-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

Arwi - ucfvk/i ^P'gt;'

Al, 0]\fZE B U ITquot;RjN 1 /AM) Sd HE KAME^VOGEL^.'

f' i -if

Igt;\ , \h

M i JiM ' ^

jsamp;t * *1 ^ V

J SgLii Jjjr W w\ ■■mv/

mÊjÊm/Utfr tfÏA m ' lt;^|

■ jkL ' \gt;aV /S^v

Wamp;W'i

/IFi^

V^*x Bff.' ••.quot; ïï ^r\

Ik ^ ■■ !^l!,

^mkamp;ÊÊSÊm v.v€ amp; viEa^wjr.*!» ' - .quot;

.-awil^-Uia Br^/TOiir PMli

quot;quot;'' llfff

A.GE.HOVER.

.-.i'r.-v-: ' r:.- -■ * ^■MWffiSTBBBIHSp

GEBR. VAN DER POST-UTRECHT BBr,,uï,er''cru,r

-ocr page 6-

BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT

3088 874 1

-ocr page 7-

/////. y

/

i1,

MEER DAN 100 SOORTEN VAN

!?arkieteri, pa pegaaierj, l?rac^t\?inkeri, V^eduWVinken, /e\?er\?ogels, Vinken, ^ardinaleq, enz.

IN HUKNE

KENMERKEN, LEEFWIJZE, VOORTTELING EN BEHANDELING GESCHETST

A. G. E. HOYER,

Hoofd eener Openbare School te Wehl. Onderwijzer ajd Rijks-Normaallessen ie Doetinchem.

UTRECHT

GEBE. VAN DER POST

1891.

-ocr page 8-

Wie een weerloos wezen aan zijne vrijheid en natuurlijke bestemming onttrekt, en ten eigen bate confiskeert, moet zich rekenschap geven van de plichten, die hij daarmede op zich neemt.

-ocr page 9-

VOORBERICHT.

De vele aanvragen om inlichtingen omtrent de leej-wijze enz. van de verschillende tropische vogels, deden mij besluiten, een hoekje samen te stellen over de bui-tenlandsche kamervogels, die tegenwoordig hoe langer hoe meer uit den vreemde worden ingevoerd en veel koopers vinden. Velen echter willen eerst eenen veilig en. gids hebben, die hen alles leert, wat bij de behandeling der vogels te pas komt, alvorens zij die dure zangertjes aanschaffen; voor hen vooral is mijn werkje bestemd!

Verder zul ieder, die deze vogels reeds bezit, stellig gaarne iets over hunne leefwijze, voortteling en behandeling vernemen, omdat men natuurlijk niet gaarne een vogel in de kooi heeft, waarvan men hoegenaamd niets weel. Vogels, die alleen in dierentuinen voorkomen, zijn niet behandeld.

Dit icerkje heeft dus de strekking, het genot te ver-hoogen, dat de fraaie vogels onzer tropen ons verschaf-

-ocr page 10-

VOORBERICHT.

fen en ze door eene juiste behandeling langen lijd in '/ leven te houden.

Bij de samenstelling heb ik van de beste bronnen gebruik gemaakt, o. a. vnn „Die fremdlcindischen Stu-benvögelquot; van Dr. Carl Rnsz; terwijl ik zelf meermalen Artis en andere, verzamelingen bezocht heb. Be Heer W. Rorthals te Rotterdam had de goedheid, mij eene lijst te zenden met de namen van alle rogels, die Uier te lande in den handel voorkomen; behalve deze worden ook nog andere, vogels hier besproken.

Moge dit werkje veel lezers vinden.

A. G. E. HOYER.

Wehl bij Zevenaar Juli ISOl.

IV

-ocr page 11-

I :bT ZEI O TJ ID.

A. BESCHRIJVING, LEEFWIJZE, EN NESTBOUW. I. KLIMVOGELS.

Blz.

1. De papegaai vogels.........1

A. Parkieten.

2. De Grasparkiet.........5

3. De Roodrug- of Zangparkiet......7

4. De Groenstuit- of Rosellaparkiet.....S

5. De Oranje voorhoofd- of Halvemaanparkiet . . . 10

6. De kleine Alexander- of Halsbandedelparkiet . . 11

7. Eenige andere soorten van Parkieten . . 12

B. ArarcCs.

8. De groote geelvleugel Arara......16

9. Andere soorten van Arara's......17

C. Eigenlijke Papegaai eft. 10. De gewone Dwergpapegaai

18

-ocr page 12-

VI INHOUD.

Blz.

11. De Roodkop inséparabel Parkiet.....19

12. De Amazonen...... ... 20 ^

13. De grauwe of grijze Papegaai......24

14. De groote Vasa.........-85

D. LorVs.

15 De Lori's in quot;t algemeen.......26

16. De Roodbek Lori.........28

17. Eenige andere Lori's........29

E. Kakatoe's.

18. De Kakatoe's in 't algemeen......31

19. Eenige soorten van Kakatoe's......32

II ZANG- OF ROEST VOGELS.

1. De Vinkvogels..........35 ^

A. Prachtvinkeii.

2. De Prachtvinken in 't algemeen.....36

/. Astrildes.

3. Het Tijgervinkje.........39

4. Het grauwe St. Helena fazantje, Napoleontje, of

grijze Astrild.........41

5. Het St. Helena fazantje of de Astrilde .... 43 f). Het Oranjebekje of de Oranjewang . . . 44

7. Het Vuurvogeltje of de kleine roode Astrild . . 45

8. Eenige andere Astrildes.......46

II. AmadincCs.

9. Het Band vogeltje of de Band vink.....49

10. De Rijstvogel..........50

11. De Monnikskap-Amadina of kleine Afrik-Ekstervink 51

-ocr page 13-

INHOUD.

VII

Blz.

12.

Het Zilverliekje.....

52

13.

De Muskaatvogel . .......

53

14.

Het Nonnetje, het Witkop-jacobijntje of de Maja

54

15.

De Zebra- of Bruinoorvink......

55

16.

Het Diamantvogeltje......

56

17.

Eenige andere Amadina's......

58

B. Widcivinken of Wedtnuen.

18.

De Weduwen in 't algemeen.....

61

19.

Eenige soorten van Weeuwtjes ....

63

C. Wevervogels

20.

De Wevervogels in 't algemeen ...

05

21.

Eenige soorten van Wevervogels ....

68

D. Vinken.

22.

De Vinken in 't algemeen......

72

23.

De grijze Afrika-zanger......

73

21.

De gele Zanger of Geelvoorhoofdvink .

74

25.

De Amerikaansche distelvink of het Goudsijsje .

75

26.

75

27.

Eenige andere Vinken.....

76

E. Kernbijters.

28.

De Kernbijters in 't algemeen.....

81

29.

De roode of gewone Kardinaal......

81

80.

Eenige andere Kernbijters ....

82

F. Insektenetende Zangvogels.

31.

De Spotlijster.....

83

32.

Andere Insektenetende Zangvogels . . . .

85

33.

De Tangara's ....

88

-ocr page 14-

INHOUD.

Blz.

B. VERZORGING, VOORTTELING, ENZ.

1. Voedsel voor de verschillende vogels. Versnaperingen U2

2. Verzorging en oppassing.......97

3. Praten en fluiten leeren.......IU1

4. Het ruien...........102

5. Het slaan of zingen bij kunstlicht.....103

6. De ziekten der vogels........104

7. Meelwormen en mierenpoppen......lO'J

Aanhangsel.

1. Nog iets over 't broeden van parkieten . .110

2. Voedsel voor Insekteneters. Hunne kooi . .113

3. De Chineesche kwartel.......113

VIII

-ocr page 15-

A. BESCHRIJVING, LEEFWIJZE EX NESÏBOUW.

De prachtige vogels, die thans algemeen uit de tropen hier worden ingevoerd, behooren tot één dei-beide volgende orden :

1. Klimvogels. 2. Zangvogels, Wij beginnen met de eerste orde.

I. Klim-vog^els.

1. De Papegaaiyogels. (PsUtaci).

De vogels dezer orde hebben slechts één gemeenschappelijk kenmerk: de klimvoeten (twee vóór- en twee achterteen en). Overigens bieden zij veel verschil in vormen aan, zooals ons blijkt uit de familiën, waarin men ze verdeeld heeft. Deze zijn de spechten en de koekoeken, die ook in ons land voorkomen, alsmede de papegaaivogels en de toekans of pepervreters, welke in de heete gewesten thuis behooren.

De papegaaien worden gehouden zoowel wegens hun prachtig gevederte als om de eigenschap van uiterst

'1

-ocr page 16-

2

gemakkelijk te leeren spreken. De kleinere soorten leeren zelfs het gezang van andere vogels meesterlijk nabootsen.

Hoewel de meer dan 450 soorten onderling heel wat verschillen in grootte en in kleur, zal niemand toch ooit in twijfel geraken, of hij een papegaai voor zich heeft: de zeer dikke, korte, gekromde snavel en de vleezige tong, die als tastorgaan dient, zijn te opvallend om over 't hoofd te worden gezien.

Hun voedsel bestaat hoofdzakelijk uit vruchten en maïs; zij eten echter ook gaarne honig, stuifmeel, boomknoppen en zelfs insekten; misschien gebruiken zij ook zoogdieren en vogels tot voedsel, daar de meeste papegaaien in de gevangenschap een groote voorliefde voor vleesch aan den dag leggen. Vooral peuzelen zij gaarne zoete amandelen op, die zij zeer zorgvuldig pellen en met een der pooten naar den bek brengen. Buiten den paartijd leven zij in troepen van 40 tot 50 stuks en strijken dan neer in verschillende aanplantingen, waar zij heel wat schade kunnen aanrichten. Overigens houden zij hun verblijf in de bos-schen: het zijn echte klauteraars, die van tak tot tak voortwerken, waarbij zij zich zoowel van hun snavel bedienen, als van hun stevige pooten, die van sterke, spitse klauwen voorzien zijn. Zij worden geducht vervolgd; door ondervinding wijs geworden, zijn zij er misschien toe gekomen, om wachten uit te zetten; gewoonlijk zijn dit oude individuen met reeds heel wat levenswijsheid, die zich in een hoogen boom neerzetten. Dreigt er gevaar, dan laten zij een eigenaar-

-ocr page 17-

3

digen schreeuw hooren, waarop de geheele troep onmiddellijk op de vlucht slaat. Niet zoodra echter is het gevaar geweken, of de roovers komen weer opdagen, om hunne dieverijen voort te zetten. Hebben zij genoeg geplunderd, dan begeven zij zich naar een riviertje, om te drinken of te baden : voor water zijn zij niet bang, daar zij zich dikwijls laten nat regenen, 's Nachts zoeken zij een hollen boom, waar de meeste een schuilplaats vinden; wie er niet in kan, blijft eenvoudig dicht bij de opening zitten, en hecht zich met pooten en snavel aan den bast. Dikwijls laten zij een groot geschreeuw hooren, hetgeen al heel leelijk afsteekt bij hun prachtig gevederte.

De zintuigen zijn flink en gelijkmatig ontwikkeld. In vele karaktertrekken komen zij niet de zoogdieren overeen en heeten daarom wel eens de apen onder de vogels of bevederde apen. Zij leggen buitengewoon veel humor aan den dag. Evenals de apen zijn zij tot kortswijl geneigd, doch slaan van de uiterste vroolijk-heid dikwijls tot den hevigsten toorn over; ook trachten zij de bewegingen van andere dieren na te bootsen, hetgeen echter niet altijd gelukt. Des te beter slagen zij in het naspreken van allerlei woorden. Niet alleen woorden, die men hen opzettelijk leert, maar ook uitdrukkingen, die zij bij toeval opvangen, worden goed onthouden en dikwijls zeer te pas ten gehoore gebracht, zoo zelfs, dat sommigen meenen, dat zij de uitdrukkingen verstaan, waaraan echter door anderen ten zeerste wordt getwijfeld. Natuurlijk is het verschil in verstand bij de verschillende individuen zeer groot.

-ocr page 18-

4

zoodat men ook zeer ilonime er onder vindt, naast andere, die hoogst schrander zijn. Zij zijn onderling zeer aan elkaar gehecht. Ook zijn er voorbeelden, dat zij hardnekkig alle voedsel weigerden, als hun meester stierf, wanneer deze hen namelijk goed behandeld had !

Het nest wordt in holten van hooge boomen gebouwd, soms ook in spleten en holten van rotsen; de broedplaats doet herhaaldelijk dienst. Ook in de gevangenschap nesten zij in holten. De eieren zijn glanzig tó. De Jongen komen naakt ter wereld en zijn in 't eerst donkerder dan de ouden; reeds na één jaar zijn zij volwassen, hoewel enkele een leeftijd van 100 tot 150 jaar bereiken: maar het duurt dan ook zeer lang, vóór zij zich voortplanten en eieren leggen: soms eerst in 't zesde tot tiende levensjaar. De papegaaien worden in hun vaderland sterk vervolgd, zoowel om de vele dieverijen en plunderijen, waaraan zij zich schuldig maken, als om de bontgekleurde veeren, een hoofdsieraad van vele volksstammen. Ook worden zij jong uit het nest gehaald, of in netten gevangen en groot gebracht, om vervolgens naar ons werelddeel te worden verzonden. Alle soorten zijn bewoners der tropen. Ongeveer 230 soorten zijn reeds in meer of minder groot aantal ingevoerd!

Wij brengen ze tot de volgende afdeelingen:

A. Parkieten. Hoofdkleur lange, smalle middelste paar pennen verlengd.

B. Ararat. Krachtig gebouwd; lange, wigvormige staart; naakte wangen.

C. Eigenlijke Papegaaien n. I. Amazonen, Papegaaitjes

-ocr page 19-

en Afrikaansche Papegaaien. Korte, eenigszins afgeronde staart.

D. LorVs. Hoofdkleur roud, soms groen; staart meestal kort; snavel rood.

E. Kukatoe's. Hoofdkleur wit; met beweegbai'e kuif . en horten staart.

A. IPax'kieten.

2. De Grasiiarkict (Psittucns tnidulains). ')

Deze parkiet is de meest bekende onder zijn geslacht; bijna overal heeft hij het burgerrecht verkregen wegens zijne buitengewoon fraaie kleuren, zijne levendigheid, zijn vermogen om spoedig te acclimati-seeren en zijn geschiktheid vlug te leeren praten. Hij behoort tot de kleinste papegaaien, die aan de markt komen, daar hij niet veel grooter is dan eene musch, maar met langoren staart en langer vleugels.

Beschrijving. De kruin, de kop, de wangen en de keel zijn zwavehjeel met vier blanwe plekjes: het achterhoofd, de nek, de bovenrug, de schouders en vleu-geldekveeren groengeel met smalle, donkergrijze eti gele golvende strepen; de staart is groen, draagt een gele streep en loopt spits toe, de twee middelste pennen

') Ue verscliillende geslachten dragen ook andere namen {bijv. Eupbema, Platycercns, enz); zoodat in sommige werken het eerste deel van den Latijnschen naam, de geslachtsnaam dus, wel eens anders kan zijn, b, v, Eu|ilieina undulata; het tweede gedeelte, de soortvaam, die ons het kenmerk der soort noemt, is steeds gelijk, althans in verreweg de meeste gevallen-

-ocr page 20-

6

zijn blauw, de vleugels zijn groenbruin en groengeel gevlekt, de borst, het onderlijf en de stuit zijn schit-terend grasgroen. De snavel is witachtig grijs van boven met een hoornachtige huid, blauw bij het mannetje, groengrijs bij 't wijfje. 21 tot 26 cM.

Hot vaderland van dezen vogel is Zuid-Australië, waar hij in de lente aankomt om na den broedtijd meer Noordwaarts te trekken en door geheel Australië te zwerven. Hij nest gezellig in allerlei holten, terwijl zijn voedsel uit de zaden van verschillende grassen bestaat. De vlucht is snel; op den grond beweegt hij zich zeer vlug. In 1840 werd hij voor 't eerst in Engeland ingevoerd en voor een fabelachtigen prijs, n.1. ƒ 300, verkocht, terwijl thans het paar slechts ƒ6 tot ƒ10 kost.

Al zijne bewegingen zijn fraai en sierlijk: in de volière is hij nog wel eens lastig, daar hij de nesten van andere vogels uittrekt en de eieren breekt; anders is hij zeer verdraagzaam. Zijn gesnap is alleraardigst en gelijkt eenigszins op het lied der zangvogels, wier gekweel hij soms zeer getrouw nabootst. Soms echter krijgt hij het in 't hoofd, zijn onaangenaam geschreeuw te laten hooren. Deze vogels zijn buitengewoon vruchtbaar. Het wijfje legt van 4 tot 8 soms zelfs 12 eitjes, die zij of afwisselend of soms gelijktijdig met het mannetje in 18 tot 20 dagen bebroedt. De jongen zijn eerst na 5 weken vlug en eten dan spoedig alleen; in 8 a 9 maanden dragen zij het fraaie, sierlijke gewaad der ouden. Zij nestelen in holten, die door de wijfjes uiterst zindelijk worden gehouden. Is het eene

-ocr page 21-

7

broedsel vlug, dan begint het wijfje aan een tweede, zoo gaat het soms het geheele jaar door!

Ofschoon de parkiet ook alleen in 't leven blijft, is het beter mannetje en wijtje samen in de kooi te houden. In een vogelkamer — hoe deze moet worden ingericht, ziet men het best in een dierentuin — kan men verscheidene paartjes te gelijk laten broeden; de ruziemakers moeten echter verwijderd worden. Zoodra de jongen alleen eten, zet men ze afzonderlijk.

Zij kunnen de koude goed verdragen, doch zijn minder bestand tegen groote hitte; zij kunnen ook buiten, aan de Zuidzijde, in een groote volière gehouden worden; dan moeten zij echter voor tocht en vochtigheid worden bewaard. Men zegt, dat zij zelfs hier te lande in 't wild kunnen leven; de proef is wel te nemen! Nu en dan moeten andere jongen voor de broederij aangekocht worden, daar het niet goed is de jongen uit het derde geslacht of uit de volgende geslachten met elkaar te laten paren. Deze regel geldt ook voor al de volgende gevederde gasten. Zij mogen niet vóór het tweede jaar in de broedkooi geplaatst worden en kunnen dan 5 tot 6 jaar gebruikt worden. In den laatsten tijd heeft men reeds gele, witte en blauwe variëteiten geteeld. Wat de voeding de verzorging, de voortteling, enz. betreft, zie men de laatste afdeeling: B. Verzorging, benevens het Aanhangsel!

3. De Roodrng:- of Zan^parkiet. (Ps. HaematonoUis.)

Ook een der meest bekende soorten, daar hij bij alle vogelhandelaars tegen ƒ20 a /25 per paar en

-ocr page 22-

8

onmiddellijk na aankomst tegen/8 a/9 te koop is.

Beschrijving. De bovendeelen zijn glinsterend grasgroen, de stuit en de benedenrug bloedrood, de onderdeelen geel, eenige staartpennen zijn wit aan haar uiteinde; de snavel is donkergrijs, de punt zwart, de washuid bruingrijs. De pooten zijn eveneens gekleurd, terwijl de nagels donkerbruin zijn. Het wijfje heeft een groene stuit en is olijfgroen.

In geheel Australië, behalve in het Westelijk gedeelte, komt deze vogel voor; sommige reizigers zagen wel eens meer dan honderd op een enkelen tak dicht bij elkaar zitten Gedurende den paartijd leven zij in bosschen; later trekken zij naar dalen en heuvels, die rijk aan grassen zijn, met wier zaad zij zich voeden. Zij leggen 3 tot 4 eitjes, waaruit na 22 dagen broedens de jongen komen, die na 6 weken alleen eten. Zij lijken reeds dadelijk op de ouden, doch zijn flauwer gekleurd. Het is een sterke vogel, die zelfs in koude vertrekken zich goed houdt.

Jegens kleine vogels is hij zeer verdraagzaam, doch tegen grootere twistziek. Mannetje en wijfje laten dikwijls zeer welluidende loktonen hooren, sommige bootsen het gezang van de zangvogels na. Zij baden zeer gaarne en zijn altijd vroolijk, vlug en levendig. Zij zijn zoo groot als een lijster.

4. De Groenstuit- of Rosellaparkiet.

(P.9. eximius).

Door kleurenpracht, vlugheid en levendigheid, door vroolijk gesnap, door hoogst komische vliegoefeningen

-ocr page 23-

9

en koddige dansen en een zeer welluidend, hoewel soms schel gefluit heeft deze parkiet spoedig de harten van alle vogelliefhebbers gewonnen.

Beschrijving. Kop en borst zijn rood, de baardvlek is wit; de mantel is zwart met groengelen rand; de stuit is groen; de slagpennen zijn zwartbruin met blauwe teekeningen, de bovenste en onderste vleugeldekveeren paarsblauw; de buitenste staartpennen hebben een witte punt, de borst is hoor/geel, de onderdeelen zijn blauic-groen, de onderste staartdekveeren rood. De snavel is licht geelachtig grijs, de pooten zijn donkerbruin met zwarte nagels. Het wijfje heeft zuiver groene onderdeelen.

Hij is ongeveer zoo groot als eene kleine duif.

In 't wild komt deze vogel in Zuid-Australië, van Diemensland en Nieuw Zuid-Wales voor, doch slechts in bepaalde streken. Tegenwoordig komt hij zeer veel in den handel en wordt veel in kooien, volières en vogelkamers gehouden, waar hij ook voortteelt. Het wijfje legt 4 tot 8 a lO eieren, die zij in 24 dagen bebroedt. De groenstuitparkiet is minder slank dan de beide vorige soorten; hij is zeer twistziek van aard en doodt de jongen van andere papegaaien.

Vreemd mag het daarom genoemd worden, dat hij kleineren vogels geen leed doet en hunne nesten ook met rust laat. Het is overigens een sterke vogel, die goed tegen konde kan, ja zelfs hier te lande buiten overwintert. Sommige leeren ook enkele woorden napraten en aardig fluiten. De prijs varieert tusschen ƒ quot;15 a / 20 per paar.

-ocr page 24-

•10

5. De oranjevoorhoofd- of halvemaanparkiet.

(Pu. aureus.)

Een zachte, aardige vogel, die dikwijls als sieraad alleen in een kooi gehouden en zeer mak en tam wordt. Hij leert ook kunstjes maken, woorden napraten, zelfs zingen en allerlei geluiden nabootsen. Hij maakt hoogst potsierlijke bewegingen, zet de veeren op, knikt met den kop, buigt, enz. Hij moet echter in een koperen kooi worden gehouden, omdat hij het hout stuk bijt.

Besc/irijving. De staart is verlengd, sterk wigvormig en heeft breede pennen. Hij is fraai grasgroen, van kleur, het voorste deel van den kop en een krans om 't oog zijn oranjegeel, de kruin en de teugel dou-kerblauw, achterhoofd, oor- en oogstreek met Llaincen gloed; de slagpennen zijn van onderen met

halvemaanvormige vlekken, de staartpennen van onderen donkergrijs, de onderdeelen geelachtig en de pooten donkerbruin; de snavel is zwart. Bij 't wijfje zijn de halvemaanvormige vlekken matter. Zij hebben ongeveer de grootte van een lijster.

Het vaderland van dezen prachtigen vogel is Zuid-Amerika, waar hij zeer menigvuldig voorkomt en aan de rijst- en maïsvelden en andere cultuurgewassen zeer veel schade doet. Zij broeden niet gemakkelijk en leggen twee eieren; de jongen zijn eveneens doch flauwer gekleurd als de ouden en verlaten eerst na 50 dagen het nest. Het mannetje is in den broedtijd zeer boosaardig op andere parkieten. De prijs is ongeveer ƒ6 a 15. Zij behooren tot de waaierparkieten.

Bij voorkeur houden zij zich op in de schaduwrijke

-ocr page 25-

11

oerwouden van hun geboorteland: hun vleesch wordt gegeten. De Indianen halen er vele uit de nesten of vangen ze in strikken en netten, om ze latei' aan de markt te brengen.

0. De kleine Alexander- of Halsbandedelparklet.

(Fs. torqualus).

Deze fraaie parkiet is al sedert de oudste tijden bekend en werd reeds door Plinius beschreven, 't Is de eenige papegaai, die zoowel in Azië, als in Afrika voorkomt. Na den broedtijd verzamelen zij zich tot zeer groote troepen en zwerven dan overal rond. In vele steden van Indië worden zij beschermd en van voedsel voorzien. Evenals onze roeken overnachten zij gezamenlijk in bosschen. 't Liefst houden zij hun verblijf bij het water. Als de rijst, de maïs en andere veldvruchten rijp zijn, strijken zij bij duizenden tegelijk op de velden neer en zijn dan een ware landplaag. Zij zetten zich gaarne op de woningen der menschen.

Beschrijving. De beide middelste staartpennen zijn sterk verlengd en hlamcgroen. De kruin en de zijden van den kop zijn grasgroen, de teugel is zwart, de nek blauw, de band om den hals is rozerood, die om de keel (jeel; de snavel is rood, de kringen om de oogen eveneens. De hoofdkleur is overigens groen. Het wijfje heeft o. a. geen rozenrooden band om den hals. Hij leert zeer aardig en ook zeer goed praten ; vooral wanneer hij jong uit het nest wordt gehaald, in zijn vaderland getemd en alleen wordt gehouden, is hij zeer leerzaam ; anders blijft hij lang wild en onwillig

-ocr page 26-

12

en laat dikwijls een ondragelijk geschreeuw hooren. Hij bijt alle hout stuk en moet een koperen kooi hebben. Hij is met eenvoudig voedsel tevreden en zeer sterk. Nu en dan broedt hij ook; in den paartijd huppelt hij om het wijfje met neerhangende vleugels en uitgespreiden staart en laat dan jubelende loktonen hooren. De Jongen blijven 0 weken in 't nest. De prijs bedraagt /15 a /SO.

