xoxaa'H
«
BEKNOPT LEERBOEK
DER
AA.EDEIJKSKTJNDE
VOOR
Normaalscholen en de laagste klassen van Kweek- en Hoogere Burgerscholen en voor zelfonderricht.
DOOK
J. J. TEN HAYE
Leeraar in do Anrdrijkskumle a. cl. R. X. L. te 's-Gravenhago.
GEDRUKT BIJ G. J. THIEME. TE ARNHEM.
Hij den Iwcedeu druk.
Wie dezen druk met den eerste-n vergelijkt, zal zeker erkennen, dat het werkje belangrijk verbeterd is. Met de nieuwste onderzoekingen is overal rekening gehouden, van de beste bronnen gebruik gemaakt; waar ik kon, heb ik werken geraadpleegd, uitgegeven in de landen, waarover ik schreef. Bij de snelle vorderingen, die de wetenschap maakt, is het echter bijna onmogelijk misstellingen te voorkomen.
De veranderingen gelden ook vooral de bevolkingscijfers. Van vele streken (b.v. Duitschland) kon ik de cijfers van 1890 geven. Buiten Europa echter zijn feilen zeker niet te voorkomen; waar geene officieele cijfers ten dienste staan en men zich op reisverslagen moet verlaten, bemerkt men meermalen, dat de eene reiziger de bevolking 3 a 4 maal zoo groot schat als de ander.
Van zijn' kant heeft de uitgever geene kosten gespaard om dit werkje aan zijn doel te doen beantwoorden: dit blijkt uit de vele keurige gravures, die het versieren en die meest typische landschappen voorstellen. Van gebouwen, enz. zijn geene gravures opgenomen, omdat deze van minder belang zijn en 't boekje onnoodig duur maken.
Terwijl ik ten slotte mijn' dank betuig aan allen, die mij hunne opmerkingen niet onthielden, beveel ik het werkje opnieuw in aller aandacht aan.
SCHEVBNINGBN, Augustus 1891. T. H.
B\j den derden drnk.
Verschillende kleine veranderingen en bijvoegingen heb ik aangebracht, vooral in de hoofdstukken Azië (naar aanleiding van Prof. Silvers' standaardwerk over dit werelddeel) en Noord-Amerika (naar aanleiding van den herdruk
van Prof. Ratzel's „Politische und Wirtschaftsgeographie d. Vereinigten Staatenquot;), en voorts overal, waar nieuwere onderzoekingen dit wenschelijk maakten. Ik hoop, dat het boekje daardoor in bruikbaarheid gewonnen heeft.
Welwillende opmerkingen zullen me steeds welkom zijn.
's-Geavbnhage, 1894. T. H.
By den vierden druk.
Ook bij den vierden druk zijn tal van kleine verbeteringen aangebracht, waarbij mij Sievers' werken over de werelddeelen en de Consulaire verslagen van veel nut zijn geweest.
Was het mijn plan. na de verschijning van mijne „Inleiding tot de Aardrijkskundequot;, het eerste gedeelte van dit werk te laten vervallen, verschillende collega's betuigden me, dat ze dit gedeelte ongaarne zouden missen, — waarom ik mijn plan heb laten varen.
Verscheiden gravures zijn, omdat ze ook in andere werken van me voorkomen, door andere vervangen, een paar nieuwe kaartjes opgenomen.
Moge het werkje door deze veranderingen in bruikbaarheid gewonnen hebben!
's-Gravenhage, 1896. T. H.
B\| den vijfden druk.
Naar aanleiding van nieuwere gegevens zijn verschillende kleine wijzigingen aangebracht. Overigens is de tekst dezelfde gebleven. De, het vorig jaar verschenen, atlas sluit zich geheel bij dit leerboek aan.
T. H.
's-Uravenhage, 1898.
\
INLEIDING.
A.
(UIÏ DE WISKUNDIGE AARDRIJKSKUNDE).
I. Gedaante en grootte der aarde.
8 1. a. Het gedeelte van de Aarde, dat wij zien, heeft den vorm van een' cirkel. Die cirkel wordt gezichtseinder, natuurlijke horizon of kim genoemd. Stijgen wij, dan overzien we een grooter deel der Aarde, de horizon behoudt echter denzelfden vorm. (Fig. 1).
b. Van het begin der lö30 eeuw af zijn een groot aantal reizen om de Aarde gedaan en wel in verschillende richtingen. (Eerste reis door den Portugees Magelliaen, 1519—1522).
6
c. Naderen wij een voorwerp, dat ver verwijderd is (b.v. een toren), dan zien wij eerst het bovenste deel, vervolgens ook het middelste en eindelijk het geheel; een vertrekkend schip verdwijnt achter de kim, de mast blijft het langst zichtbaar. (Fig. 2).
Uit deze feiten volgt, dat de Aarde een bol is.
Was de Aarde een plat vlak, dan zou:
ct. de horizon niet grooter worden, wanneer we ons hooger plaatsen,
b. eene reis om de Aarde in ééne richting onmogelijk wezen,
c. elk voorwerp in zijn geheel en bij nadering hot grootste deel (van een schip dus de romp) het eerst zichtbaar zijn.
Evenwel is de Aarde geen volkomen bol: aan twee tegenovergestelde zijden is zij afgeplat; men noemt haar eene sphaeroide.
§ 2. De middellijn der Aarde is 12750 KM lang, de omtrek bedraagt 40070 KM.
II. Beweging der aarde om hare as.
Zon, maan en sterren komen in de Ooststreek op en gaan in de Weststreek onder. Dit verschijnsel kan
7
oogenschijnlijk verklaard worden door aan te nemen, dat al deze lichamen zich om de Aarde bewegen. Vroeger meende men, dat dit ook werkelijk plaats vond en tot het einde der vijftiende eeuw beproefde men stelsels te vinden, waarbij men — uitgaande van eene stilstaande Aarde — de voorkomende verschijnselen kon verklaren. Hoe kunstig dikwijls ook uitgedacht, konden die stelsels zich op den duur niet handhaven; telkens bleken ze met hetgeen men zag in strijd. Copernicus toonde (omstreeks het jaar 1500) aan, dat de verschijnselen alle kunnen verklaard worden door aan te nemen, dat de Aarde zich om hare as beweegt van het Westen door het Zuiden naar het Oosten. Hoewel die leer aanvankelijk veel tegenstand vond, werd zij toch meer en meer als de eenig ware erkend.
§ 4. De bewijzen voor die draaiing der Aarde zijn vele.
Wij noemen slechts:
a. lichamen, die men van eene groote hoogte laat vallen,
komen niet loodrecht onder het punt van uitgang neer; maar Oostelijker. Dit kan alleen verklaard worden door de draaiing der Aarde : men bedenke, dat een lichaam zich sneller beweegt (van 't W. naar 't O.), naarmate het verder van het middelpunt der Aarde is verwijderd (Proef van JBenzenberg, 1802).
b. De afwijkingen der winden (zie bl. 26).
De hier besproken beweging der Aarde is eenparig; daar wij in die beweging deelen, bemerken wij haar niet. De lichamen blijven op de Aarde door de zwaartekracht.
§ 5. In 24 uren volbrengt de Aarde ééne omwenteling; daarom noemt men de beweging om de as ook wel de dagelijksche draaiing. Daar slechts de helft van een' bol door eene lichtbron beschenen wordt, zoo is het verschijnsel van dag en nacht een gevolg dier draaiing.
8
III. Plaatsbepaling.
§ 6. Om zich de Aarde goed te kunnen voorstellen (en ook met andere doeleinden), teekent men de landen, zeeën, enz. op een' bol: men maakt als 'tware eene Aarde in miniatuur. Zulk een' bol noemt men glohe. Daalde middellijn der Aarde 12750 KM bedraagt, zou een berg van 10,000 M hoogte op een' bol van 1M middellijn moeten aangeduid worden door eene verhooging van nog geen' mM; daarom is het onmogelijk de gebergten op de globe door verhooging in de juiste verhouding aan te geven.
g 7. De uiteinden van de as der Aarde noemt men polen (Noord- en Zuidpool). Op gelijken afstand van de
polen heeft men een' cirkel om de Aarde (de globe) getrokken, de linie, evenaar of sequator genoemd en evenwijdig aan deze een aantal cirkels, parallellen of breedtecirkels geheeten. Voorts heeft men cirkels getrokken, die door de beide polen gaan en den evenaar
dus rechthoekig
snijden; men noemt ze meridianen. Elk der cirkels is in 360 gelijke deelen (graden) verdeeld.
Daar een' cirkel door drie punten bepaald is, zoo kan men door iedere plaats op aarde en de beide polen
9
slechts één' cirkel denken; deze is de meridiaan der plaats.
§ 6. Het punt P. in flg. 4 is bepaald, wanneer we weten: dat P ten Noorden van AB ligt op den afstand PP; dat P ten Oosten van CD ligt op den afstand van PE.
Om nu op de Aarde (de globe) de plaats van een punt te kunnen bepalen, is men overeengekomen den aequator denzelfden dienst te laten doen, als in flg. 4 de lijn AB;
dc aequator dient dus om te bepalen of een punt Noordelijk of Zuidelijk ligt. Doch men dient nog eene tweede lijn te hebben, die den aequator snijdt. Als zoodanig heeft men den meridiaan genomen, waarbij op de kaart 0 staat en van dezen rekent men Oostelijk of Westelijk (Eersten meridiaan, beter nul-meridiaan).
Sommigen nemen als eersten meridiaan dien over het eiland Ferro, anderen dien over Greenwich (En ■ gelschen), nog anderen over Parijs (Pranschen). Meer
10
en meer begint de meridiaan over Greenwich algemeen in gebruik te komen.
Hoe bepaalt men nu de afstanden tot de snijlijnen?
Onder afstand tot den aequator verstaat men den boog van den meridiaan der plaats, die gelegen is tusschen de plaats en het snijpunt met den aequator; dezen afstand noemt men de breedte der plaats.
Onder afstand tot den nul-meridiaan verstaat men den boog van den aequator, die tusschen dezen meridiaan en dien van de plaats ligt (delengte). De lengte en de breedte
drukt men in graden uit; men zegt b.v. P. ligt op 20° Oosterlengte (O.-L.) en 30° Noorderbreedte (N.-B.).
Zij in fig. 5 AOPQ de aequator quot;en NOZ de nul-meridiaan, dan is van de plaats S de ^ breedte SP en de lengte PO. De namen lengte en breedte zijn van de ouden afkomstig: het hun bekende deel dei-Aarde had ongeveer den vorm van een' rechthoek, wiens langste zijde de richting Oost-West had.
§9. Wanneer voor eene plaats de zon haar hoogsten stand heeft bereikt (culmineert), heeft die plaats middag; 24 uren later culmineert de zon weder, daar de Aarde in dien tijd eene wenteling volbrengt.
Ligt B. ten Westen van A., dan zal de zon voor B. later culmineeren; B. heeft dus later middag, m.a. w. het is te B. vroeger dan te A. en wel 1 uur voor ieder Vt 0 =:: 15°, die B. Westelijker ligt. Boor het tijdsverschil te bepalen, kunnen we het verschil in lengte tusschen twee plaatsen te weten komen. Dit tijdsverschil kan men b.v. vinden door het overbrengen van chronometers.
Omivoners noemt men lion, die op eenzelfdon parallel wonen, maar 180° in lengte verschillen.
11
Teyentvoners bewonen denzelfden meridiuan, maar hebben tegengestelde breedte.
Tegenvoeters bewonen plaatsen met tegengestelde breedte en 180° verschil in lengte.
Zoo zijn in lig. 6 a en b omwoners, a en c tegenwoners, a en d falaook b en c) tegenvoeters.
Omwoners verschillen 12 uren in tijd, evenals do tegenvoeters; tegenwoners hebben denzelfden tijd.
IV. Beweging der Aarde om de Zon.
§10. De Aarde beweegt zich om de zon en volbrengt een' omloop in den tijd van een jaar {jaarlijksche beweging der Aarde). De doorloopen weg is eene ellips; in een der brandpunten bevindt zich de zon.
§11. Zooals uit fig. 7 blijkt, staat de aardas schuin op het vlak van omloop; zij maakt danrmcê oen' hook van 66i0. De richting der aardas verandert niet.
12
Voorts doet de figuur zien, dat de zon in de standen op 21 Maart en 23 September loodrecht boven den aequator staat, op 22 December boven den parallel van 23^ 0 Z.-B., op 21 Juni boven dien van 23i0N.-B. (deze breedtecirkels noemt men den Noorder en den Zuiderkeerkring). ïeekenden we tusschen 21 Juni en 23 September nog eenige standen, dan zou daaruit blijken, dat de zon loodrecht stond boven plaatsen, tusschen den aequator en den Noorderkeerkring gelegen. Den 23cn September staat de zon loodrecht boven den evenaar: van dien tijd af schijnt ze steeds Zuidelijker op te gaan, tot dat zij den 22en December boven den Zuiderkeerkring staat.
Nu komt ze steeds Noordelijker op; den 21en Maart staat zij weer boven den aequator en bevindt zich den 21en Juni boven den Noorderkeerkring om vervolgens den evenaar weer te naderen,
Pig. 7.
13
Keerkringen', cirkels (kringen), waar de /.on een keerpunt bereikt, tot een vroegeren stand terugkeert. De Noorderkeerkring wordt ook Kreefts-, de Zuiderkeerkring Steenbokskeerkring genoemd.
Na 21 Maart staat de zou ten Noorden, na 28 September ten Zuiden van don aequator; tusschen 21 Maart en 23 September wordt dus het Noordelijk halfrond, gedurende den overigen tijd des jaars het Zuidelijk halfrond het meest verwarmd, daarom valt de zomer van het Noordelijk halfrond samen met den winter van het Zuidelijk, — en omgekeerd.
g 12. Uit onze figuur blijkt nog meer. Beschouwen we den stand op 21 Juni wat nader (zie flg. 8). Voor de bewoners ten Noorden van parallel GH gaat de zon niet onder; dat gedeelte van de Aarde is geheel verlicht;
daarentegen gaat voor hen, die ten Zuiden van den cirkel KL wonen, de zon niet op (GH heet de Noordpool-, KL de Zuidpoolcirkel). Het grootste deel van den cirkel GD ligt in het verlichte deel der Aarde; de bewoners van
14
dien parallel hebben das een' dug, die langer is dan do nacht, liet is gemakkelijk in te zien, dat dit niet alle eirkels ten Noorden van AB en ten Zuiden van GH het geval is; evenzeer dat de dag langer wordt, naarmate de parallel verder van den evenaar verwijderd is. De evenaar zelf, AB, ligt voor de helft in het verlichte, voor de andere helft in het donkere gedeelte; nacht en dag duren dus daar even lang. De bewoners tusschen AB en KL hebben een' nacht, die langer ia dan de dag.
De lezer ga op dezelfde wijze de lengte van dag en nacht in de andere standen na.
Het gedeelte der Aarde, dat tusschen de keerkringen ligt, noemt men de heete luchlstreek; dat tusschen de keerkringen en de poolcirkels de gematigde, en dat ten noorden van den» Noord- en ten zuiden van den Zuidpoolcirkel de koude luchtstreek. — Zie verder bl. 17 (Temperatuur).
§ 13. Uit al het bovenstaande volgt:
le Door de beweging der Aarde om de zon en de helling der as op het vlak van omloop ontstaan de jaargetijden. Deze verschillen van elkander:
a. in de lengte van dag en nacht.
h. in de hoogte van de zon hoven den horizon (en dus in temperatuur, bl. 17).
2'-' Plaatsen, die op verschillende breedte liggen, hebben «. verschil in lengte van den dag (en dus ook van den nacht).
h. verschil in hoogte van de zon.
V. De Maan.
§ 14. Om de aarde beweegt zich de maan, die na ruim 27 dagen haren vorigen stand ten opzichte van de Aarde herneemt. Zij is een donkere bol, die zijn licht van do zon ontvangt.
15
§ 15. Bevindt zich du Maan tuaachcn dc Zon cn de Aarde, dan heeft zij hare donkere zijde naar deze gekeerd {donkere maan)-, staat zij daarentegen aan de andere zijde der Aarde, dan zien wij hare verlichte zijde (volle maan). Na donkere maan zien wij langzamerhand een grooter deel verlicht worden; bedraagt het de helft, dan spreken wij van eerste ktvarlier-, evenzoo van laatste kivarlier, wan-
vl 4 'i
I/
neer na volle maan het (voor ons zichtbare) verlichte gedeelte weder tot de helft is gedaald.
Het vlak der Maanbaan maakt een kleinen hoek met dat der Aarde; was dit niet het geval, dan zou ongeveer om de vier weken eene maansverduistering moeten plaats vinden.
m.
!!
B.
(UIT DE NATUURKUNDIGE AARDRIJKSKUNDE).
VI. De Lucht.
§ 16. Samenstelling, hoogte. Onze aarde is omgeven door een gasvormig omhulsel, den dampkring of de lucht, die hoofdzakelijk uit stikstof en zuurstof bestaat. Het gehalte aan waterdamp is zeer verschillend; gemiddeld bedraagt het in onze streken 1 %; aan den aequator echter, waar de warmte veel water doet verdampen, 8 %.
De juiste hoogte van den dampkring is ons niet bekend.
In de hoogere lagen is de lucht zeer ijl; de dichtheid neemt toe, naarmate de afstand tot de Aarde kleiner wordt.
Reeds op eene hoogte van 1 geographische mijl (= 7,4 KM) is de dichtheid Ts5 van die aan de oppervlakte der Aarde (barometerstand 294 mM; aan de oppervlakte 760 mM) en op eene hoogte van 8 zulke mijlen bedraagt de dichtheid slechts het töIüö (barometerstand 0,25 mM), eene verdunning, die men met gewone luchtpompen niet bereikt.
17
17. Temperatuur. De hoofdbrun dor vvanuto ia
de zon.
De dampkring neemt een deel der warmte op, nis de stralen zich door deze middenstof naar de Aarde begeven.
Gevolgen hiervan:
1. de stralen hebben op een hoogen berg meer invloed, dan op het laagland;
2. de loodrecht op de Aarde vallende stralen verwarmen het meest.
De weg toch, dien de stralen door de lucht afgelegd hebben, is in beide gevallen betrekkelijk klein, zoodat de lucht weinig warmte heeft kunnen opnemen {geabsorbeerd).
Daarbij komt voor de loodrecht-vallende stralen, dat een gelijk getal stralen een veel kleiner deel der oppervlakte verwarmen en ook daardoor eene hoogere temperatuur kunnen te weeg brengen dan schuine stralen (zie fig. 10, waarin Z de warmtebron, AD de aardoppervlakte).
Hoofdzakelijk heeft de verwarming der lucht echter plaats
A
door hare aanraking niet de verwarmde oppervlakte der Aarde, dus van onderen af. Do meerdere of mindere verwarming dier oppervlakte hangt gewoonlijk van twee factoren af, n.1. van de lengte van den dag (dus de duur der
2
Ten Have, Beknopt Leerboek der Aardrijkskunde. 5c druk.
18
biislraling) en van de hoogte der zon, m. a. w. de grootte van den hoek van inval der zonnestralen (dus de kracht der streden). Deze twee factoren werken in den zomer samen om de oppervlakte (en daardoor ook de lucht) sterk te verwarmen.
Voorts zijn van invloed: de aard van den bodem, de helling van dezen, enz.
§ 18. De warmte, die de aardoppervlakte des daags ontvangen heeft, straalt zij des nachts in de ruimte uit, indien de wolken haar dit niet beletten. Evenwel zijn het niet alleen de wolken, die het verlies der Aarde aan warmte tegengaan, ook de deeltjes waterdamp in de lucht werken als zoovele schildjes: maar zij houden des daags ook de zonnestralen tegen. Landen, in de nabijheid der zee gelegen, hebben gewoonlijk een vochtigen dampkring. Het gevolg daarvan is, dat zij in den zomer niet zoo sterk verwarmd worden als streken, die ver van de zee verwijderd zijn en een droger' dampkring bezitten; daarentegen houdt de vochtige lucht in'den winter de uitstraling tegen en maakt, dat dit jaargetijde minder koud is.
Wat hier van zomer en winter is gezegd, geldt ook voor dag en nacht: landen met een helderen hemel en een drogen dampkring hebben koude nachten.
Daarom onderscheidt men zeeklimaten (koele zomers, zachte winters; koele dagen, niet koude nachten), en landklimaten (heete zomers, strenge winters; warme dagen, koude nachten).
In de landen, die een zeeklimaat hebben, is het verschil tusschen zomer- en wintertemperatuur (evenals tusschen de temperatuur van den dag en die van den nacht) betrekkelijk gering. In die met een landklimaat is het verschil groot.
Enkele voorbeelden:
19
|
Plaats. |
Koudste maand. |
Warmste maand. |
Verschil. | ||
|
Jakoetsk |
— 40,9° Celsius |
17,4° Celsius |
58,3» |
Celsius | |
|
(0.-Siberië) | |||||
|
Moskou |
—10,9° „ |
19,2» |
n |
30,1» | |
|
Londen |
2,8quot; , |
16,7quot; |
n |
13,9» |
rgt; |
|
Weenen |
1,7° „ |
■20,5» |
n |
22,2» |
» |
|
Dublin |
ó,lu „ |
15,8» |
V |
10,7» |
n |
|
Lissabon |
10,0quot; r |
21,5» |
n |
11,5» |
iy |
|
Madeira |
16,0quot; „ |
22,6» |
n |
6,6quot; |
n |
Men vergete, bij het vergelijken der temperaturen in bovenstaande lijst, niet, dat de breedte, waarop eene plaats ligt, van grooten invloed is op de temperatuur. (Zie bv.de zomertemperatuur vanMoskou enLissabon).
§ 19. De oppervlakte onzer Aarde wordt door de zonnestralen verwarmd; maar die warmte plant zich in den bodem voort. De afwisseling van dag en nacht is tot 1 M. diepte te merken, die der jaargetijden zelfs tot 30 Meter.
Bij den evenaar, waar de verschillen gering zijn en hoofdzakelijk door dc afwisseling van dag en nacht worden teweeggebracht, heerscht reeds op eene diepte van 6 M. eene onveranderlijke temperatuur. In onze streken is de temperatuur dus constant op eene diepte van 30 M. Hoe dieper men nu in de Aarde doordringt, hoe hooger de temperatuur wordt; met elke 30 M. neemt zij gewoonlijk 1° C. toe.
In Siberië, waar in vele streken de gemiddelde temperatuur beneden het vriespunt blijft en de zomerwarmte niet in staat is de bevroren laag geheel te doen ontdooien, treft men in den bodem „eeuwig grondijsquot; aan.
20
g 20. Dagelijkö verandert de warmte; du hoogste temperatuur heerscht gewoonlijk na den middag, de laagste vóór zonsopgang. Bij ons is Januari de koudste, Juli de warmste maand, terwijl de zee de hoogste temperatuur in Augustus bereikt.
§ 21. De plaatsen, die eene zelfde gemiddelde jaarlijksche temperatuur hebben, verbindt men door eene lijn, isotherm geheeten [jaar-isothermen). Evenzoo heeft men maand-isothermen (die voor de maand Juli b.v. verbinden de plaatsen, die in Juli eene zelfde gemiddelde temperatuur hebben).
Ga op de kaart den Januari-isotherm van 0° en den Juli-isotherm van 15° na, en verklaar de verschillen, die ge opmerkt.
§ 22. Hoe hooger men stijgt, hoe lager de temperatuur wordt; met elke 170 M. rijzing neemt de jaarlijksche warmte 1° C. af. Glaisher steeg tot 10000 M. Op 8840 M hoogte wees de thermometer — 20,5° 0. en was de luchtdruk 247,6 mM; tegelijkertijd bedroeg de temperatuur op Aarde 15° C.
§23. Wind. Door verwarming zetten de lichamen zich uit, ook de lucht. Warme lucht is soortelijk lichter dan minder warme, daarom ook zal de barometer daar, waar de lucht het meest verwarmd is, het laagst staan. Uit de wet, dat een gas alleen dan in rust is, als alle deeltjes, in 't zelfde niveau gelegen, eene gelijke drukking ondervinden, volgt, dat de lucht nooit in rust is. Verschillende plaatsen op Aarde hebben verschillende verwarming; daardoor is het evenwicht verbroken, daardoor ontstaan stroomingen van de streken met hooge drukking naar die met lage; daarbij valt in het oog te houden dat deze stroomingen (winden) door de draaiing der Aarde op het Noordelijk halfrond eene afwijking naar rechts, op 't Zuidelijk naar links erlangen. (Wet van Buys-Ballot). Eene streek, waar de luchtdrukking geringer is, dan in de omgeving, heeft een mininum van luchtdrukking, die, waar zij hooger is, een maximum. De lucht
21
stroomt van alle zijden naar een minimum, en naar alle zijden van een maximum, waarbij men alweder met de afwijkingen heeft rekening te houden. Zie fig. 11—16.
§ 24. In de tropische streken is de lucht in de onderste lagen door warmte en vochtigheid het meest uitgezet ; daarom is hier in de hoogere lagen de luchtdrukking groo-ter dan op denzelfden afstand van de oppervlakte op elke andere breedte tot de polen toe. Fig. 17 stelt twee vlakken voor, gebracht door de punten van gelijke luchtdrukking (van 500 en van 400 mM).
De dampkring zou in evenwicht zijn, als alle vlakken van gelijke drukking concentrisch waren met de aardoppervlakte, m. a. w. als op dezelfde hoogte de luchtdruk overal dezelfde was. Dat nu is in werkelijkheid niet het geval, — zie de figuur; de vlakken stijgen naar den aequator toe, waaruit volgt, dat op eene zelfde hoogte de luchtdruk naar de polen toe minder wordt.
§ 25. Z.-Am., Acqnator. N.-Am., N.-11.
Barnmetorstand. Aardoppcrvlakto 750 raM. 707 mM.
•iOGO M lioogto
471
458
Uit deze tabel blijkt ons dat aan de oppervlakte de luchtdrukking van den aequator naar hoogere breedte toeneemt, maar dat op eene hoogte van 4060 M de drukking aan den aequator grooter is dan op 39° N.-B. Daardoor moeten twee stroomingen ontstaan, een hornt-
22
droom (anti-passaat) van den aequalor naar do polen ou daardoor een onderstroom in omgekeerde richting (passaat).
' ig. 13. Noordelijk halfroml. ^
Daar de Aarde bolvormig is en haar omvang met toenemende geograflache breedte afneemt, zoo is het onmo-
Pig. 15. Zuidelijk halfrond. 16.
gelijk dat de kringloop tot de polen reikt: eene luchtmassa van een' omtrek van den aequator vindt spoedig geene ruimte meer om gelijkmatig naar de polen af te vloeien.
23
Daarbij komt, dat de bovenstroom afgekoeld wordt. De waarnemingen leeren, dat de bovenstroom voor een deel reeda op 30u N.-B. daalt on weder in den kringlooi) wordt opgenomen door met den onderstroom naar den aequator te vloeien. Tusschen den aequator en 30quot; breedte (ongeveer) bevindt zich een geheel gesloten kringloop (fig. 18).
De luchtdrukking is hot geringst in den gordel van den aequator en neemt toe tot 30° a 40° breedte, waar zij het hoogst is. Ook op hoogere breedte schijnt nog een bijna standvastige naar de polen gerichte bovenstroom te bestaan. Aan de oppervlakte echter komt slechts op het bijna geheel met water bedekt Zuidelijk halfrond die stroom ook beneden vrij regelmatig voor, op het Noordelijk halfrond is het de tegenstelling van vastland en oceaan, die de heerschende winden der onderste luchtlagen bepaalt.
§ 26. De draaiing der Aarde verandert de richting dei-passaten; zij veroorzaakt, dat op het Noordelijk halfrond de passaat voor ons een N.-O. wind wordt, op het Zuidelijk halfrond een Z.-O.
24
Een wind, van A naar den aequator stroomende, zal niet in M, maar in B aankomen; wel legt de wind den weg af van A tot waar in de flg. M staat; maargedu-
z
Aeq rende het afleggen van dien weg is de Aarde zoover gedraaid, dat B op de plaats van M is gekomen, als de wind den aequator bereikt. De plaatsen in de lijn
AB zullen dus de wind gevoeld hebben — niet die in de lijn AM; en daar die plaatsen eene richting Z.-W.—N.-O. hebben, zoo is de wind een N.-O. (n.1. op het Noordelijk halfrond).
In de streek der grootste verhitting vindt men den gordel der windstilten, die nabij den aequator ligt, maar niettemin de zon in hare beweging volgt; doorgaans bereikt zij geene Noordelijker breedte dan 10° en valt niet ten Zuiden der linie (men bedenke, dat de grootste land-massa's zich op het Noordeliik halfrond bevinden).
§ 27. De zee stijgt bij verwarming langzamer in temperatuur dan het land, maar behoudt de verkregen warmte ook langer. Vooral bij helderen hemel wordt daardoor het land des daags sterker verwarmd dan de zee. De lucht boven het land zet zich daardoor meer uit dan boven de zee, zie üg. 20.
Op den barometerstand aan de oppervlakte van land en zee heeft dit uitzetten geen invloed; immers, de hoeveelheid lucht boven B is dezelfde gebleven. Maar anders is het b.v. op eene hoogte van 200 M. Was de luchtdruk in C aanvankelijk even groot als die in D, na de uitzetting
25
is dit anders. Een gedeelte van de lucht, die zich tusschen B en D bevindt, is boven D gekomen; weliswaar is boven C ook lucht gekomen, die zich aanvankelijk tusschen G en A bevond, — maar tengevolge der geringe verwarming een veel kleiner gedeelte; en het vlak van gelijken lucht-
Fig. 20.
eoo M
100 M
= A_______________IS____
— - V- land
druk stijgt van C naar D toe. De barometer staat in D dus hooger dan in C; het gevolg is een wind van D naar C. Door dien toevoer van lucht komt de barometer in A hooger te staan, en de luchtdruk in B wordt minder. Daardoor ontstaat aan de oppervlakte een wind van A naar B., een zeewind.
Des nachts, als de zee meer verwarmd is dan het land, ontstaat een landwind.
In de warmere streken wordt door dezelfde oorzaak (ongelijke verwarming van land en water) of de passaat gewijzigd, of versterkt of verzwakt.
Tot de land- en zeewinden behooren ook de moessons, die vooral in Azië op groote schaal heerschen. Gedurende onzen zomer, wanneer de zon ten Noorden van den aequator staat, worden de groote Voor- en Middelaziatische vlakten sterk verwarmd; dientengevolge ontstaat er een minimum van luchtdruk boven deze vlakten en eene strooming van de zee naar het land. Omgekeerd, wanneer zich de zon ten Zuiden der linie bevindt, het spoedig afgekoelde land van het Noord, halfrond (betrekkelijk) weinig warmte ontvangt; maar de zonnestralen bijna loodrecht den Indischen
26
oceaan en het Australische vastland treffen, dan ligt het minimum bovon deze en ontstaat er een landwind. Wat dus dagelijks waar te nemen is in landen onmiddellijk aan zee gelegen, geschiedt in 't groot in Zuid-Azië; doch daar wisselen de winden om het halfjaar. Van October tot April heerscht er ten N. van den evenaar een N.-O., in den overigen tijd des jaars een Z.-W. wind; ten Z. van die lijn waait van October tot April een N.-W. wind, van April tot October een Z.-O. De tijden van overgang (kentering) kenmerken zich door plotselinge stormen, stilten en onweders.
g 28. Het weder der koude en gematige zone wordt geheel beheerscht door de plaats der maxima en minima. De lucht stroomt — of rechts 'of links afwijkend — naar een minimum (cyclonale luchtbeweging); van een maximum stroomt zij naar alle zijden ut(ardicyclonale luchtbeweging).
In onzen zomer ligt een barometrisch maximum boven den Atlantischen oceaan; hier heerschen dus anti-cyclo-nale luchtbewegingen, die zich tot in West-Europa doen gevoelen, zoodat dit deel alsdan meestal Westenwinden heeft. De lucht uit Zuid-Europa stroomt naar den Soedan, waar een groot minimum bestaat; in den zomer heerscht daarom op en aan de Middellandschezee een N. wind. (droog, zie bl. 27).
In den winter bestaat in het N. van den Atlantischen oceaan een luchtdruk-minimum; in het gebied der cyclonale luchtbeweging, die daardoor ontstaat, ligt — ten minste in Januari — het grootste deel van Europa; hier heerschen dus W. en Z.-W. winden.
In het bovenstaande zijn de heerschende winden aangegeven ; men bedenke, dat de windrichting ook beheerscht wordt door talrijke plaatselijke invloeden, minima en maxima.
§ 29. Regen. Evenals temperatuur en wind, maakt ook de vochtigheid een belangrijke factor van het klimaat uit. Waar regen ontbreekt en dientengevolge de bodem het water derft, daar ontbreekt ook alle plantengroei.
In de Natuurkunde wordt geleerd, dat warme winden
27
meer waterdamp kunnen bevatten, voor ze verzadigd zijn, dan koude. Worden das tuinden verwarmd, dan cal er geen regen vallen, daar zij betrekkelijk armer aan waterdamp worden, m. a. w. verder van hun verzadigingspunt komen. Daarom zijn de passaten droge winden (in die passaten ligt de woestijngordel voor Azië en Afrika).
Wanneer de winden door gebergten genoodzaakt worden te stijgen, naar koudere streken te gaan, worden zij dikwijls zoo afgekoeld, dat er regen valt; daarom zijnde berglanden de regenrijkste streken. — In warme streken, waar het bijna nooit regent, brengt toch de dauw verkwikking.
Hoe verschillend de hoeveelheid regen is, die op de onderscheidene deelen der Aarde valt, blijkt uit de volgende tabel:
|
Gemidd. jaarl. |
Gemidd. jaarl. | ||
|
Plaats. |
regenhoogte. |
Plaats. |
regenhoogte. |
|
cM. |
cM. | ||
|
1 Bergen |
184 |
16 Seathwaite |
391 |
|
(Schotland). | |||
|
2 Christiania |
59 |
17 Oporto |
152 |
|
3 Upsala |
56 |
18 Lissabon |
73 |
|
4 Riga |
48 |
19 Madrid |
38 |
|
5 St.-Peters- |
42 |
20 Keulen |
59 |
|
burg | |||
|
6 Kijev |
49 |
21 Top v. d. |
124 |
|
Broeken- | |||
|
7 Odessa |
36 |
22 Posen |
51 |
|
6 Kazan |
35 |
28 Duschlberg |
121 |
|
(Bohcmenvond). | |||
|
9 Astrakan |
12 |
!24 Suez |
3 |
|
10 Tiflis |
49 |
25 Valdivia |
277 |
|
(Chili) | |||
|
11 .Takaterinen- |
34 |
26 Cayenne |
330 |
|
burg | |||
|
12 Tobolsk |
46 |
27 New-York |
120 |
|
13 Peking |
61 |
2S Santiago |
43 |
|
14 Jedo |
177 |
29 Calcu tta |
174 |
|
15 Edinburg |
59 |
30 Cerra Punji |
1420 |
|
(Engelscb Iiidië) |
2P.
Vergelijk de regenhoeveelheid van:
Bergen en Upsala;
Seathwaite en Edinburg;
Oporto en Madrid;
Top v. d. Brokken en Posen;
Duschlberg en Keulen;
Calcutta en Cerra Punji; —
en verklaar do verschillen.
§ 30. Belangrijk is de vraag: wanneer regent het?
In de tropische streken valt de meeste regen dan, wanneer de zon het hoogst staat en de opstijgende warme, waterdamprijke lucht water geeft. Daar de plaatsen tusschen de keerkringen tweemaal 'sjaars de zon loodrecht boven zich hebben, zoo heerschen daar twee regentijden: dicht bij de keerkringen vallen deze regentijden zoo spoedig na elkaar, dat men van één regentijd kan spreken.
Tusschen 28o en 40° breedte bevinden zich de subtropische geivesten. In den zomer heerscht hier de passaat en daarmee droogte; in den winter echter, als de passaat met de zon terugwijkt, heerschen hier winden in tegengestelde richting en brengen regen aan. Jn de subtropische streken regent het dus in den winter.
De moessons brengen regen aan, als het zeewinden zijn; als landwinden zijn zij droog (natte en droge moesson). De natte moesson in Z.-Azié verliest zijn' waterdamp groo-tendeels bij het Himalaya-gebergte (Zie in de tabel op bl. 27 No 30).
De heete Indus-vlakte en de Thair-woestijn zijn bijna regenloos; waardoor?
De streken der aarde, die ten N. van 40° N.-B. en ten Z. van 40° Z.-B. gelegen zijn, hebben regen in alle jaargetijden; evenwel in een bepaald jaargetijde regent het er het meest (zie bv. § 89, 't klimaat van Europa).
29
Overzicht.
a. Windstilte-gordel.
\ b. Gordels met dubbelen regen
tij d (— 15°).
f c. Keerkringsgordels (enkele re-ge n t ij d; —28°).
II. Sub-tropische gewesten (Winterregens — 40°).
III. Streken met regen in alle jaargetijden.
VII. Het water en het land.
§31. De Zee. Het grootste deel van de oppervlakte der Aarde is met water bedekt.
diepte; in het Zuidelijk deel van den is 6000 M gepeild. — De bodem der die van 'tland: plotselinge
De grootste waterbekkens noemt men zeeën. Terwijl enkele van deze eene geringe diepte bezitten (gemiddelde diepte der Noordzee 89 M), hebben andere eene diepte van honderden Meters : zoo peilde men in het Noordelijk deel des Grooten oceaans eene diepte van 8515 M, en in het middelste deel van 9427 M, de grootste bekende
Atlantischen oceaan zee is minder ongelijk dan verheffingen zijn zeldzaam.
§ 32. Het zeewater bevat gemiddeld S1/» H/o aan opgeloste stoffen, vooral keukenzout, kalkzouten enz. Evenwel is het gehalte in de onderscheidene zeeën zeer verschillend en in 't algemeen zal daar, waar eene sterke verdamping
I. Tropische gewesten.
81
plaats heeft, een hoog zoutgehalte gevonden worden. Zoo bevat de Middellandsche zee 8,7 %, de Oostzee, die veel toevoer van zoet water heeft en door verdamping weinig verliest, 0,8 %; ja, het water der Bottnische golf is soms drinkbaar; zoo bevat de Zwarte zee 1,1 %gt; de zee van Azof 1,2 quot;Zo-
Het hoogste gehalte aan zout treft men aan in de Doode zee (21,7%) en het Groote Zoutmeer (18,4 %).
Wordt het gehalte grooter, dan wordt ook het water zwaarder; het soortelijk gewicht ligt gewoonlijk tusschen 1,025 en 1,028.
§ 33. De temperatuur der zee bedraagt in den aequato-rialen gordel (aan de oppervlakte) 27°—28° C.; de hoogste temperatuur, die men waarnam, kwam voor in de Roode zee en bedroeg 84,4°. Met de diepte neemt de temperatuur af; in de diepte heerscht overal eene zeer lage temperatuur; op 1000 M b.v. teekent zelfs aan den evenaar de thermometer nog geene 8°, op 400 M 4°.
De Poolzeeën zijn voor 't grootste deel met ijs bedekt. Groote stukken drijven naar lager breedten en smelten. Daarbij komen de „ijsbergenquot;, die ontstaan door de afbrokkeling van de uiteinden der gletschers, die b.v. op Groenland tot in zee reiken. Deze ijsbergen zijn soms meer dan 100 M hoog, en Hayes zag er een, die bij zulk eene hoogte eene breedte van 1200 M. bezat. De dikke ijsschollen zijn van groote uitgestrektheid en dienden een paar keeren zelfs schipbreukelingen tot verblijfplaats.
De grenzen van het drijfijs — die echter wel eens overschreden worden! — liggen op het Zuidelijk halfrond in den Atlantischen oceaan op 40° breedte, in den Indischen oceaan op 45°, in den Grooten oceaan op 50°. Ln den Atlantischen oceaan gaat in 't Noorden het drijfijs bij Amerika tot 40°, bij Europa tot de Noordkaap. De Noordelijke Groote oceaan ontvangt geen drijfijs uit de N. IJszee.
§ 34. De ongelijke drukking van den wind op het zeewater doet golren ontstaan. Zelfs wanneer do wind opge-
32
houden heeft te waaien, i« de beweging van het water nog niet geëindigd, maar zet zich nog eenigen tijd voort {deining). Men onderscheidt golfdal en golf berg; het verschil in hoogte tussehen beide bedraagt gewoonlijk niet meer dan 12 Meter. De beweging des waters plant zich in de diepte wel voort; maar is reeds op enkele honderd M diepte zoo goed als verdwenen.
§ 35. Denken we ons de Aarde geheel omgeven door een omhulsel van water (zie fig. 23). Het waterdeeltje b wordt minder sterk door de Maan aangetrokken dan de Aarde A, en deze weer minder dan het deeltje b'. Door dit verschil in aantrekking neemt het wateromhulsel een' vorm aan, door de stippellijn aangewezen. Aan twee tegenovergestelde zijden zullen dus
verhoogingen plaats grijpen (daar is het vloed), aan de andere zijden verlagingen (daar is het ehbe). Door de wenteling der Aarde om hare as komt telkens een ander gedeelte aan de vloedzijde, het is als 't ware of de vloed, zich verplaatst. Het verschijnsel van vloed en ebbe wordt tweemaal in de 24 uren 50 min. waargenomen.
Ten tijde van volle en nieuwe maan, als zon en
38
imum vereenigd werken, heeft men de hoogste vloeden, de laagste bij eerste en laatste kwartier.
In zeeboezems, zeeëngten en breede monden van rivieren dringt de vloedgolf binnen en daar zij zich gewoonlijk versmallen, zoo bereikt de golf vaak eene verbazende hoogte of zet het omliggende land onder water. In de Fundy-baai (N.-Amerika) bereikt de springvloed eene hoogte van 18 M, bij St. Malo (Frankrijk) van 15 M. In den Amazone beweegt zich de vloedgolf, steeds nauwer tusschen de oevers ingesloten, als een muur van 10 tot 15'hoogte stroomopwaarts en zelfs tot diep in het binnenland is do vloed merkbaar. Von Humboldt vond, dat de vloedgolf in den Orinoco tot Angostura merkbaar was.
Van hoeveel belang de vloed voor vele havensteden is, bewijst de omstandigheid, dat zij alleen bij hoogwater voor groote schepen te bereiken zijn.
§ 36. Behalve de genoemde bewegingen, merken we in het water ook stroomingen op, wier grenzen niet nauwkeurig bepaald kunnen worden en die we ons geenszins als „rivieren in zeequot; moeten voorstellen. Hoewel de oorzaken dezer zeestroomingen [nog verre van ten volle bekend zijn, zoo is liet toch als zeker aan te nemen, dat de wind de hoofdoorzaak is Vergelijken we eene windkaart met eene kaart der zeestroomingen, dan valt ons de overeenkomst op van de richtingen der heerschende winden met die der stfoomingen. Bedenken we, dat het zeewater duizenden Jaren de werking van den wind ondervond, dan is het verklaarbaar, 1° dat de stroomingen (betrekkelijk) zoo snel zijn, en 2« dat een tijdelijk veranderde windrichting van weinig invloed moet zijn: alleen de heerschende winden bepalen de richting.
§ 37. Gaan we thans enkele stroomingen na. Eene der gewichtigste en bekendste is de Aequatoriale stroom, die in den Atlantischen en Grooten oceaan aan weerszijden van den evenaar het water voortdurend van het Oosten naar het Westen voert. In den Indischen oceaan bestaat
Ten Have, Beknopt Leerboek der Aardrijkskunde. 5e druk.
34
alleen de Zuidelijke Aequatoriale stroom: ten Noorden der linie wisselen de stroomingen met de moessons- In den gordel der windstilten loopt een stroom, wiens richting tegengesteld is aan die der aequatoriale stroomingen; in den Atl. oceaan draagt hij den naam van Guinea-strooming. In den Grooten oceaan vloeit langs de Oostkust van Azie de Zwarte stroom (Koero Sjiivo); het meeste water van deze stroomt langs de Westkust van Noord-Amerika naar den Noordelijken Aequatorialen stroom terug om den kringloop opnieuw aan te vangen. In den Atlantischen oceaan buigt een tak van den Zuidelijken Aequatorialen stroom naar het Zuiden en loopt langs de Oostkust van Zuid-Amerika (Brasiliaansche stroom). In den Noord-Atl. oceaan komt de Golfstroom met den Zwarten stroom in den Grooten oceaan overeen.
§ 38. Beschouwen we den Golfstroom iets nader. De Noordelijke Aequatoriale stroom loopt door Straat Yucatan de Golf van Mejico binnen, — doch verlaat die dadelijk door Straat Florida. Van nu af draagt hij den naam van Florida-stroom, en loopt langs de Oostkust der Unie.
Naar het Noorden verbreedt de Florida-stroom zich; ten Noorden van kaap Hatteras vermindert zijne snelheid meer en meer; nog verder lost hij zich in smalle stroombanden op, waartusschen het koudere water opduikt. Ten Zuid-Oosten van de Bank van New-Foundland op 40° W.-L. heeft hij opgehouden. Daar komt het warme water echter onder den invloed der Westenwinden, die het naar het Oosten en Noord-Oosten drijven. Het grootste deel van het warme water, dat zoodoende naar Europa stroomt, komt evenwel van een' tak van den Noord-Aequatorialen stroom, die ten Oosten der Bahama-eilanden loopt (zie fig. 24).
De Golfstroom, die Europa's kusten bespeelt, ontvangt dus slechts het kleinste deel van zijn water van den Florida-stroom.
De Golfstroom wendt zich naar verschillende zijden. Een tak loopt naar de Davisstraat en bespoel t de Westkust van Groenland, waar uit de tropen aangespoelde
30
vluchten niet zeldzaam zijn. Een tweede, zeer breede tak loopt tusschen IJsland en Groot-Brittanje door en verwarmt de Noordelijke en Westelijke kusten van Noorwegen, maar ook de kusten der genoemde eilanden ondervinden zijn' invloed. Een derde tak loopt recht op de kusten van Frankrijk en Portugal aan; bij de Portugee-sche kusten wendt een deel zich Zuidwaarts en komt in den Noord-Aequatorialen stroom terug.
Men onderscheidt warme, en koude, zeestroomingen. Warme noemt men die, welke eene hoogere temperatuur bezitten, dan de lucht heeft, waar zij aankomen; stroomingon van den tequator naar de polen (bv. de Golfstroom en de Koero Sjiwo) zijn meestal warme.
Men noemt de stroomen — juist omgekeerd als bij den wind — naar de richting, icaarheen zij loepen.
Ga op de kaart de stroomen verder na en wijs aan, welke warm en welke koud zijn.
§ 39. „In vroeger' tijd scheidde de oceaan de volken; nog heden doet hij het zulke, die op de onderste sporten van den ladder der beschaving staan. De uitvinding van het kompas, de vorderingen in de sterrenkunde en de stoomvaart hebben de zee haar scheidend karakter ontnomen, zoodat zij tegenwoordig voor de beschaafde volken geene scheidende grens, maar een groote brug is, die de landen verbindt en die het wereldverkeer eene hooge vlucht doet nemen. De verwijderdste volken komen door de zee met elkaar in aanraking. Over zee worden de voortbrengselen van het eene deel der Aarde naar het andere vervoerd; vooral worden de fijnere produkten der tropenzone tegen de grovere der hoogere breedten geruild; zoo werkt de oceaan mede, de goederen en behoeften van alle volken dezelfde te maken, zoo werkt hij mede, de menschen als ééue groote familie te beschouwen. — Hoe gewichtig het vervoer ter zee voor handelsvolken worden moest, blijkt daaruit, dat de kundige schipper, als hij zich den wind en de stroomingen ten nutte maakt, veel sneller het doel bereikt, dan hij, die den landweg bezigt, dat de moeite
87
en gevaren, aan den weg over zee verbonden, dikwijle, mindei zijn, dan van dien over land, als deze laatste door het gebied van roofzuchtige staramen of door onher-beigzarae ooiden leidt, en eindelijk, dat het vervoer van handelsgoederen over land in vele gevallen het kostbaarst is.quot; 1)
§ 40. De beteekenis van eene zee en hare onderdeelen voor den handel wordt bepaald:
a. door de ligging der zee ten opzichte der werelddeelen, de gewichtigste riviermonden en handelsgebieden-,
0- door de heerschende, meer of minder gunstige winden ;
c. door de bewegingen van het water (ebbe en vloed,' golven, stroomingen);
d. door de diepte, door eilanden, zandbanken, die er in voorkomen, enz.;
e. door de gesteldheid harer kusten (steil, vlak, enz.);
f. door het al ot niet geschikt zijn voor de visch-vangst, — enz.
§ 41. Bronnen. Op de Veluwe en ook in andere streken van ons land borrelt water aan den voet der heuvels uit
den bodem; dit zijn de bronnen, die de talrijke beken voeden. Wat hier in 't klein geschiedt, gebeurt elders in tgioot. Het regenwater verdampt, vloeit over de oppervlakte weg; maar zakt ten deele ook in den bodem, vooral
1) Naar Obcrlilnder.
38
wanneer de bovenste lagen uit zachte gesteenten bestaan (kalk); ontmoet het dan eene minder doordringbare laag, dan is liet genoodzaakt deze te volgen en er vormt zich als 't ware eene onderaardsche rivier, die niet zelden te voorschijn treedt en dan haren loop boven den grond vervolgt. De plaats nu, waar zulk onderaardsch water voor den dag komt, noemt men eene bron.
Ligt de waterhoudende laag tusschen twee ondoordringbare in, dan is gewoonlijk eene boring voldoende om het water te voorschijn te brengen. (Zie fig. 25, waarin B en D ondoordringbare lagen zijn, C het water bevat en E de bron is; artesische putten).
Soms heeft het water bij zijn' loop door den grond veel zout opgenomen en er ontstaan alzoo zoutbronneu, die soms jaarlijks duizenden centenaars zout opleveren. Minerale bronnen.
§ 41. Q-letschers. We merkten reeds vroeger op, dat de temperatuur met de hoogte afneemt. Beklimmen we een' berg, dan komen we in steeds koeler streken; is de berg hoog genoeg, dan zullen we Ae sneeuwgrens
bereiken, dat is het vlak, waarboven het geheele jaar door sneeuw ligt. quot;Wel smelt ook bij feilen zonneschijn daar boven de sneeuw; maar toch is de warmte niet voldoende alle sneeuw in water te doen overgaan. Zoo ook treffen we in den winter de sneeuw veel lager aan; onder sneeuwgrens echter verstaat men het vlak, waarboven zelfs in den zomer sneeuw ligt. In warme oorden ligt de sneeuwgrens natuurlijk hooger dan op hoogere breedte; in 't algemeen kan men zeggen, dat de grens lager ligt, naarmate de breedte grooter wordt. Is toch de temperatuur van het land laag, zoo behoeft men betrekkelijk weinig te stijgen om tot eene temperatuur te geraken, die beneden het vriespunt ligt.
§ 42. Raakt de sneeuw op eene vrij steile helling in beweging, dan schuift zij naar beneden, neemt in haren vaart de lager gelegene sneeuw mede en stort zich als eene ontzag'lijke massa donderend in het dal. Zulk eene
39
vallende sneeuwmassa noemt men eene sneemo-lawme; zij richt dikwijls groote verwoestingen aan. Gelukkig komen de lawinen meestal op dezelfde „banenquot; voor en daar hare wegen bekend zijn, zoo kan men zich veelal voor ongelukken behoeden.
§ 43. Wanneer in ons land na dooi-weder de sneeuw des nachts bevriest, wordt zij eene witte, grofkorrelige massa. Zulke sneeuw noemt men in Zwitserland firn en de vlakten in het gebergte, daarmede bedekt, firnvelden.
Onder den druk der bovenliggende firnlagen, gaat de onderste sneeuw in ijs over: bovendien wordt, hoe meer men de sneeuwgrens nadert, de sneeuw vochtiger, ja, zij is meestal verzadigd van water, zoodat zij bij bevriezing
Fig. 26.
tot vjs stolt. Zoo ontstaan er aan de benedeneinden en onder de firnvelden ijslagen, die den naam van gletschers dragen (in Tirol noemt men ze ferner).
De oppervlakte der gletschers is meestal zeer oneffen, ja gelijkt enkele malen op eene in beweging zijnde zee.
§ 44. De gletschers heivegeu zich zeer langzaam langs de helling naar beneden. Over de oorzaak (of oorzaken) dezer beweging is men het nog niet geheel eens; echter schijnt in do zwaartekracht wel de voornaamste oorzaak te moeten worden gezocht.
Bij die beweging doet zich het verschijnsel voor. dat
40
Fig. 27. de gletscher nu eens door
een nauwer, dan door een breeder gedeelte van een dal schuiven moet; dit kan geschieden, doordat het ijs bij hooge drukking meer of min een taaie massa gelijkt en zich in een bepaalden vorm kan voegen.
(Dwarsspieten). De oppervlakte van den
gletscher beweegt zich het dieper liggende gedeelte; eveneens komt sneller vooruit dan de zijden.
sneller dan het midden
§ 45. In de glet-
schers komen s^/e-tcn voor, die gevaarlijk zijn, als ze met losse sneeuw gevuld worden, zoodat de argelooze reiziger ze moeilijk ontdekt. Het, door de zonnewarmte gesmolten, water stort zich in deze spleten en veroorzaakt een eigen-aaidig geruisch. Men onderscheidt dwars- oi lengte-spleten: haar ontstaan wordt door flg. 27 en 28 voldoende toegelicht. (Men lette op den
41
Aan de zijden zijn de gietschers met grootere en kleinere steenen bedekt, van de rotsen, iangrf welke zij schuren, afkomstig: men noemt zo zyjmondncs. Veieenigen zich twee gletschers, dan ontstaat uit twee zijmoraines ééne middelmoraïne (flg. 29).
Fig. 30.
Daar liet ijs onder de groote steenen niet smelt, zoo liggen deze op hooge wallen. Om dezelfde reden ontstaan de ijspyramiden, door een' steen gedekt, die men hier en daar, verstrooid, op de ijsmassa aantreft en die den naam van gldschertafels dragen.
§ 46. De gletschers smelten aan de onderzijde af en door de warmte van den bodem èn door die van het regenwater, dat door spleten of langs de zijden onderden
42
gletsuher stroomt; de warmte der lucht doet voorts aan de oppervlakte het ijs dooien (warme winden). Het water, dat, tengevolge van dit alles, van onder het uiteinde des gletschers te voorschijn komt, heeft daar eene opening gemaakt, gletscherpoori geheeten, waaruit de gletscherbeek vloeit. De steenen, die zich op den gletscher bevinden, blijven hier liggen en stapelen zich op: zulke steenmassa's heeten eindmoraines. Door spleten en aan de kanten komen steenen onder den gletscher, die ook door schuring over den bodem stukken losmaakt en vergruist. Zoo ontstaan onder het ijs gruis-, zand- en kleimassa's en eene verzameling grootere en kleinere rotsblokken, die samen de grondmoraine vormen. Uit de plaatsen, waar men ze aantreft, en ook uit andere feiten blijkt, dat de gletschers in Europa vroeger eene veel grootere uitgestrektheid moeten hebben bezeten dan thans.
§ 47. Het water, in de rotsgesteenten gedrongen, bevriest en doet het gesteente springen, dat soms als „steenlawinequot; naar beneden stort.
Vermeerderen de gletschers eenerzijds de toegankelijkheid van een hooggebergte door onoverkomelijke kloven te vullen, anderzijds hebben ze dikwijls door hun voort-dringen veel gebruikt wordende passen ontoegankelijk gemaakt. Ze behoeden het dal voor vulling met steenen en zand, daar zij dit wegvoeren.
§ 48. In de Alpen erlangen sneeuw- en ijsvelden eene ontzettende uitbreiding; vooral drie berggroepen zijn door menigvuldige gletschers omgeven: de Mont Rosa met zijne negen koepels zendt de machtigste naar beneden, de Finsteraarhorn de talrijkste en de veelhoornige Ber-nina de indrukwekkendste. Voegt men daarbij den Mont Blanc, St.-Gothard, Silntis, Grossglockner en Ortler, en herinnert men zich, dat b.v. alleen het flrnveld van den Bernina zestien uren in omtrek is, dan voorzeker zal de opgave niet overdreven schijnen, dat de oppervlakte der gezamenlijke gletschervelden bijna 4000 vierkante KM bedraagt.
43
Toch grijpt den reiziger, niet minder krachtig dan de aanblik dezer eindelooze onbewegelijke woestenijen, dat plechtig zwijgen, die diepe stilte aan, die hier eeuwig heerscht. Niets, dat zich hiermede laat vergelijken. Stortte zich zooeven nog naast ons eene beek donderend naar beneden, hoorden we nog lager het geluid der kudden en de juichende stem des herders, die zijne genooten aan de andere zijde der diepe kloof beantwoordde, — hier breekt geen enkele klank de ademlooze stilte. Te vergeefs beproeven de luisterende ooren eene uiting van leven te vernemen. Zelfs de gems vertoeft hier niet en betreedt alleen vluchtend deze woestenij; het rotsblok schijnt hielden beklimmer eene verkwikkende oase.
Overal dood en vernietiging !
En toch — waar in de schepping ontbreekt werkelijk het leven? Ook hier, in deze ijsaderen, bemerken weden polsslag. Hoort, hoe het krakend door de sidderende vlakte dreunt, hoe het dof in de verte wegsterft: de gletscher heeft zijne leden gestrekt.quot; 1)
§ 49. Bivieren. Gletschers en bronnen geven het aanzijn aan talrijke beken, die zich vereenigen en riviertjes vormen. Komen ook deze samen, dan ontstaat er gewoonlijk een flinke stroom, die zijne wateren rechtstreeks naar de zee zendt of zich in een anderen stroom stort.
Dat gedeelte van den bodem, waarover de rivier stroomt, noemt men het hed. De snelheid, waarmede het water zich beweegt, hangt af van do helling van het bed.
Ook de waterspiegel daalt naar den mond toe. Het verschil in hoogte van den waterspiegel tusschen twee punten noemt men het verval. Een breuk, waarvan de teller het verval tusschen twee punten, en de noemer den afstand dier punten aangeeft, heet verhang. Hoe grooter verhang, hoe sterker strooming.
§ 50. Aan de meeste (groote) rivieren onderscheiden wij hoven-, middeh en benedenloop. De bovenloop der rivier
1) Naar M a s i u s, Geograpliischos Lcsebncli I, 1.
44
is dut gedeelte, waar het verval zeer sterk is en de rivier nog geene groote breedte heeft bereikt; zij stroomt tusschen hooge gebergten door en is den menschen nog weinig dienstbaar, daar zij, wegens het sterke en dikwijls plotselinge verval, voor scheepvaart ongeschikt is. Zij heeft hier (ten minste aanvankelijk) het karakter van een' bergstroom, ontstaan uit de vereeniging van gietscherbeken en van die, welko in de ruischende bronnen haren oorsprong vinden. Van alle zijden klateren de wilde beken, als aderen stroornen ze door diepe kloven of storten zich van eene groote hoogte naar beneden (waterval van de Staubbach 300 M, den Kedfosz 650 M). Het water is vol zwevende stoffen en stukken van het berggesteente, die door schuring, enz. tot gruis worden. Aan den voet van 't gebergte bevindt zich dikwijls een meer van aanzienlijke diepte (Zwitserland, Italië, Zweden, Noorwegen, enz.). Dit meer is eene ver-breeding van den bergstroom, die hier op zijnen weg een breed dal, een bekken, vond. De troebele stroom komt uit het meer helder te voorschijn: de stoffen, die hij meevoerde, zijn in het meer bezonken, d. w. z. de grovere stukken, die alleen eene sterke strooming in staat was meê te voeren. Langzamerhand worden de bergmeren dan ook opgevuld; zoo waren de Italiaansche vroeger veel grooter, zoo is het moeras bij Rosenheim ongetwijfeld een opgevuld meer van de Inn.
Niet alleen de gletscherbeek, ook de rivier heeft dikwijls watervallen en wel meestal daar, waar zij door een gebergte breekt (dwarsdal) of van het hoogland naar de vlakte daalt. Verengt zich het dal of wordt de helling plaatselijk grooter, dan ontstaat er eene stroomversnelling.
In den middelloop is het verval geringer dan in den bovenloop, hoewel ook hier de scheepvaart nog wel eens watervallen en versnellingen hinderen. Hier ontvangt de rivier belangrijke zijstroomen, die soms niet minder waterrijk zijn dan de rivier zelve (Rijn—Main, Moezel; Rhone — Saone, enz.) en ook op hunne beurt de stoffen aanbrengen, die in den benedenloop als vruchtbare klei zullen bezinken.
45
Die benedenloop begint, zoodra de rivier de vlakte betreedt en de berglanden niet meer hare oevers begrenzen. Het verval is gering, de stroomsnelheid verminderd, zoodat ook de minder zware stoffen bezinken: vaak moeten dijken de aanliggende landen voor overstrooming beveiligen. Aan beide zijden van de rivier liggen soms meer of minder dikke kleilagen, gevormd, toen de rivier, nog onbeteugeld, heinde en ver het land overstroomde.
Pig. 31.
Watcl^schoi^lhl^••.
Bezinken de zwevende deelen aan den mond, dan ontstaat eene cldla, gewoonlijk door de armen der rivier omgeven; deze is nu eens vruchtbaar en dicht bevolkt, dan weer moerassig en onbewoond (Voorbeelden!)
De Noorweegsche kustriviertjes, die zich onmiddellijk na een korten loop door het gebergte in zee storten, hebben enkel een' bovenloop.
46
Deze zou men te vergeefs zoeken bij den Wolga en andere rivieren der vlakte.
Al het land, waarvan eene rivier water ontvangt, noemt men liet stroomgebied der rivier. De grens tusschen twee stroomgebieden is de waterscheiding, (fig. 31i, dikwijls een gebergte, soms een geringe verheffing van den bodem.
§ 51. Rivieren zijn natuurlijke verbindingswegen, voor den handel van het grootste belang, ytroomen ze in de richting Noord-Zuid, dan leveren door het verschil in temperatuur de streken langs hare oevers verschillende produkten, zoodat er een levendig verkeer, een ruilhandel, ontstaat. Parallel-rivieren (Oost-West) stroomen meestal door landen met gelijk klimaat, zoodat ze het voordeel der meridiaan-rivieren missen.
Niettegenstaande het dichte spoorwegnet, blijven vele rivieren hoofdaderen van het verkeer. Hare geschiktheid daarvoor hangt o. a. af:
1°. van het verval-, een gering verval is in 't algemeen het best.
2° vim de grootte van het stroomgebied.
3e van de grootte der waterscheidingen,
4° van den waterrijkdom; de rivier moet het gansche jaar bevaarbaar blijven.
5U van de geogmphische ligging van den mond en de toegankelijkheid van dezen voor grootere zeeschepen. Zoo zijn de Siberische strooinen, trots hun' waterrijkdom en hun uitgebreid stroomgebied, van (betrekkelijk) gering belang.
§ 52. Meren. Afgesloten dalen, breede spleten en bekkens in den aardbodem deden meren ontstaan, als de bodem uit moeilijk of niet doordringbare lagen bestond (Finland, Noord-Amerika). Dikwijls stroomen rivieren — zelfs groote — in meren uit; soms ook is een meer te beschouwen als eene verbreeding van het rivierdal. Daar de stoffen, door den stroom medegevoerd, ten deele in het meer bezinken, wordt dit ondieper (blz. 44).
-
47
Ann sommige meren ontstonden handelssteden, die door drukke stoombootvaart de gemeenschap met elkaar onderhouden (Meer van Constanz: Rorschach, Romanshorn, Lindau ; Canadasche meren: Chicago).
§ 53. Het land. De lijn, waar de zee en het land elkaar ontmoeten, noemt men de kustlijn. Rijst het land steil uit zee, dan spreekt men van eene steile of hoogc, in het tegenovergestelde geval van eene vlakke of lage kust. Bij de laatste loopt een meer of minder groot deel van den zeebodem tijdens de ebbe droog: dit is het strand.
Een in zee vooruitstekend deel van het vastland heet kaap, als het hoog, en landpunt, als het laag is.
Gewoonliik is de kustlijn veelvuldig gebogen. Diepe, groote insnijdingen heeten golven, baaien en zeeboezems. Hoe meer golven een land bezit, hoe toegankelijker het is, hoe beter er zich handel en scheepvaart konden ontwikkelen. Europa is in dit opzicht het meest begunstigd, Afrika het minst, m. a. w. Europa bezit de grootste kust-ontwikkeling (in verhouding tot de oppervlakte is de lengte der kust het grootst).
Deelt men de oppervlakte van een werelddeel door de lengte zijner kusten, dan verkrijgt men voor: Europa 30, Australië 73, Amerika 74, Azië 105, Afrika 152.
Sommigen stellen de kuatontwikkeling van een land voor door eene breuk, waarvan de teller de oppervlakte van de leden {— 1), de noemer die van den romp aanwijst. Zoo verkrijgt men voor Europa i, Azië Amerika Australië Afrika VT. Er bestaan nog andere methoden.
gt;
§53. Sommige kusten, b.v. die van Noorwegen, zijn steil en hoog en bezitten een aantal diepe insnijdingen: men noemt deze fjorden.
Over het ontstaan dezer fjorden verkeert men nog in 't onzekere. Opmerkelijk is het, dat zij
48
alleen op hougere breedten voorkomen (minstens 40°). Voorts zijn ze vrijwel beperkt tot de regen-rijke Westkusten. De richting is meestal loodrecht op de kustlijn.
Fig. 32.
Wij vinden ze op Spitsbergen, aan de Noord- en Westkust van Noorwegen, langs de geheele Westkust van Groenland, op New-Foundland, voorts aan de N.-W.-kust van Noord-Amerika tot Vancouver's eiland en in 'tZ. van Zuid-Amerika (Westkust van van Patagoniii en Vuurland); eindelijk nog aan de Z.-W.-kust van Nieuw-Zeeland.
Strandrneren, door eene smalle landtong (nehrung) van zee gescheiden, noemt men lagunen; in de landtong
49
is dikwyls eene opening, waardoor de zee met het meer in verbinding staat. De nehrung ontstaat, doordat de stoffen, die de rivier aanvoert, op eenigen afstand in zee bezinken en als 't ware een aan de kust meer of min evenwijdigen dam vormen. Zijn de omstandigheden daartoe gunstig, dan ontstaan er duinen op de landtong. Aan de Oostzee noemt men de lagunen haffen. Lagunen vindt men voorts bij de Po, aan de Oostkust der Unie, enz. Somtijds slibben de lagunen dicht.
De breedc, trompetvormige verwijdingen van de monden der rivieren noemt men uestuarim (aan de Zwarte zee limans).
Men vergisse zich niet door golven, als die van La Plata, aestuariëu te noemen: zij zijn toch niet te beschouwen als riviermondingen, maar als , eene buiging der kustlijn.
§ 55. Bezit eene landstreek geene oneffenheden van belang, dan noemt men haar eene vlakte; ligt die vlakte niet veel hooger dan de zee, dan spreekt men van laagvlakte, in het tegenovergestelde geval van hoogvlakte.
Daalt eene hoogvlakte met trappen af, d. i. met steeds lager wordende vlakten, dan spreekt men van terrassen of trappenland (Boheemsche terrassen).
Eene verzameling bergen heet een gebergte. Liggen de bergen in eene rij, dan vormen zij eene bergketen, liggen ze niet geregeld eene berggroep.
Is een gebergte meer dan 2000 M hoog, dan noemt men het een hooggebergte; minder hooge gebergten heeten middel-, nog lagere voorgebergten.
Ten Have, Beknopt Leerboek der Aardrijkskunde. 5e druk. 4,
ff
\
|\
50
Voorbeelden vuil:
een hooggebergte: de Alpen, een middelgebergte: het bergland van Midden-Frankrijk.
een voorgebergte; de Ardennen.
Naar de richting onderscheidt men de gebergten in meridiaan — (Noord-Zuid), parallel — (Oost-West) en transversale gebergten. Men vindt van' elk dezer soorten voorbeelden in Europa. Parallel-gebergten zijn scherper scheidingen voor het klimaat'en hinderlijker'voor den handel-dan meridiaan-gebergten.
Aan een enkelen berg onderscheidt men den to}!, de helling en den voet. De lijn, die, over het gebergte loopende, de toppen der bergen van eene bergketen verbindt, heet bergkam. Eene laagte tusschen de bergen noemt men een dal. Een lang dal tusschen twee bergketens heet ;
is de inzinking loodrecht op de richting van de bergketen, dan spreekt men van een dwarsdal.
Voorbeeld van: Fig. 34.
een dwarsdal: de IJzeren
Poort.
een lengtedal: de bovenloop derRhóne.
Vele rivieren loopen aanvankelijk door een
lengtedal en breken
daarna door het gebergte, zoodat er een dwarsdal wordt gevormd (voorbeelden: Doubs, Narenta, vele rivieren in de Vereenigde Staten, die op de Alleghanies ontspringen enin den Atlantischen oceaan stroomen).
De wegen (passen) door het bergland loopen meestal door de dalen (dus langs de rivieren). Sommige gebergten zijn rijk aan goede passen; andere bezitten slechts enkele en dan nog moeilijk te volgen paden.
Hoe gering de massa van een gebergte is in vergelijking met de Aarde,', blijkt uit fig. 35 en 36 (doorsnede Noord Amerika). In fig. 36 zijn de hoogten nog tienmaal
51
Fig. 35.
Fig. 3ö.
A equator
\ (do du-j'/cn vijftigmaal to. cjroot)
' O;,'
quot;a ii
te groot voorgesteld. De gebergten zijn te beschouwen als plooien in de Aardkorst.
Nog beter blijkt dit bij eene doorsnede der Aarde, waaruit ook de geringe diepten der oceanen in vergelijking met den aardstraal te zien is. (flg. 37).
52
§56. Wij zagen reeds (§19), dat de verschillen in temperatuur tusschen de jaargetijden slechts tot eene bepaalde diepte in den bodem merkbaar zijn. Dringt men dieper in de Aarde door, dan bemerkt men dat de thermometer stijgt, gemiddeld 1° vóór elke 30 Meter. Kon men steeds doorgaan, dan zou men reeds spoedig zoo diep zijn doorgedrongen, dat er eene temperatuur heerschte, waarbij zelfs de moeilijkst smeltbare stoffen vloeibaar werden. Daarom' veronderstelt men wel, dat de kern der Aarde — en dat is hier het grootste deel — gloeiend vloeibaar is. Vroeger zou de geheele aarde in dien toestand verkeerd hebben; maar door afkoeling zou een omhulsel in vasten toestand zijn ontstaan. De vulkanen werpen die vloeibare stoffen uit.
De talrijke warme bronnen, die men in alle streken der Aarde aantreft, leggen getuigenis af van de inwendige warmte.
§ 57. Waar men weet, dat de aardoppervlakte onophoudelijk verandert, dat het klimaat en de verdeeling van land en water vroeger geheel anders waren, daar is het evenzeer duidelijk, dat de planten en dieren eener zelfde landstreek niet altijd dezelfde konden zijn.
De overblijfselen dier levende wezens doen ons eenigs-zins den ouden toestand kennen. Zoo treffen we op zeer hooge breedte steenkolen in den bodem aan: een bewijs, dat daar de planten welig moeten gegroeid hebben; vinden we in andere streken dieren in den grond, die alleen in zee kunnen of konden voorkomen, dan moet daar eertijds de zee gestroomd hebben. — Bedenken we verder, dat de oudste planten en dieren minder ontwikkeld waren dan de latere, zoo kunnen we uit de overblijfselen den betrekkelijken ouderdom der gesteenten, waarin ze gevonden worden, opmaken.
We verdoelen dientengevolge de ontwikkeling der Aardkorst in vier tijdperken: het primaire, secundaire, tertiaire en quartaire. De vormingen in het quartaire tijdperk, het jongste, verdeelt men gewoonlijk in diluviale en alluviale;
het diluvium is het oudst, alluviale vormingen ontstaan nog.
