Aetetoiip op ie Fmsclie wet van B Mimi 1893
betreffende
Mtscliiii en scftili van tafel en lieil.
PROEFSCHRIFT
W. M. VAN LANSCHOT.
LKIDKN. — P. SOMMIWJL. •1893.
1
■
%
mmmm
_
/-
-
■ ■
■ ■
__
A A NT K K K EN 1X G KN Ol' HK FR ANSI'I IE WET VAN
(i FEBRUAHI 1893 I3ETRFFFENDE ECHTSCHEIDING EN. SC HEI DING VAN TAFEL EN BED.
m
IPIROEIFSCIHIIR.IFT
TER VERKRIJGING VAN DEN GRAAD VAN
POCTOR IN DE j^_ECHTSWETENSCHAP,
AAN DE RIJKS-UNIVERSITEIT TE LEIDEN,
Ol' GEZAG VAN DEN KECTOR-MAGNIFICUS
Mr. S. J. FOCKEMA ANDKEAE,
HOOGLEERAAR IN DE FACULTEIT DER RECHTSGELEERDHEID,
VOOR DE FACULTEIT TE VERDEDIGEN
op MaaiKlasi' 18 Dcccmbcr 1893, des iiainuldiurs ten3.! ure,
DOOR
WILLEM MARIA VAN LANSCHOT,
GEBOREN TE 's IIERTOGKXIiOSCH.
--—---
LEIDEN,
P. SOME li W 1 L. 1893.
AAN MIJNEN VADER.
I X i, E I DIN (4 !•; N G K S C 111 K D E N I S.
«Tempora mutantur et logos inntantur in illisquot;. Doze wijziging zonde men in hot bekende spreekwoord kunnen brengen, waardoor liet toepasselijk wordt op de wetgevingen van do meeste landen. De verscliillendc veranderingen, die bot leerstuk van eclitscboiding on scboiding van tafel en bed in Frankrijk onderging, kunnen als een treffend voorbeeld biervan beschouwd worden.
Indien wij den toestand te dien opzichte in Frankrijk nagaan, vinden wij oeno bonte mengeling van ver-vorscbillonde systemen, die elkander opvolgden al naaide politieke on godsdienstige vorliondingon van bet oogenblik.
l
2
Vóór do revolutie bestond alleen de separation de corps; do divorce was toon in Frankrijk onbekend, en men volgde dus in dit opzicht de regels van bet Canonieke recht, betgeen geene verwondering baren kan, als men bedenkt, dat de invloed der geestelijkheid in dien tijd veel grooter was dan thans. Evenals in zoovele andere zaken heeft echter ook hier do revolutie haren invloed doen gelden. Gelijk echter meestal in tijden van onrust geschiedt, was de wijziging niet eene geleidelijke, maar veeleer verviel men van liet eene uiterste in bet andere, en drukte de wanorde van die dagen baren stempel op het werk des wetgevers. De echtscheiding toch werd toegelaten ook om incompatibilité d'humeur en ook de divorce par consentement mutuel werd door die wet ingevoerd, terwijl de separation de corps werd afgeschaft.
Toen echter de revolutie voorbij was, en met bet keizerschap ook de rust in Frankrijk was wedergekeerd. begreep Napoleon dat bot een der eerste plichten van den wetgever was, bot huwelijk zooveel mogelijk te handliaven. en dit niet alleen om de
3
maatschappelijke zeden te verbeteren, die er in de revolutie niet op waren vooruitgegaan, maar ook omdat de instandhouding van liet huwelijk een dei-eerste vereischten is voor ecno goed geregelde staatsorde.
De Code Napoléon schafte dan ook den divorce op grond van incompatibility d'lmmenr at' en voerde tegelijkertijd naast de echtscheiding de separation de corps weder in.
Toen kon men het huwelijk dus niet meer zoo lichtvaardig ongedaan maken, evenals onder de wet van 4702: integendeel werd don echtgenooten de gelegenheid opengesteld om niet behoud van het huwelijk zich van de verplichting van samenwoning ontheven te zien. zonder dat de mogelijkheid eener verzoen in u' bleef uito-esloten; en dezen nieuwen maat-
O O
regel moet men des te meer goedkeuren in een land. waarvan het grootste deel der bevolking Katholiek is.
Op deze wijze toch werden de Katholieken, die zich door hun godsdienst de echtscheiding verboden zagen, in staat gesteld om zich aan het ongemak van een gedwongen samenleving te onttrekken.
4
Een ircliocl anderen weg sloeii1 de wetgever in, toen liij den 8sten Mei 1810 na de restauratie den divorce geheel afschafte en de separation de corps in stand hield. Ook in deze verandering vinden wij een gevolg van de politieke gebeurtenissen van die dagen. l)e Katholieke godsdienst was toen staatsgodsdienst en geheel in overeenstemming daarmede kon de wetgever do echtscheiding niet dulden.
Toen echter na de revolutie van 1830 de Katholieke godsdienst ophield staatsgodsdienst te zijn, werden reeds in het volgende jaar pogingen aangewend om do echtscheiding wederom in te voeren.
Ofschoon aanvankelijk do verwachting niet ongegrond was, dat deze voorstellen wet zonden worden, leden zoowel deze als latere pogingen, in volgende jaren aangewend, schipbreuk op do onverzettelijkheid van de Chambre des Pairs.
In 1884 kwam eindelijk aan dien tegenstand een einde, en het mocht M. Naquet gelukken na een strijd van 8 jaren zijne 0 Juni 1870 ingediende voorstellen don 27stcn Juli 1884 tot wet te zien verheven worden.
O
Art. 1 tier wet van 1884 sciiai'te de wet van 1810 wederoin af, docli de divorce par consentement mutnel werd niet weder ingevoerd.
Den ISden April 188ö werd bovendien cene wet aangenomen, die verandering bracht in de procedure der separation de corps. Vroeger toch was men gedwongen om de regelen dier procedure bij den divorce te gaan zoeken, daar de bepalingen in artt. 875—880 C. de I 'r. vervat, onvolledig waren. Eeno uitdrukkelijke verwijzing naar de bepalingen van den divorce was dus noodzakelijk.
Bespreken wij nu de geschiedenis der wet van '03 die nauw sameuhangt met de aanneming der wet van 27 Juli '84.
Onder de talrijke tegenstanders der wederinvoering van de echtscheiding behoorden ook de senaatsleden: Allou, Jules Simon, Denormanuie en Batuie. — Zij deden den 1 iM™ Juni 1884 aan den Senaat een wetsvoorstel ten doel hebbend, om de wet op den divorce te doen vallen. Dit voorstel beoogde namelijk eene
O
uitbreiding (Ilt redoneu van nietigheid des huwelijks, teneinde hierdoor aan de eischen van de voorsta miers van de echtscheiding te voldoen zonder die instelling zelve te doen herleven.
Verder bevatte het voorstel wijziging en aanvulling der bestaande regeling betrellende scheiding van talcl en bed.
liet mocht aan de bovengenoemde senaatsleden echter niet gelukken om de wederinvoering der echtscheiding door hun voorstel tegen te gaan.
Nadat het ontwerp in eerste lezing den IS^cn Juni 1885 door den Senaat was aangenomen, werd echter de tweede lezing den 30ten Juni 1885 onderbroken, doordat op voorstel van den Minister van J ustitie het ontwerp aan den Raad van State ter beoordeeling werd gezonden, daar verandering noodig was met het oog op de invoering der wet van 27 Juli 1884.
Ue Conseil d' Etat adviseerde tot het laten vervallen van het eerste deel van het ontwerp, nl. tie uitbreiding der gronden van nietigheid, aangezien dit nu na wederinvoering der echtscheiding geen reden van
bestaan meer had. Ju deze vergadering werd under meer een zeer belangrijk rapport uitgebracht door den staatsraad Flourens, waarop ik ook hier beneden de opmerkzaamheid nog zal vestigen.
De Senaat besloot toen den 28sten Jan. 1887 op rapport van M. Allou, lid der commissie van rapporteurs, om het advies van den Conseil d' Etat, wat deze uitlating betreft, te volgen. In andere opzichten echter verschilde de Senaat geheel van gevoelen met den Conseil d' Etat. Zoo bijv. ten opzichte van de bevoegdheid der van tafel en bed gescheiden vrouw zullen wij hier beneden zien, dat de Conseil d' Etat de vrouw nagenoeg geheel van den man onafhankelijk wilde maken, terwijl de Senaat dit alleen wilde, ingeval de scheiding niet tegen de vrouw was uitgesproken (amendement Bardoux, in de vergadering van 20 Jan. '81 door den Senaat aangenomen). Toen hierop het ontwerp den oden Febr. 1887 naar de Chambre des Deputes was gezonden, werd door deze eene commissie benoemd met M. Arnault als rapporteur.
Deze bracht den 28sten Nov. '87 zijn rapport uit. Daar
eclitoi' de Chambro des Deputes toen met de behandeling van andere onderwerpen bezig was, werd dit voorstel telkens uitgesteld totdat den 21 sten Juni 1800 eene nieuw benoemde commissie bij monde van haren rapporteur M. .Iuli.ien haar gevoelen kenbaar maakte. Met ontwerp werd zonder discussie den ISdcn Juni '02 door de Chambre des Deputes aangenon;en. Het was nu echter anders geredigeerd dan toen de Senaat het goedkeurde, want evenals de Conseil d' Et at wilde de Chambre des Deputes de verplichting tot machtiging en vertegenwoordiging der vrouw na scheiding van tafel en bed opgeheven zien.
Het door de Chambre des Députés aangenomen ontwerp moest dus weder naar den Senaat teruggezonden worden, hetgeen den 20sten Jimi 1802 geschiedde. De Senaat moest toen zijne eerste meening wel laten varen, ofschoon de commissie bij monde van M. Demóle bij haar eerste gevoelen bleef.
Op deze wijze werd het ontwerp tot wet verbeven.
De hoofdstrekking dezer nieuwe wet is het veran-
9
ilcron van den toestand der van tafel en bed gescheiden vrouw, die tot nu toe verre achter moest staan bij de gedivorceerde vrouw.
Zoo ziet men, dat de wederinvoering der echtscheiding in Frankrijk ongetwijfeld voor de voorstanders van deze wet eene reden te meer is geweest, om op het verbeteren van dien toestand aan te dringen.
lileek de Fransche wetgever tot 1884 de belijders van den Katholieken meer dan die van eenigen anderen godsdienst te begunstigen, door alleen scheiding van tafel en bed te veroorloven, na 1884 kwam men echter allicht tot eene vergelijking van den toestand der van tafel en bed gescheidene en de gedivorceerde vrouw, die niet anders dan ten gunste der laatste kon uitvallen.
Dat is dan ook de reden, dat sinds 1884 het getal iler echtscheidingen sterk toenam, en dat der separations (ie corps hoe langer zoo meer verminderde.
Men kan, dunkt mij. geen beteren grond wenschen voor de wet van 1893. Nu toch zullen de Katholieken van de separation de corps een ruimer gebruik maken
10
dan vroeger: vroeger immers waren zij geel wongen te kiezen tusschen eclitscliciding, welke hun door hun godsdienst verboden was, en scheiding van tafel en bed, die de vrouw in een bijna onhondbaren toestand verplaatste.
Op deze wijze bleven vele echtgenooten te zamen wonen, terwijl het verre ware te verkiezen geweest, dat zij zich aan die samenwoning onttrokken hadden, daar het nimmer de bedoeling van den wetgever kan geweest zijn, verplichting tot samenwoning op te leggen ook daar, waar dit slechts tot twist en oneenigheid kon aanleiding geven.
Nu echter zullen deze echtgenooten niet meer tegen de scheiding van tafel en bed opzien.
Ook voor niet Katholieken echter is deze wet met recht een uitstekenden maatregel te noemen.
Ook zij zullen, nu de toestand der van tafel en bed gescheiden vrouw zoozeer op dien van de gedivorceerde gaat gelijken, veeleer tot scheiding van tafel en bed dan tot echtscheiding overgaan, daar in het eerste geval altijd kans voor verzoening overblijft en vooral
11
liet belling iler kinderen medebrengt, dat de samen-wuning en daarmede liet Indsgezin hersteld worde. Op deze wijze wordt dus het huwelijk door den wetgever gehandhaafd.
Vangen wij aan te vermelden dat de wet van 0 Kebr. '93 tot titel heeft: ))Loi portant niodilications au régime de la separation de corps'', eene benaming, die zeker niet uitgebreid genoeg is, daar de wet niet alleen over scheiding van tafel en bed, doch in art. 2 ook over echtscheiding handelt.
De voornaamste punten, die door deze wet worden geregeld, stel ik mij voor in 5 opeenvolgende afdee-lingen te behandelen onder de volgende hoofdstukken :
I. Woonplaats der van tafel en bed gescheiden vrouw.
II. Namen der echtgenooten.
111. Rechts- en handelingsbevoegdheid der van tafel en bed gescheiden vrouw.
12
IV. Gevolgen der verzoening na scheiding van tafel en bed.
V. a. 5 en a. ü der wet van G Febr. 1803.
Den tekst der wet vindt men aan het einde dezer aanteekenin^en.
O
HOOFDSTUK I.
Woonplaats tier van tafel en bed gescheiden wouw.
Daar do wetgever als eon der gevolgen van hot limvolijk de verplichting tot samenwoning noemt, (zio a. 101 lid 2 Pgt;. W.) heeft hij, getrouw aan dat eens vastgestelde beginsel, ook bepaald, dat het domicilie van do gehuwde vrouw bij haren man zoude zijn. Dit is oeno regeling, die zoo in don aard der zaak-ligt, dat weinigen haar nut zullen betwijfelen: do juridische persoonlijkheid van de vrouw toch gaat bijna geheel op in die van don man. Zij heeft zijne machtiging noodig om zich to verbinden (403 D. W.), zijne vertegenwoordiging of zijnen bijstand om in rechte op te treden (a. 105 R W), en hot beheer barer goederen is aan hom opgedragen (a. 100 D. W,),
14
Mondt nu ecliter de verplichting tot samenwoning door scheiding van tafel en bed op, dan zal ook de noodzakelijke woonplaats der vrouw, die daarvan een onmiddelijk gevolg is, vervallen, al moge dan ook voor de vrouw de machtiging en vertegenwoordiging van den man noodig blijven ').
Daar de wet toch zelve veronderstelt, dat de vrouw na de scheiding niet meer bij den man woont en bovendien de vrouw het beheer harer goederen en met bewilliging van den rechter zelfs do beschikking over hare roerende goederen, die vooral in don tegen-woordigen tijd dikwijls het grootste deel van haai vermogen vormen, terugkrijgt, zoude het behouden van de noodzakelijke woonplaats in strijd zijn met de hier genoemde bepalingen.