7. Eeiilge andere soorten van parkieten.

a. De roodgesc/tottderde parkiet of Turkosien (Ps. pulcheüus) heeft de onderdeelen hooggeel, de boven-deelen groen; het voorhoofd, de wangen en gedeeltelijk ook de vleugels zï]\\ kobaltblmw; op de vleugelboog zit een bruinroode vlek. Hij houdt zich in Nieuw-Zuid-Wales op in bosschen en zoekt zijn voedsel, dat uit zaden van groene kruiden bestaat, op rotsachtige plaatsen. Hij neemt een eerste plaats in wat betreft kleurenpracht, sierlijkheid en bevalligheid. Prijs ƒ 10 a/12.

b. Be pracht- of sierparkiet. (Ps. elegans) bewoont Zuid- en West-Australië. De hoofdkleur van zijn vederenkleed is vuil geelgroen; de voorvleugels zijn lichtblauw; de overige gedeelten er van donkerblauw, de middelste staartpennen gaan in 't blauwe, de andere in 't gele over. De teugel, de buik en de onderdek-veeren van den staart zijn citroengeel. Het voorhoofd wordt door een donkerblauwen, naar achteren in lichtblauw overgaanden band begrensd. De jongen vereenigen zich tot vluchten van vele duizenden. Prijs /25 a/40.

-ocr page 27-

13

c. De geelkoppii/e of bleekkopparkiel. (Ps. pallidiceps). De kop is witgeel, de vederen van den rug en de schouders zijn zwart met breede gele randen. De on-derdekveeren van den staart zijn rood; de achterrug is groenblamc, ook de overige deelen zijn min of meer blauw. Hij is iets kleiner dan een tortelduif en leeft in Oost-Australië. De prijs is /IS a /20. Hij is zeer sterk en lieet ook hlauwe Rosella.

d. De Adelaide of hyacinlliroode parkiet (Ps. adelaï-densis) van Zuid-Australië heeft veel overeenkomst met den vorigen. De knevel vlek is echter hlanv: en de grondkleuren van kop, hals, romp en schoudervederen rood. De jongen zijn groen. Prijs ƒ 25 a ƒ 30. De Fennantsparkiet, die er veel op lijkt, maar meer bloedrood is, houdt zich eveneens goed. Prijs /18 a ƒ 25.

e. Be koningsparkiet (Ps. cyanopygus) is een dei-grootste en fraaiste onder de parkieten. De kop en de onderdeelen zijn scharlakenrood, de snavel is rood. Hij is zeer sterk en kan goed tegen koude. Hij bewoont Zuid-Australië en wordt voor ƒ 30 a ƒ 40 verkocht.

f. De muisparkiet (Ps. monachus) bewoont Zuid-Amerika en heeft een dikken snavel. Hij is fraai grasgroen met blauwe slagpennen, doch wordt niet veel gehouden, omdat hij zoo schreeuwt. In zijn vaderland is hij zeer schadelijk en wordt bij honderden dood geslagen Prijs./10 a/12. Hij bouwt een vrijstaand nest.

g. De zonparkiet (Ps. carolinensis) bewoont eveneens Amerika en wordt meer gezocht dan de vorige soort.

-ocr page 28-

14

De bovendeelen zijn donker grasgroen, de onderzijde geelgroen-, voorhoofd, wangen en keel zijn fraai rood. Hij is een standvogel en overwintert.

Vreerad steekt hij dan af op het met sneeuw bedekte land. Zij vliegen in groote vluchten. De prijs is ƒ16 a ƒ 30 per paar. Hij moet een koperen kooi hebben.

li. De groote Ale.randerpurkiel (Ps. cupatrius) bewoont Voor-Indië, Nepal en Ceylon. Men weent, dat hij reeds door Alexander den Grooten in Europa is ingevoerd. Hij is zoo groot als een kerkkauvv. Destaart is lang. De nekkraag is rozerood en de schoudervlek groot en bruinachlig purperrood. Hij heeft veel overeenkomst met den halsbandedelparkiet en kost/quot;30. Goede praters betaalt men met /SS a/;gt;0.

De volgende soorten zijn zeer zeldzaam behalve de eerste en de beide laatste; Valkparkiet (Ps. Novae Hollandiae ƒ 9 a ƒ15 : Bourk''sparkiet (Ps. Bourki) ƒ 35 : Paradijsparkiet (Ps. Pulcherrina) ƒ 35 a/45; Veelkleurige parkiet (Ps. multicolor) ƒ 30 a ƒ 40 : Bloedhuik-parkiet (Ps. haematogaster) /'35; G eekoor hoofd- en bloedhoofdp arkiet (Ps. auriceps en Ps. pacificus)/15 a /20; Olijfgele parkiet (Ps. rnelanurus) /30 a /45, de Sti-oogele parkiet (Ps. flaveolus) /36 en Geelbuik-parkiet (Ps. flaviventris) /36; Geehcang- en witwang-parkiet. (Ps. pertinax en Ps. leucotis)/12, alle per paar.

Daar hunne leefwijze in vele opzichten met de vorige overeenkomt, is het noodeloos ze afzonderlijk te bespreken. Over enkele intusschen 't volgende ;

i. Bourns parkiet. (Ps. Bourki) heeft rose onder-

-ocr page 29-

15

deelen en olijf bruine bovendeelen; staart en stuit zijn lichtblauw. Deze schoone vogel broedt tamelijk goed, doch is vrij zeldzaam; de prijs is daarom ook ƒ 30 per paar. Het vaderland is Zuid-Australië.

j. Paradijsparkiet (Ps. puleherrina). Deze parkiet is een weekelijke vogel, die een nauwlettende verzorging eischt. De bovenste helft der bovendeelen is bruin, de onderste groen; de voorhoofdband, de kleine vleugeldekveeren en de buik zijn scharlakenrood, de overige onderdeelen blauwgroen; de stuit is blauw. De prijs is ƒ35 a /45 per paar. Angst of schrik veroorzaken soms beroerte, waaraan zij onmiddellijk sterven. Het vaderland is Zuid- en Oost-Australië.

k. Be (jeelb and parkiet (Ps. multicolor) wordt ook wel veelkleurige parkiet genoemd. Het mannetje is blauwgroen; het voorhoofd, de streep op den boven-vleugel, het midden van den buik en het achterdeel zijn geei, op den achterkop is een kaneelbruine vlek*, de buik is gedeeltelijk scharlakenrood; het wijfje is olijfgroen. Het vaderland van dezen vrij zeldzamen parkiet is Zuid- en Noordoost-Australië. Hij houdt zich in de gevangenschap goed en heeft reeds in de kooi gebroed. De prijs is /SO a /quot;40 per paar.

I. De bloed- of roodbuik parkiet (Ps. haematogaster) komt veel met den vorigen overeen, doch heeft een blauic voorhoofd en een rooden buik. Hij is zeldzaam en bewoont het binnenland van Nieuw-Zuid-Wallis. De prijs is /35 per paar. Het is overigens een sterke vogel.

m. Pennant-Parkiet (Ps. Pennanti). Deze fraaiste

-ocr page 30-

10

onder alle parkieten heet ook purpervogel. Hij is donker scharlakenrood met indigoblauwe wangen, vleugels en staart. De prijs voor dezen goeden broed vogel is /quot;IS a /25 per paar.

11. De stroogele parkiet (Ps. flaveolus) is tamelijk zeldzaam en kost nog /quot;36 het paar. Hij is stroogeel met rooden voorhoofdband: de baard, de vleugeldek-veeren en de staartveeren zijn blauw, de rugveeren zwart met gele zoomen. Hij wordt in zijn vaderland Australië talrijk gevonden.

o. De Geelbuik-parkiet (Ps. flaviventris) is ook zeldzaam in den handel, ofschoon talrijk in Australië. De prijs is /36 per paar. De onderdeelen zijn geel, de baard vlek indigoblauw, het voorhoofd rood; rug en schouders zijn zwartbruin met groene zoomen om de veeren.

p. De Rood-voorhoofdparkiet (Ps. Novae-Zeelandiae) is hoog op de pooten en zeer beweeglijk en levendig. Het geheele lichaam is grasgroen, van boven donker, van onderen licht; de kop is scharlakenrood. Prijs ƒ 9 a/15.

B. De Arara's.

8. De groots geelyleugel Arara. {Ps. macao.)

De vogels van dit geslacht bewonen Amerika: de bovenstaande komt meer bepaald in Suriname, Brazilië. Mexico en Peru voor en behoort in de dierentuinen onder de gewone soorten; ook enkele vogelliefhebbers houden hem, gewoonlijk aan een ketting op stangen of in ringen, om den fraaien staart niet te beschadigen.

Beschrijving. Deze reuzenpapegaai bereikt eene lengte

-ocr page 31-

17

van 2,5 voet, waarvan de grootste helft echter op den staart komt. De hoofdkleur is rood; de rug de onderdekveeren van den staart en de zijdelingsche staartpennen zijn blamc, terwijl over de vleugels een breede, gele dwarsstreep loopt. De snavel is groot en sterk, de wangen zijn wit.

De naam is ontleend aan 't geluid, dat zij voortbrengen. De groote booraen, waarin zij nesten, gaan bij de inboorlingen als een erfstuk van vader op zoon over, daar zij door het halen der jongen uit de holten jaarlijks een aardig sommetje verdienen. Niet zelden worden de jongen met groot levensgevaar uit hunne nesten gehaald. De veeren worden tot hoofdsieraad gebruikt. Hun voedsel bestaat uit boomvruchten en zaden. Als er vele bij elkaar zitten, laten zij een zacht, babbelend geluid hooren. De Arara's zijn bijzonder sterk en kunnen zeer oud worden; meestal zijn zij goedaardig en slechts bij uitzondering lastig, dan echter zijn zij door hun bijten zeer gevaarlijk. Ook niet sommige andere papegaaien is zulks het geval. Zij leeren met sterke en krachtige, doch eenigszins onduidelijke stem allerlei woorden en zelfs geheele volzinnen napraten. In de gevangenschap hebben zij zich reeds voortgeplant. Prijs /75 a/100 per stuk.

9. Andere soorten van Arara's.

a. Be Jrarawm (Ara ararauna) is dadelijk te kennen aan de kleuren van zijn vederenkleed. De bo-vendeelen zijn namelijk licktgroenblauw, de onderdee-len hooggeel, de hek is zwart: de witte wangen zijn

-ocr page 32-

18

van drie ruim geplaatste rijen zwarte veeren voorzien. Hij bewoont Guyana en Brazilië en voedt zich met beziën en palmnoten. Hij leert zeer goed praten en wordt spoedig tam. Prijs /quot;100 a ƒ125.

b. Be yroole Groenvleugel Ar ara. (A. chloroptera) heeft veel overeenkomst met den macao, maar de roode kleur is donkerder en de breede band over de vleugels groen. Hij komt in Brazilië voor en bewoont dichte, onbezochte bosschen, vooral in de nabijheid van rivieren. Hij leeft van de beziën van allerlei boomen en slingerplanten. Prijs ,/75 a ƒ100. Hunne leefwijze heeft veel overeenkomst met die van den macao.

C. Eigenlijke Papegaaien..

10. De gewone Lhvergpapei^aai. [Ps. passerinus).

De papegaaitjes kunnen geen praten leeren; dit gebrek vergoeden zij echter dubbel door hunne kleurenpracht en hunne bevalligheid en doordien zij met weinig tevreden en gemakkelijk te verzorgen zijn. Zij hebben ongeveer de grootte van een spreeuw, sommige die van eene musch. Zij zijn niet bang en zeer vertrouwelijk, daarbij toonen zij zich zeer verstandig en voor • zichtig. Hun voedsel bestaat uit zaden, knoppen en vruchten, vooral echter uit meelhoudende zaden, groene plantendeelen en insekten.

Beschrijving. De kleur is grasgroen, het mannetje is hlamo op de schouders en rood op de stuit. Hij heeft de grootte eener musch; het wijfje is groen met geelachtigen kop en groene stuit. Deze vogel komt bijna in geheel Zuid-Amerika voor. In den gevangen staat

-ocr page 33-

19

plant hij zich zeer goed voort en legt 4 a 8 witte eieren, die door het wijfje alleen worden bebroed, terwijl het door het mannetje van voedsel wordt voorzien.

De jongen kunnen na ongeveer 50 dagen voor zich zelf zorgen. Dit vogeltje komt zeer veel in den handel en is in den beginne wel wat schuw en tevens gevoelig voor koude, vochtigheid en slecht voeder. Is het eenmaal gewend, dan blijft het lang in 't leven. Prijs ƒ 4 a fb per paar.

II. De roodkop- inseparabel parkiet. {Ps. puïlarius).

Deze is wel de fraaiste van de dwergpapegaaien en zeer algemeen bekend. Mannetje en wijfje zijn zeer aan elkander gehecht en één van willen en handelen. Drinkt de een, dan drinkt de andere ook: eten, baden, schreeuwen, enz. geschieden insgelijks gezamenlijk. Bij ziekten passen zij elkaar op; ja, men zegt, dat de een zich doodtreurt, wanneer de andere sterft. Zij heeten daarom terecht de onafscheidbaren of inseparables.

Beschrijving. De kleur der veeren is groen, de einden der staartpennen zijn rood en geel; de keel en de wangen hooggeel, de stuit is blamc, de snavel helderrood; de pooten zijn vleeschkleurig met loodhleuricje nagels. Het mannetje heeft een Hauwen kring om de oogen, het wijfje een gelen. Het vaderland van dezen vogel is Afrika en wel de Goudkust. Elk jaar worden bijna 0000 paartjes in Europa gebracht en tegen /'S a /d2 per paar verkocht. Na de aankomst zijn zij zeer week en sterven licht door gebrek aan behoorlijk

-ocr page 34-

20

voedsel en warmte; later worden zij sterker. Het mannnetje houdt voor zijn wijfje een dansje, babbelt dan allerliefst en klapt met de vleugels; de voortteling is echter moeielijk en nog niet volkomen geslaagd. De vogeltjes zijn zeer angstig en bang; men moet ze daarom niet jagen.

In den laatsten tijd komt ook menigvuldig in den handel voor de grijskoppige dwergpapegaai (Ps. canus), die zeer gezocht is. De staart is groen met zwarte dwarsstreep. Hij is zeer sierlijk en broedt ook in de kooi. Pi'ijs van fQgt; tot/20 per paar.

12. De Amazonen.

De moeste Amazonen zijn groen van kleur, hetgeen echter met rood, geel of blauw afgezet is; eenige komen sinds lang in den handel algemeen voor: zij worden ook wel eens groen- en kortstaartpapegaaien genoemd. De grootte wisselt af tusschen die van de kauw en de raaf; het lichaam is krachtig en gedrongen. Zij kunnen vooral zeer goed leeren praten en zeer oud worden. Als zij geplaagd worden, richten zij de halsveeren op. De Amazonen komen in Zuid-Ame-rika voor, vooral in de oerwouden langs den Amazo-nenstroom; zij klauteren zeer vlug, doch hun gang is daarentegen waggelend.

Bij 't aanbreken van den dag begint het gebabbel en geschreeuw: zij knappen dan de veeren op, en trekken onder luid geschreeuw in kleine troepjes naar de ver afgelegen voederplaatsen. In de vruchtboomen houden zij zich echter doodstil, zoodat slechts de afvallende

-ocr page 35-

vrucht de dieven in den top verraadt. Zij drinken het water, dat zich in de kelken der orchideën verzameld heeft. Eerst tegen den avond keeren alle weder in troepjes naar de rustplaatsen terug en vechten en schreeuwen nog lang om de beste zitplaatsen.

Het nest zit zeer hoog in de holten der boomen en is bijna onbereikbaar. Hun voedsel bestaat uit vleezige, sappige beziën, vruchten, noten, pitten, maïs en ander koren.

Zij worden sterk vervolgd om hun smakelijk vleesch, hun mooie veeren en den hoogen prijs, dien zij in den handel opbrengen. Ook worden zij jong uit de nesten gehaald en getemd, waarom vele reeds kunnen praten, als zij in Europa aankomen. Sommigen zijn van oordeel, dat hij even goed leert praten als de grauwe papegaai, die sinds eeuwen als de beste prater en de leerzaamste onder de papegaaien bekend staat: dit is wel wat overdreven, daar hunne stem minder buigzaam is. Zij worden alleen gehouden, omdat zij toch zelden of nooit broeden en in koperen kooien gezet, daar zij erge houtvernielers zijn. Hier volgen de meest bekende soorten.

a. Be gewone Amazonenpapegaai of roodbocht. (P.s. aestivus). Kop, keel en wangen zijn geel, de vleugelbocht rood, anders groen, iedere veer met een donkeren rand; de snavel is zxcartbruin; de washuid zwart, de huid om 't oog hlauwachlig.

Hij heeft de grootte eener kraai. Men zegt, dat de Indianen sommige deelen geel kunnen verven, door de huid van jonge vogels met het sap van een zekere plant

-ocr page 36-

'22

in te wrijven. Hij kan het best getemd worden en leert zingen en praten. Prijs per stuk ƒ6 voor pas ingevoerde en niet pratende, ƒ25 tot ƒ40 voor pratende vogels. Zeer tamme en goedpratende roodboch-ten worden wel eens met ƒ200 a ƒ300 betaald!!

h. Be Groenhoog Amazonenpapegaai {Ps. amazonicus) heeft de grootte eener duif, de hoofdkleur is groen; de wangen zijn echter geel, het voorhoofd en de teugels lichtblauw, de groote slagpennen donkerblauw, de kleine slagpennen dragen groote, roode vlekken, de vleugelbocht is groen. De snavel heeft een kleur.

Deze soort wordt minder gezocht dan de vorige, omdat zij nog al erg kan schreeuwen; zelfs als ze goed getemd is en reeds kan praten, is deprijs^Oa ƒ20 per stuk.

c. De dubbele geelkop Papegaai {Fs. Levaillantï) wordt door vele liefhebbers zeer gezocht. De Mexicanen halen de jongen dikwijls met groot levensgevaar uit de nesten, om de vogels als een gezocht handelsartikel op te kweeken en te temmen. Na de aankomst in Europa zijn zij gedurende de eerste maanden zeer weekelijk en gaan licht te gronde; zijn zij dien kwaden tijd te boven, dan worden zij meestal zeer oud. Zij zijn zeer leerzaam en leeren goed praten; nu en dan schreeuwen zij nog wel eens. Prijs ƒ 40 per stuk, later ƒ 100 tot ƒ350.

Het voorhoofd is witgeel, het overige gedeelte van den kop, de hals en den nek zwavelgeel, de vleugelbocht rood. De bovendeelen zijn donker, de onderdeelen lichtgroen. De snavel is geelwit. De kop is steeds geel,

-ocr page 37-

zonder hlamc, de ranJ der vleugels yeel; het rood is levendig. Hij heeft bijna de grootte eener raaf.

d. Be Geelvlek- of geelkoppapegaai (Ps. ockrocephalus) gelijkt op den vorigen en wordt er dikwijls mede verward, Boven 't oog loopt echter een groene streep: terwijl iedere veer een zwarten zoom heeft. De snavel is zwart.

Hij komt zeer veel in den handel en verdient zulks om zijne goede eigenschappen ten volle. Hij leert praten, zingen, lachen, weenen en aardig fluiten. Prijs ƒ10 a ƒ20 per stuk in den beginne, later ƒ 25, /60 tot ƒ200.

e. Be kleine geelkop {Ps. ochropterus) komt even menigvuldig voor. Sommige individuen zijn leerzaam, andere daarentegen dom, zoodat hij, die een goeden vogel treft, van een buitenkansje mag spreken. Overigens is de geelkop zeer potsierlijk, en volleerd in het nabootsen van allerlei geluiden: den haan, de hen, den hond, de kat, de duif, enz. alle bootst hij getrouw na, en wordt bovendien zeer tam. Het voorhoofd en de teugels zijn geehoit, de overige en omliggende dee-len van den kop geel, hij heeft een groote, gele vlek aan den vleugelbocht; de buitenste staartpennen zijn rood: overigens zijn de bovendeelen donker grasgroen, en de onderdeelen iets helderder, iedere veer is met zwart omzoomd. De snavel is licht. Hij is zoo groot als een kerkkauw. Prijs ƒ 10 a /''IS, later tot ƒ 60 per stuk.

ƒ, Be goudnek-Amazonenpapegaai {Ps. auripalliatus) is minder algemeen dan de vorige soorten en is gemakkelijk te kennen aan den citroengelen nek. De boven-

-ocr page 38-

tleelen zijn grasgroen, de onderdeelen geelgroen. Hij heeft de grootte eener duif. De prijs is ƒ30 tot/50, later /70 a /100 per stuk.

13. De grauwe of grijze papegaai. (P.s. eriikacm).

De begaafdste van alle, in veel opzichten de eerste onder zijne broeders. Reeds honderden jaren komt hij in den handel voor. Van de Amazonen onderscheidt hij zich door den naakten kring om de oogen. Zijn vaderland is Afrika en wel Guinea en van zijne leefwijze in de vrije natuur is nog weinig hekend; des te meer is zijn doen en laten in den gevangen staat gade geslagen.

Beschrijving. Hij heeft de grootte eener duif en een zwarten bek: de staart met zijne dekveeren is hoogrood, maar alle overige veeren zijn van een als wit bestoven grijs, op de bovendeelen donkerder dan op de onderdeelen. Al naar den ouderdom is het oog eerst zwart, later grijs, dan geel en eindelijk reit. Het onderscheid tusschen mannetje en wijfje is niet zichtbaar; de Negers zeggen, dat het eerste ronde, het laatste langwerpige neusgaten heeft. Men vindt bij deze soort roodgevlekle verscheidenheden. Zij komen in groote troepen voor en voeden zich met bananen, met vruchten van palmen, maïs, enz. en vernielen op hunne strooptochten meer dan zij opeten; zij nesten gezellig bijeen evenals de roeken. De Negers zijn zoo bang voor den snavel dezer vogels, dat zij de jongen eerst durven vangen, als deze uitgevlogen zijn: zij gebruiken daartoe netten en strikken.

-ocr page 39-

25

Aan de Goudkust worden zij door do Negers in grooten getale naur de havensteden gebracht en dan voor ƒ2 a /3 per stuk verkocht. De jonge vogels met zwarte oogen zijn weekei ijk en teer en sterven dikwijls door slechte voeding, oppassing en verpleging. Anders houden zij zich goed en kunnen wel 50 tot 80, ja zelfs 100 jaar oud worden, maar dan zijn zij als afgeleefde grijsaards. Zij verschillen onderling zeer in vatbaarheid en leerzaamheid: sommige leeren buitengewoon goed praten, andere bootsen liever allerlei geluiden na. De prijzen zijn daarom ook zeer uiteenloopend; pas aangevoerde, jonge papegaaien kosten ongeveer /quot;IS per stuk, sterke ƒ20, sprekende vogels ƒ30 a ƒ00, goed geoefende ƒ200, ƒ300 tot 600!!

De Timneh-Papegaai. (Ps. timneh) gelijkt op den vorigen, doch zijn staart is purperachtig. Prijs ƒ20 a ƒ50 per stuk.

14. De groote Vasa. (Ps. vasa.)

Deze papegaai, die de grootte eener kraai heeft, leert uitmuntend en welluidend fluiten, het gezang van allerlei vogels en het geluid van zoogdieren nabootsen en is een bedaarde, stille vogel. Slechts enkele malen is hij levendig, klapt dan met de vleugels en spreidt den staart uit.

Beschrijving. De staart is middelmatig van lengte en afgerond: de kleur is geheel bruinzwart, de kleur van den bek is wit, doch wordt buiten den paartijd zwart.

Deze groote vogel leeft in de uitgestrekte wouden

2

-ocr page 40-

26

van Madagascar en komt daar veelvuldig voor, gewoonlijk bij troepjes van 4 tot 6 stuks. Zij zijn voor de rijst- en maïsvelden en voor vruchtboomen zeer schadelijk. Daar zij goed en steeds hoog vliegen, zijn ze moeielijk te vangen. Zij maken twee broedsels per jaar in een hollen boom of op ontoegankelijke rotsen en krijgen telkens twee jongen. Zelfs bij maneschijn laat het mannetje zijn fluitende tonen weerklinken. De inboorlingen temmen ze, laten ze dan vrij bij hunne huizen rondloopen en voeren ze met rijst en bananen.

Jong opgekweekt leert hij mooi fluiten en tamelijk goed praten ; hij bootst ook zeer goed de geluiden en 't gezang van andere dieren na. Hij is een aangename kamervogel, omdat hij niet schreeuwt, geen hout stuk bijt en zeer goedaardig is; zelfs laat hij zich door kinderen rond dragen, zonder hen ooit te bijten. De prijs bedraagt /35 tot /quot;60 per stuk. Be kleine Vasa {Ps. niger) gelijkt volkomen op de vorige soort, doch heeft de grootte eener woudduif en wordt minder gezocht. Prijs ƒ10 per stuk.

