabijheid van Jezus zijn, is altijd zoet, zelfs te midden der wederwaardigheden; van Jezus verwijderd zijn, valt altijd bitter zelfs te midden der vreugden en vermaken. Zeker, indien een druppel troost van den hemel valt, valt hij in het hart van den mensch, die Christus getrouw navolgt.

Het tweede is eene oneindige glorie en gelukzaligheid, waarmede Christus in de andere wereld degenen beloont, die Hem navolgen. Na eenige jaren zal ik in het hemelsch Paradijs zijn; ach, hoe troostvol is deze gedachte, en hoe licht moet zij ook de moeielijkheden niet maken! — Verbeeld U, mijne ziel! dat Christus u verschijnt, beladen meteen zwaar kruis en u met liefderijke oogen aanziet; te gelijkertijd opent zich de hemel en gij ziet daarin een boven vele millioenen uitverkorenen verheven troon, van zulk eene schoonheid, als nooit een oog aanschouwd heeft. Hierna spreekt u Christus aldus toe: Zie, die troon behoort u,

-ocr page 87-

75

dien zult gij voor eeuwig bezitten, als gij mij nu eenige jaren navolgt. — Ach mijne ziel! zoudt gij niet bij zulk ecne belofte Christus met vreugde navolgen? Zou u ecne zoodanige belofte niet in allen arbeid en moeielijkheden vertroosten? Waarom vermag nu het geloof zooveel niet, als eene dusdanige verschijning zou vermogen? liet geloof leert u: indien gij Christus navolgt, dan wacht een rijk op u, een hemelsch rijk, een eeuwig rijk, een oneindig vreugdevol rijk.

Oefeningen.

Hoop en vertrouwen. Ik geloof het, o mijn Jezus! en ik moet het gelooven: Uw juk is zoet en Uw last is licht. i3at zijn woorden, welke uit Uwen mond zijn gevloeid, die niet kan bedriegen. Er is niets dat mij Uwe navolging zoo moeielijk kan maken, als mijne eigenliefde en vreesachtigheid. Kon ik mij eenige jaren ernstig overwinnen en in Uwe voetstappen treden. hoe spoedig zou ik ondervinden, hoe waar Uwe belofte is! Inderdaad, welk een ellendig leven schenen die teedere Maagden te leiden, welke zich voor jaren in de eenzaamheid en afzondering begaven; en toch waren zij het, in wier harten de hemel geheele stroomen van vreugde stortte. Welk een treurig leven schenen in lateren tijd die gelukzalige Maagden te leiden, die hare dagen in vervolging en onderdrukking, in smaad en schande, in kruisen en wederwaardigheden doorbrachten? En toch waren zij het, met welke de goddelijke Verlosser de innigste gemeenzaamheid onderhield, en die Hij met zijne genade verrijkte. Zal Jezus mij alleen zonder troost laten, als ik Hem navolg 1 Zal Hij mij alleen nooit eenige hemel-sche vertroosting geven? Zal Hij mij alleen nooit iets van Zijne zoetigheden laten smaken? Dat zult Gij niet doen, o Jezus! Ik hoop en vertrouw op Uwe barmhartigheid,

-ocr page 88-

70

die zal mij Uwe navolging gemakkelijk maken. Ia die hoop keer ik dus mijn hart tot U en neem mij voor, Christus na to volgen.

III.

Met is noodzakelijk Christus na te volgen. Ik geloof mijne ziel! dat gij een ernstigen wil hebt om volmaakt te worden. Is dat zoo, dan is het noodzakelijk, dat Gij Christus zooveel mogelijk in alles navolgt. Wilt gij volmaakt zijn, zeide de goddelijke Verlosser tot dien jongeling. kom en volg mij na. Erkent gij deze waarheid ? Ach! aan de kennis ontbreekt het niet; de weg, dien Christus heeft bewandeld, is veel te lastig, die schrikt U af; doch dat is juist noodzakelijk. Want zie!

1. Christus is de oneindige wijsheid en waarheid ... Hij is op de wereld gekomen, alleen om U, mijne ziel! den weg tot de heiligheid te toonen; is het niet zoo? Luister dan: indien er een zekerder en beter weg tot de heiligheid gevonden werd, dan die, welken Hij ons toont, dan zou Hij niet de oneindige wijsheid zijn, wijl Hij dien weg niet kende; of Hij zou niet de oneindige goedheid zijn, wijl hij ons dien weg niet heeft aangetoond. Wie kan dit echter zonder godslastering denken?

2. Christus is de oneindige liefde en goedheid. — Hij bemint ons menschen en heeft er geene vreugde in ons zonder reden te kwellen, te pijnigen of te folteren. Wat volgt daaruit? Indien het mogelijk was, dat een vroolijke en aangename weg evenzoo geschikt ware, om ons tot de heiligheid en tot ons laatste doel en einde te brengen, als een lastige weg, dan zou Zijne liefde niet gedoogd hebben om ons een zoo moeielijken weg voor te schrijven. — Ach! die liefdevolle God zag namelijk, dat op den aangenamen en genoeglijken weg niets dan het eeuwig ongeluk te

-ocr page 89-

wachten is; derhalve toont Ilij ons den lastigen weg, Hij zelf bewandelt dien en noodigt ook ons uit, Hem daarop te volgen. Houd hier een weinig stil, mijne ziel! en spreek aldus bij u zeiven: Mijn leven kan uitloopen op twee plaatsen; de eene is eene oneindig ellendige, namelijk de hel; de andere is eene oneindig vreugderijke, namelijk de hemel. — Naar deze plaatsen loopen twee wegen en niet meer; de breede en genoegelijke weg, dien zulk eene menigte van menschen bewandelen, leidt naar de hel; de enge en lastige weg, dien Christus met het kleine getal van uitverkorenen bewandelt, leidt naar den hemel. — O, welk eene gewichtige waarheid! Slechts die weg, welken Christus heeft bewandeld, geleidt naar den hemel; en dat is eene waarheid, die Christus zelf heeft verkondigd, n. 1.:

Niemand komt tot den Vader, tenzij door mij, d. i. niemand komt in den hemel, tenzij hij, die den weg bewandelt, dien ik bewandeld heb. — Wat doe ik? welken weg kies ik?

Oefeningen.

4. Berouw. — O mijn Jezus! hoe weinig troost vind ik, als ik mijn verleden leven overdenk! Ik heb U tot dusverre aanbeden als mijn God en Verlosser, ik heb U echter niet nagevolgd als mijn leidsman; die deugden, welke Gij een zoet juk en een lichten last noemdet, hield ik voor mij een al te zwaren last, dien mijne zwakheid niet kon verdragen. — Ik lasterde daardoor Uwe wijsheid, alsof zij niet wist, hoeveel ik kon dragen; of Uwe goedheid, alsof zij mij al te veel wilde opleggen. — O mijn God en Verlosser! mijn leermeester en leidsman! ik beken voor U mijne dwaling en mijne boosheid; ik heb over beide van ganscher harte berouw. O hoe gelukkig zou ik op dit oogenblik zijn, wanneer ik steeds volgens Uwen geest had geleefd en den weg bewandeld, waarop Gij gewandeld hebt!

-ocr page 90-

78

'2. Opoffering. Hoe lang zal ik echter nog bij die dwaling blijven? — Gij zijt de weg, de waarheid en het leven. O mijn Jezus! ik geef mij op dit oogenblik van ganscher harte en zonder voorbehoud aan U over; ik zal in Uwe voetstappen treden en den weg bewandelen, dien ik I zie bewandelen. — Ga dus voorop, mijn Jezus! en geleid jnij! __ Geleid mij in schande en smaad, in lasteringen en vervolgingen; ik zal U volgen. Geleid mij in onderdanigheid en in algeheele vernietiging van mijn eigen wil; ik zal U volgen. — Overal waar Gij zijt, o Jezus! mijn leven! daar zal ik ook zijn; wat gij doet, dat zal ook ik doen! — en wat Gij lijdt, dat zal ook ik lijden! — Slechts daarom bid ik TJ: Ontzeg mij niet, o Jezus! Uwe genade. Uwen bijstand, Uwe machtige hulp !

Tweede meditatie op den weg der verliehting.

Vierde dag.

Eerste meditatie van dezen dag.

OVEU DE MENSC1IWORDING EN DE GEBOORTE VAN CniDSTUS EN OVEU DE WONDERBARE OOTMOEDIGHEID, DIE HIJ DAARBIJ HEEFT BEOEFEND.

I.

Christus heeft zich in Zijne menschwording en bij Zijne geboorte tot het uiterste vernietigd. O hoe vele en wonderbare vernietigingen ziet men in dit enkel geheim! Wij zullen slechts eenige overwegen.

1. De eerste vernietiging is de aanneming dermensche-lijke natuur. Indien gij verlichte oogen hadt, zoudt gij deze vernietiging nooit genoeg kunnen bewonderen. Wij zullen het in eene gelijkenis verklaren. Er was een koning

-ocr page 91-

79

in een overgroot rijk van groote macht, rijkdommen, wijsheid en alle andere vorstelijke voorrechten; de adel, het leger, Ijet volk beminde hem als zijn vader; er is niets te verzinnen, wat aan zijn geluk ontbrak. Die groote monarch legt in het geheim het purper af; verlaat al zijne landen, trekt een gescheurd kleed aan en verhuurt zich in een vreemd land bij een landbouwer als knecht en blijft in die lage bediening onbekend tot aan den dood! Hoe ? Is er een mensch, die deze vernietiging genoegzaam kan bewonderen? Mijne ziel! ik verlang een levendig geloof, zeg mij: Wie is dat aanminnelijk kind in den stal te Bethlehem? Het is de Eeniggeboren des hemelschen Vaders, de Heer dei' heirscharen, de opperste God. Deze is ondanks Zijne Majesteit en gelukzaligheid uit den hemel gedaald, alwaar Hij door alle Engelen werd aanbeden en geloofd; Hij heeft de aarde tot zijn woonplaats gekozen, en is in de oogen der wereld een verachtelijke mensch geworden en onbekend tot aan den dood gebleven. Kan het verstand wel eene grootere vernietiging uitdenken?

2. De tweede vernietiging is de aanneming der mensche-lijke natuur in de gedaante van een kind. Kan er wel iets nietiger wezen dan een kind?

Het kan staan noch gaan, en moet altijd door vreemde handen worden gedragen. Het kan eten noch drinken, noch eenige andere noodwendigheid zich verschaffen; tot alles behoeft het vreemde handen. Het kan geen woord spreken, en alleen door tranen aanduiden, als het zich niet wel bevindt, terwijl ik andere ellende voorbij ga, die allen bekend zijn. Wij hebben die ellende gemakkelijk verdragen, omdat wij alstoen geen verstand hadden; maar Christus, die vol wijsheid was, heeft die verootmoediging in haar geheel gewicht gevoeld. Hij kon op de wereld komen in mannelijken leeftijd, Hij wilde dit echter niet, en

-ocr page 92-

80

kwam als een klein kind, opdat Hij de vernietiging van zich zeiven des te volmaakter wilde beoefenen.

De derde vernietiging is de aanneming der menschelijke natuur met ter zijdestelling der goddelijke volmaaktheden, die in Hem waren.... Ik verlang niets, mijne ziel! dan dat gij het goddelijke Kind aanschouwt in de kribbe.... Zie, daar ligt die almachtige God, Die hemel en aarde heeft geschapen, en kan gaan noch staan! Daar ligt die oneindig sterke God, Die met een vinger de aarde doet wentelen, en moet uit zwakheid op de armen Zijner Moeder worden gedragen. - Daar ligt die eeuwige wijsheid des Vaders en kan geen woord spreken! Daai ligt die oncindi-rijke God, bij Wien alle vorsten moeten bedelen, en heeft geene andere woning, dan een onzindelijke veestal! - O verootmoediging! o vernietiging van mijnen Verlosser!

Oefeningen.

1. Schaamte over mijzei ven----O Jezus! o ootmoedige

Jezus! hoe ver zijn dc begeerten mijns harten van de Uwe verwijderd! — Gij verootmoedigt Uzelven en daalt uit ootmoed op de aarde neder; ik verhef mijzelven en stijg uit hoovaardigheid met Lucifer tot boven de sterren! — Gij verootmoedigt Uzelven tot den nederigen staat van een klein kind; en ik begeer steeds een staat, die bij de menschen voor aanzienlijk wordt gehouden! Gij verbergt Uzelven en alle voorrechten, die in U zijn, opdat IJ geene eer ten deel valle; ik verlang dat alles, wat goed in mij is, den menschen onder de oogen kome en men mij eere en love! -Kortom, al Uwe gedachten zijn op de vernedering en vernietiging gericht, en al mijne gedachten hebben verheffing ten doel. - Ach! ik moet het bekennen, o mijn Jezus, ik bezit nog niets van Uwen geest en mijne genegenheden

-ocr page 93-

81

zijn zoo ver van de Uwen verwijderd, als de aarde van den hemel.

2. Berouw .... Ik zie wel, o mijn Jezus! ik lieb gedwaald; dat is de weg niet, dien üij hebt bewandeld. — Ik heb dus berouw over alle ijdele gedachten en begeerten, die ik ooit in mij heb toegelaten; alle ijdele en roemzuchtige woorden, die ik ooit heb gesproken; alle werken, die ik uit ij delheid heb gedaan. — U alleen komt alle lof en eer toe en U alleen loof en vereer ik als de bron van al het goede; ik zal in het vervolg niets betrachten dan Uwe vernederingen en vernietigingen en dezelve volgens Uwe leer en Uw voorbeeld van ganscher harte beminnen en beoefenen.

11.

Christus heeft in Zijne menschwording, geboorte en in Zijn leven de vernederingen van anderen gewillig aangenomen. Overweeg dan:

1. Hoe heeft de wereld Christus bij Zijne geboorte ontvangen ? Welk eene grootere versmading kan wel eenen mensch worden aangedaan, dan wanneer hem zijne eigene medeburgers verstoeten, en hem niemand in zijn eigen geboorteland, in de geheele stad, ook slechts voor eenen enkelen nacht wil herbergen? — Aldus ging het Christus in Bethlehem; ouden en jongen, mannen en vrouwen, aanzienlijke en arme lieden vonden eene herberg; Jezus alleen wordt met Zijne Moeder uitgesloten en moet het eerste daglicht in een veestal aanschouwen. — Hoe i leeft Jezus dat verdragen? Met vreugde; ja, Hij zelfheeft het alzoo beschikt, want indien Hij had gewild, liad Hij geheele scharen van Engelen kunnen vooruitzenden, die den burgers Zijne komst hadden bekend gemaakt; Hij had bij Zijne intrede in de stad de aarde kunnen doen beven, of donder en bliksem uit do wolken doen neerdalen, opdat

6

-ocr page 94-

82

de burgers tot eerbied eu aanbidding Zijner Majesteit bewogen werden. — Niets van dien aard deed Hij, opdat Hij namelijk gelegenheid zou hebben, die versmading te lijden.

Hoe heeft de wereld met Christus na Zijne geboorte gehandeld Nog erger dan bij de geboorte zelve. Er

verscheen een nieuwe ster aan den lierael; de koningen uit het Oosten kwamen en verkondigden der wereld de geboorte van den \ erlosser. Nu zal zeker geheel Jeruzalem samenloopen en het Kind aanbidden Ondankbaarheid van dat volk! Van zoo vele honderdduizenden menschen was er niet een, die ook slechts een voet verzette, om Jezus te zien en te vereeren. Integendeel, men beraadslaagt, hoe men hem bijtijds uit den weg zal ruimen; de moordaanslag wordt beraamd; de dag daarvoor bestemd; het Kind Jezus moet uit zijn geboorteland vluchten om het moordend

zwaard te ontgaan ....

3. Moe heeft de wereld over Christus geoordeeld, toen Hij was opgegroeid!. Juist zooals bij Zijne geboorte. Jezus woonde te Nazareth bij Zijne allerliefste Moeder. Hij hield zich bezig, om tehuis met den arbeid en met Zijn Voedstervader in het zweet Zijns aanschijns het dagelijksch brood te verdienen. Niemand dacht er aan, dat onder de gedaante en den stand van een handwerksman een God-mensch kon verborgen zijn, de hemelsche \ ader hield dat geheim verborgen, en gaf niet een teeken, dat dit Zijn beminde Zoon was; Maria en Jozef zwegen stil en ontdekten aan niemand dit geheim; Jezus zelf verborg voor de oogen der menschen alle schatten Zijner God- en Menschheid. En zoo kwam het, dat men nergens iets anders van Hem wist, dan dat te Nazareth een jong mensch was, Jezus genoemd, de Zoon van een timmerman, die Zijnen vadei getrouw in den arbeid ondersteunde.

-ocr page 95-

83

Zie! mijne ziel! dat is die groote eer en lof, welke de Godmensch gedurende 30 jaren van de wereld heeft genoten; namelijk, dat Hij, Die hemel en aarde heeft geschapen, een timmerman was.

Oefeningen.

1. Verachting van mij zeiven. Ach! Hoe verachtelijk moet bij T , o mijn God! de eer en hoogachting der menschen zijn! en hoe hoog in aanzien staat bij U niet de verachting! Wat zoudt Gij niet hebben kunnen doen, indien Gij hadt willen geeërd worden; en wat hebt Gij niet gedaan, opdat Gij niet geeërd zoudt worden? In een uur zoudt Gij voor de wereld zooveel wonderen hebben kunnen doen, dat een ieder U had aanbeden, maar Gij wildet niet; Gij verborgt alle schatten uwer volmaaktheid onder den staat van een handwerksman, omdat Gij alle hoogachting en eer wildet ontvluchten... O, welk eene bittere waarheid is dat voor mij! Gij vlucht de eer en ik ontvlucht de verachting; Gij tracht onbekend te zijn; en ik zoek gekend en geacht te worden, Gij vindt Uwe vreugde in de versmading en ik in den lof! U mijn Jezus! hoe kwalijk is het met mij gesteld ! Indien Uw geest de weg tot de heiligheid is, dan is mijn geest de weg tot het verderf; indien Uwe ootmoedigheid de sleutel voor den hemel is, dan is mijn hoovaardij de sleutel voor de hel.

2. Begeerte naar de ootmoedigheid ... Wat mij mijne hoovaardigheid nog meer voor oogen houdt, is dit. Ik wordt veel meer geeërd dan Gij en ben nog niet tevreden, men vereert in mij den geestelijken stand, en behandelt mij met eerbied; wie heeft die echter U bewezen, wien men voor niets anders dan voor een handwerksman hield? Wee mij! ik wil hooger geacht worden, dan mijn \erlosser! Ik erken het, o mijn Jezus! en toch kan ik mij

-ocr page 96-

zeiven niet helpen. Uwe eer, o Jezus! het welbehagen Uws heinelschen Vaders, de vooruitgang in de deugd, de heiligheid mijner ziel, moet voor de begeerte naai eei wijken! Dat is eene wonde, die niemand kan genezen, dan Gij.

111.

Overwegingen over de ootmoedigheid van Jezus ( Inis-tus. _ Mijne ziel! gij hebt voor U een der gewichtigste punten van het geestelijk leven; bid om verlichting en overweeg het wel! — De eerste overweging. - Niets is God in eene ziel aangenamer, dan de liefde tot verachting en vernietiging. — Veronderstel, mijne ziel! dat wij vóór Christus hadden geleefd en de hemelsche Vader, om ons onze hoovaardij voor oogen te stellen, ons gevraagd hadde, op hoedanige wijze Hij Zijnen Zoon op de wereld zou zenden, wat zouden wij hebben geantwoord ? — Zonder twijfel zouden wij gezegd hebben; De Voedstervader moet een koning, de Moeder eene koningin zijn, en de woning moet een kostbaar paleis wezen; de Engelen moeten zijne komst verkondigen, de menschen moeten samenkomen ora den nieuwgeboren God te aanbidden; Deze moetzondei vei wijl Zijne Majesteit en wijsheid doen zien, den troon bestijgen en met de hoogste macht de wereld regeeren. Aldus zouden wij gedacht hebben. — Wat doet echter de hemelsche quot;Vader! — De Moeder van mijn eenig geboren Zoon, zegt Hij, moet eene arme Maagd zijn, de woning een stal, het bed een bos hooi; Hij moet niet regeeren, maar gehoorzamen; Hij moet zich verborgen houden, een arme handwerksman schijnen en in schande en smaad leven en sterven. — Ach! hoe verblind zijn wij, mijne ziel! wij achten niets hooger dan lof, eer en aanzien bij de menschen, en de hemelsche Vader acht niets hooger dan

-ocr page 97-

85

verachting en vernedering voor de inenselien. Sla uwe ougen op Jezus! wat ziet gij aan Hein anders dan vernedering. schande en versmading? En dit was dat hoogste oiler, hetwelk den hernelschen Vader zoo behagelijk was en hot heil der geheele wereld heeft bewerkt.

De tweede overweging. — Niets is God in eene ziel hatelijker, dan de liefde tot eer, lof en aanzien bij de menschen. Hoe minder gelijkvormig eene ziel aan Jezus Christus is, des te meer wordt zij door den hernelschen Vader gehaat. Nu welk eene gelijkheid aan Jezus Christus kan eene ziel hebben, die den lof en het aanzien bij de menschen bemint? De gedachten van Jezus waren vol ootmoedigheid en vernedering van Zichzelven, de begeerten van Jezus doelden alleen op verachting. Jezus vond Zijne vreugde in de versmading; Jezus leven is begonnen en geeindigd in beschimpingen. Ik zwijg stil; gij, mijne ziel! plaatst U aan de zijde van Jezus en zie, welk eene gelijkheid gij met Hem hebt!

Oefeningen.

1. JJelijdenis en berouw. — Thans moest ik liever tranen storten dan spreken, o mijn Jezus! mijn hart en Uw Hart gelijken elkander zoo weinig als de geest van een zalige op een verdoemde. — In Uw hart is de grootste afgekeerdheid van allen ijdelen lof, eer en aanzien bij de menschen en de hevigste begeerte naar de verachting en de beschimping ter eere van Uwen Vader; in mijn hart is rechtstreeks het tegenovergestelde te vinden; de grootste afgekeerdheid van verachting en versmading en de grootste vreugde over ijdelen lof en eer. — Wat mijne ellende vermeerdert, is dat mij het geneesmiddel zelf schaadt. — Het beste middel, om mijn hoogmoed te vernietigen, zouden beschaming, verachting en lasteringen zijn; maar ik ongelukkige bemin

-ocr page 98-

86

mijne ziekte en 1 iaat liet middel; ik verdedig mijn hoogmoed en verstoot de outmoediglieid. — Kan ik nog genezen worden, u mijn ootmoedigste Jezus? Zooveel lieb ik lieden door Uwe baradiartigheid verkregen, dat ik mijne ellende erken en betreur. — Zie, o mijn Jezus! alle boogaditing, rlie ik van mijzelven had ; alle ijdele gedachten en begeerten, waaraan ik toegaf; al het welbehagen in mijnen lof en mijne eer, alle werken, die ik op aandrijven der ijdelheid deed; dit alles vervloek ik en wil dat het voor eeuwig verfoeid zij. — Gij zijt de bron van alle goed; ü alleen zij lof, eer en zegening; ik ben een zondaar, mij komt niets toe dan verachting.

2. Besluit en gebed. — O mijn Jezus! indien ik U ooit in mijn leven om iets vurig heb gebeden, dan bid ik U heden aldus om de ootmoedigheid; ik bid om iets grootsch; de ootmoedigheid is het kenmerk van Uwen Geest, het kenteeken van Uwe ware navolgers, de sleutel tot de innigste vereeniging met U en de deur van het liemelscb Paradijs. Eene hoovaardige ziel kan met U geene vertrouwelijke vriendschap aangaan, wijl zij een gruwel voor Uwe oogen is. O wat zal ik niet mijn best doen. om die deugd te erlangen! Derhalve neem ik mij, o ,mijn Jezus! deze twee zaken voor:

1. Nooit zal ik aan eene ijdele gedachte of ijdel welbehagen toegeven; nooit eenig woord tot mijnen lof spreken; nooit een werk verrichten op aandrijven der ijdelheid.

2. Elke verachting, vanwaar zij ook kome, zal ik met een onderworpen wil aannemen en stilzwijgend verdragen. — Dan, o mijn Jezus! hoe gemakkelijk is het, zulke voornemens te vormen! maar hoe moeilijk valt het, ze te houden! — Gij o Jezus! Gij zijt mijne hoop, mijne hulp

en mijne sterkte; ik omhels U met beide armen.

_____

-ocr page 99-

87

Derde meditatie.

Tweede meditatie van dezen dag.

OVEU HET VERBORGEN LEVEN VAN JEZUS CHRISTUS EN-ZIJNE AVONDERBARE GEHOORZAAMHEID.

I.

Alle raoeielijkheden, die de volmaakte gelioorzaamlieid medebrengt, heeft Jezus Christus voor mij ondervonden en uit liefde tot Zijnen hemelschen Vader en tot mij overwonnen. Aan zijn eigen wil en de vrijheid verzaken en tot den dood volgens den wil van anderen leven, is iets, dat vele en groote moeielijkheden heeft. Dan, wat zult gij doen mijne ziel ? Al die moeielijkheden zijn werkingen der goddelijke Voorzienigheid en Christus heeft ze allen voor LT en om U verdragen. Laat ons dit overwegen.

De eerste moeielijkheid, die de gehoorzaamheid medebrengt, zijn de ambten en bedieningen die de gehoorzaamheid ons oplegt. — Wij meenen somtijds, dat het ambt, hetwelk ons wordt opgelegd, te gering voor ons is; wij meenen, dat zij, die voor ons gesteld worden, zonder tegenspraak mindere talenten bezitten; wij meenen, dat wij alle hoedanigheden hebben, die tot alles geschikt zijn. Hoe? mijne ziel! het ambt is te gering! Aanschouw Jezus! wie is Hij? De koning der koningen, de Heer der heirscharen, de Opperheer van hemel en aarde. Welke hoedanigheden heeft Hij.' Hij bezit zulk eene wijsheid, dat Hij alle menschen der aarde zonder moeite de kennis Zijner Godheid kan leeren; zulk eene macht, dat Hij alle landen door wonderwerken kan verbazen; zulk eene welsprekendheid, dat Hij alle harten tol Zijne liefde kan bewegen; zulk eene

-ocr page 100-

88

k rad it en nadruk, dut Hij zeer gemakkelijk de geheele wereld kan bekeeren. — Welk een ambt heelt nu dio groote Heer? 0 wonder boven alle wonderen! tot Zijn dertigste jaar woont Hij tehuis, arbeidt in eene werkplaats en is aan Zijn Voedstervader in eene zoo nederige bediening gehoorzaam. — Sla uwe oogen eens in die werkplaats, mijne ziel! betracht dien goddelijken handwerksman en dan beklaag U over uwe bediening, als U de schaamte dat niet verhindert.

De tweede moeielijkheid, die de gehoorzaamheid medebrengt, zijn de oversten, die ons besturen. Het is maar al te waar, dat men gedurende twintig of dertig jaren, die men in den religieuzen staat doorbrengt, nu en dan onder oversten staat, wier bestuur ons lastig en moeielijk valt. Dezen ontbreekt het aan bescheidenheid en zij bezitten de kunst niet, om de gemoederen te leeren kennen en elkeen, zooals het behoorde, te behandelen; genen missende liefde en hebben noch het noodige medelijden, noch de noodige zorg voor hunne onderhoorigen; dezen ontbreekt het aan zachtmoedigheid en zij bezitten die vriendelijkheid niet, om de gemoederen voor zich te winnen en de gehoorzaamheid zoet te maken; genen missen die algemeene inschikkelijkheid, welke jegens allen een en hetzelfde hart heeft. Wie de ware gehoorzaamheid wil oefenen, moet een hart hebben, dat boven al deze zwakheden verheven is; dat voorbeeld is Jezus Christus. — Zie! daar staat Hij voor den rechterstoel; Pilatus spreekt het vonnis uit en veroordeelt Jezus tot den dood; wat kostte het.Christus,,als Hij van die straf zich had willen bevrijden ? — Hij neemt het doodvonnis uit den mond van Pilatus aan, als kwam het uit den mond Zijns hemelschen Vaders, Hij gehoorzaamt Hem en gehoorzaamt Hem tot den dood, ja tot den dood des kruises. — Wie is er nu, die over de oversten

-ocr page 101-

89

kan klagen, nadat Christus aan den onrcclitvaan.ligstcn rechter der aarde is gehoorzaam geweest?

De derde moeielijkheid, die de gehoorzaamheid medebrengt, is de natuur der gehoorzaamheid zelve .... In den religieuzen staat worden vele zaken geboden, die met onze meening of wil niet overeenstemmen en die wij noch als nuttig, noch als dienstig beschouwen; die op zichzelven moeielijk zijn, inzonderheid als zij lang duren of tot aan den dood moeten voortgezet worden. — Dan mijne ziel! wat heeft Christus voor U en om U gedaan? Was het eene gemakkelijke zaak, zoovele jaren in de werkplaats door te brengen en op den wenk van een timmerman te gehoorzamen? — Was het eene gemakkelijke zaak, drie jaren rond te reizen onder een voortdurenden stortvloed van lasteringen en versmadingen, onder duizend ondankbaarheden en vervolgingen tot den dood toe? — Was het eene lichte zaak, het doodvonnis te hooren uitspreken en aan een schandelijk kruis te sterven? In dit alles gehoorzaamde Jezus zonder tegenspraak, zonder uitstel, zonder morren, met volmaakste onderwerping. Ach! wat is onze gehoorzaamheid in vergelijking met de gehoorzaamheid van Jezus Christus?

Oefen inge n.

1. Verootmoediging. — Van welken kant ik mijne ziel ook beschouw; o mijn Jezus, nergens vind ik iets, dat volmaakt is en met U, het voorbeeld van heiligheid , overeenkomt. — Ik moest mijnen wil geheel afleggen, in mijne oversten U als mijn leidsman met een levendig geloof aanschouwen. al hunne oogwenken gadeslaan en hunne bevelen niet slechts niet kwalijk opnemen, maar zelfs met vreugde vervullen; alzoo moet ik gehoorzamen; want zulks eischt

-ocr page 102-

90

de belofte, die ik plechtig voor U heb afgelegd en het voorbeeld, dat Gij mij hebt gegeven. Wat heb ik echter gedaan? — U, o mijn Jezus! is het bekend, hoevele zonden ik te dezen opzichte heb bedreven; ik kan ze niet tellen. Iloevelen door eigenzinnigheid van mijn verstand, hoevelen door weerspannigheid van mijn wil, hoevelen door inwendig en uitwendig klagen, morren en andere oneerbiedigheden, hoevelen door eene slechte naleving der bevelen ? Waren dit geene zonden genoeg, al zou ik ook met geene anderen voor Uwen rechterstoel verschijnen?

2. Berouw. — Ik beken mijne trouweloosheid, o Jezus! en betreur ze van ganscher harte. O hoe groot zijn die zonden in Uwe oogen, welke mij tot dusverre zoo klein toeschenen! Evenals ik niet aan de menschen, maar aan U, den Allerhoogste, gehoorzaamheid heb beloofd, zoo heb ik ook door mijne ongehoorzaamheid niet de menschen, maar U de opperste Majesteit beleedigd. — Zoo dikwijls ik aan mijne meening de voorkeur heb gegeven, boven het oordeel van mijne oversten, heb ik Uwe oneindige wijsheid veracht; zoo dikwijls ik mij tegen den wil mijner oversten verzette, zoo dikwijls heb ik Uwe oneindige heerschappij veracht. — Zoo dikwijls ik in het hart of met den mond de verordeningen van mijne oversten heb afgekeurd, zoo dikwijls heb ik de verordeningen Uwer oneindige goedheid en liefde afgekeurd. — AVie U hoort, hoort mij; en wie U veracht, veracht mij; dat zijn Uwe woorden o Jezus! en uit deze woorden erken ik, wat ik heb gedaan! — O hoe verblind ben ik geweest! o hoe weinig heb ik die zonden erkend! Thans erken ik ze en heb er van ganscher harte berouw over, o -mijn Jezus!

-ocr page 103-

91

11.

De wouderbarc gelukzaliglieid ueiici' ziel, die zieli aan

die blinde en volmaakte gehoorzaamheid onderwerpt____

(lij hebt, mijne ziel! de gehoorzaamheid van Jezus Christus gezien; thans overweeg de vruchten, die deze deugd voortbrengt....

De eerste gelukzaligheid. Een gehoorzame ziel weet elk

oogenblik, dat zij den wil van God volbrengt____ Wij

willen eens veronderstellen, dat God verordent, dat de H. Engel Bewaarder, die op onzichtbare wijze bij u is, zichtbaar bij en met u dag en nacht rondwandele. Hij zegt u in alle omstandigheden, wat God van u verlangt; hij zegt u , wat God mishaagt; zou er een grooter geluk kunnen wezen? Mijne ziel! hebt gij een levendig geloof? Zie als gij blindelings gehoorzaamt dan zijt gij elk oogenblik van den wil Gods evenzoo verzekerd, als wanneer zulk een Engel in zichtbare gedaante met u rondwandelde. — Gij zijt van den wil Gods evenzoo verzekerd, als Christus het te Nazareth geweest is. — Gij zijt evenzoo verzekerd, als het de Apostelen geweest zijn, die alles uit den mond van Christus zeiven gehoord hebben. De tweede gelukzaligheid. Eene gehoorzame ziel geeft aan al hare werken eene over-groote waarde in de oogen Gods .... Niets is wonderbaarder, dan de waarde der gehoorzaamheid; want de geringste werken, uit gehoorzaamheid verricht, zijn overgroot voor God; de aanzienlijkste werken zonder gehoorzaamheid zijn niets voor God. Uit gehoorzaamheid matig eten en drinken, is een groot werk voor God ; zonder gehoorzaamheid een geheel jaar op water en brood vasten, is niets voor God; uit gehoorzaamheid eene schotel wasschen, of een vertrek schoonmaken, is een groot werk voor God; zonder gehoor-zaandieid de geheele wereld doorloopen en het Evangelie

-ocr page 104-

02

prediken is niets voor God. Met eenige riclitsnoer, waarnaar men de voortrelïelijkheid van een werk rnoet afineten, is de wil Gods: wanneer God wil, dat gij evenals de oude kluizenaars een korfje vlecht, dan is dat zulk een groot werk, dat noch een mensch op aarde, noch een Engel in den hemel, noch de Zoon Gods zelf een grooter kan verrichten. — Keer nog eens terug in de werkplaats van den H. Jozef en aanschouw Jezus! Zie! dat zoo geringe werk. hetwelk Hij verricht, is zoo groot, dat Hij, ofschoon een Godmensch, met al Zijne almacht en wijsheid niets grooters kan doen. Waarom? Omdat het de wil des hemelschen Vaders is.

De derde gelukzaligheid. Eene gehoorzame ziel komt onfeilbaar en in korten tijd tot de volmaakte zaligheid... En wel om twee redenen. De eerste is het wezen der volmaaktheid en heiligheid. Heilig zijn is niets anders, dan den wil Gods volbrengen en leven, zooals Hij wil; eene gehoorzame ziel verlangt niets, doet niets, dan wat God wil. Zij staat op als God wil, en begeeft zich ter rust als God wil; zij arbeidt als God wil; zij bidt .als God wil; zij doet elk oogenblik, wat en wanneer God het wil; derhalve moet zij heilig zijn of in korten tijd heilig worden. De tweede reden is de leiding Gods. God bemint eene gehoorzame ziel! Hij draagt haar in den schoot Zijner Voorzienigheid, als eene moeder haar kind in de armen; Hij leidt en bestuurt haar en draagt voor alles zorg, wat haar aangaat. De machten der hel en de geheele aarde mogen tegen haar opstaan; de menschen, ja de oversten zeiven mogen met opzet zulk eene ziel trachten te onderdrukken: het is te vergeefs, zij staat onder de bescherming van eenen alwijzen, almachtigen en algoeden God; Die zal haar onfeilbaar tot dien trap van heiligheid op deze wereld, en tot dien troon van glorie in de andere wereld

-ocr page 105-

on

voeren, welken Hij voor haar van eeuwigheid heeft vastgesteld.

Oefe n i ng e n.

Geloof. Zoo is het dan; de oversten besturen, doch niet in hunnen naam, maar in den naam van Jezus Christus; zij gebieden, doch niet krachtens hunne macht, maar krachtens de macht van Jezus Christus. — Wat zij mij voorschrijven, moet ik voor goed houden en volbrengen, niet omdat liet hun wil is, maar omdat het de wil van Jezus Christus is. Ja; zoo is het; de woorden van Christus zijn maar al te duidelijk en wie er niet aan gel ooit, die beschuldigt Christus van onwaarheid: Wie u hoort, hoort mij; en wie u veracht, veracht mij... Aan deze Uwe uitspraak, o Jezus! onderwerp ik mijn oordeel; ik geloof, dat de wil mijner oversten Uwe wil is; ik geloof dat hunne voorschriften Uwe voorschriften zijn; ik geloof, dat ik mij niet aan hunne leiding mag onttrekken; aldus geloof ik, o Jezus, en geloof het op Uw woord.

2. Hoop en Vertrouwen Zoo levendig als mijn geloof is, o Jezus! zoo groot is mijn vertrouwen; ik heb aan U gehoorzaamheid beloofd en mijn wil en mijne vrijheid voor eeuwig geschonken; Gij hebt dat offer aangenomen en beloofd mij door den mond mijner oversten te geleiden en te besturen; ik werp mij dan in den schoot Uwer voorzienigheid en leef zonder zorgen. Gij zijt de oneindige wijsheid en weet, welke voorschriften der oversten voor mij de besten zijn. Gij zijt de oneindige goedheid en weet te zorgen, dat de oversten steeds die voorschriften geven, welke voor mij de besten zijn... Gij zijt oneindig getrouw en hebt mij beloofd zulks te doen ... door Uwe leiding zullen de oversten niets doen, dan wat voor mijn doel en einde het voordeeligste is; en door Uwe leiding zal ik

-ocr page 106-

04

tot dien troon van glorie opklimmen, dien Gij mij van eeuwigheid bereid hebt.

3. Liefde en opoffering. In dit vertrouwen, o Jezus! mijn eenigste en hoogste goed! werp ik mij voor u neer in den afgrond van mijn niet, en offer mij zonder voorbehoud aan T' voor eeuwig op! Ik zweer en beloof l op dit oogenblik opnieuw de gehoorzaamheid; ik leg mijn verstand, mijnen wil en mijne vrijheid af en geel dit alles geheel en volmaakt aan hen over, die Gij als oversten zult aanstellen, om mij te leiden en te besturen. — Mijn verstand zal blind wezen; ik zal echter naar de stem van mijne oversten als naar l'we stem, o Jezus! luisteren en ze zonder nadenken, zonder overleg, zonder oordeel volgen. _ Mijn wil zal geen wil meer zijn, ik zal den wil der oversten als Uw wil, o Jezus! beschouwen en zonder tegenspraak volbrengen; mijne vrijheid zal geen vrijheid meer wezen; ik zal niets verlangen, niets zoeken, niets begeeren, niets weigeren, maar alles wat mij aangaat, geheel en zonder voorbehoud aan Uwe leiding overlaten — Dit is het offer dat ik U heden breng, o Jezus! alléén daarom, wijl Gij mijn eenigste en hoogste goed zijt, hetwelk ik in deze wereld begeer volmaakt te beminnen en in de andere voor eeuwig te bezitten! O Jezus! bewaar dien wil, dat verlangen in mijn hart.

-ocr page 107-

95

Vierde Meditatie.

Derde meditatie van dezen dag'.

OVRR TIET OPKNBAATJ LKVEX VAN JEZT S CliniSTüS EN HE AVONDEnnAllE LIEFDE EN ZACHTMOEDKrlIETn JEGENS DE ilENSCHEN'.

i.

Alle rnoeielijkheden, die ons de liefde en zachtmoedigheid jegens den evenmensch zoo hard en bitter maken, heeft Christus voor ons verdragen. Mijne ziel! wij hebben nu eene deugd te betrachten, die gelijk zij een der wezenlijkste punten der heiligheid is, ook niet weinig moeielijkheid veroorzaakt; aanschouw echter het voorbeeld van Jezus Christus en maak het besluit te verdragen, wat Jezus voor u verdragen heeft!.... De eerste moeielijkheid is, met menschen om te gaan, bij wie elke arbeid of moeite vruchteloos is.... Ach! mijne ziel! wat moeite gaf zich Jezus niet om de Joden te bekeeren! Drie jaren lang wandelde Hij rond en ging van de eene stad naar de andere, van het eene dorp naar het andere; Hij predikte met een hemelsche en indrukwekkende welsprekendheid; Hij overlaadde hen met weldaden; Hij deed vele wonderen; Hij noodigde hen ais een liefderijke Vader, tot Zijne barmhartigheid uit; wat voordeel bracht het aan ? .... Eenigen verachtten Hem en zeiden: Waar heeft die timmermanszoon die dingen geleerd? Anderen lachten Hem uit en spotteden met Zijne leer. — De Fariseën noemden Hem een boosaardig mensch, die de wet niet onderhield; de hoogepriesters veroordeelden openlijk Zijne leer; vermaanden het volk, dat het zich door Hem niet zou laten misleiden

-ocr page 108-

90

en slooten hen buiten de Synagoog, die Hem aanhingen. Derhalve gebeurde liet, dat zieli slechts een gering getal bekeerde, alle overigen echter bleven bardnekldg. O hoe bard viel het, zulke mensdien te bennnnen! Zelfs een teeder minnend Vader kan zijn zoon, die al zijne vermaningen in den wind slaat en hem dagelijks nieuw lijden veroorzaakt, niet meer met goede oogen aanzien....

De tweede moeielijkheid is, met menschen om te gaan,

die uit haat en nijd alles verkeerd uitleggen---- Die

moeielijkheid ontmoette Christus in Zijn predikambt bijna bij elke schrede. Genas Hij meermalen uit liel'de en medelijden een zieke op den Sabbatdag; dan zeiden de goddeloozen, dat Hij onmogelijk van God kon zijn, dewijl Hij den Sabbatdag niet heiligde. Plaatste Hij zich met de openbare zondaars aan tafel, om hen door liefde en vriendelijkheid te bekeeren ; dan zeiden zij, dat Hij een gulzigaard was en het slechts deed om te eten en te

O D

drinken .... Wrocht Hij eene menigte wonderen, om de menschen tot de kennis Zijner Godheid te brengen; dan zeiden zij, dat Hij die wonderen niet deed, maar dat de duivel ze in en door Hem deed.... Alles werd afgekeurd, alles op het verkeerdste uitgelegd----

De derde moeielijkheid. is, met menschen om te gaan, die geene weldaad erkennen en goed met kwaad vergelden ....

Jezus kwam te Nazareth, predikte in de Synagoog, en bewees Zijnen medeburgers alle denkbare liefde; welken dank ontving Hij voor zulk eene genade ? Zij leidden Hem op den top van eenen berg, om Hem naar beneden te werpen. Hij genas het afgeslagen oor van Malchus; Hij toonde den soldaten zijne almacht, en welken dank ontving Hij voor deze weldaden ? Zij namen Hem gevangen en mishandelden Hem. Hij predikte te Jeruzalem en zeide hun, dat Hij de Zoon

-ocr page 109-

97

üotls en de boloul'de Messias was, welken dank ontving Hij? Zij noemden Hem een Godslasteraar, en namen steenen om Hem op hetzelfde oogenblik te dooden ....

De vierde moeielijkheid is, valsche lieden om ziclj te hebben.... Jezus wist wat Judas in bet geheim in het hart beraamde; welk een kwalijk gezind gemoed hij jegens Hem had; en dat hij degene was, die Hem met der tijd voor eenige zilverlingen zou verkoopen en aan den dood overleveren.