Do Code Nap. bevatte in a. 108 over dit onderworp eene andere bepaling; in dat art. toch wordt gespro-
1) Opzoomer, blz. 127, is van oordeel, dat deze beide gronden gewichtig genoog zijtij oni do vrouw ook na scheiding van tafel en bed haar domicilie bi) den man te doen behouden, on keurt dus om dio reden a. 78 13. W. at.
15
ken van «femme marióequot;, onder welke uitdrukking dus ook de vrouw valt. die van tafel en bed gescheiden is.
De meeste Fransche juristen echter (o. a. Marcadk nn. 822, Demolomre n0. 358) gaven de voorkeur aan eene vrijere interprelatie van het art., want zij zagen evenals onze wetgever de bezwaren in, die aan eene letterlijke opvatting van de hopaling verbonden waren Ook zij wilden daarom voor de van tafel en bed gescheiden vrouw eene uitzondering maken.
Was dus eene wijziging van art. 108 C. Nap. zeer gewenscht om de mogelijkheid van verschillende uitlegging door de schrijvers op te heflen, zij werd noodzakelijk door eene verandering, die de wet van (i Febr. 1803 in den toestand der van tafel en bed gescheiden vrouw bracht.
De groote vraag, die zich bij deze wet voordeed, was, of de vrouw na scheiding van tafel en bed nog door den man zoude gemachtigd en vertegenwoordigd moeten worden. Nadat de Chambre des Dépntés besloten had deze verplichting op te heffen, heeft ook
Hi
de Senaat, ofschoon niet flan na lang aarzelen toteene redactie in dien geest besloten.
Na de invoering van deze bepaling verdween dus alle grond, om de van tafel en bed gescheiden vrouw haar domicilie bij den man te doen behouden.
Ook bij bet redigeeren van het Wetboek van B. I!. V. heeft onze wetgever a. 78 R. W. niet uit bet oog verloren. Getrouw aan liet beginsel van dat art. heeft de wetgever in a. 3 lid 2 !gt;. R. V. bepaald, dat hij dagvaarding van echtgenooten die van tafel en bed gescheiden zijn, twee afschriften van dagvaarding moeten uitgereikt worden. Mij schijnt het namelijk toe, dat liet al of niet hebben eener gemeenschappelijke woonplaats hier veeleer tot criterium moet strekken, dan wel de vraag, of de vrouw bij de vordering een belang heeft, afgescheiden van dat van den man, zooals Mr. Van Fïoneval F au re in Nieuwe Bijdragen XVI bldz. 249 vlg. meent ').
') Mr. Van Boneval Faüre vindt a. 3 lid 2 B. B.V. to uitgebreid in dien zin, dat ook indien er scheiding van go edeven krachtens hnwolijkscontract heeft plaats gehad, en de vordering betrekking
17
Ik meen dus met Mr. van Bone val Faure, 'lat a. 3 lid 2 B. B. V. onjuist is, doch in. i. is liet lid niet te ruim, zooals bovengenoemde schrijver meent, doch veeleer te eng.
Ook bij scheiding van goederen blijft de gemeenschappelijke woonplaats bestaan, en zal dus m. i. één afschrift voldoende zijn.
Zien wij nu, wat liet Ontwerp 1880 van oen lo F'oek B. W. bepaalt ton aanzien van de woonplaats dor van tafel en bod gescheiden vrouw. Daar het Ontwerp in art. 147 do verplichting van machtiging der vrouw door den man vervallen laat na de scheiding van tafel en bod en van vertegenwoordiging zelfs voor de vrouw, die niet gescheiden is, geen sprake is, bepaalt a. 74 lid 1 Ontw. hetzelfde als a. 78 B, W. ten opzichte der vrouw. Een nieuw 2e
heeft op goedeven, die aan eon dor echtgenoot,en persoonlijk toe-behooren, één afschrift niet voldoende is.
Hetzelfde geldt in de Fransche jurisprudentie, daar de C. do Pr. in dit gova.1 niet hoeft voorzien.
2
lid is echter aan a. 74 Ontw. tocgevoegrl. Het luidt aldus:
«P.ij het ophouden van den in dit art.-bedoelden rechtstoestand worden zij geacht liet voornemen te hebben hun hoofdverblijf te vestigen daar, waar zij alsdan wonen, totdat zij van het tegendeel doen blijken.quot; Bit lid is noodzakelijk geworden door de veranderingen in een ander art. van dezen titel.
liet Tb W. spreekt namelijk niet van liet «vestigenquot; van woonplaats; wel daarentegen wordt bepaald, op w-elke wijze men zijne woonplaats veranderen kan.
(Zie art. 75 Tl. W.)
Tocli is het voor de practijk noodig, het begrip «vestigen van domiciliequot; te omschrijven, bijv. voor den vreemdeling, die zich hier te lande mocht vullen vestigen, of voor de vrouw na scheiding van tafel en bed, en voor meerderjarig geworden minderjarigen. In de practijk nu wordt men geacht zijne woonplaats gevestigd te hebben, als men op eene plaats gaat wonen met den wil om er te blijven wonen. Indien dus dequot; vrouw na scheiding van tafel en bed aan deze
10
voorwaarden voldoet, heelt zij op bovengemelde plaats haar domicilie.
liet Ontwerp echter bevat eene definitie van bet begrip »vestigen van woonplaatsquot; in art. 71 en eischt daartoe eene verklaring aan het bestuur der gemeente, waar men zich vestigt, teneinde van het voornetnen tot vestiging te doen blijken.
In verband hiermede schiep de ontwerper nu een wettelijk vermoeden van zulk een voornemen, zoodat eeno verklaring tot bewijs daarvan niet meer noodig is.
liet derde lid van art. 1 der wet '015 bevat de volgende bepaling:
»Néanmoins, toute signilication faite a la femme séparéo en matière de questions d'état, devra égaloment être adressée au mari a peine de nnllité.quot;
Deze zinsnede is niet dan na herhaalde wijzigingen tot stand gekomen, die echter volkomen gelijken tred houden met de veranderingen in art. B lid 4 van de wet 1803.
De Senaat, die eerst de verplichting tot machtiging
20
en vertegenwoordiging der van tafel en bed gescheiden vrouw wilde behouden zien, en den 18lt;len Juni 1885 aan eene redactie in dien geest zijne goedkeuring hechtte, nam in de vergadering van den 25sten Jan. 1887 liet amendement van M. Bardoux aan, hetwelk die verplichting alleen behield voor de vrouw, tegen wie de scheiding van tafel en bed was uitgesproken.
Toen echter do Chambre des Dépntés door in hare vergadering van 18 Juni '92 vóór de redactie van den Conseil d'Etat te stemmen, toonde, die verplichting liever geheel opgeheven te willen zien, vereenigde de Senaat zich den 27sten Jan. 1893 eindelijk met de laatstgenoemde redactie.
Evenzeer als a. 3 lid 4 der wet van '93 eerst na 3 veranderingen zijn tegenwoordigen vorm verkreeg, hadden ook in a. 1 lid 3 drie opeenvolgende wijzigingen plaats. Den 18den Juni 1885 werd door den Senaat de volgende redactie aangenomen: »Néanmoins toute signification, faite a la femme, devra également être adressée au mari a peine de nnllité.quot; Dit schijnt mij toe eene inderdaad overbodige bepaling geweest te zijn. Als
namelijk de wetgever wil, dat de man de vrouw vertegenwoordigt, vloeit daaruit van zelf voort, dat de beteekeningen ook aan den man behooren te geschieden.
Toen den 25sten Jan. 1887 die verplichte vertegenwoordiging alleen bestaan bleef voor de vrouw, tegen wie de scheiding was uitgesproken, werd de dubbele be-teekening ook alleen voor dat geval gevorderd, doch tegelijkertijd eene zinsnede aan dit lid toegevoegd; de dubbele beteekening zoude steeds plaats hebben bij geschillen over den staat.
Deze bijvoeging heeft, dunkt mij, alle reden van bestaan: al is de machtiging en vertegenwoordiging opgeheven, toch blijven sommige zaken, de familie betrelfende, voor den man te belangrijk, dan dat hij er niet mede in kennis zoude behooren gesteld te worden: zoo zal bijv., indien de staat der vrouw als wettig kind betwist wordt, eene beteekening aan den man geenszins overbodig zijn. ook ter bescherming van de rechten van de kinderen op de grootouderlij ke nalatenschap.
22
Toen de verplichting tut vertegeuwourdiging den 27sten Januari 1883 geheel werd opgeheven, heelt men (km uek zeer terecht de dubbele beteekeuing alleen bij geschillen over den staat verplichtend gesteld.
Nog rest ons ter behandeling de vraag, waar de vrouw haar domicilie heelt, indien zij met verlui' van den rechter gedurende het geding in een ander huis haar intrek heeft genomen ?
Men zal tot de beslissing komen, dat de vrouw haar domicilie in dat geval bij den man behoudt. De wet immers stelt in art. 108 0. Nap. een alge-meenen regel, waarvan slechts mag worden afgeweken in de gevallen bij de wet bepaald. Daar de wet nu alleen eene uitzondering maakt voor de vrouw, die reeds van tafel en bed gescheiden is, mogen we die niet verder uitbreiden.
Sommige Fransche schrijvers, vooral Maucadé en DivMoroMHE, betoogen echter, dat de vrouw wel degelijk op de haai' aangewezen plaats haar domicilie heeft.
23
docli Lilleen een doinicilie ad iioc vuur de beteeke-ningen, die dooi' den man aan de vrouw in het seheitlingsproces moeten gedaan worden, (zie Marcadé li». 322.)
Komt liet mij reeds, zooals ik hierboven zeide, als de meest natuurlijke uitlegging voor, om de vrouw gedurende het proces haar domicilie te doen behouden, zeker mag men zonder eenige bepaling in de wet, evenals Marcaué doet, geen speciaal domicilie lin-geeren, dat alleen zoude dienen voor de beteeke-ningen van wege den man, die op het proces betrekking hebben.
De beteekeningen toch, die van derden uitgaan, geschieden ook volgens maüraiik en Demolomüe niet aau dat bijzonder domicilie.')
Ook Djepuuis I. bldz. 285, noot (2) wil de door
') Demolombe n0. 358.
Quant aux exploits laits ïi la requête des tiers, je pense, qu'ils scront valableraent remis au (lo'.iiicile du mari. Cette autorisation, qui permet a la femme de résider in'ovisoireracnt aillcurs, leur est en effet étrangère et i^eut même tres-souvent leur être meonnue.
2i
den president aangewezen woning niet als duuücilie bescliOLiwd hebben. (Zie het arrest v. d. li. R. 29 Jan. 1810, W. 007). Evenzeer is liij liet niet eens met Marcadé en Dejiolomce, daar een bijzonder domicilie, zooals zij dat willen, onnoodig is, omdat de beteekeningen toch aan den procureur plegen te geschieden.
De ontwerper van een le B. B. W. verschilde echter blijkbaar met Diephvis van meening, daar hij in a. 243 le, dat door a. 207 op de scheiding van tafel en bed wordt toepasselijk gemaakt, uitdrukkelijk bepaalde: »dat aan de door den president aangewezen woning alle aan de vrouw te beteekenen tot het geding betrekkelijke exploiten moesten worden gedaan.quot;
A. 243 le van het Ontwerp schijnt mij toe niet geheel nauwkeurig te zijn De ontwerper wil blijkbaar, dat de exploiten tot liet geding betrekkelijk aan de door den president aangewezen woonplaats beteekend worden, omdat de vrouw anders van die exploiten geen kennis zoude krijgen, daar de beteekening dan aan de woonplaats van den man geschiedt, en de vrouw dus de nadeelen van het verstek zoude ondervinden.
25
Maar is deze redeueering niet oji alle expluiten toepasselijk, als men liet systeem van het Ontwerp ia het oog houdt?
Art. 150 Ontw. kent niet meer de vertegenwoordiging van de vrouw door den man. Zij wordt dus alleen gedagvaard zonder eenigen bijstand te behoeven. Welnu zullen zich dan de zooeveu gemelde bezwaren ook niet voordoen bij andere exploiten, dan die op het ■ geding betrekking hebben !
Mij dunkt dus, dat eene uitbreiding van a. 213 ie Ontw. tot alle exploiten wenschelijk zoude geweest zijn.
11 ()() I' I) ST 1' K II.
Namen der Eclitgciiooten.
Nu in do tegenwoordige eeuw de Frunsche wetgever eene nieiiigte van onderwerpen aan het gebied der gewoonte onttrokken heeft, en hij steeds voortgaat de tot nu toe niet geregelde verhoudingen, die aan de jurisprudentie bezwaren opleveren, aan vaste regels te Imiden, heelt hij in deze wet eenige be)»alingen opgenomen, die als geheel nieuw kunnen worden aangemerkt; hij heelt zie li op een terrein begeven, dat niet dan zeer onlangs en dan zelfs nog niet door de wetgevers van alle landen werd betreden.
üepalingen omtrent den naam waren reeds door
hem in de Lui du 11 fïeriiiiual an XI (lloiidunneuii 1. 287) upgenoiuen.
Ook de Nederlandsclie wetgever heeft liet noodig geacht dit onderwerp nint ongeregeld te laten. Hij heelt daarom den 2den titel der Frausche wet van 11 Germinal an XI in zijn 1!. W. overgenomen; echter niet zonder verbetering en aanvulling. De Fransche wet toch diende veeleer tot het tegengaan van bestaande misbruiken, dan om de geheele stofte regelen, hetgeen blijkt uit het exposé des motils van den staatsraad Miot, terwijl het 15. W. de bepalingen over den naam tin den voornaam in verband bracht met de instelling van de registers van den burgerlijken stand, door in a. (JG en a. ü(gt; voor te schrijven, dat van elke naams-of voornaamsverandering aanteekening behoort te worden quot;edaan aan den kant der uebuurte-acte, welke reye-
o lt; -■ quot; ~
ling in de Fransehe wet niet voorkomt.
Vóór de ll)e eeuw berustte deze geheele stof op de gewoonte en bet gebruik bij de verschillende volken, hetgeen inderdaad niet dan natuiirlijk is. daar men in dien tijd nog geen registers van den burgelijken
stand kende, eu dus een gruote, zou niet ;iUe grond ontbrak om regelen te maken.
De nog onlangs ingevoerde artikelen der wet 'Ü3 bevatten evenwel niet eene regeling ter verbetering-van lt;1e reeds bestaande bepalingen over den naam en den voornaam, docii veeleer begeven zij zich op een geheel nieuw terrein, dat, zooals ik reeds hierboven vermeldde, door sommige wetgevers, waaronder de onze, in 'tgelieel niet, door andere slechts voor een deel geregeld wordt.
Vele toch achten het beter, de gewoonte ook in dit opzicht den scepter te laten zwaaien, dien zij steeds heeft gevoerd.