B. Ijori's.

15. De Lori's in 't algemeen.

Het groote geslacht der Lori's of Loeri's bevat een zeer aanzienlijk aantal soorten, die voornamelijk op Celebes, Flores en Timor en oostelijk tot over Nieuw-Guinea, Nieuw-lerland en eenige Zuidzee-eilanden verspreid zijn; eenige kleinere soorten komen ook op de Philippijnen, benevens op Ceylon voor en worden ook

-ocr page 41-

27

in China en in Voor- en Achter-lndie gevonden. De meeste hebben een rooden snavel en een korten staart; sommige echter bezitten een eenigszins verlengden staart. De hoofdkleur is gewoonlijk rood, bij enkele groen. De zwaarste soorten worden zoo groot als' de woudduif, de kleinste als een vink. Zij munten uit door kleurenpracht, sierlijkheid en slimheid. Hunne tong is dun en penseelvormig en met borstels bezet, waarmede zij o. a. den honing uit de bloemen zuigen. Zij zijn zeer moeielijk in 't leven te houden en worden daarom slechts door eerste vogelliefhebbers of rijke lieden gehouden.

Hun voedsel in de vrije natuur bestaat verder uit zoete, sappige vruchten, weeke plantendeelen, hoogstwaarschijnlijk ook uit insekten en weekdieren. Vele soorten eten ook meelhoudende en oliebevattende zaden, althans in den gevangen staat. Zij leven veel meer op boomen, dan op den grond en houden van gezelligheid, zoodat men zelfs van verschillende soorten soms honderden te gelijk bij elkaar ziet. De vlucht is snel en behendig; op de takken loopen en huppelen zij meer dan klimmen en maken daarbij allerlei potsierlijke gebaren. Vele soorten nesten in holten van den gomboom. Vroeger werden zij door de inboorlingen veel gedood, die daarna de koppen aan een draad regen en dit snoer als sieraad droegen. Thans worden zij in groote netten bij massa's gevangen en naar Europa en Amerika verzonden; ook in Indië worden ze gehouden. Zij moeten vooral niet verschrikt en toornig gemaakt worden, daar zij geen

-ocr page 42-

opgewondenheid kunnen verdragen. Als men zich veel met hen bezig houdt, laten zij allengs het leelijke geschreeuw achterwege.

1G. De roodbek Lori. (Ps. Swainsoni).

Deze fraaie. Lori schijnt langzamerhand overal burgerrecht te zullen verkrijgen, daar hij, hoewel bij eene zorgvuldige oppassing, goed in 't leven te houden is en ook al gebroed heeft. Reeds in 1771 werd hij in Europa gebracht, doch eerst sinds 1870 geregeld ingevoerd. Hij heet ook Lori van de Blauwe bergen.

Beschrijving. Kop en keel hlamo, achterhoofd bruinachtig', een breede geelgroene nekkraag , de bovendee-len donker grasgroen, terwijl iedere veer een roode vlek heeft, over de vleugels loopt een streep;

de staart is groen, borst en hals zijn fraai rood, de buik donkerblauw, de zijden geel met roode, gele en groene teekeningen. De snavel is schitterend rood. Het wijfje heeft een meer helderen band om den nek. Hij heeft de grootte van een kauw.

Hij komt in Australië en Van Diemensland voor en kan, als hij gezond aankomt, het in niet verwarmde kamers best uithouden. Zorgvuldig dient hij echter bewaard te worden voor de stralen der kachelwarmte, voor plotselinge overgangen in temperatuur, voor schrik, toorn, smart, te snelle verandering in voedsel, enz. Hij is in de kooi zeer levendig en vliegt en springt bijna aanhoudend: een ruime woning is dus geen weelde voor hem. Zij spelen dikwijls met elkaar en houden van schoon zand en water om te baden; daar

-ocr page 43-

29

zij niet gaarne op den bodem der kooi komen, moeten het voeder en het drinkwater hoog opgehangen worden. Als hij schreeuwt, kan men hem gemakkelijk stillen door hem do eene of andere zoete vrucht te geven. De jongen kan men zeer gemakkelijk temmen; ook allerlei kunstjes kan men hen leeren ; tevens spreekt hij eenige woorden na. Prijs/30 a ƒ 40 later/60 a/quot;70.

17. Eenige andere Lori's.

a. De g edge schubde Lori. (Ps. chlorolepidotns). Ook een zeer fraaie vogel, die evenals de vorige een langen, wigvormigen staart heeft. De kop is hlamocjroen, de onderdeelen en de staart zuiver tusschen den nek en den rug is hij cje.el en groen geschubd, de snavel is rood. In Londen heeft hij reeds in een groote vlucht buiten gebroed, terwijl het water soms bevroren was. Hij is levendig, aardig en zeer verdraagzaam. Prijs/60 a /100.

b. De Purperzwartkop Lori (Ps. atricapillus) heeft een korten, afgeronden staart evenals de onderstaande soorten ; zij zijn moeilijker in 't leven te houden dan de beide voorgaande en hebben nog niet in den gevangen staat gebroed. Zij leeren ook praten en zijn oven sierlijk en bevallig, doch zachter van aard dan de beide reeds genoemde lori's. De bovenkop pikzwart, achterhoofd zwart met violetten weerschijn, terwijl de zijden van den kop, keel, hals en nek donker

rood zijn; mantel, rug, vleugel- en staartdekveeren bloedrood, vleugels grasgroen, schouders bruinachtig, onderdeelen en staart karmijnrood-, snavel oranjerood. Hij

-ocr page 44-

30

heeft de grootte eener kauw en woont op Ceram en Ambon. Prijs pas ingevoerd ƒ 40 a /60. Als hij praat, /30 a ƒ 80 per stuk.

c. De blauwstaartTori (Ps. lori) is bijzonder bemind bij de dames. Hij bewoont Ambon en de Papoe-eilan-den en heeft een zwarten bovenkop. De nekkraag, de zijden van den kop en van den romp, de keel, de krop, de rug, de bovendekveeren van den staart en onderdekveeren der vleugels zijn karmijnrood. De mantel, de borst, de buik en de bovenzijde van den staart zijn blauw en de vleugels groen. Hij leert duidelijk praten, wordt zeer tam en gemeenzaam en streelt zijnen meester met den snavel; ook speelt hij als een katje en uit daarbij luide vreugdekreten. Prijs /60 per stuk.

d. De roode Lori (Ps. ruber) heeft een nagenoeg geheel rood vederkleed, behalve de achterste schouder-veeren en de onderdekveeren van den staart, die blauw en de eindhelft der groote slagpennen, welke bruinzwart zijn. Hij komt op de Molukken voor, en

raat goed, soms wel eens een kwartier achtereen met verschillende stembuigingen; ook lacht hij zeer natuurlijk. Prijs ƒ60 per stuk. Hij is bijna zoo groot als de kauw.

e. De gewone Nestor- of Kakapapegaai (Ps. meri-dionalis) komt in Nieuw-Zeeland voor en heeft de grootte eener kraai. De hoofdkleur is vaaX purperbruin met groenachtigen weerschijn, de bovenkop is grijsachtiy en de buik rood. Hij wordt weinig gehouden; de papegaaien van dit geslacht (Nestor) zijn zelfs in hun ge-

-ocr page 45-

31

boorteland aan 't uitsterven, sommige soorten, o.a. de langbek nestor, zijn reeds geheel uitgeroeid ; de laatste leefde slechts op een eiland van 1^ uur in den omtrek ! Prijs/150 a /200. Is ook in Artis te zien.

Ook de Blauioacliadelvleermunparkiet (Ps. galgulus) komt tamelijk zelden voor: hij houdt zich echter goed; men betaalt /24 voor een goed sterk paar.

J?. 3De Kakatoe's.

18. De Kakatoe's in 't algemeen.

Den naam danken zij aan hun geschreeuw. Zij komen in den oostelijken Indischen Archipel en Australië voor en zijn op weinige uitzonderingen na gekuifd. Het veerenkleed is bij vele wit. bij sommige zwart, terwijl beide kleuren hier en daar door rood afgebroken worden. Hun snavel is krachtig gebouwd. Reeds sinds vele jaren zijn zij in Europa bekend en worden nog steeds op prijs gesteld. Zij houden hun verblijf in niet zeer uitgestrekte wouden en leven meestal gezellig. Hun voedsel bestaat meer uit steen- en nootvruchten dan uit vleezige vruchten, ook eten zij allerlei zaden, knollen, maïs en ander koren, waardoor zij zeer schadelijk zijn en erg vervolgd worden: zij leveren een smakelijk gebraad en mooie veeren; do inboorlingen weten ze door middel van 'slingers dood te werpen. Zij behooren tot de sterkste onder de papegaaien en zijn bij gewoon en niet kostbaar voedsel zeer lang in 't leven te houden. Slim en begaafd als geen der andere papegaaien, missen zij evenwel de eigenschap, om duidelijk te leeren praten; zij worden echter zeer

-ocr page 46-

32

tam, altlians als zij goed behandeld worden; men kan ze echter ook erg verwennen en dan zijn ze lastig evenals bedorven kinderen; sommige zijn dan zelfs gevaarlijk. Daarom en ook wegens hun aanhoudend geschreeuw worden zij niet veel door liefhebbers gezocht, maar vindt men ze meer in diergaarden, waar zij, evenals de arara's in ringen of beugels aan kettinkjes gehouden worden. Enkele worden echter ook door particulieren aangekocht. Kooien en kettingen moeten uiterst solide zijn, omdat de vogels buitengewoon behendig en sterk zijn in 't vernielen hunner banden en het openen hunner woningen.

19. Eenige soorten van Kakatoe's.

a. Ve qroote geelkuif Kakatoe (I's. galeritus) is bijna zoo groot als een raaf en geheel wit met cilroeityele kuif. Zij vereenigen zich tot buitengewoon groote vluchten, -die de lucht van een geweldig en oorverdoovend geschreeuw doen weergalmen. Het wijfje legt hare 2 eieren in de holten van boomen en rotsen ; in 't laatste geval broeden zij gezellig. Door de vele vervolgingen is hij zeer schuw geworden. In den omgang moet men voorzichtig met hem zijn, omdat hij dikwijls kwaadaardig is en dan erg pikt. Prijs ƒ20 tot ƒ60.

b. De kleine wiite Kak aloe (Ps. sulfureus) heeft de zelfde kleuren als de voorgaande, doch is nauwelijks zoo groot als een duif. Hij leeft op de eilanden Flores, Lombok, Sumbawa en Timor en is sinds lang bekend. Hij wordt ook door de inboorlingen veel gehouden, daar hij bijzonder tam wordt, zeer aan zijn meester

-ocr page 47-

gehecht is en nooit pikt; hij leert echter slechts enkele woorden napraten. Prijs ƒ 10 tot ƒ 35.

c. Be rosé Kakator. (Ps. roseicapillns) is een fraai gekleurde soort. De hoofdkleur van het vederenkleed is lichtgrijs, maar wangen, nek, keel, borst en voor-huik zijn donker rosérood, terwijl de bovenkop licht rosé is; hij heeft een hangende kuif en de grootte van de vorige soort. Men vindt hem in de hinnenlnn-den van Australië, waar hij zich in lage landen ophoudt en zich hoofdzakelijk met zaden en zoutplanten voedt. Tot groote zwermen vereenigd, maken zij onder 't vliegen allerlei zwenkingen, zoodat men beurtelings het grijs en 't rood ziet, hetgeen een treffend schouwspel oplevert. De jongen worden door de inboorlingen uit de nesten gehaald en te Sidney op de markt aangeboden. Hij is hoogst komiek in al zijn bewegingen en speelt soms met allerlei voorwerpen evenals een jonge kat. Als hij tam is, schreeuwt hij niet veel meer. Meer dan zes woorden leert hij niet napraten. Prijs ƒ 20 tot ƒ50.

d. Be Parkiet- Kakatoe of Kahatilje (Ps Novae Hol-landiae) komt ook algemeen op de markt voor en heeft de grootte van een lijster, zijn staart is langer dan de romp; terwijl het middelste paar staartpennen bovendien nog verlengd is. De hoofdkleur van quot;t vederenkleed is grijs, voorhoofd, kuif en wangen zijn geel. De kuif bestaat uit smalle, naar voren omgekrulde veeren. Hij heeft een roode oorvlek; de vleugels zijn langs het midden wit. Deze kakatoe broedt in de binnenlanden van Australië, doch bezoekt na den

-ocr page 48-

34

broedtijd ook de kustlanden, waar hij in buitengewoon groote vluchten verschijnt. Hij wordt veel geschoten, omdat zijn vleesch een heerlijk gebraad oplevert. Het zaad van verschillende grassoorten maakt zijn honfd-voedsel uit; zeer dikwijls zet hij zich op den grond. Zijn nest vindt men in den gomboom dicht bij het water. Hij plant zich ook in den gevangen staat voort en heeft ongeveer dezelfde eigenschappen als de vorige soort. Prijs fiO a /quot;20 per paar.

Deze papegaai heet ook wel valkparkiet, terwijl die op blz. 16, welke bijna denzelfden Latijnschen naam draagt, meer algemeen bekend is onder den naam van Nieuio-Zeeland- of roodkoppige parkiet.

De kakalilje broedt zeer gemakkelijk en is met gierst, wit zaad, haver, enz. best te onderhouden. Het wijfje heeft o.a. een geelachtig grijze kuif. Bij het laten broeden volge men de voorschriften, die wij bij den grasparkiet gaven; het nest moet evenwel iets grooter zijn.

e. De witte Kakatoe of oranjekuif Kakatoe (Ps. cristatus) is geheel wit en alleen geel aan de kuif en 't einde van den staart. Hij komt op de Molukken voor. Prijs /quot;10 tot /40 per stuk.

-ocr page 49-

II. Zang-- of Roestvogfols (Passeres).

1. Dc yinkvogels. (Tringiüaé).

Daar de vogels dezer onderfamilie het gemakkelijkst te verzorgen zijn, honderden in één groote vogelkamer kunnen gehuisvest worden, vele in den gevangen staat broeden, bijna alle fraai zingen en uitmunten door kleurenpracht, komen vooral zij in de eerste plaats als kamervogels in aanmerking. Is het wel noodig over den voorrang der vinken langer uit te weiden?

Immers neen, daar zij reeds bij duizenden vogelliefhebbers over de geheele beschaafde wereld het burgerrecht hebben verkregen.

Zij zijn gekarakteriseerd door den dikken, kegelvor-migen snavel en het ineengedrongen lichaam.

Hun voedsel bestaat voor een groot deel uit zaden, doch moet ik reeds hier met nadruk er op wijzen, dat zij nu en dan in den gevangen staat ook dierlijk voedsel noodig hebben, zooals mierenpoppen, meelwor-men, hard gekookt ei, enz.

Ten einde een gemakkelijk overzicht te verkrijgen, zullen wij achtereenvolgens behandelen:

A. Be Prachtvinken (Aeginthidae).

B. Be Widavinken of Weduictn (Viduae).

-ocr page 50-

3G

C. De Wevervogels (Ploceinae).

1). De Vinken (Fringillinae).

E. De Kernbijters (Coccothraustinae).

A. Praclitvinken.

2. De praclitvinken in 't algemeen. (Aeyinthidaé).

Deze vinken worden onderscheiden in twee soorten n.1. de Astrildes (Aeginthinae) met een kleinen, zwakken snavel en de Amadina1 s (Spermestinae) met een grooten, dikken snavel. De eerste zijn beweeglijker en sierlijker dan de laatste, hun gezang is ook veel aangenamer.

De Praclitvinken hebben 10 slagpennen in de vleugels en meestal een prachtig gevederte, de paartjes voeren elkaar nooit uit den krop, zooals de gewone vinken. Zij worden zoowel in Afrika en Azië als in Australië gevonden. Van de leefwijze van sommige is nog weinig bekend, terwijl die van andere reeds door enkele reizigers is beschreven.

Zij blijven voor hun geheele leven gepaard en zijn zeer aan elkaar gehecht, zooals zij door velerlei lief-koozingen met den snavel, door pluizen in de veertjes, door sierlijke buigingen, alleraardigste dansjes, kunstige vliegoefoningen en andere liefdebetuigingen te kennen geven. Alle bouwen overdekte, rondachtige nesten met eene zijdelingsche opening of maken gebruik van holten. De meeste leggen zuiver witte eieren. De broedtijd duurt van ii tot quot;13 dagen, terwijl de jongen in ongeveer 16 tot 22 dagen vlug zijn en dan nog 8 dagen gevoerd worden. Hun prachtig bruiloftskleed krijgen zij reeds na

-ocr page 51-

37

•ongeveer 0 a 8 weken. Verreweg de meeste behouden dat kleed gedurende hnn geheele leven winter en zomer.

De verschillende soorten broeden ook wel onderling en brengen dan niet zelden fraaie bastaarden voort. Slechts enkele laten liefelijke geluiden en loktonen hooren, zooals de tijgervinkjes; de meeste stooten zachte, lang aangehouden, eentonige geluiden uit, doch maken daarbij allerlei sierlijke bewegingen met het lichaam en dansen op hun stokje. Hun lied is meer gebabbel dan gezang.

Bijna alle zijn zeer gevoelig voor koude, vochtigheid en plotselinge overgangen in temperatuur: zij kunnen niet buiten worden gehouden, maar dienen steeds in de kamer te blijven, die goed gelucht moet •worden. De meeste soorten komen uit Afrika: Azië en Australië leveren slechts een gering aantal: sommige verschijnen enkel nu en dan, na lange tusschen-poozen, op de markt. Als zij eenmaal gewend zijn, blijven zij vele jaren in 't leven.

De verschillende soorten der Astrildes bereiken een lengte van 9,5 tot IS cM., hebben een slanke gestalte, een meestal rooden snavel en hooge teere pootjes met korte teenen. Zij zijn zeer goed in 't leven te houden en broeden gemakkelijk in den gevangen staat; nieuwsgierigheid en vreesachtigheid zijn hun meest in 't oogvallende eigenschappen. Zij leggen 3 tot 4 eieren, wisselen elkaar bij het broeden af en maken soms vier tot zes broedsels na elkaar. In hun vaderland eten zij vooral het zaad van de Durrha-gierst of het negerkoren en richten dikwijls veel schade

-ocr page 52-

38

aan. Als zij sleclit verzorgd worden verliezen zij soms plotseling de veeren; in het tegenovergestelde geval kan men nauwelijks merken, dat zij ruien. Gebrek aan zon, aan licht en aan voldoend en gepast voedsel zijn vooral de oorzaak, dat hun prachtig kleed zwartbruin tot zwart wordt; bij goede verzorging krijgen zij echter spoedig hun schoone kleuren terug. Het onderscheid tusschen mannetje en wijfje is dikwijls zeer moeilijk te bepalen; heeft men een tiental van dezelfde soort, dan plaatse men ze in een kooi met verschillende afdeelingen: de vogeltjes, die 's avonds in elke ruimte te zamen zitten, zijn veelal een paartje.

Be Amadina's bereiken eene lengte van 10,5 tot 125 cM. De gestalte is meer gedrongen en krachtiger dan die der Astrildes. Het vederenkleed is gewoonlijk eenvoudig, maar toch fraai gekleurd. De snavel is dik en gewelfd, de pooten zijn hoog en krachtig met stevige nagels aan de teenen. Ook hier is het onderscheid tusschen het mannetje en het wijfje zeer moeilijk te bepalen; zij nesten niet zoo gemakkelijk als de Astrildes en maken slechts een kunsteloos nest. De Australische soorten, zooals de zebra- of bruinoor-vinken, de diamant- en baardvogeltjes rekent men, wegens den kleineren snavel wel eens tot de vorige afdeeling, maar door hun minder sierlijke bewegingen, alsmede wegens hun eenvoudiger nestbouw, hebben zij meer overeenkomst met de Amadina's. Alle zijn spoedig zeer mak en tam. Na den broedtijd zwerven zij in groote troepen en richten veel schade aan in Durrha-gierst- en rijstvelden. Ook zij worden bij slechte be-

-ocr page 53-

39

handeling donker van kleur. Na hunne aankomst hier te lande sterven zij dikwijls bij menigte; eenmaal gewend, leven zij echter lang.

De meest algemeen voorkomende Prachtvinken zullen nu achtereenvolgens behandeld worden; terwijl de meer zeldzame soorten in een enkel nommer gezamenlijk besproken zullen worden. Ook bij de andere onderfamilies zullen wij dien weg volgen.

I. !Ue Astrildes.

3. Het tijgervinkje {Aegintha amandava.)

Een der fraaiste en tevens een der veelvuldigst voorkomende Astrildes is de getijgerde Astrilde of het tijgervinkje. Door de meeste liefhebbers wordt deze vogel èn om zijne verdraagzaamheid èn om zijn fraaie kleuren bijzonder hoog geschat; velen zelfs ruimen hem de eerste plaats onder de Astrildes in, of beschouwen hem ten minste als den primus inter pares, den eersten onder zijns gelijken.

Beschrijving. Zijn fraai karmijnrood gewaad is met talrijke witte puntjes als bezaaid, de bovendeelen zijn geelachtig bruin en met een rooden gloed overtogen : de onderdeelen zijn lichter, bijna roestgeel; van den bovensnavel tot even om het oog loopt een zicarte streep, de vleugels zijn bruin, de staart is zicart; de langste slagpennen, alsmede de staartpennen zijn met witte, halvemaanvormige vlekjes versierd. Tegen den winter verflauwen de schitterende kleuren en maakt het rood plaats voor bruin, zoodat het mannetje na eenige weken volkomen op het wijfje gelijkt; het

-ocr page 54-

40

snaveltje blijft echter steeds schitterend rood. Tegen Juni komen de fraaie kleuren weder voor den dag. Bij de vogelhandelaars worden zij steeds donker, soms zelfs geheel donkerbruin, behalve de stuit, die altijd rood blijft. Kenschetsend voor dezen vogel zijn de roode stuit en snavel en de witte puntjes.

Het nest wordt steeds in een boompje of struikgewas gebouwd, zoodat de teelt in een vogelkamer meer kans van slagen aanbiedt dan in een kooi: ook daar evenwel zal de voortteling gelukken, indien men een bezem van rijsjes of een palmboompje er in plaatst. Gewoonlijk willen zij, evenals alle buitenlandsche vogels, gaarne omstreeks September met den nestbouw beginnen; men doet echter wel, hun dan geen materieel te geven. Beter is het, dat zij reeds in Mei gaan bouwen, omdat men dan mierenpoppen, enz. kan krijgen en de lange, warme zomerdagen in aantocht zijn. Het nestmateriëel bestaat uit paardenhaar, katoenen draden, bast- en kokosnootvezels, reepjes papier en linnen, zeer dunne takjes, enz. De reepen moeten niet te lang zijn, daar de vogels er anders in verward zouden raken. Gewoonlijk legt het wijfje telkens 4 eitjes. De jongen zijn vaalbruin met vaalgele puntjes op de vleugeldekveeren; de stuit is geelachtig rood; de snavel zwart. Na verloop van acht weken bezitten zij reeds hun bruiloftskleed. Zij kunnen dan al gaan broeden; doch dit moet worden tegen gegaan.

De nagels der teenen moeten, als zij te lang worden, heel voorzichtig worden geknipt: dit geldt eveneens voor de overige vogels: slechts hoogst enkele malen

-ocr page 55-

41

groeit ook de snavel te sterk aan: ook deze dient dan tot zijne gewone lengte terug gebracht te worden.

Het vaderland van dezen vogel is Oost-Indië: zoowel op het vastland als op de eilanden komt hij voor.

Het mannetje huppelt dikwijls om het wijfje met opgeheven kop en uitgespreiden staart, om haar zijn liefde te betuigen; ook verricht het daarbij allerlei prachtige vliegoefeningen.

Een variëteit van dezen vogel is de hoogroode Astrilde (A. punicea). Zij is iets grooter, terwijl het geheele lichaam fraai hoogrood van kleur is; de staart en slagpennen zijn bruinzwart; de witte stipjes zijn talrijker en grooter. Bij het oog is een wille streep, waardoor zij steeds van de vorige soort in alle jaargetijden is te onderscheiden. Hij broedt beter dan het tijgervinkje. De prijs van beide is ongeveer ƒ 3.50 het paar, daar zij tamelijk algemeen zijn.

Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit wit zaad, gierst en kolfgierst; als er jongen zijn, voegt men mierenpoppen, enz. hieraan toe. Zie overigens voor voedsel en verzorging de laatste hoofdstukken.

4. Het grauwe St. Helena fnzantje, Napoleontje, of grijze Astrild. {A. cinerea).

Zoowel bij de vogelhandelaars als bij de vogelliefhebbers staat deze vogel hoog aangeschreven, niet alleen om zijne levendigheid, bevalligheid en sierlijkheid, maar ook wegens zijn groot weerstandsvermogen, zoodat hij meestal in 't leven blijft.

Zijn geboorteland is West- en Oost-Afrika.

-ocr page 56-

42

Beschrijving. De bovenzijde is bruine/rauw, destaart en slagpennen zijn zwart, de beide buitenste staart-pennen met witte vlag.

Een schitterend roode streep loopt door 't oog tot aan de wang; de zijden van den kop, de keel en krop zijn hruingrauw met rozerooden weerschijn.