üe vijfde moeielijkheid is, met menschen om te gaan, van welke men weet, dat zij ons ten zeerste haten. — De hoogepriesters en schriftgeleerden hadden Jezus reeds lang in een geheimen raad ter dood veroordeeld; zij hadden eene openbare verklaring afgelegd, hen uit de Synagoog te verbannen, die Zijne leer zouden volgen; zij vaardigden een bevel uit, dat men den bedrieger moest gevangen nemen en aan iien uitleveren; en meer dergelijke boosheden. — Zie! mijne ziel! hoe vele en groote moeielijk-heden de liefde van Christus moest overwinnen, om zulke menschen te kunnen beminnen, die eerder een eeuwigen haat, dan eene vaderlijke liefde verdienden! Intusschen wat heeft Christus gedaan? Gij zult dit weldra hooren. Thans zeg ik slechts zooveel: ondanks al deze moeielijk-heden beminde Hij allen en beminde hen als een Vader op liet teederste.

Oefeningen.

Schaamte over mij zeiven. — O mijn Jezus, hoe sterk en vurig is Uwe liefde, hoe zwak en koud is de mijne! Gij moest met menschen verkeeren, die TT openlijk lasterden en beschimpten; die U overal als een verleider en godslasteraar uitkreten; die U onder den schijn van vriendschap aan Uwe vijanden trachtten over te leveren; die

7

-ocr page 110-

98

werkelijk liet besluit uanieii, um niet eer te rusten, tot dat zij U aan het kruis gehecht hadden: helaas niets dan ondragelijke versmadingen ! Doch dit alles kon Uwe liefde niet uitdooven; Gij hadt hen lief tot aan het kruis, tot in den dood. — O ik ongelukkige! hoe weinig bezit ik van de zachtmoedigheid en liefde van Jezus Christus! Een onvriendelijk gezicht, een verachtelijk woord, een weigerend antwoord, eene geringe beleediging is genoeg, om al mijne liefde uit te dooven en al mijne zachtmoedigheid in toorn en gramschap te veranderen. Zoo ver namelijk, o Jezus! ben ik gekomen na de vele duizend genademiddelen , die Gij mij hebt verleend; dit is de vooruitgang die ik gemaakt heb en dat na de vele genaden, die Gij mij hebt geschonken. O hoe zal ik zoo arm aan deugden eenmaal voor Hw aanschijn durven verschijnen!....

2. Besluit.... Maar, o mijn Jezus! zal het altijd zoo blijven? Zal dan mijn hart altijd lauw en koud zijn? Zal ik tot aan den dood zoo licht geraakt wezen ? Zal er nooit een tijd komen, waarin ik den troost kan hebben, dat ik eene ware liefde en zachtmoedigheid bezit?.... O welk een ongeluk zou dat zijn! Gij hebt mij geroepen, o mijn Jezus! in eene heilige plaats, wier eigenlijk doel is, om 1' in eene diepe ootmoedigheid, in eene oprechte liefde, in een onverstoorbare zachtmoedigheid des harten na te volgen. Hoe durf ik voor U verschijnen, als ik geene van deze deugden bezit? En hoe zal ik aan iT rekenschap geven van zoovele ontelbare genaden, wanneer ik ze zoo slecht heb gebruikt? Het zij dan zoo, o mijn Jezus! ik keer geheel mijn hart tot U!....

II.

De wonderbare hoedanigheden der liefde, waarmede Jezus de menschen heeft bemind. He vlij tig u mijne ziel! het in-

-ocr page 111-

90

wemlige van Jezus' ilui-t wel in te zien en leer beminnen! ....

De eerste hoedanigheid. De liefde en zachtmoedigheid van Jezus was, ondanks alle versmaad heden , in het hart steeds welgezind en vurig.... Het is inderdaad een verbazend wonder! Jezus was de oneindige alwetendheid; Hij zag dagelijks vele duizend menschen, die Hem haatten, die Hem voor een bedrieger, godlasteraar en toovenaar hielden; Hij zag dagelijks vele duizend menschen, die Hem lasterden en beschimpten; Hij zag dagelijks vele duizend menschen, die Hem zochten aan het kruis te hechten.... dat alles zag Hij met Zijne alwetende oogen en toch werd Hij niet vertoornd, maar beminde hen op het innigste ... Hoe zou het met T' gesteld zijn, mijne ziel! indien er honderd personen waren, die u voor een misdadigen mensch hielden; dagelijks waar zij kwamen, u lasterden en vloekten en U zelfs het leven trachtten te benemen ? ....

De tweede hoedanigheid. De liefde en zachtmoedigheid van Jezus was, ondanks alle versmaadheden, in woord,

daad en omgang vriendschappelijk en liefderijk____Denk

nog eens aan Judas, mijne ziel! Drie jaren had Jezus hem onder Zijne oogen; Hij kende de kwade gemoedsgesteldheid van dien mensch en wist, dat hij ten laatste Zijn verrader zou wezen .... Dat alles veranderde de liefde van Jezus geenszins; Hij ging evenzoo vriendschappelijk met hem om als met de overige Apostelen, Hij gaf hem de genade om wonderen te verrichten, evenals de anderen; Hij wiesch hem de voeten evenals de anderen; zoodat de Apostelen zelfs bij het laatste avondmaal niets van zijn boos plan vermoedden! Ja zelfs op het oogenblik, toen hij Hem in de handen van Diens vijanden overleverde, heeft hem Jezus nog Zijn vriend genoemd en gekust. Had Hij met Joannes, dien Hij onder alle Apostelen het teederste beminde, wel liefderijker kunnen omgaan?

-ocr page 112-

100

Be derde hoedanigheid. De liefde en zachtmoedigheid was ondanks alle versmaadheden vrijgevig- en weldadig en vergold kwaad met goed .... De ondankbare joden vermeerderden dagelijks hunne woede en razernij tegen Jezus, en Jezus vermeerderde dagelijks Zijne weldadigheid jegens

hen!____Hij bad dagelijks vuriger tot Zijnen hemelschen

Vader voor hun heil. — Hij wrocht dagelijks meer wonderen, om hen tot de kennis Zijner Godheid te brengen. — Hij bewees hun dagelijks nieuwe weldaden, om hunne versteende harten te raken. — Ja, te midden van deze versmaadheden deed Hij hun goed. Welk boosaardig mensch was Malchus! Hij was een van hen, die in den olijfhot waren gekomen om Jezus gevangen te nemen; te midden van die duivelsche aanslagen strekt Jezus Zijne hand uit, verricht wonderen en heelt het afgehouwen oor van Malchus.

Oefeningen.

1. Berouw. Thans weet ik, wat beminnen is, o mijn Jezus! Hen beminnen, die ons liefhebben, die ons welgezind zijn en die ons goed doen, is beminnen op de wijze der Joden en beidenen. — Hen beminnen, die ons niet genegen zijn, die kwaad van ons spreken, die ons kwaad doen, is beminnen gelijk Jezus liefheeft.... Nu, hoe heb ik bemind? Ach! hoe bedorven is mijn hart en hoe onvolmaakt is mijne liefde! Meestal heb ik bemind evenals de Joden en heidenen doen; zelden heb ik gelijk Jezus bemind. — Ik heb dan misdaan en wel tegen die deugd, die het wezen des Christendoms, de oogappel van den religieuzen staat en het zegel der volmaaktheid en heiligheid is. — Ik erken het, o mijn Jezus! ik verfoei van ganscher harte alles, wat ik tegen deze U zoo aangename deugd heb misdaan en vraag TT door Uw dierbaar bloed ootmoedig om vergiffenis.

-ocr page 113-

-101

2. Oprechte liefde.... Dit zal dan in het vervolg mijue eei'ste zorg en mijn voornaamste werk zijn, God van ganscher harte te beminnen en mijnen evennaaste om God gelijk mij zeiven. — Dat zijn de twee voornaamste geboden, die Gij door U w woord geleerd en door uw voorbeeld getoond hebt. Ik onderwerp mij aan beiden uit ootmoedigheid en volbreng ze nu dadelijk, op dit oogenblik. Zie, o Jezus! ik bemin en omhels U van ganscher harte boven alle schepselen in den hemel en op aarde; ik bemin U met zulk eene vurigheid, dat ik bereid ben, op dit oogenblik mijn bloed en mijn leven voor U op te offeren. Evenals ik TJ echter bemin om U zeiven; zoo bemin ik ook alle menschen, niemand uitgezonderd, om U! Gij zijt voor allen gestorven, Gij hebt mij geboden, allen te beminnen; ik bemin hen dus, en bemin hen gelijk mij zei ven; Gij, o Jezus! ontferm U hunner, en geef aan een ieder zooveel tijdelijk en geestelijk welzijn, als ik voor mij zeiven wensch.

3. Besluit.... Dat is eene heilige oefening des harten; doch zij is niet voldoende, de liefde moet werkzaam zijn, anders is zij geene liefde; wat zal ik dan mijnen even-mensch doen ? Ik zal hem doen, wat ik zelf gaarne heb! Ik wil, dat allen goede gedachten van mij hebben, zoo zal ik ook doen; nooit zal een kwaad vermoeden, een vermetel oordeel, eene verachting van mijn evennaaste in mijn hart plaats vinden. — Ik verlang, dat elkeen vriendelijk en liefderijk met mij omga; ik zal ook aldus doen; niemand zal een onvriendelijk of toornig woord van mij hooren. — Ik wensch, dat een ieder mijne fouten en zwakheden met geduld verdrage en geen kwaad van mij spreke; ik zal ook alzoo doen; nooit zal ik over eens anders fouten spreken. Ik wil, dat anderen mij gaarne een liefdedienst bewijzen, zoo zal ik het anderen ook doen! O

-ocr page 114-

102

Jezus! ware eu wezenlijke liefde! geef mij de genade, dat ik in het vervolg beminne, evenals C4ij bemind hebt!

Vijfde Meditatie.

Vijfde da ij.

Eerste meditatie van dezen dag.

Einde der tweede week.

Nu hebben wij overwogen , mijne ziel! de heerlijke deugden en voorbeelden van Jezus Christus; laat ons nu gaan zien, hoe wij die kunnen navolgen.

1. Zooveel bezitten wij van de ware heiligheid en volmaaktheid als wij van den geest van Jezus Christus hebben. Indien gij wilt weten, mijne ziel! hoever gij in de volmaaktheid gevorderd zijt, zie dan, hoeveel gij hebt van den geest van Jezus Christus; hebt gij weinig van den geest van Jezus Christus, dan hebt gij weinig van de ware heiligheid; hebt gij veel van den geest van Christus. stemt alles, wat in U is, met den geest van Jezus Christus overeen, dan hebt gij eene ware en volmaakte heiligheid. — Hij is de hoogste heiligheid en liet voorbeeld van alle heiligheid. Hoe meer gelijkvormigheid gij hebt met dat voorbeeld, des te heiliger en volmaakter zijt gij.

2. Zooveel heeft men van den geest van Jezus Christus als men van Zijne gehoorzaamheid, Zijne ootmoedigheid, zachtmoedigheid en liefde heeft....

Er is weliswaar geene enkele deugd, die in het leven van Jezus Christus niet op het volmaakste uitschijnt; evenwel is het zeker, dat Hij ons geene heerlijkere voorbeelden heeft gegeven dan in de vier genoemde deugden.

-ocr page 115-

103

Ja! twee derzei ven heeft Hij ons zoo ernstig op het hart gedrukt, alsof in haar het geheele wezen van Zijnen geest en het toppunt der heiligheid ware. Leert van Mij, zegt Hij; want ik ben zachtmoedig en nederig van harte.

3. Daaruit ziet gij, mijne ziel! wat de reden is, waarom zoo weinigen, ook uit de vólmaakste kloosters, tot do heiligheid opklimmen....

De meeste religieuzen houden zich tevreden met die oefeningen, die der bedorvene natuur niet al te veel pijn veroorzaken. Zij overwegen en bidden, zij werken met eene goede meening en verrichten de hun opgelegde bedieningen ; zij oefenen werken van boetvaardigheid en andere gestrengheden volgens het voorschrift van hunnen regel.... Maar den eigen wil geheel en al verzaken en met volkomen onverschilligheid bij eiken oogwenk der oversten bereid zijn te doen, hetgeen zij verlangen; de begeerte naar eer geheel en al te onderdrukken, en de verachtingen met een gelaten gemoed te aanvaarden, — den toorn of gramschap volmaaktelijk af te leggen en met lastige menschen vriendelijk eu liefderijk om te gaan, — de eigenliefde onder de voeten te treden en kwaad met goed te vergelden; dat alles zijn oefeningen, die slechts weinige eu heldhaftige harten durven te ondernemen. Wijl dan het hart van de kwade neigingen nooit gezuiverd en met de Gode zoo aangename deugd nooit versierd wordt, zoo deelt zich Jezus hun ook niet mede en laat hen in hunne middelmatigheid leven en sterven. Is liet derhalve uw ernstig voornemen, mijne ziel! naar heiligheid en vereeniging met God te trachten en niet op te houden, totdat gij die hebt verkregen; dan is het onvermijdelijk noodzakelijk, de voetstappen van Jezus Christus te drukken en Hem in Zijne deugden na te volgen. Ik zal u de geheele zaak in het kort blootleggen.

Het eerste voornemen aangaande de gehoorzaamheid;

-ocr page 116-

104

1. Zich in de oogcn van God in eene voortdurende heilige onverschilligheid houden bij alle verordeningen der oversten, zoodat men niets verlangt, niets zoekt, niets weigert.

2. In alle omstandigheden in de oversten God zien eu krachtdadig gelooven, dat hun wil de wil Gods is.

3. Alle voorschriften en bevelen met eerbied aannemen en met vlijt vervullen.

Het tweede voornemen aangaande de ootmoedigheid.

J. Voor de oogen van God elke begeerte naar eer alleggen, zoodat men noch inwendig eene ijdele hoogachting, een welbehagen en eene vreugde over zich zeiven ooit gedooge, noch uitwendig een woord spreke of eene hand bewege uit zucht naar ijdele eer....

2. Zijn goeden naam en zijne eer geheel aan God overlaten, zoodat men bereid is, elk oogenblik verachtingen te verduren, zooals het God behaagt....

3. Elke verachting en vernedering van waar zij ook komen, met liefde aannemen en met ware verachting van zich zeiven gaarne lijden.

Het derde besluit aangaande de zachtmoedigheid....

1. Voor de oogen van God alle menschen een goed hart toedragen, zoodat men nooit willens of wetens een kwaad oordeel, verachting, toorn of gramschap tegen den even-mensch toelate....

2. Uitwendig met alle menschen en in alle omstandigheden vriendelijk en liefderijk omgaan....

3. Wat ons ooit door onzen evenmensch wordt aangedaan, stilzwijgend verdragen, en, als het mogelijk is, kwaad met goed vergelden.... Dit zijn de punten, mijne ziel! waarin de geest van Jezus Christus en de ware navolging zijner deugden gelegen is. — Zijt gij goed bereid, om dit voorbeeld te volgen en eene levende afbeelding van Jezus te worden? — Indien dat zoo is.

-ocr page 117-

105

dan werp U voor Zijne voeten neder en oflbr u altlus op: Dit is dan Uw geest, o Jezus! de eer haten, en de verachting beminnen; den eigen wil verloochenen en dien van een ander doen; met allen liefderijk omgaan en alle zwakheden en versmadingen stilzwijgend verdragen; allen van harte beminnen en kwaad mot goed vergelden.

Ja, dat is Uw geest, o Jezus! aldus hebt Gij bemind; alzoo moet ook ik beminnen, als ik volgens Uwen geest wil leven. — Ja, niet alleen is dat Uw geest, o mijn Jezus! het is ook de eenige weg tot Uwe liefde entotver-eeniging met U. — Gij zijt de ware heiligheid en neemt Uwe woning in geen hart, tenzij het van alle kwade neigingen gezuiverd en met alle deugden versierd zij. ü welk eene vurige liefde, welk eene vertrouwelijke gemeenschap, welk eene innige vereeniging met U zou ik niet hebben, indien ik dan mij zeiven had willen sterven en volgens Uwen geest leven? O ik ongelukkige mensch! van welk een mateloos goed heb ik mij zeiven beroofd!

Dan, U zij oneindige dank, lof en zegening, o Jezus! mijn hoogste goed! het is nog niet te laat; door Uwe barmhartigheid erken ik heden uwen geest en den weg, die mij tot U leidt. Ik kan mijn hart nog van alle onreinheid der booze neigingen zuiveren; ik kan nog tot eene vertrouwelijke gemeenschap en andere werkingen Uwer heilige liefde geraken; ik kan nog tot de innigste vereeniging met U , o Jezus! komen; — ik, die U zoo dikwijls beleedigd; ik, die zoo vele genaden misbruikt heb; ik, die zoo vele jaren doof voor U we uitnoodigingen geweest ben! o goedheid o barmhartigheid! liet zij dan zoo; ik kom, o Jezus! en zal deze besluiten nakomen.

-ocr page 118-

106

Tussehenmeditatie.

Dik de werkzaamheid met het lijden nader verbindt.

Tweede meditatie ran dezen dag.

Over de twee standaarden.

Begin der derde weck.

Jjij deze meditatie begint de derde week, wier doel en einde is: Christus navolgen, volgens Zijnen geest leven en de deugden oefenen, die Hij geoefend heeft, kan niet geschieden , zonder vele rnoeielijkheden en wederwaardigheden met een grootmoedig hart te verdragen; — derhalve houdt de 11. Ignatius ons thans het voorbeeld van Jezus Christus voor oogeri; opdat wij niet weigeren, dat voor God te lijden, wat hij voor ons heeft geleden.

De volgende meditatie beoogt dus, dat gij ernstig besluit Jezus na te volgen en volgens Zijnen geest te leven, liet koste, wat het wille.

I.

Wien men volgen moet, Jezus Christus of Satan, moet men opmaken uit het doel, dat die twee aanvoerders-hebben .... Welk doel hebben zij dan?

1. Het doel van Jezus Christus is, alle menschen tot Zijne navolgers te maken, opdut zij Zijnen hemelsehen Vader voor eeuwig loven en zegenen, zich zeiven echter voor eeuwig zalig maken.

De reden hiervan is de tweevoudige liefde, die in Zijn hart brandt. De eerste is de teederste liefde tot Zijnen hemelschen Vader; want wijl Hij Hem op het volmaakste bemint, zoo verlangt Hij insgelijks, dat Hij door ons van ganscher harte voor eeuwig geloofd, geeërd, gezegend en

-ocr page 119-

107

bemind worde. — De tweede is de teederste Jielde tut de tnenschen; want wijl Hij ons op het innigste bemint, verlangt Hij , dat wij aan ons heil werken en dezelfde zaligheid met Hem voor eeuwig genieten.

2. Het doel van Satan is, alle menschen onder zijnen standaard te brengen, opdat zij God verlaten en verachten en zich zeiven in het eeuwig verderf storten ... De reden hiervan is een tweevoudige haat, die hem verteert. De eerste is een onverzoenlijke haat tegen God; want dewijl hij door Hem (ofschoon volgens een rechtvaardig oordeel) uit den hemel werd verstoeten, zoo draagt hij Hem den bittersten haat toe en kan niet lijden, dat Hij ook slechts door één mensch aanbeden, geëerd en bemind wordt. De tweede is een onverzoenlijke haat tegen ons menschen; want daar hij weet, dat die oneindige glorie en zaligheid in den hemel, welke hij met zijn aanhang heeft verloren, door God voor ons bereid is, zoo brandt hij van haat, nijd en razernij en wendt alles aan, om ons van dat geluk te berooven en met zich in dezelfde ellende te storten. Nu, mijne ziel! wat wilt gij doen? wien verkiest gij tot aanvoerder? wien wilt gij volgen? Jezus Christus of Satan? Toen de jonge Tobias in een vreemd land wilde reizen, bood zich de heilige Aartsengel Raphael onder de gedaante eens jongelings als wegwijzer aan. Wij willen echter veronderstellen , dat hem twee jongelingen waren verschenen — onder de gedaante van den eenen schuilde de Aartsengel Raphael. onder de gedaante van den anderen Satan — en beiden zich aan hem als wegwijzer hadden aangeboden ... Hoe! indien Tobias den Aartsengel Raphael den rug had toegekeerd en Satan tot zijn wegwijzer had gekozen, zou hij zich zeiven wel meer hebben kunnen haten en in een grooter ongeluk kunnen storten? Mijne ziel! gij zijt werkelijk op reis naar de eeuwigheid; Jezus en Satan bieden

-ocr page 120-

-108

zich u als wegwijzer aan. Wien van beiden zult gij uw vertrouwen schenken? Wien volgenMaak een besluit.

Oefeninge n.

Ach! welk eene wonderbare keuze is deze? Ik ben op reis naar de eeuwigheid. De weg is mij onbekend; hij is onzeker, hij is vol gevaren. Twee wegwijzers bieden zich aan, Jezus

en Satan____Jezus, de eenigeZoon des hemelschen Vaders;

Jezus, Die mij innig liefheeft; Jezus, Die van harte mijn geluk zoekt. Ach! hoe veilig is het, zulk een wegwijzer

te volgen!____De tweede is Satan; Satan, de ergste vijand

van God; Satan, een verdoemde geest; Satan, die mij den bittersten haat toedraagt; Satan, die niets anders dan mijn verderf zoekt!____Wat doe ik? Ik schaam mij eene zoodanige vraag te stellen: Wel hoe! ben ik dan zinneloos, dat ik Jezus zou verlaten en Satan volgen? Haat ik mijzelven dan zoo zeer, dat ik van den weg naar den hemel zou afwijken en dien der hel inslaan.' Neen! dat zal en moet nooit of nimmer geschieden. Gij mijn Jezus! zijt de weg, de waarheid en het leven. Gij zijt de weg, die zeker tot den hemelsclien Vader leidt; Gij zijt de waarheid, die alle gevaren en dwaalwegen ontdekt; Gij zijt het leven, waarin men de eeuwige zaligheid vindt.... Aanvaard mij, o mijn Jezus! onder Uwen standaard; ik zal U navolgen tot in den dood,

11.

Wien men volgen moet, Jezus Christus of Satan, moet men opmaken uit het doel waarheen beiden leiden .. .. Er is bijna een oneindig verschil, o mijne ziel! tusschen de uitnoodigingen van Jezus Christus en de uitnoodigingen

van Satan____ tusschen het doel, waarheen Jezus leidt,

en het doel, waarheen Satan leidt; overweeg dit wel!

-ocr page 121-

109

1. De uitnoodiging, waardoor ons Jezus Christus onder Zijnen standaard roept, duelt op louter oefeningen, die der natuur moeielijk en bitter vallen. De voornaamsten er van zijn: Een vrijwillige armoede, de blinde gehoorzaamheid en de voortdurende verloochening van den eigen wil; de ootmoedigheid en het verdragen van verachting en versmading; het stilzwijgen bij verdrukking en vervolging; God te loven bij smarten en bitterheden. Dat is de geest van Jezus Christus. Tot deze oefeningen noodigt Hij beo uit, die Hem willen navolgen. Hiertoe moet gij bereid zijn, mijne ziel! als gij onder Zijnen standaard wilt leven. Dan hoe bitter ons zulk een leven schijnt, zoo zoet en gelukkig is het doel waarheen het leidt. — Welk is dat doel dan? Ik zeg het met drie woorden, mijne ziel! maar overweeg gij bet geheel uw leven: — het doel, waarheen Jezus Christus leidt, is de ontwijking van een oneindig kwaad, namelijk de hel; de verkrijging van een oneindig goed, namelijk den hemel, en beiden voor eeuwig....

2. De uitnoodiging, waardoor ons de duivel onder zijnen standaard roept, doelt op louter dingen, waarin de natuur behagen schept.... Hij belooft hun, die hem volgen, tijdelijke goederen en rijkdommen, eer, liefde en aanzien bij de mensclien, wellusten des lichaams, een vroolijk, vrij en losbandig leven; dat is de geest van Satan; tot die dingen noodigt hij hen uit, die hem willen volgen. Maar welk doel heeft die listige en vervloekte geest, waarheen hij langs die uitnoodigingen leidt?.... Ach! mijne ziel! laat u niet bedriegen: het doel is het verlies van een oneindig goed, namelijk den hemel; — de val in een oneiadig kwaad, namelijk de hel, en beiden voor eeuwig! Sta bierbij een weinig stil mijne ziel! Sla uwe oogen omhoog en verbeeld u levendig, dat zich de hemel voor TT opent. Zie! daar zit Jezus aan de rechterhand des hemelschen Vaders en dicht

-ocr page 122-

MO

bij Hem cone menigte van uitverkorenen in eene onmetelijke glorie en heerlijkheid.

Wie zijn ze wel, dat zij zoo nabij Jezus zijn. Ach! mijne ziel! wat wonder? Het zijn de Apostelen, die men als bedriegers van de eene stad in de andere gejaagd, die men in de gevangenis gesleept, die men overal vervolgd heeft. — Het zijn religieuzen, kluizenaars, apostolische mannen, die onder duizend lasteringen, versmaadheden en mishandelingen de eer van God bevorderden; het zijn maagden, die uit liefde tot Jezus zoovele bekoringen, beschimpingen en andere wederwaardigheden met geduld en

stilzwijgend verdroegen____Dezen zijn, evenals zij op aarde

nabij Jezus waren in lijden, thans in den hemel nabij Jezus in glorie,... Ga voort in deze meditatie mijne ziel! sla uwe oogen in de diepte en verbeeld U levendig, dat de hel zich voor U opent, daar ligt Satan te midden van een vuurpoel en rondom hem eene menigte van verdoemden in matelooze pijnen en kwellingen. — Wie zijn zij, dat zij zich zoo diep in de hel, zoo nabij Satan bevinden? Ach! mijne ziel! hoe geheel anders zijn de zaken in gene, dan in deze wereld! Het zijn machtige heeren en vrouwen, die men weleer als het w7are aanbad; de overvloed in tijdelijke goederen en rijkdommen heeft hen in dit vuur geworpen.... Het zijn heeren en vrouwen, die voor de oogen der wereld in de hoogste eer, waardigheden en aanzien stonden; hunne verhevenheid heeft hun tot deze pijnen veroordeeld .... Het zijn mans- en vrouwspersonen, die aan de begeerlijkheid van hun vleesch niets hebben ontzegd; de wellust heeft hen tot deze ellende gebracht. — Zij hebben op aarde de uitnoodigingen van Satan gevolgd en zijn nu ook bij hem in de hel.

-ocr page 123-

Hl

O c 1'c n i n g e n.

O mijn Jezus.! hoe langer ik U aanschouw en betracht, des te duidelijker erken ik, dat nocli in mijn verstand kennis der waarheid, noch in mijn wil liefde tot de deugd was----Gij acht op de wereld niets dan armoede en gebrek, verachting en beschimping, smarten en moeielijk-heden. Dat alles beschouwt Gij als de geschikste middelen ter heiligheid en als liet zekerste onderpand eener hooge glorie in den hemel. Daarentegen veracht Gij de rijkdommen en tijdelijke goederen, eer en aanzien bij de menschen, de wellusten des lichaams en beschouwt dat alles als de gevaarlijkste aanlokselen, die den mensch in den hel storten. Dat is ('w oordeel, o mijn Jezus! dat is U we leer, dat is Uw geest; aldus is Uw hart gesteld!... En hoe is het mijne gesteld? Ach! hoe vele redenen heb ik niet. om mij te schamen! Ik durf mijne oogen niet opheffen en U aan het kruis beschouwen; wat Gij acht, dat veracht ik, wat Gij zoekt, ontvlucht ik, — wrat Gij bemint, haat ik— wat Gij omhelst, stoot ik van mij af. Alle uitnoodigingen van den boozen geest behagen mij en alle uitnoodigingen van U, o Jezus! mishagen mij. — Kan mijn hart wel minder gelijkvormigheid met U hebben, indien ik een bepaald besluit genomen had, niet lT maar den Satan te dienen'? — Wat moet ik dan doen? Tot U, o mijn Jezus! moet ik gaan; U moet ik als een toonbeeld van ware heiligheid beschouwen; wat Gij hebt bemind, moot ik ook liefhebben, en wat Gij hebt gehaat, moet ik ook haten. Het zij dan zoo, ik werp mij voor U neer en volg Ti na.

III.

Wien men volgen moet, Jezus Christus of Satan, moet men opmaken uit liet doel en einde, waarmede God ons

-ocr page 124-

112

tot den religieuzen staat heelt geroepen. Ga dus een weinig terug, mijne ziel! en herinner u nog eens aan uw laatste doel en einde. (ïij zijt in den religieuzen staat, opdat gij God in deze wereld zoudt vereeren en beminnen, maar op eene volmaaktere wijze; en Hem in de andere voor eeuwig genieten, maar in eene hoogere glorie... Hoe kan dit echter geschieden zonder getrouwe navolging van Jezus Christus? Overweeg de volgende waarheden, dan zult gij die zeer zeker goed begrijpen.

De eerste waarheid. De volmaaktheid is eene zeer groote en bijzondere genade van God... God is de oneindige almacht, de oneindige wijsheid, een onuitputtelijke bron van alle goed. En toch kan Hij met al deze volmaaktheden niets grooters geven, dan eene volmaakte liefde en vereeniging met Hem; dat is de genade aller genaden, het kort begrip aller barmhartigheden, en het kostbaarste kleinood aller rijkdommen Gods... Waarlijk eene ziel, die de volmaaktheid inderdaad heeft bereikt, bevindt zich op zulk een hoog standpunt, dat tegenover haar niet alleen de grootste monarchen dezer aarde niets te achten zijn, maar ook vele duizend millioenen uitverkorenen in den hemel haar den voorrang voor eeuwig moeten afstaan...

De tweede waarheid. Die genade kan niemand verkrijgen, dan door de middelen, die God daarvoor heeft voorgeschreven ... Eene ziel tot de volmaaktheid verheffen is eene loutere barmhartigheid. God is even zoomin verplicht u die genade te bewijzen, als een machtige koning verplicht is, een arm meisje tot zijne bruid te nemen en naast zich op den troon te plaatsen. — Zoo kan hij u immers naar believen zekere voorwaarden stellen, die gij moet vervullen en zekere middelen voorschrijven, die gij moet gebruiken, indien gij die genade wilt verkrijgen.

De derde waarheid. Die middelen bestaan alleen in eene

-ocr page 125-

113

algeiueene en volmaakte navolgliig van Jezus ClirLstus. Ik ben de deur, zegt die beminde Verlosser, zoo iemand door mij ingaat, hij zal behouden worden; en bij zal in en uitgaan en weiden vinden. Deze is Mijn welbeminde Zoon, zegt de heinelscbe Vader, in Wien ik Mijn behagen gesteld heb, boort Hem. Zie, mijne ziel! de eenige deur tot de heiligheid is Jezus. Met eenige voorbeeld der heiligheid, dat ons de bemelsche Vader heeft gegeven, is Jezus. De eenige leermeester der heiligheid, die den rechten weg aanwijst, is Jezus. Indien gij door de deur wilt ingaan, dan zult gij de volmaaktheid, de zuivere liefde, de innigstevereeniging met Hem vinden: overweeg echter wel, dat er slechts eene enkele deur is, buiten welke geene hoop overblijft.

O e f e n i n g e n.

1. Geloof. Ik zie wel, o mijn Jezus! hoe ver Uwe oor-deelen van de mijnen verschillen; doch dewijl Gij de eeuwige waarheid zijt, geloof ik Uw woord... Ik geloof, dat de ware rijkdommen in de armoede bestaan, de ware glorie in de verachting; de ware vrede in de onderwerping, de ware weg ter heiligheid in Uwe navolging; en de ware navolging in eene algemeene versterving en in liefde tot de wederwaardigheden. Dat geloof ik, o mijn Jezus! want aldus hebt Gij geleefd, en aldus hebt Gij bemind. Indien ik zoo bemin, en zoo leef, als Gij geleefd en bemind hebt, en indien ik lijd, zooals Gij geleden hebt, dan heb ik Uwen Geest en mag hopen, dat er in mijn leven nog een tijd zal komen, waarop ik met U, o mijn Jezus! in vertrouwelijke gemeenschap mij zal bevinden. Een anderen weg bewandelen is niets dan schijn van deugd, bedrog, huichelarij, ijdelheid, die voor Uwe oogen niet kan bestaan.

2. Begeerte naar vereeniging met God .... Het zij dan zoo, o mijn Jezus! Gij zijt mijn eenigst en hoogste goed,

8

-ocr page 126-

114

waarin mijne geheele zaligheid gelegen is. Naar T zucht en verlang ik uit al de krachten mijns harten. Ik moet 1 beminnen in deze wereld en moet I volmaakt beminnen: ik moet I bezitten in de andere wereld en moet l bezitten in die glorie, welke Gij van eeuwigheid voor mij bestemd hebt. Ik weet liet, de weg is lastig; eene algeheele vernietiging van den eigen wil, een voortdurend stilzwijgen in de verachting; een liefdevolle omgang met terugstoo-tende en lastige menschen, dat zijn oefeningen, die eene krachtige overwinning vorderen. Het moet dan zoo geschieden; al moge de natuur ook schreeuwen of weenen; ik heb besloten 1 , o Jezus! te volgen. Kn hoe zou ik het kunnen weigeren? Zou liet mij te moeielijk vallen, ter wille van Jezus aan eenen mensch te gehoorzamen, nadat Jezus om mijnentwil aan den onrechtvaardigsten rechter gehoorzaamde Zou het mij te moeielijk vallen om Jezus eene verachting te verduren, nadat Jezus om mijnentwil zich tusschen twee moordenaars aan het kruis liet nagelen? Zou het mij te moeielijk vallen, om Jezus lastige menschen te beminnen, nadat Jezus om mijnentwil aan het kruis zijne beulen en moordenaars bemind heeft? Waarom zou oen mensch weigeren voor God te lijden, hetgeen God voor een mensch heeft geleden ? . ... Ik bemin 1 , o mijn Jezus! ik omhels 1quot; en druk op dit oogenblik l'we voetstappen; wat Gij hebt gedaan, zal ook ik doen; en even als Gij hebt geleden, zoo zal ook ik lijden.... Ach! geef mij Uwen geest. Uwen gehoorzamenden, onderworpen geest. Uwen zarhtmoedigen geest, l'wen liefderijken geest!

-ocr page 127-

115

Tweede tussehenmeditatie.

Derde meditatie ran dezen dag.

O VEI! rgt;E DRIE SOORTEN VAN MENSCIIEN.

T.

De eerste soort van menschen zijn die, welke den wil hebben, om naar de volmaaktheid te streven en Christus Tia te volgen, maar slechts met den mond en niet met het hart.... Indien gij die soort van menschen wilt loeren kennen, mijne ziel! ga dan met mij in een ziekenzaal. Zie! daar ligt een zieke; de hitte dor koorts heeft hom reeds half verteerd, de kwaal neemt telken ure toe, do dood is nabij; de geneesheer komt en na alles onderzocht te hebben, zegt hij: de ziekte is wel is waar gevaarlijk, doch als de zieke de middelen, die ik hem zal voorschrijven, wil gebruiken, dan is de kwaal nog te genezen. Doch juist dit is het, wat den zieke niet bevalt. Ach! zegt hij, ik verlang van ganscher harte de gezondheid terug te krijgen; doch zoo, dat men mij niet dwinge een geneesmiddel to gebruiken, dat kan en zal ik niet nemen. Heeft die zieke nu wel een ernstigen wil, om gezond te worden?.... I it de ziekenzaal ga in de cel eener religieus. Zie! zij ligt begraven in eene groote en langdurige lauwheid. .. . Men zegt haar dat de kwaal nog kan genezen worden, en daartoe niets noodig is, dan dat zij het vaste besluit neme, al hare gebeden met een levendigen ijver te verrichten, al hare werken met eene volmaakte meening te doen, in de tegenwoordigheid Gods te wandelen en zich mot. hem door herhaalde oefeningen te vereenigen, zich moedig te versterven en God dagelijks meermalen een aangenaam offer te brengen. Zoo staat de deur tot de heiligheid open. Dan, juist dit is het, wat de lauwe ziel niet behaagt. Ik

-ocr page 128-

116

verlang, zegt zij, van gauscher harte tut de voliuaaktheid te geraken; maar die middelen gebruiken kan en wil ik niet. Heeft die ziel nu wel een ernstigen wil om tot de volmaaktheid te komen ? Maar wee dan ook die ziel! hoe

vele kwalen wachten haar!

1, Zulk een lauwe wil maakt, dat God de ziel in zwaie zonden laat vallen.... Zulks verklaart Hij zeli dooi twee gelijkenissen. Be eerste ontleent Hij aan de aaide. Eene aarde, zegt Hij, die herhaaldelijk door regen wordt bevochtigd , en geene vruchten voortbrengt, is der vervloeking nabij. De tweede ontleent Hij aan het lauwe water, dat niemand zonder walg kan drinken: Tk wilde, zegt Hij, dat gij koud. of warm waart; maar wijl gij lauw zijt, zal ik beginnen u uit mijnen mond te spuwen. Ach! mijne ziel! wie heeft dit gezegd? van wien heeft Hij dit gezegd?

2. Zulk een lauwe wil maakt, dat God de ziel ten laatste zelfs laat verloren gaan. Die waarheid verklaart Hij weer in twee gelijkenissen. Het eerste is van een boom op het veld; want terwijl Hij daarop niets dan bladeren vond, vervloekte Hij hem met de volgende woorden: Nooit in eeuwigheid kome een vrucht van u voort! Het tweede is van een boom in een tuin; Hij vond hem drie jaien achtei elkander zonder vruchten; derhalve wendde Hij zich tot den tuinman en zeide: Houw hem om, waarom beslaat hij

den grond?____ Ik herhaal mijne vraag; Wie heeft dit

gezegd? Mijne ziel! van wien heeft Hij dit gezegd?----

Oefeningen.

1. Vrees. Welk eene vrees en welk een schrik overvalt mij, o mijn God! wanneer ik deze waarheden, die uit Uwen mond komen, overweeg! Ik kan nog verloren gaan: ik, dien God buiten zoo vele duizend menschen tot den religieuzen staat liccll geroepen: ik, dien God tot zulk

-ocr page 129-

117

eerie hooge glorie in den hemel heeft uitgenoocUgd. Ja, ik kan verloren gaan en wel verloren gaan om mijne lauwheid. 0 lauwheid! o vervloekte lauwheid! welk een groot kwaad moet gij zijn, dewijl gij oorzaak zijn kunt, dat de barmhartige God een walg aan mij hebbe en mij uit Zijnen mond spuwe.

2. Berouw. Heb nog een tijd geduld met mij, o mijn Jezus! ik heb berouw en verfoei uit bet binnenste mijns harten elke nalatigheid, die ik heb bedreven; elke verwaar-loozing der genade, elk misbruik der ontvangene middelen. Ik heb tot dusverre op eene wijze geleefd, dat ik noch voor de eer van Twen allerheiligsten naam, noch voor het heil mijner onsterfelijke zie) ernstige zorg gehad heb. Door Uwe barmhartigheid erken ik heden mijne boosheid en heb vast besloten, in het vervolg U, o Jezus te volgen.

li.

De tweede soort van menschen zijn zij, die, wel is waar in hun hart waarlijk den wil hebben om naar de volmaaktheid te streven maar geen heldhaftigen wil.... Mijne ziel! wij willen nog eens in de ziekenzaal terugkeeren! Zie daar ligt een andere zieke, die van den eerste zeer verschilt; hij wenscht de gezondheid terug te krijgen en opdat hij ze mocht bekomen, is hij ook bereid middelen te gebruiken, maar zondert snijden, branden en andere dergelijke bittere heelmiddelen uit.

Wat zal men van dien zieke zeggen .'

Hij heeft een wil; maar geen krachtdadigen, geen alge-meenen, geen heldhaftigen wil. Zoo als met deze gaat het ook met vele religieuzen. Zij verlangen naar de volmaaktheid en opdat zij haar mogen verkrijgen, zijn zij ook bereid , middelen te gebruiken , maar niet alle. Inwendige

-ocr page 130-

118

verlatenheid en zware bekoringen gedurende eenige jaren, veroutmoedigingen, en verachting zonder daartoe redenen gegeven te hebben, en andere dergelijke wederwaardigheden vallen hun te moeielijk. Wat moet men van zulke zielen zeggen? Zij hebben een wil, maar geen algerneenen, geen krachtdadigen, geen heldhaftigen wil. Wat zal echter bij zulk een halven wil geschieden? Erken het, mijne ziel! en druk liet diep in uw hart.

1. Zulk eene ziel leidt een leven zonder troost.... Als men zich niet zonder voorbehoud aan God overgeel't, dan sterven de kwade neigingen nooit; de hoovaardij en begeerte naar eer, de eigenzinnigheid en de gehechtheid aan zijn eigenwil, de gramschap en de vrijheid der tong, de droefgeestigheid en onvriendelijke omgang met den evenmensch, al deze gebreken, welke men uit de wereld in het klooster heel't medegebracht, zullen na 20 jaren nog even zoo levendig zijn,, als op den eersten dag der intrede. Ja, zij groeien met de jaren aan en nemen toe, evenals een jonge boom, die jaarlijks hooger en dichter opschiet. Zulk eene ziel zal het juk der gehoorzaamheid steeds meer gevoelen; zij zal de verachting steeds moeielijk er verduren; zij wordt in gesprekken steeds vrijer en lastiger en in den omgang met den evennaaste steeds onhandelbaarder.... Welk een vrede of troost kan in zulk een hart wonen? Eene onverstorvene neiging is in de ziel, wat eene levendige adder in het lichaam is. Hoe lang is zulk een mensch zonder smarten? Zoo lang als de adder zich stil houdt. Begint zij te ontwaken, dan knaagt, bijt en kwelt zij den ongelukkige. En hoe lang is eene zoodanige ziel zonder onrust? Zoo lang als de booze neigingen slapen. Komt er eene verachting, eene versmading, een onaangenaam bevel, dan ontwaken zij, maken alarm en kwellen de ziel. Bij dit alles zijn wij stekeblind en erkennen de bron onzer ellende

-ocr page 131-

119

niet; wij zoeken onzen vijand op alle plaatsen maar niet in ons hart, waar hij alléén te vinden is.

2. Zulk eene ziel leidt een leven zonder voortgang in de volmaaktheid. Mijne ziel! God heeft de uitspraak gedaan en zij kan niet veranderd worden. Wie niet alles verzaakt, wat hij bezit, kan Mijn leerling niet zijn; dat is, wie niet aan alle schepselen geheel en al sterft en zich niet zonder voorbehoud onder Mijne leiding stelt, kan tot Mijne liefde en tot vereeniging met Mij niet komen. Waarom niet? Luister naar de redenen....

a. God is Heer en Meester over alles; het staat Hem vrij, die bijzondere genaden, welke tot verkrijging dei-volmaaktheid noodig zijn, te geven, aan wie liet Hem belielt. Hij heeft nu echter besloten, haar aan geene ziel te geven, die zich niet ten eenmale aan Hem overgeeft. En wie is de mensch, die deze handelwijze van God zou durven afkeuren?

b. God is eene oneindige Majesteit; Hem komt het toe, dat men Hem geheel het hart met al zijne verlangens sehenke; dit recht zal llij nooit afstaan, noch ooit eene ziel tot de vereeniging met Hem laten komen, die zich het minste voorbehoudt.

Oefeningen.