Men bedenke, dat deze verdeeling op den tijd ziet en geenszins op den aard van het gesteente. In twee tijdperken kan een zelfde gesteente voorkomen; maar de planten en dieren verschillen.
§ 58. Een valkaan is een berg, die meestal den vorm van een afgeknotten kegel heeft en, hetzij voortdurend, hetzij bij tusschenpoozen, gloeiende stoffen uitwerpt; misschien staat hij door een kanaal niet hot binnenste der Aarde in verband.
Bergen, die eertijds „vuurspuwendquot; waren, maar sinds eeuwen niet meer werken, noemt men uitgedoofde vulkanen. Evenwel, niet zelden gebeurt het, dat een vulkaan, die men uitgedoofd waande, plotseling begint te werken en ontzettende schade aanricht: hij was dus slechts sluimerend.
Tot het jaar 79, toen de Vesuvius Pompeji verwoestte, gold hij voor een uitgedoofden vulkaan; thans is hij om •Ie 3 of 4 jaren werkzaam. De Stromboli „rooktquot; sinds 2000 jaren!
De laagte aan of bij den top van den vulkaan noemt men
54
krater. Men stelle zich deze niet voor als eene meer of min nuuwe opening; geenszins: dikwijls kan men oyei den kraterbodem — waaruit hier en daar gassen opstijgen eene wandeling maken. De krater van den Vesuvius is 620 M, van den Etna 700 M en die van den Kilauea op Hawaï zelfs 4700 M in middellijn.
Vele vulkanen zijn geribd, b.v. de Soembing op Java en de Mont Egmont op Nieuw-Zeeland (zie de figuur).
§ 59. De vulkanische bergen hebben hun ontstaan te danken aan de uit de diepte opgeworpen stoffen; de vulkaan is zijn eigen maker.
Fig. 39.
De voorloopers eener uitbarsting zijn aanvankelijk zwakke, doch steeds sterker wordende aardbevingen, dof, onderaardsch rollen en donderen, het opdrogen der bronnen, het dikwijls plotseling smelten der sneeuw, die hooge vulkaantoppen bedekt, enz. De gesloten kraterbodem barst en uit de spleten stijgt eene zwarte rookzuil ten hemel, die zich hoog boven den top tot eene vlakke wolk uitbreidt en des nachts den gloed der zich in den kratei bevindende lavamassa's weerkaatst, zoodat zij eene vuurzee gelijkt.
Deze rookzuil bestaat uit asch, lapilli 1) en bommen 2), die door den waterdamp medegevoerd ^worden. De bommen en lapilli vallen spoedig, de asch echter wordt tot op eene groote hoogte medegenomen en door de winden tot op verbazende afstanden, zelfs van fineer dan 100 uren verstrooid. Soms verheft zich de waterdamp als eene witte zuil naast de donkere aschzuil; beide stijgen echter zeer hoog, dikwijls 3000 M boven den krater. De ontzettende massa's damp verdichten tot zware onweerswolken en stroomen als hevige plasregens op den vulkaan en zijne omgeving neer.
De aschregen en de aardbeving zijn gewoonlijk het sterkst onmiddellijk vóór het tijdstip, waarop de lava te voorschijn treedt, hetzij uit den krater zelf, hetzij uit zijspleten, aan de hellingen, en in den vorm van een' stroom afvloeit. De lava komt uit den krater als eene gloeiend vloeibare stof, die bij hare langzame afkoeling tot vulkanische gesteenten (trachiet, bazalt) stolt. De ontsnappende waterdamp, die allerwegen in de lava aanwezig is, geeft deze een poreus karakter.
§ 60. Tot de vulkanische verschijnselen behooren ook de gasbronnen, die men veelal in streken aantreft, waar vroeger werkzame vulkanen werden gevonden. Zij dragen verschillende namen, al naar de gassen, die uitstroomen.
Sommige gasbronnen stooten ivaterdampen uit, waarin weer verschillende stoffen voorkomen; andere bronnen leveren zicavehlampen (aan de randen zet zich dan zwavel af), nog andere koolzuur.
§ 61. In § wezen we er reeds op, dat vulkanische uitbarstingen meestal met aardbevingen gepaard gaan; men noemt ze vulkanische aardbevingen. Andere hebben misschien haar ontstaan te danken aan de instortingen der holen, die het water uitgespoeld heeft. Waarschijnlijk gaat er geen dag voorbij, dat niet in eenig deel der Aarde eene
1) Lapilli, kleine, gloeiende steentjes.
2) Bommen, gloeiende lavadrnjipfls.
56
aardbeving wordt gevoeld; tenvijl enkele malen de trilling der aardkorst tot op groote afstanden merkbaar is (de schokken, die in 1755 Lissabon verwoestten, werden zelfs in Amerika gevoeld), komt het meer voor, dat slechts enkele plaatsen de aardbeving opmerken. Naar den aard der beweging onderscheidt men stootsgewijze (sterke schokken) en golfsgewijze aardbevingen (de bodem golft).
„Somtijds voelt men ook zonder waarschuwing eenige hevige schokken, die eene bepaalde richting volgen of zich van uit een middelpunt met verminderende kracht naar alle kanten verspreiden. Na eene korte tus-schenpoos keeren soms die plotselinge schokken met vermeerderde hevigheid terug, en men ontwaart eene duidelijke golving van de aardkorst, alsof deze wegzinkt onder de voeten van haren bewoner, en dan weder eene opstuwing, een' schok, eene reeks van snel op elkander volgende schokken, door het werk der vernieling gevolgd. Ofschoon zulke hevige schokken doorgaans slechts weinige seconden duren, veroorzaken zij toch uitgestrekte kloven in de steenachtige aardkorst. Het openen van spleten en scheuren, het opstijgen van dampen, het ontspringen van nieuwe bronnen, het inzweigen van water, het veranderen van den loop der rivieren, het overstroomen van droog land en het herscheppen van volkrijke steden in doodsche bouwvallen, — ziedaar de werking der aardbevingen. Soms, als hare bedding geschokt is, verheft zich de zee met geweldige golven {zeebevingen), die ter hoogte van 40, 50 of 60 voet landwaarts rollen en op haren weg alles verwoesten.quot; 1) (Lissabon, Krakatau, Ambon).
§ 62. De aardkorst is voortdurend aan veranderingen onderhevig. Deze worden, behalve door aardbevingen, vulkanische uitbarstingen, enz. veroorzaakt door: a. de lucht. Deze doet de gesteenten verweeren; de rotsen worden daardoor steeds langer en de spleten gevuld. Invloed van den wind (b.v. bij de
1) Pagp.
57
duinvorming), van de temperatuur (rotsen springen).
b. het water. Dit spoelt de weeke gronden weg, vormt holen en grotten en onderaardsche rivieren; vorming van delta's, lagunen, enz.; het bevriezende water doet rotsen springen.
c. de gletschers. Zij schuren de bergen af'en hoopen moraines op. Vernielende werking der lawinen, enz.
d. de zee. Slaat stukken land van het vastland, ondermijnt sommige kusten ; elders doet zij het omgekeerde.
c. de planten. Vorming van venen, humus, enz.
f. de dieren. Eilanden ontstaan door koraaldieren. Ook de kalkgebergten hebben hun ontstaan aan zeedieren te danken (kalk-skeletten).
g. de ra ens chen (zie § 75).
VIII. Planten en dieren.
§ 63. Planten. De plantengroei eener streek is afhankelijk van den bodem en het klimaat (warmte, vochtigheid, enz.). Iedere flora, groeit op een bepaalden bodem; zoo zou men zoutplanten, kiezelplanten, kalkplanten, enz. kunnen onderscheiden; enkele landstreken zijn door hare geologische gesteldheid zelfs voor plantengroei ongeschikt. Elke plantensoort heeft voorts om te gedijen eene zekere temperatuur noodig; daarom ook heeft iedere soort eene bepaalde geographische verbreiding. Daar de temperatuur afneemt van den aequator naar de polen en met de hoogte, zoo zal men aan den aequator geheel andere planten aantreffen, dan op hoogere breedte en zal de flora van de toppen der hooge bergen overeenkomen met die der poolstreken. Van belang is voorts de verdecling van de warmte over het jaar. Zoo wil in Zuid-Engeland, trots het milde klimaat, de wijnstok niet tieren, omdat een lange, heete zomer ontbreekt; overal, waar de temperatuur tot het nulpunt daalt, ontbreken de palmen, al is de zomer ook nog zoo lang en nog zoo heet. Een land-
klimaat roept eenc geheel andere plantenwereld in V leven dan een zeeklimaat. Ook de verdeeling van den regen ia van gewicht. Waar in de Sahara water aanwezig is, vindt men plantengroei; waar men nieuwe bronnen doet ontstaan, ontstaan tevens palmboschjes. Sommige planten zijn tegen langdurige droogte bestand, andere niet. Waar slechts een bepaalden, korten tijd regen valt, daar vindt men de grassteppen, in den drogen tijd dor, in den regentijd meest met weelderige grassen bedekt. Deze grassen, alsook de cactus, gedijen in zeer dorre streken: andere planten — bv. kokos- en oliepalmen — behoeven daarentegen eene vochtige zeelucht, de wouden eene aanzienlijke regenhoeveelheid.
Uit het bovenstaande vloeit voort, dat iedere landstreek, die zich door klimaat of bodemgesteldheid of door beide van andere onderscheidt, eene eigen flora zal bezitten. Men heeft de Aarde zelfs in plantengebieden verdeeld, die later bij de behandeling der afzonderlijke werelddeelen zullen besproken worden.
De planten zijn niet bepaald aan hare natuurlijke woonplaatsen gebonden; zij verbreiden zich, dikwijls door ons onbekende oorzaken, of worden door den mensch naar andere streken overgebracht. Vinden zij in het nieuwe land een voor hen geschikten bodem en gunstig klimaat, zoo akklimatiseeren zij zich; in het tegenovergestelde geval kwijnen ze en sterven weldra. Wind, rivieren, zee-stroomingen, dieren, schepen en menschen zijn het, die de planten naar andere oorden brengen. Zoo hebben wij onze graansoorten, behalve gerst en haver, aan Azië te danken, en kregen wij den aardappel uit Amerika.
Omgekeerd lokten de planten den menseh en gaven ze aanleiding tot de stichting van koloniën (in Oost-Indië de specerijen, in Brazilië de houtsoorten, enz.).
§ 64. Dieren. De verbreiding der dieren hangt weliswaar ook van 't klimaat af (apen b.v. vindt men alleen in do warmere streken); maar wordt toch hoofdzakelijk bepaald door den plantengroei: de dieren toch zijn of plan-
09
tencters öf vloescheters; maar do laatsten voeden zich met plan tone tors en zijn dus middellijk ook van de plantenwereld afhankelijk. Bij de beschrijving der plantenge-bieden kan men dan ook gevoeglijk die der dieren Insluiten.
Vele dieren hebben eene groote goographische verbreiding, b.v. honden; andere daarentegen komen slechts in zeer beperkte gebieden voor. De mensch heeft tot de verbreiding veel bijgedragen, vooral tot die der nuttige diersoorten (naar Amerika paard en rundvee, naar Australië rund, schaap, paard, enz.). Waar de landbouw zich ontwikkelt ten koste der wouden, verdwijnen vele wilde dieren (de wolf in Europa).
Ook de aanwezigheid van dieren lokte den mensch (de bever in Amerika, de walvisch, de haring aan de Noordelijke kusten, enz.).
Eigenaardig is de dieren- en plantenwereld der eilanden. Zijn déze stukken, van een vastland afgeslagen, dan bezitten ze dezelfde plant- en diersoorten als dat vastland, indien de afscheiding nog niet zeer lang geleden heeft plaats gehad. Eilanden, midden in den oceaan, die nooit tot een vastland behoorden, zijn uit den aard der zaak arm aan plant- en diersoorten; alleen die, welke door de zee aanspoelden of door vogels en de wind werden aangebracht (gevleugelde zaden) komen daar voor. Zoo kreeg St.-Helena door de heerschende zee-stroomingen zijne planten uit het Kaapland.
c.
(ü IT D E V O L K E N K U N I) E).
IX. De Beschaving.
§ 65. De Vuur]anders zijn ons een voorbeeld van een volk op den laag sten trap. Een regeeringsvorm is hun onbekend; alle leden van den stam hebben gelijke rechten. Hunne woningen zijn ellendige hutten, uit takken samengesteld, soms met gras bedekt. Plantaardig voedsel gebruiken ze bijna niet (paddestoelen); visschen en schaaldieren, tijdens de ebbe op 't strand gevonden, moeten hun' honger stillen. Eenigszins hooger staan de bewoners van enkele eilanden der Zuidzee, wien de rijke vrucht-boomen van voedsel voorzien; kleeding kunnen ze ontberen. Hunne behoeften worden dus bevredigd, zonder dat zii zich eenige inspanning getroosten.
§ 66. Visschersvolken. Het eenvoudigst doet zich het leven van den riviervisscher voor. De vangst veronderstelt reeds eenige industrie (vischwerktuigen); de blik reikt echter niet verder dan den oever der rivier en de geestelijke ontwikkeling is dan ook laag gebleven. De zeevisschers moesten tot hoogere ontwikkeling geraken: de aanhoudende waarneming van de toestanden der atmospheer, van den hemel, wiens sterren hun 's nachts den weg wijzen, voerde tot hoogere verstandsontwikkeling.
Eigenlijke Jagersvolken vinden wij slechts in Noord-Amerika.
Het leven van den jager eischt evenveel koenheid en verstand als het visschersleven; maar het verlangt meer
61
lichamelijke kracht en arbeid. Groote tegenstellingen komen voor: op harden arbeid volgt eene lange rust. De jagersvolken behoeven eene groote ruimte om te kunnen bestaan en voeren om hunne jachtgronden bloedigen krijg.
g 67. Al de genoemde volken hebben geen blijvend eigendom: wat zij verwerven, dient slechts om hunne oogen-blikkelijke behoeften te bevredigen. Hier tegenover staan de volken met productief eigendom, namelijk die, welke zich goederen verwerven, niet om die ras te verbruiken, maar om er de vruchten van te genieten. Zulke bezittingen kunnen van verschillenden aard zijn (kudden, landerijen, enz.). Daardoor treedt de tegenstelling van arm en rijk op, en een gevolg er van is, dat wetten tot bescherming uitgevaardigd worden, waarmee tevens de grondslag der staatsontwikkeling is gegeven.
§ 68. Allereerst moeten wij tot deze volken de Nomaden brengen. Deze zijn dikwijls verdeeld in kleine stammen, die niet zelden elkaar beoorlogen. Gelukt het een' aanvoerder eenige stammen te vereenigen, zoo groeit zijne macht spoedig aan en in scharen overstroomt het nomadenvolk de naburige rijken (Mongolen). Het karakter van het volk hangt voorts af van de natuur zijner dieren. Welkeen verschil tusschen de vreedzame Lappen (rendieren) en Kirgiezen (voornamelijk schapen) aan den eenen kant, en de Mongolen en Arabieren (paarden en kameelen) aan den anderen!
Het gebied der nomaden wordt steeds kleiner; op vele plaatsen krijgen ze vaste woonplaatsen (Zuid-Rusland, Amerika).
§ 69. Veel hooger staan de landbouwende volken, — doch niet altijd. Waar, zooals in vele tropenlanden, eene dunne bevolking woont, die zich gemakkelijk naar eene andere onbebouwde streek wendt, waar de gansche arbeid in zaaien en oogsten (bananen, sagopalmen) bestaat, daar kan met het landbouwbedrijf nog een rondtrekkend leven gepaard gaan (Midden-Soematra). Maar als de bevolking dichter wordt is het onmogelijk steeds anderen grond te
62
gebruiken. Dan moet men hem kunstmatiger bearbeiden, soms kunstmatig onder water zetten (Nijl, Ganges), of rijke marschgronden voor overstrooming beveiligen (China). Daar komt de zorg voor de cultuurplanten bij.
Aanvankelijk vervaardigt de landbouwer zelf 'iijne werktuigen (nog in Noorwegen). Spoedig echter begint eene verdeeling van den arbeid, de industrie scheidt zich tan den landbouw. Eerst geschiedt dit in 't klein, weldra echter verzamelen zich de industrieën in daartoe bijzonder geschikte streken: er ontwikkelen zich industriestreken en industrielanden. Daarmee begint tevens de groothandel, die de verste landen verbindt.
§ 70. Invloed van de zee op het leven der mensckm. We bespraken reeds (zie § 39), hoe de zee niet meer als eene scheiding moest beschouwd worden; maar als eene brug, die de volken verbindt. Doch de oceaan bewijst niet slechts het verkeer gewichtige diensten, hij heeft er ook toe bijgedragen de beschaving te verhoogen, den gezichtskring der ontwikkelde volken te verruimen en de onbe-schaafden in overzeesche gewesten een hoogeren trap van beschaving deelachtig te doen worden. De scheepvaart ter zee maakte de ontdekking van vele vreemde landen mogelijk, leverde voor de wetenschappen rijke vruchten en bleef niet zonder invloed op den toestand der Euro-peesche volken; „geen beschaafd volk,quot; zegt Peschel, „staat zoo hoog, dat het niet ergens iets nieuws — zelfs van zoogenaamd wilde volken — leeren kan of geleerd heeft.quot; Door de stoombootvaart zijn de Europeesche beschaving en de Christelijke godsdienst verder en sneller verbreid, dan het zonder haar mogelijk geweest zou zijn.
Ook op het karakter en het leven der zeevolken werkte de oceaan. Het gevoel voor vrijheid en kracht moest in hen levendig worden, die op de zee voortdurend hunne werkplaats vonden. De zee maakt vrij. Kalmte en moed teekenen alle zeevolken; het leven op zee is een leven van strijd, het ontwikkelt de geestelijke krachten: het maakt vindingrijk, berekenend.
63
Vooral op die plaatsen, waar de zoe diepe insnijdingen in het land maakt, of waar eilanden op korten afstand van de kust liggen, ontwikkelde zich scheepvaart. Een voorbeeld. In het Noord-Westen van Noord-Amerika, van Vancouver's eiland tot de Aleoeton, treffen wij eene rij Indianenstammen aan, die wij de Noormannen der Nieuwe Wereld zouden kunnen noemen: zij zijn koene zeelieden en hunne slanke vaartuigen, dikwijls voor honderd personen bestemd, verdienen aller bewondering. Zuidelijk nu van de De Fuca-straat, waar de kust haar fjord-karakter verliest, vinden wij, tot in het Zuiden van Zuid-Amerika toe, overal slechts den primitiefsten vorm van vaartuigen, soms zelfs slechts vlotten. In 't Zuiden, waar weder talrijke eilanden voor de kust liggen, treffen we ook weder betere booten en betere zeelieden aan, al doen ze dan ook voor die der Noordelijke stammen onder.
§ 71. Invloed van de rivieren. Reeds de behoefte aan drank dwingt den natuurmensch zijne woning aan den zoom eener beek op te slaan. Dezelfde behoefte drijft de dieren naar de stroomen, aan wiens oevers zij hunne verzamelplaatsen en hunne legers hebben. Zij worden door jagers gevolgd, en ook visschers zetten zich hier neer. Zoo zien wij b.v. dat reeds de onbeschaafde jagers- en visschers-volken van Amerika, wien de rivieren in de maagdelijke bosschen tot wegwijzers dienen, zich zekere stroomgebieden toeëigenen en hunne stammen naar rivierstelsels verdoelen en benoemen. Langs de rivieren vindt men gewoonlijk de schoonste weiden; in regenlooze gebieden treft men ze alleen bij bronnen en rivieren aan. Daardoor is ook de mensch op den volgenden trap van ontwikkeling, als nomade, aan den stroom gebonden. Bijna alle Aziatische herdersvolken hebben hun vaderland aan eene rivier, die zij als hun eigendom beschouwen, die zij vereeren, waaraan hun naam ontleend is en aan wier oevers zij verkeeren.
Maar zoowel de .jagers en visschers van Amerika, als de nomaden van Azië, leeren ons, dat de rivieren alleen
64
nog geene beschaving te voorschijn kunnen roepen.
De vette rivieroevers lokten eene lundbomcendc bevolking; in de regenarme gordels of de streken met bepaalden enkelen regentijd zett'en de landbouwers zich langs de rivieren neer, wier water zij naar hunne velden leidden (Nijl, Euphraat). Bij hooger beschaafde volken is de rivier eene natuurlijke verbinding; handels- en fabriekssteden, aan hare oevers verrezen, zonden door stoombooten hunne waren naar verschillende zijden. Naast de ontwikkelde kusten hebben de groote stroomen er het meest toe bijgedragen (Ze vastlanden te ontsluiten en de volken met eene hoogere beschaving te begiftigen.
§ 72. Invloed van het klimaat. De hoogste beschaving vond men steeds in de gematigde luchtstreken of op de koele hoogvlakten van den heeten gordel. Geen wonder! In de keerkringsgewesten voorziet de natuur rijkelijk in de behoeften: de wouden bv. van den Amazone gelijken een boomgaard (kastanje, cacao, ananas, enz.); de tafel van den Indiaan is steeds gedekt en voor afwisseling is ruim gezorgd. Waar de natuur zoo mild is, waar de verhitte dampkring den mensch daarbij tot loomheid doemt, daar is van geen ernstigen arbeid sprake, daar ontbreekt de heilzame inspanning.
Eechtstreeks staan de poolstreken tegenover deze landen; daar treft men slechts dwergbooraen aan, diegeene vruchten leveren, gras en mos; daar moet de mensch zich de grootste moeite getroosten om een' rob, een rendier, een' poolhaas machtig te worden, de koude noodzaakt hem zich dik te kleeden en maakt voedsel dubbel noodzakelijk. Bij de hooge lichamelijke inspanning kon de geest slechts langzaam vooruitstreven.
Beschouwen we nu de gematigde luchtstreken. Hier heerscht noch de verstijvende koude van het Noorden, noch de verslappende hitte van het zuiden: bij eene niet te groote inspanning van het lichaam kan zich de geest flink ontwikkelen. Hier bestaat dus de gunstigste stelling: hier moest de beschaving het grootst worden. Geene der
05
plaatsen, waar de mensch zich tot eene hoogere beschaving opwerkte, ondervindt de verslappende tropenhitte; alle zijn integendeel begunstigd door een mild,, van tropische warmte en Noordelijke koude evenzeer verwijderd klimaat.
Het zeeklimaat met zijne meer gelijkmatige temperatuur roept natuurlijk minder verschil in planten- en dierenleven, en daarom ouk in de bezigheden der menschen gedurende de verschillende jaargetijden, te voorschijn, dan het landklimaat met zijne temperatuuruitersten.
De wind wordt door den mensch gebruikt als bewegende kracht en bepaal t ten deele de groote handelswegen ter zee: vooral deed zij dit in vroegeren tijd.
§ 73. Inrloed van de planten. We zagen reeds in de vorige § hoe de plantenwereld gunstig of ongunstig op de geestelijke ontwikkeling kan werken. De wouden in de heete gewesten werken ongunstig; de plantenarme natuur der Poolstreken noodzaakt den mensch al zijne krachten aan het noodzakelijke bestaansmiddel — het voedsel — te besteden, terwijl de natuur der gematigde landen de ontwikkeling het meest gunstig is.
Vooral de granen hebben gunstig op den vooruitgang der beschaving gewerkt. Met de beoefening van den landbouw begint de bevolking gewoonlijk vaste woonplaatsen aan te nemen en treedt later eene verdeeling van den arbeid in. De Noordelijkste grens van de gerst — geen der granen wordt tot zulk eene hooge breedte verbouwd — is eene gewichtige grens: hooger toch is de mensch tot het dierenrijk beperkt (jager, visscher, rendierhouder).
De planten lokten de menschen naar andere streken (g 63); van het plantenkleed eener streek is dikwijls het bedrijf der menschen afhankelijk.
g 74. Invloed van de, dieren. De mensch heeft een aantal dieren getemd en tot huisdieren gemaakt; zonder deze had de beschaving in geenen deele die vlucht kunnen nemen. De strijd tegen de wilde dieren maakt
Tbn Have, Beknopt Leerboek der Aardrijkskunde. 5e druk. 5
66
d(jn mensch sterk en behendig. Visschen deden de men-sdien aan rivieren en zeeën hunne woonplaatsen kiezen. De walvischvangst vorderde moedige tochten naar verre zeeën en deze gaven aanleiding tot ontdekkingen. De aard der dieren is van invloed op dien van den mensch (§ 68).
§ 75. Invloed van den mensch op de gesteldheid der Aarde, op dieren en planten.
a. De mensch verandert als 'tware de geographische ligging der landen. Hij verbindt eilanden aan het vastland. Door do stoombootvaart brengt hij afgelegen landen nader; oveneens worden de afstanden tns-schen de deelen van het vastland door de spoorwegen kleiner.
b. Hij verandert de horizontale uitgebreidheid door het droogleggen van meren, de inpoldering aan zee, enz.
c. Hij ontneemt den bodem een aantal delfstoffen.
d. Hij verandert de vertikale gesteldheid (vult spleten, doet rotsen springen, doorboort gebergten).
e. Hij verandert den loop der rivieren, maakt meren tot droogmakerijen, graaft kanalen, enz.
f. Hij verandert het klimaat door de uitroeiing van bosschen, het droogleggen van moerassen, meren, enz.
g. Giroot is zijn invloed op de planten. Hij verbreidt ze, ook zonder zijn' wil. Hij vermeerdert het aantal soorten-
h. De mensch heeft diersoorten verdrongen, zelfs uitgeroeid. Maar hij draagt ook bij tot de verbreiding der dieren en tot vermeerdering van het aantal soorten.
X. Verdeeling der mensclien.
§ 76. De Huid. De kleur der huid is zeer verschillend. Hoewel we in 't algemeen voor elke groep eene bepaalde kleur kunnen vaststellen (zwarte Negers, bruine Maleiers), is het toch ook zeker, dat bij ieder volk verschillen in
67
de huidkleur voorkomen, die soms zeer aanzienlijk kunnen zijn. Zonder twijfel is de temperatuur van invloed: dc donkerst gekleurde volken treffen wij in de warme gewesten aan; Europeanen, die eenigen tijd in Indië zijn geweest, koeren „gebruindquot; terug; een negerknaap, dien de Afrika-
68
een eigenaardig type te geven. Wanneer we het hoofd eens negers beschouwen, valt ons dadelijk het vooruitsteken der tanden op. De tanden van den neger noemt men daarom schuinstandig, die der Europeanen rechtstandig.
§ 78. Het Haar. De kleur der haren is, volgens velen, niet aan groote veranderingen onderhevig. Gewichtiger echter is de vorm. Wanneer we de dwarse doorsneden der haren van verschillende volken vergelijken, bemerken we een groot onderscheid. Soms is die doorsnede ongeveer cirkelrond en een haar is dan een' cilinder gelijk (Gladharigen); soms ook is zij elliptisch, platgedrukt, zoodat het haar den handvorm heeft (Wolharigen).
Bij de Bunclelharigen zijn de haren in bundeltjes gescheiden, bij de Vliesharigen gelijkmatig over 't hoofd verdeeld als bij een schapenvlies. Terwijl de Sluikharigen glad, stijf en donker haar bezitten, zijn de haren der Lokhurigen fijner en vertoonen zij eene neiging tot de vorming van lokken en krullen.
§ 79. De Taal. De taal is een machtig middel om de verwantschap der volken te bepalen. Volken, wier talen ons gelijke woordwortels vertoonen, moeten eenmaal eene zelfde woonplaats hebben gehad of liever tot een' stam behoord hebben, waaruit zij allen zijn voortgesproten, hoe verschillend zij thans ook zijn. Zoo vindt men b. v. dat de Romaansche en Germaansche talen allen uit ééne hoofdtaal zijn ontstaan: de Arische taal. De volken nu, die talen spreken, kennelijk van Arische afkomst, behooren noodwendig bij elkaar: zij stammen af van één volk, de Ariërs, en moeten dus ook tot één'stam gebracht worden (tenzij ze door invloed van andere volken geheel en al veranderd zijn). — Zoo is de taal ons dikwijls het middel om te bepalen, welke volken na verwant zijn; verwante volken hebben verwante talen en wanneer de taalvorscher nu bepalen kan, welke de oorspronkelijke taal, de stamtaal, is geweest en waar het volk, dat die taal heeft gesproken, gewoond heeft, dan is ook de oorspronkelijke woonplaats van al die volken gevonden.
70
§ 80. Muller en Haeckel gronden luinne verdeeling van de mensdien up de verschillen in haar en voorts in taalbouw. Ziehier luinne verdeeling, die wij ook zullen volgen.
1. Bundel- ( Hottentotten.
I. Wolharigen. ^ ( Papoea's.
J 2. Ffoes- f Negers.
harigen. | Kaffers.
, Nieuw-Hollanders. 3 Sluik- \ Arctische volken. I harigen, \ Amerikanen, l ' Ma leiers (Indonesiërs).
II. Gladharigen. \ (Mongolen.
i 4. Lok- \ D r a v i d a' s. ' harigen. / Middell. zee-volken.
BE WERELDDEELEN.
A. OVERZICHT.
§ 81. Het grootste deel van de oppervlakte der Aarde is zee: als eilanden liggen de vastlanden in de oceanen.
Een eiland noemt men elk, door de zee omringd land, waarvan alle deelen den invloed der zee op liet klimaat en den plantengroei ondervinden, b.v. Ierland.
Men onderscheidt vijf werelddeelen: Europa, Azië, Afrika, Amerika en Australië. De poollanden, wier uitgestrektheid nog niet bekend is, noemt men wel eens het zesde werelddeel.
Europa, Azië en Afrika noemt men samen de Oude icereld, Amerika de Nieuwe wereld. Europa ligt op het Noordelijk, Australië op het Zuidelijk halfrond; de drie andere worden door den evenaar gesneden, hoewel Azië bijna geheel ten Noorden dei-linie ligt. Verdeden wij de Aarde in een land- en zeehalfrond, dan ligt Europa in 't midden van het eerste. Europa noemt men wel eens een schiereiland van Azië.
Noord- en Zuid-Amerika hebben den vorm van een' driehoek, zij worden naar 't Zuiden, evenals Afrika, steeds smaller. Denken we ons Tasmania met Nieuw-Holland verbonden, dan hebben Zuid-Amerika, Afrika en Nieuw-Holland ongeveer denzelfden vorm. Ten Zuid-Oosten van Noord-Amerika ligt eeno groep eilanden (West-Indii-),
72
evenals ten Zuid-Oosten van Azië (Oost-Indië). West-Indië vormt eene brug tusschen Noord- en Zuid-Amerika, Oost-Indië tusschen Azië en Nieuw-Holland.
Europa is 9.900.000 KM3 groot; 1)
Australië 8.900.000 „
Afrika 29.800.000 „ (= 3 X Europa),
Amerika 38.500 000 „ (= 4 X Europa),
Azië 44.500.000 „ (= 44 X Europa).
Voor de kustontwikkeling zie men § 58. § 82. De oppervlakte van het water is bijna 2,8 maal zoo groot als die van het land. Het grootste waterbekken is de Groote oceaan, ook Stille oceaan en Zuidzee genoemd, bijna even groot als de andere wereldzeeën samen. Hij strekt zich tusschen Amerika, Azië en Australië uit. Wegens het gemis aan groote eilanden is het moeielijk, dezen oceaan te verdeelen. Men onderscheidt wel eens drie deelen:
1® lui Noordelijk deel. ten Noorden van den Kreeftskeerkring. De Beringstraat voert van hier in de Noordelijke IJszee, welke straat alleen door walvischvaarders en ontdekkingsreizigers doorgevaren wordt. Azië en Amerika naderen hier elkander zóó dicht, dat men bij het doorvaren der straat beide vastlanden kan zien; van dit nauwste gedeelte der straat maken de oorspronkelijke bewoners van Siberië gebruik om naar Amerika over te steken ten einde daar ruilhandel te drijven.
Onderdeelen: Beringszee, Zee van Ochotsk, Japan-sche zee, Gele zee; Golf van Californiê.
2e. het Middelste deel, tusschen de beide keerkringen. Dit is de eigenlijke Stille zee, hier waaien de regelmatige Oost-passaatwinden. Dit gedeelte is rijk aan eiland-groepen.
Onderdeelen: Zuidchineesche zee, Golf van Slam, Java-zee, Moluksche zee, enz.
3®. het Zuidelijk deel, tot de Zuidelijke IJszee, arm aan eilanden.
73
De Groote en de Atlantische oceaan zijn door de Straat van May el ha,en verbonden, eene gevaarlijke passage, evenals die om Kaap Hoorn. Het graven van het Kanaal van Panama zal daarom niet alleen een korter', maar ook een minder gevaarlijken weg doen ontstaan.
Eerst in deze eeuw kreeg de Groote oceaan bo-teekenis voor het wereldverkeer; hoofdzakelijk waren het de walvischvaarders, die hem ontsloten. De handel werd vooral bevorderd door; de opkomst der Australische koloniën, het vestigen van kantoren op de Australische eilanden (Duitschers), het openstellen der havens van Japan en China, de ontdekking der Californische goudlanden, de voltooiing der Paciflcbaan met San-Francisco als eindpunt, de opkomst der Zuidamerikaansche staten. De stoomboot Yokohama—San-Francisco, die van den Koero-Sjiwo gebruik maakt, vaart den oceaan in 15 dagen over.
§88. Tusschen Azië, Afrika en Nieuw-Holland ligt de Indische oceaan. (Welke straten verbinden dezen met den Grooten oceaan?)
Onderdeelen; Golf van Bengalen, Perzische zee, Perzische golf, Eoodc zee; Kanaal van Mozambique.
De Eoode zee is voor zeilschepen bijna onbruikbaar (windstilten, goede havens ontbreken, koraalklippen aan de kust). Stoomschepen varen haar in 4 a 5 dagen door; sedert de opening van het Suez-kanaal is de Roode zee een deel van den zeeweg naar Indië. Veel minder bezocht is de Percisc/jc .goZ/', door de Straat van Gr moes met den Indischen oceaan verbonden; goede havens ontbreken; alleen in 't Noorden heerscht eenig vertier.
§ 81. Hoewel de onstuimigste, is de Atlantische oceaan toch de meest bevaren wereldzee; hij bespeelt o.a. West-Europa en het Oosten van Noord-Amerika (de gewichtigste landen voor den handel) en dringt met zijne binnenzeeën diep in de vastlanden door; groote bevaarbare stroomen
74
storten zich in dezen oceaan of in zijne onderdeelen. De meeat gebruikte weg leidt van Het Kanaal op Now-Found-land aan. De overtocht duurt zeven dagen. Iets Noordelijker liggen de onderzeesche telegraafkabels.
Onderdeelen: Noordzee, Oostzee (met de Bottnische golf), Het Kanaal, lersche zee; Golf van Biskaje, Miildellandsche zee, — Golf van Guinea; — Had-sonsbaai, Golf van St.-Laurens, Golf van Mejlco, Cara/bische zee.
§ 85. De Noordelijke en Zuidelijke IJszee hebben voor den handel de minste beteekenis; de Noordelijke is belangrijker dan do Zuidelijke; daar is men ook tot op veel hoogere breedte doorgedrongen dan in de Zuidelijke. Zij worden hoofdzakelijk door walvischvaarders en expedities bezocht. (Tochten met de Willem Barents).
Onderdeelen der Noordelijke IJszee; Spitsbergen-zee, Witte zee, Karische zee; Siberische zee; Baf fins-baai, Davisstraat, Amerikaansehe Archipel.
Langs verschillende wegen beeft men de Noordpool trachten te bereiken.
Op den voorgrond treden daarbij, vooral in onze dagen: de weg ten Noorden van Spitsbergen (Zweden), de weg tusschen Spitsbergenen Nova-Zembla(Oostenrijkers), die langs de Oostkust van Groenland (Duitschers), doch vooral de weg door de Smithsoimd, langs de Westkust van Groenland of de Oostkust van Amerika (Engelschen en Amerikanen).
De grootste breedte bereikte Nansen, n.l 86° 14'.
Grootte der oceanen:
|
Groote oceaan. . • . Atlantische oceaan Indische oceaan. . Zuidelijke IJszee . Noordelijke „ 175,642,000 KM-88,634,000 „ 74,000,000 „ 20,478,000 „ |
uyj. -x i ,, 15,292,000 „ |
Wegens hare betrekkelijk geringe grootten en ook om andere redenen rekent men de IJszeeën wel eens niet tot de oceanen; dan heeft men dus slechts drie oceanen.
B. EUROPA.
1. Algemeene Beschouwing.
§ 86. Europa, in 't midden van't landhalfrond gelegen, zou men als een schiereiland van liet zooveel grootere Azië kunnen beschouwen. In 't Noorden, Westen en Zuiden heeft het natuurlijke grenzen in de Noordelijke IJszee, den Atlantischen oceaan, en de Middelhmdsche zee; in het Oosten scheiden het Oera.l-geh., de Oeral-riv., de Kaspische zee en de Aras het van Azië.
Wij merkten reeds op (zie § 53), dat Europa verreweg de grootste kustontwikkeling bezit. Vooral het diep in 'tland dringen der Middellandsche zee en der Oostzee draagt tot dezen gunstigen toestand bij.
De Middellandsche zee speelde in de geschiedenis eene groote rol en is nog lieden voor den handel van het hoogste gewicht. Een groot aantal stoomvaartlijnen verbindt de kuststeden onderling en met West-Europa; verschillende telegraafkabels loopen door de zee.
Ebbe en vloed zijn zeer zwak en hebben voor het verkeer geene beteekenis. Van de stroomingen is die de voornaamste, welke door de Straat ran Gibraltar binnendringt.
Eene verlenging dezer zee is de Zwarte zee, wier beteekenis voornamelijk bepaald wordt door; 1°. den uitvoer uit Rusland en de Beneden Donaulanden, 2° den handelsweg Midden Europa — Perzië (Donau — Zwarte zee — Poti-Tiflisbaan — karavanen en Transkaspische spoor). De Zwarte zee is een deel
70
van dien handelsweg, evenals de iliddellandsche zee van dien naar Indië.
De Oostzee is voor den handel van minder gewicht, vooral ook omdat de havens hier 's winters bevriezen. De produkten, welke hoofdzakeliik over de Oostzee vervoerd worden, zijn koren en hout (Rusland, Noord-Duitschland, Zweden.) De zee is niet diep, het gehalte aan zout laag.
Ofschoon een der gevaarlijkste zeeën wordt de Noordzee zeer druk bevaren; in 'tZuiden staat zij door het nog meer bevaren Kanaal met den At-lantischen oceaan in verbinding. Het Zuideliik deel is zeer ondiep (evenals de Oostzee nog geen 100 vadem; als de zee 100 vadem daalde, zou Groot-Brittanje en Ierland aan het vastland verbonden en de Oostzee droog zijn; 1 vadem = 1,7 Meter).
§ 87. Hoog en laag. In het hart van Europa verheft zich het hooggebergte der Alpen, die aanvankelijk op de grens van Frankrijk en Italië loepen, daarna, zicli ombuigende bij den hoeksteen den Mont Blanc, op de grens van Italië en Zwitserland, en zich Oostwaarts voortzetten tot den Danau. De hoogste top, de Mont Blanc, is 4810 Meter. — Van drie zijden is dit hooggebergte omgeven door middelgebergten: in 'tWesten het Fransche bergland, in 't Noorden de Duitsche middelgebergten, in 't Oosten de Karpathen. Voorts hangen met de Alpen samen: in 't Zuiden de Apennijnen, in Zuid-Oosten de gebergten van het BaJkan-sclüereiland. Afzonderlijk verheften zich: het Scandinavisch bergland, de Oeral, de Kaukasus, de Pyreneën en de Spaa.nsche gebergten, het bergland van Groot-Brütanje en Ierland.
Deze gebergten worden door meer of minder groote laagvlakten gescheiden of wel zij sluiten hoogvlakten in. Hoogvlakten zijn o. a.: de Spaansche, de Zwitsersche, de Zwabisch-Beiersche, de Zevenburgsche, de Boelgaarsche, enz. Bij de Pyreneën begint de groote vlakte, die door Frankrijk, België, Nederland,; Duitschland;[en Rusland zich voortzet
77
en bij den Oeral eindigt. Dit uitgestrekte laagland verdeelt men in drieën: de Fransche- (West- en Noord-West-Frankrijk), de Germaansche- (Noord-België, Nederland en Noord-Duitschland) en de Sarmatischelaagvlakte (Rusland).
Kleinere vlakten zijn: de Honcjaarsche (driemaal zoo groot als ons land), de Walachijsche (twee en een half maal zoo groot), de Forlakte (twee maal zoo groot), enz.
Is in liet midden van Europa het hooggebergte, van hier stroomen daardoor ook de meeste groote rivieren, naar alle zijden; voor den handel — en in 't algemeen voor de toegankelijkheid — is dit van groot belang.
Deze rivieren kondon voorts, dank zij de gunstige vertikale geleding, door kanalen verbonden worden; het Noorden en Zuiden staat op die wiize met elkaar in verbinding. Wijs dit aan!
§ 88. Klimaat. West-Europa ondervindt den invloed der zee, het heeft een zeeklimaat (zie b.v. in § 18 Londen, Dublin en Lissabon): koele zomers, zachte winters; Oost-Europa daarentegen, waar de lucht veel droger is, heeft een landklimaat: heete zomers, strenge winters (§18 Moskou). Midden-Europa vormt den overgang tusschen beide (§ 18 Weenen). Zuid-Europa is door hooge gebergten tegen de koude Noordenwinden beschut. De landen aan de Middellandsche zee behooren èn door die beschutting èn door de breedte, waarop ze liggen, tot de warmste van Europa: zij liggen in den Subtropischen gordel en hebben daardoor winterregens (§ 30). In 't Noorden behoort een klein gedeelte tot het Sub-arctisch gebied.
We onderscheiden in Europa dus de volgende gebieden :
1°. Het Atlantische. Zeeklimaat. Regen in alle jaargetijden, vooral echter in den herfst.
2°. Het Sarmatische. Landklimaat. Regen in het voor-jaar en in den zomer.
3°. Het Sub-arctische, in 't Noorden.
4quot;. Het gebied der Middelland sche Zee. Winterregens.
De landen langs de Witte zee en de Oostzee hebben een zachter klimaat dan de Zuidelijk daarvan gelegen streken (Zie Rusland).
§ 89. Planten en dieren. Gr! se bach verdeelde de Aarde in een aantal gebieden, die elk hunne bijzondere plantenwereld bezitten. Europa behoort tot vier dezer plantengebieden. Het zijn:
1°. het Arctisch gebied in 't hooge Noorden, waartoe ook IJsland moet gerekend worden. Dit gebied omvat de streken ten N. van de poolgrens van den boomgroei. Wegens den korten duur van den zomer kan hier geen graan worden verbouwd. De toendra's zlin met bladmossen bedekt.
Hier vindt men pelsdieren; aan de klisten zwemvogels, in de zee robben. Huisdieren zijn de hond en het rendier.
2°. het Middellandsche zee-gebied omvat de landen langs de Middellandsche zee, waar men de altijd groene gewassen aantreft Hier vindtmenolijven,amandelen, vijgen, citroenen, granaten, sinaasappelen, enz. De wijnstok wordt niet alleen op de heuvels maar ook in de laagte verbouwd. Op enkele plaatsen kweekt men suikerriet en katoen, ja, in 't uiterste Zuiden vindt men zelfs palmen. Tarwe, mais en rijst zijn de hoofdprodukten. Het gebrek aan regen in den zomer verhindert hier den groei van boomen als de linde, enz., die wel op hooger breedte voorkomen.
Van de dieren zijn voor dit gebied karakteristiek: de jakhals, het stekelvarken, de moeflon (wild schaap op Sardinië), enz. Voorts ezels en muilezels. 3°. het woudgebied omvat de streken tusschen de beide vorige gebieden gelegen, en dus het grootste deel van Europa, behalve Zuid-Oost-Rusland. In het eerste gebied hield de koude, in het t weede de droogte den boomgroei tegen. Hier echter vindt men wouden van altijd-groene naald- en zomer-loofboomen. Vooral in het Westen zijn uitmuntende weiden. In 't Zuidelijk deel tiert de wijnstok en bedekt de heuvels. De landbouw neemt een groot deel
79
v:in dit gebied in besl.ig; hier vindt men de korenschuren van Europa, b.v. Midden-Rusland.
De oorspronkelijke dieren — beer, wolf, losch, vos, hert, 't wilde varken, enz. — sterven uit. Veeteelt is in dit gebied een der hoofdmiddelen van bestaan. Paarden.
4°. het Kaspiseh steppengebied neemt het Zuid-Oosten van Rusland in. Dc voorjaarsregens doen een weelderigen plantengroei ontstaan (grassen en bolgewassen);'door den heeten zomer verwelken de planten echter spoedig en de talrijke kudden vinden slechts hooi in plaats van malsch gras. Ten Noorden der Kaspische zee vindt men zoutplanten.
Hier vindt men naast groote kudden koeien en schapen, uitstekende paarden en ook kameelen.
Dat de plantengroei afhankelijk is van de hoogte bespraken we reeds. Men onderscheidt ook op de gebergten plantengordels (vertikale, in tegenstelling met de behandelde, die men horizontale noemt).
Hoe deze afhankelijk zijn o. a. van de breedte waarop het gebergte zich bevindt, blijkt uit bovenstaande figuur.
so
§ 90. Bevolking. (Zie kaart 34 van den Atlas). De bevolking van Europa behoort tot twee „rassenquot;: hetMiddel-landsehe ras en de Mongolen; het laatste is slechts door enkele niet talrijke volken vertegenwoordigd.
Van het Middellandsche ras bewonen de Germanen N.-W.-Europa,. de Komanen Z.-Europa, de Slaven Ö.-Europa. Bovendien behooren de Kelten en de Grieken tot dit ras.
De Germanen zijn meest Protestantsch, de Komanen Roomsch-Katholiek, de Slaven Grieksch-Katholiek.
Het talrijkst zijn de Germanen ( 106 millioen); dan volgen de Romanen ( 103 millioen) en eindelijk de Slaven ( 99 millioen).
Bovenstaande verdeeling is gegrond op de taal. De Romanen spreken talen, die veel overeenkomst met het latijn vertoonen; de Romaansche volken hebben onder het juk der Romeinen gestaan en de taal van dit volk overgenomen, dat ook op hunne zeden een groeten en blijven-den invloed uitoefende. Wel hebben b.v. ook de Engel-schen den invloed der Romeinen ondervonden; maar deze duurde niet lang en was weldra zoo goed als verdwenen. De drie groote afdeelingen ontmoeten elkaar in het hart van Europa: vandaar dat Zwitserland en Oostenrijk eene zeer gemengde bevolking hebben. De Kelten, die vroeger een zeer verbreid volk waren, en misschien een groot deel van Europa bewoonden, zijn meer en meer teruggedrongen; zij gaan op in Romanen en Germanen en steeds kleiner wordt het gebied, dat de Keltische taal inneemt: thans komen de Kelten nog slechts voor in Bretagne, in Wales, West-Ierland en Noord-Schotland. De Slaven verdeelt men in Noord- en Zuid-Slaven; de laatsten wonen ten Zuiden van den Donau. Het voornaamste volk der Noord-Slaven zijn de Russen; met de Ruthenen (OostGalicië) vormen zij Vc van Europa's bevolking. Tot de Zuid Slaven behooren o.a. de Boelgaren en de Serviërs.
De Mongolen wonen verspreid tusschen de andere volken.
81
§ 91. Overzicht der bevolking van Europa.
Germanen. (Duitschers, Nederlanders,
Engelschen en Schotten, IJslanders, Denen, Zweden, Noren).
Romanen. (Spanjaarden, Portugee-
Mlddell.Ras i zen, Italianen, Franschen,
Roemeniërs).
Slaven. (Russen, Ruthenen, Boel-
Kelten. garen, Serviërs enz.).
Grieken.
Finsche groep. (Eig. Pinnen in Pinland,
Lappen, Samojeden, Ma-
Mongolen. ' gyaren of Hongaren, enz.)
Turksche groep. (Osmanen op het Balkan-
schiereil., Kirgiezen ten N. der Kaspische zee, enz.)
Overzicht van de grootte en de bevolking der Staten van Europa.
Staten. Grootte in KMquot; Inwoners.
Rusland (met Pinland)..... 5,614.000 116,000.000
Oostenrijk-Hongarije...... 622.000 41,000.000
Duitschland......... 540.000 52,000.000
Prankrijk.......... 528.000 88,800.000
Spanje........... 504.000 17,200.000
Zweden.......... 450.000 4,800.000
Noorwegen......... 325.000 2,000.000
Groot-Brittanje en Ierland. . . . 814.000 89,200.000
Italië........... 286.000 81,000.000
Turkije (zonder Oost-Roem. en Bosnië) 176.000 5,700.000
Roemenië.......... 130.000 5,400.000
Boelgarije (met Oost-Roemelië) . . 96.000 3,300.000
Portugal.......... 92.000 5.100.000
Griekenland......... 64.000 2,200.000
Ten Have, Beknopt Leerboek der Aardrijkskunde. 5e druk. (j
82
|
Staten |
Grootte in KM- |
Inwoners. | |
|
yervie . . |
.... 48.000 |
2,200.000 | |
|
Zwitserland |
.... 41.000 |
3.000.000 | |
|
Denemarken |
i) . . . . |
■ . . . . 38.000 |
2.300.000 |
|
Nederland . |
.... 33.000 |
4.700.000 | |
|
België . . |
6.300.000 | ||
|
Montenegro |
240.000 | ||
|
Luxemburg |
225.000 | ||
|
Andorra. . |
..... 500 |
6.000 | |
|
San-Marino. |
..... 60 |
8.000 | |
|
Monaco . . |
..... 22 |
13.300 |
2. De Alpen. 2)
§ 92. Van Zuid-Frankrijk tot den Donau verheffen zich de Alpen over eene lengte van ongeveer 200 uren. Zii beslaan eene oppervlakte van bijna 4000 vierkante mijlen (222.222 KM1). De Zuidelijke helling is steiler dan de Noor-deliike, reeds daardoor, dat in 't Zuiden de Povlakte ligt, die aan den voet der bergen in 't Westen 300—500, in 'tOosten echter slechts 100 M hoog is, terwijl aan de Noordzijde de hoogvlakten gemiddeld 500—600 M hoog zijn en alleen op enkele punten beneden 400 M dalen. Daarbij komt, dat aan de Noordzijde eene rij van voorbergen de hoofdketen begeleidt. De Alpenketen biedt dus van uit het Zuiden gezien een veel grootscher' aanblik, dan van uit het Noorden.
De Alpen zijn, vergeleken met andere hooggebergten, zeer toegankelijk. Overal zijn diepe, rijk besproeide en vruchtbare dalen, waarin 8 millioen bewoners plaats gevonden hebben; deze dalen zijn of door dwarsdalen of door passen verbonden.
Niet zelden moest men wegen in de rotsen uithouwen, bruggen over afgronden slaan en galerijen bouwen om
Zie Teu Have, Volledige schoolatlas, kaart 19 25 eu 24.
83
tegen lawinen beschut te zijn. Thans snorren spoortreinen door de tunnels en is het scheidend karakter der Alpen ten deele verloren gegaan, d. w. z. voor de bevolking en den handel; maar natuurlijk niet voor klimaat en plantenwereld.
§ 93. Plantengordels. De wijnstok vindt men aan de Noordzijde tot 600, aan de Zuidzijde echter tot 800 M hoogte. Tot 800 M vindt men aan den Zuidkant den notenboom en den kastanje, aan de andere zijde treden ahorn en maïs daarvoor in de plaats. De tweede gordel (tot 1300 M) is die der granen, en onze ooftsoorten; hier vindt men ook wouden; aan den Noordkant komt veelvuldig de beuk voor. De Suh-alpine gordel (tot 1800 M) is de gordel van het naaldhout, dat hoogerop tot kreupelhout daalt. Du boomgrens ligt dan ook ongeveer op 1800 M; hooger bedekt kreupelhout den bodem ; alpenrozen schitteren daar-tusschen, terwijl grassen een dicht tapijt weven. Talrijke kudden weiden hier onder het toezicht van herders; in den winter worden deze streken verlaten, dan zijn de hutten leeg en de kudden naar het dal. De winterwoningen ver-dwiinen reeds met den graanbouw, dus in den derden gordel.
De vierde gordel strekt zich tot de sneeuwgrens uit, die aan de Noordzijde op 2700, aan de Zuidzijde op 2800 M ligt. Alpenkruiden (Edelweisz) vertegenwoordigen hier het plantenrijk, de gems springt er nog rond. De vijfde gordel is die der flrnvelden, waar plantengroei gewoonlijk ontbreekt.
§ 94. Gewoonlijk onderscheidt men de Alpen in drie deelen: 1° de West-Alpen, van den Pas van Savona tot den Movt Blanc: 2°. de Middel-Alpen (Centraal Alpen), van den Mont Blanc tot den Brenner-pas; 3°. de Oost-Alpen, in 't Noord-Oosten tot den Donau, in 't Zuid-Oosten tot de San. We zullen deze deelen achtereenvolgens afzonderlijk bespreken.
§ 95. West-Alpen. De West-Alpen vullen den vierhoek tusschen de Povlakte, het Meer van Genève, het Rhöne-dai en het dal der Var in 't Zuiden. De hoofdkam loopt
So
in 'tOosten, op de grens van Italië; vandaar, dat do afhelling naar de Povlakte steil is. Ten Westen van dien hoofdkam strekt zich een woest bergland uit, berggroepen door rivierdalen omgeven (de dalen van de Durance en do Isère met hare zijrivieren). De hoofdkam in 't Oosten verdeelt men gewoonlijk in drieën:
a. Zeealpen. Deze beginnen bij den Pas van Savonu (die de Ligurische Alpen van de Ligurische Apennijnen scheidt) en loopen tot den oorsprong der Stura, eene linker-zijrivier van de Tanaro. Enkele toppen in deze keten zijn meer dan 8000 M hoog. De Col di Tenda-pas verbindt Nizza met Turijn.
b. Cottische Alpen strekken zich uit van den oorsprong der Stura tot het dal der Dora Biparia. Aan de Westzijde ligt het trotsche dal der Boven-Durance. De hoogste top is de Mont Viso (3845 Meter), waarop de Po ontspringt. De Mont Genèvre vormt de verbinding met het volgende gedeelte, de
c. Grajische Alpen, die tot den Mont Blanc loopen en in het Zuidelijk deel het dal van de Arc van dat dor Dora Biparia scheiden. Hier ligt de Mont Fr ejus, die van 1857—1870 doorboord is: een tunnel van 13K.M. verbindt de dalen aan weerszijden. De spoor loopt langs de Isère en de Are, door den tunnel, en vervolgens langs de Dora Riparia naar Turijn. Naar den Mont-Cenis, die Oostelijker ligt, heet deze lijn de Mont Cenis-baan.
Noordelijker verheft zich de Mont Iséran tot 4046 M, de Mont Blanc tot 4810 M. De geheele groep van den Mont Blanc is met sneeuwvelden en gletschers bedekt, waaruit de kale rotspieken zich verheffen. Aan de Oostzijde eindigt de groep bij den pas van den Grooten Sint-Bernard.
Ten W. van den Mont Blanc ligt het woeste Savoier-bergland met zijne diepe inzinkingen. Het bergland tusschen Marseille en het dal der Var, dat uit eenige ketens van hoogstens 1000 Meter bestaat, behoort niet tot de Alpen: het is door
86
eene diepe inzinking van dit hooggebergte gescheiden.
§ 9ö. Centraal-Alpen. Van den Mont Blanc loepen de Penninische Alpen tot den Simplon en zenden een aantal dwarsruggen naar liet Rhónedal, waartusschen talrijke rivieren in woesten loop de Rhöne toestroomen. Verscheidene toppen in dit gebergte verheffen zich boven 4000 Meter; het meest grootsch is de Mont Hosa-groep, wier hoogste top 4638 M bereikt. De Simplon-pas leidt uit het Rhöne-dal naar Italië. Bij dezen pas beginnen de Lepontische Alpen, die zich uitstrekken tot den Spin gen eu in wier midden zich de Sint-Gothard verheft. Over den Sint-Gothard voerde vanouds de weg van Duitschland naar Italië; duizend Meter lager dan deze pas ligt thans de tunnel, die de dalen van Reuss en Tieino verbindt en waardoor de spoorweg van Geschenen naar Airoio loopt (Sint G-othard-baan).
Van den Splügen loopen naar het Noord-Oosten de Grauw-bunder of Rhaetische Alpen. Het dal van de Inn scheidt deze van de Bernina-Alpen en de trotsche groep der Oetzthaler of Tiroler Alpen met hare woeste dalen, nauwe kloven en gletscher-landschappen. Ten Oosten van dezen bergklomp is de Brennerpas slechts 1350 Meter hoog; hierover ligt de spoor, die het dal van de Inn met dat van de Etseh verbindt (Brenner-baan: Inns-bruck-Bozen).
Ten Noorden van deze rvj gebergten liggen:
1. De Berner-Alpen, aan den rechteroever der Boven-Rhöne; vooral in het Oostelijke deel eene ware gletsclierwildernis. Hier verheffen zich de Jungfrau (4167 M.), de Fmsteraarhorn (4275 M.) en andere boven 4000 Meter; hier ligt de groote Aletsch-glelscher nevens zoovele andere, o.a. de Aar-gletschers, de oorsprong der Aar. Ten Oosten van deze ligt de Rlwne-gletscher, doch deze ligt reeds op:
2. De Vierwoudsteden-Alpen in het hart van Zwitserland, waartoe rle PUatusen de Rigi behooren
83
en die nog vele toppen tot boven de sneeuwgrens zenden. De Rigi is een der meest bezochte punten van Zwitserland; van hier toch heeft men een prachtig gezicht op de Alpengroep tusschen Rijn- en Rhöne-dal.
3. De Kijn- en de Thur-Alpen, aan den linkeroever van den Rijn. In de eerste zijn de toppen nog hooger dan 3000 Meter; in de laatste bereiken ze die hoogte niet meer.
4. De Algauer- en de Beiersche Alpen op de grenzen van Oostenrijk en Beieren, die steil naar het Zuiden afdalen (Inn-dal), bereiken de hoogte van 3000 M niet meer. De Arlberg-pus verbond vanouds de dalen van Inn en III (rechter-zijrivier van den Rijn); thans loopt hier de Arlberg-baan.
§ 97. Oost-Alpen. De Tauernketens zijn hier de hoofdketens. De Hooge Tauern stijgen nog bijna overal boven de sneeuwgrens en machtige gletschers glijden naar de dalen; de hoogste top — tevens de hoogste der Oost-Alpen — is de Gross Glockner (3799 M). Slechts weinige en dan nog vrij onbegaanbare passen verbinden de beide zijden van het gebergte. Bij Gastein (1000 M) ontspringen de veelbezochte, warme bronnen. De Lage Tauern verheffen zich alleen nog in hun Westelijk deel boven de sneeuwgrens; uitgestrekte sneeuwvelden en gletschers ontbreken hier echter. Het einde van het gebergte vormt de Sneeuwberg (2060 M), aan wiens Zuidelijken voet de oudste Alpenspoorweg een kleinen tunnel doorloopt (Semmering-baan, verbinding tusschen Weenen en Triest).
Ten Noorden dezer rij gebergten liggen:
1. De Salzburger Alpen, tusschen de Inn en de Salzach: het lengtedal der laatste scheidt het gebergte van de Tauern. Sommige toppen bereiken eene hoogte van ongeveer 3000 Meter, 't Gebergte is zeer rijk aan zout.
2 De Oostenryksche Alpen, tot bij Weenen;het lengtedal der Enns scheidt hen van de Tauern;
90
een enkele top is hooger dan 3000 M, de andere zijn veel lager. Het Westelijk deel is zeer rijk aan zout eti wordt Salzkammergut geheeten; het Oostelijk deel heet Weener wond en eindigt onmiddellijk aan den Donau in den Kahlenberg (542 M). Het Weener woud bestaat uit zandsteen, het materiaal voor vele grootsche gebouwen, die Weenen bezit.
Aan de Zuidzijde liggen:
1. de Triënter Alpen, die enkele hooge toppen bezitten, zelfs nog tot 3600 M.
2. de Karnische Alpen met de Karawanken (2000 M.) Noordelijk hiervan
3. De Stiermarkensche Alpen door het Mttr-dcil van de Tauern gescheiden (2500 M).
4. de Julische Alpen, ten Zuiden der Karawanken, verheffen zich eene enkele maal nog tot 2965 M, en dus boven de sneeuwgrens, maar dalen dan langzamerhand naar de Kruin en du Karsiplateaus, wier lage ruggen hunne voortzetting vinden in do Dinarische Alpen.
Naar het Oosten dalen de Karawanken door hot Warasdiner gebergte in de vlakte af.
De leerling oefene zich door na te gaan, welke gebergten links, welke rechts liggen van de volgende rivieren:
Isère, Dora-Baltea, Rhöne, Aar, Eeuss, Rijn, Ticino, Adda, Inn, Etsch, Drau, Mur, Salzach, Enns.
Voorts teekene hij eene Alpenkaart en zette daalde grenzen der landen op.
3. Zwitserland.
(Atlas, kaart 19).
(41.000 KM2; 3,000.000 inw.).
§ 98. In 't Zuiden en Oosten des lands verheffen zich de hooge Alpenketens; in het Westen loopen de evenwij-
91
dige ketens der Zwitsersche Jura; tusschen deze bergen, van het Meer van Genève tot dat van Conslanz, strekt zich de Zwitsersche hoogvlakte uit, van het Zuid-Westen naar het Noord-Oosten steeds breeder wordende.
Tusschen de Alpenketens liggen de dalen van de Rhóne en den Rijn. Deze rivieren loopen aanvankelijk in tegengestelde richting, buigen zich vervolgens beide naar het Noorden om en vallen in een meer.
§ 99. Rhone en Eijn. De Rhóne ontspringt uit den Ehóne-gletscher, die op de Zuidzijde der Vienooudsteden-AIpen ligt. Haar loop is tot Martigny naar het Zuid-Westen, daar buigt zo zich scherp om naar het Noorden. Aan haren rechteroever verheffen zich steil de Berner Alpen; de Penninische Alpen zenden haar een aantal hooge bergruggen toe. De voet van den Rhóne-gletscher ligt 1750 M hoog; de gemiddelde hoogte van het dal is 1000 M; de breedte bedraagt ongeveer een uur. De bodem van het dal is vrij geëffend; hier en daar echter moerassig en niet veilig voor overstroomingen.
Het beschutte dal, dat alleen naar het Zuid-Westen een weinig open is, maakt den overgang uit tusschen het Italiaansche klimaat en dat der hoogvlakte; in liet quot;Westelijk deel rijpen amandelen en vijgen (tot Sion).
De Rhóne verlaat het Meer van Genève bij Genève.
Deze plaats, de voornaamste van het Fransch sprekend gedeelte van Zwitserland (80,000 inw.), met een heerlijk klimaat, een aantal fabrieken voor allerlei waren (vooral uurwerkmakerijen; er zijn 8 „scholen voor uurwerkmakersquot;), is een aantrekkingspunt voor honderden vreemdelingen. Aan het meer liggen voorts nog Lausanne (37.000inw.) met katoenfabrieken en wijnverbouw, en Feuey (8,000 inw.), bekend door zijne zijdeteelt.
De Rijn ontstaat door een aantal riviertjes, waarvan de bekendste zijn; de Voor-Rijn en de Midden-Rijn, die op het Oostelijk deel der Sint-Gothard-groep ontspringen, en de Achter-Rijn. Rechts loopen de hooge bergruggen, die de Ijepontische Alpen naar hot Noorden zenden, links
92
verheffen zich steil de Rijn-Alpen (Tödi-ketens). Waar hij zich naar het Noorden ombuigt, ontvangt de Rijn het water van den Achter-Rijn.
Het dal van deze rivier is onmiddellijk boven hare samenvloeiing met de Alhula uiterst nauw: de Achter-Rijn stroomt hier door de 10 Meter breede, doch zeer diepe kloof der Via Mala, 100—150 M onder den weg, die langs de steile wanden loopt en door middel van bruggen nu eens naar den eenen, dan naar den anderen oever overgaat. De Boven-Albula stroomt door het dal Davos, een herstellingsoord voor teringlijders. Van den Achter-Rijn loopt de veel gebruikte Spl/igen-pas naar Italië, van de Albula leiden verschillende passen over de Rhaetische Alpen naar het Inn-dal, Engadin. Al deze wegen bereiken het Rijndal. bij Chur, aan den spoorweg, die naar het Meer van Constanz en naar de Zwitsersche hoogvlakte leidt.
Bij Chur (dat 600 M boven den zeespiegel ligt) is de Rijn 60 M breed en draagt reeds kleine schepen. De stroom is nog snel: het Meer van Constanz ligt op 398 M hoogte, zoodat het verval op dezen kleinen afstand meer dan 200 M bedraagt. Aan den rechteroever staan hier de Algauer-Alpen, aan den linker de Thur-Alpen, wier Zuidelijk deel Churfirsten heet. Het dal van den Rijn is hier breeder, ja ten Oosten van zijne monding in het meer ligt eene kleine vlakte.
Tusschen de Churfirsten en de Rijn-Alpen ligt eene kloof, ton deele door het Wallen-meer gevuld en die zich naar het Westen voortzet, waar het Meer van Zurich er in ligt. Het Linth-kanaal verbindt beide meren en legt ten deele den moerassigen bodem van het dal droog. De Limmat is de afwatering van dit gebied.
Waarschijnlijk stroomde de Rijn vroeger door deze
93
inzinking of zond hij daardoor ten minste een deel van zijn water.
Het Meer van Constanz bestaat eigenlijk uit twee meren, die door eene nauwe overbrugde straat verbonden zijn. Het wordt zeer druk bevaren: Baden, Wurtemberg, Beieren, Oostenrijk en Zwitserland grenzen er aan, talrijke stoombooten onderhouden de gemeenschap tusschen deze landen ; een belangrijk deel van het koren, dat de Beiersche hoogvlakte oplevert, wordt door schepen naar Zwitserland gevoerd. Het meer is bijna geheel door heuvels omgeven, die met wijn- en boomgaarden bezet zijn.
De Rijn verlaat het meer bij Stein, loopt voorbij Scfiaff-hausen (ijzer- en staal waren), waar hij zich ombuigt en bij Lauff'en een' waterval van 30 M hoogte maakt, en stroomt verder Westelijk tot Bazel. Uit de woeste dalen van het Zwarte woud, die door hunne trotschheid aan die der Alpen herinneren, vloeien hem talrijke riviertjes toe; links ontvangt hij water van de Thur en de Aar (die de Zihl, de Heuss en de Limmat heeft opgenomen).
§ 100. Van den bergknoop in 't midden, den Sint Gothard, loopen rivierdalen naar alle zijden. Naar hot Noord-Oosten loopt het dal van den livjn, naar het Zuid-Westen dat van de Rhone. De Ticino loopt Zuidoostwaarts naar het L'jgo Maggi ore.
Naar het Noorden stroomt de Heuss, door wier dal de Sint Gothard-baan is aangelegd; zij stort zich in het door hooge bergen van alle zijden ingesloten Vierwoudsteden-meer, verlaat dit bij het drukke Luzeru en stroomt Noordelijk naar de Aar.
De Aar stroomt door het Hasli-dal naar het Briënzer-en Thunermeer, verlaat het laatste bij Thun, loopt voorbij Bern, buigt zich naar het Noord-Oosten om, als zij de Zihl ontvangt (de afwatering van de meren van Neufchdtel en van Biel) en behoudt deze richting tot hare samenvloeiing met den Rijn.
Het Briënzer- en Thuner-meer waren oorspronkelijk één; maar de Lutschine vulde dit meer in liet
94
raidden met de stoffen, die zij van de Berner Alpen afvoerde. Interlaken en Unterseen liggen op het drooggelegde gedeelte van hot voormalige meer; beide plaatsen zijn de uitgangspunten voor de duizenden reizigers, die jaarlijks het Berner-Oberland bezoeken. (Zie het carton op kaart 19 v. d. Atlas).
§ 101. De uitgestrekte gletschers, de talrijke beken, door hen gevoed, die hooge watervallen maken en zich schuimend en met donderend geraas in de enge kloven storten, verleenen het Alpengebied zijne vermaarde schoonheid. Zwitserland is eene aantrekkingspool voor het beschaafde Europa, het doel van duizenden, die de natuur in hare woeste pracht willen gadeslaan.
In de dalen graast het rundvee; bij het begin van den zomer trekt de Alpenherder met zijne kudde naar de bergweiden, waar hij den geheelen zomer blijft en in zijne hut de beroemde Zwitsersche kaas perst; tegen den winter begeeft hij zich weder naar het beschutte dal. Verschillende plaatsen in de Alpen zijn als veemarkten beroemd (o. a. Lugano in 't Zuiden).
§ 102. De Jura. In 't Westen verheffen zich de evenwijdige ketens der Jura. Evenals alle kalkgebergten is ook dit arm aan water: op verschillende plaatsen verdwijnen rivieren in den bodem om elders weder te voorschijn te komen (Orhe). De middelste keten, die het hoogst is, verheft hare voornaamste toppen evenwel slechts even boven de 1700 Meter. De evenwijdige ketens veroorzaken, dat liet gebergte eene strenge scheiding vormt; de overgang is moeilijk en eerst in de laatsten tijd zijn er goede wegen aangelegd, waartoe kunstwerken noodig waren. De beste wegen loopen van Neufchatel naar 't Zuid-Westen en van Bazel langs de Birs naar Biel (beide spoorwegen). De afhelling naar de Zwitsersche hoogvlakte is steil; onmiddellijk aan den voet van het gebergte liggen de meren van Neufchatel en Biel en stroomt de Aar. De bevolking is dun en moest zich met nijverheid bezighouden. Uurwerkmakerijen ontstonden het eerst op het bijna
fi5
1000 Meter hooge onvruchtbare plateau van Loele en Chaux de Fonds; de industrie breidde zich hier verbazend snel uit: in de vijftiende eeuw was Chaux de Fonds niet meer dan een jachthuis; thans is het eene plaats van 26.000 inwoners, die hare horloges door geheel Europa verzendt: Locle telt 11.000 inw. Spoedig begonnen ook de omliggende plaatsen zich met dezen tak van nijverheid bezig te houden, en zoo telt men tegenwoordig uurwerkmakerijen te Neufchatel, Bid, Genève en in vele andere steden.
§ 103. De Hoogvlakte. Deze heeft eene helling naar het Noord-Westen, zooals de rivieren aanduiden. De gemiddelde hoogte bedraagt 400 a 500 Meter (Bern 550 M. Vierwoudsteden-meer 437 M, Meer van Zurich 409 M). Zij is rijk besproeid; maar de wateren zijn meest alle als verkeerswegen onbruikbaar; de talrijke meren (Bodensee, Vierwoudsteden-meer, Meer van Genève) worden des te drukker door stoombooten bevaren.
In 't Zuid-Westen treffen we vooral in de dalen {Em-mendal) weiden aan; het bouwland moeten we hoofdzakelijk in het midden zoeken en levert koren; maar niet half genoeg voor de bevolking. Het ontbrekende wordt voornamelijk aangevuld uit de Beiersche hoogvlakte: stapelplaats is Rorschach aan het Meer van Con-stanz. Ooft leveren het midden en het Oosten.