Het snaveltje is bloedrood, de oogen zijn geelbruin, de pooten bruin. Het bruiloftskleed van 't mannetje bezit den rooden weerschijn ook van onderen, zelfs op de borst en den mantel; vooral tusschen de pooten is het rood dan het levendigst; slechts in dien tijd is het mannetje van 't wijfje te onderscheiden. Hij heeft de grootte van ons goudhaantje. Hoewel deze vogel slechts bij uitzondering broedt n.1. als hij vrij in de kamer vliegt, is hij uiterst gemakkelijk in 't leven te houden, zoowel paarsgewijze in de kooi, als met vele in een volière, indien de temperatuur maar gelijk blijft. Het nest maken zij in een korfje, in een Harzerkooitje, enz. van aloë en andere vezeltjes en reepjes, en voeren het met haar, katoen, draden, enz.; het is geheel overdekt en heeft slechts een zeer nauwe, zijdelingsche opening. Soms bouwen zij door tot boven in de kooi! De jongen hebben een glinsterend zwarten snavel en missen den rooden weerschijn. Individuen van 't zelfde geslacht liefkoozen elkaar ook, zoodat men in den waan wordt gebracht, een paartje in de kooi te hebben: dan komt natuurlijk van 't broedsel niets. Bastaarden zijn reeds geteeld met het St. Melena-fazantje, het Oranje-bekje en het Zebra-vogeltje.

-ocr page 57-

Een eigenlijk gezang laten zij niet hooren, wel fluitende, liefelijke loktonen. Het mannetje vergast soms bij zijn liefdebetuigingen zijn wijfje op een alleraardigst dansje en laat dan een luiden roep hooren. De prijs bedraagt ongeveer ƒ2 per paar bij de aankomst, later als zij zaad vast zijn ƒ3 tot ƒ 4.

5. Het St. Helenafazantje of de Astrilde. {A. Astrild).

Een alleraardigst vogeltje! Altijd levendig, bevallig en vroolijk, glad en sierlijk in de veeren, nooit schuw, en, hoewel bang van natuur, toch vertrouwelijk en spoedig tam : het staat daarom vooral bij de dames in hooge gunst. Men noemt het fazantje, omdat het bij zijn gezang, zijn liefdebetuiging en zijn dansen de manieren en de houding van den fazant aanneemt.

Beschrijving. Zijn geheele gewaad is donkergrauw, van onderen helder, bijna het geheele jaar door met donker groenbruine dwarsstreepjes; keel en krop hebben een bleeken-, borst en buik een donker msmwcfew weerschijn, de zijden van den krop en de keel zijn bruinachtig wit; de staart, de stuit en het achterste gedeelte van den buik zijn zwart; de snavel is rood als koraal; boven en om het oog, van den snavel tot de wang, loopt een hloedroode streep; het oog is geelbruin. Hij is veel grooter dan de vorige soort. Het ivijfje is kleiner dan 't mannetje; de buik is minder rood; de rozeroode weerschijn is flauwer, het achterste gedeelte van den buik is vaal geelgruuw. Het vaderland van deze prac.htvinken is Oost-, Westen Zuid-Afrika. Als zij vrij in een vogelkamer rond-

-ocr page 58-

44

vliegen, nesten zij gemakkelijk; moeilijker geschiedt zulks in de kooi, omdat zij in den paartijd zeer levendig zijn. Het mannetje is dan niet spaarzaam met zijn liefdebetuigingen en laat dikwijls luide jubeltonen hooren.

Het nest bouwen zij hoog in de kamer van hooi, lapjes, enz.; het wordt daarna met katoenen draden, watten, paardenhaar, enz. gevoerd. Het aantal eitjes bedraagt drie tot vijf. De snavel der jongen is zwart. Ook bastaarden kan men verkrijgen door paring met het vorige fazantje, met het oranjebekje en zelfs met het zilverbekje. Gedurende den broedtijd is hij niet erg verdraagzaam, zoodat twee paartjes dan nooit bij elkaar mogen zitten. Anders is hij voor den vrede. Hij is niet heel sterk van natuur en vooral gevoelig voor koude, vocht en tocht. Prijs als de vorige soort.

6. Het Oranjebekje of de Oranjewang. {A. mdpoda).

Zit altijd glad en zuiver in de veeren, is steeds vroolijk en levendig, zachtaardig en verdraagzaam, voortdurend nieuwsgierig en slechts zelden schuw, wanneer het dadelijk zijn waarschuwend, schel geluid laat hooren. Hij liefkoost ook andere prachtvinken.

Beschrijving. Het voorhoofd is llauwgrijs, het achterhoofd bruingrijs, de bovendeelen zijn helder bruingrijs, de onderdeelen donkergrijs; de staart is donkerbruin, de stuit bruinrood-, de wangen zijn oranjegeel, de streep boven en onder 't oog is rood; 't snaveltje glinsterend rood. Bij 't wijfje is het rood en het geel minder levendig gekleurd.

-ocr page 59-

45

Deze vogel bewoont West-Afrika; hij teelt ook in den gevangen staat voort en maakt zijn nest, dat slechts een nauwe opening heeft, uit dunne, vezelige stoffen en draden. Mannetje en wijfje zitten gelijktijdig op de vier tot zeven witte eitjes te broeden en vliegen bij de minste stoornis van 't nest, waardopr de eitjes er uitvallen; het broedsel mislukt gewoonlijk. Zij zijn zeer aan elkaar gehecht. De liefdespelen zijn alleraardigst. Prijs ƒ2.50 a ƒ5 per paar. Zij komen zeer menigvuldig in den handel.

7. Het vuurvogeltje of de kleine roode Astrild.

{A. minima).

Het vuurvogeltje is een gewone, maar niettemin welkomen verschijning in den vogelhandel, omdat hij stellig tot de fraaiste der buitenlandsche vogels moet gerekend worden en door zijn vreedzaam en vertrouwelijk wezen spoedig voor zich inneemt.

Beschrijving. De hoofdkleur is een Aonkerpurperrood, dat vooral aan de buikzijde fraai uitkomt; op de bovendeelen is het rood bruinachtig, vooral op de vleugels; ter zijde van de borst glinsteren een aantal teitte puntjes; het snaveltje is donkerrood met zwarte kam; de rand om 't ong is geel. Het wijfje is van boven reebruin en van onderen iets lichter dan 't mannetje.

In zijn vaderland, Midden-Afrika, komt zijne leefwijze overeen met die onzer huismusch: het leeft in de nabijheid van den mensch in dorpen en in bebouwde streken en bouwt zijn nest onder de rieten daken der hutten, in muurgaten, enz.

-ocr page 60-

40

In onze vogelkamers en volières broedt het zeer gemakkelijk, het liefst in September, hetgeen echter in ons land een ongeschikte tijd is, zoodat men het broeden dan moet beletten, om de vogels in Maart er mee te laten beginnen.

Het nest wordt zoowel in een nestkastje als in een nestkorfje gebouwd en uit hooi, papierreepen, paardenhaar, agavevezelen, enz. samengesteld en met lapjes, veertjes en watten gevoerd. De jongen krijgen stukgesneden raeehvormen en mierenpoppen en harde eieren, goed fijn gewreven. Vooral wanneer de jongen gaan verkleuren, omstreeks 4 weken na hunne komst uit het ei, moet men voor droge warmte en versterkend voedsel zorgen, omdat er anders licht vele van sterven. Dikwijls komen de ouden in zeer erbarmelijken toestand hier aan, zoodat ze bij menigte te gronde gaan, zijn ze evenwel van de vermoeienissen der reis hersteld en aan het gewone voeder gewend, dan kunnen ze lang in leven blijven en ons genoegen verschaffen door hun fraai kleed en hunne sierlijke quot;bewegingen. De prijs is ƒ2.50 a ƒ 4 per paar.

8. Eenige andere Astrildes,

Ook de volgende Astrildes zijn zeer gemeen; daar hunne leefwijze ongeveer met die der vorige overeenkomt, stippen wij in 't kort het volgende aan :

a. Het oranjebuikje, Zebravogeltje of goudborstje (A. sanguinolenta). Van dezen vogel sterven er bij aankomst minder dan van de andere soorten. De boven-deelen zijn groenbruin, bovenborst en hmk citroengeel;

-ocr page 61-

47

de borst, soms ook de buik, bij oude mannetje rood; de zijde groengrijs, met ronde, witte vlekjes en bruinachtige strepen; stuit geelrood, streep boven 't oog rood; snavel glinsterend rood. Het icijfje heeft o.a. een gele stuit. Zijn vaderland is bijna geheel Afrika. Deze soort broedt eveneens uitstekend en is zeer vruchtbaar: 54 jongen en 67 eitjes in één jaar!!! Het gezang heeft weinig te beteekenen. Sommige worden bij de vogelhandelaars zwart, maar krijgen spoedig hunne frissche kleuren terug. Prijs 3 a ƒ4 per paar.

h. Be blauwe Astrilde of het blauwe fazantje. (A. phoenicotis). Deze prachtvink is zeer eigenaardig ge-teekend. De bovendeelen zijn reebruin met zwakken rooden weerschijn, de onderdeelen, de staart en de stuit fraai hemelsblauw, buik roodbruin; een karmijnroode vlek op iedere wang, die bij 't ivijfje. ontbreekt. Ook zijn vaderland is Afrika en ook hij heeft reeds in Europa gebroed. Hij is echter een der teerste pracht-vinken; de wijfjes sterven bij 't broeden dikwijls, wanneer de temperatuur ook maar even daalt. Prijs ƒ2.50 a ƒ 4 per paar.

c. Be roode of Borna Astrild {XAemporaWs) hevioont Australië en is minder algemeen dan de bovengenoemde soorten. De teugel, de stuit, een streep bij 't oog en de bovenstaartdekveeren zijn scharlakenrood, de bovendeelen groengrijs, de onderdeelen groenuchtig-grijswit, de snavel is rood met zwarten kant. Hij is wel rustig en stil, maar toch ook bevallig en vreedzaam, evenwel niet heel sterk. Prijs ƒ6 a ƒ10 per paar.

-ocr page 62-

48

d. Het granaatvogeltje oj de Granaatroode Astrild (A. granalina) woont in Zuid-Afrika en is zoo groot als een putter. Het heeft een bruinrood vederenkleed, maar de zijden van den kop zijn licht purperviokt en de bovendekveeren van den staart uUramarijn Mauw. 't Is Jammer, dat dit prachtige vogeltje tamelijk zeld-den voorkomt, hetgeen zeer vreemd is, daar het reeds in 1754 in Parijs gehouden werd. De prijs is ƒ 20 a ƒ30 per paar.

e. Be vuurvink of Zonneastrild (A. Phaëton) draagt, wegens zijne schitterende kleuren, zijnen naam niet te vergeefs, waarom hij zelfs wel zonnevogeltje heet. De bovenkop, de hals, de rug en de stuit zijn bruingrijs, elke veer met fijnen rooden rand; de vleugel-dekveeren bruinachtig met breeden, rooden rand; de staartpennen rood met bruinen zoom, de onderdeelen zijn fraai donker scharlakenrood; de zijden van de borst dragen schitterende witte puntjes, het midden van den buik, het achterlijf en de staart van onderen zijn^'/c-zxoart; bij 't wijfje o. a bruingeel; de snavel is karmijnrood. Deze prachtvink leeft in Australië in bijzonder talrijke vluchten; het is daarom onbegrijpelijk, dat hij niet in grooter aantal wordt ingevoerd. Ook zij hebben reeds in den gevangen staat gebroed en jongen groot gebracht. Prijs /15 tot/50 per paar.

Verder noemen wij nog de Roodstaart-Astrilde {grijs met langen rooden staart en met wille stippen boven de pooten) (A. coerulescens) /3.50; het kersvinkje of Ceres-Astrilde {bruin, kruin roodachtig, onderdoelen wit gegolfd.) (A. modesta) en de Larven-Astrild

-ocr page 63-

49

(A. larvata)/10 a ƒ12 per paar. A. modesta is min of meer zeldzaam.

ƒ. Be Heine Roodstaart-Adrilde (A. coerulescens). Een zeer fraai vogeltje met rooden staart en stuit, een fraaie, blauwgrijze kleur, een zwarte teugelstreep en eenige tcüte puntjes aan de zijden; do snavel is karmijnrood. Het rood is bij 't wijfje minder levendig. Er bestaan, naar men zegt, van dit vogeltje drie verscheidenheden, welke sommigen evenwel voor dezelfde soort op verschillenden leeftijd beschouwen. Hij heet ook wel gris-bleu en is overigens nog zeldzaam ; het is een bedaard, verdraagzaam en lief vogeltje, dat van West- en Zuid-Afrika wordt ingevoerd en bij enkele liefhebbers reeds gebroed heeft. Prijs ƒ3.50 per paar.

g. De Zilver-Adrilde (A. Bichenovii) is van boven aschyrauw met reit gespikkelde vleugels en van onderen geel met twee donkere banden; de stuit, de wangen, de keel en de krop zijn tcit. Zij werden voor 't eerst gezien op de Parijsche tentoonstelling in 1867. Het is een goede broedvogel, wiens vaderland Australië is. De prijs, die in 1867 ƒ100 bedroeg, is thans ƒ18 per paar.

II. De Amadina's.

9. Het Bandvogeltje of de Bandvink.

(Sperrnestes fasciata).

Ofschoon eenvoudig geteekend, is het toch een fraai vogeltje, dat reeds sinds meer dan eene eeuw naar ons werelddeel werd gebracht, vooral uit Senegambië, Isubië en Kordofan.

3

-ocr page 64-

50

Beschrijving. Deze vogel is zoo groot als een kanarievogel en heeft een reebruine kleur met dwarse, zwarte vlekken, een karmijnrooden, van de oorstreek om de Mn loopenden kraag en een roodhruine vlek op de borst. Het wijfje mist den halsband en het schild voor de borst.

In den laatsten tijd is dit vogeltje in zulk een groot aantal geteeld, dat er meer geteelde dan ingevoerde paartjes aan de markt komen. Het nest is kunsteloos en geheel dicht, op het vlieggat na; het wordt uit grove bouwstoffen vervaardigd, namelijk halmen, vezels, draden, veeren, wol, enz. Bij de aflossing van het wijfje brengt het mannetje steeds een halmpje voor 't nest aan. Sommige paartjes nesten vijf a zes maal per jaar. De jongen lijken reeds veel op de ouden, doch hebben qqw donkergrijzen snavel. Het is raadzaam, ze slechts in de kooi te laten nestelen, omdat zij in de volière de andere nestjes wel eens uittrekken. Het gezang bestaat uit een eigenaardig »snorrenquot;, gepaard met de wonderlijkste bewegingen. Prijs ƒ3 a ƒ5 per paar. Zij telen voort als de muizen!!

10. De Bijstvogel. {Sjgt;. oryzivora).

De meest algemeen bekende buitenlandsche vogel is stellig de rijstvogel. Hij is fraai gekleurd en getee-kend, ofschoon zijn snavel wel wat groot is. Het gezang gelijkt op 't geluid van kleine zilveren klokjes. Een vroolijke vogel, die jaren lang in 't leven blijft, wanneer hij de vermoeienissen der reis te boven is!

Beschrijving. Hij is zoo groot als onze huismusch,

-ocr page 65-

51

maar zijn bek is veel grooter en lichtrood gekleurd. De hoofdkleur is een fijn grijs, maar de buik is pur-perUeurig; de wangen en do onderdekveeren van den staart zijn wit, de staartpennen en de stuit zwart. De jongen zijn Itruin en hebben een zwarten bek. Het mannetje is alleen van 't wijfje te onderscheiden door het wonderlijke gezang en de fraaie liefdespelen. Hij nestelt in zijn vaderland, Java, Sumatra, Borneo en Malakka, slechts eenmaal per jaar en wel in holten van boomen of in de oude nesten van don Javaan-schen wevervogel; hij legt echter telkens 7 tot 8 witte eieren. Do overige gedeelten van het jaar leeft hij gezellig en brengt dan aan de rijstvelden evenveel nadeel toe als onze ringmusch aan de graanvelden. Zij houden van de nabijheid der menschen en overnachten in menigte op do groote boomen in dorpen en steden. In vele andere tropische landen is hij ingevoerd en verwilderd o.a. in Zanzibar. Hij nest ook, doch moeilijk, in den gevangen staat. Prijs ƒ2 a ƒ 3 per paar.

Be sneemewitte rijstvogel komt ook al moer en meer in den handel en is een speling of variëteit van den rijstvogel; vooral in Japan wordt hij veel in kooien gehouden. Hij nest gemakkelijker dan zijn stamvader. Prijs /6 a /20 per paar.

11. De momiikskap-Amadhia of kleine Afrik.-Ekstervink. {Sp. culcullatd).

Eenvoudig, doch fraai geteekend is deze amadina, die daarenboven zich zeer gemakkelijk voortplant en

-ocr page 66-

heel spoedig aan het nieuwe voedsel en de vreemde omgeving went.

Beschrijving. De bovendeelen zijn zwartbruin, de stuit is brmnwit, de horst zicart met metaalgroenen weerschijn, de verdere onderdeelen zijn wit, aan beide zijden der borst onder de vleugels een meiaal groene vlek: staart zwart; snavel zwart, van onderen lood-kleurig. De hals en de kop zijn bijna zwart. Tusschen 't mannetje en 't wijfje is bijna geen onderscheid te zien; het kleinste is het mannetje en dit heeft ook een zuiver witte borst.

Dit vogeltje is bijna over geheel Afrika verspreid. Het plant zich gemakkelijk in de kooi voort en bouwt zijn nest in allerlei holten van hooi, katoen, draden, vezels, lappen, enz. Het wijfje legt 4 tot 7 eieren en wordt door 't mannetje in 't broeden bijgestaan. Na ongeveer 3 maanden hebben de jongen de kleur dei-ouden. Daar hij gemakkelijk te onderhouden, zeer levendig en vertrouwelijk van aard is en gedurende den paartijd een aardig gezang en een eigenaardig dansen ten beste geeft, vindt deze vogel steeds grage koopers. Prijs ƒ2.50 a ƒ4 per paar.

12. Het zilverbekje. (amp;p. cantans.)

Dit vogeltje laat bijna voortdurend een alleraardigst gezang hooren, dat veel lijkt op het zacht gemurmel van een beekje; het is een vroolijk en levendig beestje. Het is bovendien gemakkelijk te onderhouden en plant zich zeer goed voort.

Beschrijving. De bovendeelen zijn helderhruin met

-ocr page 67-

donkere streepjes en golvende lijnen: de kop, de keel en de zijden van den hals geelbruin, de staart, de stuit en de slagpennen zicartachticj, de onderdeelen grijsachtig wit, de pootjes loodkleurig; de snavel is dik en bij 't mannetje donker loodkleurig. Het icijfje verschilt slechts van het mannetje door den helder zilvergrijzen snavel.

Zijne woonplaats bevindt zich in Noordoost- en Mid-den-Afrika. Het broedt zoowel in de kooi als in de vogelkamer in allerlei holten, waar het mannetje mos, hooi, katoen, draden, vezels, reepen papier, enz. in draagt, terwijl het wijfje later helpt. Het broeden duurt H dagen; terwijl de jongen na ongeveer 25 dagen alleen eten. Zij zijn veel banger dan de vorige soort, zoodat men ze niet moet verschrikken, als zij op 't nest zitten. Na verloop van vijf weken gelijken de jongen geheel op do ouden. Ook bastaarden zijn reeds verkregen door den vogel te laten paren met andere amadina's. Hij wordt veel aan de markt gebracht. De prijs is ƒ 3 a ƒ3.50 per paar.

13. De ninskaatTOgel. (Sp. punctularia).

Reeds sedert vele jaren is deze vogel naar Europa gebracht en ook thans nog zeer algemeen.

Beschrijving. De bovendeelen zijn roodbruin, de kop en de keel donkerbruin, de onderdeelen wit met donkerbruine schubjes; de stuit is grijsbruin, de snavel blauwzwart. Een andere soort Muskaatvogel gelijkt juist op dezen, doch heeft een groengele stuit en een grijs-acJitigen snavel Er zijn nog 2 andere rassen.

-ocr page 68-

54

Hij leeft op Java en omliggende eilanden en is voor de rijstteelt zeer schadelijk. Op de bebouwde landen, zelfs op de gebergten is hij zeer menigvuldig en plaatst zijn grof nest tusschen de takken en de bladeren der boomen, in boomholten, of onder de daken der gebouwen. Hij stoort zich bij 't nesten aan geen jaargetijde en legt 3 tot 4 witte eieren.

De muskaatvogel is zeer vreedzaam; zijn gezang is onbeduidend en schijnt uit den buik te komen. Hij nest veel moeilijker dan de vorige soort. Prijs ƒ3.50 a ƒ 4 per paar.

14. Het nonnetje, het witkop-jaeobijntje of de MAja.

{Sp. Maja).

Het nonnetje is uiterst grillig en vreemd geteekend, het houdt zich uitstekend in de gevangenschap en verdraagt zich goed met andere vogeltjes. Het nest niet in do kooi, maar wel in de vogelkamer, als het er vrij in kan rondvliegen.

Besc/irijvinff. De Maja is niet grooter dan een sijsje; zij is purperhruin met een witten kop en zwarten buik. De snavel is blauwgrijs. Bij 't icijfje zijn de wangen niet zuiver wit. Overigens is het mannetje het best te kennen aan zijn liefdespelen: hij steekt den kop schuin in de hoogte, spreidt het korte staartje uit en begint ijverig te zingen, zonder dat men echter iets te hooren krijgt dan den luiden, melodieusen toon, waarmee het »stonime gezangquot; sluit.

Zij leeft op Java en Sumatra en houdt zich veel in dichte struiken en in het hooge gras op, waar zij

-ocr page 69-

55

haar groot, uit grof gras en plantenpluis vervaardigd nest plaatst. Zij is zeer menigvuldig en even nadeelig voor den rijstbouw als de rljstvogel.

Gedurende den broedtijd is zij schuw; anders echter is de Maja een rustig en tamelijk brutaal vogeltje. Prijs per paar ƒ 3 a ƒ5.50.

15. De Zebra- of Brninoorvink. {Sp. castanotis.)

Een der kleinste en bontste van de Australische prachtvinken en tevens de meest algemeene en de meest gezochte.

Beschrijving. De bovenkop, de hals en do rug aamp;ch-kleurig, de vleugels bruingrijs; iedere veer met breeden, helderen zoom, de bovenstaart zwart, iedere pen met drie breede, witte banden; stuit, buik, achterlijf en onderste deel der borst wit; hals, keel en bovenborst parelkleurig; de wangen hebben, op een parelkleurigen grond, een kastanjebruine vlek, van den (jeelrooden snavel gescheiden door twee fijne, zwarte strepen, waartusschen een breede, witte streep; de pooten zijn roodachtig. Het wijfje bezit o. a. geen bruine wangen.

Reeds in de vorige eeuw werd deze algemeen bekende vogel in Europa voortgeteeld en nog wordt daarmede voortgegaan, zoodat hij minder aangevoerd dan hier geteeld wordt.

Vooral in de vogelkamer, doch ook in de kooi plant hij zich zonder moeite voort. Hij is minder sierlijk en bevallig in zijn bewegingen dan zonderling en potsierlijk en volstrekt niet schuw. Als er vele bij elkaar zitten, maken zij wel eens ruzie en hakken

-ocr page 70-

56

met tien snavel, echter zonder elkaar aan te raken. De loktonen lijken eenigszins op liet geluid, dat een kindertrompet maakt; tijdens liet broeden zijn zij echter minder luid en aanhoudend dan anders. Dij hun liefdespelen «trompettenquot; zij alleraardigst; zij nesten in elk jaargetijde in Harzerkooitjes, nestkastjes, bordpapieren doozén, enz. en zijn tevreden met grove bouwstoffen, stroohalmen, allerlei reepen. droge murik, mos, enz.; de holte voeren zij dan niet veeren, watten, katoen en haar. Reeds als zij acht weken oud zijn, beginnen zij nesten te bouwen; zij zijn dan echter te jong om te broeden en leggen hoogstens een paar eieren, waaruit geen jongen komen; daarom moet men ze in 't eerste jaar niet laten nesten, omdat zulks hen te veel verzwakt.

Menigmaal brengt een paar, zonder pauze, 30 jongen groot; gewoonlijk legt het wijfje 5 a 6 eieren telkens, die door beide vogels overdag afwisselend en 's nachts gezamenlijk bebroed worden. Als de jongen vlug zijn en alleen eten, moeten zij uit de kooi genomen worden, omdat zij anders de ouden storen, 't Is opmerkelijk, dat deze drieste en brutale vogel zoo gemakkelijk van 't nest vliegt, als iemand de kooi nadert; daarom moet men dit tijdens den broedtijd laten. Men gebruikt hem wel eens, om eitjes van kostbare vogeltjes te laten uitbroeden, meestal met succes. Prijs fh a /quot;7.50 per paar, vroeger veel duurder.

16. Het diamantvogeltje. (lt;%;. yuitatci).

Ten opzichte der kleuren een der fraaiste en om

-ocr page 71-

zijn eigenschappen een der aardigste prachtvinken.

Beschrijving. De diamantvogel is iets grooter dan het sijsje, kop en staartpennen zijn zwart, de boven-deelen qrijs, de stuit is rood; de keel en het midden ■van borst en buik zijn wit, de zijden van den romp zwart met ronde witte vlekken (diamanten); de snavel is bloedrood. Het wijfje is zeer moeilijk van 't mannetje te onderscheiden; men zegt, dat het zwart aan den kop matter is.

Deze vogel hoort in Australië thuis en voedt zich met allerlei zaden, die hij op den grond opleest; zijn groot, bolvormig nest, van gras vervaardigd en van eene naar onderen gerichte buis tot ingang voorzien , plaatst hij op boomen, of zooals wel meer kleine vogels doen, tusschen de takken der nesten van groote roofvogels, die hen niet in 't minst verontrusten.

Het wijfje legt 5 tot G langwerpige, witte eieren. De vogel is in de kooi zeer tam en vertrouwelijk.