1. Belijdenis.... üe zieke is eene levendige afbeelding mijner ziel, o Jezus! hij wil de gezondheid terug krijgen, maar zonder moeite, zonder lijden, zonder bittere geneesmiddelen. Aldus is het ook in mijne ziel gesteld; ik wil eene volmaakte ootmoedigheid, maar zonder verachting; eene volmaakte gehoorzaamheid , maai' zonder een moeielijk gebod; eene volmaakte liefde en zachtmoedigheid, maar zonder eene versmading te verduren! Kortom, ik wil heilig worden, maar zonder iets te lijden! Dat is met geweld zich ver-

-ocr page 132-

120

zetten tegen den wil des hernelsclien Vaders, tegen de leer en het voorbeeld van Jezus Christus, tegen de leiding en de inwendige vermaningen des II. Geestes! O ik dwaze niensch! Zonder te lijden en zonder de voetstappen van Jezus Christus te drukken, is vóór mij niemand heilig geworden; ik moet lijden, sterven, mij zeiven vernietigen, indien ik tot de volmaaktheid wil komen. Ja, dat is uwe leer, o Jezus! dat is de weg tot de heiligheid. Ik zal dan met U lijden en zal lijden tot dat alle ongeregeldheden in mij vernietigd en alle kwade neigingen gestorven zijn...

2. Desluit.... Maar waarom zou ik het niet willen? Kan ik mij zeiven zoo vijandig wezen, dat ik zonder voordeel het grootere kruis kies en het kleinere vlucht?

Ach! mijn God! verlicht mij, opdat ik zie, wat ik tot dusverre niet heb gezien!.... Eene kleine hoovaardigheid veroorzaakt in het hart meer onrust en verwarring dan de diepste ootmoedigheid; eene kleine eigenzinnigheid pijnigt hot hart meer dan de volmaakste gehoorzaamheid! — Welaan! indien ik noodzakelijk moet lijden, hetzij om de deugd, hetzij om de misdaad, dan zal ik lijden om de deugd, ik zal lijden om den hemel, ik zal lijden om l', o Jezus!. ...

III.

De derde soort van menschen zijn die, welke een ernstigen en groottnoedigen wil hebben, om naar de volmaaktheid te streven, dit is, die bereid zijn, niet alleen alles te doen, wat God verlangt, maar ook alles te lijden, wat Hij wil, om de volmaaktheid te verkrijgen .... De voordeden, welke de ziel in dien staat mag hopen, zijn de volgende:

1. Zulk eene ziel komt onfeilbaar tot de volmaaktheid . .. . De maat, waarmede zich God aan de menschen mededeelt,

-ocr page 133-

121

is juist die, waarmede zich de mensch aan God overgeeft. Wijl mi de ziel in dien staat, waarvan wij spreken, zicli aan God geheel en al en zonder voorbehoud overgeeft, zoodat zij bereid is, te doen en te lijden, wat God behaagt, zoo deelt ook God zich aan de ziel geheel en al en zonder voorbehoud mede en verheft haar in korten tijd tot den staat van volmaaktheid.

2. Zulk eene ziel komt geheel zeker tot de vereeniging met God. De vereeniging en innigste gemeenzaamheid met God is eene belooning, die aan de volmaakte liefde beloofd is. Zoo iemand mij lief heeft, spreekt de goddelijke Verlosser, dien zal Mijn Vader liefhebben, en wij zullen tot hem komen en ons verblijf bij hem nemen. Wie heeft echter eene volmaakte liefde, waaraan zulk eene groote genade beloofd is? Hij voorzeker, mijne ziel! die zich aan God zonder voorbehoud overgeeft.

3 Zulk eene ziel verkrijgt van God buiten allen twijfel vele andere en groote genaden. God is oneindig vrijgevig en stort Zijne genaden overvloedig in het hart, dat zich geheel en al aan Hem overgeeft. Zulke genaden zijn de zoetste rust, de vrede en vreugde des harten, de teedersle godsvrucht en genegenheid jegens God en andere gaven des H. Geestes; en daarin bestaat het gewenschte honderdvoudige, hetwelk Christus hun beloofd heeft, die om Hem zich zei ven en alles hebben verlaten....

O e f e n i n g e n.

1. Vrees. Mijn God! hoe liefderijk en barmhartig toont Gij I jegens mij! Door l'we genade erken ik nu den weg, die tot de heiligheid leidt, ik erken, dat ik onfeilbaar tot dezelve zal komen, als ik mij maar aan I' geheel en al en zonder voorbehoud wil overgeven; ik erken, dat het l'w heilige wil is, mij daarheen te geleiden; welk eene

-ocr page 134-

122

genade! welk eene bannhartiglieid!... Maar juist die genaden jagen mij schrik aan, o mijn God! want aan wien veel gegeven is (zoo spreekt Gij) van hem zal veel gevorderd worden; en wien men meer heelt toevertrouwd, van dien zal men meer vorderen. Ach! welk een ongeluk zou liet voor mij wezen, indien juist die overvloed van genaden, die mij eone hooge plaats in den hemel moest schenken, mij diep in de hel stortte! liet is zeker, dat er vele zielen zijn, die op geen middelweg kunnen hopen, zij komen ol hoog in den hemel ol' diep in de hel. Oen ik ook niet eeue van die zielen? Ik weet het niet; o verschrikkelijke waarheid! ik weet het niet!

2. Besluit. Ik zal dan bijtijds voorzorgsmaatregelen nemen en den weg inslaan, dien ik heden heb leeren kennen. Zie! o mijn Jezus! op dit oogenblik geef ik mij aan L we leiding over zonder eenig voorbehoud, zonder eenige uitzondering. Dit alleen verlang ik van U: Geef mij genade, opdat ik U volmaakt beminne en tot de innigste ver-eeniging met 1' gerake; al het overige laat ik aan l wen li. Wil over____ Alles wat mij tegenstrijdigs kan overkomen, zal ik beschouwen als besluiten Uwer Vaderlijke Voorzienigheid en zal het met de volmaakste onderwerping gebruiken als oen middel ter heiligheid. Ach! mijn Jezus! bewaar mij in dien wil.

-ocr page 135-

123

Derde Tusschenmeditatie.

iJa zesde day.

Eerste meditatie van dezen dag.

O VEI! DEN JJEHDEN TRAI' DEU OOTMOEDIG HEUt OF OVE15 DE LIEFDE TOT DE VEKACHÏ1NG.

1.

Dut wij de veniclitiug beminnen, vordei't de billijklicid. Wij zijD zoo verblind, mijne ziel! en onze eigene boog-aclitiug is zoo diep in ons hart ingeworteld, dat wij ge-looven, dat ons het grootste ongelijk geschiedt, als men ons veracht, en toch is het zeker, dat ons niets dan verachting toekomt, ja, dat alle menschen der wereld niet in staat zijn, ons zoo veel te verachten, als wij verdienen. Keer een weinig in U zeiven en ik zal U die waarheid zonneklaar voorstellen.

1. God kan en moet de zonde straU'en. Dat leert ons het geloof. God is de oneindige rechtvaardigheid; even als Hij echter niet de oneindige rechtvaardigheid zon zijn, indien Hij het yoede niet beloonde, zoo zou Hij ook de oneindige rechtvaardigheid niet wezen , indien Hij het kwaad niet strafte. Gelooft gij dat, mijne ziel! ga dan verder.

2. God kan de zonde straffen, zoo als het Hem goeddunkt. Even als God de oneindige rechtvaardigheid is, zoo is Hij ook oneindig Heer en Meester. Hij kan de zonde straffen met smarten des lichaams, met angstvalligheden en droefheden der ziel, met verachting ten opzichte der eer. Het geschikste schijnt de verachting te wezen; want dewijl de zonde eene verachting Gods is, zoo wordt zij te recht en billijker wijze met verachting gestraft. Of kan

-ocr page 136-

■124

wel iets billijker zijn, dan dat die mensch vemclit wordt, die zich vennoten heeft, den lioogsten God te verachten? . ..

3. God kan de zonde straffen, door wien Hij wil....

De zonde van David strafte Hij door diens eigen zoon----

De zonde van den ongehoorzamen Profeet strafte Hij door een wild dier, dat hem op den weg wurgde. De zonde van den misdadigen Heliodorus strafte Hij door een Lngel,

die hein dood geeselde---- Onze zonden strafte Hij in

Zijnen eigen Zoon door een Apostel, die Hem verried.... Zoo kan God ook mij straffen en mij verachting overzenden door wien Hij wil....

4. Hoe God ook de zonde op aarde straffe, Hij straft ze toch altijd minder, dan zij liet verdient.... Indien ik tot aan het einde der wereld leefde en wel te midden van voortdurende versmaadheden , lasteringen, vervolgingen en beschimpingen, dan zou ik met^dit alles toch die verachting niet kunnen vergoeden, die ik door eene enkele dagelijksche zonde der goddelijke Majesteit heb aangedaan. Voreenig nu al uwe gedachten, mijne ziel! en antwoord mij.... Hebt gij geene zonde bedreven? Ach niet ééne. maar vele hondorden, en misschien vele duizenden! God kan u dus straiten met verachting, wanneer Hij wil. Ook dat kan men niet ontkennon. Welk eene verachting Hij li laat overkomen, zij is altijd minder en geringer, dan gij door eene enkele dagelijksche zonde verdient.... Wat volgt daaruit?

Daaruit volgt, dat gij u over geene verachting kunt beklagen, omdat U daardoor geen ongelijk geschiedt; daaruit volgt, dat gij bij alle verachtingen God moet loven en zegenen, omdat zij altijd geringer zijn, dan gij ze verdient; daaruit volgt, dat het billijk is, dat gij in verachting en versmading leeft....

-ocr page 137-

125

Oefeningen.

1. Pielijdenis en verootmoediging van zicli zeiven. .. liet is billijk, o mijn God! ik beken bet, het is billijk, •lat ik in verachting leef en dezelve niet anders dan als oene werking Uwer barmhartlglieid aanzie. Ach! wat zijn alle versmaad heden dezer aarde tegenover die. welke ik heb verdiend? .... Indien Gij, o mijn Jezus! volgens Uwe rechtvaardigheid met mij gehandeld badt, waar zou ik thans zijn? Spreek, mijn geweten, spreek, mijn hart! waar zou ik thans zijn! Ik zal de waarheid spreken; want wat zou ik voor li kunnen verbergen , o oneindige Alwetendheid?.... Ik zou in de hel liggen! Dan zou ik voor eeuwig-van alle uitverkorenen des hemels worden gevloekt, voor eenwig van alle verdoemden der hel gelasterd worden! Ik zou voor eeuwig van alle Engelen en menschen van hemel en aarde vervloekt worden!. ... Gij echter, o mijn Jezus! hebt dit alles door Uwe barmhartigheid van mij afgewend; en Gij zijt tevreden wanneer ik in plaats der eeuwige vervloeking die verachting verdraag, die Gij mij op aarde overzendt.... Zou ik die dan niet billijker wijze als werkingen Uwer barmhartigheid aanzien en met blijdschap verduren 1....

2. Besluit.... Het zij dan zoo, o Jezus! die gedachte zal ik nooit uit mijn geheugen verliezen. Ik heb gezondigd en verdiend, door hemel en aarde, door Engelen en menschen, door uitverkorenen en verdoemden voor eeuwig gevloekt, gelasterd, beschimpt en verwenscht te worden. Daaraan zal ik mij bij elke gelegenheid herinneren en bij elke verachting Uwe goedheid en barmhartigheid loven en zegenen ....

-ocr page 138-

120

II.

Dat wij de veniclitin^ bemiimen, vordeit liet jint en

voordeel____ Het is wel waar, dat in de verachtingen

niets te vinden is, wat ons niet bitter en onaangenaam voorkomt; dan mijne ziel! wij beminnen vele dingen, die volgens de natuur bitter en onaangenaam zijn, als wij maar ontwaren, dat zij ons groot voordeel aanbrengen. Voor een zieke, die groote smarten lijdt, is op de gelieele wereld niets aangenamer, dan een geneesmiddel, hoe bitter bet ook zijn moge, wanneer hij maar verzekerd is, dat het hem de gezondheid terug schenkt. Waarom zonden wij dan de verachtingen niet kunnen beminnen, als wij bedenken, dat zij ons zoo groote en hoogst gewenschte vruchten aanbrengen? Welke zijn nu de voordeelen? Wij zullen de voornaamste overwegen:

Het eerste voordeel. De verachtingen vernietigen in ons

de hoovaardij____ Het grootste kwaad en het grootste

beletsel der volmaaktheid, dat in TI zijn kan, mijne ziel! is de hoogmoed en ijdelheid. Zoolang de minste hoogachting van u zeiven, de minste eerzucht, het minste welbehagen in den lof der menschen in uw hart schuilt, zoo lang gaat God er niet binnen. Hij heeft er een afkeer van; Hij vlucht het en laat het ledig aan hemelsche verlichtingen, ledig aan bijzondere genaden en aan de leiding Zijner Voorzienigheid! Kan ei1 wel een grooter kwaad voor eene ziel zijn, die naar de volmaaktheid streeft? .... Welk middel kan men echter daartegen gebruiken? Geloof, mijne ziell en geloof bet als eene onfeilbare waarheid; het krachtigste, zekerste en spoedigste middel zijn de verachtingen. Om eenen brand te blusschen is niets heter dan een plas regen; on om den hoogmoed te vernietigen, werkt niets krachtdadiger, dan de verachtingen van kwalijk gezinde

-ocr page 139-

127

menschen; er zijn weinig zielen, die zonder dit middel tot de ware ootmoedigheid komen. Zondt gij dan, mijne ziel! niet met grootere begeerte naar de veraclitingen staan'! Zoudt gij ze niet met groote blijdschap aannemen Zondt gij in dezelven God niet van harte loven en zegenen ? Bedankt men niet hartelijk den geneesheer, die ons, alhoewel onder hevige smarten, een tand uittrekt, omdat hij ons van zoo groote pijnen verlost, waarom zonden wij dan God niet bedanken, wijl Hij ons, ofschoon door lastige middelen, van een zoo groot kwaad, als de hoogmoed is, bevrijdt? — Het tweede voordeel. -—- De verachtingen vestigen in ons de ootmoedigheid. Het grootste goed en de beste voorbereiding tot de volmaaktheid is de ootmoedigheid. Als God die deugd in het hart gewaar wordt, dan gaat Hij in hetzelve binnen, en verrijkt het overvloedig met Zijne genade. Een ootmoedig hart is gelijk aan eeno vallei; want evenals bij een regen al het water van de bergen afstroomt en zich in de valleien, in de vlakte vergadert, zoo vloeien ook de hemelsche genaden van de hoovaardigen weg en verzamelen zich in de diepte van een ootmoedig hart. Kan er wel een grooter goed wezen? Welk is echter het middel om deze aan God zoo welgevallige deugd te verkrijgen? Aanschouw uwen Jezus, mijne ziel, en leer de verachtingen beminnen. Die beminnenswaardige Verlosser heeft ons voor alle deugden de geschikste middelen aangewezen, om ze te erlangen; welk middel heeft Hij dan gegeven om de ootmoedigheid te verkrijgen? Geen ander dan de verachtingen on bespottingen en eeno gedurige stilzwijgendheid in dezelven. Als gij dit doet, dan zal Jezus u Zijn ontmoedigen geest mededéelen, ja. gij bezit hem reeds, want de ootmoedige geest van Jezus is niets anders, dan do verachtingen stilzwijgend verdragen en ze beminnen.

-ocr page 140-

128

O e 1' e n i n g e n.

1. Acli! mijn Jezus, mijn Verlosser, mijn al! ik erken maar al te wel, wat 11 in mijn hart mishaagt en wat l terughoudt, er in te wonen. Die door U zoo gehate zucht om in achting en aanzien hij de menschen te staan, ij delen lof na te jagen, in alles den voorrang hoven anderen te hebben, dat is het helsch gebroed, hetwelk mijn hart voor Uwe oogen hatelijk maakt. O gij verfoeide eerzucht! van hoevele genaden hebt gij mij reeds beroofd ? floe vele hemelsche vertroostingen hebt gij belet'? Hoe ver hebt gij mij van God verwijderd 7 En wat zult gij nog in 't vervolg doen? Ik werk te vergeefs; zoo lang ik die neiging niet afleg, zoo lang kan ik niet tot U komen, o mijn Jezus! Een zoo ootmoedige God en een zoo hoovaardig mensch kunnen in geene volmaakte gemeenschap leven. Gij, o God ! moet uw hart veranderen en in 't vervolg den hoogmoed en de eer beminnen; of ik moet mijn hart veranderen. Maar hoe'? O mijn Jezus! ik kan mijne eigene woorden niet meer gelooven. Die verfoeilijke eerzucht wortelt zoo diep in mijn hart, dat zij er door geen geweld kan worden uitgetrokken; ik heb ze reeds duizendmaal verfoeid, en na dit alles, steekt zij heden nog even diep in mijn hart als voorheen! Ach, dit vonnis moet ik over mij zeiven strijken; want mijne besluiten te dezen opzichte zijn niets anders dan ijdele woorden, waarmede ik mij zeiven bedrieg. Indien ik het ernstig meende, zou ik immers hen, die mij verachten, van ganscher harte bedanken; indien ik het ernstig meende, zou ik immers alle gelegenheden om mij te verootmoedigen met vreugde aangrijpen.... Dat is namelijk een boom, dien Uwe alles vermogende hand, o Jezus, alleen in mijn hart kan planten .... Keer derhalve

-ocr page 141-

■120

Uwe oogen op mij, o bariuluiftige Jezus! vernielig in mij olkc eerzucht eu maak, dal iu mijn iiurt niets anders meer heerselie, dan (1 ij alleen, (iij alleen.

III.

Dat wij de verachting liefliebben, vordert hare verhevenheid en voortreffelijkheid. Indien wij wisten, mijne ziel! hoe verheven en voortrelfelijk de staat van verachting-is in Gods oogen, dan zouden wij de raoeielijkheden, die de natuur in liet verdragen derzei ven gevoelt, met vreugde ondergaan. Overweeg dus wel, wat het is verachtingen stilzwijgend te verduren....

De eerste voortreffelijkheid. — De verachting stilzwijgend verdragen, is het grootste oiler, dat men in dit leven kan brengen.... De zucht om iets te zijn en in de oogen der menschen in eer en aanzien te leven, is eene neiging, die schier bij alle menschen het beste deel des harten inneemt.... Menschen, die zich zonder moeite van alle kwade lusten ontdoen en het lichaam door vasten, waken en andere gestrengheden tuchtigen; menschen, die in de eenzaamheid leven en dagelijks vele uren in het gebed doorbrengen; menschen, die ongevoelig zijn in het lijden en de pijnen des lichaams geduldig verduren, zijn dikwijls niet in staat, eene enkele verachting, eene enkele lastering, ja, zelfs een enkel verachtelijk woord stilzwijgend te verdragen. Dan is de deugd te zwak en tegen die klip lijdt de geheele heiligheid schipbreuk!... . Zoo diep wortelt flie neiging in het hart, zoo moeielijk valt het, ze uit te roeien. Even als dit nu zonder het grootste geweld en overwinning der natuur niet kan geschieden, zoo is het ook het grootste oiïer, dat men God op aarde kan brengen, en waarin Hij Zijn grootste welbehagen schept.

De tweede voortreffelijkheid. — De verachting stilzwijgend

9

-ocr page 142-

130

verdragen, is een noodzakelijk gedeelte der navolging van Jezus Cliristus... . Indien gij Jezus met oplettendheid wilt beschouwen, dan zult gij zien dat Hij zonder veracht te worden geen voet verzet heeft; Hij predikte niet altoos; Hij bad niet altoos; Hij gevoelde niet altoos srnart; Hij was niet altoos bedroefd; maar Hij werd immer en altijd veracht!.... Hij werd veracht bij Zijne geboorte in den stal te Bethlehem, veracht als kind op de vlucht naar Egypte, veracht als jongeling in de werkplaats te Nazareth, veracht als man terwijl Hij predikte, veracht bij Zijnen

dood aan het kruis!----Hij werd veracht om Zijne leer,

Zijne deugden, Zijne menschheid .... Moet men niet zeggen, mijne ziel! dat het eigenlijke wezen van den geest van Jezus Christus de liefde tot de verachting is, en dat men Zijnen geest niet kan bezitten zonder die liefde tot de verachting ?

De derde voortreffelijkheid. — De verachtingen stilzwijgend verdragen, is de sleutel tot het Hart van Jezus en de deur tot vereeniging met Hem .... Het is vergeefsche moeite, Jezus zonder verachting te zoeken! Noch bidden, noch zuchten, noch vasten , noch waken, noch eenige andere oefening is voldoende, men moet sterven en sterven door verachting; men moet don geest van Jezus Christus in zich opnemen en met Hem de verachtingen liefhebben. Zoodanige zielen bemint Jezus, en geene andere; hij verlicht haar en openbaart haar zijne glorie en heerlijkheid; Hij troost haar en laat haar de zoetigheden Zijner liefde smaken: Hij houdt met haar gemeenschap en vereenigt zich met haar op het innigste. Zij zijn die bevoorrechte zielen, aan welke Hij reeds op de wereld zal vervullen, wat Hij met de volgende woorden heeft beloofd: Zie! Ik sta aan de deur en klop; zoo iemand Mijne stem zal hooren en de deur opendoen, ik zal tot hem inkomen en maaltijd, met

-ocr page 143-

431

hein lioudoii en hij mot Mij. Zeg mij mi, mijne ziel! zijn wij niet stekeblind en moeten wij onze dwaasheid niet met bloedige tranen beweenen, als wij ons over eene verachting bedroeven? Wij namelijk haten ons zeiven en zijn gelijk aan die zieken, welke gezond willen worden, zonder een geneesmiddel te gebruiken. Zonden wij het niet boven alles hoogschatten ?

O e f e n i n g e n.

1. Opoffering. Nu heb ik licht en kennis genoeg, o mijn beminnelijkste .Tezns! Zoolang de eerzucht in mijn hart heerscht, zult Gij niet in mijn hart komen en kan ik niet tot 1' komen; de eerzucht moet er uit en de liefde tot de verachting moet binnen treden. Het zij dan zoo, mijn Jezus! Aanhoor mij en ontvang met welbehagen het offer, dat ik T' op dit oogenblik breng.

a. Ik verfoei van ganscher harte en verzaak voor eeuwig elke eerzucht; ik wil niet, dat iemand op de geheele wereld ook slechts een oogenblik aan mij denke, mij achte, beminne, love en vereere; en zoo het tegen mijn wil mocht geschieden, dan zal ik bet daaruit voortkomende welbehagen verfoeien, als iets dat een gruwel in Uwe oogen is.

h. Ik bemin en kies van ganscher harte den staat van verachting. Wat mij van denzelven door Uwe barmhartigheid zal wedervaren, dat zal ik niet slechts uit liefde totU stilzwijgend verdragen, maar IJ daarvoor loven en zegenen.

c. Thans leg ik in Uwe handen al de aanspraak, die ik in de oogen der menschen op eer en aanzien heb. Ik zal mij om dezelve, als om een vreemd goed, voor eeuwig niet meer bekommeren. Neem dit offer aan, o Jezus! het is het offer, dat ik dagelijks zal vernieuwen, waarin ik zal leven en sterven.

2, Bede om den geest van ootmoedigheid. — Aldus zal

-ocr page 144-

IP,5

ik handelen! aldus zal ik in het vervolg beminnen! Dan, wie kan maken, dat ik in die gelukkige gesteltenis den harten voordurend hlijve volharden? Ach! mijn Jezus! Gij alleen kunt het, zonder U zullen mijne goede voornemens nooit uitgevoerd worden; zonder U zal mijn vast besluit, zelfs geen uur stand houden. Keer lus Uwe barmhartige oogen naar mij, o mijn beminnelijkste Jezus! geef mij een hart, gelijk aar. het Uwe! Maak dat ik berninne, wat Gij bemind hebt, en verafschuwe, wat Gij verafschuwd hebt! dat ik elke ijdelheid en elk aanzien bij de rnensehen hate, even als Gij het gehaat hebt, en de verachtingen en versmadingen liefhebbe, evenals Gij ze hebt liefgehad! Om die genade bid en smeek ik U.

Eerste Meditatie.

Tweede Meditatie van dezen dag.

Over het inwendig lijden van Citristi'S.

I.

Alle inwendige moeielijkheden, die wij op den weg dei-volmaaktheid ontmoeten, heeft Christus vóór ons geleden ... Stel U, mijne ziel! uwen beminden Verlosser in den Olijfhof levendig voor oogen; treed in het binnenste van Zijn hart en overweeg de verschrikkelijke benauwdheden, die Hij

heeft geleden____ Verlies echter die gedachte nimmer uit

uw geheugen. De godheid heeft Christus in Zijn lijden zoo min bijgestaan, als de ziel van een uitverkorene het lichaam bijstaat, dat in het graf verteert. Hij heeft geleden, gelijk Hij zou geleden hebben, als Hij enkel mensch geweest ware, even als gij .... Maak nu een begin! De eerste inwendige kwelling, welke Jezus heeft geleden, was eene onmetelijke droefheid. De oorzaak dezer droefheid was

-ocr page 145-

133

tweecloiiei.... Do eerste was Zijne vurige liefde. Nooit heeft eeue moeder op aarde haar eeniggeboren zoontje zoo teeder en innig bemind, als Jezus Christus eiken mensch in het bijzonder heeft lief gehad.

üe tweede oorzaak was Zijne alwetendheid. Hij wist, dat ondanks Zijn lijden een zeer groot gedeelte der menschen voor eeuwig zou verloren gaan; daaruit ontstond eene droefheid, die afgezien van het overige lijden voldoende geweest ware, om Hem hét leven te benemen .... Wilt gij daarvan een klein denkbeeld hebben, verbeeld U dan eene moeder, die vier kinderen heeft en hen op het teederste bemint. Op zekeren dag, dat zij op het veld spelen, komt een tijger en doodt hen allen, en toen de moeder kwam, zag zij niets meer, dan de afgeknaagde beenderen barer kinderen. Hoe groot is wel de smart dier moeder!.... Zoo groot en nog onvergelijkelijk grooter was de smart van Jezus; Hij zag toen reeds duidelijk, hoevele millioenen menschen zich in het eeuwige vuur zouden storten!....

De tweede inwendige kwelling, die Jezus heeft geleden, was de vrees .... Er is niets, wat den mensch zoo vreeselijk kan pijnigen, als de verwachting des doods. Het is meer dan eens gebeurd, dat jonge gezonde menschen, wien men den dood aankondigde, van schrik en angst in eenen nacht gelijk oude grijsaards sneeuwwit geworden zijn.... En hoe zou het met u gesteld zijn, mijne ziel! als men U kwam boodschappen, dat gij morgen in het gezicht der geheele stad een langzamen en wreeden dood zoudt moeten ondergaan'? Zie, in dien toestand bevond zich Uwe ziel, o Jezus! Ja, nog veel pijnlijker, want nooit is er een mensch geweest, die zich, den aanstaanden dood met al deszelfs omstandigheden en bitterheden zoo levendig heeft kunnen verbeelden als Jezus....

De derde inwendige kwelling, die Jezus heeft geleden,

-ocr page 146-

134

was de imvendige strijd .... Dion strijd veroorzaakten de natuur en de genade in het hart van Jezus.... De natuur maakte deels wegens den schrik voor den dood, deels wegens liet verdriet om de ondankbaarheid der menschen, Jezus het lijden ondragelijk en dwong Hem, ten hemel te roepen: «Vader! indien het mogelijk is, neem dan dien

kelk van Mij wegquot;____De genade spoorde Hem aan, dien

weerstand te overwinnen. Derhalve herriep Hij Zijne vorige bede en zeide: «Vader, niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede!....

Drie uren duurde het geweld van dien strijd en kwelde Zijn hart dermate, dat Hij er ten laatste onder bezweek cn het bloedig zweet uit al de ledematen Zijns lichaams te voorschijn kwam----

De vierde inwendige kwelling, die Jezus heeft geleden, was de doodsangst.... Het is eene onloochenbare waarheid, dat den mensch niets verschrikkelijkers kan overkomen, dan de doodsangst..., Verbeeld u, mijne ziel! een mensch, die op sterven ligt. Ach! welk eene droefheid. Het koude zweet staat hem op het voorhoofd; de handen, voeten en overige ledematen zijn verstijfd; met het uiterst geweld kan hij nauwelijks ademhalen; het hart klopt en beeft in het lichaam; de eene schok volgt op den anderen en alleen het geziciit er van ontstelt het menschelijk hart.... Keer U nu van den stervende tot Jezus. Zie! in plaats van het zweet druipt het bloed af! Handen en voeten worden koud en Hij valt op den grond neder; het lichaam beeft alsof het wilde van een bersten; de laatste doodstrijd is daar....

Ja! Hij zou werkelijk gestorven zijn, indien Hem niet een Engel hadde versterkt; opdat Hij zijn offer aan het kruis zou kunnen volbrengen.

-ocr page 147-

135

O e f e n i n g e u.

1. Schaamte over mij zeiven....

O mijn Jezus! hoe groot is Uw lijden en hoe groot is Uwe standvastigheid in hetzelve! Hoe klein daarentegen is mijn lijden, en hoe groot mijne vreesachtigheid!.... Gij zijt gedompeld in eene zee van bitterheid, zwaarmoedigheid en droefheid, verdriet en afschrik, kwelling. doodsangsten , duisternissen en verlatenheid, van algeheele beroo-ving van het hemelsch licht en van alle vertroosting; dat zijn de golven, die Uw hart heen en weer slingeren. Uij zulk een schrikkelijken storm zie ik niets dan de grootste standvastigheid; Gij gaat voort met te bidden en Uwe handen ten hemel te verhellen; Gij gaat voort met te beminnen en den wil van Uwen hemelschen Vader te aanbidden; Gij gaat voort met Uwe heilige voornemens ten uitvoer te brengen en U tot het kruis voor te bereiden! Üat is waarlijk beminnen; dat is in de verlatenheid getrouw blijven; dat is niets zoeken dan het welbehagen Gods.. . . Wat is nu mijn lijden in vergelijking van het Uwe, o bedroefde Jezus! En toch hoe lichtvaardig werpt het mij ter neer! Verdriet en lauwheid in het gebed; nalatigheid in de versterving en de heilige voornemens; uitgestortheid in het uiterlijke en verwaarloozing der inwendige ingetogenheid , kleinmoedigheid en mistrouwen op U; dat zijn de onzalige vruchten. die de verlatenheid bij mij voortbrengt ! Ach, hoevele redenen heb ik niet om mij voor Uwe pogen te schamen! Gij zijt de onschuld zelve en ondervindt niets dan droefheid! En ik ben een zondaar, die de hel verdien en ik verlang niets dan vertroostingen!

2. Besluit.... Welk eene schande is dat voor mij in de oogen aller hemelingen. Jezus is bedroefd tot den dood toe, zonder eene enkele zonde! En ik wil vertroost worden

-ocr page 148-

136

tot den dood toe na zoovele zonden! Ik erken mijne dwaasheid, o Jezus! en verfoei haar. Nooit of nimmer zal ik mij over mijn inwendigen toestand beklagen. De verlatenheid, die Jezus om mijnentwil heeft geleden, zal ik ook gaarne om Zijnentwil lijden. Het zal mij in het vervolg genoeg wezen, indien ik aan Jezus behage. Hem alleen zal ik zoeken. Hem alleen beminnen, zoowel in de duisternis als in de verlichting, zoowel in de verlatenheid als in de vertroosting. Aldus, o Jezus! is hot besloten.

11.

De verlatenheid is ons veel voordeeliger dan tie vertroosting. Mijne ziel! hoe rustig zouden wij te midden der duisternis en verlatenheid zijn, indien wij wisten hoe aangenaam voor God en hoe voordeelig voor ons de staat van verlatenheid is! De volgende waarheden zullen u daarvan een waardig beeld geven.

De eerste waarheid. De staat van verlatenheid is veel geschikter om God een aangenaam oller te brengen, dan die van vertroosting. Ach! hoe zeer bedriegen wij ojis zeiven, mijne ziel! ook zelfs in geestelijke zaken!.... Als wij een gerust gemoed hebben, wanneer eene teedere godsvrucht zich van ons hart meester maakt, wanneer eenige zoete tranen aan onze oogen ontglippen, welk een gelukkige dag! Verblinde ziel! een dag van verlatenheid is onvergelijkelijk beter dan deze; maar hoe? Op dezen dag heeft God U iets gegeven, maar gij hebt God niets geschonken. Hij heeft U aan Zijnen disch genoodigd en ü een gedeelte Zijner zoetigheden doen smaken: dat is eene vrijgevigheid van den kant van God jegens u, maar geene vrijgevigheid van Uwen kant jegens God. Zielen, die Hem in de vertroosting getrouw zijn, kan God in overvloed vinden; maar weinigen, die Hem in de verlatenheid getrouw zijn ....

-ocr page 149-

137

Van alle verlichtingen en vertroostingen berooid zijn en toch met ijver in het gebed volharden, dat is een oll'er, waarin God het grootste welbehagen schept. Een algerneenen opstand der booze neigingen ondervinden, en van alle kanten door bekoringen geplaagd worden en toch in ingetogenheid, in versterving en andere oefeningen getrouw zijn, dat is een olTer, hetwelk Jezus het meest behaagt....

De tweede waarheid. De staat van verlatenheid brengt de ziel veel zekerder en spoediger tot de volmaakte lielde Gods, dan die van vertroosting .... God volmaakt beminnen, is niets anders, dan in alle zaken alleen het welbehagen Gods zoeken en niets dan dit, noch in don hemel noch op aarde.... Wat zal echter zekerder daarheen leiden dan de staat van verlatenheid ? .... Eene ziel, die in dien staat getrouw is, berooft zich zeiven van alle uitwendige vertroosting en God berooft haar van de inwendige. — Zij blijft dan als gekruisigd, sterft allengskens aan zich zeiven en aan alle schepselen; en wijl zij nergens vermaak in vindt dan in het welbehagen Gods, derhalve rust zij daarin en treedt aldus de zuivere en volmaakte liefde binnen.

De derde waarheid. De staat van volmaaktheid brengt de ziel veel zekerder en spoediger tot de innigste ver-eeniging met God, dan die van vertroosting. Als men in een vertrek de gordijn voor het venster wegneemt, dan schiet er de zon hare stralen in en verlicht het geheel en al. Even zoo is het geval met de ziel. Wanneer zij elke gehechtheid aan de schepselen allegt, dan schiet God de stralen van zijn onmetelijk licht en de vlammen Zijner oneindige liefde in haar en vereenigt zich met haar. O hoe aangenaam is dan de staat van verlatenheid! Weet, mijne ziel! dat. even als het vuur het goud zuivert en alles verteert, wat niet goud is, zoo reinigt de staat van verlatenheid de ziel en verteert alle neigingen, die niet enkel

-ocr page 150-

lo8

God ten doel hebben. De stuat van vertroosting is voor de ware liefde al te zoet; en er is wellicht uit duizend zielen niet eene enkele, die door haar tot vereeniging met God komt.

Oefeninge n.

1. Opollering. Wat zul ik nu doen?

Ik zie Jezus in den staat van verlatenheid en bedroefd tot den dood toe! Ik zie, dat de staat van verlatenheid voor mij zeer voordeelig is, en mij tot vereeniging met God brengt; waarom weiger ik dan dien te aanvaarden? Üp dit oogenblik werp ik mij voor Uwe voeten neder, o mijn Jezus! en oller mij zonder voorbehoud aan Uw welbehagen op. Mijn hart is bereid, om allen troost van den hemel, alle genoegens, die van de schepselen kunnen komen, te derven; mijn hart is bereid om inwendig en uitwendig te lijden: duisternissen, verlatenheid, droefheid, bekoringen, alles wat overeenkomstig Uwen H. Wil is. — Mijn eenige troost zal in het vervolg Uw heilig welbehagen wezen; mijne eenigste vreugde, met en om U van alle vertroosting te zijn beroofd; mijn eenigst genoegen, te weten, dat Uw H. Wil in mij volbracht wordt!

2. Gebed om sterkte. — Doch nu is het noodig, o mijn Jezus! dat ik mijn hart, mijne handen en oogen tot U ophelfe en u om barmhartigheid smeeke. — Van allen troost des hemels beroofd zijn en er ook op aarde geen zoeken, niets dan duisternissen in het verstand, niets dan dorheid in den wil, niets dan verdriet in het hart gevoelen en evenwel met ijver in het gebed volharden; door bekoringen overvallen en van duizenderlei gedachten in verwarring gebracht worden en toch een ingetogen leven leiden en in Uwe tegenwoordigheid wandelen; inwendig in het hart niets dan bitterheid, droefheid, kleinmoedig-

-ocr page 151-

139

beid on een algemeeiien opstand der kwade neigingen gevoelen en evenwel zachtmoedig, vriendelijk en liefderijk rnet den raenseh omgaan; o welke schoone, maar ook welke moeielijke deugden zijn dat! Daarin vindt men de versterving aan zich zei ven, de algeheele onthechting aan de schepselen, de ware getrouwheid, de zuivere en volmaakte liefde, de deur tot vereeniging met God. Doch tot zulk eene grootmoedige onderneming kan alleen eenc krachtige en bijzondere genade van den hemel leiden, ik keer mij dus uit al mijne krachten tot U, o mijn beminnelijkste Jezus!

Tweede Meditatie.

Zevende day.

Eerste Meditatie ran dezen dag.

ÜVEU HET UITWENDIG LIJDEN VAN JEZUS CllUISTL'S.

I.

Wij zullen in ons lichaam nooit zooveel lijden, als Jezus Christus in het Zijne geleden heeft. — Zoo gij eenigszins wilt weten, mijne ziel! hoe groot de smarten van Jezus Christus in Zijn lijden geweest zijn, overweeg dan met oplettendheid de volgende omstandigheden.

De eerste omstandigheid. De smarten van Jezus waren algemeen en zonder uitzondering van een enkel lidmaat. Keer dus uwe oogen op Jezus, mijne ziel! ga van liet eene lid tot bet andere en zie, of er een zonder de gruwelijkste smarten is. — De wangen zijn door kaakslagen opgezwollen. De mond wordt van dorst en bitterheid der gal gekweld; haren en baard zijn uitgerukt; de oogen zijn met bloed overdekt; banden, vleesch , zenuwen zijn rondom doorboord en van een gescheurd. Hoevele smarten aan

-ocr page 152-

140

liet hoofd ulleoii! G;i verder; de armen, de borst, de rug zijn dooi' de geeselslagen verscheurd; het vel is van alle kanten afgerukt; geheele stukken vleesch zijn van het lichaam afgescheurd; hier en daar kan men de beenderen tellen. Welke ondragelijke smarten! — Nog niet genoeg; de handen en voeten zijn met nagelen doorboord; de zenuwen zijn deels gescheurd, deels gruwelijk uitgerekt; de beenderen en leden uit hun gewricht gerukt; aan geheel het lichaam ziet men niets dan louter wonden, dan louter bloed, louter vleesch! — De profeet Isaias spreekt aldus van Jezus en Diens lijden: Wij aanschouwden Hem als den versmade en den geringste onder de menschen, als een man van smarten en die weet wat lijden is. Zijn aangezicht was als het ware verborgen, en vol versmading; daarom hebben wij Hem niet geacht. Hij heeft inderdaad onze zwakheden op zich genomen en onze smarten zelf gedragen; en wij hielden Hem voor een mensch, wien Gods hand geslagen en vernederd had.

De tweede omstandigheid. De smarten van Jezus waren zeer gruwzaam en onvergelijkelijk grooter, dan die, welke ooit een mensch heeft geleden. De reden hiervan is tweevoudig.

De eerste was de teederheid des lichaams; want, zooals de 11. Bonaventura ons leert, waren bij het lichaam van Christus de voetzolen veel teederder en gevoeliger, dan bij andere menschen de oogappel.

De tweede was, omdat Hij juist in die ledematen op het gruwzaamste gepijnigd werd, welke van allen de gevoeligste waren. O welk eene smart moet bet geweest zijn, toen de doornen zoo diep in het hoofd werden gedreven, dat zij door de huid, door het vleesch en de zenuwen heendrongen, en de punten er bij de ooren, oogen en andere deelen uitstaken! Welk eene smart moet het geweest zijn, toen

-ocr page 153-

de ijzeren nagelen met zulke geweldige hamerslagen door handen en voeten werden gedreven, dat niet alleen handen en vleesch, maar ook de spieren en beenderen verscheurd en verbrijzeld werden! Welk eene smart moet het geweest zijn, toen de geheele zwaarte des lichaams aan nagelen en verscheurde spieren hing!

De derde omstandigheid. Do smarten van .lezus waren zonder eenige verlichting. Hij hing reeds een, twee uren aan het kruis; al liet bloed, tot op eenige druppelen na, was vergoten, en de dorst kwelde Hem op ondragelijke wijze; toen riep en bad Hij om eene teug water. Ach, welk eene geringe verlichting! Eene teug water voor één in zulke smarten stervenden God! — En evenwel, ook dat weinige heeft men Hem niet gegund; in plaats van het water gaf men Hern gal en azijn, opdat Hij, evenals Hij al 't overige zonder verlichting had geleden, ook de laatste kloppingen Zijns harten zonder verkwikking zou lijden.

O e f e n i n g e n.

1. Dankzegging. — Ik weet niet, o mijn Jezus! wat ik bij dit verbazend schouwspel zal zeggen of denken. — Indien Gij, o mijn Jezus! zoovele zonden had bedreven als ik; indien Gij Uwen hemelschen Vader zoo dikwijls beleedigd had als ik; indien Gij de hel verdiend had gelijk ik, had Gij dan wel meer kunnen lijden of grootere boetvaardigheid kunnen doen, dan Gij gedaan hebt? Nu echter liebt Gij dit alles gedaan, niet om Uwe zonden (want Gij waart de heiligheid zelve, en hebt niet gezondigd, noch kunnen zondigen) maar om mijne zonden. — Is dit waar ? Ja, het gelool leert dit mij; om mijne zonden heeft Jezus in den Olijfliof water en bloed gezweet; om mijne zonden is Jezus aan Zijn geheel lichaam met geeselriemen ontvleesd; om mijne zonden is Jezus als een dwaas bespot;

-ocr page 154-

142

om iiiijiiu zonden li eelt Jezus als een inisiliuiiger aan liet kruis moeten sterven! O .lezus! o liefderijke Jezus! welk eerie barmhartigheid? Ik wilde, dat ik duizend tongen had, om U naar wensch te kunnen loven en zegenen. — Tk bedank U zooveel ik vermag, voor alle bloeddruppelen, die Gij om mijnentwil hebt vergoten; voor alle kaak- en geeselslagen, die Gij om mijnentwil hebt ontvangen; voor elke versmading, bespotting en beschimping, die Gij om mijnentwil hebt ondergaan; voor alle pijnen en smarten, die Gij aan het kruis hebt geleden?

2. Besluit. Wat moet ik dan doen? Jezus heeft niet alleen voor mij gebeden, maar ook geleden; lijden, lijden moet ik, als ik Jezus liefde wil vergelden. Ik erken de billijkheid en wensch volgens dezelve te leven. Nu, op het oogenblik breng ik het olTer, 't welk ik niet meer zal terugnemen. Gij weet, o mijn Jezus! welke smarten, ziekten en andere moeielijkbeden des lichaams de hemelsche \ ader besloten heeft mij over te zenden. Zie! op dit oogenblik aanbid ik al die verordeningen en wensch, dat zij aan mij op het volmaakste worden vervuld.

2. Gij weet, o mijn Jezus wanneer en door welk een dood de hemelsche Vader van plan is, mij van deze wereld te roepen; ook dit vonnis aanbid ik reeds nu ootmoedig en onderwerp er mij van ganscher harte aan; ik wil lijden, ik wil sterven, en wil lijden en sterven uit zuivere liefde, zooals ook Gij voor mij uit zuivere liefde geleden hebt en gestorven zijt.