De Romeinsche juristen hebben dit onderwerp geheel buiten behandeling gelaten, en ook in het üud-Mollandsche en Fransche recht zal men tevergeefs naar eenige bepaling dienaangaande zoeken.
In de wet van 0 Febr. '93 zijn bepalingen over dit onderwerp opgenomen in a. 2 en a. 3, ofschoon niet dan na lange en ingewikkelde besprekingen, en nadat verschillende amendementen tot verandering of aan-
20
vulling waren afgestemd. Reeds vóór 1803 heeft echter de jurisprudentie zich in deze zaak niet onbetuigd gelaten. Beschouwen wij bijv. twee verschillende vonnissen dienaangaande.
Het eerste, door de rechtbank to Lyon uitgesproken den 4flen Maart -1880 '), bevat hot volgende principe;
»La femme divorcee,quot; zegt de rechtbank, xxloit quitter le nom de son mari pour no plus user que de son nom a ello a partir du divorce, et sans que lo jugement adraettant lo divorce ait besoin do statuer sur cc chef pour faire defense a la femme do conserver lo nom du mari.quot;
Do rechtbank hooft hier, en mij dunkt zoor ton onrechte, eene beslissing genomen, waartoe geono enkele wetsbepaling machtigde, en dat nog wel in strijd met de gewoonte. Het gebruik tocli wil. dat de vrouw den naam van don man niet alleen gedurende hot huwelijk, maar ook na echtscheiding behoudt.
Zelfs wordt in hot vonnis te Lyon een uitdrukkelijk
P. 1886.1.589.
gt;) S. 1886.2.119. —
30
verbod iiun de vrouw onnoodig geaclit. en verliest dus de vrouw l)ij echtscheiding den naam van haren man ipso jure.
iiezien wij nu liet tweede vonnis van de reclitbauk te Toulouse den 18den Maart 4886 ')•
Men komt bij dit vonnis in de motieven tot de conclusie, dat het al of niet behouden van den naam dos mans door de vrouw naar de omstandigheden aan liet oordeel des rechters moet worden overgelaten.
Ook dit komt mij voor minder juist te zijn, want welke wetsbepaling gaf den rechter de bevoegdheid aan de vrouw den naam van den man na echtscheiding te ontnomen?
Zien wij nu, welke redenen den wetgever genoopt liebben deze stof niet zonder regeling te laten.
De meest belangrijke gronden hiertoe bracht voorzeker M. Ft.orr.KXs in ziju rapport aan den Raad van State te berde:
P. 1886.1.589.
') S. 1386.2.119. -
31
»11 est manifestequot;, zegt hij. «que si le législateur accorde a la femme F indépendauce de son domicile, s'il F alfranchit pour la disposition do ses biens de 1 autorisation maritalo. il dlt;iit, pav une equitable réciprocité accorder enlin au mari une action ])oiir sauvegarder l'bonnenr de sou nom.quot;
Verder zegt hij:
«L'intervention lt;ln législateur est nécessaire pour (lonner au mari la possibilité d'empêclier la femme de continner a le déslionorer après le divorce et la separation de corps, pour permettre a la femme de sauvegarder sa consideration compromise par la juxtaposition de son nom.quot;
Ziedaar de gronden, die M. Flotrkns opgeeft, en die de Raad van State tot do zijne gemaakt beeft.
/ijn die gronden eebter gevielitig genoeg om h''-palingen, zooals die in de wet '03 voorkomen, te billijken?
Niemand zal ontkennen, dat het dikwijls zal voorkomen, dat na de scheiding, bet zij dan ecbtscbeiding of scbeiding van tafel en bed. liet gedrag van een der
eclitgenooten te wensclieu overlaat, en dat liij op deze wijze den naam, dien lii.j draagt, oneer aandoet en hem bezoedelt. Daar nu echter de gewoonte wil. dat de vrouw ook na de scheiding zich met den naam van haren echtgenoot blijft noemen, zal de schande van de vrouw den onschuldigen man treffen en hem dikwijls voor de maatschappij onmogelijk maken, evenzeer als de vrouw zal gecompromitteerd worden door het slecht gedrag van baren man, die na tie scheiding haren naam achter den zijnen blijft voegen ').
Te meer zal dit bet geval zijn, nu de wet van '03 de bevoegdheid der van tafel en bed gescheiden vrouw zoover uitbreidt, dat zelfs geen machtiging, noch ver-teuenwoordminü: des mans noodijï is.
~ r? o o
Van den anderen kant zijn er echter zeer gewichtige redenen voor den wetgever om deze zaak ongeregeld te laten.
In officieele stukken toch, bijv. notarieele acten, wordt steeds de naam der geboorte-acte vermeld, fs
') Het latitsto althans in Frankrijk. In Nederland is liet moestal geen gewoonte, dat de man den naam van do vrouw bij den zijnen voegt.
33
de vrouw gehuwd, dan plaatst men daar achter: «gehuwd met M. X.quot; Voor deze stukken bestaat dus geen reden eene bepaling over don naam te maken.
Maar de wetgever kan toch de vrouw niet dwingen in het dagclijksch leven den naam van den man te dragen »Ce serait legilêrer sur mie question de cartes do visite, zei de M. nnissox in den Senaat zeer tereclit. en bovendien, liet prestige van den wetgever zonde zeer verminderen, daar controle hier wel geheel ondoenlijk zal zijn.
Rr zullen steeds in de maatschappij toestanden blijven, die voor geene wettelijke regeling vatbaar zijn, daar men, zoo ze eens geregeld zijn. de wet toch niet zal kunnen handhaven. Veel beter schijnt het mij dan ook toe, in 't geheel geen bepalingen over zulke verhoudingen te maken, dan op deze wijze liet gezniiquot; van den wetgever te doen dalen.
Is bet bovendien wel noodig, om evenals de wet'03 dat doet, in bepaalde gevallen aan de vrouw het recht te ontzeggen den naam van den man te dragen? Geene bepaling is er immers, die aan de gehuwde
vrouw liet recht geeft den naam van haren eclit-genoot te voeren. De wet kent alleen den naam der geboorte-acte; het is dus onnoodig uitdrukkelijk aan de vrouw een recht te ontnemen, dat zij niet heeft. He praktijk staaft deze redeneering volkomen, wanneer zij, zonder zich aan het huwelijk te storen in allo officieele stukken de vrouw bij den naam van hare geboorte-acte wil genoemd zien. Dit laatste geldt evenzeer in Nederland als in Frankrijk.
Dat ook in niet officiëele stukken van hetzelfde quaestie kan zijn, wordt bevestigd door een vonnis der rechtbank te Tiel (W. 4274), waarvan ik de motieven in de onderstaande noot vermeld '), zonder dat ik echter geacht wil worden, mij er mede te vereenigen.
') Juffrouw M. Uiswick, weduwe GüprEiiTZ, had eene schuldbekentenis onderteekend, niet met den naam van hare geboorte-acte (Riswiok), doch als : „weduwe Güppkrtz.'quot; De rechtbank oordeelde die onderteekening niet voldoende op de volgende gronden:
O., dat naar het gewone spraakgebruik, waarvan de wetgever niet blijkt te zijn afgeweken, het onderteekenen van een geschrift beteekent. het bekrachtigen daarvan door onderschrijving van zijnen naam, dat de naam ingevolge de bepalingen van het register van de geboorten bestaat uit voor- en geslachtsnaam; dat dit ook voort-
Vergeten wij bovendien niet, dat de herhaalde naamsverandering tot veel verwarring zal aanleiding geven. Indien bijv. eeue vrouw na echtscheiding weder hertrouwt. zal zij 3 maal haar naam moeten veranderen;
1°. Bij het eerste huwelijk krijgt zij den naam van haren man;
2°, bij echtscheiding moet zij zich wederom bij dien van hare geboorte-acte noemen; en
3quot;. bij haar tweede huwelijk zal de naam van haren tweeden echtgenoot tevens de hare worden.
ITet Ontwerp 'SO van een '1° Hoek Tl W. achtte regeling van dit onderwerp dan ook niet noodzakelijk.
«Daar de bestaande toestandquot;, zegt de Mem. van
vlooit uit rte omstandigheid, dat hij, aan wicn oen onderhandsch geschrift wordt tegengeworpen, in staat moot zijn om zich te vergewissen of de daaronder staande handteekening echt is, en daartoe buiten machte is, zoo de naam ontbreekt, die niet andere hand-teekeningon behoort te worden vergeleken.
O., dat voor den naam niet in de plaats bunnen treden do onder het geschrift gevonden woorden: „weduwe GüprEBTz'', daar zij alleen eon bestaand hebbende huwclijksbetrekking aanduiden on op zich zelvon goon waarborg opleveren, dat zij door M. Riswick zijn geschreven.
30
Toel. ad art. 57 »tot geene ernstige bezwaren aanleiding- geeft, schijnt het niet raadzaam door eene nieuwe regeling inbreuk te maken op datgene, wat de gewoonte ten onzent hoeft bestendigd. Evenals tot nu toe zal dus de gehuwde vrouw in rechtskundigen zin haren geslachtsnaam behouden, terwijl het haar vrij zal blijven bij wege van aanduiding zich in het dagelijksch leven met den naam van haren echtgenoot of gewezen echtgenoot te noemen.quot;
Onderstellen wij echter voor een oogenblik, dat eene bepaling over de namen nuttig zoude zijn.
Welke regeling zoude dan de beste zijn ?
Ik stel mij voor cliennangaandc eerst do bepalingen der wet '93 te bespreken en daarbij een kort woord te voegen over de regeling van den Diiitscben ontwerper en van hot Saksische wetboek.
Do Fransche wet van '03 bevat 2 artikelen over deze quaestie n. 1. a. 2 en a. 3 lid 2.
A. 2. L'art. 200 du Code Civil est compléte ainsi iju'il suit:
37
«Par I'ulTot du divuiro cliacuii des ópoux i'cjji'end
1'usage de soa nom.'
Voorzoovcr de ollicieele stiikkcu betrclt, is dit art. volkoraeu overbodig; het was immers reeds gewoonte de vrouw daarin met den naam liarer geboorte-aete te noemen!
J'.ovendien echter is het in strijd met de heersehende maatsehaijpelijke gewoonte, volgens welke de vrouw-na echtscheiding den naam van huren man blijlt behouden. Dit zal m. i. lt;le kans op goede naleving dezer bepaling niet vermeerderen, daar het toch reeds moeilijk zal zijn, in deze gevallen te controleeren.
Van den anderen kant echter vervalt door deze bepaling een bezwaar, dat M. Floukens in den Rand van State aangaf: n. 1. dat de vrouw na de scheiding den naam des mans door haar slecht gedrag zoude onteeren.
liet artikel vond echter ook om andere redenen bestrijding in den Senaat bij monde van M. Boulanger.
Deze zeide dien aangaande het volgende;
«Cette innovation est grave: je voudrais pour en
lUire upprécier l'impuftance somnettre ü votre examen 1'liypothèse suivante. Une femme obtient le divorce centre sen mari: or pendant Ia ditrée de son mariage elle a fondó un commerce, qui ne subsiste, que
grace a son liabileté personnelle..... Ce commerce
n'est presque jamais conmi du public par un titre spécial. II n'y est repi'ésenté que sous le nom du mari. Kst ce que par le résultat de la disposition nouvelle, dès le lendemain du divorce, la femme devra eiilever son enseigne, changer ses circulaires, ses prospectus et ses factures? Je cruis que ccla aurait un résultat foil préjudiciable, paree que, dans toutes les industries dont j'ai parlé, la conliance se fait a la personue, et que si le mari change, le public verra un changement de personue: la clientèle pourra disparaite.quot;
M. 1 (OULAXOKU stelde up dien grond liet volgende amendement voor, dat echter door hem werd ingetrokken tengevolge van de oppositie van den rapporteur dei commissie van den Senaat: ))Le tribunal ponrra. puur les besoms dn commerce ou exercice de la pro-
l'essioii, aLitui'iseiquot; la Iüüiihu ;i anitiuuer a porter le iiotn du mai'i, ou ie mai'i a joindre a sou iiom celui de ia femme.quot;
M. Boulangeu vond dus art. '2 te absoiuut, en hierin beu ik liet geheei met hem eens.
liet art. let volstrekt niet hierop, ol' de man oi' de vrouw zich een van beide slecht gedragen. Al blijlt bijv. het gedrag der vrouw bij voortduring onbesproken, toch verliest zij den naam van den man door echtscheiding. Op deze wijze vervalt dus geheel een der voornaamste argumenten, die de voorstanders van dit art. aanhaalden.
Was echter het voorstel van M. Boui.anger uitgebreid genoeg? ik meen het te moeten betwisten. Althans het door hem genoemde geval is idet het eenige, waarin de bepaling van a. 2 mij te absoiuut toeschijnt.
liet zal namelijk zeer dikwijls voorkomen, dat de vrouw, om welke redenen dan ook, er op gesteld zal zijn, den naam van haren man te blijven behouden. Indien deze bijv. tot een aanzienlijk geslacht behoort, is dit geenszins ondenkbaar. Welke grond zoude er
40
nu zijn, haar dien naam te ontiieujeri, al^ zij van onbespruken gedrag is?
Het zoude waarlijk niet te vej'wonderen zijn, indien zieh nog meerdere dergelijke gevallen in de practijk voordeden.
Het schijnt mij dus toe, dat de Fransche wetgever beter zoude hebben gedaan, indien iiij den rechter had opgedragen te beslissen, ol' de vrouw den naam van den man na echtscheiding mocht blijven dragen, bijv. op deze wijze:
»Le jugement, qui prononce le divorce on unjuge-ment postérieur peut interdire ;i la femme de porter le nom de son mari.quot;
Ook de motieven van het vonnis der rechtbank te Toulouse, die ik hierboven (bldz. 30) vermeldde, schijnen op eene dergelijke regeling te doelen.
Op deze wijze zal het argument, dat de vrouw den naam van den man zoude kunnen onteeren, zijne waarde behouden, maar bovendien heeft zulk eene redactie een ander voordeel.
Zij voorziet namelijk in een bezwaar, dat door den
41
rap|Jortoiiiquot; in iIon SoiiLUiat aan M. üoi'i.anck.I! wcihI tegen geworpen.
«Onderstel.quot; zeide de rapporteur, »dat de vronw eene zaak drijft, die zij dooi' haar eigen vlijt tot bloei heelt gebracht, en dat de rechtbank haar veroorlooft don naam van den man te behouden, opdat de klanten haar niet door de naamsverandering zouden ontvallen. Nu is er mogelijkheid, dat de vrouw tailleert, maar dan zal de naam van den man natuurlijk in opspraak komen, daar de vrouw dien heeft behouden!