Bij zijne aankomst is hij soms bijna geheel kaal, hetgeen echter bij eene zorgvuldige behandeling spoedig beter wordt. Hij nest, doch niet heel spoedig, ook in de kooi en sleept hooi, stroo, reepen, vezels, enz. bijeen voor een groot, kunsteloos nest, dat hij met veeren, katoen en paardenhaar voert. De 3 tot 5 eieren worden gedurende 12 dagen door het wijfje en het mannetje afwisselend bebroed. Een eigenaardigheid van dezen vogel is, dat hij drinkt zooals de dni-ven : hij zuigt n.l. het drinkwater op 1 Prijs ƒ G a/12 per paar.

-ocr page 72-

58

17. Eenige andere Amadina's,

a. Hd groote nouneije. (Sp. fringillina). De kop, de keel en de bovenborst, de stuit en de staart zijn zwart met yroenen weerschijn, de overige bovendeden don-kerbruin, de onderdeelen zuiver wit; de zijden van de borst hebben 'een groote, zwarte en bruine vlek; bij 't wijfje zijn die vlekken bruin. Sedert IBTd wordt deze vogel, die zich in de kooi zeer goed houdt en er ook broedt, geregeld ingevoerd. Prijs ƒ4 a ƒ6 per paar. Vaderland West- cn Oost-Afrika.

h. De yestreepte Amadina of het gestreepte ekstervinkje (Sp. striata) is donker gekleurd, van boven bruin, van onderen wit; de kop is zwart, de snavel blauwzioart en de stuit wit; de bovendeelen zijn helder gestreept. De vogel leeft in Oost-Indië en wordt sinds honderden Jaren in kooien gehouden, waar hij uitmuntend gedijt. Sommige paartjes nesten gemakkelijk, andere gaan daar niet toe over. Verder heeft men het Javaansch ekstervinkje (Sp. melanopygia) ƒ3.50 en het spitsstaartige ekstervinkje (Sp. acuticauda) ƒ 5. Men noemt ze ook wel bronsmannetjes; zij lijken veel op elkaar. In Japan heeft men toitte, bruinbonte en geel-honte variëteiten, Japansche meeuwtjes genoemd, van deze. soorten geteeld, die ook bij ons veel in den handel komen. Prijs ƒ5.50 a ƒ7.50. De variëteiten ƒ 10 a ƒ 12 per paar.

c. Het zwartkoppiye nonnetje of tweekleurig Jaco-bijntje (Sp. sinensis) leeft eveneens in Oost-Indië. Evenals de maja is het geheel bruin, kop en hals zijn

-ocr page 73-

59

echter pikztvart, buik en achterlijf zwart. Het is een ijverig zangertje, dat uren lang kan zingen en zich goed in de gevangenschap schikt. Prijs ƒ2.50 a ƒ 4 per paar.

d. Het driekleuriy nonnetje of Jacobijntje (Sp. ma-laccensis) lijkt bijna op het voorgaande vogeltje; slechts de onderborst, de buikzijden en de ondervleugels zijn wit; buik en achterlijf zijn zwart, de vleugels donkerbruin. Het is de mooiste van alle diksnaveligen, wordt soms in groote menigte aangevoerd en behoort tot de vreedzaamste en sterkste kamervogels. Het heeft hier nog niet gebroed. Prijs ƒ5 a /quot;6 per paar. Ook het Zwartborst-Jacobijntje (Sp. ferruginosa) ƒ 3.50 a ƒ 5 komt veel voor.

e. Be Kastanjevink (Sp. castanothorax) leeft in Australië. De bovenkop en nek zijn bruingrijs met donkere strepen; de overige bovendeelen zijn roodbruin; de staartpennen zijn bruin en cjeel gezoomd, de wangen zwartbruin met lichte strepen, de borst is kastanjebruin en heeft een zioarten gordel, de buik is wit, het onderlijf zwart. Een fraai vogeltje, dat een gezang laat hooren, alsof het uit den buik komt. In den beginne zijn zij erg weekelijk, later worden zij sterker, ofschoon ook dan enkele plotseling sterven. Prijs ƒ5 a ƒ 7 per jaar.

ƒ. De yebande Gras- of baardvink (Sp. cincta) werd eerst omstreeks '18G8 naar Europa gebracht en is thans reeds tamelijk algemeen. In eigenschappen gelijkt hij veel op den diamantvogel, doch is heel anders geteekend: Kop en hals zijn aschkleurig, de wangen

-ocr page 74-

60

blauwgrijs, van den zwarten snavel loopt een zwarte streep naar 't oog; van den ondersnavel over de keel en den lials loopt een breede zwarte teekening; borst, buik en achterrug zijn kastavjebruin, de stuit is zuiver wit; van den rug loopt een zwarte cjordel of band boven de pooten om bet onderlijf. Deze Amndina bewoont Australië en is bevalliger en sierlijker in zijn bewegingen dan de diamantvogel: hij laat een aardig gezang, benevens welluidende loktonen hooren onder voortdurend knikken met den kop. Het ronde nest wordt van hooi, agavevezeltjes, katoen, worteltjes, draadjes, enz. gemaakt en gevoerd met watten en veeren. Het wijfje legt soms tot *12 eitjes. Men moet de vogeltjes niet in de broedkamer bij andere vogels zetten, omdat zij de vreemde nestjes dikwijls uittrekken. Prijs ƒ '10 a ƒ 12 per paar. Zij broeden uitstekend.

Verder komen nog voor het Loodbekje (boven bruin met golflijnen, onderdeelen toü) (Sp. malabarica)ƒ 3.50 a/5; het Papeyaaivinkje (met groenen staart; achterlijf, voorhoofd, wang, borst en keel rood) (Sp. psittacea) ƒ 16 a /quot;24: de vierlcleurige Pijlstaartvink (Sp. prasina) ƒ 7.50 a /12: benevens de zeer zeldzame driekleurige Pijlstaartvink (Sp. trichroa) ƒ 75, die door den Heer W. Korthals, Naturalist te Rotterdam, voor 't eerst in den handel werd gebracht en wel in quot;1886.

g. Het lood- of ijzerhekje (Sp. malabarica). De boven-deelen zijn licht chocoladebruin, aan den bovenkop donkerbruin, vleugels en staart zijn zwartachtig, de stuit is wit; dit vogeltje heeft overigens veel overeenkomst met het zilverbekje dat o.a. een donkere stuit

-ocr page 75-

61

lieuft: de onderdeelen zijn leverkleurig, aan de zijden met donkere maanvormige vlekjes. Het bewoont Indië en Ceylon. Hot nest is, op liet vlieggat na, geheel gesloten en met veeren gevoerd. Het is een zeer verdraagzaam vogeltje, dat echter tamelijk zeldzaam is. Het schijnt in Maart en in November te broeden. De prijs is ƒ 4 a ƒ 5 per paar.

h. De Fapegaai-Amadine (Sp. psittacea) bewoont Polynesie en voedt zich met graszaden. liet is een schuwe, tamelijk zeldzame vogel, die reeds te Londen gebroed heeft. Het geheele lichaam is fraai grasgroen, maar de kop en de hals, benevens de stuit en de staart zijn prachtig scharlakenrood. De prijs was in 4S79 te Berlijn ƒ240: thans echter ƒ 16 a ƒ 24 per paar.

i. De scharlakenstaart- of vierkleurige pijlstaartvink {Sp. prasina). Hij heet ook wel Oost-Indische nonpareil. De bovendeelen zijn olijfachiig grasgroen, de onderdeelen scharlakenrood; voorhoofd, kopzijden, kin en bovenkeel lichtblauw; het wijfje heeft geen blauw aan 't voorhoofd en vaalgele onderdeelen. Hij bewoont Java, Sumatra en Borneo. Zij hebben reeds hier te lande gebroed. De prijs is ƒ8 a ƒ12 per paar.

b. IDe quot;WidaviTiken. of Wecltiwen.

18. De wednweii in 't algemeen.

De staart der mannetjes is in het prachtkleed min of meer aanmerkelijk verlengd. Zij worden in Afrika gevonden en daar zij voor 't eerst uit het koninkrijk Wida in Portugal ingevoerd werden, kregen zij den naam van Widavinken, dat waarschijnlijk tot weduwe

-ocr page 76-

62

weduwe werd verbasterd, hoewel die benaming ook kan ontstaan zijn door de vergelijking van de lange staartpennen met eenen rouwsluier en door hunne donkere kleuren. Zij zijn alle grijs gekleurd, doch in den paartijd krijgen zij een buitengewoon schoon parings- of bruiloftskleed, dat na den broedtijd door kleurverandering en gedeeltelijk ruien weer grijs wordt; dan vallen ook de lange staartpennen uit. Zij leven van gierst, van zaden van allerlei grassen en kruiden, benevens van insekten. Zij zijn moeielijker goed te houden dan de prachtvinken en moeten, na hunne aankomst, in gelijkmatige warmte worden geplaatst en met Afrikaansche gierst worden gevoed, om ze langzamerhand aan gierst en wit zaad te wennen; in den beginne krijgen ze geen mierenpoppen of meel-wormen. Als zij eenmaal gewend zijn, houden zij zich overigens 8 a 10 jaar goed.

Zij krijgen hun prachtkleed in onze herfstmaanden en kunnen dan alleen broeden ; van daar, dat de broedsels meestal tegenvallen, omdat men hun de gelegenheid om te nesten niet tot de lente ontnemen kan. In den paartijd houden de mannetjes allerlei vliegoefe-ningen en zweven langen tijd al vliegende boven de wijfjes, terwijl zij met den prachtigen staart hoogst sierlijke bewegingen maken. Het gezang is niet onaangenaam. Als zij hun prachtkleed dragen, zijn zij zeer strijdlustig en mogen dan niet bij andere vogels gezet worden. Met de paradijsweduwe zou men misschien eene uitzondering kunnen maken. Het best is echter, elk paartje alleen in een groote vlucht te zetten.

-ocr page 77-

03

19. Eenige soorten van M'eenwtjes.

a. De zwarte Munch, het staalvinkje of de Comhassou (Vidua nitens) wordt sinds honderden jaren in kooien gehouden. Hij is zwart met metaalblamven weerschijn, heeft een witten snavel en rozeroode pooten; het wijfje is bleekhruin, in 't winterkleed lijkt het mannetje er veel op. Hij heeft de grootte van een sijsje en krijgt geen verlengden staart. Hij wordt veel gehouden wegens zijn fraai uiterlijk en zijne levendigheid, docli zingt niet. Prijs ƒ 3.50 a ƒ5 per paar. Hij wordt van Guinea vooral over Bordeaux en Marseille ingevoerd.

h. Het Paradijs- of bruinhalsiceeuwtje. (V. paradisea). Reeds in de zestiende eeuw werd deze vogel, die de grootte van een kanarie heeft, door de Portugeezen naar Europa gebracht, waar hij bekend was onder den naam van weeuwtje met den gouden halssnoer. Het volkomen kleed van het mannetje is zioart mot een vuriy roestkleuriyen nek, hleek roestkleurige borst, vurig purperacldig roodbruinen kop, roode pooten en zwarten snavel. Het tweede paar staartpennen is zeis-vormig en wel een voet lang; terwijl het middelste paar veel korter is en in eene punt uitloopt; even voor deze punt zit een breede, loodrecht staande vlag. Zijn gewoon pakje is eenvoudig grijs.

Hoogst interessant zijn de vliegoefeningen en de liefdespelen van deze vogels.

Vooral in den herfst, als zij hun prachtkleed dragen, worden zij veel uit West-Afrika over Bordeaux, Marseille en Antwerpen ingevoerd.

-ocr page 78-

G4

Krachtige mannetjes behouden hun bruiloftskleed soms zeer lang, andere worden telkens weer grijs. Prijs /quot;6 a ƒ 10 per paar in 't prachtkleed; anders

/3 a fö.

c. De wit-zicarte- of Bominikaner Wedmoe (V. principalis) moet wegens haar onverdraagzaam karakter steeds alleen, dat is paarsgewijze, zitten. Voor 't overige beveelt de vogel zich aan door zijn vroolijkheid en zijn fraaie kleuren. Het mannetje is in 't volkomen kleed wit, maar de bovenkop, de mantel, de slag- en de staartpennen zijn zwart en de pooten bruin, terwijl de snavel rood is. De lange staartpennen overdekken elkaar met hare schuins naar boven gerichte vlaggen ■volkomen.

Het prachtkleed duurt van Augustus tot Februari. Het wijfje is hruinacMig; de onderdeelen witachtig: het heeft geen rooden snavel. Prijs ƒ 7 a ƒ 7.50 per paar. De vogel heeft de grootte van den kanarie.

d. De Koningsweduwe (V. regia). Deze vogel is niet veel grooter dan een sijsje. In 't prachtkleed is de kleur zwart; maar de onderdeelen en de nekkraag zijn vaal roestkleurig, de onderdeelen van den staart wit, de bek en de pooten rood. De twee paar verlengde staartveeren zijn dubbel zoo lang als 't overige lichaam, draadvormig en slechts aan 't einde van een kleine vlag voorzien. Het winterkleed is hruin, alle vee-ren dragen dan een breeden, valen zoom. Het wijfje is lichter dan 't mannetje. Deze prachtige vogel komt hoogst zelden in den handel; zoo levendig en vroolijk hij in 't bruiloftskleed is, zoo droefgeestig en stil is hij in

-ocr page 79-

zijn gewoon grauw pakje. Het gezang moet tamelijk aangenaam zijn. Prijs?

c. De quot;Wevervogels.

20. De TVevervogels in 't algemeen.

Deze vogels hebben vleugels, die niet met 9 maar met 10 slagpennen der eerste orde zijn voorzien, terwijl de grond van den bovensnavel min of meer duidelijk tusschen de veeren van hun voorhoofd verlengd is. «De gedaante en het maaksel der nesten van de onderscheidene soorten van wevervogels leveren nog al verschillen op. Echter komen verscheidene daarin overeen, dat de eigenlijke nestholten uit een ronden of eironden zak bestaan, en dat daarmede eene benedenwaarts gerichte buis samenhangt, zoodat het ge-heele nest de gedaante van een retort heeft. Deze nesten zijn soms in grooten getale, en wel doorgaans boven water, opgehangen aan de dunne twijgen van een boom, gelijk b.v. met die van den Madagascarschen Ploceus pensilis, of aan bamboes, suiker- of ander riet, zooals met die van den Javaanschen P. hypoxanthus het geval is. De gewone materialen, waaruit deze nesten gebouwd zijn, zijn de dunne stengels en bladeren van grasplanten, die op eene vaak keurig nette wijze dooreen gevlochten zijn.

Van dat der Javaansche Ploceus baja bestaan de wanden der eigenlijke nestholte uit verscheidene lagen van een tamelijk dicht weefsel, zonder openingen of mazen; de zich benedenwaarts verwijdende buis daarentegen is als 't ware a jour gewerkt. Alleen dunne.

-ocr page 80-

GO

lange en taaie grashalmen zijn daartoe gebezigd en in dier voege dooreen gevlochten, dat er groote tus-schenruimten overblijven, waardoor dit gedeelte zich als een kant- of traliewerk vertoont, zoo net en regelmatig, dat men het veeleer voor het werk zoude houden van hen, die het welbekende, sierlijke Oost-indisclie mat- en vlechtwerk vervaardigen, dan voor het voortbrengsel van een vogel. Opmerking verdient ook de groote mate van overeenkomst in de bewerking tusschen de nesten van verschillende individuen dezer soort, zoodat daaruit ten duidelijkste blijkt, dat alle naar volkomen hetzelfde plan, men zoude zeggen naar hetzelfde patroon arbeiden. De wevervogels beginnen hun werk ter plaatse, waar de nesten aan den tak zijn gehecht. Van daar uit, als van een vast punt, in benedenwaartsche richting voortarbeidende, vlechten zij eerst eenen hollen bol, met twee openingen van onderen, die door eene soort van brug gescheiden zijn. De eene dezer openingen bevindt zich daar, waar later de bodem van het nest zal zijn, terwijl de andere, zijdelingsche het begin van de buis of hals aanwijst. Nu wordt de eerste gesloten en daarop met het vervaardigen van den laatsten aangevangen. Die buis of hals is derhalve het laatst gebouwde deel van het nest, en er bestaat dus eenige grond om te verwachten, dat over het algemeen die vogels, welke hun werk het best verstaan, dat is zich daarin de grootste vaardigheid hebben eigen gemaakt, daaraan ook de langste buizen zullen toevoegen. En zoo is het werkelijk; men heeft namelijk opgemerkt, dat

-ocr page 81-

67

dergelijke nesten, door jonge vogels gebouwd, slechts zeer korte buizen hebben, terwijl de oude, meer ervaren vogels daaraan eene groote lengte geven. Wel heeft men recht ook hierin een bewijs te zien voor de stelling, dat de kunst, welke deze en andere dieren in liet tot stand brengen hunner woningen aan den dag leggen, niet enkel de vrucht is van een aangeboren, geheel blind instinkt, maar ook van de ondervinding, welke zij bij de oefening van hun ambacht o})-doen en van de grootere vaardigheid, die zij daardoor erlangen.

«Soms ontwaart men in Zuid-Afrika een woning, die gelijkt op een reusachtigen paddestoel, welke een gehoelen boomstam omvat, of .wel het dak van eene hut of tent, — ja, zelfs komt wellicht het denkbeeld op bij dengene, die het op eenen afstand beschouwt, dat het gelijkt op een geweldig groot, uitgebreid regenscherm, waarvan de stam des booms de stok is, terwijl eenige uit dezen ontspringende takken aan de baleinen of ijzeren roeden herinneren, die tot steunsels dienen.

Dit vreemde gevaarte is inderdaad het werk eener geheele kolonie van vogels. Vaillant, die op zijne reizen hen het eerst ontdekte en hunnen nestbouw beschreef, gaf hun den naam van republikeinen. De ornithologen noemen deze soort Ploceus socius. Het is een vogeltje ongeveer van de grootte en gedaante onzer gewone ringinusch, en zich, even weinig als deze, door levendig gekleurd gevederte aanbevelende.quot; (Naar P. Harting).

Hun voedsel bestaat uit allerlei zaden, zoete vruch-

-ocr page 82-

(58

ten en insekten, terwijl zij tot Azië, Afrika en Australië beperkt zijn. De meeste maken wel nesten, maar komen in den gevangen staat zelden tot het leggen van eieren; overigens zijn zij gemakkelijk te onderhouden en zeer sterk. Hoewel niet boosaardig, maken zij toch in de volière andere vogels bang door hunne groote levendigheid; de groote soorten stelen zelfs de jongen uit de nesten van hunne kleinere kameraadjes om er hun jongen mede te voeren. Een eigenlijk gezang bezitten zij niet; wel laten zij allerlei sissende, sjer-pende tonen hooren. Hun liefdespelen zijn zeer komisch en onderhoudend. Zij zijn niet zeer gevoelig voor koude.

Als de paartijd nadert, veranderen de eenvoudige, grauwe kleuren van 't mannetje in bonte, glinsterende verven, terwijl overal nieuwe bonte veeren te voorschijn komen. Na den broedtijd veranderen zij weer van kleur; terwijl de nieuw gegroeide veeren dan uitvallen. Eerst later begint het eigenlijke ruien. De wijfjes behouden steeds haar grauwe kleuren.

21. Eenige soorten vau Wevervogels.

a. De Worahee of Napoleonswever vogel. (Ploceus me-lanogaster). De bovendeelen, de bovenborst, de zijden schitterend geel; de onderborst, de buik en een band om de keel gitzwart; vleugels en staart donkerbruin, iedere pen met valen zoom; snavel zwart, pooten vleeschklenrig. Het winterkleed is valer; in dien tijd zijn mannetje en wijfje gelijk van teekening. Deze wevervogel komt in West- en Noord Afrika voor en is vooral veelvuldig in Abyssinië. In de vogelkamer

-ocr page 83-

GO

of in een zeer ruime kooi vlecht het mannetje tusschen berken en andere rijsjes zijn kunstig nest uit agavevezels, bastvezels, draden, enz. Prijs /3 a /quot;5 grauw; in 't prachtkleed /6 a ƒ10 per paar. Zij zijn bijna altijd voorhanden.

h. Het oranjevogeltje (PI. franciscanus) is ook eene zeer gewone verschijning op de vogelmarkt. De boven-kop, de teugel, de wangen, de borst, de buik en de zijden zijn Jluweelzwart, de achterRbp, de nek, de hals, de keel, de krop, de stuit en 't achterlijf zijn scharlakenrood; mantel en schouders vurig rood; de snavel is zicarl, de pooten zijn geelachtig. In het vale winter-kleed lijkt het mannetje bijna op het wijfje, dat echter iets lichter is. Deze vogel leeft in geheel Afrika. Hij is zeer verdraagzaam en kan met prachtvinken in eene volière geplaatst worden. Nestmateriëel en prijs als boven.

c. De Orijxwever (PI. oryx) bewoont Zuid-Afrika. Het gezicht, de keel en de borst zijn Jlmoeelzicart, de vleugels en de staart bruin met lichte zoomen, de overige deelen vttriy rood. De fluweelachtige vederen aan den kop zijn als verlengd en vormen een soort van kraag, die door den vogel meestal rechtop wordt gedragen. Hij houdt zich langs de oevers van beken en moerassen in het riet op en plaatst aldaar zijn kogelvormig, vijf groenachtige, ronde eieren bevattend nest. Deze vogel nest en broedt gemakkelijker dan de beide voorgaande soorten, maar is, jammer genoeg, veel zeldzamer. Het nest hangt aan berken-, beuken-, dennen- of andere takken. De prijs is ƒ 10 a ƒ15.

-ocr page 84-

70

d. De roodbek- of bloedsnavel icevervogel oj quelca (PI. sanguinirostris) komt uit Abyssinië en Senegam-bië en schijnt, ten minste in de gevangenschap, voortdurend de behoefte te hebben om te weven; hij is wegens deze eigenschap een zeer gezochte kamervogel. Hij weeft met groote behendigheid zijn weefsels tus-schen de tralies der kooien uit draden van zachte stoffen. In groote, van struiken voorziene volières gebracht, maken deze vogels hun eigenlijke, uit gras vervaardigde nesten, die aan de onderzijde een lange ingangsbuis bezitten. Zij zijn zoo groot als een ring-musch. Het voorhoofd, de keel en de zijden zijn blauwzwart , de onderdeelen vaalrood en de bovendeelen nagenoeg gekleurd als bij den leeuwerik. De snavel is bloedrood. Zij houden zich bijzonder goed in den gevangen staat. Wil men goede resultaten bij t bi oe-den verkrijgen, dan moeten eenige paartjes in een zeer groote volière geplaatst worden zonder andere vogels. Prijs ƒ3 a ƒ 4 per paar.

e. Be roodkopwever (PI. erythrops) wordt veel minder gezocht; hij komt uit West- en Oost-Afrika. De kop en de hals zijn bloedrood, de keel is donkerrood, de snavel zwart; de overige deelen zijn grijsachtig bruin. Het winterkleed is vaalbruin. Het wijfje is moeilijk te onderscheiden. Hij gelijkt in zijn doen en laten veel op den roodbekwever. Prijs ƒ7.50 per paar.

ƒ. Be Javaansche- of geelborsiwever. (PI. hypoxanthus). Wat den nestbouw betreft, staat deze wever bovenaan in de rij der wevers. Zij versieren elke volière, iedere vogelkamer met hunne nesten, die bovendien aan

-ocr page 85-

71

prachtvinken een uitmuntende gelegenheid geven om te nesten. Zij zijn iets kleiner dan een musch; de onderdeelen, de kop en de nek zijn yeel, de wangen en de kin zwart, de rugvederen bruin, door yeel omzoomd.

Zij houden zich het geheele jaar door gezellig in groote menigte in het riet, het suikerriet en het bamboesriet op en doen veel nadeel aan de rijstteelt. Zij worden veel ingevoerd evenals de gewone wever, die o.a. bijna den geheelen kop zuiver yeel heeft. Prijs ƒ 10 a ƒ12 per paar.

y. Be roodnek- of Textor wever (PI. melanocephalus) is niet heel zeldzaam. Hij is tamelijk groot en sterk en trotseert zelfs de winterkoude. De kop en de keel zijn gitzwart, de nek, de zijden van den hals en een band om de borst leadanjebruin, overigens is hij bijna geheel yeel met .zwarten snavel, liet toijfje is geelgroen van boven en yeel van onderen. Hij komt uit West-, Midden- en Noord-Afrika. Prijs ƒ10 a,/12 per paar.

li. De kleine yele zwartkoprcever (PI. luteolus) is de kleinste onder de wevers; hij bereikt slechts de grootte van het kneutje. Het is jammer, dat deze wever tot nu toe zoo zelden voorkomt. Het voorste deel van den kop is yitzwart, het overige deel, alsmede de hals en de nek zijn ztcavelyeel; de verdere bovendeelen zijn olijfyroen; de onderdeelen zuiver zwavelgeel; desnavel is zwart, de pooten zijn vleeschkleuriy. Het wijfje heeft een geelgroenen kop. Ook het vaderland van dezen wever is Afrika. Mannetje en wijfje zijn altijd bij elkaar; terwijl het mannetje welluidende loktonen laat

-ocr page 86-

hooren. Het nest wordt uit agavevezeltjes vervaardigd en soms met watten en katoen gevoerd. Prijs ƒ 6 a /10 per paar.

De Madagascar-tcevervogel {geheel rood behalve vleugels en staart) (PI. madagascariensis) /G a/quot;8, en de iamp;mi-wevervogel (PI. Russi) ƒ3.50 a ƒ 5 komen ook tamelijk algemeen voor; de eerste broedt gemakkelijk.

d. De Vinken.