II.

Zoo groot en gruwzaam de smarten van Jezus Christus waren, zoo groot en wonderbaar was zijn geduld. De omstandigheden, waaruit gij u een klein denkbeeld van dit wonderbaar geduld kunt vormen zijn de volgenden:

-ocr page 155-

m

De eerste omstaruUglieid. Jezus verdroeg Zijne smarten stilzwijgend en zonder de minste klacht. De II. Geest vergelijkt Jezus Christus als Hij van Hem spreekt, met een lam; want evenals dit onschuldig dier zich laat scheren en ter slachtbank leiden, zonder zich te verzetten en te schreeuwen, zoo laat Jezus zich martelen en tot het kruis leiden, zonder zich te verzetten, zonder met een enkel woord te klagen. Men geeselde Jezus en verscheurde Hem over Zijn geheel lichaam. Hij echter zweeg; men kroonde Jezus en doorstak Hem het hoofd met scherpe doornen. Hij echter zweeg; men legde Jezus het kruis op de schouders en dwong Hem, hetzelve in de uiterste verzwakking voort te slepen. Hij echter zweeg; men doorboorde Jezus handen en voeten met ijzeren nagelen en klonk Hem aan het kruis, Hij echter zweeg; Ik ben stom, zegt Hij door den mond der Profeten, en heb Mijnen mond niet geopend .... Aldus heeft Jezus zich gedragen in de hevigste smarten! Hoe gedraag ik mij ? ....

De tweede omstandigheid. Jezus verdroeg Zijne smarten met zachtmoedigheid en zonder tegenzin. — Er is nooit een mensch geweest, mijne ziel! die billijker redenen heeft gehad, om toornig te worden, dan Jezus aan het kruis. De oorzaken waren de volgende;

1. Een algemeene haat; er stonden vele duizenden men-schen rondom en aller harten waren voor Jezus geopend; Hij zag daarin echter niets dan haat, wrok en vijandschap: vreugde, genoegen en blijdschap over Zijne smarten; den wensch en het verlangen, dat Zijn naam van de aarde zou worden uitgewischt.

2. Het spottend gelach en de lastertaal der fariseën en schriftgeleerden; zij schudden hunne hoofden en schreeuwden tegen het kruis: Ha. Gij, Die den tempel Gods afbreekt en in drie dagen weder opbouwt. Anderen heeft Hij ver-

-ocr page 156-

\u

lost, zich zelveu Kan Hij niet verlossen Indien (lij lt;le Zoon Mods zijt, kom til' van liet kruis en verlos 1' zeiven! Kan men eene billijker reden tot gramseliap uitdenken dan deze bespottingen te midden der hevigste smarten? Wat doet echter Jezus? Hij wordt niet toornig, noch om Zijne smarten, noch om de bespottingen; Hij lijdt en lijdt met do volmaakste en vurigste liefde, zoodat Hem het ongeluk Zijner vijanden meer ter harte gaat, dan Zijne eigene smarten; derhalve zegt Hij tot de vrouwen, die medelijden met Hem hadden: Dochters van Jeruzalem, weent niet over Mij, maar weent over U zeiven en over uwe kinderen!

De derde omstandigheid. Jezus verdroeg Zijne smarten met standvastigheid en met het verlangen om nog meer te lijden. Jezus hangt aan het kruis, al Zijne krachten zijn uitgeput; de smarten zijn tot het uiterste gekomen; het lichaam kan aan het geweld des doods niet meer wederstaan. Hoe is het echter in Zijn hart gesteld? Aanschouw het aandachtig, mijne ziel! en bewonder die sterkte! Eene tweevoudige liefde heeft zijn hart ontstoken en eene tweevoudige begeerte is er in ontstaan. Hij bemint Zijnen hemelschen Vader en derhalve verlangt Hij meer krachten te hebben, om nog meer voor Hem te lijden. Hij bemint ons menschen, en daarom verlangt Hij nog langer te leven en nog meer voor ons te lijden. — En dat was de gedachte van die liefderijke klaagwoorden van Jezus Christus: Vader! Vader! waarom hebt Gij Mij verlaten? alsof Hij wilde zeggen: Vader! waarom geeft Gij Mij geen krachten, opdat Ik nog langer leve en nog meer voor U lijde?

Oefeningen.

I. Schaamte over mij zeiven. — Ach! welk eene vrees en schaamte moet mij niet overvallen, o mijn Jezus! als

-ocr page 157-

ik Uw licliiiLim uaii liet kruis zio haugoii! Wat^hebt Gij toch misdaan, o eerbiedwaardig hoofd van mijn Verlosser, dat Gij met zulke scherpe doornen zijt doorstoken? Wat hebt Gij misdaan, liefelijke oogen, dat Gij zoo mismaakt en met bloed overdekt zijt? Wat hebt Gij toch misdaan, almachtige handen en voeten, dat gij zoo gruwzaam met nagelen zijt doorboord ? — Wat hebt Gij misdaan, o liefdevol hart, dat Gij met eene lans zijt. doorstoken? Ach! Jezus is onschuldig en alles, wat aan Jezus is, is onschuldig. Met hoofd is onschuldig, nooit is er eene kwade gedachte in opgekomen. De oogen zijn onschuldig, nooit is daarin een andere dan heilige blik geweest. — De tong is onschuldig, nooit beeft zij iets gezegd, tenzij ter eere des hemelschen Vaders. De handen zijn onschuldig. Hij heeft ze nooit uitgestrekt, tenzij tot voordeel des evennaasten. Zijn hart is onschuldig, want er was niets in, dan de volmaakste liefde. Waarom hebt Gij dan zoovele en gruwzame folteringen geleden? O ik ongelukkige mensch! Hij lijdt niet om Zijne zonden, maar om de mijnen; mijne zonden hebben Zijn geheel lichaam mismaakt; mijne zonden hebben Hem aan het kruis gehecht; mijne zonden hebben Hem hot leven ontnomen.

2. Belijdenis en voornemen. En nadat ik dit alles heb gedaan, wil ik toch niets lijden; ja, wat mijne boosheid nog grooter maakt, ik wil niet eens erkennen, dat ik verdiend heb te lijden; doch U zij eeuwige dank, o mijn Jezus! Nu erken ik het. Er is geene pijn of smart in de wereld, die ik niet verdien; er is geene pijn in de hel, die ik niet moest lijden; alles wat ik tot dusverre heb geleden is te gering, te weinig om eene enkele zonde, die ik heb bedreven, uit te wisschen; alles wat ik in het vervolg zal lijden, is te gering om voor eeno enkele versmading, die ik U heb aangedaan, te voldoen. O hoe

10

-ocr page 158-

140

oui'ochtvaai'dig is üi mijn klagen eu moiToa! ik lijd altijd inindei' dan ik iiob verdiend. Heb ik dan gecnc reden, o mijn Jezus! om mij zonder voorbehoud aan Uwen wil te onderwerpen, en Uwe beschikkingen te midden van liet lijden te loven en te zegenen? — Ja zoo is het billijk, o mijn Jezus! en aldus zal ik het oolc voortaan doen.

Derde Meditatie Tweede Meditatie van dezen dag.

OVF.n DEN SMAAD KN DE BESPOTTINGEN, DTE JEZUS IIREFT GET-EDEN.

I.

Nooit is er een mensch geweest, die zoo groote versmading en beleedigingen heeft geleden als Jezus Christus en nooit zal er een mensch gevonden worden, die zoo groote versmading en beleedigingen zal lijden, als Jezus Christus. — Het is niet mogelijk, mijne ziel! al de beleedigingen , die Jezus heeft geleden, in eene meditatie samen te vatten. Overweeg derhalve slechts eenige soorten er van, want die zullen wel voldoende zijn om U over uwen hoogmoed te doen schamen.

De eerste soort van beleedigingen waren de valsche beschuldigingen. — Het is maar al te waar, dat aan een edel en oprecht gemoed niets zwaarder valt, dan dat men het misdaden ten laste legt, waaraan het nooit of nimmer gedacht heeft. Nu, mijne ziel, treed de gerechtszaal van Annas en Caïphas binnen en luister, welke ongehoorde misdaden men Jezus ten laste legt. De getuigen staan daar en wat zeggen zij? O ongehoorde lasteringen! Zij zeggen, dat Hij een dronkaard is en er genoegen in vindt, om zich aan de tafel der goddeloozen en zondaren te zetten;

-ocr page 159-

dat I lij oon iiionscli van oavordrayolijkcii lioogmuod is on zicli zelven tot (iod maakt; dat Hij eene goddelooze leei' verspreidt en den afgodendienst in Israël invoert; dat Hij wonderen verricht door medewerking van den duivel. met wien Hij als toovenaar eene geheime gemeenschap onderhield; dat Hij een verleider is, die niets zoekt, dan het uitverkoren volk nit te roeien. Aldus sprak men over Jezus in de gerechtszalen der hoogepriesters; aldus schreeuwde men voor den rechterstoel van den lieidenschen landvoogd Pilatus; aldus riep men in alle stegen en straten der stad Jeruzalem.

De tweede soort van mishandelingen waren de hoon en de bespotting. — Het is voor de goddeloozen niet genoeg, dat Zij Jezus als een godslasteraar en hoosaardigen mensch aanklagen, zij moesten Hem ook voor een dwaas uitkrijten. Zie! Hij stao,t reeds werkelijk voor den troon van een lieidenschen koning; en dewijl Hij volgens de oordeelen Zijner oneindige wijsheid stilzwijgt, moet Hij die bespotting verduren. Wat hebt gij mij zooveel van dien man verteld, zegt Herodes, hij is een zinneloos mensch ; hij is krankzinnig. Op deze woorden van den verwoeden koning trekt men Jezus een wit spotkleed aan en leidt Hom onder spotternijen van het moedwillig gepeupel door do stad. Op zulk eene gevoelige versmading volgt dadelijk weer eene andere in het paleis van Pilatus. Pe door de Joden opgeruide soldaten spanden samen en dreven, mot Jezus den moedwilligsten spot, dien hun niemand anders dan de hel kon ingeven. Zij hingen Hem een gescheurden purperen mantel om de schouders, gaven Hem in plaats van een schepter een rietstok in de hand, zetten Hem eene doornen kroon op het hoofd, gaven Hem kaakslagen, spuwden Hom in hot aangezicht, knielden spottender wijze voor Hom neer enz. Terwijl do homo! over dion onge-

-ocr page 160-

148

liüüixluu suiuad verbaasd stond 011 de lioiiiclwclic Geesten weenden, ziet intusschen eene tallooze menigte met vreugde er op neer en vermeerdert door honend gelach en geschreeuw de smarten van Jezus.

De derde soort van beleediging was de schandelijke veroordeeling ter dood. Pilatus toonde Jezus, Wiens onschuld hem bekend was, van af eene verhevene plaats buiten zijn paleis aan het aldaar vergaderde volk tegelijk met Barabbas en vroeg: Wien van beiden zal ik loslaten? Pilatus meende zeker dat de keus op Jezus zou vallen; maar hij bedroog zich. De geheele menigte schreeuwde als uit eenen mond: Laat ons Barabbas los, en niet Jezus. — Hoe? Barabbas en Jezus niet? Wie is Barabbas? En die moot in het leven blijven? Ja, zoo willen wij het: Barabbas moet leven en Jezus sterven! — Indien dan Jezus moet sterven, tot welk een dood moet Hij dan veroordeeld worden? Het zal immers wreed genoeg wezen, indien men Hem tot het zwaard veroordeelt. Neen! Hij moet oen dood sterven, die van allen de schandelijkste is; Hij moet sterven aan het kruis, waaraan de grootste booswichten sterven, en Hij moet sterven tusschen twee moordenaars, opdat men wete, dat Hij allen in boosheid overtreft; zoo verlangt het volk en zoo veroordeelt Hem Pilatus. Zoo wordt Jezus tot den kruisdood veroordeeld en aan het kruis vastgenageld onder het gejuich en geschreeuw der 11oogepriesters, onder de diep gevoelde smaad-en lastertaal der fariseën en schriftgeleerden, onder spottend gelach en hoon eener ontelbare menigte volks. Toen werd in waarheid vervuld, wat de profeet van den persoon van Christus heeft gezegd: »Tk ben een aardworm en geen mensch, de spot der menschen en het uitvaagsel des volks.quot; Sta hierbij een weinig stil, mijne ziel! en antwoord mij op de volgende vragen. — Vooreerst vraag ik; Heeft de Hemelsche

-ocr page 161-

149

\ader wel een onrechtvaardig vonnis uitgesproken, toen Hij Zijnen eeniggeboren Zoon zulke verbazende smaadheden en beleedigingen toezond? Neen! Jezus heeft onze zonden op Zich genomen en de zonden hebben dit alles verdiend. — Ik vraag ten tweede; Zou de Hernelsche Vader U onrecht aandoen, indien Hij u tot zoovele versmaad-heden en mishandelingen veroordeelde, als Hij zijnen eeniggeboren Zoon heelt veroordeeldNeen; de zonde verdient het; dat ziet gij aan Jezus; dat gij hebt gezondigd, zegt u het geweten. — Ik vraag ten derde: Indien gij gelooft, dat de zonde zulk een smaad en beleedigingen verdient, en indien gij weet, dat gij gezondigd hebt, welk een on verdragelij ke hoogmoed is het dan ook de geringste verachting niet te willen verdragen; en welk eene zwarte ondankbaarheid is het uit liefde tot Jezus eene kleine versmading niet te willen lijden, terwijl Mij uit liefde tot ons zoo groote en onmenschelijke beleedigingen heeft verdragen ?

O e f e n i n g e n.

1. Bewondering der ootmoedigheid van Jezus. O Jezus, mijn beminnelijke Verlosser! welk een verbazend wonder toont mij I 'we ootmoedigheid ! Gij zijt de oneindige wijsheid, die hemel en aarde bestuurt, en men scheldt U uit als een dwaas en zinnelooze! men behandelt U als een spotkoning, en spuwt U in het aangezicht, als den verachte-iijkste onder de menschenkinderen! Gij zijt de oneindige heiligheid, waaruit alle hernelsche genaden voortvloeien en men houdt U voor een huichelaar en dronkaard; en men beschuldigt U als een verleider en godslasteraar! En men noemt U een Samaritaan en toovenaar; men houdt U voor goddeloozer dan een moordenaar! Dit alles verdraagt Gij, en hoe — Gij verdraagt het met het wonderbaarste stil-

-ocr page 162-

150

zwijgen, zonder met een enkel woord te klagen! Gij verdraagt het met de grootste zachtmoediglieid, zonder den minsten afkeer tegen iemand te toonen! Gij verdraagt liet niet de volmaakste onderwerping, zonder den minsten tegenstand tegen de beschikkingen aan den dag te leggen! O ootmoedigheid; o stilzwijgen van mijnen \ erlosser! Dit is inderdaad een oll'er, dat groot genoeg is om den Hernel-schen Vader een oneindig welbehagen te veroorzaken! Dat is een offer, hetwelk groot genoeg is, om alle menschen dor aarde tot de ootmoedigheid aan te sporen.

2. Schaamte over mij zeiven. Dan, mijn Jezus! hoe hatelijk maakt in Uwe oogen juist deze Uwe ootmoedigheid mijne hoovaardij l — ik , een mensch in wiens verstand niets dan verblindheid en duisternis woont, wil voor wijs en verstandig gehouden worden, terwijl men Jezus mot een spotkleed omhangen ten spot eener overgroote volksmenigte langs openbare straten rondsleept! Ik , een mensch wiens hart vervuld is van zonden en misdaden, wil geëerd worden, terwijl men Jezus als een verleider, als een godslasteraar, als een toovenaar aanklaagt. Ik. een mensch, in wiens ziel geene enkele ware deugd gevonden wordt, wil bemind worden, terwijl men Jezus achter een moordenaar stelt en tot den dood des kruises veroordeelt! Hoe hatelijk moet zulk een ondragelijke hoogmoed niet zijn in de oogen van mijnen Verlosser! O Jezus! ontferm U over mij en geef aan mijn verstand andore gedachten en aan mijnen wil andere genegenheden!....

II.

Nooit is er een mensch geweest, die versmading en beleedigingen heeft verdragen, gelijk Jezus Christus. De inderdaad wonderbare ootmoedigheid, waarmede Christus die versmading en beleedigingen heeft verdragen, is door

-ocr page 163-

151

den koiüiiklijkeu Profeet met deze weinige woorden beschreven: Factus est sicut homo non audiens, et sicut nuitus non aperiens os suum. Hij is geworden als een mensch, die niet hoort en als een stomme, die zijn mond niet opent. Weinige woorden! maar toch zoodanige, dat zij de grootheid dier ootmoedigheid volmaakt te kennen geven. Overweeg nu, mijne ziel! een weinig dit stilzwijgen, dan zult gij reden vinden om verbaasd te staan.

1. Christus was onschuldig. Nooit is in Zijn hart eene gedachte, nooit in Zijn mond een woord, nimmer in Zijn leven een werk gevonden, dat billijker wijze berisping verdiende. De misdaden, waarvan men Bern beschuldigde, waren door goddelooze menschen verzonnen; en Jezus zou, indien Hij had willen spreken, Zijne onschuld door Zijne hemelsche welsprekendheid in een oogenblik zonneklaar hebben kunnen bewijzen, en Zijne vijanden in tegen-woordigheid van al het volk hebben kunnen doen verstommen en beschaamd staan.

2. Christus was almachtig. Slechts een enkel woord ware genoeg geweest, om vurige bliksems uit den hemel te doen nederdalen en al Zijne vijanden en lasteraars in een oogenblik te verpletteren. Slechts een enkel woord ware genoeg geweest, en alle menschen hadden Zijne verborgene godheid erkend en de geheele stad Jeruzalem had Hem als den lang verwachten Messias aanbeden.

Christus was alwetend. Hij wist, dat Zijne vijanden Zijn stilzwijgen misbruiken, en niet rusten zouden, voordat zij Hem ter dood veroordeeld en aan een schandelijk kruis genageld hadden. Hij wist, dat Zijne beminde Moeder en Apostelen ter oorzake van dit stilzwijgen de grootste kwellingen en beschimpingen zouden moeten verdragen. Hij wist, dat men ter oorzake van dit stilzwijgen Zijne reeds gewrochte wonderen zou bespotten. Zijne leer als eene

-ocr page 164-

152

vaische veroorcleeleii en Zijnen nieuwen godsdienst te vuur en te zwaard vervolgen. — Al die groote eu gewichtige redenen konden Jezus niet bewegen, om te Zijner verdediging ook slechts een enkel woord te spreken, Hij zweeg en Hij zweeg tot het laatste oogenblik zijns levens.

O Jezus! o wonderbare Jezus! welk verbazend stilzwijgen ! welk eene verhevene les! welk een zeldzaam voorbeeld! Maar helaas! Hoe weinigen volgen het na! — Waar zijn die zielen welke versmading en beleedigingen ontvangen en met Jezus het stilzwijgen bewaren! Men voegt zich in al het overige en men oefent zich .in vrijwillige verstervingen; maar stilzwijgen bij beleedigingen, smaad en laster liefiiebben, onbillijkheden verdragen; dat is een last, die weinige schouders kunnen torschen. — Intusschen blijft het eene waarheid, die niemand kan omverstooten. Het voorbeeld van Jezus is alleen de weg tot de ware heiligheid; zonder hetzelve na te volgen, blijft men steeds klein in Diens oogen, steeds verachtelijk, steeds hopeloos om tot de volmaaktheid te geraken.

Oefeningen.

1. Hoogachting van en liefde tot de verachting. — (J mijn Jezus! hoe wonderbaar is Uwe leer en hoever verheven boven de wijsheid dezer wereld. Gij ziet in do verachting, in den smaad, in de beleedigingen niets anders dan iets schoons, iets beminnenswaardigs; een woord was slechts noodig geweest, en men zou U even zoo veel eer bewezen hebben, als men T nu smaad heeft aangedaan; maar Gij acht de verachting en Uw Hart verlangt meer naar beleedigingen, dan naar eerbewij-zingen. Welaan! ik zal dan in het vervolg denken, zooals Gij gedacht hebt; ik zal voortaan beminnen, wat Gij bemind hebt; ik zal de verachting aanzien als eene zaak;

-ocr page 165-

153

ilie mijn groolstcn vijand, den hoogmoed vernietigt, ids eene zaak, die mij in liet hart van Jezus binnenleidt, als eene zaak, die het schoonste gedeelte mijner glorie in den hemel zal nitmaken.

2. Berouw en voornemen. — Wee mijne verblindheid! hoe dikwijls heb ik niet gewenscht, God zoo te beminnen, als de Serafijnen Hem in den Hemel liefhebben? Hoe dikwijls heb ik niet gewenscht, God mijne liefde te betuigen en Hem een volmaakt en aangenaam oller te kunnen brengen! Welk zal echter in de oogen van God meer behagelijk zijn, dan dat, waardoor wij Hem onze eer op-olTeren en de beleedigingen stilzwijgend verdragen ? Waarom li eb ik dat dan niet gedaan Ach! liet schoonste oogenblik mijns levens was dat niet, waarop mijn hart eene teedere genegenheid jegens God gevoelde en zich in heilige verzuchtingen tot Hem lucht gaf; neen! het schoonste oogenblik mijns levens was dat, waarop men mijn doen en laten kwalijk beoordeelde; de schoonste gelegenheid om God een oll'er te brengen was die, waarbij men mij verachtte en beleedigde.

Ik heb dan misdaan! Ja, mijn Jezus! ik heb misdaan; ik lieb mij zoo dikwijls bedroefd, terwijl ik mij moest verlieugen; ik heb gevlucht, wat ik moest zoeken; ik heb gemord, terwijl ik moest zwijgen! Wat zal ik dan doen? Dat zal ik doen, o mijn Jezus! wat Gij bij het naderend oogenblik, waar Gij de grootste beleedigingen zoudt ondergaan, gedaan hebt: «Opdat de wereld erkenne, dat ik den Vader liefheb, staat op, laat ons van hier gaan!quot; Dit waren de heldhaftige woorden, welke Gij spraakt, toen IJ smadelijk lijden naderde; zoo zal ook ik spreken, als mij eene verachting zal overkomen, opdat de hemel erkenne, dat ik Jezus liefheb; sta op, mijne ziel! en neem de verachting met vreugde aan!

-ocr page 166-

154

Vierde JVIeditatie.

Derde Meditatie van dezen dag.

UVER 0K W0NDHK13Al!E LIEFDE, DJE JEZUS AAN HET KUU1S

voou Zijne vijanden getoond heeft.

1.

De liefde van Jezus is een wonder van liefde ten aanzien Zijner vijanden, die Hij bemint. Kom, mijne ziel! beklim den Kalvarieberg en aanschouw met eigen oogen het verbazende wonder van liefde, dat aldaar wordt verricht. Zie! Jezus hangt aan het kruis; Zijn geheel lichaam is eene wonde; niets dan ruw vleesch, niets dan bloed; Zijne smarten zijn onmetelijk; de dood is nabij, na drie uren zal Jezus sterven. — Van Jezus keer uwe oogen over den berg rond; Zie! daar staan vele duizende en duizendemen-schen; jongen en ouden, edelen en onedelen, joden en heidenen, Farizeën en Schriftgeleerden , de ouderlingen en hoogepriesters, eene menigte van alle soorten en standen: slechts weinigen zijn er, die met Jezus medelijden hebben. alle overigen zijn Zijne gezworene vijanden en vervolgers. Nu overweeg de omstandigheden van den haat en dc wreedheid, die de goddeloozen tegen Jezus aan den dag leggen; en daaruit zult gij erkennen, hoe zwaar en moeielijk het voor Hem moet geweest zijn, zulke barbaarsche on-menschen te beminnen.

De eerste omstandigheid is het gejubel Zijner vijanden. Gij moet u, mijne ziel! Jezus niet als enkel Mensch voorstellen, maar als God en Mensch te zamen, die de halten aller aanwezigen doorschouwt en alle gedachten kent, die daarin zijn verborgen. Zoo ziet Jezus van at het kruis vele duizende mensch en , en in elk geheel het hart; en wat ziet Hij daar in? O verfoeielijke boosheid dier menschen!

-ocr page 167-

155

Somriiigeii juiclioti ea verlieugen zich van gunscher harte, dat zij Jezus aan het kruis zien hangen; eindelijk (spreken zij hij zich zeiven) hebben wij het gewenschte uur beleefd, dat wij den bedrieger aan het kruis zien hangen! Anderen keuren het vonnis goed, dat tegen Hem is geveld en zeggen, dat zulk een booswicht en godslasteraar geen anderen dood verdiend heelt, dan tusschen twee moordenaars aan het kruishout opgehangen te worden. Dezen aanschouwen met vreugde Zijn smartvol lijden en verheugen zich, dat men Hem in Zijnen dorst niets dan gal en azijn te drinken geeft. — Genen verbeiden met ongeduld Zijnen dood en wenschen, dat Zijn naam van de gcheele aarde verdelgd worde. Dit alles moet Jezus aanschouwen en wel in zoovele duizende harten; dit alles moet Hij zien in hen, te wier liefde Hij uit den liemel is neergedaald; in hen tot wier geluk Hij vele duizende wonderen gewrocht heeft; in hen tot wier heil Hij werkelijk aan het kruis stierf!

De tweede omstandigheid is de bespotting Zijner vijanden. Medelijden hebben met een ongelukkigen mensch, die met den dood worstelt, of zich in de handen van den scherprechter bevindt, is een gevoel, dat men ook den grootsten booswicht niet ontzegt; zelfs met moordenaars en roovers heeft men medelijden, wanneer men hen op het schavot ziet staan. Er is een algemeen stilzwijgen; men hoort niets dan hier en daar een klagend gezucht, waardoor men zijn medelijden aan den dag legt. Geheel anders was het met Jezus Christus! Hoe wreeder en smartelijker Zijne pijnen en folteringen aan het kruis waren, des te baldadiger was de bespotting Zijner vijanden. Ha! roepen eenigen, Gij, Die den tempel Gods afbreekt en dien in drie dagen weder opbouwt, verlos I' zei ven. — Ha! zeggen anderen, Hij iieeft op God vertrouwd: Die veiiosse Hom nu, indien

-ocr page 168-

156

Hij welgevallen in Hem heelt; Hij zeide immers: Ik beu Gods Zoun! — Ha! zeggen de hoogepriesters, anderen heeft Hij verlost, Zich zei ven kan Hij niet verlossen! Is Hij Israels Koning, dat Hij nu afkome van het kruis, en wij gelooven aan Hem. Kom af, roepen eindelijk de soldaten, kom af van het kruis; Indien Gij de koning dei-joden zijt, verlos U zeiven!

De derde omstandigheid is de hardnekkigheid Zijner vijanden. Ofschoon die hardnekkigheid dier goddeloozen zeer groot was, zoo leed Jezus toch Zijne smarten met het grootste geduld; Hij vergaf Zijne vijanden met eene wonderbare zachtmoedigheid, Hij bad voor hen tot den hemelschen Vader met eene verbazende liefde. Ue onbezielde elementen zeiven betuigen Zijne onschuld; de hemel treurt; de zon wordt verduisterd en de aarde begint te trillen en te beven. Dit alles aanschouwen zij met hun eigen oogen; maar houden zij daarom op met Jezus te vervolgen! Geenszins! zij lasterden Hem, zij spotteden met Hem, zij vloekten Hem en vloekten Hem tot aan Zijne laatste ademhaling. — Het zou voor Jezus een troost geweest zijn, indien Hij had opgemerkt, dat zij ten minste na Zijnen dood zouden ophouden, om Hem te haten; maar ook dien troost mocht Hij niet ondervinden. Hij zag, dat de meesten hunner met alle wonderwerken, die na Zijne verrijzenis zouden geschieden, zouden lachen; Hij zag, dat zij Zijne Apostelen, die Zijnen naam zouden verkondigen , tot den dood zouden vervolgen; Hij zag, dat zij in die hardnekkigheid tot den dood toe zouden volharden, en Hem in de hel meer, dan de duivel zelf, gedurende eene gansche eeuwigheid zouden lasteren. — O gij god-delooze en verachte wezens! Hoe moeielijk valt het u te beminnen! Sta stil, mijne ziel! en keer de oogen nog eens naar den Kalvarieberg. — Aanschouw het volk! welk

-ocr page 169-

soort van motischeu ziet gij Vofiu-litelijke priesters, ilie zidi zeiven geluk wensclien en juiclien. dat zij Jezus aan het kruis gehecht hebben. Vermaledijde farizeërs, die met hunne hoofden schudden en Jezus te midden Zijner smarten bespotten! Vermaledijde moordenaars, die den Verlosser der wereld aan het kruis genageld hebben. Zijn er wel ooit mensclien in de wereld geweest, die meer verdienden gehaat te worden dan deze '? — Van af den Kalvarieberg keer Uwe oogen naar het kruis, wat ziet gij'? Een onschuldig Lam op de slachtbank over Wiens zachtmoedigheid de hemel verbaasd staat. liet ligt in Zijn bloed en ziet de wreede beulen, die het verscheurden, voor zich staan, des niettegenstaande wordt het niet toornig, maar wenscht, dat dit bloed hun het leven schenke, die het vergoten hebben. Nu keer uwe oogen op TJ zeiven en zie, wie zij zijn die gij zoo moeilijk kunt beminnen. Wie zijn zij ? Misschien valsche getuigen, die IJ in de gerechtszaal als too venaar beschuldigen? Misschien wreede tijgers. die [J in Uwe ziekte gal en azijn te drinken geven? Misschien bloeddorstige moordenaars, die U met Jezus aan het kruis willen vasthechten? Neen! wie zijn zij dan? Het zijn menschen, die U weieens een onvriendelijk gelaat toonen! Het zijn menschen, die U somwijlen een bijtend woord toevoegen en dezen te beminnen zou U te lastig en te moeielijk vallen, terwijl Jezus Zijne moordenaars bemint!

Oefeningen.

1. Schaamte over mij zeiven. O Jezus, o mijn allerliefste Jezus! hoe groot en sterk is TTwe liefde! hoe zwak en bevreesd is de mijne! Gij bezit een Hart, dat alle menschen in zich sluit; en eene liefde, die geene soort van ver-smaadheden kan verdringen. — Voor Uwe oogen staan

-ocr page 170-

158

nioMschoii, ilio foods sedort jaron oenen moor dan duivol-schen haat tegen U hebben; rnenschen die ö als den grootsten booswicht verwenscheii en lasteren ; rnenschen, die met eigen handen geheel Uw lichaam verscheuren. Dat alles ziet Gij met eigen oogen; Gij hoort het met eigen ooren, en al de haat en gramschap van hun hart is U bekend; maar dit alles is niet toereikend om Uwe liefde te verkoelen; er is geene gramschap in Uw hart; geene klacht in Uwen mond; geene wraak in Uwe handen: van zoo vele duizenden Uwer vijanden is er niet een, dien Gij niet bemint, en voor wiens heil Gij Uw bloed niet opollert: Zoo krachtig en grootmoedigis Uwe liefde, o Jezus! En hoe is de mijne? Ach! eene liefde, welke dien naam niet verdient! Een onvriendelijk gelaat, een bijtend woord, een klein ongelijk is voldoende, om mijne liefde te verzwakken, ja bijna gelieel uit te dooven.

Berouw. Zoo ben ik dan een mensch zonder liefde! O welk eene droevige gedachte is deze! Ik ben een mensch zonder liefde! En wie ben ik dan? Tk hen eene ziel, die Jezus uit zoo vele duizend anderen tot Zijne navolging gekozen heeft. Ik ben eene ziel, die zich vrijwillig van de wereld afgezonderd en een gekruisten bruidegom gekozen heeft. Ik ben eene ziel, die reeds zoo langen tijd in den geestelijken staat dagelijks de voorbeelden van Jezus Christus, Die zelfs Zijne moordenaars beminde, overwogen heeft, en bij dat alles ben ik een mensch zonder liefde. En dat alles na zoo vele inwendige genaden en inspraken, na zoo vele middelen en gelegenheden! Ach! welke billijke redenen heb ik niet om mijne lauwheid en onverschilligheid te verfoeien!

-ocr page 171-

II.

De liefde van Jezus is een wondei' der lielUe ten aanzien der omstandigheden, onder welke Hij bemint. Tot dusverre hebt gij, mijne ziel! de omstandigheden gezien van dien ongehoorden haat, de woede en wreedheid, waarmede de goddeloozen Jezus behandeld hebben. Nu overweeg de omstandigheden der liefde, die Hij hun in weerwil van deze woede heeft bewezen. Hij de overdenking dezer twee punten zult gij reden genoeg vinden om de verbazende liefde te bewonderen. De eerste omstandigheid is de tijd, waarop Jezus voor Zijne vijanden bad. — Jezus moest aan het kruis met meerdere personen spreken: Hij moest met Zijnen hemelschen Vader spreken, om Hem Zijnen Geest aan te bevelen; Hij moest met Zijne allerliefste Moeder spreken, om Haar Zijnen beminden leerling Joannes aan te bevelen; Hij moest met Joannes spreken, om Hem de zorg voor Zijne allerliefste Moeder op te dragen; Hij moest met de omstaanders spreken, om hen in Zijnen hevigen dorst orn lafenis te bidden. Tot wien van die allen spreekt Hij echter het eerst? Tot geen van allen. De beminde Moeder moet wachten, de getrouwe leerling moet wijken, de eigene zaak wordt vergeten; — het eerste woord dat Jezus spreekt, spreekt Hij voor Zijne vijanden: Vader! vergeef het hun! — De tweede omstandigheid is de boosheid Zijne)' vijanden, die zelfs te midden der vurigste liefde van Jezus steeds voortduurt. Jezus had met Zijn gebed om vergiffenis moeten wachten, tot dat Zijne vijanden hunne misdaden erkenden en ootmoedig om genade smeekten! Ach! dat zou Jezus inderdaad gedaan hebben, indien Zijne liefde niet vuriger geweest ware dan de uwe. Dan, Zijn hart was veel te goed en Zijne liefde veel te innig. Tk bemin, zegt Jezus, Ik vergeef; en II; bemin en vergeef

-ocr page 172-

160

nu ojgt; dit oogeubllk, torwijl Ik liet vlookoii cu lustcrcii met Mijne eigen ooren hoor; rm op dit oogenblik, terwijl Ik hunne beleedigingen niet eigen oogen aanschouw; nu o|gt; dit oogenblik, terwijl Ik bühne woede en razernij werkelijk ondervind. Nu bemin Ik hen: nu vergeef Ik hun: nu bid Ik voor hen; nu offer Ik Mijn bloed voor hen op! De derde omstandigheid is de verontschuldiging, waarvan zich Jezus in zijn gebed bediende. Het is eene onloochenbare zaak, dat de joden zich aan de ijselijkste misdaad ten aanzien van Jezus hebben schuldig gemaakt. Zoo vele duizende wonderwerken, die zij met hunne oogen aanschouwden, de onschuld des levens, die zelfs een heidensche landvoogd erkende; de beschuldigingen zelfs, die zij verzonnen , bewezen genoegzaam hunne misdaden. Moe bidt Jezus niet tegenstaande dat alles? Vader! zeide Hij, vergeef het hun, want zij weten niet, wat zij doen; als wilde Hij zeggen: Mijn Vader! ik zeg niet, dat zij niet hebben gezondigd; doch hunne boosheid is niet zoo groot; er is

veel onwetendheid bij---- anders zouden zij Mij nooit

aldus behandeld hebben; daarom. Mijn Vader! bid Ik V, vergeef hun, gelijk Ik hun ook vergeef, en bemin hen evenals Ik hen bemin! O wonderbare liefde van Jezus tot Zijne vijanden; hoe kon Hij hen liefhebben? Ach! mijne ziel! aanschouw met aandacht die helderblinkende oogen van Uwen Verlosser en leer beminnen! Maar wat zag Hij aan Zijne vijanden, dat Hem tot liefde kan aansporen? Hij zag in hen de zwakheid der natuur, die van kindsheid af tot alle kwaad geneigd is, en derhalve beminde Hij hen en had Hij medelijden met hen. Hij zag in hen eene kostbare ziel, die de eeuwige Vader naar Zijne gelijkenis geschapen en tot deelneming in Zijne glorie geroepen had; en derhalve beminde Hij hen en wilde Hij niet, dat een zoo edel schepsel om Zijnentwil van eene eeuwige

-ocr page 173-

161

zaligheid zou berooid worden; Hij zag in hen de wijste beschikking van Zijnen hemelschen Vader, Die liem dooide hand Zijner vijanden den kelk aanbood, dien Hij tot heil der wereld voor Hem bereid had; en derhalve beminde Hij hen en nam Hij van hen alles goedwillig aan. Eindelijk zag Hij eene oneindige menigte van zonden, die Hij vrijwillig op Zich had genomen en die de goddelijke rechtvaardigheid door Zijne vijanden aan Hem wreekte en derhalve beminde Hij hen en bad voor hen.

Oefeninge n.

1 Berouw. — Ach! mijn Jezus! thans weet ik, waarom het mij tot dusverre zoo zwaar viel, hen te beminnen, die mij beleedigden. Ik heb hen nooit met die oogen aanschouwd en dat was de oorzaak mijner ellende. Indien ik hen, die mij beleedigden, steeds als menschen had aangezien, door wie de goddelijke rechtvaardigheid mijne zonden bestraft: o hoe vele duizende oefeningen der vol-maakste liefde zou ik reeds volbracht hebben en hoe gelijkvormig zou nu reeds mijn hart aan het Hart van Jezus Christus wezen? Hoe ziet het er echter nu met mijn hart uit en hoe is het met mijne liefde gesteld? Ach! mijn beminde Verlosser! gedoog dat ik zwijge, ik kan van schaamte noch spreken, noch ü aanschouwen; maar wat voordeel brengt dat zwijgen aan? Het is beter, dat ik mijne schande bekenne en IJ ootmoedig om vergeving vrage. Ach! mijn Jezus! de heerlijke voorbeelden Uwer liefde heb ik dikwerf overwogen; ik heb ze dikwerf bewonderd; ik heb ze dikwerf aan anderen aanbevolen, maar zelf heb ik ze niet nagevolgd.

2. Besluit en bede. Wat zal er echter voortaan gebeuren ? O mijn Jezus! door Uwe genade heb ik thans andere gedachten, andere voornemens, een anderen wil; ik zal hen,

li

-ocr page 174-

46'2

die mij beleedigen, van harte beminnen; ik zal hen met zachtmoedigheid en stilzwijgend verdragen; ik zal kwaad met goed vergelden. Zóó beminde Jezus, zoo moet en zal ook ik beminnen. Maar hoe zal ik dat doen, indien niet een geheel bijzonder licht mijn verstand verlichte en een geheel bijzondere bijstand mijn hart versterke? Daarom kom ik tot U, o mijne gekruiste liefde en mijn eenige Leermeester der ware liefde! en bid IJ door Uwe wonderbare zachtmoedigheid, waarmede Gij Uwen vijanden hebt vergeven; door dat liefdevol gebed, hetwelk Gij voor hen gestort hebt en door dat kostbaar bloed, dat Gij voor hen hebt vergoten: Schenk mij eene liefde, die alle men-schen om Uwentwil kan omvatten; eene liefde, die alles kan lijden en verdragen; eene liefde, die in alles het kwaad met goed vergeldt; daarom bid ik U, o Jezus! —

Einde der derde iveek en schrede op den iverf der vereenig hui.

Thans staan wij, mijne ziel! aan het gewichtigste punt, waaraan in het geestelijk leven alles gelegen is. Men moet besluiten, om Jezus Christus op den voet te volgen en met Hem verlatenheid en droefheid des harten, smaad en beschimping opzichtens eer, haat en vijandigheden van den kant der menschen stilzwijgend te verdragen. Wie zooveel moed niet heeft, om dien weg te bewandelen, die zal God nimmer vinden, ja veel minder tot Diens zuivere en volmaakte liefde geraken, waarin toch het doel en einde dezer geestelijke oefeningen en van geheel ons leven bestaat. Overdenk derhalve met aandacht de volgende waarheden en maak eindelijk het manhaftig besluit, dien weg met den gekruisten Verlosser te betreden en op denzelven, zoo lang het Hem behaagt, voort te wandelen.

De eerste waarheid. De weg des lijdens is de voor-

-ocr page 175-

163

iiaainsto weg, iliou ooiie ziel kan bowaudelcn. liet doel en einde, waarom de eeniggeboren Zoon Gods op de wereld kwam, was tweevoudig, vooreerst: om aan den liemel-scben Vader een oiïer der lioogste eer en liefde te brengen , dat Zijne oneindige grootheid verdiende; en ten tweede: om aan de menschen een voorbeeld der volmaakste heiligheid te geven, waarnaar zij moeten trachten. Welken weg heeft nn Jezus Christus gekozen, om een zoo groot doel en einde te bereiken ? Den weg des lijdens en wel van zulk een lijden, dat van af het eerste oogenblik in den schoot Zijner Moeder tot aan het laatste oogenblik aan het kruis moest voortduren. Men moet dus bekennen, dat do weg des lijdens van allen de voornaamste is; of men moet zeggen, dat Jezus Zelf den voornaamsten weg der heiligheid niet bewandeld, noch ons menschen getoond heeft.

De tweede waarheid. De weg des lijdens is de voor-deeligste weg, dien eene ziel kan bewandelen. — Het is onmogelijk om met weinige woorden de heerlijke vruchten op te sommen, die op den weg des lijdens gevonden worden. Wat ik in het kort daarvan kan zeggen is het volgende: Twee zaken vordert God van de ziel. alvorens Hij haar aan de zoetigheid Zijner liefde deelachtig maakt; te weten: oene algeheele reinheid des harten en een volmaakt bezit dor deugden. Nu is echter geen weg geschikter, om die twee zaken te verkrijgen, dan de weg des lijdens; en wel vooreerst, wat de algeheele reinheid des harten betreft, schijnt hot eene onloochenbare zaak te zijn; want dewijl de ziel op den weg des lijdens niets vindt, wat haar genoegen kan aanbrengen, dan God alleen en Diens heilig welbehagen; zoo leert zij zich allengskens van alle schepselen ontdoen, alle aardsche vertroosting en genoegens verachten, en geheel haar hart met al deszelfs begeerten keeren naar het hoogste Goed, waarin de ware rust der

-ocr page 176-

164

ziel te vinden is. Insgelijks is de weg des lijdens zeer voordeelig ter verkrijging van een volmaakt bezit der deugden; want dewijl de ziel ten tijde des lijdens de deugden niet anders kan oefenen, dan met heldhaftige overwinning van haar zelve, zoo worden zij in korten tijd zeer diep in het hart gedrukt en alzoo komt de ziel

tot hare volmaaktheid----En dit zijn de twee voornaamste

redenen, waarom niemand spoediger tot de innigste ver-eeniging met God komt, dan die ziel, welke God den weg des lijdens doet bewandelen.