Hoewel het land arm is aan mineralen (ijzer levert de bodem weinig, steenkolen nog minder), was de bevolking toch genoodzaakt, zich op nijverheid toe te leggen, daalde schrale grond op verre na niet in de behoeften kon voorzien. Behalve in en bij de Jura, zetelt de industrie vooral in het Noord-Oosten; de grondstoffen moet zij bijna geheel uit andere landen verkrijgen. De voornaamste fabrieksplaatsen zijn: Ziirich (135'.000 inw., katoen, zijde en machines), het kleine Oerlikon (machines), St.-Gallen C33.000 inw., katoen), Glarus (katoen), Winferthur (katoen, ijzergieterijen), Schaffhaiisen (ijzer). Voorts: Bern (linnen-fabrieken; stapelplaats voor kaas en vee; 48.000 inw.),
97
Freiburg (leder). Ötroovlechterijen vindt men in verschillende plaatsjes.
§ 104. Ruim Vi van den Zwitserschen bodem levert niets op, Vs is wei-, Ve boscii- en V« bouwland. De invoer bepaalt zich hoofdzakelijk tot voedingsmiddelen en de grondstoffen voor de fabrieken. Uit de overige §§ zal het eveneens duidelijk zijn, dat de uitvoer voornamelijk uit zijde- en katoenwaren, horloges, kaas, stroovlechtwerk en machines moet bestaan. De invoer heeft hoofdzakelijk plaats over Bazel, de ingangspoort van Zwitserland (79.000 inw.; zijdefabrieken).
Zwitserland is van alle zijden door bevolkte en beschaafde landen omgeven. Een der groote Europeesche handelswegen (St.-Gothard-weg) loopt midden door het land, dat verder door een dicht net van verkeerswegen bedekt is; Alpenpassen moesten met veel moeite en groote kosten begaanbaar gemaakt worden, bij den aanleg van spoorwegen had men tal van hindernissen uit den weg te ruimen.
§ 105. De bevolking van Zwitserland is gemengd; in 't Westen wonen Fransehen (de Jura, de omstreken van het Meer van Genève en het Westelijk deel van het Rhóne-dal), in 't Zuiden Italianen, in 't overige — grootste — deel Duitschers. 8/ö is Protestant (vooral in de vlakte); het Alpenland is hoofdzakelijk Katholiek.
De Italianen werden door de Alpen tegengehouden ver in het land te dringen: zij bewonen dan ook alleen de dalen ten Zuiden van den St.-Gothard.
Voor de Franschcn was de Jura een zwakkere scheidsmuur: bovendien stond hun de weg langs de Rhone open. Naar de zijde van Duitschland echter is Zwitserland het minst afgesloten; daarom breidden de Duitschers zich over de hoogvlakte uit, die voor hen open lag. — Hoe streng hooge gebergten de bewoners scheiden, blijkt uit het verschil in eigenaardige gebruiken, kleeding, enz. tus-schen dalen, die betrekkelijk dicht bij elkander zijn gelegen.
Ten Have. Beknopt Leerboek der Aardrijkskunde. 5e druk. n
98
belangen van het geheele land worden behartigd door de Bondsvergadering te Bern; de uitvoerende macht berust bij den Bondsraad (zeven leden).
4. Duitschland.
(540.000 KM2; 52,250.000 inw).
§ 106. Het Duitsche keizerrijk bestaat uit 22 monarchale staten, drie stedenrepublieken en het rijkstand Elzas-Lotha-ringen, dat namens den keizer door een' stadhouder bestuurd wordt. Ieder land heeft zijn eigen bestuur: ten aanzien van het krijgswezen, de buitenlandsche zaken en het binnenlandsch verkeer maken alle landen één geheel uit. Aan het hoofd van het verbond staat de koning van Pruisen, • als zoodanig den titel voerende van keizer van Duitschland.
De rijkswetten worden vastgesteld door den Bondsraad (voorzitter de rijkskanselier) en den Rijksdag; de eerste bestaat uit de afgevaardigden der verschillende staten, de laatste uit de vertegenwoordigers van het- volk.
De republiek Zwitserland is in kantons verdeeld, die elk hunne eigene wetten en hun eigen bestuur hebben. De
fJ9
De voornaamste staten zijn:
het koninkrijk Pruisen. (~/3 van het rijk) „ „ Beieren. (2 X ons land)
„ „ Wurtemburg. (Va X ons land)
„ „ Saksen. ( „ )
„ groothertogdom Baden. „ . „ Hessen.
„ „ Mecklenburg.
,, „ Oldenburg.
„ hertogdom Brunswijk. „ „ Anhalt.
„ vorstendom Waldeck.
de Thuringsche Staten.
drie vrije steden: Hamburg, Bremen, Lübeck.
§ 107. Het koninkrijk Pruisen wordt in twaalf provinciën verdeeld: Oost-, West-Pruisen, Pommeren, Posen, Sile-zié, Brandenburg, Saksen, Hannover, Westfalen, Hessen-Nassau, Rijnprovincie, Sleeswijk-Holstein.
§ 10S. Het stroomgebied van den Rijn. Bij Bazel betreedt de Rijn de Bovenrijnsche laagvlakte, vijftig uren lang, vijf a zes uren breed, in voorhistorischen tijd een meer. Tot Straatsburg is hij slechtte bevaren; terwijl de rivier zich telkens splitst en de oevers moerassig zijn, is de stroom tot daar sterk. Het Rhöne-kanaal, dat een' tak heeft naar Hüningen, in de onmiddellijke nabijheid ^ van Bazel, verhelpt het gebrek.
In het Noorden zet zich de vlakte langs den Main voort tot bij Hunau (Mainvlakte), bij Freiburg vormt zij een halvemaanvormig bekken (in de Breisgaii); ten Westen dezer stad verheft zich midden in de vlakte een klein gebergte, de Keizersstoel (560 M), overdekt met wijngaarden, oofttuinen en volkrijke dorpen.
De bodem is vooral in 't Noorden uitstekend, waar vele kleigronden liggen, die de vlijt van den landman met rijke oogsten beloonen. Evenwel, ten Oosten van den Rijn liggen ook dorre veen- en zandstreken, in eeno van welke Karlsruhe werd gesticht.
100
Rechts vormen het Zwarte woud, het Odenwoud en de Spessart de grena der vlakte, links de Vogezen en het Paltzer gebergte. Op de voorbergen liggen de wijngaarden; tusschen Worms en Mainz naderden zij den Rijnoever, in den Bheingau (Zuidelijke afhelling van den Taunus) liggen zij er onmiddellijk aan.
§ 109. Het Oostelijk gebergte bestaat uit vier deelen: het Zivarte wond (tot Pforzheim), het Neckar-hergland (tot den Neckar, 300 M), het Odenwoud (tot den Main, 500 M), de Spessart (in de laatste bocht van den Main, 400 M gemiddelde hoogte). De drie laatste zijn eigenlijk weinig meer dan de uiteinden der hoogvlakten.
In 't Zuiden van 't Zwarte woud heeft de hoofdkam eene richting van het Zuid-Westen naar het Noord-Oosten (hier bereikt de Feldberg eene hoogte van 1493 Meter); talrijke ribben loopen naar 't Zuiden; tusschen hen liggen diepe, woeste dalen.
Diepe dalen dringen overal tot ver in 't gebergte. Langs de Kinzig loopt de spoorweg naar Donanescliingen (en van hier naar het Neckardal); zij is de kortste verbinding van Straatsburg met het Meer van Constanz en de Beiersche hoogvlakte. — Het Zwarte woud is rijk aan donkere dennenbosschen; houthakken, kolenbranden en het maken van klokken vormen de hoofdmiddelen van bestaan voor de bewoners. Onder de badplaatsen is vooral Baden bekend.
Op de Oostzijde ontspringt de Neckar, die aanvankelijk naar het Noord-Oosten stroomt, langs den steilen Noordrand der Jura, zich vervolgens met een scherpen hoek naar het Noorden wendt, en zich daarna door het nauwe dwarsdal, waarbij Heidelberg ligt, naar den Rijn begeeft. Aan den mond ligt Mannheim (91.000 inw.), de uitvoer-plaats van het Neckargebied (stoombooten voeren den Neckar op tot de fabrieksstad Heübronn; spoorwegen). Middenin het bekoorlijke bosch-, ooft en wijnrijke Neckarland ligt in eene kleine vlakte Stuttgart, de hoofdstad van Wurtem-berg met 158.000 inwoners. Heidelberg (35.000 inw.) is
■j l!
I
1
ij.quot; i|
I'
i!
l!
In Üt! Pquot; fll
|l
l.
H
101
Pig. 48.
?*■
'v#^_ ^ c *
tr#' ... -S^
quot; ■- - v 1amp;JfpS£nf tV) rv 4 i K fk
quot;I» s^-l Myquot;, M
■*vT$%w ^
I ///IS Stharfha.
V/l m |/#*v i ^.■quot;-- \ K v\rv y
B aizel
4 Ju»1'quot;quot;quot; '
Voo«Isb.
. ^ w vv —A,r~ ^............../quot;'v,
\ ,
Ems//# L. f
Coble^^i^^ai......**
^mW1 ^2gt;im *amp;amp;amp;£ \$r
**£amp;amp;■'*■ tvA'as j» S™* -^s J vj t..
102
niot alleen door zijne omstreken, maar ook door zijne universiteit, bekend. Van Heidelberg tot halfweg Darmstadt ligt aan den voet van 't gebergte de Bergstrasse, beroemd door ooft en wijn. Aan een' tak van de Neckar ligt Pforzheim (500 fabrieken van goud en zilverwerken, 33.000 inw.).
Bij Mainz (77.000 inw.) ontvangt de Eijn het water van den Main, die op het Fichtelgebergte ontspringt en een zeer bochtigen loop heeft. Het Maindal is vruchtbaar, en rijk aan wijngaarden; hier liggen Hamberg en Würzburg (Mainwijnen). In de Mainvlakte ligt Frankfort (28'.),000 inw.), vanouds als handelsstad bekend.
Als we de ligging van Frankfort nauwkeuriger nagaan, wordt het ons duidelijk, dat juist hier eene belangrijke plaats moest ontstaan. Bij Frankfort toch komen samen: de Main uit het Oosten, de eenige groote en belangrijke Duitsche rivier, die eene parallelle richting heeft, — de Boven-Rijn, met zijn lang bekken, uit het Zuiden, — de weg uit Frankrijk, om de Vogezen heen, uit het Westen, — de Beneden-Rijn uit het Noord-Westen, — de quot;weg van den Wezer uit het Noorden, — de weg naar Thüringen en Saksen (tusschen Vogels-berg en Rhön naar Fulda en verder ten N. van het Thüringerwoud). — Bedenken we verder, dat hier eene ondiepte en een eilandje in de rivier den overgang gemakkelijk maakten (fort, voorde), en dat ten Westen der stad eene moerassige streek lag, dan is het duidelijk, dat Frankfort vanouds eene belangrijke plaats zijn moest, dat hier de waren uit alle streken van Duitschland, Nederland en Zwitserland verhandeld werden (missen). Thans is F. een middelpunt van spoorwegen.
§ 110. Aan de Westzijde verheffen zich de Vogezen en het Paltser bergland. De Vogezen vormen tot het diep in het gebergte dringende dal der Breusch eene onafgebroken, naar het Noorden in hoogte afnemende keten, die
103
haren ateilen kant den Rijn toekeert, in 't Westen langzaam in het Plateau van Lotharingen overgaat. Nergens daalt de kam onder 1000 Meter, de woudrijke toppen van den Oostrand bereiken eene hoogte van 1200—1400 M. {Sulzer Belchen, 1452 M). De hoofdpas is die van Zabern waardoor de spoorweg naar Parijs loopt, alsmede het Marne-Rvjnkanaal, de verbinding tusschen Seine en Rijn. Door den Pas van Zabern en het dal der Breusch is de ligging van Straatsburg bepaald; bij deze plaats,met bijna 135.000 inwoners en levendige tabakindustrie, komen een aantal waterwegen samen: behalve de genoemde o.a. de Rijn, de 111 en het Rhóne-Rijnkanaal. Aan dit laatste ligt liet nijvere Mühlhausen (83.000 inw., katoenfabrieken; middelpunt van deze fabriekstreek).
Het Paltzer bergland is aanmerkelijk lager; de gemiddelde hoogte is 400 M. Naar het Noorden zet het zich als een heuvelig plateau voort tot de Nalie, naar wier dal het steil afdaalt.
Evenals het Zwarte woud, zijn ook de Vogezen rijk aan wouden en vinden hier ook velen in de bosschen een bestaan. Boven den wijnstok, en langs de koudere hellingen reeds in het dal, ziet men den kastanje en den eik, beide meest als hakhout. Het kastanjeplantsoen wordt regelmatig om de zestien jaren gehakt; grootendeels dient het hout tot steunsels en latten voor de wijngaarden, terwijl de eik hoofdzakelijk gekweekt wordt ter wille van de schors. Hooger klimmende, komt men aan het gebied van den dennenboom, de heerschende houtsoort in de Hooge Vogezen, de kroon en den rijkdom dezer bergen. Ook de beuk komt hier menigvuldig voor en stijgt tot op de hoogste toppen, zij het dan ook als kreupelhout.
Uit dennenstammen en boomschors bouwt de houthakker zijne eenvoudige hut, die hij van Maandagmorgen tot Zaterdagavond bewoont. Zoodra een aangewezen vak van het hout is opgemeten en
104
afgeperkt, wordt de houthak aanbesteed. Gewoonlijk neemt eene veveeniging van houthakkers het werk aan. De gezamenlijke aannemers verdeelen den arbeid onder elkander; de eigenlijke houthakkers vellen de boomen en maken er blokken van, anderen vervoeren het hout naar het dal naar de werven, die voor wagens toegankelijk zijn: dat zijn de schlitters (schlitte = slede). Met het vellen
der boomen kan men ieder oogenblik, zonder verdere voorbereiding, aanvangen ; maar met het transport is het anders. Daartoe moet men beginnen met het maken van een' weg, den zoogenoemden sledeweg, die een ontzaglijken arbeid vordert en als 't ware een houten spoorweg is. Een eerste vereischte voor zulk een' sledeweg is eene geleidelijke, regelmatige helling; niet te steil, opdat de
105
slede niet te snel glijiie, en toch uok weer met voldoende glooiing, opdat de schlitter niet behoeve te trekken, — slechts te sturen. Meestal gaat het in snelle vaart naar beneden; geraakt de slede van den weg, dan kost dit den vooropzittende schlitter het leven. — Natuurlijk moet de weg zich naar het terrein voegen. Het verder vervoer geschiedt door de riviertjes. Sedert den aanleg der uitmuntende wegen, die thans tot in het hart van 't gebergte doordringen, is de exploitatie der bosschen veel gemakkelijker.
§ 111. Bij Mainz buigt de Eijn zich naar't Westen om en stroomt aan den Zuidelijken voet van den Taunus, wiens hellingen met de schoonste wiingaarden prijken (Eheingau; — Rudesheim, ilochheim) ;■ de bronnen deden hier badplaatsen ontstaan: Wieshaden, Homburg. Bij Bingen ontvangt de rivier het water van de in wier schoon dal de badplaats Kreuznach ligt, en wendt zich daarop naar het Noord-Westen, welks richting zij tot in Nederland behoudt. Van nu af stroomt zij door een bergland, dat men gewoonlijk het Schiefer- (=• leisteen) plateau noemt en dat zich naar het Westen uitstrekt tot de Maas. De rivierdalen verdoelen dit bergland in een aantal berggroepen. Het dal van den Rijn zeiven is tusschen Bingen en Koblenz nauw; hier en daar heeft men rotsen moeten laten springen en tunnels boren om de spoorwegen, die langs de rivier loopen, te kunnen aanleggen. Aan de linkerzijde ontvangt de Rijn de kronkelende Moezel bij Koblenz: de oevers dezer rivier zijn met wijnstokken bezet; Koblenz, eene sterke vesting (weg naar Frankrijk), drijft dan ook een belangrijken handel in wijnen (Moezelwyjnen). Het Moezeldal scheidt den Hunsrück van den FA fel.
Be Moezel ontspringt op de Vogezen, stroomt over het Plateau van Lotharingen en bereikt ten Zuiden van Metz den Duitschen bodem (Metz: sterke vesting, fabrieken; 60,000 inw.). Nadat zij de Oostgrens van Luxemburg heeft gevormd, neemt zij rechts de
107
Saar op, in wier dal steenkolen en ijzer gevonden worden (Saarbrücken, uitvoer van steenkolen naar Frankrijk en de fabriekssteden van den Elzas). Do Moezel wordt tot het oude Trier door stoombooten bevaren.
Ten Noorden van de Moezel ligt de Eifel, waaraan zich naar het Westen de Ardennen aansluiten. Deze berglanden zijn gemiddeld niet hooger dan 500 Meter.
Aan de rechterzijde van den Rijn scheidt het nauwe dal der Lahn den Taunus van het Westerwoud. De Lahn is slecht bevaarbaar; maar in het kronkelende dal vindt men verschillende industriestadjes, terwijl geneeskrachtige bronnen de badplaats Kms deden ontstaan. Het Westerwoud heeft eene gemiddelde hoogte van BOO M; de aan -wezigheid van pottenbakkersklei is oorzaak, dat hier honderden van de vervaardiging van de uit die grondstof te maken artikelen leven. In 't Noord-Westen verheft zich het, nauwelijks 1 vierkante mijl groote. Zevengebergte {Drachenfels, 325 M).
Ten noorden van de Sieg wijkt ook aan deze zijde het gebergte van den Rijn. Tot de Ruhr strekt zich het Sauerland-gebergte uit, doorbroken door het nijvere dal van de kleine Wupper. Ten Noorden der Ruhr verheft zich de 300 M hooge Haar strung. Steenkolen en ijzer deden hier tal van fabriekssteden ontstaan. Ruhrort aan den mond der Ruhr is de hoofdstapelplaats voor de steenkolen, die van hier verder worden verscheept, vooral ook naar Nederland; uitgestrekte schoone binnenhavens.
Keulen (320.000 inw.) en Dusseldorf (176.000 inw.) zijn door de Rijnscheepvaart levendige handelsplaatsen; de eerste stad is een middelpunt van spoorwegen en bekend door hare eau de cologne en den 156 M hoogen dom, de laatste heeft zijde-fabrieken. Het Wupperdal bevat eene rij fabriekssteden : Elberfeld—Barmen, eene huizenmassa van drie uren lengte, ^öö.OOO inw., — zijde-, wol- en katoenfabrieken), Solingen, het Duitsche Sheffield,
108
en Eemscheid (ijzerwaren; messen, wapenen, machines.) Bij de Ruhr liggen de volgende plaatsen met ijzerindustrie: Bochum (54.000 inw.), Dortmund (111.000 inw.), Essen (96.000 inw., gietstaalfabrieken, Krupp's kanonnengieterijen met 20.000 arbeiders!, Duisburg (70.000 inw.). Aan den mond der Lippe ligt de vesting Wezel, nog Noordelijker Emmerik Ten Westen van den Rijn is Krefeld (107.000 inw., het Duitsche Lyon) het middelpunt van de zijde-, Gladbach (54.000) van de katoen-en Aken (111.000) van de lakenindustrie. Kleef (10.000 inw.) trekt door zijne bekoorlijke ligging in den zomer vele vreemdelingen.
§ 112. De Donau. Aan de Oostzijde van het Zwarte woud ontspringen twee riviertjes, die zich bij Donaué-schingen vereenigen en den Donau vormen. Nadat deze zich kronkelend door het bergland gebroken heeft, stroomt hij naar het Noord-Oosten, links begeleid door de Zwabi-sche Jura, die tot Ulm den naam van liauhe Alp draagt. Naar den kant van den Donau daalt de Jura zóó langzaam, dat zij nauwelijks een gebergte schijnt; de helling naar het Neckardal is echter steil. Slecht bevolkt, wordt zij naar het Oosten steeds lager en zet zich in de Frankische Jura voort tot aan den Main. Waar de Donau door het opnemen van den Uier bevaarbaar wordt, waar eene inzinking in de Zwabische Jura reeds vanouds een' weg uit het Neckarland vormde, ligt de vesting Ulm, thans een middelpunt van spoorwegen (Donauhandel, honderden vlotten zakken van hier den Donau af; vooral vroeger zeer belangrijk: „Ulmer Geld geht durch die Welt!quot; 40.000 inw.)
Aan de linkerzijde neemt de Donau de AUmülü op, die de Frankische Jura doorbreekt.
De plaatsen, waar Altmnhl en Regniiz (linker zijrivier van den Main) bevaarbaar worden, zijn door een, 30 uren lang, scheepvaartkanaal — het Lodewijkskanaal — verbonden; hierdoor komt de verbinding tusachen R'ü'n en Donau (en dus tusschen Noordzee en Zwarte zee) tot stand;
109
echter heeft het kanaal alleen voor den Beierschen binnen-handel beteekenis en dus geenszins het belang, dat men verwachten zou; men heeft echter plan, het breeder en dieper te maken. Het loopt langs Neurenberg (161.000 inw.; oude stad, galanteriewaren, hoofdmarkt voor hop), Fürth (46.000 inw.; spiegels) en Erlangen (18.000 inw., bier). Aan de Altmtihl ligt Solenhofen (lithographische steen).
Tot Regensburg behoudt de Donau de Noordoostelijke richting. Bij deze plaats (41.000 inw., scheepsbouw, Donauhandel) neemt hij links de Regen op en een weinig hooger de Naub. De eerste ontspringt op het Bohemer-woud en scheidt dit gebergte ten deele van het Beier-sche woud.
Het Bohemerwoud wordt door laag heuvelland, waarover goede wegen van Bohemen en Saksen naar Beieren voeren, gescheiden van het Pichtel-gebergte. Het Noordelijk deel bestaat uit plateau-vormige massa's, waarboven de afgeronde toppen zich slechts weinig verheffen. Het middelste deel heeft eene gemiddelde hoogte van 800 M, maar is niettemin een der ontoegankelijkste gebergten van Europa; de dalen zijn eng en vaak moerassig, de berghellingen bedekt met dichte dennenbosschen, waarin nog beren en wolven schuilplaatsen vinden. Geene metalen lokten den mensch; de dunne bevolking houdt zich met veeteelt en een weinig landbouw, benevens met glasblazerij bezig; hout voert ze naar Weenen en Praag. De hoogste top, de Groote Arber, verheft zich 1471 M; tot 1300 M reiken de wouden. — Naar 't Zuid-Oosten zet zich het Bohemerwoud in een aantal plateauvormige landschappen voort, die dicht bedekt zijn met bos-schen en naar den Donau steil dalen. Dit laatste doet ook het Beiersche woud, dat eene gemiddelde hoogte van 800 M heeft, doch waarin enkele toppen 1200 M bereiken.
In het midden van het Bohemerwoud voert de
110
Pus van Tauss van Beieren naar Bohemen (weg Praag-Neurenberg).
§ 113. Tusschen de .Alpen en den Donau (tot Passau) ligt de Zwabisch-Beiersche hoogvlakte, door vele zijrivieren van den Donau doorsneden: Uier, Lech, Isar, Inn; de Lech scheidt Zwaben en Beieren. De gemiddelde hoogte dezer vlakte bedraagt 550 M; daarom treffen wij hier geen' wijnbouw aan; maar gelijkt de plantengroei op dien van Noord-Duitschland. Langs de rivieren liggen vele moerassen (moose en riede), ten deele dichtgeslibde meren; ook de meren in 't Zuiden [Chiemmeer, enz.) hebben moerassige oevers; zij zijn omgeven door woudrijke heuvels.
De „moosequot; zijn veenmoerassen (turfgraverij). De rivieren loopen in het Westelijk deel naar 't Noorden, in het Oostelijk gedeelte buigen ze zich naar 't Noord-Oosten om; de Isar en de Inn zijn vrij goed bevaarbaar.
De bevolking is vrij dun (54 per KM2); vele streken (Augsburg, het Noord-Oosten) zijn echter uitstekend bebouwd (hop, koren); in 't gebergte vee, veeprodukten en hout.
De ligging is bepaald door de wegen uit de Alpen. (Ga dit voor München en Augsburg op de kaart na!).
München (met 406.000 inw.) is de hoofdmarkt voor koren, bezit zeer veel bierbrouwerijen en is een spoorwegmiddelpunt, evenals Augsburg (81.000 inw.; vroeger veel belangrijker), dat katoen-, linnen-, zijde- en machinefabrieken bezit. In 't gebergte: Berchtesgaden en Beichen-hal, zout. Aan het Meer van Constanz het kleine I And an (transito-handel naar Zwitserland); aan den Donau Passau (Donauhandel, scheepsbouw).
§ 114. De Eems ontspringt op het Teutoburgerwoud, loopt langs de Zuidzijde van dit gebergte en buigt zich bij Rheine naar het Noorden. Deze richting behoudt zij tot hare monding in de Noordzee. Bij Rheine is zij reeds voor kleine schepen bevaarbaar; zeeschepen bevaren haar tot Papenburg (reederij). Emd.cn en Leer zijn handelssteden, de uitvoerplaatsen der hier gelegen rijke raarschgronden.
Ill
Langs het midden-gedeelte der rivier liggen woeste zandgronden en venen; kanalen verbinden haar metdeNeder-landsche wateren.
De Eems bovên Eheine doorstroomt het Bekken van Munster of van West falen, den driehoek tus-schen Teutoburgerwoud en Haarstrang, met uitgestrekte heidevelden en dennenbosschen en eene niet dichte bevolking. De voornaamste plaatsen zijn Munster (57.000 inw., fabrieken, handel in hammen), Hamm (25.000 inw.; belangrijk spoorwegmiddelpunt); de belangrijke industriesteden aan den Zuidrand bespraken we reeds.
§ 115. De Wezer. De Wezer ontstaat bij Münden uit de samenvloeiing van 'Werra en Fulda. De Werra ontspringt aan de Zuidzijde van het Thüringerwoud, en wordt bevaarbaar, als zij dit gebergte omgaat; de Fulda komt uit het hart van den floogen Rhön, dien zij ontsluit, stroomt tusschen Rhön en Vogelsberg door en is reeds spoedig door kleine schepen te bevaren; aan haren oever liggen Fulda (middelpunt van wegen) en in eene schoone, doch kleine vlakte Kassei, waar de wegen uit Thüringen en van den Rijn samenkomen (82.000 inw.; schoone omstreken: Wühelmshühe; fabrieken).
Het Thüringerwoud is de Noordwestelijke voortzetting van het Frankenwoud; het helt steil naaide zijde van de Werra; aan den voet liggen Suhl, Schleusingen en Schmalkalden, kleine plaatsen, die de ruwe produkten van het gebergte (ijzer en hout) verwerken; Suhl, de belangrijkste, is door zijne wapens bekend. Het schoone gebergte met zijne heerlijke bosschen wordt jaarlijks door duizenden bezocht.
De Hooge Rhön is aan de zijden met bosch bedekt; de armoedige bevolking teelt aardappelen, verbouwt vlas, weidt schapen op de schrale grasvelden en gaat ter bedevaart naar het klooster op den top van een' der hoogste bergen {Kreusberg, 931 M).
112
De Vuijelsbery, door een smullen, lagen rug met den Rhön verbonden, bestaat evenals deze uit bazalt; hij is moeilijk te bestijgen, daar de dalen niet breed en zeer diep zijn; de hellingen dragen beukenbosschen en weiden; boven verbouwt men aardappelen, haver en vlas. De hoogste top is slechts 772 M.
Met een groot aantal kronkelingen wringt zich de Wezer van Münden af tusschen lage, woudrijke berggroepen door, waarvan de meeste nauwelijks eene hoogte van 400 M bereiken en de Noordelijkste het Wezergebergte is. Dit
gebergte noodzaakt den Wezer naar het Westen om te buigen, tot het hem gelukt door de Weslfaalsche poort de vlakte bij Minden te bereiken.
Evenwijdig aan het Wezergebergte loopt het Teu-toburgerwoud; de toppen van het eerste zijn 300 M, die van het laatste gebergte in 't Westen nog geen 200 M, in 'tOosten 400 M hoog. Tusschen beide ligt eene zeer vruchtbare vlakte met rijke koren-en vlasvelden en met eene dichte bevolking. Bielefeld (48.000 inw.) is de hoofdzetel der belangrijke
113
linneninduötne; hier liijt ook het herlovende, nijvoro Osnabrack ('45.000 inw.).
In de vlakte stroomt de Wezer, sterk kronkelend, Noord-waarts; wanneer hij de Aller opneemt, volgt hij de richting van deze rivier (naar het Noord-Westen), neemt links de Hunte op en stroomt daarna met een breeden mond in zee. Van af Bremen wordt Iiij door vruchtbaar alluvium begeleid.
De Aller ontspringt op een heuvelland ten W. van Maagdenburg, wordt bij Celle bevaarbaar en neemt den Ocker en de Leine op. Aan den Ocker ligt Bruns-wijk (115.000 inw.); waar de Leine bevaarbaar wordt, Hannover (210.000 inw.); spinnerijen en weverijen.
De bevaarbare Hunte komt van het Wezergebergte en stroomt langs Oldenburg, de hoofdstad van het gelijknamige groothertogdom (22.000 inw., handel in paarden, scheepsbouw).
Bremen is eene belangrijke zeehandelsstad met 142.000 inwoners, op hooge gronden aan den Wezer gebouwd. Tot hier zijn de getijden merkbaar, hier begint het lage alluvium. Groote zeeschepen kunnen echter de stad moeilijk bereiken, zij blijven in Bremerhaven en Gcestemünde met hunne voortreffelijke, grootsche havenwerken. Stoomvaartlijnen verbinden Bremen met alle deelen der Aarde; vooral is de handel met Noord-Amerika, Groot-Brittanje, Oostenrijk en Rusland van belang. Invoer van ruwe katoen, tabak, suiker, rijst, thee en petroleum; haring-eu walvischvangst; scheepsbouw. Bremen is de uit- en invoerhaven van het geheele Wezergebied; voor tabak is het de voornaamste invoerplaats van Europa.
§ 116. Tusschen Elbe en Wezer ligt de Lünehurger heide, in het Zuiden heuvelachtig (tot 171 M), in 't Noorden vlak; heidevelden en veenmoerassen strekken zich hier onafzienbaar ver uit en uren in 't rond zijn de kleine, grofwollige „Heidschnuckerquot; de eenige bewoners. Liinchurg, de voornaamste plaats, heeft 21.000 inwoners (zont-bronnen).
Ten Have. Beknopt Leerboek dor Aardrijkskunde. 5e druk. g
114
Zuidelijker ligt de veelbezochte bergklomp de Harz, in het Westen woest en bedekt met dennenbosschen, in het Oosten met liefelijke dalen en lommerrijke beukenbos-schen: het trotsche Bode-dal is de scheiding; de hoogste top is de granietkoepel van den Broeken (1241 M).
Om het gebergte ligt een krans van steden, die bloeien door nijverheid, tuinbouw, hout- en veehandel {Halherstadt, machine-, suiker- en sigarenfabr. ; Quedliriburg, tuinbouw, branderijen; Nordhausen, branderijen, koren); in de dalen oefenen kleinere plaatsen bergbouw uit(Gostor). Bij Stassfurt (zie beneden) liggen kalizouten in den bodem; hiermee worden de landen ten Noorden en Oosten van den Harz bemest, die rijke oogsten van beetwortelen opleveren.
§ 117. De Elbe. De Elbe ontspringt op het Reuzengebergte, een deel der Sudeten, wendt zich aanvankelijk naar het Zuiden, om zich vervolgens, na eene groote bocht gemaakt te hebben, naar het Noord-Westen te keeren. Zij doorbreekt het vulkanische Middelgebergte en baant zich daarna een'•wegtioovhetElbe-zandsteengebergte. Weldra bereikt zij de Germaansche laagvlakte, maakt nog eenmaal eene groote bocht — daartoe genoodzaakt door de water-arme, onvruchtbare en daarom dun bevolkte Flaming, nog geen 100 M hoog — om eindelijk weer naar het Noord-Westen te stroomen en bij Cuxhaven de zee te bereiken. Links heeft zij het water opgenomen van den Moldau, de Eger, de Mulde en de Saaie, rechts van de Havel met de Sjjree.
§ 118. (Zie in den Atlas kaart 23—24). De Sudeten bestaan uit een aantal gebergten. Het Zuidelijk deel draagt den naam Gesenke en is niet hoog, zoodat het het verkeer weinig hindernissen geeft; de Zuidelijkste groep is hei Odergebergte.. Hierop volgen de Eigenlijke Sudeten, een paar ketens van aanzienlijke hoogte (de hoogste top is bijna 1500 M), waarvan de eene den Zuid-Oostrand vormt van den Glatzerbergketel, eene 350 M hooge vlakte, door randgebergten omgeven, alleen aan de Noord-Oostzijde open (hier leidt de Neisse het water naar de Oder vlakte; de vestingen Glatz en Neisse
115
bewaken dezen toegang). Nu volgt het Reuzengebtrgk dat aan de Noordzijde zeer steil helt; de gemiddelde hoogte bedraagt 1300 M, de hoogste top is de Scheeknoppe (1601 M); het dennenwoud reikt tot 1200 M. Naar het Noord-Westen neemt het gebergte in hoogte af tot de breede kloof, waardoor de (Görlitzer) Ncisse stroomt en die het Lausitzer bergland van het Reuzengebergte scheidt (hierin ligt de belangrijke Boheemsche fabrieksstad Rei-chenberg).
Tusschen het Reuzengebergte en den Glatzer hergketel leidt de Inzinking van Landshut van Bohemen naar Silezië; een weg, die vooral ook van belang is voor het vervoer van steenkolen uit het bekken van Waldenburg.
§ 119. Het Ertsgebergte wordt aan zijne Zuidzijde begeleid door het Egerdal, waarnaar het steil daalt. De hoogste top is 1238 M. Hoewel de naam reeds aanduidt, dat hier ertsen worden gevonden (zilver, lood, tin), en vele steden aan de aanwezigheid van mineralen dan ook haar ontstaan verschuldigd zijn, is toch de productie in de laatste jaren sterk afgenomen en de industrie in de plaats van den bergbouw getreden {Annaberg, kanten, zijde). Freiberg is echter nog altijd door zijne zilvergroeven en zijne bergakademie van belang (28.000 inw.). Aan den voet van het eigenlijke gebergte (dat door steeds lager wordende berglandschappen in de Saksische vlakte overgaat) liggen rijke lagen steenkolen en erts. Hier vinden we dan ook een groot aantal fabriekssteden: Chemnitz (160.000inw.), Zwickau (44,000 inw.), Plauen (quot;gt;quot;;.000 inw.), Glauchau (23.000 inw.). Zwickau levende meeste steenkolen; Chemnitz is de le, Grlauchau de 2® fabrieksstad des lands. Het heuvelland en de vlakte zijn uitstekend bebouwd; hier liggen o. a. Leipzig en Meissen, beide omgeven door korenvelden; Meissen levert bovendien veel ooft. Leipzig (met de voorsteden 400.000 inw.) heeft nog steeds belangrijke „missenquot;; de jaarlijksche omzet op deze markten wordt geschat op 500 a 600 millioen gulden; eerste markt der wereld voor pelswerk; middelpunt van den boekhandel;
117
in de omatrekeu schapenteelt; de eerste markt voor wol is echter Meerane (22.000 inw.); de Saksische merino's zijn beroemd. Meissen levert het 5Saksisch porseleinquot;; Plauen is door zijne ijzer- en katoenfabrieken bekend.
§ 120. Als de Elbe door het Zandsteengebergte zich een' weg gebaand heeft (het water spoelde hier de zachtere gedeelten weg, de hardere bleven in de zonderlingste vormen staan), verwijdt haar dal zich. Dresden (834.000 inw.), Saksen's hoofdstad, met zijne kunstschatten en aangename
omgeving, ligt als 't ware in een lang bekken, daar Noordelijker de bergen weder tot den oever der rivier treden. Boven Wittenberg buigt deze zich naar het Westen en neemt links de Mulde en de Saaie op.
De Mulde, ontstaan uit de Freiberger en Zivlckauer Mulde, die op het Ertsgebergte ontspringen en langs de steden stroomen, waaraan zij hare namen out-leenen, bereikt beneden Lessau de Elbe.
118
De Saaie ontspringt op het Fichtelgebergte, en loopt ongeveer evenwijdig aan de Mulde langs Halle (116.000 inw.; zoutwerken, fabrieken). Aan hare linkerzijde ontvangt de Saaie het water van het Thüringerwoud, den Harz en de tusschon deze beide gelegen berglanden en vlakten. Aan de Gera, een' tak van de Unsirut, ligt Erfurt (73.000 inw.), het middelpunt van de beroemde Thüringsche bloem-kweekerij en den tuinbouw; ten Westen van deze plaats ligt Gotha (32.000 inw.), de eerste stad dei-wereld voor landkaarten. — Het water van den Harz bereikt de Saaie door de Bode (zie bl. 114).
Ten Zuiden van den Harz gelegen, dankt de Goldene Aue haren naam aan de gouden korenvelden.
Bij Maagdenburg buigt zich de Elbe naar het Noorden. Deze plaats, op hooge gronden gebouwd, telt met hare belangrijke, nijvere voorsteden 205.000 inwoners. De ge-heele streek tusschen Maagdenburg en Halle is met fabrieken voor beetwortelsuiker en cichorei overdekt, tal van mijnen leveren hier zout, zoodat de kleine plaatsen ras tot belangrijke steden wassen {Stassfurt, keukenzout, kali-zouten, enz.; chemische fabrieken; Schönebeck, salinen). De aanwezigheid van bruinkolen werkt gunstig op de industrie. De grond is vruchtbaar en levert vooral beetwortelen; als uiterst vruchtbaar staan de Maagdenburger Bürde békend: de streek langs den linkeroever der Elbe bij Maagdenburg.
§ 121. Rechts neemt de Elbe de Havel op en de richting van dezen stroom aan tot haren mond.
De Havel ontspringt uit een merenstelsel op het Mecklenburgsche merenplateau, eene geringe verheffing van den bodem, waarvan slechts een gedeelte de hoogte van 100 M bereikt. Zij stroomt naar het Zuiden tot zij de Spree opneemt; dan wendt zij zich naar het Westen en loopt in de Elbe uit. Hare oevers zijn ten deele moerassig, evenals die van de Spree. Deze ontspringt op het Lausitzer bergland en stroomt met groote bochten Noordwaarts.
119
Du Havel is met de Oder verbonden door het Finoivkanaal, de Spree door het Friedrich- Wilhelm's kanaal. Het zoogenaamde Plauensche kanaal verbindt de Midden-Havel met de Elbe.
Waar de Spree een eilandje vormde, waar heuvels de rivier versmalden, en een' overtocht gemakkelijk maakten, daar ontstond reeds in ouden tijd een dorp van visschers, molenaars, enz. Dat dorp, hoewel in eene moerassige en zandige landstreek gelegen, was het middelpunt van Brandenburg; achtereenvolgens vergrootten het tal van vorsten, die tevens de omstreken deden bevolken; het lag in het midden van den grooten handelsweg Boven-Oder—Spree—Havel—Beneden Elbe; naar het Noorden was de Havel, naar het Zuiden de Spree bevaarbaar, de waterwegen van Saksen naarPommeren (Stettin), van het Oosten naar het quot;Westen, liepen over deze plaats, die bovendien het middelpunt vormde der geheele Noordduitsche vlakte. Zoo had Berlijn in zijne ligging de voorwaarden voor eene verbazende ontwikkeling; vele steden vervielen, als de vorsten, die haar tot grootheid brachten, waren heengegaan; Berlijn kon een gelijk lot ontgaan door zijne uiterst gunstige ligging. Vooral in'de laatste jaren breidt de stad zich sterk uit. Ruim eene eeuw geleden had zij 100.000 inwoners, thans 1,7 millioen. Als de draden van een spinneweb komen de spoorwegen te Berlijn samen. De industrie is sterk ontwikkeld ; in 't bijzonder verdient de machinebouw vermelding (fabr. van Börsig); voor koren, spiritus en wol is Berlijn een hoofdmarkt, voor wol de belangrijkste van Europa.
Ten Westen van B. ligt Charlottenburg (132.000 inw.) Aan de Havel: Potsdam (58.000inw., textiel-industrie) en Brandenburg (43.000 inw.).
§ 122. Evenals Berlijn ontstond ook Hamburg, waar eene rivier zich splitst, waar de overtocht gemakkelijk
120
is; evenals bij Breinen ligt de oude kern der stad op eene hoogte en op eenigen afstand van de zee, zóó, dat ook de grootste schepen hier kunnen komen. Hamburg is de grootste handelshaven van Duitschland; stoomvaartlijnen verbinden de stad met alle belangrijke havens der wereld. Het sterkst wordt gehandeld met Groot-Brittanje en Amerika. Invoer: katoen, wol, koloniale waren (vooral koffie), zijde, guano, huiden, enz. Met de voorsteden 680.000 inw. Altona heeft 149.000 inw.
Eene voorhaven is Ouxhaven, dat voornamelijk in den winter dienst doet, als de haven van Hamburg dichtgevroren is. Met Harburg (tegenover Hamburg) is zij door een' spoorweg verbonden.
De Vierlanden leveren ooft en groenten, ten behoeve der stad.
§ 123. De Oder. Deze ontspringt op het Odergeheryte (zie bl. 114), stroomt tusschen de Karpathen en de Sudeten door (de Moravische poort), buigt zich om en stroomt naar het Noord-Westen.
De groote weg van Duitschland over Weencn naar de Adriatische zee loopt van het Oderdal door de Moravische poort in het dal der March. Vandaar dat deze „poortquot; ook in de geschiedenis.zulk eene groote rol speelt, en dat sterke vestingen ter harer verdediging waren aangelegd.
Het stroomgebied van de Boven-Oder is Silesië, een der rijkste en nijverste deelen van Duitschland, met bloeienden landbouw, belangrijken bergbouw en hoogontwikkelde industrie. Aan de linkerzijde van de Oder verheffen zich de Sudeten; van deze ontvangt zij de Neme, die het water van den Glatzer bergketel afvoert en de Bober, die op het Eeu zengebergte ontspringt.
Tusschen de voorgebergten liggen: Schweidnitz (24.000 inw.; wolfabrieken, koren- en veehandel), Neisse (22.000 inw., fabrieken en handel) en het kolenbekken van Waldenburg.
Aan de rechterzijde der rivier ligt het Tarnowitzer
121
plateau, een deel van het Silezisch-Poohch plateau, dat den linkeroever van den Boven-Weichsel begeleidt. Dit plateau is rijk aan steenkolen, ijzer, zink en lood. Geen wonder, dat hier eene belangrijke fabrieksstreek ontstond; vooral in de laatste jaren ontwikkelde zich eene levendige industrie; Königshntte groeide in dertig jaren van een dorpje met 700 inwoners tot eene stad met 45.000 zielen, Beuthen (42.000 inw.) wies bijna even snel-, als derde moet Gleiwitz genoemd worden. De hoogvlakte is thans overdekt met bloeiende plaatsen.
In 't midden van het vruchtbare dal (verbouw van beetwortels, vlas, cichorei, enz.), op de plaats waar de weg uit Bohemen de Oder bereikt (inzinking van Landshut), ligt Breslau (375.000 inw.), belangrijk als handels- en fabrieksstad (beetwortelsuiker); daar in Silezië de veeteelt zich vooral ook op schapen toelegt, is Breslau eene dei-voornaamste wolmarkten geworden.
§ 124. Waar de Oder de Görlitser Neisse opneemt (hieraan het nijvere Görlitz met 62.000 inw.) wendt zij zich naar het Noorden en stroomt langs Frankfort (59.000 inw.; handelsstad met drie missen; levendige handelsplaats, in 't bijzonder voor het verkeer met Rusland) naar Küstrin (vesting), waar de even waterrijke Wart he in haar uitloopt.
De Warthe ontspringt op het Tarnowitzer plateau en stroomt met twee groote bochten naar het Noord-Westen. Hare oevers zijn grootendeels moerassig, evenals die van hare rechter-zijrivier de Netze (turf; weide, veeteelt). Het Bromberger kanaal verbindt deze laatste met den Weichsel; de scheepvaartweg van het Oosten naar het Westen is dus: Weichsel — Bromberger kanaal — Netze — Warthe — Oder — Priedrich-Wilhelm's kanaal — Spree — Havel — Elbe.
Het Netze-dal is de moerassige strook langs den Zuidrand van het Pommersche merenplateau. De groote weg loopt dan ook over het plateau, onmid-
i '5
i
Ui Jri
s
Jl
ï
ra?quot; |'!j c '■
/
122
(Jellijk bij den Zuidrand. De hoogvlakte stijgt in 't Noord-Oosten tot boven 300 M, maar bereikt in het Zuiden en Westen nog niet de hoogte van 150 M.
Het stroomgebied van de Warthe is vrij vlak en vruchtbaar; landbouw en veeteelt zijn hoofdzaak; industrie vindt men hier weinig. Posen (73.000 inw.), de hoofdstad der gelijknamige provincie, is eene vesting tegen Rusland; spoorwegmiddelpunt, fabrieken. Bromberg (46,000 inw.) is de voornaamste handelsstad (hout, koren).
Het Pommersche plateau noodzaakt de Oder zich bij Kilstrin Westwaarts te wenden. Reeds spoedig echter breekt zij er door en bereikt de kustvlakte bij Stettin. Ten Noorden van deze plaats stort zij zich in het Stet-tiner haff, dat uit twee deelen bestaat (het Kleine en het Groote haff) en door twee eilanden (Use dom en Wollin) van de zee gescheiden is. (Drie uitgangen: Peene, Swine en Dievenow: de laatste verzandt, de Swine is tegenwoordig de meest gebruikte; ook de Peene is bevaarbaar). Naar de zeezijde zijn de eilanden met bosch bedekt en vindt men plaatsjes, die in den zomer veel bezocht worden door hen, die van de frissche zeelucht willen genieten.
Stettin (140.000 inw.) is de uitvoerplaats van een groot deel van Duitschland (Brandenburg, Posen, zelfs Silezië); uitvoer van koren, zink en hout; reederij en scheepstimmerwerven. Voorhaven is Swinemünde, eene sterk bevestigde oorlogshaven voor de Duitsche vloot.
Aan de Pommersche kust liggen een aantal steden, wier inwoners hun bestaan vinden in de zeevaart en de visscherij (Stralsund, 30.000 inw.; zeevaart op Zweden).
§ 125. De Weichsel ontspringt op de Karpathen en wordt door het Silesisch-Poolsch plateau genoodzaakt zich naar het Oosten te wenden. Hij stroomt langs den Zuidrand van dit plateau en ontvangt links en rechts zijrivieren. Als hij zich naar het Noorden gewend heeft, bereikt hij de Sarmatische laagvlakte en neemt beneden Warschau
123
zijne voornaamste zijrivier, de Boiy, op. Nu verandert hij van richting: hij stroomt naar het Noord-Westen doorliet vruchtbare Kujawien (tarwe) tot Bromberg, waar het breede dal tusschen de hoogvlakten van Pommeren en Oost-Pruisen begint, door hetwelk hij zich naar de Oostzee wendt. Een arm, de Nogat, loopt ten Noord-Westen van Elhing in het Frisehe half; de Weichsel zelf verdeelt zich in twee armen, waarvan de een zich ook in het Frisehe haft' stort, de andere in de Danziger bocht uitloopt. Men is bezig den Weichsel recht naar zee te leiden en de armen af te sluiten.
Danzig (126.000 inw.) is Pruisens tweede zeehandelsstad; het hout-en korenrijke stroomgebied van den Weichsel vormt het achterland; het is de uitvoerhaven voor hout uit Galicië en Polen naar Engeland; handel in barnsteen. De haven van Danzig is Neufahrwasser; uitvoer van beetwortelsuiker.
Elbing heeft 46.000 inw.; industrie, handel, scheepsbouw.
§ 126. In het Frisehe haff loopt ook de Pregel uit, die in de meren van het Oostpruisische plateau ontspringt. Zijn stroomgebied is vrij vruchtbaar; industrie vindt men hier weinig. De rivier is bevaarbaar; dicht bij den mond ligt Koningsbergen (172.000 inw.; handel op de havens van de Oost- en de Noordzee; uitvoer van koren en hout, vlas en hennep; wolmarkt).
De Njemen of Memel ontspringt in Eusland en loopt in het Koerische haff uit. Aan haar ligt Tilsit, Noordelijker, aan liet nauwe kanaal, dat het Koerische haff verbindt met de Oostzee, Memel (beide 23.000 inw. en met handel in hout en koren). Tusschen de haffen ligt Samhmd (barnsteenvisscherij; jaarlijksche productie voor f 500.000).
§ 127. De Kusten. De kust van de Noordzee komt met die van onze provinciën Groningen en Friesland overeen: eilanden, wadden (bij ebbe droog), dijken, vruchtbare kleigronden (marschlanden). De eilanden ondersdieidt men in Oostfriesche en Noordfriesche; tusschen beide groepen ligt Helgoland.
124
Tot de Oostfriesche behoort Norderney (badplaats). Dc Noordfriesche liggen voor de Westkust van Sleeswijk-Holstein.
Inhammen zijn de monden van Earns, Wezer en Elbe, alsmede de Jahde, waaraan Pruisen de sterke oorlogshaven Wilhelmshaven bouwde (16.000 inw.)
De kusten der Oostzee zijn minder vruchtbaar en daarom minder bevolkt; zii liggen ook niet zoo gunstig voor het wereldverkeer, als die der Noordzee; deze worden echter in natuurschoon door gene overtrotten. Eigenaardig is de haffvorming. De haffen zijn door duinendragende landtongen, in elk van welke een of meer openingen zijn, welke nehrungen genoemd worden, van de zee gescheiden. Daar rivieren in de haffen uitloopen, is het water brak. Golven zijn die van Kiel, van Mecklenburg, van I'ommeren en van Danzig. Voor de kust liggen de eilanden Fehmurn en het schoone Riigen met de bekende Stubbenkammer (steile krijtkust).
De Oostzeehavens zijn van minder belang dan Hamburg en Bremen. Toch zijn Stettin, Danzig en Koningsbergen gewichtig. Tal van kleinere steden, kustplaatsen, houden zich bezig met den handel op de Oostzee en de visscherij. Lübeok, in de Middeleeuwen eene rijke handelsstad, de bakermat en de hoofdzetel der machtige Hanze, wier afgevaardigden hier bijeenkwamen, heeft thans nog 70.000 inw. en bepaalt zich tot den Oostzeehandel. Voorhaven is het voor de grootste schepen toegankelijke Travemilnde; toch kunnen ook diepgaande schepen Lübeck bereiken. Kiel is eene belangrijke oorlogshaven, visscherij, handel (86.000 inw.). Noordelijker ligt Flensburg (41.000 inw.; zeehandel).
Noord- en Oostzee zijn verbonden door het Keizer Wilhelmskanaal (Nooi'd-Oostzee kano al), dat van den Elbe-mond (Brunsbuttel) naar de Golf van Kiel leidt en voor groote schepen bevaarbaar is.
§ 128. De Germaansche laagvlakte is over 't geheel niet bijzonder vruchtbaar; als zeer vruchtbare landstreken moeten genoemd worden: enkele streken aan den
125
llijn, de oinatroken v;ui Maagdenburg, do streken tuin den quot;VVeichselinoud, de zeekleigronden langs de Noordzee.
Hoewel vele streken onvruchtbaar zijn (Lüneburger heide), zoo levert toch slechts G% van den bodem niets op. Ongeveer de helft is bouwland, Vs weiland en Vi bosch. Rogge is liet hoofdprodukt van den landbouw in het Noorden; daar verbouwt men ook haver. Gerst, tarwe en spelt moet men in 't Zuiden zoeken, waar de grond in 't algemeen van beter hoedanigheid is; spelt is het broodkoren in Wurtemberg en Baden. Gerst en hop zijn de grondstoffen voor de bierbrouwerijen van Beieren. Beetwortels noemden we reeds vroeger (Silezië en Maagdenburg; suikerfabrieken). Bijna overal verbouwt men aardappelen. Wijnbouw in de dalen van Zuid-Duitschland. Uitstekende paarden bezitten Oost-Pruisen (Trakehnen), Mecklenburg, Holstein en Oldenburg; op de vruchtbare marschgronden langs de Noordzee, aan den voet van den Harz en in Silezië grazen duizenden runderen; vooral in Saksen, Thüringen en in Silezië vindt men schapen. De varkensteelt is van veel belang, evenals die van geiten in 't gebergte.
§ 129. Onder Duitschlands minerale schatten staan de steenkolen bovenaan. Duitschland produceert meer kolen, dan het noodig heeft. De gewichtigste kolenbekkens zijn
1. het Bovensilesische (Königshütte).
2. het Benedensüesischc (Waldenburg).
3. het Saksische (Zwickau).
4. het Saarbekken.
5. het Enhrhekken.
De twee eerste bekkens zenden ook kolen naar Rusland en Oostenrijk, 4 zendt kolen naar den Elzas, Zuid-Duitscii-land en Frankrijk, 5 naar Nederland. De Zwickauer kolen worden alleen in Duitschland gebruikt.
Ijzerertsen vindt men in de industriestreken aan de Eulrr en de Saar; voorts in Silezië, in Saksen, enz. Zij hebben vooral waarde, omdat ze in de nabijheid der kolenmijnen liggen. Zink levert het Tarnowitzer plateau (Beuthen),
I 126
lood hot Ertsgebergte en Ue Hars, koper de Hars, zilver Saksen (Freiberg). Aanzienlijke zouthxgen vindt men in de prov. Saksen (Stassfurt), in Anhalt, in Zuid-Beieren, enz.
§ 130. De Duitschers behooren tot de Germanen. In 't Oosten des lands komen nog vele Slaven voor; Posen heeft grootendeels eene Poolsche (Slavische) bevolking; in de Middeleeuwen heerschten ze tot aan de Elbe, langzamerhand werden ze teruggedrongen naar het Oosten.
In Noord-Duitschland is het grootste deel der bevolking Protestantsch, in Zuid-Duitschland Roomsch-Katholiek.
De gemiddelde bevolkingsdichtheid bedraagt 91 inw. per KM3. Het dichtst bevolkt zijn de industriestreken van Midden-Duitschland en den Riin. Noord-Duitschland is het minst bevolkt.
§ 131. Overzicht der steden, gerangschikt naar de staatkundige indeeling. 1)
Pruisen (348.000 KM2, 31.600.000 inw.).
a. Oost-Pruisen (vruchtbaar langs de zee en de rivieren ; paardenfokkerij): Koningsbergen, Tilsit, Memel.
b. West-Pruisen (vruchtbaarder, vooral aan den Weich-selrnond): Danzig, Neufahrwasser, Elbing.
c. Posen (vrij vruchtbaar, landbouw en veeteelt): Posen Bromberg.
d. Silezië (het Oderdal vruchtbaar; rijk aan steenkolen en ertsen; fabrieken en handel); Breslau, Schweidnitz Waldenburg, Görlitz, Glatz, Beuthen, Königshütte.
e. Pommeren (tendeele vruchtbaar; weinig industrie; zeehandel en visscherij; schapenteelt): Stettin, Swine-münde, Stralsund.
f. Brandenburg (zandig, maar ook met vruchtbare streken, b.v. het N.-O.; handel en industrie zeer be-langrijk): Berlijn, Potsdam, Brandenburg, Frankfort, Kflstrin.
r
g. Saksen (vele woeste streken, maar ook zeer vruchtbare, b.v. Thüringen en de omstreken van Maagdenburg;
1) De namen van steden met meer Jan 100.000 inw. zijn gespatieerd.
127
rijk aim zout; suikerfabrieken, enz.): Maagdenburg, Stassfurt, Hal le, Erfurt, Nordhausen.
h. Hannover (Lüneburger heide, moerassen en zandvlakten ; de marschgronden zijn zeer vruchtbaar); Hannover, Osnabrück, Emden, Leer, Papenburg, Geile, Geestemünde, Wilhelmshaven, Harburg.
i. Sleeswijk-Holstein (aan de kusten vruchtbaar, in 't midden niet: landbouw en veeteelt): Altona, Kiel, Flensburg.
k. West falen (in 't Noord-Westen dor, langs de Lippe en in 't Noord-Oosten vruchtbaar ; nijverheid zeer ontwikkeld): Munster, Bielefeld, Boehum, Dortmund.
1. Rijnprovincie (over 't geheel vruchtbaar en goed bebouwd; Eifel zeer dor): Keulen, Dn ss el dor f, Solingen, Remscheid, Eiber feld-B arm en. Essen, Ruhrort, Wezel, Emmerik, Kleef, Krefold, Gladbach, Aken, Bonn, Koblenz, Saarbrücken.
m. Hessen-Nassau (vooral het Oostelijk deel is onvruchtbaar; in 't Zuid-Westen ligt de Rheingau): Kassei, Frankfort a/d Main, Wiesbaden, Homburg.
n. het district Sigmaringen.
Saksen (ertsen, steenkolen; fabrieken; landbouw en veeteelt in 't Noorden, — schapen): Dresden, Leipzig, Chemnitz, Freiberg, Zwickau, Plauen, Meissen, Zittau, Annaberg.
De Thuringsche staten (vooral nijverheid en tuinbouw): Weimar, Gotha.
Anhalt (vruchtbaar, beetwortel-suikerfabrieken, zouten).
Brunswijk (vrij goed bebouwd, industrie bij denHarz): B r u n s w ij k.
Waldeck (woudrijk; hoofdzaak landbouw): Pyrmont (badplaats).
Mecklenburg (ten deele vruchtbaar, landbouw en veeteelt): Rostock.
Oldenburg (aan de kust vruchtbare kleigrond; overigens heide en veen): Oldenburg.
Hamburg.
128
Bremen.
Lubeck.
Baden (wijn, hout; veeteelt): Karsrulie, Mannheim, Heidelberg, Pforzheim, Baden, Freiburg, Gonstanz.
Wurtemberg (het vruchtbare Neckardal in 't Noord-Westen; de Jura is onvruchtbaar; landbouw hoofdzaak); Stuttgart, Heilbronn, Ulm.
Beieren (2 deelen: het eig. Beieren en de Rijn-Pfalz; landbouw, veeteelt in 't Zuiden; bierbrouwerijen); M ü n-chen, Augsburg, Lindau, Berchtesgaden, Reichenhall, Neurenberg, Furth, Erlangen, Bamberg, Wiirzburg.
In de Pfalz; Spiers.
Hessen (het Noordelijk deel is de onvruchtbare Vogels-berg; wijnen, ooft): Darmstadt, Mainz.
Elzas-Iiotharmgen (land- en wijnbouw, industrie): Straatsburg, Mühlhausen, Metz.
V. Oostenrijk-Hongarije.
(625.000 KM3; 41,250.000 inw.)
§ 132. Het keizerrijk Oostenrijk-Hongarije bestaat uit de volgende deelen ;
Soheinen, Movovië, Silesi#, Gulicië, Oostenrijk, Silzhuvg, Tirol en Vorarlberg, Stiermarken, Karinthié, Krain, Kustland (Istrië, enz.), Dalmatië (Oostenrijksche landen), Hongarije, Zevenbergen, Kroatië-S'.avonië (Hongaarsehelanden).
Oost.-Hong. noemt men wel eens den Donaustaat. Gelegen tusschen de minder beschaafde landen van het Oosten en Zuid-Oosten en de meer ontwikkelde van het Westen, is het voor den doorvoerhandel van veel gewicht (ruwe produkten van het Oosten naar het Westen; fabrikaten in tegenovergestelde richting). Het fabriekswezen is vooral in het Westelijk deel der monarchie tot eene groote hoogte gestegen; daarom is de binnenhandel van veel beteekenis. Doch de „Donaustaatquot; beheerscht den mond van den Donau niet en bezit slechts eene kleine
129
zeokuat, die wel goede havens heeft, maur die unn is aan produkten.
§ 133. Op Bohemen, Silezië, Galicie, Zuid-Tirol en Vorarl-berg na, behoort het geheele rijk tot het stroomgebied van den Donau. Deze betreedt beneden Passau den Oost.-Hong. bodem. Van hier tot dicht bil Weenen begrenzen bergstreken zijne oevers en slechts zelden verwijdt zijn dal zich tot eene kleine vlakte. Aan zijne rechterzijde ontvangt hij de Inn met de Salzach en de Enns.
Boven Weenen begint de Vlakte van Weenen, die zich naar het Noorden langs de March voortzet, de rivier wier dal den grooten weg naar Silezië vormt. Bij Presburg, waar de Karpathen aan de linkerzijde tot de rivier zich voortzetten, betreedt deze de Kleine Hongaarsche vlakte, en neemt links de Waag en de Gran, rechts de Leitha en de Raab op. Alsnu baant de Donau zich een' weg tusschen het Bukonyivoud en het Ncograder gebergte door. Bij Waitzen buigt hij zich om en doorstroomt van het Noorden naar het Zuiden de Grcote Hongaarsche vlakte. Hier ontvangt hij rechts de Drau en de Sau, links de Theiss. Nadat hij de Sau heeft opgenomen vormt hij de grens tusschen Servië en Oostenrijk-Hongarije, tot hij bij de IJzeren Poort voor goed den O.-H. bodem verlaat.
§ 134. Oostenrijk en Moravië. Bij Linz (43.000 inw.) bereiken de spoorweg uit Bohemen en die uit de Alpen den Donau; Linz is daardoor eene stapelplaats, vooral voor de Donauscheepvaart. Naar het Zuiden loopt het dal der Enns tot diep in de Alpen; hierin ligt Steyr met talrijke fabrieken voor ijzer- en staalwaren.
De Vlakte van Weenen zet zich naar het Zuiden voort tusschen het Weener ivoud en het kleine Leitha-gebergte tot Wiener Nemtadt (25.000 inw.; vele fabrieken).
Moravië wordt aan de Westzijde door den Momvischen landrug, aan de Oostzijde door de Kleine Karpathen begrensd. Dicht langs het laatste gebergte loopt het dal
Ten Have, Beknopt Leerboek der Aardrijkskunde. 5o druk. o
!
i
131
der Beneden-Mardi. De March ontspringt op do Sudeten en ontvangt van den Moravischen landrug tal van rivieren. De Moravische vlakte is voortreffelijk bebouwd (aardappelen, haver, gerst, beetwortels, vlas, enz.); de bergbouw is belangrijk (delfstoffen; ijzer en steenkolen), de industrie (wol) zeer ontwikkeld.
Aan de March zelf ligt Olmütz (20.000 inw.), aan de zijrivieren liggen de hoofdstad Brünn (94.000 inw.; wol-en katoenfabrieken, steenkolen bij de stad), en het nijvere Iglau (25.000 inw., wolfabrieken).
De Vlakte van Weenen bestaat ten deele uit vruchtbaar alluvium en dit gedeelte is de korenschuur van Weenen.
§ 435 Met zijne voorsteden heeft Weenen 1.530.000 inwoners. Ruim een kwart eeuw geleden werd een aanvang gemaakt met de slooping der vestingwerken. De wallen en bolwerken werden herschapen in breede singels, die eene rechtstreeksche verbinding vormen tusschen de eigenlijke stad en de voorsteden. In de binnenstad oude paleizen, prachtig gebeeldhouwd, maar door den tijd zwart gekleurd; langs de singels en in de aangrenzende straten weelderig rijke, moderne gebouwen, die aan de stad een grootsch, monumentaal karakter geven; — ziedaar eene tegenstelling, die dadelijk in het oog valt. Het brand- en middelpunt der geheele stad is de toren van Sint-Stefanus. Eene beroemde wandelplaats is het prachtige park, de Prater, dat zich tusschen den Donau-arm en de eigenlijke rivier uitstrekt, met heerlijke lanen en dichte schilderachtige boschpartijen.
Als handels- en fabrieksstad is Weenen van veel belang. De industrie houdt zich bezig met de vervaardiging van zijden, katoenen en wollen stoffen, tapijten, goud-, zilver en metaalwaren en artikelen van weelde; vooral van de laatste is de uitvoer gewichtig. Spoorwegen loopen naar alle zijden en verdeelen zich in de verschillendelanden, zoodat het eigenlijke centrum Weenen is; de Semmeringbaan leidt naar Triest en Venetië; honderden stoombooten bevaren den Donau.
132
§ 13ti. Letten we op de geographische ligging van Wee-nen, dan wordt het ons duidelijk, dat hier eene belangrijke stad moest ontstaan. Gaan we dit in 'tkort na. Vier wegen komen hier samen. 1. In 't Westen de Boven-Donau, van Weenen tot dicht bij den oorsprong, die Beieren en Zwaben met Weenen verbindt. Tot in het Weener bekken heeft de Donau hetzelfde karakter; daar begint hij langzamer te stroomen. Met het water komen de schepen van Ulm en andere Donauhavens in snelle vaart, en loopen in het Weener bekken als in eene rustige haven; daar ze den stroom niet kunnen opvaren, worden ze licht gebouwd en evenals hunne lading te Weenen verkocht. Beneden Weenen bevaren grootere schepen de rivier; eene overlading der waren heeft dus in deze stad plaats. 2. De Beneden-Donau tot de Zwarte zee. 3. Het Marchdal is vanouds de groote weg geweest naar het Oder- en het Weichsel-gebied. De Moravische poort liet hier een hoogst belangrijk verkeer toe. Vooral was deze weg van belang in verband met: 4. den weg naar de Adriatische zee. Uit het gebied van den Boven-Donau was gemakkelijk van Weenen uit de Middellandsche zee te bereiken, die hier een' arm ver naar 't Noorden strekt. Tusschen den Noordhoek der Adriatische zee en den Donau, waar deze reeds goed bevaarbaar is, blijft een afstand van ruim 50 uren. In de nabijheid van Weenen is de afstand tot het Donaubekken het geringst, hier is ook het punt, waar de Adriatische weg zijne voortzetting naar het Noorden vindt. Beeds vroeg liepen wegen van Weenen naar 't Zuiden. Men noemde ze „Venetiaansche wegenquot;, doch de naam ging verloren, toen Venetië achteruit ging — en sedert Weenen zich eene voorhaven schiep in Triest en het met deze plaats door een' spoorweg verbonden werd, spreekt men van de „Triësterbaanquot; (Semmering). — We kunnen dus zeggen: Weenen is het kruispunt van twee groote, door de natuur aangelegde, hoogst belangrijke handelswegen, die in het Weener bekken elkander ongeveer onder een rechten hoek snijden.
-
133
§ 137. De Karpathen. Zevenburgen. Bij Presburg begint de rij gebergten, die in een grooten boog tot de 1 IJzeren Poort loopen. De Kleine Karpathen zijn nauwe
lijks 600 M hoog; in 't Noorden sluiten zich AeWest-Bes-kiden aan, over welke de Jnhlunka-pas in het Oderdal voert en de nijvere districten van Noord-Hongarije met Silezië verbindt; hier ontspringt de Weichsd.
Zuidelijker ligt de machtige Tatra-groep, een door rivierdalen omgeven gebergte, dat in den Gerlsdorfer spits eene hoogte van 2663 M bereikt. Naar het Oosten liggen de Oost-Beskiden, nauwelijks 1000 M hoog. Hieraan sluit zich het Karpatiseh woudgebergte, dat toppen tot 2000 M heeft en welks kam zelden beneden 1000 M daalt. De overgangen zijn niet talrijk (spoorweg Mnnkatz-Lemberg; over de Oost-Beskiden loopen reeds drie spoorwegen). De breedte van het gebergte bedraagt 10 uren. } Evenals Bohemen is Zevenburgen aan alle zijden door
gebergten omringd. In 't Oosten en 't Zuiden loopen de Karpathen, die in 't Zuiden den naam van TranssylvanïscJie Alpen dragen. Hier en in 'tOosten bestaan de Karpathen uit woeste gebergten, wier toppen soms meer dan 2500 M. hoogte bereiken. Aan de Westzijde ligt het Zeven-burgsche Ertsgebergte tusschen de dalen van Szamos en Maros; in het middelste deel is het rijk aan goud en andere ertsen en aan zout. Het Hoogland van Zevenburgen is eene door heuvelrijen afgebrokene vlakte van 500 M hoogte, besproeid door Maros, Aloeta en Szamos. De Aloeta ontspringt op de Oostelijke Karpathen en stroomt tusschen deze en de machtige voorgebergten door; in eene kleine vlakte ligt Kroonstadt (30.000), in eene andere Hermannstadt (20.000), beide niet ver van de rivier, beide aan wegen over het gebergte. De Aloeta doorbreekt de Transsylvanische Alpen (Roode toren-pas) en bereikt dan de Vlakte van Walachyje. Zevenburgen heeft een klimaat als Duitschland; door den minderen invloed der zee zijn de zomers warmer en gedijt de wijnstok er zeer goed.
131
In 't Zuid-Westen ligt het niet hoogo Bunuter bergland, rijk aan ertsen en steenkolen, en waarin Mehadia eene belangrijke badplaats voor Oost-Europa is (Herculesbaden; „een paradijs in de ■wildernisquot;).
§ 138. Ten Zuiden van den Tatra ligt het Hongaarsche Ertsgebergte, dat bestaat uit een aantal ketens, die in verschillende richtingen loopen en waarvan alleen de Noordelijke nog boven 2000 M stijgt. De ketens zijn gescheiden door de dalen van Wang, Gran, enz. Het d;il van den Gran is rijk aan ertsen: ijzer, zilver, lood, goud; vandaar fabrieken te Schemni/z (23.000 inw.), Neusnhl (17.000) en Kremmtz (8.500). „Kremnitz heeft muren van goud, Schemnitz van zilver, Neusohl van koperquot;, heette het vroeger. Thans echter is S. verreweg van het meeste belang.
In het dal der Hernad, aan wier linkerzijde een vulkanisch gebergte ligt, dat met wijngaarden bedekt is, vormt Kaschau (29.000 inw.) een middelpunt van verkeer en handel.
§ 139. De Kleine Hongaarsehe vlakte. De üonau splitst zich in deze vlakte herhaaldelijk en doet talrijke eilanden ontstaan, wier vorm en aantal telkens veranderen. Twee hoofdeilanden blijven echter bestaan: Groot en Klein Schült, beide met rijke tuinen, waaruit Weenen voorzien wordt. Dé vlakte is ten Noorden van den Donau uitstekend bebouwd, de uiterst vruchtbare dalen van de Waag en den Gran dringen tot ver in 'tgebergte; hier liggen tal van bloeiende dorpen en stadjes. Ten Zuiden der rivier echter is de bodem op de meeste plaatsen moerassig (Hansacj-moeras ten Oosten van het merkwaardige Neusiedler meer); kudden vee grazen op de uitgestrekte weigronden; maaide vlakte is bijna onbewoond. Het heuvelland daarentegen, dat de overgang naar de Alpen vormt, is vruchtbaar en dicht bevolkt. Het Bakonywoud (700 M), met zijne eikenwouden en zijne met wijngaarden bezaaide heuvels aan de ZuiAzijde, vormt met het Neoyradergebergte
13')
(lüOü M, ook wijnbouw) de grens tussdien de Hongaarsche vlakten.
§ 141. Da Groote Hongaarsche vlakte. Bij Buda-Pest.
de hoofdstad van Hongarije en midden in het land gelegen, bereikt de Donau deze vlakte.
Buda-Pest (506.000 inw.) is een middelpunt van spoorwegen, het handelscentrum van Hongarije; Donauscheepvaart; hoofdstapelplaats voor koren, vee en wol; fabrieken voor wollen en katoenen stoffen, enz. Buda is Duitsch, Pest Hongaarscli, Buda heeft nauwe, Pest breede straten; Pest is moer dan driemaal zoo groot als Buda.
Beneden deze stad vormt de Donau een eiland en stroomt met een groot aantal bochten naar 't Zuiden, tot waar hij de Drau opneemt. Hij volgt dan de richting dezer rivier, om die bij de samenvloeiing met de Theiss weder te veranderen en eene wijl Zuidwaarts te stroomen om na de opneming der Sau weder diens richting te volgen. Al deze rivieren hebben een kronkelenden loop en moerassige boorden.