22. De vinken in 't algemeen.

De vogels van dit geslacht behooren tot de fraaiste en sierlijkste gevederde gasten en zijn bijna alle uitmuntende zangers. Het mannetje en het wijfje zijn goed van elkaar te onderscheiden, omdat het eerste levendiger gekleurd is, terwijl de jongen meestal op de oude wijfjes lijken.

De vleugels hebben tien slagpennen van de eerste orde; de staart is van gemiddelde lengte en gewoonlijk ingesneden, de snavel is kegelvormig. Het voedsel bestaat voornamelijk uit allerlei zaden, doch ook uit insekton. In den herfst vliegen zij gewoonlijk in groote troepen rond, doch in de lente ontstaan er tusschen de mannetjes uit minnenijd soms erge veeten om de wijfjes of om de beste broedplaatsen. Zoo had ik verleden jaar — 1890 — in een volière in den tuin een gewonen vink, die prachtig sloeg; dit kon een andere vink, die buiten vloog, niet velen; deze, hoewel anders uiterst schuw, vloog telkens tegen de tralies der volière om den tegenstander te bestrijden. Soms was hij zoo woedend, dat hij alles om zich vergat, zoodat men hem bijna kon grijpen.

-ocr page 87-

73

De paartjes voeren de jongen, en dikwijls ook elkander, uit den krop. De wijfjes leggen 4 tot 6 gekleurde eieren, die zij in 11 tot '15 dagen bebroeden. Zij zijn gemakkelijk te onderhouden; enkele telen ook in de kooi voort; zij worden echter minder ingevoerd dan de prachtvinken en gewoonlijk ieder afzonderlijk in een kooi gehouden wegens den meestal fraaien wildzang. Na den broedtijd bekommeren zich de beide geslachten weinig om elkaar.

23. De grijze Afrika-zanger. [Fringilla musica.)

Zijn naam «musicaquot; duidt reeds aan, dat deze vink een uitmuntende zanger is. Sinds 1868 is hij meer algemeen bekend geworden, ook heeft hij reeds in de kooi gebroed en zelfs bastaarden met het wijfje van den kanarie voortgebracht. Hij leeft in Midden-Afrika.

Beschrijving. De kop is icitachtig grijs, do nek en de rug zijn zuiver grijs; de slag- en stuurpennen zijn bruingrijs; op de vleugels vindt men twee icitte dwars-banden; de stuit is zuiver wit; de onderdeelen zijn van boven grijsachtig wit, van onder zuiver wit; de zijden zijn wit met donkere strepen; de snavel is witachtig. Het wijfje mist de donkere strepen langs de zijden.

Het gezang is buitengewoon krachtig en welluidend : het doet denken aan dat van den kanarie en don boom-leeuwerik. Het nest is open en wordt uit grashalmen, vezels, draadjes, katoen, enz. gemaakt: de eieren zijn lichthlauw met fijne, roodachtige of bruine puntjes en vlekjes: zij worden alleen door het wijfje in 13 dagen bebroed. Evenals do meeste buitenlandsche vogels is

4

-ocr page 88-

74

hij in den beginne weekelijk; later echter wordt hij sterker en kan bij eene goede en verstandige behandeling wel 8 a 10 jaar oud worden. Jaarlijks wordt hij via Marseille en Antwerpen ingevoerd en kost/6a/i0 per paar. Het mannetje alleen is bijna even hoog in prijs.

24. De gele Zanger of geelvoorhoofdvink.

(Fr. hutyracea).

Deze vink heeft ongeveer de grootte van den vorigen; maar zijne gestalte is meer krachtig en gedrongen. Ook zijn vaderland is Afrika, waaruit hij sedert langen in grooten getale wordt ingevoerd, zoowel wegens den krachtigen slag, het zoete gefluit en de welluidende loktonen, als om de fraaie liefdespelen en de gemakkelijke voortteling.

Beschrijving. Kruin, streep boven het oog, wangen en stuit zijn citroengeel, de overige veeren van den kop zijn grijsachtig niet donkere strepen ; de bovendeelen zijn groengeel, de onderdeelen citroengeel; op de vleugels loopen twee nauwelijks zichtbare dwarsbanden. Soms verandert hij van kleur. Het wijfje is meer grijsgroen met donkere strepen, terwijl het geel nauw merkbaai is. Het nest wordt in een Harzerkooitje in een gewoon, van stroo gemaakt nestje gebouwd en bestaat uit grashalmen, reepen bast en papier, allerlei draden, paardenhaar, enz. van binnen met veeren gevoerd. De vier eieren zijn geelwit, meestal vaalgeel gevlekt en worden in 13 dagen bebroed; de jongen vliegen reeds na 20 dagen uit. De broedtijd duurt van September tot Januari. Prijs ƒ3 a ƒ 4, zaadvast ƒ 9 a ƒ 12 per paai.

-ocr page 89-

/o

25. De Amerikiiansche distelyink of het goudsijsje.

(Fr. iristis).

Deze zeer fraaie vogel wordt jaarlijks geregeld en bij honderden tegelijk van zijn vaderland Noord-Arnerika naar ons werelddeel ingevoerd, zoowel wegens zijn alleraardigst gezang als om zijne schoone kleuren.

Beschrijving, Kop, rug en borst zijn citroengeel, de bovenkop, de staart en de vleugels zijn zwart; de laatste met een witten dwarsband: de stuit is wit, evenals de buik; de snavel is geelrood of roodbruin. Het wijfje heeft o. a. een roodgelen dwarsband op de vleugels en is meer roodbruin. Deze distelvink heeft de grootte van een sijsje.

De lieve vogeltjes overwinteren in Texas of in Mexico ; de leefwijze en het gezang hebben veel overeenkomst met die van het puttertje. Tot nu toe is men er nog niet in geslaagd, hem in de gevangenschap te doen voorttelen; ook is hij uiterst moeilijk op zaad te wennen en blijft niet lang in leven. Prijs ƒ8 a/12 perpaar.

26. De Non|»areilvink of Papa. [Fr. ciris).

[lij behoort tot de fraaiste en prachtigste der vinken, is zoo groot als de putter en bewoont Zuidelijk Noord-Amerika. Ook is hij zeer algemeen en vindt steeds veel aftrek.

Het gezang is zeer aangenaam, maar zacht en niet erg afwisselend; hij laat het van Maart tot Juli hooren en wordt gewoonlijk alleen in een kooi als zangvogel gehouden, ofschoon hij ook zeer gemakkelijk broedt.

-ocr page 90-

Het mannetje laat zijne liefdebetuigingen van allerlei prachtige vliegoefeningen vergezeld gaan.

Beschrijving. De oude mannetjes hebben de onder-deelen en den achterrug fraai rood, den kop en den nek pnrperhlamo, den mantel groengeel, de staartpennen donkergroen en de slagpennen donkerrood. Het wijfje en de jongen zijn groen met gele onderdeelen. Deze schoone vogel houdt zich bij voorkeur op in de oranje-boomen, en brengt het gure jaargetijde in zuidelijker streken door, daar hij de koude in 't geheel niet verdragen kan. Hij maakt zijn nest van gras en plaatst het in struiken of op boomen. De vier tot vijf eieien zijn parelkleurig met purperen vlekken. Zijn voedsel bestaat uit insekten en allerlei zaden, vooral echter uit rijst. Als hij uitsluitend met zaad gevoerd wordt, lijdt hij spoedig aan verstopping. In de kooi bouwt hij zijn nest uit reepen papier, halmen, bastvezels, mos, wollen draden, agavevezeltjes en paardenhaar. Gewoonlijk komen er veel meer mannetjes in den handel dan wijfjes. Zij voeren gaarne de jongen van allerlei insektenetende vogels met versche mierenpoppen, meelwormen, enz.; zelfs heeft een mannetje eens een koekoek groot gebracht. Prijs ƒ 5 a /8 per paar.

27. Eenige andere Tinken.

a. De Indigovogel of -vink (Fr. cyanea) heeft de grootte van onze ringmusch. Hij houdt zich langs boschkanten op en plaatst het nest tusschen het gras of in lage struiken. Het wijfje legt 5 blauwe eitjes, die aan 't dikke einde purperen vlekjes dragen. Het

-ocr page 91-

77

is een levendig vogeltje, dat aangenaam zingt en in Noord-Araerika woont, waar het 's winters tot tropisch Amerika trekt. Hij is in zijn prachtkleed bijna geheel ylinsterend blauw. Het wijfje is van boven bruin, van onderen lichtgrijs. Prijs ƒ 5 a /8 per paar.

b. Be gele zanger (Fr. Brasiliensis) is in het heete Amerika zeer gemeen en wordt, omdat hij in grootte en in kleur aan den kanarie herinnert, door de Por-tugeezen van Brazilië ook wel »Canarioquot; genoemd. Hij is op de onderdeelen hooggeel, op den bovenkop ■oranje en op de overige deelen olijfgeel. Het wijfje is flauwer gekleurd en mist den oranje kop. Hij wordt veelal bij woningen aangetroffen of op met boschjes bezettte plaatsen. Zijn voedsel bestaat uit de zaden van allerlei kruiden : het nest wordt dicht bij den grond in struiken, of ook wel onder daken of op muren geplaatst en bevat 4 a 5 witte, grijsachtig gevlekte eieren. Deze vogel is niet schuw en heeft een zachten, afwisselenden zang, waarom hij zeer veel in kooien wordt gehouden. Hij teelt gemakkelijk in een ruime kooi of in de volière voort, in warme vertrekken reeds in Februari. Prijs per paar/5 a ƒ 8. Hij heet ook safraanvink.

c. Het zwartkop Sijsje (Fr. culcullata) is aanbevelenswaardig door zijne bevalligheid, zijn lieflijk gezang, zijne fraaie veeren en zijn gemakkelijke voortteling in de kooi. Het wordt echter zelden ingevoerd. Het heeft de grootte van de Astrilde. Kop, keel, hals, bovenborst en staart zwart; een breede, roode nek-liraag; rug, schouders en mantel bruinrood; stuit, borst .en verdere onderdeelen vuurrood. Het wijfje

-ocr page 92-

78

is meer yrijsachtiy. Prijs /12 a ƒ 15 per paar.

d. De kleine Cubavink (Fr. canora) komt evenals de vorige vink uit Amerika, is even zeldzaam, ongeveer even hoog in prijs en om dezelfde eigenschappen zeer gezocht; hij zingt echter niet. De hoofdkleur is olijfgroen; de kop en de borst zijn Jluweelzwart; bovendien draagt hij een zwavelgelen nekkraag: de snavel is zwart. Het wijfje is donker olijfgroen; de nekkraag is roealhruin. Zijn naam duidt het eiland aan, waar hij gevonden wordt. Ook in een niet verwarmd vertrek blijft hij vroolijk en gezond.

e. Be Wintervink (Fr. hiemalis) leeft in Noord-Amerika en trekt tegen den winter Zuidwaarts. Hij heeft een fraaie, slanke gestalte en is van boven zicarlachtig blauwgrijs, do borst is blauwzwart; de verdere onderdeelen zijn zuiver reit. Het wijfje is slechts iets bleeker van kleur en kleiner. De vogels zijn zoo groot als de ringmusch. Het gezang is wel zacht en eentonig, doch niet onwelluidend. Prijs /3.50 a ƒ5 per paar.

ƒ. Be kanarievogel (Fr. canaria). Voor dezen vogel zie men mijn: «Onontbeerlijk Handboekje voor liefhebbers van Kanarievogelsquot; 2e druk.

Verder komen nog in den handel: het Zuid-Arneri-kaansche en het llraziliaansche kroominkje (Fr. pileatn en Fr. cristata) ƒ 12 : de Swainson musch en de Goud-musch (Fr. Swainsoni en lutea) ƒ 8, alle per paar: de beide laatste zijn echter zeldzaam.

y. Be Zuid-Aynerikaansche kroonvink (Fr. pileata). De kroonvinken bewonen Amerika en behooren daar tot de

-ocr page 93-

79

meest verspreide vogels; zij worden ook daar in kooien gehouden en zijn niet schuw; hier te lande zijn zij evenwel nog zeldzaam. De hoofdkleur is grijs of asch-gramo, terwijl de kop met een fraaie, roode kuif versierd is. Het wijfje heeft een bruinachtige kuif, zwart in 't midden. Hij is verdraagzaam, vroolijk, niet wee-kelijk en steeds glad in de veeren. Behalve zaden eet hij ook gaarne meelwormen en mierenpoppen, die dan ook niet mogen ontbreken. Zijn gezang is niet onaangenaam. Zij hebben nog weinig gebroed. De prijs is ƒ 12 per paar.

h. Be Braziliaansche kroonvink (Fr. cristata). De boven-kop is schitterend scharlakenrood; de bovendeelen, de vleugels en de staart zijn donker bloedrood; de stuit en de zijden zijn lichter rood. Het wijfje mist de scharlakenroode kuif. Prijs als de vorige soort.

i. Be kroonvink van Ecuador (Fr. cruenta) is van onderen geheel purperrood; het bovenlijf is met grijsachtige tint. Het wijfje is zwartachtig. Hij is iets kleiner dan de vorige soorten en heeft de grootte van onzen putter. De prijs is gelijk aan dien der voorgaande soorten.

j. Het Jacarina vinkje (Fr. jacarina) lijkt heel veel op de zwarte musch, doch heeft geen witten snavel en roode pooten, maar beide bruin of grijs. Het mannetje is in zijn prachtkleed glanzend zxcart met staalblauwen gloed. Het wijfje heeft o. a. grijsbruine bovendeelen. Hij heet ook wel springvink, omdat hij in den paartijd zoo'n zonderlingen dans uitvoert: hij springt soms uren achtereen 30 cM. omhoog en laat zich dan weer loodrecht vallen !

-ocr page 94-

80

k. l)e Kaapsche muscli (Fr. arcula). Over 't algemeen worden de mimchen wegens liaar twistzieken, gulzigen aard, liaar eenvoudig kleed en haar hoogst primitief gezang weinig gezocht. Alleen de beide volgende zijn eenigszins aanbevelenswaardig. Hoewel minder driest vertoont de rausch aan de Kaai» bijna dezelfde eigenschappen als onze huismusch, doch is veel fraaier: de kop, de wangen, de keel en de bovenborst zijn pikztcart, met witten halskraag en grijzen schouder en nek; mantel en rug zijn roodbruin, de vleugels zijn zwartachtig met 2 witte dwarsbanden; de onderdeelen zijn bruinteit; het wijfje heeft o. a. een bruingrijzen bovenkop. Het is een strijdlustige vogel, die in de volière de zwakkere vogels erg vervolgt. Het groote nest wordt in doornhagen gemaakt en is kunstiger dan dat van de huismusch. Zij schijnt niet goed tegen tempera-tuurverwisselingen te kunnen. De prijs is ƒ8 per paar.

t. Be Goudmusch (Fr. lutoa) maakt eene uitzondering op don regel en is een lieve, verdraagzame vogel. Hij is zicavelyeel met Icaneellruinen mantel en dito schouders en zicarthruine vleugels. Het wijfje is lichter van kleur. Zijn vaderland is Noordoost-Afrika, waar hij in do nabijheid van stroomende wateren en hooge hoornen woont en ook veelvuldig de dorpen bezoekt. Zij broeden zeer goed en leggen 3 a 4 witte, bruingestippelde eieren.

De ouden voeden de jongen hoofdzakelijk met zaad en meelwormen. De prijs is ƒ8 per paar. Ook de Sicainson-mnsch (Fr. Swainsoni) wordt nu en dan ingevoerd.

-ocr page 95-

e. De Kerribijters.

28. De Kernbijters in 't nlgemeen.

Deze stevige vogels komen in alle werelddeelen voor, behalve in Australië; vele ervan zijn uitmuntende zangers en komen in leefwijze met de vinken overeen. Hun voedsel bestaat uit allerlei zaden, pitten, vruchten en beziën, benevens insekten en wormen. Zij worden jaarlijks in tamelijk groot aantal vooral uit Amerika ingevoerd, doch ook in den gevangen staat geteeld. Zij moeten veel beweging maken, omdat zij anders licht te vet worden. Zij zijn gekenmerkt door hunnen buitengewoon dikken, tolvormigen bek, door hunne grootte en hun stevigen bouw. De vogels, die wij zullen bespreken, leven in de warme en gematigde streken van Amerika en planten zich bij ons gemakkelijk voort; de hoofdlint der veeren is meestal scharlakenrood.

29. De roode of gewone kardinaal.

{Coccoihraustes virginianus).

Een prachtige vogel en een voortreffelijk zanger ■tevens! Geen wonder, dat hij buitengewoon gezocht is. Zelfs in zijn vaderland is hij zeer gezien en wordt door eene wet beschermd, zoodat hij alleen op bepaalde tijden mag worden gevangen en dan nog enkel om levend te worden verkocht.

Beschrijving. De boven kop draagt een puntige, schar-lakenroode kuif, de staart is afgerond en van gelijke lengte als de vleugels. Met uitzondering van het zxoarte gezicht is de kleur hoogrood. Het wijfje heeft o. a.

-ocr page 96-

82

roodbruine bovendeelen. Hij is zoo groot als onze appelvink. Men vindt hem in diclite struiken, in de nabijheid van liet water, maar vooral op maïsvelden. Behalve uit deze vrucht, bestaat zijn voedsel uit den inhoud der pitten van kersen, appels en andere vruchten. Hij herhaalt zijn korten zang dikwijls achtereen en plaatst zijn nest, dat 4 a 5 geehoüte, olijfbruin gevlekte eieren bevat, in allerlei struiken.

De kardinaal werd reeds in het midden der vorige eeuw in ons vaderland en daarna ook in Engeland voort-geteeld. Het nest 'bouwt het wijfje op een onderlaag van takjes en mos uit worteltjes, bastvezels, draden en agavevezels; het liefst wordt het geplaatst op eenen horizontalen tak met veel twijgen. Het wijfje broedt quot;14 dagen en wordt door het mannetje gevoerd; de jongen verlaten reeds na 22 dagen het nest. Gedurende den broedtijd zijn de vogels zeer strijdlustig; anders zijn zij vreedzaam. Het best is elk paar afzonderlijk te laten broeden. De kardinaal heeft reeds in Duitschland, bij de stad Stettin in een sparrenwoud in de vrije natuur genest, en toont dus geschiktheid om hier geacclimatiseerd te worden. De prijs is ƒ 10 a ƒ quot;15 voor 't paar,

30. Eenige andere Kernbijters.

a. De Roodkop of grijze Kardinaal (C. cucullatus) bewoont Zuid-Amerika en is niet zoo gemakkelijk voort te planten. Het gezang is aangenaam; de vogel is vroolijk, bevallig en levendig en heeft ongeveer dezelfde eigenschappen als de vorige soort. De kop en de keel

-ocr page 97-

83

zijn tot de bovenborst bloedrood; de kuif is rood; de nek, de rug, de vleugels en de staart zijn leikleurig; de onderdeelen zuiver wit. Het icijfje is bijna eveneens gekleurd. Hij is iets kleiner dan de gewone kardinaal. Prijs ƒ 6 a ƒ10 per stuk: pas aangekomen goedkooper.

h. De Dominicaner of oncjekuifde grijze kardinaal (C. dominicanus) gelijkt bijna op den vorigen: zijn gezang is echter welluidender; ook is hij gemakkelijker voort te planten. Het grijs van den rug is lichter, ■de kop is ook rood, doch mist de kuif. Prijs als de vorige soort.

c. De groene Kardinaal (C. cristatellus) wordt even-■eens zeer gezocht wegens zijne fraaie kleuren en zijn welluidend en helder gezang. Hij bewoont Zuid-Arae-rika en is minder sterk dan de andere kardinalen, vooral kan hij niet tegen koude en vochtigheid. Evenals de andere soorten is hij niet zeer verdraagzaam jegens kleinere vogeltjes. De bovendeelen zijn donker groengeel, de bovenkop, de keel en de kuif zwart, de onderdeelen helder geel, de snavel is bruingrijs. Het wijfje is van boven grijsgroen, van onderen bleekgroen. Hij nest ook in de kooi. Prijs ƒ15 a ƒ IS per paar.

In den handel komen ook vonr de liozehorsl-ajiftlmnk (C. ludovicianus) ƒ12 en de blatme appelvink (C. cyanea) ƒ 12 per paar; doch niet zeer menigvuldig.

Insekten.eten.de Zangvogels.

31. De spotlijster. (Turdus polyglottus.)

De spotlijster hoort in Amerika thuis en wordt daar spotvogel genoemd. Zij is kleiner en ranker dan onze

-ocr page 98-

84

lijster, doch haar staart is langer en meer afgerond: do bek is stevig en een weinig gekromd.

Beschrijving. De bovendeelen zijn hndnyrijs van kleur, de onderdeelen witachtig; de dekveeren der vleugels hebben xoitie randen, terwijl de bruinzwarte staartpen-nen gedeeltelijk teil zijn. Zij heeft een witle oogstreep. Het wijfje heeft een minder dikken kop; de witte vlek aan de binnenzijde van de uitgespreide vleugels is bij haar kleiner dan bij 't mannetje. Zij bewonen de zuidelijke en warme gedeelten van Noord-Anierika, waar zelfs enkele overwinteren. Haar voedsel bestaat uit beziën en vliegende insekten; terwijl zij het meest in de lage kuststreken voorkomen. Haar nest bouwt zij in struiken of lage boomen; het wijfje legt 4 tot 6 groen- of blauwachtige, bruin gevlekte eieren. Zij is zeer vlug en behendig in al haar bewegingen en zeer merkwaardig om haar helder en fraai stemgeluid en de gave, niet alleen het gezang of het geschreeuw van allerlei vogels na te bootsen, maar zelfs de vreemdste geluiden, zooals hameren, kloppen, knarsen, piepen, kraaien, blaffen, miauwen, enz. Een goed zanger mag dus die geluiden niet hooren; want anders plaatst hij ze spoedig op zijn repertoire. Zij worden gewoonlijk jong uit de nesten gehaald en dan groot gebracht, om verkocht te worden. Zij kunnen wel 12 tot 15 jaar oud worden. De prijs is zeer verschillend van ƒ10 tot /30, zelfs ƒ60 a ƒ100 voor een geoefenden zanger; oud ingevoerd ƒ 20 a ƒ25.

Ofschoon de insektenetende vogels, wegens de moeilijke en kostbare verpleging zelden gehouden worden,

-ocr page 99-

kunnen wij hier toch niet volstaan met hunne namen alleen te noemen, maar zullen de meest voorkomende soorten in 't kort behandelen, omdat in den laatsten tijd de liefhebberij voor deze vogels begint toe te nemen.

De beste en soliedste groothandel in vogels is die van den Hoer W. Korthals Jr., Naturalist, HelmersU-aai 40 Botterdam, nabij de diergaarde.

Zijne prijzen zijn meest alle lager dan die der Duitsche handelaars, zooals ik bij ondervinding weet. Een bezoek aan zijne welvoorziene collectie kan ik ten zeerste aanbevelen.

32. Andere Insekteneteiule Zangvogels.

a. Japansche nachtegaal. (Leiothrix luteus). Dezen vogel vindt men in het Himalaya-gebergte tot aan Z.W. en Z. China op eene hoogte van 1500—3000 M. De bovendeelen zijn olijf groenachtig bruin, terwijl de bovenkop een geelachtige tint heeft; de vleugels zijn zwartgroen met oranjerooden band en de onder-deelen geelachtig met roodachtige borst; de snavel is rood. Het wijfje heeft eene meer lichtroode borst en mist de geelachtige tint op dat lichaamsdeel; de jongen lijken op het wijfje. Het is een levendige vogel, die zoo tam wordt, dat hij de meehvormen uit de hand haalt; bovendien is hij zeer verdraagzaam. Zijn gezang is verrukkelijk. Hij broedt wel is waar in de volière, doch moeilijk. Men geeft hem Capelle's universeel voeder, benevens meehvormen en een weinig gierst. Yoor koude is hij niet zeer gevoelig. Prijs/8 a ƒ-10 per paar.

h. Blauwe nachtegaal. (Silvia sialis). De bovendeelen

-ocr page 100-

86

•van dezen zanger zijn ultramarijnblauio, de onderdeelen kaneelbruin. Het wijfje heeft roestkleurige bovendeelen en vleugels, de staart is dof blauw. Zijn vaderland is Amerika, hij heeft ook in de gevangenschap gebroed. De prijs is /iO a ƒ 12 per paar.

c. Rost-spreeuw. (Sturnus roseus). De kop en de hals zijn tot aan de borst hlamczwurl; terwijl de bovenkop een kuitje draagt; de vleugels en de staart zijn zwartbruin: de bovenrug, de schouders en de onderdeelen zijn licht rozerood; het tcijfje is doffer. Deze spreeuw eet buitengewoon veel: vooral is hij dol op sprinkhanen en krekels: het is ongeloofelijk, hoeveel hij daarvan in een enkelen maaltijd kan verslinden 11 Hij is twistziek van aard en komt vooral veel in den Kaukasus voor, hoewel hij ook dikwijls in Zuid-Europa wordt aangetroffen: zelfs is hij in ons land, als toevallig verdwaald, reeds enkele malen gezien. Hij heeft de grootte van een spreeuw en wordt met ƒ12 a ƒ 15 per stuk betaald.

d. Beo. (St. religiosus). Deze vogel, die de grootte van de lijster bezit, is zwart met metaalcjroenen glans; onmiddellijk kent men hem aan de yele, naakte oorlellen en de kleine, witte spiegelvlekken aan de vleugels; de snavel is geel. Men treft hem aan in de wouden van Voor-Indië en Ceylon, waar hij dikwijls getemd wordt en dan vrij bij de huizen rondvliegt of in kooien wordt gehouden, wegens zijn buitengewoon talent om allerlei melodiën na te fluiten, vele geluiden na te bootsen en zelfs zuiver eenige zinnen na te spreken. Hij is echter, wat hem minder aanbevelens-

-ocr page 101-

87

waardig maakt, vraatzuchtig, gulzig, twistziek en hoogst onzindelijk. Men geeft hem het gewone lijstervoedsei met beziën en fruit; ook eet bij aardappels, rijst, vleesch, enz. De naam religiosus beteekent hoogstens, ■dat hij zeer gewaardeerd wordt, niet, dat men hem als een heiligen vogel beschouwt. De prijs is ƒ20 a /30 per stuk.

e. Wij noemen nog den roodvleugeligen spreeuw (St. phoeniceus), zwart van kleur met breeden scharlaken-rooden band op de schouders en den oranjekopsjireemo (St. xanthocephalus), die echter zeer zeldzaam zijn.