De derde waarheid. — De weg des lijdens is de zekerste weg, die eene ziel kan bewandelen. — Verlichtingen en vertroostingen hebben reeds vele zielen bedrogen; het lijden echter heeft nog niemand bedrogen. Er zijn zielen geweest, die, door buitengewone verlichtingen en vertroostingen begunstigd, een hemelsch leven schenen te leiden; doch daar zij in andere deugden nog niet genoegzaam gevestigd waren, hebben zij zich over die genaden verhoovaardigd en zijn van hare hoogte in den afgrond gestort; — niets soortelijks hebben diegenen te vreezen, die den weg des lijdens bewandelen; die weg is altijd zeker. Daarop komen de volmaakste deugden, de ootmoedigheid, de gehoorzaamheid, de zachtmoedigheid, de liefde, de overgeving in den goddelijken wil tot rijpheid en wordt aldus de grondsteen gelegd, waarop de grootste heiligheid en de hemelsche genaden veilig kunnen rusten. Daarop is de ware navolging van Jezus Christus en de weg, dien Hij ons door leer en voorbeeld getoond en dien Hij Zelf bewandeld heeft, en waarop niemand kan afdwalen. Wanneer Gij deze waarheden wel overwogen hebt, mijne ziel! ga dan verder en overweeg de oefeningen, welke voor den weg des lijdens noodzakelijk zijn. — De eerste oefening. — Door menigvuldig overwegen moet men zich zekere grond-

-ocr page 177-

165

stellingen en waarheden diep inprenten, die ons ten tijde van lijden zullen bemoedigen. — Dergelijke grondstellingen zijn de volgende:

1. Ik kan nooit zooveel lijden, als ik voor God zou moeten lijden; want indien ik ook gedurende duizend jaar al het denkelijke zou lijden, wat zou het wezen in vergelijking van hetgeen een oneindig goed verdient!

2. Ik kan nooit zooveel lijden als .lezus Christus uit liefde voor mij geleden heeft.

3. Ik kan nooit zooveel lijden, als ik om mijne zonden verdiend heb; want welk lijden kan men met de hel gelijk stellen, die ik verdiend heb — Deze waarheden moet men zoo lang overdenken, tot dat zij ons bij alle gelegenheden van lijden levendig voor oogen staan. — De tweede oefening. Men moet de kleine en dagelijksche wederwaardigheden stilzwijgend verdragen, en zich daardoor tot het verdragen van grootere moedig en bekwaam maken. — Wanneer U nu iets dergelijks overkomt, denk dan aan het volgende;

1. Druk U eene der aangehaalde grondstellingen in het hart. — 2. Oiïer aan God de zaak op door eene akte der vurigste liefde en der volmaakste meening. 3. Zwijg stil en beklaag U bij niemand ook slechts met een enkel woord. — De derde oefening. — Men moet zich bij moeie-lijke en langdurige wederwaardigheden als een slachtofïer aan God opdragen. — Daartoe is het volgende noodig:

1. Zich dagelijks vroeg in den morgen aan den goddelijker! wil en diens heilige beschikkingen volmaakt onderwerpen, en die onderwerping door den dag dikwijls herhalen. —

2. Dij elk uur het lijden met de vurigste liefde en volmaakste meening aan God opofferen. — 3. Zich noch over de verordeningen Gods, noch ooit over eenen mensch beklagen. — 4. Bij deze oefeningen met geduld en een kinderlijk vertrouwen op de vaderlijke liefde Gods den tijd

-ocr page 178-

160

afwachten, welken llij tot onze verlossing heelt vastgesteld. — Zie daar, mijne ziel! die voortrellelijke deugden, welke tot de volmaakte navolging van Jezus Christus be-iiooren en den weg banen tot de innigste vereeniging met Hem. Behagen zij U, val dan op uwe knieën en offer U zeiven op de volgende wijze aan den Gekruiste op; ü Jezus, o allerliefste Jezus! welk verbazend wonder aanschouw ik, als ik U aan het kruis zie hangen. — De ware, wezenlijke vreugde en gelukzaligheid is bedroefd tot den dood toe. — De hoogste onschuld en heiligheid is ter dood veroordeeld. De oneindige Majesteit hangt tusschen twee moordenaars aan het kruis. — De onmetelijke Liefde wordt gehaat. En dat alles lijdt Gij voor mij! Voor mij vloeide dat bloed van Uw onschuldig lichaam; voor mij hebt gij al die wonden ontvangen; voor mij hebt gij al die pijnen en smarten, al die schande en bespotting geleden. Dat alles geloof ik en toch bemin ik U niet, o mijn Jezus! O verfoeielijke ongevoeligheid mijns harten. Ach, ik erken de oorzaak, ik bemin mij zeiven te zeer, ik durf mij geen geweld aan te doen; ik wil en kan niets lijden; en daar ik mij zeiven te zeer bemin, blijft mij geene liefde voor U over, mijn gekruisten Jezus! Maar hoe? zal ik altijd zoo blijven? Zal ik nooit aan mij zei ven sterven? Zal ik nooit besluiten uit liefde tot Jezus te lijden? Ach! mijn God! welk een schandelijk en bitter leven is dit? Ik beu een mensch, die verdiend heeft in eeuwigheid in een eeuwig-vuur te branden en eene kleine moeielijkheid wil ik niet verdragen. Ik ben een mensch, die verdiend heeft in eeuwige wanhoop in de hel te leven en eene kleine verlatenheid des harten wil ik niet ondergaan. — Ik ben een mensch, die verdiend heeft, eene geheele eeuwigheid van alle schepselen verfoeid te worden en eene kleine verachting wil ik niet verdragen. — Ik ben een mensch, die

-ocr page 179-

1G7

verdiend beeft, eeuwig iu liet gezelschap der verdoemden en duivelen te wonen, en eene kleine zwakheid van mijn evennaaste wil ik niet lijden. Welk eene schande voor mij! welk eene ondankbaarheid jegens U, o mijn Jezus! Doch U zij dank, o Jezus! thans erken ik hoe kwalijk ik tot dusverre heb gehandeld; ik neem den hemel tot getuige, dat ik over mijne lauwheid berouw heb en bereid ben in Uwe voetstappen te treden. Tot U dus wend ik mij, o gekruiste liefde!

Achtste day.

Heden begint de vierde week der geestelijke oefeningen. Om het doel en einde dezer week te begrijpen, moet men de geheele orde en regeling der geestelijke oefeningen wel inzien en beselTen. Op den eersten dag hebben wij ons laatste doel en einde overwogen en bet besluit gemaakt, hetzelve te zoeken, koste wat het wil. Wijl echter ter bereiking van dit doel en einde, dat daarin bestaat, dat wij God op deze wereld volmaakt beminnen en in de andere wereld eeuwig bezitten, drie zaken vereischt worden, zoo hebben wij gedurende de volgende dagen daarover gehandeld. Het eerste wat ter bereiking van dat doel en einde wordt gevorderd, is dat wij onze zonden beweenen, de booze neigingen uitroeien, en ons hart zuiver en vlekkeloos bewaren. Dit hebben wij in de eerste week gedaan. Het tweede, wat ter bereiking van het doel en einde wordt vereischt, is, dat wij Christus navolgen en ons hart met die deugden versieren, welke Hij ons dooi' Zijne leer en voorbeeld getoond heeft. Dit is geschied in de tweede week. Wijl men echter die deugden niet kan oefenen, zonder groote bezwaren te overwinnen en geheel en al aan zich zeiven te sterven, zoo hebben wij het lijden en sterven van Jezus Christus overwogen en het besluit ge-

-ocr page 180-

IGS

nomen, Hern ook hierin nu te volgen. En dit hebben wij gedaan in de derde week. — Nadat de ziel dit alles gedaan heeft en geheel aan zich zeiven is gestorven, treedt zij in de volmaakte liefde Gods, waarin ons laatste doel en einde op aarde gelegen is: de huidige dag zal dus als de vierde week over de liefde handelen. Wij zullen beginnen met de overweging over de verrijzenis van Jezus Christus, opdat wij ten aanzien dier gelukzaligheid al het tijdelijke verachten, al het lijden als gering achten, ons in de gemaakte voornemens bevestigen en aldus ons bekwaam maken om met God eene volmaakte vriendschap en vereeniging aan te gaan.

Eerste JVteditatie.

OVEIl DE VERUJJZENJS VAN JEZUS CllUlSTUS.

I.

Zoo groot en verschrikkelijk voor Christus de bitterheid des lijdens was, zoo groot en aangenaam was het geluk Zijner verrijzenis. Het waren hoofdzakelijk vier soorten van ellenden, die Christus heeft geleden: de wreedste smarten des lichaams, de uiterste droefheid der ziel, de ondragelijkste beschimpingen ten aanzien der eer en de verbitterdste haat Zijner vijanden. Nu overweeg in welk eene wondervolle gelukzaligheid dit alles wordt veranderd. Jezus is verrezen met eene wonderbare schoonheid des lichaams. — Opdat gij U, mijne ziel! een klein denkbeeld dier schoonheid zoudt kunnen maken, zoo overweeg deze twee gedachten: 1. Het verheerlijkte lichaam van een uitverkorene is van zulk eene schoonheid, dat indien het zich vertoonde op de plaats, waar de zon haren loop heeft, het de wereld veel helderder zou verlichten, dan dat bel-

-ocr page 181-

109

derbliukende liernellicluiam. 2. Jnclien do schoonheid alJer uitverkorenen te zaam genomen, door God aan een enkel lichaam werd geschonken, dan nog zou die schoonheid niets beteekenen in vergelijking met de schoonheid van het lichaam van Jezus Christus. — En mijne ziel! dit is dat aangezicht, dat voor drie dagen door slagen en speeksel zoo misvormd werd, dat het niet meer kenbaar was; dit is het lichaam, dat voor drie dagen zoo mishandeld werd. dat men het voor melaatsch hield.

Jezus is verrezen met eene onmetelijke vreugde der ziel. Wanneer gij de vreugde dier gezegende ziel eenigermate wilt kennen, dan moet gij te voren hare droefheden overdenken. Indien de bitterheid, welke de ziel in den Olijfhof heeft geleden, in zoo vele harten ware verdeeld als er menschen op aarde zijn, dan zou zij toereikend zijn geweest, om allen zonder uitzondering te dooden; zoo groot was de bitterheid dier ziel. - Eveneens indien de vreugde, die zij thans geniet, in zoo vele harten verdeeld was als er menschen op aarde zijn, dan zou zij toereikeml zijn om door de grootheid der zoetigheid allen het leven te benemen; zoo groot is die vreugde, ja nog oneindig grooter.

3. Jezus is verrezen met eene oneindige verheerlijking Zijner eer. Ach! welk eene verandering, mijne ziel! Jezus is nu de glorie der Engelen en allen dalen van den hernel af, om de zegepraal Zijner verrijzenis te aanschouwen. Hij is de vreugde der oudvaders en allen liggen op de knieën, om Hem als hunnen Verlosser te loven. Hij is de rechter der levenden en dooden, voor Wien eens allen moeten verschijnen. — Hij is de kroon der uitverkorenen, en men zal er geen vinden, die Hem niet gedurende de geheele eeuwigheid zegenen en loven. — Dat alles is heden Jezus; die Jezus, zeg ik, Wien Herodes voor drie dagen als een dwaas bespotte; die Jezus, Wien de soldaten voor

-ocr page 182-

170

drie dagen als een spotkoning beschimpten en in het aangezicht spuwden; die Jezus, Wien de joden voor drie dagen als een booswicht aan liet kruis nagelden.

4. Jezus is verrezen inet liet aangenaam genot eener algemeene liefde. — Ik ga die liefde voorbij, waarvan al tie hemelsche geesten op dien dag waren ontstoken; ik ga die liefde voorbij, waardoor de oud vaders zich op dien dag in Jezus H. Hart verborgen; van den hemel alleen spreek ik. — Aldaar zal gedurende eene gansche eeuwigheid geen oogenblik meer wezen, waarop niet alle uitverkorenen aan Jezus denken; geen oogenblik, waarop zij Jezus niet op het teederste beminnen.

O e f e n i n g e n.

1. Vreugde in de glorie van Jezus Christus. Nu is liet lijden voorbij, o mijn Jezus! de dag der glorie is aangebroken; Uw H. lichaam schittert boven de sterren van het uitspansel en is het sieraad van geheel het hemelsch Paradijs; Uwe Ziel baadt in vreugde; Uw Hart is eene zee aller genoegens; Uwe eer beklom den troon en Uw naam wordt van hemel en aarde aanbeden. Gij zijt het middelpunt aller uitverkorenen, hetwelk zij, die op de aarde leven, reikhalzend zoeken en de bewoners des hemels met vreugden omhelzen. Over die heerlijkheid en gelukzaligheid verheug ik mij, o Jezus! en verheug ik mij niet anders dan als of het de mijne ware. Daarmede wensch ik U van ganscher harte geluk. Geniet deze Uwe heerlijkheid en geniet ze eeuwig. Het is billijk, dat Hij zoo heerlijk beloond worde, Die zoo manhaftig voor de eer Zijns hemel-schen Vaders heeft gestreden.

2, Begeerte naar eene dusdanige gelukzaligheid. Ü welk een geluk ware het voor mij, indien ik eens op gelijke wijze mocht verrijzen! Want wie zal beschrijven, wat het

-ocr page 183-

171

is, liet helderbliukeiide iianschijn van Jezus met eigen ougen te aanschouwen; woorden van liefde uit Zijnen vaderlijken mond te hooren, Hem te beminnen en van Hem bemind te worden; Hem te omarmen en van Hem omhelsd te worden; altoos bij Hem te zijn en in eeuwigheid niet meer van Hem gescheiden te worden! Gelukkig uur! gij zijt liet doel mijner verlangens en het einde van al de begeerten mijns harten.

II.

Heilige overdenkingen en besluiten, welke men uit deze overweging quot;moet trekken. Nadat gij de glorierijke verrijzenis van Jezus Christus wel overwogen hebt, mijne ziel! keer uwe oogen van Hem op U zeiven en houd de volgende overdenkingen.

1. Overdenking. Zoo zeker als het is, dat Jezus Christus van de dooden heerlijk is verrezen, zoo zeker is het, dat ook gij eens heerlijk zult verrijzen, als gij Hem navolgt. Dewijl Christus dan in het vleesch geleden heeft, zegt de Apostel (I Petri IV :1) zoo wapent ook gij U met dezelfde gedachten, wetende dat Hij, Die Jezus heeft opgewekt, ook U met Jezus zal opwekken. Welk eene troostrijke leering! Met deze uwe oogen dus, die gij op aarde hadt, zult gij eens het hemelsch Paradijs aanschouwen, met deze uwe ooren zult gij eens het gezang aller Engelen hooren, met dezen uwen mond zult gij eens de hemelsche zoetigheden smaken.

2. Overdenking. — Zoo zeker als het is, dat Jezus door kruis en lijden de glorie Zijner verrijzenis verkregen heeft, zoo zeker is het ook, dat er geen beter middel gevonden wordt, om tot dezelfde glorie te geraken dan kruis en lijden. — Aldus leert de Apostel Paulus 11 Tim. 11:11. Onbe-driegelijk is dit woord; want indien wij mede-gestorven

-ocr page 184-

172

zijn. (d. i. met Christus) wij zullen ook mede leven; indien wij zullen verdragen, wij zullen ook medeheerschen. — Ach God! Hoe zult Gij dan, mijne ziel! wanneer die schoone dag aanbreekt, over die wederwaardigheden denken? O gelukkige smarten! zult gij uitroepen, o voordeelige verachting! o gezegende droefheden! in welk eene glorie hebt gij mij binnen geleid!

3. Overdenking. — Hoe gelijkvormiger gij op aarde aan Jezus zult wezen in het lijden, des te gelijkvormiger zult gij aan Hem in de glorie der verrijzenis zijn. Hoor nog eens den grooten Apostel der volkeren! Aldus spreekt hij; 11 Kor. I ; 7. Dat gelijk gij deelgenooten zijt des lijdens, zoo ook (deelgenooten) wezen zult der vertroosting. Let wel op deze twee woordjes: «gelijk, zoo,quot; zij beteekenen zoo veel als; Hoe meer smart gij met Jezus op aarde zult lijden, des te grootere vreugde zult gij met Hem genieten in de verrijzenis; hoe meer beschimpingen en smaad gij met Jezus op aarde zult lijden, des te grootere eer en glorie zult gij met Hem in de verrijzenis ontvangen. Zeg nu mijne ziel! wat zijn de wederwaardigheden, de smarten, tie verachtingen, de droefheden en verlatenheid'?

Wat zijn zij! Zijn zij niet de beminnelijkste beschikkingen Gods, de krachtigste middelen ter heiligheid, het schoonste erfdeel van Jezus Christus, het zekerste onderpand der toekomstige verrijzenis, en de eeuwige kroon uwer onsterfelijke ziel? — Inderdaad, zij zijn het, aldus leert het Jezus! — En gij zoudt over dezelven bedroefd zijn en U voor ongelukkig houden, als ze U overkomen? Welk eene blindheid! Zoudt gij niet veel meer, handen en oogen hemelwaarts moeten opheffen en de barmhartigheid van Jezus Christus loven en zegenen! Zeg verder, mijne ziel! wie zijn die menschen, die U versmading aandoen? Wie zijn zij, die U verachten, die U beleedigen,

-ocr page 185-

173

of U cene andere wederwaardigheid veroorzaken? Wie zijn zij? Zijn zij liet niet, door wie God Zijne beminnelijkste beschikkingen aan TI voltrekt; zij, die U de geschikte middelen ter heiligheid aan de hand geven; zij, die ü aan den gekruisten Jezus gelijkvormig maken; zij, die Uwe glorie in den hemel vermeerderen en de kroon verfraaien, welke in eeuwigheid uw hoofd zal sieren? Inderdaad, zij zijn liet, zoo leert ons Jezus. En die menschen hield ik voor mijne vijanden! Ach, eigenliefde! welke groote en schoone waarheden hebt gij tot dusverre voor mij verborgen gehouden, en hoe ver bebt gij mij van den weg der heiligheid en van de navolging van Jezus Christus afgeleid!

Oefeningen.

1. Geloof. — Het is dan zoo: Jezus leeft; Hij is van de dooden verrezen; Hij is zijne glorie binnengegaan en geniet thans aan lichaam en ziel eene zee van genoegens. Ja, zoo is het; aldus geloof ik, o Jezus! wijl Gij, de eeuwige waarheid, het gezegd hebt. Dit is niet genoeg, want ook ik zal eeuwig leven, indien ik Jezus navolg. Ik zal van de dooden verrijzen; ik zal het hemelsch Jeruzalem ingaan. En deze mijne oogen zullen Jezus, mijnen Verlosser, aanschouwen; Ja, zoo is het; aldus geloof ik, o Jezus, wijl Gij, de eeuwige waarheid, het gezegd hebt. — Nog meer; op dat uur zal ik het loon voor al mijn lijden ontvangen: voor eene oogenblikkelijke smart zal ik eene eeuwige gelukzaligheid bekomen; en voor eene enkele versmading cene eeuwige eer en glorie, en voor eene kortstondige droefheid eeuwige vreugden en genoegens. Ja, zoo is het, aldus geloof ik, wijl Gij, de eeuwige waarheid, het gezegd hebt, O heilig geloof! welke verbazende waarheden toont gij mij en welken troost schenkt gij aan mijn hart.

-ocr page 186-

474

2. Berouw. Dan welk eene droefheid gevoel ik juist in dit helder licht des geloofs! Indien het waar is. dat God na zijne verrijzenis voor elke versterving en elke smart eene bijzondere belooning schenkt, hoevele duizenden dier belooningen heb ik door mijne eigenliefde en onverduldigheid verloren! Indien het waar is, dat God na de verrijzenis elke verootmoediging, versmading en verachting met eene bijzondere kroon van glorie beloont; hoe vele duizende kroonen heb ik door mijne hoovaardij en ijdel-heid verloren! Indien het waar is, dat God voor elke bekoring, elke droefheid, en elke inwendige verlatenheid, die men met geduld heeft verdragen, eene-bijzondere gelukzaligheid geeft, hoe vele duizende gelukzaligheden heb ik door mijne lafhartigheid en luiheid verloren! Ach hoe smartelijk moest ik zulk een verlies niet beweenen! O welke bittere tranen moest ik daarover niet storten! Doch, wees getroost; mijne ziel! gij weet, hoe Tezus Zijne glorie is binnengegaan, en gij weet, hoe gij na flem die zelfde glorie kunt binnengaan. — Met zij dan zoo; zie, o mijn Jezus! voor U werp ik mij neder.

Tweede IVIeditatie.

Over r»e liefde Gods.

Er zijn hoofdzakelijk twee redenen, die het hart krachtig tot de liefde Gods kunnen bewegen. De eerste is Zijne oneindige goedheid jegens ons; de andere is Zijne oneindige goedheid in zich zeiven. Het eerste zullen wij in deze, het tweede in de volgende meditatie overwegen.

-ocr page 187-

175

1.

God verdient bemind te worden om de oneindige liefde en goedheid, die Hij ons tot dusverre heeft bewezen. Om TJ de grootheid dier goedheid en liefde te doen zien, zal ik TJ hunne eigenschappen voorstellen. Verzamel derhalve al Uwe krachten, mijne ziel! en overweeg ze wel!

1. De goedheid en liefde Gods jegens T' is eeuwig. — Even als God geen begin heeft, maar van en door Zich zeiven altijd en eeuwig geweest is, zoo heeft ook Zijne goedheid, Zijne liefde. Zijne vaderlijke toegenegenheid, die Hij U toedraagt, geen begin, en is zoo oud als God Zelf, namelijk eeuwig. — Treed terug in den vervlogen tijd achttienhonderd en nog meer jaren, wat waart gij toen ? Naar de ziel een enkel niet, naar het lichaam een niet. Wat heeft God toen gedaan? Hij heeft TJ bemind en heeft U zoo vurig bemind, dat Hij voor T'we zaligheid Zijn eigen bloed aan het kruis heeft vergoten. — Ga terug tot aan het begin der schepping, wat was er toen? Niets, noch hemel, noch aarde, noch Engelen, noch menschen; niets, een enkel niets! Hij heeft U bemind en heelt TJ zoo vurig bemind, dat Hij om uwentwil hemel en aarde heeft geschapen ; de aarde als eene woonplaats voor uw tegenwoordig kortstondig leven; den hemel echter als eeno woonplaats voor uw toekomstig eeuwig leven. Treed in de eeuwigheid honderd duizend jaren, honderd duizendmil-lioenen jaren terug; treed terug zoo ver gij kunt en zoo ver uw verstand reikt, wat was er toen? Niets dan God alleen, in en uit Zich zeiven oneindig glorierijk, oneindig gelukkig. Wat heeft Hij toen gedaan? Hij heeft u bemind; gedurende de geheele eeuwigheid was er geen oogenblik, waarop Hij niet werkelijk aan u dacht, waarop Hij niet werkelijk besloten was, orn voor TJ te sterven en TJ aan

-ocr page 188-

170

al Zijne goederen, al Zijne rijkdommen, al Zijne gelukzaligheid voor eeuwig deelachtig te maken. Welk een wonder van goedheid en liefde!

2. De goedheid en liefde (ïods jegens U is vrijgevig en grootmoedig. Het is niet noodig, dat gij u, om die waarheden te vatten aan alle genaden herinnert, die U God heeft bewezen; zie slechts op het geheim der mensch-wording; dat is reeds voldoende, om u dit duidelijk voor oogen te stellen. — Verbeeld U een koninklijken ambtenaar, die aan zijnen heer honderdduizend gulden heeft ontstolen. Hij wordt van zijne misdaad overtuigd, tot altijddurende gevangenisstraf veroordeeld en in een duisteren toren opgesloten; daar moet hij nu zijn leven in zuchten en weenen doorbrengen, tenzij hij den vorst de honderdduizend gulden, die Hij hem heeft ontstolen, teruggeeft.

Toen dit bekend werd, komt een rijke Heer, wiens vermogen juist honderdduizend gulden bedraagt, maakt alles te gelde, betaalt den vorst en stelt aldus den gevangene op vrije voeten. Hij zelf echter, daar hij door die barmhartigheid is verarmd, wordt een ambachtsman en verdient voortaan zijn brood in het zweet zijns aanschijns. Welk een wonder van liefde zou dat wezen! — Weet gij echter wel, mijne ziel! aan wien dit wonder gebeurd is? Wie was die ellendige gevangene? Wie was die barmhartige Verlosser? Denk daarover na, mijne ziel en overweeg het oplettend.

3. De goedheid en liefde Gods jegens U is lankmoedig en geduldig. Kom dan, mijne ziel! ik zal U een wondervol schouwspel toonen. Zie de aarde ontsluit zich, de harde klippen en rotsen, die den kerker omgeven, scheuren vaneen, lt;le hel staat open. Wat ziet gij? Vele duizende en duizende verdoemde zielen, die te midden van dit ver-

-ocr page 189-

ill

sliii(]cuil vuur branden. Doch let wel o[)! Zie, Christus komt van den hemel af; neemt uit zoovele duizend zielen een enkele, geleidt haar uit de hel, vereenigt haar met het lichaam, roept dus dien rnensch weer in het leven terug en geeft hem tijd tot boetvaardigheid. Wie kan de grootheid dier liefde beseffen? Die mensch heeft de hel verdiend evenals vele duizend anderen; hij heeft de hel meer verdiend dan vele duizend anderen. Alle anderen blijven zonder genade en tijd tot boetvaardigheid. Welk eene bijzondere liefde moet Jezus jegens dien mensch niet gehad hebben! — Mij dunkt, mijne ziel! dat ik U eene geschiedenis heb verhaald, die met u is voorgevallen; of is het niet waar, dat zich vele duizenden in de hel bevinden, die niet meer gezondigd hebben dan gij? Vele duizenden, die niet zoo veel gezondigd hebben als gij? veie duizenden, die niet zoo vele middelen misbruikt hebben als gij ? vele duizenden, die niet zoo lang in de lauwheid volhard hebben als gij? Echter zijn zij verdoemd en voor eeuwig verdoemd en gij leeft en leeft in een overvloed van genaden. Moet men dan niet van U zeggen, wat de joden zeiden, toen zij Jezus over Lazarus zagen weenen: Ziet, ziet hoe teeder en vurig Hij dien mensch beminde?

Oefeningen.

4. Erkenning en bewondering der liefde Gods. Alles wat Gij hebt; o mijn God! wat Gij zijt en wat Gij doet, is wondervol ; doch niets schijnt mij wondervoller dan de liefde; Gij zijt een oneindig Wezen, hetwelk noch begin noch einde hebt. Van alle eeuwigheid bestaat Gij en gedurende de gansche eeuwigheid was er geen oogenblik, waarop Gij rni j niet bemindet. — Gij bemint mij met eene grootmoedige liefde, want waartoe heeft U de liefde niet gebracht? Gij

-ocr page 190-

178

kwaamt van den liemel af en werdt als een arm kind in een stal geboren; Gij leiddet een moeilijk leven en at Uw brood in het zweet Uws aanscbijns; Gij stierft eindelijken stierft als een misdadige aan het kruis. Zoover heeft U de liefde jegens mij gebracht. Gij bemint mij met eene geduldige liefde. Ik heb vele zonden bedreven; ik heb vele genaden veracht, ik heb vele middelen misbruikt; dit alles heeft echter Uwe liefde noch kunnen uitblusschen noch verminderen. Gij bemint mij nog en bemint mij zoo teeder en vaderlijk, als Gij mij van eeuwigheid bemind hebt. O God! o wondervolle God eener onmetelijke liefde, goedheid en barmhartigheid! liet is waar (aldus getuig ik voor hemel en aarde) het is waar; Gij verdient, dat ik l uit alle krachten mijns harten liefheb; Gij verdient, dat ik U bemin; Gij verdient, dat ik U met eene oneindige liefde beminde, indien ik zulks kon!

2. Berouw en liefde. — Indien dit zoo is, hoe ondankbaar was ik dan, dat ik God niet van ganscher harte beminde. — Zoo is het, o getrouwe Minnaar! mijn God! mijn Heer! mijn Vader, mijn Al! ik erken mijne ondankbaarheid en verfoei ze; ik beminde eenen inensch, die mij eene kleine weldaad bewees, en ik heb God niet bemind, Die mij alles heeft gegeven, wat ik heb; ik beminde eenen mensch, die behalve een vriendelijk woord niets voor mij deed en ik heb God niet bemind, Die voor mij aan het kruis is gestorven. Ja, ik erken mijne ondankbaarheid en verfoei haar.

Nu denk ik er anders over, nu heb ik andere begeerten; Gij hebt gezegevierd, o goddelijke Minnaar! Gij hebt gezegevierd. Mijn hart behoort U; en ik schenk het l zonder voorbehoud voor eeuwig. Voortaan zal ik T beminnen; zal ik U alleen beminnen; ik zal U des te vuriger beminnen . hoe langer ik daarmede gewacht heb.

-ocr page 191-

17P

II.

God verrlient bemind te worden om de oneindige goedheid en liefde, die Hij ons in de toekomst wil bewijzen. Wat wil God IJ dan geven mijne ziel? Ik zeg slechts een enkel woord; wanneer ik echter dit zeg, dan zeg ik alles, wat men kan zeggen. God wil Zich zeiven aan IJ schenken. O onbegrijpelijk wonder! Wat wil dat zeggen? Verzamel al uwe krachten en overweeg een geheim, dat het troostrijkste in ons geloof is.

1. God bezitten wil zeggen, het doel van al zijne verlangens bereiken — Zoodra do ziel hot lichaam heeft verlaten, gaat in haar een bovennatuurlijk licht op, waardoor zij met eene wonderbare klaarheid erkent, dat God haar eenigst hoogste goed en hare eenigste hoogste gelukzaligheid is. Uit dit licht ontstaat een zoo onmetelijke begeerte om dit eenigst hoogste goed en die gelukzaligheid te genieten , dat de berooving daarvan de grootste pijn der hel is. Aan die begeerte voldoet God; Hij vereenigt de ziel op bet innigst met Zich, en laat haar geheel Zijne Godheid genieten. Daar ondervindt zij in elk oogenblik eene oneindige vreugde en wordt overstelpt door een zeo van genoegens.

'2. God bezitten, wil zeggen God aanschouwen en beminnen. Gedurende de geheele eeuwigheid zal er geen oogenblik wezen, waarop de ziel geene nieuwe wonderen der goddelijke almacht, goedheid, schoonheid en van andere volmaaktheden zal aanschouwen, die haar met eene oneindige zoetigheid in God vervullen. — Gedurende de geheele eeuwigheid zal er geen oogenblik wezen, waarop do ziel geene nieuwe liefdevlammen gewaar wordt, die baar met eene oneindige vreugde in God overstelpen.

R. God bezitten, wil zeggen eene oneindige gelukzalig-

-ocr page 192-

180

heid bezitten. - De gelukzaligheid, mijne ziel! welke gij in den hemel zult genieten, is geene andere, dan die God Zelf geniet. Juist die vreugde, genoegens, zoetigheden, gelukzaligheid, welke God geniet, zult ook gij genieten. Iloe groot is echter die vreugde en gelukzaligheid? Luister naar eene wondervolle, maar tevens onloochenbare waarheid! Een enkele druppel is voldoende, om den verdoemden meer vreugde te verschaften, dan zij nu pijnen lijden; een enkele druppel is toereikend, om alle uitverkorenen uit overvloed van vreugde in God in verrukking te brengen; een enkele druppel is voldoende, om alle schepselen voor eeuwig gelukkig te maken, al werden ook zoo vele Engelen en menschen geschapen, als er zandkorrels aan den oever dei-zee gevonden worden. — Kortom die vreugde is zoo groot, dat zij genoegzaam is, om God zeiven, Die voor eene oneindige gelukzaligheid vatbaar is, volmaakt te verzadigen.

4. God bezitten wil zeggen, door God met eene oneindige teederheid bemind worden. — God aanziet de ziel nooit anders, dan als een kind, dat Hij innig liefheeft, als een voorwerp, waaraan Hij al de schatten Zijner goedheid wil mededeelen; als eene bruid, in wie Hij Zijne vreugde en welbehagen heeft. Men kan zich niets soortelijks op aarde verbeelden; even als God eene oneindige almacht is, alle menschelijke macht onvergelijkelijk overtreft, zoo is Hij ook eene oneindige beminnelijkheid, die elke teederheid der menschelijke liefde zonder mate overtreft. — Hij alleen heeft de macht, eene ziel, die Hij bemint, in Zijn Hart op te nemen en er haar die zoetigheden te drinken te geven, welke 's menschen verstand niet kan begrijpen.

5. God bezitten wil zeggen, leven zoo lang God leeft, en gelukkig zijn, gelijk God gelukzalig is. — Hoedanig is dan Gods gelukzaligheid? Zij is eene gelukzaligheid zonder

-ocr page 193-

181

einde, eene gelukzaligheid zonder stoornis, eene gelukzaligheid zonder vermindering. Al deze drie eigenschappen zal ook uwe gelukzaligheid hebben, mijne ziel! Het zal eene gelukzaligheid zonder einde wezen. Neem zoovele jaren als zandkorrels aan den oever der zee: zoovele jaren als zonnestofjes in de lucht; zoovele jaren als druppelen water in de groote wereldzee gevonden worden; zie, al die jaren zullen voorbijgaan en van uwe gelukzaligheid is nog niets voorbij, want zij is eeuwig, eeuwig, zonder einde! Het zal eene gelukzaligheid zonder stoornis zijn; alle oogen-blikken zult gij in God nieuwe schoonheden aanschouwen. Want daar Hij eene oneindige schoonheid is, zoo blijft steeds eene oneindige afgrond over, dien gij nog nooit hebt gezien. Elk oogenblik zult gij jegens God opnieuw in liefde ontbranden; want, daar Hij eene oneindige goedheid is, zoo blijft steeds een oneindige goedheid over, die gij nog niet hebt bemind. Elk oogenblik zult gij door nieuwe vreugde in God overstelpt worden; want daar Hij eene oneindige zoetigheid is, zoo blijft steeds een onmetelijke zoetigheid over, die gij nooit gesmaakt hebt. Het zal eene gelukzaligheid zonder vermindering wezen. Gij zult steeds de vurigste begeerte hebben om God te genieten; en gij zult steeds de grootste vreugde hebben, omdat gij Hem geniet; gij zult steeds oneindig gelukkig zijn, omdat gij God bezit; en gij zult nooit zijn bezit moede worden, wijl gij steeds Hem verlangt te bezitten.

Oefeninge n.

1. Liefde. — Mijn eenigst en hoogste goed, mijn God! hoe blind was ik tot dusverre! Ik kende noch U, noch Uwe liefde; nu ken ik U en ik ken Uwe liefde. Wat kan ik dan anders doen, dan eene zoo wondervolle en onmetelijke liefde met eene oprechte wederliefde te vergelden?

-ocr page 194-

liet zij iluii zoo! Zie, o mijn God! hier lig ik voor Uw allerheiligst aanschijn en breng U het olTer mijns harten, dat Uwe oneindige goedheid en liefde verdient; ik bemin U en bemin U uit geheel mijn hart, uit geheel mijne ziel, uit geheel mijn verstand en uit al mijne krachten. Ik haat en verfoei alle begeerten en neigingen, die ooit in mijn hart opkwamen en U niet ten doel hadden. — U alleen bemin ik, o hoogste goed! U alleen zal ik beminnen, zoo lang ik leef; en aan Uwe eer en Uwen wil, aan Uw welbehagen zal ik steeds boven alle schepselen en boven geheel de wereld de voorkeur geven.

2. Begeerte om God volmaakt te beminnen. Dan, zoo ik dit alles doe en U beminne, gelijk ik het voornemen gemaakt heb, wat is deze liefde in vergelijking van die, waarmede Gij mij hebt liefgehad? Zij is in vergelijking-van die liefde niets, louter niets. Ach! hoe zou ik derhalve wenschen, dat ik die liefde, welke in de harten aller uitverkorenen verdeeld is, in mij alleen hadde vergaderd! Ach! hoe zou ik wenschen, dat ik al de liefde, welke in de hemelsche geesten gevonden wordt, alleen bezat, opdat ik U, o mijn hoogste goed! o mijn getrouwe Minnaar! met die liefde kon beminnen! — Edoch, die begeerten zijn ijdel; eveneens als Gij alleen het hoogste goed zijt, dat verdient oneindig bemind te worden, zoo zijt Gij ook alleen Degene, Die deze volmaakte liefde in mijn hart kan ontsteken. O God van liefde, ontferm U mijner, toon heden Uwe almacht aan mij; ik verlang en wensch niets anders dan Uwe liefde!

-ocr page 195-

Derde Meditatie.

Over de liefde of beminnenswaardigheid van God in Zich zelven.

Gud verdient bemind te worden, wijl Hij het hoogste goed is. Men moet God beminnen, wijl Hij het hoogste goed is en om Zich zelven verdient, oneindig bemind te worden. Wat beteekenen echter die woorden; het hoogste goed? Zij beteekenen zooveel als: God is een wezen, dat alle volmaaktheden bezit; een wezen, dat alle volmaaktheden in eenen oneindigen graad bezit; een wezen, dat dit alles van en door Zich zelven geniet en bezit. Indien gij u een klein denkbeeld wilt vormen, voor zoover dit op aarde mogelijk is, overweeg dan eene of andere volmaaktheid in 't bijzonder.

1. God is de oneindige schoonheid. Wij moeten ons hier, mijne ziel! met louter voorstellingen te vreden stellen, die echter, hoe onbegrijpelijk zij ons ook voorkomen, niets anders zijn, dan wellicht de gedachten zijn kunnen, die een kind zich over den afstand en den aard der zon aan den hemel maakt.

Eerste voorstelling. De allerheiligste Maagd Maria ziet van de schoonheid meer, dan alle Engelen en Zaligen des hemels te zamen. Veronderstel eens , dat God op dit oogenblik haar verstand begint te vergrooten, en haar van Zijne schoonheid nog zooveel laat zien, als zij tot dusverre aanschouwd heeft; het volgend oogenblik geeft Hij haar een nieuw licht, dat zij van Zijne schoonheid nog zooveel ziet, als zij op het eerste oogenblik zag, en zoo gaat Hij duizend jaren, honderd duizend jaren, millioenen jaren voort. Ziet de allerheiligste Maagd als dan geheel de schoonheid Gods ?

-ocr page 196-

184

Neen! Er blijl't van haar nog zooveel over, als van de groote wereldzee zou overblijven, wanneer men er ceue handvol water had uitgeschept.

Tweede voorstelling. — De Engelen zijn duizenden in getal, en de geringste is van zulk eene schoonheid, dat geen raensch hem zou kunnen aanschouwen, zonder uit overmaat van vreugde te sterven. Veronderstel nu, dat God een Engel schiep, die alleen de schoonheid aller Engelen bezat, wat zou dan die schoonheid wezen? Zij zou oneindig geringer dan de schoonheid Gods zijn. Wij gaan verder en veronderstellen, dat God gedurende duizend jaren, elk oogenblik een millioen Engelen schiep, van welke de een de anderen zoo ver in schoonheid overtrof, als nu de hoogste Serafijn een mensch overtreft; na die duizend jaren strekte Hij Zijne alvermogende hand uit en schiep een Engel, die alleen de schoonheid van al die Engelen bezat; Wat zou die schoonheid wezen? Zij zou oneindig geringer dan de schoonheid Gods zijn. Ga daarmede voort een geheelen dag, een geheel jaar, eene gansche eeuw en gij zult U toch nooit eene schoonheid kunnen verbeelden, die niet door Gods schoonheid oneindig overtroffen wordt.

2. God is de oneindige almacht. Wij moeten andermaal tot onze voorstellingen terugkeeren, mijne ziel!

Eerste voorstelling. — Wij willen veronderstellen, dat het getal rnenschen, die tot dusverre op aarde geleefd hebben en tot aan het laatste oordeel zullen leven, twee maal honderdduizend millioen bedraagt. Welk een verbazend getal! Hunne zielen zijn deels in den hemel, deels in het vagevuur en deels in de hel; hunne lichamen echter zijn tot stof en asch vergaan, en van de meesten is geen been meer over.

Intusschen breekt de laatste dag aan en de bazuin des

-ocr page 197-

185

Engels wordt in alle cleelen der wereld gehoord; wat geschiedt er? In een oogenblik staan de lichamen weer op, de zielen keeren in hen terug en die tweemaal honderdduizend millioen menschen zijn weer levend. En wat wordt er toe vereischt, om dit verbazend wonder uit te werken? Ueze weinige woorden slechts; Staat op dooden!

Tweede voorstelling. — Wij willen veronderstellen, dat God van den hemel afdaalt, Zich aan den oever der zee plaatst, doet even als Hij weleer bij de schepping van den eersten mensch in hot Paradijs deed en deze weinige woorden spreekt: Dat zoovele menschen opstaan, als zandkorrels aan dezen oever zijn, wat zal er gebeuren? Op het zeilde oogenblik zullen zoovele menschen opstaan, als er zandkorrels der zee zijn. — Maak nu dergelijke gedachten, zooveel gij wilt; ga daarmede voort, zoolang gij wilt; gij zult nooit eeno voorstelling vinden, die niet door de almacht Gods nog oneindig wordt overtroffen.

3. God is de oneindige goedheid. — Drie uitwerkingen zijn er, mijne ziel! waaruit gij de oneindige grootheid dei-goddelijke goedheid kunt erkennen. — De eerste uitwerking is het verdragen des zondaars. — God ziet vele honderdduizend menschen op aarde, die dagelijks de zwaarste zonden bedrijven, die zijnen allerheiligsten naam lasteren, en Hem in Zijne tegenwoordigheid zonder ophouden, nieuwe versmadingen aandoen en zulks twintig, dertig, veertigen nog meer jaren achtereen; en wat doet God ? Hij zwijgt, alsof Hij van al dien smaad niets wist; Hij onderhoudt hen in het leven en bewijst hun dagelijks nieuwe weldaden, alsof zij Hem ijverig dienden; Hij spreekt dagelijks tot hun hart en noodigt hen tot Zijne vriendschap uit, alsof zij niet Hem, maar Hij hen noodig had! — Do tweede uitwerking is de ontvangst des zondaars. — Verbeeld U een mensch, die honderd jaren leeft; die dagelijks God meermalen met

-ocr page 198-

186

opzet lasterde, die gedurende geheel zijn leven nimmer aan boetvaardigheid dacht; die ellendige mensch ligt thans op zijn uiterste en hem blijft slechts een enkel oogenblik meer overig; kan hij nog vergiffenis zijner zonden ontvangen? Luister, mijne ziel! en bewonder de oneindige goedheid ! Indien die goddeloozo een enkelen rouwmoedigen zucht uit eene volmaakte liefde ten hemel stierde, dan zou God hem al de zonden zijns levens vergeven, nimmer meer daaraan denken en hem aan Zijne glorie deelachtig maken. — üe derde uitwerking is de belooning des rechtvaardigen. — Verbeeld U een mensch, die gedurende zijn leven geen ander goed werk heeft gedaan, dan dat hij dien zucht ten hemel zond. Zoo komt hij dan in de eeuwigheid, en brengt geen ander goed werk mede, dan dien waarlijk rouwmoedigen zucht. Welk eene belooning geeft God hem daarvoor? Hij geeft hem het bezit des hemels, het aanschouwen en genieten Zijner oneindige schoonheid, en beide gedurende eene gansche eeuwigheid: zoo wondervol en oneindig groot is Gods goedheid in de belooning.

Oefeningen.

1. Schaamte over mij zeiven. — Ja, o mijn God! zoo is hot, gelijk het geloof mij leert, Gij zijt het hoogste goed, een goed, dat alle volmaaktheden in een oneindigen graad bezit; een goed, dat met eene oneindige liefde verdient bemind te worden. Hoe komt het dan, mijn God! dat mijn hart, dat Gij slechts hebt geschapen, om U te beminnen en te bezitten, ondanks mijne kennis en mijn geloof zoo gevoelloos en onverschillig is? Het onderhoud met U verheugt mij niet, de stille eenzaamheid en ingetogenheid geeft mij geen genoegen; al het overige, wat anders de ware liefde in mijn hart pleegt uit te werken, is verre van mij. Ik erken en zie mijne ellende, o groote God!