Het dal van den bovenloop der Theiss noemt men Marmaros; dit is rijk aan zout {Sz/get, 15.000 inw.). Waar de Bodrog de Theiss bereikt, ligt Tokaj, bekend door zijne wijnen (4.500 inw.) Aan de linkerzijde neemt de Theiss de Köros en de Maros op, beide te bevaren, evenals alle rivieren, die we in O.-H. leerden kennen. De Theiss zet de aangrenzende streken herhaaldelijk onder water; sedert veertig jaren tracht men dit tegen te gaan door den aanleg van dijken en het graven van afsnijdingen (correctie); evenwel zonder voldoend gevolg, getuigen de herhaalde overstroomingen van Szegedin.
De landen langs de rivieren (behalve de moerassige oevers natuurlijk) zijn vruchtbaar en leveren een rijken oogst. Tusschen de rivieren liggen echter uitgestrekte streken, die gebrek aan water hebben, waar hot klimaat mede ongunstig werkt en die slechts lange grassen voort-
130
brengen, do poeslm. Zulke onbebouwde «treken vindt men b.v. tussehen Theiss en Donau (middelpunt: Kecskemet) en ten Noorden van Debreczin (in de groote bocht van de Theiss). Zoodra echter de woeste streken van water voorzien worden, zijn de meeste vruchtbaar en geven goede produkten.
De landbouw is nog zeer onontwikkeld en wordt gedreven met gebrekkige hulpmiddelen; toch is Hongarije eene korenschuur (tarwe, rogge, haver, gerst); ook de tabaksverbouw is in de laatste jaren zeer belangrijk geworden. In de zeer vruchtbare Banaat verbouwt men
zelfs rijst met goed gevolg; groote velden zijn — vooral in 't Zuiden — met maïs bedekt. De wijnbouw wordt op het heuvelland gedreven, vooral bij Tokaj, aan de Zuidzijde van het Bakony woud [Plattenmeer), Buda, bij Erlau en bij Arad.
De industrie is nog weinig ontwikkeld; het koren wordt voor een groot deel als meel uitgevoerd (er zijn dus veel korenmolens) en ook gebruikt in de talrijke branderijen. De aanwezigheid in den bodem van soda deed zeepfabrieken
ontstaan. — De veeteelt daarentegen is van veel belang, ook voor den uitvoer (paarden, schapen, varkens, koeien).
De meeste Hongaarsche steden zijn eigenliik groote dorpen: de huizen zijn niet aan elkaar gebouwd; in plaats van pleinen, treffen we hier groote korenvelden aan; van straten kan bijna geen sprake zijn; plaveisel ontbreekt natuurlijk. Sommige steden hebben dan ook uren in om-
138
trek; vclo be«ta;ia eigenlijk uit vurschillendo dorpen, ula zoovele „wijkenquot; der „stadquot;, b.v. Maria Theresiopet, dat 73.000 inw. heeft en uit 16 deelen bestaat.
Belangrijke plaatsen zijn: Szegedin (86.000 inw.; middelpunt van wegen), Débreczin (57.000 inw., varkensmark-ten), Hodmezö-Vasarhely (55.000 inw.), Presburg (52.000inw.) Temesvar (40.000 inw.). Ar ad (42.000 inw.), Csaba (34.000 inw.) Grosswardein (89.000 inw.), Kecskemet (45.000 inw.). Al deze steden zijn belangrijk als stapel- en marktplaatsen voor de produkten van landbouw en veeteelt.
In het heuvelland ten Westen van den Donau vindt men bij Fiinfkirchen steenkolen; ze worden per spoor naar Mohacz aan den Donau vervoerd.
§ 141. Tusschen Sau en Drau ligt Slavonië, Westelijker Kroatië. Landbouw en veeteelt is ook hier hoofdzaak. De berglanden zijn bedekt met groote eikenwouden, vandaar dat de varkensteelt hier van bijzonder belang is; zeer veel eikenhout wordt uitgevoerd. De voornaamste plaats is Agram (38.000 inw.). Zuid-Kroatië bestaat uit dorre kalkplateaus. Zulke hoogvlakten en ook kalkgebergten nemen de geheele streek tot de Adriatische zee in (o.a. 't Karstplaleau). Hier en in Dalmatië tieren echter de zuidvruchten voortreffelijk. De voornaamste haven is Triëst (160.000 inw.), de uitvoerhaven voor een groot deel van O.H.; stoombootvaarcen der Oostenrijksche Lloyd naar alle deelen der Middellandsche zee en Indië. — Pola is eene sterke oorlogshaven (31.000 inw.), Fimne (29.000 inw.) voert bout, wijn en ooft uit. In de onvruchtbare Krain vindt men bij Idria belangrijke kwikzilvermijnen.
Het langgerekte, rotsige Dalmatië bezit 54 goede zeehavens; in de dalen wordt ooft en wijn verbouwd en op een der eilanden komen zelfs dadelpalmen voor. Hoofdplaats is Zara (11.000 inw.).
§ 142. Het Alpengebied. Het Zuid-Westen van het rijk wordt door de Alpen ingenomen. Daar wij deze reeds vroeger bespraken, zullen wij hier alleen op de produkten van den bodem letten.
140
Hoewel het Zuidelijk deel van Tirol bijna geheel va,n bosschen is beroofd, zoo is toch nog bijna de helft van het land met woud bedekt. De Zuidelijke dalen zijn goed bebouwd (wijn, ooft, kastanje); hier vindt men ook zijde-fabrieken, vooral in het dal der Etsch (Trente 21.000 inw.; Bovendo, Brixen en Bozen zijn gewichtige punten). De hoofdplaats Innsbruck heeft 35.000 inw. Het kleine Vorarlberg is een nijver land {Br eg enz aan het Meer van Constanz, katoenfabrieken; door den Arlberg-tunnel loopt de spoor, die het Boven-Rijndal met hetlnndal— en den Midden-Donau — verbindt). De Oostelijke deelen der Alpen zijn rijk aan mineralen: zout (in de Oostenrijksche Alpen), ijzer (in - de dalen van Enns, Mur en Drau), lood (in het dal der Drau), enz. Vandaar ijzerfabrieken te Graz (112.000 inw.) en Leoben in Stiermarken. Lood en ijzer levert Villach (7.000 inw.) in Karinthië. Eene belangrijke bad plaats is Gastein in Salzburg.
Op de bergweiden graast het vee; de hellingen zijn ten deele met hout bedekt; in de dalen wordt landbouw uitgeoefend. De industrie is belangrijk, maar landbouw en veeteelt zijn ook hoofdmiddelen van bestaan.
§ 142. Bohemen. Naar de zijde van Oostenrijk vinden we geen keten: van de Elbe en de Eger af loopt het land in terrassen (de Boheemsche terrassen) naar het Zuiden op, die hunne grootste hoogte bereiken op de grens van Bohomen en Moravië, De Moldau en hare zijrivieren (o.a. de Beraun), hebben diepe dalen in deze plateaus geslepen; zij zijn slecht bevaarbaar en hare dalen vormen meestal geene geschikte wegen (de spoorwegen liggen hier dan ook meest niet langs de rivieren).
Aan den Moldau ligt Praag, de hoofdstad van Bohemen, ongeveer in 't midden des lands, waar wegen uit Saksen, Beieren, Sllezië en Oostenrijk samenkomen; 't middelpunt van het Boheemsche spoorwegnet. De stad is prachtig aan de beide oevers der rivier gelegen. Fabrieken voor machines, beetwortelsuiker, katoen, glas, enz. (190.000 inw., met de voorsteden 310.000).
141
De ougöt beataat vooral uit aardappelen (ü); voorts verbouwt men beetwortelen (suikerfabrieken), rogge, haver, gerst, hennep, vlas en hop (bierbrouwerij). Het centrum voor de hopcultuur is-Saoe in't N.-W. (13.000 inw.). Pilsen (50.000 inw.) verzendt zijn bier naar alle windstreken; in de nabijheid liggen belangrijke steenkool- en ijzermijnen. JBudiveis (28.000 inw.) aan den weg naar Linz, handelt in het hout, dat de hoogvlakten oplevereü. De fabrieken van Praag worden door de mijnen van Kludno (17.000 inw., ijzergieterijen) van steenkolen voorzien. De industrie is van veel belang (glas-, wol-, katoen- en linnenfabrieken). Eene der voornaamste fabriekssteden van O.-H., het middelpunt van de Boheemsche katoen- en wolindustrie, is Reichenberg (31.000 inw.); Trautenau (11.000 inw.) is het centrum van de linnenindustrie van het Reuzengebergte. In 'tN.-W. liggen de badplaatsen Teplüs (20.000 inw.) en Karlsbad (12.000 inw.).
§ 144. Het kleine Silezië, uit twee deelen bestaande, door het Oderdal gescheiden, is goed bebouwd, rijk aan mineralen en zeer industrieel. Do voornaamste plaats is Troppau (23.000 inw.).
§ 145. Galicië is vruchtbaar, rijk aan bevaarbare wateren en, hoewel het klimaat vrij ruw is (vastlandsklimaat, terwijl het aan de Noord- en Oostzijde niet is beschut), geeft toch de bodem goede oogsten (naast granen worden vooral vlas en hennep verbouwd). Het geheele land, vooral echter het Zuiden (Bukowina, hoofdstad Gzernowitz met 54.000 inw.) is rijk aan hout (beuken), dat op de verschillende zijrivieren van den Dnjestr naar dezen wordt afgevoerd. De veestapel is zeer groot, daar het land rijk aan weiden is. Hoofdstad is Lemberg (128.000 inw.), de voornaamste handelsstad echter Brody (18.000 inw., handel met Rusland). Bij het oude sterke Krakau (75.000 inw.) ligt een onuitputtelijke voorraad zout in den bodem: Wieliczka (6.000 inw.) en Bochnia (9.000 inw.).
„Deze zoutbeddingen werden in 1259 door een' herder, Wielicz genaamd, ontdekt en bevinden zich
142
juist onder de stad. Onder den grond is hier eene tweede stad ontstaan, die werkelijke pleinen en straten bevat, en waarin ongeveer 1000 menschen leven. Twee schachten voeren naar deze onderaard-sche plaats; de eene met eene wenteltrap van 470 treden; de andere is ongeveer 60 M diep: hierin moeten de reizigers dikwijls met behulp van stevige touwen afdalen. Zij wordt bovendien in vier verdiepingen uitgegraven: de grootste diepte bedraagt 400 M. In de verschillende verdiepingen, waar het groote aantal gangen, die door bruggen verbonden zijn, een' doolhof vormen, zijn de zolderingen gedeeltelijk door gebinten van hout ondersteund, gedeeltelijk rusten zij op pilaren van steenzout. In de reeds geleegde gangen zijn een groot aantal paardenstallen en magazijnen gebouwd, die voor een deel met lichtkronen en beeldhouwwerken uit steenzout zijn versierd, en die bij feestelijke illuminatie een betooverend schouwspel aanbieden. De afmetingen van de zoutgroeven zijn zoo groot, dat men voor eene wandeling door de gezamenlijke gangen evenveel tijd noodig heeft, als om van Krakau naar Weenen te loopen, heen en terug quot; 1)
In de geheele streek tusschen Krakau en Lemberg vindt men talrijke petroleumbronnen. De gewichtigste zijn die te Boryslaw (ten Z.-W. van Lemberg).
§ 146. Een blik op de kaart doet ons zien, dat de Slavische volken het N. en Z.-O. van het keizerrijk innemen; in 't Z.-O. wonen de Eomanen, in 't W. de Germanen (Duitschers), in 't midden de Magyar en (Bongaren). De Noord- en Zuid-Slaven worden door een 40 — 50 uren breeden gordel van elkander gescheiden, die door Duitschers, Magyaren en Eomanen bewoond wordt. Tot de Noord-Slaven behooren de Czechen (in Bohemen), de Folen en Ruthenen (Galicië, enz.), van welke de eerste tot de
1) Scliorns Mineralogie, pag. S*t.
143
ontwikkelde Slaven moeten gerekend worden. Tot de Zuid-Slaven behooren de Slovenen, de Kroaten en Serviërs. — Het talrijkst zijn de Slaven (19 mill.), dan volgen de Duitschers (1(H mill.) en Magyaren (7 mill.) en eindelijk de Romanen (34 mill.). Sedert ouden tijd zijn de Duitschers het regeerende volk. Geen wonder: zij waren verstandelijk het meest ontwikkeld. In 't algemeen neemt de ontwikkeling van het Westen naar het Oosten af: de Czechen staan hooger dan de Polen en deze hooger dan de Ruthenen; de Kroaten en Slovenen zijn veel beter ontwikkeld dan de Walachen, de Duitschers veel beter dan de Magyaren. Juist in het hart van het land wonen de Duitschers en de Magyaren, door hun gebied stroomt de Donau. De Duitschers houden zich bezig met industrie; waar wi] vele fabrieken aantreffen, zijn ook meestal Duitschers (Bohemen, Oostenrijk, Z.-Zsvenb., N.-Hong., enz.). Belangrijk zijn ook nog de Israëlieten, niet zoozeer om hunne talrijkheid (2 mill.), als wel omdat zij in de Oostelijke landen den handelsstand vertegenwoordigen : hun invloed is groot door de macht van het geld.
Wat de dichtheid van bevolking betreft, het minst bevolkt zijn de Alpen en Karpathen (10-50 op 1 □ KM). De Noordelijke streken zijn het dichtst bevolkt (Bohemen 100—150, Oostenrijk en Galicië 60—135). — De bevolking is over 't algemeen van den Roomsch-Katholieken godsdienst.
Staatkundig bestaat Oost.-Hong. uit de Hongaar-sche landen en de Oostenryjksche. Elk der deelen heeft zijne eigene volksvertegenwoordiging.
6. Het Balkan-Schiereiland.
14 7. Het Balkan-Schiereiland is het Oostelijkste van de drie groote Zuideuropeesche schiereilanden. Aan de Oostzijde wordt het bespoeld door de Zwarte zee; aan de Zuid- en Westzijde door de Middellandsche; metdegeheele Noordzijde is hot aan het vastland verbondon.
Hüt bevat de volgende öUleu:
Bevolking. Hoofdsteden,
(sultanaat) 5.750.000 Consta nlinoptl. (koninkrijk) 5.400.000 Boekarest.
2.200.000 Athene. 2.200.000 Belgrado.
Bodgarije (vorstendom^ 3.300.000 Sofia.
(met Oost-Eoemelië)
Montenegro (vorstendom^ 240.000 Cetinje.
Bosnië in 't Noord-Westen is sinds jaren door Oostenrijk bezet en wordt ook door dit land bestuurd. Oost-Roemelië quot;taat onder bestuur van den vorst van Boelgarije. Novi-Bazar is door Oosten-rijksche troepen bezet, maar wordt nog door Turkije bestuurd. Balmatië is een deel van Oostenrijk-Hongarije.
§ 148. Tusschen Donau, Proet en Karpathen ligtBoe-menië. Het Zuidelijk deel, Walachvje, is grootendeels laag (Walaehljache laagvlakte), liet Noordelijk deel (Moldavië) heuvelachtig. De Transsylvanische Alpen dalen langzaam tot de vlakte af; een heuvelland begeleidt den voet. Langs den Donau vindt men moerassen met hoog riet begroeid; voor een groot deel ia de vlakte eene steppe, waarop duizenden runderen en schapen grazen, vooral schapen; zelfs weiden hier groote kudden, die in Zevenburgen thuis behooren. Maar ook het bouwland neemt eene aanzienlijke ruimte in: mais beslaat de helft der velden en is het voornaamste volksvoedsel; dan volgen tarwe, gerst en haver; rogge wordt betrekkelijk weinig verbouwd. De varkensteelt is belangrijk. De heuvelstreek is — in Walachije, zoowel als in Moldavië — de streek van den wijnbouw, die steeds belangrijker wordt: de productie beloopt soms een mill. HL (de helft van de productie in Duitsch-land). Bovendien is het heuvelland rijk aan petroleum en zout; men verzekert, dat de zoutrijkdom niet minder is dan die van Wieliczka en Bochnia- De industrie heeft nog zeer weinig te beteekenen. In Moldavië,
Staten.
Turkije Roemenië Griekenland Servië
145
waar groote boaachen zijn, vindt men vele houtzagerijen.
De uitvoerplaatsen voor de produkten zijn: Galatz (80.000 inw., voor Moldavië), Braïla (47.000 inw., voor Walachije) en Köstendsje in de Dobroedsja, eene heuvelachtige landstreek met steppen, die tot Roemenië behoort en die den Donau noodzaakt zich naar het Noorden te wenden. Van de drie Donaumonden wordt de Soeline (de middelste) voor het verkeer met groote schepen gebruikt.
De hoofdstad Boekarest (220.000 inw.) ligt in 't midden der Walachijsche vlakte; in Moldavië ligt Jassy (handel, 90.000 inw.). Verschillende kleinere plaatsen zijn als wolmarkten van belang (o.a. Plojesti, ten Noorden van Boekarest, 3é.000 inw.).
„Geen land van Europa zou beter het toonbeeld van eene rijke landbouwstreek kunnen zijn, dan Walachije. In alle opzichten gehikt het Lombardije.
In het Noorden verheft zich — in de plaats der Alpen — de hooge muur der Karpathen, waar talrijke stroompjes ontspringen, door een even groot aantal valleien zich bewegen, en, de helling van het terrein volgende, naar het Zuiden stroomen, naaiden Donau, die hier de plaats van de Po inneemt. Aan den voet der Karpathen strekt zich van het Westen naar het Oosten de heuvelstreek uit, die ongemerkt in de vlakte overgaat. Deze bestaat uit eene geelachtige, zeer vruchtbare klei, en, dichter bij de rivier, uit eene strook van de beroemde „zwarte aardequot;, die den rijkdom uitmaakt van Midden-Rusland. De moerassen aan den Donau, vooral waar deze zich Noordwaarts wendt, herinneren aan de lage landen om Venetië. Maar — in plaats van den zorgvuldigen landbouw, dien men tusschen Padua en de lagunen bewondert, vindt men hielde groote, onbewoonde steppe, is de wijze van bebouwing de type van hetgeen men roofbouw noemt; een voortdurend berooven, zonder iets terug te geven. De groote houten ploeg scheurt den bodem,
Ten Have, Beknopt Lccrbook der Aardrijkskunde,5e druk. IQ
147
maar werpt den bovenkorst niet regelmatig om; het welig opschietende onkruid wordt niet gewied; het produkt moet slecht zijn. De onontwikkelde bewoners, die op het land in leemen hutten, half onder den grond, huizen, kennen geen doelmatiger bearbeiding, en de gewoonte, de sleur, is ook hier een sterke vijand van het betere. Treurig ia het lot van het volk, dat eeuwen vlijtig dezen bodem bewerkte, een der vruchtbaarsten van de wereld!quot; 1) § 149. Balkan. Ten Zuiden van den Donau wordt het land hooger: aan den oever liggen dan ook verschillende steden: Roesjtsjoek, Silistria, Sjvitsjov, Wiclin. In terrassen verheft zich de bodem tot de dichtbegroeide voorposten van den Balkan. Dit gebergte loopt van de IJzeren poort tot de Zwarte Zee. In het Westelijk deel {Stara Planina) is het niet hooger dan 1800 M; ten Oosten van het Isker-dal bereikt het in den Centraal-Balkan eene hoogte van 2300 M. Bij den pas, die van Tirnova naar het Toendsja-dal voert, verdeelt de hoofdketen zich in enkele lage ketens, die nergens eene hoogte van 1000 Meter bereiken (de Kleine Balkan tus-schen de twee bronrivieren der Kamtsjyk; Zuidelijker de Oost-Balkan, die de zee bereikt en in Kaap-Emineh eindigt). — In 't midden leidt de beroemde Sjipkapas van Boelgarije naar Kazanlyk in het Toendsja-dal; Westelijker loopt ten Noorden van Sofia een pas, terwijl de Oostelijke uitloopers het verkeer minder moeielijkheden in den weg leggen (hier bewaakt de sterke vesting Sjoemna de toegangen).
§ 150. Boelgarije is eene hoogvlakte; het Noordoostelijk uiteinde is de reeds genoemde Dobroedsja (250 M). De richting der rivieren {Isker, Wid) wijst duidelijk de richting aan, waarin de hoogvlakte daalt; de Donau-oever is vrij steil. De rivieren hebben — evenals bij de Noordelijke helling van het (Saksisch^ Ertsgebergte — diepe
1) E. ile T.avolijo, l,a póninsulo dos Balkans 11, HO!).
148
gleuven uitgeslepen: daardoor zijn zij het verkeer eer hinderlijk, dan dat zij dit bevorderen. De Oostelijke helft der hoogvlakte is een steppenland, het quot;Westen is met eikenwouden bedekt; landbouw en veeteelt zijn de hoofdmiddelen van bestaan. De landbouw levert maïs en tarwe, evenals in Walachije; ook tabak, wijn en ooft. Runderen en paarden zijn van uitstekende hoedanigheid. De uit-voerplaats van het land is Varna (28000 inw.), het einde van den Boelgaarschen spoorweg (Roesjtsjoek-Varna). Belangrijk is de in Oost-Roemelië gelegen haven Boergas.
Wat we over den toestand van den Walachijschen landbouwer schreven, geldt ook voor den Boelgaarschen. Slechts '/s van den vruchtbaren bodem is bebouwd; de vervoermiddelen zijn slecht, de wegen evenzeer, zoodat de produkten moeilijk kunnen verplaatst worden; de prijzen zijn dientengevolge laag en de landman wordt niet betaald naar den arbeid, dien hij verricht. De onrustige tijden, die het vorstendom sinds lang beleefde, de omstandigheid, dat het in de laatste jaren herhaaldelijk het tooneel des oorlogs was, — dat alles is niet aan de welvaart bevordelijk.
De hoofdplaats Sofia (47.000 inw.) ligt op eene dorre, ruwe, ontboschte hoogvlakte en bezit verschillende fabrieken.
§ 151. Bosnië (en de Herzegowina) worden door ketens die eene richting van het Noord-Westen naar het Zuid-Oosten hebben, doorsneden (op de grens de Dinar ische Alpen); tusschen deze ketens loopen rivieren, die zich in de Sau storten (o. a. de Bosna, waaraan de hoofdstad Serajewo ligt, 33.000 inw.). Vooral ten Zuiden van Serajewo vormen de gebergten een niet te ontwarren doolhof; de hoogste top is hier de Dormitor (2483 M). Het kalkplateau der Herzegowina is onvruchtbaar en heeft gebrek aan water (dat in den kalkbodem zakt); de lage valleien, o. a. die der Narenta — waaraan Mosfar ligt — leveren echter zuidvruchten, enz.
149
De helft van Bosnië is met bosschen bedekt, vooral eiken (daardoor varkensteelt). De landbouw levert maïs, tarwe, gerst, haver, enz., doch weinig en van slechte hoedanigheid, daar het ook aan goede bewerking van den bodem mangelt. De minerale schatten (ijzer, lood, zink, steenkolen) liggen onaangeroerd. De veestapel echter is van veel belang (zwijnen, koeien, paarden).
De uitgestrekte wouden liggen nog ongerept. De klimplanten slingeren zich om eiken en heesters, en men kan er niet in doordringen, zonder, evenals in Brazilië, een' bijl in de hand te hebben. Sinds eeuwen ontving Venetië van hier het benoodigde hout voor zijne schepen; maar wat er overgebleven is, vertegenwoordigt een enormen schat. Ongelukkig zijn de wegen slecht, zoo slecht, dat het hout bijna geene waarde heeft, zoolang de toestand niet verandert. En dat is een vloek voor een land. Zoo zijn het b.v. de Hongaarsche molens, die het meel leveren, dat de hoofdstad behoeft; het komt er aan per spoor en is goedkooper dan het binnenlandsche meel, dat, bij gebrek aan wegen, op den rug van het paard wordt vervoerd!
Alleen de uitvoer van gedroogde pruimen is aanzienlijk: in goede jaren voert men 60.000 tonnen uit, die tot naar Amerika verzonden worden.
§ 152. Het kleine vorstendom Montenegro is een woest, bijna ontoegankelijk bergland ; de Komberg en de Dor mi tor staan als hoeksteenen bij de grenzen. Landbouw kan weinig worden uitgeoefend; de Montenegrijnen leven van veeteelt. De hoofdplaats Cetivjc lelt 1200 inw., Antivari 8.000.
§ 153. Servië, het stroomgebied van de Morowa, dat de Sau en den Donau tot Noordelijke grens heeft, bevat eveneens verschillende bergketens, die echter niet in dezelfde richting loopen. De Morawa ontstaat uit de Servische en de Boelgaarsche Morawo. Langs deze rivieren loopen de groote wegen (Belgrado-Constantinopel en
150
Belgiado-Saloniki); vandaar, dat in do dalen dezer rivieren de meeste en de voornaamste Servische steden liggen. Het eindpunt is de hoofdstad Belgrado (57.000 inw.)- — Bijna de helft van het land is bosch. Eiken vindt men vooral in de streek tusschen de Servische Morawa en de Morawa (de Soemadia); hier vooral fokt men varkens (jaarlijksche uitvoer: ongeveer 280.000 stuks). Om de dorpen vindt men kastanje- en pruimenboomen, vooral in het Morawadal (uitvoer van gedroogde pruimen). Hoewel nauwelijks Vg bebouwd is, staat de landbouw toch op hoogeren trap dan in Bosnië, vooral maïs en tarwe worden geoogst. De wijnbouw gaat sterk vooruit- Op de bergwei den in 't Zuiden grazen drie millioen schapen (uitvoer van wol); voorts koeien en paarden. De handel wordt voornamelijk met Oostenrijk Hongarije gedreven. De bodem is rijk aan ertsen en kolen.
§ 154. In het midden van het schiereiland ligt het Iiijsterveld, eene hoogvlakte van 4 a 500 M, die naar het Noorden daalt naar de Ibar, eene rechter-zijrivier van de Servische Morawa. Aan den Zuidkant der hoogvlakte verheffen zich de Sjar Dagh (2000—3000 M) en de lagere Kara-Dagh. Tusschen beide loopt de Pas van Üsküb (500 M) naar het dal van de op den Sjar-Dagh ontspringende en Zuidwaarts stroomende Vardar. Naar het Westen voert het dal der Drin. Het Lijsterveld is alzoo een belangrijk krnispunt van wegen.
Van den Sjar-Dagh loopt de Bora-Dagh naar het Zuiden, hier en daar door plateaus afgebroken; waar een goede weg over 't gebergte leidt, ligt in eene kleine vlakte, nan eene zijrivier van de Vardar, de stad Bitolia (50.000 inw.). Zuidelijker krijgt het gebergte den naam van Pindus; in Griekenland eindigt het in eene reeks bergklompen (o- a. de Liakoera of Parnassus, 2480 M, en den zilverrijken Laurion, 350 M, met Kaap Kolonneits).
Uit dit bergland loopen verschillende ketens naar het Oosten, o. a. het Voloetza-gebergte, aan welks Zuidoostelijken voet de Olympus zich verheft (2973 M) en nog
152
Zuidelijker de Ossa (1950 M); voorts het Othrys-gebergte.
§ 155. Aan de Westzijde van de hoofdketens ligt het woeste Albaner bergland. In 't Zuiden treden de ketens tot aan zee; in 't Noorden vinden we eene smalle kustvlakte; daar ligt ook S'coetari bij het naar deze plaats genoemde meer (20.000 inw.) en in het Drin-dal het nijvere Prisren (40.000 inw.). Het dun bevolkte land levert weinig op; het wordt hoofdzakelijk door herders bewoond. Vruchtbaar is de hoogvlakte van Janina (30.000 inw.).
§ 156. Een tweede belangrijk plateau in het midden van het schiereiland is dat van Sofia (530 M), evenals het Lijsterveld een kruispunt van wegen. Naar het Oosten en Zuid-Oosten loopt het dal der Maritza, naar het Noorden een Balkan-pas, naar het Noord-Westen het dal der Nisjawa (rechter-zijrivier der Boelgaarsche Morawa), naar het Zuiden het Stroema-dal.
Ten Zuiden van het plateau verheffen zich het Vitosj gebergte (2330 M) en de lUlo-Bagh (2750 M). Nog Zuidelijker ligt het lïhodope-gebergte (2800 M), dat Oostelijk tot de Maritza, Westelijk tot de Stroema reikt. Het lengtedal der Karasoe verdeelt het in twee deelen. Het is met woud bedekt en uiterst moeilijk te begaan; de eenige goede weg loopt langs de kust.
Langs de Zwarte zee ligt het Istrandsja-gebergte (niet hooger dan 1000 M), langs de Zee van Marmora een gebergte, dat ook het Schiereiland van Gallipoli vult. Ook Chalkidike is bergachtig en loopt in drie schiereilanden uit, waarvan het Oostelijke den berg Athos draagt (ten Oosten de Golf van liendina, ten Westen de Golf van Saloniki). Eveneens bergachtig is het kleine Magnesia met zijne nijvere bewoners, ten Oosten van de Golf van Volo.
§ 157, Tusschen deze gebergten stroomen rivieren:de Maritza (met den Toendsja.), de Stroema, de Vardar, de Salambria, de Hellada (waar ontspringen ze ?).
Al deze rivieren stroomen door meer of minder groote vlakten, die een geheel ander aanzien vertoonen, dan de tot dusver behandelde. De vlakten ten Noorden van den
153
Balkan hebben een landklimaat, men verbouwt daar tarwe en maïs, de heete zomer doet er ook den wijnstok tieren. Het schoone amphitheater van Walachije ligtquot; geheel open naar den kant van Kusland, vanwaar de snerpend koude winden in den winter binnendringen ; ook Boel-garije is er aan blootgesteld. De Balkan is voor die gure winden een uitstekende muur; hebben de gebergten en hoogvlakten ook al een eenigszins ruw klimaat, de beschutte dalen en vlakten, die aan de Zuidzijde open liggen, verheugen zich in het Middellandsche zee-klimaat; men verbouwt er katoen, rijst en zuidvruchten, men verkrijgt er vurigen wijn.
De Vlakte van de Maritza, heeft uitgestrekte volden met rozen (waaruit men de beroemde welriekende rozenolie perst), tabak, papavers (voor de opium), enz. en levert zuidvruchten. Vooral de omstreken van Adrianopel en het goed bebouwde dal van de Toendsja zijn door de rozencultuur bekend. Het middelpunt der vlakte is Adrianopel (70.000 inw., lederfabr.), de tweede stad van het Turksche rijk, door spoorwegen met Constantino-pel en de Aegaïsche zee verbonden; aan de laatste is D?de-Agatsj havenplaats. Door het dal der Maritza komt men van hier naar Philippopel (40.000 inw.). Tusschen Adrianopel en de hoofdstad liggen eenzame steppenachtige landschappen. In de dalen van Stroema en Var dar teelt men katoen en rijst, de eerste vooral sedert den katoennood van 1861. Te midden der katoenvelden ligt Stres (25.000 inw.). De voornaamste havenstad is het reeds meermalen genoemde Saloniki (150.000 inw.), dat steeds in bloei toeneemt, dat de uitvoerhaven van hot geheele binnenland moet ziin (waarmede het door een' spoorweg verbonden is), en het uiteinde vormt van den belangrijken handelsweg Belgrado-Middellandsche zee.
Thessalië. de Vlokte der Sa.lamhria, (tusschen den
Olympus en dc Ossa ligt de smalle kloof, waardoor de Salambrla naar zee stroomt, het beroemde dal Tempé), is een heerlijk ketelland, waar olijven, myrten en laurieren groeien en de wijnstok de heuvels bedekt. In 't midden ligt Larissa (25.000 inw.). De spoorweg leidt naar Volo, de uitvoerplaats aan de golf van dien naam.
Van denzelfden aard is het dal der Hellacla (hier ligt Zitoeni; uitvoer van zuidvruchten, tabak en rijst).
§ 158. Aan den, i uur breeden, Bosporus, den belangrijken weg van de Zwarte naar de Middellandsche zee, waar Europa zoowel als Azië een scliiereiland in zee vooruitsteekt, als wilden ze elkaar de hand reiken, ontstond aan een veiligen inham (de Gouden Hoorn) de visschers-plaats Constantinopel, die wegens hare uitnemende ligging zich weldra tot eene wereldstad uitbreidde. Was zij in de oudheid een toevluchtsoord voor de schepen, die de onstuimige Zwarte zee bevoeren, weldra werd zij eene stapel- en marktplaats. Hier kruisten elkander twee groote wegen: de zeeweg en de landweg naar Azië. Ondanks alle tegenspoeden, heeft de stad zich dan ook als belangrijke havenstad weten te handhaven (875.000 inw.).
Biedt zij, van uit zee gezien, een grootschen aanblik, de reiziger voelt zich teleurgesteld, als hij de straten doorwandelt. Reinheid is hier niet te vinden. Naast trotsche gebouwen staan ellendige hutten. In de voorsteden Galata en Pera, aan de Noordzijde van den Gouden Hoorn, wonen de Franken (zoo worden hier de bewoners van West-Europa genoemd); deze plaatsen zijn op Europeesche wijze gebouwd.
Als een voorhaven is de niet onbelangrijke handelsstad Gallipoli (op het schiereiland van dien naam) te beschouwen (30.000 inw.).
Aan de Zwarte zee ligt nog Boergas (uitvoerhaven).
§ 159. Griekenlands hoofdstad Athene (met de haven Piraeus 141.000 inw.) moge al talrijke overblijfselen van
oude kunst hebben aan te wijzen, van de vroegere grootheid is zeer weinig overgebleven. De handel is onbeduidend; zijde-, katoen- en meelfabrieken vooral te Piraeus, de hoofdzetel der Grieksche industrie.
Morea is grootendeels eene hoogvlakte, wier Noordelijk randgebergte steil naar de Golf van Lepanto en de Golf van Patras daalt. Het kalk-p/aiea» van Arkadië is dor, vol kloven en holen en verdwijnende wateren. Naar het Zuiden loopt de Pentedadylo of het Taygetos-gehergte (hoogste top 2400 M), dat in Kaap Matapan eindigt. Aan de Oostzijde van dit gebergte ligt de kleine, doch schoone Vlakte van Sparta, aan de Westzijde het dichtstbevolkte en bestbebouwde deel van 't schiereiland: Messeniê. De Landengte van Korinthe — thans doorgegraven — vormt de verbinding met den vasten wal. Aan de uiteinden van het Kanaal van Korinthe ontstonden de nieuwe plaatsen Posiidonia en Isthmia.
De voornaamste produkten zijn: krenten, olijven, wijn, enz. De eenige grootere plaats, tevens de voornaamste uitvoerhaven, is Patras (34.000 inw,; krenten; invoer van koren).
Aan de Westzijde ligt de Golf van Arkadië, aan den Oostkant de Golf van Aegina.
§ 160. De Eilanden. Het bergachtig eiland Kandia bezit vruchtbare dalen; hoofdplaats is Kandia (12.000 inw.).
Euboea is Grieksch en levert bruinkolen, marmer, enz. Ook de Ionische eilanden behooren tot Griekenland {Corfoc, Leukada, Kephalonia, Zante). Corfoe levert olijfolie (hoofdplaats Corfoe); Kephalonia voert krenten, olijfolie en wijn uit; Zante, „de bloem van den Levantquot;, met de gelijknamige hoofdstad eveneens (krenten vooral naar Engeland, Duitschland en Nederland).
De eilanden ten Oosten van Griekenland onderscheidt men in Kijkladen en Sporaden; laatstgenoemde behooren tot Aziatisch Turkije.
De Kykladen zijn bergachtige eilanden, over 't geheel echter vruchtbaar (zij leveren zuidvruchten, olie, wijn.
156
enz.) en voorzien van goede havens. Uit het oogpunt van handel en zeevaart is Syra het belangrijkst (scheepsbouw); Hermupolis (22.000 inw.) is de levendigste handelsstad van geheel Griekenland; de haven is groot en veilig, het is een kruispunt van stoomvaartlijnen. Voorts verdienen nog vermelding Andro, Paro (bekend door de marmergroeven), Naxia en het vulkanische Santorin.
§ 161. Bevolking. Door hun betrekkelijk gering getal moesten de Turken er zich toe bepalen, de voornaamste punten van het rijk te bezetten. Men vindt ze dan ook
verspreid tusschen de andere volken wonen; vooral treft mon ze in de steden aan.
In Griekenland en Zuid-Turkije wonen Grieken, in Albanië de nog ruwe Alhcmeezen, in Roemenië de Boe-raenen (Romanen, nog vrij onontwikkeld), in de overige deelen van 't schiereiland Slaven (in 't Noord-Westen: de begaafde Serviërs en Bosniërs; in 't midden: de Boel-garen). Vooral in Walachije wonen veel Israëlieten (de
157
hundelastand, — de kooplieden, en de geldschieters dei-arme bevolking).
Wat het aantal aangaat, het talrijkst zijn de Roemenen (5 mill.); de Turken zijn slechts 2mill, sterk. Het geheele schiereiland heeft ongeveer 18 mill, inwoners en is dus dun bevolkt. Bij de Roemenen en de Boelgaren is landbouw hoofdzaak, maar ook de veeteelt belangrijk; de Turken verbouwen zuidvruchten, rozen, tabak, katoen, enz., terwijl de Serviërs, Bosniërs, Montenegrijnen, Alba-neezen en een groot deel der Grieken hun bestaan voornamelijk iu veeteelt moeten zoeken (vooral schapen en varkens).
De Turken zijn Mohamedanen, de overigen meest Grieksch-Katholiek.
7. Het Apennijnsche schiereiland.
(Koninkrijk Italië, 289.000 KM3; 31.000.000 inw.).
§ 162. Dit schiereiland strekt zich tusschen de Adri-atische en de Thyrreensche zee uit en verdeelt met Sicilië de Middellandsche zee in een Oostelijk en Westelijk bekken (verbonden door de Straat van Messina en de Sicilische Straat).
Golven; van Venetië, vanManfredonia,van Tarente, van Sqaillace, van Salerno, van Napels, van Gacta, can Genua.
Eilanden: Sicilië, Sardinië, Liparische eilanden (waaronder de vulkaan Stromboli), Ischia, Capri (voor de golf van Napels), Elba.
De kusten zijn voor 't grootste deel laag; de duinen langs de Westkust bemoeilijken de afwatering en dientengevolge ontstaan moerassen: de Maremmen, de Pont'ujn-sche moerassen. Plet zijn grasvlakten, in den zomer geheel verlaten, daar hevige moeraskoortsen (malaria) de bewoners ten grave zouden sleepen; in den winter weiden er duizenden buffels onder het toezicht van bereden
158
herders, die tegen den zomer met hunne kudden weder nuar het bergland trekken. De beambten aan den spoorweg, die langs de kust loopt en de moerassen doorsnijdt, blijven hier slechts zeer kort.
§ 163. In 't algemeen is Italië een bergland; de Apennijnen en Sub-Apennijnen vullen het grootste deel van het schiereiland. Op de Noordgrens staan de Alpen en vormen een moeilijk te overstijgen muur.
De Apennijnen beginnen in het Noord-Westen, waar eene inzinking ze van de Ligurische Alpen scheidt (zie de Alpen). Voor het grootste deel bestaan ze uit kalk-gebergten, die vol holen en spleten zijn. Men onderscheidt :
De Ligurische Apennijnen, die dicht langs de kust der Ligurische zee loopen en de Golf van Genua boogsgewijze omspannen. Twee belangrijke passen leiden van de Povlakte naar die kust: de Bochettapas en de Pas van Savona; door beide zijn thans spoorwegen aangelegd; de eerste bepaalt de plaats van Genua.
De Etruskische Apennijnen, tot voorbij den oorsprong des Tibers. Langs de Reno loopt hier een gewichtige pas (spoorweg), die Bologna met het Arnodal (Florence) verbindt.
De Eomeinsche Apennijnen, niet ver van de Adriati-sche zee.
De Abruzzen, het hoogste gedeelte (Gran Sasso, 2991 M).
De gebergten sluiten een ketelland in, dat door de Pescara afwatert in de Adriatische zee. Vooral dit gedeelte heeft eene woeste natuur en is moeilijk toegankelijk; tot in den jongsten tijd hielden zich hier de bandieten schuil, die Midden-Italië onveilig maakten.
De Napolitaansche Apennijnen, wier kam ongeveer 1000 M hoog is; maar wier hoogste top meer dan 2400 M bereikt.
De Calabrische Apennijnen vullen het schiereiland Calabrië en komen in hoogte ongeveer met de vorige overeen.
In Calabrië ligt het SUawoud, een 1500 M hoog, heuvel-
159
achtig' plateau, en, afgezonderd, de Mont Gargo.no, ten Noorden van de Golf van Manfiedonia (1560 M).
§ 104. De Apennijnen loepen vrij dicht langs de Oostkust; vandaar, dat er aan dien kant geene rivieren van belang konden ontstaan; de grootere rivieren stroomen naar de Tyrrheensche zee.
Het zijn: de Arno, de Tiber, de Volturno. De dalen dezer rivieren zijn gescheiden door lagere berggroepen en hoogvlakten, de Sub-Apennijnen.
Bestaan de Apennijnen hoofdzakelijk uit kalksteen, de Sub-Apennijnen zijn voor een groot deel vulkanisch gesteente. Doch slechts de afzonderlijk staande Vesucins (1269 M) is nog werkzaam; dat echter de vulkanische werkzaamheid nog niet geheel opgehouden heeft, daarvan leggen de talrijke warme bronnen getuigenis af. Op het 600 M hooge Plateau van Toskane is de hoogste verheffing de Mont Amiata (1732 M). Dit plateau is door eene diepe vallei van de Oostelijke gebergten gescheiden (Chiana-vallei); door deze inzinking is het Chiano,-kanaal aangelegd, dat Tiber en Arno verbindt.
§ 165. Tusschen de Alpen en de Apennijnen ligt eene vruchtbare vlakte, waardoor de Po met hare vele, waterrijke zijrivieren vloeit: de Povlakte.
Steil dalen de Alpen naar de vlakte, die vroeger eene binnenzee was; de snelstroomende bergrivieren, die met moeite zich een' weg door de nauwe kloven en diepe spleten baanden, maakten die zee steeds ondieper, tot ze geheel in eene vruchtbare vlakte was herschapen. Thans storten vele der rivieren in meren, die aan den voet der Alpen liggen, haar zand en slib; 't gevolg er van is, dat deze meren steeds kleiner worden. Enkele zijn reeds verdwenen. De meren zijn zuiveringsbekkens en voorkomen over-stroomingen.
Uit het Laggo Maggiore stroomt de Ticino, uit het Lugo di Como de Adda, uit het Iseo-meer de Oglio, uit het Garda-meer de Mincio. De Dora Biparia en de Dora Jialtea stroomen niet door meren; door het dal van do
160
eerste loopt de Mont Cenis-baan naar dat van de Isère; liet dal van de Dora Baltea leidt naar den pas over den St.-Bernhard. Rechter-zljrivieren van de Po zijn o. a. de Tanaro en de Taro.
(Ga van al deze rivieren na, waar zij ontspringen).
Ten Noorden van de Po strooraen: deEtsch, de Brenta, de Piave, enz. Ten Zuiden: de Tanaro, de Reno.
De Povlakte is dus rijk besproeid. Tal van dijken moeten haar voor overstrooming beveiligen. De Po ia van Turijn af bevaarbaar; ook vele zijrivieren zijn te bevaren (Ticino, Adda, Mincio, enz.). De Etsch is het reeds, vóór zij den Italiaanschen bodem betreedt; ook de Brenta en de Piave zijn bevaarbaar. Een uitgestrekt kanalenstelsel verbindt de rivieren, vormt goede wegen, maar tevens besproeiingsaderen, wier water afgetapt wordt.
De kleine bergstroompjes brengen tal van molens in beweging.
De kust dor Adriatische zee is moerassig en slibt steeds aan. Het slib, dat de rivieren in zee voeren, wordt daar tot dammen opgehoopt; zoo vormen zich strandmeren [lagunen), die door smalle landtongen {Udt) van de zee zijn gescheiden. Daar het zeewater door openingen in de lidi kan binnenstroomen, en het water dus voortdurend ververscht wordt, zijn deze strandmeren niet nadeelig voor de gezondheid. De groote meren ten Zuiden van de Po leveren veel visch.
§ 166. De Povlakte heeft nog een vastlandsklimaat. Het meest begunstigd zijn de oevers van de beschutte meren, die ook om hun natuurschoon beroemd zijn.
Verplaatsen we ons op een der Boromeïsche eilanden in het Lago Maggiore. „Niets kan opwegen tegen de verhevenheid en bevalligheid der natuur om ons. Een amphitheater van bergen, trotsch en steil, verrijst voor onzen blik. De sneeuwtoppen en gletschers van den Simplon vormen den achtergrond en leveren een treffend contrast met de welig bt-
161
bouwde en met liet loof Viiu kastanjewoudeu en raoerbeiboomen getooide heuvels, die zich spiegelen in het donkerblauwe, klare meer. Eene geurige lucht stroomt ons tegen. De rijke bosschen van kastanje-boomen worden afgewisseld door ahorns, olmen en popels. De citroen, de oranje, de druif en de granaat tieren welig. Tusschen hun zacht groen gebladerte vertoont zich hier en daar de toren van een klooster. De geheele streek schijnt een grootsch aangelegde lusthof.quot; 1)
De geheele vlakte is uitstekend bebouwd. Maïs, tarwe en rijst groeien op de met moerbeziënboomen (zijdeteelt) omzoomde akkers; soms heeft men twee oogsten in een jaar. Rijst verbouwt men vooral ten Westen van Milaan en in de omstreken van Venetië. Ook de wijnbouw is van belang. Runderen (Parmezaansche kaas) en varkens (Saucise de Bologne\ De industrie is minder goed ontwikkeld; zijdefabrieken zijn hoofdzaak; hoofdmarkten voor zijde zijn Como en Milaan.
§ 167. Wel zijn nog altijd de Alpen een hinderpaal voor den handel; maar door de boring van tunnels en den aanleg van spoorwegen naar Frankrijk, Zwitserland en Italië — door de verbinding dus van het Italiaansche spoorwegnet met dat van Midden-Europa — werd de nadeelige invloed van het gebergte voor een groot deel opgeheven. Reeds vroeg ontstonden aan de samenkomst van belangrijke en veel gebruikte Alpenwegen steden: Turijn en Milaan; de eerste (325.000 inw.) ligt aan den Mont Cenis-spoorweg en is gewichtig voor het verkeer met Frankrijk; de laatste (432.000 inw.), aan de St. Gothard-baan, ligt in 't midden der vruchtbaarste en best bebouwde streek van Lombardije. Venetië (151.000 inw.) is vanouds als handelsstad beroemd; het ligt op ongeveer 100 eilandjes, die door meer dan 450 bruggen onderling verbonden zijn; eene spoorbrug verbindt de stad met den vasten wal.
1) SI. A. Pork.
Ten Have, Beknopt Leerboek der Aaidi-ijkskimde. 5e druk. ] |
103
Turijn en Milaan zijn middelpunten van spoorwegen. Alle drie steden zijn rijk aan fabrieken. Milaan heeft de meeste zijdefabrieken, Venetië heeft industrie, die aan de behoeften der scheepvaart tracht te voldoen, Turijn heeft ook zijde-industrie.
Bologna (142.000 inw.) bezit evenzeer vele fabrieken en ligt in 't midden van de Via Emilia, den vanouds bekenden en belangrijken weg, die langs den Noordvoet der Apennijnen loopt en bij Rimini de kust bereikt (thans spoorweg).
Aan dezen weg liggen voorts Modena, Eeggio en Parma (52.000 inw.); bij Piacenza (35.000 inw.) bereikt hij de Po. Bologna is het kruispunt van de Via Emilia en den spoorweg Venetië—Florence. Meer dan 50.000 inwoners hebben; Ferrara, Padua, Verona, Alessandria, Ravenna., Modena en Reggio. Alessandria (in de vruchtbare Vlakte van A.) en Verona zi]n vestingen (waarom?). Cremona (35.000 inw.) is beroemd door zijne violen. Verona ligt aan den weg naar Tirol (en verder naar?), Brescia (43.000 inw.) levert metaalwaren, vooral wapens en messen, Biella is het middelpunt der linnenindustrie.
§ 168. Wat de Povlakte oplevert wordt voor een groot deel uitgevoerd te Genua (194.000 inw.), Italie's grootste handelsstad (Bocchetta-pas; de Apennijnen zijn ten behoeve van den spoorweg doorboord). Uitvoer van koren, meel, rijst, wijn, olie, boter, kaas, zuidvruchten en ruwe zijde. Bovendien belangrijke fabrieken, vooral voor zwarte zijde en voor machines. 1)
De geheele kleine streek aan de Zuidzijde der Apennijnen is hier goed bebouwd. Aan de kust (Riviera) liggen talrijke levendige plaatsen, o. a. Savona (25.000 inw.) en Spezzia (20.000 inw.; aan de schoone golf van dien naam;
1) Naar het verkeer in 1889 liepen binnen (iu mill, tons): Genua 4,1,— Venetië 1, — Savona 0,7G, — Napels 0,05, — Messina 0,7, — Livorno 0,7. — Palermo 0,5G.
164
oorlogshaven). Langs de kust loopt een spoorweg naar Frankrijk.
§ 169. Aan de Italiaansche meren in 't Noorden, beschut door de Alpenketens, willen reeds de zuidvruchten gedijen; in de Povlakte met haar landklimaat, tieren deze niet. Hoe verrast is de reiziger als hij de Apennijnen overgetrokken is! Hij heeft een geheel andere natuiu voor zich, hetzij hij zich in de Arnovlakte, of in de Vlakte van den Tiber of van Napels bevindt. Hier toch heerscht het Middellandsche zee-klimaat, hier vindt men altijd groene loofboomen en rijpen de citroen en de olijf naast de vijg en de amandel.
a. De Arnovlakte. Het dal van den Arno is aanvankelijk smal, verbreedt zich wel is waar spoedig; maar beneden Florence betreedt de rivier toch eerst voorgoed de vlakte, die naar het Westen steeds breeder wordt, goed bebouwd is en vooral graan en olijven oplevert. De uit-voerplaats van deze produkten is Livorno (106.000 inw.), dat niet aan den mond van den Arno ligt, omdat de oevers daar moerassig zijn (groote magazijnen van zout en olie; zout wordt langs de kust gewonnen; handel vooral met den Levant). In 't midden der vlakte liggen Pisa en Lucca; zijde-industrie.
Aan het begin der vlakte, aan den voet der bergen, ligt Florence, als 't ware door een reusachtigen, met villa's bezaaiden, lusthof omgeven. Trotsche paleizen versieren de stad; wereldberoemde museums voor kunst en wetenschap trekken kunstenaars en geleerden uit andere landen. De stad leed een gevoelig verlies door de verplaatsing van den zetel der regeering naar Rome; 198.000 inw. Vermelding verdienen de talrijke stroo vlechter ij en.
b. De Tibervlakte. De Chiana-vallei verbindt de Tiber-vlakte met het Arnodal (kanaal, spoorweg). Eertijds was deze vlakte goed bebouwd; toen zorgden de bewoners voor eene zorgvuldige besproeiing, getuigen de talrijke waterleidingen, wier overblijfselen thans nog een denkbeeld geven van de vroegere zorg; thans ligt de vlakte eenzaam
166
en dor tot voor de poorten van Rome; van de 200.000 H.A.. der Romeinsche Campagna zijn 7500 H.A. bebouwd. „De eeuwige stadquot; had vroeger wel twee millioen inwoners, thans heeft ze er 472.000- Als handels-en fabrieksstad is zij van geene beteekenis; maar er liggen voor den kunstenaar schatten. De overblijfselen van Domeinsche bouwkunst zijn talrijk (Colosseum, Forum, enz.), evenals de heerliike voortbrengselen der beeldhouwkunst. De indrukwekkende, rijkversierde St.-Pieterskerk en het Vatikaan zijn onder het bestuur van den Paus gebleven.
c. De Vlakte van Napels. Deze vormt met de overige eene scherpe tegenstelling; zij is een van de schoonste en best bebouwde streken der wereld; hier vindt men het heerlijke klimaat der Middellandsche zee, dat zelfs katoen doet groeieu, dat de Zuidelijke gewassen zich weelderig doet ontwikkelen. Hier groeien vijgen, amandelen, olijven, citroenen, granaten en sinaasappelen, — hier prijken de aloë, de laurier, de cypres, de myrt en de oleander in hun zacht groen kleed.
Kastanjebosschen bedekken de berghellingen, wijngaarden de heuvels (Falerner, Lacrimae Christi); in de vlakte verbouwt men rijst. De Campagna is dicht bevolkt; behalve het schoone Napels, dat 525.000 inwoners telt, liggen er 15 steden met meer dan 10.000 inwoners, onder welke: Gaeta (aan de schoone golf van dien naam; 20.000inw.); Salerno (aan de golf van S., 28.000 inw.; en Castellamare (27.000 inw.).
Napels is de volkrijkste stad van Italië, als handelsstad is echter Genua van meer belang (Napels heeft slechts een klein achterland; Genua daarentegen is de uit- en invoerplaats voor de Povlakte en — sedert de Alpenspoorwegen geopend zijn — zelfs voor Zwitserland en Zuid-Duitschland). Het fabriekswezen ontwikkelt zich meer en meer: metaalwerken, uit lava vervaardigde artikelen, zijde-, linnen-, wollenwaren, enz. Uitvoer: olie, ruwe zijde, wijn, koraal, zuidvruchten, zwavel, enz. Stoombootverkeer op alle belangrijke havens der Middellandsche zee; stoom-
167
booten op Indië doen Napels aan. Visscherij op de Tyr-rheensche zee (tonijnen, sardijnen, ansjovis).
Anderhalf uur ten Zuid-Oosten der stad verheft zich de Vesuvius (1269 M.); hier ligt het ten deele opgegraven Pompeji.
Bij de uitbarsting van den Vesuvius in 79 werd Pompeji bedolven. In 1718 vond men bij het graven van een' put de stad terug. In 1856 begon men met de opgraving en thans is Vs der plaats ontbloot. Men wandelt nu door eene Romeinsche atad en kan zich een uitnemend denkbeeld vormen van de steden in die dagen. Uit alles blijkt, dat P. eene welvarende plaats was. Fraaie gebouwen zijn voor den dag gekomen, rijk met beeldhouwwerk versierd en van binnen tal van voorwerpen van weelde en smaak bevattende.
§ 275. Aan de Golf van Tarente ligt Tarente (28.000 inw.), waar uitgevoerd wordt, wat de kleine vlakte langs de golf oplevert: rijst en boomolie; het laatste artikel, van uitstekende hoedanigheid, wordt vooral uitgevoerd door het veel kleinere Gallipoli (8.000 inw.).
Aan de Straat van Messina: de haven Eeggio (30.000 inw.).
Aan de Adriatische zee: Brindisi (15.000 inw., brievenpost naar Indië; vaart van hier op Alexandrië en vandaar per spoor naar Suez); Bari (62.000 inw.; uitvoer van boomolie en zuidvruchten); Ancona (46.000 inw.; na Venetië de gewichtigste handelsstad aan deze kust).
§ 171. Het bergland is over 't geheel onvruchtbaar en ten deele met bosch bedekt. De bewoners houden zich hoofdzakelijk met de schapenteelt bezig; de eenzame Vlakte van Apulië — in den regentijd als eene steppe met gras bedekt, in het droge jaargetijde geheel dor — dient als winterweide voor duizenden schapen, die gedurende den zomer in den Abi-uzzen grazen. Rijk aan mineralen is Italië niet; bij Carrara, ten Noord-Westen van Pisa, wordt marmer uit den grond gehaald.
169
Do voornaamste plaats in Apulie is Fogyia (37.000 inw.; handel in schapen en in wol).
Op de Noordoostelijke helling dor Romeinsehe Apennijnen ligt de kleine republiek San Marino (59 KM3 groot, 8.000 inw.); landbouw, wijngaarden. § 172. Sicilië. Dit driehoekig schiereiland is bergachtig. Het gebergte is eene voortzetting der Apennijnen. De keten loopt dicht langs de Noordkust, die dientengevolge steil is en goede havens bezit; zij verheft zich in het midden tot 2000 M. Naar het Zuiden daalt het land langzaam; eene 800 M. hooge keten loopt tot den Zuidoostelijken hoek en bepaalt daardoor den vorm van het eiland.
De hellingen zijn van bosschen beroofd, de vochtigheid is minder geworden, evenals de vruchtbaarheid. Geheele streken in het binnenland liggen dor daarheen. De bevolking is dan ook voor 't grootste deel aan de kust gezeten, waar enkele vlakten met heerlijk klimaat gelegen zijn. Wat het eiland zou kunnen opleveren, toont ons de Vlakte van Catania, aan den Zuidvoet van den vulkaan den Etna (3303 M); daar groeien dadels en bananen, zelfs suikerriet. Sicilië levert nog veel tarwe, terwijl sedert 1861 katoen verbouwd wordt. De Zuidelijke vlakten leveren rijst; hier vindt men ook belangrijke zwavelbeddingen (Italië levert 3/3 van alle zwavel, die Europa in den handel brengt; in de zwavelgroeven werken 30.000 personen). Uit de zee verkrijgt men koraal. Voorts voert Sicilië groote hoeveelheden sumak uit (heester, belangrijk als looistof).
Palermo (250.000 inw) heeft eene schoone haven; uitvoer van vruchten, koren en wijn; industrie; vischvangst (tonijnen, sardines).
Messina (126.000 inw.), de eerste handelsstad, aan de druk bevaren straat; uitvoer van zwavel, olie, wijn, zuidvruchten, enz. Ten Zuid-Westen strekt zich eene kleine, doch vruchtbare en dichtbevolkte vlakte uit.
Catania (103.000 inw.) is de uitvoerplaats van de Vlakte van Catania; zijde- en katoenfabrieken.
170
Sicilië is beter bevolkt, dan men verwachten zou. Men vindt er ongeveer 60 plaatsen met minstens 10.000 inw. Wij noemen nog: Marsala (85.000 in w.; wijn), Trapani (31.000 inw.; koraal), Girgenti (9000 inw., met de belangrijkste zwavelgroeven) en het eens zoo groote en machtige Syracuse.
§ 173. Sardinië. Ook dit eiland, dat eenigszins den vorm van een' rechthoek heeft, is bergachtig. Geen enkele top bereikt echter eene hoogte van 2000 M. In tegenstelling met Sicilië zijn de bergen met bosschen bedekt; opmerking verdient het wilde schaap (moeflon).
Twee vlakten leveren zuidvruchten; die van Sassari (32.000 inw.) in 't Noorden en die, welke zich van Cagliari (36.000 inw.) naar het Noord-Westen tot de Westkust uitstrekt; de laatste is echter ongezond en dan ook slecht bevolkt.
De mijnen van Iglesias leveren zink, lood en zilver.
Sardinië is zeer dun bevolkt, vooral in de bergstreken. De bevolking is ruw en onontwikkeld.
De Acgatische eil. en Pantellaria leveren wijn en zuidvruchten, de Liparische zwavel.
§ 174. Elba, bekend als de verblijfplaats van Napoleon I, scheidt de Ligurische van de Tyrrheensche zee, is 220 KM3 groot en levert ijzer.
Ten Zuiden van Sicilië ligt de Malta-groep {Mulla, Gozo en Comino), die aan Engeland behoort. De eilanden zijn rotsig, en, hoewel men teelaarde van elders heeft aangebracht en de bewoners met vlijt den bodem bearbeiden, toch onvruchtbaar. Hoofdplaats is de onneembare vesting Valetta (80.000 inw.). Voor de schepen, die de Middellandsche zee in hare lengte moeten doorvaren, is deze groep een hoofdstation.
§ 175. In den ouden tijd woonden op het Apennijnsche schiereiland een aantal volksstammen, die aanmerkelijk van elkaar verschilden. Na langdurigen strijd werden ze echter allen door de Romeinen onderworpen, die overal koloniën stichtten en daardoor de ineensmeltingjder stam-
171
men bevorderden. Reeds ten tijde der Romeinsche keizers kon inen zeggen, dut Italië eene nationale eenheid vormde.
De Italianen hebben — zooals de meeste volken van 't Zuiden — weinig zinnelijke behoeften; huiselijkheid en innig familieleven zijn hun vreemd. Op inspanning volgt een lange rusttijd, 't Onderwijs is nog slecht en de Italianen zijn betrekkelijk weinig ontwikkeld; gelukkig wordt thans meer voor het onderwijs gedaan.
Italië behoort tot de dichtstbevolkte landen van Europa (103 inw. per KM-.) Het dichtst bevolkt zijn:
1) de Povlakte, waar, van de randen en het mondings-gebied der Po afgezien, 150—170 inwoners op 1 KM'-' komen; dit Noorditaliaansche centrum zendt een uitlooper naar het Zuid-Oosten tot voorbij Ancona. Dicht bevolkt zijn verder:
2) de Ligurische kuststreek en de Aniovlukte;
3) Gampanië ;
4) de streken bij den Etna.
Eene tegenstelling met deze vormen (nauwelijks 28 inw. op 1 KM2): Zuid-ïoskane, benevens de Pontijnsche moerassen, Sardinië, enz.
Het zwaartepunt van het koninkrijk ligt in't Noorden, waar bijna de helft der geheele bevolking woont.
De uitvoerende macht berust bij den koning; de wetgevende macht deelt deze met den Senaat (waarvan hij de leden benoemt) en de Kamer van volksafgevaardigden.
8. Het Iberische sebiereiland.
(Spanje 504.000 KM2,17,000.000 inw.; Portugal, 92.000 KM2, 5.100.000 inw.).
§ 176. Dit schiereiland heeft ongeveer den vorm van een trapezium: de Noordgrens is de langste evenwijdige zijde. Uithoeken zijn: kaap Ortegal, k. Finisterre, k. Boca, k. St.-Vincent, k. Tarifa, k. de data, k. Palos, k. Grens. De Straat van Gibraltar scheidt het schiereiland van
172
Afrika; op de grena van Frankrijk staat de ontzaglijke muur der Pyreneën.
De Pyreneën bestaan uit twee gedeelten, die bij de Maladetta-groep (0402 M) door dwarsketens zijn verbonden. De kam is ongeveer 2609 M; het gebrek aan passen veroorzaakt, dat dit gebergte eene strenge scheiding uitmaakt; nog loopt de grens van Spanje er over. Ten Oosten van den Mont Canigou (2780 M) leidt een pas van Frankrijk naar Spanje: vestingen als Perpignanen Gerona bewaken den toegang. — Westelijker bereikt de Mont Perdu eene hoogte van 3352 M. — Het meest woest is het middelste gedeelte van het gebergte, vol vreemd gevormde kalkbergen met loodrechte wanden, vol watervallen en warme bronnen in de nauwe dalen, met glet-schers aan de Noordzijde (de Zuidkant is te steil). Do beste weg loopt langs den West voet van 't gebergte, onmiddellijk aan de kust.
Daar de dalen zeer smal zijn, wordt hier slechts weinig-verbouwd, hoogstens wat maïs en tarwe. Het gebergte is arm aan woud; de veeteelt, die wij op de Alpenweiden aantroffen, missen wij hier; de schapenteelt is nog do voornaamste bron van bestaan.
§ 177. Het grootste deel van het schiereiland bestaat uit hoogvlakten, die door randgebergten omgeven zijn. Den Noordrand vormt het Cantabrisch-Asturisch gebergte, den Oostrand het Iberisch gebergte, den Zuidrand het Andalusisch seheidingsgebergte.
Het Cantabrisch-Asturisch gebergte is door lage ruggen met de Pyreneën verbonden (het Baskisch bergland, niet hooger dan 1500 M). In het midden is het het hoogst; daar bereiken de Puntes de Europa 2665 M. De omstandigheid, dat kleine plateaus de bergtoppen scheiden, begunstigt het verkeer zeer: zoo b.v. de Vlakte van Eeinosa, waarover de Ebro stroomt en waarover de spoorweg loopt, die Santander met de hoogvlakte verbindt. De hoofdkam blijft gewoonlijk 12 uren van de kust verwijderd; eene voorketen loopt langs de kust. De geheelu
Noordelijke helling is rijk aan regen en goede weiden; vandaar veeteelt. Het Oostelijk deel bevat metalen; vooral ijzer, doch ook zink en lood; hier bezit b.v. Krupp ijzermijnen. De uitvoerhaven dezer produkten is het zeer sterk vooruitgaande Bilbao (51.000 inw., papierfabr.). Bij de havenstad Gijon liggen rijke steenkoollagen. Sun-Sebastian is eene belangrijke badplaats.
Eene uitvoerplaats van de Zuidelijker gelegen hoogvlakten is ook Santander (42.000 inw.).
Het Iberisch gehcryte bestaat uit een aantal bergketens en berggroepen. Ten Noorden van den Jalon bereiken ze eene hoogte van 2300 tot 2350 M; ten Zuiden dezer rivier vindt men aanvankelijk lagere ketens; doch spoedig verheft zich eene groep, waarop verschillende rivieren ontspringen, o.a de Guadulaviar, de Jucar en de Taag, tot boven de 1600 M. Naar het Noord-Oosten loopt een arm, die zich met het Kustgcbergte van Gatalonië ver-eenigt. ■
Het Jalon-dal is de beste weg van de hoogvlakte naar de Ebro; thans loopt hier een spoorweg. In liet Noordelijk deel van 't gebergte is het de Pan-corbo-pas, waardoor een spoorweg is aangelegd (verbinding van Zuid-Frankrijk met Noord-Oost-Spanje).
Het Andalusisch scheidingsgebergte is evenzeer geene enkele keten; het is eene aaneenschakeling van kleine gebergten (van hoogstens 1500 M) en kleine plateaus. Het Oostelijk deel draagt den naam Sierra Morena, d- w. z. zwart, donker gebergte (daar het boschrijk is, — in tegenstelling met de andere Spaansche gebergten, die meestal naakt zijn). Het Westelijk deel, Sierra Monchique gehee-ten en 900 M hoog, scheidt ten deele het heerlijke Algarvië van het overige deel van Portugal en eindigt in kaap St.-Vincent. Dit gebergte is rijk aan metalen, vooral aan koper; bijzonder rijk zijn de mijnen van Eio Tinto; die van Tharsis zijn het best ontgonnen. Aan de Noordzijde vindt men bij Almaden de wereldberoemde kwikmijnen.
174
S 178. De Hoogvlakte. Eene rij gebergten, die men samenvat onder den naam van Kastiliaansch scheidingsgebergte, verdeelt de hoogvlakte in twee groote deelen: de Hoogvlakte van Oud Kastilië en Leon en die van Hieuw-Kastilië; de gemiddelde hoogte der eerste is 850 M, die der laatste 650 M. Deze vlakten zijn eenzaam en dor, en hoewel reeds sedert meer dan eene eeuw eene wet bestaat, die bepaalt, dat ieder Spanjaard minstens vijf boomeu moet planten — bijna boomloos; groote streken zijn steppen-land; uren ver- vindt men het land bedekt met distels, bremstruiken en esparto-gras (zulke streken vindt men b.v. ten Zuiden van ValladoJid en in La Mancha, het Zuidelijk deel van Nieuw-Kastiliëgt;; het harde esparto-gras is als voedsel ongeschikt, men maakt er vlechtwerken van en papier. Wolken van zand dwarrelen in den zomer over de vlakte; ^xegen valt er in de lente en in den herfst; dan krijgt het land wel is waar een groener aanzien en tooien knolgewassen de vlakte met hunne bloemen; maar dit duurt niet lang: de zomer, zoowel als de soms vrij strenge winter, doet ze sterven, 's Zomers is de hitte bijna ondraag'lijk en na twaalf uur houdt de drukte in de steden dan ook op; 's winters kan de thermometer vrij ver onder 't vriespunt dalen. Niettegenstaande dit alles, zijn toch deze hoogvlakten eene korenschuur voor het land; in de eerste plaats moeten hier de Campos ten Noorden van Valladolid genoemd worden (het Kanaal van Kastilië voert de produkten af).
De Spaansche schapen [merino's) zijn vanouds beroemd; groote kudden weiden hier en dragen mede bij tot de boomloosheid. Het ras is o a. naar Saksen overgebracht en daar veredeld, zoodat de Saksische schapen thans beter zijn dan de Spaansche merino's.
§ 179. De rivieren, die over de hoogvlakte loopen (de Douro, de Taag en de Guadiana) hebben zich diepe dalen met steile oevers uitgeslepen: in den zomer hebben zij groot gebrek aan water en kunnen zij soms doorwaad worden; in den winter daarentegen zijn zij waterrijk;
175
maar de ondiepten en het rotsige bed veroorzaken, dat zij ook dan onbevaarbaar zijn.
De Douro of Duero ontspringt op het 2250 M hooge, Noordelijke deel van het Iberisch gebergte. Hij stroomt van het Noorden naar het Zuiden over het Plateau van Soria (1049 M) en neemt eene Westelijke richting aan, zoodra hij de Hoogvlakte van Oud-Kastilië bereikt. Van de rechterzijde vloeit hem het water van de Pisuerga (waaraan Valladolid, het middelpunt der hoogvlakte met 62.000 inw.; handel en industrie), en de Esla en links van de Tormes toe.
Aan een' tak van de Pisuerga ligt Burgos met fabrieken voor wollen stoffen en handel in wol (31.000 inw ; vesting, waarom?). Aan de Tormes; Salamanca, vroeger eene trotsche, uitgebreide stad met eene beroemde universiteit; thans heeft het slechts 22.000 inw.
Aan den mond ligt Oporto (140.000 inw.; wijnhandel, industrie).
De Taag heeft tot rechter-zijrivier de Jarama, aan wier rechterbij vloed, de Manzanares, de hoofdstad van Spanje Madrid ligt, te midden eener eenzame, dorre, boomlooze vlakte. Madrid, het centrum van het Spaansche spoorwegnet, is als fabrieksstad niet van groot belang; het telt 472.000 inw.
Het kleine Aranjuez aan den Taag heeft een heerlijk park en is de zomerresidentie van de vorstelijke familie. Westelijker ligt Toledo, de oude hoofdstad, eene vervallen grootheid. Aan den mond: Lissabon (246.000 inw.).
De oorsprong van de Guadiana is moeilijk aan te wijzen, daar de rivier uit een doolhof van moerassen te voorschijn komt (de „ojosquot;). De1 rechter-zijrivieren, die van het Iberisch gebergte komen, zijn ook veel waterrijker dan de „hoofdrivierquot;. Belangrijke zijrivieren neemt zij niet op. Op de grens van Spanje en Portugal liggen Badajoz (27.000 inw., vesting tegen Portugal) en Elvas (11.000 inw., vesting tegen Spanje).
177
§ 189. Galioië. Het Asturisch-Cautabrisch gebergte verliest zich in 't Westen in het B rgland van Galicië, dat uit een aantal ketens met verschillende richtingen bestaat. Overal dringt de zee diep tusschen de bergketens in; zoo ontstaan kleine golven, die met de Noorweegsche fjorden eenige overeenkomst hebben en door de Spanjaarden ria's genoemd worden. Aan een dier ria's ligt de uitvoer- en oorlogshaven Coruna (37.000 inw., eindpunt van de Noord-Westbaan'). Zuidelijker liggen de uitvoerhavens Vigo, een klein plaatsje, en het sterk vooruitgaande Pontevedra (20.000 inw.).
Galicië is niet vruchtbaar; maar waar de grond voor bebouwing geschikt is. wordt hij ijverig bewerkt. Eunder-teelt is nog van belang (uitvoer naar Engeland). In eene vrij vruchtbare streek ligt Santiago (25.000 inw.).
§ 181. Behalve aan de Noord- en Noord-Westzijde wordt de hoogvlakte door laagvlakten omgeven. Beschouwen we deze nader.