Indien men nu echter in a. Li dezelfde redactie genomen had als in a. 3, zouden hierdoor geen moeilijkheden ontstaan. Ook bij een later vonnis immers zoude het aan de vrouw kunnen verboden worden den naam van den man te dragen (jugement postérieur). De rechter zal dus bevoegd zijn bij of vóór het vonnis van failliet verklaring dit aan de vrouw te verbieden, en dan is dns de naam van den man gered. — Dequaestie Nijft bestaan, op welke wijze men de scbuldeischers van de naamsverandering op de hoogte moet brengen.
doch zoude men de oproepingen niet alduy kunnen imicliten, dat ais luuun van den failliet eerst de naam van de geboorte-acte der vrouw werd opgegeven, doch daarachter de naam van don man werd gevoegd, op deze wijze: M. Andué, voorheen M. Jansen?
Op deze wijze rust de schande van liet t'aillisse-ment veeleei' op den ruiani der vrouw, en blijft die van den man onbesmet.
A. 2 der wet '93 is echter niet de eerste bepaling over dit onderwerp, die in Krank rijk werd voorgesteld. Vroegere pogingen tot regeling vinden wij in twee amendementen, die worden voorgesteld bij de behandeling van de wet op de echtscheiding in 1884.
liet eerste amendement luidde aldus;
«La lemme divorcee ne pourra a flater de la pronunciation flu divorce dans les formes, prescrites dans Tart. 294, porter Ie nom de sou mari.quot;
Dit amendement werd na behandeling aan de commissie teruggezonden, die er hare goedkeuring aan hechtte.
Daarop wederom ter behandelit g in lt;lu Cliainbre lt;les Deputes gebracht, werd het tegelijk inet het tweede aineudeineiit, dat toen werd voorgesteld, verworpen.
Dit latere amendement maakte onderscheid tusschen 2 gevallen, nl. of de echtscheiding al dan niet tegen de vrouw was uitgesproken; alleen in liet eej'stegeval mocht de vrouw den naam van den man niet meer dragen.
Wat van deze amendementen te zeggen ? Mij dunkt, dat ze beide zeer terecht niet werden aangenomen.
Het eerste toch is eensdeels te absoluut, anderdeels te eng.
Te absoluut is het, omdat het, zooals ik reeds hierboven opmerkte, beter zoude geweest zijn, de beslissing aan den rechter over te laten.
Het is te eng. omdat men zich m. i. niet had moeten bepalen bij eene regeling voor de vrouw, maar ook den man het recht had moeten ontnemen casu quo den naam der vrouw bij den zijnen te voegen. Deze toch heelt evenmin liet recht, den naam der vrouw te onteeren, als deze dien van den man.
44
IIet tweede amendement, dat overeenstemde met het systeem van liet J'reusz A. L. R. (11. 1.§741, 742) en van liet Badisclie Ij. i!. (Satz 299«) is evenmin aan te quot;raden: dezelfde bezwaren, die zich bij het eerste amendement voordeden, vertoonen zich ook hier. Maar bovendien schijnt bet mij toe, dat het criterium, dat liet amendement kiest, onjuist is.
Al heelt de vrouw ook in het proces tot echtscheiding ongelijk gekregen, dut is nog volstrekt geen bewijs, dat zij den naam van den man in 't vervolg onteeren zal. Omgekeerd kan zij wellicht, ofschoon onschuldig zijnde ten aanzien van alles, wat aan het geding voorafgaat. later, aan zich zelve overgelaten zijnde, toch van levenswijze veranderen, en den naam van baren man in opspraak brengen.
Zien wij nu. wat de wetgever ten aanzien der scheiding van tafel en bed in a. 3 lid 2 der wet '93 over dit onderwerp bepaald heeft.
Ook bier geldt hetgeen ik op blz. 33 en 3i- reeds in het algemeen zeide, n. I. dat bet m. i. beter zonde geweest zijn, geen regeling te maken.
Wat moet men echter van de bestaande regeling denken !
Meende ik reeds bij eebtscbeiding, dat de wetgever bet liever aan den rechter bad moeten overlaten om te beslissen, of de vrouw, casu quo de man, den naam van den echtgenoot bebonden mocht, nog meer gronden bestaan biertoe bij de scheiding van tafel en bed. Ik ben het geheel eens met M. Fouukns. die in zijn verslag aan den Raad van State zegt: »C'est qne la separation de corps laisse snbsister certains elïets du mariage, notamment en co qni concerne la fidé-litó respective, que se doivent les époux, les liens do parente, d'alliance; elle laisse enfin l'espoir (rune reconciliation.quot;
Welnu, door eene absolute bepaling te maken zoo:ds rn a. 2 zoude men die hoop op verzoening wellicht geheel wegnemen.
A. 3 lid 2 is dan ook anders geredigeerd dan :t. 2 en luidt aldus:
A. 311. ))Le jngement, qui prononce la separation ile corps ou un jngement postérieur pent interdire ;i la
40
femme ile portei' le nom de son mari, ou rautoriser a ne pas le porter. Dans le cas oü lemavi anrait joint ;i son nom colui de sa femme, celle-ci pourra également demander, qu'il soit interdit au mari de le porterquot;.
Rij het beoordcelen van deze quaestie zal de ree liter dus niet alleen in liet oog moeten houden hot hc-nadeelen van den man door het slecht gedrag dei-vrouw, maar ook zal hij moeten bedenken, dat hij door de vrouw te verbieden zijn naam te dragen, de kans op verzoening vermindert.
»Ou rautoriser ii ne pas le porter.quot; Met deze weinige woorden heeft de wetgever het grootste deel dezer materie aan de heerschappij der gewoonte onttrokken.
Als de van tafel en bed gescheiden vrouw machtiging van den rechter noodig heeft om haren geboorte-naam aan te nemen, vloeit hieruit voort, dat de wetgever het een plicht acht der van tafel en bed gescheiden vrouw, om den naam van haren echtgenoot te dragen.
A fortiori volgt hier uit, dat die plicht dus ook bestaat voor de vrouw, die niet gescheiden is.
47
De wetgever heeft liier dus, /.ij liet ilan ook niet met zoovele woorden in principe vastgesteld;
Dat do vrouw verplicht is den naam van den man gedurende het Imwelijk (dus ook na scheiding van tafel en bed) te dragen.
Van de invoering dezer wet is het dus aan do gehuwde vrouw volstrekt verboden, om zich met haren geboortenaam to noemen: en dit geldt ook vooi-oflicieele stukken. Wat die stukken betreft is dus deze bepaling met de bestaande gewoonte in strijd, doch daarentegen is zij volkomen in overeenstemming met de gewoonten van het maatschappelijk leven.
Mij dunkt zulk eene positieve bepaling zeer goeder wordt een einde gemaakt aan het bestaande verschil tusschen het gebruik in de maatschappij en in de rechtspraktijk.
Ook het Duitsche ontwerp bevat, zooals wij later zien zullen, eene bepaling in denzelfden geest: hier echter staat het principe met zoovele woorden mt-gedrukt.
Of de Fransche wetgever zich echter bewust was
Vim hot door mij vermelde gevolg dozer bepaling, meen ik te mogen betwijfelen.
De Raad van State was gekant tegen do woorden : »oii l'aiitorisor a ne pas le porter,quot; daar er geene bepaling was, die do vrouw verpliclitte godnronde hot huwelijk don naam van don man te dragen, en die vorjiliohting dus ook niet na scheiding van tafel 011 bed bestond.
Do commissie uit don Senaat, die deze bepaling voorstond, bracht tegen de redoneoring van don Raad van State te berde, dat ook zonder wetsbepaling bet do plicht dor vrouw was, gedurende bet huwelijk den naam van den man te dragen, daar dit uit den aard der zaak voortvloeide. Er werd echter volstrekt niot gesproken over deze vraag, of het casn quo wenschelijk was, liet tot een plicht der vrouw te maken, om go-dnrende het huwelijk den naam van don man to dragen: noch de Raad van State, noch do Senaat schijnen te hebben ingezien, dat men door do aanneming dezer bepaling dien plicht schiep.
Ook voor echtgonooten, wier huwelijk door echt-
49
scheiding ontbonden is, zoude eene bepaling als de bovengenoemde m. i. niet van onpas zijn.
Moge het aanvankelijk vreemd schijnen, aan de vrouw na de echtscheiding dezen plicht op te leggen, daar toch met de echtscheiding alle betrekkingen ophouden, die door liet huwelijk zijn ontstaan, en dus ook de vrouw den naam van hare geboorte-acte zoude beliooren terug te nemen, toch kan men evenzeer bet volgende aanvoeren: het huwelijk drukt zijn stempel op de vrouw, zóó sterk, dat ze in de maatschappij ook na zulk een huwelijk niet geacht wordt gelijk te staan met de ongetrouwde vrouw. De wetgever doet dus niets anders, dan de maatschappelijke gewoonte te bevestigen, wanneer bij het tot een plicht der vrouw maakt, ook na echtscheiding den naam des maris te blijven dragen.
Ook het Duitsch ontwerp van een B. W. bevat eene bepaling in denzelfden geest.
Bespreken wij nu de tweede zinsnede van a. 3
lid 2, handelende over het geval, dat de man den
4
nu
naam van de vrouw bij den zijnen heeft gevoegd, eene gewoonte, die in Frankrijk in sommige departementen vrij algemeen heerscht, en in België zeer veel voorkomt, terwijl ze in ons land nagenoeg niet bestaat. Niet altijd is de redactie van deze bepaling dezelfde geweest; eerst was zij aldus; »be tribunal peut défendre au mari de porter désormais le nom ile sa femme, qu'il aurait joint au sienquot;.
M. Clément beeft in de senaatszitting van 20 Tan. '87 (Journ. oif. du 21. déb. parlem. pag. 37) die redactie bestreden voornamelijk op dezen grond, dat. zoo de recbter den man niet verbiedt om den naam der vrouw bij den zijnen te voegen, de man recht heeft om dit te doen; dit echter zoude bezwaren hebben, daar aldus de familienaam van den man veranderen, en groote verwarring ontstaan zoude, en bovendien de vrouw haren naam door den man zoude kinmen zien onteeren.
Aanvankelijk wilde M. Clément dan ook, dat de bewuste zinsnede zoude geschrapt worden.
Na verschillende debatten in den Senaat is echter
de tegenwoordige redactie aangenomen, waarmede onllt; M. ('i.kmknt instemde.
Deze redactie liel't één der bezwaren van M. Ci.kmkxt op: indien namelijk de vrouw vordert, dat de rechter aan den man verbiedt, haren naam bij den zijnen te voegen, is de rechter verplicht hieraan gevolg te geven.
Echter schijnt deze bepaling mij toe dit nadeel te hebben, dat op deze wijze de beslissing van deze quaestie geheel aan de vrouw komt. De Senaat schijnt zeer weinig vertrouwen gesteld te hebben op de Fransche rechters, om aldus het oordeel der vrouw boven hot hunne te verkiezen.
fio ven dien is deze bepaling niet consequent, indien men ze vergelijkt bij a. 3 lid 2, eerste zinsnede: daar immers wordt wel degelijk de beslissing aan den rechter overgelaten.
Uierbij komt nog, dat door de nieuwe redactie niet alle bezwaren van M. Ci.kmkxt zijn opgeheven. Indien namelijk de vrouw de vordering niet instelt, blijft de man haren naam behouden, en zoo zal de
52
verwarring, die in de departementen, waar die gewoonte heersclit, bestaat, niet verminderen.
Ik voor mij zie geen redenen, die den man zouden kunnen nopen den naam der vrouw bij den zijnen te voegen: daarentegen zijn er zeer zeker bezwaren om den man zulks te veroorloven, zooals uit het bovengezegde blijkt.
Waar dus dergelijke bijvoegingen evenals in Frankrijk alleen geschieden ten gevolge eener gewoonte, die geen roden van bestaan heeft, zoude ik het beter geacht hebben, den man deze bijvoeging eens voor al te verbieden ').
Er doen zich nog verschillende vragen naar aanleiding van de bepalingen over den naam voor, die ik mij voorstel achtereenvolgens te behandelen.
Wij zonden ons dan kunnen afvragen, hoe de naarns-
'j. In de landen waar doze bijvoeging geen gewoonte is, scliijnt eene bepaling als deze mij toe overbodig to zijn.
De DuitscVie ontwerper van een B. W. 18S8 heeft zulk eene bepaling ook niet opgenomen.
venuidering clei'der) bekend wordt, die daarbij
veel belang kumieii hebben ?
Wat bet vonnis van ecbtsebeiding betreft, dit wordt reeds openbaar gemaakt (a. '25(1 C. X.) evenals dat van scheiding van tafel en bed (a. 880 C. de l'r.). Derden worden dus hierdoor gewaarschuwd.
Indien echter na scheiding van tafel en bed een later vonnis (jugeinent postérieur) aan de vrouw verbiedt den naam van haren man te blijven dragen Mij dunkt, dat dan eene bekendmaking van zulk een vonnis alleszins gewenscht zoude mogen heeten.
Ofschoon in a. 3 der wet '03 wel van verzoening gesproken wordt, vinden wij toch aldaar geen regeling betrellende do namen der echtgenooten na de verzoening.
Mij schijnt het toe, dat de vrouw dan wederom verplicht zal zijn, den naam des mans te dragen.
De algemeene regel toch is, dat de gehuwde vrouw die verplichting beeft. 0[gt; dien regel worden uitzonderingen gemaakt, die zich alleen bij scheiding van
54
tafel en bed kuuneii voorduen. De Sfljeiding van tal'el eu bed is dus als oorzaak van die uitzonderilgen te beschouwen. Vervalt dus die oorzaak door verzoening, dan zal tevens liet gevolg verdwijnen.
Ook op de vraag, welke nu de naam eener weduwe zal zijn, blijlt de wet '93 liet antwoord schuldig. Wij zouden tot tweeërlei beslissing kunnen komen eu wel:
1°. Daar de wetgever te dezen aanzien niets bepaalt, wil bij, dat de gewoonte in stand blijlt, eu z;d dus de weduwe in bet dagclijkscb leven den naam van baren gestorven eebtgeuoot blijven dragen;
2°. kunnen wij naar analogie van art. 2 l edeneeren, dat, daar de wetgever wil, dat bij opboudeu van bet buwelijk dooi' echtscheiding de vrouw haren eigen naam weder aanneemt, dit evenzeer bij ophouden van den echt door overlijden bet geval zal zijn.
Mij dunkt, dat de laatste uitlegging de voorkeur verdient, niet alleen, omdat zij meer in den geest dei-wet '93 is, maar ook om de volgende reden:
oo
Al kan ii(,' nuui zuü'wegens zijn uvei'lijck'ii niet meer i.inteerd worden i.loui' het slechte gedrag der weduwe, de l'amilie van den man blijft hieraan bloutstaan. Ken der meest belangrijke gronden, die den wetgever noupten tot eene bepaling als art. 2, bestaat dns uuk voor de weduwe.