ƒ. Baltimore-iroepiaal (St. baltimorensis). Deze troe-piaal, ook een soort spreeuw, onderscheidt zich door zijn hoogst kunstigen nestbouw; hij bewoont Noord-Amerika, doch trekt 's winters naar West-Indië en Midden-Amerika. Kop, nek, schouders en vleugels zijn zwart, de onderdeelen oranjerood; op de vleugels loopt een witte en een oranjeroode band; de staart is oranjegeel met zwarten dwarsband. Het wijfje heeft o. a. licht oranjegele onderdeelen en twee breede, witte dwarsbanden op de vleugels. De vogel, die de grootte van een vink heeft, zingt zeer goed; het mannetje kost /10 a ƒ12: het wijfje ƒ 5.

g. Verder heeft men nog den geivonen troepiaal (St. icterus) met oranjegelen vleugelband en den goudgelen troepiaal (St. cayanensis) van onder fraai geel, op de •borst na, met gelen vleugelband en kop; de boven-•deelen zijn donker. Beide komen in Zuid-Amerika voor; lt;le eerste kost ƒ15, de tweede ƒ 30 per stuk.

h. De treklijster (Turdus migratorius) wordt ge-

-ocr page 102-

88

i'egeld ingevoerd, soms in tamelijk groot aantal en is als kamervogel geschat,, vooral daar zij voortreffelijk zingt en reeds bij sommige liefhebbers gebroed heeft. Zij is met weinig tevreden en houdt zich lang goed. Het midden en de zijden van den kop zijn zwart, de rand om de oogen, een vlek boven 't oog en do keel wit, de laatste zwart gestreept; de bovenzijde is olijf-achlig grijs, de onderzijde tcit. Het wijfje is bleeker, de hals icitier. Zij is iets grooter dan de gewone lijster en kost ƒ6 a /20 naar gelang van den zang, want sommige schijnen sturaperds in de zangkunst te zijn.

Het wijfje is moeielijk te krijgen, omdat het zelden word ingeveerd. Haar vaderland is Amerika.

i. Carolina-Sjiotlijster of Katvogel (Turdus caroli-nensis). Deze lijster bezit ook een goed talent van nabootsing, haar leefwijze komt overeen met die der Amerikaansche spotlijster. De bovendeelen zijn leigrauw \ de kop is zwart evenals de staart; de vleugels zijn zwartbruin, de onderdeelen grijs; de keel is lichtgrijs. De prijs is ƒ 12 a f \ö voor 't mannetje en /'IS a/20 voor het paar. Haar vaderland is Amerika.

33. De Tangara's. (Tonagrinae).

De Tangaren vormen den overgang van de zaad-, tot de insektenetende vogels: de grootste soorten eten zaad, de kleinere vruchten en weekvoer. Zij zijn over 't algemeen prachtig gekleurd en hooren in Amerika thuis, over welk werelddeel zij tamelijk verspreid zijn. Meest alle behooren tot de woudvogels; vele zelfs verlaten nimmer de toppen der hoornen, waar zij zich

-ocr page 103-

89

bij voorkeur ophouden: andere daarentegen gaan soms op den grond. Zij, die in 't Noorden van Amerika wonen, trekken tegen den winter naar 't Zuiden. Sommige eten zaden, andere hebben meer voorliefde voor allerlei vruchten vooral voor oranjeappels en richten daardoor veel schade aan; alle gebruiken zonder uitzondering ook insekten. Het nest wordt van takjes, plantenstengels, vezels, dorre bladeren, slingerplanten, mos, enz. gemaakt; de 4 tot 7 blauwachtige eieren zijn rood of bruin gevlekt. Zij maken hare kooien zeer vuil en vereischen eene zorgvuldige oppassing; het best houdt men ze in groote volières. Hare grootte ligt tusschen die van den leeuwerik en die der huismusch. Men voedt ze in den zomer met beste peren, sinaasappelen, vijgen; dan gekookte rijst met suiker en krenten, benevens mierenpoppen; 's winters het gewone nachtegaalvoeder of Capelle's universeelvoeder •en fijn geklopt maanzaad; ook eierbrood. De meeste laten geen geluid hooren en zijn stil en traag in haar bewegingen. Alle zijn betrekkelijk tamelijk zeldzaam. Volledigheidshalve volgen hier de voornaamste soorten : a. De Purper- of roode Tangara (Tangara brasilia) wordt nog het menigvuldigst ingevoerd en bewoont Brazilië. De schoone vogel is glanzend donherpurper-rood; vleugels, snavel en staart zijn zwart. Hot wijfje heeft o. a. een donkerbruinen rug en dofbruine onder-deelen met rooden gloed. Enkele malen heeft zij reeds gebroed. Zij houdt zich in struiken op in de nabijheid van het water en plaatst haar nest op hooge boomen. Voor kleinere vogels is zij gevaarlijk.

-ocr page 104-

90

L. De scharlcd-enroode Tangara (T. rubra) heeft zeer veel overeenkomst met den vorigen en bewoont Noord-Amerika. Het mannetje heeft in zijn prachtgewaad een fraai sckarlakenroode kleur, elke veer wit aan de basis; vleugels en staart zijn zwart. Het wijfje is geelgroen met zwartyroenen staart en dito vleugels; dezelfde kleur hebben de jongen en het mannetje, wanneer het zijn bruiloftskleed heeft afgelegd. De lokstem is zacht; het nest wordt op een horizontalen boomstam geplaatst.

c. -Di? vuurroods Tancjara. (T. aestiva). Deze soort is geheel vermiljoenrood met bruine slagpennen; de snavel is hoornkleurig; het wijfje is geelachtig. Zij bewoont de Zuidelijke staten van Noord-Amerika, vooral de kustlanden, en is zoo groot als een leeuwerik.

d. De veelkleurige Tangara. (T. fastuosa) vertoont bijna even heerlijke kleuren als de kolibri's. Evenals de andere Tangara's is het een stille en lustelooze vogel, die zich het best in een volière houdt, omdat hij de kooi zoo vuil maakt. Het heerlijkste ultrama-rijnblamc, het gloeiendste oranje en het schitterendste zwart, alsmede het fijnste zeegroen schitteren op haar rijk gewaad.

e. De zevenkleurige Tangara (T. tatao) wordt nog minder ingevoerd dan de vorige soorten. Haar vaderland is Brazilië en omliggende landen. Het mannetje is schitterend grasgroen aan den kop, met smallen, zwarten rand om den snavel; het achterhoofd, de boven-deelen, de beneden vleugels en de staart zijn fluweel-zwart, de middenrug is vermiljoen, de achterrug or an-

-ocr page 105-

91

jerood; kin en keel zijn ultramarijnblauw, de verdere onderdeelen blauw inet donkeren dwarsband. Het wijfje heeft dezelfde kleuren, maar minder schitterend. De prijs van alle soorten is /quot;SO per stuk: de laatste kost evenwel ƒ24; zij is bijna zoo groot als de huis-nmsch.

f. De rjeicone organist (T. violaca) is een zeer levendig vogeltje met een eenigszins gedrongen lichaamsbouw. De bovendeelen zijn blamczwart, de kop en de onderdeelen hooggeel; de snavel is breed en zwart van kleur. Het wijfje is olijfgroen. Hij woont in Zuid-Bra-zilië en komt soms veel in den handel; in de vlucht is hij zeer verdraagzaam. Het gezang is wel hoogst aardig, doch niet zoo mooi, als de naam doet vermoeden. Zij hebben slechts eenmaal in Europa gebroed (bij Mevrouw Proschek te Weenen): doch zonder jongen te krijgen. Prijs / iO.

ff. Sterker, doch ook strijdzuchtige!1 is de Kroontangara (T. coronata), die jaren lang in 't leven blijft en zeer vroolijk is, maar weinig zingt. Zij heeft een roode vlek op de kruin. Prijs ƒ12.

-ocr page 106-

B. VERZORGING VOORTTELING, ENZ.

De Nutuur handelt niet mei sprongen.

1. Voedsel voor de verschillende vogels. Versnaperingeu.

Het zaad moet steeds van goede kwaliteit en behoorlijk rijp zijn; het mag noch muf, noch beschimmeld, noch stoffig wezen ; ook moet men toezien, dat i het niet met andere stoffen vermengd is. Elke soort moet in een afzonderlijk bakje worden gedaan, omdat de vogels anders met den snavel er in aan 't roeren gaan om het beste er uit te zoeken, en dan heel wat vermorsen. Vraag steeds aan den vogelhandelaar, welk voer de pas ontvangen vogel gehad heeft, en wen hem slechts langzamerhand aan ander zaad.

JPapegaaieri.

a. Parkieten; Witte gierst, wit zaad, haver. De jongen hetzelfde in water geweekt met mierenpoppen en hard ei; het ei — dit geldt ook voor't vervolg —

moet goed versch zijn, acht minuten koken en dan fijn gewreven worden. Als het slechts een weinig riekt,

-ocr page 107-

93

is het zeer schadelijk. De groote parkieten krijgen nu en clan wat hennepzaad. Als de kleine pas van de reis zijn gekomen, krijgen zij geen haver.

Versnapering: Hetzelfde voer in trossen, zoowel rijp als melkrijp; dit vooral niet te verzuimen. Wie over een tuin beschikt, kan het daar in Mei zaaien. Groen: alleen murik, vooral geen salade. Versche wilgen- en andere boomtakjes om op te bijten, evenals bij alle andere papegaaien. De versnaperingen geve men in 't eerst slechts een-, later tweemaal per week.

h. Arara's. Allerlei zaden; okkernoten ; allerlei noot-en steenvruchten, mais, hard ei. Ook groen.

c. Bwergpapegaaien. Voornamelijk gierst, wit zaad, haver, ongebolsterde rijst. Versnapering: in melk geweekte zaden, murik. Als ze goed gewend rijn, ook een weinig hennepzaad.

Be jongen krijgen slechts geweekte zaden, hard ei, mierenpoppen en maïs in de bloeikolven.

De inséparahelparkiet krijgt geen ongebolsterde rijst en vooral ook geen hennepzaad. Groen en takjes slechts, als hij goed gewend is.

d. Be Amazonen. Hennepzaad, maïs, droog wittebrood, kaakjes, weinig vrucht, bijv.: kers, peer, appel, druif, okker- en hazelnoten. Ter afwisseling zaad van de zonnebloem, wit zaad en verschillende soorten van gierst. Geen geweekt wittebrood. Geen warme spijzen of dranken. Om ze aan dit voedsel te gewennen, is vooral gekookte maïs aan te raden. In den beginne geen hennepzaad.

e. Be graiuce papegaai. Evenals de Amazonen, be-

-ocr page 108-

94

nevens versche maïs in bloeikolven. Moet ■vooral aan het drinken van water gewend worden : als hij water drinkt, is hij behouden. Hout om er op te bijten, mag nooit ontbreken. Is hij aan koffie en thee gewend, dan moet men deze dranken zoo lang met water verdunnen, tot hij zuiver water krijgt. Veel afwisseling in het voeder te brengen. Behandel evenzoo de Vasa's.

f. LorVs. Zijn eerst dan behouden, als zij aan zaden gewend zijn. Na aankomst: geweekt wittebrood, gekookte maïs en haver; dan gierst, wit zaad, haver, gekneusd hennepzaad; een weinig hard ei of mierenpoppen. Steeds beste vruchten, al naar den tijd van 't jaar: kersen, peren, druiven en stukjes appel. Geen pruimen. Alleen wilgentakjes en takjes van vrucht-boomen. Geen gekookte rijst, geen suikerwater. Gekookte rijst deugt trouwens hier te lande voor bijna geen enkelen vogel.

cj. Kakatoe's. Allerlei zaden, hennepzaad, wit zaad, haver, maïs, zaad van zonnebloemen, benevens oudbakken, niet geweekt wittebrood, appels en hard ei. Liefst geen gekookte rijst. Zij schijnen ook te houden van peen, knolletjes en radijs.

Daar zij gewoonlijk jong uit de nesten worden gehaald, zijn zij reeds dadelijk bij hunne aankomst aan bovengenoemd voedsel gewend.

Geef geen uwer papegaaien «uit den potquot;: Geen : vleesch, geen aardappels, koek, groenten of gebakjes ; geen thee, koffie, wijn, bier, enz.: deze spijzen veroorzaken ziekten en een vroegtijdigen dood. Slec/tls de goed verzorgde vogel voelt zich prettig gestemd en praat.

-ocr page 109-

95

zingt of babbelt daardoor veel meer dan anders! De takjes, die de papegaaien krijgen, om er op te bijten, steke men tusschen de tralies der kooi.

Zangvogels.

a. PracJiivinken. Witte gierst en wit zaad ten allen tijde. Versnapering-. Hetzelfde zaad in aren of trossen, rijp of melkrijp: dit vooral niet na te laten, Az Ama-dina's ook ongebolsterde rijst: de grootste soorten zelfs een weinig gekneusd hennepzaad. Soms ook eenige meelwormen; 's zomers een weinig groen of zaad van weegbree en haver in aren of trossen.

Voedsel voor dt jongen, als de ouden ze nog voeren en ook later: kleine, versche mierenpoppen, 4 a 5 stuk gesneden meelwormen, naakte rupsen, bladluizen, allerlei kleine kevertjes, bijv. juni kevertjes. Hard ei. De oude broedvogels behouden natuurlijk behalve dit, ook hun gewoon voer.

b. Wedtiwvogels. Als de prachtvinken, doch geen hennepzaad, althans niet voor de kleinere soorten; verder maan- of papaverzaad en haver (natuurlijk gepeld.) Versnapering: veel mierenpoppen, meelwormen, of andere weeke, naakte, d. i. onbehaarde insekten. In den winter ook ei.

c. Wevervogels. Als de prachtvinken en de Weduw-vogels. De grootere eten ook een weinig hennepzaad, dat altijd goed rijp moet zijn. Vooral het dierlijk voedsel, de insekten, niet vergeten, anders verliezen zij hunne fraaie kleuren. De jongen van b en c als in a, benevens in melk geweekte haver en rijpe druiven.

-ocr page 110-

9G

d. Vinken. Gierst, wit zaad, maanzaad en zwart zaad ten allen tijde. De gierst kan men langzamerhand weglaten. Versnapering: raurik, kruiskruid, salade, weegbreezaad, een weinig gekneusd hennepzaad, hard ei, mierenpoppen, kevertjes, vooral junikevertjes. De jongen als in a.

e. Kernbijters. Bij de aankomst gewoonlijk hennepzaad en wit zaad. Langzamerhand ook te wennen aan lijnzaad.

Versnapering; noten, beziën, groen, ook nu en dan mierenpoppen of ei en dagelijks 2 tot 4 meelwormen en allerlei andere insekten. Lekkernij: boomknoppen. In den broedtijd ook geregeld ei en mierenpoppen; als zij jongen hebben, moeten meelwormen hieraan worden toegevoegd.

f. Voedsel voor de spoüijster en voor andere groote insektenetende vogels. Wordt op verschillende manieren onderhouden: !. mierenpoppen met ei of fijnge-kruimeld wittebrood en krenten. 2. beschuit in gekookte melk geweekt. 3. Geweekt wittebrood, gehakt vleesch, gekneusd hennepzaad. Bij deze drie mengsels voegt men nog allerlei gedroogde beziën, versche mierenpoppen, meelwormen, pieren en allerlei insekten.

Versnapering: rozijnen, vijgen, stukjes appel of peer, kersen, druiven. In den ruitijd vooral fijn gehakt ma-

tver vleesch.

~ gt;

Voor de jongen ■. al de bovengenoemde insekten; ook spinnen. Zie ook het „Aanhangsel.''''

Fas ontvangen vogels mogen gerust 's avonds, als zij aankomen, eerst nog eten en drinken, voor zij gaan

-ocr page 111-

97

slapen; dit is zelfs aan te bevelen, omdat zo op de reis per spoor, tram, enz. soms gebrek geleden hebben. Daarna laat men ze rustig staan in dezelfde kooi, die men echter eerst voorzichtig reinigen en van versch zand voorzien moet. Vat de vogels niet in de hand.

2. Verzorging en oppassing.

De hooien van groote vogels moeten eiken dag gereinigd worden, althans wanneer men ze in kamers of salons houdt, omdat ze anders hoogst onaangename geuren in 't vertrek verspreiden: die der kleinere vogels reinigt men één- of tweemaal per week. Men strooit dan fijn wit zand op den bodem der kooi en doet er eenige fijn gewreven eierschalen in, of wel stukken sejiia of zeeschuim, dat door den inktvisch geleverd wordt en hetwelk men bij den drogist haalt; dit mag nooit ontbreken, daar do vogels de kalk ervan voor de voeren en de vorming dor eierschalen, zoowel als voor den opbouw van hun beenig geraamte hoogst noodig hebben. Missen zij die stoffen, dan zullen ze elkaar dikwijls do voeren uitplukken I

Het drinkwater moot des winters éénmaal en 's zomers tweemaal per week worden vervorsebt, bet had-water vaker; dit laatste is even noodig als het drinkwater. De springhouijes dienen nu en dan te worden gezuiverd; liefst maakt men ze van zacht hout en van verschillende dikte. Zij worden zóó in do kooi of volière geplaatst, dat de vogels elkaar niet kunnen vuil maken en hunne uitwerpselen niet in bet zaad kunnen vallen. Ook mogen er niet te voel houtjes in

-ocr page 112-

98

de kooi zijn, daar zij de vrije vlucht der bewoners anders belemmeren. Bevinden zich aan de nagels der pooten kleine balletjes vuil, dan moeten deze voorzichtig in water geweekt en daarna verwijderd worden. Het uitblazen en bijvoegen van het zaad en het schoonmaken moeten op bepaalde tijden geschieden, omdat men zulks anders licht vergeet; ook dient men dit niet aan de dienstboden over te laten, daar deze gewoonlijk te ruw hierbij te werk gaan. Men bemoeie zich steeds zelf met zijne gevederde gasten, waardoor-deze spoedig hunne schuwheid afleggen.

De hooien hange men vooral niet op den tocht of in den kouden luchtstroom, 'die door raam of deur veroorzaakt wordt; als het eenigszins kan, moeten de vogels 2 a 3 uur per dag, en wel liefst 's morgens, in 't zonnetje staan, om een zonbad te nemen, hetgeen voor het behoud hunner gezondheid en hunner fraaie kleuren zeer noodzakelijk is. Een vogel houdt daarom ook van licht en zonneschijn. Vooral moet men er op letton, dat de vogels bij 't stoffen dei-kamer des morgens niet op den tocht staan, want daardoor gaan vele te gronde. Men hange de kooien niet aan vochtige of koude muren, vooral niet in den winter, omdat de' meeste vogels uit de tropen daar niet tegen bestand zijn; ook lette men er op, dat de vogels niet pikken van 't behangsel, hetwelk dikwijls schadelijke bestanddeelen bevat.

De pas ingevoerde, of nog weekelijke vogels, ook sommige papegaaien, benevens de ruiende vogels moeten des winters, als het koud is, gedurende den nacht

-ocr page 113-

99

met een doek worden dicht gedekt, doch deze dient niet dik te zijn, daar de vogels anders verwennen en weekelijk en gevoelig voor allerlei invloeden worden. Een verstandige harding is ook in de vogelwereld op hare plaats. Het spreekt vanzelf, dat die doek geen schadelijke verfstoffen mag bevatten, waarvan de vogels zouden kunnen pikken. Een doek kan ook gebruikt worden, om de papegaaien te straffen, als zij bijv. schreeuwen: men hange dan telkens den doek over de kooi, waardoor de verstandige vogel spoedig zal begrijpen, dat hij zijne onhebbelijkheden moet afleggen. Nimmer geve men hun klappen, omdat zij daardoor gekrenkt en tot bijten aangezet worden. Vooral gedurende den broedtijd ga men eiken morgen de kooien en volières der verschillende vogels na, om te zien, of alles in orde is. De dooden moeten dadelijk verwijderd en de zieken van de andere afgezonderd worden. Hebben de vogels eieren of jongen, dan late men geen kennissen bij de vogels toe, omdat de wijfjes daardoor gewoonlijk verschrikt van de nesten vliegen en eieren en jongen meesleepen ; nooit nadere men plotseling en ongemerkt eene kooi; men geve integendeel zijne aanwezigheid steeds door een zacht fluiten of roepen te kennen. De nesten moeten van buiten niet zichtbaar zijn; voor verschillende soorten van vogels kan men thans in vele groote winkels allerlei nesten koopen, zoodat eene beschrijving overbodig is, vooral daar wij bij verschillende vogels het een en ander er over vermeld hebben.

De volgende stoffen zijn voor den houw der nesten

-ocr page 114-

•100

lt;reschikt: agave- en aloëvezols, hennep- en vlasvezels, droge grashalmen, hooi, fijn stroo, papierreepen, wollen draden, mos, paardenhaar, pluksel, watten, veeren, varkenshaar, enz. Ook kan men in een Ilarzerkooi-tje, waaruit men alles verwijderd heeft, een zuiver vmsschennest stoppen, hetwelk vooral voor prachtvinken een hoogst welkomen nestgelegenheid is. Reeds vroeger hebben wij opgemerkt, dat men de jongen uit het tweede of derde geslacht niet met elkaar moet laten broeden : men kieze dan óf de jonge mannetjes óf de wijfjes van andere ouders van dezelfde soort! De kooien voor de verschillende soorten van bniten-landsche vogels kan men in alle steden koopen: men kieze ze steeds zeur ruim en yrool en aan alle zijden open. Alleen de broedkooien en de kooien voor insek-tenetende vogels zijn slechts van voren open. Het koper of ander metaal, waaruit de kooien bestaan, moet steeds zuiver worden gehouden en vrij zijn van kopergroen, zinkwit, enz., waardoor de vogels zouden vergeven worden. • Niet zonder noodzakelijkheid moet een vogel in een andere kooi gezet of zelfs verhangen worden : daardoor gebeurt het meermalen, dat ze geheel van den slag raken of stom als een visch worden. Plaatst men verschillende vogels in een volière, dan moet men in 't begin goed toezien, of ze ook vrede met elkaar houden. De kleine Astrildes zette men liever twee aan twee in eene afzonderlijke, ruime kooi. Men neme een vogel niet dan bij hooge noodzakelijkheid in de hand; bij het overplaatsen in eene andere kooi late

-ocr page 115-

101

men ze steeds van de eene woning in de andere vliegen, at duurt dat ook wat langer.

3. Praten en flaiten leeren.

Aan de tong wordt hoegenaamd niets gedaan. Eiken morgen, wanneer men bij den papegaai komt, en iede-ren avond, ook meermalen gedurende den dag, spreke men den vogel één enkel woord zeer duidelijk en goed gearticuleerd voor; men verrnijde hierbij de sisklanken. Kan hij het woord goed napraten, dan ga men tot een tweede over en zoo vervolgens. Om te maken, dat hij aan het woord ook de juiste beteekenis hechte, spreke men het slechts onder bepaalde omstandigheden uit: 's morgens zegge men bijv. «goeden morgen,quot; 's avonds «goeden avondquot;: men klopt aan en roept «binnenquot;, men geve water en zegge: «drinkenquot;, een noot en zegge dan duidelijk «nootquot;, enz. Dan zal de vogel er weldra toe komen, om de verschillende woorden te pas aan te brengen en er een bepaalde beteekenis aan te hechten.

Nu en dan moet men alles herhalen, wat de vogel reeds kent. Gaat het goed, dan kan men weer eenige nieuwe woorden er bij nemen; doch steeds moet men met de lessen voortgaan en geen langen vacantietijd toestaan, omdat de vogels dan doorgaans weer heel wat vergeten, evenals de kinderen, die de school gedurende de zomermaanden verzuimen. Bij 't onderwijs bedenke men steeds, dat er ook onder de papegaaien vlugge en domme individuen voorkomen. Ook moet een sprekende papegaai steeds ongeveer op dezelfde

-ocr page 116-

-102

wijze behandeld worden: men brenge geen veranderingen aan in 't voedsel, in de kooi, in de standplaats, in de oppassing, enz. Sommige papegaaien kunnen het wel tot 200 en meer woorden brengen: reeds wanneer zij twee woorden duidelijk naspreken, verdubbelt hunne waarde! Aan sommige kan men zelfs een liedje leeren zingen ! Wil men een vogel een deuntje leeren nafluiten, dan lluite men dit steeds in zijn geheel en op zuiveren toon voor, en wel zoo lang, tot de vogel het goed kont. Het onderricht worde vooral 's morgens en 's avonds, doch ook meermalen daags gegeven. Jonge vogels zullen steeds de dankbaarste leerlingen zijn ; zij mogen echter vooral gedurende den leertijd geen andere melodiën hooren.