-ocr page 199-

187

ik zal zou lang arm cu ongelukkig wezen, als het vuur Uwer liefde niet in mijn hart wordt ontstoken. — Maar hoe lang zal deze mijne koelheid, mijne onverschilligheid nog duren. Wanneer zal ik beginnen mijnen God volmaakt te beminnen?

2. Voornemen en berouw. — Ach! wanneer zal ik beginnen? Dan zal ik beginnen, wanneer ik aan mij zeiven en aan alle schepselen volmaakt sterf; dan zal ik beginnen, als Gij U, mijn God! ontfermt en mijn hart met dit heilige vuur ontsteekt. — Welaan! ik maak een begin. Zie mijn God! mijn eenigst, hoogste goed! ik bemin en omhels U uit al mijne krachten en schenk U mijn hart zonder voorbehoud, ik verfoei alle gedachten, alle begeerten, allo woorden en werken mijns levens, die niet uit liefde tot ü zijn gedaan; Uwe liefde alleen en Uw hoogste welbehagen zal voortaan het voorwerp van al mijne begeerten en de drijfveer van al mijne werken wezen. — Maar, o mijn God! hoe oprecht gemeend dit mijn besluit ook is, ik zal het niet kunnen ten uitvoer brengen, zoo Gij mij niet eene geheel bijzonder genade en sterkte verleent. Ach! keer Uwe barmhartige oogen tot mij; gedenk, dat Gij mijn hart slechts daarom hebt geschapen, opdat het U beminne; gedenk, dat Gij slechts daarom zooveel bloed aan het kruis hebt vergoten, opdat ik van Uwe liefde zou ontstoken worden.

Derhalve doe nu een wonder Uwer barmhartigheid; vernietig in mijn hart alles, wat Uwer liefde wederstaat, en ontsteek het zoo met de vlammen Uwer liefde, dat het nimmer meer ophoude U te beminnen.

II.

God verdient bemind te worden, wijl Hij het eenigst goed is. Dit is een gewichtige waarheid, mijne, ziel! die

-ocr page 200-

188

zoo zij wel wordt overwogen, krachtig genoeg is, om geheel het hart tot God te trekken. Zij bevat het volgende:

1. Noch in den hemel, noch op aarde, noch in een engel, noch in eenen mensch, noch in een ander schepsel is het geringste goed, dat niet van God komt. Laat uwe oogen eens over de aarde gaan en beschouw alle schepselen, die er op zijn te vinden; beschouw zoovele verschillende soorten van boomen en vruchten, van bloemen en andere planten, van dieren op de aarde, van vogelen in de lucht, van visschen in liet water. — Van de aarde klim op ten hemel en beschouw die wonderen, welke daar gevonden worden; aanschouw de helglinsterende hemellichamen, welke de geheele aarde verlichten, die wonder-schoone sterren, welke aan het uitspansel schitteren, die onbegrijpelijke grootheid en schoonheid van het hemelsch Paradijs, waarin de uitverkorenen wonen. Van de redelooze schepselen keer uwe oogen tot den mensch op aarde en beschouw de verschillende gaven, waarmede hij is begiftigd, de schoonheid, de wijsheid, de liefde, de vriendelijkheid, de goedhartigheid; en al de overige deels natuurlijke , deels bovennatuurlijke gaven. — Eindelijk van dezen ga terug naar den hemel; aanschouw die engelachtige geesten en andere uitverkorenen en overweeg hunne uitgelezen deugden, hunne groote verdiensten, hunne wonderbare heiligheid, hunne onbegrijpelijke glorie, heerlijkheid en gelukzaligheid. — Nadat gij dit alles hebt aanschouwd en overwogen, ga dan in uw hart en spreek tot u zeiven aldus.

Waar waren voor achtduizend jaren zoo vele millioenen der edelste schepselen? Zij waren in hun niet begraven en zij zouden nog in hun niet begraven liggen, indien God hen niet door Zijne oneindige goedheid en almacht daaruit getrokken had; zoo leert het geloof.

2. Wat is dan dat alles, wat men in de schepselen goed

-ocr page 201-

d80

noemt? Het is niets dan eoue loutere gave der goddelijke goedheid. Al de schoonlieid der scliepselen is niets dan een straal, die van tie onmetelijke zon is uitgegaan. Al de heiligheid der schepselen is niets dan een druppel, die uit die ongemeten zee is gevloeid. God alleen is goed en alles, wat men in de schepselen goed noemt, is eene gave van God; zoo leert het gelool, zoo geloof ik; aldus gelooft gij, mijne ziel! Maar hoe leven wij? Ach hoe kwalijk gebruiken wij de edelste gevoelens van ons hart? Erkent gij wel, wat uit deze verbazende waarheden volgt? Overweeg het en verlies het nooit uit uw geheugen.

1. Daaruit volgt, dat God verdient oneindig bemind te worden. Dit leert ons het verstand. Wat goed is verdient bemind te worden; God is echter een oneindig goed, dus verdient Hij oneindig bemind te worden.

2. Daaruit volgt, dat ik God niet bemin, zooals het behoort, wanneer ik Hem niet bemin, zooveel het in mijn vermogen is.

3. Daaruit volgt, dat ik tegen die verplichting handel, indien ik aan een enkel gevoel toegeef, dat niet op Hem doelt; indien ik een enkel werk verricht dat niet te Zijner eer geschiedt, indien ik mij tegen eene enkele beschikking-verzet, welke Hij mij overzendt.

Oefeningen.

1. Schaamte over zich zeiven. Ach God! cenigste en hoogste goed! ik erken maar al te wel, wat Gij verdient en hoe de ware liefde moet gesteld zijn. — Eene ziel, die van I'we liefde bezield is, verzaakt aan elke aangekleefd-heid, en laat niet eene enkele genegenheid toe, die niet van 1' uitgaat en tot U terugkeert; zij doet niets, dan hetgeen zij erkent, U aangenaam te zijn, en doet alles,

-ocr page 202-

190

enkel en alleen volgens Uw heilig welbehagen; lijdt en verzet zich tegen geene enkele Uwer beschikkingen; zij geeft zich zonder voorbehoud aan U over en rust zorgeloos in den schoot Uwer Voorzienigheid! O edele gesteldheid des harten, o heilige liefde, hoe schoon en aangenaam zijt gij? Hoeveel bezit ik van die liefde in mijn hart, hoe vole uren mijns levens heb ik aldus bemind? Hoe vele werken heb ik verricht, hoevele wederwaardigheden heb ik uit die liefde verdragen? Mij ellendige mensch! wie geeft mij genoegzame tranen?

2. Liefde en Opoffering. Dan, waarom ben ik bedroefd? Het kan nog alles zoo worden en de ijver kan nog alles vergoeden. Weg dus met die kleinmoedigheid ? Wat zoovele duizend jongelingen in den bloei huns levens, zoo vele duizend teedere maagden hebben gedaan, waarom zou ik dat ook niet doen kunnen! Ik kan alles, zegt een der grootste heiligen, maar niet uit mij zei ven, maar in Hem, Die mij versterkt. Dat zeg nu ook ik en in dit vertrouwen op U, o mijn God! o mijne sterkte; o mijn alles! begin ik nu U te beminnen en offer mij zonder voorbehoud aan U op. — Neem dan, o mijn hoogste goed! neem mijne vrijheid, mijn geheugen, mijn verstand en mijnen wil! Alles heb ik van U ontvangen en alles geef ik aan U terug, ik verlang niets, ik begeer niets, dan Uwe liefde! Met haar zijn al mijne wenschen vervuld en niet haar ben ik rijk genoeg!

3. Rede. Kom derhalve goddelijke Geest! Gij zijt de wezenlijke liefde en de bron van dat goddelijk vuur, dat in de harten der Heiligen brandt. Gij zijt de ware heiligheid en de oorsprong dier krachtige genaden, die elk menschelijk hart doordringen en met al deszelfs gevoelens tot God trekken. Ach! daal heden in mijn hart, reinig het van alle onvolmaaktheden en ontsteek in hetzelve het

-ocr page 203-

101

vuur Uwer goddelijke liefde! — Ik ben bereid alles te doen en alles te lijden. — Gebruik geweld, ik zal mij niet verzetten; om Uwe liefde smeek ik, om Uwe liefde ben ik bereid alles te geven, alles te doen! Amen.

Heilzaam onderzoek.

Van twee gewichtige vraagstukken in de aciit-

na a gsci ie a fzonder1ng.

Tot hmiimmng ran den r/eesf volgens de. rog film en her'mj van den heiligm Franciscns van Sale.*, ronr e.ene si el die nam' de. volinaaktheid streeft.

§ 1. Voorbericht.

Ik lifb zulk een goed vertrouwen en meening van U, goede ziel, dat ik zeker geloof, dat uwe onvolmaaktliedon u mishagen en ter harte gaan. Gij liebt een vurig verlangen , om aan u zeiven en aan alle schepselen te sterven. Gij zucht naar de vereeniging met God, naar Diens innigste gemeenschap en andere werkingen der volmaakte liefde, die God slechts aan degenen beloofd heeft, die Hem met een zuiver hart zoeken. Is het niet zoo, mijne ziel!

Wanneer die begeerten niet in uw hart branden, met welk doel zijt gij dan hier gekomen ? Een deugdzaam leven te leiden en de zaligheid te verkrijgen: daartoe hadt gij middelen genoeg in de wereld. Indien gij naar geene hoo-gere deugden streeft, dan naar die, welke men bij god-vruchtigen ook in de wereld aantreft, wat was het dan noodig, de wereld te verlaten? Zich zeiven tusschen vier muren op te sluiten en zich als het ware nog voor den dood te begraven? Doch, dank zij der goddelijke goedheid!

-ocr page 204-

102

gij hebt veel hoogere gedachten en uw hart zucht naar eene volmaakte heiligheid. Ik kan u het pad of den weg daartoe tooneu, maar gij moet denzelven betreden en met een grootmoedig hart op denzelven voortwandelen. Hiertoe zijn twee zaken noodig:

De eerste is: Gij moet uw hart voor Gods aanschijn ernstig onderzoeken, alle onvolmaaktheden uitvorschen, de verborgene kwade neigingen nagaan, en wel zoo lang, totdat gij duidelijk inziet, in welk een staat zich uwe ziel bevindt; en dit moet geschieden in de eerste week op den weg van zuivering.

De tweede is; Nadat gij den tegenwoordigen staat wel hebt ingezien, moet gij in uw heilig voornemen een stap verder gaan en uw leven zoo inrichten, dat gij kunt hopen, het u voorgestelde doel, te weten: eene volmaaktere heiligheid, te bereiken. Wij zullen dit beide in dit onderzoek met Gods genade zien te verkrijgen.

§2.

Manier om de onvolmaaktheden zijner ziel te onderzoeken.

Wat de manier aangaat, om dat onderzoek te doen, zoo moet tusschen het onderzoek van het eerste gedeelte en tusschen het onderzoek van het tweede een klein verschil worden gemaakt. In het eerste gedeelte zullen de volgende punten dienstig zijn:

1. Wanneer de bepaalde tijd tot de overweging daar is, stel u dan in Gods tegenwoordigheid, offer het werk, dat gij voornemens zijt te doen, met de volmaakste meening op, bid Hem in ootmoedigheid om de genade, dat gij den staat uwer ziel, gelijk Hij dien erkent, inzien en denzelven volgens Zijn heiligen wil rnoogt verbeteren.

2. Ga vervolgens op uwe knieën zitten, leg het beeld

-ocr page 205-

•103

vim ili.'ii (ïokniisU' voor n neer, en lees de oiKlerzoekinyeu van het eeue punt tot het andere.

3. Sta bij elllt; punt stil en onderzoek in Gods tegenwoordigheid ernstig zonder n te vleien: Hoe was mijne ziel tot dusverre ten aanzien van dit gedeelte gesteld?

4. Hebt gij dat ingezien, schrijf dan de fouten op een blad papier en ga tot een ander punt over.

5. Hebt gij nu liet geheele onderzoek doorloopen en met aandacht overwogen (hetwelk men op den vierden dag der geestelijke oefeningen pleegt te doen), dan bepaal een uur, leg het papier, waarop gij uwe fouten hebt aangeteekend voor den Gekruiste neer, en doorloop ze met oplettend-tendheid voor het aanschijn Gods. — Hier zult gij duidelijk en zonder moeite kunnen zien, hoe onvolmaakt uwe zuivering is, hoe diep uwe kwade begeerten nog zijn ingeworteld en welke van hen de bron der anderen zijn; welken trap der deugd gij hebt bereikt , hoezeer de liefde Gods en des naasten in u heeft toegenomen; kortom, hier zult gij zien, hoe het met uwe ziel gesteld is. Wanneer gij bij dien ijver nog de oprechtheid en ootmoedige belijdenis van nzelven voegt, en hem, dien gij voor zielverzorger gekozen hebt, de ontdekte fouten, hetzij geschreven overhandigd, ot' mondeling hebt blootgelegd, dan zal die een zeker oordeel vellen en den aldus erkenden staat uwer ziel tot hoogere volmaaktheid kunnen voeren. Geloof zeker, mijne ziel! dat aan deze twee oefeningen veel meer gelegen is, dan ik u zeggen kan en gij begrijpen kunt. De ware kennis van den tegenwoordigen staat is eene der voordee-ligste en noodzakelijkste voorbereidingen tot betere regeling van den toekomstigen. Wilt gij eenige voordeden daarvan in het bijzonder weten, hoor ze dan in het kort, Wanneer men zichzelven kent en op eens zich alle zonden, alle onvolmaaktheden, alle kwade neigingen en begeerten, elk

13

-ocr page 206-

104

misbruik der genade, alle nalatiglieden eu lauwheid in de oefening der deugd voor oogen stelt, is het niet mogelijk, dat men daarover niet beschaamd worde, zijne ondankbaarheid jegens God niet erkenne en geen berouw en geen droefheid over het verledene leven gevoele. — Hierop volgt eene verfoeiing der zonden en onvolmaaktheden, eene biecht, waarin men zich rouwmoedig beschuldigt, en eene volmaakte verzoening met God. Het bedroevend gezicht van het verleden leven, zal liet hart, wanneer dat gezicht levendig is, noodzakelijk in onrust brengen, opdat het naar een beter leven verzuchte en ook alle middelen daartoe aanwende. Komt hierbij nog eene bijzondere en krachtdadige werking der genade, die ten tijde der geestelijke oefeningen wel nooit zal ontbreken, als men het zijne maar doet, dan is de zaak klaar.

§ 3-

De ziel zal vergiffenis der ongeregeldheden van den vo-rigen staat verkrijgen, den toekomstigen volmaakter inrichten en met de gelukkigste verandering uit hare eenzaamheid komen. Ga nu met allen ernst in uzelven, mijne ziel! houd niets voor u zeiven verborgen, onderzoek alles met zulk eene nauwkeurigheid, also! gij niet uzelven, maar uwen grootsten vijand moest oordeelen. Stel uhetschoone beeld uwer ziel zoo levendig voor oogen en beschouw het zoo lang, totdat u een heilige schrik bevangt en gij uzelven begint te verachten en op eene heilige wijze te haten.

Een oppervlakkig onderzoek brengt noch smart, noch beterschap; maar een gedurende verscheidene dagen voortgezet onderzoek der ziel en van den geheelen zondenlast, der onvolmaaktheden en kwade neigingen, kan zij minder uitwerken dan eene algeheele beterschap dos levens?

-ocr page 207-

-195

^ 4.

Wat ik over het nut van het onderzoek van zich zeiven gezegd heb, moet men ook verstaan van de oprechte belijdenis aan dengene, wien men zijne ziel ter leiding heeft toevertrouwd. ik ken nauwelijks een punt in geheel liet bestuur der zielen, dat meer tot den voortgang in de deugd bijdraagt dan dit. Ook de ervarenste zielbestuurder kan zich in hare leiding bedriegen, wanneer de ziel hom haren inwendigen toestand niet gelioei openbaart, wijl hem het middel ontbreekt, om haren waren toestand te kennen en dien wel te regelen, terwijl God hem tot straf dier ziel het noodige licht onttrekt: daarentegen, waar heilige eenvoud en oprechtheid is, zal liet den geestelijken vader nooit aan liet hemelsch licht ontbreken, niet wijl zij het verdient, maar wijl God de ootmoedigheid en oprechtheid dier zie] op die wijze pleegt te beloonen.

Waarronr mm zich hij dat nnderzop-h vwr.f imrhten.

Men moet zich echter naarstig in acht nemen voor eene meer dan gewone font. Er zijn zielen, die, wanneer zij hare inwendige gesteltenis wel is waar erkennen, zelfs hare zonden en onvolmaaktheden, liet misbruik der ge-

' O

naden en de kwade neigingen zich levendig voor oogen stellen, buitenmate bedroefd worden, in een mistrouwen op God vervallen en kleinmoedig en bevreesd worden.

Zij keeren dus datgene, wat haar een middel tot beterschap zou geweest zijn, tot haar eigen verderf.

Eene grondige en levendige kennis van zij n voormaligen staat is eene groote genade van God en het gescliikste middel , om tot verbetering zijn levens te geraken. En

-ocr page 208-

•190

ilerhulve moot zij wel is waar oeu hart,olijk berouw, een heiligen haat mot verachting van onszelvon in ons o[)-wekken, maar te gelijk ook een grooten moed en ijver medebrengen, om het werk met allen ernst te ondernemen en een even zoo groot vertrouwen op de goedheid en barmhartigheid Gods inboezemen. Waar een oprecht hart is, daar is het nooit te laat; en waar een ernstige wil is. daar is eene moeielijkheid nooit te groot.

Grod is almachtig, Hij kan mijne zwakheid versterken, hoe groot zij ook wezen moge. Grod is goed en ontzegt aan niemand de genade, die op Mem zijn vertrouwen stelt. God is barmhartig, en ziet niet meer op den voormaligen staat, als men dien maar ernstig wil verbeteren. Denk alzoo over God, mijne ziel! wacht u voor liet geringste mistrouwen op God; geloof zeker, dat gij daardoor een der grootste hinderpalen voor uwe verbetering hebt uit den weg geruimd.

§ 6.

Manier om het verlangen naar eene met zijnen staat overeenkomstige heiligheid op den weg der verlichting en vereeniging te onderzoeken. Nadat gij het onderzoek van het eerste gedeelte geëindigd, den staat uwer ziel erkend, over hetgeen God mishaagde berouw verwekt hebt, ga dan over tot het onderzoek van het tweede gedeelte. Daarin zult gij zien, hoe gij uw leven voor het vervolg moet inrichten, wanneer gij volmaakt wilt worden. De manier om dit onderzoek te doen, is de volgende:

1. Wanneer de tot de overweging bepaalde tijd daar is, stel u dan in Gods tegenwoordigheid, ofler Hem dooide volmaakste meening dit uw werk op, opdat gij de leer, die u wordt voorgehouden, moogt erkennen en werkelijk volbrengen.

-ocr page 209-

197

i. Ga daarna zitten, le^ het beeld van den Gekruiste voor u neêr, en lees het onderzoek van het eene punt tot aan liet andere.

3. Sta bij elk punt een weinig stil en onderzoek ernstig in Gods tegenwoordigheid, of gij de daarin vervatte leeringen kunt en wilt volbrengen.

i. Hebt gij alles doorloopen, werp u dan voor den Gekruiste op uwe knieën neer, offer Hem uwe gemaakte voornemens op en bid Hem door Zijn kostbaar bloed om genade eu bijstand.

§ 7.

Wat rnoet gij, na het onderzoek volbracht te hebben, doen, opdat gij het werk uwer heiliging zonder uitstel rnoogt beginnen en met ijver voortzetten? Dat zult gij op het einde van deze geestelijke oefeningen vinden.

Thans zeg ik u slechts drie woorden, mijne ziel! die gij nauwkeurig moet overdenken! God is oneindig goed, oneindig vrijgevig en oneindig barmhartig in Zijn wezen, maar niet in Zijne werkingen naar buiten; daarin houdt Hij eene zekere maat volgens de raadsbesluiten Zijner wijsheid en het welbehagen van Zijn allerheiligsten wil. Hij geeft dus aan de christene ziel de ter verkrijging dei-volmaaktheid noodzakelijke genaden, maar in eene zekere maat; Hij geeft haar de geschikste middelen, maar ineen zeker getal; Hij geeft haar de noodige dagen en uren, maar slechts voor een zekeren tijd. Laat men dit alles zonder vrucht voorbijgaan, dan verwijdert Hij zich en verlaat de ziel; wel niet zóó dat Hij haar voor eeuwig van Zijn aanschijn verstoot, maar zóó dat Hij haar als onwaardig beschouwt, om haar tot grooter heiligheid en vereeniging te brengen. Daarop volgt in het verstand voortdurende duisternis, gedurige dorheid in den wil, een

-ocr page 210-

198

leven zonder truost, een angstige dood en de pijnen des Vagevuurs in al hare hevigheid en rechtvaardigheid. Wat zou het echter wezen, als in uwe geestelijke oefeningen de maat der hemelsche en goddelijke genaden werd vervuld? Wat, indien deze de laatste middelen waren om uw voorgesteld doel te bereiken? Wat, indien dit uur het laatste van uw leven ware? Zeker, een reeds zoo langdurig misbruik maken der goddelijke genade kan u billijkerwijze doen vreezen. Ontwaak dan, gebruik dezen heiligen tijd met allen ernst; span al de krachten van uw hartin, sluit u aan God aan en volg getrouw de vermaning van den Apostel: Laat ons goed doen, terwijl wij nog tijd hebben.

Op den weg der zuivering.

Heilzaam onderzoek naar de vraag: Hoe staat het met mijne ziel?

Eerste Day.

Ueï KEUSTE ONnEUZOElv.

Hoe is het met do zuiverheid des harten gelegen ? De grooto geestelijke leermeester, de H. Francuscus van Sales, spreekt over deze zaak aldus: Ten eerste moet de ziel door geene zware en zelfs door geene dagelij ksche zonde bezwaard wezen. Deze is de eerste schrede van hem, die tot de zuiverheid des harten wenscht te geraken. Ten tweede moet er zelfs geene genegenheid tot de dagelijksche zonde in het hart overblijven. Deze leer, o mijn ziel! zullen wij nu overwegen, de verschillende trappen der zuiverheid des harten onderzoeken en zien, op welken gij u bevindt:

-ocr page 211-

199

§ 1-

Over don eersten en laag sten trap der zuiverheid des harten.

De eerste en laagste trap is hierin gelegen, dat men niet lichtvaardig zoodanige dagelijksche zonden bedrijft, die hetzij uit hare natuur, hetzij uit de gesteltenis des harten, zeker den weg tot doodzonden banen.

Zulk eene zonde is b. v. eene ongeregelde liefde onderhouden, ofschoon men weet, dat daaruit gevaarlijke bekoringen ontstaan. Zulk eene zonde is als liet ware spelen met onzuivere gedachten, traag en nalatig zijn in ze te verwerpen en ze niet dadelijk bij den eersten aanval onderdrukken. Zulk eene zonde is, zicli eene oude belee-diging levendig voorstellen, met verontwaardiging daarover nadenken, ofschoon men door ondervinding weet, dat men tot grooten wrok en haat aanleiding geeft. Zulk eene zonde is door nieuwsgierigheid der oogen of op welke wijze ook, wetens en willens tot zware bekoringen aanleiding-geven.

Ik noem dezen trap den laagsten, niet, wijl deze dagelijksche zonden uit allen de grootsten, maar de gevaarlijksten zijn. Op dezen trap blijft niemand lang staan; hij zal zich of moeite geven om deze zonden te vermijden en alzoo een hoogeren trap beklimmen; of hij zal dezen trap verlaten en in eene doodzonde vallen.

Den tweeden trap heeft hij nog niet beklommen, die zonder vrees dagelijksche zonden bedrijft, en ze ook verdedigt, ja zelfs, alsof het deugden waren, aanprijst.

Die trap is niet zoo zelden, als men zich zou verbeelden. Men vertelt en men zegt aan anderen, wat men van dezen en genen heeft gehoord; men zegt hun, dat zij zich voor dezen of genen moeten wachten; men hitst hen op om in deze of gene gelegenheid niet te zwijgen, maar ernstig

-ocr page 212-

200

te doen zien, dat men dit of dat niet zal dulden enz., en dat noemt men oprechte liefde. Men kan zich doen vreezen; men kan anderen met harde woorden hunne fouten voor oogen houden; men kan met een aanmatigend gezag an-deren doen zwijgen, en dit noemt men billijkheid en bescheidenheid. Men spreekt onbezorgd over de fouten van den evenmensch; men haalt vergetene en nieuwe gebreken van ben voor den dag; men zucht over de vrije en gemakkelijke levenswijze van dezen of genen enz., en dit noemt men geestelijke gesprekken. Men voelt zich zonder noodzakelijkheid bezwaard over het doen en laten der oversten, men keurt hunne verordeningen af; men mort over dit of dat; en dit noemt men ijver voot' regeltucht. Men aanhoort graag zulke lieden; men helpt hen in hunne bedilzucht; men toont hun medelijden en maakt zoo hun inwendig misnoegen nog grooter, en dit noemt men liefde. Zielen, die aan zulke zwakheden onderworpen zijn, ver-keeren öf in eene groote verblindheid, of in eene groote boosheid. Want of zij erkennen, dat zij zondigen, of zij erkennen het niet. Erkennen zij het niet, dan leven zij in eene groote verblindheid, en wel in eene zoo groote, dat zij zich voor geheel haar leven den toegang tot vereeni-ging met God sluiten. Erkennen zij het echter, en doen zij het dan toch, dan verkeeren zij in eene groote boosheid, omdat zij uitwendig als eene deugd verdedigen, hetgeen haar eigen geweten haar als eene ondeugd voorspiegelt.

Den derden trap heeft hij nog niet beklommen, die ongeregelde begeerten tot dagelijksche zonden in zijn hart voedt. Van deze zonden zijn er voornamelijk twee soorten. De eerste is: Wetens en willens eene ongeregelde neiging tot een persoon of eene andere ongeoorloofde zaak onderhouden, haar nooit oprecht in Gods oogen verfoeien, noch

-ocr page 213-

201

genoegzame naarstigheid gebruiken oin haar uit het hart te verbannen. De tweede is: Wetens en willens in zijn hart tegen iemand een misnoegen, gramschap, eene zondige atgekeerdheid onderhouden, dezelve in- en uitwendig bij elke gelegenheid laten blijken en geene ernstige moeite aanwenden om er zich van te ontdoen. Zoolang eene ziel aan eene zoodanige begeerte gehecht is, zoolang blijft zij onbekwaam, om ook sleclits eene middelmatige deugd te verkrijgen.

§ 2-

Over andere trappen der zuiverheid des liarien.

Den vierden trap hebben die zielen nog niet beklommen, welke wel is waar geene ongeregelde neiging tot eene ongeoorloofde zaak, maar toch zekere kwade gewoonten van dagelijks te zondigen, in het hart onderhouden. Zoodanige kwade gewoonten zijn:

1. Het doen en laten van anderen zonder gewichtige reden beoordeelen, het verkeerd uitleggen en bij zich zeiven afkeuren.

2 Steeds over tie fouten van anderen spreken, geheime gebreken bekend maken , daarover met verachting spreken.

3. Over alles klagen, morren en verdriet aan den dag leggen.

4 Oorblazen, rond vertellen, oneenigheid stichten.

5. Bij elke moeielijkheid dadelijk ongeduldig worden, bitse woorden gebruiken enz.

ü. In de geestelijke oefeningen lauw en traag zijn; verstrooide gedachten toelaten, zich vrijwillig daarin bezig houden.

7. Bij wederwaardigheden bovenmate bedroefd zijn, kleinmoedig en bevreesd worden, mistrouwen toelaten enz.

Om de waarheid te zeggen, zijn ook godvruchtige zielen

-ocr page 214-

202

aan eenigen dezer fouten onderhevig, en men zal er zeer weinigen vinden, die niet met de eene of andere dezer zwakheden behebt zijn. Zij beschuldigen zich daarvan wel honderdmaal in den biechtstoel, maar geschiedt het met vrucht'? met goed gevolg van beterschap? Zeg mij, mijne ziel! vanwaar komt die vermindering van het goddelijk licht ten tijde der meditatie? vanwaar die dorheid en ongevoeligheid in liet gebed? vanwaar die moeilijkheid inde oefeningen van Gods tegenwoordigheid? vanwaar dat gebrek aan de goddelijke genade, die anders zoo overvloedig in reine zielen neerstroomt?

Zoek niet lang naar de reden; eene enkele kwade gewoonte is genoeg, om al die strallen en verlatenheid over uw hart te doen neerkomen.

Den vijfden trap beklimmen wil zeggen: werkelijk in het hart en in Gods oogen zoo gesteld zijn, dat men elk oogenblik liever den wreedsten dood zou willen ondergaan, dan met vrijen wil God slechts met eene dagelijksche zonde te beleedigen; maar in dit voornemen niet blijven volharden. Er zijn wel is waar godvruchtige zielen, die dit dikwerf aan God belooven; dan, wijl die kwade neiging niet genoegzaam onderdrukt, noch de invloed der goddelijke genade zoo groot en standvastig is, als tot een zoo hoogen trap van volmaaktheid werd vereischt; daarom wijken zij nu nog dikwijls van haren weg af en gaat er nauwelijks eene week voorbij, waarin zij niet een of tweemaal tegen haar voornemen misdoen. Deze toestand is onvergelijkelijk beter dan de vorige; maar hij is nog geenszins voor de werkingen der zuivere liefde voldoende.

De zesde trap is: in waarheid voor God zoo gesteld zijn, dat men elk oogenblik bereid zou wezen, liever den wreedsten nood te ondergaan, dan God slechts met eene dagelij ksche zonde vrijwillig te beleedigen en in dit voornemen

-ocr page 215-

203

getrouw te blijven volharden. Zoo was die heilige en sera-lijnsclie Moeder Catharina van Genua gesteld, welke dikwerf deze verzuchting herhaalde: »0 mijn Heer en mijn God! liever wil ik mijn lichaam in duizend stukken ver-deelen. dan de minste zonde tegen Ü bedrijven.quot;

Er zijn teekenen, volgens welke men kan afmeten, of eene ziel zich in dien gelukkigen staat bevindt. Ten eerste: Wanneer zij geheele maanden, een geheel half jaar zoo doorbrengt, dat haar geweten haar geene opzettelijke dagelijksche zonde te verwijten heeft. Ten tweede: wanneer zij na langen tijd mocht vallen, daarover zulk een berouw gevoelt, alsof zij de grootste doodzonde bedreven luidde. Wie aldus gesteld is, heeft de vereischte voorbereiding tot vereeniging met God bereikt.

De laatste en hoogste trap is: niet alleen vrijwillig geene dagelijksche zonden bedrijven, maar ook zelden en in weinige dagelijksche zonden uit overhaasting of half opzettelijk vallen. Er zijn eenige zielen, die door gedurige versterving baars zeiven en uit bijzonderen bijstand dei-goddelijke genade tot eene wonderbare reinheid des harten komen. Zij wandelen den geheelen dag in de tegenwoordigheid Gods en daarom ontstaan in haar geene zondige gedachten. Zij zijn aan de ongeregelde begeerten gestorven en derhalve zijn zij in staat, de bewegingen bij de eerste opwelling te onderdrukken. Zij hebben eene algerneene en oprechte liefde, en daarom weten zij noch iets kwaads van haren evenmensch te denken, noch hem iets kwaads te doen. Zij zijn hare tong meester en derhalve komt uit haren mond geen woord, dat niet stichtend is. Zoo leven zij en bewaren haar hart in eene reinheid, die men meer hemelsch dan aardsch mag noemen.

Zulk eene ziel was de heilige man, P. Nicolaus Lanci-cius die in eene rekenschap van zijn geweten, welke hij

-ocr page 216-

204

aan zijnen overste schriftelijk uverliandigde, het volgende van zich zeiven bekent: Ten Iste dat gedurende vele jaren geen kwade argwaan, geene gedachte van gramschap, geene tijd verkwisten of andere zondige gedachte in zijn hart was ontstaan. Ten 2de dat hij gedurende veertig jaren den regel aangaande de stilzwijgendheid nooit had overtreden. Ten ode dat hij gedurende den-zelfden tijd nooit eene beweging van ongeregelde liefde of eene bekoring tegen de zuiverheid had gevoeld. Ten 4de dat hij gedurende veertig jaren nooit de begeerte naar ijdele eer en hoogachting had ontwaard. Ten 5de dat hij even zoo lang jegens alle menschen, die liij ontmoette, eene teedere en oprechte liefde had gevoeld. Ten 6de dat hij gedurende veertig jaren niet eene enkele beweging van gramschap tegen zijne vervolgers, maar eene oprechte liefde en een reikhalzend verlangen, om hun goed te doen had bespeurd. Ten 7de dat hij gedurende acht en veertig-jaren in de meditatie geene dorheid, maar eene vurige godsvrucht en warmte in zijn hart had ondervonden. In der daad eene zuiverheid, die men niet genoeg kan bewonderen. Blijf hier staan, mijne ziel! doorloop den eenen trap na den anderen, en onderzoek ernstig, op welken gij staat. Geloof zeker, dat dit het gewichtigste punt van het geestelijk leven is en dat alle geestelijke oefeningen, welke ook, niet toereikend zijn om u volmaakt tot God te brengen, totdat gij den laatsten trap dezer zuiverheid hebt beklommen.

-ocr page 217-

20;-)

Hoc is het niet de versterving der kwade neigingen gelegen i

Tirecda dag.

Het tweede onderzoek.

Even als het onmogelijk is tot de vereeniging met God te geraken, zonder dat men de volmaakte reinheid des harten bezit, zoo is het ook onmogelijk, dat men tot de reinheid des harten komt, zonder algeheele versterving der kwade begeerten. Wanneer er ook slechts eene enkele kwade neiging de ziel beheerscht, dan is die reeds voldoende, om de ziel met eene menigte dagelijksche zonden te besmeuren, en haar dus tot de liefde en gemeenschap Gods onbekwaam te maken. Derhalve geloof ik, dat het veel tot uwen voortgang zal bijdragen, wanneer ik n voor oogen stel, in welk een toestand, met betrekking tot dit punt, zich eene ziel bevindt. De geestelijke leeraars halen verschillende punten hierover aan; ik houd mij echter niet aan het getal, maar spreek slechts van die, welke de oorsprong van alle anderen zijn en de grootste verwoesting in de ziel te weeg brengen. Zend eene verzuchting ten hemel en begin dan!

§ 1-

Over de versterviny der onciereyeMe liefde.

Volgens de leer van den heiligen Franciscns is deze drievoudig, namelijk; de natuurlijke, de bovennatunrlijke en tie zondige liefde.

Do natuurlijke liefde is eene goede genegenheid en welwillendheid jegens een persoon, omdat hij met vele schoone

-ocr page 218-

Mi

deugden versierd is, die hem dierbaar eu aangenaam rnaken, b. v. wijl hij een goed eu oprecht gemoed heei't, goed doet enz. Deze iielde is noch goed, noch kwaad, noch eene deugd noch eene ondeugd; zij blijft onverschillig, als men ze niet door hoogere beweegredenen verheft en verdienstelijk maakt. De bovennatuurlijke liefde is: wanneer ik een persoon in en om God bemin en wel om twee beweegredenen, wijl God hem als Zijn kind bemint en wil, dat ook ik hem om Zijnentwil beminne. Deze liefde is heilig en eene groote deugd.

De ongeregelde of zondige liefde is: wanneer ik een mensch met eene onmatige vurigheid of met een kwaad doel en einde bemin; en deze liefde is kwaad en zonde.

Ons onderzoek handelt van deze laatste soort van liefde.

Kenteekenen en gevolgen der ongeregelde liefde.

liet eerste kenteeken der ongeregelde liefde en eerste gevolg is: zij trekt het hart van God af en hecht het aan een schepsel. Eene ziel die wetens en willens eene ongeregelde liefde onderhoudt, zal in korten tijd eene verschrikkelijke verwoesting in zich gewaarworden; zij zal eene hevige neiging ondervinden, die geheel haar hart aan de schepselen hecht, en eene even zoo groote ongevoeligheid , die haar van God aftrekt. Deze neiging is eene geweldige. Zij zal met vermaak aan zulk een mensch denken, met groot genoegen met hem omgaan, zich om zijne tegenwoordigheid buitenmate verheugen en zijne afwezigheid smartelijk gevoelen. Evenals echter de omgang met den beminden persoon vol vermaak is, zoo is in zijne gesteldheid liet verkeer met God vol verdriet. Men heeft groote moeite zich in Gods tegenwoordigheid te stellen en met Hem alleen om te gaan. Het gebed wordt door die gedachten onderbroken, de ingetogenheid van den geest wordt smakeloos en men bemerkt zonder moeite, dat God

-ocr page 219-

207

in een hart niet wil wonen, lt;lat aan een schepsel de voorkeur geel't.

Met tweede kenteeken der ongeregelde liefde en tweede gevolg is: zij bevlekt het hart en vervult het met eene menigte van dagelijksche zonden. Wie zich aan deze neiging overgeeft, opent te gelijkertijd de deur aan tallooze zonden. Moe vele zondige gedachten en vermaken, hoe vele ijdele woorden, hoe veel morren, oorblazerij, jalousie, afgunst, laster en verachting van den evenmenscli vindt men niet in een persoon, die eene ongeregelde liefde in het hart heeft en voedt? Hoe veel misnoegen, gramschap, klachten, praatzucht veroorzaakt zij niet in anderen?

Het derde kenteeken der ongeregelde liefde en derde gevolg is: zij vernietigt een groot gedeelte van de vruchten der H. Communie, flet geweten roept wel is waar luide genoeg, dat zijn omgang aan God mishaagt; edoch, wijl hij zijne gevangenschap bemint, zoo kan en wil hij zich niet vrij maken. Men verwekt wel een akte van berouw, maar zoo koud, dat men zelf bemerkt, dat liet niet voldoende is, om sterke banden te verbreken. Zoo nadert men tot de tafel des Heeren en olT'ert Hem een hart, dat Hem niets dan walging en afschuw veroorzaakt. Is het dus een wonder, dat God in zulke onreine vaten weinig genade stort?

flet vierde kenteeken der ongeregelde liefde en vierde gevolg is: zij stelt de ziel in het uiterste gevaar, van de goddelijke genade te verliezen. Eene ongeregelde liefde gedurende een geruimen tijd vrijwillig in het hart toelaten en niet in zware zonden vallen, is even zoo zeldzaam , als eene slang in den boezem dragen en niet gebeten worden. En wel om twee redenen: Ten eerste: wijl de ongeregelde liefde uit hare natuur zware bekoringen veroorzaakt; ten tweede: wijl zij hen van den goddelijken

-ocr page 220-

208

bijstand berooft, die hot gevaar beminnen, eu ondanks de inwendige inspraken er in blijven voortleven.

Versterving der ongeregelde liefde r.n hare trappen.

De eerste trap is: bet hart van alle ongeregelde liefde vrij en verwijderd honden. Een religieus moet jegens niemand eene verwijfde en zinnelijke liefde hebben, met niemand eene bijzondere vriendschap aangaan, zich met niemand in zijn hart bezig houden; hij moet een vrij en onafhankelijk hart hebben; hij moet zoo gesteld zijn, dat in het gebed niets verstrooit, dat niets zijne gedachten en zijn hart van God aftrekt.

De tweede trap is: jegens niemand eene andere liefde in zijn hart toelaten, dan eene bovennatuurlijke, die in God haren grondslag heelt. Deze trap is zeer verheven en vereischt eene grootc ingetogenheid des geestes. De oefening daarvan bestaat hierin: 1. Wanneer ik met een persoon , dien ik liefheb moet omgaan, en er intusschen eene teedere genegenheid tot hem in het hart ontstaat, moet ik die of in haar begin dadelijk onderdrukken, of ik moet haar zuiveren en de natuurlijke liefde in eene bovennatuurlijke veranderen, d. i. ik moet eene volmaakte liefde tot God en daarna eene liefde om God jegens dien persoon verwekken. 2. Gebruik dezelfde behoedzaamheid, wanneer gij in afwezigheid van dien persoon eene teedere genegenheid jegens hem gevoelt.

De derde trap is: de liefde jegens anderen zoo zuiveren en matigen, dat de liefde Gods daarover niet alleen den voorrang, maar ook eene volmaakte heerschappij behoude. Men kan beminnen en ook teeder beminnen; maar de liefde Gods moet altijd de overhand, steeds de volmaakte

-ocr page 221-

209

lieerscluippij over elke andere lielVIe liebljeu. Kn derluilve moet men twee dingen in acht nemen: I. Eer moet ik tegen die personen, welke ik bemin, vijandig of af-keerig worden, dan dat ik om hen te behagen eene enkele regel, een enkel voorschrift zon overtreden of eene enkele onvolmaaktheid zou bedrijven. 2. Ik moet waarlijk in de oogen Gods zoo gesteld zijn, dat ik bereid ben, aanstands elke gemeenschap voor geheel mijn leven af te breken, wanneer ik anders in welbehagen bij God ook maar iets zou achteruitgaan.

Zoo beminden do H. Augustinns en de H. Joanna Fran-cisca. Beiden weenden en weenden uit teederheid van lieldc; deze over den dood van haren geestelijken vader; gene over den dood zijner II. Moeder Monica. Het is echter zeker, dat noch Augustinus Monica, noch Joanna den II. !lt;ranciscus tot hot leven zoude opgewekt hebben, indien dit in hunne macht geweest ware, omdat zij zagen, dat hot aldus Gods IT. Wil was. Deze trap is noodzakelijk tot de vereeniging met God.

De vierde trap is: in den persoon, dien men bemint, niets zien en niets beminnen dan God. Deze trap is zeer verheven en tevens eene uitwerking der algeheele vereeniging met God. Eene ziel, die dezen trap bereikt heeft, bezit een groot hemelsch licht, waardoor zij in alle schepselen God ziet en God alleen bemint. Wanneer zij met iemand moet omgaan, die met verscheidene natuurlijke en bovennatuurlijke genaden is versierd, dan aanschouwt zij in hem God, hoe Hij in hem woont, hoe Hij door Zijne goedheid Zijne genaden in hem laat vloeien; zij keert dan geheel haar hart daarheen, acht, bemint en zegent en looft in hem niets dan God. Wanneer zij vnn iemand iets goeds ontvangt, dan ziet zij op God, hoe Hij aan hem die goede genegenheid en liefde in liet hart

14

-ocr page 222-

210

geeft en ziel) van de welwillendheid van dien niensch heeft bediend, om haar goed te doen, en die levendige verbeelding maakt, dat zij in dien mensch slechts God bemint, looft en zegent. Dan dit is eene zeldzame liefde, zegt de H. Franciscus van Sales, omdat wij de weldaden beschouwen, zonder op God te denken; of wanneer wij ook op Hem denken, wij ons toch terstond aan den goeden vriend herinneren en zoo doende dien als het ware met Hem verruilen? Derhalve zeg ik, dat de bovennatuurlijke liefde tot den naaste in hare algeheele volmaaktheid en reinheid in zeer weinige zielen gevonden wordt; wijl er namelijk zeer weinigen zijn, die alleen God in den naaste en den naaste in niets anders dan in God beminnen.

Over de versterving der ongeregelde begeerte naar hoogachting, eer en aanzien.

Derde day.

Het derde onderzoek.