In 't Noord-Oosten ligt de Ebro-vlakte, eene der grootste, maar minst bebouwde. In 't Noorden liggen de Pyreneën, die een aantal zijketens naar 't Zuiden zenden; in 't Zuid-Westen het Iberisch gebergte; in 't Oosten scheidt het Kustgehergte van Catalonw haar van de zee. De geheele vlakte daalt van het Noord-Westen naar het Zuid-Oosten; het Westelijk deel is meer dan 300 M. hoog. — In de lengte doorstroomt de Ebro de vlakte. Deze rivier ontspringt bij Eeinosa en heeft eene richting naar het Zuid-Oosten tot het Catalonisch kustgehergte haar noodzaakt eene belangrijke bocht naar het Noorden te maken. Haalbed is hier nauw en rotsig; daarom zal de Ebro nooit een goede waterweg kunnen worden. Bovendien is de rivier vol zandbanken en het Knserskanaal, reeds ten tijde van Karei V gegraven, verhelpt het gebrek niet voldoende. Hoewel zij verschillende zijrivieren heeft (waaronder de Ja,Ion, de Arragon en de S'gre), is de waterrijkdom van de Ebro niet groot; de rivier wordt dan ook niet bevaren. Bijna geheel Arragon is eene verwaarloosde en dorre land-
Ten Have. Beknopt Leerboek, der Aardrijkskunde 5e druk 12
178
streek; groote zandvlakten leveren niets op en zijn kale steppen; waar nog goede grond gevonden wordt, is deze slecht bebouwd; waar de bodem bewerkt wordt, gebruikt men zeer primitieve werktuigen. Men vindt hier slechts ééne plaats van belang: Zaragosa (92.000 inw.), vroeger echter veel gewichtiger dan thans.
Geheel anders is het met Catalonië gesteld. De kuststreek van de Fransche grens tot voorbij den Ebro-mond is goed bebouwd en dicht bevolkt. Het Kustgebergte is rijk aan metalen, steenkolen en zout; hier heeft zich dan ook eene levendige industrie ontwikkeld.
Barcelona (272.000 inw.) is de eerste fabrieks- en handelsstad van Spanje (metaal-, katoen-, wol-, linnen- en zijdefabrieken); diepe haven, spoorwegmiddelpunt; uitvoer van wijnen naar Amerika. Belangrijke fabrieksstad is ook Réus (30.000 inw., uitvoerplaats: Taragona, 27.000 inw.). In het Sègredal, dat tot Catalonië behoort en waardoor een pas naar Frankrijk loopt, is Lerida (22.000 inw.) de voornaamste plaats.
Tot het Catalonisch kustgebergte behoort de Mont Serrat (1240 M), waarop zich een klooster verheft, eene bedevaartplaats voor de Cataloniërs. § 182. De smalle Vlakte van Valencia, in den drogen tijd door tal van waterleidingen kunstmatig besproeid, is een heerlijke tuin; zij is uitstekend bebouwd en niet zelden geeft de bodem drie of vier oogsten in één jaar (maïs, rijst, zuidvruchten). Zijdeteelt. Het middelpunt der vlakte is Valencia aan den Guadalaviar (171.000 inw.), eene levendige stad met fabrieken (fabr. van zijden stoffen, van waaiers, enz.), Va uur vai1 zee verwijderd; voorhaven is Grao,
De spoorweg loopt over het gebergte, dat in Kaap De la Nao eindigt, naar het snel opkomende Alicante (40.000 inw.; handel en fabrieken). Hier begint reeeds de Vlakte van Murcia, evenzeer goed bebouwd, voor zoover zij goed besproeid is. De kuststreek en de berghellingen zijn echter bedekt met het harde espartogras. Deze vlakte heeft reeds
179
een eenigszins Afrikuansuhen plantengroei: palmen, die bij Valencia ontbreken, treffen we hier aan. Aan de Segura ligt de hoofdstad Murcia {99.000 inw.; zijde, es-parto-vlechtwerk). Zuidelijker het bloeiende Lor ca (58.000 inw.). Cartagena bezit eene uitmuntende haven; in de nabijheid vindt men lood-, koper- en ijzermijnen.
g 183. Andalusië en Granada. De Vlakte van Andalusië ligt tusschen het Andalusisch scheidingsgebergte en de Zuidelijke gebergten; zij is het breede dal van den Guadalquivir, dat als eene wig tusschen beide gebergtestelsels zich inschuift.
De Guadalquivir is de waterrijkste en bost bevaarbare rivier van Spanje. Hij ontspringt op de bergklompen, die de Zuidelijke gebergten mot het Andalusisch scheidingsgebergte verbinden; aan zijnen mond liggen uitgestrekte, zilte moerassen (marismas). De belangrijkste zijrivier is de Jenil, die van de Sierra Nevada komende, de schoone Vega van Granada doorstroomt (hierin Granada, 74.000 inw., vroeger zeer belangrijk, thans voor den handel van weinig belang.)
De Vlakte van Andalusië bezit reeds een Afrikaansch klimaat, evenals Algarvië en de kleine vlakten aan de Zuidkust; zij leveren alle een'overvloed van zuidvruchten (olijven, citroenen, oranje-, granaatappels, vijgen, amandelen); katoen, dadelpalmen, en zelfs suikerriet groeien er. Maar met Kastilië is het Spanje's korenschuur: tarwe, maïs, gerst; ook rijst. De Andalusische paarden hebben eene Europeesche bekendheid erlangd; hier weidt de kameel en wandelt de flamingo rond.
Langs de kust, ten Westen van Sevilla, is vooral de cultuur van oranjeappels hoofdzaak. In de boom-looze velden der Campina van Cordova verbouwt men tarwe en gerst. De wijnoogst is vooral in 't Zuiden tusschen Jerez en Cordova van belang.
Langs den Zuidvoet der Sierra Morena staan de olijfboomen, die jaarlijks duizenden HL olijfolie leveren.
180
„Be olijfboom is een onsierlijke boom, die aan onzen knotwilg denken doet.
De oogst lieefc plaats in het najaar en dan heerscht in de olijfbosschen eene drukte, waarvan men zich geen denkbeeld maken kan, wanneer men sleclits die eenzame bosschen met hunne in rechte lijnen geplante, kale, grauwe boomen ziet. De eigenaars der olijfbosschen huizen er dien tijd met gansche gezinnen, waarvan de vaders in de boomen
klimmen, terwijl de moeders en kinderen de vruchten rapen, op ezels laden en naar de hoeve brengen
Als men rekent, dat de olijfbosschen van tien tot twintig duizend boomen tellen, kan men nagaan, welk eene talrijke bevolking tijdelijk deze bosschen bewoont.
Vóór de hoeve worden de olijven tusschentwee zware molensteenen geplet; het sap loopt er van alle zijden uit en wordt in groote bakken met water gevangen en onder den grond geborgen tot het naar elders wordt vervoerd.quot; 1) Langs de kust vindt men talrijke zoutpannen. Jerez (64.000 inw.) ligt te midden der wijnheuvels. De voornaamste uitvoerplaats voor de Jerez-wijnen (Sheny) is San Maria (32.000 inw.), aan de kleine Golf ran Cadiz.
1) Keller, Eon zomer in lifit. Zuiden. If. 1)1. 170.
181
De hoofdhaven van Andalusië, het eindpunt van den Andalusischen spoorweg, is Cadiz (63.000 inw.; uitvoer van wijn, zuidvruchten, olie en zout). Sevilla (143.000 inw.) is eene zeehandelsstad; tot hier kunnen de zeeschepen den Guadalquivir nog opvaren, hoewel met moeite; vooral de handel is van belang; het is de hoofdstapelplaats voor de wijnen en zuidvruchten van Beneden-Andalusië; het aantal fabrieken voor allerlei waren (wol, zijde, linnen, ijzer) is aanzienlijk; groote landstabaksfabriek.
Cordova is eene der meest achteruitgegane steden: vroeger had het Va millioen inwoners, thans nog 56.000; sedert het een spoorwegmiddelpunt is geworden, gaat het weer een weinig vooruit.
§ 184. Het Zuidelijk bergland is eene aaneenschakeling van gebergten en plateaus. Ten Zuiden van Granada verheft zich de slechts 16 uur lange keten van de Sierra Nevada, die in Westen eindigt in den Mulahacen, den hoogsten berg van het schiereiland (3554 M).
Wegens de Zuidelijke ligging overziet men hier in eene kleine ruimte een aantal plantengordels; slechts een gering deel van 't gebergte verheft zich boven de sneeuw-linie en de kleine gletschers zijn van geene beteekenis.
De Zuidelijke voorketens, die zich echter nog boven 2000 M verheffen, bevatten lood-en zilverertsen. Naar het Westen loopen minder hooge bergketens, over plateaus; de laatste hoogvlakte is die van Honda.
Aan de Zuidkust liggen een paar zeer kleine vlakten met een heerlijk klimaat; hier ligt de rechte wijnstreek van Spanje; wijd en zijd zijn de bergen met den wijnstok beplant. Malaga, Spanje's tweede handelsstad (134.000 inw.) voert Malaga-wijnen, zuidvruchten, olie, enz. uit; ook de industrie begint hier belangrijk te worden. Almeria voert de metalen uit, die de berglanden opleveren (lood, zilver).
Op een smal schiereiland ligt do Britsche rotsvesting Gibraltar (26.000 inw.).
§ 185. Portugal. Voor het grootste deel bestaat Por-
tugul uit bergland; langs de kust en de rivieren vindon we laagvlakten. Midden door het land loopt het quot;Westelijk deel van het Kastiliaansch scheidingsgebergte: de Sierra da Estrella, eindigende in kaap Roca. De kustvlakten zijn vochtig en hebben een warm klimaat (te Coïmbra valt jaarlijks 2890 mM regen, te Madrid slechts 360 mM); zij zijn goed bebouwd (maïs, tarwe), terwijl de heuvels met wijngaarden bedekt zijn. Aan de kust wint men veel zout, vooral te Setuval aan de Golf van Sado.
De natuur heeft Portugal reeds eene zekere zelfstandigheid gegeven, van het overige deel van 't schiereiland onderscheiden.
Vooreerst nemen op een' afstand van 35 uren van de kust alle rivieren en hare dalen, evenals het hen omgevende land een ander karakter aan. De Taag is voor rivierscheepvaart geschikt bij Abrantes, voor grootere schepen bij Santarem. De Douro is in Spanje overal door steile rotsen ingesloten; eene regelmatige scheepvaart kan alleen binnen de Portugeesche grens plaats hebben. De Minho wordt aan de grens voor kleine vaartuigen bevaarbaar en de Gruadiana eerst negen uren boven haren mond. De Portugeesche kust is rijk aan visch, rijker dan eenige andere van het Iberische schiereiland; bij Algarvië houdt de vischrijkdom op. De visscherijen aan de Portugeesche kust zijn daarom van oudsher zeer gewichtig; reeds in oude tijden verbonden zich de kustbewoners tot gemeenschappelijke ondernemingen te water. — Portugal is de voornaamste regenprovincie van 't schiereiland, waarmee het droge binnenland een treurig contrast vormt. Die klimatologische verhoudingen gaan landwaarts in evenver, als de bevaarbaarheid der rivieren reikt. Een gevolg daarvan is, dat evenver de vegetatie een eigenaardig karakter bezit; de Oostgrens van het „Portugeesche plan-tengebiedquot; valt bijna geheel met de politieke grens
183
samen. Uit Spanje komende, ziet men aan do Portugeesche grens de eerste palmen en de eerste rijstvelden.
§ 186. Portugal vormt alzoo een afzonderlijk land met een eigen karakter. In het midden, aan den mond eener belangrijke rivier, ontstond Lissabon, aanvankelijk als middelpunt van de kustscheepvaart en de visscherijen. Bovendien moeten wij bedenken, dat de kust niet rijk is aan goede havens; verreweg de beste zijn die van Lissabon en Oporto; doch de laatste is minder toegankelijk dan de eerste; de baai van Lissabon is een aan alle zijden beschermd bekken, veilig, daar de ingang gemakkelijk verdedigd kan worden; ook treedt nergens zulk een uitlokkend gebergte-paradijs zoo na aan de kust. De Taag is voorts de hoofdader van het Portugeesch binnenlandsch verkeer; hij vormt de langste scheepvaartlijn in Portugal. De groote wouden langs de oevers leveren het hout voor de tallooze vlotten, die den stroom afzakken. De schoone streken aan den rechteroever (Santmem) zijn bekend om hare vruchtbaarheid, wemelen van dorpen en voorzien de hoofdstad van voedsel.
Lissabon heeft 246.000 inw. (met de voorstad Belem), Setuval (uitvoer: zout en wijn) 15.000.
Oporto (40.000 inw.) is niet alleen als handelsstad (uitvoer van wijn), maar ook om de levendige industrie van gewicht.
De kustvlakte ten Zuiden van de Sierra Monchique heeft een heerlijk klimaat (amandelen, oranjeappels, rijst, wijn); hier ligt Faro (9.000 inw.), dat eene goede haven bezit en genoemde produkten verscheept.
§ 187. De Balcaren (en Pithyumn) en de Canarische eilanden vormen elk.eene provincie van Spanje. De Pithyu-sen zijn vruchtbaar; Menorca levert minder op dan Mallorca, welks Zuidelijke vlakte door eene bergketen in 'tNoorden beschut wordt; de hoofdstad is Falma (59.000 inw.; uitvoer van hetgeen hot land oplevert: boomolie, zuidvruchten, enz.).
184
§ 188. In de vroegste tijden werd liet schiereiland in 't Westen door de Kelten, in 't Oosten door de Iberiërs bewoond, die Noordwaarts tot de Garonne het land in bezit hadden. Nakomelingen dezer Iberiërs zijn de Basken, die ten getale van 900.000 in Spanje en Zuid-Frankrijk (de Westelijke Pyreneën) voorkomen. Van de volken, die achtereenvolgens het schiereiland vermeesterden, oefenden alleen de Romeinen een blij venden invloed uit: het volk Fig. 60. der Keltiberiërs werd
geheel geromaniseerd. De invloed der Arabieren is alleen in 't Zuiden merkbaar gebleven.
De Spanjaarden zijn trotsch en niet tot werken gezind; eene uitzondering maken de nijvere Cataloniërs (Catalonië is het eenige fabrieks-land) en de Banken. Bijna overal zijn stierengevechten een geliefd vermaak. De Fortvgeezen zijn klei-JV ner van gestalte en g' missen de trotsch-
heid hunner naburen.
Landlieden uit oud-Kastilië. lgt;OOInych.Katho-
lieke kerk is de heerschende.
„De Spanjaarden zijn volstrekt niet zwak van karakter, men kan ze zelfs niet wispelturig noemen; maar de massa van het volk dwaalt licht af van de harde, doornachtige wegen van plichtsbetrachting naar de met bloemen versierde vroolijke zijpaden van het cogenblikkeli^k veimaak. Ze zijn groot-
185
moedig, edelaardig en meestal zonderling vrij van geldzucht. In geen ander land wordt de reiziger zoo weinig afgezet als in Spanje. Wanneer men hem beleefd en vriendelijk aanspreekt, is een Spanjaard terstond gereed een1 vreemdeling te helpen en zicli zelfs daarvoor veel moeite te getroosten; maar trotsch is hij en uiterst gevoelig, ook zelfs voor den schijn van onbeleefdheid.
Een Spanjaard bemint zijn vaderland; hij heeft liefde voor de partij, waartoe hij behoort en zal zijn leven opofferen voor beiden; maar met de slimme achterdocht van een Zuidelijk gemoed twijfelt hij aan zijne aanvoerders. Daarenboven — wie kan lang weerstand bieden aan den opwekkenden prikkel van het stierengevecht, de bekoringen van eene nieuwe opera, het aangenaam gesprek in de café's! Zuo worden de groote dingen van „morgenquot; vergeten voor de kleine genoegens van „hedenquot;.
Het geheele binnenland is dun bevolkt; de kustprovinciën zijn beter bevolkt, maar de dichtheid bereikt nergens die der Povlakte of die van Campanië. Het stroomgebied der Guadiana telt slechts 15 inw. op 1 □ KM, dat van den Taag (behalve Estremadura) 22; de dichtheid in de kuststreken bedraagt tusschen 50 en 90; in Catalonië en de N.-Baskische provinciën stijgt zij boven 90. Portugal is in 't Noorden (tot den mond der Mondego) dicht bevolkt; naar 't Zuiden en naar 't binnenland neemt de dichtheid af.
De volksvertegenwoordiging draagt, in Portugal zoowel als in Spanje, den naam van Cortes.
9. Frankrijk.
(529.000 KM2; 38,000.000 inw.)
§ 189. Algemeene beschouwing. Frankrijk bestaat uit:
1°. laagland, het Zuidwestelijk deel van de groote laag-vlaktc, die zich van de Pyruntcn tut den Oeral uitstrekt;
186
2u. eene reeks middelgebergten, het Zuidwestelijk deel v;in de groote rij middelgebergten, die den Noordkant dei-Alpen begeleidt; door middel van plateaus dalen ze naar de vlakte;
3°. het Alpengebied in 't Zuid-Oosten, door een meer of minder breed dal van de middelgebergten gescheiden;
4°. het laagland aan de Middellandsche zee.
Op de grens van Spanje verheffen zich de Pyreneën; in 't Noord-Westen loopen kleinere gebergten en liggen lage plateaus.
§ 190. De meeste Fransche rivieren ontspringen op de middelgebergten en stroomen naar den Atlantischen oceaan; het land ten Oosten dier gebergtenrij behoort tot het stroomgebied van de Khone. De middelgebergten vormen dus de waterscheiding tusschen de Middellandsche zee en den Atlantischen oceaan (en 't Kanaal).
De kust van 't Kanaal maakt de grootste bochten; in elk der twee Noordelijkste loopt eene rivier meteenbree-den mond uit: de Somme en de Seine; de derde bocht is de Golf van Sint-Michel; hierin liggen de aan Engeland behoorende Normandische eilanden.
Aan de Westkust van het havenrijke Bretagne begint de veel vlakkere en minder bochtige kust van den Atlantischen oceaan. Hier liggen de breede monden van de Loire en van de Garonne (do Girondë). Voor de kust liggen de eilanden Belle lie, Noirmoutier, d'Yeu, Ré en 01 ér on.
De kust der Middellandsche zee is in 't Westen laag en bezet met strandmeren (etangs), in 't Oosten hooger. Voor de kust liggen de kleine Hyères-eüanden, verder Zuidelijk Corsica.
§ 191. De Rhöne. Als de RhOne het meer van Genève verlaten heeft, noodzaken de evenwijdige ketens der Jura haar zich naar 't Zuiden te wenden. Daarna stroomt zij Westelijk, aan den Noordkant van de uitloopers der West-Alpen, tot Lyon, waar zij de van het Noorden komende Saóne opneemt.
187
De Saóne ontspringt bij het Plateau van Lungres en loopt langs de vrij steile Zuidoostelijke afhelling dezer hoogvlakte. Boven Chülon ontvangt zij het water van de Doubs, die uit de Jura komt. Bij Chalon neemt de Saöne weder eene Zuidelijke richting aan en stroomt langs den Oostvoet der middelgebergten.
Bij Lyon neemt de Rhóne, daartoe gedwongen door de middelgebergten, de richting aan van de Saöne; zij behoudt deze richting tot aan haren mond. Links neemt zij de Isére en de Durance op, de eerste boven Valence, de laatste bij Avignon.
Tusschen de Rhone en de hoofdketen der West-Alpen ligt een woest bergland, zeer spaarzaam bevolkt. Door het dal der Isère en verder door dat der Are loopt de Mont Cenis-baan (de Mont Cenis-tunnel, door de Westelijker liggende Mont Frejus gegraven, is 13.000 M. lang). Aan de Isère ligt Grenoble (64.000 inw.).
§ 192. Tusschen de Jura en de Middelgebergten ligt de Vlakte van Bourgondiër 46 uren lang en gemiddeld 8 uren breed: zij heeft eene hoogte van 250 Meter en is goed bebouwd. In het midden der vlakte ligt Chalon, Noordelijker Djjon (60.000 inw.). Het dal der Doubs en het lage heuvelland tusschen Vogezen en Jura (de Bourgondische poort) maken den toegang naar de Bovenrijnsche laagvlakte gemakkelijk; evenzoo is deze „poortquot; de sleutel van Frankrijk. Vandaar, dat hier sterke vestingen liggen: Belfort, Besanron (57.000 inw.; horlogemakerijen\ Aan de samenkomst van wegen (welke?) ligt het vanouds belangrijke Lyon niet 466.000 inw., de eerste stad van Europa voor zijdefabricaten; aanzienlijke handel in koren, olie, zijde, wijn, enz.; ruwe zijde wordt uit Italië, Zwitserland en China ingevoerd. Tusschen Lyon en de Beneden-Isère ligt een goed bebouwd heuvelland van 400 M hoogte. Waar de Isère in de Rhone komt, begint de Rhone-vlakto, aanvankelijk zeer smal, maar
188
ullengs breeder wordende, om zich eindelijk met de Vlakte van Languedoc te vereenigen. In het Noorden door gebergten beschut, geheel open naar de zijde der Middellandsche zee, geniet deze vlakte een heerlijk klimaat. Aan zich zelve overgelaten, is zij dor, stoffig, eenvormig; maar waar zij kunstmatig bewaterd wordt hoogst vruchtbaar en rijk aan wijn, olie, moerbezieboomen (zijdeteelt), aromatische planten (jasmijn), enz., in één woord: we vinden hier een geheel Zuidelijken plantengroei. Alleen de Mistral, de koude wind, die van de bergen daalt, is den planten nadéelig. Het delta-eiland der Rhone, la Camay gue, is wel vruchtbaar, maar ten deele moerassig en daardoor ongezond.
In deze vlakten liggen Nimes (75.000 inw.), Montpellier (.74.000 inw.) en Cdte (33.000 inw.).
De twee eerstgenoemde plaatsen handelen in wijn; Cette aan het einde van het Zuiderkanaal, voert de Languedoc-wijnen uit. Montpellier heeft zijdefabrieken.
§ 193. Het uitgestrekte dal tusschen de Alpen en de Jura aan de eene zijde, de Pransche middelgebergten aan de andere, is als 't ware een groote handelsweg, die in de Bovenrijnsche laagvlakte zijne voortzetting vindt en verder naar Midden- en Noord Duitschland (de Oostzee) gaat. Reeds zeer vroeg werd deze weg druk gebruikt. Geen wonder, dat er aan het einde van dezen handelsweg eene stad van belang ontstond: Marseille (waarom niet aan de Rhone ?j, de uit- en invoerplaats van het geheele Rhónegebied tevens.
Marseille heeft 443.000 inwoners; de haven is veilig; handel wordt naar alle zijden gedreven; invoer: ruwe wol, koren, suiker, hout; uitvoer: oliën, zeep, wijnen, enz. M. is van deze streken de voornaamste plaats voor den oliehandel en de olie-industrie (zeepbereiding); de koren-handel van de Midd. zee-streken concentreert zich meer en meer in deze plaats.
Ten Oosten dezer stad ligt de oorlogshaven Toulon (95.000 inw.), die echter ook belangrijken handel drijft in wijn ea
190
zout. Nizza (91.000 invv.) is eone veel bezochte badplaats. Dichtbij ligt het kleine vorstendom JfoHaco (speelbank). Als badplaatsen zijn voorts nog Mmtone en Cannes bekend.
g 194. De Middelgebergten. De Middelgebergten beginnen in 't Zuiden met de Cevennes, die door eene heuvelachtige laagte van de Pyreneën gescheiden zijn. Zij vormen een slecht toegankelijk gebergte. Aan den Zuidoostelijken voet liggen de steenkoolmijnen van Alais, die vooral voor de fabrieken van Marseille en voor de stoomschepen van deze plaats en Toulon van gewicht zijn.
Noordelijker loopt het Lyonnais-gebergte en wel ten Noorden van eene diepe inzinking, die een geschikten weg van Lyon naar St.-Btienne vormt. Deze laatste plaats, op een klein plateau gelegen (525 M hoogte), is eene groote fabrieksstad; de aanwezigheid van steenkolen en ijzer deed hier een aantal metaalfabrieken ontstaan; voorts zijdefabrieken, enz. (136.000 inw.).
Aan het gebergte van Lyonnais sluit zich dat van Charolais; Noordelijker liggen de Cóte-d'Or, liet Plalean van Langres en het Argonnenwoud.
Het Charolais-gebied is door eene laagte gescheiden van de Cóte d'Or, evenzoo de Cóte-d'Or van het Plateau van Langres.
Deze laagten zijn gebruikt voor den aanleg van kanalen: Cxnal da Centre (verbinding Loire en Saóne) en Kanaal van Bourgondië (verbinding Saóne en Yonne-Seine).
Aan de Oostzijde der besproken gebergten liggen vlakten hetzij laagvlakten, hetzij hoogvlakten van geringe verheffing (b. v. Bourgondië). De helling naar de Oostzijde is dan ook steil. Geheel anders is het aan den Westkant. Daar liggen hoogvlakten, die in breede terrassen naar de Fransche laagvlakte dalen. In het midden ligt het Hoogland van Auvergne. gemiddeld 1200 M hoog, een bergland met oude vulkanen en lavabeddingen: de Puy de Dome (1465 M) wordt door een twintigtal vulkaankegels omgeven. Hot hoogst stijgt de Mont Doré (1886 M); eene
101
;i,;inzienlijke berggroep is de Cantal (1856 11). Uit de ;uin-wezigheid van warme bronnen blijkt de vulkanische gesteldheid. Tusschen de Allier en de Loire verheft zich het Forcz gebergte.
Bosschen treft men op deze hoogvlakten weinig aan. Voor een groot deel zijn de plateaus met heide bedekt. Waar ze bebouwd worden, leveren ze rogge, boekweit en aardappelen. De schrale bergweiden voeden echter nog duizenden schapen; lager grazen ook koeien, terwijl de Noordwestelijke terrassen uitmuntende paarden bezitten.
De bevolking is hier natuurlijk dun; zij kan van de opbrengst van den bodem slechts kommerlijk bestaan; verhuizingen naar de steden is hier dan ook aan de orde van den dag.
De gebergtenrij is ten deele woest en kaal; maaide Oostelijke hellingen bezitten soms heerlijke weiden (Charoiais), terwijl de Westelijke gezochte wijnen leveren (Plateau van Bourgogne ten Westen der Cöte-d'or). — In de Cóte-d'or ligt ie Creusot (32.000 inw.), in welks nabijheid steenkoolmijnen gevonden worden; in de vervaardiging van machines staat deze plaats bovenaan.
Ver naar 't Zuid-Westen in de vlakte strekt zich een klein plateau uit, waarop de heuvelen der Gatine zich 300 M verheffen; Noordelijker liggen de ten deele nog woud-rijke Hoogten van Orleans, die echter slechts eene hoogte van 125 M bereiken. Door deze heuvelstreken wordt het Fransche laagland in drie deelen gesplitst. Elk dezer deelen wordt door eene groote rivier met tal van zijrivieren doorsneden en ontleent aan de hoofdrivier zijnen naam.
§ 195. De Garonne-vlakte. In het midden der Pyre-neën, op de Maladetta-groep, ontspringt de Garonne. Aanvankelijk loopt zij, door hooge bergen ingesloten, naar het Noord-Westen; spoedig echter buigt zij zich naar het Noord-Oosten om en behoudt deze richting tot Toulouse, waar zij de vlakte betreedt en zich naar het Noord-Westen
192
weudt, de richting, die zij tot haren mond behoudt. Tot bil Ajen blijven hare oevers heuvelachtig. Aan de Oostzijde ontvangt zij veel water van de Middelgebergten en de plateaus {Tarn, Lot, Dordogne). Met de Dordogne ver-eenigd stort zij zich in de Qironde.
De Girondi; moet men als een' zeearm beschouwen. Voor de oesterteelt is zij van veel belang. De menigte banken, die zich onophoudelijk verplaatsen, maken haar als waterweg niet zonder gevaar- Bij den ingang staat de vuurtoren Cordouan.
De Noordvoet der Pyreneën is met puin overdekt (mo-raine-puin). Vandaar, dat de kleine riviertjes, die in de Garonne uitloopen, veel slib en puin medevoeren; vandaar ook de talrijke ondiepten, die men in de Garonne aantreft en die haar zoo moeilijk te bevaren maken. Het Garonne-kanaal, dat door een aquaduct bij Agen over de rivier gaat, en Zuidelijker over de Tarn, moet dat gebrek verhelpen. Door de poort tusschen de Pyreneën en de Ce-vennes loopt het Canal dn midi of het Zuiderkanaal, dat Toulouse met Cette, en dus de Garonne met de Middel-landsche zee, verbindt.
In het Zuidelijk deel der vlakte stroomt de Adonr, die zeer vele linker-zijriviertjes bezit, alle van de Pyreneën komende (gares). Hier liggen badplaatsen: Bagnères, het meest bezocht, en Lourdes, bekend door zijne grot.
§ 196. De driehoekige Garonne vlakte is ten deele goed bebouwd (mais. tarwe, tabak), ten deele nog onvruchtbaar. Aan de kust verheffen zich hooge duinen (85 a 90 M); achter de duinen liggen de Heiden (les Landes).
Onmiddellijk achter de duinen liggen moerassen en meren, misschien de overblijfselen van vroegere inhammen; de eenige, die nog niet door de duinen van de zee is afgesloten, is die bij Arcachon. Verplaatsten zich — evenals in ons land —de duinen op verontrustende wijze landwaarts in, thans zijn ze bijna overal met dennen beplant. Hetzelfde is geschied met de uitgestrekte heidevelden, die men
193
meer naar binnen vond; gioote streken zijn met dennenbosschen beplant; in 't Zuiden kweekt men met goed gevolg kurkeiken. — Herders op stelten weiden in deze streken hunne schapen.
In het Noordelijk deel der vlakte, langs de Gironde, is de wijnstok van groot belang, vooral in de streek van
194
plaats vtin productie gemiddeld 15UÜ millioen francs op.
Als 't ware een uitlooper van de Garonne-vlakte is de Vendee, de landstreek tusschen de Gatine en de zee, die wij liet best kunnen vergelijken bij onze zee-kleilanden. De bevolking woont hier verspreid: de landbouwer woont te midden zijner velden.
§ 197. De belangrijkste plaats in het stroomgebied der Garonne is Bordeaux (257.000 inw.), eene oude, rijke zeestad; scheepvaartverkeer met Amerika, Afrika en Indië; handelsmiddelpunt over een groot deel van Midden- en Zuid-Frankrijk; uitvoer: vooral wijn en brandewijn; invoer: koloniale waren, hout, koren, enz. Voorhaven is Poiiülac. Het middelpunt van Zuid-Frankrijk vormt Tou-
195
louso (15U.UUÜ imv.), bij do pooit u;i;ir du Rhöno-vlakto. Aan de kust der Landes is Bayonnv de eenige haven van belang (handel met Spanje, kustvaart, kabeljauwvangst). Rochefort, aan den mond der Charcnte, gaat als zeehandelsstad niet vooruit; de iiavon verzandt; beter is die van de vesting La Rochelle.
§ 198. De Loire-vlakte. De Loire ontspringt, evenals
hare linker-zijrivier de Allier, op het Hoogland van Gevau-dan en Viverais. Zij vereenigt zich met de Allier beneden Nevers (25.000 inw.) en stroomt Noordwestelijk tot Orleans. Boven deze plaats begint het Kanaal van Orleans, dat de Loire met de Seine verbindt. Van hier heeft zij eene Westelijke richting, die zij tot haren mond behoudt. Aan
196
hare linkerzijde neemt zij de Cher, de Indre en de Vienne (met de Creuse) op, aan haren rechterkant de vereeniging van Loir, Sart he en May enne (de Maine). Delinker-zijrlvieren ontspringen op het hoogland van Midden-Frankrijk, de rechter-zljrivieren op het Normandische bergland. Voor den binnenhandel van belang zijn het Kanaal van Berry (van Nevers naar Tours), het Loire-Kanaal (van Nevers naar Briare) en het Kanaal van Nivernais (van de Loire naar de Yonne).
De vlakte van de Loire is eene korenschuur van Frankrijk. Tarwe is het hoofdprodukt (de oogst van tarwe is in Frankrijk grooter dan die van een der andere granen). Voorts worden gerst, koolzaad, onz. verbouwd.
§ 199. De in- en uitvoerplaats der vlakte is Nantes (124.000 inw.), de erfgenaam van den handel van la üo-chelle en Rochefort, wier havens verzandden; vele fabrieken, drukke stoombootvaart met Amerika; pakhuizen voor zout en wijnen. Groote zeeschepen kunnen Nantes niet meer bereiken; zij blijven bij de voorhavens St.-Na-zaire (26.000 inw.) en het kleiner, eertijds belangrijke, Paimboeuf. Van Nantes leidt een kanaal naar Brest.
De belangrijkste plaatsen in het stroomgebied van de Loire zijn verder: Tours (64.000 inw.); Orleans (67.000 inw.), ten Noorden van welke stad eene tuinbouwstreek ligt, terwijl aan de Zuidzijde der Loire de Sologne onvruchtbaar en met meren bezaaid is; Angers (77.000 inw.); Le Mans (60.000 inw.), gewichtig middelpunt van straten en spoorwegen; Hennes (70.000 inw.), in vruchtbare omgeving; Limoges (78.000) en aan de Vienne: Poitiers (39.000 inw.).
§ 200. De Seine. Deze ontspringt op het Plateau van Langres, neemt links de Yonne op, rechts de Aiibe, Marne en 0?se en stroomt bij Havre in zee.
Een tak van de Yonne, de Ar mango n is door het Kanaal van Bourgondië met de Saóne verbonden; de Marne staat door het Marne-Eyjnkanaal met den
197
Rijn in verbinding1; de Oise door het Sumbrekanaal met de Sambre, terwijl eene zijrivier der Oise (de Aisne) door het Ardennen-kanaal met de Maaa ia verbonden. Het Kanaal van JSriare leidt voorts naar de Loire. Zoo is het Heinebekken naar alle zijden met andere stroomgebieden door scheepvaartwegen verbonden.
De Seine-vlakte is goed bebouwd, in 't bijzonder hot Westelijk deel: aan beide zijden der Beneden-Seineliggen rijke, dichtbevolkte landstreken. De voornaamste produk-ten zijn; tarwe, haver, gerst, vlas, hennep, koolzaad, enz.
In het Oosten, op de kalkgronden van Champagne, tiert de wijnstok; daar moet men ook de groote magazijnen van Champagne- en andere wijnen zoeken: Reims (108.000 inw.l, Epernay en Chilians s/M.
§ 201. Op een eilandje in de Seine, dicht bij de plaats, waar deze de Marne opneemt, ontstond Parijs. Van dit middelpunt uit — thans de kerk Notre Dame — heeft het zich naar allo zijden in do kleine vlakte uitgebreid; de heuvelen rondom de stad waren uitstekend ter verdediging, terwijl de dalen door hunne vruchtbaarheid tot bebouwing uitlokten. Parijs ligt ongeveer in 't midden van het bevaarbare gedeelte der Seine; voort wijzen alle belangrijke zijrivieren als 't ware naar dit punt. Daardoor werd Parijs de hoofdmarkt van het Seine-gebied, een dei-vier groote stroomgebieden van Frankrijk. Dan — geen der andere is zoo naar alle zijden open als dat der Seine en vanouds liepen wegen naar het Rhöne-, Rijn-, Maas-en Scheldedal; reeds vroeg was Orleans eene voorstad van Parijs, dat van daar uit ook het Loirebekken be-heerschte. Zoo was Parijs aangewezen om de eerste stad van het Fransche rijk te worden.
In 1896 had de stad 2.536.000 inwoners. In de plaats der oude vestingwerken, gesloopt en in beplante straten herschapen, is een krans van sterke forten gekomen; prachtige paleizen en kerken versieren de stad. Parijs is een der eerste fabriekssteden van de wereld; zijne indu-
198
strie kenmerkt zich door onovertroffen smaakvolle bewerking. De gewichtigste takken van nijverheid zijn: de fabricatie van kleedingstukken, meubelen, rijtuigen, metaalwaren, zoogenaamde Parijzer artikelen (art. van weelde, kunstbloemen enz.), enz. De lederindustrie ontwikkelde zich door het groote aantal runderen, dat dagelijks geslacht wordt. Op schepen van de Boven-Seine wordt de stad van hout, kolen, koren, wijn en bouwmaterialen voorzien. — Velen, die dagelijks in de stad verkeeren, hebben hunne woningen in de schoone, heuvelachtige omgeving. Onmiddellijk bij de stad bevinden zich groote, volkrijke plaatsen, o. a. Boulogne (38.000 inw.) en St. Denis (54.000 inw.). De Noordelijke voorsteden hebben samen meer dan 50.000 inw. Ten Zuid-Westen ligt Versailles (55.000 inw.).
§ 202. Rouaan en Elbeuf zijn twee industriesteden van groot belang. De eerste (113.000 inw.) bezit een groot aantal katoenfabrieken, terwijl de laatste (22.000 inw.) wolfabrieken bezit en een middelpunt is van de Fransche modestof-fabricatie.
Havre (119.000 inw.) is de belangrijkste voorhaven van Parijs, de invoerplaats voor een groot deel van het tieine-gebied (invoer van ruwe katoen, cacao, koren, petroleum, koffie, kaas); uitvoer van wijn, brandewijn en likeuren; handel met de Vereenigde Staten.
§ 203. Met een breeden mond loopt de kleine Somme in zee, wier dal, tusschen heuvelruggen (welke?) ingesloten, zich naar de zijde van Het Kanaal verbreedt tot eene kleine vlakte. De voornaamste plaats is het nijvere Amiens (89.000 inw.; linnen- en wolfabrieken).
Het Sorame-dal is door de Vlaamsche heuvelrij van eene industriestreek gescheiden. Hier liggen: Lille of Rijssel (216.000 inw.; wolfabrieken); Boubaix (125.000inw.; wolfabrieken); Tourcoing (73.000 inw.; wolfabrieken); Valenciennes (27.000 inw.; linnenfabrieken; in de nabijheid belangrijke steenkoolbeddingen, eene voortzetting van de Belgische steenkoollagen: zij leveren bijna de helft van alle kolen, die Frankrijk produceert).
199
Aan de kust: Boulogne (4(3.000 inw.) en Calais (57.000 inw.). beide bekend door het verkeer met Engeland; bovendien — vooral te Calais — vischvangst en kantwer-kerij; met het laatste houden zich te Galais 15.000 personen bezig. Duinkerken ligt Noordelijker en heeft scheepsbouw en visscherij.
§ 204. Tusschen het Argonnenwoud en de Vogezen Fig. 71.
ligt het Plateau van Lotharingen, door het dal van de Maas en de Moezel doorsneden. Aan de Maas liggen Verdun en Sedan, in het Moezeldal Nancy (87.000 inw.; wollen stoffen)
§ 205. Tusschen de monden van de Weine en de Loire steken twee schiereilanden in zee vooruit; Bretagne en Normandië. Tusschen beide ligt do Oolf van St.-Michel
200
met uitgestrekte oesterbanken (hieraan St.-Malo, waar merkwaardige hooge vloedgolven loopen; fabricatie van scheepsartikelen; kabeljauwvangst).
Bretagne is grootendeels een woest, onvruchtbaar plateau, bedekt met heide en struiken; op dit plateau loopt het Arrée-gébergte, dat slechts eene hoogte van 371 M bereikt, van 't Westen naar 'tOosten, op niet grooten afstand van de hooge Noordkust. De Zuidkust is vrij vlak, en daar zij aan den Noordkant beschut is, en een zeeklimaat bezit, zoo is dit deel van Bretagne zelfs geschikt om er de myrt te kweeken.
Bijna overal is de kust havenrijk; in het Westen hebben de golven grillige, diepe bochten geslagen; hier is de zee door hare onstuimigheid berucht {Golf van Brast, waaraan de ooiiogshaven Brest met 75.000 inw., welke stad een goed „achterlandquot; mist).
Het Normandische bergland, evenmin hoog,' welks Noordwestelijke uitlooper in Kaap la Hogue eindigt, is veel vruchtbaarder. Normandië is rijk aan ooft (fabricatie van cider). Van de granen verbouwen beide schiereilanden rogge en boekweit. In 't Noorden ligt de oorlogshaveu Cherbourg (41.000 inw.), in 't Oosten Cacn (45.000 inw.; scheepstimmerwerven, handel).
Tot Frankrijk behoort Corsica (8800 KM3 groot), een woest bergland met kleine kustvlakten en eene onontwikkelde Italiaansche bevolking. Voornaamste plaatsen: Ajaccio en Bastia, uitvoer van zuidvruchten.
§ 203. De landbouw is in Frankrijk een der hoofdmiddelen van bestaan. De sterke verdeeling van den bodem belemmert echter het gebruik der nieuwere landbouwwerktuigen. In de vlakte verbouwt men vooral tarwe, en voorts haver en gerst; vooral in 't Noorden vindt men deze granen; in 't Zuiden maïs (de poolgrens van de maïs loopt van den Girondemond naar Belfort).
Op de schralere gronden der bergstreken vindt men, voorzoover ze niet met heide bedekt zijn, rogge, boek-
li
PS
H
'■i
201
weit en aardappelen. De poolgiens van den wijnstok loopt aldus: l'Orient (Bretagne) — le Mans — Amiens — Verdun. — In het laagland bloeit de veeteelt, vooral langs de kusten (Normandiö); de drogere bergweiden geven velen schapen voedsel. Hoe belangrijk de nijverheid is, blijkt uit de voorgaande §S voldoende.
§ 207. In den ouden tijd woonden iu Frankrijk du Keilen [Galliërs), behalve in 't Zuiden, dat door een' tak der Iberiërs bezet was en in 't Zuid-Oosten, waar de Ligu-riërs woonden.
Julius Caesar bracht hen allen ten onder; de overwonnenen namen de taal van de Romeinen aan, werden geheel geromaniseerd; alleen in Bretagne behielden de afstammelingen der Kelten hunne taal en zeden en nog heden ten dage zijn er ongeveer 1 millioen bewoners, die nog altijd hunne eigene taal spreken. Evenzoo ging het met een deel der Iberiërs, de Busken, in de Westelijke Fyreneën. l)e volken, die later Frankrijk binnendrongen, waren niet in staat een belangrijken invloed op de taal uit te oefenen; zoo gingen de Noormannen, die in 911 onder Rollo Normandiö veroverden, in de veel beschaafder Romanen op. In 't uiterste Noorden hebben enkele streken hunne Vlaamsche taal bewaard.
De Franschman met zijn rond hoofd, zijne hoekige gelaatstrekken en donkere oogen is vroolijk, luidruchtig van aard; hij windt zich spoedig voor eene idéé op, die hem aantrekt, en gaat zoo spoedig mogelijk tot de uitvoering over; zijne geestdrift bekoelt echter ook spoedig. Oppervlakkigheid, wuftheid zijn groote gebreken van hem.
Opmerkelijk is het samenstroomen van de bevolking van 't platteland naar de steden. Frankrijks bevolking neemt slechts zeer langzaam toe; in dit opzicht staat Frankrijk bij alle groote staten van Europa ten achter. Voor 40 jaren woonde 85 pCt. der bevolking op het platteland, thans nog geen 70 pCt.
De zeer dicht bevolkte landstreken zijn kleine stukken:
'202
1. het uiterste Noorden.
2. Parijs en omstreken.
3. de streek van Lyon tot St.-Etienne.
4. het gebied der Beneden-Seine.
5. de kust van 't Kanaal.
(Verklaar dit verschijnsel).
Overigens liggen de groote steden meest in dun bevolkte stroken (plateau van Auvergne, Champagne, Sologne, les Landes, — alle beneden 3ö op de KM2}.
Met de volksontwikkeling is het nog niet best gesteld, hoewel er in de laatste jaren zeer veel zorg aan besteed wordt.
Het rijk is verdeeld in 86 departementen, aan wier hoofd prefecten staan; zij staan zonder tusschenbestuur onmiddellijk onder de regeering te Parijs. — Aan het hoofd der republiek staat de president, die voor 7 jaren verkozen wordt. Hij beschikt over vloot en leger; maar mag alleen met goedvinden der beide kamers {kamera der afgevaardigden en senaat) oorlog verklaren: verantwoordelijke ministers worden door hem verkozen.
10. België.
(29.500 KM3; 0.350,000 inw.).
§ 208. Slechts een klein deel van België ligt aan zee. De kust is — als in Nederland — met duinen bezet; voor de kust liggen de gevaarlijke Vlaamsche banken, evenals in ons land b.v. de Breeveertien. Ook hier badplaatsen: de voornaamste is het bloeiende Osiewde, dat ook belangrijk is door het stoombootverkeer met Engeland. Een kanaal verbindt deze plaats met Gent; eertijds was zij eene der belangrijke voorhavens van het thans vervallen Brugge. Scheepvaart, visscherij.
In dertig jaren is veel aan deze kust veranderd. Ostende was eertijds de algemeene, veel bezochte badplaats; de concurrentie had de karavaan der zieken en leegloopers nog niet naar alle zijden ver-
.90 f'i «I
fep
Jrij
kgt;i
ï V
tï.
'
2U4:
strooid. De wensch naar een minder duur verblijf, de aantrekkelijkheid van een strand, dat minder op eene woelige kermis geleek, lokte toen een zeker aantal bezoekers naar Blankenberghe. Maar nu kwam Blankenberghe op zijne beurt in de mode: het werd er bijna even vol als te Ostende en B. begon nu van zijnen overvloed meê te dealen aan het tot dien tijd doodstille Heyst. Ostende en Blankenberghe zijn de groote middelpunten; Ostende bevat grootscher inrichtingen en is thans vooral het geliefde vereenigingspunt der aristocratie, zooals Blankenberghe van de burgerij. Naast Heyst, ontvangen Nieuwpoort en vele kleinere plaatsen hun deel van den buit.
§ 209. België behoort tot het stroomgebied van de Schelde en tot dat van de Maas. Beide rivieren ontspringen in Frankrijk (waar?), terwijl haar mond in Nederland ligt; beide maken daar, waar zij eene belangrijke linkerzijrivier opnemen, eene ombuiging naar het Oosten; waar hoofd- en zijrivier zich vereenigen, ligt bij beide eene belangrijke stad. (De Lijs vereenigt zich met de Schelde bij Gent, de Sambre valt in de Maas bij Namen). Het Zuidelijk deel, tot Maas en Sambre, is een woest bergland (de Ardennen, 670 M), het middelste deel, tot de Schelde is een heuvelland, het overige eene laagvlakte.
Vergelijken we Maas en Schelde verder, dan merken we op, dat de laatste, als eene rivier der vlakte, beter bevaarbaar is dan de eerste; de Schelde stroomt door eene streek, waar landbouw en veeteelt bloeien, de Maasoevers zijn bezet met fabrieken, maar ook rijker aan natuurschoon dan die der Schelde. Beide rivieren zijn door kanalen met de Fransche stroomstelsels verbonden. (Zie bij Frankrijk, § 200).
§ 210. De Ardennen zijn een woest bergland, spaarzaam bevolkt, daar het ruwe klimaat, de onvruchtbare bodem, hier met heide en veen, daar met donkere bos-
il
Iquot;
I
205
schen bedekt, niet tot nederzetten uitlokten. Om hun natuurschoon worden ze jaarlijks door vele reizigers bezocht; merkwaardig is de grot van Han, waardoor de Lesse stroomt. Spoorwegen hebben het bergland vrij wat toegankelijker gemaakt.
De rivieren hebben diepe dalen uitgeslepen en wringen in honderden bochten tusschen de bergen door, o. a. de Ourthe (met de Vesdre) en de Semois. Deze dalen vormen eene scherpe tegenstelling met het bergland: zij hebben een vrij zacht klimaat; vooral het beschutte dal der Semois wordt geroemd (hierin ligt Arlon, 7000 inw.).
Het dal der Maas is smal; tot daar, waar deze rivier de Sambre opneemt, breekt zij dwars door de Ardennen, die hier nog 500 M hoogte bezitten (Belgisch-Zwitserland); vervolgens loopt zi] langs de Noordelijke afhelling van dit plateauvormig gebergte. Namen beheerscht twee, uit Frankrijk komende, wegen. Beneden Namen is de rechteroever hoog eu boschrijk, de linker draagt lagere bebouwde heuvels, terwijl het eigenlijke dal de fabrieksstreek is.
Tot het bergland behooren de landstreken Condroz, Ha ut es Fagnes, enz.
Het heuvelland is ten deele bedekt met Hesbay'sche klei (löss, Limburgsche klei), daardoor zeer zorgvuldig bebouwd en levert als voornaamste produkten tarwe en suikerbieten (Hesbaye). In het Land van Her re is veeteelt hoofdzaak.
Het lage land is ten deele vruchtbaar, ten deele woeste grond. Langs de duinen ligt eene, twee tot drie uur breede, strook zeeklei; langs de Schelde, de Lijs en de Dender ligt rivierklei. Zoowel deze alluviale grond, als de zandbodem van Midden-Vlaanderen, is uitstekend bebouwd. Naast veeteelt (vooral het Land van Waes en het Vearner-Ambaclit moeten genoemd worden) oefent men er den landbouw uit, die in een groot deel van Vlaanderen tot tuinbouw is geworden. Men woekert hier met elk klein stukje gronds. De voornaamste produkten
206
zijn vhia, honnop, ycr^t, tarwo, roggu, koolzaad, enz. Vooral het Land van Waes en de Lijsoevers leveren uitnemend vlas; de meeste hoptuinen vindt men bij Aalst aan den Dender.
Geheel anders is het met het Noordelijk deel tusschen Schelde eu Maas gesteld; de Kempen zijn onvruchtbare streken, woeste heidevelden, hier en daar met dennenbos-schen bezet, maar ook overgaande in zandverstuivingen. Sedert het graven van het Kmipenkanaal, dat Antwerpen met Maastricht verbindt, het Kanaal van Hasselt naar Turnhont, dat het eerste rechthoekig snijdt, en dat van Turnhout naar Antwerpen, is men begonnen de heide-streken te ontginnen; de Belgische regeering heeft deze pogingen zeer krachtig gesteund en thans is reeds menige bloeiende landstreek uit eene dorre woestenij ontstaan.
§ 211. België ligt te midden van belangrijke handels-en industrielanden; Duitschland, Frankrijk, Engeland. De transito-handel is dan ook van veel belang (de lijn van Antwerpen naar Luik en vandaar door het Vesdre-dal is eene der belangrijkste voor den invoer naar de Rijnstreken). België is als 'tware eene groote marktplaats voor West-Europa. De aanwezigheid van steenkolen en ijzer (in de dalen van Maas, Sambre en Haine) gaven hier bovendien het aanzijn aan talrijke fabrieken en hoogovens, die langs de Sambre, de Maas en de Haine duizenden handen bezighouden; ook de glasfabricatie (vooral te Charleroi) is van het hoogste gewicht. De vlasbouw gaf aanleiding tot de oprichting van linnenfabrieken, de talrijke schapen leveren ten deele de grondstof voor de wolfabrieken. België is door dit alles een der eerste fabriekslanden geworden.
Ijzerfabrieken te: Luik, Seraing, Charleroi, Bergen en Namen; ook te Brussel en Gent.
Linnenfabrieken te: Gent, Kortrvjk, Doornik, Brussel, Luik, enz.
Wolfabrieken te: Verviers.
Katoen fabrieken te Gent, Kortrvjk, Sl.-Nicolcias, enz.
207
Glasfabrieken k:: Charleroi.
Leder fabrieken te: Stavelot, Luik.
Papierfabrieken te: Brussel, Hoei.
Mechelen is vanouds om zijne kanten beroemd; maar .overigens eene ouderwetsche, vervallen plaats (53.000 inw.). De Lijs is de rivier van het vlas; zij overstroomt de aangrenzende landen; uit het vruchtbaar slib schiet de vlasplant welig op: maar zij is het evenzeer, die het vlas tot ontbinding-doet overgaan. Kortr'yjk, dat zij bespoelt, is de plaats, die de fraaiste en fijnste tafellakens, servetten en damasten weeft: het heeft dien roem aan de Lijs te danken. Bij Escausines, ten Westen van Nivelles, graaft men de Escausijnsche {hard)-steeu; dat de steengroeven in België van belang zijn, volgt daaruit, dat er 27.000 arbeiders in werken.
Een groot aantal kanalen vormen belangrijke scheepvaartwegen. Behalve de reeds genoemde verdienen vermelding : de Kanalen van Gent naar Ostende, lieysi en Neuzen; het Kanaal van Willebroek, van Brussel naar Boom; het Kanaal van Charleroi, dat deze plaats met Brussel verbindt.
§ 212. Brussel (408.000 inw.), de hoofdstad, is eene der schoonste steden van Europa en draagt den bijnaam „klein Parijsquot;. Het ligt op de grens van laag- en heuvelland en bestaat uit twee deelen, de boven- en de benedenstad. De eerste is op heuvels gebouwd en bevat de trotsche paleizen van den adel, door hun' ouderdom dikwijls belangrijk; hier is ook het park, het schoone aan-trekkingspunt voor de Brusselsche wandelaars. De benedenstad met hare nauwe straten is somber, doch druk: want hier vindt men de meeste fabrieken. De belangrijkste takken van industrie zijn: rijtuig- en meubelfa-bricatie, kanten, tapijten, linnen en katoenen goederen, machines. Niet ver van de stad ligt Laeken met het zomerpaleis der vorstelijke familie.
De grootste handelsstad en tevens de hoofdvesting (laatste
20S
bolwerk, reduit) is Antwerpen (257.000 inw.); de Schelde is hier bijna 700 M breed en zóó diep, dat de grootste zeeschepen kunnen binnenloopen; de vloed doet zich hier nog gevoelen. Van 't grootste belang voor Antwerpen is de omstandigheid, dat het de geschiktste haven voor een niet gering deel van Europa is. A. is als 't ware één groot entrepot: overzeesche waren worden hier aangebracht, gelost en verdeeld over een aantal Europeesche binnensteden. De gewichtigste stapelartikelen zijn: ruwe katoen, petroleum, vlas, huiden, koloniale waren en ivoor. De handel in granen is ook van veel belang.
Regelmatige stoombootvaarten op de voornaamste havens der wereld (landverhuizers naar Amerika); groote dokken, door sluizen met de Schelde verbonden en omgeven door een' krans van magazijnen; belangrijke scheepsbouw.
Gent (161.000 inw.) is als fabrieksstad belangrijk; samenkomst van wateren en spoorwegen.
„Aan drie dingen dankt de stad Gent een niet gering deel van hare beroemdheid: aan hare begijnhoven, aan hare fabrieken, aan hare bloemkweeke-rijen: drie dingen, die overigens met elkaar weinig te maken hebben en die elk als het ware eene andere orde van denkbeelden vertegenwoordigen.quot; — „De bloemkweekerijen vormen rondom de stad een bree-den gordel en beslaan eene uitgestrektheid van ettelijke honderden bunders.quot; „De bloemkweekerij van Van Houten is haast eene stad in het klein, met een eigen bestuur, een leger van beambten en werklieden, met vijftig broeikassen, een honderdtal loodsen en schuren, en een terrein, ruim genoeg voor eene geheele kolonie. In het voorjaar zijn niet minder dan twintig bunders met bloeiende tulpen en hyacinten bedekt, wier geuren den ganschen omtrek vervullen. In de tuinen en serres van deze grootsche inrichting ontplooit zich de Hora van alle wereldstreken.quot; 1)
1) De Aarde en haar Volken,
209
Luik heeft 158.000 inw. en is door een kanaal met Maastricht verbonden. De steenkoollagen strekken zich ook onder de stad uit, zoodat groeven onder de straten, ja zelfs onder de Maas liggen. Luik is onovertroffen in wapenen; voorts levert het geschut, machines, spoorstaven, lokomotieven, enz. Dichtbij ligt Seraing (30.000 inw.) met de omvangrijke fabrieken, door John Cockerill en Willem I gegrond.
Aan de Dyle ligt Leuven met eene druk bezochte hoogeschool; middelpunt van spoorwegen (41.000 inw.). Spa, bekende badplaats. Sint-Nicolaas, welvarend en groot dorp in het Land van Waes (28.000 inw.). Brugge was eertijds eene rijke handelsstad; thans is het eene steeds meer achteruit gaande plaats; de 15e eeuw was voor Brugge de gouden eeuw, toen waren hare kooplieden vorsten, en de hertogen van Bourgondië hadden hier 't liefst hun hof (tijd van Filips den Goeden); — alles herinnert nog aan 't verleden; maar men ziet hier geeue bedrijvigheid meer, het is alsof alles door den dood is aangeraakt. In 1854 bedroeg de bevolking 51.500 zielen, in 1880 45.000. Na Brugge kwam Gent tot bloei; vóór Brugge bloeide Uperen, dat in zijne lakenhal nog een grootsch gedenktee-ken van den bloeitijd bewaart.
Borgerhout deelt in de nijverheid van Antwerpen (30.000 inw.). Boeselare en Doornik leveren linnen. Jumel (24.000 inw.) is de grootste der vele nijvere plaatsen, die Charleroi omgeven.
§ 218. België is zeer dicht bevolkt. De bevolking beloopt ongeveer zes millioen en bestaat uit Walen en Vlamingen; de laatsten wonen ten Noorden der lijn Kortrijk-Brussel-Luik; de bovenstad van Brussel spreekt Waalsch, de benedenstad Vlaamsch. Het lage land is alzoo door de Vlamingen bezet, het heuvel- en bergland door de Walen.
Aan de Duitsche grens zijn hier en daar Duitschers het land binnengedrongen.
Tün Have, Beknopt Leerboek der Aardrijkskunde. 5e druk.
IIÜ
11' 210
De Vlamingen zijn blond, de Walen donkerder, terwijl hun gelaat hoekig is. Het getal Vlamingen is iets grooter dan dat der Walen.
Het midden des lands is het dichtst bevolkt. Ziehier de provincies, met de bevolking per KM2 er achter gevoegd ; Brabant (310), Oost-Vlaanderen (300), Henegouwen (268), Luik (236), West-Vlaanderen (218), Antwerpen (213), Namen (89), Limburg (89), Luxemburg (48). Tracht deze verschillen te verklaren!
11. Luxemburg.
(2590 KM3, 225.000 inw.).
Ijj]
§ 214. Het groothertogdom Luxemburg behoort tot het stroomgebied van de Moezel, welke rivier de Oostgrens j.. vormt. De Sure (met de Zuid-Noord stroomende Alzette)
is eene linker-zijrivier.
Het geheele land is bergachtig; in het Noordelijk deel verheffen zich de Ardennen tot 590 Meter; dit gedeelte is woest en levert weinig op (de Oesling-, schapen en zwijnen). Het Zuidelijk gedeelte is vrij vruchtbaar en levert graan; in de rivierdalen vindt men goede weiden (veeteelt). Overal treft men veel bosschen aan (eiken en beuken). Uzer en hardsteen zijn de voornaamste mineralen. Wijnbouw in het Moezeldal.
Luxemburg (18000 inw.), de schoon gelegen hoofdstad, bestaat uit eene boven- en eene benedenstad, de laatste o. a. in het dal der Alzette; ijzerfabrieken, handel in eikenschors, hardsteen, enz. Diekirch, hardsteen, uitgangspunt voor touristen.
Luxemburg vormt een onzijdig gebied. De bevolking is bijna geheel Duitsch.
12. Denemarken.
(38.000 KM2; 2,300.000 inwoners).
§ 215. Denemarken bestaat uit het schiereiland Jutland
■■
211
en de eilanden (Seeland, Funen, Lang eland, Laaland, Pulster, Moën, Amager, Bornholm, enz.). Het grootste eiland, Seeland, is 7000 KM2.
Drie straten leiden naar de Oostzee: de Sond, de Groote en de Kleine Belt. De Groote Belt is vol zandbanken en klippen; ook de Kleine Belt is gevaarlijk en tevens niet in de richting van den grooten verkeersweg Noordzee-Oostzee gelegen. De Sond echter is goed te bevaren, is de kortste verbinding en wordt dientengevolge het meest gebruikt (van de 100 schepen varen 98 door de Sond).
§ 216. Jutland. Het geheele schiereiland is laagland. In het midden is de bodem golvend, daar treffen we heuvels aan boven 100 M: zij zijn het laatste gedeelte van de rij heuvelruggen, die bij den Oeral begint en wel eens Oeral-Baltische landrug wordt genoemd. De hoogste verheffingen zijn de Himmelsherg, ten Westen van Aarhuus, die slechts 152 M bereikt en ten Zuid-Oosten van deze de Ejer Bavmhöj (172 M).
Aan de Oostzijde van den heuvelrug ligt eene vruchtbare kleistreek, grootendeels grasland, waarop uitstekend vee weidt; het schiereiland, dat ver in het Kattegat vooruitsteekt, bestaat uit vruchtbaar alluvium en levert vooral koren.
Aan dezen kant dringt de zee op vele plaatsen diep in het land en vormt lange, smalle inhammen, die men — ten onrechte — fjorden noemt; aan het einde van elke fjord ligt eene stad (J.aföorg', 20.000 inw.; Banders, 17.000 inw.; Aarhuus, 33.300 inw., handel, industrie, belangrijkste stad van Jutland, verkeer met het buitenland; Horsens, 17.300 inw.; Fredericia, 10.000 inw., overvaart naar Funen). In het Noord-Oosten ligt Frederikshaven, station van den Jutschen spoorweg en van groot belang als noodhaven bij de gevaarlijke vaart door Skagerrak en Kattegat, bovendien is het eene oorlogshaven voor de Deensche vloot.
De Westkust is met hooge duinen bezet, die in 'tZui-
212
den bij Blaavands huk eindigen (50 M hoog). Op twee plaatsen is de duinenrij gebroken; maar de ingangen tot de daardoor ontstane plassen zijn voor schepen uiterst moeilijk te bevaren. Voor de kust liggen drie of vier rijen zandbanken. Geen wonder, dat aan zulk eene kust, die terecht den naam van „ijzeren kustquot; draagt, daar zij ongenaakbaar is, geene zeestad ontstond. O k de naam Jcmmerbocht spreekt. — Door beplanting met dennen en duinhaver tracht men het verstuiven der duinen tegen te gaan; in den laatsten tijd met goed gevolg.
De landrug en het land tusschen dezen en de Westkust bestaan uit zandgrond, grootendeels met heide bedekt; oerbanken, die het wegzakken van het water beletten, deden plassen en venen ontstaan. Op de schrale heidevelden grazen duizenden grofwollige schapen. Slechts spaarzaam vindt men een bebouwd stuk land, als eene oase; de landbouw levert hier rogge, boekweit en haver.
De Lümfjord verbindt het Kattegat met de Noordzee. Voor grootere schepen is zij niet bevaarbaar. Herhaaldelijk sloeg de dam, die haar van de Noordzee scheidde, door.
§ 217. De eilanden zijn bijna overal met eene kleilaag bedekt en daardoor vruchtbaar; hier en daar, aan de kusten, verheffen zich hoogere gedeelten, krijtrotsen. Zoowel landbouw als veeteelt wordt uitgeoefend (uitvoer van runderen, boter, kaas en graan, vooral naar Engeland). Hoewel slechts Vso van het rijk boschland is, treft men toch op Seeland en Langeland schoone en uitgestrekte beukenbosschen aan, vooral in de omstreken der hoofdstad, waar te midden dezer bosschen de villa's der rijke Kopenhagen aars liggen.
De landbouw staat op een hoogen trap, terwijl de bodem veel meer oplevert, dan voor de behoeften des volks noodig is. Ook de veeteelt wordt voortreffelijk gedreven, terwijl de Denen in de boter- en kaasbereiding de nieuwste methoden volgen. Laaland levert gerst, haver en rogge, Falster ooft (appelen,
213
kersen, pruimen), Punen vooral fcoekweit, Amager groente (voor de hoofdstad).
Minerale schatten bezit Denemarken niet; alleen bezit Jutland — zooals reeds werd opgemerkt — uitgestrekte venen.
§ 218. De ligging van Kopenhagen is zeer gunstig. De schepen naar de Oostzee moeten de Sond passeeren en wel aan de Deensche kust, daar de Zweedsche door klippen enz. minder te vertrouwen is. De diepe zeearm tusschen Amager en Seeland biedt den grootsten zeeschepen eene veilige ligplaats. Voor deze, zooals oorlogsvaartuigen, is alleen de Oostelijke ingang te gebruiken, die door forten beschermd wordt. Kopenhagen is de eenige groote handels- en fabrieksstad des lands (408.000 inw.; in 1870 181.000); uitvoer: Deensche landbouwprodukten, vee,boter en kaas; invoer: Noordsche produkten, fabrikaten, enz.
Bij Kopenhagen ligt Frederiksberg, als 't ware eene voorstad (27.000 inw.). Aan den ingang der Sond: Elzeneur (11.000 inw.). Op Funen: Odense, met niet onbelangrijken zeehandel (30.000 inw.); Sccaborg (8.800 inw.) aan de Zuidkust, dat de grootste reederij bezit (280 schepen).
Kleine plaatsen, belangrijk echter als eindpunten van spoorweglijnen en door stoombootvaarten op de tegenover liggende eilanden, zijn; Körsür, Nyhorg en Strib.
§ 219. De Denen behooren tot den Scandinavischen tak der Germanen; zij zijn arbeidzame, ontwikkelde lieden. Niet alleen in dialekt, maar ook lichamelijk zijn de eilanders van de Jutten onderscheiden; de laatsten zijn van hooge gestalte, hebben blond haar en blauwe oogen; de eilanders zijn kleiner en hebben meestal donker haar en donkere oogen. De Luthersche kerk is de heerschende.
Koning en Rijksraad zijn de wetgevende macht.
§ 220. Tot Denemarken behooren IJsland en de Faroër.
IJsland is een woest, vrij ontoegankelijk en daarom nog slecht bekend bergland. Naast lavabeddingen van ontzaglijke afmetingen staan tal van vulkanen; telkens
\p-
worden nog weder nieuwe ontdekt; de bekendste is wel de Hekla (1553 M). Ook de geysers, heete springbronnen, die op bepaalde tijden haar water tot eene aanzienlijke hoogte opwerpen, leggen getuigenis af van den vulkanischen aard des bodems. De kusten zijn ten deele laag en hier vindt men weiden, die de schapenfokkerij mogelijk maken. Naast vee-teeltzijnvisscherij (kabeljauw, schel-
visch, haringvangst, niet in de open zee, maar in de fjorden) en vogelvangst (dons) hoofdbronnen van bestaan. De Golfstroom spoelt drijfhout uit Amerika aan, een welkom geschenk voor een land, dat bijna geene hoornen bezit. De
Ml
lil m
iii
quot;t
215
IJslandera zi]Q vrij goed ontwikkeld: zij behooren tot de Germanen en spreken de Oudnoorsche taal. De voornaamste plaats is Reykjavik (1200 inw.; uitvoer: gezouten en gedroogde visch, traan, wol, veeren, vogels, enz.).
De rotsige Faroiir bestaan uit 17 vulkanische, bewoonde eilanden; de bevolking leeft van schapen, vogels en visschen.
Vijf miilen ten Noorden van IJsland ligt Grimsey met 88 bewoners, wien het slechts een of twee malen per jaar gelukt IJsland te bereiken. Boomen ziin hier niet, wel struiken van hoogstens een Meter hoogte. Drijfhout dient als brand- en timmerhout. Overigens zijn de hoofdmiddelen van bestaan dezelfde als op IJsland en de Faroër.
13. Scandinavië.
(Ziveden, 450.000 KM2, 4.900.000 inw.; Noonvegen, 322.000 KM2, 2.000.000 inw.).
§ 121. Dit schiereiland, 330 uren lang, is het grootste van Europa.
Naar hunne natuur behooren Finland en Kola eigenlijk ook tot het groote Noordeuropeesche schiereiland gerekend te worden, dat dan zou beginnen bij de landengte tusschen de Witte zee en de Golf van St.-Petersburg.
Steil rijst de Westkust uit de zee; talrijke diepe inhammen, die zich in een aantal kleinere verdeelen, dringen in het land (fjorden); hunne wanden zijn vaak loodrecht en de zon poogt te vergeefs het water der fjord te beschijnen. Voor die fjorden liggen ontelbare, kleine, rotsige eilandjes; de grootste liggen op eenigon afstand van de kust en heeten Lofoten en Vesteralen (250 KM2 groot). Geen wonder, dat aan zulk eene kust, waar de fjorden veilige ligplaatsen aanbieden en de bijliggende
210
I
eilanden tot overvaren uitlokken, de bewoners uitstekende zeevaarders geworden zijn. Vanouds waren de Noormannen dan ook als koene zeelieden beroemd en — berucht.
De geheele Westkust, tot de Varungtr fjord toe, i'i' heeft een veel warmer klimaat, dan men op deze
breedte zou verwachten. De invloed van de zee in 't algemeen, vooral echter die van den Golfstroom, veroorzaakt deze gunstige omstandigheid. Aan de Throndhjem-fjord verkrijgt men nog scheepsladingen ooft, aan de Hardanger-fjord staan kerseboo-men, wier stam een man niet omspannen kan; nergens vriezen de havens dicht (een groot voor deel!), ja, de zonzijde van vele fjorden is eenigszins met de oevers van de Italiaansche meren te vergelijken.
Ten Westen der Lofoten ligt eene bank, die een' arm in de Vestoord uitstrekt. De geheele bank wordt door kabeljauw bezocht; toch visschen de Noren gewoonlijk alleen in de Vestfjord, omdat daar de schepen beschut zijn. In den winter kruisen hier 5000 a 6000 schepen, bemand met 20.000 visschers, die in ruw te zamen geslagen hutten aan de kusten wonen. De gevangen visch wordt op de eilanden op rekken te drogen gehangen en onder het toezicht van oppassers gelaten, terwijl de visschers zich, met de levers beladen, naar huis begeven. Is uit deze levers de traan verkregen, dan zeilen de visschers naar de markt te Bergen (eerste markt, in Mei). Inmiddels is de visch gedroogd; zij wordt nu opgehaald en in Juli en Augustus in dezelfde stad ter markt gebracht (tweede markt). De voornaamste plaats in het vischgebied van de Vestfjord is het kleine Tromsö (6000 inw.).
Aan de Zuid-Westkust, bij de Sogne-, de Har danger en de Bukkefjord, zijn in Januari en Februari eveneens omstreeks 6000 schepen — met wel 30.000
.:m's
#
li
it, f
217
visschers — ter vischvangst; hier echter wordt haring gevangen. Ook deze komt te Bergen ter markt; de „vischbeursquot; te Bergen ontvangt dagelijks telegrafisch bericht van de vangst.
De Zuidkust tot Christiana is minder visch -rijk; de plaatsen, die hier liggen voeren hout en ijzer uit.
De Noordelijkste stad aan de Westkust, tevens de Noordelijkste stad van Europa, is Hammerfest (2300 inw.); van hier vertrekken expedities naaide IJszee; het is eene handelsplaats der Lappen; Engelschen en Duitschers brengen hier waren, die door Russische schippers verder vervoerd worden naar Archangel.
Aan de Varanger fjord ligt het opkomende Var-döhuus, het eindpunt der Noorweegsche kustvaart.
De Noordkaap op het woeste Magerö is de steile Noordpunt van dit eiland, 800 M hoog.
§ 222. Het grootste deel van het schiereiland is een woest bergland, bestaande uit eene aaneenschakeling van rotsige hoogvlakten, waarop zich kale bergen verheffen (yidder, fjelde). Hoewel de bergen voor die der Alpen verre onderdoen in hoogte, is toch de uitgestrektheid van hun gebied bijna tweemaal zoo groot. Aan de quot;Westzijde dalen deze hoogvlakten steil in de zee, aan de Oostzijde terrasvormig naar de Kustvlakte van Zweden. Meestal stijgen zij boven de boomgrens. Zij zijn voor een groot deel bedekt met sneeuwvelden en gletschers; de grootste uitgebreidheid bezitten die ten Noorden van de Scgne-fjord (de Josledals Brae); het gletschersgebied van den Svartisen is 100 a 125 KM lang en 40—50 KM breed. In 't Zuiden ligt de sneeuwgrens op lbOO M (de boomgrens — berken — op 1100 M); Noordelijker (b.v. bij den 1880 M hoogen Sulitelma) op 1000 M, ia Finmarken nog lager. Ook hier vindt men alpenweiden, maar evenzeer uitgestrekte moerassen. De dalen zijn smal en diep. Men loopt over de hoogvlakte en staat eensklaps aan den
218
nmd v;in een diepen afgrond, waarin het water der hoogten zich stort. Het bergland is daardoor zeer ontoegankelijk en het verkeer ondervindt de grootste moeilijkheden. Daarbij komt, dat in den winter maanden lang alles onder de sneeuw begraven ligt.