Evenzoo meen ik, dat men bij ontbinding na scheiding van talel en bed geheel en al dezelide interpretatie moet volgen.
Ook schijnt het mij toe, dat de wetgever de mogelijke gevolgen van de bepalingen der wet 03 niet voldoende-in het oog hield.
Onderstellen wij bijv. dat een van tafel en bed gescheiden vrouw, die dns volgens de wet '03 geen machtiging noodig heeft om zich te verbinden, met een ander eene lirina opricht onder haren naam, d. i. de naam van den man. Kenigen tijd daarna wordt haar dien naam hij rechterlijk vonnis ontnomen, maar dan heeft dit vonnis tevens ten gevolge dat gezondigd wordt tegen a. 21 de hetwelk ten
aanzien van het voortbestaan eu de rechtsgevolgen iler lirnia tot belangrijke moeilijkheden kan leiden.
Daar de wet '93 de gehuwde vrouw verplicht, den naam van den man te dragen, doch tevens bij scheiding van tafel en bed den rechter machtigt haar dien te ontnemen, en het na echtscheiding zelfs ipso jure aan de vrouw verboden is, dien naam te dragen, zoude het zee]' wel kunnen voorkomen, dat de vrouw weigerachtig bleef aan die verplichting of aan dat verbod te voldoen.
Wij kunnen ons dus 2 gevallen voorstellen:
L De vrouw weigert na echtscheiding of nadat haar dit hij rechterlijk vonnis geboden is, den naam van den man te laten varen.
II. De vrouw weigert gedurende het huwelijk den naam van den man te dragen.
Ad 1. Deze weigering zal in. i. drieërlei gevolg kunnen hebben:
a. De man zal eene actie tot schadevergoeding tegen de vrouw kunnen instellen, (a. 1382 C. Nap.)
b. Indien de vrouw bijv. eene schuld bekentenis
57
heeft geteekeuii met den naam, dien zij niet meer mag dragen, zal de schuideischer hierdoor wellicht in moeilijkheid komen.
c. Do handeling der vrouw zonde tut eene strai-rechterlijke vervolging kunnen aanleiding geven
Ad a. De man zal alleen dan de actie tot schadevergoeding kunnen instellen, als iiij werkelijk schade (dommage) geleden heelt.
Bij echtscheiding echter is de vrouw verplicht haren geboortenaarn weder aan te nemen, onverschillig of zij zich goed gedraagt, dan wel slecht, en zonder dat het na- of voordeel van den man hierbij eenig gewicht in de schaal legt.
Indien dus de man na echtscheiding de actie van a. 1382 C. Nap. wil instellen, en er geen schade is geleden, zal die actie van den man wel moeten afgewezen worden.
De vrouw zoude dus strall'eloos de bepalingen dei' wet kunnen veronachtzamen en niettegenstaande deze wetsbepaling doorgaan den naam des mans in de maatschappij te dragen.
58
Ail li. De vrouw zal inissclik'ii in dit seval out-keuueji. dat zij do schuldbekentenis onderteekend heelt, en zoo den schuldeischor tot een bewijs daarvan verplichten.
Ad c. De wet '93 bevat geene bepaling, waarbij liet overtreden barer voorschriften wordt strafbaar gesteld. Wel is hiervan echter sprake geweest. Het oorspronkelijke wetsvoorstel wilde namelijk eene aanvulling van a. quot;IbU C. 1'. met deze bepaling, dat de vrouw, die niettegenstaande het vonnis den naam van den man bleef draden, tot eene boete van'IÜ--2000
O
frs. kon veroordeeld worden. Deze bepaling werd echter in de wet niet opgenomen.
Toch zal de vrouw door zulke handelingen allicht onder andere artikelen van den (' Il. vallen, bijv. art. 405, 150 of 147.
Ad II. Of den man in dit geval eene actie ten dienste staat, is hier wederom geheel afhankelijk van de vraag, of de man door de handeling der vrouw schade lijdt?
Mij dunkt, dat ook hier van schade bezwaarlijk
sprake kan zijn, en dat de man dus zelden een actie heelt. Het in 1, li veronderstelde geval zal uit den aard der zaak hier niet veel voorkomen, daar de man, indien de vrouw zicli wil verbinden, zijne rnaclitiging moet geven, en deze wel weigeren zal. indien de vrouw niet niet haren waren naam onderteekent ').
Anders zal dit rn, i. zijn in geval van scheiding van tafel en bed. wanneer de vrouw-geene machtiging meer noodig heeft.
(Jeheel hetzelfde geldt ten aanzien van eene strafrechterlijke vervolging uit kracht van art. Ii7. 150 of 105 C. P. Ook bier zal eene vervolging minder voor komen, daar de man zijn bijstand (concours du marl dans i'acte) wel niet zal verlceneu tot zulke handelingen, en evenzeer moeten wij op dezen regel eene uitzondering maken voor het geval van scheiding van tafel en bed.
') Eene uitzondering op deze redeneering wensch ik te maken, voor 't geval dat de man zijne toestemming schriftelijk geelt, en niet heeft gezien, met welken naam de vrouw onderteekent.
60
Zien wij nu, wat in andere landen ten dezen aanzien bepaald is. Zooals illt; reeds hierboven meldde onthield onze ontwerpei' zich van bepalingen hieromtrent.
Anders echter de Duitsclie ontwerper vaneen 15. W. 1888. Deze bepaalde in ^ 1274 liet volgende:
«Die Ehelrau eriuilt den Fainiliennamen des Ehe-rnannes.quot;
Deze ^ is een onmiddellijk gevolg van § 1272, die aldus luidt:
«Die Ehegatten sind unter einander zur Elielichen Lebensgerneinschait berechtigt nnd verplUchtet.quot;
Men leidt de naamsverandering der vrouw dus al uit het huwelijk, als de vereeniging van man en vrouw tot de innigste levensgemeenschap.
Uit S '1272 volgt dan ook, dat de vrouw niet alleen recht heelt op den naam van den man, doch zells verplicht is hem te dragen, zóó zeer zelfs, zeggen de motieven van het ontwerp ad § 1274, dat de man tegen de vrouw eene actie kan instellen tot herstel van het huiselijk leven, als ze niet aan dien plicht voldoet.
61
(Iet zij mij geoorloofd tegen liet laatste gezegde in do motieven eenige bezwaren te opperen.
Zeer zeker zal de vrouw verplicht zijn. den naam van haren man te dragen, en ook zeggen de motieven (Vorbemerknng zu Absciix.. IT, tit. 8 nquot; 0), dat men een privaat recht heeft op zijn naam. en men, wanneer een ander het betwist, dat recht kan bamihaven, maar nergens vindt men in het Ontwerp zelf eene uitdrukkelijke vermelding van eene vordering van den man, om de vrouw te dwingen zijn naam te dragen, of tot herstel van het huwelijksleven, als de vrouw aan dien plicht niet voldoet.
Eene actie tot schadevergoeding is hier veelal evenmin mogelijk, zooals ik reeds hierboven vermeldde, daar de man geen schade lijdt, en ook kan hij geen echtscheiding om deze reden vragen.
Zoude deze plicht der vrouw dan ook niet veeleer tot die zedelijke verplichtingen behooren, die hel huwelijk medebrengt, en tegen wier overtreding de wetgever geen vordering geeft ? Zooals b. v. de verplichting der vrouw tot gehoorzaamheid
Ook na scheirliiig van tafel en bed neemt liet Duitsche Ontwerp de verplicliling aan voor de vrouw om den naam dos mans te dragen, daar het huwelijk nog bestaan blijft. De ontwerper schijnt dus niet, evenals de Fransche wetgever, bezwaar gevonden te hebben in ile overweging, dat wellicht de vrouw door haai' later gedrag den naam van don man zonde kunnen outeeren.
Ook waar het Ontwerp over echtscheiding handelt, bevat het eene 15 over de namen, nl.-
5; 1455. Die geschiedone Ehefrau erhiilt den Kami-liennamcn des Ehemannes.
Do ontwerper stelde deze bepaling aldus vast, omdat hierdoor de gewoonte bevestigd wordt, en omdat eene verandering van naam door echtscheiding te veel verwarring zoude scheppen.
Volgens de motieven ad § 1455 heeft de ontwerper deze gronden te gewichtig gevonden om ze te doen wijken voor het bezwaar van mogelijke onteering van den naam van den man door de vrouw.
(l'i
Gelieel in overeenstemming met liet Diiitsclie Ont-\vei-p Ijeviittc liet Saksische wetboek over deze stot reeds de volgende ^
§ 1032 Die Ehelran erhiilt den Familiennamen des Ehinnaniies.
^ 171(8. Dit; ElielVan beliiilt nacli der SclK-'idimg den Familiennamen des Khemannes.
HOOFDSTUK UI.
Rechts- on handelhigsbcvoegdlicid der van tafel en bed geseheiden Trouw.
Dc rechts- en harulolingsbevoegdheid der van tafel en bed gescheiden vrouw vormde hij verre liet belangrijkste onderwerp der beraadslaging over de wet van '93.
liet is eene quaestie die altijd van veel belang geweest is. docli die vooral in den laatsten tijd de opmerkzaam heid van verschillende wetgevers en ontwerpers tot zich heeft getrokken. Jn Frankrijk treedt zij te meer op den voorgrond, omdat men daar zooals wij zien zullen, aan de van tafel en bed gescheiden vrouw baar geheele onafhankelijkheid lieeft terugge-
geven en do separation «Ie corps, wat hare gevolgen betreft, bijna met eclitscheifling lieei't gelijk gestold, eene wijziging, niet te verwonderen in een land, waar het grootste deel der bevolking tot den Katholieken godsdienst behoort, en dus van de echtscheiding uit den aard der zaak wegens godsdienstige bezwaren weinig gebruik wordt gemaakt.
Door nu echter den toestand der van tafel en bed gescheiden vrouw te verlichten, en ze even onaf hanke-lijk van den man te maken als de vrouw na echtscheiding, hcei't men aan de Katholieken eeneaeleft'en-
O O
beid gegeven, om zonder hunne godsdienstige plichten te verzuimen, zich toch de voordeelen, die de echtscheiding oplevert, te verschaffen, en nu is dan ook werkelijk de benaming, die men ook vroeger reeds aan do scheiding van tafel en bed gaf, nl. Je divorce des Catholiquesquot; geheel van pas.
Welke was de toestand der van tafel en bed gescheiden vrouw vóór 6 Febr. '03?
Vóór de Fransche revolutie gold nis regel «la separation de corps emporte toujours Ia separation de
OC)
biens,quot; ') en toen do separation de corps, iiii in 1702 te zijn afgeschaft, met den ('. Nap. in '1803 weder werd ingevoerd, werd in art. •!I I die regel weder vastgesteld. Andere bepalingen over de recbtsgevolgen vond men niet in Chap. IV, T. VI, Liv. I ('. Nap. Die bepaling is ook nu nog niet veranderd, docb de wet van 'OH voegt er verscbillende andere aan toe.
Vóór 6 Febr. '03 was de van tafel en bed gescheiden vrouw dus onderworpen aan art.215en 217 C. Nap. (want het huwelijk blijft bestaan) en aan art. 1440 C. Nap.
Indien wij echter art. 217 en art. 1440 Nap. tegenover elkander stellen, bevat art. 1440 lid 2 eene uitzondering op art. 217: het laatste art. toch eisclit machtiging door den man, indien de vrouw zich in 't algemeen verbindt, terwijl art. 1440 lid 2 aan de vrouw de beschikking van haar »mobilier'' geeft, dus hiertoe geen machtiging eischt.
') Zio Morlin, XII, Sép. J. e. § IV, II. Dezelfde schvijvev zogt ook, dat liij lint. vonnis van sópavatinn do cov]is dikwijls opslnitinp; voor fon bepaalden tijd in een klooster bevolen werd. Zie het vonnis van het „Parlementquot; van Parijs, 17 Febr. 1770.
(17
Nu werd in do praktijk wel de voorkeur gegeven iuin de speciale bepaling van art. 1449 boven de meer algeineene van art. 217 volgens den regel: »le\' spocialis derogat generali.quot; maar art. 1440 lid 2 wonl, daar liet eene uitzondering was. zeer streng, geïnterpreteerd: De meeste schrijvers1) toch beschouwden de uitdrukking: «alienor son mobilier,quot; waarvan dat lid melding maakt, in nauw verband met art. 1449 lid 1 en meenden, dat bet de bedoeling des wetgevers was geweest, aan de vrouw alleen de beschikking liarer meubelen te geven, voorzoover dit voor baar beheer noodzakelijk was.
Zooals men ziet. was dus tot nog toe de toestand van de van tafel en bed gescheiden vrouw een zeer afhankelijke, gebonden als zij was aan de machtiging en vertegenwoordiging van den man.
De wetgever belemmerde hierdoor de scheiding van tafel en bed zoozeer, dat velen, die door godsdienstige
^ Zio M arc ad f., Kxpli cation du (J. C., V ad avt. 1449. Laureniv Principes de droit civil fVnii(;ais, XXII bldz. 320.
Opzoomer II ad art. 249.
68
begrippen daarin niet verliinderd werden, de eclit-sciieiding alleen daarom bóven de scheiding van tafel en bed verkozen. Zij wilden zirli dus op deze wijze de kans van verzoening nog liever afsnijden, dan dat de vrouw verplicht zonde zijn, steeds machtiging van den man te vragen, van wien zij go-scheiden leefde.
Een bewijs hiervan levert de statistiek In 1885 waren er gemiddeld 5,7 echtschoidiiigen op 10,000 huisgezinnen, welke echter in IS'.IO tot 7 gestegen waren.
Omgekeerd verminderde het getal der separations de corps in dezelfde mate. In 1884 telde men 2,821 scheidingen, doch in 1888 slechts 1,004, dus ongeveer de helft minder. ')
Nu brengt voorzeker het belang van den Staat mede, het huwelijk zooveel mogelijk in stand te honden, maar door do vóór (.'3 bestaande bepalingen bewerkte de Fransche wetgever veeleer het tegendeel.
') Zie Officiel tlu 11 Juin 1891.
69
Onder de bepulingen toch van den C'. Nap. vóór 'it3 weigerde de man dikwijls uit hatelijkiieitl , zijne vrouw te maehtigen, hetgeen zeei' zeker de kans op verzoening niet vermeerderde. Wel stelde dan de wetgever voor de vrouw de gelegenheid open om machtiging van den rechter te vragen, doch die kon uiet dan na eone wellicht langdurige procedure verkregen worden (zie art. 86i vlg. C. de I 'r.). en de vrouw-zag op deze wijze de geschikte gelegenheid voor een tijdigen verkoop, doelmatige belegging ol'andere voor-deelige handeling voorbijgaan. Hierbij kwam nog, dat de man allicht de gelegenheid te baat nam om de vrouw geld at' te persen voor liet geven van zijne machtiging, daar de vrouw zie li dikwijls liever eene kleine geldelijke opoll'ering wilde getroosten, dan dat zij zich door een tijdigen verkoop niet voor daling in de waarde harer goederen hoeden kon.