Nu vallen wij eenen vijand aan, mijne ziel! die bijna allen overwonnen en over wien nauwelijks iemand gezegevierd heeft. Zeker zijn er zeer weinigen, die genoegzamen moed hebben, om hem slechts te bestrijden Men laat hem de heerschappij over het hart en is tevreden, als hij het maar vreedzaam bezit. Hem verjagen en in zijne plaats de ootmoedigheid op den troon plaatsen, is een ondernemen, waaraan zich alleen grootmoedige zielen wagen. Deze neiging is al te diep in het hart verborgen en de eer is een zeer verleidend lokaas; men kan deze zonder eene groote overwinning niet verachten en gene zonder eene groote gevoeligheid niet uitrukken. Hij die geen moed genoeg heeft, om zich zeiven geweld aan te doen, zal den strijd te vergeefs ondernemen. Hoe hebt gij tot dusverre

-ocr page 223-

211

met dezen gewichtigen vijand gestreden? Heeft hij u, of liebt gij hem overwonnen? Eene gewichtige vraag!

§ l-

Kenteekenen en kwade (jevoljen dezer begeerte naar eer.

fTet eerste kenteeken en liet eerste gevolg is: Groote achting voor zich zeiven en weinig achting voor anderen hebben. Dit is de eigenlijke en wezenlijke uitwerking van deze ongelukkige neiging. Is oen mensch met deze passie behebt, dan meent hij, dat zijne talenten, zijne zedigheid, zijne manier van handelen, zijne deugd, zijn doen en laten zoodanig zijn, dat men er billijker wijze niets van kan afkeuren; hij gelooft, dat elkeen reden heeft om hem to achten, dat hij tot alles bekwaam en men bijna verplicht is, hem de gewichtigste zaken toe te vertrouwen. In zijnen evenmensch ziet hij geen talent, geene zedigheid, niets dat lofwaardig is, alles schijnt hem nietig en gering. In alles vindt hij iets af te keuren en er komt hem niemand onder de oogen, aan wien hij niet iets heeft te misprijzen. Wie aldus gesteld is, loopt over van hoogmoed en is een gruwel voor God.

Het tweede kenteeken der begeerte naar eer en hare gevolgen zijn: de achting en eer bovenmate beminnen on zoeken.

Deze uitwerking is een noodzakelijk gevolg van de eerste; want te veel achting voor zich zeiven in zijn hart hebben, wil zeggen, slechts begeeren, dat anderen dezelfde verheven gevoelens van ons hebben, als wij ze van ons zeiven hebben. De zonden, welke hieruit voortspruiten, zijn ontelbaar; men heeft eene onmatige begeerte naar lol, en al het vermaak van zulk een menscli bestaat daarin, dat hij dien lof ontvangt; men verlangt boven anderen

-ocr page 224-

212

gesteld te worden; gebeurt dit niet, dan is men bovenmate bedroefd; men verheugt zich als anderen worden berispt en vernederd, men is bedroefd, wanneer zij worden geprezen en verheven, men laat veel goed achter en doet veel kwaad, opdat men den menschen niet rnishage. Ik spreek hier niet van afgunst en jaloesie, misnoegen, ongehoorzaamheid en andere zonden, die daaruit voortkomen.

Het derde kenteeken der begeerte naar eer en hare gevolgen zijn: de vernederingen vreezen, vluchten en met tegenzin verdragen. Er is geene verootmoediging zoo gering . die eene eerzuchtige ziel niet onrustig maakt. Eene gehoorzaamheid, die haar te nietig schijnt, eene vermaning, eene berisping over haar gedrag, baardoen en laten; eene kleine verachting; een argwaan, die men tegen baai-opneemt ; een verachtelijk woord; eene tegenspraak; een zuur gezicht; een weigerend antwoord; eene door haar gepleegde onhandigheid, waarom men haar uitlacht; dit alles is genoeg, om haar te verontrusten en te bedroeven; en juist dit is een onfeilbaar teeken van den kwaden hartstocht. Luister, hoe de H. Franciscus van Sales hierover spreekt. Degenen, zegt hij, die zich over zulke kwade tongen beklagen, moeten wel zeer teergevoelig zijn; want wat kunnen die anders uitbraken, dan kwade gesprekken, welke bij het kleinste tochtje verdwijnen. Het mishaagt mij zeer, wanneer ik eenigen hoor zeggen, dat zij door een smadelijk woord zich beleedigd gevoelden, terwijl er toch een groot verschil bestaat tusschen het brommen en het steken eener bij. Wij moeten wel eene al te teergevoelige huid en al te teedere ooren hebben, als wij het brommen eener mug niet kunnen verdragen.

liet vierde kenteeken der begeerte naar eer en haar gevolgen zijn: over do verachtingen en beleedigingen al

-ocr page 225-

213

te zeer bedroefd zijn. Er zijn voorvallen, die der natuur tnoeielijiv en lastig zijn; zooals valsche achterdocht, valsche beschuldiging, eerrooverij, openlijke vernedering, beleedi-gingen en verachtingen. Als men zich bij zulke voorvallen al te zeer bedroeft en er klachten uit het hart opstijgen, dan is zulks een duidelijk teeken, dat de natuur nog niet genoegzaam verstorven is, dat de begeerte naar eer nog zeer diep in het hart zetelt. Hoe grooter nu de droefheid is, hoe meer onrust en verwarring zij in het hart verwekt; hoe langer zij duurt, des te dieper wortelen heeft zij in het hart geschoten.

§ 2.

Over da versterving dezer ongeregelde begeerten en hare trappen.

De eerste trap is: zich zeiven verachten en alle eer, allen lof, alle hoogachting en liefde der menschen verachten; zich in waarheid alle eer in de oogen Gods onwaardig houden. Eene ootmoedige ziel moet onfeilbaar gelooven, dat alles, wat zij ook goeds aan zich heeft, een louter werk van Gods barmhartigheid is, en dus niet haar, maai* Gode alle lof toekomt. Zij moet zeker gelooven, dat zij uit zich zeiven niets heeft dan het louter niet en de zonde en haar dus niets dan verachting toekomt. De ootmoedigheid, zegt de H. Franciscus van Sales, maakt, dat evenais een arme bedelaar zich als den verachtste en geringste der menschen aanziet, ook een oprecht ootmoedige gelooft, dat er niets boozer is dan hij, dat hij een enkel niet is.

De tweede trap is: allen lof en alle hoogachting der menschen verachten, baten en zoo veel mogelijk vluchten. Men moet nimmer den lof der menschen zoeken, en wanneer hij ons zonder ons toedoen wordt gegeven,

-ocr page 226-

214

inwendig een wezenlijken afschuw daarvan verwekken. Men moet nimmer iets doen of laten, om den evenmensch tc behagen. Men moet steeds de laagste plaats kiezen en zich verheugen als anderen boven ons gesteld worden. Men moet trachten verborgen te blijven en de goede werken voor de oogen der menschen verbergen. Wanneer Gods genade, aldus spreekt de II. Franciscus van Sales van zich zeiven, mij had in staat gesteld om eenige werken der gerechtigheid te oefenen of mij als werktuig om iets goeds te doen, had gebruikt, dan zou ik wenschen, dat tot op den dag van het laatste oordeel, wanneer alle geheimen des harten zullen geopenbaard worden, van deze mijne goede werken niemand iets wist, dan God alleen; dat daarentegen alle menschen mijne ongerechtigheden kenden. De derde trap is: valschen argwaan en valsche oordeelen, beschuldigingen, laster, beleedigingen en verachtingen zonder onrust verdragen. Wie de ootmoedigheid bemint, wordt niet ontsteld door beleedigingen; hij meent, dat hem recht wedervaart en hij verdraagt het met kalmte en gelatenheid. De H. Franciscus van Sales leert hierover het volgende: Wie is er, die niet misdoet en dus ook strafwaardig is'? Volgt nu de straf, denk dan, dat ook gij God hebt beleedigd, en het hoogst billijk is, dat een schepsel als werktuig Zijner rechtvaardigheid u kastijde. Deze drie trappen zijn noodzakelijk voor de vereeniging met God,

De vierde trap is: de beleedigingen en verachtingen met blijdschap aannemen en verdragen. O hoe aangenaam, zegt de H. Franciscns van Sales, zouden ons de aangedane beleedigingen zijn, als wij eene oprechte zorg voor onze zaligheid hadden! Hoe gewenscht zouden ons dei-gelijke gelegenheden voorkomen, omdat zij ons de middelen aan de hand geven, ons voortdurend in die drie Gode zoo behaaglijke werken te oefenen!

-ocr page 227-

215

Hoe is het met de versterving der orerige kwade neigingen gelegen?

Vierde dag.

Het vierde onderzoek.

Behalve de ongeregelde liefde en de begeerte naar eer zijn er nog twee andere kwade neigingen, die menigeen zeer veel te doen geven, en het geheele gebouw der vüI-rnaaktheid omver werpen, wanneer zij niet geheel en al uitgeroeid worden, namelijk: de lauwheid en droefheid. In der daad, twee neigingen die, hoe onschuldiger zij ons schijnen, ons des te meer schade veroorzaken, omdat zij zoo klein en gering geacht worden. Wees aandachtig, mijne ziel! en zie, hoe het met u omtrent deze neigingen gelegen is.

§ 'J-

KenteeJcenen en kwade gevolgen der lauwheid in het werk der volmaaktheid.

De lauwheid is in haar wezen eene zekere loomheid, verdriet en neerslachtigheid van het gemoed, die maakt, dat men de tot de volmaaktheid noodige oefeningen of achterlaat of nalatig verricht. Uit deze kwade neiging ontstaan groote en vele kwade gevolgen. Het grootste is, dat zulk eene ziel allen lust en alle vreugde voor geestelijke zaken verliest, de heiligste voornemens en de heiligheid als eene al te moeielijke zaak aanziet, aan het verkrijgen derzelver twijfelt en bij gevolg hare dagen in voortdurende lauwheid doorbrengt.

Het eerste kenteeken der lauwheid en haar eei'ste gevolg-is: in de geestelijke oefeningen verdriet en geen lust hebben. Wat in het lichaam eene ziekte is, is in de ziel de lauwheid. Een zieke mensch is onbekwaam tot den

-ocr page 228-

216

arbeid, bij onderneemt den arbeid met groote moeite, dien iiij nit gebrek aan krachten niet kan voortzetten. Hij verlangt naar gedaan werk, opdat hij kunne rusten. Zoo gaat het ook eene lauwe ziel; de uren des gebecis houdt zij als zoo vele martelingen; zij begeeft zich met verdriet aan het gebed, dat zij met dorheid des harten en verstrooidheid des gemoeds, niet met ijver kan voortzetten en verlangt zeer naar het einde; de meditatiën worden door al de vreemde gedachten vruchteloos; het onderzoek des gewetens geschiedt oppervlakkig, de biecht zonder berouw, de Communie met even zoo weinig gevoel van godsvrucht, als of men niet het lichaam van Jezus Christus, maar een gewoon stuk brood ontving.

Het tweede kenteeken der lauwheid en haar tweede gevolg is: de geestelijke oefeningen wel is waar verrichten, maar zonder vrucht en voordeel. Men gaat te biechten, en als dit ook honderd maal gedaan is, dan kan men nog idet zeggen, dat men eene enkele dagelijksche zonde heeft uitgeroeid. Men gaat tot de H. Communie, en als dit ook honderdmaal geschied is, dan kan men toch niet zeggen, dat men eene enkele kwade neiging ten eenenmale heeft overwonnen. Men houdt de meditatie, en als dit ook honderdmaal geschied is, dan ziet men, dat men nog even zoo ongeduldig, eigenzinnig, uitgestort, en bitter jegens den naaste, even zoo eigenzinnig en ongehoorzaam jegens de oversten, even zoo uitgestort en onverstorven in zijne tong en even zoo gevoelig bij een enkel woord is, als men te voren was. Wat is daarvan de oorzaak? Alleen de lauwheid. Het rijk Gods, zegt Christus, lijdt geweld; slechts zij, die geweld gebruiken nemen het in; maar niet de tragen, de lauwen. Het derde kenteeken der lauwheid en haar derde gevolg is; altijd nieuwe voornemens maken en geen enkel geheel ten uitvoer brengen Dit is eene

-ocr page 229-

217

lout', iliü bijna algemeen en de meeste zielen een beletsel voor de volmaaktheid is. Heden legt men zich op de ootmoedigheid toe; na twee maanden verlaat men die oefening weer, zoodat men later weer even zoo verwaand is, even zoo weinig eene versmading met gelatenheid en vreugde des harten kan verdragen als te voren. Van de ootmoedigheid gaat men over tot de zachtmoedigheid. Twee maanden later wordt ook dit smakeloos, ofschoon men zelfs bemerkt, dat men van den naaste niet de minste beleediging met een opgeruimd gelaat en zonder onstelte-nis des harten kan verduren. Met langdurig geweld, dat men, om eene kwade neiging te onderdrukken en eene tegenovergestelde deugd in de plaats te stellen, moet gebruiken. valt aan de traagheid en lauwheid al te hard. En daarom gebeurt het, dat men altijd de oude voornemens laat varen en nieuwe maakt. De vrucht dier ongestadigheid is, dat men na twintig en dertig jaren even zoo weinig deugd bezit, als men in liet begin had.

liet vierde kenteeken der traagheid en lauwheid en haar vierde gevolg is: een verstrooid werkeloos leven leiden.

Zielen, die zich dooi- deze schandelijke neiging laten be-heerschen, hebben bijna niets geestelijks in zich Zij leven zonder ingetogen]leid des geestes en buiten Gods tegenwoordigheid, vestigen hare gedachten op onderscheidene voorwerpen te gelijk, haten het stilzwijgen, praten waar zij kunnen, zijn buitengewoon uitgestort van harte, vergeten bij dit alles het inwendige olquot; zijn in al hare bezigheden zoo nalatig, dat men haar niets gewichtigs kan toevertrouwen; zij zijn haastig en driftig om den evenmensch te kastijden en te berispen. De M. Franciscus van Assisie noemde zoodanige geestelijke broeders muggen of vliegen, wijl zij niets anders in de kloosters doen, dan anderen verdriet veroorzaken en lastig vallen.

-ocr page 230-

218

'N 'gt;

Versterving dezer ongeregelde neiging en hare trappen.

De eerste trap is: de geestelijke oefeningen beminnen en ze met groeten ijver en standvastigheid verrichten. Wat het water voor den visch is, dat is het gebed voor een religieus. Gene kan niet zonder water, noch deze zonder gebed leven. Dit is zijn voornaamste bezigheid, waarop hij zich met alle krachten moet toeleggen, Iemand, die inderdaad religieus is, zal zich nooit zonder voorbereiding tot het gebed begeven, nimmer eene vrijwillige nalatigheid daarin gedoogen, nimmer de geestelijke oefeningen eene minuut verkorten. Hij zal geen verschil tusschen duisternis eu verlichting, tusschen vertroosting en mis-troosting, tusschen godsvrucht en dorheid maken. In alle tijden en omstandigheden zal zijn ijver dezelfde zijn. Be-wonderingswaardig is hetgeen de jaarboeken van het Gezelschap van Jezus aangaande den eerbiedwaardigen Pater Caferus vermelden. De booze geest gaf zich op alle bedenkelijke wijze moeite om dien jongen geestelijke in zijne meditatie te storen. Hij nam de gedaante van ecu vergiftigde slang aan, kwam op zijn lichaam aan, kroop langs zijn borst op en neer, enz. Maar alles was te vergeefs; hij bracht niet eens zooveel te weeg, dat Caferus de meditatie ook slechts voor een oogenblik onderbrak of de handen bewoog om het helsche serpent van zijn lichaam te verwijderen.

De tweede trap is: de geestelijke oefeningen niet alleen met ijver en godsvrucht, maar ook met vrucht verrichten. Wie ernstig naar God verlangt, zoekt in het gebed noch bijzondere verlichtingen, noch vertroostingen, maaralleen de verbetering der zeden en den voortgang in de deugd. Zijn doel is, om van elke geestelijke oefening een zekere

-ocr page 231-

219

geestelijke vrucht te plukken. Wanneer hij mediteert, dan maakt hij een zeker voornemen om deze of gene deugd gedurende den dag te oefenen en dat voornemen houdt hij ook. Als hij te biechten gaat, maakt hij zijn voornemen aangaande zekere dagelijksche zonden, om die geheel en al uit te roeien; als hij communiceert, heeft hij hetzelfde voornemen. Niets geschiedt bij hem oppervlakkig; alles doelt op de dagelijksche overwinning der kwade neigingen en den zekeren voortgang in de deugd; en dit wil zeggen, practisclj en met voordeel godvruchtig zijn.

De derde trap is: bij de gemaakte voornemens standvastig volharden, totdat men de deugd, welke men zoekt, heeft bereikt. Waar een ernstige wil is. moet ook de standvastigheid zijn. Bv. wat moet men doen, als men zich op de ootmoedigheid wil toeleggen ?

Men moet de beweeggronden, waarop de ootmoedigheid gevestigd is, steeds overdenken; men moet de begeerte naar eer en den afschrik van verachting in alle omstandigheden, met allen ernst onderdrukken. Men moet de inwendige oefeningen of akten, welke zijn voorgeschreven, met allen ijver verrichten, en volgens deze moet men de intwendigen voortdurend regelen Men moet alle selegen-heden van verootmoediging als bijzondere goddelijke genaden aanzien en er gebruik van maken, en wel zóó lang, totdat men alle verachtingen, zoo niet met vreugde, dan toch met gelatenheid leert verdragen. Een duidelijk voorbeeld is de H. .Franciscus van Sales, die allengs tot zulk eene liefde en zachtmoedigheid is gekomen, dat zich elk een daarover verwonderde. Hij verkreeg ze echter niet, dan door eene twintigjarige overwinning zijner natuurlijke driftige oploopendheid.

De vierde trap is; een inwendig ingetogen en bovennatuurlijk leven leiden Eene waarlijk ijverige ziel is noch

-ocr page 232-

'220

inwendig, noch uitwendig werkeloos. Zij verricht alle werken met eene waarlijk goede meening voor God en oliert ze aan Hem op tot Zijn welbehagen. Zij ziet in alle wederwaardigheden beschikkingen Gods en onderwerpt zich edelmoedig; zij keert alle gedachten op God en houdt zich in eene voortdurende ingetogenheid des geestes.

De droefgeestigheid.

De liefde Gods en tie droefgeestigheid kunnen niet samengaan. Waar oprechte liefde jegens God is, daar is geene droefgeestigheid, daar is rust, vrede en vreugde des II. Geestes in de harten. Waar echter droefgeestigheid is, daar is onrust en ontevredenheid, en niets dan acli! en wee! Hoe zouden dan twee zoo tegenstrijdige zaken zich in één hart kunnen bevinden? De droefgeestigheid moet wijken, ot de liefde kan niet tot hare volmaaktheid komen. Zeker als men de levens der Heiligen leest, zal men vinden, dat zij de droefgeestigheid als eene gezworene vijandin der liefde vluchten, maar dé opgeruimdheid des harten trachteden zij steeds te bewaren. Zie dus, mijne ziel! wat het geweten u zegt, hoezeer het u aan die II. opgeruimdheid ontbreekt.

§ 1.

Konteekenen en kwade ge volg en der droefyeestiyheid.

liet eerste kenteeken der droefgeestigheid en eerste gevolg is: zij ontneemt het hart elk genoegen en brengt het in duizend verwarringen Men moet in der daad medelijden hebben met lieden, die aan zwartgalligheid onderworpen zijn.

Eensklaps, zonder dat men de oorzaak of de wijze kent, wordt in het hoofd alles duister; het geheugen wordt van eene menigte droefgeestige gedachten vervuld, het hart

-ocr page 233-

221

wordt ter neer gedrukt, do gehoele mensch wordt neerslachtig, totdat de tranen hom over do wangen loopen. Zoo-danigen willen naar geen raad luisteren; zij verbeelden zich, dat geen mensch hun ware vriend is, dat niemand het oprecht met hen meent. Geeft men hun den raad, die gedachten als ijdele begoochelingen en bedrog van zich te verwijderen, dan worden zij knorrig, verwarren zich nog meer en beminnen den oorsprong van hun ongeluk. Het tweede kenteeken der droefgeestigheid en tweede gevolg is: zij berooft de ziel van alle godsvrucht en genieenschap met God. Een gedrukt gemoed is niet geschikt, om in vriendschap met God te verkeeren. De gedachte, welke het hoofd verwarren, trekken het steeds van God af; en de bitterheid, welke het hart ter neer drukt, maakt het der ziel al te lastig, om zicli tot God te verheffen. Ik spreek hier uit ondervinding. Het derde kenteeken dei-droefgeestigheid en derde gevolg is: zij brengt de ziel tot klagen, morren en tot vele andere niet passende zaken. Droefgeestige menschen zijn aan vele zwakheden onderworpen; zij zijn buiten mate wantrouwig en vol van verbeelding; wanneer slechts twee personen in stilte met elkander spreken, dan meenen zij reeds, dat over hen gesproken wordt. Zij zijn buitengewoon gevoelig en zeer opvliegend: een onvriendelijk woord of gezicht is genoog-om hun zoo ver te brengen, dat zij eene geheele week lang de lip laten hangen, pruilen en geen woord spreken. Zij zijn zeer lusteloos, klagen, morren en knorren over alles; en door zulk eene levenswijze maken zij het zich zeiven en anderen lastig.

Het vierde kenteeken der droefgeestigheid en vierde gevolg is: zij stort de ziel in eene jammerlijke kleinmoedigheid en zelfs in een mistrouwen op God. Dit is ten laatste de onzalige vrucht der droefgeestigheid, dat na

-ocr page 234-

222

den inensch van allen aardschen troost en vreugde beroofd te hebben, zij hem ook nog de goddelijke vertroostingen ontneemt. Zij ontneemt hem het vertrouwen op God, waarop alleen hij in zijne wederwaardigheden kan steunen. De heilige Francisca Romana viel eens in eene zware droefgeestigheid. waarin zij langen tijd bleef voortleven. Toen verscheen haar de heilige Onuphrius en sprak aldus tot haar: heg die droefgeestigheid af, mijne dochter; want eene ziel, die droefgeestig is, is niet geschikt tot het geestelijk leven. Wanneer gij niet naar mijne woorden luistert, zult gij allengs allen ijver en godsvrucht verliezen, vervolgens in kleinmoedigheid en eindelijk in wanhoop vallen.

§ 2.

Versterving dezer onyerefjelde neiyiny en hare trappen.

De eerste trap is: een altijd gewillig en bereid hart hebben, alle in- en uitwendige wederwaardigheden van de hand Gods aannemen en uit liefde tot Hem verdragen. Al onze droefgeestigheden komen daarvan, dat men geene ware onverschilligheid bezit. Waren wij bereid, om onzen wil in alles te verzaken en den goddelijken wil in alles te volbrengen, dan zou eene wederwaardigheid ons nooit of nimmer eene groote droefheid veroorzaken. De grondslag, waarop de inwendige rust steunt, is de onverschilligheid omtrent alles, wat God ons belieft over te zenden. Hiertoe zijn echter twee dingen noodig: Ten eerste onfeilbaar gelooven, dat alle wederwaardigheden van God komen; dat Hij ze ons uit zuivere liefde tot ons groot voordeel overzendt; en dat Hij ons in dezelven nooit zal verlaten, als wij ons aan zijnen allerheiligsten wil ootmoedig onderwerpen. Ten tweede: zich geheel aan God overgeven, met volmaakte onverschilligheid en bereid vaardigheid alles aannemen, wat

-ocr page 235-

228

Uij tea aanzien van ons lichaam en onze ziel belieft te beschikken. Wij moeten met den 11. Franciscus van Sales zeggen: God weet alles beter te bepalen en te bescbikken, dan ik mij kan verbeelden. Laten wij Hem volgens Zijn goeddunken handelen en beschikken. O God! I'w heilige wil geschiede en niet de mijne! Ilemelsche Vader! wat 1' behaagt, behaagt ook mij. Uwe wet en Uw allerheiligste Wil zij steeds in het midden van mijn hart geprent. Gezondheid, ziekte, eer en verachting, leven en dood hebt Gij in Uwe macht; geef mij Uwe krachtige genade,opdat ik onverschillig in alles zij.

De tweede trap is: ten tijde der wederwaardigheden, hetzij in- of uitwendige, de droefgeestigheid ernstig onderdrukken. Als men van eene zware droefgeestigheid wordt overvallen, zijn geeue middelen geschikter om ons van dien lastigen gast te ontdoen, dan deze twee. Het eerste: Men moet alle gedachten, die het hart verontrusten, met geweld van zich verwijderen en vastelijk gelooven, dat de zaak aan onze verbeelding veel grooter toeschijnt, dan zij werkelijk is. liet tweede: Men moet het gemoed met geweld aan God vasthechten. Zijn allerheiligsten wil aanbidden, Zijn verordeningen loven en zegenen, zicii aan Hem van harte onderwerpen, een ernstig voornemen maken. de wederwaardigheden en zwaarmoedigheid uit liefde tot God te verdragen en in deze oefeningen zoo lang blijven volharden, tot dat het gemoed weer opgeruimd wordt en de vorige rust kan genieten.

De derde trap is : alle wederwaardigheden met inwendige rust en tevredenheid verdragen. Een waarlijk geduldige ziel laat zich nooit zoo door eene wederwaardigheid beheersten, dat zij daarom hare inwendige tevredenheid verliest, ot buiten staat gesteld wordt om vrij en ongehinderd met God te handelen; zij laat zich nooit zoo ge-

-ocr page 236-

'224

makkelijlv verrassen, dat zij in klachten zun uitljreken. Zij gevoelt wel is waar het krnis, maar zij weet evenwel hare inwendige rust te bewaren, en geeft zich volmaakt aan den goddelijken Wil over; uitwendig laat zij echter een heiligen vrede uitschijnen. Luister, hoeveel de 11. Franciscus van Sales van klagen houdt.

Eens klaagde bij hem een geestelijke over eene hem aangedane beleediging. Het antwoord des heiligen was: Ik heb geene olie om op uwe wond te gieten, wier ontsteking ik misschien zou verergeren, als ik daarmede medelijdend wilde omgaan: derhalve kan ik niet anders doen, dan de wonde met azijn wasschen en met zout uitwrijven. Gij zegt op het einde uwer klacht, dat er eene welgeoefende en wondervolle deugd noodig zou zijn, om zulke aanvallen zonder eene klacht te verdragen. Zeker moet uw geduld niet al te groot zijn, daar gij deze beleediging te diep in uw hart laat doordringen. De geestelijke sprak hierop:

Mijn God! ik heb deze klacht slechts in de ooren en in den schoot van mijnen Bisschop, van mijnen Vader gelegd; want waarheen zou een zoon gaan, en tot wien zijne toevlucht nemen, als liij bedroefd is, dan tot zijnen beminden Vader? O mijn Zoon, o mijn kind, antwoordde de Heilige, hoe lang zult gij nog uwe kinderachtigheid liefhebben'? Moet dan een zielzorger van zoo vele geestelijke kinderen, en die door God tot vader in zijne kerk is aangesteld, zich als een kind gedragen? Js het wel deftig te denken en te stamelen als een zuigeling, ja meer dan een kind? Wilt gij dat ik u, in plaats van eene krachtige spijze, die voor volwassenen geschikt is, met melk voede, en even als eene voedster u gelijk een kind over het gebrande vingertje blaze ? Hebt ge niet zulke harde tanden om liet harde brood der droefheid te breken en te malen ?

-ocr page 237-

Tut liicTtuu spreekt de U. Franeiscus van Sales. Daaruit kan men lielit opmaken, hoe hij over deze klachten oordeelde en welk een geduld hij vorderde. Zooveel zeg ik u, mijne ziel! dat deze derde trap ter vereeniging met God noodzakelijk is.

De vierde trap is: allo wederwaardigheden met vreugde verdragen. Deze trap is buitengewoon verheven en wordt slechts in ootmoedigheid, langdurige overwinning van zich zeiven, gedurige oefening van geduld, en dooi' den hij zonderen bijstand der goddelijke genade beklommen.

Hoe is het met de twee andere neigingen gelegen l

Vijfde day.

flF.T VIJFDE ONDERZOEK.

Er zijn nog twee kwade neigingen te weton: do gramschap on de ongeregelde ijver. Men kan hot niet genoeg mot woorden verklaren. hoe schadelijk deze twee neigingen zijn. Want wijl zij met de liefde des naasten strijden, do volmaaktheid echter alleen inde liefde Gods en des naasten gelegen is, zoo volgt daaruit, dat deze twee neigingen, wanneer zij niet ernstig worden bestreden, ons tot aan den dood verhinderen, om de volmaaktheid te verkrijgen. Zie dus, mijne ziel! wat gij doet en denk er.over na.

Over de versterving der gramschap.

Wie eene vurige en opvliegende natuur heeft, bezit een geweldigen vijand in zijn hart. Wanneer men niet onophoudelijk op zijne hoede is, in voorkomende gelegenheden liet opbruisende vuur der gramschap niet met geweld tracht te bedaren, dan zal men van de tirannie der gramschap nooit of nimmer bevrijd worden. Doch het is niet onmogelijk, dezen vijand te overwinnen en hem alle kracht te ontnemen. Er zijn vele Heiligen geweest,

-ocr page 238-

'22(»

die deze neiging dooi' aanhoudenden strijd zoo zeer beteugeld en getemd hebben, dat men hen voor menschen hield, die van een bedaarde en ongevoelige, maar van geen vurige en opvliegende geaardheid waren.

Hunne voetstappen moeten wij drukken, willen wij tot de volmaaktheid geraken. Vooreerst zullen wij echter gaan zien, welke macht de gramschap over onze harten heeft.

§ '1-

Kenteekenen en gevolg en der yramschap.

Het eerste kenteeken der gramschap en eerste gevolg is: lichtvaardig en om de minste reden in misnoegen, gramschap en ongeduld opvliegen. Er zijn menschen, die veel van een knütdoosje hebben; al is het vuurvonkje nog zoo klein, als het in het doosje valt, ontvlamt het kruit en vliegt met een harden slag in de lucht. Zoo zijn ook diegenen, welke aan deze kwade neiging onderhevig zijn. Een enkel bijtend woord, dat misschien zonder voorbedachtzaamheid ontvalt, een enkel schertsend woord, dat zonder het minste inzicht om iemand te beleedigen, wordt gesproken, is genoeg om hen in vuur en vlam te zetten. Een enkel weigerend antwoord, eene tegenspraak is voldoende om geheel het hart in gramschap te ontsteken. Zij zijn vol van verdriet en gramschap en weten dikwijls niet waarom.

Het tweede kenteeken der gramschap en tweede gevolg is: uit gramschap en misnoegen in ongeduldige woorden, in morren en smaadredenen uitbreken. Dit is de gewoonte van toornige en wraakzuchtige harten.

Wordt hun de minste beleediging aangedaan, dan vallen zij den persoon, die hun dezelve heeft aangedaan, lievig aan, en braken al hunnen gal tegen hem uit. Hiermede zijn zij nog niet tevreden, maar zij vallen ook anderen

-ocr page 239-

227

lastig met morren en klagen. Zij meenen en maken zich wijs, dat de beleedigiug Imn het hart zou versmachten, indien zij ze stilzwijgend verdroegen.

Het derde kenteeken der gramschap en derde gevolg-is: in de opgevatte gramschap langen tijd blijven voortleven. Groot is het verschil tusschen een hoop stoppelen of stroo en een eiken stam. Steekt men het eerste aan, dan verkrijgt men een groot, hoog opflikkerend vuur, maar het gaat spoedig uit; steekt men echter den laatste aan, dan maakt hij wel is waar geen groot vuur, maar verspreidt een groote warmte en duurt langen tijd. Eenige zielen vliegen spoedig in gramschap op, maken een groot geweld, maar in een uur is alles weer voorbij; de helee-diger en de beleedigde zijn weer vrienden. Maar anderen hebben een stil vuur, dat langen tijd flikkert en brandt; broeien daarbij eene menigte van vijandige gedachten uit, van argwaan, kwaad oordeel, verachting en dergelijken meer; voeden dus hunne vijandigheden in hunne verbitterde en met gal vervulde harten gansche dagen en bijna maanden. Is liet niet zoo?

Het vierde kenteeken der gramschap en vierde gevolg is: tegen zekere personen eene voortdurende gramschap en misnoegen hebben Deze is do nadeeligste soort van grammoedigen. Zij hebben eenen natuurlijken afkeer tegen zekere personen, die zij nooit ernstig willen overwinnen en alleggen. Zij vatten wegens eene toegevoegde beleedigiug zulk eene gramschap op, dat zij ze bijna hun geheel leven lang niet afleggen. Ze bewaren die inwendige afge-keerdheid in hun hart. zij kunnen en willen met die personen noch vriendelijk, noch oprecht omgaan. Zij spreken kwaad van hen, zoo dikwijls zij daartoe gelegenheid vinden on toonen in alle omstandigheden, dat zij noch liefde, noch welwillendheid jegens hen in hunne harten hebben.

-ocr page 240-

2-28

§ ^

Over de versterviny der gramschap en hare trappen.

De eerste trap is: tegen niemand en om geene reden misnoegen of afgekeerdheid in het hart dnlden. Wij moeten een hart hebben, dat alle menschen in zich sluit en allen te zamen oprecht beminnen kan. Derhalve, wanneer wij in ons eene tegenstrijdige neiging gewaar worden, moeten wij met geduld er tegen strijden en niet ophouden, totdat zij is uitgeroeid, llooren wij hierover den H. 1quot; ranciscus van Sales.

liet is noodzakelijk, zegt hij, dat wij een liefdevol hart jegens onzen naaste hebben, inzonderheid wanneer hij ons misnoegen en verdriet veroorzaakt; alsdan hebben wij geene andere beweegreden om hem te beminnen, dan den wil van God. Deze liefde is zonder twijfel zooveel voortreffelijker en zuiverder, als zij meer van zinnelijke beweegredenen on menschelijke oogmerken verwijderd is.

De tweede trap is: de bewegingen der gramschap en van misnoegen bij haar ontstaan terstond onderdrukken. Deze oefening is het eenigste middel, om de gramschap volmaakt te overwinnen, en de zachtmoedigheid als de tegenovergestelde deugd te erlangen. Wij moeten derhalve alle gelegenheden, die tot eene beweging van gramschap aanleiding geven, als bijzondere genaden van God aanzien, ons daarin moedig overwinnen, en allen vlijt aanwenden, om die overwinning op ons zeiven en die vriendelijkheid te verkrijgen, welke der ware heiligheid eigen is. Bemerk het wel, mijne ziel! waar geene gelegenheid is, die ons tot gramschap aanzet, daar is ook geene gelegenheid, om de zachtmoedigheid te oefenen. Eenigen, zegt de IL Franciscus van Pales, zijn zoo gesteld, dat zij niets dan zachtmoedigheid vertoonon, maar slechts zoo-

-ocr page 241-

229

lang, als hun alles naar wensch gaat. Wanneer rnen hen echter maar een weinig te nabij komt, ziillen zij dadelijk upvliegen, en even als de bergen, waarvan de Psalmist spreekt, een dikken rook van zich afgeven. Het is niets groots, met goeden in vrede te leven, maar met kwaden goed te zijn, zich goedig jegens hen te betoonen, die ons vervolgen en met hen, die ons ten aanzien der eer gekrenkt hebben, vriendelijk en geduldig om te gaan, daarin bestaat de deugd van zachtmoedigheid.

De derde trap is: de beleedigingen met liefde en vriendelijkheid verdragen, het inwendige misnoegen onderdrukken, zich bij niemand beklagen, zich niet verontschuldigen, voortdurend stilzwijgen, wanneer wij door boozen argwaan in stilte worden belasterd of in onze tegenwoordigheid worden beleedigd. Dit is in der daad groote deugd. Zeker, die zachte woorden, welke de H. Franciscus van Sales bij zulk eene gelegenheid heeft gebruikt, kan niemand zonder verwondering lezen. Eens beleedigde hem een onbeleefd en ondankbaar mensch door de gevoeligste smaadredenen. En het antwoord van onzen beminnolijken Heilige was: Mijnheer! liet is deze mijne onvoorzichtige borgtocht, die u gelegenheid tot gramschap hoeft gegeven. Echter zal ik mij thans vonnissen en zoo wreken, dat ik n op alle wijzen kan tevreden stellen. Wees na dit alles echter ook verzekerd , dat, indien gij mij een oog hadt uitgestoken, ik u met het ander even zoo vriendelijk zou hebben aangezien, als of gij een mijner beste vrienden waart. Zoo spreekt, zoo handelt die Heilige! — Wat doen wij? Wij moeten hen, die ons kwaad doen, met een oprecht hart beminnen en hun het kwaad met goed vergelden.

Wie den evennaaste liefheeft, gelijk hij hem moet liefhebben, namelijk in en om God, die zal in de oefening van dezen trap geene te groote moeielijkheid vinden; want

-ocr page 242-

230

wijl de beweegreden om te beminnen in vijanden en vrienden dezelfde is, zoo kan men door eene standvastige overwinning het hart eindelijk daarheen brengen, dat ook de liefde voor beiden dezelfde is. De H. Franciscus van Sales heeft liet allengs zoo ver gebracht, dat hij in de oefening van dezen trap niets dan genoegen en vreugde vond. Eens zeide een zijner vertrouwelingen tot hem, dat volgens zijne meening liet gebod, om zijne vijanden te beminnen, een der moeie-lijksten was in de christelijke wetgeving; en ik, antwoordde de Heilige, ik weet niet, hoedanig mijn hart is, en of niet God, toen liet Hem beliefde mij te scheppen, mij in een anderen vorm heeft orngegoten, want ik vind niet alleen in de vervulling van dit gebod geene moeielijkheid, maar smaak daarin een bijzonder genoegen, en wel zoo, dat. indien God verboden had de vijanden te beminnen, het mij moeielijk zou vallen, Hem daarin te gehoorzamen. Wat moeten wij nu anders besluiten, dan dat al deze trappen noodzakelijk zijn, wil men tot de innigste vereeniging met God geraken.

Over de versterving van den on ge regel don ijver.

Zesde day.

Het zesde onderzoek.

Deze ijver, eene vermomde boosaardige neiging, loopt als een wolf in schaapskleederen rond, en terwijl hij zich gedraagt, alsof hij zijne schapen weidt en beschermt, verslindt hij hen allen. Zoodanig is deze ongeregelde ijver. Hij heeft niet-.; anders in den mond, spreekt nergens anders van, dan van huiselijke tucht, regel, volmaakte deugd en heiligheid; in der daad echter is hij een vijand van den vrede, een verwoester der eendracht, en de bron van tallooze zonden en zwakheden. Laat ons deze zaak wat rijpelijker overwegen.

-ocr page 243-

231

Kenteekeneu en kwade (jevoUjm van den onyeregelden ijver.

Het eerste kenteeken van den ongeregelder! ijver en zijn eerste gevolg is: zijne eigene fouten voor klein en gering achten, vreemde fouten daarentegen als groot en zwaar aanzien. Eene ziel, die eene ware liefde en een oprechten ijver heeft, is aldus gesteld: zij heefteen altijd bedaard gemoed, zij slaat alle bewegingen der ongeregelde neigingen gade, zij ziet liare kleinste fouten, ook de oefeningen der deugd schijnen haar niet zuiver genoeg. Eene enkele zonde, eene enkele ongetrouwheid, die zij tegen God bedreven heeft, gevoelt zij meer, heeft smartelijker berouw daarover, bestraft zij strenger en tracht zij ernstiger uit te roeien, dan alle zondaren der wereld. Heeft de ijver niet deze eigenschappen, dan is hij geen ijver, maar eene vrucht der gramschap en hoovaardigheid.

Nu! waar vindt men deze eigenschappen'? Wij bedrijven misschien eene menigte zonden: zoo als zijn: kwade achterdocht en kwaad oordeel, verachting van den evenmensch , klagen en morren, achterklap, ongehoorzaamheid, eigenzinnigheid en beoordeeling der oversten, verstrooidheid in het gebed; misnoegen, gramschap, bijtende woorden enz. Dit zijn vele zonden en geene, die men mag minachten. Doch wij achten die niet; ja, merken ze niet eens op. O God! zucht de H. Franciscus van Sales, wanneer zal de tijd aanbreken, dat het geduldig verdragen van den evennaaste vaste wortelen in onze harten schiet? Dit is het bijzonderste leerstuk der wijsheid der Heiligen. Gelukkig hij, die het opvolgt! Wij wenschen en verlangen, dat men onze gebreken verdrage, die ons steeds verschoonbaar toeschijnen; daarentegen stellen wij ons de fouten des naasten altijd zwaar en groot, en daarom, als onverdraaglijk voor.

-ocr page 244-

232

Kortom in liet beschouwen van anderen hebben wij een scherp gezicht en in de kennis van onze eigene tonton zijn wij blind. Zoo leven wij en evenwel vleien wij ons, als of wij een hart vol ijver hadden. Indien een ware ijver in ons is, waarom steken wij onze handen dan niet uit den mouw en bestraffen in ons zeiven niet de beleedi-gingen, welke wij God hebben aangedaan? De ware ijver zal eerder eene enkele persoonlijke zonde tot bloedvergietens toe bestraffen, dan eene menigte zonden van anderen met een enkel hard woord.

Het tweede kenteeken van den ongeregelden ijveren zijn tweede gevolg is: van andere personen deugden in een hoogen graad vorderen, en zelf geene deugden oefenen. Mijn God! hoe vele en groote fouten worden bij den ongeregelden ijver gevonden!

Luister, mijne ziel! en denk er over na, Gij zult zien, dat menschen van ongeregelden ijver de zeden, het doen en laten van hunne overheden in alles weten af te keuren; en evenwel verlangen zij, dat de overheden hen oprecht beminnen, hen altijd vriendelijk bejegenen en in alle gelegenheden goed doen. Gij zult zien, dat zij allo andere personen over den hekel halen en hun gedrag op de gevoeligste wijze kunnen beoordeelen; en evenwel verlangen zij voor zich zeiven, dat men dit stilzwijgend voorbijga en met zachtmoedigheid verdrage. Gij zult zien, dat zij een ongetoomde tong hebben en andere personen zonder onderscheid met harde, gevoelige en bijtende woorden aanvallen; en toch verlangen zij voor zich zeiven, dat men alles ootmoedig verdrage, hen aanhoore en steeds vriendelijk naar hunne eerroovende gesprekken luistere. Wil dit niet zeggen: groote deugden van anderen vorderen, en ze zelf niet oefenen? Beschouw echter nu die ijvervolle, maar verstandelooze personen, als men dit van hen begeert, wat

-ocr page 245-

zij in anderen vorderen; beschouw ben, als een overste onvriendelijk en koud met hen omgaat, als men ben met een volgens hunne meening hard woord beleedigt; beschouw hen, als men hen berispt, hen bits toespreekt; dan zult gij weldra zien, hoe veel zij van die deugden hebben, welke zij in anderen met zulken ijver verlangen,

Het derde kenteeken van den ongeregelden ijver en zijn derde gevolg is: noch vermaningen, noch stralfen kunnen dulden; intusschen echter verlangen, dat men anderen met alle gestrengheid behandele.

Er zijn menschen, die niets met bescheidenheid en matigheid weten te doen. Zij kunnen met de zwakheden des naasten geen medelijden hebben. Zij kunnen den voor de vermaning geschikten tijd niet afwachten. Zij kunnen zich van de noodzalijke vriendelijkheid niet bedienen. Alles is onstuimig en ten ontijde, elke lout moet men berispen, hike fout moeten zij met harde woorden bestrallen. Zoo streng zij echter tegen anderen zijn, zoo toegevend zijn zij voor zichzelven. Niemand mag hen berispen, niemand vermanen, niemand hunne grillen afkeuren. De II. Franciscus van Sales spreekt over zulke zielen op de volgende wijze: Tot de vierde soort behooren diegenen, welke met zichzelven toegevend , maar met anderen zeer streng zijn, en hierin de Fari-seën navolgen, die volgens de getuigenis van Jezus Christus anderen zware lasten oplegden, welke zij zeiven echter niet met den vinger aanraakten. Zoo streng als zij anderen behandelen, zoo gemakkelijk en toegevend behandelen zij zichzelven. O valsche ijver! hoe velen verblindt gij niet! Gij groeit aan met de jaren en duurt voort tot aan het graf! Zoodanigen verdienen de straffende woorden van den Verlosser: Geneesheer, genees u zeiven en trek eerst den balk uit uw oog, en dan zie, hoe gij den splinter uit het oog-van uwen broeder trekt.