4. Het ruien.

Op zekere tijden van hot jaar ruien de vogels. Dit ruien begint met hot verliezen der kleine dekveeren der vleugels; dan volgen de slagpennen van de vleugels, de stuurpennen van den staart en eindelijk de kleine veeren. Hoe korter dit verwisselen duurt, hoe beter: koude, vochtige lucht, regen en wind, muffe kamerlucht en eene donkore verblijfplaats belemmeren het ruien, terwijl het bevorderd wordt door licht en zonneschijn. Sommigen doen in dien tijd een verroesten spijker in 't water, daar het gebruik van ijzerhoudend water gunstig op 't gestel van den vogel werkt.

Jonge vogels ruien eigenlijk niet in het jaar, waarin zij geboren zijn; ten minste zij verliezen slechts een klein gedeelte der veeren. Eene bijzondere zorg eischt

-ocr page 117-

103

dit gedeeltelijk ruien niet; alleen moet men de vogels voor vocht en koude bewaren. Door plotselinge verandering in de temperatuur ruien sommige vogels op ongeregelde tijden, hetgeen natuurlijk zeer schadelijk is. Zonder nu juist te ruien, veranderen sommige vogels van lieverlede van kleur: de veertjes schijnen dus dooide werking van licht en zonneschijn, ook wel door het voedsel, van kleur te kunnen veranderen.

5. Het slaan of zingen bij kunstliclit.

Indien men wil, dat een vogel bij kunstlicht zal zingen, moet men hem overdag in den donker hangen en niet laten eten. Als het licht is opgestoken, zet men den vogel er bij en geeft hem bij zijn gewoon voedsel eenige versnaperingen. Doet men dit gedurende 14 dagen en maakt men 's avonds eenige muziek, dan zal de vogel spoedig zijn slag ook bij avond laten hopren. Het in den donker zetten overdag is dan overbodig.

Vogels van druk bezochte koffiehuizen zingen veelal 's avonds zonder opzettelijke dressuur. Zij hooren namelijk een gedruisch om zich heen, dat hen tot zingen aanspoort.

Wat het zingen bij avond betreft, een Engelsch vogelhandelaar verhaalt daarvan het volgende:

»In 't begin was ik zeer ongelukkig met mijne vogels, niettegenstaande ik een ruimen, warmen, luch-tigen en zonnigen winkel en flinke, ruime, goed schoon gehouden kooien had. De vogels zongen hun hoogste lied, als wedijverende in vroolijklieid. Voorzien van

-ocr page 118-

104

't meest geschikte voedsel, van schoon water en fris-sche lucht, zindelijk gehouden, ontbrak hun niets. Toch begonnen ze, zonder eenige merkbare oorzaak, te kwijnen en te sterven, en juist in 't jaargetijde, waarin de minste vogels omkomen. Ik zocht vruchteloos naar do reden. Mijn winkel was met gas verlicht, ik nam olie. Niets hielp. Ik maakte met groote kosten verbeterde ventilatie: de vogels bleven kwijnen, als menschen, die aan zenuwtering lijden en telkens vond ik dooden.

Ik dacht steeds verder na. Van mijn vroolijkste zangers had ik juist de beste moeten missen. Konden ze ook te veel zingen? Ik beproefde het met vroeger het licht in mijn winkel uit te doen, en waarlijk, het hielp, er kwam verbetering. Sedert de vogels geen uur méér zongen, dan goed was voor hun gestel, hadden ze al wat noodig was, om gezond te blijven. In den natuurstaat vliegen de kleine vogels alleen bij dag en slapen reeds vóór den donker. Wanneer men ze laat doorzingen bij hot licht, overwerken zij zich en krijgen de tering; sommige houden het een poos uit, weinige langer dan een jaar.quot;

6. De ziekten der vogels.

a. Over ziekten in 't algemeen. «Altomaal dwaasheid, die boekjes over vogels! Mijn vogel is gezond, zingt als een lijster en ik pas er haast niet op,quot; zegt deze of gene. Gedeeltelijk toegestemd.

Maar gezond zijn en gezond zijn, en zingen en zingen is.... twee, en het valt niet te betwisten, dat

-ocr page 119-

105

c

do ziekten, die wij nn gaan bespreken, meestal het gevolg zijn van verkeerde behandeling en slechte verzorging. Als een vogel ziek is, zingt hij niet, blijft rustig op zijn stokje, zit bol en steekt soms den kop tusschen de vleugels. Om nu te weten, wat den vogel scheelt, zullen wij de meest voorkomende ziekten en haar kenteekenen, norzaken en geneesmiddelen bespreken. Die middelen zijn zeer eenvoudig en voor een paar centen bij den apotheker te krijgen. Sommige dient men onder 't voedsel, andere in 't water opgelost toe. Het best is evenwel, de ziekten te voorkomen, door de oorzaken te vermijden, die het ziek zijn in de hand werken. Hoe men dit kan doen, hebben wij in de vorige bladzijden aangetoond. De ziekten, waaraan de vogels onderhevig zijn, laten wij hier volgen.

h. Be pip. De pip ontstaat door koude of tocht en is eigenlijk eene verkoudheid. Het bovenste huidje der tong is verhard en de neusgaten zijn verstopt. Men geneest haar, door den vogel eenige droppels van de volgende, in water opgeloste, middelen te geven namelijk: drop, salmoniak en suiker. Houd verder den vogel in een warm vertrek en zonder hem van zijne makkers af.

c. Be vallende ziekten. De vogel valt eensklaps van het stokje af en slaat met de vleugels. Als oorzaak daarvan kan men beschouwen, zucht om te paren, oen nutteloos plagen en sarren, tocht of ouderdom.

Het geneesmiddel bestaat in hot besprenkelen met koud water, zonder den vogel in de hand te nemen. Voor eenige jaren had ik een blinden kanarievogel.

-ocr page 120-

106

quot;16 jaren nurt, die reeds 4 jaren aan toevallen leed en er eindelijk aan bezweek,

d. Piepende ademhaling. De vogel laat een piepend geluid hoeren en hijgt naar adem. Met stof vermengd of bescliimmeld zaad kan hiervan de oorzaak zijn, soms ook snelle verandering van temperatuur, bijv. wanneer men des morgens het vertrek laat luchten. Strooi fijn gemalen kalrnuswortel door het voer en geef den patiënt 3 droppels zuivere slaolie.

e. Biarrhee. De vogel raakt een dunne, kalkachtige stof kwijt. Te veel groen, ongewoon voer, bijv. aan pas gevangen vogels, en een vochtige hangplaats zijn hiervan de oorzaak. Knip de aarsveeren weg — niet uittrekken — en besmeer den aars met zuivere slaolie. Geef ijzerhoudend water en goed voer. Als dit niet helpt, bewijst een aftreksel van eikenbast, dus looizuurhoudend water, soms goede diensten.

f. Hardlijvigheid. Do vogel doet zichtbare moeite, om zijn vuile stoffen kwijt te raken. Verandering van voer, onnatuurlijke spijzen, gebrek aan groen zijn hiervan de oorzaken. Geef 4 droppels slaolie en besmeer er ook den aars mede.

g. Verharding der sluitklier. Boven op de stuit heeft de vogel een geel kliertje, dat eene olieachtige stof afzondert, waarmede de vogel zijn veeren besmeert, om ze waterdicht of glanzig en zacht te maken. De klier wordt soms hard en bruinachtig. De vogel zit dan aanhoudend met den bek er aan te pikken. Als do voornaamste oorzaak kan men aanmerken, dat de vogel zich niet genoeg heeft kunnen baden. Besmeer do

-ocr page 121-

107

klier meermalen met slaolie en beproef ze zachtjes flonr te drukken ; geef den vngel een weinig spekvet. In ernstige gevallen prikt men de klier met een naald door. Nimmer moet men haar afsnijden.

h. Vermagering. De kenteekenen der ziekten zijn nittering en lusteloosheid van don vogel, die soms voor drie eet, zonder dat het hem baat. Bedorven of onverteerbaar voer is hiervan de hoofdzaak. Geef een in slaolie gedompelde spin, ijzerhoudend water en in het herstellingstijdperk hennepzaad of ei.

i. Breuk. De darmen zakken naar het achterlijf, dat daardoor dik, hard en zwartachtig van kleur is. Als de oorzaak hiervan noem ik onverteerbaar en te voedzaam voer. Eenvoudig, natuurlijk voer, 2 droppels slaolie en ijzerhoudend water zullen den patiënt op de been doen blijven.

j. Opzwelling der huid. Slechte verzorging, ontoereikend voedsel zijn do oorzaken der opzwelling, vooral bij nestvogels. Prik de huid door en smeer slaolie op de opening. Maak bladeren van brandnetels fijn en meng die door het voer, althans bij groote vogels.

X-. Hel ztceelen van hel onderlijf. Deze ziekte bestaat hierin, dat de voeren der broedvogels aan de borsten den buik nat worden door eene te overvloedige uitwaseming der huid. Indien dit zweeten al te erg is, kan het voor de eieren en de jongen schadelijke gevolgen hebben. Het onderlijf van zoo'n wijfje moet men gedurende 4 a 5 dagen eenmaal per dag betten mot water, waarin veel keukenzout is opgelost en het daarna met gewoon water afspoelen. Hoeft een wijfje

-ocr page 122-

108

lierliaalrlo miilen last van het zweeten, dan rioet men Hen vogel uit de broedkooi. Als oorzaak van dit verschijnsel beschouw ik eene al te groote warmte van het nest en het gemis van water, om zich te kunnen baden. Het verdwijnt vanzelf, als de vogel langer van het nest kan blijven.

I. Hier ziekte, of legnood. Na 2 of 3 eieren gelegd te hebben, wordt het wijfje soms opgeblazen, bol en lusteloos. Het zit dan, met den kop tusschen de vleugels, onder in de kooi te slapen. De oorzaak van dit ziekteverschijnsel is, dat het wijlje een windei, d. i. een ei zonder schaal, bij zich heeft, dat het niet kan kwijt raken. Men geve zuivere, warme slaolie in en late ook in het eierkanaal van achteren 5 a 8 droppels loopen. Geef den vogel ook eierschaal en sepia. Daar zulk een wijfje zeer verzwakt is, moet liet 8 dagen alleen zitten en goed verzorgd worden. Daarna plaatst men het weder in de broederij. De reeds gelegde eitjes verdeelt men in andere nesten, waarvan de eieren ongeveer even oud zijn. Als oorzaak dezer ziekte noem ik gebrek aan kalkhoudende stoffen, plotselinge en groote verandering in de temperatuur, krachteloosheid of te groote vetheid van den vogel. Indien men den inhoud van bet ei, door het achterlijf met slaolie te wrijven, niet er uit kan krijgen, trachte men zeer voorzichtig het ei met eene fijne naald door te steken, om het daarna te verwijderen.

m. Vogelmijlen. Men moet alles goed schoonhouden en reten en scheuren in kooien trachten te vermijden, of anders olie er in gieten met insektenpoeder. Do

-ocr page 123-

109

knie plekken der vogels bestrijke men met insekten-poedertinctuur, evenzoo de nesten en de jongen, als deze van dit ongedierte te lijden hebben. Ook kan men ze eerst door middel van een penseeltje met glycerine bestrijken en daarop insektenpoeder strooien. Dit poeder is een vergif voor de insekten, doch onschadelijk voor hoogere dieren: het moet echter niet vervahcht zijn. IJzeren kooien verdienen de voorkeur boven houten, omdat de mijten in de eerste geen openingen vinden, waar zij kunnen inkruipen.

7. Meelwormen en mierenpoppen.

Men neemt een groote, blikken bus of een dichte, houten kist, die men op een drogen zolder plaatst, en werpt daarin tot over de helft oude lappen en vodden van laken en wol met zemelen van tarwe en meel benevens harde broodkorsten; van boven moet men de bewaarplaats goed sluiten, doch zoo, dat de lucht gemakkelijk ververscht wordt. Nu en dan doet men er geraspte peen in. Hierin plaatst men in Mei of Juni een handvol groote meelwormen, of beter meeltorren, waardoor het spoedig ervan zal wemelen: althans wanneer men alles stil laat staan. Latei-legt men er vochtig vloeipapier in, waar de volwassen meelwormen gaarne opkruipen, zoodat men ze gemakkelijk kan krijgen, als. men ze noodig heeft, üok de poppen en kevers kan men voeren: doch dient men er ook van te bewaren, om de kweekerij aan den gang te houden. Wie meel op den zolder bewaart, krijgt de ongenoode gasten in Juli en Augustus in

-ocr page 124-

no

het meel, zonder dat hij het wil, daar de van boven zwarte on van onderen roodbruine kevertjes, de volkomen vormen der meehvormen, vooral in die maanden rondvliegen. Door er dagelijks flink in te roeren, kan men het meel zuiver houden.

Mierenpoppen verschaft men zich, door des zomers op een warmen, zonnigen dag een mierennest te verstoren en er met een stok in te roeren. De mieren, die vreezen, dat de felle zon hare poppen zal uitdrogen, dragen ze spoedig in de schaduw : heeft men nu in de nabijheid van het nest een doek gespannen, dan zullen de mieren hare poppen in de schaduw er van brengen, waardoor men ze gemakkelijk kan verzamelen. Ten onrechte noemt men de mierenpoppen wel eens miereneieren. Op de vogelmarkt kan men gewoonlijk wel mierenpoppen koopen, soms reeds in April. De prijs is 60 a 90 ets. per Liter. Men kieze die der grootere soorten, zooals van de roode boschmier, voor sterke vogels, de kleinere poppen zijn voor teedere vogels beter. Steeds moeten zij versch zijn en vrij van bederf; zij kunnen ook voor het gebruik in den winter in een bakoven gedroogd worden. Ook engerlingen en meikevers, benevens de larven van kokerjuffers — het stekaas — welke in 't water leven, junikevers, motten, naakte rupsen, bladluizen, enz. zijn een uitmuntend voedsel.

Aanlaaiigsel.

1. Nog iets over 't broeden van parkieten.

De zekerste resultaten verkrijgt men, als men twee

-ocr page 125-

-Ml

paren van dezelfde soort parkieten in eene kleine kamer zet; heeft men die niet beschikbaar, dan kan ook een groote pakkist met ijzergaas er voor goede diensten bewijzen. Hoewel een sigarenkistje of een holle kokosnoot als broedplnats kan dienen, geven de vogels echter de voorkeur aan gewone stukken boomstam, die uitgehold en van een vlieggat zijn voorzien. Linden- of beukenhout is daartoe het best geschikt: men neme stukken met dm bast er aan, ter hoogte van 30 cM. en van quot;10 cM. in doorsnede; hiervan zaagt men een schijf van 3 cM. dikte af, die men er later weer opspijkert; vervolgens holle men het stuk uit tot 22 cM. diepte en 12 cM. in doorsnede; op 15 c.M. komt het vlieggat met eene doorsnede van 4 cM. Voor elk paar bange men twee van die nesten stevig op, zoodat afvallen onmogelijk is. Deze nesten zijn o. a. verkrijgbaar bij Frühauf te Mühlhausen a y 0.00. Van onderen strooie men er zaagsel in ter dikte van 2 a 3 cM.

Men kioze vervolgens goede en krachtige vogels van verschillende ouders met glanzend en schitterend gevederte, levendige oogen en goed ontwikkelden staart. Ten einde ze aan het eivoeder te gewennen, dat zij reeds dadelijk moeten hebben nog voor de nesten opgehangen zijn, kan men een kanarievogel er bij doen, van wien zij zoowel leeren baden als hard ei gebruiken. Het wijfje legt gewoonlijk om den anderen dag een ei, sterke wijfjes leggen eiken dag: na het 4de broedsel zijn de ouden te veel verzwakt, zoodat de dan volgende jongen zwak en misvormd worden: men hale

-ocr page 126-

■1 12

daarom de nesten weg, voere goed en hange ze na verloop van 6 weken weer in de kooi. Van November tot Maart moeten de parkieten in 't geheel niet broeden. De wijfjes sterven wel eens aan legnood: men voorkomt deze ziekte heel gemakkelijk, door de vogels niet eer te laten bl oeden, voor ze flink en krachtig zijn. Daarom moet raen eerst yoed voeren en daarna de nesten ophangen.

Nu wij toch over de papegaaien spreken, maken wij hier de opmerking, dat grooie, vierkante kooien veel beter zijn dan de bekende ronde; men gebruike geen metalen zitstokken en doe geen stangen onder in de kooi, die nadeelig voor de pooten zijn en bovendien aan de dieren beletten nu en dan een zandbad te nemen. De hoogte zij 75 cM., de lengte en breedte 45 c'M., zoodat zij de vleugels goed kunnen uitslaan.

Kan men het verschil tusschen mnnnetje en wijfje niet aan de veeren zien, dan lette men op het volgende : de mannetjes hebben de aarsopening naar voren, dat is naar den buik, gericht, de wijfjes daarentegen naar achteren, dat is naar den staart: dit geldt voor alle vogels !

2. Voedsel voor insekteneters. Hunne kooi.

's Zomers geve men versche mierenpoppen en meel-wormen, CapelWs (Hannover) universeelvoer, voor groo-tere soorten met fijn geschraapte wortels, wat brood en fijn gehakt vleesch er door; 's winters eierbrood of geweekt en goed uitgeknepen wittebrood, gestampt hennepzaad, hard ei, benevens fijn gehakt mager vleesch;

-ocr page 127-

1 1 3

alsmede vruchten en gedroogde, fijn gebakte garnalen. Veel voeder kan men bovendien zelf zoeken, zooals naakte rupsen, vliegen, kevers, eendagsvliegen, sprinkhanen, meikevers, enz.

Capelies voer bestaat uit raierenpoppen, fijn gewreven vleesch en fijn gestampt maanzaad; het kan lang bewaard worden. Vóór het gebruik make men het vochtig door fijn geschraapte wortels en een weinig water. Verkrijgbaar in «Die Saamen-Groszhandlung von Carl Capelle, Hannoverquot; en in zijn depót van J. A. Lenpen en Zoon, 's Hage, Dennenweg 14 A.

Eierhrood bestaat uit 30 deelen fijn tarwemeel, 3 tot 4 deelen geklutst rauw ei met een weinig water; dit mengsel late men tot broodjes bakken, waarna het maanden lang goed blijft. Ook verkrijgbaar bij Senft in Hal Ie a /0.90 per K.G.

De kooi voor insektenetende vogels is slechts van voren open en bevat twee springstokken. De zandlade zij van zink, omdat de uitwerpselen dun zijn en hoid spoedig zou rotten; wegens de stinkende uitwerpselen moet men de kooi dagelijks reinigen en dik met zand bestrooien.

3. De Chineesclie kwartel. (Coturnix chinensia).

Een alleraardigst vogeltje, slechts half zoo groot als onze kwartel, dat sinds '1870 uit zijn vaderland China soms bij enkele paartjes wordt ingevoerd en ook hier te lande in eene ruime volière gemakkelijk voortteelt. Deze vogels brengen aardige geluiden voort en ver-toonen een komisch liefdespel.

-ocr page 128-

1 14

Beschrijving. De bovendeelen zijn olijf bruin metlid-dere strepen, do schouderdekveeren met donkerrooden rand; de kop, de lials, de bovenborst en de zijden van 't lichaam [/rijs; de keel zwart, omzoomd eerst door een breeden, witten en dan door een smallen, zwarten band, de verdere onderdeelen donkerbruin, de snavel zwart, de poolen geel en de oogen donkerbruin. liet wijfje mist o.a. den band om de keel.

In den beginne zijn de vogels schuw en bang, waarom men in de volière een schuilplaats moet maken, waarachter zij zich kunnen terugtrekken. Mannetje en wijfje bouwen gezamenlijk het nest van droog gras en zijn gedurende den paartijd steeds bij elkander. Het wijfje legt 4—6 licht bruinachtige eieren, waaruit na 16—18 dagen de jongen komen, die met een geel dons bedekt zijn. Het opsluiten in de «kwartelkooiquot; is eene van de ergste dierenplagerijen! Met tarwe, boekweit, havergort, zwart zaad, maanzaad en nu en dan wat hennepzaad zijn de kwartels gemakkelijk te onderhouden. Ook geve men groen, wittebrood, meel-wormen, mierenpoppen en andere insekten. De jonge. worden met versche mierenpoppen groot gebracht. Harde eieren en boekweitgrutjes zijn ook een zeer geschikt voedsel voor hen. Prijs ƒ15 per paar.

-ocr page 129-

UITGAVEN VAN GEBR. VAN DER POST TE UTRECHT.

^ Hoc men van Kipfien oöö pCt. voordeel 's jaars kan trekken

EX

JONGE VETTE KIPPEN

tegen /O.ijü per Kli., Eieren (winter eii zomer)

tegen /0.05 per dozijn verkrijgen.

Naar het Engelsch van KIIMARD B. EDWARDS. Voor Nederlanders bewerkt.

Vierde vermeerderde druk. Prijs 75 Cents.

SE HOEKSEKKOf.

Eene volledige en duidelijke aanwijzing voor stedelingen en ^ landbewoners om de Hoenders op te fokken, te verplegen,

rijkelijk te doen leggen, alsmede het hoogst mogelijke nut er

van te doen trekken. Benevens onderrichting ten aanzien van alle gebreken en ziekten der Hoenders en de geneeswijzen der kwalen, waarbij gevoegd is eene reeks van middelen om de eieren op de beste wijze te bewaren.

Berde druk. Veel verbeterd en vermeerderd door een bekend Hoenderliefhebber van veeljarige ondervinding. Prijs 75 Cents.

De kunst om Kippen te houden.

Tweede druk. Prijs 25 Cent.

of volledige onderrichting in het broeien, houden, voedsel, paren en nut der Huis-, Post-. Tuin-, Veld- en Wilde Duiven, benevens eene handleiding om alle ziekten en ongemakken der Duiven te genezen.

Tweede vermeerderde druk, herzien door A. H. HEDDEM,

Lid van verdienste van het Koninklijk Zoölogisch Genootschap „Natura Artis Magistraquot;.

Prijs 75 Cents.

-ocr page 130-

uitga quot;ven van gebr. van der post te utrecht.

DE PRACHTVINKEN.

Beschrijving en verzorging der Prachtvinken en eenige andere Buitenlandsche Kamervogels, zooals:

Widavinken, Wevenvogels enz.

door J. N. VAIV DE LAAR.

Prijs 75 Cents.

Kanarie-Uitspanningen.

quot;^T'erli.ai^Ld.elxxLg- OT7-er de ^an-aiieteelt.

Voortteling, aankweeking, aard, ziekten en gebreken, middelen tot herstel van de Kanaries, en alles wat een liefhebber noodig heeft te weten, hetzij hij die vogels wil doen broeien of niet. Alles nauwkeurig, na een meer dan negen-en-twintigjarige ondervinding, beschreven

DOOR F. ï. W1CKEDE

Zevende, niemve en vermeerderde druk

waarbij gevoegd is de kunst om de Kanaries zoowel des winters als des zomers te doen broeien, met al wat daartoe verder vereischt wordt.

Prijs 75 Cents.

^RACTISCH ANDBOEKJE

Voor liefhebbers \?ari 2ang- eq 4\arr|erVogels

behelzende: derzelver behandeling, oppassing, voedsel, voortteling, enz., benevens de genezing der meest voorkomende ziekten en gebreken door J. F. BOSDIJK.

Tweede druk. Prijs 75 Cents.

Dl ©EikSFMlLOlT,

Zijne natuurlijke geschiedenis, verpleging en aankweeking door Dr, KARL RUSZ,

Naar» het Duitseh bewepkt door ORNIS.

Prys 75 Cents.

-ocr page 131-
-ocr page 132-

Uitgaven van («ebr VAN DER POST , te Utrcelu.

VVJCK HUK, Kanarie-Uitspanningen, ƒ 0,75. uusz , De Grasparkiet ■ f 0,75.

IliODDRN, De Duivenfokkerij . /0,75. TAN T)K T.aaR, De Prachtvinken ƒ 0,75.

Vogeh worde»/ veel in kooien gehouden en daaronder niet weinig huitenlanókche soorten, vooral die tot de PJi/t dll TV INKEN hehooren , rooa-ls: Het Napoleon ij e, de ffovervogels, de Kardinalen, de Muskaat-vogel, fa Ekstertjes enz., em.

Moet een inlandsche vogel al zeer vet l missen , wanneer hij zijne vrijheid kwijt is, hoeveel te meer dan nog mist ten hndcnJandnche vogel, en hoe veel te moeielijker zal het zijn, hem. dit gemis te vergoeden. Hij toch ontheert behalve de vrijheid, ook nog het heerlijke klimaat, de prachtige plantenwereld en uiet het minst ook het voedsel van zijn vaderland, 't Is daarom, dat 'dit werkje aan iederen liefhebber zijn goeden raad komt aanbieden aan dm onkun-digen om- hem terecht te helpen -, aan den geoefende» om hem- te herinneren aar,, zijne plichten tegenover zijne gevederde lievelingen.

Hoe nu vogels in gevangen staat liet best te hou-rleri zijn, geven bovengenoemde handleidingen aan.

-ocr page 133-

i

ii rc^

\

-ocr page 134-

i-

-ocr page 135-

gt;gt; ~ *^y' \ *èó*

-ocr page 136-