Kvenzeer bestond voor de vrouw de mogelijkheid om harerzijds den man om te koopen, zijne machtiging tot ongeoorloofde handelingen te geven.
Voegen wij hierbij nog, dat het telkens vragen van
70,
nuiditigiug de verlioutlinii' tu^scliou de echtgeiiuoten niet verbeterde, en de kans op verzoening dientengevolge verminderde.
Vandaal' dan ook, dat men bij de beliandeling der wet van '93 de noodzakelijkheid inzag om in den hestaanden toestand verandering te hren^eu.
4 Verschillende systemen hebben aehtereenvolgens een punt van behandeling' uitgemaakt, doeh na langdurige discussie heeft men aan het quot;2e door mij te vermelden systeem de voorkeur geschonken. De bovengemelde systemen luidden aldus: 1. La femme séparée de corps peut, a son gré. demander a son inari. ou demander directement au tribunal par requête toutes les autorisations necessaires [)0ur ester en justice, pour ralienation de ses immeubles (ju de ses valeurs mobilières, pour toutes acquisitions, emplois ou retnplois et généralemont pour toutes les mesures, cpie ses intéréts pen vent exiger. Daus ce cas, la femme devra faire notilier copiedesa re([uête au mari, avec mise en demeure d'intervenir, si bon lui serable (Sénat. J. Olf.. doe. ]gt;ai'l. 1885, p. 5(37)
71
II. Lu leintne séparée de corps roprend if* [gt;lein exercice de sa ca^acitc civile, saus avoir besoiu, en aucuu cas, de recoarir u l'autuiisatiuii de sou marl ou de justice.
III. La lb mme sóparée de corps repreud i'exercic.e ile sa capacité civile, mals seulemeiit lorsque la séiia-ratiou a été prononcée en sa laveur et centre le rnari.
IV. La ie mme séparée de corps repreud I exercice de sa capacité civile, s' il u' y a pas il' eulauts du mariage.
Ad I. Aau het eerste systeem lieclitte de Commissie van den Senaat hare goedkeuring. Ik kan echter in alle (jp/.ichteu met lt;le groiulen liistetnrnen. waarmede M. Fi.oi'ükns iu zijn i,ai)[)ort aan den Haad van State in I8(S0 dit voorstel bestreed.
»11 est mauilestequot;, zegt liij, »lt;|ue. si la femme mo-dite mie operation mal courne, ce u'est pas directr-ment au tribunal ipi' elle s' adressei'a pour obtenir 1' autorisation.
Llle restera libre d'ach eter dn mari. comtne le mari restei'a libre de Ini veudre toutes h^s autori-
72
gt;
sations nécessaires pour réaliser cette operationquot;
Ook blijft hier m. i. liet bezwaar gelden, dat tie man zijne toestemming uit hatelijklieid zal weigeren. Dan is de vrouw evenzeer verplicht aan den rechter toestemming te vragen, hetgeen wellicht met langdurige l'ormaiiteiten gepaard gaat.
Bovendien schijnt het mij toe, dat men bij dit systeem zoude kunnen beweren, dat de van tafel en bed gescheiden vrouw in meer gevallen machtiging noodig heeft, dan wanneer ei1 geen scheiding heeft plaats gehad. Vergelijken wij nl. art. 217 C. Nap. met de redactie van het eerste svsteern, dan heeft het allicht den schijn, dat die redactie veel algemeener is, dan die van art. 217 C. Nap.
De laatste zinsnede: «et généralement [)our toutes les raesures, que ses intéréts peuveut exigerquot; zoude men dus, om mogelijke verkeerde uitleggingen te voorkomen, liever eenigzins meer beperkt moeten gemaakt hebben.
Volgens dit systeem moet de vrouw, ook zoo zij baai-verzoek aan den rechter richt, dit aan «len man bij
alsclirilt doen beteekeuen. Men zag namelijk in, dat liet dikwijls zoude voorkomen, flat de rechtbank niet genoog van de [larticuliere omstandigheden der vrouw op de hoogte is. om te beslissen, of al dan niet machtiging tot een zekere handeling moest gegeven worden.
De bepaling zal echter haar doel missen, indien de man niet verschijnt, en de rechtbank dus zonder zijn advies moet beslissen.
Ad II. liet tweede systeem is dat van den Raad van State, waaraan ook de Chambre des Deputes hare goedkeuring hechtte, en dat den grondslag vormt van art. 3 lid 4 der wet van '93.
M. Flourens heeft in zijn rapport aan den Raad van State dit systeem op alleszins aldoende wijze verdedigd.
In afwijking immers van de bepalingen van het Homeinsche recht is de vrouw wat hare rechts- en handelingsbevoegdheid betreft in Frankrijk geheel met den man gelijk gesteld. Indien dus de vrouw gedurende het huwelijk de machtiging van den man moet vragen, is dit niet een gevolg van hare on be-
74
kwixamlicid. want tie weduwe en de vrouw na eclit-sdtieiding hebben geen machtiging uuoclig. noch geschiedt dit in het belang der kinderen, daai'ook bij een kinderloozen echt deze verplichting op de vrouw rust.
Veeleer moeten wij den gmnd dezer bepaling zoeken in de noodzakelijkheid, die er bestaat om liet bestmn van liet huisgezin aan één persoon op te dragen. Indien nu echter liet huisgezin door scheiding van tafel en bed ontbonden wordt, verdwijnt alle leden otn de verplichting tot machtiging voor de vrouw te behouden.
liovendien, nu de vrouw in het algemeen gelijke rechts- en handelingsbevoegdheid heelt als de man. zoude men na scheiding van tal'el en bed die verplichting evenzeer aan den man als aan dc vrouw kunnen opleggen.
Ad UI. Het derde systeem, dat door M- Igt;ari)OL\ in den Senaat als amendement werd voorgesteld, werd door deze vergadering den Puston Jan. 1887 met liT» tegen 75 stemmen aangenomen. Toen echter later de ('hambre des Députés van een ander gevoelen bleek
75
te zijn. Iiechtte ook «Ie Soiuial zijne goedkeuring ami het tweede systeem.
Ook liet It diaansche wetboek liuldigt liet derde systeem, doch mij schijnt het toe om verschillende redenen minder te verkiezen te zijn.
De verplichting tot machtiging immers wordt hier al'liankelijk gemaakt van het leit, ol' de scheiding van tafel en hod al of niet tegen de vromv is uitgesproken.
.Maai' dit laatste zal toch allerminst een grond leveren tot mindere bekwaamheid der vrouw om hare rechten uit te oefenen.
Hierbij komt nog. dat in dit amendement niet de mogelijkheid voorzien is. dat de scheiding tegen beide echtgenooten wordt uitgesproken
Ad IV. liet vierde systeem, dat door M. Ükrknoki! als amendement aan den Senaat was voorgesteld, werd door die vergadering den 25stenJan. 1887 verworpen en m. i. zeer terecht.
Met vermogen der kinderen wordt gedurende het huwelijk door den man beheerd, die met de nitoele-ning der vaderlijke macht belast is; mocliten de kin-
70
ilei'cn meenlcrjui^ woi'flea, ilnii komt liet beheer aan hen.
De machtiging is ihis slechts noodig, waar de vrouw over hare persoonlij ke goederen beschikt, en het anieu-demeut van M. IjKRENGEH heelt dus blijkbaar do strekking, die goederen zooveel mogelijk voor de kinderen te bewaren. Doch zoude men voor den man dan niet evenzeer machtiging verplichtend moeten stellen, daar de kinderen toch ook belang bij het behoud van zijne goederen hebben?
liet doel, dat men door dit amendement zou willen bereiken, zoude echter ook door art. 220 C. Nap. verijdeld zijn. Bij testament toch heeft de vrouw de machtiging des mans niet noodig, en zoude zij dus een vrij groot deel van haar vermogen aan anderen kunnen nalaten.
Nog zij liet mij veroorloofd eenige opmerkingen te maken naar aanleiding van de redactie van art. 3 lid 3 en 4 van de wet van '93, in verband met andere artt.
Het derde lid van art 3 komt mij voor in strijd
te zijn met de verdere bewoordingen van dat art.
Vergelijken wij art. 3 lid 3 met art. 3 lid 5, lt;lan zien wij. dat scheiding van tafel en bed scheiding van goederen ten gevolge heeft, doch tevens dat verzoo ning, die de scheiding van tafel en bed doet ophouden, evenzeer scheiding van goederen ten gevolde heeft.
Dit lid 3 hangt ten nauwste samen met art. 144!) ('. Nap., waar in het derde lid aan de vrouw de verplichting wordt opgelegd machtiging te vragen voor het \ervreemden haror onroerende goederen.
In strijd daarmede bepaalt art. 3 lid 4, dat de van tafel en bed gescheiden vrouw geen machtiging noodig heelt, aan welke laatste bepaling wij de voorkeur zullen moeten geven boven art. 1440 C. Nap. vooral als wij art. 0 der wet van '03 in het oog houden.
Door dit art. 0 hoeft de wetgever zich zeiven veel moeite en last bespaard, doch de taak van den uillegger geenszins vergemakkelijkt.
Het zoude de duidelijkheid zeer bevorderd hebben, indien de wetgever bij de invoering der wet van quot;03 in art. 1440 C. Nap. eenige wijzigingen gebracht
78
had. zooals ile Senaat dat in zijn eerste ontwerp beoogde (,T. 011'. du 28 janvier. — Sénat. p. 115).
Mij komt het voor, dat men de redactie der wet zonde verbeterd hebben, door art. 1440 lid 3 C. Nap. te doen vervallen.
Deze bepaling toeh is overbodig, daar art. 21/ reeds hierin voorziet, en op deze wijze zonde bovendien de strijd tusscben art. 1440 C. Nap. en art. 3 lid 4 der wet '03 ophouden. Ook zonde men het eerste lid van art. 1440 C. Nap. m. i. beter tot deze redactie hebben gebracht: ;)la femme séparée de biens en reprend la libre administration.quot;
Waar toeh art. 3 lid 3 der wet '03 reeds naar ;irt. 1440 C. Nap. verwijst, behoeft dit art. wederkeerig niet de scheiding van tafel en bed te vermelden.
Systematisch zonde het, meen ik. beter geweest zijn, de uitzondering voor de scheiding van tafel en bed bij den regel in art. 217 C'. Nap. te plaatsen, ')
') Do ontwerper van een le B. B. W. volgde in a. 147 dezelfde redactie.
70
want in de atileeliiig van den Nap., die over do scheiding van talel en bed handelt, wordt oveii-gens niet van do gevolgen dier instelling gesproken, maar veeleer van do gronden on do procedure der sclioiding.
Dat de wetgever hij do invoering dezer wet niet om andere bepalingen dacht, hl ij kt onls nog biernit. dat art. 1304 t'. Nap. niet tegelijk werd aangevuld.
Aan bet einde van bet 2° lid van dit art. hadden do volgende woorden moeten toegevoegd worden: )ion dn jonr de la separation do corps.quot;
Daar de wet van '03 de machtiging voor de van talel on bed gescheiden vronw niet moor verplicbtond stelt, is bet niet moer dan consequent, do verjaring ook van 't oogenblik dor scheiding te doen loopen. want roden tot schorsing is er niet moor.
Desniettegenstaande is M. Srnvir.i.E in do Revue Criticpie Tomo XXU, nquot; 4. I803 do mooning toegedaan. dat zidk eono aanvulling van art. 3 nadeelig zonde werken.
8(1
«En ellet' zegt hij. «si la fciorno en agissant auparavant. avonait qu'elle a })iissé des actes au mépris de Fautorite maritale a une époque oü elle y était souinise, eet aveu pourrait rendre la reconciliation entre époux plus que probïématique quot;
Zeei' goed ecliter kan ik mij vereenigen inet de tegenweiqiingen van M. Tuiknot in de Revue Critique Tome XXII, n0 (3. 18!gt;3. In vele gevallen immers zal de handeling der vrouw aan den man bekend worden door de actie der tegenpartij, in welk geval het weglaten der bijvoeging niet baat.
Indien echter de vrouw er belang bij beeft, om de vordering tot nietigverklaring in te stellen, zal zij zich haasten dit terstond na de scheiding van tafel en bed te doen, onverschillig, of de verjaring loopt of niet. omdat zij dan niet moer bevreesd behoeft te zijn, den man te mishagen.
Hovendien, als wij nagaan, dat in Frankrijk hot aantal der verzoeningen slechts 2% bedraagt, mogen we toch alleen om die weinige gevallen art 1304 C. Nap, niet onveranderd laten.
SI
Alvorens van dit onderwerp af' te stappen wenscli ik nog eenige woorden naar aanleiding van ons Ontwerp '8() van een 1° i1gt;. T». W. te spreken.
Indien wij liet systeem van den ontwerper met dat van den Fransclien wetgever van '03 vergelijken, zien wij. dat beide tot hetzelfde resultaat komen: beide laten voor de van tafel en bed gescbeiden vrouw niet alleen de verpliclite maclitiging. maar ook de vertegenwoordiging door den man vervallen Zij bereiken dat resultaat evenwel langs gebeel verscbil-lende wegen.
Eiscbt todi de C. Nap. voor do gebnwde vrouw de maclitiging van baren echtgenoot voor alle verbintenissen (art. 217 C. Nap), de ontwerper beeft hier art. IG3 P.. W., dat eene zuivere navolging van art. '217 O. Nap. was. niet nagevolgd.
Hij is van een ander systeem uitgegaan, en wel. zooals de Mom. van ïoel. ad art. '14/ zegt. een tusscbensystcem. dat nóch de volkomen onbekwaamheid der vrouw aanneemt, evenals art. 217 C. Nap.,
art. '163 B. W. en § -1(»38 van het Saks. Wetb..
6
82
nóch do gehuwde vrouw geheel met do ongehuwde gelijk stelt
Het ontwerp eischt machtiging voor de gehuwde vrouw alleen in die gevallen, waarin het belang van het huisgezin het medebrengt, en die het in art. 147 opnoemt.