-ocr page 246-

234

flet vierde kenteekeu van den ongeregelder! ijver en zijn vierde gevolg is: onder het voorwendsel van ijver tot meer zonden en ongeregeldheden oorzaak stellen, dan men wil verwijderen. Ik weet niet, mijne ziel! ol' gij deze waarheid genoegzaam begrijpt. Lel dan op, ik zal zoo duidelijk mogelijk spreken. Vier dingen maken een geestelijk huis gelukkig: Eerbied en gehoorzaamheid jegens de overheden, oprechte wederzijdsche liefde in het hart der religieusen, in liet gemeenschappelijk leven een voortdurende vrede en eendracht, de geest des gebeds en de omgang met God. Waar die dingen gevonden worden, is het klooster een Paradijs. Bemerk nu echter, mijne ziel, dat de ongeregelde ijver al deze dingen ten gronde richt. Want zeg mij, waar is de gehoorzaamheid, als het een ieder geoorloofd is, liet doen en laten zijner oversten at te keuren? Waar is de liefde, als iedere zuster hare medezuster mag nagaan, beoordeelen en verachten? Waar is de eendracht, als het een ieder geoorloofd is, anderen hard aan te vallen en in hunne afwezigheid hun gedrag, hun doen en laten te gispen? Waar is de geest des gebeds en de ingetogenheid des geestes, als het hoofd van nuttelooze en zondige gedachten vol en het hart van de ware liefde en het medelijden ledig is? Wie eene geestelijke gemeente wil verbeteren, moet in haar eene ware ingetogenheid des gemoeds, een eeuwig stilzwijgen over

O O

de fouten van anderen, eene oprechte liefde, een zachtmoedig verdragen des naasten, en eindelijk een volmaakt geduld in de wederwaardigheden en eene algeheele verloochening van den eigen wil trachten in te voeren. Wie een anderen weg inslaat, zal nooit tot zijn doel geraken. Menschen die met een overdreven ijver alles willen goed maken, zijn gelijk aan een onbedreven timmerman, die het dak beklimt en terwijl hij eene opening stopt, zeven

-ocr page 247-

235

anderen umukt! LiclUo eu zaelittnoediglieid! Ja, zaclit-inoediglieid en liefde! Wat liefde en zachtmoedigheid niet goed maakt, zal door niets goed gemaakt worden. Zie! dat is de leer en de gelijkenis van den 11. Franciscus van Sales. Zijn deze u nog niet voldoende, keer dan uwe oogen op n zei ven en zeg: Wie doet mot mij iets met strengheid, met twisten en berispen? Geloof, dat anderen ook zoo gesteld zijn. Leg niemand een last op, dien gij zelf niet wilt dragen.

§ 2.

Over da terstaximj van don onyereyeldcn ijver.

De eerste trap is; wetens en willens zicli in gedachten nooit met andere zaken bezig houden dan met God, Zijnen dienst en met onze ziel. Wie tot de inwendige rust des harten en tot ware ingetogenheid des geestes wil geraken, moet zich zoo gedragen, alsof hij noch oogen had om te zien, noch ooren om te hooren. Alle zaken, wier zorg God hem niet heeft opgelegd, moet hij als bezigheden aanzien, die hem niet aangaan: om het doen en laten van een ander, om hunne zeden en gedrag, om de fouten en gebreken van hen, die met hem in hetzelfde huis wonen, moet hij zich even zoo weinig bekommeren, als met de zaken, die aan het Turksche hof voorvallen. Wie die leer in acht neemt, die zal binnen weinig tijds ondervinden , welk eene rust zij hem in het hart zal storten; en wie ze niet in acht neemt, voor hem spreek ik te vergeefs; want hij zal het nooit kunnen begrijpen. De tweede trap is: de fouten des naasten geduldig en stilzwijgend verdragen, tot dat er eene bekwame gelegenheid komt, hem voordeelig te vermanen. Twee fouten begaat men tegen deze leer. De eerste is: men berispt en vertelt

-ocr page 248-

236

alle gebreken des naasten, maar alleen bij inenschen, wien liet geenszins aangaat, hem te vermanen.

De tweede is: men wacht den gepasten tijd niet at, maar men geelt de vermaning, terwijl de naaste niet in staat is, eenig nut er uit te trekken en baar met vrucht aan te nemen. De H. Franciscus van Sales spreekt hierover aldus: Ik verlang niet, dat men bij elke gelegenheid den zondaar berispe; want de rede en de liefde vorderen, dat men den tijd afwaehte, waarop hij in staat is, eene voor-deelige vermaning te ontvangen. Een hevige en verwarde ijver breekt meer af, dan hij opbouwt. Het is zeker, dat hij, die op eens te veel verlangt, niets goeds uitwerkt, en alles, wat hij wil reinigen, onrein maakt.

De derde trap is, den naaste, wanneer men de ver-mailing voordeelig acht, niet anders dan met liefde, zachtmoedigheid en vriendelijkheid vermanen. De H. Franciscus van Sales leert hierover het volgende: De waarheid, zegt hij, die niet beminnelijk is, komt niet van de ware liefde voort. \Vie een ambt bekleedt, dat liem verplicht de fouten van anderen te berispen en bij oevolü' eenijre waarheden moet voorhouden, die wel eens

O O O

niet aangenaam kunnen zijn, die moet de strengheid der straffen vooraf door het vuur zijner vurige liefde verzachten: want anders zou zijne bestraffing dat zijn, wat voor de maag eene onrijpe vrucht is, die zij zonder daarvan goed voedsel te ontvangen, weer uitwerpt Het is een duidelijk teeken, dat de liefde geene ware liefde is, als de waarheid, die de tong spreekt. niet vergezeld gaat van de liefde.

Wanneer die Heilige verlangt, dat de oversten hunne vermaningen op zulk eene beminnelijke manier geven, wat zal hij dan niet van hen vorderen, die niet verplicht zijn, vermaningen te geven?

-ocr page 249-

237

Uc vienle trap is: de ronton ami do oversten bekend maken, als men meent, dat de vermaning, die men zeil' geeft, geen voordeel zal doen, en als men ziet, dat de fouten nog te verbeteren zijn.

Zoo rnoeielijk als het is, dat de oversten hun ambt wel waarnemen; dat zij steeds met reden oordqelen, wanneer, waar en lioe lang eene fout kan geduld worden; wanneer, lioe en waar zij moeten vermanen of bestraffen, zoo gemakkelijk is het voor de onderdanen, dat zij zich van hunnen plicht kwijten. Meent gij, dat uwe vermaning voordeelig zal wezen, doe het dan, maar op de zoo even genoemde wijze. Ziet gij echter, dat zij geen voordeel zal aanbrengen, zeg het aan do oversten. Daarom zwijg en bekommer u er niet meer over; laat alles aan God over en bid voor allen, opdat God hen verlichte en hunne harten geheel van Zijne heilige liefde vcrvulle.

Voor den weg der verlichting en der Vereenisying.

Zevende day.

Het zevende onderzoek.

IToo is het met de liefde jegens God gelegen?

God beminnen en volmaakt zijn, is hetzelfde. Ik, zegt de IF. Franciscus van Sales, ik erken geene andere volmaaktheid, dan God van harte te beminnen, en den naaste gelijk zich zeiven. Elke andere volmaaktheid buiten deze is valsch. Do liefde alleen is de band der volmaaktheid onder de Christenen; en zij alleen is die deugd, welke ons met God en den naaste voreenigt, waarin eigenlijk ons laatste doel en einde bestaat; dit is het einde aller volmaaktheden, en wie zich de volmaaktheid anders dan in zoodanige liefde verbeeldt, bedriegt zich. Gij ziet dus, mijne ziel! over welk gewichtig punt wij moeten spreken. Overweeg dan wel de

-ocr page 250-

23cS

Volgende trappen der heilige liefde, en onderzoek wat eu hoeveel u nog ontbreekt.

§ 1-

Om' de vier eerste trappen der god(lelijl:e liefde,.

De eerste trap is: de kleinste dagelijksche zonden meer dan alle kwaad en meer dan den dood zeiven haten en vluchten.

Er is nauwelijks een zekerder teeken der ware en volmaakte liefde Gods, dan die haat en vlucht der dagelijksche zonden. Geheele maanden, zelfs een half jaar geene dagelijksche zonde wetens en willens bedrijven, en als men er eene gedaan heeft, over dezelve grootelijks berouw gevoelen, en de daardoor God veroorzaaakte beleediging aan zich met alle strengheid bestrallen, is de eigenlijke en wezenlijke oefening eener heilige en God volmaakt beminnende ziel. Als men tot den eerbiedwaardigen Nicolaus Lancicius zeide, dat men God van harte liefhad, vroeg h ij aanstonds of men zijn best deed, om alle dagelijksche zonden te vermijden. Antwoordde men terstond ja, dan verheugde hij zich van harte en riep uit: O, deze is een ware minnaar Gods!

De tweede trap is: Zijn geheel hart zoo aan God schenken, dat men wetens en willens geene enkele beweging eener ongeregelde drift toelaat.

Niets is teederder dan de volmaakte liefde. Zij kan niet het minste dulden, wat den beminde mishaagt, en daarom houdt zij steeds een waakzaam oog op alle bewegingen des harten, en onderdrukt terstond al degenen, die God mishagen en het hart als diens woonplaats kunnen besmeuren. Hoe klein de beweging eener ongeregelde liefde en neiging, hoe klein de opwelling van gramschap en misnoegen, hoe gering het gevoelen der hoovaardigheid en

-ocr page 251-

239

ijdelheid of van eene andere kwade begeerte ook zijn moge. de volmaakte liefde zal die bewegingen terstond onderdrukken, opdat gedurende den geheelen dag geene beweging in het hart ontsta , die aan het oog van den beminde zou kunnen mishagen.

De derde trap is; zich geheel aan de leiding en het bestuur van God overgeven; ook al Zijne ingevingen met de meeste getrouwheid vervullen; God volmaakt beminnen en Hem datgene, wat Hij door inwendige verlichtingenen bewegingen verlangt, weigeren, kan niet samengaan. Hij, die doet, wat God hem inwendig te kennen geeft, dat hij zou vermijden, en die niet doet, wat God hem inwendig te kennen geelt, dat hij zou doen; kan niet lang in het bezit der liefde Gods blijven. God zal in't vervolg zwijgen; zich koud ten opzichte van die ziel toonen en iu plaats dat Hij haar dooi' Zijne inspraken bestuurt, haar aan de blinde aanslagen en bewegingen barer kwade neigingen overlaten. T)e ziel zal echter de teedere genegenheid jegens God verliezen, en zich van de grootste genaden, die Hij voor haar bereid heeft, berooven.

Nadat de zalige Armella reeds vele jaren de hoogste verlichtingen, de volmaakte liefde en de innigste en onafgebroken vereeniging met God genoten had, hield zij eens met een barer vriendinnen een gesprek. Daar dit gesprek wat lang duurde, vermaande haar God, dat het tijd was, het af te breken. Zij verwaarloosde die vermaning, maar tot haar groote zielesmart. Terstond onttrok haar God Zijne tegenwoordigheid en beroofde haar van Zijne zoete gemeenschap, en schonk die haar niet eerder terug, dan na veel zuchten en tranen.

De vierde trap is: in al zijn doen en laten geen ander doel hebben, dan alleen het welbehagen Gods. Dij elk werk de goede meening vernieuwen en deze woorden

-ocr page 252-

'24Ö

zeggen: »Te Uwer liefde, o God! tot Uw welbehagenis geene zoo moeilijke zaak; maar in het hart werkelijk zoo gesteld zijn, dat God, Wiens oogen hot binnenste des harten doorschouwen, ziet, dat men werkelijk in geen woord of daad iets anders zoeke dan enkel het welbehagen Gods en die gesteldheid des harten geheel den dag-door niet verliezen: dat is liet werk eener volmaakte ziel, die aan zich gestorven en in de zuivere liefde reeds wel gevestigd is.

§ 2.

Over tie vier muhre frappen der yorl(lelijke liefde.

De vijfde trap is: de dagelijksche wederwaardigheden stilzwijgend en met liefde verdragen en er de goddelijke wijsheid en goedheid in aanbidden. O! over welk een gewichtig punt moet ik thans spreken, mijne ziel! De dagelijksehe wederwaardigheden als beschikkingen Gods aanzien en ze stilzwijgend en met liefde verdragen is te gelijk een hooge trap der liefde en eene voorbereiding-tot den hoogsten trap. Let wel op en druk u deze waarheid zoo diep mogelijk in uw hart. God brengt geene ziel tot vereeniging met Hem en tot eenen nog hoogeren trap dei liefde, alvorens zij met deugden wel versierd is en Hem alzoo in haar hart eene waardige woonplaats bereid heeft. Wijl echter de deugden van den eenen kant niet zonder lijden verkregen en van den anderen kant in het lijden veel volmaakter kunnen geoefend worden, dan in de werken; zoo zendt God dagelijks eenige wederwaardigheden, om dit voornemen te volbrengen; nu eene belee-diging en verachting, opdat daardoor de ootmoedigheid geoefend worde; dan harde en bijtende woorden, opdat daardoor de zachtmoedigheid; dan een lastig bevel, opdat

-ocr page 253-

241

(kumloor do gelioorzaauiliokl; dan uuliobbelijko tiieiiscJion, opdat de liefde; dan srnaiteu en ziekten, opdat liet geduld; dan inwendige moeielijkheden, opdat de oveigeving inden goddelijken wil geoefend worde. Zie mijne ziel! dat is do leiding Gods, waardoor Mij de ziel tot Zijne liefde voorbereidt.

Wanneer gij nu in deze uwe wederwaardigheden de oogen van de menschen afkeert, en daarin alleen de beseliikking der verborgene goddelijke Wijslieid en goedheid beschouwt en aanbidt, alles stilzwijgend en geduldig verdraagt, dan staat gij werkelijk reeds op een hoogen trap der liefde en hebt tevens de hoop en do naaste voorbereiding daartoe, dat God u tot den hoogsten trap vorheflen zal.

De zesde trap is: met vurige begeerte naar God en zijne vereeniging verzuchten en trachten. Wanneer de ziel alles heelt vervuld, waarvan wij in den vorigen trap gesproken hebben, en een tijd lang in die oefening getrouw en bestendig volhard heeft, dan nemen gewoonlijk de bijzondere werkingen der genade een begin. Het gebed wordt eene school van verlichtingen en God onderwijst de ziel door zich zeiven in de eeuwige waarheden. Hot hart is vol van heilige begeerten en geheele uren schijnen slechts kwartieren.

Gods tegenwoordigheid staat zonder moeite voor hunne oogen en de hemelsche gesprekken duren halve dagen voort. Alles is rustig en zelfs de kwade neigingen zijn stil; inzonderheid brandt in het hart eene vurige begeerte, God op het volmaaktste te beminnen, met God op het innigste vereenigd te zijn, God in eene altijddurende liefde te bezitten. En deze begeerten nemen dikwijls zoo zeer too, dat het hart ze nauwelijks meer kan verdragen. Do zalige Armella werd door de liefde zoo vervoerd, dat zij dikwijls geen verstand scheen te hebben. Zij doorliep

-ocr page 254-

242

de groene velden en bosschen, zij vervulde bergen en dalen met zuchten en weenen, zij omhelsde pijn- en eikenboomen en riep daarbij steeds uit: »Waar, waar is mijn beminde! Waar zal ik Hem vinden, Dien mijne ziel bemint?quot; Bij vele zielen, die zich op dezen trap bevinden zijn die begeerten wel is waar niet altijd zoo hevig; evenwel maken zij zich zoodanig van hot hart meester, dat het onophoudelijk naar God verzucht. Deze heilige verzuchtingen zijn de voorboden, die God zendt, voor dat Hij in die harten wil wonen.

De zevende trap is: in afwezigheid van den Beminde getrouw blijven en ootmoedig en gelaten de onttrekking zijner genade verdragen. Zoo lang bet hart niet zoo aan zich zeiven gestorven is, dat het al zijne rust en zijn genoegen enkel in het welbehagen Gods gesteld heeft; zoo lang kan de invloed der genade en het gezicht van Gods tegenwoordigheid niet bestendig zijn. Verbergt God zich nu, dan verdwijnt in eens het licht en de ziel is langs alle kanten met duisternissen omgeven. De overweging, die ons zooveel genoegen veroorzaakt, is nu een ondragelijk werk, eene dorre zaak, een gedurige strijd, eene ware marteling: de teedere godsvrucht en liefdevolle neiging tot God verlaat ons en het hart is dor en gevoelloos. Gods tegenwoordigheid, die voorheen gansche dagen het hart in zoete rust hield, verdwijnt elk oogenblik, en terwijl zij door geweld verkregen wordt, is zij zonder smaak.

Zulk eene ziel verkeert dus in een zeer bitteren toestand. Zij ontvangt geen troost van den hemel, en zij mag er ook geen van de wereld zoeken, wil zij haren Beminde niet ontrouw worden. Doch die troosteloosheid is juist het oogmerk des Beminden, opdat de zielleere, allen troost te derven en geheel haar vermaak enkel in het welbehagen Gods te stellen. Wat moet echter in dien toestand gedaan

-ocr page 255-

243

worden? Dat zal ik u zeggen, als ik n den volgendon trap heb verklaard.

De achtste trap is: de beproevingen der zuivere liefde ootmoedig verdragen en daarin, hoelang zij ook mogen voortduren, aan God getrouw blijven. Wanneer God eene ziel heeft uitverkoren, welke Hij tot den hoogsten trap der liefde wil geleiden, dan laat hij liet gewoonlijk niet bij de duisternissen en de verlatenheid, waarvan wij reeds gesproken hebben; maar zendt haar veel grootere en gevoeligere wederwaardigheden over, zooals; meer dan gewoon verdriet, een afkeer van geestelijke oefeningen en werken der deugd, een algemeene opstand der kwade begeerten, een voortdurend onvermogen om met God te handelen, zoodat men noch eene waarheid overdenken, noch eene enkele verzuchting vinden kan; om niet te spreken van andere dergelijke beproevingen. Dit is echter slechts het begin; later volgen afschuwelijke bekoringen, zware aanvallen tegen de zuiverheid, die menigmaal gansche dagen en nachten voortduren; verdriet jegens God en ijselijke godslasteringen, bovenmatige droefheid en kleinmoedigheid des geestes en schijnbare wanhoop. Hierbij komen nog verscheidene uitwendige wederwaardigheden, verachtingen, vervolgingen, smarten, ziekten, enz. enz.

Dan zult gij meenen, mijne ziel! dat er geen ellendiger toestand op aarde is dan deze. Ik zeg u echter, dat deze toestand van allen de gelukkigste is. Wanneer God eene ziel ter vereeniging met Hem niet op dezen weg geleidt, dan kost het vele jaren; kiest hij evenwel dezen weg, dan is alles met weinig gedaan. De hevigheid der bekoring maakt in korten tijd de ziel en het hart zoo zuiver, dat zij weldra tot de innigste vriendschap mot God bekwaam on als 't ware derzelver waardig worden. Nu is het tijd, dat ik de vraag beantwoord, wat de ziel te doen heeft,

-ocr page 256-

24 i

opdat zij in «lion toestand haren Beminde getrouw lilijve.

Antwoord: Vooreerst moet de ziel geen enkel oogenblik het gewone gebed achterlaten, al wil na veel moeite ook niets gelukken. Geloof zeker, mijne ziel! dat die tijd van dorheid niet zonder voordeel voorbijgaat.

Ten tweede moet de ziel in de verstervingen, die zij voorheen geoefend heeft, bestendig voortgaan en groote zorg aanwenden, dat zij God niets weigere.

Ten derde moet zij de oefening aangaande Gods tegen-woordigheid nooit achterlaten; hoe dor, hoe smakeloos en nutteloos zij haar ook mocht schijnen.

Ten vierde moet zij zich gelieel aan den goddelijken wil overgeven en duizendmaal bij zichzelven herhalen, dat zij in dien toestand tot aan den dood gaarne wil volharden, als dit Zijn goddelijke wil is en tot Zijn welbehagen strekken mogequot;.

Ten vijfde moet zij een echt kinderlijk vertrouwen op God bewaren; en hoe heviger de bekoringen het trachten te verminderen, des te meer en sterker hopen, dat God haar nimmer verlaten en zij tot de volmaakste liefde Gods zal geraken.

Ten zesde moet zij steeds naar God en de liefde jegens Hem verzuchten, ofschoon Hij elk uur meer van haar schijnt te vluchten en haar schijnt te haten.

Ten zevende moet zij voor hem, wien zij hare ziel heeft toevertrouwd, niet het minste verbergen, en diens voorschriften met blinde gehoorzaamheid volgen. Zonder deze oprechtheid en onderwerping is het onmogelijk de bedriegerijen te ontgaan, welke de booze vijand in dien staat pleegt te veroorzaken.

Staat de ziel de proef met die getrouwheid door, dan komt zij onfeilbaar tot haar doel, dat is, do vereeniging met God.

-ocr page 257-

245

Over de vier laatste en hooyste frappen der yoddelijke liefde.

De negende trap is; in het binnenste des harten God zonder ophouden beschouwen en Hem zonder ophouden beminnen. En dit is de staat, dien men vereeniging met God noemt. Het geheele geheim bestaat hierin: Van den kant des verstands bestaat er een bovennnatuurlijk, licht, dat aan de ziel Gods tegenwoordigheid ontdekt, en wol zoo, dat zij Hem in haar binnenste als tegenwoordig aanschouwt, en in diens aansciiouwing geheele dagen en weken zonder eenige moeite volhardt.

\an den kant des wils bestaat er eene bovennatuurlijke beweging en hemelsche vlam, die maakt, dat zich de zie! zonder ophouden naar God keert, en Hem met de vurigste begeerten omhelst. Hoe bestendig echter dit inwendig onderhoud met God ook is, toch wordt de ziel daardoor in de bezigheden van haren staat niet gehinderd. Niemand is geschikter alle ambten op liet volmaaktste te vervullen en zich van alle plichten jegens God en den naaste te kwijten, dan zulk eene ziel. Bewonderingswaardig is het, wat de jaarboeken der Societeit van Jezus van twee beroemde mannen Jacobus Alvarez en l'etrus C'otonus vermelden. i)e eerste was overste der geheele provincie Peru, de laatste biechtvader van Henricus IV, koning van Frankrijk. Bij zoo gewichtige posten, die zoo veel verschillende zaken en verstrooiingen mede brachten, was hunne vereeniging met God wonderbaar.

Alvarez was zoo met God vereenigd, dat hij gedurende vijf en twintig jaren Gods tegenwoordigheid nooit verloor; Cotonus echter verkreeg tien jaren voor zijn dood eene zoo hooge en bijzondere genade, dat, terwijl 's nachts het lichaam sliep, de ziel steeds waakte en den geheelen nacht

-ocr page 258-

246

door met de vurigste begeerten God beminde en Hem als bet ware omhelsde.

De tiende trap is: altijd en in allo omstandigbeden dat doen, wat van alles bet volmaakste en Gode bet aangenaamst is. Ik zeg: altijd. Het slechts voor een of twee dagen doen, is iets, dat eene onvolmaakte ziel gemakkelijk kan verkrijgen. Dit echter geheele maanden, bet vierde gedeelte van een jaar, ja een halfjaar zonder ophouden voortzetten, is eene oefening, welke men alleen bij zulke zielen vindt, die den staat der algeheele vereeniging met God bereikt eu den trap der goddelijke liefde beklommen hebben. Zulk eene ziel was de heilige Joanna Francisca. Zij ondernam geen werk, hetwelk z.ij niet als bet volmaakste, hetzij door de leiding der gehoorzaamheid, hetzij uit ingeving van den II. Geest kende. Derhalve, wanneer zij in zekere omstandigbeden niet genoeg erkende, welk werk uit verscheidene het volmaakste was, verhief zij baar hart naar den hemel, en sprak aldus tot God: Heer! Gij zult toonen, dat Gij mijn God zijt, als gij mij Uwen wil toont, en ik zal met Uwe genade toonen, dat ik Uw schepsel ben, daar ik Uwen allerheiligsten wil vervul.

De elfde trap is: vurige begeerten hebben om uit liefde tot God te lijden: alle wederwaardigheden als bijzondere genaden ontvangen, en met vreugde en rust des harten verdragen. Dit is de staat eener ziel die de volmaakte liefde Gods en de innigste vereeniging met Hem bereikt heeft, met vreugde lijden, wat Hij tegenstrijdigs overzendt en zuchten, als er niets te lijden valt. Dit is het leven der Heiligen en het onbedriegelijkste kenteeken dei-ware minnaars van God. Dit zijn die kostbare geschenken, welke Christus ben pleegt toe te zenden, die Hij tot de grootste werken Zijner liefde heeft uitverkoren. Christus verscheen eens aan de zalige Margaretha Hertogin van

-ocr page 259-

247

Savoije en bood haai' drie schotels aan: (j|) de eerste stond geschreven; niets dan verachting. Op de tweede: Niets dan ziekten. Op de derde: Niets dan vervolgingen; waarover de Heilige niet alleen niet verschrikte, maar niet vrijmoedigheid zeide: Heer! indien Gij wilt, neem ik ze alle drie.

De twaalfde trap is: den eigen wil geheel en al alleggen en den goddelijken alleen laten handelen. Tot dezen staat komt niemand, of God moet hem door eene geheel bijzondere werking zijner barmhartigheid daartoe verheffen. De II. Franciscus van Sales leert: Dat znlk eene ziel zich zelven geheel vergeet, zoodat zij zonder eenige zorg en met een onverschillig hart afwacht, wat God ook met haar doe. Ofschoon zich moeielijke voorvallen voordoen, die haar drukken: zij keert hare gedachten toch daar van af; ziet op niets dan op God; looft en zegent Diens goedheid en laat Hem volgens Zijn welbehagen zonder het minste gemor handelen. Ten tweede: Dat zulk eene ziel aan zich zelven is gestorven, en in alle inwendige oefeningen zoo gesteld, dat zij noch eene begeerte naar deugd, noch eene andere oefening daarvan verlangt dan die, welke God, Die alles in haar beschikt, verlangt. Ik weet, mijne ziel! dat l deze verklaring geen genoegzaam licht geeft; doch ik kan het u met weinige woorden niet verklaren. Wie God in zoo hoogen graad bemint, kan het wel ondervinden en gevoelen; maar wie kan het verklaren

Hoe is het met de liefde des naasten gelegen {

Achtste du;/.

Het achtste onderzoek.

De liefde Gods en de liefde des naasten laten zich niet van elkander scheiden.

Deze tweevoudige liefde, zegt de 11. Gregorius, zijn twee ringen of leden, maar slechts eene keten; twee

-ocr page 260-

248

oefeningen, rnaar slechts eene deugd; twee werkingen, inaav slcclits eene liefde; twee verdiensten bij God; maar het is onmogelijk, dat de eene zonder de andere gevonden worde: Zij zijn, gaat een ander geestelijke schrijver voort, twee vlammen, die uit een vuur opstijgen; twee beeken, die uit dezelfde bron voortvloeien; twee takken, die van één boom uitgaan en als het ware tweelingen, die in het lichaam eener moeder ontvangen en geboren zijn. Wie derhalve wil weten, hoe groot zijne liefde tot God zij, onderzoeke slechts, hoe groot zijne liefde tot den naaste is. Beiden zijn even groot, beiden worden tegelijk geboren, groeien te gelijk op, zullen tegelijk volmaakt leven, en sterven tegelijk. Treed dus in uw binnenste en onderzoek met alle gestrengheid, hoe groot die liefde in u is.

§ i.

Ooer den eersten trap der liefde des naasten.

i)e eerste trap is: nimmer en in geene omstandigheid noch in woorden, noch in gedachten, noch met een enkel woord of eene enkele daad den evenmensch beleedigen. Even als de eerste trap der liefde Gods is, Hem nooit te beleedigen, zoo is ook do eerste trap der liefde des naasten, hem nooit te beleedigen. De uitwerkingen, welke deze liefde in hot hart der menschen pleegt te doen ontstaan, zijn de volgende:

De eerste uitwerking is: nooit en in geene omstandigheid den evenmensch verachten. De liefde ziet of niets verachtens-waardigs in den evenmensch, of' als zij iets ziet, keert zij terstond de gedachten daarvan af. Zij herinnert zich, dat hij een evenbeeld , een vriend, een kind Gods is, en in dit opzicht acht zij hem en verbant elke andere gedachte. Zulk een afschuw gevoelt zij van de minste beleediging of verachting des naasten!

-ocr page 261-

249

De tweede uitwerking is: nouit en in geene omstandigheden een kwaad oordeel over den naaste vellen.

Ue liefde, zoo men niet ambtshalve daartoe verbonden is, houdt zich geen oogenblik op bij de fouten van don evenmensch. Hij verwerpt alle gedachten aan dezelven en laat het ambt van rechter aan Hom over. wien het toekomt, namelijk aan God. Al wie deze leer niet opvolgt , heeft geene zorg voor de volmaaktheid.

Degenen, zegt de H. Franciscus van Sales, welke eenc gepaste plichtmatige zorg over de reinheid des gewetens hebben, zullen zelden een beleedigend oordeel vellen. Dit doen slechts leegloopers, die met betrekking tot zichzelven blinde mollen zijn, en in het onderzoek van hunnen evenmensch en diens wandel scherpziende oogen hebben.

De derde uitwerking is: nooit in geene omstandigheid het doen en laten des naasten verkeerd uitleggen. Twee dingen heb ik nooit gezien. Vooreerst: een mensch, die een goed verstand en bescheidenheid bezit en toch het doen en laten van anderen gaarne navorscht en gadeslaat, daarover nadenkt, navraagt en het tracht te doorgronden. Ten tweede, een mensch, die een inwendig en ingetogen leven leidt en in gemeenschap met God leeft en toch het doen en laten van den evenmensch gaarne verkeerd uitlegt en berispt. Zulke zielen ontbreekt het of aan verstand, ol' aan deugd, gewoonlijk aan beiden. In het hoofd zetelt geen verstand en in het hart geene liefde. Als eene daad, zegt de M. Franciscus van Sales, honderd gedaanten kan hebben; rnoet men haar steeds van de schoonste zijde beschouwen ; wanneer de boosheid eener daad volstrekt geene verontschuldiging gedoogt, dan moet men ze trachten te bedekken met dergelijke uitvluchten of verontschuldigingen: dat het niet zoo kwaad gemeend is. Laat de meening ook geene verontschuldigingen toe, dan moet men de schuld

-ocr page 262-

250

op de hevigheid tier bekoring oiquot; op de onwetendheid en overhaasting, of op de menschelijke zwakheid enz. werpen.

De vierde uitwerking is: nooit en in geene omstandigheid tegen den naaste klagen of morren, of zijn doen en laten, zijne gebreken in zijne afwezigheid berispen en aan anderen bekend maken, üe liefde zwijgt tot alles en spreekt nooit, dan bij hen, die ambtshalve de fouten moeten uit den weg ruimen,

§ 2-

Over den tweeden trap der liefde des naasten.

De tweede trap is: jegens den evenmensch een goed, oprecht en liefdevol hart hebben, Dit is de grondslag der ware liefde; hare uitwerkingen zijn de volgende:

De eerste uitwerking is: tegen niemand misnoegen of afkeer in liet hart dulden. Er wordt niet verlangt, zegt de H. Franciscus van Sales, dat men jegens elkeen eene teedere en gevoelige genegenheid hebbe, want dit is niet in onze macht. De karakters zijn al te verschillend en velen zijn ons van natuur onaangenaam en als het ware tegenstrijdig. Wat moet men dan doen om te kunnen zeggen : ik heb een goed en oprecht hart jegens den evenmensch !

Daartoe worden twee dingen gevorderd: Vooreerst moet ik wetens en willens nooit eenigen afkeer en misnoegen tegen den evenmensch toelaten En als ik hierin misdoe, moet ik het misnoegen van harte verfoeien, en daarna eene oefening van ware liefde jegens dengene verwekken, tegen wien ik een misnoegen heb opgevat. Ten tweede moet ik voor de oogen Gods den evenmensch al tiet goede wenschen, en ook bereid zijn, hem goed te doen, wanneer, hoe en en zooveel ik kan.

Do tweede uitwerking is: zich over het welzijn van den evenmensch verheugen. De liefde heeft een veelornvat-

-ocr page 263-

251

tend, uitgestrekt en breed hart; zij omvat de geheele wereld en verljeugt /lch niet minder over het welzijn van anderen, dan over haar eigen.

Wanneer zij dus ziet, dat liet den evenrnensch wel gaat, of hem iets overkomt, waarover hij een bijzonder genoegen heeft, dan verheugt zij zich met hem van harte, verwekt eene oefening van liefde en looft en dankt üod. Die den evenmensch dit genoegen heeft geschonken.

De derde uitwerking is; met den evenmensch in zijne kwellingen een waar medelijden hebben. Wie zijnen naaste in ziekte, smarten, droefheid, verlatenheid en in andere rnoeiel ijk heden kan zien, zonder een hartelijk medelijden te gevoelen, zonder hem, als het kan, te troosten, en voor hem bij God om genade te smeeken, die moet niet zeggen, dat hij eene ware liefde heeft. Een hart zonder medelijden is een hart zonder liefde.

De vierde uitwerking is; het den evenmensch van hai'te gunnen, als het hem beter gaat dan ons. Nijd en afgunst zijn twee dochters der hoovaardigheid en eigenliefde; maar vreugde en vermaak hebben over het welzijn der even-menschen zijn uitwerkingen en teekenen der ootmoedigheid en der heilige liefde. Als gij ziet, dat uw evenmensch meer geprezen en bemind wordt dan gij; dat hem meer goed bewezen, dat hij voor u gesteld wordt, en gij daarover vermaak gevoelt, dan is uw hart wel gesteld en gij bezit de ware liefde, waarvan thans gesproken wordt.

§ 3.

Occr den derden trap der liefde des naasten.

Hij luidt aldus: Niet alleen met allen in liefde en eendracht leven, maar die ook bij anderen trachten te bewaren.

Is er eendracht in een huis, in een klooster, dan gelijkt het op een Paradijs. Wanneer God dus in een geestelijk

-ocr page 264-

252

huis zulke zielen roept, die de eendracht beminnen en ze ook bij anderen zoeken, dan mag men dit voor een bijzondere genade Gods houden, üe uitwerkingen daarvan zijn de volgende:

De eerste uitwerking is: zijn eigen verstand en oordeel gaarne aan anderen onderwerpen. Er zijn menschen, die meenen, dut zij zeer verstandig zijn, zij houden al hunne meeningen voor goed en wijs, en die van anderen voor verkeerd en ongegrond. Zij weten alle verordeningen dei-oversten af te keuren; zij meenen, als hun verstandig hoofd de zaken bestuurde, dan zou in den loop van een half jaar alles beter gaan; zij weten elk een te beoordeelen en wetten voor te schrijven. Zoolang die eigenzinnigheid inwendig blijft, sticht zij geene oneenigheid; vertoont zij zich echter naar buiten, dan verwekt zij een geweldigen brand. Dan vallen zij in woorden uit: Ik ben ouder, heb meer ondervinding, en weet over de zaak beter te spreken. Eigenzinnige hoofden zijn het, die gaarne met woorden twisten, tegenspreken, aan niemand toegeven. Een spoedig toegeven eener zedige ziel geldt meer in den liemel, dan een twintig-jarige overdreven ijver van zoodanige eigenzinnige hoofden. Wandel in Gods tegenwoordigheid: stoor met geen enkel woord de liefde en eendracht, breek in alles uw hoofd, d. i. uw eigen oordeel; met zulk een stichtend voorbeeld zult gij het heil des naasten en zoo wel uw eigen, als zijn genoegen veel meer bevorderen, dan met al het overige. Niets, zegt de H. Franciscus van Sales, is der menschelijke maatschappij meer tegenstrijdig dan eigenzinnige hoofden, die anderen gedurig tegenspreken. Zij zijn eene pest in de bijeenkomsten, eene geesel der maatschappij en een zaad van twist en tweedracht. Daarentegen zachtmoedige zielen, die weten toe te geven, maken zich bij elkeen beminnelijk.

-ocr page 265-

De tweede uitwerking is: in ulle zaken, wiuir liet zonder overtreding van Gods geboden en der regelen kan geschieden, den eigen wil verloochenen en dien eens anderen volgen. Wie in rust en eendracht in eene gemeente wil leven, moet die leering opvolgen: zonder dat zal hij met niemand over weg, noch in eendracht leven kunnen.

Te Rome viel eens eene eigenzinnige vromv in den Tiber. Haar man kwam om het lichaam te zoeken en ging stroomopwaarts. De mensehen lachten daarover en zeiden: bet lichaam zal toch niet stroomopwaarts, maalstroom af zijn gedreven. De man echter antwoordde: Goede menscben, gij kent mijne vrouw niet; zoolang zij bij mij was, heeft zij nooit gedaan, wat ik wilde, derhalve zal zij ook nu niet den wil der rivier hebben gevolgd, maar stroomopwaarts gedreven zijn. Dat u deze geschiedenis niet mishage, mijne ziel! zij wordt door den IT. Franciscns van Sales verhaald.

De derde uitwerking is: nooit iemand iets verhalenderwijze mededeelen, wat anderen van hem gezegd hebben, behalve dat, ^at hem tot eer strekt en dus tot instandhouding der eendracht dienstig is. De booze vijand zal nauwelijks een beter middel vinden, om de eendracht te storen, dan bet babbelen en verklikken. De wereld noemt het wel is waar een vriendschapsplicht aan een vertrouwden persoon vertellen, welke klachten deze of gene tegen hem inbrengen, wat zij in hem berispen en afkeuren; wat zij van hem denken, wat kwaad zij van hem spreken; maar in Gods oogen is het een van die zes zaken, die God volgens Zijne eigene getuigenis hoogstens verafschuwt.

§ 4.

Over den vierden trap der liefde des naasten.

Geene gelegenheid, om den naaste goed te doen, laten

-ocr page 266-

254

voorbijgaan. De liefde is weldadig en is zij het niet. dan is zij ook geene liefde. De uitwerkingen dier weldadigheid zijn de volgende;

De eerste uitwerking is: Niemand eene liefdedienst weigeren, als men er ons om vraagt. Tot oefening wordt slechts een levendig geloof gevorderd, namelijk: dat het aan Christus gedaan wordt, wat men den evenmenseh doet. Wie dat vastelijk gelooft, die zal nooit zoo ongevoelig en onbuigzaam wezen, dat hij den evenmenscli eene liefdedienst weigere; want wie zou wel, ten tijde dat Christus op aarde wandelde, een zoo ongevoelig hart gehad hebben, dat hij niet met vreugde zou gedaan hebben, wat Christus zelf van hem verlangd hadde'? Zie dan, mijne ziel! wat uw evenmenseh van t' verlangt, verlangt Christus van TT.

De tweede uitwerking is: de gelegenheid zoeken en van alle gelegenheden, om anderen goed te doen en eene liefdedienst te bewijzen, met vreugde gebruik maken, al worden wij daarom niet verzocht. Vuur en liefde zijn van dezelfde natuur. Het vuur verspreidt zirh en verteert alles, wat het slechts kan bereiken, en even zoo gaat de liefde te werk. Zij breidt zich uit en doet aan elk, wien zij kan, goed.

De derde uitwerking is: in ziekten^droefheden en andere wederwaardigheden met den evenmenseh oprecht medelijden hebben, hem dikwijls bezoeken, en hun kruis zoo veel mogelijk verlichten. Denk zoo over een zieke, als de H. Franciscus over hem dacht. Hij schreef aldus aan een zieken persoon: Zoolang ik zal zien, dat gij op het smartelijk ziekbed ter neer licht, zoo lang zal ik, en wol volgens mijn plicht, een bijzonderen eerbied voor u hebben, als voor een schepsel, dat God heeft bezocht en met Zijne hof kleur bekleed; en u als eene uitverkorene

-ocr page 267-

255

bruid eene buitengewone eer bewijzen. Toen onze Verlosser aan liet kruis hing, werd Hij zelfs door Zijne vijanden als koning uitgeroepen. Derhalve zijn ook alle zielen, die met Christus aan het kruis gehecht zijn, als koningen te houden. Gij weet niet, wat ons de heilige Engelen benijden ? Met is niets anders, dan dat wij voor onzen Meer kunnen lijden, maar zij, de Engelen, hebben voor Hem nooit iets geleden. Zoo dacht de H. Franciscus van Sales, over de zake^'maar .hoe denkt gij over hen? Laat hierover mv geweten oordeelen. Dit weet ik zeker, dat het n aangenaam en welgevallig zou wezen, als anderen zoo van

u dachten, wanneer gij u op het ziekbed bevondt.

De vijfde trap der liefde des naasten is:

Alle fouten van den evenmensch stilzwijgend en met zachtmoedigheid verdragen, en kwaad met goed vergolden. De uitwerkingen dezer verhevene deugd zijn de volgende;

De eerste nawerking is: al het verdriet, dat ons van onzen evenmensch wordt aangedaan, stilzwijgend en mot zachtmoedigheid verdragen. Daartoe zijn twee dingen noodig.

Vooreerst, ^toiwij met hen, die ons beleedigen, meteen vrooiijk gelaa^Pmet vriendelijke woorden, en met oprechte liefde omgaan en hun nooit de minste gramschap of verdriet laten zien of merken

Ten tweede, dat wij ons daarover bij niemand beklagen of buitenmate bedroefd zijn, maar alles, wat ooit geschied is, met een eeuwig stilzwijgen begraven.

De tweede uitwerking is: jegens degenen, welke ons hebben beleedigd, de inwendige liefde en welwillendheid niel verliezen. Ook tot deze oefening zi jn twee dingen noodig.

-ocr page 268-
-ocr page 269-

256

Vooreerst, dat wij in liet hart geene gramscliap, geen verdriet of misnoegen toelaten, maar alle dergelijke, bewegingen in hare opkomst onderdrukken.

Ten tweede, dat wij behalve dit ook eene oefening van vurige liefde verwekken.

De derde en laatste uitwerking is: hun, die ons belee-digd hebben, zoodra men slechts eene gelegenheid daartoe heeft, ëene liefdedienst bewijzen of iet$ gogds^oen Dit is eene der volmaaktste oefeningen, dienen in dit

loven kan volbrengen. Als deze liefde steeds en voortdurend in het hart gevonden wordt, dan weet men voor zoover men uit de getuigenis des gewetens en der zalving van den II. Geest kan opmaken, bijna zeker, dat daarin de 11. Geest woont en Hij het reeds tot de volmaakte liefde gebracht heeft.

■amp;

Sluiting der aehtdaagsohe' oefeningen.

Hier hebt gij nu, buigzame ziel!'mijn J^edach ten, die God mij, zooals ik hoop, in den morid gelegd en in de pen gegeven heeft. Leg en druk gij ze in uw hart. Breng ze in oefening. Veel lezen en weten maakt ons niet heilig; maar volgens de gekende waarheid uit cMJLeweegredenen des geloofs, onder geleide der hoop, uit ran aandrift dei-liefde leven: slechts dat maakt ons heilig. Slechts dat alleen. Leve Jezus! Jezus leve!....

*

quot;• • | i