De grootste fjelde zijn de Dovre-, Lange- en Har-danger-fjeld. In het Dovrefjeld (gemiddelde hoogte 1500 M) bereikt de Sneehaetten eene hoogte van 2306 M); de hoogste top is echter de Galdhöpig (2604 M). Om de Hardanger fjord verheffen zich verscheiden toppen tot meer dan 2000 M.
Beer, wolf, bever, vos en eland bevolken het gebergte. In het Noorden voedt zich het rendier met het mos, dat het 's winters van onder de sneeuw moet opzoeken. Op de weiden van 't gebergte graast 's zomers het vee. De hellingen zijn met naaldhout en berken bedekt. In de nauwe dalen oefent de bewoner den landbouw uit. Doordat de dalen zoo smal zijn, kunnen in 't gebergte geene dorpen ontstaan; in elke kleine dalverwijding treft men eene boerenhofstede {gaard) aan. De kerk staat dan ook niet in een' kom, maar gewoonlijk alleen.
Het onderwijs wordt door rondtrekkende onderwijzers gegeven; toch zijn de Noren vrij goed ontwikkeld.
Natuurlijk loopen de beste verkeerswegen langs de rivieren. De Glommen en hare zijrivier de Logen zijn de voornaamste. De eerste voert naar Böraas (koper) en vandaar naar Throndhjem, de laatste eveneens naar de Westkust.
Een aantal andere rivieren storten zich na een korten, wilden loop in zee. Hoewel zij waterrijk zijn, zijn toch slechts zeer enkele deelen bevaarbaar en dienen ze alleen tot vervoer van hout. Bijna zonder uitzonderingen zijn ze vischrijk; bij de monden vangt men zalm en de forellenvangst in het gebergte heeft vooral voor den vreemdeling veel aantrekkelijks.
§ 223. De vruchtbaarste streken zijn die om de
219
Throndhjem- en de Christiania-fjord ; daar vindt men landbouw en ooftteelt. Doch dit zijn slechts kleine stukken; men kan rekenen, dat nog niet het tweehonderdste deel van het land bebouwd is.
Aan het einde van de Christiania-fjord ligt de hoofdstad Christiania (151.000 inw.), de samenkomst van wegen van Bergen en Throndhjem. De voortreffelijke haven is drie a vier maanden door het ijs gesloten. Als plaats van invoer is 0. één; maar Bergen voert meer uit dan C. De reederij is belangrijk, ook het aantal fabrieken (vele houtzagerijen). — Om de fjord liggen een aantal havensteden met 5—10.000 inw. Dichtbij ligt ook Drammen (20.000 inw., belangrijke reederij; eene der hoofdplaatsen voor den houthandel).
Bergen (54.000 inw.) noemden we reeds als de eerste vischmarkt ter wereld; hoofdstapelplaats voor haring en stokvisch; handel in hout en pelzen.
Throndhjem (29.000 inw.) voert ook veel visch en traan uit en tevens het koper van Röraas; bovendien is het eene 'fabrieksstad (tabak, bier).
Aan de Zuid-West- en Zuidkust liggen tal van plaatsen, wier bewoners hun bestaan vinden in de verzending van visch en hout, in den scheepsbouw, in de vervaardiging van houtstof (meer dan 60 fabr.), enz. De voornaamste zijn: Stavanger (24.000 inw., gezouten haring), Christlaansand (13.000 inw.) en het kleine Arendal (4500 inw.), dat de belangrijkste reederij van geheel Noorwegen bezit. Laurvig (5000 inw.) voert het zilver uit, dat bij Kongsherg (4500 inw.) wordt gevonden. Voor den houtuitvoer zijn vooral Fredcriksstad (verreweg de eerste), Frederiks-hald, Drammen en Christiania van gewicht.
§ 224. Door steeds lager wordende vlakten daalt het gebergte naar 't Oosten tot de Kustvlakte van Zweden. Een aantal rivieren loopen hier, in de richting van 't Noord-Westen naar 't Zuid-Oosten, naar de Bottnische golf (Turnea, Lulea, Pitea, Umea, Angerman-elf, Indals-elf,
221
Bal-elf; elf = rivier). Op de hoogvlakten vormen ze meren en aan de randen dier plateaus watervallen. Deze geheele streek is bedekt met groote bosschen (vooral naaldhout), hier en daar afgewisseld door venen. Vandaar, dat de steden aan de Bottnische golf hout uitvoeren (vooral Sundsval, door een' spoorweg met ïhrondhjem verbonden, moet genoemd worden) en de bewoners zich ook bezig houden met het verkrijgen der prodnkten, die het hout kan opleveren (in den laatsten tijd legt men zich vooral op het maken van houtolie toe; reeds ongeveer 300 fabrieken houden zich daarmee bezig; voorts terpentijn, houtazijn, teer, enz.).
Van de kust het binnenland in! ,Mooi is het land niet. Als de bosschen aanvangen, die de helft van het Zweedsche grondgebied bedekken en de wegen wanhopig recht beginnen te loopen, ontmoet het oog rechts en links niets dan onafgebroken, ondoorzichtige gelederen van dennen- en berken-stammen, terwijl vooruit en achteruit de weg nu eens recht een' heuvel opklimt, dan weder even recht daalt. Van menschelijke woningen is niets meer te bespeuren, daar zelfs de eenzame stations meestal achter boomen verstopt liggen, en een levend wezen, 't zij mensch of dier, behoort hier evenzeer tot de zeldzaamheden. Uren gaat het zoo in gelijkmatigen draf voort. Eene enkele maal verspert eene breede snelvlietende rivier den doortocht.quot; 1)
Aan de monden der rivieren liggen kleine steden, die
O O O
meest alle hout uitvoeren (Lulea, Pitea, Umca,Hernösand, enz.). Aan de Tornea ligt Baparanda, bij Gellivare de ijzerrijke Ertsberg.
Den aard dezer plaatsjes teekene de volgende schets:
„Denk u eene lange, rechte straat op den dijk en een twintigtal loodrecht daarop staande, naar
1) Marcollos Emants, Op reis door Zwcdcu, Ijl. 92,
222
weerszijden afdalende zijsteegjes, bevloer ze met grint in plaats van met steenen, en vorm in het middelpunt, waar de grootste dwarssteeg de hoofdlijn snijdt, een klein plein, dan hebt ge het plan
o
van Pitea in gedachten ontworpen.
De huizen der straten en stegen, alle van één verdieping, zijn hoog rood geverfd, enkele met zwarte, opstaande balken en witte vensterkozijnen, een kleurengeheel, dat ongetwijfeld den schilder minder bekoort dan het bruin van ünterseen, Brienz of andere Zwitsersche stadjes, maar dat goed verlicht op den duur iets gemoedelijks en vriendelijks krijgt, waaraan men eindigt met innig gehecht te worden. Het groote plein is deftiger in het wit gedost, maar toch zijn ook daar alle huizen van hout.quot; 1)
§ 225. Het Zuiden van Zweden is laag; het Plateau van Smaland is gemiddeld slechts 200 M hoog, en de sterkste verheffing, de Tuberg, bereikt eene hoogte van 339 M. Aan weerszijden van het plateau blijft slechts eene betrekkelijk smalle kustvlakte over. Deze — en ook het Zuidelijk laagland — is goed bebouwd en levert rogge, haver, gerst en aardappelen.
Tusschen het plateau en het gebergte ligt een meren-en ertsrijk gebied (Wener-, Wetter-, M'alar-, lljelmar-meer; ijzer bij Dannemora, Eskilstuna (tusschen Millar-en Hjelmar-meer) en Philipstad, zilver bij Sala, koper bij Falun).
Op eilandjes in het Malar-meer ligt de hoofdstad Stockholm (265.000 inw.), belangrijk als handelsstad; de zee is hier 5 maanden 's jaars dicht gevroren ; uitvoer van ijzer, hout, haver, enz.; ook de industrie is van belang. De voornaamste fabrieksstad isNorrkoping(35.000inw.),tevens gewichtig voor den handel met Duitschland en Engeland. De eerste handelsstad is Göteborg (111.000 inw.); uitvoer van ijzer, hout en graan; levendige industrie.
1) Emants. bl. 88.
223
Bij Göteborg begint de waterweg, die Kattegat en Oostzee verbindt. In het Wener-meer loopt de Klara-elf uit, die het verlaat onder den naam van Gota; de vier watervallen in deze rivier, samen 38 M hoog, worden omgegaan door het Trolhütta-kanaal. Wener- en Wetter-meer zijn verbonden
door het West-Got a-kanaal, Wettermeer en Oostzee door het Oost-Got a-kanaal en de Motala.
Dit geheele gebied is bezaaid met kleine meren.
Het koper, bij Falun gevonden, wordt door Gefle (25.000 inw.) uitgevoerd. Aan het kanaal, dat Malar-en Hjelmar-meer verbindt, ligt Eskilstuna, eene der eerste steden voor ijzer- en -.taaiwaren; de 11.000 inwoners houden zich
224
bijna enkel met de vervaardiging van fijn ijzerwerk bezig.
De koperproductie gaat sterk achteruit, en ook zilver wordt betrekkelijk weinig meer gevonden.
De voornaamste markt voor de landbouwprodukten van het Zuiden is Malmö (52.000 inw.), dat met Stockholm door een' spoorweg verbonden is en geregelde stoombootvaarten op Kopenhagen, Lübeck en Stettin bezit. Aan de Zuidpunt van het Wetter-meer ligt Jönköping (20.000 inw.; Zweedsche lucifers, met de vervaardiging waarvan zich 1500 menschen bezighouden).
Hehinghorg (26.000 inw.) aan de Sond handelt met Denemarken. Carlskrona is als oorlogshaven van belang (21.000 inw.). Stromstad, nabij de Noorweegsche grens, is eene badplaats.
Tot Zweden behooren Gottland en Öland.
§ 226. Zweden en Noren zijn de beide hoofdvolken. Hun lichaamsbouw is krachtig; zij zijn vaderlandslievend en gastvrij, doch gaan zich niet zelden te buiten aan sterken drank. De oude taal, het oud-noorsch, splitste zich in twee takken: 1. het Zweedsch en 2. het Deensch, dat in Noorwegen schrijftaal is, doch langzamerhand ontwikkelt zich in dat land eene eigene taal, doordat talrijke woorden uit het Noorweegsche dialect worden opgenomen. Het onderwijs is overal goed.
In 't Noorden wonen de Lappen, die een echt Mon-goolsch type bezitten; zij zijn grootendeels nomaden, die met hunne rendierkudden tot bij Röraas de fjelden doortrekken (Fjeldlappen); anderen, de zoogenaamde Woudlup-pen, oefenen daarnevens jacht en visscherij uit en zij, die hunne rendieren verloren hebben, zetten zich als Visch-lappen aan de zee of de binnenwateren neer en houden zich dan soms ook met landbouw bezig. In aantal nemen ze af.
De dichtheid van bevolking is gering: in Noorwegen 5,8, in Zweden 10 op 1 □ KM; in het district Laurvig wonen er echter 40, in Finmarken 1 op 1 □ KM; de Noordelijke provinciën van Zweden zijn even dun bevolkt
225
als Finmarken, terwijl in 't district Malmö 60 menschen op 1 a KM wonen. De helft der Zweedsche bevolking woont ten Zuiden der groote meren (landbouw), bijna | van Noorwegen's bevolking aan de kust (scheepvaart en visscherij, onvruchtbaarheid van het midden).
De Luthersche kerk is de heerschende. De koning van Zweden is tevens koning van Noorwegen. Elk land heeft echter zijne eigene wetten. In Zweden heet de vertegenwoordiging Rijksdag, in Noorwegen Shorthing.
14. Rusland.
(5,614,000 KM2; 110,000,000 inwoners).
§ 227. Een groot deel der grenzen is natuurlijk (waar ?). Rusland is eene groote laagvlakte (de Sarmatische laagvlakte), hier en daar heuvelachtig of oploopende tot lage plateaus. In het Oosten eindigt de vlakte bij den Oeral, in 't Zuiden bij de Zwarte zee en den Kaukasus.
De Oeral vormt een groot deel van de Oostgrens van Rusland. Hij eindigt in het Zuiden, waar de rivier de Oeral eene richting naar het Westen aanneemt. Gewoonlijk verdeelt men hem in drie deel en:
1. de Woeste Oeral, het Noordelijk deel tot den oorsprong van de Petsjora;
2. de Ertsryjke Oeral, het middelste gedeelte, bekend doordat aan de Oostzijde vele ertsen worden gevonden (ijzer, goud, platina, enz., alsook edelgesteenten en steenkolen; middelpunten Tagilsk en Jekatennenburg). Dit gedeelte is zeer vlak, als 't ware een breede rug, die zeer langzaam naar het Oosten en het Westen daalt, zoodat het verkeer hier geene hindernissen ontmoet (spoorweg Perm-Jekaterinenburg);
3. de Woudrvjke Oeral, het breedste gedeelte, met
Ten Have. Beknopt Leerboek dor Aardrijkskunde. 5e druk. 15
226
berggroepen, die 1000 M hoogte bereiken. De hoogste top ia 1645 M.
§ 228. Algemeene beschouwing der vlakte. De heuvellanden en plateaus hebben hunne grootste uitgebreidheid in het midden. We zouden daarom van een Centraal heuvelland kunnen spreken, waarop de Wolga, deDuna, de Dnjepr en andere rivieren haar' oorsprong nemen. Dit heuvelland verheft zich het hoogst in het Noordelijk deel, waar de Waldai-Jioogten in den Popova-Gora eene hoogte van 3öl M bereiken. Van dit Centrale heuvelland strekt zich een breede rug naar het Zuid-Oosten uit en volgt den rechteroever van den Don (men noemt dezen rug wel eens de Duna-Donsche landrug; hij bereikt eene gemiddelde hoogte van 220 M). Een andere heuvelrug loopt naar het Zuid-Westen en wordt herhaaldelijk doorbroken door de rivieren; hij bestaat als 't ware uit eene aaneenschakeling van door rivierdalen gescheiden plateaus; ten Noorden van Minsk bereikt hij zijne grootste hoogte (341 M) (TFes/-russische landrug).
Aan de Noord-Oostzijde van het Centrale heuvelland ligt eene laagte, waardoor de Malaga en de Sjahs na stroo ■ men; Oostelijker begint de Noordrussische landrug, die tot den Oeral loopt, en nergens hooger dan 200 M stijgt. Een lage heuvelrug scheidt het stroomgebied van de Oka van dat van den Don; hij loopt naar het breede plateau, dat aan den Westkant van den Wolga ligt en vrii steil naar deze rivier daalt.
In het Zuiden liggen in de bochten der rivieren (Don, Donets, Dnjepr) kleine plateaus, die steil naar de rivierzijde en naar het Zuiden dalen, maar nergens eene aanzienlijke hoogte bereiken. Daardoor is hier, evenals bij den Wolga, de rechteroever hoog en steil, de linker laag en vlak.
Deze plateausvatmen,minder juist, met de Obsfjsjei-Syrt wel eens samen onder den naam van Zuid-russischen of Ocral-KarpatliiscJien landrug. Zoo ook noemt men den West- en Noordrussischen
landrug met de Wuldaï-hoogLen den Oeral-Baltischen landrug.
Bi] onze nadere beschouwing van het land zullen wij de verschillende heuvelruggen als grenzen der gebieden nemen, waarin we Rusland verdoelen.
§ 229. Het Noorden. Drie groote rivieren hebben hier een Noordelijken loop. De Oostelijke, de Petsjora, ontspringt op den Oeral; haar dal, dat naar het Noorden in breedte toe- pjg_ ^
neemt, wordt van
de Westelijke laagte gescheiden door het Tirnan-gehergte, een' heuvelrug, die slechts hier en daar 250 M iioogte heeft. De Dwina ontstaat uit de Wytsjegda en de Soechona, die beide aan den Noordrand van den Oostrussi-schen heuvelrug loopen; zij valt in de Golf van Archangel. De Onega stroomt in de Onega-golf.
Het uiterste Noorden is met toendra's bedekt, uitgestrekte mosvlakten, in den winter bevroren, in den zomer ware moerassen en dientengevolge onbegaanbaar. De bewoners (de Samojeden, vooral aan de oevers der Petsjora) trekken de toendra's en de heuvelruggen in den winter over in sleden, met honden of rendieren bespannen. Jacht op pelsdieren, robben, en vischvangst zijn hier hoofdmid-
228
delen van bestaan. Naar het Zuiden tot den landrug zijn groote dennenwouden. Aan gene zijde des poolcirkels kan geen boom de sterkte of den duur van den vorst weerstaan. Bij de Witte zee beginnen echter reeds de wouden, afgebroken door eindelooze moerassen en tal van meren. De zomer is kort; maar het zaad ontkiemt en rijpt spoedig. Naast gerst, verbouwt men vooral vlas.
Archangel, de eenige grootere plaats in dit gebied (20.000 inw.), voert hout, teer, visch, traan, vlas, pelswaren, enz. uit.
Aan de Soechona ligt Weliki-Oestjoeg (8000 inw.), eene stapelplaats voor houtwaren en een der hoofdzetels van den pelshandel.
§ 230. Het Merenplateau van Finland. Dit is eene rotsachtige hoogvlakte, gemiddeld 150 M hoog, bezaaid met ontelbare kleinere en grootere meren. De bodem is bijna geheel ongeschikt voor landbouw en veeteelt (goudwas-scherij). Alleen langs de kust ligt eene, 7—12 mijlen breede, lage, vlakke streek, ten deele alluvium en waarop landbouw wordt uitgeoefend; hier liggen dan ook de meeste plaatsen: Viborg, (48.000inw.),Helsingfors(65.000 inw.; handels- en oorlogshaven), Abo (81.000inw.; handel, scheepsbouw), Uleahorg (18.000 inw.; houthandel; Noordgrens van den graanbouw, 65° N.-B.). In het binnenland is Koeopia een middelpunt van wegen.
Het grootste der meren is het Saima-meer, door de Wtioxen (die een grootschen waterval maakt) met het Ladoga-meer (18.000 KM3) verbonden; de bevaarbare Swyr loopt naar het Onega-meer (9.700 KM2). Het Saima-kanaal leidt naar Viborg.
Het schiereiland Kola komt in aard veel met Finland overeen, het is eene rotsachtige streek, die ten deele met toendra's bedekt is.
§ 231. De Oostzee-landen. De Oostzee dringt twee keeren diep in het land: de Golf van Finland en die van Higa: voor de laatste liggen de eilanden Dugö en Osei; Noordelijker de Alands-eilanden. De landstreken langs
229
deze golven zijn met moerassen en bosschen bedekt en slechts ten deele goede bouwgrond. Het grootste meer is het Peipus-meer, dat zijne afwatering vindt in de Nanva.
Te midden der moerassen legde Peter de Groote de grondslagen van Sint-Petersburg, dat binnen twee eeuwen tot eene stad van 1.267.000 zielen wies en zoodanig is
gelegen, dat het wel zijn' bloei zal behouden. De stad ligt aan den mond der korte, doch breede en diepe Newa, die zelfs voor grootere schepen bevaarbaar is; in de stad verdeelt zij zich in vier armen, die de havens van Sint-Petersburg vormen. Men heeft geen kosten gespaard om St.-P. met het midden des rijks in verbinding te brengen; tal van kleine kanalen waren daartoe noodig. Drie waterwegen verbinden de stad thans met het binnenland (zie het kaartje). Rybinsk is daardoor eene belangrijke, drukke
230
plaats geworden). — Van het kolossale winterpaleis, het verblijf van den czaar, loopen lange straten naar alle zijden; groote pleinen met prachtige paleizen en parken versieren de stad. Tal van fabrieken. Uitvoer; vlas, hennep, talk, olie, vet, hout, meel, enz. In de golf, op een eilandje voor de stad, ligt het sterk bevestigde Kroonstad (50.000 inw.). In de omstreken liggen tal van bloeiende plaatsen, die de zomerverblijven bezitten der Russische edelen (Czarkoje Selo, enz.)
Bij den mond der Duna ligt Riga (283,000 inw.), belangrijk als uitvoerplaats van koren, hout, vlas, hennep, enz. Invoer van zout, haring en koloniale waren. Stoombootverbindingen met de meeste Oostzeehavens. Voorhaven is de vesting Dunamnnde.
Eene belangrijke marktplaats voor de landbouwproduk-ten is Wilna (103.000 inw.).
Plaatsen van minderen rang zijn: Reval (52.000 inw.), het eertijds belangrijke Novgorod (aan? 20.000 inw.); Grodno (aan? 32.000 inw.), Bwinsk (Dnna-burg), Jurjcw (Dorpat), enz. — Libau gaat zeer snel vooruit, is thans reeds de belangrijkste plaats voor den uitvoer van rogge en haver en zal ook eene sterke oorlogshaven worden.
§ 232. Het Midden, Liggen langs de Noordelijke land-ruggen nog groote bosschen (en moerassen), grootendeels is het midden toch een woudloos gebied; het is de Streek der Zwarte Aarde.
De „Streek der Zwarte Aardequot; is eene der vruchtbaarste en tegelijk eene der uitgebreidste landbouwstreken der Aarde; zij is het Noordelijk deel der woudlooze zone, die geheel Zuid-Rusland inneemt en grenst aan het wouden- en merengebied. Haren naam dankt zij aan eene zwartachtige humuslaag van Va tot 1 Vs M dikte, die ras uitdroogt; maar ook spoedig vocht opneemt. De vorming dezer laag van buitengewone vruchtbaarheid wordt misschien dooide langzame ontbinding der sedert eeuwen opge-
232
hoopte steppenkruiden verklaard. Van Podolië en Kijev in 't Zuid-Westen strekt zich de zwarte aarde tot voorbij Kazan in 't Noord-Oosten uit (Noordgrens: Pripet-Toela-Kazan); aan de andere zijde van den Oeral bedekt zij het Zuiden van het gouvernement Tobolsk weder. In het Noordelijk deel komen nog eenige wouden voor; naar het Zuiden neemt hun getal af, totdat zij eindelijk geheel ontbreken. In de grenzelooze vlakten verschijnen de laatste groepen van eiken, esschen en olmen als kleine, in de onmetelijkheid zich verliezende eilanden. Slechts bouwland strekt zich onafzienbaar uit. Met primitieve werktuigen bebouwd, is deze vlakte eene der korenschuren der wereld.quot; 1)
Bovenaan staat onder de granen de rogge; voorts haver, tarwe, gerst, boekweit en maïs. De tarwe wordt vooral uitgevoerd door de havens aan de Zwarte zee (Odessa); de rogge door die aan de Oostzee of door de spoorwegen over Warschau naar Duitschland (de helft van 't graan, dat uitgevoerd wordt, gaat naar Engeland, !/g naar Frankrijk, Vs naar Duitschland). Na het koren moet het vlas genoemd worden; de oogst van vlas is zoo groot als die van alle andere landen van Europa samen.
Vier vlasstreken: 1. de Oostzee-provinciën, 2. de streken tusschen Dwina, ama en Wolga, 3. de streek tusschen Oka en Boven-Wolga, 4. Bessarabië. Ook voor hennep is Rusland het 1° land van Europa (verbouw vooral in Gentraal-Rusland). Bovendien aardappels en beetwortels.
§ 233. Midden-Rusland zouden we gevoeglijk in twee deelen kunnen verdoelen: het Bekken van Moskou en dat van Kijev (met Polen).
Het Bekken van Moskou wordt door den Wolga doorsneden. Deze rivier is reeds bij Tioer voor kleinere schepen bevaarbaar; tot Eybinsk (waterwegen naar St.-Petersburg)
l) tieroy-Beaulicu, Das Eeich der Zaron, I. -r. 18.
234
varen groote schepen haar op. Bij Nisjmi-Novgorod ontvangt zij het water van de Oka, aan eene zijrivier van welke (de Moskwa) Moskou ligt.
Beneden Kazan neemt zij de Kama cp. Van N.-N. tot Sarepta is de linkeroever laag (de weideoever) en wordt niet zelden onder water gezet, de rechteroever hoog {bergkant ; aan deze zijde liggen bijna alle steden). Bij overstrooming is de rivier bij Zarizijn 9 uren breed!
N isj mi-No vgorod (67.000 inw.) is beroemd door zijne groote jaarmarkten (in Juli en Aug.), waarop zelfs Chineezen en Perzen hunne waren brengen; soms zijn er een half millioen vreemdelingen.
In 1884 bedroeg de geheele omzet 207 millioen roebels, in 1886 168 millioen (o. a. 8 mill, laken, 4 mill, wol, 3 mill, thee; voorts ijzer, pelterijen, wijn, suiker, enz.).
Moskou (990.000 inw.), de oude hoofd- en nog heden de kroningsstad, is rijk aan kloosters en kerken; het Kreml is bijna een half uur in omtrek; naast straten met eene keur van prachtige paleizen loopen nauwe straten met ellendige hutten. Middelpunt des rijks; spoorwegmiddelpunt. Fabrieken van allerlei aard. Handelsstad ('handel zoowel met West-Europa als met Azië). Belangrijke plaatsen zijn verder:
Kazan (quot;140.000 inw.; handel), Samara (100.000 inw.; uitvoer van koren, dat hier op Wolgaschepen geladen wordt), Saratov (123.000 inw.; fabrieken, Duitschers), Toela (66.000 inw.; metaalfabrieken, het „Russische Luikquot; genoemd). Orel (79.000 inw.), Kaloega, (41.000 inw., leerfabrieken), Woronesj (61.000 inw., leer). Juroslav (80.000 inw., katoen en linnen). Het aan de Oeralrivier gelegen Orenburg is een vereenigings- en rustpunt voor de karavanen uit en naar Azië (56.000 inw.).
Het Bekken van Kyjev (met Polen) is nog ten deele moerassig {Rokitno-mocrassen langs de Pripet, rechterzijrivier van den Dnjepr); men werkt echter ijverig aan de drooglegging en wel mot uitnemend gevolg. Dit bekken
235
behoort tot het stroomgebied van den Dnjepr on van den Weiehsel. Do eerste is bijna geheel bevaarbaar; jammer dat, reeds dicht bij zijn' mond, stroomversnellingon voorkomen. Waarschijn-ijjic zai 'jit t]ee] (]er rivier ] gekanaliseerd worden.
Belangrijke zijrivieren zij n de Desna, de Berezina en do Pripst. De Boeg is eene rechter-zijrivier van den Weiehsel.
De belangrijkste plaatsen in dit gebied zijn Kijev en Warschau, de oude hoofdstad van Polen.
Kijev (250.000 inw.) is de marktplaats van de rijke landbouwstreek, te midden van welke het ligt; 'tis tevens een tweede Moskou: de stad der kerken en kloosters.
Warschau ((gt;15.000 inw.), het centrum van Polen, heeft belangrijke markten; maar bloeit' vooral door de talrijke fabrieken, die er in de laatste jaren zijn opgericht en die de Poolsche nijverheid eene hooge vlucht deden nemen (beetwortelsuiker- en metaalfabrieken). Te Lodz (515.000 inw.) verrezen tal van wol- en
236
linnenfubrieken en met recht noemt men deze plaats „Poolsch Manchesterquot;. Andere belangrijke steden zijn: Charkov (194.000 inw.; graan, paarden), Mohilev (45.000 inw., fabrieken), Jukaterinoslaw (30.000 inw.; kwikzilvermijnen), JBerditsjev (100.000 inw.).
§ 234. Het Zuiden. Dit is een steppenland; hier grazen op de uitgestrekte, boomlooze weidevlakten, onder het toezicht van herders, duizenden paarden, schapen, alsook runderen en kameelen.
„Tusschen de „Streek der Zwarte Aardequot; en de Zwarte zee liggen de eigenlijke steppen, waar de vlakheid van den bodem, het gebrek aan boom-groei en de droogheid van den zomer het maximum bereiken: het is eene vlakte zonder boom, zonder schaduw, zonder water; dagen lang kan men te vergeefs naar een' struik, een huis zoeken.quot;
„In het voorjaar (den regentijd) worden deze steppen bedekt met planten, die haar het aanzien van eene zee van groene gewassen geven. Niet met de Afrlkaansche woestijnen; maar met de Ame-rikaansche prairiën laten zij zich vergelijken. Tengevolge van haren wonderbaar vluggen wasdom bereiken de planten eene hoogte van 5 en 6 voeten, ja, worden in regenrijke jaren nog hooger. Evenals in 't Noorden de blijvende, bezitten deze vergankelijke wouden betrekkelijk weinige soorten. Maar in Juli reeds is alles verdord, alles door den zonnegloed verbrand en de hooge grassen strooien hun naakten stengel over den grond en zijn voor de groote kudden een natuurlijk hooi. In den winter verdwijnt alle plantengroei, eene dikke sneeuwlaag bedekt den bodemquot; 1).
Het Westelijk deel behoort niet tot de grassteppen. Bessarabië (tusschen Dnjestr en Proet) is eene uitstekende landbouwstreek (tabak, vlas). Hier ligt het snel
1) Ijeroy-BcauUcu, t. a. p.
238
opgekomen Kisjinev met 130.000 inwoners. Uit voerplaats is Odessa. Ook de wijnbouw wordt er van veel belang.
Met breede monden (limans) vallen de rivieren in zee. Aan die limans liggen de uit voerplaatsen Cherson (61.000 inw.; hout) en Nieolajev (36.000 inw.; uitvoer van tarwe naar Engeland en Frankrijk; oorlogshaven). Voorts ligt hier Odessa (485.000 inw.), hoofdmarkt voor de produkten van het Sarmatische laagland naar het Zuiden toe: uitvoer van meel, vlas, hout, talk; belangrijk is vooral de handel in tarwe; fabrieken. Aan de zee van Azov liggen Taganrog (63.000 inw.; belangrijke handelsstad), ten Noorden van welke plaats men de rijkste steenkoolmijnen van Rusland aantreft (bij de Donets; ze leveren de helft van de geheele productie in Rusland), Rostov en Bercljansk.
Het schiereiland de Krim is in 't Noorden laag; aan de Zuidkust verheft zich het Jaïla-gehergte (hoogste top 1543 M), op welks steile Zuidelijke helling tal van villa's der Russische edelen gelegen zijn; wijnbouw. De voornaamste plaatsen zijn Sebastopol en Slmferopel. Aan de Straat van Kertsj de tweelings-stad Kertsj—Jenikale.
§ 235. Het Zuid-Oosten (de streken, die langs de Kaspische zee liggen) is eene zoutsteppe, slechts begroeid met vale zoutplanten. Doodscher landstreek laat zich moeilijk denken; slechts de woestijn wint het in dorheid.
Uit de zoutmeren verkrijgt men het zout; soms is het water met eene korst van dit mineraal bedekt, alsof het ijs ware. Het Baskoenisjak-meer levert tegenwoordig veel, het Elton-meer (ten N. van het vorige) minder dan voorheen.
Hier ligt ook de mond van den Wolga, welke rivier zich met tal van armen in de Kaspische zee stort. Astrakan (95.000 inw.) ligt 15 uur van de Kaspische zee; de bewoners, voor een groot deel Perzen en Armeniërs, leven vooral van handel en vischvangst. Uitvoer: vooral visschen en visch-produkten (kaviaar, vischlijm), zout, leder, petroleum
240
en de produkten van industrie en landbouw, die stoomschepen uit Perzië en Armenië halen.
§ 236. Het hooggebergte de Kaukasus heeft eene richting van het Zuid-Oosten naar het Noord-Westen en strekt zich van het schiereiland Apsjeron tot het schiereiland Taman uit. Aan de Zuidzijde daalt het steil af; aan den Noordkant liggen lagere gebergten. De hoogste toppen zijn de Kasbek (5043 M) en de Elhroes (5660 M). Aan de Oostzijde van den Kasbek loopt de belangrijke Darjal-pas, die Wladikawkas met Tip. is verbindt. Een lage bergrug leidt van den Kaukasus naar het Armenisch bergland; deze rug scheidt de dalen van Rion en Koer.
De Koer is in zijn' bovenloop eene woeste bergrivier; hij ontving vroeger het water van de Aras, die thans als zelfstandige rivier in zee stroomt. In zijn dal ligt Tiflis, belangrijke plaats voor den handel met Azië, vooral met Perzië (146.000 inw.); met goed gevolg heeft men zich hier op de rozen-cultuur toegelegd. Bij het schiereiland Apsjeron ligt Bakoe (108.000 inw.), dat jaarlijks 25 milloen HL petroleum verzendt. Alleen de Vereenigde Staten leveren meer (64 millioen HL). Aan de Noordzijde van den Kaukasus, bij de Zee van Azov, zijn thans ook rijke petroleum-bronnen ontdekt.
Aan den mond der Kion ligt de belangrijke havenstad Poti, het eindpunt van den Transkaukasischen spoorweg. Eene zijlijn loopt naar het Zuidelijker gelegen Batoem, met eene veiliger haven, dat jaarlijks meer dan 1 millioen tonnen petroleum (uit Bakoe) verzendt.
§ 237. Rusland wordt door volken bewoond van het Middellandsche en Mongoolsche „rasquot;.
/ Slaven (Russen, Polen). \ Litthauwers.
Middell. zee-volken. , Romanen.
f Germanen (Duitschers, Zweden). ' Israëlieten.
34 J
( Finnen,
? Tataren (Tataren, Kirgiezen). f Kalmücken.
Bijna Vt Jer bevolking behoort tot de Bussen. De Polen, welke Vis der bevolking uitmaken, onderscheiden zich
......■/woi.Koolt; ' ooo /
;/2W»--' I .......-1900 \........./. Mop............../
■ mo'ypoo: sm iiioo ..... ..)
'■ ' v s wöó' X noo y ö00„
van de Russen in taal en in godsdienst: de Kussen ziin Grieksch-, de Polen RoomschKatholiek. De Russische regeering wendt alles aan, om hen met Russen te doen
Ten Have, Beknopt Leerboek der Aardrijkskunde. 5e druk.
JSjC «r''-:
Mongolen.
quot;j ™ ■
lil .a'l
v'
- I I
r 1 K'
rquot; i
fe!
!
./1500/' 500 .....
'uoir-.,'m\ soo S50
l. ..■■■( 000 / 1300 ...............tl
\mooT,
350
- '........ ■ 1200
V
4
I
? ■
*ï
242
samensmelten. Duitschers (meer dan 1 millioen) hebben sdch in Polen, in de Oostzee-provinciën en bij Saratov aan den Wolga gevestigd. De Zweden bewonen de lage kuststreken van Finland. De Israëlieten bewonen West-Rusland, vooral Polen, waar ze 10 a 15 % der bevolking uitmaken. De Tataren zijn door geheel Rusland verspreid; vooral echter wonen ze in 't gouvernement Kazan. In de steppen tusschen Wolga en Don wonen nomadenvolken: Kalm Heken en Kozaken, welke laatste tot de Russen behooren.
Het kaartje geeft de dichtheid van bevolking aan; verklaar de cijfers!
De czaar, „zelfbeheerscher aller Russenquot;, die vrijwel onbeperkt regeert en ook het hoofd der Grieksch-Katholieke kerk is, is tevens grootvorst van Finland. Finland vormt een afzonderlijken staat en bezit eene eigene wetgeving (zoo moeten b.v. inkomende rechten betaald worden van waren, uit Rusland naar Finland gevoerd).
Tot Rusland behoort het groote eiland Nova-Zembla; de Russische regeering bevordert de emigratie naar dit eiland zeer, thans hebben er ± 50 personen hunne vaste verblijfplaats.
Het schijnt rijk aan steenkolen en ertsen.
15. Groot-Brittanje en Ierland.
(315.000 KM2; 89,200.000 inw.).
§ 238. Dit rijk bestaat uit twee groote en een aantal kleinere eilanden.
Ten Westen van Schotland: de onvruchtbare Hebriden, door de Minch van Groot-Brittanje gescheiden; Sta/fa niet eene beroemde grot.
In 't Noorden: de Orkadische- en de Shetlands-eilanden (vischvangst, schapenfokkerij).
In de lersche zee: Man, Awjlesea. en Holyhead.
248
Ten W. van Ierland: Valentia (telegraafkabel naar Amerika).
In 't Kanaal: Wight, de Normandische eilanden.
De bewoners der Schotsohe eilanden houden zich vooral met vischvangst bezig. Wight herbergt 's zomers duizenden badgasten. De Normandische eilanden, elk door rotsen en klippen omgeven, zoodat ze moeilijk te genaken zijn, leveren fraai vee, puike zuivelprodukten, heerlijke groenten en sappig fruit.
A. GROOT-BRITTAN JE.
§ 239. Ligging en horizontale vorm. Gr.-B. en I. is
de Noordwestelijkste staat van Europa; nogtans heeft het eene zoo Zuidelijke ligging, dat het Noordeinde met de Zuidpunt van Noorwegen, het Zuideinde met den Main onder eene parallel ligt. Verdeelen we voorts de Aarde in een land- en zeehalfrond, dan ligt Engeland juist in 't midden van het landhalfrond; het ligttusschen Europa en Noord-Amerika; uit Noord-Amerika komt men, naar Europa gaande, het eerst in Gr.-B. aan en -- omgekeerd — gaat men van Europa's vastland over Gr.-B. naar de Vereenigde Staten.
Wat niet minder van belang is, is de ligging van Engeland tusschen de ingangen der twee groote Europeesche binnenzeeën: het is een rustpunt voor de schepen, die de waren van de Middellandsche zee naar de Oostzee voeren of omgekeerd. Bovendien ligt het juist voor het belangrijkst gedeelte van Europa; Frankrijk, België, Nederland, Duitschland, en wel voor de monden der meest bevaren rivieren: Seine, Schelde, Rijn en Maas, Wezer, Elbe. Het toegankelijkste deel is naar het vastland gekeerd en daarvan enkel door kleinere gedeelten der zee gescheiden. — De ligging in zee veroorzaakt, in verband met de heer-schende winden, een geheel oceanisch klimaat: koele zomers en zachte winters; de laatste maken, dat de havens bijna altijd toegankelijk zijn.
Heeft Ierland een wat minder geleden, wat ronder
244
vorm, Groot-Brittanje vertoont eeue langgerekte gedaante en eigenaardig zijn de versmallingen.
Twee in Engeland: Verkeerde kanaal (Kanaal van Bristol — Theernsmond en Mersey — Iliimher (Zuidelijker de Washbaai); twee in Schotland: Clyde-baai — Forthbaai (Noordelijker de Taybaai), Baai can Lorn — Moraybaai.
Uithoeken zijn: kaap Wralh, k. Kinnard, Zuiden Noord-Voorland, k. Land send.
De Westkusten van Schotland en Ierland zijn zeer verbrokkeld en vertoonen een groot aantal diepe insnijdingen ; de Westkust van Engeland werd door Ierland gedekt tegen de forsche aanvallen van den Atlantischen oceaan; die van Schotland was hieraan zóó blootgesteld, dat zij in eene eilandenreeks is opgelost. De Oostkusten zijn regelmatiger: de zee dringt zelden diep in in 't land en het zijn alleen de breede riviermonden, die eenige ver-anderingen brengen in de zacht gebogen kustlijn.
De langgerekte vorm en de diepe insnijdingen der Westkusten veroorzaken eene aanzienlijke kustontwikkeling. Eene menigte kleine veilige bochten en breede, diepe riviermonden deden een aantal gewichtige havens ontstaan; daarbij kwam, dat de rivieren zeer waterrijk en goed bevaarbaar zijn.
Zoek de volgende rivieren op de kaart en zeg, waarin zij uitstroomen; Theems, Trent, Aire, Oase, Tyne, Severn, Dee, Mersey, Clyde. Forth, Tay, Tweed.
De ligging van Engeland in den gematigden gordel had een weldadigen invloed op de bewoners (zie bl. 59). Reeds vroeg moest aan de kusten een visschersvolk ontstaan: de ligging in zee leidde daartoe. En later, toen men de uitgestrekte zeeën leerde bevaren, kwam het land de uitnemende ligging te stade: deze deed scheepvaart en zeehandel ontstaan. Die zeehandel, begonnen met het tegenoverliggende vastland, breidde zich verbazend snel over den aardbol uit.
De Engelsche handelsvloot is de grootste der
245
wereld: bijlui veertig duizend atoom-uji zeilschepen voeren de Britsclie vlag! De handelsvloot der Ver-eenigde Staten (n®. 2) is veel kleiner; de Noor-weegsche is nquot;. 3.
Hoe ook de ligging de bewoners tot een handeldrijvend en zeevarend volk maakte, zij zouden dit uiet geworden zijn, zonder het groot aantal toegankelijke havens (horizontale vorm; klimaat). Aan de riviermonden ontstonden handelssteden, in diepe bochten oorlogs-en vluchthavens. En toen later zich eene machtige industrie ontwikkelde, waren èn de ligging ên de horizontale vorm oorzaak, dat naar alle zijden de stoombooten voeren, als de stralen uit een middelpunt, om onbewerkte stoffen aan en bewerkte uit te voeren.
§ 240. Beginnen we onze beschouwing van den bodem in 't Noorden. Hier liggen de Schotsehe Hooglanden, door eene diepe kloof in tweeën gescheiden. Men heeft de meren, in deze inzinking gelegen, verbonden en zoo ontstond het merkwaardige Caledonisch kanaal, dat echter betrekkelijk weinig gebruikt wordt. Het bergland ten Noorden van dit kanaal is zeer ruw, bezit een slecht klimaat en is daardoor bijna onbewoonbaar. Slechts enkele kleine dalen leveren haver en gerst en dienen als weidestreek voor schapen. Vandaar dat de bevolking zich aan de kust of aan de meren heeft neergezet (vischvangst, — Wick). Inverness aan het Noordeinde van hot Caledonisch kanaal is de hoofdmarkt voor de Bergschotten (handel in wol en schapen).
Het Zuidelijk deel der Hooglanden, de Grampians, bestaat uit evenwijdige ketengebergten, waartusschen rotsige lengtedalen liggen met langgerekte meren. De gemiddelde hoogte bedraagt 750 M, de hoogste top is de Ben Nevis (1341 M, de hoogste van het Vereenigd Koninkrijk). Slechts één goede pas voert over het gebergte: hij voert langs de rivier de Tay naar de Noordkust en verder naar Inverness (thans spoorweg). — Een lage bergrug eindigt in het schiereiland Fife.
246
Aan de Oostkust blijft eene zeer smalle strook laagland over. Ten Zuiden der Grampians ligt het Schotsche laagland, slechts Vis van Schotland's oppervlakte beslaande, maar waarop de helft der bevolking leeft. Hier grazen runderen en verbouwt de landman haver (het broodkoren) en aardappels. Maar tevens vindt men hier een onuitput-telijken voorraad van ijzer en steenkolen: vandaar fabrieken, vooral langs de oevers der Clyde. Het Forth-C7//cZekanaal is 10 uren lang.
Groote metaal- (machines, iizeren schepen), katoen-, wol-, zijde- en glasfabrieken te Glasgow (658.000 inw.); de bevolking bestaat voor't grootste deel uit arbeiders; ijzerbeurs; ondersteund door talrijke spoorlijnen en kanalen en door de zelfs voor groote zeeschepen bevaarbare Clyde, heeft zich G. tot eene der eerste Europeesche handelssteden ontwikkeld: uitvoer: voornamelijk produkten der industrie. Dichtbij ligt het nijvere Paislay (66.000 inw., garens). Greenock is Glasgow's gewichtige voorhaven (63.000 inw.; ijzeren schepen en machines; suikerfabrieken).
Het nijvere Dundee (154.000 inw.) bloeit door zijne linnenfabriekcn. Deze fabrieken zijn ook te Perlh (30.000 inw.'1. De hoofdstad Edinburgh (270.000 inw.) is geene handels- en fabrieksstad; Leith (69.000 inw.) aan de Forth-baai is voorhaven.
Verschillende kustplaatsen in liet Noorden oefenen visscherij op groote schaal uit, b. v. Aberdeen (120.000 inw., Groenlandvaarders; groote dokken en werven; zeer belangrijke fabrieksstad); Wiek (8000) en Peterhead (12.000 inw.; de meeste haring wordt door de visschers van Peterhead gevangen).
Het Bergland van Zuid-Schotland bestaat uit plateaus, waarop zich bergketens en berggroepen verheffen; de toppen stijgen tot 800 M.
§ 241. Het Bergland van Noord-Bngeland bestaat uit twee deelen: het Penninisch en het Cumbrisch gebergte;
247
het eerste is met veen en heide bedekt en bezit diepe dalen; liet laatste is woudrijk en bezit talrijke meren, wier schoone oevers jaarlijks door honderden reizigers bezocht worden (hoogste top 984 M).
In Midden-Engeland ligt het Peak-gebergte, grooten-daels uit kalksteen gevormd en daardoor vol holen en met een aantal riviertjes, die plotseling in den bodem verdwijnen.
Het Bergland van Wales is ruw; uit veen en heidestreken verheffen zich woudlooze rotsbergen (hoogste top de Snoicdon, 1094 M).
Eindelijk bevindt zich op het Zuidwestelijk schiereiland nog het Bergland van Cornwallis, bestaande uit plateaus van 200 M hoogte, waarop zich de bergen verheffen. Terwijl het gebergte kaal is, prijken de dalen met een rijken, heerlijken plantengroei; zelfs myrten en laurieren vindt men er; ooft. 't Bergland bevat tin en koper.
§ 242. Het Engelsche laagland wordt door tal van heuvelreeksen afgebroken, die nergens eene aanzienliike hoogte bereiken (zi] blijven bijna overal beneden 300 M). De laag zand of klei is dun en telkens komt de rotsige ondergrond te voorschiin, veelal als heuvels.
Overigens is de bodem vruchtbaar en slechts weinige streken zijn venen en heidevelden, en daar de bebouwing-uitstekend is en de heerlijke parks der Engelsche edelen groote bósschen bezitten, zoo heeft liet Engelsche landschap een meer afwisselend karakter, het maakt een vriendelijker indruk dan de Gennaansche of Sarmatische laagvlakte.
Ten Noorden van de Theems zou men twee rijen heuvelige plateaus kunnen onderscheiden: de eerste beginnende bij Bristol en eindigende in de York-Moors (450 M), de tweede beginnende bij Oxford en in een wijden boog tot de Wash-baai loopende.
Ten Zuiden van de Theems zijn eveneens twee rijen aan te wijzen: de Noordelijke heet North-Downs, de Zuidelijke South-Downs; tusschen beide
249
ligL hul hig'c pluloau the. Weald. Vooral dit Zuidelijk gedeelte van Engeland wordt uitstekend bewerkt (meest weiland).
Van de laagten tusschen de gebergten en heuvel-groepen heeft men gebruik gemaakt bij het aanleggen van kanalen (ga dit na, en tevens, welke rivieren en steden door kanalen verbonden zijn).
Landbouw en veeteelt staan in Engeland op hoogen trap, bijna overal zijn de nieuwste landbouwwerktuigen in gebruik, wat mogelijk werd door de omstandigheid, dat de grond niet sterk verdeeld is, zoodat de landhoeven groot zijn (2/;i van den grond behoort aan slechts 10.000 personen), 't Belangrijkste graan is de tarwe, voorts moeten gerst en haver genoemd worden. Maar de landbouw is op verre na niet in staat, in de behoeften van eene zoo talrijke bevolking te voorzien; jaarlijks wordt dan ook voor 000 millioen gulden meel ingevoerd, vooral door de Ver-eenigde Staten en Rusland. Het Engelsche vee is zwaar (Durham-runderen). Kaasfabricatie vooral in de omstreken van Chester (in het dal der Dee).
Buiten de beuken en eiken der parks, bezit E. betrekkelijk weinig bosch. Vandaar een belangrijke invoer van hout (uit Canada, de Oostzeestreken en Noorwegen).
§ 243. Slechts een zoo buitengewone rijkdom aan minerale schatten, als Groot-Brittanje bezit, kon eene zoo uitgebreide ontwikkeling der grootindustrie te voorschijn roepen. Geen goud en zilver, maar de onedele metalen en de kolen, „het brood der industriequot;, waren daartoe in staat. Steenkolen en ijzer vindt men in H Zuiden ran Wales (middelpunt Merthyr-Tydfd; uitvoerplaats Cardiff), bij het Peakgebergte (Sheffield en Birmingham)-, steenkolen in het Bekken ran Newcastle (uitvoerhavens: Shields on Sunderland).
De Engelsche kolen worden naar alle zijden vervoerd; zij zijn daarvoor zeer gunstig gelegen; toch bedraagt de uitvoer slechts 10% van de opbrengst der mijnen (bijna
250
i»,f
1
i wordt in de ijzerindustrie gebruikt; evenveel in de andere fabrieken).
De i/serproductie heeft een groot voordeel daarin, dat y; de meeste smeltovens, enz. zich in de onmiddellijke nabij
heid der steenkoolbekkens bevinden.
Op het gebied der industrie staat Engeland bovenaan; welke omstandigheden dit veroorzaakten, bespraken we reeds. In de katoenindustrie beheerscht Engeland de wereldmarkt. Men neemt aan, dat Groot-Brittanje omstreeks | der katoenen waren levert. Trots het groote getal stoommachines, houdt deze industrie toch meer dan twee millioen menschen bezig. Het middelpunt is Manchester.
De wolindustrie vindt geene toereikende grondstof in het land; daarom invoer van wol uit Spanje, Duitschland, Zuid-Amerika, Australië en het Kaapland. Voorts zijn do linnen-, glas-, aardewerk-, zeepfabrieken, enz. van groot belang.
De metaal fabrieken vindt men in het midden des rijks; hoofdzaak is ijzerwerk. In de eerste plaats is Birmingham te noemen.
Scheepsbouw aan de Theems, de Clyde, den Humber, de Mersey en de Severn.
§ 244. Londen is de grootste stad der wereld; het heeft meer dan 41/2 millioen inwoners en breidt zich nog steeds naar alle zijden uit, de voorsteden, zelf plaatsen met duizenden inwoners, in zich opnemende. Het zoogenaamd Groot-Londen (Greater-London) heeft 5.600.000 inwoners.
Het hart van Londen is de City op den linker Theems-oever. Bijzonder gewichtig zijn de brouwerijen, branderijen, suiker-, machine- en instrumentfabrieken. Scheepsbouw houdt geheele wijken bezig. Londen is een centrum van den wereldhandel; de schatten aller natiën komen in duizenden schepen hier aan om weder over de wereld verdeeld te worden. Zeehaven is de Theems; de dokken zijn wereldberoemd: 12000 schepen vinden er gemakkelijk plaats in; zij zijn omgeven door kolossale pakhuizen.
i!
Il
i'-
4
(1
ï P1 tl
1
252
D;il do iiKirkton bchmgrijk zijn, laat zich denken (vleesch-, vischmarkt).
Bij TiOnden liggen Greenwich (165.000 inw.), Woolwich (107.000 inw.) en Croydon (10(5.000 inw.).
Liverpool, met 700.000 inwoners, is ook eene der eerste zeehavens van de wereld, die boven Londen het voordeel bezit aan de zijde van den Atlantischen oceaan te liggen. V, van de Engelsche waren naar de Vereenigde Staten gaan over Liverpool, voorts verkeer met Zuid-Amerika, West-Indië, China. Uitvoer: katoenen stoffen en garens, wol, linnen- en zijdewaren, produkten der metaalindustrie, enz. Invoer vooral van ruwe katoen: L. bezit de grootste katoenmarkt der wereld. Do reederij is grooter dan die van Londen. Geene belangrijke haven, of zij staat met Liverpool in verbinding. De lengte der dokken bedraagt meer dan 5 uren.
Voorts invoer van granen, koloniale waren, vruchten (sinaasappels uit Spanje, citroenen uit Italië, appels uit Amerika, enz.), oliën, gambir, lijnzaad, hout, enz.
Tegenover de stad ligt Birkenhead (103.000 inw.).
Katoen fabrieken (zie het carton op blad 33 van den Atlas) te: Manchester (520.000 inw.), Salford (200.000 inw.), Oldham (143.000 inw.), Blackburn (122.000 inw.). Preston (109.000 inw.), Stockport en Bolton (116.000 inw.), (de streek waarin deze plaatsen liggen, noemt men de Katoendistricten). Een kanaal, voor zeeschepen bevaarbaar, verbindt Manchester met den Merseymond.
Wol fabrieken te: Leeds (3S8.000 inw.), Bradford (235.000 inw.), Halifax, Iluddersfield.
Metaalfabrieken te: Birmingham (492.000 inw.), Sheffield (385.000 inw), Wolverhampton.
Het middelpunt der Potteries (landstreek, bloeiend door het vervaardigen van aardewerk) is Stoke (153.000 inw,). Glas- en zeepfabrieken te Bristol (230.000 inw.), papierfabrieken te Bath, katoenfabieken te Nottingham (238.000 inw.) en Leicester (180.000 inw.). Hull (aan?j is belangrijk voor de vaart op de Noord- en Oostzeehavens (208.000 inw.). Brighton, badplaats (122.000 inw.); Portsmouth, oorlogs-
253
havun, suheepsbouw (104.000 inw.); Southampton, stoombootvaart, postbooten van Amerika, Afrika en Australië (ligging der twee laatste steden ?); Plymouth, oorlogshaven. Dover, overvaart; Folkestone, belangrijk als invoerplaats en voor de overvaart, Norwich (103.000 inw.), wol- en zijdefabr.; Oxford en Cambridge, hoogescholen; Derby; Harwich, stoombootvaart op Hoek-van-Holland.
Behalve Dover, Folkestone, Oxford en Cambridge hebben al deze plaatsen meer dan 50.000, de vet gedrukte meer dan 100.000 inwoners.
B. IERLAND.
§ 245. Verreweg het grootste deel van het eiland is laagland; 85 % ligt lager dan 200 M. Het midden is laag; aan de kusten staan berggroepen, door uitloopers der vlakte van elkaar gescheiden. Ierland heeft een zeeklimaat, het land is waterrijk; doch naast tal van meren — ten deele met riet gevuld — bestaan er moerassen van niet geringe afmetingen.
De bergen zijn niet hoog; alleen de Zuidelijke bereiken eene hoogte van 1000 M. {Kerry-hergen, riik aan natuurschoon; Wickloio-hergen, 926 M).
' Meren: Neagh-meer, Erne-meer.
Grootste moeras: bog of Allen.
De grootste rivier, de Shannon, loopt door verscheidene meren; met Dublin is zij verbonden door het Groote- en het Konings-kanaeü; ook verbindt een kanaal Dublin en Waterford.
Veeteelt en landbouw zijn de hoofdmiddelen van bestaan; de landbouw levert aardappels, gerst, haver, vlas, enz. Runderen worden uitgevoerd, vooral naar Engeland; varkens en kippen zijn als 't ware huisgenooten van de Ieren; Cork is eene hoofdmarkt voor varkensvleesch.
§ 246. Dublin, de hoofdstad (311.000 inw.), is eene uit voerplaats der produkten; stoombootvaart naar Holyhead, waar het Engelsche spoorwegnet eindigt. Voorhaven is Kingstown (17.000 inw.).
254
De grootste fabrieksstad is Belfast (256.000 inw.; linnen). Cork (80.000 inw.), veemarkt; uitvoer van boter, vleesch en spek. Waterford (25.000 inw., handel). Aan den mond der Shannon: Limerick (40.000 inw.), uitvoer van landbouwprodukten, fabrieken. Londonderry (33.000 inw.) in 't Noorden.
De toestand in Ierland is alles behalve rooskleurig. De Ieren zijn over 't algemeen arm. Een groot deel des lands behoort den Engelschen adel, die groote schatten uit het land trekt, maar ze in den vreemde verteert; om deze en andere redenen lijdt het land door het absenteisme (het afwezig zijn dei-eigenaars van den bodem). — In 1840 telde het eiland 8 millioen inwoners; het voornaamste voedingsmiddel was — en is nog — de aardappel, die op eene kleine ruimte veel vrucht geeft; in 1845 ontstond er eene aardappelziekte, die een vreeselij-ken hongersnood ten gevolge had, waardoor duizenden genoodzaakt waren het land te verlaten. Sedert nam de volksverhuizing naar Amerika toe, en thans heeft het land nog slechts 5 millioen inwoners. Ook de politieke twisten werken zeer nadeelig op de welvaart.
§ 24(5. Bevolking. Do oudste, ons bekende bewoners zijn de Kelten, die misschien beide eilanden geheel bewoonden. Later ingekomen volken drongen de Kelten terug, die thans nog in quot;Wales, Noord-West-Schotland en West-Ierland hunne taal en zeden trachten te bewaren. De Romeinen oefenden weinig invloed uit, ten minste geen blijvenden, daar het volk wel de zeden overnam, maaide taal niet. Toen zij terugtrokken, kwamen deAngelen en Saksers; Romeinsche zeden weken voor Germaansche. Daarop verschenen de Denen en Noormannen (1066). De inval der laatsten deed eene talrijke Pransche aristocratie in het land komen, doch deze had op de taal betrekkelijk weinig invloed.
Wat de dichtheid van bevolking betreft, staat Engeland
255
verreweg bovenaan. Terwijl Schotland 47, Ierland 61 inw. per □ KM heeft, bezit Engeland er 172. Terwijl voorts Engeland nog niet de helft der oppervlakte van het rijk inneemt, heeft het bijna driemaal zooveel inwoners als S. en I. samen. Hieruit blijkt het overwicht van Engeland. In 1800 stond het in dichtheid van bevolking bij Ierland ten achter.
De vertegenwoordiging heet Parlement en bestaat uit het Hoogerhuis en hot Lagerhuis.
De Anglikaansche kerk is de heerschende; de Ieren zijn voor 't grootste deel echter Roomsch-Katholiek.
i
üj** j
Öj
■É\ p
i I
é:
r'1
i
gt;' I
*
4
•.5l|
C. AFRIK A.
§ 248. Het Noordelijk deel van Afrika heeft den vorm van een' vierhoek, waaraan het Zuidelijk deel, den vorm van een' driehoek hebbende, zich met de basis sluit. Uithoeken zijn: de Naaldkaap in 't Zuiden, kaap Bon in 't Noorden, kaap Gardafui in 't Oosten, kaap Verd in 't Westen. De grootste bocht is de Golf van Guinea; kleinere zijn: de Golf van Gabes en die van Sydra in 't Noorden; de Bocht van Zanzibar, die van Sofala en de Belagoa-baai in 't Zuid-Oosten.
Het Kanaal van Suez verbindt de Middellandsche en de Roode zee. Door de Straat van Bab-el-Mandeb komt men van deze in de Golf van Aden (Indischen oceaan).
De haven van Port-Saïd is de poort van het Suez-kanaal, dat aanvankelijk door het Oostelijk deel van het Menzaleh-meer loopt, een groeten waterplas, met eilandjes bezaaid en met riet gevuld. Nadat eene geringe verheffing van den bodem, die doorsneden moest worden, gepasseerd is, loopt het in het Timsdh-meer. Hier ligt Isma/Ha, de plaats, die gedurende den aanleg van het kanaal het middelpunt der werken was, waar de ingenieurs hun hoofdkwartier hadden en gansche scharen werklieden woonden. Weldra bracht ook het zoetwaterkanaal zegen en vruchtbaarheid aan deze dorre streken en met toover-achtige snelheid wies de kleine plaats, evenwel — om na afloop der werken eene zeer stille stad te worden. Van hier af wordt het Suez-kanaal aan den rechterkant door het zoetwaterkanaal begeleid. Nadat de
207
reiziger nog de Bittere-meren is doorgestoomd, komt hij weldra aan de smalle baai, waar zich uit het schippersdorp Suez eene snel vooruitgaande handelsstad ontwikkeld heeft. Voor s/4 is dc stad op Euro-peesche wijze gebouwd en door Europeanen bewoond, de vierde, armste, wijk behoort aan de Arabieren, die in de bazars hunne koopwaren uitstallen. In 1892 gingen 3829 stoomschepen door het Snez-kanaal en betaalden ruim 75 millioen francs (van deze schepen waren 2851 Engclsche).
De kusten van Afrika zijn meestal laag en niet zelden moerassig (koortsen).
„Op de eene plaats wordt de landing verhinderd door de hooge branding, op de andere kan men het vaartuig niet verlaten wegens den breeden slijk-zoom, die tusschen het water en den vasten oever ligt. Het hakmes moet een' weg banen door het dichte warnet van slingerplanten en rietgewassen met scherpsnijdende bladeren. Heerlijk bloeiende ranken van dolichos, als wilden zij den vreemdeling-het indringen in de geheimenissen der natuur beletten, zenden hunne brandbaren op hem af, die hem eene onuitstaanbare jeukte veroorzaken, — alsof zijne door do zonnestralen verzengde huid niet reeds genoeg ware mishandeld door de zwermen muskieten! Terwijl men op den slijkerigen grond uitglijdt, moet men behoedzaam rondzien, of niet een krokodil of een vergiftige slang in hun middagslaapje worden gestoord. Aan stekende mieren is er even weinig gebrek, en de koorts, de ergste van alle Afrikaansche bezoekingen, hangt als lood in de lucht.quot; 1)
§ 249. Vertikale vorm. Rivieren. In Zuid-Afrika vinden wij eene aaneenschakeling van hoogvlakten, gemiddeld 1000 M hoog, gescheiden door relatief lage bergketens.
1) Wanner.
Ten Have. Beknopt Leorbuuk der Aardrijkskuiide. 5e druk.
17
258
De geheele plateaumassa is omgeven door randgebergten en terrassen, waarin de hoogste verheffingen van het werelddeel gelegen zijn; zoo de Kilima-Mdsjaro en de Kenia, ten Zuid-Oosten en Oosten van het Victoria-nyanza (nyanza =: meer), respectievelijk 5700 en 5500 M hoog. Hoewel zij onmiddellijk bij den aequator liggen, ver-heffen zij zich toch boven de sneeuwgrens (5000 M). Met breede trappen daalt het land o. a. in 't Zuiden ('t Kaapland).
Zonder randgebergten schijnt Zuid-Afrika in de lage plateaus van het midden en Noorden over te gaan. De laagste en meest vlakke is die van Hidden-Soedan, waar het Tsade of het Tsad-meer gelegen is. In het Oosten stijgen, nabij de Roode zee, de toppen van het Bergland van Abessynië tot de hoogte van den Mont Blanc; zij zijn dan ook door eeuwige sneeuw bedekt. Veel lager, doch langer en breeder, is in het Westen het Kony, een plateaurug (helling?).
De Sahara is gemiddeld misschien 500 M hoog, en geenszins die eenvormige vlakte, waarvoor men haar eertijds hield.
In het Noord-Westen verheft zich de Atlas.
Terwijl de groote rivieren van Azië, Europa en Amerika na het verlaten van het bergland in de laagvlakten zich vrij ontwikkelen kunnen en bijna zonder uitzondering natuurlijke wegen van den eersten rang vormen, zijn Afrika's stroomen genoodzaakt in hunnen benedenloop den rand te doorbreken van de hoogvlakte; door diep ingesneden dalen met steile zijden, over rotsige beddingen beweegt het water zich naar den smallen kustzoom; vandaar de talrijke watervallen en stroomversnellingen, die de rivieren als wegen onbruikbaar maken.
Op het Kony ontspringt de Niger. Tot bij Timboektoe stroomt hij naar het Noord-Oosten, voorbij deze plaats buigt hij zich om naar hot Zuid-Oosten. Hij doorbreekt het Kong (zijn bed is daar nauw en rotsig) en loopt met
259
Ty.
vele armen in zee, eene delta vormende, U maal zoo groot als ons land. Eene belangrijke linker zijrivier is de Binoeë, die op het bergland ten Zuiden van het Tsad-meer ontspringt.
De Congo, de machtige stroom, die in de laatste jaren zooveel besproken werd, ontstaat uit de vereeniging van de Loeapocla, die uit het Bangweolo-meer ontspringt, en de Loealaba. Zij maakt eene groote bocht Noordwaarts (tot 2° ten Noorden van den evenaar), neemt rechts en links zijrivieren op en wendt zich daarna naar 't Zuid-Westen. Dicht bij den mond, beneden Stanley-pool, maakt zij eene reeks watervallen, (o. a. de Yellala-vallen) en stroomt door eenen breeden mond in zee.
De Congo, wier oevers meestal met dichte bos-schen bedekt zijn, is grootendeels goed bevaarbaar;
de watervallen verhinderen echter, dat schepen den stroom opvaren kunnen. Een spoorweg, die van ^ '*« i
de kust naar het hoogland zal voeren, is voor de helft gereed. K |
Aan den mond liggen factorieën, waaronder de Nederlandse he Banana. De groote Congo-staat is onder opperbestuur van den Koning van België. •%.; -■
De grenzen van dezen staat zijn in 1885 op eene bijeenkomst der mogendheden te Berlijn vastgesteld.
De staat neemt het grootste deel van het Congo-bekken in en reikt Oostwaarts tot de groote meren,
maar bezit langs den Atlantischen oceaan slechts eene smalle kuststreek. In 1SS9 werd voor éVs mill. ; ,
gulden uitgevoerd (ivoor, palmnoten, palmolie,
koffie, enz ); het grootste aandeel aan den handel heeft Nederland.
Naar 'töosten stroomen de Zambesi en de Limpopo of Krokodillen-rivier (die de Noordgrens der Zuidafrikaansche republiek vormt). De Zambesi maakt watervallen (o. a. de Victoria-vallen) en wordt daarna genoodzaakt zich naar het ^Noorden te wenden; het gelukt haar JS!oordel ijker de kust te bereiken. Nadat zij door de SJire hot water van het
260
Njassa heeft ontvangen, verdeelt zij zich in eenige armen en valt in zee.
De Noordgrens van het Kaapland vormt de Oranje-rivier, die als rechter-zijrivier de Vaal rivier bezit.
Uit het Victoria-nyanza ontspringt de Witte Wijl, die na een korten loop en na een paar watervallen gemaakt te hebben, in het Albert-nyanza stroomt (ten Zuid-Westen van hetwelk het Albert Edward-meer ligt). Hij verlaat dit en stroomt nu Noordwaarts, tot hij aan zijne linkerzijde de Bahr-el-Gazal (met hare talrijke zijrivieren) opneemt. Na een korten Oostelijken loop, herneemt hij de vorige richting en behoudt die tot aan zijnen mond. Rechts ontvangt hij nog het water van den veel korteren Blauwen Nijl (bij Khartoem; na de vereeniging wordt de rivier Nijl genoemd), die op het Hooggebergte van Abessynië ontspringt, — en Noordelijker de Athara. De Nijl bezit een aantal watervallen; de laatste (eigenlijk de eerste, daar men gewoon is de watervallen te tellen, stroomopwaarts gaande) bij Assoean.
In het Westen ontspringen op het hoogland Foeta Djallon de Senegal, de Gambia en de Rio-Grande. if § 250. Het grootste deel van Afrika ligt in de heete luchtstreek. Onder de loodrechte stralen der zon wordt het land sterk verhit; de gemiddelde jaarlijksche temperatuur bedraagt in het midden 30°. De passaten, die geen regen aanbrengen, daar ze naar streken met hooger temperatuur waaien, deden woestijnen ontstaan: in'tNoorden de Sahara, in 't Zuiden de Kalahari-woestijn. Ten Noorden der eerste en ten Zuiden der laatste liggen streken, die in den zomertijd tot het gebied der passaten behooren; het zijn de sub-tropische streken met winterregens. —
Warmte en vochtigheid doen de planten in Midden-Afrika welig tieren; groote wouden treft men er aan, terwijl er ook rijst, suikerriet, koffie en katoen gevonden worden. In de wouden verzamelt men harsen en was. Opper-Guinea levert vooral palmolie; dit is een der voornaamste handelsartikelen in de geheele Nigerstreek; neger-
261
karavanen brengen de artikelen naar de kust, waar zij door de Europeanen worden opgekocht. (De palmolie verkrijgt men uit de vruchten van den oliepalm; de negers koken de noten in water en scheppen de olie, die er op gaat drijven, af in groote kalebasschalen).
De dierenwereld is vertegenwoordigd door leeuwen, olifanten (elpenbeen is een voornaam handelsartikel), rivierpaarden, krokodillen, apen (gorilla, chimpansé) en struisvogels. In het Zuiden: rundvee, schapen, paarden en struisvogels (handel in struisveeren); de lastige tetse-vlieg doet vele runderen sterven.
§ 251. In dit deel van Afrika wonen de Negers, benevens de Hottentotten en Bosehjesmannen. De eersten zijn zwart of donkerbruin, de laatsten geel; vooral tusschen tie talen bestaat een groot verschil.
De Hottentotten bouwen woningen, die bestaan uit in een' cirkel geplaatste takken, van boven naar elkaar gebogen en daar verbonden, terwijl ze door matten gedekt zijn.
Schorten en mantels worden van huiden vervaardigd. — De Boschjesman trekt van de eene plaats naar de andere, zonder ergens lang te vertoeven; alleen zij, die aan de grenzen van het Kaapland wonen, bouwen bijen-korfvormige hutten, die eene hoogte bezitten van 1,30 M.
De Negers verdeelt men in twee groepen: Soedan-negers,
tot 3° N.-B., en Bantoe negers.
Deze indeeling berust hoofdzakelijk op de taal.
Tot de Soedan-negers behoo-ren; de bruine Foelhes of FellatcCs (die do Foolbe-of Fellata-staten bewonen), do pikzwarte Asjanti (in Opper-Guinea), de zachtmoedige Mandigo's (in Senegambië),
2(gt;2
de Haopssa's (ten Westen van het Tsad meer), de stammen bij den Witten Nijl (o.a. de Njam-Njam).
De laatstgenoemde stammen zijn van de opge noemde zeker het minst ontwikkeld. Rohlfs, de bekende Afrikareiziger, zegt: „Ongetwijfeld zijn de stammen, die tegenwoordig tusschen Tsadmeer, Shari, Binoeë en Niger wonen, de ontwikkeldste van Centraal-Afrika, zoowel wat den geest, als wat het lichaam betreft; de steeds afwisselende gesteldheid van den bodem, de bergen met hunne dalen, de rijke fauna en flora, de overvloed van water hebben zeer zeker veel bijgedragen tot verheffing van deze menschenquot;.
Do Foelbe's onderscheiden zich van de meeste andere Soedanvolken vooral door hunne liefde tot den arbeid (veeteelt, landbouw, handwerken). De veeteelt wordt met vrii wat zaakkennis gedreven. Katoenen kleedingstukken vervaardigen zij zelf.
Tot de, over 't algemeen minder ontwikkelde, Bantoe-negers behooren; de Kaffers (in 't Zuid-Oosten), de -Bee-tsjoeanen, de Matabele., de Soeaheli (de kooplieden der Oostkust), enz.
De belangrijkste Kafferstam is die der Zoeloe's, groote gespierde menschen, die in stnat zijn buiten-
'«K
iiSit.
■quot;tquot; iüjM'i'
*1
I è;
s.
si
I bD
jSrpn \\
ft
264
gewone vermoeienissen te verdragen. De Zoeloe smeert zich in met een mengsel van oker en vet, vooral om geen' last van den beet der insecten te hebben. In oorlogstijd versiert hij zich met de huiden en staarten van leeuwen, luipaarden, apen, enz., terwijl op zijn hoofd struisvederen prijken. Zijne woning is eene groote hut in den vorm van een' bijenkorf, gewoonlijk vol rook, daar een schoorsteen ontbreekt.
De meeste negerstammen zijn heidenen. Hun godsdienst, het Fetisjisme, kent eene groote macht toe aan toovermiddelen; toovenaars, wonderdokters en regenmakers zijn in hoog aanzien. Vooral bi] de Bantoe-volken heerscht bijgeloof; heksenprocessen zijn daar aan de orde van den dag.