Art. 147 lid 1 »Indien geen scheiding van tafel en bed tiisschen de eehtgenooten bestaat, behoeft de vrouw de bewilliging van den man tot hot doen van schonkingen, tenzij de waarde in verhouding tot haar vermogen niet bovenmatig is; tot hot vervreemden ol hot bezwaren barer onroerende goederen; tot hot aangaan van geldleeningen en verbintenissen als borg; tot hot teek on on van handelspapier; alsmede tot hot aanvaarden van erfenissen, anders dan onder voorrecht van boedelbeschrijving.quot;
Daar nu echter door do scheiding van tafel en bod het huisgezin wordt opgeheven, zegt art. i47 zoor consequent, dat dan ook do grond tot machtiging vervalt.
liet Ontwei']) gaat dus veel vorder dan de wet '93,
83
want bolde lie Hen de verplichte inaclitiging voor de van tafel en bed gescheiden vrouw op, maar het ontwerp beperkt zells die machtiging gedurende het hnwelijk : in plaats van zooals in art. 217 ('. Nap. tot elke verbintenis autorisatie noodig te achten, stelt het zich tevreden, ze slechts voor enkele in art. 147 genoemde handelingen te eischen. »die voor do tegenwoordige en toekomstige belangen van het gezin van beteekenis zijn knnnenquot;. zegt de Mem. van Toe], ad art. 147
Ook de Dnitsche ontwerper van oen 11 W. heeft in 1277 over dit onderworp eeno regeling gemaakt.
Als de vrouw zich namelijk tot eene door haar persoonlijk te verrichten handeling verbindt, heeft ze machtiging noodig. en hij gebreke daarvan heeft de man een vordering tot nietigverklaring.
gt;5 1277 lid 4 zegt echter: »Solange die liiinsliclie Gomeinscliaft der Ehogatton anfgeiioben ist. kann lt;]as Anfecbtnngsreclit nicht ansgonht werden.quot;
Is deze bepaling te billijken, als men bedenkt, dat gedurende de scheiding van tafel en bed do man door
Side vervulling der verbintenis niet geschaad wordt, tiaar de huwelijksgemeenschap onthouden is, toch komt zij mij wellicht minder gewenscht voor. Er wordt namelijk niet gezegd, dat de vronw gedurende scheiding van tafel en bed geen machtiging van den man meer behoeft, maar alleen, dat de man geen vordering tot nietigverklaring mag instellen. Zoodra dus de echt-genooten verzoend zijn, zal hij al do handelingen in ^ 1277 vermeld, en door de vronw gedurende de scheiding verricht, kunnen doen nietig verklaren.
ITet gevolg zal zijn, dat de derden bedrogen uitkomen, en dat dc echtgenooten zich alleen zullen verzoenen, om den man in de gelegenheid te stellen, de handelingen der vrouw te doen vernietigen.
HOOFDSTUK l\
Verzoening.
OJschooii do wet vim '93 zoodanige verandering in de regeling der scheiding van tal'el en bed brengt, dat M' veie gevolgen met de echtseheiding gemeen heelt, blijven toch nog ingrijpende verschillen tusschen deze twee instellingen bestaan.
Een deiquot; voornaamste is wel gelegen in de bepaling, waarbij de wetgever voor de van tafel en bed geseheiden eehtgenooten de mogelijkheid van verzoening openstelt.
Vóór 1803 bevatte do C. Nap. slechts één art. daarover, nl. art. 1451. Deze bepaling echter slaat alleen
80
op ile vui'zucaiug, vooi' zoovel* betreft hut vermogen der eolitgenooten, daar zij melding maakt van de scominunautóquot; (zie art. 1451 lid 1) en bovendien in den 5lt;-len Titel van bet Boek eene plaats heeft gevonden, welke titel alleen over de vermogensrechtelijke gevolgen van bet huwelijk handelt.
Ofschoon zulks dus niet uitdrukkelijk bepaald was. nam men echter de herleving der verplichting tot samenwoning door de verzoening stilzwijgend aan.
Vóór de wet van '03 werd dus door de verzoening de vorige toestand geheel hersteld, zoowel ten opzichte van het vermogen, doordat de buwelijksche voorwaarden volgens art. 4451 lid 4 C. Nap. niet mochten veranderd worden, als ten opzichte van de verplichting tot samenwoning.
Zien wij nu welke ingrijpende veranderingen art. 3 lid 5 der wet '93 in dit systeem gebracht heeft.
Deze bepaling is aldus geredigeerd:
wS'il y a cessation de la separation de corps par la reconciliation des époux. la eapacité de la femme est modiliée pour l'avenir et reglée par les dispositions
87
ile J'art. lii'J. Ccttc i nodi I i cation n'est op[»usable aux tiers, que si la re[»riso tie la vie eoiumune a cté cou-statce par acte, passé devant iiotaii'e avec minute, dout Lin extrait devra être al'lielié en la forme indiquée [)ar I'art. 1445 et de plus par la mention en marge: 1quot; de I'acte de mariage; 2quot; du jugement on de I'arivl qui a prononcó la separation, et enlin [iar la publication en extrait dans l'iiu des journaux du département, recevant les [ndjlications légales.quot;
Zooals men ziet is het vooral de eerste zinsnede van dit art., die belang rijk den toestand wijzigt, en dat wel zonder dat deze bepaling in den Senaat of in de Chambre des Députés de aandacht mocht tot zich trekken.
Onderstellen wij nu het geval, dat een van tafel en bed gescheiden vrouw later is verzoend met haren echtgenoot. Wat is nu haar toestand.' Wij moeten volgens de wet '03 art. 1449 C. Nap. 0[) haar toepassen: die vrouw zal dus in de daarbij bedoelde gevallen wederom de machtiging en vertegenwoordiging van haren man uoodig hebben, die zij gedurende de scheiding kon missen.
88
Vim ilcii anderen kant zal zij liet beheer liaiei goederen weder terug krijgen.
Wij koenen dus tot deze conclusie, dat do toestand van zulk eene vrouw dezellde is. als die van de vrouw-na scheiding van goederen.
Ziedaar eene zonderlinge bepaling, die geheel in strijd is met verschillende andere artt. van don C. Nap.
De wetgever is hier, zooals bovendien blijkt uit de debatten in den Senaat op '27 Jan. '87, van het denkbeeld uitgegaan, dat de verzoening na scheiding van tafel en bed alleen de verplicliting tot samenwoning doet herleven.
Willen nu de echtgenooten bovendien den toestand, zooals hij gedurende hot huwelijk was, hersteld zien. zoo moeten zij zich andermaal verzoenen, althans bij notarieele akte wederom de ünanüeele gevolgen regelen.
Bij de eerste verzoening komen zij dus tot don toestand van scheiding van goederen (dien zij voor zich misschien allerminst wenschen) en, nadat zij zich krachtens art. 1451 C. Nap. nogmaals verzoend hebben en wederom al de daar gevorderde vertragende lor-
89
miilitoiten hebheii vervuld, hcreikou zij eindelijk het verlangde resultaat.
Zulk ceue regeling zal het aantal der verzóeiüngeii. dat toeh reeds niet groot is, niet vermeerderen.
I ïovendien is deze alinea in strijd niet art. 1305 G. Nap. Volgens dat art. mogen de huwelijksehe voorwaarden niet veranderd worden na het huwelijk. In verband daarmede bepaalt art. 1 i-gt; 1 laatste lid C. Nap. nog (,'ens uitdridlt;kelijk, dat na de verzoening de toestand ten opzichte van het vermogen dezelfde moet zijn, als vóór de scheiding, en nu zegt art. -i lid 5, dat per se scheiding van goederen zal bestaan blijven!
Uierbij komt nog, dat door deze redactie de eclit-genooten tot den toestand van scheiding van goederen kunnen komen, zonder dat voor die scheiding één der in art. IMo ('. Nap. opgenoemde redenen aanwezig is.
Zij behoeven dan slechts scheiding van tafel en bed te vragen en zich daarop te verzoenen om hun doel te bereiken. Nu de wetgever deze bepaling heeft
90
opgeiiomou, liiul hij ilan ouk in. i. ile i'eileueu tot ding van goederen zeer wel kuuuua vermeer»leren met de gronden tot scliei»liiig van tiitel eu be»l.
Toch lieel't de wetgever blijkbaar zulk eene ver-moerdering niet gowild.
Hoe zal men art. 3 lid 5 eerste zinsnede der wet '93 in verband met liet reeds bestaande art. 1451 Nap. moeten interpreteeren !
Al. Bonnet meent in bet Journal »lii Notariat van Ki Febr. '93, dat aan de vrouw bier de keus tussehen de beide artikelen openstaat.
Ik meen dit te mogen betwijlelen, daar geen uit-ilrukkelijke wetsbepaling aan de vrouw biertoe liet reebt quot;eelt.
O
Veeleer zoude ik meenen, dat men aan art. 3 lid 5 der wet '93 de voorkeur moet geven volgens den regel: ))l»;x posterior derogat prioriquot; en ook wegens art. lt;) der wet '93.
De duidelijkbeid zoude eeliter zeer zeker bevorderd zijn, indien lt;le wetgever zieb de moeite gegeven liad
91
bij (Ie iuvuering der wet vau 'Uo oi»k in art. 1451 C. Nap. vci'aiidüiing te brengen.
Zoo gelooi' ik, dut de volgende redactie van art. 1451 lid I C. Nap. zeker liet bovengenoemde bezwaar zoude hebben weggenoinen:
Art. 1451 lid I: »La eoiurnunauté diysoute |iaj' la separation de biens peut être i'établie du consente-ment des deux parties.''
In de laatste zinsnede van art. 3 lid 5 dezer wet maakte de Fransche wetgever eene nieuwe bepaling ten opzichte van de bekendmaking der verzoening. De reden dezer bepaling is niet moeielijk te gissen. Nu toch aan de van tafel en bed gescheiden vrouw de verplichting om zich te doen machtigen niet meer wordt opgelegd, is het begrijpelijk, dat de wetgever aan de verzoening, die de vrouw in dat opzicht weder aan den man onderwerpt, zooveel mogelijk publiciteit wil geven, ten einde derden op Imnne hoede te doen zijn. Dit belet echter niet, dat het in. i zeker goed te keuren zoude zijn geweest, indien
op de VLU'zotming, vour zoover betreft hut vermogen der eclitgenooten, daar zij molding maakt van de «commumuitequot; (zie art. l i-51 lid i) en bovendien in den ö^en Titel van het 3do JJoek eene plaats heeft gevonden, welke titel alleen over de vermogensrechtelijke gevolgen van het luiwelijk handelt.
Ofschoon zulks dus niet uitdrukkelijk bepaald was. nam men echter de herleving der verplichting tot samenwoning door de verzoening stilzwijgend aan.
Vóór de wet van '93 werd dus door de verzoening de vorige toestand geheel hersteld, zoowel ten opzichte van het vermogen, doordat de huwelijksche voorwaarden volgens art. 1451 lid 4 Nap. niet mochten veranderd worden, als ten opzichte van de verplichting tot samenwoning.
Zien wij nu welke ingrijpende veranderingen art. o lid 5 der wet '93 in dit systeem gebracht heeft.
Deze bepaling is aldus geredigeerd:
«S il y a cessation de la separation de corps par la reconciliation des époux. la eapacité de la femme est modiliée pour l'avenir et reglée par les dispositions
87
ile l art. 1 ii'J. Cuttc laudiliciitiou n'est opposable uiix tiers, «]iie si la. reprise cle la vie ooinmuuo a óté cou-statée par acte, passé de va ut uotairo a vee minute, dont uu e.vti'ait devra être alliehé en la fonne indiquce pai- l'art. 1445 et de plus par la mention en marge; iquot; de l'aete de mariage; 2quot; da jugement ou de l'arrèt qui a prononcé la separation, et enfin [)ar la publication en extrait dans l'un des journaux du département, reeevant les publications légales.quot;
Zooals men /.iet is het vooral de eerste zinsnede van dit art., die belangrijk den toestand wijzigt, en dat wel zonder dat deze bepaling in den Senaat of in de Cliambre des Députés de aandacht mocht tot zich trekken.
Onderstellen wij nu het geval, dat een van tafel en bed gescheiden vrouw later is verzoend met haren echtgenoot. Wat is nu haar toestand ? Wij moeten volgens de wet '03 art. 1449 C'. Nap. op haar toepassen : die vrouw zal dus in de daarbij bedoelde gevallen wederom de machtiging en vertegenwoordiging van haren man noodig hebben, die zij gedurende de scheiding kon missen.
88
Vuii den anderen kant zal zij liet beheer haiei goederen weder terug krijgen.
Wij komen dus tut deze eoneiusie, dat de toestand van zulk eene vrouw dezelfde is. als die van de vrouw na scheiding van goederen.
Ziedaar eene zonderlinge bepaling, die geheel in strijd is met verschillende andere artt. van den C. Nap.
De wetgever is hier, zooals bovendien blijkt uit de debatten in den Senaat op 27 Jan. 87, van het denkbeeld uitgegaan, dat de verzoening na scheiding van talel en bed alleen de verplichting, tot samenwoning
doet herleven.
Willen nu de echtgenooten bovendien den toestand, zooals hij gedurende liet huwelijk was. hersteld zien, zoo moeten zij zich andermaal verzoenen, althans bij uotarieele akte wederom de linantieele gevolgen regelen.
Bij de eerste verzoening komen zij dus tot den toestand van scheiding van goederen (dien zij voor zich misschien allerminst wenschen) en, nadat zij zich krachtens art. 1451 C. Nap. nogmaals verzoend hebben en wederom al de daar gevorderde vertragende lor-
inalitoiton liebtioii vervuld, hereilvon zij eindelijk liet verlangde resultaat.
Zulk eene regeling zal liet aantal der verzooningeu. dat toch reeds niet groot is, niet vermeerderen.
Bovendien is deze alinea in strijd met art. 1305 G. Nap. Volgens dat art. mogen de liuwelijksche voorwaarden niet veranderd worden na het huwelijk. In verband daarmede bepaalt art. 1451 laatste lid ( . Nap. nog eens uitdrukkelijk, dat na de verzoening do toestand ten opzichte van het vermogen dezelide moet zijn, als vóór de scheiding, en nu zegt art. .1 lid 5, dat per se scheiding van goederen zal bestaan blijven!
Hierbij komt nog, dat door deze redactie de echt-genooten tot den toestand van scheiding van goederen kunnen komen, zonder dat voor die scheiding één der in art. 1443 Nap. opgenoemde redenen aanwezig is.
Zij behoeven dan slechts scheiding van tafel en bed te vragen en zich daarop te verzoenen om inui doel te bereiken. Nu de wetgever deze bepaling heei't
90
opgeiiunuui. had liij dan ook in. j. de redfiieutot .schei-i ling van goederen zeer wel kuimen vermeerdei'eii met de gronden tot scheiding van Intel en bed.
Tuch heelt de wetgever blijkbaar znlk eene vermeerdering niet gewild.
I loo zal men art. 3 lid 5 eerste zinsnodo dor wet 9o in verband met bet roods bestaande art. 1451 ('. Nap. moeten intorpretooren .'
M. 1)ONXi:t meent in hot Journal du Notariat van 1() I'ebr. '03, dat aan de vrouw bier de keus tusselien de beide artikelen openstaat.
Ik meen dit te mogen betwij leien, daar geen uitdrukkelijke wetsbepaling aan de vrouw hiertoe bet recht geelt.