De slavenhandel, zooveel mogelijk tegengegaan, heeft nog op verre na niet opgehouden. In het binnenland dringen nog steeds de Arabieren door en voeren zelfs de bewoners van geheele dorpen met zich mede; in een groot deel van Afrika zijn slaven nog altijd het belangrijkste handelsartikel.
Groote negersteden moeten we in Soedan zoeken, waar verschillende plaatsen misschien meer dan 50.000 inwoners hebben. De voornaamste zijn: Koeka, Jacob a (100.000 inw. ?), Kano, Sokoio, Timboektoc, Abbeokoeta (180.000 inw.), Ibadan (100.000 inw.\ enz. Deze steden gelijken veel op een ommuurd legerkamp; als men door eene straat loopt, ziet men slechts twee muren met openingen, die naar dc daarachter gelegen huizen leiden; deze woningen hebben den vorm van een' kegel. Te voet ziet een reiziger dan ook weinig, te paard kan hij een goed begrip van eene Afrikaansche stad krijgen, daar hij dan een' blik in de tuinen en binnenplaatsen werpt en getuige wordt van de verschillende bezigheden der bewoners.
In het Zuiden grondden de Nederlanders het Kaapland, thans eene Engelsche bezitting. Doch niet alleen in 't Zuiden, overal langs de kust hebben zich Europeanen gevestigd, vooral aan de Westkust, waar talrijke factorieën zijn; maar ook aan de Oost-
265
kust, waar het echter meest Arabieren zijn, die handel drijven. Tusschen de factorieën en de inlanders heeft zich een levendige ruilhandel ontwikkeld; karavanen komen dikwijls tot ver uit het binnenland om Afrikaansche produkten voor Europeesche waren (stoffen, glaskoralen, enz.) in te ruilen.
§ 252. Het Zuiden. Het Kaapland en de vrije republieken bestaan uit het Zuidelijk deel van het Zuidafri-kaansche hoogland en de terrassen. De rand van het hoogland wordt gevormd door eene rij gebergten: Eoggevelds-, Niemvevelds-, Sneeuw-, Storm- en D rakenher {/en; de laatste zijn het hoogst (boven 3000 M). Naar de Zuidkust daalt de hoogvlakte met een breeden trap: zoo ontstaat de Gr note Karroo, tusschen de Nieuicevelds- en Zrcarte bergen gelegen. Daar de randgebergten steil dalen, is de verbinding tusschen de kust en de plateaus zeer lastig: de wegen loopen vaak door nauwe kloven. De Zuidafrikaansche republiek en de Oranje-Vrijstaat liggen voor 't grootste deel nog op de hoogvlakte, de laatste geheel. Groote streken zijn dor, vooral omdat de regen zich soms weken lang laat wachten.
Het Kaapland. De voornaamste landbouwprodukten zijn : granen (vooral tarwe) en wijn; de laatste wordt vooral in de omstreken van Kaapstad verbouwd. De schapenteelt (merino's) is van veel belang; de uitvoer van wol vormt aan waarde bijna de helft van den geheelen uitvoer. Het houden van struisvogels is bij de boeren algemeen. Wol en struisveeren worden vooral uitgevoerd door Port Elizabeth, een der gewichtigste handelsplaatsen (26.000 inw.) Op verschillende plaatsen vindt men ertsen, vooral koper en wat goud; voorts diamanten (in 1893 werd voor eene waarde van 9 millioen p. sterling goud en diamanten uitgevoerd ; de meeste levert West-Griq11a-land ; Kimberley, 19.000 inw.). Vooral tarwe en haver worden verbouwd. Hoofdstad is Kaapstad (85.000 inw.) aan do Tafelbaai; de opening van het Suez-kanaal was do stad zeer na-deelig.
r
V;
rf I
quot;i
Iff!
k
■^1
if!
»Ci W i
iPl
l -
■'*i j
*111 Q i É
'i I
A'
li
De Engelsche kolonie Natal wordt bijna geheel door Kaffers bewoond; zij is vruchtbaar en levert suiker, koffie, enz., terwijl de theecultuur zich begint te ontwikkelen. Havenplaats is Port Natal.
Daar de Nederlandsche bewoners ontevreden waren met het Engelsch bestuur, trokken zij naar het Noorden, liet binnenland, en stichtten er republieken, eerst de Oranje-Vrijstaat, later de Zuidafrikaansche republiek {Transvaal).
Deze landen zijn niet onvruchtbaar. Veeteelt is hoofdmiddel van bestaan, vooral schapenfokkerij; in de Z.-A. republiek wordt ook een weinig aan landbouw gedaan. Daarbij houden de boeren struisvogels; de Boschjesinannen en Hottentotten weten de in 't wild levende op eene eigenaardige wijze te verschalken en te bemachtigen. Antilopen en zebra's vindt men hier in menigte; ook olifanten.
Vooral in vroeger' tijd waren een deel der boeren nomaden. Waren hunne weiden door droogte onvoldoende tot voeding van hun vee, dan spanden ze de ossen voorden wagen en trokken naar eene andere streek. Het geslacht dezer „trekboerenquot; vermindert gaandeweg: bijna allen hebben vaste woonplaatsen. Op vele. plaatsen vindt men goud; in 1886 werden rijke goudvelden ontdekt ten Oosten van den rand der hoogvlakte; ook in de nabijheid van de hoofdstad liggen rijke lagen, die in 1890 voor eene waarde van 20 millioen leverden. Bij den Witwatersrand liggen talrijke mijnen, die de snelle opkomst van Johannesburg verklaren. Door de voltooiing van den spoorweg, die de hoofdstad Pretoria (8000 inw.) met de kust verbindt, gaat de Transvaal zeker eene goede toekomst tegemoet. De hoofdstad van den Oranje-Vrijstaat is Bloemfontein (3400 inw.).
§ 253. De Oostkust. De kusten van het Kanaal van Mozambique heeten onder Portugal's heerschappij te staan: Lorenzo Murquez, Mozambique en Sofala zijn hier de gewichtigste plaatsjes. Sedert oude tijden wónen talrijke Arabieren langs de geheele Oostkust tot aan het Somali schiereHard toe; van hen gingen de talrijke slavenjachten naar het binnenland uit; de Portugeezen, die hier forten stichtten (thans meest
26S
vervallen), hielpen hen later getrouw, of beter: deden voor hen niet onder. Tusschen de groote meren en de kust ligt Duitsch-Oost-Afrika, met de haven Dar-es-Salem (ivoor).
De voornaamste plaats der geheele kust is het op een eilandje gebouwde, onder Engelsch toezicht staande Zanzibar (100.000 inw.), eene handelsstad met bonte bevolking: hier komen Arabische, Indische en Europeesche handelaars om Afrikaansche produkten, vooral ivoor te koopen (de handel naar het binnenland richt zich vooral naar de omstreken der groote meren; alle waren worden door dragerskaravanen vervoerd, wat natuurlijk zeer kostbaar is); uitgangspunt voor de expeditiën naar de Nijl-bronnen.
Op den in zee vooruitstekenden driehoek, die eindigt in Kaap Guardafui, wonen de Somali's; ten Westen van dezen de Gallas. De laatsten schijnen eenvoudige lieden te zijn, hoewel ze het den Abessynischen vorst dikwerf lastig maakten. De Somali's bezitten een geheel ander karakter; verschillende berichten spreken over hun moorden en plunderen.
Deze beide stammen behooren niet tot de Negers, ^ maar tot het Micldellandsche ras; zij zijn Haminten ; tot de Semieten moeten gerekend worden: de Abessyniërs, die het prachtig Alpenland Abessynië bewonen. Dit bergland, dat eene oppervlakte beslaat, zoo groot als zevenmaal ons land, is.moeielijk toegankelijk; in het Noorden verheffen zich ontelbare toppen boven 4000 M. In het midden liggen hooge plateaus, woudlooze grassteppen. Vele bergen hebben den tafel vorm en zijn zóó steil, dat zij slechts met ladders of in 't geheel niet beklommen kunnen worden; zij dienen den bewoners tot wijkplaatsen; op zulk een' berg ligt de bekende vesting Magdala. Aan de Oostzijde, langs de Roode zee, strekken zich zandige woestenijen uit (Erytltrea); aan den Westkant echter ligt aan den voet van het bergland een moerassige woudgordel, die tot verblijf strekt aan de groote Afrikaansche dieren en niet door menschen bewoond wordt (de Kivolla).
269
De Abessyniërs zijn in naam Chriatenen, maar zij zijn bijna even ruw als de heidensche Negervolken. Giroote plaatsen vindt men hier niet; de negus woont te Tebra-Tdbor, ten Oosten van het Tsana-meer.
§ 254. De Westkust. Ten Noorden der Oranje-rivier, in het land der Hottentotten (Nama- en Darnuraland), hebben de Duitschers koloniën gevestigd om den handel aldaar te beschermen en nieuwe betrekkingen aan te knoopen (Angra-Pequena).
Over de bezittingen der Europeanen in Neder-Guinea spraken we reeds. In het Portugeesch gebied liggen o. u. Jlossamedes en Benguela (karavanen uit het binnenland brengen hier vooral was en ivoor aan), — Ten Zuiden van het Camerongubergte heerschen de Duitschers (langs de Golf van li taf ra).
In Opper-Guinea hebben de Engelschen en Duitschers bezittingen (men onderscheidt: de Peperkust, amp;amp; Ivoorkust, de Goudkust, de Oliekust; de naam is aan de produkten ontleend). Hier liggen ook de beruchte negerrijken Asjanti en Dahome. Liberia, de negerrepubliek, oorspronkelijk bestemd de vrij verklaarde Amerikaansche negers op te nemen en gesticht door eene philantropische vereeniging. aan wier hoofd Amerikanen stonden, verheugt zich niet in hoogen bloei. Hoofdstad is Monrovia.
Sierra Leone is eene Engelsche kolonie (stad Freetoioyi).
Aan den mond der Senegal ligt St.-Louis (Fransch), aan dien der Gambia Bathurst (Engelsch).
§ 255. De Sahara is de grootste woestijn der Aarde (ü van Europa); zij begint bij den Atlantischen oceaan (hier zijn duinen van 200 M hoogte; gevaarlijke zandbanken strekken zich zeer ver in de zee uit) en eindigt bij het Nijldal; zij is het eerste lid van de rij woestijnen, die in Noord-Afrika en Zuid-West- en MiddenAzië liggen.
Vooral in het Westelijk deel der Sahara vindt men zand (el Dzjoef); het midden en het Oosten (de Lybische xcoestijn) bezitten steenachtige hoogvlakten (hammada's, b.v. in Tripoli) terwijl het midden ook talrijke gebergten en berg-
i'
Iz
il
V- iih
IfW ««■V
K *
piNKh
luiièii
v
f' \ i
Kt | ■.flÊg j
nF 'ïA
:k' '
Cl f %
r
J!
270
hinden bevat, soms tot 2500 M hoogte. De voorstelling, dat de Sahara eene ware „zandzeequot; is, is dus onjuist.
Natuurlijk is de temperatuur hier zeer hoog; daar de hemel echter onbewolkt is, koelt het land 's nachts sterk af, zoodat de dauw eenige verfrissching aanbrengt. De enkele keeren dat het regent, komen er stortbuien; maar het water is spoedig in liet mulle zand verdwenen; talrijke droge beddingen (wadi's) voeren het water dan van de hoogere deelen af. — De warme wind (samoem), die niet zelden waait, is een der grootste vijanden van de karavanen.
„De karavaan trok gedurende volle veertien uren over een bewegelijk zand, bij een gloeienden wind, welke met groote hevigheid blies. Zij leverde een zeldzaam schouwspel op. Menschon en kameelen hadden zich over den weg verspreid en sleepten zich traag verder, zonder dat eenig vorderen bemerkbaar was. Geen geluid liet zich hooren. Niemand scheen kracht genoeg te hebben om te spreken, laat staan om te zingen, en de voetstappen van zooveel levende schepselen werden door geen echo teruggekaatst over de onafzienbare zandvlakte. Wolken van roodgeel, verblindend stof, bij eiken stap opstuivende, draaiden om ons heen. Hier en daar spreidden zich groote, zwarte vlekken uit als blijk van een, in de geboorte verstikten, plantengroei. Ieder voorwerp schijnt vergroot en verandert ieder oogenblik voor onze oogen. De hitte en het stooten op den kameel veroorzaken eene lichte duizeling, en de geheele natuur schijnt als in een' nevel te drijven, evenals in een' droom de voor ons liggende landen. Dit is een woestijntooneel, dat men moet hebben bijgewoond, om er zich eene heldere voorstelling van te vormen.quot; 1)
„Verre weg, naar het Zuiden, teekent zich langs den
1) Richardson.
272
horizon eene lange, donkere streep, waarboven heuvels oprijzen, die met bosch bedekt schijnen: men zou meenen eene oase te zien, waarvan de palmen met hunne kruinen tot den hemel reiken. Een schiereiland, dat eene voortzetting lijkt van de oase, met prachtig geboomte en lommerrijke boschages bekleed, drijft op de stralende golven . van een kalm, effen meer, dat zich ver naar het Oosten uitstrekt.
Maar bij onze nadering verzinken boomen en boschages in de schitterende golven; eerst verdwijnen de stammen, dan de takken en het gebladerte; alles lost zich op en het meer zelf smelt weg, zoodra de zonnestralen door wolken worden onderschept.
Het was eene luchtspiegeling!quot; 1)
Alleen daar, waar bronnen zijn (in de lage gedeelten, de kommen), is plantengroei en wonen menschen (in de oasen).
Het water der bronnen is het grootste kleinood der bewoners. Uiterst spaarzaam wordt het gebruikt en in kleine kanaaltjes naar de landen gevoerd, die men besproeien wil. Zooveel mogelijk trekt men van dit land partij. De woningen der woestijnbewoners liggen dan ook op den rand der oase. Onder de dadelpalmen rijpen hier oranjeappels en granaten; maar ook katoen en koren worden verbouwd. Doch de voornaamste plant is de dadelpalm; het belang van dien boom voor de inboorlingen kan niet te hoog geschat worden. Zijne vrucht, de dadel, wordt versch en gedroogd gegeten. Uit de gedroogde dadels bereidt men eene soort honig; het overblijvende levert, met gerstemeel vermengd, een brood, dat lang goed blijft; de palmwijn, dien men verkrijgt, is zeer goed ; het bovenste
1) De Aaide en liaar Volken.
274
deel v;iii den boom, de „koolquot;, wordt gegeten; vun de kleinere bladen maakt men mandjes, hoeden, waaiers, enz., van de takken balken en latten; van de vezels touwen, van den stam zelf planken en balken. Letterlijk niets gaat verloren.
Sommige oasen zijn zoo groot als een onzer provincies, andere veel kleiner. De bewoners behooren, evenals de Egyptenaren en de reeds genoemde Galla's en Somali, tot de Ilamieten. In 't Westen wonen de Toearegs of Berbers, in 't midden de morsige, laffe, domme Tibboes, die veel van de Toearegs te lijden hebben, evenals van de doortrekkende Arabieren.
Met het „schip der woestijnquot; trekt de Arabier van de eene oase naar de andere. Gemeenschappelijk gevaar leidt tot aaneensluiting. De arme woestijnbewoner komt licht tot roof, vooral omdat hij na de daad zich zoo gemakkelijk verwijderen kan zonder achtervolgd te worden. Daarom sluiten de kooplieden zich- aaneen, zij vormen karavanen, die over vanouds gebruikte wegen de woestijn doortrekken.
Tot de voornaamste karavaanwegen behooren: 1. Tri-■poli-Moerzoek-Koeka; 2. Algiers-Wargla-Timboektoe; 3. Mo-gador-Marokko-Timboektoe.
§ 256. Noord-Afrika. Het Westelijk deel wordt groo-tendeels ingenomen door het Atlasgebergte, dat Marokko, Algerië en Tunis doorsnijdt. Het Westelijk deel van dit gebergte draagt den naam van Hoogen Atlas (3500 M); Oostelijker liggen de Kleine en de Groote Atlas (2300 M), die de randgebergten vormen van eene 1000 M hooge vlakte, bedekt met Halfagras.en groote zoutmeren {sjoits). De Noordkust is over 't algemeen rotsig. — Van de knst uit heeft men achtereenvolgens; het Rif, rotsig, slechts hier en daar bebouwd; het Teil, de waterrijke, goed bebouwde deelen van den Kleinen Atlas; het plateau der sjotts; het niet breede Teil van den Grooten Atlas. — Ten Zuiden van den Grooten Atlas ligt eene kleine vlakte lager dan de zeespiegel, ook met sjotts bedekt (de „lage sjottsquot;). Naar het Zuiden gaat
275
verder de Atlas in steenachtige plateaus (hammada's) over, waartusschen belangrijke deelen der zandwoestijnen van de Sahara liggen. Talrijke waterloopen (zwzdi's),'s winters dikwerf gevuld, komen zoowel van den Atlas als van de hoogere deelen der Sahara. Men onderscheidt hier de Marokkaansche en de AUjeryjnsche Sahara. In de laatste hebben de Franschen een aantal artesische putten gegraven en daardoor menige oase te voorschijn geroepen, o. a. Nieuw-Biskra.
Bij Tripoli treden de steenachtige hammada's tot dicht bij do kust. Ten Oosten van de Golf van Sydra ligt het Plateau van Barka, dat zich tot de grens van Egypte uitstrekt en steil uit zee rijst. De delta van den Nijl is natuurlijk laag: zandige landtongen scheiden hier meren met brakwater van de zee.
Klimaat en plantengroei van deze streken komen veel overeen met die van Zuidltalië (Middell. zee-klimaat); van de dieren noemen we kameelen, paarden, leeuwen.
De volken, die hier wonen behooren tot de Semieten', zij zijn Mohamedanen, zeer bijgeloovig en wreed en in de hoogste mate fanatiek. Vooral de bewoners van Marokko zijn te dien opzichte berucht.
§ 257. Tunis staat onder Pransch toezicht, Tripoli en Egypte staan onder Turksche heerschappij. Tripoli, Tunis, Algerië en Marokko noemt men samen Barbarije.
Marokko is in 't N.-W. vruchtbaar; de bodem is hier uitstekend en wordt goed besproeid; de Atlas-rivieren hebben zelfs in den zomer geen gebrek aan water. Ondanks dit alles levert het land niet veel op; de fanatieke bewoners zijn in groote onwetendheid verzonken, vreemdelingen worden wantrouwend aangezien of niet geduld en zijn bijna nergens veilig. De handel is grootendeels in handen der Engelschen. De beide grootste steden zijn Fez (150.000 inw.?) en Marokko (55.000?). Tanger (30.000 inw.) en Mogador (20.000 inw.) zijn de belangrijkste havensteden: te Tanger wonen de Europeesche consuls. In
270
't Noorden bezitten de Spanjaarden eenige versterkte kustplaatsen, o. a. Ceuta.
Algerië levert, sedert het eene Fransche bezitting is geworden en de beheerschers zich veel aan liet land laten gelegen liggen, wijn, tabak, kurk, zuidvruchten, olijven, dadels (in de Algerijnsche Sahara) en halfagras. Langs de kust strekt zich de bergstreek uit met vruchtbare, goed besproeide dalen. Tusschen de bergtoppen liggen de vlakten van Algiers, Oran, enz. De hoofdstad Algiers (83.000 inw.) is de voornaamste handelsplaats; uit- en invoer; stoomvaart op Marseille. Eene tweede havenstad is Oran (75.000 inw.). Jn 'tbinnenland ligt de vesting Constantine (47.000 inw.).
Tunis is vruchtbaar en levert, ondanks de venvaarloo-zing, koren en olijven; hoofdplaats Tunis (135.000 inw.), uitvoer van olijven; spons- en koraalvisscherij aan de kusten ; haven: la Golétta.
Tripoli bestaat op de smalle kustvlakte na uit rotsige, onvruchtbare plateaus. Vooral de kuststreek langs de Kleine Syrte is rijk gezegend; in de omstreken der hoofdstad gedijen zuidvruchten en heeft men uitgestrekte katoen-aanplantingen. Over 't geheel is het land echter waterarm; in den zomer valt bijna geen regen en moet de dauw de planten behouden. In het Zuiden liggen als de eilanden in een' archipel een aantal oasen (in Fezzan); de grootste is Moerzoek. De hoofdstad Tripoli (30.000 inw.) voert ivoor, struisveeren, halfa, enz. uit, door karavanen uit het Zuiden aangebracht.
Egypte is grootendeels eene rotsige woestijn, tendeele met zand bedekt en van het Noorden naar het Zuiden door het smalle Nijldal in tweeën gescheiden. De delta en het Nijldal zijn echter uitstekend bebouwd; de jaar-lijksche overstroomingen bedekken het land met eene laag slib, waaruit het koren welig opschiet. Naast korenbouw is de katoenteelt van groot gewicht. Hoofdprodukten zijn: tarwe, gerst, maïs, rijst, katoen en suiker.
Nubië en Oostelijk-Soedan waren achtereenvolgens door
278
Egypte veroverd. Opstanden hebben in de laatste jaren die landen vrij wel aan den overheerscher ontrukt. (Gebied van den Mahdi). De voornaamste plaats in die streken is het reeds genoemde Khartoem. ])
Do belangrijkste steden in Egypte zijn: Kaïro (57t).000 inw.\ de hoofdstad, middelpunt van Mohamedaansche geleerdheid; Alexandrië (320.000 inw.), door een' spoorweg met Suez verbonden; groote handel; uitvoer van produkten; Tanta (57.000 inw.), bedevaartsplaats voor de Mohamedanen; in April en Augustus zijn er soms 300.000 bedevaartsgangers; dan worden belangrijke markten gehouden; Zagazig (86.000 inw.), middelpunt van den katoen-handel; Sioet, uitgangspunt voor karavanen naar 't Zuiden. Aan de Roode zee: Soeakin en aan den Nijl: Berber.
„De spoorweg van Alexandrië naar Kaïro doorloopt het grootste gedeelte van de Nijldelta en deze weg is in alle opzichten hoogst belangrijk. Kort nadat men Alexandrië verlaten heeft, ziet men een groot, woest waterbekken, hetberoemde meer Marioet. Verder ziet men, zoover het oog reikt, vruchtbaar, bebouwd, vlak land, beplant met doerah, eene soort van gierst, en onder water gezet met behulp van schepraderen, die door buffels in beweging gebracht worden. Op de groene velden loopen schitterend witte ibissen in groeten getale trotsch heen en weer. Hier en daar ziet men op de akkers nog het water van den buiten zijne oevers getreden Nijl, de palmboom staat met vruchten beladen naast de bladerrijke sycomore, welke haar schaduwdek verre uitspreidt. De goed gekweekte katoenstruiken vormen uitgestrekte, lage wouden, bedekt met gele, roode en witte bloesems. Overal ziet men de leelijke, grauwe leemhutten der Egyptische dorpen, waar de
1) Khartoem werd dcor den Mahdi verwoest. Hij grondde eeno nieuwe hoofdstad, Omlt;hrmnn, din zich twoc iiron langs don Nijl nitstrokt, on wjor Zuidelijk einde tegenover het verwoeste Khartoem liirt.
Fellah's hun leven als ware Troglodyten doorbrengen ; zij zien er zoo morsig en erbarmelijk uit, dat men in de verleiding komt ze met hunne kleine koepelvormige daken eer voor termietenkoloniën dan voor menschelijke woningen aan te zien; de aanblik der huizen of liever dezer slijkhutten heeft iets afschuwelijks. Zeer schilderachtig daarentegen is het gezicht tusschen deze hutten; overal heerscht daar leven en beweging; troepen van drie of zes langbeenige kameelen, die de vreemdeling hier voor het eerst lasten ziet dragen, ontmoet men telkens en metlachwekkenden ernst schuiven deze „schepen der woestijnquot; zich, zwaar bepakt met hunne lasten, zonder eenige sierlijkheid voort. Ezels met vrachten beladen, mannen met manden op het hoofd, ziet men in grooten getale voorbijgaan. Maar ook grootere plaatsen, die men uit de verte aan de minarets herkent, liggen aan den spoorweg, zooals Tanta. Aan de grootere stations heerscht eene levendige drukte, en de stok van den opzichter komt vaak met de bruine ruggen der al te verkooplustige kooplieden in aanraking.quot; 1)
§ 258. De eilanden. Het grootste is het bergachtige eiland Madagaskar, grooter dan Duitschland; het voornaamste volk is dat der HovlCs, die tot de Maleiers be-hooren en goed ontwikkeld zijn; de hoofdstad is Tananarivo (100.000 inw.?) De kustvlakten zijn warm, de plateaus koel en gezond. Het eiland staat onder Fransche heerschappij. Dichtbij liggen Reunion (Fransch) en Mauritius (Engelsch; levert zeer veel suiker op^ hoofdplaats Port-Louis met 63.000 inw.).
In den Atlantischen oceaan liggen:
Madeira, veel bezocht door teringlijders; het is één groote vulkaan en bezit een heerlijk klimaat.
1) C. F. v. HollwaUl.
280
De Kaapverdische eilanden {St-. Vincent bezit steenkool-magazijnen ten behoeve der stoomschepen).
De Arores.
St.-ThomaH en Prinseneiland (alle Fortugeesch); de Canarische eilanden (waartoe Ferro en Tenerife be-hooren).
Fernando Pu en Anno-Bon (Spaan sch);
Asencion en St.-Helena (Engelsch), barre rotsen; het laatste een station voor de walvischvaarders.
Staten. Grootte in KM3. Inwoners.
Egypte........ 1.000.0U0? 7.800.000
Algerië en Tunis..... 897.000 5.675.000
Marokko........ 439.000 8.000.000
Congo-staat....... 2.375.000 15.000.000
■ Abessynië....... 500.000 4.500.000
Oranje-Vrijstaat..... 131.000 207.000
Zuidafrikaansche republiek . 327.000 773 000
Nederland (ter vergelijking). 33.000 4.800.000
Natuurlijk zijn deze cijfers ten deele slechts benaderde waarden.
iK,
D. A Z I E.
§ 259. In 't Zuiden liggen drie groote schiereilanden: Arabië, Voor-Indië en Achter-Indië. Een deel van Achter-Indiö is Malaka. In 'tZuid-Ooaten liggen de Oostindische eilanden, de Philippijnen en Hainan; in 't Oosten: Formosa, de Lioe-Kloe-eüanden, de Japansche eilanden (Kioe-sioe, Sikok, Nippon en Jesso), Sachalin, de Koerden, de Aleoeten.
Voor de zeeën en golven zie men bl. 72 en 73.
De voornaamste kapen zijn: k. Co mor in, de Oostkaap, k. Taimyr.
Ga na, tusschen welke meridianen on parallellen Azië ligt.
§ 260. Het raidden vau Azië is een hoogland, aan alle zijden door hooge gebergten omgeven. De randgebergten dezer hoogvlakte zijn; de Iliinaluja, de Kizil-Jart, de Thiun-tij an, de Altai, het Sajanisch yeberyte, het CImiyan-'jeberyte, het Bergland van China (Jiinliny, enz.).
In het Noord-Oosten liggen het Jablonoi- en het Stanno-woi-yebergte, die den Zuidrand vormen van naar het Noorden hellende, lage plateaus, die het grootste deel van Oost-Siberië vullen. In het Zuid-Oosten ligt het Seryland van Zuid-China en Achter-Indic; afzonderlijk verheft zich het Plateau van Dekan met zyne randgebergten; naar het Westen toe hebben we achtereenvolgens; het Hooyland eau Iran, van Armenië, van Klein-Azic en van Arabic.
De grootste laagvlakten zijn: die van Siberië, van Toer an, van China, van Voor-Indië, rem Mesopotamië.
jSw? '•i «ii)
l'::
|
if'
■
•i.'
f i
:
quot;M '■■X
ï , j lt;
■lt;'
'p ! ?' -
282
§ 261. Het grootste deel van Azië bezit een landklimaat, waar op een heeten zomer een uiterst strenge winter volgt. Al het land ten Noorden van de lijn quot;Witte zee . — Baikal meer — Amoer-mond heeft eene gemiddelde jaartemperatuur lager dan 0°. Zuid- en Zuid-Oost-Azië liggen in het gebied der moessons (zie bl. 25; verklaar ook, waarom deze in het Zuid-Oosten steeds meer eene Oostelijke richting krijgen — n.1. de natte moessons —, ja, in China zelfs Oostenwinden zijn).
§ 2()2. Russisch Azië. We zullen drie deelen onderscheiden; Siberië, Toeran en het Amoergebied.
u. Siberië. Voor het grootste deel is Siberië eene laagvlakte; in het Oosten liggen lage plateaus, in het Zuiden hoogere gebergten, waarop de groote Siberische rivieren ontspringen.
De Ob, verreweg de meest bevaren rivier, ontspringt op den Altaï, evenals hare linker-zijrivier de Irtisj. De Altai is vooral in het Zuiden een woest Alpenland, welks toppen zich tot 1000 M boven de sneeuwgrens verheffen. Het is rijk aan metalen (zilver, goud, lood) en steenkolen; Barnaul, Tomsk en Bissk hebben hunne opkomst aan deze minerale schatten te danken. — De Ob stroomt naar het Noord-Westen, tot zij zich met de Irtisj vereenigt, wanneer zij eene Noordelijke richting aanneemt en in de Golf van Ob uitloopt; zij komt in dit alles met de Petsjora overeen. — Eene linker-zijrivier van de Irtisj is de Tobol.
De Jenissei ontstaat op het hoogste gedeelte van het Sajanisch gebergte (3490 M), loopt langs den Zuidrand en breekt daarna door dit gebergte heen. Aan hare rechterzijde neemt zij nu drie rivieren op: de Boven-, de Midden-en de Beneden-Toeinjoesku. De eerste loopt uit het Baikal-meer, de twee andere ontspringen op de plateaus van Oost-Si berië.
Op het 1200 M hooge gebergte, dat ten Westen van het Baikal-meer loopt, ontstaat de Lena, die aanvankelijk eene richting naar het Noord-Oosten heeft; heeft zij haren
15# \ w
'III.:
iiiiryj lü
i f
,1 lt; Squot;'
'v!
c»,- 1
v ! quot;i. ■ 'I
284
loop half volbracht, dan wendt zij zich met eene groote bocht naar het Noorden-
De Lena vormt eene delta aan haren mond; Ob en Jenissei hebben wijde monden.
Het land ten Noorden van den Poolcirkel is toendra. Bij deze lijn beginnen de wouden, die naar het Zuiden dichter worden, en in alle richtingen door den pelsjager worden doorkruist. Zuidelijker strekt zich eene landbouwstreek uit; de Siberische „zwarte aardequot; bedekt hier den bodem, hoewel de laag zeer dun is.
Aan deze zijde van den Oeral zetten zich dus de gordels voort, die we in Rusland reeds onderscheidden.
In't Zuid-Westen ligt het met zoutmeren bedekte slep-pengebied der Kirgiezen (nomaden met groote kudden schapen, paarden, enz.). Hoofdmarkt voor de produkten dei-veeteelt is Petrapawlowsk (quot;18.000 inw.).
De voornaamste plaatsen zijn: Tobolsk (22.000 inw.), Tjumen (85.000 inw., thans belangrijker dan Tobolsk), Omsk (44.000 inw.; vesting nan?), Tomsk (50.000 inw.), Barnaul (30.000 inw.), Irkoetsk (50.000 inw., rijke bergwerken, het „Siberische Parijsquot;), Jakoetsk (6.000 inw.; de eenige grootere plaats in het geheele Oosten).
In den winter zijn hond en rendier de transport-dieren, die de sleeën, beladen met mammouths-tanden, pelswerk of Europeesehe goederen, vliegensvlug over de bevroren toendra's trekken; in den zomer gebruikt men paarden. In 't voor- en najaar, als de rivieren buiten hare oevers treden en de wegen poelen zijn, houdt alle verkeer op.
De karavaanhandel tusschen den Oeral en de zee van Ochotsk wordt beheorscht door drieërlei waren: thee, pelswerk en metalen (voornamelijk goud). Hoofdpunten voor dien handel zijn Tobolsk, Irkoetsk en Jakoetsk. De levering van pelswerk aan de Russische regeering geschiedt in eerstgenoemde plaats. Jakoetsk is een centrum voorde pelskaravanen; hier
285
brengen de jagernomaden hun pelswerk en ruilen het voor Europeesche goederen, van Irkoetsk aangebracht (de Lena af). In den winter, zoowel als in den zomer, zijn de tochten naar liet Noord-Oosten ontzettend moeilijk (hoe zoo?).
In de vorige eeuw bouwde Rusland Kjaclita, China Maimaisjin; deze grensplaatsen zijn van gewicht voor den handel tusschen China en Rusland; een der groote handelswegen loopt van hier over Irkoetsk naar Rusland (thee). In den laatsten tijd gaat Kjachta achteruit, daar de thee thans meest direct, naar Irkoetsk wordt gezonden. Een tweede belangrijke weg loopt van China naar de breede poorten tusschen Altai en Thiansjan; de karavanen, die dezen weg volgen, bestaan soms uit vele duizenden menschen, daar allen zich, uit vrees voor roofzuchtige stammen, aaneensluiten.
Thans is men op last der Russische regeering druk bezig de Siberische Paciflc-baan te leggen, de spoor, die over Omsk, Tomsk en Irkoetsk Rusland met den Grooten oceaan (Wladiwostok) zal verbinden, en reeds voor een aanzienlijk deel gereed is.
§ 263. h. West-Toeran. Het Westelijk deel is eene laagvlakte; het Oosten is een echt bergland, met ketens, die voor het groo.tste deel evenwijdig loopen. Tusschen deze ketens stroomen rivieren, o.a. de Amoc- en de Syr-Dar ja, die in het Aral-meer uitstroomen, de Zerafsjan, enz. Noordelijker ligt het Balkasj-meer, in welks moerassigen Oostelijken oever de Ili verdwijnt. Een groot deel dezer bergen verheft zich ver boven de sneeuwgrens.
Men kan hier vijf gordels onderscheiden:
1. het lage land, de steppengordel, voor nomaden geschikt; tot 600 M.
2. de gordel van den landbouw ; Russische nederzettingen ; tot 1500 M.
3. naaldboomen; van veel gewicht voor de kolonisten, wegens de massa timmer- en brandhout; tot 2500 M.
Ifci f
■ft.*
1
i: i
pg (
;;ii
»i
lip#
*
•d
Pi
2sr,
4. alpenweide; tot 3500 M.
5. 't gebied der eeuwige sneeuw.
Een groot deel van Toeran — en wel het Westen — is woestijn (Kisil-Koem, Kara-Koem). Langs de rivieren — wier water tot besproeiing der velden in kanalen afgetapt wordt — liggen vruchtbare streken; de Russen hebben er in de laatste jaren met het beste gevolg de katoencultuur ingevoerd; reeds wordt veel katoen door den Trans-kaspischen spoorweg naar Rusland gevoerd. De voornaamste plaatsen zijn: het sterk vooruitgaande Tasjkend (150.000 inw.); BoecJiara (70.000 inw.?), Chiwu, Kokan, Samarkand, enz.
Al deze plaatsen zijn voor den handel van groot belang. Zoo b.v. Boechara, een middelpunt, waaruit de karavaanwegen als stralen loopen naar China, Indië, Perzie, Siberië en Rusland. Hier worden goederen van de mis te Nisjnii-Novgorod aangebracht en over Midden-Azie verspreid. Een spoorweg loopt van de Kaspische zee naar Samarkand.
Het gebied tusschen het Aral-meer en de Kaspische zee is een woest, steenachtig plateau.
§ 261:. c. het Amoergebied, dat slechts ten deele aan Rusland behoort. De Amoer ontspringt op de gebergten, die ten Zuid-Oosten van het Baikal-meer liggen. Reeds spoedig neemt zij hare linker-zijrivier de Sjilka op. Hét Chingan-yebergte noodzaakt haar zich naar het Noorden te wenden. Nadat zij door de poort, tusschen Chingan en Jablonoi, is gestroomd, neemt zij eene meer Zuidelijke richting aan. Rechts neemt zij nu de Songari op (ontspringt op?); door het 1500 M hooge SicJiota-gebergte daartoe genoodzaakt, wendt zij zich nogmaals Noordwaarts en bereikt de straat, die tusschen Sachalin en het vaste land loopt.
Het tot China hehoorende Mantsjoerije is een bergland met vruchtbare dalen. Aan de kust ligt de Russische havenstad Wladiwostok (oorlogshaven), aan de Sjilka Ner Is jink (met bergwerken). — De
K
f
i ■fif*
'M
i è
»t I t t J
^ t *
•TJ
— O
S 2$ 5- o
f
c ;'i'
JK. %
quot;oS
•XJ
s.
!»»
V
0 4, £« :S
1 5
OS tb
s
I
O O bc 2
® I
4
O
rö
CD C
os
è o
rO P
? I
u»?
o3 .5 2 cc
c g 50 ^
É
287
Chineezen verhuizen naar Jfan-lsjoeri/je en nemen dit land meer en meer in beslag, de bevolking verdringende.
§ 265. Het Chiueesche rijk. Dit omvat het geheele hoogland van Midden-Azië met de Chineesche laagvlakte.
De grenzen der hoogvlakte noemden we reeds; beschouwen we thans dit hoogland wat nader.
Het Zuidelijk deel is de Hoog vlakte van Tibet, die tusschen de Kuën-Lün (6800 M) en den Hinaalaja (§ 268) ligt.quot; De Karakoroem (in het Westen) bereikt in den Dapsang eene hoogte van 8620 M. Het grootste deel van Tibet, dat zeker 4000 M boven den zeespiegel ligt (de Mont Blanc is slechts 4810 M), is als onbewoonbaar te beschouwen. Hier en daar vindt men steppen.
De Zuidelijke dalen, het gebied van de Brahmapoetra, zijn nog eenigszins goed bevolkt; hier ligt Lhasa, de zetel van den Dalai Lama (godsdienst en handel gaan hier hand aan hand; de pelgrims brengen goud aan, dat voor de kerken gebruikt wordt; maar ook als goudstaven uitgevoerd).
Van Noord-Tibet zegt de reiziger Fr ze wal ski; De temperatuur is, trots de Zuidelijke ligging, het geheele jaar iaag(in den zomer warme dagen, doch koude nachten).
Ufa
288
De lucht is in den herfst, den winter en het voorjaar buitengewoon droog, in den zomer buitengewoon vochtig (moesson). Wat lt;ie flora en fauna betreft, stuit men op eene vreemde verschijning: eene armoedige plantenwereld naast groote zoogdieren. De plantengroei lijdt door: winter-en voor-jaarsvorsten zonder sneeuw; veelvuldige stormen; droge lucht; nachtelijke koude in den zomer, met soms brandende hitte 'sdaags; mageren, grooten-deels zouthoudenden zand- of leembodem en eindelijk de verdunde lucht. Door deze ongunstige omstandigheden ontbreken er zelfs boomen; struiken zijn er slechts vier soorten, waarvan de grootste de hoogte van slechts voet bereikt. Gras daarentegen komt er veel voor. — De fauna is niet rijk aan soorten, maar de dieren vinden wij in ontzaglijke kudden in 'twild (yacks, antilopen, bergscha-pen, beren, wolven, vossen, hazen, enz.). Door de nomadiseerende inboorlingen worden gehouden: tamme yacks, schapen, geiten, paarden en honden.
De groote woestijn G-obi is alleen daar bewoond, waaide bodem door water bevochtigd wordt, vooral aan den voet der gebergten en in 't midden. De kleine rivieren, die op de bergketens haren oorsprong nemen, worden, zoodra zij de vlakte bereikt hebben, ten behoeve van den landbouw verdeeld en afgetapt, zoodat zij spoedig geheel van water beroofd zijn.
Alleen in het Zuid-Westen heeft de Tarim, die in het Lob-meer eindigt, een langeren loop.
In de oasen van de Gobi teelt men vooral katoen, granaatappels, druiven, enz.; de katoen wordt meest naar Rusland gevoerd.
De Gobi eindigt bij het Chingan-gebergte, de eerste keten van het Alpenland van Mandsjoervje.
Ten Zuid-Oosten der hoogvlakte breidt zich het Chinee-sche Alpenland uit, een woest gebergte, met ketens in alle richtingen, die naar het Oosten steeds lager worden. Twee
290
groote stroomen, die op het Tibetaansche hoogland ontspringen, doorbreken het bergland: de Hwangho en de Jang-tae-kiang. De eersterivier ontspringtten Zuid-Westen van het door hooge bergen omgeven Koekoe-noor; door het gebergte gedwongen naar het Noorden te gaan, loopt zij in eene groote bocht langs den rand van een plateau, bereikt de Chineesche laagvlakte en stort zich in de Golf van Pe-tsji-li. — Slechts een enkele keten, eene voorzetting van den Kuën-Lün scheidt den bovenloop van den Hwangho van dien van den Jang-tse-kiang.
Het Junling-bergland met zijne machtige ketens noodzaakt de rivier eene groote bocht naar het Zuiden te maken. Nadat zij zich in kleine krommingen tusschen de bergketens en berggroepen heeft doorgeworsteld, en de Chineesche laagvlakte heeft bereikt, stroomt zij in de Gele zee uit.
Ten Zuiden van den Hwangho ligt het T'eUng-gt-hergte, ten Zuiden van den Jang-tse-kiang het Nan ling. Door het Zuidelijk bergland Chinees (Mongool). stroomt de Si-Mang, die, eene
breede delta vormende, bij het eilandje Hongkong de zee bereikt.
Belangrijke passen loopen langs de rivieren, die overal door het bergland stroomen. Het Keizerskanaal verbindt Peking en Hangs-tsjou.
De Chineesche laagvlakte, van drie zijden door gebergten omgeven, is eene vruchtbare, buitengewoon dicht bevolkte streek. Als we weten, dat het Chineesche rijk ongeveer 400 millioen inwoners telt, en ons herinneren, dat de hoogvlakte zeer spaarzaam bevolkt is, dan volgt
291
¥
toil
dtuiruit reeds, dut het huigkind eenc zeer dichte bevolking moet bezitten. Geen plekje is ongebruikt gelaten. Een groot deel der vlakte (en ook der aanliggende berglanden) is overdekt met de gele aarde (löss). De ijverige, onvermoeide Chinees verbouwt rijst, katoen (in 't Noorden), suikerriet, enz. Van den rijstoogst hangt de welstand van den eenvoudigen Chinees af; mislukt de oogst, dan is groote ellende het gevolg, hongersnood, die duizenden in dit dichtbevolkte gebied ten grave sleept. In het Zuiden kweekt men de theestruik, de moerbeiboom overal, voor de zijdeteelt. Zijde en thee zijn China's voornaamste artikelen van uitvoer; voorts katoen (naar de Japansche katoenfabrieken) en boonen. Ruim Va van den handel is in handen van Engel-schen. Aan den voet der Noordelijke gebergten liggen rijke steen-koolbeddingen.
De hoofdstad is Peking met 1,6 millioen (?)
inwoners, door een kanaal met de Peiho verbonden, aan welke rivier de belangrijke handelsstad Tiën-tsin (Imil-lioen inwoners ?) ligt.
Hang-tsjou(500.000inw.)
voert vooral thee uit. Canton, bij den mond van de Si-kiang (1,8 mill. inw. ?), Sjanghai (400.000 inw.), Nanking (500.000 inw.), Hankou (800.000 inw.), Tsjing-toe (050.000 inw.), Amoy (300.000 inw., koelihandel; uitvoer van thee, vooral naar Amerika), en de gewichtige uitvoerhaven Poe-tsjou (635.000 inw.) zijn alle belangrijke handelssteden. Op Hongkong ligt het Engelsche Victoria (125.000 inw.). Macao (70.000 inw.; koelies) is Portugeesch gebied. Aan den ingang van de Golf van Pe-tsji-li zijn een paar havens door Duitschera en Russen bezet.
ST ' *|, ! t«-.» j
n !
1 i
i
'.■j
Y itf1
r'
11
Ér' ;
i gt;■
J t
■f
is I
/■
Ook iu liet binnenland zijn groote steden, vooral langs den Jang-tse-kiang, waar b.v. drie groote steden, elk misschien met Vs millioen inwoners, als de wijken van ééne stad naast elkander liggen. Men kent 42 steden, die meer dan 100.000 inw. tellen.
De huizen eener Chineesche stad zijn klein en hebben spitse daken, beneden omgekruld; de straten zijn nauw, er verdringt zich eene woelende menigte, er heerscht een geraas, dat voor den Europeaan aanvankelijk onuitstaanbaar is. Eu die golvende menschenmassa bestaat niet enkel uitwandelaars; integendeel: een groot deel der Chineezen verricht den arbeid op straat: hier oefenen kappers, barbiers, slotenmakers en wie niet al hunne ambachten in de open lucht uit, — daar bieden kooplieden de toebereide spijzen den wandelaars aan en hunne met gevulde kopjes en schotels voorziene tafels ziin steeds omringd door koopers en eters. De werkplaatsen komen voorts op straat uit en zijn open; zijde- en katoenwevers, meubel-, schoenmakers, smeden, blikslagers, — hen allen kan men aan den arbeid zien. Slecht gekleede bedelaars en uitgehongerde, sluipende honden brengen het hunne bij om de drukte te vermeerderen. Op de rivier wemelt het van jonken; men kan gerust zeggen, dat een groot deel van de bevolking der steden op het water leeft.
§ 266. Het schiereiland Korea is in 't Oosten bergachtig; langs de kust loopt eene bergketen, die steil in zee daalt. De grond is vruchtbaar en 'tklimaat goed; vooral de Zuidelijke provinciën zijn rijk aan landbouw-produkten. De kusten zijn havenrijk; — drie dezer havens zijn voor vreemdelingen opengesteld. Hoofdplaats is Han-jang (of Seal, 193.000 inw.-?).
§ 267. Aehter-Indië. Het binnenland is zeer bergachtig; aan de kust ligt eene smalle vlakte, die zich bij de
293
monden der rivieren uitbreidt en wigvormig in het bergland dringt.
De rivieren, die door breede en diepe dalen stroomen, hebben eene Zuidelijke richting; het zijn: de Mekong, de Menam, do Sal am en de Trawadi. In 't Noord-Oosten stroomt de kleinere Songka. In het binnenland liggen onafhankelijke staten: Stam en Birma (de laatste thans grootendeels in bezit der Engelschen); doch de vlakten aan de riviermonden en een groot deel der kust zijn in 't bezit van Europeanen. Achter-Indië is het land van de rijstcultuur; het alluvium aan de monden der rivieren (de delta van den Mekong is meer dan tweemaal zoo groot als ons land), dat elk jaar onder water komt, is als'c ware één groot rijstveld. De grootere plaatsen zijn dan ook uit-voerhavens voor rijst. Bij de monden der rivieren liggen;
Saigocn (70.000 inw.), Pransch; uitvoer van rijst.
Bangkok (200.000 inw.) eene der eerste rijsthavens; uitvoer van tekhout.
Maulmecn (56.000 inw.), voert ook tekhout uit;
Kangoen (180.000 inw.), de beide laatste steden Engelsch.
De hoofdstad van Opper-Birma is Mandalë (190.000 inw.).
De Songka stroomt door het dichtbevolkte Tongkin.
Birma levert tegenwoordig groote hoeveelheden caout-chouk; de Sjan-staten zijn rijk aan zilver en lood.
Aan de Zuidpunt van Malaka ligt op een klein eilandje de nog jeugdige stad Singapore, die, tot vrijhaven gemaakt, snel tot bloei kwam door hare gunstige ligging en thans als handelsstad en marktplaats van groote beteekenis is, ook voor Oost-Indië. De bevolking, 185.000 zielen, is zeer gemengd. Singapore en Podoe Pinang (handel met Atjeh) behooren tot de Straits settlements.
§ 268. Voor-Indië. We onderscheiden het hoogland en de laagvlakte. De Noordgrens wordt gevormd door den Himalaja.
De Himalaja is het hoogste gebergte der Aarde, wat n.l. de hoogte der toppan betreft, Het strekt
294
zich van den Indus tot de Brahma-poetra uit, welke rivieren aan de Noordzijde, dicht bij elkaar, ontspringen; deze stroomen liggen aanvankelijk 4000 M hoog. In datzelfde gebied ontstaat ook de Satlaclsj, linker-zijrivier van den Indus. Zuidelijker liggen de bronnen van den Ganges en diens rechterzijrivier de Djsoemna. De hoogste toppen liggen in de middelste keten; misschien is de Mount Everest (8840 M) de hoogste.
Aan den Zuidelijken voet van den Himalaja ligt eene moerassige boschwildernis, de Tarai; tot 1600 M stijgen de gewassen der laagvlakte; wouden,die met hunne eiken en olmen aan Middel-Europa doen denken, bedekken het gebergte tot 3000 M; tot 3300 M volgt dan naaldhout, terwijl de alpenweiden zich tot de sneeuwgrens uitstrekken.
Hoewel de Himalaja niet gemakkelijk over te trekken is, zoo is het verkeer toch belangrijk. „De dalen zijn verbazende breuken en afgronden en de bergwanden zinken niet zelden loodrecht neer. Er zijn met sneeuw bedekte toppen, warme bronnen, schuimende beken en enge kloven ; duistere afgronden wisselen af met bloemige grasperken, op welke de herder zijne kudde weidt. Tot op eene hoogte van onze Europeesche Alpentoppen liggen wélbevolkte steden, b. v. Leh. Om het karavanenverkeer mogelijk te maken heeft men bruggen over afgronden geslagen en uit rotsmassa's stukken gehakt. De handelaars voeren hunne transportdieren over passen tot 6000 M hoogte. Duizenden doen jaarlijks eene bedevaart naar de heilige bronnen van Ganges en Dsjoemna. Vrome pelgrims stijgen uit de heete vlakte tot de sneeuwgrens, om daar hun leven te eindigen.quot; Doch ook zij, die de warmte heeft afgemat, zoeken in het gebergte hunne verloren gezondheid te herkrijgen en nieuwe krachten te garen voor den dikwijls moeilijken strijd
295
om het bestaan (gozoudheidaoordon aan de Zuid-helling).
Wat het klimaat betreft, Voor-Indië ligt in het gebied der moessons. De Zuidelijke helling van den Himalaja is zeer regenrijk; het Kassia-yeberyte, aan den linkeroever der Brahma-poetra, is de regenrijkste streek der Aarde. Geen wonder, dat de Himalaja eene rijke plantenwereld bezit! De Indusvlakte is echter vrij dor en ten Oosten der rivier ligt de Woestijn Tharr.
In de uitgestrekte wouden loopt de olifant rond en loeren tijger en panter op hunne prooi; in de bergen weidt de yack, die hier als transportdier van groot nut is.
§ 269, Het schiereiland, dat ver in zee vooruitsteekt en eindigt in Kaap Comorin, is bijna geheel met plateaus bezet, waarvan het grootste, het Plateau van Dekan, 7 a, 800 M hoog is. De rivieren, die naar de Oostkust loopen, wijzen de helling aan. De Westrand wordt gevormd door de Wast-G-hats (1500 M), aan de Oostzijde is geen randgebergte; de helling naar de kustvlakten noemt men echter Oost-Ghats. In het Noorden ligt het Satpoera-yebcryte. Een tweede plateau, het Plateau van Malva, eindigt in het 2500 M hooge ArawalU-yebergte.
Langs de kust ligt eene vlakte, aan de Westzijde smal, aan de Oostkust breeder.
Op het plateau verbouwt men katoen, terwijl het tevens tek-, sandel- en verfhout levert. Langs de kust staan kokospalmen. Van de delfstoffen moeten in de eerste plaats de diamanten genoemd worden.
De voornaamste steden zijn Bombay en Madras. Bombay (822.000 inw.) is de belangrijke haven voor opium en de op het plateau geteelde katoen, die hier echter ook ten deele verwerkt wordt in de fabrieken. Madras (453.000 inw.) is ook eene belangrijke handelsstad (uitvoer van katoen), maar de haven is slecht; de geheele Oostkust is veel minder toegankelijk dan de Westkust. Sur at, aan de Golf vanCambay, zijde-industrie, uitvoer van tabak (109.000 inw.). In het binnenland; Heiderabad (415.000 inw.), edelgesteenten; enz.
296
Aan de Oostkust bezit Frankrijk, aan de Westkust Portugal enkele kustplaatsen, die echter van geen groot belang zijn.
§ 270. De laagvlakte bestaat uit twee deelen; de Gan-
gt;
ges-vlakte (met het Brahraa-poetra- dal) en de Indus-vlakte.
Deze deelen gaan onmerkbaar in elkander over; we merkten echter reeds op, dat de Indus-vlaktc veel droger is
297
dan die van den Ganges. Terwijl de laatste eene parallelle richting heeft, loopt de eerste Noord-Zuid.
Naar de vijf grootere rivieren, die het doorstroomen, noemt men het Noordelijk deel van de Indus-vlakte Pendsjab; zoo heet de streek tusschen Ganges en Dsjoemna Doeab.
De Ganges-vlakte is uitstekend bebouwd; Neder-Ben-galen gelijkt één groot rijstveld. Hier wonen 270 inw. per □ KM; toch is de rijstuitvoer belangrijk. Voorts levert de vlakte: katoen, maïs, indigo, suiker en tabak.
Langs den Brahma-poetra (Assam) bedekken theetuinen de heuvels. De delta van den Ganges is eene moerassige, met bosch bedekte streek, een paradijs voor reusachtige slangen en krokodillen. Zijderupsen houden duizenden handen bezig.
De handel van Britsch-Indië wordt voornamelijk door de katoen beheerscht. De hoeveelheid uitgevoerde katoen wordt jaarlijks grooter; met die stijging houdt de toename van den invoer van Euro-peesche waren gelijken tred. Uitgevoerd worden voorts nog: opium, rijst, indigo, enz.
De Indus-vlakte is alleen in 't Noorden vrij goed bebouwd; het Zuidelijk deel is eene dorre steppen vlakte; het Noordelijk deel van Pendsjab wordt door talrijke kanalen besproeid en is da,n ook goed bevolkt.
Aan den Boven-Indus ligt Kasjmier, bekend door de Kasjmier-geiten, van wier haren sjaals worden vervaardigd, vooral in de hoofdstad Srinagar.
De uitvoerplaats voor het Ganges-gebied is de hoofdstad van Voor-Indië Calcutta (840.000 inw.), het Indische Londen, dat ondanks zijne ongezonde ligging de belangrijkste plaats werd; het heeft een vruchtbaar achterland, bevolkt door meer dan 100 millioen menschen; in de nabijheid veel jutefabrie-ken; uitvoer van katoen, granen, opium en thee (opium vooral naar China). Voor de Indus-vlakte is het snel opkomende Karatsji dehaven, het eindpunt van den spoorweg van Pendsjab (105.000 inw.). Belangrijke plaatsen zijn verder;
'gt;1quot;
1, quot;M
'irlj
-H
irf
3
gt; c!
r
ü. ,
-fff' I
3!
in het Gangen-gebied: Benares (223.000 inw.; de heilige stad der Hindoes, de stad der tempels; industrie van goud- en zilverwerken; katoen- en zijdef-.ibrieken), Bereitly (122.000 inw., snel opkomende industriestad), Allahabad (177.000 inw.; aan?), Agra (169.000 inw.; eene der hoofdmarkten voor de katoen), Behü (193.000 inw.), Patna (171.000 inw.; hoofdmarkt voor opium), Lucknow (290.000 inw.; fabrieken).
in het Indus-gebied: Amritsar (137.000 inw.; grootste fabrieksstad der Pendsjab), Lahore (179.000 inw.), Pesjawer (85.000 inw., aan?), Moeltan (75.000 inw.).
Pesjawer moet den Khaibar-pas verdedigen en is een der Engelsche bolwerken. De andere zijn: Lahore, Allahabad, Fort William (bij Calcutta) en Bangalore (180.000 inw.) in 't Zuiden.
In naam van de koningin van Engeland (keizerin van Indië) wordt het land door een' vice-keizer bestuurd. Het aantal inwoners beloopt 260 millioen, dat der Europeanen 120.000. — Enkele staten zijn onafhankelijk, andere in schijn.
In 't Zuiden, door de Golf van Manaar en de Palks straat van het vasteland gescheiden, ligt Ceylon, in 't midden bergachtig, aan de kusten vlak. De belangrijkste plaats is Colombo (137.000 iuvv.1, aanlegplaats voor stoomschepen naar en van Oost-Azië. Het eiland is vooral door de snel vooruitgaande, bloeiende theecultuur van belang. § 271. Westelijk van Voor-Indië ligt het Plateau van Iran; de Oostrand wordt gevormd door het Soliman- en het Hala-gebergte, de Westrand door het Gebergte van Koerdislan; in 't Noorden liggen het Elboers-gebergte en de Hindoe-Koesj.
De hoogvlakte is over 't geheel onvruchtbaar en bevat verscheiden woestijnen eu dorre zoutsteppen. Vandaar ook, dat de bevolking dun is. De best bebouwde vlakten zijn die van Kir man en Khorassan (tarwe, gerst). In het Oostelijk deel loopt de Hilmend in het Ilamoem-moeras uit.
2(j9
Tusschen den Hindoe-Koesj en hefc Soliman-gebergto ligt de Khaihar-pas langs de rivier Kaboel.
De hoogvlakte wordt ingenomen door drie rijken: Perzië, Afghanistan en Beloedsjistan. De hoofdstad van Perzië is Teheran (210.000 inw.), de grootste handelsstad echter Tebris in het Noord-Westen, een merkwaardig middelpunt van karavaanwegen met 180.000 inwoners.
De volgende wegen komen hier samen: Titlis-Tebris, Resjt-T., Teheran-T., Ispahan-T., Bagdad-T., ilosoel-T., Trebizonde-Erzeroem-T. Zoek deze wegen op de kaart!
Belangrijke plaatsen zijn verder: Ispahan (60.000 inw.), Sjiras (20,000 inw., tabak, wijn, rozenolie), Jesd (katoen, opium, wijn, 40.000 inw.), Aboesjir, hoofdhaven van Perzië.
Tusschen het Elboers-gebergte (hoogste to]) de Demaivend, (5130 M) en de Kaspische zee ligt eene smalle, rijk besproeide en goed bevolkte vlakte; voornaamste plaatsen: Balferoesj (50.000 inw.) eu Restj (uitvoer van zijde, opium, druiven, rijst en suiker).
Van Afghanistan is de hoofdstad Kaboel (60.000 inw.), hoogst belangrijk, omdat van hier de Khaibar-pus naar het Oosten, en de Bamiam-pas over den Hindoe-Koesj leidt. In het N.-W. des rijks ligt liet door handel en industrie bloeiende Herat (100.000 inw.?).
Van Beloedsjistan is het kleine Kdat (14.000 inw.) de hoofdstad.
§ 272. Op het Bergland van Armenië ontspringen de Euphraat en de Tigris. Aan den Zuidrand van het Plateau van Erivan (1000 M) verheft zich de tweetoppige Ararat (hoogste top 5171 M), de hoogste berg van Armenië. Nadat de beide rivieren tot dicht bij de Perzische Go?/'naast elkaar hebben gestroomd en elkander bij Bagdad reeds op betrekkelijk korten afstand zijn genaderd, vereenigen zij zich tot den Sjat-el-Arab, die beneden Basra, (60.000 inw., uitvoer van dadels, wol en tapijten) in genoemde golf uitloopt.
Langs do Zuidkust van het schiereiland Klein-Azië loopt het Taurus-gebergte, welks toppen zich boven 3000 M verhef-
300
fen eu dut zich naar het Oosten tot het Annenisch bergland voortzet. Langs de kust der Zwarte zee loopt het Pontisch kustgebergte. Tusschen dit en den Taurus ligt de Hoogvlakte van Klein-Azie, eigenlijk eene aaneenschakeling van plateaus, vooral in 't midden bestaande uit dorre zoutsteppen. In het midden loopt de Kis il-Ir mak, die het kustgebergte moet doorbreken om de Zwarte zee te bereiken. Het Westelijk deel is bergachtig en tusschen parallelle ketenen loopen de rivieren, die zich in de diepe golven der Westkust storten.
De vruchtbare deelen van het schiereiland leveren tabak, wijn, olijven, vijgen, koren en wol (schapenkudden op de plateaus); de Noord- en Zuidkust zijn woudrijk.
Met het Syrische hoogland heeft de hoogvlakte gemeenschap door de 3000 M hooge Oilicische passen ten Noorden van Tarsus (bij de Golf van Iskenderoen). In het Syrische hoogland — waartoe ook Palestina behoort — ligt in een lang lengtedal de merkwaardige Doode zee, waarin de Jordaan stroomt. Tot dicht bij de zee strekken zich evenwiidige gebergten uit, waartusschen lengtedalen liggen {Libanon, Anti-Libanon).
Tusschen het Syrische hoogland en de laagvlakte van Euphraat en Tigris ligt de Syrische woestijn.
De in deze § behandelde streken behooren tot Turkije. De voornaamste plaatsen zijn:
Smyrna (200.000 inw.), de voornaamste handelsstad van Klein-Azië; karavanen brengen de produkten, zelfs van de Euphraatstreken, naar hier; stoomschepen ontlasten er zich van Europeesche fabrikaten.
Broessa (20.000 inw.), meerschuim, zijde. Het meeste meerschuim, dat uit de groeven komt, gaat naar Weenen, vanwaar het over de verschillende landen verdeeld wordt.
Skoetari (100.000 inw.), eene levendige Aziatische voorstad van Constantinopel.
Trebisonde (45.000 inw.), voornaamste Klein-aziatische haven aan de Zwarte zee.
301
Manissa (60.000 Inw.), spoorweg naar Smyrna.
Aleppo (120.000 inw.), handelsmiddelpunt, samenkomst van wegen.
Damaskus (180.000 inw.), grootste handels- en fabrieksstad van Syrië, samenkomst van vele wegen.
Beiroet (110.000 inw.), haven van Damaskus, de voornaamste aan de Syrische kust.
Jeruzalem (42.000 inw.). met de haven Jaffa.
Diarhekr (47-000 inw.), karavaan-middelpunt.
Mosoel (45.000 inw.), in de nabijheid de ruïnen van Ninivé.
Bagdad (180.000 inw.), zijdewaren, sjaals; marktplaats voor Europeesche en Perzische waren, handel in wol (in de omstreken veel schapen).
§ 273. Het schiereiland Arabië bestaat uit de onvruchtbare plateaus in het binnenland, en de kusten. Voor een groot deel is het binnenland woestijn; het hoogland van Nedsjed, 1000 tot 1200 M hoog, bevat de meeste oasen, hoewel de hier wonende Wachabietcn toch nomaden zijn. Geheel anders zijn de kasten. Het randgebergte schenkt het aanzijn aan eenige riviertjes, wier water zorgvuldig in kanalen verdeeld en tot besproeiing aangewend wordt. Vandaar dat de kuststreken {Jemen — „Gelukkig Arablequot; —, Oman; — minder Hedsjas) goed bebouwd zijn; koffietuinen en palmboschjes bedekken de heuvels. De Arabische paarden zijn beroemd.
In Hedsjas liggen de Mohamedaansche bedevaartsplaatsen Mekka (45.000 inw.) en Medina (i'S.OOO inw.). Een groot deel der pelgrims landt in de haven van Mekka, n.1. Dsjklda (25.000 inw.).
Voor den uitvoer van koffie en dadels is vooral Hodeida van belang, dat even sterk vooruitgaat, als Mokka achteruit. Hodeida is de haven van (50.000 inw.), dat de meeste koffie verbouwt. In Oman ligt Maskat (60.000 inw.).
Hedsjas en Jemen behooren tot Turkije. In 't Zuiden is Aden (42.000 inw , aan de Golf van Aden) eene Engelsche bezitting en een kolenstation voor
% ' ^ (
ï
'•N I
li ïquot;
«w lt;
éi
tlr
Cl» I
gt;1
'V ,
lt;:!
i|r !
.U
i
\ ,
vl
k f1 ]!
/V-
w*
- f
803
de stoomschepen Bombay-Engeland. Het versterkte Engelsche eilandje Perim (7 KM2, 150 bewoners) beheerscht de straat van Bab-el-Mandeb.
§ 274. De eilanden. In grootte, zoowel als in bevolking, komt Japan ongeveer met Groot-Brittanje en Ierland overeen, als men ten minste Jesso, dat alseene Japansche kolonie te beschouwen is, buiten rekening laat.
De Japansche eilanden zijn bergachtig, maar bezitten vruchtbare vlakten en dalen, die vooral rijst, tabak, thee, zijde en katoen opleveren, en die door de dichte bevolking zeer zorgvuldig bebouwd worden. Voor den handel zijn thee, zijde en katoen het belangriikst; ook kamfer moet genoemd worden. Veeteelt is er weinig. De gebergten zijn rijk aan mineralen, vooral aan koper en steenkolen. De industrie is goed ontwikkeld (lakwerk, porselein, papier, katoenen stoffen); in de laatste jaren tracht men de Enro-peesche febrikanten na te volgen (machinefabrieken, enz.). Een groot deel van 't land is met bosch bedekt.
De hoofdstad is Tokio (1.390.000 inw.) met de voorhaven Jokohama (152.000 inw.; een groot deel van den uit- en invoer; tegenwoordig meer en meer overvleugeld door Nagasaki). Het geestelijk middelpunt is Kioto (316.000 inw.) met de voorhaven Oasaka (500.000 inw, de eerste industriestad des lands; katoenfabrieken, „Japansch Manchesterquot;, koper- en lakwerk; 32% van den geheelen handel), Kobe (153.000 inw.), Nagoja (189.000 inw.). De belangrijke haven Nagasaki drijft handel op China (04.000 inw.). Vele Japaneezen verhuizen naar Jesso, waar zij de inboorlingen terugdringen; de voornaamste plaats op dat eiland is HofcfwZate (58.000 inw.).
Op welke eilanden liggen deze steden?
Hainan behoort aan China, Formosa (dat kamfer levert) en de Koer Hen behooren aan Japan, de Philippijnen aan Spanje. Van de laatste eilanden zijn Luzon en Mindanao het grootst. Luzon is door zijne tabaksplantages, die in de laatste jaren weder in bloei toenemen, het belangrijkst; de voornaamste plaats is Manila (270.000 inw.), dat de produkten uitvoert.
301
De Oostindische eilanden behooren voor liet groolate deel aan Nederland ]).
Engeland bezit nog: Noord-Borneo, Laboean (bij Borneo), Poeloe Pinang (in de straat van Malaka), de Andamanen en de Nicobaren.
§ 275. Overzicht der bevolking. De bewoners van Zuid-West-Azië behooren tot de Middellandse}ie zee-volken, die Fig. 100. van de Oostindische eil., Malaka
en Ceylon (ten deele) tot de Ma-felers; op het plateau van Dekan wonen de Dravida's; de overige volken behooren tot de Mongolen.
I. Middellandsche zee-volken. Hiertoe behooren:
de Indiërs (Hindoes); hun godsdienst, het Brahmaïsme, kent drie hoofdgoden: Brahma, de scheppende, Vischnoe, de onderhoudende en Schiwa, de vernietigende. Het kastenwezen ontwikkelde zich hier en de standen zijn streng gescheiden (priesters, krijgslieden, landbouwers en Japanscho vrouw (Mongool), handwerkslieden, dienstbaren,
paria's). In de eerste helft der O6 eeuw trad Boedlia op niet eene nieuwe leer (Boedhisme; verwerping van 't kastenwezen en het stelsel van goden). Thans breidt zich ook de Islam sterk uit;
de Perzen, meest Mohamedaansch;
de Afghanen en Beloedsjen, nomadiseerende herdersvolken; de Semieten. Tot dezen behooren de bewoners van Arabië, Euphraat- en Tigrislanden en Syrië. De Arabieren noemt men wel Zuid-Semieten, de anderen Noord-Semieten. De eersten zijn weliswaar geducht wegens hunne rooverljen
1) Bij den uitgever dezes verscheen : Ten Have, Bokn. Aardrijksk. van Ned. Oost- en West-Indië, met schetskaarten, -ie druk (1S96). Prijs 45 ct.
305
(zij zijn in de woestijn niet te vervolgen), maar daarentegen als leiders van karavanen of gidsen voor reizigers meestal trouw.
II. Maleiers. Hiertoe beboeren de bewoners van de Oostindische eilanden en Malaka, alsmede die van Zuid-Ceylon. Op Noord-Ceylon wonen Dravida-stammen.
III. Dravida's. Deze hebben eene zwarte huidkleur; maar hunne tanden zijn niet vooruitstekend, als bij de negers. Zij werden door de Hindoes uit de vlakten verdrongen.
IV. Mongolen. Hiertoe behooren:
de Chineezen, die tot in deze eeuw vreemden invloed wisten te weren en reeds zeer vroeg eene vri] groote mate van beschaving bezaten, dank zij de gunstige omstandigheden, waarin het land verkeert. De staatsgodsdienst is die van Confusius; bij de mindere klasse heeft het Boedhisme veel ingang gevonden; overal ziet men tempels voor Boedha (Fo) en daarnevens Boedhistische kloosters. — De overbevolking in het Chineesche laagland heeft emigratie tengevolge (Oost-Indië, Australië, Amerika);
de Indo-Chineezen (bewoners van Achter-Indië: Anna-mieten, Siameezen en Birmanen);
de Tibctanen in Tibet en den Himalaya zijn Boedhisten; de Dalaï-Lama te Lhasa is een der vleeschgeworden goden; zij zijn weinig ontwikkeld;
de Japaneezen onderscheiden zich van de vorige Mon-goolsche volken door hunne meerlettergrepige taal. Zij zijn niet — als de Chineezen — tegenover vreemden trotsch op hunne eigene bekwaamheid. Ruim dertig jaren geleden is Japan voor vreemdelingen geopend. Europeesche zeden en gewoonten trachten ze na te volgen;
de Mongolen, de bewoners der Gobi en de omstreken van het Baikal-meer. Zij worden door do Chineezen verdrongen. Zij zijn nomaden, wier rijkdom in paarden, kameelen en schapen bestaat. Hun godsdienst is het Boedhisme;
de Siberische volken (Toengoezen, Jakoeten, Kirgiezen, enz.). Voor het grootste deel zijn zij nomaden. Velen zijn Christenen, de meesten echter nog het Sjamaïsme toege-
Ten Have, Boknopfc Lcerboak- dor AardrijkskmulO; 5o druk 0(')
306
daan. Zij stellen zich n.1. voor, dat de natuur bevolkt ia met demonische wezens. Door tooverij en bezweringen trachten ze hunne vrees te verdrijven. Toovenaars (sjamanen), die zich in waanzinnige, met lichamelijke krampen verbonden, opwinding weten te brengen, verrichten deze bezweringen.
De zwakke Noordsiberische stammen boden de Russische heerschappij weinig tegenstand. Uit do kleine forten vormden zich langzamerhand, door immigratie uit het moederland, steden. Velen kwamen als bannelingen met hunne familie hier; binnen een bepaalden „banmijlquot; hebben ze meestal vrije beweging. In vele streken vormen deze bannelingen het ontwikkelde deel der bevolking. De rijke bergwerken in den Altai en bij het Baikal-meer (waarin vooral veroordeelden werken), de ontwikkeling van den Russisch-Chineeschen handel en in de laatste jaren de vruchtbare landstreken (landbouw) brachten ook velen in het land;
de Osmanen in Klcin-Aziü (langs de kusten wonen veel Grieken).
Nieuw-Guinea met omliggende eilanden wordt door Papoea's bewoond.
Grootte in KM3. Bevolking.
Chineesche rijk............11.574.000 432.000.000
Japan.......... 417.000 45.000.000
Korea......... 218.000 8.300.000
Afghanistan....... 550.000 5.000.000
Perzië..................1.645.000 9.000.000
Russische bezitt............16.529.000 17.000.000
Britsche „ ..........5.324.000 297.000.000
Turksche „ ..........1.779.000 16.000.000
Ook de meeste dezer cijfers zijn door berekening of schatting verkregen.