Veeleer zoude ik inoonen, dat men aan art. 3 lid 5 der wet '03 do voorkeur moet «•oven volgens den
O O
regel: «lex posterior derogat prioriquot; en ook wegens art. (» der wet '03.
De duidelijkheid zoude echter zeer zeker bevorderd zijn, indien de wetgever zich de moeite gegeven bad
91
liij de iavoeriug wet van '!lo uuk in ail. 1151 C. Nap. vei'aiidei'lnii tt' brengen.
Zoo geloof ik, dat de volgende ledaetle van art. 1451 lid I C'. Nap. zeker het bovengenoemde bezwaar zoude hebben weggeuomen:
Art. 1451 lid !: «La cominunauté dissou te par ia separation de bleny peut être rótablie du eonsente-inent des deux parties.''
iu de laatste zinsnede van art. 3 lid 5 dezer wet maakte de Fransdie wetgever eene nieuwe bepaling ten opzlehte van de bekendmaking der verzoening. De reden dezer bepaling is niet moelelljk te gissen. Nu toch aan de van tafel en bed gesehelden vrouw de verplichting om zich te doen machtigen niet meer wordt opgelegd, is het begrijpelijk, dat de wetgever aan de verzoening, die de vrouw in dat opzicht weder aan den man onderwerpt, zooveel mogelijk publiciteit wil geven, ten einde derden op hunne hoede te doen zijn. Dit belet echter niet, dat het m. i zeker goed te keuren zoude zijn geweest, indien
92
de wetgever de bekendmaking in de dagbladen ook tut art. 1445 C. Nap. bad uitgebreid. Daar bij echter, zooals ook uit vroegere bepalingen blijkt, weinig acht schijnt gegeven te hebben op de overige bepalingen in den 1'. Nap., is ook dit niet te vei-wonderen.
Art. 311 lid 5 is ook in dit opzicht eene verbetering, dat, terwijl volgens art. 1451 C. Nap. de verzoening' gepaard moest gaan van eene authentieke acte, nu zoodanige acte, waardoor de verzoening slechts belemmerd werd, niet vereischt wordt. Wel wordt eene authentieke acte voor de bekendmaking vereischt, evenals in liet Ontwerp '8G van een 1quot; 1!. Pgt;. W., zooals wij bier beneden zien zullen.
Behandelen wij ten slotte nog de bepalingen over dit onderwerp in het Ontwerp '80 van een leü- Ij. Naliet Ontwerp heelt zich in dezen hoofdzakelijk aan liet systeem van het I!. W. gehouden. Echter heelt men de oude bepalingen verduidelijkt, door het kei1-teeken der verzoening te stellen in de samenwoning
98
Ook vroeger reeds wei'd door vele scbrijvors ) de samenwoning als een vermoeden van verzoening aan-genomen naar analogie van art. 271 lid 2 li. W.. doch nu wordt in liet Ontwerp samenwoning zelfs tot een vereischte voor verzoening gesteld. Immers verzoening zonder samenwoning is niet wel denkbaar, en iiot tegenovergestelde is natnnrlijk onmogelijk.
Tiovendien heeft het Ontwerp in art. 281 eene vcr-betering ingevoerd, door met afwijking van art. ÜOi lgt;. W. oene notarieole acte voor de bekendmaking der verzoening te eischen. Vroeger toch moest oene geheel vonnlooze verklaring van verzoening, door de echtgenooton op te maken, pnl)liek getnankt worden.
') P.ijv, Asser on vak Hki sde F, blz. 313.
HOOFDSTUK V
Artikelen 5 en lt;J
Art. üi présente loi s'appliquo aux separations tie corps prononcóes on lt;1 oman'iócs avant sa pvoitiulgation.
Deze hepalina' werd doov de Clianibro dos Deputes op voorstel liarcr commissie don i8lt;len Juni '02 aan-nenomen on later ook dooi- don Senaat goedgekeurd, ecliter niet zonder dat in die vergadering op het overbodige van do woorden; »011 demander' gcwoz.cn werd, daar immers, als de wet '03 reeds op de uitgesproken scheidingen toepasselijk is. zij dit a fortiori zijn moot op do nog niet nitgesproken, doch gevorderde scheidingen. Zoude men evenwel tegen deze laatste bewering niets kunnen aanvoeren
05
Als art. 5 alleen inhondt. dat de wetopdeuitiiesproken scheidingen toepasselijk' is. heeft de wetgever natimrlijk alleen het oog op de gevolgen der scheiding, die in deze wet verandering ondergaan (hijv. art. I en art. 3). daar het proces reeds is afgeloopen.
l)c wetgever kan dus niet het oog liehhen gehad op eene toepassing van de in art. 4 veranderde procedure in appel.
Indien de wetgever dus de bedoelde woorden niet aan het art. had toegevoegd, zonde dit wellicht tot de interpretatie hebben kunnen leiden, dat art. \ niet toepasselijk zon zijn op aanhangige gedingen.
Deze twijfel nu is door de bestaande redactie vermeden.
Daar art. .quot;gt; alleen de scheiding van tafel en bed vermeldt, mag men aan art. 2 dezer wet geen terugwerkende kracht toekennen.
Of het niet vermelden van art. 2 hier aan de onnauwkeurigheid van den wetgever te wijten is. dan wel of' dit met opzet geschiedde, zal moeilijk te be-
96
slissen zijn. Dit staat vast, dat naar aanleiding van deze quaestie niet beraadslaagd werd.
Hoe dit ook zij. zeer zeker is het dunkt mij beter,
dat art. 2 evenals nu geen terugwerkende kracht heelt.
h, het tegenovergestelde geval toch zouden den (jden Febr. Ti3 alle vrouwen, die gescheiden waren, don naam van haren man verliezen. Dit zoude veel verwarring geven, die bovendien nog zou vermeerderen, als wij bedenken, dat die naamsverandering volstrekt mot wordt bekend gemaakt, liet vonnis van echt-scheiding, dat alleen derden van die verandering op de hoogte kan brengen, is reeds lang bekend
gemaak t.
Wij zonden ons naar aanleiding van dit art. ook nog deze vraag kunnen stcllon. die waarschijnlijk door de jurisprudentie zal beslist worden.
Indien de van tafel en bed gescheiden vrouw zich vóór het in werking treden der wet van G Febr. '03 zonder machtiging van den man verbindt, mag dan de man na dat tijdstip nog eene rechtsvordering tot
nietigvevklaring instellen ? m. a. w. bedoelt art. 5 dat de wet van '0Pgt; ook de verplichting tot machtiging opheft voor handelingen, die reeds verricht zijn vóór 0 Febr. '93, of bedoelt dat art. alleen echtgenooten, die vroeger gescheiden waren, in de toekomst de voordeeion dier wet te laten genieten'!
Mij dunkt, dat men de laatste vraag bevestigend zal moeten beantwoorden. Indien de scheiding vóór bet in werking treden iler wet van 0 Febr. '93 heeft plaats gehad, blijft de behoefte aan machtiging voor de vrouw bestaan, en heeft de man zijnerzijds het recht verworven, om eene actie tot nietigverklaring in te stellen.
Daar wij nu als algemeenen regel moeten aannemen, dat verkregen rechten worden geëerbiedigd, meen ik, dat men den man zijne vordering na '03 zal moeten laten behouden, daar immers art. 5 niet hot tegendeel bepaalt, maar veeleer de zaak onbeslist laat.
Ook het volgende schijnt mij toe een argument voor het bovengemelde te zijn. Onderstellen wij, dat de rollen omgekeerd waren, en dat dus de onder bet
OS
vroegere reclit van tafel en bed gescheiden vrouw (jeen raaciitiging van den man noodig had, terwijl dit thans wel het geval was.
Heelt de vrouw nu bedoelde handelingen zonder machtiging verricht, dan zal. ook bij liet bestaan van een art. als art. 5, niemand aan den man liet recht toekennen, om na invoering der nieuwe wet. eene vordering tot nietigverklaring der vóór '03 door de vrouw verrichte handelingen in te stellen. Men zoude op deze wijze immers op het reeds verkregen recht der vrouw inbreuk maken?
Welnu, hetzellde schijnt mij too in het eerste door mij genoemde geval te gelden.
Art. 5 komt mij voor ook bezwaren op te leveren, indien wij het in verband brengen met art. 3 lid 5.
Stellen wij ons voor, dat de verzoening vóór het in werking treden dezer wet heeft plaats gehad; deecht-genooten zullen natuurlijk, nu zij het wederom mot elkander eens zijn, en hun vermogenstoestand krachtens art. 1451 C. Nap. dezelfde is als vóór de schei-
00
'ling, ongaarne aan die scheiding berinneid word'en.
Thans bindt hen echter art. ?gt; lid 5 dezer wet. Hun vermogenstoestand verandert plotseling, en zonder de minste aanleiding worden zij verplaatst in een toestand van scheiding van goederen, terwijl bovendien nog him verzoening in dagbladen moet bekend gemaakt worden, indien zij willen, dat zij tegen derden van werking zij.
Art. (i. Les dispositions contraires a la présente lol sont abrogées.
Dit is een middel, dat door den Franschen wetgever reeds meermalen werd te baat genomen, en zeker niet van zijne namvkeurigheid getuigt. In plaats toch van artikelen als art. 1449 en art. 1451 C. Nap in overeenstemming te brengen met de nieuwe bepalingen, vergenoegt de wetgever zich, hier in 't algemeen alles, wat tegenstrijdig is, af te schaften.
Indien echter de wetgever langen tijd dit systeem blijft volgen, zullen er weinig artikelen in den ('. Nap. gevonden worden, waarvan niet een gedeelte reeds is afgeschaft, terwijl tóch de tekst onveranderd is blijven staan.
100
Een juiste kennis van die door afzonderlijke wetten later aangebrachte wijzigingen zal dan meer dan ooit te pas komen, daar dit een groote factor zal worden bij de uitlegging van den C. Nap.
.Bovendien, zal de tegenstrijdigheid der artikelen, die in de jurisprudentie en praktijk tot veel verschil van meening aanleiding geven zal, de rechtsonzekerheid nog belangrijk doen toenemen.
TEKST DER WET VAX ü EEÜIl. 1893.
Loi portant moditieatioiis au régime de la separation de corps.
Art. Ier. L'art. dn Code civil est cumpiété aiiisi qu'il suit:
))La femme séparée de corps cesse d'avoir pour domicile legal le domicile de son mari.
«Néanmoins, toutc signilication faite a la femme séparée en matière de questions d'état, devra également être adressée au mari, a peine de uullité.quot;
2, L'art. 2Ü9 du Code civil est compléte ainsi qu'il suit:
»Par l'ellet du divorce, chacun des époux rep rend l'usage de son nom.quot;
102
IVart. 311 lt;lu Code civil est remplucó [)ai- les dispositions suivaiites;
))Ai't. 311. Lo jugeraent, ([ui prononceki separation de corps ou un jngement postérieui' peut in tordire a la i'ernme de porter le nom de son niari, ou l'auto-risor a ne pas lo porter. Dans le cas ou ie mari aurait joint a son nom le nom de sa femme, cello-ei pourra égaloraent demander ipi'ii soit interdit au mari de le porter.
«La separation do corps omporte toujours la separation de biens.
Ello a, en outre, pour olï'et de rend re a la femme lo plein exereice do sa capacitó civile, sans qu elle ait besoiu de recourir a I'autorisation do son mari ou do justice.
sS'il y a cessation tie la separation do corps par la réconciiation des ópoux, la capacitó de la femme est modiliée pour 1'avenir et régléo par los (Us[)Ositions de Tart. H49. Getto modilication n'ost opposco aux tiers (pie si la reprise de la vie commune a étó constatée par acte passé devant uotaire
103
;ivec minute, dont un extrait dovra rtre id'liché en la forme iudiquóe par i'art. Iii5, et de plus par la mention en marge: 1quot; de l'acte de mariage; 2° du jugement ou de l'arrêt qui a prononcé la separation, et eulin par la publieation en extrait dans I'liii des journaux du département recevant les publications légalès.quot;
i. Handelt over de pi'ocedure en werd door mij niet behandeld.
5. La présente lui s'ajiplique aux scpai-ations de cor[ts pronoueees ou demandées avant sa promulgation.
O. I,es dispositions eontraii'es a la [)réseute loi sont al) rogces.
7. La présente loi est applicable aux colonies oil les dispositions du Code civil ci-dessus visées sont eu vigueur.
STELLINGEN.
STELLINGEN.
i
Tusscheu pei-suiieii. wier huwelijk na scheiding van tafel en beil is outhondeii, mag geen nieuw huwelijk plaats hebben.
11.
De erkenning van natuurlijke kinderen na het overlijden der moeder brengt wel verpliditingen, doch geene rechten van den erkennenden vader tegenover het kind te weeg.
108
111.
Af te keuren is de verplichting van den voogd tot hyputheek-stelling.
IV.
De verjaring behoorde niet door aanmaning gestuit te worden.
V.
Niet alleen de verzekering van de zijde van den verzekeraar, doch evenzeer de verzekering van de zijde van den verzekerde is oene daad van koophandel.
VI.
De verplichting tut lundsbezurging in art. 100 K. behoorde te vervallen.
VUL
Ook bij oneigenlijke rechtspraak is vertegenwoordiging door procureurs noodig.
100
VIII.
Onjuist is de opvatting van Windsciifjd, flat de Ij. f. possessor van een vruchtdragende zaak doorfnu-tuum perceptio slechts h. f. possessor van de vruchten zonde worden.
IX.
Art. 105 Weth. van Strafv. is nutteloos en hoven-dien ongewenscht.
X.
Bij ontdekking op hecterdaad van een misdrijf, waarop geene gevangenisstraf van vier jaren of meer is hedreigd, kunnen geene andere voorwerpen dan weggenomen goederen worden in heslag genomen.
XI.
In art. 55 Weth. van Strafr. wordt ten onrechte gesproken van: «een feitquot;.
110
XII.
De strafreclitevlijko verjaring berust niet op een dengdelijken ixrond.
XIII.
T)e burgemeester, die geen lid van den gemeenteraad is, heeft niet bet reebt in de vergadering van den raad voorstellen te doen.
XIV.
Kiesrecht-uitbreiding in den om vang van lietontwerp-Tak is geen eiscb van recht en is uit een oogpunt van staatsbelang af te keuren.
XV.
Art. 51 Gem.wet is als eene uitzondering te beschouwen op het tweede zoowel als op het derde lid van art. 50. niet slechts als eene uitzondering op het
derde lid van «lat art. W:uineer dus de stemmen staken over eone benoeming, moet dadelijk liet lot beslissen, en geen uitstel tot eene volgende vergadering plaats hebben.
XVI.
Tijdelijke besclierrning tot ontwikkeling van de volks-nijvei'lieid verdient op praktisrhe gronden arkeiirinu