E. AUSTRALIË.
I. Nieuw-Holland. (Het Vastland Australië).
(7.700.000 KM2, 3.260.000 inw.).
§ 276. Nieuw-Holland heeft eenigszins den vorm van eene nier. Groote bochten zijn de Carpentaria ■golf en de Australische bocht {Zuidelijke golf); kleinere de Spencer-golf, de Golf van St.-Vincent, do Encounter-baai, Port-Phüip,— alle in 't Zuid-Oosten. Uithoeken zijn; kaap York, k. Vlaming, k. Leeuwin, k, Wilson.
De kustontwikkeling is niet groot. Verreweg de beste havens bezit het Zuid-Oosten; langs het Noordelijk deel der Oostkust en in de Torresstraat liggen talrijke koraalrotsen, waardoor het land moeilijk te genaken is.
§ 277. Waarschijnlijk is het geheele binnenland eene dorre vlakte, ongeveer 400 M hoog liggende, en waarop slechts lage bergketens over groote streken voorkomen. Hier en daar steenachtig en naakt, is de bodem echter bedekt met doornige struiken (scrub) en met stekelige, harde grassoorten {spin if ex).
In 't Zuid-Oosten vinden we bergketens, meestal naar het Noorden gericht en loopende op eene rij van, 600 M hooge, plateaus. De helling naar de zee is steil, naar de landzijde terrasvormig. Eene smalle lage kustzoom, of eigenlijk eene rij kleine kustvlakten, blijft er over. De hoogste bergen liggen in 't Zuiden, waar de Australische Alpen bijna eene hoogte van 2200 M bereiken (Koskiusko, 2185 M, Mount Clarke 2212 M). Noordelijk van deze liggen de Blauwe bergen, waar op een 600—300 M hoog plateau
308
een aantal lagere gebergten onregelmatig loopen. Aan de Spencer-golf en die van St.-Vincent liggen afzonderlijke bergketens, die echter nauwelijks 900 M hoogte bereiken.
De rivieren zwellen in den regentijd tot groote stroomen, maar lossen zich in het droge jaargetijde op in eene rij moerassen. Op de Australische Alpen ontspringt de Murray, Noordelijker haar rechter-zijrivier de Darling; eene tweede zijrivier is de Murrumbidgee (met de Lachlan).
De Victoria stroomt nog Noordelijker. De meren ten Noorden van de Spencer-golf (Gairdner, Torrens, Eyre) zijn zoutwatermeren; in den drogen tijd verdwijnen ze en de bodem is dan bedekt met eene dikke laag zout.
§ 278. Noord-Australië ligt nog in den tropengordel; de gemiddelde temperatuur bedraagt er 25° C. Er zijn twee jaargetijden, naar de moessons; een nat jaargetijde (October tot April, Noord West-moesson), en een droog (April tot October, Zuid-Oost-moesson). Aan de Zuid-Oostkust regent het vooral in den zomer en den herfst; de Zuid-Westkust heeft winterregens. De gemiddelde temperatuur in't Zuidelijk deel des lands bedraagt 16°.
Nieuw-Holland bezit uitgestrekte grasvlakten, echter treft men alleen in de berglanden een even dicht grastapijt aan als bij ons, zoodat de veehouder over 't algemeen grootere ruimte behoeft; hier en daar is de bodem met zoutplanten bedekt, vooral voor schapen geschikt, terwijl de rivieren begeleid worden voor acacia's en eucalypten.
Wouden zijn zeer spaarzaam voorhanden en dan nog staan de boomen op grooter' afstand dan bij ons, zoodat het landschap een parkachtig aanzien verkrijgt; bovendien zijn de bladeren hard en plaatsen zich evenwijdig aan de richting der zonnestralen, zoodat ze bijna geene schaduw geven. — Noord-Australië bezit in zijne palmen en pan-danen de vormen der heete zone.
Groote vlakten zijn bedekt met lang, hard, borstelachtig gras (spinifex of stekelvarken-gras), andere met dichte, dooreengevlochten, 1 tot 5 M hooge dwergboomen en strui-
ken (scrub), die het verkeer öf zeer bemoeilijken öf onmogelijk maken.
De Europeanen voerden de teelt van ooft, zuidvruchten, wijn en olijven in met het gunstigste gevolg; in Queensland breidt zich de teelt van suikerriet uit.
Toen de Europeanen in het land kwamen, was dit uitermate arm aan zoogdieren: alleen buideldieren (reuzenkangoeroe) en de Australische hond (dingo) waren van eenig belang.
Sedert zijn er koeien, paarden en schapen ingevoerd, die in de uitstekende weiden aan de Westelijke hellingen der bergen een
voortreffelijk voedsel vonden,
311
zich sterk vermenigvuldigden en thans een der rijkdommen van liet land uitmaken. In 1898 waren er 122 millioen schapen, 12 millioen runderen, 18 millioen paarden en 1 millioen varkens. A7ele veefokkers bezitten tienduizenden schapen, ja, er zijn er, die meer dan 100.000 schapen bezitten. Hoe snel de veestapel zich uitgebreid heeft blijkt hieruit, dat in 'tjaar 1800 aanwezig
IÉ i
;.3s f
'*! (
H ':gt;i\
waren: 600 schapen, 1000 runderen en 200 paarden. Ook de landbouw is thans van belang; een plaag zijn de over-talrijke konijnen. De kustvlakten met haar vruchtbaar alluvium zijn goed bebouwd, evenals de plateaus. De voornaamste produkten zijn: tarwe, haver, maïs en aardappels, terwijl vooral in Zuid-Australië en Victoria de
ifi- „ .
heuvels met wijngaarden bedekt zijn. Uitvoer van bevroren vleesch en granen naar Groot-Brittanje.
Aan mineralen is Nieuw-Holland rijk, vooral Nieuw-Zuid-WalesenVic-toria, waar goud, zilver, koper, tin en steenkolen gevonden worden. Queenslands bodem bevat ook goud. De ontdekking van goudvelden (1851) deed duizenden naar dat land stroomen; in hetlejaar na de ontdekking immigreerden alleen naar Victoria bijna 100.000 personen. De bevolking wies verbazend snel, nieuwe plaatsen ontstonden. Thans zijn
ook in West-Australië goudvelden gevonden. In 1893 leverde geen land ter wereld zooveel goud
313
als Australië. Zilver vindt men overal, vooral echter in N.-Z.-Wales, waar bij Broken HUI liet meest wordt gevonden. Koper in de omgeving van Adelaide.
De beide voornaamste artikelen van uitvoer zijn goud en wol.
§ 279. De Nieuw-Hollanders behooren tot de minst ontwikkelde volken. De pogingen, aangewend om hen te ontwikkelen en godsdienstige begrippen in te prenten, zijn meestal zonder vrucht gebleven. Sommige stammen bewonen holen, andere bouwen des winters eene kleine hut, die — als de streek bosschen [heeft — uit stukken boomschors of bladerrijke takken bestaat, in schuine richting op twee palen rustend. Drie zijden zijn dus aan wind en regen blootgesteld.
Als voedsel nuttigt de Nieuw-Hollander allerlei dieren, waarbij dient opgemerkt te worden,
dat hij geene walging-wekkende spijzen kent;
zijn plantenvoedsel bestaat meestal uit in het wild groeiende knollen en wortels. De Nieuw-Hollander is een goed jager: hij slingert met grootekracht zijn wapen, dat zelden faalt. Vogels vangt hij in strikken, visschen met puntige beenstukjes ofvogolkiauwen.
In verschillende deelen van N.-H. zijn vreemde volken binnengedrongen, vooral in het Zuid-Oosten, Oosten en Zuid-Westen, en de inboorlingen moesten zich met minder grond tevreden stellen. Het gebied, waar zij vroeger den kangoeroe najoegen, wordt nu beweid door honderdduizenden schapen; de beste streken zijn hun ontnomen en zonder twijfel sterven velen den hongerdood.
314
Aanvankelijk was Niemv-Holland eene Engelsche strafkolonie; gedeporteerden, die na hun' straftijd niet terugkeerden, stichtten in 1788 Sydney aan de Botany-baai. Weldra verhuisden enkelen vrijwillig naar N.-H.; spoedig groeide dit aantal aan en na 1851, toen de aanwezigheid van goud ontdekt werd, nam het aantal landverhuizers verbazend toe.
De meeste kolonisten zijn Eugelschen ; het meeren-deel der Duitschers houdt zich met wijn- en landbouw bezig (dikwijls arbeiders). Voorts treft men hier — evenals overal, waar goudvolden zijn — vele Chineesen aan (80.000), die hunne eigene opperhoofden en wetten hebben.
§ 280. De voornaamste deelen zijn Nieuw-Zuid-Wales en Victoria. Hoe sterk de bevolking toeneemt toont ons N.-Z.-W., waar in 1841 150.000 menschen leefden, in 1881 781.000, in 1893 1.212.000. Verder Queensland, Zuid- en West-Australie.
De voornaamste plaatsen zijn: Sydney (met de voorsteden 387.000 inw.; hoogeschool; handel, groote dokken), Melbourne (492.000 inw.; woluitvoer; ten Noorden dezer stad de goudvelden van Sandhurst en Ball ar at), Adelaide (133.000 inw.; hoofdhaven van Zuid-Australië; uitvoer van wijn en koper; telegraaf dwars door N.-H. naar Port-Darwin), Newcastle, de voornaamste kolenhaven, Brisbane, de hoofdstad van Queensland (94.000 inw., Perth (9.000 inw.) in West-, Pahnerslon in Noord-Australië aan Port Darwin (1.200inw.). Ten N. van Adelaide Broken Hill met rijke zilvergroeven.
Door de Bass straat van N.-H. gescheiden, ligt in 't Zuiden Tasmania, ongeveer twee maal zoo groot als ons land. Het bestaat uit vele plateaus met bergen bezet, doch het is vruchtbaar (uitvoer van ooft) en rijk aan delfstoffen (tin, goud). De hoofdplaats Hobart (34.000 inw.) heeft eene uitmuntende haven. De oorspronkelijke bevolking (6000 bij de komst der Engelschen) is reeds sedert meer dan tien jaren uitgestorven.
316
II. De eilanden (Oceanië).
§ 281. Ten Noord-Oosten en Oosten van Nieuvv-Holland ligt eene rij eilanden (waarvan de uiterste het grootst zijn): Nieuw-Guinea, {Bismarck-archipel, Nieuw-Br iüanje, Nieuw-Ierland: Duitsch), Salomons-eil., Nieicwe Hebridev, Niemv-Caledonie (Fransch), Nieuw-Zeeland.
Figr 107.
Behalve de beide uiterste eilanden noemt men deze rij Melanesie. Zij wordt bewoond door de Melanesiers, die tot de Papoea's moeten gerekend worden en
317
donker van kleur zijn. Hoewel op enkele eilanden de zendelingen niet zonder vrucht gewerkt hebben, zijn toch de inboorlingen meestal bijzonder woest en onbeschaafd.
Van Nieuw-Guinea behoort het Westelijk deel, tot 141° O.-L., aan Nederland; het N.-O. deel werd door Duitschland, het Z.-O. door Engeland in bezit genomen.
Ten Noorden van Nieuw-Guinea liggen een groot aantal eilanden, die men samenvat onder den naam van Micronesië (o. a. de Carqlinen).
Ten Oosten en Noord-Oosten der genoemde rij liggen verscheidene groepen (Polynesië), waarvan we slechts noemen: de Viti-eiL, de Samoa-eil., de Gezelschaps-eil., de Sandwich-eil.
De Micronesiërs en Polynesiërs (tot welke ook de Nieuw-Zeelanders behooren) zijn Muieiers. De laatsten onderscheiden zich door hunne groote gestalte. Verstandelijk zijn ze veel beter ontwikkeld, dan de
vroolijke, doch naïeve Papoea, die met den kahnen Polynesiër eene scherpe tegenstelling vormt. De afgezonderde ligging en de armoede aan nuttige dieren en planten waren hinderpalen voor hoogere ontwikkeling. In de ners dezer eilanden het ver brengen. Het voedsel bestaat uit broodvruchten, kokosnoten, yams, vis-
318
ychen, enz. Bijna overal zijn Europeanen om handel te drijven. Die handel is voor een groot deel in handen van Duitsche firma's. Aanvankelijk werden alleen kokosnoten en olie uitgevoerd; thans worden voor de Europeesche markt ook koffie, maïs, tabak, katoen, enz. geteeld. Middelpunt van dien handel is Samoa.
Van de Sandwich-eil. is Hawaii het grootst, welk eiland vulkanen bevat van meer dan 4000 M hoogte. De hoofdplaats der groep is Honoloeloe. Uitgevoerd wordt vooral suiker. De groep is door de Vereenigde Staten van X.-A. in bezit genomen.
§ 282. .Nieuw-Zeeland is bijna zoo groot als Groot-Brittanje en Ierland, aan welk rijk het behoort. Het bestaat uit twee eilanden, door de Cook'sstraut gescheiden. Beide zijn zeer bergachtig; op het Noordeiland zijn vulkanen (o. a. de Egmont); het Zuideiland bezit eene woeste Alpenketen (hoogste top de Mount Cook, meer dan 4000 M hoog), die gletschers draagt. Evenwel zijn er ook uitstekende weidegronden, waar schapen (belangrijke uitvoer van wol) en runderen in menigte grazen (uitvoer van bevroren vleesch, vooral naar Engeland: in 1891 werden daarvoor 1.730.000 schapen geslacht; aan rundvee werden bijna 9 millioen KG uitgevoerd). Ook de landbouw wordt met gunstig gevolg uitgeoefend (tarwe, haver, Nieuwzee-landsch vlas). Het Zuid-eiland bezit goudvelden (hier vele Chineezen). De oorspronkelijke bevolking zijn de Maoris, groote Polynesiërs, die alleen in het binnenland onafhankelijk zijn; zij zijn in aantal verminderd, doch schijnen thans niet verder uit te sterven (42.000 zielen). De eilanden hebben eene bevolking van 634.000 zielen. Voornaamste plaatsen: Auckland (36.000 inw.). Wellington (31.000 inw., de beste haven), Dunedin (goudvelden; 46.000 inw.).
F. AMERIKA.
§ 283. Amerika bestaat uit twee groote deelen: Noorden Zuid-Amerika, verbonden door eene landengte (Midden-Amerika). Deze landengte is in 't Zuiden het smalst en heet daar Landengte van Panama (hierover loopt reeds de spoorweg Colon-Panama; thans graaft men haar door, zoodat eene korte verbinding tusschen Atlantischen oceaan en Grooten oceaan tot stand zal komen).
Noord- en Zuid-Amerika, die beide eenigszins den vorm van een' driehoek hebben (de top naar 't Zuiden), worden gescheiden door de Golf van Mcjico en de Caraïbische zee (beide zeeën verbonden door de Straat van Yucatan).
Hier liggen de quot;Westindisehe eilanden, die we in drie groepen kunnen verdeelen:
1. de Bahama-eilanden, koraaleilanden, in 't bezit van Engeland;
2. de amp;Voo^ : Cuba, een bergachtig eiland, door de Florida-straat van Noord-Amerika gescheiden ; verbouw van suiker, tabak en koffie; hoofdstad is Havana (200.000 inw.; belangrijkste handelsplaats van West-Indië; branderijen; uitvoer: tabak, suiker); Matanzas (88.000 inw.). Het eiland is eene Wpaansche bezitting^?), evenals Portorico (ook suiker en tabak). Jamaica, dat aan Engeland behoort, verbouwt suiker en koffie (haven Kingstown, 38.000 inw,). Het bergachtige Haïti bevat 2 republieken: Haïti en San-Domingo; voor den handel is het van weinig belang door het slechte bestuur. Te haven Port-au-Prince heeft 61.000 inw.
3. de Kleine Antillen en de eilanden aan de Noordkust van Venezuela. Ten deele zijn ze lage koraal-
eilanden, ten deele vulkanisch en hoog. Zij be-hooren aan:
Frankrijk'. Guadeloupe en Martinique (suiker).
Engeland'. Berhados, Tab ago.
Denemarken : St.-Thomas (stapelplaats voor West-Indië en het Noorden van Zuid-Amerika).
Nederland: Aruba, Curacao, Bonaire, St.-Euslatius, Saba en het ten deele aan Frankrijk behoorende St.-Mar tin.
g 284.' Noord-Amerika (met Groenland).
Kapen: k. St.-Lewis, k. Sable, k. Pr. Wales.
Golven en StTaten: Davis-straat, Baf fins-haai, Hudsons-straat, Hudsons-baai, St.-Laurens-golf, Fundy-baai, Golf van California.
Schiereilanden: Aljaska, Labrador, Nieiiiu-Bruusinjk, yieuic-Schotland, Florida, Yucutan, Oud-Californië.
Eilanden: New-Foundland, Cap Breton, Pr. Edicard, Anticosti, Vancouver, Sitka, de Noordelijke eilanden.
§ 285. Het geheele Oosten is bergachtig; tusschen bergketens, die meestal eene richting naar het Noord-Westen of Noorden hebben, liggen dorre en spaarzaam bevolkte hoogvlakten. De grootste uitgestrektheid bezit het Rotsgebergte. Het dal van den Boven-Rio-Grande-del-Norte ligt tusschen twee evenwijdige ketens, die zich bij den oorsprong dier rivier vereenigen; als Rotsgebergte loopt het gebergte nu verder naar het N. en N.-W. Herhaaldelijk treden naast de hoofdketen kleinere ketens op ; tusschen deze en de hoofdketen liggen kleine, 2500 M hooge plateaus, de parks, waarvan vooral het Nationaal Park door zijne geijsers en zonderlinge bekkens eene zekere vermaardheid bekomen heeft. Verscheidene toppen stijgen boven 4000 M (Mont Havard 4385, Freemomtspiek 408(j M1, de hoogste liggen echter op Britsch gebied, waar de Mont Hooker 5104 .M bereikt (Eliasberg 5950 M). De passen zijn — ten minste in de Unie — hoog gelegen, en meestal 3000 M hoog: voor de Pacific-baan heeft men gebruik gemaakt van den lageren Evanspas, die echter nog
Tfn Have. Beknopt Leerboek tier Aardrijkskunde. 5o druk 21
322
2521 M hoog ligt (en den. Truckte-pas in de S.-Nevada).
Aan de Westzijde van het Rotsgebergte liggen hoogvlakten, die met lage gebergten bej.et zijn en in het Westen eindigen bij de Sierra-Nevada en het Cascaden-gebergtc. Deze hoogvlakten zijn van 1200—2000 M hoog; daar het kustgebergte den regen behoudt en de rivieren, die van het Rotsgebergte komen, zich merkwaardig diepe dalen met loodrechte wanden {canons) hebben uitgeslepen, zijn de vlakten dor en slecht bevolkt. Hier en daar verzamelt zich het water in meren; het grootste is het Groote Zoutmeer op het Plateau van Utah.
Ook de Westelijke randgebergten, die reeds bij de Golf van Californië een' aanvang nemen, zijn hoog; zoo bereikt de Whitney in de Sierra-Nevada 4570 M; de passen van dit gebergte liggen dan ook meestal op 3000 M hoogte.
Aan den Grooten oceaan verheft zich nogmaals een gebergte; het Kustgebergte. Tusschen dit en de Sierra-Nevada liggen de dalen van de Sacramento en de San Jocquin, welke rivieren zich, vereenigd, in de heerlijke Golf van San Francisco storten. In het Noorden breekt de Columbia door de gebergten. — Het Kustgebergte strekt zich tot ver naar het Noorden uit en eindigt in den Eliasberg (5950 M).
Aan de Oostzijde van het Rotsgebergte liggen hoogvlakten, die naar het Oosten steeds lager worden; de gebergten, die er zich op verheffen [Zwarte bergen, Ozark-geb.) zijn nergens hooger dan 400 M. — De Zuidelijkste hoogvlakte is het Plateau van Tejas, vlak en gemiddeld 1200 M hoog. — Ook hier hebben vele rivieren zich diepe dalen met steile oevers uitgeslepen {canons).
De Westelijke hoogvlakten, waarvan vooral de Zuidelijke dor zijn (de Mohave-woestvjn is 60.000 KM2, dus 2 X Nederland), zetten zich voort in het onvruchtbare schiereiland Californië en naar het Zuid-Oosten in het breede Plateau van Mejico, welks Zuidelijk deel Plateau van Anahuac heet, dat eindigt bij de inzinking in de Landengte van Tehuantepec. Dit plateau, dat bijna geheel Mejico
324:
inneemt, is gemiddeld 2200 M hoog; naar de Oostzijde daalt het steil af en de verbinding tusschen de smalle kustvlakte en het plateau is dan ook moeilijk; naar den Westkant daarentegen daalt het terrasvormig naar den Grooten oceaan. In schuine richting loopt de Sierra-Madre. langs de Westgrens der hoogvlakte, welke in 't Zuiden den rijkdom van Mejico, n.i. zilvergroeven, bevat. In het midden der hoogvlakte staan hooge bergen (vulkanen): de Citlaltepetl (5iö0 M) en de Popocatepetl (53ö7 M), welke laatste een deel uitmaakt van het randgebergte van 't kleine merenrijke plateau, waarop de hoofdstad Mejico ligt. Nog hooger is de Orizaba (5579), misschien de hoogste berg van Noord-Amerika.
Afzonderlijk verheffen zich in het Oosten de evenwijdige ketens der Alleghanies, die naar het Noorden hunne voortzetting vinden in het Bergland van Nieuw-Engeland. Hoewel ze niet hoog zijn (de Zuidoostelijke keten, die steil uit de kustvlakte rijst, bereikt eene hoogte van 2000 M), zijn ze door hun' rijkdom aan ijzer en steenkolen van groot belang.
§ 286. In het Noorden ligt de wijde Vlakte van Britsch-Amerika, voor een groot deel steen en bijna overal heuvelachtig, zoodat de rivieren een aantal versnellingen bezitten. Van de talrijke meren en rivieren noemen we: de groote Mackenzie, die uit het Slaven-meer komt en waarvan de Athabasca, die in het Athabasca-meer stroomt, eene der bronrivieren is. De Sa.skatschawan loopt in het Winipeg-meer, dat zijne afstrooming vindt in den Nelson. (Waar ontspringen deze rivieren?;.
In het Zuid-Oosten liggen de groote Canadasche meren, samen eene oppervlakte beslaande — li x Nederland: Boven-, Michigan-, Huron-, Erie- en Ontario-meer; de twee laatste zijn verbonden door den Niagara, die den bekenden waterval maakt. Hunne afstrooming vinden de meren in den St.-Laurens. Er zijn weinig wateren op Aarde, die zoo druk bevaren worden als deze meren.
Dit groote gebied is aan de koude Noordenwinden bloot-
gesteld, terwijl de warme en vochtige Zuid-Westenwinden aan de Westelijke gebergten hun water afstaan en daar worden tegengehouden. Het klimaat is dan ook koud en droog en vormt eene scherpe tegenstelling met de Westkust. Het Noordelijkste gedeelte levert niets op; dwerg-boomen komen in het Westen tot de delta der Mackenzie voor; Zuidelijker vindt men prairieën en vooral ten Zuiden der Hudsonsbaai dennenwouden.
Hier leeft de beer met den otter, den poolvos en den bouwkundigen bever, en op al deze dieren wordt ijverig jacht gemaakt.
In het Zuid-Oosten (Canada) is de toestand geheel anders. Opper-Canada is eene rijke landbouwstreek, Neder-Cunada ontleent zijne belangrijkheid aan de bosschen. Koren en hout zijn de voornaamste uitvoerprodukten, waarbij in de laatste jaren ooft komt (vooral appels); het hout doet tevens dienst in het groot aantal scheepstimmerwerven, dat men aan beide oevers van den Sint-Laurens vindt. Waar deze de Ottawa opneemt en beter bevaarbaar wordt, ligt op een eiland Montreal (217.000 inw., hoofdplaats voor den pelshandel; industrie, waterweg naar New-York); Quebec (63.000 inw.; scheepsbouw; uitvoer van?), Toronto (ISiroOO inw.; handel in koren en hout; industrie; aan?), Hamilton (49.000 inw.), Ottawa (44.000 inw.; stapelplaats voor den houthandel) zijn hier verder de belangrijkste steden. Op Nieuw-Schotland ligt Halifax (39.000 inw., oorlogshaven). Op New-Foundland dankt S'.-Johns (40.000) zijne belangrijkheid aan de kabeljauwvangst op de Bank van New-Foundland en aan den houthandel.
De hoofdstad van de provincie Manitoba (tarwe) is Winipeg (25.000 inw.).
In het Westen heeft Britsch-Columbia in de laatste jaren meer beteekenis gekregen en is vooral sedert de ontdekking van goudlanden aldaar vooruitgegaan. De Canadian-Pacific-baan verbindt dit gebied met Montreal en eindigt te Halifax; Westelijk einde der 7200 K M lange baan is Port-Moody (duur der reis 7 dagen).
Te midden der ijsvelden ligt in het Noorden het aan Denemarken behoorende Groenland, bewoond door de Eskimo's, die van de vischvangst leven. De plaatsen aan de kust zijn niet meer dan kleine dorpjes, die echter voor de walvischvaarders van veel belang zijn.
Aljaska behoort aan de Vereenigde Staten. Hier ligt de haven Sitka (1200 inw.). De onlangs ontdekte goudvelden van Klondyke zullen het Joekon-gebied zeker in korten tijd bevolkt doen worden. De Joekon en zijne machtige zijrivieren zijn zeer goed bevaarbaar.
§ 287. De Vereenigde Staten (de Unie) nemen het ge-heele midden van Noord-Amerika in. Men onderscheidt staten en gebieden; de laatste zenden wel volksvertegenwoordigers naar het Congres (de wetgevende macht); maar dezen bezitten geen stemrecht. De uitvoerende macht berust bij den president. Elke staat heeft een eigen bestuur, aan welks hoofd de gouverneur staat. (De Staten volgens de kaart).
Men zou de Vereenigde Staten in twee deelen kunnen verdeelen: een vochtig en een droog gebied. Ten Oosten van den meridiaan van 100° W.-L. is de landbouw overal mogelijk, waar een rotsige of moerassige bodem deze niet verhinderen; ten Westen v;m die lijn daarentegen kan bijna nergens landbouw gedreven worden, dan alleen daar, waar kunstmatige bewatering do onvoldoende vochtigheid vergoedt. In de Oostelijke helft vindt men door de natuur icond en weide, in de Westelijke steppe en woestijn.
Het quot;Westen. Ook van de beste staten kan niet meer dan Vió of Vso in cultuur gebracht worden, in minder begunstigde zelfs geen honderdste deel van de oppervlakte. Daarbij komt hier de onzekerheid van den oogst, tengevolge van de wisselvalligheid van het weer; zelfs in Californië is daardoor meermalen de oogst mislukt. Er zijn daar en in Tejas jaren geweest, dat door droogte de oogst veel schade leed en de kudden grootendeels verloren gingen. De winter is in het steppengebied streng en
328
duurt lang; in de plaats van de koorts der lage streken en wouden, treden de stormen en snelle temperatuurwisselingen, die niensch en dier evenzeer schaden. Geen winter gaat voorbij, zonder een aantal slachtoffers te eischen. In den winter van 1872/73 verloren in Minnesota honderden menschen het leven in de sneeuw. £n de slachting, die koude en honger (het weinige hooi is spoedig op!) in de kudden aanbrengen, is vreeselijk: er zijn jaren geweest, dat in de Westelijke gebergten de sneeuwstormen 70 % der schapen doodden.
De nederzettingen in het Westen moeten we dan ook voornamelijk aan den voet der bergen zoeken, waar het water der van de hoogten komende riviertjes in beken gebruikt kan worden.
Het beste gedeelte van dit dorre gebied is het Westen: Californië, Oregon, Washington; zeker gaan de laatste eene goede toekomst te gemoet. In Washington ligt het snel opkomende Seattle (60.000 inw.), in Oregon Portland (90.000 inw.; — aan?). Van het meeste belang is thans Californië, dat zijne opkomst dankt aan de goudvelden. Toch zijn tegenwoordig landbouw en veeteelt (schapen) de hoofdmiddelen van bestaan; de dalen zijn goed bebouwd en in het Zuiden is het snel opgekomen Los Angelos (100.000 inw.) 1) het middelpunt van eene belangrijke streek. Naast goud vindt men zilver en kwikzilver (de productie van kwik gaat sterk achteruit); ook in andere staten heeft men voor en na goud en zilver gevonden (Nevada, Idaho, enz.). De gebergten zijn boschrijk; bereiken de dennen langs de Columbia eene hoogte van 80 M, in Californië treft men reuzenboomen van 110 M aan. De heuvelen zijn op vele plaatsen met wijngaarden bedekt.
De uit- en invoerhaven van dit gebied is San-Francisco (300.000 inw.) aan eene schoone bocht, die men door „de Gouden Poortquot; binnenvaart. De stad is door een' spoorweg
1) lu 1880 11.000 inw., in 1884 25.000, thans meer dan 100.000.
380
met New-York verbonden; de reis duurt zeven dagen.
Reeds meermalen hadden we gelegenheid te zien, hoe de ontdekking van goud de opkomst eener streek ten gevolge had. Het volgende geve eenigszins een denkbeeld van den toestand onmiddellijk na die ontdekking, een' toestand, die niet lang geleden nog in West-Australië heerschte en nu in Klondyke gevonden wordt.
San-Francisco telde in 1848 slechts weinige honderden inwoners, in 1849 5000, in 1850 15.000. De stad geleek in de eerste jaren, volgende op de ontdekking der goudvelden, een reusachtig kamp en eerst langzamerhand, nadat de zekerheid verkregen was, dat S.-P. zou blijven bestaan, ging men tot het bouwen van duurzamer woningen over. In den beginne werd er ontzettend gebrek geleden, want zoo groot als de toevoer van immigranten was, zoo gering was die van levensmiddelen, kleedingstukken enz.; van de laatste was men nog het best voorzien en toch kostte een pak kleeren tusschen de f240.— en f480.—, en een paar hooge waterlaarzen werden voor f240.— verkocht. Er zijn weken geweest, in den winter van '49—'50, dat in de goudvelden het meel f7.—, de aardappelen f7.—en het gezouten varkensvleesch f 10.— het Kilo kostten. Uzer werd soms tegen goud opgewogen.
Uit alle oorden der wereld stroomden menschen toe, vooral echter Amerikanen, Duitschers, Ieren, Chi-neezen, Spanjaarden en Franschen. De immigratie van de gevaarlijke concurrenten der blanke arbeiders, de Chineezen, is thans zoo goed als verboden. In 1847 bedroeg de in- en uitvoer f125.000; in de volgende jaren de uitvoer alleen jaarlijks 170 mill., grooten-deels stofgoud. Thans bedraagt de uitvoer van dit artikel slechts 25 mill., het tiende van den geheelen uitvoer. Het oude goudland heeft zich verwonderlijk snel in een koren-, ooft- en wijnland veranderd en
331
in dezelfde mate als de groud-uitvoer vermindert, nemen de landbouw en de veeteelt toe en vermeerderen de produkten daarvan den voorraad der wereldmarkt (tarwe 60 mill., wol 18 mill., wijn en brandewijn 5 mill., enz.;. — alles uitvoer).
In Z.-Californië: olijven, oranjeappels, citroenen, druiven, appels, enz.
Vele plaatsen zijn tot bloei geraakt door of gesticht bii den aanleg der spoorwegen. Zoo is thans El Paso aan de Rio-Grande-del-Norte een belangrijk middelpunt van spoorwegen.
„In het smokkelaarsnest van het verre Westen leest men nu, na nog geen tien jaar, ineen prachtig hötel dagelijks zijne couranten met Europeesche kabeltelegrammen, rijdt in salonwagens door de steppen van Tejas en Arizona en koopt in de sierlijke apotheken der stad alle mogelijke pillen, zalfjes en poeders, om zich evengoed als in New-York en Mejico, de maag te bederven. Maar men behoeft slechts een der breede, met moderne Yankeepaleizen bezette, straten ten einde toe te volgen, om op eens weer verplaatst te zijn in de wildernis der Meji-caansche steppe.quot; 1)
De Oostelijke helling van het Rotsgebergte met de naar het Westen hellende vlakten zijn met gras bedekt; hier zijn de prairieen, waar eertijds de Roodhuiden de bisons op sneeuwschoenen jaagden; thanszijn deze dieren uitgestorven.
„Een ontzagwekkend beeld van de oneindigheid geeft de glooiende prairie. Verlaat men de stad Omaha (150.000 inw., aan de Missouri) b.v. per trein, dan gaat men regelrecht, zonder bocht of keer, honderden en honderden mijlen ver. Dagen ziet men niets dan eene onbegrensde zee van gras, die zich uitstrekt tot den verren gezichtseinder in eene onafgebroken welving. Een onbeschrijfelijk gevoel van eenzaam-
1) Eigen Haard 1SSG.
333
heid en machtige verlatenheid maakt zich van den een, een gevoel van schier dronken opwinding over het nieuwe besef van vrijheid van den ander meester, zoodra men inziet, dat men slechts een onnaspeurbaar klein gedeelte doortrekt dier vlakte tus-schen Omaha en den Stillen oceaan, in welke men Britsch-Indië een paar keer kan plaatsen. En toch is Omaha reeds de far West\ Welk eene eentonigheid ! Toen ik de vlakte in Januari zag, lag het hooge prairiegras verdord, bruin en ongekamd over den grond — de knoesten van het buffelgras zagen er onooglijk uit; maar beter voedsel voor vee dan dit natuurhooi is er niet. — Men gaat in den trein naar bed en het laatste dat men ziet, is die bruine vlakte, als brons glinsterende in het maanlicht... men staat op en ziet de bruine vlakte zich nog maar steeds uitbreiden.quot; 1)
Aan den voet van het Rotsgebergte ligt Xteurer (125.000 inw.).
§ 22S. Tusschen de Westelijke gebergten en de Allegha-nies ligt de groote Centrale vlakte, besproeid door den Mississippi met zijne talrijke zijrivieren; Missouri, Nebraska, Kansas, Arkansas, Ohio (waar ontspringen deze?). Ten Oosten en Zuid-Oosten der Alleghanies ligt het Atlantisch kustland.
De Mississippi wordt reeds bij St.-Faul bevaarbaar ; de Missouri is voor s/s door grootere schepen te bevaren. De Ohio wordt van Pittsburg af met stoombooten bevaren; ook hare zijrivier de Tennessee is voor de scheepvaart geschikt.
De Centrale vlakte is eene groote korenschuur; niet alleen voorziet zij de Unie van graan, maar duizenden schepen voeren dit naar .Europa. De onafzienbare vlakten, bewerkt met de grootste en nieuwste landbouwwerktuigen, zijn, zoover het oog reikt, bebouwd met maïs, tarwe, haver.
1) Buissevain, Van 't Noorden naar 't ZuiJeu, 11, 113.
334
gerst, rogge, hennep, vlas, euz. 1) Voor eene halve eeuw spaarzaam bewoond, zijn'deze vlakten thans goed bevolkt; in korten tijd ontstonden hier groote steden, marktplaatsen voor den landbouwer, havens voor de verzending van het koren: Chicago (1.480.000 inw.), Detroit (200.000 inw.), Milwaukee (240.000 inw.), Sint-Paul (L60.000 inw.), Minneapolis (210.000 inw.).
Zestig jaar geleden stond op de plaats, waar thans Chicago verrijst, nog slechts een klein fort. Fig. 114.
dat herhaaldelijk tegen de aanvallen der Indianen moest verdedigd worden (1832). Enkele ondernemende kooplieden bouwden er eene stad en binnen weinige jaren telde deze hare inwoners bij duizenden.
1) De V. S. leverden in 1893 op: 580 mill. HL maïs
142 „ „ tarwe
230 „ „ haver
tt'/i „ „ rogge
25 „ „ gerst.
335
„Ik vraag ontzag voor de Koningin van liet Westen, die over de onmetelijke provinciën heerscht; die uit „de gelukkige jachtgrondenquot; der Roodhuiden langs twaalf verschillende spoorwegen graan en hout, vee en steenkolen samengaart, die pakhuizen heeft, in elk waarvan ze een 3700 mill. Eng. ponden graan ophoopt, die de kinderen van eeno bevolking.
welke anderhalf millioen telt, kosteloos voortreffelijk onderwijst, — die zich steeds blijft ontwikkelen en vergrooten en die langs hare parken en haar blauw meer reeksen paleizen van zandsteen, graniet en marmer opricht, welke zich aan den horizon aan liet oog onttrekken.
Ik vraag ontzag voor de Koningin vanhetWesten!quot; 1)
) Boisscvain.
336
Tabak leveren Kentucky, Ohio, Tennessee e. a.
Naast den landbouw bloeit de veeteelt. Weiden in de prairieën kudden van 4 a 500 stuks runderen onder toezicht van een bereden herder, anders is het in het midden en Oosten: hier wordt de veeteelt met veel zorg gedreven, hier legt men zich toe op het maken van zuivelproduk-ten. Kaas, boter, versch en gezouten vleesch en vet zijn dan ook belangrijke uitvoerprodukten; 75 % er van gaat naar Groot-Brittanje. Geen land ter wereld is zoo rijk aan varkens. Het slachten der zwijnen en de verwerking van vet en vleesch is eene der grootste en merkwaardigste industrieën. Middelpunten der slachterij zijn: Chicago, Kansas-city, Omaha, Millwaukee, Cineinnati, St.-Paul, Cleveland (allen meer dan 150.000 inw.).
De houtbeurs te Chicago bepaalt den prijs der houtwaren. Aan ertsen is de bodem rijk en steenkolen ontbreken evenmin: vandaar metaalfabrieken te Cincinnati (325.000 inw.), Pittsburg (275.000 inw.) en Alleghany (105.000 inwA Bovendien vindt men hier de belangrijkste petroleum-bronnen der wereld, die meer dan de helft der petroleum leveren, die in den handel komt (Pittsburg, Oil-city). Aan de meren: Buffalo (300.000 inw.) en Cleveland (300.000 inw.).
Aan den Mississippi, dicht bij de plaats, waar deze zich met den Missouri vereenigt, ligt de handelsstad St.-Louis (500.000 inw.). Grootè plaatsen zijn voorts: Indianapolis (132.000 inw.), Columbus (100.000 inw.), Louisville (175.000 inw.). Grand Rapids (100.000 inw.).
In het geheele Zuiden verbouwt men katoen (tot 35°); uitvoerplaatsen voor katoen zijn: New-Orleans (250.000 inw., dat voorts koren, maïs, katoen en olie uitvoert), Galveston, Mobile, Savanah en Charlestoicn. Rijst wordt in de moerassige streken van Louisiana verbouwd: voorts is vooral de verbouw van oranjeappels van gewicht.
„De haven van Nieuw-Orleans heeft een schilderachtig voorkomen. In September en December is een leger van werklieden, negers en mulatten
337
bezig met den oogst in liet binnenland. De spoorwegen en de schepen krijgen verbazende vrachten en ladingen. De koopvaardijschepen komen als drijvende vestingen, met muren van katoenbalen opgebouwd, van alle kanten de kaaien en de magazijnen met de produkten van den oogst over-stroomen. Eene enkele lading van deze groote booten bevat somtijds meer dan 5000 tot 8000 balen katoen (eene baal weegt 200 KG).
De Mississippi is hier prachtig. Om de golf van Mejico te bereiken, heeft men 12 uren noodig. De kronkelingen zijn talrijk. Suiker- en rijstplantages en groote oranjekweekerijen beslaan de velden; in oranjeappels wordt langs den Mississippi een belangrijke handel gedreven en de kweeking dezer boomen gaat snel vooruit.
De delta is uitgestrekt; men ziet moerassige woestijnen, zoover het oog reikt.quot;
Het Atlantisch kustland levert, behalve katoen, rijst en suiker in 't Zuiden, tabak (Virginië en Maryland). Hier ligt nog Atlanta (100.000 inw.).
Het nijverste deel des lands is het Noord-Oosten {Nieuic-Engeland), waar de bewoners van tal van steden leven van de vervaardiging van wollen en katoenen goederen en metalen. Hier liggen:
New-York (1.850.000 inw.), door eene brug verbonden met Brooklyn (1.105.000 inw.) op Long-Island; wol- en metaalfabrieken. N.-Y. ligt aan den mond van den Hudson; het dal van den benedenloop der rivier zet zich naar het Noorden voort tot Montreal; een kanaal leidt naar deze stad.
Onlangs zijn de onmiddellijk aan New-York grenzende plaatsen met deze stad vereenigd tot een zoogenaamd Groot-New-York, dat niet minder dan 3,3 millioen inw. telt.
Op Long-Island liggen verschillende druk bezochte badplaatsen.
Philadelphia (1.148.000 inw.), aan den mond der De.la-loare; wol- en metaalfabrieken.
, Ten Have. Beknopt Leerboek der Aardrijkskunde. 5e druk. OO
338
Baltimore (500.000 inw.), aan de Ghesapeakbaai, waarin
|
de Susquehanna en de Fig. 116. |
Potomac stroomen; katoen- en metaalfabrieken, uitvoer van petroleum, tarwe, mais, vet en hout. quot;Washington (270.000 inw.), de hoofdstad der Unie. Providence (138.000 inw.). Boston (478.000 inw.), wolfabrieken. visch-v angst. Lowell (78.000 inw.), katoen- en wolfabrieken, het Amerikaansche Manchester. |
Voorts; Rochester (134.000 inw.), Albany (100.000 inw.), Syracuse (100.000 inw.).
§ 289. Mejico. De Oostkust is vlak en moerassig en daardoor ongezond (koortsen). De hoogvlakte ten Oosten der Sierra Madre is grootendeels eene woestijn. De zilvergroeven worden gevonden bij Zacatecas, Somlrerete, Guanajuato (52.000 inw.), Potosi, enz.; het grootste deel van den uitvoer bestaat uit zilver. De hoofdplaats Mejico (340.000 inw.) is door een' spoorweg verbonden met de voornaamste haven des lands, Vera-Cruz (24.000 inw.). Mejico is eene republiek.
§ 290. De Landengte van Tehuantepec verbindt Mejico met Midden-Amerika, maar scheidt de berglanden (hier is eene inzinking van nauwelijks 200 M hoogte). Midden-Amerika met zijne vulkanenrij wordt ingenomen door een vijftal republieken: Guatemala, Honduras, SanSxlrador, Nicaragua en CostaricaT In Sept. '97 vereenigïïëii deze 5 staten zich tot de republiek Centraal-Amerika. Het hooge binnenland is gezond; maar de lage Oostkust met hare moerassen en weelderigen plantengroei niet. Ge-
339
wichtige plaatsen zijn er niet. De grootste is Guatemala (70.000 inw.). Aan de Engelschen behoort Britsch-Honduros {Belize).
§ 291. Zuid-Amerika.
Kapen: San Roque, Hoorn.
Golven en straten: G. v. Maracaïho, Allerheiligen-haai, La Plata, Straat Marjelhaen, G. r. Panama.
Eilanden: Trinidad, Mara jo, Yuurlands-arcJnpel, Falk-lands-eil.. Archipel van Patagonië, Chincha-eil.
§ 292. Langs de geheele quot;Westkust loopt een hoog gebergte; Cordillera's de los Andes, met vele vulkanen. In Patagonië nog slechts eene lage keten, heeft het in Chili reeds eene aanzienlijke hoogte: de Aconcagua, in ■het midden der Cordill. van Chili, is 6970 M; de pas ten Zuiden van dezen berg (over welke de telegraaf naar Buenos-Aïres loopt), ligt 3900 M hoog. Langs de kust loopt een gebergte,quot; dat zich naar het Zuiden op de eilanden voortzet. Op de grens van Bolivia splitst zich de enkele keten in tweeën: eene Oostelijke en Westelijke(Psruaan-sche vulkanen-rij). Tusschen beide ligt de hoogvlakte van Bolivia, 4000 M hoog, met het Titicaca-meer. De hoogste toppen zijn hier de Sorata (6550 M) en de Illimani (7300 Mi. Van het Titicaca-meer leidt een spoorweg naar Islay aan de kust; de grootste hoogte op dezen weg is 4580 M.
De Cordillera's van Ptru en van Quito bestaan uit twee •evenwijdige ketens, door dwarsketens verbonden, waardoor een aantal vierhoekige plateaus worden ingesloten, o. a. het Plateau van Quito (onder den evenaar). De hoogste toppen zijn: de Chimhorazo (6800 M), de Antimna.
In Columbia vinden we drie ketens, waarvan de Oostelijke den naam krijgt van Cordillera's van Merida en aansluit aan het Kustgebergte van Venezuela.
Behalve de Cordillera's vinden we nog twee gebergtestelsels : dat van Brazilië en dat van G-uyana. beide nog vrij slecht bekend. Guyana's bergen stijgen niet hooger dan 2500 M. Het bergland van Brazilië bestaat uit plateaus, ■waarop zich lage gebergten verheffen, nergens echter
810
bereiken deze eene hoogte van 3000 M. Op de Plateaus van Matto-Grosso en Mi-
nas-Geraes vindt men diamanten en goud.
§ 293. De drie gebergtestelsels zijn door vlakten gescheiden ; elk dezer vlakten wordt door een
rivierstelsel besproeid en ontleent daaraan haar' naam.
1. de Vlakte van de Orinoco is voor het grootste deel
steppenland; het Noordelijk deel levert koffie, cacao, suiker,
tabak, enz. Men noemt de steppen Llanos.
De Llanos zijn boomlooze, met zacht gras bedekte vlakten. Van de Orinoco tot de Andes vindt men nu en dan een palnv bosch en slechts zelden eene zwakke verheffing van den bodem. Eene hoogte van een paar vademen, eene bank van kalksteen, trekt de
■Bil
opmerkzaamheid van den reiziger en dient den karavaan tot wegwijzer. De bewoners — Llanero's — zijn veehoeders, want ook bij de Orinoco heeft zich, evenals aan de La Plata, liet door de Spanjaarden ingevoerde rundvee tot in millioenen vermenigvuldigd en hoorn en huiden zijn hier de voornaamste handelsartikelen. De Llanero acht het beneden zijne waardigheid, den grond te bebouwen. Geld kent hij ternauwernood: „huiden zijn zijne banknotenquot;.
Die huiden gaan als geld van hand tot hand; zij worden naar de naastbijzijnde rivier gebracht, en verder, dikwijls uit de derde of vierde hand, op booten en schepen naar Bolivar vervoerd, eene hoofdstapelplaats aan de Orinico, het middelpunt van den handel in die streken. De terugvrachten der schepen bestaan meest uit zout, messen, ijzerwaren, katoenen stoffen, enz.; alle zaken,waaraan de Llanero behoefte heeft.
In den tijd der tropische regens, als de Orinoco en hare zijrivieren buiten de oevers treden, wordt hier als 'tware een groot meer gevormd.
2. de Vlakte van den Amazone. De voornaamste zijrivieren zijn de Madeira, de Tapajos en de Eio-Negro. Bij •den mond ligt Marajo (geen delta-eiland), door de Para van het vaste land gescheiden (in de Para stroomt de Tocantins). Waar ontspringen deze rivieren?
De geheele streek is één woud (Selvas); buiten de enkele paden der Indianen vormen alleen de stroomen geschikte verbindingswegen. Slechts enkele plaatsen bieden door moerassige weidevlakten eene afwisseling; in de Braziliaansche oerwouden komt men na eenige dagen reizen aan kleine vlakten of kale sierra's; maar bij den Amazone-stroom moet men daarvoor weken lang reizen. De elk jaar onder water komende streek noemt men Gapó. Hier zijn de wouden een deel des jaars voeten diep onder
34S
water; maar het handelsverkeer houdt ook dan niet op; want de Indianen kennen hier uitstekend de vaarbanen voor hunne booten. Sommige Indianen wonen enkel in de Gapó; gedurende den drogen tijd slaan zij hunne hutten op aan den zandigen oever en daarnevens liggen de vlotten en booten, op welke zij in de natte maanden tusschen de boomen leven. Zij knoopen hunne hangmatten aan takken, die boven den bruisenden vloed hangen; deze geeft hun vele voedingsmiddelen: visschen, schildpadden, enz., terwijl hun de boomen vruchten opleveren.
3. de Vlakte van de Parana. De voornaamste zijrivieren van de Parana zijn de Paraguay en de (Jrugnoy, die beide op het Braziliaansche bergland ontspringen.
In t Noorden worden de Argentijnsche vlakten (Pampas) begrensd door den Gran-Chaco, eene wijde vlakte, nit moerassige streken, dorre zandvlakten en zoutsteppen bestaande, maar toch hier en daar ook met dichte bosschen bedekt, besproeid door Pilconw.jo en Vermejo, beide smal en zonder zijrivieren, nog grootendeels in bezit van vrije, bereden Indianen. Wat de eigenlijke Pampas betreft, op de eerste streek tot 50 uren ten W. van Buenos-Aïres groeien voornamelijk distelen, venkel en klaver; dan volgt (ongeveer 30 uren) een wijd grasveld, voortreffelijk weideland; daarna tredendezoutvlakten en lage landen op, tot aan den Andes gevolgd door doornige struiken. Het grasveld wordt beweid door duizenden verwilderde paarden en koeien; produkten der veeteelt worden dan ook uitgevoerd.
§ 394. De republiek Brazilië is de grootste staat, doch bevat op zijne 8.3(51.000 KM3 slechts 14.950.000 inwoners. In het Noorden is het laag, daar liggen de Selvas; het overige deel wordt ingenomen door iiet Bergland van Brazilië- De smalle vlakte langs de kust is vruchtbaar. De voornaamste produkten zijn: koffie (B. levert de helft van alle koffie, die in den handel komt) suiker, katoen,
345
tabak, verf- en cederhout, caoutsjouk, enz. Aan den bovenloop van de San-Francisco vindt men diamanten. De belangrijkste plaatsen zijn; Rio Janeiro (528.000 inw.; uitvoer van Rio-koffie), Baliia (200.000 inw.; uitvoer van tabak, baai-tabak), Pernambuco (190.000 inw.; verfhout), Santos (35.000 inw.; uitvoer van Santos-koffie), I'orto-Alegro (50.000 inw.; hoofdhaven voor 't Zuidelijk deel des lands, waar vele Duitschers wonen). S. Paolo, fabrieksstad (131.000 inw.). In 't Noorden Para (65.000 inw.).
Van Guyana behoort het middelste deel aan Nederland, het Westelijke aan Engeland, het Oostelijke aan Frankrijk. De Corantijn en de Maroiuyne wijzen de grenzen aan. Het Noordelijk deel is laagland, het Zuiden bergland. De hoofdstad van het Nederl. deel (Suriname) is Paramaribo, van het Engelsche GmrgeUncn (56.000 inw., uitvoer: suiker en rum), van liet Fransche Cayenne (10.000 inw.).
De kusten, hier en daar moerassig, zijn met mangrove-bosschen bedekt. Achter dezen gordel ligt het vruchtbare alluviale laagland. Een groot deel van den grond is met dichte wouden bedekt, waarin men zich met de bijl in de hand een' weg moet banen; hier en daar zijn deze bosschen door savannen afgebroken. De warme, vochtige lucht roept weliswaar eene grootsche plantenwereld in 't leven; doch maakt ook, dat de Europeaan er slecht werken kan. Onze bezitting Suriname gaat niet vooruit. Cacao, suiker, rijst, katoen, kan zij leveren; maaide plantages verkeeren in geen bloeienden toestand; vele zijn verlaten, sedert er door de afschaffing der slavernij groot gebrek aan arbeiders is, daar de negers gewoonlijk niet verkiezen te werken. Belangrijk is de goudproductie. — Aan de Suriname of Rivier van Par. ligt Paramaribo, de eenige belangrijke plaats, met 29.000 inw.
De republiek Venezuela behoort bijna geheel tot het ■ stroomgebied van de Orinoco. De produkten worden uitgevoerd te La Guayra, de haven van de hoofdstad Caracas
Ten Have. Beknopt Leerboek der Aardrykskunde. 5e druk. 22^'
346
(72.000 imv.). Valencia (39.000 inw.) is eene stapelplaatsvoor de koffie en de cacao, die door Porto-Cabello (10.000 inw.) wordt uitgevoerd.
Tot de republiek Columbia behoort de landengte van Panama. De kuststreken van dezen staat zijn zoo goed als onbewoond, daar zij door de moerassige gesteldheid ongezond zijn. De dalen der rivieren (Boven-Magdalena) zijn nevens de hoogvlakte beter bevolkt. Hoofdstad is Bogota (110.000 inw.), eene der fraaiste plaatsen van Zuid-Amerika. Eene belangrijke haven is Cartagena.
Ecuador (dit land ligt onder den aequator) is alleen in de koelere bergstreken goed bevolkt. De hoofdstad is Quito,. (40.000 inw.), de uitvoerhaven Guayaquil (uitvoer cacao; 45.000 inw.).
Peru is grootendeels bergland: het bevat den bovenloop van den Amazone en van rechter-zijrivieren van deze; de dalen loopen evenwijdig. De hoogvlakten liggen meer dan 3500 M boven den zeespiegel en zijn koel en gezond.
De Oostelijke hellingen der Cordillera's zijn — gelijk overal — met ondoordringbare wouden bedekt. De heete, regenlooze kustvlakte levert suiker; hier ligt de hoofdstad Lima (105.000 inw.), door een' spoorweg met do haven CaÏÏao (35.000 inw.) verbonden. Arequipa (30.000 inw.) ligt aan den spoorweg Titicaca-meer—Islay. In de nabijheid van de oude hoofdstad Cuzco (22.000 inw.) zijn zilvermijnen. Lama's en alpaca's leveren wol, de Ohincha-eilanden guano.
Van Bolivia zijn de Oostelijke dalen vruchtbaar; het land is rijk aan metalen (zilver bij Potest); de voornaamste plaatsen zijn La Paz (40.000 inw.) en Chuqusaca (24.000 inw.). Handelsmiddelpunt is Oruro.
Chili is in 't midden en Zuiden vruchtbaar (landbouw, veeteelt). De landbouw levert vooral tarwe; in 't Noordelijk deel, dat zeer dor is (Atacama-woestyjri) vindt men salpeter en zilver (uitvoerplaats: Antofogasta). De hoofdstad is Santiago (200.000 inw.), dat Valparaiso (105.000 inw.) tot
347
haven heeft. Chili is de best geordende staat onder de Zujdamerikaansche republieken.
De bevolking van Uruguay leeft voornamelijk van de veeteelt; toch begint ook het fabriekswezen zich te ontwikkelen, o. a. in de hoofdstad Montevideo (190.000 inw.), eene belangrijke handelsstad; Fray-Bent os heeft fabrieken voor vleesch-extract, dat naar alle deelen der wereld wordt verzonden; Maldonado (kopererts). Ook de wijnbouw gaat vooruit.
Paraguay is wel vruchtbaar, maar wordt slecht bebouwd; de voornaamste handelsartikelen zijn de Paraguay-thee, maïs en tabak; hoofdstad: Asuncion (35.000 inw.).
Argentina bestaat grootendeels uit de Pampas met hunne kudden paarden, runderen en schapen en de halfverwil-derde Gaucho's (herders). Uitvoerprodukten: huiden, vleesch, wol, enz. Het land neemt meer en meer in bloei toe, doch heeft den laatsten tijd met ftnancieele moeilijkheden te kampen. Buenos-Aires (587.000 inw.) is de voornaamste handelsstad. Rosario (51.000 inw.), belangrijke haven aan de Parana, is door spoorwegen met het binnenland verbonden (o. a. met Tacuman en Cordova (50.000 inw.) voor den binnenlandschen handel).
In het najaar van 1S82 werd aan de La Plata op eene plaats, waar niets dan gras en bouwland te zien was, de eerste steen gelegd voor eene nieuwe stad, La Plata. Twee jaren later (Sept.'84) telde deze handelsplaats reeds 35.000 inw., in 1892 52.000.
Patagonië is grootendeels eene met boomlooze steppen bedekte vlakte.
§ 295. De oorspronkelijke bewoners zijn de Amerikanen (Roodhuiden). Sluike, grove, zwarte haren, een onontwikkelde baard, een laag, naar achter gedrukt voorhoofd, zijn kenmerken, die alle stammen gemeen hebben. De huidkleur loopt van lichtgeel tot donkerbruin; de koper-roode kleur, die het ras den naam van Roodhuiden heeft bezorgd, wordt slechts bij zeer enkele Noordamerikaansche stammen aangetroffen.
348
I. Noord-Amerikanen. Het N. van Britsch-Amerika wordt dooide Athapasken bewoond, nomaden, die van Jacht en vischvangst leven. Zuidelijker wonen de Zwartvoeien, geduchte krijgers. De Sioux wonen tusschen den Saskatscha-van en den Arkansas. Naar 't Zuiden treffen we een groot aantal kleine stammen aan;dielangsdeNoord-quot;VVestkustziju goede zeevaarders (de „Noormannen der Nieuwe Wereldquot;).
In zijne tent {wigwam) brengt de Indiaan den dag roo-kend en droomend door; slechts gebrek aan voedsel noodzaakt hem zijne zorgelooze rust te verlaten en op de jacht te gaan. Nauwelijks echter is door eene gelukkige jacht
het voedsel voor eenigen tijd toereikend, of hij keert weder tot zijno vorige kalmte terug. — Bewonderenswaardig is de gelatenheid, waarmede hij de hevigste pijnen doorstaat. Wie de felste smarten
f niet kan velen, zonder het ^ gelaat te plooien, is geen man: hij wordt onder de P knapen gerangschikt. Van
'j die zelfbeheersching leggen hunne dansen getuigenis
af. De „Groote Geestquot; vertegenwoordigt de Godheid, de dansen geschieden te
zijner eer en de toovenaar (medicijnman, die dezelfde rol vervult als de sjamaan in Noord-Azië) laat niet na bij die gelegenheden den Grooten Geest om veel wild en goede paarden te smeeken.
Enkele stammen zijn uitgestorven, andere hun' ondergang nabij, sommige vermeerderen in aantal zielen. Sterke dranken („vuurwaterquot;) hebben veel tot de ontaarding dezer natuurmenschen bijgedragen. Daarbij komt, dat de jachtgebieden meer en meer beperkt worden, sommigen stammen
349
zijn bepaalde landstreken in de „reservationsquot; aangewezen; de „bleekgezichtenquot; trekken steeds verder Westwaarts en de landbouwende blanke is de natuurlijke vijand van den jageuden Indiaan („het geslacht der korenzaaiers verdelgt het geslacht der vleeschetersquot;).
Mejico werd in den ouden tijd — evenals Peru — door volken bewoond, wier beschaving terecht de verbazing der Spanjaarden wekte. In beide landen is thans de toestand der bewoners geheel anders; zij zijn volkomen in den vrij onbeschaafden toestand teruggezonken, zonder twijfel vooral door toedoen der onderdrukkers. Overal treft men echter nog de overblijfselen van de grootsche bouwwerken hunner ontwikkelde voorvaderen aan.
II. Zuid-Amerikanen. In het Noorden wonen de Caraïben; in 't algemeen zijn zij traag en arbeiden alleen uit nood. De jacht is ook hun voornaamste bedrijf, hoewel zij ook veel plantenvoedsel nuttigen (wortels der cassave, bataten, maïs, palm vruchten). Met het blaasroer weten zij tot op grooten afstand vergiftige pijltjes te blazen. De vrouw verricht den arbeid: van den vroegen morgen tot den laten avond *is zij bezig; zij bewerkt ook het veld en 's nachts moet zij de kleine vuren onderhouden, wier rook de muskieten verdrijft. — Ook hier zijn toovenaars gewichtige personen.
De Braziliaansche stammen zijn groot in aantal; maar tellen gezamenlijk weinig meer dan 1 millioen zielen. Ten deele zwerven zij vrij in de wouden rond en dan zijn ze de schrik der reizigers, dan zijn ze wild en roofgierig en leven van de jacht, de vischvangst en de pro-dukten, die hun de boomen opleveren; ten deele hebben zij vaste woonplaatsen en zijn bedienden, handwerkslieden, visschers, jagers, enz.; zeer velen verdienen hun brood als schippers op de vaartuigen, die produkten brengen naar of van het binnenland.
Voor de Vunrlanders zie men § 65.
Van ' de ingedrongen volken moeten we de Bo-
351
rcanen en de Germanen in de lc plaats noemen. De Eomanen kwamen liet eerst (15° en 16° eeuw), en wel om goud, de Germanen om politieke redenen. Van de Eomanen zijn het vooral de Spanjaarden en Portuyeezen, die hun deel aan de bevolking van Amerika hebben geleverd; om te bevroeden redenen komen zij het meest n West-Indië, Me-jico en Zuid-Amerika voor (West- en Oostkust). Hunne nakomelingen heeten Creolen. Germanen hebben zich overal in Noord-Amerika gevestigd, hoofdzakelijk in de Unie;
in Canada (vroeger Fransch) vindt men èn Eomanen On Germanen. Negers hebben zich niet vrij -willig ! naar het nieuwe werelddeel begeven, maar werden sedert 1510, nog meer na 1517, door slavenhandelaars daartoe gedwongen (werken in mijnen en op plantages). Chineezen zijn aan de Westzijde,, voornamelijk in Californië, ingedrongen. Na de afschaffing der slavernij komen* ook Chineesche (en Indische) koelies op de plantages en in de mijnen werken.
Het kind van een' blanke en eene Negerin heet: Mulat; dat van een' blanke en eene Indiaanschu Mesjes, dat van een' Neger en eene Indiaansche-Zatnbo. Mulatten vindt men het meest in Brazilië-(S mill. Negers en Mulatten) en in het Zuiden der
352
Unie. In de Zuidamerikaansche republieken zijn weinig Negers; behalve in Brazilië en de Unie, is hun aantal op de Antillen nog aanzienlijk. Voor de toekomst schijnt Amerika weinig van deze bewoners te wachten te hebben.
Wij. moeten er ten slotte op wijzen, dat het grootste deel der bevolking van Amerika uit ingekomen volken en kleurlingen bestaat; Roodhuiden zijn gewoonlijk slechts gering in aantal. Zoo zijn in Mejico Ys der bewoners Mestiezen en bevinden er zich V/* mill. Creolen; in Midden Amerika is de verhouding dezelfde; in Columbia behoort 2/s tot de Mestiezen; nog niet Vio van Braziliës bevolking behoort tot de Indianen.
|
Staten. |
Grootte in KM2. |
Bevolkingr. |
|
Vereenigde Staten. . . . |
. . 9.212.000 |
68.000.000 |
|
Mejico........ |
12.000.000 | |
|
'Guatemala....... |
1.365.000 \ | |
|
Salvador . ,..... |
. . 21.000 |
880.000 | |
|
Nicaragua ....... |
. . 124.000 |
350.000 V |
|
Honduras ....... |
432.000 ( | |
|
Costarica....... |
. . 54.000 |
263.000 J |
|
Brazilië........ |
14.950.000 /-u t gt; 5 | |
|
Venezuela...... |
. . 1.044.000 |
2.324.000 '/v |
|
Columbia....... |
. . 1.203.000 |
8.920.000 'Z4- |
|
Ecuador........ |
. . 307.000 |
1.400.000 7i |
|
Peru......... |
. . 1.137.000 |
3.000.000 //' |
|
Bolivia........ |
2.270.000 3.414.000 | |
|
Chili......... |
. . 776.000 | |
|
4.350.000 ' — / | ||
|
'Uruguay ....... |
. . 179.000 |
793.000 V.-v-n |
|
Paraguav....... |
. . 253.000 |
480.000 ' rrr |
|
Britsch-Noord-Amerika . |
. . 6.367.000 |
5.035.000 |
AANWIJZINGEN
OMTRENT DE
UITSPRAAK YAN NAMEN.
|
Aal borg, Jutland (oolborg). Aarhuus, Jutland (óorhuus). Abo, Finland (óbo). Abóekir, Egypte. Agnano-meer, Italië (anjano). Ajaccio, Corsica (ajatsjo). Alands-eil., Oostzee (ólands). Alexandrowsk, Rusland (alexandrofsk). Ancóna, Italië. o T . Angeruian-elf, Zweden (ónjerman). Aranjuez, Spanje (aranguéez). Arequipa, Peru (arekipa). Atacama, Chili. Atbara, Afrika (iltbara). Bahia, Brazilië (baiil). Bakony-woud (bakonj-). Bakoe, Rusland. Kaai), Achter-Indië. Barbados, West-Indië. Batóem, Kaukasië. Bemires, Voor-Indië. Berditsjew, Rusland (berdietsjef). Beresow, Siberië (berjósof). Bochetta-pas, Italië (boketta-). Bonifacio, Midd. zee (bonifatsjo). Braïla, Roemenië. Brégenz, Vorarlberg. Brescia, Italië (brésja). Buenos Aires (buénos aires). Bukkefjord, Noorwegen (bükkefjoor). Cagliari, Sardinië (kaljari). |
Callao, Peru (kaljao). Campagna di Roma (kampanja). Caracas, Venezuela. Casiquiare, Z.-Amerika (kassikiare). Cauca, Z.-Amerika (k.i-oeka). Cerigo (tsjerigo). Ceuta (cé-oeta). Chemnitz, Saksen (kémnits). Chiem-meer, Beieren (kiem-). Chili (tsjili). Chiloe, Groote oceaan (tsjilóe). Chimbora90 (tsjiemborasso). Chincha-eil., Peru (tsjientsja-). Chioggia, Italië (kiodsja). Civita Vecchia (tsjiwita wékkia).. Cochabamba (kotsjabamba). Comacchio, Italië (komakkio). Cordillera, Z.-Amerika (kordieljéra). Czernowitz, Bukowina (tsjerno-witz). Debreczin, Hongarije (débretsin). Dievenow (dieveno). Donetz, Rusland (clonjéts). Dovrefjeld, Noorw. (dówrefjpl). Dulcigno (dultsjienjo). Erivan, Armenië. Erseróem, ,, Esseqnibo, Guyana (essekibo). Ferrara, Italië. Foggia, Italië (fodsja). Fray Bentos (fraï wéntos). |
354
|
'Galapagos-eil., Gr. oceaan. Galata, deel v. Konstantinopel. Galdhöpig, Noorwegen. Gargano, Italië. Gauchos, Argentina (gantsjos). Girgenti, Sicilië (dsjirdsjénti). Godavari, Voor-Indië. Godthaab. Groenland(g(5dlioo1j). Gudalqnivir (gwadalkiwier). Guanajuato, Mejico (gwanaguato). Guayaquil, Ecuador (gwajakiel). Hardanger-fjord (-fjoor). Hegyalja, Hongarije (hédjialja). Himalaja. Hjelmar-meer, Zweden (jélmar). Indianapolis, Unie. Ischia, bij Napels (iskia). Jaroslaw, Galicië (jarosslaf). Jenil, Spanje (genü). Jorullo, Mejico (gorüljo). Juist, Oostfriesch eiland (juust). Kasbék, Kaukasus. Kecskemet, Hongarije (kétsjkemet). Kisjinew, Rusland (kisjinjóf). Kisil-Irmak. Klein-Azië. Kjölen, Scandinavië (Kolen). Kjoetahia, Klein-Aziii. Laaland, Denemarken (loolan). La Coruiia, Spanje (korünja). Ladoga-meer. Lago Maggiore (madsjóre). La Guayra, Venezuela (gwa-ira). Legnano, Italië (lenjilno). Llanos, Z -Amerika (Ijiinos). Loealaba, Afrika. Lund, Zweden (lun). Macao, bij Kanton (makaoj. Magyaren, Hongarüe (madjaren). Mallorca, Midd. zee (maljórca). Mancha, Spanje (mantsja). Maraüon, Amazone (maranjón). Maritza, Tui'kiie. Maros, Hongarije (marosj). Métzovo, Turkije. Minas Geraes, Brazilië (minas sjeraes). |
| Mincio, Italië (mintsjo), Minho, Portugal (minjoe). Mississippi, Unie. Mohacs, Hongarije (móhaatsj). Mobitew, Rusland (mogiljóf). Mórawa, Servië. Moskwa, Rusland. Munkacs, Hongarije (mimkaatsj). Niagara, N.-Amerika. Oglio, Italië (óljo). Para, Brazilië. Paraguay (paragwa-i). Paranabyba, Z.-Am. (parana-Iba). Pavia, Italië. Peru. Perugia, Italië (perudsja). Peschiera, Italië (peskiéra). Petropawlowsk, Kamtsjatka (-pawlofsk). Piacenza, Italië (piatsjétsa). Pichincba, Ecuador (pitsjintsja). Popocatépelt, Mejico. Procida, bij Napels (prótsjida). Quito, Ecuador (kito). Reggio, Italië (reddsjo). Reus. Spanje (ré-ns). Rhadiimes, oase, in N.-Afrika. Rhódope-geb., Turkije. Rimini, Italië. Sahara, woestijn. Saloniki, Turkije. Saniüra, Rusland. Samóa-eil., Gr. oceaan. Sana, Arabië. Santiago. Serajewo, Bosnië. Saratow, Rusland (saratof). Simipalatinsk, Siberië. Serra do Espinbaco (espinjazo). Setuval, Portugal. Sevilla, Spanje (sewielja). Seychellen, Ind. oceaan (sesjéllen). Sierra Nevada, Spanje en Amerika. Simbirsk, Rusland. Simferopol, de Krim. Sinigaglia, Italië (sinigalja). |
♦
3o5
|
Smaland, Zweden (smoland). Sofiila, Afrika. Sofia, Boelgarije. Sognefjord, Scandinavië (sonjefjoor). Sókoto, Soedan. Sokótra, Ind. oceaan. Sóelina, Donau-arm. Tagliamento, Italië (taljamento). ïambow, Rusland (tambof). Tangev, Marokko (tandsjer). Temesvar, Hongaiije (temesjwaar). Terek, Kaukasië ftjérek). Tiéntsin, China. Tooantins, Z.-Amerika. Toledo, Spanje. Tollma, Z.-Amerika. Tornea (torneo). |
Trapani, Sicilië. c Umea, Zweden (ümeo). Upsala, Zweden (üpsala). Valladolid, Spanje (waljadolid). Valparaiso, Chili (-walparaiso). Vasarhely, Hongarije (wasjarhelj). Vercelli, Italië (wertsjelli). Waldaï, Rusland (waldaï). Wieliczka, Galicië (wjielietsjka). Wladikawkas, Kaukasië. Wólogda, Rusland. Worónesch, Rusland. Wjtsjegda, Rusland. Ymestjeld, Noorwegen (umesfjel). Toseraite, Calafornië (josémmitti). Ystad, Zweden (ustad). Zarïzin, Rusland. |
INHOUD.
INLEIDING.
A. Uit de Wisknndige Aardrijkskunde.
Bladz.
I. GEDAANTE EN «KOOTTE DER AARDE..................5
II. BEWEGING DER AARDE 051 HARE AS..................ti
III. PLAATSBEPALING................................8
IV. BEWEGING DER AARDE 031 DE ZON..........11
V. DE MAAN...................14
B. Uit de gt;Tatniirknmlige Aardrijkskunde.
VI. DE LUCHT..................1G
VII. HET WATER EN HET LAND............29
.VIII. PLANTEN EN DIEKEN..............57
C. Uit de Volkenkunde.
IX. DE BESCHAVING................60
X. INDEELING DEB MENSCUEN............66
DE WERELDDEELEN.
A. Orerzicht..................71
B. Europa....................75
1. Algemcene beschouwing............75
2. De Alpen....................................82
3. Zwitserland................90
4. Duitschland.................98
5. Oostenrijk-Hongarje..............128
6. Het Balkan-schiereiland............143
7. Het Apennijnsche „ . ........., , 157
8. Het Iberische „............171
9. Frankrijk.................185
10. België..................202
II. Luxemhurg.................210
12. Denemarken.................210
13. Scandinavië.................215
14. Rusland..................225
15. Gr.-Br. en Ierland..............242
C. Afrika....................256
D. Azië....................281
E. Australië..................307
F. Amerika...................319